diff options
| author | Roger Frank <rfrank@pglaf.org> | 2025-10-15 05:28:03 -0700 |
|---|---|---|
| committer | Roger Frank <rfrank@pglaf.org> | 2025-10-15 05:28:03 -0700 |
| commit | d6400117ef5aec6366028470f0a45718944c449f (patch) | |
| tree | 58ba78080466b7cc3287d345533f7262ba0f42b5 | |
| -rw-r--r-- | .gitattributes | 3 | ||||
| -rw-r--r-- | 6712-8.txt | 10408 | ||||
| -rw-r--r-- | 6712-8.zip | bin | 0 -> 211523 bytes | |||
| -rw-r--r-- | LICENSE.txt | 11 | ||||
| -rw-r--r-- | README.md | 2 | ||||
| -rw-r--r-- | old/7akba10.txt | 10374 | ||||
| -rw-r--r-- | old/7akba10.zip | bin | 0 -> 210520 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/8akba10.txt | 10374 | ||||
| -rw-r--r-- | old/8akba10.zip | bin | 0 -> 211038 bytes |
9 files changed, 31172 insertions, 0 deletions
diff --git a/.gitattributes b/.gitattributes new file mode 100644 index 0000000..6833f05 --- /dev/null +++ b/.gitattributes @@ -0,0 +1,3 @@ +* text=auto +*.txt text +*.md text diff --git a/6712-8.txt b/6712-8.txt new file mode 100644 index 0000000..d4c2103 --- /dev/null +++ b/6712-8.txt @@ -0,0 +1,10408 @@ +Project Gutenberg's Akbar, by Petrus Abraham Samuel van Limburg Brouwer + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + + +Title: Akbar + +Author: Petrus Abraham Samuel van Limburg Brouwer + +Posting Date: June 6, 2012 [EBook #6712] +Release Date: October, 2004 +First Posted: January 18, 2003 + +Language: Dutch + +Character set encoding: ISO-8859-1 + +*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK AKBAR *** + + + + +Produced by Jeroen Hellingman, Miranda van de Heijning, +Charles Franks and the Online Distributed Proofreading Team. + + + + + + + + + +AKBAR + +EEN OOSTERSCHE ROMAN + +Mr. P.A.S. van Limburg Brouwer + + + +INLEIDING + +De grootsche figuur van Keizer Akbar, den beheerscher van Indië +in het laatst der zestiende eeuw (1556-1605), scheen mij om meer +dan ééne reden zoozeer aller belangstelling te verdienen, dat ik +niet aan de verzoeking heb kunnen weerstaan, hem als hoofdpersoon +te doen optreden in eene romantische schets, welke ik hierbij ons +publiek waag aan te bieden. + +Voor den lezer, die gesteld mogt zijn op eene nauwlettende +onderscheiding tusschen hetgeen er wezenlijk historisch in het +boek voorkomt en wat daarin is verdicht, strekke het volgende. + +Bepaald geschiedkundige personen, behalve Akbar zelf, zijn: Selim, +zijn zoon; Aboel Fazl, zijn Vizier; diens broeder Feizi; Abdal +Kadir Badaoni; Rodolpho Aquaviva, de Jezuïet, en enkele anderen +van minder beteekenis. Parviz behoort mede tot de geschiedenis +maar droeg een anderen naam. Nandigoepta is wel geen historisch +persoon, maar toch een type, gelijk er meer dan een in de +geschiedenis van Indië, en in 't bijzonder van Kaçmir, valt aan +te wijzen. Zoo ook Gorakh en zijne Worgers. En Iravati blijft in +zeker opzigt eene historische figuur, voorzoover zij het beeld der +echt Indische vrouw moet vertegenwoordigen, gelijk die in het +drama en de legende van Indië ons wordt voorgesteld. Verscheidene +gezegden eindelijk, den personen in den mond gelegd, zijn mede +historisch.--In enkele punten is, om ligt begrijpelijke redenen +eenigszins van de werkelijke geschiedenis afgeweken: tijdens Akbar +regeerden in Kaçmir geen Hindoe-vorsten meer, hoewel het land voor +'t overige volkomen Indisch bleef; de aanslag van Selim, waarvan +de bijzonderheden mede eenigszins gewijzigd zijn voorgesteld, +geschiedde gedurende den togt niet tegen Kaçmir, maar tegen +Dekkan; Feizi was ouder dan Aboel Fazl en stierf vóór diens moord; +Fattipoer ligt iets verder van Agra dan 't in het verhaal is +voorgesteld. Op de beoordeeling van het karakter der feiten en der +personen kunnen dergelijke geringe afwijkingen intusschen wel van +geen invloed zijn. + +In den stijl van het werk is, in 't bijzonder bij de gesprekken, +voorzooveel zonder slaafsche navolging en zonder misbruik van +vreemde woorden doenlijk scheen, naar behoud van den Oosterschen +vorm gestreefd, en bij de spelling van eigennamen meer gelet op +gemak voor den lezer dan op de eischen eener streng wetenschappelijke +schrijfwijze. De hier en daar ingevoegde gedichten zijn allen door mij +bewerkt naar den oorspronkelijken Oosterschen tekst. + +Eene uitvoerige opgave van de bronnen, die bij de zamenstelling +hebben gediend, zal men hier wel niet verlangen; en den +geschiedkenner ware daaromtrent ook niet veel nieuws mede te +deelen. Hij toch weet, dat de geschriften van Aboel Fazl en Abdal +Kadir de voornaamste oorspronkelijke bronnen voor de kennis van +Akbar's leven, instellingen en begrippen zijn, waaruit de meeste +latere, zoo Oostersche als Westersche schrijvers hebben geput, en +dat de berigten der Jezuïeten uit het Hindostan van zijn tijd, +schoon menigmaal blijkbaar onjuist, toch in vele opzigten tot +aanvulling en verklaring dienen van die der Perzische geschiedschrijvers. +Nauw ook eischt vermelding dat verscheidene nieuwere historische werken +van meer of minder uitgebreidheid, reisbeschrijvingen en plaatwerken in +dezen geraadpleegd zijn. Voor het meer bepaald Indische in den roman +dienden hoofdzakelijk de verschillende legenden, vertellingen, romans en +drama's, die uit de Sanskritlitteratuur zijn tot ons gekomen, en voor de +eigen wijsgeerig-godsdienstige begrippen van Akbar, die overigens nog 't +best uit het geschrift van zijn voornaamsten tegenstander, Abdal +Kadir, zijn op te maken, de Vedische of oud-Indische voorstellingen, +waaraan hij meerendeels zijne eigene moet hebben ontleend. Door andere +schrijvers schijnt op dit laatste te weinig acht te zijn geslagen. Eéne +bron verdient nog bijzondere vermelding, omdat ze tot heden niet bekend +werd: de velerlei mededeelingen omtrent land en volk door de kooplieden +onzer Oost-Indische Compagnie, die kort na Akbars regering te Soeratta +en te Agra waren gevestigd en wier brieven nog worden bewaard in ons +oud-koloniaal archief. + +Bij alle zorg voor nauwkeurigheid blijft in eene proeve als deze +de mogelijkheid van vergissingen en onjuistheden, vooral wat +plaatsbeschrijvingen aangaat, nog altijd bestaan. In zoover die nu +hier of daar mogten zijn ingeslopen, kan de schrijver wel niet +anders dan voorloopig daaromtrent verschooning vragen en zich +aanbevolen houden voor gegronde teregtwijzing. + +Den Haag, October 1872. v. L. B. + + + +EERSTE HOOFDSTUK. + +Een kluizenaar + +Met rooden gloed schoten de laatste stralen der ondergaande zon, +weerkaatst door de purpergetinte sneeuwvelden van den Bhadrinâth, +langs de steile hellingen van het Himâlaya-gebergte, terwijl een +zachte zuidenwind de geuren der bosschen en bloemen uit de dalen +omhoog dreef naar de toppen der bergen. Eeuwen en eeuwen lang +hadden de stralen dierzelfde zon diezelfde hellingen dus beschenen +en waren gelijke geuren omhoog gestegen, zonder stoornis of +verandering, zoo 't schijnen mogt, dier altijd jeugdige, maar +eenzame natuur, terwijl daar omlaag in verre verte menschen +kampten en magtige rijken verrezen en vernietigd werden, en +diepdenkende vernuften zich afpijnden om doel en laatsten grond te +vinden voor het bestaan van het heelal. + +Ook nu,--'t was in het laatst van de zestiende eeuw onzer +jaartelling, toen Djelal-ed-din Mohammed, bijgenaamd Akbar of de +Groote, en onder dien naam meest bekend, het magtig rijk der +Mogols in Hindostan ten toppunt verhief van glans,--ook nu bleef +dat hooge gebergte, nauw toegankelijke zetel eenmaal der Indische +Deva's, lusthof thans van Britsche aristocraten, nog een wild en +onherbergzaam, door menschenvoet weinig betreden oord. Ook thans +was 't enkel de roep van een snel voorbijtrekkenden roofvogel, die +nu en dan, of 't zacht eentoonig gegons der op en neder dansende +insectenzwermen, dat nauw hoorbaar de eindelooze stilte brak. Toch +bleef die plek niet zoo volkomen eenzaam als een min opmerkzaam +beschouwer alligt zou hebben ondersteld. Diep gedoken en als +verborgen in het hooge gras der berghelling lag, behagelijk +uitgestrekt, een groote fraai gevlekte tijger, droomend en als in +wijsgeerige rust opziend nu eens naar de hooge sneeuwkruinen, dan +weer de oogen sluitend voor het nog schelle licht, en omlaag +starend naar de liefelijke groene vallei, die daar beneden zich +uitbreidde tot waar nogmaals andere berggevaarten hunne toppen +verhieven om ten laatste zaam te smelten met den wazigen +veelkleurig getinten horizont. Waar hij aan dacht, soms dus omhoog +blikkend, soms nederziend in de diepte? Misschien wel, met +nevelachtig weer opdoemende herinnering, aan de tijden toen hij +onder eene andere gedaante als magtig Râdja nog heerschte in het +weelderig Kaçmir, en vasallen zich bogen aan zijne voeten en +schoone vrouwen dongen om de eer van zijn oogopslag. Of was dat +prachtige, koninklijke dier werkelijk niets anders dan een +reusachtige kat, een monster der wildernis en niet veeleer een +nieuw hulsel voor de verdoolde ziel van een eenmaal trotsch en +overmoedig heerscher. Ook nu nog was hij de Koning der woestijn, +waarin geen leeuw hem den voorrang kwam betwisten; ook nu nog +toonde de fiere blik waarmede hij bij wijlen in 't ronde staarde, +dat hij zijner magt zich bewust bleef, en bewezen zijne gladde +bewegingen en bevallige wendingen wanneer hij soms wisselde van +houding, dat hij even ridderlijk zich aan de voeten eener schoone +prinses had weten neer te vleijen als, trotsch zich oprichtend, te +gebieden over zijne minderen in rang. Doch eensklaps als uit zijne +mijmering opgeschrikt, sprong hij omhoog en luisterde.... Een +geluid, een klank van menschenstemmen trof uit de verte zijn +fijngeoefend oor. + +En inderdaad, schoon op nog tamelijk verwijderden afstand, kwam,--wél +ongewoon verschijnsel hier!--een groep ruiters langs het eenig +begaanbare gedeelte van den bergrug afdalen naar de vlakte. Een +jong, bevallig man, wiens rijke kleeding en fiere houding hem +terstond als edelman deden herkennen, nevens een meer bejaarden in +stemmiger gewaad, en achter hem twee dienaren. De eerste op een +kleinen, maar krachtig gebouwden en vluggen schimmelhengst van +edel ras, de ander op een zwaarder, donker paard, de dienaren op +grofharige maar sterke bergpaarden. De jongeling droeg een blauw +zijden, naar onderen openhangend en met gouden knoopjes versierd +wambuis, wijde broek en roode schoenen, een ligte muts met een +hooge door een diamant vastgehouden veder op het hoofd, een korte +sabel met fraai gevest ter zijde nevens een met edelgesteenten +bezetten dolk in den rijkgestikten gordel, en een lange speer in +de rechterhand. Zijne gestalte was rijzig en van eene volmaakte +evenredigheid, zijn schoon, regelmatig gelaat was blank en slechts +even door de zon getint, terwijl zijne donkere oogen en lokken en +een fijne bruine knevel de helderheid zijner kleur, onmiskenbaar +teeken van het echt oorspronkelijk Arisch ras, nog schenen te +verhoogen. Zijn oudere medgezel, een krachtige, breedgeschouderde +figuur, vertoonde een eenigszins donkerder tint, schoon de +regelmatigheid zijner gelaatstrekken hem evenzeer als een man van +hetzelfde bloed deed herkennen. Hij had een fraaijen gekrulden +baard, die bijkans de helft van zijn gelaat mogt verbergen; een +groote witte tulband dekte zijn hoofd, en zijne gestalte hulde +zich in een lang, tot bijna aan de voeten reikend, om het midden +met een vergulden gordel vastgehouden kleed van donkere, maar +fijne stof; ook hij was gewapend met sabel en speer en om zijne +schouders hing een klein, rond schild. De dienaars droegen anders +niet dan wijde, los omgeslagen mantels over de anders weinig +bedekte bronskleurige leden; verscheiden helblinkende koperen +ringen, onder 't voortrijden een rinkelenden klank veroorzakend, +sierden hunne enkels en polsgewrichten; korte speren en ronde +schilden vormden hun wapentuig. + +Uit de gesprekken hunner meesters ware spoedig op te maken +geweest, wie deze waren, van waar zij kwamen en welk het doel van +hunner reis. De jonge edelman, Siddha Rama, was de zoon van den +eersten minister van Kaçmir en door zijn vader met het overbrengen +van belangrijke brieven naar het hof van Keizer Akbar of den +Grooten Mogol, te Agra, belast, waar hij tevens het bevel zou +aanvaarden over eene afdeeling Radjpoet-ruiterij, die onder de +hulptroepen van het keizerlijk leger dienst had te doen. Hij werd +vergezeld door zijn leermeester Koelloeka, een Brahmaan van +afkomst, en deels geleerde, deels krijgsman, die hem zoowel in de +oorlogskunst en alle ridderlijke oefeningen als in de aloude +heilige taal en de daarin gestelde klassieke en gewijde schriften +had onderwezen. Alvorens echter den togt naar Agra voort te +zetten, hadden zij een bezoek te brengen aan een kluizenaar in het +gebergte, om vervolgens naar Allahabad te vertrekken, waar +Siddha's oom in naam des Keizers bevel voerde over het fort aan +het vereenigingspunt van Ganges en Djoemna, en waar ook de +verloofde van Siddha, de jeugdige Iravati, dochter van den +Goeverneur, met verlangen naar het aangekondigd bezoek van haar +toekomstigen echtgenoot uit bleef zien. + +--Maar, eerwaarde Koelloeka!--sprak Siddha, na een tijdlang +stilzwijgend naast zijn leermeester te hebben gereden,--gij, die +zoo goed hier den weg kent, vertelt mij dat wij nu vlak bij de +kluizenarij van Gaurapada Bhikshoe moeten zijn, en ik zie toch +niets wat maar op een kluis of zoo iets gelijkt. Zou de heilige +man ook soms zijn verhuisd? + +--Geduld maar, mijn jonge driftkop!--antwoordde de Brahmaan,--zoo +aanstonds komen wij aan een wending van den berg, die ge van hier +nog niet zien kunt, en als wij daar zijn, zult gij spoedig genoeg +het kleine bosch in de vallei zien liggen, waar Gaurapada zijn +stille woning heeft gebouwd. Maar gij mogt wel met wat meer +eerbied van den Eerwaarde spreken, naar mij dunkt. Trouwens hij +zal u dat zelf wel leeren als gij hem maar eerst ontmoet. + +--Nu,--hernam Siddha vergoelijkend,--'t was zoo kwaad niet +gemeend.... Maar wat is dat?--riep hij eensklaps uit, met zijne +lans naar het hooge gras aan de zijde van den bergweg wijzend, dat +zich golvend scheen te bewegen, schoon geen wind het verschijnsel +kon veroorzaakt hebben. En eer zijn bedaarder medgezel hem kon +weerhouden was de hartstogtelijke jager met zijn paard in het gras +gesprongen, en baande hij met gevelde speer zich een weg naar de +plek waar hij de beweging in het gras had opgemerkt. Onmiddelijk +en nog vóór Koelloeka rende een der dienaren zijn jongen meester +na, toen hij dezen plotseling weer zag stilstaan en als verwonderd +om zich heen staren. Alle beweging in het gras had volkomen +opgehouden, geen sprietje bewoog zich meer en geen geluid werd +vernomen. Daar begon het golven opnieuw, maar veel verder af, en +boven de hooge grashalmen vertoonde zich bijwijlen het bruingevlekte +ligchaam van een grooten tijger, die met geweldige sprongen voortrende. +Nogmaals gaf Siddha zijn paard de sporen, maar 't volgend oogenblik lag +hij in zijne volle lengte in het gras: een dicht begroeide kuil had +paard en ruiter doen storten. In een oogwenk echter was deze weer op de +been. + +--'t Is niets, Vatsa!--zeide hij tot zijn dienaar, die van zijn +paard gesprongen, op hem was toegesneld,--ik ben hier zacht genoeg +neergekomen. Als mijn beste schimmel 't er nu maar even goed heeft +afgebragt! + +Bij onderzoek bleek gelukkig, dat het edele dier evenmin eenig +letsel had bekomen als zijn doldriftige berijder, maar de tijger +was weg en nergens meer te bespeuren, zoodat men niets anders te +doen had dan spoedig weer in den zadel te springen en den +gestoorden togt voort te zetten. + +Zwijgend reed nu weer Siddha, over zijn dwaas avontuur niet weinig +beschaamd, nevens zijn goeroe, tot deze het stilzwijgen afbrak met +te zeggen: + +--Gij hebt daar, geloof ik, een gekken streek begaan, mijn waarde! + +--Ja!--bekende Siddha nederig,--ik heb ongetwijfeld een mal figuur +gemaakt met daar zoo om te rollen. + +--Nu,--hernam Koelloeka,--dat kondt gij niet helpen; niemand kan +overdekte kuilen zien; maar dat bedoel ik ook niet, ik meen iets +anders. + +--Wat dan? + +--Gij zult het straks wel merken, indien ten minste waar is wat ik +vermoed. + +De glimlach, die bij deze woorden om den mond van Koelloeka +speelde, maakte Siddha's nieuwsgierigheid natuurlijk nog meer +gaande; maar juist toen hij nadere uitlegging wilde vragen was de +straks aangeduide wending bereikt, en breidde zich een ander +gedeelte der vallei, nog even verlicht door den zonneschijn, met +zijn weelderigen plantengroei en zijne frissche stroomen en beeken +voor 't bewonderend oog der reizigers uit. + +--Zie ginds!--sprak Koelloeka, met zijne lans naar een digt +bosschaadje in de diepte wijzend, waarlangs een heldere beek zich +slingerde als een zilveren lint,--daar woont Gaurapada. + +En zonder verder te spreken daalden de ruiters voorzigtig langs de +steile helling naar omlaag, volgden het, half door de natuur, half +door ruwe kunst gevormde pad, dat naar het bosch leidde, en reden, +dit ingegaan, voort tot zij aan de andere grens waren gekomen, +waar opnieuw het vergezigt zich opende over de heuvelachtige +vlakte. + +Daar, onder het digte lommer, verhief zich, door slanke, met +klimop en rozen begroeide bamboestijlen gesteund, en gedekt door +een eenvoudig maar bevallig overhellend rieten dak, eene nederige +woning, maar die toch wat bouwtrant en uiterlijk aanzien betrof +veeleer een aangenaam buitenverblijf dan de strenge armoedige +kluis van een boetedoend heilige mogt worden genoemd. Achter, het +donkere woud; aan de voorzijde, een honderde tinten en schakeringen +weerkaatsend smaragdgroen meer, zooals alleen eene Alpennatuur dat +kent, met witte en blauwe lotusbloemen langs de kanten, en waarin de +zilverkleurige beek, die reeds van ver het oog had getroffen, zich +uitstortte voor een wijl om straks aan de andere zijde het weer te +verlaten en haar weg te vervolgen naar steeds dieper gelegen dalen; in +'t verschiet eindelijk, aan den meer en meer in de schemering +wegduikenden overkant, de verre reijen der bergkruinen, die van hier +gezien slechts onbeduidende heuvelen schenen, maar, van gindsche +vlakten beschouwd, opnieuw als hemelhooge, voor menschen voet nauw +bestijgbare rotsgevaarten zich vertoonen mogten. + +Een oogenblik stonden onze reizigers, hier aangekomen, stil, en +als verloren in den aanblik van het evenzeer grootsche als +liefelijke, door een laatsten schemerschijn nog verlichte +natuurtooneel; doch, spoedig het naaste doel van hun togt zich +herinnerend, stegen zij af en vertrouwden hunne paarden aan de +beide dienaars, terwijl zich Koelloeka naar de woning begaf om +door middel van een daar aanwezige klok het teeken te geven van +hunne komst. De moeite werd hem echter bespaard, en eer hij het +woonhuis was genaderd, vertoonde zich op den drempel reeds de +bewoner, door een dienaar gevolgd, wien hij de zorg voor de +paarden der gasten aanbeval door een zwijgenden gebiedenden wenk. + +Wel zonderling mogt de indruk heeten, dien de aanblik van den +kluizenaar op Siddha te weeg bragt. In zijn eigen land, in zijne +bergen en bosschen, had hij vrome boetelingen, strenge heiligen, +rondslenterende bedelmonniken in menigte en van allerlei soort +gezien: sommigen in vuile pijen, met groote bamboestokken in de +hand, en bedelnappen en rozenkransen aan de zijde; anderen in een +soort kleedij uit boomschors vervaardigd; wederom anderen met +nagenoeg in 't geheel geen kleederen aan het lijf, kaalgeschoren, +van 't hoofd tot aan de voeten met grauwe asch bedekt, en +voorhoofd en borst met witte kalk besmeerd; allen zich overgevend +aan de meest afkeer wekkende en toch vrome en lichtgeloovige +gemoederen tot milddadigheid verlokkende praktijken; walgelijke en +afzigtelijke wezens allen ook, maar steunend op de magt van een +grenzenloos fanatisme, en in vadsige luiheid terend op de +aalmoezen, hun toegeworpen door een dom, maar vastgeworteld +bijgeloof. Geen wonder dan ook zoo de jonge, aan fijner beschaving +gewende, met diepe minachting op die soort van volk neerziende +edelman, ook in weerwil van zijn eerbied voor den leermeester, die +steeds met ontzag den kluizenaar van den Bhadrinâth had genoemd, +juist geen groote verwachting had van den man, die aan de deur van +gindsche woning hem zou ontvangen, en een ligten toon van ironie +niet had weten te onderdrukken toen er van den heilige in het +Himâlaya-gebergte werd melding gemaakt. Doch te treffender dan ook +in zijn oog de hooge en statige figuur, die ginds, het woonhuis +verlatend, de beide reizigers met voorname waardigheid maar tevens +innemende vriendelijkheid te gemoet kwam. + +Een oud man in blinkend wit gewaad, met nog eenige fijne lokken om +den anders kalen schedel en een langen en zwaren zilverkleurigen +baard, maar nog in 't minst niet door den last der jaren gebogen, +en wiens, bij alle vriendelijkheid toch hooghartige blik wel +getuigde, dat in vroeger dagen gebieden hem meer eigen was geweest +dan het ontvangen en opvolgen van bevelen. + +--Weest welkom, vrienden!--sprak hij, elk zijner beide bezoekers, +die zich eerbiedig voor hem gebogen hadden, bij de hand vattend,--welkom +in mijne eenzaamheid! 't Is mij goed, weer eens iets te +mogen vernemen van uw--hier scheen hij een oogenblik te weifelen, +maar ging toch met vaste stem weer voort,--van uw en mijn land en +volk. + +Eer Koelloeka of Siddha kon antwoorden, werd hunne opmerkzaamheid +getrokken door een dof gebrul, dat zich in de onmiddelijke +nabijheid hooren deed; en een oogenblik later trad van achter de +woning met langzame en statige schreden een geweldige tijger te +voorschijn, en naderde, met den zwaren staart zijne flanken +slaande, de drie mannen. Onwillekeurig deed Siddha een stap terug +en sloeg de hand aan den ponjaard in zijn gordel. + +--Laat dat speelgoed maar zitten!--sprak Gaurapada lagchend,-- +daar zoudt gij Hara niet veel kwaad mee doen. + +--Hier!--sprak hij gebiedend tot den tijger, en terstond legde het +magtige dier zieh aan de voeten des meesters. + +--Heb ik 't u niet gezegd?--vroeg Koelloeka aan Siddha, op den +tijger wijzend,--en begrijpt gij nu waarom gij zoo straks een +dwazen streek begingt? + +--Vergeving, eerwaarde heer! vergeving!--sprak Siddha, met omhoog +geheven handen tot Gaurapada, terstond begrijpend, dat hij straks +jagt had gemaakt op den tijger van den kluizenaar,--ik wist +inderdaad niet .... + +--Ik begrijp het al,--viel Gaurapada hem in de rede,--gij hebt +Hara gejaagd. Nu, dat is wel eens meer voorgekomen, maar niet +altijd zoo goed voor den jager afgeloopen, als mijn viervoetige +vriend hier soms eens boos werd. Iemand opgegeten heeft hij echter +nog nooit, en als men hem geen kwaad doet, valt hij ook niet aan. +Ik heb hem, zooals vriend Koelloeka weet, hier al lang, van jongs +af aan, en wij beiden zijn nu gansch aan elkander gewend. Niet +waar, Hara?--vroeg hij, zich half voorover buigend naar den +tijger, die, halverwege zich oprigtend, zijn breeden kop tegen de +hand van zijn meester drukte.--En mijne vrienden,--vervolgde +deze,--zijn de zijnen. Zie maar eens! + +En Siddha naderend legde hij hem zacht de hand op den schouder, +waarop de tijger beurtelings beide mannen aanziend, zich vóór +Siddha nederlegde en ook diens hand met zijn kop aanraakte. +Ditmaal trad de jonge edelman geen stap terug, maar streelde +bedaard den kop van het dier, dat hem ook verder niet bleek te +verschrikken toen 't een oogenblik, als behagelijk geeuwend, zijne +breede kaken opsperde en de geweldige reijen zijner tanden liet +zien. + +--Goed zoo!--sprak Gaurapada, terwijl Hara weer tot hem +terugkeerde,--goed zoo! Ik heb er menig gezien, ouder en sterker +dan gij, die niet terstond zoo rustig bleef. Doch laat ons nu aan +andere dingen denken! Reizigers zooals gijlieden, die zeker een +langen togt gemaakt en hier in de wildernis zeker niet veel op uw +weg gevonden hebt, verlangen alligt naar eenige versterking. Wilt +mij dan volgen! + +En hen voorgaande trad de kluizenaar zijne woning binnen, waarvan +het inwendige geheel aan het uiterlijk beantwoordend, wel is waar +niet meer dan het noodige bevatte, maar dat alles in de meest +volmaakte orde en op sierlijke wijze gerangschikt, en mede wel +aanduidend, dat de bezitter in vroeger tijden ook het meerdere en +het overtollige gekend moest hebben. Nadat de gasten zich met hem +op de fijne, op den vloer uitgebreide matten hadden neergezet, +bragt de dienaar, die straks de paarden in bewaring had genomen, +eenige schotels met eenvoudige, maar stevige spijzen, koud wild en +visch, benevens een aantal toegevouwen boombladeren met frissche +vruchten, en toen het maal een aanvang had genomen, ook een +drietal drinkschalen waarin den gasten een krachtige, fonkelende +wijn werd aangeboden. + +--Dat hadt ge hier waarschijnlijk niet verwacht, edele Siddha!--sprak +Gaurapada,--gij waart zeker in de overtuiging, dat een vrome +kluizenaar niets dan bronwater drinkt. En de meerderheid meent, +dat het ook zoo behoort. Ik voor mij denk er anders over; ik heb +nooit begrepen dat het wezen van het kluizenaarsleven in +noodelooze zelfkwelling of onthouding is gelegen, en dat een +schaal goeden wijn met mate gebruikt, aan de rust der ziel zou +behoeven te schaden. Ook is hier in de bergen iets krachtigs nu en +dan inderdaad bevorderlijk voor de gezondheid. + +De eenvoudige en gemakkelijke toon van den overigens zoo statigen +kluizenaar, die hem gansch als een man van de wereld deed kennen, +gaf den jongen ministerzoon al spoedig vertrouwen, en van zijn +kant beantwoordde hij nu ook met vrijmoedigheid, schoon altijd met +dien eerbied, dien de regte Hindoe den oudere van jaren leert +betoonen, de vragen welke Gaurapada tot hem rigtte omtrent zijn +vader, omtrent Iravati zijn verloofde en zijn leven aan het hof +van Kaçmir. Tot zijne verwondering bleek de kluizenaar nauwkeurig +alles te weten wat vroeger daar was voorgevallen en toonde hij +zich zelfs met bijzonderheden bekend, die voor elk een geheim +moesten zijn, wien de toegang tot het binnenste der vorstelijke +paleizen niet geopend was geweest. Ongetwijfeld was Gaurapada in +vroeger dagen een vertrouwd raadsman van een der vorsten, die +elkaar vóór dezen in vrij snelle reeks waren opgevolgd; dan hoe +het zijn mogt, Siddha waagde geen onbescheiden vraag zoolang de +ander zijn waren stand hem niet bekend maakte. Nog merkte hij op +dat de gesprekken van Gaurapada doorgaans eene groote opgeruimdheid +ademden, en hij volkomen met zijn tegenwoordigen staat te vrede scheen, +maar dat toch bijwijlen, als er van de staatkundige gebeurtenissen in +het Noorden gesproken werd, een donkere wolk zijn edel gelaat bedekte. +Telkens echter slechts voorbijgaand; want al kon zelfs de sterke wil van +den wijsgeer soms eene vlugtige aandoening niet volkomen verbergen, een +geest als de zijne was blijkbaar te magtig om ze niet terstond weer te +onderdrukken. + +Inmiddels was het laat geworden in den avond, en wierp de maan +reeds haar hellen schijn over het landsdhap, dat zich, door de +opene stijlen van het vertrek gezien, voor het oog der gasten +uitbreidde. + +--En nu,--zeide eindelijk Gaurapada, terwijl hij opstond,--vergun +mij, edele Siddha! mij met uw leermeester, mijn vriend, eenige +oogenblikken aan het genoegen van uw bijzijn te onttrekken. Ik heb +met hem eenige zaken te bespreken, die vooralsnog geheim moeten +blijven, en waarin gij trouwens ook waarschijnlijk slechts matig +belang zoudt stellen. Mogt ge u straks wenschen te verfrisschen, +ginds is, naar gij ziet, het meer of de beek, en aan een bad in de +vrije natuur zijt gij zeker ook wel gewoon. + +Daarop verlieten de beide oudere mannen te zamen het vertrek en +nog lang daarna zag Siddha hen arm in arm in den maneschijn +wandelen, blijkbaar in ernstige en belangrijke gesprekken +verdiept. Toen zij terugkeerden was het tijd om zich ter ruste te +begeven, en niet zonder welbehagen gingen de reizigers hunne +vermoeide leden uitstrekken op de voor hen in gereedheid gebragte, +wederom zeer eenvoudige, maar daarom nog geenszins ongeriefelijke +legersteden. + +De vroege morgen van den volgenden dag vond onze reizigers na een +frisch bad en een hartig ontbijt weer tot het voortzeiten van hun +togt gereed; en terwijl nu de paarden werden opgezadeld, nam +Gaurapada voor eenige oogenblikken Siddha ter zijde, en sprak, +ditmaal buiten gehoor van Koelloeka: + +--Heilige kluizenaars, mijn jonge vriend! zijn gewoon, de jongeren +die hen komen bezoeken, niet zonder eenige leering, 't zij dan +verstandige of niet, te laten vertrekken. Gij wacht misschien iets +dergelijks ook van mij. Maar dan bedriegt gij u. Ik heb voor 't +oogenblik niets te voegen bij 't geen de wijze Koelloeka, uw +verstandige goeroe, u ongetwijfeld geleerd heeft. De wereld, die +gij gaat opzoeken, en 't leven zelf moeten het verdere doen. Maar +één woord toch, waaraan ik een verzoek heb toe te voegen! Schroom +niet, wanneer gij ginds in het Zuiden in het magtig en weelderig +wereldrijk zult zijn aangekomen, uw billijk aandeel te nemen aan +geoorloofde uitspanningen en vermaken; geniet het leven, dan eerst +leert gij 't kennen en het wezenlijke van het onwezenlijke +onderscheiden: maar gedenk steeds de les, waaraan uw leeraar u +voorzeker meermalen herinnerd heeft: houd uw gemoed rein, en draag +zorg dat gij u nooit over uwe handelingen te schamen hebt, niet +enkel voor anderen, maar ook voor uzelven! Doch wanneer het mogt +gebeuren, dat gij, in weerwil van uw ijverigst streven om die les +te betrachten, toch op eene of andere wijze de gemoedsrust zaagt +gestoord, die u als elk ander mensch onmisbaar blijft, en indien +gij dan soms geen vriend mogt hebben, wien gij uw hart kunt +openleggen, denk dan eens aan een oud vriend van uw vader en van +uw leermeester, en kom tot den kluizenaar van den Bhadrinâth. Wilt +gij mij dat belooven? + +--Ik beloof het! antwoordde Siddha, eenvoudig maar met mannelijken +ernst, terwijl hij de armen eerbiedig over de borst kruiste. Maar +vriendelijk als steeds vatte Gaurapada zijne beide handen en +drukte ze hartelijk. + +Weldra werden de paarden voorgebragt, de ruiters zetten zich na +afscheid van den kluizenaar in den zadel en reden, door hunne +dienaren gevolgd, het bosch weer in en het bergpad op. Nog meer +dan eens zag Siddha om en wierp hij een blik op de eerbiedwekkende +gestalte van den wijze, zooals die met zijn tijger nevens zich nog +geruimen tijd tusschen de hooge boomstammen door, aan den drempel +zijner woning zigtbaar bleef. Daarna reed hij zwijgend en in +gedachten verzonken naast zijn medgezel voort. + +Eensklaps, als opschrikkend uit zijne mijmering, hield hij zijn +paard met een vrij onzachten ruk in, zoodat het bijkans steigerde. + +--Koelloeka!--sprak hij,--ik zag nog nooit een man als Gaurapada! + +Doch bijna op 't zelfde oogenblik kleurde hij tot over de ooren, +bedenkend, maar te laat, dat zijn uitroep juist niet bijzonder +vleijend voor zijn vriend en leeraar mogt heeten. Noodeloos +evenwel maakte hij zich ongerust door te meenen, dat deze eenigen +aanstoot aan zijne woorden nam. Integendeel Koelloeka's gelaat +teekende eene ongeveinsde vreugde over de bewondering van zijn +leerling voor zijn ouden vriend. + +--Inderdaad!--zeide hij,--het verheugt mij dat gij zoo over hem +denkt; dat pleit ook tevens voor uzelf. En wees niet bevreesd u +ooit in hem bedrogen te zullen zien. + +--Maar,--vroeg Siddha weer even plotseling na een oogenblik +stilzwijgen,--wie is nu Gaurapada? + +--Wel!--was het antwoord,--dat hebt gij immers zelf gezien: een +kluizenaar in 't Himâlaya-gebergte. + +--Nu ja!--zei Siddha eenigszins ongeduldig,--dat weet ik óók wel; maar +ik meen: wat was hij vroeger, eer hij hier kwam en tijgers temde? + +--Hij trachtte menschen te temmen,--antwoordde Koelloeka,--maar +'t gelukte hem niet altijd. Doch waarom hebt ge hem zelf niet +gevraagd, wie hij was? + +--Zou dat bescheiden zijn geweest? Zoudt gij dat hebben +goedgekeurd? + +--Neen, zeker niet! Gij hebt goed gehandeld met de gastvrijheid +niet te schenden door onbescheiden nieuwsgierigheid, ook al kwam +ze voort uit wezenlijke belangstelling. Maar daarom hebt ge nu ook +verdiend, die nieuwsgierigheid te zien bevredigd. Gaurapada heeft +mij veroorloofd, indien ik dat goed achtte, u zijn voorleden en +zijn waren naam mede te deelen. Zoo luister!--Er was eens een +Koning-- + +--Hoe nu?--vroeg Siddha, een weinig verstoord,--gaat ge mij nu een +sprookje van Somadeva vertellen, zooals ik er zooveel van u hoorde +toen ik een kleine jongen was? + +--Hoor mijn sprookje,--antwoordde Koelloeka bedaard,--of hoor +niets! Er was dan, zeg ik, eens een Koning, die gesteund door +goede raadslieden, zijn volk regeerde met wijsheid en beleid. +Kinderen had hij niet, maar wel een jongeren broeder, een jonkman +van veel bekwaamheid, dien hij zeer liefhad en ook tot zijn +opvolger had bestemd zoo hij eenmaal het land mogt ontvallen of de +last der staatszaken in 't eind te zwaar op zijne schouders +drukken mogt. Doch die jongere broeder was eerzuchtig, ondanks +vele andere, goede hoedanigheden; hij had het geduld niet, zijn +tijd af te wachten en liet zich door eene aan de bestaande +regering vijandige staatspartij verleiden, eerst heimelijk, daarna +in 't openbaar en ten slotte met de wapenen in de hand op te staan +tegen zijn broeder en wettigen Vorst, tot deze hem en de zijnen +ten laatste overwon en hem gevangen medevoerde naar de hoofdstad +van zijn rijk. Maar de beweging was daarmede niet geëindigd, de +woelingen duurden voort, en om deze te onderdrukken bleef den +Koning geen ander middel dan zijn eerzuchtigen en steeds +gevaarlijken broeder, hoe innig ook door hem geliefd, uit den weg +te ruimen, en diens vrienden en aanhangers een gelijk lot te te +doen ondergaan. Maar zoo doende zou hij zijn troon ook slechts +vesten in broeder- en burgerbloed, en welligt eindelooze veeten in +'t leven roepen, waarvan het eind geen ander kon zijn dan +algeheele uitputting van zijn rijk en de volkomen onderwerping van +zijn volk aan vreemde, lang reeds op de erfenis zijner vaderen +azende overheerschers. Toch twijfelde nagenoeg niemand of de +Koning zou ten laatste overgaan tot den nu eenmaal onvermijdelijken +maatregel, toen zich eensklaps het gerucht verspreidde dat hij uit zijn +paleis verdwenen en waarschijnlijk, zoo niet zeker, door verraad gevallen +was. En inderdaad vernam men sinds dien tijd niets meer van hem; zijn +broeder, uit de gevangenis verlost, besteeg als wettig opvolger den +troon, en regeerde sedert dien tijd, verstandiglijk de beste raadslieden +van zijn broeder aan zijne zijde houdend, zoo al niet met gelijke +wijsheid, dan toch met goed geluk het weer tot rust gekomen land. + +Een oogenblik zweeg Koelloeka, en brak hij zijn verhaal af om zijn +medgezel en leerling aan te zien. Maar het gelaat van dezen +teekende noch verwondering, noch bijzondere belangstelling. + +--Gij verhaalt mij,--zeide hij,--eenvoudig de geschiedenis van +onzen eigen tegenwoordigen Koning en zijn voorganger en ouderen +broeder Nandigoepta. Maar die is immers iedereen bekend, mij zoo +goed als elk ander bewoner van Kaçmir. + +--Ongetwijfeld,--hernam Koelloeka,--die geschiedenis, voorzoover +ik ze u in herinnering bragt, is aan ieder bekend genoeg; doch wat +niet een iegelijk weet, maar alleen zeer enkelen, is, dat de +Koning Nandigoepta niet door verraad is gevallen en niet gedood of +verdreven werd, maar uit eigen beweging zonder dat zijn broeder of +iemand anders dan een enkele vertrouwde het wist, de wijk nam naar +een afgelegen oord, en door algemeen het gerucht te doen +rondstrooien dat hij verslagen was, zijn broeder redde van een +smadelijken dood en zijn rijk van den anders onvermijdelijken, +althans waarschijnlijken ondergang. + +--Zoo leeft dan Nandigoepta nog!--riep Siddha uit,--en hij is.... + +--Gelijk gij reeds begrepen hebt,--antwoordde Koelloeka,--de +kluizenaar, dien wij straks verlieten. Heilig blijve u zijn +geheim, het geheim van zijn rijk en van zijn geslacht! Aan uwe +riddereer wordt het door hem toevertrouwd. De zoon van uw vader, +zijn trouwsten dienaar en vriend, mogt het kennen, maar zal het +ook weten te bewaren zoo zeker hij edelman is. + +--Waarom,--vroeg Siddha, een oogenblik naderhand, half ontevrede, +--waarom mij dit niet meegedeeld toen wij nog ginds waren? Ik had +dan den Vorst mogen dank zeggen voor de weldaden, in de dagen +zijner grootheid aan mijn vader bewezen en aan ons geslacht. Doch +'t is waar! gij hadt geen regt te spreken, zoolang hij zelf het +niet deed; en bovendien heb ik immers nog de gelegenheid! +Gaurapada toch,--zooals hij thans genoemd wil zijn,--heeft mij +doen belooven, hem op te zoeken als ik soms in moeilijke +omstandigheden goeden raad van noode had. + +--En gij hebt wél gedaan, dat te belooven,--zeide Koelloeka,-- +houdt u aan dat woord! Gaurapada is wijzer en beter dan één onzer. + +Maar Siddha hoorde nauwelijks meer; wederom was hij in gedachten +verzonken. De ontmoeting met den kluizenaar en de openbaring van +diens geheim had diepen indruk op hem gemaakt. Daar, bij 't eerste +begin zijner reize, had hij een vorstelijk wijsgeer aanschouwd, +een man die eenmaal bijkans onbeperkte magt bezat en gebaad had in +weelde, maar die alles, rijkdom en aanzien, vrijwillig had +opgeofferd ter liefde van zijn broeder en van zijn land, en thans, +in 't gelukkig bewustzijn wél te hebben gedaan, zich tevrede en +zelfs opgeruimd betoonde in zijn eenvoudig leven in de wildernis, +met geen ander gezelschap dan een ouden getrouwen dienaar en een +verscheurend dier. En nu was hij op weg naar het hof van den +magtigsten monarch, dien Hindostan ooit had gekend, den +gelukkigen, met roem overladen beheerscher van een wereldrijk, die +zijn volken meer nog door wijs beleid dan door kracht van wapenen +wist te onderwerpen aan zijn wil, die te beschikken had over +onmetelijke schatten, en die zich bondgenoot mogt heeten van +magtige Vorsten uit de verst verwijderde landen en beschermer van +alle bekende godsdiensten der aarde. Wat de goede Siddha, anders +gewoon zich nog al wat te laten voorstaan op zijn adel en 't +aanzien van zijn persoon, nu plotseling zich klein gevoelde bij de +gedachte aan twee zulke mannen! En wie wel de grootste dier beiden +was? 't Viel zeker moeielijk te beslissen, en wijselijk begreep +Siddha, dat hij in elk geval zijn oordeel had op te schorten tot +hijzelf ook Keizer Akbar gezien en welligt gesproken zou hebben. +Dat besluit bragt hem tevens terug tot het naaste doel der reis, +het bezoek te Allahabad, waar de geliefde bruid, de schoone +Iravati, hem verbeidde. Zijn sedert eenige oogenblikken somber +gelaat helderde op, en vrolijk sprak hij, zijn hengst de sporen +gevend, toen men een vlak terrein van belangrijke uitgestrektheid +had bereikt: + +--Komaan! nu weer eens een flinken rid, meester!--En voorwaarts +ging het in snellen galop, terwijl Koelloeka hem de veerkrachtige +speer zag drillen en hem den naam hoorde uitroepen, die toch in 't +eind de zege had bevochten in zijne gedachten.--Iravati! + +--Voorwaarts, voorwaarts maar!--prevelde de Brahmaan in zich +zelven, terwijl hij mede zijn paard in galop zette,--vooruit tot +het einde is bereikt! Voor mij is 't alhaast gekomen, voor hem +vangt de levensreis eerst aan. Och! of zijn weg steeds zoo glad +als deze mogt zijn! Maar ook hij zal zijn klippen wel ontmoeten en +glibberige hellingen en welligt ook--afgronden. Bleven 't maar,--voegde +hij, in zichzelf glimlagchend en denkend aan het ongeval +van den vorigen avond, er aan toe,--bleven 't maar altijd +onschadelijke kuilen! + + + +TWEEDE HOOFDSTUK. + +Iravati + +Aan het digt met planten en bloemen begroeid balkon van +Allahabad's hoogen burgt, paleis en veste tevens, zat een jong +bevallig meisje, het hoofd in de hand geleund, als mijmerend naar +het uitgestrekte vergezigt te staren, dat zich aan gene zijde der +beide hier zamenvloeiende stroomen in het helle licht vertoonde +van een onbewolkte morgenzon. Ter linker zijde de rotsachtige +hoogten en wilde zandige oevers der Djoemna, ter regter de +liefelijke vallei van den Ganges; allerwege digte bosschaadjen van +mango-boomen, met tallooze papegaaijen en andere schitterend +gekleurde vogels bevolkt; hier en daar kleine eilandjes zich +verheffend boven het watervlak; en op den achtergrond, ginds in de +verte, de hooge, door pagoden bekroonde rotsgevaarten van het +tegenoverliggende land. + +Enkel naar de kleedij te oordeelen, zou in de mijmerende niet +terstond eene jonkvrouw van aanzienlijk geslacht zijn te herkennen +geweest. Een eenvoudig wit gewaad, met een smallen donkerrooden +rand omzet en om 't midden door een gouden gordel vastgehouden, +een fíjne gouden haarband om de digte donkere lokken en een enkele +roos daartusschen tot eenig sieraad, ziedaar alles. Maar waartoe +ook zou die slanke, uitnemend geëvenredigde gestalte, dat ovale, +fijn besneden gelaat met het groote en donkere, door lange zijden +wimpers overschaduwde oog, nog ander siersel van noode hebben +gehad dan de natuur zelve of Kama, de minnegod, reeds daaraan had +verleend? En geen spruit ook voorzeker van verbasterden stam, geen +dochter van een lager ras, die zooveel bevalligheid aan zooveel +eenvoud tevens had weten te paren als deze. + +Niet in verrukking intusschen als menigmaal anders aanschouwden +ditmaal die smachtende oogen het heerlijk natuurtooneel daar +omlaag. Ook heden als gisteren en den vorigen dag zagen ze +verlangend uit naar die verre gebergten aan de overzijde, van waar +hij komen moest, de lang maar te vergeefs gewachte.... Waar hij +toeven mogt? Wat hem kon weerhouden? En dacht hij nog wel, anders +dan vlugtig en voorbijgaand misschien aan haar, wier gedachten +dagen en maanden lang hem, en hem alleen, waren gewijd geweest?... + +Een zware tred deed zich hooren in de galerij achter het vertrek, +waar het balkon op uitkwam, en voorafgegaan door een dienares, die +het tot deur strekkend gordijn ter zijde schoof, naderde een kort, +gezet man van iets meer dan middelbaren leeftijd, in engsluitend, +maar lang, bijkans tot de voeten afhangend gewaad en een kort +zwaard met fraai versierde greep in den gordel als eenig +herkenbaar teeken zijner waardigheid. + +--Edele jonkvrouw!--sprak de dienares, bescheiden haar jeugdige +meesteresse uit hare mijmering wekkend,--Salhana, de Goeverneur, +uw vader, brengt u heden bezoek! + +--Hij zij welkom!--antwoordde de jonkvrouw, van kindsbeen af +steeds aan dien deftigen toon gewend, en opstaand trad zij haar +vader te gemoet. + +--Iravati!--sprak deze, haar aanziend met zijn doordringende +zwarte oogen, maar voor 't overige zonder eenige uitdrukking op +zijn mat bleek, met korten donkeren baard bedekt gelaat,--vóór +eenigen tijd heb ik u meegedeeld, dat ik Siddha Rama uit Kaçmir, +uw neef en verloofde, hier met Koelloeka, zijn leermeester +wachtende was. Beiden zijn thans aangekomen, en bevinden zich in +de beneden-galerij. Wij willen hen daar gaan ontvangen. + +Een oogenblik scheen Iravati bij 't vernemen der tijding al de haar +ingeprente lessen van vormelijkheid, die geen haastige bewegingen +gedoogden, te vergeten, en wilde zij haar vader voorbijsnellen, om +ginds terstond den lang gewachte te verwelkomen. Maar Salhana hield +haar door een wenk en eene ligte handbeweging terug. + +--Vooraf nog een woord!--zeide hij.