summaryrefslogtreecommitdiff
diff options
context:
space:
mode:
authorRoger Frank <rfrank@pglaf.org>2025-10-15 05:28:03 -0700
committerRoger Frank <rfrank@pglaf.org>2025-10-15 05:28:03 -0700
commitd6400117ef5aec6366028470f0a45718944c449f (patch)
tree58ba78080466b7cc3287d345533f7262ba0f42b5
initial commit of ebook 6712HEADmain
-rw-r--r--.gitattributes3
-rw-r--r--6712-8.txt10408
-rw-r--r--6712-8.zipbin0 -> 211523 bytes
-rw-r--r--LICENSE.txt11
-rw-r--r--README.md2
-rw-r--r--old/7akba10.txt10374
-rw-r--r--old/7akba10.zipbin0 -> 210520 bytes
-rw-r--r--old/8akba10.txt10374
-rw-r--r--old/8akba10.zipbin0 -> 211038 bytes
9 files changed, 31172 insertions, 0 deletions
diff --git a/.gitattributes b/.gitattributes
new file mode 100644
index 0000000..6833f05
--- /dev/null
+++ b/.gitattributes
@@ -0,0 +1,3 @@
+* text=auto
+*.txt text
+*.md text
diff --git a/6712-8.txt b/6712-8.txt
new file mode 100644
index 0000000..d4c2103
--- /dev/null
+++ b/6712-8.txt
@@ -0,0 +1,10408 @@
+Project Gutenberg's Akbar, by Petrus Abraham Samuel van Limburg Brouwer
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+
+Title: Akbar
+
+Author: Petrus Abraham Samuel van Limburg Brouwer
+
+Posting Date: June 6, 2012 [EBook #6712]
+Release Date: October, 2004
+First Posted: January 18, 2003
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding: ISO-8859-1
+
+*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK AKBAR ***
+
+
+
+
+Produced by Jeroen Hellingman, Miranda van de Heijning,
+Charles Franks and the Online Distributed Proofreading Team.
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+AKBAR
+
+EEN OOSTERSCHE ROMAN
+
+Mr. P.A.S. van Limburg Brouwer
+
+
+
+INLEIDING
+
+De grootsche figuur van Keizer Akbar, den beheerscher van Indië
+in het laatst der zestiende eeuw (1556-1605), scheen mij om meer
+dan ééne reden zoozeer aller belangstelling te verdienen, dat ik
+niet aan de verzoeking heb kunnen weerstaan, hem als hoofdpersoon
+te doen optreden in eene romantische schets, welke ik hierbij ons
+publiek waag aan te bieden.
+
+Voor den lezer, die gesteld mogt zijn op eene nauwlettende
+onderscheiding tusschen hetgeen er wezenlijk historisch in het
+boek voorkomt en wat daarin is verdicht, strekke het volgende.
+
+Bepaald geschiedkundige personen, behalve Akbar zelf, zijn: Selim,
+zijn zoon; Aboel Fazl, zijn Vizier; diens broeder Feizi; Abdal
+Kadir Badaoni; Rodolpho Aquaviva, de Jezuïet, en enkele anderen
+van minder beteekenis. Parviz behoort mede tot de geschiedenis
+maar droeg een anderen naam. Nandigoepta is wel geen historisch
+persoon, maar toch een type, gelijk er meer dan een in de
+geschiedenis van Indië, en in 't bijzonder van Kaçmir, valt aan
+te wijzen. Zoo ook Gorakh en zijne Worgers. En Iravati blijft in
+zeker opzigt eene historische figuur, voorzoover zij het beeld der
+echt Indische vrouw moet vertegenwoordigen, gelijk die in het
+drama en de legende van Indië ons wordt voorgesteld. Verscheidene
+gezegden eindelijk, den personen in den mond gelegd, zijn mede
+historisch.--In enkele punten is, om ligt begrijpelijke redenen
+eenigszins van de werkelijke geschiedenis afgeweken: tijdens Akbar
+regeerden in Kaçmir geen Hindoe-vorsten meer, hoewel het land voor
+'t overige volkomen Indisch bleef; de aanslag van Selim, waarvan
+de bijzonderheden mede eenigszins gewijzigd zijn voorgesteld,
+geschiedde gedurende den togt niet tegen Kaçmir, maar tegen
+Dekkan; Feizi was ouder dan Aboel Fazl en stierf vóór diens moord;
+Fattipoer ligt iets verder van Agra dan 't in het verhaal is
+voorgesteld. Op de beoordeeling van het karakter der feiten en der
+personen kunnen dergelijke geringe afwijkingen intusschen wel van
+geen invloed zijn.
+
+In den stijl van het werk is, in 't bijzonder bij de gesprekken,
+voorzooveel zonder slaafsche navolging en zonder misbruik van
+vreemde woorden doenlijk scheen, naar behoud van den Oosterschen
+vorm gestreefd, en bij de spelling van eigennamen meer gelet op
+gemak voor den lezer dan op de eischen eener streng wetenschappelijke
+schrijfwijze. De hier en daar ingevoegde gedichten zijn allen door mij
+bewerkt naar den oorspronkelijken Oosterschen tekst.
+
+Eene uitvoerige opgave van de bronnen, die bij de zamenstelling
+hebben gediend, zal men hier wel niet verlangen; en den
+geschiedkenner ware daaromtrent ook niet veel nieuws mede te
+deelen. Hij toch weet, dat de geschriften van Aboel Fazl en Abdal
+Kadir de voornaamste oorspronkelijke bronnen voor de kennis van
+Akbar's leven, instellingen en begrippen zijn, waaruit de meeste
+latere, zoo Oostersche als Westersche schrijvers hebben geput, en
+dat de berigten der Jezuïeten uit het Hindostan van zijn tijd,
+schoon menigmaal blijkbaar onjuist, toch in vele opzigten tot
+aanvulling en verklaring dienen van die der Perzische geschiedschrijvers.
+Nauw ook eischt vermelding dat verscheidene nieuwere historische werken
+van meer of minder uitgebreidheid, reisbeschrijvingen en plaatwerken in
+dezen geraadpleegd zijn. Voor het meer bepaald Indische in den roman
+dienden hoofdzakelijk de verschillende legenden, vertellingen, romans en
+drama's, die uit de Sanskritlitteratuur zijn tot ons gekomen, en voor de
+eigen wijsgeerig-godsdienstige begrippen van Akbar, die overigens nog 't
+best uit het geschrift van zijn voornaamsten tegenstander, Abdal
+Kadir, zijn op te maken, de Vedische of oud-Indische voorstellingen,
+waaraan hij meerendeels zijne eigene moet hebben ontleend. Door andere
+schrijvers schijnt op dit laatste te weinig acht te zijn geslagen. Eéne
+bron verdient nog bijzondere vermelding, omdat ze tot heden niet bekend
+werd: de velerlei mededeelingen omtrent land en volk door de kooplieden
+onzer Oost-Indische Compagnie, die kort na Akbars regering te Soeratta
+en te Agra waren gevestigd en wier brieven nog worden bewaard in ons
+oud-koloniaal archief.
+
+Bij alle zorg voor nauwkeurigheid blijft in eene proeve als deze
+de mogelijkheid van vergissingen en onjuistheden, vooral wat
+plaatsbeschrijvingen aangaat, nog altijd bestaan. In zoover die nu
+hier of daar mogten zijn ingeslopen, kan de schrijver wel niet
+anders dan voorloopig daaromtrent verschooning vragen en zich
+aanbevolen houden voor gegronde teregtwijzing.
+
+Den Haag, October 1872. v. L. B.
+
+
+
+EERSTE HOOFDSTUK.
+
+Een kluizenaar
+
+Met rooden gloed schoten de laatste stralen der ondergaande zon,
+weerkaatst door de purpergetinte sneeuwvelden van den Bhadrinâth,
+langs de steile hellingen van het Himâlaya-gebergte, terwijl een
+zachte zuidenwind de geuren der bosschen en bloemen uit de dalen
+omhoog dreef naar de toppen der bergen. Eeuwen en eeuwen lang
+hadden de stralen dierzelfde zon diezelfde hellingen dus beschenen
+en waren gelijke geuren omhoog gestegen, zonder stoornis of
+verandering, zoo 't schijnen mogt, dier altijd jeugdige, maar
+eenzame natuur, terwijl daar omlaag in verre verte menschen
+kampten en magtige rijken verrezen en vernietigd werden, en
+diepdenkende vernuften zich afpijnden om doel en laatsten grond te
+vinden voor het bestaan van het heelal.
+
+Ook nu,--'t was in het laatst van de zestiende eeuw onzer
+jaartelling, toen Djelal-ed-din Mohammed, bijgenaamd Akbar of de
+Groote, en onder dien naam meest bekend, het magtig rijk der
+Mogols in Hindostan ten toppunt verhief van glans,--ook nu bleef
+dat hooge gebergte, nauw toegankelijke zetel eenmaal der Indische
+Deva's, lusthof thans van Britsche aristocraten, nog een wild en
+onherbergzaam, door menschenvoet weinig betreden oord. Ook thans
+was 't enkel de roep van een snel voorbijtrekkenden roofvogel, die
+nu en dan, of 't zacht eentoonig gegons der op en neder dansende
+insectenzwermen, dat nauw hoorbaar de eindelooze stilte brak. Toch
+bleef die plek niet zoo volkomen eenzaam als een min opmerkzaam
+beschouwer alligt zou hebben ondersteld. Diep gedoken en als
+verborgen in het hooge gras der berghelling lag, behagelijk
+uitgestrekt, een groote fraai gevlekte tijger, droomend en als in
+wijsgeerige rust opziend nu eens naar de hooge sneeuwkruinen, dan
+weer de oogen sluitend voor het nog schelle licht, en omlaag
+starend naar de liefelijke groene vallei, die daar beneden zich
+uitbreidde tot waar nogmaals andere berggevaarten hunne toppen
+verhieven om ten laatste zaam te smelten met den wazigen
+veelkleurig getinten horizont. Waar hij aan dacht, soms dus omhoog
+blikkend, soms nederziend in de diepte? Misschien wel, met
+nevelachtig weer opdoemende herinnering, aan de tijden toen hij
+onder eene andere gedaante als magtig Râdja nog heerschte in het
+weelderig Kaçmir, en vasallen zich bogen aan zijne voeten en
+schoone vrouwen dongen om de eer van zijn oogopslag. Of was dat
+prachtige, koninklijke dier werkelijk niets anders dan een
+reusachtige kat, een monster der wildernis en niet veeleer een
+nieuw hulsel voor de verdoolde ziel van een eenmaal trotsch en
+overmoedig heerscher. Ook nu nog was hij de Koning der woestijn,
+waarin geen leeuw hem den voorrang kwam betwisten; ook nu nog
+toonde de fiere blik waarmede hij bij wijlen in 't ronde staarde,
+dat hij zijner magt zich bewust bleef, en bewezen zijne gladde
+bewegingen en bevallige wendingen wanneer hij soms wisselde van
+houding, dat hij even ridderlijk zich aan de voeten eener schoone
+prinses had weten neer te vleijen als, trotsch zich oprichtend, te
+gebieden over zijne minderen in rang. Doch eensklaps als uit zijne
+mijmering opgeschrikt, sprong hij omhoog en luisterde.... Een
+geluid, een klank van menschenstemmen trof uit de verte zijn
+fijngeoefend oor.
+
+En inderdaad, schoon op nog tamelijk verwijderden afstand, kwam,--wél
+ongewoon verschijnsel hier!--een groep ruiters langs het eenig
+begaanbare gedeelte van den bergrug afdalen naar de vlakte. Een
+jong, bevallig man, wiens rijke kleeding en fiere houding hem
+terstond als edelman deden herkennen, nevens een meer bejaarden in
+stemmiger gewaad, en achter hem twee dienaren. De eerste op een
+kleinen, maar krachtig gebouwden en vluggen schimmelhengst van
+edel ras, de ander op een zwaarder, donker paard, de dienaren op
+grofharige maar sterke bergpaarden. De jongeling droeg een blauw
+zijden, naar onderen openhangend en met gouden knoopjes versierd
+wambuis, wijde broek en roode schoenen, een ligte muts met een
+hooge door een diamant vastgehouden veder op het hoofd, een korte
+sabel met fraai gevest ter zijde nevens een met edelgesteenten
+bezetten dolk in den rijkgestikten gordel, en een lange speer in
+de rechterhand. Zijne gestalte was rijzig en van eene volmaakte
+evenredigheid, zijn schoon, regelmatig gelaat was blank en slechts
+even door de zon getint, terwijl zijne donkere oogen en lokken en
+een fijne bruine knevel de helderheid zijner kleur, onmiskenbaar
+teeken van het echt oorspronkelijk Arisch ras, nog schenen te
+verhoogen. Zijn oudere medgezel, een krachtige, breedgeschouderde
+figuur, vertoonde een eenigszins donkerder tint, schoon de
+regelmatigheid zijner gelaatstrekken hem evenzeer als een man van
+hetzelfde bloed deed herkennen. Hij had een fraaijen gekrulden
+baard, die bijkans de helft van zijn gelaat mogt verbergen; een
+groote witte tulband dekte zijn hoofd, en zijne gestalte hulde
+zich in een lang, tot bijna aan de voeten reikend, om het midden
+met een vergulden gordel vastgehouden kleed van donkere, maar
+fijne stof; ook hij was gewapend met sabel en speer en om zijne
+schouders hing een klein, rond schild. De dienaars droegen anders
+niet dan wijde, los omgeslagen mantels over de anders weinig
+bedekte bronskleurige leden; verscheiden helblinkende koperen
+ringen, onder 't voortrijden een rinkelenden klank veroorzakend,
+sierden hunne enkels en polsgewrichten; korte speren en ronde
+schilden vormden hun wapentuig.
+
+Uit de gesprekken hunner meesters ware spoedig op te maken
+geweest, wie deze waren, van waar zij kwamen en welk het doel van
+hunner reis. De jonge edelman, Siddha Rama, was de zoon van den
+eersten minister van Kaçmir en door zijn vader met het overbrengen
+van belangrijke brieven naar het hof van Keizer Akbar of den
+Grooten Mogol, te Agra, belast, waar hij tevens het bevel zou
+aanvaarden over eene afdeeling Radjpoet-ruiterij, die onder de
+hulptroepen van het keizerlijk leger dienst had te doen. Hij werd
+vergezeld door zijn leermeester Koelloeka, een Brahmaan van
+afkomst, en deels geleerde, deels krijgsman, die hem zoowel in de
+oorlogskunst en alle ridderlijke oefeningen als in de aloude
+heilige taal en de daarin gestelde klassieke en gewijde schriften
+had onderwezen. Alvorens echter den togt naar Agra voort te
+zetten, hadden zij een bezoek te brengen aan een kluizenaar in het
+gebergte, om vervolgens naar Allahabad te vertrekken, waar
+Siddha's oom in naam des Keizers bevel voerde over het fort aan
+het vereenigingspunt van Ganges en Djoemna, en waar ook de
+verloofde van Siddha, de jeugdige Iravati, dochter van den
+Goeverneur, met verlangen naar het aangekondigd bezoek van haar
+toekomstigen echtgenoot uit bleef zien.
+
+--Maar, eerwaarde Koelloeka!--sprak Siddha, na een tijdlang
+stilzwijgend naast zijn leermeester te hebben gereden,--gij, die
+zoo goed hier den weg kent, vertelt mij dat wij nu vlak bij de
+kluizenarij van Gaurapada Bhikshoe moeten zijn, en ik zie toch
+niets wat maar op een kluis of zoo iets gelijkt. Zou de heilige
+man ook soms zijn verhuisd?
+
+--Geduld maar, mijn jonge driftkop!--antwoordde de Brahmaan,--zoo
+aanstonds komen wij aan een wending van den berg, die ge van hier
+nog niet zien kunt, en als wij daar zijn, zult gij spoedig genoeg
+het kleine bosch in de vallei zien liggen, waar Gaurapada zijn
+stille woning heeft gebouwd. Maar gij mogt wel met wat meer
+eerbied van den Eerwaarde spreken, naar mij dunkt. Trouwens hij
+zal u dat zelf wel leeren als gij hem maar eerst ontmoet.
+
+--Nu,--hernam Siddha vergoelijkend,--'t was zoo kwaad niet
+gemeend.... Maar wat is dat?--riep hij eensklaps uit, met zijne
+lans naar het hooge gras aan de zijde van den bergweg wijzend, dat
+zich golvend scheen te bewegen, schoon geen wind het verschijnsel
+kon veroorzaakt hebben. En eer zijn bedaarder medgezel hem kon
+weerhouden was de hartstogtelijke jager met zijn paard in het gras
+gesprongen, en baande hij met gevelde speer zich een weg naar de
+plek waar hij de beweging in het gras had opgemerkt. Onmiddelijk
+en nog vóór Koelloeka rende een der dienaren zijn jongen meester
+na, toen hij dezen plotseling weer zag stilstaan en als verwonderd
+om zich heen staren. Alle beweging in het gras had volkomen
+opgehouden, geen sprietje bewoog zich meer en geen geluid werd
+vernomen. Daar begon het golven opnieuw, maar veel verder af, en
+boven de hooge grashalmen vertoonde zich bijwijlen het bruingevlekte
+ligchaam van een grooten tijger, die met geweldige sprongen voortrende.
+Nogmaals gaf Siddha zijn paard de sporen, maar 't volgend oogenblik lag
+hij in zijne volle lengte in het gras: een dicht begroeide kuil had
+paard en ruiter doen storten. In een oogwenk echter was deze weer op de
+been.
+
+--'t Is niets, Vatsa!--zeide hij tot zijn dienaar, die van zijn
+paard gesprongen, op hem was toegesneld,--ik ben hier zacht genoeg
+neergekomen. Als mijn beste schimmel 't er nu maar even goed heeft
+afgebragt!
+
+Bij onderzoek bleek gelukkig, dat het edele dier evenmin eenig
+letsel had bekomen als zijn doldriftige berijder, maar de tijger
+was weg en nergens meer te bespeuren, zoodat men niets anders te
+doen had dan spoedig weer in den zadel te springen en den
+gestoorden togt voort te zetten.
+
+Zwijgend reed nu weer Siddha, over zijn dwaas avontuur niet weinig
+beschaamd, nevens zijn goeroe, tot deze het stilzwijgen afbrak met
+te zeggen:
+
+--Gij hebt daar, geloof ik, een gekken streek begaan, mijn waarde!
+
+--Ja!--bekende Siddha nederig,--ik heb ongetwijfeld een mal figuur
+gemaakt met daar zoo om te rollen.
+
+--Nu,--hernam Koelloeka,--dat kondt gij niet helpen; niemand kan
+overdekte kuilen zien; maar dat bedoel ik ook niet, ik meen iets
+anders.
+
+--Wat dan?
+
+--Gij zult het straks wel merken, indien ten minste waar is wat ik
+vermoed.
+
+De glimlach, die bij deze woorden om den mond van Koelloeka
+speelde, maakte Siddha's nieuwsgierigheid natuurlijk nog meer
+gaande; maar juist toen hij nadere uitlegging wilde vragen was de
+straks aangeduide wending bereikt, en breidde zich een ander
+gedeelte der vallei, nog even verlicht door den zonneschijn, met
+zijn weelderigen plantengroei en zijne frissche stroomen en beeken
+voor 't bewonderend oog der reizigers uit.
+
+--Zie ginds!--sprak Koelloeka, met zijne lans naar een digt
+bosschaadje in de diepte wijzend, waarlangs een heldere beek zich
+slingerde als een zilveren lint,--daar woont Gaurapada.
+
+En zonder verder te spreken daalden de ruiters voorzigtig langs de
+steile helling naar omlaag, volgden het, half door de natuur, half
+door ruwe kunst gevormde pad, dat naar het bosch leidde, en reden,
+dit ingegaan, voort tot zij aan de andere grens waren gekomen,
+waar opnieuw het vergezigt zich opende over de heuvelachtige
+vlakte.
+
+Daar, onder het digte lommer, verhief zich, door slanke, met
+klimop en rozen begroeide bamboestijlen gesteund, en gedekt door
+een eenvoudig maar bevallig overhellend rieten dak, eene nederige
+woning, maar die toch wat bouwtrant en uiterlijk aanzien betrof
+veeleer een aangenaam buitenverblijf dan de strenge armoedige
+kluis van een boetedoend heilige mogt worden genoemd. Achter, het
+donkere woud; aan de voorzijde, een honderde tinten en schakeringen
+weerkaatsend smaragdgroen meer, zooals alleen eene Alpennatuur dat
+kent, met witte en blauwe lotusbloemen langs de kanten, en waarin de
+zilverkleurige beek, die reeds van ver het oog had getroffen, zich
+uitstortte voor een wijl om straks aan de andere zijde het weer te
+verlaten en haar weg te vervolgen naar steeds dieper gelegen dalen; in
+'t verschiet eindelijk, aan den meer en meer in de schemering
+wegduikenden overkant, de verre reijen der bergkruinen, die van hier
+gezien slechts onbeduidende heuvelen schenen, maar, van gindsche
+vlakten beschouwd, opnieuw als hemelhooge, voor menschen voet nauw
+bestijgbare rotsgevaarten zich vertoonen mogten.
+
+Een oogenblik stonden onze reizigers, hier aangekomen, stil, en
+als verloren in den aanblik van het evenzeer grootsche als
+liefelijke, door een laatsten schemerschijn nog verlichte
+natuurtooneel; doch, spoedig het naaste doel van hun togt zich
+herinnerend, stegen zij af en vertrouwden hunne paarden aan de
+beide dienaars, terwijl zich Koelloeka naar de woning begaf om
+door middel van een daar aanwezige klok het teeken te geven van
+hunne komst. De moeite werd hem echter bespaard, en eer hij het
+woonhuis was genaderd, vertoonde zich op den drempel reeds de
+bewoner, door een dienaar gevolgd, wien hij de zorg voor de
+paarden der gasten aanbeval door een zwijgenden gebiedenden wenk.
+
+Wel zonderling mogt de indruk heeten, dien de aanblik van den
+kluizenaar op Siddha te weeg bragt. In zijn eigen land, in zijne
+bergen en bosschen, had hij vrome boetelingen, strenge heiligen,
+rondslenterende bedelmonniken in menigte en van allerlei soort
+gezien: sommigen in vuile pijen, met groote bamboestokken in de
+hand, en bedelnappen en rozenkransen aan de zijde; anderen in een
+soort kleedij uit boomschors vervaardigd; wederom anderen met
+nagenoeg in 't geheel geen kleederen aan het lijf, kaalgeschoren,
+van 't hoofd tot aan de voeten met grauwe asch bedekt, en
+voorhoofd en borst met witte kalk besmeerd; allen zich overgevend
+aan de meest afkeer wekkende en toch vrome en lichtgeloovige
+gemoederen tot milddadigheid verlokkende praktijken; walgelijke en
+afzigtelijke wezens allen ook, maar steunend op de magt van een
+grenzenloos fanatisme, en in vadsige luiheid terend op de
+aalmoezen, hun toegeworpen door een dom, maar vastgeworteld
+bijgeloof. Geen wonder dan ook zoo de jonge, aan fijner beschaving
+gewende, met diepe minachting op die soort van volk neerziende
+edelman, ook in weerwil van zijn eerbied voor den leermeester, die
+steeds met ontzag den kluizenaar van den Bhadrinâth had genoemd,
+juist geen groote verwachting had van den man, die aan de deur van
+gindsche woning hem zou ontvangen, en een ligten toon van ironie
+niet had weten te onderdrukken toen er van den heilige in het
+Himâlaya-gebergte werd melding gemaakt. Doch te treffender dan ook
+in zijn oog de hooge en statige figuur, die ginds, het woonhuis
+verlatend, de beide reizigers met voorname waardigheid maar tevens
+innemende vriendelijkheid te gemoet kwam.
+
+Een oud man in blinkend wit gewaad, met nog eenige fijne lokken om
+den anders kalen schedel en een langen en zwaren zilverkleurigen
+baard, maar nog in 't minst niet door den last der jaren gebogen,
+en wiens, bij alle vriendelijkheid toch hooghartige blik wel
+getuigde, dat in vroeger dagen gebieden hem meer eigen was geweest
+dan het ontvangen en opvolgen van bevelen.
+
+--Weest welkom, vrienden!--sprak hij, elk zijner beide bezoekers,
+die zich eerbiedig voor hem gebogen hadden, bij de hand vattend,--welkom
+in mijne eenzaamheid! 't Is mij goed, weer eens iets te
+mogen vernemen van uw--hier scheen hij een oogenblik te weifelen,
+maar ging toch met vaste stem weer voort,--van uw en mijn land en
+volk.
+
+Eer Koelloeka of Siddha kon antwoorden, werd hunne opmerkzaamheid
+getrokken door een dof gebrul, dat zich in de onmiddelijke
+nabijheid hooren deed; en een oogenblik later trad van achter de
+woning met langzame en statige schreden een geweldige tijger te
+voorschijn, en naderde, met den zwaren staart zijne flanken
+slaande, de drie mannen. Onwillekeurig deed Siddha een stap terug
+en sloeg de hand aan den ponjaard in zijn gordel.
+
+--Laat dat speelgoed maar zitten!--sprak Gaurapada lagchend,--
+daar zoudt gij Hara niet veel kwaad mee doen.
+
+--Hier!--sprak hij gebiedend tot den tijger, en terstond legde het
+magtige dier zieh aan de voeten des meesters.
+
+--Heb ik 't u niet gezegd?--vroeg Koelloeka aan Siddha, op den
+tijger wijzend,--en begrijpt gij nu waarom gij zoo straks een
+dwazen streek begingt?
+
+--Vergeving, eerwaarde heer! vergeving!--sprak Siddha, met omhoog
+geheven handen tot Gaurapada, terstond begrijpend, dat hij straks
+jagt had gemaakt op den tijger van den kluizenaar,--ik wist
+inderdaad niet ....
+
+--Ik begrijp het al,--viel Gaurapada hem in de rede,--gij hebt
+Hara gejaagd. Nu, dat is wel eens meer voorgekomen, maar niet
+altijd zoo goed voor den jager afgeloopen, als mijn viervoetige
+vriend hier soms eens boos werd. Iemand opgegeten heeft hij echter
+nog nooit, en als men hem geen kwaad doet, valt hij ook niet aan.
+Ik heb hem, zooals vriend Koelloeka weet, hier al lang, van jongs
+af aan, en wij beiden zijn nu gansch aan elkander gewend. Niet
+waar, Hara?--vroeg hij, zich half voorover buigend naar den
+tijger, die, halverwege zich oprigtend, zijn breeden kop tegen de
+hand van zijn meester drukte.--En mijne vrienden,--vervolgde
+deze,--zijn de zijnen. Zie maar eens!
+
+En Siddha naderend legde hij hem zacht de hand op den schouder,
+waarop de tijger beurtelings beide mannen aanziend, zich vóór
+Siddha nederlegde en ook diens hand met zijn kop aanraakte.
+Ditmaal trad de jonge edelman geen stap terug, maar streelde
+bedaard den kop van het dier, dat hem ook verder niet bleek te
+verschrikken toen 't een oogenblik, als behagelijk geeuwend, zijne
+breede kaken opsperde en de geweldige reijen zijner tanden liet
+zien.
+
+--Goed zoo!--sprak Gaurapada, terwijl Hara weer tot hem
+terugkeerde,--goed zoo! Ik heb er menig gezien, ouder en sterker
+dan gij, die niet terstond zoo rustig bleef. Doch laat ons nu aan
+andere dingen denken! Reizigers zooals gijlieden, die zeker een
+langen togt gemaakt en hier in de wildernis zeker niet veel op uw
+weg gevonden hebt, verlangen alligt naar eenige versterking. Wilt
+mij dan volgen!
+
+En hen voorgaande trad de kluizenaar zijne woning binnen, waarvan
+het inwendige geheel aan het uiterlijk beantwoordend, wel is waar
+niet meer dan het noodige bevatte, maar dat alles in de meest
+volmaakte orde en op sierlijke wijze gerangschikt, en mede wel
+aanduidend, dat de bezitter in vroeger tijden ook het meerdere en
+het overtollige gekend moest hebben. Nadat de gasten zich met hem
+op de fijne, op den vloer uitgebreide matten hadden neergezet,
+bragt de dienaar, die straks de paarden in bewaring had genomen,
+eenige schotels met eenvoudige, maar stevige spijzen, koud wild en
+visch, benevens een aantal toegevouwen boombladeren met frissche
+vruchten, en toen het maal een aanvang had genomen, ook een
+drietal drinkschalen waarin den gasten een krachtige, fonkelende
+wijn werd aangeboden.
+
+--Dat hadt ge hier waarschijnlijk niet verwacht, edele Siddha!--sprak
+Gaurapada,--gij waart zeker in de overtuiging, dat een vrome
+kluizenaar niets dan bronwater drinkt. En de meerderheid meent,
+dat het ook zoo behoort. Ik voor mij denk er anders over; ik heb
+nooit begrepen dat het wezen van het kluizenaarsleven in
+noodelooze zelfkwelling of onthouding is gelegen, en dat een
+schaal goeden wijn met mate gebruikt, aan de rust der ziel zou
+behoeven te schaden. Ook is hier in de bergen iets krachtigs nu en
+dan inderdaad bevorderlijk voor de gezondheid.
+
+De eenvoudige en gemakkelijke toon van den overigens zoo statigen
+kluizenaar, die hem gansch als een man van de wereld deed kennen,
+gaf den jongen ministerzoon al spoedig vertrouwen, en van zijn
+kant beantwoordde hij nu ook met vrijmoedigheid, schoon altijd met
+dien eerbied, dien de regte Hindoe den oudere van jaren leert
+betoonen, de vragen welke Gaurapada tot hem rigtte omtrent zijn
+vader, omtrent Iravati zijn verloofde en zijn leven aan het hof
+van Kaçmir. Tot zijne verwondering bleek de kluizenaar nauwkeurig
+alles te weten wat vroeger daar was voorgevallen en toonde hij
+zich zelfs met bijzonderheden bekend, die voor elk een geheim
+moesten zijn, wien de toegang tot het binnenste der vorstelijke
+paleizen niet geopend was geweest. Ongetwijfeld was Gaurapada in
+vroeger dagen een vertrouwd raadsman van een der vorsten, die
+elkaar vóór dezen in vrij snelle reeks waren opgevolgd; dan hoe
+het zijn mogt, Siddha waagde geen onbescheiden vraag zoolang de
+ander zijn waren stand hem niet bekend maakte. Nog merkte hij op
+dat de gesprekken van Gaurapada doorgaans eene groote opgeruimdheid
+ademden, en hij volkomen met zijn tegenwoordigen staat te vrede scheen,
+maar dat toch bijwijlen, als er van de staatkundige gebeurtenissen in
+het Noorden gesproken werd, een donkere wolk zijn edel gelaat bedekte.
+Telkens echter slechts voorbijgaand; want al kon zelfs de sterke wil van
+den wijsgeer soms eene vlugtige aandoening niet volkomen verbergen, een
+geest als de zijne was blijkbaar te magtig om ze niet terstond weer te
+onderdrukken.
+
+Inmiddels was het laat geworden in den avond, en wierp de maan
+reeds haar hellen schijn over het landsdhap, dat zich, door de
+opene stijlen van het vertrek gezien, voor het oog der gasten
+uitbreidde.
+
+--En nu,--zeide eindelijk Gaurapada, terwijl hij opstond,--vergun
+mij, edele Siddha! mij met uw leermeester, mijn vriend, eenige
+oogenblikken aan het genoegen van uw bijzijn te onttrekken. Ik heb
+met hem eenige zaken te bespreken, die vooralsnog geheim moeten
+blijven, en waarin gij trouwens ook waarschijnlijk slechts matig
+belang zoudt stellen. Mogt ge u straks wenschen te verfrisschen,
+ginds is, naar gij ziet, het meer of de beek, en aan een bad in de
+vrije natuur zijt gij zeker ook wel gewoon.
+
+Daarop verlieten de beide oudere mannen te zamen het vertrek en
+nog lang daarna zag Siddha hen arm in arm in den maneschijn
+wandelen, blijkbaar in ernstige en belangrijke gesprekken
+verdiept. Toen zij terugkeerden was het tijd om zich ter ruste te
+begeven, en niet zonder welbehagen gingen de reizigers hunne
+vermoeide leden uitstrekken op de voor hen in gereedheid gebragte,
+wederom zeer eenvoudige, maar daarom nog geenszins ongeriefelijke
+legersteden.
+
+De vroege morgen van den volgenden dag vond onze reizigers na een
+frisch bad en een hartig ontbijt weer tot het voortzeiten van hun
+togt gereed; en terwijl nu de paarden werden opgezadeld, nam
+Gaurapada voor eenige oogenblikken Siddha ter zijde, en sprak,
+ditmaal buiten gehoor van Koelloeka:
+
+--Heilige kluizenaars, mijn jonge vriend! zijn gewoon, de jongeren
+die hen komen bezoeken, niet zonder eenige leering, 't zij dan
+verstandige of niet, te laten vertrekken. Gij wacht misschien iets
+dergelijks ook van mij. Maar dan bedriegt gij u. Ik heb voor 't
+oogenblik niets te voegen bij 't geen de wijze Koelloeka, uw
+verstandige goeroe, u ongetwijfeld geleerd heeft. De wereld, die
+gij gaat opzoeken, en 't leven zelf moeten het verdere doen. Maar
+één woord toch, waaraan ik een verzoek heb toe te voegen! Schroom
+niet, wanneer gij ginds in het Zuiden in het magtig en weelderig
+wereldrijk zult zijn aangekomen, uw billijk aandeel te nemen aan
+geoorloofde uitspanningen en vermaken; geniet het leven, dan eerst
+leert gij 't kennen en het wezenlijke van het onwezenlijke
+onderscheiden: maar gedenk steeds de les, waaraan uw leeraar u
+voorzeker meermalen herinnerd heeft: houd uw gemoed rein, en draag
+zorg dat gij u nooit over uwe handelingen te schamen hebt, niet
+enkel voor anderen, maar ook voor uzelven! Doch wanneer het mogt
+gebeuren, dat gij, in weerwil van uw ijverigst streven om die les
+te betrachten, toch op eene of andere wijze de gemoedsrust zaagt
+gestoord, die u als elk ander mensch onmisbaar blijft, en indien
+gij dan soms geen vriend mogt hebben, wien gij uw hart kunt
+openleggen, denk dan eens aan een oud vriend van uw vader en van
+uw leermeester, en kom tot den kluizenaar van den Bhadrinâth. Wilt
+gij mij dat belooven?
+
+--Ik beloof het! antwoordde Siddha, eenvoudig maar met mannelijken
+ernst, terwijl hij de armen eerbiedig over de borst kruiste. Maar
+vriendelijk als steeds vatte Gaurapada zijne beide handen en
+drukte ze hartelijk.
+
+Weldra werden de paarden voorgebragt, de ruiters zetten zich na
+afscheid van den kluizenaar in den zadel en reden, door hunne
+dienaren gevolgd, het bosch weer in en het bergpad op. Nog meer
+dan eens zag Siddha om en wierp hij een blik op de eerbiedwekkende
+gestalte van den wijze, zooals die met zijn tijger nevens zich nog
+geruimen tijd tusschen de hooge boomstammen door, aan den drempel
+zijner woning zigtbaar bleef. Daarna reed hij zwijgend en in
+gedachten verzonken naast zijn medgezel voort.
+
+Eensklaps, als opschrikkend uit zijne mijmering, hield hij zijn
+paard met een vrij onzachten ruk in, zoodat het bijkans steigerde.
+
+--Koelloeka!--sprak hij,--ik zag nog nooit een man als Gaurapada!
+
+Doch bijna op 't zelfde oogenblik kleurde hij tot over de ooren,
+bedenkend, maar te laat, dat zijn uitroep juist niet bijzonder
+vleijend voor zijn vriend en leeraar mogt heeten. Noodeloos
+evenwel maakte hij zich ongerust door te meenen, dat deze eenigen
+aanstoot aan zijne woorden nam. Integendeel Koelloeka's gelaat
+teekende eene ongeveinsde vreugde over de bewondering van zijn
+leerling voor zijn ouden vriend.
+
+--Inderdaad!--zeide hij,--het verheugt mij dat gij zoo over hem
+denkt; dat pleit ook tevens voor uzelf. En wees niet bevreesd u
+ooit in hem bedrogen te zullen zien.
+
+--Maar,--vroeg Siddha weer even plotseling na een oogenblik
+stilzwijgen,--wie is nu Gaurapada?
+
+--Wel!--was het antwoord,--dat hebt gij immers zelf gezien: een
+kluizenaar in 't Himâlaya-gebergte.
+
+--Nu ja!--zei Siddha eenigszins ongeduldig,--dat weet ik óók wel; maar
+ik meen: wat was hij vroeger, eer hij hier kwam en tijgers temde?
+
+--Hij trachtte menschen te temmen,--antwoordde Koelloeka,--maar
+'t gelukte hem niet altijd. Doch waarom hebt ge hem zelf niet
+gevraagd, wie hij was?
+
+--Zou dat bescheiden zijn geweest? Zoudt gij dat hebben
+goedgekeurd?
+
+--Neen, zeker niet! Gij hebt goed gehandeld met de gastvrijheid
+niet te schenden door onbescheiden nieuwsgierigheid, ook al kwam
+ze voort uit wezenlijke belangstelling. Maar daarom hebt ge nu ook
+verdiend, die nieuwsgierigheid te zien bevredigd. Gaurapada heeft
+mij veroorloofd, indien ik dat goed achtte, u zijn voorleden en
+zijn waren naam mede te deelen. Zoo luister!--Er was eens een
+Koning--
+
+--Hoe nu?--vroeg Siddha, een weinig verstoord,--gaat ge mij nu een
+sprookje van Somadeva vertellen, zooals ik er zooveel van u hoorde
+toen ik een kleine jongen was?
+
+--Hoor mijn sprookje,--antwoordde Koelloeka bedaard,--of hoor
+niets! Er was dan, zeg ik, eens een Koning, die gesteund door
+goede raadslieden, zijn volk regeerde met wijsheid en beleid.
+Kinderen had hij niet, maar wel een jongeren broeder, een jonkman
+van veel bekwaamheid, dien hij zeer liefhad en ook tot zijn
+opvolger had bestemd zoo hij eenmaal het land mogt ontvallen of de
+last der staatszaken in 't eind te zwaar op zijne schouders
+drukken mogt. Doch die jongere broeder was eerzuchtig, ondanks
+vele andere, goede hoedanigheden; hij had het geduld niet, zijn
+tijd af te wachten en liet zich door eene aan de bestaande
+regering vijandige staatspartij verleiden, eerst heimelijk, daarna
+in 't openbaar en ten slotte met de wapenen in de hand op te staan
+tegen zijn broeder en wettigen Vorst, tot deze hem en de zijnen
+ten laatste overwon en hem gevangen medevoerde naar de hoofdstad
+van zijn rijk. Maar de beweging was daarmede niet geëindigd, de
+woelingen duurden voort, en om deze te onderdrukken bleef den
+Koning geen ander middel dan zijn eerzuchtigen en steeds
+gevaarlijken broeder, hoe innig ook door hem geliefd, uit den weg
+te ruimen, en diens vrienden en aanhangers een gelijk lot te te
+doen ondergaan. Maar zoo doende zou hij zijn troon ook slechts
+vesten in broeder- en burgerbloed, en welligt eindelooze veeten in
+'t leven roepen, waarvan het eind geen ander kon zijn dan
+algeheele uitputting van zijn rijk en de volkomen onderwerping van
+zijn volk aan vreemde, lang reeds op de erfenis zijner vaderen
+azende overheerschers. Toch twijfelde nagenoeg niemand of de
+Koning zou ten laatste overgaan tot den nu eenmaal onvermijdelijken
+maatregel, toen zich eensklaps het gerucht verspreidde dat hij uit zijn
+paleis verdwenen en waarschijnlijk, zoo niet zeker, door verraad gevallen
+was. En inderdaad vernam men sinds dien tijd niets meer van hem; zijn
+broeder, uit de gevangenis verlost, besteeg als wettig opvolger den
+troon, en regeerde sedert dien tijd, verstandiglijk de beste raadslieden
+van zijn broeder aan zijne zijde houdend, zoo al niet met gelijke
+wijsheid, dan toch met goed geluk het weer tot rust gekomen land.
+
+Een oogenblik zweeg Koelloeka, en brak hij zijn verhaal af om zijn
+medgezel en leerling aan te zien. Maar het gelaat van dezen
+teekende noch verwondering, noch bijzondere belangstelling.
+
+--Gij verhaalt mij,--zeide hij,--eenvoudig de geschiedenis van
+onzen eigen tegenwoordigen Koning en zijn voorganger en ouderen
+broeder Nandigoepta. Maar die is immers iedereen bekend, mij zoo
+goed als elk ander bewoner van Kaçmir.
+
+--Ongetwijfeld,--hernam Koelloeka,--die geschiedenis, voorzoover
+ik ze u in herinnering bragt, is aan ieder bekend genoeg; doch wat
+niet een iegelijk weet, maar alleen zeer enkelen, is, dat de
+Koning Nandigoepta niet door verraad is gevallen en niet gedood of
+verdreven werd, maar uit eigen beweging zonder dat zijn broeder of
+iemand anders dan een enkele vertrouwde het wist, de wijk nam naar
+een afgelegen oord, en door algemeen het gerucht te doen
+rondstrooien dat hij verslagen was, zijn broeder redde van een
+smadelijken dood en zijn rijk van den anders onvermijdelijken,
+althans waarschijnlijken ondergang.
+
+--Zoo leeft dan Nandigoepta nog!--riep Siddha uit,--en hij is....
+
+--Gelijk gij reeds begrepen hebt,--antwoordde Koelloeka,--de
+kluizenaar, dien wij straks verlieten. Heilig blijve u zijn
+geheim, het geheim van zijn rijk en van zijn geslacht! Aan uwe
+riddereer wordt het door hem toevertrouwd. De zoon van uw vader,
+zijn trouwsten dienaar en vriend, mogt het kennen, maar zal het
+ook weten te bewaren zoo zeker hij edelman is.
+
+--Waarom,--vroeg Siddha, een oogenblik naderhand, half ontevrede,
+--waarom mij dit niet meegedeeld toen wij nog ginds waren? Ik had
+dan den Vorst mogen dank zeggen voor de weldaden, in de dagen
+zijner grootheid aan mijn vader bewezen en aan ons geslacht. Doch
+'t is waar! gij hadt geen regt te spreken, zoolang hij zelf het
+niet deed; en bovendien heb ik immers nog de gelegenheid!
+Gaurapada toch,--zooals hij thans genoemd wil zijn,--heeft mij
+doen belooven, hem op te zoeken als ik soms in moeilijke
+omstandigheden goeden raad van noode had.
+
+--En gij hebt wél gedaan, dat te belooven,--zeide Koelloeka,--
+houdt u aan dat woord! Gaurapada is wijzer en beter dan één onzer.
+
+Maar Siddha hoorde nauwelijks meer; wederom was hij in gedachten
+verzonken. De ontmoeting met den kluizenaar en de openbaring van
+diens geheim had diepen indruk op hem gemaakt. Daar, bij 't eerste
+begin zijner reize, had hij een vorstelijk wijsgeer aanschouwd,
+een man die eenmaal bijkans onbeperkte magt bezat en gebaad had in
+weelde, maar die alles, rijkdom en aanzien, vrijwillig had
+opgeofferd ter liefde van zijn broeder en van zijn land, en thans,
+in 't gelukkig bewustzijn wél te hebben gedaan, zich tevrede en
+zelfs opgeruimd betoonde in zijn eenvoudig leven in de wildernis,
+met geen ander gezelschap dan een ouden getrouwen dienaar en een
+verscheurend dier. En nu was hij op weg naar het hof van den
+magtigsten monarch, dien Hindostan ooit had gekend, den
+gelukkigen, met roem overladen beheerscher van een wereldrijk, die
+zijn volken meer nog door wijs beleid dan door kracht van wapenen
+wist te onderwerpen aan zijn wil, die te beschikken had over
+onmetelijke schatten, en die zich bondgenoot mogt heeten van
+magtige Vorsten uit de verst verwijderde landen en beschermer van
+alle bekende godsdiensten der aarde. Wat de goede Siddha, anders
+gewoon zich nog al wat te laten voorstaan op zijn adel en 't
+aanzien van zijn persoon, nu plotseling zich klein gevoelde bij de
+gedachte aan twee zulke mannen! En wie wel de grootste dier beiden
+was? 't Viel zeker moeielijk te beslissen, en wijselijk begreep
+Siddha, dat hij in elk geval zijn oordeel had op te schorten tot
+hijzelf ook Keizer Akbar gezien en welligt gesproken zou hebben.
+Dat besluit bragt hem tevens terug tot het naaste doel der reis,
+het bezoek te Allahabad, waar de geliefde bruid, de schoone
+Iravati, hem verbeidde. Zijn sedert eenige oogenblikken somber
+gelaat helderde op, en vrolijk sprak hij, zijn hengst de sporen
+gevend, toen men een vlak terrein van belangrijke uitgestrektheid
+had bereikt:
+
+--Komaan! nu weer eens een flinken rid, meester!--En voorwaarts
+ging het in snellen galop, terwijl Koelloeka hem de veerkrachtige
+speer zag drillen en hem den naam hoorde uitroepen, die toch in 't
+eind de zege had bevochten in zijne gedachten.--Iravati!
+
+--Voorwaarts, voorwaarts maar!--prevelde de Brahmaan in zich
+zelven, terwijl hij mede zijn paard in galop zette,--vooruit tot
+het einde is bereikt! Voor mij is 't alhaast gekomen, voor hem
+vangt de levensreis eerst aan. Och! of zijn weg steeds zoo glad
+als deze mogt zijn! Maar ook hij zal zijn klippen wel ontmoeten en
+glibberige hellingen en welligt ook--afgronden. Bleven 't maar,--voegde
+hij, in zichzelf glimlagchend en denkend aan het ongeval
+van den vorigen avond, er aan toe,--bleven 't maar altijd
+onschadelijke kuilen!
+
+
+
+TWEEDE HOOFDSTUK.
+
+Iravati
+
+Aan het digt met planten en bloemen begroeid balkon van
+Allahabad's hoogen burgt, paleis en veste tevens, zat een jong
+bevallig meisje, het hoofd in de hand geleund, als mijmerend naar
+het uitgestrekte vergezigt te staren, dat zich aan gene zijde der
+beide hier zamenvloeiende stroomen in het helle licht vertoonde
+van een onbewolkte morgenzon. Ter linker zijde de rotsachtige
+hoogten en wilde zandige oevers der Djoemna, ter regter de
+liefelijke vallei van den Ganges; allerwege digte bosschaadjen van
+mango-boomen, met tallooze papegaaijen en andere schitterend
+gekleurde vogels bevolkt; hier en daar kleine eilandjes zich
+verheffend boven het watervlak; en op den achtergrond, ginds in de
+verte, de hooge, door pagoden bekroonde rotsgevaarten van het
+tegenoverliggende land.
+
+Enkel naar de kleedij te oordeelen, zou in de mijmerende niet
+terstond eene jonkvrouw van aanzienlijk geslacht zijn te herkennen
+geweest. Een eenvoudig wit gewaad, met een smallen donkerrooden
+rand omzet en om 't midden door een gouden gordel vastgehouden,
+een fíjne gouden haarband om de digte donkere lokken en een enkele
+roos daartusschen tot eenig sieraad, ziedaar alles. Maar waartoe
+ook zou die slanke, uitnemend geëvenredigde gestalte, dat ovale,
+fijn besneden gelaat met het groote en donkere, door lange zijden
+wimpers overschaduwde oog, nog ander siersel van noode hebben
+gehad dan de natuur zelve of Kama, de minnegod, reeds daaraan had
+verleend? En geen spruit ook voorzeker van verbasterden stam, geen
+dochter van een lager ras, die zooveel bevalligheid aan zooveel
+eenvoud tevens had weten te paren als deze.
+
+Niet in verrukking intusschen als menigmaal anders aanschouwden
+ditmaal die smachtende oogen het heerlijk natuurtooneel daar
+omlaag. Ook heden als gisteren en den vorigen dag zagen ze
+verlangend uit naar die verre gebergten aan de overzijde, van waar
+hij komen moest, de lang maar te vergeefs gewachte.... Waar hij
+toeven mogt? Wat hem kon weerhouden? En dacht hij nog wel, anders
+dan vlugtig en voorbijgaand misschien aan haar, wier gedachten
+dagen en maanden lang hem, en hem alleen, waren gewijd geweest?...
+
+Een zware tred deed zich hooren in de galerij achter het vertrek,
+waar het balkon op uitkwam, en voorafgegaan door een dienares, die
+het tot deur strekkend gordijn ter zijde schoof, naderde een kort,
+gezet man van iets meer dan middelbaren leeftijd, in engsluitend,
+maar lang, bijkans tot de voeten afhangend gewaad en een kort
+zwaard met fraai versierde greep in den gordel als eenig
+herkenbaar teeken zijner waardigheid.
+
+--Edele jonkvrouw!--sprak de dienares, bescheiden haar jeugdige
+meesteresse uit hare mijmering wekkend,--Salhana, de Goeverneur,
+uw vader, brengt u heden bezoek!
+
+--Hij zij welkom!--antwoordde de jonkvrouw, van kindsbeen af
+steeds aan dien deftigen toon gewend, en opstaand trad zij haar
+vader te gemoet.
+
+--Iravati!--sprak deze, haar aanziend met zijn doordringende
+zwarte oogen, maar voor 't overige zonder eenige uitdrukking op
+zijn mat bleek, met korten donkeren baard bedekt gelaat,--vóór
+eenigen tijd heb ik u meegedeeld, dat ik Siddha Rama uit Kaçmir,
+uw neef en verloofde, hier met Koelloeka, zijn leermeester
+wachtende was. Beiden zijn thans aangekomen, en bevinden zich in
+de beneden-galerij. Wij willen hen daar gaan ontvangen.
+
+Een oogenblik scheen Iravati bij 't vernemen der tijding al de haar
+ingeprente lessen van vormelijkheid, die geen haastige bewegingen
+gedoogden, te vergeten, en wilde zij haar vader voorbijsnellen, om
+ginds terstond den lang gewachte te verwelkomen. Maar Salhana hield
+haar door een wenk en eene ligte handbeweging terug.
+
+--Vooraf nog een woord!--zeide hij.--'t Is u bekend, dat de
+belijders van den Islam, waaronder wij hier leven, het vrijer
+verkeer van ongehuwde jongelingen en jonge dochters ten hoogste
+afkeuren, en dat ook onze Hindoe's zich meer en meer naar die
+inzigten hunner overheerschers hebben geschikt. Ik voor mij blijf,
+gelijk u bekend is, aan onze aloude zeden gehecht, en, hoewel ik
+voor 't overige streng alle passende vormen wensch in acht genomen
+te zien, vergun ik u ook thans, als vroeger in ons eigen land, uw
+neef en aanstaanden bruidegom vrijelijk te spreken. Maar laat geen
+ander dan onze vertrouwden uw zamenkomsten ontwaren. 't Zou mijn
+invloed hier, waar ik bevel voer, kunnen schaden, en ook uw eigen
+goeden naam. Thans, kom!
+
+En haar voorgaand leidde hij zijne dochter naar de opene, mede op
+de rivier uitziende galerij, waar de beide bezoekers hun
+verschijnen stonden af te wachten.
+
+--Zijt welkom mijne heeren en vrienden!--sprak Salhana, statig op
+hen toetredend,--ik zeg u dank, dat gij aan mijne uitnoodiging
+hebt voldaan en terstond uw intrek ten mijnent hebt genomen, niet,
+zooals velen plegen te doen, eerst ginds beneden, in de stad.
+
+De inhoud der woorden luidde hartelijk; de toon waarop zij werden
+uitgesproken was het echter evenmin als het strakke, niets
+zeggende gelaat. Wie dat een en ander evenwel mogt opgemerkt
+hebben, niet de ontstuimige Siddha, die ter nauwernood zijn
+deftigen oom begroetend, en Koelloeka nauw den tijd latend den
+eerbiedigen groet van Iravati te ontvangen, een vurigen kus drukte
+op de door deze hem aangeboden hand, terwijl hij op ridderlijke
+wijze zich op één knie voor zijn uitverkorene nederliet.
+
+--Welkom!--sprak zij, terwijl ze hem tevens wenkte op te staan,
+(en hoe zoet klonk hem wederom die zachte, welluidende stem!),--
+welkom, vriend! Ach hoe lang hebben wij u gewacht en uitgezien
+naar gindsche bergen, ongerust en haast vertwijfelend aan uw
+eindelijke komst!
+
+--Gij gelooft toch niet, lieve!--riep Siddha, haast
+verontwaardigd, uit,--dat ik één oogenblik langer dan noodig was
+mijne aankomst in Allahabad kon vertragen? Waarlijk, zoo ik over
+bergstroomen en afgronden had kunnen springen om spoediger bij u
+te zijn, en had mijn trouwe hengst maar vleugels als Vishnoe's
+Garoeda bezeten, ik had, voorwaar, hem niet gespaard!
+
+--Ik geloof u gaarne,--hernam Iravati, vriendelijk glimlagchend,--
+en 't was ook waarlijk geen verwijt dat ik tot u of onzen
+waardigen vriend Koelloeka rigtte. Doch verblijden we ons thans
+ook in het zamenzijn, te meer omdat het, zooals ik van mijn vader
+verneem, slechts kort zal mogen duren.
+
+--Inderdaad,--zeide Salhana, na een oogenblik onderhoud met
+Koelloeka het gesprek der beide gelieven afbrekend,--onze vrienden
+moeten ons morgen al vroeg weer verlaten. Van langen duur acht ik
+vooreerst onze ontmoeting dus niet; en toch heb ik, edele Siddha!
+het zamenzijn met uwe bruid nog eenige oogenblikken te bekorten,
+daar ook ik nog een enkel woord met u wenschte te spreken. En
+liefst terstond, daar mijn tijd kostbaar is en ik vóór ons
+middagmaal nog velerlei in mijne betrekking heb af te doen. Zoudt
+gij dan, uw nader onderhoud nog een weinig uitstellend, voor eene
+wijl mij willen volgen?
+
+Eene weigering van den voorslag was natuurlijk niet denkbaar, en
+hoewel schoorvoetend en met een smachtenden blik naar Iravati,
+door haar volkomen verstaan en gewaardeerd, volgde Siddha zijn
+beleefden maar strengen oom naar den hof, die aan de andere zijde
+van het paleis op het hellend terras was aangelegd.
+
+Daar, onder het lommer der hooge boemen, zette Salhana zich op een
+rustbank neder en wenkte zijn neef naast hem plaats te nemem.
+
+--En zoo gaat gij dan,--begon hij,--uw fortuin beproeven in de
+bijna onmiddelijke dienst van onzen grooten Keizer! Inderdaad, gij
+moogt van geluk spreken, dat gij een vader hebt die u eene zoo
+gunstige gelegenheid weet te openen als u thans geboden wordt, en,
+zoo ik 't zonder aanmatiging er bij mag voegen, een oom, die zich
+toevallig door zijne betrekking bij magte zag om uwe belangen te
+helpen bevorderen.
+
+--Daarvoor ben ik u ook opregt dankbaar,--antwoordde Siddha,--en
+ik hoop nooit te vergeten dat gij, werkelijk meer nog dan mijn
+vader zelf vermogt, mij den eersten stap op den ladder zoo
+gemakkelijk hebt gemaakt. Doch niet enkel omdat ik daardoor in de
+gelegenheid kan komen om misschien eenmaal tot aanzien op te
+klimmen, maar ook om ginds eens iets meer te kunnen uitrigten dan
+in ons eigen, wel schoon, maar toch afgelegen land, en tevens in
+persoon den grooten Keizer te midden van al de pracht zijner
+hofhouding te zien, waarvan men te huis mij zoo veel heeft
+verhaald.
+
+--Voorzeker!--hernam Salhana,--dat alles is ook wel de moeite
+waard. één raad inmiddels! Wacht u voor overdreven voorstellingen!
+Ik zeg niet, van den rijkdom van palelzen en hoven; want daarvan
+kan men bij ons in 't Noorden zich bezwaarlijk eene voorstelling
+vormen; maar, van den persoon des Keizers. Die zou u wel eens
+kunnen tegenvallen, en uw geestdrift zou dan al spoedig merkelijk
+zijn bekoeld. Beter dus, met een weinig minder hooggespannen
+verwachting te beginnen.
+
+--Hoe?--vroeg Siddha verwonderd,--verdient dan Akbar niet in
+waarheid zijn naam? Is hij niet, gelijk mijn vader en mijn
+leermeester hem steeds voorstelden, een groot man zoowel als een
+magtig vorst?
+
+--Dat zeg ik niet,--luidde het antwoord,--maar ook groote mannen
+kunnen hun gebreken hebben, die wel eens gevaarlijk dreigen te
+worden voor de belangen van anderen.
+
+--Luister!--ging de Goeverneur voort, voorzigtig rondziend of ook
+iemand anders in de nabijheid zijne woorden mogt verstaan, terwijl
+hij tevens zijne stem liet dalen tot een zacht fluisterenden
+toon,--wanneer een man eenmaal zóó groote magt heeft erlangd als
+Akbar, en dat door eigen kloekheid en beleid zooals hij, dan is de
+lust naar meer zoo ligt niet bevredigd. De Keizer nu, die reeds
+zooveel staten en volken aan zijne heerschappij onderwierp, kan
+bezwaarlijk dulden dat uw en mijn vaderland op den duur zoo gansch
+onafhankelijk blijve. Gij weet het voorts, niet waar? hoe in den
+laatsten tijd weer nu en dan, al bleef 't nog voor de meesten een
+geheim, in Kaçmir oneenigheden zijn uitgebroken tusschen onzen
+Koning en zijne beide zonen, even als die vroeger ook langzaam en
+haast onmerkbaar aanvingen tusschen hem en zijn broeder
+Nandigoepta.
+
+--Neen, dat wist ik niet,--zei Siddha,--het was mij tot dusver nog
+niet ter ooren gekomen.
+
+--Nu,--hernam de ander,--gij zoudt het toch bij gelegenheid wel
+vernomen hebben. Dus kan ik 't u ook terstond wel zeggen. Spreek
+er intusschen maar niet over met Koelloeka; dat behoeft niet, en
+ware misschien ook, zoo ik wél zie, niet goed. Doch nu verder! Die
+oneenigheden dan, tusschen den Koning en zijne zonen en tusschen
+dezen onderling, worden aangestookt,--gij begrijpt thans, door
+wien. Is dan eenmaal de open veete uitgebroken en 't land weer in
+partijen verdeeld, dan is er wel een voorwendsel te vinden om ons
+den oorlog te verklaren; en de Keizer, door zijne handlangers en
+spionnen omtrent den toegang door onze bergpassen ingelicht, komt
+dan het land met een sterk leger overvallen en het inlijven in
+zijn eigen rijk. Dat neemt nu alles natuurlijk niet weg, dat ik
+gaarne zijn buitengewone verdiensten erken; maar diezelfde
+eerzucht, die zijn volk groot maakt, kan de ondergang zijn van
+onze onafhankelijkheid.
+
+--Doch hoe,--vroeg Siddha weder, na een oogenblik overdenkens,--
+hoe kunt gij in zulke omstandigheden en als dat alles werkelijk
+zoo is, nog de dienaar zijn van een man, die, hoe beteekenend ook,
+toch den ondergang van ons vaderland gezworen zou hebben?
+
+--En waarom niet?--sprak Salhana, op zijne beurt als verwonderd,--is
+het dan niet goed dat een onzer, zonder hem zelf te benadeelen,
+maar integendeel hem dienend in vele andere eveneens gewigtige
+zaken, toch in de gelegenheid blijft, het oog op zijne plannen en
+handelingen te houden? Juist daarom is 't ook nuttig dat gijzelf,
+onder mijne aanbeveling en bescherming, nader met den heerscher
+in aanraking komt. U zal hij voorzeker minder verdenken nog dan
+mij, en gij zult alzoo, goed toeziend, ons soms nog beter op de
+hoogte kunnen houden dan eenig ander.
+
+--Maar,--vroeg nogmaals Siddha, na een oogenblik nadenken, en als
+aarzelend,--is dat eerlijk?
+
+--Jongeling!--antwoordde Salhana op hoogen toon, hoewel zijn
+gelaat anders geen toorn verried,--laat mij u doen opmerken, dat
+een man van mijn leeftijd en ervaring toch wel weten zal wat
+eerlijk is of niet, en u, een jongmensch, die zijn loopbaan
+aanvangt, toch geen raad zou geven in strijd met de regte
+begrippen van eer!
+
+--Vergeef mij, oom!--hernam Siddha verlegen,--gij weet, ik ben nog
+te weinig bekend met de beginselen van hoogere staatkunde om u zoo
+terstond reeds volkomen te begrijpen. Ook heeft Koelloeka, mijn
+goeroe, mij steeds ingeprent in alles den regten weg te volgen,
+nooit dubbelzinnig jegens iemand te handelen, en....
+
+--Koelloeka, mijn beste vriend! viel de ander hem in de rede,--is
+een voortreffelijk man en voor wien ik steeds de meeste achting
+heb gehad; maar hij is een geleerde, geen man van zaken, een man
+van theorie, niet van praktijk. Zie nu eens! uw land en volk,
+waaraan gij gehecht zijt, wordt bedreigd door een Vorst, dien gij
+overigens hoog stelt en ook gaarne dienen wilt, maar alleen niet
+in dat ééne. Integendeel, daarin zoudt gij wenschen, en zou 't ook
+uw pligt zijn, hem zoo doenlijk tegen te werken. Nu wordt u de
+gelegenheid daartoe opengesteld; zoo niet geheel toch in zekere
+mate. Zult gij nu die gelegenheid versmaden wegens 't een af ander
+afgetrokken begrip van politieke eerlijkheid? En handelt hijzelf
+dan zoo eerlijk door uw en mijn diensten aan te nemen en
+tegelijker tijd lagen te leggen aan onzen Koning en ons land? En
+zoo niet, wat aanspraak heeft hij dan op zoo bijzondere
+openhartigheid van onze zijde? Daarenboven, ga maar eens tot
+Akbar, en zeg hem, zoo gij durft, in zijn gezigt dat gij zijn
+plannen doorgrondt en tegen hem in 't veld denkt te treden! Hij
+zou u zien komen, mijn goede vriend! Eer een etmaal voorbij was,
+laagt gij geboeid in den kerker of zaagt ge u heimelijk naar de
+uiterste grenzen van Dekkan of Bengalen vervoerd,--zoo 't niet
+erger met u afliep. Baat u en ons dus geen openlijk verzet, wat
+rest dan anders dan goed gebruik te maken van de gunstige
+gelegenheid, waardoor, let wel! den Vorst zelven geenerlei kwaad
+wordt berokkend, terwijl wij van onzen kant er ons vaderland
+misschien nog mee redden van het naderend verderf?
+
+Niet overtuigd nog, maar toch ook niet wetend hoe dergelijke
+redeneringen te wederleggen, zocht Siddha vergeefs naar een
+antwoord, en--zweeg, afwachtend wat zijn oom nog verder te zeggen
+had. Maar deze scheen het onderhoud voorloopig als geëindigd te
+beschouwen en maakte een beweging om op te staan, toen zich in de
+laan waarop de rustbank het uitzigt gaf, eene figuur vertoonde,
+wél geschikt om Siddha's opmerkzaamheid te trekken en zijne
+gedachten voor 't oogenblik af te leiden van het gesprokene.
+
+'t Was een lange, magere, bronskleurige gedaante, kaal geschoren
+behalve één enkele lange haarvlok op het glimmend voorhoofd,
+regterarm en borst ontbloot, maar omhangen met het heilig koord
+der Brahmanen, en voor 't overige de knokerige leden in een eng
+sluitend wit kleed zonder eenig siersel gehuld. Diep lagen de
+grauwe bijna wezenloos voor zich uitstarende oogen in hunne
+kassen, en de holle wangen en sterk uitstekende jukbeenderen
+schenen te getuigen van strenge vasten en harde zelfkastijding.
+Schoon voor mensch of dier niet ligt bevreesd, en ook voor 't
+overige wel aan de verschijning van dergelijke wonderlijke
+gestalten gewend, schrikte toch Siddha een oogenblik voor deze
+ééne terug. Menig jongen en krachtigen tijger had hij in de
+bosschen weerstaan en met speer en zwaard geveld, en meer dan één
+geduchte slang had hij onverschrokken den kop afgehouwen, maar
+nooit nog volkomen den afschuw kunnen overmeesteren, die hem bij
+den plotselingen aanblik van een schuffelenden adder of een
+eensklaps uitschietenden schorpioen beving, ook al vreesde hij
+niet terstond de giftige beet.
+
+--Gorakh, de Yogi,--verklaarde Salhana,--priester van den Doerga-
+tempel, ginds op den berg. Bejegen hem met ontzag. Hij verdient
+het en heeft meer te beteekenen dan gij alligt vermoedt.
+
+Sluipend bijkans, meer nog dan gaande, de beide mannen, die
+inmiddels opgestaan waren, naderend, sprak de priester, terwijl
+hij de beide handen zaamgevouwen naar het voorhoofd bragt, op
+langzaam sleependen toon en sommige lettergrepen op wonderlijke
+wijze rekkend:--
+
+--Om! om! U zij de gunst van den Heer der Wereld en van Doerga,
+zijne glorierijke gemalin! Om!
+
+--Wees gegroet, eerwaarde Gorakh! antwoordde Salhana op die
+zonderlinge toespraak,--zie hier mijn neef, Siddha Rama uit
+Kaçmir, van wien ik u vroeger reeds gesproken heb.
+
+--Hij zij gegroet!--was Gorakh's plegtig antwoord,--en moge hij
+eenmaal, den strijd der tweeheid te boven, de zegeningen
+doorgronden van het ter oneindige zaligheid leidend eenheidsbewustzijn,
+waarin gij, mijn leerling en vriend! reeds meer en meer den waren weg
+des heils begint te herkennen!--Doch,--vervolgde hij na een oogenblik
+niet minder plegtig zwijgen,--dat levenservaring hem eerst dien weg
+bereide, gelijk ze u en mij dien gewezen heeft! Gunnen we hem den tijd,
+dien de leerling behoeft! Trouwens, ik ken hem, en weet dat hij eenmaal
+tot de onzen zal behooren.--Nog onlangs,--en hier wendde hij zich
+onmiddelijk tot Siddha,--nog onlangs heb ik u ontmoet.
+
+--Vergeef mij, Eerwaarde Heer!--zei de toegesprokene,--zoo ik 't
+van mijn kant mij niet herinner....
+
+--Dat kunt gij ook niet,--werd hem geantwoord;--ik was op dat
+oogenblik onzigtbaar voor menschelijk oog.
+
+Te wel bekend met de wonderlijke beweringen der Yoga-belijders,
+dat ze bij voorkomende gelegenheden zich onzigtbaar konden maken,
+en dergelijke, vergenoegde zich Siddha met stilzwijgend den
+priester aan te hooren, toen deze tot zijn verbazing voortging:
+
+--Het was op dien avond toen gij den tijger van den kluizenaar
+zocht te vervolgen, en.... Maar wij spreken elkaar nog wel nader!
+De edele Salhana verlangt thans mijn onderhoud. Tot later dan,
+vaarwel! U zegene Doerga's magtige gemaal!
+
+En met doffe stem zijn--Om! Om!--prevelend, verwijderde zich de
+Doerga-priester met Salhana, die, zijn neef een--Tot straks!--
+toeroepend, hem alleen liet in den hof.
+
+De laatste mededeeling van den Yogi was wél geschikt om Siddha's
+verwondering op te wekken. Hoe wist die man wat er ginds met hem
+in 't gebergte was voorgevallen, waar hij buiten zijn eigen
+reisgezelschap geen enkel menschelijk wezen had bespeurd? Het
+gezigt van zijn dienaar, dien hij op eenigen afstand daar tusschen
+de boomen zag dwalen, bragt hem inmiddels op eene gedachte, die,
+meende hij, alligt het raadsel kon oplossen.
+
+--Vatsa!--zeide hij, den man wenkend,--hebt gij of Koelloeka's
+dienaar zoo even of daar straks met een priester gesproken?
+
+--Neen, Heer!--antwoordde Vatsa,--wij hebben zelfs geen priester
+gezien.
+
+--Niet?--vroeg Siddha, thans wezenlijk verbaasd,--nu, goed dan!
+Gij kunt gaan!--En terwijl hij met de hand wenkte, prevelde hij
+half verstoord en toch ook half verschrikt, in zichzelf:--ik moet
+er Koelloeka eens over spreken!
+
+Doch hoe kon nog eenig priester of wat ook een oogenblik langer
+zijne gedachten bezighouden, toen hij, een eind weegs voortgewandeld,
+het wit gewaad en de slanke gestalte van Iravati gewaar werd onder het
+digte lommer der mango's aan den oever van een kleinen lotusvijver,
+besproeid door een zacht klaterende en aangename koelte verspreidende
+fontein? Bloemen lagen om haar heen en een nog onafgewerkten krans hield
+zij in de hand. Doch zoodra niet hadden voetstappen in de nabijheid hare
+opmerkzaamheid getrokken en nauw had zij Siddha herkend, of zij wierp
+den krans weg, en snelde haar minnaar met zaamgevoegde en ter hoogte
+van het voorhoofd opgeheven handen te gemoet. Hartstogtelijk drukte
+Siddha ze in de zijnen, en de geliefde terugleidend zette hij naast haar
+zich neder in het mos.
+
+--Wat uw vader toch een wreed man is,--sprak hij,--ons terstond
+zoo weer te scheiden, nadat wij nauwlijks een paar woorden
+gewisseld hadden!
+
+--Wel!--zei Iravati,--gij moest hem eer bedanken, dat hij ons
+toestaat, elkaar zoo alleen te spreken. Dat is hier lang niet
+allen vergund, die in ons geval verkeeren.
+
+--Nu goed!--hernam Siddha,--daarvoor wil ik hem van harte dankbaar
+zijn, en te hooger waardeer ik dit gelukkig oogenblik, naar ik te
+langer er op wachten moest. Doch hoe nu? Gij deelt dunkt mij niet
+geheel in mijne blijdschap; wat mag de reden daarvan zijn?
+
+--Ach!--zuchtte Iravati,--hoe ware 't geluk onverdeeld als men
+weet dat hét zoo kort is van duur? Welligt of waarschijnlijk is
+dit het eenige korte oogenblik dat we voor langen tijd elkander
+vrijelijk mogen spreken. En morgen gaat gij weer verder, naar de
+weelderige, woelige stad, waar gij een eenvoudig meisje als ik ben
+alras zult vergeten....
+
+--Vergeten!--riep Siddha uit,--heb ik dergelijk vermoeden aan u
+verdiend? En wat is ook eene afwezigheid van misschien enkele
+maanden? Keert dan,--vroeg hij met de woorden van Amaroe, terwijl
+hij hare hand vatte, en haar nader ter zich trok,--"Keert dan wie
+gaat, niet terug? Hoe dus: mijn liefste! zoo treurig? Blijft niet mijn
+hart als mijn woord, scheiden we ook straks, u verpand."
+
+
+--Ja,--zei Iravati lagchend,--als dichters ons troosten konden!
+Maar vertel mij, Siddha! hebt gij nog nooit een vers op mij
+gemaakt?
+
+--'k Wilde dat ik het kon,--was het nederig antwoord,--en
+inderdaad ik heb 't wel eens beproefd, maar wat ik ook zocht, ik
+vond nooit iets uwer waardig. Daarentegen is er een andere kunst,
+waarin ik misschien iets beter ben bedreven dan in poëzie, en wat
+ik daarin beproefde wil ik niet voor u terughouden.--
+
+En een klein met edelgesteenten omzet medaljon uit zijn gordel te
+voorschijn halend toonde hij zijne verloofde een miniatuur
+portret, waarin zij wel terstond haar eigen beeld moest herkennen.
+
+--Siddha!--riep zij blijde uit,--maar ik ben immers lang zoo
+schoon niet!
+
+--Zoo schoon niet!--herhaalde hij,--neen, maar wel honderdmaal
+schooner dan mijn penseel of dat van een ander u afbeelden kan!
+
+En in zeker opzigt had hij gelijk. Want, naar Indischen smaak, had
+hij de doorsnee der oogen en de grootte van den mond een weinig
+overdreven, terwijl juist de volkomen evenredigheid van beide met
+de overige trekken een van Iravati's wezenlijke schoonheden was.
+
+--Maar hoe nu?--vroeg hij verschrikt, terwijl zijne gezellin
+eensklaps was opgestaan en snel aan zijne armen ontsnapte, die
+haar trachtten te omvatten,--hoe nu? gij neemt de vlugt?
+
+--Wacht mij even!--sprak zij,--in een oogwenk ben ik bij u terug.
+
+Met de vlugheid der gazelle zag hij tusschen de boomen haar den
+weg nemen naar het paleis, als zwevend de breede marmeren trappen
+bestijgen en weinige oogenblikken later terugkeeren met een niet
+terstond uit de verte herkenbaar voorwerp in de hand. Toen, hem
+weer genaderd, vertoonde zij hem, terwijl een blos hare wangen
+overdekte en hemzelven een uitroep ontsnapte van blijde
+bewondering, zijn eigen, welgelijkend, maar ditmaal werkelijk een
+weinig geïdealiseerd portret.
+
+--Liefste mijn!--sprak hij in vervoering, en eer ze zedig zich kon
+terugtrekken had hij haar middel omvat en een vurigen kus op de
+frissche rozeroode lippen gedrukt.
+
+--Zie! sprak zij,--de onstuimige omhelzing zachtkens afwerend,--
+nu zou mijn vader toch tevree met ons zijn! We hebben juist gedaan
+zooals de prinsen en prinsessen, waarvan onze nationale
+vertellingen spreken; die maakten ook elkaars portret.
+
+--Niet volmaakt juist, lieve!--verbeterde Siddha,--ze maakten hun
+eigen portret, en ruilden dan met elkaar, of als ze elkander
+afbeeldden, dan ruilden ze toch. Maar ik vind onze manier toch
+beter; de hunne scheen mij altijd in 't eene geval een blijk van
+verregaande ijdelheid, en in 't andere heel doelloos.
+
+--Foei!--zei Iravati bestraffend,--maakt gij aanmerkingen op de
+schriften der Ouden? Wie weet of gij straks niet onze heilige
+boeken zelf zoudt gaan kritiseren!
+
+--Nu ja, en waarom niet?--vroeg Siddha,--als ze nu eenmaal hier of
+daar mis hebben of smakeloos zijn, of....
+
+--Gij zijt toch, hoop ik, geen twijfelaar?
+
+--Twijfelaar? Aan wat?
+
+--Aan het gezag der heilige Veden, bij voorbeeld, of aan....
+
+--Kom, beste!--viel Siddha de schoone spreekster lagchend in de
+rede,--kom! laten we nu in deze weinige oogenblikken, die ons nog
+gegund zijn, niet doen als zoovelen onzer landgenooten, die elkaar
+haast nooit kunnen ontmoeten of ze doen elkander allerlei
+theologische en philosophische vragen.
+
+--Gij hebt gelijk,--hernam Iravati,--en zie, ik weet ook een
+spelletje dat veel aardiger is, en dat gij ook wel kent. Let op!
+
+En zich vooroverbuigend naar den kant van den vijver, plukte zij
+een donkerblauwe lotusbloem, nam een groot langwerpig boomblad dat
+daar op den grond lag, en, na het vlug tot een soort van schuitje
+omgebogen te hebben, den lotus daarin stekend, liet zij het blad
+drijven op het zacht door de beweging der fontein bewogen
+watervlak.
+
+--Die bloem is mijn Siddha,--sprak ze half in zichzelve,--laat
+ons nu zien of hij mij trouw zal blijven!
+
+--Neen!--sprak Siddha op zijne beurt verwijtend,--dat is een gek
+spel! Dat moet gij niet spelen!
+
+Maar Iravati luisterde nauwelijks en zag met ademlooze
+belangstelling naar het dobberend boomblad uit, dat daar vrolijk
+op de kabbelende golfjes danste.
+
+--Trouw! trouw!--juichte zij....
+
+Daar streek een ligt zuchtje van den zuidenwind over het water;
+het ranke vaartuig helde ter zijde, kantelde, en vertoonde weldra
+niet meer dan het ondervlak, terwijl de lotus verdween.
+
+--Helaas!--riep Iravati uit en liet het hoofd op de borst zinken,
+--mijne voorgevoelens zouden mij dan niet bedriegen?
+
+--Foei! zeg ik nu van mijn kant,--sprak Siddha,--eene edele wel
+opgevoede jonkvrouw hecht aan zulke dwaasheden, die hoogstens te
+vergeven zijn aan onnoozele boerenmeisjes! En zoo stelt gij dan
+meer vertrouwen in een boomblad, dat van zelf wel moet omvallen
+als ge 't maar lang genoeg drijven laat, dan in het eerewoord van
+een Indisch edelman, die u zijne trouw heeft gezworen als gij de
+uwe aan hem?
+
+--Ach, Siddha!--zuchtte Iravati,--heb medelijden met mij als ik
+mij soms wat kinderachtig aanstel! En is mijne onrust u geen blijk
+hoe ik u liefheb? Mag ik niet soms, hoe groot ook mijn vertrouwen
+op uw woord en uwe liefde is, met zekere onrust denken aan die
+stad waar gij heengaat en waar u wie weet het welke verzoekingen
+wachten? Toch had ik daareven groot ongelijk, dat erken ik; en,--
+vervolgde zij, haar hoofd aan Siddha's schouder leunend,--ik weet
+immers ook, dat Siddha de mijne is, nu en voor altoos en dat er
+geen andere vrouw bestaat, die mij ooit zijn hart kan ontrooven!
+
+Haar middel omvattend, zag Siddha de geliefde zwijgend aan; maar
+die blik zeide meer dan de krachtigste betuigingen, en nameloos
+gelukkig vleide zich Iravati aan zijne borst.
+
+Een gerinkel van ringen in de nabijheid deed beiden opzien, en uit
+Siddha's omhelzing zich loswindend, zeide Iravati:
+
+--Ons zamenzijn, vriend! is geëindigd; daar komt Nipoenika, mijne
+dienares, ons waarschuwen.
+
+Inderdaad verscheen een oogenblik later de dienares, wier gouden,
+om de bronskleurige enkels en armen sluitende ringen onder 't gaan
+het zooeven vernomen geluid hadden veroorzaakt, en meldde hare
+meesteres dat de Goeverneur haar uitnoodigde, naar hare vertrekken
+terug te keeren en zijn neef verzocht, met hem en Koelloeka aan
+den maaltijd te komen deelnemen.
+
+Met een ligten handdruk scheidde Iravati van haar verloofde, en
+begaf zich met Nipoenika terug naar het paleis. Op een afstand
+volgde Siddha om zijn oom en zijn reisgezel in de benedenvertrekken
+te gaan opzoeken.
+
+Aan pracht en weelde ontbrak het niet bij het maal, aangerigt in
+een der kleinere vertrekken, dat met zijn open galerij een
+heerlijk uitzigt leverde op het schilderachtig landschap daar
+omlaag. Zijden, fraai geborduurde kussens, waarop de gasten plaats
+namen, gouden en zilveren schalen in overvloed, keur van spijzen
+en wijnen, tal van dienaren van allerlei gelaatskleur en in allerlei
+kostuum, in één woord al wat overeenkomstig mogt heeten met den rang
+van Salhana als Goeverneur der veste en voor 't oogenblik hoogst
+gestelde onder de bewoners van het vorstelijk paleis. Maar de regte
+vrolijkheid ontbrak aan het deftig feest en geen vertrouwelijkheid was
+denkbaar; alles bleef er vormelijk, statig, stijf; en de gesprekken,
+even onbeteekenend als hoffelijk, werden blijkbaar slechts tusschen de
+drie mannen gevoerd omdat stilzwijgen onbeleefd zou zijn geweest.
+--Hoe anders,--kon Siddha niet nalaten te denken,--hoe anders toch dat
+eenvoudige maal bij den kluizenaar in het gebergte!--En 't was of
+Koelloeka ongeveer hetzelfde dacht toen zijn jonge vriend hem even
+aanzag; althans de blik dien hij toen juist in 't ronde wierp en zijn
+nauw zigtbare, door Salhana niet opgemerkte glimlach bewezen wel dat er
+ook iets dergelijks omging in zijne gedachten.
+
+Ten laatste inmiddels liep de lang gerekte maaltijd, waarbij in
+alle deftigheid ook nog al vrij wat wijn was gedronken, ten einde.
+Maar ook het overig gedeelte van den dag leverde voor Siddha geen
+verder genoegen meer op. Wel dwaalde hij een tijd lang onder het
+balkon der vertrekken rond, welke hem de gedienstige Nipoenika,
+hem daar ontmoetend, als die harer meesteres had aangewezen, maar
+Iravati vertoonde zich niet, en toen zij tegen den avond nog
+eenmaal in tegenwoordigheid van haar vader en diens gasten
+verscheen, was het enkel om een kort afscheid te nemen, even
+vormelijk als de eerste begroeting in den morgen was geweest.
+
+Vroegtijdig met het krieken van den dag moest den volgenden morgen
+de reis worden voertgezet, om onder behoorlijke middagrust de
+hitte van den dag te kunnen ontwijken, en vroeg dus begaven de
+reizigers zich naar hunne vertrekken.
+
+Doch zoo noodig de rust hem ook ware, de jongste der beiden kon
+zoo terstond ze niet vinden, toen hij in 't voor hem gereed
+gemaakte vertrek was aangekomen; en ongenegen dadelijk zijn
+rustbed op te zoeken, begaf hij zich, na zijne wapens te hebben
+afgelegd, nog voor eenige oogenblikken aan het open venster, dat,
+aan de achterzijde van den burgt, het uitzigt verleende op de ook
+daar aangebragte vestingwerken en de hier omheen liggende, nu in
+nachtelijke schemering gehulde bosschen, waarachter zich weder
+heuvelen en enkele hoogere, hier en daar met tempels en andere
+heiligdommen gedekte bergen verhieven.
+
+Niet enkel Iravati's beeld echter was het wat op dit oogenblik hem
+bezig hield. Ook de staatkundige gesprekken met zijn oom en de
+zonderlinge ontmoeting met den geheimzinnigen priester rezen weer
+op voor zijn geest. Dat deze door een of anderen kunstgreep achter
+het voorval met den tijger was gekomen, begreep hij wel, al kon
+hij niet ontdekken hoe; maar waartoe moest dat alles dienen, en
+wat wilde die man eigenlijk? En Salhana, de Goeverneur? Viel er
+vertrouwen te stellen in diens karakter, moesten zijne aanduidingen
+gevolgd en werkelijk voor Koelloeka verzwegen worden wat er dien morgen
+verhandeld was? Of ware 't niet noodig hem daarover te raadplegen?
+
+Eene onverwachte verschijning op den eersten ringmuur, waarvan de
+lage borstwering scherp uitstak tegen de wel reeds nachtelijke
+maar toch heldere lucht, deed Siddha een oogenblik het onderwerp
+zijner overpeinzingen vergeten om spoedig zijne gedachten nogmaals
+daarop terug te brengen.
+
+Boven de borstwering namelijk vertoonden zich eensklaps halverwege
+twee gestalten zonder dat hij begreep hoe zij, terwijl hij toch
+juist op den muur gestaard had, er zoo in eens waren gekomen; en
+spoedig herkende hij aan hunne gedaanten, schoon hij de
+gelaatstrekken niet onderscheiden kon, zijn oom, den Goeverneur,
+en Gorakh, den Doerga-priester. Al weer die twee te zamen en in
+dit late uur! Doch het wonderlijkste van de verschijning was
+misschien nog de gansch veranderde houding van beiden. Geen zweem
+meer van hunne vroegere stijfheid en statigheid. De een
+gesticuleerde al harder dan de andere bij het blijkbaar zeer
+levendig gesprek, terwijl zij nu eens naar het kasteel, dan weer
+naar het gebergte aan de overzijde wezen. Het onderhoud bleef in
+vollen gang tot het eensklaps gestoord werd door de verschijning
+van wederom nieuwe figuren, die één voor één achter elkaar langs
+den ringmuur zich voortbewogen. Dunne, magere gestalten allen, en
+bijkans geheel naakt, met uitzondering van een wit, om den hals
+gewonden koord, dat ook in de schemering nog door het verschil met
+hunne donkere huidskleur zigtbaar bleef. Aanstonds bij hunne komst
+was Salhana, waarschijnlijk langs een uit het paleis onzigtbare
+trap, even snel verdwenen als hij straks gekomen was. De priester
+had onmiddelijk al zijne statigheid weer aangenomen, en met de
+regterhand naar een der hoogste bergen wijzend, stelde hij zich
+aan het hoofd van den stoet, en daalde met dezen langs den muur
+naar het aan den voet der rots gelegen donkere woud omlaag. Een
+lange reeks van gedaanten, alle nagenoeg volkomen op de eerste
+gelijkend, volgde hem, en Siddha had lang opgehouden te tellen
+toen hij de laatste in de duisternis van het bosch verdwijnen zag.
+
+Eene ligte huivering had zijns ondanks hem bevangen toen hij die
+zonderlinge gestalten daar voorbij zag trekken en hun uitwendig
+voorkomen met den naam der godin in verband bragt, aan wier dienst
+zich Gorakh heette gewijd te hebben, en wier tempel op gindschen
+berg zij thans waarschijnlijk met hem gingen bezoeken. Kon het dan
+waar zijn dat die sekte nog bestond, waarvan hij zoo menigmaal
+gehoord had, maar die hij lang uitgeroeid of uitgestorven waande,
+dat geheimzinnig verbond van daemonen in menschengedaante, dat zoo
+lang de plaag en de schrik van Hindostan was geweest, het
+vreeselijkst voortbrengsel welligt, dat ooit godsdienstig
+fanatisme had uitgebroeid? En met een aanvoerder van dergelijke
+bende zou zijn oom, de dienaar des Keizers in verstandhouding
+zijn? 't Was inderdaad niet te gelooven, en lagchend om zijn eigen
+dwaze voorstellingen verliet Siddha het venster, en wierp zich,
+haastig ontkleed, op zijne legerstede.
+
+Vermogt hij ook nu nog niet spoedig den slaap te vatten, en dwaalden
+nog lang de tegenstrijdige beelden van Iravati en Salhana en Gorakh met
+diens naakte bruine volgelingen hem door het hoofd, tot één vast
+besluit was hij toch gekomen eer hij insliep: met Koelloeka zou hij
+niet spreken over 't geen hij dien dag gehoord en gezien had. Dat zijn
+oom in geheimen was gewikkeld, bleek hem duidelijk genoeg, maar voor
+een staatsman was dat zoo onnatuurlijk niet, en niets bewees hem dat
+zij iets misdadigs hadden, terwijl toch de ontdekking alligt van
+nadeelige gevolgen voor Salhana en misschien ook voor diens naaste
+betrekkingen kon zijn. Was dan hij, Siddha, nu geregtigd het een of
+ander uit te brengen, aan wien dan ook, wat een vertrouwelijk gesprek
+of een louter toeval hem daaromtrent had bekend gemaakt? Koelloeka zelf
+zou ongetwijfeld de eerste zijn om dergelijke handelwijze af te keuren.
+
+
+
+DERDE HOOFDSTUK.
+
+Agra
+
+Vrolijk trompetgeschal wekte Siddha uit zijne ligte
+morgensluimering. Haastig opspringend, zag hij uit het venster het
+groote plein van den burgt met eene menigte ruiters overdekt,
+sommigen hunne paarden afzadelend, anderen bezig met op te stijgen
+en zich in gelid te stellen. Voor de eene helft de ruiters, die
+uit Allahabad naar Agra stonden te vertrekken en met wie onze
+reizigers den togt derwaarts zouden ondernemen, voor de andere de
+krijgslieden, die eerstgenoemden kwamen vervangen. Reeds zag de
+jonge edelman zijn dienaar met den schimmel op hem wachten, en
+vlug maakte hij zich tot het voortzetten der reize gereed. Weinig
+tijds later zat hij te paard, terwijl ook eenige oogenblikken
+daarna Koelloeka met den Goeverneur verscheen.
+
+Nog even inmiddels vond Siddha, eer de stoet zich in beweging ging
+stellen, de gelegenheid om langs de bastions den hoek om te rijden
+tot aan het balkon, waar hij den vorigen namiddag zoo herhaaldelijk naar
+had opgezien. Ditmaal werd hij niet geheel in zijne verwachting bedrogen.
+Tusschen de planten die het balkon bedekten ontwaarde hij terstond eene
+hem wel bekende, in 't wit gehulde gestalte, die bij zijne nadering met
+een luchtig op den zachten wind fladderend doek wuifde; en toen hij
+digter bij was gekomen daalde dit langzaam neder zoodat hij, met eene
+vlugge wending van zijn paard, het op de punt zijner lans kon opvangen.
+
+'t Was een van die schitterend gekleurde en ragfijne weefsels van
+Kaçmir, die de wanhoop van alle wevers der wereld uitmaakten en
+die zich even ligt door een vingerring lieten trekken als tot
+sluijer gebruiken of tot een tulband zamenvouwen. Snel kuste hij
+'t voor hem onwaardeerbaar afscheidsgeschenk, wond het in een
+oogwenk om het gevest van zijn sabel, en toen met de hand wenkend
+ten laatsten groet, was hij dra in eenige sprongen bij zijne
+reisgenooten terug.
+
+Een eind wegs begeleidde nog Salhana, mede te paard, zijne gasten
+en de vertrekkende ruiters. Daarop nam hij afscheid, zijn neef nog
+mededeelend dat hij spoedig hem te Agra hoopte terug te zien,
+vermits hij zelf eenige dagen later zich derwaarts dacht te
+begeven; en in gezelschap van den bevelvoerenden officier der
+afdeeling, met wien zij intusschen kennis hadden gemaakt, trokken
+onze reizigers verder.
+
+Meer dan één dag nog duurde de togt. Voor een groot deel door
+zandige, veelal met meer steenen dan boomen bedekte vlakten, soms
+ook over liefelijke begroeide heuvelen, en meest langs of in de
+nabijheid van den oever der Djoemna. Eindelijk werd op weinig
+afstand van Agra des avonds de laatste halt gehouden, en toen nu
+den volgenden morgen na een korten rid de Keizerstad zelve was
+bereikt, zagen de reizigers, ook diegenen onder hen voor wien de
+aanblik niet nieuw meer was, de moeite en de onvermijdelijke
+verveling van den togt zich wél vergoed.
+
+Halvemaansgewijze, langs den tegenovergestelden oever der rivier, lag
+tusschen tuinen en vestingwerken van allerlei vorm de breede rei van
+paleizen en moskeën, die in dezen tijd en nog lang daarna Agra of
+Akbarabad tot een van de schoonste en prachtigste steden der wereld
+maakten. In het midden ongeveer en uitblinkend boven allen verrees het
+paleis van den Keizer zelf, waarvan het hoofdgebouw, van alle zijden
+omringd door kleinere, tusschen de digte boomgroepen der lusthoven
+verspreid, door de keurige voeging zijner roode en glad gepolijste
+zandsteenen als uit één in het zonlicht glanzend granietblok scheen
+gehouwen, en toch, in weerwil van het waarlijk kolossale zijner
+afmetingen, met zijne menigte van puntig uitloopende koepeldaken en
+vlugge slanke torens en als de fijnste kant tegen de lucht uitstekend
+beeldhouwwerk een voorzeker niet minder bekoorlijken dan overweldigenden
+invloed op den beschouwer te weeg moest brengen. En daar omheen de
+paleizen en lusthoven der hofgrooten en der rijke en aanzienlijke
+stadbewoners en de moskeën met hare koepels en minaretten, en hier en
+daar ook nog enkele pagoden, overblijfsels en laatste getuigen van een
+vroegeren, in deze streken althans, overwonnen beschavingstoestand. Wél
+was die aanblik reden genoeg voor den reiziger, en in 't bijzonder ook
+voor hem die de plek voor 't eerst bezocht, om den teugel in te houden,
+ten einde nog eene wijl zich te verlustigen in het gezigt van zooveel
+pracht, en, kon het, een oogenblik na te denken over den indruk daardoor
+veroorzaakt. Eén eenig mensch, magtig veroveraar en diep ingrijpend
+hervormer bovendien, was dan voor 't grootste deel de stichter van dat
+alles, dat in eene voormaals nog weinig aanzienlijke plaats als
+eensklaps door eene tooverroede te voorschijn was geroepen uit den
+barren grond? Wat geweldig, wat veelbeteekenend man dat niet zijn moest!
+En een gevoel van beklemdheid greep Siddha aan, toen hij zich
+voorstelde, misschien binnen kort vóór dien man te zullen verschijnen
+en welligt zelfs eenige woorden, zij 't ook slechts vormelijke, met hem
+te moeten wisselen.
+
+Weldra intusschen begaf men zich verder en, aan de overzijde der
+rivier gekomen, namen Koelloeka en Siddha afscheid van hun
+reisgenoot, den officier, en begaven zich met hunne dienaren naar
+de woning door een van Koelloeka's vrienden voor hen gehuurd,--een
+eenvoudig maar smaakvol en aangenaam ingerigt huis met een
+vriendelijk uitzigt op omliggende tuinen en op den klaren, in de
+morgenzon glinsterenden stroom in de laagte.
+
+--Komaan, dat treft!--zei Koelloeka toen zij de woning waren
+binnengetreden,--ik zie daar dat onze goederen al met de kameelen
+zijn aangekomen. Nu behoeven wij niet stil te zitten en kunnen
+straks al dadelijk, als we ons wat gekleed hebben, onze opwachting
+bij Aboel Fazl, den Minister gaan maken. Eerst nu een frisch bad;
+en inmiddels kan Vatsa onze zaken helpen uitpakken.
+
+Een half uur later waren beiden tot het voorgenomen bezoek op weg;
+Siddha in een tot de knieën reikend en op de met een parelsnoer
+behangen borst een weinig geopend goudlakensch kleed, en gedekt
+door een niet te grooten, met een veder gesierden tulband, waarin
+hij Iravati's afscheidsteeken had gevlochten; Koelloeka eveneens
+in ietwat sierlijker, min streng eenvoudig gewaad dan hij tot
+dusver gedragen had. Sabel en dolk, meer tot tooi nu dan tot
+voorkomend gebruik, strekten tot wapentuig.
+
+De weg naar het paleis des Ministers was niet lang; en daar
+aangekomen en de voorhoven doorgegaan zijnde, werden de beide
+bezoekers op de vermelding hunner namen terstond naar een der
+binnenvertrekken geleid om daar den Vizier af te wachten. Ook
+stelde deze hun geduld niet lang op de proef. Weldra werd een der
+gordijnen, die het vertrek van de overige scheidden, ter zijde
+geschoven, en Aboel Fazl trad binnen.
+
+Hij was een eenigszins gezet man van middelbare lengte en
+omstreeks een goede vijfig jaar, in een wel eenvoudig, maar toch
+kostbaar gewaad van gele, gebloemde zijde gekleed. Een baard droeg
+hij in 't geheel niet, maar zijn glad gelaat vertoonde niettemin,
+ook in weerwil van zekeren vermoeiden trek, eene uitdrukking van
+mannelijke kracht en sterken, vasten wil, eene uitdrukking tevens
+weer getemperd door den vriendelijken blik zijner donkere oogen.
+
+--'t Verheugt mij, u zoo spoedig hier te zien,--sprak hij na de
+gewone groeten, die van de zijde van Koelloeka en Siddha zeer
+eerbiedig waren;--onze jonge vriend betoont zich daarmede, dank
+zij waarschijnlijk ook uwe aansporing, wijze Koelloeka! niet
+langzaam in 's Keizers dienst.
+
+--'t Ware voorzeker ook een slecht begin,--merkte de aangesprokene
+op,--indien hij een oogenblik langer dan noodig was had gedraald
+om de eervolle betrekking te komen aanvaarden, die uwe gunst en
+die des Keizers hem hebben toegedacht.
+
+--Geen gunst, mijn vriend!--hernam Aboel Fazl--geen gunst, maar
+verstandig beleid, zoo ik hoop. Wij achten hier geenszins nuttig,
+alle betrekkingen steeds in handen te geven van onze eigene
+grooten, en stellen 't ook op prijs als 's lands oorspronkelijke
+edelen zich wijden aan onze dienst. Ook weet gij dat onze
+Radjpoet's ongaarne hun aanvoerders uit anderen dan van hun eigen
+stammen zien gekozen. En wat eindelijk kon mij aangenamer zijn dan
+den zoon van een oud vriend, en van wien ik ook niet dan goede
+getuigenissen vernam, tot een betrekking te roepen die zijn vader
+gewenscht voor hem acht?
+
+--Veroorloof mij niettemin, edele Heer!--sprak nu Siddha toen de
+Minister zweeg--het mij toegezegde als een gunst te blijven
+beschouwen en Uwe Excellentie daarvoor mijn dank en dien van mijn
+vader te betuigen! Ik wil hopen dat ik mij haar niet gansch
+onwaardig zal maken.
+
+--Blijf trouw vóór alles!--zei Aboel Fazl ernstig;--'t is een
+voorschrift dat u thans overbodig schijnt; maar als ge wat langer
+hier zijt geweest, zult gij aldra bemerken dat het dit in 't
+geheel niet is in een omgeving waar verraad menigmaal van alle
+kanten loert en zich ook de besten nog wel eens tot ontrouw lieten
+verleiden. Morgen inmiddels zal uw opperbevelhebber u de noodige
+instructiën geven voor de dienst. Ook zal hij voorzeker niet
+nalaten u te waarschuwen, wat voorzigtig met uwe Radjpoet's te
+zijn. Want, gij weet het, velen hunner, al bekleeden zij geen
+bepaalden militairen rang, zijn edelen als gij, en willen dus niet
+zoo geheel behandeld worden als gewone soldaten. Voor 't oogenblik
+zult gij, naar ik onderstel, wel eens wat meer van de residentie
+willen zien dan gij tot nogtoe er van gewaar zijt geworden. Ik wil
+u dus niet langer terughouden.--Doch wacht nog even,--sprak de
+Minister, toen Siddha zich gereed maakte te vertrekken,--een
+geleider zal u niet onwelkom zijn, en ik meen u een geschikten te
+kunnen aanwijzen.--Daarop in de handen klappend, vroeg hij den
+spoedig verschenen dienaar:--Is mijn neef Parviz hier?
+
+--Ik zag hem zooeven nog in den hof gaan,--antwoordde de dienaar.
+
+--Zeg, dat ik hem hier wensch te zien!
+
+Weinige oogenblikken later verscheen een jongman van ongeveer
+Siddha's leeftijd, rijk gekleed en met juweelen en paarlen gesierd
+en van een bevallig en innemend, schoon ook in weerwil van zijn
+fijnen zwarten knevel ietwat vrouwelijk voorkomen.
+
+--Parviz!--zei Aboel Fazl,--zie hier de beide heeren uit Kaçmir,
+waarvan ik u de komst gemeld heb. Den edelen Siddha zult gij hoop
+ik al spoedig uw vriend mogen noemen. Thans wilt gij hem alligt
+wel tot gids strekken in onze stad, die hij voor 't eerst bezoekt.
+
+--Gaarne, oom!--antwoordde Parviz, terwijl hij Siddha beleefd en
+vriendelijk tevens groette,--'t zal mij niet minder genoegen zijn
+dan eer.
+
+--Zoo gaat dan!--hernam de Minister.--Koelloeka zal misschien nog
+wel enkele oogenblikken hier willen vertoeven om met mij sommige
+belangen van Kaçmir te bespreken. Doch, mijne heeren!--zeide hij
+nog in 't bijzonder tot Siddha en den Brahmaan,--vergeet vooral
+niet nog heden mijn broeder Feizi een bezoek te brengen! Hij zou
+'t u erg kwalijk nemen als gij 't uitsteldet tot morgen, al werd
+mij de voorrang ook gaarne door hem gegund.
+
+En op een vriendelijken wenk van den Staatsdienaar verwijderden
+zich de beide jongelieden en verlieten gezamenlijk het paleis.
+
+--Kom!--zei Parviz, toen zij buiten waren,--'t is gelukkig nog zoo
+heel warm niet, en we konden dus wel eens dadelijk het eerste gaan
+zien waar een bezoeker van Agra wel vóór alles heengaat, het
+paleis van den Keizer. Ten minste als de wandeling u niet te zwaar
+is na uw morgenrid.
+
+--Och!--antwoordde Siddha, spoedig gemeenzaam met zijn nieuwen
+vriend,--om de warmte geef ik in den regel al even weinig als om
+de kou, wij zijn er in onze bergen wel aan gewend. En ook niet om
+een weinig moeite. Maar ongaarne zou ik u last veroorzaken om mij
+iets te laten zien wat gij zelf natuurlijk al lang kent.
+
+--Nu,--hernam Parviz wat spotachtig,--zoo'n ijzervreter ben ik wel niet
+als gij, die daar uit de hooge bergen en wilde bosschen komt; maar een
+wandelingetje kan ik toch nog wel maken, en al kreeg ik 't nu ook wat
+warm, uw gezelschap zal mij de mogelijke vermoeijenis wel doen
+vergeten.
+
+Zoo al pratend en terwijl men elkander 't een en ander omtrent
+eigen betrekkingen en belangen meedeelde, waarbij Parviz onder
+anderen vertelde dat zijn oom, de Minister, hem voor de
+krijgsdienst, waarin hij zelf ook niet veel behagen vond,
+ongeschikt achtte, en hem voor een staatsambt bestemde, kwamen de
+beide wandelaars al spoedig aan de groote, breede straat, die een
+der hoofdtoegangen vormde tot de voorhoven der vorstelijke
+paleizen. Aan het einde dier straat was een hooge, in den vorm van
+een triomfboog opgerigte poort, en deze doorgegaan zijnde kwam men
+op een uitgestrekt, door platanen beschaduwd plein, dat ook nog
+door zes andere bogen van gelijke bouworde en even breede straten
+toegankelijk werd gemaakt. In 't midden verhief zich een kolossale
+steenen olifant, door den tromp bij wijze van fontein en hooge
+waterkolom opspuitend; en de drie andere zijden van het plein
+werden ingesloten door lange reijen van marmeren kolonaden,
+waarachter als trapsgewijze de verschillende verdiepingen der
+hoofdgebouwen omhoog rezen. Was de aanblik misschien minder
+treffend en schilderachtig dan die van de rivierzijde, de
+verbazende uitgestrektheid der paleizen en hunne bijbehoorende
+gebouwen, waaronder ook vestingwerken van velerlei aard, viel
+daarentegen te meer in het oog.
+
+--Gij begrijpt wel,--zei Parviz,--dat we dat alles wat daarbinnen
+is nu niet in eens zien kunnen, ook al waren we nog zoo bestand
+tegen vermoeijenis; wij zouden er toch den tijd niet voor hebben.
+Doch laten we nu dan voorloopig eens het een en ander er van
+bekijken, dan kunt gij u ten minste eenig begrip vormen van het
+geheel. Gaandeweg zult gij er later wel meer van zien.
+
+En een der galerijen binnentredend deed Parviz zich en zijn
+medgezel aan een wachter kennen, die hun terstond een geleider
+medegaf naar de voor bezoekers van hun rang toegankelijke
+binnengebouwen. En nu ging het door lange reeksen van grootere en
+kleinere vertrekken, het eene al rijker en fraaijer gestoffeerd
+dan het andere, alle opgetrokken in den luchtigen en bevalligen
+Moorschen bouwtrant, en waarvan er verscheiden een bekoorlijk
+uitzigt leverden op de uitgestrekte tuinen met hunne frissche
+fonteinen en hun pacht van bloemen en gewassen van allerlei soort.
+Hier marmeren wanden, ingelegd met sierlijke bloemen van keurig
+mozaïekwerk; daar spiegels van alle kanten en fijne, haast
+onzigtbare fonteinen, wier dunne stofregen een heerlijke koelte
+verspreidde; allerwege goudlakensche of zijden, met goud- en
+zilverdraad gestikte gordijnen en voorhangsels van velerlei naar
+den aard der overige versierselen wisselende kleur, en zware
+tapijten en zachte zijden kussens, waarop in die omgeving zich uit
+te strekken op zich zelf reeds een genot mogt zijn geweest.
+
+--Daar ginds, aan den anderen vleugel,--zei Parviz weder,--zou
+men u nog veel meer fraais kunnen toonen; maar daar kunnen wij
+natuurlijk niet binnenkomen: 't zijn de vrouwenvertekken. Ik heb
+eens een kijkje gehad in een paar daarvan, toen ze pas waren
+afgewerkt en nog niet bewoond werden; ja, wat daar niet al aan ten
+koste moet zijn gelegd! Maar ik schenk u de beschrijving; gij hebt
+al genoeg te kijken en dus zeker ook weinig lust om nog meer aan
+te hooren. Is,--vroeg hij den geleider,--de groote audientie-hal
+open?
+
+--Neen, Heer!--antwoordde de ander,--voor 't oogenblik niet; maar
+over een paar dagen....
+
+--Nu, 't maakt ook niet uit,--hernam Parviz.--Binnenkort,--
+vervolgde hij tot Siddha,--zal er wel openbare audientie zijn en
+dan kunnen wij er heengaan. En van de vertrekken die de Keizer
+zelf bewoont, zult gij later misschien wel meer gewaar worden.
+Laat ons voor 't oogenblik nog wat bijzaken gaan opnemen, die het
+zien toch ook nog wel waard mogen heeten.
+
+Langs hooge en breede zuilengangen, waarbinnen zich een menigte
+van dienaren en krijgslieden van allerlei rangen bewoog, soms ook
+door de regte en lange lanen van het park, wandelden nu de
+bezoekers voort, terwijl Parviz zijn medgezel de bestemming der
+verschillende zalen en gebouwen aanduidde. Hier de Keizerlijke
+bibliotheek, met hare rijk gebonden handschrfften, ginds de
+werkplaatsen der goudsmeden en juweliers, de laboratoriën ter
+vervaardiging van reukwerken, de uitgebreide magazijnen en
+keukens, en eindelijk ook, behalve nog de arsenalen der vesting,
+de stallen der paarden, olifanten en kameelen, die meer in 't
+bijzonder voor den Keizer zelf en zijn gevolg waren bestemd.
+
+Tot dusver had Siddha gemeend, toch ook nog wel begrip van
+paleizen te hebben; nu echter begon hij tot de overtuiging te
+komen, dat hij er eigenlijk nog nooit een gezien had. Niet weinig
+vooral verbaasde hem de uitgebreidheid van die stallen, die van
+boven en uit de verte beschouwd, zich als heel een afzonderlijk
+dorp vertoonden te midden van de parken waarbinnen ze waren
+opgerigt.
+
+--Wat menigte van edele dieren daar niet zijn moet,--merkte hij
+op.
+
+--Ja,--antwoordde Parviz,--een goede honderd olifanten zijn er
+onder anderen stellig wel hier; hoeveel er elders nog voor den
+Keizer worden gehouden weet ik niet met zekerheid; naar men zegt
+moet hij er nog heel wat bezitten en een evenredig aantal kameelen
+en paarden en jagt-luipaarden.
+
+--Maar,--vroeg Siddha,--wat heeft één man, al is hij ook Shah
+Akbar, nu toch eigenlijk aan zooveel overdaad in alles?
+
+--Hij voor zich zelf niet veel,--was het antwoord,--en misschien
+minder nog dan gij wel meenen zoudt. Geboren in een wildernis,
+toen zijn vader als balling rondzwierf, en opgevoed in een
+legerkamp, hecht hij volstrekt niet aan al die inderdaad
+overmatige weelde, en zou ongetwijfeld met oneindig minder tevrede
+zijn; maar hij is overtuigd en, naar ik geloof, volkomen teregt,
+dat een vorst als hij, in deze landen en onder al die volken en
+grooten waarover hij heerscht, een indrukwekkende praal niet
+minder van noode heeft dan een sterk leger en ervaren staatsmannen. Wij
+allen, Perzen, Mongolen, Arabieren of Hindoe's gijlieden zoo goed als
+wij, zijn nu eenmaal gewoon daartegen op te zien en te meer ontzag voor
+den monarch te hebben naar hij meer uiterlijk vertoon maakt. Doch als ge
+nu meent dat met al die vertooning ook verkwisting zamengaat, dan zoudt
+ge u niet weinig vergissen. Ik durf u ten stelligste te verzekeren dat
+er in waarheid niets wordt weggeworpen, en al wordt er soms ook
+gestolen, heel veel kan 't betrekkelijk niet zijn. Want tot in de
+kleinste bijzonderheden van deze ontzaggelijke hofhouding heerscht
+even strenge regel en orde als in de verschillende afdeelingen van
+het staatsbestuur, die bijkans overal in het rijk van den Grooten
+Mogol als voorbeeld kunnen gelden van een verstandige administratie.
+Mijn oom Aboel Fazl is bezig dat alles nauwkeurig te omschrijven in zijn
+groote werk over de instellingen en het bestuur van den Keizer, in zijn
+Aïn i Akbari, waarbij hij mij wel eens een handje laat helpen. Eene zaak
+met dat al is er, waarin men Akbar soms wel eens verkwistend mogt noemen.
+Als 't namelijk geldt, anderen bij te staan die zich in moeilijkheden
+bevinden of behoeftig zijn, en eenige aanspraak op zijn mildheid kunnen
+maken, of ook wel de bevordering van wetenschap en kunst, dan hebben
+zijn schatmeesters dikwijls moeite genoeg hem binnen de redelijke
+grenzen te houden. Maar nu!--vervolgde Parviz na een oogenblik
+stilzwijgen,--'t wordt nu waarlijk onze tijd om naar huis te gaan;
+de zon begint al te branden en ik wil u ook wel bekennen dat ik
+wat vermoeid ben. Als we hier nog langer bleven ronddrentelen zou
+ik veel lust hebben hier of daar op een rustbank neer te vallen en
+er de koelte van den avond af te wachten; maar daar hebben we niet
+veel aan, en dan verloopen we ook ons maal.
+
+--Zoo laat ons den terugtogt dan aannemen!--antwoordde Siddha,--en
+ik dank u inmiddels van harte voor uw vriendelijk geleide. Gij
+hebt mij hier al haast den weg geleerd.
+
+Langs een bijpad aan de andere zijde der tuinen en gebouwen leidde
+nu Parviz zijn vriend naar diens woning terug, en daar afscheid
+nemend, zeide hij:
+
+--Gij zult het morgen waarschijnlijk wel te druk hebben met
+dienstzaken om nog verder de stad te bezigtigen of uitstapjes te
+maken. Doch zoo gij overmorgen of later wilt, ik ben gaarne tot uw
+dienst. Laat mij 't maar eens weten, of ik kom u misschien ook wel
+opzoeken.
+
+De beide jongelieden gaven elkaar de hand, en in een koel vertrek
+zijner woning ging Siddha de middagrust genieten, die ook hem op
+dit oogenblik toch niet onwelkom was.
+
+Tegen 't vallen van den avond begaf hij met zijn ouderen vriend
+zich weer op weg om Feizi, den broeder des Ministers, het
+voorgenomen bezoek te brengen. Eene aangenaam tusschen digte
+boomgroepen gelegen en betrekkelijk niet uitgestrekte maar toch
+rijk en smaakvol gebouwde villa diende Aboel Fazl's jongeren
+broeder tot woning. Aanstonds werden ook hier de bezoekers
+toegelaten en bij den bewoner aangediend; weinige oogenblikken
+daarna verscheen een dienaar om hen binnen te leiden in Feizi's
+eigen vertrek.
+
+Daar, in de nabijheid van het balkon, dat voor een groot deel zich
+uitbreidde langs het gebouw, zat aan een kunstig bewerkte tafel,
+met velerlei handschriften bedekt en door menigte van anderen op
+den grond liggende omringd, een man in de kracht zijns levens, met
+de schrijfstift in de hand en voorover gebogen over zijne papieren
+en perkamenten. Zoodra hij de bezoekers gewaar werd, stond hij op,
+trad hen te gemoet, en beiden zonder verdere formaliteiten met een
+eenvoudig: Welkom! de hand gevend, wenkte hij hen, op de vóór het
+balkon gespreide kussens met hem plaats te nemen.
+
+Wat Feizi vooral van zijn ouderen broeder onderscheidde, met wien
+hij overigens veel gelijkenis vertoonde, was de opgeruimde,
+joviale uitdrukking van zijn eveneens glad geschoren gelaat en
+eene bijzondere ongedwongenheid van manieren, aan de hoffelijke
+vormen van een man van de wereld gepaard. Ook kenschetste zijn
+kalme en rustige blik meer nog den stillen denker dan den man van
+krachtig, rusteloos handelen, schoon hij als krijgsman toch ook
+menige dappere daad had bedreven en als gezant meer dan eens
+netelige vragen had helpen oplossen voor zijn vorst.
+
+--Ik wist het wel,--zeide hij, terwijl een paar dienaren den
+gasten wijn en ververschingen kwamen aanbieden,--gij zoudt den dag
+niet laten verloopen, waarde Koelloeka! zonder mij, zoo goed als
+mijn broeder, met uw bezoek te verheugen en mij in kennis te
+brengen met uw jongen vriend, dien ik spoedig ook den mijne hoop
+te noemen.--En wat zegt ge nu wel van onze nieuwe stad?--vroeg hij
+aan Siddha.--Gij hebt er toch zeker al 't een en ander van gezien?
+
+--Uw neef Parviz, edele Heer!--antwoordde Siddha,--heeft dezen
+morgen de vriendelijkheid gehad mij door een gedeelte van het
+paleis rond te leiden. Maar om u de waarheid te zeggen, ik kan er
+eigenlijk nog zoo geen oordeel over uitspreken; ik ben voor 't
+oogenblik eenvoudig verbaasd over zooveel pracht en zooveel
+heerlijke kunstwerken. Ik had er mij veel van voorgesteld, maar
+dat alles is mij gebleken vér beneden de werkelijkheid te zijn.
+
+--Dat geloof ik gaarne,--hernam Feizi,--het gaat iedereen zoo, die
+voor 't eerst hier komt. Men mag nog zooveel beschrijvingen van
+Akbar's paleizen gehoord of gelezen hebben, toch staat men nog
+altijd verwonderd als men ze werkelijk ziet. Maar zeg mij,
+Koelloeka! hoe gaat het u tegenwoordig in uw verre Noorden? Ik ben
+benieuwd weer eens iets van uw Kaçmir te vernemen.
+
+Gaarne beantwoordde Koelloeka de vraag, schoon in 't algemeen en
+zonder thans te doelen op de weer aangevangen oneenigheden; en ook
+Siddha nam spoedig een levendig deel aan het gesprek. Nooit nog
+had hij met een vreemde zoo snel zich op zijn gemak gevoeld als nu
+met dienzelfden veelbeteekenenden Feizi, des grooten Keizers
+vriend zoowel als raadsman, tegen wiens nu reeds allerwege
+beroemden naam van geleerdheid en kunde hij steeds zoo hoog had
+opgezien. Al spoedig had inmiddels het gesprek het terrein der
+dingen van den dag verlaten en was het overgegaan tot onderwerpen
+van meer algemeenen aard. Vooral ook tot letterkundige.
+
+--Gij bewondert onze paleizen,--sprak Feizi tot Siddha,--en gij
+erkent dat zij uwe verwachting overtreffen; maar mij is 't nog
+gansch anders gegaan, toen ik voor 't eerst kennis maakte met uwe
+eeuwenoude klassieke en geheiligde litteratuur. Onze geloovige,
+maar daarom nog niet heel kundige moellah's hadden mij altijd
+verteld, dat Indische letterkunde eigenlijk niets anders was dan
+een verward en smakeloos zamenraapsel van allerlei gedrogtelijkheden,
+even verderfelijk voor waren kunstzin als gevaarlijk voor het geloof in
+Allah en zijn Profeet. Wat er van dit laatste zijn mag, laat ik daar;
+maar als mijn kunstsmaak als ook mijn zucht naar wetenschap voldaan
+zullen worden dan geschiedt dit vrij wat beter door uwe dichters en
+denkers dan door de onzen. Wat prachtige heldendichten de uwe, wat
+verheven lyriek, wat schitterende drama's, en welke ridderlijke en
+edele, wat humane en zedelijk reine gevoelens in veel van dat alles! En
+welk eene diepte en omvang tevens van gedachten bij uwe wijsgeeren van
+ouds! Maar wat behoef ik ulieden dat te herinneren? Gij weet en begrijpt
+het natuurlijk veel beter dan ik, die niet dan met zware inspanning uwe
+moeilijke, zoo gansch en al van ons Perzisch en Arabisch verschillende,
+klassieke taal kon leeren verstaan.
+
+--Nu, het Sanskrit waait ons tegenwoordigen Hindoe's, die
+natuurlijk meest Hindostani spreken, ook juist niet aan,--zei
+Siddha,--vraag Koelloeka maar eens, hoeveel hij met mij te doen
+heeft gehad om 't mij te leeren.
+
+--'t Ging nog al,--merkte Koelloeka goelijk aan,--maar al heeft
+dan een Feizi in den aanvang zoo goed als ieder ander moeite gehad
+met het leeren der taal, hij heeft wél doen vergeten dat ze
+oorspronkelijk hem niet eigen was, door zijne vertaling van onze
+Kaçmirsche kronijk en voorzeker niet minder door zijne treflijke
+navolging van Nala en Damayanti.
+
+--Wat heerlijk dichtwerk, niet waar?--hernam Feizi, die niet
+spoedig was uitgepraat als hij eens over Hindoe-litteratuur
+begon,--en hoever blijft niet elke bewerking in eene andere taal
+beneden het origineel, zoo eenvoudig en toch zoo verheven schoon,
+met die onovertroffen vrouwenfiguur, de edele, reine, bij alle
+beproeving en miskenning, aan haar onwaardigen gemaal zoo
+onwankelbaar trouwe Damayanti! Voor 't overige, als ik soms iets
+navolg dan doe ik 't voornamelijk ten gerieve van Akbar, die
+natuurlijk geen tijd heeft om nog eens vreemde talen te gaan
+leeren en toch alles lezen wil. Zoo heeft hij mij ook al een
+overzetting van de Evangeliën opgedragen.
+
+--Van de wat?--vroeg Koelloeka.
+
+--Van de heilige boeken dier mannen uit het Westen, die zich, naar
+den stichter hunner godsdienst, Christenen heeten, en waarvan gij
+toch zeker wel gehoord hebt. Nu, er staat ook veel lezenswaardigs
+in die boeken, en er komen veel verheven en diepzinnige
+denkbeelden in voor, nevens veel onbeduidends en ook onzinnigs,
+even als in uwe theosophiën; maar over 't geheel geeft het niet
+bepaald veel nieuws als men uwe theologie en wijsbegeerte eenmaal
+kent. Maar wat mij ook zoo bijzonder steeds bevalt,--dus vervolgde
+hij, zijne lofrede op oud-Indië's beschaving voortzettend,--dat
+zijn uwe spreuken. Hoe laf en zouteloos schijnen mij wederom de
+onze, die voor hooge wijsheid moeten doorgaan, als ik ze bij die
+andere vergelijk! Al had ik er maar deze ééne van u geleerd, ik
+zou al genoeg hebben om mij weer moed te geven als ik dien soms
+verlies bij het arbeiden aan mijn manuscripten daar:
+
+"De schat, die niet vergaat, niet wordt geroofd, maar aangroeit,
+ Naar gij hem meer verkwist, die schat heet wetenschap."
+
+
+--Is 't zóó goed?--vroeg hij Siddha, na de regels in 't
+oorspronkelijke te hebben uitgesproken,--of maak ik soms een fout?
+
+Een oogenblik aarzelde Siddha met zijn antwoord, maar Koelloeka
+aanziend, die glimlagchend knikte, antwoordde hij met gepaste
+vrijmoedigheid:
+
+--Eene enkele, Heer! maar trouwens ook een zeer geringe.--En den
+laatsten regel herhalend, verbeterde hij de uitspraak van een der
+daarin voorkomende woorden.
+
+--Nu, ik kom er nog al wél af!--riep Feizi vrolijk uit,--maar
+zegt gij mij nu ook eens een spreuk van Bhartrihari voor! Gij kent
+er toch zeker wel een enkele van buiten.
+
+Siddha dacht een oogenblik na en reciteerde toen:
+
+ "Elk werd geboren die leeft; wezenlijk echter geboren
+ Heel alleen hij, die een naam nalaat aan 't komend geslacht."
+
+
+--Oho!--zei Feizi lagchend,--gij hebt daar in uw Kaçmir nog wat
+anders dan Sanskrit geleerd! Gij zijt al vrij wel gevorderd in de
+kunst van vleijen, mijn vriend!
+
+--Vleijen?--vroeg Siddha,--maar zou dan uw naam, als die van uw
+broeder Aboel Fazl tot in de verste streken van Hindostan en zeker
+ook van Perzië doorgedrongen, bestemd zijn om door volgende
+geslachten weer vergeten of door hen niet gewaardeerd te worden?
+
+--Mijns broeders naam!--sprak de ander,--ja, dien zal men niet
+ligt weer vergeten! Al was 't nog niet eens om zijn daden, dan
+toch zeker om zijn onsterfelijk werk, zijn Akbar-Nameh, waarin hij
+bezig is de regeringsgeschiedenis van onzen grooten Keizer te
+beschrijven. Dat wordt eerst een boek, mijne vrienden! waarbij al
+mijn werken en tobben in 't niet verzinken. Ik heb alleen, het
+inziende, hem wel eens de aanmerking gemaakt, dat hij Akbar, die
+toch altijd een mensch blijft en dus ook wel zijne gebreken heeft,
+wat al te zeer in de wolken steekt, en dus alligt in toekomende
+tijden zich den blaam van partijdigheid of zelfs van vorstenvleijerij
+op den hals zal halen. Maar hij wil er niets van hooren, iets op zijn
+lof van den Keizer af te laten dingen.--Als ik,--antwoordt hij mij,
+--niet alles zeggen mag wat ik wezenlijk in gemoede denk van den man,
+die meer is dan mijn vorst, die mijn weldoener is en mijn trouwste
+vriend, dan werp ik mijn gansche boek veel liever in 't vuur!--Nu, gij
+begrijpt, daartegen valt dan niet veel te redeneren. En bovendien men
+kan 't aan Akbar zelf wel merken, al zegt hij 't niet, dat het hem
+gansch niet onwelkom is, zich door zijn vriend, aan wiens oordeel hij
+hooge waarde hecht, zoo geprezen te zien.
+
+--Edele Feizi!--sprak Siddha, nadat er een kort oogenblik stilte
+had geheerscht,--mag ik u eens eene opregte vraag doen?
+
+--Wel zeker!--luidde 't gulle bescheid,--en ik hoop er even
+eerlijk op te kunnen antwoorden.
+
+--Nu dan, toen wij daar van den Minister Aboel Fazl spraken, kwam
+mij eene waarschuwing in de gedachte die hij mij dezen morgen gaf.
+Hij waarschuwde namelijk tegen het verraad dat den Keizer hier
+steeds omringt. Zoudt gij, die zoo verstandig zijt, nu wezenlijk
+meenen dat hier nog lieden zijn kunnen dwaas en tevens misdadig
+genoeg om tegen zoo magtig, zoo groot en zoo weldadig een vorst
+als Shah Akbar zamen te spannen?--of is het werkelijk zoo?
+
+--Och kom!--riep Feizi uit,--mijn broeder ziet ook overal verraad!
+Maar dat is nu eenmaal een Minister, en vooral een eersten, een
+Groot-Vizier, eigen. Maak u echter niet al te beducht; de
+menschen zijn inderdaad zoo slecht niet, en in elk geval niet gek
+genoeg om zich aan dergelijke kunsten te wagen, waarbij ze hun
+hoofd op 't spel zetten met voor 't minst tien kansen tegen één.
+
+--Feizi!--sprak Koelloeka ernstig en half verwijtend,--uwe
+optimistische beschouwingen getuigen ongetwijfeld voor uw goed
+hart; maar denkt gijzelf niet, dat ze soms gevaarlijk mogten
+worden, en bijvoorbeeld jongeren, zooals onzen nog weinig ervaren
+vriend hier, tot onvoorzigtigheid verleiden?
+
+--Nu, maar ik zeg ook niet dat hij onvoorzigtig moet zijn,--
+hernam de ander,--ik meen alleen dat hij nu juist niet behoeft te
+beginnen met zich allerlei voorstellingen omtrent hof- en
+staatsintriges in 't hoofd te halen, maar kloek en blijmoedig het
+leven behoort in te gaan. Zoo begonnen wij allen, en we zijn er
+immers wél bij gevaren. Met al te veel achterdocht aanvangend kon
+hij op 't laatst wel eens niemand meer gaan vertrouwen, ook mijn
+broeder zelf en mij niet.
+
+--Dat in geen geval!--riep Siddha levendig uit, terwijl hij Feizi
+vrijmoedig in 't vriendelijk open gelaat zag,--en zoo min ik ooit
+bedekte vijandschap van uwe zijde zou vreezen, zoo min hebt gij te
+eeniger tijd verraad of trouweloosheid te wachten van wien zóózeer
+prijs stelt op uwe achting en vriendschap als ik.
+
+--Gedenk dat woord!--zei nogmaals Koelloeka op ernstigen toon,--
+en bedenk tevens dat de mensch nooit bij magte is vooruit alle
+omstandigheden en oorzaken te kennen, die eenmaal invloed kunnen
+hebben op 't geen hij gewoon is, kortzigtig, zijn vrijen wil te
+noemen.
+
+--Zie zoo!--sprak Feizi op zijn gewone luchthartige manier,--daar
+zijn we nu weer aan de philosophie. Nu, gij weet, dat behoort ook
+al tot mijn liefhebberijen, al ben ik er juist niet vér in; en als
+mijn geleerde vriend Koelloeka wil, dan laten wij de lichten
+aansteken, want het begint al donker te worden, en verdiepen wij
+ons nog wat in Sankhya en Vedanta, waarin hij zelf zoo sterk is.
+Jammer, dat wij Akbar zoo maar niet kunnen doen uitnoodigen om bij
+ons gesprek tegenwoordig te zijn! Dat was juist weer iets voor
+hem, die de droogste philosophische discussie vermakelijker vindt
+dan de schitterendste feesten.
+
+--Niets liever, geëerde Feizi!--was Koelloeka's antwoord,--dan
+zamen nog menig uur, gelijk wij vroeger zoo dikwijls deden, aan de
+door u bedoelde onderwerpen te wijden; maar voor 't oogenblik is
+'t voor ons meer dan tijd om te gaan. Siddha moet morgen in de
+vroegte reeds op 't appél zijn om zijn kommando over te nemen, en
+ikzelf heb te huis nog heden, al wordt het nacht, verscheiden
+zaken te regelen vóór mijn vertrek, dat op overmorgen bepaald is.
+Wilt gij ons dus vergunnen, thans voorloopig u dank te zeggen voor
+uwe, als altijd, zoo vriendelijke ontvangst?
+
+--Ik moet wel, waarde vriend!--antwoordde Feizi, terwijl hij een
+dienaar riep om de bezoekers uitgeleide te doen,--al verzette ik
+mij gaarne tegen uw besluit. Siddha!--zeide hij nog vertrouwelijk
+tot dezen, na afscheid gereed den dienaar en zijn leermeester te
+volgen,--wij spraken daar straks van onvoorzigtigheden.... Waak
+daar tegen! Maar een jong man als gij loopt er bij ongeluk toch
+wel eens in, vooral aan zoo'n hof als 't onze, en mogt dat soms
+eens gebeuren en gij u in verlegenheid bevinden, kom dan gerust
+bij Feizi; die kan u misschien nog wel eens uit den brand helpen.
+
+En zonder antwoord of dank af te wachten keerde de broeder des
+Ministers zich om, en ging naar zijn binnenvertrek terug....
+
+Zoo ontbrak het dan Siddha,--de gedachte drong onder 't huiswaarts
+keeren zich als van zelf bij hem op,--zoo ontbrak 't hem bij de
+intree in het leven waarlijk niet aan goede raadgevers en aan
+steun! Voor uiterste omstandigheden de wijze kluizenaar van het
+gebergte, voor geringere moeijelijkheden de verstandige en
+invloedrijke Feizi, en daarenboven de hem reeds gebleken gunst van
+den eersten Minister en de toegezegde van den oppermagtigen Keizer
+zelf. Wat iemand vooreerst nog meer had kunnen verlangen?
+
+
+
+VIERDE HOOFDSTUK.
+
+Akbar
+
+Toen den volgenden morgen onze jeugdige krijgsman op een van de
+groote pleinen der vesting het bevel over zijne afdeeling benevens
+de noodige instructiën van den Hoofd-Mansabdar der Radjpoet's
+ontvangen had, bleek hem al spoedig dat in vredestijd ten minste
+de dienst noch lastig noch bijzonder zwaar was te achten. De boven
+hem gestelde officier was een streng man en zeer gesteld op de
+krijgstucht, die bij deze troepen anders wel eens te wenschen
+overliet; maar daaraan was Koelloeka's leerling wel gewend,
+terwijl hij ook zelf een goede tucht onmisbaar achtte; en voor 't
+overige bleek diezelfde Mansabdar, die hem als teeken van zijn
+rang de witte reigerveder met het daaraan bevestigd onderscheidingsteeken
+overreikte, een zeer beschaafd en wellevend mensch, wien het bij al
+zijne strengheid ook niet aan zekere vriendelijkheid ontbrak. Niet
+minder behaagde Siddha het voorkomen zijner ondergeschikten, aan wie hij
+thans vormelijk werd voorgesteld; kloeke jonge mannen bijkans allen en
+uitnemende ruiters, in sierlijke, schitterende kleedij als hunne
+aanvoerders, met krijgshaftige houding en gelaatstrekken stralend van
+levenslust en moed.
+
+Op uitnoodiging van den bevelhebber liet nu Siddha zijne ruiters
+eenige evolutiën maken, waarbij hij zelf ook gelegenheid had zijne
+rijkunst zoowel als de uitnemende dressuur van zijn hengst te doen
+bewonderen; en na afloop der oefening zou Koelloeka, ware hij
+tegenwoordig geweest, ongetwijfeld met zelfvoldoening de
+goedkeuring hebben opgemerkt, welke zijn leerling van den kant
+zijner superieuren ten deel viel. Na nog eenige gezamenlijke
+bewegingen met eene andere op het plein verzamelde afdeeling, werd
+de trompet gestoken ten teeken dat de exercitie voor heden was
+afgeloopen, en bevel gegeven tot inrukken.
+
+Aan Vatsa, die bij een van de toegangen tot het plein hem stond te
+wachten, gaf nu Siddha zijn paard over, en rigtte daarop zijne
+schreden naar een der tuinen van het paleis, waarvan het bezoek
+aan officieren van zijn rang veroorloofd was. Eer hij echter den
+hof bereikt had, zag hij uit een zijlaan een jonge vrouw naderen,
+blijkens hare kleeding eene dienares van goeden huize, die op hem
+toetredend, een oogenblik hem oplettend aanzag en toen vroeg:
+
+--Zijt gij, Heer! niet de edele Siddha, die hier onlangs uit
+Kaçmir moet zijn aangekomen?
+
+--Die ben ik,--antwoordde de ander,--gij schijnt mij te kennen.
+
+--Ik persoonlijk niet,--zei de dienares,--maar de edele vrouw die
+mij gezonden heeft, gaf mij uwe aanduiding. Zij verlangt voor
+eenige oogenblikken uw onderhoud; zoudt gij de goedheid willen
+hebben haar dat te gunnen?
+
+--Maar,--vroeg Siddha,--wie is uw meesteres?
+
+--Vergun mij, Heer!--was het antwoord,--u den naam voor 't
+oogenblik te verzwijgen; zij zelve zal u daaromtrent voorzeker
+inlichten, als gij haar met een bezoek mogt willen vereeren. En
+wilt gij dit, dan wacht zij u nog heden avond. Kom dan omtrent zes
+uur ginds bij de moskee,--en hier wees zij naar het even prachtig
+als sierlijk gebouw, dat daar op eene hoogte achter de tuinen met
+zijne vergulde koepeldaken en wit marmeren minaretten in het
+zonlicht glansde,--ik zal u daar wachten en u geleiden.
+
+Siddha aarzelde en zocht naar een antwoord. Een avontuur? En hij
+dacht aan Iravati. Of een komplot? En hij herinnerde zich de
+waarschuwing van Aboel Fazl.
+
+--Nu?--vroeg de dienares, eenigszins spottend hem aanziend,--weet
+een ridder als gij niet wat hij doen zal, als eene aanzienlijke
+vrouw hem uitnoodigt tot een kort onderhoud? Gij zijt toch, hoop
+ik, niet bevreesd....
+
+--Bevreesd!--riep Siddha toornig uit, terwijl een hoogrood zijn
+gelaat overdekte,--wat geeft u 't regt....--Maar--vervolgde hij,
+zich bedwingend,--'t is waar, mijne weifeling moest u zonderling
+schijnen. Laat de reden u evenwel onverschillig zijn, en wacht mij
+tegen den bepaalden tijd bij de moskee!
+
+--Het is wel!--antwoordde de vrouw en verwijderde zich met een
+beleefden groet door de laan waarlangs zij gekomen was.
+
+Wel overlegde Siddha of hij niet beproeven zou haar ongemerkt te
+volgen en zoo mogelijk dus te ontdekken met wie hij te doen had;
+doch spoedig begreep hij dat hem dit toch niet gelukken zou, en de
+dienares wel behoorlijk op hare hoede zou zijn. Schoon onvoldaan,
+en met de gansche zaak en zichzelven niet erg tevrede, wandelde
+hij dan maar voort in afwachting van 't geen de avond zou geven en
+bereikte hij ook spoedig den eigenlijken hof.
+
+Zoo rijk ook de aanleg van dezen, toch was er iets wat het oog eer
+vermoeide dan bevredigde: de onveranderlijk regte lanen, alle met
+glad gepolijste steenen van verschillende kleur bevloerd, en meer
+nog tusschen een soort van lage, kunstig gebeitelde muurtjes, dan
+tusschen boomen uitloopend op eveneens in marmer besloten vijvers,
+in wier midden zich fonteinen van allerlei vorm verhieven. Wat
+daarenboven het gezigt nog eentooniger maakte, was het volmaakt
+vlakke dier regte lanen, die op verschillende plaatsen in het
+ongelijke terrein waren uitgegraven. Met dat al bleef de aanblik
+toch treffend en in elk geval heerschte er doorgaans eene
+aangename koelte ouder de digte, hier en daar verspreide
+boomgroepen, waaronder ook sierlijke marmeren banken eene
+aangename rustplaats boden.
+
+Op een dier banken zag onze wandelaar, na een tijdlang te zijn
+voortgegaan zonder iemand te hebben ontmoet, een man gezeten van,
+naar 't hem voorkwam, middelbaren leeftijd en eene, niet lange
+maar bijzonder krachtige statuur, met breede schouders en
+zwaargewelfde borst, een man wiens uiterlijk voorkomen, zonder dat
+hij van de reden zich wist rekenschap te geven, op merkwaardige
+wijze zijn aandacht trok. Van de hovelingen, welke Siddha tot
+dusver ontmoet had, onderscheidde deze man zich door niets wat
+bepaald onder woorden viel te brengen. Zijn gelaat, als dat der
+meeste anderen glad geschoren, was kalm, waardig en open, maar
+noch bepaald schoon, noch ook het tegendeel te noemen, en zijn
+kleeding was rijk maar toch vrij eenvoudig. Een gewaad van niet
+bijzonder kleurige, maar zeer fraai doorweven stof, en tot eenig
+siersel, behalve de kunstig gedreven en met edelgesteenten bezette
+sabelgreep, een enkele diamant van buitengewone grootte en
+schitterenden glans in de plooijen van den tulband. Maar wat
+sierselen noch schoonheid van gelaatstrekken konden verleenen, dat
+was die eigenaardige uitdrukking van houding en blik, die Siddha
+ook terstond in Gaurapada, den kluizenaar, had getroffen, maar hem
+nu bij dezen nog veel meer in 't oog viel, en die nagenoeg
+uitsluitend den heerscher, niet ligt een onderdaan eigen kon zijn.
+Toch vermoedde hij in den onbekende niets anders dan een hoveling
+of een krijgsbevelhebber; want van eenig vorst, die op dit
+oogenblik zich aan Akbar's hof zou bevinden, had hij niets
+gehoord, en de groote Keizer zelf zou toch zoo ligt niet voor
+iedereen genaakbaar zijn, noch zoo eenzaam daar op een bank in een
+der voor vreemden toegankelijke tuinen zijn gezeten. Met een
+zwijgenden groet wilde hij juist voorbijgaan, toen de onbekende op
+eens zijn naam uitsprak, en zonder op te staan en zonder nadere
+inleiding vroeg, of hij al kennis met zijn Radjpoet's gemaakt had.
+
+Nogal verwonderd, dat iedereen scheen te weten wie hij was,
+antwoordde Siddha bevestigend, waarop de ander, terstond de zaak
+verklarend, voortging:
+
+--Ik herkende aan die reigerveder uw rang, en daar ik nu al uwe
+medeofficieren persoonlijk ken en tevens wist dat gij dezer dagen
+hier zoudt komen om uw betrekking te aanvaarden, was 't mij ook
+niet moeilijk te weten wien ik voor mij zag. En hoe bevalt u die
+betrekking? Zet u inmiddels!
+
+--Ik zou,--antwoordde Siddha, aan de uitnoodiging gehoor gevend,
+al klonk die meer als een bevel, en nauw of in 't geheel niet
+opmerkend hoe die volslagen onbekende hem als een ondergeschikte
+scheen te behandelen,--ik zou al erg ondankbaar jegens mijn
+begunstigers en den Keizer moeten zijn als ik de eervolle en
+tevens aangename betrekking niet waardeerde waarin zij mij
+geplaatst hebben.
+
+--...En den Keizer!--herhaalde de ander,--nu ja. Maar zeg mij,
+komt gij nu eigenlijk om hem te dienen, of eenvoudig om deel te
+hebben aan de voorregten, die uw rang aan zijn hof u verleent?
+
+--Een lastige vraag, edele Heer!--sprak Siddha openhartig,--en die
+ik mij zelf eigenlijk nog in 't geheel niet gesteld heb. Ik zou er
+voor 't oogenblik alleen op kunnen antwoorden: om 't een zoowel
+als om 't ander. Dat ik overigens den Keizer trouw hoop te dienen,
+zoolang eer en pligt het mij veroorloven, spreekt, dunkt mij, wel
+van zelf als ik eenmaal vrijwillig mij aan zijn dienst verbonden
+heb.
+
+--Voorzigtig geantwoord!--merkte de onbekende aan,--de vraag is
+alleen maar, wat gij soms onder eer en pligt verstaat. Dat zijn
+rekbare woorden.
+
+--Voor velen,--hernam Siddha,--maar niet voor mij. Ik neem ze in
+den strengsten zin. Maar ook in eene bepaalde beteekenis. Eer en
+pligt zouden mij bijvoorbeeld verbieden in strijd te handelen met
+de belangen van mijn eigen vaderland, en ik zou dat ook niet
+willen doen al werd het door Akbar zelf mij bevolen, maar in dat
+geval liever al de voorregten opgeven, welke zijn gunst mij zou
+kunnen verzekeren.
+
+--En gij zoudt wél doen,--sprak de ander goedkeurend, maar wat
+reden hebt gij tot dergelijke onderstelling als zou de Keizer
+inderdaad iets van u verlangen wat u en den uwen tot wezenlijk
+nadeel kon strekken?
+
+Een oogenblik weifelde Siddha en draalde met zijn antwoord,
+terwijl hij, als reeds vroeger, aan zijn gesprek met zijn oom, den
+Goeverneur van Allahabad dacht. Spoedig echter vermande hij zich
+en, den vreemde met vrijmoedigheid in het rond en open gelaat
+ziende, vroeg hij zonder verdere inleiding of voorbereiding:
+
+--Is Akbar niet eerzuchtig?
+
+--Jongmensch!--sprak de onbekende op een toon en met een blik, die
+Siddha zijns ondanks eene zijdelingsche beweging deden maken op
+zijn bank,--zooeven hebt gij voorzigtige uitdrukkingen gebezigd,
+maar aan 't hof van Shah Akbar zelf u zoo uit te laten jegens
+iemand, dien gij in 't geheel niet kent, dat dunkt mij toch al erg
+gewaagd.
+
+--Zoo mag het schijnen,--antwoordde Siddha onbevangen, ik ken u
+niet, dat is waar; doch of ik uw naam en rang nu verneem of niet,
+is mij voor 't oogenblik onverschillig. Ik zie u, ik zie uw
+gelaat, ik hoor uw stem: dat is mij genoeg; en een edelman, jong
+en nog onervaren bovendien, die openhartig en opregt met u
+spreekt, zult gij en kunt gij niet verraden noch willen
+benadeelen, omdat hij toont u te vertrouwen.
+
+Een glans van genoegen, doch niet zooals gestreelde ijdelheid dat
+verschaft, maar van waarlijk edele en reine voldoening, overtoog
+bij die eenvoudige woorden het gelaat van den onbekende. Vleitaal
+te hooren was hem niet vreemd, en hij was daarvoor ook geenszins
+ongevoelig, maar hier was het een woord uit het hart, dat
+ongetwijfeld belangeloos tot hem gesproken werd, en juist datgene
+in hem roemde waarop hij prijs stelde boven alles....
+
+--Dat--zeide hij, de hand op Siddha's schouder leggend, en zachter
+dan anders klonk zijn stem en eene innemende vriendelijkheid blonk
+uit zijn helder oog,--dat is een waar woord, dat gij gesproken
+hebt! Gij vertrouwt mij, zegt gij, ook hoewel ge mij nog niet
+kent. Blijf daarbij als ge mij eenmaal wél zult kennen! Maar nu
+dan Akbar! Eerzuchtig is hij, naar uwe meening, en gij hebt regt.
+Ik ken hem eenigszins, al is 't ook zoo goed niet als ik wel zou
+verlangen, en ik stem het u toe dat hij eerzucht heeft. Een
+onbegrensde, nooit voldane eerzucht zelfs. Maar welke? Zoudt gij
+dan werkelijk meenen dat het enkel de zucht was om al meer en meer
+rijken en volken toe te voegen aan zijn reeds zoo uitgestrekt, nu
+al zoo moeijelijk te beheerschen gebied? Zou hij zich met het
+verworvene niet kunnen tevrede stellen? Zie toch! alleen het
+betrekkelijk kleine rijk van Agra en Delhi was bijkans zijn eenige
+erfenis; weinig of niets anders had Hoemayoen, zijn veelal
+ongelukkige en zwaar beproefde vader, hem nagelaten; en
+tegenwoordig strekt zijn gebied zich uit van de grenzen van Perzië
+tot de uiterste streken van Bengalen en de gewesten van Dekkan en
+Golconda. Wat verbeeldt gij u dan, of eenige nieuwe verovering,
+bijvoorbeeld van uw ver afgelegen Kaçmir, op zich zelve hem zoo
+buitengemeen veel genot zou verschaffen, of ook hem zoo groote
+opofferingen waard zou zijn als elke veroveringstogt steeds kosten
+moet? Toch kunnen er redenen bestaan, die een vorst gebiedend
+nopen de onafhankelijkheid van een naburigen staat niet langer te
+eerbiedigen, wanneer deze in ernst gevaarlijk dreigt te worden
+voor de rust en de veiligheid zijner eigene volken. En in zulk een
+geval moet hij handelen, moet hij strijden, ook al liet hij nog
+zoo gaarne het zwaard in de schede en al ware hem niets
+gewenschter dan een rijk van vrede en eendragt in de staten die
+hem omringen zoowel als in zijn eigen land. Maar dat neemt alles
+niet weg dat de afstammeling van Baber en Tamerlan inderdaad
+eerzuchtig is, hoewel in een anderen zin dan gij blijkbaar
+onderstelt.--Zijne eerzucht,--vervolgde de spreker,--terwijl zijn
+anders rustig oog begon te schitteren,--zijne eerzucht dan is, en
+was het voorlang, sinds de eerste jaren van zijn mannelijken
+leeftijd, niet enkel de stichting van een groot en magtig rijk,
+maar bovenal het geluk, de welvaart en de ontwikkeling der volken,
+die hem door eene hoogere, al is 't onbekende, althans nooit
+begrepen en doorgronde magt zijn toevertrouwd. Hunne maatschappelijke
+toestanden heeft hij getracht te regelen, hunne oneenigheden bij te
+leggen, het onderscheid, of den strijd ten minste, der verschillende
+rassen te doen ophouden, een einde te maken aan godsdiensttwisten, en
+den overmoed en de dwingelandij te beteugelen van magtige en zelfzuchtige
+grooten. Hij heeft beproefd, de nijvere klassen der burgerij te verheffen,
+en rijkdom en welvaart te verspreiden onder allen, wetenschappen en
+kunsten aan te moedigen, en zijne volken op te leiden tot dien staat van
+beschaving en verlichting, waarvoor velen hunner zoo uitnemenden
+aanleg betoonen. Zeg nu vrij, dat dit alles veel te veel is voor
+één enkel eenvoudig sterveling, en ik zal u niet weerspreken; maar
+laat het streven naar een ideaal niet veroordeeld worden enkel
+omdat het onbereikbaar is. En wezenlijk, volkomen bereikbaar, ja!
+dat beken ik gaarne, is het ideaal van Akbar niet. Dat heeft hij
+zelf al genoegzaam ondervonden. Hoe vele jaren van denken en
+zwoegen en onophoudelijk strijden heeft hij niet al gewijd aan het
+bereiken van zijn doel, en hoe vér, hoe vér, helaas! blijft hij
+daarvan ook heden nog verwijderd!
+
+Met eerbied en ontzag had Siddha geluisterd naar den hem
+onbekenden man, die inmiddels was opgestaan, en in 't vuur zijner
+rede hartstogtelijk de hand had omhoog geheven, maar nu, ten einde
+gekomen, ze weer mistroostig zakken liet en het diepdenkend hoofd
+voorover boog op de ongetwijfeld ook een warm hart omsluitende
+borst. Voor een oogenblik bestond er bij zijn, mede nu opgerezen,
+toehoorder geen twijfel of hij zag niemand anders vóór zich dan
+den Keizer zelf; maar toch scheen de gedachte alsof zóó een man
+jegens hem, een jong en onbekend vreemdeling, zich dus zou
+uitlaten, te dwaas dan dat hij wezenlijk er aan hechten kon. Met
+dat al was hij nu toch voornemens rondweg te vragen met wien hij
+eigenlijk gesproken had, toen zich voetstappen in de nabijheid
+deden vernemen en een lang, schoon een weinig gebogen man in
+stemmig gewaad, en, hier bij uitzondering, met een digten zwarten
+baard, het verder onderhoud kwam afbreken en nadere vragen
+onmogelijk maakte.
+
+--Abdal Kadir!--sprak de onbekende, meer evenwel in zichzelven dan
+verklarend tot Siddha, en een oogenblik dekte een donkere wolk
+zijn gelaat. Niettemin ontving hij den inmiddels naderbij gekomene
+met beleefdheid, hem tevens een wenk gevend waaruit de ander
+genoeg begreep dat hij onbekend verlangde te blijven.
+
+Met een trotschen blik nam Abdal Kadir den een weinig ter zijde
+getreden Siddha van 't hoofd tot de voeten op, en keerde hem toen
+zonder een woord te spreken den rug toe. Dat onzen Indischen
+edelman het bloed naar de wangen steeg, was zeker bij dergelijke
+bejegening niet te verwonderen, en juist wilde hij op den ander
+toetreden om verklaring te eischen van de beleediging, toen de
+onbekende hem terughield en zeide:
+
+--Laat, edele Siddha! de eenigszins vreemde handelwijze van mijn
+vriend hier u niet al te zeer vertoornen! Hij heeft het niet
+persoonlijk tegen u, zelfs in 't minst niet, daar ben ik zeker
+van; maar het gezigt van u, Hindoe's in 't algemeen, is hem altijd
+onaangenaam, omdat hij zich verbeeldt, dat zij schade doen aan
+zijn geloof.--Is het zoo niet?--vroeg hij, Abdal Kadir aanziend.
+
+--Zoo is het inderdaad!--antwoordde deze;--en ik heb ook werkelijk
+geen persoonlijke veete tegen u, jonkman!--vervolgde hij tot
+Siddha,--ik ken u niet eens; maar des te beter die van uw stam en
+geslacht. Hen te bestrijden blijft mij een heilige pligt. En ik
+strijd tegen hen, ik haat hen met onverzoenlijken haat, niet omdat
+ik niet velen hunner als menschen zou kunnen achten, maar omdat
+zij ons geloof belagen en onzen Keizer zelf daarvan afkeerig
+maken. Allah verloochenen zij, en bespotten Zijn Profeet; ons,
+diens volgelingen, zoeken zij te verdringen en zich meester te
+maken van ambten en bedieningen om hunne valsche goden en hunne
+dwaalleeraars in de plaats te stellen van den God, buiten wien
+geen God is, en van den eenige die in waarheid Hem verkondigd
+heeft. Daarom, maar daarom ook alleen, haat ik hen en u. Ik haat u
+en wil strijden tegen u ten einde toe, omdat gij óf ongodisten
+zijt óf afgodendienaars, in elk geval verleiders van het volk,
+verzoekers van den vorst. Genoeg! omdat gij anders niet zijt dan
+ongeloovige....
+
+Een uiterst strenge en doordringende blik van den ongenoemde hield
+op de lippen van den spreker het woord terug dat blijkbaar volgen
+moest, en, ware 't geuit, ook ongetwijfeld Siddha had doen
+opstuiven in weerwil van al zijne pogingen om zich te bedwingen.
+
+--Ongeloovigen dan, in één woord,--vervolgde Abdal Kadir,--en dat
+is voor een opregt zoon van den grooten Profeet reeds meer dan
+genoeg. Maar wat gaat het u aan, of ik, die hier niets te zeggen
+of te beteekenen heb, nu al dan niet met u en uw stamgenooten ben
+ingenomen? Gij zijt immers verzekerd van de gunst des Keizers, die
+alles doen kan, en ook doet, wat hem gelieft. Van de voormalige
+belastingen, door de ware geloovigen met het volste regt van
+ulieden, verzakers der goddelijke waarheid, gevorderd, heeft hij u
+vrijgesteld; hij roept u tot alle betrekkingen, stelt u aan tot
+zijne officieren en legerhoofden, kiest onder u zijne raadslieden
+en vrienden; wat wilt gij meer? Laat mij dan, laat ons en onzen
+geregten wrok; wij kunnen u toch niet deren! Eene andere vraag zal
+het zijn of de straf des hemels niet eenmaal zal nederdalen op uw
+hoofd, en... welligt ook hem zal treffen, die met eer en
+gunstbewijzen u overlaadde in plaats van u te tuchtigen met de
+roede en met het zwaard, door Allah zelf te dien einde hem ter
+hand gesteld!
+
+--Mij dunkt,--sprak nu de onbekende na deze warme ontboezeming op
+ijskouden toon,--mij dunkt, ons onderhoud, op deze wijze
+voortgezet, kan voor geen onzer meer eenig nut of genoegen
+leveren. Ongetwijfeld zoudt gij, vriend Siddha! ook aan 't woord
+komend, nog wel 't een en ander tegen Abdal Kadir's redenen in 't
+midden hebben te brengen, gelijk ik zelf ook verre ben van er mee
+in te stemmen; doch, zoo ik mij niet vergis, komt hij ditmaal ons
+niet opzoeken om een toch onvruchtbaren twist te voeren, maar ter
+bespreking van een of ander dadelijk belang. Daarvoor sta ik hem
+dan ook gaarne te woord. Vergun mij dus, u voor 't oogenblik
+vaarwel te zeggen. Spoedig hopen wij elkander weer te zien....
+
+--Abdal Kadir!--vroeg de tot dusver ongenoemde, nadat Siddha zich
+verwijderd had met een eerbiedigen groet, waarvan overigens
+slechts een zeer gering gedeelte was toegewijd aan den nijdigen
+Islamiet,--wat verlangt gij van mij?
+
+--Sire!--antwoordde de toegesprokene, want dat het inderdaad Akbar
+zelf was met wien Siddha zich had onderhouden, zou ieder hem
+gezegd hebben die niet als hij voor 't eerst aan het hof van Agra
+kwam,--Sire! mijn pligt als onderdaan en als vriend, geen eigen of
+bijzonder belang, noopte mij tot Uwe Majesteit te gaan....
+
+--Ik weet het,--viel Akbar hem in de rede,--zelfzuchtig zijt gij
+niet, en beschermelingen houdt gij er ook niet op na. Toch zou ik
+soms wenschen dat er iets van ware; misschien kon ik u dan nog
+eens voldoen; thans gelukt mij dat zelden of nooit. Ook wil ik wel
+wedden, tien tegen een, dat gij mij weer over geloofszaken hebt te
+spreken; uw opgewonden woorden van zooeven verkondden mij alhaast
+wat er komen moet. Wees intusschen zoo goed, u thans wat te
+matigen!
+
+--Inderdaad!--antwoordde Abdal Kadir,--het geloof, ons eenig waar
+en onvervalscht geloof, is het ook nu wederom wat mij herwaarts
+voert. Daarover wensch ik een oogenblik onderhoud.--En,--vervolgde
+hij,--nu van zijne zijde met een strengen blik,--een wezenlijk
+ernstig, als het kan!
+
+--Ik wil gaarne mijn best doen,--zei Akbar beleefd,--en ik beloof
+u, volstrekt niet te lagchen, mits... gij 't ook niet al te bont
+maakt.
+
+--Het oordeel daaromtrent hangt af van de bijzondere opvatting,--
+merkte de ander aan,--maar ik wil mijnerzijds streven, de zaak zoo
+bedaard mogelijk te behandelen. Mijn pligt dan, zeide ik, als
+onderdaan noopt mij onverholen te spreken. Te waarschuwen toch, en
+met allen ernst te waarschuwen, wordt dringend noodig voor al wie
+als ik het opregt met Shah Akbar meent en tevens weet wat mij is
+ter ooren gekomen. Dat er al lang een hevig ongenoegen onder ons,
+wezenlijke Mohammedanen, bestaat over de wijze waarop allerlei
+Heiden- en Jodenvolk door u, den Keizer, wordt begunstigd, en
+lauwhartigen als een Aboel Fazl, en atheïsten als een Feizi, in de
+hoogste magts- en ambtsbetrekkingen zijn geplaatst, is u voldoende
+bekend. Maar wat gij niet weet, is, hoe er dientengevolge in 't
+midden van uw rijk en in de dadelijke nabijheid van uw hof eene
+partij is ontstaan, die onherroepelijk uw val en ondergang
+besloten heeft, indien gij ten einde toe weigert gehoor te geven
+aan de allezins billijke eischen, waarop zij, als vertegenwoordigende
+de aloude en eenig ware vrienden van het huis van Tamerlan, mag aanspraak
+maken. Nog onlangs was ik in de gelegenheid eene vergadering onzer
+moellah's bij te wonen, en wat ik daar vernam was mij inderdaad reeds
+genoeg om mij te doen sidderen bij de gedachte, wat dergelijke onder de
+Mohammedaansche bevolking zoo invloedrijke mannen niet al vermogten
+zelfs tegen een Akbar, indien ze eens gesteund werden door eerzuchtige
+grooten en ontevreden legerhoofden, zooals er zoovelen ook aan het hof
+van Agra zelf als overal in gansch Hindostan nog gevonden worden.
+
+--Maar,--vroeg Akbar, eenigszins ongeduldig,--wat willen dan
+eigenlijk uwe moellah's en hun aanhang? Hebben ze niet genoeg aan
+de meest volmaakte vrijheid om te denken en te spreken zooals zij
+willen, en proselieten te maken zooveel ze maar kunnen? Heb ik hun
+ooit een stroobreed in den weg gelegd?
+
+--Zeker niet,--hernam de ander,--maar dat zou dan ook ten hemel
+schreijen! Doch wat baat hun die vrijheid, indien anderen, indien
+alle mogelijke soorten van ongeloovigen volmaakt dezelfde
+bezitten, en hier aan uw hof, en in het leger en allerwege in
+allerlei maatschappelijke betrekkingen hen komen ergeren door hun
+verontreinigende tegenwoordigheid? En wat komt er dan van de
+handhaving van het eenig ware geloof, waartoe boven alles de
+Keizer, de vertegenwoordiger van Allah hier op aarde, geroepen is?
+
+--Ja, daar zijn wij er weer!--riep Akbar uit,--dat is nu weer het
+oude thema. Gijlieden alleen hebt de waarheid in pacht, en
+daarvoor moet alles zwichten, ook ik, en wat niet buigen wil moet
+breken. Maar waarom zijt gij nu eigenlijk alléén in 't bezit van
+die waarheid?
+
+--Omdat de Profeet, gezegend zij zijn naam! ze ons verkondigd
+heeft, en omdat....
+
+--Omdat hij 't wist, en niemand anders dan hij. Goed! Maar daar
+hebt gij nu die Padres, die hier uit het Westen, uit de landen der
+Franken komen, ook eerlijke, brave menschen zooals gij.
+
+Die hebben ook een Profeet, dien ze, bedrieg ik mij niet, wel eens
+als hun God vereeren, schoon mij dat nog niet regt duidelijk is.
+En die is in elk geval ouder dan Mohammed. Dan zijn er ook nog de
+Joden, die niets van dezen en ook niets van den anderen, maar
+alleen van Mozes willen weten. En wat zegt gij dan wel van onze
+Brahmanen hier? Die komen met zooveel oude en alle met het hoogste
+gezag bekleede boeken voor den dag, boeken zoo eerwaardig oud dat
+zijzelf ze haast niet meer kunnen verstaan, en beroepen zich op
+zooveel zieners en heilige mannen dat Mozes met zijn Thora en
+Christus met zijn Evangelie en Mohammed met zijn Koran er allen te
+zamen nauw tegen op kunnen werken. En nu vraag ik u toch in
+gemoede: Hoe wil ik een eenvoudig man, die van dat alles wel eens
+iets gehoord heb, maar er geen honderdste part van versta, nu als
+geloofsregter gaan beslissen en uitmaken of Mohammed bijvoorbeeld
+meer regt dan Christus heeft?
+
+--Maar gij zijt toch in de leer van den Islam opgevoed?
+
+--Een weinig afdoende grond voor iemands geloof, dat toch wel op
+eigen onderzoek en overtuiging dient te steunen en bezwaarlijk
+alleen afhankelijk zijn kan van de omstandigheid of zijn vader hem
+indertijd heeft laten doopen of besnijden! Maar 't is de vraag nu
+ook niet, wat ik persoonlijk al dan niet heb te gelooven; dat gaat
+niemand aan; maar alleen, wat ik als vorst, als beheerscher van
+het rijk der Mogols te doen heb tegenover de belijders van al die
+verschillende godsdienstsecten, die alle gelijkelijk aan mijn
+heerschappij zijn onderworpen en dus ook gelijke aanspraak hebben
+op mijn bescherming. En die vraag, geloof mij, beste vriend! die
+zult gij nimmer kunnen oplossen zoolang gij alles van dien éénen
+kant blijft bekijken en blind voor al de andere zijt.
+
+--Maar de gevaren dan toch, waarmede uw inzigten, daargelaten
+welke waarde ze hebben, uw rijk en uw troon bedreigen?
+
+--Nu,--sprak de Keizer, met zekere minachting glimlagchend,--ik
+heb wel aan andere 't hoofd geboden dan die waarmee de toorn uwer
+geloofsdrijvers mij thans weer te bedreigen heet.
+
+--Andere!--hernam Abdal Kadir met nadruk en den vorst met
+ernstigen blik in de oogen ziend,--juist, andere! Namelijk die
+soort van gevaren, die vreemden u bereidden. Maar als het verzet,
+heimelijk eerst, daarna meer openbaar, nu eens opkwam uit uw eigen
+huis, of gevoed en bevorderd werd door hen die behooren tot uw
+eigen geslacht? Indien uw zoon....
+
+--Mijn zoon! Selim!--riep Akbar uit.--En toch,--ging hij voort,--
+onmogelijk schijnt zoo iets niet! Wij zagen dat meer in ons
+geslacht en in dat der vorsten, die ons omringden en na eindelooze
+familietwisten zich onderwierpen aan onze heerschappij. En zoo
+meent gij dan dat Selim zelf zich met uwe ontevredenen tegen mij
+zou kunnen verbinden? Want dat schijnt toch wel de strekking uwer
+woorden.
+
+--Zoo is het, Sire!--antwoordde Abdal Kadir,--althans ik heb
+gemeend dat hij zich daartoe wel eens door geloofsijver kon laten
+verleiden; maar ik zeg nog volstrekt niet dat het reeds het geval
+is.
+
+--Nu,--hernam Akbar,--als 't er dan werkelijk toe komen moest, één
+ding is zeker, uit ijver voor 't geloof zou Selim dus niet
+handelen; hij geeft vrij wat meer om fijnen wijn en schoone
+vrouwen dan om den Koran en den Profeet. Maar dat neemt niet weg,
+dat ik u dankbaar ben voor de waarschuwing. Waart gij er terstond
+mee begonnen, we hadden ons vrij wat overtollige woorden kunnen
+besparen. Hebt gij later weer eens meer zulke mededeelingen, we
+zullen er u dank voor zeggen; zij kunnen ons leeren, een weinig op
+onze hoede te zijn en onze lieden hier wat in 't oog te houden.
+Voor 't oogenblik inmiddels: Vaarwel!
+
+En met een ietwat ironieken glimlach om de lippen verwijderde zich
+de Keizer en liet Abdal Kadir in de gelegenheid om over den indruk
+na te denken, dien zijne toespraken hadden te weeg gebragt.
+
+--Bij Allah!--bromde de volgeling van den Profeet tusschen zijne
+tanden,--daar hebben we nu weer wat moois verrigt! Ik had gemeend
+hem niet weinig te doen ontstellen toen ik Selim noemde en hem op
+eens gedwee te maken door mijne mededeeling. Maar bij slot van
+rekening heb ik hem nu eenvoudig gewaarschuwd; en in plaats van
+ons te helpen, zal hij ons nu nog harder gaan tegenwerken, nu hij
+weet of althans vermoedt dat sommigen der onzen met zijn eigen
+zoon tegen hem zamenspannen, of ook, zoo hij 't misschien reeds
+bevroedde, zich door mij in zijne meening bevestigd ziet. Een wijs
+man acht gij u, Abdal Kadir! en toch... gij hebt weer gehandeld
+als een gek!
+
+Och, of de ijver die mij bezielt, voor ons heilig geloof, mij ook
+die kalmte steeds liet bewaren, die Akbar zoo zelden verlaat! Wat
+voordeel hem dat niet verschaf, boven ons!...
+
+Of nu evenwel die bedaardheid, zooeven door Akbar betoond, ook
+wezenlijk zoo opregt en natuurlijk was als de ander onderstelde,
+mogt de vraag heeten voor wie hem in diep gepeins met naar den
+grond geslagen oog en nu en dan het hoofd schuddend naar zijn
+paleis had zien terugwandelen....
+
+Daar, in zijne eigene, voor slechts enkelen toegankelijke
+vertrekken wachtte inmiddels een man, wiens tegenwoordigheid
+buiten twijfel aan Abdal Kadir, zoo hij er van geweten had,
+opnieuw stof zou hebben gegeven tot hevige verontwaardiging,--
+Koelloeka, de Brahmaan. In gedachten verzonken zat hij naar den
+vloer te staren, en noch de prachtige versierselen van het ruim en
+luchtig vertrek noch het heerlijk uitzigt over de lagchende tuinen
+scheen een oogenblik zijne opmerkzaamheid te trekken. 't Was dan
+trouwens ook niet voor den eersten keer dat hij dit alles
+aanschouwde.
+
+Een Keizerlijk wachter kwam weinig tijds na het straks gevoerde
+gesprek hem wekken uit zijne mijmering om hem binnen te leiden bij
+den Vorst.
+
+--'t Is mij lief u weer hier te zien, Koelloeka!--sprak de Keizer,
+na minzaam den groet van den Brahmaan te hebben beantwoord,--en ik
+wil hopen dat gij mij goede berigten medebrengt uit uw land.
+
+--Helaas, Sire!--antwoordde Koelloeka mistroostig,--wenschte dat
+ik het kon; of ook de min gunstige voor Uwe Majesteit te mogen
+verbergen, zooals ik 't nog voor anderen doe. Maar het vertrouwen
+door Haar in mij gesteld, alsook het welbegrepen belang van mijn
+land zelf, noopt mij, niet te verzwijgen wat ik weet.
+
+--Ik begrijp het al,--zei Akbar,--zeker weer de oude geschiedenis!
+Partijveeten en familietwisten, zonen die tegen hun vader,
+broeders die onder elkander intrigeren, dáár... als elders.
+
+--Maar al te waar!--hernam Koelloeka.--Toen eenmaal Nandigoepta,
+de wettige Koning van het tooneel was afgetreden en zijn broeder
+de vrije hand had gelaten, meenden wij dat nu voor goed de orde
+zou zijn hersteld; en geruimen tijd was het ook zoo. Met de
+bestaande regering was het volk tevrede, zooal niet ingenomen, en
+aan nieuwe veranderingen werd althans niet gedacht. Ook nu is dat
+onder de eigenlijke burgerij nog volstrekt niet het geval. Maar
+toch begint weer factiegeest nieuwe onlusten aan te stoken, en al
+wederom nieuwe omwentelingen schijnen te worden voorbereid. Wat
+nog misschien het ergste is, wij weten niet te ontdekken van welke
+zijde het voornamelijk komt. De zoons van den Koning, die vroeg of
+laat tegen hem in opstand dreigen te geraken en onderling ook al
+weer verdeeld schijnen, handelen zeer zeker niet uit eigen
+beweging en worden blijkbaar opgestookt. Maar door wie? Ziedaar
+wat tot dusver ons ontsnapt.
+
+--'t Mag zijn hoe het wil,--sprak de Keizer, vast en beslissend,--of
+zij zelfstandig handelen of niet, het schijnt toch dat het oude spel
+weer zijn gang begint te gaan. En wat moet, indien 't niet bijtijds
+wordt verhinderd het onvermijdelijk gevolg daarvan zijn? Dat, als
+vroeger, de verschillende partijen zich gaan uitrusten tot openlijken
+strijd, dat burgeroorlog uw land verscheurt, en dat van weerszijden
+zich benden vormen, die, naarmate ze minder geluk hebben binnen de
+grenzen van hun eigen landstreken het elders en wel bepaald binnen de
+mijne gaan beproeven, en mijne landen en mijne onderdanen komen
+plunderen en brandschatten om zich schadeloos te stellen voor wat zij
+te huis verloren hebben. En nu zeg ik u zonder omwegen en eens voor
+goed, opdat gij in tijds moogt gewaarschuwd zijn, ik zal dat niet
+dulden. Mijn rijk, mijne volken zullen geëerbiedigd worden, en kan dit
+niet anders dan door geweld, welnu, wat moeite en wat schatten 't ook
+weer kosten moge, ik verzamel opnieuw mijne legers en voer ze naar het
+Noorden om ook daar de rust te herstellen, die onmisbaar voor de
+welvaart mijner onderdanen blijft. Liever nog het gansche rooversnest
+uitgeroeid dan het tot schade der mijnen enkel om der lieve vrede wille
+te laten voortbestaan! Ondanks al zijn ontzag voor den Keizer mogt ook
+de bezadigde Koelloeka een opwelling van toorn niet bedwingen bij die
+trotsche en als uitdagende taal, en donkerder kleurde zich, al gaf hij
+geen dadelijk antwoord, zijn door de zon gebruind gelaat.
+
+--Vergeef mij, waarde Koelloeka! hernam thans evenwel Akbar,--
+indien mijne woorden u soms griefden; maar gij weet immers zoo
+goed als ikzelf, dat ik, dus sprekend, de goeden onder ulieden,
+zooals gijzelf of uw tegenwoordigen vorst of zijne ministers niet
+bedoel, maar enkel die ellendige intriganten, die uzelven het
+meeste nadeel berokkenen en ons bedreigen met de gevolgen van
+hunne onzalige woelingen. Daartegen te waken is en blijft mijn
+pligt, en ik zal dien weten te vervullen. Help mij voorzooveel gij
+kunt om mijne tusschenkomst onnoodig te maken, en gij moogt u
+verzekerd houden dat ik de laatste zijn zal om ze u op te dringen.
+
+--Ik stel volkomen vertrouwen in uwe woorden,--sprak Koelloeka,--en
+zoo ik een gevoel van wrevel niet gansch terug kon houden, 't was zeker
+niet minder om de vloekwaardige lagen, die ook thans weder ons land en
+onzen vorst worden gelegd, dan om de bedreigingen, waartoe ze, ik moet,
+hoe ongaarne ook, het wel erkennen, aanleiding geven en het regt. Maar
+schuilt nu in Kaçmir zelf en nergens anders het verraad? En is het zoo
+gansch ondenkbaar dat er hier aan uw eigen hof en in uw naaste
+omgeving, onder uwe verwanten zelfs, wordt zamengespannen tegen ons,
+als tegen uw gezag?
+
+--Hoe nu? Wat meent gij?
+
+--Ik ging te ver welligt en sprak misschien voorbarig. Maar ik heb
+mijn vermoedens en, zoozeer ik wenschen mogt dat zij ijdel bleken
+te zijn, toch kan ik ze niet gansch en al van mij afzetten.
+Selim....
+
+--Wat? Al weder Selim? Zou die ook hier weer in betrokken kunnen
+zijn?
+
+--Wat hij verder nog uitrigt is mij onbekend, maar enkele
+aanduidingen, hoewel zeker nog zeer onbestemde, geven mij toch
+aanleiding Uwe majesteit in dezen te waarschuwen. Blijken zij
+ongegrond, des te beter; maar goed toe te zien kan toch in elk
+geval geen kwaad.
+
+--En dat zal geschieden! Voor 't oogenblik echter berust nagenoeg alles
+nog maar op onderstellingen en onbewezen mogelijkheden. Oordeelen en
+handelen wij dus niet te ras! Wees echter verzekerd dat niets van 't
+geen gij thans mij hebt medegedeeld mijn nauwlettend onderzoek zal
+ontgaan, en als we elkander weerzien zal de tijd tot beslissing en
+handeling misschien ook zijn aangebroken. Tot zoolang geen welligt
+ijdele zorgen. Doch eer ge van hier gaat wil ik u nog iets mededeelen,
+waarin gij meer persoonlijk wel eenig belang zult stellen. Ik heb zoo
+straks uw leerling gesproken.
+
+--Hoe, Siddha?--riep Koelloeka eenigszins verwonderd uit,--en wie
+stelde hem dan nu reeds voor?
+
+--Niemand,--antwoordde Akbar,--ik heb, in 't park hem ginds
+ontmoetend en ligt begrijpend wie hij was, hem zelf maar eens
+aangesproken. Gij weet dat ik wel eens meer zoo handel.
+
+--En hij wist niet dat hij met den magtigen Keizer sprak?
+
+--Natuurlijk niet, en 't bleek mij dat hij 't ook niet vermoedde.
+Zeg 't hem ook niet als gij hem zien mogt; later zal ik hem zelf
+wel inlichten. Maar gij verlangt zeker te weten wat ik van hem
+zeg? Welnu, ik ben heel wel met hem tevrede; 't is een flinke,
+eerlijke jongen, in wien ik vertrouwen stel. Misschien soms wat
+onvoorzigtig en wat heel openhartig....
+
+--Hij heeft immers niets gezegd wat ongepast tegenover den Keizer
+kon zijn?
+
+--Wel iets,--hernam Akbar lagchend,--ten minste indien hij geweten
+had tot wien hij 't zeide. Maar stel u gerust! Toen ikzelf hem
+onder 't oog bragt dat hij zich wat haastig uitliet, gaf hij mij
+een verontschuldiging waartegen ik niets had in te brengen. Maar
+genoeg! ik heb u gezegd dat hij mij voldeed, en 't is u bekend dat
+ik anders juist niet gewoon ben zoo aanstonds gunstig over de
+menschen te oordeelen die ik voor 't eerst zie. Laat hij zelf nu
+maar zorgen dat de goede indruk niet verloren ga! Andere zaken
+roepen mij nu voor 't oogenblik. Ik houd u dus niet langer terug!
+
+Met eerbiedigen groet verliet Koelloeka het vertrek en met
+welgevallen zag Akbar hem na,--hem, een man zoo ver van hem
+verwijderd én in stand én in rang, én door uitwendige godsdienst
+en nationaliteit, maar toch opregt aan hem verbonden door achting
+en vriendschap, en dengene onwankelbaar trouw, wien hij eenmaal
+zijn woord had verpand.
+
+--Op dien ten minste valt te rekenen!--sprak de Keizer in
+zichzelven,--in hem althans is geen bedrog.--En hij had regt. Maar
+hoevelen nog die hem nader stonden en van wie hij niet met
+evenveel regt hetzelfde getuigen kon!
+
+
+
+VIJFDE HOOFDSTUK.
+
+Een nieuwe kennis en een oude
+
+Niet lang had Siddha, omstreeks den bepaalden tijd, in de
+nabijheid van de moskee gewacht of hij zag de dienares naderen
+die, digter bij gekomen, hem uitnoodigde haar te volgen. Door
+verschillende lanen en zijpaden ging zij hem voor, tot zij
+eindelijk aan een hoogen tuinmuur kwam en een klein in den muur
+aangebragt poortje opende, dat zij ook, nadat beiden waren
+binnengetreden, zorgvuldig weer sloot. Een digte laan met
+cactussen en andere gewassen leidde hen tot een soort van terras
+met oranjeboomen en verscheidene fonteinen, waarop de achtergevel
+uitzag van een klein, maar bijzonder sierlijk en smaakvol huis,
+welks overig gedeelte in zwaar geboomte verscholen bleef. Langs de
+marmeren trappen en door een opene galerij werd nu Siddha door
+zijn geleidster in een mede aan den voorkant gansch geopend
+vertrek gevoerd; en na hem te hebben binnengebragt, verdween zij
+achter een der voorhangen.
+
+Op een divan, aan de opene zijde van het vertrek, lag daar in
+bevallig achtelooze houding eene jonge, rijk en met smaak op de
+Perzische wijze gekleede vrouw, die zoodra zij haar bezoeker
+gewaar werd zich van het rustbed verhief en hem te gemoet kwam om
+hem welkom te heeten. Of zij schoon was? Met juistheid zou Siddha
+niet geweten hebben het te beslissen. Hare trekken waren niet
+regelmatig, haar gestalte was klein en tenger; maar hare zachte
+blauwe oogen, met lange zijden wimpers overschaduwd, hadden eene
+onbeschrijfelijk vriendelijke en innemende uitdrukking; haar
+alligt ietwat te groote mond scheen ook tot iets anders nog uit te
+noodigen dan enkel tot het luisteren naar hare woorden; en, was
+ook hare gestalte niet groot, zij bezat daarentegen de meest
+volmaakte evenredigheid, terwijl het gedeeltelijk eng sluitend
+gewaad de schoone ronding der vormen te duidelijker deed uitkomen.
+Wat evenwel Siddha terstond meer in 't bijzonder trof, was de hier
+wel buitengemeene blankheid van den hals en den half ontblooten
+boezem, waarom zich een kostbaar parelsnoer wond, en niet minder
+ook de rozeroode tint der wangen, gelijk hij die bij andere niet
+bruin gekleurde vrouwen tot dusver nog nooit had opgemerkt.
+
+--Edele Heer!--sprak de onbekende, en zoo de indruk, dien haar
+gansche voorkomen op Siddha gemaakt had, niet reeds zoo gunstig
+ware geweest, de liefelijke klank harer stem zou hem volkomen
+hebben gewonnen,--ik zeg u dank dat gij zoo spoedig aan mijne
+uitnoodiging hebt willen voldoen. Welligt was mijn vezoek wat
+onbescheiden; maar als ik u de reden heb medegedeeld, zult gij,
+hoop ik, 't mij niet al te euvel duiden.
+
+--Aan zulk een uitnoodiging gehoor te weigeren,--antwoordde
+Siddha,--ware ongetwijfeld al zeer onridderlijk geweest. Maar
+gaarne wil ik u de verzekering geven, edele vrouw! dat ik niet dan
+met ongeduld den tijd van het bezoek had kunnen afwachten, indien
+ik vooraf in de gelegenheid was geweest om het beeld te zien van
+degene die mij de uitnoodiging deed toekomen.
+
+Met een ligte hoofdbuiging het gezegde beantwoordend, dat zij
+blijkbaar als een beleefdheidsphrase opvatte, ging de jonge vrouw
+voort:
+
+--Mijne verontschuldiging dan is, dat geen eigenbelang mij tot
+deze handelwijs bewoog, maar het belang van eene andere, van eene
+vriendin, die ik hartelijk liefheb. Zij werd vóór eenigen tijd
+genoodzaakt uit Agra te vlugten om de lagen te ontgaan, die haar
+door sommige aanzienlijke en magtige personen gelegd werden, en
+vér van hier, in uw land, in Kaçmir, een schuilplaats te zoeken.
+Nu heb ik haar eenige mededeelingen te doen, die voor haar van
+groot gewigt kunnen zijn; maar ik wist tot heden geen middel om ze
+haar veilig te doen geworden, daar ik de boden, die hier tot mijne
+beschikking mogten zijn, geen van allen kan vertrouwen.
+
+Daar verneem ik toevallig,--hoe, doet nu niet af,--dat gij met uw
+vroegeren leermeester Koelloeka in Agra waart gekomen, en tevens,
+dat de goeroe spoedig weer naar zijn land terugkeert. Ik begreep
+terstond dat ik niet beter kon doen dan mijn vertrouwen te stellen
+in de eer van een edelman zooals gij, wiens naam mij ook wel
+bekend was, en besloot dus u te verzoeken, uw vriend met de
+overbrenging van een brief te willen belasten, waarin ik kennis
+geef aan mijne vriendin van 't geen zij belang heeft te vernemen.
+Zou dit verzoek nu te veel soms van u of van den waardigenen
+Koelloeka gevergd zijn?
+
+Een gevoel van verligting was Siddha's eerste gewaarwording bij
+het aanhooren van deze woorden. Zoo kwam dan de gansche zaak
+eenvoudig neer op het overbrengen van een blijkbaar zeer
+onschuldigen brief, die hem voor 't overige ook niets aanging.
+Toch mengde zich, half onbewust, een zekere teleurstelling onder
+dat gevoel van tevredenheid. Dat er geen sprake was van eenige
+zamenzwering mogt hem ongetwijfeld zeer verblijden, maar of zijne
+ijdelheid wel zoo bijzonder gevleid kon zijn door de overtuiging
+dat er ook geen zweem van een avontuurtje zich vertoonde?
+Inmiddels haastte hij zich aan de onbekende de verzekering te
+geven, dat hij zeer gaarne zijn leeraar met den brief zou belasten
+en dat deze ook tegen de overbrenging wel geen bezwaar zou maken.
+
+Op een teeken der jonge vrouw verscheen nu de dienares en bragt op
+haar verlangen een in briefvorm zaamgevouwen en met een zijden
+koord en een zegel gesloten stuk.
+
+--Het opschrift,--sprak gene, nadat de dienares weer vertrokken
+was,--luidt, zooals gij ziet, aan iemand anders dan aan mijne
+vriendin zelve. De naam is u misschien bekend.
+
+--Zeer zeker!--antwoordde Siddha,--ik ben meer dan eens met dien
+jongen man op de jagt geweest.--Nu, die zal haar den brief dan
+ter hand stellen. Zoo doende weet uw vriend Koelloeka niet aan wie
+hij eigenlijk gerigt is, 't geen mij wenschelijk voorkomt, om niet
+meer personen in 't geheim te mengen dan er nu reeds mee bekend
+zijn. Ik hoop maar,--vervolgde zij na een oogenblik zwijgens,--
+dat mijne vriendin haar voordeel zal kunnen doen met hetgeen ik
+haar meld. Inderdaad ik heb opregt medelijden met haar in hare
+ballingschap; en toch, ik kan haar soms ook benijden, dat zij in
+de gelegenheid is uw heerlijk land te bezoeken, waarvan ik zooveel
+prachtige beschrijvingen heb gelezen. Maar zeg mij, opregt
+gesproken, zijn die beschrijvingen niet soms wat overdreven, ten
+minste wat heel dichterlijk?
+
+--Ik voor mij,--antwoordde Siddha,--zoozeer mijn leermeester mij
+ook altijd gewaarschuwd heeft tegen overschrijding van de grenzen
+die goede smaak en werkelijkheid ons stellen, ik heb toch steeds
+als hij gevonden dat de beschrijvingen door u bedoeld nog vér
+beneden de waarheid bleven. Inderdaad, ook in deze streken heeft
+de natuur soms haar schoon, en bekoorlijk zijn menigmaal de
+boorden uwer Djoemna, en bij de pracht en de weelde uwer paleizen
+en lusthoven haalt niets in ons noordelijk land; maar wat daar
+toch bergen en dalen en bosschen en lagchende velden er bieden,
+zoudt gij in deze zooveel minder bevoorregte streken u bezwaarlijk
+weten voor te stellen. En door de herinnering aan zijn vaderland
+als door de belangstelling zijner nu waarlijk schoone toehoorderesse
+medegesleept, begon zich onze Siddha in schilderingen van Hindostan's
+wereldberoemd paradijs te verliezen, wier welsprekende voordragt niet
+minder dan het uiterlijk van den verhaler den blik van wezenlijk
+welgevallen regtvaardigde, waarmede de luisterende nu en dan den edelen,
+krachtigen jongeling aanzag.
+
+--Maar ik hield u te lang reeds bezig,--sprak zij oprijzend ten
+laatste,--en heb waarschijnlijk reeds misbruik gemaakt van uwe
+welwillendheid. Eén verzoek nog! Laat onze zamenkomst, ter wille
+ook van de belangen mijner vriendin, een geheim blijven tusschen u
+en mij. Van eenige beteekenis kan die vlugtige ontmoeting trouwens
+ook niet zijn.
+
+--Voor u zeer zeker niet,--sprak Siddha,--voor mij echter meer dan
+gij schijnt te meenen.
+
+--Ik zie,--hernam de andere lagchend,--dat gij, Hindoe's niet
+minder dan de onzen de kunst verstaat om u hoffelijk jegens
+vrouwen uit te drukken. Maar dat daargelaten! Een enkel woord ben
+ik u echter nog verschuldigd. Ik zou mij uw vertrouwen al zeer
+onwaardig toonen indien ik, zelve u kennend, mij voortdurend als
+geheel onbekende jegens u bleef gedragen, en ik zie dan ook geen
+bezwaar, mits onder geheimhouding altijd, u mijn naam en stand mee
+te deelen. Die is voor 't overige nederig genoeg. Mijn naam is
+Rezia; mijn vader was een Armeniër, die, hier gekomen om handel te
+drijven, mij vroegtijdig uithuwde aan een rijk, maar reeds
+tamelijk bejaard koopman hier in de stad. Sinds geruimen tijd is
+deze voor zijn zaken naar Perzië en verder nog naar het Westen
+getrokken; en in lang heb ik ook niets van hem vernomen. Inmiddels
+woon ik hier, zooals gij ziet, eenzaam en stil, hoewel anders niet
+verstoken van de aangenaamheden en de rustige genoegens van het
+buitenleven. Zoo weet gij dan ten minste voor wie gij u de moeite
+van een bezoek hebt getroost, al is het dat wij elkander na dezen
+niet verder mogten ontmoeten.
+
+--En waarom, edele Rezia! zou dat niet mogen zijn?--vroeg Siddha;
+--niets, dunkt mij, behoeft u en mij daarin te verhinderen, en
+mogelijk zou ik u soms nog 't een en ander kunnen meedeelen van
+het land waar tegenwoordig uwe vriendin vertoeft, dat misschien in
+staat ware uwe belangstelling op te wekken.
+
+--Welnu!--antwoordde Rezia,--niet geheel wil ik uw vriendelijk
+aanbod afslaan. Indien gij een dezer avonden soms nog een verloren
+oogenblik vindt, ik houd mij dan aanbevolen voor eenig berigt of
+de verzending van mijn schrijven geen bezwaar heeft gevonden en
+naar gissing goede kans heeft te slagen. Mijne dienares ontmoet u
+alligt hier of daar en gij hebt haar slechts een tijd te noemen om
+mij nogmaals een bezoek te brengen in mijn stil verblijf.
+
+--En voor die gelegenheid wil ik u dankbaar zijn,--antwoordde
+Siddha, terwijl hij, zorgvuldig 't hem toevertrouwde stuk in zijn
+gordel verbergend, zich gereed maakte om voor 't oogenblik
+afscheid te nemen.
+
+Op een hernieuwd teeken vertoonde zich nogmaals de vertrouwde
+dienares en deed Siddha weer uitgeleide langs denzelfden weg, die
+hem straks den toegang tot het paviljoen had verleend.
+
+Te huis gekomen stond hij lang nog in gedachten voor de open
+veranda van zijn vertrek en staarde naar de zacht daar beneden
+voortstroomende rivier. Dat waren dan dezelfde wateren, die den
+voet van Allahabad's burgt besproeiden en waarin ook het liefelijk
+gelaat van Iravati zich weerspiegeld had! Was het niet als bragten
+die golven hem den groet der teeder beminde en als fluisterden zij
+hem woorden toe van liefde en van trouw? Snel nam hij het
+medaljon met Iravati's portret van den wand, kuste het en zette
+zich neder in de galerij. Lang nog bezag hij het beeld en
+beminnelijker dan ooit schenen hem de trekken der edele en schoone
+Hindoe-jonkvrouw. Maar zonderling toch ook! Als zijn blik soms
+weer afdwaalde en rondzwierf langs de paleizen en tuinen aan de
+boorden van den stroom, dan doemde ook weer een ander beeld in
+zijn herinnering op,... de bevallige houding, de sierlijke
+gestalte, de blauwe oogen, de bekoorlijke stem van Rezia, de
+Armenische. Wat die vrouw hem dan aanging? Zeker niets; maar wat
+kwaad ook van den anderen kant, zoo hij ze lief en innemend vond?
+Hij had toch waarlijk niet aan Iravati de gelofte gedaan, alle
+mogelijke andere vrouwen leelijk en onbehagelijk te zullen
+noemen!...
+
+--Hallo!--klonk het 's anderen morgens vroeg in den voorhof van
+Siddha's woning,--is uw meester nog niet wakker? Ga eens en zie of
+ik hem stoor met een bezoek!
+
+Juist wilde Vatsa aan het bevel gehoorzamen toen Siddha zelf,
+bezig zich gereed te maken om uit te gaan, terstond de vrolijke
+stem van Parviz, den neef van Aboel Fazl, herkende, en in den
+voorhof zich begevend, zijn bezoeker uitnoodigde binnen te komen.
+
+--Hebt gij dienst?--vroeg deze.
+
+--Een paar dagen niet.
+
+--Nu, dat treft. Dan komt het u misschien wel gelegen eens een
+uitstapje te maken?
+
+--Zeer gaarne! Waarheen?
+
+--Wel! naar Fattipoer Sikri natuurlijk, de buitenresidentie van
+den Keizer. Daarheen zou alweer een ieder u voeren, die u voor 't
+eerst een togtje in de omstreken liet doen.
+
+--Ik geef mij geheel over aan uwe vriendelijke leiding,--hernam
+Siddha,--veroorloof mij echter u een enkel oogenblik alleen te
+laten. Koelloeka vertrekt straks en ik wil hem dus even vaarwel
+zeggen.
+
+Spoedig was hij, Koelloeka opgezocht hebbende, met het afscheid
+gereed, waarbij zijn leermeester zonder verder navragen zich met
+de overbrenging van den brief belastte; en kort daarop zat hij in
+den zadel en reed met Parviz, gevolgd door den dienaar van zijn
+vriend en den zijne, de stad uit.
+
+Een breede laan, door vrij hooge boomen beschaduwd en met schoone
+vergezigten over de velden en bosschaadjen aan weerszijden, maakte
+den togt voor een groot deel tot een wezenlijk aangenamen
+wandelrid.
+
+--Zie,--sprak Parviz, toen men een tijdlang had voortgereden,--
+zulke lanen heeft de Keizer nu ook laten aanleggen op andere en
+verre wegen, waar vroeger haast geen blad groeide en waar men van
+hitte verging. Een zeer nuttig werk voorzeker! En geen reiziger
+trouwens die er Akbar niet dankbaar voor is.
+
+--Ja, de Keizer doet nuttige dingen!--antwoordde Siddha; en
+daarbij tevens aan den merkwaardigen man denkend met wien hij den
+vorigen dag over Akbar gesproken had, deelde hij Parviz in
+algemeene bewoordingen zijne ontmoeting mede en vroeg hem of hij
+den persoon kende, wiens uiterlijk hij beschreef.
+
+--Neen, die is mij niet bekend,--zei Parviz, met moeite een
+glimlach bedwingend,--maar gij zult hem misschien wel eens
+weerzien.
+
+--Waarschijnlijk wel,--hernam Siddha,--hij schijnt hier thuis te
+behooren. Maar vertel mij dan eens iets anders. Hoe komt het dat
+er hier zooveel mannen zijn die in 't geheel geen baard dragen? Ik
+dacht juist dat uwe Mohammedanen zoo bijzonder op een baard
+gesteld waren.
+
+--Dat zijn zij ook, maar Akbar zelf denkt nu juist anders over de
+zaak. Zoo een kneveltje als het uwe of 't mijne kan er bij hem nog
+wel door, maar liefst ziet hij in 't geheel niets op iemands
+gezigt. Of dat nu enkel een gril is zooals men die ook bij de
+verstandigste menschen wel eens meer ontmoet, dan of hij met opzet
+de regtzinnig geloovigen wil plagen, of ook hun toonen dat hij om
+hunne vooroordeelen en vormbegrippen niet geeft, ik weet het niet,
+maar zeker is dat de zaak, zoo onbeduidend en kinderachtig ze
+schijnen mag, al tot heel wat onaangenaamheden en gehaspel heeft
+aanleiding gegeven. Doch hier naderen wij de woning van een der
+dorpshoofden in den omtrek, dien ik door mijn oom den Minister
+goed ken; willen we een oogenblik bij hem uitrusten en onze
+paarden wat water geven? Mijn bruin ten minste zal er wel naar
+verlangen; hij stond al een heelen tijd gezadeld eer ik uitreed.
+
+Overeenkomstig het voorstel steeg men af in den binnenhof der
+nette en flink van hout en steenen opgetrokken, te midden van
+tamarindeboomen en acacia's gelegen boerderij; en weldra vertoonde
+zich op het geroep zijner onderhoorigen de eigenaar zelf, een
+Hindoe van middelbare jaren en deftig, magistraal voorkomen. Na de
+gewone pligtplegingen en terwijl de gastheer frissche vruchten
+nevens een kruik ijskoud kristalhelder water liet aanbrengen, kwam
+het gesprek, zooals te verwachten was, al spoedig op den landbouw
+en de bijzondere welvaart die er ook voor een weinig geoefend oog
+reeds terstond onder de landbouwende bevolking dezer streken viel
+op te merken, en die gunstig afstak bij 't geen Siddha in zijne
+eigene gewoon was te zien.
+
+--Voor een deel,--verklaarde het dorpshoofd,--is die gelukkige
+toestand natuurlijk ons eigen werk; zonder arbeid en inspanning
+waren wij er zeker niet gekomen; maar grooten dank ook zijn wij
+den Keizer verschuldigd, wiens verstandig en bijzonder doelmatig
+stelsel van bestuur ons eerst tot eigen krachtsinspanning de regte
+gelegenheid gaf.
+
+--Ik heb er van gehoord,--merkte Siddha aan,--maar om u de
+waarheid te zeggen, ik ben daaromtrent nog niet geheel op de
+hoogte.
+
+--Toch is het zeer eenvoudig,--hernam de Hindoe,--en voor iemand
+van uwe beschaving gemakkelijk genoeg te vatten. Het gansche
+systeem toch berust in hoofdzaak op eene geschikte verdeeling der
+landerijen, eene vaste, billijk geregelde opbrengst der landrente,
+en bovenal op de regtszekerheid die het een en het ander den
+landeigenaar en den landbouwer verschaft. Vroeger ging alles
+tamelijk willekeurig, en wist niemand regt wat hem eigenlijk
+toekwam en wat hij op te brengen had, terwijl aan ons dorpshoofden
+meerendeels bleef overgelaten, met de regering de jaarlijksche
+opbrengst der velden, naarmate die soms voor-, soms nadeelig
+heette, te regelen: Thans is dat alles anders geworden. De velden
+zijn behoorlijk opgemeten en de grenzen vastgesteld; de opbrengst
+wordt met inachtneming van de meerdere of mindere vruchtbaarheid
+der daartoe in verschillende klassen ingedeelde gronden, over een
+bepaald aantal jaren geschat; en, wat niet het minste zegt, en
+tevens misschien wel het moeijelijkst te regelen viel, de daarnaar
+berekende landrente of belasting wordt zooveel maar doenlijk in
+geld, en niet meer als vroeger in voortbrengselen voldaan. En geen
+regeringsbeambten hebben meer te beslissen, wanneer daarover
+geschillen ontstaan, maar de regter alleen. Het gevolg van dat een
+en ander moet wel zijn, en is het ook, dat de landbouwer, eigenaar
+of pachter, nu eenmaal vooruit kan weten wat zijn land hem
+ongeveer zal kosten, wat hij te betalen heeft en wat zijn vrij
+beschikbaar eigendom blijft. En is het dan wonder zoo hij, met
+eenige energie, en goed zijn eigen belangen begrijpend, ook
+wezenlijk vooruitgaat en welvarend wordt waar hij te voren nauw
+zijn dagelijksche rijst kon verdienen? Trouwens gij ziet de
+vruchten, en kunt dus zelf oordoelen, hoewel gij 't nog beter
+zoudt kunnen indien gij onze landerijen en haar bewoners in den
+vroegeren toestand gekend hadt zoo als ik.
+
+--De vergelijking met dien van mijn eigen land,--antwoordde
+Siddha,--moet wel tot gelijke uitkomst leiden als de uwe. Welk een
+zegen voor een staat, een vorst als Akbar te bezitten!
+
+--Maar zijn raadsmannen mogen wij toch ook wel dankbaar zijn,--
+hernam de magistraat,--en in 't bijzonder Todar Mal, den
+schatmeester, die het stelsel eigenlijk uitwerkte, en Aboel Fazl,
+den Groot-Vizier, die er de laatste hand aan legt, door met de
+grootste strengheid alle afpersingen en knevelarijen van de
+regeringsambtenaren, met wie wij te doen hebben, tegen te gaan.
+En, scheen het al in den beginne, dat de staatsinkomsten door al
+deze maatregelen zouden verminderen, op den duur is juist het
+tegendeel gebleken; en zelfs al waren die inkomsten iets geringer,
+ze zouden toch nog in waarde gewonnen hebben, omdat ze nu zooveel
+vaster en beter verzekerd dan te voren zijn.
+
+--Maar, geachte Heer!--vroeg Siddha,--bestaat er nu geen gevaar
+dat het stelsel, zoo uitnemend het zijn mag, weer in duigen valt
+als een min verstandig vorst eens den troon bestijgt?
+
+--Ik geloof het niet,--was het antwoord;--als onze gemeenten
+eenmaal zekere regten verkregen hebben, kan geen despoot haar die
+ligt weer ontnemen. Gij weet, dat die gemeenten bijkans geheel en
+al zichzelve regeren door hare eigene overheden en daardoor tot op
+zekere hoogte onafhankelijk worden van den Soeverein. Wilde nu
+deze beproeven hare regten te verkorten tegen de adat in, dan zou
+hij als met duizenden kleine staatjes te doen krijgen en geen
+ambtenaren en geen soldaten genoeg vinden om die alle tot
+gehoorzaamheid te blijven dwingen. Of zoo 't hem al gelukte, de
+dorpen zouden meerendeels eenvoudig verlaten worden en de
+bevolking zou zich terugtrekken in ontoegankelijke bosschen en
+wildernissen. Voor 't overige laten onze dorpers den vorst ook van
+hun kant volkomen vrij in zijne handelingen. Hij mag oorlogvoeren
+met andere rijken zooveel hem lust en zoolang zijne schatkist het
+toelaat; en om intriges en twisten van het paleis geven onze
+gemeentenaren in het geheel niet; de meesten zelfs vernemen er
+zelden iets van.
+
+--Een gelukkige toestand!--zei Siddha,--en voor beide partijen
+inderdaad heel gemakkelijk.
+
+--Alleen de staats- en volkseenheid wordt er juist niet door
+bevorderd,--merkte Parviz op, zich nu ook mengend in het gesprek.
+
+--Dat wordt zij ook niet,--antwoordde de magistraat,--maar zoudt
+gij dan meenen dat eene wezenlijke eenheid van den staat, anders
+dan in den persoon van den vorst, op zich zelve mogelijk was in
+een land als ons tegenwoordig Hindostan, waar zulk eene menigte
+van allerlei meest onderscheiden rassen en volken bij en door
+elkander woont?
+
+--Ik erken dat het moeijelijk zijn zou, hoewel 't alligt zaak
+ware, er wat meer naar te streven dan tot nu toe gedaan wordt.
+
+Een tijdlang nog werd het onderhoud, waarin vooral Siddha veel
+belang stelde, voortgezet; en daarop namen de beide vrienden
+afscheid van het beleefde dorpshoofd en vervolgden, hun paarden
+weer bestijgend, hun weg.
+
+Een flinke, maar tamelijk lange rid, waarbij nog al eens halt
+moest worden gehouden om rust te nemen, bragt hen eindelijk in 't
+gezigt der hoogte, waarop het versterkt en door zware ringmuren
+omsloten paleis van Fattipoer was gebouwd. Mogt de aanblik der
+Agrasche paleizen indrukwekkend heeten, deze was het van zekeren
+afstand niet minder. Trotsch en statig, maar als altijd bevallig
+en sierlijk tevens, verhieven zich, als terrasgewijze boven
+elkander geplaatst, de verschillende luchtig omhoog rijzende
+gebouwen met hunne vlug opgetrokken torens en fijne kanteelen en
+breede, hel in 't zonlicht glanzende marmeren trappen, afgewisseld
+alles door het groen der tamarinden en andere boomen, waaruit ze
+deels te voorschijn traden om ook deels weder zich daartusschen te
+verbergen. Doch toen Siddha met zijn geleider, nadat zij de
+paarden aan de zorg hunner dienaren hadden toevertrouwd, den
+eigenlijken omkring van het paleis zelf was binnengetreden,
+gevoelde hij zich schoon minder verrast, toch aangenamer aangedaan
+door het vrolijker en genoegelijker voorkomen dezer, voor 't
+overige met niet minder weelde en sierlijkheid ingerigte gebouwen
+en vertrekken dan door het gezigt der veel meer uitgestrekte van
+Agra. Ook de tuinen schenen hem bevalliger en meer bevredigend
+voor het oog, daar toch hier althans geen geweld was gedaan aan de
+natuur, en lanen en slingerpaden, met vermijding van de eentoonige
+regtheid en het onveranderlijk waterpas, de bogten en verhevenheden
+bleven volgen, door het bewogen terrein en den plantengroei zelven
+aangewezen. En dan, welk een heerlijk en verkwikkelijk vergezigt over de
+omliggende heuvelen en met rijken oogst beladen bouwvelden, en de als
+zilver glanzende rivier daar omlaag en het, wel is waar kunstmatig
+aangebragte, maar daarom niet minder schilderachtig meer in het
+verschiet!--Geruimen tijd bleven de bezoekers daar ronddwalen, nu eens
+langs eenzame wandelpaden, dan weer door de met wachters en dienaren
+vervulde galerijen, tot eindelijk Parviz den voorslag deed, een zijner
+vrienden in de lager gelegene stad te gaan opzoeken om daar hun
+intrek te nemen en tevens een beter maal te gebruiken dan men
+onderweg had kunnen vinden.
+
+Natuurlijk vond ook dit voorstel gereedelijk gehoor; en nadat men
+bij den gastvrijen vriend van Parviz de noodige rust had genoten,
+en zich door een hartig en tevens vrolijk maal had gesterkt,
+begaven onze vrienden zich weer op weg om nog 't een en ander van
+de stad zelve te zien.
+
+--Vergun mij,--sprak Parviz,--u voor weinige oogenblikken aan u
+zelven over te laten. Ik heb hier nog eenige stukken op last van
+mijn oom aan een van zijne ambtenaren over te brengen, en dezen
+over eenige zaken te spreken waarin gij zeker geen belang zoudt
+stellen. Hij woont hier in de nabijheid en ik ben zoo aanstonds
+bij u terug. Inmiddels hebt gij daar tusschen de acacia's ginds
+een vrij ouden tempel, dien gij misschien wel eens zult willen
+bezigtigen. Des verkiezende kunt gij er ook uwe devotie verrigten.
+
+--Wel verpligt,--antwoordde de ander lagchend,--daaraan ga ik mij
+niet te buiten. Maar zeer gaarne wil ik den tempel eens bezien. Ik
+zal u daar dan of in de nabijheid wachten.
+
+Spoedig ontwaarde Siddha, toen hij de zware en flauw verlichte gewelven
+was binnengetreden, aan de talrijke zinnebeeldige versieringen der
+zuilen, dat hij zich in een çiva-tempel bevond; en na eenige gangen te
+zijn doorgegaan, aanschouwde hij dan ook aan 't uiteinde van een soort
+van hal en van boven verlicht het kolossale beeld van den God, met de
+beenen kruiselings op een hoog voetstuk gezeten, de armen en enkels met
+eene menigte van ringen versierd, het teeken van den drietand op het
+voorhoofd en een keten van doodshoofden om den hals,--çiva, den
+Oneindigen en Almagtigen Wereldheer, scheppend om te vernielen, en
+vernielend om te scheppen op nieuw, het eindeloos in zijn openbaringen
+zich vervormend Wezen, waaruit alle Zijn voortspruit en waartoe het Al
+gestadig terug moet keeren. Zoo goed nu onze jonge Indiër de begrippen
+kende, welke die beeldtenis en hare symbolen vertegenwoordigden, en
+zoozeer hij daarvan ook de betrekkelijke waarde bleef erkennen, toch
+stuitte hem ook nu weder, zooals het vroeger bij dergelijk schouwspel
+gedaan had, niet weinig het wanstaltige en gedrogtelijke dier gedaante,
+die wel is waar zekeren indruk bij den eersten aanblik kon maken, doch
+wel bezien de voor 't overige inderdaad niet van schoonheid ontbloote
+bouworde van den tempel op hinderlijke wijze ontsierde.
+
+Niet lang echter duurde zijne eenzame bespiegeling over dit een en
+ander; want achter zich vernam hij een oogenblik later een stem,
+hoewel de stilte niet door het geluid van voetstappen was
+verstoord geworden.
+
+--Om!--klonk het,--om! U brengt de onwaardige dienaar van çiva's
+heilige echtgenoote, de in hem wonende Oneindige Kracht, zijnen
+groet.
+
+En naar de plek zich keerend van waar de stem kwam, werd Siddha
+den Doerga-priester Gorakh gewaar, dien hij te Allahabad in
+gezelschap van zijn oom Salhana had gezien.
+
+--Ik groet u, Eerwaarde!--sprak hij, en wachtte wat de ander hem
+te zeggen zou hebben.
+
+--Zoo! wij zijn elkander dan nog niet vergeten sinds onze laatste
+ontmoeting,--hernam Gorakh;--trouwens wat mij betreft, ik heb u
+wél in 't oog gehouden, sinds ik daar ginds in de nabijheid van
+den Bhadrinâth u waargenomen heb.
+
+--Nu ja,--zeide Siddha, een weinig ongeduldig,--laat dat zijn hoe
+'t wil. Maar ik begrijp eigenlijk niet, eerwaarde Heer! welk
+belang gij in mij stellen kunt.
+
+--En zou dan,--vroeg de ander,--de neef van mijn leerling en
+vriend geen aanspraak mogen maken op mijne belangstelling? Maar
+ook daarom juist schijnt mij pligt, u een waarschuwing niet te
+onthouden, waar ik die noodig acht, en indien gij ze van mij wilt
+aannemen. Gij weet wie Gaurapada, de kluizenaar, is, niet waar?
+
+--Gaurapada?--vroeg Siddha,--welzeker! Hij is een kluizenaar in 't
+gebergte.
+
+--Ja, maar ik meen, wie hij was eer hij zijn tegenwoordigen naam
+droeg.
+
+--Daar weet ik niets van. Hij heeft het mij niet verteld.
+
+--Maar uw goeroe, Koelloeka, heeft het u toch medegedeeld?
+
+--Ik heb er hem niet eens naar gevraagd en 't kan mij ook niet
+schelen.
+
+Met een zijdelingschen, uitvorschenden blik zag Gorakh den spreker aan;
+maar deze ware geen rechte Indiër geweest, indien zijn gelaat in eene
+omstandigheid als deze niet de meest mogelijke onverschilligheid had
+vertoond. Ietwat minder voorzigtig echter liet hij, warm wordend bij 't
+indringende van den ander, er op volgen:
+
+--En al wist ik nu ook nauwkeurig, wie en wat Gaurapada in vroeger
+tijd geweest mogt zijn, gij begrijpt dat ik 't u toch niet zou
+zeggen.
+
+--Ha!--riep de Yogi uit,--gij vertrouwt mij niet! En gij meent mij
+zelfs te mogen tarten? Herinner u, dat ik een vriend van den
+Goeverneur van Allahabad ben!
+
+--Ja, dat weet ik!--sprak Siddha met zekeren nadruk.
+
+--Wat weet gij?
+
+--Ik weet wat ik weet, en dat is genoeg!
+
+Nijdig keek de priester Siddha aan. En tevens niet zonder
+ongerustheid. Wat beteekende dat gezegde op dien toon? En wat kon
+hij werkelijk weten? Doch voor 't oogenblik scheen in elk geval
+wel 't veiligst het toch niet vlottend gesprek maar af te breken.
+
+--Nu, genoeg dan!--zeide Gorakh,--voor u en voor mij.
+
+Doch bedenk één ding, mijn jonge vriend, die mijne vriendschap
+niet schijnt te begeeren!--en ik wil ze u ook niet opdringen!--
+bedenk, dat de magtige Godin, aan wier dienst ik mijne geringe
+krachten wijde, niet alleen behouden maar ook verdelgen kan, en
+dat er geen hoop op genade en geen kans op redding bestaat voor
+hem, dien zij eenmaal door hare priesters als uitverkoren offer
+haren getrouwen heeft aangewezen!
+
+En in een der zijgangen verdween zonder nader antwoord af te
+wachten de geheimzinnige boeteling; en, hoe vastberaden anders
+ook, toch vermogt Siddha hem niet na te staren zonder een zeker
+gevoel van beklemdheid en onwillekeurigen angst. En 't scheen hem,
+hoewel de Doerga-priester thans werkelijk toch alléén was, als zag
+hij hem nogmaals gevolgd door dien langen stoet van naakte bruine
+gestalten met de witte koorden om den nek, met welken hij in de
+nachtelijke schemering hem langs den ringnmur van Allahabad had
+zien verdwijnen in het bosch.
+
+Eer hij zich inmiddels ter ruste begaf dacht hem niet onnut, nog
+eene enkele vraag tot den trouwen dienaar te rigten, die hem in de
+woning van den vriend van Parviz afwachtte om te vernemen of zijn
+meester nog iets te bevelen had.
+
+--Vatsa!--zeide hij,--gij hebt mij laatst in het park van
+Allahabad betuigd, dat gij evenmin als Koelloeka's dienaar daar
+een priester of boeteling hadt gezien. Maar herinnert gij u soms
+toch met eenig ander, u onbekend persoon gesproken en dezen
+misschien eene of andere bijzonderbeid van onze reis in 't
+gebergte verteld te hebben?
+
+Ik zou er niet verder aan hebben gedacht,--antwoordde Vatsa,--
+maar nu ge 't mij zoo afvraagt, Heer! nu herinner ik mij wel, dat
+er in den omtrek der stallen een half naakt en bruin gekleurd man
+met ons kwam praten, en nadat hij ons 't een en ander omtrent de
+vesting en de stad had verteld, ook naar onze reisontmoetingen
+vroeg.
+
+--En gij hebt hem toen van mijn geval met den tijger van Gaurapada
+verteld?
+
+--Ik geloof inderdaad van ja!
+
+--En zeidet gij soms ook iets omtrent den kluizenaar en diens
+uiterlijk voorkomen?
+
+--Zeker!--antwoordde Vatsa,--juist zijn eerbiedwaardig en tegelijk
+vorstelijk voorkomen had in 't bijzonder onze aandacht getrokken;
+wij waren er beiden nog vol van en daar wij niet wisten dat er
+kwaad in stak er van te spreken, maakten wij ook geen geheim van
+onze ontmoeting tegenover den vreemde.
+
+--Wien gij dus ook het uiterlijk van Gaurapada eenigermate zult
+beschreven hebben?
+
+--Nauwkeurig herinner ik mij dat niet meer; maar ik geloof wel dat
+wij er iets van meldden.
+
+--Bedenkelijk!--mompelde Siddha in zichzelf,--inderdaad nog al
+bedenkelijk! De priester heeft natuurlijk door zijn handlanger
+omtrent onze reis vernomen wat hij weten wilde om mij te
+overbluffen, maar schijnt tevens tot eenig vermoeden omtrent
+Gaurapada te zijn gekomen. Dat hij straks mij zocht uit te hooren,
+is duidelijk genoeg. Maar wat kan hij met Gaurapada, of
+Nandigoepta, hebben uit te staan? En mijn oom Salhana? Of die er
+mee in betrokken zou zijn?...
+
+--We hebben toch hoop ik geen kwaad gedaan door met dien onbekende
+te praten?--vroeg Vatsa ongerust, toen hij zijn jongen meester zoo
+in gedachten zag.
+
+--Neen, neen!--antwoordde deze,--en zoo gij 't al gedaan mogt
+hebben, gij deedt het onwillekeurig en hebt dus geen schuld. We
+hadden ook voorzigtiger moeten zijn en u vooraf waarschuwen. Maar
+let nu op één ding, Vatsa! spreek voortaan met niemand meer over
+den kluizenaar, wie er ook komt om u naar hem te vragen! Hebt ge
+mij begrepen?
+
+--Volkomen, Heer!--antwoordde de ander,--van nu af heb ik dien
+kluizenaar nooit gezien, of, zoo ik hem soms eens zag, ik ben
+volkomen vergeten hoe hij er uitziet.--
+
+--Met dat al,--dacht Siddha,--zal nu toch Koelloeka, of, kan het,
+Nandigoepta zelf dienen gewaarschuwd te worden. Ik wil er voor
+zorgen zoodra ik een veilige gelegenheid vind; Salhana moge er nu
+mee te maken hebben of niet!
+
+
+
+ZESDE HOOFDSTUK.
+
+Selim
+
+--Welaan, mijne heeren!--sprak de bevelhebber der Radjpoet's, die
+op het plein in de vesting met eenige zijner officieren stond te
+praten, terwijl de ruiters zich in gelid schaarden,--nu spoedig
+opgezeten en dan naar het kamp, waar zooals gij weet de Keizer
+heden wapenschouwing komt houden!
+
+Vlug werd er aan het bevel voldaan, en weldra, nadat men buiten de
+vesting was gekomen, ging het in draf naar het kamp, dat op
+eenigen afstand van de stad in eene uitgestrekte vlakte was
+opgerigt. Een treffend schouwspel vertoonde zich aan Siddha's oog
+toen hij aan 't hoofd zijner afdeeling met de overigen eene kleine
+hoogte had bestegen en vandaar het veld in 't gezigt kreeg. Daar
+ter regterzijde eene gansche stad als 't ware van tenten, langs
+breede straten in de meest regelmatige orde nevens elkander
+gerangschikt, en in wier midden zich, roodgekleurd en met vergulde
+peervormige toppen, de Keizerlijke tent verhief, zoo men althans
+dien naam mogt geven aan dergelijk, schoon uit hout en doek
+zamengesteld, paleis. En aan de linkerzijde het uitgestrekte veld,
+waarop zich in bonte mengeling de meest verscheiden troepenkorpsen
+vertoonden, gepantserde en niet-gepantserde ruiters in bonte,
+veelkleurige kleederdragt, sommigen met lansen, anderen met
+geweren gewapend, artillerie en strijdolifanten, en een weinig
+meer in de verte ook die vrolijker uitgemonsterde, op wier rug
+gemakkelijke met kussens voorziene en van boven tegen de zon
+bedekte zetels tot voertuig strekten voor aanzienlijke, meest
+gesluierde vrouwen, die de wapenschouwing kwamen bijwonen.
+
+Eenigen tijd nadat ook de Radjpoet-ruiterij op de vlakte was
+aangekomen rukten de verschillende troepen, voorafgegaan door hare
+muziekkorpsen, op, om langs den Keizer en zijn staf te defileren,
+die daar op een eenigszins meer verheven terrein hen afwachtte.
+Naderbij gekomen behoefde Siddha wel niet lang in twijfel te
+staan, wien hij onder die groep van schitterend uitgedoste
+veldheeren, wier wapenen en paardentuigen glinsterden van goud en
+edelgesteenten, nu als den Keizer zelven te beschouwen had. Wel
+onmiskenbaar toch was door zijne gansche houding die forsche man,
+die daar op zijn prachtig wit paard en den veldheerstaf in de
+hand, een paar passen vóór de overigen, en zijn baniervoerder en
+parasoldrager achter zich, de voorbijtrekkende troepen in
+oogenschouw nam. Maar tevens herkende hij ook terstond in den
+magtigen gebieder denzelfden persoon met wien hij in de tuinen van
+het paleis gesproken had, en omtrent wiens wezenlijken rang ook
+toen reeds, gelijk nu wel bleek, een inderdaad volkomen waar
+vermoeden bij hem gerezen was.
+
+Op zijne beurt nu met zijn ruiters den Keizer voorbijtrekkend,
+boog hij, gelijk hij de anderen die hem vóórgingen had zien doen,
+zich voorover met omlaag gerigte lanspunt, en, tevens met een
+steelschen blik naar Akbar opziend, meende hij op het anders
+streng gelaat van dezen een ligten glimlach te bespeuren, die hem
+dra tot de overtuiging bragt dat de Keizer zijne nog al
+vrijmoedige woorden toch niet euvel scheen te hebben opgenomen.
+Ook herinnerde hij zich met zekere gerustheid dat Akbar, ééne
+Vlugtige opwelling van toorn nu daargelaten, ook voortdurend open
+en vriendelijk tot hem gesproken had. En eindelijk behoefde hij
+thans zoo erg niet meer tegen een voorstelling aan den grooten
+Keizer op te zien, die, naar Feizi hem had te kennen gegeven,
+waarschijnlijk wel na de wapenschouwing in het legerkamp zou
+kunnen plaats hebben.
+
+Die verzekering werd ook niet gelogenstraft toen er rust voor de
+troepen was bevolen, en de officieren, die hierbij gemist konden
+worden, zich naar de voor hen bestemde gedeelten van het kamp
+hadden begeven. Daar toch zag Siddha al spoedig zich door Feizi
+wenken en op 's Keizers raadsman toetredend, werd hij door dezen
+naar de uitgebreide groep der van binnen niet minder weelderig dan
+de vertrekken van het paleis zelf versierde middententen geleid.
+Een oogenblik later bevonden zich beide in de hooge tegenwoordigheid
+van den vorst.
+
+Niet weinig inmiddels verwonderde zich Feizi zelf toen hij Akbar
+terstond een stap voorwaarts zag doen en hem tot Siddha, wiens
+diepen groet hij met een genadige handbeweging beantwoordde,
+zonder de officiëele voorstelling af te wachten, hoorde zeggen:
+
+--Wel! ik zag u straks in dienst, en 't scheen mij dat er eenmaal
+nog wel een geschikt officier uit u groeien kan. Zorg maar dat ge
+mij niet in die goede verwachting bedriegt!
+
+--Ik kende,--vervolgde hij tot Feizi,--uw beschermeling al een
+weinig; wij hebben elkander reeds vóór eenige dagen ontmoet,
+hoewel hij toen niet raadde wie ik was.
+
+--Had ik dat geweten, Sire!--sprak Siddha eerbiedig,--ik had
+daarom met geen meer ontzag tot Uwe Majesteit op kunnen zien dan
+ik toch reeds tot den mij onbekende deed.
+
+--Maar toch waarschijnlijk wat minder vrij gesproken hebben,--
+vulde Akbar een weinig spotachtig het hoffelijk, maar blijkbaar
+ook ernstig bedoeld gezegde aan;--doch daarin stak op zich zelf
+geen kwaad, en ik hoor ook liever wat de menschen van mij denken
+dan te moeten raden naar 't geen zij over mij spreken achter mijn
+rug. Maar daarom dan ook, en naar aanleiding tevens van ons vorig
+gesprek, een bevel of liever, want wat ik verlang laat zich niet
+afdwingen, een verzoek: schenk mij ook in vervolg van tijd
+hetzelfde vertrouwen, dat gij, mij niet kennend, reeds in mij
+gesteld hebt! Gij ziet wel, het heeft tot heden u niet bedrogen.
+Wend u tot mij, niet tot anderen, als gij meent u over mij of de
+mijnen te beklagen te hebben. Klagten aan te horen weiger ik
+nooit; zijn ze ongegrond, dan tracht ik ze te wederleggen; zijn ze
+billijk, ik zoek naar herstel der grieven. Openhartigheid en
+gepaste vrijmoedigheid, mijn vriend Feizi kan het getuigen, wekken
+nooit in ernst mijn toorn; wel daarentegen valschheid en
+veinzerij.
+
+En na nog enkele vragen en gezegden omtrent Siddha's meer
+bijzondere dienstbetrekking, wenkte de Keizer ten teeken dat het
+gehoor was afgeloopen, en verwijderde zich Feizi met zijn jongeren
+vriend, die natuurlijk niet weinig in de wolken was over zijn
+tweede onderhoud met den vorst, en ook niet naliet zijn medgezel
+het een en ander omtrent het eerste te verhalen.
+
+--Nu, gij zijt wezenlijk een gelukskind,--sprak Feizi,--dat treft
+iedereen maar zoo niet, hoewel Akbar overigens niet moeijelijk is
+te genaken en doorgaans allen gaarne te woord staat. Gij schijnt
+inmiddels een gunstigen indruk op hem gemaakt te hebben, en dat
+verheugt mij van harte. Doch zie ik daar Parviz niet aankomen? Och
+jawel! Maar wat die hier komt uitvoeren? Wel, wel!--vervolgde hij,
+zijn neef toesprekend,--mijnheer de toekomstige staatsraad hier
+onder krijgslieden tusschen de tenten!
+
+--Even goed, dunkt mij,--antwoordde Parviz,--als mijn waarde oom,
+de wijsgeer! Doch ik erken gaarne, dat ik voor 't overige evenmin
+kans zie hem ooit te evenaren in zijn staatsmanswijsheid en
+geleerdheid als in de wapenfeiten die hij bedreven heeft.
+
+--Nu, geen komplimentjes, neef!--hernam de ander lagchend,--dat
+komt onder ons niet te pas. Maar weet gij wat ik eigenlijk denk?
+Gij zijt hier zeker gekomen om daar ginds een kijkje te nemen van
+de fraai aangekleede olifanten; de schoone dochter van Todar Mal
+is stellig weer niet vreemd aan uw verschijning, al moogt gij haar
+eigenlijk niet eens zien.
+
+--Oom! zeg ik op mijne beurt, geen verraden van mijn geheimen!
+Hoewel ik--voegde Parviz rond en goedhartig er aan toe,--die
+anders niet voor mijn vriend Siddha verborgen wil houden. Te
+minder omdat ik mij verzekerd reken van zijne belangstelling,
+wanneer hij van zijn kant aan zijne voorzeker niet minder
+beminnelijke verloofde denkt. Maar,--zeide hij tevens, zich tot
+Siddha wendend,--zoover als gij ben ik ongelukkig nog bij lange
+niet. Of ik misschien al eenige gunst in de oogen der dochter zal
+mogen vinden, van den vader durf ik mij gansch niet verzekerd
+houden.
+
+--Dat zal mettertijd wel teregtkomen,--merkte Feizi goelijk op,--
+doch genoeg voor 't ogenblik van ons vertrouwelijk gesprek!
+Ziehier anderen, voor wier ooren dat alles zeker niet bestemd kan
+zijn.
+
+--Wie is dat?--vroeg Siddha, toen hij een groep ruiters zag
+naderen in wier midden zich een jongmensch, welligt enkele jaren
+ouder dan hij zelf, maar toch anders van ongeveer gelijken
+leeftijd, vertoonde, en wiens uiterlijk voorkomen hem om meer dan
+eene reden wel opmerkelijk scheen. Vooreerst om de wezenlijk
+overdadige pracht zijner kleeding. Over het fijn goudlakensch
+kleed droeg hij niet minder dan vier snoeren buitengewoon groote
+paarlen; de tulband was met een hooge reigerveder en drie juweelen
+van onschatbare waarde getooid; en om de armen droeg hij, tot aan
+de ellebogen, reijen van banden alle met edelgesteenten bezet,
+terwijl aan elken vinger een ring was gestoken. Om niet eens van
+de diamanten en paarlen te spreken, die zijn wapenen en het tuig
+van zijn paard versierden. Maar hoe zonderling bij al dat
+geflonker het bleek en vermoeid gelaat afstak, waarvan de vaalheid
+nog meer scheen uit te komen door de gitzwarte oogen en de scherp
+afgeteekende knevels en wenkbrauwen. Oorspronkelijk waren die
+trekken ongetwijfeld schoon en edel te noemen, maar zij waren
+vervallen en verouderd vóór den tijd en droegen de onmiskenbare
+teekenen van menigen anders dan in wijsgeerige bespiegeling en
+onthouding doorgebragten nacht.
+
+--Hoe! kent gij dien nog niet?--vroeg Feizi,--dat is Selim de zoon
+van den Keizer en zijn aangewezen opvolger.
+
+Met een zwijgenden groet wilde de Kroonprins voorbij rijden, maar
+hij bedacht zich en, zijn paard naar Feizi en Parviz wendend,
+zeide hij:
+
+--Mijne heeren! 't is mij lief u juist hier te ontmoeten; ik wacht
+dezen avond eenige vrienden in mijn paleis voor een klein feest;
+wilt ge mij niet 't genoegen ook van uw bijzijn schenken?
+
+--De vraag--antwoordde Feizi,--ware mij in elke omstandigheid een
+bevel, zoo ik niet heden juist door een hooger werd verhinderd er
+aan te gehoorzamen, De Keizer heeft mij voor dezen avond
+bescheiden.
+
+--O zoo!--hernam Selim met een half minachtenden glimlach, hoewel
+overigens naar 't scheen juist niet rouwig om de weigering;--gij
+moet mijn vader zeker weer les gaan geven in uw ongeloovige
+wijsbegeerte, niet waar?
+
+--Wat ik persoonlijk doe,--was het antwoord,--blijft geheel ter
+beoordeeling van Uwe Hoogheid; maar wat de Keizer goed mag vinden,
+staat, dunkt mij, boven Haar oordeel en het mijne. Ook zou de
+vraag nog mogen heeten wiens avond wel het nuttigst besteed zou
+zijn.
+
+--Nu maak u maar niet boos, edele Feizi!--sprak de Prins
+vergoelijkend,--ik meen het zoo kwaad niet. Doch moet ik u dan uwe
+avonden laten, gun mij ook de mijnen! En gij Parviz!--ging hij,
+tot dezen zich keerend, voort,--hebt gij ook soms zoo zwaarwigtige
+bezigheden, die u van een onschuldig genoegen moeten terughouden?
+
+--Volstrekt niet,--antwoordde Parviz,--en al had ik die, ik zou
+niets liever wenschen dan ze ter zijde te mogen stellen voor een
+festijn in Selim's paleis. Maar veroorlooft mij, zoo de vraag niet
+onbescheiden is, Uwe Hoogheid, een nieuwen vriend van mij voor te
+stellen?
+
+En Siddha, die achteruit was getreden, wenkend om nader te komen,
+meldde hij diens naam en rang.
+
+--O ja!--sprak Selim,--ik herinner mij zoo iets van zijne komst
+hier vernomen te hebben. Wilt gij,--vroeg hij Siddha,--soms heden
+avond uw vriend begeleiden, gij zult mij genoegen doen.
+
+--Ik stel de eer op hoogen prijs,--antwoordde Siddha met een
+hoffelijke buiging.
+
+--De eer, nu ja!--zei Selim,--die geeft niet veel; ik heb niets te
+beteekenen hier aan het hof; maar ik hoop dat onze bijeenkomst u
+eenig genoegen mag verschaffen. Tot den avond alzoo!
+
+En zijn paard wendend vertrok de Prins met zijn gevolg.
+
+--Vergunt mij; geëerde vrienden!--zei hierop Siddha,--nu ook
+mijn afscheid te nemen; 't wordt tijd mijn ruiters weer op te
+zoeken.
+
+--Indien gij wilt,--sprak nog Parviz vóór het scheiden,--kom dan
+tegen den avond mij afhalen; mijn woning ligt in uw weg, en dan
+gaan wij zamen.
+
+--Met genoegen!--antwoordde de ander en begaf zich terug naar zijn
+post.
+
+Dat de pracht van Selim's paleis ook aan die zijner kleedij zou
+beantwoorden, had Siddha natuurlijk wel vermoed; maar toch vond
+hij zijne verwachting nog overtroffen door de ongehoorde weelde
+toen hij, langs verscheidene voorvertrekken en tusschen reijen van
+dienaren door, de zacht maar overvloedig verlichte en niet al te
+groote hal was binnengetreden, waar de Kroonprins met zijn
+vrienden zich bevond. De zalen van het Keizerlijk paleis hadden
+met al haar uitgezochten rijkdom nog iets ernstigs en gestrengs;
+maar hier ademde alles, tot zelfs de overigens steeds bevallige
+Moorsche bouworde en het schitterend dekoratief, niet dan zucht
+naar weelde en een jagen naar het meest onbeperkte zingenot.
+Veelkleurige zijden en goudlakensche voorhangsels neergolvend van
+de als fijne kanten uitgehouwen bogen, en halverwege het keurig
+mozaïekwerk in de met verguldsel afgezette marmeren wanden
+bedekkend; digte bloemengroepen, bedwelmende geuren verspreidend
+alom; breede, de lichten weerkaatsende spiegels; mollige tapijten
+van phantastische teekening; lage en tot weeke rust verlokkende
+divans; als kleine heuvels opeengestapelde gouden en kristallen
+drinkschalen, en marmeren en porphieren koelvaten van allerlei
+vorm; en aan de breede zijde der zaal een soort van tooneel,
+waarop zich straks de danseressen en speellieden zouden vertoonen;
+alles door tal van in bontkleurige ballons gevatte lampen
+verlicht;--ziedaar ongetwijfeld een aanblik, die ook een bezoeker
+van Indische paleizen nog wel bij den eersten oogopslag kon
+verbaasd doen staan.
+
+Al spoedig had Selim, rondziende langs den kring der gasten, die,
+in groepen verdeeld, hier op de divans zich hadden nedergezet,
+daar met elkaar stonden te praten, de nieuw aangekomenen ontdekt,
+en kort daarna op hen toetredend, sprak hij:
+
+--Zijt welkom, mijne heeren! in mijne nederige woning! Ik wil
+hopen, gelijk ik dezen morgen reeds zeide, dat de avond ons eenig
+wederzijdsch genoegen mag schenken. Laat het u inmiddels gezegd
+zijn, de etiquette behoort ditmaal niet tot de vermakelijkheden;
+wij trachten, althans voor dit oogenblik, vrienden onder elkaar te
+zijn.
+
+De Prins wendde zich tot anderen; en op eenmaal zag Siddha eene
+hem welbekende, maar hier op dit oogenblik niet verwachte figuur
+naderen,--die van Salhana, den Goeverneur van Allahabad.
+
+--Wel, neef!--sprak deze, hem de hand gevend,--dat doet mij
+genoegen u hier te ontmoeten. Ik ben zoo straks aangekomen en vond
+juist bij tijds in mijne woning eene uitnoodiging van den Prins,
+die mij hier in Agra verwachtte.
+
+--En,--vroeg Siddha,--hoe is het ginds, en hoe gaat het....
+
+--Iravati? vulde Salhana aan--heel best. Zij laat u groeten. Doch
+zie eens, daar komt een man met wien gij kennis moet maken, ook al
+is hij voor 't oogenblik niet bijzonder gezien ten hove. Hij heeft
+met dat al niet weinig te beteekenen. Een nieuwe kennismaking was
+evenwel overtollig; want de naderende bleek niemand anders dan
+Abdal Kadir Badaoni, de Islamietische ijveraar, te zijn, dien
+Siddha reeds in het Keizerlijk park met Akbar zelf had gezien. Tot
+zijne verwondering begroette diezelfde man zijn oom, schoon toch
+even goed een ongeloovige als hij, nog al tamelijk beleefd,
+terwijl hem zelf nu ook iets ten deel viel wat als eene soort van
+hoffelijke ontvangst kon worden aangemerkt.
+
+--Ik zag uw neef toevallig reeds vroeger,--sprak Abdal Kadir toen
+Salhana hem wilde voorstellen,--en ik wil hopen,--vervolgde hij
+tot Siddha,--dat gij mijne toen gesproken woorden in de beteekenis
+zult willen opvatten die ik zelf er aan gaf; gij ziet nu wel dat
+personen mij nog niet gehaat zijn al moet ik hen bestrijden om hun
+dwalingen.
+
+--Ik eerbiedig uwe gevoelens, edele Heer!--antwoordde Siddha,--al
+betreur ik ook dat gij 't niet eveneens de onzen kunt doen.
+Misschien ....
+
+--Wat misschien?--begon Abdal Kadir opstuivend.
+
+--Neen, neen, mijn waarde heeren!--sprak nu Salhana, tot vrede
+manend,--geen getwist nu, wat ik u bidden mag, over uwe
+wederzijdsche gevoelens omtrent geloofskwestiën! Bedenken wij
+liever wat feitelijke gevaren ons allen, ons Indiërs zoowel als
+ulieden, trouwe zonen van den Profeet, bedreigen, indien de
+plannen eens verwezenlijkt werden, die ginds door hooger gestelde
+magten schijnen ontworpen te worden!
+
+Enkele andere personen, blijkbaar mede wel vertrouwde bekenden van
+Salhana en den Mohammedaan, hadden zich inmiddels bij de
+sprekenden aangesloten, terwijl Parviz zich met eenige jongeren
+naar een ander gedeelte der zaal had begeven. Allen luisterden met
+opmerkzaamheid, doch tevens een nauw gesloten kring vormend, waar
+geen ander, ongenoode, zich had weten binnen te dringen.
+
+Bedenken wij--ging Salhana voort, op wel verstaanbaren maar toch
+fluisterenden toon,--wat ons gebeuren moet, indien wij eens
+gedwongen werden ons allen openlijk aan de zonderlinge, tegen ons
+aller begrippen en zeden strijdende eeredienst te onderwerpen, die
+de anders zoo hoog geëerbiedigde Keizer ons, hoe dan ook, schijnt
+te willen opdringen. Hoe nu? Zoudt gijlieden Mohammedanen, de
+tegenwoordige beheerschers van het land, uw Allah verloochenend,
+dan in aanbidding voor zon en sterren willen nederknielen, en
+misschien....
+
+--Bij den baard van den Profeet!--begon Abdal Kadir, de hand aan
+'t gevest van zijn sabel slaand,--we zouden....
+
+--Bleef het daar nog maar bij,--hernam de ander,--doch er is nog
+erger. Denkt maar eens aan de woorden: "Allahoe Akbar", die
+tegenwoordig op munten en firmans gevonden worden! Die schijnen
+ongetwijfeld heel onschuldig als men ze in den zin van "God is
+groot" verstaat; maar zij kunnen immers ook nog iets anders
+beteekenen, te weten: "Akbar is God."
+
+--Dat gaat zeker alles te buiten!--riep Abdal Kadir nu in volle
+woede uit; maar Salhana kwam weer tusschen beiden.
+
+--Laat ons bedaard blijven!--zeide hij,--we hebben hier trouwens
+nog maar te doen met onderstellingen, die mogelijk ook, zooals ik
+zou hopen, ongegrond zullen blijken te zijn. Maar als het toch
+eenmaal zoo eens was, dan vraag ik, zoudt gij u kunnen en mogen
+onderwerpen, of ook wij, die tot heden de meest volkomen vrijheid
+genoten om dat geloof te belijden, wat wij erfden van onze vaderen
+en naar onze overtuiging het beste en redelijkste scheen? Beviel
+de laatste vraag al iets minder aan Abdal Kadir dan de vroeger
+gestelde, op Siddha maakte zij des te meer indruk. Dat Akbar aan
+de stichting van een nieuwe godsdienst dacht, was hem wel reeds
+eens ter ooren gekomen; maar of hij daarmede nu ook werkelijk
+gewetensdwang beoogde. En als 't eens zoo zijn mogt?...
+
+--Daarom,--besloot Salhana,--geen onderlinge twist! Maar laat ons
+gezamenlijk toezien, en, moet het, ons eendragtig door geoorloofde
+middelen trachten te beveiligen tegen de gevaren, waarmee het,
+vrees ik, maar al te zeer door dweepers en door intriganten gevoed
+idealisme van een anders voortreffelijk vorst ons dreigen mogt!
+Doch ik geloof, dat de Prins reeds het teeken heeft gegeven om ons
+eigenlijk festijn te doen beginnen. Breken wij dus voor 't
+oogenblik ons onderhoud af! Ik blijf mij inmiddels aanbevelen,
+mijne heeren! voor uw nader gevoelen over 't gesprokene. Mogelijk
+verkeer ik gansch in dwaling. Ik mogt het van harte wenschen!
+
+Terwijl de gasten bezig waren eene plaats op de verschillende
+divans te zoeken, hoorde Siddha, een der groepen voorbijgaande,
+een paar woorden die zijne opmerkzaamheid trokken.
+
+--En Kaçmir?--vroeg een der sprekers,--zijn er berigten?
+
+--Heel goede!--antwoordde de toegesprokene;--de mijn kan haast
+springen.
+
+--En de brief?
+
+--In de beste handen!
+
+Andere gasten scheidden Siddha van de twee wier gesprek hij daar
+toevallig aanhoorde, en weldra zag hij niet ver van Selim zich
+tusschen eenige hem nog onbekende jongelieden geplaatst, doch met
+wie hij spoedig in gesprek was, terwijl de talrijke dienaren
+verschillende ververschingen aanbragten en de wijn rijkelijk in de
+gouden drinkschalen begon te vloeijen. Nu en dan kwamen hem nog
+wel de straks vernomen woorden voor den geest, maar de beteekenis
+bleef hem duister. Konden zij op die heimelijke twisten in zijn
+vaderland slaan, die naar Salhana's zeggen, door Akbar werden
+aangestookt? En die brief? Onwillekeurig maar ook slechts vlugtig
+dacht hij aan den brief van Rezia, dien Koelloeka had meegenomen,
+Maar wat kon die met staatkunde te maken hebben?
+
+Weldra ook werd zijns opmerkzaamheid geheel door de danseressen
+ingenomen, die, begeleid door muziekanten, van achter een der
+voorhangen op het tooneel in het breede der hal waren verschenen
+en aldra, den bruingetinten boezem nagenoeg gansch ontbloot, maar
+daarentegen met lang, tot de voeten reikend gewaad, op de maat der
+snaren-instrumenten en cymbels eenige van die dansen begonnen uit
+te voeren, die ten allen tijde zoozeer in den smaak vielen beide
+van Indiër en van Musulman, en vaak uren achtereen hen weten bezig
+te houden. Tot afwisseling evenwel traden ook nu en dan zangers en
+zangeressen op, en vergastten de toehoorders met de voordragt van
+Perzische liederen, die bijzonder aan Selim en zijne vrienden
+schenen te behagen, maar Siddha een weinig eentoonig en ledig van
+inhoud voorkwamen.
+
+--Waar blijft nu Rembha?--vroeg eindelijk de Prins,--ze zou ons
+iets nieuws komen voorzingen, een paar vertaalde stukken uit een
+oud Indisch gedicht, dat u, Siddha! zeker wel bekend zal zijn, het
+Gitagovinda, meen ik.
+
+--O ja!--antwoordde Siddha,--de pastorale van Djayadeva, waarin de
+avonturen van den God Krishna met de herderinnen en zijn
+hereeniging met de schoone Radha beschreven worden. Ik heb er zelf
+ook wel eens een vertaling van beproefd.
+
+--Nu,--hernam Selim,--laat ons dan eens luisteren! Daar komt
+Rembha al.
+
+En op de estrade vertoonde zich een donker gekleurde schoone jonge
+vrouw, in rijk doch misschien wel wat heel weelderig kostuum, en
+ving half zingend, half reciterend, onder begeleiding eener zachte
+muziek aldus aan:
+
+Nu de lieftallige atimoekta den mango doet siddren in minlijke
+boeijen, Nu ook Vrindavana's woud weer der Djamoena heldere golven
+besproeijen, Nu zich de lente aan de jeugd en de schoonheid, met
+haar tot verleiding geboren, Paart om den kluizenaar zelf in de
+rust zijner vrome overpeinzing te storen, Nu komt zich Krishna in
+'t voorjaar vermeijen, Droef voor verlaatnen alleen, en speelt
+kozend en danst met de dartlende reijen.
+
+"Donker in 't gele gewaad, ligt met sandel bestrooid en met
+ kransen omhangen,
+ De oorringen schittrend in 't licht als de dans ze beweegt om de
+ lagchende wangen,
+ Schertsend en kozend met dartel gebaar
+ Leidt Krishna ten reidans de luchtige schaar.
+
+
+ Deze, met zwellenden boezem, die digt zich daar zoekt aan zijn
+ zijde te dringen,
+ Neuriet een liefelijk lied, dat ze straks hem bij 't tokklen der
+ luit hoorde zingen.
+ De andre, wier rusteloos oog toont wat liefde en wat lust ze uit
+ zijn blik heeft gedronken,
+ Staat als verblind door den glans van zijn lotusgelaat in
+ gedachten verzonken.
+
+
+ Gene, die slanke, die haastig hem nadert, als had ze iets in 't
+ oor hem te fluistren,
+ Drukt snel een vlugtigen kus op zijn wang, als hij lagchend zich
+ buigt om te luistren.
+
+
+ Deze, door inniger hartstogt tot hem, den bekoorlijken herder
+ getrokken,
+ Wil hem, de hand aan zijn kleed, naar 't bosschaadje aan den
+ oever der Djamoena lokken.
+
+
+ Zij, die daar danst bij den klank van de fluit naar de maat der
+ zacht rinklende ringen,
+ Weet hem door 't blijk van haar kunst tot een uitroep van blijde
+ bewondring te dwingen.
+
+
+ Deze en die kussend ter vlugt, maar te vaster die innige aan 't
+ harte soms prangend,
+ Gene schalksch aanziend en deze, die tracht hem te ontsnappen,
+ met de armen omvangend,
+ Schertsend en kozend met dartel gebaar,
+ Leidt Krishna ten reidans de luchtige schaar."
+
+
+--De voordragt,--sprak Selim met reden, toen de zangeres een
+oogenblik ophield,--laat niets te wenschen over; maar wat dunkt u,
+edele Siddha! van de vertaling?
+
+--Niet kwaad!--antwoordde de ander;--de denkbeelden zijn vrij wel
+teruggegeven, al zijn de woorden ook niet overal volkomen gevolgd.
+Dat is trouwens, ik erken het, ook heel moeijelijk met deze ietwat
+gemaakte en gezochte poëzie van den lateren tijd. Maar is de
+vertaler zelf niet bekend?
+
+--Het is Feizi, met wien ik u dezen morgen zag spreken,--zei de Prins,
+even glimlagchend om de verlegenheid, die zich op Siddha's gelaat bij
+deze verklaring, in verband met zijn nog al meesterachtig oordeel,
+vertoonde.--Maar wees gerust,--vervolgde hij,--Feizi zal 't u stellig
+niet kwalijk nemen als gij zijn werk niet onvoorwaardelijk goedkeurt,
+maar u zeker voor elke teregtwijzing dankbaar zijn. Doch laat ons,
+Rembha! nog een enkel stuk hooren, en dan willen wij voor heden avond
+niet meer van u vergen.
+
+--De klagt dan--sprak de zangeres,--van de verlatene Radha tot
+hare vriendin:
+
+"Hem, die naar kussen begeerig, ginds 't landlijk vermaak zoekt
+ met speelsche vriendinnen,
+ Die ook zich harten zoo ligt door den lach der koraalroode lippen
+ kan winnen,
+ Hem, die ginds dartelt, hem blijf ik gedenken,
+ Moge ook hij spot slechts voor liefde mij schenken!