--'t Is u bekend, dat de +belijders van den Islam, waaronder wij hier leven, het vrijer +verkeer van ongehuwde jongelingen en jonge dochters ten hoogste +afkeuren, en dat ook onze Hindoe's zich meer en meer naar die +inzigten hunner overheerschers hebben geschikt. Ik voor mij blijf, +gelijk u bekend is, aan onze aloude zeden gehecht, en, hoewel ik +voor 't overige streng alle passende vormen wensch in acht genomen +te zien, vergun ik u ook thans, als vroeger in ons eigen land, uw +neef en aanstaanden bruidegom vrijelijk te spreken. Maar laat geen +ander dan onze vertrouwden uw zamenkomsten ontwaren. 't Zou mijn +invloed hier, waar ik bevel voer, kunnen schaden, en ook uw eigen +goeden naam. Thans, kom! + +En haar voorgaand leidde hij zijne dochter naar de opene, mede op +de rivier uitziende galerij, waar de beide bezoekers hun +verschijnen stonden af te wachten. + +--Zijt welkom mijne heeren en vrienden!--sprak Salhana, statig op +hen toetredend,--ik zeg u dank, dat gij aan mijne uitnoodiging +hebt voldaan en terstond uw intrek ten mijnent hebt genomen, niet, +zooals velen plegen te doen, eerst ginds beneden, in de stad. + +De inhoud der woorden luidde hartelijk; de toon waarop zij werden +uitgesproken was het echter evenmin als het strakke, niets +zeggende gelaat. Wie dat een en ander evenwel mogt opgemerkt +hebben, niet de ontstuimige Siddha, die ter nauwernood zijn +deftigen oom begroetend, en Koelloeka nauw den tijd latend den +eerbiedigen groet van Iravati te ontvangen, een vurigen kus drukte +op de door deze hem aangeboden hand, terwijl hij op ridderlijke +wijze zich op één knie voor zijn uitverkorene nederliet. + +--Welkom!--sprak zij, terwijl ze hem tevens wenkte op te staan, +(en hoe zoet klonk hem wederom die zachte, welluidende stem!),-- +welkom, vriend! Ach hoe lang hebben wij u gewacht en uitgezien +naar gindsche bergen, ongerust en haast vertwijfelend aan uw +eindelijke komst! + +--Gij gelooft toch niet, lieve!--riep Siddha, haast +verontwaardigd, uit,--dat ik één oogenblik langer dan noodig was +mijne aankomst in Allahabad kon vertragen? Waarlijk, zoo ik over +bergstroomen en afgronden had kunnen springen om spoediger bij u +te zijn, en had mijn trouwe hengst maar vleugels als Vishnoe's +Garoeda bezeten, ik had, voorwaar, hem niet gespaard! + +--Ik geloof u gaarne,--hernam Iravati, vriendelijk glimlagchend,-- +en 't was ook waarlijk geen verwijt dat ik tot u of onzen +waardigen vriend Koelloeka rigtte. Doch verblijden we ons thans +ook in het zamenzijn, te meer omdat het, zooals ik van mijn vader +verneem, slechts kort zal mogen duren. + +--Inderdaad,--zeide Salhana, na een oogenblik onderhoud met +Koelloeka het gesprek der beide gelieven afbrekend,--onze vrienden +moeten ons morgen al vroeg weer verlaten. Van langen duur acht ik +vooreerst onze ontmoeting dus niet; en toch heb ik, edele Siddha! +het zamenzijn met uwe bruid nog eenige oogenblikken te bekorten, +daar ook ik nog een enkel woord met u wenschte te spreken. En +liefst terstond, daar mijn tijd kostbaar is en ik vóór ons +middagmaal nog velerlei in mijne betrekking heb af te doen. Zoudt +gij dan, uw nader onderhoud nog een weinig uitstellend, voor eene +wijl mij willen volgen? + +Eene weigering van den voorslag was natuurlijk niet denkbaar, en +hoewel schoorvoetend en met een smachtenden blik naar Iravati, +door haar volkomen verstaan en gewaardeerd, volgde Siddha zijn +beleefden maar strengen oom naar den hof, die aan de andere zijde +van het paleis op het hellend terras was aangelegd. + +Daar, onder het lommer der hooge boemen, zette Salhana zich op een +rustbank neder en wenkte zijn neef naast hem plaats te nemem. + +--En zoo gaat gij dan,--begon hij,--uw fortuin beproeven in de +bijna onmiddelijke dienst van onzen grooten Keizer! Inderdaad, gij +moogt van geluk spreken, dat gij een vader hebt die u eene zoo +gunstige gelegenheid weet te openen als u thans geboden wordt, en, +zoo ik 't zonder aanmatiging er bij mag voegen, een oom, die zich +toevallig door zijne betrekking bij magte zag om uwe belangen te +helpen bevorderen. + +--Daarvoor ben ik u ook opregt dankbaar,--antwoordde Siddha,--en +ik hoop nooit te vergeten dat gij, werkelijk meer nog dan mijn +vader zelf vermogt, mij den eersten stap op den ladder zoo +gemakkelijk hebt gemaakt. Doch niet enkel omdat ik daardoor in de +gelegenheid kan komen om misschien eenmaal tot aanzien op te +klimmen, maar ook om ginds eens iets meer te kunnen uitrigten dan +in ons eigen, wel schoon, maar toch afgelegen land, en tevens in +persoon den grooten Keizer te midden van al de pracht zijner +hofhouding te zien, waarvan men te huis mij zoo veel heeft +verhaald. + +--Voorzeker!--hernam Salhana,--dat alles is ook wel de moeite +waard. één raad inmiddels! Wacht u voor overdreven voorstellingen! +Ik zeg niet, van den rijkdom van palelzen en hoven; want daarvan +kan men bij ons in 't Noorden zich bezwaarlijk eene voorstelling +vormen; maar, van den persoon des Keizers. Die zou u wel eens +kunnen tegenvallen, en uw geestdrift zou dan al spoedig merkelijk +zijn bekoeld. Beter dus, met een weinig minder hooggespannen +verwachting te beginnen. + +--Hoe?--vroeg Siddha verwonderd,--verdient dan Akbar niet in +waarheid zijn naam? Is hij niet, gelijk mijn vader en mijn +leermeester hem steeds voorstelden, een groot man zoowel als een +magtig vorst? + +--Dat zeg ik niet,--luidde het antwoord,--maar ook groote mannen +kunnen hun gebreken hebben, die wel eens gevaarlijk dreigen te +worden voor de belangen van anderen. + +--Luister!--ging de Goeverneur voort, voorzigtig rondziend of ook +iemand anders in de nabijheid zijne woorden mogt verstaan, terwijl +hij tevens zijne stem liet dalen tot een zacht fluisterenden +toon,--wanneer een man eenmaal zóó groote magt heeft erlangd als +Akbar, en dat door eigen kloekheid en beleid zooals hij, dan is de +lust naar meer zoo ligt niet bevredigd. De Keizer nu, die reeds +zooveel staten en volken aan zijne heerschappij onderwierp, kan +bezwaarlijk dulden dat uw en mijn vaderland op den duur zoo gansch +onafhankelijk blijve. Gij weet het voorts, niet waar? hoe in den +laatsten tijd weer nu en dan, al bleef 't nog voor de meesten een +geheim, in Kaçmir oneenigheden zijn uitgebroken tusschen onzen +Koning en zijne beide zonen, even als die vroeger ook langzaam en +haast onmerkbaar aanvingen tusschen hem en zijn broeder +Nandigoepta. + +--Neen, dat wist ik niet,--zei Siddha,--het was mij tot dusver nog +niet ter ooren gekomen. + +--Nu,--hernam de ander,--gij zoudt het toch bij gelegenheid wel +vernomen hebben. Dus kan ik 't u ook terstond wel zeggen. Spreek +er intusschen maar niet over met Koelloeka; dat behoeft niet, en +ware misschien ook, zoo ik wél zie, niet goed. Doch nu verder! Die +oneenigheden dan, tusschen den Koning en zijne zonen en tusschen +dezen onderling, worden aangestookt,--gij begrijpt thans, door +wien. Is dan eenmaal de open veete uitgebroken en 't land weer in +partijen verdeeld, dan is er wel een voorwendsel te vinden om ons +den oorlog te verklaren; en de Keizer, door zijne handlangers en +spionnen omtrent den toegang door onze bergpassen ingelicht, komt +dan het land met een sterk leger overvallen en het inlijven in +zijn eigen rijk. Dat neemt nu alles natuurlijk niet weg, dat ik +gaarne zijn buitengewone verdiensten erken; maar diezelfde +eerzucht, die zijn volk groot maakt, kan de ondergang zijn van +onze onafhankelijkheid. + +--Doch hoe,--vroeg Siddha weder, na een oogenblik overdenkens,-- +hoe kunt gij in zulke omstandigheden en als dat alles werkelijk +zoo is, nog de dienaar zijn van een man, die, hoe beteekenend ook, +toch den ondergang van ons vaderland gezworen zou hebben? + +--En waarom niet?--sprak Salhana, op zijne beurt als verwonderd,--is +het dan niet goed dat een onzer, zonder hem zelf te benadeelen, +maar integendeel hem dienend in vele andere eveneens gewigtige +zaken, toch in de gelegenheid blijft, het oog op zijne plannen en +handelingen te houden? Juist daarom is 't ook nuttig dat gijzelf, +onder mijne aanbeveling en bescherming, nader met den heerscher +in aanraking komt. U zal hij voorzeker minder verdenken nog dan +mij, en gij zult alzoo, goed toeziend, ons soms nog beter op de +hoogte kunnen houden dan eenig ander. + +--Maar,--vroeg nogmaals Siddha, na een oogenblik nadenken, en als +aarzelend,--is dat eerlijk? + +--Jongeling!--antwoordde Salhana op hoogen toon, hoewel zijn +gelaat anders geen toorn verried,--laat mij u doen opmerken, dat +een man van mijn leeftijd en ervaring toch wel weten zal wat +eerlijk is of niet, en u, een jongmensch, die zijn loopbaan +aanvangt, toch geen raad zou geven in strijd met de regte +begrippen van eer! + +--Vergeef mij, oom!--hernam Siddha verlegen,--gij weet, ik ben nog +te weinig bekend met de beginselen van hoogere staatkunde om u zoo +terstond reeds volkomen te begrijpen. Ook heeft Koelloeka, mijn +goeroe, mij steeds ingeprent in alles den regten weg te volgen, +nooit dubbelzinnig jegens iemand te handelen, en.... + +--Koelloeka, mijn beste vriend! viel de ander hem in de rede,--is +een voortreffelijk man en voor wien ik steeds de meeste achting +heb gehad; maar hij is een geleerde, geen man van zaken, een man +van theorie, niet van praktijk. Zie nu eens! uw land en volk, +waaraan gij gehecht zijt, wordt bedreigd door een Vorst, dien gij +overigens hoog stelt en ook gaarne dienen wilt, maar alleen niet +in dat ééne. Integendeel, daarin zoudt gij wenschen, en zou 't ook +uw pligt zijn, hem zoo doenlijk tegen te werken. Nu wordt u de +gelegenheid daartoe opengesteld; zoo niet geheel toch in zekere +mate. Zult gij nu die gelegenheid versmaden wegens 't een af ander +afgetrokken begrip van politieke eerlijkheid? En handelt hijzelf +dan zoo eerlijk door uw en mijn diensten aan te nemen en +tegelijker tijd lagen te leggen aan onzen Koning en ons land? En +zoo niet, wat aanspraak heeft hij dan op zoo bijzondere +openhartigheid van onze zijde? Daarenboven, ga maar eens tot +Akbar, en zeg hem, zoo gij durft, in zijn gezigt dat gij zijn +plannen doorgrondt en tegen hem in 't veld denkt te treden! Hij +zou u zien komen, mijn goede vriend! Eer een etmaal voorbij was, +laagt gij geboeid in den kerker of zaagt ge u heimelijk naar de +uiterste grenzen van Dekkan of Bengalen vervoerd,--zoo 't niet +erger met u afliep. Baat u en ons dus geen openlijk verzet, wat +rest dan anders dan goed gebruik te maken van de gunstige +gelegenheid, waardoor, let wel! den Vorst zelven geenerlei kwaad +wordt berokkend, terwijl wij van onzen kant er ons vaderland +misschien nog mee redden van het naderend verderf? + +Niet overtuigd nog, maar toch ook niet wetend hoe dergelijke +redeneringen te wederleggen, zocht Siddha vergeefs naar een +antwoord, en--zweeg, afwachtend wat zijn oom nog verder te zeggen +had. Maar deze scheen het onderhoud voorloopig als geëindigd te +beschouwen en maakte een beweging om op te staan, toen zich in de +laan waarop de rustbank het uitzigt gaf, eene figuur vertoonde, +wél geschikt om Siddha's opmerkzaamheid te trekken en zijne +gedachten voor 't oogenblik af te leiden van het gesprokene. + +'t Was een lange, magere, bronskleurige gedaante, kaal geschoren +behalve één enkele lange haarvlok op het glimmend voorhoofd, +regterarm en borst ontbloot, maar omhangen met het heilig koord +der Brahmanen, en voor 't overige de knokerige leden in een eng +sluitend wit kleed zonder eenig siersel gehuld. Diep lagen de +grauwe bijna wezenloos voor zich uitstarende oogen in hunne +kassen, en de holle wangen en sterk uitstekende jukbeenderen +schenen te getuigen van strenge vasten en harde zelfkastijding. +Schoon voor mensch of dier niet ligt bevreesd, en ook voor 't +overige wel aan de verschijning van dergelijke wonderlijke +gestalten gewend, schrikte toch Siddha een oogenblik voor deze +ééne terug. Menig jongen en krachtigen tijger had hij in de +bosschen weerstaan en met speer en zwaard geveld, en meer dan één +geduchte slang had hij onverschrokken den kop afgehouwen, maar +nooit nog volkomen den afschuw kunnen overmeesteren, die hem bij +den plotselingen aanblik van een schuffelenden adder of een +eensklaps uitschietenden schorpioen beving, ook al vreesde hij +niet terstond de giftige beet. + +--Gorakh, de Yogi,--verklaarde Salhana,--priester van den Doerga- +tempel, ginds op den berg. Bejegen hem met ontzag. Hij verdient +het en heeft meer te beteekenen dan gij alligt vermoedt. + +Sluipend bijkans, meer nog dan gaande, de beide mannen, die +inmiddels opgestaan waren, naderend, sprak de priester, terwijl +hij de beide handen zaamgevouwen naar het voorhoofd bragt, op +langzaam sleependen toon en sommige lettergrepen op wonderlijke +wijze rekkend:-- + +--Om! om! U zij de gunst van den Heer der Wereld en van Doerga, +zijne glorierijke gemalin! Om! + +--Wees gegroet, eerwaarde Gorakh! antwoordde Salhana op die +zonderlinge toespraak,--zie hier mijn neef, Siddha Rama uit +Kaçmir, van wien ik u vroeger reeds gesproken heb. + +--Hij zij gegroet!--was Gorakh's plegtig antwoord,--en moge hij +eenmaal, den strijd der tweeheid te boven, de zegeningen +doorgronden van het ter oneindige zaligheid leidend eenheidsbewustzijn, +waarin gij, mijn leerling en vriend! reeds meer en meer den waren weg +des heils begint te herkennen!--Doch,--vervolgde hij na een oogenblik +niet minder plegtig zwijgen,--dat levenservaring hem eerst dien weg +bereide, gelijk ze u en mij dien gewezen heeft! Gunnen we hem den tijd, +dien de leerling behoeft! Trouwens, ik ken hem, en weet dat hij eenmaal +tot de onzen zal behooren.--Nog onlangs,--en hier wendde hij zich +onmiddelijk tot Siddha,--nog onlangs heb ik u ontmoet. + +--Vergeef mij, Eerwaarde Heer!--zei de toegesprokene,--zoo ik 't +van mijn kant mij niet herinner.... + +--Dat kunt gij ook niet,--werd hem geantwoord;--ik was op dat +oogenblik onzigtbaar voor menschelijk oog. + +Te wel bekend met de wonderlijke beweringen der Yoga-belijders, +dat ze bij voorkomende gelegenheden zich onzigtbaar konden maken, +en dergelijke, vergenoegde zich Siddha met stilzwijgend den +priester aan te hooren, toen deze tot zijn verbazing voortging: + +--Het was op dien avond toen gij den tijger van den kluizenaar +zocht te vervolgen, en.... Maar wij spreken elkaar nog wel nader! +De edele Salhana verlangt thans mijn onderhoud. Tot later dan, +vaarwel! U zegene Doerga's magtige gemaal! + +En met doffe stem zijn--Om! Om!--prevelend, verwijderde zich de +Doerga-priester met Salhana, die, zijn neef een--Tot straks!-- +toeroepend, hem alleen liet in den hof. + +De laatste mededeeling van den Yogi was wél geschikt om Siddha's +verwondering op te wekken. Hoe wist die man wat er ginds met hem +in 't gebergte was voorgevallen, waar hij buiten zijn eigen +reisgezelschap geen enkel menschelijk wezen had bespeurd? Het +gezigt van zijn dienaar, dien hij op eenigen afstand daar tusschen +de boomen zag dwalen, bragt hem inmiddels op eene gedachte, die, +meende hij, alligt het raadsel kon oplossen. + +--Vatsa!--zeide hij, den man wenkend,--hebt gij of Koelloeka's +dienaar zoo even of daar straks met een priester gesproken? + +--Neen, Heer!--antwoordde Vatsa,--wij hebben zelfs geen priester +gezien. + +--Niet?--vroeg Siddha, thans wezenlijk verbaasd,--nu, goed dan! +Gij kunt gaan!--En terwijl hij met de hand wenkte, prevelde hij +half verstoord en toch ook half verschrikt, in zichzelf:--ik moet +er Koelloeka eens over spreken! + +Doch hoe kon nog eenig priester of wat ook een oogenblik langer +zijne gedachten bezighouden, toen hij, een eind weegs voortgewandeld, +het wit gewaad en de slanke gestalte van Iravati gewaar werd onder het +digte lommer der mango's aan den oever van een kleinen lotusvijver, +besproeid door een zacht klaterende en aangename koelte verspreidende +fontein? Bloemen lagen om haar heen en een nog onafgewerkten krans hield +zij in de hand. Doch zoodra niet hadden voetstappen in de nabijheid hare +opmerkzaamheid getrokken en nauw had zij Siddha herkend, of zij wierp +den krans weg, en snelde haar minnaar met zaamgevoegde en ter hoogte +van het voorhoofd opgeheven handen te gemoet. Hartstogtelijk drukte +Siddha ze in de zijnen, en de geliefde terugleidend zette hij naast haar +zich neder in het mos. + +--Wat uw vader toch een wreed man is,--sprak hij,--ons terstond +zoo weer te scheiden, nadat wij nauwlijks een paar woorden +gewisseld hadden! + +--Wel!--zei Iravati,--gij moest hem eer bedanken, dat hij ons +toestaat, elkaar zoo alleen te spreken. Dat is hier lang niet +allen vergund, die in ons geval verkeeren. + +--Nu goed!--hernam Siddha,--daarvoor wil ik hem van harte dankbaar +zijn, en te hooger waardeer ik dit gelukkig oogenblik, naar ik te +langer er op wachten moest. Doch hoe nu? Gij deelt dunkt mij niet +geheel in mijne blijdschap; wat mag de reden daarvan zijn? + +--Ach!--zuchtte Iravati,--hoe ware 't geluk onverdeeld als men +weet dat hét zoo kort is van duur? Welligt of waarschijnlijk is +dit het eenige korte oogenblik dat we voor langen tijd elkander +vrijelijk mogen spreken. En morgen gaat gij weer verder, naar de +weelderige, woelige stad, waar gij een eenvoudig meisje als ik ben +alras zult vergeten.... + +--Vergeten!--riep Siddha uit,--heb ik dergelijk vermoeden aan u +verdiend? En wat is ook eene afwezigheid van misschien enkele +maanden? Keert dan,--vroeg hij met de woorden van Amaroe, terwijl +hij hare hand vatte, en haar nader ter zich trok,--"Keert dan wie +gaat, niet terug? Hoe dus: mijn liefste! zoo treurig? Blijft niet mijn +hart als mijn woord, scheiden we ook straks, u verpand." + + +--Ja,--zei Iravati lagchend,--als dichters ons troosten konden! +Maar vertel mij, Siddha! hebt gij nog nooit een vers op mij +gemaakt? + +--'k Wilde dat ik het kon,--was het nederig antwoord,--en +inderdaad ik heb 't wel eens beproefd, maar wat ik ook zocht, ik +vond nooit iets uwer waardig. Daarentegen is er een andere kunst, +waarin ik misschien iets beter ben bedreven dan in poëzie, en wat +ik daarin beproefde wil ik niet voor u terughouden.-- + +En een klein met edelgesteenten omzet medaljon uit zijn gordel te +voorschijn halend toonde hij zijne verloofde een miniatuur +portret, waarin zij wel terstond haar eigen beeld moest herkennen. + +--Siddha!--riep zij blijde uit,--maar ik ben immers lang zoo +schoon niet! + +--Zoo schoon niet!--herhaalde hij,--neen, maar wel honderdmaal +schooner dan mijn penseel of dat van een ander u afbeelden kan! + +En in zeker opzigt had hij gelijk. Want, naar Indischen smaak, had +hij de doorsnee der oogen en de grootte van den mond een weinig +overdreven, terwijl juist de volkomen evenredigheid van beide met +de overige trekken een van Iravati's wezenlijke schoonheden was. + +--Maar hoe nu?--vroeg hij verschrikt, terwijl zijne gezellin +eensklaps was opgestaan en snel aan zijne armen ontsnapte, die +haar trachtten te omvatten,--hoe nu? gij neemt de vlugt? + +--Wacht mij even!--sprak zij,--in een oogwenk ben ik bij u terug. + +Met de vlugheid der gazelle zag hij tusschen de boomen haar den +weg nemen naar het paleis, als zwevend de breede marmeren trappen +bestijgen en weinige oogenblikken later terugkeeren met een niet +terstond uit de verte herkenbaar voorwerp in de hand. Toen, hem +weer genaderd, vertoonde zij hem, terwijl een blos hare wangen +overdekte en hemzelven een uitroep ontsnapte van blijde +bewondering, zijn eigen, welgelijkend, maar ditmaal werkelijk een +weinig geïdealiseerd portret. + +--Liefste mijn!--sprak hij in vervoering, en eer ze zedig zich kon +terugtrekken had hij haar middel omvat en een vurigen kus op de +frissche rozeroode lippen gedrukt. + +--Zie! sprak zij,--de onstuimige omhelzing zachtkens afwerend,-- +nu zou mijn vader toch tevree met ons zijn! We hebben juist gedaan +zooals de prinsen en prinsessen, waarvan onze nationale +vertellingen spreken; die maakten ook elkaars portret. + +--Niet volmaakt juist, lieve!--verbeterde Siddha,--ze maakten hun +eigen portret, en ruilden dan met elkaar, of als ze elkander +afbeeldden, dan ruilden ze toch. Maar ik vind onze manier toch +beter; de hunne scheen mij altijd in 't eene geval een blijk van +verregaande ijdelheid, en in 't andere heel doelloos. + +--Foei!--zei Iravati bestraffend,--maakt gij aanmerkingen op de +schriften der Ouden? Wie weet of gij straks niet onze heilige +boeken zelf zoudt gaan kritiseren! + +--Nu ja, en waarom niet?--vroeg Siddha,--als ze nu eenmaal hier of +daar mis hebben of smakeloos zijn, of.... + +--Gij zijt toch, hoop ik, geen twijfelaar? + +--Twijfelaar? Aan wat? + +--Aan het gezag der heilige Veden, bij voorbeeld, of aan.... + +--Kom, beste!--viel Siddha de schoone spreekster lagchend in de +rede,--kom! laten we nu in deze weinige oogenblikken, die ons nog +gegund zijn, niet doen als zoovelen onzer landgenooten, die elkaar +haast nooit kunnen ontmoeten of ze doen elkander allerlei +theologische en philosophische vragen. + +--Gij hebt gelijk,--hernam Iravati,--en zie, ik weet ook een +spelletje dat veel aardiger is, en dat gij ook wel kent. Let op! + +En zich vooroverbuigend naar den kant van den vijver, plukte zij +een donkerblauwe lotusbloem, nam een groot langwerpig boomblad dat +daar op den grond lag, en, na het vlug tot een soort van schuitje +omgebogen te hebben, den lotus daarin stekend, liet zij het blad +drijven op het zacht door de beweging der fontein bewogen +watervlak. + +--Die bloem is mijn Siddha,--sprak ze half in zichzelve,--laat +ons nu zien of hij mij trouw zal blijven! + +--Neen!--sprak Siddha op zijne beurt verwijtend,--dat is een gek +spel! Dat moet gij niet spelen! + +Maar Iravati luisterde nauwelijks en zag met ademlooze +belangstelling naar het dobberend boomblad uit, dat daar vrolijk +op de kabbelende golfjes danste. + +--Trouw! trouw!--juichte zij.... + +Daar streek een ligt zuchtje van den zuidenwind over het water; +het ranke vaartuig helde ter zijde, kantelde, en vertoonde weldra +niet meer dan het ondervlak, terwijl de lotus verdween. + +--Helaas!--riep Iravati uit en liet het hoofd op de borst zinken, +--mijne voorgevoelens zouden mij dan niet bedriegen? + +--Foei! zeg ik nu van mijn kant,--sprak Siddha,--eene edele wel +opgevoede jonkvrouw hecht aan zulke dwaasheden, die hoogstens te +vergeven zijn aan onnoozele boerenmeisjes! En zoo stelt gij dan +meer vertrouwen in een boomblad, dat van zelf wel moet omvallen +als ge 't maar lang genoeg drijven laat, dan in het eerewoord van +een Indisch edelman, die u zijne trouw heeft gezworen als gij de +uwe aan hem? + +--Ach, Siddha!--zuchtte Iravati,--heb medelijden met mij als ik +mij soms wat kinderachtig aanstel! En is mijne onrust u geen blijk +hoe ik u liefheb? Mag ik niet soms, hoe groot ook mijn vertrouwen +op uw woord en uwe liefde is, met zekere onrust denken aan die +stad waar gij heengaat en waar u wie weet het welke verzoekingen +wachten? Toch had ik daareven groot ongelijk, dat erken ik; en,-- +vervolgde zij, haar hoofd aan Siddha's schouder leunend,--ik weet +immers ook, dat Siddha de mijne is, nu en voor altoos en dat er +geen andere vrouw bestaat, die mij ooit zijn hart kan ontrooven! + +Haar middel omvattend, zag Siddha de geliefde zwijgend aan; maar +die blik zeide meer dan de krachtigste betuigingen, en nameloos +gelukkig vleide zich Iravati aan zijne borst. + +Een gerinkel van ringen in de nabijheid deed beiden opzien, en uit +Siddha's omhelzing zich loswindend, zeide Iravati: + +--Ons zamenzijn, vriend! is geëindigd; daar komt Nipoenika, mijne +dienares, ons waarschuwen. + +Inderdaad verscheen een oogenblik later de dienares, wier gouden, +om de bronskleurige enkels en armen sluitende ringen onder 't gaan +het zooeven vernomen geluid hadden veroorzaakt, en meldde hare +meesteres dat de Goeverneur haar uitnoodigde, naar hare vertrekken +terug te keeren en zijn neef verzocht, met hem en Koelloeka aan +den maaltijd te komen deelnemen. + +Met een ligten handdruk scheidde Iravati van haar verloofde, en +begaf zich met Nipoenika terug naar het paleis. Op een afstand +volgde Siddha om zijn oom en zijn reisgezel in de benedenvertrekken +te gaan opzoeken. + +Aan pracht en weelde ontbrak het niet bij het maal, aangerigt in +een der kleinere vertrekken, dat met zijn open galerij een +heerlijk uitzigt leverde op het schilderachtig landschap daar +omlaag. Zijden, fraai geborduurde kussens, waarop de gasten plaats +namen, gouden en zilveren schalen in overvloed, keur van spijzen +en wijnen, tal van dienaren van allerlei gelaatskleur en in allerlei +kostuum, in één woord al wat overeenkomstig mogt heeten met den rang +van Salhana als Goeverneur der veste en voor 't oogenblik hoogst +gestelde onder de bewoners van het vorstelijk paleis. Maar de regte +vrolijkheid ontbrak aan het deftig feest en geen vertrouwelijkheid was +denkbaar; alles bleef er vormelijk, statig, stijf; en de gesprekken, +even onbeteekenend als hoffelijk, werden blijkbaar slechts tusschen de +drie mannen gevoerd omdat stilzwijgen onbeleefd zou zijn geweest. +--Hoe anders,--kon Siddha niet nalaten te denken,--hoe anders toch dat +eenvoudige maal bij den kluizenaar in het gebergte!--En 't was of +Koelloeka ongeveer hetzelfde dacht toen zijn jonge vriend hem even +aanzag; althans de blik dien hij toen juist in 't ronde wierp en zijn +nauw zigtbare, door Salhana niet opgemerkte glimlach bewezen wel dat er +ook iets dergelijks omging in zijne gedachten. + +Ten laatste inmiddels liep de lang gerekte maaltijd, waarbij in +alle deftigheid ook nog al vrij wat wijn was gedronken, ten einde. +Maar ook het overig gedeelte van den dag leverde voor Siddha geen +verder genoegen meer op. Wel dwaalde hij een tijd lang onder het +balkon der vertrekken rond, welke hem de gedienstige Nipoenika, +hem daar ontmoetend, als die harer meesteres had aangewezen, maar +Iravati vertoonde zich niet, en toen zij tegen den avond nog +eenmaal in tegenwoordigheid van haar vader en diens gasten +verscheen, was het enkel om een kort afscheid te nemen, even +vormelijk als de eerste begroeting in den morgen was geweest. + +Vroegtijdig met het krieken van den dag moest den volgenden morgen +de reis worden voertgezet, om onder behoorlijke middagrust de +hitte van den dag te kunnen ontwijken, en vroeg dus begaven de +reizigers zich naar hunne vertrekken. + +Doch zoo noodig de rust hem ook ware, de jongste der beiden kon +zoo terstond ze niet vinden, toen hij in 't voor hem gereed +gemaakte vertrek was aangekomen; en ongenegen dadelijk zijn +rustbed op te zoeken, begaf hij zich, na zijne wapens te hebben +afgelegd, nog voor eenige oogenblikken aan het open venster, dat, +aan de achterzijde van den burgt, het uitzigt verleende op de ook +daar aangebragte vestingwerken en de hier omheen liggende, nu in +nachtelijke schemering gehulde bosschen, waarachter zich weder +heuvelen en enkele hoogere, hier en daar met tempels en andere +heiligdommen gedekte bergen verhieven. + +Niet enkel Iravati's beeld echter was het wat op dit oogenblik hem +bezig hield. Ook de staatkundige gesprekken met zijn oom en de +zonderlinge ontmoeting met den geheimzinnigen priester rezen weer +op voor zijn geest. Dat deze door een of anderen kunstgreep achter +het voorval met den tijger was gekomen, begreep hij wel, al kon +hij niet ontdekken hoe; maar waartoe moest dat alles dienen, en +wat wilde die man eigenlijk? En Salhana, de Goeverneur? Viel er +vertrouwen te stellen in diens karakter, moesten zijne aanduidingen +gevolgd en werkelijk voor Koelloeka verzwegen worden wat er dien morgen +verhandeld was? Of ware 't niet noodig hem daarover te raadplegen? + +Eene onverwachte verschijning op den eersten ringmuur, waarvan de +lage borstwering scherp uitstak tegen de wel reeds nachtelijke +maar toch heldere lucht, deed Siddha een oogenblik het onderwerp +zijner overpeinzingen vergeten om spoedig zijne gedachten nogmaals +daarop terug te brengen. + +Boven de borstwering namelijk vertoonden zich eensklaps halverwege +twee gestalten zonder dat hij begreep hoe zij, terwijl hij toch +juist op den muur gestaard had, er zoo in eens waren gekomen; en +spoedig herkende hij aan hunne gedaanten, schoon hij de +gelaatstrekken niet onderscheiden kon, zijn oom, den Goeverneur, +en Gorakh, den Doerga-priester. Al weer die twee te zamen en in +dit late uur! Doch het wonderlijkste van de verschijning was +misschien nog de gansch veranderde houding van beiden. Geen zweem +meer van hunne vroegere stijfheid en statigheid. De een +gesticuleerde al harder dan de andere bij het blijkbaar zeer +levendig gesprek, terwijl zij nu eens naar het kasteel, dan weer +naar het gebergte aan de overzijde wezen. Het onderhoud bleef in +vollen gang tot het eensklaps gestoord werd door de verschijning +van wederom nieuwe figuren, die één voor één achter elkaar langs +den ringmuur zich voortbewogen. Dunne, magere gestalten allen, en +bijkans geheel naakt, met uitzondering van een wit, om den hals +gewonden koord, dat ook in de schemering nog door het verschil met +hunne donkere huidskleur zigtbaar bleef. Aanstonds bij hunne komst +was Salhana, waarschijnlijk langs een uit het paleis onzigtbare +trap, even snel verdwenen als hij straks gekomen was. De priester +had onmiddelijk al zijne statigheid weer aangenomen, en met de +regterhand naar een der hoogste bergen wijzend, stelde hij zich +aan het hoofd van den stoet, en daalde met dezen langs den muur +naar het aan den voet der rots gelegen donkere woud omlaag. Een +lange reeks van gedaanten, alle nagenoeg volkomen op de eerste +gelijkend, volgde hem, en Siddha had lang opgehouden te tellen +toen hij de laatste in de duisternis van het bosch verdwijnen zag. + +Eene ligte huivering had zijns ondanks hem bevangen toen hij die +zonderlinge gestalten daar voorbij zag trekken en hun uitwendig +voorkomen met den naam der godin in verband bragt, aan wier dienst +zich Gorakh heette gewijd te hebben, en wier tempel op gindschen +berg zij thans waarschijnlijk met hem gingen bezoeken. Kon het dan +waar zijn dat die sekte nog bestond, waarvan hij zoo menigmaal +gehoord had, maar die hij lang uitgeroeid of uitgestorven waande, +dat geheimzinnig verbond van daemonen in menschengedaante, dat zoo +lang de plaag en de schrik van Hindostan was geweest, het +vreeselijkst voortbrengsel welligt, dat ooit godsdienstig +fanatisme had uitgebroeid? En met een aanvoerder van dergelijke +bende zou zijn oom, de dienaar des Keizers in verstandhouding +zijn? 't Was inderdaad niet te gelooven, en lagchend om zijn eigen +dwaze voorstellingen verliet Siddha het venster, en wierp zich, +haastig ontkleed, op zijne legerstede. + +Vermogt hij ook nu nog niet spoedig den slaap te vatten, en dwaalden +nog lang de tegenstrijdige beelden van Iravati en Salhana en Gorakh met +diens naakte bruine volgelingen hem door het hoofd, tot één vast +besluit was hij toch gekomen eer hij insliep: met Koelloeka zou hij +niet spreken over 't geen hij dien dag gehoord en gezien had. Dat zijn +oom in geheimen was gewikkeld, bleek hem duidelijk genoeg, maar voor +een staatsman was dat zoo onnatuurlijk niet, en niets bewees hem dat +zij iets misdadigs hadden, terwijl toch de ontdekking alligt van +nadeelige gevolgen voor Salhana en misschien ook voor diens naaste +betrekkingen kon zijn. Was dan hij, Siddha, nu geregtigd het een of +ander uit te brengen, aan wien dan ook, wat een vertrouwelijk gesprek +of een louter toeval hem daaromtrent had bekend gemaakt? Koelloeka zelf +zou ongetwijfeld de eerste zijn om dergelijke handelwijze af te keuren. + + + +DERDE HOOFDSTUK. + +Agra + +Vrolijk trompetgeschal wekte Siddha uit zijne ligte +morgensluimering. Haastig opspringend, zag hij uit het venster het +groote plein van den burgt met eene menigte ruiters overdekt, +sommigen hunne paarden afzadelend, anderen bezig met op te stijgen +en zich in gelid te stellen. Voor de eene helft de ruiters, die +uit Allahabad naar Agra stonden te vertrekken en met wie onze +reizigers den togt derwaarts zouden ondernemen, voor de andere de +krijgslieden, die eerstgenoemden kwamen vervangen. Reeds zag de +jonge edelman zijn dienaar met den schimmel op hem wachten, en +vlug maakte hij zich tot het voortzetten der reize gereed. Weinig +tijds later zat hij te paard, terwijl ook eenige oogenblikken +daarna Koelloeka met den Goeverneur verscheen. + +Nog even inmiddels vond Siddha, eer de stoet zich in beweging ging +stellen, de gelegenheid om langs de bastions den hoek om te rijden +tot aan het balkon, waar hij den vorigen namiddag zoo herhaaldelijk naar +had opgezien. Ditmaal werd hij niet geheel in zijne verwachting bedrogen. +Tusschen de planten die het balkon bedekten ontwaarde hij terstond eene +hem wel bekende, in 't wit gehulde gestalte, die bij zijne nadering met +een luchtig op den zachten wind fladderend doek wuifde; en toen hij +digter bij was gekomen daalde dit langzaam neder zoodat hij, met eene +vlugge wending van zijn paard, het op de punt zijner lans kon opvangen. + +'t Was een van die schitterend gekleurde en ragfijne weefsels van +Kaçmir, die de wanhoop van alle wevers der wereld uitmaakten en +die zich even ligt door een vingerring lieten trekken als tot +sluijer gebruiken of tot een tulband zamenvouwen. Snel kuste hij +'t voor hem onwaardeerbaar afscheidsgeschenk, wond het in een +oogwenk om het gevest van zijn sabel, en toen met de hand wenkend +ten laatsten groet, was hij dra in eenige sprongen bij zijne +reisgenooten terug. + +Een eind wegs begeleidde nog Salhana, mede te paard, zijne gasten +en de vertrekkende ruiters. Daarop nam hij afscheid, zijn neef nog +mededeelend dat hij spoedig hem te Agra hoopte terug te zien, +vermits hij zelf eenige dagen later zich derwaarts dacht te +begeven; en in gezelschap van den bevelvoerenden officier der +afdeeling, met wien zij intusschen kennis hadden gemaakt, trokken +onze reizigers verder. + +Meer dan één dag nog duurde de togt. Voor een groot deel door +zandige, veelal met meer steenen dan boomen bedekte vlakten, soms +ook over liefelijke begroeide heuvelen, en meest langs of in de +nabijheid van den oever der Djoemna. Eindelijk werd op weinig +afstand van Agra des avonds de laatste halt gehouden, en toen nu +den volgenden morgen na een korten rid de Keizerstad zelve was +bereikt, zagen de reizigers, ook diegenen onder hen voor wien de +aanblik niet nieuw meer was, de moeite en de onvermijdelijke +verveling van den togt zich wél vergoed. + +Halvemaansgewijze, langs den tegenovergestelden oever der rivier, lag +tusschen tuinen en vestingwerken van allerlei vorm de breede rei van +paleizen en moskeën, die in dezen tijd en nog lang daarna Agra of +Akbarabad tot een van de schoonste en prachtigste steden der wereld +maakten. In het midden ongeveer en uitblinkend boven allen verrees het +paleis van den Keizer zelf, waarvan het hoofdgebouw, van alle zijden +omringd door kleinere, tusschen de digte boomgroepen der lusthoven +verspreid, door de keurige voeging zijner roode en glad gepolijste +zandsteenen als uit één in het zonlicht glanzend granietblok scheen +gehouwen, en toch, in weerwil van het waarlijk kolossale zijner +afmetingen, met zijne menigte van puntig uitloopende koepeldaken en +vlugge slanke torens en als de fijnste kant tegen de lucht uitstekend +beeldhouwwerk een voorzeker niet minder bekoorlijken dan overweldigenden +invloed op den beschouwer te weeg moest brengen. En daar omheen de +paleizen en lusthoven der hofgrooten en der rijke en aanzienlijke +stadbewoners en de moskeën met hare koepels en minaretten, en hier en +daar ook nog enkele pagoden, overblijfsels en laatste getuigen van een +vroegeren, in deze streken althans, overwonnen beschavingstoestand. Wél +was die aanblik reden genoeg voor den reiziger, en in 't bijzonder ook +voor hem die de plek voor 't eerst bezocht, om den teugel in te houden, +ten einde nog eene wijl zich te verlustigen in het gezigt van zooveel +pracht, en, kon het, een oogenblik na te denken over den indruk daardoor +veroorzaakt. Eén eenig mensch, magtig veroveraar en diep ingrijpend +hervormer bovendien, was dan voor 't grootste deel de stichter van dat +alles, dat in eene voormaals nog weinig aanzienlijke plaats als +eensklaps door eene tooverroede te voorschijn was geroepen uit den +barren grond? Wat geweldig, wat veelbeteekenend man dat niet zijn moest! +En een gevoel van beklemdheid greep Siddha aan, toen hij zich +voorstelde, misschien binnen kort vóór dien man te zullen verschijnen +en welligt zelfs eenige woorden, zij 't ook slechts vormelijke, met hem +te moeten wisselen. + +Weldra intusschen begaf men zich verder en, aan de overzijde der +rivier gekomen, namen Koelloeka en Siddha afscheid van hun +reisgenoot, den officier, en begaven zich met hunne dienaren naar +de woning door een van Koelloeka's vrienden voor hen gehuurd,--een +eenvoudig maar smaakvol en aangenaam ingerigt huis met een +vriendelijk uitzigt op omliggende tuinen en op den klaren, in de +morgenzon glinsterenden stroom in de laagte. + +--Komaan, dat treft!--zei Koelloeka toen zij de woning waren +binnengetreden,--ik zie daar dat onze goederen al met de kameelen +zijn aangekomen. Nu behoeven wij niet stil te zitten en kunnen +straks al dadelijk, als we ons wat gekleed hebben, onze opwachting +bij Aboel Fazl, den Minister gaan maken. Eerst nu een frisch bad; +en inmiddels kan Vatsa onze zaken helpen uitpakken. + +Een half uur later waren beiden tot het voorgenomen bezoek op weg; +Siddha in een tot de knieën reikend en op de met een parelsnoer +behangen borst een weinig geopend goudlakensch kleed, en gedekt +door een niet te grooten, met een veder gesierden tulband, waarin +hij Iravati's afscheidsteeken had gevlochten; Koelloeka eveneens +in ietwat sierlijker, min streng eenvoudig gewaad dan hij tot +dusver gedragen had. Sabel en dolk, meer tot tooi nu dan tot +voorkomend gebruik, strekten tot wapentuig. + +De weg naar het paleis des Ministers was niet lang; en daar +aangekomen en de voorhoven doorgegaan zijnde, werden de beide +bezoekers op de vermelding hunner namen terstond naar een der +binnenvertrekken geleid om daar den Vizier af te wachten. Ook +stelde deze hun geduld niet lang op de proef. Weldra werd een der +gordijnen, die het vertrek van de overige scheidden, ter zijde +geschoven, en Aboel Fazl trad binnen. + +Hij was een eenigszins gezet man van middelbare lengte en +omstreeks een goede vijfig jaar, in een wel eenvoudig, maar toch +kostbaar gewaad van gele, gebloemde zijde gekleed. Een baard droeg +hij in 't geheel niet, maar zijn glad gelaat vertoonde niettemin, +ook in weerwil van zekeren vermoeiden trek, eene uitdrukking van +mannelijke kracht en sterken, vasten wil, eene uitdrukking tevens +weer getemperd door den vriendelijken blik zijner donkere oogen. + +--'t Verheugt mij, u zoo spoedig hier te zien,--sprak hij na de +gewone groeten, die van de zijde van Koelloeka en Siddha zeer +eerbiedig waren;--onze jonge vriend betoont zich daarmede, dank +zij waarschijnlijk ook uwe aansporing, wijze Koelloeka! niet +langzaam in 's Keizers dienst. + +--'t Ware voorzeker ook een slecht begin,--merkte de aangesprokene +op,--indien hij een oogenblik langer dan noodig was had gedraald +om de eervolle betrekking te komen aanvaarden, die uwe gunst en +die des Keizers hem hebben toegedacht. + +--Geen gunst, mijn vriend!--hernam Aboel Fazl--geen gunst, maar +verstandig beleid, zoo ik hoop. Wij achten hier geenszins nuttig, +alle betrekkingen steeds in handen te geven van onze eigene +grooten, en stellen 't ook op prijs als 's lands oorspronkelijke +edelen zich wijden aan onze dienst. Ook weet gij dat onze +Radjpoet's ongaarne hun aanvoerders uit anderen dan van hun eigen +stammen zien gekozen. En wat eindelijk kon mij aangenamer zijn dan +den zoon van een oud vriend, en van wien ik ook niet dan goede +getuigenissen vernam, tot een betrekking te roepen die zijn vader +gewenscht voor hem acht? + +--Veroorloof mij niettemin, edele Heer!--sprak nu Siddha toen de +Minister zweeg--het mij toegezegde als een gunst te blijven +beschouwen en Uwe Excellentie daarvoor mijn dank en dien van mijn +vader te betuigen! Ik wil hopen dat ik mij haar niet gansch +onwaardig zal maken. + +--Blijf trouw vóór alles!--zei Aboel Fazl ernstig;--'t is een +voorschrift dat u thans overbodig schijnt; maar als ge wat langer +hier zijt geweest, zult gij aldra bemerken dat het dit in 't +geheel niet is in een omgeving waar verraad menigmaal van alle +kanten loert en zich ook de besten nog wel eens tot ontrouw lieten +verleiden. Morgen inmiddels zal uw opperbevelhebber u de noodige +instructiën geven voor de dienst. Ook zal hij voorzeker niet +nalaten u te waarschuwen, wat voorzigtig met uwe Radjpoet's te +zijn. Want, gij weet het, velen hunner, al bekleeden zij geen +bepaalden militairen rang, zijn edelen als gij, en willen dus niet +zoo geheel behandeld worden als gewone soldaten. Voor 't oogenblik +zult gij, naar ik onderstel, wel eens wat meer van de residentie +willen zien dan gij tot nogtoe er van gewaar zijt geworden. Ik wil +u dus niet langer terughouden.--Doch wacht nog even,--sprak de +Minister, toen Siddha zich gereed maakte te vertrekken,--een +geleider zal u niet onwelkom zijn, en ik meen u een geschikten te +kunnen aanwijzen.--Daarop in de handen klappend, vroeg hij den +spoedig verschenen dienaar:--Is mijn neef Parviz hier? + +--Ik zag hem zooeven nog in den hof gaan,--antwoordde de dienaar. + +--Zeg, dat ik hem hier wensch te zien! + +Weinige oogenblikken later verscheen een jongman van ongeveer +Siddha's leeftijd, rijk gekleed en met juweelen en paarlen gesierd +en van een bevallig en innemend, schoon ook in weerwil van zijn +fijnen zwarten knevel ietwat vrouwelijk voorkomen. + +--Parviz!--zei Aboel Fazl,--zie hier de beide heeren uit Kaçmir, +waarvan ik u de komst gemeld heb. Den edelen Siddha zult gij hoop +ik al spoedig uw vriend mogen noemen. Thans wilt gij hem alligt +wel tot gids strekken in onze stad, die hij voor 't eerst bezoekt. + +--Gaarne, oom!--antwoordde Parviz, terwijl hij Siddha beleefd en +vriendelijk tevens groette,--'t zal mij niet minder genoegen zijn +dan eer. + +--Zoo gaat dan!--hernam de Minister.--Koelloeka zal misschien nog +wel enkele oogenblikken hier willen vertoeven om met mij sommige +belangen van Kaçmir te bespreken. Doch, mijne heeren!--zeide hij +nog in 't bijzonder tot Siddha en den Brahmaan,--vergeet vooral +niet nog heden mijn broeder Feizi een bezoek te brengen! Hij zou +'t u erg kwalijk nemen als gij 't uitsteldet tot morgen, al werd +mij de voorrang ook gaarne door hem gegund. + +En op een vriendelijken wenk van den Staatsdienaar verwijderden +zich de beide jongelieden en verlieten gezamenlijk het paleis. + +--Kom!--zei Parviz, toen zij buiten waren,--'t is gelukkig nog zoo +heel warm niet, en we konden dus wel eens dadelijk het eerste gaan +zien waar een bezoeker van Agra wel vóór alles heengaat, het +paleis van den Keizer. Ten minste als de wandeling u niet te zwaar +is na uw morgenrid. + +--Och!--antwoordde Siddha, spoedig gemeenzaam met zijn nieuwen +vriend,--om de warmte geef ik in den regel al even weinig als om +de kou, wij zijn er in onze bergen wel aan gewend. En ook niet om +een weinig moeite. Maar ongaarne zou ik u last veroorzaken om mij +iets te laten zien wat gij zelf natuurlijk al lang kent. + +--Nu,--hernam Parviz wat spotachtig,--zoo'n ijzervreter ben ik wel niet +als gij, die daar uit de hooge bergen en wilde bosschen komt; maar een +wandelingetje kan ik toch nog wel maken, en al kreeg ik 't nu ook wat +warm, uw gezelschap zal mij de mogelijke vermoeijenis wel doen +vergeten. + +Zoo al pratend en terwijl men elkander 't een en ander omtrent +eigen betrekkingen en belangen meedeelde, waarbij Parviz onder +anderen vertelde dat zijn oom, de Minister, hem voor de +krijgsdienst, waarin hij zelf ook niet veel behagen vond, +ongeschikt achtte, en hem voor een staatsambt bestemde, kwamen de +beide wandelaars al spoedig aan de groote, breede straat, die een +der hoofdtoegangen vormde tot de voorhoven der vorstelijke +paleizen. Aan het einde dier straat was een hooge, in den vorm van +een triomfboog opgerigte poort, en deze doorgegaan zijnde kwam men +op een uitgestrekt, door platanen beschaduwd plein, dat ook nog +door zes andere bogen van gelijke bouworde en even breede straten +toegankelijk werd gemaakt. In 't midden verhief zich een kolossale +steenen olifant, door den tromp bij wijze van fontein en hooge +waterkolom opspuitend; en de drie andere zijden van het plein +werden ingesloten door lange reijen van marmeren kolonaden, +waarachter als trapsgewijze de verschillende verdiepingen der +hoofdgebouwen omhoog rezen. Was de aanblik misschien minder +treffend en schilderachtig dan die van de rivierzijde, de +verbazende uitgestrektheid der paleizen en hunne bijbehoorende +gebouwen, waaronder ook vestingwerken van velerlei aard, viel +daarentegen te meer in het oog. + +--Gij begrijpt wel,--zei Parviz,--dat we dat alles wat daarbinnen +is nu niet in eens zien kunnen, ook al waren we nog zoo bestand +tegen vermoeijenis; wij zouden er toch den tijd niet voor hebben. +Doch laten we nu dan voorloopig eens het een en ander er van +bekijken, dan kunt gij u ten minste eenig begrip vormen van het +geheel. Gaandeweg zult gij er later wel meer van zien. + +En een der galerijen binnentredend deed Parviz zich en zijn +medgezel aan een wachter kennen, die hun terstond een geleider +medegaf naar de voor bezoekers van hun rang toegankelijke +binnengebouwen. En nu ging het door lange reeksen van grootere en +kleinere vertrekken, het eene al rijker en fraaijer gestoffeerd +dan het andere, alle opgetrokken in den luchtigen en bevalligen +Moorschen bouwtrant, en waarvan er verscheiden een bekoorlijk +uitzigt leverden op de uitgestrekte tuinen met hunne frissche +fonteinen en hun pacht van bloemen en gewassen van allerlei soort. +Hier marmeren wanden, ingelegd met sierlijke bloemen van keurig +mozaïekwerk; daar spiegels van alle kanten en fijne, haast +onzigtbare fonteinen, wier dunne stofregen een heerlijke koelte +verspreidde; allerwege goudlakensche of zijden, met goud- en +zilverdraad gestikte gordijnen en voorhangsels van velerlei naar +den aard der overige versierselen wisselende kleur, en zware +tapijten en zachte zijden kussens, waarop in die omgeving zich uit +te strekken op zich zelf reeds een genot mogt zijn geweest. + +--Daar ginds, aan den anderen vleugel,--zei Parviz weder,--zou +men u nog veel meer fraais kunnen toonen; maar daar kunnen wij +natuurlijk niet binnenkomen: 't zijn de vrouwenvertekken. Ik heb +eens een kijkje gehad in een paar daarvan, toen ze pas waren +afgewerkt en nog niet bewoond werden; ja, wat daar niet al aan ten +koste moet zijn gelegd! Maar ik schenk u de beschrijving; gij hebt +al genoeg te kijken en dus zeker ook weinig lust om nog meer aan +te hooren. Is,--vroeg hij den geleider,--de groote audientie-hal +open? + +--Neen, Heer!--antwoordde de ander,--voor 't oogenblik niet; maar +over een paar dagen.... + +--Nu, 't maakt ook niet uit,--hernam Parviz.--Binnenkort,-- +vervolgde hij tot Siddha,--zal er wel openbare audientie zijn en +dan kunnen wij er heengaan. En van de vertrekken die de Keizer +zelf bewoont, zult gij later misschien wel meer gewaar worden. +Laat ons voor 't oogenblik nog wat bijzaken gaan opnemen, die het +zien toch ook nog wel waard mogen heeten. + +Langs hooge en breede zuilengangen, waarbinnen zich een menigte +van dienaren en krijgslieden van allerlei rangen bewoog, soms ook +door de regte en lange lanen van het park, wandelden nu de +bezoekers voort, terwijl Parviz zijn medgezel de bestemming der +verschillende zalen en gebouwen aanduidde. Hier de Keizerlijke +bibliotheek, met hare rijk gebonden handschrfften, ginds de +werkplaatsen der goudsmeden en juweliers, de laboratoriën ter +vervaardiging van reukwerken, de uitgebreide magazijnen en +keukens, en eindelijk ook, behalve nog de arsenalen der vesting, +de stallen der paarden, olifanten en kameelen, die meer in 't +bijzonder voor den Keizer zelf en zijn gevolg waren bestemd. + +Tot dusver had Siddha gemeend, toch ook nog wel begrip van +paleizen te hebben; nu echter begon hij tot de overtuiging te +komen, dat hij er eigenlijk nog nooit een gezien had. Niet weinig +vooral verbaasde hem de uitgebreidheid van die stallen, die van +boven en uit de verte beschouwd, zich als heel een afzonderlijk +dorp vertoonden te midden van de parken waarbinnen ze waren +opgerigt. + +--Wat menigte van edele dieren daar niet zijn moet,--merkte hij +op. + +--Ja,--antwoordde Parviz,--een goede honderd olifanten zijn er +onder anderen stellig wel hier; hoeveel er elders nog voor den +Keizer worden gehouden weet ik niet met zekerheid; naar men zegt +moet hij er nog heel wat bezitten en een evenredig aantal kameelen +en paarden en jagt-luipaarden. + +--Maar,--vroeg Siddha,--wat heeft één man, al is hij ook Shah +Akbar, nu toch eigenlijk aan zooveel overdaad in alles? + +--Hij voor zich zelf niet veel,--was het antwoord,--en misschien +minder nog dan gij wel meenen zoudt. Geboren in een wildernis, +toen zijn vader als balling rondzwierf, en opgevoed in een +legerkamp, hecht hij volstrekt niet aan al die inderdaad +overmatige weelde, en zou ongetwijfeld met oneindig minder tevrede +zijn; maar hij is overtuigd en, naar ik geloof, volkomen teregt, +dat een vorst als hij, in deze landen en onder al die volken en +grooten waarover hij heerscht, een indrukwekkende praal niet +minder van noode heeft dan een sterk leger en ervaren staatsmannen. Wij +allen, Perzen, Mongolen, Arabieren of Hindoe's gijlieden zoo goed als +wij, zijn nu eenmaal gewoon daartegen op te zien en te meer ontzag voor +den monarch te hebben naar hij meer uiterlijk vertoon maakt. Doch als ge +nu meent dat met al die vertooning ook verkwisting zamengaat, dan zoudt +ge u niet weinig vergissen. Ik durf u ten stelligste te verzekeren dat +er in waarheid niets wordt weggeworpen, en al wordt er soms ook +gestolen, heel veel kan 't betrekkelijk niet zijn. Want tot in de +kleinste bijzonderheden van deze ontzaggelijke hofhouding heerscht +even strenge regel en orde als in de verschillende afdeelingen van +het staatsbestuur, die bijkans overal in het rijk van den Grooten +Mogol als voorbeeld kunnen gelden van een verstandige administratie. +Mijn oom Aboel Fazl is bezig dat alles nauwkeurig te omschrijven in zijn +groote werk over de instellingen en het bestuur van den Keizer, in zijn +Aïn i Akbari, waarbij hij mij wel eens een handje laat helpen. Eene zaak +met dat al is er, waarin men Akbar soms wel eens verkwistend mogt noemen. +Als 't namelijk geldt, anderen bij te staan die zich in moeilijkheden +bevinden of behoeftig zijn, en eenige aanspraak op zijn mildheid kunnen +maken, of ook wel de bevordering van wetenschap en kunst, dan hebben +zijn schatmeesters dikwijls moeite genoeg hem binnen de redelijke +grenzen te houden. Maar nu!--vervolgde Parviz na een oogenblik +stilzwijgen,--'t wordt nu waarlijk onze tijd om naar huis te gaan; +de zon begint al te branden en ik wil u ook wel bekennen dat ik +wat vermoeid ben. Als we hier nog langer bleven ronddrentelen zou +ik veel lust hebben hier of daar op een rustbank neer te vallen en +er de koelte van den avond af te wachten; maar daar hebben we niet +veel aan, en dan verloopen we ook ons maal. + +--Zoo laat ons den terugtogt dan aannemen!--antwoordde Siddha,--en +ik dank u inmiddels van harte voor uw vriendelijk geleide. Gij +hebt mij hier al haast den weg geleerd. + +Langs een bijpad aan de andere zijde der tuinen en gebouwen leidde +nu Parviz zijn vriend naar diens woning terug, en daar afscheid +nemend, zeide hij: + +--Gij zult het morgen waarschijnlijk wel te druk hebben met +dienstzaken om nog verder de stad te bezigtigen of uitstapjes te +maken. Doch zoo gij overmorgen of later wilt, ik ben gaarne tot uw +dienst. Laat mij 't maar eens weten, of ik kom u misschien ook wel +opzoeken. + +De beide jongelieden gaven elkaar de hand, en in een koel vertrek +zijner woning ging Siddha de middagrust genieten, die ook hem op +dit oogenblik toch niet onwelkom was. + +Tegen 't vallen van den avond begaf hij met zijn ouderen vriend +zich weer op weg om Feizi, den broeder des Ministers, het +voorgenomen bezoek te brengen. Eene aangenaam tusschen digte +boomgroepen gelegen en betrekkelijk niet uitgestrekte maar toch +rijk en smaakvol gebouwde villa diende Aboel Fazl's jongeren +broeder tot woning. Aanstonds werden ook hier de bezoekers +toegelaten en bij den bewoner aangediend; weinige oogenblikken +daarna verscheen een dienaar om hen binnen te leiden in Feizi's +eigen vertrek. + +Daar, in de nabijheid van het balkon, dat voor een groot deel zich +uitbreidde langs het gebouw, zat aan een kunstig bewerkte tafel, +met velerlei handschriften bedekt en door menigte van anderen op +den grond liggende omringd, een man in de kracht zijns levens, met +de schrijfstift in de hand en voorover gebogen over zijne papieren +en perkamenten. Zoodra hij de bezoekers gewaar werd, stond hij op, +trad hen te gemoet, en beiden zonder verdere formaliteiten met een +eenvoudig: Welkom! de hand gevend, wenkte hij hen, op de vóór het +balkon gespreide kussens met hem plaats te nemen. + +Wat Feizi vooral van zijn ouderen broeder onderscheidde, met wien +hij overigens veel gelijkenis vertoonde, was de opgeruimde, +joviale uitdrukking van zijn eveneens glad geschoren gelaat en +eene bijzondere ongedwongenheid van manieren, aan de hoffelijke +vormen van een man van de wereld gepaard. Ook kenschetste zijn +kalme en rustige blik meer nog den stillen denker dan den man van +krachtig, rusteloos handelen, schoon hij als krijgsman toch ook +menige dappere daad had bedreven en als gezant meer dan eens +netelige vragen had helpen oplossen voor zijn vorst. + +--Ik wist het wel,--zeide hij, terwijl een paar dienaren den +gasten wijn en ververschingen kwamen aanbieden,--gij zoudt den dag +niet laten verloopen, waarde Koelloeka! zonder mij, zoo goed als +mijn broeder, met uw bezoek te verheugen en mij in kennis te +brengen met uw jongen vriend, dien ik spoedig ook den mijne hoop +te noemen.--En wat zegt ge nu wel van onze nieuwe stad?--vroeg hij +aan Siddha.--Gij hebt er toch zeker al 't een en ander van gezien? + +--Uw neef Parviz, edele Heer!--antwoordde Siddha,--heeft dezen +morgen de vriendelijkheid gehad mij door een gedeelte van het +paleis rond te leiden. Maar om u de waarheid te zeggen, ik kan er +eigenlijk nog zoo geen oordeel over uitspreken; ik ben voor 't +oogenblik eenvoudig verbaasd over zooveel pracht en zooveel +heerlijke kunstwerken. Ik had er mij veel van voorgesteld, maar +dat alles is mij gebleken vér beneden de werkelijkheid te zijn. + +--Dat geloof ik gaarne,--hernam Feizi,--het gaat iedereen zoo, die +voor 't eerst hier komt. Men mag nog zooveel beschrijvingen van +Akbar's paleizen gehoord of gelezen hebben, toch staat men nog +altijd verwonderd als men ze werkelijk ziet. Maar zeg mij, +Koelloeka! hoe gaat het u tegenwoordig in uw verre Noorden? Ik ben +benieuwd weer eens iets van uw Kaçmir te vernemen. + +Gaarne beantwoordde Koelloeka de vraag, schoon in 't algemeen en +zonder thans te doelen op de weer aangevangen oneenigheden; en ook +Siddha nam spoedig een levendig deel aan het gesprek. Nooit nog +had hij met een vreemde zoo snel zich op zijn gemak gevoeld als nu +met dienzelfden veelbeteekenenden Feizi, des grooten Keizers +vriend zoowel als raadsman, tegen wiens nu reeds allerwege +beroemden naam van geleerdheid en kunde hij steeds zoo hoog had +opgezien. Al spoedig had inmiddels het gesprek het terrein der +dingen van den dag verlaten en was het overgegaan tot onderwerpen +van meer algemeenen aard. Vooral ook tot letterkundige. + +--Gij bewondert onze paleizen,--sprak Feizi tot Siddha,--en gij +erkent dat zij uwe verwachting overtreffen; maar mij is 't nog +gansch anders gegaan, toen ik voor 't eerst kennis maakte met uwe +eeuwenoude klassieke en geheiligde litteratuur. Onze geloovige, +maar daarom nog niet heel kundige moellah's hadden mij altijd +verteld, dat Indische letterkunde eigenlijk niets anders was dan +een verward en smakeloos zamenraapsel van allerlei gedrogtelijkheden, +even verderfelijk voor waren kunstzin als gevaarlijk voor het geloof in +Allah en zijn Profeet. Wat er van dit laatste zijn mag, laat ik daar; +maar als mijn kunstsmaak als ook mijn zucht naar wetenschap voldaan +zullen worden dan geschiedt dit vrij wat beter door uwe dichters en +denkers dan door de onzen. Wat prachtige heldendichten de uwe, wat +verheven lyriek, wat schitterende drama's, en welke ridderlijke en +edele, wat humane en zedelijk reine gevoelens in veel van dat alles! En +welk eene diepte en omvang tevens van gedachten bij uwe wijsgeeren van +ouds! Maar wat behoef ik ulieden dat te herinneren? Gij weet en begrijpt +het natuurlijk veel beter dan ik, die niet dan met zware inspanning uwe +moeilijke, zoo gansch en al van ons Perzisch en Arabisch verschillende, +klassieke taal kon leeren verstaan. + +--Nu, het Sanskrit waait ons tegenwoordigen Hindoe's, die +natuurlijk meest Hindostani spreken, ook juist niet aan,--zei +Siddha,--vraag Koelloeka maar eens, hoeveel hij met mij te doen +heeft gehad om 't mij te leeren. + +--'t Ging nog al,--merkte Koelloeka goelijk aan,--maar al heeft +dan een Feizi in den aanvang zoo goed als ieder ander moeite gehad +met het leeren der taal, hij heeft wél doen vergeten dat ze +oorspronkelijk hem niet eigen was, door zijne vertaling van onze +Kaçmirsche kronijk en voorzeker niet minder door zijne treflijke +navolging van Nala en Damayanti. + +--Wat heerlijk dichtwerk, niet waar?--hernam Feizi, die niet +spoedig was uitgepraat als hij eens over Hindoe-litteratuur +begon,--en hoever blijft niet elke bewerking in eene andere taal +beneden het origineel, zoo eenvoudig en toch zoo verheven schoon, +met die onovertroffen vrouwenfiguur, de edele, reine, bij alle +beproeving en miskenning, aan haar onwaardigen gemaal zoo +onwankelbaar trouwe Damayanti! Voor 't overige, als ik soms iets +navolg dan doe ik 't voornamelijk ten gerieve van Akbar, die +natuurlijk geen tijd heeft om nog eens vreemde talen te gaan +leeren en toch alles lezen wil. Zoo heeft hij mij ook al een +overzetting van de Evangeliën opgedragen. + +--Van de wat?--vroeg Koelloeka. + +--Van de heilige boeken dier mannen uit het Westen, die zich, naar +den stichter hunner godsdienst, Christenen heeten, en waarvan gij +toch zeker wel gehoord hebt. Nu, er staat ook veel lezenswaardigs +in die boeken, en er komen veel verheven en diepzinnige +denkbeelden in voor, nevens veel onbeduidends en ook onzinnigs, +even als in uwe theosophiën; maar over 't geheel geeft het niet +bepaald veel nieuws als men uwe theologie en wijsbegeerte eenmaal +kent. Maar wat mij ook zoo bijzonder steeds bevalt,--dus vervolgde +hij, zijne lofrede op oud-Indië's beschaving voortzettend,--dat +zijn uwe spreuken. Hoe laf en zouteloos schijnen mij wederom de +onze, die voor hooge wijsheid moeten doorgaan, als ik ze bij die +andere vergelijk! Al had ik er maar deze ééne van u geleerd, ik +zou al genoeg hebben om mij weer moed te geven als ik dien soms +verlies bij het arbeiden aan mijn manuscripten daar: + +"De schat, die niet vergaat, niet wordt geroofd, maar aangroeit, + Naar gij hem meer verkwist, die schat heet wetenschap." + + +--Is 't zóó goed?--vroeg hij Siddha, na de regels in 't +oorspronkelijke te hebben uitgesproken,--of maak ik soms een fout? + +Een oogenblik aarzelde Siddha met zijn antwoord, maar Koelloeka +aanziend, die glimlagchend knikte, antwoordde hij met gepaste +vrijmoedigheid: + +--Eene enkele, Heer! maar trouwens ook een zeer geringe.--En den +laatsten regel herhalend, verbeterde hij de uitspraak van een der +daarin voorkomende woorden. + +--Nu, ik kom er nog al wél af!--riep Feizi vrolijk uit,--maar +zegt gij mij nu ook eens een spreuk van Bhartrihari voor! Gij kent +er toch zeker wel een enkele van buiten. + +Siddha dacht een oogenblik na en reciteerde toen: + + "Elk werd geboren die leeft; wezenlijk echter geboren + Heel alleen hij, die een naam nalaat aan 't komend geslacht." + + +--Oho!--zei Feizi lagchend,--gij hebt daar in uw Kaçmir nog wat +anders dan Sanskrit geleerd! Gij zijt al vrij wel gevorderd in de +kunst van vleijen, mijn vriend! + +--Vleijen?--vroeg Siddha,--maar zou dan uw naam, als die van uw +broeder Aboel Fazl tot in de verste streken van Hindostan en zeker +ook van Perzië doorgedrongen, bestemd zijn om door volgende +geslachten weer vergeten of door hen niet gewaardeerd te worden? + +--Mijns broeders naam!--sprak de ander,--ja, dien zal men niet +ligt weer vergeten! Al was 't nog niet eens om zijn daden, dan +toch zeker om zijn onsterfelijk werk, zijn Akbar-Nameh, waarin hij +bezig is de regeringsgeschiedenis van onzen grooten Keizer te +beschrijven. Dat wordt eerst een boek, mijne vrienden! waarbij al +mijn werken en tobben in 't niet verzinken. Ik heb alleen, het +inziende, hem wel eens de aanmerking gemaakt, dat hij Akbar, die +toch altijd een mensch blijft en dus ook wel zijne gebreken heeft, +wat al te zeer in de wolken steekt, en dus alligt in toekomende +tijden zich den blaam van partijdigheid of zelfs van vorstenvleijerij +op den hals zal halen. Maar hij wil er niets van hooren, iets op zijn +lof van den Keizer af te laten dingen.--Als ik,--antwoordt hij mij, +--niet alles zeggen mag wat ik wezenlijk in gemoede denk van den man, +die meer is dan mijn vorst, die mijn weldoener is en mijn trouwste +vriend, dan werp ik mijn gansche boek veel liever in 't vuur!--Nu, gij +begrijpt, daartegen valt dan niet veel te redeneren. En bovendien men +kan 't aan Akbar zelf wel merken, al zegt hij 't niet, dat het hem +gansch niet onwelkom is, zich door zijn vriend, aan wiens oordeel hij +hooge waarde hecht, zoo geprezen te zien. + +--Edele Feizi!--sprak Siddha, nadat er een kort oogenblik stilte +had geheerscht,--mag ik u eens eene opregte vraag doen? + +--Wel zeker!--luidde 't gulle bescheid,--en ik hoop er even +eerlijk op te kunnen antwoorden. + +--Nu dan, toen wij daar van den Minister Aboel Fazl spraken, kwam +mij eene waarschuwing in de gedachte die hij mij dezen morgen gaf. +Hij waarschuwde namelijk tegen het verraad dat den Keizer hier +steeds omringt. Zoudt gij, die zoo verstandig zijt, nu wezenlijk +meenen dat hier nog lieden zijn kunnen dwaas en tevens misdadig +genoeg om tegen zoo magtig, zoo groot en zoo weldadig een vorst +als Shah Akbar zamen te spannen?--of is het werkelijk zoo? + +--Och kom!--riep Feizi uit,--mijn broeder ziet ook overal verraad! +Maar dat is nu eenmaal een Minister, en vooral een eersten, een +Groot-Vizier, eigen. Maak u echter niet al te beducht; de +menschen zijn inderdaad zoo slecht niet, en in elk geval niet gek +genoeg om zich aan dergelijke kunsten te wagen, waarbij ze hun +hoofd op 't spel zetten met voor 't minst tien kansen tegen één. + +--Feizi!--sprak Koelloeka ernstig en half verwijtend,--uwe +optimistische beschouwingen getuigen ongetwijfeld voor uw goed +hart; maar denkt gijzelf niet, dat ze soms gevaarlijk mogten +worden, en bijvoorbeeld jongeren, zooals onzen nog weinig ervaren +vriend hier, tot onvoorzigtigheid verleiden? + +--Nu, maar ik zeg ook niet dat hij onvoorzigtig moet zijn,-- +hernam de ander,--ik meen alleen dat hij nu juist niet behoeft te +beginnen met zich allerlei voorstellingen omtrent hof- en +staatsintriges in 't hoofd te halen, maar kloek en blijmoedig het +leven behoort in te gaan. Zoo begonnen wij allen, en we zijn er +immers wél bij gevaren. Met al te veel achterdocht aanvangend kon +hij op 't laatst wel eens niemand meer gaan vertrouwen, ook mijn +broeder zelf en mij niet. + +--Dat in geen geval!--riep Siddha levendig uit, terwijl hij Feizi +vrijmoedig in 't vriendelijk open gelaat zag,--en zoo min ik ooit +bedekte vijandschap van uwe zijde zou vreezen, zoo min hebt gij te +eeniger tijd verraad of trouweloosheid te wachten van wien zóózeer +prijs stelt op uwe achting en vriendschap als ik. + +--Gedenk dat woord!--zei nogmaals Koelloeka op ernstigen toon,-- +en bedenk tevens dat de mensch nooit bij magte is vooruit alle +omstandigheden en oorzaken te kennen, die eenmaal invloed kunnen +hebben op 't geen hij gewoon is, kortzigtig, zijn vrijen wil te +noemen. + +--Zie zoo!--sprak Feizi op zijn gewone luchthartige manier,--daar +zijn we nu weer aan de philosophie. Nu, gij weet, dat behoort ook +al tot mijn liefhebberijen, al ben ik er juist niet vér in; en als +mijn geleerde vriend Koelloeka wil, dan laten wij de lichten +aansteken, want het begint al donker te worden, en verdiepen wij +ons nog wat in Sankhya en Vedanta, waarin hij zelf zoo sterk is. +Jammer, dat wij Akbar zoo maar niet kunnen doen uitnoodigen om bij +ons gesprek tegenwoordig te zijn! Dat was juist weer iets voor +hem, die de droogste philosophische discussie vermakelijker vindt +dan de schitterendste feesten. + +--Niets liever, geëerde Feizi!--was Koelloeka's antwoord,--dan +zamen nog menig uur, gelijk wij vroeger zoo dikwijls deden, aan de +door u bedoelde onderwerpen te wijden; maar voor 't oogenblik is +'t voor ons meer dan tijd om te gaan. Siddha moet morgen in de +vroegte reeds op 't appél zijn om zijn kommando over te nemen, en +ikzelf heb te huis nog heden, al wordt het nacht, verscheiden +zaken te regelen vóór mijn vertrek, dat op overmorgen bepaald is. +Wilt gij ons dus vergunnen, thans voorloopig u dank te zeggen voor +uwe, als altijd, zoo vriendelijke ontvangst? + +--Ik moet wel, waarde vriend!--antwoordde Feizi, terwijl hij een +dienaar riep om de bezoekers uitgeleide te doen,--al verzette ik +mij gaarne tegen uw besluit. Siddha!--zeide hij nog vertrouwelijk +tot dezen, na afscheid gereed den dienaar en zijn leermeester te +volgen,--wij spraken daar straks van onvoorzigtigheden.... Waak +daar tegen! Maar een jong man als gij loopt er bij ongeluk toch +wel eens in, vooral aan zoo'n hof als 't onze, en mogt dat soms +eens gebeuren en gij u in verlegenheid bevinden, kom dan gerust +bij Feizi; die kan u misschien nog wel eens uit den brand helpen. + +En zonder antwoord of dank af te wachten keerde de broeder des +Ministers zich om, en ging naar zijn binnenvertrek terug.... + +Zoo ontbrak het dan Siddha,--de gedachte drong onder 't huiswaarts +keeren zich als van zelf bij hem op,--zoo ontbrak 't hem bij de +intree in het leven waarlijk niet aan goede raadgevers en aan +steun! Voor uiterste omstandigheden de wijze kluizenaar van het +gebergte, voor geringere moeijelijkheden de verstandige en +invloedrijke Feizi, en daarenboven de hem reeds gebleken gunst van +den eersten Minister en de toegezegde van den oppermagtigen Keizer +zelf. Wat iemand vooreerst nog meer had kunnen verlangen? + + + +VIERDE HOOFDSTUK. + +Akbar + +Toen den volgenden morgen onze jeugdige krijgsman op een van de +groote pleinen der vesting het bevel over zijne afdeeling benevens +de noodige instructiën van den Hoofd-Mansabdar der Radjpoet's +ontvangen had, bleek hem al spoedig dat in vredestijd ten minste +de dienst noch lastig noch bijzonder zwaar was te achten. De boven +hem gestelde officier was een streng man en zeer gesteld op de +krijgstucht, die bij deze troepen anders wel eens te wenschen +overliet; maar daaraan was Koelloeka's leerling wel gewend, +terwijl hij ook zelf een goede tucht onmisbaar achtte; en voor 't +overige bleek diezelfde Mansabdar, die hem als teeken van zijn +rang de witte reigerveder met het daaraan bevestigd onderscheidingsteeken +overreikte, een zeer beschaafd en wellevend mensch, wien het bij al +zijne strengheid ook niet aan zekere vriendelijkheid ontbrak. Niet +minder behaagde Siddha het voorkomen zijner ondergeschikten, aan wie hij +thans vormelijk werd voorgesteld; kloeke jonge mannen bijkans allen en +uitnemende ruiters, in sierlijke, schitterende kleedij als hunne +aanvoerders, met krijgshaftige houding en gelaatstrekken stralend van +levenslust en moed. + +Op uitnoodiging van den bevelhebber liet nu Siddha zijne ruiters +eenige evolutiën maken, waarbij hij zelf ook gelegenheid had zijne +rijkunst zoowel als de uitnemende dressuur van zijn hengst te doen +bewonderen; en na afloop der oefening zou Koelloeka, ware hij +tegenwoordig geweest, ongetwijfeld met zelfvoldoening de +goedkeuring hebben opgemerkt, welke zijn leerling van den kant +zijner superieuren ten deel viel. Na nog eenige gezamenlijke +bewegingen met eene andere op het plein verzamelde afdeeling, werd +de trompet gestoken ten teeken dat de exercitie voor heden was +afgeloopen, en bevel gegeven tot inrukken. + +Aan Vatsa, die bij een van de toegangen tot het plein hem stond te +wachten, gaf nu Siddha zijn paard over, en rigtte daarop zijne +schreden naar een der tuinen van het paleis, waarvan het bezoek +aan officieren van zijn rang veroorloofd was. Eer hij echter den +hof bereikt had, zag hij uit een zijlaan een jonge vrouw naderen, +blijkens hare kleeding eene dienares van goeden huize, die op hem +toetredend, een oogenblik hem oplettend aanzag en toen vroeg: + +--Zijt gij, Heer! niet de edele Siddha, die hier onlangs uit +Kaçmir moet zijn aangekomen? + +--Die ben ik,--antwoordde de ander,--gij schijnt mij te kennen. + +--Ik persoonlijk niet,--zei de dienares,--maar de edele vrouw die +mij gezonden heeft, gaf mij uwe aanduiding. Zij verlangt voor +eenige oogenblikken uw onderhoud; zoudt gij de goedheid willen +hebben haar dat te gunnen? + +--Maar,--vroeg Siddha,--wie is uw meesteres? + +--Vergun mij, Heer!--was het antwoord,--u den naam voor 't +oogenblik te verzwijgen; zij zelve zal u daaromtrent voorzeker +inlichten, als gij haar met een bezoek mogt willen vereeren. En +wilt gij dit, dan wacht zij u nog heden avond. Kom dan omtrent zes +uur ginds bij de moskee,--en hier wees zij naar het even prachtig +als sierlijk gebouw, dat daar op eene hoogte achter de tuinen met +zijne vergulde koepeldaken en wit marmeren minaretten in het +zonlicht glansde,--ik zal u daar wachten en u geleiden. + +Siddha aarzelde en zocht naar een antwoord. Een avontuur? En hij +dacht aan Iravati. Of een komplot? En hij herinnerde zich de +waarschuwing van Aboel Fazl. + +--Nu?--vroeg de dienares, eenigszins spottend hem aanziend,--weet +een ridder als gij niet wat hij doen zal, als eene aanzienlijke +vrouw hem uitnoodigt tot een kort onderhoud? Gij zijt toch, hoop +ik, niet bevreesd.... + +--Bevreesd!--riep Siddha toornig uit, terwijl een hoogrood zijn +gelaat overdekte,--wat geeft u 't regt....--Maar--vervolgde hij, +zich bedwingend,--'t is waar, mijne weifeling moest u zonderling +schijnen. Laat de reden u evenwel onverschillig zijn, en wacht mij +tegen den bepaalden tijd bij de moskee! + +--Het is wel!--antwoordde de vrouw en verwijderde zich met een +beleefden groet door de laan waarlangs zij gekomen was. + +Wel overlegde Siddha of hij niet beproeven zou haar ongemerkt te +volgen en zoo mogelijk dus te ontdekken met wie hij te doen had; +doch spoedig begreep hij dat hem dit toch niet gelukken zou, en de +dienares wel behoorlijk op hare hoede zou zijn. Schoon onvoldaan, +en met de gansche zaak en zichzelven niet erg tevrede, wandelde +hij dan maar voort in afwachting van 't geen de avond zou geven en +bereikte hij ook spoedig den eigenlijken hof. + +Zoo rijk ook de aanleg van dezen, toch was er iets wat het oog eer +vermoeide dan bevredigde: de onveranderlijk regte lanen, alle met +glad gepolijste steenen van verschillende kleur bevloerd, en meer +nog tusschen een soort van lage, kunstig gebeitelde muurtjes, dan +tusschen boomen uitloopend op eveneens in marmer besloten vijvers, +in wier midden zich fonteinen van allerlei vorm verhieven. Wat +daarenboven het gezigt nog eentooniger maakte, was het volmaakt +vlakke dier regte lanen, die op verschillende plaatsen in het +ongelijke terrein waren uitgegraven. Met dat al bleef de aanblik +toch treffend en in elk geval heerschte er doorgaans eene +aangename koelte ouder de digte, hier en daar verspreide +boomgroepen, waaronder ook sierlijke marmeren banken eene +aangename rustplaats boden. + +Op een dier banken zag onze wandelaar, na een tijdlang te zijn +voortgegaan zonder iemand te hebben ontmoet, een man gezeten van, +naar 't hem voorkwam, middelbaren leeftijd en eene, niet lange +maar bijzonder krachtige statuur, met breede schouders en +zwaargewelfde borst, een man wiens uiterlijk voorkomen, zonder dat +hij van de reden zich wist rekenschap te geven, op merkwaardige +wijze zijn aandacht trok. Van de hovelingen, welke Siddha tot +dusver ontmoet had, onderscheidde deze man zich door niets wat +bepaald onder woorden viel te brengen. Zijn gelaat, als dat der +meeste anderen glad geschoren, was kalm, waardig en open, maar +noch bepaald schoon, noch ook het tegendeel te noemen, en zijn +kleeding was rijk maar toch vrij eenvoudig. Een gewaad van niet +bijzonder kleurige, maar zeer fraai doorweven stof, en tot eenig +siersel, behalve de kunstig gedreven en met edelgesteenten bezette +sabelgreep, een enkele diamant van buitengewone grootte en +schitterenden glans in de plooijen van den tulband. Maar wat +sierselen noch schoonheid van gelaatstrekken konden verleenen, dat +was die eigenaardige uitdrukking van houding en blik, die Siddha +ook terstond in Gaurapada, den kluizenaar, had getroffen, maar hem +nu bij dezen nog veel meer in 't oog viel, en die nagenoeg +uitsluitend den heerscher, niet ligt een onderdaan eigen kon zijn. +Toch vermoedde hij in den onbekende niets anders dan een hoveling +of een krijgsbevelhebber; want van eenig vorst, die op dit +oogenblik zich aan Akbar's hof zou bevinden, had hij niets +gehoord, en de groote Keizer zelf zou toch zoo ligt niet voor +iedereen genaakbaar zijn, noch zoo eenzaam daar op een bank in een +der voor vreemden toegankelijke tuinen zijn gezeten. Met een +zwijgenden groet wilde hij juist voorbijgaan, toen de onbekende op +eens zijn naam uitsprak, en zonder op te staan en zonder nadere +inleiding vroeg, of hij al kennis met zijn Radjpoet's gemaakt had. + +Nogal verwonderd, dat iedereen scheen te weten wie hij was, +antwoordde Siddha bevestigend, waarop de ander, terstond de zaak +verklarend, voortging: + +--Ik herkende aan die reigerveder uw rang, en daar ik nu al uwe +medeofficieren persoonlijk ken en tevens wist dat gij dezer dagen +hier zoudt komen om uw betrekking te aanvaarden, was 't mij ook +niet moeilijk te weten wien ik voor mij zag. En hoe bevalt u die +betrekking? Zet u inmiddels! + +--Ik zou,--antwoordde Siddha, aan de uitnoodiging gehoor gevend, +al klonk die meer als een bevel, en nauw of in 't geheel niet +opmerkend hoe die volslagen onbekende hem als een ondergeschikte +scheen te behandelen,--ik zou al erg ondankbaar jegens mijn +begunstigers en den Keizer moeten zijn als ik de eervolle en +tevens aangename betrekking niet waardeerde waarin zij mij +geplaatst hebben. + +--...En den Keizer!--herhaalde de ander,--nu ja. Maar zeg mij, +komt gij nu eigenlijk om hem te dienen, of eenvoudig om deel te +hebben aan de voorregten, die uw rang aan zijn hof u verleent? + +--Een lastige vraag, edele Heer!--sprak Siddha openhartig,--en die +ik mij zelf eigenlijk nog in 't geheel niet gesteld heb. Ik zou er +voor 't oogenblik alleen op kunnen antwoorden: om 't een zoowel +als om 't ander. Dat ik overigens den Keizer trouw hoop te dienen, +zoolang eer en pligt het mij veroorloven, spreekt, dunkt mij, wel +van zelf als ik eenmaal vrijwillig mij aan zijn dienst verbonden +heb. + +--Voorzigtig geantwoord!--merkte de onbekende aan,--de vraag is +alleen maar, wat gij soms onder eer en pligt verstaat. Dat zijn +rekbare woorden. + +--Voor velen,--hernam Siddha,--maar niet voor mij. Ik neem ze in +den strengsten zin. Maar ook in eene bepaalde beteekenis. Eer en +pligt zouden mij bijvoorbeeld verbieden in strijd te handelen met +de belangen van mijn eigen vaderland, en ik zou dat ook niet +willen doen al werd het door Akbar zelf mij bevolen, maar in dat +geval liever al de voorregten opgeven, welke zijn gunst mij zou +kunnen verzekeren. + +--En gij zoudt wél doen,--sprak de ander goedkeurend, maar wat +reden hebt gij tot dergelijke onderstelling als zou de Keizer +inderdaad iets van u verlangen wat u en den uwen tot wezenlijk +nadeel kon strekken? + +Een oogenblik weifelde Siddha en draalde met zijn antwoord, +terwijl hij, als reeds vroeger, aan zijn gesprek met zijn oom, den +Goeverneur van Allahabad dacht. Spoedig echter vermande hij zich +en, den vreemde met vrijmoedigheid in het rond en open gelaat +ziende, vroeg hij zonder verdere inleiding of voorbereiding: + +--Is Akbar niet eerzuchtig? + +--Jongmensch!--sprak de onbekende op een toon en met een blik, die +Siddha zijns ondanks eene zijdelingsche beweging deden maken op +zijn bank,--zooeven hebt gij voorzigtige uitdrukkingen gebezigd, +maar aan 't hof van Shah Akbar zelf u zoo uit te laten jegens +iemand, dien gij in 't geheel niet kent, dat dunkt mij toch al erg +gewaagd. + +--Zoo mag het schijnen,--antwoordde Siddha onbevangen, ik ken u +niet, dat is waar; doch of ik uw naam en rang nu verneem of niet, +is mij voor 't oogenblik onverschillig. Ik zie u, ik zie uw +gelaat, ik hoor uw stem: dat is mij genoeg; en een edelman, jong +en nog onervaren bovendien, die openhartig en opregt met u +spreekt, zult gij en kunt gij niet verraden noch willen +benadeelen, omdat hij toont u te vertrouwen. + +Een glans van genoegen, doch niet zooals gestreelde ijdelheid dat +verschaft, maar van waarlijk edele en reine voldoening, overtoog +bij die eenvoudige woorden het gelaat van den onbekende. Vleitaal +te hooren was hem niet vreemd, en hij was daarvoor ook geenszins +ongevoelig, maar hier was het een woord uit het hart, dat +ongetwijfeld belangeloos tot hem gesproken werd, en juist datgene +in hem roemde waarop hij prijs stelde boven alles.... + +--Dat--zeide hij, de hand op Siddha's schouder leggend, en zachter +dan anders klonk zijn stem en eene innemende vriendelijkheid blonk +uit zijn helder oog,--dat is een waar woord, dat gij gesproken +hebt! Gij vertrouwt mij, zegt gij, ook hoewel ge mij nog niet +kent. Blijf daarbij als ge mij eenmaal wél zult kennen! Maar nu +dan Akbar! Eerzuchtig is hij, naar uwe meening, en gij hebt regt. +Ik ken hem eenigszins, al is 't ook zoo goed niet als ik wel zou +verlangen, en ik stem het u toe dat hij eerzucht heeft. Een +onbegrensde, nooit voldane eerzucht zelfs. Maar welke? Zoudt gij +dan werkelijk meenen dat het enkel de zucht was om al meer en meer +rijken en volken toe te voegen aan zijn reeds zoo uitgestrekt, nu +al zoo moeijelijk te beheerschen gebied? Zou hij zich met het +verworvene niet kunnen tevrede stellen? Zie toch! alleen het +betrekkelijk kleine rijk van Agra en Delhi was bijkans zijn eenige +erfenis; weinig of niets anders had Hoemayoen, zijn veelal +ongelukkige en zwaar beproefde vader, hem nagelaten; en +tegenwoordig strekt zijn gebied zich uit van de grenzen van Perzië +tot de uiterste streken van Bengalen en de gewesten van Dekkan en +Golconda. Wat verbeeldt gij u dan, of eenige nieuwe verovering, +bijvoorbeeld van uw ver afgelegen Kaçmir, op zich zelve hem zoo +buitengemeen veel genot zou verschaffen, of ook hem zoo groote +opofferingen waard zou zijn als elke veroveringstogt steeds kosten +moet? Toch kunnen er redenen bestaan, die een vorst gebiedend +nopen de onafhankelijkheid van een naburigen staat niet langer te +eerbiedigen, wanneer deze in ernst gevaarlijk dreigt te worden +voor de rust en de veiligheid zijner eigene volken. En in zulk een +geval moet hij handelen, moet hij strijden, ook al liet hij nog +zoo gaarne het zwaard in de schede en al ware hem niets +gewenschter dan een rijk van vrede en eendragt in de staten die +hem omringen zoowel als in zijn eigen land. Maar dat neemt alles +niet weg dat de afstammeling van Baber en Tamerlan inderdaad +eerzuchtig is, hoewel in een anderen zin dan gij blijkbaar +onderstelt.--Zijne eerzucht,--vervolgde de spreker,--terwijl zijn +anders rustig oog begon te schitteren,--zijne eerzucht dan is, en +was het voorlang, sinds de eerste jaren van zijn mannelijken +leeftijd, niet enkel de stichting van een groot en magtig rijk, +maar bovenal het geluk, de welvaart en de ontwikkeling der volken, +die hem door eene hoogere, al is 't onbekende, althans nooit +begrepen en doorgronde magt zijn toevertrouwd. Hunne maatschappelijke +toestanden heeft hij getracht te regelen, hunne oneenigheden bij te +leggen, het onderscheid, of den strijd ten minste, der verschillende +rassen te doen ophouden, een einde te maken aan godsdiensttwisten, en +den overmoed en de dwingelandij te beteugelen van magtige en zelfzuchtige +grooten. Hij heeft beproefd, de nijvere klassen der burgerij te verheffen, +en rijkdom en welvaart te verspreiden onder allen, wetenschappen en +kunsten aan te moedigen, en zijne volken op te leiden tot dien staat van +beschaving en verlichting, waarvoor velen hunner zoo uitnemenden +aanleg betoonen. Zeg nu vrij, dat dit alles veel te veel is voor +één enkel eenvoudig sterveling, en ik zal u niet weerspreken; maar +laat het streven naar een ideaal niet veroordeeld worden enkel +omdat het onbereikbaar is. En wezenlijk, volkomen bereikbaar, ja! +dat beken ik gaarne, is het ideaal van Akbar niet. Dat heeft hij +zelf al genoegzaam ondervonden. Hoe vele jaren van denken en +zwoegen en onophoudelijk strijden heeft hij niet al gewijd aan het +bereiken van zijn doel, en hoe vér, hoe vér, helaas! blijft hij +daarvan ook heden nog verwijderd! + +Met eerbied en ontzag had Siddha geluisterd naar den hem +onbekenden man, die inmiddels was opgestaan, en in 't vuur zijner +rede hartstogtelijk de hand had omhoog geheven, maar nu, ten einde +gekomen, ze weer mistroostig zakken liet en het diepdenkend hoofd +voorover boog op de ongetwijfeld ook een warm hart omsluitende +borst. Voor een oogenblik bestond er bij zijn, mede nu opgerezen, +toehoorder geen twijfel of hij zag niemand anders vóór zich dan +den Keizer zelf; maar toch scheen de gedachte alsof zóó een man +jegens hem, een jong en onbekend vreemdeling, zich dus zou +uitlaten, te dwaas dan dat hij wezenlijk er aan hechten kon. Met +dat al was hij nu toch voornemens rondweg te vragen met wien hij +eigenlijk gesproken had, toen zich voetstappen in de nabijheid +deden vernemen en een lang, schoon een weinig gebogen man in +stemmig gewaad, en, hier bij uitzondering, met een digten zwarten +baard, het verder onderhoud kwam afbreken en nadere vragen +onmogelijk maakte. + +--Abdal Kadir!--sprak de onbekende, meer evenwel in zichzelven dan +verklarend tot Siddha, en een oogenblik dekte een donkere wolk +zijn gelaat. Niettemin ontving hij den inmiddels naderbij gekomene +met beleefdheid, hem tevens een wenk gevend waaruit de ander +genoeg begreep dat hij onbekend verlangde te blijven. + +Met een trotschen blik nam Abdal Kadir den een weinig ter zijde +getreden Siddha van 't hoofd tot de voeten op, en keerde hem toen +zonder een woord te spreken den rug toe. Dat onzen Indischen +edelman het bloed naar de wangen steeg, was zeker bij dergelijke +bejegening niet te verwonderen, en juist wilde hij op den ander +toetreden om verklaring te eischen van de beleediging, toen de +onbekende hem terughield en zeide: + +--Laat, edele Siddha! de eenigszins vreemde handelwijze van mijn +vriend hier u niet al te zeer vertoornen! Hij heeft het niet +persoonlijk tegen u, zelfs in 't minst niet, daar ben ik zeker +van; maar het gezigt van u, Hindoe's in 't algemeen, is hem altijd +onaangenaam, omdat hij zich verbeeldt, dat zij schade doen aan +zijn geloof.--Is het zoo niet?--vroeg hij, Abdal Kadir aanziend. + +--Zoo is het inderdaad!--antwoordde deze;--en ik heb ook werkelijk +geen persoonlijke veete tegen u, jonkman!--vervolgde hij tot +Siddha,--ik ken u niet eens; maar des te beter die van uw stam en +geslacht. Hen te bestrijden blijft mij een heilige pligt. En ik +strijd tegen hen, ik haat hen met onverzoenlijken haat, niet omdat +ik niet velen hunner als menschen zou kunnen achten, maar omdat +zij ons geloof belagen en onzen Keizer zelf daarvan afkeerig +maken. Allah verloochenen zij, en bespotten Zijn Profeet; ons, +diens volgelingen, zoeken zij te verdringen en zich meester te +maken van ambten en bedieningen om hunne valsche goden en hunne +dwaalleeraars in de plaats te stellen van den God, buiten wien +geen God is, en van den eenige die in waarheid Hem verkondigd +heeft. Daarom, maar daarom ook alleen, haat ik hen en u. Ik haat u +en wil strijden tegen u ten einde toe, omdat gij óf ongodisten +zijt óf afgodendienaars, in elk geval verleiders van het volk, +verzoekers van den vorst. Genoeg! omdat gij anders niet zijt dan +ongeloovige.... + +Een uiterst strenge en doordringende blik van den ongenoemde hield +op de lippen van den spreker het woord terug dat blijkbaar volgen +moest, en, ware 't geuit, ook ongetwijfeld Siddha had doen +opstuiven in weerwil van al zijne pogingen om zich te bedwingen. + +--Ongeloovigen dan, in één woord,--vervolgde Abdal Kadir,--en dat +is voor een opregt zoon van den grooten Profeet reeds meer dan +genoeg. Maar wat gaat het u aan, of ik, die hier niets te zeggen +of te beteekenen heb, nu al dan niet met u en uw stamgenooten ben +ingenomen? Gij zijt immers verzekerd van de gunst des Keizers, die +alles doen kan, en ook doet, wat hem gelieft. Van de voormalige +belastingen, door de ware geloovigen met het volste regt van +ulieden, verzakers der goddelijke waarheid, gevorderd, heeft hij u +vrijgesteld; hij roept u tot alle betrekkingen, stelt u aan tot +zijne officieren en legerhoofden, kiest onder u zijne raadslieden +en vrienden; wat wilt gij meer? Laat mij dan, laat ons en onzen +geregten wrok; wij kunnen u toch niet deren! Eene andere vraag zal +het zijn of de straf des hemels niet eenmaal zal nederdalen op uw +hoofd, en... welligt ook hem zal treffen, die met eer en +gunstbewijzen u overlaadde in plaats van u te tuchtigen met de +roede en met het zwaard, door Allah zelf te dien einde hem ter +hand gesteld! + +--Mij dunkt,--sprak nu de onbekende na deze warme ontboezeming op +ijskouden toon,--mij dunkt, ons onderhoud, op deze wijze +voortgezet, kan voor geen onzer meer eenig nut of genoegen +leveren. Ongetwijfeld zoudt gij, vriend Siddha! ook aan 't woord +komend, nog wel 't een en ander tegen Abdal Kadir's redenen in 't +midden hebben te brengen, gelijk ik zelf ook verre ben van er mee +in te stemmen; doch, zoo ik mij niet vergis, komt hij ditmaal ons +niet opzoeken om een toch onvruchtbaren twist te voeren, maar ter +bespreking van een of ander dadelijk belang. Daarvoor sta ik hem +dan ook gaarne te woord. Vergun mij dus, u voor 't oogenblik +vaarwel te zeggen. Spoedig hopen wij elkander weer te zien.... + +--Abdal Kadir!--vroeg de tot dusver ongenoemde, nadat Siddha zich +verwijderd had met een eerbiedigen groet, waarvan overigens +slechts een zeer gering gedeelte was toegewijd aan den nijdigen +Islamiet,--wat verlangt gij van mij? + +--Sire!--antwoordde de toegesprokene, want dat het inderdaad Akbar +zelf was met wien Siddha zich had onderhouden, zou ieder hem +gezegd hebben die niet als hij voor 't eerst aan het hof van Agra +kwam,--Sire! mijn pligt als onderdaan en als vriend, geen eigen of +bijzonder belang, noopte mij tot Uwe Majesteit te gaan.... + +--Ik weet het,--viel Akbar hem in de rede,--zelfzuchtig zijt gij +niet, en beschermelingen houdt gij er ook niet op na. Toch zou ik +soms wenschen dat er iets van ware; misschien kon ik u dan nog +eens voldoen; thans gelukt mij dat zelden of nooit. Ook wil ik wel +wedden, tien tegen een, dat gij mij weer over geloofszaken hebt te +spreken; uw opgewonden woorden van zooeven verkondden mij alhaast +wat er komen moet. Wees intusschen zoo goed, u thans wat te +matigen! + +--Inderdaad!