+
+
+ Hem, die met rankgelijke armen heel 't vrouwendom, kon het, zou
+ wenschen te omvangen,
+ Handen en voeten en borst met juweelen die 't duister verlichten
+ omhangen;
+
+
+ Hem, wiens met sandel omwolkt en hel stralende voorhoofd de maan
+ doet verbleeken,
+ Hem, wiens onstuimige hart te vergeefs de verloorne om genade
+ doet smeeken, Hem, die ginds dartelt, hem blijf ik gedenken,
+ Moge ook hij spot slechts voor liefde mij schenken!"
+
+
+Een kort oogenblik zweeg Rembha, en ging toen, in eenigzins
+veranderde maat, en met steeds zoetvloeijender klank harer ronde
+welluidende stem en als 't ware klimmende hartstogtelijkheid in de
+rol der minnende Radha voort:
+
+"Mij, hier verscholen in 't loof, hem, die daar sluimert in 't
+ nachtelijk duister,
+ Mij, die klagend hem zoekt, hem, die ginds praalt in zijn
+ lagchende luister,
+ Ons, ach! breng spoedig weer zamen, vriendinne!
+ Mij, dat ik ruste aan zijn hart, hem, dat hij trouw me als
+ voorheen weer beminne!
+
+
+ Mij, bij zijn naadring beschaamd, hem, die door vleitaal mijn
+ zinnen verrukte,
+ Mij, door zijn glimlach bekoord, hem, die mij strafloos den
+ sluijer ontrukte,
+
+
+ Mij, op het bed hier van mos, hem, die zich vleije als weleer aan
+ mijn zijde,
+ Mij, weer tot kozen bereid, hem, die den dronk zijner lippen mij
+ wijde,
+
+
+ Mij dan met schemerend oog, hem met van vreugde straks tintlende
+ wangen,
+ Mij met de leden zoo mat, hem, door den roes der verrukking
+ hevangen,
+ Ons, ach! breng spoedig weer zamen, vriendinne!
+ Mij, dat ik ruste aan zijn hart, hem, dat hij trouw me als
+ voorheen weer beminne!"
+
+
+Eene uitbundige toejuiching viel der schoone zangeres ten deel,
+zij het dan om den inhoud der woorden, door geen gehoor alligt
+beter begrepen dan door het hare, of wel om de uitdrukking, welke
+zij door stem en gebaren er aan te geven wist.
+
+--Dat belooft iets, niet waar?--sprak Selim,--als we nu eens aan
+de werkelijke hereeniging van Krishna en Radha komen! Maar dat een
+andermaal!--Doch zeg ons geachte Abdal Kadir!--vroeg hij,
+misschien niet geheel zonder bijoogmerk, aan dezen, die schuins
+tegenover Siddha had plaats genomen,--bevalt u die Indische
+dichtkunst toch niet wel zoo goed als de onze, ook al hebt gij,
+als elk ander goed geloovige, een afschuw van de wanbegrippen door
+het boos geslacht dezer Hindoe's verkondigd?
+
+--Met dichters,--antwoordde Abdal Kadir, ter nauwernood zijn
+inwendigen wrevel bedwingend,--heb ik over 't geheel niet veel op;
+en ook onze heilige Profeet, gezegend zijn naam! vloekte met reden
+den goddeloozen Amroel Kaïs, zoo hoog ook door anderen diens
+Moallakah mogt zijn geroemd. Maar dat nu die Hindoe's niet alleen
+zulke wulpsche verzen maken, als wij er hier vernamen, maar
+bovendien zulke wellustige wezens als die Krishna en die Radha tot
+voorwerpen van goddelijke vereering durven verheffen, dat dunkt
+mij toch wat al te grof.
+
+Juist dacht Siddha het woord te nemen om den ijveraar, zoo
+mogelijk, eens aan 't verstand te brengen, dat er nog een
+onderscheid is tusschen mythologie en godsdienst, tusschen poëzie
+en geloof, toen Selim te regter tijd verdere woordenwisseling
+verhinderde door uit te roepen:
+
+--Geen theologie, mijne heeren! wat ik u verzoeken mag! Laten wij
+dat over aan mijn hooggeachten vader, die, naar ik vernam, op dit
+oogenblik met den geleerden Feizi, en mogelijk nog anderen, aan 't
+philosopheren moet zijn. Wij voor ons, meerendeels jongeren van
+jaren, kwamen hier bijeen om vrolijk den avond met elkaar door te
+brengen. Welaan dan, gij zangers en speellieden ginds! Een
+drinklied nu, en een levendig ook, om ons weer in den goeden toon
+te brengen! En laat stroomen den wijn, die ons 't hart verheugt;
+en zoo gij, edele Abdal Kadir! het wraken mogt, bedenk dan tevens
+dat een dichter, dien onze groote Profeet toch niet vloekte en die
+geëerd bleef onder de onzen, dat Tharafa reeds zong:
+
+"En komt ge tot het drinkgelag,
+ Ik doe u gaarn den ganschen dag
+ Een trouw en kloek bescheid.
+
+
+ Den beker vindt des morgens gij
+ Ten boord gevuld reeds staan;
+ Is 't u genoeg, straks vangen wij* Met frisschen moed weer aan!"
+
+
+En waarom zouden we dat goede voorbeeld dan niet volgen?
+
+De knorrige Mohammedaan bromde nog wel iets achter zijn baard,
+maar hij begreep dat tegenspraak hier onvoorzigtig zijn zou, daar
+hij Selim,--en deze wist dat ook wel,--als bondgenoot tegen
+Akbar's geloofsverzaking van noode had. Hij zweeg dus, en
+eindigde, om zijn leed te verzetten, met zelf dapper mee te
+drinken, wat de Profeet er dan ook van gezegd mogt hebben.
+
+De overige genooden lieten zich trouwens ook niet onbetuigd en
+menigmaal werden de drinkschalen even snel geledigd als gevuld,
+terwijl ook de zangeressen en bayadéres op een wenk van Selim zich
+onder de gasten mengden en hier en daar op de divans nevens hen
+plaats namen.
+
+Met de schoone Rembha, die ergens in zijn nabijheid teregt kwam
+had Siddha al spoedig een gesprek aangeknoopt; en weldra bleek hem
+dat zij niet alleen een vrij beschaafde en ontwikkelde vrouw, maar
+ook een zeer goedhartig wezen was, toen zij met medelijden van de
+ongelukkige danseressen sprak, die, al waren ze geen eigenlijke
+slavinnen, toch meerendeels door hare ouders op zeer vroegen
+leeftijd reeds aan den meestbiedende waren verkocht en nu, door
+den een aan den ander als een soort van koopwaar overgedaan, een
+leven leidden, niet voel beter dan dat der wezenlijke slaverij.
+
+--'t Is mij,--zeide zij openhartig genoeg,--in den beginne ook zoo
+gegaan; maar gelukkig had ik wat aanleg tot den zang, en een
+mijner begunstigers liet mij daarom een redehijke opvoeding geven,
+zoodat ik nu voor mijzelve kan zorgen, en des noods van mijne
+kunst alleen kan bestaan. En als ik,--voegde zij lagchend er bij,
+--als ik oud en leelijk ben geworden, dan....
+
+--Ja dan!--kon Siddha niet nalaten met een gevoel van medelijden
+uit te roepen.
+
+--Och neen!--hernam Rembha,--ik begrijp wel wat gij bedoelt; maar
+gij vergist u. Als ik dan oud en leelijk word, dan behoef ik mij
+nog in 't geheel niet te verlagen als zoovele om anderen aan
+avonturen te helpen, maar dan vind ik ligt genoeg, daar ik eene
+Indische van goede kaste ben, eene gelegenheid om hier of daar in
+een tempel het toezigt te krijgen over de zangeressen en
+dansmeisjes, die de priesters voor hun ceremoniën er op na houden.
+
+Een wat meer luidruchtige muziek dan tot heden brak het gesprek
+voor 't oogenblik af, en toen het weer stil werd, mengden andere
+gasten en andere vrouwen zich in het onderhoud. Ook werden nu de
+gesprekken al meer en meer los van aard, en menige uitdrukking
+trof Siddha's oor, die hem tot heden onbekend was, maar waarvan
+hij de juist niet bijzonder kiesche beteekenis al spoedig genoeg
+begreep. Langzamerhand begon er ook vrij wat van het dekorum
+verloren te gaan, dat tot nog toe was in acht genomen. Hier en
+daar lag reeds een feestvierende achterover met de ledige schaal
+in de hand en volslagen onbewust van 't geen er om hem heen
+gebeurde; en op de divans zag men menige groep, wier houding alles
+behalve van eerbied getuigde voor de hooge tegenwoordigheid in
+welke men zich bevond. Maar al lang zag de Prins zelf niet meer
+naar de anderen om. In achtelooze houding lag hij tusschen twee
+nevens hem gezeten danseressen, waarvan de eene met de greep van
+zijn dolk speelde, terwijl de andere aan zijn juweelen armbanden
+trok. Een daarvan, dien hij loshaakte, wierp hij deze in den
+schoot en gene wierp hij een paar kostbare paarlen toe, die hij
+van zijn kleed rukte; daarna hief hij de drinkschaal weer op om ze
+te laten vullen, en die geledigd hebbend, zonk hij met beneveld
+oog in zijne kussens terug. En de gesprekken, zoo de verwarde,
+elkaar kruisende uitroepingen dien naam nog verdienden, werden al
+luider en luider, en de muziek bleef spelen, en de wijn bleef
+stroomen, tot eindelijk ook onze Siddha, door het rumoer en de
+bloemengeuren en zeer zeker niet het minst door den wijn zelf
+bedwelmd, al minder en minder van 't geen hem omringde begon op te
+merken.
+
+Een krachtige hand, die eensklaps op zijn schouder werd gelegd,
+schudde hem voor 't oogenblik wakker uit zijne verdooving. Het was
+die van Salhana, die hem ongemerkt genaderd was.
+
+--Komaan!--sprak deze,--'t wordt tijd voor ons om te vertrekken.
+Er gebeuren bij gelegenheden als deze wel eens gevaarlijke dingen
+als er soms de eene of andere twist ontstaat, en men weet dan
+nooit waar men in gemengd kan worden.
+
+--Ja, maar--vroeg Siddha met een weifelende uitspraak,--kunnen
+wij zoo maar heengaan, eer de Prins het teeken van scheiden geeft?
+
+--De Prins!--zei Salhana nog al verachtelijk,--zie maar eens of
+hij er naar vragen zal of wij heengaan of niet!--En daarbij wees
+hij naar Selim, die daar achterover lag op den divan met de oogen
+gesloten en den arm afhangend over het kussen; terwijl de pas weer
+gevulde schaal, aan zijne hand ontvallend, over het kostbaar
+tapijt op den grond was gerold. Maar hoe ook Siddha zijn best
+deed, hij ontwaarde geen Selim meer, of zoo hij nog iets zag dan
+waren 't er twee; en gewillig liet hij zich nu buiten de zaal
+leiden door zijn oom, die hem stevig onder den arm greep, op het
+voorplein in een anders voor hemzelven bestemden palankijn deed
+plaats nemen, en toen, na een woord aan de dragers, schoon hij
+stellig niet minder gedronken had dan zijn neef, met vasten stap
+zich huiswaarts begaf.
+
+Op zijn weg door een der nauwere straten ontwaarde hij onder de
+luifel van een huis eene lange magere gedaante, die, voorzigtig
+rondziende, hare schuilplaats verliet, en in welke hij spoedig
+Gorakh, den Yogi, herkende.
+
+--Alles wel?--vroeg deze.
+
+--Heel best!--was het antwoord,--onze zaken vorderen. Iets
+bepaalds kan ik u echter nog niet meedeelen, maar zoodra ik wat
+anders weet, en in elk geval, zoodra wij uwe hulp of die uwer
+getrouwen van noode hebben, zal ik u doen waarschuwen.
+
+--En onze jonge gek? Houd hem in 't oog! Ik geloof dat hij iets
+van onze verstandhouding vermoedt. Dat maakt echter niets uit, als
+hij maar eerst binnen is. Maar daarom, zeg mij, is de vogel al in
+de knip?
+
+--Nog niet,--antwoordde Salhana,--maar heel lang zal dat wel niet
+duren.
+
+Gorakh lagchte, en de beide mannen gingen langs tegenovergestelde
+kanten ieder huns weegs.
+
+
+
+ZEVENDE HOOFDSTUK.
+
+Stille zamenkomsten
+
+Feizi had zich niet van een voorwendsel bediend, toen hij de
+uitnoodiging van den Kroonprins afsloeg. Omstreeks denzelfden
+tijd, waarop Selim zijne gasten zag vergaderen, wachtte hij met
+den Keizer in diens binnenvertrekken een genoode van gansch
+anderen aard.
+
+Voorafgegaan door een dienaar, die na de aanmelding terstond weer
+verdween, trad daar weldra een man binnen, aan wiens gewaad ieder
+Westerling terstond den Roomsch-Katholieken geestelijke herkend
+zou hebben. Het was dan ook de Padre Rodolpho Aquaviva, hoofd van
+de toenmalige Jezuïeten-missie, uit Goa door den Vader Provinciaal
+naar het hof van Agra afgevaardigd.
+
+--Ik heet u welkom, Eerwaarde Vader!--sprak Akbar, zijn groet
+beantwoordend,--welkom in den naam van dat Hoogste Wezen, dat wij
+beiden gelijkelijk, schoon op verschillende wijzen vereeren!--Ik
+wil hopen,--voegde hij vragend er bij,--dat de reis u niet al te
+zeer zal hebben vermoeid?
+
+--Ik ben Uwe Majesteit dankbaar voor die belangstelling,--
+antwoordde Aquaviva;--gelukkig hebben wij den togt zonder
+ongevallen kunnen volbrengen, hoewel mijne gezondheid anders veel
+te wenschen overlaat. Maar de nietige mensch behoort te dragen wat
+de Heer over hem beschikt.
+
+--Dat zeg ik met u!--hernam Akbar;--maar ik heb u ook nog te
+bedanken voor de boekwerken, die gij sinds uwe afwezigheid de
+goedheid gehad hebt mij te doen toekomen, uwe Evangeli*n en
+andere schriften. Mijn vriend Feizi hier, dien gij van vroeger u
+nog wel zult herinneren, heeft ze grootendeels voor mij vertaald;
+en ik verzeker u, dat wij te zamen en met Aboel Fazl er trouw in
+gelezen hebben.
+
+--En,--vroeg de Padre, nauwlettend het gelaat van den Keizer
+bespiedend,--mogen wij ook hopen dat het gestrooide zaad in goede
+aarde is gevallen?
+
+--Ik geloof ja!--antwoordde Akbar;--ik stel verscheidene van uw heilige
+boeken bijzonder hoog, nu ik daarmede eens nader heb kennis gemaakt.
+Wat schoone en verhevene waarheden zijn er niet in vervat! En dan, nevens
+die hoogere, meer het onzienlijke betreffende begrippen, die ook in de
+leer van den Islam niet gansch ontbreken, welk eene edele en reine
+opvatting van zelfverloochening en zelfopoffering, en bovenal welk een
+zuiver, aan den Koran doorgaans geheel vreemd begrip van menschenliefde
+en humaniteit! Dat ik uw Christendom alzoo ver boven het Mohammedanisme
+stel, behoef ik u wel niet nader te verzekeren.
+
+--De Heere zij geloofd!--sprak de Jezuïet met ten hemel geslagen
+geslagen oog en de handen zamenvouwend;--ziedaar de regte weg!
+Eerst de dwaling wel begrepen door vergelijking met de waarheid;
+dan is het gemoed ook ontvankelijk voor deze. En hoe zou het
+trouwens ook mogelijk zijn dat een man als Akbar, niet enkel een
+grootmagtig Vorst, maar, wat meer nog zegt, een zoo wijs en
+geleerd man bovendien, de waarheid niet van den logen zou weten te
+onderscheiden?
+
+--Ik ben u verpligt voor die welwillende beoordeeling,--zei
+Akbar,--maar ik vrees, dat ik alligt weer in uwe achting zal
+dalen, indien ik aan mijne woorden van zooeven nog iets toevoeg.
+En dat moet ik toch, wil ik opregt jegens u handelen. Ik gaf u
+mijne warme bewondering te kennen voor veel wat er in uwe heilige
+schriften wordt aangetroffen; maar dat belet niet dat ik nog een
+open oog wensch te houden voor 't geen er goeds en schoons ook in
+andere godsdiensten te vinden is. Daar hebt gij bijvoorbeeld
+enkele der hier nog bestaande, de oorspronkelijk Indische.
+
+--Hoe, wat?--kon Aquaviva zich niet weerhouden in de grootste
+ontsteltenis uit te roepen,--die gruwelijke afgoderijen!
+
+--Ik erken,--hernam Akbar bedaard,--dat er bij zijn, waarop die
+benaming wel toepasselijk is. Maar dat is toch lang niet met alle
+het geval. Niet waar, Feizi?
+
+--Zeer zeker niet!--antwoordde deze,--en niemand weet dat beter
+dan mijn Keizer zelf; en hij zal u, Eerwaarde Vader! even als ik
+kunnen betuigen, dat er onder die godsdiensten zelfs meer dan een
+wordt gevonden, die, wat de evengenoemde punten betreft niet voor
+de uwe, voor het Christendom behoeft onder te doen.
+
+--Onmogelijk!--zei Aquaviva met vaste stem.
+
+--En waarom onmogelijk?--vroeg Feizi glimlagchend,--kent gij dan
+wezenlijk al die stelsels zoo nauwkeurig?
+
+--Ik ken ze niet anders,--hernam de Padre,--dan uit hetgeen ik
+hier er nu en dan van zie. Maar ik begeer en ik behoef ze ook niet
+nader te kennen. Waartoe zou het dienen? Er kan toch maar ééne
+waarheid zijn.
+
+--Dat spreekt wel van zelf,--viel hier Akbar in,--maar de vraag is
+juist, wat waarheid is, en bij wie ze gevonden wordt; of ze enkel
+gevonden wordt in één leerstelsel, dan wel in meer dan één
+verspreid. Nu zult ge mij natuurlijk antwoorden, dat niemand
+anders in het bezit der waarheid is dan gijlieden; maar dan vraag
+ik wederom: waaruit blijkt dat?
+
+--Wel,--hernam Aquaviva,--de waarheid is ons immers geopenbaard
+door Jezus Christus, den Zoon van God.
+
+--Zoo zegt gij!--was het antwoord; maar nu zegt mijn vriend Abdal
+Kadir, de Islamiet, dat ze hem is geopenbaard door Mohammed, den
+grooten Profeet. En dat uw Christus werkelijk Gods Zoon was, zoudt
+gij toch eerst dienen te bewijzen, eer ge op hemzelf als zoodanig
+u beroepen kunt.
+
+--Zoo zeggen ook,--voegde Feizi er nog bij,--onze Vishnoeïeten
+hier, dat de waarheid hun niet alleen door wijze en heilige mannen
+is bekend geworden, maar ook geopenbaard in verschillende
+incarnatiën der Godheid.
+
+--Maar het gezag der Alleenzaligmakende kerk dan, en dat van den
+Bijbel, Gods woord!--hernam de Jezuïet.
+
+--Dat staat weer gelijk,--antwoordde Akbar,--met het gezag van den
+Koran, de khaliefen en de oelema's. En met de autoriteit van de
+kanonieke boeken en de leeraren der Vishnoeïeten bijvoorbeeld,
+waarvan Feizi zooeven sprak.
+
+--Maar dan toch het vast geloof! Zegt dat niets?
+
+--Ook al weer bij allen van gelijke kracht.
+
+--Het Christendom is in elk geval veel ouder dan de Islam.
+
+--Ja, maar lang zoo oud niet als de Veda, op welks gezag de
+zooeven genoemde godsdienstleer meerendeels steunt. En ook het
+Boeddhisme is ouder dan het Christendom. En, terwijl het daarmede,
+als trouwens ook andere Indische leeringen, overeenstemt wat echt
+humanitaire begrippen aangaat, en op merkwaardige wijze ook vele
+kerkelijke gebruiken met u gemeen heeft, het wint het, dunkt mij,
+van uwe leer in geest van verdraagzaamheid.
+
+--Wij komen op die wijze niet veel verder,--merkte de Padre,
+ondanks al zijn ontzag voor den Keizer als zoodanig, een weinig
+gemelijk aan.
+
+--Neen, dat geloof ik óók niet, waarde Heer!--zei Akbar met een
+ligten glimlach;--doch beter zou het misschien gaan, zooal niet
+volkomen in overeenstemming met uw bijzonder doel, indien gij van
+de hier nog heerschende rigtingen eens wat nader kennis wildet
+nemen, en u daaromtrent dezelfde moeite getroosten, welke wij ons
+niet ontzagen wat de godsdienst uwer landstreken betreft. Wij
+konden dan ten minste die verschillende leeringen eens zamen
+vergelijken, om dan ten slotte wel tot eene overtuiging omtrent
+hare wederzijdsche inwendige waarde te geraken.
+
+--Maar daarvoor ben ik hier niet gekomen,--hervatte de
+Heidenapostel,--ik ben gezonden om het Evangelie te prediken en
+zielen te redden van het verderf!
+
+--Welnu!--sprak Akbar op zijn gewonen kalmen toon,--ik wensch u
+een goeden uitslag. Maar ik twijfel of gij veel zult vorderen,
+indien gij anderen eenvoudig zoekt op te dringen wat gijzelf voor
+waar houdt, zonder te doorgronden of zelfs na te vragen wat zij
+van hun kant gewoon zijn als waarheid te erkennen.
+
+--Toch vertrouw ik,--sprak Aquaviva weder, door al die formele
+bezwaren nog niet afgeschrikt,--op de onweerstaanbare overtuigingskracht,
+welke alleen ons geloof bezit en waarvoor in 't eind ook het meest
+verstokte hart moet zwichten, zij het dan van afgodendienaar of van
+ongodist.
+
+--Gij bedoelt den inhoud van uw geloof, niet waar?
+
+--Ongetwijfeld!
+
+--Nu, voor zoover die inhoud zich inderdaad van de leeringen der
+overige belijdenissen, die we zooeven noemden, onderscheidt, zou
+ik al zeer weinig geneigd zijn, uw onbepaald vertrouwen, zoozeer
+ik 't anders ook eerbiedig, te deelen. En in zoover diezelfde
+inhoud met dien van anderen overeenstemt, is er geen strijd en
+komt uw bekeeringswerk dus ook niet te pas. Wat dunkt u, vriend
+Feizi! is het niet zoo? Gij zijt een man van bedaard verstand, en
+niet zulk een idealist, zoo als ik, even als onze eerwaarde
+Aquaviva, mij wel eens betoon. Wij hebben dus prijs te stellen op
+uw oordeel.
+
+Of de eerwaarde Aquaviva het hiermede geheel eens was, mogt
+onzeker heeten; maar in elk geval diende hij Feizi wel aan het
+woord te laten, toen deze begon:
+
+--Ik geloof niet, Sire! dat Uwe Majesteit eene bevestiging Harer
+woorden mijnerzijds behoeft. Maar den Padre moet ik eveneens de
+verzekering geven, al beneemt ze hem een zijner meest dierbare
+illusiën, dat die bijzondere leerbegrippen, die uitsluitend aan
+zijne geloofsbelijdenis eigen zijn, ook al maakt hij enkele
+bekeerlingen, toch nooit wortel zullen schieten in dit land, noch
+onder Mohammedanen, noch onder hen, die hij gewoon is met den naam
+van Heidenen te bestempelen. Genen, boven alles aan hun dogma van
+God's onverbreekbare en ononderscheiden eenheid gehecht, kunnen
+nooit vrede hebben met zijn leerstelling omtrent de Drieëenheid,
+of de drie personen in de Godheid; dezen, voor wie die leer
+misschien minder onaanneemlijk mogt schijnen, in zoover ze toch
+reeds gewoon zijn het ééne Wezen onder meer dan één vorm te
+vereeren, zullen daarentegen onvermijdelijk op bezwaren stuiten
+van nog gansch anderen aard. Zij zullen bijvoorbeeld, om er nu
+slechts één te noemen, u, Eerwaarde Vader! nooit toegeven, dat God
+den mensch geschapen heeft juist om hem te doen vallen en daarna,
+ten einde hem weer te redden, zichzelf in zijn eigen zoon ten
+offer heeft gebragt; of, van den anderen kant, hem scheppend zoo
+als hij hem schiep, niet zou geweten hebben dat hij vallen moest
+en er alzoo tot dat zonderlinge evengenoemd redmiddel moest worden
+overgegaan om de goddelijke regtvaardigheid weer met de goddelijke
+liefde in overeenstemming te brengen. Zij zullen, houd het mij ten
+goede, zoodanige voorstelling eenvoudig onzinnig achten, en dus
+ook niet geneigd zijn, hunne voorvaderlijke, veel eenvoudiger en
+redelijker begrippen voor zoo iets vaarwel te zeggen. Laat gij
+daarentegen uw strengere leer omtrent zondeval en verzoening
+nevens vele dergelijke, maar waarvan ik nu niet wil spreken,
+wederom los, en verkondigt gij anders niet dan uw Christelijke
+moraal en uwe begrippen van algemeen-menschelijkheid en
+verloochening der zelfzucht en opofferende menschenliefde, dan
+leert gij niets nieuws en uwe prediking wordt, voor 't minst
+genomen, vrij overtollig.
+
+--Maar wij laten niets los!--viel Aquaviva uit;--wat wij
+verkondigen, zullen wij volhouden, omdat het de waarheid is, en de
+eenige waarheid die de verdorven menschheid kan redden en
+verdoolde zielen behoeden voor de eeuwige straffen der hel; en
+daarom staan wij dan ook bereid, hier als elders, ons kruis op ons
+te nemen en smaadheid te lijden om Jesu Christi wille, en, moet
+het zijn, ook den marteldood, als Hijzelf en zoovelen Zijner
+Heiligen na Hem, te ondergaan!
+
+--Maar daarvan, mijn waarde Heer!--sprak nu Akbar, terwijl hij
+zijn hand op den arm van den verbolgen en in geestdrift ontstoken
+ijveraar legde,--daarvan kan hier immers, zoolang ik Hindostan
+beheersch, in 't allerminst geen sprake zijn. Smaad ook hebt gij,
+voor zoover ik weet, nooit onder mijne regering ondervonden; wel,
+zoo ik meen, hooge eer, een eer zelfs u door zeer velen benijd; en
+daarbij geniet gij de meest mogelijke vrijheid om uwe gevoelens te
+verkondigen waar en aan wie ge maar wilt. Doch wij spraken,
+bedrieg ik mij niet, over uw kansen om anderen in dit land tot de
+belijdenis uwer bijzondere godsdienstige begrippen over te halen.
+En deze, ik moet het wel met Feizi erkennen, deze schijnen mij
+vooralsnog uiterst gering.
+
+--Doch,--waagde Aquaviva op te merken,--als Uwe Majesteit nu eens
+het voorbeeld gaf?
+
+--Dan zou ik toch zelf wel eerst overtuigd moeten zijn!--
+antwoordde Akbar;--of zoudt gij willen, dat ik iets met den mond
+ging belijden wat mijn hart bleef verloochenen?
+
+--Zeer zeker,--hernam de ander,--ware zoo iets een ongerijmde
+eisch. En ik mag er dan vooreerst ook niet meer op aandringen.
+Maar ik had zoo gehoopt, zoo vertrouwd, dat de lezing der Schrift
+reeds het edel gemoed van Hindostan's wijzen beheerscher
+ontvankelijk zou hebben gemaakt voor dat éénig geloof, dat alléén
+in staat is zijne ziel, als de onze, te behouden voor het eeuwig
+en anders onvermijdelijk verderf! En nu zie ik mij niettemin in
+die zoo dierbare verwachting weer teleurgesteld. Is het dan niet
+te vergeven als ik mij zoo aanstonds in wat sterke bewoordingen
+uitdrukte?
+
+--Gij hebt geen vergiffenis van noode, mijn waardige vriend!--
+antwoordde Akbar;--ik kan mij uw ijver volkomen voorstellen. Maar
+ik heb immers ook niet gezegd, dat ik volstrekt niet naar u
+luisteren wil. Integendeel! ik schenk u steeds gaarne de
+gelegenheid om, kunt ge, mij te overreden. Doch laat ons voor 't
+oogenblik afbreken, en ons onderhoud van heden avond enkel als een
+voorloopig beschouwen! We spraken ditmaal ook over wat veel
+onderwerpen te gelijk, een andermaal willen we wat beter bij een
+bepaald punt blijven staan, en wie weet, hoever uw geleerdheid en
+welsprekendheid het dan nog met mij brengt!
+
+Of de Keizer bepaald ernstig sprak, dan of zekere ironie zich
+mengde onder zijne woorden, schoon in zijn stem of gebaren daarvan
+niets merkbaar was, had de Jezuïet moeilijk kunnen beslissen. Wat
+er evenwel van ware, de wenk dat het onderhoud voor heden was
+afgeloopen kon hem niet onduidelijk zijn; en, den Keizer dank
+zeggend voor de op nieuw hem bewezen eer, verliet hij met
+eerbiedigen groet het vertrek.
+
+--Allen toch dezelfden!--sprak Akbar tot Feizi, toen de ander hem
+verlaten had;--of gij nu Abdal Kadir of Aquaviva hoort, 't is
+altijd weer gezag, geloof, openbaring, maar geen sprake van rede
+en verstand, en van gronden aan wetenschap en ervaring ontleend.
+Toch onderhoude ik mij gaarne met die dweepers. De verschillende
+wijze waarop de menschen zich hunne betrekking tot den oneindigen
+grond van het Al voorstellen, is meerendeels wel uit boeken te
+ontdekken; maar het levend woord van de belijders zelven der
+onderscheiden gezindheden leert ons menigmaal toch nog meer.
+
+--Ongetwijfeld!--antwoordde Feizi;--maar wat nu dat voortdurend
+beroep op gezag en openbaring aangaat, is het niet natuurlijk en
+onvermijdelijk bij allen, die, niet te vrede met hetgeen rede en
+ervaring ons leeren, de oplossing der wereldraadsels in
+voortbrengselen van hun eigen verbeelding zoeken? Toont men hun nu
+de ongegrondheid of ook de onzinnigheid van vele dier voorstellingen,
+dan rest hun niet anders dan zich te beroepen op het gezag eener
+openbaring, die hen of hun voorgangers met hunne ingebeelde waarheden
+moet hebben bekend gemaakt. Doch, zonderling voorwaar! dat de
+tegenspraak hen zoo zelden tot eigen onderzoek en rustige beoordeeling
+hunner opgeschroefde leeringen voert. Konden ze daartoe besluiten, ze
+zouden spoedig genoeg de ijlheid dier theoriën leeren inzien. Hoog en
+trotsch inderdaad verheffen zich de pijlers en tinnen hunner tempels
+tot in de wolken; maar onderzoek de grondvesten, en gij ontdekt aldra,
+dat ze staan te waggelen op het stuifzand der phantasie.
+
+Niet aanstonds sprak Akbar, toen Feizi zweeg. Eenige oogenblikken
+dacht hij na, en zeide toen:
+
+--Ik geloof dat gij gelijk hebt, Feizi! Maar toch, ik betrap mij
+zelf wel eens op iets diergelijks als gij dien lieden verwijt, ook
+al erken ik in 't eind weer geen ander gezag dan onze eigene rede.
+En of ons nu, in oogenblikken van geestvervoering, de dichterlijke
+verbeelding niet soms tot de ontdekking van waarheden kon leiden,
+die wij later door de uitkomsten der wetenschap mogten bevestigd
+zien? Doch daarover nader! Wij hebben thans nog andere zaken te
+bespreken; en straks komt Aboel Fazl, om ons, naar ik verwacht,
+eenige niet onbelangrijke mededeelingen te doen.
+
+In een ander gedeelte van Agra had, een avond later, mede eene
+zamenkomst plaats, maar die overigens met de zoo aanstonds
+beschrevene niets anders gemeen had dan dat ze eveneens eene
+heimelijke, voor onbescheiden oogen en ooren wél verborgene was.
+
+Reeds meer dan eens had Siddha in de dagen die onmiddelijk op zijn
+eerste bezoek bij Rezia volgden, naar de dienares omgezien, die
+hem toenmaals naar hare woning had geleid. Ten laatste had hij de
+vertrouwde nogmaals in den omtrek der Keizerlijke tuinen ontmoet,
+en van haar op nieuw eene uitnoodiging van hare meesteres
+ontvangen, waaraan hij ook wederom zich gehaast had te voldoen.
+Sinds dien tijd herhaalden zich telkens die bezoeken en volgden al
+sneller en sneller op elkaar, totdat eindelijk de dag aan Siddha
+ledig scheen, waarop hij niet nevens Rezia aan de veranda was
+gezeten geweest. Wat ook Agra schoons en aangenaams bieden mogt,
+hoezeer hem ook de meer dan eens reeds gebleken gunst van Aboel
+Fazl en later ook die des Keizers verblijdde, en hoeveel wezenlijk
+genoegen hij ook in zijne gesprekken met Feizi smaakte, wiens
+woning voor hem openstond en die hem wezenlijk als een vertrouwd
+vriend behandelde, of zoo goed hij zich ook vermaakte met den
+jongeren Parviz en zijne levenslustige kameraden, toch was er
+niets wat zoo onweerstaanbaar hem trok als het stille paviljoen
+der bevallige Armenische. Dat het beeld van Iravati daarbij meer
+en meer op den achtergrond geraakte, was zeker niet vreemd, en
+evenmin dat Rezia voor hem al spoedig iets meer dan eene aangename
+en onderhoudende kennis werd, terwijl zijzelve ook gansch niet
+ongevoelig voor de onverholen hulde van den jongen edelman scheen.
+Wel had eensklaps een gevoel van schrik zich van hem meester
+gemaakt toen hij tot het vol bewustzijn kwam, dat zij hem niet
+enkel dierbaar was geworden als eene lieve vriendin, maar dat hij
+met een hartstogt haar beminde geljk hij dien tot heden nog nooit
+had gekend; doch al vrij spoedig ook was hij aan die gedachte
+gewoon, en geen andere heheerschte ten slotte zijn gemoed dan de
+voortaan door niets meer te beteugelen begeerte om haar de zijne
+te mogen noemen en zijne liefde door haar beantwoord te zien.
+
+Op den bewusten avond dan had nogmaals Siddha nevens zijne
+verleidelijke gastvrouw op den divan plaats genomen, waarvoor nu
+een kleine en lage, sierlijk gebeeldhouwde tafel met frissche
+vruchten en gouden, met tintelenden wijn gevulde drinkschalen was
+gesteld. En verlokkender scheen zij in dit oogenblik hem dan ooit,
+en weelderiger hare schoone bevallige vormen, en dieper van
+uitdrukking de blik harer zachte blauwe oogen, die nu eens met
+weeke teederheid, dan weer met onbeschrijfelijken gloed naar hem
+opzagen om haastig straks in de schaduw der donkere wimpers weer
+schuil te gaan. En liefelijke geuren van rozen en jasmijn stegen
+er op uit den bloemenhof en een heldere maan wierp hare stralen
+als getemperd daglicht op het balkon en in het vertrek, en
+overtoog met hellen zilverglans de boomgroepen en fonteinen daar
+omlaag.
+
+--Siddha!--sprak Rezia eensklaps ernstig na eenig meer
+onverschillig en schertsend onderhoud,--gij hebt mij voorheen
+reeds een dienst bewezen door mijn brief veilig naar Kaçmir te
+doen overbrengen; zou ik nu nog een tweede van u mogen vergen,
+maar die, ik zeg het u vooruit, van vrij wat meer beteekenis ook
+voor uzelf kan zijn?
+
+--Gebied, en ik gehoorzaam!--antwoordde Siddha zonder weifelen;--
+wat het ook zijn mag wat gij verlangt, wees overtuigd, en gij weet
+hoezeer 't mij ernst is, ik zal trachten het te volbrengen.
+
+--Voorzigtig, mijn vriend!--hernam Rezia, den wijsvinger schalks
+omhoog heffend;--gij verbindt u reeds alvorens te weten wat ik u
+van zou kunnen vergen? Dat komt omdat gij, in uw wezenlijk
+aanzienlijken rang, en verzekerd van uw benijdenswaardige stelling
+ten hove, eigenlijk wat laag neerziet op een eenvoudige vrouw
+zooals ik, en dus meent al heel gemakkelijk eene of andere mijner
+grillen te kunnen bevredigen. Maar dat kon u toch wel eens
+tegenvallen.
+
+--Ik zweer u,--was het nog al driftig antwoord,--zoo iets kwam in
+de verte zelfs niet bij mij op. Nogmaals dan: eisch wat gij wilt,
+en ik gehoorzaam uw bevel!
+
+--Nu dan,--hervatte Rezia, terwijl zij nog ietwat vertrouwelijker
+naar de zijde van haar thans wel verklaarden aanbidder neigde,--
+wat ik te verlangen zou hebben is, wél bezien, eigenlijk evenzeer
+in uw belang als in het mijne. Gij verbeeldt u alligt dat ik, zoo
+stil en eenzaam hier levend, niets weet van 't geen er omgaat in
+de paleizen van Agra en in 's Keizers raad verhandeld wordt.
+Toevallige betrekking met enkele personen, die goed op de hoogte
+zijn, stelt mij evenwel in de gelegenheid er iets meer van te
+weten dan gij waarschijnlijk vermoedt. Iets meer ook misschien dan
+uzelf bekend is, en u toch in uw eigen belang, althans in dat van
+uw land en uw geslacht, bekend behoorde te zijn.
+
+--Ik geloof,--sprak Siddha,--dat ik u reeds begrijp. Gij bedoelt
+zekere plannen die tegen de onafhankelijkheid van Kaçmir gesmeed
+konden worden, indien de aldaar weer aangevangen binnenlandsche
+twisten ze soms voor uitvoering vatbaar mogten maken.
+
+--Volkomen juist!--was het antwoord,--maar wat gij toch niet
+schijnt te weten is, dat diezelfde plannen al vrij wel gerijpt
+zijn, dat de Keizerlijke legermagt tot den inval gereed wordt
+gemaakt, en--dat gijzelf met de uwen bestemd zijt om tot hulp te
+dienen tegen uw land en volk, door middel van uw invloed op de
+trouw aan u gehechte Radjpoet's en van uw welklinkenden naam in
+Kaçmir zelf; altijd, wel te verstaan, indien gij blindelings
+blijft gehoorzamen aan 't geen u door Akbar of van zijnentwege
+geboden wordt.
+
+--Maar, lieve Rezia!--vroeg Siddha met een flauwe poging om onder
+schijnbaar luchthartigen toon de onrust te verbergen, die zich van
+hem meester maakte,--al mogt dat alles nu zoo zijn, wat is het u?
+En wat kan u bewegen mij daarover in dit oogenblik te onderhouden?
+
+--Mijn wezenlijk eigenbelang, maar tevens ook belangstelling in
+het uwe, mijn vriend! Ik sprak u vroeger van een vriendin, gelijk
+gij u zult herinneren, die hier aan zekere vervolging zou zijn
+blootgesteld. Maar, nu oprecht gesproken, ik misleidde u! Niet die
+vriendin gold het, maar mijzelve. Die echtgenoot, aan wien een
+wreed bevel mijns vaders mij eenmaal kluisterde, en wiens tirannie
+ik verfoei, keert werkelijk spoedig terug. Hem te ontvlugten, vrij
+te zijn, eenmaal in veiligheid mij te kunnen verbinden met dengene
+die later welligt de man mijner keuze zijn zal, blijft mijn doel.
+En om dat te bereiken, zocht ik Kaçmir als toevlugtsoord en
+knoopte er verbindingen met enkele uwer vrienden aan. Maar wordt
+nu ook dat land aan Akbar's vér strekkende magt onderworpen, dan
+ontgaat mij ook weer die mogelijkheid en weet ik niet waarheen
+voortaan mij te wenden. Spoedig zie ik mij dan weder in de magt
+van den man, die te beschikken heeft over mijn lot, en--met onze
+genoegelijke en vrolijke zamenkomsten is het uit mijn vriend! en
+Rezia heeft opgehouden voor u te bestaan, even als gij--'t werd
+met een ligte zucht er aan toegevoegd,--ook voor haar!
+
+--Dat niet!--riep Siddha hartstogtelijk uit,--dat zal niet
+gebeuren! Maar wat wilt gij dan? Wat middel weet gij? Wat eischt
+ge van mij?
+
+--Anders niet--antwoordde Rezia bedaard,--dan dat ge u niet tot
+werktuig laat gebruiken tegen uw eigen land, tegen uzelf, tegen
+mij! Blijf uw dapperen aanvoeren als tot heden, maar leid ze, den
+beslissenden dag, niet op tegen ons, en weet hen, als het
+oogenblik zal gekomen zijn, op geschikte wijze te doen overgaan
+tot diegenen der onzen, voor wie ze steeds bij alle uiterlijk
+vertoon van trouw en onderdanigheid aan den Keizer, uit den aard
+van hun stam en oud-adelijke geslachten een geheime neiging
+hebben. Dan zal een magtige partij in Kaçmir zelf u bijvallen, u
+steunen door haar invloed, u verheffen tot de hoogste eer; en dan
+zult gij in 't eind, ook al is dat nu van minder belang, een
+veilige wijkplaats hebben bereid aan mij arme, die ten allen tijde
+u dankbaar zal blijven voor de bescherming haar verleend!
+
+--Maar,--stamelde Siddha, bij al die plannen en vooruitzigten nauw
+meer den draad zijner eigene gedachten vattend,--dat is toch
+verraad, en verraad van de ergste soort jegens den Keizer, die mij
+vertrouwt!
+
+--Zeer zeker verraad!--antwoordde Rezia met een minachtenden
+lach,--de Keizer heeft natuurlijk volkomen regt, u als werktuig te
+gebruiken tegen uw eigen land en volk, onder den schijn van u
+gunsten te willen bewijzen; maar gij, gij mist het regt, hem te
+betalen met gelijke munt! Nu, daarvoor zijt ge dan ook onderdaan,
+of--slaaf! Doch handel zooals gij verkiest! Uwe betuiging van daar
+straks, dat gij alles zoudt willen doen wat ik vroeg, blijkt mij
+nu eene ijdele pligtpleging te zijn geweest, zooals men die wel
+eens meer jegens onnoozele vrouwen uit. Maar genoeg! En laat ons
+onderhoud thans liever geëindigd zijn; niet omdat mij dat
+aangenaam ware, maar omdat ik beter vind, op eens met kloek
+besluit van elkaar te scheiden dan onze kennismaking nog verder
+voort te zetten, en ze dan morgen of een dag later toch
+onvermijdelijk en tegen onzen wil te zien afgebroken.
+
+--Nog eens,--sprak Siddha, terwijl Rezia als gebogen onder haar
+smart zich van hem afwendde,--dat nooit, dat in geen geval! En ik
+loog ook niet al aarzelde ik straks een oogenblik, toen ik zeide
+te willen doen wat gij zoudt eischen. Ik herhaal het: Gebied, en
+ik gehoorzaam!
+
+--Uw woord!
+
+--Mijn woord als edelman! Doch waarom het nog verlangd? Gij weet immers
+dat ik niet anders kan, dat ik toch doen zou wat gij maar eischen mogt.
+En waarom ook verder nog verzwegen wat u al lang bekend is? Laat mij
+dan vrij het betuigen, laat mij 't eindelijk zeggen, dat gij mij
+dierbaar zijt boven alles, dierbaar boven het leven en zelfs boven de
+eer, en dat ik met een hartstogt u bemin zooals ik tot nu toe nooit
+mogelijk of ook maar denkbaar had geacht! Ik meende te weten wat liefde
+was, maar 't was een kinderlijke genegenheid die ik er voor aanzag. Gij
+hebt mij anders geleerd. Maar leer mij meer nog! Leer mij, wat het zegt,
+eene liefde als de mijne te zien beantwoord! Geen slaaf kan onderdaniger
+aan zijn meester zich toonen dan ik het zijn wil jegens u; nooit de
+slaaf van Akbar of van wien ook, zooals gij meendet, maar wel de uwe!
+Al wat ik heb en ooit nog verwerven mogt, rijkdom, aanzien, rang,
+behoort u alleen, en de magt die gij over mij bezit kunt gij gebruiken
+en misbruiken naar welgevallen. Maar wees de mijne, Rezia! de mijne
+zoolang ons te leven rest!
+
+--Neen, Siddha!--sprak zij zacht, terwijl zij de hand afweerde
+waarmee hij de hare zocht te vatten,--neen! mij voegt het niet,
+zulke taal van u aan te hooren, noch u, ze tot mij te uiten.
+Bedenk het, ik ben nog niet vrij, en ook gijzelf niet; want andere
+banden, gij verhaaldet 't mij zelf, houden u gevangen.
+
+--Andere banden!--riep Siddha driftig uit,--ik verbreek ze! Of
+liever, ik heb ze al lang verbroken! En kon ik dat niet, ik zou
+den dag vloeken, waarop ze mij werden aangelegd. En gij! moogt ge
+ook heden niet vrij zijn, ik ben het die 't weldra u maken zal!
+Naar Kaçmir trekken wij heen, naar het afgelegene maar schoone
+Noorden, waar Siddha Rama's naam, gelijk gij wél zegt, nog invloed
+heeft, en waar niemand ligt zou wagen, die gehate echtgenoot zoo
+min als een ander, haar te beleedigen, die nu eenmaal mijn
+bescherming geniet.
+
+--En zou die bescherming ook voldoende zijn tegen een Akbar en
+zijn gunstelingen?--vroeg Rezia.
+
+--Tegen hem en de zijnen, wie ook, als tegen alle anderen!--was
+het overmoedig antwoord;--ook tegen hemzelf zullen wij Kaçmir
+weten vrij te vechten, al ware 't alleen om het tot een wijkplaats
+te behouden voor u en voor mij.
+
+--Toch mag ik u niet blijven aanhooren,--hernam Rezia;--in
+waarheid, het is mij leed dat gij tot mij gesproken hebt als dezen
+avond. Gij hadt mij en uzelf dit alles moeten sparen. Dan had onze
+vriendschappelijke omgang mogelijk nog kunnen voortduren, en later
+misschien tot eene andere verbindtenis kunnen leiden. Thans moet
+alles ophouden, zoozeer mij dat ook bedroeft. Ga nu, zeg mij
+vaarwel en vergeet mij; het is beter voor u, en...ook voor mij,
+die gij zegt lief te hebben!
+
+Inderdaad!--sprak Siddha, terwijl hij opstond en, 't hoofd op de
+borst gezonken, eenige passen terugtrad,--een spoedige scheiding
+zal nog wel het verstandigste zijn. Ik zie het maar al te goed;
+mijn liefde wordt versmaad. Wat dan nog langer hier te toeven? 't
+Is waar, zonder u is er voor mij geen leven, geen geluk meer
+denkbaar; en toch, de voortdurende marteling, u telkens te moeten
+zien en van dag tot dag inniger lief te hebben, en dan te weten
+dat gij dien gehaten, dien gevloekten vreemde blijft toebehooren,
+is mij onduldbaar. Nieuwe onlusten nu zijn er, naar ik verneem, in
+het Zuiden, in Dekkan, uitgebroken en de Keizer roept derwaarts
+verscheiden zijner legerbenden; ik wil hem smeeken, mij daarheen
+te zenden, en in den strijd met wilde bergstammen vind ik spoedig,
+zoo niet vergetelheid, want die is onmogelijk, dan toch een
+tijdigen, nu wel gewenschten dood.
+
+--Ach, Siddha!--klonk het droef klagend en in den zoetsten toon
+der liefelijke welluidende stem,--ach! waartoe nu een hevigheid
+zooals ik ze nog nooit van u ondervond? Waartoe, indien een zwakke
+vrouw, die maar al te zeer de moeijelijkheid van den strijd tegen
+haarzelve en haar eigen hartstogt ondervindt, nog een oogenblik de
+kracht zoekt te behouden om uw aandrang te weerstaan? Het is zoo,
+gelijk gij zegt: het ware beter mij te verlaten. En toch ... ik
+kan u nog niet laten gaan! Blijf al is 't maar een korte poos; zet
+u nog eenmaal aan mijne zijde, en verheugen wij ons, al ware 't
+ook voor het laatst, nog eenige oogenblikken in die meer rustige,
+door onbedwongen hartstogt niet verstoorde gesprekken, waarin ook
+gij toch als ik te voren zooveel genoegen vondt.
+
+En eer Siddha tot bewustzijn van zijn handeling kwam was hij
+nogmaals nevens de vrouw gezeten, die heel zijn verstand en zinnen
+had vermeesterd; en, op haar verlangen de luit grijpend, die daar
+nevens hem lag, begon hij te zoeken in zijn herinnering naar een
+der liederen van zijn land, om wier voordragt zij met hare gewone
+innemendheid hem gebeden had.
+
+Maar of hij al zocht, en soms aanving en dan weer ophield, om
+straks op nieuw te beginnen en nogmaals te blijven steken, zijn
+geheugen faalde, en mismoedig legde hij de nuttelooze luit ter
+zijde.
+
+--Ik weet niets meer,--zeide hij,--ik kan mij niets meer
+herinneren, ik denk niet meer!...
+
+--Hoe nu, mijn zanger!--sprak Rezia lagchend,--moet ik het dan
+zijn, die u voorga? Welaan! Maar drinken wij eerst elkander toe!--En
+een der drinkschalen opvattend, deed zij Siddha ook de zijne
+ledigen en begon toen met zachte, smeltende stem een zoetvloeiend
+Perzisch minnelied, dat ook spoedig genoeg zijne verbeelding weer
+te verlevendigen wist.
+
+--Nu dan!--riep hij weer opgewonden uit toen Rezia had geëindigd,
+en beschreef, naar Kalidasa's Jaargetijden, de ontvangst van den
+minnaar door de, voor hem bij den terugkeer van den zomer getooide
+bruid:
+
+"In 't loofpriëel, van bloemengeur doortrokken,
+ Drinkt hij den wijn, ligt door haar mond beroerd;
+ Een lieflijk lied weet Kama hem te ontlokken,
+ Door teedre min tot dartel spel vervoerd.
+
+
+ De boezem rijk met parelen omwonden,
+ Het zijden kleed om slanke heup geplooid,
+ De lokken los met bloemen opgebonden,
+ Ontvangt zij hem, als bruid voor hem getooid.
+
+
+ Wie voelt zich niet van blijden lust doordringen
+ Waar, ligt van tred, als zwanengang, een voet
+ Door zachten klank der rinkelende ringen
+ Aan d' enkel steeds, rooskleurig, denken doet?
+
+
+ Waar 't geel saffraan den glans verhoogt der lokken,
+ En gouden gordel slanke leest omsnoert,
+ En luchtig gaas, van sandelgeur doortrokken,
+ Den boezem dekt, dien minnelust ontroert?
+
+
+ Weg dan 't gewaad, dat te eng die slanke leden,
+ Met ligte dauw bepareld, nog omhult!
+ Het nijdig kleed, dat, halfweg afgegleden,
+ Des jonglings hart met wangunst nog vervult!...
+
+
+ Zoo wekt de wind, die in de blaadren fluistert,
+ En rimplend 't meer en 't murmlend beekjen kust,
+ Zoo wekt ook 't lied, dat 's dichters oor beluistert,
+ Den God der Liefde uit lange winterrust..."
+
+
+De zanger zweeg, en zij die hem aanhoorde, en zich al digter en
+digter aan zijne zijde had gevleid, sprak niet, maar zag naar hem
+op met hare betooverende oogen, stralend ditmaal van een ongewonen
+gloed. Toen vatte hij eensklaps hare beide handen, en trok haar
+tot zich met thans bijkans onweerstaanbare kracht.
+
+--Rezia! sprak hij,--Rezia! wees mij Kalidasa's bruid!... Voor nu
+en voor altijd mijn!
+
+En zacht fluisterde zij Siddha's naam, en hare armen om zijn hals
+slaande, zonk zij magteloos aan zijne borst....
+
+Meer dan eens sloop sinds dien avond, in 't late van den, liefst
+donkeren, nacht eene mannelijke gestalte langs de cactuslaan, die
+tot de woning der Armenische leidde, en spoedde zich, bedachtzaam
+rondziende, voort.... De lotusbloem van Iravati was gekanteld met
+het ranke vaartuig waarop hij zich bevond; een zoele windvlaag had
+het omgeworpen.
+
+
+
+ACHTSTE HOOFDSTUK.
+
+Een verzoeker
+
+Nogmaals was de jeugdige kasteleinesse van Allahabad aan het
+balkon van den burgt gezeten, en zag uit naar de verre gebergten,
+vanwaar, nu geruimen tijd reeds geleden, de toen lang verbeide
+gekomen was. In het landschap daar omlaag had niets zich veranderd
+sinds dien tijd; dezelfde kalme, zilveren wateren en bosschaadjen
+daar beneden, en bergtoppen aan den verren overkant; en dezelfde
+onbewolkte zonneschijn, die toen het landschap had verlicht. Of
+ook in hem niets veranderd mogt zijn, die nu zeker een ijverig
+deel nam aan de verstrooijingen van het hof en de velerlei
+vermaken der groote stad? Of hij nog steeds aan haar dacht, en
+dagelijks hare beeldtenis bezag, gelijk zij de zijne? De twijfel,
+soms haars ondanks bij haar oprijzend, scheen Iravati niettemin
+bij eenig nadenken eene beleediging jegens den man, dien zij niet
+minder hoogachtte dan lief had en die nog bij zijn laatste bezoek
+op zoo innige en tevens plegtige wijze zijn woord van trouw aan
+haar verpandde en in zijne brieven ook daarna zijne gelofte nog
+had herhaald. Maar deze hadden sinds eenigen tijd opgehouden. En
+waarom keerde hij niet spoedig eens weder, al was 't dan vooreerst
+maar tijdelijk? Kon hij zoolang van haar gescheiden blijven zonder
+gelegenheid te zoeken, ware 't slechts voor een enkelen dag haar
+weer te zien? Ongetwijfeld hield strenge dienstpligt hem terug, en
+kon hem zoo aanstonds geen verlof worden gegeven tot eene
+afwezigheid. Maar wat de tijd inmiddels lang viel, wat de uren en
+dagen schenen voort te kruipen voor haar die eenzaam hier wachten
+moest!
+
+Als dien anderen morgen werd zij in hare mijmering ook weder
+gestoord door de verschijning van haar vader, den Goeverneur.
+
+--Iravati!--sprak deze op den gewonen afgemeten toon, dien hij
+waar hem dat paste wist aan te slaan,--een gast brengt ons heden
+bezoek ....
+
+Hij was dan gekomen! hij wachtte ginds! En in zichzelve juichte de
+ongeduldige, schoon zij uiterlijk het niet blijken liet.
+
+--Een gast,--vervolgde Salhana,--dien het u zeker even aangenaam
+als vereerend zal zijn te ontmoeten. Het is Selim, de Kroonprins,
+die op verlangen zijns vaders eenigen tijd in Allahabad komt
+vertoeven.
+
+Niet dan met de grootste inspanning wist Iravati hare bittere
+teleurstelling te verbergen; maar iets te antwoorden scheen haar
+onmogelijk.
+
+--Welnu?--vroeg Salhana,--is het berigt u niet welkom? Daar is er
+menigeen, die heel wat zou geven om de eer te mogen genieten die u
+wacht. Voor 't overige begeer ik natuurlijk niet dat iemand van 's
+Prinsen gevolg u zien zal; maar met den aanstaanden Keizer is het
+heel iets anders. Ook kan het voor mij en ook voor Siddha van
+belang zijn, indien gij u zijne gunst weet te verwerven. Volg mij
+nu!
+
+Toen Iravati met haar vader de galerij binnentrad waar op dat
+oogenblik Selim zich alleen bevond, ging deze haar een paar
+schreden te gemoet en wilde haar op zijne gewone luchthartige
+schoon hoffelijke wijze toespreken; doch eensklaps begaf hem al
+zijne vrijmoedigheid, en zwijgend bleef hij staan. Eene zoo edele
+houding aan zooveel bescheidenheid tevens gepaard, eene zoo
+ernstige schoonheid bij zoo innemende en lieftallige uitdrukking
+van gelaat, herinnerde hij zich niet bij eenige vrouw nog ooit te
+hebben aanschouwd. En tegen zijne gewoonte wachtte hij met zijne
+begroeting tot Salhana vormelijk zijne dochter aan hem had
+voorgesteld.
+
+--Ik ben u verpligt, edele jonkvrouw!--sprak hij toen,--dat gij u
+de moeite getroost, mij als gast te komen begroeten. Ik heb reeds
+meer dan eens van u gehoord, en...,--eene beleefdheidsphrase die
+hem op de lippen zweefde, scheen hem te laf en te onbeduidend dan
+dat ze niet moest blijven steken,--en...,--vervolgde hij, voor 't
+oogenblik niets anders vindend,--het is mij aangenaam thans
+persoonlijk uwe kennis te mogen maken.
+
+--De eer, mij en mijn vader door Uwe Hoogheid bewezen, stel ik
+bijzonder op prijs!--antwoordde Iravati;--en ik wil hopen dat het
+stil verblijf in Allahabad u niet te zeer moge tegenvallen in
+vergelijking met het leven der hofstad, dat aan afwisseling zeker
+wel heel wat rijker zal zijn.
+
+--Indien--sprak Selim,--de edele dochter van den Goeverneur mij nu
+en dan het genoegen van haar bijzijn gunt, dan ben ik voorzeker
+niet bevreesd dat het verblijf mij lang zal vallen. Maar ik hoor u
+van de residentie spreken; gij kent die toch, wil ik hopen?
+
+--Ik ben nog nooit in Agra geweest?--luidde het antwoord.
+
+--Niet?--vroeg Selim;--maar, waardige Salhana!--vervolgde hij,--
+het wordt dan toch waarlijk tijd dat ge uw rijkbegaafde dochter
+eens wat meer van de wereld laat zien dan hier in dezen afgelegen
+burgt haar vertoond kan worden!
+
+--Die tijd,--antwoordde de Goeverneur,--zal gekomen zijn als mijne
+dochter zich eenmaal ouder de hoede van haar aanstaanden
+echtgenoot, mijn toekomstigen, nog onlangs door Uwe Hoogheid met
+zooveel welwillendheid ontvangen schoonzoon, zal bevinden.
+
+Waarom die herinnering den Prins niet bijzonder welkom scheen,
+viel bezwaarlijk te ontdekken; maar in elk geval zweeg hij
+onmiddelijk, terwijl zijn donkere wenkbrauwen zich fronsten; en
+een oogenblik daarna bragt hij 't gesprek op andere onderwerpen
+over. Een tijdlang werd het nog voortgezet, en daarop vroeg
+Salhana voor zijne dochter verlof zich naar hare vertrekken terug
+te begeven. Met een eerbiedige neiging verwijderde zich Iravati,
+weltevrede dat het weinig vermakelijk onderhoud was afgeloopen, en
+geen anderen indruk van den zoon des Keizers medenemend dan dat
+hij verbazend prachtig was gekleed, schoon op dat oogenblik
+Selim's kostuum voor hemzelf nog niets anders dan een eenvoudig
+reisgewaad vertegenwoordigde.
+
+Eenige oogenblikken later was Selim met den Goeverneur en nog een
+derden persoon in een der tegen alle indringers en luisteraars wel
+verzekerde vertrekken van den burgt gezeten, blijkbaar om te
+beraadslagen over belangrijker vragen dan die, hoe men 't best in
+Allahabad zich den tijd zou korten. Die derde was Gorakh, de
+Doerga-priester.
+
+--Het doel waarnaar wij streven, mijne vrienden!--dus begon de Prins,--
+schijnt weldra door ons genaderd. Doch laat ons voorzigtig zijn vóór
+alles! En niet onverstandig doen wij, naar 't mij voorkomt, als wij
+thans aanvangen met den stand onzer plannen te overzien, om dan te
+onderzoeken wat er nog tot verdere voorbereiding dient beraamd te
+worden. Gij nu, Salhana! zijt, geloof ik, daarvan nog 't best van ons
+drieën op de hoogte. Wat mij betreft, ge weet dat men aan 't hof het een
+en ander is gaan vermoeden, en van daar de wensch, dat wil dan zeggen
+het bevel mijns vaders om mij hierheen te begeven. Wie mij dat bezorgd
+heeft, weet ik heel wel; 't is weer die Aboel Fazl, vloeke hem Allah!
+Maar ik hoop 't hem bij gelegenheid wel eens betaald te zetten. En nu
+gij, Salhana!
+
+--Tot heden,--begon deze,--kan ik niet anders zien of alles gaat
+naar wensch. In Agra, Delhi, Lahore en andere plaatsen zijn de
+echt Mohammedaansche Omrah's en de verdere grooten ten hevigste
+tegen den Keizer verbitterd, om de verachting waaraan hij nu al
+lang hunne godsdienst blootstelt en het verlies der voorregten
+welke hij hun ontnomen heeft. Zij zullen niets liever zien dan een
+omwentellng bij de eerste gelegenheid de beste, en velen zijn
+volkomen bereid daaraan mee te werken. Evenzoo meer dan één der
+hoogere Mansabdar's. Abdal Kadir helpt ons in dat alles niet
+weinig, maar al te zeer moet er toch niet op hem gebouwd worden;
+hij zou wel openlijk willen te werk gaan, 't geen natuurlijk een
+dwaasheid ware; maar hij heeft telkens weer bezwaren tegen 't geen
+hij verraad noemt.
+
+--En uw neef?--vroeg Selim.
+
+--Die komt geheel op onze zijde; hoe we dat nu gedaan hebben
+gekregen, doet niet ter zake; genoeg dat het zoo is. Ik had hem
+eerst als onzen spion bij Akbar willen gebruiken; maar 't is mij
+gebleken dat hij er niet voor deugt; hij is te onnoozel en te veel
+in de begrippen van dien Koelloeka opgevoed om de rol behoorlijk
+te spelen; en daarenboven pakt Akbar hem ook telkens op zijne
+bekende manier weer in, als hij hem soms ontmoet; 't is dus maar
+beter dat hij den Keizer niet al te dikwijls ziet. Daarentegen zal
+hij ons geheel andere en nog betere diensten kunnen bewijzen. Nog
+onlangs werd hij in rang als Mansabdar verhoogd, en spoedig heeft
+hij kans op nieuwe bevordering, zoodat hij tegen den bepaalden
+tijd een vrij belangrijk getal ruiters zal aanvoeren; over zijne
+Radjpoet's heeft hij ook persoonlijk veel te zeggen, en in Kaçmir
+heeft zijn naam grooten invloed. Wanneer wij dus het beraamde plan
+uitvoeren dan wordt ons zijn medewerking van niet gering nut. Op
+het gegeven oogenblik laat hij de zijnen omkeeren en zich tegen de
+Keizerlijken wenden, en geen twijfel of dat voorbeeld zal door de
+meerderheid der Radjpoet's en Patan's wel worden gevolgd.
+
+--Maar nu het plan zelf, wat Kaçmir betreft?--vroeg Selim wederom.
+
+--Wel, mij dunkt,--antwoordde Salhana,--dat het niet beter kon
+staan dan thans. De binnenlandsche twisten zijn, meerendeels door
+ons toedoen, tot een uiterste gekomen; de partijen staan gewapend
+tegenover elkander; de stroopers loopen het land af, en, wat hier
+wel 't belangrijkste is, ook Akbar's naburig gelegen rijken; zij
+geven hem dus de aanleiding aan de hand om met zijn leger naar het
+Noorden op te trekken, en tot herstel en blijvende verzekering der
+rust de verovering van Kaçmir te beproeven. Zijn legermagt staat
+dan ook al gereed; en, bedrieg ik mij niet, dan is zijn voornemen,
+na de aanstaande jaarlijksche viering van zijn geboortedag den
+togt te gaan ondernemen. Is nu eenmaal de strijd aan den gang, dan
+valt onze Siddha even als andere aanvoerders hem plotseling af,
+vereenigt zich met de onzen in het leger van Kaçmir en houdt Akbar
+genoeg bezig om hem vooreerst den terugtogt te beletten. Inmiddels
+hebben de onzen in Agra zelf de handen vrij, roepen Selim tot
+Keizer uit, en stellen zich in 't bezit van de vesting en de
+schatkist. Zoo dan Akbar ten laatste nog terugkeert, dan valt er
+misschien nog wat te vechten met zijne troepen, schoon ik 't niet
+onderstel; maar 't eind van de zaak moet toch zijn, dat hij ten
+gunste van den Kroonprins afstand doet van den troon.
+
+--Alles,--sprak Selim,--volkomen goed berekend, en geheel
+overeenkomstig ons oorspronkelijk, en thans, naar ik met genoegen
+zie, meer tot rijpheid gekomen plan! Maar eene vraag toch! Bestaat
+er geen gevaar dat er iets van uitlekt? Is alles wel steeds
+voorzigtig aangelegd? Zoo bijvoorbeeld die brief, die naar Kaçmir
+verzonden zou worden; indien hij eens in verkeerde handen was
+geraakt?
+
+--De brief--antwoordde Salhana,--is volkomen goed aan zijne
+bestemming teregtgekomen. Maar weet gij, wie hem meenam? Niemand
+anders dan onze vriend Koelloeka zelf.
+
+--Wat?--riep Selim uit,--Koelloeka! Welk onvergeeflijk waagstuk!
+
+--In 't minst niet,--hernam de ander bedaard;--het was juist de
+allerveiligste weg. De goede man wist zelf niet wat hij overbragt;
+het stuk was hem door Siddha ter hand gesteld, die ook niet wist
+wat er in stond; en in 't uiterste geval, indien hij bij de
+overbrenging betrapt ware geweest, hijzelf zou er 't ergste zijn
+ingeloopen zonder daarom nog eenige inlichting te kunnen geven; en
+wij, die natuurlijk in het stuk niet bij name genoemd werden,
+bleven toch buiten schot.
+
+--Heel goed gevonden!--sprak Selim goedkeurend en hartelijk
+lagchend;--maar thans verder! Wij zijn u voorloopig dankbaar voor
+uwe mededeelingen, Salhana! Maar nu onze eerwaarde Gorakh! Heeft
+ook hij ons niet iets nieuws te vertellen?
+
+--Ik geloof wel van ja!--antwoordde de Yogi, die tot dusver
+stilzwijgend had toegeluisterd;--althans ik heb van mijn kant ook
+niet stil gezeten. Zooals ik u vroeger reeds voorzegde, maar u
+toen nog onwaarschijnlijk voorkwam, heb ik mij den weg gebaand tot
+het paleis niet alleen, maar ook tot de binnenvertrekken van den
+Keizer. Gij weet, welke moeite hij zich geeft om alle stelsels van
+godsdienst en wijsbegeerte te leeren kennen, die maar eenigermate
+onder zijn bereik vallen. En zoo wilde hij dan ook volstrekt
+kennis maken met die aloude Yoga-leer, waarvan hij veel gehoord,
+maar weinig of niets naders vernomen had. Want hier schoot niet
+enkel Feizi's, maar ook Koelloeka's geleerdheid, als die der
+overige Brahmanen, wier hulp werd ingeroepen, te kort, en de
+weinige ingewijden, die er nog in Hindostan te vinden zijn, wisten
+zij hem niet aan te wijzen. Nu zorgde ik, door sommige vertrouwden
+hem 't een en ander omtrent mijne kennis van de Yoga-geheimen te
+laten verluiden; en niet lang of ik werd ten hove ontboden, en
+Akbar ontving heimelijk van mij eenige eerste aanduidingen omtrent
+de leer der concentratie, waardoor de sterveling zich al meer en
+meer in onmiddelijke betrekking tot het oneindig Alwezen weet te
+stellen, en, zijn denken en zijn in dat van het absolute
+oplossend, ook het oneindig bestaan deelachtig wordt, zoodat hij
+'t vermogen erlangt, zich naar willekeur tot op de verste
+afstanden te verplaatsen schijnbaar zonder de plek te verlaten
+waar hij zich bevindt, de grootste zoowel als de kleinste vormen
+aan te nemen en zich onzigtbaar of ook ligter te maken dan de
+lucht. Om nu ook kracht aan de zaak bij te zetten en 't niet bij
+verzekeringen te laten, bragt ik eens een mijner lieden mede, die
+bijzonder ver is in allerlei toeren, en deed hem een kunst
+verrigten, waarover de Keizer, niet zonder reden trouwens,
+verbaasd stond. De man zette zich op een lagen houten steel,
+waaraan een bamboe met een haak als van een wandelstok was
+bevestigd, liet toen een wit laken vóór zich uitspreiden zoodat
+men hem niet zien kon, en toen nu het laken werd weggetrokken, zat
+hij letterlijk in de lucht, een paar voet boven den stoel en enkel
+steunend met de eene, uitgestrekte hand op den haak van den
+bamboe. Een heel merkwaardige kunst, die ik u bij gelegenheid wel
+eens zal laten zien, als wij eens tijd hebben. Maar genoeg! Akbar
+was niet alleen verwonderd, maar ook hoe langer hoe meer begeerig,
+in onze geheimen te worden ingewijd. En hij is dat nog. Gij
+begrijpt dat ik mij wel wachtte, hem iets meer te vertellen dan
+noodig was om telkens sterker zijn nieuwsgierigheid te wekken; en
+zoo komt het, dat ik nu altijd gelegenheid heb om bij hem, die
+niets liever wenscht, te worden toegelaten. Ik maak er een
+spaarzaam gebruik van, maar, dat wil ik wél verzekeren, een goed!
+Met de mijnen neem ik behoorlijk steeds alles op wat voor ons en
+onze zaak van eenig belang kan zijn; en Akbar's paleizen en eigen
+geheime vertrekken zijn op die wijze met lieden vervuld, die alles
+uitvorschen wat er omgaat, terwijl hijzelf in hen niets anders dan
+volgelingen van een godsdienstig dweeper en asceet vermoedt.
+Vandaar ook dat ik u, Selim! en ook onzen vriend Salhana reeds
+omtrent menige zaak kon onderrigten, die anders niet zoo
+gemakkelijk door u ontdekt had kunnen zijn. Over Kaçmir straks
+nader!
+
+--Inderdaad!--sprak Selim, toen de Yogi zweeg,--wij moeten
+erkennen, dat gij een knap toovenaar zijt. Maar zeg mij nu eens
+ronduit, ten minste als zoo iets met uwe gewoonten is overeen te
+brengen, wat verlangt gij eigenlijk als belooning voor de diensten
+welke gij ons bewijst? Salhana, wij weten het, wenscht eenmaal,
+als ons gezag bevestigd zal zijn, tot Onderkoning van Kaçmir te
+worden verheven; en dat billijk verlangen zal, gelijk hem bekend
+is, als alles wel gaat ook bevredigd worden. Niets om niets! zeg
+ik met hem. Maar gij nu! wat wilt gij van ons? Ik acht het nuttig,
+dat te vernemen opdat wij vooraf behoorlijk onze voorwaarden
+kunnen stellen.
+
+--Grootmagtig Vorst!... vergun mij reeds bij voorbaat u zoo te
+noemen!..., antwoordde Gorakh,--van u verlang ik... eenvoudig
+niets! Dat verbaast u, niet waar? Welnu, ik wil trachten 't u
+duidelijk te maken. Wat verlangt gij, vraag ik van mijn kant, voor
+uzelven? Gij hebt reeds, zou men meenen, al wat het hart begeeren
+kan. Gij hebt schatten, paleizen, schoone vrouwen die u te dienste
+staan, vrolijke gastvrienden, de heerlijkste wijnen, en na den
+Keizer zijt gij de eerste man van dit magtig en bloeijend rijk,
+met de zekerheid zelf eenmaal de alleenheerscher te zijn. Toch
+zwoegt gij bijkans zonder pozen, en roept onze hulp en die van
+anderen, uwe minderen, in ter verwezenlijking van duistere,
+moeijelijke en ook gevaarvolle plannen. Waarom? Omdat gij
+heerschen wilt en niet kunt wachten tot de dood van uw vader den
+troon voor u beschikbaar stelt. Zie nu! wat gij wilt voor uzelven,
+dat verlang ik ook voor mij: te heerschen! En terwijl gij tot
+heden nog zoo goed als niets te gebieden hebt, doe ik het al lang,
+schoon ik nog altijd blijf streven naar steeds uitgebreider magt.
+Ik, de arme, onbekende, door velen verachte priester, ik bezit een
+gezag zooals gij in al uwe grootheid het niet kunt magtig worden.
+Honderden, waarvan ieder in zekere omstandigheden een leger waard
+zou zijn voor de grooten der aarde, gehoorzamen onvoorwaardelijk
+en zonder navraag, zonder aarzeling, zonder vrees tot den
+geringste mijner wenken. En door welke magt zijn ze aan mij
+onderwerpen? Door die waartegen niets bestand is, en waardoor de
+rede wordt uitgedoofd, en de wil verlamd, totdat de mensch een
+levend en wandelend lijk wordt: de magt van het godsdienstig
+fanatisme. Eén vingerwijzing van mij naar wie ik maar wil, naar u
+of naar een ander, is genoeg om een of meer der hunnen te doen
+begrijpen, welk nieuw offer aan de nooit verzadigde Doerga het
+meest welkom zal zijn; en te meer welkom is haar dat van den
+hooger gestelde onder de menschen. Laat nu ook de aangewezene zelf
+vooraf zijn gewaarschuwd, laat hij voorzorgen nemen zooveel hij
+wil, en zich omringen met dienaren en wachten, toch ontkomt hij
+nauw anders dan door een wonder het voorbeschikte lot. Overal in
+zijne nabijheid en onmiddelijke omgeving zwerven onder allerlei
+vermomming mijne getrouwen om hem heen; en als het regte oogenblik
+gekomen is, dan, in de stilte meest van den nacht, voelt hij
+eensklaps zonder vooraf eenig geluid of geridsel vernomen te
+hebben, het worgkoord om den hals, en eer hij een kreet of zucht
+heeft kunnen slaken is de lange reeks der offeranden vermeerderd
+met een nieuw. 't Is waar, een enkele keer, schoon zelden, vindt
+de indringer zich betrapt, maar de aangevallene die hem grijpt en
+tracht vast te houden, voelt een glad ligchaam, als van een slang,
+door zijn handen glijden, en even snel en onhoorbaar als het kwam,
+is het aanstonds weer verdwenen. En in 't uiterste geval, als een
+mijner Worgers dan toch werkelijk gevat wordt, welnu, dan kan men
+hem dooden en dan sterft hij met de onwrikbare overtuiging,
+terstond de oneindige zaligheid deelachtig te worden; maar dan
+staan er ook weer honderd anderen gereed aan wie op nieuw de proef
+kan worden bevolen, en wél vreemd zoo die vroeg of laat niet
+gelukken mogt.
+
+De Yogi zweeg een oogenblik, maar geen zijner beide toehoorders
+nam het woord. Salhana, met de medegedeelde bijzonderheden reeds
+wel bekend, had vrij onverschillig toegeluisterd en vond geen
+reden er iets aan toe te voegen. Maar Selim was onder de
+beschrijving van den priester verbleekt, schoon 't hem anders niet
+aan persoonlijken moed ontbrak, en peinzend bleef hij vóór zich
+staren.
+
+--Zóó dan--hervatte Gorakh,--heersch ook ik, doch op mijne wijze.
+Die mij tegenstaan ruim ik onbemerkt door anderen uit den weg; en
+zij die mijne magt kennen, vreezen mij en doen gemeenlijk in 't
+eind, ze mogen hoog of laag geplaatst zijn, wat ik van hen begeer.
+En meent gij dan dat deze wijze van magtsoefening niet evengoed
+als de uwe hare behagelijkheid kan hebben? Of zou het geen
+vleijend en trotsch gevoel zijn, door de menschen zich geminacht
+en vernederd te zien, maar tevens te weten dat men over hen, over
+hunne handelingen, over hun leven en dood naar willekeur te
+beschikken heeft? En ik ben niet de eenige, die er zoo over denkt.
+Ik weet het, daar zijn er ook anderen en ook in gansch andere en
+vér van hier gelegen landen, die eveneens in stilte en in het
+duister trachten te heerschen over hen, die het hoogste gebied
+voeren in 't oog der wereld. Meer dan eens heb ik in Agra en
+elders onder eene behoorlijke vermomming met die mannen gesproken,
+die hier uit het verre Westen komen om volgelingen te winnen voor
+hunne leer, en, onder den schijn van een gewillig oor te leenen
+aan hunne prediking, hen langzamerhand uitgehoord. En uit hun
+mededeelingen en die hunner landgenooten, onder anderen ook
+omtrent de inrigting en werking der Orde waartoe zij behooren, heb
+ik ontdekt, dat zij of althans hunne opperhoofden een gelijk doel
+najagen als ik en mijns gelijken, al zoeken zij langs anderen weg
+het te bereiken. Hunne middelen, zeg ik, zijn andere, hoewel
+daarom nog niet altijd zachtzinniger dan de onze; wij hier laten
+de menschen worgen, zij ginds laten ze levend verbranden; maar het
+doel blijft in elk geval hetzelfde. En ook zij worden in hun eigen
+streken dikwijls weinig opgemerkt en weinig geteld, menigmaal ook
+bestreden en vervolgd, en toch weten ook zij in naam van het
+zoogezegd geloof te gebieden over wereldlijke magthebbers niet
+alleen, maar zelfs over het geestelijk Opperhoofd hunner eigene
+kerk, terwijl zij veinzen met onvoorwaardelijke onderworpenheid
+zijne bevelen te gehoorzamen! Zoo ziet gij dan, hoe vreemd het
+eerst u ook scheen, dat het wezen en het genot der magt nog
+geenszins voor allen, zooals voor u, in het uitwendig vertoon en
+in de openlijke erkenning door anderen behoeft gelegen te zijn.
+
+Nog bleef Selim zwijgen, nadat Gorakh geëindigd had. Maar de blik,
+welken hij dezen toewierp, zeide meer dan woorden.
+
+De priester lachte.--Ik begrijp zeer goed,--sprak hij langzaam,--
+welke gedachten op dit oogenblik uwe Hoogheid bezig houden. Een
+bondgenoot als ik kon wel eens een gevaarlijke worden, en zoo mogt
+het dan de vraag zijn of 't niet maar zaak ware, zich terstond van
+hem te ontslaan. Maar ik ben immers niet onnoozel genoeg om mij in
+'t hol van den tijger te wagen, als ik niet zeker was er veilig
+weer uit te komen. Mijne getrouwen nu wachten mij ginds in den
+tempel op den berg; keer ik vóór morgen er niet terug, dan weten
+ze ook, wien de Godin als zoenoffer voor den dood van haar
+gewijden priester heeft aangewezen.
+
+--Nu, dat is met uwe gewone omzigtigheid gehandeld,--sprak thans
+Selim;--maar, waarde Gorakh! uw voorzorg was toch inderdaad
+overbodig. Wij hebben uwe hulp wezenlijk in menig geval van noode,
+en zonder reden zou ik mij daarvan toch zelf niet gaan versteken.
+Maar we zijn, geloof ik, een weinig afgedwaald van 't eigenlijk
+onderwerp onzer beraadslaging. En omtrent ééne zaak nu ben ik niet
+volkomen gerust. Wat staat ons, Salhana! van uw broeder, den
+Minister in Kaçmir, te wachten? Zal hij onze zijde kiezen, of, zoo
+niet, kan hij ons wezenlijk nadeel toebrengen?
+
+--Het laatste vrees ik maar al te zeer,--antwoordde de
+Goeverneur,--hij zal de zijde van den tegenwoordigen Koning niet
+verlaten, en zoo deze ten onder wordt gebragt, zich veel liever
+nog tot Akbar keeren dan tot de onzen, van wien hij niet dan
+onheil voor het land en het volk voorziet.
+
+--Laat hem in dat geval aan mij over!--zei Gorakh.
+
+--Wat bedoelt gij?
+
+--Vraag toch niet langer! Ik zeg u: laat hem aan mij, en hij zal u
+niet lang in den weg staan. Maar er is nog een ander punt en van
+veel meer gewigt. Ik heb alle reden om te vermoeden dat een zeker,
+in Kaçmir bijzonder beteekenend persoon, dien wij allen lang dood
+waanden, maar die, als hij 't eens niet was in zijn land
+terugkeerde, al onze plannen in duigen kon doen vallen, inderdaad
+nog tot de levenden behoort.
+
+--Wie, wat?--vroeg Salhana in de uiterste ongerustheid,--gij
+meent toch niet....
+
+--Ik meen juist dengene, dien gij onderstelt. Ik bedoel
+Nandigoepta.
+
+--Nandigoepta! Maar dat kan immers niet zijn!
+
+--En waarom niet? Hebben wij ooit eenige zekerheid gehad omtrent
+zijn dood? In 't minste niet. Wij weten dat hij plotseling
+verdween en dat er niets meer van hem vernomen werd, ziedaar
+alles. En nu ben ik voor eenigen tijd tot de ontdekking gekomen,
+dat er in het Himâlaya-gebergte, in de nabijheid van den
+Bhadrinâth, een kluizenaar woont, die, wat uiterlijk voorkomen
+betreft, bijzonder op den vroegeren Koning gelijken moet, en wien,
+let wel! Koelloeka met Siddha Rama op zijn reis herwaarts een
+bezoek heeft gebragt.
+
+--Dat ziet er inderdaad heel bedenkelijk uit!--zei nu ook Selim.
+
+--Ik heb inmiddels--hervatte Gorakh,--enkelen der mijnen op de
+zaak afgezonden, zij zullen wel alles nasporen wat ons tot de
+ontdekking der waarheid kan leiden; en, blijft mijn vermoeden
+juist, dan,--en hier maakte de Yogi zeker teeken, dat zijn beide
+toehoorders maar al te goed begrepen,--dan wijst hem Doerga gewis
+als een dergenen aan, die haar welkom zouden zijn. Doch 't zal nu
+mijn tijd worden om naar mijn getrouwen terug te keeren. Uwe
+Hoogheid zal mij dus zeker wel willen veroorlooven mij te
+verwijderen?
+
+Selim knikte toestemmend, hoewel hij misschien wel gewenscht zou
+hebben, dat de priester nooit meer een voet buiten 't kasteel mogt
+hebben gezet. En voorloopig ging het drietal uiteen.
+
+Avond aan avond vernam na dien eersten dag Iravati, wanneer zij
+eenzaam in de lanen van het park doolde, het feestgedruisch, dat
+uit de hooge en bij die gelegenheden hel verlichte zalen van den
+burgt weerklonk. Daar vermaakte zich de aanstaande Keizer van
+Hindostan met zijn gastvrienden en danseressen, en trachtte zich
+op die wijze schadeloos te stellen voor de verveling van den dag
+en voor een wijl de zorgen te vergeten, waarmede zijn eigen
+eerzucht hem beladen had. En de getrouwe Nipoenika, die menigmaal,
+in hare nederige betrekking weinig of niet opgemerkt en tusschen
+de overige bedienden zich inmengend, het een en ander van die
+festijnen zag, kwam dan niet zelden ook aan hare meesteresse
+bijzonderheden daaromtrent meedeelen, die der reine en van zulke
+dingen nog onkundige jonkvrouw het bloed naar de wangen deden
+stijgen en het stilzwijgen opleggen aan hare dienares. Of ook
+Siddha wel eens daar in Agra deelnam aan feestelijkheden van dien
+aard? En die Selim, de toekomstige beheerscher van een wereldrijk
+en eenmaal de nagenoeg onbeperkte gebieder over het lot zooveler
+volken! Hoe laag hij niet scheen gezonken, ondanks het hooge
+standpunt, waarop de fortuin hem had geplaatst!
+
+En toch vond Iravati geen reden om den Prins te minachten wanneer zij
+bij wijlen, gelijk nog al dikwijls gebeurde, 't zij dan met haar vader,
+'t zij ook alleen zich in zijne tegenwoordigheid bevond. De wijze
+waarop hij gewoon was met haar te spreken was steeds die van een
+volmaakt edelman; en wel verre van zich ooit de geringste vrijpostigheid
+jegens haar te veroorlooven, bejegende hij haar met een eerbied en
+ontzag gelijk de meest hooggeplaatste vorstin die niet anders had
+kunnen verlangen. Geen zweem ook van vleijende doch niets zeggende
+hoffelijkheid in de woorden die hij tot haar rigtte; maar alles
+eenvoudig, ongedwongen, natuurlijk, terwijl ook in menig opzigt zijne
+gesprekken werkelijk onderhoudend bleken te zijn en getuigden van een
+lang niet gewone geestbeschaving en tamelijk uitgebreide kennis.--Och!
+of die jonge, zoo hooggestelde man--zoo overlegde zij menigmaal bij
+zichzelve,--wat beter van zijne velerlei gaven gebruik mogt maken, en,
+het treflijk voorbeeld van zijn edelen vader voor oogen, zich op andere
+wijze dan nu wist voor te bereiden tot de grootsche taak die ook hij
+eenmaal te vervullen had!
+
+Eens op een avond, terwijl Iravati in gedachten verzonken op een
+der rustbanken in het park zich had nedergezet, bleef tot hare
+verwondering niet alleen rondom, maar ook in den burgt zelf de
+meest volkomen stilte heerschen, en geen licht bijkans vertoonde
+zich aan de hooge vensters en in de galerijen van het paleis. Een
+zachte en zoele wind alleen ruischte er door het gebladerte en
+bewoog de toppen der boomen, en uit de vallei daar omlaag klonk nu
+en dan de toon eener fluit of het ligt gerinkel van het
+klokkenspel, dat eene vrolijke dorpsjeugd begeleidde bij hare
+landelijke dansen.
+
+Een geluid van voetstappen brak op eens de stilte, en in de
+avondschemering werd een mannelijke gestalte zigtbaar, die de plek
+naderde waar de dochter van Salhana gezeten was. Met een gevoel
+van schrik rees zij, bij dergelijke hier wel ongewone verschijning
+op, toen zij tot haar verwondering in den vermeenden indringer den
+Prins herkende, die, naderbij gekomen, op zijn gewone eerbiedig
+hoffelijke wijze haar begroette.
+
+--Vergeef mij, edele jonkvrouw!--zeide hij,--indien ik, onbewust
+van uwe tegenwoordigheid op deze plek, onwillekeurig u kom storen.
+Wil mijn avondgroet ontvangen, en ik zal u niet verder lastig
+vallen.
+
+--De stoornis--antwoordde Iravati beleefd,--kan mij wel niet
+anders dan aangenaam zijn. Maar inderdaad ik wil wel bekennen, dat
+zij mij een weinig verrast. Ik meende dat Uwe Hoogheid gewoon was
+op andere en meer vrolijke wijze den avond te korten dan met
+stille en eenzame wandelingen.
+
+--Zoo was het,--sprak Selim,--en ik gevoel volkomen dat ik u
+daarmee reden genoeg heb gegeven tot billijke ergernis, en meer
+eerbied had moeten betoonen voor de woning waarin gij uw verblijf
+houdt. Maar laat voorbij zijn wat voorbij is! Voortaan zal geen
+onpassend feestgedruisch in dit uw paleis u meer hinderen, noch de
+stilte breken van den nacht.
+
+Niet zonder verwondering hoorde Iravati den spreker aan. Waartoe
+die verklaringen? En vanwaar die plotselinge omkeer?
+
+--Eene verandering,--ging Selim voort,--en naar ik geloof een niet
+geringe is er, hoewel binnen betrekkelijk korte tijd, met mij
+voorgevallen. Tot heden was ik... hoor mij aan, en treed niet
+terug! ik wil u alles zeggen... tot nu dan was ik een woestaard,
+een wellusteling, ja een dronkaard zelfs, ik verberg u niets! Maar
+ik heb opgehouden dat te zijn; ik heb gebroken met mijn voorleden,
+en de Selim van thans is een andere geworden dan hij gisteren zich
+misschien nog betoonde. Ik wil leven voortaan voor pligt en voor
+eer, voor het heil der volken die eenmaal aan mijne zorgen mogten
+zijn toevertrouwd; ik wil vaarwel zeggen aan alle eerzuchtige en
+ongeoorloofde voornemens en bovenal ook aan die nietswaardige,
+verlagende verstrooijingen, waarin ik tot heden wel geen wezenlijk
+genoegen maar toch een soort van uitspanning vond. Ik wil dat
+alles, indien... indien een wensch wordt voldaan, van welks
+vervulling mijn geluk, mijne toekomst, en voor een deel welligt
+ook die van mijn rijk afhankelijk zal zijn! Die vervulling is in
+uwe hand!
+
+--Ik begrijp u niet, Heer!--sprak Iravati, wie het angstig te
+moede werd, en die geen vrouw ware geweest als zij niet maar al te
+wel tot het besef was gekomen, waarheen de rede van den Kroonprins
+strekken moest.
+
+--Gij zult mij spoedig begrijpen,--antwoordde deze,--als ik u zeg,
+wie die verandering in mijn wezen zoo plotseling heeft teweeg
+gebragt. Of liever, behoeft gij nog te gissen en te raden, en hebt
+gij niet lang reeds uit al mijn woorden verstaan, dat het niemand
+anders zijn kon dan gij en gij alleen?--En zoo is het,--ging hij
+met steeds klimmende, doch altijd binnen de grenzen eener
+eerbiedige bewondering gehouden geestdrift voort;--sinds het
+eerste oogenblik dat ik u aanschouwde, wist ik, althans gevoelde
+ik, dat gij een invloed, en een belangrijken, moest hebben op mijn
+lot. Ik, die nooit nog voor iemand, wie ook, de oogen had
+neergeslagen, ik deed het onmiddelijk voor u, en gevoelde mij
+klein en nietig in uwe tegenwoordigheid. En telkens, wanneer ik u
+terugzag en met u sprak, en u nader leerde kennen, werd het mij
+duidelijker dat gij over mijne toekomst te beslissen zoudt hebben.
+Ik begon een afkeer te krijgen van mijzelf en van mijn levenswijs
+en die zoogenaamde vrienden, die mij op zoo onwaardige wijze den
+avond en dikwijls den nacht hielpen doorbrengen. Toch kon ik nog
+niet besluiten, zoo op eens met dat alles te breken, en als dan
+onze feesten weer aan den gang waren, ja, dan, ik beken het
+openhartig, verdween ook menigmaal uw beeld voor mijn geest, als
+de wijn dien weer begon te benevelen. Maar welk een gevoel van
+schaamte en van onwil tegen mijzelven dan weder, zoodra ik 's
+anderen daags u weer ontmoette! Heden dan werd mijn besluit
+genomen en, gelijk gij ziet, ook volvoerd. Alles is stil, de
+feestklanken zwijgen, mijne danseressen heb ik weggezonden en de
+meesten mijner gasten zijn heden vertrokken of denken morgen
+Allahabad te verlaten. Dat alles is uw werk; moge 't door meer en
+beter nog gevolgd worden! Maar daartoe is ééne voorwaarde
+onmisbaar! Wij mogen geen vreemden blijven tegenover elkander; een
+nadere band dan eene toevallige en weer voorbijgaande kennismaking
+moet ons vereenen. Iravati! kan het nog noodig zijn u duidelijker
+te verklaren wat ik voor u gevoel? Welnu dan! ik....
+
+--Ach neen, neen, Heer!--riep Iravati hartstogtelijk, en de handen
+smeekend omhoog heffend, uit,--zwijg dat woord dat gij gereed
+waart te spreken, maar dat ik niet mag aanhooren!
+
+--Niet mag?--herhaalde Selim vragend--of niet wil? Mij dunkt dat
+er van mogen niet te spreken valt, waar een bede tot u gerigt
+wordt door mij!
+
+--Beide dan,--antwoordde Iravati met vaste stem,--niet mag en niet
+wil! Ik mag niet, omdat mijn woord van trouw mij aan een ander
+heeft verbonden; en mogt ik, toch zou ik niet willen en ook niet
+kunnen wat gij verlangt, omdat mijn hart, mijn gansche leven nu
+eenmaal dien anderen toebehoort.
+
+Gelukkig voor haar dat de toenemende duisternis haar belette de
+sombere en woeste uitdrukking op te merken, die bij deze vrij
+onvoorzigtige woorden op het bleek gelaat van den Prins te lezen
+stond. Want had zij 't gezien, zij mogt gesidderd hebben bij de
+gedachte aan dien andere en aan hetgeen hem welligt van zulk een
+medeminnaar te wachten stond.
+
+--Bedenk het wél,--sprak Selim, na een wijl gezwegen te hebben,
+bedenk het wat gij roekeloos dus versmaadt ter wille van een
+jonkman, die u eenmaal misschien dierbaar was en voor 't oogenblik
+nog schijnt te zijn, maar die, zoo hijzelf u al trouw bleef, toch
+nimmer u kan aanbieden wat de toekomstige beheerscher van het rijk
+der Mogols u verzekeren wil! Ik spreek u niet van de schatten die
+uw eigendom zouden zijn en van de weelde waarin ge u baden mogt,
+wanneer gij eenmaal, aan mijne zijde gezeten, mogt gebieden over
+de rijken en vorsten van Hindostan. Te goed is mij bekend, hoe
+weinig uw edeler en boven dat alles verheven geest voor dergelijke
+verlokking vatbaar ware. En toch blijft ook dit niet te verachten!
+Gij meent te weten wat rijkdom en weelde is; maar wat gij tot
+heden daarvan gezien hebt, is niet dan ellendig klatergoud tegen
+de wezenlijke pracht, die de paleizen en lusthoven van Agra en
+Delhi u eenmaal bieden konden. Doch laat dat zijn! Maar bedenk,
+zeg ik, wat schitterende toekomst gij verwerpt, indien gij liever
+de vrouw wordt van een onbekend en niets beteekenend edelman dan
+de magtige Sultane, die den onbeperkten monarch in al zijn doen en
+laten beheerscht, en alle grooten en edelen voor hare voeten ziet
+buigen, en naar welgevallen over het lot van millioenen beschikt!
+Want, zooals ik heden het mijne in uwe handen stel, zoo doe ik,
+dat zweer ik met een duren eed! ook van heden af met dat mijner
+toekomstige onderdanen. Wat gij wilt en beslist zal mij eene wet,
+een gebod zijn, waaraan ik mij niet zal vermogen te onttrekken;
+want dit weet ik, niets dan wat edel en goed en verstandig is zal
+mij door u worden aangeraden, en geen regtvaardige en geen
+onregtvaardig verdrukte ook in het gansche rijk of hij zal steun
+en bescherming vinden bij u!
+
+Te vergeefs bleef de heerscher van morgen, smeekeling nu, op een
+antwoord wachten. Iravai zweeg, maar haar stilzwijgen gaf
+blijkbaar genoeg geenerlei toestemming te kennen; zij had zich
+afgewend en als in stille smart zich met gebogen hoofd het gelaat
+met de handen bedekt. Ook het schitterend vooruitzigt haar
+voorgespiegeld, had dus geen indruk gemaakt op haar gemoed.
+
+--Iravati!--sprak Selim weder en nu met diep bewogen stem,--laat de
+vrede mij niet aanstonds weer zijn geroofd, die bij uwe verschijning
+zoo weldadig was neergedaald in mijne ziel! Door u ben ik een ander
+mensch geworden; laat mij niet weder terugkeeren tot wat ik eenmaal was!
+Heb medelijden met mij, en met die talloozen ook, die een weldoener in
+mij zullen vinden als gij mij ter zijde staat, maar ook een tiran
+misschien als gij mij blijft versmaden! Ik ben zwak, dat weet ik; maar
+ik zou sterk, ik zou een held, ook in het zedelijke, zijn, als ik aan
+uw woord, aan uw aanblik mijne kracht mogt ontleenen. Waarom mij dat
+dan ontzegd? Eén woord slechts behoeft het u te kosten, en de kroon van
+Indië ligt aan uwe voeten, en gij hebt de hand slechts uit te strekken
+om ze te plaatsen op uw eigen hoofd!--Maar ik zie het,--ging hij
+driftig voort, toen Iravati nog altijd bleef zwijgen,--mijn eerbied,
+mijne bewondering, mijne tot alles bereide liefde is u niets, en gij
+versmaadt den Vorst voor den onbeduidenden avonturier aan wien gij door
+onbedachtzaam eenmaal gesmeede ketenen u gebonden waant! Doch bedenk
+ook wel wat gij doet, wat gij waagt, welk lot u zou kunnen treffen, en
+ook hem, als eenmaal de liefde van den magthebber verkeeren mogt in
+toorn en in haat!... --Maar ik spreek waanzinnige woorden,--zeide hij
+weder mismoedig, terwijl hij het hoofd op de borst liet zinken;--wat
+reden ook en wat regt heb ik om uwe wederliefde te eischen? Ik ben, hoe
+hoog ook eenmaal mijn staat, toch uwer niet meer waardig; ik ben oud en
+afgeleefd vóór mijn tijd; en hij, die andere is jong en schoon en nog
+onbedorven van hart. Wat reden dan voor mij tot klagten? Wat ik ben
+geworden, dat heb ik mijzelf gemaakt of een ongelukkig lot dat mij in
+een toestand plaatste, waarvoor ik niet berekend was. En toch, hoe
+anders, anders had het kunnen zijn, indien datzelfde lot u vroeger dan
+heden op mijn weg had gevoerd! Maar te laat nu, te laat!...
+
+--Mijn Vorst!--sprak thans Iravati zacht,--gij doet uzelven
+onregt! Gij hebt reden tot zelfbeschuldiging, maar niet daarom nog
+tot dergelijke zelfverachting. En wees verzekerd, ik veracht en
+versmaad u niet, al kan ik ook nooit de uwe zijn. Inderdaad, had
+ik u vroeger leeren kennen, ook zooals gij thans zijt, maar eer
+nog een ander mijne liefde wou en mijn woord van trouw erlangde,
+ik had misschien uwe genegenheid kunnen beantwoorden.
+
+Thans kan zij niet anders dan mij leed doen, ook terwijl ze mij
+vereert. Gijzelf trouwens kunt in ernst niet verlangen, dat ik
+mijn gegeven woord zou verbreken; en deed ik het, gij zoudt immers
+de achting voor mij verliezen, waarop uwe genegenheid steunt. Maar
+zelfs in dat geval, dat nu niet meer mogelijk is, had iets moeten
+zijn wat toch weer niet denkbaar ware geweest: uw hooge rang had
+niet moeten bestaan. Want dien zou ik nooit met u kunnen deelen.
+De weelde en de pracht, in wier midden gij u beweegt, zou nooit
+mijn levenselement kunnen zijn, en de geduchte verantwoordelijkheid
+zou ik niet weten te dragen, die gij geneigd waart op mijne schouders te
+leggen. Doch wat er ook van zijn mogt, het is nu eenmaal alles anders.
+En waarom ons dus te verliezen in overdenkingen, omtrent hetgeen
+misschien had kunnen gebeuren, maar toch niet is? De magtige Deva's, de
+ongeziene krachten die ons lot beheerschen, hebben het blijkbaar anders
+gewild; onderwerpen wij ons aan hunne voorzeker wijze beslissing, gij
+zoowel als ik! En zoo laat mij dan, mijn genadige Vorst en Heer! in den
+nederigen staat waarin gij mij gevonden hebt; ga en zie niet meer naar
+mij om; vergeet mij voor nu en voor altijd, of zoo ge soms u mijner
+nog herinnert, het zij dan om tevens aan het oogenblik te denken,
+waarop gij aan edeler gevoelens en verhevener voornemens u
+gewonnen gaaft dan te voren uw gemoed hadden vervuld! Wat mij
+betreft, ik wil u gedenken, u volgen met mijne gedachten in al uwe
+handelingen, in uwe toekomstige, zoo ik hoop en vertrouw, eenmaal
+roemrijke daden en gelukkige regering, als gij den troon van den
+grooten Keizer bestegen zult hebben; en wees verzekerd dat geen
+uwer tallooze onderdanen met meer wezenlijke en hartelijke
+belangstelling het oog op u gevestigd zal houden dan zij, die
+thans u smeekt haar te verlaten en haar te ontslaan van den
+moeijelijken pligt om ongehoorzaam aan uwe wenschen te zijn!
+
+Naar een antwoord, een passend, een afdoend, overtuigend antwoord
+zocht, maar vruchteloos, de voor 't eerst misschien in zijn
+gansche leven zóó weersproken despoot... Zwijgend bleef hij vóór
+de jonkvrouw staan, nu gereed om te spreken, dan weer zich
+terughoudend, en te vergeefs naar woorden zoekend om de
+tegenstrijdige gevoelens te uiten, die daar woelden en elkaar
+verdrongen in zijn brein. Ten laatste trad hij op Iravati toe,
+greep hare hand, en na ze even met zijne lippen te hebben
+aangeraakt, keerde hij zich om en verdween, zonder een woord
+verder te spreken, in de duisternis.
+
+'s Anderen daags vernam Salhana tot zijn niet geringen schrik, dat
+de Prins het kasteel en Allahabad had verlaten, en met één enkelen
+dienaar was heengetogen,--niemand wist te zeggen, waarheen.
+
+
+
+NEGENDE HOOFDSTUK.
+
+De keizerweging
+
+Wat al gewoel daar op dien grooten bazaar, waar Siddha eens in den
+morgen rondslenterde tusschen de lange reijen van winkels, die al wat
+het oog in die streken maar begeerde en ruimer of beperkter beurs
+betalen kon, in rijken voorraad hadden uitgestald! En wat zonderlinge
+en vreemdsoortige mengeling van rassen en volken, waarvan de
+verschillende vertegenwoordigers, lang reeds aan elkander gewoon, zich
+daar kruisten bijkans zonder acht meer op elkaar te slaan! Hier de
+oorspronkelijke bewoners des lands, de Hindoe's van meer of minder
+zuiver bloed en dientengevolge ook meer of minder gebruinde tint; dáár
+de menigmaal overmoedige beheerschers, de Perzen en Arabieren en
+Tartaren met hun veelal blanker gelaat; elders weer Armeniërs en Joden
+uit wederom westelijker streken, en ook zonen van het Hemelsch Rijk met
+hunne lange staarten en wijde gebloemde japonnen; hier en daar enkele
+mannen, wier aanblik in 't bijzonder Siddha's opmerkzaamheid trok,
+vermits hij huns gelijken nog niet had gezien, mannen in zonderlinge
+kleedij, met puntige, breedgerande met pluimen bezette hoeden, in korte
+wambuizen, wijde fulpen broeken en hooge kaplaarzen, en met lange regte
+degens in kleurig om den schouder hangend bandelier; eindelijk, in hun
+gezelschap, een paar van die geestelijke heeren, waarvan er één niet
+lang geleden bij den Keizer zelf was toegelaten geweest. En dan weer
+tusschen al die mannen, velen gekomen om te koopen of hun eigen waren
+van de hand te doen, anderen ook in voorname ledigheid rondwandelend en
+uit de hoogte op de woelige menigte nederziend, een tal van vrouwen van
+niet minder gemengde natiën en rangen; verscheidene in 't eeuwenheugend
+onveranderd Indisch volkskostuum, eenvoudig maar sierlijk en bevallig
+steeds, dat heupen en linkerschouder wel bedekkend, een deel van den
+regter zigtbaar liet; andere in kleuriger meer opgeschikt Perzisch
+gewaad; enkele ook digt gesluijerd naar streng Mohammedaansche zeden
+en niets vertoonend wat aan een menschelijk wezen kon herinneren dan
+een paar met roode pantoffels geschoeide voeten en een paar donkere
+oogen, die overigens glinsterend genoeg door de ronde gaten van
+den vormloozen alles overdekkenden sluijer gluurden; sommige
+eveneens daar verschenen om huishoudelijke inkoopen te doen of
+zich in 't bezit te stellen van meer overtollige snuisterijen;
+maar verscheidene ook om er iets anders nog dan koopwaren te
+zoeken of wel op meer of min bedekte wijze zich zelve daarvoor aan
+te bieden; deze laatste de bewoonsters van dat sterk bevolkt
+gedeelte der stad, dat in de wandeling onder den eigenaardigen
+naam van Shaitan-poera of "Satanstad" bekend was.
+
+Juist wilde Siddha aan een der voorbijgangers vragen, wie die hem
+nog onbekende mannen waren, toen hij zijn vriend en begunstiger
+Feizi zag naderen en de vraag dus aanstonds tot dezen rigten kon.
+
+--Dat zijn Franken,--antwoordde Feizi,--of zooals ze met hun meer
+bijzonderen naam zich heeten, Portugezen. Zij komen uit zeer verre
+streken van het Westen om hier in Indië handel te drijven, en die
+anderen, die daar met hen zijn, om ons te bekeeren tot wat zij
+noemen het alléénzaligmakend geloof.
+
+--En die twee,--vroeg Siddha,--die van de andere zijde naderen,
+behooren die ook tot hen? Zij dragen nagenoeg dezelfde kleeding,
+maar hun gelaat is, dunkt mij, blanker; en wat rosse haren en
+baard!
+
+--Ook wel Franken!--verklaarde Feizi,--maar toch van de anderen
+onderscheiden. Het zijn Engelschen, die hier de Portugezen zoeken
+te verdringen, maar tot nog toe met weinig geluk.
+
+Ook zijn ze niet erg bij den Keizer en bij onze grooten gezien.
+Eenige weinige jaren later nog, en Feizi had onder die vreemde
+Westerlingen in Agra, die hij, even als zijne tijd en landgenooten
+onder den algemeenen naam van Franken begreep, ook nog anderen
+kunnen aanwijzen, die wederom van genen verschilden. Hij had er
+dan kunnen wijzen op de forsche, schoon soms ietwat plompe
+gestalte en het goedronde gezigt van Hollander en Zeeuw, die
+mannen, die onder aanvoering van Pieter van den Broeeke daar
+almede hunne fortuin of die hunner meesters, de Bewindhebbers der
+Oost-Indische Compagnie, kwamen beproeven en lange jaren beide
+voor Portugezen en Britten de meest geduchte mededingers op de
+markten van Hindostan en de rijken der Mogols zouden zijn, en die
+ook in de Indische wateren de eer der Nederlandsche vlag met roem
+zouden weten te handhaven tegen "Gijs" of "Gijs-oom", gelijk zij
+bij wege van spottende, zooal spraakkunstig min verdedigbare,
+verkorting gewoon waren hun aartsvijand in die streken te
+betitelen. Maar hun tijd was toenmaals nog niet gekomen.
+
+Terwijl inmiddels de beide Engelschen voorbijgingen bekeek hen
+Siddha met die soort van nieuwsgierigheid, die, bij het zien van
+nog onbekende vreemden niet onnatuurlijk, doch ook vér was van
+beleefd te mogen heeten. Doch Siddha gevoelde, na 't geen hem
+omtrent deze lieden was meegedeeld, te weinig eerbied voor hen dan
+dat hij 't noodig rekende hun zijne gewone hoffelijkheid te
+betoonen; en ook Feizi zelf scheen hun nauw een blik waardig te
+achten.
+
+--Verdoemde, trotsche Mooren!--bromde een der beide zonen van
+Albion in zijn taal, terwijl hij verder ging.
+
+Hadden die twee mannen, die inderdaad nog al hoovaardige Indiër,
+dien de ander voor een Perziaan of Arabier aanzag, en die thans
+nog geminachte Brit eens een enkelen blik in de toekomst kunnen
+werpen, en hadden zij vermoed, dat de opvolgers van dezen eenmaal
+de beheerschers van die des anderen en de oppergebieders van het
+land zouden worden, ze hadden elkaar waarschijnlijk met wat meer
+opmerkzaamheid gadegeslagen. En met te grooter belangstelling
+zeker nog indien iemand hun toen eens had kunnen zeggen, dat zij
+de afstammelingen waren van een en hetzelfde volkengeslacht, en
+dat die vreemdeling, wat alouden oorsprong aanging, vrij wat nader
+bij Siddha stond dan deze bij menig zijner uit Semitisch ras
+gesproten vrienden.
+
+--Doch laat al dat volk voor 't geen 't is!--sprak Feizi weder,--
+die lieden doen ons overigens hier geen kwaad, maar integendeel
+veel nut aan onzen handel en onze industrie. Ook leveren ze ons
+verscheiden goede schilders en andere kunstenaars. En omtrent hun
+eigen landen hebben ze ons veel geleerd. Als zij hier maar niet
+trachten den baas te gaan spelen, zooals dat elders wel in hun
+smaak schijnt te vallen!
+
+--Nu, maar dan zou ik ze toch aanstonds de deur uitzetten!--zei
+Siddha.
+
+--Dat zou ook stellig wel gebeuren, dat verzeker ik u! Maar nu
+iets anders! Vooreerst dan: Hebt ge mijn vos al eens gereden,
+zooals wij hadden afgesproken?
+
+--Wel-zeker! antwoordde Siddha,--en met het grootste genoegen. Een
+alleredelst dier!--En hij begon zich te verliezen in lofredenen op
+het paard van Feizi.
+
+--Hij bevalt u alzoo?--sprak deze,--nu, dan zal ik hem op uw stal
+laten brengen. Gij kunt hem houden als gij wilt; en in den
+aanstaanden veldtogt zal hij u wel te pas komen. Uw schimmel is,
+ik erken het, een fraai paard en heel goed gedresseerd, maar, zoo
+'t mij voorkomt, niet zoo heel sterk. De vos is dat juist
+buitengewoon. En ikzelf rijd hem toch zelden; ik wil 't ook wel
+bekennen, ik ben wat lui geworden en gebruik liever een beest van
+wat zachter beweging.
+
+--Maar,--zei Siddha, over dergelijke geedheid verlegen,--dat is
+waarlijk een toch al te kostelijk geschenk, dat ik niet aan u heb
+verdiend! Uw vos is een volbloed, prachtige Arabier, zooals ik er
+nog nooit een gereden heb.
+
+--Als ik mijn vrienden iets aanbied,--zei Feizi,--dan dient het toch
+ook iets redelijks te zijn. Maar ik heb u nog iets anders te vertellen.
+En wel omtrent de vergadering die er gisteravond in het paleis werd
+gehouden en waarbij ik u gaarne tegenwoordig had gezien. Verbeeld u! in
+weerwil van al de staatszorgen die den Keizer weer overstelpen, vond
+hij toch nog tijd en lust als gewoonlijk om zijne wijsgeerige en
+theologische zamenkomsten te houden; en juist nu was dan ook de
+gelegenheid bijzonder gunstig, nu de Christenzendelingen uit Goa weer
+over waren gekomen. Zoo had hij dan gister, in een der groote zalen
+van het paleis, een aantal oelemah's en moellah's, waaronder natuurlijk
+ook Abdal Kadir, verzameld, en met hem een paar Jezuïeten, een Jood en
+een Parzi, benevens uw voormaligen, hier teruggekomen leermeester
+Koelloeka, dien gij gewis reeds begroet zult hebben, en Aboel Fazl,
+mijn broeder. Ik zelf had ook de eer en het genoegen daarbij aanwezig
+te zijn, en nam in den loop der discussie uwe aloude atheïstische
+natuurphilosophie voor mijne rekening al keek ook Akbar zelf daarbij
+soms wat schuin, terwijl Koelloeka voor den regtzinnig Brahmaanschen
+Vedanta optrad, en Aboel Fazl zich meer op algemeen humanistisch terrein
+bewoog. Koelloeka betrapte hem nu en dan wel op erg Boeddhistische
+ketterijen, maar liet dat gaan, in aanmerking nemend dat er geen
+Boeddhist in 't gezelschap was om zijne leer te verdedigen, gij weet
+toch, er zijn er hier nog wel, maar niet bekwaam genoeg om aan
+dergelijke gesprekken deel te nemen. Wat nu inmiddels, zoo
+belangwekkend dan overigens die gesprekken, waarbij de Keizer meer
+voorzat dan meeredeneerde, nog het merkwaardigst mogt heeten, was de
+afloop van de gansche vergadering. In den beginne ging alles zoo
+ordelijk en hoffelijk als maar verlangd kon worden: onze moellah's
+bleven statig en deftig en lieten zich niet veel uit; de padre's waren
+heel zachtzinnig en floten zoet als vogelaars; de Jood, een volgeling
+van Maimonides, bleef, dat dient gezegd, ten einde toe waardig, schoon
+hij niet veel zeide en zich ook niet bijzonder op zijn gemak scheen te
+voelen; de Parzi was dichterlijk, maar niet altijd heel goed te
+begrijpen; en wij, we wierpen zoo nu en dan enkele stellingen en
+bewijsgronden in de discussie, die we bij uwe wijsgeeren van ouds en
+ook hier en daar bij sommige onzer Arabische en Perzische hadden
+opgedaan, maar die geenszins in den smaak van de strijdende partijen
+bleken te vallen. Langzamerhand evenwel, zooals dat gemeenlijk gebeurt,
+begonnen deze zich warm te maken; van argumenten kwam het tot
+magtspreuken en van magtspreuken tot harde woorden, voornamelijk
+tusschen onze Moslemim en de Jezuïeten, hoewel ook wij in 't geheel
+niet en door geen hunner werden gespaard; en in 't eind werd het een
+gescheld en gevloek en geschreeuw, ondanks de tegenwoordigheid van den
+Keizer zelf, dat hooren en zien ons dreigde te vergaan. Vooral de
+moellah's weerden zich dapper. Gij begrijpt trouwens, dat ze zich
+hier wel 't meest verongelijkt moesten achten. Akbar intusschen
+zat het dwaze tooneel niet zonder inwendig genoegen aan te zien en
+keek mij menigmaal glimlagchend aan; maar ten slotte werd het hem
+toch te erg, en begreep hij dat aan zijne waardigheid te kort zou
+worden gedaan als hij 't langer liet voortduren.--Feizi!--zeide hij,
+mij wenkend,--laat dat volk de deur uitwerpen als het zich niet langer
+behoorlijk weet te gedragen! Ik gaf hun nu immers weer de ruimste
+gelegenheid om hun geloofstheoriën tegenover elkaar te verdedigen, ten
+einde dan zelf te zien wie de beste gronden voor de zijne zou weten aan
+te voeren. En wat doen ze nu? Elkaar uitschelden en verdoemen, anders
+niet. Hoor mij dat rumoer nu eens aan! Zoo aanstonds gaan ze, geloof
+ik, nog vechten! Maak er een eind aan!--Sire!--antwoordde ik,--dan zou
+'t toch maar best zijn ze allen te zamen weg te jagen; want zoolang er
+nog twee overblijven, komt er toch geen eind aan 't gekijf.--Akbar
+lachte, maar stond toen op van den zetel waarop hij tot nu toe met de
+meest mogelijke kalmte was blijven zitten; en, zijne magtige stem
+verheffend, terwijl nu aanstonds al de twistenden zwegen, zeide hij:
+--Wij danken u, mijne heeren! voor den leerrijken avond, dien uwe
+welwillendheid en uwe belangwekkende zamensprekingen ons heden weder
+verschaft hebben, en wij houden ons voor eene nadere bijeenkomst
+aanbevolen. De tegenwoordige zij voor 't oogenblik gesloten!--En met de
+hand wenkend, liet hij de aanwezigen gaan, waarvan de meerderheid zich
+al grommend verwijderde. Och, Siddha! wat zijn de menschen toch gek,
+dat ze elkaar zoo haten en vervloeken om afgetrokken stellingen over
+zaken, waarvan ze toch niets weten en wier kennis, al bezaten ze die
+ook, hen geen stap verder zou brengen tot de werkelijke beoefening van
+wat eer en pligt hun gebieden!
+
+--Dat zeg ik ook! En 't laatste is waarlijk al moeijelijk genoeg!
+--antwoordde Siddha met een zucht, en zichzelven vrij wat meer dan
+de ander nog kon vermoeden, van die moeijelijkheid bewust.
+
+--Maar vertel mij nu eens,--hernam Feizi,--ik vergat nog 't u te
+vragen, hoe komt ge hier in eens zoo terug? Ik dacht dat gij met
+de uwen reeds naar 't leger op weg waart.
+
+--Dat was ook zoo,--gaf Siddha ten antwoord,--wij waren reeds
+vertrokken, maar ontvingen tegenbevel onder weg. En zoo blijven we
+dan nog eenige dagen in Agra; 't geen mij bijzonder genoegen doet,
+omdat het mij in de gelegenheid stelt, het groote feest van heden,
+het geboortefeest van den Keizer, bij te wonen, waarvan ik veel
+gehoord heb.--Dat er nog een andere reden was, waarom Siddha nog
+gaarne wat langer in Agra vertoefde, vond hij natuurlijk niet
+noodig er bij te voegen.
+
+--Gij herinnert mij tevens,--sprak Feizl weder,--dat het tijd zal
+worden om naar het paleis te gaan voor den doerbar. De Keizer
+ontvangt heden, zooals gij weet, de vreemde gezanten. Ga mee, gij
+kunt er uw plaats innemen onder de officieren van uw rang.
+
+Minder dan toen hij voor 't eerst een doerbar of audientie van den
+Mogel bij woonde werd Siddha, na met Feizi de groote troonhal te
+zijn binnengetreden, en in 't eind ook de Keizer verschenen was,
+door den indruk getroffen, dien al wat hem daar omringde op den
+bezoeker te weeg moest brengen; maar toch kon hij ook nu niet
+nalaten de sierlijke pracht der wit marmeren kolommen en der met
+fraai mozaïekwerk ingelegde wanden te bewonderen en de luchtige,
+fijn gehouwen bogen en de menigte van veelkleurige zijden en
+fluweelen voorhangsels, die in bevallige plooijen tusschen de
+hooge zuilen heen en weder wuifden. Meer nog echter trof hem
+ditmaal de aanblik der vergadering, grooter en plegtiger thans dan
+bij andere, vroegere gelegenheden. Aan 't eind der hal, van boven
+beschenen door een niet te sterk licht, zat de Groote Mogel op
+zijn kostbaren, van edelgesteenten schitterenden troon; aan
+weerszijden, in lange reijen, allen staande, de omrah's en
+oelemah's, de ministers, de veldheeren en alle verdere grooten van
+hoogen rang; voorts de gezanten van verschillende natiën, allen in
+hun bijzondere kleederdragt; daar tusschen de padre's Jezuïeten,
+en eindelijk de mindere beambten en officieren, waaronder ook
+Siddha, overeenkomstig zijn rang, een plaats had ingenomen.
+
+Het voornaamste deel der plegtigheid was de uitwisseling van
+geschenken. De gezanten, en ook anderen, begaven zich ieder op
+zijn beurt tot den Keizer, legden, vóór den troon gekomen, op de
+officiëele wijze de regterhand tegen het voorhoofd en bogen dan
+het hoofd bij wijze van begroeting. Daarop stelden zij de
+geschenken, die zij medebragten, meest kostbare voorwerpen van
+kunst, aan de eene zijde van de trappen der verhevenheid waarop de
+troon geplaatst was, en namen dan de tegengeschenken in ontvangst,
+die van wege den Keizer hun werden aangeboden. Ook Rodolpho
+Aquaviva begaf zich op zijn beurt tot den Mogol en, een prachtig
+gebonden Latijnschen Bijbel in de hand houdend, wilde hij dien op
+de gebruikelijke wijze nederleggen, toen Akbar zelf opstond, een
+paar schreden voorwaarts deed, en het boek persoonlijk uit handen
+van den zendeling aannam.
+
+--Wij danken u, Eerwaarde Vader!--zeide hij,--voor uw wélgedachte
+geschenk! En wij willen hopen, dat hetgeen wij van onzen kant u
+hebben aan te bieden, ook u niet minder welkom zal zijn.
+
+En van een nevens hem staanden Brahmaan van hoogen rang een
+sierlijk handschrift van vrij grooten omvang aannemend, gaf hij
+dit over aan den Jezuïet, onder bijvoeging van de woorden:
+
+--Het is een handschrift van den Atharva-Yeda, een der oudste
+heilige boeken onzer Indiërs, met daarnevens gelegde Perzische
+vertaling.
+
+Eerbiedig nam Aquaviva het Keizerlijk geschenk in ontvangst, schoon het
+de vraag mogt heeten of hij er zoo bijzonder mee was ingenomen en er
+niet eenige toespeling in zag op het verhandelde ter vergadering van
+den vorigen avond, 't geen te meer waarschijnlijkheid erlangde doordien
+den Keizer steeds vooruit bekend was, welke bepaalde geschenken zouden
+aangeboden worden ten einde de zijnen daarnaar te kunnen inrigten, en
+er alzoo wel eene bepaalde bedoeling in het tegengeschenk moest zijn
+gelegen. Maar wat de padre ook dacht, niet moeijelijk viel te raden hoe
+de zaak door de regtzinnige Mohammedanen zou worden opgevat. En
+werkelijk fronste zich menig voorhoofd in hunne reijen, en niet dan met
+de uiterste moeite kon Abdal Kadir zich weerhouden, openlijk aan zijne
+verontwaardiging lucht te geven. Dat zij niet op den zin van het
+tegengeschenk letten en niet begrepen hoe Akbar juist daarmede te
+kennen gaf, dat hij volstrekt geen partij trok voor de Christenen in
+het bijzonder, sprak wel van zelf; zij zagen alleen op de buitengewone
+eer den Christen bewezen; maar Aboel Fazl, die de zaak beter vatte,
+schudde toch ook, hoewel nauw merkbaar het hoofd; die vrij noodelooze
+uittarting en beleediging van de Mohammedanen door den anders zoo
+verstandigen en humanen Akbar was hem leed, ook al kon hij voor 't
+overige niet geheel ontkennen, dat ze voor hun onhebbelijk gedrag van
+den vorigen avond wel iets hadden verdiend.
+
+Na afloop van de eigenlijke receptie bleef de Mogol nog eenigen
+tijd anderen ten gehoore ontvangen, en liet ook dezen en genen tot
+zich komen om hun openlijk eenige opdragt te geven of met een of
+ander ambt hen te bekleeden. Zou in 't eind ook onzen Siddha, dien
+zijn altijd scherp oog daar onder zijne officieren had opgemerkt.
+
+--Siddha Rama!--zeide hij,--wij hebben reden, over u tevrede te
+zijn. En uit aanmerking daarvan zijt gij van heden af Mansabdar
+over duizend. Blijf ons vertrouwen u waardig betoonen!
+
+Een hoog rood overtoog Siddha's gelaat, terwijl hij stilzwijgend
+en op de gebruikelijke wijze diep het hoofd buigend den Keizer
+zijn dank bragt voor de op nieuw hem bewezen gunst. Het vertrouwen
+van Akbar waardig! Kon er één zijn in het leger, die het nog
+minder verdiende? En toch ... zijn land, zijne betrekkingen en--
+Rezia! En de Keizer had immers ook wel eenig belang bij zijne
+spoedig te verwachten medewerking voor de zaken van Kaçmir. 't Was
+dus niet alles edelmoedigheid en gunst! Akbar intusschen zag in de
+verlegenheid van den jongen krijgsman niet dan eene ligt
+verklaarbare en zelfs loffelijke bescheidenheid, toen hij zoo
+openlijk zich geprezen en met gunsten, door de Moslem's hem weer
+benijd, overladen zag, en vriendelijk knikte hij den jongeling
+toe, terwijl hij hem wenkte dat hij zich verwijderen mogt.
+
+Niet lang nu ook of het oogenblik was daar waarop het eigenlijke
+volksfeest een aanvang zou nemen. Daartoe was een uitgestrekt veld
+buiten de stad bestemd; en derwaarts stroomde uit alle straten en
+langs alle wegen eene bonte menigte van voetgangers en ruiters,
+velen te paard, anderen op fraai uitgedoste olifanten, verscheiden
+ook op kameelen met eetwaren en andere ververschingen beladen ten
+gerieve der velen, die kwamen deelnemen aan de vermakelijkheden.
+In dat bont gewoel mengde zich weldra ook Siddha met zijn vriend
+Parviz, dien hij bij 't verlaten van het paleis had ontmoet en die
+hem hartelijk geluk wenschte met zijne nieuwe bevordering.
+
+--En gij,--vroeg Siddha,--hoe staat het met uwe belangen?
+
+--Gij meent waarschijnlijk mijne heel bijzondere, niet waar?--zei
+de andere lagchend,--nu dat gaat nog al. Haar wie mijn hart
+behoort zag ik meermalen in den laatsten tijd, en schoon dat zeer
+in 't geheim geschiedt, heb ik toch reden om te vermoeden dat
+Todar Mal, haar vader, dat heel wel weet en er eigenlijk niets
+tegen heeft, al geeft hij zich natuurlijk den schijn als ware 't
+hem volkomen onbekend. Ik geloof trouwens dat mijn oom Feizi niet
+geheel vreemd is aan die gunstige wending. Zegene hem Allah! zou
+de vrome Abdal Kadir zeggen.
+
+En hier verdwaalde de goede Parviz, zooals te verwachten was, in
+een stroom van lofredenen op de schoonheid en de deugden der
+aangebedene, die voor hem natuurlijk van hoog, maar voor zijn
+toehoorder niet dan van matig belang waren, maar in elk geval
+strekten om de beide vrienden bezig te houden tot zij, al
+voortwandelend, op het feestterrein zelf waren aangekomen.
+
+Ook hier was de aanblik niet minder levendig en ongetwijfeld nog veel
+vrolijker dan te voren die van het uitgestrekte legerkamp. Eene
+onafzienbare menigte bewoog zich in de meest bonte groepen over het
+groote, golvende veld, waar tallooze grootere en kleinere, op allerlei
+wijze uitgemonsterde tenten waren opgeslagen, en vooral ook de vele
+olifanten met hunne logge en meestal donkere ligchamen maar schitterende
+dekkleeden en rijk versierde zetels eene schilderachtige afwisseling
+tusschen de zooveel kleinere gestalten der voetgangers en ruiters te
+weeg bragten. In 't bijzonder trokken de keizerlijke de aandacht, wier
+gouden borst- en hoofdplaten met groote smaragden waren getooid,
+en wier reusachtig ligchaam ook overigens met een schat was
+beladen, die op zich zelf reeds een matig fortuin voor een stil en
+gewoon burger mogt hebben vertegenwoordigd. Op een der aldus
+gesierde vertoonde zich de Groote Mogol zelf, en in 't midden van
+een breeden kring van hovelingen afstijgend, begaf hij zich met
+hen naar de plaats waar de groote plegtigheid van den dag stond
+gevierd te worden, eene plegtigheid evenwel, die meer de opmerking
+verdiende om het zonderlinge dan wel om het indrukwekkende dat
+haar eigen was, en die velen op meer of min gezochte wijze
+getracht hebben zinnebeeldig te verklaren, maar waarvan toch de
+regte beteekenis den geschiedschrijver nog ontsnapt.
+
+Op een kleine verhevenheid bevond zich een vrij omvangrijke en
+sterke weegschaal, waarop een man zich gemakkelijk plaatsen kon.
+In de ééne schaal lagen hoopen goud en zilver en edelgesteenten;
+de andere, nu nog omhoog gehevene, was ledig. Op deze stelde zich
+nu de Keizer zelf ten aanschouwen van de honderden en duizenden
+zijner onderdanen die daar van alle kanten zich in 't ronde hadden
+geschaard; de andere schaal werd zoolang beladen en weder ontladen
+tot zij in evenwigt met den doorluchtigen persoon des Mogols was
+gekomen. En deze toonde wél, zijn redelijk gewigt tegen dat der
+edele metalen te bezitten; jammer maar dat er niet wat anders nog
+in de andere schaal gelegd kon worden, zooals pligt en eer en
+goede trouw en geestdrift voor al wat groot en schoon was; want
+ook tegen dit alles gewogen, ware Akbar voorzeker niet te ligt
+bevonden. Nadat nu evenwel de weging bezwaarlijk anders dan tegen
+iets stoffelijks had kunnen geschieden, stapte hij na afloop
+daarvan bedaard weer van zijn schaal, en het goud en zilver werd
+met het overige onder de omstanders verdeel. Ten slotte begaf zich
+de Keizer tusschen de groepen die hem omringden, wierp onder de
+omstanders een menigte van kleinere gouden voorwerpen, in den vorm
+van bloemen en vruchten gedreven en door zijn dienaren hem
+overgereikt, en rigtte middelerwijl tot dezen en genen, 't zij dan
+hooger of lager gestelde, een minzaam en belangstellend woord,
+waarmede hij velen op nieuw in de overtuiging bevestigde, dat het
+volk in Akbar niet enkel een groot en magtig, maar ook een
+welwillend gebieder had erlangd, wien het heil zijner onderdanen
+meer nog dan zijne eigene grootheid ter harte ging.
+
+Na afloop van de zoogezegd meer ernstige ceremoniën van den dag
+begon de eigenlijke feestvreugde eerst regt, en werden de talrijke
+bezoekers van het terrein met allerlei vermakelijkeden bezig
+gehouden. Hier goochelaars en grappenmakers, die verschillende
+sterke toeren verrigtten en dwaze kunsten vertoonden; ginds
+dansers en danseressen, die met hun gewone langzame bewegingen en
+op de maat eener vrij eentoonige muziek hun meerendeels mimische
+dansen uitvoerden; verder op weer ruiters met lange speren naar
+ringen of andere voorwerpen stekend; en op een enkele plek ook de
+wonderlijke en afzigtelijke vertooning van een paar dier
+vreemdsoortige wezens, die op merkwaardige wijze, alleen Indiën
+eigen, een soort van godsdienstige handeling wisten te verbinden
+met wat men elders kermistoeren noemen zou; nagenoeg gansch naakte
+mannen, die een goede twintig voet boven den grond aan ijzeren,
+met een koord aan 't eind van een bewoegbaar dwarshout bevestigde
+en achter in hunne naakte schouders vattende haken slingerden.
+Vooral hier, waar die vertooning weinig gewoon was, trok zij de
+aandacht van zeer velen; en ook Parviz bleef met belangstelling
+opzien naar het schouwspel, terwijl Siddha, die het elders reeds
+dikwijls had bijgewoond, er vrij onverschillig bij bleef.
+
+--Wat die lieden toch kan bezielen?--zei Parviz tot zijn vriend;--men
+zegt dat ze die pijniging uit godsdienstijver ondergaan, maar
+waarom kiezen ze dan juist een volksfeest er voor uit? Vrolijk is
+de zaak toch niet. En wat ik ook maar niet kan begrijpen, is, dat
+ze na hun vertooning blijkbaar nog ongedeerd zijn en er nauwelijks
+pijn van schijnen te gevoelen.
+
+--Dat kan ik nu van mijne zijde u misschien duidelijk maken,--
+antwoordde Siddha;--gij weet dat dergelijke martelingen als ons
+hier schijnen vertoond teworden, door sommigen onzer godsdienstijveraars
+als verdiensten worden beschouwd, waarmede de hemel te winnen valt; en
+wanneer nu anderen, die de martelaars staan aan te zien, na afloop der
+plegtigheid hun meer of minder geld schenken dan verwerven de gevers
+zich ook een deel van de verdiensten die genen te veel hebben. Vandaar
+dat er nog al winst voor de vertooners te behalen is op plaatsen, waar
+ze veel bijgeloovig volk bijeen vinden. Hier schijnt dat evenwel minder
+te lukken dan in 't oosten en noorden. Wat nu hun kunsten zelven
+aangaat, daarvan is het geheim wel niet met zekerheid bekend,
+maar, naar ik geloof, toch wel eenigermate vermoed. Bedrieg ik mij
+niet, dan voeren zij altijd eenige vrouwen met zich, hoewel deze
+zich niet met hen in 't openbaar vertoonen, en laten zich door
+haar den halven dag en vooral onmiddelijk vóór den aanvang hunner
+kunsten, in en onder de schouderbladen zóólang knijpen dat zij
+bijkans ongevoelig worden op die plek en na lange steeds
+voortgezette oefening de haken er zóó in vatten kunnen, dat ze hun
+geen kwaad en bijkans ook geen pijn meer doen.
+
+--Wonderlijke aardigheden toch!--merkte Parviz op.
+
+--Ja, en ellendige ook, voor zoover ze 't bijgeloof helpen voeden.
+Eerlijke en fatsoenlijke Brahmanen verachten ze dan ook diep. Maar
+hebt ge mij niet gezegd, dat wij een dierengevecht te zien zouden
+krijgen?
+
+--Welzeker! en ik bemerk daar aan de vlaggen ginds dat het haast
+zal beginnen. Laat ons daar heen gaan en er een plaats zoeken!
+
+Die te vinden op de rondom het strijdperk opgerigte en fraai versierde
+tribunes, in wier midden de Keizer zelf met velen zijner hofhouding
+gezeten was, viel den beiden vrienden niet moeijelijk. De teekenen van
+hun rang gaven hun spoedig toegang tot een der kleinere stellaadjen; en
+weldra verschenen nu ook van twee verschillende kanten de beide
+strijdolifanten, elk met een schitterend dekkleed getooid en bereden
+door zijn eveneens kleurig uitgemonsterden kornak. Voorbereiding tot
+den strijd was er weinig. Zoodra de beide geweldige dieren elkaar
+genaderd waren, rigtten ze zich al snuivend op hunne achterpooten
+omhoog, bliezen hunne flanken op, grepen elkander bij de tromp, zoodat
+de eene plotseling als in de andere scheen geslingerd, en trachtten
+elkaar stooten toe te brengen met de lange vooruitstekende slagtanden,
+terwijl hunne berijders nu eens met de knieën achter hunne ooren, dan
+weer met de handen aan de singels der dekkleeden zich wisten vast te
+klemmen. Geruimen tijd duurde het woedend gevecht en met wisselend
+geluk, zoodat nu eens de eene olifant, dan weer de andere
+achteruitdeinsde, tot ten laatste een der beide werd omgeworpen,
+terwijl de kornak met een vluggen sprong veilig op zijne voeten teregt
+kwam. Terstond sloeg nu die van den overwinnaar zijn haak in de altijd
+open gehouden wond bij het oor, en zonder verder zijn gevallen
+tegenstander leed te veroorzaken trad het dier, door de pijn tot
+gehoorzaamheid gedwongen, terug. De Keizer klapte in de handen, de
+hovelingen en andere toeschouwers volgden zijn voorbeeld, en
+langzamerhand verliet men weder de tribunes.
+
+--Akbar schijnt veel belangstelling in dergelijke gevechten te toonen,
+--merkte Siddha aan, terwijl hij met zijn vriend verder wandelde.
+
+--Ja,--antwoordde deze,--dat is zoo. Akbar houdt van alles waarbij
+kracht en behendigheid van menschen of van dieren te pas komt. Hij
+zelf is, gelijk gij ook wel kunt zien, buitengewoon sterk; hij is
+beter misschien dan eenig ander bedreven op alle wapens; en zijn
+persoonlijke moed in den krijg en op de jagt is, zooals gij zeker
+wel vernomen hebt, van dien aard dat daaraan eer de naam van
+roekeloosheid te geven zou zijn. 't Is soms of hij de gevaren
+opzoekt in plaats van ze te vermijden, en zijne veldheeren en
+jagtvrienden hebben menigmaal heel wat met hem te doen als hij
+eens aan den gang is. Nu, van zijn velerlei avonturen zult gij ook
+wel al vrij wat gehoord hebben; sommige, 't is waar, zijn
+overdreven voorgesteld, maar ik weet er toch waarvoor ik zou
+durven instaan. Feizi, die zelf er enkele bijwoonde, zal er u bij
+gelegenheid wel eens van vertellen.
+
+Zoo, onder verschillende gesprekken, wandelde men nog een tijd
+lang voort, en besloot toen de zaak maar voor gezien te houden en
+naar de stad terug te keeren. Eensklaps echter bleef Siddha staan,
+terwijl hij met groote verwondering naar het tentje op den rug van
+een der vele fraai opgesmukte olifanten keek, dat zijn oog daar
+toevallig ontmoette. De vrouw toch, die hij daar nevens een paar
+andere op de zijden kussens zag geleund, en die haar ligten, met
+een schitterenden diamant aan den kleinen tulband bevestigden
+sluijer had ter zijde geschoven, was,--hij kon zich daarin niet
+bedriegen,--buiten allen twijfel niemand anders dan Rezia; en
+naast haar ontwaarde hij ook de hem welbekende dienares. Maar wat
+kwam ze hier uitrigten, zij, die altijd beweerd had, zich met de
+meeste zorg voor het oog van vreemden in hare stille afzondering
+te verbergen? En dat juist op een oogenblik nu zij allen grond had
+te meenen dat Siddha naar het leger vertrokken was! Had zij hem
+dan bedrogen en was zij eene andere dan zij gezegd had te zijn?
+
+Zoo bedaard echter en schijnbaar onverschillig als hem mogelijk
+viel, vroeg hij zijn medgezel, naar Rezia wijzend, die, een
+anderen kant uitziende, hem niet onder de voetgangers opmerkte:--
+Kent gij die vrouw?
+
+--Die daar met den teruggeslagen sluijer en de dienares met den
+waaijer van pauwenveeren nevens haar?--vroeg Parviz,--welzeker!
+zou ik die niet kennen? En 't verwondert mij zelfs dat gij niet
+weet wie zij is. Maar 't is waar, zij vertoont zich niet veel,
+vooral niet in den laatsten tijd. Welnu dan, dat is....
+
+En hier noemde Parviz een naam, waarvan het aanhooren zijn vriend
+een schok deed ondervinden gelijk hij zijn gansche leven nog nooit
+was gewaar geworden, en een gevoel bij hem deed ontstaan als
+bevond hij zich op den uitersten rand van een der hoogste
+rotsklippen in zijne noordelijke gebergten en als stortte hij,
+door eene duizeling bevangen, in den peilloozen afgrond....
+
+--Dat is--zei Parviz,--eene vrouw, van welke gij toch in elk geval
+wel gehoord zult hebben: Goelbadan, de vrouw van Feizi!
+
+
+
+TIENDE HOOFDSTUK.
+
+Verrassingen
+
+--Nu?--vroeg Parviz, verwonderd over Siddha's nog al vreemde
+houding,--wat gaat die naam of die vrouw u aan? Gij zijt toch,
+hoop ik, niet maar zoo in eens bij 't eerste gezigt op Goelbadan
+verliefd geworden? Ik zou 't u trouwens ook niet raden; want
+Feizi, anders de goedheid zelf is gansch niet gemakkelijk als 't
+zijn vrouw geldt, op wie hijzelf nog smoorlijk verliefd is.
+
+--Een voorbijgaande herinnering!--antwoordde Siddha, zoo goed
+mogelijk zich herstellend,--een herinnering opgewekt toevallig
+door een overeenkomst van naam, maar die overigens met de vrouw
+van Feizi niets te maken heeft.
+
+--Des te beter!--hernam de ander, en zwijgend gingen beiden voort.
+
+Alléén te zijn, zoo spoedig mogelijk van Parviz los te komen,--
+geen andere gedachte bezielde voor 't oogenblik diens medgezel.
+Daar zag hij een zijner ondergeschikten op en neder wandelen....
+
+--Vergun mij,--zeide hij tot Parviz,--u voor 't oogenblik vaarwel
+te zeggen, ik heb dien man daar te spreken. Intusschen blijf ik u
+ook ditmaaal weer dankbaar voor uw vriendelijk geleide!
+
+En haastig zijn vriend groetend, wenkte hij den ruiter en was
+spoedig met hem in een gesprek over dienstzaken, maar dat hij even
+snel weer afbrak zoodra Parviz uit het gezigt was.
+
+Toen snelde hij heen met rassche schreden. Waarheen? Hij wist het
+niet. Maar hij liep voort, altijd voort, denkend, droomend, als in
+een roes van dronkenschap.
+
+Goelbadan, de vrouw van Feizi! Verraad alzoo, schoon ditmaal
+onwetend, maar dan toch van de allerergste soort, jegens den man,
+die op de meest belangelooze wijze zich hier, in den vreemde, zijn
+opregten vriend had betoond, en hem voorregten had verzekerd
+zooals geen ander in zijne plaats zonder dergelijke bescherming
+ligt verworven zou hebben; verraad jegens den Keizer, die hem met
+onverdiende en onverwachte gunsten overladen had; verraad en
+schandelijke ontrouw jegens haar, wie hij eenmaal zijn hart had
+gewijd en zijn ridderwoord verpand; alles om die ééne, eenige, die
+hem bedroog, die hij verachten moest, en toch--boven allen en
+alles nog bleef beminnen! Wat echter te doen? De pligt, de eer
+gebood, en sprak luide genoeg. Alleen de vlugt, en een overhaaste,
+kon uitredding geven. Want hij gevoelde 't maar al te wel: te
+toeven was anders niet dan op nieuw zich op den rand te begeven
+van den bodemloozen afgrond. Maar zoo plotseling, zonder eenige
+voorbereiding, zonder verklaring haar te verlaten, die, al was ze
+zwak, toch wel getoond had hem lief te hebben en, al misleidde ze
+hem, toch ook eigen eer en pligt hem ten offer had gebragt, was
+dat goed gehandeld, was het redelijk, was het--hem doenlijk? ...
+
+Lang dwaalde Siddha nog rond, nauw wetend werwaarts hij zijne
+schreden rigtte. Ten laatste bevond hij zich, opziende, in de
+onmiddelijke nabijheid der stad, en niet ver van de plaats waar de
+woning van Rezia,--die Rezia van vorige, gelukkiger dagen,--
+gelegen was, en die, hij moest het zich nu wel herinneren, aan de
+meermalen, doch van een geheel andere zijde door hem bezochte
+villa van Feizi grensde. En de avond begon te vallen. Het was het
+uur, waarop hij gemeenlijk zich naar den tuinmuur begaf en op het
+aan de dienares welbekende teeken werd toegelaten in de laan naar
+het paviljoen. Eenige oogenblikken nog en hij stond weer vóór
+denzelfden muur, en gaf het signaal, en snelde, nadat de kleine
+poort zich weer geopend had, naar binnen.
+
+Op den divan bij de galerij lag Rezia, of Goelbadan nu, als te
+voren uitgestrekt in behagelijke rust, aan geen Siddha voor 't
+oogenblik meer denkend, dien ze reeds op weg naar het leger
+waande. Daar stormde op eens, door niemand aangemeld, de man het
+vertrek binnen, die mijlen ver van daar heette te zijn.
+
+--Hoe? Siddha!--riep zij uit, terwijl zij verschrikt opstond, ik
+dacht dat gij lang vertrokken waart!
+
+--Rezia! Goelbadan!--sprak Siddha met schijnbare bedaardheid,--ik
+ken u thans. Gij hebt mij misleid, mij en den man aan wien ik
+zooveel, zoo niet alles, hier te danken heb. Ik kom u vaarwel
+zeggen. De eer gebiedt mij u te verlaten, en ik weet dat ik het
+niet zou kunnen zonder u te ontvlugten. Morgen, heden nog vertrek
+ik om nimmer Agra weer te zien, noch ook u!
+
+In een oogwenk en nog eer Siddha eindigde had Feizi's eehtgenoote
+alles begrepen. Zij had, volkomen overtuigd dat haar minnaar met
+zijn ruiters vertrokken was, geen reden gevonden om zich niet in
+'t openbaar te vertoonen of, bij het feest verschijnend, zich, als
+anders, zorgvuldig gesluijerd te houden. Dáár alzoo moest ze door
+hem zijn herkend en haar ware naam hem door iemand zijn
+medegedeeld. De zaak was te duidelijk om veel nadere verklaringen
+te behoeven. Maar verklaringen in dit oogenblik te vragen lag
+bovendien niet in hare taktiek.
+
+Met hare zachte blauwe oogen zag zij vluchtig doch smeekend tevens
+haar minnaar aan, en hief de handen gevouwen omhoog; toen wankelde
+zij en zeeg, zonder een woord te spreken, op den divan neder,
+terwijl zij haar gelaat in de kussens verschool.
+
+Een tijdlang bleef Siddha zwijgend op haar nederzien. Zóó schoon,
+zóó onweerstaanbaar verleidelijk had die bevallige gestalte hem
+nog nooit geschenen als juist nu, nu hij voor goed had besloten
+haar nimmer terug te zien; en onvergetelijk, hij gevoelde het, zou
+hem ten allen tijde die laatste blik zijn, dien hij daareven nog
+had opgevangen.
+
+Maar:--heen!--zoo klonk het in zijn binnenste,--snel heen! En geen
+redeneringen en geen verder afscheid meer, of het is te laat om de
+betoovering, die zoo straks geweken scheen, te ontkomen!...
+
+Daar hief zij langzaam het hoofd op, en schoof de weelderige
+lokken ter zijde, die om haar voorhoofd golfden, en streek zich
+met de hand over 't gelaat, als iemand die uit een diepen slaap of
+uit een bezwijming ontwaakt.
+
+--Rezia!... laat mij nog eenmaal u zoo noemen!...--sprak Siddha
+weder,--verzwaar mij het afscheid niet dat ik gemeend had u te
+moeten brengen, omdat een verlaten voor altijd, zonder eenige
+voorbereiding, mij een onridderlijke handelwijze scheen. Maar dat
+de scheiding voortaan onvermijdelijk is, zult gij, ik vertrouw
+het, mij aanstonds wel toegeven. Onwetend heb ik de gastvrijheid
+geschonden en belangelooze vriendschap met den grofsten ondank
+beloond. Willens en wetens dat te blijven doen, ware wel 't ergste
+aller misdrijven.
+
+--Gij hebt gelijk, mijn vriend!--antwoorddo Rezia gelaten en met
+zachte stem,--eene scheiding, dat gevoel ik maar al te zeer, moet
+u onvermijdelijk voorkomen. Ik vreesde, ik vermoedde het vóór
+lang, en daarom bleef ik ook zoolang veinzen tegenover u. Doch
+hoor mij nog een enkel oogenblik aan, eer ge mij voor altijd
+verlaat, opdat ge mij eenmaal niet met al te groote minachting
+moogt herdenken; en verneem wat ik, niet tot verdediging maar dan
+toch tot verontschuldiging van mijn gedrag heb aan te voeren! Ik
+misleidde u, het is waar, en zelfs meer dan eens. Ik begon reeds
+met u te misleiden den eersten keer dat ge mij zaagt. Ik had, maar
+zonder door u te zijn opgemerkt, u zeer kort na uwe komst in Agra
+ontmoet; uw uiterlijk voorkomen wekte mijne belangstelling, die
+niet weinig werd vermeerderd door 't geen ik, navragend, omtrent u
+vernam; en toen, onvoorzigtig genoeg! besloten uwe kennis te
+maken, gebruikte ik den naar Kaçmir bestemden brief als
+voorwendsel om mijn inderdaad onberaden doel te bereiken. Waartoe
+onze kennismaking gevoerd heeft, tot hoever mijn zwakheid, mijne
+liefde mij verleidde, helaas! het is ons beiden maar al te wel
+bekend. Maar ik wist toenmaals nog in 't minste niet dat eenige
+band van vriendschap u aan Feizi verbond; en later, toen ik tot
+mijn niet geringen schrik het bemerkte, ja! toen had ik sterk
+genoeg moeten zijn om onze verdere betrekking af te breken,
+althans om u eerlijk te bekennen wie ik was. Maar, ach! ik was
+zwak, Siddha! zwak zooals een vrouw dat zijn kan die bemint, die
+den man harer keuze hartstogtelijk liefheeft. Ik vreesde voor die
+scheiding, die uw eergevoel u als noodzakelijk zou opdringen, en--
+ik zweeg. Kunt gij mij vergeven eer wij voor altijd elkander
+vaarwel zeggen?
+
+En schuchter en als bevreesd nog voor zijn toorn reikte zij hem de
+hand, terwijl zij mat en loom in de kussens terugzonk en tranen
+hare oogen verduisterden. Nog kampte hij met zichzelven. Een
+vreeselijke, een geweldige strijd. Maar te kort, veel te kort van
+duur.
+
+--Rezia!--riep hij eensklaps uit, terwijl hij niet alleen de
+aangeboden hand vatte, maar hartstogtelijker dan ooit de vrouw,
+die hem beheerschte en hem alles deed vergeten, in zijn armen
+sloot,--Rezia! zonder u geen leven meer, geen bestaan, en met u
+geen misdaad en geene schande!...
+
+...Inderdaad, hij had geen onwaarheid gezegd, noch eene overdreven
+spreekwijze gebezigd toen hij eenmaal haar verzekerd had, dat zij
+hem dierbaarder was dan het leven en dierbaarder ook dan zijne
+eer!...
+
+Aan onverwachte ervaringen komt inmiddels soms niet ligt een
+einde. Zoo ook met onzen Siddha. Half verstoord, en half nog
+badend in nameloos geluk, deels zichzelf diep verachtend, en deels
+ook weer juichend in zijn noodlottigen hartstogt, wilde hij,
+eenigen tijd later door de welbekende laan geslopen, de kleine
+poort in den tuinmuur openen, toen deze tot zijne verbazing als
+van zelf openging en een mannelijke gestalte binnentrad, die,
+zonder hem terstond te bemerken, ze weer achter zich poogde te
+sluiten. Een onwillekeurige uitroep van Siddha deed den vreemde
+plotseling omkeeren.... Wie het zijn mogt? Feizi zelf misschien?
+Siddha had zich de tong uit den mond willen rukken om zijn dwaze
+onvoorzigtigheid; maar het was te laat.
+
+--Wat, in den naam van Shaitan! komt gij hier uitvoeren?--riep de
+ander uit, en aanstonds herkende Siddha, zoo aan de stem als ook
+nu in 't schemerdonker aan de gedaante, Prins Selim.
+
+--Dat mogt ik, dunkt mij, met evenveel regt vragen aan u, zoo niet
+met meer!--was het drieste antwoord.
+
+Een kletterend geluid deed Siddha begrijpen dat de Prins de hand
+aan zijn sabel had geslagen, en hij van zijn kant haastte zich
+hetzelfde te doen. Op eens echter liet Selim, een paar schreden
+nader gekomen, en zijn tegenpartij herkennend, het zwaard weer in
+de schede glijden.
+
+--Ha! mijn vriend Siddha Rama!--sprak hij, tot niet geringe
+verbazing van den ander, op vrolijken toon,--zoo betrappen wij u
+dan op uwe nachtelijke avonturen! Nu, een jonkman als gij mag 't
+er wel eens van nemen. Vrees niet dat ik u verraden zal! En
+jaloersch behoeft gij ook niet te zijn. Gij weet wel dat de
+uitverkorene van uw hart, die gij blijkbaar zooeven verlaten hebt,
+eenigermate met onze staatkundige plannen in verband staat; en
+vandaar dat ik haar soms in diep geheim, en dus ook wel eens onder
+deksel van den nacht moet gaan spreken. Ik begrijp evenwel dat ze
+op dit oogenblik minder bereid zal zijn mij over dergelijke dorre
+onderwerpen te woord te staan, en ik zal dus maar 't best doen
+mijn bezoek vooreerst uit te stellen.
+
+En zich omkeerend begaf Selim zich naar 't poortje, en, na Siddha
+eveneens den doorgang te hebben verleend, sloot hij 't weer
+zorgvuldig achter zich toe.
+
+--En nu,--zeide hij, waarschijnlijk gaat gij naar uwe woning,
+links; mijn weg ligt aan den tegenovergestelden kant.--Doch,--
+voegde hij er nog bij, terwijl hij gereed stond zich te
+verwijderen, en Siddha, niet wetend wat te antwoorden, hem
+stilzwijgend aanhoorde,--laat deze ontmoeting een geheim blijven
+tusschen u en mij! Dat is in ons beider belang. En zonder meer
+verdween Selim in het duister, terwijl de ander nog geruimen tijd
+als verbluft staan bleef.
+
+--Een goede dienst, die hij mij daar toevallig bewezen heeft!--
+mompelde de prins in zichzelven, terwijl hij zich verder spoedde;
+--hij stelt mij in 't bezit van een geheim dat voor mij van
+onberekenbare waarde kan zijn!... Die slang daar ginds zal ik
+nader wel vinden!...
+
+'s Anderen daags dwaalde een van Selim's vertrouwden rondom het
+buitenverblijf en stond weldra in een verborgen hoek met de
+dienares van Goelbadan te praten. Spoedig was de koop, dien hij
+had voor te stellen, gesloten; en de dienares toonde zich volkomen
+bereid, de geheimen harer meesteres te verraden. De Prins toch kon
+natuurlijk meer betalen dan deze en Siddha te zamen. Den avond van
+denzelfden dag meldde zich de dienares aan het paleis, werd
+terstond door den vertrouwde ontvangen, stelde hem een paar, in
+den vorm van brieven gevouwen papieren ter hand, en haastte zich
+toen met den ontvangen prijs naar de woning harer meesteres terug.
+Een dag later was Selim met klein gevolg weder op weg naar
+Allahabad.
+
+Daar toefde eene eenzaam treurende. Sinds langen tijd reeds had
+Iravati niets meer van haar verloofde vernomen. In den beginne,
+kort na zijne aankomst in Agra, had hij, ze herinnerde 't zich
+telkens, haar nog een paar brieven toegezonden, overvloeijende als
+vroegere van betuigingen zijner liefde en onwankelbare trouw;
+daarna had zij geen letter meer van hem ontvangen, terwijl haar
+door anderen toch werd medegedeeld dat hij zich volkomen wél
+bovond en hoog in eer en in de gunst des Keizers begon te stijgen.
+Wat dan de reden van zijn voortdurend stilzwijgen kon zijn? Een
+vreeselijke twijfel begon nu hoe langer hoe meer zich meester te
+maken van haar gemoed; maar telkens ook wist zij dien wederom te
+onderdrukken en op nieuw zich te sterken in het vertrouwen, dat
+zij in de eer en het woord van haren Siddha bleef stellen.
+
+Eens, toen zij deels weer in mijmering verloren een boek
+doorbladerde dat zij vroeger, nog in Kaçmir vertoevend, met haar
+verloofde gelezen had, kwam de trouwe Nipoenika haar storen en
+naderde haar met bedrukt en onheilspellend gelaat, haastig eerst,
+maar straks weer weifelend, als aarzelde zij of ze spreken of
+zwijgen moest.
+
+--Welnu?--vroeg Iravati,--wat komt gij mij melden? Mij dunkt, gij
+brengt mij slechte tijding.
+
+--Helaas, mijne jonkvrouw!--antwoordde de dienares,--ik zou
+wenschen dat ik een slot mogt leggen op mijn mond; en toch mag ik
+u niet onkundig laten van 't geen mij daar straks werd meegedeeld.
+Het betreft u zóó na, dat ik niet zou wagen het gansch te
+verzwijgen.
+
+--Zoo spreek dan, en onverholen!--gebood Iravati,--ik ben bereid
+aan te hooren wat gij te zeggen hebt.
+
+En nu verhaalde de vertrouwde, hoe zij van een krijgsman, die uit
+Agra kwam, het een en ander omtrent Siddha vernomen had. Eerst
+sprak zij in meer of min bedekte termen; daarna duidelijker;
+eindelijk kwam alles voor den dag wat Selim zelf omtrent het
+avontuur met de vrouw van Feizi had weten te ontdekken. De
+uitwerking van het verhaal was zooals de andere gevreesd had. Als
+wezenloos zat Iravati voor zich uit te staren, en lang had
+Nipoenika opgehouden te spreken eer zij eenig antwoord gaf. Toen
+sprong zij eensklaps op, en vroeg met een haar ongewone drift:
+
+--Wie heeft u dat alles verteld? Wie was die krijgsman? Spreek de
+waarheid! En geen omwegen, verstaat gij?
+
+--Edele jonkvrouw!--antwoordde Nipoenika,--hoe zou ik u durven
+misleiden en welk belang kon ik er ook bij hebben? De man, die mij
+verhaalde wat ik u heb medegedeeld, was een dienaar van den
+Kroonprins.
+
+--Dan is alles ook gelogen!--riep Iravati uit,--ik begrijp de zaak
+volkomen. Welk een verachtelijk middel!--voegde zij in zichzelve
+er bij; en daarop weder tot hare dienares:--Het is wél, mijn goede
+Nipoenika! Ik dank u voor uw berigt, dat gij, ik betwijfel het
+niet, mij enkel uit wezenlijke belangstelling hebt overgebragt.
+Maar ik hecht er niet aan, nu de bron mij bekend is, waaruit het
+voortkwam. Laat mij voor 't oogenblik echter alléén, en moei u in
+'t vervolg niet al te veel met dien man, die u met die praatjes
+heeft bezig gehouden!
+
+Toch had de wél gerigte pijl beter getroffen dan Iravati tegenover
+zichzelve en haar vertrouwde wilde toegeven, en toen deze zich had
+verwijderd zat zij nog lang, het hoofd in de hand geleund, over de
+mogelijkheid en waarschijnlijkheid van het gebeurde na te denken.
+Wederom echter voelde zij haar moed herleven toen zij na eenigen
+tijd, haar vertrek verlaten hebbend, in een der galerijen Prins
+Selim zelf ontmoette, van wiens terugkomst haar tot dusver niets
+was gemeld. De zaak was duidelijk. Hij en niemand anders had
+inderdaad, gelijk zij aanstonds reeds vermoedde, het gansche
+lasterlijke verhaal uitgedacht om haar, zoo mogelijk, van Siddha
+te vervreemden. Een koele en met zekere minachting tevens niet
+onvermengde hoofdbuiging was het eenige, waarmede zij zich
+verwaardigde den eerbiedigen groet van den hoogen bezoeker te
+beantwoorden.
+
+--Iravati!--sprak deze, nader tredend,--gij mogt reden hebben u te
+verwonderen over mijn terugkeer in dit paleis na ons laatste, voor
+mij zoo ontmoedigend onderhoud, indien niet hetgeen ik door uwe
+getrouwe dienares u liet meedeelen, omdat ik niet persoonlijk de
+overbrenger wilde zijn, u daaromtrent eenige verklaring gaf.
+
+--Ik begrijp zeer goed,--antwoordde Iravati zonder blijk van
+toorn, maar ook zonder omwegen,--dat laster door u te baat is
+genomen, waar u blijkt dat overreding onvermogend is. Toch had ik
+zoo iets niet verwacht, vooral niet van u.
+
+--Laster!--hernam Selim,--ja, dat ware inderdaad al een heel
+verachtelijk middel om het doel van mijn vurige, doch zoo ik meen
+toch geenszins ongeoorloofde of ook beleedigende wenschen te
+bereiken. Maar daarenboven een zeer ijdel. Want welke waarde zoudt
+gij aan dergelijk los daarheen geworpen verhaal, een eenvoudig
+praatje, kunnen hechten, indien de waarheid niet door bewijzen kon
+worden gestaafd?
+
+--Hoe nu? Bewijzen? Wat bedoelt gij?
+
+--Ik bedoel die soort van bewijsstukken, waartegen zelfs de
+strengste en meest nauwlettende regter niets zou hebben in te
+brengen. Gij kent natuurlijk het schrift en de hand van Siddha,
+niet waar?
+
+--Ongetwijfeld!
+
+--Welnu, zie deze brieven dan!--En Selim overhandigde haar de
+beide in briefvorm vervatte stukken papier, welke de vertrouwde
+van Goelbadan, na ze behendig aan haar meesteres te hebben
+ontstolen, hem verkocht had; vlugtig geschreven, hartstogtelijk
+gestelde, met allerlei uitroepen en betuigingen van liefde
+vervulde en hier en daar ook met een paar versregels doorspekte
+brieven van Siddha, waarin de naam der aangebeden Rezia herhaalde
+malen voorkwam.
+
+Haastig las Iravati dat alles, terwijl het haar voor de oogen
+begon te schemeren. En zij las en herlas, en keerde de brieven om
+en om, en bezag ze van alle kanten, tot zij ze eensklaps uit de
+hand liet vallen en, hare bezinning verliezend, bewusteloos ware
+neergestort, indien niet Selim haar snel had ondersteund en op een
+nabijzijnde rustbank had nedergevleid.
+
+Eene zwakke zenuwachtige maagd was Iravati echter, hoe innig en
+onbegrensd ook hare liefde, niet. Daar vloeide haar door de aderen
+nog het bloed van een voormalig krachtig ras, van een oud
+heldengeslacht, en spoedig rees zij weder op en stelde zich
+tegenover den Prins, tewijl zij met vastheid hem in de oogen zag.
+
+--Mijn lot,--sprak zij,--is beslist, indien, gelijk ik nu wel moet
+aannemen, werkelijk waar is wat mij werd verhaald. Eene andere
+heeft bezit genomen van het hart, dat tot heden mij behoorde en
+mij alleen. Het zij zoo, al wordt het mijn dood! Doch meen niet,
+gij Vorst, die over alles te gebieden hebt behalve over een
+vrouwenhart, dat daarmede u den weg zou zijn gebaand, dien gij met
+uwe ontdekkingen reeds zaagt geopend! Meen niet, dat mijne
+gelofte ijdel is geworden omdat het woord van trouw aan de andere
+zijde verbroken werd, zoolang het mijne mij niet is teruggegeven!
+
+--Hoe nu?--riep Selim in verbazing uit,--de minnaar, wiens ontrouw
+u thans wel gebleken is, verlaat u en offert u op aan eene andere,
+en gij zoudt u niet vrij achten en niet mogen luisteren, ik zeg
+niet terstond, maar eenmaal welligt, als de vroegere herinnering
+verzwakt en eindelijk verdwenen zal zijn, naar hem, die u boven
+allen en boven alles lief heeft en magt en eer, zooals geen ander
+die bieden kan, aan uwe voeten legt?
+
+--Selim!--antwoordde Iravati zacht, terwijl ze zich tot geregeld
+denken dwong,--gij verstaat mij niet en gij kunt mij misschien ook
+niet verstaan. Gij kunt ons, Indische vrouwen, niet begrijpen,
+zoozeer verschillend van die, waaraan gij anderen gewoon zijt. Het
+hoogste geluk voor eene vrouw schijnt u, en zoo schijnt het
+werkelijk ook velen, de begunstigde Sultane van een magtig
+heerscher te zijn. En gij meent ook dat het genoeg is, eene onzer
+van de ontrouw haars minnaars te overtuigen, om haar terstond alle
+gedachten aan den onwaardige vaarwel te doen zeggen.
+
+--En is dat dan niet overvoldoende?
+
+--Onze vrouwen--was het antwoord--kennen die verlokking van
+grootheid niet, waar het haar pligt betreft en hare eer; en den
+echtgenoot, of, wat hetzelfde zegt, den plegtig verloofden
+bruidegom, wien zij eenmaal haar woord verpandden, blijven zij
+getrouw, ook al zien zij hare liefde met ontrouw beantwoord. De
+gehechtheid der vrouw aan den man weet bij ons van geene grenzen;
+of is u niet bekend genoeg, hoe vele, laat zoo iets nu te
+verwerpen zijn als een gevolg van bijgeloof of van overdreven
+gevoel, zich volkomen vrijwillig en met de grootste geestdrift op
+den brandstapel werpen, die het lijk van den gestorven echtgenoot
+verteert? En hebt gij ook nooit gehoord van onze heilige legenden
+en riddersagen, die de toewijding der echtgenoote, ook aan den
+onwaardige, schilderen? Van de roerende lotgevallen der edele
+Damayanti kwam u zeker wel 't een en ander ter ooren. Welnu! voor
+zooveel in mij is, wil ook ik eene Damayanti zijn! Dat Siddha mij
+verlate, ik zeg het als zij: het is de booze Kali, die in hem is
+gevaren en hem tot kwaad verlokte, niet hijzelf die zoo grievend
+leed over mijn hoofd bragt. En als de betoovering van hem zal
+geweken zijn, dan keert hij, een andere Nala, tot mij terug, en
+rein van elke smet vinde hij mij weder en overtuige zich dat ik
+beter nog dan hijzelf voor de eer heb gewaakt van zijn naam!
+
+--Ik liet u gaarne--hernam Selim na een oogenblik gezwegen te
+hebben,--die gelukkige hoop op zijne terugkomst, hoezeer ze mij
+ook smarten moest. Doch vlei u niet met dergelijke verwachting!
+Geloof mij, ik ken die vrouw, in wier strikken hij verward is
+geraakt; ikzelf, ik heb haar bemind tot op het oogenblik dat ik u
+aanschouwde; en ik weet dat zij onweerstaanbaar blijft zoolang
+geen andere en reiner liefde den hartstogt komt verdringen, dien
+een man eenmaal voor haar gevoelt. Geloof mij, zeg ik! geen
+verleidelijker vrouw ken ik dan deze, gelijk ik geen reinere en
+geen edelere ken dan u!
+
+--Prins!--zeide Iravati op deze hernieuwde verklaring,--ik wil u
+smeeken om ééne gunst voor heden, al schijnt u 't verzoek ook
+onheusch. Laat mij voor eenige oogenblikken over aan mij zelve! Ik
+gevoel thans werkelijk behoefte, na al wat ik vernemen moest, om
+alléén te zijn. Een ridder, een edelman zooals gij, zal, ik
+vertrouw het, mij dit niet willen misgunnen.
+
+--Ik ware--antwoordde Selim,--den naam onwaardig dien gij mij
+toekent, als ik een oogenblik langer van uwe goedheid misbruik
+maakte. Ook is verdere aandrang van mijne zijde, ik gevoel het
+maar al te wel, voor het tegenwoordige niet alleen onnut, maar in
+mijn eigen nadeel. Ik gehoorzaam dus aan uw verlangen.
+
+En zich omwendend verliet hij, schoon met loome schreden, de
+galerij.
+
+Maar toen hij was heengegaan ontzonk Iravati ook de kracht, die
+haar standvastigheid deed betoonen tegenover hem, en uitgeput zeeg
+zij op de rustbank neder, en, het gelaat met de handen bedekkend,
+weende zij bitter.
+
+Kortstondig echter was hare betrekkelijke rust, en verschrikt zag
+zij op, toen na eenigen tijd zich weer een voetstap in de
+nabijheid deed vernemen. Het was Salhana, die haar naderde.
+
+--Mijne dochter!--sprak hij, met meer zachtheid in zijne stem dan
+zij tot dusver zich herinnerde nog ooit bij hem te hebben
+opgemerkt,
+
+--Ik weet wat uwe gedachten bezig houdt en u 't hoofd laat buigen onder
+leed. En ik wist ook reeds vroeger wat u heden werd medegedeeld. Ik had
+de trouweloosheid van Siddha ginds in Agra reeds ontdekt, maar bleef
+alles voor u verbergen tot de tijd zou zijn gekomen waarop te spreken
+pligt mogt worden. Hoe het zij, alles is u thans bekend. En nu, gij
+zult het, vertrouw ik, wel inzien, nu gebiedt u de achting die ge
+uzelve niet alleen, maar ook mij en mijn huis verschuldigd zijt, alle
+herinnering aan dien man te bannen, die op zoo smadelijke wijze de
+nadere verbindtenis met ons geslacht verworpen heeft.--Neen, hoor mij
+aan!--vervolgde hij, toen hij Iravati gereed zag te antwoorden;--geloof
+mij, ik gevoel diep, innig medelijden met u in dit noodlottig
+oogenblik; maar ik mag daarom niet nalaten u te herinneren wat eene
+dochter van onzen edelen stam aan hare eer en haar goeden naam
+verschuldigd is. Tevens echter wil ik, hoewel in geheim, u iets
+mededeelen wat ik eveneens ontdekte, en dat, zooal niet aanstonds de
+wond zal heelen die u geslagen werd, dan toch in 't eind u tot troost
+zal strekken. Eene heerlijke, eene schitterende toekomst wacht u nog,
+Iravati! Wat voor elke vrouw in gansch Hindostan het begeerlijkst lot
+mogt zijn, kan het uwe worden. Prins Selim,--ik vermoedde 't sinds lang,
+en toen ik hem onlangs de gelegenheid gaf zich te verklaren, bekende hij
+'t mij ook,--Prins Selim bemint u en begeert u tot zijne echtgenoote!
+
+--Dat weet ik,--antwoordde Iravati.
+
+--Gij weet het? En hoe?
+
+--De Prins zelf heeft het mij verklaard, ook heden nog.
+
+--En uw antwoord?
+
+--Ik heb het vereerend aanbod afgeslagen.
+
+--Hoe! Wat?--riep Salhana met de grootste verbazing en ergernis
+uit,--afgeslagen? Zijt gij zinneloos?
+
+--Ik geloof het niet. Maar ik ben immers verloofd aan Siddha.
+
+--Wel! wat kan dat nu uitmaken? Gij zijt immers nog vrij in uwe
+keuze. Gij zijt zijn vrouw nog niet.
+
+--Neen, maar wat voor mij in dit geval hetzelfde is, ik heb hem
+trouw gezworen, en hijzelf ontsloeg mij nog niet van die gelofte.
+
+--Laat dat zijn! 't Kon vroeger misschien nog gelden. Maar nu? Hij
+zelf heeft immers zijn trouw gebroken en u daarmee reeds ontslagen
+van uw woord.
+
+--Zoo mogen anderen er misschien over denken, die in andere
+begrippen zijn opgevoed dan ik. De mijne echter verbieden mij te
+doen wat gij verlangt. En zoo die begrippen voor 't oogenblik aan
+uwe plannen in den weg staan, wijt het, mijn vader! aan uzelven,
+die mij eenmaal daarin hebt doen opvoeden. Bovendien, ik wil er
+geen geheim van maken, nog blijf ik Siddha beminnen in weerwil van
+zijn handelwijs, en een ander zou ik nooit kunnen liefhebben na
+hem.
+
+--Maar er behoeft hier immers ook geen sprake te zijn van liefde!
+Het is genoeg dat Selim u bemint, en dat gij gebruik kunt maken
+van den invloed dien gij op hem hebt. Maar dat schijnt gij nu niet
+te verkiezen, eenvoudig om een gehechtheid aan allerlei overdreven
+en lang verouderde voorstellingen en een dwazen hartstogt voor een
+onwaardige. Bedenk echter wat gij verwerpt, indien gij blijft
+volharden in uwe onzinnige weigering! Een Koningrijk wordt u
+aangeboden, een rijk waarvan de wedergade nauw in de wereld valt
+aan te wijzen, en gij stoot het verachtelijk van u af, enkel om
+een droombeeld, een gril.
+
+--'t Mag zijn dat ik ongelijk heb,--antwoordde Iravati gedwongen
+bedaard, terwijl haar vader zich al meer begon op te winden,--maar
+uwe voorspiegelingen zullen mij daarvan niet overtuigen. Ze werden
+mij eveneens en beter nog, door den Prins zelf gedaan, maar konden
+mij evenmin van besluit doen veranderen.
+
+--Uw besluit schijnt dus te zijn, den wil van uw vader te weerstaan?
+Mij dunkt, dat komt toch ook niet overeen met die beginselen waaraan
+gij zoo gehccht zijt, en die toch gehoorzaamheid van het kind aan zijne
+ouders tot een der eerste pligten maken.
+
+--Zeker, maar niet wanneer die pligt met een nog hoogeren in strijd
+geraakt. Hoezeer 't mij ook leed is dat ik u niet mag gehoorzamen, ik
+mag nu eenmaal niet en ik kan niet.
+
+--Doch 't is u dan toch bekend dat een vader ook regten over zijn
+dochter heeft en de magt bezit om haar des noods tot gehoorzaamheid te
+dwingen.
+
+--Dat is mij volkomen bekend; maar ik weet ook, dat dwang hier tot
+niets zou dienen. Want als ik mij werkelijk tot een huwelijk met
+Selim noodzaken liet, zou ik juist alle waarde voor hem hebben
+verloren en van mijn invloed ook geen gebruik meer kunnen maken.
+Dat weet hij zelf volkomen, en denkt dus aan geen dwang. Indien
+hij daartoe besluiten wilde, hij zou uwe tusschenkomst niet eens
+van noode hebben. De troonopvolger van Akbar is magtig genoeg om
+zijn wil tegen den mijne en ook tegen den uwe door te zetten, als
+hij verkoos.
+
+Salhana balde zijne vuisten en beet van ongeduld op zijn knevel.
+Aan alle kanten geslagen! En door wie? Door een eenvoudig meisje,
+dat hij tot nog toe als het zachtzinnigste en onderdanigste wezen
+had gekend! Al zijn heerlijke plannen van den laatsten tijd, al
+zijn schitterende vooruitzigten door dat eigenzinnige, nu
+weerbarstige kind vernield! Hij had gedroomd, nu niet meer van een
+onderkoningschap alleen, maar van niets minder dan de hoogste
+plaats na den Keizer zelven in het rijk; hij zag zich reeds in
+Agra als Groot-Vizier nevens den troon, en vorst en land
+beheerschend door zijne dochter, oppermagtig gebieder over al die
+rijken en volken, zoo niet in naam dan toch metterdaad....
+
+--Welnu!--riep hij eindelijk na eenig stilzwijgen uit, terwijl hij
+in dreigende houding zich tegenover Iravati plaatste,--gij
+verkiest naar rede niet te luisteren, en voor dwang zijt gij niet
+bevreesd. Maar misschien toch wel voor iets anders. Wel dan
+misschien voor den vloek van een vader!
+
+--Het leed dat mij reeds is opgelegd,--antwoordde Iravati,--zou
+er door verdubbeld worden; maar ik zou kracht zoeken om den last
+te dragen zonder te bezwijken. En moest dit, welnu! dan geschiede
+wat mij is voorbeschikt.
+
+--Gij zijt moedig,--sprak nu Salhana op kouden, maar tevens ietwat
+sarcastischen toon,--of althans gij tracht het te zijn. Ik wil
+evenwel gelooven dat gij niets voor uzelve vreest; maar zijt gij
+wel zoo zeker dat uwe halstarrigheid niet soms ten nadeele mogt
+komen van dien Siddha, dien gij erkent nog lief te hebben, en dat
+de Prins uwe weigering niet op hem soms wreken mogt?
+
+De laatste slag scheen doel te hebben getroffen. Als in wanhoop
+hief Iravati de handen omhoog, en liet ze toen magteloos weer
+zinken, terwijl haar hoofd zich voorover boog op hare borst. Met
+een hatelijk zegevierenden glimlach zag Salhana haar aan. De
+overwinning dan was eindelijk toch behaald, de zege hem, de kracht
+der onverzettelijke was gebroken!...
+
+Daar rigtte zich de fiere jonkvrouw uit haar gebukte houding weder
+op, en Salhana onverschrokken in de oogen ziende, sprak zij, eerst
+met weifelende, daarna met vaste stem:
+
+--Wat gij, vader! daar gezegd hebt, is wreed, gruwelijk wreed, en
+ik kan bijna niet gelooven dat het ernstig gemeend zou zijn. Maar
+al is dat zoo, al is 't een ernstige bedreiging, ook die is niet
+bij magte mij te doen wankelen en mij den heiligen pligt te doen
+verzaken die mij is voorgeschreven. Indien Siddha hier vóór ons
+stond en hij zag mij weifelen en mijne gelofte schenden om hem te
+redden uit gevaar, hij zelf zou mij verachten en het regt hebben
+mij te verstooten. Mijn leven wil ik voor hem offeren; het behoort
+hem; maar niet mijne eer, die eveneens hem toebehoort. Wel weet ik
+dat zijn dood de mijne worden moet; maar wat ons is beschikt,
+vermogen wij niet af te wenden. Laat dan de wraak den onschuldige
+treffen; doch er zal niets bij te winnen zijn, noch voor Selim,
+noch voor u. Gij zoudt een dochter, uw broeder zou een zoon minder
+hebben, dat ware alles, en uwe eerzucht zou toch niet zijn gebaat
+...Maar laat ons dit gesprek afbreken, dat mij in 't eind den
+eerbied kon doen vergeten dien ik u verschuldigd blijf! Doch
+bedenk het, mijn vader! dat ik uwe dochter ben, een jonkvrouw uit
+uw eigen hoog en eeuwenoud goslacht, die zich door niets laat
+dwingen en door niets verschrikken waar het eer en pligt, en den
+man dien zij lief heeft, geldt!
+
+Nog een oogenblik zag Salhana Iravati aan. Daar stond zij voor hem
+in ongebogen houding, hooghartig, uitdagend bijna. De rollen waren
+omgekeerd; de tot nog toe zoo onderdanige dochter scheen te
+gebieden, de trotsche vader tot onderwerping genoopt. Zonder een
+woord te spreken keerde hij zich om en snelde voort met haastige
+schreden, terwijl een uitdrukking van magtelooze woede zijn
+donkere gelaatstrekken verwrong.
+
+
+
+ELFDE HOOFDSTUK.
+
+Tauhid I Ilahi
+
+Vóór en omtrent de winkels en woningen van een der kleinere
+bazaar's van Agra aan de rivierzijde bewoog zich, als gewoonlijk,
+tegen 't vallen van den avond eene bonte, maar overigens zeer
+rustige menigte. Hier en daar zaten in open galerijen en
+vertrekken de spelers met hunne dobbelsteenen om het bord waarop
+ze hun inzet hadden gewaagd; elders dronken soldaten van
+verschillende wapens elkander vrolijk toe, 't mogt dan met wijn of
+met sterker benevelende dranken geschieden; op eene enkele plaats
+lag een eenzame droomer de stille en tijdelijke zaligheden te
+genieten, die een meer of min overmatig gebruik van den opium hem
+verschaffen mogt; en in diepe en ernstige gesprekken zag men
+eenige deftige Musulmannen gewikkeld, die zich voor een enkelen
+keer hadden verwaardigd, aan de rustig gezellige genoegens der
+anders niet weinig door hen geminachte Hindoe's deel te nemen.
+
+--Ja, Ali!--sprak een van die in eigen oog zoo voorname heeren tot
+zijn medgezel,--gij hebt wél gelijk; 't begint van kwaad tot erger
+te komen met Akbar en zijn hof. Wat daar al ongeregtigheden moeten
+gepleegd worden! Dat gaat zoo maar avond aan avond met die, ik ben
+er zeker van, godslasterlijke bijeenkomsten. Zoo kwam ik nog
+gisteren, 't was middernacht ongeveer, langs het paleis; en wat
+meent gij dat ik er zag? Al de vensters van 's Keizers vertrekken
+hel verlicht; alles schitterend van lampen en waskaarsen op
+reusachtige luchters. Maar voor wat? Voor een feest, zooals een
+vorst dat mag en soms ook moet vieren? Neen, man! Alles doodstil,
+behalve nu en dan een statig gezang, een soort van loflied, zooals
+Akbar zelf, naar men zegt, er meer dan een vervaardigd heeft, maar
+dat, hoewel het anders welluidend genoeg klonk, toch niets te
+maken kan hebben met onze heilige godsdienst, waarvoor de Profeet
+geprezen zij!
+
+--En wat beduidde dat, Yoessoef?--vroeg de ander.
+
+--Wat het eigenlijk te beteekenen had,--antwoordde Yoessoef,--
+weet ik u niet met zekerheid te zeggen, maar wel, dat al dat licht
+en dat gezang in verband moest staan met de nieuwe leer, die de
+Keizer in plaats van den Islam wil stellen, en waarin hij zijne
+vertrouwden inwijdt, een soort van vuur- en zonnedienst, die hij
+voornamelijk van onze oude Parsi's en ook van de ongeloovigen
+hier, Allah zij hun genadig! ter kwader uur ontvangen moet hebben.
+
+--Maar wat is dat dan toch eigenlijk voor dienst?--vroeg Ali;--ik
+heb er wel eens van hooren spreken, maar ik weet toch niet regt
+wat het is.
+
+--Heel bepaald--hernam Yoessoef,--weet ik het ook niet; maar dat
+het heel ergerlijk zijn moet, bewijst wel de verklaarde tegenzin
+van alle goedgeloovigen, en onder hen vooral van een man als Abdal
+Kadir, anders ook bij Akbar zelf wel in aanzien, en een groot
+geleerde. Doch wat nu mijn persoonlijke ervaring aangaat, ik heb
+in den laatsten tijd nog wel onrustbarender zaken waargenomen dan
+wat ik u vertelde. Denk eens! niet lang nog geleden zag ik heel in
+stilte, en als was hij voor verspieders bevreesd, een man uit het
+paleis sluipen, dien gij stellig wel kent en dien gij niet ligt
+ontmoet zult hebben of 't werd u koud en huiverig, Gorakh, den
+zoogenaamden Yogi.--Nu,--vervolgde de spreker, terwijl hij zijne
+reeds fluisterende stem nog een toon dalen liet,--weet gij voor
+wien ik dien man aanzie? Regtuit gezegd, als hij de Shaitan zelf
+niet is, dan is hij toch zeker een handlanger van hem; en met dat
+wezen... heeft dan de Keizer een verbond gesloten!
+
+Yoessoef zweeg een oogenblik en met ontzetting staarde zijn makker
+hem aan.
+
+--Behoede ons Allah!--riep hij eensklaps weer uit, terwijl hij
+naar eene langs den waterkant voortschrijdende gestalte wees,--
+daar is hijzelf in eigen persoon! Mogten de wateren der Djoemna
+hem verzwelgen!
+
+En werkelijk vertoonde zich daar weder de Doerga-priester, en
+begaf zich tot een groep Hindoe's en Perzen, die in levendig
+gesprek met elkander waren gewikkeld.
+
+--Nu, en ik zeg u dan,--sprak een dier laatsten,--wij mogen en
+kunnen 't niet langer dulden dat onze heilige godsdienst zoo
+voortdurend en openlijk door een Feizi en een Aboel Fazl, om nu te
+zwijgen van een hoogere, wordt bespot en ten toon gesteld. En 't
+is mij onbegrijpelijk hoe gijlieden, al belijdt gij dan eene
+andere godsdienst, er vrede mee kunt hebben dat men hier alles
+zoekt om te keeren en alles te vernietigen wat u zoowel als ons
+tot nogtoe altijd heilig scheen.
+
+--Maar zóóver zijn we nog niet,--antwoordde de Hindoe;--dat de
+Keizer en zijne getrouwen niet véél meer aan uw Koran hechten, is
+bekend genoeg, en eveneens dat ze daarom onze godsdienst nog niet
+zijn toegedaan. Maar ik heb nog niets van eenig omverwerpen of
+vernielen gehoord; onze tempels blijven als de uwe onaangeroerd,
+en niemand hindert ons in onze godsdienstige praktijken, terwijl
+gij Mohammedanen te voren niet anders deed dan ons plagen en
+vervolgen.
+
+--En dat verdiendet gij ook, gij zonen van....
+
+--Komaan, mannen, geen twist!--sprak tusschenbeiden komend, een
+Perzisch krijgsman;--dat brengt ons toch niets verder.--En meteen
+gaf hij den verbolgen Mohammedaan een wenk.
+
+--Laat het dan zijn!--antwoordde deze, en den Hindoe den rug
+toekeerend, verwijderde hij zich met een paar zijner vrienden en
+den krijgsman die zooeven gesproken had.
+
+Nu mengde zich ook Gorakh in het gesprek en:--'t Is goed, Mobarik!
+--zeide hij,--dat gij daarbij waart. Openlijke twisten konden nu
+gevaarlijk worden. De meeste Hindoe's houden nog de zijde van den
+Keizer. Wekt ze dus niet te spoedig, en zoekt ze voor 't oogenblik
+nog niet te winnen; ze komen toch wel over als de kans begint te
+keeren. Hoever zijt gij inmiddels gevorderd?
+
+--De meeste van onze Mansabdar's zijn gewonnen,--antwoordde
+Mobarik,--en terstond zullen zij openlijk onze zijde kiezen zoodra
+hun het teeken gegeven wordt. Die met het leger meegaan zullen
+daar op het geschikte oogenblik omwenden, en die hier in Agra
+blijven zullen hetzelfde doen. Van hun troepen zijn zij volkomen
+zeker.
+
+Met bijzondere opmerkzaamheid hadden vooral ook twee andere mannen
+geluisterd, die zich intusschen bij de overigen gevoegd hadden,
+en, blijkens de met dezen gewisselde begroeting, mede tot de zeer
+vertrouwden behoorden. Met nog meer belangstelling luisterden zij,
+toen Gorakh met zachte stem hernam:
+
+--Van onze zijde is in de laatste dagen nog eenige verandering in
+het plan raadzaam gekeurd. Wij moeten niet wachten met den slag te
+slaan tot Akbar in het Noorden zal zijn aangekomen. 't Is toch
+altijd mogelijk dat hij, in weerwil van den afval van een deel
+zijner troepen, eene overwinning behaalt; sommige berigten uit
+Kaçmir doen er ons zelfs voor vreezen, en verspreidt zich van zoo
+iets het gerucht, dan valt er hier weinig of niets meer voor ons
+uit te voeren. Wij moeten de zaak dus wat verhaasten, en zoodra de
+Keizer met zijn leger te ver op weg zal zijn om Agra in weinige
+dagreizen weer te bereiken, het plan terstond doorzetten. Is dan
+Selim hier eenmaal tot Keizer uitgeroepen en heeft hij zich in de
+vesting versterkt, dan is er niet de minste twijfel of de
+ontevredenen in het leger zelf keeren zich tegen Akbar, 't geen
+anders, als 't alleen op hen aankomt, naar ons nog onlangs is
+gebleken, in 't geheel nog zoo zeker niet is. Zorg dus, Mobarik!
+en ook gij anderen, dat de onzen bij tijds gewaarschuwd worden en
+behoorlijk gereed zijn het vervroegde plan te helpen uitvoeren!
+
+Na nog eenige nadere afspraken scheidden de bondgenooten en gingen
+ieder huns weegs.
+
+--Dat is gewigtig nieuws!--zei tot zijn medgezel een der beide
+mannen, die zich 't laatst bij de anderen gevoegd hadden, toen zij
+een eind verder waren gegaan.
+
+--Dat zal waar zijn!--riep de ander uit;--en vergis ik mij niet,
+dan zal het Akbar de zaak vrij wat gemakkelijker maken. Jammer,
+dat wij niet dadelijk aan Aboel Fazl rapport kunnen doen; maar wij
+moeten natuurlijk wachten tot den nacht; vóór dien tijd naar zijn
+paleis te gaan, schijnt te gevaarlijk. Ook is hij, geloof ik, op
+dit oogenblik bij den Keizer en wij zouden hem dus niet vinden.
+
+--Ook dunkt mij beter--hernam degene die 't eerst gesproken had,--
+voor 't oogenblik niet langer zamen te blijven. Wij vinden elkaar
+dan na middernacht bij den Vizier terug.
+
+En den anderen groetend, sloeg hij eene zijstraat in, terwijl zijn
+medgezel langs de rivier bleef voortwandelen.
+
+Maar wat er dan 's avonds wel onheiligs en schrikbarends omging in
+die geheimzinnige binnenvertrekken van den Keizer, die naar het
+gevoelen van den vromen Yoessoef en velen zijner geloofsgenooten
+een verbond met geen minder persoon dan Satan zelf gesloten had?
+Dezen avond ten minste zou de regtzinnige Musulman er niets
+bijzonders hebben opgemerkt, hoewel hij zeker nieuwen aanstoot aan
+de gesprekken zou hebben genomen die er worden gevoerd, ten
+minste.... indien hij in staat ware geweest ze geheel te volgen.
+
+Feizi, Aboel Fazl en de vóór eenigen tijd uit het Noorden
+teruggekeerde Brahmaan Koelloeka waren daar met den Keizer bijeen.
+
+--Nog geen nadere berigten van uw spionnen?--vroeg deze aan zijn
+Minister.
+
+--Sinds eergisteren nog niet,--antwoordde Aboel Fazl;--ik verwacht
+hen echter heden na middernacht in mijne woning, en ik onderstel
+dat ze ons wel wat nieuws zullen brengen.
+
+--Treurig toch, niet waar?--hernam Akbar,--dat men zich telkens
+van zulke lieden bedienen moet! Och, waarom zijn de menschen toch
+ook zoo, en maken ze ons 't gebruik van dergelijke middelen
+onvermijdelijk?
+
+--Een noodwendig gevolg--antwoordde de staatsman,--van den
+regeringsvorm die hier nu eenmaal bestaat, en waarin geen verdere
+verandering mogelijk schijnt buiten die welke er reeds in is
+aangebragt. Ontevredenen, ze mogen het dan teregt of ten onregte
+zijn, hebben geen middel om herstel van hunne grieven te erlangen
+waar alle magt in handen van één eenige berust, en die ééne
+oordeelt dat die grieven ongegrond zijn. Eerzuchtigen en
+gelukzoekers bedienen zich dan van hen als hunne werktuigen voor
+geheime plannen, en maar al te ligt laten ze zich daartoe
+gebruiken.
+
+--Maar ik weiger toch nooit de klagten mijner onderdanen aan te
+hooren,--zei Akbar,--en als ze billijk zijn, toon ik mij immers
+ook steeds bereid om herstel aan te brengen voor zoover in mijne
+magt staat.
+
+--Als ze billijk zijn!--herhaalde Aboel Fazl,--ja, maar wie
+beoordeelt dat? De Keizer zelf met zijne raadslieden.
+
+--Maar wat zoudt gij dan willen? We hebben hier wel van staten en
+volken in andere wereldstreken gehoord, waar dat anders ging; maar
+de toestanden van die volken zijn of waren ook gansch andere. Hoe
+willen wij hier met al die verschillende rijken en stammen, die
+aan ons gebied zijn onderworpen, eenigen wezenlijken invloed op
+het bestuur aan het volk zelf verleenen? Daargelaten nog of het
+volkskarakter en 's lands zeden en gewoonten het mogelijk, zouden
+maken.
+
+--Dat is alles volkomen waar,--hernam Aboel Fazl,--maar ik heb ook
+reeds gezegd, dat ik geen verdere verandering wenschelijk of ook
+mogelijk achtte; en zoo ik nu van de bestaande toestanden sprak,
+dan was 't enkel om daaruit tot het onvermijdelijke der middelen
+te besluiten, die wij, om erger te voorkomen, wel genoodzaakt zijn
+aan te wenden. Wat voor 't overige de lieden betreft, die wij
+gewoon zijn met den verachtelijken naam van spionnen te betitelen,
+ze zijn toch niet altijd zoozeer te minachten als 't wel schijnen
+mogt. Althans die beide, die ik nu in 't bijzonder bedoelde, zijn
+wezenlijk eerlijke, door anderen ook geachte lieden en met hart en
+ziel ons toegedaan. 't Is waar, ik zorg dat ze goed beloond
+worden, maar noodig ware dat anders niet; ze zouden ook zonder dat
+ons trouw zijn. En goede diensten hebben ze ons dan ook waarlijk
+wel bewezen; zij ontdekten ons het geknoei van Salhana, den
+Goeverneur van Allahabad, en, wat niet minder waard is, ook de
+geheime gangen van dien Gorakh, den Yogi.
+
+--Ja,--merkte Feizi, misschien wel wat ondeugend, aan,--van dien
+wijsgeer, die een tijd lang ook op de gunst van Zijne Majesteit
+mogt bogen, toen hij nog de geheimen der Yoga-leer beloofde te
+onthullen. Veel is daar echter niet van gekomen voor zoover ik
+weet.
+
+Akbar kleurde een weinig bij die herinnering, die hem weer in de
+gedachte bragt, hoe hij bijna, althans voor een oogenblik, met al
+zijne wijsheid de bedrogene in handen van den slimmen huichelaar
+was geworden; maar ter regter tijd vatte Koelloeka het gesprek
+weer op waar het dreigde te blijven steken.
+
+--En dat is toch werkelijk jammer!--zeide hij;--'t is waar, met
+dien Gorakh behoort men zich niet te veel in te laten; mijn
+voormalige leerling Siddha heeft mij ook wel 't een en ander
+omtrent hem meegedeeld wat tot voorzigtigheid maande. En toch, hij
+weet misschien door overlevering nog meer dan wij omtrent die oude
+en tegenwoordig meest vergeten leeringen ontdekken kunnen.
+
+--Ziet gij wel,--sprak Akbar als zegevierend tot Feizi,--ook onze
+vriend Koelloeka, wien toch anders heel wat Brahmaansche wijsheid
+bekend is, acht die veel besproken Yoga-leer nog lang zoo
+onbelangrijk niet.
+
+--Gaarne wil ik gelooven dat zij veel belangrijks bevat,--antwoordde
+Feizi,--vooral indien onze wijze vriend dat zegt, van wien we reeds
+zooveel wetenswaardigs vernamen. Doch vergun mij, wijze Koelloeka! u de
+vraag te doen, wat gij nu eigenlijk van dat voormalig stelsel zoudt
+verwachten. Voor zoover ik weet is het niet veel anders dan een dwaas
+mysticisme, dat aan zijne adepten eene onmogelijke vereeniging van het
+eindig individu met het oneindig Alzijn belooft, en ten slotte eenvoudig
+op belagchelijke tooverkunsten of, beter nog gezegd, op eenige handige
+goocheltoeren uitloopt.
+
+--Zóó ongunstig--zeide Koelloeka,--denk ik nog niet over het
+systeem van Patandjali, ook al geloof ik geenszins dat het op 't
+bezit eener absolute waarheid zich mag beroemen. Die vereeniging
+met, dat opgaan van het eindige in het Oneindige, van het
+menschelijk bewustzijn in het Alwezen, dat de Yoga beoogd moet
+hebben, is op zichzelf genomen zoo groote dwaasheid niet. Wel
+dwaalt die leer ongetwijfeld, indien zij het middel der beoogde
+vereeniging in eene volkomen oplossing van het bewustzijn, van het
+denken zelf des menschen zoekt, waardoor het individu in een soort
+van extase met het oneindige wezen zou zamensmelten, maar waardoor
+het in waarheid, zoo dat kon, zou eindigen met zich zelf te
+vernietigen. Niet zoo gansch verwerpelijk echter schijnt mij,
+althans voor een deel, het gronddenkbeeld waarvan hier wordt
+uitgegaan. Of blijft het niet altijd eene waarheid, dat de mensch:
+juist omdat hij anders zoo eng bekrompen zich gevoelt, geen hooger
+standpunt van den geest weet te bereiken dan waartoe hij zich
+verheft wanneer hij in enkele te weinig hem gegunde oogenblikken
+zijne eindige persoonlijkheid voelt verdwijnen, om gansch en al in
+hoogere en meer algemeene begrippen op te gaan? Mits die begrippen
+maar geen ledige abstractiën blijven, maar aan het volle en
+krachtige menschenleven zijn ontleend, aan de wetenschap, aan de
+kunst, aan de bespiegeling ook over de maatschappelijke en
+burgerlijke betrekking der menschen onderling. Wat, ik vraag het,
+kunt gij hooger stellen dan een dergelijk zich verliezen van het
+eindig en zelfzuchtig Ik in het wezenlijk algemeene, in het
+algemeen menschelijke, waaraan het individu eerst zijn regten
+levensgeest ontleent en waarin het behoort op te gaan, zal het in
+waarheid aan zijn bestemming kunnen beantwoorden?
+
+--Ziedaar,--sprak Akbar,--een woord naar mijn hart! Maar diezelfde
+gedachte, verloochening der zelfzucht, bezielt ook andere uwer
+oude wijsgeerige stelsels, gelijk ook die nieuwere leer, die de
+zendelingen uit het Westen hier komen prediken. Maar is er toch
+niet iets anders nog, waarop het denken van den mensch en in 't
+bijzonder het wijsgeerig denken zich te rigten heeft? Zoo waar en
+zoo verheven ook die leer der zelf verloochening zijn moge, wat
+meldt zij ons omtrent het eeuwig en oneindig verband der dingen en
+de eenheid, die al het menigvuldige doordringt en zamenvat?
+
+--Inderdaad,--antwoordde de Brahmaan,--den naam van wijsgeer wel
+onwaardig zou hij zijn, die niet dát juist en de daaruit
+voortvloeijende levensbeschouwing en praktische moraal het
+hoofdvoorwerp van alle wijsgeerig denken, den wezenlijken inhoud
+der wijsbegeerte zelve noemde. Maar wie verschaft ons de volledige
+oplossing van het wereldraadsel?
+
+--Zeker niemand,--gaf nu Feizi ten antwoord,--althans tot heden
+niet. Wat latere wetenschap misschien na verre eeuwen nog tot die
+ontraadseling zal bijdragen laat zich heden zelfs in de verte niet
+vermoeden. Maar zouden wij nu voorloopig ons niet tevrede kunnen
+stellen met de overtuiging, die door alle ware wijzen van vroeger
+en later dagen wordt gedeeld, en door den een in meer door den
+ander in minder duidelijke bewoordingen is uitgedrukt, dat er een
+eeuwig en onbegonnen oorspronkelijk leven is in het heelal,
+waaruit en waardoor alles in zijn noodwendig oorzakelijk verband
+wordt zamengehouden; een leven en zijn, waarvan de hoogste wet
+ontwikkeling heet, de ontwikkeling van de steeds lagere trappen
+van het bestaan tot de altijd hoogere? En wat zijn wij dan zelf,
+wij menschen? Immers, even als al wat ons omringt, de verschijnselen en
+openbaringen van dat ééne Alleven en Alzijn zelf, en eveneens bestemd om
+ieder in eigen kring en naar mate van vermogen tot die algemeene
+ontwikkeling mede te werken. En naarmate wij nu levendiger en met steeds
+duidelijker bewustzijn ons dat algemeene, hoogste begrip voor oogen
+weten te stellen, zal ook meer en meer de enghartige zelfzucht op den
+achtergrond treden en plaats maken voor onbaatzuchtige toewijding aan
+het heil van onze medemenschen, van de maatschappij en van den staat.
+
+--Zeer juist gezegd, mijn waarde Feizi!--sprak Akbar weder,--maar
+zoo waar nu dat alles ook zijn moge, voldoet het u geheel, en
+verlangt gij niet soms ook naar iets anders, iets meer?
+
+--Ongetwijfeld,--was het antwoord,--aan dat ééne begrip in zijn
+afgetrokken algemeenheid hebben wij niet genoeg. Wij moeten 't ook
+in zijn bijzonderheden, zijne toepassing leeren begrijpen. Wij
+moeten trachten naar de kennis van dat oneindige leven en dat
+oorzakelijk verband, door de waarneming van de menigvuldige
+verschijnselen zelve. En naar die kennis trachten immers allen,
+die zich toewijden aan de wetenschap.
+
+--Gij begrijpt mij nog niet volkomen,--hernam de Keizer;--wat gij
+daar gezegd hebt, wil ik u eveneens toegeven; maar wat ik nu
+eigenlijk bedoelde, is dit. Heeft dat Alzijn, waarvan gij spreekt,
+zijn grond in zichzelf of in een nog hooger, intelligent bestaan?
+
+--Intelligentie, denken,--antwoordde de ander,--is een noodwendige
+eigenschap van het Zijn, even als datgene wat wij gewoonlijk stof
+noemen of uitgebreidheid eene andere is. Beide zich uitend en zich
+openbarend in die oneindige wijzigingen, die wij verschijnselen
+heeten. En hoe zou nu datgene wat een eigenschap is van iets,
+tegelijk de grond of de oorzaak van datzelfde kunnen zijn?...
+
+Eenige oogenblikken heerschte er volkomen stilzwijgen. De Keizer
+zocht naar een antwoord, maar schudde het hoofd en zeide niets.
+
+--Mijn waarde broeder! sprak nu Aboel Fazl, het woord tot Feizi
+rigtend,--uwe redenering schijnt mij volkomen logisch, en toch
+voldoet ze mij nog evenmin als, geloof ik, onzen geëerbiedigden
+Keizer. Wat hebt gij, wat hebben wij nu over 't algemeen aan dat
+begrip van het Alzijn en Alleven? Wat geeft het óns?
+
+--Wel,--antwoordde Feizi lagchend,--het behoeft u ook niets te
+geven, als het maar waar is. En is het waar, dan dient gij 't ook
+daarvoor te erkennen zelfs al voldoet het, al behaagt het u niet.
+Ik meen u echter zooeven nog te hebben aangetoond, dat mijn begrip
+toch wel degelijk iets geeft, en waarde voor het leven bezit, in
+zoover het ons opwekt tot toewijding aan al wat wij als goed en
+waar beschouwen. En wat wilt gij dan eigenlijk nog meer?
+
+--Ik geef 't u gewonnen,--hernam Aboel Fazl;--maar ik sprak nu niet
+zoozeer van mijzelf en ons anderen als wel van minder ontwikkelden, die
+dat alles zoo niet begrijpen en toch ook behoefte gevoelen aan iets
+meer en iets hoogers dan de dagelijksche ervaring hun aanbiedt. Zou 't
+nu in allen gevalle niet mogelijk zijn, die meer afgetrokken begrippen
+in een kleed te hullen, dat ze meer aanneemlijk maakte voor 't
+algemeen?
+
+--Onze vriend Aboel Fazl--zei Akbar,--heeft daar juist teruggegeven wat
+ik reeds meer dan eens bij mijzelf overlegde. Zou het, zoo dacht ik,
+inderdaad niet mogelijk zijn, zooal geen nieuwe zinnebeelden uit te
+denken voor de begrippen, die Feizi daar verkondigde, dan toch vroegere
+weer te verlevendigen, die niet door enkele en alleenstaande
+godsdienststichters verzonnen werden, maar uit den waarlijk godsdienstig
+dichterlijken geest der volken zelven zijn voortgesproten.
+
+--Ik meen de bedoeling te verstaan,--sprak Feizi, toen Akbar een
+oogenblik zweeg;--het geldt hier, bedrieg ik mij niet, de nieuwe
+leer, welke de Keizer zou wenschen in te voeren en ook ten deele
+onder sommigen zijner vertouwden reeds ingevoerd heeft. Is het zoo
+niet?
+
+--Inderdaad,--antwoordde Akbar,--gij hebt u daaromtrent niet
+bedrogen. Maar laat mij nu ook gebruik maken van de gelegenheid om
+er iets naders van te zeggen. Ik ben u, Feizi! en ook u,
+Koelloeka! omtrent dat een en ander wel eenige opheldering
+verschuldigd, en 't is mij dus welkom dat de loop van ons gesprek
+mij daartoe een gereede aanleiding geeft. Zoo luistert dan! ...
+lang, zeide ik daareven, heb ik gezocht naar een vorm waarin het
+redelijk godsdienstig bewustzijn zich mogt uiten en die
+tegelijkertijd den wijsgeerigen denker en den minder hoog
+ontwikkelde bevredigen kon. Eindelijk gaf de kennisneming van
+sommige denkbeelden onzer voormalige Perzen, maar vooral ook die
+van de vroegere dichterlijk wijsgeerige voorstellingen uwer aloude
+zangers, Koelloeka! mij eenigermate aan de hand wat ik eigenlijk
+zocht. Ik bedoelde de u welbekende voorstellingen van de Zon en
+het Vuur, en die bespiegelingen over de meest in 't oog vallende
+verschijnselen van het licht en de warmte, die in den aanvang
+misschien onduidelijk en verward schijnen, maar wél bezien, eene
+verhevene waarheid bevatten, eene waarheid die de wetenschap van
+later eeuwen welligt nog door hare uitkomsten tot hoogere
+zekerheid zal verheffen.--Ziet!--vervolgde Akbar, terwijl hij
+nader trad bij de galerij aan de open zijde van het vertrek, en
+naar de langzaam ten ondergang neigende zonneschijf wees,--daar
+verlaat ons weder de glorierijke vertegenwoordiger van alle licht
+en leven op aarde om morgen weer te keeren in schitterender glans!
+Vroegere geslachten vereerden hem als een God en zagen biddend tot
+hem op; voor de Wijzen van ouds was hij 't verheven zinnebeeld van
+het levensbeginsel zelf in het heelal en van die ééne alles
+doordringende kracht, die woont in al het bestaande, en zich uit
+in hare oneindige verschijnselen. En is het niet licht en warmte
+inderdaad wat in alles leeft en alles bezielt, en zonder 't welk
+niets zou kunnen zijn? In het zonlicht, in maan en sterren, in de
+bliksemstraal, in het vuur dat wijzelf ontsteken in den haard, in
+het licht dat wij doen ontbranden op onze luchters zien wij de
+meest onmiddelijke verschijnselen van die kracht, nu eens
+weldadig, dan weer vreeselijk en vernielend; maar ook in den
+grond, in de planten, in mensch en dier, in lucht en water is
+diezelfde kracht steeds aanwezig, al merken we haar niet telkens
+daarin op; en welk verschijnsel in één woord, waarin ze niet
+voortdurend op eene of andere wijze wordt waargenomen? Is nu dit
+alles werkelijk aldus, zou het dan al te zeer eene speling der
+dichterlijke phantasie mogen heeten, indien wij die ééne kracht
+tot zinnebeeld kozen van die eenheid en dat leven waarvan gij,
+Feizi! zoo aanstonds ons gesproken hebt? En nu is onze vriend
+Aboel Fazl, wien ik mede de vraag voorlegde, het niet alleen
+hierin met mij eens, maar hij heeft mij ook op het denkbeeld
+gebragt, om het met mijne nieuwe of, wilt ge, aan de ouderen
+ontleende leer,--altijd uitsluitend door redelijke overtuiging,
+nooit anders,--bij het volk te beproeven en te zien of zij niet
+het velerlei bijgeloof zou kunnen vervangen dat nu nog zoo
+algemeen heerschend is. Een naam was er noodig om die leer te
+onderscheiden van andere en, hoewel nu een naam nooit volkomen het
+geheele begrip kan uitdrukken, scheen ons toch die van Tauhid i
+Ilahi, de Eenheid der Godheid, dat is dan van het Alwezen en zijn
+Albestaan, een niet ongeschikte. Ceremoniën, uitwendige
+vertooningen blijven voor 't overige geheel buitengesloten, ten
+ware gij een eenvoudige symbolische vereering van de zon gedurende
+den dag en in den morgenstond, en van het licht in den nacht, door
+onderlinge zamenspraken en geschikte lofzangen, een uitwendige
+eeredienst mogt noemen.--Van dit een en ander--zoo besloot de
+Keizer,--had ik tot dusver u beiden wel eens nu en dan een wenk
+gegeven, maar 't nog niet nader voor u ontwikkeld. De tijd scheen
+mij daarvoor thans gekomen. En nu, zegt mij openhartig uw
+gevoelen!
+
+Geen der beide vrienden scheen nog zoo aanstonds geneigd, aan de
+uitnoodiging te voldoen. Ten laatste brak Koelloeka het
+stilzwijgen.
+
+--Wijze vorst!--zeide hij,--vergeef het ons zoo wij niet
+onmiddelijk met ons antwoord gereed zijn. Uwe belangwekkende
+mededeelingen eischen wel een oogenblik nadenken. In het plan door
+u ontwikkeld ligt veel aanlokkelijks, doch, naar mijn bescheiden
+meening, ook veel wat bedenkelijk schijnt. De betrekkelijke
+juistheid en de verhevenheid uwer zinnebeeldige, voor een deel aan
+onze oude zangers en wijzen ontleende leer, zal ik de eerste zijn
+toe te geven. Maar, moet ik tevens vragen, is er niet groot gevaar
+dat diezelfde symbolen, eenmaal onder het volk gebragt en door de
+menigte aangenomen, gesteld dat dit geschieden zou, toch spoedig
+weer hun oorspronkelijke beteekenis zouden verliezen en alles ten
+slotte weer op een geheel uitwendige gansch werktuigelijke
+vormendienst zou nederkomen? Bedenken wij het wél, dat ongeveer
+diezelfde leer, die gij thans zoudt wenschen te verkondigen, reeds
+eenmaal werkelijk tot het geloof van sommige volken behoord heeft.
+En wat is er van geworden?... Maar niet in later dagen alleen, ook
+in die overoude tijden reeds, waarop gij u beroept, ontstond er al
+een twijfel omtrent het voorwerp van vereering; en, evengoed als
+menig godvruchtige onzer dagen, vroeg ook toenmaal reeds het vroom
+gemoed:
+
+"Hij die adem, Hij die kracht geeft,
+ Wiens gebod wordt vereerd door Deva's, door allen,
+ Wiens schaduw is de onsterflijkheid,
+ Wiens schaduw is de dood,--
+ Wie is die God, wien het offer wij brengen?"
+
+
+Ook toen dus had men blijkbaar weer niet genoeg aan dien Soerya,
+de Zon, en aan Agni, het Vuur, als beeld of vertegenwoordiger der
+ééne levenskracht. En zal nu aan de Tauhid i Ilahi een gelukkiger
+toekomst zijn beschoren dan aan de vuur- en zonnedienst der
+geslachten, die ons zijn vooraf gegaan?
+
+Akbar gaf geen dadelijk antwoord.--En gij, Feizi!--vroeg hij,--
+wat is uw gevoelen omtrent de zaak?
+
+Weinig of niets--antwoordde Feizi,--heb ik tot nog toe te voegen
+aan 't geen onze waardige vriend daar in 't midden heeft gebragt.
+De twijfel, waarvan hij gewaagde, werd trouwens in die oude
+tijden, tot welke de voormalige zonnedienst moet worden
+teruggebragt, ook vrij wat sterker nog uitgesproken dan in het
+door hem aangehaalde Veda-lied. Een ander dichter van die dagen
+toont reeds voldoende, in 't geheel niet meer te weten waaraan hij
+zich eigenlijk houden zal.--Wie weet het,--vraagt hij,--
+
+"Wie weet het, wie verklaart het ons,
+ Vanwaar dit Al ontstond?
+ De Deva's zelf zijn later dan zijn wording,
+ Wie dan, die weet, van waar dit Al ontstond.
+
+
+ Van waar 't ontstond, en of een Wezen 't schiep
+ Of niet,--dat slechts weet Hij,
+ Die, alles ziende, in gindschen hemel troont.
+ Hij weet het, of... ook Hij zelfs weet het niet!"
+
+
+De twijfel schijnt dus al haast even oud als de godsdienst zelve.
+Maar dat nog daargelaten! En gezwegen ook van den haat en de
+tegenwerking, die een hervormer, ook de meest humane, steeds van
+zijne tijdgenooten te wachten heeft, en waarvan wij ook hier reeds
+de verschijnselen kunnen opmerken, voor zoover 't een en ander
+omtrent de nieuwe leer onder 't volk is bekend geworden. Ik weet
+dat een Akbar daarvoor niet bevreesd kan zijn. Maar het andere
+gevaar, waarop Koelloeka wees, mag waarlljk niet te ligt worden
+geteld. Het gevaar dat de min ontwikkelde menigte, zoodra er maar
+weer een naam genoemd wordt, 't zij dan Allah, 't zij een andere,
+daaraan terstond weer eene persoonlijke beteekenis zal hechten en
+de persoonsverbeelding als onderscheiden van het Alzijn zelf gaan
+beschouwen. En dan is het natuurlijk ook weer gedaan met die
+Eenheid der Godheid, zooals gij die werkelijk bedoelt. En wat hebt
+gij dan eigenlijk uitgerigt, wat zijt gij verder gekomen?
+
+--Maar Feizi!--vroeg Aboel Fazl,--wat zoudt gij zelf dan wel
+verlangen om het volk wijzer en verstandiger te maken? Hoe die
+hervorming der begrippen tot stand te brengen, die de Keizer
+beoogt?
+
+--De groote wijsgeeren--was Feizi's antwoord,--der natie die ginds
+het noord-oostelijk grensland, China, bewoont, en wier beschaafden
+sinds lang in 't geheel geen godsdienst meer belijden, hebben,
+waar het volksverlichting en volksontwikkeling gold, één groot
+beginsel verkondigd dat zoo eenvoudig mogelijk schijnt en toch
+door ons nog maar al te veel uit het oog wordt verloren: Vóór
+alles volksonderwijs! Ziedaar het eenige, maar ook volkomen zekere
+middel. Het werkt langzaam, 't is waar, en wie op groote schaal
+het begint toe te passen, ziet zelf niet ligt de uitkomst; maar
+deze is niettemin onmisbaar op den duur, terwijl elke verkondiging
+van eene meer of min met zinnebeelden getooide leer, 't zij dan
+met of zonder openbaringsgezag, wel voor een tijd kan bloeijen,
+doch in 't einde steeds weer verbastert, of, zoo dit al niet
+gebeurt, toch weer ophoudt aan de geestelijke en zedelijke
+behoeften der menschen te voldoen.
+
+--Er schijnt veel waars in 't geen gij zegt,--sprak Akbar ten
+slotte,--en ik wil dat alles in zeer ernstige overweging nemen.
+Welligt ook zullen wij in elk geval onze leeringen tot enger
+vriendenkring moeten beperken en zal hare invoering onder het
+eigenlijke volk op onoverkomelijke bezwaren blijven afstuiten.
+Niettemin, ik geef mijn lievelingsdenkbeeld nog zoo terstond niet
+op, gelijk gij dat ook wel niet verwachten zult. Wij moeten er nog
+eens nader over spreken. Doch voor heden genoeg! Staatszorgen
+roepen ons straks weder tot onze meer gewone werkzaamheden. Ik
+dank u inmiddels, mijne vrienden! voor uw onderhoud; u, Aboel
+Fazl! voor uwe ondersteuning, en u beiden voor uwe opregte en
+welgemeende tegenspraak!
+
+En na afscheid van den Keizer te hebben genomen begaf zich Aboel
+Fazl met de beide anderen naar zijn paleis om daar, in hunne
+tegenwoordigheid, het verslag der twee verspieders aan te hooren.
+
+
+
+TWAALFDE HOOFDSTUK.
+
+Aanslagen
+
+'t Was een vrolijke, tamelijk frissche morgen, toen Siddha met een
+paar zijner ruiters den weg naar Fattipoer opreed om derwaarts
+eenige brieven over te brengen, die men aan geen eenvoudigen bode
+had kunnen toevertrouwen. De zon scheen helder zonder nog te
+branden, in de boomen zongen de veelkleurige vogels, en in de
+takken sprongen eekhorens en kleine apen al spelend heen en weder.
+De gansche natuur scheen iets opgeruimds, iets levenslustigs te
+vertoonen, wat haar anders in die streken zelden eigen pleegt te
+zijn; en ook de landlieden, die men onderweg ontmoette, hadden den
+hun gewonen loomen en slaperigen gang voor een levendiger tred
+verwisseld, als deelden ook zij in de opgewektheid die daar alom
+scheen te heerschen.
+
+Wie daar echter volstrekt niet aan deelnam was onze voorheen zoo
+levenslustige Siddha. Somber veeleer en in gepeins verloren reed
+hij voort, en zwijgend ook volgden hem zijne onderhoorigen. Wél
+scheen hij een ander mensch geworden sinds den tijd toen hij voor
+'t eerst in Agra kwam, en met Parviz en zijne vrienden schertste,
+en met deelneming zooal niet met belangstelling naar de
+vertrouwelijke mededeelingen omtrent de edele dochter van den
+schatmeester luisterde. En wel ook had Parviz dat niet zonder
+verwondering opgemerkt; maar bescheidenheid had hem weerhouden
+naar de aanleiding te vragen of onderzoek te doen. Te dieper
+intusschen gevoelde Siddha het zelf, hoe anders het met hem
+geworden was. Hoe anders inderdaad dan den dag toen Koelloeka hem
+moedig en luchthartig voorwaarts zag springen met zijn hengst, als
+dacht hij de wereld te gaan veroveren, en vrolijk hem den
+geliefden naam zijner toekomstige bruid hoorde uitroepen! Hoe
+anders nu dan toen een enkele kus van Iravati hem de zaligheid
+scheen, en hij nog niet geleerd had te smachten naar de
+hartstogtelijke omarmingen eener Rezia! Toen hij nog rein was van
+gemoed en zich nog niet te schamen had over zichzelven omdat hij
+aan verraad en trouwbreuk en schandelijke ondankbaarheid zich had
+schuldig gemaakt!
+
+Somber vooral ook waren ditmaal zijne gedachten, daar zich heden
+meer dan ooit zekere vermoedens bij hem opdrongen, die meer dan
+eens, hoewel nog onbestemd, aan zijn geest zich hadden voorgedaan.
+Was Rezia zelve hem wezenlijk getrouw of behandelde zij hem niet
+anders dan den echtgenoot, die toch zooveel meer dan hij hare
+liefde verdiende? Of Selim werkelijk enkel om staatkundige redenen
+haar bijwijlen opzocht, dan of ook andere hem naar Feizi's
+vrouwenvertrekken voerden? En dan die zamenzwering waarin hij,
+Siddha, hoe langs hoe meer gewikkeld werd! Ook deze begon een niet
+weinig dubbelzinnig karakter voor hem aan te nemen, sinds hij toch
+langzamerhand wel begon in te zien, dat het in 't geheel niet om
+de onafhankelijkheid van zijn vaderland alleen, maar tevens, zoo
+niet uitsluitend, om gansch iets anders te doen was. En had ook
+Rezia hem niet meer dan eens reeds, naar hare eigene bekentenis,
+misleid? En wat reden dan om aan te nemen, dat ze hem nu de
+waarheid en niets dan deze had meegedeeld? In welke nieuwe
+verwikkelingen had hij zich dan gestoken, en tot welke misdrijven
+liet hij zich misschien als werktuig gebruiken!
+
+Een uitroep van een der ruiters deed hem opschrikken uit zijne
+mijmering, en de rigting der lans volgend, waarmee de krijgsman
+naar een punt in de verte wees, ontwaarde hij daar een groep
+mannen te paard, die, naar hunne bewegingen te oordeelen, met
+elkaar in gevecht moesten zijn.
+
+--Voorwaarts!--riep Siddha, en zijn paard de sporen gevend snelde
+hij in vollen ren, door de twee anderen gevolgd, naar de plaats
+van den strijd. Naderbij gekomen herkende hij, tot zijne niet
+geringe verwondering en schrik, in een dier mannen Aboel Fazl, en
+in dengene die hem met zijn sabel zocht te treffen Narasinha, een
+Radja, dien hij zich herinnerde meermalen en onder anderen ook bij
+Prins Selim te hebben ontmoet.
+
+Inmiddels hadden de volgelingen van den Radja de nieuw aankomenden
+al spoedig in 't oog gekregen, en een vijftal rende hen aanstonds
+te gemoet. De schok tusschen Siddha en den voorsten ruiter was
+geweldig en in een oogwenk lag deze, de borst door de spoor zijner
+tegenpartij doorboord, met zijn paard op den grond. Onmiddelijk nu
+trok Siddha zijn sabel en bragt daarmee den volgende een houw toe,
+die hem aanstonds uit den zadel deed tuimelen. Maar zwaarder werk
+had hij met den derde, die even als hij een geoefend ruiter en
+zeer behendig met de sabel bleek te zijn. En terwijl zijne beide
+volgelingen de twee anderen bezig hielden, kwamen er weer nieuwe
+aanrijden om hunne makkers bij te springen. De kansen begonnen dus
+hagchelijk voor onze drie mannen te staan, toen het Siddha
+eindelijk gelukte zijn vijand een zwaren slag in den hals toe te
+brengen en hem daardoor buiten staat van gevecht te stellen; en
+juist toen de strijd met de nieuw bijgekomenen stond te beginnen,
+klonk er een bevel dat hen gebood om te keeren. Terstond wendden
+zij den teugel en reden naar de hunnen terug. Maar in hetzelfde
+oogenblik toen zijne tegenpartij gevallen was en hij de overigen
+te hulp zag snellen, had Siddha ook Aboel Fazl de armen zien
+uitbreiden, terwijl de sabel hem ontviel, en achterover storten
+van het paard. Een kort oogenblik later had Narasinha zijne
+helpers teruggeroepen en rende nu met al zijne volgelingen over de
+vlakte voort. Siddha's eerste beweging was, de moordenaars na te
+rijden, maar spoedig begreep hij met zijn twee ruiters, waarvan er
+een ook gekwetst was, toch voor 't oogenblik niets te kunnen
+uitrigten, terwijl de vier dienaren van den Minister eveneens
+verslagen op het veld lagen uitgestrekt. Daarenboven eischte Aboel
+Fazl zijne zorg.
+
+Snel van zijn paard gesprongen, dat hij aan de anderen overgaf,
+knielde hij nevens den gevangene, en diens kleeding losmakend
+trachtte hij zoo goed mogelijk het bloed te stelpen dat uit de
+breede en waarschijnlijk ook diepe borstwond vloeide. Tot zijne
+blijdschap sloeg Aboel Fazl de oogen op, en toonde duidelijk hem
+te herkennen. De vreugde was echter kort van duur.
+
+--Uwe hulp, mijn brave Siddha! komt te laat,--sprak met zwakke
+stem de gewonde;--met mij is het gedaan en met mijn arbeid voor
+den Keizer en zijn rijk.... Eén laatst bevel nog! Laat voor Akbar
+de naam van den waren moordenaar verborgen blijven als gij dien
+soms vermoedt....
+
+--Narasinha--antwoordde Siddha,--was, ik onderstelde het dadelijk,
+alleen zijn huurling. De ware moordenaar is....
+
+Maar toch aarzelde hij den naam uit te spreken.
+
+--... Selim!--vulde Aboel Fazl aan; men had mij reeds van ter
+zijde voor hem gewaarschuwd.
+
+Afgemat zonk de stervende, door Siddha's arm gesteund, achterover.
+Maar toen een weinig later het bewustzijn voor eenige oogenblikken
+terugkeerde, vond hij nog de kracht, schoon de stem hem bijna
+begaf, een laatsten groet aan dien keizerlijken vriend te rigten,
+dien hij zoo trouw en met zooveel ijver gedurende zijn leven had
+ter zijde gestaan.
+
+--Zeg aan Akbar,--sprak hij,--dat mijne laatste gedachte aan hem
+is geweest. En zeg hem ook, dat ik sterf in de vaste overtuiging
+omtrent de waarheid dier beginselen, die wij zoo menigmaal, ook
+nog gisteravond, te zamen bespraken.... Den zonneglans zie ik
+nauwelijks meer, en wel gevoel ik dat het licht nog in mij leeft,
+maar ook daar zal het straks zijn uitgedoofd .... Doch ik beklaag
+mij niet! Ik geloof in staat te zijn geweest iets ten nutte mijner
+medemenschen te verrigten, al was het minder dan ik had gewenscht.
+En daarom sterf ik tevrede. Zorg ook gij, mijn jonge vriend! dat
+gij eenmaal hetzelfde moogt zeggen!...--En nu vaarwel!--fluisterde
+de Vizier na nog eene korte pauze terwijl hij den ander zacht de
+hand drukte ....
+
+Het hoofd viel voorover op de borst en weldra gevoelde Siddha dat
+zijn arm niet meer steunde dan een lijk....
+
+Ver van de plaats waar dit alles voorviel, werd omstreeks
+denzelfden tijd een ander drama gespeeld, dat met het zoo
+aanstonds beschrevene in sommige opzigten veel overeenkomst
+vertoonde, schoon het in andere niet weinig daarvan verschilde.
+
+In het gebergte van den Himâlaya, en voornamelijk in den omtrek
+van den Bhadrinâth, had gedurende verscheidene dagen een drukkende
+warmte geheerscht. Wel waren des avonds nu en dan donkere
+regenwolken, de weldadige hemelkoeijen, verschenen om de dorstende
+aarde te drenken; maar de booze Vritra, de donkere daemon, had ze
+telkens weer weggevoerd, en des anderen daags keerde ook de
+zonnehitte terug om veld en planten te verschroeijen. Eindelijk
+rustte de magtige Indra, de Koning des hemels, zich uit ten
+strijde. Wederom kwamen tegen den avond de wolken, en wederom
+zocht de daemon ze te vermeesteren; maar thans greep Indra zijne
+bliksemschicht, en ratelend weerklonk, honderdvoudig door de
+bergen weerkaatst, de eerste, geweldige slag. Wel voelde zich
+Vritra getroffen, maar nog gaf hij den strijd niet op, en nog
+verkwikte geen enkele regendroppel de smachtende natuur. Toen
+daalden keer op keer de vreeselijke slagen op zijn hoofd, en
+verlichtten de bergtoppen en de heuvelen en dalen met verblindenden
+glans, terwijl onophoudelijk de donder bleef rollen, en hooge boomen
+werden doorkliefd, en zware rotsblokken neer werden geslingerd in de
+ravijnen. Nu ook viel de regen in digte stroomen neder, en beeken en
+bergstroomen begonnen te zwellen en zochten ruischend hun weg naar de
+meren in de valleijen. Eindelijk, tegen 't vallen van den nacht,
+bedaarde de vreeselijke strijd, de regen hield op, het weerlicht
+flikkerde slechts nu en dan nog in de duisternis, en geen ander geluid
+brak de stilte dan het klateren van het water, dat van de hoogten naar
+de dalen vloeide.
+
+Thans trad ook Gaurapada, de kluizenaar, naar buiten en, met
+welgevallen de frissche met de heerlijkste geuren bezwangerde
+lucht inademend, zette hij zich neder onder het vooruitstekend,
+met jasmijn en rozen begroeide afdak aan de voorzijde zijner
+woning. In eene aangename stemming bragt hem een tijdlang de
+zachte en kalme rust der wederoplevende natuur, terwijl het
+aloude, eeuwenheugende wolken-epos met zijn Indra, den Vritra-
+dooder, tot held, hem nog voor den geest bleef zweven als ware 't
+eerst gisteren gedicht; maar toch begonnen ook spoedig weer
+sombere en verontrustende gedachten zich aan hem op te dringen.
+Koelloeka had in den laatsten tijd hem berigten uit Kaçmir en Agra
+gebragt, die hem met geene geringe bezorgdheid vervulden voor de
+toekomst van zijn nog altijd zoozeer geliefd vaderland.
+
+--En zoo moet het--dus overlegde hij,--dan toch eindelijk tot
+datgene komen, wat ik zoolang gevreesd heb en wat ik zocht af te
+wenden door mijne jarenlange vrijwillige ballingschap! Een vreemde
+overheerscher staat binnen te dringen in ons ongelukkig land, en
+onze eigene rampzalige twisten banen hem den weg. Hij heeft
+gelijk, van zijn standpunt; hij moet de orde herstellen in een
+naburigen staat, die zijn rijk onophoudelijk blijft verontrusten,
+en kan dat niet met eerbiediging van 's lands zelfstandigheid, dan
+moet het geschieden door onderwerping. Maar wij! Of er dan
+wezenlijk niets meer aan te doen zou zijn?--Neen!--ging hij voort
+in zijne gedachten,--dat denkbeeld van Koelloeka, die mij terug
+wilde doen keeren, opdat ik, door Akbar misschien gesteund, het
+bestuur weer mogt overnemen van mijn te zwakken broeder, neen, dat
+deugt werkelijk niet! Mijn wederoptreden zou enkel een tijdelijk
+redmiddel zijn, indien het dat al was. En ik ben ook te oud
+geworden en ongeschikt om weer te gaan regeren; althans daar, waar
+jeugdige kracht vóór alles zou worden vereischt. Lang ook kan het
+met mij niet meer duren.... Mijn hoofd is moede en verlangt zich
+neer te leggen ter ruste. Ik wensch sinds lang reeds naar het
+oogenblik, dat ik zal mogen ingaan tot die vereeniging met het
+Oneindige Brahma, waaraan wij allen ons kort afzonderlijk bestaan
+ontleenen, en waartoe wij allen eenmaal wederkeeren ....
+
+En langzaam sloot Gaurapada de oogen, terwijl hij zich uitstrekte
+op het zachte en frissche bed van mos. Een lichtstraal, die voor
+een oogenblik de gansche vallei en het meer daar omlaag bescheen,
+wekte hem weder en deed hem zijne overpeinzingen nog een oogenblik
+hervatten.
+
+--Ook is het misschien nog het beste,--zoo dacht hij wederom,--
+dat het maar gaat zooals 't nu eenmaal bestemd schijnt te zijn.
+Ons volk verarmt, komt tot verval, wordt ellendig onder dien
+telkens vernieuwden partijstrijd, waarvan toch het eind nooit te
+voorzien schijnt. Kwam het eenmaal weer onder een goed en ordelijk
+bestuur, zijn industrie en zijn handel zouden herleven, zijne
+voormalige welvaart kon nog terugkeeren. En Akbar is een
+verstandig en een regtvaardig vorst, die zijn onderdanen gelukkig
+weet te maken, en dien heden de volken zegenen, die te voren zich
+nog verzetten tegen zijne heerschappij. En toch is het hard voor
+een land zich van de vrijheid te zien berooven, waarop het sinds
+vele eeuwen trotsch mogt zijn! Ach, dat het mij gespaard ware
+geweest dit te beleven van mijn eigen land!
+
+Nogmaals leunde hij 't hoofd achterover met een zucht, tot hij ten
+laatste, half werktuigelijk nog luisterend naar het ruischen der
+beek, in een ligte sluimering verviel. Alles scheen in diepe rust,
+heinde en ver. Niets meer kon den slaap van den grijsaard storen.
+Slechts nu en dan vernam hij in zijn nabijheid het gonzen van een
+insect en meende hij dat het streek langs zijn gelaat. Ook beving
+hem een zonderlinge gewaarwording, een onverklaarbaar gevoel alsof
+hij niet alléén was. Nog eemnaal zag hij op, maar hij ontwaarde
+niets, en ook het insect scheen door zijn beweging verjaagd. Na
+eenigen tijd kwam het echter terug en ging weder en keerde, totdat
+de sluimerende er geen acht meer op sloeg en zich geheel overgaf
+aan een nu onoverwinnelijken slaap.
+
+Toch was deze zoo zwaar niet, of de minste aanleiding kon hem
+daaruit wekken. En eensklaps greep hij naar zijn hals, waarom hij
+vlug een koord voelde slingeren, en met de eene hand het koord
+vattend, tastte hij met de andere om zich heen. Aanstonds
+ontmoette hij een koud en glibberig, als met olie bestreken
+ligchaam, en nu, van het koord zich bevrijd gevoelend, greep hij
+met beide handen het ligchaam aan. Maar hoe vast hij de nog
+krachtige vuisten er om heen zocht te klemmen, toch gleed het hem
+door de vingers en scheen hem te ontsnappen .... Daar klonk
+plotseling in de stilte van den nacht een rauwe kreet, beantwoord
+door een dof gebrul, en in zijn onmiddelijke nabijheid zag
+Gaurapada een paar vurige, heen en weder rollende ballen
+glinsteren.... Nog een kort oogenblik en het weerlicht deed hem
+terstond Hara, zijn tijger, herkennen, die, met den geweldigen
+klauw op een donker menschelijk ligchaam, vlak vóór hem lag
+uitgestrekt.
+
+Op het vernemen van den kreet was inmiddels de dienaar toegesneld
+met een licht dat in het binnenvertrek stond te branden, en bij
+het schijnsel overtuigde zich weldra Gaurapada dat zijn gezicht
+hem zooeven niet bedrogen had. Onmiddelijk begreep hij nu ook wat
+er was voorgevallen. De man, die daar lag, had beproefd hem te
+worgen, maar tijdig had hij 't koord nog gevoeld en zijn tijger,
+door instinct of hoe dat heeten mogt gedreven, moest den Worger
+even onbemerkt zijn nageslopen als deze den kluizenaar genaderd
+was.
+
+--Terug, Hara!--riep nu Gaurapada, opspringend en den tijger in
+den nek grijpend,--terug, zeg ik!
+
+Eerst bleef het dier nog onbewegelijk, maar gehoorzaamde ten
+laatste, schoon blijkbaar onwillig, aan de stem van zijn meester,
+trok den klauw terug en ging zich grommend op zekeren afstand
+nederleggen.
+
+Met behulp van den dienaar rigtte nu de kluizenaar zijn gevallen,
+door den tijger met één slag in den rug gevelden vijand van den
+grond, en legde hem, toen hij zich overtuigd had dat hij nog
+leefde, voorzigtig op het mos.
+
+--Ik ken dien man,--zeide hij, een weinig nader hem beschouwend;--ik
+bewees hem indertijd, toen ik nog magtig was, menige weldaad en gunst.
+Wat hem nu gedreven kan hebben tot een zoo verraderlijken aanval?
+
+Op dit oogenblik zag de gewonde, die Gaurapada's woorden verstaan
+had, op, en den kluizenaar lang en opmerkzaam aanstarend,
+fluisterde hij, blijkbaar met verbazing:
+
+--Nandigoepta!... Kan het mogelijk zijn?
+
+--Nandigoepta inderdaad!--antwoordde de ander;--maar gij, wat
+bewoog u, mij naar 't leven te staan?
+
+--Mijn Heer en mijn Vorst!--sprak de Worger, voor enkele
+oogenblikken nog met vaste stem,--ik zweer u bij den magtigen çiva
+en zijne heilige echtgenoote! dat ik niet wist wie gij waart en u
+lang gestorven waande. Had ik 't geweten, ik zou de kracht niet
+hebben gehad aan 't bevel van Doerga te voldoen, welke dan ook de
+straf van hare ongenade mogt zijn. Maar gelukkig heeft zij zelve
+uw dood niet gewild, en dien tijger gezonden om mijn leven als
+offer in de plaats van het uwe te nemen. Geloofd zij haar naam!
+
+Uitpuiting verhinderde den gewonde voort te gaan. Met den dienaar
+wiesch en verbond Gaurapada hem zoo goed mogelijk den vreeselijk
+ontvleeschden rug, waarin de klauw van den tijger diep was
+doorgedrongen, en toen, na hem te drinken te hebben gegeven en
+ziende dat hij zich een weinig begon te herstellen, vroeg hij
+verder:
+
+--Maar nog eens dan. Wat of wie dreef u tot die daad? En indien
+gij zelf niet eens wist wie ik was, wie heeft u dan gezegd, dat
+Doerga mijn dood verlangde?
+
+--Gorakh, de Yogi!--was het antwoord.
+
+--Ha! die schurk!--mompelde Gaurapada;--dan zit er stellig nog
+meer achter.--Gij zijt dus,--vervolgde hij,--naar ik bemerk, een
+Worger geworden. Dan beklaag ik u om uw treurige verblindheid.
+Maar was ik de eenige, dien Gorakh u aanwees als uitverkoren
+offer?
+
+De pijn verhinderde eenige oogenblikken den gewonde te antwoorden,
+schoon op zijne strakke gelaatstrekken niets daarvan te lezen
+stond. Toen antwoordde hij, met tusschenpoozen sprekend:
+
+--Ook de eerste Minister in Kaçmir, de broeder van Salhana, werd
+daartoe uitverkoren. Maar hem te dooden is opgedragen aan mijn
+broeder, die u ook wel bekend is, en alleen als hem de aanslag
+mislukte, zou die uitgevoerd worden door mij.
+
+--En is uw broeder reeds sedert lang naar Kaçmir gegaan?
+
+--Hij verliet mij gisteren op eenigen afstand van hier en ging
+toen voort naar het Noorden.
+
+--Te voet?
+
+--Ja!
+
+--En zijn er nog anderen van de uwen, die met deze bevelen omtrent
+den Minister en mij bekend werden gemaakt?
+
+--Geen anderen. Eerst als blijkt dat wij niet zijn geslaagd, wordt
+de last aan anderen overgedragen.
+
+Gaurapada wenkte, zijn dienaar en trad een weinig met hem ter
+zijde.
+
+--Ga--sprak hij,--en zadel terstond uw paard! Gij zult spoedig een
+reis hebben te ondernemen.
+
+Een zacht, schoon bedwongen gekreun riep hem bij den gewonde
+terug, nadat zijn dienaar zich verwijderd had.
+
+--Heer! sprak fluisterend gene,--ik heb nog maar enkele
+oogenblikken te leven.... Maar verleen mij nog ééne gunst na de
+vele, die ik van u genoot!... Zeg mij, dat gij mij vergeeft!
+
+--Ik vergeef u, arme man!--antwoordde Gaurapada;--ik weet het nu,
+dat gij een werktuig waart en niets anders.
+
+--Dan sterf ik gelukkig!--hernam de Worger;--en met een voorsmaak
+der zaligheid ga ik in tot het eeuwige leven. Door het wonder dat
+de Godin aan u verrigtte, en door tevens mij aan te nemen als
+offer, heeft zij getoond dat hare genade u en mij verzekerd is...
+--Heilige, driewerf heilige Doerga!--riep hij, als op eenmaal door
+nieuwe kracht bezield en met opgeheven armen zich omhoog rigtend,
+met luider stem,--ontvang mij in den tempel uwer glorie! Ik kom!--
+Toen stortte hij weer achterover, strekte de armen uit en lag
+bewegingloos. De geloovige volgeling van de Godin der Vernieling
+was niet meer....
+
+Geruimen tijd nog bleef de kluizenaar op het zielloos ligchaam
+staren, waaraan de akelige magerheid, de donkere kleur en de met
+wit en rood op het voorhoofd geteekende drietand van çiva een
+spookachtig aanzien gaven bij het weifelend licht.
+
+--Tot wat--prevelde hij in zichzelf,--de godsdienst al niet leiden
+kan! Hoe zij van anders goede en onbedorven lieden soms
+misdadigers en moordenaars en krankzinnigen weet te maken! Toch
+was die man op zichzelf nog geenszins te beklagen; hij stierf als
+martelaar, met de volle en onwrikbare overtuiging, eene eeuwige
+zaligheid straks deelachtig te worden. Maar die huichelaars, die
+eervergeten schelmen, als die Gorakh, die zulke onnoozele zielen
+tot werktuig voor hun vloekwaardige ondernemingen gebruiken! Wat
+van dezen? Wat verdienen zij anders dan dat men een verdelgingskrijg
+opene tegen hen?...--Doch neen!--hernam hij, 't hoofd schuddend,--dat is
+toch ook het regte niet! Geen genade waar het misdrijf of de poging
+daartoe gebleken is, maar geen vervolging ook zoolang het bij dreigen
+blijft! Want wie kan bepalen, wanneer een godsdienst-secte gevaarlijk
+en schadelijk wordt en tot op welke hoogte zij het nog niet is?...
+
+De terugkeerende dienaar kwam de overdenking van Gaurapada
+afbreken.
+
+--Help mij--sprak deze,--den man begraven, die daar ligt; hij is
+dood, en ik wil niet dat Hara hem gaat verslinden, die 't anders
+zeker wel gaarne doen zou. En dan, als wij er mee gereed zijn, te
+paard! Haast u naar Kaçmir, om den Minister te waarschuwen omtrent
+hetgeen wij zoo straks vernomen hebben, en zorg dat men den
+broeder van dezen man, dien gij ook wel gekend hebt, zoodra
+mogelijk op 't spoor kome, om hem in zijn voornemen te verhinderen
+en te beletten dat hij met iemand anders van de zijnen in
+aanraking komt. Kunt gij, zoek dan nog uit te vorschen waar Gorakh
+zich bevindt. Dien spare men geen oogenblik als hij gevonden is!
+De ellendeling heeft dubbel en dwars den strop verdiend, dien hij
+om den nek van anderen doet slaan.
+
+--Doch, geëerde Meester,--vroeg de dienaar aarzelend,--wilt gij
+hier nu zoo geheel alléén blijven in de wildernis? Men schijnt uw
+schuilplaats ontdekt te hebben, en zal dus misschien nieuwe
+dergelijke aanvallen op uw leven beproeven. Moet ik nu juist van
+hier, nu ik misschien voor u waken kon?
+
+--Mijn beste vriend!--antwoordde Gaurapada glimlagchend,--maak u
+over mij niet bezorgd! Wat, vooreerst, is mijn leven in
+vergelijking van die grooter belangen, die van een wél en spoedig
+slagen uwer zending kunnen afhangen? Maar bovendien ben ik hier
+alléén haast even veilig als met u tot waker. Ten minste zoolang
+Hara leeft. Gij hebt het gezien dat hij wakker genoeg is, en in 't
+vervolg zou ik ook geen van die bruine naaktloopers meer raden
+zich hier in de buurt te vertoonen. Hara kent dat slag van volk
+nu, en hij zou ze stellig niet ongedeerd laten als ze hier kwamen.
+Staat uw paard gereed?
+
+--Ja, Heer!
+
+--Nu, straks dan voorwaarts! Help mij nu eerst nog aan ons
+werk!...
+
+
+
+DERTIENDE HOOFDSTUK.
+
+Afscheid
+
+De tijding van Aboel Fazl's dood had een overweldigenden indruk op
+den Keizer te weeg gebragt. Het was alsof alles hem eensklaps
+ontzonk wat tot heden zijn steun was geweest; en hij, de sterke
+nooit versaagde man, die het hoofd had geboden aan de geweldigste
+stormen, de grootste gevaren had getrotseerd, en telken male als
+overwinnaar te voorschijn was getreden uit den strijd, hij voelde
+zijn kracht als verlamd en zich bijkans onmagtig tegenover de
+nieuwe verwikkelingen, die al wederom het rijk begonnen te
+bedreigen. Het eenige besluit dat hij in de eerste dagen had weten
+te nemen, was een streng bevel tot vervolging van Narasinha, den
+moordenaar,--een bevel intusschen waaraan nooit uitvoering werd
+gegeven, daar de Radja zich vér vandaar in volkomen veiligheid had
+gesteld tot den tijd dat Selim den troon zou hebben bestegen, en
+hem dan eenmaal zou overladen met zijne gunsten. Toch kon een man
+van Akbar's karakter niet weekelijk gebogen blijven onder den last
+der smart, hoe zwaar die ook drukken mogt. Eenige dagen sloot hij
+zich op, en sprak hij met niemand dan Feizi en enkele zeer
+vertrouwden; maar ten laatste vond hij toch weder den moed en de
+kracht om anderen te woord te staan, die omtrent hun eigen
+belangen of die van het rijk hem gehoor verzochten. Zoo ook met
+het hoofd der Jezuïeten-missie, den Padre Aquaviva, die vóór zijn
+aanstaand vertrek hem nog een bezoek wenschte te brengen.