--antwoordde Abdal Kadir,--het geloof, ons eenig waar +en onvervalscht geloof, is het ook nu wederom wat mij herwaarts +voert. Daarover wensch ik een oogenblik onderhoud.--En,--vervolgde +hij,--nu van zijne zijde met een strengen blik,--een wezenlijk +ernstig, als het kan! + +--Ik wil gaarne mijn best doen,--zei Akbar beleefd,--en ik beloof +u, volstrekt niet te lagchen, mits... gij 't ook niet al te bont +maakt. + +--Het oordeel daaromtrent hangt af van de bijzondere opvatting,-- +merkte de ander aan,--maar ik wil mijnerzijds streven, de zaak zoo +bedaard mogelijk te behandelen. Mijn pligt dan, zeide ik, als +onderdaan noopt mij onverholen te spreken. Te waarschuwen toch, en +met allen ernst te waarschuwen, wordt dringend noodig voor al wie +als ik het opregt met Shah Akbar meent en tevens weet wat mij is +ter ooren gekomen. Dat er al lang een hevig ongenoegen onder ons, +wezenlijke Mohammedanen, bestaat over de wijze waarop allerlei +Heiden- en Jodenvolk door u, den Keizer, wordt begunstigd, en +lauwhartigen als een Aboel Fazl, en atheïsten als een Feizi, in de +hoogste magts- en ambtsbetrekkingen zijn geplaatst, is u voldoende +bekend. Maar wat gij niet weet, is, hoe er dientengevolge in 't +midden van uw rijk en in de dadelijke nabijheid van uw hof eene +partij is ontstaan, die onherroepelijk uw val en ondergang +besloten heeft, indien gij ten einde toe weigert gehoor te geven +aan de allezins billijke eischen, waarop zij, als vertegenwoordigende +de aloude en eenig ware vrienden van het huis van Tamerlan, mag aanspraak +maken. Nog onlangs was ik in de gelegenheid eene vergadering onzer +moellah's bij te wonen, en wat ik daar vernam was mij inderdaad reeds +genoeg om mij te doen sidderen bij de gedachte, wat dergelijke onder de +Mohammedaansche bevolking zoo invloedrijke mannen niet al vermogten +zelfs tegen een Akbar, indien ze eens gesteund werden door eerzuchtige +grooten en ontevreden legerhoofden, zooals er zoovelen ook aan het hof +van Agra zelf als overal in gansch Hindostan nog gevonden worden. + +--Maar,--vroeg Akbar, eenigszins ongeduldig,--wat willen dan +eigenlijk uwe moellah's en hun aanhang? Hebben ze niet genoeg aan +de meest volmaakte vrijheid om te denken en te spreken zooals zij +willen, en proselieten te maken zooveel ze maar kunnen? Heb ik hun +ooit een stroobreed in den weg gelegd? + +--Zeker niet,--hernam de ander,--maar dat zou dan ook ten hemel +schreijen! Doch wat baat hun die vrijheid, indien anderen, indien +alle mogelijke soorten van ongeloovigen volmaakt dezelfde +bezitten, en hier aan uw hof, en in het leger en allerwege in +allerlei maatschappelijke betrekkingen hen komen ergeren door hun +verontreinigende tegenwoordigheid? En wat komt er dan van de +handhaving van het eenig ware geloof, waartoe boven alles de +Keizer, de vertegenwoordiger van Allah hier op aarde, geroepen is? + +--Ja, daar zijn wij er weer!--riep Akbar uit,--dat is nu weer het +oude thema. Gijlieden alleen hebt de waarheid in pacht, en +daarvoor moet alles zwichten, ook ik, en wat niet buigen wil moet +breken. Maar waarom zijt gij nu eigenlijk alléén in 't bezit van +die waarheid? + +--Omdat de Profeet, gezegend zij zijn naam! ze ons verkondigd +heeft, en omdat.... + +--Omdat hij 't wist, en niemand anders dan hij. Goed! Maar daar +hebt gij nu die Padres, die hier uit het Westen, uit de landen der +Franken komen, ook eerlijke, brave menschen zooals gij. + +Die hebben ook een Profeet, dien ze, bedrieg ik mij niet, wel eens +als hun God vereeren, schoon mij dat nog niet regt duidelijk is. +En die is in elk geval ouder dan Mohammed. Dan zijn er ook nog de +Joden, die niets van dezen en ook niets van den anderen, maar +alleen van Mozes willen weten. En wat zegt gij dan wel van onze +Brahmanen hier? Die komen met zooveel oude en alle met het hoogste +gezag bekleede boeken voor den dag, boeken zoo eerwaardig oud dat +zijzelf ze haast niet meer kunnen verstaan, en beroepen zich op +zooveel zieners en heilige mannen dat Mozes met zijn Thora en +Christus met zijn Evangelie en Mohammed met zijn Koran er allen te +zamen nauw tegen op kunnen werken. En nu vraag ik u toch in +gemoede: Hoe wil ik een eenvoudig man, die van dat alles wel eens +iets gehoord heb, maar er geen honderdste part van versta, nu als +geloofsregter gaan beslissen en uitmaken of Mohammed bijvoorbeeld +meer regt dan Christus heeft? + +--Maar gij zijt toch in de leer van den Islam opgevoed? + +--Een weinig afdoende grond voor iemands geloof, dat toch wel op +eigen onderzoek en overtuiging dient te steunen en bezwaarlijk +alleen afhankelijk zijn kan van de omstandigheid of zijn vader hem +indertijd heeft laten doopen of besnijden! Maar 't is de vraag nu +ook niet, wat ik persoonlijk al dan niet heb te gelooven; dat gaat +niemand aan; maar alleen, wat ik als vorst, als beheerscher van +het rijk der Mogols te doen heb tegenover de belijders van al die +verschillende godsdienstsecten, die alle gelijkelijk aan mijn +heerschappij zijn onderworpen en dus ook gelijke aanspraak hebben +op mijn bescherming. En die vraag, geloof mij, beste vriend! die +zult gij nimmer kunnen oplossen zoolang gij alles van dien éénen +kant blijft bekijken en blind voor al de andere zijt. + +--Maar de gevaren dan toch, waarmede uw inzigten, daargelaten +welke waarde ze hebben, uw rijk en uw troon bedreigen? + +--Nu,--sprak de Keizer, met zekere minachting glimlagchend,--ik +heb wel aan andere 't hoofd geboden dan die waarmee de toorn uwer +geloofsdrijvers mij thans weer te bedreigen heet. + +--Andere!--hernam Abdal Kadir met nadruk en den vorst met +ernstigen blik in de oogen ziend,--juist, andere! Namelijk die +soort van gevaren, die vreemden u bereidden. Maar als het verzet, +heimelijk eerst, daarna meer openbaar, nu eens opkwam uit uw eigen +huis, of gevoed en bevorderd werd door hen die behooren tot uw +eigen geslacht? Indien uw zoon.... + +--Mijn zoon! Selim!--riep Akbar uit.--En toch,--ging hij voort,-- +onmogelijk schijnt zoo iets niet! Wij zagen dat meer in ons +geslacht en in dat der vorsten, die ons omringden en na eindelooze +familietwisten zich onderwierpen aan onze heerschappij. En zoo +meent gij dan dat Selim zelf zich met uwe ontevredenen tegen mij +zou kunnen verbinden? Want dat schijnt toch wel de strekking uwer +woorden. + +--Zoo is het, Sire!--antwoordde Abdal Kadir,--althans ik heb +gemeend dat hij zich daartoe wel eens door geloofsijver kon laten +verleiden; maar ik zeg nog volstrekt niet dat het reeds het geval +is. + +--Nu,--hernam Akbar,--als 't er dan werkelijk toe komen moest, één +ding is zeker, uit ijver voor 't geloof zou Selim dus niet +handelen; hij geeft vrij wat meer om fijnen wijn en schoone +vrouwen dan om den Koran en den Profeet. Maar dat neemt niet weg, +dat ik u dankbaar ben voor de waarschuwing. Waart gij er terstond +mee begonnen, we hadden ons vrij wat overtollige woorden kunnen +besparen. Hebt gij later weer eens meer zulke mededeelingen, we +zullen er u dank voor zeggen; zij kunnen ons leeren, een weinig op +onze hoede te zijn en onze lieden hier wat in 't oog te houden. +Voor 't oogenblik inmiddels: Vaarwel! + +En met een ietwat ironieken glimlach om de lippen verwijderde zich +de Keizer en liet Abdal Kadir in de gelegenheid om over den indruk +na te denken, dien zijne toespraken hadden te weeg gebragt. + +--Bij Allah!--bromde de volgeling van den Profeet tusschen zijne +tanden,--daar hebben we nu weer wat moois verrigt! Ik had gemeend +hem niet weinig te doen ontstellen toen ik Selim noemde en hem op +eens gedwee te maken door mijne mededeeling. Maar bij slot van +rekening heb ik hem nu eenvoudig gewaarschuwd; en in plaats van +ons te helpen, zal hij ons nu nog harder gaan tegenwerken, nu hij +weet of althans vermoedt dat sommigen der onzen met zijn eigen +zoon tegen hem zamenspannen, of ook, zoo hij 't misschien reeds +bevroedde, zich door mij in zijne meening bevestigd ziet. Een wijs +man acht gij u, Abdal Kadir! en toch... gij hebt weer gehandeld +als een gek! + +Och, of de ijver die mij bezielt, voor ons heilig geloof, mij ook +die kalmte steeds liet bewaren, die Akbar zoo zelden verlaat! Wat +voordeel hem dat niet verschaf, boven ons!... + +Of nu evenwel die bedaardheid, zooeven door Akbar betoond, ook +wezenlijk zoo opregt en natuurlijk was als de ander onderstelde, +mogt de vraag heeten voor wie hem in diep gepeins met naar den +grond geslagen oog en nu en dan het hoofd schuddend naar zijn +paleis had zien terugwandelen.... + +Daar, in zijne eigene, voor slechts enkelen toegankelijke +vertrekken wachtte inmiddels een man, wiens tegenwoordigheid +buiten twijfel aan Abdal Kadir, zoo hij er van geweten had, +opnieuw stof zou hebben gegeven tot hevige verontwaardiging,-- +Koelloeka, de Brahmaan. In gedachten verzonken zat hij naar den +vloer te staren, en noch de prachtige versierselen van het ruim en +luchtig vertrek noch het heerlijk uitzigt over de lagchende tuinen +scheen een oogenblik zijne opmerkzaamheid te trekken. 't Was dan +trouwens ook niet voor den eersten keer dat hij dit alles +aanschouwde. + +Een Keizerlijk wachter kwam weinig tijds na het straks gevoerde +gesprek hem wekken uit zijne mijmering om hem binnen te leiden bij +den Vorst. + +--'t Is mij lief u weer hier te zien, Koelloeka!--sprak de Keizer, +na minzaam den groet van den Brahmaan te hebben beantwoord,--en ik +wil hopen dat gij mij goede berigten medebrengt uit uw land. + +--Helaas, Sire!--antwoordde Koelloeka mistroostig,--wenschte dat +ik het kon; of ook de min gunstige voor Uwe Majesteit te mogen +verbergen, zooals ik 't nog voor anderen doe. Maar het vertrouwen +door Haar in mij gesteld, alsook het welbegrepen belang van mijn +land zelf, noopt mij, niet te verzwijgen wat ik weet. + +--Ik begrijp het al,--zei Akbar,--zeker weer de oude geschiedenis! +Partijveeten en familietwisten, zonen die tegen hun vader, +broeders die onder elkander intrigeren, dáár... als elders. + +--Maar al te waar!--hernam Koelloeka.--Toen eenmaal Nandigoepta, +de wettige Koning van het tooneel was afgetreden en zijn broeder +de vrije hand had gelaten, meenden wij dat nu voor goed de orde +zou zijn hersteld; en geruimen tijd was het ook zoo. Met de +bestaande regering was het volk tevrede, zooal niet ingenomen, en +aan nieuwe veranderingen werd althans niet gedacht. Ook nu is dat +onder de eigenlijke burgerij nog volstrekt niet het geval. Maar +toch begint weer factiegeest nieuwe onlusten aan te stoken, en al +wederom nieuwe omwentelingen schijnen te worden voorbereid. Wat +nog misschien het ergste is, wij weten niet te ontdekken van welke +zijde het voornamelijk komt. De zoons van den Koning, die vroeg of +laat tegen hem in opstand dreigen te geraken en onderling ook al +weer verdeeld schijnen, handelen zeer zeker niet uit eigen +beweging en worden blijkbaar opgestookt. Maar door wie? Ziedaar +wat tot dusver ons ontsnapt. + +--'t Mag zijn hoe het wil,--sprak de Keizer, vast en beslissend,--of +zij zelfstandig handelen of niet, het schijnt toch dat het oude spel +weer zijn gang begint te gaan. En wat moet, indien 't niet bijtijds +wordt verhinderd het onvermijdelijk gevolg daarvan zijn? Dat, als +vroeger, de verschillende partijen zich gaan uitrusten tot openlijken +strijd, dat burgeroorlog uw land verscheurt, en dat van weerszijden +zich benden vormen, die, naarmate ze minder geluk hebben binnen de +grenzen van hun eigen landstreken het elders en wel bepaald binnen de +mijne gaan beproeven, en mijne landen en mijne onderdanen komen +plunderen en brandschatten om zich schadeloos te stellen voor wat zij +te huis verloren hebben. En nu zeg ik u zonder omwegen en eens voor +goed, opdat gij in tijds moogt gewaarschuwd zijn, ik zal dat niet +dulden. Mijn rijk, mijne volken zullen geëerbiedigd worden, en kan dit +niet anders dan door geweld, welnu, wat moeite en wat schatten 't ook +weer kosten moge, ik verzamel opnieuw mijne legers en voer ze naar het +Noorden om ook daar de rust te herstellen, die onmisbaar voor de +welvaart mijner onderdanen blijft. Liever nog het gansche rooversnest +uitgeroeid dan het tot schade der mijnen enkel om der lieve vrede wille +te laten voortbestaan! Ondanks al zijn ontzag voor den Keizer mogt ook +de bezadigde Koelloeka een opwelling van toorn niet bedwingen bij die +trotsche en als uitdagende taal, en donkerder kleurde zich, al gaf hij +geen dadelijk antwoord, zijn door de zon gebruind gelaat. + +--Vergeef mij, waarde Koelloeka! hernam thans evenwel Akbar,-- +indien mijne woorden u soms griefden; maar gij weet immers zoo +goed als ikzelf, dat ik, dus sprekend, de goeden onder ulieden, +zooals gijzelf of uw tegenwoordigen vorst of zijne ministers niet +bedoel, maar enkel die ellendige intriganten, die uzelven het +meeste nadeel berokkenen en ons bedreigen met de gevolgen van +hunne onzalige woelingen. Daartegen te waken is en blijft mijn +pligt, en ik zal dien weten te vervullen. Help mij voorzooveel gij +kunt om mijne tusschenkomst onnoodig te maken, en gij moogt u +verzekerd houden dat ik de laatste zijn zal om ze u op te dringen. + +--Ik stel volkomen vertrouwen in uwe woorden,--sprak Koelloeka,--en +zoo ik een gevoel van wrevel niet gansch terug kon houden, 't was zeker +niet minder om de vloekwaardige lagen, die ook thans weder ons land en +onzen vorst worden gelegd, dan om de bedreigingen, waartoe ze, ik moet, +hoe ongaarne ook, het wel erkennen, aanleiding geven en het regt. Maar +schuilt nu in Kaçmir zelf en nergens anders het verraad? En is het zoo +gansch ondenkbaar dat er hier aan uw eigen hof en in uw naaste +omgeving, onder uwe verwanten zelfs, wordt zamengespannen tegen ons, +als tegen uw gezag? + +--Hoe nu? Wat meent gij? + +--Ik ging te ver welligt en sprak misschien voorbarig. Maar ik heb +mijn vermoedens en, zoozeer ik wenschen mogt dat zij ijdel bleken +te zijn, toch kan ik ze niet gansch en al van mij afzetten. +Selim.... + +--Wat? Al weder Selim? Zou die ook hier weer in betrokken kunnen +zijn? + +--Wat hij verder nog uitrigt is mij onbekend, maar enkele +aanduidingen, hoewel zeker nog zeer onbestemde, geven mij toch +aanleiding Uwe majesteit in dezen te waarschuwen. Blijken zij +ongegrond, des te beter; maar goed toe te zien kan toch in elk +geval geen kwaad. + +--En dat zal geschieden! Voor 't oogenblik echter berust nagenoeg alles +nog maar op onderstellingen en onbewezen mogelijkheden. Oordeelen en +handelen wij dus niet te ras! Wees echter verzekerd dat niets van 't +geen gij thans mij hebt medegedeeld mijn nauwlettend onderzoek zal +ontgaan, en als we elkander weerzien zal de tijd tot beslissing en +handeling misschien ook zijn aangebroken. Tot zoolang geen welligt +ijdele zorgen. Doch eer ge van hier gaat wil ik u nog iets mededeelen, +waarin gij meer persoonlijk wel eenig belang zult stellen. Ik heb zoo +straks uw leerling gesproken. + +--Hoe, Siddha?--riep Koelloeka eenigszins verwonderd uit,--en wie +stelde hem dan nu reeds voor? + +--Niemand,--antwoordde Akbar,--ik heb, in 't park hem ginds +ontmoetend en ligt begrijpend wie hij was, hem zelf maar eens +aangesproken. Gij weet dat ik wel eens meer zoo handel. + +--En hij wist niet dat hij met den magtigen Keizer sprak? + +--Natuurlijk niet, en 't bleek mij dat hij 't ook niet vermoedde. +Zeg 't hem ook niet als gij hem zien mogt; later zal ik hem zelf +wel inlichten. Maar gij verlangt zeker te weten wat ik van hem +zeg? Welnu, ik ben heel wel met hem tevrede; 't is een flinke, +eerlijke jongen, in wien ik vertrouwen stel. Misschien soms wat +onvoorzigtig en wat heel openhartig.... + +--Hij heeft immers niets gezegd wat ongepast tegenover den Keizer +kon zijn? + +--Wel iets,--hernam Akbar lagchend,--ten minste indien hij geweten +had tot wien hij 't zeide. Maar stel u gerust! Toen ikzelf hem +onder 't oog bragt dat hij zich wat haastig uitliet, gaf hij mij +een verontschuldiging waartegen ik niets had in te brengen. Maar +genoeg! ik heb u gezegd dat hij mij voldeed, en 't is u bekend dat +ik anders juist niet gewoon ben zoo aanstonds gunstig over de +menschen te oordeelen die ik voor 't eerst zie. Laat hij zelf nu +maar zorgen dat de goede indruk niet verloren ga! Andere zaken +roepen mij nu voor 't oogenblik. Ik houd u dus niet langer terug! + +Met eerbiedigen groet verliet Koelloeka het vertrek en met +welgevallen zag Akbar hem na,--hem, een man zoo ver van hem +verwijderd én in stand én in rang, én door uitwendige godsdienst +en nationaliteit, maar toch opregt aan hem verbonden door achting +en vriendschap, en dengene onwankelbaar trouw, wien hij eenmaal +zijn woord had verpand. + +--Op dien ten minste valt te rekenen!--sprak de Keizer in +zichzelven,--in hem althans is geen bedrog.--En hij had regt. Maar +hoevelen nog die hem nader stonden en van wie hij niet met +evenveel regt hetzelfde getuigen kon! + + + +VIJFDE HOOFDSTUK. + +Een nieuwe kennis en een oude + +Niet lang had Siddha, omstreeks den bepaalden tijd, in de +nabijheid van de moskee gewacht of hij zag de dienares naderen +die, digter bij gekomen, hem uitnoodigde haar te volgen. Door +verschillende lanen en zijpaden ging zij hem voor, tot zij +eindelijk aan een hoogen tuinmuur kwam en een klein in den muur +aangebragt poortje opende, dat zij ook, nadat beiden waren +binnengetreden, zorgvuldig weer sloot. Een digte laan met +cactussen en andere gewassen leidde hen tot een soort van terras +met oranjeboomen en verscheidene fonteinen, waarop de achtergevel +uitzag van een klein, maar bijzonder sierlijk en smaakvol huis, +welks overig gedeelte in zwaar geboomte verscholen bleef. Langs de +marmeren trappen en door een opene galerij werd nu Siddha door +zijn geleidster in een mede aan den voorkant gansch geopend +vertrek gevoerd; en na hem te hebben binnengebragt, verdween zij +achter een der voorhangen. + +Op een divan, aan de opene zijde van het vertrek, lag daar in +bevallig achtelooze houding eene jonge, rijk en met smaak op de +Perzische wijze gekleede vrouw, die zoodra zij haar bezoeker +gewaar werd zich van het rustbed verhief en hem te gemoet kwam om +hem welkom te heeten. Of zij schoon was? Met juistheid zou Siddha +niet geweten hebben het te beslissen. Hare trekken waren niet +regelmatig, haar gestalte was klein en tenger; maar hare zachte +blauwe oogen, met lange zijden wimpers overschaduwd, hadden eene +onbeschrijfelijk vriendelijke en innemende uitdrukking; haar +alligt ietwat te groote mond scheen ook tot iets anders nog uit te +noodigen dan enkel tot het luisteren naar hare woorden; en, was +ook hare gestalte niet groot, zij bezat daarentegen de meest +volmaakte evenredigheid, terwijl het gedeeltelijk eng sluitend +gewaad de schoone ronding der vormen te duidelijker deed uitkomen. +Wat evenwel Siddha terstond meer in 't bijzonder trof, was de hier +wel buitengemeene blankheid van den hals en den half ontblooten +boezem, waarom zich een kostbaar parelsnoer wond, en niet minder +ook de rozeroode tint der wangen, gelijk hij die bij andere niet +bruin gekleurde vrouwen tot dusver nog nooit had opgemerkt. + +--Edele Heer!--sprak de onbekende, en zoo de indruk, dien haar +gansche voorkomen op Siddha gemaakt had, niet reeds zoo gunstig +ware geweest, de liefelijke klank harer stem zou hem volkomen +hebben gewonnen,--ik zeg u dank dat gij zoo spoedig aan mijne +uitnoodiging hebt willen voldoen. Welligt was mijn vezoek wat +onbescheiden; maar als ik u de reden heb medegedeeld, zult gij, +hoop ik, 't mij niet al te euvel duiden. + +--Aan zulk een uitnoodiging gehoor te weigeren,--antwoordde +Siddha,--ware ongetwijfeld al zeer onridderlijk geweest. Maar +gaarne wil ik u de verzekering geven, edele vrouw! dat ik niet dan +met ongeduld den tijd van het bezoek had kunnen afwachten, indien +ik vooraf in de gelegenheid was geweest om het beeld te zien van +degene die mij de uitnoodiging deed toekomen. + +Met een ligte hoofdbuiging het gezegde beantwoordend, dat zij +blijkbaar als een beleefdheidsphrase opvatte, ging de jonge vrouw +voort: + +--Mijne verontschuldiging dan is, dat geen eigenbelang mij tot +deze handelwijs bewoog, maar het belang van eene andere, van eene +vriendin, die ik hartelijk liefheb. Zij werd vóór eenigen tijd +genoodzaakt uit Agra te vlugten om de lagen te ontgaan, die haar +door sommige aanzienlijke en magtige personen gelegd werden, en +vér van hier, in uw land, in Kaçmir, een schuilplaats te zoeken. +Nu heb ik haar eenige mededeelingen te doen, die voor haar van +groot gewigt kunnen zijn; maar ik wist tot heden geen middel om ze +haar veilig te doen geworden, daar ik de boden, die hier tot mijne +beschikking mogten zijn, geen van allen kan vertrouwen. + +Daar verneem ik toevallig,--hoe, doet nu niet af,--dat gij met uw +vroegeren leermeester Koelloeka in Agra waart gekomen, en tevens, +dat de goeroe spoedig weer naar zijn land terugkeert. Ik begreep +terstond dat ik niet beter kon doen dan mijn vertrouwen te stellen +in de eer van een edelman zooals gij, wiens naam mij ook wel +bekend was, en besloot dus u te verzoeken, uw vriend met de +overbrenging van een brief te willen belasten, waarin ik kennis +geef aan mijne vriendin van 't geen zij belang heeft te vernemen. +Zou dit verzoek nu te veel soms van u of van den waardigenen +Koelloeka gevergd zijn? + +Een gevoel van verligting was Siddha's eerste gewaarwording bij +het aanhooren van deze woorden. Zoo kwam dan de gansche zaak +eenvoudig neer op het overbrengen van een blijkbaar zeer +onschuldigen brief, die hem voor 't overige ook niets aanging. +Toch mengde zich, half onbewust, een zekere teleurstelling onder +dat gevoel van tevredenheid. Dat er geen sprake was van eenige +zamenzwering mogt hem ongetwijfeld zeer verblijden, maar of zijne +ijdelheid wel zoo bijzonder gevleid kon zijn door de overtuiging +dat er ook geen zweem van een avontuurtje zich vertoonde? +Inmiddels haastte hij zich aan de onbekende de verzekering te +geven, dat hij zeer gaarne zijn leeraar met den brief zou belasten +en dat deze ook tegen de overbrenging wel geen bezwaar zou maken. + +Op een teeken der jonge vrouw verscheen nu de dienares en bragt op +haar verlangen een in briefvorm zaamgevouwen en met een zijden +koord en een zegel gesloten stuk. + +--Het opschrift,--sprak gene, nadat de dienares weer vertrokken +was,--luidt, zooals gij ziet, aan iemand anders dan aan mijne +vriendin zelve. De naam is u misschien bekend. + +--Zeer zeker!--antwoordde Siddha,--ik ben meer dan eens met dien +jongen man op de jagt geweest.--Nu, die zal haar den brief dan +ter hand stellen. Zoo doende weet uw vriend Koelloeka niet aan wie +hij eigenlijk gerigt is, 't geen mij wenschelijk voorkomt, om niet +meer personen in 't geheim te mengen dan er nu reeds mee bekend +zijn. Ik hoop maar,--vervolgde zij na een oogenblik zwijgens,-- +dat mijne vriendin haar voordeel zal kunnen doen met hetgeen ik +haar meld. Inderdaad ik heb opregt medelijden met haar in hare +ballingschap; en toch, ik kan haar soms ook benijden, dat zij in +de gelegenheid is uw heerlijk land te bezoeken, waarvan ik zooveel +prachtige beschrijvingen heb gelezen. Maar zeg mij, opregt +gesproken, zijn die beschrijvingen niet soms wat overdreven, ten +minste wat heel dichterlijk? + +--Ik voor mij,--antwoordde Siddha,--zoozeer mijn leermeester mij +ook altijd gewaarschuwd heeft tegen overschrijding van de grenzen +die goede smaak en werkelijkheid ons stellen, ik heb toch steeds +als hij gevonden dat de beschrijvingen door u bedoeld nog vér +beneden de waarheid bleven. Inderdaad, ook in deze streken heeft +de natuur soms haar schoon, en bekoorlijk zijn menigmaal de +boorden uwer Djoemna, en bij de pracht en de weelde uwer paleizen +en lusthoven haalt niets in ons noordelijk land; maar wat daar +toch bergen en dalen en bosschen en lagchende velden er bieden, +zoudt gij in deze zooveel minder bevoorregte streken u bezwaarlijk +weten voor te stellen. En door de herinnering aan zijn vaderland +als door de belangstelling zijner nu waarlijk schoone toehoorderesse +medegesleept, begon zich onze Siddha in schilderingen van Hindostan's +wereldberoemd paradijs te verliezen, wier welsprekende voordragt niet +minder dan het uiterlijk van den verhaler den blik van wezenlijk +welgevallen regtvaardigde, waarmede de luisterende nu en dan den edelen, +krachtigen jongeling aanzag. + +--Maar ik hield u te lang reeds bezig,--sprak zij oprijzend ten +laatste,--en heb waarschijnlijk reeds misbruik gemaakt van uwe +welwillendheid. Eén verzoek nog! Laat onze zamenkomst, ter wille +ook van de belangen mijner vriendin, een geheim blijven tusschen u +en mij. Van eenige beteekenis kan die vlugtige ontmoeting trouwens +ook niet zijn. + +--Voor u zeer zeker niet,--sprak Siddha,--voor mij echter meer dan +gij schijnt te meenen. + +--Ik zie,--hernam de andere lagchend,--dat gij, Hindoe's niet +minder dan de onzen de kunst verstaat om u hoffelijk jegens +vrouwen uit te drukken. Maar dat daargelaten! Een enkel woord ben +ik u echter nog verschuldigd. Ik zou mij uw vertrouwen al zeer +onwaardig toonen indien ik, zelve u kennend, mij voortdurend als +geheel onbekende jegens u bleef gedragen, en ik zie dan ook geen +bezwaar, mits onder geheimhouding altijd, u mijn naam en stand mee +te deelen. Die is voor 't overige nederig genoeg. Mijn naam is +Rezia; mijn vader was een Armeniër, die, hier gekomen om handel te +drijven, mij vroegtijdig uithuwde aan een rijk, maar reeds +tamelijk bejaard koopman hier in de stad. Sinds geruimen tijd is +deze voor zijn zaken naar Perzië en verder nog naar het Westen +getrokken; en in lang heb ik ook niets van hem vernomen. Inmiddels +woon ik hier, zooals gij ziet, eenzaam en stil, hoewel anders niet +verstoken van de aangenaamheden en de rustige genoegens van het +buitenleven. Zoo weet gij dan ten minste voor wie gij u de moeite +van een bezoek hebt getroost, al is het dat wij elkander na dezen +niet verder mogten ontmoeten. + +--En waarom, edele Rezia! zou dat niet mogen zijn?--vroeg Siddha; +--niets, dunkt mij, behoeft u en mij daarin te verhinderen, en +mogelijk zou ik u soms nog 't een en ander kunnen meedeelen van +het land waar tegenwoordig uwe vriendin vertoeft, dat misschien in +staat ware uwe belangstelling op te wekken. + +--Welnu!--antwoordde Rezia,--niet geheel wil ik uw vriendelijk +aanbod afslaan. Indien gij een dezer avonden soms nog een verloren +oogenblik vindt, ik houd mij dan aanbevolen voor eenig berigt of +de verzending van mijn schrijven geen bezwaar heeft gevonden en +naar gissing goede kans heeft te slagen. Mijne dienares ontmoet u +alligt hier of daar en gij hebt haar slechts een tijd te noemen om +mij nogmaals een bezoek te brengen in mijn stil verblijf. + +--En voor die gelegenheid wil ik u dankbaar zijn,--antwoordde +Siddha, terwijl hij, zorgvuldig 't hem toevertrouwde stuk in zijn +gordel verbergend, zich gereed maakte om voor 't oogenblik +afscheid te nemen. + +Op een hernieuwd teeken vertoonde zich nogmaals de vertrouwde +dienares en deed Siddha weer uitgeleide langs denzelfden weg, die +hem straks den toegang tot het paviljoen had verleend. + +Te huis gekomen stond hij lang nog in gedachten voor de open +veranda van zijn vertrek en staarde naar de zacht daar beneden +voortstroomende rivier. Dat waren dan dezelfde wateren, die den +voet van Allahabad's burgt besproeiden en waarin ook het liefelijk +gelaat van Iravati zich weerspiegeld had! Was het niet als bragten +die golven hem den groet der teeder beminde en als fluisterden zij +hem woorden toe van liefde en van trouw? Snel nam hij het +medaljon met Iravati's portret van den wand, kuste het en zette +zich neder in de galerij. Lang nog bezag hij het beeld en +beminnelijker dan ooit schenen hem de trekken der edele en schoone +Hindoe-jonkvrouw. Maar zonderling toch ook! Als zijn blik soms +weer afdwaalde en rondzwierf langs de paleizen en tuinen aan de +boorden van den stroom, dan doemde ook weer een ander beeld in +zijn herinnering op,... de bevallige houding, de sierlijke +gestalte, de blauwe oogen, de bekoorlijke stem van Rezia, de +Armenische. Wat die vrouw hem dan aanging? Zeker niets; maar wat +kwaad ook van den anderen kant, zoo hij ze lief en innemend vond? +Hij had toch waarlijk niet aan Iravati de gelofte gedaan, alle +mogelijke andere vrouwen leelijk en onbehagelijk te zullen +noemen!... + +--Hallo!--klonk het 's anderen morgens vroeg in den voorhof van +Siddha's woning,--is uw meester nog niet wakker? Ga eens en zie of +ik hem stoor met een bezoek! + +Juist wilde Vatsa aan het bevel gehoorzamen toen Siddha zelf, +bezig zich gereed te maken om uit te gaan, terstond de vrolijke +stem van Parviz, den neef van Aboel Fazl, herkende, en in den +voorhof zich begevend, zijn bezoeker uitnoodigde binnen te komen. + +--Hebt gij dienst?--vroeg deze. + +--Een paar dagen niet. + +--Nu, dat treft. Dan komt het u misschien wel gelegen eens een +uitstapje te maken? + +--Zeer gaarne! Waarheen? + +--Wel! naar Fattipoer Sikri natuurlijk, de buitenresidentie van +den Keizer. Daarheen zou alweer een ieder u voeren, die u voor 't +eerst een togtje in de omstreken liet doen. + +--Ik geef mij geheel over aan uwe vriendelijke leiding,--hernam +Siddha,--veroorloof mij echter u een enkel oogenblik alleen te +laten. Koelloeka vertrekt straks en ik wil hem dus even vaarwel +zeggen. + +Spoedig was hij, Koelloeka opgezocht hebbende, met het afscheid +gereed, waarbij zijn leermeester zonder verder navragen zich met +de overbrenging van den brief belastte; en kort daarop zat hij in +den zadel en reed met Parviz, gevolgd door den dienaar van zijn +vriend en den zijne, de stad uit. + +Een breede laan, door vrij hooge boomen beschaduwd en met schoone +vergezigten over de velden en bosschaadjen aan weerszijden, maakte +den togt voor een groot deel tot een wezenlijk aangenamen +wandelrid. + +--Zie,--sprak Parviz, toen men een tijdlang had voortgereden,-- +zulke lanen heeft de Keizer nu ook laten aanleggen op andere en +verre wegen, waar vroeger haast geen blad groeide en waar men van +hitte verging. Een zeer nuttig werk voorzeker! En geen reiziger +trouwens die er Akbar niet dankbaar voor is. + +--Ja, de Keizer doet nuttige dingen!--antwoordde Siddha; en +daarbij tevens aan den merkwaardigen man denkend met wien hij den +vorigen dag over Akbar gesproken had, deelde hij Parviz in +algemeene bewoordingen zijne ontmoeting mede en vroeg hem of hij +den persoon kende, wiens uiterlijk hij beschreef. + +--Neen, die is mij niet bekend,--zei Parviz, met moeite een +glimlach bedwingend,--maar gij zult hem misschien wel eens +weerzien. + +--Waarschijnlijk wel,--hernam Siddha,--hij schijnt hier thuis te +behooren. Maar vertel mij dan eens iets anders. Hoe komt het dat +er hier zooveel mannen zijn die in 't geheel geen baard dragen? Ik +dacht juist dat uwe Mohammedanen zoo bijzonder op een baard +gesteld waren. + +--Dat zijn zij ook, maar Akbar zelf denkt nu juist anders over de +zaak. Zoo een kneveltje als het uwe of 't mijne kan er bij hem nog +wel door, maar liefst ziet hij in 't geheel niets op iemands +gezigt. Of dat nu enkel een gril is zooals men die ook bij de +verstandigste menschen wel eens meer ontmoet, dan of hij met opzet +de regtzinnig geloovigen wil plagen, of ook hun toonen dat hij om +hunne vooroordeelen en vormbegrippen niet geeft, ik weet het niet, +maar zeker is dat de zaak, zoo onbeduidend en kinderachtig ze +schijnen mag, al tot heel wat onaangenaamheden en gehaspel heeft +aanleiding gegeven. Doch hier naderen wij de woning van een der +dorpshoofden in den omtrek, dien ik door mijn oom den Minister +goed ken; willen we een oogenblik bij hem uitrusten en onze +paarden wat water geven? Mijn bruin ten minste zal er wel naar +verlangen; hij stond al een heelen tijd gezadeld eer ik uitreed. + +Overeenkomstig het voorstel steeg men af in den binnenhof der +nette en flink van hout en steenen opgetrokken, te midden van +tamarindeboomen en acacia's gelegen boerderij; en weldra vertoonde +zich op het geroep zijner onderhoorigen de eigenaar zelf, een +Hindoe van middelbare jaren en deftig, magistraal voorkomen. Na de +gewone pligtplegingen en terwijl de gastheer frissche vruchten +nevens een kruik ijskoud kristalhelder water liet aanbrengen, kwam +het gesprek, zooals te verwachten was, al spoedig op den landbouw +en de bijzondere welvaart die er ook voor een weinig geoefend oog +reeds terstond onder de landbouwende bevolking dezer streken viel +op te merken, en die gunstig afstak bij 't geen Siddha in zijne +eigene gewoon was te zien. + +--Voor een deel,--verklaarde het dorpshoofd,--is die gelukkige +toestand natuurlijk ons eigen werk; zonder arbeid en inspanning +waren wij er zeker niet gekomen; maar grooten dank ook zijn wij +den Keizer verschuldigd, wiens verstandig en bijzonder doelmatig +stelsel van bestuur ons eerst tot eigen krachtsinspanning de regte +gelegenheid gaf. + +--Ik heb er van gehoord,--merkte Siddha aan,--maar om u de +waarheid te zeggen, ik ben daaromtrent nog niet geheel op de +hoogte. + +--Toch is het zeer eenvoudig,--hernam de Hindoe,--en voor iemand +van uwe beschaving gemakkelijk genoeg te vatten. Het gansche +systeem toch berust in hoofdzaak op eene geschikte verdeeling der +landerijen, eene vaste, billijk geregelde opbrengst der landrente, +en bovenal op de regtszekerheid die het een en het ander den +landeigenaar en den landbouwer verschaft. Vroeger ging alles +tamelijk willekeurig, en wist niemand regt wat hem eigenlijk +toekwam en wat hij op te brengen had, terwijl aan ons dorpshoofden +meerendeels bleef overgelaten, met de regering de jaarlijksche +opbrengst der velden, naarmate die soms voor-, soms nadeelig +heette, te regelen: Thans is dat alles anders geworden. De velden +zijn behoorlijk opgemeten en de grenzen vastgesteld; de opbrengst +wordt met inachtneming van de meerdere of mindere vruchtbaarheid +der daartoe in verschillende klassen ingedeelde gronden, over een +bepaald aantal jaren geschat; en, wat niet het minste zegt, en +tevens misschien wel het moeijelijkst te regelen viel, de daarnaar +berekende landrente of belasting wordt zooveel maar doenlijk in +geld, en niet meer als vroeger in voortbrengselen voldaan. En geen +regeringsbeambten hebben meer te beslissen, wanneer daarover +geschillen ontstaan, maar de regter alleen. Het gevolg van dat een +en ander moet wel zijn, en is het ook, dat de landbouwer, eigenaar +of pachter, nu eenmaal vooruit kan weten wat zijn land hem +ongeveer zal kosten, wat hij te betalen heeft en wat zijn vrij +beschikbaar eigendom blijft. En is het dan wonder zoo hij, met +eenige energie, en goed zijn eigen belangen begrijpend, ook +wezenlijk vooruitgaat en welvarend wordt waar hij te voren nauw +zijn dagelijksche rijst kon verdienen? Trouwens gij ziet de +vruchten, en kunt dus zelf oordoelen, hoewel gij 't nog beter +zoudt kunnen indien gij onze landerijen en haar bewoners in den +vroegeren toestand gekend hadt zoo als ik. + +--De vergelijking met dien van mijn eigen land,--antwoordde +Siddha,--moet wel tot gelijke uitkomst leiden als de uwe. Welk een +zegen voor een staat, een vorst als Akbar te bezitten! + +--Maar zijn raadsmannen mogen wij toch ook wel dankbaar zijn,-- +hernam de magistraat,--en in 't bijzonder Todar Mal, den +schatmeester, die het stelsel eigenlijk uitwerkte, en Aboel Fazl, +den Groot-Vizier, die er de laatste hand aan legt, door met de +grootste strengheid alle afpersingen en knevelarijen van de +regeringsambtenaren, met wie wij te doen hebben, tegen te gaan. +En, scheen het al in den beginne, dat de staatsinkomsten door al +deze maatregelen zouden verminderen, op den duur is juist het +tegendeel gebleken; en zelfs al waren die inkomsten iets geringer, +ze zouden toch nog in waarde gewonnen hebben, omdat ze nu zooveel +vaster en beter verzekerd dan te voren zijn. + +--Maar, geachte Heer!--vroeg Siddha,--bestaat er nu geen gevaar +dat het stelsel, zoo uitnemend het zijn mag, weer in duigen valt +als een min verstandig vorst eens den troon bestijgt? + +--Ik geloof het niet,--was het antwoord;--als onze gemeenten +eenmaal zekere regten verkregen hebben, kan geen despoot haar die +ligt weer ontnemen. Gij weet, dat die gemeenten bijkans geheel en +al zichzelve regeren door hare eigene overheden en daardoor tot op +zekere hoogte onafhankelijk worden van den Soeverein. Wilde nu +deze beproeven hare regten te verkorten tegen de adat in, dan zou +hij als met duizenden kleine staatjes te doen krijgen en geen +ambtenaren en geen soldaten genoeg vinden om die alle tot +gehoorzaamheid te blijven dwingen. Of zoo 't hem al gelukte, de +dorpen zouden meerendeels eenvoudig verlaten worden en de +bevolking zou zich terugtrekken in ontoegankelijke bosschen en +wildernissen. Voor 't overige laten onze dorpers den vorst ook van +hun kant volkomen vrij in zijne handelingen. Hij mag oorlogvoeren +met andere rijken zooveel hem lust en zoolang zijne schatkist het +toelaat; en om intriges en twisten van het paleis geven onze +gemeentenaren in het geheel niet; de meesten zelfs vernemen er +zelden iets van. + +--Een gelukkige toestand!--zei Siddha,--en voor beide partijen +inderdaad heel gemakkelijk. + +--Alleen de staats- en volkseenheid wordt er juist niet door +bevorderd,--merkte Parviz op, zich nu ook mengend in het gesprek. + +--Dat wordt zij ook niet,--antwoordde de magistraat,--maar zoudt +gij dan meenen dat eene wezenlijke eenheid van den staat, anders +dan in den persoon van den vorst, op zich zelve mogelijk was in +een land als ons tegenwoordig Hindostan, waar zulk eene menigte +van allerlei meest onderscheiden rassen en volken bij en door +elkander woont? + +--Ik erken dat het moeijelijk zijn zou, hoewel 't alligt zaak +ware, er wat meer naar te streven dan tot nu toe gedaan wordt. + +Een tijdlang nog werd het onderhoud, waarin vooral Siddha veel +belang stelde, voortgezet; en daarop namen de beide vrienden +afscheid van het beleefde dorpshoofd en vervolgden, hun paarden +weer bestijgend, hun weg. + +Een flinke, maar tamelijk lange rid, waarbij nog al eens halt +moest worden gehouden om rust te nemen, bragt hen eindelijk in 't +gezigt der hoogte, waarop het versterkt en door zware ringmuren +omsloten paleis van Fattipoer was gebouwd. Mogt de aanblik der +Agrasche paleizen indrukwekkend heeten, deze was het van zekeren +afstand niet minder. Trotsch en statig, maar als altijd bevallig +en sierlijk tevens, verhieven zich, als terrasgewijze boven +elkander geplaatst, de verschillende luchtig omhoog rijzende +gebouwen met hunne vlug opgetrokken torens en fijne kanteelen en +breede, hel in 't zonlicht glanzende marmeren trappen, afgewisseld +alles door het groen der tamarinden en andere boomen, waaruit ze +deels te voorschijn traden om ook deels weder zich daartusschen te +verbergen. Doch toen Siddha met zijn geleider, nadat zij de +paarden aan de zorg hunner dienaren hadden toevertrouwd, den +eigenlijken omkring van het paleis zelf was binnengetreden, +gevoelde hij zich schoon minder verrast, toch aangenamer aangedaan +door het vrolijker en genoegelijker voorkomen dezer, voor 't +overige met niet minder weelde en sierlijkheid ingerigte gebouwen +en vertrekken dan door het gezigt der veel meer uitgestrekte van +Agra. Ook de tuinen schenen hem bevalliger en meer bevredigend +voor het oog, daar toch hier althans geen geweld was gedaan aan de +natuur, en lanen en slingerpaden, met vermijding van de eentoonige +regtheid en het onveranderlijk waterpas, de bogten en verhevenheden +bleven volgen, door het bewogen terrein en den plantengroei zelven +aangewezen. En dan, welk een heerlijk en verkwikkelijk vergezigt over de +omliggende heuvelen en met rijken oogst beladen bouwvelden, en de als +zilver glanzende rivier daar omlaag en het, wel is waar kunstmatig +aangebragte, maar daarom niet minder schilderachtig meer in het +verschiet!--Geruimen tijd bleven de bezoekers daar ronddwalen, nu eens +langs eenzame wandelpaden, dan weer door de met wachters en dienaren +vervulde galerijen, tot eindelijk Parviz den voorslag deed, een zijner +vrienden in de lager gelegene stad te gaan opzoeken om daar hun +intrek te nemen en tevens een beter maal te gebruiken dan men +onderweg had kunnen vinden. + +Natuurlijk vond ook dit voorstel gereedelijk gehoor; en nadat men +bij den gastvrijen vriend van Parviz de noodige rust had genoten, +en zich door een hartig en tevens vrolijk maal had gesterkt, +begaven onze vrienden zich weer op weg om nog 't een en ander van +de stad zelve te zien. + +--Vergun mij,--sprak Parviz,--u voor weinige oogenblikken aan u +zelven over te laten. Ik heb hier nog eenige stukken op last van +mijn oom aan een van zijne ambtenaren over te brengen, en dezen +over eenige zaken te spreken waarin gij zeker geen belang zoudt +stellen. Hij woont hier in de nabijheid en ik ben zoo aanstonds +bij u terug. Inmiddels hebt gij daar tusschen de acacia's ginds +een vrij ouden tempel, dien gij misschien wel eens zult willen +bezigtigen. Des verkiezende kunt gij er ook uwe devotie verrigten. + +--Wel verpligt,--antwoordde de ander lagchend,--daaraan ga ik mij +niet te buiten. Maar zeer gaarne wil ik den tempel eens bezien. Ik +zal u daar dan of in de nabijheid wachten. + +Spoedig ontwaarde Siddha, toen hij de zware en flauw verlichte gewelven +was binnengetreden, aan de talrijke zinnebeeldige versieringen der +zuilen, dat hij zich in een çiva-tempel bevond; en na eenige gangen te +zijn doorgegaan, aanschouwde hij dan ook aan 't uiteinde van een soort +van hal en van boven verlicht het kolossale beeld van den God, met de +beenen kruiselings op een hoog voetstuk gezeten, de armen en enkels met +eene menigte van ringen versierd, het teeken van den drietand op het +voorhoofd en een keten van doodshoofden om den hals,--çiva, den +Oneindigen en Almagtigen Wereldheer, scheppend om te vernielen, en +vernielend om te scheppen op nieuw, het eindeloos in zijn openbaringen +zich vervormend Wezen, waaruit alle Zijn voortspruit en waartoe het Al +gestadig terug moet keeren. Zoo goed nu onze jonge Indiër de begrippen +kende, welke die beeldtenis en hare symbolen vertegenwoordigden, en +zoozeer hij daarvan ook de betrekkelijke waarde bleef erkennen, toch +stuitte hem ook nu weder, zooals het vroeger bij dergelijk schouwspel +gedaan had, niet weinig het wanstaltige en gedrogtelijke dier gedaante, +die wel is waar zekeren indruk bij den eersten aanblik kon maken, doch +wel bezien de voor 't overige inderdaad niet van schoonheid ontbloote +bouworde van den tempel op hinderlijke wijze ontsierde. + +Niet lang echter duurde zijne eenzame bespiegeling over dit een en +ander; want achter zich vernam hij een oogenblik later een stem, +hoewel de stilte niet door het geluid van voetstappen was +verstoord geworden. + +--Om!--klonk het,--om! U brengt de onwaardige dienaar van çiva's +heilige echtgenoote, de in hem wonende Oneindige Kracht, zijnen +groet. + +En naar de plek zich keerend van waar de stem kwam, werd Siddha +den Doerga-priester Gorakh gewaar, dien hij te Allahabad in +gezelschap van zijn oom Salhana had gezien. + +--Ik groet u, Eerwaarde!