+
+--Zoo, gaat gij ons dan weer verlaten, Eerwaarde Vader?--vroeg
+Akbar, toen de Jezuïet bij hem was binnengeleid.
+
+--Ik moet wel, Sire!--antwoordde Rodolpho,--onze Provinciaal roept
+mij naar Goa terug. Maar ik mogt niet vertrekken zonder Uwe
+Majesteit nog mijn opregten dank te hebben betuigd voor de eer en
+de gunsten hier door ons genoten, hoewel ik bijkans aarzelde nog
+gehoor te vragen na het belangrijk, en zeker ook smartelijk
+verlies, dat u getroffen heeft. Een waardig man en een trouw
+vriend even als een bekwaam dienaar moet Aboel Fazl geweest zijn,
+naar 't geen mij van hem bekend werd; en 't herdenken van zulk een
+man is dan ook zeker nog een troost te midden van de droefheid....--Al
+ware mij,--voegde hij een oogenblik later er aan toe,--al ware mij zulk
+een troost niet genoeg.
+
+--Niet genoeg?--herhaalde Akbar verwonderd.--En wat hadt gij dan
+meer nog verlangd?
+
+--Ik zou de overtuiging gewenscht hebben, dat hij gestorven was
+reiner van ziel en in zaliger verwachting dan thans mogelijk was.
+
+--Aboel Fazl,--antwoordde de Keizer op ernstigen, maar kalmen en
+waardigen toon,--Aboel Fazl was even rein van ziel als één uwer,
+om niet meer te zeggen; en hij is gestorven zooals ik zou wenschen
+te sterven.
+
+De Jezuïet wachtte of Akbar er nog iets zou bijvoegen, maar de
+Keizer zweeg; en de toon van zijn antwoord duidde wel aan, dat
+nadere verklaring te vragen voor 't minst zeer onvoorzigtig zou
+zijn.
+
+--En denkt gij spoedig terug te keeren?--vroeg Akbar na eenige
+oogenblikken het stilzwijgen weer afbrekend.
+
+--Dat zal afhangen van de bevelen die mij gegeven worden,--
+antwoordde Aquaviva;--wat echter mijzelven betreft, ik zie mij wel
+genoopt, met hoeveel leedwezen ook, mijne zending herwaarts als
+mislukt te beschouwen.
+
+--En waarom mislukt? Wordt gij hier niet voldoende beschermd,
+bewijst men u niet de noodige eer, geniet gij niet de meest
+volkomen vrijheid om te verkondigen wat gij wilt en te bekeeren
+wie gij kunt? En telt gij dat nu voor niets, hier in een land waar
+nog maar weinige jaren geleden, onder mijn voorgangers, ook de
+geringste openbare prediking van uw leeringen u aan de doodstraf
+zou hebben blootgesteld?
+
+--Sire!--antwoordde de Padre,--wij moesten al zeer ondankbaar
+zijn, indien wij al deze belangrijke voorregten eenvoudig voor
+niets rekenden. En toch, ik moet het herhalen, onze zending is,
+wat haar hoofddoel aangaat, mislukt. Wél is u bekend, met wat
+schoone, heerlijke verwachtingen wij vóór eenigen tijd in Agra
+kwamen. De hooge en eerbiedige belangstelling door u in de gewijde
+schriften en de gebruiken der Kerk aan den dag gelegd, had ons de
+hoop doen opvatten dat het licht der waarheid ten laatste mogt
+doordringen in uw diepdenkenden geest en uw edel gemoed. Wij
+hadden gehoopt, wij hadden alhaast met zekerheid verwacht dat de
+Kerk van Christus eenmaal in Shah Akbar een harer roemrijkste
+zonen mogt begroeten, zoo niet den meest roemruchtige van allen!
+Maar die hoop en verwachting, we mogen 't ons niet ontveinzen,
+blijft ijdel. Kan dan niet met reden gezegd worden, dat onze
+zending haar voornaamste doel heeft gemist? En toch... al blijft
+er dan soms in enkele onzer leeringen hier of daar eenig bezwaar,
+waartegen uwe wijsbegeerte zich nu nog verzet, nadere studie en
+onderzoek mogten dat in 't eind misschien nog wel oplossen. Indien
+gij slechts wildet aanvangen met op de groote weldaden te letten,
+die de Kerk aan het Westen verzekerd heeft en die ook hier niet
+zouden uitblijven, zoodra ze maar eens de magt bezat!
+
+--Met reden--hernam Akbar,--laat gij nu de eigenlijk dogmatische
+vraagstukken ter zijde; ik vrees dat wij 't daarover toch nooit
+eens zullen worden, en ik gevoel voor 't oogenblik ook geen
+opgewektheid om daarover te redetwisten. Maar nu die weldaden,
+waarvan gij spreekt! Ik geloof gaarne, en vind ook alle reden om
+te gelooven, dat uwe Christelijke leer veel nut in de wereld
+gesticht heeft, onder anderen door meer en beter dan de meeste
+andere godsdiensten op de toepassing van het beginsel der
+algemeene menschenliefde en zelfverloochening aan te dringen,
+hoewel dan, gelijk wij u vroeger reeds aantoonden, dat alles
+volstrekt niet uitsluitend aan uwe godsdienst eigen is. Maar bij
+al dat nut komt toch, dunkt mij, ook niet weinig nadeel; of hebt
+gij niet de meest geweldige onverdraagzaamheid gestookt, die de
+wereld misschien ooit gekend heeft? Hebt gij, priesters! in uwe
+eigene landen daar in het Westen, u niet opgeworpen tot tirannen
+over het geweten uwer medemenschen? Hebt gij niet honderden en
+duizenden tot worgpaal en brandstapel gedoemd, enkel omdat ze van
+u over sommige geloofspunten verschilden? Noemt gij dat weldaden?
+Zoo ja, dan hebt gij toch zonderlinge begrippen omtrent weldoen en
+is uwe menschenliefde al van een heel vreemde soort.--En zeg mij!--
+vervolgde de Keizer, terwijl hij Aquaviva aanzag met een
+doordringenden blik,--zeg! wat zoudt gij uitrigten met mij,
+Akbar, dien gij nu zoo hoog heet te vereeren, indien ik eens
+christen-onderdaan ware van een der vorsten, die gehoorzamen aan
+uwe bevelen? Zoudt gij ook mij niet in de holen uwer kerkers
+werpen en, als ik bleef volharden in zoogenaamd ongeloof, mij
+uitleveren aan den regter om verwezen te worden naar het vuur?
+
+Bedremmeld trad de Jezuïet een schrede achteruit. Dergelijke vraag
+had hij niet verwacht. En wat er op te antwoorden? Zeer zeker, het
+kon niet worden ontkend dat er waarschijnlijk zoo met Akbar zou
+gehandeld worden, indien de omstandigheden werkelijk waren zooals
+hij ze nu voorstelde.
+
+--Maar, Sire!--stotterde ten laatste Aquaviva,--dat alles is nu
+immers het geval niet! En wie kan zich Akbar, den grooten Keizer
+van Hindostan, denken als onderdaan van een onzer vorsten?
+
+--Zeker, dat gaat niet; gelukkig voor mij! Doch uw antwoord
+bewijst, dat mijne onderstelling volkomen juist was voor 't
+gegeven geval. Maar nu een andere vraag! Wat zoudt gij eigenlijk
+met mij willen uitrigten, nu ik Keizer van Hindostan ben? Gij
+zoudt mij eenvoudig tot een van die vorsten willen maken, die u
+onderdanig gehoorzaam zijn en die gij tot werktuigen gebruikt ter
+handhaving van uwe kerkelijke dwingelandij. En daarom zijt gij
+natuurlijk ook zoo erg gesteld op mijne bekeering. Welnu! ik zeg u
+eens voor al: die zult gij nooit beleven. Zelfs, als ik voldoende
+met de leer uwer Evangeliën in haar geheel instemde om haar
+openlijk of heimelijk te omhelzen, ook dan nog zou ik niets willen
+weten van uwe Kerk als zoodanig, wel beseffend wat noodlottige
+gevolgen hare erkenning door den monarch voor den staat en zijne
+burgers zou na zich slepen.
+
+--Dan--hernam Aquaviva,--blijft ons niets anders over dan te
+bidden tot den Heer, dat een wonder van Zijne hand datgene
+wrochten moge, wat onze ijverige maar nog te zwakke pogingen niet
+tot stand mogten brengen. En dat gebed, ik ben er zeker van, zal
+in 't eind niet onverhoord blijven. Bedenk het, gij oppermagtig
+gebieder! dat zelfs de grooten der aarde niets vermogen tegen Hem,
+en dat Hij ook straffen heeft voor degenen, die wagen Zijn wil te
+weerstaan! Hij en Hij alleen zal zegevieren, en de poorten der hel
+zullen de rots van Petrus niet overweldigen en Christus zal met
+Zijn kerk zijn tot aan het einde der wereld!
+
+--Dat is zijne zaak!--riep nu Akbar uit, ten laatste een weinig
+van zijn bedaardheid verliezend;--maar de mijne is, te waken voor
+de vrijheid en de regten mijner onderdanen en hen te beschermen
+tegen u zoowel als tegen moellah's of welke andere priesters of
+schriftgeleerden dan ook. En daarom nog eens: Blijf hier of
+vertrek! zooals gij wilt; predik wat gij goed vindt in mijne
+landen; bouw er u kerken; en gij zult gelijke bescherming genieten
+als de Mohammedanen in hunne moskeën en de Hindoe's in hunne
+pagoden; maar wees tevens gewaarschuwd! Van het eerste oogenblik
+dat ik u eenige vervolging zie instellen 't zij tegen uw eigen
+bekeerlingen of tegen een ander, gelijk gij dat op de Malabaarsche
+kusten reeds beproeft, van dat oogenblik af zijt gij verbannen uit
+mijne rijken, en zoolang ik Hindostan regeer, zet geen der uwen
+een voet meer op zijn grond.
+
+Met verbeten woede had de volgeling van Loyola die hooghartige en
+beslissende woorden aangehoord; maar wat kon hij doen, wat bleef
+hem te zeggen over? Te beklagen had hij zich in 't minst niet
+tegenover den altijd welwillenden, volmaakt verdraagzamen vorst,
+en den geduchten monarch te willen trotseren ware louter
+krankzinnigheid. Zelfs geen martelaarskroon viel er bij te
+verdienen. Bezigde hij, de hier volkomen magtelooze zendeling,
+dreigende of ook oproerige taal, de Keizer zou gewis geen haar van
+zijn hoofd krenken, maar hem met de zijnen naar Soeratta laten
+brengen, hem daar in een schip laden en vervolgens met de meeste
+beleefdheid in Goa aan land doen zetten. Of hij zou dat misschien
+nog niet eens der moeite waard rekenen, maar hem eenvoudig
+uitlagchen en de deur wijzen. Droevig en vernederend bewustzijn,
+voorwaar, voor een lid van die elders zoo magtige en gevreesde
+Orde, voor wie de volken sidderden, en Koningen en Pausen zelfs
+gedwongen werden het hoofd te buigen in deemoed!
+
+Weldra echter brak Akbar zelf de overdenkingen van den
+teleurgestelden en zwijgend vóór hem staanden missionaris af.
+
+--Eerwaarde Vader!--sprak hij nu weder op zijne gewone
+vriendelijke wijze,--het is mij waarlijk leed, dat gij een
+oogenblik mij genoopt hebt zoo rondborstig tot u te spreken en,
+met meer klem dan ik tegenover u gewenscht zou hebben, mijn gezag
+te handhaven in den strijd dien gij hebt uitgelokt. Maar ik wensch
+u dan ook niet gramstorig te zien vertrekken. Ik vernam, ik leerde
+van u en de uwen veel, waarvan de kennis mij bijzonder welkom was;
+en daarvoor wil ik dankbaar blijven. Kan ik niet aan al uwe
+wenschen voldoen, wees verzekerd dat het mij smart; en zoo wij
+omtrent sommige zaken van elkander verschillen in gevoelen, meen
+niet dat ik persoonlijk u daarom minder blijf hoogachten. Gij wilt
+ons verlaten; het zij zoo! Maar laat het in vriendschap zijn! Laat
+het geschieden in den geest van den verheven stichter uwer
+godsdienst, die wel gezegd heeft dat hij geen vrede kwam brengen
+maar het zwaard, maar wiens hoog en edel streven toch de stichting
+van een rijk van vrede en van liefde onder de menschen was!
+
+Had Aquaviva een oogenblik te voren het hoofd gebogen voor de magt
+van den Keizer, thans had hij te bukken voor een ander overwigt,
+voor dat van Akbar's zedelijke meerderheid. De godsdienstijveraar,
+de hartstogtelijke dweeper zelf gevoelde het. En het was dan ook
+slechts met weifelende stem, dat hij, de anders voor niets
+vervaarde en door niets overweldigde apostel, een enkel woord van
+vaarwel wist uit te brengen tot dien verstokte van harte, wiens
+oog met blindheid was geslagen voor het licht der waarheid, en
+wiens oor gesloten bleef voor de vermaningen van den priester der
+alleenzaligmakende Kerk.
+
+--Vergeef het ons, edele Vorst!--zoo sprak hij, bewogen in weerwil
+van zichzelven,--als wij soms woorden uiten die u mishagen en u
+ondank schijnen voor de vele weldaden, welke wij in uw rijk
+ontvingen!--Schrijf ze enkel toe aan den ijver die ons bezielt
+voor ons geloof, en die voorzeker niet geringer is dan de
+geestdrift, waarmede gij zelf uw leven aan de belangen uwer staten
+en volken hebt gewijd! Nogmaals dan willen wij u dank zeggen voor
+'t geen gij voor ons hebt willen doen; en, hecht gijzelf dan al
+geen waarde aan onze gebeden, wees overtuigd dat ze u blijven
+vergezellen ook dan wanneer wij vér van hier zullen zijn!...
+
+Stilzwijgend beantwoordde Akbar den eerbiedigen groet van den
+Padre, en zenuwachtig de vingers heen en weer bewegend als telde
+hij de kralen van zijn rozenkrans, verliet deze langzaam het
+vertrek.
+
+In een der zuilengangen aan de buitenzijde van het paleis, waar
+enkele lampen een flauw schijnsel verspreidden, stuitte hij
+plotseling op een man, die zijne verontschuldigende woorden met
+een half onderdrukten vloek beantwoordde.
+
+--Verdoemde Christenhond!--bromde die man, terwijl hij zich verder
+spoedde. Het was Abdal Kadir Badaoni, die zich tot den Keizer
+begaf. Bij de wachters zich aanmeldend, werd hij weldra bij Akbar
+toegelaten.
+
+--Gij ziet,--zeide deze,--ik ben steeds gaarne voor u te spreken;
+en ik maakte ook geen bezwaar u thans te ontvangen, toen gij mij
+dezen morgen gehoor liet vragen, hoewel anders de treurige
+omstandigheden waarin ik verkeer, 't mij in de laatste dagen wel
+wat moeilijk deden vallen al mijne vrienden te woord te staan.
+
+--Sire!--begon Abdal Kadir op schijnbaar eerbiedigen maar tevens
+onmiskenbaar norschen en onvriendelijken toon en zonder in 't
+minst acht te geven op de voorkomende wijze, waarop de Keizer hem
+ontving,--ik kom u vaarwel zeggen. Mijn tijd is genaderd om van
+hier te gaan.
+
+--Hoe nu, mijn waarde vriend,--vroeg Akbar,--ook gij? En wat noopt
+u ons zoo plotseling te verlaten?
+
+--Onwil--luidde het antwoord,--om hier steeds te blijven aanzien,
+wat mij tot eene dagelijksche ergernis strekt en mij bedroeft tot
+in 't diepste mijner ziel; maar onwil tevens om deel te nemen aan
+het verraad en de zamenzweringen waarvan ik u omringd zie, en
+waaraan ik onwillekeurig zou blijven deelnemen, indien ik hier nog
+langer vertoefde. Akbar! uw rijk neigt ten val! Ik heb u
+gewaarschuwd toen het nog tijd was; thans is het dat misschien
+reeds niet meer. Wat er bepaald omgaat, weet ik niet en ik wil het
+ook verder niet weten; maar de tegenstand, dien gij door uwe dwaze
+en misdadige verachting van onze heilige godsdienst hebt opgewekt,
+acht ik te groot en te krachtig dan dat het mogelijk ware op den
+duur daaraan het hoofd te bieden.
+
+Voeg daarbij de eerzucht van Selim, uw zoon, en de geheime
+kuiperijen van andere niet minder eergierige lieden, die hem weten
+te vervoeren ten einde zelf zich meester te maken van rangen en
+bedieningen die hun nu onthouden blijven, en gij zult mij
+toestemmen dat de stand van zaken voor 't allerminst hoogst
+gevaarlijk voor uwe regering is.--Maar, zeide ik,--dus ging hij
+voort, den ligten glimlach niet opmerkend die bij zijne donkere
+voorspellingen zich om de lippen des Keizers had geplooid,--ik wil
+ook niet langer getuige zijn van wat hier dagelijks omgaat en
+sinds lang ook wereldkundig is. Den heiligen Koran hebt gij met de
+uwen versmeten en onder den voet getrapt; voor den grooten Profeet
+hebt gij niets dan verachting en spot; gij vermeit u in allerlei
+goddelooze praktijken, door onreine vuuraanbidders u geleerd; gij
+ontvangt openlijk aan uw hof en heimelijk in uw binnenvertrekken,
+met eer en gunstbewijzen hen overladend, onze ergste vijanden,
+Joden en Christenen, zooals ik er zooeven nog een uw paleis zag
+verlaten, en Indische toovenaars en duivelskunstenaars, en ik weet
+niet wat nog ander dergelijk slag van volk, dat de Shaitan zelf
+ons hier op den hals heeft gezonden! Inderdaad, Djelal-ed-din
+Mohammed! gij doet wél eer aan uw naam! Djelal-ed-din! "De Glorie
+des Geloofs!" Bittere ironie van het noodlot, toen het u eenmaal
+bekleedde met zulk een titel dien gij bestemd waart op zoo
+smadelijke wijze te onteeren! En nu weder, als of dat alles nog
+niet genoeg was, en om de mate vol te meten, die buitengemeene en
+overdreven eer aan de nagedachtenis van dien Aboel Fazl, dien
+verleider, dien aartsvijand van het geloof! Hij juist met Feizi
+den godloochenaar, zijn broeder, was het, die u tot al die
+ongeregtigheden verlokte en u tot ontrouw en afval heeft vervoerd;
+en juist dien éénen man toont gij openlijk te vereeren boven
+allen! Ach, mogt in 't eind nog zijn afschrikwekkend voorbeeld,
+zoo niet van zijn leven dan toch van zijn sterven, u tot
+waarschuwing strekken vóór het te laat is! Men heeft u, ik
+betwijfel het niet, zeker allerlei fraais omtrent zijne laatste
+gezegden opgedischt; maar, geloof mij! de waarheid bleef u
+verborgen; en ik wil, hoe zwaar 't mij ook valt, ze onthullen voor
+u en u zeggen, hoe Aboel Fazl werkelijk gestorven is. Zoo hoor dan
+en sidder bij het schrikwekkend berigt, dat hier aan iedereen
+bekend is behalve alleen aan u! Tot op het laatste oogenblik dat
+hij nog spreken kon, bleef Aboel Fazl zijn God lasteren op de
+meest gruwzame wijze; toen begon hij te blaffen als een hond, en
+zijne gelaatstrekken verwrongen zich en zijne lippen werden blauw,
+als gevoelde hij reedsde eerste smarten van de eeuwige verdoemenis
+die hem wachtte!...
+
+--Dat is gelogen, schandelijk gelogen!--riep Akbar eensklaps
+opstuivend uit, nadat hij tot dusver den woesten dweeper bedaard
+had laten uitrazen,--dat is schandelijke, gemeene laster, zooals
+gij, godsdienstijveraars! dien weet uit te denken, waar rede en
+gezond verstand u in den steek laten en gij te vergeefs naar een
+smet zoekt waarmee gij een edel karakter mogt kunnen bezoedelen!
+Hoe Aboel Fazl gestorven is en wat hij stervend heeft gezegd, dat
+weet ik ten zekerste van eene volmaakt vertrouwbare zijde, van
+iemand, die zijne woorden onmogelijk kon uitdenken; spaar mij dus
+uwe ijdele leugentaal! Ik verkies ze niet verder aan te hooren. Ik
+heb met geduld geluisterd naar de onbeschofte woorden, die gij
+waagdet mij in 't aangezigt te werpen; ik heb dat alles aangehoord
+met eene lankmoedigheid, zooals waarschijnlijk geen ander vorst in
+mijne plaats ze tegenover u zou hebben betoond; maar gij hebt
+misbruik gemaakt van mijne goedheid, en dat zal ik niet dulden.
+Rand mij aan, beleedig mij in mijne innigste en dierbaarste
+overtuigingen, scheld op mij, op Akbar, op uw Keizer, het is wel!
+ik zal het u vergeven. Maar laster niet mijn trouwsten, mijn
+verraderlijk vermoorden vriend, of ik zal gebruik maken van mijn
+regt en mijne magt om voor altijd die tong te doen verstommen, die
+laag en lafhartig een gehaten tegenstander bespuwt, nu hij niet
+meer in staat is zich te verdedigen!
+
+--Neem mijn hoofd!--sprak Abdal Kadir, den Keizer onverschrokken
+in 't aangezigt starend,--gij weet dat ik u mijn leven wenschte te
+wijden, en dat ik het honderd malen voor u zou hebben over gehad.
+Kan mijn dood u niet van dienst zijn, hij strekke dan ter
+voldoening aan uw ongeregten toorn! Ik heb u gezegd wat mij
+waarheid scheen; aan u om het te gelooven of niet! Ik deed mijn
+pligt; doe gij den uwe of wat ge daarvoor gelieft aan te zien!
+
+--Genoeg!--zei Akbar, nog nauw bekomen van zijne drift,--ik
+begeer uw leven zoo min als uw dood. Ga heen, en ongedeerd: maar
+waag het niet, mij ooit weer onder de oogen te komen!
+
+Zonder antwoord of groet keerde Abdal Kadir zich om, en schreed
+met opgeheven hoofde en trotschen blik naar den uitgang van het
+vertrek....
+
+--Abdal Kadir!--sprak wederom de Keizer, toen de ander reeds den
+voorhang had opgeligt, en bij dien onverwachten uitroep wendde de
+hooghartige Mohammedaan verwonderd en onwillekeurig het hoofd,--
+laat ons zóó niet scheiden! Daarvoor hebben we elkander te lang
+gekend en ook wederzijds elkaar te hoog leeren achten; want ik
+weet, dat gij ondanks al ons verschil mij uwe achting en
+belangstelling toch niet ontzegt: uwe hevigheid zelve bewijst het.
+En ik van mijne zijde, ik stel u hoog als een kundig en in vele
+opzigten ook verstandig man, maar bovenal, wat hier en in deze
+tijden nog wel het meeste zegt, als een waarlijk braaf en eerlijk
+man. Niemand zie ik gaarne in toorn mij verlaten, maar vooral u
+niet. Ga! ik begrijp zelf dat het noodig zijn zal en gij niet
+anders kunt; maar ga niet met wrok in het hart. Gedenk de lange
+jaren, die wij te zamen in vrede en vriendschap hebben doorleefd,
+en vergeet, al is 't ook maar voor één oogenblik, de oorzaken die
+onze scheiding voortaan onvermijdelijk maken! Wilt gij?...
+
+Eerst, toen Akbar begon te spreken, vertoonde zich nog steeds op het
+gelaat van Abdal Kadir dezelfde norsche uitdrukking, die het niet had
+verlaten gedurende het gansche pijnlijke gesprek; maar langzamerhand
+begon zij te wijken, en het voor zachter indrukken wel ontvankelijk
+gemoed van den dweeper, als maar geen godsdienstijver zijn hartstogt
+wekte, gaf ten laatste zich gewonnen aan de grootmoedige taal van den
+altijd vergevensgezinden vorst. Wel sprak hij niet, maar zijne houding
+zeide genoeg toen Akbar hem de hand tot afscheid reikte. Hij vatte ze
+met kracht, en terwijl hij zich diep voorover boog, viel op die hand
+een traan. Toen ging Abdal Kadir, om niet terug te keeren. Ook dezen
+dan zou Akbar nooit wederzien....
+
+Lang nog staarde hij op den voorhang, die zich weder gesloten had
+achter den vriend van weleer. Daarop begaf hij zich met wankele
+schreden naar de geopende galerij, en zag uit naar het maanlicht,
+dat daar met vriendelijken glans de in volkomen rust verzonken
+tuinen en hunne zacht klaterende fonteinen bescheen. Toen zette
+hij vermoeid zich op een der marmeren rustbanken neder en bedekte
+zich het gelaat met de handen.
+
+Zij verlieten hem dus, de een voor, de ander na. Aboel Fazl was
+hem wreedaardig ontroofd; de Christenzendeling verliet hem in
+arren moede; Abdal Kadir had voor altijd hem vaarwel gezegd. En
+dat alles juist in oogenblikken waarin hij meer dan ooit behoefte
+aan opbeuring en steun van trouwe vrienden gevoelde, juist in een
+tijdsgewricht als dit, nu zijn eigen zoon tegen hem in opstand
+kwam en hem den heerscherstaf zocht te ontrukken, dien hij zoo
+lange jaren tot heil en onder de zegeningen van zijne volken in de
+krachtige vuist had geklemd! En dat alles om de godsdienst en ter
+wille van het een of ander, 't zij dan opregt gemeend of ook
+gehuicheld geloof! Want dat Selim zijn aanslag in naam der
+godsdienst zou ondernemen, was zeker; en algemeen heerschte ook de
+overtuiging dat Narasinha het werktuig in de handen van ijveraars
+was geweest.
+
+--Godsdienst!--sprak Akbar in zich zelven,--wat is het? Is het een
+gelukkig, een heilrijk verschijnsel in den menschelijken geest,
+dat het eindig wezen zijne nietigheid doet gevoelen en tevens het
+verheft, stemmend tot nederigheid en tot aanbidding te gelijk, een
+heerlijk, zalig gevoel en het meest verhevene waarvoor de ziel
+vatbaar kan zijn, de menschen wekkend om elkander lief te hebben
+en te leven voor elkanders welzijn? Of is het een bedroevend, een
+noodlottig ziekteverschijnsel, dat den mensch slechts trotscher en
+overmoediger en vijandiger jegens anderen stemt naarmate zijne
+overtuiging dieper is geworteld, eene soort van krankzinnigheid,
+die zich bijwijlen van de besten en edelsten meester maakt en hen
+beweegt hun naaste te haten en te vervloeken, een waanzin die tot
+misdrijf voert en moord en bloedigen strijd onder de volken werpt?
+Zou 't dan een geluk of een ongeluk zijn als de menschen eenmaal
+ophielden eenige godsdienst te belijden? Onoplosbare vraag! Vol
+van de grootste tegenstrijdigheden, en die toch nagenoeg allen
+gereed staan zonder eenig bedenken te beantwoorden. Geen
+godsdienst, zoo spreken de meesten, geen heil ook meer voor den
+mensch en geen orde in de maatschappij! En tot zóóver zijn ze 't
+allen eens. Maar welke godsdienst nu? Ziedaar de strijd ontvlamd;
+een ieder roept: de mijne, en de mijne alléén! en de zwaarden
+vliegen uit de scheede, en het staal en het ruw geweld gaan
+beslissen wat waarheid is. En zou het dan denkbaar zijn, dat er
+ooit een godsdienst kon worden gevonden die allen gelijkelijk mogt
+voldoen, en alle menschen vereenigen in één eenigen liefdeband?
+Waren 't geen dwaze droomen, waarmee ik mij zoo dikwijls vleide en
+mij zelf bedroog toen ik zoo iets meende ontdekt te hebben?
+Helaas! vrienden te verliezen is hard, maar harder misschien nog
+het verlies van illusiën, die ons dierbaar werden!...
+
+Eene hand, die zacht op zijn schouder werd gelegd, deed Akbar
+opzien. Nevens hem stond Feizi, wien hij 't voorregt had verleend,
+ook onaangediend bij hem te verschijnen.
+
+--Akbar!--sprak Feizi,--waak op uit uwe droevige, maar ook ijdele
+en nuttelooze mijmeringen! Moet ik het zijn, die tot u zeg: Wees
+een man! Ik, die mij anders zoo zwak gevoel tegenover u? Maar het
+is noodig dat ik zoo spreek. Wees overtuigd, dat ik niet minder
+diep het verlies van mijn waardigen en mij zoo dierbaren broeder
+betreur, dan gij den dood van een trouwen raadsman en veelgeliefden
+vriend; maar wij behooren beide te waken, en gij meer nog dan ik, dat
+de smart ons niet overmanne en ons zwak make in 't gezigt der gevaren,
+die het rijk nog blijven bedreigen. En daarom waag zelfs ik het te
+zeggen: Betoon u weer een man! Die voortdurende neerslagtigheid is uwer
+onwaardig, en als Aboel Fazl zelf er getuige van ware, hij zou welligt
+voor 't eerst in zijn leven hebben erkend, dat zelfs Akbar niet
+onfeilbaar is.
+
+--Mijn trouwe, mijn edele vriend!--antwoordde Akbar,--van harte
+dank voor uw onverholen en mannelijke taal! Zulk eene opwekking is
+mij tegenwoordig wel noodig, maar toch bedriegt gij u eenigermate
+omtrent de aanleiding tot die overdenkingen, waarin gij mij
+zooeven verdiept vondt. De herinnering aan uw onvergetelijken
+broeder komt daarin slechts voor een deel.
+
+En uitvoerig verhaalde Akbar zijn vriend wat er bij het afscheid
+van Aquaviva en van Abdal Kadir was voorgevallen, en deelde hem de
+overpeinzingen mede waartoe het een en ander hem had geleid.
+
+--In dat alles--sprak Feizi, toen hij een oogenblik had
+nagedacht,--herken ik weder mijn grootmoedigen Keizer, en... mijn
+idealistisch wijsgeerigen vriend. Gij weet voor 't overige wat
+mijn gevoelen over die punten is, die gij daar hebt aangeroerd. Ik
+hecht niet veel aan 't geen men gewoon is godsdienst te noemen,
+als zich dat blijft bepalen tot een soort van onbepaald mystisch
+gevoel zonder wezenlijken inhoud, en noch veel minder als het zich
+uit in onbewijsbare, alleen door de verbeelding geschapen
+voorstellingen en leerbegrippen. En in zóóver hebben de menschen
+volkomen gelijk, die mij een atheïst noemen. Maar daarom ben ik
+nog geenszins een ongeloovige. Ik geloof integendeel veel; maar
+mijn geloof steunt ook op vaste gronden, omdat het op de ervaring
+zelve berust. Zoo onder anderen geloof ik, en meer dan eens hield
+ik 't u voor, aan de wet der gestadige ontwikkeling; en niet enkel
+op stoffelijk gebied, maar ook en vooral op dat van den geest en
+het denken der menschen; en in die voortdurende ontwikkeling zie
+ik de oplossing van het groot probleem, die gij, als alle andere
+hervormers en stichters van nieuwe godsdienst-systemen, reeds
+aanstonds, maar lang nog vóór den tijd, zoudt wenschen gevonden te
+hebben. Denk eens, van waar wij menschen aanvingen en waar wij
+reeds gekomen zijn, en bereken dan hoever we 't eenmaal nog
+brengen kunnen! Dieren waren wij en niets dan dat; na eenige
+duizende jaren werden wij redelijke wezens of iets althans wat
+daarop gelijkt; en wanneer nu nogmaals duizende en duizende jaren
+zullen voorbij zijn gegaan, wat kan er dan niet van ons worden?
+Zullen wij, en niet eenige weinigen alleen, maar ook allen
+misschien, door steeds voortgezet onderzoek en steeds hooger zich
+ontwikkelende wetenschap geleid, niet ten laatste een wezenlijk
+inzigt erlangen in het oneindig en noodwendig verband der dingen?
+En zullen wij dan, tevrede met dat inzigt en daarin berustend, ook
+niet volkomen al die droomerijen kunnen missen, die zich nu nog
+onder den fraai klinkenden naam van godsdienst aan ons blijven
+opdringen maar, wel beschouwd, niet anders dan kunstmiddelen zijn
+om aan de begeerlijkheid onzer zelfzucht te voldoen en ons in het
+tegenwoordig en in een, alweer door de verbeelding geschapen,
+volgend leven een heilstaat te verzekeren, die voor geen eindig
+wezen ooit kan zijn weggelegd?
+
+--Uw geest streeft hoog,--zei Akbar,--uw blik ziet ver. Mij te
+hoog en te verre soms. Ik let ook op het tegenwoordige, en die
+late, late toekomst brengt mij weinig troost.
+
+--Maar verlies ik dan--vroeg Feizi,--het tegenwoordige uit het
+oog? Behoort het niet tot de eerste stelregels van mijn geloof,
+of, wilt ge, van mijn wijsbegeerte, dat de mensch vóór alles
+geroepen is waardig de pligten te vervullen, die hem in zijne
+maatschappelijke betrekking, welke ze dan ook zijn mag, zijn
+opgelegd? Zeker, alle bespiegeling, alle wetenschap is ijdel,
+wanneer daarvoor de werkelijkheid en het onmiddelijk vóór handen
+liggende verwaarloosd wordt. Leerde ons niet de wijsbegeerte,
+juist daaraan, aan het levend heden onze krachten te wijden, ze
+zou weer niets dan eene begoocheling zijn en een ijdel spel van
+den geest. Maar iets anders is het mede te werken, en met allen
+ijver en beschikbare kracht, aan onze naaste bestemming, iets
+anders de onmiddelijke verwezenlijking te eischen van al wat wij
+tot stand wenschen te brengen en dan mismoedig te worden als 't
+ons nog niet gelukt. Zoo ook omtrent datgene wat gij godsdienst en
+meer bepaald volksgodsdienst of volksovertuiging omtrent de
+onzienlijke dingen noemt. Deze ontwikkelt zich evenmin als iets
+anders, wat dan ook, plotseling en op den wenk van een bezield
+hervormer, maar niet dan langzaam en in den loop der eeuwen. En de
+vervulling eener noodwendige voorwaarde moet haar in elk geval
+voorafgaan: alle volksontwikkeling moet voorbereid worden door
+volksbeschaving. En ook deze is weer niet denkbaar zonder dat het
+volk eerst de middelen bezit om in zijn onderhoud te voorzien,
+alzoo: niet denkbaar zonder volkswelvaart. Maar zou nu, wat dezen
+eersten grondslag van alle beschaving en ontwikkeling betreft, een
+Akbar nog reden hebben tot veel zelfverwijt of mismoedigheid? Zou
+hij meenen, niet genoeg of althans niet veel reeds te hebben
+gedaan voor het welzijn der volken onder zijn beheer? Zie terug,
+mijn Keizer! op hetgeen door u werd volbragt, en oordeel dan, nu
+eens uw theologische bespiegelingen ter zijde latend, of de
+verkregen uitkomst niet de beste aanmoediging is om kloek en met
+ijver den aangevangen arbeid voort te zetten!
+
+Wel had Feizi gelijk, en vleitaal van een hoveling was het niet,
+toen hij den maatschappelijken hervormingsarbeid roemde, dien de
+Keizer begonnen had en met gelukkig gevolg ook had doorgezet. De
+ervaring van volgende eeuwen zou het zegel drukken op zijn
+woorden. Want van Akbar's godsdienstige droomerijen bleef nauw een
+spoor meer na zijn dood; maar zijn landelijk stelsel is de
+voorname grondslag gebleven, waarop heel het bestuur van Hindostan
+onder alle opeenvolgende regeringen bleef berusten, datzelfde
+stelsel in hoofdzaak dat een kloeke en verstandige Brit ook
+gewenscht had in onze Nederlandsch-Indische bezittingen in te
+voeren, en dat ook daar zijn zegenrijke vruchten had kunnen
+dragen, indien het niet door de traagheid, de onkunde en het
+onverstand onzer eigene, latere regeringsmannen tot in den grond
+ware bedorven geworden ....
+
+--Gij hebt wederom regt, Feizi!--sprak de Keizer, zich oprigtend
+in zijn krachtige mannelijke gestalte en het hoofd omhoog heffend
+als met nieuwen levenslust bezield;--het is zoo, ons betaamt te
+werken, niet te droomen, te arbeiden zoolang het dag is,
+onvermoeid en onverpoosd. Blijf mij bijstaan met mijne nog
+overgebleven getrouwen, nu vooral, nu een krachtige steun mij
+ontviel; en ik durf u belooven, gij zult even goed over Akbar
+tevrede zijn als hij over u. Maar nu nog eenmaal een zinnebeeld!
+Hoe wars gij ook zijn moogt van symbolen, dit ééne vindt wis
+genade in uw oog. Zie daar ginds het zwakke nachtelijke schijnsel;
+daarin herken ik den zielstoestand, waarin ik dagen lang en veel
+te lang reeds verkeerde. Maar morgen rijst weer de zon; en daarin
+wil ik ook weer mijzelf aanschouwen, niet zooals ik ben, maar
+zooals ik behoor te zijn. Dát toch is de roeping van den vorst,
+zoolang nog de beweging niet vóór alles uitgaat van de volken
+zelf, met zijne raadslieden de voorname bron van licht en
+bezielend leven te worden in den staat. Vergeet ik dat soms, of
+verlies ik het voor een oogenblik zelfs uit het oog, roep dan,
+Feizi! gelijk ook Aboel Fazl deed, den heiligen vorstenpligt weder
+op voor mijn geest en spreek weer tot mij gelijk gij dezen nacht
+gesproken hebt!...
+
+
+
+VEERTIENDE HOOFDSTUK.
+
+De ontdekking
+
+Sinds verscheidene dagen was de Keizer aan 't hoofd van zijn leger
+uitgetogen naar het Noorden, en alle berigten meldden dat hij zich
+reeds op aanmerkelijken afstand van Agra bevond. Nog bleef daar
+evenwel Siddha op het bevel wachten, dat hem zijne gedeeltelijk
+vooruitgetrokken manschappen moest doen volgen; en geen wonder zoo
+hij den tusschentijd zich bleef korten door herhaalde bezoeken aan
+Rezia-Goelbadan. Zoo begaf hij zich ook nu weer tegen den avond
+naar hare woning, doch, hij kon 't zich niet ontveinzen, niet
+geheel met dezelfde opgewektheid als anders. Hij was in den
+laatsten tijd de steeds verleidelijke, maar toch ook veelzins
+raadselachtige vrouw al meer en meer gaan wantrouwen; en zoo hij
+haar thans nogmaals wilde bezoeken, het was voor een deel om zoo
+mogelijk iets naders omtrent hare geheimen en die der zamenzwering
+gewaar te worden. Weinig vermoedde hij evenwel dat hij juist dezen
+avond meer zou vernemen dan hem lief kon zijn.
+
+Aan het poortje in den tuinmuur gekomen bevond hij tot zijne
+verwondering dat het niet als gewoonlijk gesloten was, maar dat de
+sleutel, waarschijnlijk door achteloosheid in het slot was
+gelaten. Wat er van ware hij behoefde nu in elk geval het
+gebruikelijke teeken niet te geven om binnen te komen, en de deur
+voorzichtig achter zich sluitend, ging hij met rassche schreden
+voort door de laan. In de nabijheid der veranda vond hij nieuwe
+reden tot verwondering. Daar trad juist op dat oogenblik een man
+naar binnen, wiens gelaat hij eerst niet dadelijk zien kon, maar
+in wien hij, zich haastig achter de hooge en digte planten
+verschuilend, bij het schijnsel der lamp zijn oom Salhana
+herkende, die, vlugtig Goelbadan groetend, in de hevigste
+gejaagdheid uitriep:
+
+--Wij zijn verraden, schandelijk verraden!--De Keizer--ging hij
+voort, terwijl Goelbadan hem verschrikt aanhoorde,--is van al
+onze plannen onderrigt. Hoe, weet ik niet, maar het is zeker. Ik
+heb stellige berichten van Gorakh, die, zooals gij weet, vermomd
+in het leger is. Akbar wist niet alleen van onze voornemens reeds
+bijna van den beginne af aan, maar zijne spionnen hebben hem ook
+in staat gesteld ze te volgen in al de veranderingen, die wij er
+in gebragt hebben. Slim als hij is heeft hij daarop aan sommigen,
+van wie hij verwachten kon dat zij 't ons over zouden brengen,
+zich laten verluiden dat hij ons eerste plan had doorzien, maar
+zonder er bij te voegen dat ook het tweede hem bekend was. De
+onzen moesten wel denken dat hij in den val liep. Nu trekt hij
+eindelijk uit met zijn leger en houdt zich alsof hij regelregt
+naar Kaçmir zal doorgaan. Maar jawel! Daar keert hij eensklaps om,
+en neemt zijn weg met snelle dagreizen weer naar Agra, waar hij
+ons juist wil komen verrassen op 't oogenblik dat wij ons volkomen
+zeker wanen. Wel ben ik nu nog bij tijds gewaarschuwd, om te
+verhinderen dat Selim op den bepaalden dag tot Keizer wordt
+uitgeroepen; maar ons baat dat niet veel, want daar Akbar alles
+weet, zal hij ons niet sparen, al betrapt hij Selim zelf ook niet
+op de daad. Er zit dus niets anders voor ons op dan uiterste
+maatregelen te beproeven.
+
+--En waarin zouden die kunnen bestaan?--vroeg Goelbadan.
+
+--Gorakh en de zijnen--antwoordde Salhana,--moeten te hulp komen,
+en zij kunnen het. Eer de Keizer den tijd heeft om Agra te
+bereiken, moet het met zijn leven gedaan zijn....
+
+Eene huivering ging bij deze woorden den luisteraar door de leden,
+en de hand aan zijn dolk slaande wilde hij eene schrede voorwaarts
+doen. Doch hij bedwong zich nog bij tijds.
+
+--Selim behoeft daar niets van te weten,--ging Salhana voort,--en
+we moeten 't hem ook maar niet vertellen als de daad volbragt zal
+zijn. Hijzelf zal 't wel vermoeden, maar zich houden of hij 't
+niet begreep, en er ons niet slechter om aanzien. Morgen ga ik
+naar 't leger om alles met Gorakh af te spreken, die mij de
+teekenen heeft doen meedeelen, waaraan ik hem in zijne verkleeding
+kan herkennen. En zorgt gij nu inmiddels dat Selim wordt
+gewaarschuwd. Ikzelf wil ditmaal niet tot hem gaan, om geen
+vermoeden te wekken. Maar zeg mij tevens, hoe staat gij
+tegenwoordig met hem?
+
+--Ik zag hem in lange niet hier,--antwoordde Goelbadan,--maar de
+reden van zijn voortdurende afwezigheid bleef mij onbekend. Ik
+maak mij omtrent hem echter niet ongerust; hij begeert mij, hij
+wil mij volstrekt, het koste wat het kosten moet, tot zijne
+Sultane; en dat zal ook zoo zijn, mits hijzelf maar eerst Keizer
+is, niet vóór dien tijd.
+
+--Inmiddels--zei Salhana,--houdt gij u bezig met dien neef van
+mij, dien ik u bezorgd heb, niet waar? Een knappe jongen in elk
+geval, en waarin gij ook nog al behagen scheent te vinden.
+
+--Een tijd lang, ja! Maar hij begint mij tegenwoordig te vervelen;
+en wél bezien is hij ons ook maar half van nut. Men heeft
+onophoudelijk met hem te kibbelen over allerlei begrippen van
+pligt en eer, zoodra 't op iets wezenlijks aankomt. Ik denk hem
+dan ook spoedig de deur te wijzen als hij zijn dienst zal hebben
+gedaan; en dat te meer, omdat hij in mijne plannen met Selim mij
+wel eens in den weg kon zijn....
+
+--Wat is dat?--vroeg plotseling Salhana, zich naar de buitenzijde
+van de veranda keerend,--mij dunkt, ik hoor daar beweging. Er kan
+hier toch niet de eene of andere ongenoode gast in den omtrek
+zijn?
+
+--Onmogelijk!--antwoordde Goelbadan,--het poortje aan den tuinmuur
+is immers goed gesloten?--Salhana herinnerde zich ook niet dat hij
+'t inderhaast had opengelaten;--en van de andere zijde is geen 't
+minste gevaar, daar Feizi dezen morgen naar 't leger is
+vertrokken. Ga straks langs dien kant; dat is nog voorzigtiger dan
+langs den anderen, waar gij Siddha soms in de nabijheid van den
+tuinmuur zoudt kunnen ontmoeten.
+
+--Alles--hernam Salhana,--is dan goed afgesproken, niet waar? Gij
+zorgt voor Selim en de rest hier in Agra; ik voor mij blijf mij
+met Akbar belasten, en ben ik niet al te ongelukkig dan zijn wij
+spoedig van hem en al zijn volk bevrijd.
+
+Met een ligten groet verdween Salhana achter een der gordijnen
+langs een zijgang, die Siddha niet bekend was en waardoor hij
+verhinderd werd hem te volgen zooals eerst zijn voornemen was. Het
+beste ware nu nog geweest, onmiddelijk terug te keeren en het
+nieuwe komplot door tijdige waarschuwing aan den Keizer te
+verijdelen, terwijl de zamenzweerders daar niets van vermoedden;
+en hij gevoelde dat ook, maar de onweerstaanbare lust om Goelbadan
+te toonen, dat hij had opgehouden haar geminacht werktuig te zijn,
+behield de overhand, en met één enkelen sprong was hij naar binnen
+en stond hij vóór haar.
+
+--Gevloekte slang!--riep hij uit,--gij, die een schandelijk
+verrader van mij hebt gemaakt, denk niet dat uw doemwaardige
+voornemens en die van den schurk daar, dien ik mij schaam mijn
+bloedverwant te noemen, nog kans hebben van slagen! Ik, die u
+tegenwoordig begin te vervelen, en 't is goed dat ik het weet, ik
+zal ze verhinderen.
+
+--Ha! gij hebt daar geluisterd!--sprak Goelbadan, en eene
+uitdrukking van haat en kwaadaardigheid, gelijk Siddha nooit in
+die anders zoo zachte en innemende gelaatstrekken mogelijk zou
+hebben geacht, ontsierde haar plotseling op eene wijze, die haar
+op dat oogenblik inderdaad leelijk deed worden;--en nu denkt gij
+ons te gaan verraden? Maar dat zal niet gebeuren!
+
+En eer Siddha in staat was hare bewegingen te volgen, vloog zij op
+hem toe en bedreigde een opgeheven dolk zijne borst. Half
+werktuigelijk zocht hij 't wapen af te weren, toen hij plotseling
+als verlamd de armen liet zakken bij het aanschouwen van eene
+gestalte, die als 't ware uit den grond daar achter Goelbadan
+verrezen was; maar in 't zelfde oogenblik ook greep een ijzeren
+vuist de omhoog geheven moordende hand, en verhinderde den anders
+door niets belemmerden stoot....
+
+Haastig keerde Goelbadan zich om, en... stortte met een kreet van
+ontzetting ter aarde.... Achter haar stond Feizi, en achter hem
+vertoonden zich twee donkerkleurige dienaren met de blanke sabel
+in de hand.
+
+--Genade!--kermde zij, weer tot bezinning gekomen, terwijl Siddha
+wezenloos het tooneel stond aan te zien,--genade, mijn gebieder
+en Heer!--En 't hoofd diep gebogen, terwijl hare lange donkere
+lokken over den grond sleepten, kroop zij op hare knieën naar den
+beleedigden echtgenoot, die al verder achterwaarts trad naarmate
+zij digter hem zocht te naderen.
+
+--Terug!--riep Feizi,--terug! spaar mij uwe onreine aanraking!--
+Bindt die vrouw,--sprak hij tot zijne onderhoorigen,--en voert
+haar naar mijn kasteel bij Mathoera! Daar blijve zij streng
+bewaakt, haar leven lang. En zoo zij ooit eene poging, hoe gering
+ook, waagt om zich met iemand, wie 't ook zijn mag, daarbuiten in
+verbinding te stellen, dan worde het vonnis aan haar voltrokken,
+waarvan ik voor heden haar nog genade schenk. Nimmer wil ik van
+haar iets weerzien, of, zoo het moet, het zij dan enkel haar
+schuldig hoofd!
+
+Nog eenmaal rigtte hij 't woord tot de smadelijk gevallene en nu
+niet minder schandelijk zichzelve vernederende, die daar aan zijne
+voeten lag geknield; maar dat woord was niet bestemd om hare straf
+te verligten.
+
+--Hoop--sprak hij,--doet nog leven, naar men zegt. En gij, wier
+naam nooit meer over mijne lippen zal komen, gij vleit u misschien
+nog met eene zoete verwachting. Gij meent welligt nog op de
+bescherming te kunnen rekenen van een, die magtiger is dan ik, of
+eenmaal ten minste het zijn zal. Gij denkt nog dat Selim u bij zal
+staan, en u zal komen verlossen uit uwe gevangenis. Maar die
+verwachting is ijdel! Want degene, die, zelf door u bedrogen, mij
+uwe betrekking tot dien man daar ginds verried, dat was juist hij,
+dat was diezelfde Selim, dien gij in uwe netten gevangen dacht!
+
+Snel had Goelbadan het hoofd omhoog geheven en opmerkzaam had zij
+toegeluisterd. Nu verwrongen zich hare gelaatstrekken en met een
+gil stortte zij voorover, het hoofd op den grond en de armen vóór
+zich uitgestrekt.
+
+--Doet uw pligt!--zei Feizi tot zijne volgelingen, en haastig
+droegen zij de bewustelooze weg....
+
+--En nu gij!--zoo ging hij, Siddha naderend voort, terwijl hij
+zijn sabel uit de scheede toog....
+
+--Mijn leven heb ik verbeurd,--sprak Siddha, zijn kleed
+openscheurend,--stoot toe; ik verlang niets liever dan dat, ik
+wensch den dood als eene genade van uwe hand!
+
+--Dat begrijp ik!--antwoordde Feizi, zich bezinnend, en langzaam
+liet hij de sabel weer in hare scheede glijden,--dat begrijp ik
+zeer goed. Maar ik ben, wél bezien, niet voornemens aan uw
+verlangen te voldoen. Anderen zouden in een geval als dit er
+misschien anders over denken. Een Muzulman zou u 't hoofd voor de
+voeten leggen, een Hindoe u doen worgen, een Frank u uitdagen tot
+een tweegevecht, wat wel het gekste van alles ware. Doch ik
+verkies noch het een noch het ander. Gij moogt leven en ongedeerd
+van hier gaan. Maar leven dan ook met de herinnering aan 't geen
+gij hebt gedaan, en aan de wijze waarop gij, die u een edelman
+noemt, eene belangelooze vriendschap vergolden hebt. Die
+herinnering, dat bewustzijn zullen u nimmermeer verlaten, al
+overdekt gij u met roem en al stijgt gij ook nog zoo hoog in rang;
+en hoe ook gevierd en door anderen vereerd, toch zult gij de oogen
+blijven neerslaan voor elk eerlijk man, bedenkend hoe gijzelf
+eenmaal in uw jongere jaren u jegens een vriend gedragen hebt.
+Ziedaar de straf, die ik u opleg! En nu, vertrek!
+
+Een gebiedende, geen weerspraak of verzet meer duldende
+handbeweging van Feizi deed den diep onder zijn schuldgevoel
+gebogene met laag op de borst gezonken hoofd en met wankele
+schreden naar den uitgang zoeken; en nauwelijks wetend wat hij
+deed en waarheen hij ging, verliet Siddha het buitenverblijf en
+vond hij als werktuigelijk zijn weg naar de nog altijd onafgesloten
+poort.
+
+Geruimen tijd bleef hij zoo goed als gedachteloos ronddwalen. Aan
+de rivier zag hij, ondanks 't reeds vergevorderd uur, nog eenige
+sjouwerlieden bezig met het laden van een schip; en alsof hij er
+eenig belang bij had, volgde hij nauwlettend hunne bewegingen, nu
+eens zich afvragend hoe ze die baal daar over de loopplank zouden
+krijgen, dan weer het hoofd schuddend over hunne onhandigheid.
+Bijna had hij zich aangeboden om hen wat te helpen. Maar een
+drietal soldaten, die nog bij het licht van een walmende toorts
+onder een afdak zaten te drinken en te dobbelen, leidde zijne
+opmerkzaamheid weer af, en nu begon hij lust te krijgen om met hen
+mee te drinken en mee te spelen.... Daar was het hem op eens als
+werd er een gordijn opgetrokken dat voor zijne oogen hing, en zag
+hij het gansche tooneel weer vóór zich, waarin hij daar straks
+eene zoo jammerlijke rol had gespeeld. Maar bijkans in hetzelfde
+oogenblik verdrong weer ééne gedachte tijdelijk al het andere: de
+herinnering aan den voorgenomen moordaanslag op den Keizer! Had
+Feizi alles gehoord, en dus ook dit? En was hij dan in staat Akbar
+te gaan waarschuwen? Het bleef hem onbekend, en hij had natuurlijk
+ook geen gelegenheid het te weten te komen. Maar waartoe ook?
+Waarom zelf niet gegaan, en zonder verder tijdverlies? Salhana zou
+eerst morgen vertrekken; een ander kon hem dus, al ging hij vroeg,
+nog vóór zijn.
+
+Geen oogenblik bedacht Siddha zich langer, maar in bijkans
+ademlooze vaart snelde hij naar het kwartier waar zijne met hem
+teruggebleven manschappen gelegerd waren, droeg daar het bevel aan
+een zijner officieren over, haastte zich naar zijne woning en
+gelastte Vatsa, terstond den vos te zadelen,--dien vos van Feizi,
+dien hij na zijne ontdekking omtrent den waren naam van Rezia
+evenmin had durven berijden als terugzenden, maar die nu in het
+belang van Keizer en rijk zijne diensten zou doen.
+
+--Maak u gereed mij te volgen naar het leger,--zeide hij tot
+Vatsa, toen deze met het opgetuigde paard verscheen,--maar van
+verre, zoodat er eenige afstand tusschen ons blijft. Vertrek een
+uur na mij, rijd dan door zoo snel gij kunt en breng, zoo 't
+noodig is, de boodschap over, die ik u geven zal. Ik weet, dat ik
+u volkomen kan vertrouwen...--En hier deelde hij hem zooveel als
+vereischt werd omtrent de plannen van Salhana mede, en gaf hem
+bevel, dat onmiddelijk aan den Keizer zelf te melden, indien hij
+zijn meester soms niet in het leger mogt aantreffen. Daarop sprong
+hij in den zadel en reed spoorslags voort.
+
+Een overhaaste reis, waarbij hij zichzelven en zijn snel loopend
+paard niet dan de volstrekt noodige rust gunde, bragt hem binnen
+betrekkelijk korten tijd bij het leger, dat ook van zijn kant Agra
+weer een goed eind genaderd was. Terstond liet hij, in 't kamp
+gekomen, zich aandienen bij den Keizer, die hem na eenig dralen
+alléén in zijne tent ontving.
+
+--Wat komt gij hier uitrigten?--vroeg Akbar op strengen toon.--
+Wie heeft u last gegeven uw post in Agra te verlaten? Dat is een
+vergrijp, dat u duur te staan kan komen.
+
+--Sire!--antwoordde Siddha,--indien geen ander vergrijp door mij
+gepleegd was dan dit, zou ik wel van groot geluk mogen spreken.
+Maar ik kom mij bij Uwe Majesteit aanklagen van de grootste
+misdaad, die een krijgsman jegens zijn vorst kan plegen: van
+verraad!
+
+--Ik vermoedde zoo iets,--sprak de Keizer, terwijl Siddha ontzet
+een stap terugtrad,--en daarom werd u 't bevel niet gegeven om op
+te rukken. En nu komt gijzelf mij de bevestiging brengen van uw
+ontrouw! Goed; wij zullen zien. Spreek verder!
+
+In 't kort, maar zonder iets wezenlijks te verzwijgen, verhaalde
+Siddha hoe hij, door Goelbadan verleid, zijn begunstiger en vriend
+had bedrogen en zich tot verraad jegens den Keizer had laten
+verlokken. Met langzame schreden wandelde Akbar heen en weder
+gedurende het verhaal. Zijn gelaat duidde niets aan van 't geen er
+in hem mogt omgaan. Eindelijk, toen Siddha zweeg, bleef hij vóór
+hem staan, en zeide kortaf en met strengen blik:
+
+--Uw misdrijf eischt den dood!
+
+--Dat weet ik, Sire!--was het antwoord;--en ik kom mijne geregte
+straf van Uwe Majesteit verzoeken.
+
+--Waarom zijt gij niet gevlugt als gij bevreesd waart dat het
+verraad ontdekt zou worden?
+
+--De misdaad verlangt boete, en ik mag niet straffeloos blijven
+rondlopen, waar ook, een voorwerp van minachting voor mijzelf en
+voor ieder die mij herkennen mogt.
+
+--Maar hoe is het, dat gij zoo op eens tot uw tegenwoordig besluit
+zijt gekomen? Daarvoor moet een oorzaak bestaan. En mij dunkt, gij
+hebt mij nog niet alles gezegd; er ontbrak nog iets aan uw
+verhaal.
+
+--Dat is ook zoo; maar wat ik nog heb mee te deelen, mogt ik niet
+zeggen vóór mijn vonnis door u was uitgesproken. Thans mag ik
+verder gaan.... De magt dan, waardoor die vrouw mij zoolang nog,
+in weerwil van mijzelven gebonden hield, werd plotseling
+verbroken, de blinddoek viel mij van de oogen en eindelijk leerde
+ik eerst volkomen inzien, wie ik was, wat ik misdreef en welke
+straf ik had verdiend....
+
+En nu volgde ietwat uitvoeriger dan 't voorafgaande, de
+beschrijving van het tooneel van dien laatsten avond bij Goelbadan
+en de mededeeling van het nieuwe, door Salhana ontworpen plan.
+
+Ook nu nog was er geenerlei aandoening zigtbaar op het strak
+gelaat van den Keizer. Zijn stap alleen, terwijl hij bleef heen en
+weder gaan, was een weinig driftiger en meer gehaast. Toen het
+verhaal was geëindigd bleef hij eerst een tijdlang zwijgen, doch
+sprak ten laatste:
+
+--Met reden schijnt gij ondersteld te hebben dat uwe laatste
+mededeeling van invloed kon zijn op het vonnis dat ik over u had
+uit te spreken. Gij hebt mij en mijn rijk een belangrijke dienst
+bewezen. Maar gij bedriegt u, indien gij meent dat ik straks reeds
+een onherroepelijk vonnis velde. Te zeggen dat een misdrijf op
+zichzelf de doodstraf verdient, is nog niet gezegd dat voor hem
+die het beging, geenerlei verschooning is aan te voeren. En voor u
+is dit, dunkt mij, juist wel het geval. Ook afgescheiden van uwe
+verdere mededeelingen zou ik in mijne uitspraak geweifeld hebben,
+en had ik toch misschien genade laten gelden voor regt. Gij hebt
+zwaar misdreven, Siddha! jegens mij en zeker niet minder jegens
+mijn vriend; maar een misdadiger zijt gij daarom nog niet. Gij
+waart het offer eener sterke verleiding, en ik weet zelf wat het
+zegt daaraan te zijn blootgesteld; maar uw eergevoel ging niet
+gansch verloren en herleefde toen uwe verblinding geweken was. Let
+wel! ik vergoelijk in 't minst niet uwe handelingen en tel uw
+schuld niet ligt; maar ik ben evenmin van oordeel dat gij tot die
+onverbeterlijken behoort, die men in 't belang der maatschappij
+onschadelijk heeft te maken. Integendeel, ik wil gelooven dat gij
+door later daden nog voor een deel, althans wat mij betreft, de
+herinnering zult uit kunnen wisschen aan 't geen gij als onderdaan
+misdreven hebt. En uw gansche gedrag van heden geeft mij de vaste
+overtuiging, dat gij jegens mij u nooit meer aan eenige
+trouweloosheid zult schuldíg maken en voortaan beter de
+waarschuwing indachtig zult zijn, die ik u eenmaal daar in den
+tuin van mijn paleis in Agra gaf. Ik laat u daarom het leven en--
+uw rang. Bewijs mij, dat ik mij niet ten tweeden male in u heb
+bedrogen!
+
+Te antwoorden was Siddha in de eerste oogenblikken niet mogelijk;
+maar hij knielde neder voor den Keizer en kuste eerbiedig den zoom
+van zijn gewaad.
+
+--Ik dank u, Sire!--sprak hij eindelijk, nadat Akbar hem gewenkt
+had op te staan,--niet voor dat leven, dat voor mij geen waarde
+meer heeft, maar voor de gelegenheid mij geschonken om nog een
+deel van de schuld te boeten, waarmede ik mij beladen heb. En zoo
+'t mij voegt, na al het gebeurde nog om een gunst te verzoeken, ik
+vraag dan als de allerhoogste dat mij spoedig geoorloofd mag zijn
+aan den strijd deel te nemen, die ginds in het Noorden tegen de
+rooverbenden wordt gevoerd.
+
+--Ook die gunst wil ik u verleenen,--antwoordde de Keizer,--maar
+vooraf belast ik u hier nog met eene andere taak. Eenige van de
+getrouwsten mijner eigene lijfwachten stel ik onder uwe bevelen.
+Ga met hen Salhana te gemoet, maak u aanstonds van hem meester
+zoodra gij hem vindt, en breng hem hier; maar in 't diepste
+geheim, zoadat Gorakh, die naar uw zeggen hier rond moet zwerven,
+er niets van bemerkt.
+
+Een wenk van den Keizer maakte een einde aan het gesprek; en
+aanstonds, zoodra hij 't bevel over de wachten aanvaard had, was
+Siddha met hen, en zijn niet lang na hem aangekomen dienaar, weer
+op weg.
+
+Spoediger dan hij verwacht had ontmoette hij zijn oom, die mede
+veel haast scheen gemaakt te hebben, met twee zijner volgelingen.
+In een oogenblik waren deze overmand en gevangen genomen; en,
+schoon, Salhana zelf nog een tijdlang tegenstand bood, ook hij was
+toch dra overweldigd, en, tot zijn niet geringe woede, gekneveld
+op bevel van dien tot heden zoozeer door hem geminachten
+jongeling. Om zijne herkenning door anderen te beletten werd hem
+een sluijer over 't hoofd geworpen, en in allerijl werd hij daarop
+medegevoerd naar het kamp.
+
+In de tent des Keizers ontdeed men hem van zijne boeijen en den
+sluijer, en liet hem met Akbar en Siddha alleen.
+
+--Uw verraad, Salhana!--sprak de Keizer,--en ook uw nieuwste plan
+is ons bekend. Die jonkman daar heeft het ons meegedeeld. Maak u
+gereed te sterven. De beul wacht u!
+
+Met een giftigen blik zag Salhana zijn neef aan, en stortte toen
+voor de voeten van Akbar neder, met het voorhoofd den grond
+aanrakend.
+
+--Spaar mijn leven!--bad hij.--Straf mij, genadige Vorst! maar...
+laat mij leven, en ik wil alles bekennen, alles zeggen wat ik
+weet.
+
+--Salhana!--antwoordde de Keizer met de diepste minachting,--ik
+wist dat gij een verrader, een schurk waart, maar ik had u nog
+niet leeren kennen als een lafaard bovendien. Voorwaar, gij zijt
+al een heel groote ellendeling en nauwelijks waard een kop kleiner
+te worden gemaakt! Wat voor 't overige uwe bekentenissen aangaat,
+ik heb ze niet van noode; ik weet daaromtrent alles, zeg ik u.
+Slechts één ding verlang ik nog te weten. Waar en hoe is Gorakh te
+vinden?
+
+--Ik zal het u zeggen!--riep Salhana uit, met onverholen vreugde
+dien straal van hoop begroetend;--ik zal het nauwkeurig aanwijzen.
+En dan?...
+
+--Dan gun ik u een schandelijk leven. Doch worden uwe aanduidingen
+valsch bevonden, dan, gij begrijpt het, wacht u het zwaard.
+
+Uitvoerig en nauwkeurig gaf nu Salhana de teekenen op, waaraan men
+den Yogi in zijne vermomming kon herkennen.
+
+--Men bewake dezen man met de uiterste strengheid,--beval de
+Keizer aan Siddha,--en inmiddels gaat gij uit met uwe wachten,
+zoekt Gorakh, en als gij hem gevonden hebt, laat gij hem opknoopen
+aan den eersten boom den beste.
+
+Aan het bevel werd spoedig uitvoering gegeven. De mededeelingen
+van Salhana bleken juist te zijn. Men was den Doerga-priester
+weldra op het spoor, en aanstonds werd hij gevat.
+
+--Ha, mijn jonge vriend!--zei de priester, Siddha herkennend, met
+zijn hatelijksten lach,--vergeldt gij zóó de belangstelling die ik
+u betoonde? Nu dat zij zoo! Maar bewijs mij toch ééne beleefdheid;
+die kunt gij nog wel voor mij over hebben! Zeg, wie heeft mij
+verraden? Dat kan wel niemand anders dan Salhana zijn, niet waar?
+
+--Zoo is het!--antwoordde Siddha.--En nu gij,--vervolgde hij tot
+de wachten,--voert dien man buiten het kamp en dat ginds het
+vonnis aan hem voltrokken worde! Voorwaarts!
+
+--En wat is dat vonnis?--vroeg nog de ander.
+
+--De strop!--was het antwoord.
+
+--Goed!--zei Gorakh,--dat blijft in mijn vak!
+
+Den man te binden was wel overbodig, en ook zonder de minste
+poging tot verzet stapte hij bedaard tusschen de krijgslieden
+voort. Gedurende eenigen tijd zag ook Siddha niet naar hem om, en
+de wachten letten mede niet veel op zijne bewegingen. Buiten de
+legerplaats evenwel zich omwendend om zijne ruiters nog eenig
+nader bevel te geven, bemerkte Siddha dat de Yogi bezig was met
+zijne regterhand over een langwerpig boomblad te strijken, dat hij
+in de linker hield en dat hij óf onderweg moest hebben opgeraapt
+óf uit zijne kleeding te voorschijn gehaald. Een oogenblik later
+hief hij 't blad omhoog en wuifde er mede alsof 't een waaijer
+was.
+
+--Komaan!--riep Siddha ongeduldig,--laat dat geknoei met uw
+goocheltoeren nu maar! 't Helpt u toch niet langer. En werp dat
+blad daar weg! Wij hebben genoeg van uwe kunsten!
+
+Gorakh gehoorzaamde, hoewel niet dan na nogmaals, als lagchend en
+als om Siddha te plagen, een paar mystische teekens met het blad
+in de lucht te hebben gesneden. Toen wierp hij 't op den grond, en
+men ging verder. Weinige oogenblikken later hing het ligchaam van
+den priester aan den tak van een alleenstaanden boom.
+
+Inmiddels waren een paar lieden, naar 't uiterlijk te oordeelen
+dienaren van een of ander edelman, die bij de gevangenneming
+tegenwoordig waren geweest, doch niet dan onverschillig er naar
+gekeken hadden, onopgemerkt op eenigen afstand den stoet gevolgd,
+die den veroordeelde naar de strafplaats voerde. Zoodra de troep
+voorbij de plek was, waar Gorakh het blad had neergeworpen, gingen
+zij zoeken in het zand en vonden weldra het gezochte voorwerp. Het
+was een verdroogd boomblad, maar waarin met eene snelle hand en
+met behulp van een veelal tot dat einde gebezigd scherp werktuig,
+een aantal woorden stonden gekrast. Na gezamenlijke lezing verborg
+een der beiden het zorgvuldig in zijn gewaad en haastte zich naar
+het kamp terug.
+
+Daar erlangde Salhana, zoodra de tijding van Gorakh's dood aan den
+Keizer was overgebragt, de hem toegezegde levensgenade, maar
+tevens werd aan eenige krijgslieden de last gegeven hem streng te
+blijven bewaken. Na 't einde van den oorlog zou men verder zien,
+wat met hem uit te rigten. Gevangenschap, waarschijnlijk in eene
+of andere vesting, zou, begreep hij wel, zijn lot zijn zoolang
+Akbar regeerde. Maar daarna zou Selim hem zeker aanstonds
+verlossen. En dan was hij misschien ook in de gelegenheid om aan
+zijn wraakzucht tegen Siddha te voldoen....
+
+Het toezicht van zijne bewakers was echter uit den aard der zaak
+niet zoo voortdurend streng, of 't mogt nog wel eens den een of
+ander gelukken hem te naderen; en er werd dan ook geen acht op
+geslagen dat eens op een avond een als dienaar van een der edelen
+gekleed persoon, hem voorbijgaande, snel en heimelijk hem een
+opgerold blad in handen speelde. Wat dat zijn kon? Een geheime
+mededeeling van een zijner vrienden, van Goelbadan misschien om
+hem een middel aan te wijzen tot de vlugt?...
+
+"Salhana!"--dus luidde het haastig en met verkortingen geschreven
+briefje,--"de Keizer, die mij vonnist, zal niet sterven; want dat
+zou u dienen. Maar Doerga kiest tot offer u, die mij verraden
+hebt."
+
+Het angstzweet brak Salhana uit en als verlamd van schrik liet hij
+'t blad uit de hand vallen. Hij wist toch maar al te goed wat die
+weinige woorden beteekenden, en hij wist dus ook dat zijn vonnis
+onherroepelijk was geveld. Het laatste gebod van den Doerga-
+priester zou niet worden veronachtzaamd, en liever nog zouden er
+honderd der zijnen zich opofferen dan het bevel onuitgevoerd
+laten. Of er dan in 't geheel geen hoop en geenerlei kans meer
+was? Inderdaad zoo goed als geene! Ja, was hij nog maar in Agra,
+en daar in de vesting of ergens anders opgesloten, waar die
+anderen althans zoo ligt niet tot hem konden doordringen dan hier
+in 't open veld! Maar hij was in de achterhoede van het leger, en
+deze volgde niet dan zeer langzaam het snel voortrukkend overig
+gedeelte.... Hijzelf bad en smeekte nu zijne bewakers dat zij toch
+goed de wacht bij hem zouden houden, omdat zijn leven door
+sluipmoordenaars was bedreigd; maar zij lachten hem uit, en hij
+hoorde hen zeggen: Er zou ook wat aan verloren zijn! Nog verzocht
+hij dat men in den nacht een licht bij hem zou laten branden, maar
+men bleef hem uitlagchen en hem bespotten om zijn lafhartigheid.
+Hij had geen rustig oogenblik meer. Des daags, op marsch, dacht
+hij langs elke heg of struik de eene of andere donkere gestalte te
+zien sluipen, die hem bespiedde en hem volgde op zijne schreden.
+Bij halten, als anderen rust namen, bleef hij voorzigtig overeind
+zitten en zoekend rondzien langs de boomen en het kreupelhout. En
+dan in den nacht, in den schrikkelijken, eindeloozen nacht! Hij
+had alles willen geven om ten minste wakker te kunnen blijven, en
+hij deed ook zooveel mogelijk zijn best, luisterend naar het
+minste geritsel en telkens in 't donker om zich heen tastend; maar
+bij wijlen overmande hem toch de slaap. Dan schrikte hij
+plotseling weer op en greep naar zijn hals, en dacht er iets te
+voelen dat hem den adem kwam benemen. In 't eind ging hij zich
+verbeelden dat er een koord om zijn nek was geslagen en daar bleef
+zitten tot het eensklaps zou worden toegetrokken. Telkens en
+telkens moest hij door 't gevoel zijner vingers zich overtuigen
+dat hij zich bedroog, tot in 't laatst die beweging van de hand
+naar de keel hem tot eene werktuigelijke gewoonte begon te worden.
+Een enkelen keer kwam de gedachte bij hem op om zelf een eind aan
+zijn leven te maken en op die wijze zich te verlossen van zijn
+marteling; maar hij durfde niet en hij bezat geen moed om zich den
+dolk in het hart te stooten. En dan nog de hoop, hoe flauw ook,
+dat hij nog betrekkelijk veilig mogt zijn als men maar eenmaal in
+Agra zou zijn aangekomen! Maar langzaam ging de togt altijd
+langzamer, en het was nog de vraag of 't wel in het plan van den
+Keizer lag de achterhoede tot de residentie zelve te laten
+voorttrekken....
+
+De Worgers belastten zich eindelijk met de taak, die Salhana zelf
+niet durfde volvoeren, en bevrijdden hem van zijn angst.... Eens
+in den vroegen morgen vonden zijne bewakers hem dood liggen in de
+tent, die gedurende den nacht hem tot verblijf had gestrekt.
+
+
+
+VIJFTIENDE HOOFDSTUK.
+
+Beterschap
+
+In Agra ging alles nagenoeg zooals Akbar en zijne raadslieden van
+den aanvang af berekend hadden, en vooral na de mededeelingen van
+Siddha konden voorzien. Dat Selim nog bij tijds omtrent den
+terugkeer van het leger zou gewaarschuwd worden en 't dus
+misschien niet gelukken zou hem op de daad te betrappen, hadden
+Akbar's vertrouwden nog steeds gevreesd; en wel ware in dat geval
+de aanslag verijdeld, maar tevens vrij wat moeijelijker geweest,
+den Prins te overtuigen van zijn verraad. Nu evenwel de boodschap
+van Gorakh, den leider der zaamgezworenen in het leger was
+onderschept, en Goelbadan in de onmogelijkheid gesteld ze aan
+Selim en de zijnen over te brengen, stonden de kansen veel
+gunstiger. En inderdaad, wel kwamen er enkele geruchten tot de
+zaamgezworenen te Agra omtrent een spoedigen terugtogt van den
+Keizer; maar, niets daaromtrent van hun eigen vrienden vernemend,
+hielden zij die geruchten eenvoudig voor een list om hen van
+eenige onderneming gedurende Akbar's afwezigheid terug te houden.
+Er bestond dus, meenden zij, geenerlei reden om geen uitvoering te
+geven aan het plan.
+
+Op den bepaalden dag dan nam Selim bezit van het vorstelijk
+paleis, en deed zich openlijk in Agra uitroepen als Keizer.
+Terstond ontsloeg hij een aantal van de voornaamste ambtenaren en
+krijgsbevelhebbers en stelde anderen in hun plaats. Schrik en
+ontzetting verspreidden zich allerwege in de stad. De rijken
+sloten hunne huizen, de kooplieden hunne winkels, en de volkrijke,
+anders zoo levendige residentie scheen op eenmaal als uitgestorven.
+De berigten toch omtrent Akbar's terugkeer hadden meer geloof gevonden
+bij de burgerij dan bij de misleide zamenzweerders, en een geduchte
+strijd scheen te voorzien, als Selim, in de vesting zich versterkend,
+een krachtigen tegenstand mogt bieden aan zijn vader. Maar toen de Prins
+nu de vesting liet opeischen, weigerde, tot zijn niet geringe verbazing
+en schrik, de Goeverneur volstandig aan den eisch te voldoen, sloot de
+welversterkte poorten en rigtte zijn geschut tegen de stad. In
+schijn toch had diezelfde Goeverneur, met medeweten van Akbar, de
+zijde van Selim gekozen, zoodat deze volkomen zeker van het fort
+meende te zijn, maar inderdaad was hij den Keizer trouw gebleven.
+En nu bevestigden zich ook de tot dusver in den wind geslagen
+berigten omtrent de bewegingen van het leger, en geen dagmarsch
+scheidde dit weldra meer van de stad. Dus tusschen twee vuren
+geplaatst, terwijl nagenoeg allen die hem in den opstand geholpen
+hadden zoo snel mogelijk hem weer verlieten, begreep Selim dat er
+geen andere uitkomst overbleef dan een overhaaste vlugt. Doch te
+laat! De vooruitgezonden troepen sloten al de uitwegen af, en toen
+Selim met enkele volgelingen de stad wilde verlaten, werd hij
+overvallen door eene afdeeling ruiterij en, hoewel met alle eer,
+toch ook met een gestrengheid die alle verdere poging tot vlugten
+onmogelijk maakte, gevankelijk naar het paleis teruggevoerd waar
+hij een vlugtig oogenblik als Keizer had getroond.
+
+Eenige dagen later ontving hij de uitnoodiging om te verschijnen
+bij den vorst, die thans werkelijk in zijne hoofdstad was
+teruggekeerd. Zijn vorst, zijn vader, zijn regter tevens! Selim
+was dapper, maar thans voelde hij den moed zich toch ontzinken, en
+dat te meer omdat hijzelf zoo volkomen overtuigd was van zijne
+schuld. Ook wist hij dat Akbar grootmoedig kon zijn, maar tevens
+gestreng, als straffen in het rijksbelang noodig was.
+
+Zijn anders niet onredelijke vrees maakte echter spoedig plaats
+voor verwondering, toen hij, alléén bij den Keizer toegelaten,
+dezen met het hoofd in de hand op een divan vond uitgestrekt,
+terwijl zijn andere arm vermoeid over den rand van het rustbed
+hing, en hem ook zijne houding niet zag veranderen toen hij, de
+schuldige, daar binnentrad.
+
+--Ik heb lang gedraald u te ontvangen, Selim!--begon Akbar ten
+laatste, terwijl hij een vlugtigen blik wierp op zijn diep
+beschaamden, in gebogen houding vóór hem staanden zoon;--ik zag op
+tegen dit onderhoud; ik wenschte dat gij 't mij gespaard mogt
+hebben!
+
+Weer zweeg hij eenige oogenblikken; en toen, zich halverwege
+oprigtend en de handen omhoog heffend, barstte hij los in een
+bittere en hartstogtelijke klagt:
+
+--Mijn zoon! mijn zoon!--riep hij uit,--dat ik dit van u beleven
+moest! Waartoe liet gij u verleiden door valsche vrienden en
+verkeerd begrepen eerzucht! Gij weet het, hoezeer ik u altijd heb
+lief gehad, uw minste wenschen waar 't mogelijk was zocht te
+voorkomen, u overlaadde met eer en aanzien en schatten. Gij weet
+ook, gij hebt het meer dan eens van mij en van uwe moeder gehoord,
+hoe ik, nog kinderloos en toen ik nog in mijn goedgeloovigen tijd
+verkeerde, heb gebeden om de geboorte van een zoon, en toen
+eindelijk dat geluk mij te beurt viel en gij mij geschonken waart,
+die gebeurtenis herdacht door de stichting van Fattipoer, op welks
+heuvel ik zoo menigmaal tot Allah mijne gebeden had omhoog
+gezonden. Maar had ik geweten wat mij eenmaal van u te wachten
+stond, mijn gebed zou niet zoo vurig en mijne vreugde over zijn
+verhooring zoo groot niet zijn geweest! Ach, was het u dan
+onmogelijk, althans eenmaal in uw leven, eene overwinning te
+behalen op uzelf, en nog zoolang geduld te hebben, alvorens uw
+voet te zetten op den troon, tot uw vader, zoo jong toch niet
+meer, u de plaats had opengelaten? Was 't u ondoenlijk door dat
+ééne ten minste de liefde eenigszins te vergelden, die ik u altijd
+heb toegedragen en waarvan gij de blijken toch waarlijk wel
+ondervonden hebt?
+
+Selim wist niet te antwoorden, toen zijn vader weer voor een
+oogenblik ophield te spreken. Die gansch onverwachte ontvangst,
+die altijd, in weerwil van zijne vergrijpen, nog liefderijke
+schoon droevige taal had hem diep getroffen. Want hij was niet
+slecht, niet verstokt van hart, maar zwak en ligtzinnig; en op hem
+rustte de vloek, dien Akbar had weten te ontgaan, de vloek van het
+despotisme, dat den alleenheerscher, en ook hem die weet dat hij
+bestemd is het te zijn, de eigen onbetoomde willekeur in de
+plaats leert stellen van regt en van pligt.
+
+--Maar neen!--ging de Keizer weer voort,--gij hebt het niet
+gewild, of liever nog, gij hebt het niet gekund. Gij zijt nooit in
+staat geweest u te bedwingen in iets; hoe dan in dit ééne? Een
+tijd lang, ik zag het met het grootste genoegen, hebt gij
+opgehouden met uwe drinkgelagen, maar hoe kort duurde de
+beterschap! Gij, die in mijne plaats wilt heerschen over anderen,
+gij weet nog niet eens uzelven te beheerschen! En hadt gij nog
+maar beter uwe eigene stelling begrepen! Eigenbelang, maar
+wezenlijk, geen valsch eigenbelang, had u van zelf den regten weg
+gewezen. Gij zoudt dan hebben ingezien dat alleen regtvaardigheid
+en trouwe pligtsvervulling u de achting en genegenheid uwer
+toekomstige onderdanen konden verwerven, maar dat handelingen als
+die waaraan gij thans u hebt schuldig gemaakt, u verachtelijk
+moesten doen worden in hun oogen ook al ware uw doel bereikt en al
+gehoorzaamden zij hun nieuwen meester uit zelfzucht of uit vrees.
+Nu hebt gij, even onverstandig als misdadig, dien eerbied
+verspeeld, en u en ook mij met schande overdekt. Of meent gij, dat
+ook mij de vernedering niet treft, die u heden wordt opgelegd? Hoe
+gaarne had ik ze nog voorkomen! Ik beproefde het, toen ik u op
+raad van Aboel Fazl, die u welwillend gezind was, naar Allahabad
+zond. Ik wist toen nog niet, dat juist Salhana tot de ergste
+verraders en de gevaarlijksten uwer verleiders behoorde. Maar
+genoeg, de poging om u te onttrekken aan uwe omgeving mislukte, en
+de zaken bleven haar gang gaan. Toen werd het ten laatste noodig
+in 't openbaar en ten aanzien van een ieder het bewijs te leveren,
+dat list noch geweld ook van den hoogst geplaatste iets tegen
+Akbar en de zijnen vermag, en dat de Keizer nog altijd oppermachtig
+blijft regeren. Gij hebt mij gedwongen; aan uzelf de schuld van 't geen
+heden is geschied. Uzelven hebt gij veel kwaad gedaan, en mij hebt gij
+diep gegriefd; dieper dan gijzelf welligt op dit oogenblik beseft.
+Moogt gij nimmer in de gelegenheid zijn het volkomen te begrijpen en
+door eigen ondervinding te leeren wat het zegt voor een vader, zijn
+eigen zoon als vijand tegenover zich te zien en zichzelf misschien
+genoopt hem te bestrijden met het zwaard in de hand!
+
+En wél zou die droevige ervaring ook Selim in later dagen niet
+blijven gespaard, en zou hij gelegenheid vinden de woorden zijns
+vaders te overdenken, als eenmaal, in de jaren van zijn ouderdom,
+Shah Djihan, zijn eigen eveneens geliefde zoon, hem bekampen zou
+in 't open veld en meer dan eens met overmagt van legers de zijnen
+zou verslaan!... Thans inmiddels gevoelde hij het zedelijk
+bewustzijn, dat zoolang had geslapen, weer ontwaakt, en voor 't
+eerst doorzag hij in haar vollen omvang zijne schuld, door valsche
+raadgevers hem tot heden steeds als weinig beteekenend, of althans
+als niets buitengewoons en iets wél verschoonbaars voorgesteld. En
+door aandoening overmeesterd, wierp hij, zijn gelaat in de handen
+verbergend, zich op de knieën voor zijn vader neer.
+
+--Sta op!--sprak ten laatste de Keizer na een tijdlang zwijgend
+zijn zoon te hebben aangezien,--en luister! Dat ik het volle regt
+bezit en de magt om u de straf op te leggen die ik mogt
+goedvinden, zult gij zoomin als iemand anders mij kunnen
+betwisten. Maar ik wil voor u geene verdere vernedering dan die
+welke gij reeds hebt ondergaan. Ik wil dat niet, omdat het schaden
+zou aan uw later gezag, aan den eerbied dien men u verschuldigd
+zal zijn als gij mij eenmaal zijt opgevolgd in de regering.
+Strafte ik u nog verder in 't openbaar, ik zou u dan tevens voor
+goed vervallen moeten verklaren van den troon en een uwer jongere
+broeders tot mijn opvolger behooren aan te wijzen. Maar dat wil,
+dat kan ik nog niet. Ik heb u nog te zeer lief om u voor immer te
+verstooten, zoolang ik het vermijden kan. Niettemin blijft alles
+afhangen van uzelven. Zeg mij, en zeg het, gelijk gij in dit
+oogenblik wel zult willen, opregt:--Verlangt gij nog met mij mede
+te werken in het belang van ons rijk, of gevoelt gij daarvoor geen
+lust of geen genoegzame kracht? In 't eene geval zal ik u eene
+eervolle maar moeijelijke werkzaamheid opdragen; in 't andere kunt
+gij hier blijven aan mijn hof, en daar trachten, want dat raad ik
+u toch aan, zooveel althans van de kunst van regeren te vernemen
+als in uw lateren werkkring u onmisbaar zal zijn. Ik laat u de
+keus.
+
+--Mijn vader!--antwoordde thans eindelijk Selim,--ik gevoel het
+volkomen dat ik noch het eene noch het andere aanbod, beiden even
+grootmoedig, heb verdiend, en mij niet zou mogen beklagen, indien
+ik na mijne laatste handelingen door u van de troonopvolging
+vervallen werd verklaard, maar laat gij mij werkelijk eene
+onverdiende keus, dan aarzel ik geen oogenblik, maar grijp
+terstond het eerste van uwe voorstellen aan. Draag mij een zwaren
+en des noods gevaarvollen arbeid op, en ik wil trachten zoo goed
+ik kan dien te volbrengen. Gij hebt mij inderdaad met eer en met
+gunsten overladen, maar misschien ook wel te veel! ik heb mijn
+tijd werkeloos, in ijdele ledigheid, verspild en verbrast, terwijl
+gijzelf dag aan dag en avond aan avond hebt gearbeid voor het nut
+van den staat; en die werkeloosheid, die ellendige ledigheid, die
+geen verstrooijing op den duur kan aanvullen, heeft mij, zoo niet
+geheel dan toch voor een groot deel gehoor doen geven aan
+verraders en verzoekers, die mij een wezenlijken en meer
+roemrijken werkkring voorspiegelden als ikzelf maar eenmaal de
+magt, in handen zou hebben. Wijs mij nu zulk een werkkring aan, al
+is 't een meer nederige, en ik zal misschien nog gelegenheid
+vinden om weer eenigszins goed te maken wat ik jegens u misdreef!
+
+--Gij beoordeelt uzelven niet onjuist,--hernam Akbar,--en de regte
+zelfkennis is wel de eerste stap op den goeden weg. Ook wil ik
+gaarne erkennen dat ik van mijne zijde niet geheel vrij ben van
+schuld, in zoo ver ik u veel te lang dat ledig en bij alle
+grootheid en weelde toch eentoonig leven liet, waarin gij tot
+dusver hebt verkeerd. Maar welaan dan! Niet lang nog is het rijke
+en vruchtbare Bengalen onderworpen aan mijne heerschappij, en nog
+wacht het op de voorregten eener ordelijke regering zooals onze
+landen die genieten. Ga nu, en help mij zulk eene regering
+invoeren ook dáár! Gij zult er onder mijne souvereiniteit het
+bestuur op u nemen, en voortaan een nagenoeg onafhankelijk Koning
+zijn, totdat eenmaal de tijd zal zijn gekomen waarin gij, in vrede
+ten laatste met uzelven en geacht weer en bemind door uwe volken,
+de regering zult kunnen aanvaarden over gansch Hindostan!
+
+Tranen van vreugde en van dankbaarheid ontsprongen Selim's oogen,
+en na eerbiedig de hand des Keizers gekust te hebben snelde hij
+heen, vol moed en vol nieuwen levenslust. De verzoening tusschen
+vader en zoon was opregt, en de vrede en vriendschap, Akbar
+gevoelde het en hij zag juist, zou voortaan niet weder tusschen
+hen beiden worden verstoord.
+
+Was het in Agra na den gelukkig voorbijgedreven storm een tijd van
+althans betrekkelijke vreugde, in Allahabad werd het in die dagen
+en vooral in de spoedig daarop volgende een tijd van rouw. Voor
+ééne ten minste. In algemeene bewoordingen en zonder noodelooze
+vermelding van bijzonderheden werd aan Iravati de dood haars
+vaders medegedeeld door den nieuwen Goeverneur, die haar tevens de
+verzekering gaf dat zij in den burgt kon blijven vertoeven zoolang
+haar goed dacht. De misdrijven, waaraan Salhana zich schuldig had
+gemaakt waren haar nooit bekend geweest; ook thans vernam zij
+daarvan weinig of niets, daar zij den meesten verholen waren
+gebleven; en, had zij haar vader nooit wezenlijk leeren
+liefhebben, zij had toch tot op zekere hoogte hem achting
+toegedragen, en zijne laatste handelwijze jegens haarzelve
+vergetend, betreurde zij hem wezenlijk en opregt. Doch weldra kwam
+ander nieuws dat wel geschikt bleek om op gansch andere wijze haar
+gemoed te schokken, zoo droevig door 't geen zij omtrent haren
+Siddha vernomen had, reeds gestemd.
+
+Niet lang nadat de tijding van Salhana's dood haar geworden was,
+kwam Koelloeka, de Brahmaan, zich bij haar aanmelden. Alleen zijn
+ééne getrouwe dienaar had op een gevaarvollen togt uit het Noorden
+hem vergezeld.
+
+--Edele jonkvrouw!--sprak hij, bij Iravati toegelaten,--ik
+belastte mij met eene zware taak, omdat ik eene boodschap heb over
+te brengen, treurig voor u en voor mij. Ik breng u een teeken, dat
+u wel bekend zal zijn....
+
+En in zijn gordel tastend legde hij den fijn geweven veelkleurigen
+sluijer vóór haar neder, dien zij Siddha had toegeworpen, toen zij
+voor het laatst hem onder 't balkon van haar venster had gezien.
+
+--Ik begrijp alles!--riep zij verbleekend uit, terwijl zij
+opsprong;--hij is niet meer!...
+
+--Zóóver--antwoordde Koelloeka,--was het nog niet gekomen toen ik
+hem verliet; maar ik vrees toch het ergste, en ik moet twijfelen,
+hoe gaarne ik het tegendeel ook geloofde, of ik ooit mijn
+voormaligen leerling weer zal zien.
+
+--Doch zeg mij, wat is er met hem gebeurd?--vroeg Iravati.--Zie!
+ik ben nu weer bedaard en wil u rustig aanhooren mits gij mij
+alles mededeelt.
+
+En nu verhaalde Koelloeka omstandig al wat hij van Siddha's
+laatste ontmoetingen wist.
+
+Op zijn dringende en ernstige bede had de Keizer hem veroorloofd,
+met zijne Radjpoet's en anderen tegen de stroopers in het Noorden
+op te trekken. Daar, in de hem welbekende gebergten, voerde hij
+een tijdlang een zeer gelukkigen en roemrijken krijg; gevaren
+telde hij niet, maar zocht ze veeleer op, vooral voor zichzelven,
+en menigmaal had hij reeds waagstukken beproefd, waarvoor zelfs de
+dapperste zijner volgelingen waren teruggedeinsd. Altijd echter
+met goed geluk. Doch ten laatste wisten de rooverbenden, terwijl
+hij een bergpas doortrok, hem van zijne hoofdmagt af te snijden en
+hem en zijne nu betrekkelijk weinige volgers van alle kanten te
+omsingelen. Wel streed hij ook thans weer met zijne gewone
+onversaagdheid en kracht, wel wist hij de zijnen door eigen
+voorbeeld lang nog te blijven aanvuren en viel er menig ruiter van
+den vijand door zijn zwaard getroffen in den afgrond, maar ten
+laatste stortte hijzelf met wonden bedekt van zijn paard, terwijl
+de meesten zijner dapperen gewond of gesneuveld rondom hem lagen
+uitgestrekt. Vatsa, die zijne zijde bijkans niet had verlaten en
+hem vallen zag, begreep op dit oogenblik beter te kunnen doen dan
+een ijdele en nuttelooze wraak te beproeven, liet zich onmiddelijk
+van het paard glijden en bleef toen bewegingloos liggen alsof ook
+hij verslagen was. Weinige oogenblikken later kwam de hoofdmagt
+aanrukken en dwong den vijand tot een haastigen aftogt. Nu sprong
+Vatsa snel weer op, begaf zich tot zijn meester en hoewel eerst
+meenend dat hij gesneuveld was, ontdekte hij spoedig tot zijn
+blijdschap dat hij nog leefde. Met behulp van eenige der nieuw
+aangekomen ruiters legde hij den gevallene, na zoo goed het gaan
+wilde zijne wonden verbonden te hebben, op een in der haast
+zamengestelde draagbaar en stelde toen voor, hem naar een in de
+nabijheid gelegen Boeddhistenklooster te voeren, waarheen de weg
+hem bekend was. Aan het plan werd terstond uitvoering gegeven.
+
+--Ikzelf,--vervolgde Koelloeka,--ik bevond mij juist op dat
+oogenblik in het klooster toen de ruiters er met hun zwaar
+gewonden bevelhebber aankwamen. Met de meeste liefde en zorg
+verpleegden hem de goede monniken, en een ervaren geneesheer, die
+zich onder de hunnen bevond, gaf mij de verzekering dat niets zou
+worden gespaard wat zijne kunst vermogt om hem in 't leven te
+behouden. Na eenigen tijd kwam Siddha weer tot bewustzijn, en mij
+aan zijne zijde ontwarend, knikte hij mij vriendelijk toe. Ten
+laatste gevoelde hij ook voor eenige oogenblikken weer de kracht
+om te spreken.--Vriend!--zeide hij,--ik ga u verlaten; Ik gevoel
+dat ik hiervan niet meer zal opkomen. Bewijs mij nog één dienst!--
+Vragend zag ik den geneesheer aan, maar deze schudde het hoofd.
+Ook hij scheen weinig of geen hoop meer te zien. Tevens echter
+wilde hij Siddha het zwijgen opleggen; maar deze stoorde zich niet
+aan het verbod.--Ik moet spreken!--zeide hij;--Koelloeka! neem
+den sluijer dien gij daar bij mijne wapenrusting zult vinden,
+breng dien zoodra gij kunt aan Iravati, en zeg haar dat ik haar
+nooit zoo lief had gedurende mijn leven dan op het oogenblik dat
+ik den dood nabij weet. Ga terstond en wacht niet tot ik gestorven
+ben. Laat mij sterven met het bewustzijn, dat zij het teeken uit
+uwe handen ontvangt!--Toen sloten zich zijne oogen en hij sprak
+niet meer. Ik aarzelde niet aan dat waarschijnlijk laatste verzoek
+te voldoen, nam den sluijer, en Siddha aan de trouwe zorgen van de
+Boeddhisten en Vatsa overlatend, toog ik onverwijld op weg.
+
+--Ik dank u--sprak Iravati,--voor de dienst, welke gij ons beiden
+hebt willen bewijzen. Maar Siddha leeft nog, zegt gij, of was nog
+niet gestorven toen gij hem verliet. Dan weet ik ook wat mij te
+doen staat.
+
+--Te doen?--vroeg de Brahmaan.--Wat zoudt gij kunnen?
+
+--Ik ga met u op weg naar Siddha!--antwoordde Iravati bedaard.
+
+--Wat! Gij?--riep Koelloeka in verbazing uit,--gij, een zwakke
+weerlooze vrouw, zonder sterk geleide daar ginds door die wilde
+bosschen en bergen, waar het zwermt van rooverbenden en waar wij
+anderen zelf reeds aan groote gevaren ons blootstellen op zulk een
+reis! Waar denkt gij aan?
+
+--Zoo goed--was het antwoord,--als gij, mijn vriend! u ter wille
+van Siddha aan die gevaren waagt, zoo goed kan ook ik het voor hem
+doen. En vrees niet dat ik u tot last zal zijn. Ik ben zoo zwak
+niet als gij misschien meent en aan bergwegen en bosschen wel
+gewend.--Neen! ging Iravati voort, toen Koelloeka weer nieuwe
+tegenwerpingen wilde maken,--tracht mij niet af te brengen van
+mijn besluit! Het zou u niet baten. En wilt gij mij niet meenemen,
+dan ga ik alléén met een mijner dienaren. Meen ook niet dat mijn
+besluit in overhaasting wordt genomen en ik er straks wel op terug
+zal komen. Ik heb meer dan eens over de mogelijkheid van een
+dergelijk geval gedacht, als zich juist op dit oogenblik voordoet.
+Ik heb meer dan eens in omstandigheden die er aanleiding toe
+gaven, mijn eigen toestand met dien van de Damayanti der legende
+vergeleken, en ik heb besloten, dat zij, waar 't pas gaf, steeds
+mijn voorbeeld zou zijn. En wat is nu mijn geringe opoffering bij
+de hare? Alléén en van alles beroofd, van alle zijden door nog
+gansch andere gevaren omringd, zwierf zij rond door de wildernis
+om haar trouweloozen echtgenoot op te zoeken; en ik, ik ga, als
+gij 't mij vergunt ten minste, onder geleide van een man van
+beproefde dapperheid en beleid; en waar hij weet door te dringen,
+zal ik wel weten te volgen!
+
+--En zijn arm zal u niet falen, waar die bij magte is u te
+beschermen!--riep thans Koelloeka uit;--en is die arm al wat
+stram, hij bezit toch nog kracht genoeg om het zwaard te hanteren.
+Welaan dan! ik wil uw besluit eerbiedigen, niet minder dan ik het
+bewonder. Zoo bereid u dan voor tot den togt, en gij vindt mij
+gereed om dien met u te ondernemen.
+
+Zonder dralen ontbood Iravati hare dienares, en haastte zich met
+haar de noodige toebereidselen te maken voor de reis, terwijl zij
+haar in korte woorden het doel van den togt mededeelde. Niet
+weinig was de trouwe Nipoenika, die hare meesteres innig liefhad,
+ontsteld, toen zij dat berigt vernam. Maar Iravati legde haar
+onmiddelijk het zwijgen op, toen zij eene poging waagde om haar
+van de onderneming terug te houden.
+
+--Laat mij dan met u gaan!--bad de dienares.
+
+--Neen!--antwoordde Iravati,--dat kan niet. ééne vrouw te
+beschermen is al genoeg voor Koelloeka en zijn dienaar. En ik gaf
+u bovendien ook juist kennis van mijn plan, maar in 't geheim
+altijd, opdat, als ik niet terugkeer, iemand wete waar ik gebleven
+ben en dat aan mijne betrekkingen in Kaçmir kan melden.
+
+--Maar ware 't dan niet beter, den Goeverneur van het fort om
+behoorlijk geleide te verzoeken?
+
+--Ook dàt zou niet deugen. Een afdeeling gewapenden zou onderweg
+juist de aandacht trekken, en eene sterke magt kan de Goeverneur
+ons niet meegeven. Met ons drieën hebben wij dus veel meer kans de
+reis met goed geluk te volbrengen.
+
+Niet aanstonds evenwel kon de togt worden ondernomen. Koelloeka's
+paarden waren nog te vermoeid om onmiddelijk weer op weg te gaan.
+Men had dus tot den namiddag te wachten. Lang viel Iravati die
+werkelooze tusschentijd. Was men maar eenmaal onderweg, dan was er
+ten minste nog eenige afleiding. Nu zat zij onafgebroken te
+mijmeren over dat ééne enkele, dat met uitsluiting van alle andere
+gedachten haar bezig hield.
+
+Met schrik, zij wist zelve niet waarom, zag zij op, toen zij
+eensklaps iemand haastig hoorde naderen, en een oogenblik later
+stond een man vóór haar, aan wien zij in deze oogenblikken wel 't
+minst van allen zou hebben gedacht--Selim.
+
+--Gij hier?--riep zij uit.
+
+--Ik kwam hier--antwoordde de Prins,--op mijne doorreis naar
+Bengalen. En ik kom, naar ik zooeven ontdekte, juist op een goed
+oogenblik. Ik kom u verhinderen in de uitvoering van een plan, te
+dwaas om in 't hoofd eener verstandige vrouw op te rijzen. Uwe
+dienares heeft, uit liefde voor u, het verbod om er van te spreken
+geschonden en mij gebeden door mijne tusschenkomst het te
+beletten. Ik heb haar dat beloofd.
+
+--Bemoei u, Heer!--sprak Iravati,--wat ik u verzoeken mag, niet
+met mij noch mijne plannen! Ik ben geen kind meer, dat niet weet
+wat het doet. En in allen geval zijt gij ook niet geroepen om voor
+mij te waken.
+
+--Toch zal ik het doen, voor uw eigen welzijn. En ook... welnu!
+waarom het niet ronduit gezegd?... en ook, omdat ik u niet naar
+dien gehaten mededinger verkies te zien gaan, die zelf u ontrouw
+werd. Ik kan de gedachte niet verdragen, dat gij dien man, zoo gij
+hem nog in leven vindt, met liefkozingen zult overladen, terwijl
+gij mij verstooten hebt! En daarom zal ik gebruik maken van mijne
+magt en u dwingen hier te blijven al is 't ook tegen uw wil!
+
+--Gij kunt het, Selim!--antwoordde Iravati,--maar gij zult het
+niet. Gijzelf weet zeer goed dat gij niets zoudt winnen, maar wel
+verliezen door zulk eene laaghartige daad van geweld. Mij zoudt
+gij toch niet erlangen, en Siddha's dood geen oogenblik er door
+verhaasten; gijzelf daarentegen, dien ik tot heden bleef achten,
+ook al kon ik u mijne liefde niet schenken, gij zoudt u door zulk
+eene handelwijze enkel dit ééne verzekeren: mijne diepste
+minachting! Begeert gij die? Mijne verachting en uw eigen zeker
+niet geringer zelfverachting bovendien? Wilt gij u aanstellen als
+een zwakke vrouw, die hare hartstogten niet meester is en enkel
+toegeeft aan hare redelooze drift, of wenscht gij u te gedragen
+als een man, en door uzelf te beheerschen ook toonen dat gij
+waardig zijt eenmaal te gebieden over anderen? Beslis het zelf! Ik
+vraag u geen gunst!
+
+Met gejaagden stap ging Selim op en neder. Een heftige strijd werd
+er in zijn binnenste gevoerd door hartstogt en pligtbesef, door
+eergevoel en drift. Haar, de vergeefs gewenschte, vruchteloos
+gevleide, over te laten zonder tegenstand aan den verwenschten
+medeminnaar, was hard, scheen ondoenlijk. Maar toch, zij had regt.
+Geen weerstand kon baten en geweld moest hem 't eenige doen
+verliezen wat hij nog bezat: de achting van haar, wier oordeel hij
+op prijs stelde boven alles. En dan hare laatste woorden, die hem
+levendig de diep gevoelde vermaningen van zijn edelen en
+verstandigen vader voor den geest riepen! Zelfbeheersching,
+zelfverloochening! Eerste pligt en onmisbare deugd voor den Vorst!
+Nooit nog had hij in waarheid ze betracht; en zou nu, na zijne
+ernstige belofte, na zijn stellig voornemen een nieuw leven aan te
+vangen, zijn allereerste handeling weer een daad zijn, die Iravati
+met alle regt eene laaghartige geweldenarij had genoemd?...
+
+--Iravati!--sprak hij ten laatste,--ik onderwerp mij, nu als
+vroeger, aan uw wil. Wat het mij kost behoef ik u niet te zeggen;
+maar genoeg, ik gehoorzaam. Helaas! ik zeg het nogmaals, waarom
+heb ik u niet vroeger gekend? Gij zoudt een ander mensch van mij
+gemaakt hebben dan ik geworden ben. Maar dat is nu eenmaal alles
+anders; en ik wil trachten mij te schikken in 't onvermijdelijke.
+Ga dan, en hoewel ik uw voornemen roekeloos blijf achten, ik mag
+toch niet nalaten het te eerbiedigen als een moedig en edel
+besluit. Maar nog meer nu! Het kan zijn, het ware althans niet
+onmogelijk, dat uw Siddha nog in 't leven bleef; en dan, ik
+begrijp het maar al te wel, zoudt gij met hem u verzoenen en het
+woord gestand doen dat gij hem gezworen hebt. Welnu! met wangunst
+zou ik het aanzien, maar ook zonder wraakzucht jegens u en jegens
+hem die u dierbaar is. Laat het dan eenmaal althans gezegd kunnen
+worden, dat de zwakke en zelfzuchtige Selim zichzelf bedwong en
+dat de toekomstige gebieder van Hindostan ook meester van zijn
+eigen hartstogt kon zijn. En als gij vroeg of laat, gij of Siddha
+Rama, mijne bescherming mogt behoeven, ik geef u mijn vorstelijk
+woord dat ze u niet zal worden onthouden. Eéne gunst alleen vraag
+ik van u, die er thans geene van mij wilt ontvangen! Ontzeg mij,
+al zien wij elkaar nimmer weder, uwe vriendschap niet geheel, en
+denk niet met toorn en verachting aan een man, wiens eenig
+misdrijf jegens uzelve toch alleen hierin bestond, dat hij u al te
+hartstogtelijk beminde!...
+
+Geen antwoord meer wachtte hij, maar snelde voort.--Mijn vader!--
+sprak hij in zichzelven, terwijl hij met haastige schreden en
+zonder om te zien zich verwijderde,--zoudt gij thans, voor éénmaal
+ten minste, vrede kunnen hebben met uw zoon?...
+
+
+
+ZESTIENDE HOOFDSTUK.
+
+Feizi's vloek
+
+In 't Boeddha-klooster in het gebergte lag Siddha op zijne
+legerstede, en nevens hem zat Iravati. Zoo groot ook hare vreugde
+was geweest toen zij na den moeijelijken en gevaarvollen, maar
+gelukkig volbragten togt vernam dat haar Siddha nog leefde,
+zoozeer werd die blijdschap ook getemperd toen de geneesheer zijn
+behoud nog uiterst twijfelachtig noemde, en zij, bij hem
+toegelaten, hem voortdurend bewusteloos vond. Of hij ooit weer zou
+ontwaken? Of zou hij sterven zonder haar te hebben herkend?
+
+Na verloop van een in bange afwachting doorgebragten tijd begon er
+ten laatste weer eenige hoop te ontstaan; maar de arts raadde
+Iravati tevens ernstig, zichzelve wat meer rust te gunnen als zij
+den gewonde nog verder wilde blijven verplegen. Ook wisten
+Koelloeka en de monniken haar nu en dan tot eene korte wandeling
+te bewegen; en niet zonder genoegen bezocht zij dan bijwijlen ook
+den kleinen bij het klooster gelegen tempel, als de kerkklok er de
+geloovigen met hunne rozenkransen ten gebede riep. En met
+belangstelling ook luisterde zij meer dan eens naar de redenen van
+den Opperpriester, als deze haar over het ijdele en nietige van
+het menschelijk leven sprak, waarin het leed voor het meerendeel
+der wezens zooveel grooter was dan het geluk, en waarvan eenmaal
+voor goed verlost te worden om te mogen ingaan tot het nirvâna, de
+hoogste zaligheid was die voor den mensch bleef weggelegd.
+
+Koelloeka vond op dergelijke redenen wel wat aan te merken, en hij
+zou in andere omstandigheden den priester misschien wel hebben
+tegengeworpen, dat werkzaam te zijn en ten nutte van anderen toch
+een waardiger levenstaak was dan verzonken te blijven in ledige
+bespiegeling omtrent de ijdelheid der dingen; maar hij bemerkte
+dat die stille en kalme, schoon ietwat droomerige leer juist voor
+'t oogenblik een weldadigen invloed op Iravati had; en hij zweeg.
+Ook was tegenspraak hier in zeker opzigt vrij overbodig, vermits
+toch deze Boeddhisten zelf weer het bewijs leverden dat de natuur
+soms beter is dan de leer. Wel namen zij geenerlei deel aan het
+woelige leven en de gewone zorgen der wereld; maar dat zij in
+ledigheid hun tijd doorbragten, kon hun waarlijk niet worden
+verweten. Onvermoeid zwierven zij door het gebergte en gingen rond
+bij de arme bergbewoners, overal weldoende voor zoover in hun
+vermogen stond en zooveel doenlijk het leed verzachtend van allen
+die zich ongelukkig gevoelden, zonder onderscheid van godsdienst,
+van kaste of van nationaliteit.
+
+Weder was Iravati eens op een avond bij het leger van Siddha
+gezeten, terwijl de geneesheer hem van de andere zijde gadesloeg,
+toen hij, langzaam de oogen openend, een vlugtigen blik om zich
+heen wierp en nevens zich Iravati scheen gewaar te worden. Want
+zacht fluisterde hij haar naam, terwijl hij op 't zelfde oogenblik
+weer de oogen sloot. Een wenk van den arts gebood haar, voor heden
+zich te verwijderen; en schoorvoetend, maar 't hart toch vervuld
+van vreugde, verliet zij hem om Koelloeka de heugelijke tijding te
+gaan mededeelen. Den volgenden dag vond deze zijn vriend weer
+aanmerkelijk toegenomen in beterschap en tot spreken ook weer in
+staat.
+
+Maar niet dan spaarzaam maakte Siddha van de gelegenheid gebruik,
+ook toen Iravati weder tot hem kwam. Wel bleef hij haar kennen,
+even als zijn vriend; maar van het voorleden scheen hij zich
+overigens niets te herinneren, en een nevel scheen er te zweven
+voor zijn geest. Wezenloos zat hij meestal voor zich te staren en
+alleen de stem van Iravati kon hem dan voor een oogenblik weer
+doen ontwaken uit zijn verdooving. Dat bleef zoo, ook nadat zijn
+ligchamelijke krachten zoo goed als volkomen reeds waren hersteld
+en hij tot een behoorlijke beweging zich weer geheel in staat
+gevoelde.
+
+Eens echter, toen hij met Iravati in de nabijheid van het klooster
+rondwandelde, was het alsof plotseling een door haar gesproken
+woord, of ook eenig voorwerp dat hem in 't oog viel,--zij wist
+zelve later niet meer wat,--een herinnering bij hem opwekte.
+Eensklaps stond hij stil, zag verwonderd om zich heen, en streek
+zich met de hand over 't gelaat. Maar het hoofd schuddend wandelde
+hij verder. Nogmaals echter stond hij stil, en beschouwde
+oplettend nu eens de hooge bergtoppen, dan de helder blauwe lucht,
+dan weer de vallei en de bosschen daar omlaag.... Eene doodelijke
+bleekheid overtoog zijn gelaat, en met verwilderden blik zag hij
+Iravati aan .... Het geheugen was teruggekeerd en in zijn volle
+kracht; maar hoe? En ware vergetelheid voor altijd niet misschien
+nog gelukkiger geweest?...
+
+--Van hier!--riep hij ten laatste uit,--van hier! Wat wilt gij
+ongelukkige! nog in mijne nabijheid? Hoe moogt gij nog dulden dat
+ik u nader, ik de trouwelooze, de schandelijke verrader, beladen
+met den zwaarsten vloek die het hoofd van een man ooit treffen
+kon!...
+
+Met nameloozen schrik had Iravati hem aangehoord. Wel begreep zij
+niet aanstonds alles, maar toch reeds meer dan genoeg. Zij wilde
+spreken, maar de stem begaf haar en in diepe smart zonk zij neder
+aan zijne voeten.
+
+--De vloek,--herhaalde Siddha wild,--de vloek van Feizi: "Leef met
+de herinnering aan 't geen gij gedaan hebt, gij die u een edelman
+noemt, en al verwerft gij alles wat gij begeert, altijd zult gij
+de oogen neerslaan voor ieder eerlijk man dien gij ontmoet!" En
+dan zou ik nog wagen ze op te heffen tot u, de reine, schuldelooze, die
+ik laaghartig even als dien edelen vriend verried! Ga weg! zeg ik, ver
+van hier! Een gestalte verrijst daar tusschen u en mij!... Het is Feizi,
+innemend, beminnelijk zooals hij was als vriend,... maar nu weer
+dreigend en streng, zooals ik hem zag toen hij als regter mijn vonnis
+sprak!...
+
+En Iravati, het hoofd weer opheffend, zag hem de oogen bedekken
+met de hand, als vreesde hij langer haar te aanschouwen. Eindelijk
+vond zij tot spreken weer de kracht.
+
+--Kom mede--zeide zij,--en ga weer met mij naar binnen! Gij
+overspant u, en haalt u valsche droombeelden in het hoofd. Dat is
+u niet goed. Zoo kom dan!
+
+--Droombeelden!--sprak Siddha bitter,--mogt dat waar zijn! Maar
+neen! Ik ben geheel ontwaakt, ik ben volkomen helder, mijne kracht
+is teruggekeerd, maar ook de herinnering, de vreeselijke
+herinnering, en levendiger nu dan ooit. Nog gevoelde ik niet den
+waren zin van Feizi's woorden; maar thans heb ik ze leeren
+begrijpen, nu ik u heb weergezien. Voor den Keizer, ja! tot zelfs
+voor den minste mijner soldaten heb ik vol schaamte de oogen
+moeten neerslaan, maar nooit zoals nu. En ik zocht ook een
+eerlijken dood, en dat stelde mij nog in staat hun blik te
+verduren...--Iravati!--ging hij voort,--gij weet niet met wien
+gij spreekt, gij kent mijn laatst voorleden niet.
+
+--Ik ken het,--antwoordde Iravati,--en al weet ik niet bepaald wat
+er tusschen u en Feizi is voorgevallen, ik meen het toch
+genoegzaam uit uwe woorden te kunnen opmaken.
+
+--En toch spreekt gij nog met mij?--riep Siddha uit,--en wendt u
+niet van mij af, en kwaamt mij zelfs opzoeken om mij te verplegen
+of mij te troosten in mijne laatste oogenblikken!
+
+--Heb ik u, Siddha! dan geen trouw gezworen en was ik niet
+gehouden mijn woord gestand te doen zoolang het door uzelf mij
+niet werd teruggegeven? En dat is immers niet geschied. Want gij
+hebt mij door Koelloeka het teeken gezonden, dat mij ten blijk
+moest strekken dat uwe laatste gedachte gewijd was aan mij. Toen
+heb ik begrepen dat ik pligten had op mij genomen, pligten van
+eene echtgenoote ook al had nog geen huwelijk ons vereenigd.
+
+--Welnu!--hernam Siddha,--ik ontsla u dan van die pligten en van
+uwe vroegere gelofte! 't Is waar, mijne liefde keerde terug, en
+met gansch nieuwe nog ongekende kracht, toen eenmaal de
+noodlottige verblinding van mij geweken was; maar gij, gij kunt
+mij trouw zijn en uw vermeenden pligt vervullen, maar beminnen
+kunt gij mij niet meer.
+
+--Ik bemin u als voorheen!--antwoordde Iravati.
+
+--Gij zoekt u dat op te dringen uit overdreven eergevoel; maar het
+kan niet zijn, en later zoudt gij u berouwen dat niet beter te
+hebben ingezien. Er is geen liefde, waar geen achting meer kan
+bestaan. En de vrouw moet kunnen opzien tegen den man, en haar
+steun zoeken bij hem; maar ongelukkig het verbond als de man de
+zwakkere is en zich te schamen heeft tegenover zijn eigene
+echtgenoote! Ga dan en vergeet mij; ik ben zelfs uwe herinnering
+niet meer waardig.
+
+--Gij verstoot mij dus?
+
+--Ik heb geen regt u te verstooten, geen regt eigenlijk ook om u
+te ontslaan van uw woord; en zoo ik 't al deed, het was enkel om u
+gerust te stellen en u 't gevoel te sparen alsof gij uit eigen
+beweging mij verlaten hadt.
+
+--Luister naar mijne bede, Siddha!--sprak nu Iravati vleijend,
+terwijl zij vertrouwelijk hare hand op zijn arm legde;--ik wil
+niet met u twisten over al wat gij mij tracht voor te houden, ik
+wil ook niets eischen, niets vorderen als mijn regt, maar u
+smeeken alleen, gehoor te geven aan mijne vurige, mijne
+hartstogtelijke wenschen. Keer u niet van mij af, verlaat mij
+niet, juist op dit oogenblik nu ik meende u herwonnen te hebben!
+Zie ik vraag u niet eens eene belofte voor de toekomst; ik geef u
+de volkomen vrijheid; doch laat mij, al is 't ook maar een korten
+tijd, nog in uwe nabijheid! De scheiding ware mij thans
+onmogelijk!
+
+--Neen, en nogmaals neen!--antwoordde Siddha, thans bijkans met
+hardheid,--geen weifelingen, geen nieuwe zwakheden meer! Ik beging
+er waarlijk al genoeg. Nog eens alzoo: vergeet mij, en laat mij
+gaan!
+
+En Iravati afwerend, die, voor hem nedergebogen, zijn gewaad nog
+met de handen omklemde, wilde hij heensnellen en vlugten om de
+eenmaal en ook nog heden zoo teeder beminde nimmer weer te zien.
+
+--Het is wel!--sprak nu Iravati, zich oprigtend met beleedigd
+gevoel van eigenwaarde, en krachtiger en vaster klonk hare stem
+dan Siddha die nog ooit had gehoord,--het is wel! Gij hebt, geloof
+ik, gelijk. Gij maakt u mijne liefde onwaardig. Eenmaal zijt gij
+ondanks al uwe geloften mij ontrouw geweest, maar ik had het
+vergeven en vergeten, omdat ik begreep dat gij voor eene
+verleiding waart gezwicht gelijk ik die niet kende. Doch nu
+verwerpt gij mij willens en wetens, en niet omdat ik iets jegens u
+misdreef, maar alleen omdat gijzelf te trotsch zijt om voor uwe
+eigene vrouw te willen bekennen, dat gij eenmaal zwak en tegen
+verleiding niet bestand zijt geweest. Welnu dan, verlaat mij!
+Zonder u is mijn leven niets; maar eene afgedwongen liefde mag
+geene jonkvrouw van ons geslacht verlangen, ook niet van den man
+dien zij bemint. En zoo nu de herinnering aan 't geen gij jegens
+een vriend misdreven hebt, u vervolgt, laat er dan nog ééne
+bijkomen: de herinnering aan de vrouw, dien gij eenmaal hebt
+liefgehad, maar die gij hebt opgeofferd om te voldoen aan uw
+zelfzuchtige hoovaardij!...
+
+Siddha weifelde. Zou hij gaan? Kon hij blijven? Wel wenschte hij
+dit; maar was het overeen te brengen met zijn gevoel van eer? Toch
+bleef hij nog staan, en verwijderde zich niet, gelijk hij zoo
+aanstonds nog voornemens was.
+
+--Wie zal beslissen?--vroeg hij, de hand aan het voorhoofd
+slaande;--er is waarheid in 't geen gij zegt, en toch ook weer
+strijd met wat ik als regt beschouw...--Doch--vervolgde hij,--zou
+een ander, en die wijzer is dan wij beiden, niet misschien nog
+weten te rigten tusschen ons?
+
+--Gij bedoelt Koelloeka?
+
+--Neen, niet hem, zoo verstandig hij ook zijn mag, en zoo hoog ik
+hem ook acht. Ik weet het vooruit, hij zou slechts uw en mijn
+geluk trachten te verzekeren, en dat meenen te doen door u
+eenvoudig gelijk te geven. Hij is niet onpartijdig, niet vrij meer
+in zijn oordeel. Een ander,--maar vraag mij nu niet nader!--zou de
+eenige zijn, dien ik in een tweestrijd als dezen kan vertrouwen,
+en misschien zal hij mij raad kunnen geven. Luister dan, Iravati!
+naar thans meer bedaarde, verstandige taal! Laat mij van hier
+vertrekken en zoo spoedig mogelijk. Misschien keer ik weldra
+weder, misschien ook nooit. Kom ik terug, dan is mijn verder leven
+voor immer u gewijd; zoo niet, weet dan dat ik heb opgehouden voor
+u te bestaan, en dat gij vrij zijt en van alle vroegere banden
+ontslagen. En nu, geen tegenwerpingen meer! Heb geduld met mij,
+gelijk gij tot dusver het steeds hebt betoond!...
+
+En eer Iravati bij dit nieuw en onverwacht besluit gelegenheid had
+gevonden tot een antwoord, was hij verdwenen, en zocht hij reeds
+naar zijn dienaar om zijn paard te zadelen en zich gereed te maken
+tot een togt, waarvan het doel haar onbekend moest blijven. In
+allerijl begaf zij zich naar Koelloeka en deelde hem in der haast
+mede wat tot verklaring kon strekken van Siddha's zonderling
+besluit. Wat hem gemeld werd, was den goeroe genoeg om hem te doen
+inzien, dat het beter ware Siddha zijn gang te laten, dan hem in
+dit oogenblik tegen te werken, ook al stelden zijne pas herwonnen
+krachten hem nog nauwelijks tot het verduren van vermoeijenissen
+in staat; en zoo goed mogelijk zocht hij de bedrukte Iravati te
+troosten met de hoop, dat zij haar verloofde binnen een niet al te
+lang tijdsverloop zou terug mogen zien. Inmiddels was Siddha zelf,
+na een hartelijk afscheid van den Boeddha-priester, wien hij
+tevens een rijk geschenk voor het klooster ter hand stelde, met
+Vatsa reeds spoedig op weg....
+
+Wederom gleden de late zonnestralen langs de hellingen van den
+Himâlaya, en wederom daalde Siddha, maar nu enkel door zijn
+dienaar vergezeld, naar de vallei, waar de woning van Gaurapada
+lag. Daar werd hij door den ouden dienaar ontvangen, die hem
+spoedig herkende en aanstonds zijn meester de komst van den gast
+ging melden.
+
+Met blijdschap ontving de kluizenaar zijn jongen vriend, maar met
+bekommering tevens zag hij hem aan, toen hij de verandering
+opmerkte die zijn voorkomen had ondergaan. Het vroeger zoo open en
+vrolijk gelaat, thans verbleekt, had eene strakke, sombere
+uitdrukking aangenomen en ook de gansche houding scheen niet
+veerkrachtig meer als voorheen. In betrekkelijk korten tijd was de
+jongeling een man geworden; echter niet een man van geestkracht en
+met levensmoed bezield, maar een die gebogen ging onder leed, en
+wel--de scherpe blik van Gaurapada doorzag het dra,--onder dat
+leed, dat welligt het zwaarst te dragen is, de smart die haar
+oorsprong heeft in grievend zelfverwijt.
+
+--Eerwaarde!--begon Siddha, na de eerste begroeting,--of laat mij
+liever zeggen, mijn genadige Vorst!...
+
+--Neen,--viel de kluizenaar hem in de rede,--blijf mij Gaurapada
+noemen! Ik ben niets anders meer.
+
+--Welnu dan,--hernam Siddha,--ik gehoorzaam. En met vreugde zie ik
+dat ge u mijner nog herinnert. Maar tevens zullen dan ook de
+woorden u nog wel heugen, die gij bij mijn kort bezoek in uwe
+gastvrije woning, ten afscheid tot mij gesproken hebt.
+
+--Ik liet u beloven--antwoordde Gaurapada,--mij nogmaals op te
+zoeken als er ooit een tijd in uw leven kwam, waarin gij den raad
+van een goed en opregt vriend mogt behoeven en dien bij een ander
+niet te vinden wist. Ik begrijp, dat een dergelijke reden u thans
+hier brengt. En mag ik oordeelen naar uw uiterlijk, dan moet,
+dunkt mij, die reden ook eene zijn van droevigen aard.
+
+--Dat is zij,--sprak Siddha,--en als ik u alles heb meegedeeld,
+zult gij u misschien verwonderen, dat mijn voorkomen nog niet
+duidelijker te kennen geeft wat er in mij omgaat.
+
+--Kom inmiddels aan de andere zijde van het huis,--zei Gaurapada;--
+wij willen ons daar neerzetten en er rustig zamen spreken.
+
+Gaarne voldeed Siddha aan de uitnoodiging, en nadat hij op
+dringend verlangen van den kluizenaar eerst nog een versterkenden
+wijn en eenige ververschingen had gebruikt, begon hij 't verhaal
+van zijn wedervaren tot op het oogenblik dat hij Iravati in het
+klooster verlaten had.
+
+Opmerkzaam en met groote belangstelling hoorde Gaurapada hem aan,
+en toen het verhaal ten einde was, zweeg hij nog geruimen tijd en
+bleef in gedachten vóór zich staren. Eindelijk nam hij weer het
+woord en Siddha aanziend met zijn helder en vriendelijk oog, zeide
+hij:
+
+--Inderdaad! gij hebt u een zwaren last op de schouders gelegd.
+Maar toch niet een, die voor een man niet te dragen zou zijn. Dat
+gij door Goelbadan u liet verleiden acht ik zeer zeker niet te
+verdedigen, maar toch wel verschoonbaar; dat gij echter uwe
+betrekking met haar niet wist af te breken, toen gij ontdekt had
+wie zij was, noem ik een niet ligt te vergeven schending van de
+vriendschap die u aan Feizi verbond. Zoo was ook uw aanvankelijke
+ontrouw jegens den Keizer grootendeels het gevolg eener dwaling;
+maar tegen hem zaam te spannen en tevens in zijn dienst te
+blijven, was misdadig. Ik beoordeel uw gedrag dus geenszins
+zachter dan gijzelf. Integendeel, mijn oordeel moet zelfs iets
+harder zijn. Want gij meent dat de reeks uwer feilen gesloten was,
+toen gij den Keizer uw misdrijf hadt bekend. Maar gij bedriegt u.
+Gij hebt er nog eene begaan, die niet minder noodlottig kon zijn
+dan de overige, hoewel eene dwaling ook waartoe zeer velen in uwe
+omstandigheden plegen te vervallen. De groote meerderheid der
+menschen verbeeldt zich even als gij, dat berouw eene deugd is, en
+dat boete en zelfkastijding het eenige is waardoor de misdadiger
+zijne schuld kan uitwisschen. Maar er zijn weinig dwalingen zoo
+verderfelijk menigmaal in de gevolgen als juist deze, wanneer de
+boete nu juist daarin bestaat, dat men zich onttrekt aan den
+werkkring waarin men nog nuttig werkzaam kan zijn, en ook anderen
+in zichzelven straft. En dat was het, wat gij voornemens waart te
+doen. Eerst zoekt gij den dood op het slagveld; en dat was ook
+zeker 't eenvoudigste, als gij uzelf het leven niet wildet
+benemen; mij blijkt echter niet wat uw dood op zichzelf aan
+anderen gebaat zou hebben, en hoe gij uw vergrijpen er dus weer
+goed mee kondt maken. En nu gij een eervollen dood niet hebt
+kunnen vinden, en daartoe misschien ook voor 't oogenblik geen
+gelegenheid bestaat, nu verklaart gij mij uw voornemen om eenzaam
+te gaan leven in de wildernis en uwe dagen te slijten in
+zelfkastijding en boete. Maar waartoe? Tot wat kan in uw geval die
+afzondering dienen, óf voor uzelf óf voor een ander? En dan
+Iravati, uwe bruid! Haar verstoot of verlaat gij, hoe ge 't noemen
+wilt, niet omdat zij ontrouw werd jegens u, maar omdat gijzelf u
+te schamen hebt gehad tegenover haar. Gij straft dus niet uzelf,
+maar juist haar in de eerste plaats. Noemt gij zoo iets pligt of
+deugd? Neen, mijn vriend! het zou slecht zijn, omdat het niet
+enkel 't gevolg van een dwaling maar van een grove ondeugd zou
+zijn.... Gij ziet mij verwonderd aan, maar gij zult mij gelijk
+geven als ik u die ondeugd noem. Zij is hoogmoed, verregaande
+trots, en sterk doet ze zich gelden bij u, terwijl ge u hebt
+wijsgemaakt dat gij uzelven vernedert. Iravati heeft gelijk. Gij
+waart te hooghartig om u te verbinden aan eene vrouw, die uwe
+zwakheden kende of ze eenmaal zou kunnen ontdekken, terwijl zij
+zichzelve niets te verwijten had. En evenzoo is het in waarheid
+niet dan hoogmoed, wat u zou nopen de wereld te ontvlugten. Gij
+zijt bevreesd soms iemand te ontmoeten, die 't een of ander van
+uwe vroegere handelingen vernomen had; en zelfs durft gij een
+ander man niet meer onder de oogen zien, ook al is hem niets van u
+bekend, enkel omdat gij u bewust zijt eenmaal verkeerd en slecht
+gehandeld te hebben. Heet dat, vraag ik, deugd of moed, of is 't
+alles niet weder laakbare zwakheid?
+
+--Maar de laatste woorden van Feizi!--sprak Siddha, toen de
+kluizenaar op een antwoord bleef wachten.
+
+--Ik had de tegenwerping voorzien,--hervatte Gaurapada,--en ik
+wil haar volstrekt niet zekere beteekenis ontzeggen. Maar wachten
+wij ons voor overdrijving! Dat Feizi handelde en sprak zooals hij
+deed, noem ik zeer verklaarbaar; ikzelf zou in gelijke omstandigheden
+misschien evenzoo hebben gedaan. En toch had hij in zekere mate weer
+ongelijk; en zoo hij thans in mijne plaats was en dus onpartijdig
+oordeelen kon, hij zou, ik twijfel niet, u hetzelfde zeggen. Een man
+behoeft nog volstrekt niet zijn gansche leven lang zich te blijven
+vernederen tegenover anderen, omdat hij eenmaal een afkeurenswaardige
+daad bedreef, indien hij door latere handelingen de achting zijner
+medeburgers zich waardig heeft weten te maken. Wel daarentegen zou hij
+tegenover hen zich te schamen hebben, wanneer hij, na eens zijn plicht
+door handelen te hebben verzaakt, door niet-handelen voortging dat te
+doen.... En nu, luister naar den raad dien gij mij vraagt en dien ik u
+volgaarne geef. Gij zijt voorlang tot het vol besef van het onwaardige
+uwer vroegere gedragingen gekomen en hebt uzelven daarover aangeklaagd
+bij den Keizer, bij Iravati en bij mij. Dat was goed, zeer goed! Maar
+dat besef, dat helder inzigt in 't verkeerde uwer daden moet niet de
+laatste wezenlijke stap zijn, maar juist de eerste op een beteren weg.
+Het zal u kunnen behoeden voor latere dwalingen; niet alleen voor
+soortgelijke als waartoe ge u liet verleiden, maar ook voor andere. Gij
+zult beter leeren waken over uzelf, uwe indrukken, uwe hartstogten en
+driften, meer beducht zijn voor daden, waarover gij later tegenover
+anderen en uzelf u beschaamd moet gevoelen; en in 't eind kan op die
+wijze een gemoedstoestand voor u geboren worden, waarin 't u nagenoeg
+niet meer mogelijk ware te handelen tegen 't geen plicht en eer
+gebieden. Maar niet, wanneer gij aan het werkelijke leven u onttrekt en
+de verzoeking tracht te ontgaan enkel door ze te ontvlugten. Weersta de
+verleiding, en begin nu in de eerste plaats met de overwinning van
+uw misplaatsten trots! Daarom, neem Iravati tot vrouw en maak u
+harer waardig; ga tot den Keizer en vraag hem een werkzaamheid
+waarin gij hem en uw land van dienst kunt zijn. Ik twijfel geen
+oogenblik, of hij zal ze u gaarne verleenen na uw op nieuw betoonde
+trouw. Ik begrijp dat gij Feizi liefst zult willen ontwijken, en dat is
+ook goed; gij behoort hem een nadere ontmoeting te sparen; maar
+Hindostan is waarlijk groot genoeg om twee menschen van elkaar
+gescheiden te houden, en in Kaçmir of elders kunt gij even goed als te
+Agra zelf nog werkzaam zijn. Denk nu over dat een en ander eens na en
+meld mij, als gij 't overwogen zult hebben, uw besluit!--Neen, antwoord
+mij thans niet terstond,--sprak Gaurapada met afwerend gebaar, toen hij
+Siddha gereed zag het woord op te vatten;--neem thans de rust, die, ik
+zie het, u volstrekt noodig is; en als gij dan morgen behoorlijk alles
+hebt overwogen, zeg mij dan of er nog bezwaren bij u bestaan tegen 't
+geen ik gemeend heb u te moeten aanraden!
+
+En met een vriendelijken groet verwijderde zich de kluizenaar en
+liet Siddha over aan zijne eigene overpeinzingen.
+
+Den anderen dag stond nogmaals Siddha gereed om afscheid te nemen,
+en nu voor 't laatst misschien, van Gaurapada. Lang nog bleven de
+beide mannen in gesprek en toen eindelijk de reiziger weer te
+paard zou stijgen, drukte hij met warmte zijn waardigen gastheer
+de hand, en sprak met bewogen stem, maar weer verhelderd gelaat:--
+Ik dank u, Gaurapada! voor de wijze en mannelijke taal, die gij
+tot mij hebt gesproken. Een nieuw leven ben ik u verschuldigd, en
+ik wil hopen mij daarin anders te gedragen dan in dat vorige, dat
+ik niet wil vergeten maar voor altijd achter mij laat. Gij hebt
+mij geleerd wat regt berouw en wezenlijke boete is; moge ik nimmer
+toonen dat ik u verkeerd begreep, of u aanleiding geven tot de
+ervaring dat gij uw goeden raad aan een onwaardige hebt
+verspild!...
+
+
+
+ZEVENTIENDE HOOFDSTUK.
+
+Bij het praalgraf
+
+In de nabijheid van het dorp Sekandra, niet ver van Agra, verheft
+zich een dier prachtige gebouwen, die, de roem van Hindostan en
+door de smaakvolle weelde hunner bouworde de bewondering wekkend
+van alle reizigers, de laatste overblijfselen mogen heeten van de
+vóórlang verdwenen grootheid der Mogols. Een met torens bezette
+ringmuur geeft door een breede poort van rooden met marmer
+ingelegden steen den toegang tot een uitgebreid, met lommerrijke
+boomen beplant park, in welks midden zich een gebouw van
+aanzienlijke hoogte en kolossalen omvang bevindt. En dat gebouw
+zelf, niet minder uitmuntend door de strenge schoonheid zijner
+lijnen dan door het weelderige en bevallige der tallooze op de
+muren, poorten en minaretten aangebragte versieringen, is wederom
+door een aantal hoogere en lagere open koepels en galerijen
+omringd, zoodat het geheel eer nog eene verzameling van paleizen
+en lusthoven schijnt dan een op zichzelf staand monument. Die
+grootsche stichting evenwel is niet het verblijf van levenden,
+maar werd bestemd om het gebeente te dekken van een roemruchtigen
+doode, van Akbar.
+
+Eenige jaren na de tot hiertoe vermelde gebeurtenissen stond daar
+in het park eens op een avond een zwijgend paar. Een krachtvol man
+in rijk en smaakvol gewaad, met de linkerhand op het gevest van
+zijn sabel en met den regterarm om de leest eener beeldschoone,
+bevallig gekleede vrouw, die, als de ligte slingerplant aan den
+sterken eik, aan den schouder van haar echtgenoot leunde: Siddha
+Rama met zijne thans overgelukkige Iravati.... Bewonderend zagen
+beiden op naar het heerlijk mausoleum en dachten aan den man, van
+wien zij zoo menigmaal te zamen en nooit anders dan met den
+hoogsten eerbied gesproken hadden.
+
+Veel was er gedurende die inmiddels verloopen jaren anders
+geworden.
+
+Akbar dan was niet meer. Selim, zijn zoon, na op verlangen van
+zijn vader bij diens sterfbed het zwaard te hebben aangegord dat
+hij, de Keizer, steeds had gedragen, was hem opgevolgd en regeerde
+nu onder den titel van Djihangir in Hindostan. Dat hij met Akbar
+niet te vergelijken viel, lag wel in den aard der zaak, en niemand
+dan ook die verwachtte dat hij hem ooit zou evenaren; maar slecht
+kon zijne regering toch niet worden genoemd, en aan zijne
+opvolgers, aan Shah Djihan en Aurengzeb, was het voorbehouden,
+onder allen uitwendigen glans de zaden te strooijen van het
+bederf, dat het eenmaal zoo magtige rijk weer uiteen zou doen
+vallen, om als eene ligte prooi het ten laatste in handen te
+spelen van Britsche veroveraars. Zijne slechte gewoonten had Selim
+overigens nog wel niet gansch afgelegd; en Sir Thomas Roe, die als
+Engelsch gezant zijn hof bezocht, vond gelegenheid om hem in een
+dergelijken toestand te zien, als waarin Siddha hem op het
+nachtfeest in zijn paleis had aanschouwd; maar toch had hij
+geleerd zijne uitspattingen te beperken, en in elk geval was hij
+geenszins de onverbeterlijke dronkaard geworden, die hij eenmaal
+bestemd scheen in 't vervolg van zijn leven te zijn. Jegens
+Iravati had hij volkomen zijn woord gestand gedaan, en gelukkig
+ook vond hij troost over de ondervonden teleurstelling in zijn
+huwelijk met de schoone en verstandige Noermahal, die een
+veelbeteekenenden en in vele opzigten heilzamen invloed op hem
+verkreeg.
+
+Dat Kaçmir in 't eind moest onderworpen worden, was reeds lang te
+voorzien geweest; en na de verijdeling van Selim's zamenzwering
+kostte het Akbar weinig moeite meer om door te dringen in het
+ontredderd land en het te onderwerpen aan zijne heerschappij. De
+zwakke Koning was gesneuveld; zijne onwaardige zonen werden
+verbannen; Siddha's vader werd door den Keizer tot Onderkoning
+benoemd, en hijzelf erlangde, met het vooruitzigt zijn vader op te
+volgen, de eerste betrekking na dezen in het land, terwijl
+Koelloeka hem, trouw als steeds, met raad en daad ter zijde bleef
+staan. Niet lang ook of het volk, dat zich eerst niet dan noode
+had gewonnen gegeven, begon de zegeningen te waardeeren van het
+nieuw en thans eindelijk door wijze instellingen en bekwame
+beambten rust en welvaart verzekerend bestuur.
+
+De kluizenaar van den Bhadrinâth beleefde niet meer de volkomen
+onderwerping van zijn vaderland. Eens, toen Koelloeka hem een
+bezoek was gaan brengen om hem op de tijding daarvan voor te
+bereiden, vond hij den ouden dienaar alleen. Zijn meester was op
+eenmaal ongesteld geworden en weinige dagen later was hij
+gestorven, rustig en kalm zooals hij in zijne laatste jaren had
+geleefd. De dienaar begroef het lijk op eene hoogte, die naar de
+zijde van Kaçmir ziet. Daar legde Hara, de tijger, zich neder, en
+begon, als de dienaar hem zocht te verwijderen en naar huis te
+lokken, op onheilspellende wijze te grommen. Aan het voedsel en
+het water dat hem op die plek gebragt werd, raakte hij niet; en na
+enkele dagen lag hij dood op het graf van zijn meester en vriend.
+De dienaar begroef hem nevens dezen.
+
+Van Parviz, jegens wien Feizi blijkbaar van het gebeurde met
+Goelbadan gezwegen had, ontving Siddha van tijd tot tijd vrolijker
+berigten. Hij was gelukkig door het bezit van de dochter des
+schatmeeesters; en, in een hooge staatsbetrekking geplaatst, hield
+hij zich vooral ook bezig met het ordenen van de letterkundige en
+diplomatische nalatenschap van Aboel Fazl, zijn steeds nog door
+velen diepbetreurden oom.
+
+Abdal Kadir bleef zich terugtrekken uit het openbare leven en werd hoe
+langer hoe regtzinniger, en steeds hartstogtelijker ijveraar voor het
+ware geloof. Hij zocht troost voor zijne vele teleurstellingen en
+ergernissen in het schrijven van zijn Moentak-hab-oet-Tawarikh, waarin
+hij zich bitter bleef beklagen over Akbar en dapper voortging op Aboel
+Fazl en Feizi te schelden, die hem nooit kwaad hadden gedaan.
+
+De Padre Aquaviva keerde niet te Agra terug; anderen kwamen er
+later zijn werk weder opvatten. Met weinig gelukkiger uitslag
+evenwel; en ook nu nog, bijkans drie eeuwen later, blijft de
+bekeering van Hindostan tot de vrome wenschen van Westersche
+dweepers behooren.
+
+Of de trouwe Vatsa met de praatlustige maar goedhartige Nipoenika
+huwde, meldt de geschiedenis niet. De waarschijnlijkheid echter
+bestaat, dat de dienaar en de dienares wel het voorbeeld van
+meester en gebiedster zullen gevolgd hebben.
+
+Aan het geluk van deze beiden ontbrak thans weinig of niets meer.
+Wel kwam er bij wijlen nog eene sombere herinnering opdoemen in
+Siddha's geest, maar hij had zich langzamerhand gewend, zich
+daardoor niet geheel te laten neerslaan, en vooral ook zijn leed
+voor Iravati te verbergen, sinds hij bemerkt had hoezeer 't haar
+bedroefde als zij de donkere uitdrukking op zijn gelaat ontwaarde,
+wier oorzaak zij maar al te wel begreep. Wat en hoe hij misdreef,
+had hij eens voor al omstandig haar bekend, maar als hij toch soms
+nog zinspeelde op het gebeurde, sloot zij vriendelijk lagchend hem
+den mond en wilde er niets meer van hooren. En eenigen tijd na hun
+huwelijk had zij hem een zoon geschonken, dien hij weldra haast
+niet minder dan haarzelve beminde. Toch leerde hij nu eerst
+volkomen haar waardeeren, en begrijpen welk een schat hij gewonnen
+had en bijkans zou hebben versmaad, toen hem Iravati haar
+wedervaren met Selim verhaalde, en vreemd opzag toen hij in
+levendige bewoordingen haar zijne bewondering uitdrukte over hare
+handelwijze; zij toch had, meende ze, niet anders gehandeld dan in
+gelijk geval iedere vrouw van haar geslacht zou hebben gedaan.
+
+Lang bleef Siddha daar nevens haar bij Akbar's graf in gedachten
+verzonken, toen zijn aandacht op eens door een voetstap getrokken
+werd, die in de nabijheid zich deed hooren op den met zware
+steenen bevloerden grond. Ontzet deed hij een stap achterwaarts,
+toen hij den naderende herkende. En zijn uitroep moest Iravati wel
+terstond doen begrijpen tot welke noodlottige ontmoeting het hier
+gekomen was....
+
+--Feizi!...--klonk het uit zijn mond....
+
+Onmiddelijk stond de ander stil, nadat hij eerst zonder op de
+beide bezoekers te letten al mijmerend was blijven voortgaan. En
+ook hij ging een schrede achteruit, toen hij den man gewaar werd
+die hem eenmaal zoo diep beleedigd had .... Maar hij scheen zich
+te bezinnen en trad langzaam weer voorwaarts, en toen hij Siddha
+een beweging zag maken om zich haastig te verwijderen, zeide hij:
+
+--Blijf en hoor mij aan! Hier, bij het graf van den vorst, die
+altijd liever vergaf dan strafte en zijn vijanden niet wist te
+haten, voegt ons geen toorn en geen wrok. Ook ik heb menigmaal
+reeds getracht zijn edel voorbeeld te volgen, en althans in mijn
+hart u de beleediging te vergeven, die ge mij hebt aangedaan. Maar
+ik kon niet, ik miste nog de kracht. Thans, op deze geheiligde
+plek, waar het toeval ons voor 't eerst weer zamenbrengt, heb ik
+eindelijk die kracht gevonden, en wil ik doen wat Akbar in mijne
+plaats zou gedaan hebben. Ik vergeef u, Siddha!
+
+Diep ontroerd en met gebogen hoofd stond Siddha daar vóór zijn
+edelmoedigen vijand; en met bewondering zag Iravati naar den man,
+die zulk een strijd tegen zichzelve volstreden had.
+
+--Zie op!--sprak Feizi weder,--en ontvlugt den blik van uw
+vroegeren vriend niet meer! De woorden, die ik eenmaal in toorn
+tot u rigtte, waren zeker niet onverdiend, maar voor een man van
+uw karakter toch inderdaad een vreeselijke, misschien ook al te
+harde straf; en ik weet, door Koelloeka, welk een indruk ze op u
+hebben nagelaten en tot welke verkeerde handelwijze ze u bijkans
+hadden vervoerd. En ik vernam ook van ons beider vriend, dat
+gijzelf de verleider niet zijt geweest en in den beginne ook niet
+geweten hadt wie de verleidster was. Haar invloed en geduchte magt
+heb ikzelf trouwens wel gekend. Te vreezen is zij thans voor
+niemand meer. In hare gevangenschap heeft zij zelve een eind aan
+haar schuldig leven gemaakt. Doch genoeg reeds van het voorleden,
+vooral in tegenwoordigheid van haar, die ik begrijp als uwe edele
+echtgenoote te mogen begroeten. Laat het dan vergeten zijn
+tusschen ons! Uwe verdere handelingen, waarvan ik later veel
+vernam, hebben u op nieuw de achting en vriendschap waardig
+gemaakt van een man van eer. Ziedaar mijn hand als voorheen!
+
+Het was Iravati die ze greep, terwijl Siddha nog nauw van zijne
+ontroering scheen bekomen.
+
+--Heer!--sprak zij,--ik zeg u dank, innigen dank voor uwe
+grootmoedigheid! Wat gij gezegd hebt verjaagt de donkere wolk, die
+nog altijd ons huwelijksgeluk kwam verstoren, en het looden wigt
+is dan eindelijk opgeheven, waaronder mijn Siddha zoolang heeft
+gebukt gegaan!
+
+--Ik zoek naar woorden,--sprak nu ten laatste Siddha zelf, terwijl
+hij thans ook de hand van Feizi aannam,--naar woorden om uit te
+drukken wat ik in dit oogenblik gevoel; maar ik weet ze nog niet
+te vinden. Toen ik eenmaal mij getroost, althans mij gesterkt
+achtte door de verstandige taal van een wijs man, geloofde ik tot
+een nieuw leven herboren te zijn; maar thans gevoel ik het, ik ben
+dat eerst nu! Uwe vriendschap, Feizi! had voor mij steeds de
+hoogste waarde; maar te grievender dan ook mijn zelfverwijt en te
+zwaarder mijne straf, toen ik door eigen schuld op de schandelijkste
+wijze ze had verbeurd. En die vriendschap, die ge mij edelmoedig
+teruggeeft, acht ik ook het hoogste geschenk dat tegenwoordig mij nog
+geworden kon.
+
+--Toch zal--hernam Feizi,--onze tegenwoordige toevallige
+zamenkomst slechts kort van duur en deze onze ontmoeting
+waarschijnlijk wel de laatste zijn. Dat ik aan de staatsdienst mij
+heb onttrokken, is u zeker wel bekend; Selim, of zooals hij nu met
+een trotschen titel zich gelieft te noemen, Djihangir, zag mij zoo
+min als mijn broeder ooit met een goed oog aan; en bovendien viel
+'t mij zwaar hem te gaan dienen, om redenen, die ik nu niet verder
+behoef aan te duiden. Ik trok mij dus terug en leefde stil te
+Agra. Nu heeft Shah Abbas, de Koning van Perzië, mij uitgenoodigd
+om in zijne hoofdstad te komen en mij daar met wetenschappelijke
+werkzaamheden bezig te houden. Aan die uitnoodiging wil ik gehoor
+geven. Morgen vertrek ik naar Ispahan, en, zoo 't mij daar
+behaagt, denk ik er ook te blijven. Maar ik mogt niet van hier
+gaan zonder een afscheidsbezoek aan de laatste woning van mijn
+vorstelijken vriend. Daarom treft gij mij heden op deze plaats.
+Die vriend was mij alles, Siddha! en meer zelfs dan mijn leven en
+huwelijksgeluk; en indien gij tegen hem u waart blijven
+bezondigen, neen! ik geloof niet dat ik 't ooit u vergeven had.
+Maar gij hebt getoond hem te eeren en te hoogachten als ik, ook al
+waart gij nooit in de gelegenheid hem zóó te waardeeren en zóó
+lief te hebben als de weinigen, die hem volkomen én in zijne
+buitengewone grootheid én ook in zijne kleine maar doorgaans nog
+altijd beminnenswaardige zwakheden hebben gekend.
+
+--Ik heb--merkte Siddha aan,--inderdaad hem zóó nooit leeren
+kennen, maar toch genoeg van hem kunnen ontdekken om hem niet
+anders dan met de grootste bewondering en den hoogsten eerbied te
+herdenken. Ook een ander vorst heb ik gekend, maar die opgehouden
+had het te zijn; en grooten dank ben ik hem verschuldigd, en
+dierbaar is mij zijne nagedachtenis; maar nadat ik mij vroeger de
+vraag had gesteld, wie van die beiden wel de grootste was, kwam ik
+in later dagen tot de overtuiging, dat de stille en rustige
+wijsgeer, die van alle wereldsche genietingen afstand had gedaan,
+toch nog overtroffen werd door den wijsgeer op den troon, die te
+midden van het woeligst staatsleven diezelfde gelijkmatigheid van
+karakter en die regtvaardigheid van zin had weten te bewaren, die
+de ander in zijne afzondering zich had eigen gemaakt. Inderdaad,
+zoo één, dan heeft wel Akbar zijn naam verdiend!
+
+--Dat zullen wel alle komende geslachten u nazeggen,--sprak
+Feizi,--in 't Oosten en in 't Westen. Die titel van "de Groote"
+pleegt door vleijers en begunstigden aan menig vorst te worden
+toegekend; maar dikwijls met weinig regt. Niet hier aldus. Indien
+groot te zijn waarlijk beteekent, zichzelf met geen minder kracht
+dan anderen te beheerschen en een leven van moeiten en zorgen toe
+te wijden aan het geluk zijner medemenschen, dan was de man wiens
+gebeente ginds rust in waarheid wel een groot man. Er zijn vorsten
+geweest, en er zullen er misschien ook nog komen, wier naam in de
+wereldgeschiedenis meer bekendheid erlangt dan de zijne; er waren
+er, en er zullen ook mogelijk nog zijn, wien nog hooger roem ten
+deel valt dan hem; maar zéér zelden toch zal er een magthebber in
+de geschiedenis zijn aan te wijzen, die te midden van al zijne
+grootheid zoo volkomen als Akbar zich mensch bleef betoonen in de
+schoonste en edelste beteekenis van het woord ...--En nu:--besloot
+Feizi, terwijl hij beiden, Siddha en Iravati, de hand drukte,--
+vaartwel! En denkt ook nog eens aan mij, als ik vér van hier zal
+zijn. Gij kunt het nu voortaan zonder bitterheid. Ook mijzelven
+ontneemt die overtuiging een last, die lang mij zwaar gewogen
+heeft! ...
+
+Nog bleef Siddha geruimen tijd nadat Feizi zich langzaam door de
+breede laan had verwijderd, met zijne Iravati in het park
+vertoeven. Eindelijk verliet hij met haar ook de plaats, waar hij
+een laatste, stilzwijgende hulde was komen brengen aan de
+nagedachtenis van den grooten Keizer.
+
+--Zoo gaan zij dan allen,--sprak hij mijmerend onder 't huiswaarts
+keeren,--allen die wij leerden kennen en hoogachten! Ook hem zien
+wij waarschijnlijk nooit terug, die zooeven ons verliet. Toch
+sterven zulke mannen als Akbar en Aboel Fazl en Feizi niet als de
+dood een eind aan hun leven maakt! Zij blijven voortbestaan in de
+herinnering, die ze ons nalaten en in hunne werken. Hunne gedachte
+bezielt anderen die na hen komen, en wederom anderen die er komen
+na dezen. Of dàt niet de onsterfelijkheid zou zijn?...
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+End of Project Gutenberg's Akbar, by Petrus Abraham Samuel van Limburg Brouwer
+
+*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK AKBAR ***
+
+***** This file should be named 6712-8.txt or 6712-8.zip *****
+This and all associated files of various formats will be found in:
+ http://www.gutenberg.org/6/7/1/6712/
+
+Produced by Jeroen Hellingman, Miranda van de Heijning,
+Charles Franks and the Online Distributed Proofreading Team.
+
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions
+will be renamed.
+
+Creating the works from public domain print editions means that no
+one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
+(and you!) can copy and distribute it in the United States without
+permission and without paying copyright royalties. Special rules,
+set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
+copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
+protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
+Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
+charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
+do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
+rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
+such as creation of derivative works, reports, performances and
+research. They may be modified and printed and given away--you may do
+practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
+subject to the trademark license, especially commercial
+redistribution.
+
+
+
+*** START: FULL LICENSE ***
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
+Gutenberg-tm License available with this file or online at
+ www.gutenberg.org/license.
+
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
+electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
+all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
+If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
+Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
+terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
+entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
+and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
+works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
+or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
+Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
+collection are in the public domain in the United States. If an
+individual work is in the public domain in the United States and you are
+located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
+copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
+works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
+are removed. Of course, we hope that you will support the Project
+Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
+freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
+this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
+the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
+keeping this work in the same format with its attached full Project
+Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
+a constant state of change. If you are outside the United States, check
+the laws of your country in addition to the terms of this agreement
+before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
+creating derivative works based on this work or any other Project
+Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
+the copyright status of any work in any country outside the United
+States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
+access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
+whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
+phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
+Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
+copied or distributed:
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
+from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
+posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
+and distributed to anyone in the United States without paying any fees
+or charges. If you are redistributing or providing access to a work
+with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
+work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
+through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
+Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
+1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
+terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
+to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
+permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
+word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
+distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
+"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
+posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
+you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
+copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
+request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
+form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
+License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
+that
+
+- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
+ owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
+ has agreed to donate royalties under this paragraph to the
+ Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
+ must be paid within 60 days following each date on which you
+ prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
+ returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
+ sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
+ address specified in Section 4, "Information about donations to
+ the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or
+ destroy all copies of the works possessed in a physical medium
+ and discontinue all use of and all access to other copies of
+ Project Gutenberg-tm works.
+
+- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
+ money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days
+ of receipt of the work.
+
+- You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
+electronic work or group of works on different terms than are set
+forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
+both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
+Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
+Foundation as set forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
+collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
+works, and the medium on which they may be stored, may contain
+"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
+property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
+computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
+your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium with
+your written explanation. The person or entity that provided you with
+the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
+refund. If you received the work electronically, the person or entity
+providing it to you may choose to give you a second opportunity to
+receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
+is also defective, you may demand a refund in writing without further
+opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
+WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
+If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
+law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
+interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
+the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
+provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
+with this agreement, and any volunteers associated with the production,
+promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
+harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
+that arise directly or indirectly from any of the following which you do
+or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
+work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
+Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
+
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of computers
+including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
+because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
+people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
+To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
+and the Foundation information page at www.gutenberg.org
+
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
+Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
+permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
+Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
+throughout numerous locations. Its business office is located at 809
+North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email
+contact links and up to date contact information can be found at the
+Foundation's web site and official page at www.gutenberg.org/contact
+
+For additional contact information:
+ Dr. Gregory B. Newby
+ Chief Executive and Director
+ gbnewby@pglaf.org
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
+spread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To
+SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
+particular state visit www.gutenberg.org/donate
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including checks, online payments and credit card donations.
+To donate, please visit: www.gutenberg.org/donate
+
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
+works.
+
+Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm
+concept of a library of electronic works that could be freely shared
+with anyone. For forty years, he produced and distributed Project
+Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
+unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
+
+ www.gutenberg.org
+
+This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
diff --git a/6712-8.zip b/6712-8.zip
new file mode 100644
index 0000000..1bd42f6
--- /dev/null
+++ b/6712-8.zip
Binary files differ
diff --git a/LICENSE.txt b/LICENSE.txt
new file mode 100644
index 0000000..6312041
--- /dev/null
+++ b/LICENSE.txt
@@ -0,0 +1,11 @@
+This eBook, including all associated images, markup, improvements,
+metadata, and any other content or labor, has been confirmed to be
+in the PUBLIC DOMAIN IN THE UNITED STATES.
+
+Procedures for determining public domain status are described in
+the "Copyright How-To" at https://www.gutenberg.org.
+
+No investigation has been made concerning possible copyrights in
+jurisdictions other than the United States. Anyone seeking to utilize
+this eBook outside of the United States should confirm copyright
+status under the laws that apply to them.
diff --git a/README.md b/README.md
new file mode 100644
index 0000000..528751f
--- /dev/null
+++ b/README.md
@@ -0,0 +1,2 @@
+Project Gutenberg (https://www.gutenberg.org) public repository for
+eBook #6712 (https://www.gutenberg.org/ebooks/6712)
diff --git a/old/7akba10.txt b/old/7akba10.txt
new file mode 100644
index 0000000..5a0d26f
--- /dev/null
+++ b/old/7akba10.txt
@@ -0,0 +1,10374 @@
+The Project Gutenberg EBook of Akbar, by Petrus Abraham Samuel van Limburg Brouwer
+
+Copyright laws are changing all over the world. Be sure to check the
+copyright laws for your country before downloading or redistributing
+this or any other Project Gutenberg eBook.
+
+This header should be the first thing seen when viewing this Project
+Gutenberg file. Please do not remove it. Do not change or edit the
+header without written permission.
+
+Please read the "legal small print," and other information about the
+eBook and Project Gutenberg at the bottom of this file. Included is
+important information about your specific rights and restrictions in
+how the file may be used. You can also find out about how to make a
+donation to Project Gutenberg, and how to get involved.
+
+
+**Welcome To The World of Free Plain Vanilla Electronic Texts**
+
+**eBooks Readable By Both Humans and By Computers, Since 1971**
+
+*****These eBooks Were Prepared By Thousands of Volunteers!*****
+
+
+Title: Akbar
+
+Author: Petrus Abraham Samuel van Limburg Brouwer
+
+Release Date: October, 2004 [EBook #6712]
+[Yes, we are more than one year ahead of schedule]
+[This file was first posted on January 18, 2003]
+
+Edition: 10
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding: ASCII
+
+*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK, AKBAR ***
+
+
+
+
+Produced by Jeroen Hellingman, Miranda van de Heijning, Charles Franks and
+the Online Distributed Proofreading Team.
+
+
+
+AKBAR
+
+EEN OOSTERSCHE ROMAN
+
+Mr. P.A.S. van Limburg Brouwer
+
+
+
+INLEIDING
+
+De grootsche figuur van Keizer Akbar, den beheerscher van Indie
+in het laatst der zestiende eeuw (1556-1605), scheen mij om meer
+dan eene reden zoozeer aller belangstelling te verdienen, dat ik
+niet aan de verzoeking heb kunnen weerstaan, hem als hoofdpersoon
+te doen optreden in eene romantische schets, welke ik hierbij ons
+publiek waag aan te bieden.
+
+Voor den lezer, die gesteld mogt zijn op eene nauwlettende
+onderscheiding tusschen hetgeen er wezenlijk historisch in het
+boek voorkomt en wat daarin is verdicht, strekke het volgende.
+
+Bepaald geschiedkundige personen, behalve Akbar zelf, zijn: Selim,
+zijn zoon; Aboel Fazl, zijn Vizier; diens broeder Feizi; Abdal
+Kadir Badaoni; Rodolpho Aquaviva, de Jezuiet, en enkele anderen
+van minder beteekenis. Parviz behoort mede tot de geschiedenis
+maar droeg een anderen naam. Nandigoepta is wel geen historisch
+persoon, maar toch een type, gelijk er meer dan een in de
+geschiedenis van Indie, en in 't bijzonder van Kacmir, valt aan
+te wijzen. Zoo ook Gorakh en zijne Worgers. En Iravati blijft in
+zeker opzigt eene historische figuur, voorzoover zij het beeld der
+echt Indische vrouw moet vertegenwoordigen, gelijk die in het
+drama en de legende van Indie ons wordt voorgesteld. Verscheidene
+gezegden eindelijk, den personen in den mond gelegd, zijn mede
+historisch.--In enkele punten is, om ligt begrijpelijke redenen
+eenigszins van de werkelijke geschiedenis afgeweken: tijdens Akbar
+regeerden in Kacmir geen Hindoe-vorsten meer, hoewel het land voor
+'t overige volkomen Indisch bleef; de aanslag van Selim, waarvan
+de bijzonderheden mede eenigszins gewijzigd zijn voorgesteld,
+geschiedde gedurende den togt niet tegen Kacmir, maar tegen
+Dekkan; Feizi was ouder dan Aboel Fazl en stierf voor diens moord;
+Fattipoer ligt iets verder van Agra dan 't in het verhaal is
+voorgesteld. Op de beoordeeling van het karakter der feiten en der
+personen kunnen dergelijke geringe afwijkingen intusschen wel van
+geen invloed zijn.
+
+In den stijl van het werk is, in 't bijzonder bij de gesprekken,
+voorzooveel zonder slaafsche navolging en zonder misbruik van
+vreemde woorden doenlijk scheen, naar behoud van den Oosterschen
+vorm gestreefd, en bij de spelling van eigennamen meer gelet op
+gemak voor den lezer dan op de eischen eener streng wetenschappelijke
+schrijfwijze. De hier en daar ingevoegde gedichten zijn allen door mij
+bewerkt naar den oorspronkelijken Oosterschen tekst.
+
+Eene uitvoerige opgave van de bronnen, die bij de zamenstelling
+hebben gediend, zal men hier wel niet verlangen; en den
+geschiedkenner ware daaromtrent ook niet veel nieuws mede te
+deelen. Hij toch weet, dat de geschriften van Aboel Fazl en Abdal
+Kadir de voornaamste oorspronkelijke bronnen voor de kennis van
+Akbar's leven, instellingen en begrippen zijn, waaruit de meeste
+latere, zoo Oostersche als Westersche schrijvers hebben geput, en
+dat de berigten der Jezuieten uit het Hindostan van zijn tijd,
+schoon menigmaal blijkbaar onjuist, toch in vele opzigten tot
+aanvulling en verklaring dienen van die der Perzische geschiedschrijvers.
+Nauw ook eischt vermelding dat verscheidene nieuwere historische werken
+van meer of minder uitgebreidheid, reisbeschrijvingen en plaatwerken in
+dezen geraadpleegd zijn. Voor het meer bepaald Indische in den roman
+dienden hoofdzakelijk de verschillende legenden, vertellingen, romans en
+drama's, die uit de Sanskritlitteratuur zijn tot ons gekomen, en voor de
+eigen wijsgeerig-godsdienstige begrippen van Akbar, die overigens nog 't
+best uit het geschrift van zijn voornaamsten tegenstander, Abdal
+Kadir, zijn op te maken, de Vedische of oud-Indische voorstellingen,
+waaraan hij meerendeels zijne eigene moet hebben ontleend. Door andere
+schrijvers schijnt op dit laatste te weinig acht te zijn geslagen. Eene
+bron verdient nog bijzondere vermelding, omdat ze tot heden niet bekend
+werd: de velerlei mededeelingen omtrent land en volk door de kooplieden
+onzer Oost-Indische Compagnie, die kort na Akbars regering te Soeratta
+en te Agra waren gevestigd en wier brieven nog worden bewaard in ons
+oud-koloniaal archief.
+
+Bij alle zorg voor nauwkeurigheid blijft in eene proeve als deze
+de mogelijkheid van vergissingen en onjuistheden, vooral wat
+plaatsbeschrijvingen aangaat, nog altijd bestaan. In zoover die nu
+hier of daar mogten zijn ingeslopen, kan de schrijver wel niet
+anders dan voorloopig daaromtrent verschooning vragen en zich
+aanbevolen houden voor gegronde teregtwijzing.
+
+Den Haag, October 1872. v. L. B.
+
+
+
+EERSTE HOOFDSTUK.
+
+Een kluizenaar
+
+Met rooden gloed schoten de laatste stralen der ondergaande zon,
+weerkaatst door de purpergetinte sneeuwvelden van den Bhadrinath,
+langs de steile hellingen van het Himalaya-gebergte, terwijl een
+zachte zuidenwind de geuren der bosschen en bloemen uit de dalen
+omhoog dreef naar de toppen der bergen. Eeuwen en eeuwen lang
+hadden de stralen dierzelfde zon diezelfde hellingen dus beschenen
+en waren gelijke geuren omhoog gestegen, zonder stoornis of
+verandering, zoo 't schijnen mogt, dier altijd jeugdige, maar
+eenzame natuur, terwijl daar omlaag in verre verte menschen
+kampten en magtige rijken verrezen en vernietigd werden, en
+diepdenkende vernuften zich afpijnden om doel en laatsten grond te
+vinden voor het bestaan van het heelal.
+
+Ook nu,--'t was in het laatst van de zestiende eeuw onzer
+jaartelling, toen Djelal-ed-din Mohammed, bijgenaamd Akbar of de
+Groote, en onder dien naam meest bekend, het magtig rijk der
+Mogols in Hindostan ten toppunt verhief van glans,--ook nu bleef
+dat hooge gebergte, nauw toegankelijke zetel eenmaal der Indische
+Deva's, lusthof thans van Britsche aristocraten, nog een wild en
+onherbergzaam, door menschenvoet weinig betreden oord. Ook thans
+was 't enkel de roep van een snel voorbijtrekkenden roofvogel, die
+nu en dan, of 't zacht eentoonig gegons der op en neder dansende
+insectenzwermen, dat nauw hoorbaar de eindelooze stilte brak. Toch
+bleef die plek niet zoo volkomen eenzaam als een min opmerkzaam
+beschouwer alligt zou hebben ondersteld. Diep gedoken en als
+verborgen in het hooge gras der berghelling lag, behagelijk
+uitgestrekt, een groote fraai gevlekte tijger, droomend en als in
+wijsgeerige rust opziend nu eens naar de hooge sneeuwkruinen, dan
+weer de oogen sluitend voor het nog schelle licht, en omlaag
+starend naar de liefelijke groene vallei, die daar beneden zich
+uitbreidde tot waar nogmaals andere berggevaarten hunne toppen
+verhieven om ten laatste zaam te smelten met den wazigen
+veelkleurig getinten horizont. Waar hij aan dacht, soms dus omhoog
+blikkend, soms nederziend in de diepte? Misschien wel, met
+nevelachtig weer opdoemende herinnering, aan de tijden toen hij
+onder eene andere gedaante als magtig Radja nog heerschte in het
+weelderig Kacmir, en vasallen zich bogen aan zijne voeten en
+schoone vrouwen dongen om de eer van zijn oogopslag. Of was dat
+prachtige, koninklijke dier werkelijk niets anders dan een
+reusachtige kat, een monster der wildernis en niet veeleer een
+nieuw hulsel voor de verdoolde ziel van een eenmaal trotsch en
+overmoedig heerscher. Ook nu nog was hij de Koning der woestijn,
+waarin geen leeuw hem den voorrang kwam betwisten; ook nu nog
+toonde de fiere blik waarmede hij bij wijlen in 't ronde staarde,
+dat hij zijner magt zich bewust bleef, en bewezen zijne gladde
+bewegingen en bevallige wendingen wanneer hij soms wisselde van
+houding, dat hij even ridderlijk zich aan de voeten eener schoone
+prinses had weten neer te vleijen als, trotsch zich oprichtend, te
+gebieden over zijne minderen in rang. Doch eensklaps als uit zijne
+mijmering opgeschrikt, sprong hij omhoog en luisterde.... Een
+geluid, een klank van menschenstemmen trof uit de verte zijn
+fijngeoefend oor.
+
+En inderdaad, schoon op nog tamelijk verwijderden afstand, kwam,--wel
+ongewoon verschijnsel hier!--een groep ruiters langs het eenig
+begaanbare gedeelte van den bergrug afdalen naar de vlakte. Een
+jong, bevallig man, wiens rijke kleeding en fiere houding hem
+terstond als edelman deden herkennen, nevens een meer bejaarden in
+stemmiger gewaad, en achter hem twee dienaren. De eerste op een
+kleinen, maar krachtig gebouwden en vluggen schimmelhengst van
+edel ras, de ander op een zwaarder, donker paard, de dienaren op
+grofharige maar sterke bergpaarden. De jongeling droeg een blauw
+zijden, naar onderen openhangend en met gouden knoopjes versierd
+wambuis, wijde broek en roode schoenen, een ligte muts met een
+hooge door een diamant vastgehouden veder op het hoofd, een korte
+sabel met fraai gevest ter zijde nevens een met edelgesteenten
+bezetten dolk in den rijkgestikten gordel, en een lange speer in
+de rechterhand. Zijne gestalte was rijzig en van eene volmaakte
+evenredigheid, zijn schoon, regelmatig gelaat was blank en slechts
+even door de zon getint, terwijl zijne donkere oogen en lokken en
+een fijne bruine knevel de helderheid zijner kleur, onmiskenbaar
+teeken van het echt oorspronkelijk Arisch ras, nog schenen te
+verhoogen. Zijn oudere medgezel, een krachtige, breedgeschouderde
+figuur, vertoonde een eenigszins donkerder tint, schoon de
+regelmatigheid zijner gelaatstrekken hem evenzeer als een man van
+hetzelfde bloed deed herkennen. Hij had een fraaijen gekrulden
+baard, die bijkans de helft van zijn gelaat mogt verbergen; een
+groote witte tulband dekte zijn hoofd, en zijne gestalte hulde
+zich in een lang, tot bijna aan de voeten reikend, om het midden
+met een vergulden gordel vastgehouden kleed van donkere, maar
+fijne stof; ook hij was gewapend met sabel en speer en om zijne
+schouders hing een klein, rond schild. De dienaars droegen anders
+niet dan wijde, los omgeslagen mantels over de anders weinig
+bedekte bronskleurige leden; verscheiden helblinkende koperen
+ringen, onder 't voortrijden een rinkelenden klank veroorzakend,
+sierden hunne enkels en polsgewrichten; korte speren en ronde
+schilden vormden hun wapentuig.
+
+Uit de gesprekken hunner meesters ware spoedig op te maken
+geweest, wie deze waren, van waar zij kwamen en welk het doel van
+hunner reis. De jonge edelman, Siddha Rama, was de zoon van den
+eersten minister van Kacmir en door zijn vader met het overbrengen
+van belangrijke brieven naar het hof van Keizer Akbar of den
+Grooten Mogol, te Agra, belast, waar hij tevens het bevel zou
+aanvaarden over eene afdeeling Radjpoet-ruiterij, die onder de
+hulptroepen van het keizerlijk leger dienst had te doen. Hij werd
+vergezeld door zijn leermeester Koelloeka, een Brahmaan van
+afkomst, en deels geleerde, deels krijgsman, die hem zoowel in de
+oorlogskunst en alle ridderlijke oefeningen als in de aloude
+heilige taal en de daarin gestelde klassieke en gewijde schriften
+had onderwezen. Alvorens echter den togt naar Agra voort te
+zetten, hadden zij een bezoek te brengen aan een kluizenaar in het
+gebergte, om vervolgens naar Allahabad te vertrekken, waar
+Siddha's oom in naam des Keizers bevel voerde over het fort aan
+het vereenigingspunt van Ganges en Djoemna, en waar ook de
+verloofde van Siddha, de jeugdige Iravati, dochter van den
+Goeverneur, met verlangen naar het aangekondigd bezoek van haar
+toekomstigen echtgenoot uit bleef zien.
+
+--Maar, eerwaarde Koelloeka!--sprak Siddha, na een tijdlang
+stilzwijgend naast zijn leermeester te hebben gereden,--gij, die
+zoo goed hier den weg kent, vertelt mij dat wij nu vlak bij de
+kluizenarij van Gaurapada Bhikshoe moeten zijn, en ik zie toch
+niets wat maar op een kluis of zoo iets gelijkt. Zou de heilige
+man ook soms zijn verhuisd?
+
+--Geduld maar, mijn jonge driftkop!--antwoordde de Brahmaan,--zoo
+aanstonds komen wij aan een wending van den berg, die ge van hier
+nog niet zien kunt, en als wij daar zijn, zult gij spoedig genoeg
+het kleine bosch in de vallei zien liggen, waar Gaurapada zijn
+stille woning heeft gebouwd. Maar gij mogt wel met wat meer
+eerbied van den Eerwaarde spreken, naar mij dunkt. Trouwens hij
+zal u dat zelf wel leeren als gij hem maar eerst ontmoet.
+
+--Nu,--hernam Siddha vergoelijkend,--'t was zoo kwaad niet
+gemeend.... Maar wat is dat?--riep hij eensklaps uit, met zijne
+lans naar het hooge gras aan de zijde van den bergweg wijzend, dat
+zich golvend scheen te bewegen, schoon geen wind het verschijnsel
+kon veroorzaakt hebben. En eer zijn bedaarder medgezel hem kon
+weerhouden was de hartstogtelijke jager met zijn paard in het gras
+gesprongen, en baande hij met gevelde speer zich een weg naar de
+plek waar hij de beweging in het gras had opgemerkt. Onmiddelijk
+en nog voor Koelloeka rende een der dienaren zijn jongen meester
+na, toen hij dezen plotseling weer zag stilstaan en als verwonderd
+om zich heen staren. Alle beweging in het gras had volkomen
+opgehouden, geen sprietje bewoog zich meer en geen geluid werd
+vernomen. Daar begon het golven opnieuw, maar veel verder af, en
+boven de hooge grashalmen vertoonde zich bijwijlen het bruingevlekte
+ligchaam van een grooten tijger, die met geweldige sprongen voortrende.
+Nogmaals gaf Siddha zijn paard de sporen, maar 't volgend oogenblik lag
+hij in zijne volle lengte in het gras: een dicht begroeide kuil had
+paard en ruiter doen storten. In een oogwenk echter was deze weer op de
+been.
+
+--'t Is niets, Vatsa!--zeide hij tot zijn dienaar, die van zijn
+paard gesprongen, op hem was toegesneld,--ik ben hier zacht genoeg
+neergekomen. Als mijn beste schimmel 't er nu maar even goed heeft
+afgebragt!
+
+Bij onderzoek bleek gelukkig, dat het edele dier evenmin eenig
+letsel had bekomen als zijn doldriftige berijder, maar de tijger
+was weg en nergens meer te bespeuren, zoodat men niets anders te
+doen had dan spoedig weer in den zadel te springen en den
+gestoorden togt voort te zetten.
+
+Zwijgend reed nu weer Siddha, over zijn dwaas avontuur niet weinig
+beschaamd, nevens zijn goeroe, tot deze het stilzwijgen afbrak met
+te zeggen:
+
+--Gij hebt daar, geloof ik, een gekken streek begaan, mijn waarde!
+
+--Ja!--bekende Siddha nederig,--ik heb ongetwijfeld een mal figuur
+gemaakt met daar zoo om te rollen.
+
+--Nu,--hernam Koelloeka,--dat kondt gij niet helpen; niemand kan
+overdekte kuilen zien; maar dat bedoel ik ook niet, ik meen iets
+anders.
+
+--Wat dan?
+
+--Gij zult het straks wel merken, indien ten minste waar is wat ik
+vermoed.
+
+De glimlach, die bij deze woorden om den mond van Koelloeka
+speelde, maakte Siddha's nieuwsgierigheid natuurlijk nog meer
+gaande; maar juist toen hij nadere uitlegging wilde vragen was de
+straks aangeduide wending bereikt, en breidde zich een ander
+gedeelte der vallei, nog even verlicht door den zonneschijn, met
+zijn weelderigen plantengroei en zijne frissche stroomen en beeken
+voor 't bewonderend oog der reizigers uit.
+
+--Zie ginds!--sprak Koelloeka, met zijne lans naar een digt
+bosschaadje in de diepte wijzend, waarlangs een heldere beek zich
+slingerde als een zilveren lint,--daar woont Gaurapada.
+
+En zonder verder te spreken daalden de ruiters voorzigtig langs de
+steile helling naar omlaag, volgden het, half door de natuur, half
+door ruwe kunst gevormde pad, dat naar het bosch leidde, en reden,
+dit ingegaan, voort tot zij aan de andere grens waren gekomen,
+waar opnieuw het vergezigt zich opende over de heuvelachtige
+vlakte.
+
+Daar, onder het digte lommer, verhief zich, door slanke, met
+klimop en rozen begroeide bamboestijlen gesteund, en gedekt door
+een eenvoudig maar bevallig overhellend rieten dak, eene nederige
+woning, maar die toch wat bouwtrant en uiterlijk aanzien betrof
+veeleer een aangenaam buitenverblijf dan de strenge armoedige
+kluis van een boetedoend heilige mogt worden genoemd. Achter, het
+donkere woud; aan de voorzijde, een honderde tinten en schakeringen
+weerkaatsend smaragdgroen meer, zooals alleen eene Alpennatuur dat
+kent, met witte en blauwe lotusbloemen langs de kanten, en waarin de
+zilverkleurige beek, die reeds van ver het oog had getroffen, zich
+uitstortte voor een wijl om straks aan de andere zijde het weer te
+verlaten en haar weg te vervolgen naar steeds dieper gelegen dalen; in
+'t verschiet eindelijk, aan den meer en meer in de schemering
+wegduikenden overkant, de verre reijen der bergkruinen, die van hier
+gezien slechts onbeduidende heuvelen schenen, maar, van gindsche
+vlakten beschouwd, opnieuw als hemelhooge, voor menschen voet nauw
+bestijgbare rotsgevaarten zich vertoonen mogten.
+
+Een oogenblik stonden onze reizigers, hier aangekomen, stil, en
+als verloren in den aanblik van het evenzeer grootsche als
+liefelijke, door een laatsten schemerschijn nog verlichte
+natuurtooneel; doch, spoedig het naaste doel van hun togt zich
+herinnerend, stegen zij af en vertrouwden hunne paarden aan de
+beide dienaars, terwijl zich Koelloeka naar de woning begaf om
+door middel van een daar aanwezige klok het teeken te geven van
+hunne komst. De moeite werd hem echter bespaard, en eer hij het
+woonhuis was genaderd, vertoonde zich op den drempel reeds de
+bewoner, door een dienaar gevolgd, wien hij de zorg voor de
+paarden der gasten aanbeval door een zwijgenden gebiedenden wenk.
+
+Wel zonderling mogt de indruk heeten, dien de aanblik van den
+kluizenaar op Siddha te weeg bragt. In zijn eigen land, in zijne
+bergen en bosschen, had hij vrome boetelingen, strenge heiligen,
+rondslenterende bedelmonniken in menigte en van allerlei soort
+gezien: sommigen in vuile pijen, met groote bamboestokken in de
+hand, en bedelnappen en rozenkransen aan de zijde; anderen in een
+soort kleedij uit boomschors vervaardigd; wederom anderen met
+nagenoeg in 't geheel geen kleederen aan het lijf, kaalgeschoren,
+van 't hoofd tot aan de voeten met grauwe asch bedekt, en
+voorhoofd en borst met witte kalk besmeerd; allen zich overgevend
+aan de meest afkeer wekkende en toch vrome en lichtgeloovige
+gemoederen tot milddadigheid verlokkende praktijken; walgelijke en
+afzigtelijke wezens allen ook, maar steunend op de magt van een
+grenzenloos fanatisme, en in vadsige luiheid terend op de
+aalmoezen, hun toegeworpen door een dom, maar vastgeworteld
+bijgeloof. Geen wonder dan ook zoo de jonge, aan fijner beschaving
+gewende, met diepe minachting op die soort van volk neerziende
+edelman, ook in weerwil van zijn eerbied voor den leermeester, die
+steeds met ontzag den kluizenaar van den Bhadrinath had genoemd,
+juist geen groote verwachting had van den man, die aan de deur van
+gindsche woning hem zou ontvangen, en een ligten toon van ironie
+niet had weten te onderdrukken toen er van den heilige in het
+Himalaya-gebergte werd melding gemaakt. Doch te treffender dan ook
+in zijn oog de hooge en statige figuur, die ginds, het woonhuis
+verlatend, de beide reizigers met voorname waardigheid maar tevens
+innemende vriendelijkheid te gemoet kwam.
+
+Een oud man in blinkend wit gewaad, met nog eenige fijne lokken om
+den anders kalen schedel en een langen en zwaren zilverkleurigen
+baard, maar nog in 't minst niet door den last der jaren gebogen,
+en wiens, bij alle vriendelijkheid toch hooghartige blik wel
+getuigde, dat in vroeger dagen gebieden hem meer eigen was geweest
+dan het ontvangen en opvolgen van bevelen.
+
+--Weest welkom, vrienden!--sprak hij, elk zijner beide bezoekers,
+die zich eerbiedig voor hem gebogen hadden, bij de hand vattend,--welkom
+in mijne eenzaamheid! 't Is mij goed, weer eens iets te
+mogen vernemen van uw--hier scheen hij een oogenblik te weifelen,
+maar ging toch met vaste stem weer voort,--van uw en mijn land en
+volk.
+
+Eer Koelloeka of Siddha kon antwoorden, werd hunne opmerkzaamheid
+getrokken door een dof gebrul, dat zich in de onmiddelijke
+nabijheid hooren deed; en een oogenblik later trad van achter de
+woning met langzame en statige schreden een geweldige tijger te
+voorschijn, en naderde, met den zwaren staart zijne flanken
+slaande, de drie mannen. Onwillekeurig deed Siddha een stap terug
+en sloeg de hand aan den ponjaard in zijn gordel.
+
+--Laat dat speelgoed maar zitten!--sprak Gaurapada lagchend,--
+daar zoudt gij Hara niet veel kwaad mee doen.
+
+--Hier!--sprak hij gebiedend tot den tijger, en terstond legde het
+magtige dier zieh aan de voeten des meesters.
+
+--Heb ik 't u niet gezegd?--vroeg Koelloeka aan Siddha, op den
+tijger wijzend,--en begrijpt gij nu waarom gij zoo straks een
+dwazen streek begingt?
+
+--Vergeving, eerwaarde heer! vergeving!--sprak Siddha, met omhoog
+geheven handen tot Gaurapada, terstond begrijpend, dat hij straks
+jagt had gemaakt op den tijger van den kluizenaar,--ik wist
+inderdaad niet ....
+
+--Ik begrijp het al,--viel Gaurapada hem in de rede,--gij hebt
+Hara gejaagd. Nu, dat is wel eens meer voorgekomen, maar niet
+altijd zoo goed voor den jager afgeloopen, als mijn viervoetige
+vriend hier soms eens boos werd. Iemand opgegeten heeft hij echter
+nog nooit, en als men hem geen kwaad doet, valt hij ook niet aan.
+Ik heb hem, zooals vriend Koelloeka weet, hier al lang, van jongs
+af aan, en wij beiden zijn nu gansch aan elkander gewend. Niet
+waar, Hara?--vroeg hij, zich half voorover buigend naar den
+tijger, die, halverwege zich oprigtend, zijn breeden kop tegen de
+hand van zijn meester drukte.--En mijne vrienden,--vervolgde
+deze,--zijn de zijnen. Zie maar eens!
+
+En Siddha naderend legde hij hem zacht de hand op den schouder,
+waarop de tijger beurtelings beide mannen aanziend, zich voor
+Siddha nederlegde en ook diens hand met zijn kop aanraakte.
+Ditmaal trad de jonge edelman geen stap terug, maar streelde
+bedaard den kop van het dier, dat hem ook verder niet bleek te
+verschrikken toen 't een oogenblik, als behagelijk geeuwend, zijne
+breede kaken opsperde en de geweldige reijen zijner tanden liet
+zien.
+
+--Goed zoo!--sprak Gaurapada, terwijl Hara weer tot hem
+terugkeerde,--goed zoo! Ik heb er menig gezien, ouder en sterker
+dan gij, die niet terstond zoo rustig bleef. Doch laat ons nu aan
+andere dingen denken! Reizigers zooals gijlieden, die zeker een
+langen togt gemaakt en hier in de wildernis zeker niet veel op uw
+weg gevonden hebt, verlangen alligt naar eenige versterking. Wilt
+mij dan volgen!
+
+En hen voorgaande trad de kluizenaar zijne woning binnen, waarvan
+het inwendige geheel aan het uiterlijk beantwoordend, wel is waar
+niet meer dan het noodige bevatte, maar dat alles in de meest
+volmaakte orde en op sierlijke wijze gerangschikt, en mede wel
+aanduidend, dat de bezitter in vroeger tijden ook het meerdere en
+het overtollige gekend moest hebben. Nadat de gasten zich met hem
+op de fijne, op den vloer uitgebreide matten hadden neergezet,
+bragt de dienaar, die straks de paarden in bewaring had genomen,
+eenige schotels met eenvoudige, maar stevige spijzen, koud wild en
+visch, benevens een aantal toegevouwen boombladeren met frissche
+vruchten, en toen het maal een aanvang had genomen, ook een
+drietal drinkschalen waarin den gasten een krachtige, fonkelende
+wijn werd aangeboden.
+
+--Dat hadt ge hier waarschijnlijk niet verwacht, edele Siddha!--sprak
+Gaurapada,--gij waart zeker in de overtuiging, dat een vrome
+kluizenaar niets dan bronwater drinkt. En de meerderheid meent,
+dat het ook zoo behoort. Ik voor mij denk er anders over; ik heb
+nooit begrepen dat het wezen van het kluizenaarsleven in
+noodelooze zelfkwelling of onthouding is gelegen, en dat een
+schaal goeden wijn met mate gebruikt, aan de rust der ziel zou
+behoeven te schaden. Ook is hier in de bergen iets krachtigs nu en
+dan inderdaad bevorderlijk voor de gezondheid.
+
+De eenvoudige en gemakkelijke toon van den overigens zoo statigen
+kluizenaar, die hem gansch als een man van de wereld deed kennen,
+gaf den jongen ministerzoon al spoedig vertrouwen, en van zijn
+kant beantwoordde hij nu ook met vrijmoedigheid, schoon altijd met
+dien eerbied, dien de regte Hindoe den oudere van jaren leert
+betoonen, de vragen welke Gaurapada tot hem rigtte omtrent zijn
+vader, omtrent Iravati zijn verloofde en zijn leven aan het hof
+van Kacmir. Tot zijne verwondering bleek de kluizenaar nauwkeurig
+alles te weten wat vroeger daar was voorgevallen en toonde hij
+zich zelfs met bijzonderheden bekend, die voor elk een geheim
+moesten zijn, wien de toegang tot het binnenste der vorstelijke
+paleizen niet geopend was geweest. Ongetwijfeld was Gaurapada in
+vroeger dagen een vertrouwd raadsman van een der vorsten, die
+elkaar voor dezen in vrij snelle reeks waren opgevolgd; dan hoe
+het zijn mogt, Siddha waagde geen onbescheiden vraag zoolang de
+ander zijn waren stand hem niet bekend maakte. Nog merkte hij op
+dat de gesprekken van Gaurapada doorgaans eene groote opgeruimdheid
+ademden, en hij volkomen met zijn tegenwoordigen staat te vrede scheen,
+maar dat toch bijwijlen, als er van de staatkundige gebeurtenissen in
+het Noorden gesproken werd, een donkere wolk zijn edel gelaat bedekte.
+Telkens echter slechts voorbijgaand; want al kon zelfs de sterke wil van
+den wijsgeer soms eene vlugtige aandoening niet volkomen verbergen, een
+geest als de zijne was blijkbaar te magtig om ze niet terstond weer te
+onderdrukken.
+
+Inmiddels was het laat geworden in den avond, en wierp de maan
+reeds haar hellen schijn over het landsdhap, dat zich, door de
+opene stijlen van het vertrek gezien, voor het oog der gasten
+uitbreidde.
+
+--En nu,--zeide eindelijk Gaurapada, terwijl hij opstond,--vergun
+mij, edele Siddha! mij met uw leermeester, mijn vriend, eenige
+oogenblikken aan het genoegen van uw bijzijn te onttrekken. Ik heb
+met hem eenige zaken te bespreken, die vooralsnog geheim moeten
+blijven, en waarin gij trouwens ook waarschijnlijk slechts matig
+belang zoudt stellen. Mogt ge u straks wenschen te verfrisschen,
+ginds is, naar gij ziet, het meer of de beek, en aan een bad in de
+vrije natuur zijt gij zeker ook wel gewoon.
+
+Daarop verlieten de beide oudere mannen te zamen het vertrek en
+nog lang daarna zag Siddha hen arm in arm in den maneschijn
+wandelen, blijkbaar in ernstige en belangrijke gesprekken
+verdiept. Toen zij terugkeerden was het tijd om zich ter ruste te
+begeven, en niet zonder welbehagen gingen de reizigers hunne
+vermoeide leden uitstrekken op de voor hen in gereedheid gebragte,
+wederom zeer eenvoudige, maar daarom nog geenszins ongeriefelijke
+legersteden.
+
+De vroege morgen van den volgenden dag vond onze reizigers na een
+frisch bad en een hartig ontbijt weer tot het voortzeiten van hun
+togt gereed; en terwijl nu de paarden werden opgezadeld, nam
+Gaurapada voor eenige oogenblikken Siddha ter zijde, en sprak,
+ditmaal buiten gehoor van Koelloeka:
+
+--Heilige kluizenaars, mijn jonge vriend! zijn gewoon, de jongeren
+die hen komen bezoeken, niet zonder eenige leering, 't zij dan
+verstandige of niet, te laten vertrekken. Gij wacht misschien iets
+dergelijks ook van mij. Maar dan bedriegt gij u. Ik heb voor 't
+oogenblik niets te voegen bij 't geen de wijze Koelloeka, uw
+verstandige goeroe, u ongetwijfeld geleerd heeft. De wereld, die
+gij gaat opzoeken, en 't leven zelf moeten het verdere doen. Maar
+een woord toch, waaraan ik een verzoek heb toe te voegen! Schroom
+niet, wanneer gij ginds in het Zuiden in het magtig en weelderig
+wereldrijk zult zijn aangekomen, uw billijk aandeel te nemen aan
+geoorloofde uitspanningen en vermaken; geniet het leven, dan eerst
+leert gij 't kennen en het wezenlijke van het onwezenlijke
+onderscheiden: maar gedenk steeds de les, waaraan uw leeraar u
+voorzeker meermalen herinnerd heeft: houd uw gemoed rein, en draag
+zorg dat gij u nooit over uwe handelingen te schamen hebt, niet
+enkel voor anderen, maar ook voor uzelven! Doch wanneer het mogt
+gebeuren, dat gij, in weerwil van uw ijverigst streven om die les
+te betrachten, toch op eene of andere wijze de gemoedsrust zaagt
+gestoord, die u als elk ander mensch onmisbaar blijft, en indien
+gij dan soms geen vriend mogt hebben, wien gij uw hart kunt
+openleggen, denk dan eens aan een oud vriend van uw vader en van
+uw leermeester, en kom tot den kluizenaar van den Bhadrinath. Wilt
+gij mij dat belooven?
+
+--Ik beloof het! antwoordde Siddha, eenvoudig maar met mannelijken
+ernst, terwijl hij de armen eerbiedig over de borst kruiste. Maar
+vriendelijk als steeds vatte Gaurapada zijne beide handen en
+drukte ze hartelijk.
+
+Weldra werden de paarden voorgebragt, de ruiters zetten zich na
+afscheid van den kluizenaar in den zadel en reden, door hunne
+dienaren gevolgd, het bosch weer in en het bergpad op. Nog meer
+dan eens zag Siddha om en wierp hij een blik op de eerbiedwekkende
+gestalte van den wijze, zooals die met zijn tijger nevens zich nog
+geruimen tijd tusschen de hooge boomstammen door, aan den drempel
+zijner woning zigtbaar bleef. Daarna reed hij zwijgend en in
+gedachten verzonken naast zijn medgezel voort.
+
+Eensklaps, als opschrikkend uit zijne mijmering, hield hij zijn
+paard met een vrij onzachten ruk in, zoodat het bijkans steigerde.
+
+--Koelloeka!--sprak hij,--ik zag nog nooit een man als Gaurapada!
+
+Doch bijna op 't zelfde oogenblik kleurde hij tot over de ooren,
+bedenkend, maar te laat, dat zijn uitroep juist niet bijzonder
+vleijend voor zijn vriend en leeraar mogt heeten. Noodeloos
+evenwel maakte hij zich ongerust door te meenen, dat deze eenigen
+aanstoot aan zijne woorden nam. Integendeel Koelloeka's gelaat
+teekende eene ongeveinsde vreugde over de bewondering van zijn
+leerling voor zijn ouden vriend.
+
+--Inderdaad!--zeide hij,--het verheugt mij dat gij zoo over hem
+denkt; dat pleit ook tevens voor uzelf. En wees niet bevreesd u
+ooit in hem bedrogen te zullen zien.
+
+--Maar,--vroeg Siddha weer even plotseling na een oogenblik
+stilzwijgen,--wie is nu Gaurapada?
+
+--Wel!--was het antwoord,--dat hebt gij immers zelf gezien: een
+kluizenaar in 't Himalaya-gebergte.
+
+--Nu ja!--zei Siddha eenigszins ongeduldig,--dat weet ik ook wel; maar
+ik meen: wat was hij vroeger, eer hij hier kwam en tijgers temde?
+
+--Hij trachtte menschen te temmen,--antwoordde Koelloeka,--maar
+'t gelukte hem niet altijd. Doch waarom hebt ge hem zelf niet
+gevraagd, wie hij was?
+
+--Zou dat bescheiden zijn geweest? Zoudt gij dat hebben
+goedgekeurd?
+
+--Neen, zeker niet! Gij hebt goed gehandeld met de gastvrijheid
+niet te schenden door onbescheiden nieuwsgierigheid, ook al kwam
+ze voort uit wezenlijke belangstelling. Maar daarom hebt ge nu ook
+verdiend, die nieuwsgierigheid te zien bevredigd. Gaurapada heeft
+mij veroorloofd, indien ik dat goed achtte, u zijn voorleden en
+zijn waren naam mede te deelen. Zoo luister!--Er was eens een
+Koning--
+
+--Hoe nu?--vroeg Siddha, een weinig verstoord,--gaat ge mij nu een
+sprookje van Somadeva vertellen, zooals ik er zooveel van u hoorde
+toen ik een kleine jongen was?
+
+--Hoor mijn sprookje,--antwoordde Koelloeka bedaard,--of hoor
+niets! Er was dan, zeg ik, eens een Koning, die gesteund door
+goede raadslieden, zijn volk regeerde met wijsheid en beleid.
+Kinderen had hij niet, maar wel een jongeren broeder, een jonkman
+van veel bekwaamheid, dien hij zeer liefhad en ook tot zijn
+opvolger had bestemd zoo hij eenmaal het land mogt ontvallen of de
+last der staatszaken in 't eind te zwaar op zijne schouders
+drukken mogt. Doch die jongere broeder was eerzuchtig, ondanks
+vele andere, goede hoedanigheden; hij had het geduld niet, zijn
+tijd af te wachten en liet zich door eene aan de bestaande
+regering vijandige staatspartij verleiden, eerst heimelijk, daarna
+in 't openbaar en ten slotte met de wapenen in de hand op te staan
+tegen zijn broeder en wettigen Vorst, tot deze hem en de zijnen
+ten laatste overwon en hem gevangen medevoerde naar de hoofdstad
+van zijn rijk. Maar de beweging was daarmede niet geeindigd, de
+woelingen duurden voort, en om deze te onderdrukken bleef den
+Koning geen ander middel dan zijn eerzuchtigen en steeds
+gevaarlijken broeder, hoe innig ook door hem geliefd, uit den weg
+te ruimen, en diens vrienden en aanhangers een gelijk lot te te
+doen ondergaan. Maar zoo doende zou hij zijn troon ook slechts
+vesten in broeder- en burgerbloed, en welligt eindelooze veeten in
+'t leven roepen, waarvan het eind geen ander kon zijn dan
+algeheele uitputting van zijn rijk en de volkomen onderwerping van
+zijn volk aan vreemde, lang reeds op de erfenis zijner vaderen
+azende overheerschers. Toch twijfelde nagenoeg niemand of de
+Koning zou ten laatste overgaan tot den nu eenmaal onvermijdelijken
+maatregel, toen zich eensklaps het gerucht verspreidde dat hij uit zijn
+paleis verdwenen en waarschijnlijk, zoo niet zeker, door verraad gevallen
+was. En inderdaad vernam men sinds dien tijd niets meer van hem; zijn
+broeder, uit de gevangenis verlost, besteeg als wettig opvolger den
+troon, en regeerde sedert dien tijd, verstandiglijk de beste raadslieden
+van zijn broeder aan zijne zijde houdend, zoo al niet met gelijke
+wijsheid, dan toch met goed geluk het weer tot rust gekomen land.
+
+Een oogenblik zweeg Koelloeka, en brak hij zijn verhaal af om zijn
+medgezel en leerling aan te zien. Maar het gelaat van dezen
+teekende noch verwondering, noch bijzondere belangstelling.
+
+--Gij verhaalt mij,--zeide hij,--eenvoudig de geschiedenis van
+onzen eigen tegenwoordigen Koning en zijn voorganger en ouderen
+broeder Nandigoepta. Maar die is immers iedereen bekend, mij zoo
+goed als elk ander bewoner van Kacmir.
+
+--Ongetwijfeld,--hernam Koelloeka,--die geschiedenis, voorzoover
+ik ze u in herinnering bragt, is aan ieder bekend genoeg; doch wat
+niet een iegelijk weet, maar alleen zeer enkelen, is, dat de
+Koning Nandigoepta niet door verraad is gevallen en niet gedood of
+verdreven werd, maar uit eigen beweging zonder dat zijn broeder of
+iemand anders dan een enkele vertrouwde het wist, de wijk nam naar
+een afgelegen oord, en door algemeen het gerucht te doen
+rondstrooien dat hij verslagen was, zijn broeder redde van een
+smadelijken dood en zijn rijk van den anders onvermijdelijken,
+althans waarschijnlijken ondergang.
+
+--Zoo leeft dan Nandigoepta nog!--riep Siddha uit,--en hij is....
+
+--Gelijk gij reeds begrepen hebt,--antwoordde Koelloeka,--de
+kluizenaar, dien wij straks verlieten. Heilig blijve u zijn
+geheim, het geheim van zijn rijk en van zijn geslacht! Aan uwe
+riddereer wordt het door hem toevertrouwd. De zoon van uw vader,
+zijn trouwsten dienaar en vriend, mogt het kennen, maar zal het
+ook weten te bewaren zoo zeker hij edelman is.
+
+--Waarom,--vroeg Siddha, een oogenblik naderhand, half ontevrede,
+--waarom mij dit niet meegedeeld toen wij nog ginds waren? Ik had
+dan den Vorst mogen dank zeggen voor de weldaden, in de dagen
+zijner grootheid aan mijn vader bewezen en aan ons geslacht. Doch
+'t is waar! gij hadt geen regt te spreken, zoolang hij zelf het
+niet deed; en bovendien heb ik immers nog de gelegenheid!
+Gaurapada toch,--zooals hij thans genoemd wil zijn,--heeft mij
+doen belooven, hem op te zoeken als ik soms in moeilijke
+omstandigheden goeden raad van noode had.
+
+--En gij hebt wel gedaan, dat te belooven,--zeide Koelloeka,--
+houdt u aan dat woord! Gaurapada is wijzer en beter dan een onzer.
+
+Maar Siddha hoorde nauwelijks meer; wederom was hij in gedachten
+verzonken. De ontmoeting met den kluizenaar en de openbaring van
+diens geheim had diepen indruk op hem gemaakt. Daar, bij 't eerste
+begin zijner reize, had hij een vorstelijk wijsgeer aanschouwd,
+een man die eenmaal bijkans onbeperkte magt bezat en gebaad had in
+weelde, maar die alles, rijkdom en aanzien, vrijwillig had
+opgeofferd ter liefde van zijn broeder en van zijn land, en thans,
+in 't gelukkig bewustzijn wel te hebben gedaan, zich tevrede en
+zelfs opgeruimd betoonde in zijn eenvoudig leven in de wildernis,
+met geen ander gezelschap dan een ouden getrouwen dienaar en een
+verscheurend dier. En nu was hij op weg naar het hof van den
+magtigsten monarch, dien Hindostan ooit had gekend, den
+gelukkigen, met roem overladen beheerscher van een wereldrijk, die
+zijn volken meer nog door wijs beleid dan door kracht van wapenen
+wist te onderwerpen aan zijn wil, die te beschikken had over
+onmetelijke schatten, en die zich bondgenoot mogt heeten van
+magtige Vorsten uit de verst verwijderde landen en beschermer van
+alle bekende godsdiensten der aarde. Wat de goede Siddha, anders
+gewoon zich nog al wat te laten voorstaan op zijn adel en 't
+aanzien van zijn persoon, nu plotseling zich klein gevoelde bij de
+gedachte aan twee zulke mannen! En wie wel de grootste dier beiden
+was? 't Viel zeker moeielijk te beslissen, en wijselijk begreep
+Siddha, dat hij in elk geval zijn oordeel had op te schorten tot
+hijzelf ook Keizer Akbar gezien en welligt gesproken zou hebben.
+Dat besluit bragt hem tevens terug tot het naaste doel der reis,
+het bezoek te Allahabad, waar de geliefde bruid, de schoone
+Iravati, hem verbeidde. Zijn sedert eenige oogenblikken somber
+gelaat helderde op, en vrolijk sprak hij, zijn hengst de sporen
+gevend, toen men een vlak terrein van belangrijke uitgestrektheid
+had bereikt:
+
+--Komaan! nu weer eens een flinken rid, meester!--En voorwaarts
+ging het in snellen galop, terwijl Koelloeka hem de veerkrachtige
+speer zag drillen en hem den naam hoorde uitroepen, die toch in 't
+eind de zege had bevochten in zijne gedachten.--Iravati!
+
+--Voorwaarts, voorwaarts maar!--prevelde de Brahmaan in zich
+zelven, terwijl hij mede zijn paard in galop zette,--vooruit tot
+het einde is bereikt! Voor mij is 't alhaast gekomen, voor hem
+vangt de levensreis eerst aan. Och! of zijn weg steeds zoo glad
+als deze mogt zijn! Maar ook hij zal zijn klippen wel ontmoeten en
+glibberige hellingen en welligt ook--afgronden. Bleven 't maar,--voegde
+hij, in zichzelf glimlagchend en denkend aan het ongeval
+van den vorigen avond, er aan toe,--bleven 't maar altijd
+onschadelijke kuilen!
+
+
+
+TWEEDE HOOFDSTUK.
+
+Iravati
+
+Aan het digt met planten en bloemen begroeid balkon van
+Allahabad's hoogen burgt, paleis en veste tevens, zat een jong
+bevallig meisje, het hoofd in de hand geleund, als mijmerend naar
+het uitgestrekte vergezigt te staren, dat zich aan gene zijde der
+beide hier zamenvloeiende stroomen in het helle licht vertoonde
+van een onbewolkte morgenzon. Ter linker zijde de rotsachtige
+hoogten en wilde zandige oevers der Djoemna, ter regter de
+liefelijke vallei van den Ganges; allerwege digte bosschaadjen van
+mango-boomen, met tallooze papegaaijen en andere schitterend
+gekleurde vogels bevolkt; hier en daar kleine eilandjes zich
+verheffend boven het watervlak; en op den achtergrond, ginds in de
+verte, de hooge, door pagoden bekroonde rotsgevaarten van het
+tegenoverliggende land.
+
+Enkel naar de kleedij te oordeelen, zou in de mijmerende niet
+terstond eene jonkvrouw van aanzienlijk geslacht zijn te herkennen
+geweest. Een eenvoudig wit gewaad, met een smallen donkerrooden
+rand omzet en om 't midden door een gouden gordel vastgehouden,
+een fijne gouden haarband om de digte donkere lokken en een enkele
+roos daartusschen tot eenig sieraad, ziedaar alles. Maar waartoe
+ook zou die slanke, uitnemend geevenredigde gestalte, dat ovale,
+fijn besneden gelaat met het groote en donkere, door lange zijden
+wimpers overschaduwde oog, nog ander siersel van noode hebben
+gehad dan de natuur zelve of Kama, de minnegod, reeds daaraan had
+verleend? En geen spruit ook voorzeker van verbasterden stam, geen
+dochter van een lager ras, die zooveel bevalligheid aan zooveel
+eenvoud tevens had weten te paren als deze.
+
+Niet in verrukking intusschen als menigmaal anders aanschouwden
+ditmaal die smachtende oogen het heerlijk natuurtooneel daar
+omlaag. Ook heden als gisteren en den vorigen dag zagen ze
+verlangend uit naar die verre gebergten aan de overzijde, van waar
+hij komen moest, de lang maar te vergeefs gewachte.... Waar hij
+toeven mogt? Wat hem kon weerhouden? En dacht hij nog wel, anders
+dan vlugtig en voorbijgaand misschien aan haar, wier gedachten
+dagen en maanden lang hem, en hem alleen, waren gewijd geweest?...
+
+Een zware tred deed zich hooren in de galerij achter het vertrek,
+waar het balkon op uitkwam, en voorafgegaan door een dienares, die
+het tot deur strekkend gordijn ter zijde schoof, naderde een kort,
+gezet man van iets meer dan middelbaren leeftijd, in engsluitend,
+maar lang, bijkans tot de voeten afhangend gewaad en een kort
+zwaard met fraai versierde greep in den gordel als eenig
+herkenbaar teeken zijner waardigheid.
+
+--Edele jonkvrouw!--sprak de dienares, bescheiden haar jeugdige
+meesteresse uit hare mijmering wekkend,--Salhana, de Goeverneur,
+uw vader, brengt u heden bezoek!
+
+--Hij zij welkom!--antwoordde de jonkvrouw, van kindsbeen af
+steeds aan dien deftigen toon gewend, en opstaand trad zij haar
+vader te gemoet.
+
+--Iravati!--sprak deze, haar aanziend met zijn doordringende
+zwarte oogen, maar voor 't overige zonder eenige uitdrukking op
+zijn mat bleek, met korten donkeren baard bedekt gelaat,--voor
+eenigen tijd heb ik u meegedeeld, dat ik Siddha Rama uit Kacmir,
+uw neef en verloofde, hier met Koelloeka, zijn leermeester
+wachtende was. Beiden zijn thans aangekomen, en bevinden zich in
+de beneden-galerij. Wij willen hen daar gaan ontvangen.
+
+Een oogenblik scheen Iravati bij 't vernemen der tijding al de haar
+ingeprente lessen van vormelijkheid, die geen haastige bewegingen
+gedoogden, te vergeten, en wilde zij haar vader voorbijsnellen, om
+ginds terstond den lang gewachte te verwelkomen. Maar Salhana hield
+haar door een wenk en eene ligte handbeweging terug.
+
+--Vooraf nog een woord!--zeide hij.--'t Is u bekend, dat de
+belijders van den Islam, waaronder wij hier leven, het vrijer
+verkeer van ongehuwde jongelingen en jonge dochters ten hoogste
+afkeuren, en dat ook onze Hindoe's zich meer en meer naar die
+inzigten hunner overheerschers hebben geschikt. Ik voor mij blijf,
+gelijk u bekend is, aan onze aloude zeden gehecht, en, hoewel ik
+voor 't overige streng alle passende vormen wensch in acht genomen
+te zien, vergun ik u ook thans, als vroeger in ons eigen land, uw
+neef en aanstaanden bruidegom vrijelijk te spreken. Maar laat geen
+ander dan onze vertrouwden uw zamenkomsten ontwaren. 't Zou mijn
+invloed hier, waar ik bevel voer, kunnen schaden, en ook uw eigen
+goeden naam. Thans, kom!
+
+En haar voorgaand leidde hij zijne dochter naar de opene, mede op
+de rivier uitziende galerij, waar de beide bezoekers hun
+verschijnen stonden af te wachten.
+
+--Zijt welkom mijne heeren en vrienden!--sprak Salhana, statig op
+hen toetredend,--ik zeg u dank, dat gij aan mijne uitnoodiging
+hebt voldaan en terstond uw intrek ten mijnent hebt genomen, niet,
+zooals velen plegen te doen, eerst ginds beneden, in de stad.
+
+De inhoud der woorden luidde hartelijk; de toon waarop zij werden
+uitgesproken was het echter evenmin als het strakke, niets
+zeggende gelaat. Wie dat een en ander evenwel mogt opgemerkt
+hebben, niet de ontstuimige Siddha, die ter nauwernood zijn
+deftigen oom begroetend, en Koelloeka nauw den tijd latend den
+eerbiedigen groet van Iravati te ontvangen, een vurigen kus drukte
+op de door deze hem aangeboden hand, terwijl hij op ridderlijke
+wijze zich op een knie voor zijn uitverkorene nederliet.
+
+--Welkom!--sprak zij, terwijl ze hem tevens wenkte op te staan,
+(en hoe zoet klonk hem wederom die zachte, welluidende stem!),--
+welkom, vriend! Ach hoe lang hebben wij u gewacht en uitgezien
+naar gindsche bergen, ongerust en haast vertwijfelend aan uw
+eindelijke komst!
+
+--Gij gelooft toch niet, lieve!--riep Siddha, haast
+verontwaardigd, uit,--dat ik een oogenblik langer dan noodig was
+mijne aankomst in Allahabad kon vertragen? Waarlijk, zoo ik over
+bergstroomen en afgronden had kunnen springen om spoediger bij u
+te zijn, en had mijn trouwe hengst maar vleugels als Vishnoe's
+Garoeda bezeten, ik had, voorwaar, hem niet gespaard!
+
+--Ik geloof u gaarne,--hernam Iravati, vriendelijk glimlagchend,--
+en 't was ook waarlijk geen verwijt dat ik tot u of onzen
+waardigen vriend Koelloeka rigtte. Doch verblijden we ons thans
+ook in het zamenzijn, te meer omdat het, zooals ik van mijn vader
+verneem, slechts kort zal mogen duren.
+
+--Inderdaad,--zeide Salhana, na een oogenblik onderhoud met
+Koelloeka het gesprek der beide gelieven afbrekend,--onze vrienden
+moeten ons morgen al vroeg weer verlaten. Van langen duur acht ik
+vooreerst onze ontmoeting dus niet; en toch heb ik, edele Siddha!
+het zamenzijn met uwe bruid nog eenige oogenblikken te bekorten,
+daar ook ik nog een enkel woord met u wenschte te spreken. En
+liefst terstond, daar mijn tijd kostbaar is en ik voor ons
+middagmaal nog velerlei in mijne betrekking heb af te doen. Zoudt
+gij dan, uw nader onderhoud nog een weinig uitstellend, voor eene
+wijl mij willen volgen?
+
+Eene weigering van den voorslag was natuurlijk niet denkbaar, en
+hoewel schoorvoetend en met een smachtenden blik naar Iravati,
+door haar volkomen verstaan en gewaardeerd, volgde Siddha zijn
+beleefden maar strengen oom naar den hof, die aan de andere zijde
+van het paleis op het hellend terras was aangelegd.
+
+Daar, onder het lommer der hooge boemen, zette Salhana zich op een
+rustbank neder en wenkte zijn neef naast hem plaats te nemem.
+
+--En zoo gaat gij dan,--begon hij,--uw fortuin beproeven in de
+bijna onmiddelijke dienst van onzen grooten Keizer! Inderdaad, gij
+moogt van geluk spreken, dat gij een vader hebt die u eene zoo
+gunstige gelegenheid weet te openen als u thans geboden wordt, en,
+zoo ik 't zonder aanmatiging er bij mag voegen, een oom, die zich
+toevallig door zijne betrekking bij magte zag om uwe belangen te
+helpen bevorderen.
+
+--Daarvoor ben ik u ook opregt dankbaar,--antwoordde Siddha,--en
+ik hoop nooit te vergeten dat gij, werkelijk meer nog dan mijn
+vader zelf vermogt, mij den eersten stap op den ladder zoo
+gemakkelijk hebt gemaakt. Doch niet enkel omdat ik daardoor in de
+gelegenheid kan komen om misschien eenmaal tot aanzien op te
+klimmen, maar ook om ginds eens iets meer te kunnen uitrigten dan
+in ons eigen, wel schoon, maar toch afgelegen land, en tevens in
+persoon den grooten Keizer te midden van al de pracht zijner
+hofhouding te zien, waarvan men te huis mij zoo veel heeft
+verhaald.
+
+--Voorzeker!--hernam Salhana,--dat alles is ook wel de moeite
+waard. een raad inmiddels! Wacht u voor overdreven voorstellingen!
+Ik zeg niet, van den rijkdom van palelzen en hoven; want daarvan
+kan men bij ons in 't Noorden zich bezwaarlijk eene voorstelling
+vormen; maar, van den persoon des Keizers. Die zou u wel eens
+kunnen tegenvallen, en uw geestdrift zou dan al spoedig merkelijk
+zijn bekoeld. Beter dus, met een weinig minder hooggespannen
+verwachting te beginnen.
+
+--Hoe?--vroeg Siddha verwonderd,--verdient dan Akbar niet in
+waarheid zijn naam? Is hij niet, gelijk mijn vader en mijn
+leermeester hem steeds voorstelden, een groot man zoowel als een
+magtig vorst?
+
+--Dat zeg ik niet,--luidde het antwoord,--maar ook groote mannen
+kunnen hun gebreken hebben, die wel eens gevaarlijk dreigen te
+worden voor de belangen van anderen.
+
+--Luister!--ging de Goeverneur voort, voorzigtig rondziend of ook
+iemand anders in de nabijheid zijne woorden mogt verstaan, terwijl
+hij tevens zijne stem liet dalen tot een zacht fluisterenden
+toon,--wanneer een man eenmaal zoo groote magt heeft erlangd als
+Akbar, en dat door eigen kloekheid en beleid zooals hij, dan is de
+lust naar meer zoo ligt niet bevredigd. De Keizer nu, die reeds
+zooveel staten en volken aan zijne heerschappij onderwierp, kan
+bezwaarlijk dulden dat uw en mijn vaderland op den duur zoo gansch
+onafhankelijk blijve. Gij weet het voorts, niet waar? hoe in den
+laatsten tijd weer nu en dan, al bleef 't nog voor de meesten een
+geheim, in Kacmir oneenigheden zijn uitgebroken tusschen onzen
+Koning en zijne beide zonen, even als die vroeger ook langzaam en
+haast onmerkbaar aanvingen tusschen hem en zijn broeder
+Nandigoepta.
+
+--Neen, dat wist ik niet,--zei Siddha,--het was mij tot dusver nog
+niet ter ooren gekomen.
+
+--Nu,--hernam de ander,--gij zoudt het toch bij gelegenheid wel
+vernomen hebben. Dus kan ik 't u ook terstond wel zeggen. Spreek
+er intusschen maar niet over met Koelloeka; dat behoeft niet, en
+ware misschien ook, zoo ik wel zie, niet goed. Doch nu verder! Die
+oneenigheden dan, tusschen den Koning en zijne zonen en tusschen
+dezen onderling, worden aangestookt,--gij begrijpt thans, door
+wien. Is dan eenmaal de open veete uitgebroken en 't land weer in
+partijen verdeeld, dan is er wel een voorwendsel te vinden om ons
+den oorlog te verklaren; en de Keizer, door zijne handlangers en
+spionnen omtrent den toegang door onze bergpassen ingelicht, komt
+dan het land met een sterk leger overvallen en het inlijven in
+zijn eigen rijk. Dat neemt nu alles natuurlijk niet weg, dat ik
+gaarne zijn buitengewone verdiensten erken; maar diezelfde
+eerzucht, die zijn volk groot maakt, kan de ondergang zijn van
+onze onafhankelijkheid.
+
+--Doch hoe,--vroeg Siddha weder, na een oogenblik overdenkens,--
+hoe kunt gij in zulke omstandigheden en als dat alles werkelijk
+zoo is, nog de dienaar zijn van een man, die, hoe beteekenend ook,
+toch den ondergang van ons vaderland gezworen zou hebben?
+
+--En waarom niet?--sprak Salhana, op zijne beurt als verwonderd,--is
+het dan niet goed dat een onzer, zonder hem zelf te benadeelen,
+maar integendeel hem dienend in vele andere eveneens gewigtige
+zaken, toch in de gelegenheid blijft, het oog op zijne plannen en
+handelingen te houden? Juist daarom is 't ook nuttig dat gijzelf,
+onder mijne aanbeveling en bescherming, nader met den heerscher
+in aanraking komt. U zal hij voorzeker minder verdenken nog dan
+mij, en gij zult alzoo, goed toeziend, ons soms nog beter op de
+hoogte kunnen houden dan eenig ander.
+
+--Maar,--vroeg nogmaals Siddha, na een oogenblik nadenken, en als
+aarzelend,--is dat eerlijk?
+
+--Jongeling!--antwoordde Salhana op hoogen toon, hoewel zijn
+gelaat anders geen toorn verried,--laat mij u doen opmerken, dat
+een man van mijn leeftijd en ervaring toch wel weten zal wat
+eerlijk is of niet, en u, een jongmensch, die zijn loopbaan
+aanvangt, toch geen raad zou geven in strijd met de regte
+begrippen van eer!
+
+--Vergeef mij, oom!--hernam Siddha verlegen,--gij weet, ik ben nog
+te weinig bekend met de beginselen van hoogere staatkunde om u zoo
+terstond reeds volkomen te begrijpen. Ook heeft Koelloeka, mijn
+goeroe, mij steeds ingeprent in alles den regten weg te volgen,
+nooit dubbelzinnig jegens iemand te handelen, en....
+
+--Koelloeka, mijn beste vriend! viel de ander hem in de rede,--is
+een voortreffelijk man en voor wien ik steeds de meeste achting
+heb gehad; maar hij is een geleerde, geen man van zaken, een man
+van theorie, niet van praktijk. Zie nu eens! uw land en volk,
+waaraan gij gehecht zijt, wordt bedreigd door een Vorst, dien gij
+overigens hoog stelt en ook gaarne dienen wilt, maar alleen niet
+in dat eene. Integendeel, daarin zoudt gij wenschen, en zou 't ook
+uw pligt zijn, hem zoo doenlijk tegen te werken. Nu wordt u de
+gelegenheid daartoe opengesteld; zoo niet geheel toch in zekere
+mate. Zult gij nu die gelegenheid versmaden wegens 't een af ander
+afgetrokken begrip van politieke eerlijkheid? En handelt hijzelf
+dan zoo eerlijk door uw en mijn diensten aan te nemen en
+tegelijker tijd lagen te leggen aan onzen Koning en ons land? En
+zoo niet, wat aanspraak heeft hij dan op zoo bijzondere
+openhartigheid van onze zijde? Daarenboven, ga maar eens tot
+Akbar, en zeg hem, zoo gij durft, in zijn gezigt dat gij zijn
+plannen doorgrondt en tegen hem in 't veld denkt te treden! Hij
+zou u zien komen, mijn goede vriend! Eer een etmaal voorbij was,
+laagt gij geboeid in den kerker of zaagt ge u heimelijk naar de
+uiterste grenzen van Dekkan of Bengalen vervoerd,--zoo 't niet
+erger met u afliep. Baat u en ons dus geen openlijk verzet, wat
+rest dan anders dan goed gebruik te maken van de gunstige
+gelegenheid, waardoor, let wel! den Vorst zelven geenerlei kwaad
+wordt berokkend, terwijl wij van onzen kant er ons vaderland
+misschien nog mee redden van het naderend verderf?
+
+Niet overtuigd nog, maar toch ook niet wetend hoe dergelijke
+redeneringen te wederleggen, zocht Siddha vergeefs naar een
+antwoord, en--zweeg, afwachtend wat zijn oom nog verder te zeggen
+had. Maar deze scheen het onderhoud voorloopig als geeindigd te
+beschouwen en maakte een beweging om op te staan, toen zich in de
+laan waarop de rustbank het uitzigt gaf, eene figuur vertoonde,
+wel geschikt om Siddha's opmerkzaamheid te trekken en zijne
+gedachten voor 't oogenblik af te leiden van het gesprokene.
+
+'t Was een lange, magere, bronskleurige gedaante, kaal geschoren
+behalve een enkele lange haarvlok op het glimmend voorhoofd,
+regterarm en borst ontbloot, maar omhangen met het heilig koord
+der Brahmanen, en voor 't overige de knokerige leden in een eng
+sluitend wit kleed zonder eenig siersel gehuld. Diep lagen de
+grauwe bijna wezenloos voor zich uitstarende oogen in hunne
+kassen, en de holle wangen en sterk uitstekende jukbeenderen
+schenen te getuigen van strenge vasten en harde zelfkastijding.
+Schoon voor mensch of dier niet ligt bevreesd, en ook voor 't
+overige wel aan de verschijning van dergelijke wonderlijke
+gestalten gewend, schrikte toch Siddha een oogenblik voor deze
+eene terug. Menig jongen en krachtigen tijger had hij in de
+bosschen weerstaan en met speer en zwaard geveld, en meer dan een
+geduchte slang had hij onverschrokken den kop afgehouwen, maar
+nooit nog volkomen den afschuw kunnen overmeesteren, die hem bij
+den plotselingen aanblik van een schuffelenden adder of een
+eensklaps uitschietenden schorpioen beving, ook al vreesde hij
+niet terstond de giftige beet.
+
+--Gorakh, de Yogi,--verklaarde Salhana,--priester van den Doerga-
+tempel, ginds op den berg. Bejegen hem met ontzag. Hij verdient
+het en heeft meer te beteekenen dan gij alligt vermoedt.
+
+Sluipend bijkans, meer nog dan gaande, de beide mannen, die
+inmiddels opgestaan waren, naderend, sprak de priester, terwijl
+hij de beide handen zaamgevouwen naar het voorhoofd bragt, op
+langzaam sleependen toon en sommige lettergrepen op wonderlijke
+wijze rekkend:--
+
+--Om! om! U zij de gunst van den Heer der Wereld en van Doerga,
+zijne glorierijke gemalin! Om!
+
+--Wees gegroet, eerwaarde Gorakh! antwoordde Salhana op die
+zonderlinge toespraak,--zie hier mijn neef, Siddha Rama uit
+Kacmir, van wien ik u vroeger reeds gesproken heb.
+
+--Hij zij gegroet!--was Gorakh's plegtig antwoord,--en moge hij
+eenmaal, den strijd der tweeheid te boven, de zegeningen
+doorgronden van het ter oneindige zaligheid leidend eenheidsbewustzijn,
+waarin gij, mijn leerling en vriend! reeds meer en meer den waren weg
+des heils begint te herkennen!--Doch,--vervolgde hij na een oogenblik
+niet minder plegtig zwijgen,--dat levenservaring hem eerst dien weg
+bereide, gelijk ze u en mij dien gewezen heeft! Gunnen we hem den tijd,
+dien de leerling behoeft! Trouwens, ik ken hem, en weet dat hij eenmaal
+tot de onzen zal behooren.--Nog onlangs,--en hier wendde hij zich
+onmiddelijk tot Siddha,--nog onlangs heb ik u ontmoet.
+
+--Vergeef mij, Eerwaarde Heer!--zei de toegesprokene,--zoo ik 't
+van mijn kant mij niet herinner....
+
+--Dat kunt gij ook niet,--werd hem geantwoord;--ik was op dat
+oogenblik onzigtbaar voor menschelijk oog.
+
+Te wel bekend met de wonderlijke beweringen der Yoga-belijders,
+dat ze bij voorkomende gelegenheden zich onzigtbaar konden maken,
+en dergelijke, vergenoegde zich Siddha met stilzwijgend den
+priester aan te hooren, toen deze tot zijn verbazing voortging:
+
+--Het was op dien avond toen gij den tijger van den kluizenaar
+zocht te vervolgen, en.... Maar wij spreken elkaar nog wel nader!
+De edele Salhana verlangt thans mijn onderhoud. Tot later dan,
+vaarwel! U zegene Doerga's magtige gemaal!
+
+En met doffe stem zijn--Om! Om!--prevelend, verwijderde zich de
+Doerga-priester met Salhana, die, zijn neef een--Tot straks!--
+toeroepend, hem alleen liet in den hof.
+
+De laatste mededeeling van den Yogi was wel geschikt om Siddha's
+verwondering op te wekken. Hoe wist die man wat er ginds met hem
+in 't gebergte was voorgevallen, waar hij buiten zijn eigen
+reisgezelschap geen enkel menschelijk wezen had bespeurd? Het
+gezigt van zijn dienaar, dien hij op eenigen afstand daar tusschen
+de boomen zag dwalen, bragt hem inmiddels op eene gedachte, die,
+meende hij, alligt het raadsel kon oplossen.
+
+--Vatsa!--zeide hij, den man wenkend,--hebt gij of Koelloeka's
+dienaar zoo even of daar straks met een priester gesproken?
+
+--Neen, Heer!--antwoordde Vatsa,--wij hebben zelfs geen priester
+gezien.
+
+--Niet?--vroeg Siddha, thans wezenlijk verbaasd,--nu, goed dan!
+Gij kunt gaan!--En terwijl hij met de hand wenkte, prevelde hij
+half verstoord en toch ook half verschrikt, in zichzelf:--ik moet
+er Koelloeka eens over spreken!
+
+Doch hoe kon nog eenig priester of wat ook een oogenblik langer
+zijne gedachten bezighouden, toen hij, een eind weegs voortgewandeld,
+het wit gewaad en de slanke gestalte van Iravati gewaar werd onder het
+digte lommer der mango's aan den oever van een kleinen lotusvijver,
+besproeid door een zacht klaterende en aangename koelte verspreidende
+fontein? Bloemen lagen om haar heen en een nog onafgewerkten krans hield
+zij in de hand. Doch zoodra niet hadden voetstappen in de nabijheid hare
+opmerkzaamheid getrokken en nauw had zij Siddha herkend, of zij wierp
+den krans weg, en snelde haar minnaar met zaamgevoegde en ter hoogte
+van het voorhoofd opgeheven handen te gemoet. Hartstogtelijk drukte
+Siddha ze in de zijnen, en de geliefde terugleidend zette hij naast haar
+zich neder in het mos.
+
+--Wat uw vader toch een wreed man is,--sprak hij,--ons terstond
+zoo weer te scheiden, nadat wij nauwlijks een paar woorden
+gewisseld hadden!
+
+--Wel!--zei Iravati,--gij moest hem eer bedanken, dat hij ons
+toestaat, elkaar zoo alleen te spreken. Dat is hier lang niet
+allen vergund, die in ons geval verkeeren.
+
+--Nu goed!--hernam Siddha,--daarvoor wil ik hem van harte dankbaar
+zijn, en te hooger waardeer ik dit gelukkig oogenblik, naar ik te
+langer er op wachten moest. Doch hoe nu? Gij deelt dunkt mij niet
+geheel in mijne blijdschap; wat mag de reden daarvan zijn?
+
+--Ach!--zuchtte Iravati,--hoe ware 't geluk onverdeeld als men
+weet dat het zoo kort is van duur? Welligt of waarschijnlijk is
+dit het eenige korte oogenblik dat we voor langen tijd elkander
+vrijelijk mogen spreken. En morgen gaat gij weer verder, naar de
+weelderige, woelige stad, waar gij een eenvoudig meisje als ik ben
+alras zult vergeten....
+
+--Vergeten!--riep Siddha uit,--heb ik dergelijk vermoeden aan u
+verdiend? En wat is ook eene afwezigheid van misschien enkele
+maanden? Keert dan,--vroeg hij met de woorden van Amaroe, terwijl
+hij hare hand vatte, en haar nader ter zich trok,--"Keert dan wie
+gaat, niet terug? Hoe dus: mijn liefste! zoo treurig? Blijft niet mijn
+hart als mijn woord, scheiden we ook straks, u verpand."
+
+
+--Ja,--zei Iravati lagchend,--als dichters ons troosten konden!
+Maar vertel mij, Siddha! hebt gij nog nooit een vers op mij
+gemaakt?
+
+--'k Wilde dat ik het kon,--was het nederig antwoord,--en
+inderdaad ik heb 't wel eens beproefd, maar wat ik ook zocht, ik
+vond nooit iets uwer waardig. Daarentegen is er een andere kunst,
+waarin ik misschien iets beter ben bedreven dan in poezie, en wat
+ik daarin beproefde wil ik niet voor u terughouden.--
+
+En een klein met edelgesteenten omzet medaljon uit zijn gordel te
+voorschijn halend toonde hij zijne verloofde een miniatuur
+portret, waarin zij wel terstond haar eigen beeld moest herkennen.
+
+--Siddha!--riep zij blijde uit,--maar ik ben immers lang zoo
+schoon niet!
+
+--Zoo schoon niet!--herhaalde hij,--neen, maar wel honderdmaal
+schooner dan mijn penseel of dat van een ander u afbeelden kan!
+
+En in zeker opzigt had hij gelijk. Want, naar Indischen smaak, had
+hij de doorsnee der oogen en de grootte van den mond een weinig
+overdreven, terwijl juist de volkomen evenredigheid van beide met
+de overige trekken een van Iravati's wezenlijke schoonheden was.
+
+--Maar hoe nu?--vroeg hij verschrikt, terwijl zijne gezellin
+eensklaps was opgestaan en snel aan zijne armen ontsnapte, die
+haar trachtten te omvatten,--hoe nu? gij neemt de vlugt?
+
+--Wacht mij even!--sprak zij,--in een oogwenk ben ik bij u terug.
+
+Met de vlugheid der gazelle zag hij tusschen de boomen haar den
+weg nemen naar het paleis, als zwevend de breede marmeren trappen
+bestijgen en weinige oogenblikken later terugkeeren met een niet
+terstond uit de verte herkenbaar voorwerp in de hand. Toen, hem
+weer genaderd, vertoonde zij hem, terwijl een blos hare wangen
+overdekte en hemzelven een uitroep ontsnapte van blijde
+bewondering, zijn eigen, welgelijkend, maar ditmaal werkelijk een
+weinig geidealiseerd portret.
+
+--Liefste mijn!--sprak hij in vervoering, en eer ze zedig zich kon
+terugtrekken had hij haar middel omvat en een vurigen kus op de
+frissche rozeroode lippen gedrukt.
+
+--Zie! sprak zij,--de onstuimige omhelzing zachtkens afwerend,--
+nu zou mijn vader toch tevree met ons zijn! We hebben juist gedaan
+zooals de prinsen en prinsessen, waarvan onze nationale
+vertellingen spreken; die maakten ook elkaars portret.
+
+--Niet volmaakt juist, lieve!--verbeterde Siddha,--ze maakten hun
+eigen portret, en ruilden dan met elkaar, of als ze elkander
+afbeeldden, dan ruilden ze toch. Maar ik vind onze manier toch
+beter; de hunne scheen mij altijd in 't eene geval een blijk van
+verregaande ijdelheid, en in 't andere heel doelloos.
+
+--Foei!--zei Iravati bestraffend,--maakt gij aanmerkingen op de
+schriften der Ouden? Wie weet of gij straks niet onze heilige
+boeken zelf zoudt gaan kritiseren!
+
+--Nu ja, en waarom niet?--vroeg Siddha,--als ze nu eenmaal hier of
+daar mis hebben of smakeloos zijn, of....
+
+--Gij zijt toch, hoop ik, geen twijfelaar?
+
+--Twijfelaar? Aan wat?
+
+--Aan het gezag der heilige Veden, bij voorbeeld, of aan....
+
+--Kom, beste!--viel Siddha de schoone spreekster lagchend in de
+rede,--kom! laten we nu in deze weinige oogenblikken, die ons nog
+gegund zijn, niet doen als zoovelen onzer landgenooten, die elkaar
+haast nooit kunnen ontmoeten of ze doen elkander allerlei
+theologische en philosophische vragen.
+
+--Gij hebt gelijk,--hernam Iravati,--en zie, ik weet ook een
+spelletje dat veel aardiger is, en dat gij ook wel kent. Let op!
+
+En zich vooroverbuigend naar den kant van den vijver, plukte zij
+een donkerblauwe lotusbloem, nam een groot langwerpig boomblad dat
+daar op den grond lag, en, na het vlug tot een soort van schuitje
+omgebogen te hebben, den lotus daarin stekend, liet zij het blad
+drijven op het zacht door de beweging der fontein bewogen
+watervlak.
+
+--Die bloem is mijn Siddha,--sprak ze half in zichzelve,--laat
+ons nu zien of hij mij trouw zal blijven!
+
+--Neen!--sprak Siddha op zijne beurt verwijtend,--dat is een gek
+spel! Dat moet gij niet spelen!
+
+Maar Iravati luisterde nauwelijks en zag met ademlooze
+belangstelling naar het dobberend boomblad uit, dat daar vrolijk
+op de kabbelende golfjes danste.
+
+--Trouw! trouw!--juichte zij....
+
+Daar streek een ligt zuchtje van den zuidenwind over het water;
+het ranke vaartuig helde ter zijde, kantelde, en vertoonde weldra
+niet meer dan het ondervlak, terwijl de lotus verdween.
+
+--Helaas!--riep Iravati uit en liet het hoofd op de borst zinken,
+--mijne voorgevoelens zouden mij dan niet bedriegen?
+
+--Foei! zeg ik nu van mijn kant,--sprak Siddha,--eene edele wel
+opgevoede jonkvrouw hecht aan zulke dwaasheden, die hoogstens te
+vergeven zijn aan onnoozele boerenmeisjes! En zoo stelt gij dan
+meer vertrouwen in een boomblad, dat van zelf wel moet omvallen
+als ge 't maar lang genoeg drijven laat, dan in het eerewoord van
+een Indisch edelman, die u zijne trouw heeft gezworen als gij de
+uwe aan hem?
+
+--Ach, Siddha!--zuchtte Iravati,--heb medelijden met mij als ik
+mij soms wat kinderachtig aanstel! En is mijne onrust u geen blijk
+hoe ik u liefheb? Mag ik niet soms, hoe groot ook mijn vertrouwen
+op uw woord en uwe liefde is, met zekere onrust denken aan die
+stad waar gij heengaat en waar u wie weet het welke verzoekingen
+wachten? Toch had ik daareven groot ongelijk, dat erken ik; en,--
+vervolgde zij, haar hoofd aan Siddha's schouder leunend,--ik weet
+immers ook, dat Siddha de mijne is, nu en voor altoos en dat er
+geen andere vrouw bestaat, die mij ooit zijn hart kan ontrooven!
+
+Haar middel omvattend, zag Siddha de geliefde zwijgend aan; maar
+die blik zeide meer dan de krachtigste betuigingen, en nameloos
+gelukkig vleide zich Iravati aan zijne borst.
+
+Een gerinkel van ringen in de nabijheid deed beiden opzien, en uit
+Siddha's omhelzing zich loswindend, zeide Iravati:
+
+--Ons zamenzijn, vriend! is geeindigd; daar komt Nipoenika, mijne
+dienares, ons waarschuwen.
+
+Inderdaad verscheen een oogenblik later de dienares, wier gouden,
+om de bronskleurige enkels en armen sluitende ringen onder 't gaan
+het zooeven vernomen geluid hadden veroorzaakt, en meldde hare
+meesteres dat de Goeverneur haar uitnoodigde, naar hare vertrekken
+terug te keeren en zijn neef verzocht, met hem en Koelloeka aan
+den maaltijd te komen deelnemen.
+
+Met een ligten handdruk scheidde Iravati van haar verloofde, en
+begaf zich met Nipoenika terug naar het paleis. Op een afstand
+volgde Siddha om zijn oom en zijn reisgezel in de benedenvertrekken
+te gaan opzoeken.
+
+Aan pracht en weelde ontbrak het niet bij het maal, aangerigt in
+een der kleinere vertrekken, dat met zijn open galerij een
+heerlijk uitzigt leverde op het schilderachtig landschap daar
+omlaag. Zijden, fraai geborduurde kussens, waarop de gasten plaats
+namen, gouden en zilveren schalen in overvloed, keur van spijzen
+en wijnen, tal van dienaren van allerlei gelaatskleur en in allerlei
+kostuum, in een woord al wat overeenkomstig mogt heeten met den rang
+van Salhana als Goeverneur der veste en voor 't oogenblik hoogst
+gestelde onder de bewoners van het vorstelijk paleis. Maar de regte
+vrolijkheid ontbrak aan het deftig feest en geen vertrouwelijkheid was
+denkbaar; alles bleef er vormelijk, statig, stijf; en de gesprekken,
+even onbeteekenend als hoffelijk, werden blijkbaar slechts tusschen de
+drie mannen gevoerd omdat stilzwijgen onbeleefd zou zijn geweest.
+--Hoe anders,--kon Siddha niet nalaten te denken,--hoe anders toch dat
+eenvoudige maal bij den kluizenaar in het gebergte!--En 't was of
+Koelloeka ongeveer hetzelfde dacht toen zijn jonge vriend hem even
+aanzag; althans de blik dien hij toen juist in 't ronde wierp en zijn
+nauw zigtbare, door Salhana niet opgemerkte glimlach bewezen wel dat er
+ook iets dergelijks omging in zijne gedachten.
+
+Ten laatste inmiddels liep de lang gerekte maaltijd, waarbij in
+alle deftigheid ook nog al vrij wat wijn was gedronken, ten einde.
+Maar ook het overig gedeelte van den dag leverde voor Siddha geen
+verder genoegen meer op. Wel dwaalde hij een tijd lang onder het
+balkon der vertrekken rond, welke hem de gedienstige Nipoenika,
+hem daar ontmoetend, als die harer meesteres had aangewezen, maar
+Iravati vertoonde zich niet, en toen zij tegen den avond nog
+eenmaal in tegenwoordigheid van haar vader en diens gasten
+verscheen, was het enkel om een kort afscheid te nemen, even
+vormelijk als de eerste begroeting in den morgen was geweest.
+
+Vroegtijdig met het krieken van den dag moest den volgenden morgen
+de reis worden voertgezet, om onder behoorlijke middagrust de
+hitte van den dag te kunnen ontwijken, en vroeg dus begaven de
+reizigers zich naar hunne vertrekken.
+
+Doch zoo noodig de rust hem ook ware, de jongste der beiden kon
+zoo terstond ze niet vinden, toen hij in 't voor hem gereed
+gemaakte vertrek was aangekomen; en ongenegen dadelijk zijn
+rustbed op te zoeken, begaf hij zich, na zijne wapens te hebben
+afgelegd, nog voor eenige oogenblikken aan het open venster, dat,
+aan de achterzijde van den burgt, het uitzigt verleende op de ook
+daar aangebragte vestingwerken en de hier omheen liggende, nu in
+nachtelijke schemering gehulde bosschen, waarachter zich weder
+heuvelen en enkele hoogere, hier en daar met tempels en andere
+heiligdommen gedekte bergen verhieven.
+
+Niet enkel Iravati's beeld echter was het wat op dit oogenblik hem
+bezig hield. Ook de staatkundige gesprekken met zijn oom en de
+zonderlinge ontmoeting met den geheimzinnigen priester rezen weer
+op voor zijn geest. Dat deze door een of anderen kunstgreep achter
+het voorval met den tijger was gekomen, begreep hij wel, al kon
+hij niet ontdekken hoe; maar waartoe moest dat alles dienen, en
+wat wilde die man eigenlijk? En Salhana, de Goeverneur? Viel er
+vertrouwen te stellen in diens karakter, moesten zijne aanduidingen
+gevolgd en werkelijk voor Koelloeka verzwegen worden wat er dien morgen
+verhandeld was? Of ware 't niet noodig hem daarover te raadplegen?
+
+Eene onverwachte verschijning op den eersten ringmuur, waarvan de
+lage borstwering scherp uitstak tegen de wel reeds nachtelijke
+maar toch heldere lucht, deed Siddha een oogenblik het onderwerp
+zijner overpeinzingen vergeten om spoedig zijne gedachten nogmaals
+daarop terug te brengen.
+
+Boven de borstwering namelijk vertoonden zich eensklaps halverwege
+twee gestalten zonder dat hij begreep hoe zij, terwijl hij toch
+juist op den muur gestaard had, er zoo in eens waren gekomen; en
+spoedig herkende hij aan hunne gedaanten, schoon hij de
+gelaatstrekken niet onderscheiden kon, zijn oom, den Goeverneur,
+en Gorakh, den Doerga-priester. Al weer die twee te zamen en in
+dit late uur! Doch het wonderlijkste van de verschijning was
+misschien nog de gansch veranderde houding van beiden. Geen zweem
+meer van hunne vroegere stijfheid en statigheid. De een
+gesticuleerde al harder dan de andere bij het blijkbaar zeer
+levendig gesprek, terwijl zij nu eens naar het kasteel, dan weer
+naar het gebergte aan de overzijde wezen. Het onderhoud bleef in
+vollen gang tot het eensklaps gestoord werd door de verschijning
+van wederom nieuwe figuren, die een voor een achter elkaar langs
+den ringmuur zich voortbewogen. Dunne, magere gestalten allen, en
+bijkans geheel naakt, met uitzondering van een wit, om den hals
+gewonden koord, dat ook in de schemering nog door het verschil met
+hunne donkere huidskleur zigtbaar bleef. Aanstonds bij hunne komst
+was Salhana, waarschijnlijk langs een uit het paleis onzigtbare
+trap, even snel verdwenen als hij straks gekomen was. De priester
+had onmiddelijk al zijne statigheid weer aangenomen, en met de
+regterhand naar een der hoogste bergen wijzend, stelde hij zich
+aan het hoofd van den stoet, en daalde met dezen langs den muur
+naar het aan den voet der rots gelegen donkere woud omlaag. Een
+lange reeks van gedaanten, alle nagenoeg volkomen op de eerste
+gelijkend, volgde hem, en Siddha had lang opgehouden te tellen
+toen hij de laatste in de duisternis van het bosch verdwijnen zag.
+
+Eene ligte huivering had zijns ondanks hem bevangen toen hij die
+zonderlinge gestalten daar voorbij zag trekken en hun uitwendig
+voorkomen met den naam der godin in verband bragt, aan wier dienst
+zich Gorakh heette gewijd te hebben, en wier tempel op gindschen
+berg zij thans waarschijnlijk met hem gingen bezoeken. Kon het dan
+waar zijn dat die sekte nog bestond, waarvan hij zoo menigmaal
+gehoord had, maar die hij lang uitgeroeid of uitgestorven waande,
+dat geheimzinnig verbond van daemonen in menschengedaante, dat zoo
+lang de plaag en de schrik van Hindostan was geweest, het
+vreeselijkst voortbrengsel welligt, dat ooit godsdienstig
+fanatisme had uitgebroeid? En met een aanvoerder van dergelijke
+bende zou zijn oom, de dienaar des Keizers in verstandhouding
+zijn? 't Was inderdaad niet te gelooven, en lagchend om zijn eigen
+dwaze voorstellingen verliet Siddha het venster, en wierp zich,
+haastig ontkleed, op zijne legerstede.
+
+Vermogt hij ook nu nog niet spoedig den slaap te vatten, en dwaalden
+nog lang de tegenstrijdige beelden van Iravati en Salhana en Gorakh met
+diens naakte bruine volgelingen hem door het hoofd, tot een vast
+besluit was hij toch gekomen eer hij insliep: met Koelloeka zou hij
+niet spreken over 't geen hij dien dag gehoord en gezien had. Dat zijn
+oom in geheimen was gewikkeld, bleek hem duidelijk genoeg, maar voor
+een staatsman was dat zoo onnatuurlijk niet, en niets bewees hem dat
+zij iets misdadigs hadden, terwijl toch de ontdekking alligt van
+nadeelige gevolgen voor Salhana en misschien ook voor diens naaste
+betrekkingen kon zijn. Was dan hij, Siddha, nu geregtigd het een of
+ander uit te brengen, aan wien dan ook, wat een vertrouwelijk gesprek
+of een louter toeval hem daaromtrent had bekend gemaakt? Koelloeka zelf
+zou ongetwijfeld de eerste zijn om dergelijke handelwijze af te keuren.
+
+
+
+DERDE HOOFDSTUK.
+
+Agra
+
+Vrolijk trompetgeschal wekte Siddha uit zijne ligte
+morgensluimering. Haastig opspringend, zag hij uit het venster het
+groote plein van den burgt met eene menigte ruiters overdekt,
+sommigen hunne paarden afzadelend, anderen bezig met op te stijgen
+en zich in gelid te stellen. Voor de eene helft de ruiters, die
+uit Allahabad naar Agra stonden te vertrekken en met wie onze
+reizigers den togt derwaarts zouden ondernemen, voor de andere de
+krijgslieden, die eerstgenoemden kwamen vervangen. Reeds zag de
+jonge edelman zijn dienaar met den schimmel op hem wachten, en
+vlug maakte hij zich tot het voortzetten der reize gereed. Weinig
+tijds later zat hij te paard, terwijl ook eenige oogenblikken
+daarna Koelloeka met den Goeverneur verscheen.
+
+Nog even inmiddels vond Siddha, eer de stoet zich in beweging ging
+stellen, de gelegenheid om langs de bastions den hoek om te rijden
+tot aan het balkon, waar hij den vorigen namiddag zoo herhaaldelijk naar
+had opgezien. Ditmaal werd hij niet geheel in zijne verwachting bedrogen.
+Tusschen de planten die het balkon bedekten ontwaarde hij terstond eene
+hem wel bekende, in 't wit gehulde gestalte, die bij zijne nadering met
+een luchtig op den zachten wind fladderend doek wuifde; en toen hij
+digter bij was gekomen daalde dit langzaam neder zoodat hij, met eene
+vlugge wending van zijn paard, het op de punt zijner lans kon opvangen.
+
+'t Was een van die schitterend gekleurde en ragfijne weefsels van
+Kacmir, die de wanhoop van alle wevers der wereld uitmaakten en
+die zich even ligt door een vingerring lieten trekken als tot
+sluijer gebruiken of tot een tulband zamenvouwen. Snel kuste hij
+'t voor hem onwaardeerbaar afscheidsgeschenk, wond het in een
+oogwenk om het gevest van zijn sabel, en toen met de hand wenkend
+ten laatsten groet, was hij dra in eenige sprongen bij zijne
+reisgenooten terug.
+
+Een eind wegs begeleidde nog Salhana, mede te paard, zijne gasten
+en de vertrekkende ruiters. Daarop nam hij afscheid, zijn neef nog
+mededeelend dat hij spoedig hem te Agra hoopte terug te zien,
+vermits hij zelf eenige dagen later zich derwaarts dacht te
+begeven; en in gezelschap van den bevelvoerenden officier der
+afdeeling, met wien zij intusschen kennis hadden gemaakt, trokken
+onze reizigers verder.
+
+Meer dan een dag nog duurde de togt. Voor een groot deel door
+zandige, veelal met meer steenen dan boomen bedekte vlakten, soms
+ook over liefelijke begroeide heuvelen, en meest langs of in de
+nabijheid van den oever der Djoemna. Eindelijk werd op weinig
+afstand van Agra des avonds de laatste halt gehouden, en toen nu
+den volgenden morgen na een korten rid de Keizerstad zelve was
+bereikt, zagen de reizigers, ook diegenen onder hen voor wien de
+aanblik niet nieuw meer was, de moeite en de onvermijdelijke
+verveling van den togt zich wel vergoed.
+
+Halvemaansgewijze, langs den tegenovergestelden oever der rivier, lag
+tusschen tuinen en vestingwerken van allerlei vorm de breede rei van
+paleizen en moskeen, die in dezen tijd en nog lang daarna Agra of
+Akbarabad tot een van de schoonste en prachtigste steden der wereld
+maakten. In het midden ongeveer en uitblinkend boven allen verrees het
+paleis van den Keizer zelf, waarvan het hoofdgebouw, van alle zijden
+omringd door kleinere, tusschen de digte boomgroepen der lusthoven
+verspreid, door de keurige voeging zijner roode en glad gepolijste
+zandsteenen als uit een in het zonlicht glanzend granietblok scheen
+gehouwen, en toch, in weerwil van het waarlijk kolossale zijner
+afmetingen, met zijne menigte van puntig uitloopende koepeldaken en
+vlugge slanke torens en als de fijnste kant tegen de lucht uitstekend
+beeldhouwwerk een voorzeker niet minder bekoorlijken dan overweldigenden
+invloed op den beschouwer te weeg moest brengen. En daar omheen de
+paleizen en lusthoven der hofgrooten en der rijke en aanzienlijke
+stadbewoners en de moskeen met hare koepels en minaretten, en hier en
+daar ook nog enkele pagoden, overblijfsels en laatste getuigen van een
+vroegeren, in deze streken althans, overwonnen beschavingstoestand. Wel
+was die aanblik reden genoeg voor den reiziger, en in 't bijzonder ook
+voor hem die de plek voor 't eerst bezocht, om den teugel in te houden,
+ten einde nog eene wijl zich te verlustigen in het gezigt van zooveel
+pracht, en, kon het, een oogenblik na te denken over den indruk daardoor
+veroorzaakt. Een eenig mensch, magtig veroveraar en diep ingrijpend
+hervormer bovendien, was dan voor 't grootste deel de stichter van dat
+alles, dat in eene voormaals nog weinig aanzienlijke plaats als
+eensklaps door eene tooverroede te voorschijn was geroepen uit den
+barren grond? Wat geweldig, wat veelbeteekenend man dat niet zijn moest!
+En een gevoel van beklemdheid greep Siddha aan, toen hij zich
+voorstelde, misschien binnen kort voor dien man te zullen verschijnen
+en welligt zelfs eenige woorden, zij 't ook slechts vormelijke, met hem
+te moeten wisselen.
+
+Weldra intusschen begaf men zich verder en, aan de overzijde der
+rivier gekomen, namen Koelloeka en Siddha afscheid van hun
+reisgenoot, den officier, en begaven zich met hunne dienaren naar
+de woning door een van Koelloeka's vrienden voor hen gehuurd,--een
+eenvoudig maar smaakvol en aangenaam ingerigt huis met een
+vriendelijk uitzigt op omliggende tuinen en op den klaren, in de
+morgenzon glinsterenden stroom in de laagte.
+
+--Komaan, dat treft!--zei Koelloeka toen zij de woning waren
+binnengetreden,--ik zie daar dat onze goederen al met de kameelen
+zijn aangekomen. Nu behoeven wij niet stil te zitten en kunnen
+straks al dadelijk, als we ons wat gekleed hebben, onze opwachting
+bij Aboel Fazl, den Minister gaan maken. Eerst nu een frisch bad;
+en inmiddels kan Vatsa onze zaken helpen uitpakken.
+
+Een half uur later waren beiden tot het voorgenomen bezoek op weg;
+Siddha in een tot de knieen reikend en op de met een parelsnoer
+behangen borst een weinig geopend goudlakensch kleed, en gedekt
+door een niet te grooten, met een veder gesierden tulband, waarin
+hij Iravati's afscheidsteeken had gevlochten; Koelloeka eveneens
+in ietwat sierlijker, min streng eenvoudig gewaad dan hij tot
+dusver gedragen had. Sabel en dolk, meer tot tooi nu dan tot
+voorkomend gebruik, strekten tot wapentuig.
+
+De weg naar het paleis des Ministers was niet lang; en daar
+aangekomen en de voorhoven doorgegaan zijnde, werden de beide
+bezoekers op de vermelding hunner namen terstond naar een der
+binnenvertrekken geleid om daar den Vizier af te wachten. Ook
+stelde deze hun geduld niet lang op de proef. Weldra werd een der
+gordijnen, die het vertrek van de overige scheidden, ter zijde
+geschoven, en Aboel Fazl trad binnen.
+
+Hij was een eenigszins gezet man van middelbare lengte en
+omstreeks een goede vijfig jaar, in een wel eenvoudig, maar toch
+kostbaar gewaad van gele, gebloemde zijde gekleed. Een baard droeg
+hij in 't geheel niet, maar zijn glad gelaat vertoonde niettemin,
+ook in weerwil van zekeren vermoeiden trek, eene uitdrukking van
+mannelijke kracht en sterken, vasten wil, eene uitdrukking tevens
+weer getemperd door den vriendelijken blik zijner donkere oogen.
+
+--'t Verheugt mij, u zoo spoedig hier te zien,--sprak hij na de
+gewone groeten, die van de zijde van Koelloeka en Siddha zeer
+eerbiedig waren;--onze jonge vriend betoont zich daarmede, dank
+zij waarschijnlijk ook uwe aansporing, wijze Koelloeka! niet
+langzaam in 's Keizers dienst.
+
+--'t Ware voorzeker ook een slecht begin,--merkte de aangesprokene
+op,--indien hij een oogenblik langer dan noodig was had gedraald
+om de eervolle betrekking te komen aanvaarden, die uwe gunst en
+die des Keizers hem hebben toegedacht.
+
+--Geen gunst, mijn vriend!--hernam Aboel Fazl--geen gunst, maar
+verstandig beleid, zoo ik hoop. Wij achten hier geenszins nuttig,
+alle betrekkingen steeds in handen te geven van onze eigene
+grooten, en stellen 't ook op prijs als 's lands oorspronkelijke
+edelen zich wijden aan onze dienst. Ook weet gij dat onze
+Radjpoet's ongaarne hun aanvoerders uit anderen dan van hun eigen
+stammen zien gekozen. En wat eindelijk kon mij aangenamer zijn dan
+den zoon van een oud vriend, en van wien ik ook niet dan goede
+getuigenissen vernam, tot een betrekking te roepen die zijn vader
+gewenscht voor hem acht?
+
+--Veroorloof mij niettemin, edele Heer!--sprak nu Siddha toen de
+Minister zweeg--het mij toegezegde als een gunst te blijven
+beschouwen en Uwe Excellentie daarvoor mijn dank en dien van mijn
+vader te betuigen! Ik wil hopen dat ik mij haar niet gansch
+onwaardig zal maken.
+
+--Blijf trouw voor alles!--zei Aboel Fazl ernstig;--'t is een
+voorschrift dat u thans overbodig schijnt; maar als ge wat langer
+hier zijt geweest, zult gij aldra bemerken dat het dit in 't
+geheel niet is in een omgeving waar verraad menigmaal van alle
+kanten loert en zich ook de besten nog wel eens tot ontrouw lieten
+verleiden. Morgen inmiddels zal uw opperbevelhebber u de noodige
+instructien geven voor de dienst. Ook zal hij voorzeker niet
+nalaten u te waarschuwen, wat voorzigtig met uwe Radjpoet's te
+zijn. Want, gij weet het, velen hunner, al bekleeden zij geen
+bepaalden militairen rang, zijn edelen als gij, en willen dus niet
+zoo geheel behandeld worden als gewone soldaten. Voor 't oogenblik
+zult gij, naar ik onderstel, wel eens wat meer van de residentie
+willen zien dan gij tot nogtoe er van gewaar zijt geworden. Ik wil
+u dus niet langer terughouden.--Doch wacht nog even,--sprak de
+Minister, toen Siddha zich gereed maakte te vertrekken,--een
+geleider zal u niet onwelkom zijn, en ik meen u een geschikten te
+kunnen aanwijzen.--Daarop in de handen klappend, vroeg hij den
+spoedig verschenen dienaar:--Is mijn neef Parviz hier?
+
+--Ik zag hem zooeven nog in den hof gaan,--antwoordde de dienaar.
+
+--Zeg, dat ik hem hier wensch te zien!
+
+Weinige oogenblikken later verscheen een jongman van ongeveer
+Siddha's leeftijd, rijk gekleed en met juweelen en paarlen gesierd
+en van een bevallig en innemend, schoon ook in weerwil van zijn
+fijnen zwarten knevel ietwat vrouwelijk voorkomen.
+
+--Parviz!--zei Aboel Fazl,--zie hier de beide heeren uit Kacmir,
+waarvan ik u de komst gemeld heb. Den edelen Siddha zult gij hoop
+ik al spoedig uw vriend mogen noemen. Thans wilt gij hem alligt
+wel tot gids strekken in onze stad, die hij voor 't eerst bezoekt.
+
+--Gaarne, oom!--antwoordde Parviz, terwijl hij Siddha beleefd en
+vriendelijk tevens groette,--'t zal mij niet minder genoegen zijn
+dan eer.
+
+--Zoo gaat dan!--hernam de Minister.--Koelloeka zal misschien nog
+wel enkele oogenblikken hier willen vertoeven om met mij sommige
+belangen van Kacmir te bespreken. Doch, mijne heeren!--zeide hij
+nog in 't bijzonder tot Siddha en den Brahmaan,--vergeet vooral
+niet nog heden mijn broeder Feizi een bezoek te brengen! Hij zou
+'t u erg kwalijk nemen als gij 't uitsteldet tot morgen, al werd
+mij de voorrang ook gaarne door hem gegund.
+
+En op een vriendelijken wenk van den Staatsdienaar verwijderden
+zich de beide jongelieden en verlieten gezamenlijk het paleis.
+
+--Kom!--zei Parviz, toen zij buiten waren,--'t is gelukkig nog zoo
+heel warm niet, en we konden dus wel eens dadelijk het eerste gaan
+zien waar een bezoeker van Agra wel voor alles heengaat, het
+paleis van den Keizer. Ten minste als de wandeling u niet te zwaar
+is na uw morgenrid.
+
+--Och!--antwoordde Siddha, spoedig gemeenzaam met zijn nieuwen
+vriend,--om de warmte geef ik in den regel al even weinig als om
+de kou, wij zijn er in onze bergen wel aan gewend. En ook niet om
+een weinig moeite. Maar ongaarne zou ik u last veroorzaken om mij
+iets te laten zien wat gij zelf natuurlijk al lang kent.
+
+--Nu,--hernam Parviz wat spotachtig,--zoo'n ijzervreter ben ik wel niet
+als gij, die daar uit de hooge bergen en wilde bosschen komt; maar een
+wandelingetje kan ik toch nog wel maken, en al kreeg ik 't nu ook wat
+warm, uw gezelschap zal mij de mogelijke vermoeijenis wel doen
+vergeten.
+
+Zoo al pratend en terwijl men elkander 't een en ander omtrent
+eigen betrekkingen en belangen meedeelde, waarbij Parviz onder
+anderen vertelde dat zijn oom, de Minister, hem voor de
+krijgsdienst, waarin hij zelf ook niet veel behagen vond,
+ongeschikt achtte, en hem voor een staatsambt bestemde, kwamen de
+beide wandelaars al spoedig aan de groote, breede straat, die een
+der hoofdtoegangen vormde tot de voorhoven der vorstelijke
+paleizen. Aan het einde dier straat was een hooge, in den vorm van
+een triomfboog opgerigte poort, en deze doorgegaan zijnde kwam men
+op een uitgestrekt, door platanen beschaduwd plein, dat ook nog
+door zes andere bogen van gelijke bouworde en even breede straten
+toegankelijk werd gemaakt. In 't midden verhief zich een kolossale
+steenen olifant, door den tromp bij wijze van fontein en hooge
+waterkolom opspuitend; en de drie andere zijden van het plein
+werden ingesloten door lange reijen van marmeren kolonaden,
+waarachter als trapsgewijze de verschillende verdiepingen der
+hoofdgebouwen omhoog rezen. Was de aanblik misschien minder
+treffend en schilderachtig dan die van de rivierzijde, de
+verbazende uitgestrektheid der paleizen en hunne bijbehoorende
+gebouwen, waaronder ook vestingwerken van velerlei aard, viel
+daarentegen te meer in het oog.
+
+--Gij begrijpt wel,--zei Parviz,--dat we dat alles wat daarbinnen
+is nu niet in eens zien kunnen, ook al waren we nog zoo bestand
+tegen vermoeijenis; wij zouden er toch den tijd niet voor hebben.
+Doch laten we nu dan voorloopig eens het een en ander er van
+bekijken, dan kunt gij u ten minste eenig begrip vormen van het
+geheel. Gaandeweg zult gij er later wel meer van zien.
+
+En een der galerijen binnentredend deed Parviz zich en zijn
+medgezel aan een wachter kennen, die hun terstond een geleider
+medegaf naar de voor bezoekers van hun rang toegankelijke
+binnengebouwen. En nu ging het door lange reeksen van grootere en
+kleinere vertrekken, het eene al rijker en fraaijer gestoffeerd
+dan het andere, alle opgetrokken in den luchtigen en bevalligen
+Moorschen bouwtrant, en waarvan er verscheiden een bekoorlijk
+uitzigt leverden op de uitgestrekte tuinen met hunne frissche
+fonteinen en hun pacht van bloemen en gewassen van allerlei soort.
+Hier marmeren wanden, ingelegd met sierlijke bloemen van keurig
+mozaiekwerk; daar spiegels van alle kanten en fijne, haast
+onzigtbare fonteinen, wier dunne stofregen een heerlijke koelte
+verspreidde; allerwege goudlakensche of zijden, met goud- en
+zilverdraad gestikte gordijnen en voorhangsels van velerlei naar
+den aard der overige versierselen wisselende kleur, en zware
+tapijten en zachte zijden kussens, waarop in die omgeving zich uit
+te strekken op zich zelf reeds een genot mogt zijn geweest.
+
+--Daar ginds, aan den anderen vleugel,--zei Parviz weder,--zou
+men u nog veel meer fraais kunnen toonen; maar daar kunnen wij
+natuurlijk niet binnenkomen: 't zijn de vrouwenvertekken. Ik heb
+eens een kijkje gehad in een paar daarvan, toen ze pas waren
+afgewerkt en nog niet bewoond werden; ja, wat daar niet al aan ten
+koste moet zijn gelegd! Maar ik schenk u de beschrijving; gij hebt
+al genoeg te kijken en dus zeker ook weinig lust om nog meer aan
+te hooren. Is,--vroeg hij den geleider,--de groote audientie-hal
+open?
+
+--Neen, Heer!--antwoordde de ander,--voor 't oogenblik niet; maar
+over een paar dagen....
+
+--Nu, 't maakt ook niet uit,--hernam Parviz.--Binnenkort,--
+vervolgde hij tot Siddha,--zal er wel openbare audientie zijn en
+dan kunnen wij er heengaan. En van de vertrekken die de Keizer
+zelf bewoont, zult gij later misschien wel meer gewaar worden.
+Laat ons voor 't oogenblik nog wat bijzaken gaan opnemen, die het
+zien toch ook nog wel waard mogen heeten.
+
+Langs hooge en breede zuilengangen, waarbinnen zich een menigte
+van dienaren en krijgslieden van allerlei rangen bewoog, soms ook
+door de regte en lange lanen van het park, wandelden nu de
+bezoekers voort, terwijl Parviz zijn medgezel de bestemming der
+verschillende zalen en gebouwen aanduidde. Hier de Keizerlijke
+bibliotheek, met hare rijk gebonden handschrfften, ginds de
+werkplaatsen der goudsmeden en juweliers, de laboratorien ter
+vervaardiging van reukwerken, de uitgebreide magazijnen en
+keukens, en eindelijk ook, behalve nog de arsenalen der vesting,
+de stallen der paarden, olifanten en kameelen, die meer in 't
+bijzonder voor den Keizer zelf en zijn gevolg waren bestemd.
+
+Tot dusver had Siddha gemeend, toch ook nog wel begrip van
+paleizen te hebben; nu echter begon hij tot de overtuiging te
+komen, dat hij er eigenlijk nog nooit een gezien had. Niet weinig
+vooral verbaasde hem de uitgebreidheid van die stallen, die van
+boven en uit de verte beschouwd, zich als heel een afzonderlijk
+dorp vertoonden te midden van de parken waarbinnen ze waren
+opgerigt.
+
+--Wat menigte van edele dieren daar niet zijn moet,--merkte hij
+op.
+
+--Ja,--antwoordde Parviz,--een goede honderd olifanten zijn er
+onder anderen stellig wel hier; hoeveel er elders nog voor den
+Keizer worden gehouden weet ik niet met zekerheid; naar men zegt
+moet hij er nog heel wat bezitten en een evenredig aantal kameelen
+en paarden en jagt-luipaarden.
+
+--Maar,--vroeg Siddha,--wat heeft een man, al is hij ook Shah
+Akbar, nu toch eigenlijk aan zooveel overdaad in alles?
+
+--Hij voor zich zelf niet veel,--was het antwoord,--en misschien
+minder nog dan gij wel meenen zoudt. Geboren in een wildernis,
+toen zijn vader als balling rondzwierf, en opgevoed in een
+legerkamp, hecht hij volstrekt niet aan al die inderdaad
+overmatige weelde, en zou ongetwijfeld met oneindig minder tevrede
+zijn; maar hij is overtuigd en, naar ik geloof, volkomen teregt,
+dat een vorst als hij, in deze landen en onder al die volken en
+grooten waarover hij heerscht, een indrukwekkende praal niet
+minder van noode heeft dan een sterk leger en ervaren staatsmannen. Wij
+allen, Perzen, Mongolen, Arabieren of Hindoe's gijlieden zoo goed als
+wij, zijn nu eenmaal gewoon daartegen op te zien en te meer ontzag voor
+den monarch te hebben naar hij meer uiterlijk vertoon maakt. Doch als ge
+nu meent dat met al die vertooning ook verkwisting zamengaat, dan zoudt
+ge u niet weinig vergissen. Ik durf u ten stelligste te verzekeren dat
+er in waarheid niets wordt weggeworpen, en al wordt er soms ook
+gestolen, heel veel kan 't betrekkelijk niet zijn. Want tot in de
+kleinste bijzonderheden van deze ontzaggelijke hofhouding heerscht
+even strenge regel en orde als in de verschillende afdeelingen van
+het staatsbestuur, die bijkans overal in het rijk van den Grooten
+Mogol als voorbeeld kunnen gelden van een verstandige administratie.
+Mijn oom Aboel Fazl is bezig dat alles nauwkeurig te omschrijven in zijn
+groote werk over de instellingen en het bestuur van den Keizer, in zijn
+Ain i Akbari, waarbij hij mij wel eens een handje laat helpen. Eene zaak
+met dat al is er, waarin men Akbar soms wel eens verkwistend mogt noemen.
+Als 't namelijk geldt, anderen bij te staan die zich in moeilijkheden
+bevinden of behoeftig zijn, en eenige aanspraak op zijn mildheid kunnen
+maken, of ook wel de bevordering van wetenschap en kunst, dan hebben
+zijn schatmeesters dikwijls moeite genoeg hem binnen de redelijke
+grenzen te houden. Maar nu!--vervolgde Parviz na een oogenblik
+stilzwijgen,--'t wordt nu waarlijk onze tijd om naar huis te gaan;
+de zon begint al te branden en ik wil u ook wel bekennen dat ik
+wat vermoeid ben. Als we hier nog langer bleven ronddrentelen zou
+ik veel lust hebben hier of daar op een rustbank neer te vallen en
+er de koelte van den avond af te wachten; maar daar hebben we niet
+veel aan, en dan verloopen we ook ons maal.
+
+--Zoo laat ons den terugtogt dan aannemen!--antwoordde Siddha,--en
+ik dank u inmiddels van harte voor uw vriendelijk geleide. Gij
+hebt mij hier al haast den weg geleerd.
+
+Langs een bijpad aan de andere zijde der tuinen en gebouwen leidde
+nu Parviz zijn vriend naar diens woning terug, en daar afscheid
+nemend, zeide hij:
+
+--Gij zult het morgen waarschijnlijk wel te druk hebben met
+dienstzaken om nog verder de stad te bezigtigen of uitstapjes te
+maken. Doch zoo gij overmorgen of later wilt, ik ben gaarne tot uw
+dienst. Laat mij 't maar eens weten, of ik kom u misschien ook wel
+opzoeken.
+
+De beide jongelieden gaven elkaar de hand, en in een koel vertrek
+zijner woning ging Siddha de middagrust genieten, die ook hem op
+dit oogenblik toch niet onwelkom was.
+
+Tegen 't vallen van den avond begaf hij met zijn ouderen vriend
+zich weer op weg om Feizi, den broeder des Ministers, het
+voorgenomen bezoek te brengen. Eene aangenaam tusschen digte
+boomgroepen gelegen en betrekkelijk niet uitgestrekte maar toch
+rijk en smaakvol gebouwde villa diende Aboel Fazl's jongeren
+broeder tot woning. Aanstonds werden ook hier de bezoekers
+toegelaten en bij den bewoner aangediend; weinige oogenblikken
+daarna verscheen een dienaar om hen binnen te leiden in Feizi's
+eigen vertrek.
+
+Daar, in de nabijheid van het balkon, dat voor een groot deel zich
+uitbreidde langs het gebouw, zat aan een kunstig bewerkte tafel,
+met velerlei handschriften bedekt en door menigte van anderen op
+den grond liggende omringd, een man in de kracht zijns levens, met
+de schrijfstift in de hand en voorover gebogen over zijne papieren
+en perkamenten. Zoodra hij de bezoekers gewaar werd, stond hij op,
+trad hen te gemoet, en beiden zonder verdere formaliteiten met een
+eenvoudig: Welkom! de hand gevend, wenkte hij hen, op de voor het
+balkon gespreide kussens met hem plaats te nemen.
+
+Wat Feizi vooral van zijn ouderen broeder onderscheidde, met wien
+hij overigens veel gelijkenis vertoonde, was de opgeruimde,
+joviale uitdrukking van zijn eveneens glad geschoren gelaat en
+eene bijzondere ongedwongenheid van manieren, aan de hoffelijke
+vormen van een man van de wereld gepaard. Ook kenschetste zijn
+kalme en rustige blik meer nog den stillen denker dan den man van
+krachtig, rusteloos handelen, schoon hij als krijgsman toch ook
+menige dappere daad had bedreven en als gezant meer dan eens
+netelige vragen had helpen oplossen voor zijn vorst.
+
+--Ik wist het wel,--zeide hij, terwijl een paar dienaren den
+gasten wijn en ververschingen kwamen aanbieden,--gij zoudt den dag
+niet laten verloopen, waarde Koelloeka! zonder mij, zoo goed als
+mijn broeder, met uw bezoek te verheugen en mij in kennis te
+brengen met uw jongen vriend, dien ik spoedig ook den mijne hoop
+te noemen.--En wat zegt ge nu wel van onze nieuwe stad?--vroeg hij
+aan Siddha.--Gij hebt er toch zeker al 't een en ander van gezien?
+
+--Uw neef Parviz, edele Heer!--antwoordde Siddha,--heeft dezen
+morgen de vriendelijkheid gehad mij door een gedeelte van het
+paleis rond te leiden. Maar om u de waarheid te zeggen, ik kan er
+eigenlijk nog zoo geen oordeel over uitspreken; ik ben voor 't
+oogenblik eenvoudig verbaasd over zooveel pracht en zooveel
+heerlijke kunstwerken. Ik had er mij veel van voorgesteld, maar
+dat alles is mij gebleken ver beneden de werkelijkheid te zijn.
+
+--Dat geloof ik gaarne,--hernam Feizi,--het gaat iedereen zoo, die
+voor 't eerst hier komt. Men mag nog zooveel beschrijvingen van
+Akbar's paleizen gehoord of gelezen hebben, toch staat men nog
+altijd verwonderd als men ze werkelijk ziet. Maar zeg mij,
+Koelloeka! hoe gaat het u tegenwoordig in uw verre Noorden? Ik ben
+benieuwd weer eens iets van uw Kacmir te vernemen.
+
+Gaarne beantwoordde Koelloeka de vraag, schoon in 't algemeen en
+zonder thans te doelen op de weer aangevangen oneenigheden; en ook
+Siddha nam spoedig een levendig deel aan het gesprek. Nooit nog
+had hij met een vreemde zoo snel zich op zijn gemak gevoeld als nu
+met dienzelfden veelbeteekenenden Feizi, des grooten Keizers
+vriend zoowel als raadsman, tegen wiens nu reeds allerwege
+beroemden naam van geleerdheid en kunde hij steeds zoo hoog had
+opgezien. Al spoedig had inmiddels het gesprek het terrein der
+dingen van den dag verlaten en was het overgegaan tot onderwerpen
+van meer algemeenen aard. Vooral ook tot letterkundige.
+
+--Gij bewondert onze paleizen,--sprak Feizi tot Siddha,--en gij
+erkent dat zij uwe verwachting overtreffen; maar mij is 't nog
+gansch anders gegaan, toen ik voor 't eerst kennis maakte met uwe
+eeuwenoude klassieke en geheiligde litteratuur. Onze geloovige,
+maar daarom nog niet heel kundige moellah's hadden mij altijd
+verteld, dat Indische letterkunde eigenlijk niets anders was dan
+een verward en smakeloos zamenraapsel van allerlei gedrogtelijkheden,
+even verderfelijk voor waren kunstzin als gevaarlijk voor het geloof in
+Allah en zijn Profeet. Wat er van dit laatste zijn mag, laat ik daar;
+maar als mijn kunstsmaak als ook mijn zucht naar wetenschap voldaan
+zullen worden dan geschiedt dit vrij wat beter door uwe dichters en
+denkers dan door de onzen. Wat prachtige heldendichten de uwe, wat
+verheven lyriek, wat schitterende drama's, en welke ridderlijke en
+edele, wat humane en zedelijk reine gevoelens in veel van dat alles! En
+welk eene diepte en omvang tevens van gedachten bij uwe wijsgeeren van
+ouds! Maar wat behoef ik ulieden dat te herinneren? Gij weet en begrijpt
+het natuurlijk veel beter dan ik, die niet dan met zware inspanning uwe
+moeilijke, zoo gansch en al van ons Perzisch en Arabisch verschillende,
+klassieke taal kon leeren verstaan.
+
+--Nu, het Sanskrit waait ons tegenwoordigen Hindoe's, die
+natuurlijk meest Hindostani spreken, ook juist niet aan,--zei
+Siddha,--vraag Koelloeka maar eens, hoeveel hij met mij te doen
+heeft gehad om 't mij te leeren.
+
+--'t Ging nog al,--merkte Koelloeka goelijk aan,--maar al heeft
+dan een Feizi in den aanvang zoo goed als ieder ander moeite gehad
+met het leeren der taal, hij heeft wel doen vergeten dat ze
+oorspronkelijk hem niet eigen was, door zijne vertaling van onze
+Kacmirsche kronijk en voorzeker niet minder door zijne treflijke
+navolging van Nala en Damayanti.
+
+--Wat heerlijk dichtwerk, niet waar?--hernam Feizi, die niet
+spoedig was uitgepraat als hij eens over Hindoe-litteratuur
+begon,--en hoever blijft niet elke bewerking in eene andere taal
+beneden het origineel, zoo eenvoudig en toch zoo verheven schoon,
+met die onovertroffen vrouwenfiguur, de edele, reine, bij alle
+beproeving en miskenning, aan haar onwaardigen gemaal zoo
+onwankelbaar trouwe Damayanti! Voor 't overige, als ik soms iets
+navolg dan doe ik 't voornamelijk ten gerieve van Akbar, die
+natuurlijk geen tijd heeft om nog eens vreemde talen te gaan
+leeren en toch alles lezen wil. Zoo heeft hij mij ook al een
+overzetting van de Evangelien opgedragen.
+
+--Van de wat?--vroeg Koelloeka.
+
+--Van de heilige boeken dier mannen uit het Westen, die zich, naar
+den stichter hunner godsdienst, Christenen heeten, en waarvan gij
+toch zeker wel gehoord hebt. Nu, er staat ook veel lezenswaardigs
+in die boeken, en er komen veel verheven en diepzinnige
+denkbeelden in voor, nevens veel onbeduidends en ook onzinnigs,
+even als in uwe theosophien; maar over 't geheel geeft het niet
+bepaald veel nieuws als men uwe theologie en wijsbegeerte eenmaal
+kent. Maar wat mij ook zoo bijzonder steeds bevalt,--dus vervolgde
+hij, zijne lofrede op oud-Indie's beschaving voortzettend,--dat
+zijn uwe spreuken. Hoe laf en zouteloos schijnen mij wederom de
+onze, die voor hooge wijsheid moeten doorgaan, als ik ze bij die
+andere vergelijk! Al had ik er maar deze eene van u geleerd, ik
+zou al genoeg hebben om mij weer moed te geven als ik dien soms
+verlies bij het arbeiden aan mijn manuscripten daar:
+
+"De schat, die niet vergaat, niet wordt geroofd, maar aangroeit,
+ Naar gij hem meer verkwist, die schat heet wetenschap."
+
+
+--Is 't zoo goed?--vroeg hij Siddha, na de regels in 't
+oorspronkelijke te hebben uitgesproken,--of maak ik soms een fout?
+
+Een oogenblik aarzelde Siddha met zijn antwoord, maar Koelloeka
+aanziend, die glimlagchend knikte, antwoordde hij met gepaste
+vrijmoedigheid:
+
+--Eene enkele, Heer! maar trouwens ook een zeer geringe.--En den
+laatsten regel herhalend, verbeterde hij de uitspraak van een der
+daarin voorkomende woorden.
+
+--Nu, ik kom er nog al wel af!--riep Feizi vrolijk uit,--maar
+zegt gij mij nu ook eens een spreuk van Bhartrihari voor! Gij kent
+er toch zeker wel een enkele van buiten.
+
+Siddha dacht een oogenblik na en reciteerde toen:
+
+ "Elk werd geboren die leeft; wezenlijk echter geboren
+ Heel alleen hij, die een naam nalaat aan 't komend geslacht."
+
+
+--Oho!--zei Feizi lagchend,--gij hebt daar in uw Kacmir nog wat
+anders dan Sanskrit geleerd! Gij zijt al vrij wel gevorderd in de
+kunst van vleijen, mijn vriend!
+
+--Vleijen?--vroeg Siddha,--maar zou dan uw naam, als die van uw
+broeder Aboel Fazl tot in de verste streken van Hindostan en zeker
+ook van Perzie doorgedrongen, bestemd zijn om door volgende
+geslachten weer vergeten of door hen niet gewaardeerd te worden?
+
+--Mijns broeders naam!--sprak de ander,--ja, dien zal men niet
+ligt weer vergeten! Al was 't nog niet eens om zijn daden, dan
+toch zeker om zijn onsterfelijk werk, zijn Akbar-Nameh, waarin hij
+bezig is de regeringsgeschiedenis van onzen grooten Keizer te
+beschrijven. Dat wordt eerst een boek, mijne vrienden! waarbij al
+mijn werken en tobben in 't niet verzinken. Ik heb alleen, het
+inziende, hem wel eens de aanmerking gemaakt, dat hij Akbar, die
+toch altijd een mensch blijft en dus ook wel zijne gebreken heeft,
+wat al te zeer in de wolken steekt, en dus alligt in toekomende
+tijden zich den blaam van partijdigheid of zelfs van vorstenvleijerij
+op den hals zal halen. Maar hij wil er niets van hooren, iets op zijn
+lof van den Keizer af te laten dingen.--Als ik,--antwoordt hij mij,
+--niet alles zeggen mag wat ik wezenlijk in gemoede denk van den man,
+die meer is dan mijn vorst, die mijn weldoener is en mijn trouwste
+vriend, dan werp ik mijn gansche boek veel liever in 't vuur!--Nu, gij
+begrijpt, daartegen valt dan niet veel te redeneren. En bovendien men
+kan 't aan Akbar zelf wel merken, al zegt hij 't niet, dat het hem
+gansch niet onwelkom is, zich door zijn vriend, aan wiens oordeel hij
+hooge waarde hecht, zoo geprezen te zien.
+
+--Edele Feizi!--sprak Siddha, nadat er een kort oogenblik stilte
+had geheerscht,--mag ik u eens eene opregte vraag doen?
+
+--Wel zeker!--luidde 't gulle bescheid,--en ik hoop er even
+eerlijk op te kunnen antwoorden.
+
+--Nu dan, toen wij daar van den Minister Aboel Fazl spraken, kwam
+mij eene waarschuwing in de gedachte die hij mij dezen morgen gaf.
+Hij waarschuwde namelijk tegen het verraad dat den Keizer hier
+steeds omringt. Zoudt gij, die zoo verstandig zijt, nu wezenlijk
+meenen dat hier nog lieden zijn kunnen dwaas en tevens misdadig
+genoeg om tegen zoo magtig, zoo groot en zoo weldadig een vorst
+als Shah Akbar zamen te spannen?--of is het werkelijk zoo?
+
+--Och kom!--riep Feizi uit,--mijn broeder ziet ook overal verraad!
+Maar dat is nu eenmaal een Minister, en vooral een eersten, een
+Groot-Vizier, eigen. Maak u echter niet al te beducht; de
+menschen zijn inderdaad zoo slecht niet, en in elk geval niet gek
+genoeg om zich aan dergelijke kunsten te wagen, waarbij ze hun
+hoofd op 't spel zetten met voor 't minst tien kansen tegen een.
+
+--Feizi!--sprak Koelloeka ernstig en half verwijtend,--uwe
+optimistische beschouwingen getuigen ongetwijfeld voor uw goed
+hart; maar denkt gijzelf niet, dat ze soms gevaarlijk mogten
+worden, en bijvoorbeeld jongeren, zooals onzen nog weinig ervaren
+vriend hier, tot onvoorzigtigheid verleiden?
+
+--Nu, maar ik zeg ook niet dat hij onvoorzigtig moet zijn,--
+hernam de ander,--ik meen alleen dat hij nu juist niet behoeft te
+beginnen met zich allerlei voorstellingen omtrent hof- en
+staatsintriges in 't hoofd te halen, maar kloek en blijmoedig het
+leven behoort in te gaan. Zoo begonnen wij allen, en we zijn er
+immers wel bij gevaren. Met al te veel achterdocht aanvangend kon
+hij op 't laatst wel eens niemand meer gaan vertrouwen, ook mijn
+broeder zelf en mij niet.
+
+--Dat in geen geval!--riep Siddha levendig uit, terwijl hij Feizi
+vrijmoedig in 't vriendelijk open gelaat zag,--en zoo min ik ooit
+bedekte vijandschap van uwe zijde zou vreezen, zoo min hebt gij te
+eeniger tijd verraad of trouweloosheid te wachten van wien zoozeer
+prijs stelt op uwe achting en vriendschap als ik.
+
+--Gedenk dat woord!--zei nogmaals Koelloeka op ernstigen toon,--
+en bedenk tevens dat de mensch nooit bij magte is vooruit alle
+omstandigheden en oorzaken te kennen, die eenmaal invloed kunnen
+hebben op 't geen hij gewoon is, kortzigtig, zijn vrijen wil te
+noemen.
+
+--Zie zoo!--sprak Feizi op zijn gewone luchthartige manier,--daar
+zijn we nu weer aan de philosophie. Nu, gij weet, dat behoort ook
+al tot mijn liefhebberijen, al ben ik er juist niet ver in; en als
+mijn geleerde vriend Koelloeka wil, dan laten wij de lichten
+aansteken, want het begint al donker te worden, en verdiepen wij
+ons nog wat in Sankhya en Vedanta, waarin hij zelf zoo sterk is.
+Jammer, dat wij Akbar zoo maar niet kunnen doen uitnoodigen om bij
+ons gesprek tegenwoordig te zijn! Dat was juist weer iets voor
+hem, die de droogste philosophische discussie vermakelijker vindt
+dan de schitterendste feesten.
+
+--Niets liever, geeerde Feizi!--was Koelloeka's antwoord,--dan
+zamen nog menig uur, gelijk wij vroeger zoo dikwijls deden, aan de
+door u bedoelde onderwerpen te wijden; maar voor 't oogenblik is
+'t voor ons meer dan tijd om te gaan. Siddha moet morgen in de
+vroegte reeds op 't appel zijn om zijn kommando over te nemen, en
+ikzelf heb te huis nog heden, al wordt het nacht, verscheiden
+zaken te regelen voor mijn vertrek, dat op overmorgen bepaald is.
+Wilt gij ons dus vergunnen, thans voorloopig u dank te zeggen voor
+uwe, als altijd, zoo vriendelijke ontvangst?
+
+--Ik moet wel, waarde vriend!--antwoordde Feizi, terwijl hij een
+dienaar riep om de bezoekers uitgeleide te doen,--al verzette ik
+mij gaarne tegen uw besluit. Siddha!--zeide hij nog vertrouwelijk
+tot dezen, na afscheid gereed den dienaar en zijn leermeester te
+volgen,--wij spraken daar straks van onvoorzigtigheden.... Waak
+daar tegen! Maar een jong man als gij loopt er bij ongeluk toch
+wel eens in, vooral aan zoo'n hof als 't onze, en mogt dat soms
+eens gebeuren en gij u in verlegenheid bevinden, kom dan gerust
+bij Feizi; die kan u misschien nog wel eens uit den brand helpen.
+
+En zonder antwoord of dank af te wachten keerde de broeder des
+Ministers zich om, en ging naar zijn binnenvertrek terug....
+
+Zoo ontbrak het dan Siddha,--de gedachte drong onder 't huiswaarts
+keeren zich als van zelf bij hem op,--zoo ontbrak 't hem bij de
+intree in het leven waarlijk niet aan goede raadgevers en aan
+steun! Voor uiterste omstandigheden de wijze kluizenaar van het
+gebergte, voor geringere moeijelijkheden de verstandige en
+invloedrijke Feizi, en daarenboven de hem reeds gebleken gunst van
+den eersten Minister en de toegezegde van den oppermagtigen Keizer
+zelf. Wat iemand vooreerst nog meer had kunnen verlangen?
+
+
+
+VIERDE HOOFDSTUK.
+
+Akbar
+
+Toen den volgenden morgen onze jeugdige krijgsman op een van de
+groote pleinen der vesting het bevel over zijne afdeeling benevens
+de noodige instructien van den Hoofd-Mansabdar der Radjpoet's
+ontvangen had, bleek hem al spoedig dat in vredestijd ten minste
+de dienst noch lastig noch bijzonder zwaar was te achten. De boven
+hem gestelde officier was een streng man en zeer gesteld op de
+krijgstucht, die bij deze troepen anders wel eens te wenschen
+overliet; maar daaraan was Koelloeka's leerling wel gewend,
+terwijl hij ook zelf een goede tucht onmisbaar achtte; en voor 't
+overige bleek diezelfde Mansabdar, die hem als teeken van zijn
+rang de witte reigerveder met het daaraan bevestigd onderscheidingsteeken
+overreikte, een zeer beschaafd en wellevend mensch, wien het bij al
+zijne strengheid ook niet aan zekere vriendelijkheid ontbrak. Niet
+minder behaagde Siddha het voorkomen zijner ondergeschikten, aan wie hij
+thans vormelijk werd voorgesteld; kloeke jonge mannen bijkans allen en
+uitnemende ruiters, in sierlijke, schitterende kleedij als hunne
+aanvoerders, met krijgshaftige houding en gelaatstrekken stralend van
+levenslust en moed.
+
+Op uitnoodiging van den bevelhebber liet nu Siddha zijne ruiters
+eenige evolutien maken, waarbij hij zelf ook gelegenheid had zijne
+rijkunst zoowel als de uitnemende dressuur van zijn hengst te doen
+bewonderen; en na afloop der oefening zou Koelloeka, ware hij
+tegenwoordig geweest, ongetwijfeld met zelfvoldoening de
+goedkeuring hebben opgemerkt, welke zijn leerling van den kant
+zijner superieuren ten deel viel. Na nog eenige gezamenlijke
+bewegingen met eene andere op het plein verzamelde afdeeling, werd
+de trompet gestoken ten teeken dat de exercitie voor heden was
+afgeloopen, en bevel gegeven tot inrukken.
+
+Aan Vatsa, die bij een van de toegangen tot het plein hem stond te
+wachten, gaf nu Siddha zijn paard over, en rigtte daarop zijne
+schreden naar een der tuinen van het paleis, waarvan het bezoek
+aan officieren van zijn rang veroorloofd was. Eer hij echter den
+hof bereikt had, zag hij uit een zijlaan een jonge vrouw naderen,
+blijkens hare kleeding eene dienares van goeden huize, die op hem
+toetredend, een oogenblik hem oplettend aanzag en toen vroeg:
+
+--Zijt gij, Heer! niet de edele Siddha, die hier onlangs uit
+Kacmir moet zijn aangekomen?
+
+--Die ben ik,--antwoordde de ander,--gij schijnt mij te kennen.
+
+--Ik persoonlijk niet,--zei de dienares,--maar de edele vrouw die
+mij gezonden heeft, gaf mij uwe aanduiding. Zij verlangt voor
+eenige oogenblikken uw onderhoud; zoudt gij de goedheid willen
+hebben haar dat te gunnen?
+
+--Maar,--vroeg Siddha,--wie is uw meesteres?
+
+--Vergun mij, Heer!--was het antwoord,--u den naam voor 't
+oogenblik te verzwijgen; zij zelve zal u daaromtrent voorzeker
+inlichten, als gij haar met een bezoek mogt willen vereeren. En
+wilt gij dit, dan wacht zij u nog heden avond. Kom dan omtrent zes
+uur ginds bij de moskee,--en hier wees zij naar het even prachtig
+als sierlijk gebouw, dat daar op eene hoogte achter de tuinen met
+zijne vergulde koepeldaken en wit marmeren minaretten in het
+zonlicht glansde,--ik zal u daar wachten en u geleiden.
+
+Siddha aarzelde en zocht naar een antwoord. Een avontuur? En hij
+dacht aan Iravati. Of een komplot? En hij herinnerde zich de
+waarschuwing van Aboel Fazl.
+
+--Nu?--vroeg de dienares, eenigszins spottend hem aanziend,--weet
+een ridder als gij niet wat hij doen zal, als eene aanzienlijke
+vrouw hem uitnoodigt tot een kort onderhoud? Gij zijt toch, hoop
+ik, niet bevreesd....
+
+--Bevreesd!--riep Siddha toornig uit, terwijl een hoogrood zijn
+gelaat overdekte,--wat geeft u 't regt....--Maar--vervolgde hij,
+zich bedwingend,--'t is waar, mijne weifeling moest u zonderling
+schijnen. Laat de reden u evenwel onverschillig zijn, en wacht mij
+tegen den bepaalden tijd bij de moskee!
+
+--Het is wel!--antwoordde de vrouw en verwijderde zich met een
+beleefden groet door de laan waarlangs zij gekomen was.
+
+Wel overlegde Siddha of hij niet beproeven zou haar ongemerkt te
+volgen en zoo mogelijk dus te ontdekken met wie hij te doen had;
+doch spoedig begreep hij dat hem dit toch niet gelukken zou, en de
+dienares wel behoorlijk op hare hoede zou zijn. Schoon onvoldaan,
+en met de gansche zaak en zichzelven niet erg tevrede, wandelde
+hij dan maar voort in afwachting van 't geen de avond zou geven en
+bereikte hij ook spoedig den eigenlijken hof.
+
+Zoo rijk ook de aanleg van dezen, toch was er iets wat het oog eer
+vermoeide dan bevredigde: de onveranderlijk regte lanen, alle met
+glad gepolijste steenen van verschillende kleur bevloerd, en meer
+nog tusschen een soort van lage, kunstig gebeitelde muurtjes, dan
+tusschen boomen uitloopend op eveneens in marmer besloten vijvers,
+in wier midden zich fonteinen van allerlei vorm verhieven. Wat
+daarenboven het gezigt nog eentooniger maakte, was het volmaakt
+vlakke dier regte lanen, die op verschillende plaatsen in het
+ongelijke terrein waren uitgegraven. Met dat al bleef de aanblik
+toch treffend en in elk geval heerschte er doorgaans eene
+aangename koelte ouder de digte, hier en daar verspreide
+boomgroepen, waaronder ook sierlijke marmeren banken eene
+aangename rustplaats boden.
+
+Op een dier banken zag onze wandelaar, na een tijdlang te zijn
+voortgegaan zonder iemand te hebben ontmoet, een man gezeten van,
+naar 't hem voorkwam, middelbaren leeftijd en eene, niet lange
+maar bijzonder krachtige statuur, met breede schouders en
+zwaargewelfde borst, een man wiens uiterlijk voorkomen, zonder dat
+hij van de reden zich wist rekenschap te geven, op merkwaardige
+wijze zijn aandacht trok. Van de hovelingen, welke Siddha tot
+dusver ontmoet had, onderscheidde deze man zich door niets wat
+bepaald onder woorden viel te brengen. Zijn gelaat, als dat der
+meeste anderen glad geschoren, was kalm, waardig en open, maar
+noch bepaald schoon, noch ook het tegendeel te noemen, en zijn
+kleeding was rijk maar toch vrij eenvoudig. Een gewaad van niet
+bijzonder kleurige, maar zeer fraai doorweven stof, en tot eenig
+siersel, behalve de kunstig gedreven en met edelgesteenten bezette
+sabelgreep, een enkele diamant van buitengewone grootte en
+schitterenden glans in de plooijen van den tulband. Maar wat
+sierselen noch schoonheid van gelaatstrekken konden verleenen, dat
+was die eigenaardige uitdrukking van houding en blik, die Siddha
+ook terstond in Gaurapada, den kluizenaar, had getroffen, maar hem
+nu bij dezen nog veel meer in 't oog viel, en die nagenoeg
+uitsluitend den heerscher, niet ligt een onderdaan eigen kon zijn.
+Toch vermoedde hij in den onbekende niets anders dan een hoveling
+of een krijgsbevelhebber; want van eenig vorst, die op dit
+oogenblik zich aan Akbar's hof zou bevinden, had hij niets
+gehoord, en de groote Keizer zelf zou toch zoo ligt niet voor
+iedereen genaakbaar zijn, noch zoo eenzaam daar op een bank in een
+der voor vreemden toegankelijke tuinen zijn gezeten. Met een
+zwijgenden groet wilde hij juist voorbijgaan, toen de onbekende op
+eens zijn naam uitsprak, en zonder op te staan en zonder nadere
+inleiding vroeg, of hij al kennis met zijn Radjpoet's gemaakt had.
+
+Nogal verwonderd, dat iedereen scheen te weten wie hij was,
+antwoordde Siddha bevestigend, waarop de ander, terstond de zaak
+verklarend, voortging:
+
+--Ik herkende aan die reigerveder uw rang, en daar ik nu al uwe
+medeofficieren persoonlijk ken en tevens wist dat gij dezer dagen
+hier zoudt komen om uw betrekking te aanvaarden, was 't mij ook
+niet moeilijk te weten wien ik voor mij zag. En hoe bevalt u die
+betrekking? Zet u inmiddels!
+
+--Ik zou,--antwoordde Siddha, aan de uitnoodiging gehoor gevend,
+al klonk die meer als een bevel, en nauw of in 't geheel niet
+opmerkend hoe die volslagen onbekende hem als een ondergeschikte
+scheen te behandelen,--ik zou al erg ondankbaar jegens mijn
+begunstigers en den Keizer moeten zijn als ik de eervolle en
+tevens aangename betrekking niet waardeerde waarin zij mij
+geplaatst hebben.
+
+--...En den Keizer!--herhaalde de ander,--nu ja. Maar zeg mij,
+komt gij nu eigenlijk om hem te dienen, of eenvoudig om deel te
+hebben aan de voorregten, die uw rang aan zijn hof u verleent?
+
+--Een lastige vraag, edele Heer!--sprak Siddha openhartig,--en die
+ik mij zelf eigenlijk nog in 't geheel niet gesteld heb. Ik zou er
+voor 't oogenblik alleen op kunnen antwoorden: om 't een zoowel
+als om 't ander. Dat ik overigens den Keizer trouw hoop te dienen,
+zoolang eer en pligt het mij veroorloven, spreekt, dunkt mij, wel
+van zelf als ik eenmaal vrijwillig mij aan zijn dienst verbonden
+heb.
+
+--Voorzigtig geantwoord!--merkte de onbekende aan,--de vraag is
+alleen maar, wat gij soms onder eer en pligt verstaat. Dat zijn
+rekbare woorden.
+
+--Voor velen,--hernam Siddha,--maar niet voor mij. Ik neem ze in
+den strengsten zin. Maar ook in eene bepaalde beteekenis. Eer en
+pligt zouden mij bijvoorbeeld verbieden in strijd te handelen met
+de belangen van mijn eigen vaderland, en ik zou dat ook niet
+willen doen al werd het door Akbar zelf mij bevolen, maar in dat
+geval liever al de voorregten opgeven, welke zijn gunst mij zou
+kunnen verzekeren.
+
+--En gij zoudt wel doen,--sprak de ander goedkeurend, maar wat
+reden hebt gij tot dergelijke onderstelling als zou de Keizer
+inderdaad iets van u verlangen wat u en den uwen tot wezenlijk
+nadeel kon strekken?
+
+Een oogenblik weifelde Siddha en draalde met zijn antwoord,
+terwijl hij, als reeds vroeger, aan zijn gesprek met zijn oom, den
+Goeverneur van Allahabad dacht. Spoedig echter vermande hij zich
+en, den vreemde met vrijmoedigheid in het rond en open gelaat
+ziende, vroeg hij zonder verdere inleiding of voorbereiding:
+
+--Is Akbar niet eerzuchtig?
+
+--Jongmensch!--sprak de onbekende op een toon en met een blik, die
+Siddha zijns ondanks eene zijdelingsche beweging deden maken op
+zijn bank,--zooeven hebt gij voorzigtige uitdrukkingen gebezigd,
+maar aan 't hof van Shah Akbar zelf u zoo uit te laten jegens
+iemand, dien gij in 't geheel niet kent, dat dunkt mij toch al erg
+gewaagd.
+
+--Zoo mag het schijnen,--antwoordde Siddha onbevangen, ik ken u
+niet, dat is waar; doch of ik uw naam en rang nu verneem of niet,
+is mij voor 't oogenblik onverschillig. Ik zie u, ik zie uw
+gelaat, ik hoor uw stem: dat is mij genoeg; en een edelman, jong
+en nog onervaren bovendien, die openhartig en opregt met u
+spreekt, zult gij en kunt gij niet verraden noch willen
+benadeelen, omdat hij toont u te vertrouwen.
+
+Een glans van genoegen, doch niet zooals gestreelde ijdelheid dat
+verschaft, maar van waarlijk edele en reine voldoening, overtoog
+bij die eenvoudige woorden het gelaat van den onbekende. Vleitaal
+te hooren was hem niet vreemd, en hij was daarvoor ook geenszins
+ongevoelig, maar hier was het een woord uit het hart, dat
+ongetwijfeld belangeloos tot hem gesproken werd, en juist datgene
+in hem roemde waarop hij prijs stelde boven alles....
+
+--Dat--zeide hij, de hand op Siddha's schouder leggend, en zachter
+dan anders klonk zijn stem en eene innemende vriendelijkheid blonk
+uit zijn helder oog,--dat is een waar woord, dat gij gesproken
+hebt! Gij vertrouwt mij, zegt gij, ook hoewel ge mij nog niet
+kent. Blijf daarbij als ge mij eenmaal wel zult kennen! Maar nu
+dan Akbar! Eerzuchtig is hij, naar uwe meening, en gij hebt regt.
+Ik ken hem eenigszins, al is 't ook zoo goed niet als ik wel zou
+verlangen, en ik stem het u toe dat hij eerzucht heeft. Een
+onbegrensde, nooit voldane eerzucht zelfs. Maar welke? Zoudt gij
+dan werkelijk meenen dat het enkel de zucht was om al meer en meer
+rijken en volken toe te voegen aan zijn reeds zoo uitgestrekt, nu
+al zoo moeijelijk te beheerschen gebied? Zou hij zich met het
+verworvene niet kunnen tevrede stellen? Zie toch! alleen het
+betrekkelijk kleine rijk van Agra en Delhi was bijkans zijn eenige
+erfenis; weinig of niets anders had Hoemayoen, zijn veelal
+ongelukkige en zwaar beproefde vader, hem nagelaten; en
+tegenwoordig strekt zijn gebied zich uit van de grenzen van Perzie
+tot de uiterste streken van Bengalen en de gewesten van Dekkan en
+Golconda. Wat verbeeldt gij u dan, of eenige nieuwe verovering,
+bijvoorbeeld van uw ver afgelegen Kacmir, op zich zelve hem zoo
+buitengemeen veel genot zou verschaffen, of ook hem zoo groote
+opofferingen waard zou zijn als elke veroveringstogt steeds kosten
+moet? Toch kunnen er redenen bestaan, die een vorst gebiedend
+nopen de onafhankelijkheid van een naburigen staat niet langer te
+eerbiedigen, wanneer deze in ernst gevaarlijk dreigt te worden
+voor de rust en de veiligheid zijner eigene volken. En in zulk een
+geval moet hij handelen, moet hij strijden, ook al liet hij nog
+zoo gaarne het zwaard in de schede en al ware hem niets
+gewenschter dan een rijk van vrede en eendragt in de staten die
+hem omringen zoowel als in zijn eigen land. Maar dat neemt alles
+niet weg dat de afstammeling van Baber en Tamerlan inderdaad
+eerzuchtig is, hoewel in een anderen zin dan gij blijkbaar
+onderstelt.--Zijne eerzucht,--vervolgde de spreker,--terwijl zijn
+anders rustig oog begon te schitteren,--zijne eerzucht dan is, en
+was het voorlang, sinds de eerste jaren van zijn mannelijken
+leeftijd, niet enkel de stichting van een groot en magtig rijk,
+maar bovenal het geluk, de welvaart en de ontwikkeling der volken,
+die hem door eene hoogere, al is 't onbekende, althans nooit
+begrepen en doorgronde magt zijn toevertrouwd. Hunne maatschappelijke
+toestanden heeft hij getracht te regelen, hunne oneenigheden bij te
+leggen, het onderscheid, of den strijd ten minste, der verschillende
+rassen te doen ophouden, een einde te maken aan godsdiensttwisten, en
+den overmoed en de dwingelandij te beteugelen van magtige en zelfzuchtige
+grooten. Hij heeft beproefd, de nijvere klassen der burgerij te verheffen,
+en rijkdom en welvaart te verspreiden onder allen, wetenschappen en
+kunsten aan te moedigen, en zijne volken op te leiden tot dien staat van
+beschaving en verlichting, waarvoor velen hunner zoo uitnemenden
+aanleg betoonen. Zeg nu vrij, dat dit alles veel te veel is voor
+een enkel eenvoudig sterveling, en ik zal u niet weerspreken; maar
+laat het streven naar een ideaal niet veroordeeld worden enkel
+omdat het onbereikbaar is. En wezenlijk, volkomen bereikbaar, ja!
+dat beken ik gaarne, is het ideaal van Akbar niet. Dat heeft hij
+zelf al genoegzaam ondervonden. Hoe vele jaren van denken en
+zwoegen en onophoudelijk strijden heeft hij niet al gewijd aan het
+bereiken van zijn doel, en hoe ver, hoe ver, helaas! blijft hij
+daarvan ook heden nog verwijderd!
+
+Met eerbied en ontzag had Siddha geluisterd naar den hem
+onbekenden man, die inmiddels was opgestaan, en in 't vuur zijner
+rede hartstogtelijk de hand had omhoog geheven, maar nu, ten einde
+gekomen, ze weer mistroostig zakken liet en het diepdenkend hoofd
+voorover boog op de ongetwijfeld ook een warm hart omsluitende
+borst. Voor een oogenblik bestond er bij zijn, mede nu opgerezen,
+toehoorder geen twijfel of hij zag niemand anders voor zich dan
+den Keizer zelf; maar toch scheen de gedachte alsof zoo een man
+jegens hem, een jong en onbekend vreemdeling, zich dus zou
+uitlaten, te dwaas dan dat hij wezenlijk er aan hechten kon. Met
+dat al was hij nu toch voornemens rondweg te vragen met wien hij
+eigenlijk gesproken had, toen zich voetstappen in de nabijheid
+deden vernemen en een lang, schoon een weinig gebogen man in
+stemmig gewaad, en, hier bij uitzondering, met een digten zwarten
+baard, het verder onderhoud kwam afbreken en nadere vragen
+onmogelijk maakte.
+
+--Abdal Kadir!--sprak de onbekende, meer evenwel in zichzelven dan
+verklarend tot Siddha, en een oogenblik dekte een donkere wolk
+zijn gelaat. Niettemin ontving hij den inmiddels naderbij gekomene
+met beleefdheid, hem tevens een wenk gevend waaruit de ander
+genoeg begreep dat hij onbekend verlangde te blijven.
+
+Met een trotschen blik nam Abdal Kadir den een weinig ter zijde
+getreden Siddha van 't hoofd tot de voeten op, en keerde hem toen
+zonder een woord te spreken den rug toe. Dat onzen Indischen
+edelman het bloed naar de wangen steeg, was zeker bij dergelijke
+bejegening niet te verwonderen, en juist wilde hij op den ander
+toetreden om verklaring te eischen van de beleediging, toen de
+onbekende hem terughield en zeide:
+
+--Laat, edele Siddha! de eenigszins vreemde handelwijze van mijn
+vriend hier u niet al te zeer vertoornen! Hij heeft het niet
+persoonlijk tegen u, zelfs in 't minst niet, daar ben ik zeker
+van; maar het gezigt van u, Hindoe's in 't algemeen, is hem altijd
+onaangenaam, omdat hij zich verbeeldt, dat zij schade doen aan
+zijn geloof.--Is het zoo niet?--vroeg hij, Abdal Kadir aanziend.
+
+--Zoo is het inderdaad!--antwoordde deze;--en ik heb ook werkelijk
+geen persoonlijke veete tegen u, jonkman!--vervolgde hij tot
+Siddha,--ik ken u niet eens; maar des te beter die van uw stam en
+geslacht. Hen te bestrijden blijft mij een heilige pligt. En ik
+strijd tegen hen, ik haat hen met onverzoenlijken haat, niet omdat
+ik niet velen hunner als menschen zou kunnen achten, maar omdat
+zij ons geloof belagen en onzen Keizer zelf daarvan afkeerig
+maken. Allah verloochenen zij, en bespotten Zijn Profeet; ons,
+diens volgelingen, zoeken zij te verdringen en zich meester te
+maken van ambten en bedieningen om hunne valsche goden en hunne
+dwaalleeraars in de plaats te stellen van den God, buiten wien
+geen God is, en van den eenige die in waarheid Hem verkondigd
+heeft. Daarom, maar daarom ook alleen, haat ik hen en u. Ik haat u
+en wil strijden tegen u ten einde toe, omdat gij of ongodisten
+zijt of afgodendienaars, in elk geval verleiders van het volk,
+verzoekers van den vorst. Genoeg! omdat gij anders niet zijt dan
+ongeloovige....
+
+Een uiterst strenge en doordringende blik van den ongenoemde hield
+op de lippen van den spreker het woord terug dat blijkbaar volgen
+moest, en, ware 't geuit, ook ongetwijfeld Siddha had doen
+opstuiven in weerwil van al zijne pogingen om zich te bedwingen.
+
+--Ongeloovigen dan, in een woord,--vervolgde Abdal Kadir,--en dat
+is voor een opregt zoon van den grooten Profeet reeds meer dan
+genoeg. Maar wat gaat het u aan, of ik, die hier niets te zeggen
+of te beteekenen heb, nu al dan niet met u en uw stamgenooten ben
+ingenomen? Gij zijt immers verzekerd van de gunst des Keizers, die
+alles doen kan, en ook doet, wat hem gelieft. Van de voormalige
+belastingen, door de ware geloovigen met het volste regt van
+ulieden, verzakers der goddelijke waarheid, gevorderd, heeft hij u
+vrijgesteld; hij roept u tot alle betrekkingen, stelt u aan tot
+zijne officieren en legerhoofden, kiest onder u zijne raadslieden
+en vrienden; wat wilt gij meer? Laat mij dan, laat ons en onzen
+geregten wrok; wij kunnen u toch niet deren! Eene andere vraag zal
+het zijn of de straf des hemels niet eenmaal zal nederdalen op uw
+hoofd, en... welligt ook hem zal treffen, die met eer en
+gunstbewijzen u overlaadde in plaats van u te tuchtigen met de
+roede en met het zwaard, door Allah zelf te dien einde hem ter
+hand gesteld!
+
+--Mij dunkt,--sprak nu de onbekende na deze warme ontboezeming op
+ijskouden toon,--mij dunkt, ons onderhoud, op deze wijze
+voortgezet, kan voor geen onzer meer eenig nut of genoegen
+leveren. Ongetwijfeld zoudt gij, vriend Siddha! ook aan 't woord
+komend, nog wel 't een en ander tegen Abdal Kadir's redenen in 't
+midden hebben te brengen, gelijk ik zelf ook verre ben van er mee
+in te stemmen; doch, zoo ik mij niet vergis, komt hij ditmaal ons
+niet opzoeken om een toch onvruchtbaren twist te voeren, maar ter
+bespreking van een of ander dadelijk belang. Daarvoor sta ik hem
+dan ook gaarne te woord. Vergun mij dus, u voor 't oogenblik
+vaarwel te zeggen. Spoedig hopen wij elkander weer te zien....
+
+--Abdal Kadir!--vroeg de tot dusver ongenoemde, nadat Siddha zich
+verwijderd had met een eerbiedigen groet, waarvan overigens
+slechts een zeer gering gedeelte was toegewijd aan den nijdigen
+Islamiet,--wat verlangt gij van mij?
+
+--Sire!--antwoordde de toegesprokene, want dat het inderdaad Akbar
+zelf was met wien Siddha zich had onderhouden, zou ieder hem
+gezegd hebben die niet als hij voor 't eerst aan het hof van Agra
+kwam,--Sire! mijn pligt als onderdaan en als vriend, geen eigen of
+bijzonder belang, noopte mij tot Uwe Majesteit te gaan....
+
+--Ik weet het,--viel Akbar hem in de rede,--zelfzuchtig zijt gij
+niet, en beschermelingen houdt gij er ook niet op na. Toch zou ik
+soms wenschen dat er iets van ware; misschien kon ik u dan nog
+eens voldoen; thans gelukt mij dat zelden of nooit. Ook wil ik wel
+wedden, tien tegen een, dat gij mij weer over geloofszaken hebt te
+spreken; uw opgewonden woorden van zooeven verkondden mij alhaast
+wat er komen moet. Wees intusschen zoo goed, u thans wat te
+matigen!
+
+--Inderdaad!--antwoordde Abdal Kadir,--het geloof, ons eenig waar
+en onvervalscht geloof, is het ook nu wederom wat mij herwaarts
+voert. Daarover wensch ik een oogenblik onderhoud.--En,--vervolgde
+hij,--nu van zijne zijde met een strengen blik,--een wezenlijk
+ernstig, als het kan!
+
+--Ik wil gaarne mijn best doen,--zei Akbar beleefd,--en ik beloof
+u, volstrekt niet te lagchen, mits... gij 't ook niet al te bont
+maakt.
+
+--Het oordeel daaromtrent hangt af van de bijzondere opvatting,--
+merkte de ander aan,--maar ik wil mijnerzijds streven, de zaak zoo
+bedaard mogelijk te behandelen. Mijn pligt dan, zeide ik, als
+onderdaan noopt mij onverholen te spreken. Te waarschuwen toch, en
+met allen ernst te waarschuwen, wordt dringend noodig voor al wie
+als ik het opregt met Shah Akbar meent en tevens weet wat mij is
+ter ooren gekomen. Dat er al lang een hevig ongenoegen onder ons,
+wezenlijke Mohammedanen, bestaat over de wijze waarop allerlei
+Heiden- en Jodenvolk door u, den Keizer, wordt begunstigd, en
+lauwhartigen als een Aboel Fazl, en atheisten als een Feizi, in de
+hoogste magts- en ambtsbetrekkingen zijn geplaatst, is u voldoende
+bekend. Maar wat gij niet weet, is, hoe er dientengevolge in 't
+midden van uw rijk en in de dadelijke nabijheid van uw hof eene
+partij is ontstaan, die onherroepelijk uw val en ondergang
+besloten heeft, indien gij ten einde toe weigert gehoor te geven
+aan de allezins billijke eischen, waarop zij, als vertegenwoordigende
+de aloude en eenig ware vrienden van het huis van Tamerlan, mag aanspraak
+maken. Nog onlangs was ik in de gelegenheid eene vergadering onzer
+moellah's bij te wonen, en wat ik daar vernam was mij inderdaad reeds
+genoeg om mij te doen sidderen bij de gedachte, wat dergelijke onder de
+Mohammedaansche bevolking zoo invloedrijke mannen niet al vermogten
+zelfs tegen een Akbar, indien ze eens gesteund werden door eerzuchtige
+grooten en ontevreden legerhoofden, zooals er zoovelen ook aan het hof
+van Agra zelf als overal in gansch Hindostan nog gevonden worden.
+
+--Maar,--vroeg Akbar, eenigszins ongeduldig,--wat willen dan
+eigenlijk uwe moellah's en hun aanhang? Hebben ze niet genoeg aan
+de meest volmaakte vrijheid om te denken en te spreken zooals zij
+willen, en proselieten te maken zooveel ze maar kunnen? Heb ik hun
+ooit een stroobreed in den weg gelegd?
+
+--Zeker niet,--hernam de ander,--maar dat zou dan ook ten hemel
+schreijen! Doch wat baat hun die vrijheid, indien anderen, indien
+alle mogelijke soorten van ongeloovigen volmaakt dezelfde
+bezitten, en hier aan uw hof, en in het leger en allerwege in
+allerlei maatschappelijke betrekkingen hen komen ergeren door hun
+verontreinigende tegenwoordigheid? En wat komt er dan van de
+handhaving van het eenig ware geloof, waartoe boven alles de
+Keizer, de vertegenwoordiger van Allah hier op aarde, geroepen is?
+
+--Ja, daar zijn wij er weer!--riep Akbar uit,--dat is nu weer het
+oude thema. Gijlieden alleen hebt de waarheid in pacht, en
+daarvoor moet alles zwichten, ook ik, en wat niet buigen wil moet
+breken. Maar waarom zijt gij nu eigenlijk alleen in 't bezit van
+die waarheid?
+
+--Omdat de Profeet, gezegend zij zijn naam! ze ons verkondigd
+heeft, en omdat....
+
+--Omdat hij 't wist, en niemand anders dan hij. Goed! Maar daar
+hebt gij nu die Padres, die hier uit het Westen, uit de landen der
+Franken komen, ook eerlijke, brave menschen zooals gij.
+
+Die hebben ook een Profeet, dien ze, bedrieg ik mij niet, wel eens
+als hun God vereeren, schoon mij dat nog niet regt duidelijk is.
+En die is in elk geval ouder dan Mohammed. Dan zijn er ook nog de
+Joden, die niets van dezen en ook niets van den anderen, maar
+alleen van Mozes willen weten. En wat zegt gij dan wel van onze
+Brahmanen hier? Die komen met zooveel oude en alle met het hoogste
+gezag bekleede boeken voor den dag, boeken zoo eerwaardig oud dat
+zijzelf ze haast niet meer kunnen verstaan, en beroepen zich op
+zooveel zieners en heilige mannen dat Mozes met zijn Thora en
+Christus met zijn Evangelie en Mohammed met zijn Koran er allen te
+zamen nauw tegen op kunnen werken. En nu vraag ik u toch in
+gemoede: Hoe wil ik een eenvoudig man, die van dat alles wel eens
+iets gehoord heb, maar er geen honderdste part van versta, nu als
+geloofsregter gaan beslissen en uitmaken of Mohammed bijvoorbeeld
+meer regt dan Christus heeft?
+
+--Maar gij zijt toch in de leer van den Islam opgevoed?
+
+--Een weinig afdoende grond voor iemands geloof, dat toch wel op
+eigen onderzoek en overtuiging dient te steunen en bezwaarlijk
+alleen afhankelijk zijn kan van de omstandigheid of zijn vader hem
+indertijd heeft laten doopen of besnijden! Maar 't is de vraag nu
+ook niet, wat ik persoonlijk al dan niet heb te gelooven; dat gaat
+niemand aan; maar alleen, wat ik als vorst, als beheerscher van
+het rijk der Mogols te doen heb tegenover de belijders van al die
+verschillende godsdienstsecten, die alle gelijkelijk aan mijn
+heerschappij zijn onderworpen en dus ook gelijke aanspraak hebben
+op mijn bescherming. En die vraag, geloof mij, beste vriend! die
+zult gij nimmer kunnen oplossen zoolang gij alles van dien eenen
+kant blijft bekijken en blind voor al de andere zijt.
+
+--Maar de gevaren dan toch, waarmede uw inzigten, daargelaten
+welke waarde ze hebben, uw rijk en uw troon bedreigen?
+
+--Nu,--sprak de Keizer, met zekere minachting glimlagchend,--ik
+heb wel aan andere 't hoofd geboden dan die waarmee de toorn uwer
+geloofsdrijvers mij thans weer te bedreigen heet.
+
+--Andere!--hernam Abdal Kadir met nadruk en den vorst met
+ernstigen blik in de oogen ziend,--juist, andere! Namelijk die
+soort van gevaren, die vreemden u bereidden. Maar als het verzet,
+heimelijk eerst, daarna meer openbaar, nu eens opkwam uit uw eigen
+huis, of gevoed en bevorderd werd door hen die behooren tot uw
+eigen geslacht? Indien uw zoon....
+
+--Mijn zoon! Selim!--riep Akbar uit.--En toch,--ging hij voort,--
+onmogelijk schijnt zoo iets niet! Wij zagen dat meer in ons
+geslacht en in dat der vorsten, die ons omringden en na eindelooze
+familietwisten zich onderwierpen aan onze heerschappij. En zoo
+meent gij dan dat Selim zelf zich met uwe ontevredenen tegen mij
+zou kunnen verbinden? Want dat schijnt toch wel de strekking uwer
+woorden.
+
+--Zoo is het, Sire!--antwoordde Abdal Kadir,--althans ik heb
+gemeend dat hij zich daartoe wel eens door geloofsijver kon laten
+verleiden; maar ik zeg nog volstrekt niet dat het reeds het geval
+is.
+
+--Nu,--hernam Akbar,--als 't er dan werkelijk toe komen moest, een
+ding is zeker, uit ijver voor 't geloof zou Selim dus niet
+handelen; hij geeft vrij wat meer om fijnen wijn en schoone
+vrouwen dan om den Koran en den Profeet. Maar dat neemt niet weg,
+dat ik u dankbaar ben voor de waarschuwing. Waart gij er terstond
+mee begonnen, we hadden ons vrij wat overtollige woorden kunnen
+besparen. Hebt gij later weer eens meer zulke mededeelingen, we
+zullen er u dank voor zeggen; zij kunnen ons leeren, een weinig op
+onze hoede te zijn en onze lieden hier wat in 't oog te houden.
+Voor 't oogenblik inmiddels: Vaarwel!
+
+En met een ietwat ironieken glimlach om de lippen verwijderde zich
+de Keizer en liet Abdal Kadir in de gelegenheid om over den indruk
+na te denken, dien zijne toespraken hadden te weeg gebragt.
+
+--Bij Allah!--bromde de volgeling van den Profeet tusschen zijne
+tanden,--daar hebben we nu weer wat moois verrigt! Ik had gemeend
+hem niet weinig te doen ontstellen toen ik Selim noemde en hem op
+eens gedwee te maken door mijne mededeeling. Maar bij slot van
+rekening heb ik hem nu eenvoudig gewaarschuwd; en in plaats van
+ons te helpen, zal hij ons nu nog harder gaan tegenwerken, nu hij
+weet of althans vermoedt dat sommigen der onzen met zijn eigen
+zoon tegen hem zamenspannen, of ook, zoo hij 't misschien reeds
+bevroedde, zich door mij in zijne meening bevestigd ziet. Een wijs
+man acht gij u, Abdal Kadir! en toch... gij hebt weer gehandeld
+als een gek!
+
+Och, of de ijver die mij bezielt, voor ons heilig geloof, mij ook
+die kalmte steeds liet bewaren, die Akbar zoo zelden verlaat! Wat
+voordeel hem dat niet verschaf, boven ons!...
+
+Of nu evenwel die bedaardheid, zooeven door Akbar betoond, ook
+wezenlijk zoo opregt en natuurlijk was als de ander onderstelde,
+mogt de vraag heeten voor wie hem in diep gepeins met naar den
+grond geslagen oog en nu en dan het hoofd schuddend naar zijn
+paleis had zien terugwandelen....
+
+Daar, in zijne eigene, voor slechts enkelen toegankelijke
+vertrekken wachtte inmiddels een man, wiens tegenwoordigheid
+buiten twijfel aan Abdal Kadir, zoo hij er van geweten had,
+opnieuw stof zou hebben gegeven tot hevige verontwaardiging,--
+Koelloeka, de Brahmaan. In gedachten verzonken zat hij naar den
+vloer te staren, en noch de prachtige versierselen van het ruim en
+luchtig vertrek noch het heerlijk uitzigt over de lagchende tuinen
+scheen een oogenblik zijne opmerkzaamheid te trekken. 't Was dan
+trouwens ook niet voor den eersten keer dat hij dit alles
+aanschouwde.
+
+Een Keizerlijk wachter kwam weinig tijds na het straks gevoerde
+gesprek hem wekken uit zijne mijmering om hem binnen te leiden bij
+den Vorst.
+
+--'t Is mij lief u weer hier te zien, Koelloeka!--sprak de Keizer,
+na minzaam den groet van den Brahmaan te hebben beantwoord,--en ik
+wil hopen dat gij mij goede berigten medebrengt uit uw land.
+
+--Helaas, Sire!--antwoordde Koelloeka mistroostig,--wenschte dat
+ik het kon; of ook de min gunstige voor Uwe Majesteit te mogen
+verbergen, zooals ik 't nog voor anderen doe. Maar het vertrouwen
+door Haar in mij gesteld, alsook het welbegrepen belang van mijn
+land zelf, noopt mij, niet te verzwijgen wat ik weet.
+
+--Ik begrijp het al,--zei Akbar,--zeker weer de oude geschiedenis!
+Partijveeten en familietwisten, zonen die tegen hun vader,
+broeders die onder elkander intrigeren, daar... als elders.
+
+--Maar al te waar!--hernam Koelloeka.--Toen eenmaal Nandigoepta,
+de wettige Koning van het tooneel was afgetreden en zijn broeder
+de vrije hand had gelaten, meenden wij dat nu voor goed de orde
+zou zijn hersteld; en geruimen tijd was het ook zoo. Met de
+bestaande regering was het volk tevrede, zooal niet ingenomen, en
+aan nieuwe veranderingen werd althans niet gedacht. Ook nu is dat
+onder de eigenlijke burgerij nog volstrekt niet het geval. Maar
+toch begint weer factiegeest nieuwe onlusten aan te stoken, en al
+wederom nieuwe omwentelingen schijnen te worden voorbereid. Wat
+nog misschien het ergste is, wij weten niet te ontdekken van welke
+zijde het voornamelijk komt. De zoons van den Koning, die vroeg of
+laat tegen hem in opstand dreigen te geraken en onderling ook al
+weer verdeeld schijnen, handelen zeer zeker niet uit eigen
+beweging en worden blijkbaar opgestookt. Maar door wie? Ziedaar
+wat tot dusver ons ontsnapt.
+
+--'t Mag zijn hoe het wil,--sprak de Keizer, vast en beslissend,--of
+zij zelfstandig handelen of niet, het schijnt toch dat het oude spel
+weer zijn gang begint te gaan. En wat moet, indien 't niet bijtijds
+wordt verhinderd het onvermijdelijk gevolg daarvan zijn? Dat, als
+vroeger, de verschillende partijen zich gaan uitrusten tot openlijken
+strijd, dat burgeroorlog uw land verscheurt, en dat van weerszijden
+zich benden vormen, die, naarmate ze minder geluk hebben binnen de
+grenzen van hun eigen landstreken het elders en wel bepaald binnen de
+mijne gaan beproeven, en mijne landen en mijne onderdanen komen
+plunderen en brandschatten om zich schadeloos te stellen voor wat zij
+te huis verloren hebben. En nu zeg ik u zonder omwegen en eens voor
+goed, opdat gij in tijds moogt gewaarschuwd zijn, ik zal dat niet
+dulden. Mijn rijk, mijne volken zullen geeerbiedigd worden, en kan dit
+niet anders dan door geweld, welnu, wat moeite en wat schatten 't ook
+weer kosten moge, ik verzamel opnieuw mijne legers en voer ze naar het
+Noorden om ook daar de rust te herstellen, die onmisbaar voor de
+welvaart mijner onderdanen blijft. Liever nog het gansche rooversnest
+uitgeroeid dan het tot schade der mijnen enkel om der lieve vrede wille
+te laten voortbestaan! Ondanks al zijn ontzag voor den Keizer mogt ook
+de bezadigde Koelloeka een opwelling van toorn niet bedwingen bij die
+trotsche en als uitdagende taal, en donkerder kleurde zich, al gaf hij
+geen dadelijk antwoord, zijn door de zon gebruind gelaat.
+
+--Vergeef mij, waarde Koelloeka! hernam thans evenwel Akbar,--
+indien mijne woorden u soms griefden; maar gij weet immers zoo
+goed als ikzelf, dat ik, dus sprekend, de goeden onder ulieden,
+zooals gijzelf of uw tegenwoordigen vorst of zijne ministers niet
+bedoel, maar enkel die ellendige intriganten, die uzelven het
+meeste nadeel berokkenen en ons bedreigen met de gevolgen van
+hunne onzalige woelingen. Daartegen te waken is en blijft mijn
+pligt, en ik zal dien weten te vervullen. Help mij voorzooveel gij
+kunt om mijne tusschenkomst onnoodig te maken, en gij moogt u
+verzekerd houden dat ik de laatste zijn zal om ze u op te dringen.
+
+--Ik stel volkomen vertrouwen in uwe woorden,--sprak Koelloeka,--en
+zoo ik een gevoel van wrevel niet gansch terug kon houden, 't was zeker
+niet minder om de vloekwaardige lagen, die ook thans weder ons land en
+onzen vorst worden gelegd, dan om de bedreigingen, waartoe ze, ik moet,
+hoe ongaarne ook, het wel erkennen, aanleiding geven en het regt. Maar
+schuilt nu in Kacmir zelf en nergens anders het verraad? En is het zoo
+gansch ondenkbaar dat er hier aan uw eigen hof en in uw naaste
+omgeving, onder uwe verwanten zelfs, wordt zamengespannen tegen ons,
+als tegen uw gezag?
+
+--Hoe nu? Wat meent gij?
+
+--Ik ging te ver welligt en sprak misschien voorbarig. Maar ik heb
+mijn vermoedens en, zoozeer ik wenschen mogt dat zij ijdel bleken
+te zijn, toch kan ik ze niet gansch en al van mij afzetten.
+Selim....
+
+--Wat? Al weder Selim? Zou die ook hier weer in betrokken kunnen
+zijn?
+
+--Wat hij verder nog uitrigt is mij onbekend, maar enkele
+aanduidingen, hoewel zeker nog zeer onbestemde, geven mij toch
+aanleiding Uwe majesteit in dezen te waarschuwen. Blijken zij
+ongegrond, des te beter; maar goed toe te zien kan toch in elk
+geval geen kwaad.
+
+--En dat zal geschieden! Voor 't oogenblik echter berust nagenoeg alles
+nog maar op onderstellingen en onbewezen mogelijkheden. Oordeelen en
+handelen wij dus niet te ras! Wees echter verzekerd dat niets van 't
+geen gij thans mij hebt medegedeeld mijn nauwlettend onderzoek zal
+ontgaan, en als we elkander weerzien zal de tijd tot beslissing en
+handeling misschien ook zijn aangebroken. Tot zoolang geen welligt
+ijdele zorgen. Doch eer ge van hier gaat wil ik u nog iets mededeelen,
+waarin gij meer persoonlijk wel eenig belang zult stellen. Ik heb zoo
+straks uw leerling gesproken.
+
+--Hoe, Siddha?--riep Koelloeka eenigszins verwonderd uit,--en wie
+stelde hem dan nu reeds voor?
+
+--Niemand,--antwoordde Akbar,--ik heb, in 't park hem ginds
+ontmoetend en ligt begrijpend wie hij was, hem zelf maar eens
+aangesproken. Gij weet dat ik wel eens meer zoo handel.
+
+--En hij wist niet dat hij met den magtigen Keizer sprak?
+
+--Natuurlijk niet, en 't bleek mij dat hij 't ook niet vermoedde.
+Zeg 't hem ook niet als gij hem zien mogt; later zal ik hem zelf
+wel inlichten. Maar gij verlangt zeker te weten wat ik van hem
+zeg? Welnu, ik ben heel wel met hem tevrede; 't is een flinke,
+eerlijke jongen, in wien ik vertrouwen stel. Misschien soms wat
+onvoorzigtig en wat heel openhartig....
+
+--Hij heeft immers niets gezegd wat ongepast tegenover den Keizer
+kon zijn?
+
+--Wel iets,--hernam Akbar lagchend,--ten minste indien hij geweten
+had tot wien hij 't zeide. Maar stel u gerust! Toen ikzelf hem
+onder 't oog bragt dat hij zich wat haastig uitliet, gaf hij mij
+een verontschuldiging waartegen ik niets had in te brengen. Maar
+genoeg! ik heb u gezegd dat hij mij voldeed, en 't is u bekend dat
+ik anders juist niet gewoon ben zoo aanstonds gunstig over de
+menschen te oordeelen die ik voor 't eerst zie. Laat hij zelf nu
+maar zorgen dat de goede indruk niet verloren ga! Andere zaken
+roepen mij nu voor 't oogenblik. Ik houd u dus niet langer terug!
+
+Met eerbiedigen groet verliet Koelloeka het vertrek en met
+welgevallen zag Akbar hem na,--hem, een man zoo ver van hem
+verwijderd en in stand en in rang, en door uitwendige godsdienst
+en nationaliteit, maar toch opregt aan hem verbonden door achting
+en vriendschap, en dengene onwankelbaar trouw, wien hij eenmaal
+zijn woord had verpand.
+
+--Op dien ten minste valt te rekenen!--sprak de Keizer in
+zichzelven,--in hem althans is geen bedrog.--En hij had regt. Maar
+hoevelen nog die hem nader stonden en van wie hij niet met
+evenveel regt hetzelfde getuigen kon!
+
+
+
+VIJFDE HOOFDSTUK.
+
+Een nieuwe kennis en een oude
+
+Niet lang had Siddha, omstreeks den bepaalden tijd, in de
+nabijheid van de moskee gewacht of hij zag de dienares naderen
+die, digter bij gekomen, hem uitnoodigde haar te volgen. Door
+verschillende lanen en zijpaden ging zij hem voor, tot zij
+eindelijk aan een hoogen tuinmuur kwam en een klein in den muur
+aangebragt poortje opende, dat zij ook, nadat beiden waren
+binnengetreden, zorgvuldig weer sloot. Een digte laan met
+cactussen en andere gewassen leidde hen tot een soort van terras
+met oranjeboomen en verscheidene fonteinen, waarop de achtergevel
+uitzag van een klein, maar bijzonder sierlijk en smaakvol huis,
+welks overig gedeelte in zwaar geboomte verscholen bleef. Langs de
+marmeren trappen en door een opene galerij werd nu Siddha door
+zijn geleidster in een mede aan den voorkant gansch geopend
+vertrek gevoerd; en na hem te hebben binnengebragt, verdween zij
+achter een der voorhangen.
+
+Op een divan, aan de opene zijde van het vertrek, lag daar in
+bevallig achtelooze houding eene jonge, rijk en met smaak op de
+Perzische wijze gekleede vrouw, die zoodra zij haar bezoeker
+gewaar werd zich van het rustbed verhief en hem te gemoet kwam om
+hem welkom te heeten. Of zij schoon was? Met juistheid zou Siddha
+niet geweten hebben het te beslissen. Hare trekken waren niet
+regelmatig, haar gestalte was klein en tenger; maar hare zachte
+blauwe oogen, met lange zijden wimpers overschaduwd, hadden eene
+onbeschrijfelijk vriendelijke en innemende uitdrukking; haar
+alligt ietwat te groote mond scheen ook tot iets anders nog uit te
+noodigen dan enkel tot het luisteren naar hare woorden; en, was
+ook hare gestalte niet groot, zij bezat daarentegen de meest
+volmaakte evenredigheid, terwijl het gedeeltelijk eng sluitend
+gewaad de schoone ronding der vormen te duidelijker deed uitkomen.
+Wat evenwel Siddha terstond meer in 't bijzonder trof, was de hier
+wel buitengemeene blankheid van den hals en den half ontblooten
+boezem, waarom zich een kostbaar parelsnoer wond, en niet minder
+ook de rozeroode tint der wangen, gelijk hij die bij andere niet
+bruin gekleurde vrouwen tot dusver nog nooit had opgemerkt.
+
+--Edele Heer!--sprak de onbekende, en zoo de indruk, dien haar
+gansche voorkomen op Siddha gemaakt had, niet reeds zoo gunstig
+ware geweest, de liefelijke klank harer stem zou hem volkomen
+hebben gewonnen,--ik zeg u dank dat gij zoo spoedig aan mijne
+uitnoodiging hebt willen voldoen. Welligt was mijn vezoek wat
+onbescheiden; maar als ik u de reden heb medegedeeld, zult gij,
+hoop ik, 't mij niet al te euvel duiden.
+
+--Aan zulk een uitnoodiging gehoor te weigeren,--antwoordde
+Siddha,--ware ongetwijfeld al zeer onridderlijk geweest. Maar
+gaarne wil ik u de verzekering geven, edele vrouw! dat ik niet dan
+met ongeduld den tijd van het bezoek had kunnen afwachten, indien
+ik vooraf in de gelegenheid was geweest om het beeld te zien van
+degene die mij de uitnoodiging deed toekomen.
+
+Met een ligte hoofdbuiging het gezegde beantwoordend, dat zij
+blijkbaar als een beleefdheidsphrase opvatte, ging de jonge vrouw
+voort:
+
+--Mijne verontschuldiging dan is, dat geen eigenbelang mij tot
+deze handelwijs bewoog, maar het belang van eene andere, van eene
+vriendin, die ik hartelijk liefheb. Zij werd voor eenigen tijd
+genoodzaakt uit Agra te vlugten om de lagen te ontgaan, die haar
+door sommige aanzienlijke en magtige personen gelegd werden, en
+ver van hier, in uw land, in Kacmir, een schuilplaats te zoeken.
+Nu heb ik haar eenige mededeelingen te doen, die voor haar van
+groot gewigt kunnen zijn; maar ik wist tot heden geen middel om ze
+haar veilig te doen geworden, daar ik de boden, die hier tot mijne
+beschikking mogten zijn, geen van allen kan vertrouwen.
+
+Daar verneem ik toevallig,--hoe, doet nu niet af,--dat gij met uw
+vroegeren leermeester Koelloeka in Agra waart gekomen, en tevens,
+dat de goeroe spoedig weer naar zijn land terugkeert. Ik begreep
+terstond dat ik niet beter kon doen dan mijn vertrouwen te stellen
+in de eer van een edelman zooals gij, wiens naam mij ook wel
+bekend was, en besloot dus u te verzoeken, uw vriend met de
+overbrenging van een brief te willen belasten, waarin ik kennis
+geef aan mijne vriendin van 't geen zij belang heeft te vernemen.
+Zou dit verzoek nu te veel soms van u of van den waardigenen
+Koelloeka gevergd zijn?
+
+Een gevoel van verligting was Siddha's eerste gewaarwording bij
+het aanhooren van deze woorden. Zoo kwam dan de gansche zaak
+eenvoudig neer op het overbrengen van een blijkbaar zeer
+onschuldigen brief, die hem voor 't overige ook niets aanging.
+Toch mengde zich, half onbewust, een zekere teleurstelling onder
+dat gevoel van tevredenheid. Dat er geen sprake was van eenige
+zamenzwering mogt hem ongetwijfeld zeer verblijden, maar of zijne
+ijdelheid wel zoo bijzonder gevleid kon zijn door de overtuiging
+dat er ook geen zweem van een avontuurtje zich vertoonde?
+Inmiddels haastte hij zich aan de onbekende de verzekering te
+geven, dat hij zeer gaarne zijn leeraar met den brief zou belasten
+en dat deze ook tegen de overbrenging wel geen bezwaar zou maken.
+
+Op een teeken der jonge vrouw verscheen nu de dienares en bragt op
+haar verlangen een in briefvorm zaamgevouwen en met een zijden
+koord en een zegel gesloten stuk.
+
+--Het opschrift,--sprak gene, nadat de dienares weer vertrokken
+was,--luidt, zooals gij ziet, aan iemand anders dan aan mijne
+vriendin zelve. De naam is u misschien bekend.
+
+--Zeer zeker!--antwoordde Siddha,--ik ben meer dan eens met dien
+jongen man op de jagt geweest.--Nu, die zal haar den brief dan
+ter hand stellen. Zoo doende weet uw vriend Koelloeka niet aan wie
+hij eigenlijk gerigt is, 't geen mij wenschelijk voorkomt, om niet
+meer personen in 't geheim te mengen dan er nu reeds mee bekend
+zijn. Ik hoop maar,--vervolgde zij na een oogenblik zwijgens,--
+dat mijne vriendin haar voordeel zal kunnen doen met hetgeen ik
+haar meld. Inderdaad ik heb opregt medelijden met haar in hare
+ballingschap; en toch, ik kan haar soms ook benijden, dat zij in
+de gelegenheid is uw heerlijk land te bezoeken, waarvan ik zooveel
+prachtige beschrijvingen heb gelezen. Maar zeg mij, opregt
+gesproken, zijn die beschrijvingen niet soms wat overdreven, ten
+minste wat heel dichterlijk?
+
+--Ik voor mij,--antwoordde Siddha,--zoozeer mijn leermeester mij
+ook altijd gewaarschuwd heeft tegen overschrijding van de grenzen
+die goede smaak en werkelijkheid ons stellen, ik heb toch steeds
+als hij gevonden dat de beschrijvingen door u bedoeld nog ver
+beneden de waarheid bleven. Inderdaad, ook in deze streken heeft
+de natuur soms haar schoon, en bekoorlijk zijn menigmaal de
+boorden uwer Djoemna, en bij de pracht en de weelde uwer paleizen
+en lusthoven haalt niets in ons noordelijk land; maar wat daar
+toch bergen en dalen en bosschen en lagchende velden er bieden,
+zoudt gij in deze zooveel minder bevoorregte streken u bezwaarlijk
+weten voor te stellen. En door de herinnering aan zijn vaderland
+als door de belangstelling zijner nu waarlijk schoone toehoorderesse
+medegesleept, begon zich onze Siddha in schilderingen van Hindostan's
+wereldberoemd paradijs te verliezen, wier welsprekende voordragt niet
+minder dan het uiterlijk van den verhaler den blik van wezenlijk
+welgevallen regtvaardigde, waarmede de luisterende nu en dan den edelen,
+krachtigen jongeling aanzag.
+
+--Maar ik hield u te lang reeds bezig,--sprak zij oprijzend ten
+laatste,--en heb waarschijnlijk reeds misbruik gemaakt van uwe
+welwillendheid. Een verzoek nog! Laat onze zamenkomst, ter wille
+ook van de belangen mijner vriendin, een geheim blijven tusschen u
+en mij. Van eenige beteekenis kan die vlugtige ontmoeting trouwens
+ook niet zijn.
+
+--Voor u zeer zeker niet,--sprak Siddha,--voor mij echter meer dan
+gij schijnt te meenen.
+
+--Ik zie,--hernam de andere lagchend,--dat gij, Hindoe's niet
+minder dan de onzen de kunst verstaat om u hoffelijk jegens
+vrouwen uit te drukken. Maar dat daargelaten! Een enkel woord ben
+ik u echter nog verschuldigd. Ik zou mij uw vertrouwen al zeer
+onwaardig toonen indien ik, zelve u kennend, mij voortdurend als
+geheel onbekende jegens u bleef gedragen, en ik zie dan ook geen
+bezwaar, mits onder geheimhouding altijd, u mijn naam en stand mee
+te deelen. Die is voor 't overige nederig genoeg. Mijn naam is
+Rezia; mijn vader was een Armenier, die, hier gekomen om handel te
+drijven, mij vroegtijdig uithuwde aan een rijk, maar reeds
+tamelijk bejaard koopman hier in de stad. Sinds geruimen tijd is
+deze voor zijn zaken naar Perzie en verder nog naar het Westen
+getrokken; en in lang heb ik ook niets van hem vernomen. Inmiddels
+woon ik hier, zooals gij ziet, eenzaam en stil, hoewel anders niet
+verstoken van de aangenaamheden en de rustige genoegens van het
+buitenleven. Zoo weet gij dan ten minste voor wie gij u de moeite
+van een bezoek hebt getroost, al is het dat wij elkander na dezen
+niet verder mogten ontmoeten.
+
+--En waarom, edele Rezia! zou dat niet mogen zijn?--vroeg Siddha;
+--niets, dunkt mij, behoeft u en mij daarin te verhinderen, en
+mogelijk zou ik u soms nog 't een en ander kunnen meedeelen van
+het land waar tegenwoordig uwe vriendin vertoeft, dat misschien in
+staat ware uwe belangstelling op te wekken.
+
+--Welnu!--antwoordde Rezia,--niet geheel wil ik uw vriendelijk
+aanbod afslaan. Indien gij een dezer avonden soms nog een verloren
+oogenblik vindt, ik houd mij dan aanbevolen voor eenig berigt of
+de verzending van mijn schrijven geen bezwaar heeft gevonden en
+naar gissing goede kans heeft te slagen. Mijne dienares ontmoet u
+alligt hier of daar en gij hebt haar slechts een tijd te noemen om
+mij nogmaals een bezoek te brengen in mijn stil verblijf.
+
+--En voor die gelegenheid wil ik u dankbaar zijn,--antwoordde
+Siddha, terwijl hij, zorgvuldig 't hem toevertrouwde stuk in zijn
+gordel verbergend, zich gereed maakte om voor 't oogenblik
+afscheid te nemen.
+
+Op een hernieuwd teeken vertoonde zich nogmaals de vertrouwde
+dienares en deed Siddha weer uitgeleide langs denzelfden weg, die
+hem straks den toegang tot het paviljoen had verleend.
+
+Te huis gekomen stond hij lang nog in gedachten voor de open
+veranda van zijn vertrek en staarde naar de zacht daar beneden
+voortstroomende rivier. Dat waren dan dezelfde wateren, die den
+voet van Allahabad's burgt besproeiden en waarin ook het liefelijk
+gelaat van Iravati zich weerspiegeld had! Was het niet als bragten
+die golven hem den groet der teeder beminde en als fluisterden zij
+hem woorden toe van liefde en van trouw? Snel nam hij het
+medaljon met Iravati's portret van den wand, kuste het en zette
+zich neder in de galerij. Lang nog bezag hij het beeld en
+beminnelijker dan ooit schenen hem de trekken der edele en schoone
+Hindoe-jonkvrouw. Maar zonderling toch ook! Als zijn blik soms
+weer afdwaalde en rondzwierf langs de paleizen en tuinen aan de
+boorden van den stroom, dan doemde ook weer een ander beeld in
+zijn herinnering op,... de bevallige houding, de sierlijke
+gestalte, de blauwe oogen, de bekoorlijke stem van Rezia, de
+Armenische. Wat die vrouw hem dan aanging? Zeker niets; maar wat
+kwaad ook van den anderen kant, zoo hij ze lief en innemend vond?
+Hij had toch waarlijk niet aan Iravati de gelofte gedaan, alle
+mogelijke andere vrouwen leelijk en onbehagelijk te zullen
+noemen!...
+
+--Hallo!--klonk het 's anderen morgens vroeg in den voorhof van
+Siddha's woning,--is uw meester nog niet wakker? Ga eens en zie of
+ik hem stoor met een bezoek!
+
+Juist wilde Vatsa aan het bevel gehoorzamen toen Siddha zelf,
+bezig zich gereed te maken om uit te gaan, terstond de vrolijke
+stem van Parviz, den neef van Aboel Fazl, herkende, en in den
+voorhof zich begevend, zijn bezoeker uitnoodigde binnen te komen.
+
+--Hebt gij dienst?--vroeg deze.
+
+--Een paar dagen niet.
+
+--Nu, dat treft. Dan komt het u misschien wel gelegen eens een
+uitstapje te maken?
+
+--Zeer gaarne! Waarheen?
+
+--Wel! naar Fattipoer Sikri natuurlijk, de buitenresidentie van
+den Keizer. Daarheen zou alweer een ieder u voeren, die u voor 't
+eerst een togtje in de omstreken liet doen.
+
+--Ik geef mij geheel over aan uwe vriendelijke leiding,--hernam
+Siddha,--veroorloof mij echter u een enkel oogenblik alleen te
+laten. Koelloeka vertrekt straks en ik wil hem dus even vaarwel
+zeggen.
+
+Spoedig was hij, Koelloeka opgezocht hebbende, met het afscheid
+gereed, waarbij zijn leermeester zonder verder navragen zich met
+de overbrenging van den brief belastte; en kort daarop zat hij in
+den zadel en reed met Parviz, gevolgd door den dienaar van zijn
+vriend en den zijne, de stad uit.
+
+Een breede laan, door vrij hooge boomen beschaduwd en met schoone
+vergezigten over de velden en bosschaadjen aan weerszijden, maakte
+den togt voor een groot deel tot een wezenlijk aangenamen
+wandelrid.
+
+--Zie,--sprak Parviz, toen men een tijdlang had voortgereden,--
+zulke lanen heeft de Keizer nu ook laten aanleggen op andere en
+verre wegen, waar vroeger haast geen blad groeide en waar men van
+hitte verging. Een zeer nuttig werk voorzeker! En geen reiziger
+trouwens die er Akbar niet dankbaar voor is.
+
+--Ja, de Keizer doet nuttige dingen!--antwoordde Siddha; en
+daarbij tevens aan den merkwaardigen man denkend met wien hij den
+vorigen dag over Akbar gesproken had, deelde hij Parviz in
+algemeene bewoordingen zijne ontmoeting mede en vroeg hem of hij
+den persoon kende, wiens uiterlijk hij beschreef.
+
+--Neen, die is mij niet bekend,--zei Parviz, met moeite een
+glimlach bedwingend,--maar gij zult hem misschien wel eens
+weerzien.
+
+--Waarschijnlijk wel,--hernam Siddha,--hij schijnt hier thuis te
+behooren. Maar vertel mij dan eens iets anders. Hoe komt het dat
+er hier zooveel mannen zijn die in 't geheel geen baard dragen? Ik
+dacht juist dat uwe Mohammedanen zoo bijzonder op een baard
+gesteld waren.
+
+--Dat zijn zij ook, maar Akbar zelf denkt nu juist anders over de
+zaak. Zoo een kneveltje als het uwe of 't mijne kan er bij hem nog
+wel door, maar liefst ziet hij in 't geheel niets op iemands
+gezigt. Of dat nu enkel een gril is zooals men die ook bij de
+verstandigste menschen wel eens meer ontmoet, dan of hij met opzet
+de regtzinnig geloovigen wil plagen, of ook hun toonen dat hij om
+hunne vooroordeelen en vormbegrippen niet geeft, ik weet het niet,
+maar zeker is dat de zaak, zoo onbeduidend en kinderachtig ze
+schijnen mag, al tot heel wat onaangenaamheden en gehaspel heeft
+aanleiding gegeven. Doch hier naderen wij de woning van een der
+dorpshoofden in den omtrek, dien ik door mijn oom den Minister
+goed ken; willen we een oogenblik bij hem uitrusten en onze
+paarden wat water geven? Mijn bruin ten minste zal er wel naar
+verlangen; hij stond al een heelen tijd gezadeld eer ik uitreed.
+
+Overeenkomstig het voorstel steeg men af in den binnenhof der
+nette en flink van hout en steenen opgetrokken, te midden van
+tamarindeboomen en acacia's gelegen boerderij; en weldra vertoonde
+zich op het geroep zijner onderhoorigen de eigenaar zelf, een
+Hindoe van middelbare jaren en deftig, magistraal voorkomen. Na de
+gewone pligtplegingen en terwijl de gastheer frissche vruchten
+nevens een kruik ijskoud kristalhelder water liet aanbrengen, kwam
+het gesprek, zooals te verwachten was, al spoedig op den landbouw
+en de bijzondere welvaart die er ook voor een weinig geoefend oog
+reeds terstond onder de landbouwende bevolking dezer streken viel
+op te merken, en die gunstig afstak bij 't geen Siddha in zijne
+eigene gewoon was te zien.
+
+--Voor een deel,--verklaarde het dorpshoofd,--is die gelukkige
+toestand natuurlijk ons eigen werk; zonder arbeid en inspanning
+waren wij er zeker niet gekomen; maar grooten dank ook zijn wij
+den Keizer verschuldigd, wiens verstandig en bijzonder doelmatig
+stelsel van bestuur ons eerst tot eigen krachtsinspanning de regte
+gelegenheid gaf.
+
+--Ik heb er van gehoord,--merkte Siddha aan,--maar om u de
+waarheid te zeggen, ik ben daaromtrent nog niet geheel op de
+hoogte.
+
+--Toch is het zeer eenvoudig,--hernam de Hindoe,--en voor iemand
+van uwe beschaving gemakkelijk genoeg te vatten. Het gansche
+systeem toch berust in hoofdzaak op eene geschikte verdeeling der
+landerijen, eene vaste, billijk geregelde opbrengst der landrente,
+en bovenal op de regtszekerheid die het een en het ander den
+landeigenaar en den landbouwer verschaft. Vroeger ging alles
+tamelijk willekeurig, en wist niemand regt wat hem eigenlijk
+toekwam en wat hij op te brengen had, terwijl aan ons dorpshoofden
+meerendeels bleef overgelaten, met de regering de jaarlijksche
+opbrengst der velden, naarmate die soms voor-, soms nadeelig
+heette, te regelen: Thans is dat alles anders geworden. De velden
+zijn behoorlijk opgemeten en de grenzen vastgesteld; de opbrengst
+wordt met inachtneming van de meerdere of mindere vruchtbaarheid
+der daartoe in verschillende klassen ingedeelde gronden, over een
+bepaald aantal jaren geschat; en, wat niet het minste zegt, en
+tevens misschien wel het moeijelijkst te regelen viel, de daarnaar
+berekende landrente of belasting wordt zooveel maar doenlijk in
+geld, en niet meer als vroeger in voortbrengselen voldaan. En geen
+regeringsbeambten hebben meer te beslissen, wanneer daarover
+geschillen ontstaan, maar de regter alleen. Het gevolg van dat een
+en ander moet wel zijn, en is het ook, dat de landbouwer, eigenaar
+of pachter, nu eenmaal vooruit kan weten wat zijn land hem
+ongeveer zal kosten, wat hij te betalen heeft en wat zijn vrij
+beschikbaar eigendom blijft. En is het dan wonder zoo hij, met
+eenige energie, en goed zijn eigen belangen begrijpend, ook
+wezenlijk vooruitgaat en welvarend wordt waar hij te voren nauw
+zijn dagelijksche rijst kon verdienen? Trouwens gij ziet de
+vruchten, en kunt dus zelf oordoelen, hoewel gij 't nog beter
+zoudt kunnen indien gij onze landerijen en haar bewoners in den
+vroegeren toestand gekend hadt zoo als ik.
+
+--De vergelijking met dien van mijn eigen land,--antwoordde
+Siddha,--moet wel tot gelijke uitkomst leiden als de uwe. Welk een
+zegen voor een staat, een vorst als Akbar te bezitten!
+
+--Maar zijn raadsmannen mogen wij toch ook wel dankbaar zijn,--
+hernam de magistraat,--en in 't bijzonder Todar Mal, den
+schatmeester, die het stelsel eigenlijk uitwerkte, en Aboel Fazl,
+den Groot-Vizier, die er de laatste hand aan legt, door met de
+grootste strengheid alle afpersingen en knevelarijen van de
+regeringsambtenaren, met wie wij te doen hebben, tegen te gaan.
+En, scheen het al in den beginne, dat de staatsinkomsten door al
+deze maatregelen zouden verminderen, op den duur is juist het
+tegendeel gebleken; en zelfs al waren die inkomsten iets geringer,
+ze zouden toch nog in waarde gewonnen hebben, omdat ze nu zooveel
+vaster en beter verzekerd dan te voren zijn.
+
+--Maar, geachte Heer!--vroeg Siddha,--bestaat er nu geen gevaar
+dat het stelsel, zoo uitnemend het zijn mag, weer in duigen valt
+als een min verstandig vorst eens den troon bestijgt?
+
+--Ik geloof het niet,--was het antwoord;--als onze gemeenten
+eenmaal zekere regten verkregen hebben, kan geen despoot haar die
+ligt weer ontnemen. Gij weet, dat die gemeenten bijkans geheel en
+al zichzelve regeren door hare eigene overheden en daardoor tot op
+zekere hoogte onafhankelijk worden van den Soeverein. Wilde nu
+deze beproeven hare regten te verkorten tegen de adat in, dan zou
+hij als met duizenden kleine staatjes te doen krijgen en geen
+ambtenaren en geen soldaten genoeg vinden om die alle tot
+gehoorzaamheid te blijven dwingen. Of zoo 't hem al gelukte, de
+dorpen zouden meerendeels eenvoudig verlaten worden en de
+bevolking zou zich terugtrekken in ontoegankelijke bosschen en
+wildernissen. Voor 't overige laten onze dorpers den vorst ook van
+hun kant volkomen vrij in zijne handelingen. Hij mag oorlogvoeren
+met andere rijken zooveel hem lust en zoolang zijne schatkist het
+toelaat; en om intriges en twisten van het paleis geven onze
+gemeentenaren in het geheel niet; de meesten zelfs vernemen er
+zelden iets van.
+
+--Een gelukkige toestand!--zei Siddha,--en voor beide partijen
+inderdaad heel gemakkelijk.
+
+--Alleen de staats- en volkseenheid wordt er juist niet door
+bevorderd,--merkte Parviz op, zich nu ook mengend in het gesprek.
+
+--Dat wordt zij ook niet,--antwoordde de magistraat,--maar zoudt
+gij dan meenen dat eene wezenlijke eenheid van den staat, anders
+dan in den persoon van den vorst, op zich zelve mogelijk was in
+een land als ons tegenwoordig Hindostan, waar zulk eene menigte
+van allerlei meest onderscheiden rassen en volken bij en door
+elkander woont?
+
+--Ik erken dat het moeijelijk zijn zou, hoewel 't alligt zaak
+ware, er wat meer naar te streven dan tot nu toe gedaan wordt.
+
+Een tijdlang nog werd het onderhoud, waarin vooral Siddha veel
+belang stelde, voortgezet; en daarop namen de beide vrienden
+afscheid van het beleefde dorpshoofd en vervolgden, hun paarden
+weer bestijgend, hun weg.
+
+Een flinke, maar tamelijk lange rid, waarbij nog al eens halt
+moest worden gehouden om rust te nemen, bragt hen eindelijk in 't
+gezigt der hoogte, waarop het versterkt en door zware ringmuren
+omsloten paleis van Fattipoer was gebouwd. Mogt de aanblik der
+Agrasche paleizen indrukwekkend heeten, deze was het van zekeren
+afstand niet minder. Trotsch en statig, maar als altijd bevallig
+en sierlijk tevens, verhieven zich, als terrasgewijze boven
+elkander geplaatst, de verschillende luchtig omhoog rijzende
+gebouwen met hunne vlug opgetrokken torens en fijne kanteelen en
+breede, hel in 't zonlicht glanzende marmeren trappen, afgewisseld
+alles door het groen der tamarinden en andere boomen, waaruit ze
+deels te voorschijn traden om ook deels weder zich daartusschen te
+verbergen. Doch toen Siddha met zijn geleider, nadat zij de
+paarden aan de zorg hunner dienaren hadden toevertrouwd, den
+eigenlijken omkring van het paleis zelf was binnengetreden,
+gevoelde hij zich schoon minder verrast, toch aangenamer aangedaan
+door het vrolijker en genoegelijker voorkomen dezer, voor 't
+overige met niet minder weelde en sierlijkheid ingerigte gebouwen
+en vertrekken dan door het gezigt der veel meer uitgestrekte van
+Agra. Ook de tuinen schenen hem bevalliger en meer bevredigend
+voor het oog, daar toch hier althans geen geweld was gedaan aan de
+natuur, en lanen en slingerpaden, met vermijding van de eentoonige
+regtheid en het onveranderlijk waterpas, de bogten en verhevenheden
+bleven volgen, door het bewogen terrein en den plantengroei zelven
+aangewezen. En dan, welk een heerlijk en verkwikkelijk vergezigt over de
+omliggende heuvelen en met rijken oogst beladen bouwvelden, en de als
+zilver glanzende rivier daar omlaag en het, wel is waar kunstmatig
+aangebragte, maar daarom niet minder schilderachtig meer in het
+verschiet!--Geruimen tijd bleven de bezoekers daar ronddwalen, nu eens
+langs eenzame wandelpaden, dan weer door de met wachters en dienaren
+vervulde galerijen, tot eindelijk Parviz den voorslag deed, een zijner
+vrienden in de lager gelegene stad te gaan opzoeken om daar hun
+intrek te nemen en tevens een beter maal te gebruiken dan men
+onderweg had kunnen vinden.
+
+Natuurlijk vond ook dit voorstel gereedelijk gehoor; en nadat men
+bij den gastvrijen vriend van Parviz de noodige rust had genoten,
+en zich door een hartig en tevens vrolijk maal had gesterkt,
+begaven onze vrienden zich weer op weg om nog 't een en ander van
+de stad zelve te zien.
+
+--Vergun mij,--sprak Parviz,--u voor weinige oogenblikken aan u
+zelven over te laten. Ik heb hier nog eenige stukken op last van
+mijn oom aan een van zijne ambtenaren over te brengen, en dezen
+over eenige zaken te spreken waarin gij zeker geen belang zoudt
+stellen. Hij woont hier in de nabijheid en ik ben zoo aanstonds
+bij u terug. Inmiddels hebt gij daar tusschen de acacia's ginds
+een vrij ouden tempel, dien gij misschien wel eens zult willen
+bezigtigen. Des verkiezende kunt gij er ook uwe devotie verrigten.
+
+--Wel verpligt,--antwoordde de ander lagchend,--daaraan ga ik mij
+niet te buiten. Maar zeer gaarne wil ik den tempel eens bezien. Ik
+zal u daar dan of in de nabijheid wachten.
+
+Spoedig ontwaarde Siddha, toen hij de zware en flauw verlichte gewelven
+was binnengetreden, aan de talrijke zinnebeeldige versieringen der
+zuilen, dat hij zich in een civa-tempel bevond; en na eenige gangen te
+zijn doorgegaan, aanschouwde hij dan ook aan 't uiteinde van een soort
+van hal en van boven verlicht het kolossale beeld van den God, met de
+beenen kruiselings op een hoog voetstuk gezeten, de armen en enkels met
+eene menigte van ringen versierd, het teeken van den drietand op het
+voorhoofd en een keten van doodshoofden om den hals,--civa, den
+Oneindigen en Almagtigen Wereldheer, scheppend om te vernielen, en
+vernielend om te scheppen op nieuw, het eindeloos in zijn openbaringen
+zich vervormend Wezen, waaruit alle Zijn voortspruit en waartoe het Al
+gestadig terug moet keeren. Zoo goed nu onze jonge Indier de begrippen
+kende, welke die beeldtenis en hare symbolen vertegenwoordigden, en
+zoozeer hij daarvan ook de betrekkelijke waarde bleef erkennen, toch
+stuitte hem ook nu weder, zooals het vroeger bij dergelijk schouwspel
+gedaan had, niet weinig het wanstaltige en gedrogtelijke dier gedaante,
+die wel is waar zekeren indruk bij den eersten aanblik kon maken, doch
+wel bezien de voor 't overige inderdaad niet van schoonheid ontbloote
+bouworde van den tempel op hinderlijke wijze ontsierde.
+
+Niet lang echter duurde zijne eenzame bespiegeling over dit een en
+ander; want achter zich vernam hij een oogenblik later een stem,
+hoewel de stilte niet door het geluid van voetstappen was
+verstoord geworden.
+
+--Om!--klonk het,--om! U brengt de onwaardige dienaar van civa's
+heilige echtgenoote, de in hem wonende Oneindige Kracht, zijnen
+groet.
+
+En naar de plek zich keerend van waar de stem kwam, werd Siddha
+den Doerga-priester Gorakh gewaar, dien hij te Allahabad in
+gezelschap van zijn oom Salhana had gezien.
+
+--Ik groet u, Eerwaarde!--sprak hij, en wachtte wat de ander hem
+te zeggen zou hebben.
+
+--Zoo! wij zijn elkander dan nog niet vergeten sinds onze laatste
+ontmoeting,--hernam Gorakh;--trouwens wat mij betreft, ik heb u
+wel in 't oog gehouden, sinds ik daar ginds in de nabijheid van
+den Bhadrinath u waargenomen heb.
+
+--Nu ja,--zeide Siddha, een weinig ongeduldig,--laat dat zijn hoe
+'t wil. Maar ik begrijp eigenlijk niet, eerwaarde Heer! welk
+belang gij in mij stellen kunt.
+
+--En zou dan,--vroeg de ander,--de neef van mijn leerling en
+vriend geen aanspraak mogen maken op mijne belangstelling? Maar
+ook daarom juist schijnt mij pligt, u een waarschuwing niet te
+onthouden, waar ik die noodig acht, en indien gij ze van mij wilt
+aannemen. Gij weet wie Gaurapada, de kluizenaar, is, niet waar?
+
+--Gaurapada?--vroeg Siddha,--welzeker! Hij is een kluizenaar in 't
+gebergte.
+
+--Ja, maar ik meen, wie hij was eer hij zijn tegenwoordigen naam
+droeg.
+
+--Daar weet ik niets van. Hij heeft het mij niet verteld.
+
+--Maar uw goeroe, Koelloeka, heeft het u toch medegedeeld?
+
+--Ik heb er hem niet eens naar gevraagd en 't kan mij ook niet
+schelen.
+
+Met een zijdelingschen, uitvorschenden blik zag Gorakh den spreker aan;
+maar deze ware geen rechte Indier geweest, indien zijn gelaat in eene
+omstandigheid als deze niet de meest mogelijke onverschilligheid had
+vertoond. Ietwat minder voorzigtig echter liet hij, warm wordend bij 't
+indringende van den ander, er op volgen:
+
+--En al wist ik nu ook nauwkeurig, wie en wat Gaurapada in vroeger
+tijd geweest mogt zijn, gij begrijpt dat ik 't u toch niet zou
+zeggen.
+
+--Ha!--riep de Yogi uit,--gij vertrouwt mij niet! En gij meent mij
+zelfs te mogen tarten? Herinner u, dat ik een vriend van den
+Goeverneur van Allahabad ben!
+
+--Ja, dat weet ik!--sprak Siddha met zekeren nadruk.
+
+--Wat weet gij?
+
+--Ik weet wat ik weet, en dat is genoeg!
+
+Nijdig keek de priester Siddha aan. En tevens niet zonder
+ongerustheid. Wat beteekende dat gezegde op dien toon? En wat kon
+hij werkelijk weten? Doch voor 't oogenblik scheen in elk geval
+wel 't veiligst het toch niet vlottend gesprek maar af te breken.
+
+--Nu, genoeg dan!--zeide Gorakh,--voor u en voor mij.
+
+Doch bedenk een ding, mijn jonge vriend, die mijne vriendschap
+niet schijnt te begeeren!--en ik wil ze u ook niet opdringen!--
+bedenk, dat de magtige Godin, aan wier dienst ik mijne geringe
+krachten wijde, niet alleen behouden maar ook verdelgen kan, en
+dat er geen hoop op genade en geen kans op redding bestaat voor
+hem, dien zij eenmaal door hare priesters als uitverkoren offer
+haren getrouwen heeft aangewezen!
+
+En in een der zijgangen verdween zonder nader antwoord af te
+wachten de geheimzinnige boeteling; en, hoe vastberaden anders
+ook, toch vermogt Siddha hem niet na te staren zonder een zeker
+gevoel van beklemdheid en onwillekeurigen angst. En 't scheen hem,
+hoewel de Doerga-priester thans werkelijk toch alleen was, als zag
+hij hem nogmaals gevolgd door dien langen stoet van naakte bruine
+gestalten met de witte koorden om den nek, met welken hij in de
+nachtelijke schemering hem langs den ringnmur van Allahabad had
+zien verdwijnen in het bosch.
+
+Eer hij zich inmiddels ter ruste begaf dacht hem niet onnut, nog
+eene enkele vraag tot den trouwen dienaar te rigten, die hem in de
+woning van den vriend van Parviz afwachtte om te vernemen of zijn
+meester nog iets te bevelen had.
+
+--Vatsa!--zeide hij,--gij hebt mij laatst in het park van
+Allahabad betuigd, dat gij evenmin als Koelloeka's dienaar daar
+een priester of boeteling hadt gezien. Maar herinnert gij u soms
+toch met eenig ander, u onbekend persoon gesproken en dezen
+misschien eene of andere bijzonderbeid van onze reis in 't
+gebergte verteld te hebben?
+
+Ik zou er niet verder aan hebben gedacht,--antwoordde Vatsa,--
+maar nu ge 't mij zoo afvraagt, Heer! nu herinner ik mij wel, dat
+er in den omtrek der stallen een half naakt en bruin gekleurd man
+met ons kwam praten, en nadat hij ons 't een en ander omtrent de
+vesting en de stad had verteld, ook naar onze reisontmoetingen
+vroeg.
+
+--En gij hebt hem toen van mijn geval met den tijger van Gaurapada
+verteld?
+
+--Ik geloof inderdaad van ja!
+
+--En zeidet gij soms ook iets omtrent den kluizenaar en diens
+uiterlijk voorkomen?
+
+--Zeker!--antwoordde Vatsa,--juist zijn eerbiedwaardig en tegelijk
+vorstelijk voorkomen had in 't bijzonder onze aandacht getrokken;
+wij waren er beiden nog vol van en daar wij niet wisten dat er
+kwaad in stak er van te spreken, maakten wij ook geen geheim van
+onze ontmoeting tegenover den vreemde.
+
+--Wien gij dus ook het uiterlijk van Gaurapada eenigermate zult
+beschreven hebben?
+
+--Nauwkeurig herinner ik mij dat niet meer; maar ik geloof wel dat
+wij er iets van meldden.
+
+--Bedenkelijk!--mompelde Siddha in zichzelf,--inderdaad nog al
+bedenkelijk! De priester heeft natuurlijk door zijn handlanger
+omtrent onze reis vernomen wat hij weten wilde om mij te
+overbluffen, maar schijnt tevens tot eenig vermoeden omtrent
+Gaurapada te zijn gekomen. Dat hij straks mij zocht uit te hooren,
+is duidelijk genoeg. Maar wat kan hij met Gaurapada, of
+Nandigoepta, hebben uit te staan? En mijn oom Salhana? Of die er
+mee in betrokken zou zijn?...
+
+--We hebben toch hoop ik geen kwaad gedaan door met dien onbekende
+te praten?--vroeg Vatsa ongerust, toen hij zijn jongen meester zoo
+in gedachten zag.
+
+--Neen, neen!--antwoordde deze,--en zoo gij 't al gedaan mogt
+hebben, gij deedt het onwillekeurig en hebt dus geen schuld. We
+hadden ook voorzigtiger moeten zijn en u vooraf waarschuwen. Maar
+let nu op een ding, Vatsa! spreek voortaan met niemand meer over
+den kluizenaar, wie er ook komt om u naar hem te vragen! Hebt ge
+mij begrepen?
+
+--Volkomen, Heer!--antwoordde de ander,--van nu af heb ik dien
+kluizenaar nooit gezien, of, zoo ik hem soms eens zag, ik ben
+volkomen vergeten hoe hij er uitziet.--
+
+--Met dat al,--dacht Siddha,--zal nu toch Koelloeka, of, kan het,
+Nandigoepta zelf dienen gewaarschuwd te worden. Ik wil er voor
+zorgen zoodra ik een veilige gelegenheid vind; Salhana moge er nu
+mee te maken hebben of niet!
+
+
+
+ZESDE HOOFDSTUK.
+
+Selim
+
+--Welaan, mijne heeren!--sprak de bevelhebber der Radjpoet's, die
+op het plein in de vesting met eenige zijner officieren stond te
+praten, terwijl de ruiters zich in gelid schaarden,--nu spoedig
+opgezeten en dan naar het kamp, waar zooals gij weet de Keizer
+heden wapenschouwing komt houden!
+
+Vlug werd er aan het bevel voldaan, en weldra, nadat men buiten de
+vesting was gekomen, ging het in draf naar het kamp, dat op
+eenigen afstand van de stad in eene uitgestrekte vlakte was
+opgerigt. Een treffend schouwspel vertoonde zich aan Siddha's oog
+toen hij aan 't hoofd zijner afdeeling met de overigen eene kleine
+hoogte had bestegen en vandaar het veld in 't gezigt kreeg. Daar
+ter regterzijde eene gansche stad als 't ware van tenten, langs
+breede straten in de meest regelmatige orde nevens elkander
+gerangschikt, en in wier midden zich, roodgekleurd en met vergulde
+peervormige toppen, de Keizerlijke tent verhief, zoo men althans
+dien naam mogt geven aan dergelijk, schoon uit hout en doek
+zamengesteld, paleis. En aan de linkerzijde het uitgestrekte veld,
+waarop zich in bonte mengeling de meest verscheiden troepenkorpsen
+vertoonden, gepantserde en niet-gepantserde ruiters in bonte,
+veelkleurige kleederdragt, sommigen met lansen, anderen met
+geweren gewapend, artillerie en strijdolifanten, en een weinig
+meer in de verte ook die vrolijker uitgemonsterde, op wier rug
+gemakkelijke met kussens voorziene en van boven tegen de zon
+bedekte zetels tot voertuig strekten voor aanzienlijke, meest
+gesluierde vrouwen, die de wapenschouwing kwamen bijwonen.
+
+Eenigen tijd nadat ook de Radjpoet-ruiterij op de vlakte was
+aangekomen rukten de verschillende troepen, voorafgegaan door hare
+muziekkorpsen, op, om langs den Keizer en zijn staf te defileren,
+die daar op een eenigszins meer verheven terrein hen afwachtte.
+Naderbij gekomen behoefde Siddha wel niet lang in twijfel te
+staan, wien hij onder die groep van schitterend uitgedoste
+veldheeren, wier wapenen en paardentuigen glinsterden van goud en
+edelgesteenten, nu als den Keizer zelven te beschouwen had. Wel
+onmiskenbaar toch was door zijne gansche houding die forsche man,
+die daar op zijn prachtig wit paard en den veldheerstaf in de
+hand, een paar passen voor de overigen, en zijn baniervoerder en
+parasoldrager achter zich, de voorbijtrekkende troepen in
+oogenschouw nam. Maar tevens herkende hij ook terstond in den
+magtigen gebieder denzelfden persoon met wien hij in de tuinen van
+het paleis gesproken had, en omtrent wiens wezenlijken rang ook
+toen reeds, gelijk nu wel bleek, een inderdaad volkomen waar
+vermoeden bij hem gerezen was.
+
+Op zijne beurt nu met zijn ruiters den Keizer voorbijtrekkend,
+boog hij, gelijk hij de anderen die hem voorgingen had zien doen,
+zich voorover met omlaag gerigte lanspunt, en, tevens met een
+steelschen blik naar Akbar opziend, meende hij op het anders
+streng gelaat van dezen een ligten glimlach te bespeuren, die hem
+dra tot de overtuiging bragt dat de Keizer zijne nog al
+vrijmoedige woorden toch niet euvel scheen te hebben opgenomen.
+Ook herinnerde hij zich met zekere gerustheid dat Akbar, eene
+Vlugtige opwelling van toorn nu daargelaten, ook voortdurend open
+en vriendelijk tot hem gesproken had. En eindelijk behoefde hij
+thans zoo erg niet meer tegen een voorstelling aan den grooten
+Keizer op te zien, die, naar Feizi hem had te kennen gegeven,
+waarschijnlijk wel na de wapenschouwing in het legerkamp zou
+kunnen plaats hebben.
+
+Die verzekering werd ook niet gelogenstraft toen er rust voor de
+troepen was bevolen, en de officieren, die hierbij gemist konden
+worden, zich naar de voor hen bestemde gedeelten van het kamp
+hadden begeven. Daar toch zag Siddha al spoedig zich door Feizi
+wenken en op 's Keizers raadsman toetredend, werd hij door dezen
+naar de uitgebreide groep der van binnen niet minder weelderig dan
+de vertrekken van het paleis zelf versierde middententen geleid.
+Een oogenblik later bevonden zich beide in de hooge tegenwoordigheid
+van den vorst.
+
+Niet weinig inmiddels verwonderde zich Feizi zelf toen hij Akbar
+terstond een stap voorwaarts zag doen en hem tot Siddha, wiens
+diepen groet hij met een genadige handbeweging beantwoordde,
+zonder de officieele voorstelling af te wachten, hoorde zeggen:
+
+--Wel! ik zag u straks in dienst, en 't scheen mij dat er eenmaal
+nog wel een geschikt officier uit u groeien kan. Zorg maar dat ge
+mij niet in die goede verwachting bedriegt!
+
+--Ik kende,--vervolgde hij tot Feizi,--uw beschermeling al een
+weinig; wij hebben elkander reeds voor eenige dagen ontmoet,
+hoewel hij toen niet raadde wie ik was.
+
+--Had ik dat geweten, Sire!--sprak Siddha eerbiedig,--ik had
+daarom met geen meer ontzag tot Uwe Majesteit op kunnen zien dan
+ik toch reeds tot den mij onbekende deed.
+
+--Maar toch waarschijnlijk wat minder vrij gesproken hebben,--
+vulde Akbar een weinig spotachtig het hoffelijk, maar blijkbaar
+ook ernstig bedoeld gezegde aan;--doch daarin stak op zich zelf
+geen kwaad, en ik hoor ook liever wat de menschen van mij denken
+dan te moeten raden naar 't geen zij over mij spreken achter mijn
+rug. Maar daarom dan ook, en naar aanleiding tevens van ons vorig
+gesprek, een bevel of liever, want wat ik verlang laat zich niet
+afdwingen, een verzoek: schenk mij ook in vervolg van tijd
+hetzelfde vertrouwen, dat gij, mij niet kennend, reeds in mij
+gesteld hebt! Gij ziet wel, het heeft tot heden u niet bedrogen.
+Wend u tot mij, niet tot anderen, als gij meent u over mij of de
+mijnen te beklagen te hebben. Klagten aan te horen weiger ik
+nooit; zijn ze ongegrond, dan tracht ik ze te wederleggen; zijn ze
+billijk, ik zoek naar herstel der grieven. Openhartigheid en
+gepaste vrijmoedigheid, mijn vriend Feizi kan het getuigen, wekken
+nooit in ernst mijn toorn; wel daarentegen valschheid en
+veinzerij.
+
+En na nog enkele vragen en gezegden omtrent Siddha's meer
+bijzondere dienstbetrekking, wenkte de Keizer ten teeken dat het
+gehoor was afgeloopen, en verwijderde zich Feizi met zijn jongeren
+vriend, die natuurlijk niet weinig in de wolken was over zijn
+tweede onderhoud met den vorst, en ook niet naliet zijn medgezel
+het een en ander omtrent het eerste te verhalen.
+
+--Nu, gij zijt wezenlijk een gelukskind,--sprak Feizi,--dat treft
+iedereen maar zoo niet, hoewel Akbar overigens niet moeijelijk is
+te genaken en doorgaans allen gaarne te woord staat. Gij schijnt
+inmiddels een gunstigen indruk op hem gemaakt te hebben, en dat
+verheugt mij van harte. Doch zie ik daar Parviz niet aankomen? Och
+jawel! Maar wat die hier komt uitvoeren? Wel, wel!--vervolgde hij,
+zijn neef toesprekend,--mijnheer de toekomstige staatsraad hier
+onder krijgslieden tusschen de tenten!
+
+--Even goed, dunkt mij,--antwoordde Parviz,--als mijn waarde oom,
+de wijsgeer! Doch ik erken gaarne, dat ik voor 't overige evenmin
+kans zie hem ooit te evenaren in zijn staatsmanswijsheid en
+geleerdheid als in de wapenfeiten die hij bedreven heeft.
+
+--Nu, geen komplimentjes, neef!--hernam de ander lagchend,--dat
+komt onder ons niet te pas. Maar weet gij wat ik eigenlijk denk?
+Gij zijt hier zeker gekomen om daar ginds een kijkje te nemen van
+de fraai aangekleede olifanten; de schoone dochter van Todar Mal
+is stellig weer niet vreemd aan uw verschijning, al moogt gij haar
+eigenlijk niet eens zien.
+
+--Oom! zeg ik op mijne beurt, geen verraden van mijn geheimen!
+Hoewel ik--voegde Parviz rond en goedhartig er aan toe,--die
+anders niet voor mijn vriend Siddha verborgen wil houden. Te
+minder omdat ik mij verzekerd reken van zijne belangstelling,
+wanneer hij van zijn kant aan zijne voorzeker niet minder
+beminnelijke verloofde denkt. Maar,--zeide hij tevens, zich tot
+Siddha wendend,--zoover als gij ben ik ongelukkig nog bij lange
+niet. Of ik misschien al eenige gunst in de oogen der dochter zal
+mogen vinden, van den vader durf ik mij gansch niet verzekerd
+houden.
+
+--Dat zal mettertijd wel teregtkomen,--merkte Feizi goelijk op,--
+doch genoeg voor 't ogenblik van ons vertrouwelijk gesprek!
+Ziehier anderen, voor wier ooren dat alles zeker niet bestemd kan
+zijn.
+
+--Wie is dat?--vroeg Siddha, toen hij een groep ruiters zag
+naderen in wier midden zich een jongmensch, welligt enkele jaren
+ouder dan hij zelf, maar toch anders van ongeveer gelijken
+leeftijd, vertoonde, en wiens uiterlijk voorkomen hem om meer dan
+eene reden wel opmerkelijk scheen. Vooreerst om de wezenlijk
+overdadige pracht zijner kleeding. Over het fijn goudlakensch
+kleed droeg hij niet minder dan vier snoeren buitengewoon groote
+paarlen; de tulband was met een hooge reigerveder en drie juweelen
+van onschatbare waarde getooid; en om de armen droeg hij, tot aan
+de ellebogen, reijen van banden alle met edelgesteenten bezet,
+terwijl aan elken vinger een ring was gestoken. Om niet eens van
+de diamanten en paarlen te spreken, die zijn wapenen en het tuig
+van zijn paard versierden. Maar hoe zonderling bij al dat
+geflonker het bleek en vermoeid gelaat afstak, waarvan de vaalheid
+nog meer scheen uit te komen door de gitzwarte oogen en de scherp
+afgeteekende knevels en wenkbrauwen. Oorspronkelijk waren die
+trekken ongetwijfeld schoon en edel te noemen, maar zij waren
+vervallen en verouderd voor den tijd en droegen de onmiskenbare
+teekenen van menigen anders dan in wijsgeerige bespiegeling en
+onthouding doorgebragten nacht.
+
+--Hoe! kent gij dien nog niet?--vroeg Feizi,--dat is Selim de zoon
+van den Keizer en zijn aangewezen opvolger.
+
+Met een zwijgenden groet wilde de Kroonprins voorbij rijden, maar
+hij bedacht zich en, zijn paard naar Feizi en Parviz wendend,
+zeide hij:
+
+--Mijne heeren! 't is mij lief u juist hier te ontmoeten; ik wacht
+dezen avond eenige vrienden in mijn paleis voor een klein feest;
+wilt ge mij niet 't genoegen ook van uw bijzijn schenken?
+
+--De vraag--antwoordde Feizi,--ware mij in elke omstandigheid een
+bevel, zoo ik niet heden juist door een hooger werd verhinderd er
+aan te gehoorzamen, De Keizer heeft mij voor dezen avond
+bescheiden.
+
+--O zoo!--hernam Selim met een half minachtenden glimlach, hoewel
+overigens naar 't scheen juist niet rouwig om de weigering;--gij
+moet mijn vader zeker weer les gaan geven in uw ongeloovige
+wijsbegeerte, niet waar?
+
+--Wat ik persoonlijk doe,--was het antwoord,--blijft geheel ter
+beoordeeling van Uwe Hoogheid; maar wat de Keizer goed mag vinden,
+staat, dunkt mij, boven Haar oordeel en het mijne. Ook zou de
+vraag nog mogen heeten wiens avond wel het nuttigst besteed zou
+zijn.
+
+--Nu maak u maar niet boos, edele Feizi!--sprak de Prins
+vergoelijkend,--ik meen het zoo kwaad niet. Doch moet ik u dan uwe
+avonden laten, gun mij ook de mijnen! En gij Parviz!--ging hij,
+tot dezen zich keerend, voort,--hebt gij ook soms zoo zwaarwigtige
+bezigheden, die u van een onschuldig genoegen moeten terughouden?
+
+--Volstrekt niet,--antwoordde Parviz,--en al had ik die, ik zou
+niets liever wenschen dan ze ter zijde te mogen stellen voor een
+festijn in Selim's paleis. Maar veroorlooft mij, zoo de vraag niet
+onbescheiden is, Uwe Hoogheid, een nieuwen vriend van mij voor te
+stellen?
+
+En Siddha, die achteruit was getreden, wenkend om nader te komen,
+meldde hij diens naam en rang.
+
+--O ja!--sprak Selim,--ik herinner mij zoo iets van zijne komst
+hier vernomen te hebben. Wilt gij,--vroeg hij Siddha,--soms heden
+avond uw vriend begeleiden, gij zult mij genoegen doen.
+
+--Ik stel de eer op hoogen prijs,--antwoordde Siddha met een
+hoffelijke buiging.
+
+--De eer, nu ja!--zei Selim,--die geeft niet veel; ik heb niets te
+beteekenen hier aan het hof; maar ik hoop dat onze bijeenkomst u
+eenig genoegen mag verschaffen. Tot den avond alzoo!
+
+En zijn paard wendend vertrok de Prins met zijn gevolg.
+
+--Vergunt mij; geeerde vrienden!--zei hierop Siddha,--nu ook
+mijn afscheid te nemen; 't wordt tijd mijn ruiters weer op te
+zoeken.
+
+--Indien gij wilt,--sprak nog Parviz voor het scheiden,--kom dan
+tegen den avond mij afhalen; mijn woning ligt in uw weg, en dan
+gaan wij zamen.
+
+--Met genoegen!--antwoordde de ander en begaf zich terug naar zijn
+post.
+
+Dat de pracht van Selim's paleis ook aan die zijner kleedij zou
+beantwoorden, had Siddha natuurlijk wel vermoed; maar toch vond
+hij zijne verwachting nog overtroffen door de ongehoorde weelde
+toen hij, langs verscheidene voorvertrekken en tusschen reijen van
+dienaren door, de zacht maar overvloedig verlichte en niet al te
+groote hal was binnengetreden, waar de Kroonprins met zijn
+vrienden zich bevond. De zalen van het Keizerlijk paleis hadden
+met al haar uitgezochten rijkdom nog iets ernstigs en gestrengs;
+maar hier ademde alles, tot zelfs de overigens steeds bevallige
+Moorsche bouworde en het schitterend dekoratief, niet dan zucht
+naar weelde en een jagen naar het meest onbeperkte zingenot.
+Veelkleurige zijden en goudlakensche voorhangsels neergolvend van
+de als fijne kanten uitgehouwen bogen, en halverwege het keurig
+mozaiekwerk in de met verguldsel afgezette marmeren wanden
+bedekkend; digte bloemengroepen, bedwelmende geuren verspreidend
+alom; breede, de lichten weerkaatsende spiegels; mollige tapijten
+van phantastische teekening; lage en tot weeke rust verlokkende
+divans; als kleine heuvels opeengestapelde gouden en kristallen
+drinkschalen, en marmeren en porphieren koelvaten van allerlei
+vorm; en aan de breede zijde der zaal een soort van tooneel,
+waarop zich straks de danseressen en speellieden zouden vertoonen;
+alles door tal van in bontkleurige ballons gevatte lampen
+verlicht;--ziedaar ongetwijfeld een aanblik, die ook een bezoeker
+van Indische paleizen nog wel bij den eersten oogopslag kon
+verbaasd doen staan.
+
+Al spoedig had Selim, rondziende langs den kring der gasten, die,
+in groepen verdeeld, hier op de divans zich hadden nedergezet,
+daar met elkaar stonden te praten, de nieuw aangekomenen ontdekt,
+en kort daarna op hen toetredend, sprak hij:
+
+--Zijt welkom, mijne heeren! in mijne nederige woning! Ik wil
+hopen, gelijk ik dezen morgen reeds zeide, dat de avond ons eenig
+wederzijdsch genoegen mag schenken. Laat het u inmiddels gezegd
+zijn, de etiquette behoort ditmaal niet tot de vermakelijkheden;
+wij trachten, althans voor dit oogenblik, vrienden onder elkaar te
+zijn.
+
+De Prins wendde zich tot anderen; en op eenmaal zag Siddha eene
+hem welbekende, maar hier op dit oogenblik niet verwachte figuur
+naderen,--die van Salhana, den Goeverneur van Allahabad.
+
+--Wel, neef!--sprak deze, hem de hand gevend,--dat doet mij
+genoegen u hier te ontmoeten. Ik ben zoo straks aangekomen en vond
+juist bij tijds in mijne woning eene uitnoodiging van den Prins,
+die mij hier in Agra verwachtte.
+
+--En,--vroeg Siddha,--hoe is het ginds, en hoe gaat het....
+
+--Iravati? vulde Salhana aan--heel best. Zij laat u groeten. Doch
+zie eens, daar komt een man met wien gij kennis moet maken, ook al
+is hij voor 't oogenblik niet bijzonder gezien ten hove. Hij heeft
+met dat al niet weinig te beteekenen. Een nieuwe kennismaking was
+evenwel overtollig; want de naderende bleek niemand anders dan
+Abdal Kadir Badaoni, de Islamietische ijveraar, te zijn, dien
+Siddha reeds in het Keizerlijk park met Akbar zelf had gezien. Tot
+zijne verwondering begroette diezelfde man zijn oom, schoon toch
+even goed een ongeloovige als hij, nog al tamelijk beleefd,
+terwijl hem zelf nu ook iets ten deel viel wat als eene soort van
+hoffelijke ontvangst kon worden aangemerkt.
+
+--Ik zag uw neef toevallig reeds vroeger,--sprak Abdal Kadir toen
+Salhana hem wilde voorstellen,--en ik wil hopen,--vervolgde hij
+tot Siddha,--dat gij mijne toen gesproken woorden in de beteekenis
+zult willen opvatten die ik zelf er aan gaf; gij ziet nu wel dat
+personen mij nog niet gehaat zijn al moet ik hen bestrijden om hun
+dwalingen.
+
+--Ik eerbiedig uwe gevoelens, edele Heer!--antwoordde Siddha,--al
+betreur ik ook dat gij 't niet eveneens de onzen kunt doen.
+Misschien ....
+
+--Wat misschien?--begon Abdal Kadir opstuivend.
+
+--Neen, neen, mijn waarde heeren!--sprak nu Salhana, tot vrede
+manend,--geen getwist nu, wat ik u bidden mag, over uwe
+wederzijdsche gevoelens omtrent geloofskwestien! Bedenken wij
+liever wat feitelijke gevaren ons allen, ons Indiers zoowel als
+ulieden, trouwe zonen van den Profeet, bedreigen, indien de
+plannen eens verwezenlijkt werden, die ginds door hooger gestelde
+magten schijnen ontworpen te worden!
+
+Enkele andere personen, blijkbaar mede wel vertrouwde bekenden van
+Salhana en den Mohammedaan, hadden zich inmiddels bij de
+sprekenden aangesloten, terwijl Parviz zich met eenige jongeren
+naar een ander gedeelte der zaal had begeven. Allen luisterden met
+opmerkzaamheid, doch tevens een nauw gesloten kring vormend, waar
+geen ander, ongenoode, zich had weten binnen te dringen.
+
+Bedenken wij--ging Salhana voort, op wel verstaanbaren maar toch
+fluisterenden toon,--wat ons gebeuren moet, indien wij eens
+gedwongen werden ons allen openlijk aan de zonderlinge, tegen ons
+aller begrippen en zeden strijdende eeredienst te onderwerpen, die
+de anders zoo hoog geeerbiedigde Keizer ons, hoe dan ook, schijnt
+te willen opdringen. Hoe nu? Zoudt gijlieden Mohammedanen, de
+tegenwoordige beheerschers van het land, uw Allah verloochenend,
+dan in aanbidding voor zon en sterren willen nederknielen, en
+misschien....
+
+--Bij den baard van den Profeet!--begon Abdal Kadir, de hand aan
+'t gevest van zijn sabel slaand,--we zouden....
+
+--Bleef het daar nog maar bij,--hernam de ander,--doch er is nog
+erger. Denkt maar eens aan de woorden: "Allahoe Akbar", die
+tegenwoordig op munten en firmans gevonden worden! Die schijnen
+ongetwijfeld heel onschuldig als men ze in den zin van "God is
+groot" verstaat; maar zij kunnen immers ook nog iets anders
+beteekenen, te weten: "Akbar is God."
+
+--Dat gaat zeker alles te buiten!--riep Abdal Kadir nu in volle
+woede uit; maar Salhana kwam weer tusschen beiden.
+
+--Laat ons bedaard blijven!--zeide hij,--we hebben hier trouwens
+nog maar te doen met onderstellingen, die mogelijk ook, zooals ik
+zou hopen, ongegrond zullen blijken te zijn. Maar als het toch
+eenmaal zoo eens was, dan vraag ik, zoudt gij u kunnen en mogen
+onderwerpen, of ook wij, die tot heden de meest volkomen vrijheid
+genoten om dat geloof te belijden, wat wij erfden van onze vaderen
+en naar onze overtuiging het beste en redelijkste scheen? Beviel
+de laatste vraag al iets minder aan Abdal Kadir dan de vroeger
+gestelde, op Siddha maakte zij des te meer indruk. Dat Akbar aan
+de stichting van een nieuwe godsdienst dacht, was hem wel reeds
+eens ter ooren gekomen; maar of hij daarmede nu ook werkelijk
+gewetensdwang beoogde. En als 't eens zoo zijn mogt?...
+
+--Daarom,--besloot Salhana,--geen onderlinge twist! Maar laat ons
+gezamenlijk toezien, en, moet het, ons eendragtig door geoorloofde
+middelen trachten te beveiligen tegen de gevaren, waarmee het,
+vrees ik, maar al te zeer door dweepers en door intriganten gevoed
+idealisme van een anders voortreffelijk vorst ons dreigen mogt!
+Doch ik geloof, dat de Prins reeds het teeken heeft gegeven om ons
+eigenlijk festijn te doen beginnen. Breken wij dus voor 't
+oogenblik ons onderhoud af! Ik blijf mij inmiddels aanbevelen,
+mijne heeren! voor uw nader gevoelen over 't gesprokene. Mogelijk
+verkeer ik gansch in dwaling. Ik mogt het van harte wenschen!
+
+Terwijl de gasten bezig waren eene plaats op de verschillende
+divans te zoeken, hoorde Siddha, een der groepen voorbijgaande,
+een paar woorden die zijne opmerkzaamheid trokken.
+
+--En Kacmir?--vroeg een der sprekers,--zijn er berigten?
+
+--Heel goede!--antwoordde de toegesprokene;--de mijn kan haast
+springen.
+
+--En de brief?
+
+--In de beste handen!
+
+Andere gasten scheidden Siddha van de twee wier gesprek hij daar
+toevallig aanhoorde, en weldra zag hij niet ver van Selim zich
+tusschen eenige hem nog onbekende jongelieden geplaatst, doch met
+wie hij spoedig in gesprek was, terwijl de talrijke dienaren
+verschillende ververschingen aanbragten en de wijn rijkelijk in de
+gouden drinkschalen begon te vloeijen. Nu en dan kwamen hem nog
+wel de straks vernomen woorden voor den geest, maar de beteekenis
+bleef hem duister. Konden zij op die heimelijke twisten in zijn
+vaderland slaan, die naar Salhana's zeggen, door Akbar werden
+aangestookt? En die brief? Onwillekeurig maar ook slechts vlugtig
+dacht hij aan den brief van Rezia, dien Koelloeka had meegenomen,
+Maar wat kon die met staatkunde te maken hebben?
+
+Weldra ook werd zijns opmerkzaamheid geheel door de danseressen
+ingenomen, die, begeleid door muziekanten, van achter een der
+voorhangen op het tooneel in het breede der hal waren verschenen
+en aldra, den bruingetinten boezem nagenoeg gansch ontbloot, maar
+daarentegen met lang, tot de voeten reikend gewaad, op de maat der
+snaren-instrumenten en cymbels eenige van die dansen begonnen uit
+te voeren, die ten allen tijde zoozeer in den smaak vielen beide
+van Indier en van Musulman, en vaak uren achtereen hen weten bezig
+te houden. Tot afwisseling evenwel traden ook nu en dan zangers en
+zangeressen op, en vergastten de toehoorders met de voordragt van
+Perzische liederen, die bijzonder aan Selim en zijne vrienden
+schenen te behagen, maar Siddha een weinig eentoonig en ledig van
+inhoud voorkwamen.
+
+--Waar blijft nu Rembha?--vroeg eindelijk de Prins,--ze zou ons
+iets nieuws komen voorzingen, een paar vertaalde stukken uit een
+oud Indisch gedicht, dat u, Siddha! zeker wel bekend zal zijn, het
+Gitagovinda, meen ik.
+
+--O ja!--antwoordde Siddha,--de pastorale van Djayadeva, waarin de
+avonturen van den God Krishna met de herderinnen en zijn
+hereeniging met de schoone Radha beschreven worden. Ik heb er zelf
+ook wel eens een vertaling van beproefd.
+
+--Nu,--hernam Selim,--laat ons dan eens luisteren! Daar komt
+Rembha al.
+
+En op de estrade vertoonde zich een donker gekleurde schoone jonge
+vrouw, in rijk doch misschien wel wat heel weelderig kostuum, en
+ving half zingend, half reciterend, onder begeleiding eener zachte
+muziek aldus aan:
+
+Nu de lieftallige atimoekta den mango doet siddren in minlijke
+boeijen, Nu ook Vrindavana's woud weer der Djamoena heldere golven
+besproeijen, Nu zich de lente aan de jeugd en de schoonheid, met
+haar tot verleiding geboren, Paart om den kluizenaar zelf in de
+rust zijner vrome overpeinzing te storen, Nu komt zich Krishna in
+'t voorjaar vermeijen, Droef voor verlaatnen alleen, en speelt
+kozend en danst met de dartlende reijen.
+
+"Donker in 't gele gewaad, ligt met sandel bestrooid en met
+ kransen omhangen,
+ De oorringen schittrend in 't licht als de dans ze beweegt om de
+ lagchende wangen,
+ Schertsend en kozend met dartel gebaar
+ Leidt Krishna ten reidans de luchtige schaar.
+
+
+ Deze, met zwellenden boezem, die digt zich daar zoekt aan zijn
+ zijde te dringen,
+ Neuriet een liefelijk lied, dat ze straks hem bij 't tokklen der
+ luit hoorde zingen.
+ De andre, wier rusteloos oog toont wat liefde en wat lust ze uit
+ zijn blik heeft gedronken,
+ Staat als verblind door den glans van zijn lotusgelaat in
+ gedachten verzonken.
+
+
+ Gene, die slanke, die haastig hem nadert, als had ze iets in 't
+ oor hem te fluistren,
+ Drukt snel een vlugtigen kus op zijn wang, als hij lagchend zich
+ buigt om te luistren.
+
+
+ Deze, door inniger hartstogt tot hem, den bekoorlijken herder
+ getrokken,
+ Wil hem, de hand aan zijn kleed, naar 't bosschaadje aan den
+ oever der Djamoena lokken.
+
+
+ Zij, die daar danst bij den klank van de fluit naar de maat der
+ zacht rinklende ringen,
+ Weet hem door 't blijk van haar kunst tot een uitroep van blijde
+ bewondring te dwingen.
+
+
+ Deze en die kussend ter vlugt, maar te vaster die innige aan 't
+ harte soms prangend,
+ Gene schalksch aanziend en deze, die tracht hem te ontsnappen,
+ met de armen omvangend,
+ Schertsend en kozend met dartel gebaar,
+ Leidt Krishna ten reidans de luchtige schaar."
+
+
+--De voordragt,--sprak Selim met reden, toen de zangeres een
+oogenblik ophield,--laat niets te wenschen over; maar wat dunkt u,
+edele Siddha! van de vertaling?
+
+--Niet kwaad!--antwoordde de ander;--de denkbeelden zijn vrij wel
+teruggegeven, al zijn de woorden ook niet overal volkomen gevolgd.
+Dat is trouwens, ik erken het, ook heel moeijelijk met deze ietwat
+gemaakte en gezochte poezie van den lateren tijd. Maar is de
+vertaler zelf niet bekend?
+
+--Het is Feizi, met wien ik u dezen morgen zag spreken,--zei de Prins,
+even glimlagchend om de verlegenheid, die zich op Siddha's gelaat bij
+deze verklaring, in verband met zijn nog al meesterachtig oordeel,
+vertoonde.--Maar wees gerust,--vervolgde hij,--Feizi zal 't u stellig
+niet kwalijk nemen als gij zijn werk niet onvoorwaardelijk goedkeurt,
+maar u zeker voor elke teregtwijzing dankbaar zijn. Doch laat ons,
+Rembha! nog een enkel stuk hooren, en dan willen wij voor heden avond
+niet meer van u vergen.
+
+--De klagt dan--sprak de zangeres,--van de verlatene Radha tot
+hare vriendin:
+
+"Hem, die naar kussen begeerig, ginds 't landlijk vermaak zoekt
+ met speelsche vriendinnen,
+ Die ook zich harten zoo ligt door den lach der koraalroode lippen
+ kan winnen,
+ Hem, die ginds dartelt, hem blijf ik gedenken,
+ Moge ook hij spot slechts voor liefde mij schenken!
+
+
+ Hem, die met rankgelijke armen heel 't vrouwendom, kon het, zou
+ wenschen te omvangen,
+ Handen en voeten en borst met juweelen die 't duister verlichten
+ omhangen;
+
+
+ Hem, wiens met sandel omwolkt en hel stralende voorhoofd de maan
+ doet verbleeken,
+ Hem, wiens onstuimige hart te vergeefs de verloorne om genade
+ doet smeeken, Hem, die ginds dartelt, hem blijf ik gedenken,
+ Moge ook hij spot slechts voor liefde mij schenken!"
+
+
+Een kort oogenblik zweeg Rembha, en ging toen, in eenigzins
+veranderde maat, en met steeds zoetvloeijender klank harer ronde
+welluidende stem en als 't ware klimmende hartstogtelijkheid in de
+rol der minnende Radha voort:
+
+"Mij, hier verscholen in 't loof, hem, die daar sluimert in 't
+ nachtelijk duister,
+ Mij, die klagend hem zoekt, hem, die ginds praalt in zijn
+ lagchende luister,
+ Ons, ach! breng spoedig weer zamen, vriendinne!
+ Mij, dat ik ruste aan zijn hart, hem, dat hij trouw me als
+ voorheen weer beminne!
+
+
+ Mij, bij zijn naadring beschaamd, hem, die door vleitaal mijn
+ zinnen verrukte,
+ Mij, door zijn glimlach bekoord, hem, die mij strafloos den
+ sluijer ontrukte,
+
+
+ Mij, op het bed hier van mos, hem, die zich vleije als weleer aan
+ mijn zijde,
+ Mij, weer tot kozen bereid, hem, die den dronk zijner lippen mij
+ wijde,
+
+
+ Mij dan met schemerend oog, hem met van vreugde straks tintlende
+ wangen,
+ Mij met de leden zoo mat, hem, door den roes der verrukking
+ hevangen,
+ Ons, ach! breng spoedig weer zamen, vriendinne!
+ Mij, dat ik ruste aan zijn hart, hem, dat hij trouw me als
+ voorheen weer beminne!"
+
+
+Eene uitbundige toejuiching viel der schoone zangeres ten deel,
+zij het dan om den inhoud der woorden, door geen gehoor alligt
+beter begrepen dan door het hare, of wel om de uitdrukking, welke
+zij door stem en gebaren er aan te geven wist.
+
+--Dat belooft iets, niet waar?--sprak Selim,--als we nu eens aan
+de werkelijke hereeniging van Krishna en Radha komen! Maar dat een
+andermaal!--Doch zeg ons geachte Abdal Kadir!--vroeg hij,
+misschien niet geheel zonder bijoogmerk, aan dezen, die schuins
+tegenover Siddha had plaats genomen,--bevalt u die Indische
+dichtkunst toch niet wel zoo goed als de onze, ook al hebt gij,
+als elk ander goed geloovige, een afschuw van de wanbegrippen door
+het boos geslacht dezer Hindoe's verkondigd?
+
+--Met dichters,--antwoordde Abdal Kadir, ter nauwernood zijn
+inwendigen wrevel bedwingend,--heb ik over 't geheel niet veel op;
+en ook onze heilige Profeet, gezegend zijn naam! vloekte met reden
+den goddeloozen Amroel Kais, zoo hoog ook door anderen diens
+Moallakah mogt zijn geroemd. Maar dat nu die Hindoe's niet alleen
+zulke wulpsche verzen maken, als wij er hier vernamen, maar
+bovendien zulke wellustige wezens als die Krishna en die Radha tot
+voorwerpen van goddelijke vereering durven verheffen, dat dunkt
+mij toch wat al te grof.
+
+Juist dacht Siddha het woord te nemen om den ijveraar, zoo
+mogelijk, eens aan 't verstand te brengen, dat er nog een
+onderscheid is tusschen mythologie en godsdienst, tusschen poezie
+en geloof, toen Selim te regter tijd verdere woordenwisseling
+verhinderde door uit te roepen:
+
+--Geen theologie, mijne heeren! wat ik u verzoeken mag! Laten wij
+dat over aan mijn hooggeachten vader, die, naar ik vernam, op dit
+oogenblik met den geleerden Feizi, en mogelijk nog anderen, aan 't
+philosopheren moet zijn. Wij voor ons, meerendeels jongeren van
+jaren, kwamen hier bijeen om vrolijk den avond met elkaar door te
+brengen. Welaan dan, gij zangers en speellieden ginds! Een
+drinklied nu, en een levendig ook, om ons weer in den goeden toon
+te brengen! En laat stroomen den wijn, die ons 't hart verheugt;
+en zoo gij, edele Abdal Kadir! het wraken mogt, bedenk dan tevens
+dat een dichter, dien onze groote Profeet toch niet vloekte en die
+geeerd bleef onder de onzen, dat Tharafa reeds zong:
+
+"En komt ge tot het drinkgelag,
+ Ik doe u gaarn den ganschen dag
+ Een trouw en kloek bescheid.
+
+
+ Den beker vindt des morgens gij
+ Ten boord gevuld reeds staan;
+ Is 't u genoeg, straks vangen wij* Met frisschen moed weer aan!"
+
+
+En waarom zouden we dat goede voorbeeld dan niet volgen?
+
+De knorrige Mohammedaan bromde nog wel iets achter zijn baard,
+maar hij begreep dat tegenspraak hier onvoorzigtig zijn zou, daar
+hij Selim,--en deze wist dat ook wel,--als bondgenoot tegen
+Akbar's geloofsverzaking van noode had. Hij zweeg dus, en
+eindigde, om zijn leed te verzetten, met zelf dapper mee te
+drinken, wat de Profeet er dan ook van gezegd mogt hebben.
+
+De overige genooden lieten zich trouwens ook niet onbetuigd en
+menigmaal werden de drinkschalen even snel geledigd als gevuld,
+terwijl ook de zangeressen en bayaderes op een wenk van Selim zich
+onder de gasten mengden en hier en daar op de divans nevens hen
+plaats namen.
+
+Met de schoone Rembha, die ergens in zijn nabijheid teregt kwam
+had Siddha al spoedig een gesprek aangeknoopt; en weldra bleek hem
+dat zij niet alleen een vrij beschaafde en ontwikkelde vrouw, maar
+ook een zeer goedhartig wezen was, toen zij met medelijden van de
+ongelukkige danseressen sprak, die, al waren ze geen eigenlijke
+slavinnen, toch meerendeels door hare ouders op zeer vroegen
+leeftijd reeds aan den meestbiedende waren verkocht en nu, door
+den een aan den ander als een soort van koopwaar overgedaan, een
+leven leidden, niet voel beter dan dat der wezenlijke slaverij.
+
+--'t Is mij,--zeide zij openhartig genoeg,--in den beginne ook zoo
+gegaan; maar gelukkig had ik wat aanleg tot den zang, en een
+mijner begunstigers liet mij daarom een redehijke opvoeding geven,
+zoodat ik nu voor mijzelve kan zorgen, en des noods van mijne
+kunst alleen kan bestaan. En als ik,--voegde zij lagchend er bij,
+--als ik oud en leelijk ben geworden, dan....
+
+--Ja dan!--kon Siddha niet nalaten met een gevoel van medelijden
+uit te roepen.
+
+--Och neen!--hernam Rembha,--ik begrijp wel wat gij bedoelt; maar
+gij vergist u. Als ik dan oud en leelijk word, dan behoef ik mij
+nog in 't geheel niet te verlagen als zoovele om anderen aan
+avonturen te helpen, maar dan vind ik ligt genoeg, daar ik eene
+Indische van goede kaste ben, eene gelegenheid om hier of daar in
+een tempel het toezigt te krijgen over de zangeressen en
+dansmeisjes, die de priesters voor hun ceremonien er op na houden.
+
+Een wat meer luidruchtige muziek dan tot heden brak het gesprek
+voor 't oogenblik af, en toen het weer stil werd, mengden andere
+gasten en andere vrouwen zich in het onderhoud. Ook werden nu de
+gesprekken al meer en meer los van aard, en menige uitdrukking
+trof Siddha's oor, die hem tot heden onbekend was, maar waarvan
+hij de juist niet bijzonder kiesche beteekenis al spoedig genoeg
+begreep. Langzamerhand begon er ook vrij wat van het dekorum
+verloren te gaan, dat tot nog toe was in acht genomen. Hier en
+daar lag reeds een feestvierende achterover met de ledige schaal
+in de hand en volslagen onbewust van 't geen er om hem heen
+gebeurde; en op de divans zag men menige groep, wier houding alles
+behalve van eerbied getuigde voor de hooge tegenwoordigheid in
+welke men zich bevond. Maar al lang zag de Prins zelf niet meer
+naar de anderen om. In achtelooze houding lag hij tusschen twee
+nevens hem gezeten danseressen, waarvan de eene met de greep van
+zijn dolk speelde, terwijl de andere aan zijn juweelen armbanden
+trok. Een daarvan, dien hij loshaakte, wierp hij deze in den
+schoot en gene wierp hij een paar kostbare paarlen toe, die hij
+van zijn kleed rukte; daarna hief hij de drinkschaal weer op om ze
+te laten vullen, en die geledigd hebbend, zonk hij met beneveld
+oog in zijne kussens terug. En de gesprekken, zoo de verwarde,
+elkaar kruisende uitroepingen dien naam nog verdienden, werden al
+luider en luider, en de muziek bleef spelen, en de wijn bleef
+stroomen, tot eindelijk ook onze Siddha, door het rumoer en de
+bloemengeuren en zeer zeker niet het minst door den wijn zelf
+bedwelmd, al minder en minder van 't geen hem omringde begon op te
+merken.
+
+Een krachtige hand, die eensklaps op zijn schouder werd gelegd,
+schudde hem voor 't oogenblik wakker uit zijne verdooving. Het was
+die van Salhana, die hem ongemerkt genaderd was.
+
+--Komaan!--sprak deze,--'t wordt tijd voor ons om te vertrekken.
+Er gebeuren bij gelegenheden als deze wel eens gevaarlijke dingen
+als er soms de eene of andere twist ontstaat, en men weet dan
+nooit waar men in gemengd kan worden.
+
+--Ja, maar--vroeg Siddha met een weifelende uitspraak,--kunnen
+wij zoo maar heengaan, eer de Prins het teeken van scheiden geeft?
+
+--De Prins!--zei Salhana nog al verachtelijk,--zie maar eens of
+hij er naar vragen zal of wij heengaan of niet!--En daarbij wees
+hij naar Selim, die daar achterover lag op den divan met de oogen
+gesloten en den arm afhangend over het kussen; terwijl de pas weer
+gevulde schaal, aan zijne hand ontvallend, over het kostbaar
+tapijt op den grond was gerold. Maar hoe ook Siddha zijn best
+deed, hij ontwaarde geen Selim meer, of zoo hij nog iets zag dan
+waren 't er twee; en gewillig liet hij zich nu buiten de zaal
+leiden door zijn oom, die hem stevig onder den arm greep, op het
+voorplein in een anders voor hemzelven bestemden palankijn deed
+plaats nemen, en toen, na een woord aan de dragers, schoon hij
+stellig niet minder gedronken had dan zijn neef, met vasten stap
+zich huiswaarts begaf.
+
+Op zijn weg door een der nauwere straten ontwaarde hij onder de
+luifel van een huis eene lange magere gedaante, die, voorzigtig
+rondziende, hare schuilplaats verliet, en in welke hij spoedig
+Gorakh, den Yogi, herkende.
+
+--Alles wel?--vroeg deze.
+
+--Heel best!--was het antwoord,--onze zaken vorderen. Iets
+bepaalds kan ik u echter nog niet meedeelen, maar zoodra ik wat
+anders weet, en in elk geval, zoodra wij uwe hulp of die uwer
+getrouwen van noode hebben, zal ik u doen waarschuwen.
+
+--En onze jonge gek? Houd hem in 't oog! Ik geloof dat hij iets
+van onze verstandhouding vermoedt. Dat maakt echter niets uit, als
+hij maar eerst binnen is. Maar daarom, zeg mij, is de vogel al in
+de knip?
+
+--Nog niet,--antwoordde Salhana,--maar heel lang zal dat wel niet
+duren.
+
+Gorakh lagchte, en de beide mannen gingen langs tegenovergestelde
+kanten ieder huns weegs.
+
+
+
+ZEVENDE HOOFDSTUK.
+
+Stille zamenkomsten
+
+Feizi had zich niet van een voorwendsel bediend, toen hij de
+uitnoodiging van den Kroonprins afsloeg. Omstreeks denzelfden
+tijd, waarop Selim zijne gasten zag vergaderen, wachtte hij met
+den Keizer in diens binnenvertrekken een genoode van gansch
+anderen aard.
+
+Voorafgegaan door een dienaar, die na de aanmelding terstond weer
+verdween, trad daar weldra een man binnen, aan wiens gewaad ieder
+Westerling terstond den Roomsch-Katholieken geestelijke herkend
+zou hebben. Het was dan ook de Padre Rodolpho Aquaviva, hoofd van
+de toenmalige Jezuieten-missie, uit Goa door den Vader Provinciaal
+naar het hof van Agra afgevaardigd.
+
+--Ik heet u welkom, Eerwaarde Vader!--sprak Akbar, zijn groet
+beantwoordend,--welkom in den naam van dat Hoogste Wezen, dat wij
+beiden gelijkelijk, schoon op verschillende wijzen vereeren!--Ik
+wil hopen,--voegde hij vragend er bij,--dat de reis u niet al te
+zeer zal hebben vermoeid?
+
+--Ik ben Uwe Majesteit dankbaar voor die belangstelling,--
+antwoordde Aquaviva;--gelukkig hebben wij den togt zonder
+ongevallen kunnen volbrengen, hoewel mijne gezondheid anders veel
+te wenschen overlaat. Maar de nietige mensch behoort te dragen wat
+de Heer over hem beschikt.
+
+--Dat zeg ik met u!--hernam Akbar;--maar ik heb u ook nog te
+bedanken voor de boekwerken, die gij sinds uwe afwezigheid de
+goedheid gehad hebt mij te doen toekomen, uwe Evangeli*n en
+andere schriften. Mijn vriend Feizi hier, dien gij van vroeger u
+nog wel zult herinneren, heeft ze grootendeels voor mij vertaald;
+en ik verzeker u, dat wij te zamen en met Aboel Fazl er trouw in
+gelezen hebben.
+
+--En,--vroeg de Padre, nauwlettend het gelaat van den Keizer
+bespiedend,--mogen wij ook hopen dat het gestrooide zaad in goede
+aarde is gevallen?
+
+--Ik geloof ja!--antwoordde Akbar;--ik stel verscheidene van uw heilige
+boeken bijzonder hoog, nu ik daarmede eens nader heb kennis gemaakt.
+Wat schoone en verhevene waarheden zijn er niet in vervat! En dan, nevens
+die hoogere, meer het onzienlijke betreffende begrippen, die ook in de
+leer van den Islam niet gansch ontbreken, welk eene edele en reine
+opvatting van zelfverloochening en zelfopoffering, en bovenal welk een
+zuiver, aan den Koran doorgaans geheel vreemd begrip van menschenliefde
+en humaniteit! Dat ik uw Christendom alzoo ver boven het Mohammedanisme
+stel, behoef ik u wel niet nader te verzekeren.
+
+--De Heere zij geloofd!--sprak de Jezuiet met ten hemel geslagen
+geslagen oog en de handen zamenvouwend;--ziedaar de regte weg!
+Eerst de dwaling wel begrepen door vergelijking met de waarheid;
+dan is het gemoed ook ontvankelijk voor deze. En hoe zou het
+trouwens ook mogelijk zijn dat een man als Akbar, niet enkel een
+grootmagtig Vorst, maar, wat meer nog zegt, een zoo wijs en
+geleerd man bovendien, de waarheid niet van den logen zou weten te
+onderscheiden?
+
+--Ik ben u verpligt voor die welwillende beoordeeling,--zei
+Akbar,--maar ik vrees, dat ik alligt weer in uwe achting zal
+dalen, indien ik aan mijne woorden van zooeven nog iets toevoeg.
+En dat moet ik toch, wil ik opregt jegens u handelen. Ik gaf u
+mijne warme bewondering te kennen voor veel wat er in uwe heilige
+schriften wordt aangetroffen; maar dat belet niet dat ik nog een
+open oog wensch te houden voor 't geen er goeds en schoons ook in
+andere godsdiensten te vinden is. Daar hebt gij bijvoorbeeld
+enkele der hier nog bestaande, de oorspronkelijk Indische.
+
+--Hoe, wat?--kon Aquaviva zich niet weerhouden in de grootste
+ontsteltenis uit te roepen,--die gruwelijke afgoderijen!
+
+--Ik erken,--hernam Akbar bedaard,--dat er bij zijn, waarop die
+benaming wel toepasselijk is. Maar dat is toch lang niet met alle
+het geval. Niet waar, Feizi?
+
+--Zeer zeker niet!--antwoordde deze,--en niemand weet dat beter
+dan mijn Keizer zelf; en hij zal u, Eerwaarde Vader! even als ik
+kunnen betuigen, dat er onder die godsdiensten zelfs meer dan een
+wordt gevonden, die, wat de evengenoemde punten betreft niet voor
+de uwe, voor het Christendom behoeft onder te doen.
+
+--Onmogelijk!--zei Aquaviva met vaste stem.
+
+--En waarom onmogelijk?--vroeg Feizi glimlagchend,--kent gij dan
+wezenlijk al die stelsels zoo nauwkeurig?
+
+--Ik ken ze niet anders,--hernam de Padre,--dan uit hetgeen ik
+hier er nu en dan van zie. Maar ik begeer en ik behoef ze ook niet
+nader te kennen. Waartoe zou het dienen? Er kan toch maar eene
+waarheid zijn.
+
+--Dat spreekt wel van zelf,--viel hier Akbar in,--maar de vraag is
+juist, wat waarheid is, en bij wie ze gevonden wordt; of ze enkel
+gevonden wordt in een leerstelsel, dan wel in meer dan een
+verspreid. Nu zult ge mij natuurlijk antwoorden, dat niemand
+anders in het bezit der waarheid is dan gijlieden; maar dan vraag
+ik wederom: waaruit blijkt dat?
+
+--Wel,--hernam Aquaviva,--de waarheid is ons immers geopenbaard
+door Jezus Christus, den Zoon van God.
+
+--Zoo zegt gij!--was het antwoord; maar nu zegt mijn vriend Abdal
+Kadir, de Islamiet, dat ze hem is geopenbaard door Mohammed, den
+grooten Profeet. En dat uw Christus werkelijk Gods Zoon was, zoudt
+gij toch eerst dienen te bewijzen, eer ge op hemzelf als zoodanig
+u beroepen kunt.
+
+--Zoo zeggen ook,--voegde Feizi er nog bij,--onze Vishnoeieten
+hier, dat de waarheid hun niet alleen door wijze en heilige mannen
+is bekend geworden, maar ook geopenbaard in verschillende
+incarnatien der Godheid.
+
+--Maar het gezag der Alleenzaligmakende kerk dan, en dat van den
+Bijbel, Gods woord!--hernam de Jezuiet.
+
+--Dat staat weer gelijk,--antwoordde Akbar,--met het gezag van den
+Koran, de khaliefen en de oelema's. En met de autoriteit van de
+kanonieke boeken en de leeraren der Vishnoeieten bijvoorbeeld,
+waarvan Feizi zooeven sprak.
+
+--Maar dan toch het vast geloof! Zegt dat niets?
+
+--Ook al weer bij allen van gelijke kracht.
+
+--Het Christendom is in elk geval veel ouder dan de Islam.
+
+--Ja, maar lang zoo oud niet als de Veda, op welks gezag de
+zooeven genoemde godsdienstleer meerendeels steunt. En ook het
+Boeddhisme is ouder dan het Christendom. En, terwijl het daarmede,
+als trouwens ook andere Indische leeringen, overeenstemt wat echt
+humanitaire begrippen aangaat, en op merkwaardige wijze ook vele
+kerkelijke gebruiken met u gemeen heeft, het wint het, dunkt mij,
+van uwe leer in geest van verdraagzaamheid.
+
+--Wij komen op die wijze niet veel verder,--merkte de Padre,
+ondanks al zijn ontzag voor den Keizer als zoodanig, een weinig
+gemelijk aan.
+
+--Neen, dat geloof ik ook niet, waarde Heer!--zei Akbar met een
+ligten glimlach;--doch beter zou het misschien gaan, zooal niet
+volkomen in overeenstemming met uw bijzonder doel, indien gij van
+de hier nog heerschende rigtingen eens wat nader kennis wildet
+nemen, en u daaromtrent dezelfde moeite getroosten, welke wij ons
+niet ontzagen wat de godsdienst uwer landstreken betreft. Wij
+konden dan ten minste die verschillende leeringen eens zamen
+vergelijken, om dan ten slotte wel tot eene overtuiging omtrent
+hare wederzijdsche inwendige waarde te geraken.
+
+--Maar daarvoor ben ik hier niet gekomen,--hervatte de
+Heidenapostel,--ik ben gezonden om het Evangelie te prediken en
+zielen te redden van het verderf!
+
+--Welnu!--sprak Akbar op zijn gewonen kalmen toon,--ik wensch u
+een goeden uitslag. Maar ik twijfel of gij veel zult vorderen,
+indien gij anderen eenvoudig zoekt op te dringen wat gijzelf voor
+waar houdt, zonder te doorgronden of zelfs na te vragen wat zij
+van hun kant gewoon zijn als waarheid te erkennen.
+
+--Toch vertrouw ik,--sprak Aquaviva weder, door al die formele
+bezwaren nog niet afgeschrikt,--op de onweerstaanbare overtuigingskracht,
+welke alleen ons geloof bezit en waarvoor in 't eind ook het meest
+verstokte hart moet zwichten, zij het dan van afgodendienaar of van
+ongodist.
+
+--Gij bedoelt den inhoud van uw geloof, niet waar?
+
+--Ongetwijfeld!
+
+--Nu, voor zoover die inhoud zich inderdaad van de leeringen der
+overige belijdenissen, die we zooeven noemden, onderscheidt, zou
+ik al zeer weinig geneigd zijn, uw onbepaald vertrouwen, zoozeer
+ik 't anders ook eerbiedig, te deelen. En in zoover diezelfde
+inhoud met dien van anderen overeenstemt, is er geen strijd en
+komt uw bekeeringswerk dus ook niet te pas. Wat dunkt u, vriend
+Feizi! is het niet zoo? Gij zijt een man van bedaard verstand, en
+niet zulk een idealist, zoo als ik, even als onze eerwaarde
+Aquaviva, mij wel eens betoon. Wij hebben dus prijs te stellen op
+uw oordeel.
+
+Of de eerwaarde Aquaviva het hiermede geheel eens was, mogt
+onzeker heeten; maar in elk geval diende hij Feizi wel aan het
+woord te laten, toen deze begon:
+
+--Ik geloof niet, Sire! dat Uwe Majesteit eene bevestiging Harer
+woorden mijnerzijds behoeft. Maar den Padre moet ik eveneens de
+verzekering geven, al beneemt ze hem een zijner meest dierbare
+illusien, dat die bijzondere leerbegrippen, die uitsluitend aan
+zijne geloofsbelijdenis eigen zijn, ook al maakt hij enkele
+bekeerlingen, toch nooit wortel zullen schieten in dit land, noch
+onder Mohammedanen, noch onder hen, die hij gewoon is met den naam
+van Heidenen te bestempelen. Genen, boven alles aan hun dogma van
+God's onverbreekbare en ononderscheiden eenheid gehecht, kunnen
+nooit vrede hebben met zijn leerstelling omtrent de Drieeenheid,
+of de drie personen in de Godheid; dezen, voor wie die leer
+misschien minder onaanneemlijk mogt schijnen, in zoover ze toch
+reeds gewoon zijn het eene Wezen onder meer dan een vorm te
+vereeren, zullen daarentegen onvermijdelijk op bezwaren stuiten
+van nog gansch anderen aard. Zij zullen bijvoorbeeld, om er nu
+slechts een te noemen, u, Eerwaarde Vader! nooit toegeven, dat God
+den mensch geschapen heeft juist om hem te doen vallen en daarna,
+ten einde hem weer te redden, zichzelf in zijn eigen zoon ten
+offer heeft gebragt; of, van den anderen kant, hem scheppend zoo
+als hij hem schiep, niet zou geweten hebben dat hij vallen moest
+en er alzoo tot dat zonderlinge evengenoemd redmiddel moest worden
+overgegaan om de goddelijke regtvaardigheid weer met de goddelijke
+liefde in overeenstemming te brengen. Zij zullen, houd het mij ten
+goede, zoodanige voorstelling eenvoudig onzinnig achten, en dus
+ook niet geneigd zijn, hunne voorvaderlijke, veel eenvoudiger en
+redelijker begrippen voor zoo iets vaarwel te zeggen. Laat gij
+daarentegen uw strengere leer omtrent zondeval en verzoening
+nevens vele dergelijke, maar waarvan ik nu niet wil spreken,
+wederom los, en verkondigt gij anders niet dan uw Christelijke
+moraal en uwe begrippen van algemeen-menschelijkheid en
+verloochening der zelfzucht en opofferende menschenliefde, dan
+leert gij niets nieuws en uwe prediking wordt, voor 't minst
+genomen, vrij overtollig.
+
+--Maar wij laten niets los!--viel Aquaviva uit;--wat wij
+verkondigen, zullen wij volhouden, omdat het de waarheid is, en de
+eenige waarheid die de verdorven menschheid kan redden en
+verdoolde zielen behoeden voor de eeuwige straffen der hel; en
+daarom staan wij dan ook bereid, hier als elders, ons kruis op ons
+te nemen en smaadheid te lijden om Jesu Christi wille, en, moet
+het zijn, ook den marteldood, als Hijzelf en zoovelen Zijner
+Heiligen na Hem, te ondergaan!
+
+--Maar daarvan, mijn waarde Heer!--sprak nu Akbar, terwijl hij
+zijn hand op den arm van den verbolgen en in geestdrift ontstoken
+ijveraar legde,--daarvan kan hier immers, zoolang ik Hindostan
+beheersch, in 't allerminst geen sprake zijn. Smaad ook hebt gij,
+voor zoover ik weet, nooit onder mijne regering ondervonden; wel,
+zoo ik meen, hooge eer, een eer zelfs u door zeer velen benijd; en
+daarbij geniet gij de meest mogelijke vrijheid om uwe gevoelens te
+verkondigen waar en aan wie ge maar wilt. Doch wij spraken,
+bedrieg ik mij niet, over uw kansen om anderen in dit land tot de
+belijdenis uwer bijzondere godsdienstige begrippen over te halen.
+En deze, ik moet het wel met Feizi erkennen, deze schijnen mij
+vooralsnog uiterst gering.
+
+--Doch,--waagde Aquaviva op te merken,--als Uwe Majesteit nu eens
+het voorbeeld gaf?
+
+--Dan zou ik toch zelf wel eerst overtuigd moeten zijn!--
+antwoordde Akbar;--of zoudt gij willen, dat ik iets met den mond
+ging belijden wat mijn hart bleef verloochenen?
+
+--Zeer zeker,--hernam de ander,--ware zoo iets een ongerijmde
+eisch. En ik mag er dan vooreerst ook niet meer op aandringen.
+Maar ik had zoo gehoopt, zoo vertrouwd, dat de lezing der Schrift
+reeds het edel gemoed van Hindostan's wijzen beheerscher
+ontvankelijk zou hebben gemaakt voor dat eenig geloof, dat alleen
+in staat is zijne ziel, als de onze, te behouden voor het eeuwig
+en anders onvermijdelijk verderf! En nu zie ik mij niettemin in
+die zoo dierbare verwachting weer teleurgesteld. Is het dan niet
+te vergeven als ik mij zoo aanstonds in wat sterke bewoordingen
+uitdrukte?
+
+--Gij hebt geen vergiffenis van noode, mijn waardige vriend!--
+antwoordde Akbar;--ik kan mij uw ijver volkomen voorstellen. Maar
+ik heb immers ook niet gezegd, dat ik volstrekt niet naar u
+luisteren wil. Integendeel! ik schenk u steeds gaarne de
+gelegenheid om, kunt ge, mij te overreden. Doch laat ons voor 't
+oogenblik afbreken, en ons onderhoud van heden avond enkel als een
+voorloopig beschouwen! We spraken ditmaal ook over wat veel
+onderwerpen te gelijk, een andermaal willen we wat beter bij een
+bepaald punt blijven staan, en wie weet, hoever uw geleerdheid en
+welsprekendheid het dan nog met mij brengt!
+
+Of de Keizer bepaald ernstig sprak, dan of zekere ironie zich
+mengde onder zijne woorden, schoon in zijn stem of gebaren daarvan
+niets merkbaar was, had de Jezuiet moeilijk kunnen beslissen. Wat
+er evenwel van ware, de wenk dat het onderhoud voor heden was
+afgeloopen kon hem niet onduidelijk zijn; en, den Keizer dank
+zeggend voor de op nieuw hem bewezen eer, verliet hij met
+eerbiedigen groet het vertrek.
+
+--Allen toch dezelfden!--sprak Akbar tot Feizi, toen de ander hem
+verlaten had;--of gij nu Abdal Kadir of Aquaviva hoort, 't is
+altijd weer gezag, geloof, openbaring, maar geen sprake van rede
+en verstand, en van gronden aan wetenschap en ervaring ontleend.
+Toch onderhoude ik mij gaarne met die dweepers. De verschillende
+wijze waarop de menschen zich hunne betrekking tot den oneindigen
+grond van het Al voorstellen, is meerendeels wel uit boeken te
+ontdekken; maar het levend woord van de belijders zelven der
+onderscheiden gezindheden leert ons menigmaal toch nog meer.
+
+--Ongetwijfeld!--antwoordde Feizi;--maar wat nu dat voortdurend
+beroep op gezag en openbaring aangaat, is het niet natuurlijk en
+onvermijdelijk bij allen, die, niet te vrede met hetgeen rede en
+ervaring ons leeren, de oplossing der wereldraadsels in
+voortbrengselen van hun eigen verbeelding zoeken? Toont men hun nu
+de ongegrondheid of ook de onzinnigheid van vele dier voorstellingen,
+dan rest hun niet anders dan zich te beroepen op het gezag eener
+openbaring, die hen of hun voorgangers met hunne ingebeelde waarheden
+moet hebben bekend gemaakt. Doch, zonderling voorwaar! dat de
+tegenspraak hen zoo zelden tot eigen onderzoek en rustige beoordeeling
+hunner opgeschroefde leeringen voert. Konden ze daartoe besluiten, ze
+zouden spoedig genoeg de ijlheid dier theorien leeren inzien. Hoog en
+trotsch inderdaad verheffen zich de pijlers en tinnen hunner tempels
+tot in de wolken; maar onderzoek de grondvesten, en gij ontdekt aldra,
+dat ze staan te waggelen op het stuifzand der phantasie.
+
+Niet aanstonds sprak Akbar, toen Feizi zweeg. Eenige oogenblikken
+dacht hij na, en zeide toen:
+
+--Ik geloof dat gij gelijk hebt, Feizi! Maar toch, ik betrap mij
+zelf wel eens op iets diergelijks als gij dien lieden verwijt, ook
+al erken ik in 't eind weer geen ander gezag dan onze eigene rede.
+En of ons nu, in oogenblikken van geestvervoering, de dichterlijke
+verbeelding niet soms tot de ontdekking van waarheden kon leiden,
+die wij later door de uitkomsten der wetenschap mogten bevestigd
+zien? Doch daarover nader! Wij hebben thans nog andere zaken te
+bespreken; en straks komt Aboel Fazl, om ons, naar ik verwacht,
+eenige niet onbelangrijke mededeelingen te doen.
+
+In een ander gedeelte van Agra had, een avond later, mede eene
+zamenkomst plaats, maar die overigens met de zoo aanstonds
+beschrevene niets anders gemeen had dan dat ze eveneens eene
+heimelijke, voor onbescheiden oogen en ooren wel verborgene was.
+
+Reeds meer dan eens had Siddha in de dagen die onmiddelijk op zijn
+eerste bezoek bij Rezia volgden, naar de dienares omgezien, die
+hem toenmaals naar hare woning had geleid. Ten laatste had hij de
+vertrouwde nogmaals in den omtrek der Keizerlijke tuinen ontmoet,
+en van haar op nieuw eene uitnoodiging van hare meesteres
+ontvangen, waaraan hij ook wederom zich gehaast had te voldoen.
+Sinds dien tijd herhaalden zich telkens die bezoeken en volgden al
+sneller en sneller op elkaar, totdat eindelijk de dag aan Siddha
+ledig scheen, waarop hij niet nevens Rezia aan de veranda was
+gezeten geweest. Wat ook Agra schoons en aangenaams bieden mogt,
+hoezeer hem ook de meer dan eens reeds gebleken gunst van Aboel
+Fazl en later ook die des Keizers verblijdde, en hoeveel wezenlijk
+genoegen hij ook in zijne gesprekken met Feizi smaakte, wiens
+woning voor hem openstond en die hem wezenlijk als een vertrouwd
+vriend behandelde, of zoo goed hij zich ook vermaakte met den
+jongeren Parviz en zijne levenslustige kameraden, toch was er
+niets wat zoo onweerstaanbaar hem trok als het stille paviljoen
+der bevallige Armenische. Dat het beeld van Iravati daarbij meer
+en meer op den achtergrond geraakte, was zeker niet vreemd, en
+evenmin dat Rezia voor hem al spoedig iets meer dan eene aangename
+en onderhoudende kennis werd, terwijl zijzelve ook gansch niet
+ongevoelig voor de onverholen hulde van den jongen edelman scheen.
+Wel had eensklaps een gevoel van schrik zich van hem meester
+gemaakt toen hij tot het vol bewustzijn kwam, dat zij hem niet
+enkel dierbaar was geworden als eene lieve vriendin, maar dat hij
+met een hartstogt haar beminde geljk hij dien tot heden nog nooit
+had gekend; doch al vrij spoedig ook was hij aan die gedachte
+gewoon, en geen andere heheerschte ten slotte zijn gemoed dan de
+voortaan door niets meer te beteugelen begeerte om haar de zijne
+te mogen noemen en zijne liefde door haar beantwoord te zien.
+
+Op den bewusten avond dan had nogmaals Siddha nevens zijne
+verleidelijke gastvrouw op den divan plaats genomen, waarvoor nu
+een kleine en lage, sierlijk gebeeldhouwde tafel met frissche
+vruchten en gouden, met tintelenden wijn gevulde drinkschalen was
+gesteld. En verlokkender scheen zij in dit oogenblik hem dan ooit,
+en weelderiger hare schoone bevallige vormen, en dieper van
+uitdrukking de blik harer zachte blauwe oogen, die nu eens met
+weeke teederheid, dan weer met onbeschrijfelijken gloed naar hem
+opzagen om haastig straks in de schaduw der donkere wimpers weer
+schuil te gaan. En liefelijke geuren van rozen en jasmijn stegen
+er op uit den bloemenhof en een heldere maan wierp hare stralen
+als getemperd daglicht op het balkon en in het vertrek, en
+overtoog met hellen zilverglans de boomgroepen en fonteinen daar
+omlaag.
+
+--Siddha!--sprak Rezia eensklaps ernstig na eenig meer
+onverschillig en schertsend onderhoud,--gij hebt mij voorheen
+reeds een dienst bewezen door mijn brief veilig naar Kacmir te
+doen overbrengen; zou ik nu nog een tweede van u mogen vergen,
+maar die, ik zeg het u vooruit, van vrij wat meer beteekenis ook
+voor uzelf kan zijn?
+
+--Gebied, en ik gehoorzaam!--antwoordde Siddha zonder weifelen;--
+wat het ook zijn mag wat gij verlangt, wees overtuigd, en gij weet
+hoezeer 't mij ernst is, ik zal trachten het te volbrengen.
+
+--Voorzigtig, mijn vriend!--hernam Rezia, den wijsvinger schalks
+omhoog heffend;--gij verbindt u reeds alvorens te weten wat ik u
+van zou kunnen vergen? Dat komt omdat gij, in uw wezenlijk
+aanzienlijken rang, en verzekerd van uw benijdenswaardige stelling
+ten hove, eigenlijk wat laag neerziet op een eenvoudige vrouw
+zooals ik, en dus meent al heel gemakkelijk eene of andere mijner
+grillen te kunnen bevredigen. Maar dat kon u toch wel eens
+tegenvallen.
+
+--Ik zweer u,--was het nog al driftig antwoord,--zoo iets kwam in
+de verte zelfs niet bij mij op. Nogmaals dan: eisch wat gij wilt,
+en ik gehoorzaam uw bevel!
+
+--Nu dan,--hervatte Rezia, terwijl zij nog ietwat vertrouwelijker
+naar de zijde van haar thans wel verklaarden aanbidder neigde,--
+wat ik te verlangen zou hebben is, wel bezien, eigenlijk evenzeer
+in uw belang als in het mijne. Gij verbeeldt u alligt dat ik, zoo
+stil en eenzaam hier levend, niets weet van 't geen er omgaat in
+de paleizen van Agra en in 's Keizers raad verhandeld wordt.
+Toevallige betrekking met enkele personen, die goed op de hoogte
+zijn, stelt mij evenwel in de gelegenheid er iets meer van te
+weten dan gij waarschijnlijk vermoedt. Iets meer ook misschien dan
+uzelf bekend is, en u toch in uw eigen belang, althans in dat van
+uw land en uw geslacht, bekend behoorde te zijn.
+
+--Ik geloof,--sprak Siddha,--dat ik u reeds begrijp. Gij bedoelt
+zekere plannen die tegen de onafhankelijkheid van Kacmir gesmeed
+konden worden, indien de aldaar weer aangevangen binnenlandsche
+twisten ze soms voor uitvoering vatbaar mogten maken.
+
+--Volkomen juist!--was het antwoord,--maar wat gij toch niet
+schijnt te weten is, dat diezelfde plannen al vrij wel gerijpt
+zijn, dat de Keizerlijke legermagt tot den inval gereed wordt
+gemaakt, en--dat gijzelf met de uwen bestemd zijt om tot hulp te
+dienen tegen uw land en volk, door middel van uw invloed op de
+trouw aan u gehechte Radjpoet's en van uw welklinkenden naam in
+Kacmir zelf; altijd, wel te verstaan, indien gij blindelings
+blijft gehoorzamen aan 't geen u door Akbar of van zijnentwege
+geboden wordt.
+
+--Maar, lieve Rezia!--vroeg Siddha met een flauwe poging om onder
+schijnbaar luchthartigen toon de onrust te verbergen, die zich van
+hem meester maakte,--al mogt dat alles nu zoo zijn, wat is het u?
+En wat kan u bewegen mij daarover in dit oogenblik te onderhouden?
+
+--Mijn wezenlijk eigenbelang, maar tevens ook belangstelling in
+het uwe, mijn vriend! Ik sprak u vroeger van een vriendin, gelijk
+gij u zult herinneren, die hier aan zekere vervolging zou zijn
+blootgesteld. Maar, nu oprecht gesproken, ik misleidde u! Niet die
+vriendin gold het, maar mijzelve. Die echtgenoot, aan wien een
+wreed bevel mijns vaders mij eenmaal kluisterde, en wiens tirannie
+ik verfoei, keert werkelijk spoedig terug. Hem te ontvlugten, vrij
+te zijn, eenmaal in veiligheid mij te kunnen verbinden met dengene
+die later welligt de man mijner keuze zijn zal, blijft mijn doel.
+En om dat te bereiken, zocht ik Kacmir als toevlugtsoord en
+knoopte er verbindingen met enkele uwer vrienden aan. Maar wordt
+nu ook dat land aan Akbar's ver strekkende magt onderworpen, dan
+ontgaat mij ook weer die mogelijkheid en weet ik niet waarheen
+voortaan mij te wenden. Spoedig zie ik mij dan weder in de magt
+van den man, die te beschikken heeft over mijn lot, en--met onze
+genoegelijke en vrolijke zamenkomsten is het uit mijn vriend! en
+Rezia heeft opgehouden voor u te bestaan, even als gij--'t werd
+met een ligte zucht er aan toegevoegd,--ook voor haar!
+
+--Dat niet!--riep Siddha hartstogtelijk uit,--dat zal niet
+gebeuren! Maar wat wilt gij dan? Wat middel weet gij? Wat eischt
+ge van mij?
+
+--Anders niet--antwoordde Rezia bedaard,--dan dat ge u niet tot
+werktuig laat gebruiken tegen uw eigen land, tegen uzelf, tegen
+mij! Blijf uw dapperen aanvoeren als tot heden, maar leid ze, den
+beslissenden dag, niet op tegen ons, en weet hen, als het
+oogenblik zal gekomen zijn, op geschikte wijze te doen overgaan
+tot diegenen der onzen, voor wie ze steeds bij alle uiterlijk
+vertoon van trouw en onderdanigheid aan den Keizer, uit den aard
+van hun stam en oud-adelijke geslachten een geheime neiging
+hebben. Dan zal een magtige partij in Kacmir zelf u bijvallen, u
+steunen door haar invloed, u verheffen tot de hoogste eer; en dan
+zult gij in 't eind, ook al is dat nu van minder belang, een
+veilige wijkplaats hebben bereid aan mij arme, die ten allen tijde
+u dankbaar zal blijven voor de bescherming haar verleend!
+
+--Maar,--stamelde Siddha, bij al die plannen en vooruitzigten nauw
+meer den draad zijner eigene gedachten vattend,--dat is toch
+verraad, en verraad van de ergste soort jegens den Keizer, die mij
+vertrouwt!
+
+--Zeer zeker verraad!--antwoordde Rezia met een minachtenden
+lach,--de Keizer heeft natuurlijk volkomen regt, u als werktuig te
+gebruiken tegen uw eigen land en volk, onder den schijn van u
+gunsten te willen bewijzen; maar gij, gij mist het regt, hem te
+betalen met gelijke munt! Nu, daarvoor zijt ge dan ook onderdaan,
+of--slaaf! Doch handel zooals gij verkiest! Uwe betuiging van daar
+straks, dat gij alles zoudt willen doen wat ik vroeg, blijkt mij
+nu eene ijdele pligtpleging te zijn geweest, zooals men die wel
+eens meer jegens onnoozele vrouwen uit. Maar genoeg! En laat ons
+onderhoud thans liever geeindigd zijn; niet omdat mij dat
+aangenaam ware, maar omdat ik beter vind, op eens met kloek
+besluit van elkaar te scheiden dan onze kennismaking nog verder
+voort te zetten, en ze dan morgen of een dag later toch
+onvermijdelijk en tegen onzen wil te zien afgebroken.
+
+--Nog eens,--sprak Siddha, terwijl Rezia als gebogen onder haar
+smart zich van hem afwendde,--dat nooit, dat in geen geval! En ik
+loog ook niet al aarzelde ik straks een oogenblik, toen ik zeide
+te willen doen wat gij zoudt eischen. Ik herhaal het: Gebied, en
+ik gehoorzaam!
+
+--Uw woord!
+
+--Mijn woord als edelman! Doch waarom het nog verlangd? Gij weet immers
+dat ik niet anders kan, dat ik toch doen zou wat gij maar eischen mogt.
+En waarom ook verder nog verzwegen wat u al lang bekend is? Laat mij
+dan vrij het betuigen, laat mij 't eindelijk zeggen, dat gij mij
+dierbaar zijt boven alles, dierbaar boven het leven en zelfs boven de
+eer, en dat ik met een hartstogt u bemin zooals ik tot nu toe nooit
+mogelijk of ook maar denkbaar had geacht! Ik meende te weten wat liefde
+was, maar 't was een kinderlijke genegenheid die ik er voor aanzag. Gij
+hebt mij anders geleerd. Maar leer mij meer nog! Leer mij, wat het zegt,
+eene liefde als de mijne te zien beantwoord! Geen slaaf kan onderdaniger
+aan zijn meester zich toonen dan ik het zijn wil jegens u; nooit de
+slaaf van Akbar of van wien ook, zooals gij meendet, maar wel de uwe!
+Al wat ik heb en ooit nog verwerven mogt, rijkdom, aanzien, rang,
+behoort u alleen, en de magt die gij over mij bezit kunt gij gebruiken
+en misbruiken naar welgevallen. Maar wees de mijne, Rezia! de mijne
+zoolang ons te leven rest!
+
+--Neen, Siddha!--sprak zij zacht, terwijl zij de hand afweerde
+waarmee hij de hare zocht te vatten,--neen! mij voegt het niet,
+zulke taal van u aan te hooren, noch u, ze tot mij te uiten.
+Bedenk het, ik ben nog niet vrij, en ook gijzelf niet; want andere
+banden, gij verhaaldet 't mij zelf, houden u gevangen.
+
+--Andere banden!--riep Siddha driftig uit,--ik verbreek ze! Of
+liever, ik heb ze al lang verbroken! En kon ik dat niet, ik zou
+den dag vloeken, waarop ze mij werden aangelegd. En gij! moogt ge
+ook heden niet vrij zijn, ik ben het die 't weldra u maken zal!
+Naar Kacmir trekken wij heen, naar het afgelegene maar schoone
+Noorden, waar Siddha Rama's naam, gelijk gij wel zegt, nog invloed
+heeft, en waar niemand ligt zou wagen, die gehate echtgenoot zoo
+min als een ander, haar te beleedigen, die nu eenmaal mijn
+bescherming geniet.
+
+--En zou die bescherming ook voldoende zijn tegen een Akbar en
+zijn gunstelingen?--vroeg Rezia.
+
+--Tegen hem en de zijnen, wie ook, als tegen alle anderen!--was
+het overmoedig antwoord;--ook tegen hemzelf zullen wij Kacmir
+weten vrij te vechten, al ware 't alleen om het tot een wijkplaats
+te behouden voor u en voor mij.
+
+--Toch mag ik u niet blijven aanhooren,--hernam Rezia;--in
+waarheid, het is mij leed dat gij tot mij gesproken hebt als dezen
+avond. Gij hadt mij en uzelf dit alles moeten sparen. Dan had onze
+vriendschappelijke omgang mogelijk nog kunnen voortduren, en later
+misschien tot eene andere verbindtenis kunnen leiden. Thans moet
+alles ophouden, zoozeer mij dat ook bedroeft. Ga nu, zeg mij
+vaarwel en vergeet mij; het is beter voor u, en...ook voor mij,
+die gij zegt lief te hebben!
+
+Inderdaad!--sprak Siddha, terwijl hij opstond en, 't hoofd op de
+borst gezonken, eenige passen terugtrad,--een spoedige scheiding
+zal nog wel het verstandigste zijn. Ik zie het maar al te goed;
+mijn liefde wordt versmaad. Wat dan nog langer hier te toeven? 't
+Is waar, zonder u is er voor mij geen leven, geen geluk meer
+denkbaar; en toch, de voortdurende marteling, u telkens te moeten
+zien en van dag tot dag inniger lief te hebben, en dan te weten
+dat gij dien gehaten, dien gevloekten vreemde blijft toebehooren,
+is mij onduldbaar. Nieuwe onlusten nu zijn er, naar ik verneem, in
+het Zuiden, in Dekkan, uitgebroken en de Keizer roept derwaarts
+verscheiden zijner legerbenden; ik wil hem smeeken, mij daarheen
+te zenden, en in den strijd met wilde bergstammen vind ik spoedig,
+zoo niet vergetelheid, want die is onmogelijk, dan toch een
+tijdigen, nu wel gewenschten dood.
+
+--Ach, Siddha!--klonk het droef klagend en in den zoetsten toon
+der liefelijke welluidende stem,--ach! waartoe nu een hevigheid
+zooals ik ze nog nooit van u ondervond? Waartoe, indien een zwakke
+vrouw, die maar al te zeer de moeijelijkheid van den strijd tegen
+haarzelve en haar eigen hartstogt ondervindt, nog een oogenblik de
+kracht zoekt te behouden om uw aandrang te weerstaan? Het is zoo,
+gelijk gij zegt: het ware beter mij te verlaten. En toch ... ik
+kan u nog niet laten gaan! Blijf al is 't maar een korte poos; zet
+u nog eenmaal aan mijne zijde, en verheugen wij ons, al ware 't
+ook voor het laatst, nog eenige oogenblikken in die meer rustige,
+door onbedwongen hartstogt niet verstoorde gesprekken, waarin ook
+gij toch als ik te voren zooveel genoegen vondt.
+
+En eer Siddha tot bewustzijn van zijn handeling kwam was hij
+nogmaals nevens de vrouw gezeten, die heel zijn verstand en zinnen
+had vermeesterd; en, op haar verlangen de luit grijpend, die daar
+nevens hem lag, begon hij te zoeken in zijn herinnering naar een
+der liederen van zijn land, om wier voordragt zij met hare gewone
+innemendheid hem gebeden had.
+
+Maar of hij al zocht, en soms aanving en dan weer ophield, om
+straks op nieuw te beginnen en nogmaals te blijven steken, zijn
+geheugen faalde, en mismoedig legde hij de nuttelooze luit ter
+zijde.
+
+--Ik weet niets meer,--zeide hij,--ik kan mij niets meer
+herinneren, ik denk niet meer!...
+
+--Hoe nu, mijn zanger!--sprak Rezia lagchend,--moet ik het dan
+zijn, die u voorga? Welaan! Maar drinken wij eerst elkander toe!--En
+een der drinkschalen opvattend, deed zij Siddha ook de zijne
+ledigen en begon toen met zachte, smeltende stem een zoetvloeiend
+Perzisch minnelied, dat ook spoedig genoeg zijne verbeelding weer
+te verlevendigen wist.
+
+--Nu dan!--riep hij weer opgewonden uit toen Rezia had geeindigd,
+en beschreef, naar Kalidasa's Jaargetijden, de ontvangst van den
+minnaar door de, voor hem bij den terugkeer van den zomer getooide
+bruid:
+
+"In 't loofprieel, van bloemengeur doortrokken,
+ Drinkt hij den wijn, ligt door haar mond beroerd;
+ Een lieflijk lied weet Kama hem te ontlokken,
+ Door teedre min tot dartel spel vervoerd.
+
+
+ De boezem rijk met parelen omwonden,
+ Het zijden kleed om slanke heup geplooid,
+ De lokken los met bloemen opgebonden,
+ Ontvangt zij hem, als bruid voor hem getooid.
+
+
+ Wie voelt zich niet van blijden lust doordringen
+ Waar, ligt van tred, als zwanengang, een voet
+ Door zachten klank der rinkelende ringen
+ Aan d' enkel steeds, rooskleurig, denken doet?
+
+
+ Waar 't geel saffraan den glans verhoogt der lokken,
+ En gouden gordel slanke leest omsnoert,
+ En luchtig gaas, van sandelgeur doortrokken,
+ Den boezem dekt, dien minnelust ontroert?
+
+
+ Weg dan 't gewaad, dat te eng die slanke leden,
+ Met ligte dauw bepareld, nog omhult!
+ Het nijdig kleed, dat, halfweg afgegleden,
+ Des jonglings hart met wangunst nog vervult!...
+
+
+ Zoo wekt de wind, die in de blaadren fluistert,
+ En rimplend 't meer en 't murmlend beekjen kust,
+ Zoo wekt ook 't lied, dat 's dichters oor beluistert,
+ Den God der Liefde uit lange winterrust..."
+
+
+De zanger zweeg, en zij die hem aanhoorde, en zich al digter en
+digter aan zijne zijde had gevleid, sprak niet, maar zag naar hem
+op met hare betooverende oogen, stralend ditmaal van een ongewonen
+gloed. Toen vatte hij eensklaps hare beide handen, en trok haar
+tot zich met thans bijkans onweerstaanbare kracht.
+
+--Rezia! sprak hij,--Rezia! wees mij Kalidasa's bruid!... Voor nu
+en voor altijd mijn!
+
+En zacht fluisterde zij Siddha's naam, en hare armen om zijn hals
+slaande, zonk zij magteloos aan zijne borst....
+
+Meer dan eens sloop sinds dien avond, in 't late van den, liefst
+donkeren, nacht eene mannelijke gestalte langs de cactuslaan, die
+tot de woning der Armenische leidde, en spoedde zich, bedachtzaam
+rondziende, voort.... De lotusbloem van Iravati was gekanteld met
+het ranke vaartuig waarop hij zich bevond; een zoele windvlaag had
+het omgeworpen.
+
+
+
+ACHTSTE HOOFDSTUK.
+
+Een verzoeker
+
+Nogmaals was de jeugdige kasteleinesse van Allahabad aan het
+balkon van den burgt gezeten, en zag uit naar de verre gebergten,
+vanwaar, nu geruimen tijd reeds geleden, de toen lang verbeide
+gekomen was. In het landschap daar omlaag had niets zich veranderd
+sinds dien tijd; dezelfde kalme, zilveren wateren en bosschaadjen
+daar beneden, en bergtoppen aan den verren overkant; en dezelfde
+onbewolkte zonneschijn, die toen het landschap had verlicht. Of
+ook in hem niets veranderd mogt zijn, die nu zeker een ijverig
+deel nam aan de verstrooijingen van het hof en de velerlei
+vermaken der groote stad? Of hij nog steeds aan haar dacht, en
+dagelijks hare beeldtenis bezag, gelijk zij de zijne? De twijfel,
+soms haars ondanks bij haar oprijzend, scheen Iravati niettemin
+bij eenig nadenken eene beleediging jegens den man, dien zij niet
+minder hoogachtte dan lief had en die nog bij zijn laatste bezoek
+op zoo innige en tevens plegtige wijze zijn woord van trouw aan
+haar verpandde en in zijne brieven ook daarna zijne gelofte nog
+had herhaald. Maar deze hadden sinds eenigen tijd opgehouden. En
+waarom keerde hij niet spoedig eens weder, al was 't dan vooreerst
+maar tijdelijk? Kon hij zoolang van haar gescheiden blijven zonder
+gelegenheid te zoeken, ware 't slechts voor een enkelen dag haar
+weer te zien? Ongetwijfeld hield strenge dienstpligt hem terug, en
+kon hem zoo aanstonds geen verlof worden gegeven tot eene
+afwezigheid. Maar wat de tijd inmiddels lang viel, wat de uren en
+dagen schenen voort te kruipen voor haar die eenzaam hier wachten
+moest!
+
+Als dien anderen morgen werd zij in hare mijmering ook weder
+gestoord door de verschijning van haar vader, den Goeverneur.
+
+--Iravati!--sprak deze op den gewonen afgemeten toon, dien hij
+waar hem dat paste wist aan te slaan,--een gast brengt ons heden
+bezoek ....
+
+Hij was dan gekomen! hij wachtte ginds! En in zichzelve juichte de
+ongeduldige, schoon zij uiterlijk het niet blijken liet.
+
+--Een gast,--vervolgde Salhana,--dien het u zeker even aangenaam
+als vereerend zal zijn te ontmoeten. Het is Selim, de Kroonprins,
+die op verlangen zijns vaders eenigen tijd in Allahabad komt
+vertoeven.
+
+Niet dan met de grootste inspanning wist Iravati hare bittere
+teleurstelling te verbergen; maar iets te antwoorden scheen haar
+onmogelijk.
+
+--Welnu?--vroeg Salhana,--is het berigt u niet welkom? Daar is er
+menigeen, die heel wat zou geven om de eer te mogen genieten die u
+wacht. Voor 't overige begeer ik natuurlijk niet dat iemand van 's
+Prinsen gevolg u zien zal; maar met den aanstaanden Keizer is het
+heel iets anders. Ook kan het voor mij en ook voor Siddha van
+belang zijn, indien gij u zijne gunst weet te verwerven. Volg mij
+nu!
+
+Toen Iravati met haar vader de galerij binnentrad waar op dat
+oogenblik Selim zich alleen bevond, ging deze haar een paar
+schreden te gemoet en wilde haar op zijne gewone luchthartige
+schoon hoffelijke wijze toespreken; doch eensklaps begaf hem al
+zijne vrijmoedigheid, en zwijgend bleef hij staan. Eene zoo edele
+houding aan zooveel bescheidenheid tevens gepaard, eene zoo
+ernstige schoonheid bij zoo innemende en lieftallige uitdrukking
+van gelaat, herinnerde hij zich niet bij eenige vrouw nog ooit te
+hebben aanschouwd. En tegen zijne gewoonte wachtte hij met zijne
+begroeting tot Salhana vormelijk zijne dochter aan hem had
+voorgesteld.
+
+--Ik ben u verpligt, edele jonkvrouw!--sprak hij toen,--dat gij u
+de moeite getroost, mij als gast te komen begroeten. Ik heb reeds
+meer dan eens van u gehoord, en...,--eene beleefdheidsphrase die
+hem op de lippen zweefde, scheen hem te laf en te onbeduidend dan
+dat ze niet moest blijven steken,--en...,--vervolgde hij, voor 't
+oogenblik niets anders vindend,--het is mij aangenaam thans
+persoonlijk uwe kennis te mogen maken.
+
+--De eer, mij en mijn vader door Uwe Hoogheid bewezen, stel ik
+bijzonder op prijs!--antwoordde Iravati;--en ik wil hopen dat het
+stil verblijf in Allahabad u niet te zeer moge tegenvallen in
+vergelijking met het leven der hofstad, dat aan afwisseling zeker
+wel heel wat rijker zal zijn.
+
+--Indien--sprak Selim,--de edele dochter van den Goeverneur mij nu
+en dan het genoegen van haar bijzijn gunt, dan ben ik voorzeker
+niet bevreesd dat het verblijf mij lang zal vallen. Maar ik hoor u
+van de residentie spreken; gij kent die toch, wil ik hopen?
+
+--Ik ben nog nooit in Agra geweest?--luidde het antwoord.
+
+--Niet?--vroeg Selim;--maar, waardige Salhana!--vervolgde hij,--
+het wordt dan toch waarlijk tijd dat ge uw rijkbegaafde dochter
+eens wat meer van de wereld laat zien dan hier in dezen afgelegen
+burgt haar vertoond kan worden!
+
+--Die tijd,--antwoordde de Goeverneur,--zal gekomen zijn als mijne
+dochter zich eenmaal ouder de hoede van haar aanstaanden
+echtgenoot, mijn toekomstigen, nog onlangs door Uwe Hoogheid met
+zooveel welwillendheid ontvangen schoonzoon, zal bevinden.
+
+Waarom die herinnering den Prins niet bijzonder welkom scheen,
+viel bezwaarlijk te ontdekken; maar in elk geval zweeg hij
+onmiddelijk, terwijl zijn donkere wenkbrauwen zich fronsten; en
+een oogenblik daarna bragt hij 't gesprek op andere onderwerpen
+over. Een tijdlang werd het nog voortgezet, en daarop vroeg
+Salhana voor zijne dochter verlof zich naar hare vertrekken terug
+te begeven. Met een eerbiedige neiging verwijderde zich Iravati,
+weltevrede dat het weinig vermakelijk onderhoud was afgeloopen, en
+geen anderen indruk van den zoon des Keizers medenemend dan dat
+hij verbazend prachtig was gekleed, schoon op dat oogenblik
+Selim's kostuum voor hemzelf nog niets anders dan een eenvoudig
+reisgewaad vertegenwoordigde.
+
+Eenige oogenblikken later was Selim met den Goeverneur en nog een
+derden persoon in een der tegen alle indringers en luisteraars wel
+verzekerde vertrekken van den burgt gezeten, blijkbaar om te
+beraadslagen over belangrijker vragen dan die, hoe men 't best in
+Allahabad zich den tijd zou korten. Die derde was Gorakh, de
+Doerga-priester.
+
+--Het doel waarnaar wij streven, mijne vrienden!--dus begon de Prins,--
+schijnt weldra door ons genaderd. Doch laat ons voorzigtig zijn voor
+alles! En niet onverstandig doen wij, naar 't mij voorkomt, als wij
+thans aanvangen met den stand onzer plannen te overzien, om dan te
+onderzoeken wat er nog tot verdere voorbereiding dient beraamd te
+worden. Gij nu, Salhana! zijt, geloof ik, daarvan nog 't best van ons
+drieen op de hoogte. Wat mij betreft, ge weet dat men aan 't hof het een
+en ander is gaan vermoeden, en van daar de wensch, dat wil dan zeggen
+het bevel mijns vaders om mij hierheen te begeven. Wie mij dat bezorgd
+heeft, weet ik heel wel; 't is weer die Aboel Fazl, vloeke hem Allah!
+Maar ik hoop 't hem bij gelegenheid wel eens betaald te zetten. En nu
+gij, Salhana!
+
+--Tot heden,--begon deze,--kan ik niet anders zien of alles gaat
+naar wensch. In Agra, Delhi, Lahore en andere plaatsen zijn de
+echt Mohammedaansche Omrah's en de verdere grooten ten hevigste
+tegen den Keizer verbitterd, om de verachting waaraan hij nu al
+lang hunne godsdienst blootstelt en het verlies der voorregten
+welke hij hun ontnomen heeft. Zij zullen niets liever zien dan een
+omwentellng bij de eerste gelegenheid de beste, en velen zijn
+volkomen bereid daaraan mee te werken. Evenzoo meer dan een der
+hoogere Mansabdar's. Abdal Kadir helpt ons in dat alles niet
+weinig, maar al te zeer moet er toch niet op hem gebouwd worden;
+hij zou wel openlijk willen te werk gaan, 't geen natuurlijk een
+dwaasheid ware; maar hij heeft telkens weer bezwaren tegen 't geen
+hij verraad noemt.
+
+--En uw neef?--vroeg Selim.
+
+--Die komt geheel op onze zijde; hoe we dat nu gedaan hebben
+gekregen, doet niet ter zake; genoeg dat het zoo is. Ik had hem
+eerst als onzen spion bij Akbar willen gebruiken; maar 't is mij
+gebleken dat hij er niet voor deugt; hij is te onnoozel en te veel
+in de begrippen van dien Koelloeka opgevoed om de rol behoorlijk
+te spelen; en daarenboven pakt Akbar hem ook telkens op zijne
+bekende manier weer in, als hij hem soms ontmoet; 't is dus maar
+beter dat hij den Keizer niet al te dikwijls ziet. Daarentegen zal
+hij ons geheel andere en nog betere diensten kunnen bewijzen. Nog
+onlangs werd hij in rang als Mansabdar verhoogd, en spoedig heeft
+hij kans op nieuwe bevordering, zoodat hij tegen den bepaalden
+tijd een vrij belangrijk getal ruiters zal aanvoeren; over zijne
+Radjpoet's heeft hij ook persoonlijk veel te zeggen, en in Kacmir
+heeft zijn naam grooten invloed. Wanneer wij dus het beraamde plan
+uitvoeren dan wordt ons zijn medewerking van niet gering nut. Op
+het gegeven oogenblik laat hij de zijnen omkeeren en zich tegen de
+Keizerlijken wenden, en geen twijfel of dat voorbeeld zal door de
+meerderheid der Radjpoet's en Patan's wel worden gevolgd.
+
+--Maar nu het plan zelf, wat Kacmir betreft?--vroeg Selim wederom.
+
+--Wel, mij dunkt,--antwoordde Salhana,--dat het niet beter kon
+staan dan thans. De binnenlandsche twisten zijn, meerendeels door
+ons toedoen, tot een uiterste gekomen; de partijen staan gewapend
+tegenover elkander; de stroopers loopen het land af, en, wat hier
+wel 't belangrijkste is, ook Akbar's naburig gelegen rijken; zij
+geven hem dus de aanleiding aan de hand om met zijn leger naar het
+Noorden op te trekken, en tot herstel en blijvende verzekering der
+rust de verovering van Kacmir te beproeven. Zijn legermagt staat
+dan ook al gereed; en, bedrieg ik mij niet, dan is zijn voornemen,
+na de aanstaande jaarlijksche viering van zijn geboortedag den
+togt te gaan ondernemen. Is nu eenmaal de strijd aan den gang, dan
+valt onze Siddha even als andere aanvoerders hem plotseling af,
+vereenigt zich met de onzen in het leger van Kacmir en houdt Akbar
+genoeg bezig om hem vooreerst den terugtogt te beletten. Inmiddels
+hebben de onzen in Agra zelf de handen vrij, roepen Selim tot
+Keizer uit, en stellen zich in 't bezit van de vesting en de
+schatkist. Zoo dan Akbar ten laatste nog terugkeert, dan valt er
+misschien nog wat te vechten met zijne troepen, schoon ik 't niet
+onderstel; maar 't eind van de zaak moet toch zijn, dat hij ten
+gunste van den Kroonprins afstand doet van den troon.
+
+--Alles,--sprak Selim,--volkomen goed berekend, en geheel
+overeenkomstig ons oorspronkelijk, en thans, naar ik met genoegen
+zie, meer tot rijpheid gekomen plan! Maar eene vraag toch! Bestaat
+er geen gevaar dat er iets van uitlekt? Is alles wel steeds
+voorzigtig aangelegd? Zoo bijvoorbeeld die brief, die naar Kacmir
+verzonden zou worden; indien hij eens in verkeerde handen was
+geraakt?
+
+--De brief--antwoordde Salhana,--is volkomen goed aan zijne
+bestemming teregtgekomen. Maar weet gij, wie hem meenam? Niemand
+anders dan onze vriend Koelloeka zelf.
+
+--Wat?--riep Selim uit,--Koelloeka! Welk onvergeeflijk waagstuk!
+
+--In 't minst niet,--hernam de ander bedaard;--het was juist de
+allerveiligste weg. De goede man wist zelf niet wat hij overbragt;
+het stuk was hem door Siddha ter hand gesteld, die ook niet wist
+wat er in stond; en in 't uiterste geval, indien hij bij de
+overbrenging betrapt ware geweest, hijzelf zou er 't ergste zijn
+ingeloopen zonder daarom nog eenige inlichting te kunnen geven; en
+wij, die natuurlijk in het stuk niet bij name genoemd werden,
+bleven toch buiten schot.
+
+--Heel goed gevonden!--sprak Selim goedkeurend en hartelijk
+lagchend;--maar thans verder! Wij zijn u voorloopig dankbaar voor
+uwe mededeelingen, Salhana! Maar nu onze eerwaarde Gorakh! Heeft
+ook hij ons niet iets nieuws te vertellen?
+
+--Ik geloof wel van ja!--antwoordde de Yogi, die tot dusver
+stilzwijgend had toegeluisterd;--althans ik heb van mijn kant ook
+niet stil gezeten. Zooals ik u vroeger reeds voorzegde, maar u
+toen nog onwaarschijnlijk voorkwam, heb ik mij den weg gebaand tot
+het paleis niet alleen, maar ook tot de binnenvertrekken van den
+Keizer. Gij weet, welke moeite hij zich geeft om alle stelsels van
+godsdienst en wijsbegeerte te leeren kennen, die maar eenigermate
+onder zijn bereik vallen. En zoo wilde hij dan ook volstrekt
+kennis maken met die aloude Yoga-leer, waarvan hij veel gehoord,
+maar weinig of niets naders vernomen had. Want hier schoot niet
+enkel Feizi's, maar ook Koelloeka's geleerdheid, als die der
+overige Brahmanen, wier hulp werd ingeroepen, te kort, en de
+weinige ingewijden, die er nog in Hindostan te vinden zijn, wisten
+zij hem niet aan te wijzen. Nu zorgde ik, door sommige vertrouwden
+hem 't een en ander omtrent mijne kennis van de Yoga-geheimen te
+laten verluiden; en niet lang of ik werd ten hove ontboden, en
+Akbar ontving heimelijk van mij eenige eerste aanduidingen omtrent
+de leer der concentratie, waardoor de sterveling zich al meer en
+meer in onmiddelijke betrekking tot het oneindig Alwezen weet te
+stellen, en, zijn denken en zijn in dat van het absolute
+oplossend, ook het oneindig bestaan deelachtig wordt, zoodat hij
+'t vermogen erlangt, zich naar willekeur tot op de verste
+afstanden te verplaatsen schijnbaar zonder de plek te verlaten
+waar hij zich bevindt, de grootste zoowel als de kleinste vormen
+aan te nemen en zich onzigtbaar of ook ligter te maken dan de
+lucht. Om nu ook kracht aan de zaak bij te zetten en 't niet bij
+verzekeringen te laten, bragt ik eens een mijner lieden mede, die
+bijzonder ver is in allerlei toeren, en deed hem een kunst
+verrigten, waarover de Keizer, niet zonder reden trouwens,
+verbaasd stond. De man zette zich op een lagen houten steel,
+waaraan een bamboe met een haak als van een wandelstok was
+bevestigd, liet toen een wit laken voor zich uitspreiden zoodat
+men hem niet zien kon, en toen nu het laken werd weggetrokken, zat
+hij letterlijk in de lucht, een paar voet boven den stoel en enkel
+steunend met de eene, uitgestrekte hand op den haak van den
+bamboe. Een heel merkwaardige kunst, die ik u bij gelegenheid wel
+eens zal laten zien, als wij eens tijd hebben. Maar genoeg! Akbar
+was niet alleen verwonderd, maar ook hoe langer hoe meer begeerig,
+in onze geheimen te worden ingewijd. En hij is dat nog. Gij
+begrijpt dat ik mij wel wachtte, hem iets meer te vertellen dan
+noodig was om telkens sterker zijn nieuwsgierigheid te wekken; en
+zoo komt het, dat ik nu altijd gelegenheid heb om bij hem, die
+niets liever wenscht, te worden toegelaten. Ik maak er een
+spaarzaam gebruik van, maar, dat wil ik wel verzekeren, een goed!
+Met de mijnen neem ik behoorlijk steeds alles op wat voor ons en
+onze zaak van eenig belang kan zijn; en Akbar's paleizen en eigen
+geheime vertrekken zijn op die wijze met lieden vervuld, die alles
+uitvorschen wat er omgaat, terwijl hijzelf in hen niets anders dan
+volgelingen van een godsdienstig dweeper en asceet vermoedt.
+Vandaar ook dat ik u, Selim! en ook onzen vriend Salhana reeds
+omtrent menige zaak kon onderrigten, die anders niet zoo
+gemakkelijk door u ontdekt had kunnen zijn. Over Kacmir straks
+nader!
+
+--Inderdaad!--sprak Selim, toen de Yogi zweeg,--wij moeten
+erkennen, dat gij een knap toovenaar zijt. Maar zeg mij nu eens
+ronduit, ten minste als zoo iets met uwe gewoonten is overeen te
+brengen, wat verlangt gij eigenlijk als belooning voor de diensten
+welke gij ons bewijst? Salhana, wij weten het, wenscht eenmaal,
+als ons gezag bevestigd zal zijn, tot Onderkoning van Kacmir te
+worden verheven; en dat billijk verlangen zal, gelijk hem bekend
+is, als alles wel gaat ook bevredigd worden. Niets om niets! zeg
+ik met hem. Maar gij nu! wat wilt gij van ons? Ik acht het nuttig,
+dat te vernemen opdat wij vooraf behoorlijk onze voorwaarden
+kunnen stellen.
+
+--Grootmagtig Vorst!... vergun mij reeds bij voorbaat u zoo te
+noemen!..., antwoordde Gorakh,--van u verlang ik... eenvoudig
+niets! Dat verbaast u, niet waar? Welnu, ik wil trachten 't u
+duidelijk te maken. Wat verlangt gij, vraag ik van mijn kant, voor
+uzelven? Gij hebt reeds, zou men meenen, al wat het hart begeeren
+kan. Gij hebt schatten, paleizen, schoone vrouwen die u te dienste
+staan, vrolijke gastvrienden, de heerlijkste wijnen, en na den
+Keizer zijt gij de eerste man van dit magtig en bloeijend rijk,
+met de zekerheid zelf eenmaal de alleenheerscher te zijn. Toch
+zwoegt gij bijkans zonder pozen, en roept onze hulp en die van
+anderen, uwe minderen, in ter verwezenlijking van duistere,
+moeijelijke en ook gevaarvolle plannen. Waarom? Omdat gij
+heerschen wilt en niet kunt wachten tot de dood van uw vader den
+troon voor u beschikbaar stelt. Zie nu! wat gij wilt voor uzelven,
+dat verlang ik ook voor mij: te heerschen! En terwijl gij tot
+heden nog zoo goed als niets te gebieden hebt, doe ik het al lang,
+schoon ik nog altijd blijf streven naar steeds uitgebreider magt.
+Ik, de arme, onbekende, door velen verachte priester, ik bezit een
+gezag zooals gij in al uwe grootheid het niet kunt magtig worden.
+Honderden, waarvan ieder in zekere omstandigheden een leger waard
+zou zijn voor de grooten der aarde, gehoorzamen onvoorwaardelijk
+en zonder navraag, zonder aarzeling, zonder vrees tot den
+geringste mijner wenken. En door welke magt zijn ze aan mij
+onderwerpen? Door die waartegen niets bestand is, en waardoor de
+rede wordt uitgedoofd, en de wil verlamd, totdat de mensch een
+levend en wandelend lijk wordt: de magt van het godsdienstig
+fanatisme. Een vingerwijzing van mij naar wie ik maar wil, naar u
+of naar een ander, is genoeg om een of meer der hunnen te doen
+begrijpen, welk nieuw offer aan de nooit verzadigde Doerga het
+meest welkom zal zijn; en te meer welkom is haar dat van den
+hooger gestelde onder de menschen. Laat nu ook de aangewezene zelf
+vooraf zijn gewaarschuwd, laat hij voorzorgen nemen zooveel hij
+wil, en zich omringen met dienaren en wachten, toch ontkomt hij
+nauw anders dan door een wonder het voorbeschikte lot. Overal in
+zijne nabijheid en onmiddelijke omgeving zwerven onder allerlei
+vermomming mijne getrouwen om hem heen; en als het regte oogenblik
+gekomen is, dan, in de stilte meest van den nacht, voelt hij
+eensklaps zonder vooraf eenig geluid of geridsel vernomen te
+hebben, het worgkoord om den hals, en eer hij een kreet of zucht
+heeft kunnen slaken is de lange reeks der offeranden vermeerderd
+met een nieuw. 't Is waar, een enkele keer, schoon zelden, vindt
+de indringer zich betrapt, maar de aangevallene die hem grijpt en
+tracht vast te houden, voelt een glad ligchaam, als van een slang,
+door zijn handen glijden, en even snel en onhoorbaar als het kwam,
+is het aanstonds weer verdwenen. En in 't uiterste geval, als een
+mijner Worgers dan toch werkelijk gevat wordt, welnu, dan kan men
+hem dooden en dan sterft hij met de onwrikbare overtuiging,
+terstond de oneindige zaligheid deelachtig te worden; maar dan
+staan er ook weer honderd anderen gereed aan wie op nieuw de proef
+kan worden bevolen, en wel vreemd zoo die vroeg of laat niet
+gelukken mogt.
+
+De Yogi zweeg een oogenblik, maar geen zijner beide toehoorders
+nam het woord. Salhana, met de medegedeelde bijzonderheden reeds
+wel bekend, had vrij onverschillig toegeluisterd en vond geen
+reden er iets aan toe te voegen. Maar Selim was onder de
+beschrijving van den priester verbleekt, schoon 't hem anders niet
+aan persoonlijken moed ontbrak, en peinzend bleef hij voor zich
+staren.
+
+--Zoo dan--hervatte Gorakh,--heersch ook ik, doch op mijne wijze.
+Die mij tegenstaan ruim ik onbemerkt door anderen uit den weg; en
+zij die mijne magt kennen, vreezen mij en doen gemeenlijk in 't
+eind, ze mogen hoog of laag geplaatst zijn, wat ik van hen begeer.
+En meent gij dan dat deze wijze van magtsoefening niet evengoed
+als de uwe hare behagelijkheid kan hebben? Of zou het geen
+vleijend en trotsch gevoel zijn, door de menschen zich geminacht
+en vernederd te zien, maar tevens te weten dat men over hen, over
+hunne handelingen, over hun leven en dood naar willekeur te
+beschikken heeft? En ik ben niet de eenige, die er zoo over denkt.
+Ik weet het, daar zijn er ook anderen en ook in gansch andere en
+ver van hier gelegen landen, die eveneens in stilte en in het
+duister trachten te heerschen over hen, die het hoogste gebied
+voeren in 't oog der wereld. Meer dan eens heb ik in Agra en
+elders onder eene behoorlijke vermomming met die mannen gesproken,
+die hier uit het verre Westen komen om volgelingen te winnen voor
+hunne leer, en, onder den schijn van een gewillig oor te leenen
+aan hunne prediking, hen langzamerhand uitgehoord. En uit hun
+mededeelingen en die hunner landgenooten, onder anderen ook
+omtrent de inrigting en werking der Orde waartoe zij behooren, heb
+ik ontdekt, dat zij of althans hunne opperhoofden een gelijk doel
+najagen als ik en mijns gelijken, al zoeken zij langs anderen weg
+het te bereiken. Hunne middelen, zeg ik, zijn andere, hoewel
+daarom nog niet altijd zachtzinniger dan de onze; wij hier laten
+de menschen worgen, zij ginds laten ze levend verbranden; maar het
+doel blijft in elk geval hetzelfde. En ook zij worden in hun eigen
+streken dikwijls weinig opgemerkt en weinig geteld, menigmaal ook
+bestreden en vervolgd, en toch weten ook zij in naam van het
+zoogezegd geloof te gebieden over wereldlijke magthebbers niet
+alleen, maar zelfs over het geestelijk Opperhoofd hunner eigene
+kerk, terwijl zij veinzen met onvoorwaardelijke onderworpenheid
+zijne bevelen te gehoorzamen! Zoo ziet gij dan, hoe vreemd het
+eerst u ook scheen, dat het wezen en het genot der magt nog
+geenszins voor allen, zooals voor u, in het uitwendig vertoon en
+in de openlijke erkenning door anderen behoeft gelegen te zijn.
+
+Nog bleef Selim zwijgen, nadat Gorakh geeindigd had. Maar de blik,
+welken hij dezen toewierp, zeide meer dan woorden.
+
+De priester lachte.--Ik begrijp zeer goed,--sprak hij langzaam,--
+welke gedachten op dit oogenblik uwe Hoogheid bezig houden. Een
+bondgenoot als ik kon wel eens een gevaarlijke worden, en zoo mogt
+het dan de vraag zijn of 't niet maar zaak ware, zich terstond van
+hem te ontslaan. Maar ik ben immers niet onnoozel genoeg om mij in
+'t hol van den tijger te wagen, als ik niet zeker was er veilig
+weer uit te komen. Mijne getrouwen nu wachten mij ginds in den
+tempel op den berg; keer ik voor morgen er niet terug, dan weten
+ze ook, wien de Godin als zoenoffer voor den dood van haar
+gewijden priester heeft aangewezen.
+
+--Nu, dat is met uwe gewone omzigtigheid gehandeld,--sprak thans
+Selim;--maar, waarde Gorakh! uw voorzorg was toch inderdaad
+overbodig. Wij hebben uwe hulp wezenlijk in menig geval van noode,
+en zonder reden zou ik mij daarvan toch zelf niet gaan versteken.
+Maar we zijn, geloof ik, een weinig afgedwaald van 't eigenlijk
+onderwerp onzer beraadslaging. En omtrent eene zaak nu ben ik niet
+volkomen gerust. Wat staat ons, Salhana! van uw broeder, den
+Minister in Kacmir, te wachten? Zal hij onze zijde kiezen, of, zoo
+niet, kan hij ons wezenlijk nadeel toebrengen?
+
+--Het laatste vrees ik maar al te zeer,--antwoordde de
+Goeverneur,--hij zal de zijde van den tegenwoordigen Koning niet
+verlaten, en zoo deze ten onder wordt gebragt, zich veel liever
+nog tot Akbar keeren dan tot de onzen, van wien hij niet dan
+onheil voor het land en het volk voorziet.
+
+--Laat hem in dat geval aan mij over!--zei Gorakh.
+
+--Wat bedoelt gij?
+
+--Vraag toch niet langer! Ik zeg u: laat hem aan mij, en hij zal u
+niet lang in den weg staan. Maar er is nog een ander punt en van
+veel meer gewigt. Ik heb alle reden om te vermoeden dat een zeker,
+in Kacmir bijzonder beteekenend persoon, dien wij allen lang dood
+waanden, maar die, als hij 't eens niet was in zijn land
+terugkeerde, al onze plannen in duigen kon doen vallen, inderdaad
+nog tot de levenden behoort.
+
+--Wie, wat?--vroeg Salhana in de uiterste ongerustheid,--gij
+meent toch niet....
+
+--Ik meen juist dengene, dien gij onderstelt. Ik bedoel
+Nandigoepta.
+
+--Nandigoepta! Maar dat kan immers niet zijn!
+
+--En waarom niet? Hebben wij ooit eenige zekerheid gehad omtrent
+zijn dood? In 't minste niet. Wij weten dat hij plotseling
+verdween en dat er niets meer van hem vernomen werd, ziedaar
+alles. En nu ben ik voor eenigen tijd tot de ontdekking gekomen,
+dat er in het Himalaya-gebergte, in de nabijheid van den
+Bhadrinath, een kluizenaar woont, die, wat uiterlijk voorkomen
+betreft, bijzonder op den vroegeren Koning gelijken moet, en wien,
+let wel! Koelloeka met Siddha Rama op zijn reis herwaarts een
+bezoek heeft gebragt.
+
+--Dat ziet er inderdaad heel bedenkelijk uit!--zei nu ook Selim.
+
+--Ik heb inmiddels--hervatte Gorakh,--enkelen der mijnen op de
+zaak afgezonden, zij zullen wel alles nasporen wat ons tot de
+ontdekking der waarheid kan leiden; en, blijft mijn vermoeden
+juist, dan,--en hier maakte de Yogi zeker teeken, dat zijn beide
+toehoorders maar al te goed begrepen,--dan wijst hem Doerga gewis
+als een dergenen aan, die haar welkom zouden zijn. Doch 't zal nu
+mijn tijd worden om naar mijn getrouwen terug te keeren. Uwe
+Hoogheid zal mij dus zeker wel willen veroorlooven mij te
+verwijderen?
+
+Selim knikte toestemmend, hoewel hij misschien wel gewenscht zou
+hebben, dat de priester nooit meer een voet buiten 't kasteel mogt
+hebben gezet. En voorloopig ging het drietal uiteen.
+
+Avond aan avond vernam na dien eersten dag Iravati, wanneer zij
+eenzaam in de lanen van het park doolde, het feestgedruisch, dat
+uit de hooge en bij die gelegenheden hel verlichte zalen van den
+burgt weerklonk. Daar vermaakte zich de aanstaande Keizer van
+Hindostan met zijn gastvrienden en danseressen, en trachtte zich
+op die wijze schadeloos te stellen voor de verveling van den dag
+en voor een wijl de zorgen te vergeten, waarmede zijn eigen
+eerzucht hem beladen had. En de getrouwe Nipoenika, die menigmaal,
+in hare nederige betrekking weinig of niet opgemerkt en tusschen
+de overige bedienden zich inmengend, het een en ander van die
+festijnen zag, kwam dan niet zelden ook aan hare meesteresse
+bijzonderheden daaromtrent meedeelen, die der reine en van zulke
+dingen nog onkundige jonkvrouw het bloed naar de wangen deden
+stijgen en het stilzwijgen opleggen aan hare dienares. Of ook
+Siddha wel eens daar in Agra deelnam aan feestelijkheden van dien
+aard? En die Selim, de toekomstige beheerscher van een wereldrijk
+en eenmaal de nagenoeg onbeperkte gebieder over het lot zooveler
+volken! Hoe laag hij niet scheen gezonken, ondanks het hooge
+standpunt, waarop de fortuin hem had geplaatst!
+
+En toch vond Iravati geen reden om den Prins te minachten wanneer zij
+bij wijlen, gelijk nog al dikwijls gebeurde, 't zij dan met haar vader,
+'t zij ook alleen zich in zijne tegenwoordigheid bevond. De wijze
+waarop hij gewoon was met haar te spreken was steeds die van een
+volmaakt edelman; en wel verre van zich ooit de geringste vrijpostigheid
+jegens haar te veroorlooven, bejegende hij haar met een eerbied en
+ontzag gelijk de meest hooggeplaatste vorstin die niet anders had
+kunnen verlangen. Geen zweem ook van vleijende doch niets zeggende
+hoffelijkheid in de woorden die hij tot haar rigtte; maar alles
+eenvoudig, ongedwongen, natuurlijk, terwijl ook in menig opzigt zijne
+gesprekken werkelijk onderhoudend bleken te zijn en getuigden van een
+lang niet gewone geestbeschaving en tamelijk uitgebreide kennis.--Och!
+of die jonge, zoo hooggestelde man--zoo overlegde zij menigmaal bij
+zichzelve,--wat beter van zijne velerlei gaven gebruik mogt maken, en,
+het treflijk voorbeeld van zijn edelen vader voor oogen, zich op andere
+wijze dan nu wist voor te bereiden tot de grootsche taak die ook hij
+eenmaal te vervullen had!
+
+Eens op een avond, terwijl Iravati in gedachten verzonken op een
+der rustbanken in het park zich had nedergezet, bleef tot hare
+verwondering niet alleen rondom, maar ook in den burgt zelf de
+meest volkomen stilte heerschen, en geen licht bijkans vertoonde
+zich aan de hooge vensters en in de galerijen van het paleis. Een
+zachte en zoele wind alleen ruischte er door het gebladerte en
+bewoog de toppen der boomen, en uit de vallei daar omlaag klonk nu
+en dan de toon eener fluit of het ligt gerinkel van het
+klokkenspel, dat eene vrolijke dorpsjeugd begeleidde bij hare
+landelijke dansen.