--sprak hij, en wachtte wat de ander hem +te zeggen zou hebben. + +--Zoo! wij zijn elkander dan nog niet vergeten sinds onze laatste +ontmoeting,--hernam Gorakh;--trouwens wat mij betreft, ik heb u +wél in 't oog gehouden, sinds ik daar ginds in de nabijheid van +den Bhadrinâth u waargenomen heb. + +--Nu ja,--zeide Siddha, een weinig ongeduldig,--laat dat zijn hoe +'t wil. Maar ik begrijp eigenlijk niet, eerwaarde Heer! welk +belang gij in mij stellen kunt. + +--En zou dan,--vroeg de ander,--de neef van mijn leerling en +vriend geen aanspraak mogen maken op mijne belangstelling? Maar +ook daarom juist schijnt mij pligt, u een waarschuwing niet te +onthouden, waar ik die noodig acht, en indien gij ze van mij wilt +aannemen. Gij weet wie Gaurapada, de kluizenaar, is, niet waar? + +--Gaurapada?--vroeg Siddha,--welzeker! Hij is een kluizenaar in 't +gebergte. + +--Ja, maar ik meen, wie hij was eer hij zijn tegenwoordigen naam +droeg. + +--Daar weet ik niets van. Hij heeft het mij niet verteld. + +--Maar uw goeroe, Koelloeka, heeft het u toch medegedeeld? + +--Ik heb er hem niet eens naar gevraagd en 't kan mij ook niet +schelen. + +Met een zijdelingschen, uitvorschenden blik zag Gorakh den spreker aan; +maar deze ware geen rechte Indiër geweest, indien zijn gelaat in eene +omstandigheid als deze niet de meest mogelijke onverschilligheid had +vertoond. Ietwat minder voorzigtig echter liet hij, warm wordend bij 't +indringende van den ander, er op volgen: + +--En al wist ik nu ook nauwkeurig, wie en wat Gaurapada in vroeger +tijd geweest mogt zijn, gij begrijpt dat ik 't u toch niet zou +zeggen. + +--Ha!--riep de Yogi uit,--gij vertrouwt mij niet! En gij meent mij +zelfs te mogen tarten? Herinner u, dat ik een vriend van den +Goeverneur van Allahabad ben! + +--Ja, dat weet ik!--sprak Siddha met zekeren nadruk. + +--Wat weet gij? + +--Ik weet wat ik weet, en dat is genoeg! + +Nijdig keek de priester Siddha aan. En tevens niet zonder +ongerustheid. Wat beteekende dat gezegde op dien toon? En wat kon +hij werkelijk weten? Doch voor 't oogenblik scheen in elk geval +wel 't veiligst het toch niet vlottend gesprek maar af te breken. + +--Nu, genoeg dan!--zeide Gorakh,--voor u en voor mij. + +Doch bedenk één ding, mijn jonge vriend, die mijne vriendschap +niet schijnt te begeeren!--en ik wil ze u ook niet opdringen!-- +bedenk, dat de magtige Godin, aan wier dienst ik mijne geringe +krachten wijde, niet alleen behouden maar ook verdelgen kan, en +dat er geen hoop op genade en geen kans op redding bestaat voor +hem, dien zij eenmaal door hare priesters als uitverkoren offer +haren getrouwen heeft aangewezen! + +En in een der zijgangen verdween zonder nader antwoord af te +wachten de geheimzinnige boeteling; en, hoe vastberaden anders +ook, toch vermogt Siddha hem niet na te staren zonder een zeker +gevoel van beklemdheid en onwillekeurigen angst. En 't scheen hem, +hoewel de Doerga-priester thans werkelijk toch alléén was, als zag +hij hem nogmaals gevolgd door dien langen stoet van naakte bruine +gestalten met de witte koorden om den nek, met welken hij in de +nachtelijke schemering hem langs den ringnmur van Allahabad had +zien verdwijnen in het bosch. + +Eer hij zich inmiddels ter ruste begaf dacht hem niet onnut, nog +eene enkele vraag tot den trouwen dienaar te rigten, die hem in de +woning van den vriend van Parviz afwachtte om te vernemen of zijn +meester nog iets te bevelen had. + +--Vatsa!--zeide hij,--gij hebt mij laatst in het park van +Allahabad betuigd, dat gij evenmin als Koelloeka's dienaar daar +een priester of boeteling hadt gezien. Maar herinnert gij u soms +toch met eenig ander, u onbekend persoon gesproken en dezen +misschien eene of andere bijzonderbeid van onze reis in 't +gebergte verteld te hebben? + +Ik zou er niet verder aan hebben gedacht,--antwoordde Vatsa,-- +maar nu ge 't mij zoo afvraagt, Heer! nu herinner ik mij wel, dat +er in den omtrek der stallen een half naakt en bruin gekleurd man +met ons kwam praten, en nadat hij ons 't een en ander omtrent de +vesting en de stad had verteld, ook naar onze reisontmoetingen +vroeg. + +--En gij hebt hem toen van mijn geval met den tijger van Gaurapada +verteld? + +--Ik geloof inderdaad van ja! + +--En zeidet gij soms ook iets omtrent den kluizenaar en diens +uiterlijk voorkomen? + +--Zeker!--antwoordde Vatsa,--juist zijn eerbiedwaardig en tegelijk +vorstelijk voorkomen had in 't bijzonder onze aandacht getrokken; +wij waren er beiden nog vol van en daar wij niet wisten dat er +kwaad in stak er van te spreken, maakten wij ook geen geheim van +onze ontmoeting tegenover den vreemde. + +--Wien gij dus ook het uiterlijk van Gaurapada eenigermate zult +beschreven hebben? + +--Nauwkeurig herinner ik mij dat niet meer; maar ik geloof wel dat +wij er iets van meldden. + +--Bedenkelijk!--mompelde Siddha in zichzelf,--inderdaad nog al +bedenkelijk! De priester heeft natuurlijk door zijn handlanger +omtrent onze reis vernomen wat hij weten wilde om mij te +overbluffen, maar schijnt tevens tot eenig vermoeden omtrent +Gaurapada te zijn gekomen. Dat hij straks mij zocht uit te hooren, +is duidelijk genoeg. Maar wat kan hij met Gaurapada, of +Nandigoepta, hebben uit te staan? En mijn oom Salhana? Of die er +mee in betrokken zou zijn?... + +--We hebben toch hoop ik geen kwaad gedaan door met dien onbekende +te praten?--vroeg Vatsa ongerust, toen hij zijn jongen meester zoo +in gedachten zag. + +--Neen, neen!--antwoordde deze,--en zoo gij 't al gedaan mogt +hebben, gij deedt het onwillekeurig en hebt dus geen schuld. We +hadden ook voorzigtiger moeten zijn en u vooraf waarschuwen. Maar +let nu op één ding, Vatsa! spreek voortaan met niemand meer over +den kluizenaar, wie er ook komt om u naar hem te vragen! Hebt ge +mij begrepen? + +--Volkomen, Heer!--antwoordde de ander,--van nu af heb ik dien +kluizenaar nooit gezien, of, zoo ik hem soms eens zag, ik ben +volkomen vergeten hoe hij er uitziet.-- + +--Met dat al,--dacht Siddha,--zal nu toch Koelloeka, of, kan het, +Nandigoepta zelf dienen gewaarschuwd te worden. Ik wil er voor +zorgen zoodra ik een veilige gelegenheid vind; Salhana moge er nu +mee te maken hebben of niet! + + + +ZESDE HOOFDSTUK. + +Selim + +--Welaan, mijne heeren!--sprak de bevelhebber der Radjpoet's, die +op het plein in de vesting met eenige zijner officieren stond te +praten, terwijl de ruiters zich in gelid schaarden,--nu spoedig +opgezeten en dan naar het kamp, waar zooals gij weet de Keizer +heden wapenschouwing komt houden! + +Vlug werd er aan het bevel voldaan, en weldra, nadat men buiten de +vesting was gekomen, ging het in draf naar het kamp, dat op +eenigen afstand van de stad in eene uitgestrekte vlakte was +opgerigt. Een treffend schouwspel vertoonde zich aan Siddha's oog +toen hij aan 't hoofd zijner afdeeling met de overigen eene kleine +hoogte had bestegen en vandaar het veld in 't gezigt kreeg. Daar +ter regterzijde eene gansche stad als 't ware van tenten, langs +breede straten in de meest regelmatige orde nevens elkander +gerangschikt, en in wier midden zich, roodgekleurd en met vergulde +peervormige toppen, de Keizerlijke tent verhief, zoo men althans +dien naam mogt geven aan dergelijk, schoon uit hout en doek +zamengesteld, paleis. En aan de linkerzijde het uitgestrekte veld, +waarop zich in bonte mengeling de meest verscheiden troepenkorpsen +vertoonden, gepantserde en niet-gepantserde ruiters in bonte, +veelkleurige kleederdragt, sommigen met lansen, anderen met +geweren gewapend, artillerie en strijdolifanten, en een weinig +meer in de verte ook die vrolijker uitgemonsterde, op wier rug +gemakkelijke met kussens voorziene en van boven tegen de zon +bedekte zetels tot voertuig strekten voor aanzienlijke, meest +gesluierde vrouwen, die de wapenschouwing kwamen bijwonen. + +Eenigen tijd nadat ook de Radjpoet-ruiterij op de vlakte was +aangekomen rukten de verschillende troepen, voorafgegaan door hare +muziekkorpsen, op, om langs den Keizer en zijn staf te defileren, +die daar op een eenigszins meer verheven terrein hen afwachtte. +Naderbij gekomen behoefde Siddha wel niet lang in twijfel te +staan, wien hij onder die groep van schitterend uitgedoste +veldheeren, wier wapenen en paardentuigen glinsterden van goud en +edelgesteenten, nu als den Keizer zelven te beschouwen had. Wel +onmiskenbaar toch was door zijne gansche houding die forsche man, +die daar op zijn prachtig wit paard en den veldheerstaf in de +hand, een paar passen vóór de overigen, en zijn baniervoerder en +parasoldrager achter zich, de voorbijtrekkende troepen in +oogenschouw nam. Maar tevens herkende hij ook terstond in den +magtigen gebieder denzelfden persoon met wien hij in de tuinen van +het paleis gesproken had, en omtrent wiens wezenlijken rang ook +toen reeds, gelijk nu wel bleek, een inderdaad volkomen waar +vermoeden bij hem gerezen was. + +Op zijne beurt nu met zijn ruiters den Keizer voorbijtrekkend, +boog hij, gelijk hij de anderen die hem vóórgingen had zien doen, +zich voorover met omlaag gerigte lanspunt, en, tevens met een +steelschen blik naar Akbar opziend, meende hij op het anders +streng gelaat van dezen een ligten glimlach te bespeuren, die hem +dra tot de overtuiging bragt dat de Keizer zijne nog al +vrijmoedige woorden toch niet euvel scheen te hebben opgenomen. +Ook herinnerde hij zich met zekere gerustheid dat Akbar, ééne +Vlugtige opwelling van toorn nu daargelaten, ook voortdurend open +en vriendelijk tot hem gesproken had. En eindelijk behoefde hij +thans zoo erg niet meer tegen een voorstelling aan den grooten +Keizer op te zien, die, naar Feizi hem had te kennen gegeven, +waarschijnlijk wel na de wapenschouwing in het legerkamp zou +kunnen plaats hebben. + +Die verzekering werd ook niet gelogenstraft toen er rust voor de +troepen was bevolen, en de officieren, die hierbij gemist konden +worden, zich naar de voor hen bestemde gedeelten van het kamp +hadden begeven. Daar toch zag Siddha al spoedig zich door Feizi +wenken en op 's Keizers raadsman toetredend, werd hij door dezen +naar de uitgebreide groep der van binnen niet minder weelderig dan +de vertrekken van het paleis zelf versierde middententen geleid. +Een oogenblik later bevonden zich beide in de hooge tegenwoordigheid +van den vorst. + +Niet weinig inmiddels verwonderde zich Feizi zelf toen hij Akbar +terstond een stap voorwaarts zag doen en hem tot Siddha, wiens +diepen groet hij met een genadige handbeweging beantwoordde, +zonder de officiëele voorstelling af te wachten, hoorde zeggen: + +--Wel! ik zag u straks in dienst, en 't scheen mij dat er eenmaal +nog wel een geschikt officier uit u groeien kan. Zorg maar dat ge +mij niet in die goede verwachting bedriegt! + +--Ik kende,--vervolgde hij tot Feizi,--uw beschermeling al een +weinig; wij hebben elkander reeds vóór eenige dagen ontmoet, +hoewel hij toen niet raadde wie ik was. + +--Had ik dat geweten, Sire!--sprak Siddha eerbiedig,--ik had +daarom met geen meer ontzag tot Uwe Majesteit op kunnen zien dan +ik toch reeds tot den mij onbekende deed. + +--Maar toch waarschijnlijk wat minder vrij gesproken hebben,-- +vulde Akbar een weinig spotachtig het hoffelijk, maar blijkbaar +ook ernstig bedoeld gezegde aan;--doch daarin stak op zich zelf +geen kwaad, en ik hoor ook liever wat de menschen van mij denken +dan te moeten raden naar 't geen zij over mij spreken achter mijn +rug. Maar daarom dan ook, en naar aanleiding tevens van ons vorig +gesprek, een bevel of liever, want wat ik verlang laat zich niet +afdwingen, een verzoek: schenk mij ook in vervolg van tijd +hetzelfde vertrouwen, dat gij, mij niet kennend, reeds in mij +gesteld hebt! Gij ziet wel, het heeft tot heden u niet bedrogen. +Wend u tot mij, niet tot anderen, als gij meent u over mij of de +mijnen te beklagen te hebben. Klagten aan te horen weiger ik +nooit; zijn ze ongegrond, dan tracht ik ze te wederleggen; zijn ze +billijk, ik zoek naar herstel der grieven. Openhartigheid en +gepaste vrijmoedigheid, mijn vriend Feizi kan het getuigen, wekken +nooit in ernst mijn toorn; wel daarentegen valschheid en +veinzerij. + +En na nog enkele vragen en gezegden omtrent Siddha's meer +bijzondere dienstbetrekking, wenkte de Keizer ten teeken dat het +gehoor was afgeloopen, en verwijderde zich Feizi met zijn jongeren +vriend, die natuurlijk niet weinig in de wolken was over zijn +tweede onderhoud met den vorst, en ook niet naliet zijn medgezel +het een en ander omtrent het eerste te verhalen. + +--Nu, gij zijt wezenlijk een gelukskind,--sprak Feizi,--dat treft +iedereen maar zoo niet, hoewel Akbar overigens niet moeijelijk is +te genaken en doorgaans allen gaarne te woord staat. Gij schijnt +inmiddels een gunstigen indruk op hem gemaakt te hebben, en dat +verheugt mij van harte. Doch zie ik daar Parviz niet aankomen? Och +jawel! Maar wat die hier komt uitvoeren? Wel, wel!--vervolgde hij, +zijn neef toesprekend,--mijnheer de toekomstige staatsraad hier +onder krijgslieden tusschen de tenten! + +--Even goed, dunkt mij,--antwoordde Parviz,--als mijn waarde oom, +de wijsgeer! Doch ik erken gaarne, dat ik voor 't overige evenmin +kans zie hem ooit te evenaren in zijn staatsmanswijsheid en +geleerdheid als in de wapenfeiten die hij bedreven heeft. + +--Nu, geen komplimentjes, neef!--hernam de ander lagchend,--dat +komt onder ons niet te pas. Maar weet gij wat ik eigenlijk denk? +Gij zijt hier zeker gekomen om daar ginds een kijkje te nemen van +de fraai aangekleede olifanten; de schoone dochter van Todar Mal +is stellig weer niet vreemd aan uw verschijning, al moogt gij haar +eigenlijk niet eens zien. + +--Oom! zeg ik op mijne beurt, geen verraden van mijn geheimen! +Hoewel ik--voegde Parviz rond en goedhartig er aan toe,--die +anders niet voor mijn vriend Siddha verborgen wil houden. Te +minder omdat ik mij verzekerd reken van zijne belangstelling, +wanneer hij van zijn kant aan zijne voorzeker niet minder +beminnelijke verloofde denkt. Maar,--zeide hij tevens, zich tot +Siddha wendend,--zoover als gij ben ik ongelukkig nog bij lange +niet. Of ik misschien al eenige gunst in de oogen der dochter zal +mogen vinden, van den vader durf ik mij gansch niet verzekerd +houden. + +--Dat zal mettertijd wel teregtkomen,--merkte Feizi goelijk op,-- +doch genoeg voor 't ogenblik van ons vertrouwelijk gesprek! +Ziehier anderen, voor wier ooren dat alles zeker niet bestemd kan +zijn. + +--Wie is dat?--vroeg Siddha, toen hij een groep ruiters zag +naderen in wier midden zich een jongmensch, welligt enkele jaren +ouder dan hij zelf, maar toch anders van ongeveer gelijken +leeftijd, vertoonde, en wiens uiterlijk voorkomen hem om meer dan +eene reden wel opmerkelijk scheen. Vooreerst om de wezenlijk +overdadige pracht zijner kleeding. Over het fijn goudlakensch +kleed droeg hij niet minder dan vier snoeren buitengewoon groote +paarlen; de tulband was met een hooge reigerveder en drie juweelen +van onschatbare waarde getooid; en om de armen droeg hij, tot aan +de ellebogen, reijen van banden alle met edelgesteenten bezet, +terwijl aan elken vinger een ring was gestoken. Om niet eens van +de diamanten en paarlen te spreken, die zijn wapenen en het tuig +van zijn paard versierden. Maar hoe zonderling bij al dat +geflonker het bleek en vermoeid gelaat afstak, waarvan de vaalheid +nog meer scheen uit te komen door de gitzwarte oogen en de scherp +afgeteekende knevels en wenkbrauwen. Oorspronkelijk waren die +trekken ongetwijfeld schoon en edel te noemen, maar zij waren +vervallen en verouderd vóór den tijd en droegen de onmiskenbare +teekenen van menigen anders dan in wijsgeerige bespiegeling en +onthouding doorgebragten nacht. + +--Hoe! kent gij dien nog niet?--vroeg Feizi,--dat is Selim de zoon +van den Keizer en zijn aangewezen opvolger. + +Met een zwijgenden groet wilde de Kroonprins voorbij rijden, maar +hij bedacht zich en, zijn paard naar Feizi en Parviz wendend, +zeide hij: + +--Mijne heeren! 't is mij lief u juist hier te ontmoeten; ik wacht +dezen avond eenige vrienden in mijn paleis voor een klein feest; +wilt ge mij niet 't genoegen ook van uw bijzijn schenken? + +--De vraag--antwoordde Feizi,--ware mij in elke omstandigheid een +bevel, zoo ik niet heden juist door een hooger werd verhinderd er +aan te gehoorzamen, De Keizer heeft mij voor dezen avond +bescheiden. + +--O zoo!--hernam Selim met een half minachtenden glimlach, hoewel +overigens naar 't scheen juist niet rouwig om de weigering;--gij +moet mijn vader zeker weer les gaan geven in uw ongeloovige +wijsbegeerte, niet waar? + +--Wat ik persoonlijk doe,--was het antwoord,--blijft geheel ter +beoordeeling van Uwe Hoogheid; maar wat de Keizer goed mag vinden, +staat, dunkt mij, boven Haar oordeel en het mijne. Ook zou de +vraag nog mogen heeten wiens avond wel het nuttigst besteed zou +zijn. + +--Nu maak u maar niet boos, edele Feizi!--sprak de Prins +vergoelijkend,--ik meen het zoo kwaad niet. Doch moet ik u dan uwe +avonden laten, gun mij ook de mijnen! En gij Parviz!--ging hij, +tot dezen zich keerend, voort,--hebt gij ook soms zoo zwaarwigtige +bezigheden, die u van een onschuldig genoegen moeten terughouden? + +--Volstrekt niet,--antwoordde Parviz,--en al had ik die, ik zou +niets liever wenschen dan ze ter zijde te mogen stellen voor een +festijn in Selim's paleis. Maar veroorlooft mij, zoo de vraag niet +onbescheiden is, Uwe Hoogheid, een nieuwen vriend van mij voor te +stellen? + +En Siddha, die achteruit was getreden, wenkend om nader te komen, +meldde hij diens naam en rang. + +--O ja!--sprak Selim,--ik herinner mij zoo iets van zijne komst +hier vernomen te hebben. Wilt gij,--vroeg hij Siddha,--soms heden +avond uw vriend begeleiden, gij zult mij genoegen doen. + +--Ik stel de eer op hoogen prijs,--antwoordde Siddha met een +hoffelijke buiging. + +--De eer, nu ja!--zei Selim,--die geeft niet veel; ik heb niets te +beteekenen hier aan het hof; maar ik hoop dat onze bijeenkomst u +eenig genoegen mag verschaffen. Tot den avond alzoo! + +En zijn paard wendend vertrok de Prins met zijn gevolg. + +--Vergunt mij; geëerde vrienden!--zei hierop Siddha,--nu ook +mijn afscheid te nemen; 't wordt tijd mijn ruiters weer op te +zoeken. + +--Indien gij wilt,--sprak nog Parviz vóór het scheiden,--kom dan +tegen den avond mij afhalen; mijn woning ligt in uw weg, en dan +gaan wij zamen. + +--Met genoegen!--antwoordde de ander en begaf zich terug naar zijn +post. + +Dat de pracht van Selim's paleis ook aan die zijner kleedij zou +beantwoorden, had Siddha natuurlijk wel vermoed; maar toch vond +hij zijne verwachting nog overtroffen door de ongehoorde weelde +toen hij, langs verscheidene voorvertrekken en tusschen reijen van +dienaren door, de zacht maar overvloedig verlichte en niet al te +groote hal was binnengetreden, waar de Kroonprins met zijn +vrienden zich bevond. De zalen van het Keizerlijk paleis hadden +met al haar uitgezochten rijkdom nog iets ernstigs en gestrengs; +maar hier ademde alles, tot zelfs de overigens steeds bevallige +Moorsche bouworde en het schitterend dekoratief, niet dan zucht +naar weelde en een jagen naar het meest onbeperkte zingenot. +Veelkleurige zijden en goudlakensche voorhangsels neergolvend van +de als fijne kanten uitgehouwen bogen, en halverwege het keurig +mozaïekwerk in de met verguldsel afgezette marmeren wanden +bedekkend; digte bloemengroepen, bedwelmende geuren verspreidend +alom; breede, de lichten weerkaatsende spiegels; mollige tapijten +van phantastische teekening; lage en tot weeke rust verlokkende +divans; als kleine heuvels opeengestapelde gouden en kristallen +drinkschalen, en marmeren en porphieren koelvaten van allerlei +vorm; en aan de breede zijde der zaal een soort van tooneel, +waarop zich straks de danseressen en speellieden zouden vertoonen; +alles door tal van in bontkleurige ballons gevatte lampen +verlicht;--ziedaar ongetwijfeld een aanblik, die ook een bezoeker +van Indische paleizen nog wel bij den eersten oogopslag kon +verbaasd doen staan. + +Al spoedig had Selim, rondziende langs den kring der gasten, die, +in groepen verdeeld, hier op de divans zich hadden nedergezet, +daar met elkaar stonden te praten, de nieuw aangekomenen ontdekt, +en kort daarna op hen toetredend, sprak hij: + +--Zijt welkom, mijne heeren! in mijne nederige woning! Ik wil +hopen, gelijk ik dezen morgen reeds zeide, dat de avond ons eenig +wederzijdsch genoegen mag schenken. Laat het u inmiddels gezegd +zijn, de etiquette behoort ditmaal niet tot de vermakelijkheden; +wij trachten, althans voor dit oogenblik, vrienden onder elkaar te +zijn. + +De Prins wendde zich tot anderen; en op eenmaal zag Siddha eene +hem welbekende, maar hier op dit oogenblik niet verwachte figuur +naderen,--die van Salhana, den Goeverneur van Allahabad. + +--Wel, neef!--sprak deze, hem de hand gevend,--dat doet mij +genoegen u hier te ontmoeten. Ik ben zoo straks aangekomen en vond +juist bij tijds in mijne woning eene uitnoodiging van den Prins, +die mij hier in Agra verwachtte. + +--En,--vroeg Siddha,--hoe is het ginds, en hoe gaat het.... + +--Iravati? vulde Salhana aan--heel best. Zij laat u groeten. Doch +zie eens, daar komt een man met wien gij kennis moet maken, ook al +is hij voor 't oogenblik niet bijzonder gezien ten hove. Hij heeft +met dat al niet weinig te beteekenen. Een nieuwe kennismaking was +evenwel overtollig; want de naderende bleek niemand anders dan +Abdal Kadir Badaoni, de Islamietische ijveraar, te zijn, dien +Siddha reeds in het Keizerlijk park met Akbar zelf had gezien. Tot +zijne verwondering begroette diezelfde man zijn oom, schoon toch +even goed een ongeloovige als hij, nog al tamelijk beleefd, +terwijl hem zelf nu ook iets ten deel viel wat als eene soort van +hoffelijke ontvangst kon worden aangemerkt. + +--Ik zag uw neef toevallig reeds vroeger,--sprak Abdal Kadir toen +Salhana hem wilde voorstellen,--en ik wil hopen,--vervolgde hij +tot Siddha,--dat gij mijne toen gesproken woorden in de beteekenis +zult willen opvatten die ik zelf er aan gaf; gij ziet nu wel dat +personen mij nog niet gehaat zijn al moet ik hen bestrijden om hun +dwalingen. + +--Ik eerbiedig uwe gevoelens, edele Heer!--antwoordde Siddha,--al +betreur ik ook dat gij 't niet eveneens de onzen kunt doen. +Misschien .... + +--Wat misschien?--begon Abdal Kadir opstuivend. + +--Neen, neen, mijn waarde heeren!--sprak nu Salhana, tot vrede +manend,--geen getwist nu, wat ik u bidden mag, over uwe +wederzijdsche gevoelens omtrent geloofskwestiën! Bedenken wij +liever wat feitelijke gevaren ons allen, ons Indiërs zoowel als +ulieden, trouwe zonen van den Profeet, bedreigen, indien de +plannen eens verwezenlijkt werden, die ginds door hooger gestelde +magten schijnen ontworpen te worden! + +Enkele andere personen, blijkbaar mede wel vertrouwde bekenden van +Salhana en den Mohammedaan, hadden zich inmiddels bij de +sprekenden aangesloten, terwijl Parviz zich met eenige jongeren +naar een ander gedeelte der zaal had begeven. Allen luisterden met +opmerkzaamheid, doch tevens een nauw gesloten kring vormend, waar +geen ander, ongenoode, zich had weten binnen te dringen. + +Bedenken wij--ging Salhana voort, op wel verstaanbaren maar toch +fluisterenden toon,--wat ons gebeuren moet, indien wij eens +gedwongen werden ons allen openlijk aan de zonderlinge, tegen ons +aller begrippen en zeden strijdende eeredienst te onderwerpen, die +de anders zoo hoog geëerbiedigde Keizer ons, hoe dan ook, schijnt +te willen opdringen. Hoe nu? Zoudt gijlieden Mohammedanen, de +tegenwoordige beheerschers van het land, uw Allah verloochenend, +dan in aanbidding voor zon en sterren willen nederknielen, en +misschien.... + +--Bij den baard van den Profeet!--begon Abdal Kadir, de hand aan +'t gevest van zijn sabel slaand,--we zouden.... + +--Bleef het daar nog maar bij,--hernam de ander,--doch er is nog +erger. Denkt maar eens aan de woorden: "Allahoe Akbar", die +tegenwoordig op munten en firmans gevonden worden! Die schijnen +ongetwijfeld heel onschuldig als men ze in den zin van "God is +groot" verstaat; maar zij kunnen immers ook nog iets anders +beteekenen, te weten: "Akbar is God." + +--Dat gaat zeker alles te buiten!--riep Abdal Kadir nu in volle +woede uit; maar Salhana kwam weer tusschen beiden. + +--Laat ons bedaard blijven!--zeide hij,--we hebben hier trouwens +nog maar te doen met onderstellingen, die mogelijk ook, zooals ik +zou hopen, ongegrond zullen blijken te zijn. Maar als het toch +eenmaal zoo eens was, dan vraag ik, zoudt gij u kunnen en mogen +onderwerpen, of ook wij, die tot heden de meest volkomen vrijheid +genoten om dat geloof te belijden, wat wij erfden van onze vaderen +en naar onze overtuiging het beste en redelijkste scheen? Beviel +de laatste vraag al iets minder aan Abdal Kadir dan de vroeger +gestelde, op Siddha maakte zij des te meer indruk. Dat Akbar aan +de stichting van een nieuwe godsdienst dacht, was hem wel reeds +eens ter ooren gekomen; maar of hij daarmede nu ook werkelijk +gewetensdwang beoogde. En als 't eens zoo zijn mogt?... + +--Daarom,--besloot Salhana,--geen onderlinge twist! Maar laat ons +gezamenlijk toezien, en, moet het, ons eendragtig door geoorloofde +middelen trachten te beveiligen tegen de gevaren, waarmee het, +vrees ik, maar al te zeer door dweepers en door intriganten gevoed +idealisme van een anders voortreffelijk vorst ons dreigen mogt! +Doch ik geloof, dat de Prins reeds het teeken heeft gegeven om ons +eigenlijk festijn te doen beginnen. Breken wij dus voor 't +oogenblik ons onderhoud af! Ik blijf mij inmiddels aanbevelen, +mijne heeren! voor uw nader gevoelen over 't gesprokene. Mogelijk +verkeer ik gansch in dwaling. Ik mogt het van harte wenschen! + +Terwijl de gasten bezig waren eene plaats op de verschillende +divans te zoeken, hoorde Siddha, een der groepen voorbijgaande, +een paar woorden die zijne opmerkzaamheid trokken. + +--En Kaçmir?--vroeg een der sprekers,--zijn er berigten? + +--Heel goede!--antwoordde de toegesprokene;--de mijn kan haast +springen. + +--En de brief? + +--In de beste handen! + +Andere gasten scheidden Siddha van de twee wier gesprek hij daar +toevallig aanhoorde, en weldra zag hij niet ver van Selim zich +tusschen eenige hem nog onbekende jongelieden geplaatst, doch met +wie hij spoedig in gesprek was, terwijl de talrijke dienaren +verschillende ververschingen aanbragten en de wijn rijkelijk in de +gouden drinkschalen begon te vloeijen. Nu en dan kwamen hem nog +wel de straks vernomen woorden voor den geest, maar de beteekenis +bleef hem duister. Konden zij op die heimelijke twisten in zijn +vaderland slaan, die naar Salhana's zeggen, door Akbar werden +aangestookt? En die brief? Onwillekeurig maar ook slechts vlugtig +dacht hij aan den brief van Rezia, dien Koelloeka had meegenomen, +Maar wat kon die met staatkunde te maken hebben? + +Weldra ook werd zijns opmerkzaamheid geheel door de danseressen +ingenomen, die, begeleid door muziekanten, van achter een der +voorhangen op het tooneel in het breede der hal waren verschenen +en aldra, den bruingetinten boezem nagenoeg gansch ontbloot, maar +daarentegen met lang, tot de voeten reikend gewaad, op de maat der +snaren-instrumenten en cymbels eenige van die dansen begonnen uit +te voeren, die ten allen tijde zoozeer in den smaak vielen beide +van Indiër en van Musulman, en vaak uren achtereen hen weten bezig +te houden. Tot afwisseling evenwel traden ook nu en dan zangers en +zangeressen op, en vergastten de toehoorders met de voordragt van +Perzische liederen, die bijzonder aan Selim en zijne vrienden +schenen te behagen, maar Siddha een weinig eentoonig en ledig van +inhoud voorkwamen. + +--Waar blijft nu Rembha?--vroeg eindelijk de Prins,--ze zou ons +iets nieuws komen voorzingen, een paar vertaalde stukken uit een +oud Indisch gedicht, dat u, Siddha! zeker wel bekend zal zijn, het +Gitagovinda, meen ik. + +--O ja!--antwoordde Siddha,--de pastorale van Djayadeva, waarin de +avonturen van den God Krishna met de herderinnen en zijn +hereeniging met de schoone Radha beschreven worden. Ik heb er zelf +ook wel eens een vertaling van beproefd. + +--Nu,--hernam Selim,--laat ons dan eens luisteren! Daar komt +Rembha al. + +En op de estrade vertoonde zich een donker gekleurde schoone jonge +vrouw, in rijk doch misschien wel wat heel weelderig kostuum, en +ving half zingend, half reciterend, onder begeleiding eener zachte +muziek aldus aan: + +Nu de lieftallige atimoekta den mango doet siddren in minlijke +boeijen, Nu ook Vrindavana's woud weer der Djamoena heldere golven +besproeijen, Nu zich de lente aan de jeugd en de schoonheid, met +haar tot verleiding geboren, Paart om den kluizenaar zelf in de +rust zijner vrome overpeinzing te storen, Nu komt zich Krishna in +'t voorjaar vermeijen, Droef voor verlaatnen alleen, en speelt +kozend en danst met de dartlende reijen. + +"Donker in 't gele gewaad, ligt met sandel bestrooid en met + kransen omhangen, + De oorringen schittrend in 't licht als de dans ze beweegt om de + lagchende wangen, + Schertsend en kozend met dartel gebaar + Leidt Krishna ten reidans de luchtige schaar. + + + Deze, met zwellenden boezem, die digt zich daar zoekt aan zijn + zijde te dringen, + Neuriet een liefelijk lied, dat ze straks hem bij 't tokklen der + luit hoorde zingen. + De andre, wier rusteloos oog toont wat liefde en wat lust ze uit + zijn blik heeft gedronken, + Staat als verblind door den glans van zijn lotusgelaat in + gedachten verzonken. + + + Gene, die slanke, die haastig hem nadert, als had ze iets in 't + oor hem te fluistren, + Drukt snel een vlugtigen kus op zijn wang, als hij lagchend zich + buigt om te luistren. + + + Deze, door inniger hartstogt tot hem, den bekoorlijken herder + getrokken, + Wil hem, de hand aan zijn kleed, naar 't bosschaadje aan den + oever der Djamoena lokken. + + + Zij, die daar danst bij den klank van de fluit naar de maat der + zacht rinklende ringen, + Weet hem door 't blijk van haar kunst tot een uitroep van blijde + bewondring te dwingen. + + + Deze en die kussend ter vlugt, maar te vaster die innige aan 't + harte soms prangend, + Gene schalksch aanziend en deze, die tracht hem te ontsnappen, + met de armen omvangend, + Schertsend en kozend met dartel gebaar, + Leidt Krishna ten reidans de luchtige schaar." + + +--De voordragt,--sprak Selim met reden, toen de zangeres een +oogenblik ophield,--laat niets te wenschen over; maar wat dunkt u, +edele Siddha! van de vertaling? + +--Niet kwaad!--antwoordde de ander;--de denkbeelden zijn vrij wel +teruggegeven, al zijn de woorden ook niet overal volkomen gevolgd. +Dat is trouwens, ik erken het, ook heel moeijelijk met deze ietwat +gemaakte en gezochte poëzie van den lateren tijd. Maar is de +vertaler zelf niet bekend? + +--Het is Feizi, met wien ik u dezen morgen zag spreken,--zei de Prins, +even glimlagchend om de verlegenheid, die zich op Siddha's gelaat bij +deze verklaring, in verband met zijn nog al meesterachtig oordeel, +vertoonde.--Maar wees gerust,--vervolgde hij,--Feizi zal 't u stellig +niet kwalijk nemen als gij zijn werk niet onvoorwaardelijk goedkeurt, +maar u zeker voor elke teregtwijzing dankbaar zijn. Doch laat ons, +Rembha! nog een enkel stuk hooren, en dan willen wij voor heden avond +niet meer van u vergen. + +--De klagt dan--sprak de zangeres,--van de verlatene Radha tot +hare vriendin: + +"Hem, die naar kussen begeerig, ginds 't landlijk vermaak zoekt + met speelsche vriendinnen, + Die ook zich harten zoo ligt door den lach der koraalroode lippen + kan winnen, + Hem, die ginds dartelt, hem blijf ik gedenken, + Moge ook hij spot slechts voor liefde mij schenken! + + + Hem, die met rankgelijke armen heel 't vrouwendom, kon het, zou + wenschen te omvangen, + Handen en voeten en borst met juweelen die 't duister verlichten + omhangen; + + + Hem, wiens met sandel omwolkt en hel stralende voorhoofd de maan + doet verbleeken, + Hem, wiens onstuimige hart te vergeefs de verloorne om genade + doet smeeken, Hem, die ginds dartelt, hem blijf ik gedenken, + Moge ook hij spot slechts voor liefde mij schenken!" + + +Een kort oogenblik zweeg Rembha, en ging toen, in eenigzins +veranderde maat, en met steeds zoetvloeijender klank harer ronde +welluidende stem en als 't ware klimmende hartstogtelijkheid in de +rol der minnende Radha voort: + +"Mij, hier verscholen in 't loof, hem, die daar sluimert in 't + nachtelijk duister, + Mij, die klagend hem zoekt, hem, die ginds praalt in zijn + lagchende luister, + Ons, ach! breng spoedig weer zamen, vriendinne! + Mij, dat ik ruste aan zijn hart, hem, dat hij trouw me als + voorheen weer beminne! + + + Mij, bij zijn naadring beschaamd, hem, die door vleitaal mijn + zinnen verrukte, + Mij, door zijn glimlach bekoord, hem, die mij strafloos den + sluijer ontrukte, + + + Mij, op het bed hier van mos, hem, die zich vleije als weleer aan + mijn zijde, + Mij, weer tot kozen bereid, hem, die den dronk zijner lippen mij + wijde, + + + Mij dan met schemerend oog, hem met van vreugde straks tintlende + wangen, + Mij met de leden zoo mat, hem, door den roes der verrukking + hevangen, + Ons, ach! breng spoedig weer zamen, vriendinne! + Mij, dat ik ruste aan zijn hart, hem, dat hij trouw me als + voorheen weer beminne!" + + +Eene uitbundige toejuiching viel der schoone zangeres ten deel, +zij het dan om den inhoud der woorden, door geen gehoor alligt +beter begrepen dan door het hare, of wel om de uitdrukking, welke +zij door stem en gebaren er aan te geven wist. + +--Dat belooft iets, niet waar?--sprak Selim,--als we nu eens aan +de werkelijke hereeniging van Krishna en Radha komen! Maar dat een +andermaal!--Doch zeg ons geachte Abdal Kadir!--vroeg hij, +misschien niet geheel zonder bijoogmerk, aan dezen, die schuins +tegenover Siddha had plaats genomen,--bevalt u die Indische +dichtkunst toch niet wel zoo goed als de onze, ook al hebt gij, +als elk ander goed geloovige, een afschuw van de wanbegrippen door +het boos geslacht dezer Hindoe's verkondigd? + +--Met dichters,--antwoordde Abdal Kadir, ter nauwernood zijn +inwendigen wrevel bedwingend,--heb ik over 't geheel niet veel op; +en ook onze heilige Profeet, gezegend zijn naam! vloekte met reden +den goddeloozen Amroel Kaïs, zoo hoog ook door anderen diens +Moallakah mogt zijn geroemd. Maar dat nu die Hindoe's niet alleen +zulke wulpsche verzen maken, als wij er hier vernamen, maar +bovendien zulke wellustige wezens als die Krishna en die Radha tot +voorwerpen van goddelijke vereering durven verheffen, dat dunkt +mij toch wat al te grof. + +Juist dacht Siddha het woord te nemen om den ijveraar, zoo +mogelijk, eens aan 't verstand te brengen, dat er nog een +onderscheid is tusschen mythologie en godsdienst, tusschen poëzie +en geloof, toen Selim te regter tijd verdere woordenwisseling +verhinderde door uit te roepen: + +--Geen theologie, mijne heeren! wat ik u verzoeken mag! Laten wij +dat over aan mijn hooggeachten vader, die, naar ik vernam, op dit +oogenblik met den geleerden Feizi, en mogelijk nog anderen, aan 't +philosopheren moet zijn. Wij voor ons, meerendeels jongeren van +jaren, kwamen hier bijeen om vrolijk den avond met elkaar door te +brengen. Welaan dan, gij zangers en speellieden ginds! Een +drinklied nu, en een levendig ook, om ons weer in den goeden toon +te brengen! En laat stroomen den wijn, die ons 't hart verheugt; +en zoo gij, edele Abdal Kadir! het wraken mogt, bedenk dan tevens +dat een dichter, dien onze groote Profeet toch niet vloekte en die +geëerd bleef onder de onzen, dat Tharafa reeds zong: + +"En komt ge tot het drinkgelag, + Ik doe u gaarn den ganschen dag + Een trouw en kloek bescheid. + + + Den beker vindt des morgens gij + Ten boord gevuld reeds staan; + Is 't u genoeg, straks vangen wij* Met frisschen moed weer aan!" + + +En waarom zouden we dat goede voorbeeld dan niet volgen? + +De knorrige Mohammedaan bromde nog wel iets achter zijn baard, +maar hij begreep dat tegenspraak hier onvoorzigtig zijn zou, daar +hij Selim,--en deze wist dat ook wel,--als bondgenoot tegen +Akbar's geloofsverzaking van noode had. Hij zweeg dus, en +eindigde, om zijn leed te verzetten, met zelf dapper mee te +drinken, wat de Profeet er dan ook van gezegd mogt hebben. + +De overige genooden lieten zich trouwens ook niet onbetuigd en +menigmaal werden de drinkschalen even snel geledigd als gevuld, +terwijl ook de zangeressen en bayadéres op een wenk van Selim zich +onder de gasten mengden en hier en daar op de divans nevens hen +plaats namen. + +Met de schoone Rembha, die ergens in zijn nabijheid teregt kwam +had Siddha al spoedig een gesprek aangeknoopt; en weldra bleek hem +dat zij niet alleen een vrij beschaafde en ontwikkelde vrouw, maar +ook een zeer goedhartig wezen was, toen zij met medelijden van de +ongelukkige danseressen sprak, die, al waren ze geen eigenlijke +slavinnen, toch meerendeels door hare ouders op zeer vroegen +leeftijd reeds aan den meestbiedende waren verkocht en nu, door +den een aan den ander als een soort van koopwaar overgedaan, een +leven leidden, niet voel beter dan dat der wezenlijke slaverij. + +--'t Is mij,--zeide zij openhartig genoeg,--in den beginne ook zoo +gegaan; maar gelukkig had ik wat aanleg tot den zang, en een +mijner begunstigers liet mij daarom een redehijke opvoeding geven, +zoodat ik nu voor mijzelve kan zorgen, en des noods van mijne +kunst alleen kan bestaan. En als ik,--voegde zij lagchend er bij, +--als ik oud en leelijk ben geworden, dan.... + +--Ja dan!--kon Siddha niet nalaten met een gevoel van medelijden +uit te roepen. + +--Och neen!--hernam Rembha,--ik begrijp wel wat gij bedoelt; maar +gij vergist u. Als ik dan oud en leelijk word, dan behoef ik mij +nog in 't geheel niet te verlagen als zoovele om anderen aan +avonturen te helpen, maar dan vind ik ligt genoeg, daar ik eene +Indische van goede kaste ben, eene gelegenheid om hier of daar in +een tempel het toezigt te krijgen over de zangeressen en +dansmeisjes, die de priesters voor hun ceremoniën er op na houden. + +Een wat meer luidruchtige muziek dan tot heden brak het gesprek +voor 't oogenblik af, en toen het weer stil werd, mengden andere +gasten en andere vrouwen zich in het onderhoud. Ook werden nu de +gesprekken al meer en meer los van aard, en menige uitdrukking +trof Siddha's oor, die hem tot heden onbekend was, maar waarvan +hij de juist niet bijzonder kiesche beteekenis al spoedig genoeg +begreep. Langzamerhand begon er ook vrij wat van het dekorum +verloren te gaan, dat tot nog toe was in acht genomen. Hier en +daar lag reeds een feestvierende achterover met de ledige schaal +in de hand en volslagen onbewust van 't geen er om hem heen +gebeurde; en op de divans zag men menige groep, wier houding alles +behalve van eerbied getuigde voor de hooge tegenwoordigheid in +welke men zich bevond. Maar al lang zag de Prins zelf niet meer +naar de anderen om. In achtelooze houding lag hij tusschen twee +nevens hem gezeten danseressen, waarvan de eene met de greep van +zijn dolk speelde, terwijl de andere aan zijn juweelen armbanden +trok. Een daarvan, dien hij loshaakte, wierp hij deze in den +schoot en gene wierp hij een paar kostbare paarlen toe, die hij +van zijn kleed rukte; daarna hief hij de drinkschaal weer op om ze +te laten vullen, en die geledigd hebbend, zonk hij met beneveld +oog in zijne kussens terug. En de gesprekken, zoo de verwarde, +elkaar kruisende uitroepingen dien naam nog verdienden, werden al +luider en luider, en de muziek bleef spelen, en de wijn bleef +stroomen, tot eindelijk ook onze Siddha, door het rumoer en de +bloemengeuren en zeer zeker niet het minst door den wijn zelf +bedwelmd, al minder en minder van 't geen hem omringde begon op te +merken. + +Een krachtige hand, die eensklaps op zijn schouder werd gelegd, +schudde hem voor 't oogenblik wakker uit zijne verdooving. Het was +die van Salhana, die hem ongemerkt genaderd was. + +--Komaan!--sprak deze,--'t wordt tijd voor ons om te vertrekken. +Er gebeuren bij gelegenheden als deze wel eens gevaarlijke dingen +als er soms de eene of andere twist ontstaat, en men weet dan +nooit waar men in gemengd kan worden. + +--Ja, maar--vroeg Siddha met een weifelende uitspraak,--kunnen +wij zoo maar heengaan, eer de Prins het teeken van scheiden geeft? + +--De Prins!--zei Salhana nog al verachtelijk,--zie maar eens of +hij er naar vragen zal of wij heengaan of niet!--En daarbij wees +hij naar Selim, die daar achterover lag op den divan met de oogen +gesloten en den arm afhangend over het kussen; terwijl de pas weer +gevulde schaal, aan zijne hand ontvallend, over het kostbaar +tapijt op den grond was gerold. Maar hoe ook Siddha zijn best +deed, hij ontwaarde geen Selim meer, of zoo hij nog iets zag dan +waren 't er twee; en gewillig liet hij zich nu buiten de zaal +leiden door zijn oom, die hem stevig onder den arm greep, op het +voorplein in een anders voor hemzelven bestemden palankijn deed +plaats nemen, en toen, na een woord aan de dragers, schoon hij +stellig niet minder gedronken had dan zijn neef, met vasten stap +zich huiswaarts begaf. + +Op zijn weg door een der nauwere straten ontwaarde hij onder de +luifel van een huis eene lange magere gedaante, die, voorzigtig +rondziende, hare schuilplaats verliet, en in welke hij spoedig +Gorakh, den Yogi, herkende. + +--Alles wel?--vroeg deze. + +--Heel best!--was het antwoord,--onze zaken vorderen. Iets +bepaalds kan ik u echter nog niet meedeelen, maar zoodra ik wat +anders weet, en in elk geval, zoodra wij uwe hulp of die uwer +getrouwen van noode hebben, zal ik u doen waarschuwen. + +--En onze jonge gek? Houd hem in 't oog! Ik geloof dat hij iets +van onze verstandhouding vermoedt. Dat maakt echter niets uit, als +hij maar eerst binnen is. Maar daarom, zeg mij, is de vogel al in +de knip? + +--Nog niet,--antwoordde Salhana,--maar heel lang zal dat wel niet +duren. + +Gorakh lagchte, en de beide mannen gingen langs tegenovergestelde +kanten ieder huns weegs. + + + +ZEVENDE HOOFDSTUK. + +Stille zamenkomsten + +Feizi had zich niet van een voorwendsel bediend, toen hij de +uitnoodiging van den Kroonprins afsloeg. Omstreeks denzelfden +tijd, waarop Selim zijne gasten zag vergaderen, wachtte hij met +den Keizer in diens binnenvertrekken een genoode van gansch +anderen aard. + +Voorafgegaan door een dienaar, die na de aanmelding terstond weer +verdween, trad daar weldra een man binnen, aan wiens gewaad ieder +Westerling terstond den Roomsch-Katholieken geestelijke herkend +zou hebben. Het was dan ook de Padre Rodolpho Aquaviva, hoofd van +de toenmalige Jezuïeten-missie, uit Goa door den Vader Provinciaal +naar het hof van Agra afgevaardigd. + +--Ik heet u welkom, Eerwaarde Vader!--sprak Akbar, zijn groet +beantwoordend,--welkom in den naam van dat Hoogste Wezen, dat wij +beiden gelijkelijk, schoon op verschillende wijzen vereeren!--Ik +wil hopen,--voegde hij vragend er bij,--dat de reis u niet al te +zeer zal hebben vermoeid? + +--Ik ben Uwe Majesteit dankbaar voor die belangstelling,-- +antwoordde Aquaviva;--gelukkig hebben wij den togt zonder +ongevallen kunnen volbrengen, hoewel mijne gezondheid anders veel +te wenschen overlaat. Maar de nietige mensch behoort te dragen wat +de Heer over hem beschikt. + +--Dat zeg ik met u!--hernam Akbar;--maar ik heb u ook nog te +bedanken voor de boekwerken, die gij sinds uwe afwezigheid de +goedheid gehad hebt mij te doen toekomen, uwe Evangeli*n en +andere schriften. Mijn vriend Feizi hier, dien gij van vroeger u +nog wel zult herinneren, heeft ze grootendeels voor mij vertaald; +en ik verzeker u, dat wij te zamen en met Aboel Fazl er trouw in +gelezen hebben. + +--En,--vroeg de Padre, nauwlettend het gelaat van den Keizer +bespiedend,--mogen wij ook hopen dat het gestrooide zaad in goede +aarde is gevallen? + +--Ik geloof ja!