+
+Een geluid van voetstappen brak op eens de stilte, en in de
+avondschemering werd een mannelijke gestalte zigtbaar, die de plek
+naderde waar de dochter van Salhana gezeten was. Met een gevoel
+van schrik rees zij, bij dergelijke hier wel ongewone verschijning
+op, toen zij tot haar verwondering in den vermeenden indringer den
+Prins herkende, die, naderbij gekomen, op zijn gewone eerbiedig
+hoffelijke wijze haar begroette.
+
+--Vergeef mij, edele jonkvrouw!--zeide hij,--indien ik, onbewust
+van uwe tegenwoordigheid op deze plek, onwillekeurig u kom storen.
+Wil mijn avondgroet ontvangen, en ik zal u niet verder lastig
+vallen.
+
+--De stoornis--antwoordde Iravati beleefd,--kan mij wel niet
+anders dan aangenaam zijn. Maar inderdaad ik wil wel bekennen, dat
+zij mij een weinig verrast. Ik meende dat Uwe Hoogheid gewoon was
+op andere en meer vrolijke wijze den avond te korten dan met
+stille en eenzame wandelingen.
+
+--Zoo was het,--sprak Selim,--en ik gevoel volkomen dat ik u
+daarmee reden genoeg heb gegeven tot billijke ergernis, en meer
+eerbied had moeten betoonen voor de woning waarin gij uw verblijf
+houdt. Maar laat voorbij zijn wat voorbij is! Voortaan zal geen
+onpassend feestgedruisch in dit uw paleis u meer hinderen, noch de
+stilte breken van den nacht.
+
+Niet zonder verwondering hoorde Iravati den spreker aan. Waartoe
+die verklaringen? En vanwaar die plotselinge omkeer?
+
+--Eene verandering,--ging Selim voort,--en naar ik geloof een niet
+geringe is er, hoewel binnen betrekkelijk korte tijd, met mij
+voorgevallen. Tot heden was ik... hoor mij aan, en treed niet
+terug! ik wil u alles zeggen... tot nu dan was ik een woestaard,
+een wellusteling, ja een dronkaard zelfs, ik verberg u niets! Maar
+ik heb opgehouden dat te zijn; ik heb gebroken met mijn voorleden,
+en de Selim van thans is een andere geworden dan hij gisteren zich
+misschien nog betoonde. Ik wil leven voortaan voor pligt en voor
+eer, voor het heil der volken die eenmaal aan mijne zorgen mogten
+zijn toevertrouwd; ik wil vaarwel zeggen aan alle eerzuchtige en
+ongeoorloofde voornemens en bovenal ook aan die nietswaardige,
+verlagende verstrooijingen, waarin ik tot heden wel geen wezenlijk
+genoegen maar toch een soort van uitspanning vond. Ik wil dat
+alles, indien... indien een wensch wordt voldaan, van welks
+vervulling mijn geluk, mijne toekomst, en voor een deel welligt
+ook die van mijn rijk afhankelijk zal zijn! Die vervulling is in
+uwe hand!
+
+--Ik begrijp u niet, Heer!--sprak Iravati, wie het angstig te
+moede werd, en die geen vrouw ware geweest als zij niet maar al te
+wel tot het besef was gekomen, waarheen de rede van den Kroonprins
+strekken moest.
+
+--Gij zult mij spoedig begrijpen,--antwoordde deze,--als ik u zeg,
+wie die verandering in mijn wezen zoo plotseling heeft teweeg
+gebragt. Of liever, behoeft gij nog te gissen en te raden, en hebt
+gij niet lang reeds uit al mijn woorden verstaan, dat het niemand
+anders zijn kon dan gij en gij alleen?--En zoo is het,--ging hij
+met steeds klimmende, doch altijd binnen de grenzen eener
+eerbiedige bewondering gehouden geestdrift voort;--sinds het
+eerste oogenblik dat ik u aanschouwde, wist ik, althans gevoelde
+ik, dat gij een invloed, en een belangrijken, moest hebben op mijn
+lot. Ik, die nooit nog voor iemand, wie ook, de oogen had
+neergeslagen, ik deed het onmiddelijk voor u, en gevoelde mij
+klein en nietig in uwe tegenwoordigheid. En telkens, wanneer ik u
+terugzag en met u sprak, en u nader leerde kennen, werd het mij
+duidelijker dat gij over mijne toekomst te beslissen zoudt hebben.
+Ik begon een afkeer te krijgen van mijzelf en van mijn levenswijs
+en die zoogenaamde vrienden, die mij op zoo onwaardige wijze den
+avond en dikwijls den nacht hielpen doorbrengen. Toch kon ik nog
+niet besluiten, zoo op eens met dat alles te breken, en als dan
+onze feesten weer aan den gang waren, ja, dan, ik beken het
+openhartig, verdween ook menigmaal uw beeld voor mijn geest, als
+de wijn dien weer begon te benevelen. Maar welk een gevoel van
+schaamte en van onwil tegen mijzelven dan weder, zoodra ik 's
+anderen daags u weer ontmoette! Heden dan werd mijn besluit
+genomen en, gelijk gij ziet, ook volvoerd. Alles is stil, de
+feestklanken zwijgen, mijne danseressen heb ik weggezonden en de
+meesten mijner gasten zijn heden vertrokken of denken morgen
+Allahabad te verlaten. Dat alles is uw werk; moge 't door meer en
+beter nog gevolgd worden! Maar daartoe is eene voorwaarde
+onmisbaar! Wij mogen geen vreemden blijven tegenover elkander; een
+nadere band dan eene toevallige en weer voorbijgaande kennismaking
+moet ons vereenen. Iravati! kan het nog noodig zijn u duidelijker
+te verklaren wat ik voor u gevoel? Welnu dan! ik....
+
+--Ach neen, neen, Heer!--riep Iravati hartstogtelijk, en de handen
+smeekend omhoog heffend, uit,--zwijg dat woord dat gij gereed
+waart te spreken, maar dat ik niet mag aanhooren!
+
+--Niet mag?--herhaalde Selim vragend--of niet wil? Mij dunkt dat
+er van mogen niet te spreken valt, waar een bede tot u gerigt
+wordt door mij!
+
+--Beide dan,--antwoordde Iravati met vaste stem,--niet mag en niet
+wil! Ik mag niet, omdat mijn woord van trouw mij aan een ander
+heeft verbonden; en mogt ik, toch zou ik niet willen en ook niet
+kunnen wat gij verlangt, omdat mijn hart, mijn gansche leven nu
+eenmaal dien anderen toebehoort.
+
+Gelukkig voor haar dat de toenemende duisternis haar belette de
+sombere en woeste uitdrukking op te merken, die bij deze vrij
+onvoorzigtige woorden op het bleek gelaat van den Prins te lezen
+stond. Want had zij 't gezien, zij mogt gesidderd hebben bij de
+gedachte aan dien andere en aan hetgeen hem welligt van zulk een
+medeminnaar te wachten stond.
+
+--Bedenk het wel,--sprak Selim, na een wijl gezwegen te hebben,
+bedenk het wat gij roekeloos dus versmaadt ter wille van een
+jonkman, die u eenmaal misschien dierbaar was en voor 't oogenblik
+nog schijnt te zijn, maar die, zoo hijzelf u al trouw bleef, toch
+nimmer u kan aanbieden wat de toekomstige beheerscher van het rijk
+der Mogols u verzekeren wil! Ik spreek u niet van de schatten die
+uw eigendom zouden zijn en van de weelde waarin ge u baden mogt,
+wanneer gij eenmaal, aan mijne zijde gezeten, mogt gebieden over
+de rijken en vorsten van Hindostan. Te goed is mij bekend, hoe
+weinig uw edeler en boven dat alles verheven geest voor dergelijke
+verlokking vatbaar ware. En toch blijft ook dit niet te verachten!
+Gij meent te weten wat rijkdom en weelde is; maar wat gij tot
+heden daarvan gezien hebt, is niet dan ellendig klatergoud tegen
+de wezenlijke pracht, die de paleizen en lusthoven van Agra en
+Delhi u eenmaal bieden konden. Doch laat dat zijn! Maar bedenk,
+zeg ik, wat schitterende toekomst gij verwerpt, indien gij liever
+de vrouw wordt van een onbekend en niets beteekenend edelman dan
+de magtige Sultane, die den onbeperkten monarch in al zijn doen en
+laten beheerscht, en alle grooten en edelen voor hare voeten ziet
+buigen, en naar welgevallen over het lot van millioenen beschikt!
+Want, zooals ik heden het mijne in uwe handen stel, zoo doe ik,
+dat zweer ik met een duren eed! ook van heden af met dat mijner
+toekomstige onderdanen. Wat gij wilt en beslist zal mij eene wet,
+een gebod zijn, waaraan ik mij niet zal vermogen te onttrekken;
+want dit weet ik, niets dan wat edel en goed en verstandig is zal
+mij door u worden aangeraden, en geen regtvaardige en geen
+onregtvaardig verdrukte ook in het gansche rijk of hij zal steun
+en bescherming vinden bij u!
+
+Te vergeefs bleef de heerscher van morgen, smeekeling nu, op een
+antwoord wachten. Iravai zweeg, maar haar stilzwijgen gaf
+blijkbaar genoeg geenerlei toestemming te kennen; zij had zich
+afgewend en als in stille smart zich met gebogen hoofd het gelaat
+met de handen bedekt. Ook het schitterend vooruitzigt haar
+voorgespiegeld, had dus geen indruk gemaakt op haar gemoed.
+
+--Iravati!--sprak Selim weder en nu met diep bewogen stem,--laat de
+vrede mij niet aanstonds weer zijn geroofd, die bij uwe verschijning
+zoo weldadig was neergedaald in mijne ziel! Door u ben ik een ander
+mensch geworden; laat mij niet weder terugkeeren tot wat ik eenmaal was!
+Heb medelijden met mij, en met die talloozen ook, die een weldoener in
+mij zullen vinden als gij mij ter zijde staat, maar ook een tiran
+misschien als gij mij blijft versmaden! Ik ben zwak, dat weet ik; maar
+ik zou sterk, ik zou een held, ook in het zedelijke, zijn, als ik aan
+uw woord, aan uw aanblik mijne kracht mogt ontleenen. Waarom mij dat
+dan ontzegd? Een woord slechts behoeft het u te kosten, en de kroon van
+Indie ligt aan uwe voeten, en gij hebt de hand slechts uit te strekken
+om ze te plaatsen op uw eigen hoofd!--Maar ik zie het,--ging hij
+driftig voort, toen Iravati nog altijd bleef zwijgen,--mijn eerbied,
+mijne bewondering, mijne tot alles bereide liefde is u niets, en gij
+versmaadt den Vorst voor den onbeduidenden avonturier aan wien gij door
+onbedachtzaam eenmaal gesmeede ketenen u gebonden waant! Doch bedenk
+ook wel wat gij doet, wat gij waagt, welk lot u zou kunnen treffen, en
+ook hem, als eenmaal de liefde van den magthebber verkeeren mogt in
+toorn en in haat!... --Maar ik spreek waanzinnige woorden,--zeide hij
+weder mismoedig, terwijl hij het hoofd op de borst liet zinken;--wat
+reden ook en wat regt heb ik om uwe wederliefde te eischen? Ik ben, hoe
+hoog ook eenmaal mijn staat, toch uwer niet meer waardig; ik ben oud en
+afgeleefd voor mijn tijd; en hij, die andere is jong en schoon en nog
+onbedorven van hart. Wat reden dan voor mij tot klagten? Wat ik ben
+geworden, dat heb ik mijzelf gemaakt of een ongelukkig lot dat mij in
+een toestand plaatste, waarvoor ik niet berekend was. En toch, hoe
+anders, anders had het kunnen zijn, indien datzelfde lot u vroeger dan
+heden op mijn weg had gevoerd! Maar te laat nu, te laat!...
+
+--Mijn Vorst!--sprak thans Iravati zacht,--gij doet uzelven
+onregt! Gij hebt reden tot zelfbeschuldiging, maar niet daarom nog
+tot dergelijke zelfverachting. En wees verzekerd, ik veracht en
+versmaad u niet, al kan ik ook nooit de uwe zijn. Inderdaad, had
+ik u vroeger leeren kennen, ook zooals gij thans zijt, maar eer
+nog een ander mijne liefde wou en mijn woord van trouw erlangde,
+ik had misschien uwe genegenheid kunnen beantwoorden.
+
+Thans kan zij niet anders dan mij leed doen, ook terwijl ze mij
+vereert. Gijzelf trouwens kunt in ernst niet verlangen, dat ik
+mijn gegeven woord zou verbreken; en deed ik het, gij zoudt immers
+de achting voor mij verliezen, waarop uwe genegenheid steunt. Maar
+zelfs in dat geval, dat nu niet meer mogelijk is, had iets moeten
+zijn wat toch weer niet denkbaar ware geweest: uw hooge rang had
+niet moeten bestaan. Want dien zou ik nooit met u kunnen deelen.
+De weelde en de pracht, in wier midden gij u beweegt, zou nooit
+mijn levenselement kunnen zijn, en de geduchte verantwoordelijkheid
+zou ik niet weten te dragen, die gij geneigd waart op mijne schouders te
+leggen. Doch wat er ook van zijn mogt, het is nu eenmaal alles anders.
+En waarom ons dus te verliezen in overdenkingen, omtrent hetgeen
+misschien had kunnen gebeuren, maar toch niet is? De magtige Deva's, de
+ongeziene krachten die ons lot beheerschen, hebben het blijkbaar anders
+gewild; onderwerpen wij ons aan hunne voorzeker wijze beslissing, gij
+zoowel als ik! En zoo laat mij dan, mijn genadige Vorst en Heer! in den
+nederigen staat waarin gij mij gevonden hebt; ga en zie niet meer naar
+mij om; vergeet mij voor nu en voor altijd, of zoo ge soms u mijner
+nog herinnert, het zij dan om tevens aan het oogenblik te denken,
+waarop gij aan edeler gevoelens en verhevener voornemens u
+gewonnen gaaft dan te voren uw gemoed hadden vervuld! Wat mij
+betreft, ik wil u gedenken, u volgen met mijne gedachten in al uwe
+handelingen, in uwe toekomstige, zoo ik hoop en vertrouw, eenmaal
+roemrijke daden en gelukkige regering, als gij den troon van den
+grooten Keizer bestegen zult hebben; en wees verzekerd dat geen
+uwer tallooze onderdanen met meer wezenlijke en hartelijke
+belangstelling het oog op u gevestigd zal houden dan zij, die
+thans u smeekt haar te verlaten en haar te ontslaan van den
+moeijelijken pligt om ongehoorzaam aan uwe wenschen te zijn!
+
+Naar een antwoord, een passend, een afdoend, overtuigend antwoord
+zocht, maar vruchteloos, de voor 't eerst misschien in zijn
+gansche leven zoo weersproken despoot... Zwijgend bleef hij voor
+de jonkvrouw staan, nu gereed om te spreken, dan weer zich
+terughoudend, en te vergeefs naar woorden zoekend om de
+tegenstrijdige gevoelens te uiten, die daar woelden en elkaar
+verdrongen in zijn brein. Ten laatste trad hij op Iravati toe,
+greep hare hand, en na ze even met zijne lippen te hebben
+aangeraakt, keerde hij zich om en verdween, zonder een woord
+verder te spreken, in de duisternis.
+
+'s Anderen daags vernam Salhana tot zijn niet geringen schrik, dat
+de Prins het kasteel en Allahabad had verlaten, en met een enkelen
+dienaar was heengetogen,--niemand wist te zeggen, waarheen.
+
+
+
+NEGENDE HOOFDSTUK.
+
+De keizerweging
+
+Wat al gewoel daar op dien grooten bazaar, waar Siddha eens in den
+morgen rondslenterde tusschen de lange reijen van winkels, die al wat
+het oog in die streken maar begeerde en ruimer of beperkter beurs
+betalen kon, in rijken voorraad hadden uitgestald! En wat zonderlinge
+en vreemdsoortige mengeling van rassen en volken, waarvan de
+verschillende vertegenwoordigers, lang reeds aan elkander gewoon, zich
+daar kruisten bijkans zonder acht meer op elkaar te slaan! Hier de
+oorspronkelijke bewoners des lands, de Hindoe's van meer of minder
+zuiver bloed en dientengevolge ook meer of minder gebruinde tint; daar
+de menigmaal overmoedige beheerschers, de Perzen en Arabieren en
+Tartaren met hun veelal blanker gelaat; elders weer Armeniers en Joden
+uit wederom westelijker streken, en ook zonen van het Hemelsch Rijk met
+hunne lange staarten en wijde gebloemde japonnen; hier en daar enkele
+mannen, wier aanblik in 't bijzonder Siddha's opmerkzaamheid trok,
+vermits hij huns gelijken nog niet had gezien, mannen in zonderlinge
+kleedij, met puntige, breedgerande met pluimen bezette hoeden, in korte
+wambuizen, wijde fulpen broeken en hooge kaplaarzen, en met lange regte
+degens in kleurig om den schouder hangend bandelier; eindelijk, in hun
+gezelschap, een paar van die geestelijke heeren, waarvan er een niet
+lang geleden bij den Keizer zelf was toegelaten geweest. En dan weer
+tusschen al die mannen, velen gekomen om te koopen of hun eigen waren
+van de hand te doen, anderen ook in voorname ledigheid rondwandelend en
+uit de hoogte op de woelige menigte nederziend, een tal van vrouwen van
+niet minder gemengde natien en rangen; verscheidene in 't eeuwenheugend
+onveranderd Indisch volkskostuum, eenvoudig maar sierlijk en bevallig
+steeds, dat heupen en linkerschouder wel bedekkend, een deel van den
+regter zigtbaar liet; andere in kleuriger meer opgeschikt Perzisch
+gewaad; enkele ook digt gesluijerd naar streng Mohammedaansche zeden
+en niets vertoonend wat aan een menschelijk wezen kon herinneren dan
+een paar met roode pantoffels geschoeide voeten en een paar donkere
+oogen, die overigens glinsterend genoeg door de ronde gaten van
+den vormloozen alles overdekkenden sluijer gluurden; sommige
+eveneens daar verschenen om huishoudelijke inkoopen te doen of
+zich in 't bezit te stellen van meer overtollige snuisterijen;
+maar verscheidene ook om er iets anders nog dan koopwaren te
+zoeken of wel op meer of min bedekte wijze zich zelve daarvoor aan
+te bieden; deze laatste de bewoonsters van dat sterk bevolkt
+gedeelte der stad, dat in de wandeling onder den eigenaardigen
+naam van Shaitan-poera of "Satanstad" bekend was.
+
+Juist wilde Siddha aan een der voorbijgangers vragen, wie die hem
+nog onbekende mannen waren, toen hij zijn vriend en begunstiger
+Feizi zag naderen en de vraag dus aanstonds tot dezen rigten kon.
+
+--Dat zijn Franken,--antwoordde Feizi,--of zooals ze met hun meer
+bijzonderen naam zich heeten, Portugezen. Zij komen uit zeer verre
+streken van het Westen om hier in Indie handel te drijven, en die
+anderen, die daar met hen zijn, om ons te bekeeren tot wat zij
+noemen het alleenzaligmakend geloof.
+
+--En die twee,--vroeg Siddha,--die van de andere zijde naderen,
+behooren die ook tot hen? Zij dragen nagenoeg dezelfde kleeding,
+maar hun gelaat is, dunkt mij, blanker; en wat rosse haren en
+baard!
+
+--Ook wel Franken!--verklaarde Feizi,--maar toch van de anderen
+onderscheiden. Het zijn Engelschen, die hier de Portugezen zoeken
+te verdringen, maar tot nog toe met weinig geluk.
+
+Ook zijn ze niet erg bij den Keizer en bij onze grooten gezien.
+Eenige weinige jaren later nog, en Feizi had onder die vreemde
+Westerlingen in Agra, die hij, even als zijne tijd en landgenooten
+onder den algemeenen naam van Franken begreep, ook nog anderen
+kunnen aanwijzen, die wederom van genen verschilden. Hij had er
+dan kunnen wijzen op de forsche, schoon soms ietwat plompe
+gestalte en het goedronde gezigt van Hollander en Zeeuw, die
+mannen, die onder aanvoering van Pieter van den Broeeke daar
+almede hunne fortuin of die hunner meesters, de Bewindhebbers der
+Oost-Indische Compagnie, kwamen beproeven en lange jaren beide
+voor Portugezen en Britten de meest geduchte mededingers op de
+markten van Hindostan en de rijken der Mogols zouden zijn, en die
+ook in de Indische wateren de eer der Nederlandsche vlag met roem
+zouden weten te handhaven tegen "Gijs" of "Gijs-oom", gelijk zij
+bij wege van spottende, zooal spraakkunstig min verdedigbare,
+verkorting gewoon waren hun aartsvijand in die streken te
+betitelen. Maar hun tijd was toenmaals nog niet gekomen.
+
+Terwijl inmiddels de beide Engelschen voorbijgingen bekeek hen
+Siddha met die soort van nieuwsgierigheid, die, bij het zien van
+nog onbekende vreemden niet onnatuurlijk, doch ook ver was van
+beleefd te mogen heeten. Doch Siddha gevoelde, na 't geen hem
+omtrent deze lieden was meegedeeld, te weinig eerbied voor hen dan
+dat hij 't noodig rekende hun zijne gewone hoffelijkheid te
+betoonen; en ook Feizi zelf scheen hun nauw een blik waardig te
+achten.
+
+--Verdoemde, trotsche Mooren!--bromde een der beide zonen van
+Albion in zijn taal, terwijl hij verder ging.
+
+Hadden die twee mannen, die inderdaad nog al hoovaardige Indier,
+dien de ander voor een Perziaan of Arabier aanzag, en die thans
+nog geminachte Brit eens een enkelen blik in de toekomst kunnen
+werpen, en hadden zij vermoed, dat de opvolgers van dezen eenmaal
+de beheerschers van die des anderen en de oppergebieders van het
+land zouden worden, ze hadden elkaar waarschijnlijk met wat meer
+opmerkzaamheid gadegeslagen. En met te grooter belangstelling
+zeker nog indien iemand hun toen eens had kunnen zeggen, dat zij
+de afstammelingen waren van een en hetzelfde volkengeslacht, en
+dat die vreemdeling, wat alouden oorsprong aanging, vrij wat nader
+bij Siddha stond dan deze bij menig zijner uit Semitisch ras
+gesproten vrienden.
+
+--Doch laat al dat volk voor 't geen 't is!--sprak Feizi weder,--
+die lieden doen ons overigens hier geen kwaad, maar integendeel
+veel nut aan onzen handel en onze industrie. Ook leveren ze ons
+verscheiden goede schilders en andere kunstenaars. En omtrent hun
+eigen landen hebben ze ons veel geleerd. Als zij hier maar niet
+trachten den baas te gaan spelen, zooals dat elders wel in hun
+smaak schijnt te vallen!
+
+--Nu, maar dan zou ik ze toch aanstonds de deur uitzetten!--zei
+Siddha.
+
+--Dat zou ook stellig wel gebeuren, dat verzeker ik u! Maar nu
+iets anders! Vooreerst dan: Hebt ge mijn vos al eens gereden,
+zooals wij hadden afgesproken?
+
+--Wel-zeker! antwoordde Siddha,--en met het grootste genoegen. Een
+alleredelst dier!--En hij begon zich te verliezen in lofredenen op
+het paard van Feizi.
+
+--Hij bevalt u alzoo?--sprak deze,--nu, dan zal ik hem op uw stal
+laten brengen. Gij kunt hem houden als gij wilt; en in den
+aanstaanden veldtogt zal hij u wel te pas komen. Uw schimmel is,
+ik erken het, een fraai paard en heel goed gedresseerd, maar, zoo
+'t mij voorkomt, niet zoo heel sterk. De vos is dat juist
+buitengewoon. En ikzelf rijd hem toch zelden; ik wil 't ook wel
+bekennen, ik ben wat lui geworden en gebruik liever een beest van
+wat zachter beweging.
+
+--Maar,--zei Siddha, over dergelijke geedheid verlegen,--dat is
+waarlijk een toch al te kostelijk geschenk, dat ik niet aan u heb
+verdiend! Uw vos is een volbloed, prachtige Arabier, zooals ik er
+nog nooit een gereden heb.
+
+--Als ik mijn vrienden iets aanbied,--zei Feizi,--dan dient het toch
+ook iets redelijks te zijn. Maar ik heb u nog iets anders te vertellen.
+En wel omtrent de vergadering die er gisteravond in het paleis werd
+gehouden en waarbij ik u gaarne tegenwoordig had gezien. Verbeeld u! in
+weerwil van al de staatszorgen die den Keizer weer overstelpen, vond
+hij toch nog tijd en lust als gewoonlijk om zijne wijsgeerige en
+theologische zamenkomsten te houden; en juist nu was dan ook de
+gelegenheid bijzonder gunstig, nu de Christenzendelingen uit Goa weer
+over waren gekomen. Zoo had hij dan gister, in een der groote zalen
+van het paleis, een aantal oelemah's en moellah's, waaronder natuurlijk
+ook Abdal Kadir, verzameld, en met hem een paar Jezuieten, een Jood en
+een Parzi, benevens uw voormaligen, hier teruggekomen leermeester
+Koelloeka, dien gij gewis reeds begroet zult hebben, en Aboel Fazl,
+mijn broeder. Ik zelf had ook de eer en het genoegen daarbij aanwezig
+te zijn, en nam in den loop der discussie uwe aloude atheistische
+natuurphilosophie voor mijne rekening al keek ook Akbar zelf daarbij
+soms wat schuin, terwijl Koelloeka voor den regtzinnig Brahmaanschen
+Vedanta optrad, en Aboel Fazl zich meer op algemeen humanistisch terrein
+bewoog. Koelloeka betrapte hem nu en dan wel op erg Boeddhistische
+ketterijen, maar liet dat gaan, in aanmerking nemend dat er geen
+Boeddhist in 't gezelschap was om zijne leer te verdedigen, gij weet
+toch, er zijn er hier nog wel, maar niet bekwaam genoeg om aan
+dergelijke gesprekken deel te nemen. Wat nu inmiddels, zoo
+belangwekkend dan overigens die gesprekken, waarbij de Keizer meer
+voorzat dan meeredeneerde, nog het merkwaardigst mogt heeten, was de
+afloop van de gansche vergadering. In den beginne ging alles zoo
+ordelijk en hoffelijk als maar verlangd kon worden: onze moellah's
+bleven statig en deftig en lieten zich niet veel uit; de padre's waren
+heel zachtzinnig en floten zoet als vogelaars; de Jood, een volgeling
+van Maimonides, bleef, dat dient gezegd, ten einde toe waardig, schoon
+hij niet veel zeide en zich ook niet bijzonder op zijn gemak scheen te
+voelen; de Parzi was dichterlijk, maar niet altijd heel goed te
+begrijpen; en wij, we wierpen zoo nu en dan enkele stellingen en
+bewijsgronden in de discussie, die we bij uwe wijsgeeren van ouds en
+ook hier en daar bij sommige onzer Arabische en Perzische hadden
+opgedaan, maar die geenszins in den smaak van de strijdende partijen
+bleken te vallen. Langzamerhand evenwel, zooals dat gemeenlijk gebeurt,
+begonnen deze zich warm te maken; van argumenten kwam het tot
+magtspreuken en van magtspreuken tot harde woorden, voornamelijk
+tusschen onze Moslemim en de Jezuieten, hoewel ook wij in 't geheel
+niet en door geen hunner werden gespaard; en in 't eind werd het een
+gescheld en gevloek en geschreeuw, ondanks de tegenwoordigheid van den
+Keizer zelf, dat hooren en zien ons dreigde te vergaan. Vooral de
+moellah's weerden zich dapper. Gij begrijpt trouwens, dat ze zich
+hier wel 't meest verongelijkt moesten achten. Akbar intusschen
+zat het dwaze tooneel niet zonder inwendig genoegen aan te zien en
+keek mij menigmaal glimlagchend aan; maar ten slotte werd het hem
+toch te erg, en begreep hij dat aan zijne waardigheid te kort zou
+worden gedaan als hij 't langer liet voortduren.--Feizi!--zeide hij,
+mij wenkend,--laat dat volk de deur uitwerpen als het zich niet langer
+behoorlijk weet te gedragen! Ik gaf hun nu immers weer de ruimste
+gelegenheid om hun geloofstheorien tegenover elkaar te verdedigen, ten
+einde dan zelf te zien wie de beste gronden voor de zijne zou weten aan
+te voeren. En wat doen ze nu? Elkaar uitschelden en verdoemen, anders
+niet. Hoor mij dat rumoer nu eens aan! Zoo aanstonds gaan ze, geloof
+ik, nog vechten! Maak er een eind aan!--Sire!--antwoordde ik,--dan zou
+'t toch maar best zijn ze allen te zamen weg te jagen; want zoolang er
+nog twee overblijven, komt er toch geen eind aan 't gekijf.--Akbar
+lachte, maar stond toen op van den zetel waarop hij tot nu toe met de
+meest mogelijke kalmte was blijven zitten; en, zijne magtige stem
+verheffend, terwijl nu aanstonds al de twistenden zwegen, zeide hij:
+--Wij danken u, mijne heeren! voor den leerrijken avond, dien uwe
+welwillendheid en uwe belangwekkende zamensprekingen ons heden weder
+verschaft hebben, en wij houden ons voor eene nadere bijeenkomst
+aanbevolen. De tegenwoordige zij voor 't oogenblik gesloten!--En met de
+hand wenkend, liet hij de aanwezigen gaan, waarvan de meerderheid zich
+al grommend verwijderde. Och, Siddha! wat zijn de menschen toch gek,
+dat ze elkaar zoo haten en vervloeken om afgetrokken stellingen over
+zaken, waarvan ze toch niets weten en wier kennis, al bezaten ze die
+ook, hen geen stap verder zou brengen tot de werkelijke beoefening van
+wat eer en pligt hun gebieden!
+
+--Dat zeg ik ook! En 't laatste is waarlijk al moeijelijk genoeg!
+--antwoordde Siddha met een zucht, en zichzelven vrij wat meer dan
+de ander nog kon vermoeden, van die moeijelijkheid bewust.
+
+--Maar vertel mij nu eens,--hernam Feizi,--ik vergat nog 't u te
+vragen, hoe komt ge hier in eens zoo terug? Ik dacht dat gij met
+de uwen reeds naar 't leger op weg waart.
+
+--Dat was ook zoo,--gaf Siddha ten antwoord,--wij waren reeds
+vertrokken, maar ontvingen tegenbevel onder weg. En zoo blijven we
+dan nog eenige dagen in Agra; 't geen mij bijzonder genoegen doet,
+omdat het mij in de gelegenheid stelt, het groote feest van heden,
+het geboortefeest van den Keizer, bij te wonen, waarvan ik veel
+gehoord heb.--Dat er nog een andere reden was, waarom Siddha nog
+gaarne wat langer in Agra vertoefde, vond hij natuurlijk niet
+noodig er bij te voegen.
+
+--Gij herinnert mij tevens,--sprak Feizl weder,--dat het tijd zal
+worden om naar het paleis te gaan voor den doerbar. De Keizer
+ontvangt heden, zooals gij weet, de vreemde gezanten. Ga mee, gij
+kunt er uw plaats innemen onder de officieren van uw rang.
+
+Minder dan toen hij voor 't eerst een doerbar of audientie van den
+Mogel bij woonde werd Siddha, na met Feizi de groote troonhal te
+zijn binnengetreden, en in 't eind ook de Keizer verschenen was,
+door den indruk getroffen, dien al wat hem daar omringde op den
+bezoeker te weeg moest brengen; maar toch kon hij ook nu niet
+nalaten de sierlijke pracht der wit marmeren kolommen en der met
+fraai mozaiekwerk ingelegde wanden te bewonderen en de luchtige,
+fijn gehouwen bogen en de menigte van veelkleurige zijden en
+fluweelen voorhangsels, die in bevallige plooijen tusschen de
+hooge zuilen heen en weder wuifden. Meer nog echter trof hem
+ditmaal de aanblik der vergadering, grooter en plegtiger thans dan
+bij andere, vroegere gelegenheden. Aan 't eind der hal, van boven
+beschenen door een niet te sterk licht, zat de Groote Mogel op
+zijn kostbaren, van edelgesteenten schitterenden troon; aan
+weerszijden, in lange reijen, allen staande, de omrah's en
+oelemah's, de ministers, de veldheeren en alle verdere grooten van
+hoogen rang; voorts de gezanten van verschillende natien, allen in
+hun bijzondere kleederdragt; daar tusschen de padre's Jezuieten,
+en eindelijk de mindere beambten en officieren, waaronder ook
+Siddha, overeenkomstig zijn rang, een plaats had ingenomen.
+
+Het voornaamste deel der plegtigheid was de uitwisseling van
+geschenken. De gezanten, en ook anderen, begaven zich ieder op
+zijn beurt tot den Keizer, legden, voor den troon gekomen, op de
+officieele wijze de regterhand tegen het voorhoofd en bogen dan
+het hoofd bij wijze van begroeting. Daarop stelden zij de
+geschenken, die zij medebragten, meest kostbare voorwerpen van
+kunst, aan de eene zijde van de trappen der verhevenheid waarop de
+troon geplaatst was, en namen dan de tegengeschenken in ontvangst,
+die van wege den Keizer hun werden aangeboden. Ook Rodolpho
+Aquaviva begaf zich op zijn beurt tot den Mogol en, een prachtig
+gebonden Latijnschen Bijbel in de hand houdend, wilde hij dien op
+de gebruikelijke wijze nederleggen, toen Akbar zelf opstond, een
+paar schreden voorwaarts deed, en het boek persoonlijk uit handen
+van den zendeling aannam.
+
+--Wij danken u, Eerwaarde Vader!--zeide hij,--voor uw welgedachte
+geschenk! En wij willen hopen, dat hetgeen wij van onzen kant u
+hebben aan te bieden, ook u niet minder welkom zal zijn.
+
+En van een nevens hem staanden Brahmaan van hoogen rang een
+sierlijk handschrift van vrij grooten omvang aannemend, gaf hij
+dit over aan den Jezuiet, onder bijvoeging van de woorden:
+
+--Het is een handschrift van den Atharva-Yeda, een der oudste
+heilige boeken onzer Indiers, met daarnevens gelegde Perzische
+vertaling.
+
+Eerbiedig nam Aquaviva het Keizerlijk geschenk in ontvangst, schoon het
+de vraag mogt heeten of hij er zoo bijzonder mee was ingenomen en er
+niet eenige toespeling in zag op het verhandelde ter vergadering van
+den vorigen avond, 't geen te meer waarschijnlijkheid erlangde doordien
+den Keizer steeds vooruit bekend was, welke bepaalde geschenken zouden
+aangeboden worden ten einde de zijnen daarnaar te kunnen inrigten, en
+er alzoo wel eene bepaalde bedoeling in het tegengeschenk moest zijn
+gelegen. Maar wat de padre ook dacht, niet moeijelijk viel te raden hoe
+de zaak door de regtzinnige Mohammedanen zou worden opgevat. En
+werkelijk fronste zich menig voorhoofd in hunne reijen, en niet dan met
+de uiterste moeite kon Abdal Kadir zich weerhouden, openlijk aan zijne
+verontwaardiging lucht te geven. Dat zij niet op den zin van het
+tegengeschenk letten en niet begrepen hoe Akbar juist daarmede te
+kennen gaf, dat hij volstrekt geen partij trok voor de Christenen in
+het bijzonder, sprak wel van zelf; zij zagen alleen op de buitengewone
+eer den Christen bewezen; maar Aboel Fazl, die de zaak beter vatte,
+schudde toch ook, hoewel nauw merkbaar het hoofd; die vrij noodelooze
+uittarting en beleediging van de Mohammedanen door den anders zoo
+verstandigen en humanen Akbar was hem leed, ook al kon hij voor 't
+overige niet geheel ontkennen, dat ze voor hun onhebbelijk gedrag van
+den vorigen avond wel iets hadden verdiend.
+
+Na afloop van de eigenlijke receptie bleef de Mogol nog eenigen
+tijd anderen ten gehoore ontvangen, en liet ook dezen en genen tot
+zich komen om hun openlijk eenige opdragt te geven of met een of
+ander ambt hen te bekleeden. Zou in 't eind ook onzen Siddha, dien
+zijn altijd scherp oog daar onder zijne officieren had opgemerkt.
+
+--Siddha Rama!--zeide hij,--wij hebben reden, over u tevrede te
+zijn. En uit aanmerking daarvan zijt gij van heden af Mansabdar
+over duizend. Blijf ons vertrouwen u waardig betoonen!
+
+Een hoog rood overtoog Siddha's gelaat, terwijl hij stilzwijgend
+en op de gebruikelijke wijze diep het hoofd buigend den Keizer
+zijn dank bragt voor de op nieuw hem bewezen gunst. Het vertrouwen
+van Akbar waardig! Kon er een zijn in het leger, die het nog
+minder verdiende? En toch ... zijn land, zijne betrekkingen en--
+Rezia! En de Keizer had immers ook wel eenig belang bij zijne
+spoedig te verwachten medewerking voor de zaken van Kacmir. 't Was
+dus niet alles edelmoedigheid en gunst! Akbar intusschen zag in de
+verlegenheid van den jongen krijgsman niet dan eene ligt
+verklaarbare en zelfs loffelijke bescheidenheid, toen hij zoo
+openlijk zich geprezen en met gunsten, door de Moslem's hem weer
+benijd, overladen zag, en vriendelijk knikte hij den jongeling
+toe, terwijl hij hem wenkte dat hij zich verwijderen mogt.
+
+Niet lang nu ook of het oogenblik was daar waarop het eigenlijke
+volksfeest een aanvang zou nemen. Daartoe was een uitgestrekt veld
+buiten de stad bestemd; en derwaarts stroomde uit alle straten en
+langs alle wegen eene bonte menigte van voetgangers en ruiters,
+velen te paard, anderen op fraai uitgedoste olifanten, verscheiden
+ook op kameelen met eetwaren en andere ververschingen beladen ten
+gerieve der velen, die kwamen deelnemen aan de vermakelijkheden.
+In dat bont gewoel mengde zich weldra ook Siddha met zijn vriend
+Parviz, dien hij bij 't verlaten van het paleis had ontmoet en die
+hem hartelijk geluk wenschte met zijne nieuwe bevordering.
+
+--En gij,--vroeg Siddha,--hoe staat het met uwe belangen?
+
+--Gij meent waarschijnlijk mijne heel bijzondere, niet waar?--zei
+de andere lagchend,--nu dat gaat nog al. Haar wie mijn hart
+behoort zag ik meermalen in den laatsten tijd, en schoon dat zeer
+in 't geheim geschiedt, heb ik toch reden om te vermoeden dat
+Todar Mal, haar vader, dat heel wel weet en er eigenlijk niets
+tegen heeft, al geeft hij zich natuurlijk den schijn als ware 't
+hem volkomen onbekend. Ik geloof trouwens dat mijn oom Feizi niet
+geheel vreemd is aan die gunstige wending. Zegene hem Allah! zou
+de vrome Abdal Kadir zeggen.
+
+En hier verdwaalde de goede Parviz, zooals te verwachten was, in
+een stroom van lofredenen op de schoonheid en de deugden der
+aangebedene, die voor hem natuurlijk van hoog, maar voor zijn
+toehoorder niet dan van matig belang waren, maar in elk geval
+strekten om de beide vrienden bezig te houden tot zij, al
+voortwandelend, op het feestterrein zelf waren aangekomen.
+
+Ook hier was de aanblik niet minder levendig en ongetwijfeld nog veel
+vrolijker dan te voren die van het uitgestrekte legerkamp. Eene
+onafzienbare menigte bewoog zich in de meest bonte groepen over het
+groote, golvende veld, waar tallooze grootere en kleinere, op allerlei
+wijze uitgemonsterde tenten waren opgeslagen, en vooral ook de vele
+olifanten met hunne logge en meestal donkere ligchamen maar schitterende
+dekkleeden en rijk versierde zetels eene schilderachtige afwisseling
+tusschen de zooveel kleinere gestalten der voetgangers en ruiters te
+weeg bragten. In 't bijzonder trokken de keizerlijke de aandacht, wier
+gouden borst- en hoofdplaten met groote smaragden waren getooid,
+en wier reusachtig ligchaam ook overigens met een schat was
+beladen, die op zich zelf reeds een matig fortuin voor een stil en
+gewoon burger mogt hebben vertegenwoordigd. Op een der aldus
+gesierde vertoonde zich de Groote Mogol zelf, en in 't midden van
+een breeden kring van hovelingen afstijgend, begaf hij zich met
+hen naar de plaats waar de groote plegtigheid van den dag stond
+gevierd te worden, eene plegtigheid evenwel, die meer de opmerking
+verdiende om het zonderlinge dan wel om het indrukwekkende dat
+haar eigen was, en die velen op meer of min gezochte wijze
+getracht hebben zinnebeeldig te verklaren, maar waarvan toch de
+regte beteekenis den geschiedschrijver nog ontsnapt.
+
+Op een kleine verhevenheid bevond zich een vrij omvangrijke en
+sterke weegschaal, waarop een man zich gemakkelijk plaatsen kon.
+In de eene schaal lagen hoopen goud en zilver en edelgesteenten;
+de andere, nu nog omhoog gehevene, was ledig. Op deze stelde zich
+nu de Keizer zelf ten aanschouwen van de honderden en duizenden
+zijner onderdanen die daar van alle kanten zich in 't ronde hadden
+geschaard; de andere schaal werd zoolang beladen en weder ontladen
+tot zij in evenwigt met den doorluchtigen persoon des Mogols was
+gekomen. En deze toonde wel, zijn redelijk gewigt tegen dat der
+edele metalen te bezitten; jammer maar dat er niet wat anders nog
+in de andere schaal gelegd kon worden, zooals pligt en eer en
+goede trouw en geestdrift voor al wat groot en schoon was; want
+ook tegen dit alles gewogen, ware Akbar voorzeker niet te ligt
+bevonden. Nadat nu evenwel de weging bezwaarlijk anders dan tegen
+iets stoffelijks had kunnen geschieden, stapte hij na afloop
+daarvan bedaard weer van zijn schaal, en het goud en zilver werd
+met het overige onder de omstanders verdeel. Ten slotte begaf zich
+de Keizer tusschen de groepen die hem omringden, wierp onder de
+omstanders een menigte van kleinere gouden voorwerpen, in den vorm
+van bloemen en vruchten gedreven en door zijn dienaren hem
+overgereikt, en rigtte middelerwijl tot dezen en genen, 't zij dan
+hooger of lager gestelde, een minzaam en belangstellend woord,
+waarmede hij velen op nieuw in de overtuiging bevestigde, dat het
+volk in Akbar niet enkel een groot en magtig, maar ook een
+welwillend gebieder had erlangd, wien het heil zijner onderdanen
+meer nog dan zijne eigene grootheid ter harte ging.
+
+Na afloop van de zoogezegd meer ernstige ceremonien van den dag
+begon de eigenlijke feestvreugde eerst regt, en werden de talrijke
+bezoekers van het terrein met allerlei vermakelijkeden bezig
+gehouden. Hier goochelaars en grappenmakers, die verschillende
+sterke toeren verrigtten en dwaze kunsten vertoonden; ginds
+dansers en danseressen, die met hun gewone langzame bewegingen en
+op de maat eener vrij eentoonige muziek hun meerendeels mimische
+dansen uitvoerden; verder op weer ruiters met lange speren naar
+ringen of andere voorwerpen stekend; en op een enkele plek ook de
+wonderlijke en afzigtelijke vertooning van een paar dier
+vreemdsoortige wezens, die op merkwaardige wijze, alleen Indien
+eigen, een soort van godsdienstige handeling wisten te verbinden
+met wat men elders kermistoeren noemen zou; nagenoeg gansch naakte
+mannen, die een goede twintig voet boven den grond aan ijzeren,
+met een koord aan 't eind van een bewoegbaar dwarshout bevestigde
+en achter in hunne naakte schouders vattende haken slingerden.
+Vooral hier, waar die vertooning weinig gewoon was, trok zij de
+aandacht van zeer velen; en ook Parviz bleef met belangstelling
+opzien naar het schouwspel, terwijl Siddha, die het elders reeds
+dikwijls had bijgewoond, er vrij onverschillig bij bleef.
+
+--Wat die lieden toch kan bezielen?--zei Parviz tot zijn vriend;--men
+zegt dat ze die pijniging uit godsdienstijver ondergaan, maar
+waarom kiezen ze dan juist een volksfeest er voor uit? Vrolijk is
+de zaak toch niet. En wat ik ook maar niet kan begrijpen, is, dat
+ze na hun vertooning blijkbaar nog ongedeerd zijn en er nauwelijks
+pijn van schijnen te gevoelen.
+
+--Dat kan ik nu van mijne zijde u misschien duidelijk maken,--
+antwoordde Siddha;--gij weet dat dergelijke martelingen als ons
+hier schijnen vertoond teworden, door sommigen onzer godsdienstijveraars
+als verdiensten worden beschouwd, waarmede de hemel te winnen valt; en
+wanneer nu anderen, die de martelaars staan aan te zien, na afloop der
+plegtigheid hun meer of minder geld schenken dan verwerven de gevers
+zich ook een deel van de verdiensten die genen te veel hebben. Vandaar
+dat er nog al winst voor de vertooners te behalen is op plaatsen, waar
+ze veel bijgeloovig volk bijeen vinden. Hier schijnt dat evenwel minder
+te lukken dan in 't oosten en noorden. Wat nu hun kunsten zelven
+aangaat, daarvan is het geheim wel niet met zekerheid bekend,
+maar, naar ik geloof, toch wel eenigermate vermoed. Bedrieg ik mij
+niet, dan voeren zij altijd eenige vrouwen met zich, hoewel deze
+zich niet met hen in 't openbaar vertoonen, en laten zich door
+haar den halven dag en vooral onmiddelijk voor den aanvang hunner
+kunsten, in en onder de schouderbladen zoolang knijpen dat zij
+bijkans ongevoelig worden op die plek en na lange steeds
+voortgezette oefening de haken er zoo in vatten kunnen, dat ze hun
+geen kwaad en bijkans ook geen pijn meer doen.
+
+--Wonderlijke aardigheden toch!--merkte Parviz op.
+
+--Ja, en ellendige ook, voor zoover ze 't bijgeloof helpen voeden.
+Eerlijke en fatsoenlijke Brahmanen verachten ze dan ook diep. Maar
+hebt ge mij niet gezegd, dat wij een dierengevecht te zien zouden
+krijgen?
+
+--Welzeker! en ik bemerk daar aan de vlaggen ginds dat het haast
+zal beginnen. Laat ons daar heen gaan en er een plaats zoeken!
+
+Die te vinden op de rondom het strijdperk opgerigte en fraai versierde
+tribunes, in wier midden de Keizer zelf met velen zijner hofhouding
+gezeten was, viel den beiden vrienden niet moeijelijk. De teekenen van
+hun rang gaven hun spoedig toegang tot een der kleinere stellaadjen; en
+weldra verschenen nu ook van twee verschillende kanten de beide
+strijdolifanten, elk met een schitterend dekkleed getooid en bereden
+door zijn eveneens kleurig uitgemonsterden kornak. Voorbereiding tot
+den strijd was er weinig. Zoodra de beide geweldige dieren elkaar
+genaderd waren, rigtten ze zich al snuivend op hunne achterpooten
+omhoog, bliezen hunne flanken op, grepen elkander bij de tromp, zoodat
+de eene plotseling als in de andere scheen geslingerd, en trachtten
+elkaar stooten toe te brengen met de lange vooruitstekende slagtanden,
+terwijl hunne berijders nu eens met de knieen achter hunne ooren, dan
+weer met de handen aan de singels der dekkleeden zich wisten vast te
+klemmen. Geruimen tijd duurde het woedend gevecht en met wisselend
+geluk, zoodat nu eens de eene olifant, dan weer de andere
+achteruitdeinsde, tot ten laatste een der beide werd omgeworpen,
+terwijl de kornak met een vluggen sprong veilig op zijne voeten teregt
+kwam. Terstond sloeg nu die van den overwinnaar zijn haak in de altijd
+open gehouden wond bij het oor, en zonder verder zijn gevallen
+tegenstander leed te veroorzaken trad het dier, door de pijn tot
+gehoorzaamheid gedwongen, terug. De Keizer klapte in de handen, de
+hovelingen en andere toeschouwers volgden zijn voorbeeld, en
+langzamerhand verliet men weder de tribunes.
+
+--Akbar schijnt veel belangstelling in dergelijke gevechten te toonen,
+--merkte Siddha aan, terwijl hij met zijn vriend verder wandelde.
+
+--Ja,--antwoordde deze,--dat is zoo. Akbar houdt van alles waarbij
+kracht en behendigheid van menschen of van dieren te pas komt. Hij
+zelf is, gelijk gij ook wel kunt zien, buitengewoon sterk; hij is
+beter misschien dan eenig ander bedreven op alle wapens; en zijn
+persoonlijke moed in den krijg en op de jagt is, zooals gij zeker
+wel vernomen hebt, van dien aard dat daaraan eer de naam van
+roekeloosheid te geven zou zijn. 't Is soms of hij de gevaren
+opzoekt in plaats van ze te vermijden, en zijne veldheeren en
+jagtvrienden hebben menigmaal heel wat met hem te doen als hij
+eens aan den gang is. Nu, van zijn velerlei avonturen zult gij ook
+wel al vrij wat gehoord hebben; sommige, 't is waar, zijn
+overdreven voorgesteld, maar ik weet er toch waarvoor ik zou
+durven instaan. Feizi, die zelf er enkele bijwoonde, zal er u bij
+gelegenheid wel eens van vertellen.
+
+Zoo, onder verschillende gesprekken, wandelde men nog een tijd
+lang voort, en besloot toen de zaak maar voor gezien te houden en
+naar de stad terug te keeren. Eensklaps echter bleef Siddha staan,
+terwijl hij met groote verwondering naar het tentje op den rug van
+een der vele fraai opgesmukte olifanten keek, dat zijn oog daar
+toevallig ontmoette. De vrouw toch, die hij daar nevens een paar
+andere op de zijden kussens zag geleund, en die haar ligten, met
+een schitterenden diamant aan den kleinen tulband bevestigden
+sluijer had ter zijde geschoven, was,--hij kon zich daarin niet
+bedriegen,--buiten allen twijfel niemand anders dan Rezia; en
+naast haar ontwaarde hij ook de hem welbekende dienares. Maar wat
+kwam ze hier uitrigten, zij, die altijd beweerd had, zich met de
+meeste zorg voor het oog van vreemden in hare stille afzondering
+te verbergen? En dat juist op een oogenblik nu zij allen grond had
+te meenen dat Siddha naar het leger vertrokken was! Had zij hem
+dan bedrogen en was zij eene andere dan zij gezegd had te zijn?
+
+Zoo bedaard echter en schijnbaar onverschillig als hem mogelijk
+viel, vroeg hij zijn medgezel, naar Rezia wijzend, die, een
+anderen kant uitziende, hem niet onder de voetgangers opmerkte:--
+Kent gij die vrouw?
+
+--Die daar met den teruggeslagen sluijer en de dienares met den
+waaijer van pauwenveeren nevens haar?--vroeg Parviz,--welzeker!
+zou ik die niet kennen? En 't verwondert mij zelfs dat gij niet
+weet wie zij is. Maar 't is waar, zij vertoont zich niet veel,
+vooral niet in den laatsten tijd. Welnu dan, dat is....
+
+En hier noemde Parviz een naam, waarvan het aanhooren zijn vriend
+een schok deed ondervinden gelijk hij zijn gansche leven nog nooit
+was gewaar geworden, en een gevoel bij hem deed ontstaan als
+bevond hij zich op den uitersten rand van een der hoogste
+rotsklippen in zijne noordelijke gebergten en als stortte hij,
+door eene duizeling bevangen, in den peilloozen afgrond....
+
+--Dat is--zei Parviz,--eene vrouw, van welke gij toch in elk geval
+wel gehoord zult hebben: Goelbadan, de vrouw van Feizi!
+
+
+
+TIENDE HOOFDSTUK.
+
+Verrassingen
+
+--Nu?--vroeg Parviz, verwonderd over Siddha's nog al vreemde
+houding,--wat gaat die naam of die vrouw u aan? Gij zijt toch,
+hoop ik, niet maar zoo in eens bij 't eerste gezigt op Goelbadan
+verliefd geworden? Ik zou 't u trouwens ook niet raden; want
+Feizi, anders de goedheid zelf is gansch niet gemakkelijk als 't
+zijn vrouw geldt, op wie hijzelf nog smoorlijk verliefd is.
+
+--Een voorbijgaande herinnering!--antwoordde Siddha, zoo goed
+mogelijk zich herstellend,--een herinnering opgewekt toevallig
+door een overeenkomst van naam, maar die overigens met de vrouw
+van Feizi niets te maken heeft.
+
+--Des te beter!--hernam de ander, en zwijgend gingen beiden voort.
+
+Alleen te zijn, zoo spoedig mogelijk van Parviz los te komen,--
+geen andere gedachte bezielde voor 't oogenblik diens medgezel.
+Daar zag hij een zijner ondergeschikten op en neder wandelen....
+
+--Vergun mij,--zeide hij tot Parviz,--u voor 't oogenblik vaarwel
+te zeggen, ik heb dien man daar te spreken. Intusschen blijf ik u
+ook ditmaaal weer dankbaar voor uw vriendelijk geleide!
+
+En haastig zijn vriend groetend, wenkte hij den ruiter en was
+spoedig met hem in een gesprek over dienstzaken, maar dat hij even
+snel weer afbrak zoodra Parviz uit het gezigt was.
+
+Toen snelde hij heen met rassche schreden. Waarheen? Hij wist het
+niet. Maar hij liep voort, altijd voort, denkend, droomend, als in
+een roes van dronkenschap.
+
+Goelbadan, de vrouw van Feizi! Verraad alzoo, schoon ditmaal
+onwetend, maar dan toch van de allerergste soort, jegens den man,
+die op de meest belangelooze wijze zich hier, in den vreemde, zijn
+opregten vriend had betoond, en hem voorregten had verzekerd
+zooals geen ander in zijne plaats zonder dergelijke bescherming
+ligt verworven zou hebben; verraad jegens den Keizer, die hem met
+onverdiende en onverwachte gunsten overladen had; verraad en
+schandelijke ontrouw jegens haar, wie hij eenmaal zijn hart had
+gewijd en zijn ridderwoord verpand; alles om die eene, eenige, die
+hem bedroog, die hij verachten moest, en toch--boven allen en
+alles nog bleef beminnen! Wat echter te doen? De pligt, de eer
+gebood, en sprak luide genoeg. Alleen de vlugt, en een overhaaste,
+kon uitredding geven. Want hij gevoelde 't maar al te wel: te
+toeven was anders niet dan op nieuw zich op den rand te begeven
+van den bodemloozen afgrond. Maar zoo plotseling, zonder eenige
+voorbereiding, zonder verklaring haar te verlaten, die, al was ze
+zwak, toch wel getoond had hem lief te hebben en, al misleidde ze
+hem, toch ook eigen eer en pligt hem ten offer had gebragt, was
+dat goed gehandeld, was het redelijk, was het--hem doenlijk? ...
+
+Lang dwaalde Siddha nog rond, nauw wetend werwaarts hij zijne
+schreden rigtte. Ten laatste bevond hij zich, opziende, in de
+onmiddelijke nabijheid der stad, en niet ver van de plaats waar de
+woning van Rezia,--die Rezia van vorige, gelukkiger dagen,--
+gelegen was, en die, hij moest het zich nu wel herinneren, aan de
+meermalen, doch van een geheel andere zijde door hem bezochte
+villa van Feizi grensde. En de avond begon te vallen. Het was het
+uur, waarop hij gemeenlijk zich naar den tuinmuur begaf en op het
+aan de dienares welbekende teeken werd toegelaten in de laan naar
+het paviljoen. Eenige oogenblikken nog en hij stond weer voor
+denzelfden muur, en gaf het signaal, en snelde, nadat de kleine
+poort zich weer geopend had, naar binnen.
+
+Op den divan bij de galerij lag Rezia, of Goelbadan nu, als te
+voren uitgestrekt in behagelijke rust, aan geen Siddha voor 't
+oogenblik meer denkend, dien ze reeds op weg naar het leger
+waande. Daar stormde op eens, door niemand aangemeld, de man het
+vertrek binnen, die mijlen ver van daar heette te zijn.
+
+--Hoe? Siddha!--riep zij uit, terwijl zij verschrikt opstond, ik
+dacht dat gij lang vertrokken waart!
+
+--Rezia! Goelbadan!--sprak Siddha met schijnbare bedaardheid,--ik
+ken u thans. Gij hebt mij misleid, mij en den man aan wien ik
+zooveel, zoo niet alles, hier te danken heb. Ik kom u vaarwel
+zeggen. De eer gebiedt mij u te verlaten, en ik weet dat ik het
+niet zou kunnen zonder u te ontvlugten. Morgen, heden nog vertrek
+ik om nimmer Agra weer te zien, noch ook u!
+
+In een oogwenk en nog eer Siddha eindigde had Feizi's eehtgenoote
+alles begrepen. Zij had, volkomen overtuigd dat haar minnaar met
+zijn ruiters vertrokken was, geen reden gevonden om zich niet in
+'t openbaar te vertoonen of, bij het feest verschijnend, zich, als
+anders, zorgvuldig gesluijerd te houden. Daar alzoo moest ze door
+hem zijn herkend en haar ware naam hem door iemand zijn
+medegedeeld. De zaak was te duidelijk om veel nadere verklaringen
+te behoeven. Maar verklaringen in dit oogenblik te vragen lag
+bovendien niet in hare taktiek.
+
+Met hare zachte blauwe oogen zag zij vluchtig doch smeekend tevens
+haar minnaar aan, en hief de handen gevouwen omhoog; toen wankelde
+zij en zeeg, zonder een woord te spreken, op den divan neder,
+terwijl zij haar gelaat in de kussens verschool.
+
+Een tijdlang bleef Siddha zwijgend op haar nederzien. Zoo schoon,
+zoo onweerstaanbaar verleidelijk had die bevallige gestalte hem
+nog nooit geschenen als juist nu, nu hij voor goed had besloten
+haar nimmer terug te zien; en onvergetelijk, hij gevoelde het, zou
+hem ten allen tijde die laatste blik zijn, dien hij daareven nog
+had opgevangen.
+
+Maar:--heen!--zoo klonk het in zijn binnenste,--snel heen! En geen
+redeneringen en geen verder afscheid meer, of het is te laat om de
+betoovering, die zoo straks geweken scheen, te ontkomen!...
+
+Daar hief zij langzaam het hoofd op, en schoof de weelderige
+lokken ter zijde, die om haar voorhoofd golfden, en streek zich
+met de hand over 't gelaat, als iemand die uit een diepen slaap of
+uit een bezwijming ontwaakt.
+
+--Rezia!... laat mij nog eenmaal u zoo noemen!...--sprak Siddha
+weder,--verzwaar mij het afscheid niet dat ik gemeend had u te
+moeten brengen, omdat een verlaten voor altijd, zonder eenige
+voorbereiding, mij een onridderlijke handelwijze scheen. Maar dat
+de scheiding voortaan onvermijdelijk is, zult gij, ik vertrouw
+het, mij aanstonds wel toegeven. Onwetend heb ik de gastvrijheid
+geschonden en belangelooze vriendschap met den grofsten ondank
+beloond. Willens en wetens dat te blijven doen, ware wel 't ergste
+aller misdrijven.
+
+--Gij hebt gelijk, mijn vriend!--antwoorddo Rezia gelaten en met
+zachte stem,--eene scheiding, dat gevoel ik maar al te zeer, moet
+u onvermijdelijk voorkomen. Ik vreesde, ik vermoedde het voor
+lang, en daarom bleef ik ook zoolang veinzen tegenover u. Doch
+hoor mij nog een enkel oogenblik aan, eer ge mij voor altijd
+verlaat, opdat ge mij eenmaal niet met al te groote minachting
+moogt herdenken; en verneem wat ik, niet tot verdediging maar dan
+toch tot verontschuldiging van mijn gedrag heb aan te voeren! Ik
+misleidde u, het is waar, en zelfs meer dan eens. Ik begon reeds
+met u te misleiden den eersten keer dat ge mij zaagt. Ik had, maar
+zonder door u te zijn opgemerkt, u zeer kort na uwe komst in Agra
+ontmoet; uw uiterlijk voorkomen wekte mijne belangstelling, die
+niet weinig werd vermeerderd door 't geen ik, navragend, omtrent u
+vernam; en toen, onvoorzigtig genoeg! besloten uwe kennis te
+maken, gebruikte ik den naar Kacmir bestemden brief als
+voorwendsel om mijn inderdaad onberaden doel te bereiken. Waartoe
+onze kennismaking gevoerd heeft, tot hoever mijn zwakheid, mijne
+liefde mij verleidde, helaas! het is ons beiden maar al te wel
+bekend. Maar ik wist toenmaals nog in 't minste niet dat eenige
+band van vriendschap u aan Feizi verbond; en later, toen ik tot
+mijn niet geringen schrik het bemerkte, ja! toen had ik sterk
+genoeg moeten zijn om onze verdere betrekking af te breken,
+althans om u eerlijk te bekennen wie ik was. Maar, ach! ik was
+zwak, Siddha! zwak zooals een vrouw dat zijn kan die bemint, die
+den man harer keuze hartstogtelijk liefheeft. Ik vreesde voor die
+scheiding, die uw eergevoel u als noodzakelijk zou opdringen, en--
+ik zweeg. Kunt gij mij vergeven eer wij voor altijd elkander
+vaarwel zeggen?
+
+En schuchter en als bevreesd nog voor zijn toorn reikte zij hem de
+hand, terwijl zij mat en loom in de kussens terugzonk en tranen
+hare oogen verduisterden. Nog kampte hij met zichzelven. Een
+vreeselijke, een geweldige strijd. Maar te kort, veel te kort van
+duur.
+
+--Rezia!--riep hij eensklaps uit, terwijl hij niet alleen de
+aangeboden hand vatte, maar hartstogtelijker dan ooit de vrouw,
+die hem beheerschte en hem alles deed vergeten, in zijn armen
+sloot,--Rezia! zonder u geen leven meer, geen bestaan, en met u
+geen misdaad en geene schande!...
+
+...Inderdaad, hij had geen onwaarheid gezegd, noch eene overdreven
+spreekwijze gebezigd toen hij eenmaal haar verzekerd had, dat zij
+hem dierbaarder was dan het leven en dierbaarder ook dan zijne
+eer!...
+
+Aan onverwachte ervaringen komt inmiddels soms niet ligt een
+einde. Zoo ook met onzen Siddha. Half verstoord, en half nog
+badend in nameloos geluk, deels zichzelf diep verachtend, en deels
+ook weer juichend in zijn noodlottigen hartstogt, wilde hij,
+eenigen tijd later door de welbekende laan geslopen, de kleine
+poort in den tuinmuur openen, toen deze tot zijne verbazing als
+van zelf openging en een mannelijke gestalte binnentrad, die,
+zonder hem terstond te bemerken, ze weer achter zich poogde te
+sluiten. Een onwillekeurige uitroep van Siddha deed den vreemde
+plotseling omkeeren.... Wie het zijn mogt? Feizi zelf misschien?
+Siddha had zich de tong uit den mond willen rukken om zijn dwaze
+onvoorzigtigheid; maar het was te laat.
+
+--Wat, in den naam van Shaitan! komt gij hier uitvoeren?--riep de
+ander uit, en aanstonds herkende Siddha, zoo aan de stem als ook
+nu in 't schemerdonker aan de gedaante, Prins Selim.
+
+--Dat mogt ik, dunkt mij, met evenveel regt vragen aan u, zoo niet
+met meer!--was het drieste antwoord.
+
+Een kletterend geluid deed Siddha begrijpen dat de Prins de hand
+aan zijn sabel had geslagen, en hij van zijn kant haastte zich
+hetzelfde te doen. Op eens echter liet Selim, een paar schreden
+nader gekomen, en zijn tegenpartij herkennend, het zwaard weer in
+de schede glijden.
+
+--Ha! mijn vriend Siddha Rama!--sprak hij, tot niet geringe
+verbazing van den ander, op vrolijken toon,--zoo betrappen wij u
+dan op uwe nachtelijke avonturen! Nu, een jonkman als gij mag 't
+er wel eens van nemen. Vrees niet dat ik u verraden zal! En
+jaloersch behoeft gij ook niet te zijn. Gij weet wel dat de
+uitverkorene van uw hart, die gij blijkbaar zooeven verlaten hebt,
+eenigermate met onze staatkundige plannen in verband staat; en
+vandaar dat ik haar soms in diep geheim, en dus ook wel eens onder
+deksel van den nacht moet gaan spreken. Ik begrijp evenwel dat ze
+op dit oogenblik minder bereid zal zijn mij over dergelijke dorre
+onderwerpen te woord te staan, en ik zal dus maar 't best doen
+mijn bezoek vooreerst uit te stellen.
+
+En zich omkeerend begaf Selim zich naar 't poortje, en, na Siddha
+eveneens den doorgang te hebben verleend, sloot hij 't weer
+zorgvuldig achter zich toe.
+
+--En nu,--zeide hij, waarschijnlijk gaat gij naar uwe woning,
+links; mijn weg ligt aan den tegenovergestelden kant.--Doch,--
+voegde hij er nog bij, terwijl hij gereed stond zich te
+verwijderen, en Siddha, niet wetend wat te antwoorden, hem
+stilzwijgend aanhoorde,--laat deze ontmoeting een geheim blijven
+tusschen u en mij! Dat is in ons beider belang. En zonder meer
+verdween Selim in het duister, terwijl de ander nog geruimen tijd
+als verbluft staan bleef.
+
+--Een goede dienst, die hij mij daar toevallig bewezen heeft!--
+mompelde de prins in zichzelven, terwijl hij zich verder spoedde;
+--hij stelt mij in 't bezit van een geheim dat voor mij van
+onberekenbare waarde kan zijn!... Die slang daar ginds zal ik
+nader wel vinden!...
+
+'s Anderen daags dwaalde een van Selim's vertrouwden rondom het
+buitenverblijf en stond weldra in een verborgen hoek met de
+dienares van Goelbadan te praten. Spoedig was de koop, dien hij
+had voor te stellen, gesloten; en de dienares toonde zich volkomen
+bereid, de geheimen harer meesteres te verraden. De Prins toch kon
+natuurlijk meer betalen dan deze en Siddha te zamen. Den avond van
+denzelfden dag meldde zich de dienares aan het paleis, werd
+terstond door den vertrouwde ontvangen, stelde hem een paar, in
+den vorm van brieven gevouwen papieren ter hand, en haastte zich
+toen met den ontvangen prijs naar de woning harer meesteres terug.
+Een dag later was Selim met klein gevolg weder op weg naar
+Allahabad.
+
+Daar toefde eene eenzaam treurende. Sinds langen tijd reeds had
+Iravati niets meer van haar verloofde vernomen. In den beginne,
+kort na zijne aankomst in Agra, had hij, ze herinnerde 't zich
+telkens, haar nog een paar brieven toegezonden, overvloeijende als
+vroegere van betuigingen zijner liefde en onwankelbare trouw;
+daarna had zij geen letter meer van hem ontvangen, terwijl haar
+door anderen toch werd medegedeeld dat hij zich volkomen wel
+bovond en hoog in eer en in de gunst des Keizers begon te stijgen.
+Wat dan de reden van zijn voortdurend stilzwijgen kon zijn? Een
+vreeselijke twijfel begon nu hoe langer hoe meer zich meester te
+maken van haar gemoed; maar telkens ook wist zij dien wederom te
+onderdrukken en op nieuw zich te sterken in het vertrouwen, dat
+zij in de eer en het woord van haren Siddha bleef stellen.
+
+Eens, toen zij deels weer in mijmering verloren een boek
+doorbladerde dat zij vroeger, nog in Kacmir vertoevend, met haar
+verloofde gelezen had, kwam de trouwe Nipoenika haar storen en
+naderde haar met bedrukt en onheilspellend gelaat, haastig eerst,
+maar straks weer weifelend, als aarzelde zij of ze spreken of
+zwijgen moest.
+
+--Welnu?--vroeg Iravati,--wat komt gij mij melden? Mij dunkt, gij
+brengt mij slechte tijding.
+
+--Helaas, mijne jonkvrouw!--antwoordde de dienares,--ik zou
+wenschen dat ik een slot mogt leggen op mijn mond; en toch mag ik
+u niet onkundig laten van 't geen mij daar straks werd meegedeeld.
+Het betreft u zoo na, dat ik niet zou wagen het gansch te
+verzwijgen.
+
+--Zoo spreek dan, en onverholen!--gebood Iravati,--ik ben bereid
+aan te hooren wat gij te zeggen hebt.
+
+En nu verhaalde de vertrouwde, hoe zij van een krijgsman, die uit
+Agra kwam, het een en ander omtrent Siddha vernomen had. Eerst
+sprak zij in meer of min bedekte termen; daarna duidelijker;
+eindelijk kwam alles voor den dag wat Selim zelf omtrent het
+avontuur met de vrouw van Feizi had weten te ontdekken. De
+uitwerking van het verhaal was zooals de andere gevreesd had. Als
+wezenloos zat Iravati voor zich uit te staren, en lang had
+Nipoenika opgehouden te spreken eer zij eenig antwoord gaf. Toen
+sprong zij eensklaps op, en vroeg met een haar ongewone drift:
+
+--Wie heeft u dat alles verteld? Wie was die krijgsman? Spreek de
+waarheid! En geen omwegen, verstaat gij?
+
+--Edele jonkvrouw!--antwoordde Nipoenika,--hoe zou ik u durven
+misleiden en welk belang kon ik er ook bij hebben? De man, die mij
+verhaalde wat ik u heb medegedeeld, was een dienaar van den
+Kroonprins.
+
+--Dan is alles ook gelogen!--riep Iravati uit,--ik begrijp de zaak
+volkomen. Welk een verachtelijk middel!--voegde zij in zichzelve
+er bij; en daarop weder tot hare dienares:--Het is wel, mijn goede
+Nipoenika! Ik dank u voor uw berigt, dat gij, ik betwijfel het
+niet, mij enkel uit wezenlijke belangstelling hebt overgebragt.
+Maar ik hecht er niet aan, nu de bron mij bekend is, waaruit het
+voortkwam. Laat mij voor 't oogenblik echter alleen, en moei u in
+'t vervolg niet al te veel met dien man, die u met die praatjes
+heeft bezig gehouden!
+
+Toch had de wel gerigte pijl beter getroffen dan Iravati tegenover
+zichzelve en haar vertrouwde wilde toegeven, en toen deze zich had
+verwijderd zat zij nog lang, het hoofd in de hand geleund, over de
+mogelijkheid en waarschijnlijkheid van het gebeurde na te denken.
+Wederom echter voelde zij haar moed herleven toen zij na eenigen
+tijd, haar vertrek verlaten hebbend, in een der galerijen Prins
+Selim zelf ontmoette, van wiens terugkomst haar tot dusver niets
+was gemeld. De zaak was duidelijk. Hij en niemand anders had
+inderdaad, gelijk zij aanstonds reeds vermoedde, het gansche
+lasterlijke verhaal uitgedacht om haar, zoo mogelijk, van Siddha
+te vervreemden. Een koele en met zekere minachting tevens niet
+onvermengde hoofdbuiging was het eenige, waarmede zij zich
+verwaardigde den eerbiedigen groet van den hoogen bezoeker te
+beantwoorden.
+
+--Iravati!--sprak deze, nader tredend,--gij mogt reden hebben u te
+verwonderen over mijn terugkeer in dit paleis na ons laatste, voor
+mij zoo ontmoedigend onderhoud, indien niet hetgeen ik door uwe
+getrouwe dienares u liet meedeelen, omdat ik niet persoonlijk de
+overbrenger wilde zijn, u daaromtrent eenige verklaring gaf.
+
+--Ik begrijp zeer goed,--antwoordde Iravati zonder blijk van
+toorn, maar ook zonder omwegen,--dat laster door u te baat is
+genomen, waar u blijkt dat overreding onvermogend is. Toch had ik
+zoo iets niet verwacht, vooral niet van u.
+
+--Laster!--hernam Selim,--ja, dat ware inderdaad al een heel
+verachtelijk middel om het doel van mijn vurige, doch zoo ik meen
+toch geenszins ongeoorloofde of ook beleedigende wenschen te
+bereiken. Maar daarenboven een zeer ijdel. Want welke waarde zoudt
+gij aan dergelijk los daarheen geworpen verhaal, een eenvoudig
+praatje, kunnen hechten, indien de waarheid niet door bewijzen kon
+worden gestaafd?
+
+--Hoe nu? Bewijzen? Wat bedoelt gij?
+
+--Ik bedoel die soort van bewijsstukken, waartegen zelfs de
+strengste en meest nauwlettende regter niets zou hebben in te
+brengen. Gij kent natuurlijk het schrift en de hand van Siddha,
+niet waar?
+
+--Ongetwijfeld!
+
+--Welnu, zie deze brieven dan!--En Selim overhandigde haar de
+beide in briefvorm vervatte stukken papier, welke de vertrouwde
+van Goelbadan, na ze behendig aan haar meesteres te hebben
+ontstolen, hem verkocht had; vlugtig geschreven, hartstogtelijk
+gestelde, met allerlei uitroepen en betuigingen van liefde
+vervulde en hier en daar ook met een paar versregels doorspekte
+brieven van Siddha, waarin de naam der aangebeden Rezia herhaalde
+malen voorkwam.
+
+Haastig las Iravati dat alles, terwijl het haar voor de oogen
+begon te schemeren. En zij las en herlas, en keerde de brieven om
+en om, en bezag ze van alle kanten, tot zij ze eensklaps uit de
+hand liet vallen en, hare bezinning verliezend, bewusteloos ware
+neergestort, indien niet Selim haar snel had ondersteund en op een
+nabijzijnde rustbank had nedergevleid.
+
+Eene zwakke zenuwachtige maagd was Iravati echter, hoe innig en
+onbegrensd ook hare liefde, niet. Daar vloeide haar door de aderen
+nog het bloed van een voormalig krachtig ras, van een oud
+heldengeslacht, en spoedig rees zij weder op en stelde zich
+tegenover den Prins, tewijl zij met vastheid hem in de oogen zag.
+
+--Mijn lot,--sprak zij,--is beslist, indien, gelijk ik nu wel moet
+aannemen, werkelijk waar is wat mij werd verhaald. Eene andere
+heeft bezit genomen van het hart, dat tot heden mij behoorde en
+mij alleen. Het zij zoo, al wordt het mijn dood! Doch meen niet,
+gij Vorst, die over alles te gebieden hebt behalve over een
+vrouwenhart, dat daarmede u den weg zou zijn gebaand, dien gij met
+uwe ontdekkingen reeds zaagt geopend! Meen niet, dat mijne
+gelofte ijdel is geworden omdat het woord van trouw aan de andere
+zijde verbroken werd, zoolang het mijne mij niet is teruggegeven!
+
+--Hoe nu?--riep Selim in verbazing uit,--de minnaar, wiens ontrouw
+u thans wel gebleken is, verlaat u en offert u op aan eene andere,
+en gij zoudt u niet vrij achten en niet mogen luisteren, ik zeg
+niet terstond, maar eenmaal welligt, als de vroegere herinnering
+verzwakt en eindelijk verdwenen zal zijn, naar hem, die u boven
+allen en boven alles lief heeft en magt en eer, zooals geen ander
+die bieden kan, aan uwe voeten legt?
+
+--Selim!--antwoordde Iravati zacht, terwijl ze zich tot geregeld
+denken dwong,--gij verstaat mij niet en gij kunt mij misschien ook
+niet verstaan. Gij kunt ons, Indische vrouwen, niet begrijpen,
+zoozeer verschillend van die, waaraan gij anderen gewoon zijt. Het
+hoogste geluk voor eene vrouw schijnt u, en zoo schijnt het
+werkelijk ook velen, de begunstigde Sultane van een magtig
+heerscher te zijn. En gij meent ook dat het genoeg is, eene onzer
+van de ontrouw haars minnaars te overtuigen, om haar terstond alle
+gedachten aan den onwaardige vaarwel te doen zeggen.
+
+--En is dat dan niet overvoldoende?
+
+--Onze vrouwen--was het antwoord--kennen die verlokking van
+grootheid niet, waar het haar pligt betreft en hare eer; en den
+echtgenoot, of, wat hetzelfde zegt, den plegtig verloofden
+bruidegom, wien zij eenmaal haar woord verpandden, blijven zij
+getrouw, ook al zien zij hare liefde met ontrouw beantwoord. De
+gehechtheid der vrouw aan den man weet bij ons van geene grenzen;
+of is u niet bekend genoeg, hoe vele, laat zoo iets nu te
+verwerpen zijn als een gevolg van bijgeloof of van overdreven
+gevoel, zich volkomen vrijwillig en met de grootste geestdrift op
+den brandstapel werpen, die het lijk van den gestorven echtgenoot
+verteert? En hebt gij ook nooit gehoord van onze heilige legenden
+en riddersagen, die de toewijding der echtgenoote, ook aan den
+onwaardige, schilderen? Van de roerende lotgevallen der edele
+Damayanti kwam u zeker wel 't een en ander ter ooren. Welnu! voor
+zooveel in mij is, wil ook ik eene Damayanti zijn! Dat Siddha mij
+verlate, ik zeg het als zij: het is de booze Kali, die in hem is
+gevaren en hem tot kwaad verlokte, niet hijzelf die zoo grievend
+leed over mijn hoofd bragt. En als de betoovering van hem zal
+geweken zijn, dan keert hij, een andere Nala, tot mij terug, en
+rein van elke smet vinde hij mij weder en overtuige zich dat ik
+beter nog dan hijzelf voor de eer heb gewaakt van zijn naam!
+
+--Ik liet u gaarne--hernam Selim na een oogenblik gezwegen te
+hebben,--die gelukkige hoop op zijne terugkomst, hoezeer ze mij
+ook smarten moest. Doch vlei u niet met dergelijke verwachting!
+Geloof mij, ik ken die vrouw, in wier strikken hij verward is
+geraakt; ikzelf, ik heb haar bemind tot op het oogenblik dat ik u
+aanschouwde; en ik weet dat zij onweerstaanbaar blijft zoolang
+geen andere en reiner liefde den hartstogt komt verdringen, dien
+een man eenmaal voor haar gevoelt. Geloof mij, zeg ik! geen
+verleidelijker vrouw ken ik dan deze, gelijk ik geen reinere en
+geen edelere ken dan u!
+
+--Prins!--zeide Iravati op deze hernieuwde verklaring,--ik wil u
+smeeken om eene gunst voor heden, al schijnt u 't verzoek ook
+onheusch. Laat mij voor eenige oogenblikken over aan mij zelve! Ik
+gevoel thans werkelijk behoefte, na al wat ik vernemen moest, om
+alleen te zijn. Een ridder, een edelman zooals gij, zal, ik
+vertrouw het, mij dit niet willen misgunnen.
+
+--Ik ware--antwoordde Selim,--den naam onwaardig dien gij mij
+toekent, als ik een oogenblik langer van uwe goedheid misbruik
+maakte. Ook is verdere aandrang van mijne zijde, ik gevoel het
+maar al te wel, voor het tegenwoordige niet alleen onnut, maar in
+mijn eigen nadeel. Ik gehoorzaam dus aan uw verlangen.
+
+En zich omwendend verliet hij, schoon met loome schreden, de
+galerij.
+
+Maar toen hij was heengegaan ontzonk Iravati ook de kracht, die
+haar standvastigheid deed betoonen tegenover hem, en uitgeput zeeg
+zij op de rustbank neder, en, het gelaat met de handen bedekkend,
+weende zij bitter.
+
+Kortstondig echter was hare betrekkelijke rust, en verschrikt zag
+zij op, toen na eenigen tijd zich weer een voetstap in de
+nabijheid deed vernemen. Het was Salhana, die haar naderde.
+
+--Mijne dochter!--sprak hij, met meer zachtheid in zijne stem dan
+zij tot dusver zich herinnerde nog ooit bij hem te hebben
+opgemerkt,
+
+--Ik weet wat uwe gedachten bezig houdt en u 't hoofd laat buigen onder
+leed. En ik wist ook reeds vroeger wat u heden werd medegedeeld. Ik had
+de trouweloosheid van Siddha ginds in Agra reeds ontdekt, maar bleef
+alles voor u verbergen tot de tijd zou zijn gekomen waarop te spreken
+pligt mogt worden. Hoe het zij, alles is u thans bekend. En nu, gij
+zult het, vertrouw ik, wel inzien, nu gebiedt u de achting die ge
+uzelve niet alleen, maar ook mij en mijn huis verschuldigd zijt, alle
+herinnering aan dien man te bannen, die op zoo smadelijke wijze de
+nadere verbindtenis met ons geslacht verworpen heeft.--Neen, hoor mij
+aan!--vervolgde hij, toen hij Iravati gereed zag te antwoorden;--geloof
+mij, ik gevoel diep, innig medelijden met u in dit noodlottig
+oogenblik; maar ik mag daarom niet nalaten u te herinneren wat eene
+dochter van onzen edelen stam aan hare eer en haar goeden naam
+verschuldigd is. Tevens echter wil ik, hoewel in geheim, u iets
+mededeelen wat ik eveneens ontdekte, en dat, zooal niet aanstonds de
+wond zal heelen die u geslagen werd, dan toch in 't eind u tot troost
+zal strekken. Eene heerlijke, eene schitterende toekomst wacht u nog,
+Iravati! Wat voor elke vrouw in gansch Hindostan het begeerlijkst lot
+mogt zijn, kan het uwe worden. Prins Selim,--ik vermoedde 't sinds lang,
+en toen ik hem onlangs de gelegenheid gaf zich te verklaren, bekende hij
+'t mij ook,--Prins Selim bemint u en begeert u tot zijne echtgenoote!
+
+--Dat weet ik,--antwoordde Iravati.
+
+--Gij weet het? En hoe?
+
+--De Prins zelf heeft het mij verklaard, ook heden nog.
+
+--En uw antwoord?
+
+--Ik heb het vereerend aanbod afgeslagen.
+
+--Hoe! Wat?--riep Salhana met de grootste verbazing en ergernis
+uit,--afgeslagen? Zijt gij zinneloos?
+
+--Ik geloof het niet. Maar ik ben immers verloofd aan Siddha.
+
+--Wel! wat kan dat nu uitmaken? Gij zijt immers nog vrij in uwe
+keuze. Gij zijt zijn vrouw nog niet.
+
+--Neen, maar wat voor mij in dit geval hetzelfde is, ik heb hem
+trouw gezworen, en hijzelf ontsloeg mij nog niet van die gelofte.
+
+--Laat dat zijn! 't Kon vroeger misschien nog gelden. Maar nu? Hij
+zelf heeft immers zijn trouw gebroken en u daarmee reeds ontslagen
+van uw woord.
+
+--Zoo mogen anderen er misschien over denken, die in andere
+begrippen zijn opgevoed dan ik. De mijne echter verbieden mij te
+doen wat gij verlangt. En zoo die begrippen voor 't oogenblik aan
+uwe plannen in den weg staan, wijt het, mijn vader! aan uzelven,
+die mij eenmaal daarin hebt doen opvoeden. Bovendien, ik wil er
+geen geheim van maken, nog blijf ik Siddha beminnen in weerwil van
+zijn handelwijs, en een ander zou ik nooit kunnen liefhebben na
+hem.
+
+--Maar er behoeft hier immers ook geen sprake te zijn van liefde!
+Het is genoeg dat Selim u bemint, en dat gij gebruik kunt maken
+van den invloed dien gij op hem hebt. Maar dat schijnt gij nu niet
+te verkiezen, eenvoudig om een gehechtheid aan allerlei overdreven
+en lang verouderde voorstellingen en een dwazen hartstogt voor een
+onwaardige. Bedenk echter wat gij verwerpt, indien gij blijft
+volharden in uwe onzinnige weigering! Een Koningrijk wordt u
+aangeboden, een rijk waarvan de wedergade nauw in de wereld valt
+aan te wijzen, en gij stoot het verachtelijk van u af, enkel om
+een droombeeld, een gril.
+
+--'t Mag zijn dat ik ongelijk heb,--antwoordde Iravati gedwongen
+bedaard, terwijl haar vader zich al meer begon op te winden,--maar
+uwe voorspiegelingen zullen mij daarvan niet overtuigen. Ze werden
+mij eveneens en beter nog, door den Prins zelf gedaan, maar konden
+mij evenmin van besluit doen veranderen.
+
+--Uw besluit schijnt dus te zijn, den wil van uw vader te weerstaan?
+Mij dunkt, dat komt toch ook niet overeen met die beginselen waaraan
+gij zoo gehccht zijt, en die toch gehoorzaamheid van het kind aan zijne
+ouders tot een der eerste pligten maken.
+
+--Zeker, maar niet wanneer die pligt met een nog hoogeren in strijd
+geraakt. Hoezeer 't mij ook leed is dat ik u niet mag gehoorzamen, ik
+mag nu eenmaal niet en ik kan niet.
+
+--Doch 't is u dan toch bekend dat een vader ook regten over zijn
+dochter heeft en de magt bezit om haar des noods tot gehoorzaamheid te
+dwingen.
+
+--Dat is mij volkomen bekend; maar ik weet ook, dat dwang hier tot
+niets zou dienen. Want als ik mij werkelijk tot een huwelijk met
+Selim noodzaken liet, zou ik juist alle waarde voor hem hebben
+verloren en van mijn invloed ook geen gebruik meer kunnen maken.
+Dat weet hij zelf volkomen, en denkt dus aan geen dwang. Indien
+hij daartoe besluiten wilde, hij zou uwe tusschenkomst niet eens
+van noode hebben. De troonopvolger van Akbar is magtig genoeg om
+zijn wil tegen den mijne en ook tegen den uwe door te zetten, als
+hij verkoos.
+
+Salhana balde zijne vuisten en beet van ongeduld op zijn knevel.
+Aan alle kanten geslagen! En door wie? Door een eenvoudig meisje,
+dat hij tot nog toe als het zachtzinnigste en onderdanigste wezen
+had gekend! Al zijn heerlijke plannen van den laatsten tijd, al
+zijn schitterende vooruitzigten door dat eigenzinnige, nu
+weerbarstige kind vernield! Hij had gedroomd, nu niet meer van een
+onderkoningschap alleen, maar van niets minder dan de hoogste
+plaats na den Keizer zelven in het rijk; hij zag zich reeds in
+Agra als Groot-Vizier nevens den troon, en vorst en land
+beheerschend door zijne dochter, oppermagtig gebieder over al die
+rijken en volken, zoo niet in naam dan toch metterdaad....
+
+--Welnu!--riep hij eindelijk na eenig stilzwijgen uit, terwijl hij
+in dreigende houding zich tegenover Iravati plaatste,--gij
+verkiest naar rede niet te luisteren, en voor dwang zijt gij niet
+bevreesd. Maar misschien toch wel voor iets anders. Wel dan
+misschien voor den vloek van een vader!
+
+--Het leed dat mij reeds is opgelegd,--antwoordde Iravati,--zou
+er door verdubbeld worden; maar ik zou kracht zoeken om den last
+te dragen zonder te bezwijken. En moest dit, welnu! dan geschiede
+wat mij is voorbeschikt.
+
+--Gij zijt moedig,--sprak nu Salhana op kouden, maar tevens ietwat
+sarcastischen toon,--of althans gij tracht het te zijn. Ik wil
+evenwel gelooven dat gij niets voor uzelve vreest; maar zijt gij
+wel zoo zeker dat uwe halstarrigheid niet soms ten nadeele mogt
+komen van dien Siddha, dien gij erkent nog lief te hebben, en dat
+de Prins uwe weigering niet op hem soms wreken mogt?
+
+De laatste slag scheen doel te hebben getroffen. Als in wanhoop
+hief Iravati de handen omhoog, en liet ze toen magteloos weer
+zinken, terwijl haar hoofd zich voorover boog op hare borst. Met
+een hatelijk zegevierenden glimlach zag Salhana haar aan. De
+overwinning dan was eindelijk toch behaald, de zege hem, de kracht
+der onverzettelijke was gebroken!...
+
+Daar rigtte zich de fiere jonkvrouw uit haar gebukte houding weder
+op, en Salhana onverschrokken in de oogen ziende, sprak zij, eerst
+met weifelende, daarna met vaste stem:
+
+--Wat gij, vader! daar gezegd hebt, is wreed, gruwelijk wreed, en
+ik kan bijna niet gelooven dat het ernstig gemeend zou zijn. Maar
+al is dat zoo, al is 't een ernstige bedreiging, ook die is niet
+bij magte mij te doen wankelen en mij den heiligen pligt te doen
+verzaken die mij is voorgeschreven. Indien Siddha hier voor ons
+stond en hij zag mij weifelen en mijne gelofte schenden om hem te
+redden uit gevaar, hij zelf zou mij verachten en het regt hebben
+mij te verstooten. Mijn leven wil ik voor hem offeren; het behoort
+hem; maar niet mijne eer, die eveneens hem toebehoort. Wel weet ik
+dat zijn dood de mijne worden moet; maar wat ons is beschikt,
+vermogen wij niet af te wenden. Laat dan de wraak den onschuldige
+treffen; doch er zal niets bij te winnen zijn, noch voor Selim,
+noch voor u. Gij zoudt een dochter, uw broeder zou een zoon minder
+hebben, dat ware alles, en uwe eerzucht zou toch niet zijn gebaat
+...Maar laat ons dit gesprek afbreken, dat mij in 't eind den
+eerbied kon doen vergeten dien ik u verschuldigd blijf! Doch
+bedenk het, mijn vader! dat ik uwe dochter ben, een jonkvrouw uit
+uw eigen hoog en eeuwenoud goslacht, die zich door niets laat
+dwingen en door niets verschrikken waar het eer en pligt, en den
+man dien zij lief heeft, geldt!
+
+Nog een oogenblik zag Salhana Iravati aan. Daar stond zij voor hem
+in ongebogen houding, hooghartig, uitdagend bijna. De rollen waren
+omgekeerd; de tot nog toe zoo onderdanige dochter scheen te
+gebieden, de trotsche vader tot onderwerping genoopt. Zonder een
+woord te spreken keerde hij zich om en snelde voort met haastige
+schreden, terwijl een uitdrukking van magtelooze woede zijn
+donkere gelaatstrekken verwrong.
+
+
+
+ELFDE HOOFDSTUK.
+
+Tauhid I Ilahi
+
+Voor en omtrent de winkels en woningen van een der kleinere
+bazaar's van Agra aan de rivierzijde bewoog zich, als gewoonlijk,
+tegen 't vallen van den avond eene bonte, maar overigens zeer
+rustige menigte. Hier en daar zaten in open galerijen en
+vertrekken de spelers met hunne dobbelsteenen om het bord waarop
+ze hun inzet hadden gewaagd; elders dronken soldaten van
+verschillende wapens elkander vrolijk toe, 't mogt dan met wijn of
+met sterker benevelende dranken geschieden; op eene enkele plaats
+lag een eenzame droomer de stille en tijdelijke zaligheden te
+genieten, die een meer of min overmatig gebruik van den opium hem
+verschaffen mogt; en in diepe en ernstige gesprekken zag men
+eenige deftige Musulmannen gewikkeld, die zich voor een enkelen
+keer hadden verwaardigd, aan de rustig gezellige genoegens der
+anders niet weinig door hen geminachte Hindoe's deel te nemen.
+
+--Ja, Ali!--sprak een van die in eigen oog zoo voorname heeren tot
+zijn medgezel,--gij hebt wel gelijk; 't begint van kwaad tot erger
+te komen met Akbar en zijn hof. Wat daar al ongeregtigheden moeten
+gepleegd worden! Dat gaat zoo maar avond aan avond met die, ik ben
+er zeker van, godslasterlijke bijeenkomsten. Zoo kwam ik nog
+gisteren, 't was middernacht ongeveer, langs het paleis; en wat
+meent gij dat ik er zag? Al de vensters van 's Keizers vertrekken
+hel verlicht; alles schitterend van lampen en waskaarsen op
+reusachtige luchters. Maar voor wat? Voor een feest, zooals een
+vorst dat mag en soms ook moet vieren? Neen, man! Alles doodstil,
+behalve nu en dan een statig gezang, een soort van loflied, zooals
+Akbar zelf, naar men zegt, er meer dan een vervaardigd heeft, maar
+dat, hoewel het anders welluidend genoeg klonk, toch niets te
+maken kan hebben met onze heilige godsdienst, waarvoor de Profeet
+geprezen zij!
+
+--En wat beduidde dat, Yoessoef?--vroeg de ander.
+
+--Wat het eigenlijk te beteekenen had,--antwoordde Yoessoef,--
+weet ik u niet met zekerheid te zeggen, maar wel, dat al dat licht
+en dat gezang in verband moest staan met de nieuwe leer, die de
+Keizer in plaats van den Islam wil stellen, en waarin hij zijne
+vertrouwden inwijdt, een soort van vuur- en zonnedienst, die hij
+voornamelijk van onze oude Parsi's en ook van de ongeloovigen
+hier, Allah zij hun genadig! ter kwader uur ontvangen moet hebben.
+
+--Maar wat is dat dan toch eigenlijk voor dienst?--vroeg Ali;--ik
+heb er wel eens van hooren spreken, maar ik weet toch niet regt
+wat het is.
+
+--Heel bepaald--hernam Yoessoef,--weet ik het ook niet; maar dat
+het heel ergerlijk zijn moet, bewijst wel de verklaarde tegenzin
+van alle goedgeloovigen, en onder hen vooral van een man als Abdal
+Kadir, anders ook bij Akbar zelf wel in aanzien, en een groot
+geleerde. Doch wat nu mijn persoonlijke ervaring aangaat, ik heb
+in den laatsten tijd nog wel onrustbarender zaken waargenomen dan
+wat ik u vertelde. Denk eens! niet lang nog geleden zag ik heel in
+stilte, en als was hij voor verspieders bevreesd, een man uit het
+paleis sluipen, dien gij stellig wel kent en dien gij niet ligt
+ontmoet zult hebben of 't werd u koud en huiverig, Gorakh, den
+zoogenaamden Yogi.--Nu,--vervolgde de spreker, terwijl hij zijne
+reeds fluisterende stem nog een toon dalen liet,--weet gij voor
+wien ik dien man aanzie? Regtuit gezegd, als hij de Shaitan zelf
+niet is, dan is hij toch zeker een handlanger van hem; en met dat
+wezen... heeft dan de Keizer een verbond gesloten!
+
+Yoessoef zweeg een oogenblik en met ontzetting staarde zijn makker
+hem aan.
+
+--Behoede ons Allah!--riep hij eensklaps weer uit, terwijl hij
+naar eene langs den waterkant voortschrijdende gestalte wees,--
+daar is hijzelf in eigen persoon! Mogten de wateren der Djoemna
+hem verzwelgen!
+
+En werkelijk vertoonde zich daar weder de Doerga-priester, en
+begaf zich tot een groep Hindoe's en Perzen, die in levendig
+gesprek met elkander waren gewikkeld.
+
+--Nu, en ik zeg u dan,--sprak een dier laatsten,--wij mogen en
+kunnen 't niet langer dulden dat onze heilige godsdienst zoo
+voortdurend en openlijk door een Feizi en een Aboel Fazl, om nu te
+zwijgen van een hoogere, wordt bespot en ten toon gesteld. En 't
+is mij onbegrijpelijk hoe gijlieden, al belijdt gij dan eene
+andere godsdienst, er vrede mee kunt hebben dat men hier alles
+zoekt om te keeren en alles te vernietigen wat u zoowel als ons
+tot nogtoe altijd heilig scheen.
+
+--Maar zoover zijn we nog niet,--antwoordde de Hindoe;--dat de
+Keizer en zijne getrouwen niet veel meer aan uw Koran hechten, is
+bekend genoeg, en eveneens dat ze daarom onze godsdienst nog niet
+zijn toegedaan. Maar ik heb nog niets van eenig omverwerpen of
+vernielen gehoord; onze tempels blijven als de uwe onaangeroerd,
+en niemand hindert ons in onze godsdienstige praktijken, terwijl
+gij Mohammedanen te voren niet anders deed dan ons plagen en
+vervolgen.
+
+--En dat verdiendet gij ook, gij zonen van....
+
+--Komaan, mannen, geen twist!--sprak tusschenbeiden komend, een
+Perzisch krijgsman;--dat brengt ons toch niets verder.--En meteen
+gaf hij den verbolgen Mohammedaan een wenk.
+
+--Laat het dan zijn!--antwoordde deze, en den Hindoe den rug
+toekeerend, verwijderde hij zich met een paar zijner vrienden en
+den krijgsman die zooeven gesproken had.
+
+Nu mengde zich ook Gorakh in het gesprek en:--'t Is goed, Mobarik!
+--zeide hij,--dat gij daarbij waart. Openlijke twisten konden nu
+gevaarlijk worden. De meeste Hindoe's houden nog de zijde van den
+Keizer. Wekt ze dus niet te spoedig, en zoekt ze voor 't oogenblik
+nog niet te winnen; ze komen toch wel over als de kans begint te
+keeren. Hoever zijt gij inmiddels gevorderd?
+
+--De meeste van onze Mansabdar's zijn gewonnen,--antwoordde
+Mobarik,--en terstond zullen zij openlijk onze zijde kiezen zoodra
+hun het teeken gegeven wordt. Die met het leger meegaan zullen
+daar op het geschikte oogenblik omwenden, en die hier in Agra
+blijven zullen hetzelfde doen. Van hun troepen zijn zij volkomen
+zeker.
+
+Met bijzondere opmerkzaamheid hadden vooral ook twee andere mannen
+geluisterd, die zich intusschen bij de overigen gevoegd hadden,
+en, blijkens de met dezen gewisselde begroeting, mede tot de zeer
+vertrouwden behoorden. Met nog meer belangstelling luisterden zij,
+toen Gorakh met zachte stem hernam:
+
+--Van onze zijde is in de laatste dagen nog eenige verandering in
+het plan raadzaam gekeurd. Wij moeten niet wachten met den slag te
+slaan tot Akbar in het Noorden zal zijn aangekomen. 't Is toch
+altijd mogelijk dat hij, in weerwil van den afval van een deel
+zijner troepen, eene overwinning behaalt; sommige berigten uit
+Kacmir doen er ons zelfs voor vreezen, en verspreidt zich van zoo
+iets het gerucht, dan valt er hier weinig of niets meer voor ons
+uit te voeren. Wij moeten de zaak dus wat verhaasten, en zoodra de
+Keizer met zijn leger te ver op weg zal zijn om Agra in weinige
+dagreizen weer te bereiken, het plan terstond doorzetten. Is dan
+Selim hier eenmaal tot Keizer uitgeroepen en heeft hij zich in de
+vesting versterkt, dan is er niet de minste twijfel of de
+ontevredenen in het leger zelf keeren zich tegen Akbar, 't geen
+anders, als 't alleen op hen aankomt, naar ons nog onlangs is
+gebleken, in 't geheel nog zoo zeker niet is. Zorg dus, Mobarik!
+en ook gij anderen, dat de onzen bij tijds gewaarschuwd worden en
+behoorlijk gereed zijn het vervroegde plan te helpen uitvoeren!
+
+Na nog eenige nadere afspraken scheidden de bondgenooten en gingen
+ieder huns weegs.
+
+--Dat is gewigtig nieuws!--zei tot zijn medgezel een der beide
+mannen, die zich 't laatst bij de anderen gevoegd hadden, toen zij
+een eind verder waren gegaan.
+
+--Dat zal waar zijn!--riep de ander uit;--en vergis ik mij niet,
+dan zal het Akbar de zaak vrij wat gemakkelijker maken. Jammer,
+dat wij niet dadelijk aan Aboel Fazl rapport kunnen doen; maar wij
+moeten natuurlijk wachten tot den nacht; voor dien tijd naar zijn
+paleis te gaan, schijnt te gevaarlijk. Ook is hij, geloof ik, op
+dit oogenblik bij den Keizer en wij zouden hem dus niet vinden.
+
+--Ook dunkt mij beter--hernam degene die 't eerst gesproken had,--
+voor 't oogenblik niet langer zamen te blijven. Wij vinden elkaar
+dan na middernacht bij den Vizier terug.
+
+En den anderen groetend, sloeg hij eene zijstraat in, terwijl zijn
+medgezel langs de rivier bleef voortwandelen.
+
+Maar wat er dan 's avonds wel onheiligs en schrikbarends omging in
+die geheimzinnige binnenvertrekken van den Keizer, die naar het
+gevoelen van den vromen Yoessoef en velen zijner geloofsgenooten
+een verbond met geen minder persoon dan Satan zelf gesloten had?
+Dezen avond ten minste zou de regtzinnige Musulman er niets
+bijzonders hebben opgemerkt, hoewel hij zeker nieuwen aanstoot aan
+de gesprekken zou hebben genomen die er worden gevoerd, ten
+minste.... indien hij in staat ware geweest ze geheel te volgen.
+
+Feizi, Aboel Fazl en de voor eenigen tijd uit het Noorden
+teruggekeerde Brahmaan Koelloeka waren daar met den Keizer bijeen.
+
+--Nog geen nadere berigten van uw spionnen?--vroeg deze aan zijn
+Minister.
+
+--Sinds eergisteren nog niet,--antwoordde Aboel Fazl;--ik verwacht
+hen echter heden na middernacht in mijne woning, en ik onderstel
+dat ze ons wel wat nieuws zullen brengen.
+
+--Treurig toch, niet waar?--hernam Akbar,--dat men zich telkens
+van zulke lieden bedienen moet! Och, waarom zijn de menschen toch
+ook zoo, en maken ze ons 't gebruik van dergelijke middelen
+onvermijdelijk?
+
+--Een noodwendig gevolg--antwoordde de staatsman,--van den
+regeringsvorm die hier nu eenmaal bestaat, en waarin geen verdere
+verandering mogelijk schijnt buiten die welke er reeds in is
+aangebragt. Ontevredenen, ze mogen het dan teregt of ten onregte
+zijn, hebben geen middel om herstel van hunne grieven te erlangen
+waar alle magt in handen van een eenige berust, en die eene
+oordeelt dat die grieven ongegrond zijn. Eerzuchtigen en
+gelukzoekers bedienen zich dan van hen als hunne werktuigen voor
+geheime plannen, en maar al te ligt laten ze zich daartoe
+gebruiken.
+
+--Maar ik weiger toch nooit de klagten mijner onderdanen aan te
+hooren,--zei Akbar,--en als ze billijk zijn, toon ik mij immers
+ook steeds bereid om herstel aan te brengen voor zoover in mijne
+magt staat.
+
+--Als ze billijk zijn!--herhaalde Aboel Fazl,--ja, maar wie
+beoordeelt dat? De Keizer zelf met zijne raadslieden.
+
+--Maar wat zoudt gij dan willen? We hebben hier wel van staten en
+volken in andere wereldstreken gehoord, waar dat anders ging; maar
+de toestanden van die volken zijn of waren ook gansch andere. Hoe
+willen wij hier met al die verschillende rijken en stammen, die
+aan ons gebied zijn onderworpen, eenigen wezenlijken invloed op
+het bestuur aan het volk zelf verleenen? Daargelaten nog of het
+volkskarakter en 's lands zeden en gewoonten het mogelijk, zouden
+maken.
+
+--Dat is alles volkomen waar,--hernam Aboel Fazl,--maar ik heb ook
+reeds gezegd, dat ik geen verdere verandering wenschelijk of ook
+mogelijk achtte; en zoo ik nu van de bestaande toestanden sprak,
+dan was 't enkel om daaruit tot het onvermijdelijke der middelen
+te besluiten, die wij, om erger te voorkomen, wel genoodzaakt zijn
+aan te wenden. Wat voor 't overige de lieden betreft, die wij
+gewoon zijn met den verachtelijken naam van spionnen te betitelen,
+ze zijn toch niet altijd zoozeer te minachten als 't wel schijnen
+mogt. Althans die beide, die ik nu in 't bijzonder bedoelde, zijn
+wezenlijk eerlijke, door anderen ook geachte lieden en met hart en
+ziel ons toegedaan. 't Is waar, ik zorg dat ze goed beloond
+worden, maar noodig ware dat anders niet; ze zouden ook zonder dat
+ons trouw zijn. En goede diensten hebben ze ons dan ook waarlijk
+wel bewezen; zij ontdekten ons het geknoei van Salhana, den
+Goeverneur van Allahabad, en, wat niet minder waard is, ook de
+geheime gangen van dien Gorakh, den Yogi.
+
+--Ja,--merkte Feizi, misschien wel wat ondeugend, aan,--van dien
+wijsgeer, die een tijd lang ook op de gunst van Zijne Majesteit
+mogt bogen, toen hij nog de geheimen der Yoga-leer beloofde te
+onthullen. Veel is daar echter niet van gekomen voor zoover ik
+weet.
+
+Akbar kleurde een weinig bij die herinnering, die hem weer in de
+gedachte bragt, hoe hij bijna, althans voor een oogenblik, met al
+zijne wijsheid de bedrogene in handen van den slimmen huichelaar
+was geworden; maar ter regter tijd vatte Koelloeka het gesprek
+weer op waar het dreigde te blijven steken.
+
+--En dat is toch werkelijk jammer!--zeide hij;--'t is waar, met
+dien Gorakh behoort men zich niet te veel in te laten; mijn
+voormalige leerling Siddha heeft mij ook wel 't een en ander
+omtrent hem meegedeeld wat tot voorzigtigheid maande. En toch, hij
+weet misschien door overlevering nog meer dan wij omtrent die oude
+en tegenwoordig meest vergeten leeringen ontdekken kunnen.
+
+--Ziet gij wel,--sprak Akbar als zegevierend tot Feizi,--ook onze
+vriend Koelloeka, wien toch anders heel wat Brahmaansche wijsheid
+bekend is, acht die veel besproken Yoga-leer nog lang zoo
+onbelangrijk niet.
+
+--Gaarne wil ik gelooven dat zij veel belangrijks bevat,--antwoordde
+Feizi,--vooral indien onze wijze vriend dat zegt, van wien we reeds
+zooveel wetenswaardigs vernamen. Doch vergun mij, wijze Koelloeka! u de
+vraag te doen, wat gij nu eigenlijk van dat voormalig stelsel zoudt
+verwachten. Voor zoover ik weet is het niet veel anders dan een dwaas
+mysticisme, dat aan zijne adepten eene onmogelijke vereeniging van het
+eindig individu met het oneindig Alzijn belooft, en ten slotte eenvoudig
+op belagchelijke tooverkunsten of, beter nog gezegd, op eenige handige
+goocheltoeren uitloopt.
+
+--Zoo ongunstig--zeide Koelloeka,--denk ik nog niet over het
+systeem van Patandjali, ook al geloof ik geenszins dat het op 't
+bezit eener absolute waarheid zich mag beroemen. Die vereeniging
+met, dat opgaan van het eindige in het Oneindige, van het
+menschelijk bewustzijn in het Alwezen, dat de Yoga beoogd moet
+hebben, is op zichzelf genomen zoo groote dwaasheid niet. Wel
+dwaalt die leer ongetwijfeld, indien zij het middel der beoogde
+vereeniging in eene volkomen oplossing van het bewustzijn, van het
+denken zelf des menschen zoekt, waardoor het individu in een soort
+van extase met het oneindige wezen zou zamensmelten, maar waardoor
+het in waarheid, zoo dat kon, zou eindigen met zich zelf te
+vernietigen. Niet zoo gansch verwerpelijk echter schijnt mij,
+althans voor een deel, het gronddenkbeeld waarvan hier wordt
+uitgegaan. Of blijft het niet altijd eene waarheid, dat de mensch:
+juist omdat hij anders zoo eng bekrompen zich gevoelt, geen hooger
+standpunt van den geest weet te bereiken dan waartoe hij zich
+verheft wanneer hij in enkele te weinig hem gegunde oogenblikken
+zijne eindige persoonlijkheid voelt verdwijnen, om gansch en al in
+hoogere en meer algemeene begrippen op te gaan? Mits die begrippen
+maar geen ledige abstractien blijven, maar aan het volle en
+krachtige menschenleven zijn ontleend, aan de wetenschap, aan de
+kunst, aan de bespiegeling ook over de maatschappelijke en
+burgerlijke betrekking der menschen onderling. Wat, ik vraag het,
+kunt gij hooger stellen dan een dergelijk zich verliezen van het
+eindig en zelfzuchtig Ik in het wezenlijk algemeene, in het
+algemeen menschelijke, waaraan het individu eerst zijn regten
+levensgeest ontleent en waarin het behoort op te gaan, zal het in
+waarheid aan zijn bestemming kunnen beantwoorden?
+
+--Ziedaar,--sprak Akbar,--een woord naar mijn hart! Maar diezelfde
+gedachte, verloochening der zelfzucht, bezielt ook andere uwer
+oude wijsgeerige stelsels, gelijk ook die nieuwere leer, die de
+zendelingen uit het Westen hier komen prediken. Maar is er toch
+niet iets anders nog, waarop het denken van den mensch en in 't
+bijzonder het wijsgeerig denken zich te rigten heeft? Zoo waar en
+zoo verheven ook die leer der zelf verloochening zijn moge, wat
+meldt zij ons omtrent het eeuwig en oneindig verband der dingen en
+de eenheid, die al het menigvuldige doordringt en zamenvat?
+
+--Inderdaad,--antwoordde de Brahmaan,--den naam van wijsgeer wel
+onwaardig zou hij zijn, die niet dat juist en de daaruit
+voortvloeijende levensbeschouwing en praktische moraal het
+hoofdvoorwerp van alle wijsgeerig denken, den wezenlijken inhoud
+der wijsbegeerte zelve noemde. Maar wie verschaft ons de volledige
+oplossing van het wereldraadsel?
+
+--Zeker niemand,--gaf nu Feizi ten antwoord,--althans tot heden
+niet. Wat latere wetenschap misschien na verre eeuwen nog tot die
+ontraadseling zal bijdragen laat zich heden zelfs in de verte niet
+vermoeden. Maar zouden wij nu voorloopig ons niet tevrede kunnen
+stellen met de overtuiging, die door alle ware wijzen van vroeger
+en later dagen wordt gedeeld, en door den een in meer door den
+ander in minder duidelijke bewoordingen is uitgedrukt, dat er een
+eeuwig en onbegonnen oorspronkelijk leven is in het heelal,
+waaruit en waardoor alles in zijn noodwendig oorzakelijk verband
+wordt zamengehouden; een leven en zijn, waarvan de hoogste wet
+ontwikkeling heet, de ontwikkeling van de steeds lagere trappen
+van het bestaan tot de altijd hoogere? En wat zijn wij dan zelf,
+wij menschen? Immers, even als al wat ons omringt, de verschijnselen en
+openbaringen van dat eene Alleven en Alzijn zelf, en eveneens bestemd om
+ieder in eigen kring en naar mate van vermogen tot die algemeene
+ontwikkeling mede te werken. En naarmate wij nu levendiger en met steeds
+duidelijker bewustzijn ons dat algemeene, hoogste begrip voor oogen
+weten te stellen, zal ook meer en meer de enghartige zelfzucht op den
+achtergrond treden en plaats maken voor onbaatzuchtige toewijding aan
+het heil van onze medemenschen, van de maatschappij en van den staat.
+
+--Zeer juist gezegd, mijn waarde Feizi!--sprak Akbar weder,--maar
+zoo waar nu dat alles ook zijn moge, voldoet het u geheel, en
+verlangt gij niet soms ook naar iets anders, iets meer?
+
+--Ongetwijfeld,--was het antwoord,--aan dat eene begrip in zijn
+afgetrokken algemeenheid hebben wij niet genoeg. Wij moeten 't ook
+in zijn bijzonderheden, zijne toepassing leeren begrijpen. Wij
+moeten trachten naar de kennis van dat oneindige leven en dat
+oorzakelijk verband, door de waarneming van de menigvuldige
+verschijnselen zelve. En naar die kennis trachten immers allen,
+die zich toewijden aan de wetenschap.
+
+--Gij begrijpt mij nog niet volkomen,--hernam de Keizer;--wat gij
+daar gezegd hebt, wil ik u eveneens toegeven; maar wat ik nu
+eigenlijk bedoelde, is dit. Heeft dat Alzijn, waarvan gij spreekt,
+zijn grond in zichzelf of in een nog hooger, intelligent bestaan?
+
+--Intelligentie, denken,--antwoordde de ander,--is een noodwendige
+eigenschap van het Zijn, even als datgene wat wij gewoonlijk stof
+noemen of uitgebreidheid eene andere is. Beide zich uitend en zich
+openbarend in die oneindige wijzigingen, die wij verschijnselen
+heeten. En hoe zou nu datgene wat een eigenschap is van iets,
+tegelijk de grond of de oorzaak van datzelfde kunnen zijn?...
+
+Eenige oogenblikken heerschte er volkomen stilzwijgen. De Keizer
+zocht naar een antwoord, maar schudde het hoofd en zeide niets.
+
+--Mijn waarde broeder! sprak nu Aboel Fazl, het woord tot Feizi
+rigtend,--uwe redenering schijnt mij volkomen logisch, en toch
+voldoet ze mij nog evenmin als, geloof ik, onzen geeerbiedigden
+Keizer. Wat hebt gij, wat hebben wij nu over 't algemeen aan dat
+begrip van het Alzijn en Alleven? Wat geeft het ons?
+
+--Wel,--antwoordde Feizi lagchend,--het behoeft u ook niets te
+geven, als het maar waar is. En is het waar, dan dient gij 't ook
+daarvoor te erkennen zelfs al voldoet het, al behaagt het u niet.
+Ik meen u echter zooeven nog te hebben aangetoond, dat mijn begrip
+toch wel degelijk iets geeft, en waarde voor het leven bezit, in
+zoover het ons opwekt tot toewijding aan al wat wij als goed en
+waar beschouwen. En wat wilt gij dan eigenlijk nog meer?
+
+--Ik geef 't u gewonnen,--hernam Aboel Fazl;--maar ik sprak nu niet
+zoozeer van mijzelf en ons anderen als wel van minder ontwikkelden, die
+dat alles zoo niet begrijpen en toch ook behoefte gevoelen aan iets
+meer en iets hoogers dan de dagelijksche ervaring hun aanbiedt. Zou 't
+nu in allen gevalle niet mogelijk zijn, die meer afgetrokken begrippen
+in een kleed te hullen, dat ze meer aanneemlijk maakte voor 't
+algemeen?
+
+--Onze vriend Aboel Fazl--zei Akbar,--heeft daar juist teruggegeven wat
+ik reeds meer dan eens bij mijzelf overlegde. Zou het, zoo dacht ik,
+inderdaad niet mogelijk zijn, zooal geen nieuwe zinnebeelden uit te
+denken voor de begrippen, die Feizi daar verkondigde, dan toch vroegere
+weer te verlevendigen, die niet door enkele en alleenstaande
+godsdienststichters verzonnen werden, maar uit den waarlijk godsdienstig
+dichterlijken geest der volken zelven zijn voortgesproten.
+
+--Ik meen de bedoeling te verstaan,--sprak Feizi, toen Akbar een
+oogenblik zweeg;--het geldt hier, bedrieg ik mij niet, de nieuwe
+leer, welke de Keizer zou wenschen in te voeren en ook ten deele
+onder sommigen zijner vertouwden reeds ingevoerd heeft. Is het zoo
+niet?
+
+--Inderdaad,--antwoordde Akbar,--gij hebt u daaromtrent niet
+bedrogen. Maar laat mij nu ook gebruik maken van de gelegenheid om
+er iets naders van te zeggen. Ik ben u, Feizi! en ook u,
+Koelloeka! omtrent dat een en ander wel eenige opheldering
+verschuldigd, en 't is mij dus welkom dat de loop van ons gesprek
+mij daartoe een gereede aanleiding geeft. Zoo luistert dan! ...
+lang, zeide ik daareven, heb ik gezocht naar een vorm waarin het
+redelijk godsdienstig bewustzijn zich mogt uiten en die
+tegelijkertijd den wijsgeerigen denker en den minder hoog
+ontwikkelde bevredigen kon. Eindelijk gaf de kennisneming van
+sommige denkbeelden onzer voormalige Perzen, maar vooral ook die
+van de vroegere dichterlijk wijsgeerige voorstellingen uwer aloude
+zangers, Koelloeka! mij eenigermate aan de hand wat ik eigenlijk
+zocht. Ik bedoelde de u welbekende voorstellingen van de Zon en
+het Vuur, en die bespiegelingen over de meest in 't oog vallende
+verschijnselen van het licht en de warmte, die in den aanvang
+misschien onduidelijk en verward schijnen, maar wel bezien, eene
+verhevene waarheid bevatten, eene waarheid die de wetenschap van
+later eeuwen welligt nog door hare uitkomsten tot hoogere
+zekerheid zal verheffen.--Ziet!--vervolgde Akbar, terwijl hij
+nader trad bij de galerij aan de open zijde van het vertrek, en
+naar de langzaam ten ondergang neigende zonneschijf wees,--daar
+verlaat ons weder de glorierijke vertegenwoordiger van alle licht
+en leven op aarde om morgen weer te keeren in schitterender glans!
+Vroegere geslachten vereerden hem als een God en zagen biddend tot
+hem op; voor de Wijzen van ouds was hij 't verheven zinnebeeld van
+het levensbeginsel zelf in het heelal en van die eene alles
+doordringende kracht, die woont in al het bestaande, en zich uit
+in hare oneindige verschijnselen. En is het niet licht en warmte
+inderdaad wat in alles leeft en alles bezielt, en zonder 't welk
+niets zou kunnen zijn? In het zonlicht, in maan en sterren, in de
+bliksemstraal, in het vuur dat wijzelf ontsteken in den haard, in
+het licht dat wij doen ontbranden op onze luchters zien wij de
+meest onmiddelijke verschijnselen van die kracht, nu eens
+weldadig, dan weer vreeselijk en vernielend; maar ook in den
+grond, in de planten, in mensch en dier, in lucht en water is
+diezelfde kracht steeds aanwezig, al merken we haar niet telkens
+daarin op; en welk verschijnsel in een woord, waarin ze niet
+voortdurend op eene of andere wijze wordt waargenomen? Is nu dit
+alles werkelijk aldus, zou het dan al te zeer eene speling der
+dichterlijke phantasie mogen heeten, indien wij die eene kracht
+tot zinnebeeld kozen van die eenheid en dat leven waarvan gij,
+Feizi! zoo aanstonds ons gesproken hebt? En nu is onze vriend
+Aboel Fazl, wien ik mede de vraag voorlegde, het niet alleen
+hierin met mij eens, maar hij heeft mij ook op het denkbeeld
+gebragt, om het met mijne nieuwe of, wilt ge, aan de ouderen
+ontleende leer,--altijd uitsluitend door redelijke overtuiging,
+nooit anders,--bij het volk te beproeven en te zien of zij niet
+het velerlei bijgeloof zou kunnen vervangen dat nu nog zoo
+algemeen heerschend is. Een naam was er noodig om die leer te
+onderscheiden van andere en, hoewel nu een naam nooit volkomen het
+geheele begrip kan uitdrukken, scheen ons toch die van Tauhid i
+Ilahi, de Eenheid der Godheid, dat is dan van het Alwezen en zijn
+Albestaan, een niet ongeschikte. Ceremonien, uitwendige
+vertooningen blijven voor 't overige geheel buitengesloten, ten
+ware gij een eenvoudige symbolische vereering van de zon gedurende
+den dag en in den morgenstond, en van het licht in den nacht, door
+onderlinge zamenspraken en geschikte lofzangen, een uitwendige
+eeredienst mogt noemen.--Van dit een en ander--zoo besloot de
+Keizer,--had ik tot dusver u beiden wel eens nu en dan een wenk
+gegeven, maar 't nog niet nader voor u ontwikkeld. De tijd scheen
+mij daarvoor thans gekomen. En nu, zegt mij openhartig uw
+gevoelen!
+
+Geen der beide vrienden scheen nog zoo aanstonds geneigd, aan de
+uitnoodiging te voldoen. Ten laatste brak Koelloeka het
+stilzwijgen.
+
+--Wijze vorst!--zeide hij,--vergeef het ons zoo wij niet
+onmiddelijk met ons antwoord gereed zijn. Uwe belangwekkende
+mededeelingen eischen wel een oogenblik nadenken. In het plan door
+u ontwikkeld ligt veel aanlokkelijks, doch, naar mijn bescheiden
+meening, ook veel wat bedenkelijk schijnt. De betrekkelijke
+juistheid en de verhevenheid uwer zinnebeeldige, voor een deel aan
+onze oude zangers en wijzen ontleende leer, zal ik de eerste zijn
+toe te geven. Maar, moet ik tevens vragen, is er niet groot gevaar
+dat diezelfde symbolen, eenmaal onder het volk gebragt en door de
+menigte aangenomen, gesteld dat dit geschieden zou, toch spoedig
+weer hun oorspronkelijke beteekenis zouden verliezen en alles ten
+slotte weer op een geheel uitwendige gansch werktuigelijke
+vormendienst zou nederkomen? Bedenken wij het wel, dat ongeveer
+diezelfde leer, die gij thans zoudt wenschen te verkondigen, reeds
+eenmaal werkelijk tot het geloof van sommige volken behoord heeft.
+En wat is er van geworden?... Maar niet in later dagen alleen, ook
+in die overoude tijden reeds, waarop gij u beroept, ontstond er al
+een twijfel omtrent het voorwerp van vereering; en, evengoed als
+menig godvruchtige onzer dagen, vroeg ook toenmaal reeds het vroom
+gemoed:
+
+"Hij die adem, Hij die kracht geeft,
+ Wiens gebod wordt vereerd door Deva's, door allen,
+ Wiens schaduw is de onsterflijkheid,
+ Wiens schaduw is de dood,--
+ Wie is die God, wien het offer wij brengen?"
+
+
+Ook toen dus had men blijkbaar weer niet genoeg aan dien Soerya,
+de Zon, en aan Agni, het Vuur, als beeld of vertegenwoordiger der
+eene levenskracht. En zal nu aan de Tauhid i Ilahi een gelukkiger
+toekomst zijn beschoren dan aan de vuur- en zonnedienst der
+geslachten, die ons zijn vooraf gegaan?
+
+Akbar gaf geen dadelijk antwoord.--En gij, Feizi!--vroeg hij,--
+wat is uw gevoelen omtrent de zaak?
+
+Weinig of niets--antwoordde Feizi,--heb ik tot nog toe te voegen
+aan 't geen onze waardige vriend daar in 't midden heeft gebragt.
+De twijfel, waarvan hij gewaagde, werd trouwens in die oude
+tijden, tot welke de voormalige zonnedienst moet worden
+teruggebragt, ook vrij wat sterker nog uitgesproken dan in het
+door hem aangehaalde Veda-lied. Een ander dichter van die dagen
+toont reeds voldoende, in 't geheel niet meer te weten waaraan hij
+zich eigenlijk houden zal.--Wie weet het,--vraagt hij,--
+
+"Wie weet het, wie verklaart het ons,
+ Vanwaar dit Al ontstond?
+ De Deva's zelf zijn later dan zijn wording,
+ Wie dan, die weet, van waar dit Al ontstond.
+
+
+ Van waar 't ontstond, en of een Wezen 't schiep
+ Of niet,--dat slechts weet Hij,
+ Die, alles ziende, in gindschen hemel troont.
+ Hij weet het, of... ook Hij zelfs weet het niet!"
+
+
+De twijfel schijnt dus al haast even oud als de godsdienst zelve.
+Maar dat nog daargelaten! En gezwegen ook van den haat en de
+tegenwerking, die een hervormer, ook de meest humane, steeds van
+zijne tijdgenooten te wachten heeft, en waarvan wij ook hier reeds
+de verschijnselen kunnen opmerken, voor zoover 't een en ander
+omtrent de nieuwe leer onder 't volk is bekend geworden. Ik weet
+dat een Akbar daarvoor niet bevreesd kan zijn. Maar het andere
+gevaar, waarop Koelloeka wees, mag waarlljk niet te ligt worden
+geteld. Het gevaar dat de min ontwikkelde menigte, zoodra er maar
+weer een naam genoemd wordt, 't zij dan Allah, 't zij een andere,
+daaraan terstond weer eene persoonlijke beteekenis zal hechten en
+de persoonsverbeelding als onderscheiden van het Alzijn zelf gaan
+beschouwen. En dan is het natuurlijk ook weer gedaan met die
+Eenheid der Godheid, zooals gij die werkelijk bedoelt. En wat hebt
+gij dan eigenlijk uitgerigt, wat zijt gij verder gekomen?
+
+--Maar Feizi!--vroeg Aboel Fazl,--wat zoudt gij zelf dan wel
+verlangen om het volk wijzer en verstandiger te maken? Hoe die
+hervorming der begrippen tot stand te brengen, die de Keizer
+beoogt?
+
+--De groote wijsgeeren--was Feizi's antwoord,--der natie die ginds
+het noord-oostelijk grensland, China, bewoont, en wier beschaafden
+sinds lang in 't geheel geen godsdienst meer belijden, hebben,
+waar het volksverlichting en volksontwikkeling gold, een groot
+beginsel verkondigd dat zoo eenvoudig mogelijk schijnt en toch
+door ons nog maar al te veel uit het oog wordt verloren: Voor
+alles volksonderwijs! Ziedaar het eenige, maar ook volkomen zekere
+middel. Het werkt langzaam, 't is waar, en wie op groote schaal
+het begint toe te passen, ziet zelf niet ligt de uitkomst; maar
+deze is niettemin onmisbaar op den duur, terwijl elke verkondiging
+van eene meer of min met zinnebeelden getooide leer, 't zij dan
+met of zonder openbaringsgezag, wel voor een tijd kan bloeijen,
+doch in 't einde steeds weer verbastert, of, zoo dit al niet
+gebeurt, toch weer ophoudt aan de geestelijke en zedelijke
+behoeften der menschen te voldoen.
+
+--Er schijnt veel waars in 't geen gij zegt,--sprak Akbar ten
+slotte,--en ik wil dat alles in zeer ernstige overweging nemen.
+Welligt ook zullen wij in elk geval onze leeringen tot enger
+vriendenkring moeten beperken en zal hare invoering onder het
+eigenlijke volk op onoverkomelijke bezwaren blijven afstuiten.
+Niettemin, ik geef mijn lievelingsdenkbeeld nog zoo terstond niet
+op, gelijk gij dat ook wel niet verwachten zult. Wij moeten er nog
+eens nader over spreken. Doch voor heden genoeg! Staatszorgen
+roepen ons straks weder tot onze meer gewone werkzaamheden. Ik
+dank u inmiddels, mijne vrienden! voor uw onderhoud; u, Aboel
+Fazl! voor uwe ondersteuning, en u beiden voor uwe opregte en
+welgemeende tegenspraak!
+
+En na afscheid van den Keizer te hebben genomen begaf zich Aboel
+Fazl met de beide anderen naar zijn paleis om daar, in hunne
+tegenwoordigheid, het verslag der twee verspieders aan te hooren.
+
+
+
+TWAALFDE HOOFDSTUK.
+
+Aanslagen
+
+'t Was een vrolijke, tamelijk frissche morgen, toen Siddha met een
+paar zijner ruiters den weg naar Fattipoer opreed om derwaarts
+eenige brieven over te brengen, die men aan geen eenvoudigen bode
+had kunnen toevertrouwen. De zon scheen helder zonder nog te
+branden, in de boomen zongen de veelkleurige vogels, en in de
+takken sprongen eekhorens en kleine apen al spelend heen en weder.
+De gansche natuur scheen iets opgeruimds, iets levenslustigs te
+vertoonen, wat haar anders in die streken zelden eigen pleegt te
+zijn; en ook de landlieden, die men onderweg ontmoette, hadden den
+hun gewonen loomen en slaperigen gang voor een levendiger tred
+verwisseld, als deelden ook zij in de opgewektheid die daar alom
+scheen te heerschen.
+
+Wie daar echter volstrekt niet aan deelnam was onze voorheen zoo
+levenslustige Siddha. Somber veeleer en in gepeins verloren reed
+hij voort, en zwijgend ook volgden hem zijne onderhoorigen. Wel
+scheen hij een ander mensch geworden sinds den tijd toen hij voor
+'t eerst in Agra kwam, en met Parviz en zijne vrienden schertste,
+en met deelneming zooal niet met belangstelling naar de
+vertrouwelijke mededeelingen omtrent de edele dochter van den
+schatmeester luisterde. En wel ook had Parviz dat niet zonder
+verwondering opgemerkt; maar bescheidenheid had hem weerhouden
+naar de aanleiding te vragen of onderzoek te doen. Te dieper
+intusschen gevoelde Siddha het zelf, hoe anders het met hem
+geworden was. Hoe anders inderdaad dan den dag toen Koelloeka hem
+moedig en luchthartig voorwaarts zag springen met zijn hengst, als
+dacht hij de wereld te gaan veroveren, en vrolijk hem den
+geliefden naam zijner toekomstige bruid hoorde uitroepen! Hoe
+anders nu dan toen een enkele kus van Iravati hem de zaligheid
+scheen, en hij nog niet geleerd had te smachten naar de
+hartstogtelijke omarmingen eener Rezia! Toen hij nog rein was van
+gemoed en zich nog niet te schamen had over zichzelven omdat hij
+aan verraad en trouwbreuk en schandelijke ondankbaarheid zich had
+schuldig gemaakt!
+
+Somber vooral ook waren ditmaal zijne gedachten, daar zich heden
+meer dan ooit zekere vermoedens bij hem opdrongen, die meer dan
+eens, hoewel nog onbestemd, aan zijn geest zich hadden voorgedaan.
+Was Rezia zelve hem wezenlijk getrouw of behandelde zij hem niet
+anders dan den echtgenoot, die toch zooveel meer dan hij hare
+liefde verdiende? Of Selim werkelijk enkel om staatkundige redenen
+haar bijwijlen opzocht, dan of ook andere hem naar Feizi's
+vrouwenvertrekken voerden? En dan die zamenzwering waarin hij,
+Siddha, hoe langs hoe meer gewikkeld werd! Ook deze begon een niet
+weinig dubbelzinnig karakter voor hem aan te nemen, sinds hij toch
+langzamerhand wel begon in te zien, dat het in 't geheel niet om
+de onafhankelijkheid van zijn vaderland alleen, maar tevens, zoo
+niet uitsluitend, om gansch iets anders te doen was. En had ook
+Rezia hem niet meer dan eens reeds, naar hare eigene bekentenis,
+misleid? En wat reden dan om aan te nemen, dat ze hem nu de
+waarheid en niets dan deze had meegedeeld? In welke nieuwe
+verwikkelingen had hij zich dan gestoken, en tot welke misdrijven
+liet hij zich misschien als werktuig gebruiken!
+
+Een uitroep van een der ruiters deed hem opschrikken uit zijne
+mijmering, en de rigting der lans volgend, waarmee de krijgsman
+naar een punt in de verte wees, ontwaarde hij daar een groep
+mannen te paard, die, naar hunne bewegingen te oordeelen, met
+elkaar in gevecht moesten zijn.
+
+--Voorwaarts!--riep Siddha, en zijn paard de sporen gevend snelde
+hij in vollen ren, door de twee anderen gevolgd, naar de plaats
+van den strijd. Naderbij gekomen herkende hij, tot zijne niet
+geringe verwondering en schrik, in een dier mannen Aboel Fazl, en
+in dengene die hem met zijn sabel zocht te treffen Narasinha, een
+Radja, dien hij zich herinnerde meermalen en onder anderen ook bij
+Prins Selim te hebben ontmoet.
+
+Inmiddels hadden de volgelingen van den Radja de nieuw aankomenden
+al spoedig in 't oog gekregen, en een vijftal rende hen aanstonds
+te gemoet. De schok tusschen Siddha en den voorsten ruiter was
+geweldig en in een oogwenk lag deze, de borst door de spoor zijner
+tegenpartij doorboord, met zijn paard op den grond. Onmiddelijk nu
+trok Siddha zijn sabel en bragt daarmee den volgende een houw toe,
+die hem aanstonds uit den zadel deed tuimelen. Maar zwaarder werk
+had hij met den derde, die even als hij een geoefend ruiter en
+zeer behendig met de sabel bleek te zijn. En terwijl zijne beide
+volgelingen de twee anderen bezig hielden, kwamen er weer nieuwe
+aanrijden om hunne makkers bij te springen. De kansen begonnen dus
+hagchelijk voor onze drie mannen te staan, toen het Siddha
+eindelijk gelukte zijn vijand een zwaren slag in den hals toe te
+brengen en hem daardoor buiten staat van gevecht te stellen; en
+juist toen de strijd met de nieuw bijgekomenen stond te beginnen,
+klonk er een bevel dat hen gebood om te keeren. Terstond wendden
+zij den teugel en reden naar de hunnen terug. Maar in hetzelfde
+oogenblik toen zijne tegenpartij gevallen was en hij de overigen
+te hulp zag snellen, had Siddha ook Aboel Fazl de armen zien
+uitbreiden, terwijl de sabel hem ontviel, en achterover storten
+van het paard. Een kort oogenblik later had Narasinha zijne
+helpers teruggeroepen en rende nu met al zijne volgelingen over de
+vlakte voort. Siddha's eerste beweging was, de moordenaars na te
+rijden, maar spoedig begreep hij met zijn twee ruiters, waarvan er
+een ook gekwetst was, toch voor 't oogenblik niets te kunnen
+uitrigten, terwijl de vier dienaren van den Minister eveneens
+verslagen op het veld lagen uitgestrekt. Daarenboven eischte Aboel
+Fazl zijne zorg.
+
+Snel van zijn paard gesprongen, dat hij aan de anderen overgaf,
+knielde hij nevens den gevangene, en diens kleeding losmakend
+trachtte hij zoo goed mogelijk het bloed te stelpen dat uit de
+breede en waarschijnlijk ook diepe borstwond vloeide. Tot zijne
+blijdschap sloeg Aboel Fazl de oogen op, en toonde duidelijk hem
+te herkennen. De vreugde was echter kort van duur.
+
+--Uwe hulp, mijn brave Siddha! komt te laat,--sprak met zwakke
+stem de gewonde;--met mij is het gedaan en met mijn arbeid voor
+den Keizer en zijn rijk.... Een laatst bevel nog! Laat voor Akbar
+de naam van den waren moordenaar verborgen blijven als gij dien
+soms vermoedt....
+
+--Narasinha--antwoordde Siddha,--was, ik onderstelde het dadelijk,
+alleen zijn huurling. De ware moordenaar is....
+
+Maar toch aarzelde hij den naam uit te spreken.
+
+--... Selim!--vulde Aboel Fazl aan; men had mij reeds van ter
+zijde voor hem gewaarschuwd.
+
+Afgemat zonk de stervende, door Siddha's arm gesteund, achterover.
+Maar toen een weinig later het bewustzijn voor eenige oogenblikken
+terugkeerde, vond hij nog de kracht, schoon de stem hem bijna
+begaf, een laatsten groet aan dien keizerlijken vriend te rigten,
+dien hij zoo trouw en met zooveel ijver gedurende zijn leven had
+ter zijde gestaan.
+
+--Zeg aan Akbar,--sprak hij,--dat mijne laatste gedachte aan hem
+is geweest. En zeg hem ook, dat ik sterf in de vaste overtuiging
+omtrent de waarheid dier beginselen, die wij zoo menigmaal, ook
+nog gisteravond, te zamen bespraken.... Den zonneglans zie ik
+nauwelijks meer, en wel gevoel ik dat het licht nog in mij leeft,
+maar ook daar zal het straks zijn uitgedoofd .... Doch ik beklaag
+mij niet! Ik geloof in staat te zijn geweest iets ten nutte mijner
+medemenschen te verrigten, al was het minder dan ik had gewenscht.
+En daarom sterf ik tevrede. Zorg ook gij, mijn jonge vriend! dat
+gij eenmaal hetzelfde moogt zeggen!...--En nu vaarwel!--fluisterde
+de Vizier na nog eene korte pauze terwijl hij den ander zacht de
+hand drukte ....
+
+Het hoofd viel voorover op de borst en weldra gevoelde Siddha dat
+zijn arm niet meer steunde dan een lijk....
+
+Ver van de plaats waar dit alles voorviel, werd omstreeks
+denzelfden tijd een ander drama gespeeld, dat met het zoo
+aanstonds beschrevene in sommige opzigten veel overeenkomst
+vertoonde, schoon het in andere niet weinig daarvan verschilde.
+
+In het gebergte van den Himalaya, en voornamelijk in den omtrek
+van den Bhadrinath, had gedurende verscheidene dagen een drukkende
+warmte geheerscht. Wel waren des avonds nu en dan donkere
+regenwolken, de weldadige hemelkoeijen, verschenen om de dorstende
+aarde te drenken; maar de booze Vritra, de donkere daemon, had ze
+telkens weer weggevoerd, en des anderen daags keerde ook de
+zonnehitte terug om veld en planten te verschroeijen. Eindelijk
+rustte de magtige Indra, de Koning des hemels, zich uit ten
+strijde. Wederom kwamen tegen den avond de wolken, en wederom
+zocht de daemon ze te vermeesteren; maar thans greep Indra zijne
+bliksemschicht, en ratelend weerklonk, honderdvoudig door de
+bergen weerkaatst, de eerste, geweldige slag. Wel voelde zich
+Vritra getroffen, maar nog gaf hij den strijd niet op, en nog
+verkwikte geen enkele regendroppel de smachtende natuur. Toen
+daalden keer op keer de vreeselijke slagen op zijn hoofd, en
+verlichtten de bergtoppen en de heuvelen en dalen met verblindenden
+glans, terwijl onophoudelijk de donder bleef rollen, en hooge boomen
+werden doorkliefd, en zware rotsblokken neer werden geslingerd in de
+ravijnen. Nu ook viel de regen in digte stroomen neder, en beeken en
+bergstroomen begonnen te zwellen en zochten ruischend hun weg naar de
+meren in de valleijen. Eindelijk, tegen 't vallen van den nacht,
+bedaarde de vreeselijke strijd, de regen hield op, het weerlicht
+flikkerde slechts nu en dan nog in de duisternis, en geen ander geluid
+brak de stilte dan het klateren van het water, dat van de hoogten naar
+de dalen vloeide.
+
+Thans trad ook Gaurapada, de kluizenaar, naar buiten en, met
+welgevallen de frissche met de heerlijkste geuren bezwangerde
+lucht inademend, zette hij zich neder onder het vooruitstekend,
+met jasmijn en rozen begroeide afdak aan de voorzijde zijner
+woning. In eene aangename stemming bragt hem een tijdlang de
+zachte en kalme rust der wederoplevende natuur, terwijl het
+aloude, eeuwenheugende wolken-epos met zijn Indra, den Vritra-
+dooder, tot held, hem nog voor den geest bleef zweven als ware 't
+eerst gisteren gedicht; maar toch begonnen ook spoedig weer
+sombere en verontrustende gedachten zich aan hem op te dringen.
+Koelloeka had in den laatsten tijd hem berigten uit Kacmir en Agra
+gebragt, die hem met geene geringe bezorgdheid vervulden voor de
+toekomst van zijn nog altijd zoozeer geliefd vaderland.
+
+--En zoo moet het--dus overlegde hij,--dan toch eindelijk tot
+datgene komen, wat ik zoolang gevreesd heb en wat ik zocht af te
+wenden door mijne jarenlange vrijwillige ballingschap! Een vreemde
+overheerscher staat binnen te dringen in ons ongelukkig land, en
+onze eigene rampzalige twisten banen hem den weg. Hij heeft
+gelijk, van zijn standpunt; hij moet de orde herstellen in een
+naburigen staat, die zijn rijk onophoudelijk blijft verontrusten,
+en kan dat niet met eerbiediging van 's lands zelfstandigheid, dan
+moet het geschieden door onderwerping. Maar wij! Of er dan
+wezenlijk niets meer aan te doen zou zijn?--Neen!--ging hij voort
+in zijne gedachten,--dat denkbeeld van Koelloeka, die mij terug
+wilde doen keeren, opdat ik, door Akbar misschien gesteund, het
+bestuur weer mogt overnemen van mijn te zwakken broeder, neen, dat
+deugt werkelijk niet! Mijn wederoptreden zou enkel een tijdelijk
+redmiddel zijn, indien het dat al was. En ik ben ook te oud
+geworden en ongeschikt om weer te gaan regeren; althans daar, waar
+jeugdige kracht voor alles zou worden vereischt. Lang ook kan het
+met mij niet meer duren.... Mijn hoofd is moede en verlangt zich
+neer te leggen ter ruste. Ik wensch sinds lang reeds naar het
+oogenblik, dat ik zal mogen ingaan tot die vereeniging met het
+Oneindige Brahma, waaraan wij allen ons kort afzonderlijk bestaan
+ontleenen, en waartoe wij allen eenmaal wederkeeren ....
+
+En langzaam sloot Gaurapada de oogen, terwijl hij zich uitstrekte
+op het zachte en frissche bed van mos. Een lichtstraal, die voor
+een oogenblik de gansche vallei en het meer daar omlaag bescheen,
+wekte hem weder en deed hem zijne overpeinzingen nog een oogenblik
+hervatten.
+
+--Ook is het misschien nog het beste,--zoo dacht hij wederom,--
+dat het maar gaat zooals 't nu eenmaal bestemd schijnt te zijn.
+Ons volk verarmt, komt tot verval, wordt ellendig onder dien
+telkens vernieuwden partijstrijd, waarvan toch het eind nooit te
+voorzien schijnt. Kwam het eenmaal weer onder een goed en ordelijk
+bestuur, zijn industrie en zijn handel zouden herleven, zijne
+voormalige welvaart kon nog terugkeeren. En Akbar is een
+verstandig en een regtvaardig vorst, die zijn onderdanen gelukkig
+weet te maken, en dien heden de volken zegenen, die te voren zich
+nog verzetten tegen zijne heerschappij. En toch is het hard voor
+een land zich van de vrijheid te zien berooven, waarop het sinds
+vele eeuwen trotsch mogt zijn! Ach, dat het mij gespaard ware
+geweest dit te beleven van mijn eigen land!
+
+Nogmaals leunde hij 't hoofd achterover met een zucht, tot hij ten
+laatste, half werktuigelijk nog luisterend naar het ruischen der
+beek, in een ligte sluimering verviel. Alles scheen in diepe rust,
+heinde en ver. Niets meer kon den slaap van den grijsaard storen.
+Slechts nu en dan vernam hij in zijn nabijheid het gonzen van een
+insect en meende hij dat het streek langs zijn gelaat. Ook beving
+hem een zonderlinge gewaarwording, een onverklaarbaar gevoel alsof
+hij niet alleen was. Nog eemnaal zag hij op, maar hij ontwaarde
+niets, en ook het insect scheen door zijn beweging verjaagd. Na
+eenigen tijd kwam het echter terug en ging weder en keerde, totdat
+de sluimerende er geen acht meer op sloeg en zich geheel overgaf
+aan een nu onoverwinnelijken slaap.
+
+Toch was deze zoo zwaar niet, of de minste aanleiding kon hem
+daaruit wekken. En eensklaps greep hij naar zijn hals, waarom hij
+vlug een koord voelde slingeren, en met de eene hand het koord
+vattend, tastte hij met de andere om zich heen. Aanstonds
+ontmoette hij een koud en glibberig, als met olie bestreken
+ligchaam, en nu, van het koord zich bevrijd gevoelend, greep hij
+met beide handen het ligchaam aan. Maar hoe vast hij de nog
+krachtige vuisten er om heen zocht te klemmen, toch gleed het hem
+door de vingers en scheen hem te ontsnappen .... Daar klonk
+plotseling in de stilte van den nacht een rauwe kreet, beantwoord
+door een dof gebrul, en in zijn onmiddelijke nabijheid zag
+Gaurapada een paar vurige, heen en weder rollende ballen
+glinsteren.... Nog een kort oogenblik en het weerlicht deed hem
+terstond Hara, zijn tijger, herkennen, die, met den geweldigen
+klauw op een donker menschelijk ligchaam, vlak voor hem lag
+uitgestrekt.
+
+Op het vernemen van den kreet was inmiddels de dienaar toegesneld
+met een licht dat in het binnenvertrek stond te branden, en bij
+het schijnsel overtuigde zich weldra Gaurapada dat zijn gezicht
+hem zooeven niet bedrogen had. Onmiddelijk begreep hij nu ook wat
+er was voorgevallen. De man, die daar lag, had beproefd hem te
+worgen, maar tijdig had hij 't koord nog gevoeld en zijn tijger,
+door instinct of hoe dat heeten mogt gedreven, moest den Worger
+even onbemerkt zijn nageslopen als deze den kluizenaar genaderd
+was.
+
+--Terug, Hara!--riep nu Gaurapada, opspringend en den tijger in
+den nek grijpend,--terug, zeg ik!
+
+Eerst bleef het dier nog onbewegelijk, maar gehoorzaamde ten
+laatste, schoon blijkbaar onwillig, aan de stem van zijn meester,
+trok den klauw terug en ging zich grommend op zekeren afstand
+nederleggen.
+
+Met behulp van den dienaar rigtte nu de kluizenaar zijn gevallen,
+door den tijger met een slag in den rug gevelden vijand van den
+grond, en legde hem, toen hij zich overtuigd had dat hij nog
+leefde, voorzigtig op het mos.
+
+--Ik ken dien man,--zeide hij, een weinig nader hem beschouwend;--ik
+bewees hem indertijd, toen ik nog magtig was, menige weldaad en gunst.
+Wat hem nu gedreven kan hebben tot een zoo verraderlijken aanval?
+
+Op dit oogenblik zag de gewonde, die Gaurapada's woorden verstaan
+had, op, en den kluizenaar lang en opmerkzaam aanstarend,
+fluisterde hij, blijkbaar met verbazing:
+
+--Nandigoepta!... Kan het mogelijk zijn?
+
+--Nandigoepta inderdaad!--antwoordde de ander;--maar gij, wat
+bewoog u, mij naar 't leven te staan?
+
+--Mijn Heer en mijn Vorst!--sprak de Worger, voor enkele
+oogenblikken nog met vaste stem,--ik zweer u bij den magtigen civa
+en zijne heilige echtgenoote! dat ik niet wist wie gij waart en u
+lang gestorven waande. Had ik 't geweten, ik zou de kracht niet
+hebben gehad aan 't bevel van Doerga te voldoen, welke dan ook de
+straf van hare ongenade mogt zijn. Maar gelukkig heeft zij zelve
+uw dood niet gewild, en dien tijger gezonden om mijn leven als
+offer in de plaats van het uwe te nemen. Geloofd zij haar naam!
+
+Uitpuiting verhinderde den gewonde voort te gaan. Met den dienaar
+wiesch en verbond Gaurapada hem zoo goed mogelijk den vreeselijk
+ontvleeschden rug, waarin de klauw van den tijger diep was
+doorgedrongen, en toen, na hem te drinken te hebben gegeven en
+ziende dat hij zich een weinig begon te herstellen, vroeg hij
+verder:
+
+--Maar nog eens dan. Wat of wie dreef u tot die daad? En indien
+gij zelf niet eens wist wie ik was, wie heeft u dan gezegd, dat
+Doerga mijn dood verlangde?
+
+--Gorakh, de Yogi!--was het antwoord.
+
+--Ha! die schurk!--mompelde Gaurapada;--dan zit er stellig nog
+meer achter.--Gij zijt dus,--vervolgde hij,--naar ik bemerk, een
+Worger geworden. Dan beklaag ik u om uw treurige verblindheid.
+Maar was ik de eenige, dien Gorakh u aanwees als uitverkoren
+offer?
+
+De pijn verhinderde eenige oogenblikken den gewonde te antwoorden,
+schoon op zijne strakke gelaatstrekken niets daarvan te lezen
+stond. Toen antwoordde hij, met tusschenpoozen sprekend:
+
+--Ook de eerste Minister in Kacmir, de broeder van Salhana, werd
+daartoe uitverkoren. Maar hem te dooden is opgedragen aan mijn
+broeder, die u ook wel bekend is, en alleen als hem de aanslag
+mislukte, zou die uitgevoerd worden door mij.
+
+--En is uw broeder reeds sedert lang naar Kacmir gegaan?
+
+--Hij verliet mij gisteren op eenigen afstand van hier en ging
+toen voort naar het Noorden.
+
+--Te voet?
+
+--Ja!
+
+--En zijn er nog anderen van de uwen, die met deze bevelen omtrent
+den Minister en mij bekend werden gemaakt?
+
+--Geen anderen. Eerst als blijkt dat wij niet zijn geslaagd, wordt
+de last aan anderen overgedragen.
+
+Gaurapada wenkte, zijn dienaar en trad een weinig met hem ter
+zijde.
+
+--Ga--sprak hij,--en zadel terstond uw paard! Gij zult spoedig een
+reis hebben te ondernemen.
+
+Een zacht, schoon bedwongen gekreun riep hem bij den gewonde
+terug, nadat zijn dienaar zich verwijderd had.
+
+--Heer! sprak fluisterend gene,--ik heb nog maar enkele
+oogenblikken te leven.... Maar verleen mij nog eene gunst na de
+vele, die ik van u genoot!... Zeg mij, dat gij mij vergeeft!
+
+--Ik vergeef u, arme man!--antwoordde Gaurapada;--ik weet het nu,
+dat gij een werktuig waart en niets anders.
+
+--Dan sterf ik gelukkig!--hernam de Worger;--en met een voorsmaak
+der zaligheid ga ik in tot het eeuwige leven. Door het wonder dat
+de Godin aan u verrigtte, en door tevens mij aan te nemen als
+offer, heeft zij getoond dat hare genade u en mij verzekerd is...
+--Heilige, driewerf heilige Doerga!--riep hij, als op eenmaal door
+nieuwe kracht bezield en met opgeheven armen zich omhoog rigtend,
+met luider stem,--ontvang mij in den tempel uwer glorie! Ik kom!--
+Toen stortte hij weer achterover, strekte de armen uit en lag
+bewegingloos. De geloovige volgeling van de Godin der Vernieling
+was niet meer....
+
+Geruimen tijd nog bleef de kluizenaar op het zielloos ligchaam
+staren, waaraan de akelige magerheid, de donkere kleur en de met
+wit en rood op het voorhoofd geteekende drietand van civa een
+spookachtig aanzien gaven bij het weifelend licht.
+
+--Tot wat--prevelde hij in zichzelf,--de godsdienst al niet leiden
+kan! Hoe zij van anders goede en onbedorven lieden soms
+misdadigers en moordenaars en krankzinnigen weet te maken! Toch
+was die man op zichzelf nog geenszins te beklagen; hij stierf als
+martelaar, met de volle en onwrikbare overtuiging, eene eeuwige
+zaligheid straks deelachtig te worden. Maar die huichelaars, die
+eervergeten schelmen, als die Gorakh, die zulke onnoozele zielen
+tot werktuig voor hun vloekwaardige ondernemingen gebruiken! Wat
+van dezen? Wat verdienen zij anders dan dat men een verdelgingskrijg
+opene tegen hen?...--Doch neen!--hernam hij, 't hoofd schuddend,--dat is
+toch ook het regte niet! Geen genade waar het misdrijf of de poging
+daartoe gebleken is, maar geen vervolging ook zoolang het bij dreigen
+blijft! Want wie kan bepalen, wanneer een godsdienst-secte gevaarlijk
+en schadelijk wordt en tot op welke hoogte zij het nog niet is?...
+
+De terugkeerende dienaar kwam de overdenking van Gaurapada
+afbreken.
+
+--Help mij--sprak deze,--den man begraven, die daar ligt; hij is
+dood, en ik wil niet dat Hara hem gaat verslinden, die 't anders
+zeker wel gaarne doen zou. En dan, als wij er mee gereed zijn, te
+paard! Haast u naar Kacmir, om den Minister te waarschuwen omtrent
+hetgeen wij zoo straks vernomen hebben, en zorg dat men den
+broeder van dezen man, dien gij ook wel gekend hebt, zoodra
+mogelijk op 't spoor kome, om hem in zijn voornemen te verhinderen
+en te beletten dat hij met iemand anders van de zijnen in
+aanraking komt. Kunt gij, zoek dan nog uit te vorschen waar Gorakh
+zich bevindt. Dien spare men geen oogenblik als hij gevonden is!
+De ellendeling heeft dubbel en dwars den strop verdiend, dien hij
+om den nek van anderen doet slaan.
+
+--Doch, geeerde Meester,--vroeg de dienaar aarzelend,--wilt gij
+hier nu zoo geheel alleen blijven in de wildernis? Men schijnt uw
+schuilplaats ontdekt te hebben, en zal dus misschien nieuwe
+dergelijke aanvallen op uw leven beproeven. Moet ik nu juist van
+hier, nu ik misschien voor u waken kon?
+
+--Mijn beste vriend!--antwoordde Gaurapada glimlagchend,--maak u
+over mij niet bezorgd! Wat, vooreerst, is mijn leven in
+vergelijking van die grooter belangen, die van een wel en spoedig
+slagen uwer zending kunnen afhangen? Maar bovendien ben ik hier
+alleen haast even veilig als met u tot waker. Ten minste zoolang
+Hara leeft. Gij hebt het gezien dat hij wakker genoeg is, en in 't
+vervolg zou ik ook geen van die bruine naaktloopers meer raden
+zich hier in de buurt te vertoonen. Hara kent dat slag van volk
+nu, en hij zou ze stellig niet ongedeerd laten als ze hier kwamen.
+Staat uw paard gereed?
+
+--Ja, Heer!
+
+--Nu, straks dan voorwaarts! Help mij nu eerst nog aan ons
+werk!...
+
+
+
+DERTIENDE HOOFDSTUK.
+
+Afscheid
+
+De tijding van Aboel Fazl's dood had een overweldigenden indruk op
+den Keizer te weeg gebragt. Het was alsof alles hem eensklaps
+ontzonk wat tot heden zijn steun was geweest; en hij, de sterke
+nooit versaagde man, die het hoofd had geboden aan de geweldigste
+stormen, de grootste gevaren had getrotseerd, en telken male als
+overwinnaar te voorschijn was getreden uit den strijd, hij voelde
+zijn kracht als verlamd en zich bijkans onmagtig tegenover de
+nieuwe verwikkelingen, die al wederom het rijk begonnen te
+bedreigen. Het eenige besluit dat hij in de eerste dagen had weten
+te nemen, was een streng bevel tot vervolging van Narasinha, den
+moordenaar,--een bevel intusschen waaraan nooit uitvoering werd
+gegeven, daar de Radja zich ver vandaar in volkomen veiligheid had
+gesteld tot den tijd dat Selim den troon zou hebben bestegen, en
+hem dan eenmaal zou overladen met zijne gunsten. Toch kon een man
+van Akbar's karakter niet weekelijk gebogen blijven onder den last
+der smart, hoe zwaar die ook drukken mogt. Eenige dagen sloot hij
+zich op, en sprak hij met niemand dan Feizi en enkele zeer
+vertrouwden; maar ten laatste vond hij toch weder den moed en de
+kracht om anderen te woord te staan, die omtrent hun eigen
+belangen of die van het rijk hem gehoor verzochten. Zoo ook met
+het hoofd der Jezuieten-missie, den Padre Aquaviva, die voor zijn
+aanstaand vertrek hem nog een bezoek wenschte te brengen.
+
+--Zoo, gaat gij ons dan weer verlaten, Eerwaarde Vader?--vroeg
+Akbar, toen de Jezuiet bij hem was binnengeleid.
+
+--Ik moet wel, Sire!--antwoordde Rodolpho,--onze Provinciaal roept
+mij naar Goa terug. Maar ik mogt niet vertrekken zonder Uwe
+Majesteit nog mijn opregten dank te hebben betuigd voor de eer en
+de gunsten hier door ons genoten, hoewel ik bijkans aarzelde nog
+gehoor te vragen na het belangrijk, en zeker ook smartelijk
+verlies, dat u getroffen heeft. Een waardig man en een trouw
+vriend even als een bekwaam dienaar moet Aboel Fazl geweest zijn,
+naar 't geen mij van hem bekend werd; en 't herdenken van zulk een
+man is dan ook zeker nog een troost te midden van de droefheid....--Al
+ware mij,--voegde hij een oogenblik later er aan toe,--al ware mij zulk
+een troost niet genoeg.
+
+--Niet genoeg?--herhaalde Akbar verwonderd.--En wat hadt gij dan
+meer nog verlangd?
+
+--Ik zou de overtuiging gewenscht hebben, dat hij gestorven was
+reiner van ziel en in zaliger verwachting dan thans mogelijk was.
+
+--Aboel Fazl,--antwoordde de Keizer op ernstigen, maar kalmen en
+waardigen toon,--Aboel Fazl was even rein van ziel als een uwer,
+om niet meer te zeggen; en hij is gestorven zooals ik zou wenschen
+te sterven.
+
+De Jezuiet wachtte of Akbar er nog iets zou bijvoegen, maar de
+Keizer zweeg; en de toon van zijn antwoord duidde wel aan, dat
+nadere verklaring te vragen voor 't minst zeer onvoorzigtig zou
+zijn.
+
+--En denkt gij spoedig terug te keeren?--vroeg Akbar na eenige
+oogenblikken het stilzwijgen weer afbrekend.
+
+--Dat zal afhangen van de bevelen die mij gegeven worden,--
+antwoordde Aquaviva;--wat echter mijzelven betreft, ik zie mij wel
+genoopt, met hoeveel leedwezen ook, mijne zending herwaarts als
+mislukt te beschouwen.
+
+--En waarom mislukt? Wordt gij hier niet voldoende beschermd,
+bewijst men u niet de noodige eer, geniet gij niet de meest
+volkomen vrijheid om te verkondigen wat gij wilt en te bekeeren
+wie gij kunt? En telt gij dat nu voor niets, hier in een land waar
+nog maar weinige jaren geleden, onder mijn voorgangers, ook de
+geringste openbare prediking van uw leeringen u aan de doodstraf
+zou hebben blootgesteld?
+
+--Sire!--antwoordde de Padre,--wij moesten al zeer ondankbaar
+zijn, indien wij al deze belangrijke voorregten eenvoudig voor
+niets rekenden. En toch, ik moet het herhalen, onze zending is,
+wat haar hoofddoel aangaat, mislukt. Wel is u bekend, met wat
+schoone, heerlijke verwachtingen wij voor eenigen tijd in Agra
+kwamen. De hooge en eerbiedige belangstelling door u in de gewijde
+schriften en de gebruiken der Kerk aan den dag gelegd, had ons de
+hoop doen opvatten dat het licht der waarheid ten laatste mogt
+doordringen in uw diepdenkenden geest en uw edel gemoed. Wij
+hadden gehoopt, wij hadden alhaast met zekerheid verwacht dat de
+Kerk van Christus eenmaal in Shah Akbar een harer roemrijkste
+zonen mogt begroeten, zoo niet den meest roemruchtige van allen!
+Maar die hoop en verwachting, we mogen 't ons niet ontveinzen,
+blijft ijdel. Kan dan niet met reden gezegd worden, dat onze
+zending haar voornaamste doel heeft gemist? En toch... al blijft
+er dan soms in enkele onzer leeringen hier of daar eenig bezwaar,
+waartegen uwe wijsbegeerte zich nu nog verzet, nadere studie en
+onderzoek mogten dat in 't eind misschien nog wel oplossen. Indien
+gij slechts wildet aanvangen met op de groote weldaden te letten,
+die de Kerk aan het Westen verzekerd heeft en die ook hier niet
+zouden uitblijven, zoodra ze maar eens de magt bezat!
+
+--Met reden--hernam Akbar,--laat gij nu de eigenlijk dogmatische
+vraagstukken ter zijde; ik vrees dat wij 't daarover toch nooit
+eens zullen worden, en ik gevoel voor 't oogenblik ook geen
+opgewektheid om daarover te redetwisten. Maar nu die weldaden,
+waarvan gij spreekt! Ik geloof gaarne, en vind ook alle reden om
+te gelooven, dat uwe Christelijke leer veel nut in de wereld
+gesticht heeft, onder anderen door meer en beter dan de meeste
+andere godsdiensten op de toepassing van het beginsel der
+algemeene menschenliefde en zelfverloochening aan te dringen,
+hoewel dan, gelijk wij u vroeger reeds aantoonden, dat alles
+volstrekt niet uitsluitend aan uwe godsdienst eigen is. Maar bij
+al dat nut komt toch, dunkt mij, ook niet weinig nadeel; of hebt
+gij niet de meest geweldige onverdraagzaamheid gestookt, die de
+wereld misschien ooit gekend heeft? Hebt gij, priesters! in uwe
+eigene landen daar in het Westen, u niet opgeworpen tot tirannen
+over het geweten uwer medemenschen? Hebt gij niet honderden en
+duizenden tot worgpaal en brandstapel gedoemd, enkel omdat ze van
+u over sommige geloofspunten verschilden? Noemt gij dat weldaden?
+Zoo ja, dan hebt gij toch zonderlinge begrippen omtrent weldoen en
+is uwe menschenliefde al van een heel vreemde soort.--En zeg mij!--
+vervolgde de Keizer, terwijl hij Aquaviva aanzag met een
+doordringenden blik,--zeg! wat zoudt gij uitrigten met mij,
+Akbar, dien gij nu zoo hoog heet te vereeren, indien ik eens
+christen-onderdaan ware van een der vorsten, die gehoorzamen aan
+uwe bevelen? Zoudt gij ook mij niet in de holen uwer kerkers
+werpen en, als ik bleef volharden in zoogenaamd ongeloof, mij
+uitleveren aan den regter om verwezen te worden naar het vuur?
+
+Bedremmeld trad de Jezuiet een schrede achteruit. Dergelijke vraag
+had hij niet verwacht. En wat er op te antwoorden? Zeer zeker, het
+kon niet worden ontkend dat er waarschijnlijk zoo met Akbar zou
+gehandeld worden, indien de omstandigheden werkelijk waren zooals
+hij ze nu voorstelde.
+
+--Maar, Sire!--stotterde ten laatste Aquaviva,--dat alles is nu
+immers het geval niet! En wie kan zich Akbar, den grooten Keizer
+van Hindostan, denken als onderdaan van een onzer vorsten?
+
+--Zeker, dat gaat niet; gelukkig voor mij! Doch uw antwoord
+bewijst, dat mijne onderstelling volkomen juist was voor 't
+gegeven geval. Maar nu een andere vraag! Wat zoudt gij eigenlijk
+met mij willen uitrigten, nu ik Keizer van Hindostan ben? Gij
+zoudt mij eenvoudig tot een van die vorsten willen maken, die u
+onderdanig gehoorzaam zijn en die gij tot werktuigen gebruikt ter
+handhaving van uwe kerkelijke dwingelandij. En daarom zijt gij
+natuurlijk ook zoo erg gesteld op mijne bekeering. Welnu! ik zeg u
+eens voor al: die zult gij nooit beleven. Zelfs, als ik voldoende
+met de leer uwer Evangelien in haar geheel instemde om haar
+openlijk of heimelijk te omhelzen, ook dan nog zou ik niets willen
+weten van uwe Kerk als zoodanig, wel beseffend wat noodlottige
+gevolgen hare erkenning door den monarch voor den staat en zijne
+burgers zou na zich slepen.
+
+--Dan--hernam Aquaviva,--blijft ons niets anders over dan te
+bidden tot den Heer, dat een wonder van Zijne hand datgene
+wrochten moge, wat onze ijverige maar nog te zwakke pogingen niet
+tot stand mogten brengen. En dat gebed, ik ben er zeker van, zal
+in 't eind niet onverhoord blijven. Bedenk het, gij oppermagtig
+gebieder! dat zelfs de grooten der aarde niets vermogen tegen Hem,
+en dat Hij ook straffen heeft voor degenen, die wagen Zijn wil te
+weerstaan! Hij en Hij alleen zal zegevieren, en de poorten der hel
+zullen de rots van Petrus niet overweldigen en Christus zal met
+Zijn kerk zijn tot aan het einde der wereld!
+
+--Dat is zijne zaak!--riep nu Akbar uit, ten laatste een weinig
+van zijn bedaardheid verliezend;--maar de mijne is, te waken voor
+de vrijheid en de regten mijner onderdanen en hen te beschermen
+tegen u zoowel als tegen moellah's of welke andere priesters of
+schriftgeleerden dan ook. En daarom nog eens: Blijf hier of
+vertrek! zooals gij wilt; predik wat gij goed vindt in mijne
+landen; bouw er u kerken; en gij zult gelijke bescherming genieten
+als de Mohammedanen in hunne moskeen en de Hindoe's in hunne
+pagoden; maar wees tevens gewaarschuwd! Van het eerste oogenblik
+dat ik u eenige vervolging zie instellen 't zij tegen uw eigen
+bekeerlingen of tegen een ander, gelijk gij dat op de Malabaarsche
+kusten reeds beproeft, van dat oogenblik af zijt gij verbannen uit
+mijne rijken, en zoolang ik Hindostan regeer, zet geen der uwen
+een voet meer op zijn grond.
+
+Met verbeten woede had de volgeling van Loyola die hooghartige en
+beslissende woorden aangehoord; maar wat kon hij doen, wat bleef
+hem te zeggen over? Te beklagen had hij zich in 't minst niet
+tegenover den altijd welwillenden, volmaakt verdraagzamen vorst,
+en den geduchten monarch te willen trotseren ware louter
+krankzinnigheid. Zelfs geen martelaarskroon viel er bij te
+verdienen. Bezigde hij, de hier volkomen magtelooze zendeling,
+dreigende of ook oproerige taal, de Keizer zou gewis geen haar van
+zijn hoofd krenken, maar hem met de zijnen naar Soeratta laten
+brengen, hem daar in een schip laden en vervolgens met de meeste
+beleefdheid in Goa aan land doen zetten. Of hij zou dat misschien
+nog niet eens der moeite waard rekenen, maar hem eenvoudig
+uitlagchen en de deur wijzen. Droevig en vernederend bewustzijn,
+voorwaar, voor een lid van die elders zoo magtige en gevreesde
+Orde, voor wie de volken sidderden, en Koningen en Pausen zelfs
+gedwongen werden het hoofd te buigen in deemoed!
+
+Weldra echter brak Akbar zelf de overdenkingen van den
+teleurgestelden en zwijgend voor hem staanden missionaris af.
+
+--Eerwaarde Vader!--sprak hij nu weder op zijne gewone
+vriendelijke wijze,--het is mij waarlijk leed, dat gij een
+oogenblik mij genoopt hebt zoo rondborstig tot u te spreken en,
+met meer klem dan ik tegenover u gewenscht zou hebben, mijn gezag
+te handhaven in den strijd dien gij hebt uitgelokt. Maar ik wensch
+u dan ook niet gramstorig te zien vertrekken. Ik vernam, ik leerde
+van u en de uwen veel, waarvan de kennis mij bijzonder welkom was;
+en daarvoor wil ik dankbaar blijven. Kan ik niet aan al uwe
+wenschen voldoen, wees verzekerd dat het mij smart; en zoo wij
+omtrent sommige zaken van elkander verschillen in gevoelen, meen
+niet dat ik persoonlijk u daarom minder blijf hoogachten. Gij wilt
+ons verlaten; het zij zoo! Maar laat het in vriendschap zijn! Laat
+het geschieden in den geest van den verheven stichter uwer
+godsdienst, die wel gezegd heeft dat hij geen vrede kwam brengen
+maar het zwaard, maar wiens hoog en edel streven toch de stichting
+van een rijk van vrede en van liefde onder de menschen was!
+
+Had Aquaviva een oogenblik te voren het hoofd gebogen voor de magt
+van den Keizer, thans had hij te bukken voor een ander overwigt,
+voor dat van Akbar's zedelijke meerderheid. De godsdienstijveraar,
+de hartstogtelijke dweeper zelf gevoelde het. En het was dan ook
+slechts met weifelende stem, dat hij, de anders voor niets
+vervaarde en door niets overweldigde apostel, een enkel woord van
+vaarwel wist uit te brengen tot dien verstokte van harte, wiens
+oog met blindheid was geslagen voor het licht der waarheid, en
+wiens oor gesloten bleef voor de vermaningen van den priester der
+alleenzaligmakende Kerk.
+
+--Vergeef het ons, edele Vorst!--zoo sprak hij, bewogen in weerwil
+van zichzelven,--als wij soms woorden uiten die u mishagen en u
+ondank schijnen voor de vele weldaden, welke wij in uw rijk
+ontvingen!--Schrijf ze enkel toe aan den ijver die ons bezielt
+voor ons geloof, en die voorzeker niet geringer is dan de
+geestdrift, waarmede gij zelf uw leven aan de belangen uwer staten
+en volken hebt gewijd! Nogmaals dan willen wij u dank zeggen voor
+'t geen gij voor ons hebt willen doen; en, hecht gijzelf dan al
+geen waarde aan onze gebeden, wees overtuigd dat ze u blijven
+vergezellen ook dan wanneer wij ver van hier zullen zijn!...
+
+Stilzwijgend beantwoordde Akbar den eerbiedigen groet van den
+Padre, en zenuwachtig de vingers heen en weer bewegend als telde
+hij de kralen van zijn rozenkrans, verliet deze langzaam het
+vertrek.
+
+In een der zuilengangen aan de buitenzijde van het paleis, waar
+enkele lampen een flauw schijnsel verspreidden, stuitte hij
+plotseling op een man, die zijne verontschuldigende woorden met
+een half onderdrukten vloek beantwoordde.
+
+--Verdoemde Christenhond!--bromde die man, terwijl hij zich verder
+spoedde. Het was Abdal Kadir Badaoni, die zich tot den Keizer
+begaf. Bij de wachters zich aanmeldend, werd hij weldra bij Akbar
+toegelaten.
+
+--Gij ziet,--zeide deze,--ik ben steeds gaarne voor u te spreken;
+en ik maakte ook geen bezwaar u thans te ontvangen, toen gij mij
+dezen morgen gehoor liet vragen, hoewel anders de treurige
+omstandigheden waarin ik verkeer, 't mij in de laatste dagen wel
+wat moeilijk deden vallen al mijne vrienden te woord te staan.
+
+--Sire!--begon Abdal Kadir op schijnbaar eerbiedigen maar tevens
+onmiskenbaar norschen en onvriendelijken toon en zonder in 't
+minst acht te geven op de voorkomende wijze, waarop de Keizer hem
+ontving,--ik kom u vaarwel zeggen. Mijn tijd is genaderd om van
+hier te gaan.
+
+--Hoe nu, mijn waarde vriend,--vroeg Akbar,--ook gij? En wat noopt
+u ons zoo plotseling te verlaten?
+
+--Onwil--luidde het antwoord,--om hier steeds te blijven aanzien,
+wat mij tot eene dagelijksche ergernis strekt en mij bedroeft tot
+in 't diepste mijner ziel; maar onwil tevens om deel te nemen aan
+het verraad en de zamenzweringen waarvan ik u omringd zie, en
+waaraan ik onwillekeurig zou blijven deelnemen, indien ik hier nog
+langer vertoefde. Akbar! uw rijk neigt ten val! Ik heb u
+gewaarschuwd toen het nog tijd was; thans is het dat misschien
+reeds niet meer. Wat er bepaald omgaat, weet ik niet en ik wil het
+ook verder niet weten; maar de tegenstand, dien gij door uwe dwaze
+en misdadige verachting van onze heilige godsdienst hebt opgewekt,
+acht ik te groot en te krachtig dan dat het mogelijk ware op den
+duur daaraan het hoofd te bieden.
+
+Voeg daarbij de eerzucht van Selim, uw zoon, en de geheime
+kuiperijen van andere niet minder eergierige lieden, die hem weten
+te vervoeren ten einde zelf zich meester te maken van rangen en
+bedieningen die hun nu onthouden blijven, en gij zult mij
+toestemmen dat de stand van zaken voor 't allerminst hoogst
+gevaarlijk voor uwe regering is.--Maar, zeide ik,--dus ging hij
+voort, den ligten glimlach niet opmerkend die bij zijne donkere
+voorspellingen zich om de lippen des Keizers had geplooid,--ik wil
+ook niet langer getuige zijn van wat hier dagelijks omgaat en
+sinds lang ook wereldkundig is. Den heiligen Koran hebt gij met de
+uwen versmeten en onder den voet getrapt; voor den grooten Profeet
+hebt gij niets dan verachting en spot; gij vermeit u in allerlei
+goddelooze praktijken, door onreine vuuraanbidders u geleerd; gij
+ontvangt openlijk aan uw hof en heimelijk in uw binnenvertrekken,
+met eer en gunstbewijzen hen overladend, onze ergste vijanden,
+Joden en Christenen, zooals ik er zooeven nog een uw paleis zag
+verlaten, en Indische toovenaars en duivelskunstenaars, en ik weet
+niet wat nog ander dergelijk slag van volk, dat de Shaitan zelf
+ons hier op den hals heeft gezonden! Inderdaad, Djelal-ed-din
+Mohammed! gij doet wel eer aan uw naam! Djelal-ed-din! "De Glorie
+des Geloofs!" Bittere ironie van het noodlot, toen het u eenmaal
+bekleedde met zulk een titel dien gij bestemd waart op zoo
+smadelijke wijze te onteeren! En nu weder, als of dat alles nog
+niet genoeg was, en om de mate vol te meten, die buitengemeene en
+overdreven eer aan de nagedachtenis van dien Aboel Fazl, dien
+verleider, dien aartsvijand van het geloof! Hij juist met Feizi
+den godloochenaar, zijn broeder, was het, die u tot al die
+ongeregtigheden verlokte en u tot ontrouw en afval heeft vervoerd;
+en juist dien eenen man toont gij openlijk te vereeren boven
+allen! Ach, mogt in 't eind nog zijn afschrikwekkend voorbeeld,
+zoo niet van zijn leven dan toch van zijn sterven, u tot
+waarschuwing strekken voor het te laat is! Men heeft u, ik
+betwijfel het niet, zeker allerlei fraais omtrent zijne laatste
+gezegden opgedischt; maar, geloof mij! de waarheid bleef u
+verborgen; en ik wil, hoe zwaar 't mij ook valt, ze onthullen voor
+u en u zeggen, hoe Aboel Fazl werkelijk gestorven is. Zoo hoor dan
+en sidder bij het schrikwekkend berigt, dat hier aan iedereen
+bekend is behalve alleen aan u! Tot op het laatste oogenblik dat
+hij nog spreken kon, bleef Aboel Fazl zijn God lasteren op de
+meest gruwzame wijze; toen begon hij te blaffen als een hond, en
+zijne gelaatstrekken verwrongen zich en zijne lippen werden blauw,
+als gevoelde hij reedsde eerste smarten van de eeuwige verdoemenis
+die hem wachtte!...
+
+--Dat is gelogen, schandelijk gelogen!--riep Akbar eensklaps
+opstuivend uit, nadat hij tot dusver den woesten dweeper bedaard
+had laten uitrazen,--dat is schandelijke, gemeene laster, zooals
+gij, godsdienstijveraars! dien weet uit te denken, waar rede en
+gezond verstand u in den steek laten en gij te vergeefs naar een
+smet zoekt waarmee gij een edel karakter mogt kunnen bezoedelen!
+Hoe Aboel Fazl gestorven is en wat hij stervend heeft gezegd, dat
+weet ik ten zekerste van eene volmaakt vertrouwbare zijde, van
+iemand, die zijne woorden onmogelijk kon uitdenken; spaar mij dus
+uwe ijdele leugentaal! Ik verkies ze niet verder aan te hooren. Ik
+heb met geduld geluisterd naar de onbeschofte woorden, die gij
+waagdet mij in 't aangezigt te werpen; ik heb dat alles aangehoord
+met eene lankmoedigheid, zooals waarschijnlijk geen ander vorst in
+mijne plaats ze tegenover u zou hebben betoond; maar gij hebt
+misbruik gemaakt van mijne goedheid, en dat zal ik niet dulden.
+Rand mij aan, beleedig mij in mijne innigste en dierbaarste
+overtuigingen, scheld op mij, op Akbar, op uw Keizer, het is wel!
+ik zal het u vergeven. Maar laster niet mijn trouwsten, mijn
+verraderlijk vermoorden vriend, of ik zal gebruik maken van mijn
+regt en mijne magt om voor altijd die tong te doen verstommen, die
+laag en lafhartig een gehaten tegenstander bespuwt, nu hij niet
+meer in staat is zich te verdedigen!
+
+--Neem mijn hoofd!--sprak Abdal Kadir, den Keizer onverschrokken
+in 't aangezigt starend,--gij weet dat ik u mijn leven wenschte te
+wijden, en dat ik het honderd malen voor u zou hebben over gehad.
+Kan mijn dood u niet van dienst zijn, hij strekke dan ter
+voldoening aan uw ongeregten toorn! Ik heb u gezegd wat mij
+waarheid scheen; aan u om het te gelooven of niet! Ik deed mijn
+pligt; doe gij den uwe of wat ge daarvoor gelieft aan te zien!
+
+--Genoeg!--zei Akbar, nog nauw bekomen van zijne drift,--ik
+begeer uw leven zoo min als uw dood. Ga heen, en ongedeerd: maar
+waag het niet, mij ooit weer onder de oogen te komen!
+
+Zonder antwoord of groet keerde Abdal Kadir zich om, en schreed
+met opgeheven hoofde en trotschen blik naar den uitgang van het
+vertrek....
+
+--Abdal Kadir!--sprak wederom de Keizer, toen de ander reeds den
+voorhang had opgeligt, en bij dien onverwachten uitroep wendde de
+hooghartige Mohammedaan verwonderd en onwillekeurig het hoofd,--
+laat ons zoo niet scheiden! Daarvoor hebben we elkander te lang
+gekend en ook wederzijds elkaar te hoog leeren achten; want ik
+weet, dat gij ondanks al ons verschil mij uwe achting en
+belangstelling toch niet ontzegt: uwe hevigheid zelve bewijst het.
+En ik van mijne zijde, ik stel u hoog als een kundig en in vele
+opzigten ook verstandig man, maar bovenal, wat hier en in deze
+tijden nog wel het meeste zegt, als een waarlijk braaf en eerlijk
+man. Niemand zie ik gaarne in toorn mij verlaten, maar vooral u
+niet. Ga! ik begrijp zelf dat het noodig zijn zal en gij niet
+anders kunt; maar ga niet met wrok in het hart. Gedenk de lange
+jaren, die wij te zamen in vrede en vriendschap hebben doorleefd,
+en vergeet, al is 't ook maar voor een oogenblik, de oorzaken die
+onze scheiding voortaan onvermijdelijk maken! Wilt gij?...
+
+Eerst, toen Akbar begon te spreken, vertoonde zich nog steeds op het
+gelaat van Abdal Kadir dezelfde norsche uitdrukking, die het niet had
+verlaten gedurende het gansche pijnlijke gesprek; maar langzamerhand
+begon zij te wijken, en het voor zachter indrukken wel ontvankelijk
+gemoed van den dweeper, als maar geen godsdienstijver zijn hartstogt
+wekte, gaf ten laatste zich gewonnen aan de grootmoedige taal van den
+altijd vergevensgezinden vorst. Wel sprak hij niet, maar zijne houding
+zeide genoeg toen Akbar hem de hand tot afscheid reikte. Hij vatte ze
+met kracht, en terwijl hij zich diep voorover boog, viel op die hand
+een traan. Toen ging Abdal Kadir, om niet terug te keeren. Ook dezen
+dan zou Akbar nooit wederzien....
+
+Lang nog staarde hij op den voorhang, die zich weder gesloten had
+achter den vriend van weleer. Daarop begaf hij zich met wankele
+schreden naar de geopende galerij, en zag uit naar het maanlicht,
+dat daar met vriendelijken glans de in volkomen rust verzonken
+tuinen en hunne zacht klaterende fonteinen bescheen. Toen zette
+hij vermoeid zich op een der marmeren rustbanken neder en bedekte
+zich het gelaat met de handen.
+
+Zij verlieten hem dus, de een voor, de ander na. Aboel Fazl was
+hem wreedaardig ontroofd; de Christenzendeling verliet hem in
+arren moede; Abdal Kadir had voor altijd hem vaarwel gezegd. En
+dat alles juist in oogenblikken waarin hij meer dan ooit behoefte
+aan opbeuring en steun van trouwe vrienden gevoelde, juist in een
+tijdsgewricht als dit, nu zijn eigen zoon tegen hem in opstand
+kwam en hem den heerscherstaf zocht te ontrukken, dien hij zoo
+lange jaren tot heil en onder de zegeningen van zijne volken in de
+krachtige vuist had geklemd! En dat alles om de godsdienst en ter
+wille van het een of ander, 't zij dan opregt gemeend of ook
+gehuicheld geloof! Want dat Selim zijn aanslag in naam der
+godsdienst zou ondernemen, was zeker; en algemeen heerschte ook de
+overtuiging dat Narasinha het werktuig in de handen van ijveraars
+was geweest.
+
+--Godsdienst!--sprak Akbar in zich zelven,--wat is het? Is het een
+gelukkig, een heilrijk verschijnsel in den menschelijken geest,
+dat het eindig wezen zijne nietigheid doet gevoelen en tevens het
+verheft, stemmend tot nederigheid en tot aanbidding te gelijk, een
+heerlijk, zalig gevoel en het meest verhevene waarvoor de ziel
+vatbaar kan zijn, de menschen wekkend om elkander lief te hebben
+en te leven voor elkanders welzijn? Of is het een bedroevend, een
+noodlottig ziekteverschijnsel, dat den mensch slechts trotscher en
+overmoediger en vijandiger jegens anderen stemt naarmate zijne
+overtuiging dieper is geworteld, eene soort van krankzinnigheid,
+die zich bijwijlen van de besten en edelsten meester maakt en hen
+beweegt hun naaste te haten en te vervloeken, een waanzin die tot
+misdrijf voert en moord en bloedigen strijd onder de volken werpt?
+Zou 't dan een geluk of een ongeluk zijn als de menschen eenmaal
+ophielden eenige godsdienst te belijden? Onoplosbare vraag! Vol
+van de grootste tegenstrijdigheden, en die toch nagenoeg allen
+gereed staan zonder eenig bedenken te beantwoorden. Geen
+godsdienst, zoo spreken de meesten, geen heil ook meer voor den
+mensch en geen orde in de maatschappij! En tot zoover zijn ze 't
+allen eens. Maar welke godsdienst nu? Ziedaar de strijd ontvlamd;
+een ieder roept: de mijne, en de mijne alleen! en de zwaarden
+vliegen uit de scheede, en het staal en het ruw geweld gaan
+beslissen wat waarheid is. En zou het dan denkbaar zijn, dat er
+ooit een godsdienst kon worden gevonden die allen gelijkelijk mogt
+voldoen, en alle menschen vereenigen in een eenigen liefdeband?
+Waren 't geen dwaze droomen, waarmee ik mij zoo dikwijls vleide en
+mij zelf bedroog toen ik zoo iets meende ontdekt te hebben?
+Helaas! vrienden te verliezen is hard, maar harder misschien nog
+het verlies van illusien, die ons dierbaar werden!...
+
+Eene hand, die zacht op zijn schouder werd gelegd, deed Akbar
+opzien. Nevens hem stond Feizi, wien hij 't voorregt had verleend,
+ook onaangediend bij hem te verschijnen.
+
+--Akbar!--sprak Feizi,--waak op uit uwe droevige, maar ook ijdele
+en nuttelooze mijmeringen! Moet ik het zijn, die tot u zeg: Wees
+een man! Ik, die mij anders zoo zwak gevoel tegenover u? Maar het
+is noodig dat ik zoo spreek. Wees overtuigd, dat ik niet minder
+diep het verlies van mijn waardigen en mij zoo dierbaren broeder
+betreur, dan gij den dood van een trouwen raadsman en veelgeliefden
+vriend; maar wij behooren beide te waken, en gij meer nog dan ik, dat
+de smart ons niet overmanne en ons zwak make in 't gezigt der gevaren,
+die het rijk nog blijven bedreigen. En daarom waag zelfs ik het te
+zeggen: Betoon u weer een man! Die voortdurende neerslagtigheid is uwer
+onwaardig, en als Aboel Fazl zelf er getuige van ware, hij zou welligt
+voor 't eerst in zijn leven hebben erkend, dat zelfs Akbar niet
+onfeilbaar is.
+
+--Mijn trouwe, mijn edele vriend!--antwoordde Akbar,--van harte
+dank voor uw onverholen en mannelijke taal! Zulk eene opwekking is
+mij tegenwoordig wel noodig, maar toch bedriegt gij u eenigermate
+omtrent de aanleiding tot die overdenkingen, waarin gij mij
+zooeven verdiept vondt. De herinnering aan uw onvergetelijken
+broeder komt daarin slechts voor een deel.
+
+En uitvoerig verhaalde Akbar zijn vriend wat er bij het afscheid
+van Aquaviva en van Abdal Kadir was voorgevallen, en deelde hem de
+overpeinzingen mede waartoe het een en ander hem had geleid.
+
+--In dat alles--sprak Feizi, toen hij een oogenblik had
+nagedacht,--herken ik weder mijn grootmoedigen Keizer, en... mijn
+idealistisch wijsgeerigen vriend. Gij weet voor 't overige wat
+mijn gevoelen over die punten is, die gij daar hebt aangeroerd. Ik
+hecht niet veel aan 't geen men gewoon is godsdienst te noemen,
+als zich dat blijft bepalen tot een soort van onbepaald mystisch
+gevoel zonder wezenlijken inhoud, en noch veel minder als het zich
+uit in onbewijsbare, alleen door de verbeelding geschapen
+voorstellingen en leerbegrippen. En in zoover hebben de menschen
+volkomen gelijk, die mij een atheist noemen. Maar daarom ben ik
+nog geenszins een ongeloovige. Ik geloof integendeel veel; maar
+mijn geloof steunt ook op vaste gronden, omdat het op de ervaring
+zelve berust. Zoo onder anderen geloof ik, en meer dan eens hield
+ik 't u voor, aan de wet der gestadige ontwikkeling; en niet enkel
+op stoffelijk gebied, maar ook en vooral op dat van den geest en
+het denken der menschen; en in die voortdurende ontwikkeling zie
+ik de oplossing van het groot probleem, die gij, als alle andere
+hervormers en stichters van nieuwe godsdienst-systemen, reeds
+aanstonds, maar lang nog voor den tijd, zoudt wenschen gevonden te
+hebben. Denk eens, van waar wij menschen aanvingen en waar wij
+reeds gekomen zijn, en bereken dan hoever we 't eenmaal nog
+brengen kunnen! Dieren waren wij en niets dan dat; na eenige
+duizende jaren werden wij redelijke wezens of iets althans wat
+daarop gelijkt; en wanneer nu nogmaals duizende en duizende jaren
+zullen voorbij zijn gegaan, wat kan er dan niet van ons worden?
+Zullen wij, en niet eenige weinigen alleen, maar ook allen
+misschien, door steeds voortgezet onderzoek en steeds hooger zich
+ontwikkelende wetenschap geleid, niet ten laatste een wezenlijk
+inzigt erlangen in het oneindig en noodwendig verband der dingen?
+En zullen wij dan, tevrede met dat inzigt en daarin berustend, ook
+niet volkomen al die droomerijen kunnen missen, die zich nu nog
+onder den fraai klinkenden naam van godsdienst aan ons blijven
+opdringen maar, wel beschouwd, niet anders dan kunstmiddelen zijn
+om aan de begeerlijkheid onzer zelfzucht te voldoen en ons in het
+tegenwoordig en in een, alweer door de verbeelding geschapen,
+volgend leven een heilstaat te verzekeren, die voor geen eindig
+wezen ooit kan zijn weggelegd?
+
+--Uw geest streeft hoog,--zei Akbar,--uw blik ziet ver. Mij te
+hoog en te verre soms. Ik let ook op het tegenwoordige, en die
+late, late toekomst brengt mij weinig troost.
+
+--Maar verlies ik dan--vroeg Feizi,--het tegenwoordige uit het
+oog? Behoort het niet tot de eerste stelregels van mijn geloof,
+of, wilt ge, van mijn wijsbegeerte, dat de mensch voor alles
+geroepen is waardig de pligten te vervullen, die hem in zijne
+maatschappelijke betrekking, welke ze dan ook zijn mag, zijn
+opgelegd? Zeker, alle bespiegeling, alle wetenschap is ijdel,
+wanneer daarvoor de werkelijkheid en het onmiddelijk voor handen
+liggende verwaarloosd wordt. Leerde ons niet de wijsbegeerte,
+juist daaraan, aan het levend heden onze krachten te wijden, ze
+zou weer niets dan eene begoocheling zijn en een ijdel spel van
+den geest. Maar iets anders is het mede te werken, en met allen
+ijver en beschikbare kracht, aan onze naaste bestemming, iets
+anders de onmiddelijke verwezenlijking te eischen van al wat wij
+tot stand wenschen te brengen en dan mismoedig te worden als 't
+ons nog niet gelukt. Zoo ook omtrent datgene wat gij godsdienst en
+meer bepaald volksgodsdienst of volksovertuiging omtrent de
+onzienlijke dingen noemt. Deze ontwikkelt zich evenmin als iets
+anders, wat dan ook, plotseling en op den wenk van een bezield
+hervormer, maar niet dan langzaam en in den loop der eeuwen. En de
+vervulling eener noodwendige voorwaarde moet haar in elk geval
+voorafgaan: alle volksontwikkeling moet voorbereid worden door
+volksbeschaving. En ook deze is weer niet denkbaar zonder dat het
+volk eerst de middelen bezit om in zijn onderhoud te voorzien,
+alzoo: niet denkbaar zonder volkswelvaart. Maar zou nu, wat dezen
+eersten grondslag van alle beschaving en ontwikkeling betreft, een
+Akbar nog reden hebben tot veel zelfverwijt of mismoedigheid? Zou
+hij meenen, niet genoeg of althans niet veel reeds te hebben
+gedaan voor het welzijn der volken onder zijn beheer? Zie terug,
+mijn Keizer! op hetgeen door u werd volbragt, en oordeel dan, nu
+eens uw theologische bespiegelingen ter zijde latend, of de
+verkregen uitkomst niet de beste aanmoediging is om kloek en met
+ijver den aangevangen arbeid voort te zetten!
+
+Wel had Feizi gelijk, en vleitaal van een hoveling was het niet,
+toen hij den maatschappelijken hervormingsarbeid roemde, dien de
+Keizer begonnen had en met gelukkig gevolg ook had doorgezet. De
+ervaring van volgende eeuwen zou het zegel drukken op zijn
+woorden. Want van Akbar's godsdienstige droomerijen bleef nauw een
+spoor meer na zijn dood; maar zijn landelijk stelsel is de
+voorname grondslag gebleven, waarop heel het bestuur van Hindostan
+onder alle opeenvolgende regeringen bleef berusten, datzelfde
+stelsel in hoofdzaak dat een kloeke en verstandige Brit ook
+gewenscht had in onze Nederlandsch-Indische bezittingen in te
+voeren, en dat ook daar zijn zegenrijke vruchten had kunnen
+dragen, indien het niet door de traagheid, de onkunde en het
+onverstand onzer eigene, latere regeringsmannen tot in den grond
+ware bedorven geworden ....
+
+--Gij hebt wederom regt, Feizi!--sprak de Keizer, zich oprigtend
+in zijn krachtige mannelijke gestalte en het hoofd omhoog heffend
+als met nieuwen levenslust bezield;--het is zoo, ons betaamt te
+werken, niet te droomen, te arbeiden zoolang het dag is,
+onvermoeid en onverpoosd. Blijf mij bijstaan met mijne nog
+overgebleven getrouwen, nu vooral, nu een krachtige steun mij
+ontviel; en ik durf u belooven, gij zult even goed over Akbar
+tevrede zijn als hij over u. Maar nu nog eenmaal een zinnebeeld!
+Hoe wars gij ook zijn moogt van symbolen, dit eene vindt wis
+genade in uw oog. Zie daar ginds het zwakke nachtelijke schijnsel;
+daarin herken ik den zielstoestand, waarin ik dagen lang en veel
+te lang reeds verkeerde. Maar morgen rijst weer de zon; en daarin
+wil ik ook weer mijzelf aanschouwen, niet zooals ik ben, maar
+zooals ik behoor te zijn. Dat toch is de roeping van den vorst,
+zoolang nog de beweging niet voor alles uitgaat van de volken
+zelf, met zijne raadslieden de voorname bron van licht en
+bezielend leven te worden in den staat. Vergeet ik dat soms, of
+verlies ik het voor een oogenblik zelfs uit het oog, roep dan,
+Feizi! gelijk ook Aboel Fazl deed, den heiligen vorstenpligt weder
+op voor mijn geest en spreek weer tot mij gelijk gij dezen nacht
+gesproken hebt!...
+
+
+
+VEERTIENDE HOOFDSTUK.
+
+De ontdekking
+
+Sinds verscheidene dagen was de Keizer aan 't hoofd van zijn leger
+uitgetogen naar het Noorden, en alle berigten meldden dat hij zich
+reeds op aanmerkelijken afstand van Agra bevond. Nog bleef daar
+evenwel Siddha op het bevel wachten, dat hem zijne gedeeltelijk
+vooruitgetrokken manschappen moest doen volgen; en geen wonder zoo
+hij den tusschentijd zich bleef korten door herhaalde bezoeken aan
+Rezia-Goelbadan. Zoo begaf hij zich ook nu weer tegen den avond
+naar hare woning, doch, hij kon 't zich niet ontveinzen, niet
+geheel met dezelfde opgewektheid als anders. Hij was in den
+laatsten tijd de steeds verleidelijke, maar toch ook veelzins
+raadselachtige vrouw al meer en meer gaan wantrouwen; en zoo hij
+haar thans nogmaals wilde bezoeken, het was voor een deel om zoo
+mogelijk iets naders omtrent hare geheimen en die der zamenzwering
+gewaar te worden. Weinig vermoedde hij evenwel dat hij juist dezen
+avond meer zou vernemen dan hem lief kon zijn.
+
+Aan het poortje in den tuinmuur gekomen bevond hij tot zijne
+verwondering dat het niet als gewoonlijk gesloten was, maar dat de
+sleutel, waarschijnlijk door achteloosheid in het slot was
+gelaten. Wat er van ware hij behoefde nu in elk geval het
+gebruikelijke teeken niet te geven om binnen te komen, en de deur
+voorzichtig achter zich sluitend, ging hij met rassche schreden
+voort door de laan. In de nabijheid der veranda vond hij nieuwe
+reden tot verwondering. Daar trad juist op dat oogenblik een man
+naar binnen, wiens gelaat hij eerst niet dadelijk zien kon, maar
+in wien hij, zich haastig achter de hooge en digte planten
+verschuilend, bij het schijnsel der lamp zijn oom Salhana
+herkende, die, vlugtig Goelbadan groetend, in de hevigste
+gejaagdheid uitriep:
+
+--Wij zijn verraden, schandelijk verraden!--De Keizer--ging hij
+voort, terwijl Goelbadan hem verschrikt aanhoorde,--is van al
+onze plannen onderrigt. Hoe, weet ik niet, maar het is zeker. Ik
+heb stellige berichten van Gorakh, die, zooals gij weet, vermomd
+in het leger is. Akbar wist niet alleen van onze voornemens reeds
+bijna van den beginne af aan, maar zijne spionnen hebben hem ook
+in staat gesteld ze te volgen in al de veranderingen, die wij er
+in gebragt hebben. Slim als hij is heeft hij daarop aan sommigen,
+van wie hij verwachten kon dat zij 't ons over zouden brengen,
+zich laten verluiden dat hij ons eerste plan had doorzien, maar
+zonder er bij te voegen dat ook het tweede hem bekend was. De
+onzen moesten wel denken dat hij in den val liep. Nu trekt hij
+eindelijk uit met zijn leger en houdt zich alsof hij regelregt
+naar Kacmir zal doorgaan. Maar jawel! Daar keert hij eensklaps om,
+en neemt zijn weg met snelle dagreizen weer naar Agra, waar hij
+ons juist wil komen verrassen op 't oogenblik dat wij ons volkomen
+zeker wanen. Wel ben ik nu nog bij tijds gewaarschuwd, om te
+verhinderen dat Selim op den bepaalden dag tot Keizer wordt
+uitgeroepen; maar ons baat dat niet veel, want daar Akbar alles
+weet, zal hij ons niet sparen, al betrapt hij Selim zelf ook niet
+op de daad. Er zit dus niets anders voor ons op dan uiterste
+maatregelen te beproeven.
+
+--En waarin zouden die kunnen bestaan?--vroeg Goelbadan.
+
+--Gorakh en de zijnen--antwoordde Salhana,--moeten te hulp komen,
+en zij kunnen het. Eer de Keizer den tijd heeft om Agra te
+bereiken, moet het met zijn leven gedaan zijn....
+
+Eene huivering ging bij deze woorden den luisteraar door de leden,
+en de hand aan zijn dolk slaande wilde hij eene schrede voorwaarts
+doen. Doch hij bedwong zich nog bij tijds.
+
+--Selim behoeft daar niets van te weten,--ging Salhana voort,--en
+we moeten 't hem ook maar niet vertellen als de daad volbragt zal
+zijn. Hijzelf zal 't wel vermoeden, maar zich houden of hij 't
+niet begreep, en er ons niet slechter om aanzien. Morgen ga ik
+naar 't leger om alles met Gorakh af te spreken, die mij de
+teekenen heeft doen meedeelen, waaraan ik hem in zijne verkleeding
+kan herkennen. En zorgt gij nu inmiddels dat Selim wordt
+gewaarschuwd. Ikzelf wil ditmaal niet tot hem gaan, om geen
+vermoeden te wekken. Maar zeg mij tevens, hoe staat gij
+tegenwoordig met hem?
+
+--Ik zag hem in lange niet hier,--antwoordde Goelbadan,--maar de
+reden van zijn voortdurende afwezigheid bleef mij onbekend. Ik
+maak mij omtrent hem echter niet ongerust; hij begeert mij, hij
+wil mij volstrekt, het koste wat het kosten moet, tot zijne
+Sultane; en dat zal ook zoo zijn, mits hijzelf maar eerst Keizer
+is, niet voor dien tijd.
+
+--Inmiddels--zei Salhana,--houdt gij u bezig met dien neef van
+mij, dien ik u bezorgd heb, niet waar? Een knappe jongen in elk
+geval, en waarin gij ook nog al behagen scheent te vinden.
+
+--Een tijd lang, ja! Maar hij begint mij tegenwoordig te vervelen;
+en wel bezien is hij ons ook maar half van nut. Men heeft
+onophoudelijk met hem te kibbelen over allerlei begrippen van
+pligt en eer, zoodra 't op iets wezenlijks aankomt. Ik denk hem
+dan ook spoedig de deur te wijzen als hij zijn dienst zal hebben
+gedaan; en dat te meer, omdat hij in mijne plannen met Selim mij
+wel eens in den weg kon zijn....
+
+--Wat is dat?--vroeg plotseling Salhana, zich naar de buitenzijde
+van de veranda keerend,--mij dunkt, ik hoor daar beweging. Er kan
+hier toch niet de eene of andere ongenoode gast in den omtrek
+zijn?
+
+--Onmogelijk!--antwoordde Goelbadan,--het poortje aan den tuinmuur
+is immers goed gesloten?--Salhana herinnerde zich ook niet dat hij
+'t inderhaast had opengelaten;--en van de andere zijde is geen 't
+minste gevaar, daar Feizi dezen morgen naar 't leger is
+vertrokken. Ga straks langs dien kant; dat is nog voorzigtiger dan
+langs den anderen, waar gij Siddha soms in de nabijheid van den
+tuinmuur zoudt kunnen ontmoeten.
+
+--Alles--hernam Salhana,--is dan goed afgesproken, niet waar? Gij
+zorgt voor Selim en de rest hier in Agra; ik voor mij blijf mij
+met Akbar belasten, en ben ik niet al te ongelukkig dan zijn wij
+spoedig van hem en al zijn volk bevrijd.
+
+Met een ligten groet verdween Salhana achter een der gordijnen
+langs een zijgang, die Siddha niet bekend was en waardoor hij
+verhinderd werd hem te volgen zooals eerst zijn voornemen was. Het
+beste ware nu nog geweest, onmiddelijk terug te keeren en het
+nieuwe komplot door tijdige waarschuwing aan den Keizer te
+verijdelen, terwijl de zamenzweerders daar niets van vermoedden;
+en hij gevoelde dat ook, maar de onweerstaanbare lust om Goelbadan
+te toonen, dat hij had opgehouden haar geminacht werktuig te zijn,
+behield de overhand, en met een enkelen sprong was hij naar binnen
+en stond hij voor haar.
+
+--Gevloekte slang!--riep hij uit,--gij, die een schandelijk
+verrader van mij hebt gemaakt, denk niet dat uw doemwaardige
+voornemens en die van den schurk daar, dien ik mij schaam mijn
+bloedverwant te noemen, nog kans hebben van slagen! Ik, die u
+tegenwoordig begin te vervelen, en 't is goed dat ik het weet, ik
+zal ze verhinderen.
+
+--Ha! gij hebt daar geluisterd!--sprak Goelbadan, en eene
+uitdrukking van haat en kwaadaardigheid, gelijk Siddha nooit in
+die anders zoo zachte en innemende gelaatstrekken mogelijk zou
+hebben geacht, ontsierde haar plotseling op eene wijze, die haar
+op dat oogenblik inderdaad leelijk deed worden;--en nu denkt gij
+ons te gaan verraden? Maar dat zal niet gebeuren!
+
+En eer Siddha in staat was hare bewegingen te volgen, vloog zij op
+hem toe en bedreigde een opgeheven dolk zijne borst. Half
+werktuigelijk zocht hij 't wapen af te weren, toen hij plotseling
+als verlamd de armen liet zakken bij het aanschouwen van eene
+gestalte, die als 't ware uit den grond daar achter Goelbadan
+verrezen was; maar in 't zelfde oogenblik ook greep een ijzeren
+vuist de omhoog geheven moordende hand, en verhinderde den anders
+door niets belemmerden stoot....
+
+Haastig keerde Goelbadan zich om, en... stortte met een kreet van
+ontzetting ter aarde.... Achter haar stond Feizi, en achter hem
+vertoonden zich twee donkerkleurige dienaren met de blanke sabel
+in de hand.
+
+--Genade!--kermde zij, weer tot bezinning gekomen, terwijl Siddha
+wezenloos het tooneel stond aan te zien,--genade, mijn gebieder
+en Heer!--En 't hoofd diep gebogen, terwijl hare lange donkere
+lokken over den grond sleepten, kroop zij op hare knieen naar den
+beleedigden echtgenoot, die al verder achterwaarts trad naarmate
+zij digter hem zocht te naderen.
+
+--Terug!--riep Feizi,--terug! spaar mij uwe onreine aanraking!--
+Bindt die vrouw,--sprak hij tot zijne onderhoorigen,--en voert
+haar naar mijn kasteel bij Mathoera! Daar blijve zij streng
+bewaakt, haar leven lang. En zoo zij ooit eene poging, hoe gering
+ook, waagt om zich met iemand, wie 't ook zijn mag, daarbuiten in
+verbinding te stellen, dan worde het vonnis aan haar voltrokken,
+waarvan ik voor heden haar nog genade schenk. Nimmer wil ik van
+haar iets weerzien, of, zoo het moet, het zij dan enkel haar
+schuldig hoofd!
+
+Nog eenmaal rigtte hij 't woord tot de smadelijk gevallene en nu
+niet minder schandelijk zichzelve vernederende, die daar aan zijne
+voeten lag geknield; maar dat woord was niet bestemd om hare straf
+te verligten.
+
+--Hoop--sprak hij,--doet nog leven, naar men zegt. En gij, wier
+naam nooit meer over mijne lippen zal komen, gij vleit u misschien
+nog met eene zoete verwachting. Gij meent welligt nog op de
+bescherming te kunnen rekenen van een, die magtiger is dan ik, of
+eenmaal ten minste het zijn zal. Gij denkt nog dat Selim u bij zal
+staan, en u zal komen verlossen uit uwe gevangenis. Maar die
+verwachting is ijdel! Want degene, die, zelf door u bedrogen, mij
+uwe betrekking tot dien man daar ginds verried, dat was juist hij,
+dat was diezelfde Selim, dien gij in uwe netten gevangen dacht!
+
+Snel had Goelbadan het hoofd omhoog geheven en opmerkzaam had zij
+toegeluisterd. Nu verwrongen zich hare gelaatstrekken en met een
+gil stortte zij voorover, het hoofd op den grond en de armen voor
+zich uitgestrekt.
+
+--Doet uw pligt!--zei Feizi tot zijne volgelingen, en haastig
+droegen zij de bewustelooze weg....
+
+--En nu gij!--zoo ging hij, Siddha naderend voort, terwijl hij
+zijn sabel uit de scheede toog....
+
+--Mijn leven heb ik verbeurd,--sprak Siddha, zijn kleed
+openscheurend,--stoot toe; ik verlang niets liever dan dat, ik
+wensch den dood als eene genade van uwe hand!
+
+--Dat begrijp ik!--antwoordde Feizi, zich bezinnend, en langzaam
+liet hij de sabel weer in hare scheede glijden,--dat begrijp ik
+zeer goed. Maar ik ben, wel bezien, niet voornemens aan uw
+verlangen te voldoen. Anderen zouden in een geval als dit er
+misschien anders over denken. Een Muzulman zou u 't hoofd voor de
+voeten leggen, een Hindoe u doen worgen, een Frank u uitdagen tot
+een tweegevecht, wat wel het gekste van alles ware. Doch ik
+verkies noch het een noch het ander. Gij moogt leven en ongedeerd
+van hier gaan. Maar leven dan ook met de herinnering aan 't geen
+gij hebt gedaan, en aan de wijze waarop gij, die u een edelman
+noemt, eene belangelooze vriendschap vergolden hebt. Die
+herinnering, dat bewustzijn zullen u nimmermeer verlaten, al
+overdekt gij u met roem en al stijgt gij ook nog zoo hoog in rang;
+en hoe ook gevierd en door anderen vereerd, toch zult gij de oogen
+blijven neerslaan voor elk eerlijk man, bedenkend hoe gijzelf
+eenmaal in uw jongere jaren u jegens een vriend gedragen hebt.
+Ziedaar de straf, die ik u opleg! En nu, vertrek!
+
+Een gebiedende, geen weerspraak of verzet meer duldende
+handbeweging van Feizi deed den diep onder zijn schuldgevoel
+gebogene met laag op de borst gezonken hoofd en met wankele
+schreden naar den uitgang zoeken; en nauwelijks wetend wat hij
+deed en waarheen hij ging, verliet Siddha het buitenverblijf en
+vond hij als werktuigelijk zijn weg naar de nog altijd onafgesloten
+poort.
+
+Geruimen tijd bleef hij zoo goed als gedachteloos ronddwalen. Aan
+de rivier zag hij, ondanks 't reeds vergevorderd uur, nog eenige
+sjouwerlieden bezig met het laden van een schip; en alsof hij er
+eenig belang bij had, volgde hij nauwlettend hunne bewegingen, nu
+eens zich afvragend hoe ze die baal daar over de loopplank zouden
+krijgen, dan weer het hoofd schuddend over hunne onhandigheid.
+Bijna had hij zich aangeboden om hen wat te helpen. Maar een
+drietal soldaten, die nog bij het licht van een walmende toorts
+onder een afdak zaten te drinken en te dobbelen, leidde zijne
+opmerkzaamheid weer af, en nu begon hij lust te krijgen om met hen
+mee te drinken en mee te spelen.... Daar was het hem op eens als
+werd er een gordijn opgetrokken dat voor zijne oogen hing, en zag
+hij het gansche tooneel weer voor zich, waarin hij daar straks
+eene zoo jammerlijke rol had gespeeld. Maar bijkans in hetzelfde
+oogenblik verdrong weer eene gedachte tijdelijk al het andere: de
+herinnering aan den voorgenomen moordaanslag op den Keizer! Had
+Feizi alles gehoord, en dus ook dit? En was hij dan in staat Akbar
+te gaan waarschuwen? Het bleef hem onbekend, en hij had natuurlijk
+ook geen gelegenheid het te weten te komen. Maar waartoe ook?
+Waarom zelf niet gegaan, en zonder verder tijdverlies? Salhana zou
+eerst morgen vertrekken; een ander kon hem dus, al ging hij vroeg,
+nog voor zijn.
+
+Geen oogenblik bedacht Siddha zich langer, maar in bijkans
+ademlooze vaart snelde hij naar het kwartier waar zijne met hem
+teruggebleven manschappen gelegerd waren, droeg daar het bevel aan
+een zijner officieren over, haastte zich naar zijne woning en
+gelastte Vatsa, terstond den vos te zadelen,--dien vos van Feizi,
+dien hij na zijne ontdekking omtrent den waren naam van Rezia
+evenmin had durven berijden als terugzenden, maar die nu in het
+belang van Keizer en rijk zijne diensten zou doen.
+
+--Maak u gereed mij te volgen naar het leger,--zeide hij tot
+Vatsa, toen deze met het opgetuigde paard verscheen,--maar van
+verre, zoodat er eenige afstand tusschen ons blijft. Vertrek een
+uur na mij, rijd dan door zoo snel gij kunt en breng, zoo 't
+noodig is, de boodschap over, die ik u geven zal. Ik weet, dat ik
+u volkomen kan vertrouwen...--En hier deelde hij hem zooveel als
+vereischt werd omtrent de plannen van Salhana mede, en gaf hem
+bevel, dat onmiddelijk aan den Keizer zelf te melden, indien hij
+zijn meester soms niet in het leger mogt aantreffen. Daarop sprong
+hij in den zadel en reed spoorslags voort.
+
+Een overhaaste reis, waarbij hij zichzelven en zijn snel loopend
+paard niet dan de volstrekt noodige rust gunde, bragt hem binnen
+betrekkelijk korten tijd bij het leger, dat ook van zijn kant Agra
+weer een goed eind genaderd was. Terstond liet hij, in 't kamp
+gekomen, zich aandienen bij den Keizer, die hem na eenig dralen
+alleen in zijne tent ontving.
+
+--Wat komt gij hier uitrigten?--vroeg Akbar op strengen toon.--
+Wie heeft u last gegeven uw post in Agra te verlaten? Dat is een
+vergrijp, dat u duur te staan kan komen.
+
+--Sire!--antwoordde Siddha,--indien geen ander vergrijp door mij
+gepleegd was dan dit, zou ik wel van groot geluk mogen spreken.
+Maar ik kom mij bij Uwe Majesteit aanklagen van de grootste
+misdaad, die een krijgsman jegens zijn vorst kan plegen: van
+verraad!
+
+--Ik vermoedde zoo iets,--sprak de Keizer, terwijl Siddha ontzet
+een stap terugtrad,--en daarom werd u 't bevel niet gegeven om op
+te rukken. En nu komt gijzelf mij de bevestiging brengen van uw
+ontrouw! Goed; wij zullen zien. Spreek verder!
+
+In 't kort, maar zonder iets wezenlijks te verzwijgen, verhaalde
+Siddha hoe hij, door Goelbadan verleid, zijn begunstiger en vriend
+had bedrogen en zich tot verraad jegens den Keizer had laten
+verlokken. Met langzame schreden wandelde Akbar heen en weder
+gedurende het verhaal. Zijn gelaat duidde niets aan van 't geen er
+in hem mogt omgaan. Eindelijk, toen Siddha zweeg, bleef hij voor
+hem staan, en zeide kortaf en met strengen blik:
+
+--Uw misdrijf eischt den dood!
+
+--Dat weet ik, Sire!--was het antwoord;--en ik kom mijne geregte
+straf van Uwe Majesteit verzoeken.
+
+--Waarom zijt gij niet gevlugt als gij bevreesd waart dat het
+verraad ontdekt zou worden?
+
+--De misdaad verlangt boete, en ik mag niet straffeloos blijven
+rondlopen, waar ook, een voorwerp van minachting voor mijzelf en
+voor ieder die mij herkennen mogt.
+
+--Maar hoe is het, dat gij zoo op eens tot uw tegenwoordig besluit
+zijt gekomen? Daarvoor moet een oorzaak bestaan. En mij dunkt, gij
+hebt mij nog niet alles gezegd; er ontbrak nog iets aan uw
+verhaal.
+
+--Dat is ook zoo; maar wat ik nog heb mee te deelen, mogt ik niet
+zeggen voor mijn vonnis door u was uitgesproken. Thans mag ik
+verder gaan.... De magt dan, waardoor die vrouw mij zoolang nog,
+in weerwil van mijzelven gebonden hield, werd plotseling
+verbroken, de blinddoek viel mij van de oogen en eindelijk leerde
+ik eerst volkomen inzien, wie ik was, wat ik misdreef en welke
+straf ik had verdiend....
+
+En nu volgde ietwat uitvoeriger dan 't voorafgaande, de
+beschrijving van het tooneel van dien laatsten avond bij Goelbadan
+en de mededeeling van het nieuwe, door Salhana ontworpen plan.
+
+Ook nu nog was er geenerlei aandoening zigtbaar op het strak
+gelaat van den Keizer. Zijn stap alleen, terwijl hij bleef heen en
+weder gaan, was een weinig driftiger en meer gehaast. Toen het
+verhaal was geeindigd bleef hij eerst een tijdlang zwijgen, doch
+sprak ten laatste:
+
+--Met reden schijnt gij ondersteld te hebben dat uwe laatste
+mededeeling van invloed kon zijn op het vonnis dat ik over u had
+uit te spreken. Gij hebt mij en mijn rijk een belangrijke dienst
+bewezen. Maar gij bedriegt u, indien gij meent dat ik straks reeds
+een onherroepelijk vonnis velde. Te zeggen dat een misdrijf op
+zichzelf de doodstraf verdient, is nog niet gezegd dat voor hem
+die het beging, geenerlei verschooning is aan te voeren. En voor u
+is dit, dunkt mij, juist wel het geval. Ook afgescheiden van uwe
+verdere mededeelingen zou ik in mijne uitspraak geweifeld hebben,
+en had ik toch misschien genade laten gelden voor regt. Gij hebt
+zwaar misdreven, Siddha! jegens mij en zeker niet minder jegens
+mijn vriend; maar een misdadiger zijt gij daarom nog niet. Gij
+waart het offer eener sterke verleiding, en ik weet zelf wat het
+zegt daaraan te zijn blootgesteld; maar uw eergevoel ging niet
+gansch verloren en herleefde toen uwe verblinding geweken was. Let
+wel! ik vergoelijk in 't minst niet uwe handelingen en tel uw
+schuld niet ligt; maar ik ben evenmin van oordeel dat gij tot die
+onverbeterlijken behoort, die men in 't belang der maatschappij
+onschadelijk heeft te maken. Integendeel, ik wil gelooven dat gij
+door later daden nog voor een deel, althans wat mij betreft, de
+herinnering zult uit kunnen wisschen aan 't geen gij als onderdaan
+misdreven hebt. En uw gansche gedrag van heden geeft mij de vaste
+overtuiging, dat gij jegens mij u nooit meer aan eenige
+trouweloosheid zult schuldig maken en voortaan beter de
+waarschuwing indachtig zult zijn, die ik u eenmaal daar in den
+tuin van mijn paleis in Agra gaf. Ik laat u daarom het leven en--
+uw rang. Bewijs mij, dat ik mij niet ten tweeden male in u heb
+bedrogen!
+
+Te antwoorden was Siddha in de eerste oogenblikken niet mogelijk;
+maar hij knielde neder voor den Keizer en kuste eerbiedig den zoom
+van zijn gewaad.
+
+--Ik dank u, Sire!--sprak hij eindelijk, nadat Akbar hem gewenkt
+had op te staan,--niet voor dat leven, dat voor mij geen waarde
+meer heeft, maar voor de gelegenheid mij geschonken om nog een
+deel van de schuld te boeten, waarmede ik mij beladen heb. En zoo
+'t mij voegt, na al het gebeurde nog om een gunst te verzoeken, ik
+vraag dan als de allerhoogste dat mij spoedig geoorloofd mag zijn
+aan den strijd deel te nemen, die ginds in het Noorden tegen de
+rooverbenden wordt gevoerd.
+
+--Ook die gunst wil ik u verleenen,--antwoordde de Keizer,--maar
+vooraf belast ik u hier nog met eene andere taak. Eenige van de
+getrouwsten mijner eigene lijfwachten stel ik onder uwe bevelen.
+Ga met hen Salhana te gemoet, maak u aanstonds van hem meester
+zoodra gij hem vindt, en breng hem hier; maar in 't diepste
+geheim, zoadat Gorakh, die naar uw zeggen hier rond moet zwerven,
+er niets van bemerkt.
+
+Een wenk van den Keizer maakte een einde aan het gesprek; en
+aanstonds, zoodra hij 't bevel over de wachten aanvaard had, was
+Siddha met hen, en zijn niet lang na hem aangekomen dienaar, weer
+op weg.
+
+Spoediger dan hij verwacht had ontmoette hij zijn oom, die mede
+veel haast scheen gemaakt te hebben, met twee zijner volgelingen.
+In een oogenblik waren deze overmand en gevangen genomen; en,
+schoon, Salhana zelf nog een tijdlang tegenstand bood, ook hij was
+toch dra overweldigd, en, tot zijn niet geringe woede, gekneveld
+op bevel van dien tot heden zoozeer door hem geminachten
+jongeling. Om zijne herkenning door anderen te beletten werd hem
+een sluijer over 't hoofd geworpen, en in allerijl werd hij daarop
+medegevoerd naar het kamp.
+
+In de tent des Keizers ontdeed men hem van zijne boeijen en den
+sluijer, en liet hem met Akbar en Siddha alleen.
+
+--Uw verraad, Salhana!--sprak de Keizer,--en ook uw nieuwste plan
+is ons bekend. Die jonkman daar heeft het ons meegedeeld. Maak u
+gereed te sterven. De beul wacht u!
+
+Met een giftigen blik zag Salhana zijn neef aan, en stortte toen
+voor de voeten van Akbar neder, met het voorhoofd den grond
+aanrakend.
+
+--Spaar mijn leven!--bad hij.--Straf mij, genadige Vorst! maar...
+laat mij leven, en ik wil alles bekennen, alles zeggen wat ik
+weet.
+
+--Salhana!--antwoordde de Keizer met de diepste minachting,--ik
+wist dat gij een verrader, een schurk waart, maar ik had u nog
+niet leeren kennen als een lafaard bovendien. Voorwaar, gij zijt
+al een heel groote ellendeling en nauwelijks waard een kop kleiner
+te worden gemaakt! Wat voor 't overige uwe bekentenissen aangaat,
+ik heb ze niet van noode; ik weet daaromtrent alles, zeg ik u.
+Slechts een ding verlang ik nog te weten. Waar en hoe is Gorakh te
+vinden?
+
+--Ik zal het u zeggen!--riep Salhana uit, met onverholen vreugde
+dien straal van hoop begroetend;--ik zal het nauwkeurig aanwijzen.
+En dan?...
+
+--Dan gun ik u een schandelijk leven. Doch worden uwe aanduidingen
+valsch bevonden, dan, gij begrijpt het, wacht u het zwaard.
+
+Uitvoerig en nauwkeurig gaf nu Salhana de teekenen op, waaraan men
+den Yogi in zijne vermomming kon herkennen.
+
+--Men bewake dezen man met de uiterste strengheid,--beval de
+Keizer aan Siddha,--en inmiddels gaat gij uit met uwe wachten,
+zoekt Gorakh, en als gij hem gevonden hebt, laat gij hem opknoopen
+aan den eersten boom den beste.
+
+Aan het bevel werd spoedig uitvoering gegeven. De mededeelingen
+van Salhana bleken juist te zijn. Men was den Doerga-priester
+weldra op het spoor, en aanstonds werd hij gevat.
+
+--Ha, mijn jonge vriend!--zei de priester, Siddha herkennend, met
+zijn hatelijksten lach,--vergeldt gij zoo de belangstelling die ik
+u betoonde? Nu dat zij zoo! Maar bewijs mij toch eene beleefdheid;
+die kunt gij nog wel voor mij over hebben! Zeg, wie heeft mij
+verraden? Dat kan wel niemand anders dan Salhana zijn, niet waar?
+
+--Zoo is het!--antwoordde Siddha.--En nu gij,--vervolgde hij tot
+de wachten,--voert dien man buiten het kamp en dat ginds het
+vonnis aan hem voltrokken worde! Voorwaarts!
+
+--En wat is dat vonnis?--vroeg nog de ander.
+
+--De strop!--was het antwoord.
+
+--Goed!--zei Gorakh,--dat blijft in mijn vak!
+
+Den man te binden was wel overbodig, en ook zonder de minste
+poging tot verzet stapte hij bedaard tusschen de krijgslieden
+voort. Gedurende eenigen tijd zag ook Siddha niet naar hem om, en
+de wachten letten mede niet veel op zijne bewegingen. Buiten de
+legerplaats evenwel zich omwendend om zijne ruiters nog eenig
+nader bevel te geven, bemerkte Siddha dat de Yogi bezig was met
+zijne regterhand over een langwerpig boomblad te strijken, dat hij
+in de linker hield en dat hij of onderweg moest hebben opgeraapt
+of uit zijne kleeding te voorschijn gehaald. Een oogenblik later
+hief hij 't blad omhoog en wuifde er mede alsof 't een waaijer
+was.
+
+--Komaan!--riep Siddha ongeduldig,--laat dat geknoei met uw
+goocheltoeren nu maar! 't Helpt u toch niet langer. En werp dat
+blad daar weg! Wij hebben genoeg van uwe kunsten!
+
+Gorakh gehoorzaamde, hoewel niet dan na nogmaals, als lagchend en
+als om Siddha te plagen, een paar mystische teekens met het blad
+in de lucht te hebben gesneden. Toen wierp hij 't op den grond, en
+men ging verder. Weinige oogenblikken later hing het ligchaam van
+den priester aan den tak van een alleenstaanden boom.
+
+Inmiddels waren een paar lieden, naar 't uiterlijk te oordeelen
+dienaren van een of ander edelman, die bij de gevangenneming
+tegenwoordig waren geweest, doch niet dan onverschillig er naar
+gekeken hadden, onopgemerkt op eenigen afstand den stoet gevolgd,
+die den veroordeelde naar de strafplaats voerde. Zoodra de troep
+voorbij de plek was, waar Gorakh het blad had neergeworpen, gingen
+zij zoeken in het zand en vonden weldra het gezochte voorwerp. Het
+was een verdroogd boomblad, maar waarin met eene snelle hand en
+met behulp van een veelal tot dat einde gebezigd scherp werktuig,
+een aantal woorden stonden gekrast. Na gezamenlijke lezing verborg
+een der beiden het zorgvuldig in zijn gewaad en haastte zich naar
+het kamp terug.
+
+Daar erlangde Salhana, zoodra de tijding van Gorakh's dood aan den
+Keizer was overgebragt, de hem toegezegde levensgenade, maar
+tevens werd aan eenige krijgslieden de last gegeven hem streng te
+blijven bewaken. Na 't einde van den oorlog zou men verder zien,
+wat met hem uit te rigten. Gevangenschap, waarschijnlijk in eene
+of andere vesting, zou, begreep hij wel, zijn lot zijn zoolang
+Akbar regeerde. Maar daarna zou Selim hem zeker aanstonds
+verlossen. En dan was hij misschien ook in de gelegenheid om aan
+zijn wraakzucht tegen Siddha te voldoen....
+
+Het toezicht van zijne bewakers was echter uit den aard der zaak
+niet zoo voortdurend streng, of 't mogt nog wel eens den een of
+ander gelukken hem te naderen; en er werd dan ook geen acht op
+geslagen dat eens op een avond een als dienaar van een der edelen
+gekleed persoon, hem voorbijgaande, snel en heimelijk hem een
+opgerold blad in handen speelde. Wat dat zijn kon? Een geheime
+mededeeling van een zijner vrienden, van Goelbadan misschien om
+hem een middel aan te wijzen tot de vlugt?...
+
+"Salhana!"--dus luidde het haastig en met verkortingen geschreven
+briefje,--"de Keizer, die mij vonnist, zal niet sterven; want dat
+zou u dienen. Maar Doerga kiest tot offer u, die mij verraden
+hebt."
+
+Het angstzweet brak Salhana uit en als verlamd van schrik liet hij
+'t blad uit de hand vallen. Hij wist toch maar al te goed wat die
+weinige woorden beteekenden, en hij wist dus ook dat zijn vonnis
+onherroepelijk was geveld. Het laatste gebod van den Doerga-
+priester zou niet worden veronachtzaamd, en liever nog zouden er
+honderd der zijnen zich opofferen dan het bevel onuitgevoerd
+laten. Of er dan in 't geheel geen hoop en geenerlei kans meer
+was? Inderdaad zoo goed als geene! Ja, was hij nog maar in Agra,
+en daar in de vesting of ergens anders opgesloten, waar die
+anderen althans zoo ligt niet tot hem konden doordringen dan hier
+in 't open veld! Maar hij was in de achterhoede van het leger, en
+deze volgde niet dan zeer langzaam het snel voortrukkend overig
+gedeelte.... Hijzelf bad en smeekte nu zijne bewakers dat zij toch
+goed de wacht bij hem zouden houden, omdat zijn leven door
+sluipmoordenaars was bedreigd; maar zij lachten hem uit, en hij
+hoorde hen zeggen: Er zou ook wat aan verloren zijn! Nog verzocht
+hij dat men in den nacht een licht bij hem zou laten branden, maar
+men bleef hem uitlagchen en hem bespotten om zijn lafhartigheid.
+Hij had geen rustig oogenblik meer. Des daags, op marsch, dacht
+hij langs elke heg of struik de eene of andere donkere gestalte te
+zien sluipen, die hem bespiedde en hem volgde op zijne schreden.
+Bij halten, als anderen rust namen, bleef hij voorzigtig overeind
+zitten en zoekend rondzien langs de boomen en het kreupelhout. En
+dan in den nacht, in den schrikkelijken, eindeloozen nacht! Hij
+had alles willen geven om ten minste wakker te kunnen blijven, en
+hij deed ook zooveel mogelijk zijn best, luisterend naar het
+minste geritsel en telkens in 't donker om zich heen tastend; maar
+bij wijlen overmande hem toch de slaap. Dan schrikte hij
+plotseling weer op en greep naar zijn hals, en dacht er iets te
+voelen dat hem den adem kwam benemen. In 't eind ging hij zich
+verbeelden dat er een koord om zijn nek was geslagen en daar bleef
+zitten tot het eensklaps zou worden toegetrokken. Telkens en
+telkens moest hij door 't gevoel zijner vingers zich overtuigen
+dat hij zich bedroog, tot in 't laatst die beweging van de hand
+naar de keel hem tot eene werktuigelijke gewoonte begon te worden.
+Een enkelen keer kwam de gedachte bij hem op om zelf een eind aan
+zijn leven te maken en op die wijze zich te verlossen van zijn
+marteling; maar hij durfde niet en hij bezat geen moed om zich den
+dolk in het hart te stooten. En dan nog de hoop, hoe flauw ook,
+dat hij nog betrekkelijk veilig mogt zijn als men maar eenmaal in
+Agra zou zijn aangekomen! Maar langzaam ging de togt altijd
+langzamer, en het was nog de vraag of 't wel in het plan van den
+Keizer lag de achterhoede tot de residentie zelve te laten
+voorttrekken....
+
+De Worgers belastten zich eindelijk met de taak, die Salhana zelf
+niet durfde volvoeren, en bevrijdden hem van zijn angst.... Eens
+in den vroegen morgen vonden zijne bewakers hem dood liggen in de
+tent, die gedurende den nacht hem tot verblijf had gestrekt.
+
+
+
+VIJFTIENDE HOOFDSTUK.
+
+Beterschap
+
+In Agra ging alles nagenoeg zooals Akbar en zijne raadslieden van
+den aanvang af berekend hadden, en vooral na de mededeelingen van
+Siddha konden voorzien. Dat Selim nog bij tijds omtrent den
+terugkeer van het leger zou gewaarschuwd worden en 't dus
+misschien niet gelukken zou hem op de daad te betrappen, hadden
+Akbar's vertrouwden nog steeds gevreesd; en wel ware in dat geval
+de aanslag verijdeld, maar tevens vrij wat moeijelijker geweest,
+den Prins te overtuigen van zijn verraad. Nu evenwel de boodschap
+van Gorakh, den leider der zaamgezworenen in het leger was
+onderschept, en Goelbadan in de onmogelijkheid gesteld ze aan
+Selim en de zijnen over te brengen, stonden de kansen veel
+gunstiger. En inderdaad, wel kwamen er enkele geruchten tot de
+zaamgezworenen te Agra omtrent een spoedigen terugtogt van den
+Keizer; maar, niets daaromtrent van hun eigen vrienden vernemend,
+hielden zij die geruchten eenvoudig voor een list om hen van
+eenige onderneming gedurende Akbar's afwezigheid terug te houden.
+Er bestond dus, meenden zij, geenerlei reden om geen uitvoering te
+geven aan het plan.
+
+Op den bepaalden dag dan nam Selim bezit van het vorstelijk
+paleis, en deed zich openlijk in Agra uitroepen als Keizer.
+Terstond ontsloeg hij een aantal van de voornaamste ambtenaren en
+krijgsbevelhebbers en stelde anderen in hun plaats. Schrik en
+ontzetting verspreidden zich allerwege in de stad. De rijken
+sloten hunne huizen, de kooplieden hunne winkels, en de volkrijke,
+anders zoo levendige residentie scheen op eenmaal als uitgestorven.
+De berigten toch omtrent Akbar's terugkeer hadden meer geloof gevonden
+bij de burgerij dan bij de misleide zamenzweerders, en een geduchte
+strijd scheen te voorzien, als Selim, in de vesting zich versterkend,
+een krachtigen tegenstand mogt bieden aan zijn vader. Maar toen de Prins
+nu de vesting liet opeischen, weigerde, tot zijn niet geringe verbazing
+en schrik, de Goeverneur volstandig aan den eisch te voldoen, sloot de
+welversterkte poorten en rigtte zijn geschut tegen de stad. In
+schijn toch had diezelfde Goeverneur, met medeweten van Akbar, de
+zijde van Selim gekozen, zoodat deze volkomen zeker van het fort
+meende te zijn, maar inderdaad was hij den Keizer trouw gebleven.
+En nu bevestigden zich ook de tot dusver in den wind geslagen
+berigten omtrent de bewegingen van het leger, en geen dagmarsch
+scheidde dit weldra meer van de stad. Dus tusschen twee vuren
+geplaatst, terwijl nagenoeg allen die hem in den opstand geholpen
+hadden zoo snel mogelijk hem weer verlieten, begreep Selim dat er
+geen andere uitkomst overbleef dan een overhaaste vlugt. Doch te
+laat! De vooruitgezonden troepen sloten al de uitwegen af, en toen
+Selim met enkele volgelingen de stad wilde verlaten, werd hij
+overvallen door eene afdeeling ruiterij en, hoewel met alle eer,
+toch ook met een gestrengheid die alle verdere poging tot vlugten
+onmogelijk maakte, gevankelijk naar het paleis teruggevoerd waar
+hij een vlugtig oogenblik als Keizer had getroond.
+
+Eenige dagen later ontving hij de uitnoodiging om te verschijnen
+bij den vorst, die thans werkelijk in zijne hoofdstad was
+teruggekeerd. Zijn vorst, zijn vader, zijn regter tevens! Selim
+was dapper, maar thans voelde hij den moed zich toch ontzinken, en
+dat te meer omdat hijzelf zoo volkomen overtuigd was van zijne
+schuld. Ook wist hij dat Akbar grootmoedig kon zijn, maar tevens
+gestreng, als straffen in het rijksbelang noodig was.
+
+Zijn anders niet onredelijke vrees maakte echter spoedig plaats
+voor verwondering, toen hij, alleen bij den Keizer toegelaten,
+dezen met het hoofd in de hand op een divan vond uitgestrekt,
+terwijl zijn andere arm vermoeid over den rand van het rustbed
+hing, en hem ook zijne houding niet zag veranderen toen hij, de
+schuldige, daar binnentrad.
+
+--Ik heb lang gedraald u te ontvangen, Selim!--begon Akbar ten
+laatste, terwijl hij een vlugtigen blik wierp op zijn diep
+beschaamden, in gebogen houding voor hem staanden zoon;--ik zag op
+tegen dit onderhoud; ik wenschte dat gij 't mij gespaard mogt
+hebben!
+
+Weer zweeg hij eenige oogenblikken; en toen, zich halverwege
+oprigtend en de handen omhoog heffend, barstte hij los in een
+bittere en hartstogtelijke klagt:
+
+--Mijn zoon! mijn zoon!--riep hij uit,--dat ik dit van u beleven
+moest! Waartoe liet gij u verleiden door valsche vrienden en
+verkeerd begrepen eerzucht! Gij weet het, hoezeer ik u altijd heb
+lief gehad, uw minste wenschen waar 't mogelijk was zocht te
+voorkomen, u overlaadde met eer en aanzien en schatten. Gij weet
+ook, gij hebt het meer dan eens van mij en van uwe moeder gehoord,
+hoe ik, nog kinderloos en toen ik nog in mijn goedgeloovigen tijd
+verkeerde, heb gebeden om de geboorte van een zoon, en toen
+eindelijk dat geluk mij te beurt viel en gij mij geschonken waart,
+die gebeurtenis herdacht door de stichting van Fattipoer, op welks
+heuvel ik zoo menigmaal tot Allah mijne gebeden had omhoog
+gezonden. Maar had ik geweten wat mij eenmaal van u te wachten
+stond, mijn gebed zou niet zoo vurig en mijne vreugde over zijn
+verhooring zoo groot niet zijn geweest! Ach, was het u dan
+onmogelijk, althans eenmaal in uw leven, eene overwinning te
+behalen op uzelf, en nog zoolang geduld te hebben, alvorens uw
+voet te zetten op den troon, tot uw vader, zoo jong toch niet
+meer, u de plaats had opengelaten? Was 't u ondoenlijk door dat
+eene ten minste de liefde eenigszins te vergelden, die ik u altijd
+heb toegedragen en waarvan gij de blijken toch waarlijk wel
+ondervonden hebt?
+
+Selim wist niet te antwoorden, toen zijn vader weer voor een
+oogenblik ophield te spreken. Die gansch onverwachte ontvangst,
+die altijd, in weerwil van zijne vergrijpen, nog liefderijke
+schoon droevige taal had hem diep getroffen. Want hij was niet
+slecht, niet verstokt van hart, maar zwak en ligtzinnig; en op hem
+rustte de vloek, dien Akbar had weten te ontgaan, de vloek van het
+despotisme, dat den alleenheerscher, en ook hem die weet dat hij
+bestemd is het te zijn, de eigen onbetoomde willekeur in de
+plaats leert stellen van regt en van pligt.
+
+--Maar neen!--ging de Keizer weer voort,--gij hebt het niet
+gewild, of liever nog, gij hebt het niet gekund. Gij zijt nooit in
+staat geweest u te bedwingen in iets; hoe dan in dit eene? Een
+tijd lang, ik zag het met het grootste genoegen, hebt gij
+opgehouden met uwe drinkgelagen, maar hoe kort duurde de
+beterschap! Gij, die in mijne plaats wilt heerschen over anderen,
+gij weet nog niet eens uzelven te beheerschen! En hadt gij nog
+maar beter uwe eigene stelling begrepen! Eigenbelang, maar
+wezenlijk, geen valsch eigenbelang, had u van zelf den regten weg
+gewezen. Gij zoudt dan hebben ingezien dat alleen regtvaardigheid
+en trouwe pligtsvervulling u de achting en genegenheid uwer
+toekomstige onderdanen konden verwerven, maar dat handelingen als
+die waaraan gij thans u hebt schuldig gemaakt, u verachtelijk
+moesten doen worden in hun oogen ook al ware uw doel bereikt en al
+gehoorzaamden zij hun nieuwen meester uit zelfzucht of uit vrees.
+Nu hebt gij, even onverstandig als misdadig, dien eerbied
+verspeeld, en u en ook mij met schande overdekt. Of meent gij, dat
+ook mij de vernedering niet treft, die u heden wordt opgelegd? Hoe
+gaarne had ik ze nog voorkomen! Ik beproefde het, toen ik u op
+raad van Aboel Fazl, die u welwillend gezind was, naar Allahabad
+zond. Ik wist toen nog niet, dat juist Salhana tot de ergste
+verraders en de gevaarlijksten uwer verleiders behoorde. Maar
+genoeg, de poging om u te onttrekken aan uwe omgeving mislukte, en
+de zaken bleven haar gang gaan. Toen werd het ten laatste noodig
+in 't openbaar en ten aanzien van een ieder het bewijs te leveren,
+dat list noch geweld ook van den hoogst geplaatste iets tegen
+Akbar en de zijnen vermag, en dat de Keizer nog altijd oppermachtig
+blijft regeren. Gij hebt mij gedwongen; aan uzelf de schuld van 't geen
+heden is geschied. Uzelven hebt gij veel kwaad gedaan, en mij hebt gij
+diep gegriefd; dieper dan gijzelf welligt op dit oogenblik beseft.
+Moogt gij nimmer in de gelegenheid zijn het volkomen te begrijpen en
+door eigen ondervinding te leeren wat het zegt voor een vader, zijn
+eigen zoon als vijand tegenover zich te zien en zichzelf misschien
+genoopt hem te bestrijden met het zwaard in de hand!
+
+En wel zou die droevige ervaring ook Selim in later dagen niet
+blijven gespaard, en zou hij gelegenheid vinden de woorden zijns
+vaders te overdenken, als eenmaal, in de jaren van zijn ouderdom,
+Shah Djihan, zijn eigen eveneens geliefde zoon, hem bekampen zou
+in 't open veld en meer dan eens met overmagt van legers de zijnen
+zou verslaan!... Thans inmiddels gevoelde hij het zedelijk
+bewustzijn, dat zoolang had geslapen, weer ontwaakt, en voor 't
+eerst doorzag hij in haar vollen omvang zijne schuld, door valsche
+raadgevers hem tot heden steeds als weinig beteekenend, of althans
+als niets buitengewoons en iets wel verschoonbaars voorgesteld. En
+door aandoening overmeesterd, wierp hij, zijn gelaat in de handen
+verbergend, zich op de knieen voor zijn vader neer.
+
+--Sta op!--sprak ten laatste de Keizer na een tijdlang zwijgend
+zijn zoon te hebben aangezien,--en luister! Dat ik het volle regt
+bezit en de magt om u de straf op te leggen die ik mogt
+goedvinden, zult gij zoomin als iemand anders mij kunnen
+betwisten. Maar ik wil voor u geene verdere vernedering dan die
+welke gij reeds hebt ondergaan. Ik wil dat niet, omdat het schaden
+zou aan uw later gezag, aan den eerbied dien men u verschuldigd
+zal zijn als gij mij eenmaal zijt opgevolgd in de regering.
+Strafte ik u nog verder in 't openbaar, ik zou u dan tevens voor
+goed vervallen moeten verklaren van den troon en een uwer jongere
+broeders tot mijn opvolger behooren aan te wijzen. Maar dat wil,
+dat kan ik nog niet. Ik heb u nog te zeer lief om u voor immer te
+verstooten, zoolang ik het vermijden kan. Niettemin blijft alles
+afhangen van uzelven. Zeg mij, en zeg het, gelijk gij in dit
+oogenblik wel zult willen, opregt:--Verlangt gij nog met mij mede
+te werken in het belang van ons rijk, of gevoelt gij daarvoor geen
+lust of geen genoegzame kracht? In 't eene geval zal ik u eene
+eervolle maar moeijelijke werkzaamheid opdragen; in 't andere kunt
+gij hier blijven aan mijn hof, en daar trachten, want dat raad ik
+u toch aan, zooveel althans van de kunst van regeren te vernemen
+als in uw lateren werkkring u onmisbaar zal zijn. Ik laat u de
+keus.