--antwoordde Akbar;--ik stel verscheidene van uw heilige +boeken bijzonder hoog, nu ik daarmede eens nader heb kennis gemaakt. +Wat schoone en verhevene waarheden zijn er niet in vervat! En dan, nevens +die hoogere, meer het onzienlijke betreffende begrippen, die ook in de +leer van den Islam niet gansch ontbreken, welk eene edele en reine +opvatting van zelfverloochening en zelfopoffering, en bovenal welk een +zuiver, aan den Koran doorgaans geheel vreemd begrip van menschenliefde +en humaniteit! Dat ik uw Christendom alzoo ver boven het Mohammedanisme +stel, behoef ik u wel niet nader te verzekeren. + +--De Heere zij geloofd!--sprak de Jezuïet met ten hemel geslagen +geslagen oog en de handen zamenvouwend;--ziedaar de regte weg! +Eerst de dwaling wel begrepen door vergelijking met de waarheid; +dan is het gemoed ook ontvankelijk voor deze. En hoe zou het +trouwens ook mogelijk zijn dat een man als Akbar, niet enkel een +grootmagtig Vorst, maar, wat meer nog zegt, een zoo wijs en +geleerd man bovendien, de waarheid niet van den logen zou weten te +onderscheiden? + +--Ik ben u verpligt voor die welwillende beoordeeling,--zei +Akbar,--maar ik vrees, dat ik alligt weer in uwe achting zal +dalen, indien ik aan mijne woorden van zooeven nog iets toevoeg. +En dat moet ik toch, wil ik opregt jegens u handelen. Ik gaf u +mijne warme bewondering te kennen voor veel wat er in uwe heilige +schriften wordt aangetroffen; maar dat belet niet dat ik nog een +open oog wensch te houden voor 't geen er goeds en schoons ook in +andere godsdiensten te vinden is. Daar hebt gij bijvoorbeeld +enkele der hier nog bestaande, de oorspronkelijk Indische. + +--Hoe, wat?--kon Aquaviva zich niet weerhouden in de grootste +ontsteltenis uit te roepen,--die gruwelijke afgoderijen! + +--Ik erken,--hernam Akbar bedaard,--dat er bij zijn, waarop die +benaming wel toepasselijk is. Maar dat is toch lang niet met alle +het geval. Niet waar, Feizi? + +--Zeer zeker niet!--antwoordde deze,--en niemand weet dat beter +dan mijn Keizer zelf; en hij zal u, Eerwaarde Vader! even als ik +kunnen betuigen, dat er onder die godsdiensten zelfs meer dan een +wordt gevonden, die, wat de evengenoemde punten betreft niet voor +de uwe, voor het Christendom behoeft onder te doen. + +--Onmogelijk!--zei Aquaviva met vaste stem. + +--En waarom onmogelijk?--vroeg Feizi glimlagchend,--kent gij dan +wezenlijk al die stelsels zoo nauwkeurig? + +--Ik ken ze niet anders,--hernam de Padre,--dan uit hetgeen ik +hier er nu en dan van zie. Maar ik begeer en ik behoef ze ook niet +nader te kennen. Waartoe zou het dienen? Er kan toch maar ééne +waarheid zijn. + +--Dat spreekt wel van zelf,--viel hier Akbar in,--maar de vraag is +juist, wat waarheid is, en bij wie ze gevonden wordt; of ze enkel +gevonden wordt in één leerstelsel, dan wel in meer dan één +verspreid. Nu zult ge mij natuurlijk antwoorden, dat niemand +anders in het bezit der waarheid is dan gijlieden; maar dan vraag +ik wederom: waaruit blijkt dat? + +--Wel,--hernam Aquaviva,--de waarheid is ons immers geopenbaard +door Jezus Christus, den Zoon van God. + +--Zoo zegt gij!--was het antwoord; maar nu zegt mijn vriend Abdal +Kadir, de Islamiet, dat ze hem is geopenbaard door Mohammed, den +grooten Profeet. En dat uw Christus werkelijk Gods Zoon was, zoudt +gij toch eerst dienen te bewijzen, eer ge op hemzelf als zoodanig +u beroepen kunt. + +--Zoo zeggen ook,--voegde Feizi er nog bij,--onze Vishnoeïeten +hier, dat de waarheid hun niet alleen door wijze en heilige mannen +is bekend geworden, maar ook geopenbaard in verschillende +incarnatiën der Godheid. + +--Maar het gezag der Alleenzaligmakende kerk dan, en dat van den +Bijbel, Gods woord!--hernam de Jezuïet. + +--Dat staat weer gelijk,--antwoordde Akbar,--met het gezag van den +Koran, de khaliefen en de oelema's. En met de autoriteit van de +kanonieke boeken en de leeraren der Vishnoeïeten bijvoorbeeld, +waarvan Feizi zooeven sprak. + +--Maar dan toch het vast geloof! Zegt dat niets? + +--Ook al weer bij allen van gelijke kracht. + +--Het Christendom is in elk geval veel ouder dan de Islam. + +--Ja, maar lang zoo oud niet als de Veda, op welks gezag de +zooeven genoemde godsdienstleer meerendeels steunt. En ook het +Boeddhisme is ouder dan het Christendom. En, terwijl het daarmede, +als trouwens ook andere Indische leeringen, overeenstemt wat echt +humanitaire begrippen aangaat, en op merkwaardige wijze ook vele +kerkelijke gebruiken met u gemeen heeft, het wint het, dunkt mij, +van uwe leer in geest van verdraagzaamheid. + +--Wij komen op die wijze niet veel verder,--merkte de Padre, +ondanks al zijn ontzag voor den Keizer als zoodanig, een weinig +gemelijk aan. + +--Neen, dat geloof ik óók niet, waarde Heer!--zei Akbar met een +ligten glimlach;--doch beter zou het misschien gaan, zooal niet +volkomen in overeenstemming met uw bijzonder doel, indien gij van +de hier nog heerschende rigtingen eens wat nader kennis wildet +nemen, en u daaromtrent dezelfde moeite getroosten, welke wij ons +niet ontzagen wat de godsdienst uwer landstreken betreft. Wij +konden dan ten minste die verschillende leeringen eens zamen +vergelijken, om dan ten slotte wel tot eene overtuiging omtrent +hare wederzijdsche inwendige waarde te geraken. + +--Maar daarvoor ben ik hier niet gekomen,--hervatte de +Heidenapostel,--ik ben gezonden om het Evangelie te prediken en +zielen te redden van het verderf! + +--Welnu!--sprak Akbar op zijn gewonen kalmen toon,--ik wensch u +een goeden uitslag. Maar ik twijfel of gij veel zult vorderen, +indien gij anderen eenvoudig zoekt op te dringen wat gijzelf voor +waar houdt, zonder te doorgronden of zelfs na te vragen wat zij +van hun kant gewoon zijn als waarheid te erkennen. + +--Toch vertrouw ik,--sprak Aquaviva weder, door al die formele +bezwaren nog niet afgeschrikt,--op de onweerstaanbare overtuigingskracht, +welke alleen ons geloof bezit en waarvoor in 't eind ook het meest +verstokte hart moet zwichten, zij het dan van afgodendienaar of van +ongodist. + +--Gij bedoelt den inhoud van uw geloof, niet waar? + +--Ongetwijfeld! + +--Nu, voor zoover die inhoud zich inderdaad van de leeringen der +overige belijdenissen, die we zooeven noemden, onderscheidt, zou +ik al zeer weinig geneigd zijn, uw onbepaald vertrouwen, zoozeer +ik 't anders ook eerbiedig, te deelen. En in zoover diezelfde +inhoud met dien van anderen overeenstemt, is er geen strijd en +komt uw bekeeringswerk dus ook niet te pas. Wat dunkt u, vriend +Feizi! is het niet zoo? Gij zijt een man van bedaard verstand, en +niet zulk een idealist, zoo als ik, even als onze eerwaarde +Aquaviva, mij wel eens betoon. Wij hebben dus prijs te stellen op +uw oordeel. + +Of de eerwaarde Aquaviva het hiermede geheel eens was, mogt +onzeker heeten; maar in elk geval diende hij Feizi wel aan het +woord te laten, toen deze begon: + +--Ik geloof niet, Sire! dat Uwe Majesteit eene bevestiging Harer +woorden mijnerzijds behoeft. Maar den Padre moet ik eveneens de +verzekering geven, al beneemt ze hem een zijner meest dierbare +illusiën, dat die bijzondere leerbegrippen, die uitsluitend aan +zijne geloofsbelijdenis eigen zijn, ook al maakt hij enkele +bekeerlingen, toch nooit wortel zullen schieten in dit land, noch +onder Mohammedanen, noch onder hen, die hij gewoon is met den naam +van Heidenen te bestempelen. Genen, boven alles aan hun dogma van +God's onverbreekbare en ononderscheiden eenheid gehecht, kunnen +nooit vrede hebben met zijn leerstelling omtrent de Drieëenheid, +of de drie personen in de Godheid; dezen, voor wie die leer +misschien minder onaanneemlijk mogt schijnen, in zoover ze toch +reeds gewoon zijn het ééne Wezen onder meer dan één vorm te +vereeren, zullen daarentegen onvermijdelijk op bezwaren stuiten +van nog gansch anderen aard. Zij zullen bijvoorbeeld, om er nu +slechts één te noemen, u, Eerwaarde Vader! nooit toegeven, dat God +den mensch geschapen heeft juist om hem te doen vallen en daarna, +ten einde hem weer te redden, zichzelf in zijn eigen zoon ten +offer heeft gebragt; of, van den anderen kant, hem scheppend zoo +als hij hem schiep, niet zou geweten hebben dat hij vallen moest +en er alzoo tot dat zonderlinge evengenoemd redmiddel moest worden +overgegaan om de goddelijke regtvaardigheid weer met de goddelijke +liefde in overeenstemming te brengen. Zij zullen, houd het mij ten +goede, zoodanige voorstelling eenvoudig onzinnig achten, en dus +ook niet geneigd zijn, hunne voorvaderlijke, veel eenvoudiger en +redelijker begrippen voor zoo iets vaarwel te zeggen. Laat gij +daarentegen uw strengere leer omtrent zondeval en verzoening +nevens vele dergelijke, maar waarvan ik nu niet wil spreken, +wederom los, en verkondigt gij anders niet dan uw Christelijke +moraal en uwe begrippen van algemeen-menschelijkheid en +verloochening der zelfzucht en opofferende menschenliefde, dan +leert gij niets nieuws en uwe prediking wordt, voor 't minst +genomen, vrij overtollig. + +--Maar wij laten niets los!--viel Aquaviva uit;--wat wij +verkondigen, zullen wij volhouden, omdat het de waarheid is, en de +eenige waarheid die de verdorven menschheid kan redden en +verdoolde zielen behoeden voor de eeuwige straffen der hel; en +daarom staan wij dan ook bereid, hier als elders, ons kruis op ons +te nemen en smaadheid te lijden om Jesu Christi wille, en, moet +het zijn, ook den marteldood, als Hijzelf en zoovelen Zijner +Heiligen na Hem, te ondergaan! + +--Maar daarvan, mijn waarde Heer!--sprak nu Akbar, terwijl hij +zijn hand op den arm van den verbolgen en in geestdrift ontstoken +ijveraar legde,--daarvan kan hier immers, zoolang ik Hindostan +beheersch, in 't allerminst geen sprake zijn. Smaad ook hebt gij, +voor zoover ik weet, nooit onder mijne regering ondervonden; wel, +zoo ik meen, hooge eer, een eer zelfs u door zeer velen benijd; en +daarbij geniet gij de meest mogelijke vrijheid om uwe gevoelens te +verkondigen waar en aan wie ge maar wilt. Doch wij spraken, +bedrieg ik mij niet, over uw kansen om anderen in dit land tot de +belijdenis uwer bijzondere godsdienstige begrippen over te halen. +En deze, ik moet het wel met Feizi erkennen, deze schijnen mij +vooralsnog uiterst gering. + +--Doch,--waagde Aquaviva op te merken,--als Uwe Majesteit nu eens +het voorbeeld gaf? + +--Dan zou ik toch zelf wel eerst overtuigd moeten zijn!-- +antwoordde Akbar;--of zoudt gij willen, dat ik iets met den mond +ging belijden wat mijn hart bleef verloochenen? + +--Zeer zeker,--hernam de ander,--ware zoo iets een ongerijmde +eisch. En ik mag er dan vooreerst ook niet meer op aandringen. +Maar ik had zoo gehoopt, zoo vertrouwd, dat de lezing der Schrift +reeds het edel gemoed van Hindostan's wijzen beheerscher +ontvankelijk zou hebben gemaakt voor dat éénig geloof, dat alléén +in staat is zijne ziel, als de onze, te behouden voor het eeuwig +en anders onvermijdelijk verderf! En nu zie ik mij niettemin in +die zoo dierbare verwachting weer teleurgesteld. Is het dan niet +te vergeven als ik mij zoo aanstonds in wat sterke bewoordingen +uitdrukte? + +--Gij hebt geen vergiffenis van noode, mijn waardige vriend!-- +antwoordde Akbar;--ik kan mij uw ijver volkomen voorstellen. Maar +ik heb immers ook niet gezegd, dat ik volstrekt niet naar u +luisteren wil. Integendeel! ik schenk u steeds gaarne de +gelegenheid om, kunt ge, mij te overreden. Doch laat ons voor 't +oogenblik afbreken, en ons onderhoud van heden avond enkel als een +voorloopig beschouwen! We spraken ditmaal ook over wat veel +onderwerpen te gelijk, een andermaal willen we wat beter bij een +bepaald punt blijven staan, en wie weet, hoever uw geleerdheid en +welsprekendheid het dan nog met mij brengt! + +Of de Keizer bepaald ernstig sprak, dan of zekere ironie zich +mengde onder zijne woorden, schoon in zijn stem of gebaren daarvan +niets merkbaar was, had de Jezuïet moeilijk kunnen beslissen. Wat +er evenwel van ware, de wenk dat het onderhoud voor heden was +afgeloopen kon hem niet onduidelijk zijn; en, den Keizer dank +zeggend voor de op nieuw hem bewezen eer, verliet hij met +eerbiedigen groet het vertrek. + +--Allen toch dezelfden!--sprak Akbar tot Feizi, toen de ander hem +verlaten had;--of gij nu Abdal Kadir of Aquaviva hoort, 't is +altijd weer gezag, geloof, openbaring, maar geen sprake van rede +en verstand, en van gronden aan wetenschap en ervaring ontleend. +Toch onderhoude ik mij gaarne met die dweepers. De verschillende +wijze waarop de menschen zich hunne betrekking tot den oneindigen +grond van het Al voorstellen, is meerendeels wel uit boeken te +ontdekken; maar het levend woord van de belijders zelven der +onderscheiden gezindheden leert ons menigmaal toch nog meer. + +--Ongetwijfeld!--antwoordde Feizi;--maar wat nu dat voortdurend +beroep op gezag en openbaring aangaat, is het niet natuurlijk en +onvermijdelijk bij allen, die, niet te vrede met hetgeen rede en +ervaring ons leeren, de oplossing der wereldraadsels in +voortbrengselen van hun eigen verbeelding zoeken? Toont men hun nu +de ongegrondheid of ook de onzinnigheid van vele dier voorstellingen, +dan rest hun niet anders dan zich te beroepen op het gezag eener +openbaring, die hen of hun voorgangers met hunne ingebeelde waarheden +moet hebben bekend gemaakt. Doch, zonderling voorwaar! dat de +tegenspraak hen zoo zelden tot eigen onderzoek en rustige beoordeeling +hunner opgeschroefde leeringen voert. Konden ze daartoe besluiten, ze +zouden spoedig genoeg de ijlheid dier theoriën leeren inzien. Hoog en +trotsch inderdaad verheffen zich de pijlers en tinnen hunner tempels +tot in de wolken; maar onderzoek de grondvesten, en gij ontdekt aldra, +dat ze staan te waggelen op het stuifzand der phantasie. + +Niet aanstonds sprak Akbar, toen Feizi zweeg. Eenige oogenblikken +dacht hij na, en zeide toen: + +--Ik geloof dat gij gelijk hebt, Feizi! Maar toch, ik betrap mij +zelf wel eens op iets diergelijks als gij dien lieden verwijt, ook +al erken ik in 't eind weer geen ander gezag dan onze eigene rede. +En of ons nu, in oogenblikken van geestvervoering, de dichterlijke +verbeelding niet soms tot de ontdekking van waarheden kon leiden, +die wij later door de uitkomsten der wetenschap mogten bevestigd +zien? Doch daarover nader! Wij hebben thans nog andere zaken te +bespreken; en straks komt Aboel Fazl, om ons, naar ik verwacht, +eenige niet onbelangrijke mededeelingen te doen. + +In een ander gedeelte van Agra had, een avond later, mede eene +zamenkomst plaats, maar die overigens met de zoo aanstonds +beschrevene niets anders gemeen had dan dat ze eveneens eene +heimelijke, voor onbescheiden oogen en ooren wél verborgene was. + +Reeds meer dan eens had Siddha in de dagen die onmiddelijk op zijn +eerste bezoek bij Rezia volgden, naar de dienares omgezien, die +hem toenmaals naar hare woning had geleid. Ten laatste had hij de +vertrouwde nogmaals in den omtrek der Keizerlijke tuinen ontmoet, +en van haar op nieuw eene uitnoodiging van hare meesteres +ontvangen, waaraan hij ook wederom zich gehaast had te voldoen. +Sinds dien tijd herhaalden zich telkens die bezoeken en volgden al +sneller en sneller op elkaar, totdat eindelijk de dag aan Siddha +ledig scheen, waarop hij niet nevens Rezia aan de veranda was +gezeten geweest. Wat ook Agra schoons en aangenaams bieden mogt, +hoezeer hem ook de meer dan eens reeds gebleken gunst van Aboel +Fazl en later ook die des Keizers verblijdde, en hoeveel wezenlijk +genoegen hij ook in zijne gesprekken met Feizi smaakte, wiens +woning voor hem openstond en die hem wezenlijk als een vertrouwd +vriend behandelde, of zoo goed hij zich ook vermaakte met den +jongeren Parviz en zijne levenslustige kameraden, toch was er +niets wat zoo onweerstaanbaar hem trok als het stille paviljoen +der bevallige Armenische. Dat het beeld van Iravati daarbij meer +en meer op den achtergrond geraakte, was zeker niet vreemd, en +evenmin dat Rezia voor hem al spoedig iets meer dan eene aangename +en onderhoudende kennis werd, terwijl zijzelve ook gansch niet +ongevoelig voor de onverholen hulde van den jongen edelman scheen. +Wel had eensklaps een gevoel van schrik zich van hem meester +gemaakt toen hij tot het vol bewustzijn kwam, dat zij hem niet +enkel dierbaar was geworden als eene lieve vriendin, maar dat hij +met een hartstogt haar beminde geljk hij dien tot heden nog nooit +had gekend; doch al vrij spoedig ook was hij aan die gedachte +gewoon, en geen andere heheerschte ten slotte zijn gemoed dan de +voortaan door niets meer te beteugelen begeerte om haar de zijne +te mogen noemen en zijne liefde door haar beantwoord te zien. + +Op den bewusten avond dan had nogmaals Siddha nevens zijne +verleidelijke gastvrouw op den divan plaats genomen, waarvoor nu +een kleine en lage, sierlijk gebeeldhouwde tafel met frissche +vruchten en gouden, met tintelenden wijn gevulde drinkschalen was +gesteld. En verlokkender scheen zij in dit oogenblik hem dan ooit, +en weelderiger hare schoone bevallige vormen, en dieper van +uitdrukking de blik harer zachte blauwe oogen, die nu eens met +weeke teederheid, dan weer met onbeschrijfelijken gloed naar hem +opzagen om haastig straks in de schaduw der donkere wimpers weer +schuil te gaan. En liefelijke geuren van rozen en jasmijn stegen +er op uit den bloemenhof en een heldere maan wierp hare stralen +als getemperd daglicht op het balkon en in het vertrek, en +overtoog met hellen zilverglans de boomgroepen en fonteinen daar +omlaag. + +--Siddha!--sprak Rezia eensklaps ernstig na eenig meer +onverschillig en schertsend onderhoud,--gij hebt mij voorheen +reeds een dienst bewezen door mijn brief veilig naar Kaçmir te +doen overbrengen; zou ik nu nog een tweede van u mogen vergen, +maar die, ik zeg het u vooruit, van vrij wat meer beteekenis ook +voor uzelf kan zijn? + +--Gebied, en ik gehoorzaam!--antwoordde Siddha zonder weifelen;-- +wat het ook zijn mag wat gij verlangt, wees overtuigd, en gij weet +hoezeer 't mij ernst is, ik zal trachten het te volbrengen. + +--Voorzigtig, mijn vriend!--hernam Rezia, den wijsvinger schalks +omhoog heffend;--gij verbindt u reeds alvorens te weten wat ik u +van zou kunnen vergen? Dat komt omdat gij, in uw wezenlijk +aanzienlijken rang, en verzekerd van uw benijdenswaardige stelling +ten hove, eigenlijk wat laag neerziet op een eenvoudige vrouw +zooals ik, en dus meent al heel gemakkelijk eene of andere mijner +grillen te kunnen bevredigen. Maar dat kon u toch wel eens +tegenvallen. + +--Ik zweer u,--was het nog al driftig antwoord,--zoo iets kwam in +de verte zelfs niet bij mij op. Nogmaals dan: eisch wat gij wilt, +en ik gehoorzaam uw bevel! + +--Nu dan,--hervatte Rezia, terwijl zij nog ietwat vertrouwelijker +naar de zijde van haar thans wel verklaarden aanbidder neigde,-- +wat ik te verlangen zou hebben is, wél bezien, eigenlijk evenzeer +in uw belang als in het mijne. Gij verbeeldt u alligt dat ik, zoo +stil en eenzaam hier levend, niets weet van 't geen er omgaat in +de paleizen van Agra en in 's Keizers raad verhandeld wordt. +Toevallige betrekking met enkele personen, die goed op de hoogte +zijn, stelt mij evenwel in de gelegenheid er iets meer van te +weten dan gij waarschijnlijk vermoedt. Iets meer ook misschien dan +uzelf bekend is, en u toch in uw eigen belang, althans in dat van +uw land en uw geslacht, bekend behoorde te zijn. + +--Ik geloof,--sprak Siddha,--dat ik u reeds begrijp. Gij bedoelt +zekere plannen die tegen de onafhankelijkheid van Kaçmir gesmeed +konden worden, indien de aldaar weer aangevangen binnenlandsche +twisten ze soms voor uitvoering vatbaar mogten maken. + +--Volkomen juist!--was het antwoord,--maar wat gij toch niet +schijnt te weten is, dat diezelfde plannen al vrij wel gerijpt +zijn, dat de Keizerlijke legermagt tot den inval gereed wordt +gemaakt, en--dat gijzelf met de uwen bestemd zijt om tot hulp te +dienen tegen uw land en volk, door middel van uw invloed op de +trouw aan u gehechte Radjpoet's en van uw welklinkenden naam in +Kaçmir zelf; altijd, wel te verstaan, indien gij blindelings +blijft gehoorzamen aan 't geen u door Akbar of van zijnentwege +geboden wordt. + +--Maar, lieve Rezia!--vroeg Siddha met een flauwe poging om onder +schijnbaar luchthartigen toon de onrust te verbergen, die zich van +hem meester maakte,--al mogt dat alles nu zoo zijn, wat is het u? +En wat kan u bewegen mij daarover in dit oogenblik te onderhouden? + +--Mijn wezenlijk eigenbelang, maar tevens ook belangstelling in +het uwe, mijn vriend! Ik sprak u vroeger van een vriendin, gelijk +gij u zult herinneren, die hier aan zekere vervolging zou zijn +blootgesteld. Maar, nu oprecht gesproken, ik misleidde u! Niet die +vriendin gold het, maar mijzelve. Die echtgenoot, aan wien een +wreed bevel mijns vaders mij eenmaal kluisterde, en wiens tirannie +ik verfoei, keert werkelijk spoedig terug. Hem te ontvlugten, vrij +te zijn, eenmaal in veiligheid mij te kunnen verbinden met dengene +die later welligt de man mijner keuze zijn zal, blijft mijn doel. +En om dat te bereiken, zocht ik Kaçmir als toevlugtsoord en +knoopte er verbindingen met enkele uwer vrienden aan. Maar wordt +nu ook dat land aan Akbar's vér strekkende magt onderworpen, dan +ontgaat mij ook weer die mogelijkheid en weet ik niet waarheen +voortaan mij te wenden. Spoedig zie ik mij dan weder in de magt +van den man, die te beschikken heeft over mijn lot, en--met onze +genoegelijke en vrolijke zamenkomsten is het uit mijn vriend! en +Rezia heeft opgehouden voor u te bestaan, even als gij--'t werd +met een ligte zucht er aan toegevoegd,--ook voor haar! + +--Dat niet!--riep Siddha hartstogtelijk uit,--dat zal niet +gebeuren! Maar wat wilt gij dan? Wat middel weet gij? Wat eischt +ge van mij? + +--Anders niet--antwoordde Rezia bedaard,--dan dat ge u niet tot +werktuig laat gebruiken tegen uw eigen land, tegen uzelf, tegen +mij! Blijf uw dapperen aanvoeren als tot heden, maar leid ze, den +beslissenden dag, niet op tegen ons, en weet hen, als het +oogenblik zal gekomen zijn, op geschikte wijze te doen overgaan +tot diegenen der onzen, voor wie ze steeds bij alle uiterlijk +vertoon van trouw en onderdanigheid aan den Keizer, uit den aard +van hun stam en oud-adelijke geslachten een geheime neiging +hebben. Dan zal een magtige partij in Kaçmir zelf u bijvallen, u +steunen door haar invloed, u verheffen tot de hoogste eer; en dan +zult gij in 't eind, ook al is dat nu van minder belang, een +veilige wijkplaats hebben bereid aan mij arme, die ten allen tijde +u dankbaar zal blijven voor de bescherming haar verleend! + +--Maar,--stamelde Siddha, bij al die plannen en vooruitzigten nauw +meer den draad zijner eigene gedachten vattend,--dat is toch +verraad, en verraad van de ergste soort jegens den Keizer, die mij +vertrouwt! + +--Zeer zeker verraad!--antwoordde Rezia met een minachtenden +lach,--de Keizer heeft natuurlijk volkomen regt, u als werktuig te +gebruiken tegen uw eigen land en volk, onder den schijn van u +gunsten te willen bewijzen; maar gij, gij mist het regt, hem te +betalen met gelijke munt! Nu, daarvoor zijt ge dan ook onderdaan, +of--slaaf! Doch handel zooals gij verkiest! Uwe betuiging van daar +straks, dat gij alles zoudt willen doen wat ik vroeg, blijkt mij +nu eene ijdele pligtpleging te zijn geweest, zooals men die wel +eens meer jegens onnoozele vrouwen uit. Maar genoeg! En laat ons +onderhoud thans liever geëindigd zijn; niet omdat mij dat +aangenaam ware, maar omdat ik beter vind, op eens met kloek +besluit van elkaar te scheiden dan onze kennismaking nog verder +voort te zetten, en ze dan morgen of een dag later toch +onvermijdelijk en tegen onzen wil te zien afgebroken. + +--Nog eens,--sprak Siddha, terwijl Rezia als gebogen onder haar +smart zich van hem afwendde,--dat nooit, dat in geen geval! En ik +loog ook niet al aarzelde ik straks een oogenblik, toen ik zeide +te willen doen wat gij zoudt eischen. Ik herhaal het: Gebied, en +ik gehoorzaam! + +--Uw woord! + +--Mijn woord als edelman! Doch waarom het nog verlangd? Gij weet immers +dat ik niet anders kan, dat ik toch doen zou wat gij maar eischen mogt. +En waarom ook verder nog verzwegen wat u al lang bekend is? Laat mij +dan vrij het betuigen, laat mij 't eindelijk zeggen, dat gij mij +dierbaar zijt boven alles, dierbaar boven het leven en zelfs boven de +eer, en dat ik met een hartstogt u bemin zooals ik tot nu toe nooit +mogelijk of ook maar denkbaar had geacht! Ik meende te weten wat liefde +was, maar 't was een kinderlijke genegenheid die ik er voor aanzag. Gij +hebt mij anders geleerd. Maar leer mij meer nog! Leer mij, wat het zegt, +eene liefde als de mijne te zien beantwoord! Geen slaaf kan onderdaniger +aan zijn meester zich toonen dan ik het zijn wil jegens u; nooit de +slaaf van Akbar of van wien ook, zooals gij meendet, maar wel de uwe! +Al wat ik heb en ooit nog verwerven mogt, rijkdom, aanzien, rang, +behoort u alleen, en de magt die gij over mij bezit kunt gij gebruiken +en misbruiken naar welgevallen. Maar wees de mijne, Rezia! de mijne +zoolang ons te leven rest! + +--Neen, Siddha!--sprak zij zacht, terwijl zij de hand afweerde +waarmee hij de hare zocht te vatten,--neen! mij voegt het niet, +zulke taal van u aan te hooren, noch u, ze tot mij te uiten. +Bedenk het, ik ben nog niet vrij, en ook gijzelf niet; want andere +banden, gij verhaaldet 't mij zelf, houden u gevangen. + +--Andere banden!--riep Siddha driftig uit,--ik verbreek ze! Of +liever, ik heb ze al lang verbroken! En kon ik dat niet, ik zou +den dag vloeken, waarop ze mij werden aangelegd. En gij! moogt ge +ook heden niet vrij zijn, ik ben het die 't weldra u maken zal! +Naar Kaçmir trekken wij heen, naar het afgelegene maar schoone +Noorden, waar Siddha Rama's naam, gelijk gij wél zegt, nog invloed +heeft, en waar niemand ligt zou wagen, die gehate echtgenoot zoo +min als een ander, haar te beleedigen, die nu eenmaal mijn +bescherming geniet. + +--En zou die bescherming ook voldoende zijn tegen een Akbar en +zijn gunstelingen?--vroeg Rezia. + +--Tegen hem en de zijnen, wie ook, als tegen alle anderen!--was +het overmoedig antwoord;--ook tegen hemzelf zullen wij Kaçmir +weten vrij te vechten, al ware 't alleen om het tot een wijkplaats +te behouden voor u en voor mij. + +--Toch mag ik u niet blijven aanhooren,--hernam Rezia;--in +waarheid, het is mij leed dat gij tot mij gesproken hebt als dezen +avond. Gij hadt mij en uzelf dit alles moeten sparen. Dan had onze +vriendschappelijke omgang mogelijk nog kunnen voortduren, en later +misschien tot eene andere verbindtenis kunnen leiden. Thans moet +alles ophouden, zoozeer mij dat ook bedroeft. Ga nu, zeg mij +vaarwel en vergeet mij; het is beter voor u, en...ook voor mij, +die gij zegt lief te hebben! + +Inderdaad!--sprak Siddha, terwijl hij opstond en, 't hoofd op de +borst gezonken, eenige passen terugtrad,--een spoedige scheiding +zal nog wel het verstandigste zijn. Ik zie het maar al te goed; +mijn liefde wordt versmaad. Wat dan nog langer hier te toeven? 't +Is waar, zonder u is er voor mij geen leven, geen geluk meer +denkbaar; en toch, de voortdurende marteling, u telkens te moeten +zien en van dag tot dag inniger lief te hebben, en dan te weten +dat gij dien gehaten, dien gevloekten vreemde blijft toebehooren, +is mij onduldbaar. Nieuwe onlusten nu zijn er, naar ik verneem, in +het Zuiden, in Dekkan, uitgebroken en de Keizer roept derwaarts +verscheiden zijner legerbenden; ik wil hem smeeken, mij daarheen +te zenden, en in den strijd met wilde bergstammen vind ik spoedig, +zoo niet vergetelheid, want die is onmogelijk, dan toch een +tijdigen, nu wel gewenschten dood. + +--Ach, Siddha!--klonk het droef klagend en in den zoetsten toon +der liefelijke welluidende stem,--ach! waartoe nu een hevigheid +zooals ik ze nog nooit van u ondervond? Waartoe, indien een zwakke +vrouw, die maar al te zeer de moeijelijkheid van den strijd tegen +haarzelve en haar eigen hartstogt ondervindt, nog een oogenblik de +kracht zoekt te behouden om uw aandrang te weerstaan? Het is zoo, +gelijk gij zegt: het ware beter mij te verlaten. En toch ... ik +kan u nog niet laten gaan! Blijf al is 't maar een korte poos; zet +u nog eenmaal aan mijne zijde, en verheugen wij ons, al ware 't +ook voor het laatst, nog eenige oogenblikken in die meer rustige, +door onbedwongen hartstogt niet verstoorde gesprekken, waarin ook +gij toch als ik te voren zooveel genoegen vondt. + +En eer Siddha tot bewustzijn van zijn handeling kwam was hij +nogmaals nevens de vrouw gezeten, die heel zijn verstand en zinnen +had vermeesterd; en, op haar verlangen de luit grijpend, die daar +nevens hem lag, begon hij te zoeken in zijn herinnering naar een +der liederen van zijn land, om wier voordragt zij met hare gewone +innemendheid hem gebeden had. + +Maar of hij al zocht, en soms aanving en dan weer ophield, om +straks op nieuw te beginnen en nogmaals te blijven steken, zijn +geheugen faalde, en mismoedig legde hij de nuttelooze luit ter +zijde. + +--Ik weet niets meer,--zeide hij,--ik kan mij niets meer +herinneren, ik denk niet meer!... + +--Hoe nu, mijn zanger!--sprak Rezia lagchend,--moet ik het dan +zijn, die u voorga? Welaan! Maar drinken wij eerst elkander toe!--En +een der drinkschalen opvattend, deed zij Siddha ook de zijne +ledigen en begon toen met zachte, smeltende stem een zoetvloeiend +Perzisch minnelied, dat ook spoedig genoeg zijne verbeelding weer +te verlevendigen wist. + +--Nu dan!--riep hij weer opgewonden uit toen Rezia had geëindigd, +en beschreef, naar Kalidasa's Jaargetijden, de ontvangst van den +minnaar door de, voor hem bij den terugkeer van den zomer getooide +bruid: + +"In 't loofpriëel, van bloemengeur doortrokken, + Drinkt hij den wijn, ligt door haar mond beroerd; + Een lieflijk lied weet Kama hem te ontlokken, + Door teedre min tot dartel spel vervoerd. + + + De boezem rijk met parelen omwonden, + Het zijden kleed om slanke heup geplooid, + De lokken los met bloemen opgebonden, + Ontvangt zij hem, als bruid voor hem getooid. + + + Wie voelt zich niet van blijden lust doordringen + Waar, ligt van tred, als zwanengang, een voet + Door zachten klank der rinkelende ringen + Aan d' enkel steeds, rooskleurig, denken doet? + + + Waar 't geel saffraan den glans verhoogt der lokken, + En gouden gordel slanke leest omsnoert, + En luchtig gaas, van sandelgeur doortrokken, + Den boezem dekt, dien minnelust ontroert? + + + Weg dan 't gewaad, dat te eng die slanke leden, + Met ligte dauw bepareld, nog omhult! + Het nijdig kleed, dat, halfweg afgegleden, + Des jonglings hart met wangunst nog vervult!... + + + Zoo wekt de wind, die in de blaadren fluistert, + En rimplend 't meer en 't murmlend beekjen kust, + Zoo wekt ook 't lied, dat 's dichters oor beluistert, + Den God der Liefde uit lange winterrust..." + + +De zanger zweeg, en zij die hem aanhoorde, en zich al digter en +digter aan zijne zijde had gevleid, sprak niet, maar zag naar hem +op met hare betooverende oogen, stralend ditmaal van een ongewonen +gloed. Toen vatte hij eensklaps hare beide handen, en trok haar +tot zich met thans bijkans onweerstaanbare kracht. + +--Rezia! sprak hij,--Rezia! wees mij Kalidasa's bruid!... Voor nu +en voor altijd mijn! + +En zacht fluisterde zij Siddha's naam, en hare armen om zijn hals +slaande, zonk zij magteloos aan zijne borst.... + +Meer dan eens sloop sinds dien avond, in 't late van den, liefst +donkeren, nacht eene mannelijke gestalte langs de cactuslaan, die +tot de woning der Armenische leidde, en spoedde zich, bedachtzaam +rondziende, voort.... De lotusbloem van Iravati was gekanteld met +het ranke vaartuig waarop hij zich bevond; een zoele windvlaag had +het omgeworpen. + + + +ACHTSTE HOOFDSTUK. + +Een verzoeker + +Nogmaals was de jeugdige kasteleinesse van Allahabad aan het +balkon van den burgt gezeten, en zag uit naar de verre gebergten, +vanwaar, nu geruimen tijd reeds geleden, de toen lang verbeide +gekomen was. In het landschap daar omlaag had niets zich veranderd +sinds dien tijd; dezelfde kalme, zilveren wateren en bosschaadjen +daar beneden, en bergtoppen aan den verren overkant; en dezelfde +onbewolkte zonneschijn, die toen het landschap had verlicht. Of +ook in hem niets veranderd mogt zijn, die nu zeker een ijverig +deel nam aan de verstrooijingen van het hof en de velerlei +vermaken der groote stad? Of hij nog steeds aan haar dacht, en +dagelijks hare beeldtenis bezag, gelijk zij de zijne? De twijfel, +soms haars ondanks bij haar oprijzend, scheen Iravati niettemin +bij eenig nadenken eene beleediging jegens den man, dien zij niet +minder hoogachtte dan lief had en die nog bij zijn laatste bezoek +op zoo innige en tevens plegtige wijze zijn woord van trouw aan +haar verpandde en in zijne brieven ook daarna zijne gelofte nog +had herhaald. Maar deze hadden sinds eenigen tijd opgehouden. En +waarom keerde hij niet spoedig eens weder, al was 't dan vooreerst +maar tijdelijk? Kon hij zoolang van haar gescheiden blijven zonder +gelegenheid te zoeken, ware 't slechts voor een enkelen dag haar +weer te zien? Ongetwijfeld hield strenge dienstpligt hem terug, en +kon hem zoo aanstonds geen verlof worden gegeven tot eene +afwezigheid. Maar wat de tijd inmiddels lang viel, wat de uren en +dagen schenen voort te kruipen voor haar die eenzaam hier wachten +moest! + +Als dien anderen morgen werd zij in hare mijmering ook weder +gestoord door de verschijning van haar vader, den Goeverneur. + +--Iravati!--sprak deze op den gewonen afgemeten toon, dien hij +waar hem dat paste wist aan te slaan,--een gast brengt ons heden +bezoek .... + +Hij was dan gekomen! hij wachtte ginds! En in zichzelve juichte de +ongeduldige, schoon zij uiterlijk het niet blijken liet. + +--Een gast,--vervolgde Salhana,--dien het u zeker even aangenaam +als vereerend zal zijn te ontmoeten. Het is Selim, de Kroonprins, +die op verlangen zijns vaders eenigen tijd in Allahabad komt +vertoeven. + +Niet dan met de grootste inspanning wist Iravati hare bittere +teleurstelling te verbergen; maar iets te antwoorden scheen haar +onmogelijk. + +--Welnu?--vroeg Salhana,--is het berigt u niet welkom? Daar is er +menigeen, die heel wat zou geven om de eer te mogen genieten die u +wacht. Voor 't overige begeer ik natuurlijk niet dat iemand van 's +Prinsen gevolg u zien zal; maar met den aanstaanden Keizer is het +heel iets anders. Ook kan het voor mij en ook voor Siddha van +belang zijn, indien gij u zijne gunst weet te verwerven. Volg mij +nu! + +Toen Iravati met haar vader de galerij binnentrad waar op dat +oogenblik Selim zich alleen bevond, ging deze haar een paar +schreden te gemoet en wilde haar op zijne gewone luchthartige +schoon hoffelijke wijze toespreken; doch eensklaps begaf hem al +zijne vrijmoedigheid, en zwijgend bleef hij staan. Eene zoo edele +houding aan zooveel bescheidenheid tevens gepaard, eene zoo +ernstige schoonheid bij zoo innemende en lieftallige uitdrukking +van gelaat, herinnerde hij zich niet bij eenige vrouw nog ooit te +hebben aanschouwd. En tegen zijne gewoonte wachtte hij met zijne +begroeting tot Salhana vormelijk zijne dochter aan hem had +voorgesteld. + +--Ik ben u verpligt, edele jonkvrouw!--sprak hij toen,--dat gij u +de moeite getroost, mij als gast te komen begroeten. Ik heb reeds +meer dan eens van u gehoord, en...,--eene beleefdheidsphrase die +hem op de lippen zweefde, scheen hem te laf en te onbeduidend dan +dat ze niet moest blijven steken,--en...,--vervolgde hij, voor 't +oogenblik niets anders vindend,--het is mij aangenaam thans +persoonlijk uwe kennis te mogen maken. + +--De eer, mij en mijn vader door Uwe Hoogheid bewezen, stel ik +bijzonder op prijs!--antwoordde Iravati;--en ik wil hopen dat het +stil verblijf in Allahabad u niet te zeer moge tegenvallen in +vergelijking met het leven der hofstad, dat aan afwisseling zeker +wel heel wat rijker zal zijn. + +--Indien--sprak Selim,--de edele dochter van den Goeverneur mij nu +en dan het genoegen van haar bijzijn gunt, dan ben ik voorzeker +niet bevreesd dat het verblijf mij lang zal vallen. Maar ik hoor u +van de residentie spreken; gij kent die toch, wil ik hopen? + +--Ik ben nog nooit in Agra geweest?--luidde het antwoord. + +--Niet?--vroeg Selim;--maar, waardige Salhana!--vervolgde hij,-- +het wordt dan toch waarlijk tijd dat ge uw rijkbegaafde dochter +eens wat meer van de wereld laat zien dan hier in dezen afgelegen +burgt haar vertoond kan worden! + +--Die tijd,--antwoordde de Goeverneur,--zal gekomen zijn als mijne +dochter zich eenmaal ouder de hoede van haar aanstaanden +echtgenoot, mijn toekomstigen, nog onlangs door Uwe Hoogheid met +zooveel welwillendheid ontvangen schoonzoon, zal bevinden. + +Waarom die herinnering den Prins niet bijzonder welkom scheen, +viel bezwaarlijk te ontdekken; maar in elk geval zweeg hij +onmiddelijk, terwijl zijn donkere wenkbrauwen zich fronsten; en +een oogenblik daarna bragt hij 't gesprek op andere onderwerpen +over. Een tijdlang werd het nog voortgezet, en daarop vroeg +Salhana voor zijne dochter verlof zich naar hare vertrekken terug +te begeven. Met een eerbiedige neiging verwijderde zich Iravati, +weltevrede dat het weinig vermakelijk onderhoud was afgeloopen, en +geen anderen indruk van den zoon des Keizers medenemend dan dat +hij verbazend prachtig was gekleed, schoon op dat oogenblik +Selim's kostuum voor hemzelf nog niets anders dan een eenvoudig +reisgewaad vertegenwoordigde. + +Eenige oogenblikken later was Selim met den Goeverneur en nog een +derden persoon in een der tegen alle indringers en luisteraars wel +verzekerde vertrekken van den burgt gezeten, blijkbaar om te +beraadslagen over belangrijker vragen dan die, hoe men 't best in +Allahabad zich den tijd zou korten. Die derde was Gorakh, de +Doerga-priester. + +--Het doel waarnaar wij streven, mijne vrienden!--dus begon de Prins,-- +schijnt weldra door ons genaderd. Doch laat ons voorzigtig zijn vóór +alles! En niet onverstandig doen wij, naar 't mij voorkomt, als wij +thans aanvangen met den stand onzer plannen te overzien, om dan te +onderzoeken wat er nog tot verdere voorbereiding dient beraamd te +worden. Gij nu, Salhana! zijt, geloof ik, daarvan nog 't best van ons +drieën op de hoogte. Wat mij betreft, ge weet dat men aan 't hof het een +en ander is gaan vermoeden, en van daar de wensch, dat wil dan zeggen +het bevel mijns vaders om mij hierheen te begeven. Wie mij dat bezorgd +heeft, weet ik heel wel; 't is weer die Aboel Fazl, vloeke hem Allah! +Maar ik hoop 't hem bij gelegenheid wel eens betaald te zetten. En nu +gij, Salhana! + +--Tot heden,--begon deze,--kan ik niet anders zien of alles gaat +naar wensch. In Agra, Delhi, Lahore en andere plaatsen zijn de +echt Mohammedaansche Omrah's en de verdere grooten ten hevigste +tegen den Keizer verbitterd, om de verachting waaraan hij nu al +lang hunne godsdienst blootstelt en het verlies der voorregten +welke hij hun ontnomen heeft. Zij zullen niets liever zien dan een +omwentellng bij de eerste gelegenheid de beste, en velen zijn +volkomen bereid daaraan mee te werken. Evenzoo meer dan één der +hoogere Mansabdar's. Abdal Kadir helpt ons in dat alles niet +weinig, maar al te zeer moet er toch niet op hem gebouwd worden; +hij zou wel openlijk willen te werk gaan, 't geen natuurlijk een +dwaasheid ware; maar hij heeft telkens weer bezwaren tegen 't geen +hij verraad noemt. + +--En uw neef?--vroeg Selim. + +--Die komt geheel op onze zijde; hoe we dat nu gedaan hebben +gekregen, doet niet ter zake; genoeg dat het zoo is. Ik had hem +eerst als onzen spion bij Akbar willen gebruiken; maar 't is mij +gebleken dat hij er niet voor deugt; hij is te onnoozel en te veel +in de begrippen van dien Koelloeka opgevoed om de rol behoorlijk +te spelen; en daarenboven pakt Akbar hem ook telkens op zijne +bekende manier weer in, als hij hem soms ontmoet; 't is dus maar +beter dat hij den Keizer niet al te dikwijls ziet. Daarentegen zal +hij ons geheel andere en nog betere diensten kunnen bewijzen. Nog +onlangs werd hij in rang als Mansabdar verhoogd, en spoedig heeft +hij kans op nieuwe bevordering, zoodat hij tegen den bepaalden +tijd een vrij belangrijk getal ruiters zal aanvoeren; over zijne +Radjpoet's heeft hij ook persoonlijk veel te zeggen, en in Kaçmir +heeft zijn naam grooten invloed. Wanneer wij dus het beraamde plan +uitvoeren dan wordt ons zijn medewerking van niet gering nut. Op +het gegeven oogenblik laat hij de zijnen omkeeren en zich tegen de +Keizerlijken wenden, en geen twijfel of dat voorbeeld zal door de +meerderheid der Radjpoet's en Patan's wel worden gevolgd. + +--Maar nu het plan zelf, wat Kaçmir betreft?--vroeg Selim wederom. + +--Wel, mij dunkt,--antwoordde Salhana,--dat het niet beter kon +staan dan thans. De binnenlandsche twisten zijn, meerendeels door +ons toedoen, tot een uiterste gekomen; de partijen staan gewapend +tegenover elkander; de stroopers loopen het land af, en, wat hier +wel 't belangrijkste is, ook Akbar's naburig gelegen rijken; zij +geven hem dus de aanleiding aan de hand om met zijn leger naar het +Noorden op te trekken, en tot herstel en blijvende verzekering der +rust de verovering van Kaçmir te beproeven. Zijn legermagt staat +dan ook al gereed; en, bedrieg ik mij niet, dan is zijn voornemen, +na de aanstaande jaarlijksche viering van zijn geboortedag den +togt te gaan ondernemen. Is nu eenmaal de strijd aan den gang, dan +valt onze Siddha even als andere aanvoerders hem plotseling af, +vereenigt zich met de onzen in het leger van Kaçmir en houdt Akbar +genoeg bezig om hem vooreerst den terugtogt te beletten. Inmiddels +hebben de onzen in Agra zelf de handen vrij, roepen Selim tot +Keizer uit, en stellen zich in 't bezit van de vesting en de +schatkist. Zoo dan Akbar ten laatste nog terugkeert, dan valt er +misschien nog wat te vechten met zijne troepen, schoon ik 't niet +onderstel; maar 't eind van de zaak moet toch zijn, dat hij ten +gunste van den Kroonprins afstand doet van den troon. + +--Alles,--sprak Selim,--volkomen goed berekend, en geheel +overeenkomstig ons oorspronkelijk, en thans, naar ik met genoegen +zie, meer tot rijpheid gekomen plan! Maar eene vraag toch! Bestaat +er geen gevaar dat er iets van uitlekt? Is alles wel steeds +voorzigtig aangelegd? Zoo bijvoorbeeld die brief, die naar Kaçmir +verzonden zou worden; indien hij eens in verkeerde handen was +geraakt? + +--De brief--antwoordde Salhana,--is volkomen goed aan zijne +bestemming teregtgekomen. Maar weet gij, wie hem meenam? Niemand +anders dan onze vriend Koelloeka zelf. + +--Wat?--riep Selim uit,--Koelloeka! Welk onvergeeflijk waagstuk! + +--In 't minst niet,--hernam de ander bedaard;--het was juist de +allerveiligste weg. De goede man wist zelf niet wat hij overbragt; +het stuk was hem door Siddha ter hand gesteld, die ook niet wist +wat er in stond; en in 't uiterste geval, indien hij bij de +overbrenging betrapt ware geweest, hijzelf zou er 't ergste zijn +ingeloopen zonder daarom nog eenige inlichting te kunnen geven; en +wij, die natuurlijk in het stuk niet bij name genoemd werden, +bleven toch buiten schot. + +--Heel goed gevonden!--sprak Selim goedkeurend en hartelijk +lagchend;--maar thans verder! Wij zijn u voorloopig dankbaar voor +uwe mededeelingen, Salhana! Maar nu onze eerwaarde Gorakh! Heeft +ook hij ons niet iets nieuws te vertellen? + +--Ik geloof wel van ja!--antwoordde de Yogi, die tot dusver +stilzwijgend had toegeluisterd;--althans ik heb van mijn kant ook +niet stil gezeten. Zooals ik u vroeger reeds voorzegde, maar u +toen nog onwaarschijnlijk voorkwam, heb ik mij den weg gebaand tot +het paleis niet alleen, maar ook tot de binnenvertrekken van den +Keizer. Gij weet, welke moeite hij zich geeft om alle stelsels van +godsdienst en wijsbegeerte te leeren kennen, die maar eenigermate +onder zijn bereik vallen. En zoo wilde hij dan ook volstrekt +kennis maken met die aloude Yoga-leer, waarvan hij veel gehoord, +maar weinig of niets naders vernomen had. Want hier schoot niet +enkel Feizi's, maar ook Koelloeka's geleerdheid, als die der +overige Brahmanen, wier hulp werd ingeroepen, te kort, en de +weinige ingewijden, die er nog in Hindostan te vinden zijn, wisten +zij hem niet aan te wijzen. Nu zorgde ik, door sommige vertrouwden +hem 't een en ander omtrent mijne kennis van de Yoga-geheimen te +laten verluiden; en niet lang of ik werd ten hove ontboden, en +Akbar ontving heimelijk van mij eenige eerste aanduidingen omtrent +de leer der concentratie, waardoor de sterveling zich al meer en +meer in onmiddelijke betrekking tot het oneindig Alwezen weet te +stellen, en, zijn denken en zijn in dat van het absolute +oplossend, ook het oneindig bestaan deelachtig wordt, zoodat hij +'t vermogen erlangt, zich naar willekeur tot op de verste +afstanden te verplaatsen schijnbaar zonder de plek te verlaten +waar hij zich bevindt, de grootste zoowel als de kleinste vormen +aan te nemen en zich onzigtbaar of ook ligter te maken dan de +lucht. Om nu ook kracht aan de zaak bij te zetten en 't niet bij +verzekeringen te laten, bragt ik eens een mijner lieden mede, die +bijzonder ver is in allerlei toeren, en deed hem een kunst +verrigten, waarover de Keizer, niet zonder reden trouwens, +verbaasd stond. De man zette zich op een lagen houten steel, +waaraan een bamboe met een haak als van een wandelstok was +bevestigd, liet toen een wit laken vóór zich uitspreiden zoodat +men hem niet zien kon, en toen nu het laken werd weggetrokken, zat +hij letterlijk in de lucht, een paar voet boven den stoel en enkel +steunend met de eene, uitgestrekte hand op den haak van den +bamboe. Een heel merkwaardige kunst, die ik u bij gelegenheid wel +eens zal laten zien, als wij eens tijd hebben. Maar genoeg! Akbar +was niet alleen verwonderd, maar ook hoe langer hoe meer begeerig, +in onze geheimen te worden ingewijd. En hij is dat nog. Gij +begrijpt dat ik mij wel wachtte, hem iets meer te vertellen dan +noodig was om telkens sterker zijn nieuwsgierigheid te wekken; en +zoo komt het, dat ik nu altijd gelegenheid heb om bij hem, die +niets liever wenscht, te worden toegelaten. Ik maak er een +spaarzaam gebruik van, maar, dat wil ik wél verzekeren, een goed! +Met de mijnen neem ik behoorlijk steeds alles op wat voor ons en +onze zaak van eenig belang kan zijn; en Akbar's paleizen en eigen +geheime vertrekken zijn op die wijze met lieden vervuld, die alles +uitvorschen wat er omgaat, terwijl hijzelf in hen niets anders dan +volgelingen van een godsdienstig dweeper en asceet vermoedt. +Vandaar ook dat ik u, Selim! en ook onzen vriend Salhana reeds +omtrent menige zaak kon onderrigten, die anders niet zoo +gemakkelijk door u ontdekt had kunnen zijn. Over Kaçmir straks +nader! + +--Inderdaad!--sprak Selim, toen de Yogi zweeg,--wij moeten +erkennen, dat gij een knap toovenaar zijt. Maar zeg mij nu eens +ronduit, ten minste als zoo iets met uwe gewoonten is overeen te +brengen, wat verlangt gij eigenlijk als belooning voor de diensten +welke gij ons bewijst? Salhana, wij weten het, wenscht eenmaal, +als ons gezag bevestigd zal zijn, tot Onderkoning van Kaçmir te +worden verheven; en dat billijk verlangen zal, gelijk hem bekend +is, als alles wel gaat ook bevredigd worden. Niets om niets! zeg +ik met hem. Maar gij nu! wat wilt gij van ons? Ik acht het nuttig, +dat te vernemen opdat wij vooraf behoorlijk onze voorwaarden +kunnen stellen. + +--Grootmagtig Vorst!... vergun mij reeds bij voorbaat u zoo te +noemen!..., antwoordde Gorakh,--van u verlang ik... eenvoudig +niets! Dat verbaast u, niet waar? Welnu, ik wil trachten 't u +duidelijk te maken. Wat verlangt gij, vraag ik van mijn kant, voor +uzelven? Gij hebt reeds, zou men meenen, al wat het hart begeeren +kan. Gij hebt schatten, paleizen, schoone vrouwen die u te dienste +staan, vrolijke gastvrienden, de heerlijkste wijnen, en na den +Keizer zijt gij de eerste man van dit magtig en bloeijend rijk, +met de zekerheid zelf eenmaal de alleenheerscher te zijn. Toch +zwoegt gij bijkans zonder pozen, en roept onze hulp en die van +anderen, uwe minderen, in ter verwezenlijking van duistere, +moeijelijke en ook gevaarvolle plannen. Waarom? Omdat gij +heerschen wilt en niet kunt wachten tot de dood van uw vader den +troon voor u beschikbaar stelt. Zie nu! wat gij wilt voor uzelven, +dat verlang ik ook voor mij: te heerschen! En terwijl gij tot +heden nog zoo goed als niets te gebieden hebt, doe ik het al lang, +schoon ik nog altijd blijf streven naar steeds uitgebreider magt. +Ik, de arme, onbekende, door velen verachte priester, ik bezit een +gezag zooals gij in al uwe grootheid het niet kunt magtig worden. +Honderden, waarvan ieder in zekere omstandigheden een leger waard +zou zijn voor de grooten der aarde, gehoorzamen onvoorwaardelijk +en zonder navraag, zonder aarzeling, zonder vrees tot den +geringste mijner wenken. En door welke magt zijn ze aan mij +onderwerpen? Door die waartegen niets bestand is, en waardoor de +rede wordt uitgedoofd, en de wil verlamd, totdat de mensch een +levend en wandelend lijk wordt: de magt van het godsdienstig +fanatisme. Eén vingerwijzing van mij naar wie ik maar wil, naar u +of naar een ander, is genoeg om een of meer der hunnen te doen +begrijpen, welk nieuw offer aan de nooit verzadigde Doerga het +meest welkom zal zijn; en te meer welkom is haar dat van den +hooger gestelde onder de menschen. Laat nu ook de aangewezene zelf +vooraf zijn gewaarschuwd, laat hij voorzorgen nemen zooveel hij +wil, en zich omringen met dienaren en wachten, toch ontkomt hij +nauw anders dan door een wonder het voorbeschikte lot. Overal in +zijne nabijheid en onmiddelijke omgeving zwerven onder allerlei +vermomming mijne getrouwen om hem heen; en als het regte oogenblik +gekomen is, dan, in de stilte meest van den nacht, voelt hij +eensklaps zonder vooraf eenig geluid of geridsel vernomen te +hebben, het worgkoord om den hals, en eer hij een kreet of zucht +heeft kunnen slaken is de lange reeks der offeranden vermeerderd +met een nieuw. 't Is waar, een enkele keer, schoon zelden, vindt +de indringer zich betrapt, maar de aangevallene die hem grijpt en +tracht vast te houden, voelt een glad ligchaam, als van een slang, +door zijn handen glijden, en even snel en onhoorbaar als het kwam, +is het aanstonds weer verdwenen. En in 't uiterste geval, als een +mijner Worgers dan toch werkelijk gevat wordt, welnu, dan kan men +hem dooden en dan sterft hij met de onwrikbare overtuiging, +terstond de oneindige zaligheid deelachtig te worden; maar dan +staan er ook weer honderd anderen gereed aan wie op nieuw de proef +kan worden bevolen, en wél vreemd zoo die vroeg of laat niet +gelukken mogt. + +De Yogi zweeg een oogenblik, maar geen zijner beide toehoorders +nam het woord. Salhana, met de medegedeelde bijzonderheden reeds +wel bekend, had vrij onverschillig toegeluisterd en vond geen +reden er iets aan toe te voegen. Maar Selim was onder de +beschrijving van den priester verbleekt, schoon 't hem anders niet +aan persoonlijken moed ontbrak, en peinzend bleef hij vóór zich +staren. + +--Zóó dan--hervatte Gorakh,--heersch ook ik, doch op mijne wijze. +Die mij tegenstaan ruim ik onbemerkt door anderen uit den weg; en +zij die mijne magt kennen, vreezen mij en doen gemeenlijk in 't +eind, ze mogen hoog of laag geplaatst zijn, wat ik van hen begeer. +En meent gij dan dat deze wijze van magtsoefening niet evengoed +als de uwe hare behagelijkheid kan hebben? Of zou het geen +vleijend en trotsch gevoel zijn, door de menschen zich geminacht +en vernederd te zien, maar tevens te weten dat men over hen, over +hunne handelingen, over hun leven en dood naar willekeur te +beschikken heeft? En ik ben niet de eenige, die er zoo over denkt. +Ik weet het, daar zijn er ook anderen en ook in gansch andere en +vér van hier gelegen landen, die eveneens in stilte en in het +duister trachten te heerschen over hen, die het hoogste gebied +voeren in 't oog der wereld. Meer dan eens heb ik in Agra en +elders onder eene behoorlijke vermomming met die mannen gesproken, +die hier uit het verre Westen komen om volgelingen te winnen voor +hunne leer, en, onder den schijn van een gewillig oor te leenen +aan hunne prediking, hen langzamerhand uitgehoord. En uit hun +mededeelingen en die hunner landgenooten, onder anderen ook +omtrent de inrigting en werking der Orde waartoe zij behooren, heb +ik ontdekt, dat zij of althans hunne opperhoofden een gelijk doel +najagen als ik en mijns gelijken, al zoeken zij langs anderen weg +het te bereiken. Hunne middelen, zeg ik, zijn andere, hoewel +daarom nog niet altijd zachtzinniger dan de onze; wij hier laten +de menschen worgen, zij ginds laten ze levend verbranden; maar het +doel blijft in elk geval hetzelfde. En ook zij worden in hun eigen +streken dikwijls weinig opgemerkt en weinig geteld, menigmaal ook +bestreden en vervolgd, en toch weten ook zij in naam van het +zoogezegd geloof te gebieden over wereldlijke magthebbers niet +alleen, maar zelfs over het geestelijk Opperhoofd hunner eigene +kerk, terwijl zij veinzen met onvoorwaardelijke onderworpenheid +zijne bevelen te gehoorzamen! Zoo ziet gij dan, hoe vreemd het +eerst u ook scheen, dat het wezen en het genot der magt nog +geenszins voor allen, zooals voor u, in het uitwendig vertoon en +in de openlijke erkenning door anderen behoeft gelegen te zijn. + +Nog bleef Selim zwijgen, nadat Gorakh geëindigd had. Maar de blik, +welken hij dezen toewierp, zeide meer dan woorden. + +De priester lachte.--Ik begrijp zeer goed,--sprak hij langzaam,-- +welke gedachten op dit oogenblik uwe Hoogheid bezig houden. Een +bondgenoot als ik kon wel eens een gevaarlijke worden, en zoo mogt +het dan de vraag zijn of 't niet maar zaak ware, zich terstond van +hem te ontslaan. Maar ik ben immers niet onnoozel genoeg om mij in +'t hol van den tijger te wagen, als ik niet zeker was er veilig +weer uit te komen. Mijne getrouwen nu wachten mij ginds in den +tempel op den berg; keer ik vóór morgen er niet terug, dan weten +ze ook, wien de Godin als zoenoffer voor den dood van haar +gewijden priester heeft aangewezen. + +--Nu, dat is met uwe gewone omzigtigheid gehandeld,--sprak thans +Selim;--maar, waarde Gorakh! uw voorzorg was toch inderdaad +overbodig. Wij hebben uwe hulp wezenlijk in menig geval van noode, +en zonder reden zou ik mij daarvan toch zelf niet gaan versteken. +Maar we zijn, geloof ik, een weinig afgedwaald van 't eigenlijk +onderwerp onzer beraadslaging. En omtrent ééne zaak nu ben ik niet +volkomen gerust. Wat staat ons, Salhana! van uw broeder, den +Minister in Kaçmir, te wachten? Zal hij onze zijde kiezen, of, zoo +niet, kan hij ons wezenlijk nadeel toebrengen? + +--Het laatste vrees ik maar al te zeer,--antwoordde de +Goeverneur,--hij zal de zijde van den tegenwoordigen Koning niet +verlaten, en zoo deze ten onder wordt gebragt, zich veel liever +nog tot Akbar keeren dan tot de onzen, van wien hij niet dan +onheil voor het land en het volk voorziet. + +--Laat hem in dat geval aan mij over!--zei Gorakh. + +--Wat bedoelt gij? + +--Vraag toch niet langer! Ik zeg u: laat hem aan mij, en hij zal u +niet lang in den weg staan. Maar er is nog een ander punt en van +veel meer gewigt. Ik heb alle reden om te vermoeden dat een zeker, +in Kaçmir bijzonder beteekenend persoon, dien wij allen lang dood +waanden, maar die, als hij 't eens niet was in zijn land +terugkeerde, al onze plannen in duigen kon doen vallen, inderdaad +nog tot de levenden behoort. + +--Wie, wat?--vroeg Salhana in de uiterste ongerustheid,--gij +meent toch niet.... + +--Ik meen juist dengene, dien gij onderstelt. Ik bedoel +Nandigoepta. + +--Nandigoepta! Maar dat kan immers niet zijn! + +--En waarom niet? Hebben wij ooit eenige zekerheid gehad omtrent +zijn dood? In 't minste niet. Wij weten dat hij plotseling +verdween en dat er niets meer van hem vernomen werd, ziedaar +alles. En nu ben ik voor eenigen tijd tot de ontdekking gekomen, +dat er in het Himâlaya-gebergte, in de nabijheid van den +Bhadrinâth, een kluizenaar woont, die, wat uiterlijk voorkomen +betreft, bijzonder op den vroegeren Koning gelijken moet, en wien, +let wel! Koelloeka met Siddha Rama op zijn reis herwaarts een +bezoek heeft gebragt. + +--Dat ziet er inderdaad heel bedenkelijk uit!--zei nu ook Selim. + +--Ik heb inmiddels--hervatte Gorakh,--enkelen der mijnen op de +zaak afgezonden, zij zullen wel alles nasporen wat ons tot de +ontdekking der waarheid kan leiden; en, blijft mijn vermoeden +juist, dan,--en hier maakte de Yogi zeker teeken, dat zijn beide +toehoorders maar al te goed begrepen,--dan wijst hem Doerga gewis +als een dergenen aan, die haar welkom zouden zijn. Doch 't zal nu +mijn tijd worden om naar mijn getrouwen terug te keeren. Uwe +Hoogheid zal mij dus zeker wel willen veroorlooven mij te +verwijderen? + +Selim knikte toestemmend, hoewel hij misschien wel gewenscht zou +hebben, dat de priester nooit meer een voet buiten 't kasteel mogt +hebben gezet. En voorloopig ging het drietal uiteen. + +Avond aan avond vernam na dien eersten dag Iravati, wanneer zij +eenzaam in de lanen van het park doolde, het feestgedruisch, dat +uit de hooge en bij die gelegenheden hel verlichte zalen van den +burgt weerklonk. Daar vermaakte zich de aanstaande Keizer van +Hindostan met zijn gastvrienden en danseressen, en trachtte zich +op die wijze schadeloos te stellen voor de verveling van den dag +en voor een wijl de zorgen te vergeten, waarmede zijn eigen +eerzucht hem beladen had. En de getrouwe Nipoenika, die menigmaal, +in hare nederige betrekking weinig of niet opgemerkt en tusschen +de overige bedienden zich inmengend, het een en ander van die +festijnen zag, kwam dan niet zelden ook aan hare meesteresse +bijzonderheden daaromtrent meedeelen, die der reine en van zulke +dingen nog onkundige jonkvrouw het bloed naar de wangen deden +stijgen en het stilzwijgen opleggen aan hare dienares. Of ook +Siddha wel eens daar in Agra deelnam aan feestelijkheden van dien +aard? En die Selim, de toekomstige beheerscher van een wereldrijk +en eenmaal de nagenoeg onbeperkte gebieder over het lot zooveler +volken! Hoe laag hij niet scheen gezonken, ondanks het hooge +standpunt, waarop de fortuin hem had geplaatst! + +En toch vond Iravati geen reden om den Prins te minachten wanneer zij +bij wijlen, gelijk nog al dikwijls gebeurde, 't zij dan met haar vader, +'t zij ook alleen zich in zijne tegenwoordigheid bevond. De wijze +waarop hij gewoon was met haar te spreken was steeds die van een +volmaakt edelman; en wel verre van zich ooit de geringste vrijpostigheid +jegens haar te veroorlooven, bejegende hij haar met een eerbied en +ontzag gelijk de meest hooggeplaatste vorstin die niet anders had +kunnen verlangen. Geen zweem ook van vleijende doch niets zeggende +hoffelijkheid in de woorden die hij tot haar rigtte; maar alles +eenvoudig, ongedwongen, natuurlijk, terwijl ook in menig opzigt zijne +gesprekken werkelijk onderhoudend bleken te zijn en getuigden van een +lang niet gewone geestbeschaving en tamelijk uitgebreide kennis.--Och! +of die jonge, zoo hooggestelde man--zoo overlegde zij menigmaal bij +zichzelve,--wat beter van zijne velerlei gaven gebruik mogt maken, en, +het treflijk voorbeeld van zijn edelen vader voor oogen, zich op andere +wijze dan nu wist voor te bereiden tot de grootsche taak die ook hij +eenmaal te vervullen had! + +Eens op een avond, terwijl Iravati in gedachten verzonken op een +der rustbanken in het park zich had nedergezet, bleef tot hare +verwondering niet alleen rondom, maar ook in den burgt zelf de +meest volkomen stilte heerschen, en geen licht bijkans vertoonde +zich aan de hooge vensters en in de galerijen van het paleis. Een +zachte en zoele wind alleen ruischte er door het gebladerte en +bewoog de toppen der boomen, en uit de vallei daar omlaag klonk nu +en dan de toon eener fluit of het ligt gerinkel van het +klokkenspel, dat eene vrolijke dorpsjeugd begeleidde bij hare +landelijke dansen. + +Een geluid van voetstappen brak op eens de stilte, en in de +avondschemering werd een mannelijke gestalte zigtbaar, die de plek +naderde waar de dochter van Salhana gezeten was. Met een gevoel +van schrik rees zij, bij dergelijke hier wel ongewone verschijning +op, toen zij tot haar verwondering in den vermeenden indringer den +Prins herkende, die, naderbij gekomen, op zijn gewone eerbiedig +hoffelijke wijze haar begroette. + +--Vergeef mij, edele jonkvrouw!--zeide hij,--indien ik, onbewust +van uwe tegenwoordigheid op deze plek, onwillekeurig u kom storen. +Wil mijn avondgroet ontvangen, en ik zal u niet verder lastig +vallen. + +--De stoornis--antwoordde Iravati beleefd,--kan mij wel niet +anders dan aangenaam zijn. Maar inderdaad ik wil wel bekennen, dat +zij mij een weinig verrast. Ik meende dat Uwe Hoogheid gewoon was +op andere en meer vrolijke wijze den avond te korten dan met +stille en eenzame wandelingen. + +--Zoo was het,--sprak Selim,--en ik gevoel volkomen dat ik u +daarmee reden genoeg heb gegeven tot billijke ergernis, en meer +eerbied had moeten betoonen voor de woning waarin gij uw verblijf +houdt. Maar laat voorbij zijn wat voorbij is! Voortaan zal geen +onpassend feestgedruisch in dit uw paleis u meer hinderen, noch de +stilte breken van den nacht. + +Niet zonder verwondering hoorde Iravati den spreker aan. Waartoe +die verklaringen? En vanwaar die plotselinge omkeer? + +--Eene verandering,--ging Selim voort,--en naar ik geloof een niet +geringe is er, hoewel binnen betrekkelijk korte tijd, met mij +voorgevallen. Tot heden was ik... hoor mij aan, en treed niet +terug! ik wil u alles zeggen... tot nu dan was ik een woestaard, +een wellusteling, ja een dronkaard zelfs, ik verberg u niets! Maar +ik heb opgehouden dat te zijn; ik heb gebroken met mijn voorleden, +en de Selim van thans is een andere geworden dan hij gisteren zich +misschien nog betoonde. Ik wil leven voortaan voor pligt en voor +eer, voor het heil der volken die eenmaal aan mijne zorgen mogten +zijn toevertrouwd; ik wil vaarwel zeggen aan alle eerzuchtige en +ongeoorloofde voornemens en bovenal ook aan die nietswaardige, +verlagende verstrooijingen, waarin ik tot heden wel geen wezenlijk +genoegen maar toch een soort van uitspanning vond. Ik wil dat +alles, indien... indien een wensch wordt voldaan, van welks +vervulling mijn geluk, mijne toekomst, en voor een deel welligt +ook die van mijn rijk afhankelijk zal zijn! Die vervulling is in +uwe hand! + +--Ik begrijp u niet, Heer!--sprak Iravati, wie het angstig te +moede werd, en die geen vrouw ware geweest als zij niet maar al te +wel tot het besef was gekomen, waarheen de rede van den Kroonprins +strekken moest. + +--Gij zult mij spoedig begrijpen,--antwoordde deze,--als ik u zeg, +wie die verandering in mijn wezen zoo plotseling heeft teweeg +gebragt. Of liever, behoeft gij nog te gissen en te raden, en hebt +gij niet lang reeds uit al mijn woorden verstaan, dat het niemand +anders zijn kon dan gij en gij alleen?--En zoo is het,--ging hij +met steeds klimmende, doch altijd binnen de grenzen eener +eerbiedige bewondering gehouden geestdrift voort;--sinds het +eerste oogenblik dat ik u aanschouwde, wist ik, althans gevoelde +ik, dat gij een invloed, en een belangrijken, moest hebben op mijn +lot. Ik, die nooit nog voor iemand, wie ook, de oogen had +neergeslagen, ik deed het onmiddelijk voor u, en gevoelde mij +klein en nietig in uwe tegenwoordigheid. En telkens, wanneer ik u +terugzag en met u sprak, en u nader leerde kennen, werd het mij +duidelijker dat gij over mijne toekomst te beslissen zoudt hebben. +Ik begon een afkeer te krijgen van mijzelf en van mijn levenswijs +en die zoogenaamde vrienden, die mij op zoo onwaardige wijze den +avond en dikwijls den nacht hielpen doorbrengen. Toch kon ik nog +niet besluiten, zoo op eens met dat alles te breken, en als dan +onze feesten weer aan den gang waren, ja, dan, ik beken het +openhartig, verdween ook menigmaal uw beeld voor mijn geest, als +de wijn dien weer begon te benevelen. Maar welk een gevoel van +schaamte en van onwil tegen mijzelven dan weder, zoodra ik 's +anderen daags u weer ontmoette! Heden dan werd mijn besluit +genomen en, gelijk gij ziet, ook volvoerd. Alles is stil, de +feestklanken zwijgen, mijne danseressen heb ik weggezonden en de +meesten mijner gasten zijn heden vertrokken of denken morgen +Allahabad te verlaten. Dat alles is uw werk; moge 't door meer en +beter nog gevolgd worden! Maar daartoe is ééne voorwaarde +onmisbaar! Wij mogen geen vreemden blijven tegenover elkander; een +nadere band dan eene toevallige en weer voorbijgaande kennismaking +moet ons vereenen. Iravati! kan het nog noodig zijn u duidelijker +te verklaren wat ik voor u gevoel? Welnu dan! ik.... + +--Ach neen, neen, Heer!--riep Iravati hartstogtelijk, en de handen +smeekend omhoog heffend, uit,--zwijg dat woord dat gij gereed +waart te spreken, maar dat ik niet mag aanhooren! + +--Niet mag?--herhaalde Selim vragend--of niet wil? Mij dunkt dat +er van mogen niet te spreken valt, waar een bede tot u gerigt +wordt door mij! + +--Beide dan,--antwoordde Iravati met vaste stem,--niet mag en niet +wil! Ik mag niet, omdat mijn woord van trouw mij aan een ander +heeft verbonden; en mogt ik, toch zou ik niet willen en ook niet +kunnen wat gij verlangt, omdat mijn hart, mijn gansche leven nu +eenmaal dien anderen toebehoort. + +Gelukkig voor haar dat de toenemende duisternis haar belette de +sombere en woeste uitdrukking op te merken, die bij deze vrij +onvoorzigtige woorden op het bleek gelaat van den Prins te lezen +stond. Want had zij 't gezien, zij mogt gesidderd hebben bij de +gedachte aan dien andere en aan hetgeen hem welligt van zulk een +medeminnaar te wachten stond. + +--Bedenk het wél,--sprak Selim, na een wijl gezwegen te hebben, +bedenk het wat gij roekeloos dus versmaadt ter wille van een +jonkman, die u eenmaal misschien dierbaar was en voor 't oogenblik +nog schijnt te zijn, maar die, zoo hijzelf u al trouw bleef, toch +nimmer u kan aanbieden wat de toekomstige beheerscher van het rijk +der Mogols u verzekeren wil! Ik spreek u niet van de schatten die +uw eigendom zouden zijn en van de weelde waarin ge u baden mogt, +wanneer gij eenmaal, aan mijne zijde gezeten, mogt gebieden over +de rijken en vorsten van Hindostan. Te goed is mij bekend, hoe +weinig uw edeler en boven dat alles verheven geest voor dergelijke +verlokking vatbaar ware. En toch blijft ook dit niet te verachten! +Gij meent te weten wat rijkdom en weelde is; maar wat gij tot +heden daarvan gezien hebt, is niet dan ellendig klatergoud tegen +de wezenlijke pracht, die de paleizen en lusthoven van Agra en +Delhi u eenmaal bieden konden. Doch laat dat zijn! Maar bedenk, +zeg ik, wat schitterende toekomst gij verwerpt, indien gij liever +de vrouw wordt van een onbekend en niets beteekenend edelman dan +de magtige Sultane, die den onbeperkten monarch in al zijn doen en +laten beheerscht, en alle grooten en edelen voor hare voeten ziet +buigen, en naar welgevallen over het lot van millioenen beschikt! +Want, zooals ik heden het mijne in uwe handen stel, zoo doe ik, +dat zweer ik met een duren eed! ook van heden af met dat mijner +toekomstige onderdanen. Wat gij wilt en beslist zal mij eene wet, +een gebod zijn, waaraan ik mij niet zal vermogen te onttrekken; +want dit weet ik, niets dan wat edel en goed en verstandig is zal +mij door u worden aangeraden, en geen regtvaardige en geen +onregtvaardig verdrukte ook in het gansche rijk of hij zal steun +en bescherming vinden bij u! + +Te vergeefs bleef de heerscher van morgen, smeekeling nu, op een +antwoord wachten. Iravai zweeg, maar haar stilzwijgen gaf +blijkbaar genoeg geenerlei toestemming te kennen; zij had zich +afgewend en als in stille smart zich met gebogen hoofd het gelaat +met de handen bedekt. Ook het schitterend vooruitzigt haar +voorgespiegeld, had dus geen indruk gemaakt op haar gemoed. + +--Iravati!--sprak Selim weder en nu met diep bewogen stem,--laat de +vrede mij niet aanstonds weer zijn geroofd, die bij uwe verschijning +zoo weldadig was neergedaald in mijne ziel! Door u ben ik een ander +mensch geworden; laat mij niet weder terugkeeren tot wat ik eenmaal was! +Heb medelijden met mij, en met die talloozen ook, die een weldoener in +mij zullen vinden als gij mij ter zijde staat, maar ook een tiran +misschien als gij mij blijft versmaden! Ik ben zwak, dat weet ik; maar +ik zou sterk, ik zou een held, ook in het zedelijke, zijn, als ik aan +uw woord, aan uw aanblik mijne kracht mogt ontleenen. Waarom mij dat +dan ontzegd? Eén woord slechts behoeft het u te kosten, en de kroon van +Indië ligt aan uwe voeten, en gij hebt de hand slechts uit te strekken +om ze te plaatsen op uw eigen hoofd!--Maar ik zie het,--ging hij +driftig voort, toen Iravati nog altijd bleef zwijgen,--mijn eerbied, +mijne bewondering, mijne tot alles bereide liefde is u niets, en gij +versmaadt den Vorst voor den onbeduidenden avonturier aan wien gij door +onbedachtzaam eenmaal gesmeede ketenen u gebonden waant! Doch bedenk +ook wel wat gij doet, wat gij waagt, welk lot u zou kunnen treffen, en +ook hem, als eenmaal de liefde van den magthebber verkeeren mogt in +toorn en in haat!... --Maar ik spreek waanzinnige woorden,--zeide hij +weder mismoedig, terwijl hij het hoofd op de borst liet zinken;--wat +reden ook en wat regt heb ik om uwe wederliefde te eischen? Ik ben, hoe +hoog ook eenmaal mijn staat, toch uwer niet meer waardig; ik ben oud en +afgeleefd vóór mijn tijd; en hij, die andere is jong en schoon en nog +onbedorven van hart. Wat reden dan voor mij tot klagten? Wat ik ben +geworden, dat heb ik mijzelf gemaakt of een ongelukkig lot dat mij in +een toestand plaatste, waarvoor ik niet berekend was. En toch, hoe +anders, anders had het kunnen zijn, indien datzelfde lot u vroeger dan +heden op mijn weg had gevoerd! Maar te laat nu, te laat!... + +--Mijn Vorst!--sprak thans Iravati zacht,--gij doet uzelven +onregt! Gij hebt reden tot zelfbeschuldiging, maar niet daarom nog +tot dergelijke zelfverachting. En wees verzekerd, ik veracht en +versmaad u niet, al kan ik ook nooit de uwe zijn. Inderdaad, had +ik u vroeger leeren kennen, ook zooals gij thans zijt, maar eer +nog een ander mijne liefde wou en mijn woord van trouw erlangde, +ik had misschien uwe genegenheid kunnen beantwoorden. + +Thans kan zij niet anders dan mij leed doen, ook terwijl ze mij +vereert. Gijzelf trouwens kunt in ernst niet verlangen, dat ik +mijn gegeven woord zou verbreken; en deed ik het, gij zoudt immers +de achting voor mij verliezen, waarop uwe genegenheid steunt. Maar +zelfs in dat geval, dat nu niet meer mogelijk is, had iets moeten +zijn wat toch weer niet denkbaar ware geweest: uw hooge rang had +niet moeten bestaan. Want dien zou ik nooit met u kunnen deelen. +De weelde en de pracht, in wier midden gij u beweegt, zou nooit +mijn levenselement kunnen zijn, en de geduchte verantwoordelijkheid +zou ik niet weten te dragen, die gij geneigd waart op mijne schouders te +leggen. Doch wat er ook van zijn mogt, het is nu eenmaal alles anders. +En waarom ons dus te verliezen in overdenkingen, omtrent hetgeen +misschien had kunnen gebeuren, maar toch niet is? De magtige Deva's, de +ongeziene krachten die ons lot beheerschen, hebben het blijkbaar anders +gewild; onderwerpen wij ons aan hunne voorzeker wijze beslissing, gij +zoowel als ik! En zoo laat mij dan, mijn genadige Vorst en Heer! in den +nederigen staat waarin gij mij gevonden hebt; ga en zie niet meer naar +mij om; vergeet mij voor nu en voor altijd, of zoo ge soms u mijner +nog herinnert, het zij dan om tevens aan het oogenblik te denken, +waarop gij aan edeler gevoelens en verhevener voornemens u +gewonnen gaaft dan te voren uw gemoed hadden vervuld! Wat mij +betreft, ik wil u gedenken, u volgen met mijne gedachten in al uwe +handelingen, in uwe toekomstige, zoo ik hoop en vertrouw, eenmaal +roemrijke daden en gelukkige regering, als gij den troon van den +grooten Keizer bestegen zult hebben; en wees verzekerd dat geen +uwer tallooze onderdanen met meer wezenlijke en hartelijke +belangstelling het oog op u gevestigd zal houden dan zij, die +thans u smeekt haar te verlaten en haar te ontslaan van den +moeijelijken pligt om ongehoorzaam aan uwe wenschen te zijn! + +Naar een antwoord, een passend, een afdoend, overtuigend antwoord +zocht, maar vruchteloos, de voor 't eerst misschien in zijn +gansche leven zóó weersproken despoot... Zwijgend bleef hij vóór +de jonkvrouw staan, nu gereed om te spreken, dan weer zich +terughoudend, en te vergeefs naar woorden zoekend om de +tegenstrijdige gevoelens te uiten, die daar woelden en elkaar +verdrongen in zijn brein. Ten laatste trad hij op Iravati toe, +greep hare hand, en na ze even met zijne lippen te hebben +aangeraakt, keerde hij zich om en verdween, zonder een woord +verder te spreken, in de duisternis. + +'s Anderen daags vernam Salhana tot zijn niet geringen schrik, dat +de Prins het kasteel en Allahabad had verlaten, en met één enkelen +dienaar was heengetogen,--niemand wist te zeggen, waarheen. + + + +NEGENDE HOOFDSTUK. + +De keizerweging + +Wat al gewoel daar op dien grooten bazaar, waar Siddha eens in den +morgen rondslenterde tusschen de lange reijen van winkels, die al wat +het oog in die streken maar begeerde en ruimer of beperkter beurs +betalen kon, in rijken voorraad hadden uitgestald! En wat zonderlinge +en vreemdsoortige mengeling van rassen en volken, waarvan de +verschillende vertegenwoordigers, lang reeds aan elkander gewoon, zich +daar kruisten bijkans zonder acht meer op elkaar te slaan! Hier de +oorspronkelijke bewoners des lands, de Hindoe's van meer of minder +zuiver bloed en dientengevolge ook meer of minder gebruinde tint; dáár +de menigmaal overmoedige beheerschers, de Perzen en Arabieren en +Tartaren met hun veelal blanker gelaat; elders weer Armeniërs en Joden +uit wederom westelijker streken, en ook zonen van het Hemelsch Rijk met +hunne lange staarten en wijde gebloemde japonnen; hier en daar enkele +mannen, wier aanblik in 't bijzonder Siddha's opmerkzaamheid trok, +vermits hij huns gelijken nog niet had gezien, mannen in zonderlinge +kleedij, met puntige, breedgerande met pluimen bezette hoeden, in korte +wambuizen, wijde fulpen broeken en hooge kaplaarzen, en met lange regte +degens in kleurig om den schouder hangend bandelier; eindelijk, in hun +gezelschap, een paar van die geestelijke heeren, waarvan er één niet +lang geleden bij den Keizer zelf was toegelaten geweest. En dan weer +tusschen al die mannen, velen gekomen om te koopen of hun eigen waren +van de hand te doen, anderen ook in voorname ledigheid rondwandelend en +uit de hoogte op de woelige menigte nederziend, een tal van vrouwen van +niet minder gemengde natiën en rangen; verscheidene in 't eeuwenheugend +onveranderd Indisch volkskostuum, eenvoudig maar sierlijk en bevallig +steeds, dat heupen en linkerschouder wel bedekkend, een deel van den +regter zigtbaar liet; andere in kleuriger meer opgeschikt Perzisch +gewaad; enkele ook digt gesluijerd naar streng Mohammedaansche zeden +en niets vertoonend wat aan een menschelijk wezen kon herinneren dan +een paar met roode pantoffels geschoeide voeten en een paar donkere +oogen, die overigens glinsterend genoeg door de ronde gaten van +den vormloozen alles overdekkenden sluijer gluurden; sommige +eveneens daar verschenen om huishoudelijke inkoopen te doen of +zich in 't bezit te stellen van meer overtollige snuisterijen; +maar verscheidene ook om er iets anders nog dan koopwaren te +zoeken of wel op meer of min bedekte wijze zich zelve daarvoor aan +te bieden; deze laatste de bewoonsters van dat sterk bevolkt +gedeelte der stad, dat in de wandeling onder den eigenaardigen +naam van Shaitan-poera of "Satanstad" bekend was. + +Juist wilde Siddha aan een der voorbijgangers vragen, wie die hem +nog onbekende mannen waren, toen hij zijn vriend en begunstiger +Feizi zag naderen en de vraag dus aanstonds tot dezen rigten kon. + +--Dat zijn Franken,--antwoordde Feizi,--of zooals ze met hun meer +bijzonderen naam zich heeten, Portugezen. Zij komen uit zeer verre +streken van het Westen om hier in Indië handel te drijven, en die +anderen, die daar met hen zijn, om ons te bekeeren tot wat zij +noemen het alléénzaligmakend geloof. + +--En die twee,--vroeg Siddha,--die van de andere zijde naderen, +behooren die ook tot hen? Zij dragen nagenoeg dezelfde kleeding, +maar hun gelaat is, dunkt mij, blanker; en wat rosse haren en +baard! + +--Ook wel Franken!--verklaarde Feizi,--maar toch van de anderen +onderscheiden. Het zijn Engelschen, die hier de Portugezen zoeken +te verdringen, maar tot nog toe met weinig geluk. + +Ook zijn ze niet erg bij den Keizer en bij onze grooten gezien. +Eenige weinige jaren later nog, en Feizi had onder die vreemde +Westerlingen in Agra, die hij, even als zijne tijd en landgenooten +onder den algemeenen naam van Franken begreep, ook nog anderen +kunnen aanwijzen, die wederom van genen verschilden. Hij had er +dan kunnen wijzen op de forsche, schoon soms ietwat plompe +gestalte en het goedronde gezigt van Hollander en Zeeuw, die +mannen, die onder aanvoering van Pieter van den Broeeke daar +almede hunne fortuin of die hunner meesters, de Bewindhebbers der +Oost-Indische Compagnie, kwamen beproeven en lange jaren beide +voor Portugezen en Britten de meest geduchte mededingers op de +markten van Hindostan en de rijken der Mogols zouden zijn, en die +ook in de Indische wateren de eer der Nederlandsche vlag met roem +zouden weten te handhaven tegen "Gijs" of "Gijs-oom", gelijk zij +bij wege van spottende, zooal spraakkunstig min verdedigbare, +verkorting gewoon waren hun aartsvijand in die streken te +betitelen. Maar hun tijd was toenmaals nog niet gekomen. + +Terwijl inmiddels de beide Engelschen voorbijgingen bekeek hen +Siddha met die soort van nieuwsgierigheid, die, bij het zien van +nog onbekende vreemden niet onnatuurlijk, doch ook vér was van +beleefd te mogen heeten. Doch Siddha gevoelde, na 't geen hem +omtrent deze lieden was meegedeeld, te weinig eerbied voor hen dan +dat hij 't noodig rekende hun zijne gewone hoffelijkheid te +betoonen; en ook Feizi zelf scheen hun nauw een blik waardig te +achten. + +--Verdoemde, trotsche Mooren!--bromde een der beide zonen van +Albion in zijn taal, terwijl hij verder ging. + +Hadden die twee mannen, die inderdaad nog al hoovaardige Indiër, +dien de ander voor een Perziaan of Arabier aanzag, en die thans +nog geminachte Brit eens een enkelen blik in de toekomst kunnen +werpen, en hadden zij vermoed, dat de opvolgers van dezen eenmaal +de beheerschers van die des anderen en de oppergebieders van het +land zouden worden, ze hadden elkaar waarschijnlijk met wat meer +opmerkzaamheid gadegeslagen. En met te grooter belangstelling +zeker nog indien iemand hun toen eens had kunnen zeggen, dat zij +de afstammelingen waren van een en hetzelfde volkengeslacht, en +dat die vreemdeling, wat alouden oorsprong aanging, vrij wat nader +bij Siddha stond dan deze bij menig zijner uit Semitisch ras +gesproten vrienden. + +--Doch laat al dat volk voor 't geen 't is!--sprak Feizi weder,-- +die lieden doen ons overigens hier geen kwaad, maar integendeel +veel nut aan onzen handel en onze industrie. Ook leveren ze ons +verscheiden goede schilders en andere kunstenaars. En omtrent hun +eigen landen hebben ze ons veel geleerd. Als zij hier maar niet +trachten den baas te gaan spelen, zooals dat elders wel in hun +smaak schijnt te vallen! + +--Nu, maar dan zou ik ze toch aanstonds de deur uitzetten!--zei +Siddha. + +--Dat zou ook stellig wel gebeuren, dat verzeker ik u! Maar nu +iets anders! Vooreerst dan: Hebt ge mijn vos al eens gereden, +zooals wij hadden afgesproken? + +--Wel-zeker! antwoordde Siddha,--en met het grootste genoegen. Een +alleredelst dier!--En hij begon zich te verliezen in lofredenen op +het paard van Feizi. + +--Hij bevalt u alzoo?--sprak deze,--nu, dan zal ik hem op uw stal +laten brengen. Gij kunt hem houden als gij wilt; en in den +aanstaanden veldtogt zal hij u wel te pas komen. Uw schimmel is, +ik erken het, een fraai paard en heel goed gedresseerd, maar, zoo +'t mij voorkomt, niet zoo heel sterk. De vos is dat juist +buitengewoon. En ikzelf rijd hem toch zelden; ik wil 't ook wel +bekennen, ik ben wat lui geworden en gebruik liever een beest van +wat zachter beweging. + +--Maar,--zei Siddha, over dergelijke geedheid verlegen,--dat is +waarlijk een toch al te kostelijk geschenk, dat ik niet aan u heb +verdiend! Uw vos is een volbloed, prachtige Arabier, zooals ik er +nog nooit een gereden heb. + +--Als ik mijn vrienden iets aanbied,--zei Feizi,--dan dient het toch +ook iets redelijks te zijn. Maar ik heb u nog iets anders te vertellen. +En wel omtrent de vergadering die er gisteravond in het paleis werd +gehouden en waarbij ik u gaarne tegenwoordig had gezien. Verbeeld u! in +weerwil van al de staatszorgen die den Keizer weer overstelpen, vond +hij toch nog tijd en lust als gewoonlijk om zijne wijsgeerige en +theologische zamenkomsten te houden; en juist nu was dan ook de +gelegenheid bijzonder gunstig, nu de Christenzendelingen uit Goa weer +over waren gekomen. Zoo had hij dan gister, in een der groote zalen +van het paleis, een aantal oelemah's en moellah's, waaronder natuurlijk +ook Abdal Kadir, verzameld, en met hem een paar Jezuïeten, een Jood en +een Parzi, benevens uw voormaligen, hier teruggekomen leermeester +Koelloeka, dien gij gewis reeds begroet zult hebben, en Aboel Fazl, +mijn broeder. Ik zelf had ook de eer en het genoegen daarbij aanwezig +te zijn, en nam in den loop der discussie uwe aloude atheïstische +natuurphilosophie voor mijne rekening al keek ook Akbar zelf daarbij +soms wat schuin, terwijl Koelloeka voor den regtzinnig Brahmaanschen +Vedanta optrad, en Aboel Fazl zich meer op algemeen humanistisch terrein +bewoog. Koelloeka betrapte hem nu en dan wel op erg Boeddhistische +ketterijen, maar liet dat gaan, in aanmerking nemend dat er geen +Boeddhist in 't gezelschap was om zijne leer te verdedigen, gij weet +toch, er zijn er hier nog wel, maar niet bekwaam genoeg om aan +dergelijke gesprekken deel te nemen. Wat nu inmiddels, zoo +belangwekkend dan overigens die gesprekken, waarbij de Keizer meer +voorzat dan meeredeneerde, nog het merkwaardigst mogt heeten, was de +afloop van de gansche vergadering. In den beginne ging alles zoo +ordelijk en hoffelijk als maar verlangd kon worden: onze moellah's +bleven statig en deftig en lieten zich niet veel uit; de padre's waren +heel zachtzinnig en floten zoet als vogelaars; de Jood, een volgeling +van Maimonides, bleef, dat dient gezegd, ten einde toe waardig, schoon +hij niet veel zeide en zich ook niet bijzonder op zijn gemak scheen te +voelen; de Parzi was dichterlijk, maar niet altijd heel goed te +begrijpen; en wij, we wierpen zoo nu en dan enkele stellingen en +bewijsgronden in de discussie, die we bij uwe wijsgeeren van ouds en +ook hier en daar bij sommige onzer Arabische en Perzische hadden +opgedaan, maar die geenszins in den smaak van de strijdende partijen +bleken te vallen. Langzamerhand evenwel, zooals dat gemeenlijk gebeurt, +begonnen deze zich warm te maken; van argumenten kwam het tot +magtspreuken en van magtspreuken tot harde woorden, voornamelijk +tusschen onze Moslemim en de Jezuïeten, hoewel ook wij in 't geheel +niet en door geen hunner werden gespaard; en in 't eind werd het een +gescheld en gevloek en geschreeuw, ondanks de tegenwoordigheid van den +Keizer zelf, dat hooren en zien ons dreigde te vergaan. Vooral de +moellah's weerden zich dapper. Gij begrijpt trouwens, dat ze zich +hier wel 't meest verongelijkt moesten achten. Akbar intusschen +zat het dwaze tooneel niet zonder inwendig genoegen aan te zien en +keek mij menigmaal glimlagchend aan; maar ten slotte werd het hem +toch te erg, en begreep hij dat aan zijne waardigheid te kort zou +worden gedaan als hij 't langer liet voortduren.--Feizi!--zeide hij, +mij wenkend,--laat dat volk de deur uitwerpen als het zich niet langer +behoorlijk weet te gedragen! Ik gaf hun nu immers weer de ruimste +gelegenheid om hun geloofstheoriën tegenover elkaar te verdedigen, ten +einde dan zelf te zien wie de beste gronden voor de zijne zou weten aan +te voeren. En wat doen ze nu? Elkaar uitschelden en verdoemen, anders +niet. Hoor mij dat rumoer nu eens aan! Zoo aanstonds gaan ze, geloof +ik, nog vechten! Maak er een eind aan!--Sire!--antwoordde ik,--dan zou +'t toch maar best zijn ze allen te zamen weg te jagen; want zoolang er +nog twee overblijven, komt er toch geen eind aan 't gekijf.--Akbar +lachte, maar stond toen op van den zetel waarop hij tot nu toe met de +meest mogelijke kalmte was blijven zitten; en, zijne magtige stem +verheffend, terwijl nu aanstonds al de twistenden zwegen, zeide hij: +--Wij danken u, mijne heeren! voor den leerrijken avond, dien uwe +welwillendheid en uwe belangwekkende zamensprekingen ons heden weder +verschaft hebben, en wij houden ons voor eene nadere bijeenkomst +aanbevolen. De tegenwoordige zij voor 't oogenblik gesloten!--En met de +hand wenkend, liet hij de aanwezigen gaan, waarvan de meerderheid zich +al grommend verwijderde. Och, Siddha! wat zijn de menschen toch gek, +dat ze elkaar zoo haten en vervloeken om afgetrokken stellingen over +zaken, waarvan ze toch niets weten en wier kennis, al bezaten ze die +ook, hen geen stap verder zou brengen tot de werkelijke beoefening van +wat eer en pligt hun gebieden! + +--Dat zeg ik ook! En 't laatste is waarlijk al moeijelijk genoeg! +--antwoordde Siddha met een zucht, en zichzelven vrij wat meer dan +de ander nog kon vermoeden, van die moeijelijkheid bewust. + +--Maar vertel mij nu eens,--hernam Feizi,--ik vergat nog 't u te +vragen, hoe komt ge hier in eens zoo terug? Ik dacht dat gij met +de uwen reeds naar 't leger op weg waart. + +--Dat was ook zoo,--gaf Siddha ten antwoord,--wij waren reeds +vertrokken, maar ontvingen tegenbevel onder weg. En zoo blijven we +dan nog eenige dagen in Agra; 't geen mij bijzonder genoegen doet, +omdat het mij in de gelegenheid stelt, het groote feest van heden, +het geboortefeest van den Keizer, bij te wonen, waarvan ik veel +gehoord heb.