+
+--Mijn vader!--antwoordde thans eindelijk Selim,--ik gevoel het
+volkomen dat ik noch het eene noch het andere aanbod, beiden even
+grootmoedig, heb verdiend, en mij niet zou mogen beklagen, indien
+ik na mijne laatste handelingen door u van de troonopvolging
+vervallen werd verklaard, maar laat gij mij werkelijk eene
+onverdiende keus, dan aarzel ik geen oogenblik, maar grijp
+terstond het eerste van uwe voorstellen aan. Draag mij een zwaren
+en des noods gevaarvollen arbeid op, en ik wil trachten zoo goed
+ik kan dien te volbrengen. Gij hebt mij inderdaad met eer en met
+gunsten overladen, maar misschien ook wel te veel! ik heb mijn
+tijd werkeloos, in ijdele ledigheid, verspild en verbrast, terwijl
+gijzelf dag aan dag en avond aan avond hebt gearbeid voor het nut
+van den staat; en die werkeloosheid, die ellendige ledigheid, die
+geen verstrooijing op den duur kan aanvullen, heeft mij, zoo niet
+geheel dan toch voor een groot deel gehoor doen geven aan
+verraders en verzoekers, die mij een wezenlijken en meer
+roemrijken werkkring voorspiegelden als ikzelf maar eenmaal de
+magt, in handen zou hebben. Wijs mij nu zulk een werkkring aan, al
+is 't een meer nederige, en ik zal misschien nog gelegenheid
+vinden om weer eenigszins goed te maken wat ik jegens u misdreef!
+
+--Gij beoordeelt uzelven niet onjuist,--hernam Akbar,--en de regte
+zelfkennis is wel de eerste stap op den goeden weg. Ook wil ik
+gaarne erkennen dat ik van mijne zijde niet geheel vrij ben van
+schuld, in zoo ver ik u veel te lang dat ledig en bij alle
+grootheid en weelde toch eentoonig leven liet, waarin gij tot
+dusver hebt verkeerd. Maar welaan dan! Niet lang nog is het rijke
+en vruchtbare Bengalen onderworpen aan mijne heerschappij, en nog
+wacht het op de voorregten eener ordelijke regering zooals onze
+landen die genieten. Ga nu, en help mij zulk eene regering
+invoeren ook daar! Gij zult er onder mijne souvereiniteit het
+bestuur op u nemen, en voortaan een nagenoeg onafhankelijk Koning
+zijn, totdat eenmaal de tijd zal zijn gekomen waarin gij, in vrede
+ten laatste met uzelven en geacht weer en bemind door uwe volken,
+de regering zult kunnen aanvaarden over gansch Hindostan!
+
+Tranen van vreugde en van dankbaarheid ontsprongen Selim's oogen,
+en na eerbiedig de hand des Keizers gekust te hebben snelde hij
+heen, vol moed en vol nieuwen levenslust. De verzoening tusschen
+vader en zoon was opregt, en de vrede en vriendschap, Akbar
+gevoelde het en hij zag juist, zou voortaan niet weder tusschen
+hen beiden worden verstoord.
+
+Was het in Agra na den gelukkig voorbijgedreven storm een tijd van
+althans betrekkelijke vreugde, in Allahabad werd het in die dagen
+en vooral in de spoedig daarop volgende een tijd van rouw. Voor
+eene ten minste. In algemeene bewoordingen en zonder noodelooze
+vermelding van bijzonderheden werd aan Iravati de dood haars
+vaders medegedeeld door den nieuwen Goeverneur, die haar tevens de
+verzekering gaf dat zij in den burgt kon blijven vertoeven zoolang
+haar goed dacht. De misdrijven, waaraan Salhana zich schuldig had
+gemaakt waren haar nooit bekend geweest; ook thans vernam zij
+daarvan weinig of niets, daar zij den meesten verholen waren
+gebleven; en, had zij haar vader nooit wezenlijk leeren
+liefhebben, zij had toch tot op zekere hoogte hem achting
+toegedragen, en zijne laatste handelwijze jegens haarzelve
+vergetend, betreurde zij hem wezenlijk en opregt. Doch weldra kwam
+ander nieuws dat wel geschikt bleek om op gansch andere wijze haar
+gemoed te schokken, zoo droevig door 't geen zij omtrent haren
+Siddha vernomen had, reeds gestemd.
+
+Niet lang nadat de tijding van Salhana's dood haar geworden was,
+kwam Koelloeka, de Brahmaan, zich bij haar aanmelden. Alleen zijn
+eene getrouwe dienaar had op een gevaarvollen togt uit het Noorden
+hem vergezeld.
+
+--Edele jonkvrouw!--sprak hij, bij Iravati toegelaten,--ik
+belastte mij met eene zware taak, omdat ik eene boodschap heb over
+te brengen, treurig voor u en voor mij. Ik breng u een teeken, dat
+u wel bekend zal zijn....
+
+En in zijn gordel tastend legde hij den fijn geweven veelkleurigen
+sluijer voor haar neder, dien zij Siddha had toegeworpen, toen zij
+voor het laatst hem onder 't balkon van haar venster had gezien.
+
+--Ik begrijp alles!--riep zij verbleekend uit, terwijl zij
+opsprong;--hij is niet meer!...
+
+--Zoover--antwoordde Koelloeka,--was het nog niet gekomen toen ik
+hem verliet; maar ik vrees toch het ergste, en ik moet twijfelen,
+hoe gaarne ik het tegendeel ook geloofde, of ik ooit mijn
+voormaligen leerling weer zal zien.
+
+--Doch zeg mij, wat is er met hem gebeurd?--vroeg Iravati.--Zie!
+ik ben nu weer bedaard en wil u rustig aanhooren mits gij mij
+alles mededeelt.
+
+En nu verhaalde Koelloeka omstandig al wat hij van Siddha's
+laatste ontmoetingen wist.
+
+Op zijn dringende en ernstige bede had de Keizer hem veroorloofd,
+met zijne Radjpoet's en anderen tegen de stroopers in het Noorden
+op te trekken. Daar, in de hem welbekende gebergten, voerde hij
+een tijdlang een zeer gelukkigen en roemrijken krijg; gevaren
+telde hij niet, maar zocht ze veeleer op, vooral voor zichzelven,
+en menigmaal had hij reeds waagstukken beproefd, waarvoor zelfs de
+dapperste zijner volgelingen waren teruggedeinsd. Altijd echter
+met goed geluk. Doch ten laatste wisten de rooverbenden, terwijl
+hij een bergpas doortrok, hem van zijne hoofdmagt af te snijden en
+hem en zijne nu betrekkelijk weinige volgers van alle kanten te
+omsingelen. Wel streed hij ook thans weer met zijne gewone
+onversaagdheid en kracht, wel wist hij de zijnen door eigen
+voorbeeld lang nog te blijven aanvuren en viel er menig ruiter van
+den vijand door zijn zwaard getroffen in den afgrond, maar ten
+laatste stortte hijzelf met wonden bedekt van zijn paard, terwijl
+de meesten zijner dapperen gewond of gesneuveld rondom hem lagen
+uitgestrekt. Vatsa, die zijne zijde bijkans niet had verlaten en
+hem vallen zag, begreep op dit oogenblik beter te kunnen doen dan
+een ijdele en nuttelooze wraak te beproeven, liet zich onmiddelijk
+van het paard glijden en bleef toen bewegingloos liggen alsof ook
+hij verslagen was. Weinige oogenblikken later kwam de hoofdmagt
+aanrukken en dwong den vijand tot een haastigen aftogt. Nu sprong
+Vatsa snel weer op, begaf zich tot zijn meester en hoewel eerst
+meenend dat hij gesneuveld was, ontdekte hij spoedig tot zijn
+blijdschap dat hij nog leefde. Met behulp van eenige der nieuw
+aangekomen ruiters legde hij den gevallene, na zoo goed het gaan
+wilde zijne wonden verbonden te hebben, op een in der haast
+zamengestelde draagbaar en stelde toen voor, hem naar een in de
+nabijheid gelegen Boeddhistenklooster te voeren, waarheen de weg
+hem bekend was. Aan het plan werd terstond uitvoering gegeven.
+
+--Ikzelf,--vervolgde Koelloeka,--ik bevond mij juist op dat
+oogenblik in het klooster toen de ruiters er met hun zwaar
+gewonden bevelhebber aankwamen. Met de meeste liefde en zorg
+verpleegden hem de goede monniken, en een ervaren geneesheer, die
+zich onder de hunnen bevond, gaf mij de verzekering dat niets zou
+worden gespaard wat zijne kunst vermogt om hem in 't leven te
+behouden. Na eenigen tijd kwam Siddha weer tot bewustzijn, en mij
+aan zijne zijde ontwarend, knikte hij mij vriendelijk toe. Ten
+laatste gevoelde hij ook voor eenige oogenblikken weer de kracht
+om te spreken.--Vriend!--zeide hij,--ik ga u verlaten; Ik gevoel
+dat ik hiervan niet meer zal opkomen. Bewijs mij nog een dienst!--
+Vragend zag ik den geneesheer aan, maar deze schudde het hoofd.
+Ook hij scheen weinig of geen hoop meer te zien. Tevens echter
+wilde hij Siddha het zwijgen opleggen; maar deze stoorde zich niet
+aan het verbod.--Ik moet spreken!--zeide hij;--Koelloeka! neem
+den sluijer dien gij daar bij mijne wapenrusting zult vinden,
+breng dien zoodra gij kunt aan Iravati, en zeg haar dat ik haar
+nooit zoo lief had gedurende mijn leven dan op het oogenblik dat
+ik den dood nabij weet. Ga terstond en wacht niet tot ik gestorven
+ben. Laat mij sterven met het bewustzijn, dat zij het teeken uit
+uwe handen ontvangt!--Toen sloten zich zijne oogen en hij sprak
+niet meer. Ik aarzelde niet aan dat waarschijnlijk laatste verzoek
+te voldoen, nam den sluijer, en Siddha aan de trouwe zorgen van de
+Boeddhisten en Vatsa overlatend, toog ik onverwijld op weg.
+
+--Ik dank u--sprak Iravati,--voor de dienst, welke gij ons beiden
+hebt willen bewijzen. Maar Siddha leeft nog, zegt gij, of was nog
+niet gestorven toen gij hem verliet. Dan weet ik ook wat mij te
+doen staat.
+
+--Te doen?--vroeg de Brahmaan.--Wat zoudt gij kunnen?
+
+--Ik ga met u op weg naar Siddha!--antwoordde Iravati bedaard.
+
+--Wat! Gij?--riep Koelloeka in verbazing uit,--gij, een zwakke
+weerlooze vrouw, zonder sterk geleide daar ginds door die wilde
+bosschen en bergen, waar het zwermt van rooverbenden en waar wij
+anderen zelf reeds aan groote gevaren ons blootstellen op zulk een
+reis! Waar denkt gij aan?
+
+--Zoo goed--was het antwoord,--als gij, mijn vriend! u ter wille
+van Siddha aan die gevaren waagt, zoo goed kan ook ik het voor hem
+doen. En vrees niet dat ik u tot last zal zijn. Ik ben zoo zwak
+niet als gij misschien meent en aan bergwegen en bosschen wel
+gewend.--Neen! ging Iravati voort, toen Koelloeka weer nieuwe
+tegenwerpingen wilde maken,--tracht mij niet af te brengen van
+mijn besluit! Het zou u niet baten. En wilt gij mij niet meenemen,
+dan ga ik alleen met een mijner dienaren. Meen ook niet dat mijn
+besluit in overhaasting wordt genomen en ik er straks wel op terug
+zal komen. Ik heb meer dan eens over de mogelijkheid van een
+dergelijk geval gedacht, als zich juist op dit oogenblik voordoet.
+Ik heb meer dan eens in omstandigheden die er aanleiding toe
+gaven, mijn eigen toestand met dien van de Damayanti der legende
+vergeleken, en ik heb besloten, dat zij, waar 't pas gaf, steeds
+mijn voorbeeld zou zijn. En wat is nu mijn geringe opoffering bij
+de hare? Alleen en van alles beroofd, van alle zijden door nog
+gansch andere gevaren omringd, zwierf zij rond door de wildernis
+om haar trouweloozen echtgenoot op te zoeken; en ik, ik ga, als
+gij 't mij vergunt ten minste, onder geleide van een man van
+beproefde dapperheid en beleid; en waar hij weet door te dringen,
+zal ik wel weten te volgen!
+
+--En zijn arm zal u niet falen, waar die bij magte is u te
+beschermen!--riep thans Koelloeka uit;--en is die arm al wat
+stram, hij bezit toch nog kracht genoeg om het zwaard te hanteren.
+Welaan dan! ik wil uw besluit eerbiedigen, niet minder dan ik het
+bewonder. Zoo bereid u dan voor tot den togt, en gij vindt mij
+gereed om dien met u te ondernemen.
+
+Zonder dralen ontbood Iravati hare dienares, en haastte zich met
+haar de noodige toebereidselen te maken voor de reis, terwijl zij
+haar in korte woorden het doel van den togt mededeelde. Niet
+weinig was de trouwe Nipoenika, die hare meesteres innig liefhad,
+ontsteld, toen zij dat berigt vernam. Maar Iravati legde haar
+onmiddelijk het zwijgen op, toen zij eene poging waagde om haar
+van de onderneming terug te houden.
+
+--Laat mij dan met u gaan!--bad de dienares.
+
+--Neen!--antwoordde Iravati,--dat kan niet. eene vrouw te
+beschermen is al genoeg voor Koelloeka en zijn dienaar. En ik gaf
+u bovendien ook juist kennis van mijn plan, maar in 't geheim
+altijd, opdat, als ik niet terugkeer, iemand wete waar ik gebleven
+ben en dat aan mijne betrekkingen in Kacmir kan melden.
+
+--Maar ware 't dan niet beter, den Goeverneur van het fort om
+behoorlijk geleide te verzoeken?
+
+--Ook dat zou niet deugen. Een afdeeling gewapenden zou onderweg
+juist de aandacht trekken, en eene sterke magt kan de Goeverneur
+ons niet meegeven. Met ons drieen hebben wij dus veel meer kans de
+reis met goed geluk te volbrengen.
+
+Niet aanstonds evenwel kon de togt worden ondernomen. Koelloeka's
+paarden waren nog te vermoeid om onmiddelijk weer op weg te gaan.
+Men had dus tot den namiddag te wachten. Lang viel Iravati die
+werkelooze tusschentijd. Was men maar eenmaal onderweg, dan was er
+ten minste nog eenige afleiding. Nu zat zij onafgebroken te
+mijmeren over dat eene enkele, dat met uitsluiting van alle andere
+gedachten haar bezig hield.
+
+Met schrik, zij wist zelve niet waarom, zag zij op, toen zij
+eensklaps iemand haastig hoorde naderen, en een oogenblik later
+stond een man voor haar, aan wien zij in deze oogenblikken wel 't
+minst van allen zou hebben gedacht--Selim.
+
+--Gij hier?--riep zij uit.
+
+--Ik kwam hier--antwoordde de Prins,--op mijne doorreis naar
+Bengalen. En ik kom, naar ik zooeven ontdekte, juist op een goed
+oogenblik. Ik kom u verhinderen in de uitvoering van een plan, te
+dwaas om in 't hoofd eener verstandige vrouw op te rijzen. Uwe
+dienares heeft, uit liefde voor u, het verbod om er van te spreken
+geschonden en mij gebeden door mijne tusschenkomst het te
+beletten. Ik heb haar dat beloofd.
+
+--Bemoei u, Heer!--sprak Iravati,--wat ik u verzoeken mag, niet
+met mij noch mijne plannen! Ik ben geen kind meer, dat niet weet
+wat het doet. En in allen geval zijt gij ook niet geroepen om voor
+mij te waken.
+
+--Toch zal ik het doen, voor uw eigen welzijn. En ook... welnu!
+waarom het niet ronduit gezegd?... en ook, omdat ik u niet naar
+dien gehaten mededinger verkies te zien gaan, die zelf u ontrouw
+werd. Ik kan de gedachte niet verdragen, dat gij dien man, zoo gij
+hem nog in leven vindt, met liefkozingen zult overladen, terwijl
+gij mij verstooten hebt! En daarom zal ik gebruik maken van mijne
+magt en u dwingen hier te blijven al is 't ook tegen uw wil!
+
+--Gij kunt het, Selim!--antwoordde Iravati,--maar gij zult het
+niet. Gijzelf weet zeer goed dat gij niets zoudt winnen, maar wel
+verliezen door zulk eene laaghartige daad van geweld. Mij zoudt
+gij toch niet erlangen, en Siddha's dood geen oogenblik er door
+verhaasten; gijzelf daarentegen, dien ik tot heden bleef achten,
+ook al kon ik u mijne liefde niet schenken, gij zoudt u door zulk
+eene handelwijze enkel dit eene verzekeren: mijne diepste
+minachting! Begeert gij die? Mijne verachting en uw eigen zeker
+niet geringer zelfverachting bovendien? Wilt gij u aanstellen als
+een zwakke vrouw, die hare hartstogten niet meester is en enkel
+toegeeft aan hare redelooze drift, of wenscht gij u te gedragen
+als een man, en door uzelf te beheerschen ook toonen dat gij
+waardig zijt eenmaal te gebieden over anderen? Beslis het zelf! Ik
+vraag u geen gunst!
+
+Met gejaagden stap ging Selim op en neder. Een heftige strijd werd
+er in zijn binnenste gevoerd door hartstogt en pligtbesef, door
+eergevoel en drift. Haar, de vergeefs gewenschte, vruchteloos
+gevleide, over te laten zonder tegenstand aan den verwenschten
+medeminnaar, was hard, scheen ondoenlijk. Maar toch, zij had regt.
+Geen weerstand kon baten en geweld moest hem 't eenige doen
+verliezen wat hij nog bezat: de achting van haar, wier oordeel hij
+op prijs stelde boven alles. En dan hare laatste woorden, die hem
+levendig de diep gevoelde vermaningen van zijn edelen en
+verstandigen vader voor den geest riepen! Zelfbeheersching,
+zelfverloochening! Eerste pligt en onmisbare deugd voor den Vorst!
+Nooit nog had hij in waarheid ze betracht; en zou nu, na zijne
+ernstige belofte, na zijn stellig voornemen een nieuw leven aan te
+vangen, zijn allereerste handeling weer een daad zijn, die Iravati
+met alle regt eene laaghartige geweldenarij had genoemd?...
+
+--Iravati!--sprak hij ten laatste,--ik onderwerp mij, nu als
+vroeger, aan uw wil. Wat het mij kost behoef ik u niet te zeggen;
+maar genoeg, ik gehoorzaam. Helaas! ik zeg het nogmaals, waarom
+heb ik u niet vroeger gekend? Gij zoudt een ander mensch van mij
+gemaakt hebben dan ik geworden ben. Maar dat is nu eenmaal alles
+anders; en ik wil trachten mij te schikken in 't onvermijdelijke.
+Ga dan, en hoewel ik uw voornemen roekeloos blijf achten, ik mag
+toch niet nalaten het te eerbiedigen als een moedig en edel
+besluit. Maar nog meer nu! Het kan zijn, het ware althans niet
+onmogelijk, dat uw Siddha nog in 't leven bleef; en dan, ik
+begrijp het maar al te wel, zoudt gij met hem u verzoenen en het
+woord gestand doen dat gij hem gezworen hebt. Welnu! met wangunst
+zou ik het aanzien, maar ook zonder wraakzucht jegens u en jegens
+hem die u dierbaar is. Laat het dan eenmaal althans gezegd kunnen
+worden, dat de zwakke en zelfzuchtige Selim zichzelf bedwong en
+dat de toekomstige gebieder van Hindostan ook meester van zijn
+eigen hartstogt kon zijn. En als gij vroeg of laat, gij of Siddha
+Rama, mijne bescherming mogt behoeven, ik geef u mijn vorstelijk
+woord dat ze u niet zal worden onthouden. Eene gunst alleen vraag
+ik van u, die er thans geene van mij wilt ontvangen! Ontzeg mij,
+al zien wij elkaar nimmer weder, uwe vriendschap niet geheel, en
+denk niet met toorn en verachting aan een man, wiens eenig
+misdrijf jegens uzelve toch alleen hierin bestond, dat hij u al te
+hartstogtelijk beminde!...
+
+Geen antwoord meer wachtte hij, maar snelde voort.--Mijn vader!--
+sprak hij in zichzelven, terwijl hij met haastige schreden en
+zonder om te zien zich verwijderde,--zoudt gij thans, voor eenmaal
+ten minste, vrede kunnen hebben met uw zoon?...
+
+
+
+ZESTIENDE HOOFDSTUK.
+
+Feizi's vloek
+
+In 't Boeddha-klooster in het gebergte lag Siddha op zijne
+legerstede, en nevens hem zat Iravati. Zoo groot ook hare vreugde
+was geweest toen zij na den moeijelijken en gevaarvollen, maar
+gelukkig volbragten togt vernam dat haar Siddha nog leefde,
+zoozeer werd die blijdschap ook getemperd toen de geneesheer zijn
+behoud nog uiterst twijfelachtig noemde, en zij, bij hem
+toegelaten, hem voortdurend bewusteloos vond. Of hij ooit weer zou
+ontwaken? Of zou hij sterven zonder haar te hebben herkend?
+
+Na verloop van een in bange afwachting doorgebragten tijd begon er
+ten laatste weer eenige hoop te ontstaan; maar de arts raadde
+Iravati tevens ernstig, zichzelve wat meer rust te gunnen als zij
+den gewonde nog verder wilde blijven verplegen. Ook wisten
+Koelloeka en de monniken haar nu en dan tot eene korte wandeling
+te bewegen; en niet zonder genoegen bezocht zij dan bijwijlen ook
+den kleinen bij het klooster gelegen tempel, als de kerkklok er de
+geloovigen met hunne rozenkransen ten gebede riep. En met
+belangstelling ook luisterde zij meer dan eens naar de redenen van
+den Opperpriester, als deze haar over het ijdele en nietige van
+het menschelijk leven sprak, waarin het leed voor het meerendeel
+der wezens zooveel grooter was dan het geluk, en waarvan eenmaal
+voor goed verlost te worden om te mogen ingaan tot het nirvana, de
+hoogste zaligheid was die voor den mensch bleef weggelegd.
+
+Koelloeka vond op dergelijke redenen wel wat aan te merken, en hij
+zou in andere omstandigheden den priester misschien wel hebben
+tegengeworpen, dat werkzaam te zijn en ten nutte van anderen toch
+een waardiger levenstaak was dan verzonken te blijven in ledige
+bespiegeling omtrent de ijdelheid der dingen; maar hij bemerkte
+dat die stille en kalme, schoon ietwat droomerige leer juist voor
+'t oogenblik een weldadigen invloed op Iravati had; en hij zweeg.
+Ook was tegenspraak hier in zeker opzigt vrij overbodig, vermits
+toch deze Boeddhisten zelf weer het bewijs leverden dat de natuur
+soms beter is dan de leer. Wel namen zij geenerlei deel aan het
+woelige leven en de gewone zorgen der wereld; maar dat zij in
+ledigheid hun tijd doorbragten, kon hun waarlijk niet worden
+verweten. Onvermoeid zwierven zij door het gebergte en gingen rond
+bij de arme bergbewoners, overal weldoende voor zoover in hun
+vermogen stond en zooveel doenlijk het leed verzachtend van allen
+die zich ongelukkig gevoelden, zonder onderscheid van godsdienst,
+van kaste of van nationaliteit.
+
+Weder was Iravati eens op een avond bij het leger van Siddha
+gezeten, terwijl de geneesheer hem van de andere zijde gadesloeg,
+toen hij, langzaam de oogen openend, een vlugtigen blik om zich
+heen wierp en nevens zich Iravati scheen gewaar te worden. Want
+zacht fluisterde hij haar naam, terwijl hij op 't zelfde oogenblik
+weer de oogen sloot. Een wenk van den arts gebood haar, voor heden
+zich te verwijderen; en schoorvoetend, maar 't hart toch vervuld
+van vreugde, verliet zij hem om Koelloeka de heugelijke tijding te
+gaan mededeelen. Den volgenden dag vond deze zijn vriend weer
+aanmerkelijk toegenomen in beterschap en tot spreken ook weer in
+staat.
+
+Maar niet dan spaarzaam maakte Siddha van de gelegenheid gebruik,
+ook toen Iravati weder tot hem kwam. Wel bleef hij haar kennen,
+even als zijn vriend; maar van het voorleden scheen hij zich
+overigens niets te herinneren, en een nevel scheen er te zweven
+voor zijn geest. Wezenloos zat hij meestal voor zich te staren en
+alleen de stem van Iravati kon hem dan voor een oogenblik weer
+doen ontwaken uit zijn verdooving. Dat bleef zoo, ook nadat zijn
+ligchamelijke krachten zoo goed als volkomen reeds waren hersteld
+en hij tot een behoorlijke beweging zich weer geheel in staat
+gevoelde.
+
+Eens echter, toen hij met Iravati in de nabijheid van het klooster
+rondwandelde, was het alsof plotseling een door haar gesproken
+woord, of ook eenig voorwerp dat hem in 't oog viel,--zij wist
+zelve later niet meer wat,--een herinnering bij hem opwekte.
+Eensklaps stond hij stil, zag verwonderd om zich heen, en streek
+zich met de hand over 't gelaat. Maar het hoofd schuddend wandelde
+hij verder. Nogmaals echter stond hij stil, en beschouwde
+oplettend nu eens de hooge bergtoppen, dan de helder blauwe lucht,
+dan weer de vallei en de bosschen daar omlaag.... Eene doodelijke
+bleekheid overtoog zijn gelaat, en met verwilderden blik zag hij
+Iravati aan .... Het geheugen was teruggekeerd en in zijn volle
+kracht; maar hoe? En ware vergetelheid voor altijd niet misschien
+nog gelukkiger geweest?...
+
+--Van hier!--riep hij ten laatste uit,--van hier! Wat wilt gij
+ongelukkige! nog in mijne nabijheid? Hoe moogt gij nog dulden dat
+ik u nader, ik de trouwelooze, de schandelijke verrader, beladen
+met den zwaarsten vloek die het hoofd van een man ooit treffen
+kon!...
+
+Met nameloozen schrik had Iravati hem aangehoord. Wel begreep zij
+niet aanstonds alles, maar toch reeds meer dan genoeg. Zij wilde
+spreken, maar de stem begaf haar en in diepe smart zonk zij neder
+aan zijne voeten.
+
+--De vloek,--herhaalde Siddha wild,--de vloek van Feizi: "Leef met
+de herinnering aan 't geen gij gedaan hebt, gij die u een edelman
+noemt, en al verwerft gij alles wat gij begeert, altijd zult gij
+de oogen neerslaan voor ieder eerlijk man dien gij ontmoet!" En
+dan zou ik nog wagen ze op te heffen tot u, de reine, schuldelooze, die
+ik laaghartig even als dien edelen vriend verried! Ga weg! zeg ik, ver
+van hier! Een gestalte verrijst daar tusschen u en mij!... Het is Feizi,
+innemend, beminnelijk zooals hij was als vriend,... maar nu weer
+dreigend en streng, zooals ik hem zag toen hij als regter mijn vonnis
+sprak!...
+
+En Iravati, het hoofd weer opheffend, zag hem de oogen bedekken
+met de hand, als vreesde hij langer haar te aanschouwen. Eindelijk
+vond zij tot spreken weer de kracht.
+
+--Kom mede--zeide zij,--en ga weer met mij naar binnen! Gij
+overspant u, en haalt u valsche droombeelden in het hoofd. Dat is
+u niet goed. Zoo kom dan!
+
+--Droombeelden!--sprak Siddha bitter,--mogt dat waar zijn! Maar
+neen! Ik ben geheel ontwaakt, ik ben volkomen helder, mijne kracht
+is teruggekeerd, maar ook de herinnering, de vreeselijke
+herinnering, en levendiger nu dan ooit. Nog gevoelde ik niet den
+waren zin van Feizi's woorden; maar thans heb ik ze leeren
+begrijpen, nu ik u heb weergezien. Voor den Keizer, ja! tot zelfs
+voor den minste mijner soldaten heb ik vol schaamte de oogen
+moeten neerslaan, maar nooit zoals nu. En ik zocht ook een
+eerlijken dood, en dat stelde mij nog in staat hun blik te
+verduren...--Iravati!--ging hij voort,--gij weet niet met wien
+gij spreekt, gij kent mijn laatst voorleden niet.
+
+--Ik ken het,--antwoordde Iravati,--en al weet ik niet bepaald wat
+er tusschen u en Feizi is voorgevallen, ik meen het toch
+genoegzaam uit uwe woorden te kunnen opmaken.
+
+--En toch spreekt gij nog met mij?--riep Siddha uit,--en wendt u
+niet van mij af, en kwaamt mij zelfs opzoeken om mij te verplegen
+of mij te troosten in mijne laatste oogenblikken!
+
+--Heb ik u, Siddha! dan geen trouw gezworen en was ik niet
+gehouden mijn woord gestand te doen zoolang het door uzelf mij
+niet werd teruggegeven? En dat is immers niet geschied. Want gij
+hebt mij door Koelloeka het teeken gezonden, dat mij ten blijk
+moest strekken dat uwe laatste gedachte gewijd was aan mij. Toen
+heb ik begrepen dat ik pligten had op mij genomen, pligten van
+eene echtgenoote ook al had nog geen huwelijk ons vereenigd.
+
+--Welnu!--hernam Siddha,--ik ontsla u dan van die pligten en van
+uwe vroegere gelofte! 't Is waar, mijne liefde keerde terug, en
+met gansch nieuwe nog ongekende kracht, toen eenmaal de
+noodlottige verblinding van mij geweken was; maar gij, gij kunt
+mij trouw zijn en uw vermeenden pligt vervullen, maar beminnen
+kunt gij mij niet meer.
+
+--Ik bemin u als voorheen!--antwoordde Iravati.
+
+--Gij zoekt u dat op te dringen uit overdreven eergevoel; maar het
+kan niet zijn, en later zoudt gij u berouwen dat niet beter te
+hebben ingezien. Er is geen liefde, waar geen achting meer kan
+bestaan. En de vrouw moet kunnen opzien tegen den man, en haar
+steun zoeken bij hem; maar ongelukkig het verbond als de man de
+zwakkere is en zich te schamen heeft tegenover zijn eigene
+echtgenoote! Ga dan en vergeet mij; ik ben zelfs uwe herinnering
+niet meer waardig.
+
+--Gij verstoot mij dus?
+
+--Ik heb geen regt u te verstooten, geen regt eigenlijk ook om u
+te ontslaan van uw woord; en zoo ik 't al deed, het was enkel om u
+gerust te stellen en u 't gevoel te sparen alsof gij uit eigen
+beweging mij verlaten hadt.
+
+--Luister naar mijne bede, Siddha!--sprak nu Iravati vleijend,
+terwijl zij vertrouwelijk hare hand op zijn arm legde;--ik wil
+niet met u twisten over al wat gij mij tracht voor te houden, ik
+wil ook niets eischen, niets vorderen als mijn regt, maar u
+smeeken alleen, gehoor te geven aan mijne vurige, mijne
+hartstogtelijke wenschen. Keer u niet van mij af, verlaat mij
+niet, juist op dit oogenblik nu ik meende u herwonnen te hebben!
+Zie ik vraag u niet eens eene belofte voor de toekomst; ik geef u
+de volkomen vrijheid; doch laat mij, al is 't ook maar een korten
+tijd, nog in uwe nabijheid! De scheiding ware mij thans
+onmogelijk!
+
+--Neen, en nogmaals neen!--antwoordde Siddha, thans bijkans met
+hardheid,--geen weifelingen, geen nieuwe zwakheden meer! Ik beging
+er waarlijk al genoeg. Nog eens alzoo: vergeet mij, en laat mij
+gaan!
+
+En Iravati afwerend, die, voor hem nedergebogen, zijn gewaad nog
+met de handen omklemde, wilde hij heensnellen en vlugten om de
+eenmaal en ook nog heden zoo teeder beminde nimmer weer te zien.
+
+--Het is wel!--sprak nu Iravati, zich oprigtend met beleedigd
+gevoel van eigenwaarde, en krachtiger en vaster klonk hare stem
+dan Siddha die nog ooit had gehoord,--het is wel! Gij hebt, geloof
+ik, gelijk. Gij maakt u mijne liefde onwaardig. Eenmaal zijt gij
+ondanks al uwe geloften mij ontrouw geweest, maar ik had het
+vergeven en vergeten, omdat ik begreep dat gij voor eene
+verleiding waart gezwicht gelijk ik die niet kende. Doch nu
+verwerpt gij mij willens en wetens, en niet omdat ik iets jegens u
+misdreef, maar alleen omdat gijzelf te trotsch zijt om voor uwe
+eigene vrouw te willen bekennen, dat gij eenmaal zwak en tegen
+verleiding niet bestand zijt geweest. Welnu dan, verlaat mij!
+Zonder u is mijn leven niets; maar eene afgedwongen liefde mag
+geene jonkvrouw van ons geslacht verlangen, ook niet van den man
+dien zij bemint. En zoo nu de herinnering aan 't geen gij jegens
+een vriend misdreven hebt, u vervolgt, laat er dan nog eene
+bijkomen: de herinnering aan de vrouw, dien gij eenmaal hebt
+liefgehad, maar die gij hebt opgeofferd om te voldoen aan uw
+zelfzuchtige hoovaardij!...
+
+Siddha weifelde. Zou hij gaan? Kon hij blijven? Wel wenschte hij
+dit; maar was het overeen te brengen met zijn gevoel van eer? Toch
+bleef hij nog staan, en verwijderde zich niet, gelijk hij zoo
+aanstonds nog voornemens was.
+
+--Wie zal beslissen?--vroeg hij, de hand aan het voorhoofd
+slaande;--er is waarheid in 't geen gij zegt, en toch ook weer
+strijd met wat ik als regt beschouw...--Doch--vervolgde hij,--zou
+een ander, en die wijzer is dan wij beiden, niet misschien nog
+weten te rigten tusschen ons?
+
+--Gij bedoelt Koelloeka?
+
+--Neen, niet hem, zoo verstandig hij ook zijn mag, en zoo hoog ik
+hem ook acht. Ik weet het vooruit, hij zou slechts uw en mijn
+geluk trachten te verzekeren, en dat meenen te doen door u
+eenvoudig gelijk te geven. Hij is niet onpartijdig, niet vrij meer
+in zijn oordeel. Een ander,--maar vraag mij nu niet nader!--zou de
+eenige zijn, dien ik in een tweestrijd als dezen kan vertrouwen,
+en misschien zal hij mij raad kunnen geven. Luister dan, Iravati!
+naar thans meer bedaarde, verstandige taal! Laat mij van hier
+vertrekken en zoo spoedig mogelijk. Misschien keer ik weldra
+weder, misschien ook nooit. Kom ik terug, dan is mijn verder leven
+voor immer u gewijd; zoo niet, weet dan dat ik heb opgehouden voor
+u te bestaan, en dat gij vrij zijt en van alle vroegere banden
+ontslagen. En nu, geen tegenwerpingen meer! Heb geduld met mij,
+gelijk gij tot dusver het steeds hebt betoond!...
+
+En eer Iravati bij dit nieuw en onverwacht besluit gelegenheid had
+gevonden tot een antwoord, was hij verdwenen, en zocht hij reeds
+naar zijn dienaar om zijn paard te zadelen en zich gereed te maken
+tot een togt, waarvan het doel haar onbekend moest blijven. In
+allerijl begaf zij zich naar Koelloeka en deelde hem in der haast
+mede wat tot verklaring kon strekken van Siddha's zonderling
+besluit. Wat hem gemeld werd, was den goeroe genoeg om hem te doen
+inzien, dat het beter ware Siddha zijn gang te laten, dan hem in
+dit oogenblik tegen te werken, ook al stelden zijne pas herwonnen
+krachten hem nog nauwelijks tot het verduren van vermoeijenissen
+in staat; en zoo goed mogelijk zocht hij de bedrukte Iravati te
+troosten met de hoop, dat zij haar verloofde binnen een niet al te
+lang tijdsverloop zou terug mogen zien. Inmiddels was Siddha zelf,
+na een hartelijk afscheid van den Boeddha-priester, wien hij
+tevens een rijk geschenk voor het klooster ter hand stelde, met
+Vatsa reeds spoedig op weg....
+
+Wederom gleden de late zonnestralen langs de hellingen van den
+Himalaya, en wederom daalde Siddha, maar nu enkel door zijn
+dienaar vergezeld, naar de vallei, waar de woning van Gaurapada
+lag. Daar werd hij door den ouden dienaar ontvangen, die hem
+spoedig herkende en aanstonds zijn meester de komst van den gast
+ging melden.
+
+Met blijdschap ontving de kluizenaar zijn jongen vriend, maar met
+bekommering tevens zag hij hem aan, toen hij de verandering
+opmerkte die zijn voorkomen had ondergaan. Het vroeger zoo open en
+vrolijk gelaat, thans verbleekt, had eene strakke, sombere
+uitdrukking aangenomen en ook de gansche houding scheen niet
+veerkrachtig meer als voorheen. In betrekkelijk korten tijd was de
+jongeling een man geworden; echter niet een man van geestkracht en
+met levensmoed bezield, maar een die gebogen ging onder leed, en
+wel--de scherpe blik van Gaurapada doorzag het dra,--onder dat
+leed, dat welligt het zwaarst te dragen is, de smart die haar
+oorsprong heeft in grievend zelfverwijt.
+
+--Eerwaarde!--begon Siddha, na de eerste begroeting,--of laat mij
+liever zeggen, mijn genadige Vorst!...
+
+--Neen,--viel de kluizenaar hem in de rede,--blijf mij Gaurapada
+noemen! Ik ben niets anders meer.
+
+--Welnu dan,--hernam Siddha,--ik gehoorzaam. En met vreugde zie ik
+dat ge u mijner nog herinnert. Maar tevens zullen dan ook de
+woorden u nog wel heugen, die gij bij mijn kort bezoek in uwe
+gastvrije woning, ten afscheid tot mij gesproken hebt.
+
+--Ik liet u beloven--antwoordde Gaurapada,--mij nogmaals op te
+zoeken als er ooit een tijd in uw leven kwam, waarin gij den raad
+van een goed en opregt vriend mogt behoeven en dien bij een ander
+niet te vinden wist. Ik begrijp, dat een dergelijke reden u thans
+hier brengt. En mag ik oordeelen naar uw uiterlijk, dan moet,
+dunkt mij, die reden ook eene zijn van droevigen aard.
+
+--Dat is zij,--sprak Siddha,--en als ik u alles heb meegedeeld,
+zult gij u misschien verwonderen, dat mijn voorkomen nog niet
+duidelijker te kennen geeft wat er in mij omgaat.
+
+--Kom inmiddels aan de andere zijde van het huis,--zei Gaurapada;--
+wij willen ons daar neerzetten en er rustig zamen spreken.
+
+Gaarne voldeed Siddha aan de uitnoodiging, en nadat hij op
+dringend verlangen van den kluizenaar eerst nog een versterkenden
+wijn en eenige ververschingen had gebruikt, begon hij 't verhaal
+van zijn wedervaren tot op het oogenblik dat hij Iravati in het
+klooster verlaten had.
+
+Opmerkzaam en met groote belangstelling hoorde Gaurapada hem aan,
+en toen het verhaal ten einde was, zweeg hij nog geruimen tijd en
+bleef in gedachten voor zich staren. Eindelijk nam hij weer het
+woord en Siddha aanziend met zijn helder en vriendelijk oog, zeide
+hij:
+
+--Inderdaad! gij hebt u een zwaren last op de schouders gelegd.
+Maar toch niet een, die voor een man niet te dragen zou zijn. Dat
+gij door Goelbadan u liet verleiden acht ik zeer zeker niet te
+verdedigen, maar toch wel verschoonbaar; dat gij echter uwe
+betrekking met haar niet wist af te breken, toen gij ontdekt had
+wie zij was, noem ik een niet ligt te vergeven schending van de
+vriendschap die u aan Feizi verbond. Zoo was ook uw aanvankelijke
+ontrouw jegens den Keizer grootendeels het gevolg eener dwaling;
+maar tegen hem zaam te spannen en tevens in zijn dienst te
+blijven, was misdadig. Ik beoordeel uw gedrag dus geenszins
+zachter dan gijzelf. Integendeel, mijn oordeel moet zelfs iets
+harder zijn. Want gij meent dat de reeks uwer feilen gesloten was,
+toen gij den Keizer uw misdrijf hadt bekend. Maar gij bedriegt u.
+Gij hebt er nog eene begaan, die niet minder noodlottig kon zijn
+dan de overige, hoewel eene dwaling ook waartoe zeer velen in uwe
+omstandigheden plegen te vervallen. De groote meerderheid der
+menschen verbeeldt zich even als gij, dat berouw eene deugd is, en
+dat boete en zelfkastijding het eenige is waardoor de misdadiger
+zijne schuld kan uitwisschen. Maar er zijn weinig dwalingen zoo
+verderfelijk menigmaal in de gevolgen als juist deze, wanneer de
+boete nu juist daarin bestaat, dat men zich onttrekt aan den
+werkkring waarin men nog nuttig werkzaam kan zijn, en ook anderen
+in zichzelven straft. En dat was het, wat gij voornemens waart te
+doen. Eerst zoekt gij den dood op het slagveld; en dat was ook
+zeker 't eenvoudigste, als gij uzelf het leven niet wildet
+benemen; mij blijkt echter niet wat uw dood op zichzelf aan
+anderen gebaat zou hebben, en hoe gij uw vergrijpen er dus weer
+goed mee kondt maken. En nu gij een eervollen dood niet hebt
+kunnen vinden, en daartoe misschien ook voor 't oogenblik geen
+gelegenheid bestaat, nu verklaart gij mij uw voornemen om eenzaam
+te gaan leven in de wildernis en uwe dagen te slijten in
+zelfkastijding en boete. Maar waartoe? Tot wat kan in uw geval die
+afzondering dienen, of voor uzelf of voor een ander? En dan
+Iravati, uwe bruid! Haar verstoot of verlaat gij, hoe ge 't noemen
+wilt, niet omdat zij ontrouw werd jegens u, maar omdat gijzelf u
+te schamen hebt gehad tegenover haar. Gij straft dus niet uzelf,
+maar juist haar in de eerste plaats. Noemt gij zoo iets pligt of
+deugd? Neen, mijn vriend! het zou slecht zijn, omdat het niet
+enkel 't gevolg van een dwaling maar van een grove ondeugd zou
+zijn.... Gij ziet mij verwonderd aan, maar gij zult mij gelijk
+geven als ik u die ondeugd noem. Zij is hoogmoed, verregaande
+trots, en sterk doet ze zich gelden bij u, terwijl ge u hebt
+wijsgemaakt dat gij uzelven vernedert. Iravati heeft gelijk. Gij
+waart te hooghartig om u te verbinden aan eene vrouw, die uwe
+zwakheden kende of ze eenmaal zou kunnen ontdekken, terwijl zij
+zichzelve niets te verwijten had. En evenzoo is het in waarheid
+niet dan hoogmoed, wat u zou nopen de wereld te ontvlugten. Gij
+zijt bevreesd soms iemand te ontmoeten, die 't een of ander van
+uwe vroegere handelingen vernomen had; en zelfs durft gij een
+ander man niet meer onder de oogen zien, ook al is hem niets van u
+bekend, enkel omdat gij u bewust zijt eenmaal verkeerd en slecht
+gehandeld te hebben. Heet dat, vraag ik, deugd of moed, of is 't
+alles niet weder laakbare zwakheid?
+
+--Maar de laatste woorden van Feizi!--sprak Siddha, toen de
+kluizenaar op een antwoord bleef wachten.
+
+--Ik had de tegenwerping voorzien,--hervatte Gaurapada,--en ik
+wil haar volstrekt niet zekere beteekenis ontzeggen. Maar wachten
+wij ons voor overdrijving! Dat Feizi handelde en sprak zooals hij
+deed, noem ik zeer verklaarbaar; ikzelf zou in gelijke omstandigheden
+misschien evenzoo hebben gedaan. En toch had hij in zekere mate weer
+ongelijk; en zoo hij thans in mijne plaats was en dus onpartijdig
+oordeelen kon, hij zou, ik twijfel niet, u hetzelfde zeggen. Een man
+behoeft nog volstrekt niet zijn gansche leven lang zich te blijven
+vernederen tegenover anderen, omdat hij eenmaal een afkeurenswaardige
+daad bedreef, indien hij door latere handelingen de achting zijner
+medeburgers zich waardig heeft weten te maken. Wel daarentegen zou hij
+tegenover hen zich te schamen hebben, wanneer hij, na eens zijn plicht
+door handelen te hebben verzaakt, door niet-handelen voortging dat te
+doen.... En nu, luister naar den raad dien gij mij vraagt en dien ik u
+volgaarne geef. Gij zijt voorlang tot het vol besef van het onwaardige
+uwer vroegere gedragingen gekomen en hebt uzelven daarover aangeklaagd
+bij den Keizer, bij Iravati en bij mij. Dat was goed, zeer goed! Maar
+dat besef, dat helder inzigt in 't verkeerde uwer daden moet niet de
+laatste wezenlijke stap zijn, maar juist de eerste op een beteren weg.
+Het zal u kunnen behoeden voor latere dwalingen; niet alleen voor
+soortgelijke als waartoe ge u liet verleiden, maar ook voor andere. Gij
+zult beter leeren waken over uzelf, uwe indrukken, uwe hartstogten en
+driften, meer beducht zijn voor daden, waarover gij later tegenover
+anderen en uzelf u beschaamd moet gevoelen; en in 't eind kan op die
+wijze een gemoedstoestand voor u geboren worden, waarin 't u nagenoeg
+niet meer mogelijk ware te handelen tegen 't geen plicht en eer
+gebieden. Maar niet, wanneer gij aan het werkelijke leven u onttrekt en
+de verzoeking tracht te ontgaan enkel door ze te ontvlugten. Weersta de
+verleiding, en begin nu in de eerste plaats met de overwinning van
+uw misplaatsten trots! Daarom, neem Iravati tot vrouw en maak u
+harer waardig; ga tot den Keizer en vraag hem een werkzaamheid
+waarin gij hem en uw land van dienst kunt zijn. Ik twijfel geen
+oogenblik, of hij zal ze u gaarne verleenen na uw op nieuw betoonde
+trouw. Ik begrijp dat gij Feizi liefst zult willen ontwijken, en dat is
+ook goed; gij behoort hem een nadere ontmoeting te sparen; maar
+Hindostan is waarlijk groot genoeg om twee menschen van elkaar
+gescheiden te houden, en in Kacmir of elders kunt gij even goed als te
+Agra zelf nog werkzaam zijn. Denk nu over dat een en ander eens na en
+meld mij, als gij 't overwogen zult hebben, uw besluit!--Neen, antwoord
+mij thans niet terstond,--sprak Gaurapada met afwerend gebaar, toen hij
+Siddha gereed zag het woord op te vatten;--neem thans de rust, die, ik
+zie het, u volstrekt noodig is; en als gij dan morgen behoorlijk alles
+hebt overwogen, zeg mij dan of er nog bezwaren bij u bestaan tegen 't
+geen ik gemeend heb u te moeten aanraden!
+
+En met een vriendelijken groet verwijderde zich de kluizenaar en
+liet Siddha over aan zijne eigene overpeinzingen.
+
+Den anderen dag stond nogmaals Siddha gereed om afscheid te nemen,
+en nu voor 't laatst misschien, van Gaurapada. Lang nog bleven de
+beide mannen in gesprek en toen eindelijk de reiziger weer te
+paard zou stijgen, drukte hij met warmte zijn waardigen gastheer
+de hand, en sprak met bewogen stem, maar weer verhelderd gelaat:--
+Ik dank u, Gaurapada! voor de wijze en mannelijke taal, die gij
+tot mij hebt gesproken. Een nieuw leven ben ik u verschuldigd, en
+ik wil hopen mij daarin anders te gedragen dan in dat vorige, dat
+ik niet wil vergeten maar voor altijd achter mij laat. Gij hebt
+mij geleerd wat regt berouw en wezenlijke boete is; moge ik nimmer
+toonen dat ik u verkeerd begreep, of u aanleiding geven tot de
+ervaring dat gij uw goeden raad aan een onwaardige hebt
+verspild!...
+
+
+
+ZEVENTIENDE HOOFDSTUK.
+
+Bij het praalgraf
+
+In de nabijheid van het dorp Sekandra, niet ver van Agra, verheft
+zich een dier prachtige gebouwen, die, de roem van Hindostan en
+door de smaakvolle weelde hunner bouworde de bewondering wekkend
+van alle reizigers, de laatste overblijfselen mogen heeten van de
+voorlang verdwenen grootheid der Mogols. Een met torens bezette
+ringmuur geeft door een breede poort van rooden met marmer
+ingelegden steen den toegang tot een uitgebreid, met lommerrijke
+boomen beplant park, in welks midden zich een gebouw van
+aanzienlijke hoogte en kolossalen omvang bevindt. En dat gebouw
+zelf, niet minder uitmuntend door de strenge schoonheid zijner
+lijnen dan door het weelderige en bevallige der tallooze op de
+muren, poorten en minaretten aangebragte versieringen, is wederom
+door een aantal hoogere en lagere open koepels en galerijen
+omringd, zoodat het geheel eer nog eene verzameling van paleizen
+en lusthoven schijnt dan een op zichzelf staand monument. Die
+grootsche stichting evenwel is niet het verblijf van levenden,
+maar werd bestemd om het gebeente te dekken van een roemruchtigen
+doode, van Akbar.
+
+Eenige jaren na de tot hiertoe vermelde gebeurtenissen stond daar
+in het park eens op een avond een zwijgend paar. Een krachtvol man
+in rijk en smaakvol gewaad, met de linkerhand op het gevest van
+zijn sabel en met den regterarm om de leest eener beeldschoone,
+bevallig gekleede vrouw, die, als de ligte slingerplant aan den
+sterken eik, aan den schouder van haar echtgenoot leunde: Siddha
+Rama met zijne thans overgelukkige Iravati.... Bewonderend zagen
+beiden op naar het heerlijk mausoleum en dachten aan den man, van
+wien zij zoo menigmaal te zamen en nooit anders dan met den
+hoogsten eerbied gesproken hadden.
+
+Veel was er gedurende die inmiddels verloopen jaren anders
+geworden.
+
+Akbar dan was niet meer. Selim, zijn zoon, na op verlangen van
+zijn vader bij diens sterfbed het zwaard te hebben aangegord dat
+hij, de Keizer, steeds had gedragen, was hem opgevolgd en regeerde
+nu onder den titel van Djihangir in Hindostan. Dat hij met Akbar
+niet te vergelijken viel, lag wel in den aard der zaak, en niemand
+dan ook die verwachtte dat hij hem ooit zou evenaren; maar slecht
+kon zijne regering toch niet worden genoemd, en aan zijne
+opvolgers, aan Shah Djihan en Aurengzeb, was het voorbehouden,
+onder allen uitwendigen glans de zaden te strooijen van het
+bederf, dat het eenmaal zoo magtige rijk weer uiteen zou doen
+vallen, om als eene ligte prooi het ten laatste in handen te
+spelen van Britsche veroveraars. Zijne slechte gewoonten had Selim
+overigens nog wel niet gansch afgelegd; en Sir Thomas Roe, die als
+Engelsch gezant zijn hof bezocht, vond gelegenheid om hem in een
+dergelijken toestand te zien, als waarin Siddha hem op het
+nachtfeest in zijn paleis had aanschouwd; maar toch had hij
+geleerd zijne uitspattingen te beperken, en in elk geval was hij
+geenszins de onverbeterlijke dronkaard geworden, die hij eenmaal
+bestemd scheen in 't vervolg van zijn leven te zijn. Jegens
+Iravati had hij volkomen zijn woord gestand gedaan, en gelukkig
+ook vond hij troost over de ondervonden teleurstelling in zijn
+huwelijk met de schoone en verstandige Noermahal, die een
+veelbeteekenenden en in vele opzigten heilzamen invloed op hem
+verkreeg.
+
+Dat Kacmir in 't eind moest onderworpen worden, was reeds lang te
+voorzien geweest; en na de verijdeling van Selim's zamenzwering
+kostte het Akbar weinig moeite meer om door te dringen in het
+ontredderd land en het te onderwerpen aan zijne heerschappij. De
+zwakke Koning was gesneuveld; zijne onwaardige zonen werden
+verbannen; Siddha's vader werd door den Keizer tot Onderkoning
+benoemd, en hijzelf erlangde, met het vooruitzigt zijn vader op te
+volgen, de eerste betrekking na dezen in het land, terwijl
+Koelloeka hem, trouw als steeds, met raad en daad ter zijde bleef
+staan. Niet lang ook of het volk, dat zich eerst niet dan noode
+had gewonnen gegeven, begon de zegeningen te waardeeren van het
+nieuw en thans eindelijk door wijze instellingen en bekwame
+beambten rust en welvaart verzekerend bestuur.
+
+De kluizenaar van den Bhadrinath beleefde niet meer de volkomen
+onderwerping van zijn vaderland. Eens, toen Koelloeka hem een
+bezoek was gaan brengen om hem op de tijding daarvan voor te
+bereiden, vond hij den ouden dienaar alleen. Zijn meester was op
+eenmaal ongesteld geworden en weinige dagen later was hij
+gestorven, rustig en kalm zooals hij in zijne laatste jaren had
+geleefd. De dienaar begroef het lijk op eene hoogte, die naar de
+zijde van Kacmir ziet. Daar legde Hara, de tijger, zich neder, en
+begon, als de dienaar hem zocht te verwijderen en naar huis te
+lokken, op onheilspellende wijze te grommen. Aan het voedsel en
+het water dat hem op die plek gebragt werd, raakte hij niet; en na
+enkele dagen lag hij dood op het graf van zijn meester en vriend.
+De dienaar begroef hem nevens dezen.
+
+Van Parviz, jegens wien Feizi blijkbaar van het gebeurde met
+Goelbadan gezwegen had, ontving Siddha van tijd tot tijd vrolijker
+berigten. Hij was gelukkig door het bezit van de dochter des
+schatmeeesters; en, in een hooge staatsbetrekking geplaatst, hield
+hij zich vooral ook bezig met het ordenen van de letterkundige en
+diplomatische nalatenschap van Aboel Fazl, zijn steeds nog door
+velen diepbetreurden oom.
+
+Abdal Kadir bleef zich terugtrekken uit het openbare leven en werd hoe
+langer hoe regtzinniger, en steeds hartstogtelijker ijveraar voor het
+ware geloof. Hij zocht troost voor zijne vele teleurstellingen en
+ergernissen in het schrijven van zijn Moentak-hab-oet-Tawarikh, waarin
+hij zich bitter bleef beklagen over Akbar en dapper voortging op Aboel
+Fazl en Feizi te schelden, die hem nooit kwaad hadden gedaan.
+
+De Padre Aquaviva keerde niet te Agra terug; anderen kwamen er
+later zijn werk weder opvatten. Met weinig gelukkiger uitslag
+evenwel; en ook nu nog, bijkans drie eeuwen later, blijft de
+bekeering van Hindostan tot de vrome wenschen van Westersche
+dweepers behooren.
+
+Of de trouwe Vatsa met de praatlustige maar goedhartige Nipoenika
+huwde, meldt de geschiedenis niet. De waarschijnlijkheid echter
+bestaat, dat de dienaar en de dienares wel het voorbeeld van
+meester en gebiedster zullen gevolgd hebben.
+
+Aan het geluk van deze beiden ontbrak thans weinig of niets meer.
+Wel kwam er bij wijlen nog eene sombere herinnering opdoemen in
+Siddha's geest, maar hij had zich langzamerhand gewend, zich
+daardoor niet geheel te laten neerslaan, en vooral ook zijn leed
+voor Iravati te verbergen, sinds hij bemerkt had hoezeer 't haar
+bedroefde als zij de donkere uitdrukking op zijn gelaat ontwaarde,
+wier oorzaak zij maar al te wel begreep. Wat en hoe hij misdreef,
+had hij eens voor al omstandig haar bekend, maar als hij toch soms
+nog zinspeelde op het gebeurde, sloot zij vriendelijk lagchend hem
+den mond en wilde er niets meer van hooren. En eenigen tijd na hun
+huwelijk had zij hem een zoon geschonken, dien hij weldra haast
+niet minder dan haarzelve beminde. Toch leerde hij nu eerst
+volkomen haar waardeeren, en begrijpen welk een schat hij gewonnen
+had en bijkans zou hebben versmaad, toen hem Iravati haar
+wedervaren met Selim verhaalde, en vreemd opzag toen hij in
+levendige bewoordingen haar zijne bewondering uitdrukte over hare
+handelwijze; zij toch had, meende ze, niet anders gehandeld dan in
+gelijk geval iedere vrouw van haar geslacht zou hebben gedaan.
+
+Lang bleef Siddha daar nevens haar bij Akbar's graf in gedachten
+verzonken, toen zijn aandacht op eens door een voetstap getrokken
+werd, die in de nabijheid zich deed hooren op den met zware
+steenen bevloerden grond. Ontzet deed hij een stap achterwaarts,
+toen hij den naderende herkende. En zijn uitroep moest Iravati wel
+terstond doen begrijpen tot welke noodlottige ontmoeting het hier
+gekomen was....
+
+--Feizi!...--klonk het uit zijn mond....
+
+Onmiddelijk stond de ander stil, nadat hij eerst zonder op de
+beide bezoekers te letten al mijmerend was blijven voortgaan. En
+ook hij ging een schrede achteruit, toen hij den man gewaar werd
+die hem eenmaal zoo diep beleedigd had .... Maar hij scheen zich
+te bezinnen en trad langzaam weer voorwaarts, en toen hij Siddha
+een beweging zag maken om zich haastig te verwijderen, zeide hij:
+
+--Blijf en hoor mij aan! Hier, bij het graf van den vorst, die
+altijd liever vergaf dan strafte en zijn vijanden niet wist te
+haten, voegt ons geen toorn en geen wrok. Ook ik heb menigmaal
+reeds getracht zijn edel voorbeeld te volgen, en althans in mijn
+hart u de beleediging te vergeven, die ge mij hebt aangedaan. Maar
+ik kon niet, ik miste nog de kracht. Thans, op deze geheiligde
+plek, waar het toeval ons voor 't eerst weer zamenbrengt, heb ik
+eindelijk die kracht gevonden, en wil ik doen wat Akbar in mijne
+plaats zou gedaan hebben. Ik vergeef u, Siddha!
+
+Diep ontroerd en met gebogen hoofd stond Siddha daar voor zijn
+edelmoedigen vijand; en met bewondering zag Iravati naar den man,
+die zulk een strijd tegen zichzelve volstreden had.
+
+--Zie op!--sprak Feizi weder,--en ontvlugt den blik van uw
+vroegeren vriend niet meer! De woorden, die ik eenmaal in toorn
+tot u rigtte, waren zeker niet onverdiend, maar voor een man van
+uw karakter toch inderdaad een vreeselijke, misschien ook al te
+harde straf; en ik weet, door Koelloeka, welk een indruk ze op u
+hebben nagelaten en tot welke verkeerde handelwijze ze u bijkans
+hadden vervoerd. En ik vernam ook van ons beider vriend, dat
+gijzelf de verleider niet zijt geweest en in den beginne ook niet
+geweten hadt wie de verleidster was. Haar invloed en geduchte magt
+heb ikzelf trouwens wel gekend. Te vreezen is zij thans voor
+niemand meer. In hare gevangenschap heeft zij zelve een eind aan
+haar schuldig leven gemaakt. Doch genoeg reeds van het voorleden,
+vooral in tegenwoordigheid van haar, die ik begrijp als uwe edele
+echtgenoote te mogen begroeten. Laat het dan vergeten zijn
+tusschen ons! Uwe verdere handelingen, waarvan ik later veel
+vernam, hebben u op nieuw de achting en vriendschap waardig
+gemaakt van een man van eer. Ziedaar mijn hand als voorheen!
+
+Het was Iravati die ze greep, terwijl Siddha nog nauw van zijne
+ontroering scheen bekomen.
+
+--Heer!--sprak zij,--ik zeg u dank, innigen dank voor uwe
+grootmoedigheid! Wat gij gezegd hebt verjaagt de donkere wolk, die
+nog altijd ons huwelijksgeluk kwam verstoren, en het looden wigt
+is dan eindelijk opgeheven, waaronder mijn Siddha zoolang heeft
+gebukt gegaan!
+
+--Ik zoek naar woorden,--sprak nu ten laatste Siddha zelf, terwijl
+hij thans ook de hand van Feizi aannam,--naar woorden om uit te
+drukken wat ik in dit oogenblik gevoel; maar ik weet ze nog niet
+te vinden. Toen ik eenmaal mij getroost, althans mij gesterkt
+achtte door de verstandige taal van een wijs man, geloofde ik tot
+een nieuw leven herboren te zijn; maar thans gevoel ik het, ik ben
+dat eerst nu! Uwe vriendschap, Feizi! had voor mij steeds de
+hoogste waarde; maar te grievender dan ook mijn zelfverwijt en te
+zwaarder mijne straf, toen ik door eigen schuld op de schandelijkste
+wijze ze had verbeurd. En die vriendschap, die ge mij edelmoedig
+teruggeeft, acht ik ook het hoogste geschenk dat tegenwoordig mij nog
+geworden kon.
+
+--Toch zal--hernam Feizi,--onze tegenwoordige toevallige
+zamenkomst slechts kort van duur en deze onze ontmoeting
+waarschijnlijk wel de laatste zijn. Dat ik aan de staatsdienst mij
+heb onttrokken, is u zeker wel bekend; Selim, of zooals hij nu met
+een trotschen titel zich gelieft te noemen, Djihangir, zag mij zoo
+min als mijn broeder ooit met een goed oog aan; en bovendien viel
+'t mij zwaar hem te gaan dienen, om redenen, die ik nu niet verder
+behoef aan te duiden. Ik trok mij dus terug en leefde stil te
+Agra. Nu heeft Shah Abbas, de Koning van Perzie, mij uitgenoodigd
+om in zijne hoofdstad te komen en mij daar met wetenschappelijke
+werkzaamheden bezig te houden. Aan die uitnoodiging wil ik gehoor
+geven. Morgen vertrek ik naar Ispahan, en, zoo 't mij daar
+behaagt, denk ik er ook te blijven. Maar ik mogt niet van hier
+gaan zonder een afscheidsbezoek aan de laatste woning van mijn
+vorstelijken vriend. Daarom treft gij mij heden op deze plaats.
+Die vriend was mij alles, Siddha! en meer zelfs dan mijn leven en
+huwelijksgeluk; en indien gij tegen hem u waart blijven
+bezondigen, neen! ik geloof niet dat ik 't ooit u vergeven had.
+Maar gij hebt getoond hem te eeren en te hoogachten als ik, ook al
+waart gij nooit in de gelegenheid hem zoo te waardeeren en zoo
+lief te hebben als de weinigen, die hem volkomen en in zijne
+buitengewone grootheid en ook in zijne kleine maar doorgaans nog
+altijd beminnenswaardige zwakheden hebben gekend.
+
+--Ik heb--merkte Siddha aan,--inderdaad hem zoo nooit leeren
+kennen, maar toch genoeg van hem kunnen ontdekken om hem niet
+anders dan met de grootste bewondering en den hoogsten eerbied te
+herdenken. Ook een ander vorst heb ik gekend, maar die opgehouden
+had het te zijn; en grooten dank ben ik hem verschuldigd, en
+dierbaar is mij zijne nagedachtenis; maar nadat ik mij vroeger de
+vraag had gesteld, wie van die beiden wel de grootste was, kwam ik
+in later dagen tot de overtuiging, dat de stille en rustige
+wijsgeer, die van alle wereldsche genietingen afstand had gedaan,
+toch nog overtroffen werd door den wijsgeer op den troon, die te
+midden van het woeligst staatsleven diezelfde gelijkmatigheid van
+karakter en die regtvaardigheid van zin had weten te bewaren, die
+de ander in zijne afzondering zich had eigen gemaakt. Inderdaad,
+zoo een, dan heeft wel Akbar zijn naam verdiend!
+
+--Dat zullen wel alle komende geslachten u nazeggen,--sprak
+Feizi,--in 't Oosten en in 't Westen. Die titel van "de Groote"
+pleegt door vleijers en begunstigden aan menig vorst te worden
+toegekend; maar dikwijls met weinig regt. Niet hier aldus. Indien
+groot te zijn waarlijk beteekent, zichzelf met geen minder kracht
+dan anderen te beheerschen en een leven van moeiten en zorgen toe
+te wijden aan het geluk zijner medemenschen, dan was de man wiens
+gebeente ginds rust in waarheid wel een groot man. Er zijn vorsten
+geweest, en er zullen er misschien ook nog komen, wier naam in de
+wereldgeschiedenis meer bekendheid erlangt dan de zijne; er waren
+er, en er zullen ook mogelijk nog zijn, wien nog hooger roem ten
+deel valt dan hem; maar zeer zelden toch zal er een magthebber in
+de geschiedenis zijn aan te wijzen, die te midden van al zijne
+grootheid zoo volkomen als Akbar zich mensch bleef betoonen in de
+schoonste en edelste beteekenis van het woord ...--En nu:--besloot
+Feizi, terwijl hij beiden, Siddha en Iravati, de hand drukte,--
+vaartwel! En denkt ook nog eens aan mij, als ik ver van hier zal
+zijn. Gij kunt het nu voortaan zonder bitterheid. Ook mijzelven
+ontneemt die overtuiging een last, die lang mij zwaar gewogen
+heeft! ...
+
+Nog bleef Siddha geruimen tijd nadat Feizi zich langzaam door de
+breede laan had verwijderd, met zijne Iravati in het park
+vertoeven. Eindelijk verliet hij met haar ook de plaats, waar hij
+een laatste, stilzwijgende hulde was komen brengen aan de
+nagedachtenis van den grooten Keizer.
+
+--Zoo gaan zij dan allen,--sprak hij mijmerend onder 't huiswaarts
+keeren,--allen die wij leerden kennen en hoogachten! Ook hem zien
+wij waarschijnlijk nooit terug, die zooeven ons verliet. Toch
+sterven zulke mannen als Akbar en Aboel Fazl en Feizi niet als de
+dood een eind aan hun leven maakt! Zij blijven voortbestaan in de
+herinnering, die ze ons nalaten en in hunne werken. Hunne gedachte
+bezielt anderen die na hen komen, en wederom anderen die er komen
+na dezen. Of dat niet de onsterfelijkheid zou zijn?...
+
+
+
+
+*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK, AKBAR ***
+
+This file should be named 7akba10.txt or 7akba10.zip
+Corrected EDITIONS of our eBooks get a new NUMBER, 7akba11.txt
+VERSIONS based on separate sources get new LETTER, 7akba10a.txt
+
+Project Gutenberg eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the US
+unless a copyright notice is included. Thus, we usually do not
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+We are now trying to release all our eBooks one year in advance
+of the official release dates, leaving time for better editing.
+Please be encouraged to tell us about any error or corrections,
+even years after the official publication date.
+
+Please note neither this listing nor its contents are final til
+midnight of the last day of the month of any such announcement.
+The official release date of all Project Gutenberg eBooks is at
+Midnight, Central Time, of the last day of the stated month. A
+preliminary version may often be posted for suggestion, comment
+and editing by those who wish to do so.
+
+Most people start at our Web sites at:
+http://gutenberg.net or
+http://promo.net/pg
+
+These Web sites include award-winning information about Project
+Gutenberg, including how to donate, how to help produce our new
+eBooks, and how to subscribe to our email newsletter (free!).
+
+
+Those of you who want to download any eBook before announcement
+can get to them as follows, and just download by date. This is
+also a good way to get them instantly upon announcement, as the
+indexes our cataloguers produce obviously take a while after an
+announcement goes out in the Project Gutenberg Newsletter.
+
+http://www.ibiblio.org/gutenberg/etext04 or
+ftp://ftp.ibiblio.org/pub/docs/books/gutenberg/etext04
+
+Or /etext03, 02, 01, 00, 99, 98, 97, 96, 95, 94, 93, 92, 92, 91 or 90
+
+Just search by the first five letters of the filename you want,
+as it appears in our Newsletters.
+
+
+Information about Project Gutenberg (one page)
+
+We produce about two million dollars for each hour we work. The
+time it takes us, a rather conservative estimate, is fifty hours
+to get any eBook selected, entered, proofread, edited, copyright
+searched and analyzed, the copyright letters written, etc. Our
+projected audience is one hundred million readers. If the value
+per text is nominally estimated at one dollar then we produce $2
+million dollars per hour in 2002 as we release over 100 new text
+files per month: 1240 more eBooks in 2001 for a total of 4000+
+We are already on our way to trying for 2000 more eBooks in 2002
+If they reach just 1-2% of the world's population then the total
+will reach over half a trillion eBooks given away by year's end.
+
+The Goal of Project Gutenberg is to Give Away 1 Trillion eBooks!
+This is ten thousand titles each to one hundred million readers,
+which is only about 4% of the present number of computer users.
+
+Here is the briefest record of our progress (* means estimated):
+
+eBooks Year Month
+
+ 1 1971 July
+ 10 1991 January
+ 100 1994 January
+ 1000 1997 August
+ 1500 1998 October
+ 2000 1999 December
+ 2500 2000 December
+ 3000 2001 November
+ 4000 2001 October/November
+ 6000 2002 December*
+ 9000 2003 November*
+10000 2004 January*
+
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation has been created
+to secure a future for Project Gutenberg into the next millennium.
+
+We need your donations more than ever!
+
+As of February, 2002, contributions are being solicited from people
+and organizations in: Alabama, Alaska, Arkansas, Connecticut,
+Delaware, District of Columbia, Florida, Georgia, Hawaii, Illinois,
+Indiana, Iowa, Kansas, Kentucky, Louisiana, Maine, Massachusetts,
+Michigan, Mississippi, Missouri, Montana, Nebraska, Nevada, New
+Hampshire, New Jersey, New Mexico, New York, North Carolina, Ohio,
+Oklahoma, Oregon, Pennsylvania, Rhode Island, South Carolina, South
+Dakota, Tennessee, Texas, Utah, Vermont, Virginia, Washington, West
+Virginia, Wisconsin, and Wyoming.
+
+We have filed in all 50 states now, but these are the only ones
+that have responded.
+
+As the requirements for other states are met, additions to this list
+will be made and fund raising will begin in the additional states.
+Please feel free to ask to check the status of your state.
+
+In answer to various questions we have received on this:
+
+We are constantly working on finishing the paperwork to legally
+request donations in all 50 states. If your state is not listed and
+you would like to know if we have added it since the list you have,
+just ask.
+
+While we cannot solicit donations from people in states where we are
+not yet registered, we know of no prohibition against accepting
+donations from donors in these states who approach us with an offer to
+donate.
+
+International donations are accepted, but we don't know ANYTHING about
+how to make them tax-deductible, or even if they CAN be made
+deductible, and don't have the staff to handle it even if there are
+ways.
+
+Donations by check or money order may be sent to:
+
+Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+PMB 113
+1739 University Ave.
+Oxford, MS 38655-4109
+
+Contact us if you want to arrange for a wire transfer or payment
+method other than by check or money order.
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation has been approved by
+the US Internal Revenue Service as a 501(c)(3) organization with EIN
+[Employee Identification Number] 64-622154. Donations are
+tax-deductible to the maximum extent permitted by law. As fund-raising
+requirements for other states are met, additions to this list will be
+made and fund-raising will begin in the additional states.
+
+We need your donations more than ever!
+
+You can get up to date donation information online at:
+
+http://www.gutenberg.net/donation.html
+
+
+***
+
+If you can't reach Project Gutenberg,
+you can always email directly to:
+
+Michael S. Hart <hart@pobox.com>
+
+Prof. Hart will answer or forward your message.
+
+We would prefer to send you information by email.
+
+
+**The Legal Small Print**
+
+
+(Three Pages)
+
+***START**THE SMALL PRINT!**FOR PUBLIC DOMAIN EBOOKS**START***
+Why is this "Small Print!" statement here? You know: lawyers.
+They tell us you might sue us if there is something wrong with
+your copy of this eBook, even if you got it for free from
+someone other than us, and even if what's wrong is not our
+fault. So, among other things, this "Small Print!" statement
+disclaims most of our liability to you. It also tells you how
+you may distribute copies of this eBook if you want to.
+
+*BEFORE!* YOU USE OR READ THIS EBOOK
+By using or reading any part of this PROJECT GUTENBERG-tm
+eBook, you indicate that you understand, agree to and accept
+this "Small Print!" statement. If you do not, you can receive
+a refund of the money (if any) you paid for this eBook by
+sending a request within 30 days of receiving it to the person
+you got it from. If you received this eBook on a physical
+medium (such as a disk), you must return it with your request.
+
+ABOUT PROJECT GUTENBERG-TM EBOOKS
+This PROJECT GUTENBERG-tm eBook, like most PROJECT GUTENBERG-tm eBooks,
+is a "public domain" work distributed by Professor Michael S. Hart
+through the Project Gutenberg Association (the "Project").
+Among other things, this means that no one owns a United States copyright
+on or for this work, so the Project (and you!) can copy and
+distribute it in the United States without permission and
+without paying copyright royalties. Special rules, set forth
+below, apply if you wish to copy and distribute this eBook
+under the "PROJECT GUTENBERG" trademark.
+
+Please do not use the "PROJECT GUTENBERG" trademark to market
+any commercial products without permission.
+
+To create these eBooks, the Project expends considerable
+efforts to identify, transcribe and proofread public domain
+works. Despite these efforts, the Project's eBooks and any
+medium they may be on may contain "Defects". Among other
+things, Defects may take the form of incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other
+intellectual property infringement, a defective or damaged
+disk or other eBook medium, a computer virus, or computer
+codes that damage or cannot be read by your equipment.
+
+LIMITED WARRANTY; DISCLAIMER OF DAMAGES
+But for the "Right of Replacement or Refund" described below,
+[1] Michael Hart and the Foundation (and any other party you may
+receive this eBook from as a PROJECT GUTENBERG-tm eBook) disclaims
+all liability to you for damages, costs and expenses, including
+legal fees, and [2] YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE OR
+UNDER STRICT LIABILITY, OR FOR BREACH OF WARRANTY OR CONTRACT,
+INCLUDING BUT NOT LIMITED TO INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE
+OR INCIDENTAL DAMAGES, EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE
+POSSIBILITY OF SUCH DAMAGES.
+
+If you discover a Defect in this eBook within 90 days of
+receiving it, you can receive a refund of the money (if any)
+you paid for it by sending an explanatory note within that
+time to the person you received it from. If you received it
+on a physical medium, you must return it with your note, and
+such person may choose to alternatively give you a replacement
+copy. If you received it electronically, such person may
+choose to alternatively give you a second opportunity to
+receive it electronically.
+
+THIS EBOOK IS OTHERWISE PROVIDED TO YOU "AS-IS". NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, ARE MADE TO YOU AS
+TO THE EBOOK OR ANY MEDIUM IT MAY BE ON, INCLUDING BUT NOT
+LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR A
+PARTICULAR PURPOSE.
+
+Some states do not allow disclaimers of implied warranties or
+the exclusion or limitation of consequential damages, so the
+above disclaimers and exclusions may not apply to you, and you
+may have other legal rights.
+
+INDEMNITY
+You will indemnify and hold Michael Hart, the Foundation,
+and its trustees and agents, and any volunteers associated
+with the production and distribution of Project Gutenberg-tm
+texts harmless, from all liability, cost and expense, including
+legal fees, that arise directly or indirectly from any of the
+following that you do or cause: [1] distribution of this eBook,
+[2] alteration, modification, or addition to the eBook,
+or [3] any Defect.
+
+DISTRIBUTION UNDER "PROJECT GUTENBERG-tm"
+You may distribute copies of this eBook electronically, or by
+disk, book or any other medium if you either delete this
+"Small Print!" and all other references to Project Gutenberg,
+or:
+
+[1] Only give exact copies of it. Among other things, this
+ requires that you do not remove, alter or modify the
+ eBook or this "small print!" statement. You may however,
+ if you wish, distribute this eBook in machine readable
+ binary, compressed, mark-up, or proprietary form,
+ including any form resulting from conversion by word
+ processing or hypertext software, but only so long as
+ *EITHER*:
+
+ [*] The eBook, when displayed, is clearly readable, and
+ does *not* contain characters other than those
+ intended by the author of the work, although tilde
+ (~), asterisk (*) and underline (_) characters may
+ be used to convey punctuation intended by the
+ author, and additional characters may be used to
+ indicate hypertext links; OR
+
+ [*] The eBook may be readily converted by the reader at
+ no expense into plain ASCII, EBCDIC or equivalent
+ form by the program that displays the eBook (as is
+ the case, for instance, with most word processors);
+ OR
+
+ [*] You provide, or agree to also provide on request at
+ no additional cost, fee or expense, a copy of the
+ eBook in its original plain ASCII form (or in EBCDIC
+ or other equivalent proprietary form).
+
+[2] Honor the eBook refund and replacement provisions of this
+ "Small Print!" statement.
+
+[3] Pay a trademark license fee to the Foundation of 20% of the
+ gross profits you derive calculated using the method you
+ already use to calculate your applicable taxes. If you
+ don't derive profits, no royalty is due. Royalties are
+ payable to "Project Gutenberg Literary Archive Foundation"
+ the 60 days following each date you prepare (or were
+ legally required to prepare) your annual (or equivalent
+ periodic) tax return. Please contact us beforehand to
+ let us know your plans and to work out the details.
+
+WHAT IF YOU *WANT* TO SEND MONEY EVEN IF YOU DON'T HAVE TO?
+Project Gutenberg is dedicated to increasing the number of
+public domain and licensed works that can be freely distributed
+in machine readable form.
+
+The Project gratefully accepts contributions of money, time,
+public domain materials, or royalty free copyright licenses.
+Money should be paid to the:
+"Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+If you are interested in contributing scanning equipment or
+software or other items, please contact Michael Hart at:
+hart@pobox.com
+
+[Portions of this eBook's header and trailer may be reprinted only
+when distributed free of all fees. Copyright (C) 2001, 2002 by
+Michael S. Hart. Project Gutenberg is a TradeMark and may not be
+used in any sales of Project Gutenberg eBooks or other materials be
+they hardware or software or any other related product without
+express permission.]
+
+*END THE SMALL PRINT! FOR PUBLIC DOMAIN EBOOKS*Ver.02/11/02*END*
+
diff --git a/old/7akba10.zip b/old/7akba10.zip
new file mode 100644
index 0000000..84a5351
--- /dev/null
+++ b/old/7akba10.zip
Binary files differ
diff --git a/old/8akba10.txt b/old/8akba10.txt
new file mode 100644
index 0000000..9875b4a
--- /dev/null
+++ b/old/8akba10.txt
@@ -0,0 +1,10374 @@
+The Project Gutenberg EBook of Akbar, by Petrus Abraham Samuel van Limburg Brouwer
+
+Copyright laws are changing all over the world. Be sure to check the
+copyright laws for your country before downloading or redistributing
+this or any other Project Gutenberg eBook.
+
+This header should be the first thing seen when viewing this Project
+Gutenberg file. Please do not remove it. Do not change or edit the
+header without written permission.
+
+Please read the "legal small print," and other information about the
+eBook and Project Gutenberg at the bottom of this file. Included is
+important information about your specific rights and restrictions in
+how the file may be used. You can also find out about how to make a
+donation to Project Gutenberg, and how to get involved.
+
+
+**Welcome To The World of Free Plain Vanilla Electronic Texts**
+
+**eBooks Readable By Both Humans and By Computers, Since 1971**
+
+*****These eBooks Were Prepared By Thousands of Volunteers!*****
+
+
+Title: Akbar
+
+Author: Petrus Abraham Samuel van Limburg Brouwer
+
+Release Date: October, 2004 [EBook #6712]
+[This file was first posted on January 18, 2003]
+[Most recently updated March 29, 2004]
+
+Edition: 10
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding: ISO-8859-1
+
+*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK, AKBAR ***
+
+
+
+
+Produced by Jeroen Hellingman, Miranda van de Heijning, Charles Franks and
+the Online Distributed Proofreading Team.
+
+
+
+AKBAR
+
+EEN OOSTERSCHE ROMAN
+
+Mr. P.A.S. van Limburg Brouwer
+
+
+
+INLEIDING
+
+De grootsche figuur van Keizer Akbar, den beheerscher van Indië
+in het laatst der zestiende eeuw (1556-1605), scheen mij om meer
+dan ééne reden zoozeer aller belangstelling te verdienen, dat ik
+niet aan de verzoeking heb kunnen weerstaan, hem als hoofdpersoon
+te doen optreden in eene romantische schets, welke ik hierbij ons
+publiek waag aan te bieden.
+
+Voor den lezer, die gesteld mogt zijn op eene nauwlettende
+onderscheiding tusschen hetgeen er wezenlijk historisch in het
+boek voorkomt en wat daarin is verdicht, strekke het volgende.
+
+Bepaald geschiedkundige personen, behalve Akbar zelf, zijn: Selim,
+zijn zoon; Aboel Fazl, zijn Vizier; diens broeder Feizi; Abdal
+Kadir Badaoni; Rodolpho Aquaviva, de Jezuïet, en enkele anderen
+van minder beteekenis. Parviz behoort mede tot de geschiedenis
+maar droeg een anderen naam. Nandigoepta is wel geen historisch
+persoon, maar toch een type, gelijk er meer dan een in de
+geschiedenis van Indië, en in 't bijzonder van Kaçmir, valt aan
+te wijzen. Zoo ook Gorakh en zijne Worgers. En Iravati blijft in
+zeker opzigt eene historische figuur, voorzoover zij het beeld der
+echt Indische vrouw moet vertegenwoordigen, gelijk die in het
+drama en de legende van Indië ons wordt voorgesteld. Verscheidene
+gezegden eindelijk, den personen in den mond gelegd, zijn mede
+historisch.--In enkele punten is, om ligt begrijpelijke redenen
+eenigszins van de werkelijke geschiedenis afgeweken: tijdens Akbar
+regeerden in Kaçmir geen Hindoe-vorsten meer, hoewel het land voor
+'t overige volkomen Indisch bleef; de aanslag van Selim, waarvan
+de bijzonderheden mede eenigszins gewijzigd zijn voorgesteld,
+geschiedde gedurende den togt niet tegen Kaçmir, maar tegen
+Dekkan; Feizi was ouder dan Aboel Fazl en stierf vóór diens moord;
+Fattipoer ligt iets verder van Agra dan 't in het verhaal is
+voorgesteld. Op de beoordeeling van het karakter der feiten en der
+personen kunnen dergelijke geringe afwijkingen intusschen wel van
+geen invloed zijn.
+
+In den stijl van het werk is, in 't bijzonder bij de gesprekken,
+voorzooveel zonder slaafsche navolging en zonder misbruik van
+vreemde woorden doenlijk scheen, naar behoud van den Oosterschen
+vorm gestreefd, en bij de spelling van eigennamen meer gelet op
+gemak voor den lezer dan op de eischen eener streng wetenschappelijke
+schrijfwijze. De hier en daar ingevoegde gedichten zijn allen door mij
+bewerkt naar den oorspronkelijken Oosterschen tekst.
+
+Eene uitvoerige opgave van de bronnen, die bij de zamenstelling
+hebben gediend, zal men hier wel niet verlangen; en den
+geschiedkenner ware daaromtrent ook niet veel nieuws mede te
+deelen. Hij toch weet, dat de geschriften van Aboel Fazl en Abdal
+Kadir de voornaamste oorspronkelijke bronnen voor de kennis van
+Akbar's leven, instellingen en begrippen zijn, waaruit de meeste
+latere, zoo Oostersche als Westersche schrijvers hebben geput, en
+dat de berigten der Jezuïeten uit het Hindostan van zijn tijd,
+schoon menigmaal blijkbaar onjuist, toch in vele opzigten tot
+aanvulling en verklaring dienen van die der Perzische geschiedschrijvers.
+Nauw ook eischt vermelding dat verscheidene nieuwere historische werken
+van meer of minder uitgebreidheid, reisbeschrijvingen en plaatwerken in
+dezen geraadpleegd zijn. Voor het meer bepaald Indische in den roman
+dienden hoofdzakelijk de verschillende legenden, vertellingen, romans en
+drama's, die uit de Sanskritlitteratuur zijn tot ons gekomen, en voor de
+eigen wijsgeerig-godsdienstige begrippen van Akbar, die overigens nog 't
+best uit het geschrift van zijn voornaamsten tegenstander, Abdal
+Kadir, zijn op te maken, de Vedische of oud-Indische voorstellingen,
+waaraan hij meerendeels zijne eigene moet hebben ontleend. Door andere
+schrijvers schijnt op dit laatste te weinig acht te zijn geslagen. Eéne
+bron verdient nog bijzondere vermelding, omdat ze tot heden niet bekend
+werd: de velerlei mededeelingen omtrent land en volk door de kooplieden
+onzer Oost-Indische Compagnie, die kort na Akbars regering te Soeratta
+en te Agra waren gevestigd en wier brieven nog worden bewaard in ons
+oud-koloniaal archief.
+
+Bij alle zorg voor nauwkeurigheid blijft in eene proeve als deze
+de mogelijkheid van vergissingen en onjuistheden, vooral wat
+plaatsbeschrijvingen aangaat, nog altijd bestaan. In zoover die nu
+hier of daar mogten zijn ingeslopen, kan de schrijver wel niet
+anders dan voorloopig daaromtrent verschooning vragen en zich
+aanbevolen houden voor gegronde teregtwijzing.
+
+Den Haag, October 1872. v. L. B.
+
+
+
+EERSTE HOOFDSTUK.
+
+Een kluizenaar
+
+Met rooden gloed schoten de laatste stralen der ondergaande zon,
+weerkaatst door de purpergetinte sneeuwvelden van den Bhadrinâth,
+langs de steile hellingen van het Himâlaya-gebergte, terwijl een
+zachte zuidenwind de geuren der bosschen en bloemen uit de dalen
+omhoog dreef naar de toppen der bergen. Eeuwen en eeuwen lang
+hadden de stralen dierzelfde zon diezelfde hellingen dus beschenen
+en waren gelijke geuren omhoog gestegen, zonder stoornis of
+verandering, zoo 't schijnen mogt, dier altijd jeugdige, maar
+eenzame natuur, terwijl daar omlaag in verre verte menschen
+kampten en magtige rijken verrezen en vernietigd werden, en
+diepdenkende vernuften zich afpijnden om doel en laatsten grond te
+vinden voor het bestaan van het heelal.
+
+Ook nu,--'t was in het laatst van de zestiende eeuw onzer
+jaartelling, toen Djelal-ed-din Mohammed, bijgenaamd Akbar of de
+Groote, en onder dien naam meest bekend, het magtig rijk der
+Mogols in Hindostan ten toppunt verhief van glans,--ook nu bleef
+dat hooge gebergte, nauw toegankelijke zetel eenmaal der Indische
+Deva's, lusthof thans van Britsche aristocraten, nog een wild en
+onherbergzaam, door menschenvoet weinig betreden oord. Ook thans
+was 't enkel de roep van een snel voorbijtrekkenden roofvogel, die
+nu en dan, of 't zacht eentoonig gegons der op en neder dansende
+insectenzwermen, dat nauw hoorbaar de eindelooze stilte brak. Toch
+bleef die plek niet zoo volkomen eenzaam als een min opmerkzaam
+beschouwer alligt zou hebben ondersteld. Diep gedoken en als
+verborgen in het hooge gras der berghelling lag, behagelijk
+uitgestrekt, een groote fraai gevlekte tijger, droomend en als in
+wijsgeerige rust opziend nu eens naar de hooge sneeuwkruinen, dan
+weer de oogen sluitend voor het nog schelle licht, en omlaag
+starend naar de liefelijke groene vallei, die daar beneden zich
+uitbreidde tot waar nogmaals andere berggevaarten hunne toppen
+verhieven om ten laatste zaam te smelten met den wazigen
+veelkleurig getinten horizont. Waar hij aan dacht, soms dus omhoog
+blikkend, soms nederziend in de diepte? Misschien wel, met
+nevelachtig weer opdoemende herinnering, aan de tijden toen hij
+onder eene andere gedaante als magtig Râdja nog heerschte in het
+weelderig Kaçmir, en vasallen zich bogen aan zijne voeten en
+schoone vrouwen dongen om de eer van zijn oogopslag. Of was dat
+prachtige, koninklijke dier werkelijk niets anders dan een
+reusachtige kat, een monster der wildernis en niet veeleer een
+nieuw hulsel voor de verdoolde ziel van een eenmaal trotsch en
+overmoedig heerscher. Ook nu nog was hij de Koning der woestijn,
+waarin geen leeuw hem den voorrang kwam betwisten; ook nu nog
+toonde de fiere blik waarmede hij bij wijlen in 't ronde staarde,
+dat hij zijner magt zich bewust bleef, en bewezen zijne gladde
+bewegingen en bevallige wendingen wanneer hij soms wisselde van
+houding, dat hij even ridderlijk zich aan de voeten eener schoone
+prinses had weten neer te vleijen als, trotsch zich oprichtend, te
+gebieden over zijne minderen in rang. Doch eensklaps als uit zijne
+mijmering opgeschrikt, sprong hij omhoog en luisterde.... Een
+geluid, een klank van menschenstemmen trof uit de verte zijn
+fijngeoefend oor.
+
+En inderdaad, schoon op nog tamelijk verwijderden afstand, kwam,--wél
+ongewoon verschijnsel hier!--een groep ruiters langs het eenig
+begaanbare gedeelte van den bergrug afdalen naar de vlakte. Een
+jong, bevallig man, wiens rijke kleeding en fiere houding hem
+terstond als edelman deden herkennen, nevens een meer bejaarden in
+stemmiger gewaad, en achter hem twee dienaren. De eerste op een
+kleinen, maar krachtig gebouwden en vluggen schimmelhengst van
+edel ras, de ander op een zwaarder, donker paard, de dienaren op
+grofharige maar sterke bergpaarden. De jongeling droeg een blauw
+zijden, naar onderen openhangend en met gouden knoopjes versierd
+wambuis, wijde broek en roode schoenen, een ligte muts met een
+hooge door een diamant vastgehouden veder op het hoofd, een korte
+sabel met fraai gevest ter zijde nevens een met edelgesteenten
+bezetten dolk in den rijkgestikten gordel, en een lange speer in
+de rechterhand. Zijne gestalte was rijzig en van eene volmaakte
+evenredigheid, zijn schoon, regelmatig gelaat was blank en slechts
+even door de zon getint, terwijl zijne donkere oogen en lokken en
+een fijne bruine knevel de helderheid zijner kleur, onmiskenbaar
+teeken van het echt oorspronkelijk Arisch ras, nog schenen te
+verhoogen. Zijn oudere medgezel, een krachtige, breedgeschouderde
+figuur, vertoonde een eenigszins donkerder tint, schoon de
+regelmatigheid zijner gelaatstrekken hem evenzeer als een man van
+hetzelfde bloed deed herkennen. Hij had een fraaijen gekrulden
+baard, die bijkans de helft van zijn gelaat mogt verbergen; een
+groote witte tulband dekte zijn hoofd, en zijne gestalte hulde
+zich in een lang, tot bijna aan de voeten reikend, om het midden
+met een vergulden gordel vastgehouden kleed van donkere, maar
+fijne stof; ook hij was gewapend met sabel en speer en om zijne
+schouders hing een klein, rond schild. De dienaars droegen anders
+niet dan wijde, los omgeslagen mantels over de anders weinig
+bedekte bronskleurige leden; verscheiden helblinkende koperen
+ringen, onder 't voortrijden een rinkelenden klank veroorzakend,
+sierden hunne enkels en polsgewrichten; korte speren en ronde
+schilden vormden hun wapentuig.
+
+Uit de gesprekken hunner meesters ware spoedig op te maken
+geweest, wie deze waren, van waar zij kwamen en welk het doel van
+hunner reis. De jonge edelman, Siddha Rama, was de zoon van den
+eersten minister van Kaçmir en door zijn vader met het overbrengen
+van belangrijke brieven naar het hof van Keizer Akbar of den
+Grooten Mogol, te Agra, belast, waar hij tevens het bevel zou
+aanvaarden over eene afdeeling Radjpoet-ruiterij, die onder de
+hulptroepen van het keizerlijk leger dienst had te doen. Hij werd
+vergezeld door zijn leermeester Koelloeka, een Brahmaan van
+afkomst, en deels geleerde, deels krijgsman, die hem zoowel in de
+oorlogskunst en alle ridderlijke oefeningen als in de aloude
+heilige taal en de daarin gestelde klassieke en gewijde schriften
+had onderwezen. Alvorens echter den togt naar Agra voort te
+zetten, hadden zij een bezoek te brengen aan een kluizenaar in het
+gebergte, om vervolgens naar Allahabad te vertrekken, waar
+Siddha's oom in naam des Keizers bevel voerde over het fort aan
+het vereenigingspunt van Ganges en Djoemna, en waar ook de
+verloofde van Siddha, de jeugdige Iravati, dochter van den
+Goeverneur, met verlangen naar het aangekondigd bezoek van haar
+toekomstigen echtgenoot uit bleef zien.
+
+--Maar, eerwaarde Koelloeka!--sprak Siddha, na een tijdlang
+stilzwijgend naast zijn leermeester te hebben gereden,--gij, die
+zoo goed hier den weg kent, vertelt mij dat wij nu vlak bij de
+kluizenarij van Gaurapada Bhikshoe moeten zijn, en ik zie toch
+niets wat maar op een kluis of zoo iets gelijkt. Zou de heilige
+man ook soms zijn verhuisd?
+
+--Geduld maar, mijn jonge driftkop!--antwoordde de Brahmaan,--zoo
+aanstonds komen wij aan een wending van den berg, die ge van hier
+nog niet zien kunt, en als wij daar zijn, zult gij spoedig genoeg
+het kleine bosch in de vallei zien liggen, waar Gaurapada zijn
+stille woning heeft gebouwd. Maar gij mogt wel met wat meer
+eerbied van den Eerwaarde spreken, naar mij dunkt. Trouwens hij
+zal u dat zelf wel leeren als gij hem maar eerst ontmoet.
+
+--Nu,--hernam Siddha vergoelijkend,--'t was zoo kwaad niet
+gemeend.... Maar wat is dat?--riep hij eensklaps uit, met zijne
+lans naar het hooge gras aan de zijde van den bergweg wijzend, dat
+zich golvend scheen te bewegen, schoon geen wind het verschijnsel
+kon veroorzaakt hebben. En eer zijn bedaarder medgezel hem kon
+weerhouden was de hartstogtelijke jager met zijn paard in het gras
+gesprongen, en baande hij met gevelde speer zich een weg naar de
+plek waar hij de beweging in het gras had opgemerkt. Onmiddelijk
+en nog vóór Koelloeka rende een der dienaren zijn jongen meester
+na, toen hij dezen plotseling weer zag stilstaan en als verwonderd
+om zich heen staren. Alle beweging in het gras had volkomen
+opgehouden, geen sprietje bewoog zich meer en geen geluid werd
+vernomen. Daar begon het golven opnieuw, maar veel verder af, en
+boven de hooge grashalmen vertoonde zich bijwijlen het bruingevlekte
+ligchaam van een grooten tijger, die met geweldige sprongen voortrende.
+Nogmaals gaf Siddha zijn paard de sporen, maar 't volgend oogenblik lag
+hij in zijne volle lengte in het gras: een dicht begroeide kuil had
+paard en ruiter doen storten. In een oogwenk echter was deze weer op de
+been.
+
+--'t Is niets, Vatsa!--zeide hij tot zijn dienaar, die van zijn
+paard gesprongen, op hem was toegesneld,--ik ben hier zacht genoeg
+neergekomen. Als mijn beste schimmel 't er nu maar even goed heeft
+afgebragt!
+
+Bij onderzoek bleek gelukkig, dat het edele dier evenmin eenig
+letsel had bekomen als zijn doldriftige berijder, maar de tijger
+was weg en nergens meer te bespeuren, zoodat men niets anders te
+doen had dan spoedig weer in den zadel te springen en den
+gestoorden togt voort te zetten.
+
+Zwijgend reed nu weer Siddha, over zijn dwaas avontuur niet weinig
+beschaamd, nevens zijn goeroe, tot deze het stilzwijgen afbrak met
+te zeggen:
+
+--Gij hebt daar, geloof ik, een gekken streek begaan, mijn waarde!
+
+--Ja!--bekende Siddha nederig,--ik heb ongetwijfeld een mal figuur
+gemaakt met daar zoo om te rollen.
+
+--Nu,--hernam Koelloeka,--dat kondt gij niet helpen; niemand kan
+overdekte kuilen zien; maar dat bedoel ik ook niet, ik meen iets
+anders.
+
+--Wat dan?
+
+--Gij zult het straks wel merken, indien ten minste waar is wat ik
+vermoed.
+
+De glimlach, die bij deze woorden om den mond van Koelloeka
+speelde, maakte Siddha's nieuwsgierigheid natuurlijk nog meer
+gaande; maar juist toen hij nadere uitlegging wilde vragen was de
+straks aangeduide wending bereikt, en breidde zich een ander
+gedeelte der vallei, nog even verlicht door den zonneschijn, met
+zijn weelderigen plantengroei en zijne frissche stroomen en beeken
+voor 't bewonderend oog der reizigers uit.
+
+--Zie ginds!--sprak Koelloeka, met zijne lans naar een digt
+bosschaadje in de diepte wijzend, waarlangs een heldere beek zich
+slingerde als een zilveren lint,--daar woont Gaurapada.
+
+En zonder verder te spreken daalden de ruiters voorzigtig langs de
+steile helling naar omlaag, volgden het, half door de natuur, half
+door ruwe kunst gevormde pad, dat naar het bosch leidde, en reden,
+dit ingegaan, voort tot zij aan de andere grens waren gekomen,
+waar opnieuw het vergezigt zich opende over de heuvelachtige
+vlakte.
+
+Daar, onder het digte lommer, verhief zich, door slanke, met
+klimop en rozen begroeide bamboestijlen gesteund, en gedekt door
+een eenvoudig maar bevallig overhellend rieten dak, eene nederige
+woning, maar die toch wat bouwtrant en uiterlijk aanzien betrof
+veeleer een aangenaam buitenverblijf dan de strenge armoedige
+kluis van een boetedoend heilige mogt worden genoemd. Achter, het
+donkere woud; aan de voorzijde, een honderde tinten en schakeringen
+weerkaatsend smaragdgroen meer, zooals alleen eene Alpennatuur dat
+kent, met witte en blauwe lotusbloemen langs de kanten, en waarin de
+zilverkleurige beek, die reeds van ver het oog had getroffen, zich
+uitstortte voor een wijl om straks aan de andere zijde het weer te
+verlaten en haar weg te vervolgen naar steeds dieper gelegen dalen; in
+'t verschiet eindelijk, aan den meer en meer in de schemering
+wegduikenden overkant, de verre reijen der bergkruinen, die van hier
+gezien slechts onbeduidende heuvelen schenen, maar, van gindsche
+vlakten beschouwd, opnieuw als hemelhooge, voor menschen voet nauw
+bestijgbare rotsgevaarten zich vertoonen mogten.
+
+Een oogenblik stonden onze reizigers, hier aangekomen, stil, en
+als verloren in den aanblik van het evenzeer grootsche als
+liefelijke, door een laatsten schemerschijn nog verlichte
+natuurtooneel; doch, spoedig het naaste doel van hun togt zich
+herinnerend, stegen zij af en vertrouwden hunne paarden aan de
+beide dienaars, terwijl zich Koelloeka naar de woning begaf om
+door middel van een daar aanwezige klok het teeken te geven van
+hunne komst. De moeite werd hem echter bespaard, en eer hij het
+woonhuis was genaderd, vertoonde zich op den drempel reeds de
+bewoner, door een dienaar gevolgd, wien hij de zorg voor de
+paarden der gasten aanbeval door een zwijgenden gebiedenden wenk.
+
+Wel zonderling mogt de indruk heeten, dien de aanblik van den
+kluizenaar op Siddha te weeg bragt. In zijn eigen land, in zijne
+bergen en bosschen, had hij vrome boetelingen, strenge heiligen,
+rondslenterende bedelmonniken in menigte en van allerlei soort
+gezien: sommigen in vuile pijen, met groote bamboestokken in de
+hand, en bedelnappen en rozenkransen aan de zijde; anderen in een
+soort kleedij uit boomschors vervaardigd; wederom anderen met
+nagenoeg in 't geheel geen kleederen aan het lijf, kaalgeschoren,
+van 't hoofd tot aan de voeten met grauwe asch bedekt, en
+voorhoofd en borst met witte kalk besmeerd; allen zich overgevend
+aan de meest afkeer wekkende en toch vrome en lichtgeloovige
+gemoederen tot milddadigheid verlokkende praktijken; walgelijke en
+afzigtelijke wezens allen ook, maar steunend op de magt van een
+grenzenloos fanatisme, en in vadsige luiheid terend op de
+aalmoezen, hun toegeworpen door een dom, maar vastgeworteld
+bijgeloof. Geen wonder dan ook zoo de jonge, aan fijner beschaving
+gewende, met diepe minachting op die soort van volk neerziende
+edelman, ook in weerwil van zijn eerbied voor den leermeester, die
+steeds met ontzag den kluizenaar van den Bhadrinâth had genoemd,
+juist geen groote verwachting had van den man, die aan de deur van
+gindsche woning hem zou ontvangen, en een ligten toon van ironie
+niet had weten te onderdrukken toen er van den heilige in het
+Himâlaya-gebergte werd melding gemaakt. Doch te treffender dan ook
+in zijn oog de hooge en statige figuur, die ginds, het woonhuis
+verlatend, de beide reizigers met voorname waardigheid maar tevens
+innemende vriendelijkheid te gemoet kwam.
+
+Een oud man in blinkend wit gewaad, met nog eenige fijne lokken om
+den anders kalen schedel en een langen en zwaren zilverkleurigen
+baard, maar nog in 't minst niet door den last der jaren gebogen,
+en wiens, bij alle vriendelijkheid toch hooghartige blik wel
+getuigde, dat in vroeger dagen gebieden hem meer eigen was geweest
+dan het ontvangen en opvolgen van bevelen.
+
+--Weest welkom, vrienden!--sprak hij, elk zijner beide bezoekers,
+die zich eerbiedig voor hem gebogen hadden, bij de hand vattend,--welkom
+in mijne eenzaamheid! 't Is mij goed, weer eens iets te
+mogen vernemen van uw--hier scheen hij een oogenblik te weifelen,
+maar ging toch met vaste stem weer voort,--van uw en mijn land en
+volk.
+
+Eer Koelloeka of Siddha kon antwoorden, werd hunne opmerkzaamheid
+getrokken door een dof gebrul, dat zich in de onmiddelijke
+nabijheid hooren deed; en een oogenblik later trad van achter de
+woning met langzame en statige schreden een geweldige tijger te
+voorschijn, en naderde, met den zwaren staart zijne flanken
+slaande, de drie mannen. Onwillekeurig deed Siddha een stap terug
+en sloeg de hand aan den ponjaard in zijn gordel.
+
+--Laat dat speelgoed maar zitten!--sprak Gaurapada lagchend,--
+daar zoudt gij Hara niet veel kwaad mee doen.
+
+--Hier!--sprak hij gebiedend tot den tijger, en terstond legde het
+magtige dier zieh aan de voeten des meesters.
+
+--Heb ik 't u niet gezegd?--vroeg Koelloeka aan Siddha, op den
+tijger wijzend,--en begrijpt gij nu waarom gij zoo straks een
+dwazen streek begingt?
+
+--Vergeving, eerwaarde heer! vergeving!--sprak Siddha, met omhoog
+geheven handen tot Gaurapada, terstond begrijpend, dat hij straks
+jagt had gemaakt op den tijger van den kluizenaar,--ik wist
+inderdaad niet ....
+
+--Ik begrijp het al,--viel Gaurapada hem in de rede,--gij hebt
+Hara gejaagd. Nu, dat is wel eens meer voorgekomen, maar niet
+altijd zoo goed voor den jager afgeloopen, als mijn viervoetige
+vriend hier soms eens boos werd. Iemand opgegeten heeft hij echter
+nog nooit, en als men hem geen kwaad doet, valt hij ook niet aan.
+Ik heb hem, zooals vriend Koelloeka weet, hier al lang, van jongs
+af aan, en wij beiden zijn nu gansch aan elkander gewend. Niet
+waar, Hara?--vroeg hij, zich half voorover buigend naar den
+tijger, die, halverwege zich oprigtend, zijn breeden kop tegen de
+hand van zijn meester drukte.--En mijne vrienden,--vervolgde
+deze,--zijn de zijnen. Zie maar eens!
+
+En Siddha naderend legde hij hem zacht de hand op den schouder,
+waarop de tijger beurtelings beide mannen aanziend, zich vóór
+Siddha nederlegde en ook diens hand met zijn kop aanraakte.
+Ditmaal trad de jonge edelman geen stap terug, maar streelde
+bedaard den kop van het dier, dat hem ook verder niet bleek te
+verschrikken toen 't een oogenblik, als behagelijk geeuwend, zijne
+breede kaken opsperde en de geweldige reijen zijner tanden liet
+zien.
+
+--Goed zoo!--sprak Gaurapada, terwijl Hara weer tot hem
+terugkeerde,--goed zoo! Ik heb er menig gezien, ouder en sterker
+dan gij, die niet terstond zoo rustig bleef. Doch laat ons nu aan
+andere dingen denken! Reizigers zooals gijlieden, die zeker een
+langen togt gemaakt en hier in de wildernis zeker niet veel op uw
+weg gevonden hebt, verlangen alligt naar eenige versterking. Wilt
+mij dan volgen!
+
+En hen voorgaande trad de kluizenaar zijne woning binnen, waarvan
+het inwendige geheel aan het uiterlijk beantwoordend, wel is waar
+niet meer dan het noodige bevatte, maar dat alles in de meest
+volmaakte orde en op sierlijke wijze gerangschikt, en mede wel
+aanduidend, dat de bezitter in vroeger tijden ook het meerdere en
+het overtollige gekend moest hebben. Nadat de gasten zich met hem
+op de fijne, op den vloer uitgebreide matten hadden neergezet,
+bragt de dienaar, die straks de paarden in bewaring had genomen,
+eenige schotels met eenvoudige, maar stevige spijzen, koud wild en
+visch, benevens een aantal toegevouwen boombladeren met frissche
+vruchten, en toen het maal een aanvang had genomen, ook een
+drietal drinkschalen waarin den gasten een krachtige, fonkelende
+wijn werd aangeboden.
+
+--Dat hadt ge hier waarschijnlijk niet verwacht, edele Siddha!--sprak
+Gaurapada,--gij waart zeker in de overtuiging, dat een vrome
+kluizenaar niets dan bronwater drinkt. En de meerderheid meent,
+dat het ook zoo behoort. Ik voor mij denk er anders over; ik heb
+nooit begrepen dat het wezen van het kluizenaarsleven in
+noodelooze zelfkwelling of onthouding is gelegen, en dat een
+schaal goeden wijn met mate gebruikt, aan de rust der ziel zou
+behoeven te schaden. Ook is hier in de bergen iets krachtigs nu en
+dan inderdaad bevorderlijk voor de gezondheid.
+
+De eenvoudige en gemakkelijke toon van den overigens zoo statigen
+kluizenaar, die hem gansch als een man van de wereld deed kennen,
+gaf den jongen ministerzoon al spoedig vertrouwen, en van zijn
+kant beantwoordde hij nu ook met vrijmoedigheid, schoon altijd met
+dien eerbied, dien de regte Hindoe den oudere van jaren leert
+betoonen, de vragen welke Gaurapada tot hem rigtte omtrent zijn
+vader, omtrent Iravati zijn verloofde en zijn leven aan het hof
+van Kaçmir. Tot zijne verwondering bleek de kluizenaar nauwkeurig
+alles te weten wat vroeger daar was voorgevallen en toonde hij
+zich zelfs met bijzonderheden bekend, die voor elk een geheim
+moesten zijn, wien de toegang tot het binnenste der vorstelijke
+paleizen niet geopend was geweest. Ongetwijfeld was Gaurapada in
+vroeger dagen een vertrouwd raadsman van een der vorsten, die
+elkaar vóór dezen in vrij snelle reeks waren opgevolgd; dan hoe
+het zijn mogt, Siddha waagde geen onbescheiden vraag zoolang de
+ander zijn waren stand hem niet bekend maakte. Nog merkte hij op
+dat de gesprekken van Gaurapada doorgaans eene groote opgeruimdheid
+ademden, en hij volkomen met zijn tegenwoordigen staat te vrede scheen,
+maar dat toch bijwijlen, als er van de staatkundige gebeurtenissen in
+het Noorden gesproken werd, een donkere wolk zijn edel gelaat bedekte.
+Telkens echter slechts voorbijgaand; want al kon zelfs de sterke wil van
+den wijsgeer soms eene vlugtige aandoening niet volkomen verbergen, een
+geest als de zijne was blijkbaar te magtig om ze niet terstond weer te
+onderdrukken.
+
+Inmiddels was het laat geworden in den avond, en wierp de maan
+reeds haar hellen schijn over het landsdhap, dat zich, door de
+opene stijlen van het vertrek gezien, voor het oog der gasten
+uitbreidde.
+
+--En nu,--zeide eindelijk Gaurapada, terwijl hij opstond,--vergun
+mij, edele Siddha! mij met uw leermeester, mijn vriend, eenige
+oogenblikken aan het genoegen van uw bijzijn te onttrekken. Ik heb
+met hem eenige zaken te bespreken, die vooralsnog geheim moeten
+blijven, en waarin gij trouwens ook waarschijnlijk slechts matig
+belang zoudt stellen. Mogt ge u straks wenschen te verfrisschen,
+ginds is, naar gij ziet, het meer of de beek, en aan een bad in de
+vrije natuur zijt gij zeker ook wel gewoon.
+
+Daarop verlieten de beide oudere mannen te zamen het vertrek en
+nog lang daarna zag Siddha hen arm in arm in den maneschijn
+wandelen, blijkbaar in ernstige en belangrijke gesprekken
+verdiept. Toen zij terugkeerden was het tijd om zich ter ruste te
+begeven, en niet zonder welbehagen gingen de reizigers hunne
+vermoeide leden uitstrekken op de voor hen in gereedheid gebragte,
+wederom zeer eenvoudige, maar daarom nog geenszins ongeriefelijke
+legersteden.
+
+De vroege morgen van den volgenden dag vond onze reizigers na een
+frisch bad en een hartig ontbijt weer tot het voortzeiten van hun
+togt gereed; en terwijl nu de paarden werden opgezadeld, nam
+Gaurapada voor eenige oogenblikken Siddha ter zijde, en sprak,
+ditmaal buiten gehoor van Koelloeka:
+
+--Heilige kluizenaars, mijn jonge vriend! zijn gewoon, de jongeren
+die hen komen bezoeken, niet zonder eenige leering, 't zij dan
+verstandige of niet, te laten vertrekken. Gij wacht misschien iets
+dergelijks ook van mij. Maar dan bedriegt gij u. Ik heb voor 't
+oogenblik niets te voegen bij 't geen de wijze Koelloeka, uw
+verstandige goeroe, u ongetwijfeld geleerd heeft. De wereld, die
+gij gaat opzoeken, en 't leven zelf moeten het verdere doen. Maar
+één woord toch, waaraan ik een verzoek heb toe te voegen! Schroom
+niet, wanneer gij ginds in het Zuiden in het magtig en weelderig
+wereldrijk zult zijn aangekomen, uw billijk aandeel te nemen aan
+geoorloofde uitspanningen en vermaken; geniet het leven, dan eerst
+leert gij 't kennen en het wezenlijke van het onwezenlijke
+onderscheiden: maar gedenk steeds de les, waaraan uw leeraar u
+voorzeker meermalen herinnerd heeft: houd uw gemoed rein, en draag
+zorg dat gij u nooit over uwe handelingen te schamen hebt, niet
+enkel voor anderen, maar ook voor uzelven! Doch wanneer het mogt
+gebeuren, dat gij, in weerwil van uw ijverigst streven om die les
+te betrachten, toch op eene of andere wijze de gemoedsrust zaagt
+gestoord, die u als elk ander mensch onmisbaar blijft, en indien
+gij dan soms geen vriend mogt hebben, wien gij uw hart kunt
+openleggen, denk dan eens aan een oud vriend van uw vader en van
+uw leermeester, en kom tot den kluizenaar van den Bhadrinâth. Wilt
+gij mij dat belooven?
+
+--Ik beloof het! antwoordde Siddha, eenvoudig maar met mannelijken
+ernst, terwijl hij de armen eerbiedig over de borst kruiste. Maar
+vriendelijk als steeds vatte Gaurapada zijne beide handen en
+drukte ze hartelijk.
+
+Weldra werden de paarden voorgebragt, de ruiters zetten zich na
+afscheid van den kluizenaar in den zadel en reden, door hunne
+dienaren gevolgd, het bosch weer in en het bergpad op. Nog meer
+dan eens zag Siddha om en wierp hij een blik op de eerbiedwekkende
+gestalte van den wijze, zooals die met zijn tijger nevens zich nog
+geruimen tijd tusschen de hooge boomstammen door, aan den drempel
+zijner woning zigtbaar bleef. Daarna reed hij zwijgend en in
+gedachten verzonken naast zijn medgezel voort.
+
+Eensklaps, als opschrikkend uit zijne mijmering, hield hij zijn
+paard met een vrij onzachten ruk in, zoodat het bijkans steigerde.
+
+--Koelloeka!--sprak hij,--ik zag nog nooit een man als Gaurapada!
+
+Doch bijna op 't zelfde oogenblik kleurde hij tot over de ooren,
+bedenkend, maar te laat, dat zijn uitroep juist niet bijzonder
+vleijend voor zijn vriend en leeraar mogt heeten. Noodeloos
+evenwel maakte hij zich ongerust door te meenen, dat deze eenigen
+aanstoot aan zijne woorden nam. Integendeel Koelloeka's gelaat
+teekende eene ongeveinsde vreugde over de bewondering van zijn
+leerling voor zijn ouden vriend.
+
+--Inderdaad!--zeide hij,--het verheugt mij dat gij zoo over hem
+denkt; dat pleit ook tevens voor uzelf. En wees niet bevreesd u
+ooit in hem bedrogen te zullen zien.
+
+--Maar,--vroeg Siddha weer even plotseling na een oogenblik
+stilzwijgen,--wie is nu Gaurapada?
+
+--Wel!--was het antwoord,--dat hebt gij immers zelf gezien: een
+kluizenaar in 't Himâlaya-gebergte.
+
+--Nu ja!--zei Siddha eenigszins ongeduldig,--dat weet ik óók wel; maar
+ik meen: wat was hij vroeger, eer hij hier kwam en tijgers temde?
+
+--Hij trachtte menschen te temmen,--antwoordde Koelloeka,--maar
+'t gelukte hem niet altijd. Doch waarom hebt ge hem zelf niet
+gevraagd, wie hij was?
+
+--Zou dat bescheiden zijn geweest? Zoudt gij dat hebben
+goedgekeurd?
+
+--Neen, zeker niet! Gij hebt goed gehandeld met de gastvrijheid
+niet te schenden door onbescheiden nieuwsgierigheid, ook al kwam
+ze voort uit wezenlijke belangstelling. Maar daarom hebt ge nu ook
+verdiend, die nieuwsgierigheid te zien bevredigd. Gaurapada heeft
+mij veroorloofd, indien ik dat goed achtte, u zijn voorleden en
+zijn waren naam mede te deelen. Zoo luister!--Er was eens een
+Koning--
+
+--Hoe nu?--vroeg Siddha, een weinig verstoord,--gaat ge mij nu een
+sprookje van Somadeva vertellen, zooals ik er zooveel van u hoorde
+toen ik een kleine jongen was?
+
+--Hoor mijn sprookje,--antwoordde Koelloeka bedaard,--of hoor
+niets! Er was dan, zeg ik, eens een Koning, die gesteund door
+goede raadslieden, zijn volk regeerde met wijsheid en beleid.
+Kinderen had hij niet, maar wel een jongeren broeder, een jonkman
+van veel bekwaamheid, dien hij zeer liefhad en ook tot zijn
+opvolger had bestemd zoo hij eenmaal het land mogt ontvallen of de
+last der staatszaken in 't eind te zwaar op zijne schouders
+drukken mogt. Doch die jongere broeder was eerzuchtig, ondanks
+vele andere, goede hoedanigheden; hij had het geduld niet, zijn
+tijd af te wachten en liet zich door eene aan de bestaande
+regering vijandige staatspartij verleiden, eerst heimelijk, daarna
+in 't openbaar en ten slotte met de wapenen in de hand op te staan
+tegen zijn broeder en wettigen Vorst, tot deze hem en de zijnen
+ten laatste overwon en hem gevangen medevoerde naar de hoofdstad
+van zijn rijk. Maar de beweging was daarmede niet geëindigd, de
+woelingen duurden voort, en om deze te onderdrukken bleef den
+Koning geen ander middel dan zijn eerzuchtigen en steeds
+gevaarlijken broeder, hoe innig ook door hem geliefd, uit den weg
+te ruimen, en diens vrienden en aanhangers een gelijk lot te te
+doen ondergaan. Maar zoo doende zou hij zijn troon ook slechts
+vesten in broeder- en burgerbloed, en welligt eindelooze veeten in
+'t leven roepen, waarvan het eind geen ander kon zijn dan
+algeheele uitputting van zijn rijk en de volkomen onderwerping van
+zijn volk aan vreemde, lang reeds op de erfenis zijner vaderen
+azende overheerschers. Toch twijfelde nagenoeg niemand of de
+Koning zou ten laatste overgaan tot den nu eenmaal onvermijdelijken
+maatregel, toen zich eensklaps het gerucht verspreidde dat hij uit zijn
+paleis verdwenen en waarschijnlijk, zoo niet zeker, door verraad gevallen
+was. En inderdaad vernam men sinds dien tijd niets meer van hem; zijn
+broeder, uit de gevangenis verlost, besteeg als wettig opvolger den
+troon, en regeerde sedert dien tijd, verstandiglijk de beste raadslieden
+van zijn broeder aan zijne zijde houdend, zoo al niet met gelijke
+wijsheid, dan toch met goed geluk het weer tot rust gekomen land.
+
+Een oogenblik zweeg Koelloeka, en brak hij zijn verhaal af om zijn
+medgezel en leerling aan te zien. Maar het gelaat van dezen
+teekende noch verwondering, noch bijzondere belangstelling.
+
+--Gij verhaalt mij,--zeide hij,--eenvoudig de geschiedenis van
+onzen eigen tegenwoordigen Koning en zijn voorganger en ouderen
+broeder Nandigoepta. Maar die is immers iedereen bekend, mij zoo
+goed als elk ander bewoner van Kaçmir.
+
+--Ongetwijfeld,--hernam Koelloeka,--die geschiedenis, voorzoover
+ik ze u in herinnering bragt, is aan ieder bekend genoeg; doch wat
+niet een iegelijk weet, maar alleen zeer enkelen, is, dat de
+Koning Nandigoepta niet door verraad is gevallen en niet gedood of
+verdreven werd, maar uit eigen beweging zonder dat zijn broeder of
+iemand anders dan een enkele vertrouwde het wist, de wijk nam naar
+een afgelegen oord, en door algemeen het gerucht te doen
+rondstrooien dat hij verslagen was, zijn broeder redde van een
+smadelijken dood en zijn rijk van den anders onvermijdelijken,
+althans waarschijnlijken ondergang.
+
+--Zoo leeft dan Nandigoepta nog!--riep Siddha uit,--en hij is....
+
+--Gelijk gij reeds begrepen hebt,--antwoordde Koelloeka,--de
+kluizenaar, dien wij straks verlieten. Heilig blijve u zijn
+geheim, het geheim van zijn rijk en van zijn geslacht! Aan uwe
+riddereer wordt het door hem toevertrouwd. De zoon van uw vader,
+zijn trouwsten dienaar en vriend, mogt het kennen, maar zal het
+ook weten te bewaren zoo zeker hij edelman is.
+
+--Waarom,--vroeg Siddha, een oogenblik naderhand, half ontevrede,
+--waarom mij dit niet meegedeeld toen wij nog ginds waren? Ik had
+dan den Vorst mogen dank zeggen voor de weldaden, in de dagen
+zijner grootheid aan mijn vader bewezen en aan ons geslacht. Doch
+'t is waar! gij hadt geen regt te spreken, zoolang hij zelf het
+niet deed; en bovendien heb ik immers nog de gelegenheid!
+Gaurapada toch,--zooals hij thans genoemd wil zijn,--heeft mij
+doen belooven, hem op te zoeken als ik soms in moeilijke
+omstandigheden goeden raad van noode had.
+
+--En gij hebt wél gedaan, dat te belooven,--zeide Koelloeka,--
+houdt u aan dat woord! Gaurapada is wijzer en beter dan één onzer.
+
+Maar Siddha hoorde nauwelijks meer; wederom was hij in gedachten
+verzonken. De ontmoeting met den kluizenaar en de openbaring van
+diens geheim had diepen indruk op hem gemaakt. Daar, bij 't eerste
+begin zijner reize, had hij een vorstelijk wijsgeer aanschouwd,
+een man die eenmaal bijkans onbeperkte magt bezat en gebaad had in
+weelde, maar die alles, rijkdom en aanzien, vrijwillig had
+opgeofferd ter liefde van zijn broeder en van zijn land, en thans,
+in 't gelukkig bewustzijn wél te hebben gedaan, zich tevrede en
+zelfs opgeruimd betoonde in zijn eenvoudig leven in de wildernis,
+met geen ander gezelschap dan een ouden getrouwen dienaar en een
+verscheurend dier. En nu was hij op weg naar het hof van den
+magtigsten monarch, dien Hindostan ooit had gekend, den
+gelukkigen, met roem overladen beheerscher van een wereldrijk, die
+zijn volken meer nog door wijs beleid dan door kracht van wapenen
+wist te onderwerpen aan zijn wil, die te beschikken had over
+onmetelijke schatten, en die zich bondgenoot mogt heeten van
+magtige Vorsten uit de verst verwijderde landen en beschermer van
+alle bekende godsdiensten der aarde. Wat de goede Siddha, anders
+gewoon zich nog al wat te laten voorstaan op zijn adel en 't
+aanzien van zijn persoon, nu plotseling zich klein gevoelde bij de
+gedachte aan twee zulke mannen! En wie wel de grootste dier beiden
+was? 't Viel zeker moeielijk te beslissen, en wijselijk begreep
+Siddha, dat hij in elk geval zijn oordeel had op te schorten tot
+hijzelf ook Keizer Akbar gezien en welligt gesproken zou hebben.
+Dat besluit bragt hem tevens terug tot het naaste doel der reis,
+het bezoek te Allahabad, waar de geliefde bruid, de schoone
+Iravati, hem verbeidde. Zijn sedert eenige oogenblikken somber
+gelaat helderde op, en vrolijk sprak hij, zijn hengst de sporen
+gevend, toen men een vlak terrein van belangrijke uitgestrektheid
+had bereikt:
+
+--Komaan! nu weer eens een flinken rid, meester!--En voorwaarts
+ging het in snellen galop, terwijl Koelloeka hem de veerkrachtige
+speer zag drillen en hem den naam hoorde uitroepen, die toch in 't
+eind de zege had bevochten in zijne gedachten.--Iravati!
+
+--Voorwaarts, voorwaarts maar!--prevelde de Brahmaan in zich
+zelven, terwijl hij mede zijn paard in galop zette,--vooruit tot
+het einde is bereikt! Voor mij is 't alhaast gekomen, voor hem
+vangt de levensreis eerst aan. Och! of zijn weg steeds zoo glad
+als deze mogt zijn! Maar ook hij zal zijn klippen wel ontmoeten en
+glibberige hellingen en welligt ook--afgronden. Bleven 't maar,--voegde
+hij, in zichzelf glimlagchend en denkend aan het ongeval
+van den vorigen avond, er aan toe,--bleven 't maar altijd
+onschadelijke kuilen!
+
+
+
+TWEEDE HOOFDSTUK.
+
+Iravati
+
+Aan het digt met planten en bloemen begroeid balkon van
+Allahabad's hoogen burgt, paleis en veste tevens, zat een jong
+bevallig meisje, het hoofd in de hand geleund, als mijmerend naar
+het uitgestrekte vergezigt te staren, dat zich aan gene zijde der
+beide hier zamenvloeiende stroomen in het helle licht vertoonde
+van een onbewolkte morgenzon. Ter linker zijde de rotsachtige
+hoogten en wilde zandige oevers der Djoemna, ter regter de
+liefelijke vallei van den Ganges; allerwege digte bosschaadjen van
+mango-boomen, met tallooze papegaaijen en andere schitterend
+gekleurde vogels bevolkt; hier en daar kleine eilandjes zich
+verheffend boven het watervlak; en op den achtergrond, ginds in de
+verte, de hooge, door pagoden bekroonde rotsgevaarten van het
+tegenoverliggende land.
+
+Enkel naar de kleedij te oordeelen, zou in de mijmerende niet
+terstond eene jonkvrouw van aanzienlijk geslacht zijn te herkennen
+geweest. Een eenvoudig wit gewaad, met een smallen donkerrooden
+rand omzet en om 't midden door een gouden gordel vastgehouden,
+een fíjne gouden haarband om de digte donkere lokken en een enkele
+roos daartusschen tot eenig sieraad, ziedaar alles. Maar waartoe
+ook zou die slanke, uitnemend geëvenredigde gestalte, dat ovale,
+fijn besneden gelaat met het groote en donkere, door lange zijden
+wimpers overschaduwde oog, nog ander siersel van noode hebben
+gehad dan de natuur zelve of Kama, de minnegod, reeds daaraan had
+verleend? En geen spruit ook voorzeker van verbasterden stam, geen
+dochter van een lager ras, die zooveel bevalligheid aan zooveel
+eenvoud tevens had weten te paren als deze.
+
+Niet in verrukking intusschen als menigmaal anders aanschouwden
+ditmaal die smachtende oogen het heerlijk natuurtooneel daar
+omlaag. Ook heden als gisteren en den vorigen dag zagen ze
+verlangend uit naar die verre gebergten aan de overzijde, van waar
+hij komen moest, de lang maar te vergeefs gewachte.... Waar hij
+toeven mogt? Wat hem kon weerhouden? En dacht hij nog wel, anders
+dan vlugtig en voorbijgaand misschien aan haar, wier gedachten
+dagen en maanden lang hem, en hem alleen, waren gewijd geweest?...
+
+Een zware tred deed zich hooren in de galerij achter het vertrek,
+waar het balkon op uitkwam, en voorafgegaan door een dienares, die
+het tot deur strekkend gordijn ter zijde schoof, naderde een kort,
+gezet man van iets meer dan middelbaren leeftijd, in engsluitend,
+maar lang, bijkans tot de voeten afhangend gewaad en een kort
+zwaard met fraai versierde greep in den gordel als eenig
+herkenbaar teeken zijner waardigheid.
+
+--Edele jonkvrouw!--sprak de dienares, bescheiden haar jeugdige
+meesteresse uit hare mijmering wekkend,--Salhana, de Goeverneur,
+uw vader, brengt u heden bezoek!
+
+--Hij zij welkom!--antwoordde de jonkvrouw, van kindsbeen af
+steeds aan dien deftigen toon gewend, en opstaand trad zij haar
+vader te gemoet.
+
+--Iravati!--sprak deze, haar aanziend met zijn doordringende
+zwarte oogen, maar voor 't overige zonder eenige uitdrukking op
+zijn mat bleek, met korten donkeren baard bedekt gelaat,--vóór
+eenigen tijd heb ik u meegedeeld, dat ik Siddha Rama uit Kaçmir,
+uw neef en verloofde, hier met Koelloeka, zijn leermeester
+wachtende was. Beiden zijn thans aangekomen, en bevinden zich in
+de beneden-galerij. Wij willen hen daar gaan ontvangen.
+
+Een oogenblik scheen Iravati bij 't vernemen der tijding al de haar
+ingeprente lessen van vormelijkheid, die geen haastige bewegingen
+gedoogden, te vergeten, en wilde zij haar vader voorbijsnellen, om
+ginds terstond den lang gewachte te verwelkomen. Maar Salhana hield
+haar door een wenk en eene ligte handbeweging terug.
+
+--Vooraf nog een woord!--zeide hij.--'t Is u bekend, dat de
+belijders van den Islam, waaronder wij hier leven, het vrijer
+verkeer van ongehuwde jongelingen en jonge dochters ten hoogste
+afkeuren, en dat ook onze Hindoe's zich meer en meer naar die
+inzigten hunner overheerschers hebben geschikt. Ik voor mij blijf,
+gelijk u bekend is, aan onze aloude zeden gehecht, en, hoewel ik
+voor 't overige streng alle passende vormen wensch in acht genomen
+te zien, vergun ik u ook thans, als vroeger in ons eigen land, uw
+neef en aanstaanden bruidegom vrijelijk te spreken. Maar laat geen
+ander dan onze vertrouwden uw zamenkomsten ontwaren. 't Zou mijn
+invloed hier, waar ik bevel voer, kunnen schaden, en ook uw eigen
+goeden naam. Thans, kom!
+
+En haar voorgaand leidde hij zijne dochter naar de opene, mede op
+de rivier uitziende galerij, waar de beide bezoekers hun
+verschijnen stonden af te wachten.
+
+--Zijt welkom mijne heeren en vrienden!--sprak Salhana, statig op
+hen toetredend,--ik zeg u dank, dat gij aan mijne uitnoodiging
+hebt voldaan en terstond uw intrek ten mijnent hebt genomen, niet,
+zooals velen plegen te doen, eerst ginds beneden, in de stad.
+
+De inhoud der woorden luidde hartelijk; de toon waarop zij werden
+uitgesproken was het echter evenmin als het strakke, niets
+zeggende gelaat. Wie dat een en ander evenwel mogt opgemerkt
+hebben, niet de ontstuimige Siddha, die ter nauwernood zijn
+deftigen oom begroetend, en Koelloeka nauw den tijd latend den
+eerbiedigen groet van Iravati te ontvangen, een vurigen kus drukte
+op de door deze hem aangeboden hand, terwijl hij op ridderlijke
+wijze zich op één knie voor zijn uitverkorene nederliet.
+
+--Welkom!--sprak zij, terwijl ze hem tevens wenkte op te staan,
+(en hoe zoet klonk hem wederom die zachte, welluidende stem!),--
+welkom, vriend! Ach hoe lang hebben wij u gewacht en uitgezien
+naar gindsche bergen, ongerust en haast vertwijfelend aan uw
+eindelijke komst!
+
+--Gij gelooft toch niet, lieve!--riep Siddha, haast
+verontwaardigd, uit,--dat ik één oogenblik langer dan noodig was
+mijne aankomst in Allahabad kon vertragen? Waarlijk, zoo ik over
+bergstroomen en afgronden had kunnen springen om spoediger bij u
+te zijn, en had mijn trouwe hengst maar vleugels als Vishnoe's
+Garoeda bezeten, ik had, voorwaar, hem niet gespaard!
+
+--Ik geloof u gaarne,--hernam Iravati, vriendelijk glimlagchend,--
+en 't was ook waarlijk geen verwijt dat ik tot u of onzen
+waardigen vriend Koelloeka rigtte. Doch verblijden we ons thans
+ook in het zamenzijn, te meer omdat het, zooals ik van mijn vader
+verneem, slechts kort zal mogen duren.
+
+--Inderdaad,--zeide Salhana, na een oogenblik onderhoud met
+Koelloeka het gesprek der beide gelieven afbrekend,--onze vrienden
+moeten ons morgen al vroeg weer verlaten. Van langen duur acht ik
+vooreerst onze ontmoeting dus niet; en toch heb ik, edele Siddha!
+het zamenzijn met uwe bruid nog eenige oogenblikken te bekorten,
+daar ook ik nog een enkel woord met u wenschte te spreken. En
+liefst terstond, daar mijn tijd kostbaar is en ik vóór ons
+middagmaal nog velerlei in mijne betrekking heb af te doen. Zoudt
+gij dan, uw nader onderhoud nog een weinig uitstellend, voor eene
+wijl mij willen volgen?
+
+Eene weigering van den voorslag was natuurlijk niet denkbaar, en
+hoewel schoorvoetend en met een smachtenden blik naar Iravati,
+door haar volkomen verstaan en gewaardeerd, volgde Siddha zijn
+beleefden maar strengen oom naar den hof, die aan de andere zijde
+van het paleis op het hellend terras was aangelegd.
+
+Daar, onder het lommer der hooge boemen, zette Salhana zich op een
+rustbank neder en wenkte zijn neef naast hem plaats te nemem.
+
+--En zoo gaat gij dan,--begon hij,--uw fortuin beproeven in de
+bijna onmiddelijke dienst van onzen grooten Keizer! Inderdaad, gij
+moogt van geluk spreken, dat gij een vader hebt die u eene zoo
+gunstige gelegenheid weet te openen als u thans geboden wordt, en,
+zoo ik 't zonder aanmatiging er bij mag voegen, een oom, die zich
+toevallig door zijne betrekking bij magte zag om uwe belangen te
+helpen bevorderen.
+
+--Daarvoor ben ik u ook opregt dankbaar,--antwoordde Siddha,--en
+ik hoop nooit te vergeten dat gij, werkelijk meer nog dan mijn
+vader zelf vermogt, mij den eersten stap op den ladder zoo
+gemakkelijk hebt gemaakt. Doch niet enkel omdat ik daardoor in de
+gelegenheid kan komen om misschien eenmaal tot aanzien op te
+klimmen, maar ook om ginds eens iets meer te kunnen uitrigten dan
+in ons eigen, wel schoon, maar toch afgelegen land, en tevens in
+persoon den grooten Keizer te midden van al de pracht zijner
+hofhouding te zien, waarvan men te huis mij zoo veel heeft
+verhaald.
+
+--Voorzeker!--hernam Salhana,--dat alles is ook wel de moeite
+waard. één raad inmiddels! Wacht u voor overdreven voorstellingen!
+Ik zeg niet, van den rijkdom van palelzen en hoven; want daarvan
+kan men bij ons in 't Noorden zich bezwaarlijk eene voorstelling
+vormen; maar, van den persoon des Keizers. Die zou u wel eens
+kunnen tegenvallen, en uw geestdrift zou dan al spoedig merkelijk
+zijn bekoeld. Beter dus, met een weinig minder hooggespannen
+verwachting te beginnen.
+
+--Hoe?--vroeg Siddha verwonderd,--verdient dan Akbar niet in
+waarheid zijn naam? Is hij niet, gelijk mijn vader en mijn
+leermeester hem steeds voorstelden, een groot man zoowel als een
+magtig vorst?
+
+--Dat zeg ik niet,--luidde het antwoord,--maar ook groote mannen
+kunnen hun gebreken hebben, die wel eens gevaarlijk dreigen te
+worden voor de belangen van anderen.
+
+--Luister!--ging de Goeverneur voort, voorzigtig rondziend of ook
+iemand anders in de nabijheid zijne woorden mogt verstaan, terwijl
+hij tevens zijne stem liet dalen tot een zacht fluisterenden
+toon,--wanneer een man eenmaal zóó groote magt heeft erlangd als
+Akbar, en dat door eigen kloekheid en beleid zooals hij, dan is de
+lust naar meer zoo ligt niet bevredigd. De Keizer nu, die reeds
+zooveel staten en volken aan zijne heerschappij onderwierp, kan
+bezwaarlijk dulden dat uw en mijn vaderland op den duur zoo gansch
+onafhankelijk blijve. Gij weet het voorts, niet waar? hoe in den
+laatsten tijd weer nu en dan, al bleef 't nog voor de meesten een
+geheim, in Kaçmir oneenigheden zijn uitgebroken tusschen onzen
+Koning en zijne beide zonen, even als die vroeger ook langzaam en
+haast onmerkbaar aanvingen tusschen hem en zijn broeder
+Nandigoepta.
+
+--Neen, dat wist ik niet,--zei Siddha,--het was mij tot dusver nog
+niet ter ooren gekomen.
+
+--Nu,--hernam de ander,--gij zoudt het toch bij gelegenheid wel
+vernomen hebben. Dus kan ik 't u ook terstond wel zeggen. Spreek
+er intusschen maar niet over met Koelloeka; dat behoeft niet, en
+ware misschien ook, zoo ik wél zie, niet goed. Doch nu verder! Die
+oneenigheden dan, tusschen den Koning en zijne zonen en tusschen
+dezen onderling, worden aangestookt,--gij begrijpt thans, door
+wien. Is dan eenmaal de open veete uitgebroken en 't land weer in
+partijen verdeeld, dan is er wel een voorwendsel te vinden om ons
+den oorlog te verklaren; en de Keizer, door zijne handlangers en
+spionnen omtrent den toegang door onze bergpassen ingelicht, komt
+dan het land met een sterk leger overvallen en het inlijven in
+zijn eigen rijk. Dat neemt nu alles natuurlijk niet weg, dat ik
+gaarne zijn buitengewone verdiensten erken; maar diezelfde
+eerzucht, die zijn volk groot maakt, kan de ondergang zijn van
+onze onafhankelijkheid.
+
+--Doch hoe,--vroeg Siddha weder, na een oogenblik overdenkens,--
+hoe kunt gij in zulke omstandigheden en als dat alles werkelijk
+zoo is, nog de dienaar zijn van een man, die, hoe beteekenend ook,
+toch den ondergang van ons vaderland gezworen zou hebben?
+
+--En waarom niet?--sprak Salhana, op zijne beurt als verwonderd,--is
+het dan niet goed dat een onzer, zonder hem zelf te benadeelen,
+maar integendeel hem dienend in vele andere eveneens gewigtige
+zaken, toch in de gelegenheid blijft, het oog op zijne plannen en
+handelingen te houden? Juist daarom is 't ook nuttig dat gijzelf,
+onder mijne aanbeveling en bescherming, nader met den heerscher
+in aanraking komt. U zal hij voorzeker minder verdenken nog dan
+mij, en gij zult alzoo, goed toeziend, ons soms nog beter op de
+hoogte kunnen houden dan eenig ander.
+
+--Maar,--vroeg nogmaals Siddha, na een oogenblik nadenken, en als
+aarzelend,--is dat eerlijk?
+
+--Jongeling!--antwoordde Salhana op hoogen toon, hoewel zijn
+gelaat anders geen toorn verried,--laat mij u doen opmerken, dat
+een man van mijn leeftijd en ervaring toch wel weten zal wat
+eerlijk is of niet, en u, een jongmensch, die zijn loopbaan
+aanvangt, toch geen raad zou geven in strijd met de regte
+begrippen van eer!
+
+--Vergeef mij, oom!--hernam Siddha verlegen,--gij weet, ik ben nog
+te weinig bekend met de beginselen van hoogere staatkunde om u zoo
+terstond reeds volkomen te begrijpen. Ook heeft Koelloeka, mijn
+goeroe, mij steeds ingeprent in alles den regten weg te volgen,
+nooit dubbelzinnig jegens iemand te handelen, en....
+
+--Koelloeka, mijn beste vriend! viel de ander hem in de rede,--is
+een voortreffelijk man en voor wien ik steeds de meeste achting
+heb gehad; maar hij is een geleerde, geen man van zaken, een man
+van theorie, niet van praktijk. Zie nu eens! uw land en volk,
+waaraan gij gehecht zijt, wordt bedreigd door een Vorst, dien gij
+overigens hoog stelt en ook gaarne dienen wilt, maar alleen niet
+in dat ééne. Integendeel, daarin zoudt gij wenschen, en zou 't ook
+uw pligt zijn, hem zoo doenlijk tegen te werken. Nu wordt u de
+gelegenheid daartoe opengesteld; zoo niet geheel toch in zekere
+mate. Zult gij nu die gelegenheid versmaden wegens 't een af ander
+afgetrokken begrip van politieke eerlijkheid? En handelt hijzelf
+dan zoo eerlijk door uw en mijn diensten aan te nemen en
+tegelijker tijd lagen te leggen aan onzen Koning en ons land? En
+zoo niet, wat aanspraak heeft hij dan op zoo bijzondere
+openhartigheid van onze zijde? Daarenboven, ga maar eens tot
+Akbar, en zeg hem, zoo gij durft, in zijn gezigt dat gij zijn
+plannen doorgrondt en tegen hem in 't veld denkt te treden! Hij
+zou u zien komen, mijn goede vriend! Eer een etmaal voorbij was,
+laagt gij geboeid in den kerker of zaagt ge u heimelijk naar de
+uiterste grenzen van Dekkan of Bengalen vervoerd,--zoo 't niet
+erger met u afliep. Baat u en ons dus geen openlijk verzet, wat
+rest dan anders dan goed gebruik te maken van de gunstige
+gelegenheid, waardoor, let wel! den Vorst zelven geenerlei kwaad
+wordt berokkend, terwijl wij van onzen kant er ons vaderland
+misschien nog mee redden van het naderend verderf?
+
+Niet overtuigd nog, maar toch ook niet wetend hoe dergelijke
+redeneringen te wederleggen, zocht Siddha vergeefs naar een
+antwoord, en--zweeg, afwachtend wat zijn oom nog verder te zeggen
+had. Maar deze scheen het onderhoud voorloopig als geëindigd te
+beschouwen en maakte een beweging om op te staan, toen zich in de
+laan waarop de rustbank het uitzigt gaf, eene figuur vertoonde,
+wél geschikt om Siddha's opmerkzaamheid te trekken en zijne
+gedachten voor 't oogenblik af te leiden van het gesprokene.
+
+'t Was een lange, magere, bronskleurige gedaante, kaal geschoren
+behalve één enkele lange haarvlok op het glimmend voorhoofd,
+regterarm en borst ontbloot, maar omhangen met het heilig koord
+der Brahmanen, en voor 't overige de knokerige leden in een eng
+sluitend wit kleed zonder eenig siersel gehuld. Diep lagen de
+grauwe bijna wezenloos voor zich uitstarende oogen in hunne
+kassen, en de holle wangen en sterk uitstekende jukbeenderen
+schenen te getuigen van strenge vasten en harde zelfkastijding.
+Schoon voor mensch of dier niet ligt bevreesd, en ook voor 't
+overige wel aan de verschijning van dergelijke wonderlijke
+gestalten gewend, schrikte toch Siddha een oogenblik voor deze
+ééne terug. Menig jongen en krachtigen tijger had hij in de
+bosschen weerstaan en met speer en zwaard geveld, en meer dan één
+geduchte slang had hij onverschrokken den kop afgehouwen, maar
+nooit nog volkomen den afschuw kunnen overmeesteren, die hem bij
+den plotselingen aanblik van een schuffelenden adder of een
+eensklaps uitschietenden schorpioen beving, ook al vreesde hij
+niet terstond de giftige beet.
+
+--Gorakh, de Yogi,--verklaarde Salhana,--priester van den Doerga-
+tempel, ginds op den berg. Bejegen hem met ontzag. Hij verdient
+het en heeft meer te beteekenen dan gij alligt vermoedt.
+
+Sluipend bijkans, meer nog dan gaande, de beide mannen, die
+inmiddels opgestaan waren, naderend, sprak de priester, terwijl
+hij de beide handen zaamgevouwen naar het voorhoofd bragt, op
+langzaam sleependen toon en sommige lettergrepen op wonderlijke
+wijze rekkend:--
+
+--Om! om! U zij de gunst van den Heer der Wereld en van Doerga,
+zijne glorierijke gemalin! Om!
+
+--Wees gegroet, eerwaarde Gorakh! antwoordde Salhana op die
+zonderlinge toespraak,--zie hier mijn neef, Siddha Rama uit
+Kaçmir, van wien ik u vroeger reeds gesproken heb.
+
+--Hij zij gegroet!--was Gorakh's plegtig antwoord,--en moge hij
+eenmaal, den strijd der tweeheid te boven, de zegeningen
+doorgronden van het ter oneindige zaligheid leidend eenheidsbewustzijn,
+waarin gij, mijn leerling en vriend! reeds meer en meer den waren weg
+des heils begint te herkennen!--Doch,--vervolgde hij na een oogenblik
+niet minder plegtig zwijgen,--dat levenservaring hem eerst dien weg
+bereide, gelijk ze u en mij dien gewezen heeft! Gunnen we hem den tijd,
+dien de leerling behoeft! Trouwens, ik ken hem, en weet dat hij eenmaal
+tot de onzen zal behooren.--Nog onlangs,--en hier wendde hij zich
+onmiddelijk tot Siddha,--nog onlangs heb ik u ontmoet.
+
+--Vergeef mij, Eerwaarde Heer!--zei de toegesprokene,--zoo ik 't
+van mijn kant mij niet herinner....
+
+--Dat kunt gij ook niet,--werd hem geantwoord;--ik was op dat
+oogenblik onzigtbaar voor menschelijk oog.
+
+Te wel bekend met de wonderlijke beweringen der Yoga-belijders,
+dat ze bij voorkomende gelegenheden zich onzigtbaar konden maken,
+en dergelijke, vergenoegde zich Siddha met stilzwijgend den
+priester aan te hooren, toen deze tot zijn verbazing voortging:
+
+--Het was op dien avond toen gij den tijger van den kluizenaar
+zocht te vervolgen, en.... Maar wij spreken elkaar nog wel nader!
+De edele Salhana verlangt thans mijn onderhoud. Tot later dan,
+vaarwel! U zegene Doerga's magtige gemaal!
+
+En met doffe stem zijn--Om! Om!--prevelend, verwijderde zich de
+Doerga-priester met Salhana, die, zijn neef een--Tot straks!--
+toeroepend, hem alleen liet in den hof.
+
+De laatste mededeeling van den Yogi was wél geschikt om Siddha's
+verwondering op te wekken. Hoe wist die man wat er ginds met hem
+in 't gebergte was voorgevallen, waar hij buiten zijn eigen
+reisgezelschap geen enkel menschelijk wezen had bespeurd? Het
+gezigt van zijn dienaar, dien hij op eenigen afstand daar tusschen
+de boomen zag dwalen, bragt hem inmiddels op eene gedachte, die,
+meende hij, alligt het raadsel kon oplossen.
+
+--Vatsa!--zeide hij, den man wenkend,--hebt gij of Koelloeka's
+dienaar zoo even of daar straks met een priester gesproken?
+
+--Neen, Heer!--antwoordde Vatsa,--wij hebben zelfs geen priester
+gezien.
+
+--Niet?--vroeg Siddha, thans wezenlijk verbaasd,--nu, goed dan!
+Gij kunt gaan!--En terwijl hij met de hand wenkte, prevelde hij
+half verstoord en toch ook half verschrikt, in zichzelf:--ik moet
+er Koelloeka eens over spreken!
+
+Doch hoe kon nog eenig priester of wat ook een oogenblik langer
+zijne gedachten bezighouden, toen hij, een eind weegs voortgewandeld,
+het wit gewaad en de slanke gestalte van Iravati gewaar werd onder het
+digte lommer der mango's aan den oever van een kleinen lotusvijver,
+besproeid door een zacht klaterende en aangename koelte verspreidende
+fontein? Bloemen lagen om haar heen en een nog onafgewerkten krans hield
+zij in de hand. Doch zoodra niet hadden voetstappen in de nabijheid hare
+opmerkzaamheid getrokken en nauw had zij Siddha herkend, of zij wierp
+den krans weg, en snelde haar minnaar met zaamgevoegde en ter hoogte
+van het voorhoofd opgeheven handen te gemoet. Hartstogtelijk drukte
+Siddha ze in de zijnen, en de geliefde terugleidend zette hij naast haar
+zich neder in het mos.
+
+--Wat uw vader toch een wreed man is,--sprak hij,--ons terstond
+zoo weer te scheiden, nadat wij nauwlijks een paar woorden
+gewisseld hadden!
+
+--Wel!--zei Iravati,--gij moest hem eer bedanken, dat hij ons
+toestaat, elkaar zoo alleen te spreken. Dat is hier lang niet
+allen vergund, die in ons geval verkeeren.
+
+--Nu goed!--hernam Siddha,--daarvoor wil ik hem van harte dankbaar
+zijn, en te hooger waardeer ik dit gelukkig oogenblik, naar ik te
+langer er op wachten moest. Doch hoe nu? Gij deelt dunkt mij niet
+geheel in mijne blijdschap; wat mag de reden daarvan zijn?
+
+--Ach!--zuchtte Iravati,--hoe ware 't geluk onverdeeld als men
+weet dat hét zoo kort is van duur? Welligt of waarschijnlijk is
+dit het eenige korte oogenblik dat we voor langen tijd elkander
+vrijelijk mogen spreken. En morgen gaat gij weer verder, naar de
+weelderige, woelige stad, waar gij een eenvoudig meisje als ik ben
+alras zult vergeten....
+
+--Vergeten!--riep Siddha uit,--heb ik dergelijk vermoeden aan u
+verdiend? En wat is ook eene afwezigheid van misschien enkele
+maanden? Keert dan,--vroeg hij met de woorden van Amaroe, terwijl
+hij hare hand vatte, en haar nader ter zich trok,--"Keert dan wie
+gaat, niet terug? Hoe dus: mijn liefste! zoo treurig? Blijft niet mijn
+hart als mijn woord, scheiden we ook straks, u verpand."
+
+
+--Ja,--zei Iravati lagchend,--als dichters ons troosten konden!
+Maar vertel mij, Siddha! hebt gij nog nooit een vers op mij
+gemaakt?
+
+--'k Wilde dat ik het kon,--was het nederig antwoord,--en
+inderdaad ik heb 't wel eens beproefd, maar wat ik ook zocht, ik
+vond nooit iets uwer waardig. Daarentegen is er een andere kunst,
+waarin ik misschien iets beter ben bedreven dan in poëzie, en wat
+ik daarin beproefde wil ik niet voor u terughouden.--
+
+En een klein met edelgesteenten omzet medaljon uit zijn gordel te
+voorschijn halend toonde hij zijne verloofde een miniatuur
+portret, waarin zij wel terstond haar eigen beeld moest herkennen.
+
+--Siddha!--riep zij blijde uit,--maar ik ben immers lang zoo
+schoon niet!
+
+--Zoo schoon niet!--herhaalde hij,--neen, maar wel honderdmaal
+schooner dan mijn penseel of dat van een ander u afbeelden kan!
+
+En in zeker opzigt had hij gelijk. Want, naar Indischen smaak, had
+hij de doorsnee der oogen en de grootte van den mond een weinig
+overdreven, terwijl juist de volkomen evenredigheid van beide met
+de overige trekken een van Iravati's wezenlijke schoonheden was.
+
+--Maar hoe nu?--vroeg hij verschrikt, terwijl zijne gezellin
+eensklaps was opgestaan en snel aan zijne armen ontsnapte, die
+haar trachtten te omvatten,--hoe nu? gij neemt de vlugt?
+
+--Wacht mij even!--sprak zij,--in een oogwenk ben ik bij u terug.
+
+Met de vlugheid der gazelle zag hij tusschen de boomen haar den
+weg nemen naar het paleis, als zwevend de breede marmeren trappen
+bestijgen en weinige oogenblikken later terugkeeren met een niet
+terstond uit de verte herkenbaar voorwerp in de hand. Toen, hem
+weer genaderd, vertoonde zij hem, terwijl een blos hare wangen
+overdekte en hemzelven een uitroep ontsnapte van blijde
+bewondering, zijn eigen, welgelijkend, maar ditmaal werkelijk een
+weinig geïdealiseerd portret.
+
+--Liefste mijn!--sprak hij in vervoering, en eer ze zedig zich kon
+terugtrekken had hij haar middel omvat en een vurigen kus op de
+frissche rozeroode lippen gedrukt.
+
+--Zie! sprak zij,--de onstuimige omhelzing zachtkens afwerend,--
+nu zou mijn vader toch tevree met ons zijn! We hebben juist gedaan
+zooals de prinsen en prinsessen, waarvan onze nationale
+vertellingen spreken; die maakten ook elkaars portret.
+
+--Niet volmaakt juist, lieve!--verbeterde Siddha,--ze maakten hun
+eigen portret, en ruilden dan met elkaar, of als ze elkander
+afbeeldden, dan ruilden ze toch. Maar ik vind onze manier toch
+beter; de hunne scheen mij altijd in 't eene geval een blijk van
+verregaande ijdelheid, en in 't andere heel doelloos.
+
+--Foei!--zei Iravati bestraffend,--maakt gij aanmerkingen op de
+schriften der Ouden? Wie weet of gij straks niet onze heilige
+boeken zelf zoudt gaan kritiseren!
+
+--Nu ja, en waarom niet?--vroeg Siddha,--als ze nu eenmaal hier of
+daar mis hebben of smakeloos zijn, of....
+
+--Gij zijt toch, hoop ik, geen twijfelaar?
+
+--Twijfelaar? Aan wat?
+
+--Aan het gezag der heilige Veden, bij voorbeeld, of aan....
+
+--Kom, beste!--viel Siddha de schoone spreekster lagchend in de
+rede,--kom! laten we nu in deze weinige oogenblikken, die ons nog
+gegund zijn, niet doen als zoovelen onzer landgenooten, die elkaar
+haast nooit kunnen ontmoeten of ze doen elkander allerlei
+theologische en philosophische vragen.
+
+--Gij hebt gelijk,--hernam Iravati,--en zie, ik weet ook een
+spelletje dat veel aardiger is, en dat gij ook wel kent. Let op!
+
+En zich vooroverbuigend naar den kant van den vijver, plukte zij
+een donkerblauwe lotusbloem, nam een groot langwerpig boomblad dat
+daar op den grond lag, en, na het vlug tot een soort van schuitje
+omgebogen te hebben, den lotus daarin stekend, liet zij het blad
+drijven op het zacht door de beweging der fontein bewogen
+watervlak.
+
+--Die bloem is mijn Siddha,--sprak ze half in zichzelve,--laat
+ons nu zien of hij mij trouw zal blijven!
+
+--Neen!--sprak Siddha op zijne beurt verwijtend,--dat is een gek
+spel! Dat moet gij niet spelen!
+
+Maar Iravati luisterde nauwelijks en zag met ademlooze
+belangstelling naar het dobberend boomblad uit, dat daar vrolijk
+op de kabbelende golfjes danste.
+
+--Trouw! trouw!--juichte zij....
+
+Daar streek een ligt zuchtje van den zuidenwind over het water;
+het ranke vaartuig helde ter zijde, kantelde, en vertoonde weldra
+niet meer dan het ondervlak, terwijl de lotus verdween.
+
+--Helaas!--riep Iravati uit en liet het hoofd op de borst zinken,
+--mijne voorgevoelens zouden mij dan niet bedriegen?
+
+--Foei! zeg ik nu van mijn kant,--sprak Siddha,--eene edele wel
+opgevoede jonkvrouw hecht aan zulke dwaasheden, die hoogstens te
+vergeven zijn aan onnoozele boerenmeisjes! En zoo stelt gij dan
+meer vertrouwen in een boomblad, dat van zelf wel moet omvallen
+als ge 't maar lang genoeg drijven laat, dan in het eerewoord van
+een Indisch edelman, die u zijne trouw heeft gezworen als gij de
+uwe aan hem?
+
+--Ach, Siddha!--zuchtte Iravati,--heb medelijden met mij als ik
+mij soms wat kinderachtig aanstel! En is mijne onrust u geen blijk
+hoe ik u liefheb? Mag ik niet soms, hoe groot ook mijn vertrouwen
+op uw woord en uwe liefde is, met zekere onrust denken aan die
+stad waar gij heengaat en waar u wie weet het welke verzoekingen
+wachten? Toch had ik daareven groot ongelijk, dat erken ik; en,--
+vervolgde zij, haar hoofd aan Siddha's schouder leunend,--ik weet
+immers ook, dat Siddha de mijne is, nu en voor altoos en dat er
+geen andere vrouw bestaat, die mij ooit zijn hart kan ontrooven!
+
+Haar middel omvattend, zag Siddha de geliefde zwijgend aan; maar
+die blik zeide meer dan de krachtigste betuigingen, en nameloos
+gelukkig vleide zich Iravati aan zijne borst.
+
+Een gerinkel van ringen in de nabijheid deed beiden opzien, en uit
+Siddha's omhelzing zich loswindend, zeide Iravati:
+
+--Ons zamenzijn, vriend! is geëindigd; daar komt Nipoenika, mijne
+dienares, ons waarschuwen.
+
+Inderdaad verscheen een oogenblik later de dienares, wier gouden,
+om de bronskleurige enkels en armen sluitende ringen onder 't gaan
+het zooeven vernomen geluid hadden veroorzaakt, en meldde hare
+meesteres dat de Goeverneur haar uitnoodigde, naar hare vertrekken
+terug te keeren en zijn neef verzocht, met hem en Koelloeka aan
+den maaltijd te komen deelnemen.
+
+Met een ligten handdruk scheidde Iravati van haar verloofde, en
+begaf zich met Nipoenika terug naar het paleis. Op een afstand
+volgde Siddha om zijn oom en zijn reisgezel in de benedenvertrekken
+te gaan opzoeken.
+
+Aan pracht en weelde ontbrak het niet bij het maal, aangerigt in
+een der kleinere vertrekken, dat met zijn open galerij een
+heerlijk uitzigt leverde op het schilderachtig landschap daar
+omlaag. Zijden, fraai geborduurde kussens, waarop de gasten plaats
+namen, gouden en zilveren schalen in overvloed, keur van spijzen
+en wijnen, tal van dienaren van allerlei gelaatskleur en in allerlei
+kostuum, in één woord al wat overeenkomstig mogt heeten met den rang
+van Salhana als Goeverneur der veste en voor 't oogenblik hoogst
+gestelde onder de bewoners van het vorstelijk paleis. Maar de regte
+vrolijkheid ontbrak aan het deftig feest en geen vertrouwelijkheid was
+denkbaar; alles bleef er vormelijk, statig, stijf; en de gesprekken,
+even onbeteekenend als hoffelijk, werden blijkbaar slechts tusschen de
+drie mannen gevoerd omdat stilzwijgen onbeleefd zou zijn geweest.
+--Hoe anders,--kon Siddha niet nalaten te denken,--hoe anders toch dat
+eenvoudige maal bij den kluizenaar in het gebergte!--En 't was of
+Koelloeka ongeveer hetzelfde dacht toen zijn jonge vriend hem even
+aanzag; althans de blik dien hij toen juist in 't ronde wierp en zijn
+nauw zigtbare, door Salhana niet opgemerkte glimlach bewezen wel dat er
+ook iets dergelijks omging in zijne gedachten.
+
+Ten laatste inmiddels liep de lang gerekte maaltijd, waarbij in
+alle deftigheid ook nog al vrij wat wijn was gedronken, ten einde.
+Maar ook het overig gedeelte van den dag leverde voor Siddha geen
+verder genoegen meer op. Wel dwaalde hij een tijd lang onder het
+balkon der vertrekken rond, welke hem de gedienstige Nipoenika,
+hem daar ontmoetend, als die harer meesteres had aangewezen, maar
+Iravati vertoonde zich niet, en toen zij tegen den avond nog
+eenmaal in tegenwoordigheid van haar vader en diens gasten
+verscheen, was het enkel om een kort afscheid te nemen, even
+vormelijk als de eerste begroeting in den morgen was geweest.
+
+Vroegtijdig met het krieken van den dag moest den volgenden morgen
+de reis worden voertgezet, om onder behoorlijke middagrust de
+hitte van den dag te kunnen ontwijken, en vroeg dus begaven de
+reizigers zich naar hunne vertrekken.
+
+Doch zoo noodig de rust hem ook ware, de jongste der beiden kon
+zoo terstond ze niet vinden, toen hij in 't voor hem gereed
+gemaakte vertrek was aangekomen; en ongenegen dadelijk zijn
+rustbed op te zoeken, begaf hij zich, na zijne wapens te hebben
+afgelegd, nog voor eenige oogenblikken aan het open venster, dat,
+aan de achterzijde van den burgt, het uitzigt verleende op de ook
+daar aangebragte vestingwerken en de hier omheen liggende, nu in
+nachtelijke schemering gehulde bosschen, waarachter zich weder
+heuvelen en enkele hoogere, hier en daar met tempels en andere
+heiligdommen gedekte bergen verhieven.
+
+Niet enkel Iravati's beeld echter was het wat op dit oogenblik hem
+bezig hield. Ook de staatkundige gesprekken met zijn oom en de
+zonderlinge ontmoeting met den geheimzinnigen priester rezen weer
+op voor zijn geest. Dat deze door een of anderen kunstgreep achter
+het voorval met den tijger was gekomen, begreep hij wel, al kon
+hij niet ontdekken hoe; maar waartoe moest dat alles dienen, en
+wat wilde die man eigenlijk? En Salhana, de Goeverneur? Viel er
+vertrouwen te stellen in diens karakter, moesten zijne aanduidingen
+gevolgd en werkelijk voor Koelloeka verzwegen worden wat er dien morgen
+verhandeld was? Of ware 't niet noodig hem daarover te raadplegen?
+
+Eene onverwachte verschijning op den eersten ringmuur, waarvan de
+lage borstwering scherp uitstak tegen de wel reeds nachtelijke
+maar toch heldere lucht, deed Siddha een oogenblik het onderwerp
+zijner overpeinzingen vergeten om spoedig zijne gedachten nogmaals
+daarop terug te brengen.
+
+Boven de borstwering namelijk vertoonden zich eensklaps halverwege
+twee gestalten zonder dat hij begreep hoe zij, terwijl hij toch
+juist op den muur gestaard had, er zoo in eens waren gekomen; en
+spoedig herkende hij aan hunne gedaanten, schoon hij de
+gelaatstrekken niet onderscheiden kon, zijn oom, den Goeverneur,
+en Gorakh, den Doerga-priester. Al weer die twee te zamen en in
+dit late uur! Doch het wonderlijkste van de verschijning was
+misschien nog de gansch veranderde houding van beiden. Geen zweem
+meer van hunne vroegere stijfheid en statigheid. De een
+gesticuleerde al harder dan de andere bij het blijkbaar zeer
+levendig gesprek, terwijl zij nu eens naar het kasteel, dan weer
+naar het gebergte aan de overzijde wezen. Het onderhoud bleef in
+vollen gang tot het eensklaps gestoord werd door de verschijning
+van wederom nieuwe figuren, die één voor één achter elkaar langs
+den ringmuur zich voortbewogen. Dunne, magere gestalten allen, en
+bijkans geheel naakt, met uitzondering van een wit, om den hals
+gewonden koord, dat ook in de schemering nog door het verschil met
+hunne donkere huidskleur zigtbaar bleef. Aanstonds bij hunne komst
+was Salhana, waarschijnlijk langs een uit het paleis onzigtbare
+trap, even snel verdwenen als hij straks gekomen was. De priester
+had onmiddelijk al zijne statigheid weer aangenomen, en met de
+regterhand naar een der hoogste bergen wijzend, stelde hij zich
+aan het hoofd van den stoet, en daalde met dezen langs den muur
+naar het aan den voet der rots gelegen donkere woud omlaag. Een
+lange reeks van gedaanten, alle nagenoeg volkomen op de eerste
+gelijkend, volgde hem, en Siddha had lang opgehouden te tellen
+toen hij de laatste in de duisternis van het bosch verdwijnen zag.
+
+Eene ligte huivering had zijns ondanks hem bevangen toen hij die
+zonderlinge gestalten daar voorbij zag trekken en hun uitwendig
+voorkomen met den naam der godin in verband bragt, aan wier dienst
+zich Gorakh heette gewijd te hebben, en wier tempel op gindschen
+berg zij thans waarschijnlijk met hem gingen bezoeken. Kon het dan
+waar zijn dat die sekte nog bestond, waarvan hij zoo menigmaal
+gehoord had, maar die hij lang uitgeroeid of uitgestorven waande,
+dat geheimzinnig verbond van daemonen in menschengedaante, dat zoo
+lang de plaag en de schrik van Hindostan was geweest, het
+vreeselijkst voortbrengsel welligt, dat ooit godsdienstig
+fanatisme had uitgebroeid? En met een aanvoerder van dergelijke
+bende zou zijn oom, de dienaar des Keizers in verstandhouding
+zijn? 't Was inderdaad niet te gelooven, en lagchend om zijn eigen
+dwaze voorstellingen verliet Siddha het venster, en wierp zich,
+haastig ontkleed, op zijne legerstede.
+
+Vermogt hij ook nu nog niet spoedig den slaap te vatten, en dwaalden
+nog lang de tegenstrijdige beelden van Iravati en Salhana en Gorakh met
+diens naakte bruine volgelingen hem door het hoofd, tot één vast
+besluit was hij toch gekomen eer hij insliep: met Koelloeka zou hij
+niet spreken over 't geen hij dien dag gehoord en gezien had. Dat zijn
+oom in geheimen was gewikkeld, bleek hem duidelijk genoeg, maar voor
+een staatsman was dat zoo onnatuurlijk niet, en niets bewees hem dat
+zij iets misdadigs hadden, terwijl toch de ontdekking alligt van
+nadeelige gevolgen voor Salhana en misschien ook voor diens naaste
+betrekkingen kon zijn. Was dan hij, Siddha, nu geregtigd het een of
+ander uit te brengen, aan wien dan ook, wat een vertrouwelijk gesprek
+of een louter toeval hem daaromtrent had bekend gemaakt? Koelloeka zelf
+zou ongetwijfeld de eerste zijn om dergelijke handelwijze af te keuren.
+
+
+
+DERDE HOOFDSTUK.
+
+Agra
+
+Vrolijk trompetgeschal wekte Siddha uit zijne ligte
+morgensluimering. Haastig opspringend, zag hij uit het venster het
+groote plein van den burgt met eene menigte ruiters overdekt,
+sommigen hunne paarden afzadelend, anderen bezig met op te stijgen
+en zich in gelid te stellen. Voor de eene helft de ruiters, die
+uit Allahabad naar Agra stonden te vertrekken en met wie onze
+reizigers den togt derwaarts zouden ondernemen, voor de andere de
+krijgslieden, die eerstgenoemden kwamen vervangen. Reeds zag de
+jonge edelman zijn dienaar met den schimmel op hem wachten, en
+vlug maakte hij zich tot het voortzetten der reize gereed. Weinig
+tijds later zat hij te paard, terwijl ook eenige oogenblikken
+daarna Koelloeka met den Goeverneur verscheen.
+
+Nog even inmiddels vond Siddha, eer de stoet zich in beweging ging
+stellen, de gelegenheid om langs de bastions den hoek om te rijden
+tot aan het balkon, waar hij den vorigen namiddag zoo herhaaldelijk naar
+had opgezien. Ditmaal werd hij niet geheel in zijne verwachting bedrogen.
+Tusschen de planten die het balkon bedekten ontwaarde hij terstond eene
+hem wel bekende, in 't wit gehulde gestalte, die bij zijne nadering met
+een luchtig op den zachten wind fladderend doek wuifde; en toen hij
+digter bij was gekomen daalde dit langzaam neder zoodat hij, met eene
+vlugge wending van zijn paard, het op de punt zijner lans kon opvangen.
+
+'t Was een van die schitterend gekleurde en ragfijne weefsels van
+Kaçmir, die de wanhoop van alle wevers der wereld uitmaakten en
+die zich even ligt door een vingerring lieten trekken als tot
+sluijer gebruiken of tot een tulband zamenvouwen. Snel kuste hij
+'t voor hem onwaardeerbaar afscheidsgeschenk, wond het in een
+oogwenk om het gevest van zijn sabel, en toen met de hand wenkend
+ten laatsten groet, was hij dra in eenige sprongen bij zijne
+reisgenooten terug.
+
+Een eind wegs begeleidde nog Salhana, mede te paard, zijne gasten
+en de vertrekkende ruiters. Daarop nam hij afscheid, zijn neef nog
+mededeelend dat hij spoedig hem te Agra hoopte terug te zien,
+vermits hij zelf eenige dagen later zich derwaarts dacht te
+begeven; en in gezelschap van den bevelvoerenden officier der
+afdeeling, met wien zij intusschen kennis hadden gemaakt, trokken
+onze reizigers verder.
+
+Meer dan één dag nog duurde de togt. Voor een groot deel door
+zandige, veelal met meer steenen dan boomen bedekte vlakten, soms
+ook over liefelijke begroeide heuvelen, en meest langs of in de
+nabijheid van den oever der Djoemna. Eindelijk werd op weinig
+afstand van Agra des avonds de laatste halt gehouden, en toen nu
+den volgenden morgen na een korten rid de Keizerstad zelve was
+bereikt, zagen de reizigers, ook diegenen onder hen voor wien de
+aanblik niet nieuw meer was, de moeite en de onvermijdelijke
+verveling van den togt zich wél vergoed.
+
+Halvemaansgewijze, langs den tegenovergestelden oever der rivier, lag
+tusschen tuinen en vestingwerken van allerlei vorm de breede rei van
+paleizen en moskeën, die in dezen tijd en nog lang daarna Agra of
+Akbarabad tot een van de schoonste en prachtigste steden der wereld
+maakten. In het midden ongeveer en uitblinkend boven allen verrees het
+paleis van den Keizer zelf, waarvan het hoofdgebouw, van alle zijden
+omringd door kleinere, tusschen de digte boomgroepen der lusthoven
+verspreid, door de keurige voeging zijner roode en glad gepolijste
+zandsteenen als uit één in het zonlicht glanzend granietblok scheen
+gehouwen, en toch, in weerwil van het waarlijk kolossale zijner
+afmetingen, met zijne menigte van puntig uitloopende koepeldaken en
+vlugge slanke torens en als de fijnste kant tegen de lucht uitstekend
+beeldhouwwerk een voorzeker niet minder bekoorlijken dan overweldigenden
+invloed op den beschouwer te weeg moest brengen. En daar omheen de
+paleizen en lusthoven der hofgrooten en der rijke en aanzienlijke
+stadbewoners en de moskeën met hare koepels en minaretten, en hier en
+daar ook nog enkele pagoden, overblijfsels en laatste getuigen van een
+vroegeren, in deze streken althans, overwonnen beschavingstoestand. Wél
+was die aanblik reden genoeg voor den reiziger, en in 't bijzonder ook
+voor hem die de plek voor 't eerst bezocht, om den teugel in te houden,
+ten einde nog eene wijl zich te verlustigen in het gezigt van zooveel
+pracht, en, kon het, een oogenblik na te denken over den indruk daardoor
+veroorzaakt. Eén eenig mensch, magtig veroveraar en diep ingrijpend
+hervormer bovendien, was dan voor 't grootste deel de stichter van dat
+alles, dat in eene voormaals nog weinig aanzienlijke plaats als
+eensklaps door eene tooverroede te voorschijn was geroepen uit den
+barren grond? Wat geweldig, wat veelbeteekenend man dat niet zijn moest!
+En een gevoel van beklemdheid greep Siddha aan, toen hij zich
+voorstelde, misschien binnen kort vóór dien man te zullen verschijnen
+en welligt zelfs eenige woorden, zij 't ook slechts vormelijke, met hem
+te moeten wisselen.
+
+Weldra intusschen begaf men zich verder en, aan de overzijde der
+rivier gekomen, namen Koelloeka en Siddha afscheid van hun
+reisgenoot, den officier, en begaven zich met hunne dienaren naar
+de woning door een van Koelloeka's vrienden voor hen gehuurd,--een
+eenvoudig maar smaakvol en aangenaam ingerigt huis met een
+vriendelijk uitzigt op omliggende tuinen en op den klaren, in de
+morgenzon glinsterenden stroom in de laagte.
+
+--Komaan, dat treft!--zei Koelloeka toen zij de woning waren
+binnengetreden,--ik zie daar dat onze goederen al met de kameelen
+zijn aangekomen. Nu behoeven wij niet stil te zitten en kunnen
+straks al dadelijk, als we ons wat gekleed hebben, onze opwachting
+bij Aboel Fazl, den Minister gaan maken. Eerst nu een frisch bad;
+en inmiddels kan Vatsa onze zaken helpen uitpakken.
+
+Een half uur later waren beiden tot het voorgenomen bezoek op weg;
+Siddha in een tot de knieën reikend en op de met een parelsnoer
+behangen borst een weinig geopend goudlakensch kleed, en gedekt
+door een niet te grooten, met een veder gesierden tulband, waarin
+hij Iravati's afscheidsteeken had gevlochten; Koelloeka eveneens
+in ietwat sierlijker, min streng eenvoudig gewaad dan hij tot
+dusver gedragen had. Sabel en dolk, meer tot tooi nu dan tot
+voorkomend gebruik, strekten tot wapentuig.
+
+De weg naar het paleis des Ministers was niet lang; en daar
+aangekomen en de voorhoven doorgegaan zijnde, werden de beide
+bezoekers op de vermelding hunner namen terstond naar een der
+binnenvertrekken geleid om daar den Vizier af te wachten. Ook
+stelde deze hun geduld niet lang op de proef. Weldra werd een der
+gordijnen, die het vertrek van de overige scheidden, ter zijde
+geschoven, en Aboel Fazl trad binnen.
+
+Hij was een eenigszins gezet man van middelbare lengte en
+omstreeks een goede vijfig jaar, in een wel eenvoudig, maar toch
+kostbaar gewaad van gele, gebloemde zijde gekleed. Een baard droeg
+hij in 't geheel niet, maar zijn glad gelaat vertoonde niettemin,
+ook in weerwil van zekeren vermoeiden trek, eene uitdrukking van
+mannelijke kracht en sterken, vasten wil, eene uitdrukking tevens
+weer getemperd door den vriendelijken blik zijner donkere oogen.
+
+--'t Verheugt mij, u zoo spoedig hier te zien,--sprak hij na de
+gewone groeten, die van de zijde van Koelloeka en Siddha zeer
+eerbiedig waren;--onze jonge vriend betoont zich daarmede, dank
+zij waarschijnlijk ook uwe aansporing, wijze Koelloeka! niet
+langzaam in 's Keizers dienst.
+
+--'t Ware voorzeker ook een slecht begin,--merkte de aangesprokene
+op,--indien hij een oogenblik langer dan noodig was had gedraald
+om de eervolle betrekking te komen aanvaarden, die uwe gunst en
+die des Keizers hem hebben toegedacht.
+
+--Geen gunst, mijn vriend!--hernam Aboel Fazl--geen gunst, maar
+verstandig beleid, zoo ik hoop. Wij achten hier geenszins nuttig,
+alle betrekkingen steeds in handen te geven van onze eigene
+grooten, en stellen 't ook op prijs als 's lands oorspronkelijke
+edelen zich wijden aan onze dienst. Ook weet gij dat onze
+Radjpoet's ongaarne hun aanvoerders uit anderen dan van hun eigen
+stammen zien gekozen. En wat eindelijk kon mij aangenamer zijn dan
+den zoon van een oud vriend, en van wien ik ook niet dan goede
+getuigenissen vernam, tot een betrekking te roepen die zijn vader
+gewenscht voor hem acht?
+
+--Veroorloof mij niettemin, edele Heer!--sprak nu Siddha toen de
+Minister zweeg--het mij toegezegde als een gunst te blijven
+beschouwen en Uwe Excellentie daarvoor mijn dank en dien van mijn
+vader te betuigen! Ik wil hopen dat ik mij haar niet gansch
+onwaardig zal maken.
+
+--Blijf trouw vóór alles!--zei Aboel Fazl ernstig;--'t is een
+voorschrift dat u thans overbodig schijnt; maar als ge wat langer
+hier zijt geweest, zult gij aldra bemerken dat het dit in 't
+geheel niet is in een omgeving waar verraad menigmaal van alle
+kanten loert en zich ook de besten nog wel eens tot ontrouw lieten
+verleiden. Morgen inmiddels zal uw opperbevelhebber u de noodige
+instructiën geven voor de dienst. Ook zal hij voorzeker niet
+nalaten u te waarschuwen, wat voorzigtig met uwe Radjpoet's te
+zijn. Want, gij weet het, velen hunner, al bekleeden zij geen
+bepaalden militairen rang, zijn edelen als gij, en willen dus niet
+zoo geheel behandeld worden als gewone soldaten. Voor 't oogenblik
+zult gij, naar ik onderstel, wel eens wat meer van de residentie
+willen zien dan gij tot nogtoe er van gewaar zijt geworden. Ik wil
+u dus niet langer terughouden.--Doch wacht nog even,--sprak de
+Minister, toen Siddha zich gereed maakte te vertrekken,--een
+geleider zal u niet onwelkom zijn, en ik meen u een geschikten te
+kunnen aanwijzen.--Daarop in de handen klappend, vroeg hij den
+spoedig verschenen dienaar:--Is mijn neef Parviz hier?
+
+--Ik zag hem zooeven nog in den hof gaan,--antwoordde de dienaar.
+
+--Zeg, dat ik hem hier wensch te zien!
+
+Weinige oogenblikken later verscheen een jongman van ongeveer
+Siddha's leeftijd, rijk gekleed en met juweelen en paarlen gesierd
+en van een bevallig en innemend, schoon ook in weerwil van zijn
+fijnen zwarten knevel ietwat vrouwelijk voorkomen.
+
+--Parviz!--zei Aboel Fazl,--zie hier de beide heeren uit Kaçmir,
+waarvan ik u de komst gemeld heb. Den edelen Siddha zult gij hoop
+ik al spoedig uw vriend mogen noemen. Thans wilt gij hem alligt
+wel tot gids strekken in onze stad, die hij voor 't eerst bezoekt.
+
+--Gaarne, oom!--antwoordde Parviz, terwijl hij Siddha beleefd en
+vriendelijk tevens groette,--'t zal mij niet minder genoegen zijn
+dan eer.
+
+--Zoo gaat dan!--hernam de Minister.--Koelloeka zal misschien nog
+wel enkele oogenblikken hier willen vertoeven om met mij sommige
+belangen van Kaçmir te bespreken. Doch, mijne heeren!--zeide hij
+nog in 't bijzonder tot Siddha en den Brahmaan,--vergeet vooral
+niet nog heden mijn broeder Feizi een bezoek te brengen! Hij zou
+'t u erg kwalijk nemen als gij 't uitsteldet tot morgen, al werd
+mij de voorrang ook gaarne door hem gegund.
+
+En op een vriendelijken wenk van den Staatsdienaar verwijderden
+zich de beide jongelieden en verlieten gezamenlijk het paleis.
+
+--Kom!--zei Parviz, toen zij buiten waren,--'t is gelukkig nog zoo
+heel warm niet, en we konden dus wel eens dadelijk het eerste gaan
+zien waar een bezoeker van Agra wel vóór alles heengaat, het
+paleis van den Keizer. Ten minste als de wandeling u niet te zwaar
+is na uw morgenrid.
+
+--Och!--antwoordde Siddha, spoedig gemeenzaam met zijn nieuwen
+vriend,--om de warmte geef ik in den regel al even weinig als om
+de kou, wij zijn er in onze bergen wel aan gewend. En ook niet om
+een weinig moeite. Maar ongaarne zou ik u last veroorzaken om mij
+iets te laten zien wat gij zelf natuurlijk al lang kent.
+
+--Nu,--hernam Parviz wat spotachtig,--zoo'n ijzervreter ben ik wel niet
+als gij, die daar uit de hooge bergen en wilde bosschen komt; maar een
+wandelingetje kan ik toch nog wel maken, en al kreeg ik 't nu ook wat
+warm, uw gezelschap zal mij de mogelijke vermoeijenis wel doen
+vergeten.
+
+Zoo al pratend en terwijl men elkander 't een en ander omtrent
+eigen betrekkingen en belangen meedeelde, waarbij Parviz onder
+anderen vertelde dat zijn oom, de Minister, hem voor de
+krijgsdienst, waarin hij zelf ook niet veel behagen vond,
+ongeschikt achtte, en hem voor een staatsambt bestemde, kwamen de
+beide wandelaars al spoedig aan de groote, breede straat, die een
+der hoofdtoegangen vormde tot de voorhoven der vorstelijke
+paleizen. Aan het einde dier straat was een hooge, in den vorm van
+een triomfboog opgerigte poort, en deze doorgegaan zijnde kwam men
+op een uitgestrekt, door platanen beschaduwd plein, dat ook nog
+door zes andere bogen van gelijke bouworde en even breede straten
+toegankelijk werd gemaakt. In 't midden verhief zich een kolossale
+steenen olifant, door den tromp bij wijze van fontein en hooge
+waterkolom opspuitend; en de drie andere zijden van het plein
+werden ingesloten door lange reijen van marmeren kolonaden,
+waarachter als trapsgewijze de verschillende verdiepingen der
+hoofdgebouwen omhoog rezen. Was de aanblik misschien minder
+treffend en schilderachtig dan die van de rivierzijde, de
+verbazende uitgestrektheid der paleizen en hunne bijbehoorende
+gebouwen, waaronder ook vestingwerken van velerlei aard, viel
+daarentegen te meer in het oog.
+
+--Gij begrijpt wel,--zei Parviz,--dat we dat alles wat daarbinnen
+is nu niet in eens zien kunnen, ook al waren we nog zoo bestand
+tegen vermoeijenis; wij zouden er toch den tijd niet voor hebben.
+Doch laten we nu dan voorloopig eens het een en ander er van
+bekijken, dan kunt gij u ten minste eenig begrip vormen van het
+geheel. Gaandeweg zult gij er later wel meer van zien.
+
+En een der galerijen binnentredend deed Parviz zich en zijn
+medgezel aan een wachter kennen, die hun terstond een geleider
+medegaf naar de voor bezoekers van hun rang toegankelijke
+binnengebouwen. En nu ging het door lange reeksen van grootere en
+kleinere vertrekken, het eene al rijker en fraaijer gestoffeerd
+dan het andere, alle opgetrokken in den luchtigen en bevalligen
+Moorschen bouwtrant, en waarvan er verscheiden een bekoorlijk
+uitzigt leverden op de uitgestrekte tuinen met hunne frissche
+fonteinen en hun pacht van bloemen en gewassen van allerlei soort.
+Hier marmeren wanden, ingelegd met sierlijke bloemen van keurig
+mozaïekwerk; daar spiegels van alle kanten en fijne, haast
+onzigtbare fonteinen, wier dunne stofregen een heerlijke koelte
+verspreidde; allerwege goudlakensche of zijden, met goud- en
+zilverdraad gestikte gordijnen en voorhangsels van velerlei naar
+den aard der overige versierselen wisselende kleur, en zware
+tapijten en zachte zijden kussens, waarop in die omgeving zich uit
+te strekken op zich zelf reeds een genot mogt zijn geweest.
+
+--Daar ginds, aan den anderen vleugel,--zei Parviz weder,--zou
+men u nog veel meer fraais kunnen toonen; maar daar kunnen wij
+natuurlijk niet binnenkomen: 't zijn de vrouwenvertekken. Ik heb
+eens een kijkje gehad in een paar daarvan, toen ze pas waren
+afgewerkt en nog niet bewoond werden; ja, wat daar niet al aan ten
+koste moet zijn gelegd! Maar ik schenk u de beschrijving; gij hebt
+al genoeg te kijken en dus zeker ook weinig lust om nog meer aan
+te hooren. Is,--vroeg hij den geleider,--de groote audientie-hal
+open?
+
+--Neen, Heer!--antwoordde de ander,--voor 't oogenblik niet; maar
+over een paar dagen....
+
+--Nu, 't maakt ook niet uit,--hernam Parviz.--Binnenkort,--
+vervolgde hij tot Siddha,--zal er wel openbare audientie zijn en
+dan kunnen wij er heengaan. En van de vertrekken die de Keizer
+zelf bewoont, zult gij later misschien wel meer gewaar worden.
+Laat ons voor 't oogenblik nog wat bijzaken gaan opnemen, die het
+zien toch ook nog wel waard mogen heeten.
+
+Langs hooge en breede zuilengangen, waarbinnen zich een menigte
+van dienaren en krijgslieden van allerlei rangen bewoog, soms ook
+door de regte en lange lanen van het park, wandelden nu de
+bezoekers voort, terwijl Parviz zijn medgezel de bestemming der
+verschillende zalen en gebouwen aanduidde. Hier de Keizerlijke
+bibliotheek, met hare rijk gebonden handschrfften, ginds de
+werkplaatsen der goudsmeden en juweliers, de laboratoriën ter
+vervaardiging van reukwerken, de uitgebreide magazijnen en
+keukens, en eindelijk ook, behalve nog de arsenalen der vesting,
+de stallen der paarden, olifanten en kameelen, die meer in 't
+bijzonder voor den Keizer zelf en zijn gevolg waren bestemd.
+
+Tot dusver had Siddha gemeend, toch ook nog wel begrip van
+paleizen te hebben; nu echter begon hij tot de overtuiging te
+komen, dat hij er eigenlijk nog nooit een gezien had. Niet weinig
+vooral verbaasde hem de uitgebreidheid van die stallen, die van
+boven en uit de verte beschouwd, zich als heel een afzonderlijk
+dorp vertoonden te midden van de parken waarbinnen ze waren
+opgerigt.
+
+--Wat menigte van edele dieren daar niet zijn moet,--merkte hij
+op.
+
+--Ja,--antwoordde Parviz,--een goede honderd olifanten zijn er
+onder anderen stellig wel hier; hoeveel er elders nog voor den
+Keizer worden gehouden weet ik niet met zekerheid; naar men zegt
+moet hij er nog heel wat bezitten en een evenredig aantal kameelen
+en paarden en jagt-luipaarden.
+
+--Maar,--vroeg Siddha,--wat heeft één man, al is hij ook Shah
+Akbar, nu toch eigenlijk aan zooveel overdaad in alles?
+
+--Hij voor zich zelf niet veel,--was het antwoord,--en misschien
+minder nog dan gij wel meenen zoudt. Geboren in een wildernis,
+toen zijn vader als balling rondzwierf, en opgevoed in een
+legerkamp, hecht hij volstrekt niet aan al die inderdaad
+overmatige weelde, en zou ongetwijfeld met oneindig minder tevrede
+zijn; maar hij is overtuigd en, naar ik geloof, volkomen teregt,
+dat een vorst als hij, in deze landen en onder al die volken en
+grooten waarover hij heerscht, een indrukwekkende praal niet
+minder van noode heeft dan een sterk leger en ervaren staatsmannen. Wij
+allen, Perzen, Mongolen, Arabieren of Hindoe's gijlieden zoo goed als
+wij, zijn nu eenmaal gewoon daartegen op te zien en te meer ontzag voor
+den monarch te hebben naar hij meer uiterlijk vertoon maakt. Doch als ge
+nu meent dat met al die vertooning ook verkwisting zamengaat, dan zoudt
+ge u niet weinig vergissen. Ik durf u ten stelligste te verzekeren dat
+er in waarheid niets wordt weggeworpen, en al wordt er soms ook
+gestolen, heel veel kan 't betrekkelijk niet zijn. Want tot in de
+kleinste bijzonderheden van deze ontzaggelijke hofhouding heerscht
+even strenge regel en orde als in de verschillende afdeelingen van
+het staatsbestuur, die bijkans overal in het rijk van den Grooten
+Mogol als voorbeeld kunnen gelden van een verstandige administratie.
+Mijn oom Aboel Fazl is bezig dat alles nauwkeurig te omschrijven in zijn
+groote werk over de instellingen en het bestuur van den Keizer, in zijn
+Aïn i Akbari, waarbij hij mij wel eens een handje laat helpen. Eene zaak
+met dat al is er, waarin men Akbar soms wel eens verkwistend mogt noemen.
+Als 't namelijk geldt, anderen bij te staan die zich in moeilijkheden
+bevinden of behoeftig zijn, en eenige aanspraak op zijn mildheid kunnen
+maken, of ook wel de bevordering van wetenschap en kunst, dan hebben
+zijn schatmeesters dikwijls moeite genoeg hem binnen de redelijke
+grenzen te houden. Maar nu!--vervolgde Parviz na een oogenblik
+stilzwijgen,--'t wordt nu waarlijk onze tijd om naar huis te gaan;
+de zon begint al te branden en ik wil u ook wel bekennen dat ik
+wat vermoeid ben. Als we hier nog langer bleven ronddrentelen zou
+ik veel lust hebben hier of daar op een rustbank neer te vallen en
+er de koelte van den avond af te wachten; maar daar hebben we niet
+veel aan, en dan verloopen we ook ons maal.
+
+--Zoo laat ons den terugtogt dan aannemen!--antwoordde Siddha,--en
+ik dank u inmiddels van harte voor uw vriendelijk geleide. Gij
+hebt mij hier al haast den weg geleerd.
+
+Langs een bijpad aan de andere zijde der tuinen en gebouwen leidde
+nu Parviz zijn vriend naar diens woning terug, en daar afscheid
+nemend, zeide hij:
+
+--Gij zult het morgen waarschijnlijk wel te druk hebben met
+dienstzaken om nog verder de stad te bezigtigen of uitstapjes te
+maken. Doch zoo gij overmorgen of later wilt, ik ben gaarne tot uw
+dienst. Laat mij 't maar eens weten, of ik kom u misschien ook wel
+opzoeken.
+
+De beide jongelieden gaven elkaar de hand, en in een koel vertrek
+zijner woning ging Siddha de middagrust genieten, die ook hem op
+dit oogenblik toch niet onwelkom was.
+
+Tegen 't vallen van den avond begaf hij met zijn ouderen vriend
+zich weer op weg om Feizi, den broeder des Ministers, het
+voorgenomen bezoek te brengen. Eene aangenaam tusschen digte
+boomgroepen gelegen en betrekkelijk niet uitgestrekte maar toch
+rijk en smaakvol gebouwde villa diende Aboel Fazl's jongeren
+broeder tot woning. Aanstonds werden ook hier de bezoekers
+toegelaten en bij den bewoner aangediend; weinige oogenblikken
+daarna verscheen een dienaar om hen binnen te leiden in Feizi's
+eigen vertrek.
+
+Daar, in de nabijheid van het balkon, dat voor een groot deel zich
+uitbreidde langs het gebouw, zat aan een kunstig bewerkte tafel,
+met velerlei handschriften bedekt en door menigte van anderen op
+den grond liggende omringd, een man in de kracht zijns levens, met
+de schrijfstift in de hand en voorover gebogen over zijne papieren
+en perkamenten. Zoodra hij de bezoekers gewaar werd, stond hij op,
+trad hen te gemoet, en beiden zonder verdere formaliteiten met een
+eenvoudig: Welkom! de hand gevend, wenkte hij hen, op de vóór het
+balkon gespreide kussens met hem plaats te nemen.
+
+Wat Feizi vooral van zijn ouderen broeder onderscheidde, met wien
+hij overigens veel gelijkenis vertoonde, was de opgeruimde,
+joviale uitdrukking van zijn eveneens glad geschoren gelaat en
+eene bijzondere ongedwongenheid van manieren, aan de hoffelijke
+vormen van een man van de wereld gepaard. Ook kenschetste zijn
+kalme en rustige blik meer nog den stillen denker dan den man van
+krachtig, rusteloos handelen, schoon hij als krijgsman toch ook
+menige dappere daad had bedreven en als gezant meer dan eens
+netelige vragen had helpen oplossen voor zijn vorst.
+
+--Ik wist het wel,--zeide hij, terwijl een paar dienaren den
+gasten wijn en ververschingen kwamen aanbieden,--gij zoudt den dag
+niet laten verloopen, waarde Koelloeka! zonder mij, zoo goed als
+mijn broeder, met uw bezoek te verheugen en mij in kennis te
+brengen met uw jongen vriend, dien ik spoedig ook den mijne hoop
+te noemen.--En wat zegt ge nu wel van onze nieuwe stad?--vroeg hij
+aan Siddha.--Gij hebt er toch zeker al 't een en ander van gezien?
+
+--Uw neef Parviz, edele Heer!--antwoordde Siddha,--heeft dezen
+morgen de vriendelijkheid gehad mij door een gedeelte van het
+paleis rond te leiden. Maar om u de waarheid te zeggen, ik kan er
+eigenlijk nog zoo geen oordeel over uitspreken; ik ben voor 't
+oogenblik eenvoudig verbaasd over zooveel pracht en zooveel
+heerlijke kunstwerken. Ik had er mij veel van voorgesteld, maar
+dat alles is mij gebleken vér beneden de werkelijkheid te zijn.
+
+--Dat geloof ik gaarne,--hernam Feizi,--het gaat iedereen zoo, die
+voor 't eerst hier komt. Men mag nog zooveel beschrijvingen van
+Akbar's paleizen gehoord of gelezen hebben, toch staat men nog
+altijd verwonderd als men ze werkelijk ziet. Maar zeg mij,
+Koelloeka! hoe gaat het u tegenwoordig in uw verre Noorden? Ik ben
+benieuwd weer eens iets van uw Kaçmir te vernemen.
+
+Gaarne beantwoordde Koelloeka de vraag, schoon in 't algemeen en
+zonder thans te doelen op de weer aangevangen oneenigheden; en ook
+Siddha nam spoedig een levendig deel aan het gesprek. Nooit nog
+had hij met een vreemde zoo snel zich op zijn gemak gevoeld als nu
+met dienzelfden veelbeteekenenden Feizi, des grooten Keizers
+vriend zoowel als raadsman, tegen wiens nu reeds allerwege
+beroemden naam van geleerdheid en kunde hij steeds zoo hoog had
+opgezien. Al spoedig had inmiddels het gesprek het terrein der
+dingen van den dag verlaten en was het overgegaan tot onderwerpen
+van meer algemeenen aard. Vooral ook tot letterkundige.
+
+--Gij bewondert onze paleizen,--sprak Feizi tot Siddha,--en gij
+erkent dat zij uwe verwachting overtreffen; maar mij is 't nog
+gansch anders gegaan, toen ik voor 't eerst kennis maakte met uwe
+eeuwenoude klassieke en geheiligde litteratuur. Onze geloovige,
+maar daarom nog niet heel kundige moellah's hadden mij altijd
+verteld, dat Indische letterkunde eigenlijk niets anders was dan
+een verward en smakeloos zamenraapsel van allerlei gedrogtelijkheden,
+even verderfelijk voor waren kunstzin als gevaarlijk voor het geloof in
+Allah en zijn Profeet. Wat er van dit laatste zijn mag, laat ik daar;
+maar als mijn kunstsmaak als ook mijn zucht naar wetenschap voldaan
+zullen worden dan geschiedt dit vrij wat beter door uwe dichters en
+denkers dan door de onzen. Wat prachtige heldendichten de uwe, wat
+verheven lyriek, wat schitterende drama's, en welke ridderlijke en
+edele, wat humane en zedelijk reine gevoelens in veel van dat alles! En
+welk eene diepte en omvang tevens van gedachten bij uwe wijsgeeren van
+ouds! Maar wat behoef ik ulieden dat te herinneren? Gij weet en begrijpt
+het natuurlijk veel beter dan ik, die niet dan met zware inspanning uwe
+moeilijke, zoo gansch en al van ons Perzisch en Arabisch verschillende,
+klassieke taal kon leeren verstaan.
+
+--Nu, het Sanskrit waait ons tegenwoordigen Hindoe's, die
+natuurlijk meest Hindostani spreken, ook juist niet aan,--zei
+Siddha,--vraag Koelloeka maar eens, hoeveel hij met mij te doen
+heeft gehad om 't mij te leeren.
+
+--'t Ging nog al,--merkte Koelloeka goelijk aan,--maar al heeft
+dan een Feizi in den aanvang zoo goed als ieder ander moeite gehad
+met het leeren der taal, hij heeft wél doen vergeten dat ze
+oorspronkelijk hem niet eigen was, door zijne vertaling van onze
+Kaçmirsche kronijk en voorzeker niet minder door zijne treflijke
+navolging van Nala en Damayanti.
+
+--Wat heerlijk dichtwerk, niet waar?--hernam Feizi, die niet
+spoedig was uitgepraat als hij eens over Hindoe-litteratuur
+begon,--en hoever blijft niet elke bewerking in eene andere taal
+beneden het origineel, zoo eenvoudig en toch zoo verheven schoon,
+met die onovertroffen vrouwenfiguur, de edele, reine, bij alle
+beproeving en miskenning, aan haar onwaardigen gemaal zoo
+onwankelbaar trouwe Damayanti! Voor 't overige, als ik soms iets
+navolg dan doe ik 't voornamelijk ten gerieve van Akbar, die
+natuurlijk geen tijd heeft om nog eens vreemde talen te gaan
+leeren en toch alles lezen wil. Zoo heeft hij mij ook al een
+overzetting van de Evangeliën opgedragen.
+
+--Van de wat?--vroeg Koelloeka.
+
+--Van de heilige boeken dier mannen uit het Westen, die zich, naar
+den stichter hunner godsdienst, Christenen heeten, en waarvan gij
+toch zeker wel gehoord hebt. Nu, er staat ook veel lezenswaardigs
+in die boeken, en er komen veel verheven en diepzinnige
+denkbeelden in voor, nevens veel onbeduidends en ook onzinnigs,
+even als in uwe theosophiën; maar over 't geheel geeft het niet
+bepaald veel nieuws als men uwe theologie en wijsbegeerte eenmaal
+kent. Maar wat mij ook zoo bijzonder steeds bevalt,--dus vervolgde
+hij, zijne lofrede op oud-Indië's beschaving voortzettend,--dat
+zijn uwe spreuken. Hoe laf en zouteloos schijnen mij wederom de
+onze, die voor hooge wijsheid moeten doorgaan, als ik ze bij die
+andere vergelijk! Al had ik er maar deze ééne van u geleerd, ik
+zou al genoeg hebben om mij weer moed te geven als ik dien soms
+verlies bij het arbeiden aan mijn manuscripten daar:
+
+"De schat, die niet vergaat, niet wordt geroofd, maar aangroeit,
+ Naar gij hem meer verkwist, die schat heet wetenschap."
+
+
+--Is 't zóó goed?--vroeg hij Siddha, na de regels in 't
+oorspronkelijke te hebben uitgesproken,--of maak ik soms een fout?
+
+Een oogenblik aarzelde Siddha met zijn antwoord, maar Koelloeka
+aanziend, die glimlagchend knikte, antwoordde hij met gepaste
+vrijmoedigheid:
+
+--Eene enkele, Heer! maar trouwens ook een zeer geringe.--En den
+laatsten regel herhalend, verbeterde hij de uitspraak van een der
+daarin voorkomende woorden.
+
+--Nu, ik kom er nog al wél af!--riep Feizi vrolijk uit,--maar
+zegt gij mij nu ook eens een spreuk van Bhartrihari voor! Gij kent
+er toch zeker wel een enkele van buiten.
+
+Siddha dacht een oogenblik na en reciteerde toen:
+
+ "Elk werd geboren die leeft; wezenlijk echter geboren
+ Heel alleen hij, die een naam nalaat aan 't komend geslacht."
+
+
+--Oho!--zei Feizi lagchend,--gij hebt daar in uw Kaçmir nog wat
+anders dan Sanskrit geleerd! Gij zijt al vrij wel gevorderd in de
+kunst van vleijen, mijn vriend!
+
+--Vleijen?--vroeg Siddha,--maar zou dan uw naam, als die van uw
+broeder Aboel Fazl tot in de verste streken van Hindostan en zeker
+ook van Perzië doorgedrongen, bestemd zijn om door volgende
+geslachten weer vergeten of door hen niet gewaardeerd te worden?
+
+--Mijns broeders naam!--sprak de ander,--ja, dien zal men niet
+ligt weer vergeten! Al was 't nog niet eens om zijn daden, dan
+toch zeker om zijn onsterfelijk werk, zijn Akbar-Nameh, waarin hij
+bezig is de regeringsgeschiedenis van onzen grooten Keizer te
+beschrijven. Dat wordt eerst een boek, mijne vrienden! waarbij al
+mijn werken en tobben in 't niet verzinken. Ik heb alleen, het
+inziende, hem wel eens de aanmerking gemaakt, dat hij Akbar, die
+toch altijd een mensch blijft en dus ook wel zijne gebreken heeft,
+wat al te zeer in de wolken steekt, en dus alligt in toekomende
+tijden zich den blaam van partijdigheid of zelfs van vorstenvleijerij
+op den hals zal halen. Maar hij wil er niets van hooren, iets op zijn
+lof van den Keizer af te laten dingen.--Als ik,--antwoordt hij mij,
+--niet alles zeggen mag wat ik wezenlijk in gemoede denk van den man,
+die meer is dan mijn vorst, die mijn weldoener is en mijn trouwste
+vriend, dan werp ik mijn gansche boek veel liever in 't vuur!--Nu, gij
+begrijpt, daartegen valt dan niet veel te redeneren. En bovendien men
+kan 't aan Akbar zelf wel merken, al zegt hij 't niet, dat het hem
+gansch niet onwelkom is, zich door zijn vriend, aan wiens oordeel hij
+hooge waarde hecht, zoo geprezen te zien.
+
+--Edele Feizi!--sprak Siddha, nadat er een kort oogenblik stilte
+had geheerscht,--mag ik u eens eene opregte vraag doen?
+
+--Wel zeker!--luidde 't gulle bescheid,--en ik hoop er even
+eerlijk op te kunnen antwoorden.
+
+--Nu dan, toen wij daar van den Minister Aboel Fazl spraken, kwam
+mij eene waarschuwing in de gedachte die hij mij dezen morgen gaf.
+Hij waarschuwde namelijk tegen het verraad dat den Keizer hier
+steeds omringt. Zoudt gij, die zoo verstandig zijt, nu wezenlijk
+meenen dat hier nog lieden zijn kunnen dwaas en tevens misdadig
+genoeg om tegen zoo magtig, zoo groot en zoo weldadig een vorst
+als Shah Akbar zamen te spannen?--of is het werkelijk zoo?
+
+--Och kom!--riep Feizi uit,--mijn broeder ziet ook overal verraad!
+Maar dat is nu eenmaal een Minister, en vooral een eersten, een
+Groot-Vizier, eigen. Maak u echter niet al te beducht; de
+menschen zijn inderdaad zoo slecht niet, en in elk geval niet gek
+genoeg om zich aan dergelijke kunsten te wagen, waarbij ze hun
+hoofd op 't spel zetten met voor 't minst tien kansen tegen één.
+
+--Feizi!--sprak Koelloeka ernstig en half verwijtend,--uwe
+optimistische beschouwingen getuigen ongetwijfeld voor uw goed
+hart; maar denkt gijzelf niet, dat ze soms gevaarlijk mogten
+worden, en bijvoorbeeld jongeren, zooals onzen nog weinig ervaren
+vriend hier, tot onvoorzigtigheid verleiden?
+
+--Nu, maar ik zeg ook niet dat hij onvoorzigtig moet zijn,--
+hernam de ander,--ik meen alleen dat hij nu juist niet behoeft te
+beginnen met zich allerlei voorstellingen omtrent hof- en
+staatsintriges in 't hoofd te halen, maar kloek en blijmoedig het
+leven behoort in te gaan. Zoo begonnen wij allen, en we zijn er
+immers wél bij gevaren. Met al te veel achterdocht aanvangend kon
+hij op 't laatst wel eens niemand meer gaan vertrouwen, ook mijn
+broeder zelf en mij niet.
+
+--Dat in geen geval!--riep Siddha levendig uit, terwijl hij Feizi
+vrijmoedig in 't vriendelijk open gelaat zag,--en zoo min ik ooit
+bedekte vijandschap van uwe zijde zou vreezen, zoo min hebt gij te
+eeniger tijd verraad of trouweloosheid te wachten van wien zóózeer
+prijs stelt op uwe achting en vriendschap als ik.
+
+--Gedenk dat woord!--zei nogmaals Koelloeka op ernstigen toon,--
+en bedenk tevens dat de mensch nooit bij magte is vooruit alle
+omstandigheden en oorzaken te kennen, die eenmaal invloed kunnen
+hebben op 't geen hij gewoon is, kortzigtig, zijn vrijen wil te
+noemen.
+
+--Zie zoo!--sprak Feizi op zijn gewone luchthartige manier,--daar
+zijn we nu weer aan de philosophie. Nu, gij weet, dat behoort ook
+al tot mijn liefhebberijen, al ben ik er juist niet vér in; en als
+mijn geleerde vriend Koelloeka wil, dan laten wij de lichten
+aansteken, want het begint al donker te worden, en verdiepen wij
+ons nog wat in Sankhya en Vedanta, waarin hij zelf zoo sterk is.
+Jammer, dat wij Akbar zoo maar niet kunnen doen uitnoodigen om bij
+ons gesprek tegenwoordig te zijn! Dat was juist weer iets voor
+hem, die de droogste philosophische discussie vermakelijker vindt
+dan de schitterendste feesten.
+
+--Niets liever, geëerde Feizi!--was Koelloeka's antwoord,--dan
+zamen nog menig uur, gelijk wij vroeger zoo dikwijls deden, aan de
+door u bedoelde onderwerpen te wijden; maar voor 't oogenblik is
+'t voor ons meer dan tijd om te gaan. Siddha moet morgen in de
+vroegte reeds op 't appél zijn om zijn kommando over te nemen, en
+ikzelf heb te huis nog heden, al wordt het nacht, verscheiden
+zaken te regelen vóór mijn vertrek, dat op overmorgen bepaald is.
+Wilt gij ons dus vergunnen, thans voorloopig u dank te zeggen voor
+uwe, als altijd, zoo vriendelijke ontvangst?
+
+--Ik moet wel, waarde vriend!--antwoordde Feizi, terwijl hij een
+dienaar riep om de bezoekers uitgeleide te doen,--al verzette ik
+mij gaarne tegen uw besluit. Siddha!--zeide hij nog vertrouwelijk
+tot dezen, na afscheid gereed den dienaar en zijn leermeester te
+volgen,--wij spraken daar straks van onvoorzigtigheden.... Waak
+daar tegen! Maar een jong man als gij loopt er bij ongeluk toch
+wel eens in, vooral aan zoo'n hof als 't onze, en mogt dat soms
+eens gebeuren en gij u in verlegenheid bevinden, kom dan gerust
+bij Feizi; die kan u misschien nog wel eens uit den brand helpen.
+
+En zonder antwoord of dank af te wachten keerde de broeder des
+Ministers zich om, en ging naar zijn binnenvertrek terug....
+
+Zoo ontbrak het dan Siddha,--de gedachte drong onder 't huiswaarts
+keeren zich als van zelf bij hem op,--zoo ontbrak 't hem bij de
+intree in het leven waarlijk niet aan goede raadgevers en aan
+steun! Voor uiterste omstandigheden de wijze kluizenaar van het
+gebergte, voor geringere moeijelijkheden de verstandige en
+invloedrijke Feizi, en daarenboven de hem reeds gebleken gunst van
+den eersten Minister en de toegezegde van den oppermagtigen Keizer
+zelf. Wat iemand vooreerst nog meer had kunnen verlangen?
+
+
+
+VIERDE HOOFDSTUK.
+
+Akbar
+
+Toen den volgenden morgen onze jeugdige krijgsman op een van de
+groote pleinen der vesting het bevel over zijne afdeeling benevens
+de noodige instructiën van den Hoofd-Mansabdar der Radjpoet's
+ontvangen had, bleek hem al spoedig dat in vredestijd ten minste
+de dienst noch lastig noch bijzonder zwaar was te achten. De boven
+hem gestelde officier was een streng man en zeer gesteld op de
+krijgstucht, die bij deze troepen anders wel eens te wenschen
+overliet; maar daaraan was Koelloeka's leerling wel gewend,
+terwijl hij ook zelf een goede tucht onmisbaar achtte; en voor 't
+overige bleek diezelfde Mansabdar, die hem als teeken van zijn
+rang de witte reigerveder met het daaraan bevestigd onderscheidingsteeken
+overreikte, een zeer beschaafd en wellevend mensch, wien het bij al
+zijne strengheid ook niet aan zekere vriendelijkheid ontbrak. Niet
+minder behaagde Siddha het voorkomen zijner ondergeschikten, aan wie hij
+thans vormelijk werd voorgesteld; kloeke jonge mannen bijkans allen en
+uitnemende ruiters, in sierlijke, schitterende kleedij als hunne
+aanvoerders, met krijgshaftige houding en gelaatstrekken stralend van
+levenslust en moed.
+
+Op uitnoodiging van den bevelhebber liet nu Siddha zijne ruiters
+eenige evolutiën maken, waarbij hij zelf ook gelegenheid had zijne
+rijkunst zoowel als de uitnemende dressuur van zijn hengst te doen
+bewonderen; en na afloop der oefening zou Koelloeka, ware hij
+tegenwoordig geweest, ongetwijfeld met zelfvoldoening de
+goedkeuring hebben opgemerkt, welke zijn leerling van den kant
+zijner superieuren ten deel viel. Na nog eenige gezamenlijke
+bewegingen met eene andere op het plein verzamelde afdeeling, werd
+de trompet gestoken ten teeken dat de exercitie voor heden was
+afgeloopen, en bevel gegeven tot inrukken.
+
+Aan Vatsa, die bij een van de toegangen tot het plein hem stond te
+wachten, gaf nu Siddha zijn paard over, en rigtte daarop zijne
+schreden naar een der tuinen van het paleis, waarvan het bezoek
+aan officieren van zijn rang veroorloofd was. Eer hij echter den
+hof bereikt had, zag hij uit een zijlaan een jonge vrouw naderen,
+blijkens hare kleeding eene dienares van goeden huize, die op hem
+toetredend, een oogenblik hem oplettend aanzag en toen vroeg:
+
+--Zijt gij, Heer! niet de edele Siddha, die hier onlangs uit
+Kaçmir moet zijn aangekomen?
+
+--Die ben ik,--antwoordde de ander,--gij schijnt mij te kennen.
+
+--Ik persoonlijk niet,--zei de dienares,--maar de edele vrouw die
+mij gezonden heeft, gaf mij uwe aanduiding. Zij verlangt voor
+eenige oogenblikken uw onderhoud; zoudt gij de goedheid willen
+hebben haar dat te gunnen?
+
+--Maar,--vroeg Siddha,--wie is uw meesteres?
+
+--Vergun mij, Heer!--was het antwoord,--u den naam voor 't
+oogenblik te verzwijgen; zij zelve zal u daaromtrent voorzeker
+inlichten, als gij haar met een bezoek mogt willen vereeren. En
+wilt gij dit, dan wacht zij u nog heden avond. Kom dan omtrent zes
+uur ginds bij de moskee,--en hier wees zij naar het even prachtig
+als sierlijk gebouw, dat daar op eene hoogte achter de tuinen met
+zijne vergulde koepeldaken en wit marmeren minaretten in het
+zonlicht glansde,--ik zal u daar wachten en u geleiden.
+
+Siddha aarzelde en zocht naar een antwoord. Een avontuur? En hij
+dacht aan Iravati. Of een komplot? En hij herinnerde zich de
+waarschuwing van Aboel Fazl.
+
+--Nu?--vroeg de dienares, eenigszins spottend hem aanziend,--weet
+een ridder als gij niet wat hij doen zal, als eene aanzienlijke
+vrouw hem uitnoodigt tot een kort onderhoud? Gij zijt toch, hoop
+ik, niet bevreesd....
+
+--Bevreesd!--riep Siddha toornig uit, terwijl een hoogrood zijn
+gelaat overdekte,--wat geeft u 't regt....--Maar--vervolgde hij,
+zich bedwingend,--'t is waar, mijne weifeling moest u zonderling
+schijnen. Laat de reden u evenwel onverschillig zijn, en wacht mij
+tegen den bepaalden tijd bij de moskee!
+
+--Het is wel!--antwoordde de vrouw en verwijderde zich met een
+beleefden groet door de laan waarlangs zij gekomen was.
+
+Wel overlegde Siddha of hij niet beproeven zou haar ongemerkt te
+volgen en zoo mogelijk dus te ontdekken met wie hij te doen had;
+doch spoedig begreep hij dat hem dit toch niet gelukken zou, en de
+dienares wel behoorlijk op hare hoede zou zijn. Schoon onvoldaan,
+en met de gansche zaak en zichzelven niet erg tevrede, wandelde
+hij dan maar voort in afwachting van 't geen de avond zou geven en
+bereikte hij ook spoedig den eigenlijken hof.
+
+Zoo rijk ook de aanleg van dezen, toch was er iets wat het oog eer
+vermoeide dan bevredigde: de onveranderlijk regte lanen, alle met
+glad gepolijste steenen van verschillende kleur bevloerd, en meer
+nog tusschen een soort van lage, kunstig gebeitelde muurtjes, dan
+tusschen boomen uitloopend op eveneens in marmer besloten vijvers,
+in wier midden zich fonteinen van allerlei vorm verhieven. Wat
+daarenboven het gezigt nog eentooniger maakte, was het volmaakt
+vlakke dier regte lanen, die op verschillende plaatsen in het
+ongelijke terrein waren uitgegraven. Met dat al bleef de aanblik
+toch treffend en in elk geval heerschte er doorgaans eene
+aangename koelte ouder de digte, hier en daar verspreide
+boomgroepen, waaronder ook sierlijke marmeren banken eene
+aangename rustplaats boden.
+
+Op een dier banken zag onze wandelaar, na een tijdlang te zijn
+voortgegaan zonder iemand te hebben ontmoet, een man gezeten van,
+naar 't hem voorkwam, middelbaren leeftijd en eene, niet lange
+maar bijzonder krachtige statuur, met breede schouders en
+zwaargewelfde borst, een man wiens uiterlijk voorkomen, zonder dat
+hij van de reden zich wist rekenschap te geven, op merkwaardige
+wijze zijn aandacht trok. Van de hovelingen, welke Siddha tot
+dusver ontmoet had, onderscheidde deze man zich door niets wat
+bepaald onder woorden viel te brengen. Zijn gelaat, als dat der
+meeste anderen glad geschoren, was kalm, waardig en open, maar
+noch bepaald schoon, noch ook het tegendeel te noemen, en zijn
+kleeding was rijk maar toch vrij eenvoudig. Een gewaad van niet
+bijzonder kleurige, maar zeer fraai doorweven stof, en tot eenig
+siersel, behalve de kunstig gedreven en met edelgesteenten bezette
+sabelgreep, een enkele diamant van buitengewone grootte en
+schitterenden glans in de plooijen van den tulband. Maar wat
+sierselen noch schoonheid van gelaatstrekken konden verleenen, dat
+was die eigenaardige uitdrukking van houding en blik, die Siddha
+ook terstond in Gaurapada, den kluizenaar, had getroffen, maar hem
+nu bij dezen nog veel meer in 't oog viel, en die nagenoeg
+uitsluitend den heerscher, niet ligt een onderdaan eigen kon zijn.
+Toch vermoedde hij in den onbekende niets anders dan een hoveling
+of een krijgsbevelhebber; want van eenig vorst, die op dit
+oogenblik zich aan Akbar's hof zou bevinden, had hij niets
+gehoord, en de groote Keizer zelf zou toch zoo ligt niet voor
+iedereen genaakbaar zijn, noch zoo eenzaam daar op een bank in een
+der voor vreemden toegankelijke tuinen zijn gezeten. Met een
+zwijgenden groet wilde hij juist voorbijgaan, toen de onbekende op
+eens zijn naam uitsprak, en zonder op te staan en zonder nadere
+inleiding vroeg, of hij al kennis met zijn Radjpoet's gemaakt had.
+
+Nogal verwonderd, dat iedereen scheen te weten wie hij was,
+antwoordde Siddha bevestigend, waarop de ander, terstond de zaak
+verklarend, voortging:
+
+--Ik herkende aan die reigerveder uw rang, en daar ik nu al uwe
+medeofficieren persoonlijk ken en tevens wist dat gij dezer dagen
+hier zoudt komen om uw betrekking te aanvaarden, was 't mij ook
+niet moeilijk te weten wien ik voor mij zag. En hoe bevalt u die
+betrekking? Zet u inmiddels!
+
+--Ik zou,--antwoordde Siddha, aan de uitnoodiging gehoor gevend,
+al klonk die meer als een bevel, en nauw of in 't geheel niet
+opmerkend hoe die volslagen onbekende hem als een ondergeschikte
+scheen te behandelen,--ik zou al erg ondankbaar jegens mijn
+begunstigers en den Keizer moeten zijn als ik de eervolle en
+tevens aangename betrekking niet waardeerde waarin zij mij
+geplaatst hebben.
+
+--...En den Keizer!--herhaalde de ander,--nu ja. Maar zeg mij,
+komt gij nu eigenlijk om hem te dienen, of eenvoudig om deel te
+hebben aan de voorregten, die uw rang aan zijn hof u verleent?
+
+--Een lastige vraag, edele Heer!--sprak Siddha openhartig,--en die
+ik mij zelf eigenlijk nog in 't geheel niet gesteld heb. Ik zou er
+voor 't oogenblik alleen op kunnen antwoorden: om 't een zoowel
+als om 't ander. Dat ik overigens den Keizer trouw hoop te dienen,
+zoolang eer en pligt het mij veroorloven, spreekt, dunkt mij, wel
+van zelf als ik eenmaal vrijwillig mij aan zijn dienst verbonden
+heb.
+
+--Voorzigtig geantwoord!--merkte de onbekende aan,--de vraag is
+alleen maar, wat gij soms onder eer en pligt verstaat. Dat zijn
+rekbare woorden.
+
+--Voor velen,--hernam Siddha,--maar niet voor mij. Ik neem ze in
+den strengsten zin. Maar ook in eene bepaalde beteekenis. Eer en
+pligt zouden mij bijvoorbeeld verbieden in strijd te handelen met
+de belangen van mijn eigen vaderland, en ik zou dat ook niet
+willen doen al werd het door Akbar zelf mij bevolen, maar in dat
+geval liever al de voorregten opgeven, welke zijn gunst mij zou
+kunnen verzekeren.
+
+--En gij zoudt wél doen,--sprak de ander goedkeurend, maar wat
+reden hebt gij tot dergelijke onderstelling als zou de Keizer
+inderdaad iets van u verlangen wat u en den uwen tot wezenlijk
+nadeel kon strekken?
+
+Een oogenblik weifelde Siddha en draalde met zijn antwoord,
+terwijl hij, als reeds vroeger, aan zijn gesprek met zijn oom, den
+Goeverneur van Allahabad dacht. Spoedig echter vermande hij zich
+en, den vreemde met vrijmoedigheid in het rond en open gelaat
+ziende, vroeg hij zonder verdere inleiding of voorbereiding:
+
+--Is Akbar niet eerzuchtig?
+
+--Jongmensch!--sprak de onbekende op een toon en met een blik, die
+Siddha zijns ondanks eene zijdelingsche beweging deden maken op
+zijn bank,--zooeven hebt gij voorzigtige uitdrukkingen gebezigd,
+maar aan 't hof van Shah Akbar zelf u zoo uit te laten jegens
+iemand, dien gij in 't geheel niet kent, dat dunkt mij toch al erg
+gewaagd.
+
+--Zoo mag het schijnen,--antwoordde Siddha onbevangen, ik ken u
+niet, dat is waar; doch of ik uw naam en rang nu verneem of niet,
+is mij voor 't oogenblik onverschillig. Ik zie u, ik zie uw
+gelaat, ik hoor uw stem: dat is mij genoeg; en een edelman, jong
+en nog onervaren bovendien, die openhartig en opregt met u
+spreekt, zult gij en kunt gij niet verraden noch willen
+benadeelen, omdat hij toont u te vertrouwen.
+
+Een glans van genoegen, doch niet zooals gestreelde ijdelheid dat
+verschaft, maar van waarlijk edele en reine voldoening, overtoog
+bij die eenvoudige woorden het gelaat van den onbekende. Vleitaal
+te hooren was hem niet vreemd, en hij was daarvoor ook geenszins
+ongevoelig, maar hier was het een woord uit het hart, dat
+ongetwijfeld belangeloos tot hem gesproken werd, en juist datgene
+in hem roemde waarop hij prijs stelde boven alles....
+
+--Dat--zeide hij, de hand op Siddha's schouder leggend, en zachter
+dan anders klonk zijn stem en eene innemende vriendelijkheid blonk
+uit zijn helder oog,--dat is een waar woord, dat gij gesproken
+hebt! Gij vertrouwt mij, zegt gij, ook hoewel ge mij nog niet
+kent. Blijf daarbij als ge mij eenmaal wél zult kennen! Maar nu
+dan Akbar! Eerzuchtig is hij, naar uwe meening, en gij hebt regt.
+Ik ken hem eenigszins, al is 't ook zoo goed niet als ik wel zou
+verlangen, en ik stem het u toe dat hij eerzucht heeft. Een
+onbegrensde, nooit voldane eerzucht zelfs. Maar welke? Zoudt gij
+dan werkelijk meenen dat het enkel de zucht was om al meer en meer
+rijken en volken toe te voegen aan zijn reeds zoo uitgestrekt, nu
+al zoo moeijelijk te beheerschen gebied? Zou hij zich met het
+verworvene niet kunnen tevrede stellen? Zie toch! alleen het
+betrekkelijk kleine rijk van Agra en Delhi was bijkans zijn eenige
+erfenis; weinig of niets anders had Hoemayoen, zijn veelal
+ongelukkige en zwaar beproefde vader, hem nagelaten; en
+tegenwoordig strekt zijn gebied zich uit van de grenzen van Perzië
+tot de uiterste streken van Bengalen en de gewesten van Dekkan en
+Golconda. Wat verbeeldt gij u dan, of eenige nieuwe verovering,
+bijvoorbeeld van uw ver afgelegen Kaçmir, op zich zelve hem zoo
+buitengemeen veel genot zou verschaffen, of ook hem zoo groote
+opofferingen waard zou zijn als elke veroveringstogt steeds kosten
+moet? Toch kunnen er redenen bestaan, die een vorst gebiedend
+nopen de onafhankelijkheid van een naburigen staat niet langer te
+eerbiedigen, wanneer deze in ernst gevaarlijk dreigt te worden
+voor de rust en de veiligheid zijner eigene volken. En in zulk een
+geval moet hij handelen, moet hij strijden, ook al liet hij nog
+zoo gaarne het zwaard in de schede en al ware hem niets
+gewenschter dan een rijk van vrede en eendragt in de staten die
+hem omringen zoowel als in zijn eigen land. Maar dat neemt alles
+niet weg dat de afstammeling van Baber en Tamerlan inderdaad
+eerzuchtig is, hoewel in een anderen zin dan gij blijkbaar
+onderstelt.--Zijne eerzucht,--vervolgde de spreker,--terwijl zijn
+anders rustig oog begon te schitteren,--zijne eerzucht dan is, en
+was het voorlang, sinds de eerste jaren van zijn mannelijken
+leeftijd, niet enkel de stichting van een groot en magtig rijk,
+maar bovenal het geluk, de welvaart en de ontwikkeling der volken,
+die hem door eene hoogere, al is 't onbekende, althans nooit
+begrepen en doorgronde magt zijn toevertrouwd. Hunne maatschappelijke
+toestanden heeft hij getracht te regelen, hunne oneenigheden bij te
+leggen, het onderscheid, of den strijd ten minste, der verschillende
+rassen te doen ophouden, een einde te maken aan godsdiensttwisten, en
+den overmoed en de dwingelandij te beteugelen van magtige en zelfzuchtige
+grooten. Hij heeft beproefd, de nijvere klassen der burgerij te verheffen,
+en rijkdom en welvaart te verspreiden onder allen, wetenschappen en
+kunsten aan te moedigen, en zijne volken op te leiden tot dien staat van
+beschaving en verlichting, waarvoor velen hunner zoo uitnemenden
+aanleg betoonen. Zeg nu vrij, dat dit alles veel te veel is voor
+één enkel eenvoudig sterveling, en ik zal u niet weerspreken; maar
+laat het streven naar een ideaal niet veroordeeld worden enkel
+omdat het onbereikbaar is. En wezenlijk, volkomen bereikbaar, ja!
+dat beken ik gaarne, is het ideaal van Akbar niet. Dat heeft hij
+zelf al genoegzaam ondervonden. Hoe vele jaren van denken en
+zwoegen en onophoudelijk strijden heeft hij niet al gewijd aan het
+bereiken van zijn doel, en hoe vér, hoe vér, helaas! blijft hij
+daarvan ook heden nog verwijderd!
+
+Met eerbied en ontzag had Siddha geluisterd naar den hem
+onbekenden man, die inmiddels was opgestaan, en in 't vuur zijner
+rede hartstogtelijk de hand had omhoog geheven, maar nu, ten einde
+gekomen, ze weer mistroostig zakken liet en het diepdenkend hoofd
+voorover boog op de ongetwijfeld ook een warm hart omsluitende
+borst. Voor een oogenblik bestond er bij zijn, mede nu opgerezen,
+toehoorder geen twijfel of hij zag niemand anders vóór zich dan
+den Keizer zelf; maar toch scheen de gedachte alsof zóó een man
+jegens hem, een jong en onbekend vreemdeling, zich dus zou
+uitlaten, te dwaas dan dat hij wezenlijk er aan hechten kon. Met
+dat al was hij nu toch voornemens rondweg te vragen met wien hij
+eigenlijk gesproken had, toen zich voetstappen in de nabijheid
+deden vernemen en een lang, schoon een weinig gebogen man in
+stemmig gewaad, en, hier bij uitzondering, met een digten zwarten
+baard, het verder onderhoud kwam afbreken en nadere vragen
+onmogelijk maakte.
+
+--Abdal Kadir!--sprak de onbekende, meer evenwel in zichzelven dan
+verklarend tot Siddha, en een oogenblik dekte een donkere wolk
+zijn gelaat. Niettemin ontving hij den inmiddels naderbij gekomene
+met beleefdheid, hem tevens een wenk gevend waaruit de ander
+genoeg begreep dat hij onbekend verlangde te blijven.
+
+Met een trotschen blik nam Abdal Kadir den een weinig ter zijde
+getreden Siddha van 't hoofd tot de voeten op, en keerde hem toen
+zonder een woord te spreken den rug toe. Dat onzen Indischen
+edelman het bloed naar de wangen steeg, was zeker bij dergelijke
+bejegening niet te verwonderen, en juist wilde hij op den ander
+toetreden om verklaring te eischen van de beleediging, toen de
+onbekende hem terughield en zeide:
+
+--Laat, edele Siddha! de eenigszins vreemde handelwijze van mijn
+vriend hier u niet al te zeer vertoornen! Hij heeft het niet
+persoonlijk tegen u, zelfs in 't minst niet, daar ben ik zeker
+van; maar het gezigt van u, Hindoe's in 't algemeen, is hem altijd
+onaangenaam, omdat hij zich verbeeldt, dat zij schade doen aan
+zijn geloof.--Is het zoo niet?--vroeg hij, Abdal Kadir aanziend.
+
+--Zoo is het inderdaad!--antwoordde deze;--en ik heb ook werkelijk
+geen persoonlijke veete tegen u, jonkman!--vervolgde hij tot
+Siddha,--ik ken u niet eens; maar des te beter die van uw stam en
+geslacht. Hen te bestrijden blijft mij een heilige pligt. En ik
+strijd tegen hen, ik haat hen met onverzoenlijken haat, niet omdat
+ik niet velen hunner als menschen zou kunnen achten, maar omdat
+zij ons geloof belagen en onzen Keizer zelf daarvan afkeerig
+maken. Allah verloochenen zij, en bespotten Zijn Profeet; ons,
+diens volgelingen, zoeken zij te verdringen en zich meester te
+maken van ambten en bedieningen om hunne valsche goden en hunne
+dwaalleeraars in de plaats te stellen van den God, buiten wien
+geen God is, en van den eenige die in waarheid Hem verkondigd
+heeft. Daarom, maar daarom ook alleen, haat ik hen en u. Ik haat u
+en wil strijden tegen u ten einde toe, omdat gij óf ongodisten
+zijt óf afgodendienaars, in elk geval verleiders van het volk,
+verzoekers van den vorst. Genoeg! omdat gij anders niet zijt dan
+ongeloovige....
+
+Een uiterst strenge en doordringende blik van den ongenoemde hield
+op de lippen van den spreker het woord terug dat blijkbaar volgen
+moest, en, ware 't geuit, ook ongetwijfeld Siddha had doen
+opstuiven in weerwil van al zijne pogingen om zich te bedwingen.
+
+--Ongeloovigen dan, in één woord,--vervolgde Abdal Kadir,--en dat
+is voor een opregt zoon van den grooten Profeet reeds meer dan
+genoeg. Maar wat gaat het u aan, of ik, die hier niets te zeggen
+of te beteekenen heb, nu al dan niet met u en uw stamgenooten ben
+ingenomen? Gij zijt immers verzekerd van de gunst des Keizers, die
+alles doen kan, en ook doet, wat hem gelieft. Van de voormalige
+belastingen, door de ware geloovigen met het volste regt van
+ulieden, verzakers der goddelijke waarheid, gevorderd, heeft hij u
+vrijgesteld; hij roept u tot alle betrekkingen, stelt u aan tot
+zijne officieren en legerhoofden, kiest onder u zijne raadslieden
+en vrienden; wat wilt gij meer? Laat mij dan, laat ons en onzen
+geregten wrok; wij kunnen u toch niet deren! Eene andere vraag zal
+het zijn of de straf des hemels niet eenmaal zal nederdalen op uw
+hoofd, en... welligt ook hem zal treffen, die met eer en
+gunstbewijzen u overlaadde in plaats van u te tuchtigen met de
+roede en met het zwaard, door Allah zelf te dien einde hem ter
+hand gesteld!
+
+--Mij dunkt,--sprak nu de onbekende na deze warme ontboezeming op
+ijskouden toon,--mij dunkt, ons onderhoud, op deze wijze
+voortgezet, kan voor geen onzer meer eenig nut of genoegen
+leveren. Ongetwijfeld zoudt gij, vriend Siddha! ook aan 't woord
+komend, nog wel 't een en ander tegen Abdal Kadir's redenen in 't
+midden hebben te brengen, gelijk ik zelf ook verre ben van er mee
+in te stemmen; doch, zoo ik mij niet vergis, komt hij ditmaal ons
+niet opzoeken om een toch onvruchtbaren twist te voeren, maar ter
+bespreking van een of ander dadelijk belang. Daarvoor sta ik hem
+dan ook gaarne te woord. Vergun mij dus, u voor 't oogenblik
+vaarwel te zeggen. Spoedig hopen wij elkander weer te zien....
+
+--Abdal Kadir!--vroeg de tot dusver ongenoemde, nadat Siddha zich
+verwijderd had met een eerbiedigen groet, waarvan overigens
+slechts een zeer gering gedeelte was toegewijd aan den nijdigen
+Islamiet,--wat verlangt gij van mij?
+
+--Sire!--antwoordde de toegesprokene, want dat het inderdaad Akbar
+zelf was met wien Siddha zich had onderhouden, zou ieder hem
+gezegd hebben die niet als hij voor 't eerst aan het hof van Agra
+kwam,--Sire! mijn pligt als onderdaan en als vriend, geen eigen of
+bijzonder belang, noopte mij tot Uwe Majesteit te gaan....
+
+--Ik weet het,--viel Akbar hem in de rede,--zelfzuchtig zijt gij
+niet, en beschermelingen houdt gij er ook niet op na. Toch zou ik
+soms wenschen dat er iets van ware; misschien kon ik u dan nog
+eens voldoen; thans gelukt mij dat zelden of nooit. Ook wil ik wel
+wedden, tien tegen een, dat gij mij weer over geloofszaken hebt te
+spreken; uw opgewonden woorden van zooeven verkondden mij alhaast
+wat er komen moet. Wees intusschen zoo goed, u thans wat te
+matigen!
+
+--Inderdaad!--antwoordde Abdal Kadir,--het geloof, ons eenig waar
+en onvervalscht geloof, is het ook nu wederom wat mij herwaarts
+voert. Daarover wensch ik een oogenblik onderhoud.--En,--vervolgde
+hij,--nu van zijne zijde met een strengen blik,--een wezenlijk
+ernstig, als het kan!
+
+--Ik wil gaarne mijn best doen,--zei Akbar beleefd,--en ik beloof
+u, volstrekt niet te lagchen, mits... gij 't ook niet al te bont
+maakt.
+
+--Het oordeel daaromtrent hangt af van de bijzondere opvatting,--
+merkte de ander aan,--maar ik wil mijnerzijds streven, de zaak zoo
+bedaard mogelijk te behandelen. Mijn pligt dan, zeide ik, als
+onderdaan noopt mij onverholen te spreken. Te waarschuwen toch, en
+met allen ernst te waarschuwen, wordt dringend noodig voor al wie
+als ik het opregt met Shah Akbar meent en tevens weet wat mij is
+ter ooren gekomen. Dat er al lang een hevig ongenoegen onder ons,
+wezenlijke Mohammedanen, bestaat over de wijze waarop allerlei
+Heiden- en Jodenvolk door u, den Keizer, wordt begunstigd, en
+lauwhartigen als een Aboel Fazl, en atheïsten als een Feizi, in de
+hoogste magts- en ambtsbetrekkingen zijn geplaatst, is u voldoende
+bekend. Maar wat gij niet weet, is, hoe er dientengevolge in 't
+midden van uw rijk en in de dadelijke nabijheid van uw hof eene
+partij is ontstaan, die onherroepelijk uw val en ondergang
+besloten heeft, indien gij ten einde toe weigert gehoor te geven
+aan de allezins billijke eischen, waarop zij, als vertegenwoordigende
+de aloude en eenig ware vrienden van het huis van Tamerlan, mag aanspraak
+maken. Nog onlangs was ik in de gelegenheid eene vergadering onzer
+moellah's bij te wonen, en wat ik daar vernam was mij inderdaad reeds
+genoeg om mij te doen sidderen bij de gedachte, wat dergelijke onder de
+Mohammedaansche bevolking zoo invloedrijke mannen niet al vermogten
+zelfs tegen een Akbar, indien ze eens gesteund werden door eerzuchtige
+grooten en ontevreden legerhoofden, zooals er zoovelen ook aan het hof
+van Agra zelf als overal in gansch Hindostan nog gevonden worden.
+
+--Maar,--vroeg Akbar, eenigszins ongeduldig,--wat willen dan
+eigenlijk uwe moellah's en hun aanhang? Hebben ze niet genoeg aan
+de meest volmaakte vrijheid om te denken en te spreken zooals zij
+willen, en proselieten te maken zooveel ze maar kunnen? Heb ik hun
+ooit een stroobreed in den weg gelegd?
+
+--Zeker niet,--hernam de ander,--maar dat zou dan ook ten hemel
+schreijen! Doch wat baat hun die vrijheid, indien anderen, indien
+alle mogelijke soorten van ongeloovigen volmaakt dezelfde
+bezitten, en hier aan uw hof, en in het leger en allerwege in
+allerlei maatschappelijke betrekkingen hen komen ergeren door hun
+verontreinigende tegenwoordigheid? En wat komt er dan van de
+handhaving van het eenig ware geloof, waartoe boven alles de
+Keizer, de vertegenwoordiger van Allah hier op aarde, geroepen is?
+
+--Ja, daar zijn wij er weer!--riep Akbar uit,--dat is nu weer het
+oude thema. Gijlieden alleen hebt de waarheid in pacht, en
+daarvoor moet alles zwichten, ook ik, en wat niet buigen wil moet
+breken. Maar waarom zijt gij nu eigenlijk alléén in 't bezit van
+die waarheid?
+
+--Omdat de Profeet, gezegend zij zijn naam! ze ons verkondigd
+heeft, en omdat....
+
+--Omdat hij 't wist, en niemand anders dan hij. Goed! Maar daar
+hebt gij nu die Padres, die hier uit het Westen, uit de landen der
+Franken komen, ook eerlijke, brave menschen zooals gij.
+
+Die hebben ook een Profeet, dien ze, bedrieg ik mij niet, wel eens
+als hun God vereeren, schoon mij dat nog niet regt duidelijk is.
+En die is in elk geval ouder dan Mohammed. Dan zijn er ook nog de
+Joden, die niets van dezen en ook niets van den anderen, maar
+alleen van Mozes willen weten. En wat zegt gij dan wel van onze
+Brahmanen hier? Die komen met zooveel oude en alle met het hoogste
+gezag bekleede boeken voor den dag, boeken zoo eerwaardig oud dat
+zijzelf ze haast niet meer kunnen verstaan, en beroepen zich op
+zooveel zieners en heilige mannen dat Mozes met zijn Thora en
+Christus met zijn Evangelie en Mohammed met zijn Koran er allen te
+zamen nauw tegen op kunnen werken. En nu vraag ik u toch in
+gemoede: Hoe wil ik een eenvoudig man, die van dat alles wel eens
+iets gehoord heb, maar er geen honderdste part van versta, nu als
+geloofsregter gaan beslissen en uitmaken of Mohammed bijvoorbeeld
+meer regt dan Christus heeft?
+
+--Maar gij zijt toch in de leer van den Islam opgevoed?
+
+--Een weinig afdoende grond voor iemands geloof, dat toch wel op
+eigen onderzoek en overtuiging dient te steunen en bezwaarlijk
+alleen afhankelijk zijn kan van de omstandigheid of zijn vader hem
+indertijd heeft laten doopen of besnijden! Maar 't is de vraag nu
+ook niet, wat ik persoonlijk al dan niet heb te gelooven; dat gaat
+niemand aan; maar alleen, wat ik als vorst, als beheerscher van
+het rijk der Mogols te doen heb tegenover de belijders van al die
+verschillende godsdienstsecten, die alle gelijkelijk aan mijn
+heerschappij zijn onderworpen en dus ook gelijke aanspraak hebben
+op mijn bescherming. En die vraag, geloof mij, beste vriend! die
+zult gij nimmer kunnen oplossen zoolang gij alles van dien éénen
+kant blijft bekijken en blind voor al de andere zijt.
+
+--Maar de gevaren dan toch, waarmede uw inzigten, daargelaten
+welke waarde ze hebben, uw rijk en uw troon bedreigen?
+
+--Nu,--sprak de Keizer, met zekere minachting glimlagchend,--ik
+heb wel aan andere 't hoofd geboden dan die waarmee de toorn uwer
+geloofsdrijvers mij thans weer te bedreigen heet.
+
+--Andere!--hernam Abdal Kadir met nadruk en den vorst met
+ernstigen blik in de oogen ziend,--juist, andere! Namelijk die
+soort van gevaren, die vreemden u bereidden. Maar als het verzet,
+heimelijk eerst, daarna meer openbaar, nu eens opkwam uit uw eigen
+huis, of gevoed en bevorderd werd door hen die behooren tot uw
+eigen geslacht? Indien uw zoon....
+
+--Mijn zoon! Selim!--riep Akbar uit.--En toch,--ging hij voort,--
+onmogelijk schijnt zoo iets niet! Wij zagen dat meer in ons
+geslacht en in dat der vorsten, die ons omringden en na eindelooze
+familietwisten zich onderwierpen aan onze heerschappij. En zoo
+meent gij dan dat Selim zelf zich met uwe ontevredenen tegen mij
+zou kunnen verbinden? Want dat schijnt toch wel de strekking uwer
+woorden.
+
+--Zoo is het, Sire!--antwoordde Abdal Kadir,--althans ik heb
+gemeend dat hij zich daartoe wel eens door geloofsijver kon laten
+verleiden; maar ik zeg nog volstrekt niet dat het reeds het geval
+is.
+
+--Nu,--hernam Akbar,--als 't er dan werkelijk toe komen moest, één
+ding is zeker, uit ijver voor 't geloof zou Selim dus niet
+handelen; hij geeft vrij wat meer om fijnen wijn en schoone
+vrouwen dan om den Koran en den Profeet. Maar dat neemt niet weg,
+dat ik u dankbaar ben voor de waarschuwing. Waart gij er terstond
+mee begonnen, we hadden ons vrij wat overtollige woorden kunnen
+besparen. Hebt gij later weer eens meer zulke mededeelingen, we
+zullen er u dank voor zeggen; zij kunnen ons leeren, een weinig op
+onze hoede te zijn en onze lieden hier wat in 't oog te houden.
+Voor 't oogenblik inmiddels: Vaarwel!
+
+En met een ietwat ironieken glimlach om de lippen verwijderde zich
+de Keizer en liet Abdal Kadir in de gelegenheid om over den indruk
+na te denken, dien zijne toespraken hadden te weeg gebragt.
+
+--Bij Allah!--bromde de volgeling van den Profeet tusschen zijne
+tanden,--daar hebben we nu weer wat moois verrigt! Ik had gemeend
+hem niet weinig te doen ontstellen toen ik Selim noemde en hem op
+eens gedwee te maken door mijne mededeeling. Maar bij slot van
+rekening heb ik hem nu eenvoudig gewaarschuwd; en in plaats van
+ons te helpen, zal hij ons nu nog harder gaan tegenwerken, nu hij
+weet of althans vermoedt dat sommigen der onzen met zijn eigen
+zoon tegen hem zamenspannen, of ook, zoo hij 't misschien reeds
+bevroedde, zich door mij in zijne meening bevestigd ziet. Een wijs
+man acht gij u, Abdal Kadir! en toch... gij hebt weer gehandeld
+als een gek!
+
+Och, of de ijver die mij bezielt, voor ons heilig geloof, mij ook
+die kalmte steeds liet bewaren, die Akbar zoo zelden verlaat! Wat
+voordeel hem dat niet verschaf, boven ons!...
+
+Of nu evenwel die bedaardheid, zooeven door Akbar betoond, ook
+wezenlijk zoo opregt en natuurlijk was als de ander onderstelde,
+mogt de vraag heeten voor wie hem in diep gepeins met naar den
+grond geslagen oog en nu en dan het hoofd schuddend naar zijn
+paleis had zien terugwandelen....
+
+Daar, in zijne eigene, voor slechts enkelen toegankelijke
+vertrekken wachtte inmiddels een man, wiens tegenwoordigheid
+buiten twijfel aan Abdal Kadir, zoo hij er van geweten had,
+opnieuw stof zou hebben gegeven tot hevige verontwaardiging,--
+Koelloeka, de Brahmaan. In gedachten verzonken zat hij naar den
+vloer te staren, en noch de prachtige versierselen van het ruim en
+luchtig vertrek noch het heerlijk uitzigt over de lagchende tuinen
+scheen een oogenblik zijne opmerkzaamheid te trekken. 't Was dan
+trouwens ook niet voor den eersten keer dat hij dit alles
+aanschouwde.
+
+Een Keizerlijk wachter kwam weinig tijds na het straks gevoerde
+gesprek hem wekken uit zijne mijmering om hem binnen te leiden bij
+den Vorst.
+
+--'t Is mij lief u weer hier te zien, Koelloeka!--sprak de Keizer,
+na minzaam den groet van den Brahmaan te hebben beantwoord,--en ik
+wil hopen dat gij mij goede berigten medebrengt uit uw land.
+
+--Helaas, Sire!--antwoordde Koelloeka mistroostig,--wenschte dat
+ik het kon; of ook de min gunstige voor Uwe Majesteit te mogen
+verbergen, zooals ik 't nog voor anderen doe. Maar het vertrouwen
+door Haar in mij gesteld, alsook het welbegrepen belang van mijn
+land zelf, noopt mij, niet te verzwijgen wat ik weet.
+
+--Ik begrijp het al,--zei Akbar,--zeker weer de oude geschiedenis!
+Partijveeten en familietwisten, zonen die tegen hun vader,
+broeders die onder elkander intrigeren, dáár... als elders.
+
+--Maar al te waar!--hernam Koelloeka.--Toen eenmaal Nandigoepta,
+de wettige Koning van het tooneel was afgetreden en zijn broeder
+de vrije hand had gelaten, meenden wij dat nu voor goed de orde
+zou zijn hersteld; en geruimen tijd was het ook zoo. Met de
+bestaande regering was het volk tevrede, zooal niet ingenomen, en
+aan nieuwe veranderingen werd althans niet gedacht. Ook nu is dat
+onder de eigenlijke burgerij nog volstrekt niet het geval. Maar
+toch begint weer factiegeest nieuwe onlusten aan te stoken, en al
+wederom nieuwe omwentelingen schijnen te worden voorbereid. Wat
+nog misschien het ergste is, wij weten niet te ontdekken van welke
+zijde het voornamelijk komt. De zoons van den Koning, die vroeg of
+laat tegen hem in opstand dreigen te geraken en onderling ook al
+weer verdeeld schijnen, handelen zeer zeker niet uit eigen
+beweging en worden blijkbaar opgestookt. Maar door wie? Ziedaar
+wat tot dusver ons ontsnapt.
+
+--'t Mag zijn hoe het wil,--sprak de Keizer, vast en beslissend,--of
+zij zelfstandig handelen of niet, het schijnt toch dat het oude spel
+weer zijn gang begint te gaan. En wat moet, indien 't niet bijtijds
+wordt verhinderd het onvermijdelijk gevolg daarvan zijn? Dat, als
+vroeger, de verschillende partijen zich gaan uitrusten tot openlijken
+strijd, dat burgeroorlog uw land verscheurt, en dat van weerszijden
+zich benden vormen, die, naarmate ze minder geluk hebben binnen de
+grenzen van hun eigen landstreken het elders en wel bepaald binnen de
+mijne gaan beproeven, en mijne landen en mijne onderdanen komen
+plunderen en brandschatten om zich schadeloos te stellen voor wat zij
+te huis verloren hebben. En nu zeg ik u zonder omwegen en eens voor
+goed, opdat gij in tijds moogt gewaarschuwd zijn, ik zal dat niet
+dulden. Mijn rijk, mijne volken zullen geëerbiedigd worden, en kan dit
+niet anders dan door geweld, welnu, wat moeite en wat schatten 't ook
+weer kosten moge, ik verzamel opnieuw mijne legers en voer ze naar het
+Noorden om ook daar de rust te herstellen, die onmisbaar voor de
+welvaart mijner onderdanen blijft. Liever nog het gansche rooversnest
+uitgeroeid dan het tot schade der mijnen enkel om der lieve vrede wille
+te laten voortbestaan! Ondanks al zijn ontzag voor den Keizer mogt ook
+de bezadigde Koelloeka een opwelling van toorn niet bedwingen bij die
+trotsche en als uitdagende taal, en donkerder kleurde zich, al gaf hij
+geen dadelijk antwoord, zijn door de zon gebruind gelaat.
+
+--Vergeef mij, waarde Koelloeka! hernam thans evenwel Akbar,--
+indien mijne woorden u soms griefden; maar gij weet immers zoo
+goed als ikzelf, dat ik, dus sprekend, de goeden onder ulieden,
+zooals gijzelf of uw tegenwoordigen vorst of zijne ministers niet
+bedoel, maar enkel die ellendige intriganten, die uzelven het
+meeste nadeel berokkenen en ons bedreigen met de gevolgen van
+hunne onzalige woelingen. Daartegen te waken is en blijft mijn
+pligt, en ik zal dien weten te vervullen. Help mij voorzooveel gij
+kunt om mijne tusschenkomst onnoodig te maken, en gij moogt u
+verzekerd houden dat ik de laatste zijn zal om ze u op te dringen.
+
+--Ik stel volkomen vertrouwen in uwe woorden,--sprak Koelloeka,--en
+zoo ik een gevoel van wrevel niet gansch terug kon houden, 't was zeker
+niet minder om de vloekwaardige lagen, die ook thans weder ons land en
+onzen vorst worden gelegd, dan om de bedreigingen, waartoe ze, ik moet,
+hoe ongaarne ook, het wel erkennen, aanleiding geven en het regt. Maar
+schuilt nu in Kaçmir zelf en nergens anders het verraad? En is het zoo
+gansch ondenkbaar dat er hier aan uw eigen hof en in uw naaste
+omgeving, onder uwe verwanten zelfs, wordt zamengespannen tegen ons,
+als tegen uw gezag?
+
+--Hoe nu? Wat meent gij?
+
+--Ik ging te ver welligt en sprak misschien voorbarig. Maar ik heb
+mijn vermoedens en, zoozeer ik wenschen mogt dat zij ijdel bleken
+te zijn, toch kan ik ze niet gansch en al van mij afzetten.
+Selim....
+
+--Wat? Al weder Selim? Zou die ook hier weer in betrokken kunnen
+zijn?
+
+--Wat hij verder nog uitrigt is mij onbekend, maar enkele
+aanduidingen, hoewel zeker nog zeer onbestemde, geven mij toch
+aanleiding Uwe majesteit in dezen te waarschuwen. Blijken zij
+ongegrond, des te beter; maar goed toe te zien kan toch in elk
+geval geen kwaad.
+
+--En dat zal geschieden! Voor 't oogenblik echter berust nagenoeg alles
+nog maar op onderstellingen en onbewezen mogelijkheden. Oordeelen en
+handelen wij dus niet te ras! Wees echter verzekerd dat niets van 't
+geen gij thans mij hebt medegedeeld mijn nauwlettend onderzoek zal
+ontgaan, en als we elkander weerzien zal de tijd tot beslissing en
+handeling misschien ook zijn aangebroken. Tot zoolang geen welligt
+ijdele zorgen. Doch eer ge van hier gaat wil ik u nog iets mededeelen,
+waarin gij meer persoonlijk wel eenig belang zult stellen. Ik heb zoo
+straks uw leerling gesproken.
+
+--Hoe, Siddha?--riep Koelloeka eenigszins verwonderd uit,--en wie
+stelde hem dan nu reeds voor?
+
+--Niemand,--antwoordde Akbar,--ik heb, in 't park hem ginds
+ontmoetend en ligt begrijpend wie hij was, hem zelf maar eens
+aangesproken. Gij weet dat ik wel eens meer zoo handel.
+
+--En hij wist niet dat hij met den magtigen Keizer sprak?
+
+--Natuurlijk niet, en 't bleek mij dat hij 't ook niet vermoedde.
+Zeg 't hem ook niet als gij hem zien mogt; later zal ik hem zelf
+wel inlichten. Maar gij verlangt zeker te weten wat ik van hem
+zeg? Welnu, ik ben heel wel met hem tevrede; 't is een flinke,
+eerlijke jongen, in wien ik vertrouwen stel. Misschien soms wat
+onvoorzigtig en wat heel openhartig....
+
+--Hij heeft immers niets gezegd wat ongepast tegenover den Keizer
+kon zijn?
+
+--Wel iets,--hernam Akbar lagchend,--ten minste indien hij geweten
+had tot wien hij 't zeide. Maar stel u gerust! Toen ikzelf hem
+onder 't oog bragt dat hij zich wat haastig uitliet, gaf hij mij
+een verontschuldiging waartegen ik niets had in te brengen. Maar
+genoeg! ik heb u gezegd dat hij mij voldeed, en 't is u bekend dat
+ik anders juist niet gewoon ben zoo aanstonds gunstig over de
+menschen te oordeelen die ik voor 't eerst zie. Laat hij zelf nu
+maar zorgen dat de goede indruk niet verloren ga! Andere zaken
+roepen mij nu voor 't oogenblik. Ik houd u dus niet langer terug!
+
+Met eerbiedigen groet verliet Koelloeka het vertrek en met
+welgevallen zag Akbar hem na,--hem, een man zoo ver van hem
+verwijderd én in stand én in rang, én door uitwendige godsdienst
+en nationaliteit, maar toch opregt aan hem verbonden door achting
+en vriendschap, en dengene onwankelbaar trouw, wien hij eenmaal
+zijn woord had verpand.
+
+--Op dien ten minste valt te rekenen!--sprak de Keizer in
+zichzelven,--in hem althans is geen bedrog.--En hij had regt. Maar
+hoevelen nog die hem nader stonden en van wie hij niet met
+evenveel regt hetzelfde getuigen kon!
+
+
+
+VIJFDE HOOFDSTUK.
+
+Een nieuwe kennis en een oude
+
+Niet lang had Siddha, omstreeks den bepaalden tijd, in de
+nabijheid van de moskee gewacht of hij zag de dienares naderen
+die, digter bij gekomen, hem uitnoodigde haar te volgen. Door
+verschillende lanen en zijpaden ging zij hem voor, tot zij
+eindelijk aan een hoogen tuinmuur kwam en een klein in den muur
+aangebragt poortje opende, dat zij ook, nadat beiden waren
+binnengetreden, zorgvuldig weer sloot. Een digte laan met
+cactussen en andere gewassen leidde hen tot een soort van terras
+met oranjeboomen en verscheidene fonteinen, waarop de achtergevel
+uitzag van een klein, maar bijzonder sierlijk en smaakvol huis,
+welks overig gedeelte in zwaar geboomte verscholen bleef. Langs de
+marmeren trappen en door een opene galerij werd nu Siddha door
+zijn geleidster in een mede aan den voorkant gansch geopend
+vertrek gevoerd; en na hem te hebben binnengebragt, verdween zij
+achter een der voorhangen.
+
+Op een divan, aan de opene zijde van het vertrek, lag daar in
+bevallig achtelooze houding eene jonge, rijk en met smaak op de
+Perzische wijze gekleede vrouw, die zoodra zij haar bezoeker
+gewaar werd zich van het rustbed verhief en hem te gemoet kwam om
+hem welkom te heeten. Of zij schoon was? Met juistheid zou Siddha
+niet geweten hebben het te beslissen. Hare trekken waren niet
+regelmatig, haar gestalte was klein en tenger; maar hare zachte
+blauwe oogen, met lange zijden wimpers overschaduwd, hadden eene
+onbeschrijfelijk vriendelijke en innemende uitdrukking; haar
+alligt ietwat te groote mond scheen ook tot iets anders nog uit te
+noodigen dan enkel tot het luisteren naar hare woorden; en, was
+ook hare gestalte niet groot, zij bezat daarentegen de meest
+volmaakte evenredigheid, terwijl het gedeeltelijk eng sluitend
+gewaad de schoone ronding der vormen te duidelijker deed uitkomen.
+Wat evenwel Siddha terstond meer in 't bijzonder trof, was de hier
+wel buitengemeene blankheid van den hals en den half ontblooten
+boezem, waarom zich een kostbaar parelsnoer wond, en niet minder
+ook de rozeroode tint der wangen, gelijk hij die bij andere niet
+bruin gekleurde vrouwen tot dusver nog nooit had opgemerkt.
+
+--Edele Heer!--sprak de onbekende, en zoo de indruk, dien haar
+gansche voorkomen op Siddha gemaakt had, niet reeds zoo gunstig
+ware geweest, de liefelijke klank harer stem zou hem volkomen
+hebben gewonnen,--ik zeg u dank dat gij zoo spoedig aan mijne
+uitnoodiging hebt willen voldoen. Welligt was mijn vezoek wat
+onbescheiden; maar als ik u de reden heb medegedeeld, zult gij,
+hoop ik, 't mij niet al te euvel duiden.
+
+--Aan zulk een uitnoodiging gehoor te weigeren,--antwoordde
+Siddha,--ware ongetwijfeld al zeer onridderlijk geweest. Maar
+gaarne wil ik u de verzekering geven, edele vrouw! dat ik niet dan
+met ongeduld den tijd van het bezoek had kunnen afwachten, indien
+ik vooraf in de gelegenheid was geweest om het beeld te zien van
+degene die mij de uitnoodiging deed toekomen.
+
+Met een ligte hoofdbuiging het gezegde beantwoordend, dat zij
+blijkbaar als een beleefdheidsphrase opvatte, ging de jonge vrouw
+voort:
+
+--Mijne verontschuldiging dan is, dat geen eigenbelang mij tot
+deze handelwijs bewoog, maar het belang van eene andere, van eene
+vriendin, die ik hartelijk liefheb. Zij werd vóór eenigen tijd
+genoodzaakt uit Agra te vlugten om de lagen te ontgaan, die haar
+door sommige aanzienlijke en magtige personen gelegd werden, en
+vér van hier, in uw land, in Kaçmir, een schuilplaats te zoeken.
+Nu heb ik haar eenige mededeelingen te doen, die voor haar van
+groot gewigt kunnen zijn; maar ik wist tot heden geen middel om ze
+haar veilig te doen geworden, daar ik de boden, die hier tot mijne
+beschikking mogten zijn, geen van allen kan vertrouwen.
+
+Daar verneem ik toevallig,--hoe, doet nu niet af,--dat gij met uw
+vroegeren leermeester Koelloeka in Agra waart gekomen, en tevens,
+dat de goeroe spoedig weer naar zijn land terugkeert. Ik begreep
+terstond dat ik niet beter kon doen dan mijn vertrouwen te stellen
+in de eer van een edelman zooals gij, wiens naam mij ook wel
+bekend was, en besloot dus u te verzoeken, uw vriend met de
+overbrenging van een brief te willen belasten, waarin ik kennis
+geef aan mijne vriendin van 't geen zij belang heeft te vernemen.
+Zou dit verzoek nu te veel soms van u of van den waardigenen
+Koelloeka gevergd zijn?
+
+Een gevoel van verligting was Siddha's eerste gewaarwording bij
+het aanhooren van deze woorden. Zoo kwam dan de gansche zaak
+eenvoudig neer op het overbrengen van een blijkbaar zeer
+onschuldigen brief, die hem voor 't overige ook niets aanging.
+Toch mengde zich, half onbewust, een zekere teleurstelling onder
+dat gevoel van tevredenheid. Dat er geen sprake was van eenige
+zamenzwering mogt hem ongetwijfeld zeer verblijden, maar of zijne
+ijdelheid wel zoo bijzonder gevleid kon zijn door de overtuiging
+dat er ook geen zweem van een avontuurtje zich vertoonde?
+Inmiddels haastte hij zich aan de onbekende de verzekering te
+geven, dat hij zeer gaarne zijn leeraar met den brief zou belasten
+en dat deze ook tegen de overbrenging wel geen bezwaar zou maken.
+
+Op een teeken der jonge vrouw verscheen nu de dienares en bragt op
+haar verlangen een in briefvorm zaamgevouwen en met een zijden
+koord en een zegel gesloten stuk.
+
+--Het opschrift,--sprak gene, nadat de dienares weer vertrokken
+was,--luidt, zooals gij ziet, aan iemand anders dan aan mijne
+vriendin zelve. De naam is u misschien bekend.
+
+--Zeer zeker!--antwoordde Siddha,--ik ben meer dan eens met dien
+jongen man op de jagt geweest.--Nu, die zal haar den brief dan
+ter hand stellen. Zoo doende weet uw vriend Koelloeka niet aan wie
+hij eigenlijk gerigt is, 't geen mij wenschelijk voorkomt, om niet
+meer personen in 't geheim te mengen dan er nu reeds mee bekend
+zijn. Ik hoop maar,--vervolgde zij na een oogenblik zwijgens,--
+dat mijne vriendin haar voordeel zal kunnen doen met hetgeen ik
+haar meld. Inderdaad ik heb opregt medelijden met haar in hare
+ballingschap; en toch, ik kan haar soms ook benijden, dat zij in
+de gelegenheid is uw heerlijk land te bezoeken, waarvan ik zooveel
+prachtige beschrijvingen heb gelezen. Maar zeg mij, opregt
+gesproken, zijn die beschrijvingen niet soms wat overdreven, ten
+minste wat heel dichterlijk?
+
+--Ik voor mij,--antwoordde Siddha,--zoozeer mijn leermeester mij
+ook altijd gewaarschuwd heeft tegen overschrijding van de grenzen
+die goede smaak en werkelijkheid ons stellen, ik heb toch steeds
+als hij gevonden dat de beschrijvingen door u bedoeld nog vér
+beneden de waarheid bleven. Inderdaad, ook in deze streken heeft
+de natuur soms haar schoon, en bekoorlijk zijn menigmaal de
+boorden uwer Djoemna, en bij de pracht en de weelde uwer paleizen
+en lusthoven haalt niets in ons noordelijk land; maar wat daar
+toch bergen en dalen en bosschen en lagchende velden er bieden,
+zoudt gij in deze zooveel minder bevoorregte streken u bezwaarlijk
+weten voor te stellen. En door de herinnering aan zijn vaderland
+als door de belangstelling zijner nu waarlijk schoone toehoorderesse
+medegesleept, begon zich onze Siddha in schilderingen van Hindostan's
+wereldberoemd paradijs te verliezen, wier welsprekende voordragt niet
+minder dan het uiterlijk van den verhaler den blik van wezenlijk
+welgevallen regtvaardigde, waarmede de luisterende nu en dan den edelen,
+krachtigen jongeling aanzag.
+
+--Maar ik hield u te lang reeds bezig,--sprak zij oprijzend ten
+laatste,--en heb waarschijnlijk reeds misbruik gemaakt van uwe
+welwillendheid. Eén verzoek nog! Laat onze zamenkomst, ter wille
+ook van de belangen mijner vriendin, een geheim blijven tusschen u
+en mij. Van eenige beteekenis kan die vlugtige ontmoeting trouwens
+ook niet zijn.
+
+--Voor u zeer zeker niet,--sprak Siddha,--voor mij echter meer dan
+gij schijnt te meenen.
+
+--Ik zie,--hernam de andere lagchend,--dat gij, Hindoe's niet
+minder dan de onzen de kunst verstaat om u hoffelijk jegens
+vrouwen uit te drukken. Maar dat daargelaten! Een enkel woord ben
+ik u echter nog verschuldigd. Ik zou mij uw vertrouwen al zeer
+onwaardig toonen indien ik, zelve u kennend, mij voortdurend als
+geheel onbekende jegens u bleef gedragen, en ik zie dan ook geen
+bezwaar, mits onder geheimhouding altijd, u mijn naam en stand mee
+te deelen. Die is voor 't overige nederig genoeg. Mijn naam is
+Rezia; mijn vader was een Armeniër, die, hier gekomen om handel te
+drijven, mij vroegtijdig uithuwde aan een rijk, maar reeds
+tamelijk bejaard koopman hier in de stad. Sinds geruimen tijd is
+deze voor zijn zaken naar Perzië en verder nog naar het Westen
+getrokken; en in lang heb ik ook niets van hem vernomen. Inmiddels
+woon ik hier, zooals gij ziet, eenzaam en stil, hoewel anders niet
+verstoken van de aangenaamheden en de rustige genoegens van het
+buitenleven. Zoo weet gij dan ten minste voor wie gij u de moeite
+van een bezoek hebt getroost, al is het dat wij elkander na dezen
+niet verder mogten ontmoeten.
+
+--En waarom, edele Rezia! zou dat niet mogen zijn?--vroeg Siddha;
+--niets, dunkt mij, behoeft u en mij daarin te verhinderen, en
+mogelijk zou ik u soms nog 't een en ander kunnen meedeelen van
+het land waar tegenwoordig uwe vriendin vertoeft, dat misschien in
+staat ware uwe belangstelling op te wekken.
+
+--Welnu!--antwoordde Rezia,--niet geheel wil ik uw vriendelijk
+aanbod afslaan. Indien gij een dezer avonden soms nog een verloren
+oogenblik vindt, ik houd mij dan aanbevolen voor eenig berigt of
+de verzending van mijn schrijven geen bezwaar heeft gevonden en
+naar gissing goede kans heeft te slagen. Mijne dienares ontmoet u
+alligt hier of daar en gij hebt haar slechts een tijd te noemen om
+mij nogmaals een bezoek te brengen in mijn stil verblijf.
+
+--En voor die gelegenheid wil ik u dankbaar zijn,--antwoordde
+Siddha, terwijl hij, zorgvuldig 't hem toevertrouwde stuk in zijn
+gordel verbergend, zich gereed maakte om voor 't oogenblik
+afscheid te nemen.
+
+Op een hernieuwd teeken vertoonde zich nogmaals de vertrouwde
+dienares en deed Siddha weer uitgeleide langs denzelfden weg, die
+hem straks den toegang tot het paviljoen had verleend.
+
+Te huis gekomen stond hij lang nog in gedachten voor de open
+veranda van zijn vertrek en staarde naar de zacht daar beneden
+voortstroomende rivier. Dat waren dan dezelfde wateren, die den
+voet van Allahabad's burgt besproeiden en waarin ook het liefelijk
+gelaat van Iravati zich weerspiegeld had! Was het niet als bragten
+die golven hem den groet der teeder beminde en als fluisterden zij
+hem woorden toe van liefde en van trouw? Snel nam hij het
+medaljon met Iravati's portret van den wand, kuste het en zette
+zich neder in de galerij. Lang nog bezag hij het beeld en
+beminnelijker dan ooit schenen hem de trekken der edele en schoone
+Hindoe-jonkvrouw. Maar zonderling toch ook! Als zijn blik soms
+weer afdwaalde en rondzwierf langs de paleizen en tuinen aan de
+boorden van den stroom, dan doemde ook weer een ander beeld in
+zijn herinnering op,... de bevallige houding, de sierlijke
+gestalte, de blauwe oogen, de bekoorlijke stem van Rezia, de
+Armenische. Wat die vrouw hem dan aanging? Zeker niets; maar wat
+kwaad ook van den anderen kant, zoo hij ze lief en innemend vond?
+Hij had toch waarlijk niet aan Iravati de gelofte gedaan, alle
+mogelijke andere vrouwen leelijk en onbehagelijk te zullen
+noemen!...
+
+--Hallo!--klonk het 's anderen morgens vroeg in den voorhof van
+Siddha's woning,--is uw meester nog niet wakker? Ga eens en zie of
+ik hem stoor met een bezoek!
+
+Juist wilde Vatsa aan het bevel gehoorzamen toen Siddha zelf,
+bezig zich gereed te maken om uit te gaan, terstond de vrolijke
+stem van Parviz, den neef van Aboel Fazl, herkende, en in den
+voorhof zich begevend, zijn bezoeker uitnoodigde binnen te komen.
+
+--Hebt gij dienst?--vroeg deze.
+
+--Een paar dagen niet.
+
+--Nu, dat treft. Dan komt het u misschien wel gelegen eens een
+uitstapje te maken?
+
+--Zeer gaarne! Waarheen?
+
+--Wel! naar Fattipoer Sikri natuurlijk, de buitenresidentie van
+den Keizer. Daarheen zou alweer een ieder u voeren, die u voor 't
+eerst een togtje in de omstreken liet doen.
+
+--Ik geef mij geheel over aan uwe vriendelijke leiding,--hernam
+Siddha,--veroorloof mij echter u een enkel oogenblik alleen te
+laten. Koelloeka vertrekt straks en ik wil hem dus even vaarwel
+zeggen.
+
+Spoedig was hij, Koelloeka opgezocht hebbende, met het afscheid
+gereed, waarbij zijn leermeester zonder verder navragen zich met
+de overbrenging van den brief belastte; en kort daarop zat hij in
+den zadel en reed met Parviz, gevolgd door den dienaar van zijn
+vriend en den zijne, de stad uit.
+
+Een breede laan, door vrij hooge boomen beschaduwd en met schoone
+vergezigten over de velden en bosschaadjen aan weerszijden, maakte
+den togt voor een groot deel tot een wezenlijk aangenamen
+wandelrid.
+
+--Zie,--sprak Parviz, toen men een tijdlang had voortgereden,--
+zulke lanen heeft de Keizer nu ook laten aanleggen op andere en
+verre wegen, waar vroeger haast geen blad groeide en waar men van
+hitte verging. Een zeer nuttig werk voorzeker! En geen reiziger
+trouwens die er Akbar niet dankbaar voor is.
+
+--Ja, de Keizer doet nuttige dingen!--antwoordde Siddha; en
+daarbij tevens aan den merkwaardigen man denkend met wien hij den
+vorigen dag over Akbar gesproken had, deelde hij Parviz in
+algemeene bewoordingen zijne ontmoeting mede en vroeg hem of hij
+den persoon kende, wiens uiterlijk hij beschreef.
+
+--Neen, die is mij niet bekend,--zei Parviz, met moeite een
+glimlach bedwingend,--maar gij zult hem misschien wel eens
+weerzien.
+
+--Waarschijnlijk wel,--hernam Siddha,--hij schijnt hier thuis te
+behooren. Maar vertel mij dan eens iets anders. Hoe komt het dat
+er hier zooveel mannen zijn die in 't geheel geen baard dragen? Ik
+dacht juist dat uwe Mohammedanen zoo bijzonder op een baard
+gesteld waren.
+
+--Dat zijn zij ook, maar Akbar zelf denkt nu juist anders over de
+zaak. Zoo een kneveltje als het uwe of 't mijne kan er bij hem nog
+wel door, maar liefst ziet hij in 't geheel niets op iemands
+gezigt. Of dat nu enkel een gril is zooals men die ook bij de
+verstandigste menschen wel eens meer ontmoet, dan of hij met opzet
+de regtzinnig geloovigen wil plagen, of ook hun toonen dat hij om
+hunne vooroordeelen en vormbegrippen niet geeft, ik weet het niet,
+maar zeker is dat de zaak, zoo onbeduidend en kinderachtig ze
+schijnen mag, al tot heel wat onaangenaamheden en gehaspel heeft
+aanleiding gegeven. Doch hier naderen wij de woning van een der
+dorpshoofden in den omtrek, dien ik door mijn oom den Minister
+goed ken; willen we een oogenblik bij hem uitrusten en onze
+paarden wat water geven? Mijn bruin ten minste zal er wel naar
+verlangen; hij stond al een heelen tijd gezadeld eer ik uitreed.
+
+Overeenkomstig het voorstel steeg men af in den binnenhof der
+nette en flink van hout en steenen opgetrokken, te midden van
+tamarindeboomen en acacia's gelegen boerderij; en weldra vertoonde
+zich op het geroep zijner onderhoorigen de eigenaar zelf, een
+Hindoe van middelbare jaren en deftig, magistraal voorkomen. Na de
+gewone pligtplegingen en terwijl de gastheer frissche vruchten
+nevens een kruik ijskoud kristalhelder water liet aanbrengen, kwam
+het gesprek, zooals te verwachten was, al spoedig op den landbouw
+en de bijzondere welvaart die er ook voor een weinig geoefend oog
+reeds terstond onder de landbouwende bevolking dezer streken viel
+op te merken, en die gunstig afstak bij 't geen Siddha in zijne
+eigene gewoon was te zien.
+
+--Voor een deel,--verklaarde het dorpshoofd,--is die gelukkige
+toestand natuurlijk ons eigen werk; zonder arbeid en inspanning
+waren wij er zeker niet gekomen; maar grooten dank ook zijn wij
+den Keizer verschuldigd, wiens verstandig en bijzonder doelmatig
+stelsel van bestuur ons eerst tot eigen krachtsinspanning de regte
+gelegenheid gaf.
+
+--Ik heb er van gehoord,--merkte Siddha aan,--maar om u de
+waarheid te zeggen, ik ben daaromtrent nog niet geheel op de
+hoogte.
+
+--Toch is het zeer eenvoudig,--hernam de Hindoe,--en voor iemand
+van uwe beschaving gemakkelijk genoeg te vatten. Het gansche
+systeem toch berust in hoofdzaak op eene geschikte verdeeling der
+landerijen, eene vaste, billijk geregelde opbrengst der landrente,
+en bovenal op de regtszekerheid die het een en het ander den
+landeigenaar en den landbouwer verschaft. Vroeger ging alles
+tamelijk willekeurig, en wist niemand regt wat hem eigenlijk
+toekwam en wat hij op te brengen had, terwijl aan ons dorpshoofden
+meerendeels bleef overgelaten, met de regering de jaarlijksche
+opbrengst der velden, naarmate die soms voor-, soms nadeelig
+heette, te regelen: Thans is dat alles anders geworden. De velden
+zijn behoorlijk opgemeten en de grenzen vastgesteld; de opbrengst
+wordt met inachtneming van de meerdere of mindere vruchtbaarheid
+der daartoe in verschillende klassen ingedeelde gronden, over een
+bepaald aantal jaren geschat; en, wat niet het minste zegt, en
+tevens misschien wel het moeijelijkst te regelen viel, de daarnaar
+berekende landrente of belasting wordt zooveel maar doenlijk in
+geld, en niet meer als vroeger in voortbrengselen voldaan. En geen
+regeringsbeambten hebben meer te beslissen, wanneer daarover
+geschillen ontstaan, maar de regter alleen. Het gevolg van dat een
+en ander moet wel zijn, en is het ook, dat de landbouwer, eigenaar
+of pachter, nu eenmaal vooruit kan weten wat zijn land hem
+ongeveer zal kosten, wat hij te betalen heeft en wat zijn vrij
+beschikbaar eigendom blijft. En is het dan wonder zoo hij, met
+eenige energie, en goed zijn eigen belangen begrijpend, ook
+wezenlijk vooruitgaat en welvarend wordt waar hij te voren nauw
+zijn dagelijksche rijst kon verdienen? Trouwens gij ziet de
+vruchten, en kunt dus zelf oordoelen, hoewel gij 't nog beter
+zoudt kunnen indien gij onze landerijen en haar bewoners in den
+vroegeren toestand gekend hadt zoo als ik.
+
+--De vergelijking met dien van mijn eigen land,--antwoordde
+Siddha,--moet wel tot gelijke uitkomst leiden als de uwe. Welk een
+zegen voor een staat, een vorst als Akbar te bezitten!
+
+--Maar zijn raadsmannen mogen wij toch ook wel dankbaar zijn,--
+hernam de magistraat,--en in 't bijzonder Todar Mal, den
+schatmeester, die het stelsel eigenlijk uitwerkte, en Aboel Fazl,
+den Groot-Vizier, die er de laatste hand aan legt, door met de
+grootste strengheid alle afpersingen en knevelarijen van de
+regeringsambtenaren, met wie wij te doen hebben, tegen te gaan.
+En, scheen het al in den beginne, dat de staatsinkomsten door al
+deze maatregelen zouden verminderen, op den duur is juist het
+tegendeel gebleken; en zelfs al waren die inkomsten iets geringer,
+ze zouden toch nog in waarde gewonnen hebben, omdat ze nu zooveel
+vaster en beter verzekerd dan te voren zijn.
+
+--Maar, geachte Heer!--vroeg Siddha,--bestaat er nu geen gevaar
+dat het stelsel, zoo uitnemend het zijn mag, weer in duigen valt
+als een min verstandig vorst eens den troon bestijgt?
+
+--Ik geloof het niet,--was het antwoord;--als onze gemeenten
+eenmaal zekere regten verkregen hebben, kan geen despoot haar die
+ligt weer ontnemen. Gij weet, dat die gemeenten bijkans geheel en
+al zichzelve regeren door hare eigene overheden en daardoor tot op
+zekere hoogte onafhankelijk worden van den Soeverein. Wilde nu
+deze beproeven hare regten te verkorten tegen de adat in, dan zou
+hij als met duizenden kleine staatjes te doen krijgen en geen
+ambtenaren en geen soldaten genoeg vinden om die alle tot
+gehoorzaamheid te blijven dwingen. Of zoo 't hem al gelukte, de
+dorpen zouden meerendeels eenvoudig verlaten worden en de
+bevolking zou zich terugtrekken in ontoegankelijke bosschen en
+wildernissen. Voor 't overige laten onze dorpers den vorst ook van
+hun kant volkomen vrij in zijne handelingen. Hij mag oorlogvoeren
+met andere rijken zooveel hem lust en zoolang zijne schatkist het
+toelaat; en om intriges en twisten van het paleis geven onze
+gemeentenaren in het geheel niet; de meesten zelfs vernemen er
+zelden iets van.
+
+--Een gelukkige toestand!--zei Siddha,--en voor beide partijen
+inderdaad heel gemakkelijk.
+
+--Alleen de staats- en volkseenheid wordt er juist niet door
+bevorderd,--merkte Parviz op, zich nu ook mengend in het gesprek.
+
+--Dat wordt zij ook niet,--antwoordde de magistraat,--maar zoudt
+gij dan meenen dat eene wezenlijke eenheid van den staat, anders
+dan in den persoon van den vorst, op zich zelve mogelijk was in
+een land als ons tegenwoordig Hindostan, waar zulk eene menigte
+van allerlei meest onderscheiden rassen en volken bij en door
+elkander woont?
+
+--Ik erken dat het moeijelijk zijn zou, hoewel 't alligt zaak
+ware, er wat meer naar te streven dan tot nu toe gedaan wordt.
+
+Een tijdlang nog werd het onderhoud, waarin vooral Siddha veel
+belang stelde, voortgezet; en daarop namen de beide vrienden
+afscheid van het beleefde dorpshoofd en vervolgden, hun paarden
+weer bestijgend, hun weg.
+
+Een flinke, maar tamelijk lange rid, waarbij nog al eens halt
+moest worden gehouden om rust te nemen, bragt hen eindelijk in 't
+gezigt der hoogte, waarop het versterkt en door zware ringmuren
+omsloten paleis van Fattipoer was gebouwd. Mogt de aanblik der
+Agrasche paleizen indrukwekkend heeten, deze was het van zekeren
+afstand niet minder. Trotsch en statig, maar als altijd bevallig
+en sierlijk tevens, verhieven zich, als terrasgewijze boven
+elkander geplaatst, de verschillende luchtig omhoog rijzende
+gebouwen met hunne vlug opgetrokken torens en fijne kanteelen en
+breede, hel in 't zonlicht glanzende marmeren trappen, afgewisseld
+alles door het groen der tamarinden en andere boomen, waaruit ze
+deels te voorschijn traden om ook deels weder zich daartusschen te
+verbergen. Doch toen Siddha met zijn geleider, nadat zij de
+paarden aan de zorg hunner dienaren hadden toevertrouwd, den
+eigenlijken omkring van het paleis zelf was binnengetreden,
+gevoelde hij zich schoon minder verrast, toch aangenamer aangedaan
+door het vrolijker en genoegelijker voorkomen dezer, voor 't
+overige met niet minder weelde en sierlijkheid ingerigte gebouwen
+en vertrekken dan door het gezigt der veel meer uitgestrekte van
+Agra. Ook de tuinen schenen hem bevalliger en meer bevredigend
+voor het oog, daar toch hier althans geen geweld was gedaan aan de
+natuur, en lanen en slingerpaden, met vermijding van de eentoonige
+regtheid en het onveranderlijk waterpas, de bogten en verhevenheden
+bleven volgen, door het bewogen terrein en den plantengroei zelven
+aangewezen. En dan, welk een heerlijk en verkwikkelijk vergezigt over de
+omliggende heuvelen en met rijken oogst beladen bouwvelden, en de als
+zilver glanzende rivier daar omlaag en het, wel is waar kunstmatig
+aangebragte, maar daarom niet minder schilderachtig meer in het
+verschiet!--Geruimen tijd bleven de bezoekers daar ronddwalen, nu eens
+langs eenzame wandelpaden, dan weer door de met wachters en dienaren
+vervulde galerijen, tot eindelijk Parviz den voorslag deed, een zijner
+vrienden in de lager gelegene stad te gaan opzoeken om daar hun
+intrek te nemen en tevens een beter maal te gebruiken dan men
+onderweg had kunnen vinden.
+
+Natuurlijk vond ook dit voorstel gereedelijk gehoor; en nadat men
+bij den gastvrijen vriend van Parviz de noodige rust had genoten,
+en zich door een hartig en tevens vrolijk maal had gesterkt,
+begaven onze vrienden zich weer op weg om nog 't een en ander van
+de stad zelve te zien.
+
+--Vergun mij,--sprak Parviz,--u voor weinige oogenblikken aan u
+zelven over te laten. Ik heb hier nog eenige stukken op last van
+mijn oom aan een van zijne ambtenaren over te brengen, en dezen
+over eenige zaken te spreken waarin gij zeker geen belang zoudt
+stellen. Hij woont hier in de nabijheid en ik ben zoo aanstonds
+bij u terug. Inmiddels hebt gij daar tusschen de acacia's ginds
+een vrij ouden tempel, dien gij misschien wel eens zult willen
+bezigtigen. Des verkiezende kunt gij er ook uwe devotie verrigten.
+
+--Wel verpligt,--antwoordde de ander lagchend,--daaraan ga ik mij
+niet te buiten. Maar zeer gaarne wil ik den tempel eens bezien. Ik
+zal u daar dan of in de nabijheid wachten.
+
+Spoedig ontwaarde Siddha, toen hij de zware en flauw verlichte gewelven
+was binnengetreden, aan de talrijke zinnebeeldige versieringen der
+zuilen, dat hij zich in een çiva-tempel bevond; en na eenige gangen te
+zijn doorgegaan, aanschouwde hij dan ook aan 't uiteinde van een soort
+van hal en van boven verlicht het kolossale beeld van den God, met de
+beenen kruiselings op een hoog voetstuk gezeten, de armen en enkels met
+eene menigte van ringen versierd, het teeken van den drietand op het
+voorhoofd en een keten van doodshoofden om den hals,--çiva, den
+Oneindigen en Almagtigen Wereldheer, scheppend om te vernielen, en
+vernielend om te scheppen op nieuw, het eindeloos in zijn openbaringen
+zich vervormend Wezen, waaruit alle Zijn voortspruit en waartoe het Al
+gestadig terug moet keeren. Zoo goed nu onze jonge Indiër de begrippen
+kende, welke die beeldtenis en hare symbolen vertegenwoordigden, en
+zoozeer hij daarvan ook de betrekkelijke waarde bleef erkennen, toch
+stuitte hem ook nu weder, zooals het vroeger bij dergelijk schouwspel
+gedaan had, niet weinig het wanstaltige en gedrogtelijke dier gedaante,
+die wel is waar zekeren indruk bij den eersten aanblik kon maken, doch
+wel bezien de voor 't overige inderdaad niet van schoonheid ontbloote
+bouworde van den tempel op hinderlijke wijze ontsierde.
+
+Niet lang echter duurde zijne eenzame bespiegeling over dit een en
+ander; want achter zich vernam hij een oogenblik later een stem,
+hoewel de stilte niet door het geluid van voetstappen was
+verstoord geworden.
+
+--Om!--klonk het,--om! U brengt de onwaardige dienaar van çiva's
+heilige echtgenoote, de in hem wonende Oneindige Kracht, zijnen
+groet.
+
+En naar de plek zich keerend van waar de stem kwam, werd Siddha
+den Doerga-priester Gorakh gewaar, dien hij te Allahabad in
+gezelschap van zijn oom Salhana had gezien.
+
+--Ik groet u, Eerwaarde!--sprak hij, en wachtte wat de ander hem
+te zeggen zou hebben.
+
+--Zoo! wij zijn elkander dan nog niet vergeten sinds onze laatste
+ontmoeting,--hernam Gorakh;--trouwens wat mij betreft, ik heb u
+wél in 't oog gehouden, sinds ik daar ginds in de nabijheid van
+den Bhadrinâth u waargenomen heb.
+
+--Nu ja,--zeide Siddha, een weinig ongeduldig,--laat dat zijn hoe
+'t wil. Maar ik begrijp eigenlijk niet, eerwaarde Heer! welk
+belang gij in mij stellen kunt.
+
+--En zou dan,--vroeg de ander,--de neef van mijn leerling en
+vriend geen aanspraak mogen maken op mijne belangstelling? Maar
+ook daarom juist schijnt mij pligt, u een waarschuwing niet te
+onthouden, waar ik die noodig acht, en indien gij ze van mij wilt
+aannemen. Gij weet wie Gaurapada, de kluizenaar, is, niet waar?
+
+--Gaurapada?--vroeg Siddha,--welzeker! Hij is een kluizenaar in 't
+gebergte.
+
+--Ja, maar ik meen, wie hij was eer hij zijn tegenwoordigen naam
+droeg.
+
+--Daar weet ik niets van. Hij heeft het mij niet verteld.
+
+--Maar uw goeroe, Koelloeka, heeft het u toch medegedeeld?
+
+--Ik heb er hem niet eens naar gevraagd en 't kan mij ook niet
+schelen.
+
+Met een zijdelingschen, uitvorschenden blik zag Gorakh den spreker aan;
+maar deze ware geen rechte Indiër geweest, indien zijn gelaat in eene
+omstandigheid als deze niet de meest mogelijke onverschilligheid had
+vertoond. Ietwat minder voorzigtig echter liet hij, warm wordend bij 't
+indringende van den ander, er op volgen:
+
+--En al wist ik nu ook nauwkeurig, wie en wat Gaurapada in vroeger
+tijd geweest mogt zijn, gij begrijpt dat ik 't u toch niet zou
+zeggen.
+
+--Ha!--riep de Yogi uit,--gij vertrouwt mij niet! En gij meent mij
+zelfs te mogen tarten? Herinner u, dat ik een vriend van den
+Goeverneur van Allahabad ben!
+
+--Ja, dat weet ik!--sprak Siddha met zekeren nadruk.
+
+--Wat weet gij?
+
+--Ik weet wat ik weet, en dat is genoeg!
+
+Nijdig keek de priester Siddha aan. En tevens niet zonder
+ongerustheid. Wat beteekende dat gezegde op dien toon? En wat kon
+hij werkelijk weten? Doch voor 't oogenblik scheen in elk geval
+wel 't veiligst het toch niet vlottend gesprek maar af te breken.
+
+--Nu, genoeg dan!--zeide Gorakh,--voor u en voor mij.
+
+Doch bedenk één ding, mijn jonge vriend, die mijne vriendschap
+niet schijnt te begeeren!--en ik wil ze u ook niet opdringen!--
+bedenk, dat de magtige Godin, aan wier dienst ik mijne geringe
+krachten wijde, niet alleen behouden maar ook verdelgen kan, en
+dat er geen hoop op genade en geen kans op redding bestaat voor
+hem, dien zij eenmaal door hare priesters als uitverkoren offer
+haren getrouwen heeft aangewezen!
+
+En in een der zijgangen verdween zonder nader antwoord af te
+wachten de geheimzinnige boeteling; en, hoe vastberaden anders
+ook, toch vermogt Siddha hem niet na te staren zonder een zeker
+gevoel van beklemdheid en onwillekeurigen angst. En 't scheen hem,
+hoewel de Doerga-priester thans werkelijk toch alléén was, als zag
+hij hem nogmaals gevolgd door dien langen stoet van naakte bruine
+gestalten met de witte koorden om den nek, met welken hij in de
+nachtelijke schemering hem langs den ringnmur van Allahabad had
+zien verdwijnen in het bosch.
+
+Eer hij zich inmiddels ter ruste begaf dacht hem niet onnut, nog
+eene enkele vraag tot den trouwen dienaar te rigten, die hem in de
+woning van den vriend van Parviz afwachtte om te vernemen of zijn
+meester nog iets te bevelen had.
+
+--Vatsa!--zeide hij,--gij hebt mij laatst in het park van
+Allahabad betuigd, dat gij evenmin als Koelloeka's dienaar daar
+een priester of boeteling hadt gezien. Maar herinnert gij u soms
+toch met eenig ander, u onbekend persoon gesproken en dezen
+misschien eene of andere bijzonderbeid van onze reis in 't
+gebergte verteld te hebben?
+
+Ik zou er niet verder aan hebben gedacht,--antwoordde Vatsa,--
+maar nu ge 't mij zoo afvraagt, Heer! nu herinner ik mij wel, dat
+er in den omtrek der stallen een half naakt en bruin gekleurd man
+met ons kwam praten, en nadat hij ons 't een en ander omtrent de
+vesting en de stad had verteld, ook naar onze reisontmoetingen
+vroeg.
+
+--En gij hebt hem toen van mijn geval met den tijger van Gaurapada
+verteld?
+
+--Ik geloof inderdaad van ja!
+
+--En zeidet gij soms ook iets omtrent den kluizenaar en diens
+uiterlijk voorkomen?
+
+--Zeker!--antwoordde Vatsa,--juist zijn eerbiedwaardig en tegelijk
+vorstelijk voorkomen had in 't bijzonder onze aandacht getrokken;
+wij waren er beiden nog vol van en daar wij niet wisten dat er
+kwaad in stak er van te spreken, maakten wij ook geen geheim van
+onze ontmoeting tegenover den vreemde.
+
+--Wien gij dus ook het uiterlijk van Gaurapada eenigermate zult
+beschreven hebben?
+
+--Nauwkeurig herinner ik mij dat niet meer; maar ik geloof wel dat
+wij er iets van meldden.
+
+--Bedenkelijk!--mompelde Siddha in zichzelf,--inderdaad nog al
+bedenkelijk! De priester heeft natuurlijk door zijn handlanger
+omtrent onze reis vernomen wat hij weten wilde om mij te
+overbluffen, maar schijnt tevens tot eenig vermoeden omtrent
+Gaurapada te zijn gekomen. Dat hij straks mij zocht uit te hooren,
+is duidelijk genoeg. Maar wat kan hij met Gaurapada, of
+Nandigoepta, hebben uit te staan? En mijn oom Salhana? Of die er
+mee in betrokken zou zijn?...
+
+--We hebben toch hoop ik geen kwaad gedaan door met dien onbekende
+te praten?--vroeg Vatsa ongerust, toen hij zijn jongen meester zoo
+in gedachten zag.
+
+--Neen, neen!--antwoordde deze,--en zoo gij 't al gedaan mogt
+hebben, gij deedt het onwillekeurig en hebt dus geen schuld. We
+hadden ook voorzigtiger moeten zijn en u vooraf waarschuwen. Maar
+let nu op één ding, Vatsa! spreek voortaan met niemand meer over
+den kluizenaar, wie er ook komt om u naar hem te vragen! Hebt ge
+mij begrepen?
+
+--Volkomen, Heer!--antwoordde de ander,--van nu af heb ik dien
+kluizenaar nooit gezien, of, zoo ik hem soms eens zag, ik ben
+volkomen vergeten hoe hij er uitziet.--
+
+--Met dat al,--dacht Siddha,--zal nu toch Koelloeka, of, kan het,
+Nandigoepta zelf dienen gewaarschuwd te worden. Ik wil er voor
+zorgen zoodra ik een veilige gelegenheid vind; Salhana moge er nu
+mee te maken hebben of niet!
+
+
+
+ZESDE HOOFDSTUK.
+
+Selim
+
+--Welaan, mijne heeren!--sprak de bevelhebber der Radjpoet's, die
+op het plein in de vesting met eenige zijner officieren stond te
+praten, terwijl de ruiters zich in gelid schaarden,--nu spoedig
+opgezeten en dan naar het kamp, waar zooals gij weet de Keizer
+heden wapenschouwing komt houden!
+
+Vlug werd er aan het bevel voldaan, en weldra, nadat men buiten de
+vesting was gekomen, ging het in draf naar het kamp, dat op
+eenigen afstand van de stad in eene uitgestrekte vlakte was
+opgerigt. Een treffend schouwspel vertoonde zich aan Siddha's oog
+toen hij aan 't hoofd zijner afdeeling met de overigen eene kleine
+hoogte had bestegen en vandaar het veld in 't gezigt kreeg. Daar
+ter regterzijde eene gansche stad als 't ware van tenten, langs
+breede straten in de meest regelmatige orde nevens elkander
+gerangschikt, en in wier midden zich, roodgekleurd en met vergulde
+peervormige toppen, de Keizerlijke tent verhief, zoo men althans
+dien naam mogt geven aan dergelijk, schoon uit hout en doek
+zamengesteld, paleis. En aan de linkerzijde het uitgestrekte veld,
+waarop zich in bonte mengeling de meest verscheiden troepenkorpsen
+vertoonden, gepantserde en niet-gepantserde ruiters in bonte,
+veelkleurige kleederdragt, sommigen met lansen, anderen met
+geweren gewapend, artillerie en strijdolifanten, en een weinig
+meer in de verte ook die vrolijker uitgemonsterde, op wier rug
+gemakkelijke met kussens voorziene en van boven tegen de zon
+bedekte zetels tot voertuig strekten voor aanzienlijke, meest
+gesluierde vrouwen, die de wapenschouwing kwamen bijwonen.
+
+Eenigen tijd nadat ook de Radjpoet-ruiterij op de vlakte was
+aangekomen rukten de verschillende troepen, voorafgegaan door hare
+muziekkorpsen, op, om langs den Keizer en zijn staf te defileren,
+die daar op een eenigszins meer verheven terrein hen afwachtte.
+Naderbij gekomen behoefde Siddha wel niet lang in twijfel te
+staan, wien hij onder die groep van schitterend uitgedoste
+veldheeren, wier wapenen en paardentuigen glinsterden van goud en
+edelgesteenten, nu als den Keizer zelven te beschouwen had. Wel
+onmiskenbaar toch was door zijne gansche houding die forsche man,
+die daar op zijn prachtig wit paard en den veldheerstaf in de
+hand, een paar passen vóór de overigen, en zijn baniervoerder en
+parasoldrager achter zich, de voorbijtrekkende troepen in
+oogenschouw nam. Maar tevens herkende hij ook terstond in den
+magtigen gebieder denzelfden persoon met wien hij in de tuinen van
+het paleis gesproken had, en omtrent wiens wezenlijken rang ook
+toen reeds, gelijk nu wel bleek, een inderdaad volkomen waar
+vermoeden bij hem gerezen was.
+
+Op zijne beurt nu met zijn ruiters den Keizer voorbijtrekkend,
+boog hij, gelijk hij de anderen die hem vóórgingen had zien doen,
+zich voorover met omlaag gerigte lanspunt, en, tevens met een
+steelschen blik naar Akbar opziend, meende hij op het anders
+streng gelaat van dezen een ligten glimlach te bespeuren, die hem
+dra tot de overtuiging bragt dat de Keizer zijne nog al
+vrijmoedige woorden toch niet euvel scheen te hebben opgenomen.
+Ook herinnerde hij zich met zekere gerustheid dat Akbar, ééne
+Vlugtige opwelling van toorn nu daargelaten, ook voortdurend open
+en vriendelijk tot hem gesproken had. En eindelijk behoefde hij
+thans zoo erg niet meer tegen een voorstelling aan den grooten
+Keizer op te zien, die, naar Feizi hem had te kennen gegeven,
+waarschijnlijk wel na de wapenschouwing in het legerkamp zou
+kunnen plaats hebben.
+
+Die verzekering werd ook niet gelogenstraft toen er rust voor de
+troepen was bevolen, en de officieren, die hierbij gemist konden
+worden, zich naar de voor hen bestemde gedeelten van het kamp
+hadden begeven. Daar toch zag Siddha al spoedig zich door Feizi
+wenken en op 's Keizers raadsman toetredend, werd hij door dezen
+naar de uitgebreide groep der van binnen niet minder weelderig dan
+de vertrekken van het paleis zelf versierde middententen geleid.
+Een oogenblik later bevonden zich beide in de hooge tegenwoordigheid
+van den vorst.
+
+Niet weinig inmiddels verwonderde zich Feizi zelf toen hij Akbar
+terstond een stap voorwaarts zag doen en hem tot Siddha, wiens
+diepen groet hij met een genadige handbeweging beantwoordde,
+zonder de officiëele voorstelling af te wachten, hoorde zeggen:
+
+--Wel! ik zag u straks in dienst, en 't scheen mij dat er eenmaal
+nog wel een geschikt officier uit u groeien kan. Zorg maar dat ge
+mij niet in die goede verwachting bedriegt!
+
+--Ik kende,--vervolgde hij tot Feizi,--uw beschermeling al een
+weinig; wij hebben elkander reeds vóór eenige dagen ontmoet,
+hoewel hij toen niet raadde wie ik was.
+
+--Had ik dat geweten, Sire!--sprak Siddha eerbiedig,--ik had
+daarom met geen meer ontzag tot Uwe Majesteit op kunnen zien dan
+ik toch reeds tot den mij onbekende deed.
+
+--Maar toch waarschijnlijk wat minder vrij gesproken hebben,--
+vulde Akbar een weinig spotachtig het hoffelijk, maar blijkbaar
+ook ernstig bedoeld gezegde aan;--doch daarin stak op zich zelf
+geen kwaad, en ik hoor ook liever wat de menschen van mij denken
+dan te moeten raden naar 't geen zij over mij spreken achter mijn
+rug. Maar daarom dan ook, en naar aanleiding tevens van ons vorig
+gesprek, een bevel of liever, want wat ik verlang laat zich niet
+afdwingen, een verzoek: schenk mij ook in vervolg van tijd
+hetzelfde vertrouwen, dat gij, mij niet kennend, reeds in mij
+gesteld hebt! Gij ziet wel, het heeft tot heden u niet bedrogen.
+Wend u tot mij, niet tot anderen, als gij meent u over mij of de
+mijnen te beklagen te hebben. Klagten aan te horen weiger ik
+nooit; zijn ze ongegrond, dan tracht ik ze te wederleggen; zijn ze
+billijk, ik zoek naar herstel der grieven. Openhartigheid en
+gepaste vrijmoedigheid, mijn vriend Feizi kan het getuigen, wekken
+nooit in ernst mijn toorn; wel daarentegen valschheid en
+veinzerij.
+
+En na nog enkele vragen en gezegden omtrent Siddha's meer
+bijzondere dienstbetrekking, wenkte de Keizer ten teeken dat het
+gehoor was afgeloopen, en verwijderde zich Feizi met zijn jongeren
+vriend, die natuurlijk niet weinig in de wolken was over zijn
+tweede onderhoud met den vorst, en ook niet naliet zijn medgezel
+het een en ander omtrent het eerste te verhalen.
+
+--Nu, gij zijt wezenlijk een gelukskind,--sprak Feizi,--dat treft
+iedereen maar zoo niet, hoewel Akbar overigens niet moeijelijk is
+te genaken en doorgaans allen gaarne te woord staat. Gij schijnt
+inmiddels een gunstigen indruk op hem gemaakt te hebben, en dat
+verheugt mij van harte. Doch zie ik daar Parviz niet aankomen? Och
+jawel! Maar wat die hier komt uitvoeren? Wel, wel!--vervolgde hij,
+zijn neef toesprekend,--mijnheer de toekomstige staatsraad hier
+onder krijgslieden tusschen de tenten!
+
+--Even goed, dunkt mij,--antwoordde Parviz,--als mijn waarde oom,
+de wijsgeer! Doch ik erken gaarne, dat ik voor 't overige evenmin
+kans zie hem ooit te evenaren in zijn staatsmanswijsheid en
+geleerdheid als in de wapenfeiten die hij bedreven heeft.
+
+--Nu, geen komplimentjes, neef!--hernam de ander lagchend,--dat
+komt onder ons niet te pas. Maar weet gij wat ik eigenlijk denk?
+Gij zijt hier zeker gekomen om daar ginds een kijkje te nemen van
+de fraai aangekleede olifanten; de schoone dochter van Todar Mal
+is stellig weer niet vreemd aan uw verschijning, al moogt gij haar
+eigenlijk niet eens zien.
+
+--Oom! zeg ik op mijne beurt, geen verraden van mijn geheimen!
+Hoewel ik--voegde Parviz rond en goedhartig er aan toe,--die
+anders niet voor mijn vriend Siddha verborgen wil houden. Te
+minder omdat ik mij verzekerd reken van zijne belangstelling,
+wanneer hij van zijn kant aan zijne voorzeker niet minder
+beminnelijke verloofde denkt. Maar,--zeide hij tevens, zich tot
+Siddha wendend,--zoover als gij ben ik ongelukkig nog bij lange
+niet. Of ik misschien al eenige gunst in de oogen der dochter zal
+mogen vinden, van den vader durf ik mij gansch niet verzekerd
+houden.
+
+--Dat zal mettertijd wel teregtkomen,--merkte Feizi goelijk op,--
+doch genoeg voor 't ogenblik van ons vertrouwelijk gesprek!
+Ziehier anderen, voor wier ooren dat alles zeker niet bestemd kan
+zijn.
+
+--Wie is dat?--vroeg Siddha, toen hij een groep ruiters zag
+naderen in wier midden zich een jongmensch, welligt enkele jaren
+ouder dan hij zelf, maar toch anders van ongeveer gelijken
+leeftijd, vertoonde, en wiens uiterlijk voorkomen hem om meer dan
+eene reden wel opmerkelijk scheen. Vooreerst om de wezenlijk
+overdadige pracht zijner kleeding. Over het fijn goudlakensch
+kleed droeg hij niet minder dan vier snoeren buitengewoon groote
+paarlen; de tulband was met een hooge reigerveder en drie juweelen
+van onschatbare waarde getooid; en om de armen droeg hij, tot aan
+de ellebogen, reijen van banden alle met edelgesteenten bezet,
+terwijl aan elken vinger een ring was gestoken. Om niet eens van
+de diamanten en paarlen te spreken, die zijn wapenen en het tuig
+van zijn paard versierden. Maar hoe zonderling bij al dat
+geflonker het bleek en vermoeid gelaat afstak, waarvan de vaalheid
+nog meer scheen uit te komen door de gitzwarte oogen en de scherp
+afgeteekende knevels en wenkbrauwen. Oorspronkelijk waren die
+trekken ongetwijfeld schoon en edel te noemen, maar zij waren
+vervallen en verouderd vóór den tijd en droegen de onmiskenbare
+teekenen van menigen anders dan in wijsgeerige bespiegeling en
+onthouding doorgebragten nacht.
+
+--Hoe! kent gij dien nog niet?--vroeg Feizi,--dat is Selim de zoon
+van den Keizer en zijn aangewezen opvolger.
+
+Met een zwijgenden groet wilde de Kroonprins voorbij rijden, maar
+hij bedacht zich en, zijn paard naar Feizi en Parviz wendend,
+zeide hij:
+
+--Mijne heeren! 't is mij lief u juist hier te ontmoeten; ik wacht
+dezen avond eenige vrienden in mijn paleis voor een klein feest;
+wilt ge mij niet 't genoegen ook van uw bijzijn schenken?
+
+--De vraag--antwoordde Feizi,--ware mij in elke omstandigheid een
+bevel, zoo ik niet heden juist door een hooger werd verhinderd er
+aan te gehoorzamen, De Keizer heeft mij voor dezen avond
+bescheiden.
+
+--O zoo!--hernam Selim met een half minachtenden glimlach, hoewel
+overigens naar 't scheen juist niet rouwig om de weigering;--gij
+moet mijn vader zeker weer les gaan geven in uw ongeloovige
+wijsbegeerte, niet waar?
+
+--Wat ik persoonlijk doe,--was het antwoord,--blijft geheel ter
+beoordeeling van Uwe Hoogheid; maar wat de Keizer goed mag vinden,
+staat, dunkt mij, boven Haar oordeel en het mijne. Ook zou de
+vraag nog mogen heeten wiens avond wel het nuttigst besteed zou
+zijn.
+
+--Nu maak u maar niet boos, edele Feizi!--sprak de Prins
+vergoelijkend,--ik meen het zoo kwaad niet. Doch moet ik u dan uwe
+avonden laten, gun mij ook de mijnen! En gij Parviz!--ging hij,
+tot dezen zich keerend, voort,--hebt gij ook soms zoo zwaarwigtige
+bezigheden, die u van een onschuldig genoegen moeten terughouden?
+
+--Volstrekt niet,--antwoordde Parviz,--en al had ik die, ik zou
+niets liever wenschen dan ze ter zijde te mogen stellen voor een
+festijn in Selim's paleis. Maar veroorlooft mij, zoo de vraag niet
+onbescheiden is, Uwe Hoogheid, een nieuwen vriend van mij voor te
+stellen?
+
+En Siddha, die achteruit was getreden, wenkend om nader te komen,
+meldde hij diens naam en rang.
+
+--O ja!--sprak Selim,--ik herinner mij zoo iets van zijne komst
+hier vernomen te hebben. Wilt gij,--vroeg hij Siddha,--soms heden
+avond uw vriend begeleiden, gij zult mij genoegen doen.
+
+--Ik stel de eer op hoogen prijs,--antwoordde Siddha met een
+hoffelijke buiging.
+
+--De eer, nu ja!--zei Selim,--die geeft niet veel; ik heb niets te
+beteekenen hier aan het hof; maar ik hoop dat onze bijeenkomst u
+eenig genoegen mag verschaffen. Tot den avond alzoo!
+
+En zijn paard wendend vertrok de Prins met zijn gevolg.
+
+--Vergunt mij; geëerde vrienden!--zei hierop Siddha,--nu ook
+mijn afscheid te nemen; 't wordt tijd mijn ruiters weer op te
+zoeken.
+
+--Indien gij wilt,--sprak nog Parviz vóór het scheiden,--kom dan
+tegen den avond mij afhalen; mijn woning ligt in uw weg, en dan
+gaan wij zamen.
+
+--Met genoegen!--antwoordde de ander en begaf zich terug naar zijn
+post.
+
+Dat de pracht van Selim's paleis ook aan die zijner kleedij zou
+beantwoorden, had Siddha natuurlijk wel vermoed; maar toch vond
+hij zijne verwachting nog overtroffen door de ongehoorde weelde
+toen hij, langs verscheidene voorvertrekken en tusschen reijen van
+dienaren door, de zacht maar overvloedig verlichte en niet al te
+groote hal was binnengetreden, waar de Kroonprins met zijn
+vrienden zich bevond. De zalen van het Keizerlijk paleis hadden
+met al haar uitgezochten rijkdom nog iets ernstigs en gestrengs;
+maar hier ademde alles, tot zelfs de overigens steeds bevallige
+Moorsche bouworde en het schitterend dekoratief, niet dan zucht
+naar weelde en een jagen naar het meest onbeperkte zingenot.
+Veelkleurige zijden en goudlakensche voorhangsels neergolvend van
+de als fijne kanten uitgehouwen bogen, en halverwege het keurig
+mozaïekwerk in de met verguldsel afgezette marmeren wanden
+bedekkend; digte bloemengroepen, bedwelmende geuren verspreidend
+alom; breede, de lichten weerkaatsende spiegels; mollige tapijten
+van phantastische teekening; lage en tot weeke rust verlokkende
+divans; als kleine heuvels opeengestapelde gouden en kristallen
+drinkschalen, en marmeren en porphieren koelvaten van allerlei
+vorm; en aan de breede zijde der zaal een soort van tooneel,
+waarop zich straks de danseressen en speellieden zouden vertoonen;
+alles door tal van in bontkleurige ballons gevatte lampen
+verlicht;--ziedaar ongetwijfeld een aanblik, die ook een bezoeker
+van Indische paleizen nog wel bij den eersten oogopslag kon
+verbaasd doen staan.
+
+Al spoedig had Selim, rondziende langs den kring der gasten, die,
+in groepen verdeeld, hier op de divans zich hadden nedergezet,
+daar met elkaar stonden te praten, de nieuw aangekomenen ontdekt,
+en kort daarna op hen toetredend, sprak hij:
+
+--Zijt welkom, mijne heeren! in mijne nederige woning! Ik wil
+hopen, gelijk ik dezen morgen reeds zeide, dat de avond ons eenig
+wederzijdsch genoegen mag schenken. Laat het u inmiddels gezegd
+zijn, de etiquette behoort ditmaal niet tot de vermakelijkheden;
+wij trachten, althans voor dit oogenblik, vrienden onder elkaar te
+zijn.
+
+De Prins wendde zich tot anderen; en op eenmaal zag Siddha eene
+hem welbekende, maar hier op dit oogenblik niet verwachte figuur
+naderen,--die van Salhana, den Goeverneur van Allahabad.
+
+--Wel, neef!--sprak deze, hem de hand gevend,--dat doet mij
+genoegen u hier te ontmoeten. Ik ben zoo straks aangekomen en vond
+juist bij tijds in mijne woning eene uitnoodiging van den Prins,
+die mij hier in Agra verwachtte.
+
+--En,--vroeg Siddha,--hoe is het ginds, en hoe gaat het....
+
+--Iravati? vulde Salhana aan--heel best. Zij laat u groeten. Doch
+zie eens, daar komt een man met wien gij kennis moet maken, ook al
+is hij voor 't oogenblik niet bijzonder gezien ten hove. Hij heeft
+met dat al niet weinig te beteekenen. Een nieuwe kennismaking was
+evenwel overtollig; want de naderende bleek niemand anders dan
+Abdal Kadir Badaoni, de Islamietische ijveraar, te zijn, dien
+Siddha reeds in het Keizerlijk park met Akbar zelf had gezien. Tot
+zijne verwondering begroette diezelfde man zijn oom, schoon toch
+even goed een ongeloovige als hij, nog al tamelijk beleefd,
+terwijl hem zelf nu ook iets ten deel viel wat als eene soort van
+hoffelijke ontvangst kon worden aangemerkt.
+
+--Ik zag uw neef toevallig reeds vroeger,--sprak Abdal Kadir toen
+Salhana hem wilde voorstellen,--en ik wil hopen,--vervolgde hij
+tot Siddha,--dat gij mijne toen gesproken woorden in de beteekenis
+zult willen opvatten die ik zelf er aan gaf; gij ziet nu wel dat
+personen mij nog niet gehaat zijn al moet ik hen bestrijden om hun
+dwalingen.
+
+--Ik eerbiedig uwe gevoelens, edele Heer!--antwoordde Siddha,--al
+betreur ik ook dat gij 't niet eveneens de onzen kunt doen.
+Misschien ....
+
+--Wat misschien?--begon Abdal Kadir opstuivend.
+
+--Neen, neen, mijn waarde heeren!--sprak nu Salhana, tot vrede
+manend,--geen getwist nu, wat ik u bidden mag, over uwe
+wederzijdsche gevoelens omtrent geloofskwestiën! Bedenken wij
+liever wat feitelijke gevaren ons allen, ons Indiërs zoowel als
+ulieden, trouwe zonen van den Profeet, bedreigen, indien de
+plannen eens verwezenlijkt werden, die ginds door hooger gestelde
+magten schijnen ontworpen te worden!
+
+Enkele andere personen, blijkbaar mede wel vertrouwde bekenden van
+Salhana en den Mohammedaan, hadden zich inmiddels bij de
+sprekenden aangesloten, terwijl Parviz zich met eenige jongeren
+naar een ander gedeelte der zaal had begeven. Allen luisterden met
+opmerkzaamheid, doch tevens een nauw gesloten kring vormend, waar
+geen ander, ongenoode, zich had weten binnen te dringen.
+
+Bedenken wij--ging Salhana voort, op wel verstaanbaren maar toch
+fluisterenden toon,--wat ons gebeuren moet, indien wij eens
+gedwongen werden ons allen openlijk aan de zonderlinge, tegen ons
+aller begrippen en zeden strijdende eeredienst te onderwerpen, die
+de anders zoo hoog geëerbiedigde Keizer ons, hoe dan ook, schijnt
+te willen opdringen. Hoe nu? Zoudt gijlieden Mohammedanen, de
+tegenwoordige beheerschers van het land, uw Allah verloochenend,
+dan in aanbidding voor zon en sterren willen nederknielen, en
+misschien....
+
+--Bij den baard van den Profeet!--begon Abdal Kadir, de hand aan
+'t gevest van zijn sabel slaand,--we zouden....
+
+--Bleef het daar nog maar bij,--hernam de ander,--doch er is nog
+erger. Denkt maar eens aan de woorden: "Allahoe Akbar", die
+tegenwoordig op munten en firmans gevonden worden! Die schijnen
+ongetwijfeld heel onschuldig als men ze in den zin van "God is
+groot" verstaat; maar zij kunnen immers ook nog iets anders
+beteekenen, te weten: "Akbar is God."
+
+--Dat gaat zeker alles te buiten!--riep Abdal Kadir nu in volle
+woede uit; maar Salhana kwam weer tusschen beiden.
+
+--Laat ons bedaard blijven!--zeide hij,--we hebben hier trouwens
+nog maar te doen met onderstellingen, die mogelijk ook, zooals ik
+zou hopen, ongegrond zullen blijken te zijn. Maar als het toch
+eenmaal zoo eens was, dan vraag ik, zoudt gij u kunnen en mogen
+onderwerpen, of ook wij, die tot heden de meest volkomen vrijheid
+genoten om dat geloof te belijden, wat wij erfden van onze vaderen
+en naar onze overtuiging het beste en redelijkste scheen? Beviel
+de laatste vraag al iets minder aan Abdal Kadir dan de vroeger
+gestelde, op Siddha maakte zij des te meer indruk. Dat Akbar aan
+de stichting van een nieuwe godsdienst dacht, was hem wel reeds
+eens ter ooren gekomen; maar of hij daarmede nu ook werkelijk
+gewetensdwang beoogde. En als 't eens zoo zijn mogt?...
+
+--Daarom,--besloot Salhana,--geen onderlinge twist! Maar laat ons
+gezamenlijk toezien, en, moet het, ons eendragtig door geoorloofde
+middelen trachten te beveiligen tegen de gevaren, waarmee het,
+vrees ik, maar al te zeer door dweepers en door intriganten gevoed
+idealisme van een anders voortreffelijk vorst ons dreigen mogt!
+Doch ik geloof, dat de Prins reeds het teeken heeft gegeven om ons
+eigenlijk festijn te doen beginnen. Breken wij dus voor 't
+oogenblik ons onderhoud af! Ik blijf mij inmiddels aanbevelen,
+mijne heeren! voor uw nader gevoelen over 't gesprokene. Mogelijk
+verkeer ik gansch in dwaling. Ik mogt het van harte wenschen!
+
+Terwijl de gasten bezig waren eene plaats op de verschillende
+divans te zoeken, hoorde Siddha, een der groepen voorbijgaande,
+een paar woorden die zijne opmerkzaamheid trokken.
+
+--En Kaçmir?--vroeg een der sprekers,--zijn er berigten?
+
+--Heel goede!--antwoordde de toegesprokene;--de mijn kan haast
+springen.
+
+--En de brief?
+
+--In de beste handen!
+
+Andere gasten scheidden Siddha van de twee wier gesprek hij daar
+toevallig aanhoorde, en weldra zag hij niet ver van Selim zich
+tusschen eenige hem nog onbekende jongelieden geplaatst, doch met
+wie hij spoedig in gesprek was, terwijl de talrijke dienaren
+verschillende ververschingen aanbragten en de wijn rijkelijk in de
+gouden drinkschalen begon te vloeijen. Nu en dan kwamen hem nog
+wel de straks vernomen woorden voor den geest, maar de beteekenis
+bleef hem duister. Konden zij op die heimelijke twisten in zijn
+vaderland slaan, die naar Salhana's zeggen, door Akbar werden
+aangestookt? En die brief? Onwillekeurig maar ook slechts vlugtig
+dacht hij aan den brief van Rezia, dien Koelloeka had meegenomen,
+Maar wat kon die met staatkunde te maken hebben?
+
+Weldra ook werd zijns opmerkzaamheid geheel door de danseressen
+ingenomen, die, begeleid door muziekanten, van achter een der
+voorhangen op het tooneel in het breede der hal waren verschenen
+en aldra, den bruingetinten boezem nagenoeg gansch ontbloot, maar
+daarentegen met lang, tot de voeten reikend gewaad, op de maat der
+snaren-instrumenten en cymbels eenige van die dansen begonnen uit
+te voeren, die ten allen tijde zoozeer in den smaak vielen beide
+van Indiër en van Musulman, en vaak uren achtereen hen weten bezig
+te houden. Tot afwisseling evenwel traden ook nu en dan zangers en
+zangeressen op, en vergastten de toehoorders met de voordragt van
+Perzische liederen, die bijzonder aan Selim en zijne vrienden
+schenen te behagen, maar Siddha een weinig eentoonig en ledig van
+inhoud voorkwamen.
+
+--Waar blijft nu Rembha?--vroeg eindelijk de Prins,--ze zou ons
+iets nieuws komen voorzingen, een paar vertaalde stukken uit een
+oud Indisch gedicht, dat u, Siddha! zeker wel bekend zal zijn, het
+Gitagovinda, meen ik.
+
+--O ja!--antwoordde Siddha,--de pastorale van Djayadeva, waarin de
+avonturen van den God Krishna met de herderinnen en zijn
+hereeniging met de schoone Radha beschreven worden. Ik heb er zelf
+ook wel eens een vertaling van beproefd.
+
+--Nu,--hernam Selim,--laat ons dan eens luisteren! Daar komt
+Rembha al.
+
+En op de estrade vertoonde zich een donker gekleurde schoone jonge
+vrouw, in rijk doch misschien wel wat heel weelderig kostuum, en
+ving half zingend, half reciterend, onder begeleiding eener zachte
+muziek aldus aan:
+
+Nu de lieftallige atimoekta den mango doet siddren in minlijke
+boeijen, Nu ook Vrindavana's woud weer der Djamoena heldere golven
+besproeijen, Nu zich de lente aan de jeugd en de schoonheid, met
+haar tot verleiding geboren, Paart om den kluizenaar zelf in de
+rust zijner vrome overpeinzing te storen, Nu komt zich Krishna in
+'t voorjaar vermeijen, Droef voor verlaatnen alleen, en speelt
+kozend en danst met de dartlende reijen.
+
+"Donker in 't gele gewaad, ligt met sandel bestrooid en met
+ kransen omhangen,
+ De oorringen schittrend in 't licht als de dans ze beweegt om de
+ lagchende wangen,
+ Schertsend en kozend met dartel gebaar
+ Leidt Krishna ten reidans de luchtige schaar.
+
+
+ Deze, met zwellenden boezem, die digt zich daar zoekt aan zijn
+ zijde te dringen,
+ Neuriet een liefelijk lied, dat ze straks hem bij 't tokklen der
+ luit hoorde zingen.
+ De andre, wier rusteloos oog toont wat liefde en wat lust ze uit
+ zijn blik heeft gedronken,
+ Staat als verblind door den glans van zijn lotusgelaat in
+ gedachten verzonken.
+
+
+ Gene, die slanke, die haastig hem nadert, als had ze iets in 't
+ oor hem te fluistren,
+ Drukt snel een vlugtigen kus op zijn wang, als hij lagchend zich
+ buigt om te luistren.
+
+
+ Deze, door inniger hartstogt tot hem, den bekoorlijken herder
+ getrokken,
+ Wil hem, de hand aan zijn kleed, naar 't bosschaadje aan den
+ oever der Djamoena lokken.
+
+
+ Zij, die daar danst bij den klank van de fluit naar de maat der
+ zacht rinklende ringen,
+ Weet hem door 't blijk van haar kunst tot een uitroep van blijde
+ bewondring te dwingen.
+
+
+ Deze en die kussend ter vlugt, maar te vaster die innige aan 't
+ harte soms prangend,
+ Gene schalksch aanziend en deze, die tracht hem te ontsnappen,
+ met de armen omvangend,
+ Schertsend en kozend met dartel gebaar,
+ Leidt Krishna ten reidans de luchtige schaar."
+
+
+--De voordragt,--sprak Selim met reden, toen de zangeres een
+oogenblik ophield,--laat niets te wenschen over; maar wat dunkt u,
+edele Siddha! van de vertaling?
+
+--Niet kwaad!--antwoordde de ander;--de denkbeelden zijn vrij wel
+teruggegeven, al zijn de woorden ook niet overal volkomen gevolgd.
+Dat is trouwens, ik erken het, ook heel moeijelijk met deze ietwat
+gemaakte en gezochte poëzie van den lateren tijd. Maar is de
+vertaler zelf niet bekend?
+
+--Het is Feizi, met wien ik u dezen morgen zag spreken,--zei de Prins,
+even glimlagchend om de verlegenheid, die zich op Siddha's gelaat bij
+deze verklaring, in verband met zijn nog al meesterachtig oordeel,
+vertoonde.--Maar wees gerust,--vervolgde hij,--Feizi zal 't u stellig
+niet kwalijk nemen als gij zijn werk niet onvoorwaardelijk goedkeurt,
+maar u zeker voor elke teregtwijzing dankbaar zijn. Doch laat ons,
+Rembha! nog een enkel stuk hooren, en dan willen wij voor heden avond
+niet meer van u vergen.
+
+--De klagt dan--sprak de zangeres,--van de verlatene Radha tot
+hare vriendin:
+
+"Hem, die naar kussen begeerig, ginds 't landlijk vermaak zoekt
+ met speelsche vriendinnen,
+ Die ook zich harten zoo ligt door den lach der koraalroode lippen
+ kan winnen,
+ Hem, die ginds dartelt, hem blijf ik gedenken,
+ Moge ook hij spot slechts voor liefde mij schenken!
+
+
+ Hem, die met rankgelijke armen heel 't vrouwendom, kon het, zou
+ wenschen te omvangen,
+ Handen en voeten en borst met juweelen die 't duister verlichten
+ omhangen;
+
+
+ Hem, wiens met sandel omwolkt en hel stralende voorhoofd de maan
+ doet verbleeken,
+ Hem, wiens onstuimige hart te vergeefs de verloorne om genade
+ doet smeeken, Hem, die ginds dartelt, hem blijf ik gedenken,
+ Moge ook hij spot slechts voor liefde mij schenken!"
+
+
+Een kort oogenblik zweeg Rembha, en ging toen, in eenigzins
+veranderde maat, en met steeds zoetvloeijender klank harer ronde
+welluidende stem en als 't ware klimmende hartstogtelijkheid in de
+rol der minnende Radha voort:
+
+"Mij, hier verscholen in 't loof, hem, die daar sluimert in 't
+ nachtelijk duister,
+ Mij, die klagend hem zoekt, hem, die ginds praalt in zijn
+ lagchende luister,
+ Ons, ach! breng spoedig weer zamen, vriendinne!
+ Mij, dat ik ruste aan zijn hart, hem, dat hij trouw me als
+ voorheen weer beminne!
+
+
+ Mij, bij zijn naadring beschaamd, hem, die door vleitaal mijn
+ zinnen verrukte,
+ Mij, door zijn glimlach bekoord, hem, die mij strafloos den
+ sluijer ontrukte,
+
+
+ Mij, op het bed hier van mos, hem, die zich vleije als weleer aan
+ mijn zijde,
+ Mij, weer tot kozen bereid, hem, die den dronk zijner lippen mij
+ wijde,
+
+
+ Mij dan met schemerend oog, hem met van vreugde straks tintlende
+ wangen,
+ Mij met de leden zoo mat, hem, door den roes der verrukking
+ hevangen,
+ Ons, ach! breng spoedig weer zamen, vriendinne!
+ Mij, dat ik ruste aan zijn hart, hem, dat hij trouw me als
+ voorheen weer beminne!"
+
+
+Eene uitbundige toejuiching viel der schoone zangeres ten deel,
+zij het dan om den inhoud der woorden, door geen gehoor alligt
+beter begrepen dan door het hare, of wel om de uitdrukking, welke
+zij door stem en gebaren er aan te geven wist.
+
+--Dat belooft iets, niet waar?--sprak Selim,--als we nu eens aan
+de werkelijke hereeniging van Krishna en Radha komen! Maar dat een
+andermaal!--Doch zeg ons geachte Abdal Kadir!--vroeg hij,
+misschien niet geheel zonder bijoogmerk, aan dezen, die schuins
+tegenover Siddha had plaats genomen,--bevalt u die Indische
+dichtkunst toch niet wel zoo goed als de onze, ook al hebt gij,
+als elk ander goed geloovige, een afschuw van de wanbegrippen door
+het boos geslacht dezer Hindoe's verkondigd?
+
+--Met dichters,--antwoordde Abdal Kadir, ter nauwernood zijn
+inwendigen wrevel bedwingend,--heb ik over 't geheel niet veel op;
+en ook onze heilige Profeet, gezegend zijn naam! vloekte met reden
+den goddeloozen Amroel Kaïs, zoo hoog ook door anderen diens
+Moallakah mogt zijn geroemd. Maar dat nu die Hindoe's niet alleen
+zulke wulpsche verzen maken, als wij er hier vernamen, maar
+bovendien zulke wellustige wezens als die Krishna en die Radha tot
+voorwerpen van goddelijke vereering durven verheffen, dat dunkt
+mij toch wat al te grof.
+
+Juist dacht Siddha het woord te nemen om den ijveraar, zoo
+mogelijk, eens aan 't verstand te brengen, dat er nog een
+onderscheid is tusschen mythologie en godsdienst, tusschen poëzie
+en geloof, toen Selim te regter tijd verdere woordenwisseling
+verhinderde door uit te roepen:
+
+--Geen theologie, mijne heeren! wat ik u verzoeken mag! Laten wij
+dat over aan mijn hooggeachten vader, die, naar ik vernam, op dit
+oogenblik met den geleerden Feizi, en mogelijk nog anderen, aan 't
+philosopheren moet zijn. Wij voor ons, meerendeels jongeren van
+jaren, kwamen hier bijeen om vrolijk den avond met elkaar door te
+brengen. Welaan dan, gij zangers en speellieden ginds! Een
+drinklied nu, en een levendig ook, om ons weer in den goeden toon
+te brengen! En laat stroomen den wijn, die ons 't hart verheugt;
+en zoo gij, edele Abdal Kadir! het wraken mogt, bedenk dan tevens
+dat een dichter, dien onze groote Profeet toch niet vloekte en die
+geëerd bleef onder de onzen, dat Tharafa reeds zong:
+
+"En komt ge tot het drinkgelag,
+ Ik doe u gaarn den ganschen dag
+ Een trouw en kloek bescheid.
+
+
+ Den beker vindt des morgens gij
+ Ten boord gevuld reeds staan;
+ Is 't u genoeg, straks vangen wij* Met frisschen moed weer aan!"
+
+
+En waarom zouden we dat goede voorbeeld dan niet volgen?
+
+De knorrige Mohammedaan bromde nog wel iets achter zijn baard,
+maar hij begreep dat tegenspraak hier onvoorzigtig zijn zou, daar
+hij Selim,--en deze wist dat ook wel,--als bondgenoot tegen
+Akbar's geloofsverzaking van noode had. Hij zweeg dus, en
+eindigde, om zijn leed te verzetten, met zelf dapper mee te
+drinken, wat de Profeet er dan ook van gezegd mogt hebben.
+
+De overige genooden lieten zich trouwens ook niet onbetuigd en
+menigmaal werden de drinkschalen even snel geledigd als gevuld,
+terwijl ook de zangeressen en bayadéres op een wenk van Selim zich
+onder de gasten mengden en hier en daar op de divans nevens hen
+plaats namen.
+
+Met de schoone Rembha, die ergens in zijn nabijheid teregt kwam
+had Siddha al spoedig een gesprek aangeknoopt; en weldra bleek hem
+dat zij niet alleen een vrij beschaafde en ontwikkelde vrouw, maar
+ook een zeer goedhartig wezen was, toen zij met medelijden van de
+ongelukkige danseressen sprak, die, al waren ze geen eigenlijke
+slavinnen, toch meerendeels door hare ouders op zeer vroegen
+leeftijd reeds aan den meestbiedende waren verkocht en nu, door
+den een aan den ander als een soort van koopwaar overgedaan, een
+leven leidden, niet voel beter dan dat der wezenlijke slaverij.
+
+--'t Is mij,--zeide zij openhartig genoeg,--in den beginne ook zoo
+gegaan; maar gelukkig had ik wat aanleg tot den zang, en een
+mijner begunstigers liet mij daarom een redehijke opvoeding geven,
+zoodat ik nu voor mijzelve kan zorgen, en des noods van mijne
+kunst alleen kan bestaan. En als ik,--voegde zij lagchend er bij,
+--als ik oud en leelijk ben geworden, dan....
+
+--Ja dan!--kon Siddha niet nalaten met een gevoel van medelijden
+uit te roepen.
+
+--Och neen!--hernam Rembha,--ik begrijp wel wat gij bedoelt; maar
+gij vergist u. Als ik dan oud en leelijk word, dan behoef ik mij
+nog in 't geheel niet te verlagen als zoovele om anderen aan
+avonturen te helpen, maar dan vind ik ligt genoeg, daar ik eene
+Indische van goede kaste ben, eene gelegenheid om hier of daar in
+een tempel het toezigt te krijgen over de zangeressen en
+dansmeisjes, die de priesters voor hun ceremoniën er op na houden.
+
+Een wat meer luidruchtige muziek dan tot heden brak het gesprek
+voor 't oogenblik af, en toen het weer stil werd, mengden andere
+gasten en andere vrouwen zich in het onderhoud. Ook werden nu de
+gesprekken al meer en meer los van aard, en menige uitdrukking
+trof Siddha's oor, die hem tot heden onbekend was, maar waarvan
+hij de juist niet bijzonder kiesche beteekenis al spoedig genoeg
+begreep. Langzamerhand begon er ook vrij wat van het dekorum
+verloren te gaan, dat tot nog toe was in acht genomen. Hier en
+daar lag reeds een feestvierende achterover met de ledige schaal
+in de hand en volslagen onbewust van 't geen er om hem heen
+gebeurde; en op de divans zag men menige groep, wier houding alles
+behalve van eerbied getuigde voor de hooge tegenwoordigheid in
+welke men zich bevond. Maar al lang zag de Prins zelf niet meer
+naar de anderen om. In achtelooze houding lag hij tusschen twee
+nevens hem gezeten danseressen, waarvan de eene met de greep van
+zijn dolk speelde, terwijl de andere aan zijn juweelen armbanden
+trok. Een daarvan, dien hij loshaakte, wierp hij deze in den
+schoot en gene wierp hij een paar kostbare paarlen toe, die hij
+van zijn kleed rukte; daarna hief hij de drinkschaal weer op om ze
+te laten vullen, en die geledigd hebbend, zonk hij met beneveld
+oog in zijne kussens terug. En de gesprekken, zoo de verwarde,
+elkaar kruisende uitroepingen dien naam nog verdienden, werden al
+luider en luider, en de muziek bleef spelen, en de wijn bleef
+stroomen, tot eindelijk ook onze Siddha, door het rumoer en de
+bloemengeuren en zeer zeker niet het minst door den wijn zelf
+bedwelmd, al minder en minder van 't geen hem omringde begon op te
+merken.
+
+Een krachtige hand, die eensklaps op zijn schouder werd gelegd,
+schudde hem voor 't oogenblik wakker uit zijne verdooving. Het was
+die van Salhana, die hem ongemerkt genaderd was.
+
+--Komaan!--sprak deze,--'t wordt tijd voor ons om te vertrekken.
+Er gebeuren bij gelegenheden als deze wel eens gevaarlijke dingen
+als er soms de eene of andere twist ontstaat, en men weet dan
+nooit waar men in gemengd kan worden.
+
+--Ja, maar--vroeg Siddha met een weifelende uitspraak,--kunnen
+wij zoo maar heengaan, eer de Prins het teeken van scheiden geeft?
+
+--De Prins!--zei Salhana nog al verachtelijk,--zie maar eens of
+hij er naar vragen zal of wij heengaan of niet!--En daarbij wees
+hij naar Selim, die daar achterover lag op den divan met de oogen
+gesloten en den arm afhangend over het kussen; terwijl de pas weer
+gevulde schaal, aan zijne hand ontvallend, over het kostbaar
+tapijt op den grond was gerold. Maar hoe ook Siddha zijn best
+deed, hij ontwaarde geen Selim meer, of zoo hij nog iets zag dan
+waren 't er twee; en gewillig liet hij zich nu buiten de zaal
+leiden door zijn oom, die hem stevig onder den arm greep, op het
+voorplein in een anders voor hemzelven bestemden palankijn deed
+plaats nemen, en toen, na een woord aan de dragers, schoon hij
+stellig niet minder gedronken had dan zijn neef, met vasten stap
+zich huiswaarts begaf.
+
+Op zijn weg door een der nauwere straten ontwaarde hij onder de
+luifel van een huis eene lange magere gedaante, die, voorzigtig
+rondziende, hare schuilplaats verliet, en in welke hij spoedig
+Gorakh, den Yogi, herkende.
+
+--Alles wel?--vroeg deze.
+
+--Heel best!--was het antwoord,--onze zaken vorderen. Iets
+bepaalds kan ik u echter nog niet meedeelen, maar zoodra ik wat
+anders weet, en in elk geval, zoodra wij uwe hulp of die uwer
+getrouwen van noode hebben, zal ik u doen waarschuwen.
+
+--En onze jonge gek? Houd hem in 't oog! Ik geloof dat hij iets
+van onze verstandhouding vermoedt. Dat maakt echter niets uit, als
+hij maar eerst binnen is. Maar daarom, zeg mij, is de vogel al in
+de knip?
+
+--Nog niet,--antwoordde Salhana,--maar heel lang zal dat wel niet
+duren.
+
+Gorakh lagchte, en de beide mannen gingen langs tegenovergestelde
+kanten ieder huns weegs.
+
+
+
+ZEVENDE HOOFDSTUK.
+
+Stille zamenkomsten
+
+Feizi had zich niet van een voorwendsel bediend, toen hij de
+uitnoodiging van den Kroonprins afsloeg. Omstreeks denzelfden
+tijd, waarop Selim zijne gasten zag vergaderen, wachtte hij met
+den Keizer in diens binnenvertrekken een genoode van gansch
+anderen aard.
+
+Voorafgegaan door een dienaar, die na de aanmelding terstond weer
+verdween, trad daar weldra een man binnen, aan wiens gewaad ieder
+Westerling terstond den Roomsch-Katholieken geestelijke herkend
+zou hebben. Het was dan ook de Padre Rodolpho Aquaviva, hoofd van
+de toenmalige Jezuïeten-missie, uit Goa door den Vader Provinciaal
+naar het hof van Agra afgevaardigd.
+
+--Ik heet u welkom, Eerwaarde Vader!--sprak Akbar, zijn groet
+beantwoordend,--welkom in den naam van dat Hoogste Wezen, dat wij
+beiden gelijkelijk, schoon op verschillende wijzen vereeren!--Ik
+wil hopen,--voegde hij vragend er bij,--dat de reis u niet al te
+zeer zal hebben vermoeid?
+
+--Ik ben Uwe Majesteit dankbaar voor die belangstelling,--
+antwoordde Aquaviva;--gelukkig hebben wij den togt zonder
+ongevallen kunnen volbrengen, hoewel mijne gezondheid anders veel
+te wenschen overlaat. Maar de nietige mensch behoort te dragen wat
+de Heer over hem beschikt.
+
+--Dat zeg ik met u!--hernam Akbar;--maar ik heb u ook nog te
+bedanken voor de boekwerken, die gij sinds uwe afwezigheid de
+goedheid gehad hebt mij te doen toekomen, uwe Evangeli*n en
+andere schriften. Mijn vriend Feizi hier, dien gij van vroeger u
+nog wel zult herinneren, heeft ze grootendeels voor mij vertaald;
+en ik verzeker u, dat wij te zamen en met Aboel Fazl er trouw in
+gelezen hebben.
+
+--En,--vroeg de Padre, nauwlettend het gelaat van den Keizer
+bespiedend,--mogen wij ook hopen dat het gestrooide zaad in goede
+aarde is gevallen?
+
+--Ik geloof ja!--antwoordde Akbar;--ik stel verscheidene van uw heilige
+boeken bijzonder hoog, nu ik daarmede eens nader heb kennis gemaakt.
+Wat schoone en verhevene waarheden zijn er niet in vervat! En dan, nevens
+die hoogere, meer het onzienlijke betreffende begrippen, die ook in de
+leer van den Islam niet gansch ontbreken, welk eene edele en reine
+opvatting van zelfverloochening en zelfopoffering, en bovenal welk een
+zuiver, aan den Koran doorgaans geheel vreemd begrip van menschenliefde
+en humaniteit! Dat ik uw Christendom alzoo ver boven het Mohammedanisme
+stel, behoef ik u wel niet nader te verzekeren.
+
+--De Heere zij geloofd!--sprak de Jezuïet met ten hemel geslagen
+geslagen oog en de handen zamenvouwend;--ziedaar de regte weg!
+Eerst de dwaling wel begrepen door vergelijking met de waarheid;
+dan is het gemoed ook ontvankelijk voor deze. En hoe zou het
+trouwens ook mogelijk zijn dat een man als Akbar, niet enkel een
+grootmagtig Vorst, maar, wat meer nog zegt, een zoo wijs en
+geleerd man bovendien, de waarheid niet van den logen zou weten te
+onderscheiden?
+
+--Ik ben u verpligt voor die welwillende beoordeeling,--zei
+Akbar,--maar ik vrees, dat ik alligt weer in uwe achting zal
+dalen, indien ik aan mijne woorden van zooeven nog iets toevoeg.
+En dat moet ik toch, wil ik opregt jegens u handelen. Ik gaf u
+mijne warme bewondering te kennen voor veel wat er in uwe heilige
+schriften wordt aangetroffen; maar dat belet niet dat ik nog een
+open oog wensch te houden voor 't geen er goeds en schoons ook in
+andere godsdiensten te vinden is. Daar hebt gij bijvoorbeeld
+enkele der hier nog bestaande, de oorspronkelijk Indische.
+
+--Hoe, wat?--kon Aquaviva zich niet weerhouden in de grootste
+ontsteltenis uit te roepen,--die gruwelijke afgoderijen!
+
+--Ik erken,--hernam Akbar bedaard,--dat er bij zijn, waarop die
+benaming wel toepasselijk is. Maar dat is toch lang niet met alle
+het geval. Niet waar, Feizi?
+
+--Zeer zeker niet!--antwoordde deze,--en niemand weet dat beter
+dan mijn Keizer zelf; en hij zal u, Eerwaarde Vader! even als ik
+kunnen betuigen, dat er onder die godsdiensten zelfs meer dan een
+wordt gevonden, die, wat de evengenoemde punten betreft niet voor
+de uwe, voor het Christendom behoeft onder te doen.
+
+--Onmogelijk!--zei Aquaviva met vaste stem.
+
+--En waarom onmogelijk?--vroeg Feizi glimlagchend,--kent gij dan
+wezenlijk al die stelsels zoo nauwkeurig?
+
+--Ik ken ze niet anders,--hernam de Padre,--dan uit hetgeen ik
+hier er nu en dan van zie. Maar ik begeer en ik behoef ze ook niet
+nader te kennen. Waartoe zou het dienen? Er kan toch maar ééne
+waarheid zijn.
+
+--Dat spreekt wel van zelf,--viel hier Akbar in,--maar de vraag is
+juist, wat waarheid is, en bij wie ze gevonden wordt; of ze enkel
+gevonden wordt in één leerstelsel, dan wel in meer dan één
+verspreid. Nu zult ge mij natuurlijk antwoorden, dat niemand
+anders in het bezit der waarheid is dan gijlieden; maar dan vraag
+ik wederom: waaruit blijkt dat?
+
+--Wel,--hernam Aquaviva,--de waarheid is ons immers geopenbaard
+door Jezus Christus, den Zoon van God.
+
+--Zoo zegt gij!--was het antwoord; maar nu zegt mijn vriend Abdal
+Kadir, de Islamiet, dat ze hem is geopenbaard door Mohammed, den
+grooten Profeet. En dat uw Christus werkelijk Gods Zoon was, zoudt
+gij toch eerst dienen te bewijzen, eer ge op hemzelf als zoodanig
+u beroepen kunt.
+
+--Zoo zeggen ook,--voegde Feizi er nog bij,--onze Vishnoeïeten
+hier, dat de waarheid hun niet alleen door wijze en heilige mannen
+is bekend geworden, maar ook geopenbaard in verschillende
+incarnatiën der Godheid.
+
+--Maar het gezag der Alleenzaligmakende kerk dan, en dat van den
+Bijbel, Gods woord!--hernam de Jezuïet.
+
+--Dat staat weer gelijk,--antwoordde Akbar,--met het gezag van den
+Koran, de khaliefen en de oelema's. En met de autoriteit van de
+kanonieke boeken en de leeraren der Vishnoeïeten bijvoorbeeld,
+waarvan Feizi zooeven sprak.
+
+--Maar dan toch het vast geloof! Zegt dat niets?
+
+--Ook al weer bij allen van gelijke kracht.
+
+--Het Christendom is in elk geval veel ouder dan de Islam.
+
+--Ja, maar lang zoo oud niet als de Veda, op welks gezag de
+zooeven genoemde godsdienstleer meerendeels steunt. En ook het
+Boeddhisme is ouder dan het Christendom. En, terwijl het daarmede,
+als trouwens ook andere Indische leeringen, overeenstemt wat echt
+humanitaire begrippen aangaat, en op merkwaardige wijze ook vele
+kerkelijke gebruiken met u gemeen heeft, het wint het, dunkt mij,
+van uwe leer in geest van verdraagzaamheid.
+
+--Wij komen op die wijze niet veel verder,--merkte de Padre,
+ondanks al zijn ontzag voor den Keizer als zoodanig, een weinig
+gemelijk aan.
+
+--Neen, dat geloof ik óók niet, waarde Heer!--zei Akbar met een
+ligten glimlach;--doch beter zou het misschien gaan, zooal niet
+volkomen in overeenstemming met uw bijzonder doel, indien gij van
+de hier nog heerschende rigtingen eens wat nader kennis wildet
+nemen, en u daaromtrent dezelfde moeite getroosten, welke wij ons
+niet ontzagen wat de godsdienst uwer landstreken betreft. Wij
+konden dan ten minste die verschillende leeringen eens zamen
+vergelijken, om dan ten slotte wel tot eene overtuiging omtrent
+hare wederzijdsche inwendige waarde te geraken.
+
+--Maar daarvoor ben ik hier niet gekomen,--hervatte de
+Heidenapostel,--ik ben gezonden om het Evangelie te prediken en
+zielen te redden van het verderf!
+
+--Welnu!--sprak Akbar op zijn gewonen kalmen toon,--ik wensch u
+een goeden uitslag. Maar ik twijfel of gij veel zult vorderen,
+indien gij anderen eenvoudig zoekt op te dringen wat gijzelf voor
+waar houdt, zonder te doorgronden of zelfs na te vragen wat zij
+van hun kant gewoon zijn als waarheid te erkennen.
+
+--Toch vertrouw ik,--sprak Aquaviva weder, door al die formele
+bezwaren nog niet afgeschrikt,--op de onweerstaanbare overtuigingskracht,
+welke alleen ons geloof bezit en waarvoor in 't eind ook het meest
+verstokte hart moet zwichten, zij het dan van afgodendienaar of van
+ongodist.
+
+--Gij bedoelt den inhoud van uw geloof, niet waar?
+
+--Ongetwijfeld!
+
+--Nu, voor zoover die inhoud zich inderdaad van de leeringen der
+overige belijdenissen, die we zooeven noemden, onderscheidt, zou
+ik al zeer weinig geneigd zijn, uw onbepaald vertrouwen, zoozeer
+ik 't anders ook eerbiedig, te deelen. En in zoover diezelfde
+inhoud met dien van anderen overeenstemt, is er geen strijd en
+komt uw bekeeringswerk dus ook niet te pas. Wat dunkt u, vriend
+Feizi! is het niet zoo? Gij zijt een man van bedaard verstand, en
+niet zulk een idealist, zoo als ik, even als onze eerwaarde
+Aquaviva, mij wel eens betoon. Wij hebben dus prijs te stellen op
+uw oordeel.
+
+Of de eerwaarde Aquaviva het hiermede geheel eens was, mogt
+onzeker heeten; maar in elk geval diende hij Feizi wel aan het
+woord te laten, toen deze begon:
+
+--Ik geloof niet, Sire! dat Uwe Majesteit eene bevestiging Harer
+woorden mijnerzijds behoeft. Maar den Padre moet ik eveneens de
+verzekering geven, al beneemt ze hem een zijner meest dierbare
+illusiën, dat die bijzondere leerbegrippen, die uitsluitend aan
+zijne geloofsbelijdenis eigen zijn, ook al maakt hij enkele
+bekeerlingen, toch nooit wortel zullen schieten in dit land, noch
+onder Mohammedanen, noch onder hen, die hij gewoon is met den naam
+van Heidenen te bestempelen. Genen, boven alles aan hun dogma van
+God's onverbreekbare en ononderscheiden eenheid gehecht, kunnen
+nooit vrede hebben met zijn leerstelling omtrent de Drieëenheid,
+of de drie personen in de Godheid; dezen, voor wie die leer
+misschien minder onaanneemlijk mogt schijnen, in zoover ze toch
+reeds gewoon zijn het ééne Wezen onder meer dan één vorm te
+vereeren, zullen daarentegen onvermijdelijk op bezwaren stuiten
+van nog gansch anderen aard. Zij zullen bijvoorbeeld, om er nu
+slechts één te noemen, u, Eerwaarde Vader! nooit toegeven, dat God
+den mensch geschapen heeft juist om hem te doen vallen en daarna,
+ten einde hem weer te redden, zichzelf in zijn eigen zoon ten
+offer heeft gebragt; of, van den anderen kant, hem scheppend zoo
+als hij hem schiep, niet zou geweten hebben dat hij vallen moest
+en er alzoo tot dat zonderlinge evengenoemd redmiddel moest worden
+overgegaan om de goddelijke regtvaardigheid weer met de goddelijke
+liefde in overeenstemming te brengen. Zij zullen, houd het mij ten
+goede, zoodanige voorstelling eenvoudig onzinnig achten, en dus
+ook niet geneigd zijn, hunne voorvaderlijke, veel eenvoudiger en
+redelijker begrippen voor zoo iets vaarwel te zeggen. Laat gij
+daarentegen uw strengere leer omtrent zondeval en verzoening
+nevens vele dergelijke, maar waarvan ik nu niet wil spreken,
+wederom los, en verkondigt gij anders niet dan uw Christelijke
+moraal en uwe begrippen van algemeen-menschelijkheid en
+verloochening der zelfzucht en opofferende menschenliefde, dan
+leert gij niets nieuws en uwe prediking wordt, voor 't minst
+genomen, vrij overtollig.
+
+--Maar wij laten niets los!--viel Aquaviva uit;--wat wij
+verkondigen, zullen wij volhouden, omdat het de waarheid is, en de
+eenige waarheid die de verdorven menschheid kan redden en
+verdoolde zielen behoeden voor de eeuwige straffen der hel; en
+daarom staan wij dan ook bereid, hier als elders, ons kruis op ons
+te nemen en smaadheid te lijden om Jesu Christi wille, en, moet
+het zijn, ook den marteldood, als Hijzelf en zoovelen Zijner
+Heiligen na Hem, te ondergaan!
+
+--Maar daarvan, mijn waarde Heer!--sprak nu Akbar, terwijl hij
+zijn hand op den arm van den verbolgen en in geestdrift ontstoken
+ijveraar legde,--daarvan kan hier immers, zoolang ik Hindostan
+beheersch, in 't allerminst geen sprake zijn. Smaad ook hebt gij,
+voor zoover ik weet, nooit onder mijne regering ondervonden; wel,
+zoo ik meen, hooge eer, een eer zelfs u door zeer velen benijd; en
+daarbij geniet gij de meest mogelijke vrijheid om uwe gevoelens te
+verkondigen waar en aan wie ge maar wilt. Doch wij spraken,
+bedrieg ik mij niet, over uw kansen om anderen in dit land tot de
+belijdenis uwer bijzondere godsdienstige begrippen over te halen.
+En deze, ik moet het wel met Feizi erkennen, deze schijnen mij
+vooralsnog uiterst gering.
+
+--Doch,--waagde Aquaviva op te merken,--als Uwe Majesteit nu eens
+het voorbeeld gaf?
+
+--Dan zou ik toch zelf wel eerst overtuigd moeten zijn!--
+antwoordde Akbar;--of zoudt gij willen, dat ik iets met den mond
+ging belijden wat mijn hart bleef verloochenen?
+
+--Zeer zeker,--hernam de ander,--ware zoo iets een ongerijmde
+eisch. En ik mag er dan vooreerst ook niet meer op aandringen.
+Maar ik had zoo gehoopt, zoo vertrouwd, dat de lezing der Schrift
+reeds het edel gemoed van Hindostan's wijzen beheerscher
+ontvankelijk zou hebben gemaakt voor dat éénig geloof, dat alléén
+in staat is zijne ziel, als de onze, te behouden voor het eeuwig
+en anders onvermijdelijk verderf! En nu zie ik mij niettemin in
+die zoo dierbare verwachting weer teleurgesteld. Is het dan niet
+te vergeven als ik mij zoo aanstonds in wat sterke bewoordingen
+uitdrukte?
+
+--Gij hebt geen vergiffenis van noode, mijn waardige vriend!--
+antwoordde Akbar;--ik kan mij uw ijver volkomen voorstellen. Maar
+ik heb immers ook niet gezegd, dat ik volstrekt niet naar u
+luisteren wil. Integendeel! ik schenk u steeds gaarne de
+gelegenheid om, kunt ge, mij te overreden. Doch laat ons voor 't
+oogenblik afbreken, en ons onderhoud van heden avond enkel als een
+voorloopig beschouwen! We spraken ditmaal ook over wat veel
+onderwerpen te gelijk, een andermaal willen we wat beter bij een
+bepaald punt blijven staan, en wie weet, hoever uw geleerdheid en
+welsprekendheid het dan nog met mij brengt!
+
+Of de Keizer bepaald ernstig sprak, dan of zekere ironie zich
+mengde onder zijne woorden, schoon in zijn stem of gebaren daarvan
+niets merkbaar was, had de Jezuïet moeilijk kunnen beslissen. Wat
+er evenwel van ware, de wenk dat het onderhoud voor heden was
+afgeloopen kon hem niet onduidelijk zijn; en, den Keizer dank
+zeggend voor de op nieuw hem bewezen eer, verliet hij met
+eerbiedigen groet het vertrek.
+
+--Allen toch dezelfden!--sprak Akbar tot Feizi, toen de ander hem
+verlaten had;--of gij nu Abdal Kadir of Aquaviva hoort, 't is
+altijd weer gezag, geloof, openbaring, maar geen sprake van rede
+en verstand, en van gronden aan wetenschap en ervaring ontleend.
+Toch onderhoude ik mij gaarne met die dweepers. De verschillende
+wijze waarop de menschen zich hunne betrekking tot den oneindigen
+grond van het Al voorstellen, is meerendeels wel uit boeken te
+ontdekken; maar het levend woord van de belijders zelven der
+onderscheiden gezindheden leert ons menigmaal toch nog meer.
+
+--Ongetwijfeld!--antwoordde Feizi;--maar wat nu dat voortdurend
+beroep op gezag en openbaring aangaat, is het niet natuurlijk en
+onvermijdelijk bij allen, die, niet te vrede met hetgeen rede en
+ervaring ons leeren, de oplossing der wereldraadsels in
+voortbrengselen van hun eigen verbeelding zoeken? Toont men hun nu
+de ongegrondheid of ook de onzinnigheid van vele dier voorstellingen,
+dan rest hun niet anders dan zich te beroepen op het gezag eener
+openbaring, die hen of hun voorgangers met hunne ingebeelde waarheden
+moet hebben bekend gemaakt. Doch, zonderling voorwaar! dat de
+tegenspraak hen zoo zelden tot eigen onderzoek en rustige beoordeeling
+hunner opgeschroefde leeringen voert. Konden ze daartoe besluiten, ze
+zouden spoedig genoeg de ijlheid dier theoriën leeren inzien. Hoog en
+trotsch inderdaad verheffen zich de pijlers en tinnen hunner tempels
+tot in de wolken; maar onderzoek de grondvesten, en gij ontdekt aldra,
+dat ze staan te waggelen op het stuifzand der phantasie.
+
+Niet aanstonds sprak Akbar, toen Feizi zweeg. Eenige oogenblikken
+dacht hij na, en zeide toen:
+
+--Ik geloof dat gij gelijk hebt, Feizi! Maar toch, ik betrap mij
+zelf wel eens op iets diergelijks als gij dien lieden verwijt, ook
+al erken ik in 't eind weer geen ander gezag dan onze eigene rede.
+En of ons nu, in oogenblikken van geestvervoering, de dichterlijke
+verbeelding niet soms tot de ontdekking van waarheden kon leiden,
+die wij later door de uitkomsten der wetenschap mogten bevestigd
+zien? Doch daarover nader! Wij hebben thans nog andere zaken te
+bespreken; en straks komt Aboel Fazl, om ons, naar ik verwacht,
+eenige niet onbelangrijke mededeelingen te doen.
+
+In een ander gedeelte van Agra had, een avond later, mede eene
+zamenkomst plaats, maar die overigens met de zoo aanstonds
+beschrevene niets anders gemeen had dan dat ze eveneens eene
+heimelijke, voor onbescheiden oogen en ooren wél verborgene was.
+
+Reeds meer dan eens had Siddha in de dagen die onmiddelijk op zijn
+eerste bezoek bij Rezia volgden, naar de dienares omgezien, die
+hem toenmaals naar hare woning had geleid. Ten laatste had hij de
+vertrouwde nogmaals in den omtrek der Keizerlijke tuinen ontmoet,
+en van haar op nieuw eene uitnoodiging van hare meesteres
+ontvangen, waaraan hij ook wederom zich gehaast had te voldoen.
+Sinds dien tijd herhaalden zich telkens die bezoeken en volgden al
+sneller en sneller op elkaar, totdat eindelijk de dag aan Siddha
+ledig scheen, waarop hij niet nevens Rezia aan de veranda was
+gezeten geweest. Wat ook Agra schoons en aangenaams bieden mogt,
+hoezeer hem ook de meer dan eens reeds gebleken gunst van Aboel
+Fazl en later ook die des Keizers verblijdde, en hoeveel wezenlijk
+genoegen hij ook in zijne gesprekken met Feizi smaakte, wiens
+woning voor hem openstond en die hem wezenlijk als een vertrouwd
+vriend behandelde, of zoo goed hij zich ook vermaakte met den
+jongeren Parviz en zijne levenslustige kameraden, toch was er
+niets wat zoo onweerstaanbaar hem trok als het stille paviljoen
+der bevallige Armenische. Dat het beeld van Iravati daarbij meer
+en meer op den achtergrond geraakte, was zeker niet vreemd, en
+evenmin dat Rezia voor hem al spoedig iets meer dan eene aangename
+en onderhoudende kennis werd, terwijl zijzelve ook gansch niet
+ongevoelig voor de onverholen hulde van den jongen edelman scheen.
+Wel had eensklaps een gevoel van schrik zich van hem meester
+gemaakt toen hij tot het vol bewustzijn kwam, dat zij hem niet
+enkel dierbaar was geworden als eene lieve vriendin, maar dat hij
+met een hartstogt haar beminde geljk hij dien tot heden nog nooit
+had gekend; doch al vrij spoedig ook was hij aan die gedachte
+gewoon, en geen andere heheerschte ten slotte zijn gemoed dan de
+voortaan door niets meer te beteugelen begeerte om haar de zijne
+te mogen noemen en zijne liefde door haar beantwoord te zien.
+
+Op den bewusten avond dan had nogmaals Siddha nevens zijne
+verleidelijke gastvrouw op den divan plaats genomen, waarvoor nu
+een kleine en lage, sierlijk gebeeldhouwde tafel met frissche
+vruchten en gouden, met tintelenden wijn gevulde drinkschalen was
+gesteld. En verlokkender scheen zij in dit oogenblik hem dan ooit,
+en weelderiger hare schoone bevallige vormen, en dieper van
+uitdrukking de blik harer zachte blauwe oogen, die nu eens met
+weeke teederheid, dan weer met onbeschrijfelijken gloed naar hem
+opzagen om haastig straks in de schaduw der donkere wimpers weer
+schuil te gaan. En liefelijke geuren van rozen en jasmijn stegen
+er op uit den bloemenhof en een heldere maan wierp hare stralen
+als getemperd daglicht op het balkon en in het vertrek, en
+overtoog met hellen zilverglans de boomgroepen en fonteinen daar
+omlaag.
+
+--Siddha!--sprak Rezia eensklaps ernstig na eenig meer
+onverschillig en schertsend onderhoud,--gij hebt mij voorheen
+reeds een dienst bewezen door mijn brief veilig naar Kaçmir te
+doen overbrengen; zou ik nu nog een tweede van u mogen vergen,
+maar die, ik zeg het u vooruit, van vrij wat meer beteekenis ook
+voor uzelf kan zijn?
+
+--Gebied, en ik gehoorzaam!--antwoordde Siddha zonder weifelen;--
+wat het ook zijn mag wat gij verlangt, wees overtuigd, en gij weet
+hoezeer 't mij ernst is, ik zal trachten het te volbrengen.
+
+--Voorzigtig, mijn vriend!--hernam Rezia, den wijsvinger schalks
+omhoog heffend;--gij verbindt u reeds alvorens te weten wat ik u
+van zou kunnen vergen? Dat komt omdat gij, in uw wezenlijk
+aanzienlijken rang, en verzekerd van uw benijdenswaardige stelling
+ten hove, eigenlijk wat laag neerziet op een eenvoudige vrouw
+zooals ik, en dus meent al heel gemakkelijk eene of andere mijner
+grillen te kunnen bevredigen. Maar dat kon u toch wel eens
+tegenvallen.
+
+--Ik zweer u,--was het nog al driftig antwoord,--zoo iets kwam in
+de verte zelfs niet bij mij op. Nogmaals dan: eisch wat gij wilt,
+en ik gehoorzaam uw bevel!
+
+--Nu dan,--hervatte Rezia, terwijl zij nog ietwat vertrouwelijker
+naar de zijde van haar thans wel verklaarden aanbidder neigde,--
+wat ik te verlangen zou hebben is, wél bezien, eigenlijk evenzeer
+in uw belang als in het mijne. Gij verbeeldt u alligt dat ik, zoo
+stil en eenzaam hier levend, niets weet van 't geen er omgaat in
+de paleizen van Agra en in 's Keizers raad verhandeld wordt.
+Toevallige betrekking met enkele personen, die goed op de hoogte
+zijn, stelt mij evenwel in de gelegenheid er iets meer van te
+weten dan gij waarschijnlijk vermoedt. Iets meer ook misschien dan
+uzelf bekend is, en u toch in uw eigen belang, althans in dat van
+uw land en uw geslacht, bekend behoorde te zijn.
+
+--Ik geloof,--sprak Siddha,--dat ik u reeds begrijp. Gij bedoelt
+zekere plannen die tegen de onafhankelijkheid van Kaçmir gesmeed
+konden worden, indien de aldaar weer aangevangen binnenlandsche
+twisten ze soms voor uitvoering vatbaar mogten maken.
+
+--Volkomen juist!--was het antwoord,--maar wat gij toch niet
+schijnt te weten is, dat diezelfde plannen al vrij wel gerijpt
+zijn, dat de Keizerlijke legermagt tot den inval gereed wordt
+gemaakt, en--dat gijzelf met de uwen bestemd zijt om tot hulp te
+dienen tegen uw land en volk, door middel van uw invloed op de
+trouw aan u gehechte Radjpoet's en van uw welklinkenden naam in
+Kaçmir zelf; altijd, wel te verstaan, indien gij blindelings
+blijft gehoorzamen aan 't geen u door Akbar of van zijnentwege
+geboden wordt.
+
+--Maar, lieve Rezia!--vroeg Siddha met een flauwe poging om onder
+schijnbaar luchthartigen toon de onrust te verbergen, die zich van
+hem meester maakte,--al mogt dat alles nu zoo zijn, wat is het u?
+En wat kan u bewegen mij daarover in dit oogenblik te onderhouden?
+
+--Mijn wezenlijk eigenbelang, maar tevens ook belangstelling in
+het uwe, mijn vriend! Ik sprak u vroeger van een vriendin, gelijk
+gij u zult herinneren, die hier aan zekere vervolging zou zijn
+blootgesteld. Maar, nu oprecht gesproken, ik misleidde u! Niet die
+vriendin gold het, maar mijzelve. Die echtgenoot, aan wien een
+wreed bevel mijns vaders mij eenmaal kluisterde, en wiens tirannie
+ik verfoei, keert werkelijk spoedig terug. Hem te ontvlugten, vrij
+te zijn, eenmaal in veiligheid mij te kunnen verbinden met dengene
+die later welligt de man mijner keuze zijn zal, blijft mijn doel.
+En om dat te bereiken, zocht ik Kaçmir als toevlugtsoord en
+knoopte er verbindingen met enkele uwer vrienden aan. Maar wordt
+nu ook dat land aan Akbar's vér strekkende magt onderworpen, dan
+ontgaat mij ook weer die mogelijkheid en weet ik niet waarheen
+voortaan mij te wenden. Spoedig zie ik mij dan weder in de magt
+van den man, die te beschikken heeft over mijn lot, en--met onze
+genoegelijke en vrolijke zamenkomsten is het uit mijn vriend! en
+Rezia heeft opgehouden voor u te bestaan, even als gij--'t werd
+met een ligte zucht er aan toegevoegd,--ook voor haar!
+
+--Dat niet!--riep Siddha hartstogtelijk uit,--dat zal niet
+gebeuren! Maar wat wilt gij dan? Wat middel weet gij? Wat eischt
+ge van mij?
+
+--Anders niet--antwoordde Rezia bedaard,--dan dat ge u niet tot
+werktuig laat gebruiken tegen uw eigen land, tegen uzelf, tegen
+mij! Blijf uw dapperen aanvoeren als tot heden, maar leid ze, den
+beslissenden dag, niet op tegen ons, en weet hen, als het
+oogenblik zal gekomen zijn, op geschikte wijze te doen overgaan
+tot diegenen der onzen, voor wie ze steeds bij alle uiterlijk
+vertoon van trouw en onderdanigheid aan den Keizer, uit den aard
+van hun stam en oud-adelijke geslachten een geheime neiging
+hebben. Dan zal een magtige partij in Kaçmir zelf u bijvallen, u
+steunen door haar invloed, u verheffen tot de hoogste eer; en dan
+zult gij in 't eind, ook al is dat nu van minder belang, een
+veilige wijkplaats hebben bereid aan mij arme, die ten allen tijde
+u dankbaar zal blijven voor de bescherming haar verleend!
+
+--Maar,--stamelde Siddha, bij al die plannen en vooruitzigten nauw
+meer den draad zijner eigene gedachten vattend,--dat is toch
+verraad, en verraad van de ergste soort jegens den Keizer, die mij
+vertrouwt!
+
+--Zeer zeker verraad!--antwoordde Rezia met een minachtenden
+lach,--de Keizer heeft natuurlijk volkomen regt, u als werktuig te
+gebruiken tegen uw eigen land en volk, onder den schijn van u
+gunsten te willen bewijzen; maar gij, gij mist het regt, hem te
+betalen met gelijke munt! Nu, daarvoor zijt ge dan ook onderdaan,
+of--slaaf! Doch handel zooals gij verkiest! Uwe betuiging van daar
+straks, dat gij alles zoudt willen doen wat ik vroeg, blijkt mij
+nu eene ijdele pligtpleging te zijn geweest, zooals men die wel
+eens meer jegens onnoozele vrouwen uit. Maar genoeg! En laat ons
+onderhoud thans liever geëindigd zijn; niet omdat mij dat
+aangenaam ware, maar omdat ik beter vind, op eens met kloek
+besluit van elkaar te scheiden dan onze kennismaking nog verder
+voort te zetten, en ze dan morgen of een dag later toch
+onvermijdelijk en tegen onzen wil te zien afgebroken.
+
+--Nog eens,--sprak Siddha, terwijl Rezia als gebogen onder haar
+smart zich van hem afwendde,--dat nooit, dat in geen geval! En ik
+loog ook niet al aarzelde ik straks een oogenblik, toen ik zeide
+te willen doen wat gij zoudt eischen. Ik herhaal het: Gebied, en
+ik gehoorzaam!
+
+--Uw woord!
+
+--Mijn woord als edelman! Doch waarom het nog verlangd? Gij weet immers
+dat ik niet anders kan, dat ik toch doen zou wat gij maar eischen mogt.
+En waarom ook verder nog verzwegen wat u al lang bekend is? Laat mij
+dan vrij het betuigen, laat mij 't eindelijk zeggen, dat gij mij
+dierbaar zijt boven alles, dierbaar boven het leven en zelfs boven de
+eer, en dat ik met een hartstogt u bemin zooals ik tot nu toe nooit
+mogelijk of ook maar denkbaar had geacht! Ik meende te weten wat liefde
+was, maar 't was een kinderlijke genegenheid die ik er voor aanzag. Gij
+hebt mij anders geleerd. Maar leer mij meer nog! Leer mij, wat het zegt,
+eene liefde als de mijne te zien beantwoord! Geen slaaf kan onderdaniger
+aan zijn meester zich toonen dan ik het zijn wil jegens u; nooit de
+slaaf van Akbar of van wien ook, zooals gij meendet, maar wel de uwe!
+Al wat ik heb en ooit nog verwerven mogt, rijkdom, aanzien, rang,
+behoort u alleen, en de magt die gij over mij bezit kunt gij gebruiken
+en misbruiken naar welgevallen. Maar wees de mijne, Rezia! de mijne
+zoolang ons te leven rest!
+
+--Neen, Siddha!--sprak zij zacht, terwijl zij de hand afweerde
+waarmee hij de hare zocht te vatten,--neen! mij voegt het niet,
+zulke taal van u aan te hooren, noch u, ze tot mij te uiten.
+Bedenk het, ik ben nog niet vrij, en ook gijzelf niet; want andere
+banden, gij verhaaldet 't mij zelf, houden u gevangen.
+
+--Andere banden!--riep Siddha driftig uit,--ik verbreek ze! Of
+liever, ik heb ze al lang verbroken! En kon ik dat niet, ik zou
+den dag vloeken, waarop ze mij werden aangelegd. En gij! moogt ge
+ook heden niet vrij zijn, ik ben het die 't weldra u maken zal!
+Naar Kaçmir trekken wij heen, naar het afgelegene maar schoone
+Noorden, waar Siddha Rama's naam, gelijk gij wél zegt, nog invloed
+heeft, en waar niemand ligt zou wagen, die gehate echtgenoot zoo
+min als een ander, haar te beleedigen, die nu eenmaal mijn
+bescherming geniet.
+
+--En zou die bescherming ook voldoende zijn tegen een Akbar en
+zijn gunstelingen?--vroeg Rezia.
+
+--Tegen hem en de zijnen, wie ook, als tegen alle anderen!--was
+het overmoedig antwoord;--ook tegen hemzelf zullen wij Kaçmir
+weten vrij te vechten, al ware 't alleen om het tot een wijkplaats
+te behouden voor u en voor mij.
+
+--Toch mag ik u niet blijven aanhooren,--hernam Rezia;--in
+waarheid, het is mij leed dat gij tot mij gesproken hebt als dezen
+avond. Gij hadt mij en uzelf dit alles moeten sparen. Dan had onze
+vriendschappelijke omgang mogelijk nog kunnen voortduren, en later
+misschien tot eene andere verbindtenis kunnen leiden. Thans moet
+alles ophouden, zoozeer mij dat ook bedroeft. Ga nu, zeg mij
+vaarwel en vergeet mij; het is beter voor u, en...ook voor mij,
+die gij zegt lief te hebben!
+
+Inderdaad!--sprak Siddha, terwijl hij opstond en, 't hoofd op de
+borst gezonken, eenige passen terugtrad,--een spoedige scheiding
+zal nog wel het verstandigste zijn. Ik zie het maar al te goed;
+mijn liefde wordt versmaad. Wat dan nog langer hier te toeven? 't
+Is waar, zonder u is er voor mij geen leven, geen geluk meer
+denkbaar; en toch, de voortdurende marteling, u telkens te moeten
+zien en van dag tot dag inniger lief te hebben, en dan te weten
+dat gij dien gehaten, dien gevloekten vreemde blijft toebehooren,
+is mij onduldbaar. Nieuwe onlusten nu zijn er, naar ik verneem, in
+het Zuiden, in Dekkan, uitgebroken en de Keizer roept derwaarts
+verscheiden zijner legerbenden; ik wil hem smeeken, mij daarheen
+te zenden, en in den strijd met wilde bergstammen vind ik spoedig,
+zoo niet vergetelheid, want die is onmogelijk, dan toch een
+tijdigen, nu wel gewenschten dood.
+
+--Ach, Siddha!--klonk het droef klagend en in den zoetsten toon
+der liefelijke welluidende stem,--ach! waartoe nu een hevigheid
+zooals ik ze nog nooit van u ondervond? Waartoe, indien een zwakke
+vrouw, die maar al te zeer de moeijelijkheid van den strijd tegen
+haarzelve en haar eigen hartstogt ondervindt, nog een oogenblik de
+kracht zoekt te behouden om uw aandrang te weerstaan? Het is zoo,
+gelijk gij zegt: het ware beter mij te verlaten. En toch ... ik
+kan u nog niet laten gaan! Blijf al is 't maar een korte poos; zet
+u nog eenmaal aan mijne zijde, en verheugen wij ons, al ware 't
+ook voor het laatst, nog eenige oogenblikken in die meer rustige,
+door onbedwongen hartstogt niet verstoorde gesprekken, waarin ook
+gij toch als ik te voren zooveel genoegen vondt.
+
+En eer Siddha tot bewustzijn van zijn handeling kwam was hij
+nogmaals nevens de vrouw gezeten, die heel zijn verstand en zinnen
+had vermeesterd; en, op haar verlangen de luit grijpend, die daar
+nevens hem lag, begon hij te zoeken in zijn herinnering naar een
+der liederen van zijn land, om wier voordragt zij met hare gewone
+innemendheid hem gebeden had.
+
+Maar of hij al zocht, en soms aanving en dan weer ophield, om
+straks op nieuw te beginnen en nogmaals te blijven steken, zijn
+geheugen faalde, en mismoedig legde hij de nuttelooze luit ter
+zijde.
+
+--Ik weet niets meer,--zeide hij,--ik kan mij niets meer
+herinneren, ik denk niet meer!...
+
+--Hoe nu, mijn zanger!--sprak Rezia lagchend,--moet ik het dan
+zijn, die u voorga? Welaan! Maar drinken wij eerst elkander toe!--En
+een der drinkschalen opvattend, deed zij Siddha ook de zijne
+ledigen en begon toen met zachte, smeltende stem een zoetvloeiend
+Perzisch minnelied, dat ook spoedig genoeg zijne verbeelding weer
+te verlevendigen wist.
+
+--Nu dan!--riep hij weer opgewonden uit toen Rezia had geëindigd,
+en beschreef, naar Kalidasa's Jaargetijden, de ontvangst van den
+minnaar door de, voor hem bij den terugkeer van den zomer getooide
+bruid:
+
+"In 't loofpriëel, van bloemengeur doortrokken,
+ Drinkt hij den wijn, ligt door haar mond beroerd;
+ Een lieflijk lied weet Kama hem te ontlokken,
+ Door teedre min tot dartel spel vervoerd.
+
+
+ De boezem rijk met parelen omwonden,
+ Het zijden kleed om slanke heup geplooid,
+ De lokken los met bloemen opgebonden,
+ Ontvangt zij hem, als bruid voor hem getooid.
+
+
+ Wie voelt zich niet van blijden lust doordringen
+ Waar, ligt van tred, als zwanengang, een voet
+ Door zachten klank der rinkelende ringen
+ Aan d' enkel steeds, rooskleurig, denken doet?
+
+
+ Waar 't geel saffraan den glans verhoogt der lokken,
+ En gouden gordel slanke leest omsnoert,
+ En luchtig gaas, van sandelgeur doortrokken,
+ Den boezem dekt, dien minnelust ontroert?
+
+
+ Weg dan 't gewaad, dat te eng die slanke leden,
+ Met ligte dauw bepareld, nog omhult!
+ Het nijdig kleed, dat, halfweg afgegleden,
+ Des jonglings hart met wangunst nog vervult!...
+
+
+ Zoo wekt de wind, die in de blaadren fluistert,
+ En rimplend 't meer en 't murmlend beekjen kust,
+ Zoo wekt ook 't lied, dat 's dichters oor beluistert,
+ Den God der Liefde uit lange winterrust..."
+
+
+De zanger zweeg, en zij die hem aanhoorde, en zich al digter en
+digter aan zijne zijde had gevleid, sprak niet, maar zag naar hem
+op met hare betooverende oogen, stralend ditmaal van een ongewonen
+gloed. Toen vatte hij eensklaps hare beide handen, en trok haar
+tot zich met thans bijkans onweerstaanbare kracht.
+
+--Rezia! sprak hij,--Rezia! wees mij Kalidasa's bruid!... Voor nu
+en voor altijd mijn!
+
+En zacht fluisterde zij Siddha's naam, en hare armen om zijn hals
+slaande, zonk zij magteloos aan zijne borst....
+
+Meer dan eens sloop sinds dien avond, in 't late van den, liefst
+donkeren, nacht eene mannelijke gestalte langs de cactuslaan, die
+tot de woning der Armenische leidde, en spoedde zich, bedachtzaam
+rondziende, voort.... De lotusbloem van Iravati was gekanteld met
+het ranke vaartuig waarop hij zich bevond; een zoele windvlaag had
+het omgeworpen.
+
+
+
+ACHTSTE HOOFDSTUK.
+
+Een verzoeker
+
+Nogmaals was de jeugdige kasteleinesse van Allahabad aan het
+balkon van den burgt gezeten, en zag uit naar de verre gebergten,
+vanwaar, nu geruimen tijd reeds geleden, de toen lang verbeide
+gekomen was. In het landschap daar omlaag had niets zich veranderd
+sinds dien tijd; dezelfde kalme, zilveren wateren en bosschaadjen
+daar beneden, en bergtoppen aan den verren overkant; en dezelfde
+onbewolkte zonneschijn, die toen het landschap had verlicht. Of
+ook in hem niets veranderd mogt zijn, die nu zeker een ijverig
+deel nam aan de verstrooijingen van het hof en de velerlei
+vermaken der groote stad? Of hij nog steeds aan haar dacht, en
+dagelijks hare beeldtenis bezag, gelijk zij de zijne? De twijfel,
+soms haars ondanks bij haar oprijzend, scheen Iravati niettemin
+bij eenig nadenken eene beleediging jegens den man, dien zij niet
+minder hoogachtte dan lief had en die nog bij zijn laatste bezoek
+op zoo innige en tevens plegtige wijze zijn woord van trouw aan
+haar verpandde en in zijne brieven ook daarna zijne gelofte nog
+had herhaald. Maar deze hadden sinds eenigen tijd opgehouden. En
+waarom keerde hij niet spoedig eens weder, al was 't dan vooreerst
+maar tijdelijk? Kon hij zoolang van haar gescheiden blijven zonder
+gelegenheid te zoeken, ware 't slechts voor een enkelen dag haar
+weer te zien? Ongetwijfeld hield strenge dienstpligt hem terug, en
+kon hem zoo aanstonds geen verlof worden gegeven tot eene
+afwezigheid. Maar wat de tijd inmiddels lang viel, wat de uren en
+dagen schenen voort te kruipen voor haar die eenzaam hier wachten
+moest!
+
+Als dien anderen morgen werd zij in hare mijmering ook weder
+gestoord door de verschijning van haar vader, den Goeverneur.
+
+--Iravati!--sprak deze op den gewonen afgemeten toon, dien hij
+waar hem dat paste wist aan te slaan,--een gast brengt ons heden
+bezoek ....
+
+Hij was dan gekomen! hij wachtte ginds! En in zichzelve juichte de
+ongeduldige, schoon zij uiterlijk het niet blijken liet.
+
+--Een gast,--vervolgde Salhana,--dien het u zeker even aangenaam
+als vereerend zal zijn te ontmoeten. Het is Selim, de Kroonprins,
+die op verlangen zijns vaders eenigen tijd in Allahabad komt
+vertoeven.
+
+Niet dan met de grootste inspanning wist Iravati hare bittere
+teleurstelling te verbergen; maar iets te antwoorden scheen haar
+onmogelijk.
+
+--Welnu?--vroeg Salhana,--is het berigt u niet welkom? Daar is er
+menigeen, die heel wat zou geven om de eer te mogen genieten die u
+wacht. Voor 't overige begeer ik natuurlijk niet dat iemand van 's
+Prinsen gevolg u zien zal; maar met den aanstaanden Keizer is het
+heel iets anders. Ook kan het voor mij en ook voor Siddha van
+belang zijn, indien gij u zijne gunst weet te verwerven. Volg mij
+nu!
+
+Toen Iravati met haar vader de galerij binnentrad waar op dat
+oogenblik Selim zich alleen bevond, ging deze haar een paar
+schreden te gemoet en wilde haar op zijne gewone luchthartige
+schoon hoffelijke wijze toespreken; doch eensklaps begaf hem al
+zijne vrijmoedigheid, en zwijgend bleef hij staan. Eene zoo edele
+houding aan zooveel bescheidenheid tevens gepaard, eene zoo
+ernstige schoonheid bij zoo innemende en lieftallige uitdrukking
+van gelaat, herinnerde hij zich niet bij eenige vrouw nog ooit te
+hebben aanschouwd. En tegen zijne gewoonte wachtte hij met zijne
+begroeting tot Salhana vormelijk zijne dochter aan hem had
+voorgesteld.
+
+--Ik ben u verpligt, edele jonkvrouw!--sprak hij toen,--dat gij u
+de moeite getroost, mij als gast te komen begroeten. Ik heb reeds
+meer dan eens van u gehoord, en...,--eene beleefdheidsphrase die
+hem op de lippen zweefde, scheen hem te laf en te onbeduidend dan
+dat ze niet moest blijven steken,--en...,--vervolgde hij, voor 't
+oogenblik niets anders vindend,--het is mij aangenaam thans
+persoonlijk uwe kennis te mogen maken.
+
+--De eer, mij en mijn vader door Uwe Hoogheid bewezen, stel ik
+bijzonder op prijs!--antwoordde Iravati;--en ik wil hopen dat het
+stil verblijf in Allahabad u niet te zeer moge tegenvallen in
+vergelijking met het leven der hofstad, dat aan afwisseling zeker
+wel heel wat rijker zal zijn.
+
+--Indien--sprak Selim,--de edele dochter van den Goeverneur mij nu
+en dan het genoegen van haar bijzijn gunt, dan ben ik voorzeker
+niet bevreesd dat het verblijf mij lang zal vallen. Maar ik hoor u
+van de residentie spreken; gij kent die toch, wil ik hopen?
+
+--Ik ben nog nooit in Agra geweest?--luidde het antwoord.
+
+--Niet?--vroeg Selim;--maar, waardige Salhana!--vervolgde hij,--
+het wordt dan toch waarlijk tijd dat ge uw rijkbegaafde dochter
+eens wat meer van de wereld laat zien dan hier in dezen afgelegen
+burgt haar vertoond kan worden!
+
+--Die tijd,--antwoordde de Goeverneur,--zal gekomen zijn als mijne
+dochter zich eenmaal ouder de hoede van haar aanstaanden
+echtgenoot, mijn toekomstigen, nog onlangs door Uwe Hoogheid met
+zooveel welwillendheid ontvangen schoonzoon, zal bevinden.
+
+Waarom die herinnering den Prins niet bijzonder welkom scheen,
+viel bezwaarlijk te ontdekken; maar in elk geval zweeg hij
+onmiddelijk, terwijl zijn donkere wenkbrauwen zich fronsten; en
+een oogenblik daarna bragt hij 't gesprek op andere onderwerpen
+over. Een tijdlang werd het nog voortgezet, en daarop vroeg
+Salhana voor zijne dochter verlof zich naar hare vertrekken terug
+te begeven. Met een eerbiedige neiging verwijderde zich Iravati,
+weltevrede dat het weinig vermakelijk onderhoud was afgeloopen, en
+geen anderen indruk van den zoon des Keizers medenemend dan dat
+hij verbazend prachtig was gekleed, schoon op dat oogenblik
+Selim's kostuum voor hemzelf nog niets anders dan een eenvoudig
+reisgewaad vertegenwoordigde.
+
+Eenige oogenblikken later was Selim met den Goeverneur en nog een
+derden persoon in een der tegen alle indringers en luisteraars wel
+verzekerde vertrekken van den burgt gezeten, blijkbaar om te
+beraadslagen over belangrijker vragen dan die, hoe men 't best in
+Allahabad zich den tijd zou korten. Die derde was Gorakh, de
+Doerga-priester.
+
+--Het doel waarnaar wij streven, mijne vrienden!--dus begon de Prins,--
+schijnt weldra door ons genaderd. Doch laat ons voorzigtig zijn vóór
+alles! En niet onverstandig doen wij, naar 't mij voorkomt, als wij
+thans aanvangen met den stand onzer plannen te overzien, om dan te
+onderzoeken wat er nog tot verdere voorbereiding dient beraamd te
+worden. Gij nu, Salhana! zijt, geloof ik, daarvan nog 't best van ons
+drieën op de hoogte. Wat mij betreft, ge weet dat men aan 't hof het een
+en ander is gaan vermoeden, en van daar de wensch, dat wil dan zeggen
+het bevel mijns vaders om mij hierheen te begeven. Wie mij dat bezorgd
+heeft, weet ik heel wel; 't is weer die Aboel Fazl, vloeke hem Allah!
+Maar ik hoop 't hem bij gelegenheid wel eens betaald te zetten. En nu
+gij, Salhana!
+
+--Tot heden,--begon deze,--kan ik niet anders zien of alles gaat
+naar wensch. In Agra, Delhi, Lahore en andere plaatsen zijn de
+echt Mohammedaansche Omrah's en de verdere grooten ten hevigste
+tegen den Keizer verbitterd, om de verachting waaraan hij nu al
+lang hunne godsdienst blootstelt en het verlies der voorregten
+welke hij hun ontnomen heeft. Zij zullen niets liever zien dan een
+omwentellng bij de eerste gelegenheid de beste, en velen zijn
+volkomen bereid daaraan mee te werken. Evenzoo meer dan één der
+hoogere Mansabdar's. Abdal Kadir helpt ons in dat alles niet
+weinig, maar al te zeer moet er toch niet op hem gebouwd worden;
+hij zou wel openlijk willen te werk gaan, 't geen natuurlijk een
+dwaasheid ware; maar hij heeft telkens weer bezwaren tegen 't geen
+hij verraad noemt.
+
+--En uw neef?--vroeg Selim.
+
+--Die komt geheel op onze zijde; hoe we dat nu gedaan hebben
+gekregen, doet niet ter zake; genoeg dat het zoo is. Ik had hem
+eerst als onzen spion bij Akbar willen gebruiken; maar 't is mij
+gebleken dat hij er niet voor deugt; hij is te onnoozel en te veel
+in de begrippen van dien Koelloeka opgevoed om de rol behoorlijk
+te spelen; en daarenboven pakt Akbar hem ook telkens op zijne
+bekende manier weer in, als hij hem soms ontmoet; 't is dus maar
+beter dat hij den Keizer niet al te dikwijls ziet. Daarentegen zal
+hij ons geheel andere en nog betere diensten kunnen bewijzen. Nog
+onlangs werd hij in rang als Mansabdar verhoogd, en spoedig heeft
+hij kans op nieuwe bevordering, zoodat hij tegen den bepaalden
+tijd een vrij belangrijk getal ruiters zal aanvoeren; over zijne
+Radjpoet's heeft hij ook persoonlijk veel te zeggen, en in Kaçmir
+heeft zijn naam grooten invloed. Wanneer wij dus het beraamde plan
+uitvoeren dan wordt ons zijn medewerking van niet gering nut. Op
+het gegeven oogenblik laat hij de zijnen omkeeren en zich tegen de
+Keizerlijken wenden, en geen twijfel of dat voorbeeld zal door de
+meerderheid der Radjpoet's en Patan's wel worden gevolgd.
+
+--Maar nu het plan zelf, wat Kaçmir betreft?--vroeg Selim wederom.
+
+--Wel, mij dunkt,--antwoordde Salhana,--dat het niet beter kon
+staan dan thans. De binnenlandsche twisten zijn, meerendeels door
+ons toedoen, tot een uiterste gekomen; de partijen staan gewapend
+tegenover elkander; de stroopers loopen het land af, en, wat hier
+wel 't belangrijkste is, ook Akbar's naburig gelegen rijken; zij
+geven hem dus de aanleiding aan de hand om met zijn leger naar het
+Noorden op te trekken, en tot herstel en blijvende verzekering der
+rust de verovering van Kaçmir te beproeven. Zijn legermagt staat
+dan ook al gereed; en, bedrieg ik mij niet, dan is zijn voornemen,
+na de aanstaande jaarlijksche viering van zijn geboortedag den
+togt te gaan ondernemen. Is nu eenmaal de strijd aan den gang, dan
+valt onze Siddha even als andere aanvoerders hem plotseling af,
+vereenigt zich met de onzen in het leger van Kaçmir en houdt Akbar
+genoeg bezig om hem vooreerst den terugtogt te beletten. Inmiddels
+hebben de onzen in Agra zelf de handen vrij, roepen Selim tot
+Keizer uit, en stellen zich in 't bezit van de vesting en de
+schatkist. Zoo dan Akbar ten laatste nog terugkeert, dan valt er
+misschien nog wat te vechten met zijne troepen, schoon ik 't niet
+onderstel; maar 't eind van de zaak moet toch zijn, dat hij ten
+gunste van den Kroonprins afstand doet van den troon.
+
+--Alles,--sprak Selim,--volkomen goed berekend, en geheel
+overeenkomstig ons oorspronkelijk, en thans, naar ik met genoegen
+zie, meer tot rijpheid gekomen plan! Maar eene vraag toch! Bestaat
+er geen gevaar dat er iets van uitlekt? Is alles wel steeds
+voorzigtig aangelegd? Zoo bijvoorbeeld die brief, die naar Kaçmir
+verzonden zou worden; indien hij eens in verkeerde handen was
+geraakt?
+
+--De brief--antwoordde Salhana,--is volkomen goed aan zijne
+bestemming teregtgekomen. Maar weet gij, wie hem meenam? Niemand
+anders dan onze vriend Koelloeka zelf.
+
+--Wat?--riep Selim uit,--Koelloeka! Welk onvergeeflijk waagstuk!
+
+--In 't minst niet,--hernam de ander bedaard;--het was juist de
+allerveiligste weg. De goede man wist zelf niet wat hij overbragt;
+het stuk was hem door Siddha ter hand gesteld, die ook niet wist
+wat er in stond; en in 't uiterste geval, indien hij bij de
+overbrenging betrapt ware geweest, hijzelf zou er 't ergste zijn
+ingeloopen zonder daarom nog eenige inlichting te kunnen geven; en
+wij, die natuurlijk in het stuk niet bij name genoemd werden,
+bleven toch buiten schot.
+
+--Heel goed gevonden!--sprak Selim goedkeurend en hartelijk
+lagchend;--maar thans verder! Wij zijn u voorloopig dankbaar voor
+uwe mededeelingen, Salhana! Maar nu onze eerwaarde Gorakh! Heeft
+ook hij ons niet iets nieuws te vertellen?
+
+--Ik geloof wel van ja!--antwoordde de Yogi, die tot dusver
+stilzwijgend had toegeluisterd;--althans ik heb van mijn kant ook
+niet stil gezeten. Zooals ik u vroeger reeds voorzegde, maar u
+toen nog onwaarschijnlijk voorkwam, heb ik mij den weg gebaand tot
+het paleis niet alleen, maar ook tot de binnenvertrekken van den
+Keizer. Gij weet, welke moeite hij zich geeft om alle stelsels van
+godsdienst en wijsbegeerte te leeren kennen, die maar eenigermate
+onder zijn bereik vallen. En zoo wilde hij dan ook volstrekt
+kennis maken met die aloude Yoga-leer, waarvan hij veel gehoord,
+maar weinig of niets naders vernomen had. Want hier schoot niet
+enkel Feizi's, maar ook Koelloeka's geleerdheid, als die der
+overige Brahmanen, wier hulp werd ingeroepen, te kort, en de
+weinige ingewijden, die er nog in Hindostan te vinden zijn, wisten
+zij hem niet aan te wijzen. Nu zorgde ik, door sommige vertrouwden
+hem 't een en ander omtrent mijne kennis van de Yoga-geheimen te
+laten verluiden; en niet lang of ik werd ten hove ontboden, en
+Akbar ontving heimelijk van mij eenige eerste aanduidingen omtrent
+de leer der concentratie, waardoor de sterveling zich al meer en
+meer in onmiddelijke betrekking tot het oneindig Alwezen weet te
+stellen, en, zijn denken en zijn in dat van het absolute
+oplossend, ook het oneindig bestaan deelachtig wordt, zoodat hij
+'t vermogen erlangt, zich naar willekeur tot op de verste
+afstanden te verplaatsen schijnbaar zonder de plek te verlaten
+waar hij zich bevindt, de grootste zoowel als de kleinste vormen
+aan te nemen en zich onzigtbaar of ook ligter te maken dan de
+lucht. Om nu ook kracht aan de zaak bij te zetten en 't niet bij
+verzekeringen te laten, bragt ik eens een mijner lieden mede, die
+bijzonder ver is in allerlei toeren, en deed hem een kunst
+verrigten, waarover de Keizer, niet zonder reden trouwens,
+verbaasd stond. De man zette zich op een lagen houten steel,
+waaraan een bamboe met een haak als van een wandelstok was
+bevestigd, liet toen een wit laken vóór zich uitspreiden zoodat
+men hem niet zien kon, en toen nu het laken werd weggetrokken, zat
+hij letterlijk in de lucht, een paar voet boven den stoel en enkel
+steunend met de eene, uitgestrekte hand op den haak van den
+bamboe. Een heel merkwaardige kunst, die ik u bij gelegenheid wel
+eens zal laten zien, als wij eens tijd hebben. Maar genoeg! Akbar
+was niet alleen verwonderd, maar ook hoe langer hoe meer begeerig,
+in onze geheimen te worden ingewijd. En hij is dat nog. Gij
+begrijpt dat ik mij wel wachtte, hem iets meer te vertellen dan
+noodig was om telkens sterker zijn nieuwsgierigheid te wekken; en
+zoo komt het, dat ik nu altijd gelegenheid heb om bij hem, die
+niets liever wenscht, te worden toegelaten. Ik maak er een
+spaarzaam gebruik van, maar, dat wil ik wél verzekeren, een goed!
+Met de mijnen neem ik behoorlijk steeds alles op wat voor ons en
+onze zaak van eenig belang kan zijn; en Akbar's paleizen en eigen
+geheime vertrekken zijn op die wijze met lieden vervuld, die alles
+uitvorschen wat er omgaat, terwijl hijzelf in hen niets anders dan
+volgelingen van een godsdienstig dweeper en asceet vermoedt.
+Vandaar ook dat ik u, Selim! en ook onzen vriend Salhana reeds
+omtrent menige zaak kon onderrigten, die anders niet zoo
+gemakkelijk door u ontdekt had kunnen zijn. Over Kaçmir straks
+nader!
+
+--Inderdaad!--sprak Selim, toen de Yogi zweeg,--wij moeten
+erkennen, dat gij een knap toovenaar zijt. Maar zeg mij nu eens
+ronduit, ten minste als zoo iets met uwe gewoonten is overeen te
+brengen, wat verlangt gij eigenlijk als belooning voor de diensten
+welke gij ons bewijst? Salhana, wij weten het, wenscht eenmaal,
+als ons gezag bevestigd zal zijn, tot Onderkoning van Kaçmir te
+worden verheven; en dat billijk verlangen zal, gelijk hem bekend
+is, als alles wel gaat ook bevredigd worden. Niets om niets! zeg
+ik met hem. Maar gij nu! wat wilt gij van ons? Ik acht het nuttig,
+dat te vernemen opdat wij vooraf behoorlijk onze voorwaarden
+kunnen stellen.
+
+--Grootmagtig Vorst!... vergun mij reeds bij voorbaat u zoo te
+noemen!..., antwoordde Gorakh,--van u verlang ik... eenvoudig
+niets! Dat verbaast u, niet waar? Welnu, ik wil trachten 't u
+duidelijk te maken. Wat verlangt gij, vraag ik van mijn kant, voor
+uzelven? Gij hebt reeds, zou men meenen, al wat het hart begeeren
+kan. Gij hebt schatten, paleizen, schoone vrouwen die u te dienste
+staan, vrolijke gastvrienden, de heerlijkste wijnen, en na den
+Keizer zijt gij de eerste man van dit magtig en bloeijend rijk,
+met de zekerheid zelf eenmaal de alleenheerscher te zijn. Toch
+zwoegt gij bijkans zonder pozen, en roept onze hulp en die van
+anderen, uwe minderen, in ter verwezenlijking van duistere,
+moeijelijke en ook gevaarvolle plannen. Waarom? Omdat gij
+heerschen wilt en niet kunt wachten tot de dood van uw vader den
+troon voor u beschikbaar stelt. Zie nu! wat gij wilt voor uzelven,
+dat verlang ik ook voor mij: te heerschen! En terwijl gij tot
+heden nog zoo goed als niets te gebieden hebt, doe ik het al lang,
+schoon ik nog altijd blijf streven naar steeds uitgebreider magt.
+Ik, de arme, onbekende, door velen verachte priester, ik bezit een
+gezag zooals gij in al uwe grootheid het niet kunt magtig worden.
+Honderden, waarvan ieder in zekere omstandigheden een leger waard
+zou zijn voor de grooten der aarde, gehoorzamen onvoorwaardelijk
+en zonder navraag, zonder aarzeling, zonder vrees tot den
+geringste mijner wenken. En door welke magt zijn ze aan mij
+onderwerpen? Door die waartegen niets bestand is, en waardoor de
+rede wordt uitgedoofd, en de wil verlamd, totdat de mensch een
+levend en wandelend lijk wordt: de magt van het godsdienstig
+fanatisme. Eén vingerwijzing van mij naar wie ik maar wil, naar u
+of naar een ander, is genoeg om een of meer der hunnen te doen
+begrijpen, welk nieuw offer aan de nooit verzadigde Doerga het
+meest welkom zal zijn; en te meer welkom is haar dat van den
+hooger gestelde onder de menschen. Laat nu ook de aangewezene zelf
+vooraf zijn gewaarschuwd, laat hij voorzorgen nemen zooveel hij
+wil, en zich omringen met dienaren en wachten, toch ontkomt hij
+nauw anders dan door een wonder het voorbeschikte lot. Overal in
+zijne nabijheid en onmiddelijke omgeving zwerven onder allerlei
+vermomming mijne getrouwen om hem heen; en als het regte oogenblik
+gekomen is, dan, in de stilte meest van den nacht, voelt hij
+eensklaps zonder vooraf eenig geluid of geridsel vernomen te
+hebben, het worgkoord om den hals, en eer hij een kreet of zucht
+heeft kunnen slaken is de lange reeks der offeranden vermeerderd
+met een nieuw. 't Is waar, een enkele keer, schoon zelden, vindt
+de indringer zich betrapt, maar de aangevallene die hem grijpt en
+tracht vast te houden, voelt een glad ligchaam, als van een slang,
+door zijn handen glijden, en even snel en onhoorbaar als het kwam,
+is het aanstonds weer verdwenen. En in 't uiterste geval, als een
+mijner Worgers dan toch werkelijk gevat wordt, welnu, dan kan men
+hem dooden en dan sterft hij met de onwrikbare overtuiging,
+terstond de oneindige zaligheid deelachtig te worden; maar dan
+staan er ook weer honderd anderen gereed aan wie op nieuw de proef
+kan worden bevolen, en wél vreemd zoo die vroeg of laat niet
+gelukken mogt.
+
+De Yogi zweeg een oogenblik, maar geen zijner beide toehoorders
+nam het woord. Salhana, met de medegedeelde bijzonderheden reeds
+wel bekend, had vrij onverschillig toegeluisterd en vond geen
+reden er iets aan toe te voegen. Maar Selim was onder de
+beschrijving van den priester verbleekt, schoon 't hem anders niet
+aan persoonlijken moed ontbrak, en peinzend bleef hij vóór zich
+staren.
+
+--Zóó dan--hervatte Gorakh,--heersch ook ik, doch op mijne wijze.
+Die mij tegenstaan ruim ik onbemerkt door anderen uit den weg; en
+zij die mijne magt kennen, vreezen mij en doen gemeenlijk in 't
+eind, ze mogen hoog of laag geplaatst zijn, wat ik van hen begeer.
+En meent gij dan dat deze wijze van magtsoefening niet evengoed
+als de uwe hare behagelijkheid kan hebben? Of zou het geen
+vleijend en trotsch gevoel zijn, door de menschen zich geminacht
+en vernederd te zien, maar tevens te weten dat men over hen, over
+hunne handelingen, over hun leven en dood naar willekeur te
+beschikken heeft? En ik ben niet de eenige, die er zoo over denkt.
+Ik weet het, daar zijn er ook anderen en ook in gansch andere en
+vér van hier gelegen landen, die eveneens in stilte en in het
+duister trachten te heerschen over hen, die het hoogste gebied
+voeren in 't oog der wereld. Meer dan eens heb ik in Agra en
+elders onder eene behoorlijke vermomming met die mannen gesproken,
+die hier uit het verre Westen komen om volgelingen te winnen voor
+hunne leer, en, onder den schijn van een gewillig oor te leenen
+aan hunne prediking, hen langzamerhand uitgehoord. En uit hun
+mededeelingen en die hunner landgenooten, onder anderen ook
+omtrent de inrigting en werking der Orde waartoe zij behooren, heb
+ik ontdekt, dat zij of althans hunne opperhoofden een gelijk doel
+najagen als ik en mijns gelijken, al zoeken zij langs anderen weg
+het te bereiken. Hunne middelen, zeg ik, zijn andere, hoewel
+daarom nog niet altijd zachtzinniger dan de onze; wij hier laten
+de menschen worgen, zij ginds laten ze levend verbranden; maar het
+doel blijft in elk geval hetzelfde. En ook zij worden in hun eigen
+streken dikwijls weinig opgemerkt en weinig geteld, menigmaal ook
+bestreden en vervolgd, en toch weten ook zij in naam van het
+zoogezegd geloof te gebieden over wereldlijke magthebbers niet
+alleen, maar zelfs over het geestelijk Opperhoofd hunner eigene
+kerk, terwijl zij veinzen met onvoorwaardelijke onderworpenheid
+zijne bevelen te gehoorzamen! Zoo ziet gij dan, hoe vreemd het
+eerst u ook scheen, dat het wezen en het genot der magt nog
+geenszins voor allen, zooals voor u, in het uitwendig vertoon en
+in de openlijke erkenning door anderen behoeft gelegen te zijn.
+
+Nog bleef Selim zwijgen, nadat Gorakh geëindigd had. Maar de blik,
+welken hij dezen toewierp, zeide meer dan woorden.
+
+De priester lachte.--Ik begrijp zeer goed,--sprak hij langzaam,--
+welke gedachten op dit oogenblik uwe Hoogheid bezig houden. Een
+bondgenoot als ik kon wel eens een gevaarlijke worden, en zoo mogt
+het dan de vraag zijn of 't niet maar zaak ware, zich terstond van
+hem te ontslaan. Maar ik ben immers niet onnoozel genoeg om mij in
+'t hol van den tijger te wagen, als ik niet zeker was er veilig
+weer uit te komen. Mijne getrouwen nu wachten mij ginds in den
+tempel op den berg; keer ik vóór morgen er niet terug, dan weten
+ze ook, wien de Godin als zoenoffer voor den dood van haar
+gewijden priester heeft aangewezen.
+
+--Nu, dat is met uwe gewone omzigtigheid gehandeld,--sprak thans
+Selim;--maar, waarde Gorakh! uw voorzorg was toch inderdaad
+overbodig. Wij hebben uwe hulp wezenlijk in menig geval van noode,
+en zonder reden zou ik mij daarvan toch zelf niet gaan versteken.
+Maar we zijn, geloof ik, een weinig afgedwaald van 't eigenlijk
+onderwerp onzer beraadslaging. En omtrent ééne zaak nu ben ik niet
+volkomen gerust. Wat staat ons, Salhana! van uw broeder, den
+Minister in Kaçmir, te wachten? Zal hij onze zijde kiezen, of, zoo
+niet, kan hij ons wezenlijk nadeel toebrengen?
+
+--Het laatste vrees ik maar al te zeer,--antwoordde de
+Goeverneur,--hij zal de zijde van den tegenwoordigen Koning niet
+verlaten, en zoo deze ten onder wordt gebragt, zich veel liever
+nog tot Akbar keeren dan tot de onzen, van wien hij niet dan
+onheil voor het land en het volk voorziet.
+
+--Laat hem in dat geval aan mij over!--zei Gorakh.
+
+--Wat bedoelt gij?
+
+--Vraag toch niet langer! Ik zeg u: laat hem aan mij, en hij zal u
+niet lang in den weg staan. Maar er is nog een ander punt en van
+veel meer gewigt. Ik heb alle reden om te vermoeden dat een zeker,
+in Kaçmir bijzonder beteekenend persoon, dien wij allen lang dood
+waanden, maar die, als hij 't eens niet was in zijn land
+terugkeerde, al onze plannen in duigen kon doen vallen, inderdaad
+nog tot de levenden behoort.
+
+--Wie, wat?--vroeg Salhana in de uiterste ongerustheid,--gij
+meent toch niet....
+
+--Ik meen juist dengene, dien gij onderstelt. Ik bedoel
+Nandigoepta.
+
+--Nandigoepta! Maar dat kan immers niet zijn!
+
+--En waarom niet? Hebben wij ooit eenige zekerheid gehad omtrent
+zijn dood? In 't minste niet. Wij weten dat hij plotseling
+verdween en dat er niets meer van hem vernomen werd, ziedaar
+alles. En nu ben ik voor eenigen tijd tot de ontdekking gekomen,
+dat er in het Himâlaya-gebergte, in de nabijheid van den
+Bhadrinâth, een kluizenaar woont, die, wat uiterlijk voorkomen
+betreft, bijzonder op den vroegeren Koning gelijken moet, en wien,
+let wel! Koelloeka met Siddha Rama op zijn reis herwaarts een
+bezoek heeft gebragt.
+
+--Dat ziet er inderdaad heel bedenkelijk uit!--zei nu ook Selim.
+
+--Ik heb inmiddels--hervatte Gorakh,--enkelen der mijnen op de
+zaak afgezonden, zij zullen wel alles nasporen wat ons tot de
+ontdekking der waarheid kan leiden; en, blijft mijn vermoeden
+juist, dan,--en hier maakte de Yogi zeker teeken, dat zijn beide
+toehoorders maar al te goed begrepen,--dan wijst hem Doerga gewis
+als een dergenen aan, die haar welkom zouden zijn. Doch 't zal nu
+mijn tijd worden om naar mijn getrouwen terug te keeren. Uwe
+Hoogheid zal mij dus zeker wel willen veroorlooven mij te
+verwijderen?
+
+Selim knikte toestemmend, hoewel hij misschien wel gewenscht zou
+hebben, dat de priester nooit meer een voet buiten 't kasteel mogt
+hebben gezet. En voorloopig ging het drietal uiteen.
+
+Avond aan avond vernam na dien eersten dag Iravati, wanneer zij
+eenzaam in de lanen van het park doolde, het feestgedruisch, dat
+uit de hooge en bij die gelegenheden hel verlichte zalen van den
+burgt weerklonk. Daar vermaakte zich de aanstaande Keizer van
+Hindostan met zijn gastvrienden en danseressen, en trachtte zich
+op die wijze schadeloos te stellen voor de verveling van den dag
+en voor een wijl de zorgen te vergeten, waarmede zijn eigen
+eerzucht hem beladen had. En de getrouwe Nipoenika, die menigmaal,
+in hare nederige betrekking weinig of niet opgemerkt en tusschen
+de overige bedienden zich inmengend, het een en ander van die
+festijnen zag, kwam dan niet zelden ook aan hare meesteresse
+bijzonderheden daaromtrent meedeelen, die der reine en van zulke
+dingen nog onkundige jonkvrouw het bloed naar de wangen deden
+stijgen en het stilzwijgen opleggen aan hare dienares. Of ook
+Siddha wel eens daar in Agra deelnam aan feestelijkheden van dien
+aard? En die Selim, de toekomstige beheerscher van een wereldrijk
+en eenmaal de nagenoeg onbeperkte gebieder over het lot zooveler
+volken! Hoe laag hij niet scheen gezonken, ondanks het hooge
+standpunt, waarop de fortuin hem had geplaatst!
+
+En toch vond Iravati geen reden om den Prins te minachten wanneer zij
+bij wijlen, gelijk nog al dikwijls gebeurde, 't zij dan met haar vader,
+'t zij ook alleen zich in zijne tegenwoordigheid bevond. De wijze
+waarop hij gewoon was met haar te spreken was steeds die van een
+volmaakt edelman; en wel verre van zich ooit de geringste vrijpostigheid
+jegens haar te veroorlooven, bejegende hij haar met een eerbied en
+ontzag gelijk de meest hooggeplaatste vorstin die niet anders had
+kunnen verlangen. Geen zweem ook van vleijende doch niets zeggende
+hoffelijkheid in de woorden die hij tot haar rigtte; maar alles
+eenvoudig, ongedwongen, natuurlijk, terwijl ook in menig opzigt zijne
+gesprekken werkelijk onderhoudend bleken te zijn en getuigden van een
+lang niet gewone geestbeschaving en tamelijk uitgebreide kennis.--Och!
+of die jonge, zoo hooggestelde man--zoo overlegde zij menigmaal bij
+zichzelve,--wat beter van zijne velerlei gaven gebruik mogt maken, en,
+het treflijk voorbeeld van zijn edelen vader voor oogen, zich op andere
+wijze dan nu wist voor te bereiden tot de grootsche taak die ook hij
+eenmaal te vervullen had!
+
+Eens op een avond, terwijl Iravati in gedachten verzonken op een
+der rustbanken in het park zich had nedergezet, bleef tot hare
+verwondering niet alleen rondom, maar ook in den burgt zelf de
+meest volkomen stilte heerschen, en geen licht bijkans vertoonde
+zich aan de hooge vensters en in de galerijen van het paleis. Een
+zachte en zoele wind alleen ruischte er door het gebladerte en
+bewoog de toppen der boomen, en uit de vallei daar omlaag klonk nu
+en dan de toon eener fluit of het ligt gerinkel van het
+klokkenspel, dat eene vrolijke dorpsjeugd begeleidde bij hare
+landelijke dansen.
+
+Een geluid van voetstappen brak op eens de stilte, en in de
+avondschemering werd een mannelijke gestalte zigtbaar, die de plek
+naderde waar de dochter van Salhana gezeten was. Met een gevoel
+van schrik rees zij, bij dergelijke hier wel ongewone verschijning
+op, toen zij tot haar verwondering in den vermeenden indringer den
+Prins herkende, die, naderbij gekomen, op zijn gewone eerbiedig
+hoffelijke wijze haar begroette.
+
+--Vergeef mij, edele jonkvrouw!--zeide hij,--indien ik, onbewust
+van uwe tegenwoordigheid op deze plek, onwillekeurig u kom storen.
+Wil mijn avondgroet ontvangen, en ik zal u niet verder lastig
+vallen.
+
+--De stoornis--antwoordde Iravati beleefd,--kan mij wel niet
+anders dan aangenaam zijn. Maar inderdaad ik wil wel bekennen, dat
+zij mij een weinig verrast. Ik meende dat Uwe Hoogheid gewoon was
+op andere en meer vrolijke wijze den avond te korten dan met
+stille en eenzame wandelingen.
+
+--Zoo was het,--sprak Selim,--en ik gevoel volkomen dat ik u
+daarmee reden genoeg heb gegeven tot billijke ergernis, en meer
+eerbied had moeten betoonen voor de woning waarin gij uw verblijf
+houdt. Maar laat voorbij zijn wat voorbij is! Voortaan zal geen
+onpassend feestgedruisch in dit uw paleis u meer hinderen, noch de
+stilte breken van den nacht.
+
+Niet zonder verwondering hoorde Iravati den spreker aan. Waartoe
+die verklaringen? En vanwaar die plotselinge omkeer?
+
+--Eene verandering,--ging Selim voort,--en naar ik geloof een niet
+geringe is er, hoewel binnen betrekkelijk korte tijd, met mij
+voorgevallen. Tot heden was ik... hoor mij aan, en treed niet
+terug! ik wil u alles zeggen... tot nu dan was ik een woestaard,
+een wellusteling, ja een dronkaard zelfs, ik verberg u niets! Maar
+ik heb opgehouden dat te zijn; ik heb gebroken met mijn voorleden,
+en de Selim van thans is een andere geworden dan hij gisteren zich
+misschien nog betoonde. Ik wil leven voortaan voor pligt en voor
+eer, voor het heil der volken die eenmaal aan mijne zorgen mogten
+zijn toevertrouwd; ik wil vaarwel zeggen aan alle eerzuchtige en
+ongeoorloofde voornemens en bovenal ook aan die nietswaardige,
+verlagende verstrooijingen, waarin ik tot heden wel geen wezenlijk
+genoegen maar toch een soort van uitspanning vond. Ik wil dat
+alles, indien... indien een wensch wordt voldaan, van welks
+vervulling mijn geluk, mijne toekomst, en voor een deel welligt
+ook die van mijn rijk afhankelijk zal zijn! Die vervulling is in
+uwe hand!
+
+--Ik begrijp u niet, Heer!--sprak Iravati, wie het angstig te
+moede werd, en die geen vrouw ware geweest als zij niet maar al te
+wel tot het besef was gekomen, waarheen de rede van den Kroonprins
+strekken moest.
+
+--Gij zult mij spoedig begrijpen,--antwoordde deze,--als ik u zeg,
+wie die verandering in mijn wezen zoo plotseling heeft teweeg
+gebragt. Of liever, behoeft gij nog te gissen en te raden, en hebt
+gij niet lang reeds uit al mijn woorden verstaan, dat het niemand
+anders zijn kon dan gij en gij alleen?--En zoo is het,--ging hij
+met steeds klimmende, doch altijd binnen de grenzen eener
+eerbiedige bewondering gehouden geestdrift voort;--sinds het
+eerste oogenblik dat ik u aanschouwde, wist ik, althans gevoelde
+ik, dat gij een invloed, en een belangrijken, moest hebben op mijn
+lot. Ik, die nooit nog voor iemand, wie ook, de oogen had
+neergeslagen, ik deed het onmiddelijk voor u, en gevoelde mij
+klein en nietig in uwe tegenwoordigheid. En telkens, wanneer ik u
+terugzag en met u sprak, en u nader leerde kennen, werd het mij
+duidelijker dat gij over mijne toekomst te beslissen zoudt hebben.
+Ik begon een afkeer te krijgen van mijzelf en van mijn levenswijs
+en die zoogenaamde vrienden, die mij op zoo onwaardige wijze den
+avond en dikwijls den nacht hielpen doorbrengen. Toch kon ik nog
+niet besluiten, zoo op eens met dat alles te breken, en als dan
+onze feesten weer aan den gang waren, ja, dan, ik beken het
+openhartig, verdween ook menigmaal uw beeld voor mijn geest, als
+de wijn dien weer begon te benevelen. Maar welk een gevoel van
+schaamte en van onwil tegen mijzelven dan weder, zoodra ik 's
+anderen daags u weer ontmoette! Heden dan werd mijn besluit
+genomen en, gelijk gij ziet, ook volvoerd. Alles is stil, de
+feestklanken zwijgen, mijne danseressen heb ik weggezonden en de
+meesten mijner gasten zijn heden vertrokken of denken morgen
+Allahabad te verlaten. Dat alles is uw werk; moge 't door meer en
+beter nog gevolgd worden! Maar daartoe is ééne voorwaarde
+onmisbaar! Wij mogen geen vreemden blijven tegenover elkander; een
+nadere band dan eene toevallige en weer voorbijgaande kennismaking
+moet ons vereenen. Iravati! kan het nog noodig zijn u duidelijker
+te verklaren wat ik voor u gevoel? Welnu dan! ik....
+
+--Ach neen, neen, Heer!--riep Iravati hartstogtelijk, en de handen
+smeekend omhoog heffend, uit,--zwijg dat woord dat gij gereed
+waart te spreken, maar dat ik niet mag aanhooren!
+
+--Niet mag?--herhaalde Selim vragend--of niet wil? Mij dunkt dat
+er van mogen niet te spreken valt, waar een bede tot u gerigt
+wordt door mij!
+
+--Beide dan,--antwoordde Iravati met vaste stem,--niet mag en niet
+wil! Ik mag niet, omdat mijn woord van trouw mij aan een ander
+heeft verbonden; en mogt ik, toch zou ik niet willen en ook niet
+kunnen wat gij verlangt, omdat mijn hart, mijn gansche leven nu
+eenmaal dien anderen toebehoort.
+
+Gelukkig voor haar dat de toenemende duisternis haar belette de
+sombere en woeste uitdrukking op te merken, die bij deze vrij
+onvoorzigtige woorden op het bleek gelaat van den Prins te lezen
+stond. Want had zij 't gezien, zij mogt gesidderd hebben bij de
+gedachte aan dien andere en aan hetgeen hem welligt van zulk een
+medeminnaar te wachten stond.
+
+--Bedenk het wél,--sprak Selim, na een wijl gezwegen te hebben,
+bedenk het wat gij roekeloos dus versmaadt ter wille van een
+jonkman, die u eenmaal misschien dierbaar was en voor 't oogenblik
+nog schijnt te zijn, maar die, zoo hijzelf u al trouw bleef, toch
+nimmer u kan aanbieden wat de toekomstige beheerscher van het rijk
+der Mogols u verzekeren wil! Ik spreek u niet van de schatten die
+uw eigendom zouden zijn en van de weelde waarin ge u baden mogt,
+wanneer gij eenmaal, aan mijne zijde gezeten, mogt gebieden over
+de rijken en vorsten van Hindostan. Te goed is mij bekend, hoe
+weinig uw edeler en boven dat alles verheven geest voor dergelijke
+verlokking vatbaar ware. En toch blijft ook dit niet te verachten!
+Gij meent te weten wat rijkdom en weelde is; maar wat gij tot
+heden daarvan gezien hebt, is niet dan ellendig klatergoud tegen
+de wezenlijke pracht, die de paleizen en lusthoven van Agra en
+Delhi u eenmaal bieden konden. Doch laat dat zijn! Maar bedenk,
+zeg ik, wat schitterende toekomst gij verwerpt, indien gij liever
+de vrouw wordt van een onbekend en niets beteekenend edelman dan
+de magtige Sultane, die den onbeperkten monarch in al zijn doen en
+laten beheerscht, en alle grooten en edelen voor hare voeten ziet
+buigen, en naar welgevallen over het lot van millioenen beschikt!
+Want, zooals ik heden het mijne in uwe handen stel, zoo doe ik,
+dat zweer ik met een duren eed! ook van heden af met dat mijner
+toekomstige onderdanen. Wat gij wilt en beslist zal mij eene wet,
+een gebod zijn, waaraan ik mij niet zal vermogen te onttrekken;
+want dit weet ik, niets dan wat edel en goed en verstandig is zal
+mij door u worden aangeraden, en geen regtvaardige en geen
+onregtvaardig verdrukte ook in het gansche rijk of hij zal steun
+en bescherming vinden bij u!
+
+Te vergeefs bleef de heerscher van morgen, smeekeling nu, op een
+antwoord wachten. Iravai zweeg, maar haar stilzwijgen gaf
+blijkbaar genoeg geenerlei toestemming te kennen; zij had zich
+afgewend en als in stille smart zich met gebogen hoofd het gelaat
+met de handen bedekt. Ook het schitterend vooruitzigt haar
+voorgespiegeld, had dus geen indruk gemaakt op haar gemoed.
+
+--Iravati!--sprak Selim weder en nu met diep bewogen stem,--laat de
+vrede mij niet aanstonds weer zijn geroofd, die bij uwe verschijning
+zoo weldadig was neergedaald in mijne ziel! Door u ben ik een ander
+mensch geworden; laat mij niet weder terugkeeren tot wat ik eenmaal was!
+Heb medelijden met mij, en met die talloozen ook, die een weldoener in
+mij zullen vinden als gij mij ter zijde staat, maar ook een tiran
+misschien als gij mij blijft versmaden! Ik ben zwak, dat weet ik; maar
+ik zou sterk, ik zou een held, ook in het zedelijke, zijn, als ik aan
+uw woord, aan uw aanblik mijne kracht mogt ontleenen. Waarom mij dat
+dan ontzegd? Eén woord slechts behoeft het u te kosten, en de kroon van
+Indië ligt aan uwe voeten, en gij hebt de hand slechts uit te strekken
+om ze te plaatsen op uw eigen hoofd!--Maar ik zie het,--ging hij
+driftig voort, toen Iravati nog altijd bleef zwijgen,--mijn eerbied,
+mijne bewondering, mijne tot alles bereide liefde is u niets, en gij
+versmaadt den Vorst voor den onbeduidenden avonturier aan wien gij door
+onbedachtzaam eenmaal gesmeede ketenen u gebonden waant! Doch bedenk
+ook wel wat gij doet, wat gij waagt, welk lot u zou kunnen treffen, en
+ook hem, als eenmaal de liefde van den magthebber verkeeren mogt in
+toorn en in haat!... --Maar ik spreek waanzinnige woorden,--zeide hij
+weder mismoedig, terwijl hij het hoofd op de borst liet zinken;--wat
+reden ook en wat regt heb ik om uwe wederliefde te eischen? Ik ben, hoe
+hoog ook eenmaal mijn staat, toch uwer niet meer waardig; ik ben oud en
+afgeleefd vóór mijn tijd; en hij, die andere is jong en schoon en nog
+onbedorven van hart. Wat reden dan voor mij tot klagten? Wat ik ben
+geworden, dat heb ik mijzelf gemaakt of een ongelukkig lot dat mij in
+een toestand plaatste, waarvoor ik niet berekend was. En toch, hoe
+anders, anders had het kunnen zijn, indien datzelfde lot u vroeger dan
+heden op mijn weg had gevoerd! Maar te laat nu, te laat!...
+
+--Mijn Vorst!--sprak thans Iravati zacht,--gij doet uzelven
+onregt! Gij hebt reden tot zelfbeschuldiging, maar niet daarom nog
+tot dergelijke zelfverachting. En wees verzekerd, ik veracht en
+versmaad u niet, al kan ik ook nooit de uwe zijn. Inderdaad, had
+ik u vroeger leeren kennen, ook zooals gij thans zijt, maar eer
+nog een ander mijne liefde wou en mijn woord van trouw erlangde,
+ik had misschien uwe genegenheid kunnen beantwoorden.
+
+Thans kan zij niet anders dan mij leed doen, ook terwijl ze mij
+vereert. Gijzelf trouwens kunt in ernst niet verlangen, dat ik
+mijn gegeven woord zou verbreken; en deed ik het, gij zoudt immers
+de achting voor mij verliezen, waarop uwe genegenheid steunt. Maar
+zelfs in dat geval, dat nu niet meer mogelijk is, had iets moeten
+zijn wat toch weer niet denkbaar ware geweest: uw hooge rang had
+niet moeten bestaan. Want dien zou ik nooit met u kunnen deelen.
+De weelde en de pracht, in wier midden gij u beweegt, zou nooit
+mijn levenselement kunnen zijn, en de geduchte verantwoordelijkheid
+zou ik niet weten te dragen, die gij geneigd waart op mijne schouders te
+leggen. Doch wat er ook van zijn mogt, het is nu eenmaal alles anders.
+En waarom ons dus te verliezen in overdenkingen, omtrent hetgeen
+misschien had kunnen gebeuren, maar toch niet is? De magtige Deva's, de
+ongeziene krachten die ons lot beheerschen, hebben het blijkbaar anders
+gewild; onderwerpen wij ons aan hunne voorzeker wijze beslissing, gij
+zoowel als ik! En zoo laat mij dan, mijn genadige Vorst en Heer! in den
+nederigen staat waarin gij mij gevonden hebt; ga en zie niet meer naar
+mij om; vergeet mij voor nu en voor altijd, of zoo ge soms u mijner
+nog herinnert, het zij dan om tevens aan het oogenblik te denken,
+waarop gij aan edeler gevoelens en verhevener voornemens u
+gewonnen gaaft dan te voren uw gemoed hadden vervuld! Wat mij
+betreft, ik wil u gedenken, u volgen met mijne gedachten in al uwe
+handelingen, in uwe toekomstige, zoo ik hoop en vertrouw, eenmaal
+roemrijke daden en gelukkige regering, als gij den troon van den
+grooten Keizer bestegen zult hebben; en wees verzekerd dat geen
+uwer tallooze onderdanen met meer wezenlijke en hartelijke
+belangstelling het oog op u gevestigd zal houden dan zij, die
+thans u smeekt haar te verlaten en haar te ontslaan van den
+moeijelijken pligt om ongehoorzaam aan uwe wenschen te zijn!
+
+Naar een antwoord, een passend, een afdoend, overtuigend antwoord
+zocht, maar vruchteloos, de voor 't eerst misschien in zijn
+gansche leven zóó weersproken despoot... Zwijgend bleef hij vóór
+de jonkvrouw staan, nu gereed om te spreken, dan weer zich
+terughoudend, en te vergeefs naar woorden zoekend om de
+tegenstrijdige gevoelens te uiten, die daar woelden en elkaar
+verdrongen in zijn brein. Ten laatste trad hij op Iravati toe,
+greep hare hand, en na ze even met zijne lippen te hebben
+aangeraakt, keerde hij zich om en verdween, zonder een woord
+verder te spreken, in de duisternis.
+
+'s Anderen daags vernam Salhana tot zijn niet geringen schrik, dat
+de Prins het kasteel en Allahabad had verlaten, en met één enkelen
+dienaar was heengetogen,--niemand wist te zeggen, waarheen.
+
+
+
+NEGENDE HOOFDSTUK.
+
+De keizerweging
+
+Wat al gewoel daar op dien grooten bazaar, waar Siddha eens in den
+morgen rondslenterde tusschen de lange reijen van winkels, die al wat
+het oog in die streken maar begeerde en ruimer of beperkter beurs
+betalen kon, in rijken voorraad hadden uitgestald! En wat zonderlinge
+en vreemdsoortige mengeling van rassen en volken, waarvan de
+verschillende vertegenwoordigers, lang reeds aan elkander gewoon, zich
+daar kruisten bijkans zonder acht meer op elkaar te slaan! Hier de
+oorspronkelijke bewoners des lands, de Hindoe's van meer of minder
+zuiver bloed en dientengevolge ook meer of minder gebruinde tint; dáár
+de menigmaal overmoedige beheerschers, de Perzen en Arabieren en
+Tartaren met hun veelal blanker gelaat; elders weer Armeniërs en Joden
+uit wederom westelijker streken, en ook zonen van het Hemelsch Rijk met
+hunne lange staarten en wijde gebloemde japonnen; hier en daar enkele
+mannen, wier aanblik in 't bijzonder Siddha's opmerkzaamheid trok,
+vermits hij huns gelijken nog niet had gezien, mannen in zonderlinge
+kleedij, met puntige, breedgerande met pluimen bezette hoeden, in korte
+wambuizen, wijde fulpen broeken en hooge kaplaarzen, en met lange regte
+degens in kleurig om den schouder hangend bandelier; eindelijk, in hun
+gezelschap, een paar van die geestelijke heeren, waarvan er één niet
+lang geleden bij den Keizer zelf was toegelaten geweest. En dan weer
+tusschen al die mannen, velen gekomen om te koopen of hun eigen waren
+van de hand te doen, anderen ook in voorname ledigheid rondwandelend en
+uit de hoogte op de woelige menigte nederziend, een tal van vrouwen van
+niet minder gemengde natiën en rangen; verscheidene in 't eeuwenheugend
+onveranderd Indisch volkskostuum, eenvoudig maar sierlijk en bevallig
+steeds, dat heupen en linkerschouder wel bedekkend, een deel van den
+regter zigtbaar liet; andere in kleuriger meer opgeschikt Perzisch
+gewaad; enkele ook digt gesluijerd naar streng Mohammedaansche zeden
+en niets vertoonend wat aan een menschelijk wezen kon herinneren dan
+een paar met roode pantoffels geschoeide voeten en een paar donkere
+oogen, die overigens glinsterend genoeg door de ronde gaten van
+den vormloozen alles overdekkenden sluijer gluurden; sommige
+eveneens daar verschenen om huishoudelijke inkoopen te doen of
+zich in 't bezit te stellen van meer overtollige snuisterijen;
+maar verscheidene ook om er iets anders nog dan koopwaren te
+zoeken of wel op meer of min bedekte wijze zich zelve daarvoor aan
+te bieden; deze laatste de bewoonsters van dat sterk bevolkt
+gedeelte der stad, dat in de wandeling onder den eigenaardigen
+naam van Shaitan-poera of "Satanstad" bekend was.
+
+Juist wilde Siddha aan een der voorbijgangers vragen, wie die hem
+nog onbekende mannen waren, toen hij zijn vriend en begunstiger
+Feizi zag naderen en de vraag dus aanstonds tot dezen rigten kon.
+
+--Dat zijn Franken,--antwoordde Feizi,--of zooals ze met hun meer
+bijzonderen naam zich heeten, Portugezen. Zij komen uit zeer verre
+streken van het Westen om hier in Indië handel te drijven, en die
+anderen, die daar met hen zijn, om ons te bekeeren tot wat zij
+noemen het alléénzaligmakend geloof.
+
+--En die twee,--vroeg Siddha,--die van de andere zijde naderen,
+behooren die ook tot hen? Zij dragen nagenoeg dezelfde kleeding,
+maar hun gelaat is, dunkt mij, blanker; en wat rosse haren en
+baard!
+
+--Ook wel Franken!--verklaarde Feizi,--maar toch van de anderen
+onderscheiden. Het zijn Engelschen, die hier de Portugezen zoeken
+te verdringen, maar tot nog toe met weinig geluk.
+
+Ook zijn ze niet erg bij den Keizer en bij onze grooten gezien.
+Eenige weinige jaren later nog, en Feizi had onder die vreemde
+Westerlingen in Agra, die hij, even als zijne tijd en landgenooten
+onder den algemeenen naam van Franken begreep, ook nog anderen
+kunnen aanwijzen, die wederom van genen verschilden. Hij had er
+dan kunnen wijzen op de forsche, schoon soms ietwat plompe
+gestalte en het goedronde gezigt van Hollander en Zeeuw, die
+mannen, die onder aanvoering van Pieter van den Broeeke daar
+almede hunne fortuin of die hunner meesters, de Bewindhebbers der
+Oost-Indische Compagnie, kwamen beproeven en lange jaren beide
+voor Portugezen en Britten de meest geduchte mededingers op de
+markten van Hindostan en de rijken der Mogols zouden zijn, en die
+ook in de Indische wateren de eer der Nederlandsche vlag met roem
+zouden weten te handhaven tegen "Gijs" of "Gijs-oom", gelijk zij
+bij wege van spottende, zooal spraakkunstig min verdedigbare,
+verkorting gewoon waren hun aartsvijand in die streken te
+betitelen. Maar hun tijd was toenmaals nog niet gekomen.
+
+Terwijl inmiddels de beide Engelschen voorbijgingen bekeek hen
+Siddha met die soort van nieuwsgierigheid, die, bij het zien van
+nog onbekende vreemden niet onnatuurlijk, doch ook vér was van
+beleefd te mogen heeten. Doch Siddha gevoelde, na 't geen hem
+omtrent deze lieden was meegedeeld, te weinig eerbied voor hen dan
+dat hij 't noodig rekende hun zijne gewone hoffelijkheid te
+betoonen; en ook Feizi zelf scheen hun nauw een blik waardig te
+achten.
+
+--Verdoemde, trotsche Mooren!--bromde een der beide zonen van
+Albion in zijn taal, terwijl hij verder ging.
+
+Hadden die twee mannen, die inderdaad nog al hoovaardige Indiër,
+dien de ander voor een Perziaan of Arabier aanzag, en die thans
+nog geminachte Brit eens een enkelen blik in de toekomst kunnen
+werpen, en hadden zij vermoed, dat de opvolgers van dezen eenmaal
+de beheerschers van die des anderen en de oppergebieders van het
+land zouden worden, ze hadden elkaar waarschijnlijk met wat meer
+opmerkzaamheid gadegeslagen. En met te grooter belangstelling
+zeker nog indien iemand hun toen eens had kunnen zeggen, dat zij
+de afstammelingen waren van een en hetzelfde volkengeslacht, en
+dat die vreemdeling, wat alouden oorsprong aanging, vrij wat nader
+bij Siddha stond dan deze bij menig zijner uit Semitisch ras
+gesproten vrienden.
+
+--Doch laat al dat volk voor 't geen 't is!--sprak Feizi weder,--
+die lieden doen ons overigens hier geen kwaad, maar integendeel
+veel nut aan onzen handel en onze industrie. Ook leveren ze ons
+verscheiden goede schilders en andere kunstenaars. En omtrent hun
+eigen landen hebben ze ons veel geleerd. Als zij hier maar niet
+trachten den baas te gaan spelen, zooals dat elders wel in hun
+smaak schijnt te vallen!
+
+--Nu, maar dan zou ik ze toch aanstonds de deur uitzetten!--zei
+Siddha.
+
+--Dat zou ook stellig wel gebeuren, dat verzeker ik u! Maar nu
+iets anders! Vooreerst dan: Hebt ge mijn vos al eens gereden,
+zooals wij hadden afgesproken?
+
+--Wel-zeker! antwoordde Siddha,--en met het grootste genoegen. Een
+alleredelst dier!--En hij begon zich te verliezen in lofredenen op
+het paard van Feizi.
+
+--Hij bevalt u alzoo?--sprak deze,--nu, dan zal ik hem op uw stal
+laten brengen. Gij kunt hem houden als gij wilt; en in den
+aanstaanden veldtogt zal hij u wel te pas komen. Uw schimmel is,
+ik erken het, een fraai paard en heel goed gedresseerd, maar, zoo
+'t mij voorkomt, niet zoo heel sterk. De vos is dat juist
+buitengewoon. En ikzelf rijd hem toch zelden; ik wil 't ook wel
+bekennen, ik ben wat lui geworden en gebruik liever een beest van
+wat zachter beweging.
+
+--Maar,--zei Siddha, over dergelijke geedheid verlegen,--dat is
+waarlijk een toch al te kostelijk geschenk, dat ik niet aan u heb
+verdiend! Uw vos is een volbloed, prachtige Arabier, zooals ik er
+nog nooit een gereden heb.
+
+--Als ik mijn vrienden iets aanbied,--zei Feizi,--dan dient het toch
+ook iets redelijks te zijn. Maar ik heb u nog iets anders te vertellen.
+En wel omtrent de vergadering die er gisteravond in het paleis werd
+gehouden en waarbij ik u gaarne tegenwoordig had gezien. Verbeeld u! in
+weerwil van al de staatszorgen die den Keizer weer overstelpen, vond
+hij toch nog tijd en lust als gewoonlijk om zijne wijsgeerige en
+theologische zamenkomsten te houden; en juist nu was dan ook de
+gelegenheid bijzonder gunstig, nu de Christenzendelingen uit Goa weer
+over waren gekomen. Zoo had hij dan gister, in een der groote zalen
+van het paleis, een aantal oelemah's en moellah's, waaronder natuurlijk
+ook Abdal Kadir, verzameld, en met hem een paar Jezuïeten, een Jood en
+een Parzi, benevens uw voormaligen, hier teruggekomen leermeester
+Koelloeka, dien gij gewis reeds begroet zult hebben, en Aboel Fazl,
+mijn broeder. Ik zelf had ook de eer en het genoegen daarbij aanwezig
+te zijn, en nam in den loop der discussie uwe aloude atheïstische
+natuurphilosophie voor mijne rekening al keek ook Akbar zelf daarbij
+soms wat schuin, terwijl Koelloeka voor den regtzinnig Brahmaanschen
+Vedanta optrad, en Aboel Fazl zich meer op algemeen humanistisch terrein
+bewoog. Koelloeka betrapte hem nu en dan wel op erg Boeddhistische
+ketterijen, maar liet dat gaan, in aanmerking nemend dat er geen
+Boeddhist in 't gezelschap was om zijne leer te verdedigen, gij weet
+toch, er zijn er hier nog wel, maar niet bekwaam genoeg om aan
+dergelijke gesprekken deel te nemen. Wat nu inmiddels, zoo
+belangwekkend dan overigens die gesprekken, waarbij de Keizer meer
+voorzat dan meeredeneerde, nog het merkwaardigst mogt heeten, was de
+afloop van de gansche vergadering. In den beginne ging alles zoo
+ordelijk en hoffelijk als maar verlangd kon worden: onze moellah's
+bleven statig en deftig en lieten zich niet veel uit; de padre's waren
+heel zachtzinnig en floten zoet als vogelaars; de Jood, een volgeling
+van Maimonides, bleef, dat dient gezegd, ten einde toe waardig, schoon
+hij niet veel zeide en zich ook niet bijzonder op zijn gemak scheen te
+voelen; de Parzi was dichterlijk, maar niet altijd heel goed te
+begrijpen; en wij, we wierpen zoo nu en dan enkele stellingen en
+bewijsgronden in de discussie, die we bij uwe wijsgeeren van ouds en
+ook hier en daar bij sommige onzer Arabische en Perzische hadden
+opgedaan, maar die geenszins in den smaak van de strijdende partijen
+bleken te vallen. Langzamerhand evenwel, zooals dat gemeenlijk gebeurt,
+begonnen deze zich warm te maken; van argumenten kwam het tot
+magtspreuken en van magtspreuken tot harde woorden, voornamelijk
+tusschen onze Moslemim en de Jezuïeten, hoewel ook wij in 't geheel
+niet en door geen hunner werden gespaard; en in 't eind werd het een
+gescheld en gevloek en geschreeuw, ondanks de tegenwoordigheid van den
+Keizer zelf, dat hooren en zien ons dreigde te vergaan. Vooral de
+moellah's weerden zich dapper. Gij begrijpt trouwens, dat ze zich
+hier wel 't meest verongelijkt moesten achten. Akbar intusschen
+zat het dwaze tooneel niet zonder inwendig genoegen aan te zien en
+keek mij menigmaal glimlagchend aan; maar ten slotte werd het hem
+toch te erg, en begreep hij dat aan zijne waardigheid te kort zou
+worden gedaan als hij 't langer liet voortduren.--Feizi!--zeide hij,
+mij wenkend,--laat dat volk de deur uitwerpen als het zich niet langer
+behoorlijk weet te gedragen! Ik gaf hun nu immers weer de ruimste
+gelegenheid om hun geloofstheoriën tegenover elkaar te verdedigen, ten
+einde dan zelf te zien wie de beste gronden voor de zijne zou weten aan
+te voeren. En wat doen ze nu? Elkaar uitschelden en verdoemen, anders
+niet. Hoor mij dat rumoer nu eens aan! Zoo aanstonds gaan ze, geloof
+ik, nog vechten! Maak er een eind aan!--Sire!--antwoordde ik,--dan zou
+'t toch maar best zijn ze allen te zamen weg te jagen; want zoolang er
+nog twee overblijven, komt er toch geen eind aan 't gekijf.--Akbar
+lachte, maar stond toen op van den zetel waarop hij tot nu toe met de
+meest mogelijke kalmte was blijven zitten; en, zijne magtige stem
+verheffend, terwijl nu aanstonds al de twistenden zwegen, zeide hij:
+--Wij danken u, mijne heeren! voor den leerrijken avond, dien uwe
+welwillendheid en uwe belangwekkende zamensprekingen ons heden weder
+verschaft hebben, en wij houden ons voor eene nadere bijeenkomst
+aanbevolen. De tegenwoordige zij voor 't oogenblik gesloten!--En met de
+hand wenkend, liet hij de aanwezigen gaan, waarvan de meerderheid zich
+al grommend verwijderde. Och, Siddha! wat zijn de menschen toch gek,
+dat ze elkaar zoo haten en vervloeken om afgetrokken stellingen over
+zaken, waarvan ze toch niets weten en wier kennis, al bezaten ze die
+ook, hen geen stap verder zou brengen tot de werkelijke beoefening van
+wat eer en pligt hun gebieden!
+
+--Dat zeg ik ook! En 't laatste is waarlijk al moeijelijk genoeg!
+--antwoordde Siddha met een zucht, en zichzelven vrij wat meer dan
+de ander nog kon vermoeden, van die moeijelijkheid bewust.
+
+--Maar vertel mij nu eens,--hernam Feizi,--ik vergat nog 't u te
+vragen, hoe komt ge hier in eens zoo terug? Ik dacht dat gij met
+de uwen reeds naar 't leger op weg waart.
+
+--Dat was ook zoo,--gaf Siddha ten antwoord,--wij waren reeds
+vertrokken, maar ontvingen tegenbevel onder weg. En zoo blijven we
+dan nog eenige dagen in Agra; 't geen mij bijzonder genoegen doet,
+omdat het mij in de gelegenheid stelt, het groote feest van heden,
+het geboortefeest van den Keizer, bij te wonen, waarvan ik veel
+gehoord heb.--Dat er nog een andere reden was, waarom Siddha nog
+gaarne wat langer in Agra vertoefde, vond hij natuurlijk niet
+noodig er bij te voegen.
+
+--Gij herinnert mij tevens,--sprak Feizl weder,--dat het tijd zal
+worden om naar het paleis te gaan voor den doerbar. De Keizer
+ontvangt heden, zooals gij weet, de vreemde gezanten. Ga mee, gij
+kunt er uw plaats innemen onder de officieren van uw rang.
+
+Minder dan toen hij voor 't eerst een doerbar of audientie van den
+Mogel bij woonde werd Siddha, na met Feizi de groote troonhal te
+zijn binnengetreden, en in 't eind ook de Keizer verschenen was,
+door den indruk getroffen, dien al wat hem daar omringde op den
+bezoeker te weeg moest brengen; maar toch kon hij ook nu niet
+nalaten de sierlijke pracht der wit marmeren kolommen en der met
+fraai mozaïekwerk ingelegde wanden te bewonderen en de luchtige,
+fijn gehouwen bogen en de menigte van veelkleurige zijden en
+fluweelen voorhangsels, die in bevallige plooijen tusschen de
+hooge zuilen heen en weder wuifden. Meer nog echter trof hem
+ditmaal de aanblik der vergadering, grooter en plegtiger thans dan
+bij andere, vroegere gelegenheden. Aan 't eind der hal, van boven
+beschenen door een niet te sterk licht, zat de Groote Mogel op
+zijn kostbaren, van edelgesteenten schitterenden troon; aan
+weerszijden, in lange reijen, allen staande, de omrah's en
+oelemah's, de ministers, de veldheeren en alle verdere grooten van
+hoogen rang; voorts de gezanten van verschillende natiën, allen in
+hun bijzondere kleederdragt; daar tusschen de padre's Jezuïeten,
+en eindelijk de mindere beambten en officieren, waaronder ook
+Siddha, overeenkomstig zijn rang, een plaats had ingenomen.
+
+Het voornaamste deel der plegtigheid was de uitwisseling van
+geschenken. De gezanten, en ook anderen, begaven zich ieder op
+zijn beurt tot den Keizer, legden, vóór den troon gekomen, op de
+officiëele wijze de regterhand tegen het voorhoofd en bogen dan
+het hoofd bij wijze van begroeting. Daarop stelden zij de
+geschenken, die zij medebragten, meest kostbare voorwerpen van
+kunst, aan de eene zijde van de trappen der verhevenheid waarop de
+troon geplaatst was, en namen dan de tegengeschenken in ontvangst,
+die van wege den Keizer hun werden aangeboden. Ook Rodolpho
+Aquaviva begaf zich op zijn beurt tot den Mogol en, een prachtig
+gebonden Latijnschen Bijbel in de hand houdend, wilde hij dien op
+de gebruikelijke wijze nederleggen, toen Akbar zelf opstond, een
+paar schreden voorwaarts deed, en het boek persoonlijk uit handen
+van den zendeling aannam.
+
+--Wij danken u, Eerwaarde Vader!--zeide hij,--voor uw wélgedachte
+geschenk! En wij willen hopen, dat hetgeen wij van onzen kant u
+hebben aan te bieden, ook u niet minder welkom zal zijn.
+
+En van een nevens hem staanden Brahmaan van hoogen rang een
+sierlijk handschrift van vrij grooten omvang aannemend, gaf hij
+dit over aan den Jezuïet, onder bijvoeging van de woorden:
+
+--Het is een handschrift van den Atharva-Yeda, een der oudste
+heilige boeken onzer Indiërs, met daarnevens gelegde Perzische
+vertaling.
+
+Eerbiedig nam Aquaviva het Keizerlijk geschenk in ontvangst, schoon het
+de vraag mogt heeten of hij er zoo bijzonder mee was ingenomen en er
+niet eenige toespeling in zag op het verhandelde ter vergadering van
+den vorigen avond, 't geen te meer waarschijnlijkheid erlangde doordien
+den Keizer steeds vooruit bekend was, welke bepaalde geschenken zouden
+aangeboden worden ten einde de zijnen daarnaar te kunnen inrigten, en
+er alzoo wel eene bepaalde bedoeling in het tegengeschenk moest zijn
+gelegen. Maar wat de padre ook dacht, niet moeijelijk viel te raden hoe
+de zaak door de regtzinnige Mohammedanen zou worden opgevat. En
+werkelijk fronste zich menig voorhoofd in hunne reijen, en niet dan met
+de uiterste moeite kon Abdal Kadir zich weerhouden, openlijk aan zijne
+verontwaardiging lucht te geven. Dat zij niet op den zin van het
+tegengeschenk letten en niet begrepen hoe Akbar juist daarmede te
+kennen gaf, dat hij volstrekt geen partij trok voor de Christenen in
+het bijzonder, sprak wel van zelf; zij zagen alleen op de buitengewone
+eer den Christen bewezen; maar Aboel Fazl, die de zaak beter vatte,
+schudde toch ook, hoewel nauw merkbaar het hoofd; die vrij noodelooze
+uittarting en beleediging van de Mohammedanen door den anders zoo
+verstandigen en humanen Akbar was hem leed, ook al kon hij voor 't
+overige niet geheel ontkennen, dat ze voor hun onhebbelijk gedrag van
+den vorigen avond wel iets hadden verdiend.
+
+Na afloop van de eigenlijke receptie bleef de Mogol nog eenigen
+tijd anderen ten gehoore ontvangen, en liet ook dezen en genen tot
+zich komen om hun openlijk eenige opdragt te geven of met een of
+ander ambt hen te bekleeden. Zou in 't eind ook onzen Siddha, dien
+zijn altijd scherp oog daar onder zijne officieren had opgemerkt.
+
+--Siddha Rama!--zeide hij,--wij hebben reden, over u tevrede te
+zijn. En uit aanmerking daarvan zijt gij van heden af Mansabdar
+over duizend. Blijf ons vertrouwen u waardig betoonen!
+
+Een hoog rood overtoog Siddha's gelaat, terwijl hij stilzwijgend
+en op de gebruikelijke wijze diep het hoofd buigend den Keizer
+zijn dank bragt voor de op nieuw hem bewezen gunst. Het vertrouwen
+van Akbar waardig! Kon er één zijn in het leger, die het nog
+minder verdiende? En toch ... zijn land, zijne betrekkingen en--
+Rezia! En de Keizer had immers ook wel eenig belang bij zijne
+spoedig te verwachten medewerking voor de zaken van Kaçmir. 't Was
+dus niet alles edelmoedigheid en gunst! Akbar intusschen zag in de
+verlegenheid van den jongen krijgsman niet dan eene ligt
+verklaarbare en zelfs loffelijke bescheidenheid, toen hij zoo
+openlijk zich geprezen en met gunsten, door de Moslem's hem weer
+benijd, overladen zag, en vriendelijk knikte hij den jongeling
+toe, terwijl hij hem wenkte dat hij zich verwijderen mogt.
+
+Niet lang nu ook of het oogenblik was daar waarop het eigenlijke
+volksfeest een aanvang zou nemen. Daartoe was een uitgestrekt veld
+buiten de stad bestemd; en derwaarts stroomde uit alle straten en
+langs alle wegen eene bonte menigte van voetgangers en ruiters,
+velen te paard, anderen op fraai uitgedoste olifanten, verscheiden
+ook op kameelen met eetwaren en andere ververschingen beladen ten
+gerieve der velen, die kwamen deelnemen aan de vermakelijkheden.
+In dat bont gewoel mengde zich weldra ook Siddha met zijn vriend
+Parviz, dien hij bij 't verlaten van het paleis had ontmoet en die
+hem hartelijk geluk wenschte met zijne nieuwe bevordering.
+
+--En gij,--vroeg Siddha,--hoe staat het met uwe belangen?
+
+--Gij meent waarschijnlijk mijne heel bijzondere, niet waar?--zei
+de andere lagchend,--nu dat gaat nog al. Haar wie mijn hart
+behoort zag ik meermalen in den laatsten tijd, en schoon dat zeer
+in 't geheim geschiedt, heb ik toch reden om te vermoeden dat
+Todar Mal, haar vader, dat heel wel weet en er eigenlijk niets
+tegen heeft, al geeft hij zich natuurlijk den schijn als ware 't
+hem volkomen onbekend. Ik geloof trouwens dat mijn oom Feizi niet
+geheel vreemd is aan die gunstige wending. Zegene hem Allah! zou
+de vrome Abdal Kadir zeggen.
+
+En hier verdwaalde de goede Parviz, zooals te verwachten was, in
+een stroom van lofredenen op de schoonheid en de deugden der
+aangebedene, die voor hem natuurlijk van hoog, maar voor zijn
+toehoorder niet dan van matig belang waren, maar in elk geval
+strekten om de beide vrienden bezig te houden tot zij, al
+voortwandelend, op het feestterrein zelf waren aangekomen.
+
+Ook hier was de aanblik niet minder levendig en ongetwijfeld nog veel
+vrolijker dan te voren die van het uitgestrekte legerkamp. Eene
+onafzienbare menigte bewoog zich in de meest bonte groepen over het
+groote, golvende veld, waar tallooze grootere en kleinere, op allerlei
+wijze uitgemonsterde tenten waren opgeslagen, en vooral ook de vele
+olifanten met hunne logge en meestal donkere ligchamen maar schitterende
+dekkleeden en rijk versierde zetels eene schilderachtige afwisseling
+tusschen de zooveel kleinere gestalten der voetgangers en ruiters te
+weeg bragten. In 't bijzonder trokken de keizerlijke de aandacht, wier
+gouden borst- en hoofdplaten met groote smaragden waren getooid,
+en wier reusachtig ligchaam ook overigens met een schat was
+beladen, die op zich zelf reeds een matig fortuin voor een stil en
+gewoon burger mogt hebben vertegenwoordigd. Op een der aldus
+gesierde vertoonde zich de Groote Mogol zelf, en in 't midden van
+een breeden kring van hovelingen afstijgend, begaf hij zich met
+hen naar de plaats waar de groote plegtigheid van den dag stond
+gevierd te worden, eene plegtigheid evenwel, die meer de opmerking
+verdiende om het zonderlinge dan wel om het indrukwekkende dat
+haar eigen was, en die velen op meer of min gezochte wijze
+getracht hebben zinnebeeldig te verklaren, maar waarvan toch de
+regte beteekenis den geschiedschrijver nog ontsnapt.
+
+Op een kleine verhevenheid bevond zich een vrij omvangrijke en
+sterke weegschaal, waarop een man zich gemakkelijk plaatsen kon.
+In de ééne schaal lagen hoopen goud en zilver en edelgesteenten;
+de andere, nu nog omhoog gehevene, was ledig. Op deze stelde zich
+nu de Keizer zelf ten aanschouwen van de honderden en duizenden
+zijner onderdanen die daar van alle kanten zich in 't ronde hadden
+geschaard; de andere schaal werd zoolang beladen en weder ontladen
+tot zij in evenwigt met den doorluchtigen persoon des Mogols was
+gekomen. En deze toonde wél, zijn redelijk gewigt tegen dat der
+edele metalen te bezitten; jammer maar dat er niet wat anders nog
+in de andere schaal gelegd kon worden, zooals pligt en eer en
+goede trouw en geestdrift voor al wat groot en schoon was; want
+ook tegen dit alles gewogen, ware Akbar voorzeker niet te ligt
+bevonden. Nadat nu evenwel de weging bezwaarlijk anders dan tegen
+iets stoffelijks had kunnen geschieden, stapte hij na afloop
+daarvan bedaard weer van zijn schaal, en het goud en zilver werd
+met het overige onder de omstanders verdeel. Ten slotte begaf zich
+de Keizer tusschen de groepen die hem omringden, wierp onder de
+omstanders een menigte van kleinere gouden voorwerpen, in den vorm
+van bloemen en vruchten gedreven en door zijn dienaren hem
+overgereikt, en rigtte middelerwijl tot dezen en genen, 't zij dan
+hooger of lager gestelde, een minzaam en belangstellend woord,
+waarmede hij velen op nieuw in de overtuiging bevestigde, dat het
+volk in Akbar niet enkel een groot en magtig, maar ook een
+welwillend gebieder had erlangd, wien het heil zijner onderdanen
+meer nog dan zijne eigene grootheid ter harte ging.
+
+Na afloop van de zoogezegd meer ernstige ceremoniën van den dag
+begon de eigenlijke feestvreugde eerst regt, en werden de talrijke
+bezoekers van het terrein met allerlei vermakelijkeden bezig
+gehouden. Hier goochelaars en grappenmakers, die verschillende
+sterke toeren verrigtten en dwaze kunsten vertoonden; ginds
+dansers en danseressen, die met hun gewone langzame bewegingen en
+op de maat eener vrij eentoonige muziek hun meerendeels mimische
+dansen uitvoerden; verder op weer ruiters met lange speren naar
+ringen of andere voorwerpen stekend; en op een enkele plek ook de
+wonderlijke en afzigtelijke vertooning van een paar dier
+vreemdsoortige wezens, die op merkwaardige wijze, alleen Indiën
+eigen, een soort van godsdienstige handeling wisten te verbinden
+met wat men elders kermistoeren noemen zou; nagenoeg gansch naakte
+mannen, die een goede twintig voet boven den grond aan ijzeren,
+met een koord aan 't eind van een bewoegbaar dwarshout bevestigde
+en achter in hunne naakte schouders vattende haken slingerden.
+Vooral hier, waar die vertooning weinig gewoon was, trok zij de
+aandacht van zeer velen; en ook Parviz bleef met belangstelling
+opzien naar het schouwspel, terwijl Siddha, die het elders reeds
+dikwijls had bijgewoond, er vrij onverschillig bij bleef.
+
+--Wat die lieden toch kan bezielen?--zei Parviz tot zijn vriend;--men
+zegt dat ze die pijniging uit godsdienstijver ondergaan, maar
+waarom kiezen ze dan juist een volksfeest er voor uit? Vrolijk is
+de zaak toch niet. En wat ik ook maar niet kan begrijpen, is, dat
+ze na hun vertooning blijkbaar nog ongedeerd zijn en er nauwelijks
+pijn van schijnen te gevoelen.
+
+--Dat kan ik nu van mijne zijde u misschien duidelijk maken,--
+antwoordde Siddha;--gij weet dat dergelijke martelingen als ons
+hier schijnen vertoond teworden, door sommigen onzer godsdienstijveraars
+als verdiensten worden beschouwd, waarmede de hemel te winnen valt; en
+wanneer nu anderen, die de martelaars staan aan te zien, na afloop der
+plegtigheid hun meer of minder geld schenken dan verwerven de gevers
+zich ook een deel van de verdiensten die genen te veel hebben. Vandaar
+dat er nog al winst voor de vertooners te behalen is op plaatsen, waar
+ze veel bijgeloovig volk bijeen vinden. Hier schijnt dat evenwel minder
+te lukken dan in 't oosten en noorden. Wat nu hun kunsten zelven
+aangaat, daarvan is het geheim wel niet met zekerheid bekend,
+maar, naar ik geloof, toch wel eenigermate vermoed. Bedrieg ik mij
+niet, dan voeren zij altijd eenige vrouwen met zich, hoewel deze
+zich niet met hen in 't openbaar vertoonen, en laten zich door
+haar den halven dag en vooral onmiddelijk vóór den aanvang hunner
+kunsten, in en onder de schouderbladen zóólang knijpen dat zij
+bijkans ongevoelig worden op die plek en na lange steeds
+voortgezette oefening de haken er zóó in vatten kunnen, dat ze hun
+geen kwaad en bijkans ook geen pijn meer doen.
+
+--Wonderlijke aardigheden toch!--merkte Parviz op.
+
+--Ja, en ellendige ook, voor zoover ze 't bijgeloof helpen voeden.
+Eerlijke en fatsoenlijke Brahmanen verachten ze dan ook diep. Maar
+hebt ge mij niet gezegd, dat wij een dierengevecht te zien zouden
+krijgen?
+
+--Welzeker! en ik bemerk daar aan de vlaggen ginds dat het haast
+zal beginnen. Laat ons daar heen gaan en er een plaats zoeken!
+
+Die te vinden op de rondom het strijdperk opgerigte en fraai versierde
+tribunes, in wier midden de Keizer zelf met velen zijner hofhouding
+gezeten was, viel den beiden vrienden niet moeijelijk. De teekenen van
+hun rang gaven hun spoedig toegang tot een der kleinere stellaadjen; en
+weldra verschenen nu ook van twee verschillende kanten de beide
+strijdolifanten, elk met een schitterend dekkleed getooid en bereden
+door zijn eveneens kleurig uitgemonsterden kornak. Voorbereiding tot
+den strijd was er weinig. Zoodra de beide geweldige dieren elkaar
+genaderd waren, rigtten ze zich al snuivend op hunne achterpooten
+omhoog, bliezen hunne flanken op, grepen elkander bij de tromp, zoodat
+de eene plotseling als in de andere scheen geslingerd, en trachtten
+elkaar stooten toe te brengen met de lange vooruitstekende slagtanden,
+terwijl hunne berijders nu eens met de knieën achter hunne ooren, dan
+weer met de handen aan de singels der dekkleeden zich wisten vast te
+klemmen. Geruimen tijd duurde het woedend gevecht en met wisselend
+geluk, zoodat nu eens de eene olifant, dan weer de andere
+achteruitdeinsde, tot ten laatste een der beide werd omgeworpen,
+terwijl de kornak met een vluggen sprong veilig op zijne voeten teregt
+kwam. Terstond sloeg nu die van den overwinnaar zijn haak in de altijd
+open gehouden wond bij het oor, en zonder verder zijn gevallen
+tegenstander leed te veroorzaken trad het dier, door de pijn tot
+gehoorzaamheid gedwongen, terug. De Keizer klapte in de handen, de
+hovelingen en andere toeschouwers volgden zijn voorbeeld, en
+langzamerhand verliet men weder de tribunes.
+
+--Akbar schijnt veel belangstelling in dergelijke gevechten te toonen,
+--merkte Siddha aan, terwijl hij met zijn vriend verder wandelde.
+
+--Ja,--antwoordde deze,--dat is zoo. Akbar houdt van alles waarbij
+kracht en behendigheid van menschen of van dieren te pas komt. Hij
+zelf is, gelijk gij ook wel kunt zien, buitengewoon sterk; hij is
+beter misschien dan eenig ander bedreven op alle wapens; en zijn
+persoonlijke moed in den krijg en op de jagt is, zooals gij zeker
+wel vernomen hebt, van dien aard dat daaraan eer de naam van
+roekeloosheid te geven zou zijn. 't Is soms of hij de gevaren
+opzoekt in plaats van ze te vermijden, en zijne veldheeren en
+jagtvrienden hebben menigmaal heel wat met hem te doen als hij
+eens aan den gang is. Nu, van zijn velerlei avonturen zult gij ook
+wel al vrij wat gehoord hebben; sommige, 't is waar, zijn
+overdreven voorgesteld, maar ik weet er toch waarvoor ik zou
+durven instaan. Feizi, die zelf er enkele bijwoonde, zal er u bij
+gelegenheid wel eens van vertellen.
+
+Zoo, onder verschillende gesprekken, wandelde men nog een tijd
+lang voort, en besloot toen de zaak maar voor gezien te houden en
+naar de stad terug te keeren. Eensklaps echter bleef Siddha staan,
+terwijl hij met groote verwondering naar het tentje op den rug van
+een der vele fraai opgesmukte olifanten keek, dat zijn oog daar
+toevallig ontmoette. De vrouw toch, die hij daar nevens een paar
+andere op de zijden kussens zag geleund, en die haar ligten, met
+een schitterenden diamant aan den kleinen tulband bevestigden
+sluijer had ter zijde geschoven, was,--hij kon zich daarin niet
+bedriegen,--buiten allen twijfel niemand anders dan Rezia; en
+naast haar ontwaarde hij ook de hem welbekende dienares. Maar wat
+kwam ze hier uitrigten, zij, die altijd beweerd had, zich met de
+meeste zorg voor het oog van vreemden in hare stille afzondering
+te verbergen? En dat juist op een oogenblik nu zij allen grond had
+te meenen dat Siddha naar het leger vertrokken was! Had zij hem
+dan bedrogen en was zij eene andere dan zij gezegd had te zijn?
+
+Zoo bedaard echter en schijnbaar onverschillig als hem mogelijk
+viel, vroeg hij zijn medgezel, naar Rezia wijzend, die, een
+anderen kant uitziende, hem niet onder de voetgangers opmerkte:--
+Kent gij die vrouw?
+
+--Die daar met den teruggeslagen sluijer en de dienares met den
+waaijer van pauwenveeren nevens haar?--vroeg Parviz,--welzeker!
+zou ik die niet kennen? En 't verwondert mij zelfs dat gij niet
+weet wie zij is. Maar 't is waar, zij vertoont zich niet veel,
+vooral niet in den laatsten tijd. Welnu dan, dat is....
+
+En hier noemde Parviz een naam, waarvan het aanhooren zijn vriend
+een schok deed ondervinden gelijk hij zijn gansche leven nog nooit
+was gewaar geworden, en een gevoel bij hem deed ontstaan als
+bevond hij zich op den uitersten rand van een der hoogste
+rotsklippen in zijne noordelijke gebergten en als stortte hij,
+door eene duizeling bevangen, in den peilloozen afgrond....
+
+--Dat is--zei Parviz,--eene vrouw, van welke gij toch in elk geval
+wel gehoord zult hebben: Goelbadan, de vrouw van Feizi!
+
+
+
+TIENDE HOOFDSTUK.
+
+Verrassingen
+
+--Nu?--vroeg Parviz, verwonderd over Siddha's nog al vreemde
+houding,--wat gaat die naam of die vrouw u aan? Gij zijt toch,
+hoop ik, niet maar zoo in eens bij 't eerste gezigt op Goelbadan
+verliefd geworden? Ik zou 't u trouwens ook niet raden; want
+Feizi, anders de goedheid zelf is gansch niet gemakkelijk als 't
+zijn vrouw geldt, op wie hijzelf nog smoorlijk verliefd is.
+
+--Een voorbijgaande herinnering!--antwoordde Siddha, zoo goed
+mogelijk zich herstellend,--een herinnering opgewekt toevallig
+door een overeenkomst van naam, maar die overigens met de vrouw
+van Feizi niets te maken heeft.
+
+--Des te beter!--hernam de ander, en zwijgend gingen beiden voort.
+
+Alléén te zijn, zoo spoedig mogelijk van Parviz los te komen,--
+geen andere gedachte bezielde voor 't oogenblik diens medgezel.
+Daar zag hij een zijner ondergeschikten op en neder wandelen....
+
+--Vergun mij,--zeide hij tot Parviz,--u voor 't oogenblik vaarwel
+te zeggen, ik heb dien man daar te spreken. Intusschen blijf ik u
+ook ditmaaal weer dankbaar voor uw vriendelijk geleide!
+
+En haastig zijn vriend groetend, wenkte hij den ruiter en was
+spoedig met hem in een gesprek over dienstzaken, maar dat hij even
+snel weer afbrak zoodra Parviz uit het gezigt was.
+
+Toen snelde hij heen met rassche schreden. Waarheen? Hij wist het
+niet. Maar hij liep voort, altijd voort, denkend, droomend, als in
+een roes van dronkenschap.
+
+Goelbadan, de vrouw van Feizi! Verraad alzoo, schoon ditmaal
+onwetend, maar dan toch van de allerergste soort, jegens den man,
+die op de meest belangelooze wijze zich hier, in den vreemde, zijn
+opregten vriend had betoond, en hem voorregten had verzekerd
+zooals geen ander in zijne plaats zonder dergelijke bescherming
+ligt verworven zou hebben; verraad jegens den Keizer, die hem met
+onverdiende en onverwachte gunsten overladen had; verraad en
+schandelijke ontrouw jegens haar, wie hij eenmaal zijn hart had
+gewijd en zijn ridderwoord verpand; alles om die ééne, eenige, die
+hem bedroog, die hij verachten moest, en toch--boven allen en
+alles nog bleef beminnen! Wat echter te doen? De pligt, de eer
+gebood, en sprak luide genoeg. Alleen de vlugt, en een overhaaste,
+kon uitredding geven. Want hij gevoelde 't maar al te wel: te
+toeven was anders niet dan op nieuw zich op den rand te begeven
+van den bodemloozen afgrond. Maar zoo plotseling, zonder eenige
+voorbereiding, zonder verklaring haar te verlaten, die, al was ze
+zwak, toch wel getoond had hem lief te hebben en, al misleidde ze
+hem, toch ook eigen eer en pligt hem ten offer had gebragt, was
+dat goed gehandeld, was het redelijk, was het--hem doenlijk? ...
+
+Lang dwaalde Siddha nog rond, nauw wetend werwaarts hij zijne
+schreden rigtte. Ten laatste bevond hij zich, opziende, in de
+onmiddelijke nabijheid der stad, en niet ver van de plaats waar de
+woning van Rezia,--die Rezia van vorige, gelukkiger dagen,--
+gelegen was, en die, hij moest het zich nu wel herinneren, aan de
+meermalen, doch van een geheel andere zijde door hem bezochte
+villa van Feizi grensde. En de avond begon te vallen. Het was het
+uur, waarop hij gemeenlijk zich naar den tuinmuur begaf en op het
+aan de dienares welbekende teeken werd toegelaten in de laan naar
+het paviljoen. Eenige oogenblikken nog en hij stond weer vóór
+denzelfden muur, en gaf het signaal, en snelde, nadat de kleine
+poort zich weer geopend had, naar binnen.
+
+Op den divan bij de galerij lag Rezia, of Goelbadan nu, als te
+voren uitgestrekt in behagelijke rust, aan geen Siddha voor 't
+oogenblik meer denkend, dien ze reeds op weg naar het leger
+waande. Daar stormde op eens, door niemand aangemeld, de man het
+vertrek binnen, die mijlen ver van daar heette te zijn.
+
+--Hoe? Siddha!--riep zij uit, terwijl zij verschrikt opstond, ik
+dacht dat gij lang vertrokken waart!
+
+--Rezia! Goelbadan!--sprak Siddha met schijnbare bedaardheid,--ik
+ken u thans. Gij hebt mij misleid, mij en den man aan wien ik
+zooveel, zoo niet alles, hier te danken heb. Ik kom u vaarwel
+zeggen. De eer gebiedt mij u te verlaten, en ik weet dat ik het
+niet zou kunnen zonder u te ontvlugten. Morgen, heden nog vertrek
+ik om nimmer Agra weer te zien, noch ook u!
+
+In een oogwenk en nog eer Siddha eindigde had Feizi's eehtgenoote
+alles begrepen. Zij had, volkomen overtuigd dat haar minnaar met
+zijn ruiters vertrokken was, geen reden gevonden om zich niet in
+'t openbaar te vertoonen of, bij het feest verschijnend, zich, als
+anders, zorgvuldig gesluijerd te houden. Dáár alzoo moest ze door
+hem zijn herkend en haar ware naam hem door iemand zijn
+medegedeeld. De zaak was te duidelijk om veel nadere verklaringen
+te behoeven. Maar verklaringen in dit oogenblik te vragen lag
+bovendien niet in hare taktiek.
+
+Met hare zachte blauwe oogen zag zij vluchtig doch smeekend tevens
+haar minnaar aan, en hief de handen gevouwen omhoog; toen wankelde
+zij en zeeg, zonder een woord te spreken, op den divan neder,
+terwijl zij haar gelaat in de kussens verschool.
+
+Een tijdlang bleef Siddha zwijgend op haar nederzien. Zóó schoon,
+zóó onweerstaanbaar verleidelijk had die bevallige gestalte hem
+nog nooit geschenen als juist nu, nu hij voor goed had besloten
+haar nimmer terug te zien; en onvergetelijk, hij gevoelde het, zou
+hem ten allen tijde die laatste blik zijn, dien hij daareven nog
+had opgevangen.
+
+Maar:--heen!--zoo klonk het in zijn binnenste,--snel heen! En geen
+redeneringen en geen verder afscheid meer, of het is te laat om de
+betoovering, die zoo straks geweken scheen, te ontkomen!...
+
+Daar hief zij langzaam het hoofd op, en schoof de weelderige
+lokken ter zijde, die om haar voorhoofd golfden, en streek zich
+met de hand over 't gelaat, als iemand die uit een diepen slaap of
+uit een bezwijming ontwaakt.
+
+--Rezia!... laat mij nog eenmaal u zoo noemen!...--sprak Siddha
+weder,--verzwaar mij het afscheid niet dat ik gemeend had u te
+moeten brengen, omdat een verlaten voor altijd, zonder eenige
+voorbereiding, mij een onridderlijke handelwijze scheen. Maar dat
+de scheiding voortaan onvermijdelijk is, zult gij, ik vertrouw
+het, mij aanstonds wel toegeven. Onwetend heb ik de gastvrijheid
+geschonden en belangelooze vriendschap met den grofsten ondank
+beloond. Willens en wetens dat te blijven doen, ware wel 't ergste
+aller misdrijven.
+
+--Gij hebt gelijk, mijn vriend!--antwoorddo Rezia gelaten en met
+zachte stem,--eene scheiding, dat gevoel ik maar al te zeer, moet
+u onvermijdelijk voorkomen. Ik vreesde, ik vermoedde het vóór
+lang, en daarom bleef ik ook zoolang veinzen tegenover u. Doch
+hoor mij nog een enkel oogenblik aan, eer ge mij voor altijd
+verlaat, opdat ge mij eenmaal niet met al te groote minachting
+moogt herdenken; en verneem wat ik, niet tot verdediging maar dan
+toch tot verontschuldiging van mijn gedrag heb aan te voeren! Ik
+misleidde u, het is waar, en zelfs meer dan eens. Ik begon reeds
+met u te misleiden den eersten keer dat ge mij zaagt. Ik had, maar
+zonder door u te zijn opgemerkt, u zeer kort na uwe komst in Agra
+ontmoet; uw uiterlijk voorkomen wekte mijne belangstelling, die
+niet weinig werd vermeerderd door 't geen ik, navragend, omtrent u
+vernam; en toen, onvoorzigtig genoeg! besloten uwe kennis te
+maken, gebruikte ik den naar Kaçmir bestemden brief als
+voorwendsel om mijn inderdaad onberaden doel te bereiken. Waartoe
+onze kennismaking gevoerd heeft, tot hoever mijn zwakheid, mijne
+liefde mij verleidde, helaas! het is ons beiden maar al te wel
+bekend. Maar ik wist toenmaals nog in 't minste niet dat eenige
+band van vriendschap u aan Feizi verbond; en later, toen ik tot
+mijn niet geringen schrik het bemerkte, ja! toen had ik sterk
+genoeg moeten zijn om onze verdere betrekking af te breken,
+althans om u eerlijk te bekennen wie ik was. Maar, ach! ik was
+zwak, Siddha! zwak zooals een vrouw dat zijn kan die bemint, die
+den man harer keuze hartstogtelijk liefheeft. Ik vreesde voor die
+scheiding, die uw eergevoel u als noodzakelijk zou opdringen, en--
+ik zweeg. Kunt gij mij vergeven eer wij voor altijd elkander
+vaarwel zeggen?
+
+En schuchter en als bevreesd nog voor zijn toorn reikte zij hem de
+hand, terwijl zij mat en loom in de kussens terugzonk en tranen
+hare oogen verduisterden. Nog kampte hij met zichzelven. Een
+vreeselijke, een geweldige strijd. Maar te kort, veel te kort van
+duur.
+
+--Rezia!--riep hij eensklaps uit, terwijl hij niet alleen de
+aangeboden hand vatte, maar hartstogtelijker dan ooit de vrouw,
+die hem beheerschte en hem alles deed vergeten, in zijn armen
+sloot,--Rezia! zonder u geen leven meer, geen bestaan, en met u
+geen misdaad en geene schande!...
+
+...Inderdaad, hij had geen onwaarheid gezegd, noch eene overdreven
+spreekwijze gebezigd toen hij eenmaal haar verzekerd had, dat zij
+hem dierbaarder was dan het leven en dierbaarder ook dan zijne
+eer!...
+
+Aan onverwachte ervaringen komt inmiddels soms niet ligt een
+einde. Zoo ook met onzen Siddha. Half verstoord, en half nog
+badend in nameloos geluk, deels zichzelf diep verachtend, en deels
+ook weer juichend in zijn noodlottigen hartstogt, wilde hij,
+eenigen tijd later door de welbekende laan geslopen, de kleine
+poort in den tuinmuur openen, toen deze tot zijne verbazing als
+van zelf openging en een mannelijke gestalte binnentrad, die,
+zonder hem terstond te bemerken, ze weer achter zich poogde te
+sluiten. Een onwillekeurige uitroep van Siddha deed den vreemde
+plotseling omkeeren.... Wie het zijn mogt? Feizi zelf misschien?
+Siddha had zich de tong uit den mond willen rukken om zijn dwaze
+onvoorzigtigheid; maar het was te laat.
+
+--Wat, in den naam van Shaitan! komt gij hier uitvoeren?--riep de
+ander uit, en aanstonds herkende Siddha, zoo aan de stem als ook
+nu in 't schemerdonker aan de gedaante, Prins Selim.
+
+--Dat mogt ik, dunkt mij, met evenveel regt vragen aan u, zoo niet
+met meer!--was het drieste antwoord.
+
+Een kletterend geluid deed Siddha begrijpen dat de Prins de hand
+aan zijn sabel had geslagen, en hij van zijn kant haastte zich
+hetzelfde te doen. Op eens echter liet Selim, een paar schreden
+nader gekomen, en zijn tegenpartij herkennend, het zwaard weer in
+de schede glijden.
+
+--Ha! mijn vriend Siddha Rama!--sprak hij, tot niet geringe
+verbazing van den ander, op vrolijken toon,--zoo betrappen wij u
+dan op uwe nachtelijke avonturen! Nu, een jonkman als gij mag 't
+er wel eens van nemen. Vrees niet dat ik u verraden zal! En
+jaloersch behoeft gij ook niet te zijn. Gij weet wel dat de
+uitverkorene van uw hart, die gij blijkbaar zooeven verlaten hebt,
+eenigermate met onze staatkundige plannen in verband staat; en
+vandaar dat ik haar soms in diep geheim, en dus ook wel eens onder
+deksel van den nacht moet gaan spreken. Ik begrijp evenwel dat ze
+op dit oogenblik minder bereid zal zijn mij over dergelijke dorre
+onderwerpen te woord te staan, en ik zal dus maar 't best doen
+mijn bezoek vooreerst uit te stellen.
+
+En zich omkeerend begaf Selim zich naar 't poortje, en, na Siddha
+eveneens den doorgang te hebben verleend, sloot hij 't weer
+zorgvuldig achter zich toe.
+
+--En nu,--zeide hij, waarschijnlijk gaat gij naar uwe woning,
+links; mijn weg ligt aan den tegenovergestelden kant.--Doch,--
+voegde hij er nog bij, terwijl hij gereed stond zich te
+verwijderen, en Siddha, niet wetend wat te antwoorden, hem
+stilzwijgend aanhoorde,--laat deze ontmoeting een geheim blijven
+tusschen u en mij! Dat is in ons beider belang. En zonder meer
+verdween Selim in het duister, terwijl de ander nog geruimen tijd
+als verbluft staan bleef.
+
+--Een goede dienst, die hij mij daar toevallig bewezen heeft!--
+mompelde de prins in zichzelven, terwijl hij zich verder spoedde;
+--hij stelt mij in 't bezit van een geheim dat voor mij van
+onberekenbare waarde kan zijn!... Die slang daar ginds zal ik
+nader wel vinden!...
+
+'s Anderen daags dwaalde een van Selim's vertrouwden rondom het
+buitenverblijf en stond weldra in een verborgen hoek met de
+dienares van Goelbadan te praten. Spoedig was de koop, dien hij
+had voor te stellen, gesloten; en de dienares toonde zich volkomen
+bereid, de geheimen harer meesteres te verraden. De Prins toch kon
+natuurlijk meer betalen dan deze en Siddha te zamen. Den avond van
+denzelfden dag meldde zich de dienares aan het paleis, werd
+terstond door den vertrouwde ontvangen, stelde hem een paar, in
+den vorm van brieven gevouwen papieren ter hand, en haastte zich
+toen met den ontvangen prijs naar de woning harer meesteres terug.
+Een dag later was Selim met klein gevolg weder op weg naar
+Allahabad.
+
+Daar toefde eene eenzaam treurende. Sinds langen tijd reeds had
+Iravati niets meer van haar verloofde vernomen. In den beginne,
+kort na zijne aankomst in Agra, had hij, ze herinnerde 't zich
+telkens, haar nog een paar brieven toegezonden, overvloeijende als
+vroegere van betuigingen zijner liefde en onwankelbare trouw;
+daarna had zij geen letter meer van hem ontvangen, terwijl haar
+door anderen toch werd medegedeeld dat hij zich volkomen wél
+bovond en hoog in eer en in de gunst des Keizers begon te stijgen.
+Wat dan de reden van zijn voortdurend stilzwijgen kon zijn? Een
+vreeselijke twijfel begon nu hoe langer hoe meer zich meester te
+maken van haar gemoed; maar telkens ook wist zij dien wederom te
+onderdrukken en op nieuw zich te sterken in het vertrouwen, dat
+zij in de eer en het woord van haren Siddha bleef stellen.
+
+Eens, toen zij deels weer in mijmering verloren een boek
+doorbladerde dat zij vroeger, nog in Kaçmir vertoevend, met haar
+verloofde gelezen had, kwam de trouwe Nipoenika haar storen en
+naderde haar met bedrukt en onheilspellend gelaat, haastig eerst,
+maar straks weer weifelend, als aarzelde zij of ze spreken of
+zwijgen moest.
+
+--Welnu?--vroeg Iravati,--wat komt gij mij melden? Mij dunkt, gij
+brengt mij slechte tijding.
+
+--Helaas, mijne jonkvrouw!--antwoordde de dienares,--ik zou
+wenschen dat ik een slot mogt leggen op mijn mond; en toch mag ik
+u niet onkundig laten van 't geen mij daar straks werd meegedeeld.
+Het betreft u zóó na, dat ik niet zou wagen het gansch te
+verzwijgen.
+
+--Zoo spreek dan, en onverholen!--gebood Iravati,--ik ben bereid
+aan te hooren wat gij te zeggen hebt.
+
+En nu verhaalde de vertrouwde, hoe zij van een krijgsman, die uit
+Agra kwam, het een en ander omtrent Siddha vernomen had. Eerst
+sprak zij in meer of min bedekte termen; daarna duidelijker;
+eindelijk kwam alles voor den dag wat Selim zelf omtrent het
+avontuur met de vrouw van Feizi had weten te ontdekken. De
+uitwerking van het verhaal was zooals de andere gevreesd had. Als
+wezenloos zat Iravati voor zich uit te staren, en lang had
+Nipoenika opgehouden te spreken eer zij eenig antwoord gaf. Toen
+sprong zij eensklaps op, en vroeg met een haar ongewone drift:
+
+--Wie heeft u dat alles verteld? Wie was die krijgsman? Spreek de
+waarheid! En geen omwegen, verstaat gij?
+
+--Edele jonkvrouw!--antwoordde Nipoenika,--hoe zou ik u durven
+misleiden en welk belang kon ik er ook bij hebben? De man, die mij
+verhaalde wat ik u heb medegedeeld, was een dienaar van den
+Kroonprins.
+
+--Dan is alles ook gelogen!--riep Iravati uit,--ik begrijp de zaak
+volkomen. Welk een verachtelijk middel!--voegde zij in zichzelve
+er bij; en daarop weder tot hare dienares:--Het is wél, mijn goede
+Nipoenika! Ik dank u voor uw berigt, dat gij, ik betwijfel het
+niet, mij enkel uit wezenlijke belangstelling hebt overgebragt.
+Maar ik hecht er niet aan, nu de bron mij bekend is, waaruit het
+voortkwam. Laat mij voor 't oogenblik echter alléén, en moei u in
+'t vervolg niet al te veel met dien man, die u met die praatjes
+heeft bezig gehouden!
+
+Toch had de wél gerigte pijl beter getroffen dan Iravati tegenover
+zichzelve en haar vertrouwde wilde toegeven, en toen deze zich had
+verwijderd zat zij nog lang, het hoofd in de hand geleund, over de
+mogelijkheid en waarschijnlijkheid van het gebeurde na te denken.
+Wederom echter voelde zij haar moed herleven toen zij na eenigen
+tijd, haar vertrek verlaten hebbend, in een der galerijen Prins
+Selim zelf ontmoette, van wiens terugkomst haar tot dusver niets
+was gemeld. De zaak was duidelijk. Hij en niemand anders had
+inderdaad, gelijk zij aanstonds reeds vermoedde, het gansche
+lasterlijke verhaal uitgedacht om haar, zoo mogelijk, van Siddha
+te vervreemden. Een koele en met zekere minachting tevens niet
+onvermengde hoofdbuiging was het eenige, waarmede zij zich
+verwaardigde den eerbiedigen groet van den hoogen bezoeker te
+beantwoorden.
+
+--Iravati!--sprak deze, nader tredend,--gij mogt reden hebben u te
+verwonderen over mijn terugkeer in dit paleis na ons laatste, voor
+mij zoo ontmoedigend onderhoud, indien niet hetgeen ik door uwe
+getrouwe dienares u liet meedeelen, omdat ik niet persoonlijk de
+overbrenger wilde zijn, u daaromtrent eenige verklaring gaf.
+
+--Ik begrijp zeer goed,--antwoordde Iravati zonder blijk van
+toorn, maar ook zonder omwegen,--dat laster door u te baat is
+genomen, waar u blijkt dat overreding onvermogend is. Toch had ik
+zoo iets niet verwacht, vooral niet van u.
+
+--Laster!--hernam Selim,--ja, dat ware inderdaad al een heel
+verachtelijk middel om het doel van mijn vurige, doch zoo ik meen
+toch geenszins ongeoorloofde of ook beleedigende wenschen te
+bereiken. Maar daarenboven een zeer ijdel. Want welke waarde zoudt
+gij aan dergelijk los daarheen geworpen verhaal, een eenvoudig
+praatje, kunnen hechten, indien de waarheid niet door bewijzen kon
+worden gestaafd?
+
+--Hoe nu? Bewijzen? Wat bedoelt gij?
+
+--Ik bedoel die soort van bewijsstukken, waartegen zelfs de
+strengste en meest nauwlettende regter niets zou hebben in te
+brengen. Gij kent natuurlijk het schrift en de hand van Siddha,
+niet waar?
+
+--Ongetwijfeld!
+
+--Welnu, zie deze brieven dan!--En Selim overhandigde haar de
+beide in briefvorm vervatte stukken papier, welke de vertrouwde
+van Goelbadan, na ze behendig aan haar meesteres te hebben
+ontstolen, hem verkocht had; vlugtig geschreven, hartstogtelijk
+gestelde, met allerlei uitroepen en betuigingen van liefde
+vervulde en hier en daar ook met een paar versregels doorspekte
+brieven van Siddha, waarin de naam der aangebeden Rezia herhaalde
+malen voorkwam.
+
+Haastig las Iravati dat alles, terwijl het haar voor de oogen
+begon te schemeren. En zij las en herlas, en keerde de brieven om
+en om, en bezag ze van alle kanten, tot zij ze eensklaps uit de
+hand liet vallen en, hare bezinning verliezend, bewusteloos ware
+neergestort, indien niet Selim haar snel had ondersteund en op een
+nabijzijnde rustbank had nedergevleid.
+
+Eene zwakke zenuwachtige maagd was Iravati echter, hoe innig en
+onbegrensd ook hare liefde, niet. Daar vloeide haar door de aderen
+nog het bloed van een voormalig krachtig ras, van een oud
+heldengeslacht, en spoedig rees zij weder op en stelde zich
+tegenover den Prins, tewijl zij met vastheid hem in de oogen zag.
+
+--Mijn lot,--sprak zij,--is beslist, indien, gelijk ik nu wel moet
+aannemen, werkelijk waar is wat mij werd verhaald. Eene andere
+heeft bezit genomen van het hart, dat tot heden mij behoorde en
+mij alleen. Het zij zoo, al wordt het mijn dood! Doch meen niet,
+gij Vorst, die over alles te gebieden hebt behalve over een
+vrouwenhart, dat daarmede u den weg zou zijn gebaand, dien gij met
+uwe ontdekkingen reeds zaagt geopend! Meen niet, dat mijne
+gelofte ijdel is geworden omdat het woord van trouw aan de andere
+zijde verbroken werd, zoolang het mijne mij niet is teruggegeven!
+
+--Hoe nu?--riep Selim in verbazing uit,--de minnaar, wiens ontrouw
+u thans wel gebleken is, verlaat u en offert u op aan eene andere,
+en gij zoudt u niet vrij achten en niet mogen luisteren, ik zeg
+niet terstond, maar eenmaal welligt, als de vroegere herinnering
+verzwakt en eindelijk verdwenen zal zijn, naar hem, die u boven
+allen en boven alles lief heeft en magt en eer, zooals geen ander
+die bieden kan, aan uwe voeten legt?
+
+--Selim!--antwoordde Iravati zacht, terwijl ze zich tot geregeld
+denken dwong,--gij verstaat mij niet en gij kunt mij misschien ook
+niet verstaan. Gij kunt ons, Indische vrouwen, niet begrijpen,
+zoozeer verschillend van die, waaraan gij anderen gewoon zijt. Het
+hoogste geluk voor eene vrouw schijnt u, en zoo schijnt het
+werkelijk ook velen, de begunstigde Sultane van een magtig
+heerscher te zijn. En gij meent ook dat het genoeg is, eene onzer
+van de ontrouw haars minnaars te overtuigen, om haar terstond alle
+gedachten aan den onwaardige vaarwel te doen zeggen.
+
+--En is dat dan niet overvoldoende?
+
+--Onze vrouwen--was het antwoord--kennen die verlokking van
+grootheid niet, waar het haar pligt betreft en hare eer; en den
+echtgenoot, of, wat hetzelfde zegt, den plegtig verloofden
+bruidegom, wien zij eenmaal haar woord verpandden, blijven zij
+getrouw, ook al zien zij hare liefde met ontrouw beantwoord. De
+gehechtheid der vrouw aan den man weet bij ons van geene grenzen;
+of is u niet bekend genoeg, hoe vele, laat zoo iets nu te
+verwerpen zijn als een gevolg van bijgeloof of van overdreven
+gevoel, zich volkomen vrijwillig en met de grootste geestdrift op
+den brandstapel werpen, die het lijk van den gestorven echtgenoot
+verteert? En hebt gij ook nooit gehoord van onze heilige legenden
+en riddersagen, die de toewijding der echtgenoote, ook aan den
+onwaardige, schilderen? Van de roerende lotgevallen der edele
+Damayanti kwam u zeker wel 't een en ander ter ooren. Welnu! voor
+zooveel in mij is, wil ook ik eene Damayanti zijn! Dat Siddha mij
+verlate, ik zeg het als zij: het is de booze Kali, die in hem is
+gevaren en hem tot kwaad verlokte, niet hijzelf die zoo grievend
+leed over mijn hoofd bragt. En als de betoovering van hem zal
+geweken zijn, dan keert hij, een andere Nala, tot mij terug, en
+rein van elke smet vinde hij mij weder en overtuige zich dat ik
+beter nog dan hijzelf voor de eer heb gewaakt van zijn naam!
+
+--Ik liet u gaarne--hernam Selim na een oogenblik gezwegen te
+hebben,--die gelukkige hoop op zijne terugkomst, hoezeer ze mij
+ook smarten moest. Doch vlei u niet met dergelijke verwachting!
+Geloof mij, ik ken die vrouw, in wier strikken hij verward is
+geraakt; ikzelf, ik heb haar bemind tot op het oogenblik dat ik u
+aanschouwde; en ik weet dat zij onweerstaanbaar blijft zoolang
+geen andere en reiner liefde den hartstogt komt verdringen, dien
+een man eenmaal voor haar gevoelt. Geloof mij, zeg ik! geen
+verleidelijker vrouw ken ik dan deze, gelijk ik geen reinere en
+geen edelere ken dan u!
+
+--Prins!--zeide Iravati op deze hernieuwde verklaring,--ik wil u
+smeeken om ééne gunst voor heden, al schijnt u 't verzoek ook
+onheusch. Laat mij voor eenige oogenblikken over aan mij zelve! Ik
+gevoel thans werkelijk behoefte, na al wat ik vernemen moest, om
+alléén te zijn. Een ridder, een edelman zooals gij, zal, ik
+vertrouw het, mij dit niet willen misgunnen.
+
+--Ik ware--antwoordde Selim,--den naam onwaardig dien gij mij
+toekent, als ik een oogenblik langer van uwe goedheid misbruik
+maakte. Ook is verdere aandrang van mijne zijde, ik gevoel het
+maar al te wel, voor het tegenwoordige niet alleen onnut, maar in
+mijn eigen nadeel. Ik gehoorzaam dus aan uw verlangen.
+
+En zich omwendend verliet hij, schoon met loome schreden, de
+galerij.
+
+Maar toen hij was heengegaan ontzonk Iravati ook de kracht, die
+haar standvastigheid deed betoonen tegenover hem, en uitgeput zeeg
+zij op de rustbank neder, en, het gelaat met de handen bedekkend,
+weende zij bitter.
+
+Kortstondig echter was hare betrekkelijke rust, en verschrikt zag
+zij op, toen na eenigen tijd zich weer een voetstap in de
+nabijheid deed vernemen. Het was Salhana, die haar naderde.
+
+--Mijne dochter!--sprak hij, met meer zachtheid in zijne stem dan
+zij tot dusver zich herinnerde nog ooit bij hem te hebben
+opgemerkt,
+
+--Ik weet wat uwe gedachten bezig houdt en u 't hoofd laat buigen onder
+leed. En ik wist ook reeds vroeger wat u heden werd medegedeeld. Ik had
+de trouweloosheid van Siddha ginds in Agra reeds ontdekt, maar bleef
+alles voor u verbergen tot de tijd zou zijn gekomen waarop te spreken
+pligt mogt worden. Hoe het zij, alles is u thans bekend. En nu, gij
+zult het, vertrouw ik, wel inzien, nu gebiedt u de achting die ge
+uzelve niet alleen, maar ook mij en mijn huis verschuldigd zijt, alle
+herinnering aan dien man te bannen, die op zoo smadelijke wijze de
+nadere verbindtenis met ons geslacht verworpen heeft.--Neen, hoor mij
+aan!--vervolgde hij, toen hij Iravati gereed zag te antwoorden;--geloof
+mij, ik gevoel diep, innig medelijden met u in dit noodlottig
+oogenblik; maar ik mag daarom niet nalaten u te herinneren wat eene
+dochter van onzen edelen stam aan hare eer en haar goeden naam
+verschuldigd is. Tevens echter wil ik, hoewel in geheim, u iets
+mededeelen wat ik eveneens ontdekte, en dat, zooal niet aanstonds de
+wond zal heelen die u geslagen werd, dan toch in 't eind u tot troost
+zal strekken. Eene heerlijke, eene schitterende toekomst wacht u nog,
+Iravati! Wat voor elke vrouw in gansch Hindostan het begeerlijkst lot
+mogt zijn, kan het uwe worden. Prins Selim,--ik vermoedde 't sinds lang,
+en toen ik hem onlangs de gelegenheid gaf zich te verklaren, bekende hij
+'t mij ook,--Prins Selim bemint u en begeert u tot zijne echtgenoote!
+
+--Dat weet ik,--antwoordde Iravati.
+
+--Gij weet het? En hoe?
+
+--De Prins zelf heeft het mij verklaard, ook heden nog.
+
+--En uw antwoord?
+
+--Ik heb het vereerend aanbod afgeslagen.
+
+--Hoe! Wat?--riep Salhana met de grootste verbazing en ergernis
+uit,--afgeslagen? Zijt gij zinneloos?
+
+--Ik geloof het niet. Maar ik ben immers verloofd aan Siddha.
+
+--Wel! wat kan dat nu uitmaken? Gij zijt immers nog vrij in uwe
+keuze. Gij zijt zijn vrouw nog niet.
+
+--Neen, maar wat voor mij in dit geval hetzelfde is, ik heb hem
+trouw gezworen, en hijzelf ontsloeg mij nog niet van die gelofte.
+
+--Laat dat zijn! 't Kon vroeger misschien nog gelden. Maar nu? Hij
+zelf heeft immers zijn trouw gebroken en u daarmee reeds ontslagen
+van uw woord.
+
+--Zoo mogen anderen er misschien over denken, die in andere
+begrippen zijn opgevoed dan ik. De mijne echter verbieden mij te
+doen wat gij verlangt. En zoo die begrippen voor 't oogenblik aan
+uwe plannen in den weg staan, wijt het, mijn vader! aan uzelven,
+die mij eenmaal daarin hebt doen opvoeden. Bovendien, ik wil er
+geen geheim van maken, nog blijf ik Siddha beminnen in weerwil van
+zijn handelwijs, en een ander zou ik nooit kunnen liefhebben na
+hem.
+
+--Maar er behoeft hier immers ook geen sprake te zijn van liefde!
+Het is genoeg dat Selim u bemint, en dat gij gebruik kunt maken
+van den invloed dien gij op hem hebt. Maar dat schijnt gij nu niet
+te verkiezen, eenvoudig om een gehechtheid aan allerlei overdreven
+en lang verouderde voorstellingen en een dwazen hartstogt voor een
+onwaardige. Bedenk echter wat gij verwerpt, indien gij blijft
+volharden in uwe onzinnige weigering! Een Koningrijk wordt u
+aangeboden, een rijk waarvan de wedergade nauw in de wereld valt
+aan te wijzen, en gij stoot het verachtelijk van u af, enkel om
+een droombeeld, een gril.
+
+--'t Mag zijn dat ik ongelijk heb,--antwoordde Iravati gedwongen
+bedaard, terwijl haar vader zich al meer begon op te winden,--maar
+uwe voorspiegelingen zullen mij daarvan niet overtuigen. Ze werden
+mij eveneens en beter nog, door den Prins zelf gedaan, maar konden
+mij evenmin van besluit doen veranderen.
+
+--Uw besluit schijnt dus te zijn, den wil van uw vader te weerstaan?
+Mij dunkt, dat komt toch ook niet overeen met die beginselen waaraan
+gij zoo gehccht zijt, en die toch gehoorzaamheid van het kind aan zijne
+ouders tot een der eerste pligten maken.
+
+--Zeker, maar niet wanneer die pligt met een nog hoogeren in strijd
+geraakt. Hoezeer 't mij ook leed is dat ik u niet mag gehoorzamen, ik
+mag nu eenmaal niet en ik kan niet.
+
+--Doch 't is u dan toch bekend dat een vader ook regten over zijn
+dochter heeft en de magt bezit om haar des noods tot gehoorzaamheid te
+dwingen.
+
+--Dat is mij volkomen bekend; maar ik weet ook, dat dwang hier tot
+niets zou dienen. Want als ik mij werkelijk tot een huwelijk met
+Selim noodzaken liet, zou ik juist alle waarde voor hem hebben
+verloren en van mijn invloed ook geen gebruik meer kunnen maken.
+Dat weet hij zelf volkomen, en denkt dus aan geen dwang. Indien
+hij daartoe besluiten wilde, hij zou uwe tusschenkomst niet eens
+van noode hebben. De troonopvolger van Akbar is magtig genoeg om
+zijn wil tegen den mijne en ook tegen den uwe door te zetten, als
+hij verkoos.
+
+Salhana balde zijne vuisten en beet van ongeduld op zijn knevel.
+Aan alle kanten geslagen! En door wie? Door een eenvoudig meisje,
+dat hij tot nog toe als het zachtzinnigste en onderdanigste wezen
+had gekend! Al zijn heerlijke plannen van den laatsten tijd, al
+zijn schitterende vooruitzigten door dat eigenzinnige, nu
+weerbarstige kind vernield! Hij had gedroomd, nu niet meer van een
+onderkoningschap alleen, maar van niets minder dan de hoogste
+plaats na den Keizer zelven in het rijk; hij zag zich reeds in
+Agra als Groot-Vizier nevens den troon, en vorst en land
+beheerschend door zijne dochter, oppermagtig gebieder over al die
+rijken en volken, zoo niet in naam dan toch metterdaad....
+
+--Welnu!--riep hij eindelijk na eenig stilzwijgen uit, terwijl hij
+in dreigende houding zich tegenover Iravati plaatste,--gij
+verkiest naar rede niet te luisteren, en voor dwang zijt gij niet
+bevreesd. Maar misschien toch wel voor iets anders. Wel dan
+misschien voor den vloek van een vader!
+
+--Het leed dat mij reeds is opgelegd,--antwoordde Iravati,--zou
+er door verdubbeld worden; maar ik zou kracht zoeken om den last
+te dragen zonder te bezwijken. En moest dit, welnu! dan geschiede
+wat mij is voorbeschikt.
+
+--Gij zijt moedig,--sprak nu Salhana op kouden, maar tevens ietwat
+sarcastischen toon,--of althans gij tracht het te zijn. Ik wil
+evenwel gelooven dat gij niets voor uzelve vreest; maar zijt gij
+wel zoo zeker dat uwe halstarrigheid niet soms ten nadeele mogt
+komen van dien Siddha, dien gij erkent nog lief te hebben, en dat
+de Prins uwe weigering niet op hem soms wreken mogt?
+
+De laatste slag scheen doel te hebben getroffen. Als in wanhoop
+hief Iravati de handen omhoog, en liet ze toen magteloos weer
+zinken, terwijl haar hoofd zich voorover boog op hare borst. Met
+een hatelijk zegevierenden glimlach zag Salhana haar aan. De
+overwinning dan was eindelijk toch behaald, de zege hem, de kracht
+der onverzettelijke was gebroken!...
+
+Daar rigtte zich de fiere jonkvrouw uit haar gebukte houding weder
+op, en Salhana onverschrokken in de oogen ziende, sprak zij, eerst
+met weifelende, daarna met vaste stem:
+
+--Wat gij, vader! daar gezegd hebt, is wreed, gruwelijk wreed, en
+ik kan bijna niet gelooven dat het ernstig gemeend zou zijn. Maar
+al is dat zoo, al is 't een ernstige bedreiging, ook die is niet
+bij magte mij te doen wankelen en mij den heiligen pligt te doen
+verzaken die mij is voorgeschreven. Indien Siddha hier vóór ons
+stond en hij zag mij weifelen en mijne gelofte schenden om hem te
+redden uit gevaar, hij zelf zou mij verachten en het regt hebben
+mij te verstooten. Mijn leven wil ik voor hem offeren; het behoort
+hem; maar niet mijne eer, die eveneens hem toebehoort. Wel weet ik
+dat zijn dood de mijne worden moet; maar wat ons is beschikt,
+vermogen wij niet af te wenden. Laat dan de wraak den onschuldige
+treffen; doch er zal niets bij te winnen zijn, noch voor Selim,
+noch voor u. Gij zoudt een dochter, uw broeder zou een zoon minder
+hebben, dat ware alles, en uwe eerzucht zou toch niet zijn gebaat
+...Maar laat ons dit gesprek afbreken, dat mij in 't eind den
+eerbied kon doen vergeten dien ik u verschuldigd blijf! Doch
+bedenk het, mijn vader! dat ik uwe dochter ben, een jonkvrouw uit
+uw eigen hoog en eeuwenoud goslacht, die zich door niets laat
+dwingen en door niets verschrikken waar het eer en pligt, en den
+man dien zij lief heeft, geldt!
+
+Nog een oogenblik zag Salhana Iravati aan. Daar stond zij voor hem
+in ongebogen houding, hooghartig, uitdagend bijna. De rollen waren
+omgekeerd; de tot nog toe zoo onderdanige dochter scheen te
+gebieden, de trotsche vader tot onderwerping genoopt. Zonder een
+woord te spreken keerde hij zich om en snelde voort met haastige
+schreden, terwijl een uitdrukking van magtelooze woede zijn
+donkere gelaatstrekken verwrong.
+
+
+
+ELFDE HOOFDSTUK.
+
+Tauhid I Ilahi
+
+Vóór en omtrent de winkels en woningen van een der kleinere
+bazaar's van Agra aan de rivierzijde bewoog zich, als gewoonlijk,
+tegen 't vallen van den avond eene bonte, maar overigens zeer
+rustige menigte. Hier en daar zaten in open galerijen en
+vertrekken de spelers met hunne dobbelsteenen om het bord waarop
+ze hun inzet hadden gewaagd; elders dronken soldaten van
+verschillende wapens elkander vrolijk toe, 't mogt dan met wijn of
+met sterker benevelende dranken geschieden; op eene enkele plaats
+lag een eenzame droomer de stille en tijdelijke zaligheden te
+genieten, die een meer of min overmatig gebruik van den opium hem
+verschaffen mogt; en in diepe en ernstige gesprekken zag men
+eenige deftige Musulmannen gewikkeld, die zich voor een enkelen
+keer hadden verwaardigd, aan de rustig gezellige genoegens der
+anders niet weinig door hen geminachte Hindoe's deel te nemen.
+
+--Ja, Ali!--sprak een van die in eigen oog zoo voorname heeren tot
+zijn medgezel,--gij hebt wél gelijk; 't begint van kwaad tot erger
+te komen met Akbar en zijn hof. Wat daar al ongeregtigheden moeten
+gepleegd worden! Dat gaat zoo maar avond aan avond met die, ik ben
+er zeker van, godslasterlijke bijeenkomsten. Zoo kwam ik nog
+gisteren, 't was middernacht ongeveer, langs het paleis; en wat
+meent gij dat ik er zag? Al de vensters van 's Keizers vertrekken
+hel verlicht; alles schitterend van lampen en waskaarsen op
+reusachtige luchters. Maar voor wat? Voor een feest, zooals een
+vorst dat mag en soms ook moet vieren? Neen, man! Alles doodstil,
+behalve nu en dan een statig gezang, een soort van loflied, zooals
+Akbar zelf, naar men zegt, er meer dan een vervaardigd heeft, maar
+dat, hoewel het anders welluidend genoeg klonk, toch niets te
+maken kan hebben met onze heilige godsdienst, waarvoor de Profeet
+geprezen zij!
+
+--En wat beduidde dat, Yoessoef?--vroeg de ander.
+
+--Wat het eigenlijk te beteekenen had,--antwoordde Yoessoef,--
+weet ik u niet met zekerheid te zeggen, maar wel, dat al dat licht
+en dat gezang in verband moest staan met de nieuwe leer, die de
+Keizer in plaats van den Islam wil stellen, en waarin hij zijne
+vertrouwden inwijdt, een soort van vuur- en zonnedienst, die hij
+voornamelijk van onze oude Parsi's en ook van de ongeloovigen
+hier, Allah zij hun genadig! ter kwader uur ontvangen moet hebben.
+
+--Maar wat is dat dan toch eigenlijk voor dienst?--vroeg Ali;--ik
+heb er wel eens van hooren spreken, maar ik weet toch niet regt
+wat het is.
+
+--Heel bepaald--hernam Yoessoef,--weet ik het ook niet; maar dat
+het heel ergerlijk zijn moet, bewijst wel de verklaarde tegenzin
+van alle goedgeloovigen, en onder hen vooral van een man als Abdal
+Kadir, anders ook bij Akbar zelf wel in aanzien, en een groot
+geleerde. Doch wat nu mijn persoonlijke ervaring aangaat, ik heb
+in den laatsten tijd nog wel onrustbarender zaken waargenomen dan
+wat ik u vertelde. Denk eens! niet lang nog geleden zag ik heel in
+stilte, en als was hij voor verspieders bevreesd, een man uit het
+paleis sluipen, dien gij stellig wel kent en dien gij niet ligt
+ontmoet zult hebben of 't werd u koud en huiverig, Gorakh, den
+zoogenaamden Yogi.--Nu,--vervolgde de spreker, terwijl hij zijne
+reeds fluisterende stem nog een toon dalen liet,--weet gij voor
+wien ik dien man aanzie? Regtuit gezegd, als hij de Shaitan zelf
+niet is, dan is hij toch zeker een handlanger van hem; en met dat
+wezen... heeft dan de Keizer een verbond gesloten!
+
+Yoessoef zweeg een oogenblik en met ontzetting staarde zijn makker
+hem aan.
+
+--Behoede ons Allah!--riep hij eensklaps weer uit, terwijl hij
+naar eene langs den waterkant voortschrijdende gestalte wees,--
+daar is hijzelf in eigen persoon! Mogten de wateren der Djoemna
+hem verzwelgen!
+
+En werkelijk vertoonde zich daar weder de Doerga-priester, en
+begaf zich tot een groep Hindoe's en Perzen, die in levendig
+gesprek met elkander waren gewikkeld.
+
+--Nu, en ik zeg u dan,--sprak een dier laatsten,--wij mogen en
+kunnen 't niet langer dulden dat onze heilige godsdienst zoo
+voortdurend en openlijk door een Feizi en een Aboel Fazl, om nu te
+zwijgen van een hoogere, wordt bespot en ten toon gesteld. En 't
+is mij onbegrijpelijk hoe gijlieden, al belijdt gij dan eene
+andere godsdienst, er vrede mee kunt hebben dat men hier alles
+zoekt om te keeren en alles te vernietigen wat u zoowel als ons
+tot nogtoe altijd heilig scheen.
+
+--Maar zóóver zijn we nog niet,--antwoordde de Hindoe;--dat de
+Keizer en zijne getrouwen niet véél meer aan uw Koran hechten, is
+bekend genoeg, en eveneens dat ze daarom onze godsdienst nog niet
+zijn toegedaan. Maar ik heb nog niets van eenig omverwerpen of
+vernielen gehoord; onze tempels blijven als de uwe onaangeroerd,
+en niemand hindert ons in onze godsdienstige praktijken, terwijl
+gij Mohammedanen te voren niet anders deed dan ons plagen en
+vervolgen.
+
+--En dat verdiendet gij ook, gij zonen van....
+
+--Komaan, mannen, geen twist!--sprak tusschenbeiden komend, een
+Perzisch krijgsman;--dat brengt ons toch niets verder.--En meteen
+gaf hij den verbolgen Mohammedaan een wenk.
+
+--Laat het dan zijn!--antwoordde deze, en den Hindoe den rug
+toekeerend, verwijderde hij zich met een paar zijner vrienden en
+den krijgsman die zooeven gesproken had.
+
+Nu mengde zich ook Gorakh in het gesprek en:--'t Is goed, Mobarik!
+--zeide hij,--dat gij daarbij waart. Openlijke twisten konden nu
+gevaarlijk worden. De meeste Hindoe's houden nog de zijde van den
+Keizer. Wekt ze dus niet te spoedig, en zoekt ze voor 't oogenblik
+nog niet te winnen; ze komen toch wel over als de kans begint te
+keeren. Hoever zijt gij inmiddels gevorderd?
+
+--De meeste van onze Mansabdar's zijn gewonnen,--antwoordde
+Mobarik,--en terstond zullen zij openlijk onze zijde kiezen zoodra
+hun het teeken gegeven wordt. Die met het leger meegaan zullen
+daar op het geschikte oogenblik omwenden, en die hier in Agra
+blijven zullen hetzelfde doen. Van hun troepen zijn zij volkomen
+zeker.
+
+Met bijzondere opmerkzaamheid hadden vooral ook twee andere mannen
+geluisterd, die zich intusschen bij de overigen gevoegd hadden,
+en, blijkens de met dezen gewisselde begroeting, mede tot de zeer
+vertrouwden behoorden. Met nog meer belangstelling luisterden zij,
+toen Gorakh met zachte stem hernam:
+
+--Van onze zijde is in de laatste dagen nog eenige verandering in
+het plan raadzaam gekeurd. Wij moeten niet wachten met den slag te
+slaan tot Akbar in het Noorden zal zijn aangekomen. 't Is toch
+altijd mogelijk dat hij, in weerwil van den afval van een deel
+zijner troepen, eene overwinning behaalt; sommige berigten uit
+Kaçmir doen er ons zelfs voor vreezen, en verspreidt zich van zoo
+iets het gerucht, dan valt er hier weinig of niets meer voor ons
+uit te voeren. Wij moeten de zaak dus wat verhaasten, en zoodra de
+Keizer met zijn leger te ver op weg zal zijn om Agra in weinige
+dagreizen weer te bereiken, het plan terstond doorzetten. Is dan
+Selim hier eenmaal tot Keizer uitgeroepen en heeft hij zich in de
+vesting versterkt, dan is er niet de minste twijfel of de
+ontevredenen in het leger zelf keeren zich tegen Akbar, 't geen
+anders, als 't alleen op hen aankomt, naar ons nog onlangs is
+gebleken, in 't geheel nog zoo zeker niet is. Zorg dus, Mobarik!
+en ook gij anderen, dat de onzen bij tijds gewaarschuwd worden en
+behoorlijk gereed zijn het vervroegde plan te helpen uitvoeren!
+
+Na nog eenige nadere afspraken scheidden de bondgenooten en gingen
+ieder huns weegs.
+
+--Dat is gewigtig nieuws!--zei tot zijn medgezel een der beide
+mannen, die zich 't laatst bij de anderen gevoegd hadden, toen zij
+een eind verder waren gegaan.
+
+--Dat zal waar zijn!--riep de ander uit;--en vergis ik mij niet,
+dan zal het Akbar de zaak vrij wat gemakkelijker maken. Jammer,
+dat wij niet dadelijk aan Aboel Fazl rapport kunnen doen; maar wij
+moeten natuurlijk wachten tot den nacht; vóór dien tijd naar zijn
+paleis te gaan, schijnt te gevaarlijk. Ook is hij, geloof ik, op
+dit oogenblik bij den Keizer en wij zouden hem dus niet vinden.
+
+--Ook dunkt mij beter--hernam degene die 't eerst gesproken had,--
+voor 't oogenblik niet langer zamen te blijven. Wij vinden elkaar
+dan na middernacht bij den Vizier terug.
+
+En den anderen groetend, sloeg hij eene zijstraat in, terwijl zijn
+medgezel langs de rivier bleef voortwandelen.
+
+Maar wat er dan 's avonds wel onheiligs en schrikbarends omging in
+die geheimzinnige binnenvertrekken van den Keizer, die naar het
+gevoelen van den vromen Yoessoef en velen zijner geloofsgenooten
+een verbond met geen minder persoon dan Satan zelf gesloten had?
+Dezen avond ten minste zou de regtzinnige Musulman er niets
+bijzonders hebben opgemerkt, hoewel hij zeker nieuwen aanstoot aan
+de gesprekken zou hebben genomen die er worden gevoerd, ten
+minste.... indien hij in staat ware geweest ze geheel te volgen.
+
+Feizi, Aboel Fazl en de vóór eenigen tijd uit het Noorden
+teruggekeerde Brahmaan Koelloeka waren daar met den Keizer bijeen.
+
+--Nog geen nadere berigten van uw spionnen?--vroeg deze aan zijn
+Minister.
+
+--Sinds eergisteren nog niet,--antwoordde Aboel Fazl;--ik verwacht
+hen echter heden na middernacht in mijne woning, en ik onderstel
+dat ze ons wel wat nieuws zullen brengen.
+
+--Treurig toch, niet waar?--hernam Akbar,--dat men zich telkens
+van zulke lieden bedienen moet! Och, waarom zijn de menschen toch
+ook zoo, en maken ze ons 't gebruik van dergelijke middelen
+onvermijdelijk?
+
+--Een noodwendig gevolg--antwoordde de staatsman,--van den
+regeringsvorm die hier nu eenmaal bestaat, en waarin geen verdere
+verandering mogelijk schijnt buiten die welke er reeds in is
+aangebragt. Ontevredenen, ze mogen het dan teregt of ten onregte
+zijn, hebben geen middel om herstel van hunne grieven te erlangen
+waar alle magt in handen van één eenige berust, en die ééne
+oordeelt dat die grieven ongegrond zijn. Eerzuchtigen en
+gelukzoekers bedienen zich dan van hen als hunne werktuigen voor
+geheime plannen, en maar al te ligt laten ze zich daartoe
+gebruiken.
+
+--Maar ik weiger toch nooit de klagten mijner onderdanen aan te
+hooren,--zei Akbar,--en als ze billijk zijn, toon ik mij immers
+ook steeds bereid om herstel aan te brengen voor zoover in mijne
+magt staat.
+
+--Als ze billijk zijn!--herhaalde Aboel Fazl,--ja, maar wie
+beoordeelt dat? De Keizer zelf met zijne raadslieden.
+
+--Maar wat zoudt gij dan willen? We hebben hier wel van staten en
+volken in andere wereldstreken gehoord, waar dat anders ging; maar
+de toestanden van die volken zijn of waren ook gansch andere. Hoe
+willen wij hier met al die verschillende rijken en stammen, die
+aan ons gebied zijn onderworpen, eenigen wezenlijken invloed op
+het bestuur aan het volk zelf verleenen? Daargelaten nog of het
+volkskarakter en 's lands zeden en gewoonten het mogelijk, zouden
+maken.
+
+--Dat is alles volkomen waar,--hernam Aboel Fazl,--maar ik heb ook
+reeds gezegd, dat ik geen verdere verandering wenschelijk of ook
+mogelijk achtte; en zoo ik nu van de bestaande toestanden sprak,
+dan was 't enkel om daaruit tot het onvermijdelijke der middelen
+te besluiten, die wij, om erger te voorkomen, wel genoodzaakt zijn
+aan te wenden. Wat voor 't overige de lieden betreft, die wij
+gewoon zijn met den verachtelijken naam van spionnen te betitelen,
+ze zijn toch niet altijd zoozeer te minachten als 't wel schijnen
+mogt. Althans die beide, die ik nu in 't bijzonder bedoelde, zijn
+wezenlijk eerlijke, door anderen ook geachte lieden en met hart en
+ziel ons toegedaan. 't Is waar, ik zorg dat ze goed beloond
+worden, maar noodig ware dat anders niet; ze zouden ook zonder dat
+ons trouw zijn. En goede diensten hebben ze ons dan ook waarlijk
+wel bewezen; zij ontdekten ons het geknoei van Salhana, den
+Goeverneur van Allahabad, en, wat niet minder waard is, ook de
+geheime gangen van dien Gorakh, den Yogi.
+
+--Ja,--merkte Feizi, misschien wel wat ondeugend, aan,--van dien
+wijsgeer, die een tijd lang ook op de gunst van Zijne Majesteit
+mogt bogen, toen hij nog de geheimen der Yoga-leer beloofde te
+onthullen. Veel is daar echter niet van gekomen voor zoover ik
+weet.
+
+Akbar kleurde een weinig bij die herinnering, die hem weer in de
+gedachte bragt, hoe hij bijna, althans voor een oogenblik, met al
+zijne wijsheid de bedrogene in handen van den slimmen huichelaar
+was geworden; maar ter regter tijd vatte Koelloeka het gesprek
+weer op waar het dreigde te blijven steken.
+
+--En dat is toch werkelijk jammer!--zeide hij;--'t is waar, met
+dien Gorakh behoort men zich niet te veel in te laten; mijn
+voormalige leerling Siddha heeft mij ook wel 't een en ander
+omtrent hem meegedeeld wat tot voorzigtigheid maande. En toch, hij
+weet misschien door overlevering nog meer dan wij omtrent die oude
+en tegenwoordig meest vergeten leeringen ontdekken kunnen.
+
+--Ziet gij wel,--sprak Akbar als zegevierend tot Feizi,--ook onze
+vriend Koelloeka, wien toch anders heel wat Brahmaansche wijsheid
+bekend is, acht die veel besproken Yoga-leer nog lang zoo
+onbelangrijk niet.
+
+--Gaarne wil ik gelooven dat zij veel belangrijks bevat,--antwoordde
+Feizi,--vooral indien onze wijze vriend dat zegt, van wien we reeds
+zooveel wetenswaardigs vernamen. Doch vergun mij, wijze Koelloeka! u de
+vraag te doen, wat gij nu eigenlijk van dat voormalig stelsel zoudt
+verwachten. Voor zoover ik weet is het niet veel anders dan een dwaas
+mysticisme, dat aan zijne adepten eene onmogelijke vereeniging van het
+eindig individu met het oneindig Alzijn belooft, en ten slotte eenvoudig
+op belagchelijke tooverkunsten of, beter nog gezegd, op eenige handige
+goocheltoeren uitloopt.
+
+--Zóó ongunstig--zeide Koelloeka,--denk ik nog niet over het
+systeem van Patandjali, ook al geloof ik geenszins dat het op 't
+bezit eener absolute waarheid zich mag beroemen. Die vereeniging
+met, dat opgaan van het eindige in het Oneindige, van het
+menschelijk bewustzijn in het Alwezen, dat de Yoga beoogd moet
+hebben, is op zichzelf genomen zoo groote dwaasheid niet. Wel
+dwaalt die leer ongetwijfeld, indien zij het middel der beoogde
+vereeniging in eene volkomen oplossing van het bewustzijn, van het
+denken zelf des menschen zoekt, waardoor het individu in een soort
+van extase met het oneindige wezen zou zamensmelten, maar waardoor
+het in waarheid, zoo dat kon, zou eindigen met zich zelf te
+vernietigen. Niet zoo gansch verwerpelijk echter schijnt mij,
+althans voor een deel, het gronddenkbeeld waarvan hier wordt
+uitgegaan. Of blijft het niet altijd eene waarheid, dat de mensch:
+juist omdat hij anders zoo eng bekrompen zich gevoelt, geen hooger
+standpunt van den geest weet te bereiken dan waartoe hij zich
+verheft wanneer hij in enkele te weinig hem gegunde oogenblikken
+zijne eindige persoonlijkheid voelt verdwijnen, om gansch en al in
+hoogere en meer algemeene begrippen op te gaan? Mits die begrippen
+maar geen ledige abstractiën blijven, maar aan het volle en
+krachtige menschenleven zijn ontleend, aan de wetenschap, aan de
+kunst, aan de bespiegeling ook over de maatschappelijke en
+burgerlijke betrekking der menschen onderling. Wat, ik vraag het,
+kunt gij hooger stellen dan een dergelijk zich verliezen van het
+eindig en zelfzuchtig Ik in het wezenlijk algemeene, in het
+algemeen menschelijke, waaraan het individu eerst zijn regten
+levensgeest ontleent en waarin het behoort op te gaan, zal het in
+waarheid aan zijn bestemming kunnen beantwoorden?
+
+--Ziedaar,--sprak Akbar,--een woord naar mijn hart! Maar diezelfde
+gedachte, verloochening der zelfzucht, bezielt ook andere uwer
+oude wijsgeerige stelsels, gelijk ook die nieuwere leer, die de
+zendelingen uit het Westen hier komen prediken. Maar is er toch
+niet iets anders nog, waarop het denken van den mensch en in 't
+bijzonder het wijsgeerig denken zich te rigten heeft? Zoo waar en
+zoo verheven ook die leer der zelf verloochening zijn moge, wat
+meldt zij ons omtrent het eeuwig en oneindig verband der dingen en
+de eenheid, die al het menigvuldige doordringt en zamenvat?
+
+--Inderdaad,--antwoordde de Brahmaan,--den naam van wijsgeer wel
+onwaardig zou hij zijn, die niet dát juist en de daaruit
+voortvloeijende levensbeschouwing en praktische moraal het
+hoofdvoorwerp van alle wijsgeerig denken, den wezenlijken inhoud
+der wijsbegeerte zelve noemde. Maar wie verschaft ons de volledige
+oplossing van het wereldraadsel?
+
+--Zeker niemand,--gaf nu Feizi ten antwoord,--althans tot heden
+niet. Wat latere wetenschap misschien na verre eeuwen nog tot die
+ontraadseling zal bijdragen laat zich heden zelfs in de verte niet
+vermoeden. Maar zouden wij nu voorloopig ons niet tevrede kunnen
+stellen met de overtuiging, die door alle ware wijzen van vroeger
+en later dagen wordt gedeeld, en door den een in meer door den
+ander in minder duidelijke bewoordingen is uitgedrukt, dat er een
+eeuwig en onbegonnen oorspronkelijk leven is in het heelal,
+waaruit en waardoor alles in zijn noodwendig oorzakelijk verband
+wordt zamengehouden; een leven en zijn, waarvan de hoogste wet
+ontwikkeling heet, de ontwikkeling van de steeds lagere trappen
+van het bestaan tot de altijd hoogere? En wat zijn wij dan zelf,
+wij menschen? Immers, even als al wat ons omringt, de verschijnselen en
+openbaringen van dat ééne Alleven en Alzijn zelf, en eveneens bestemd om
+ieder in eigen kring en naar mate van vermogen tot die algemeene
+ontwikkeling mede te werken. En naarmate wij nu levendiger en met steeds
+duidelijker bewustzijn ons dat algemeene, hoogste begrip voor oogen
+weten te stellen, zal ook meer en meer de enghartige zelfzucht op den
+achtergrond treden en plaats maken voor onbaatzuchtige toewijding aan
+het heil van onze medemenschen, van de maatschappij en van den staat.
+
+--Zeer juist gezegd, mijn waarde Feizi!--sprak Akbar weder,--maar
+zoo waar nu dat alles ook zijn moge, voldoet het u geheel, en
+verlangt gij niet soms ook naar iets anders, iets meer?
+
+--Ongetwijfeld,--was het antwoord,--aan dat ééne begrip in zijn
+afgetrokken algemeenheid hebben wij niet genoeg. Wij moeten 't ook
+in zijn bijzonderheden, zijne toepassing leeren begrijpen. Wij
+moeten trachten naar de kennis van dat oneindige leven en dat
+oorzakelijk verband, door de waarneming van de menigvuldige
+verschijnselen zelve. En naar die kennis trachten immers allen,
+die zich toewijden aan de wetenschap.
+
+--Gij begrijpt mij nog niet volkomen,--hernam de Keizer;--wat gij
+daar gezegd hebt, wil ik u eveneens toegeven; maar wat ik nu
+eigenlijk bedoelde, is dit. Heeft dat Alzijn, waarvan gij spreekt,
+zijn grond in zichzelf of in een nog hooger, intelligent bestaan?
+
+--Intelligentie, denken,--antwoordde de ander,--is een noodwendige
+eigenschap van het Zijn, even als datgene wat wij gewoonlijk stof
+noemen of uitgebreidheid eene andere is. Beide zich uitend en zich
+openbarend in die oneindige wijzigingen, die wij verschijnselen
+heeten. En hoe zou nu datgene wat een eigenschap is van iets,
+tegelijk de grond of de oorzaak van datzelfde kunnen zijn?...
+
+Eenige oogenblikken heerschte er volkomen stilzwijgen. De Keizer
+zocht naar een antwoord, maar schudde het hoofd en zeide niets.
+
+--Mijn waarde broeder! sprak nu Aboel Fazl, het woord tot Feizi
+rigtend,--uwe redenering schijnt mij volkomen logisch, en toch
+voldoet ze mij nog evenmin als, geloof ik, onzen geëerbiedigden
+Keizer. Wat hebt gij, wat hebben wij nu over 't algemeen aan dat
+begrip van het Alzijn en Alleven? Wat geeft het óns?
+
+--Wel,--antwoordde Feizi lagchend,--het behoeft u ook niets te
+geven, als het maar waar is. En is het waar, dan dient gij 't ook
+daarvoor te erkennen zelfs al voldoet het, al behaagt het u niet.
+Ik meen u echter zooeven nog te hebben aangetoond, dat mijn begrip
+toch wel degelijk iets geeft, en waarde voor het leven bezit, in
+zoover het ons opwekt tot toewijding aan al wat wij als goed en
+waar beschouwen. En wat wilt gij dan eigenlijk nog meer?
+
+--Ik geef 't u gewonnen,--hernam Aboel Fazl;--maar ik sprak nu niet
+zoozeer van mijzelf en ons anderen als wel van minder ontwikkelden, die
+dat alles zoo niet begrijpen en toch ook behoefte gevoelen aan iets
+meer en iets hoogers dan de dagelijksche ervaring hun aanbiedt. Zou 't
+nu in allen gevalle niet mogelijk zijn, die meer afgetrokken begrippen
+in een kleed te hullen, dat ze meer aanneemlijk maakte voor 't
+algemeen?
+
+--Onze vriend Aboel Fazl--zei Akbar,--heeft daar juist teruggegeven wat
+ik reeds meer dan eens bij mijzelf overlegde. Zou het, zoo dacht ik,
+inderdaad niet mogelijk zijn, zooal geen nieuwe zinnebeelden uit te
+denken voor de begrippen, die Feizi daar verkondigde, dan toch vroegere
+weer te verlevendigen, die niet door enkele en alleenstaande
+godsdienststichters verzonnen werden, maar uit den waarlijk godsdienstig
+dichterlijken geest der volken zelven zijn voortgesproten.
+
+--Ik meen de bedoeling te verstaan,--sprak Feizi, toen Akbar een
+oogenblik zweeg;--het geldt hier, bedrieg ik mij niet, de nieuwe
+leer, welke de Keizer zou wenschen in te voeren en ook ten deele
+onder sommigen zijner vertouwden reeds ingevoerd heeft. Is het zoo
+niet?
+
+--Inderdaad,--antwoordde Akbar,--gij hebt u daaromtrent niet
+bedrogen. Maar laat mij nu ook gebruik maken van de gelegenheid om
+er iets naders van te zeggen. Ik ben u, Feizi! en ook u,
+Koelloeka! omtrent dat een en ander wel eenige opheldering
+verschuldigd, en 't is mij dus welkom dat de loop van ons gesprek
+mij daartoe een gereede aanleiding geeft. Zoo luistert dan! ...
+lang, zeide ik daareven, heb ik gezocht naar een vorm waarin het
+redelijk godsdienstig bewustzijn zich mogt uiten en die
+tegelijkertijd den wijsgeerigen denker en den minder hoog
+ontwikkelde bevredigen kon. Eindelijk gaf de kennisneming van
+sommige denkbeelden onzer voormalige Perzen, maar vooral ook die
+van de vroegere dichterlijk wijsgeerige voorstellingen uwer aloude
+zangers, Koelloeka! mij eenigermate aan de hand wat ik eigenlijk
+zocht. Ik bedoelde de u welbekende voorstellingen van de Zon en
+het Vuur, en die bespiegelingen over de meest in 't oog vallende
+verschijnselen van het licht en de warmte, die in den aanvang
+misschien onduidelijk en verward schijnen, maar wél bezien, eene
+verhevene waarheid bevatten, eene waarheid die de wetenschap van
+later eeuwen welligt nog door hare uitkomsten tot hoogere
+zekerheid zal verheffen.--Ziet!--vervolgde Akbar, terwijl hij
+nader trad bij de galerij aan de open zijde van het vertrek, en
+naar de langzaam ten ondergang neigende zonneschijf wees,--daar
+verlaat ons weder de glorierijke vertegenwoordiger van alle licht
+en leven op aarde om morgen weer te keeren in schitterender glans!
+Vroegere geslachten vereerden hem als een God en zagen biddend tot
+hem op; voor de Wijzen van ouds was hij 't verheven zinnebeeld van
+het levensbeginsel zelf in het heelal en van die ééne alles
+doordringende kracht, die woont in al het bestaande, en zich uit
+in hare oneindige verschijnselen. En is het niet licht en warmte
+inderdaad wat in alles leeft en alles bezielt, en zonder 't welk
+niets zou kunnen zijn? In het zonlicht, in maan en sterren, in de
+bliksemstraal, in het vuur dat wijzelf ontsteken in den haard, in
+het licht dat wij doen ontbranden op onze luchters zien wij de
+meest onmiddelijke verschijnselen van die kracht, nu eens
+weldadig, dan weer vreeselijk en vernielend; maar ook in den
+grond, in de planten, in mensch en dier, in lucht en water is
+diezelfde kracht steeds aanwezig, al merken we haar niet telkens
+daarin op; en welk verschijnsel in één woord, waarin ze niet
+voortdurend op eene of andere wijze wordt waargenomen? Is nu dit
+alles werkelijk aldus, zou het dan al te zeer eene speling der
+dichterlijke phantasie mogen heeten, indien wij die ééne kracht
+tot zinnebeeld kozen van die eenheid en dat leven waarvan gij,
+Feizi! zoo aanstonds ons gesproken hebt? En nu is onze vriend
+Aboel Fazl, wien ik mede de vraag voorlegde, het niet alleen
+hierin met mij eens, maar hij heeft mij ook op het denkbeeld
+gebragt, om het met mijne nieuwe of, wilt ge, aan de ouderen
+ontleende leer,--altijd uitsluitend door redelijke overtuiging,
+nooit anders,--bij het volk te beproeven en te zien of zij niet
+het velerlei bijgeloof zou kunnen vervangen dat nu nog zoo
+algemeen heerschend is. Een naam was er noodig om die leer te
+onderscheiden van andere en, hoewel nu een naam nooit volkomen het
+geheele begrip kan uitdrukken, scheen ons toch die van Tauhid i
+Ilahi, de Eenheid der Godheid, dat is dan van het Alwezen en zijn
+Albestaan, een niet ongeschikte. Ceremoniën, uitwendige
+vertooningen blijven voor 't overige geheel buitengesloten, ten
+ware gij een eenvoudige symbolische vereering van de zon gedurende
+den dag en in den morgenstond, en van het licht in den nacht, door
+onderlinge zamenspraken en geschikte lofzangen, een uitwendige
+eeredienst mogt noemen.--Van dit een en ander--zoo besloot de
+Keizer,--had ik tot dusver u beiden wel eens nu en dan een wenk
+gegeven, maar 't nog niet nader voor u ontwikkeld. De tijd scheen
+mij daarvoor thans gekomen. En nu, zegt mij openhartig uw
+gevoelen!
+
+Geen der beide vrienden scheen nog zoo aanstonds geneigd, aan de
+uitnoodiging te voldoen. Ten laatste brak Koelloeka het
+stilzwijgen.
+
+--Wijze vorst!--zeide hij,--vergeef het ons zoo wij niet
+onmiddelijk met ons antwoord gereed zijn. Uwe belangwekkende
+mededeelingen eischen wel een oogenblik nadenken. In het plan door
+u ontwikkeld ligt veel aanlokkelijks, doch, naar mijn bescheiden
+meening, ook veel wat bedenkelijk schijnt. De betrekkelijke
+juistheid en de verhevenheid uwer zinnebeeldige, voor een deel aan
+onze oude zangers en wijzen ontleende leer, zal ik de eerste zijn
+toe te geven. Maar, moet ik tevens vragen, is er niet groot gevaar
+dat diezelfde symbolen, eenmaal onder het volk gebragt en door de
+menigte aangenomen, gesteld dat dit geschieden zou, toch spoedig
+weer hun oorspronkelijke beteekenis zouden verliezen en alles ten
+slotte weer op een geheel uitwendige gansch werktuigelijke
+vormendienst zou nederkomen? Bedenken wij het wél, dat ongeveer
+diezelfde leer, die gij thans zoudt wenschen te verkondigen, reeds
+eenmaal werkelijk tot het geloof van sommige volken behoord heeft.
+En wat is er van geworden?... Maar niet in later dagen alleen, ook
+in die overoude tijden reeds, waarop gij u beroept, ontstond er al
+een twijfel omtrent het voorwerp van vereering; en, evengoed als
+menig godvruchtige onzer dagen, vroeg ook toenmaal reeds het vroom
+gemoed:
+
+"Hij die adem, Hij die kracht geeft,
+ Wiens gebod wordt vereerd door Deva's, door allen,
+ Wiens schaduw is de onsterflijkheid,
+ Wiens schaduw is de dood,--
+ Wie is die God, wien het offer wij brengen?"
+
+
+Ook toen dus had men blijkbaar weer niet genoeg aan dien Soerya,
+de Zon, en aan Agni, het Vuur, als beeld of vertegenwoordiger der
+ééne levenskracht. En zal nu aan de Tauhid i Ilahi een gelukkiger
+toekomst zijn beschoren dan aan de vuur- en zonnedienst der
+geslachten, die ons zijn vooraf gegaan?
+
+Akbar gaf geen dadelijk antwoord.--En gij, Feizi!--vroeg hij,--
+wat is uw gevoelen omtrent de zaak?
+
+Weinig of niets--antwoordde Feizi,--heb ik tot nog toe te voegen
+aan 't geen onze waardige vriend daar in 't midden heeft gebragt.
+De twijfel, waarvan hij gewaagde, werd trouwens in die oude
+tijden, tot welke de voormalige zonnedienst moet worden
+teruggebragt, ook vrij wat sterker nog uitgesproken dan in het
+door hem aangehaalde Veda-lied. Een ander dichter van die dagen
+toont reeds voldoende, in 't geheel niet meer te weten waaraan hij
+zich eigenlijk houden zal.--Wie weet het,--vraagt hij,--
+
+"Wie weet het, wie verklaart het ons,
+ Vanwaar dit Al ontstond?
+ De Deva's zelf zijn later dan zijn wording,
+ Wie dan, die weet, van waar dit Al ontstond.
+
+
+ Van waar 't ontstond, en of een Wezen 't schiep
+ Of niet,--dat slechts weet Hij,
+ Die, alles ziende, in gindschen hemel troont.
+ Hij weet het, of... ook Hij zelfs weet het niet!"
+
+
+De twijfel schijnt dus al haast even oud als de godsdienst zelve.
+Maar dat nog daargelaten! En gezwegen ook van den haat en de
+tegenwerking, die een hervormer, ook de meest humane, steeds van
+zijne tijdgenooten te wachten heeft, en waarvan wij ook hier reeds
+de verschijnselen kunnen opmerken, voor zoover 't een en ander
+omtrent de nieuwe leer onder 't volk is bekend geworden. Ik weet
+dat een Akbar daarvoor niet bevreesd kan zijn. Maar het andere
+gevaar, waarop Koelloeka wees, mag waarlljk niet te ligt worden
+geteld. Het gevaar dat de min ontwikkelde menigte, zoodra er maar
+weer een naam genoemd wordt, 't zij dan Allah, 't zij een andere,
+daaraan terstond weer eene persoonlijke beteekenis zal hechten en
+de persoonsverbeelding als onderscheiden van het Alzijn zelf gaan
+beschouwen. En dan is het natuurlijk ook weer gedaan met die
+Eenheid der Godheid, zooals gij die werkelijk bedoelt. En wat hebt
+gij dan eigenlijk uitgerigt, wat zijt gij verder gekomen?
+
+--Maar Feizi!--vroeg Aboel Fazl,--wat zoudt gij zelf dan wel
+verlangen om het volk wijzer en verstandiger te maken? Hoe die
+hervorming der begrippen tot stand te brengen, die de Keizer
+beoogt?
+
+--De groote wijsgeeren--was Feizi's antwoord,--der natie die ginds
+het noord-oostelijk grensland, China, bewoont, en wier beschaafden
+sinds lang in 't geheel geen godsdienst meer belijden, hebben,
+waar het volksverlichting en volksontwikkeling gold, één groot
+beginsel verkondigd dat zoo eenvoudig mogelijk schijnt en toch
+door ons nog maar al te veel uit het oog wordt verloren: Vóór
+alles volksonderwijs! Ziedaar het eenige, maar ook volkomen zekere
+middel. Het werkt langzaam, 't is waar, en wie op groote schaal
+het begint toe te passen, ziet zelf niet ligt de uitkomst; maar
+deze is niettemin onmisbaar op den duur, terwijl elke verkondiging
+van eene meer of min met zinnebeelden getooide leer, 't zij dan
+met of zonder openbaringsgezag, wel voor een tijd kan bloeijen,
+doch in 't einde steeds weer verbastert, of, zoo dit al niet
+gebeurt, toch weer ophoudt aan de geestelijke en zedelijke
+behoeften der menschen te voldoen.
+
+--Er schijnt veel waars in 't geen gij zegt,--sprak Akbar ten
+slotte,--en ik wil dat alles in zeer ernstige overweging nemen.
+Welligt ook zullen wij in elk geval onze leeringen tot enger
+vriendenkring moeten beperken en zal hare invoering onder het
+eigenlijke volk op onoverkomelijke bezwaren blijven afstuiten.
+Niettemin, ik geef mijn lievelingsdenkbeeld nog zoo terstond niet
+op, gelijk gij dat ook wel niet verwachten zult. Wij moeten er nog
+eens nader over spreken. Doch voor heden genoeg! Staatszorgen
+roepen ons straks weder tot onze meer gewone werkzaamheden. Ik
+dank u inmiddels, mijne vrienden! voor uw onderhoud; u, Aboel
+Fazl! voor uwe ondersteuning, en u beiden voor uwe opregte en
+welgemeende tegenspraak!
+
+En na afscheid van den Keizer te hebben genomen begaf zich Aboel
+Fazl met de beide anderen naar zijn paleis om daar, in hunne
+tegenwoordigheid, het verslag der twee verspieders aan te hooren.
+
+
+
+TWAALFDE HOOFDSTUK.
+
+Aanslagen
+
+'t Was een vrolijke, tamelijk frissche morgen, toen Siddha met een
+paar zijner ruiters den weg naar Fattipoer opreed om derwaarts
+eenige brieven over te brengen, die men aan geen eenvoudigen bode
+had kunnen toevertrouwen. De zon scheen helder zonder nog te
+branden, in de boomen zongen de veelkleurige vogels, en in de
+takken sprongen eekhorens en kleine apen al spelend heen en weder.
+De gansche natuur scheen iets opgeruimds, iets levenslustigs te
+vertoonen, wat haar anders in die streken zelden eigen pleegt te
+zijn; en ook de landlieden, die men onderweg ontmoette, hadden den
+hun gewonen loomen en slaperigen gang voor een levendiger tred
+verwisseld, als deelden ook zij in de opgewektheid die daar alom
+scheen te heerschen.
+
+Wie daar echter volstrekt niet aan deelnam was onze voorheen zoo
+levenslustige Siddha. Somber veeleer en in gepeins verloren reed
+hij voort, en zwijgend ook volgden hem zijne onderhoorigen. Wél
+scheen hij een ander mensch geworden sinds den tijd toen hij voor
+'t eerst in Agra kwam, en met Parviz en zijne vrienden schertste,
+en met deelneming zooal niet met belangstelling naar de
+vertrouwelijke mededeelingen omtrent de edele dochter van den
+schatmeester luisterde. En wel ook had Parviz dat niet zonder
+verwondering opgemerkt; maar bescheidenheid had hem weerhouden
+naar de aanleiding te vragen of onderzoek te doen. Te dieper
+intusschen gevoelde Siddha het zelf, hoe anders het met hem
+geworden was. Hoe anders inderdaad dan den dag toen Koelloeka hem
+moedig en luchthartig voorwaarts zag springen met zijn hengst, als
+dacht hij de wereld te gaan veroveren, en vrolijk hem den
+geliefden naam zijner toekomstige bruid hoorde uitroepen! Hoe
+anders nu dan toen een enkele kus van Iravati hem de zaligheid
+scheen, en hij nog niet geleerd had te smachten naar de
+hartstogtelijke omarmingen eener Rezia! Toen hij nog rein was van
+gemoed en zich nog niet te schamen had over zichzelven omdat hij
+aan verraad en trouwbreuk en schandelijke ondankbaarheid zich had
+schuldig gemaakt!
+
+Somber vooral ook waren ditmaal zijne gedachten, daar zich heden
+meer dan ooit zekere vermoedens bij hem opdrongen, die meer dan
+eens, hoewel nog onbestemd, aan zijn geest zich hadden voorgedaan.
+Was Rezia zelve hem wezenlijk getrouw of behandelde zij hem niet
+anders dan den echtgenoot, die toch zooveel meer dan hij hare
+liefde verdiende? Of Selim werkelijk enkel om staatkundige redenen
+haar bijwijlen opzocht, dan of ook andere hem naar Feizi's
+vrouwenvertrekken voerden? En dan die zamenzwering waarin hij,
+Siddha, hoe langs hoe meer gewikkeld werd! Ook deze begon een niet
+weinig dubbelzinnig karakter voor hem aan te nemen, sinds hij toch
+langzamerhand wel begon in te zien, dat het in 't geheel niet om
+de onafhankelijkheid van zijn vaderland alleen, maar tevens, zoo
+niet uitsluitend, om gansch iets anders te doen was. En had ook
+Rezia hem niet meer dan eens reeds, naar hare eigene bekentenis,
+misleid? En wat reden dan om aan te nemen, dat ze hem nu de
+waarheid en niets dan deze had meegedeeld? In welke nieuwe
+verwikkelingen had hij zich dan gestoken, en tot welke misdrijven
+liet hij zich misschien als werktuig gebruiken!
+
+Een uitroep van een der ruiters deed hem opschrikken uit zijne
+mijmering, en de rigting der lans volgend, waarmee de krijgsman
+naar een punt in de verte wees, ontwaarde hij daar een groep
+mannen te paard, die, naar hunne bewegingen te oordeelen, met
+elkaar in gevecht moesten zijn.
+
+--Voorwaarts!--riep Siddha, en zijn paard de sporen gevend snelde
+hij in vollen ren, door de twee anderen gevolgd, naar de plaats
+van den strijd. Naderbij gekomen herkende hij, tot zijne niet
+geringe verwondering en schrik, in een dier mannen Aboel Fazl, en
+in dengene die hem met zijn sabel zocht te treffen Narasinha, een
+Radja, dien hij zich herinnerde meermalen en onder anderen ook bij
+Prins Selim te hebben ontmoet.
+
+Inmiddels hadden de volgelingen van den Radja de nieuw aankomenden
+al spoedig in 't oog gekregen, en een vijftal rende hen aanstonds
+te gemoet. De schok tusschen Siddha en den voorsten ruiter was
+geweldig en in een oogwenk lag deze, de borst door de spoor zijner
+tegenpartij doorboord, met zijn paard op den grond. Onmiddelijk nu
+trok Siddha zijn sabel en bragt daarmee den volgende een houw toe,
+die hem aanstonds uit den zadel deed tuimelen. Maar zwaarder werk
+had hij met den derde, die even als hij een geoefend ruiter en
+zeer behendig met de sabel bleek te zijn. En terwijl zijne beide
+volgelingen de twee anderen bezig hielden, kwamen er weer nieuwe
+aanrijden om hunne makkers bij te springen. De kansen begonnen dus
+hagchelijk voor onze drie mannen te staan, toen het Siddha
+eindelijk gelukte zijn vijand een zwaren slag in den hals toe te
+brengen en hem daardoor buiten staat van gevecht te stellen; en
+juist toen de strijd met de nieuw bijgekomenen stond te beginnen,
+klonk er een bevel dat hen gebood om te keeren. Terstond wendden
+zij den teugel en reden naar de hunnen terug. Maar in hetzelfde
+oogenblik toen zijne tegenpartij gevallen was en hij de overigen
+te hulp zag snellen, had Siddha ook Aboel Fazl de armen zien
+uitbreiden, terwijl de sabel hem ontviel, en achterover storten
+van het paard. Een kort oogenblik later had Narasinha zijne
+helpers teruggeroepen en rende nu met al zijne volgelingen over de
+vlakte voort. Siddha's eerste beweging was, de moordenaars na te
+rijden, maar spoedig begreep hij met zijn twee ruiters, waarvan er
+een ook gekwetst was, toch voor 't oogenblik niets te kunnen
+uitrigten, terwijl de vier dienaren van den Minister eveneens
+verslagen op het veld lagen uitgestrekt. Daarenboven eischte Aboel
+Fazl zijne zorg.
+
+Snel van zijn paard gesprongen, dat hij aan de anderen overgaf,
+knielde hij nevens den gevangene, en diens kleeding losmakend
+trachtte hij zoo goed mogelijk het bloed te stelpen dat uit de
+breede en waarschijnlijk ook diepe borstwond vloeide. Tot zijne
+blijdschap sloeg Aboel Fazl de oogen op, en toonde duidelijk hem
+te herkennen. De vreugde was echter kort van duur.
+
+--Uwe hulp, mijn brave Siddha! komt te laat,--sprak met zwakke
+stem de gewonde;--met mij is het gedaan en met mijn arbeid voor
+den Keizer en zijn rijk.... Eén laatst bevel nog! Laat voor Akbar
+de naam van den waren moordenaar verborgen blijven als gij dien
+soms vermoedt....
+
+--Narasinha--antwoordde Siddha,--was, ik onderstelde het dadelijk,
+alleen zijn huurling. De ware moordenaar is....
+
+Maar toch aarzelde hij den naam uit te spreken.
+
+--... Selim!--vulde Aboel Fazl aan; men had mij reeds van ter
+zijde voor hem gewaarschuwd.
+
+Afgemat zonk de stervende, door Siddha's arm gesteund, achterover.
+Maar toen een weinig later het bewustzijn voor eenige oogenblikken
+terugkeerde, vond hij nog de kracht, schoon de stem hem bijna
+begaf, een laatsten groet aan dien keizerlijken vriend te rigten,
+dien hij zoo trouw en met zooveel ijver gedurende zijn leven had
+ter zijde gestaan.
+
+--Zeg aan Akbar,--sprak hij,--dat mijne laatste gedachte aan hem
+is geweest. En zeg hem ook, dat ik sterf in de vaste overtuiging
+omtrent de waarheid dier beginselen, die wij zoo menigmaal, ook
+nog gisteravond, te zamen bespraken.... Den zonneglans zie ik
+nauwelijks meer, en wel gevoel ik dat het licht nog in mij leeft,
+maar ook daar zal het straks zijn uitgedoofd .... Doch ik beklaag
+mij niet! Ik geloof in staat te zijn geweest iets ten nutte mijner
+medemenschen te verrigten, al was het minder dan ik had gewenscht.
+En daarom sterf ik tevrede. Zorg ook gij, mijn jonge vriend! dat
+gij eenmaal hetzelfde moogt zeggen!...--En nu vaarwel!--fluisterde
+de Vizier na nog eene korte pauze terwijl hij den ander zacht de
+hand drukte ....
+
+Het hoofd viel voorover op de borst en weldra gevoelde Siddha dat
+zijn arm niet meer steunde dan een lijk....
+
+Ver van de plaats waar dit alles voorviel, werd omstreeks
+denzelfden tijd een ander drama gespeeld, dat met het zoo
+aanstonds beschrevene in sommige opzigten veel overeenkomst
+vertoonde, schoon het in andere niet weinig daarvan verschilde.
+
+In het gebergte van den Himâlaya, en voornamelijk in den omtrek
+van den Bhadrinâth, had gedurende verscheidene dagen een drukkende
+warmte geheerscht. Wel waren des avonds nu en dan donkere
+regenwolken, de weldadige hemelkoeijen, verschenen om de dorstende
+aarde te drenken; maar de booze Vritra, de donkere daemon, had ze
+telkens weer weggevoerd, en des anderen daags keerde ook de
+zonnehitte terug om veld en planten te verschroeijen. Eindelijk
+rustte de magtige Indra, de Koning des hemels, zich uit ten
+strijde. Wederom kwamen tegen den avond de wolken, en wederom
+zocht de daemon ze te vermeesteren; maar thans greep Indra zijne
+bliksemschicht, en ratelend weerklonk, honderdvoudig door de
+bergen weerkaatst, de eerste, geweldige slag. Wel voelde zich
+Vritra getroffen, maar nog gaf hij den strijd niet op, en nog
+verkwikte geen enkele regendroppel de smachtende natuur. Toen
+daalden keer op keer de vreeselijke slagen op zijn hoofd, en
+verlichtten de bergtoppen en de heuvelen en dalen met verblindenden
+glans, terwijl onophoudelijk de donder bleef rollen, en hooge boomen
+werden doorkliefd, en zware rotsblokken neer werden geslingerd in de
+ravijnen. Nu ook viel de regen in digte stroomen neder, en beeken en
+bergstroomen begonnen te zwellen en zochten ruischend hun weg naar de
+meren in de valleijen. Eindelijk, tegen 't vallen van den nacht,
+bedaarde de vreeselijke strijd, de regen hield op, het weerlicht
+flikkerde slechts nu en dan nog in de duisternis, en geen ander geluid
+brak de stilte dan het klateren van het water, dat van de hoogten naar
+de dalen vloeide.
+
+Thans trad ook Gaurapada, de kluizenaar, naar buiten en, met
+welgevallen de frissche met de heerlijkste geuren bezwangerde
+lucht inademend, zette hij zich neder onder het vooruitstekend,
+met jasmijn en rozen begroeide afdak aan de voorzijde zijner
+woning. In eene aangename stemming bragt hem een tijdlang de
+zachte en kalme rust der wederoplevende natuur, terwijl het
+aloude, eeuwenheugende wolken-epos met zijn Indra, den Vritra-
+dooder, tot held, hem nog voor den geest bleef zweven als ware 't
+eerst gisteren gedicht; maar toch begonnen ook spoedig weer
+sombere en verontrustende gedachten zich aan hem op te dringen.
+Koelloeka had in den laatsten tijd hem berigten uit Kaçmir en Agra
+gebragt, die hem met geene geringe bezorgdheid vervulden voor de
+toekomst van zijn nog altijd zoozeer geliefd vaderland.
+
+--En zoo moet het--dus overlegde hij,--dan toch eindelijk tot
+datgene komen, wat ik zoolang gevreesd heb en wat ik zocht af te
+wenden door mijne jarenlange vrijwillige ballingschap! Een vreemde
+overheerscher staat binnen te dringen in ons ongelukkig land, en
+onze eigene rampzalige twisten banen hem den weg. Hij heeft
+gelijk, van zijn standpunt; hij moet de orde herstellen in een
+naburigen staat, die zijn rijk onophoudelijk blijft verontrusten,
+en kan dat niet met eerbiediging van 's lands zelfstandigheid, dan
+moet het geschieden door onderwerping. Maar wij! Of er dan
+wezenlijk niets meer aan te doen zou zijn?--Neen!--ging hij voort
+in zijne gedachten,--dat denkbeeld van Koelloeka, die mij terug
+wilde doen keeren, opdat ik, door Akbar misschien gesteund, het
+bestuur weer mogt overnemen van mijn te zwakken broeder, neen, dat
+deugt werkelijk niet! Mijn wederoptreden zou enkel een tijdelijk
+redmiddel zijn, indien het dat al was. En ik ben ook te oud
+geworden en ongeschikt om weer te gaan regeren; althans daar, waar
+jeugdige kracht vóór alles zou worden vereischt. Lang ook kan het
+met mij niet meer duren.... Mijn hoofd is moede en verlangt zich
+neer te leggen ter ruste. Ik wensch sinds lang reeds naar het
+oogenblik, dat ik zal mogen ingaan tot die vereeniging met het
+Oneindige Brahma, waaraan wij allen ons kort afzonderlijk bestaan
+ontleenen, en waartoe wij allen eenmaal wederkeeren ....
+
+En langzaam sloot Gaurapada de oogen, terwijl hij zich uitstrekte
+op het zachte en frissche bed van mos. Een lichtstraal, die voor
+een oogenblik de gansche vallei en het meer daar omlaag bescheen,
+wekte hem weder en deed hem zijne overpeinzingen nog een oogenblik
+hervatten.
+
+--Ook is het misschien nog het beste,--zoo dacht hij wederom,--
+dat het maar gaat zooals 't nu eenmaal bestemd schijnt te zijn.
+Ons volk verarmt, komt tot verval, wordt ellendig onder dien
+telkens vernieuwden partijstrijd, waarvan toch het eind nooit te
+voorzien schijnt. Kwam het eenmaal weer onder een goed en ordelijk
+bestuur, zijn industrie en zijn handel zouden herleven, zijne
+voormalige welvaart kon nog terugkeeren. En Akbar is een
+verstandig en een regtvaardig vorst, die zijn onderdanen gelukkig
+weet te maken, en dien heden de volken zegenen, die te voren zich
+nog verzetten tegen zijne heerschappij. En toch is het hard voor
+een land zich van de vrijheid te zien berooven, waarop het sinds
+vele eeuwen trotsch mogt zijn! Ach, dat het mij gespaard ware
+geweest dit te beleven van mijn eigen land!
+
+Nogmaals leunde hij 't hoofd achterover met een zucht, tot hij ten
+laatste, half werktuigelijk nog luisterend naar het ruischen der
+beek, in een ligte sluimering verviel. Alles scheen in diepe rust,
+heinde en ver. Niets meer kon den slaap van den grijsaard storen.
+Slechts nu en dan vernam hij in zijn nabijheid het gonzen van een
+insect en meende hij dat het streek langs zijn gelaat. Ook beving
+hem een zonderlinge gewaarwording, een onverklaarbaar gevoel alsof
+hij niet alléén was. Nog eemnaal zag hij op, maar hij ontwaarde
+niets, en ook het insect scheen door zijn beweging verjaagd. Na
+eenigen tijd kwam het echter terug en ging weder en keerde, totdat
+de sluimerende er geen acht meer op sloeg en zich geheel overgaf
+aan een nu onoverwinnelijken slaap.
+
+Toch was deze zoo zwaar niet, of de minste aanleiding kon hem
+daaruit wekken. En eensklaps greep hij naar zijn hals, waarom hij
+vlug een koord voelde slingeren, en met de eene hand het koord
+vattend, tastte hij met de andere om zich heen. Aanstonds
+ontmoette hij een koud en glibberig, als met olie bestreken
+ligchaam, en nu, van het koord zich bevrijd gevoelend, greep hij
+met beide handen het ligchaam aan. Maar hoe vast hij de nog
+krachtige vuisten er om heen zocht te klemmen, toch gleed het hem
+door de vingers en scheen hem te ontsnappen .... Daar klonk
+plotseling in de stilte van den nacht een rauwe kreet, beantwoord
+door een dof gebrul, en in zijn onmiddelijke nabijheid zag
+Gaurapada een paar vurige, heen en weder rollende ballen
+glinsteren.... Nog een kort oogenblik en het weerlicht deed hem
+terstond Hara, zijn tijger, herkennen, die, met den geweldigen
+klauw op een donker menschelijk ligchaam, vlak vóór hem lag
+uitgestrekt.
+
+Op het vernemen van den kreet was inmiddels de dienaar toegesneld
+met een licht dat in het binnenvertrek stond te branden, en bij
+het schijnsel overtuigde zich weldra Gaurapada dat zijn gezicht
+hem zooeven niet bedrogen had. Onmiddelijk begreep hij nu ook wat
+er was voorgevallen. De man, die daar lag, had beproefd hem te
+worgen, maar tijdig had hij 't koord nog gevoeld en zijn tijger,
+door instinct of hoe dat heeten mogt gedreven, moest den Worger
+even onbemerkt zijn nageslopen als deze den kluizenaar genaderd
+was.
+
+--Terug, Hara!--riep nu Gaurapada, opspringend en den tijger in
+den nek grijpend,--terug, zeg ik!
+
+Eerst bleef het dier nog onbewegelijk, maar gehoorzaamde ten
+laatste, schoon blijkbaar onwillig, aan de stem van zijn meester,
+trok den klauw terug en ging zich grommend op zekeren afstand
+nederleggen.
+
+Met behulp van den dienaar rigtte nu de kluizenaar zijn gevallen,
+door den tijger met één slag in den rug gevelden vijand van den
+grond, en legde hem, toen hij zich overtuigd had dat hij nog
+leefde, voorzigtig op het mos.
+
+--Ik ken dien man,--zeide hij, een weinig nader hem beschouwend;--ik
+bewees hem indertijd, toen ik nog magtig was, menige weldaad en gunst.
+Wat hem nu gedreven kan hebben tot een zoo verraderlijken aanval?
+
+Op dit oogenblik zag de gewonde, die Gaurapada's woorden verstaan
+had, op, en den kluizenaar lang en opmerkzaam aanstarend,
+fluisterde hij, blijkbaar met verbazing:
+
+--Nandigoepta!... Kan het mogelijk zijn?
+
+--Nandigoepta inderdaad!--antwoordde de ander;--maar gij, wat
+bewoog u, mij naar 't leven te staan?
+
+--Mijn Heer en mijn Vorst!--sprak de Worger, voor enkele
+oogenblikken nog met vaste stem,--ik zweer u bij den magtigen çiva
+en zijne heilige echtgenoote! dat ik niet wist wie gij waart en u
+lang gestorven waande. Had ik 't geweten, ik zou de kracht niet
+hebben gehad aan 't bevel van Doerga te voldoen, welke dan ook de
+straf van hare ongenade mogt zijn. Maar gelukkig heeft zij zelve
+uw dood niet gewild, en dien tijger gezonden om mijn leven als
+offer in de plaats van het uwe te nemen. Geloofd zij haar naam!
+
+Uitpuiting verhinderde den gewonde voort te gaan. Met den dienaar
+wiesch en verbond Gaurapada hem zoo goed mogelijk den vreeselijk
+ontvleeschden rug, waarin de klauw van den tijger diep was
+doorgedrongen, en toen, na hem te drinken te hebben gegeven en
+ziende dat hij zich een weinig begon te herstellen, vroeg hij
+verder:
+
+--Maar nog eens dan. Wat of wie dreef u tot die daad? En indien
+gij zelf niet eens wist wie ik was, wie heeft u dan gezegd, dat
+Doerga mijn dood verlangde?
+
+--Gorakh, de Yogi!--was het antwoord.
+
+--Ha! die schurk!--mompelde Gaurapada;--dan zit er stellig nog
+meer achter.--Gij zijt dus,--vervolgde hij,--naar ik bemerk, een
+Worger geworden. Dan beklaag ik u om uw treurige verblindheid.
+Maar was ik de eenige, dien Gorakh u aanwees als uitverkoren
+offer?
+
+De pijn verhinderde eenige oogenblikken den gewonde te antwoorden,
+schoon op zijne strakke gelaatstrekken niets daarvan te lezen
+stond. Toen antwoordde hij, met tusschenpoozen sprekend:
+
+--Ook de eerste Minister in Kaçmir, de broeder van Salhana, werd
+daartoe uitverkoren. Maar hem te dooden is opgedragen aan mijn
+broeder, die u ook wel bekend is, en alleen als hem de aanslag
+mislukte, zou die uitgevoerd worden door mij.
+
+--En is uw broeder reeds sedert lang naar Kaçmir gegaan?
+
+--Hij verliet mij gisteren op eenigen afstand van hier en ging
+toen voort naar het Noorden.
+
+--Te voet?
+
+--Ja!
+
+--En zijn er nog anderen van de uwen, die met deze bevelen omtrent
+den Minister en mij bekend werden gemaakt?
+
+--Geen anderen. Eerst als blijkt dat wij niet zijn geslaagd, wordt
+de last aan anderen overgedragen.
+
+Gaurapada wenkte, zijn dienaar en trad een weinig met hem ter
+zijde.
+
+--Ga--sprak hij,--en zadel terstond uw paard! Gij zult spoedig een
+reis hebben te ondernemen.
+
+Een zacht, schoon bedwongen gekreun riep hem bij den gewonde
+terug, nadat zijn dienaar zich verwijderd had.
+
+--Heer! sprak fluisterend gene,--ik heb nog maar enkele
+oogenblikken te leven.... Maar verleen mij nog ééne gunst na de
+vele, die ik van u genoot!... Zeg mij, dat gij mij vergeeft!
+
+--Ik vergeef u, arme man!--antwoordde Gaurapada;--ik weet het nu,
+dat gij een werktuig waart en niets anders.
+
+--Dan sterf ik gelukkig!--hernam de Worger;--en met een voorsmaak
+der zaligheid ga ik in tot het eeuwige leven. Door het wonder dat
+de Godin aan u verrigtte, en door tevens mij aan te nemen als
+offer, heeft zij getoond dat hare genade u en mij verzekerd is...
+--Heilige, driewerf heilige Doerga!--riep hij, als op eenmaal door
+nieuwe kracht bezield en met opgeheven armen zich omhoog rigtend,
+met luider stem,--ontvang mij in den tempel uwer glorie! Ik kom!--
+Toen stortte hij weer achterover, strekte de armen uit en lag
+bewegingloos. De geloovige volgeling van de Godin der Vernieling
+was niet meer....
+
+Geruimen tijd nog bleef de kluizenaar op het zielloos ligchaam
+staren, waaraan de akelige magerheid, de donkere kleur en de met
+wit en rood op het voorhoofd geteekende drietand van çiva een
+spookachtig aanzien gaven bij het weifelend licht.
+
+--Tot wat--prevelde hij in zichzelf,--de godsdienst al niet leiden
+kan! Hoe zij van anders goede en onbedorven lieden soms
+misdadigers en moordenaars en krankzinnigen weet te maken! Toch
+was die man op zichzelf nog geenszins te beklagen; hij stierf als
+martelaar, met de volle en onwrikbare overtuiging, eene eeuwige
+zaligheid straks deelachtig te worden. Maar die huichelaars, die
+eervergeten schelmen, als die Gorakh, die zulke onnoozele zielen
+tot werktuig voor hun vloekwaardige ondernemingen gebruiken! Wat
+van dezen? Wat verdienen zij anders dan dat men een verdelgingskrijg
+opene tegen hen?...--Doch neen!--hernam hij, 't hoofd schuddend,--dat is
+toch ook het regte niet! Geen genade waar het misdrijf of de poging
+daartoe gebleken is, maar geen vervolging ook zoolang het bij dreigen
+blijft! Want wie kan bepalen, wanneer een godsdienst-secte gevaarlijk
+en schadelijk wordt en tot op welke hoogte zij het nog niet is?...
+
+De terugkeerende dienaar kwam de overdenking van Gaurapada
+afbreken.
+
+--Help mij--sprak deze,--den man begraven, die daar ligt; hij is
+dood, en ik wil niet dat Hara hem gaat verslinden, die 't anders
+zeker wel gaarne doen zou. En dan, als wij er mee gereed zijn, te
+paard! Haast u naar Kaçmir, om den Minister te waarschuwen omtrent
+hetgeen wij zoo straks vernomen hebben, en zorg dat men den
+broeder van dezen man, dien gij ook wel gekend hebt, zoodra
+mogelijk op 't spoor kome, om hem in zijn voornemen te verhinderen
+en te beletten dat hij met iemand anders van de zijnen in
+aanraking komt. Kunt gij, zoek dan nog uit te vorschen waar Gorakh
+zich bevindt. Dien spare men geen oogenblik als hij gevonden is!
+De ellendeling heeft dubbel en dwars den strop verdiend, dien hij
+om den nek van anderen doet slaan.
+
+--Doch, geëerde Meester,--vroeg de dienaar aarzelend,--wilt gij
+hier nu zoo geheel alléén blijven in de wildernis? Men schijnt uw
+schuilplaats ontdekt te hebben, en zal dus misschien nieuwe
+dergelijke aanvallen op uw leven beproeven. Moet ik nu juist van
+hier, nu ik misschien voor u waken kon?
+
+--Mijn beste vriend!--antwoordde Gaurapada glimlagchend,--maak u
+over mij niet bezorgd! Wat, vooreerst, is mijn leven in
+vergelijking van die grooter belangen, die van een wél en spoedig
+slagen uwer zending kunnen afhangen? Maar bovendien ben ik hier
+alléén haast even veilig als met u tot waker. Ten minste zoolang
+Hara leeft. Gij hebt het gezien dat hij wakker genoeg is, en in 't
+vervolg zou ik ook geen van die bruine naaktloopers meer raden
+zich hier in de buurt te vertoonen. Hara kent dat slag van volk
+nu, en hij zou ze stellig niet ongedeerd laten als ze hier kwamen.
+Staat uw paard gereed?
+
+--Ja, Heer!
+
+--Nu, straks dan voorwaarts! Help mij nu eerst nog aan ons
+werk!...
+
+
+
+DERTIENDE HOOFDSTUK.
+
+Afscheid
+
+De tijding van Aboel Fazl's dood had een overweldigenden indruk op
+den Keizer te weeg gebragt. Het was alsof alles hem eensklaps
+ontzonk wat tot heden zijn steun was geweest; en hij, de sterke
+nooit versaagde man, die het hoofd had geboden aan de geweldigste
+stormen, de grootste gevaren had getrotseerd, en telken male als
+overwinnaar te voorschijn was getreden uit den strijd, hij voelde
+zijn kracht als verlamd en zich bijkans onmagtig tegenover de
+nieuwe verwikkelingen, die al wederom het rijk begonnen te
+bedreigen. Het eenige besluit dat hij in de eerste dagen had weten
+te nemen, was een streng bevel tot vervolging van Narasinha, den
+moordenaar,--een bevel intusschen waaraan nooit uitvoering werd
+gegeven, daar de Radja zich vér vandaar in volkomen veiligheid had
+gesteld tot den tijd dat Selim den troon zou hebben bestegen, en
+hem dan eenmaal zou overladen met zijne gunsten. Toch kon een man
+van Akbar's karakter niet weekelijk gebogen blijven onder den last
+der smart, hoe zwaar die ook drukken mogt. Eenige dagen sloot hij
+zich op, en sprak hij met niemand dan Feizi en enkele zeer
+vertrouwden; maar ten laatste vond hij toch weder den moed en de
+kracht om anderen te woord te staan, die omtrent hun eigen
+belangen of die van het rijk hem gehoor verzochten. Zoo ook met
+het hoofd der Jezuïeten-missie, den Padre Aquaviva, die vóór zijn
+aanstaand vertrek hem nog een bezoek wenschte te brengen.
+
+--Zoo, gaat gij ons dan weer verlaten, Eerwaarde Vader?--vroeg
+Akbar, toen de Jezuïet bij hem was binnengeleid.
+
+--Ik moet wel, Sire!--antwoordde Rodolpho,--onze Provinciaal roept
+mij naar Goa terug. Maar ik mogt niet vertrekken zonder Uwe
+Majesteit nog mijn opregten dank te hebben betuigd voor de eer en
+de gunsten hier door ons genoten, hoewel ik bijkans aarzelde nog
+gehoor te vragen na het belangrijk, en zeker ook smartelijk
+verlies, dat u getroffen heeft. Een waardig man en een trouw
+vriend even als een bekwaam dienaar moet Aboel Fazl geweest zijn,
+naar 't geen mij van hem bekend werd; en 't herdenken van zulk een
+man is dan ook zeker nog een troost te midden van de droefheid....--Al
+ware mij,--voegde hij een oogenblik later er aan toe,--al ware mij zulk
+een troost niet genoeg.
+
+--Niet genoeg?--herhaalde Akbar verwonderd.--En wat hadt gij dan
+meer nog verlangd?
+
+--Ik zou de overtuiging gewenscht hebben, dat hij gestorven was
+reiner van ziel en in zaliger verwachting dan thans mogelijk was.
+
+--Aboel Fazl,--antwoordde de Keizer op ernstigen, maar kalmen en
+waardigen toon,--Aboel Fazl was even rein van ziel als één uwer,
+om niet meer te zeggen; en hij is gestorven zooals ik zou wenschen
+te sterven.
+
+De Jezuïet wachtte of Akbar er nog iets zou bijvoegen, maar de
+Keizer zweeg; en de toon van zijn antwoord duidde wel aan, dat
+nadere verklaring te vragen voor 't minst zeer onvoorzigtig zou
+zijn.
+
+--En denkt gij spoedig terug te keeren?--vroeg Akbar na eenige
+oogenblikken het stilzwijgen weer afbrekend.
+
+--Dat zal afhangen van de bevelen die mij gegeven worden,--
+antwoordde Aquaviva;--wat echter mijzelven betreft, ik zie mij wel
+genoopt, met hoeveel leedwezen ook, mijne zending herwaarts als
+mislukt te beschouwen.
+
+--En waarom mislukt? Wordt gij hier niet voldoende beschermd,
+bewijst men u niet de noodige eer, geniet gij niet de meest
+volkomen vrijheid om te verkondigen wat gij wilt en te bekeeren
+wie gij kunt? En telt gij dat nu voor niets, hier in een land waar
+nog maar weinige jaren geleden, onder mijn voorgangers, ook de
+geringste openbare prediking van uw leeringen u aan de doodstraf
+zou hebben blootgesteld?
+
+--Sire!--antwoordde de Padre,--wij moesten al zeer ondankbaar
+zijn, indien wij al deze belangrijke voorregten eenvoudig voor
+niets rekenden. En toch, ik moet het herhalen, onze zending is,
+wat haar hoofddoel aangaat, mislukt. Wél is u bekend, met wat
+schoone, heerlijke verwachtingen wij vóór eenigen tijd in Agra
+kwamen. De hooge en eerbiedige belangstelling door u in de gewijde
+schriften en de gebruiken der Kerk aan den dag gelegd, had ons de
+hoop doen opvatten dat het licht der waarheid ten laatste mogt
+doordringen in uw diepdenkenden geest en uw edel gemoed. Wij
+hadden gehoopt, wij hadden alhaast met zekerheid verwacht dat de
+Kerk van Christus eenmaal in Shah Akbar een harer roemrijkste
+zonen mogt begroeten, zoo niet den meest roemruchtige van allen!
+Maar die hoop en verwachting, we mogen 't ons niet ontveinzen,
+blijft ijdel. Kan dan niet met reden gezegd worden, dat onze
+zending haar voornaamste doel heeft gemist? En toch... al blijft
+er dan soms in enkele onzer leeringen hier of daar eenig bezwaar,
+waartegen uwe wijsbegeerte zich nu nog verzet, nadere studie en
+onderzoek mogten dat in 't eind misschien nog wel oplossen. Indien
+gij slechts wildet aanvangen met op de groote weldaden te letten,
+die de Kerk aan het Westen verzekerd heeft en die ook hier niet
+zouden uitblijven, zoodra ze maar eens de magt bezat!
+
+--Met reden--hernam Akbar,--laat gij nu de eigenlijk dogmatische
+vraagstukken ter zijde; ik vrees dat wij 't daarover toch nooit
+eens zullen worden, en ik gevoel voor 't oogenblik ook geen
+opgewektheid om daarover te redetwisten. Maar nu die weldaden,
+waarvan gij spreekt! Ik geloof gaarne, en vind ook alle reden om
+te gelooven, dat uwe Christelijke leer veel nut in de wereld
+gesticht heeft, onder anderen door meer en beter dan de meeste
+andere godsdiensten op de toepassing van het beginsel der
+algemeene menschenliefde en zelfverloochening aan te dringen,
+hoewel dan, gelijk wij u vroeger reeds aantoonden, dat alles
+volstrekt niet uitsluitend aan uwe godsdienst eigen is. Maar bij
+al dat nut komt toch, dunkt mij, ook niet weinig nadeel; of hebt
+gij niet de meest geweldige onverdraagzaamheid gestookt, die de
+wereld misschien ooit gekend heeft? Hebt gij, priesters! in uwe
+eigene landen daar in het Westen, u niet opgeworpen tot tirannen
+over het geweten uwer medemenschen? Hebt gij niet honderden en
+duizenden tot worgpaal en brandstapel gedoemd, enkel omdat ze van
+u over sommige geloofspunten verschilden? Noemt gij dat weldaden?
+Zoo ja, dan hebt gij toch zonderlinge begrippen omtrent weldoen en
+is uwe menschenliefde al van een heel vreemde soort.--En zeg mij!--
+vervolgde de Keizer, terwijl hij Aquaviva aanzag met een
+doordringenden blik,--zeg! wat zoudt gij uitrigten met mij,
+Akbar, dien gij nu zoo hoog heet te vereeren, indien ik eens
+christen-onderdaan ware van een der vorsten, die gehoorzamen aan
+uwe bevelen? Zoudt gij ook mij niet in de holen uwer kerkers
+werpen en, als ik bleef volharden in zoogenaamd ongeloof, mij
+uitleveren aan den regter om verwezen te worden naar het vuur?
+
+Bedremmeld trad de Jezuïet een schrede achteruit. Dergelijke vraag
+had hij niet verwacht. En wat er op te antwoorden? Zeer zeker, het
+kon niet worden ontkend dat er waarschijnlijk zoo met Akbar zou
+gehandeld worden, indien de omstandigheden werkelijk waren zooals
+hij ze nu voorstelde.
+
+--Maar, Sire!--stotterde ten laatste Aquaviva,--dat alles is nu
+immers het geval niet! En wie kan zich Akbar, den grooten Keizer
+van Hindostan, denken als onderdaan van een onzer vorsten?
+
+--Zeker, dat gaat niet; gelukkig voor mij! Doch uw antwoord
+bewijst, dat mijne onderstelling volkomen juist was voor 't
+gegeven geval. Maar nu een andere vraag! Wat zoudt gij eigenlijk
+met mij willen uitrigten, nu ik Keizer van Hindostan ben? Gij
+zoudt mij eenvoudig tot een van die vorsten willen maken, die u
+onderdanig gehoorzaam zijn en die gij tot werktuigen gebruikt ter
+handhaving van uwe kerkelijke dwingelandij. En daarom zijt gij
+natuurlijk ook zoo erg gesteld op mijne bekeering. Welnu! ik zeg u
+eens voor al: die zult gij nooit beleven. Zelfs, als ik voldoende
+met de leer uwer Evangeliën in haar geheel instemde om haar
+openlijk of heimelijk te omhelzen, ook dan nog zou ik niets willen
+weten van uwe Kerk als zoodanig, wel beseffend wat noodlottige
+gevolgen hare erkenning door den monarch voor den staat en zijne
+burgers zou na zich slepen.
+
+--Dan--hernam Aquaviva,--blijft ons niets anders over dan te
+bidden tot den Heer, dat een wonder van Zijne hand datgene
+wrochten moge, wat onze ijverige maar nog te zwakke pogingen niet
+tot stand mogten brengen. En dat gebed, ik ben er zeker van, zal
+in 't eind niet onverhoord blijven. Bedenk het, gij oppermagtig
+gebieder! dat zelfs de grooten der aarde niets vermogen tegen Hem,
+en dat Hij ook straffen heeft voor degenen, die wagen Zijn wil te
+weerstaan! Hij en Hij alleen zal zegevieren, en de poorten der hel
+zullen de rots van Petrus niet overweldigen en Christus zal met
+Zijn kerk zijn tot aan het einde der wereld!
+
+--Dat is zijne zaak!--riep nu Akbar uit, ten laatste een weinig
+van zijn bedaardheid verliezend;--maar de mijne is, te waken voor
+de vrijheid en de regten mijner onderdanen en hen te beschermen
+tegen u zoowel als tegen moellah's of welke andere priesters of
+schriftgeleerden dan ook. En daarom nog eens: Blijf hier of
+vertrek! zooals gij wilt; predik wat gij goed vindt in mijne
+landen; bouw er u kerken; en gij zult gelijke bescherming genieten
+als de Mohammedanen in hunne moskeën en de Hindoe's in hunne
+pagoden; maar wees tevens gewaarschuwd! Van het eerste oogenblik
+dat ik u eenige vervolging zie instellen 't zij tegen uw eigen
+bekeerlingen of tegen een ander, gelijk gij dat op de Malabaarsche
+kusten reeds beproeft, van dat oogenblik af zijt gij verbannen uit
+mijne rijken, en zoolang ik Hindostan regeer, zet geen der uwen
+een voet meer op zijn grond.
+
+Met verbeten woede had de volgeling van Loyola die hooghartige en
+beslissende woorden aangehoord; maar wat kon hij doen, wat bleef
+hem te zeggen over? Te beklagen had hij zich in 't minst niet
+tegenover den altijd welwillenden, volmaakt verdraagzamen vorst,
+en den geduchten monarch te willen trotseren ware louter
+krankzinnigheid. Zelfs geen martelaarskroon viel er bij te
+verdienen. Bezigde hij, de hier volkomen magtelooze zendeling,
+dreigende of ook oproerige taal, de Keizer zou gewis geen haar van
+zijn hoofd krenken, maar hem met de zijnen naar Soeratta laten
+brengen, hem daar in een schip laden en vervolgens met de meeste
+beleefdheid in Goa aan land doen zetten. Of hij zou dat misschien
+nog niet eens der moeite waard rekenen, maar hem eenvoudig
+uitlagchen en de deur wijzen. Droevig en vernederend bewustzijn,
+voorwaar, voor een lid van die elders zoo magtige en gevreesde
+Orde, voor wie de volken sidderden, en Koningen en Pausen zelfs
+gedwongen werden het hoofd te buigen in deemoed!
+
+Weldra echter brak Akbar zelf de overdenkingen van den
+teleurgestelden en zwijgend vóór hem staanden missionaris af.
+
+--Eerwaarde Vader!--sprak hij nu weder op zijne gewone
+vriendelijke wijze,--het is mij waarlijk leed, dat gij een
+oogenblik mij genoopt hebt zoo rondborstig tot u te spreken en,
+met meer klem dan ik tegenover u gewenscht zou hebben, mijn gezag
+te handhaven in den strijd dien gij hebt uitgelokt. Maar ik wensch
+u dan ook niet gramstorig te zien vertrekken. Ik vernam, ik leerde
+van u en de uwen veel, waarvan de kennis mij bijzonder welkom was;
+en daarvoor wil ik dankbaar blijven. Kan ik niet aan al uwe
+wenschen voldoen, wees verzekerd dat het mij smart; en zoo wij
+omtrent sommige zaken van elkander verschillen in gevoelen, meen
+niet dat ik persoonlijk u daarom minder blijf hoogachten. Gij wilt
+ons verlaten; het zij zoo! Maar laat het in vriendschap zijn! Laat
+het geschieden in den geest van den verheven stichter uwer
+godsdienst, die wel gezegd heeft dat hij geen vrede kwam brengen
+maar het zwaard, maar wiens hoog en edel streven toch de stichting
+van een rijk van vrede en van liefde onder de menschen was!
+
+Had Aquaviva een oogenblik te voren het hoofd gebogen voor de magt
+van den Keizer, thans had hij te bukken voor een ander overwigt,
+voor dat van Akbar's zedelijke meerderheid. De godsdienstijveraar,
+de hartstogtelijke dweeper zelf gevoelde het. En het was dan ook
+slechts met weifelende stem, dat hij, de anders voor niets
+vervaarde en door niets overweldigde apostel, een enkel woord van
+vaarwel wist uit te brengen tot dien verstokte van harte, wiens
+oog met blindheid was geslagen voor het licht der waarheid, en
+wiens oor gesloten bleef voor de vermaningen van den priester der
+alleenzaligmakende Kerk.
+
+--Vergeef het ons, edele Vorst!--zoo sprak hij, bewogen in weerwil
+van zichzelven,--als wij soms woorden uiten die u mishagen en u
+ondank schijnen voor de vele weldaden, welke wij in uw rijk
+ontvingen!--Schrijf ze enkel toe aan den ijver die ons bezielt
+voor ons geloof, en die voorzeker niet geringer is dan de
+geestdrift, waarmede gij zelf uw leven aan de belangen uwer staten
+en volken hebt gewijd! Nogmaals dan willen wij u dank zeggen voor
+'t geen gij voor ons hebt willen doen; en, hecht gijzelf dan al
+geen waarde aan onze gebeden, wees overtuigd dat ze u blijven
+vergezellen ook dan wanneer wij vér van hier zullen zijn!...
+
+Stilzwijgend beantwoordde Akbar den eerbiedigen groet van den
+Padre, en zenuwachtig de vingers heen en weer bewegend als telde
+hij de kralen van zijn rozenkrans, verliet deze langzaam het
+vertrek.
+
+In een der zuilengangen aan de buitenzijde van het paleis, waar
+enkele lampen een flauw schijnsel verspreidden, stuitte hij
+plotseling op een man, die zijne verontschuldigende woorden met
+een half onderdrukten vloek beantwoordde.
+
+--Verdoemde Christenhond!--bromde die man, terwijl hij zich verder
+spoedde. Het was Abdal Kadir Badaoni, die zich tot den Keizer
+begaf. Bij de wachters zich aanmeldend, werd hij weldra bij Akbar
+toegelaten.
+
+--Gij ziet,--zeide deze,--ik ben steeds gaarne voor u te spreken;
+en ik maakte ook geen bezwaar u thans te ontvangen, toen gij mij
+dezen morgen gehoor liet vragen, hoewel anders de treurige
+omstandigheden waarin ik verkeer, 't mij in de laatste dagen wel
+wat moeilijk deden vallen al mijne vrienden te woord te staan.
+
+--Sire!--begon Abdal Kadir op schijnbaar eerbiedigen maar tevens
+onmiskenbaar norschen en onvriendelijken toon en zonder in 't
+minst acht te geven op de voorkomende wijze, waarop de Keizer hem
+ontving,--ik kom u vaarwel zeggen. Mijn tijd is genaderd om van
+hier te gaan.
+
+--Hoe nu, mijn waarde vriend,--vroeg Akbar,--ook gij? En wat noopt
+u ons zoo plotseling te verlaten?
+
+--Onwil--luidde het antwoord,--om hier steeds te blijven aanzien,
+wat mij tot eene dagelijksche ergernis strekt en mij bedroeft tot
+in 't diepste mijner ziel; maar onwil tevens om deel te nemen aan
+het verraad en de zamenzweringen waarvan ik u omringd zie, en
+waaraan ik onwillekeurig zou blijven deelnemen, indien ik hier nog
+langer vertoefde. Akbar! uw rijk neigt ten val! Ik heb u
+gewaarschuwd toen het nog tijd was; thans is het dat misschien
+reeds niet meer. Wat er bepaald omgaat, weet ik niet en ik wil het
+ook verder niet weten; maar de tegenstand, dien gij door uwe dwaze
+en misdadige verachting van onze heilige godsdienst hebt opgewekt,
+acht ik te groot en te krachtig dan dat het mogelijk ware op den
+duur daaraan het hoofd te bieden.
+
+Voeg daarbij de eerzucht van Selim, uw zoon, en de geheime
+kuiperijen van andere niet minder eergierige lieden, die hem weten
+te vervoeren ten einde zelf zich meester te maken van rangen en
+bedieningen die hun nu onthouden blijven, en gij zult mij
+toestemmen dat de stand van zaken voor 't allerminst hoogst
+gevaarlijk voor uwe regering is.--Maar, zeide ik,--dus ging hij
+voort, den ligten glimlach niet opmerkend die bij zijne donkere
+voorspellingen zich om de lippen des Keizers had geplooid,--ik wil
+ook niet langer getuige zijn van wat hier dagelijks omgaat en
+sinds lang ook wereldkundig is. Den heiligen Koran hebt gij met de
+uwen versmeten en onder den voet getrapt; voor den grooten Profeet
+hebt gij niets dan verachting en spot; gij vermeit u in allerlei
+goddelooze praktijken, door onreine vuuraanbidders u geleerd; gij
+ontvangt openlijk aan uw hof en heimelijk in uw binnenvertrekken,
+met eer en gunstbewijzen hen overladend, onze ergste vijanden,
+Joden en Christenen, zooals ik er zooeven nog een uw paleis zag
+verlaten, en Indische toovenaars en duivelskunstenaars, en ik weet
+niet wat nog ander dergelijk slag van volk, dat de Shaitan zelf
+ons hier op den hals heeft gezonden! Inderdaad, Djelal-ed-din
+Mohammed! gij doet wél eer aan uw naam! Djelal-ed-din! "De Glorie
+des Geloofs!" Bittere ironie van het noodlot, toen het u eenmaal
+bekleedde met zulk een titel dien gij bestemd waart op zoo
+smadelijke wijze te onteeren! En nu weder, als of dat alles nog
+niet genoeg was, en om de mate vol te meten, die buitengemeene en
+overdreven eer aan de nagedachtenis van dien Aboel Fazl, dien
+verleider, dien aartsvijand van het geloof! Hij juist met Feizi
+den godloochenaar, zijn broeder, was het, die u tot al die
+ongeregtigheden verlokte en u tot ontrouw en afval heeft vervoerd;
+en juist dien éénen man toont gij openlijk te vereeren boven
+allen! Ach, mogt in 't eind nog zijn afschrikwekkend voorbeeld,
+zoo niet van zijn leven dan toch van zijn sterven, u tot
+waarschuwing strekken vóór het te laat is! Men heeft u, ik
+betwijfel het niet, zeker allerlei fraais omtrent zijne laatste
+gezegden opgedischt; maar, geloof mij! de waarheid bleef u
+verborgen; en ik wil, hoe zwaar 't mij ook valt, ze onthullen voor
+u en u zeggen, hoe Aboel Fazl werkelijk gestorven is. Zoo hoor dan
+en sidder bij het schrikwekkend berigt, dat hier aan iedereen
+bekend is behalve alleen aan u! Tot op het laatste oogenblik dat
+hij nog spreken kon, bleef Aboel Fazl zijn God lasteren op de
+meest gruwzame wijze; toen begon hij te blaffen als een hond, en
+zijne gelaatstrekken verwrongen zich en zijne lippen werden blauw,
+als gevoelde hij reedsde eerste smarten van de eeuwige verdoemenis
+die hem wachtte!...
+
+--Dat is gelogen, schandelijk gelogen!--riep Akbar eensklaps
+opstuivend uit, nadat hij tot dusver den woesten dweeper bedaard
+had laten uitrazen,--dat is schandelijke, gemeene laster, zooals
+gij, godsdienstijveraars! dien weet uit te denken, waar rede en
+gezond verstand u in den steek laten en gij te vergeefs naar een
+smet zoekt waarmee gij een edel karakter mogt kunnen bezoedelen!
+Hoe Aboel Fazl gestorven is en wat hij stervend heeft gezegd, dat
+weet ik ten zekerste van eene volmaakt vertrouwbare zijde, van
+iemand, die zijne woorden onmogelijk kon uitdenken; spaar mij dus
+uwe ijdele leugentaal! Ik verkies ze niet verder aan te hooren. Ik
+heb met geduld geluisterd naar de onbeschofte woorden, die gij
+waagdet mij in 't aangezigt te werpen; ik heb dat alles aangehoord
+met eene lankmoedigheid, zooals waarschijnlijk geen ander vorst in
+mijne plaats ze tegenover u zou hebben betoond; maar gij hebt
+misbruik gemaakt van mijne goedheid, en dat zal ik niet dulden.
+Rand mij aan, beleedig mij in mijne innigste en dierbaarste
+overtuigingen, scheld op mij, op Akbar, op uw Keizer, het is wel!
+ik zal het u vergeven. Maar laster niet mijn trouwsten, mijn
+verraderlijk vermoorden vriend, of ik zal gebruik maken van mijn
+regt en mijne magt om voor altijd die tong te doen verstommen, die
+laag en lafhartig een gehaten tegenstander bespuwt, nu hij niet
+meer in staat is zich te verdedigen!
+
+--Neem mijn hoofd!--sprak Abdal Kadir, den Keizer onverschrokken
+in 't aangezigt starend,--gij weet dat ik u mijn leven wenschte te
+wijden, en dat ik het honderd malen voor u zou hebben over gehad.
+Kan mijn dood u niet van dienst zijn, hij strekke dan ter
+voldoening aan uw ongeregten toorn! Ik heb u gezegd wat mij
+waarheid scheen; aan u om het te gelooven of niet! Ik deed mijn
+pligt; doe gij den uwe of wat ge daarvoor gelieft aan te zien!
+
+--Genoeg!--zei Akbar, nog nauw bekomen van zijne drift,--ik
+begeer uw leven zoo min als uw dood. Ga heen, en ongedeerd: maar
+waag het niet, mij ooit weer onder de oogen te komen!
+
+Zonder antwoord of groet keerde Abdal Kadir zich om, en schreed
+met opgeheven hoofde en trotschen blik naar den uitgang van het
+vertrek....
+
+--Abdal Kadir!--sprak wederom de Keizer, toen de ander reeds den
+voorhang had opgeligt, en bij dien onverwachten uitroep wendde de
+hooghartige Mohammedaan verwonderd en onwillekeurig het hoofd,--
+laat ons zóó niet scheiden! Daarvoor hebben we elkander te lang
+gekend en ook wederzijds elkaar te hoog leeren achten; want ik
+weet, dat gij ondanks al ons verschil mij uwe achting en
+belangstelling toch niet ontzegt: uwe hevigheid zelve bewijst het.
+En ik van mijne zijde, ik stel u hoog als een kundig en in vele
+opzigten ook verstandig man, maar bovenal, wat hier en in deze
+tijden nog wel het meeste zegt, als een waarlijk braaf en eerlijk
+man. Niemand zie ik gaarne in toorn mij verlaten, maar vooral u
+niet. Ga! ik begrijp zelf dat het noodig zijn zal en gij niet
+anders kunt; maar ga niet met wrok in het hart. Gedenk de lange
+jaren, die wij te zamen in vrede en vriendschap hebben doorleefd,
+en vergeet, al is 't ook maar voor één oogenblik, de oorzaken die
+onze scheiding voortaan onvermijdelijk maken! Wilt gij?...
+
+Eerst, toen Akbar begon te spreken, vertoonde zich nog steeds op het
+gelaat van Abdal Kadir dezelfde norsche uitdrukking, die het niet had
+verlaten gedurende het gansche pijnlijke gesprek; maar langzamerhand
+begon zij te wijken, en het voor zachter indrukken wel ontvankelijk
+gemoed van den dweeper, als maar geen godsdienstijver zijn hartstogt
+wekte, gaf ten laatste zich gewonnen aan de grootmoedige taal van den
+altijd vergevensgezinden vorst. Wel sprak hij niet, maar zijne houding
+zeide genoeg toen Akbar hem de hand tot afscheid reikte. Hij vatte ze
+met kracht, en terwijl hij zich diep voorover boog, viel op die hand
+een traan. Toen ging Abdal Kadir, om niet terug te keeren. Ook dezen
+dan zou Akbar nooit wederzien....
+
+Lang nog staarde hij op den voorhang, die zich weder gesloten had
+achter den vriend van weleer. Daarop begaf hij zich met wankele
+schreden naar de geopende galerij, en zag uit naar het maanlicht,
+dat daar met vriendelijken glans de in volkomen rust verzonken
+tuinen en hunne zacht klaterende fonteinen bescheen. Toen zette
+hij vermoeid zich op een der marmeren rustbanken neder en bedekte
+zich het gelaat met de handen.
+
+Zij verlieten hem dus, de een voor, de ander na. Aboel Fazl was
+hem wreedaardig ontroofd; de Christenzendeling verliet hem in
+arren moede; Abdal Kadir had voor altijd hem vaarwel gezegd. En
+dat alles juist in oogenblikken waarin hij meer dan ooit behoefte
+aan opbeuring en steun van trouwe vrienden gevoelde, juist in een
+tijdsgewricht als dit, nu zijn eigen zoon tegen hem in opstand
+kwam en hem den heerscherstaf zocht te ontrukken, dien hij zoo
+lange jaren tot heil en onder de zegeningen van zijne volken in de
+krachtige vuist had geklemd! En dat alles om de godsdienst en ter
+wille van het een of ander, 't zij dan opregt gemeend of ook
+gehuicheld geloof! Want dat Selim zijn aanslag in naam der
+godsdienst zou ondernemen, was zeker; en algemeen heerschte ook de
+overtuiging dat Narasinha het werktuig in de handen van ijveraars
+was geweest.
+
+--Godsdienst!--sprak Akbar in zich zelven,--wat is het? Is het een
+gelukkig, een heilrijk verschijnsel in den menschelijken geest,
+dat het eindig wezen zijne nietigheid doet gevoelen en tevens het
+verheft, stemmend tot nederigheid en tot aanbidding te gelijk, een
+heerlijk, zalig gevoel en het meest verhevene waarvoor de ziel
+vatbaar kan zijn, de menschen wekkend om elkander lief te hebben
+en te leven voor elkanders welzijn? Of is het een bedroevend, een
+noodlottig ziekteverschijnsel, dat den mensch slechts trotscher en
+overmoediger en vijandiger jegens anderen stemt naarmate zijne
+overtuiging dieper is geworteld, eene soort van krankzinnigheid,
+die zich bijwijlen van de besten en edelsten meester maakt en hen
+beweegt hun naaste te haten en te vervloeken, een waanzin die tot
+misdrijf voert en moord en bloedigen strijd onder de volken werpt?
+Zou 't dan een geluk of een ongeluk zijn als de menschen eenmaal
+ophielden eenige godsdienst te belijden? Onoplosbare vraag! Vol
+van de grootste tegenstrijdigheden, en die toch nagenoeg allen
+gereed staan zonder eenig bedenken te beantwoorden. Geen
+godsdienst, zoo spreken de meesten, geen heil ook meer voor den
+mensch en geen orde in de maatschappij! En tot zóóver zijn ze 't
+allen eens. Maar welke godsdienst nu? Ziedaar de strijd ontvlamd;
+een ieder roept: de mijne, en de mijne alléén! en de zwaarden
+vliegen uit de scheede, en het staal en het ruw geweld gaan
+beslissen wat waarheid is. En zou het dan denkbaar zijn, dat er
+ooit een godsdienst kon worden gevonden die allen gelijkelijk mogt
+voldoen, en alle menschen vereenigen in één eenigen liefdeband?
+Waren 't geen dwaze droomen, waarmee ik mij zoo dikwijls vleide en
+mij zelf bedroog toen ik zoo iets meende ontdekt te hebben?
+Helaas! vrienden te verliezen is hard, maar harder misschien nog
+het verlies van illusiën, die ons dierbaar werden!...
+
+Eene hand, die zacht op zijn schouder werd gelegd, deed Akbar
+opzien. Nevens hem stond Feizi, wien hij 't voorregt had verleend,
+ook onaangediend bij hem te verschijnen.
+
+--Akbar!--sprak Feizi,--waak op uit uwe droevige, maar ook ijdele
+en nuttelooze mijmeringen! Moet ik het zijn, die tot u zeg: Wees
+een man! Ik, die mij anders zoo zwak gevoel tegenover u? Maar het
+is noodig dat ik zoo spreek. Wees overtuigd, dat ik niet minder
+diep het verlies van mijn waardigen en mij zoo dierbaren broeder
+betreur, dan gij den dood van een trouwen raadsman en veelgeliefden
+vriend; maar wij behooren beide te waken, en gij meer nog dan ik, dat
+de smart ons niet overmanne en ons zwak make in 't gezigt der gevaren,
+die het rijk nog blijven bedreigen. En daarom waag zelfs ik het te
+zeggen: Betoon u weer een man! Die voortdurende neerslagtigheid is uwer
+onwaardig, en als Aboel Fazl zelf er getuige van ware, hij zou welligt
+voor 't eerst in zijn leven hebben erkend, dat zelfs Akbar niet
+onfeilbaar is.
+
+--Mijn trouwe, mijn edele vriend!--antwoordde Akbar,--van harte
+dank voor uw onverholen en mannelijke taal! Zulk eene opwekking is
+mij tegenwoordig wel noodig, maar toch bedriegt gij u eenigermate
+omtrent de aanleiding tot die overdenkingen, waarin gij mij
+zooeven verdiept vondt. De herinnering aan uw onvergetelijken
+broeder komt daarin slechts voor een deel.
+
+En uitvoerig verhaalde Akbar zijn vriend wat er bij het afscheid
+van Aquaviva en van Abdal Kadir was voorgevallen, en deelde hem de
+overpeinzingen mede waartoe het een en ander hem had geleid.
+
+--In dat alles--sprak Feizi, toen hij een oogenblik had
+nagedacht,--herken ik weder mijn grootmoedigen Keizer, en... mijn
+idealistisch wijsgeerigen vriend. Gij weet voor 't overige wat
+mijn gevoelen over die punten is, die gij daar hebt aangeroerd. Ik
+hecht niet veel aan 't geen men gewoon is godsdienst te noemen,
+als zich dat blijft bepalen tot een soort van onbepaald mystisch
+gevoel zonder wezenlijken inhoud, en noch veel minder als het zich
+uit in onbewijsbare, alleen door de verbeelding geschapen
+voorstellingen en leerbegrippen. En in zóóver hebben de menschen
+volkomen gelijk, die mij een atheïst noemen. Maar daarom ben ik
+nog geenszins een ongeloovige. Ik geloof integendeel veel; maar
+mijn geloof steunt ook op vaste gronden, omdat het op de ervaring
+zelve berust. Zoo onder anderen geloof ik, en meer dan eens hield
+ik 't u voor, aan de wet der gestadige ontwikkeling; en niet enkel
+op stoffelijk gebied, maar ook en vooral op dat van den geest en
+het denken der menschen; en in die voortdurende ontwikkeling zie
+ik de oplossing van het groot probleem, die gij, als alle andere
+hervormers en stichters van nieuwe godsdienst-systemen, reeds
+aanstonds, maar lang nog vóór den tijd, zoudt wenschen gevonden te
+hebben. Denk eens, van waar wij menschen aanvingen en waar wij
+reeds gekomen zijn, en bereken dan hoever we 't eenmaal nog
+brengen kunnen! Dieren waren wij en niets dan dat; na eenige
+duizende jaren werden wij redelijke wezens of iets althans wat
+daarop gelijkt; en wanneer nu nogmaals duizende en duizende jaren
+zullen voorbij zijn gegaan, wat kan er dan niet van ons worden?
+Zullen wij, en niet eenige weinigen alleen, maar ook allen
+misschien, door steeds voortgezet onderzoek en steeds hooger zich
+ontwikkelende wetenschap geleid, niet ten laatste een wezenlijk
+inzigt erlangen in het oneindig en noodwendig verband der dingen?
+En zullen wij dan, tevrede met dat inzigt en daarin berustend, ook
+niet volkomen al die droomerijen kunnen missen, die zich nu nog
+onder den fraai klinkenden naam van godsdienst aan ons blijven
+opdringen maar, wel beschouwd, niet anders dan kunstmiddelen zijn
+om aan de begeerlijkheid onzer zelfzucht te voldoen en ons in het
+tegenwoordig en in een, alweer door de verbeelding geschapen,
+volgend leven een heilstaat te verzekeren, die voor geen eindig
+wezen ooit kan zijn weggelegd?
+
+--Uw geest streeft hoog,--zei Akbar,--uw blik ziet ver. Mij te
+hoog en te verre soms. Ik let ook op het tegenwoordige, en die
+late, late toekomst brengt mij weinig troost.
+
+--Maar verlies ik dan--vroeg Feizi,--het tegenwoordige uit het
+oog? Behoort het niet tot de eerste stelregels van mijn geloof,
+of, wilt ge, van mijn wijsbegeerte, dat de mensch vóór alles
+geroepen is waardig de pligten te vervullen, die hem in zijne
+maatschappelijke betrekking, welke ze dan ook zijn mag, zijn
+opgelegd? Zeker, alle bespiegeling, alle wetenschap is ijdel,
+wanneer daarvoor de werkelijkheid en het onmiddelijk vóór handen
+liggende verwaarloosd wordt. Leerde ons niet de wijsbegeerte,
+juist daaraan, aan het levend heden onze krachten te wijden, ze
+zou weer niets dan eene begoocheling zijn en een ijdel spel van
+den geest. Maar iets anders is het mede te werken, en met allen
+ijver en beschikbare kracht, aan onze naaste bestemming, iets
+anders de onmiddelijke verwezenlijking te eischen van al wat wij
+tot stand wenschen te brengen en dan mismoedig te worden als 't
+ons nog niet gelukt. Zoo ook omtrent datgene wat gij godsdienst en
+meer bepaald volksgodsdienst of volksovertuiging omtrent de
+onzienlijke dingen noemt. Deze ontwikkelt zich evenmin als iets
+anders, wat dan ook, plotseling en op den wenk van een bezield
+hervormer, maar niet dan langzaam en in den loop der eeuwen. En de
+vervulling eener noodwendige voorwaarde moet haar in elk geval
+voorafgaan: alle volksontwikkeling moet voorbereid worden door
+volksbeschaving. En ook deze is weer niet denkbaar zonder dat het
+volk eerst de middelen bezit om in zijn onderhoud te voorzien,
+alzoo: niet denkbaar zonder volkswelvaart. Maar zou nu, wat dezen
+eersten grondslag van alle beschaving en ontwikkeling betreft, een
+Akbar nog reden hebben tot veel zelfverwijt of mismoedigheid? Zou
+hij meenen, niet genoeg of althans niet veel reeds te hebben
+gedaan voor het welzijn der volken onder zijn beheer? Zie terug,
+mijn Keizer! op hetgeen door u werd volbragt, en oordeel dan, nu
+eens uw theologische bespiegelingen ter zijde latend, of de
+verkregen uitkomst niet de beste aanmoediging is om kloek en met
+ijver den aangevangen arbeid voort te zetten!
+
+Wel had Feizi gelijk, en vleitaal van een hoveling was het niet,
+toen hij den maatschappelijken hervormingsarbeid roemde, dien de
+Keizer begonnen had en met gelukkig gevolg ook had doorgezet. De
+ervaring van volgende eeuwen zou het zegel drukken op zijn
+woorden. Want van Akbar's godsdienstige droomerijen bleef nauw een
+spoor meer na zijn dood; maar zijn landelijk stelsel is de
+voorname grondslag gebleven, waarop heel het bestuur van Hindostan
+onder alle opeenvolgende regeringen bleef berusten, datzelfde
+stelsel in hoofdzaak dat een kloeke en verstandige Brit ook
+gewenscht had in onze Nederlandsch-Indische bezittingen in te
+voeren, en dat ook daar zijn zegenrijke vruchten had kunnen
+dragen, indien het niet door de traagheid, de onkunde en het
+onverstand onzer eigene, latere regeringsmannen tot in den grond
+ware bedorven geworden ....
+
+--Gij hebt wederom regt, Feizi!--sprak de Keizer, zich oprigtend
+in zijn krachtige mannelijke gestalte en het hoofd omhoog heffend
+als met nieuwen levenslust bezield;--het is zoo, ons betaamt te
+werken, niet te droomen, te arbeiden zoolang het dag is,
+onvermoeid en onverpoosd. Blijf mij bijstaan met mijne nog
+overgebleven getrouwen, nu vooral, nu een krachtige steun mij
+ontviel; en ik durf u belooven, gij zult even goed over Akbar
+tevrede zijn als hij over u. Maar nu nog eenmaal een zinnebeeld!
+Hoe wars gij ook zijn moogt van symbolen, dit ééne vindt wis
+genade in uw oog. Zie daar ginds het zwakke nachtelijke schijnsel;
+daarin herken ik den zielstoestand, waarin ik dagen lang en veel
+te lang reeds verkeerde. Maar morgen rijst weer de zon; en daarin
+wil ik ook weer mijzelf aanschouwen, niet zooals ik ben, maar
+zooals ik behoor te zijn. Dát toch is de roeping van den vorst,
+zoolang nog de beweging niet vóór alles uitgaat van de volken
+zelf, met zijne raadslieden de voorname bron van licht en
+bezielend leven te worden in den staat. Vergeet ik dat soms, of
+verlies ik het voor een oogenblik zelfs uit het oog, roep dan,
+Feizi! gelijk ook Aboel Fazl deed, den heiligen vorstenpligt weder
+op voor mijn geest en spreek weer tot mij gelijk gij dezen nacht
+gesproken hebt!...
+
+
+
+VEERTIENDE HOOFDSTUK.
+
+De ontdekking
+
+Sinds verscheidene dagen was de Keizer aan 't hoofd van zijn leger
+uitgetogen naar het Noorden, en alle berigten meldden dat hij zich
+reeds op aanmerkelijken afstand van Agra bevond. Nog bleef daar
+evenwel Siddha op het bevel wachten, dat hem zijne gedeeltelijk
+vooruitgetrokken manschappen moest doen volgen; en geen wonder zoo
+hij den tusschentijd zich bleef korten door herhaalde bezoeken aan
+Rezia-Goelbadan. Zoo begaf hij zich ook nu weer tegen den avond
+naar hare woning, doch, hij kon 't zich niet ontveinzen, niet
+geheel met dezelfde opgewektheid als anders. Hij was in den
+laatsten tijd de steeds verleidelijke, maar toch ook veelzins
+raadselachtige vrouw al meer en meer gaan wantrouwen; en zoo hij
+haar thans nogmaals wilde bezoeken, het was voor een deel om zoo
+mogelijk iets naders omtrent hare geheimen en die der zamenzwering
+gewaar te worden. Weinig vermoedde hij evenwel dat hij juist dezen
+avond meer zou vernemen dan hem lief kon zijn.
+
+Aan het poortje in den tuinmuur gekomen bevond hij tot zijne
+verwondering dat het niet als gewoonlijk gesloten was, maar dat de
+sleutel, waarschijnlijk door achteloosheid in het slot was
+gelaten. Wat er van ware hij behoefde nu in elk geval het
+gebruikelijke teeken niet te geven om binnen te komen, en de deur
+voorzichtig achter zich sluitend, ging hij met rassche schreden
+voort door de laan. In de nabijheid der veranda vond hij nieuwe
+reden tot verwondering. Daar trad juist op dat oogenblik een man
+naar binnen, wiens gelaat hij eerst niet dadelijk zien kon, maar
+in wien hij, zich haastig achter de hooge en digte planten
+verschuilend, bij het schijnsel der lamp zijn oom Salhana
+herkende, die, vlugtig Goelbadan groetend, in de hevigste
+gejaagdheid uitriep:
+
+--Wij zijn verraden, schandelijk verraden!--De Keizer--ging hij
+voort, terwijl Goelbadan hem verschrikt aanhoorde,--is van al
+onze plannen onderrigt. Hoe, weet ik niet, maar het is zeker. Ik
+heb stellige berichten van Gorakh, die, zooals gij weet, vermomd
+in het leger is. Akbar wist niet alleen van onze voornemens reeds
+bijna van den beginne af aan, maar zijne spionnen hebben hem ook
+in staat gesteld ze te volgen in al de veranderingen, die wij er
+in gebragt hebben. Slim als hij is heeft hij daarop aan sommigen,
+van wie hij verwachten kon dat zij 't ons over zouden brengen,
+zich laten verluiden dat hij ons eerste plan had doorzien, maar
+zonder er bij te voegen dat ook het tweede hem bekend was. De
+onzen moesten wel denken dat hij in den val liep. Nu trekt hij
+eindelijk uit met zijn leger en houdt zich alsof hij regelregt
+naar Kaçmir zal doorgaan. Maar jawel! Daar keert hij eensklaps om,
+en neemt zijn weg met snelle dagreizen weer naar Agra, waar hij
+ons juist wil komen verrassen op 't oogenblik dat wij ons volkomen
+zeker wanen. Wel ben ik nu nog bij tijds gewaarschuwd, om te
+verhinderen dat Selim op den bepaalden dag tot Keizer wordt
+uitgeroepen; maar ons baat dat niet veel, want daar Akbar alles
+weet, zal hij ons niet sparen, al betrapt hij Selim zelf ook niet
+op de daad. Er zit dus niets anders voor ons op dan uiterste
+maatregelen te beproeven.
+
+--En waarin zouden die kunnen bestaan?--vroeg Goelbadan.
+
+--Gorakh en de zijnen--antwoordde Salhana,--moeten te hulp komen,
+en zij kunnen het. Eer de Keizer den tijd heeft om Agra te
+bereiken, moet het met zijn leven gedaan zijn....
+
+Eene huivering ging bij deze woorden den luisteraar door de leden,
+en de hand aan zijn dolk slaande wilde hij eene schrede voorwaarts
+doen. Doch hij bedwong zich nog bij tijds.
+
+--Selim behoeft daar niets van te weten,--ging Salhana voort,--en
+we moeten 't hem ook maar niet vertellen als de daad volbragt zal
+zijn. Hijzelf zal 't wel vermoeden, maar zich houden of hij 't
+niet begreep, en er ons niet slechter om aanzien. Morgen ga ik
+naar 't leger om alles met Gorakh af te spreken, die mij de
+teekenen heeft doen meedeelen, waaraan ik hem in zijne verkleeding
+kan herkennen. En zorgt gij nu inmiddels dat Selim wordt
+gewaarschuwd. Ikzelf wil ditmaal niet tot hem gaan, om geen
+vermoeden te wekken. Maar zeg mij tevens, hoe staat gij
+tegenwoordig met hem?
+
+--Ik zag hem in lange niet hier,--antwoordde Goelbadan,--maar de
+reden van zijn voortdurende afwezigheid bleef mij onbekend. Ik
+maak mij omtrent hem echter niet ongerust; hij begeert mij, hij
+wil mij volstrekt, het koste wat het kosten moet, tot zijne
+Sultane; en dat zal ook zoo zijn, mits hijzelf maar eerst Keizer
+is, niet vóór dien tijd.
+
+--Inmiddels--zei Salhana,--houdt gij u bezig met dien neef van
+mij, dien ik u bezorgd heb, niet waar? Een knappe jongen in elk
+geval, en waarin gij ook nog al behagen scheent te vinden.
+
+--Een tijd lang, ja! Maar hij begint mij tegenwoordig te vervelen;
+en wél bezien is hij ons ook maar half van nut. Men heeft
+onophoudelijk met hem te kibbelen over allerlei begrippen van
+pligt en eer, zoodra 't op iets wezenlijks aankomt. Ik denk hem
+dan ook spoedig de deur te wijzen als hij zijn dienst zal hebben
+gedaan; en dat te meer, omdat hij in mijne plannen met Selim mij
+wel eens in den weg kon zijn....
+
+--Wat is dat?--vroeg plotseling Salhana, zich naar de buitenzijde
+van de veranda keerend,--mij dunkt, ik hoor daar beweging. Er kan
+hier toch niet de eene of andere ongenoode gast in den omtrek
+zijn?
+
+--Onmogelijk!--antwoordde Goelbadan,--het poortje aan den tuinmuur
+is immers goed gesloten?--Salhana herinnerde zich ook niet dat hij
+'t inderhaast had opengelaten;--en van de andere zijde is geen 't
+minste gevaar, daar Feizi dezen morgen naar 't leger is
+vertrokken. Ga straks langs dien kant; dat is nog voorzigtiger dan
+langs den anderen, waar gij Siddha soms in de nabijheid van den
+tuinmuur zoudt kunnen ontmoeten.
+
+--Alles--hernam Salhana,--is dan goed afgesproken, niet waar? Gij
+zorgt voor Selim en de rest hier in Agra; ik voor mij blijf mij
+met Akbar belasten, en ben ik niet al te ongelukkig dan zijn wij
+spoedig van hem en al zijn volk bevrijd.
+
+Met een ligten groet verdween Salhana achter een der gordijnen
+langs een zijgang, die Siddha niet bekend was en waardoor hij
+verhinderd werd hem te volgen zooals eerst zijn voornemen was. Het
+beste ware nu nog geweest, onmiddelijk terug te keeren en het
+nieuwe komplot door tijdige waarschuwing aan den Keizer te
+verijdelen, terwijl de zamenzweerders daar niets van vermoedden;
+en hij gevoelde dat ook, maar de onweerstaanbare lust om Goelbadan
+te toonen, dat hij had opgehouden haar geminacht werktuig te zijn,
+behield de overhand, en met één enkelen sprong was hij naar binnen
+en stond hij vóór haar.
+
+--Gevloekte slang!--riep hij uit,--gij, die een schandelijk
+verrader van mij hebt gemaakt, denk niet dat uw doemwaardige
+voornemens en die van den schurk daar, dien ik mij schaam mijn
+bloedverwant te noemen, nog kans hebben van slagen! Ik, die u
+tegenwoordig begin te vervelen, en 't is goed dat ik het weet, ik
+zal ze verhinderen.
+
+--Ha! gij hebt daar geluisterd!--sprak Goelbadan, en eene
+uitdrukking van haat en kwaadaardigheid, gelijk Siddha nooit in
+die anders zoo zachte en innemende gelaatstrekken mogelijk zou
+hebben geacht, ontsierde haar plotseling op eene wijze, die haar
+op dat oogenblik inderdaad leelijk deed worden;--en nu denkt gij
+ons te gaan verraden? Maar dat zal niet gebeuren!
+
+En eer Siddha in staat was hare bewegingen te volgen, vloog zij op
+hem toe en bedreigde een opgeheven dolk zijne borst. Half
+werktuigelijk zocht hij 't wapen af te weren, toen hij plotseling
+als verlamd de armen liet zakken bij het aanschouwen van eene
+gestalte, die als 't ware uit den grond daar achter Goelbadan
+verrezen was; maar in 't zelfde oogenblik ook greep een ijzeren
+vuist de omhoog geheven moordende hand, en verhinderde den anders
+door niets belemmerden stoot....
+
+Haastig keerde Goelbadan zich om, en... stortte met een kreet van
+ontzetting ter aarde.... Achter haar stond Feizi, en achter hem
+vertoonden zich twee donkerkleurige dienaren met de blanke sabel
+in de hand.
+
+--Genade!--kermde zij, weer tot bezinning gekomen, terwijl Siddha
+wezenloos het tooneel stond aan te zien,--genade, mijn gebieder
+en Heer!--En 't hoofd diep gebogen, terwijl hare lange donkere
+lokken over den grond sleepten, kroop zij op hare knieën naar den
+beleedigden echtgenoot, die al verder achterwaarts trad naarmate
+zij digter hem zocht te naderen.
+
+--Terug!--riep Feizi,--terug! spaar mij uwe onreine aanraking!--
+Bindt die vrouw,--sprak hij tot zijne onderhoorigen,--en voert
+haar naar mijn kasteel bij Mathoera! Daar blijve zij streng
+bewaakt, haar leven lang. En zoo zij ooit eene poging, hoe gering
+ook, waagt om zich met iemand, wie 't ook zijn mag, daarbuiten in
+verbinding te stellen, dan worde het vonnis aan haar voltrokken,
+waarvan ik voor heden haar nog genade schenk. Nimmer wil ik van
+haar iets weerzien, of, zoo het moet, het zij dan enkel haar
+schuldig hoofd!
+
+Nog eenmaal rigtte hij 't woord tot de smadelijk gevallene en nu
+niet minder schandelijk zichzelve vernederende, die daar aan zijne
+voeten lag geknield; maar dat woord was niet bestemd om hare straf
+te verligten.
+
+--Hoop--sprak hij,--doet nog leven, naar men zegt. En gij, wier
+naam nooit meer over mijne lippen zal komen, gij vleit u misschien
+nog met eene zoete verwachting. Gij meent welligt nog op de
+bescherming te kunnen rekenen van een, die magtiger is dan ik, of
+eenmaal ten minste het zijn zal. Gij denkt nog dat Selim u bij zal
+staan, en u zal komen verlossen uit uwe gevangenis. Maar die
+verwachting is ijdel! Want degene, die, zelf door u bedrogen, mij
+uwe betrekking tot dien man daar ginds verried, dat was juist hij,
+dat was diezelfde Selim, dien gij in uwe netten gevangen dacht!
+
+Snel had Goelbadan het hoofd omhoog geheven en opmerkzaam had zij
+toegeluisterd. Nu verwrongen zich hare gelaatstrekken en met een
+gil stortte zij voorover, het hoofd op den grond en de armen vóór
+zich uitgestrekt.
+
+--Doet uw pligt!--zei Feizi tot zijne volgelingen, en haastig
+droegen zij de bewustelooze weg....
+
+--En nu gij!--zoo ging hij, Siddha naderend voort, terwijl hij
+zijn sabel uit de scheede toog....
+
+--Mijn leven heb ik verbeurd,--sprak Siddha, zijn kleed
+openscheurend,--stoot toe; ik verlang niets liever dan dat, ik
+wensch den dood als eene genade van uwe hand!
+
+--Dat begrijp ik!--antwoordde Feizi, zich bezinnend, en langzaam
+liet hij de sabel weer in hare scheede glijden,--dat begrijp ik
+zeer goed. Maar ik ben, wél bezien, niet voornemens aan uw
+verlangen te voldoen. Anderen zouden in een geval als dit er
+misschien anders over denken. Een Muzulman zou u 't hoofd voor de
+voeten leggen, een Hindoe u doen worgen, een Frank u uitdagen tot
+een tweegevecht, wat wel het gekste van alles ware. Doch ik
+verkies noch het een noch het ander. Gij moogt leven en ongedeerd
+van hier gaan. Maar leven dan ook met de herinnering aan 't geen
+gij hebt gedaan, en aan de wijze waarop gij, die u een edelman
+noemt, eene belangelooze vriendschap vergolden hebt. Die
+herinnering, dat bewustzijn zullen u nimmermeer verlaten, al
+overdekt gij u met roem en al stijgt gij ook nog zoo hoog in rang;
+en hoe ook gevierd en door anderen vereerd, toch zult gij de oogen
+blijven neerslaan voor elk eerlijk man, bedenkend hoe gijzelf
+eenmaal in uw jongere jaren u jegens een vriend gedragen hebt.
+Ziedaar de straf, die ik u opleg! En nu, vertrek!
+
+Een gebiedende, geen weerspraak of verzet meer duldende
+handbeweging van Feizi deed den diep onder zijn schuldgevoel
+gebogene met laag op de borst gezonken hoofd en met wankele
+schreden naar den uitgang zoeken; en nauwelijks wetend wat hij
+deed en waarheen hij ging, verliet Siddha het buitenverblijf en
+vond hij als werktuigelijk zijn weg naar de nog altijd onafgesloten
+poort.
+
+Geruimen tijd bleef hij zoo goed als gedachteloos ronddwalen. Aan
+de rivier zag hij, ondanks 't reeds vergevorderd uur, nog eenige
+sjouwerlieden bezig met het laden van een schip; en alsof hij er
+eenig belang bij had, volgde hij nauwlettend hunne bewegingen, nu
+eens zich afvragend hoe ze die baal daar over de loopplank zouden
+krijgen, dan weer het hoofd schuddend over hunne onhandigheid.
+Bijna had hij zich aangeboden om hen wat te helpen. Maar een
+drietal soldaten, die nog bij het licht van een walmende toorts
+onder een afdak zaten te drinken en te dobbelen, leidde zijne
+opmerkzaamheid weer af, en nu begon hij lust te krijgen om met hen
+mee te drinken en mee te spelen.... Daar was het hem op eens als
+werd er een gordijn opgetrokken dat voor zijne oogen hing, en zag
+hij het gansche tooneel weer vóór zich, waarin hij daar straks
+eene zoo jammerlijke rol had gespeeld. Maar bijkans in hetzelfde
+oogenblik verdrong weer ééne gedachte tijdelijk al het andere: de
+herinnering aan den voorgenomen moordaanslag op den Keizer! Had
+Feizi alles gehoord, en dus ook dit? En was hij dan in staat Akbar
+te gaan waarschuwen? Het bleef hem onbekend, en hij had natuurlijk
+ook geen gelegenheid het te weten te komen. Maar waartoe ook?
+Waarom zelf niet gegaan, en zonder verder tijdverlies? Salhana zou
+eerst morgen vertrekken; een ander kon hem dus, al ging hij vroeg,
+nog vóór zijn.
+
+Geen oogenblik bedacht Siddha zich langer, maar in bijkans
+ademlooze vaart snelde hij naar het kwartier waar zijne met hem
+teruggebleven manschappen gelegerd waren, droeg daar het bevel aan
+een zijner officieren over, haastte zich naar zijne woning en
+gelastte Vatsa, terstond den vos te zadelen,--dien vos van Feizi,
+dien hij na zijne ontdekking omtrent den waren naam van Rezia
+evenmin had durven berijden als terugzenden, maar die nu in het
+belang van Keizer en rijk zijne diensten zou doen.
+
+--Maak u gereed mij te volgen naar het leger,--zeide hij tot
+Vatsa, toen deze met het opgetuigde paard verscheen,--maar van
+verre, zoodat er eenige afstand tusschen ons blijft. Vertrek een
+uur na mij, rijd dan door zoo snel gij kunt en breng, zoo 't
+noodig is, de boodschap over, die ik u geven zal. Ik weet, dat ik
+u volkomen kan vertrouwen...--En hier deelde hij hem zooveel als
+vereischt werd omtrent de plannen van Salhana mede, en gaf hem
+bevel, dat onmiddelijk aan den Keizer zelf te melden, indien hij
+zijn meester soms niet in het leger mogt aantreffen. Daarop sprong
+hij in den zadel en reed spoorslags voort.
+
+Een overhaaste reis, waarbij hij zichzelven en zijn snel loopend
+paard niet dan de volstrekt noodige rust gunde, bragt hem binnen
+betrekkelijk korten tijd bij het leger, dat ook van zijn kant Agra
+weer een goed eind genaderd was. Terstond liet hij, in 't kamp
+gekomen, zich aandienen bij den Keizer, die hem na eenig dralen
+alléén in zijne tent ontving.
+
+--Wat komt gij hier uitrigten?--vroeg Akbar op strengen toon.--
+Wie heeft u last gegeven uw post in Agra te verlaten? Dat is een
+vergrijp, dat u duur te staan kan komen.
+
+--Sire!--antwoordde Siddha,--indien geen ander vergrijp door mij
+gepleegd was dan dit, zou ik wel van groot geluk mogen spreken.
+Maar ik kom mij bij Uwe Majesteit aanklagen van de grootste
+misdaad, die een krijgsman jegens zijn vorst kan plegen: van
+verraad!
+
+--Ik vermoedde zoo iets,--sprak de Keizer, terwijl Siddha ontzet
+een stap terugtrad,--en daarom werd u 't bevel niet gegeven om op
+te rukken. En nu komt gijzelf mij de bevestiging brengen van uw
+ontrouw! Goed; wij zullen zien. Spreek verder!
+
+In 't kort, maar zonder iets wezenlijks te verzwijgen, verhaalde
+Siddha hoe hij, door Goelbadan verleid, zijn begunstiger en vriend
+had bedrogen en zich tot verraad jegens den Keizer had laten
+verlokken. Met langzame schreden wandelde Akbar heen en weder
+gedurende het verhaal. Zijn gelaat duidde niets aan van 't geen er
+in hem mogt omgaan. Eindelijk, toen Siddha zweeg, bleef hij vóór
+hem staan, en zeide kortaf en met strengen blik:
+
+--Uw misdrijf eischt den dood!
+
+--Dat weet ik, Sire!--was het antwoord;--en ik kom mijne geregte
+straf van Uwe Majesteit verzoeken.
+
+--Waarom zijt gij niet gevlugt als gij bevreesd waart dat het
+verraad ontdekt zou worden?
+
+--De misdaad verlangt boete, en ik mag niet straffeloos blijven
+rondlopen, waar ook, een voorwerp van minachting voor mijzelf en
+voor ieder die mij herkennen mogt.
+
+--Maar hoe is het, dat gij zoo op eens tot uw tegenwoordig besluit
+zijt gekomen? Daarvoor moet een oorzaak bestaan. En mij dunkt, gij
+hebt mij nog niet alles gezegd; er ontbrak nog iets aan uw
+verhaal.
+
+--Dat is ook zoo; maar wat ik nog heb mee te deelen, mogt ik niet
+zeggen vóór mijn vonnis door u was uitgesproken. Thans mag ik
+verder gaan.... De magt dan, waardoor die vrouw mij zoolang nog,
+in weerwil van mijzelven gebonden hield, werd plotseling
+verbroken, de blinddoek viel mij van de oogen en eindelijk leerde
+ik eerst volkomen inzien, wie ik was, wat ik misdreef en welke
+straf ik had verdiend....
+
+En nu volgde ietwat uitvoeriger dan 't voorafgaande, de
+beschrijving van het tooneel van dien laatsten avond bij Goelbadan
+en de mededeeling van het nieuwe, door Salhana ontworpen plan.
+
+Ook nu nog was er geenerlei aandoening zigtbaar op het strak
+gelaat van den Keizer. Zijn stap alleen, terwijl hij bleef heen en
+weder gaan, was een weinig driftiger en meer gehaast. Toen het
+verhaal was geëindigd bleef hij eerst een tijdlang zwijgen, doch
+sprak ten laatste:
+
+--Met reden schijnt gij ondersteld te hebben dat uwe laatste
+mededeeling van invloed kon zijn op het vonnis dat ik over u had
+uit te spreken. Gij hebt mij en mijn rijk een belangrijke dienst
+bewezen. Maar gij bedriegt u, indien gij meent dat ik straks reeds
+een onherroepelijk vonnis velde. Te zeggen dat een misdrijf op
+zichzelf de doodstraf verdient, is nog niet gezegd dat voor hem
+die het beging, geenerlei verschooning is aan te voeren. En voor u
+is dit, dunkt mij, juist wel het geval. Ook afgescheiden van uwe
+verdere mededeelingen zou ik in mijne uitspraak geweifeld hebben,
+en had ik toch misschien genade laten gelden voor regt. Gij hebt
+zwaar misdreven, Siddha! jegens mij en zeker niet minder jegens
+mijn vriend; maar een misdadiger zijt gij daarom nog niet. Gij
+waart het offer eener sterke verleiding, en ik weet zelf wat het
+zegt daaraan te zijn blootgesteld; maar uw eergevoel ging niet
+gansch verloren en herleefde toen uwe verblinding geweken was. Let
+wel! ik vergoelijk in 't minst niet uwe handelingen en tel uw
+schuld niet ligt; maar ik ben evenmin van oordeel dat gij tot die
+onverbeterlijken behoort, die men in 't belang der maatschappij
+onschadelijk heeft te maken. Integendeel, ik wil gelooven dat gij
+door later daden nog voor een deel, althans wat mij betreft, de
+herinnering zult uit kunnen wisschen aan 't geen gij als onderdaan
+misdreven hebt. En uw gansche gedrag van heden geeft mij de vaste
+overtuiging, dat gij jegens mij u nooit meer aan eenige
+trouweloosheid zult schuldíg maken en voortaan beter de
+waarschuwing indachtig zult zijn, die ik u eenmaal daar in den
+tuin van mijn paleis in Agra gaf. Ik laat u daarom het leven en--
+uw rang. Bewijs mij, dat ik mij niet ten tweeden male in u heb
+bedrogen!
+
+Te antwoorden was Siddha in de eerste oogenblikken niet mogelijk;
+maar hij knielde neder voor den Keizer en kuste eerbiedig den zoom
+van zijn gewaad.
+
+--Ik dank u, Sire!--sprak hij eindelijk, nadat Akbar hem gewenkt
+had op te staan,--niet voor dat leven, dat voor mij geen waarde
+meer heeft, maar voor de gelegenheid mij geschonken om nog een
+deel van de schuld te boeten, waarmede ik mij beladen heb. En zoo
+'t mij voegt, na al het gebeurde nog om een gunst te verzoeken, ik
+vraag dan als de allerhoogste dat mij spoedig geoorloofd mag zijn
+aan den strijd deel te nemen, die ginds in het Noorden tegen de
+rooverbenden wordt gevoerd.
+
+--Ook die gunst wil ik u verleenen,--antwoordde de Keizer,--maar
+vooraf belast ik u hier nog met eene andere taak. Eenige van de
+getrouwsten mijner eigene lijfwachten stel ik onder uwe bevelen.
+Ga met hen Salhana te gemoet, maak u aanstonds van hem meester
+zoodra gij hem vindt, en breng hem hier; maar in 't diepste
+geheim, zoadat Gorakh, die naar uw zeggen hier rond moet zwerven,
+er niets van bemerkt.
+
+Een wenk van den Keizer maakte een einde aan het gesprek; en
+aanstonds, zoodra hij 't bevel over de wachten aanvaard had, was
+Siddha met hen, en zijn niet lang na hem aangekomen dienaar, weer
+op weg.
+
+Spoediger dan hij verwacht had ontmoette hij zijn oom, die mede
+veel haast scheen gemaakt te hebben, met twee zijner volgelingen.
+In een oogenblik waren deze overmand en gevangen genomen; en,
+schoon, Salhana zelf nog een tijdlang tegenstand bood, ook hij was
+toch dra overweldigd, en, tot zijn niet geringe woede, gekneveld
+op bevel van dien tot heden zoozeer door hem geminachten
+jongeling. Om zijne herkenning door anderen te beletten werd hem
+een sluijer over 't hoofd geworpen, en in allerijl werd hij daarop
+medegevoerd naar het kamp.
+
+In de tent des Keizers ontdeed men hem van zijne boeijen en den
+sluijer, en liet hem met Akbar en Siddha alleen.
+
+--Uw verraad, Salhana!--sprak de Keizer,--en ook uw nieuwste plan
+is ons bekend. Die jonkman daar heeft het ons meegedeeld. Maak u
+gereed te sterven. De beul wacht u!
+
+Met een giftigen blik zag Salhana zijn neef aan, en stortte toen
+voor de voeten van Akbar neder, met het voorhoofd den grond
+aanrakend.
+
+--Spaar mijn leven!--bad hij.--Straf mij, genadige Vorst! maar...
+laat mij leven, en ik wil alles bekennen, alles zeggen wat ik
+weet.
+
+--Salhana!--antwoordde de Keizer met de diepste minachting,--ik
+wist dat gij een verrader, een schurk waart, maar ik had u nog
+niet leeren kennen als een lafaard bovendien. Voorwaar, gij zijt
+al een heel groote ellendeling en nauwelijks waard een kop kleiner
+te worden gemaakt! Wat voor 't overige uwe bekentenissen aangaat,
+ik heb ze niet van noode; ik weet daaromtrent alles, zeg ik u.
+Slechts één ding verlang ik nog te weten. Waar en hoe is Gorakh te
+vinden?
+
+--Ik zal het u zeggen!--riep Salhana uit, met onverholen vreugde
+dien straal van hoop begroetend;--ik zal het nauwkeurig aanwijzen.
+En dan?...
+
+--Dan gun ik u een schandelijk leven. Doch worden uwe aanduidingen
+valsch bevonden, dan, gij begrijpt het, wacht u het zwaard.
+
+Uitvoerig en nauwkeurig gaf nu Salhana de teekenen op, waaraan men
+den Yogi in zijne vermomming kon herkennen.
+
+--Men bewake dezen man met de uiterste strengheid,--beval de
+Keizer aan Siddha,--en inmiddels gaat gij uit met uwe wachten,
+zoekt Gorakh, en als gij hem gevonden hebt, laat gij hem opknoopen
+aan den eersten boom den beste.
+
+Aan het bevel werd spoedig uitvoering gegeven. De mededeelingen
+van Salhana bleken juist te zijn. Men was den Doerga-priester
+weldra op het spoor, en aanstonds werd hij gevat.
+
+--Ha, mijn jonge vriend!--zei de priester, Siddha herkennend, met
+zijn hatelijksten lach,--vergeldt gij zóó de belangstelling die ik
+u betoonde? Nu dat zij zoo! Maar bewijs mij toch ééne beleefdheid;
+die kunt gij nog wel voor mij over hebben! Zeg, wie heeft mij
+verraden? Dat kan wel niemand anders dan Salhana zijn, niet waar?
+
+--Zoo is het!--antwoordde Siddha.--En nu gij,--vervolgde hij tot
+de wachten,--voert dien man buiten het kamp en dat ginds het
+vonnis aan hem voltrokken worde! Voorwaarts!
+
+--En wat is dat vonnis?--vroeg nog de ander.
+
+--De strop!--was het antwoord.
+
+--Goed!--zei Gorakh,--dat blijft in mijn vak!
+
+Den man te binden was wel overbodig, en ook zonder de minste
+poging tot verzet stapte hij bedaard tusschen de krijgslieden
+voort. Gedurende eenigen tijd zag ook Siddha niet naar hem om, en
+de wachten letten mede niet veel op zijne bewegingen. Buiten de
+legerplaats evenwel zich omwendend om zijne ruiters nog eenig
+nader bevel te geven, bemerkte Siddha dat de Yogi bezig was met
+zijne regterhand over een langwerpig boomblad te strijken, dat hij
+in de linker hield en dat hij óf onderweg moest hebben opgeraapt
+óf uit zijne kleeding te voorschijn gehaald. Een oogenblik later
+hief hij 't blad omhoog en wuifde er mede alsof 't een waaijer
+was.
+
+--Komaan!--riep Siddha ongeduldig,--laat dat geknoei met uw
+goocheltoeren nu maar! 't Helpt u toch niet langer. En werp dat
+blad daar weg! Wij hebben genoeg van uwe kunsten!
+
+Gorakh gehoorzaamde, hoewel niet dan na nogmaals, als lagchend en
+als om Siddha te plagen, een paar mystische teekens met het blad
+in de lucht te hebben gesneden. Toen wierp hij 't op den grond, en
+men ging verder. Weinige oogenblikken later hing het ligchaam van
+den priester aan den tak van een alleenstaanden boom.
+
+Inmiddels waren een paar lieden, naar 't uiterlijk te oordeelen
+dienaren van een of ander edelman, die bij de gevangenneming
+tegenwoordig waren geweest, doch niet dan onverschillig er naar
+gekeken hadden, onopgemerkt op eenigen afstand den stoet gevolgd,
+die den veroordeelde naar de strafplaats voerde. Zoodra de troep
+voorbij de plek was, waar Gorakh het blad had neergeworpen, gingen
+zij zoeken in het zand en vonden weldra het gezochte voorwerp. Het
+was een verdroogd boomblad, maar waarin met eene snelle hand en
+met behulp van een veelal tot dat einde gebezigd scherp werktuig,
+een aantal woorden stonden gekrast. Na gezamenlijke lezing verborg
+een der beiden het zorgvuldig in zijn gewaad en haastte zich naar
+het kamp terug.
+
+Daar erlangde Salhana, zoodra de tijding van Gorakh's dood aan den
+Keizer was overgebragt, de hem toegezegde levensgenade, maar
+tevens werd aan eenige krijgslieden de last gegeven hem streng te
+blijven bewaken. Na 't einde van den oorlog zou men verder zien,
+wat met hem uit te rigten. Gevangenschap, waarschijnlijk in eene
+of andere vesting, zou, begreep hij wel, zijn lot zijn zoolang
+Akbar regeerde. Maar daarna zou Selim hem zeker aanstonds
+verlossen. En dan was hij misschien ook in de gelegenheid om aan
+zijn wraakzucht tegen Siddha te voldoen....
+
+Het toezicht van zijne bewakers was echter uit den aard der zaak
+niet zoo voortdurend streng, of 't mogt nog wel eens den een of
+ander gelukken hem te naderen; en er werd dan ook geen acht op
+geslagen dat eens op een avond een als dienaar van een der edelen
+gekleed persoon, hem voorbijgaande, snel en heimelijk hem een
+opgerold blad in handen speelde. Wat dat zijn kon? Een geheime
+mededeeling van een zijner vrienden, van Goelbadan misschien om
+hem een middel aan te wijzen tot de vlugt?...
+
+"Salhana!"--dus luidde het haastig en met verkortingen geschreven
+briefje,--"de Keizer, die mij vonnist, zal niet sterven; want dat
+zou u dienen. Maar Doerga kiest tot offer u, die mij verraden
+hebt."
+
+Het angstzweet brak Salhana uit en als verlamd van schrik liet hij
+'t blad uit de hand vallen. Hij wist toch maar al te goed wat die
+weinige woorden beteekenden, en hij wist dus ook dat zijn vonnis
+onherroepelijk was geveld. Het laatste gebod van den Doerga-
+priester zou niet worden veronachtzaamd, en liever nog zouden er
+honderd der zijnen zich opofferen dan het bevel onuitgevoerd
+laten. Of er dan in 't geheel geen hoop en geenerlei kans meer
+was? Inderdaad zoo goed als geene! Ja, was hij nog maar in Agra,
+en daar in de vesting of ergens anders opgesloten, waar die
+anderen althans zoo ligt niet tot hem konden doordringen dan hier
+in 't open veld! Maar hij was in de achterhoede van het leger, en
+deze volgde niet dan zeer langzaam het snel voortrukkend overig
+gedeelte.... Hijzelf bad en smeekte nu zijne bewakers dat zij toch
+goed de wacht bij hem zouden houden, omdat zijn leven door
+sluipmoordenaars was bedreigd; maar zij lachten hem uit, en hij
+hoorde hen zeggen: Er zou ook wat aan verloren zijn! Nog verzocht
+hij dat men in den nacht een licht bij hem zou laten branden, maar
+men bleef hem uitlagchen en hem bespotten om zijn lafhartigheid.
+Hij had geen rustig oogenblik meer. Des daags, op marsch, dacht
+hij langs elke heg of struik de eene of andere donkere gestalte te
+zien sluipen, die hem bespiedde en hem volgde op zijne schreden.
+Bij halten, als anderen rust namen, bleef hij voorzigtig overeind
+zitten en zoekend rondzien langs de boomen en het kreupelhout. En
+dan in den nacht, in den schrikkelijken, eindeloozen nacht! Hij
+had alles willen geven om ten minste wakker te kunnen blijven, en
+hij deed ook zooveel mogelijk zijn best, luisterend naar het
+minste geritsel en telkens in 't donker om zich heen tastend; maar
+bij wijlen overmande hem toch de slaap. Dan schrikte hij
+plotseling weer op en greep naar zijn hals, en dacht er iets te
+voelen dat hem den adem kwam benemen. In 't eind ging hij zich
+verbeelden dat er een koord om zijn nek was geslagen en daar bleef
+zitten tot het eensklaps zou worden toegetrokken. Telkens en
+telkens moest hij door 't gevoel zijner vingers zich overtuigen
+dat hij zich bedroog, tot in 't laatst die beweging van de hand
+naar de keel hem tot eene werktuigelijke gewoonte begon te worden.
+Een enkelen keer kwam de gedachte bij hem op om zelf een eind aan
+zijn leven te maken en op die wijze zich te verlossen van zijn
+marteling; maar hij durfde niet en hij bezat geen moed om zich den
+dolk in het hart te stooten. En dan nog de hoop, hoe flauw ook,
+dat hij nog betrekkelijk veilig mogt zijn als men maar eenmaal in
+Agra zou zijn aangekomen! Maar langzaam ging de togt altijd
+langzamer, en het was nog de vraag of 't wel in het plan van den
+Keizer lag de achterhoede tot de residentie zelve te laten
+voorttrekken....
+
+De Worgers belastten zich eindelijk met de taak, die Salhana zelf
+niet durfde volvoeren, en bevrijdden hem van zijn angst.... Eens
+in den vroegen morgen vonden zijne bewakers hem dood liggen in de
+tent, die gedurende den nacht hem tot verblijf had gestrekt.
+
+
+
+VIJFTIENDE HOOFDSTUK.
+
+Beterschap
+
+In Agra ging alles nagenoeg zooals Akbar en zijne raadslieden van
+den aanvang af berekend hadden, en vooral na de mededeelingen van
+Siddha konden voorzien. Dat Selim nog bij tijds omtrent den
+terugkeer van het leger zou gewaarschuwd worden en 't dus
+misschien niet gelukken zou hem op de daad te betrappen, hadden
+Akbar's vertrouwden nog steeds gevreesd; en wel ware in dat geval
+de aanslag verijdeld, maar tevens vrij wat moeijelijker geweest,
+den Prins te overtuigen van zijn verraad. Nu evenwel de boodschap
+van Gorakh, den leider der zaamgezworenen in het leger was
+onderschept, en Goelbadan in de onmogelijkheid gesteld ze aan
+Selim en de zijnen over te brengen, stonden de kansen veel
+gunstiger. En inderdaad, wel kwamen er enkele geruchten tot de
+zaamgezworenen te Agra omtrent een spoedigen terugtogt van den
+Keizer; maar, niets daaromtrent van hun eigen vrienden vernemend,
+hielden zij die geruchten eenvoudig voor een list om hen van
+eenige onderneming gedurende Akbar's afwezigheid terug te houden.
+Er bestond dus, meenden zij, geenerlei reden om geen uitvoering te
+geven aan het plan.
+
+Op den bepaalden dag dan nam Selim bezit van het vorstelijk
+paleis, en deed zich openlijk in Agra uitroepen als Keizer.
+Terstond ontsloeg hij een aantal van de voornaamste ambtenaren en
+krijgsbevelhebbers en stelde anderen in hun plaats. Schrik en
+ontzetting verspreidden zich allerwege in de stad. De rijken
+sloten hunne huizen, de kooplieden hunne winkels, en de volkrijke,
+anders zoo levendige residentie scheen op eenmaal als uitgestorven.
+De berigten toch omtrent Akbar's terugkeer hadden meer geloof gevonden
+bij de burgerij dan bij de misleide zamenzweerders, en een geduchte
+strijd scheen te voorzien, als Selim, in de vesting zich versterkend,
+een krachtigen tegenstand mogt bieden aan zijn vader. Maar toen de Prins
+nu de vesting liet opeischen, weigerde, tot zijn niet geringe verbazing
+en schrik, de Goeverneur volstandig aan den eisch te voldoen, sloot de
+welversterkte poorten en rigtte zijn geschut tegen de stad. In
+schijn toch had diezelfde Goeverneur, met medeweten van Akbar, de
+zijde van Selim gekozen, zoodat deze volkomen zeker van het fort
+meende te zijn, maar inderdaad was hij den Keizer trouw gebleven.
+En nu bevestigden zich ook de tot dusver in den wind geslagen
+berigten omtrent de bewegingen van het leger, en geen dagmarsch
+scheidde dit weldra meer van de stad. Dus tusschen twee vuren
+geplaatst, terwijl nagenoeg allen die hem in den opstand geholpen
+hadden zoo snel mogelijk hem weer verlieten, begreep Selim dat er
+geen andere uitkomst overbleef dan een overhaaste vlugt. Doch te
+laat! De vooruitgezonden troepen sloten al de uitwegen af, en toen
+Selim met enkele volgelingen de stad wilde verlaten, werd hij
+overvallen door eene afdeeling ruiterij en, hoewel met alle eer,
+toch ook met een gestrengheid die alle verdere poging tot vlugten
+onmogelijk maakte, gevankelijk naar het paleis teruggevoerd waar
+hij een vlugtig oogenblik als Keizer had getroond.
+
+Eenige dagen later ontving hij de uitnoodiging om te verschijnen
+bij den vorst, die thans werkelijk in zijne hoofdstad was
+teruggekeerd. Zijn vorst, zijn vader, zijn regter tevens! Selim
+was dapper, maar thans voelde hij den moed zich toch ontzinken, en
+dat te meer omdat hijzelf zoo volkomen overtuigd was van zijne
+schuld. Ook wist hij dat Akbar grootmoedig kon zijn, maar tevens
+gestreng, als straffen in het rijksbelang noodig was.
+
+Zijn anders niet onredelijke vrees maakte echter spoedig plaats
+voor verwondering, toen hij, alléén bij den Keizer toegelaten,
+dezen met het hoofd in de hand op een divan vond uitgestrekt,
+terwijl zijn andere arm vermoeid over den rand van het rustbed
+hing, en hem ook zijne houding niet zag veranderen toen hij, de
+schuldige, daar binnentrad.
+
+--Ik heb lang gedraald u te ontvangen, Selim!--begon Akbar ten
+laatste, terwijl hij een vlugtigen blik wierp op zijn diep
+beschaamden, in gebogen houding vóór hem staanden zoon;--ik zag op
+tegen dit onderhoud; ik wenschte dat gij 't mij gespaard mogt
+hebben!
+
+Weer zweeg hij eenige oogenblikken; en toen, zich halverwege
+oprigtend en de handen omhoog heffend, barstte hij los in een
+bittere en hartstogtelijke klagt:
+
+--Mijn zoon! mijn zoon!--riep hij uit,--dat ik dit van u beleven
+moest! Waartoe liet gij u verleiden door valsche vrienden en
+verkeerd begrepen eerzucht! Gij weet het, hoezeer ik u altijd heb
+lief gehad, uw minste wenschen waar 't mogelijk was zocht te
+voorkomen, u overlaadde met eer en aanzien en schatten. Gij weet
+ook, gij hebt het meer dan eens van mij en van uwe moeder gehoord,
+hoe ik, nog kinderloos en toen ik nog in mijn goedgeloovigen tijd
+verkeerde, heb gebeden om de geboorte van een zoon, en toen
+eindelijk dat geluk mij te beurt viel en gij mij geschonken waart,
+die gebeurtenis herdacht door de stichting van Fattipoer, op welks
+heuvel ik zoo menigmaal tot Allah mijne gebeden had omhoog
+gezonden. Maar had ik geweten wat mij eenmaal van u te wachten
+stond, mijn gebed zou niet zoo vurig en mijne vreugde over zijn
+verhooring zoo groot niet zijn geweest! Ach, was het u dan
+onmogelijk, althans eenmaal in uw leven, eene overwinning te
+behalen op uzelf, en nog zoolang geduld te hebben, alvorens uw
+voet te zetten op den troon, tot uw vader, zoo jong toch niet
+meer, u de plaats had opengelaten? Was 't u ondoenlijk door dat
+ééne ten minste de liefde eenigszins te vergelden, die ik u altijd
+heb toegedragen en waarvan gij de blijken toch waarlijk wel
+ondervonden hebt?
+
+Selim wist niet te antwoorden, toen zijn vader weer voor een
+oogenblik ophield te spreken. Die gansch onverwachte ontvangst,
+die altijd, in weerwil van zijne vergrijpen, nog liefderijke
+schoon droevige taal had hem diep getroffen. Want hij was niet
+slecht, niet verstokt van hart, maar zwak en ligtzinnig; en op hem
+rustte de vloek, dien Akbar had weten te ontgaan, de vloek van het
+despotisme, dat den alleenheerscher, en ook hem die weet dat hij
+bestemd is het te zijn, de eigen onbetoomde willekeur in de
+plaats leert stellen van regt en van pligt.
+
+--Maar neen!--ging de Keizer weer voort,--gij hebt het niet
+gewild, of liever nog, gij hebt het niet gekund. Gij zijt nooit in
+staat geweest u te bedwingen in iets; hoe dan in dit ééne? Een
+tijd lang, ik zag het met het grootste genoegen, hebt gij
+opgehouden met uwe drinkgelagen, maar hoe kort duurde de
+beterschap! Gij, die in mijne plaats wilt heerschen over anderen,
+gij weet nog niet eens uzelven te beheerschen! En hadt gij nog
+maar beter uwe eigene stelling begrepen! Eigenbelang, maar
+wezenlijk, geen valsch eigenbelang, had u van zelf den regten weg
+gewezen. Gij zoudt dan hebben ingezien dat alleen regtvaardigheid
+en trouwe pligtsvervulling u de achting en genegenheid uwer
+toekomstige onderdanen konden verwerven, maar dat handelingen als
+die waaraan gij thans u hebt schuldig gemaakt, u verachtelijk
+moesten doen worden in hun oogen ook al ware uw doel bereikt en al
+gehoorzaamden zij hun nieuwen meester uit zelfzucht of uit vrees.
+Nu hebt gij, even onverstandig als misdadig, dien eerbied
+verspeeld, en u en ook mij met schande overdekt. Of meent gij, dat
+ook mij de vernedering niet treft, die u heden wordt opgelegd? Hoe
+gaarne had ik ze nog voorkomen! Ik beproefde het, toen ik u op
+raad van Aboel Fazl, die u welwillend gezind was, naar Allahabad
+zond. Ik wist toen nog niet, dat juist Salhana tot de ergste
+verraders en de gevaarlijksten uwer verleiders behoorde. Maar
+genoeg, de poging om u te onttrekken aan uwe omgeving mislukte, en
+de zaken bleven haar gang gaan. Toen werd het ten laatste noodig
+in 't openbaar en ten aanzien van een ieder het bewijs te leveren,
+dat list noch geweld ook van den hoogst geplaatste iets tegen
+Akbar en de zijnen vermag, en dat de Keizer nog altijd oppermachtig
+blijft regeren. Gij hebt mij gedwongen; aan uzelf de schuld van 't geen
+heden is geschied. Uzelven hebt gij veel kwaad gedaan, en mij hebt gij
+diep gegriefd; dieper dan gijzelf welligt op dit oogenblik beseft.
+Moogt gij nimmer in de gelegenheid zijn het volkomen te begrijpen en
+door eigen ondervinding te leeren wat het zegt voor een vader, zijn
+eigen zoon als vijand tegenover zich te zien en zichzelf misschien
+genoopt hem te bestrijden met het zwaard in de hand!
+
+En wél zou die droevige ervaring ook Selim in later dagen niet
+blijven gespaard, en zou hij gelegenheid vinden de woorden zijns
+vaders te overdenken, als eenmaal, in de jaren van zijn ouderdom,
+Shah Djihan, zijn eigen eveneens geliefde zoon, hem bekampen zou
+in 't open veld en meer dan eens met overmagt van legers de zijnen
+zou verslaan!... Thans inmiddels gevoelde hij het zedelijk
+bewustzijn, dat zoolang had geslapen, weer ontwaakt, en voor 't
+eerst doorzag hij in haar vollen omvang zijne schuld, door valsche
+raadgevers hem tot heden steeds als weinig beteekenend, of althans
+als niets buitengewoons en iets wél verschoonbaars voorgesteld. En
+door aandoening overmeesterd, wierp hij, zijn gelaat in de handen
+verbergend, zich op de knieën voor zijn vader neer.
+
+--Sta op!--sprak ten laatste de Keizer na een tijdlang zwijgend
+zijn zoon te hebben aangezien,--en luister! Dat ik het volle regt
+bezit en de magt om u de straf op te leggen die ik mogt
+goedvinden, zult gij zoomin als iemand anders mij kunnen
+betwisten. Maar ik wil voor u geene verdere vernedering dan die
+welke gij reeds hebt ondergaan. Ik wil dat niet, omdat het schaden
+zou aan uw later gezag, aan den eerbied dien men u verschuldigd
+zal zijn als gij mij eenmaal zijt opgevolgd in de regering.
+Strafte ik u nog verder in 't openbaar, ik zou u dan tevens voor
+goed vervallen moeten verklaren van den troon en een uwer jongere
+broeders tot mijn opvolger behooren aan te wijzen. Maar dat wil,
+dat kan ik nog niet. Ik heb u nog te zeer lief om u voor immer te
+verstooten, zoolang ik het vermijden kan. Niettemin blijft alles
+afhangen van uzelven. Zeg mij, en zeg het, gelijk gij in dit
+oogenblik wel zult willen, opregt:--Verlangt gij nog met mij mede
+te werken in het belang van ons rijk, of gevoelt gij daarvoor geen
+lust of geen genoegzame kracht? In 't eene geval zal ik u eene
+eervolle maar moeijelijke werkzaamheid opdragen; in 't andere kunt
+gij hier blijven aan mijn hof, en daar trachten, want dat raad ik
+u toch aan, zooveel althans van de kunst van regeren te vernemen
+als in uw lateren werkkring u onmisbaar zal zijn. Ik laat u de
+keus.
+
+--Mijn vader!--antwoordde thans eindelijk Selim,--ik gevoel het
+volkomen dat ik noch het eene noch het andere aanbod, beiden even
+grootmoedig, heb verdiend, en mij niet zou mogen beklagen, indien
+ik na mijne laatste handelingen door u van de troonopvolging
+vervallen werd verklaard, maar laat gij mij werkelijk eene
+onverdiende keus, dan aarzel ik geen oogenblik, maar grijp
+terstond het eerste van uwe voorstellen aan. Draag mij een zwaren
+en des noods gevaarvollen arbeid op, en ik wil trachten zoo goed
+ik kan dien te volbrengen. Gij hebt mij inderdaad met eer en met
+gunsten overladen, maar misschien ook wel te veel! ik heb mijn
+tijd werkeloos, in ijdele ledigheid, verspild en verbrast, terwijl
+gijzelf dag aan dag en avond aan avond hebt gearbeid voor het nut
+van den staat; en die werkeloosheid, die ellendige ledigheid, die
+geen verstrooijing op den duur kan aanvullen, heeft mij, zoo niet
+geheel dan toch voor een groot deel gehoor doen geven aan
+verraders en verzoekers, die mij een wezenlijken en meer
+roemrijken werkkring voorspiegelden als ikzelf maar eenmaal de
+magt, in handen zou hebben. Wijs mij nu zulk een werkkring aan, al
+is 't een meer nederige, en ik zal misschien nog gelegenheid
+vinden om weer eenigszins goed te maken wat ik jegens u misdreef!
+
+--Gij beoordeelt uzelven niet onjuist,--hernam Akbar,--en de regte
+zelfkennis is wel de eerste stap op den goeden weg. Ook wil ik
+gaarne erkennen dat ik van mijne zijde niet geheel vrij ben van
+schuld, in zoo ver ik u veel te lang dat ledig en bij alle
+grootheid en weelde toch eentoonig leven liet, waarin gij tot
+dusver hebt verkeerd. Maar welaan dan! Niet lang nog is het rijke
+en vruchtbare Bengalen onderworpen aan mijne heerschappij, en nog
+wacht het op de voorregten eener ordelijke regering zooals onze
+landen die genieten. Ga nu, en help mij zulk eene regering
+invoeren ook dáár! Gij zult er onder mijne souvereiniteit het
+bestuur op u nemen, en voortaan een nagenoeg onafhankelijk Koning
+zijn, totdat eenmaal de tijd zal zijn gekomen waarin gij, in vrede
+ten laatste met uzelven en geacht weer en bemind door uwe volken,
+de regering zult kunnen aanvaarden over gansch Hindostan!
+
+Tranen van vreugde en van dankbaarheid ontsprongen Selim's oogen,
+en na eerbiedig de hand des Keizers gekust te hebben snelde hij
+heen, vol moed en vol nieuwen levenslust. De verzoening tusschen
+vader en zoon was opregt, en de vrede en vriendschap, Akbar
+gevoelde het en hij zag juist, zou voortaan niet weder tusschen
+hen beiden worden verstoord.
+
+Was het in Agra na den gelukkig voorbijgedreven storm een tijd van
+althans betrekkelijke vreugde, in Allahabad werd het in die dagen
+en vooral in de spoedig daarop volgende een tijd van rouw. Voor
+ééne ten minste. In algemeene bewoordingen en zonder noodelooze
+vermelding van bijzonderheden werd aan Iravati de dood haars
+vaders medegedeeld door den nieuwen Goeverneur, die haar tevens de
+verzekering gaf dat zij in den burgt kon blijven vertoeven zoolang
+haar goed dacht. De misdrijven, waaraan Salhana zich schuldig had
+gemaakt waren haar nooit bekend geweest; ook thans vernam zij
+daarvan weinig of niets, daar zij den meesten verholen waren
+gebleven; en, had zij haar vader nooit wezenlijk leeren
+liefhebben, zij had toch tot op zekere hoogte hem achting
+toegedragen, en zijne laatste handelwijze jegens haarzelve
+vergetend, betreurde zij hem wezenlijk en opregt. Doch weldra kwam
+ander nieuws dat wel geschikt bleek om op gansch andere wijze haar
+gemoed te schokken, zoo droevig door 't geen zij omtrent haren
+Siddha vernomen had, reeds gestemd.
+
+Niet lang nadat de tijding van Salhana's dood haar geworden was,
+kwam Koelloeka, de Brahmaan, zich bij haar aanmelden. Alleen zijn
+ééne getrouwe dienaar had op een gevaarvollen togt uit het Noorden
+hem vergezeld.
+
+--Edele jonkvrouw!--sprak hij, bij Iravati toegelaten,--ik
+belastte mij met eene zware taak, omdat ik eene boodschap heb over
+te brengen, treurig voor u en voor mij. Ik breng u een teeken, dat
+u wel bekend zal zijn....
+
+En in zijn gordel tastend legde hij den fijn geweven veelkleurigen
+sluijer vóór haar neder, dien zij Siddha had toegeworpen, toen zij
+voor het laatst hem onder 't balkon van haar venster had gezien.
+
+--Ik begrijp alles!--riep zij verbleekend uit, terwijl zij
+opsprong;--hij is niet meer!...
+
+--Zóóver--antwoordde Koelloeka,--was het nog niet gekomen toen ik
+hem verliet; maar ik vrees toch het ergste, en ik moet twijfelen,
+hoe gaarne ik het tegendeel ook geloofde, of ik ooit mijn
+voormaligen leerling weer zal zien.
+
+--Doch zeg mij, wat is er met hem gebeurd?--vroeg Iravati.--Zie!
+ik ben nu weer bedaard en wil u rustig aanhooren mits gij mij
+alles mededeelt.
+
+En nu verhaalde Koelloeka omstandig al wat hij van Siddha's
+laatste ontmoetingen wist.
+
+Op zijn dringende en ernstige bede had de Keizer hem veroorloofd,
+met zijne Radjpoet's en anderen tegen de stroopers in het Noorden
+op te trekken. Daar, in de hem welbekende gebergten, voerde hij
+een tijdlang een zeer gelukkigen en roemrijken krijg; gevaren
+telde hij niet, maar zocht ze veeleer op, vooral voor zichzelven,
+en menigmaal had hij reeds waagstukken beproefd, waarvoor zelfs de
+dapperste zijner volgelingen waren teruggedeinsd. Altijd echter
+met goed geluk. Doch ten laatste wisten de rooverbenden, terwijl
+hij een bergpas doortrok, hem van zijne hoofdmagt af te snijden en
+hem en zijne nu betrekkelijk weinige volgers van alle kanten te
+omsingelen. Wel streed hij ook thans weer met zijne gewone
+onversaagdheid en kracht, wel wist hij de zijnen door eigen
+voorbeeld lang nog te blijven aanvuren en viel er menig ruiter van
+den vijand door zijn zwaard getroffen in den afgrond, maar ten
+laatste stortte hijzelf met wonden bedekt van zijn paard, terwijl
+de meesten zijner dapperen gewond of gesneuveld rondom hem lagen
+uitgestrekt. Vatsa, die zijne zijde bijkans niet had verlaten en
+hem vallen zag, begreep op dit oogenblik beter te kunnen doen dan
+een ijdele en nuttelooze wraak te beproeven, liet zich onmiddelijk
+van het paard glijden en bleef toen bewegingloos liggen alsof ook
+hij verslagen was. Weinige oogenblikken later kwam de hoofdmagt
+aanrukken en dwong den vijand tot een haastigen aftogt. Nu sprong
+Vatsa snel weer op, begaf zich tot zijn meester en hoewel eerst
+meenend dat hij gesneuveld was, ontdekte hij spoedig tot zijn
+blijdschap dat hij nog leefde. Met behulp van eenige der nieuw
+aangekomen ruiters legde hij den gevallene, na zoo goed het gaan
+wilde zijne wonden verbonden te hebben, op een in der haast
+zamengestelde draagbaar en stelde toen voor, hem naar een in de
+nabijheid gelegen Boeddhistenklooster te voeren, waarheen de weg
+hem bekend was. Aan het plan werd terstond uitvoering gegeven.
+
+--Ikzelf,--vervolgde Koelloeka,--ik bevond mij juist op dat
+oogenblik in het klooster toen de ruiters er met hun zwaar
+gewonden bevelhebber aankwamen. Met de meeste liefde en zorg
+verpleegden hem de goede monniken, en een ervaren geneesheer, die
+zich onder de hunnen bevond, gaf mij de verzekering dat niets zou
+worden gespaard wat zijne kunst vermogt om hem in 't leven te
+behouden. Na eenigen tijd kwam Siddha weer tot bewustzijn, en mij
+aan zijne zijde ontwarend, knikte hij mij vriendelijk toe. Ten
+laatste gevoelde hij ook voor eenige oogenblikken weer de kracht
+om te spreken.--Vriend!--zeide hij,--ik ga u verlaten; Ik gevoel
+dat ik hiervan niet meer zal opkomen. Bewijs mij nog één dienst!--
+Vragend zag ik den geneesheer aan, maar deze schudde het hoofd.
+Ook hij scheen weinig of geen hoop meer te zien. Tevens echter
+wilde hij Siddha het zwijgen opleggen; maar deze stoorde zich niet
+aan het verbod.--Ik moet spreken!--zeide hij;--Koelloeka! neem
+den sluijer dien gij daar bij mijne wapenrusting zult vinden,
+breng dien zoodra gij kunt aan Iravati, en zeg haar dat ik haar
+nooit zoo lief had gedurende mijn leven dan op het oogenblik dat
+ik den dood nabij weet. Ga terstond en wacht niet tot ik gestorven
+ben. Laat mij sterven met het bewustzijn, dat zij het teeken uit
+uwe handen ontvangt!--Toen sloten zich zijne oogen en hij sprak
+niet meer. Ik aarzelde niet aan dat waarschijnlijk laatste verzoek
+te voldoen, nam den sluijer, en Siddha aan de trouwe zorgen van de
+Boeddhisten en Vatsa overlatend, toog ik onverwijld op weg.
+
+--Ik dank u--sprak Iravati,--voor de dienst, welke gij ons beiden
+hebt willen bewijzen. Maar Siddha leeft nog, zegt gij, of was nog
+niet gestorven toen gij hem verliet. Dan weet ik ook wat mij te
+doen staat.
+
+--Te doen?--vroeg de Brahmaan.--Wat zoudt gij kunnen?
+
+--Ik ga met u op weg naar Siddha!--antwoordde Iravati bedaard.
+
+--Wat! Gij?--riep Koelloeka in verbazing uit,--gij, een zwakke
+weerlooze vrouw, zonder sterk geleide daar ginds door die wilde
+bosschen en bergen, waar het zwermt van rooverbenden en waar wij
+anderen zelf reeds aan groote gevaren ons blootstellen op zulk een
+reis! Waar denkt gij aan?
+
+--Zoo goed--was het antwoord,--als gij, mijn vriend! u ter wille
+van Siddha aan die gevaren waagt, zoo goed kan ook ik het voor hem
+doen. En vrees niet dat ik u tot last zal zijn. Ik ben zoo zwak
+niet als gij misschien meent en aan bergwegen en bosschen wel
+gewend.--Neen! ging Iravati voort, toen Koelloeka weer nieuwe
+tegenwerpingen wilde maken,--tracht mij niet af te brengen van
+mijn besluit! Het zou u niet baten. En wilt gij mij niet meenemen,
+dan ga ik alléén met een mijner dienaren. Meen ook niet dat mijn
+besluit in overhaasting wordt genomen en ik er straks wel op terug
+zal komen. Ik heb meer dan eens over de mogelijkheid van een
+dergelijk geval gedacht, als zich juist op dit oogenblik voordoet.
+Ik heb meer dan eens in omstandigheden die er aanleiding toe
+gaven, mijn eigen toestand met dien van de Damayanti der legende
+vergeleken, en ik heb besloten, dat zij, waar 't pas gaf, steeds
+mijn voorbeeld zou zijn. En wat is nu mijn geringe opoffering bij
+de hare? Alléén en van alles beroofd, van alle zijden door nog
+gansch andere gevaren omringd, zwierf zij rond door de wildernis
+om haar trouweloozen echtgenoot op te zoeken; en ik, ik ga, als
+gij 't mij vergunt ten minste, onder geleide van een man van
+beproefde dapperheid en beleid; en waar hij weet door te dringen,
+zal ik wel weten te volgen!
+
+--En zijn arm zal u niet falen, waar die bij magte is u te
+beschermen!--riep thans Koelloeka uit;--en is die arm al wat
+stram, hij bezit toch nog kracht genoeg om het zwaard te hanteren.
+Welaan dan! ik wil uw besluit eerbiedigen, niet minder dan ik het
+bewonder. Zoo bereid u dan voor tot den togt, en gij vindt mij
+gereed om dien met u te ondernemen.
+
+Zonder dralen ontbood Iravati hare dienares, en haastte zich met
+haar de noodige toebereidselen te maken voor de reis, terwijl zij
+haar in korte woorden het doel van den togt mededeelde. Niet
+weinig was de trouwe Nipoenika, die hare meesteres innig liefhad,
+ontsteld, toen zij dat berigt vernam. Maar Iravati legde haar
+onmiddelijk het zwijgen op, toen zij eene poging waagde om haar
+van de onderneming terug te houden.
+
+--Laat mij dan met u gaan!--bad de dienares.
+
+--Neen!--antwoordde Iravati,--dat kan niet. ééne vrouw te
+beschermen is al genoeg voor Koelloeka en zijn dienaar. En ik gaf
+u bovendien ook juist kennis van mijn plan, maar in 't geheim
+altijd, opdat, als ik niet terugkeer, iemand wete waar ik gebleven
+ben en dat aan mijne betrekkingen in Kaçmir kan melden.
+
+--Maar ware 't dan niet beter, den Goeverneur van het fort om
+behoorlijk geleide te verzoeken?
+
+--Ook dàt zou niet deugen. Een afdeeling gewapenden zou onderweg
+juist de aandacht trekken, en eene sterke magt kan de Goeverneur
+ons niet meegeven. Met ons drieën hebben wij dus veel meer kans de
+reis met goed geluk te volbrengen.
+
+Niet aanstonds evenwel kon de togt worden ondernomen. Koelloeka's
+paarden waren nog te vermoeid om onmiddelijk weer op weg te gaan.
+Men had dus tot den namiddag te wachten. Lang viel Iravati die
+werkelooze tusschentijd. Was men maar eenmaal onderweg, dan was er
+ten minste nog eenige afleiding. Nu zat zij onafgebroken te
+mijmeren over dat ééne enkele, dat met uitsluiting van alle andere
+gedachten haar bezig hield.
+
+Met schrik, zij wist zelve niet waarom, zag zij op, toen zij
+eensklaps iemand haastig hoorde naderen, en een oogenblik later
+stond een man vóór haar, aan wien zij in deze oogenblikken wel 't
+minst van allen zou hebben gedacht--Selim.
+
+--Gij hier?--riep zij uit.
+
+--Ik kwam hier--antwoordde de Prins,--op mijne doorreis naar
+Bengalen. En ik kom, naar ik zooeven ontdekte, juist op een goed
+oogenblik. Ik kom u verhinderen in de uitvoering van een plan, te
+dwaas om in 't hoofd eener verstandige vrouw op te rijzen. Uwe
+dienares heeft, uit liefde voor u, het verbod om er van te spreken
+geschonden en mij gebeden door mijne tusschenkomst het te
+beletten. Ik heb haar dat beloofd.
+
+--Bemoei u, Heer!--sprak Iravati,--wat ik u verzoeken mag, niet
+met mij noch mijne plannen! Ik ben geen kind meer, dat niet weet
+wat het doet. En in allen geval zijt gij ook niet geroepen om voor
+mij te waken.
+
+--Toch zal ik het doen, voor uw eigen welzijn. En ook... welnu!
+waarom het niet ronduit gezegd?... en ook, omdat ik u niet naar
+dien gehaten mededinger verkies te zien gaan, die zelf u ontrouw
+werd. Ik kan de gedachte niet verdragen, dat gij dien man, zoo gij
+hem nog in leven vindt, met liefkozingen zult overladen, terwijl
+gij mij verstooten hebt! En daarom zal ik gebruik maken van mijne
+magt en u dwingen hier te blijven al is 't ook tegen uw wil!
+
+--Gij kunt het, Selim!--antwoordde Iravati,--maar gij zult het
+niet. Gijzelf weet zeer goed dat gij niets zoudt winnen, maar wel
+verliezen door zulk eene laaghartige daad van geweld. Mij zoudt
+gij toch niet erlangen, en Siddha's dood geen oogenblik er door
+verhaasten; gijzelf daarentegen, dien ik tot heden bleef achten,
+ook al kon ik u mijne liefde niet schenken, gij zoudt u door zulk
+eene handelwijze enkel dit ééne verzekeren: mijne diepste
+minachting! Begeert gij die? Mijne verachting en uw eigen zeker
+niet geringer zelfverachting bovendien? Wilt gij u aanstellen als
+een zwakke vrouw, die hare hartstogten niet meester is en enkel
+toegeeft aan hare redelooze drift, of wenscht gij u te gedragen
+als een man, en door uzelf te beheerschen ook toonen dat gij
+waardig zijt eenmaal te gebieden over anderen? Beslis het zelf! Ik
+vraag u geen gunst!
+
+Met gejaagden stap ging Selim op en neder. Een heftige strijd werd
+er in zijn binnenste gevoerd door hartstogt en pligtbesef, door
+eergevoel en drift. Haar, de vergeefs gewenschte, vruchteloos
+gevleide, over te laten zonder tegenstand aan den verwenschten
+medeminnaar, was hard, scheen ondoenlijk. Maar toch, zij had regt.
+Geen weerstand kon baten en geweld moest hem 't eenige doen
+verliezen wat hij nog bezat: de achting van haar, wier oordeel hij
+op prijs stelde boven alles. En dan hare laatste woorden, die hem
+levendig de diep gevoelde vermaningen van zijn edelen en
+verstandigen vader voor den geest riepen! Zelfbeheersching,
+zelfverloochening! Eerste pligt en onmisbare deugd voor den Vorst!
+Nooit nog had hij in waarheid ze betracht; en zou nu, na zijne
+ernstige belofte, na zijn stellig voornemen een nieuw leven aan te
+vangen, zijn allereerste handeling weer een daad zijn, die Iravati
+met alle regt eene laaghartige geweldenarij had genoemd?...
+
+--Iravati!--sprak hij ten laatste,--ik onderwerp mij, nu als
+vroeger, aan uw wil. Wat het mij kost behoef ik u niet te zeggen;
+maar genoeg, ik gehoorzaam. Helaas! ik zeg het nogmaals, waarom
+heb ik u niet vroeger gekend? Gij zoudt een ander mensch van mij
+gemaakt hebben dan ik geworden ben. Maar dat is nu eenmaal alles
+anders; en ik wil trachten mij te schikken in 't onvermijdelijke.
+Ga dan, en hoewel ik uw voornemen roekeloos blijf achten, ik mag
+toch niet nalaten het te eerbiedigen als een moedig en edel
+besluit. Maar nog meer nu! Het kan zijn, het ware althans niet
+onmogelijk, dat uw Siddha nog in 't leven bleef; en dan, ik
+begrijp het maar al te wel, zoudt gij met hem u verzoenen en het
+woord gestand doen dat gij hem gezworen hebt. Welnu! met wangunst
+zou ik het aanzien, maar ook zonder wraakzucht jegens u en jegens
+hem die u dierbaar is. Laat het dan eenmaal althans gezegd kunnen
+worden, dat de zwakke en zelfzuchtige Selim zichzelf bedwong en
+dat de toekomstige gebieder van Hindostan ook meester van zijn
+eigen hartstogt kon zijn. En als gij vroeg of laat, gij of Siddha
+Rama, mijne bescherming mogt behoeven, ik geef u mijn vorstelijk
+woord dat ze u niet zal worden onthouden. Eéne gunst alleen vraag
+ik van u, die er thans geene van mij wilt ontvangen! Ontzeg mij,
+al zien wij elkaar nimmer weder, uwe vriendschap niet geheel, en
+denk niet met toorn en verachting aan een man, wiens eenig
+misdrijf jegens uzelve toch alleen hierin bestond, dat hij u al te
+hartstogtelijk beminde!...
+
+Geen antwoord meer wachtte hij, maar snelde voort.--Mijn vader!--
+sprak hij in zichzelven, terwijl hij met haastige schreden en
+zonder om te zien zich verwijderde,--zoudt gij thans, voor éénmaal
+ten minste, vrede kunnen hebben met uw zoon?...
+
+
+
+ZESTIENDE HOOFDSTUK.
+
+Feizi's vloek
+
+In 't Boeddha-klooster in het gebergte lag Siddha op zijne
+legerstede, en nevens hem zat Iravati. Zoo groot ook hare vreugde
+was geweest toen zij na den moeijelijken en gevaarvollen, maar
+gelukkig volbragten togt vernam dat haar Siddha nog leefde,
+zoozeer werd die blijdschap ook getemperd toen de geneesheer zijn
+behoud nog uiterst twijfelachtig noemde, en zij, bij hem
+toegelaten, hem voortdurend bewusteloos vond. Of hij ooit weer zou
+ontwaken? Of zou hij sterven zonder haar te hebben herkend?
+
+Na verloop van een in bange afwachting doorgebragten tijd begon er
+ten laatste weer eenige hoop te ontstaan; maar de arts raadde
+Iravati tevens ernstig, zichzelve wat meer rust te gunnen als zij
+den gewonde nog verder wilde blijven verplegen. Ook wisten
+Koelloeka en de monniken haar nu en dan tot eene korte wandeling
+te bewegen; en niet zonder genoegen bezocht zij dan bijwijlen ook
+den kleinen bij het klooster gelegen tempel, als de kerkklok er de
+geloovigen met hunne rozenkransen ten gebede riep. En met
+belangstelling ook luisterde zij meer dan eens naar de redenen van
+den Opperpriester, als deze haar over het ijdele en nietige van
+het menschelijk leven sprak, waarin het leed voor het meerendeel
+der wezens zooveel grooter was dan het geluk, en waarvan eenmaal
+voor goed verlost te worden om te mogen ingaan tot het nirvâna, de
+hoogste zaligheid was die voor den mensch bleef weggelegd.
+
+Koelloeka vond op dergelijke redenen wel wat aan te merken, en hij
+zou in andere omstandigheden den priester misschien wel hebben
+tegengeworpen, dat werkzaam te zijn en ten nutte van anderen toch
+een waardiger levenstaak was dan verzonken te blijven in ledige
+bespiegeling omtrent de ijdelheid der dingen; maar hij bemerkte
+dat die stille en kalme, schoon ietwat droomerige leer juist voor
+'t oogenblik een weldadigen invloed op Iravati had; en hij zweeg.
+Ook was tegenspraak hier in zeker opzigt vrij overbodig, vermits
+toch deze Boeddhisten zelf weer het bewijs leverden dat de natuur
+soms beter is dan de leer. Wel namen zij geenerlei deel aan het
+woelige leven en de gewone zorgen der wereld; maar dat zij in
+ledigheid hun tijd doorbragten, kon hun waarlijk niet worden
+verweten. Onvermoeid zwierven zij door het gebergte en gingen rond
+bij de arme bergbewoners, overal weldoende voor zoover in hun
+vermogen stond en zooveel doenlijk het leed verzachtend van allen
+die zich ongelukkig gevoelden, zonder onderscheid van godsdienst,
+van kaste of van nationaliteit.
+
+Weder was Iravati eens op een avond bij het leger van Siddha
+gezeten, terwijl de geneesheer hem van de andere zijde gadesloeg,
+toen hij, langzaam de oogen openend, een vlugtigen blik om zich
+heen wierp en nevens zich Iravati scheen gewaar te worden. Want
+zacht fluisterde hij haar naam, terwijl hij op 't zelfde oogenblik
+weer de oogen sloot. Een wenk van den arts gebood haar, voor heden
+zich te verwijderen; en schoorvoetend, maar 't hart toch vervuld
+van vreugde, verliet zij hem om Koelloeka de heugelijke tijding te
+gaan mededeelen. Den volgenden dag vond deze zijn vriend weer
+aanmerkelijk toegenomen in beterschap en tot spreken ook weer in
+staat.
+
+Maar niet dan spaarzaam maakte Siddha van de gelegenheid gebruik,
+ook toen Iravati weder tot hem kwam. Wel bleef hij haar kennen,
+even als zijn vriend; maar van het voorleden scheen hij zich
+overigens niets te herinneren, en een nevel scheen er te zweven
+voor zijn geest. Wezenloos zat hij meestal voor zich te staren en
+alleen de stem van Iravati kon hem dan voor een oogenblik weer
+doen ontwaken uit zijn verdooving. Dat bleef zoo, ook nadat zijn
+ligchamelijke krachten zoo goed als volkomen reeds waren hersteld
+en hij tot een behoorlijke beweging zich weer geheel in staat
+gevoelde.
+
+Eens echter, toen hij met Iravati in de nabijheid van het klooster
+rondwandelde, was het alsof plotseling een door haar gesproken
+woord, of ook eenig voorwerp dat hem in 't oog viel,--zij wist
+zelve later niet meer wat,--een herinnering bij hem opwekte.
+Eensklaps stond hij stil, zag verwonderd om zich heen, en streek
+zich met de hand over 't gelaat. Maar het hoofd schuddend wandelde
+hij verder. Nogmaals echter stond hij stil, en beschouwde
+oplettend nu eens de hooge bergtoppen, dan de helder blauwe lucht,
+dan weer de vallei en de bosschen daar omlaag.... Eene doodelijke
+bleekheid overtoog zijn gelaat, en met verwilderden blik zag hij
+Iravati aan .... Het geheugen was teruggekeerd en in zijn volle
+kracht; maar hoe? En ware vergetelheid voor altijd niet misschien
+nog gelukkiger geweest?...
+
+--Van hier!--riep hij ten laatste uit,--van hier! Wat wilt gij
+ongelukkige! nog in mijne nabijheid? Hoe moogt gij nog dulden dat
+ik u nader, ik de trouwelooze, de schandelijke verrader, beladen
+met den zwaarsten vloek die het hoofd van een man ooit treffen
+kon!...
+
+Met nameloozen schrik had Iravati hem aangehoord. Wel begreep zij
+niet aanstonds alles, maar toch reeds meer dan genoeg. Zij wilde
+spreken, maar de stem begaf haar en in diepe smart zonk zij neder
+aan zijne voeten.
+
+--De vloek,--herhaalde Siddha wild,--de vloek van Feizi: "Leef met
+de herinnering aan 't geen gij gedaan hebt, gij die u een edelman
+noemt, en al verwerft gij alles wat gij begeert, altijd zult gij
+de oogen neerslaan voor ieder eerlijk man dien gij ontmoet!" En
+dan zou ik nog wagen ze op te heffen tot u, de reine, schuldelooze, die
+ik laaghartig even als dien edelen vriend verried! Ga weg! zeg ik, ver
+van hier! Een gestalte verrijst daar tusschen u en mij!... Het is Feizi,
+innemend, beminnelijk zooals hij was als vriend,... maar nu weer
+dreigend en streng, zooals ik hem zag toen hij als regter mijn vonnis
+sprak!...
+
+En Iravati, het hoofd weer opheffend, zag hem de oogen bedekken
+met de hand, als vreesde hij langer haar te aanschouwen. Eindelijk
+vond zij tot spreken weer de kracht.
+
+--Kom mede--zeide zij,--en ga weer met mij naar binnen! Gij
+overspant u, en haalt u valsche droombeelden in het hoofd. Dat is
+u niet goed. Zoo kom dan!
+
+--Droombeelden!--sprak Siddha bitter,--mogt dat waar zijn! Maar
+neen! Ik ben geheel ontwaakt, ik ben volkomen helder, mijne kracht
+is teruggekeerd, maar ook de herinnering, de vreeselijke
+herinnering, en levendiger nu dan ooit. Nog gevoelde ik niet den
+waren zin van Feizi's woorden; maar thans heb ik ze leeren
+begrijpen, nu ik u heb weergezien. Voor den Keizer, ja! tot zelfs
+voor den minste mijner soldaten heb ik vol schaamte de oogen
+moeten neerslaan, maar nooit zoals nu. En ik zocht ook een
+eerlijken dood, en dat stelde mij nog in staat hun blik te
+verduren...--Iravati!--ging hij voort,--gij weet niet met wien
+gij spreekt, gij kent mijn laatst voorleden niet.
+
+--Ik ken het,--antwoordde Iravati,--en al weet ik niet bepaald wat
+er tusschen u en Feizi is voorgevallen, ik meen het toch
+genoegzaam uit uwe woorden te kunnen opmaken.
+
+--En toch spreekt gij nog met mij?--riep Siddha uit,--en wendt u
+niet van mij af, en kwaamt mij zelfs opzoeken om mij te verplegen
+of mij te troosten in mijne laatste oogenblikken!
+
+--Heb ik u, Siddha! dan geen trouw gezworen en was ik niet
+gehouden mijn woord gestand te doen zoolang het door uzelf mij
+niet werd teruggegeven? En dat is immers niet geschied. Want gij
+hebt mij door Koelloeka het teeken gezonden, dat mij ten blijk
+moest strekken dat uwe laatste gedachte gewijd was aan mij. Toen
+heb ik begrepen dat ik pligten had op mij genomen, pligten van
+eene echtgenoote ook al had nog geen huwelijk ons vereenigd.
+
+--Welnu!--hernam Siddha,--ik ontsla u dan van die pligten en van
+uwe vroegere gelofte! 't Is waar, mijne liefde keerde terug, en
+met gansch nieuwe nog ongekende kracht, toen eenmaal de
+noodlottige verblinding van mij geweken was; maar gij, gij kunt
+mij trouw zijn en uw vermeenden pligt vervullen, maar beminnen
+kunt gij mij niet meer.
+
+--Ik bemin u als voorheen!--antwoordde Iravati.
+
+--Gij zoekt u dat op te dringen uit overdreven eergevoel; maar het
+kan niet zijn, en later zoudt gij u berouwen dat niet beter te
+hebben ingezien. Er is geen liefde, waar geen achting meer kan
+bestaan. En de vrouw moet kunnen opzien tegen den man, en haar
+steun zoeken bij hem; maar ongelukkig het verbond als de man de
+zwakkere is en zich te schamen heeft tegenover zijn eigene
+echtgenoote! Ga dan en vergeet mij; ik ben zelfs uwe herinnering
+niet meer waardig.
+
+--Gij verstoot mij dus?
+
+--Ik heb geen regt u te verstooten, geen regt eigenlijk ook om u
+te ontslaan van uw woord; en zoo ik 't al deed, het was enkel om u
+gerust te stellen en u 't gevoel te sparen alsof gij uit eigen
+beweging mij verlaten hadt.
+
+--Luister naar mijne bede, Siddha!--sprak nu Iravati vleijend,
+terwijl zij vertrouwelijk hare hand op zijn arm legde;--ik wil
+niet met u twisten over al wat gij mij tracht voor te houden, ik
+wil ook niets eischen, niets vorderen als mijn regt, maar u
+smeeken alleen, gehoor te geven aan mijne vurige, mijne
+hartstogtelijke wenschen. Keer u niet van mij af, verlaat mij
+niet, juist op dit oogenblik nu ik meende u herwonnen te hebben!
+Zie ik vraag u niet eens eene belofte voor de toekomst; ik geef u
+de volkomen vrijheid; doch laat mij, al is 't ook maar een korten
+tijd, nog in uwe nabijheid! De scheiding ware mij thans
+onmogelijk!
+
+--Neen, en nogmaals neen!--antwoordde Siddha, thans bijkans met
+hardheid,--geen weifelingen, geen nieuwe zwakheden meer! Ik beging
+er waarlijk al genoeg. Nog eens alzoo: vergeet mij, en laat mij
+gaan!
+
+En Iravati afwerend, die, voor hem nedergebogen, zijn gewaad nog
+met de handen omklemde, wilde hij heensnellen en vlugten om de
+eenmaal en ook nog heden zoo teeder beminde nimmer weer te zien.
+
+--Het is wel!--sprak nu Iravati, zich oprigtend met beleedigd
+gevoel van eigenwaarde, en krachtiger en vaster klonk hare stem
+dan Siddha die nog ooit had gehoord,--het is wel! Gij hebt, geloof
+ik, gelijk. Gij maakt u mijne liefde onwaardig. Eenmaal zijt gij
+ondanks al uwe geloften mij ontrouw geweest, maar ik had het
+vergeven en vergeten, omdat ik begreep dat gij voor eene
+verleiding waart gezwicht gelijk ik die niet kende. Doch nu
+verwerpt gij mij willens en wetens, en niet omdat ik iets jegens u
+misdreef, maar alleen omdat gijzelf te trotsch zijt om voor uwe
+eigene vrouw te willen bekennen, dat gij eenmaal zwak en tegen
+verleiding niet bestand zijt geweest. Welnu dan, verlaat mij!
+Zonder u is mijn leven niets; maar eene afgedwongen liefde mag
+geene jonkvrouw van ons geslacht verlangen, ook niet van den man
+dien zij bemint. En zoo nu de herinnering aan 't geen gij jegens
+een vriend misdreven hebt, u vervolgt, laat er dan nog ééne
+bijkomen: de herinnering aan de vrouw, dien gij eenmaal hebt
+liefgehad, maar die gij hebt opgeofferd om te voldoen aan uw
+zelfzuchtige hoovaardij!...
+
+Siddha weifelde. Zou hij gaan? Kon hij blijven? Wel wenschte hij
+dit; maar was het overeen te brengen met zijn gevoel van eer? Toch
+bleef hij nog staan, en verwijderde zich niet, gelijk hij zoo
+aanstonds nog voornemens was.
+
+--Wie zal beslissen?--vroeg hij, de hand aan het voorhoofd
+slaande;--er is waarheid in 't geen gij zegt, en toch ook weer
+strijd met wat ik als regt beschouw...--Doch--vervolgde hij,--zou
+een ander, en die wijzer is dan wij beiden, niet misschien nog
+weten te rigten tusschen ons?
+
+--Gij bedoelt Koelloeka?
+
+--Neen, niet hem, zoo verstandig hij ook zijn mag, en zoo hoog ik
+hem ook acht. Ik weet het vooruit, hij zou slechts uw en mijn
+geluk trachten te verzekeren, en dat meenen te doen door u
+eenvoudig gelijk te geven. Hij is niet onpartijdig, niet vrij meer
+in zijn oordeel. Een ander,--maar vraag mij nu niet nader!--zou de
+eenige zijn, dien ik in een tweestrijd als dezen kan vertrouwen,
+en misschien zal hij mij raad kunnen geven. Luister dan, Iravati!
+naar thans meer bedaarde, verstandige taal! Laat mij van hier
+vertrekken en zoo spoedig mogelijk. Misschien keer ik weldra
+weder, misschien ook nooit. Kom ik terug, dan is mijn verder leven
+voor immer u gewijd; zoo niet, weet dan dat ik heb opgehouden voor
+u te bestaan, en dat gij vrij zijt en van alle vroegere banden
+ontslagen. En nu, geen tegenwerpingen meer! Heb geduld met mij,
+gelijk gij tot dusver het steeds hebt betoond!...
+
+En eer Iravati bij dit nieuw en onverwacht besluit gelegenheid had
+gevonden tot een antwoord, was hij verdwenen, en zocht hij reeds
+naar zijn dienaar om zijn paard te zadelen en zich gereed te maken
+tot een togt, waarvan het doel haar onbekend moest blijven. In
+allerijl begaf zij zich naar Koelloeka en deelde hem in der haast
+mede wat tot verklaring kon strekken van Siddha's zonderling
+besluit. Wat hem gemeld werd, was den goeroe genoeg om hem te doen
+inzien, dat het beter ware Siddha zijn gang te laten, dan hem in
+dit oogenblik tegen te werken, ook al stelden zijne pas herwonnen
+krachten hem nog nauwelijks tot het verduren van vermoeijenissen
+in staat; en zoo goed mogelijk zocht hij de bedrukte Iravati te
+troosten met de hoop, dat zij haar verloofde binnen een niet al te
+lang tijdsverloop zou terug mogen zien. Inmiddels was Siddha zelf,
+na een hartelijk afscheid van den Boeddha-priester, wien hij
+tevens een rijk geschenk voor het klooster ter hand stelde, met
+Vatsa reeds spoedig op weg....
+
+Wederom gleden de late zonnestralen langs de hellingen van den
+Himâlaya, en wederom daalde Siddha, maar nu enkel door zijn
+dienaar vergezeld, naar de vallei, waar de woning van Gaurapada
+lag. Daar werd hij door den ouden dienaar ontvangen, die hem
+spoedig herkende en aanstonds zijn meester de komst van den gast
+ging melden.
+
+Met blijdschap ontving de kluizenaar zijn jongen vriend, maar met
+bekommering tevens zag hij hem aan, toen hij de verandering
+opmerkte die zijn voorkomen had ondergaan. Het vroeger zoo open en
+vrolijk gelaat, thans verbleekt, had eene strakke, sombere
+uitdrukking aangenomen en ook de gansche houding scheen niet
+veerkrachtig meer als voorheen. In betrekkelijk korten tijd was de
+jongeling een man geworden; echter niet een man van geestkracht en
+met levensmoed bezield, maar een die gebogen ging onder leed, en
+wel--de scherpe blik van Gaurapada doorzag het dra,--onder dat
+leed, dat welligt het zwaarst te dragen is, de smart die haar
+oorsprong heeft in grievend zelfverwijt.
+
+--Eerwaarde!--begon Siddha, na de eerste begroeting,--of laat mij
+liever zeggen, mijn genadige Vorst!...
+
+--Neen,--viel de kluizenaar hem in de rede,--blijf mij Gaurapada
+noemen! Ik ben niets anders meer.
+
+--Welnu dan,--hernam Siddha,--ik gehoorzaam. En met vreugde zie ik
+dat ge u mijner nog herinnert. Maar tevens zullen dan ook de
+woorden u nog wel heugen, die gij bij mijn kort bezoek in uwe
+gastvrije woning, ten afscheid tot mij gesproken hebt.
+
+--Ik liet u beloven--antwoordde Gaurapada,--mij nogmaals op te
+zoeken als er ooit een tijd in uw leven kwam, waarin gij den raad
+van een goed en opregt vriend mogt behoeven en dien bij een ander
+niet te vinden wist. Ik begrijp, dat een dergelijke reden u thans
+hier brengt. En mag ik oordeelen naar uw uiterlijk, dan moet,
+dunkt mij, die reden ook eene zijn van droevigen aard.
+
+--Dat is zij,--sprak Siddha,--en als ik u alles heb meegedeeld,
+zult gij u misschien verwonderen, dat mijn voorkomen nog niet
+duidelijker te kennen geeft wat er in mij omgaat.
+
+--Kom inmiddels aan de andere zijde van het huis,--zei Gaurapada;--
+wij willen ons daar neerzetten en er rustig zamen spreken.
+
+Gaarne voldeed Siddha aan de uitnoodiging, en nadat hij op
+dringend verlangen van den kluizenaar eerst nog een versterkenden
+wijn en eenige ververschingen had gebruikt, begon hij 't verhaal
+van zijn wedervaren tot op het oogenblik dat hij Iravati in het
+klooster verlaten had.
+
+Opmerkzaam en met groote belangstelling hoorde Gaurapada hem aan,
+en toen het verhaal ten einde was, zweeg hij nog geruimen tijd en
+bleef in gedachten vóór zich staren. Eindelijk nam hij weer het
+woord en Siddha aanziend met zijn helder en vriendelijk oog, zeide
+hij:
+
+--Inderdaad! gij hebt u een zwaren last op de schouders gelegd.
+Maar toch niet een, die voor een man niet te dragen zou zijn. Dat
+gij door Goelbadan u liet verleiden acht ik zeer zeker niet te
+verdedigen, maar toch wel verschoonbaar; dat gij echter uwe
+betrekking met haar niet wist af te breken, toen gij ontdekt had
+wie zij was, noem ik een niet ligt te vergeven schending van de
+vriendschap die u aan Feizi verbond. Zoo was ook uw aanvankelijke
+ontrouw jegens den Keizer grootendeels het gevolg eener dwaling;
+maar tegen hem zaam te spannen en tevens in zijn dienst te
+blijven, was misdadig. Ik beoordeel uw gedrag dus geenszins
+zachter dan gijzelf. Integendeel, mijn oordeel moet zelfs iets
+harder zijn. Want gij meent dat de reeks uwer feilen gesloten was,
+toen gij den Keizer uw misdrijf hadt bekend. Maar gij bedriegt u.
+Gij hebt er nog eene begaan, die niet minder noodlottig kon zijn
+dan de overige, hoewel eene dwaling ook waartoe zeer velen in uwe
+omstandigheden plegen te vervallen. De groote meerderheid der
+menschen verbeeldt zich even als gij, dat berouw eene deugd is, en
+dat boete en zelfkastijding het eenige is waardoor de misdadiger
+zijne schuld kan uitwisschen. Maar er zijn weinig dwalingen zoo
+verderfelijk menigmaal in de gevolgen als juist deze, wanneer de
+boete nu juist daarin bestaat, dat men zich onttrekt aan den
+werkkring waarin men nog nuttig werkzaam kan zijn, en ook anderen
+in zichzelven straft. En dat was het, wat gij voornemens waart te
+doen. Eerst zoekt gij den dood op het slagveld; en dat was ook
+zeker 't eenvoudigste, als gij uzelf het leven niet wildet
+benemen; mij blijkt echter niet wat uw dood op zichzelf aan
+anderen gebaat zou hebben, en hoe gij uw vergrijpen er dus weer
+goed mee kondt maken. En nu gij een eervollen dood niet hebt
+kunnen vinden, en daartoe misschien ook voor 't oogenblik geen
+gelegenheid bestaat, nu verklaart gij mij uw voornemen om eenzaam
+te gaan leven in de wildernis en uwe dagen te slijten in
+zelfkastijding en boete. Maar waartoe? Tot wat kan in uw geval die
+afzondering dienen, óf voor uzelf óf voor een ander? En dan
+Iravati, uwe bruid! Haar verstoot of verlaat gij, hoe ge 't noemen
+wilt, niet omdat zij ontrouw werd jegens u, maar omdat gijzelf u
+te schamen hebt gehad tegenover haar. Gij straft dus niet uzelf,
+maar juist haar in de eerste plaats. Noemt gij zoo iets pligt of
+deugd? Neen, mijn vriend! het zou slecht zijn, omdat het niet
+enkel 't gevolg van een dwaling maar van een grove ondeugd zou
+zijn.... Gij ziet mij verwonderd aan, maar gij zult mij gelijk
+geven als ik u die ondeugd noem. Zij is hoogmoed, verregaande
+trots, en sterk doet ze zich gelden bij u, terwijl ge u hebt
+wijsgemaakt dat gij uzelven vernedert. Iravati heeft gelijk. Gij
+waart te hooghartig om u te verbinden aan eene vrouw, die uwe
+zwakheden kende of ze eenmaal zou kunnen ontdekken, terwijl zij
+zichzelve niets te verwijten had. En evenzoo is het in waarheid
+niet dan hoogmoed, wat u zou nopen de wereld te ontvlugten. Gij
+zijt bevreesd soms iemand te ontmoeten, die 't een of ander van
+uwe vroegere handelingen vernomen had; en zelfs durft gij een
+ander man niet meer onder de oogen zien, ook al is hem niets van u
+bekend, enkel omdat gij u bewust zijt eenmaal verkeerd en slecht
+gehandeld te hebben. Heet dat, vraag ik, deugd of moed, of is 't
+alles niet weder laakbare zwakheid?
+
+--Maar de laatste woorden van Feizi!--sprak Siddha, toen de
+kluizenaar op een antwoord bleef wachten.
+
+--Ik had de tegenwerping voorzien,--hervatte Gaurapada,--en ik
+wil haar volstrekt niet zekere beteekenis ontzeggen. Maar wachten
+wij ons voor overdrijving! Dat Feizi handelde en sprak zooals hij
+deed, noem ik zeer verklaarbaar; ikzelf zou in gelijke omstandigheden
+misschien evenzoo hebben gedaan. En toch had hij in zekere mate weer
+ongelijk; en zoo hij thans in mijne plaats was en dus onpartijdig
+oordeelen kon, hij zou, ik twijfel niet, u hetzelfde zeggen. Een man
+behoeft nog volstrekt niet zijn gansche leven lang zich te blijven
+vernederen tegenover anderen, omdat hij eenmaal een afkeurenswaardige
+daad bedreef, indien hij door latere handelingen de achting zijner
+medeburgers zich waardig heeft weten te maken. Wel daarentegen zou hij
+tegenover hen zich te schamen hebben, wanneer hij, na eens zijn plicht
+door handelen te hebben verzaakt, door niet-handelen voortging dat te
+doen.... En nu, luister naar den raad dien gij mij vraagt en dien ik u
+volgaarne geef. Gij zijt voorlang tot het vol besef van het onwaardige
+uwer vroegere gedragingen gekomen en hebt uzelven daarover aangeklaagd
+bij den Keizer, bij Iravati en bij mij. Dat was goed, zeer goed! Maar
+dat besef, dat helder inzigt in 't verkeerde uwer daden moet niet de
+laatste wezenlijke stap zijn, maar juist de eerste op een beteren weg.
+Het zal u kunnen behoeden voor latere dwalingen; niet alleen voor
+soortgelijke als waartoe ge u liet verleiden, maar ook voor andere. Gij
+zult beter leeren waken over uzelf, uwe indrukken, uwe hartstogten en
+driften, meer beducht zijn voor daden, waarover gij later tegenover
+anderen en uzelf u beschaamd moet gevoelen; en in 't eind kan op die
+wijze een gemoedstoestand voor u geboren worden, waarin 't u nagenoeg
+niet meer mogelijk ware te handelen tegen 't geen plicht en eer
+gebieden. Maar niet, wanneer gij aan het werkelijke leven u onttrekt en
+de verzoeking tracht te ontgaan enkel door ze te ontvlugten. Weersta de
+verleiding, en begin nu in de eerste plaats met de overwinning van
+uw misplaatsten trots! Daarom, neem Iravati tot vrouw en maak u
+harer waardig; ga tot den Keizer en vraag hem een werkzaamheid
+waarin gij hem en uw land van dienst kunt zijn. Ik twijfel geen
+oogenblik, of hij zal ze u gaarne verleenen na uw op nieuw betoonde
+trouw. Ik begrijp dat gij Feizi liefst zult willen ontwijken, en dat is
+ook goed; gij behoort hem een nadere ontmoeting te sparen; maar
+Hindostan is waarlijk groot genoeg om twee menschen van elkaar
+gescheiden te houden, en in Kaçmir of elders kunt gij even goed als te
+Agra zelf nog werkzaam zijn. Denk nu over dat een en ander eens na en
+meld mij, als gij 't overwogen zult hebben, uw besluit!--Neen, antwoord
+mij thans niet terstond,--sprak Gaurapada met afwerend gebaar, toen hij
+Siddha gereed zag het woord op te vatten;--neem thans de rust, die, ik
+zie het, u volstrekt noodig is; en als gij dan morgen behoorlijk alles
+hebt overwogen, zeg mij dan of er nog bezwaren bij u bestaan tegen 't
+geen ik gemeend heb u te moeten aanraden!
+
+En met een vriendelijken groet verwijderde zich de kluizenaar en
+liet Siddha over aan zijne eigene overpeinzingen.
+
+Den anderen dag stond nogmaals Siddha gereed om afscheid te nemen,
+en nu voor 't laatst misschien, van Gaurapada. Lang nog bleven de
+beide mannen in gesprek en toen eindelijk de reiziger weer te
+paard zou stijgen, drukte hij met warmte zijn waardigen gastheer
+de hand, en sprak met bewogen stem, maar weer verhelderd gelaat:--
+Ik dank u, Gaurapada! voor de wijze en mannelijke taal, die gij
+tot mij hebt gesproken. Een nieuw leven ben ik u verschuldigd, en
+ik wil hopen mij daarin anders te gedragen dan in dat vorige, dat
+ik niet wil vergeten maar voor altijd achter mij laat. Gij hebt
+mij geleerd wat regt berouw en wezenlijke boete is; moge ik nimmer
+toonen dat ik u verkeerd begreep, of u aanleiding geven tot de
+ervaring dat gij uw goeden raad aan een onwaardige hebt
+verspild!...
+
+
+
+ZEVENTIENDE HOOFDSTUK.
+
+Bij het praalgraf
+
+In de nabijheid van het dorp Sekandra, niet ver van Agra, verheft
+zich een dier prachtige gebouwen, die, de roem van Hindostan en
+door de smaakvolle weelde hunner bouworde de bewondering wekkend
+van alle reizigers, de laatste overblijfselen mogen heeten van de
+vóórlang verdwenen grootheid der Mogols. Een met torens bezette
+ringmuur geeft door een breede poort van rooden met marmer
+ingelegden steen den toegang tot een uitgebreid, met lommerrijke
+boomen beplant park, in welks midden zich een gebouw van
+aanzienlijke hoogte en kolossalen omvang bevindt. En dat gebouw
+zelf, niet minder uitmuntend door de strenge schoonheid zijner
+lijnen dan door het weelderige en bevallige der tallooze op de
+muren, poorten en minaretten aangebragte versieringen, is wederom
+door een aantal hoogere en lagere open koepels en galerijen
+omringd, zoodat het geheel eer nog eene verzameling van paleizen
+en lusthoven schijnt dan een op zichzelf staand monument. Die
+grootsche stichting evenwel is niet het verblijf van levenden,
+maar werd bestemd om het gebeente te dekken van een roemruchtigen
+doode, van Akbar.
+
+Eenige jaren na de tot hiertoe vermelde gebeurtenissen stond daar
+in het park eens op een avond een zwijgend paar. Een krachtvol man
+in rijk en smaakvol gewaad, met de linkerhand op het gevest van
+zijn sabel en met den regterarm om de leest eener beeldschoone,
+bevallig gekleede vrouw, die, als de ligte slingerplant aan den
+sterken eik, aan den schouder van haar echtgenoot leunde: Siddha
+Rama met zijne thans overgelukkige Iravati.... Bewonderend zagen
+beiden op naar het heerlijk mausoleum en dachten aan den man, van
+wien zij zoo menigmaal te zamen en nooit anders dan met den
+hoogsten eerbied gesproken hadden.
+
+Veel was er gedurende die inmiddels verloopen jaren anders
+geworden.
+
+Akbar dan was niet meer. Selim, zijn zoon, na op verlangen van
+zijn vader bij diens sterfbed het zwaard te hebben aangegord dat
+hij, de Keizer, steeds had gedragen, was hem opgevolgd en regeerde
+nu onder den titel van Djihangir in Hindostan. Dat hij met Akbar
+niet te vergelijken viel, lag wel in den aard der zaak, en niemand
+dan ook die verwachtte dat hij hem ooit zou evenaren; maar slecht
+kon zijne regering toch niet worden genoemd, en aan zijne
+opvolgers, aan Shah Djihan en Aurengzeb, was het voorbehouden,
+onder allen uitwendigen glans de zaden te strooijen van het
+bederf, dat het eenmaal zoo magtige rijk weer uiteen zou doen
+vallen, om als eene ligte prooi het ten laatste in handen te
+spelen van Britsche veroveraars. Zijne slechte gewoonten had Selim
+overigens nog wel niet gansch afgelegd; en Sir Thomas Roe, die als
+Engelsch gezant zijn hof bezocht, vond gelegenheid om hem in een
+dergelijken toestand te zien, als waarin Siddha hem op het
+nachtfeest in zijn paleis had aanschouwd; maar toch had hij
+geleerd zijne uitspattingen te beperken, en in elk geval was hij
+geenszins de onverbeterlijke dronkaard geworden, die hij eenmaal
+bestemd scheen in 't vervolg van zijn leven te zijn. Jegens
+Iravati had hij volkomen zijn woord gestand gedaan, en gelukkig
+ook vond hij troost over de ondervonden teleurstelling in zijn
+huwelijk met de schoone en verstandige Noermahal, die een
+veelbeteekenenden en in vele opzigten heilzamen invloed op hem
+verkreeg.
+
+Dat Kaçmir in 't eind moest onderworpen worden, was reeds lang te
+voorzien geweest; en na de verijdeling van Selim's zamenzwering
+kostte het Akbar weinig moeite meer om door te dringen in het
+ontredderd land en het te onderwerpen aan zijne heerschappij. De
+zwakke Koning was gesneuveld; zijne onwaardige zonen werden
+verbannen; Siddha's vader werd door den Keizer tot Onderkoning
+benoemd, en hijzelf erlangde, met het vooruitzigt zijn vader op te
+volgen, de eerste betrekking na dezen in het land, terwijl
+Koelloeka hem, trouw als steeds, met raad en daad ter zijde bleef
+staan. Niet lang ook of het volk, dat zich eerst niet dan noode
+had gewonnen gegeven, begon de zegeningen te waardeeren van het
+nieuw en thans eindelijk door wijze instellingen en bekwame
+beambten rust en welvaart verzekerend bestuur.
+
+De kluizenaar van den Bhadrinâth beleefde niet meer de volkomen
+onderwerping van zijn vaderland. Eens, toen Koelloeka hem een
+bezoek was gaan brengen om hem op de tijding daarvan voor te
+bereiden, vond hij den ouden dienaar alleen. Zijn meester was op
+eenmaal ongesteld geworden en weinige dagen later was hij
+gestorven, rustig en kalm zooals hij in zijne laatste jaren had
+geleefd. De dienaar begroef het lijk op eene hoogte, die naar de
+zijde van Kaçmir ziet. Daar legde Hara, de tijger, zich neder, en
+begon, als de dienaar hem zocht te verwijderen en naar huis te
+lokken, op onheilspellende wijze te grommen. Aan het voedsel en
+het water dat hem op die plek gebragt werd, raakte hij niet; en na
+enkele dagen lag hij dood op het graf van zijn meester en vriend.
+De dienaar begroef hem nevens dezen.
+
+Van Parviz, jegens wien Feizi blijkbaar van het gebeurde met
+Goelbadan gezwegen had, ontving Siddha van tijd tot tijd vrolijker
+berigten. Hij was gelukkig door het bezit van de dochter des
+schatmeeesters; en, in een hooge staatsbetrekking geplaatst, hield
+hij zich vooral ook bezig met het ordenen van de letterkundige en
+diplomatische nalatenschap van Aboel Fazl, zijn steeds nog door
+velen diepbetreurden oom.
+
+Abdal Kadir bleef zich terugtrekken uit het openbare leven en werd hoe
+langer hoe regtzinniger, en steeds hartstogtelijker ijveraar voor het
+ware geloof. Hij zocht troost voor zijne vele teleurstellingen en
+ergernissen in het schrijven van zijn Moentak-hab-oet-Tawarikh, waarin
+hij zich bitter bleef beklagen over Akbar en dapper voortging op Aboel
+Fazl en Feizi te schelden, die hem nooit kwaad hadden gedaan.
+
+De Padre Aquaviva keerde niet te Agra terug; anderen kwamen er
+later zijn werk weder opvatten. Met weinig gelukkiger uitslag
+evenwel; en ook nu nog, bijkans drie eeuwen later, blijft de
+bekeering van Hindostan tot de vrome wenschen van Westersche
+dweepers behooren.
+
+Of de trouwe Vatsa met de praatlustige maar goedhartige Nipoenika
+huwde, meldt de geschiedenis niet. De waarschijnlijkheid echter
+bestaat, dat de dienaar en de dienares wel het voorbeeld van
+meester en gebiedster zullen gevolgd hebben.
+
+Aan het geluk van deze beiden ontbrak thans weinig of niets meer.
+Wel kwam er bij wijlen nog eene sombere herinnering opdoemen in
+Siddha's geest, maar hij had zich langzamerhand gewend, zich
+daardoor niet geheel te laten neerslaan, en vooral ook zijn leed
+voor Iravati te verbergen, sinds hij bemerkt had hoezeer 't haar
+bedroefde als zij de donkere uitdrukking op zijn gelaat ontwaarde,
+wier oorzaak zij maar al te wel begreep. Wat en hoe hij misdreef,
+had hij eens voor al omstandig haar bekend, maar als hij toch soms
+nog zinspeelde op het gebeurde, sloot zij vriendelijk lagchend hem
+den mond en wilde er niets meer van hooren. En eenigen tijd na hun
+huwelijk had zij hem een zoon geschonken, dien hij weldra haast
+niet minder dan haarzelve beminde. Toch leerde hij nu eerst
+volkomen haar waardeeren, en begrijpen welk een schat hij gewonnen
+had en bijkans zou hebben versmaad, toen hem Iravati haar
+wedervaren met Selim verhaalde, en vreemd opzag toen hij in
+levendige bewoordingen haar zijne bewondering uitdrukte over hare
+handelwijze; zij toch had, meende ze, niet anders gehandeld dan in
+gelijk geval iedere vrouw van haar geslacht zou hebben gedaan.
+
+Lang bleef Siddha daar nevens haar bij Akbar's graf in gedachten
+verzonken, toen zijn aandacht op eens door een voetstap getrokken
+werd, die in de nabijheid zich deed hooren op den met zware
+steenen bevloerden grond. Ontzet deed hij een stap achterwaarts,
+toen hij den naderende herkende. En zijn uitroep moest Iravati wel
+terstond doen begrijpen tot welke noodlottige ontmoeting het hier
+gekomen was....
+
+--Feizi!...--klonk het uit zijn mond....
+
+Onmiddelijk stond de ander stil, nadat hij eerst zonder op de
+beide bezoekers te letten al mijmerend was blijven voortgaan. En
+ook hij ging een schrede achteruit, toen hij den man gewaar werd
+die hem eenmaal zoo diep beleedigd had .... Maar hij scheen zich
+te bezinnen en trad langzaam weer voorwaarts, en toen hij Siddha
+een beweging zag maken om zich haastig te verwijderen, zeide hij:
+
+--Blijf en hoor mij aan! Hier, bij het graf van den vorst, die
+altijd liever vergaf dan strafte en zijn vijanden niet wist te
+haten, voegt ons geen toorn en geen wrok. Ook ik heb menigmaal
+reeds getracht zijn edel voorbeeld te volgen, en althans in mijn
+hart u de beleediging te vergeven, die ge mij hebt aangedaan. Maar
+ik kon niet, ik miste nog de kracht. Thans, op deze geheiligde
+plek, waar het toeval ons voor 't eerst weer zamenbrengt, heb ik
+eindelijk die kracht gevonden, en wil ik doen wat Akbar in mijne
+plaats zou gedaan hebben. Ik vergeef u, Siddha!
+
+Diep ontroerd en met gebogen hoofd stond Siddha daar vóór zijn
+edelmoedigen vijand; en met bewondering zag Iravati naar den man,
+die zulk een strijd tegen zichzelve volstreden had.
+
+--Zie op!--sprak Feizi weder,--en ontvlugt den blik van uw
+vroegeren vriend niet meer! De woorden, die ik eenmaal in toorn
+tot u rigtte, waren zeker niet onverdiend, maar voor een man van
+uw karakter toch inderdaad een vreeselijke, misschien ook al te
+harde straf; en ik weet, door Koelloeka, welk een indruk ze op u
+hebben nagelaten en tot welke verkeerde handelwijze ze u bijkans
+hadden vervoerd. En ik vernam ook van ons beider vriend, dat
+gijzelf de verleider niet zijt geweest en in den beginne ook niet
+geweten hadt wie de verleidster was. Haar invloed en geduchte magt
+heb ikzelf trouwens wel gekend. Te vreezen is zij thans voor
+niemand meer. In hare gevangenschap heeft zij zelve een eind aan
+haar schuldig leven gemaakt. Doch genoeg reeds van het voorleden,
+vooral in tegenwoordigheid van haar, die ik begrijp als uwe edele
+echtgenoote te mogen begroeten. Laat het dan vergeten zijn
+tusschen ons! Uwe verdere handelingen, waarvan ik later veel
+vernam, hebben u op nieuw de achting en vriendschap waardig
+gemaakt van een man van eer. Ziedaar mijn hand als voorheen!
+
+Het was Iravati die ze greep, terwijl Siddha nog nauw van zijne
+ontroering scheen bekomen.
+
+--Heer!--sprak zij,--ik zeg u dank, innigen dank voor uwe
+grootmoedigheid! Wat gij gezegd hebt verjaagt de donkere wolk, die
+nog altijd ons huwelijksgeluk kwam verstoren, en het looden wigt
+is dan eindelijk opgeheven, waaronder mijn Siddha zoolang heeft
+gebukt gegaan!
+
+--Ik zoek naar woorden,--sprak nu ten laatste Siddha zelf, terwijl
+hij thans ook de hand van Feizi aannam,--naar woorden om uit te
+drukken wat ik in dit oogenblik gevoel; maar ik weet ze nog niet
+te vinden. Toen ik eenmaal mij getroost, althans mij gesterkt
+achtte door de verstandige taal van een wijs man, geloofde ik tot
+een nieuw leven herboren te zijn; maar thans gevoel ik het, ik ben
+dat eerst nu! Uwe vriendschap, Feizi! had voor mij steeds de
+hoogste waarde; maar te grievender dan ook mijn zelfverwijt en te
+zwaarder mijne straf, toen ik door eigen schuld op de schandelijkste
+wijze ze had verbeurd. En die vriendschap, die ge mij edelmoedig
+teruggeeft, acht ik ook het hoogste geschenk dat tegenwoordig mij nog
+geworden kon.
+
+--Toch zal--hernam Feizi,--onze tegenwoordige toevallige
+zamenkomst slechts kort van duur en deze onze ontmoeting
+waarschijnlijk wel de laatste zijn. Dat ik aan de staatsdienst mij
+heb onttrokken, is u zeker wel bekend; Selim, of zooals hij nu met
+een trotschen titel zich gelieft te noemen, Djihangir, zag mij zoo
+min als mijn broeder ooit met een goed oog aan; en bovendien viel
+'t mij zwaar hem te gaan dienen, om redenen, die ik nu niet verder
+behoef aan te duiden. Ik trok mij dus terug en leefde stil te
+Agra. Nu heeft Shah Abbas, de Koning van Perzië, mij uitgenoodigd
+om in zijne hoofdstad te komen en mij daar met wetenschappelijke
+werkzaamheden bezig te houden. Aan die uitnoodiging wil ik gehoor
+geven. Morgen vertrek ik naar Ispahan, en, zoo 't mij daar
+behaagt, denk ik er ook te blijven. Maar ik mogt niet van hier
+gaan zonder een afscheidsbezoek aan de laatste woning van mijn
+vorstelijken vriend. Daarom treft gij mij heden op deze plaats.
+Die vriend was mij alles, Siddha! en meer zelfs dan mijn leven en
+huwelijksgeluk; en indien gij tegen hem u waart blijven
+bezondigen, neen! ik geloof niet dat ik 't ooit u vergeven had.
+Maar gij hebt getoond hem te eeren en te hoogachten als ik, ook al
+waart gij nooit in de gelegenheid hem zóó te waardeeren en zóó
+lief te hebben als de weinigen, die hem volkomen én in zijne
+buitengewone grootheid én ook in zijne kleine maar doorgaans nog
+altijd beminnenswaardige zwakheden hebben gekend.
+
+--Ik heb--merkte Siddha aan,--inderdaad hem zóó nooit leeren
+kennen, maar toch genoeg van hem kunnen ontdekken om hem niet
+anders dan met de grootste bewondering en den hoogsten eerbied te
+herdenken. Ook een ander vorst heb ik gekend, maar die opgehouden
+had het te zijn; en grooten dank ben ik hem verschuldigd, en
+dierbaar is mij zijne nagedachtenis; maar nadat ik mij vroeger de
+vraag had gesteld, wie van die beiden wel de grootste was, kwam ik
+in later dagen tot de overtuiging, dat de stille en rustige
+wijsgeer, die van alle wereldsche genietingen afstand had gedaan,
+toch nog overtroffen werd door den wijsgeer op den troon, die te
+midden van het woeligst staatsleven diezelfde gelijkmatigheid van
+karakter en die regtvaardigheid van zin had weten te bewaren, die
+de ander in zijne afzondering zich had eigen gemaakt. Inderdaad,
+zoo één, dan heeft wel Akbar zijn naam verdiend!
+
+--Dat zullen wel alle komende geslachten u nazeggen,--sprak
+Feizi,--in 't Oosten en in 't Westen. Die titel van "de Groote"
+pleegt door vleijers en begunstigden aan menig vorst te worden
+toegekend; maar dikwijls met weinig regt. Niet hier aldus. Indien
+groot te zijn waarlijk beteekent, zichzelf met geen minder kracht
+dan anderen te beheerschen en een leven van moeiten en zorgen toe
+te wijden aan het geluk zijner medemenschen, dan was de man wiens
+gebeente ginds rust in waarheid wel een groot man. Er zijn vorsten
+geweest, en er zullen er misschien ook nog komen, wier naam in de
+wereldgeschiedenis meer bekendheid erlangt dan de zijne; er waren
+er, en er zullen ook mogelijk nog zijn, wien nog hooger roem ten
+deel valt dan hem; maar zéér zelden toch zal er een magthebber in
+de geschiedenis zijn aan te wijzen, die te midden van al zijne
+grootheid zoo volkomen als Akbar zich mensch bleef betoonen in de
+schoonste en edelste beteekenis van het woord ...--En nu:--besloot
+Feizi, terwijl hij beiden, Siddha en Iravati, de hand drukte,--
+vaartwel! En denkt ook nog eens aan mij, als ik vér van hier zal
+zijn. Gij kunt het nu voortaan zonder bitterheid. Ook mijzelven
+ontneemt die overtuiging een last, die lang mij zwaar gewogen
+heeft! ...
+
+Nog bleef Siddha geruimen tijd nadat Feizi zich langzaam door de
+breede laan had verwijderd, met zijne Iravati in het park
+vertoeven. Eindelijk verliet hij met haar ook de plaats, waar hij
+een laatste, stilzwijgende hulde was komen brengen aan de
+nagedachtenis van den grooten Keizer.
+
+--Zoo gaan zij dan allen,--sprak hij mijmerend onder 't huiswaarts
+keeren,--allen die wij leerden kennen en hoogachten! Ook hem zien
+wij waarschijnlijk nooit terug, die zooeven ons verliet. Toch
+sterven zulke mannen als Akbar en Aboel Fazl en Feizi niet als de
+dood een eind aan hun leven maakt! Zij blijven voortbestaan in de
+herinnering, die ze ons nalaten en in hunne werken. Hunne gedachte
+bezielt anderen die na hen komen, en wederom anderen die er komen
+na dezen. Of dàt niet de onsterfelijkheid zou zijn?...
+
+
+
+
+*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK, AKBAR ***
+
+This file should be named 8akba10.txt or 8akba10.zip
+Corrected EDITIONS of our eBooks get a new NUMBER, 8akba11.txt
+VERSIONS based on separate sources get new LETTER, 8akba10a.txt
+
+Project Gutenberg eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the US
+unless a copyright notice is included. Thus, we usually do not
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+We are now trying to release all our eBooks one year in advance
+of the official release dates, leaving time for better editing.
+Please be encouraged to tell us about any error or corrections,
+even years after the official publication date.
+
+Please note neither this listing nor its contents are final til
+midnight of the last day of the month of any such announcement.
+The official release date of all Project Gutenberg eBooks is at
+Midnight, Central Time, of the last day of the stated month. A
+preliminary version may often be posted for suggestion, comment
+and editing by those who wish to do so.
+
+Most people start at our Web sites at:
+http://gutenberg.net or
+http://promo.net/pg
+
+These Web sites include award-winning information about Project
+Gutenberg, including how to donate, how to help produce our new
+eBooks, and how to subscribe to our email newsletter (free!).
+
+
+Those of you who want to download any eBook before announcement
+can get to them as follows, and just download by date. This is
+also a good way to get them instantly upon announcement, as the
+indexes our cataloguers produce obviously take a while after an
+announcement goes out in the Project Gutenberg Newsletter.
+
+http://www.ibiblio.org/gutenberg/etext04 or
+ftp://ftp.ibiblio.org/pub/docs/books/gutenberg/etext04
+
+Or /etext03, 02, 01, 00, 99, 98, 97, 96, 95, 94, 93, 92, 92, 91 or 90
+
+Just search by the first five letters of the filename you want,
+as it appears in our Newsletters.
+
+
+Information about Project Gutenberg (one page)
+
+We produce about two million dollars for each hour we work. The
+time it takes us, a rather conservative estimate, is fifty hours
+to get any eBook selected, entered, proofread, edited, copyright
+searched and analyzed, the copyright letters written, etc. Our
+projected audience is one hundred million readers. If the value
+per text is nominally estimated at one dollar then we produce $2
+million dollars per hour in 2002 as we release over 100 new text
+files per month: 1240 more eBooks in 2001 for a total of 4000+
+We are already on our way to trying for 2000 more eBooks in 2002
+If they reach just 1-2% of the world's population then the total
+will reach over half a trillion eBooks given away by year's end.
+
+The Goal of Project Gutenberg is to Give Away 1 Trillion eBooks!
+This is ten thousand titles each to one hundred million readers,
+which is only about 4% of the present number of computer users.
+
+Here is the briefest record of our progress (* means estimated):
+
+eBooks Year Month
+
+ 1 1971 July
+ 10 1991 January
+ 100 1994 January
+ 1000 1997 August
+ 1500 1998 October
+ 2000 1999 December
+ 2500 2000 December
+ 3000 2001 November
+ 4000 2001 October/November
+ 6000 2002 December*
+ 9000 2003 November*
+10000 2004 January*
+
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation has been created
+to secure a future for Project Gutenberg into the next millennium.
+
+We need your donations more than ever!
+
+As of February, 2002, contributions are being solicited from people
+and organizations in: Alabama, Alaska, Arkansas, Connecticut,
+Delaware, District of Columbia, Florida, Georgia, Hawaii, Illinois,
+Indiana, Iowa, Kansas, Kentucky, Louisiana, Maine, Massachusetts,
+Michigan, Mississippi, Missouri, Montana, Nebraska, Nevada, New
+Hampshire, New Jersey, New Mexico, New York, North Carolina, Ohio,
+Oklahoma, Oregon, Pennsylvania, Rhode Island, South Carolina, South
+Dakota, Tennessee, Texas, Utah, Vermont, Virginia, Washington, West
+Virginia, Wisconsin, and Wyoming.
+
+We have filed in all 50 states now, but these are the only ones
+that have responded.
+
+As the requirements for other states are met, additions to this list
+will be made and fund raising will begin in the additional states.
+Please feel free to ask to check the status of your state.
+
+In answer to various questions we have received on this:
+
+We are constantly working on finishing the paperwork to legally
+request donations in all 50 states. If your state is not listed and
+you would like to know if we have added it since the list you have,
+just ask.
+
+While we cannot solicit donations from people in states where we are
+not yet registered, we know of no prohibition against accepting
+donations from donors in these states who approach us with an offer to
+donate.
+
+International donations are accepted, but we don't know ANYTHING about
+how to make them tax-deductible, or even if they CAN be made
+deductible, and don't have the staff to handle it even if there are
+ways.
+
+Donations by check or money order may be sent to:
+
+Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+PMB 113
+1739 University Ave.
+Oxford, MS 38655-4109
+
+Contact us if you want to arrange for a wire transfer or payment
+method other than by check or money order.
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation has been approved by
+the US Internal Revenue Service as a 501(c)(3) organization with EIN
+[Employee Identification Number] 64-622154. Donations are
+tax-deductible to the maximum extent permitted by law. As fund-raising
+requirements for other states are met, additions to this list will be
+made and fund-raising will begin in the additional states.
+
+We need your donations more than ever!
+
+You can get up to date donation information online at:
+
+http://www.gutenberg.net/donation.html
+
+
+***
+
+If you can't reach Project Gutenberg,
+you can always email directly to:
+
+Michael S. Hart <hart@pobox.com>
+
+Prof. Hart will answer or forward your message.
+
+We would prefer to send you information by email.
+
+
+**The Legal Small Print**
+
+
+(Three Pages)
+
+***START**THE SMALL PRINT!**FOR PUBLIC DOMAIN EBOOKS**START***
+Why is this "Small Print!" statement here? You know: lawyers.
+They tell us you might sue us if there is something wrong with
+your copy of this eBook, even if you got it for free from
+someone other than us, and even if what's wrong is not our
+fault. So, among other things, this "Small Print!" statement
+disclaims most of our liability to you. It also tells you how
+you may distribute copies of this eBook if you want to.
+
+*BEFORE!* YOU USE OR READ THIS EBOOK
+By using or reading any part of this PROJECT GUTENBERG-tm
+eBook, you indicate that you understand, agree to and accept
+this "Small Print!" statement. If you do not, you can receive
+a refund of the money (if any) you paid for this eBook by
+sending a request within 30 days of receiving it to the person
+you got it from. If you received this eBook on a physical
+medium (such as a disk), you must return it with your request.
+
+ABOUT PROJECT GUTENBERG-TM EBOOKS
+This PROJECT GUTENBERG-tm eBook, like most PROJECT GUTENBERG-tm eBooks,
+is a "public domain" work distributed by Professor Michael S. Hart
+through the Project Gutenberg Association (the "Project").
+Among other things, this means that no one owns a United States copyright
+on or for this work, so the Project (and you!) can copy and
+distribute it in the United States without permission and
+without paying copyright royalties. Special rules, set forth
+below, apply if you wish to copy and distribute this eBook
+under the "PROJECT GUTENBERG" trademark.
+
+Please do not use the "PROJECT GUTENBERG" trademark to market
+any commercial products without permission.
+
+To create these eBooks, the Project expends considerable
+efforts to identify, transcribe and proofread public domain
+works. Despite these efforts, the Project's eBooks and any
+medium they may be on may contain "Defects". Among other
+things, Defects may take the form of incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other
+intellectual property infringement, a defective or damaged
+disk or other eBook medium, a computer virus, or computer
+codes that damage or cannot be read by your equipment.
+
+LIMITED WARRANTY; DISCLAIMER OF DAMAGES
+But for the "Right of Replacement or Refund" described below,
+[1] Michael Hart and the Foundation (and any other party you may
+receive this eBook from as a PROJECT GUTENBERG-tm eBook) disclaims
+all liability to you for damages, costs and expenses, including
+legal fees, and [2] YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE OR
+UNDER STRICT LIABILITY, OR FOR BREACH OF WARRANTY OR CONTRACT,
+INCLUDING BUT NOT LIMITED TO INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE
+OR INCIDENTAL DAMAGES, EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE
+POSSIBILITY OF SUCH DAMAGES.
+
+If you discover a Defect in this eBook within 90 days of
+receiving it, you can receive a refund of the money (if any)
+you paid for it by sending an explanatory note within that
+time to the person you received it from. If you received it
+on a physical medium, you must return it with your note, and
+such person may choose to alternatively give you a replacement
+copy. If you received it electronically, such person may
+choose to alternatively give you a second opportunity to
+receive it electronically.
+
+THIS EBOOK IS OTHERWISE PROVIDED TO YOU "AS-IS". NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, ARE MADE TO YOU AS
+TO THE EBOOK OR ANY MEDIUM IT MAY BE ON, INCLUDING BUT NOT
+LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR A
+PARTICULAR PURPOSE.
+
+Some states do not allow disclaimers of implied warranties or
+the exclusion or limitation of consequential damages, so the
+above disclaimers and exclusions may not apply to you, and you
+may have other legal rights.
+
+INDEMNITY
+You will indemnify and hold Michael Hart, the Foundation,
+and its trustees and agents, and any volunteers associated
+with the production and distribution of Project Gutenberg-tm
+texts harmless, from all liability, cost and expense, including
+legal fees, that arise directly or indirectly from any of the
+following that you do or cause: [1] distribution of this eBook,
+[2] alteration, modification, or addition to the eBook,
+or [3] any Defect.
+
+DISTRIBUTION UNDER "PROJECT GUTENBERG-tm"
+You may distribute copies of this eBook electronically, or by
+disk, book or any other medium if you either delete this
+"Small Print!" and all other references to Project Gutenberg,
+or:
+
+[1] Only give exact copies of it. Among other things, this
+ requires that you do not remove, alter or modify the
+ eBook or this "small print!" statement. You may however,
+ if you wish, distribute this eBook in machine readable
+ binary, compressed, mark-up, or proprietary form,
+ including any form resulting from conversion by word
+ processing or hypertext software, but only so long as
+ *EITHER*:
+
+ [*] The eBook, when displayed, is clearly readable, and
+ does *not* contain characters other than those
+ intended by the author of the work, although tilde
+ (~), asterisk (*) and underline (_) characters may
+ be used to convey punctuation intended by the
+ author, and additional characters may be used to
+ indicate hypertext links; OR
+
+ [*] The eBook may be readily converted by the reader at
+ no expense into plain ASCII, EBCDIC or equivalent
+ form by the program that displays the eBook (as is
+ the case, for instance, with most word processors);
+ OR
+
+ [*] You provide, or agree to also provide on request at
+ no additional cost, fee or expense, a copy of the
+ eBook in its original plain ASCII form (or in EBCDIC
+ or other equivalent proprietary form).
+
+[2] Honor the eBook refund and replacement provisions of this
+ "Small Print!" statement.
+
+[3] Pay a trademark license fee to the Foundation of 20% of the
+ gross profits you derive calculated using the method you
+ already use to calculate your applicable taxes. If you
+ don't derive profits, no royalty is due. Royalties are
+ payable to "Project Gutenberg Literary Archive Foundation"
+ the 60 days following each date you prepare (or were
+ legally required to prepare) your annual (or equivalent
+ periodic) tax return. Please contact us beforehand to
+ let us know your plans and to work out the details.
+
+WHAT IF YOU *WANT* TO SEND MONEY EVEN IF YOU DON'T HAVE TO?
+Project Gutenberg is dedicated to increasing the number of
+public domain and licensed works that can be freely distributed
+in machine readable form.
+
+The Project gratefully accepts contributions of money, time,
+public domain materials, or royalty free copyright licenses.
+Money should be paid to the:
+"Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+If you are interested in contributing scanning equipment or
+software or other items, please contact Michael Hart at:
+hart@pobox.com
+
+[Portions of this eBook's header and trailer may be reprinted only
+when distributed free of all fees. Copyright (C) 2001, 2002 by
+Michael S. Hart. Project Gutenberg is a TradeMark and may not be
+used in any sales of Project Gutenberg eBooks or other materials be
+they hardware or software or any other related product without
+express permission.]
+
+*END THE SMALL PRINT! FOR PUBLIC DOMAIN EBOOKS*Ver.02/11/02*END*
+
diff --git a/old/8akba10.zip b/old/8akba10.zip
new file mode 100644
index 0000000..ad6eaf3
--- /dev/null
+++ b/old/8akba10.zip
Binary files differ