--Dat er nog een andere reden was, waarom Siddha nog +gaarne wat langer in Agra vertoefde, vond hij natuurlijk niet +noodig er bij te voegen. + +--Gij herinnert mij tevens,--sprak Feizl weder,--dat het tijd zal +worden om naar het paleis te gaan voor den doerbar. De Keizer +ontvangt heden, zooals gij weet, de vreemde gezanten. Ga mee, gij +kunt er uw plaats innemen onder de officieren van uw rang. + +Minder dan toen hij voor 't eerst een doerbar of audientie van den +Mogel bij woonde werd Siddha, na met Feizi de groote troonhal te +zijn binnengetreden, en in 't eind ook de Keizer verschenen was, +door den indruk getroffen, dien al wat hem daar omringde op den +bezoeker te weeg moest brengen; maar toch kon hij ook nu niet +nalaten de sierlijke pracht der wit marmeren kolommen en der met +fraai mozaïekwerk ingelegde wanden te bewonderen en de luchtige, +fijn gehouwen bogen en de menigte van veelkleurige zijden en +fluweelen voorhangsels, die in bevallige plooijen tusschen de +hooge zuilen heen en weder wuifden. Meer nog echter trof hem +ditmaal de aanblik der vergadering, grooter en plegtiger thans dan +bij andere, vroegere gelegenheden. Aan 't eind der hal, van boven +beschenen door een niet te sterk licht, zat de Groote Mogel op +zijn kostbaren, van edelgesteenten schitterenden troon; aan +weerszijden, in lange reijen, allen staande, de omrah's en +oelemah's, de ministers, de veldheeren en alle verdere grooten van +hoogen rang; voorts de gezanten van verschillende natiën, allen in +hun bijzondere kleederdragt; daar tusschen de padre's Jezuïeten, +en eindelijk de mindere beambten en officieren, waaronder ook +Siddha, overeenkomstig zijn rang, een plaats had ingenomen. + +Het voornaamste deel der plegtigheid was de uitwisseling van +geschenken. De gezanten, en ook anderen, begaven zich ieder op +zijn beurt tot den Keizer, legden, vóór den troon gekomen, op de +officiëele wijze de regterhand tegen het voorhoofd en bogen dan +het hoofd bij wijze van begroeting. Daarop stelden zij de +geschenken, die zij medebragten, meest kostbare voorwerpen van +kunst, aan de eene zijde van de trappen der verhevenheid waarop de +troon geplaatst was, en namen dan de tegengeschenken in ontvangst, +die van wege den Keizer hun werden aangeboden. Ook Rodolpho +Aquaviva begaf zich op zijn beurt tot den Mogol en, een prachtig +gebonden Latijnschen Bijbel in de hand houdend, wilde hij dien op +de gebruikelijke wijze nederleggen, toen Akbar zelf opstond, een +paar schreden voorwaarts deed, en het boek persoonlijk uit handen +van den zendeling aannam. + +--Wij danken u, Eerwaarde Vader!--zeide hij,--voor uw wélgedachte +geschenk! En wij willen hopen, dat hetgeen wij van onzen kant u +hebben aan te bieden, ook u niet minder welkom zal zijn. + +En van een nevens hem staanden Brahmaan van hoogen rang een +sierlijk handschrift van vrij grooten omvang aannemend, gaf hij +dit over aan den Jezuïet, onder bijvoeging van de woorden: + +--Het is een handschrift van den Atharva-Yeda, een der oudste +heilige boeken onzer Indiërs, met daarnevens gelegde Perzische +vertaling. + +Eerbiedig nam Aquaviva het Keizerlijk geschenk in ontvangst, schoon het +de vraag mogt heeten of hij er zoo bijzonder mee was ingenomen en er +niet eenige toespeling in zag op het verhandelde ter vergadering van +den vorigen avond, 't geen te meer waarschijnlijkheid erlangde doordien +den Keizer steeds vooruit bekend was, welke bepaalde geschenken zouden +aangeboden worden ten einde de zijnen daarnaar te kunnen inrigten, en +er alzoo wel eene bepaalde bedoeling in het tegengeschenk moest zijn +gelegen. Maar wat de padre ook dacht, niet moeijelijk viel te raden hoe +de zaak door de regtzinnige Mohammedanen zou worden opgevat. En +werkelijk fronste zich menig voorhoofd in hunne reijen, en niet dan met +de uiterste moeite kon Abdal Kadir zich weerhouden, openlijk aan zijne +verontwaardiging lucht te geven. Dat zij niet op den zin van het +tegengeschenk letten en niet begrepen hoe Akbar juist daarmede te +kennen gaf, dat hij volstrekt geen partij trok voor de Christenen in +het bijzonder, sprak wel van zelf; zij zagen alleen op de buitengewone +eer den Christen bewezen; maar Aboel Fazl, die de zaak beter vatte, +schudde toch ook, hoewel nauw merkbaar het hoofd; die vrij noodelooze +uittarting en beleediging van de Mohammedanen door den anders zoo +verstandigen en humanen Akbar was hem leed, ook al kon hij voor 't +overige niet geheel ontkennen, dat ze voor hun onhebbelijk gedrag van +den vorigen avond wel iets hadden verdiend. + +Na afloop van de eigenlijke receptie bleef de Mogol nog eenigen +tijd anderen ten gehoore ontvangen, en liet ook dezen en genen tot +zich komen om hun openlijk eenige opdragt te geven of met een of +ander ambt hen te bekleeden. Zou in 't eind ook onzen Siddha, dien +zijn altijd scherp oog daar onder zijne officieren had opgemerkt. + +--Siddha Rama!--zeide hij,--wij hebben reden, over u tevrede te +zijn. En uit aanmerking daarvan zijt gij van heden af Mansabdar +over duizend. Blijf ons vertrouwen u waardig betoonen! + +Een hoog rood overtoog Siddha's gelaat, terwijl hij stilzwijgend +en op de gebruikelijke wijze diep het hoofd buigend den Keizer +zijn dank bragt voor de op nieuw hem bewezen gunst. Het vertrouwen +van Akbar waardig! Kon er één zijn in het leger, die het nog +minder verdiende? En toch ... zijn land, zijne betrekkingen en-- +Rezia! En de Keizer had immers ook wel eenig belang bij zijne +spoedig te verwachten medewerking voor de zaken van Kaçmir. 't Was +dus niet alles edelmoedigheid en gunst! Akbar intusschen zag in de +verlegenheid van den jongen krijgsman niet dan eene ligt +verklaarbare en zelfs loffelijke bescheidenheid, toen hij zoo +openlijk zich geprezen en met gunsten, door de Moslem's hem weer +benijd, overladen zag, en vriendelijk knikte hij den jongeling +toe, terwijl hij hem wenkte dat hij zich verwijderen mogt. + +Niet lang nu ook of het oogenblik was daar waarop het eigenlijke +volksfeest een aanvang zou nemen. Daartoe was een uitgestrekt veld +buiten de stad bestemd; en derwaarts stroomde uit alle straten en +langs alle wegen eene bonte menigte van voetgangers en ruiters, +velen te paard, anderen op fraai uitgedoste olifanten, verscheiden +ook op kameelen met eetwaren en andere ververschingen beladen ten +gerieve der velen, die kwamen deelnemen aan de vermakelijkheden. +In dat bont gewoel mengde zich weldra ook Siddha met zijn vriend +Parviz, dien hij bij 't verlaten van het paleis had ontmoet en die +hem hartelijk geluk wenschte met zijne nieuwe bevordering. + +--En gij,--vroeg Siddha,--hoe staat het met uwe belangen? + +--Gij meent waarschijnlijk mijne heel bijzondere, niet waar?--zei +de andere lagchend,--nu dat gaat nog al. Haar wie mijn hart +behoort zag ik meermalen in den laatsten tijd, en schoon dat zeer +in 't geheim geschiedt, heb ik toch reden om te vermoeden dat +Todar Mal, haar vader, dat heel wel weet en er eigenlijk niets +tegen heeft, al geeft hij zich natuurlijk den schijn als ware 't +hem volkomen onbekend. Ik geloof trouwens dat mijn oom Feizi niet +geheel vreemd is aan die gunstige wending. Zegene hem Allah! zou +de vrome Abdal Kadir zeggen. + +En hier verdwaalde de goede Parviz, zooals te verwachten was, in +een stroom van lofredenen op de schoonheid en de deugden der +aangebedene, die voor hem natuurlijk van hoog, maar voor zijn +toehoorder niet dan van matig belang waren, maar in elk geval +strekten om de beide vrienden bezig te houden tot zij, al +voortwandelend, op het feestterrein zelf waren aangekomen. + +Ook hier was de aanblik niet minder levendig en ongetwijfeld nog veel +vrolijker dan te voren die van het uitgestrekte legerkamp. Eene +onafzienbare menigte bewoog zich in de meest bonte groepen over het +groote, golvende veld, waar tallooze grootere en kleinere, op allerlei +wijze uitgemonsterde tenten waren opgeslagen, en vooral ook de vele +olifanten met hunne logge en meestal donkere ligchamen maar schitterende +dekkleeden en rijk versierde zetels eene schilderachtige afwisseling +tusschen de zooveel kleinere gestalten der voetgangers en ruiters te +weeg bragten. In 't bijzonder trokken de keizerlijke de aandacht, wier +gouden borst- en hoofdplaten met groote smaragden waren getooid, +en wier reusachtig ligchaam ook overigens met een schat was +beladen, die op zich zelf reeds een matig fortuin voor een stil en +gewoon burger mogt hebben vertegenwoordigd. Op een der aldus +gesierde vertoonde zich de Groote Mogol zelf, en in 't midden van +een breeden kring van hovelingen afstijgend, begaf hij zich met +hen naar de plaats waar de groote plegtigheid van den dag stond +gevierd te worden, eene plegtigheid evenwel, die meer de opmerking +verdiende om het zonderlinge dan wel om het indrukwekkende dat +haar eigen was, en die velen op meer of min gezochte wijze +getracht hebben zinnebeeldig te verklaren, maar waarvan toch de +regte beteekenis den geschiedschrijver nog ontsnapt. + +Op een kleine verhevenheid bevond zich een vrij omvangrijke en +sterke weegschaal, waarop een man zich gemakkelijk plaatsen kon. +In de ééne schaal lagen hoopen goud en zilver en edelgesteenten; +de andere, nu nog omhoog gehevene, was ledig. Op deze stelde zich +nu de Keizer zelf ten aanschouwen van de honderden en duizenden +zijner onderdanen die daar van alle kanten zich in 't ronde hadden +geschaard; de andere schaal werd zoolang beladen en weder ontladen +tot zij in evenwigt met den doorluchtigen persoon des Mogols was +gekomen. En deze toonde wél, zijn redelijk gewigt tegen dat der +edele metalen te bezitten; jammer maar dat er niet wat anders nog +in de andere schaal gelegd kon worden, zooals pligt en eer en +goede trouw en geestdrift voor al wat groot en schoon was; want +ook tegen dit alles gewogen, ware Akbar voorzeker niet te ligt +bevonden. Nadat nu evenwel de weging bezwaarlijk anders dan tegen +iets stoffelijks had kunnen geschieden, stapte hij na afloop +daarvan bedaard weer van zijn schaal, en het goud en zilver werd +met het overige onder de omstanders verdeel. Ten slotte begaf zich +de Keizer tusschen de groepen die hem omringden, wierp onder de +omstanders een menigte van kleinere gouden voorwerpen, in den vorm +van bloemen en vruchten gedreven en door zijn dienaren hem +overgereikt, en rigtte middelerwijl tot dezen en genen, 't zij dan +hooger of lager gestelde, een minzaam en belangstellend woord, +waarmede hij velen op nieuw in de overtuiging bevestigde, dat het +volk in Akbar niet enkel een groot en magtig, maar ook een +welwillend gebieder had erlangd, wien het heil zijner onderdanen +meer nog dan zijne eigene grootheid ter harte ging. + +Na afloop van de zoogezegd meer ernstige ceremoniën van den dag +begon de eigenlijke feestvreugde eerst regt, en werden de talrijke +bezoekers van het terrein met allerlei vermakelijkeden bezig +gehouden. Hier goochelaars en grappenmakers, die verschillende +sterke toeren verrigtten en dwaze kunsten vertoonden; ginds +dansers en danseressen, die met hun gewone langzame bewegingen en +op de maat eener vrij eentoonige muziek hun meerendeels mimische +dansen uitvoerden; verder op weer ruiters met lange speren naar +ringen of andere voorwerpen stekend; en op een enkele plek ook de +wonderlijke en afzigtelijke vertooning van een paar dier +vreemdsoortige wezens, die op merkwaardige wijze, alleen Indiën +eigen, een soort van godsdienstige handeling wisten te verbinden +met wat men elders kermistoeren noemen zou; nagenoeg gansch naakte +mannen, die een goede twintig voet boven den grond aan ijzeren, +met een koord aan 't eind van een bewoegbaar dwarshout bevestigde +en achter in hunne naakte schouders vattende haken slingerden. +Vooral hier, waar die vertooning weinig gewoon was, trok zij de +aandacht van zeer velen; en ook Parviz bleef met belangstelling +opzien naar het schouwspel, terwijl Siddha, die het elders reeds +dikwijls had bijgewoond, er vrij onverschillig bij bleef. + +--Wat die lieden toch kan bezielen?--zei Parviz tot zijn vriend;--men +zegt dat ze die pijniging uit godsdienstijver ondergaan, maar +waarom kiezen ze dan juist een volksfeest er voor uit? Vrolijk is +de zaak toch niet. En wat ik ook maar niet kan begrijpen, is, dat +ze na hun vertooning blijkbaar nog ongedeerd zijn en er nauwelijks +pijn van schijnen te gevoelen. + +--Dat kan ik nu van mijne zijde u misschien duidelijk maken,-- +antwoordde Siddha;--gij weet dat dergelijke martelingen als ons +hier schijnen vertoond teworden, door sommigen onzer godsdienstijveraars +als verdiensten worden beschouwd, waarmede de hemel te winnen valt; en +wanneer nu anderen, die de martelaars staan aan te zien, na afloop der +plegtigheid hun meer of minder geld schenken dan verwerven de gevers +zich ook een deel van de verdiensten die genen te veel hebben. Vandaar +dat er nog al winst voor de vertooners te behalen is op plaatsen, waar +ze veel bijgeloovig volk bijeen vinden. Hier schijnt dat evenwel minder +te lukken dan in 't oosten en noorden. Wat nu hun kunsten zelven +aangaat, daarvan is het geheim wel niet met zekerheid bekend, +maar, naar ik geloof, toch wel eenigermate vermoed. Bedrieg ik mij +niet, dan voeren zij altijd eenige vrouwen met zich, hoewel deze +zich niet met hen in 't openbaar vertoonen, en laten zich door +haar den halven dag en vooral onmiddelijk vóór den aanvang hunner +kunsten, in en onder de schouderbladen zóólang knijpen dat zij +bijkans ongevoelig worden op die plek en na lange steeds +voortgezette oefening de haken er zóó in vatten kunnen, dat ze hun +geen kwaad en bijkans ook geen pijn meer doen. + +--Wonderlijke aardigheden toch!--merkte Parviz op. + +--Ja, en ellendige ook, voor zoover ze 't bijgeloof helpen voeden. +Eerlijke en fatsoenlijke Brahmanen verachten ze dan ook diep. Maar +hebt ge mij niet gezegd, dat wij een dierengevecht te zien zouden +krijgen? + +--Welzeker! en ik bemerk daar aan de vlaggen ginds dat het haast +zal beginnen. Laat ons daar heen gaan en er een plaats zoeken! + +Die te vinden op de rondom het strijdperk opgerigte en fraai versierde +tribunes, in wier midden de Keizer zelf met velen zijner hofhouding +gezeten was, viel den beiden vrienden niet moeijelijk. De teekenen van +hun rang gaven hun spoedig toegang tot een der kleinere stellaadjen; en +weldra verschenen nu ook van twee verschillende kanten de beide +strijdolifanten, elk met een schitterend dekkleed getooid en bereden +door zijn eveneens kleurig uitgemonsterden kornak. Voorbereiding tot +den strijd was er weinig. Zoodra de beide geweldige dieren elkaar +genaderd waren, rigtten ze zich al snuivend op hunne achterpooten +omhoog, bliezen hunne flanken op, grepen elkander bij de tromp, zoodat +de eene plotseling als in de andere scheen geslingerd, en trachtten +elkaar stooten toe te brengen met de lange vooruitstekende slagtanden, +terwijl hunne berijders nu eens met de knieën achter hunne ooren, dan +weer met de handen aan de singels der dekkleeden zich wisten vast te +klemmen. Geruimen tijd duurde het woedend gevecht en met wisselend +geluk, zoodat nu eens de eene olifant, dan weer de andere +achteruitdeinsde, tot ten laatste een der beide werd omgeworpen, +terwijl de kornak met een vluggen sprong veilig op zijne voeten teregt +kwam. Terstond sloeg nu die van den overwinnaar zijn haak in de altijd +open gehouden wond bij het oor, en zonder verder zijn gevallen +tegenstander leed te veroorzaken trad het dier, door de pijn tot +gehoorzaamheid gedwongen, terug. De Keizer klapte in de handen, de +hovelingen en andere toeschouwers volgden zijn voorbeeld, en +langzamerhand verliet men weder de tribunes. + +--Akbar schijnt veel belangstelling in dergelijke gevechten te toonen, +--merkte Siddha aan, terwijl hij met zijn vriend verder wandelde. + +--Ja,--antwoordde deze,--dat is zoo. Akbar houdt van alles waarbij +kracht en behendigheid van menschen of van dieren te pas komt. Hij +zelf is, gelijk gij ook wel kunt zien, buitengewoon sterk; hij is +beter misschien dan eenig ander bedreven op alle wapens; en zijn +persoonlijke moed in den krijg en op de jagt is, zooals gij zeker +wel vernomen hebt, van dien aard dat daaraan eer de naam van +roekeloosheid te geven zou zijn. 't Is soms of hij de gevaren +opzoekt in plaats van ze te vermijden, en zijne veldheeren en +jagtvrienden hebben menigmaal heel wat met hem te doen als hij +eens aan den gang is. Nu, van zijn velerlei avonturen zult gij ook +wel al vrij wat gehoord hebben; sommige, 't is waar, zijn +overdreven voorgesteld, maar ik weet er toch waarvoor ik zou +durven instaan. Feizi, die zelf er enkele bijwoonde, zal er u bij +gelegenheid wel eens van vertellen. + +Zoo, onder verschillende gesprekken, wandelde men nog een tijd +lang voort, en besloot toen de zaak maar voor gezien te houden en +naar de stad terug te keeren. Eensklaps echter bleef Siddha staan, +terwijl hij met groote verwondering naar het tentje op den rug van +een der vele fraai opgesmukte olifanten keek, dat zijn oog daar +toevallig ontmoette. De vrouw toch, die hij daar nevens een paar +andere op de zijden kussens zag geleund, en die haar ligten, met +een schitterenden diamant aan den kleinen tulband bevestigden +sluijer had ter zijde geschoven, was,--hij kon zich daarin niet +bedriegen,--buiten allen twijfel niemand anders dan Rezia; en +naast haar ontwaarde hij ook de hem welbekende dienares. Maar wat +kwam ze hier uitrigten, zij, die altijd beweerd had, zich met de +meeste zorg voor het oog van vreemden in hare stille afzondering +te verbergen? En dat juist op een oogenblik nu zij allen grond had +te meenen dat Siddha naar het leger vertrokken was! Had zij hem +dan bedrogen en was zij eene andere dan zij gezegd had te zijn? + +Zoo bedaard echter en schijnbaar onverschillig als hem mogelijk +viel, vroeg hij zijn medgezel, naar Rezia wijzend, die, een +anderen kant uitziende, hem niet onder de voetgangers opmerkte:-- +Kent gij die vrouw? + +--Die daar met den teruggeslagen sluijer en de dienares met den +waaijer van pauwenveeren nevens haar?--vroeg Parviz,--welzeker! +zou ik die niet kennen? En 't verwondert mij zelfs dat gij niet +weet wie zij is. Maar 't is waar, zij vertoont zich niet veel, +vooral niet in den laatsten tijd. Welnu dan, dat is.... + +En hier noemde Parviz een naam, waarvan het aanhooren zijn vriend +een schok deed ondervinden gelijk hij zijn gansche leven nog nooit +was gewaar geworden, en een gevoel bij hem deed ontstaan als +bevond hij zich op den uitersten rand van een der hoogste +rotsklippen in zijne noordelijke gebergten en als stortte hij, +door eene duizeling bevangen, in den peilloozen afgrond.... + +--Dat is--zei Parviz,--eene vrouw, van welke gij toch in elk geval +wel gehoord zult hebben: Goelbadan, de vrouw van Feizi! + + + +TIENDE HOOFDSTUK. + +Verrassingen + +--Nu?--vroeg Parviz, verwonderd over Siddha's nog al vreemde +houding,--wat gaat die naam of die vrouw u aan? Gij zijt toch, +hoop ik, niet maar zoo in eens bij 't eerste gezigt op Goelbadan +verliefd geworden? Ik zou 't u trouwens ook niet raden; want +Feizi, anders de goedheid zelf is gansch niet gemakkelijk als 't +zijn vrouw geldt, op wie hijzelf nog smoorlijk verliefd is. + +--Een voorbijgaande herinnering!--antwoordde Siddha, zoo goed +mogelijk zich herstellend,--een herinnering opgewekt toevallig +door een overeenkomst van naam, maar die overigens met de vrouw +van Feizi niets te maken heeft. + +--Des te beter!--hernam de ander, en zwijgend gingen beiden voort. + +Alléén te zijn, zoo spoedig mogelijk van Parviz los te komen,-- +geen andere gedachte bezielde voor 't oogenblik diens medgezel. +Daar zag hij een zijner ondergeschikten op en neder wandelen.... + +--Vergun mij,--zeide hij tot Parviz,--u voor 't oogenblik vaarwel +te zeggen, ik heb dien man daar te spreken. Intusschen blijf ik u +ook ditmaaal weer dankbaar voor uw vriendelijk geleide! + +En haastig zijn vriend groetend, wenkte hij den ruiter en was +spoedig met hem in een gesprek over dienstzaken, maar dat hij even +snel weer afbrak zoodra Parviz uit het gezigt was. + +Toen snelde hij heen met rassche schreden. Waarheen? Hij wist het +niet. Maar hij liep voort, altijd voort, denkend, droomend, als in +een roes van dronkenschap. + +Goelbadan, de vrouw van Feizi! Verraad alzoo, schoon ditmaal +onwetend, maar dan toch van de allerergste soort, jegens den man, +die op de meest belangelooze wijze zich hier, in den vreemde, zijn +opregten vriend had betoond, en hem voorregten had verzekerd +zooals geen ander in zijne plaats zonder dergelijke bescherming +ligt verworven zou hebben; verraad jegens den Keizer, die hem met +onverdiende en onverwachte gunsten overladen had; verraad en +schandelijke ontrouw jegens haar, wie hij eenmaal zijn hart had +gewijd en zijn ridderwoord verpand; alles om die ééne, eenige, die +hem bedroog, die hij verachten moest, en toch--boven allen en +alles nog bleef beminnen! Wat echter te doen? De pligt, de eer +gebood, en sprak luide genoeg. Alleen de vlugt, en een overhaaste, +kon uitredding geven. Want hij gevoelde 't maar al te wel: te +toeven was anders niet dan op nieuw zich op den rand te begeven +van den bodemloozen afgrond. Maar zoo plotseling, zonder eenige +voorbereiding, zonder verklaring haar te verlaten, die, al was ze +zwak, toch wel getoond had hem lief te hebben en, al misleidde ze +hem, toch ook eigen eer en pligt hem ten offer had gebragt, was +dat goed gehandeld, was het redelijk, was het--hem doenlijk? ... + +Lang dwaalde Siddha nog rond, nauw wetend werwaarts hij zijne +schreden rigtte. Ten laatste bevond hij zich, opziende, in de +onmiddelijke nabijheid der stad, en niet ver van de plaats waar de +woning van Rezia,--die Rezia van vorige, gelukkiger dagen,-- +gelegen was, en die, hij moest het zich nu wel herinneren, aan de +meermalen, doch van een geheel andere zijde door hem bezochte +villa van Feizi grensde. En de avond begon te vallen. Het was het +uur, waarop hij gemeenlijk zich naar den tuinmuur begaf en op het +aan de dienares welbekende teeken werd toegelaten in de laan naar +het paviljoen. Eenige oogenblikken nog en hij stond weer vóór +denzelfden muur, en gaf het signaal, en snelde, nadat de kleine +poort zich weer geopend had, naar binnen. + +Op den divan bij de galerij lag Rezia, of Goelbadan nu, als te +voren uitgestrekt in behagelijke rust, aan geen Siddha voor 't +oogenblik meer denkend, dien ze reeds op weg naar het leger +waande. Daar stormde op eens, door niemand aangemeld, de man het +vertrek binnen, die mijlen ver van daar heette te zijn. + +--Hoe? Siddha!--riep zij uit, terwijl zij verschrikt opstond, ik +dacht dat gij lang vertrokken waart! + +--Rezia! Goelbadan!--sprak Siddha met schijnbare bedaardheid,--ik +ken u thans. Gij hebt mij misleid, mij en den man aan wien ik +zooveel, zoo niet alles, hier te danken heb. Ik kom u vaarwel +zeggen. De eer gebiedt mij u te verlaten, en ik weet dat ik het +niet zou kunnen zonder u te ontvlugten. Morgen, heden nog vertrek +ik om nimmer Agra weer te zien, noch ook u! + +In een oogwenk en nog eer Siddha eindigde had Feizi's eehtgenoote +alles begrepen. Zij had, volkomen overtuigd dat haar minnaar met +zijn ruiters vertrokken was, geen reden gevonden om zich niet in +'t openbaar te vertoonen of, bij het feest verschijnend, zich, als +anders, zorgvuldig gesluijerd te houden. Dáár alzoo moest ze door +hem zijn herkend en haar ware naam hem door iemand zijn +medegedeeld. De zaak was te duidelijk om veel nadere verklaringen +te behoeven. Maar verklaringen in dit oogenblik te vragen lag +bovendien niet in hare taktiek. + +Met hare zachte blauwe oogen zag zij vluchtig doch smeekend tevens +haar minnaar aan, en hief de handen gevouwen omhoog; toen wankelde +zij en zeeg, zonder een woord te spreken, op den divan neder, +terwijl zij haar gelaat in de kussens verschool. + +Een tijdlang bleef Siddha zwijgend op haar nederzien. Zóó schoon, +zóó onweerstaanbaar verleidelijk had die bevallige gestalte hem +nog nooit geschenen als juist nu, nu hij voor goed had besloten +haar nimmer terug te zien; en onvergetelijk, hij gevoelde het, zou +hem ten allen tijde die laatste blik zijn, dien hij daareven nog +had opgevangen. + +Maar:--heen!--zoo klonk het in zijn binnenste,--snel heen! En geen +redeneringen en geen verder afscheid meer, of het is te laat om de +betoovering, die zoo straks geweken scheen, te ontkomen!... + +Daar hief zij langzaam het hoofd op, en schoof de weelderige +lokken ter zijde, die om haar voorhoofd golfden, en streek zich +met de hand over 't gelaat, als iemand die uit een diepen slaap of +uit een bezwijming ontwaakt. + +--Rezia!... laat mij nog eenmaal u zoo noemen!...--sprak Siddha +weder,--verzwaar mij het afscheid niet dat ik gemeend had u te +moeten brengen, omdat een verlaten voor altijd, zonder eenige +voorbereiding, mij een onridderlijke handelwijze scheen. Maar dat +de scheiding voortaan onvermijdelijk is, zult gij, ik vertrouw +het, mij aanstonds wel toegeven. Onwetend heb ik de gastvrijheid +geschonden en belangelooze vriendschap met den grofsten ondank +beloond. Willens en wetens dat te blijven doen, ware wel 't ergste +aller misdrijven. + +--Gij hebt gelijk, mijn vriend!--antwoorddo Rezia gelaten en met +zachte stem,--eene scheiding, dat gevoel ik maar al te zeer, moet +u onvermijdelijk voorkomen. Ik vreesde, ik vermoedde het vóór +lang, en daarom bleef ik ook zoolang veinzen tegenover u. Doch +hoor mij nog een enkel oogenblik aan, eer ge mij voor altijd +verlaat, opdat ge mij eenmaal niet met al te groote minachting +moogt herdenken; en verneem wat ik, niet tot verdediging maar dan +toch tot verontschuldiging van mijn gedrag heb aan te voeren! Ik +misleidde u, het is waar, en zelfs meer dan eens. Ik begon reeds +met u te misleiden den eersten keer dat ge mij zaagt. Ik had, maar +zonder door u te zijn opgemerkt, u zeer kort na uwe komst in Agra +ontmoet; uw uiterlijk voorkomen wekte mijne belangstelling, die +niet weinig werd vermeerderd door 't geen ik, navragend, omtrent u +vernam; en toen, onvoorzigtig genoeg! besloten uwe kennis te +maken, gebruikte ik den naar Kaçmir bestemden brief als +voorwendsel om mijn inderdaad onberaden doel te bereiken. Waartoe +onze kennismaking gevoerd heeft, tot hoever mijn zwakheid, mijne +liefde mij verleidde, helaas! het is ons beiden maar al te wel +bekend. Maar ik wist toenmaals nog in 't minste niet dat eenige +band van vriendschap u aan Feizi verbond; en later, toen ik tot +mijn niet geringen schrik het bemerkte, ja! toen had ik sterk +genoeg moeten zijn om onze verdere betrekking af te breken, +althans om u eerlijk te bekennen wie ik was. Maar, ach! ik was +zwak, Siddha! zwak zooals een vrouw dat zijn kan die bemint, die +den man harer keuze hartstogtelijk liefheeft. Ik vreesde voor die +scheiding, die uw eergevoel u als noodzakelijk zou opdringen, en-- +ik zweeg. Kunt gij mij vergeven eer wij voor altijd elkander +vaarwel zeggen? + +En schuchter en als bevreesd nog voor zijn toorn reikte zij hem de +hand, terwijl zij mat en loom in de kussens terugzonk en tranen +hare oogen verduisterden. Nog kampte hij met zichzelven. Een +vreeselijke, een geweldige strijd. Maar te kort, veel te kort van +duur. + +--Rezia!--riep hij eensklaps uit, terwijl hij niet alleen de +aangeboden hand vatte, maar hartstogtelijker dan ooit de vrouw, +die hem beheerschte en hem alles deed vergeten, in zijn armen +sloot,--Rezia! zonder u geen leven meer, geen bestaan, en met u +geen misdaad en geene schande!... + +...Inderdaad, hij had geen onwaarheid gezegd, noch eene overdreven +spreekwijze gebezigd toen hij eenmaal haar verzekerd had, dat zij +hem dierbaarder was dan het leven en dierbaarder ook dan zijne +eer!... + +Aan onverwachte ervaringen komt inmiddels soms niet ligt een +einde. Zoo ook met onzen Siddha. Half verstoord, en half nog +badend in nameloos geluk, deels zichzelf diep verachtend, en deels +ook weer juichend in zijn noodlottigen hartstogt, wilde hij, +eenigen tijd later door de welbekende laan geslopen, de kleine +poort in den tuinmuur openen, toen deze tot zijne verbazing als +van zelf openging en een mannelijke gestalte binnentrad, die, +zonder hem terstond te bemerken, ze weer achter zich poogde te +sluiten. Een onwillekeurige uitroep van Siddha deed den vreemde +plotseling omkeeren.... Wie het zijn mogt? Feizi zelf misschien? +Siddha had zich de tong uit den mond willen rukken om zijn dwaze +onvoorzigtigheid; maar het was te laat. + +--Wat, in den naam van Shaitan! komt gij hier uitvoeren?--riep de +ander uit, en aanstonds herkende Siddha, zoo aan de stem als ook +nu in 't schemerdonker aan de gedaante, Prins Selim. + +--Dat mogt ik, dunkt mij, met evenveel regt vragen aan u, zoo niet +met meer!--was het drieste antwoord. + +Een kletterend geluid deed Siddha begrijpen dat de Prins de hand +aan zijn sabel had geslagen, en hij van zijn kant haastte zich +hetzelfde te doen. Op eens echter liet Selim, een paar schreden +nader gekomen, en zijn tegenpartij herkennend, het zwaard weer in +de schede glijden. + +--Ha! mijn vriend Siddha Rama!--sprak hij, tot niet geringe +verbazing van den ander, op vrolijken toon,--zoo betrappen wij u +dan op uwe nachtelijke avonturen! Nu, een jonkman als gij mag 't +er wel eens van nemen. Vrees niet dat ik u verraden zal! En +jaloersch behoeft gij ook niet te zijn. Gij weet wel dat de +uitverkorene van uw hart, die gij blijkbaar zooeven verlaten hebt, +eenigermate met onze staatkundige plannen in verband staat; en +vandaar dat ik haar soms in diep geheim, en dus ook wel eens onder +deksel van den nacht moet gaan spreken. Ik begrijp evenwel dat ze +op dit oogenblik minder bereid zal zijn mij over dergelijke dorre +onderwerpen te woord te staan, en ik zal dus maar 't best doen +mijn bezoek vooreerst uit te stellen. + +En zich omkeerend begaf Selim zich naar 't poortje, en, na Siddha +eveneens den doorgang te hebben verleend, sloot hij 't weer +zorgvuldig achter zich toe. + +--En nu,--zeide hij, waarschijnlijk gaat gij naar uwe woning, +links; mijn weg ligt aan den tegenovergestelden kant.--Doch,-- +voegde hij er nog bij, terwijl hij gereed stond zich te +verwijderen, en Siddha, niet wetend wat te antwoorden, hem +stilzwijgend aanhoorde,--laat deze ontmoeting een geheim blijven +tusschen u en mij! Dat is in ons beider belang. En zonder meer +verdween Selim in het duister, terwijl de ander nog geruimen tijd +als verbluft staan bleef. + +--Een goede dienst, die hij mij daar toevallig bewezen heeft!-- +mompelde de prins in zichzelven, terwijl hij zich verder spoedde; +--hij stelt mij in 't bezit van een geheim dat voor mij van +onberekenbare waarde kan zijn!... Die slang daar ginds zal ik +nader wel vinden!... + +'s Anderen daags dwaalde een van Selim's vertrouwden rondom het +buitenverblijf en stond weldra in een verborgen hoek met de +dienares van Goelbadan te praten. Spoedig was de koop, dien hij +had voor te stellen, gesloten; en de dienares toonde zich volkomen +bereid, de geheimen harer meesteres te verraden. De Prins toch kon +natuurlijk meer betalen dan deze en Siddha te zamen. Den avond van +denzelfden dag meldde zich de dienares aan het paleis, werd +terstond door den vertrouwde ontvangen, stelde hem een paar, in +den vorm van brieven gevouwen papieren ter hand, en haastte zich +toen met den ontvangen prijs naar de woning harer meesteres terug. +Een dag later was Selim met klein gevolg weder op weg naar +Allahabad. + +Daar toefde eene eenzaam treurende. Sinds langen tijd reeds had +Iravati niets meer van haar verloofde vernomen. In den beginne, +kort na zijne aankomst in Agra, had hij, ze herinnerde 't zich +telkens, haar nog een paar brieven toegezonden, overvloeijende als +vroegere van betuigingen zijner liefde en onwankelbare trouw; +daarna had zij geen letter meer van hem ontvangen, terwijl haar +door anderen toch werd medegedeeld dat hij zich volkomen wél +bovond en hoog in eer en in de gunst des Keizers begon te stijgen. +Wat dan de reden van zijn voortdurend stilzwijgen kon zijn? Een +vreeselijke twijfel begon nu hoe langer hoe meer zich meester te +maken van haar gemoed; maar telkens ook wist zij dien wederom te +onderdrukken en op nieuw zich te sterken in het vertrouwen, dat +zij in de eer en het woord van haren Siddha bleef stellen. + +Eens, toen zij deels weer in mijmering verloren een boek +doorbladerde dat zij vroeger, nog in Kaçmir vertoevend, met haar +verloofde gelezen had, kwam de trouwe Nipoenika haar storen en +naderde haar met bedrukt en onheilspellend gelaat, haastig eerst, +maar straks weer weifelend, als aarzelde zij of ze spreken of +zwijgen moest. + +--Welnu?--vroeg Iravati,--wat komt gij mij melden? Mij dunkt, gij +brengt mij slechte tijding. + +--Helaas, mijne jonkvrouw!--antwoordde de dienares,--ik zou +wenschen dat ik een slot mogt leggen op mijn mond; en toch mag ik +u niet onkundig laten van 't geen mij daar straks werd meegedeeld. +Het betreft u zóó na, dat ik niet zou wagen het gansch te +verzwijgen. + +--Zoo spreek dan, en onverholen!--gebood Iravati,--ik ben bereid +aan te hooren wat gij te zeggen hebt. + +En nu verhaalde de vertrouwde, hoe zij van een krijgsman, die uit +Agra kwam, het een en ander omtrent Siddha vernomen had. Eerst +sprak zij in meer of min bedekte termen; daarna duidelijker; +eindelijk kwam alles voor den dag wat Selim zelf omtrent het +avontuur met de vrouw van Feizi had weten te ontdekken. De +uitwerking van het verhaal was zooals de andere gevreesd had. Als +wezenloos zat Iravati voor zich uit te staren, en lang had +Nipoenika opgehouden te spreken eer zij eenig antwoord gaf. Toen +sprong zij eensklaps op, en vroeg met een haar ongewone drift: + +--Wie heeft u dat alles verteld? Wie was die krijgsman? Spreek de +waarheid! En geen omwegen, verstaat gij? + +--Edele jonkvrouw!--antwoordde Nipoenika,--hoe zou ik u durven +misleiden en welk belang kon ik er ook bij hebben? De man, die mij +verhaalde wat ik u heb medegedeeld, was een dienaar van den +Kroonprins. + +--Dan is alles ook gelogen!--riep Iravati uit,--ik begrijp de zaak +volkomen. Welk een verachtelijk middel!--voegde zij in zichzelve +er bij; en daarop weder tot hare dienares:--Het is wél, mijn goede +Nipoenika! Ik dank u voor uw berigt, dat gij, ik betwijfel het +niet, mij enkel uit wezenlijke belangstelling hebt overgebragt. +Maar ik hecht er niet aan, nu de bron mij bekend is, waaruit het +voortkwam. Laat mij voor 't oogenblik echter alléén, en moei u in +'t vervolg niet al te veel met dien man, die u met die praatjes +heeft bezig gehouden! + +Toch had de wél gerigte pijl beter getroffen dan Iravati tegenover +zichzelve en haar vertrouwde wilde toegeven, en toen deze zich had +verwijderd zat zij nog lang, het hoofd in de hand geleund, over de +mogelijkheid en waarschijnlijkheid van het gebeurde na te denken. +Wederom echter voelde zij haar moed herleven toen zij na eenigen +tijd, haar vertrek verlaten hebbend, in een der galerijen Prins +Selim zelf ontmoette, van wiens terugkomst haar tot dusver niets +was gemeld. De zaak was duidelijk. Hij en niemand anders had +inderdaad, gelijk zij aanstonds reeds vermoedde, het gansche +lasterlijke verhaal uitgedacht om haar, zoo mogelijk, van Siddha +te vervreemden. Een koele en met zekere minachting tevens niet +onvermengde hoofdbuiging was het eenige, waarmede zij zich +verwaardigde den eerbiedigen groet van den hoogen bezoeker te +beantwoorden. + +--Iravati!--sprak deze, nader tredend,--gij mogt reden hebben u te +verwonderen over mijn terugkeer in dit paleis na ons laatste, voor +mij zoo ontmoedigend onderhoud, indien niet hetgeen ik door uwe +getrouwe dienares u liet meedeelen, omdat ik niet persoonlijk de +overbrenger wilde zijn, u daaromtrent eenige verklaring gaf. + +--Ik begrijp zeer goed,--antwoordde Iravati zonder blijk van +toorn, maar ook zonder omwegen,--dat laster door u te baat is +genomen, waar u blijkt dat overreding onvermogend is. Toch had ik +zoo iets niet verwacht, vooral niet van u. + +--Laster!--hernam Selim,--ja, dat ware inderdaad al een heel +verachtelijk middel om het doel van mijn vurige, doch zoo ik meen +toch geenszins ongeoorloofde of ook beleedigende wenschen te +bereiken. Maar daarenboven een zeer ijdel. Want welke waarde zoudt +gij aan dergelijk los daarheen geworpen verhaal, een eenvoudig +praatje, kunnen hechten, indien de waarheid niet door bewijzen kon +worden gestaafd? + +--Hoe nu? Bewijzen? Wat bedoelt gij? + +--Ik bedoel die soort van bewijsstukken, waartegen zelfs de +strengste en meest nauwlettende regter niets zou hebben in te +brengen. Gij kent natuurlijk het schrift en de hand van Siddha, +niet waar? + +--Ongetwijfeld! + +--Welnu, zie deze brieven dan!--En Selim overhandigde haar de +beide in briefvorm vervatte stukken papier, welke de vertrouwde +van Goelbadan, na ze behendig aan haar meesteres te hebben +ontstolen, hem verkocht had; vlugtig geschreven, hartstogtelijk +gestelde, met allerlei uitroepen en betuigingen van liefde +vervulde en hier en daar ook met een paar versregels doorspekte +brieven van Siddha, waarin de naam der aangebeden Rezia herhaalde +malen voorkwam. + +Haastig las Iravati dat alles, terwijl het haar voor de oogen +begon te schemeren. En zij las en herlas, en keerde de brieven om +en om, en bezag ze van alle kanten, tot zij ze eensklaps uit de +hand liet vallen en, hare bezinning verliezend, bewusteloos ware +neergestort, indien niet Selim haar snel had ondersteund en op een +nabijzijnde rustbank had nedergevleid. + +Eene zwakke zenuwachtige maagd was Iravati echter, hoe innig en +onbegrensd ook hare liefde, niet. Daar vloeide haar door de aderen +nog het bloed van een voormalig krachtig ras, van een oud +heldengeslacht, en spoedig rees zij weder op en stelde zich +tegenover den Prins, tewijl zij met vastheid hem in de oogen zag. + +--Mijn lot,--sprak zij,--is beslist, indien, gelijk ik nu wel moet +aannemen, werkelijk waar is wat mij werd verhaald. Eene andere +heeft bezit genomen van het hart, dat tot heden mij behoorde en +mij alleen. Het zij zoo, al wordt het mijn dood! Doch meen niet, +gij Vorst, die over alles te gebieden hebt behalve over een +vrouwenhart, dat daarmede u den weg zou zijn gebaand, dien gij met +uwe ontdekkingen reeds zaagt geopend! Meen niet, dat mijne +gelofte ijdel is geworden omdat het woord van trouw aan de andere +zijde verbroken werd, zoolang het mijne mij niet is teruggegeven! + +--Hoe nu?--riep Selim in verbazing uit,--de minnaar, wiens ontrouw +u thans wel gebleken is, verlaat u en offert u op aan eene andere, +en gij zoudt u niet vrij achten en niet mogen luisteren, ik zeg +niet terstond, maar eenmaal welligt, als de vroegere herinnering +verzwakt en eindelijk verdwenen zal zijn, naar hem, die u boven +allen en boven alles lief heeft en magt en eer, zooals geen ander +die bieden kan, aan uwe voeten legt? + +--Selim!--antwoordde Iravati zacht, terwijl ze zich tot geregeld +denken dwong,--gij verstaat mij niet en gij kunt mij misschien ook +niet verstaan. Gij kunt ons, Indische vrouwen, niet begrijpen, +zoozeer verschillend van die, waaraan gij anderen gewoon zijt. Het +hoogste geluk voor eene vrouw schijnt u, en zoo schijnt het +werkelijk ook velen, de begunstigde Sultane van een magtig +heerscher te zijn. En gij meent ook dat het genoeg is, eene onzer +van de ontrouw haars minnaars te overtuigen, om haar terstond alle +gedachten aan den onwaardige vaarwel te doen zeggen. + +--En is dat dan niet overvoldoende? + +--Onze vrouwen--was het antwoord--kennen die verlokking van +grootheid niet, waar het haar pligt betreft en hare eer; en den +echtgenoot, of, wat hetzelfde zegt, den plegtig verloofden +bruidegom, wien zij eenmaal haar woord verpandden, blijven zij +getrouw, ook al zien zij hare liefde met ontrouw beantwoord. De +gehechtheid der vrouw aan den man weet bij ons van geene grenzen; +of is u niet bekend genoeg, hoe vele, laat zoo iets nu te +verwerpen zijn als een gevolg van bijgeloof of van overdreven +gevoel, zich volkomen vrijwillig en met de grootste geestdrift op +den brandstapel werpen, die het lijk van den gestorven echtgenoot +verteert? En hebt gij ook nooit gehoord van onze heilige legenden +en riddersagen, die de toewijding der echtgenoote, ook aan den +onwaardige, schilderen? Van de roerende lotgevallen der edele +Damayanti kwam u zeker wel 't een en ander ter ooren. Welnu! voor +zooveel in mij is, wil ook ik eene Damayanti zijn! Dat Siddha mij +verlate, ik zeg het als zij: het is de booze Kali, die in hem is +gevaren en hem tot kwaad verlokte, niet hijzelf die zoo grievend +leed over mijn hoofd bragt. En als de betoovering van hem zal +geweken zijn, dan keert hij, een andere Nala, tot mij terug, en +rein van elke smet vinde hij mij weder en overtuige zich dat ik +beter nog dan hijzelf voor de eer heb gewaakt van zijn naam! + +--Ik liet u gaarne--hernam Selim na een oogenblik gezwegen te +hebben,--die gelukkige hoop op zijne terugkomst, hoezeer ze mij +ook smarten moest. Doch vlei u niet met dergelijke verwachting! +Geloof mij, ik ken die vrouw, in wier strikken hij verward is +geraakt; ikzelf, ik heb haar bemind tot op het oogenblik dat ik u +aanschouwde; en ik weet dat zij onweerstaanbaar blijft zoolang +geen andere en reiner liefde den hartstogt komt verdringen, dien +een man eenmaal voor haar gevoelt. Geloof mij, zeg ik! geen +verleidelijker vrouw ken ik dan deze, gelijk ik geen reinere en +geen edelere ken dan u! + +--Prins!--zeide Iravati op deze hernieuwde verklaring,--ik wil u +smeeken om ééne gunst voor heden, al schijnt u 't verzoek ook +onheusch. Laat mij voor eenige oogenblikken over aan mij zelve! Ik +gevoel thans werkelijk behoefte, na al wat ik vernemen moest, om +alléén te zijn. Een ridder, een edelman zooals gij, zal, ik +vertrouw het, mij dit niet willen misgunnen. + +--Ik ware--antwoordde Selim,--den naam onwaardig dien gij mij +toekent, als ik een oogenblik langer van uwe goedheid misbruik +maakte. Ook is verdere aandrang van mijne zijde, ik gevoel het +maar al te wel, voor het tegenwoordige niet alleen onnut, maar in +mijn eigen nadeel. Ik gehoorzaam dus aan uw verlangen. + +En zich omwendend verliet hij, schoon met loome schreden, de +galerij. + +Maar toen hij was heengegaan ontzonk Iravati ook de kracht, die +haar standvastigheid deed betoonen tegenover hem, en uitgeput zeeg +zij op de rustbank neder, en, het gelaat met de handen bedekkend, +weende zij bitter. + +Kortstondig echter was hare betrekkelijke rust, en verschrikt zag +zij op, toen na eenigen tijd zich weer een voetstap in de +nabijheid deed vernemen. Het was Salhana, die haar naderde. + +--Mijne dochter!--sprak hij, met meer zachtheid in zijne stem dan +zij tot dusver zich herinnerde nog ooit bij hem te hebben +opgemerkt, + +--Ik weet wat uwe gedachten bezig houdt en u 't hoofd laat buigen onder +leed. En ik wist ook reeds vroeger wat u heden werd medegedeeld. Ik had +de trouweloosheid van Siddha ginds in Agra reeds ontdekt, maar bleef +alles voor u verbergen tot de tijd zou zijn gekomen waarop te spreken +pligt mogt worden. Hoe het zij, alles is u thans bekend. En nu, gij +zult het, vertrouw ik, wel inzien, nu gebiedt u de achting die ge +uzelve niet alleen, maar ook mij en mijn huis verschuldigd zijt, alle +herinnering aan dien man te bannen, die op zoo smadelijke wijze de +nadere verbindtenis met ons geslacht verworpen heeft.--Neen, hoor mij +aan!--vervolgde hij, toen hij Iravati gereed zag te antwoorden;--geloof +mij, ik gevoel diep, innig medelijden met u in dit noodlottig +oogenblik; maar ik mag daarom niet nalaten u te herinneren wat eene +dochter van onzen edelen stam aan hare eer en haar goeden naam +verschuldigd is. Tevens echter wil ik, hoewel in geheim, u iets +mededeelen wat ik eveneens ontdekte, en dat, zooal niet aanstonds de +wond zal heelen die u geslagen werd, dan toch in 't eind u tot troost +zal strekken. Eene heerlijke, eene schitterende toekomst wacht u nog, +Iravati! Wat voor elke vrouw in gansch Hindostan het begeerlijkst lot +mogt zijn, kan het uwe worden. Prins Selim,--ik vermoedde 't sinds lang, +en toen ik hem onlangs de gelegenheid gaf zich te verklaren, bekende hij +'t mij ook,--Prins Selim bemint u en begeert u tot zijne echtgenoote! + +--Dat weet ik,--antwoordde Iravati. + +--Gij weet het? En hoe? + +--De Prins zelf heeft het mij verklaard, ook heden nog. + +--En uw antwoord? + +--Ik heb het vereerend aanbod afgeslagen. + +--Hoe! Wat?--riep Salhana met de grootste verbazing en ergernis +uit,--afgeslagen? Zijt gij zinneloos? + +--Ik geloof het niet. Maar ik ben immers verloofd aan Siddha. + +--Wel! wat kan dat nu uitmaken? Gij zijt immers nog vrij in uwe +keuze. Gij zijt zijn vrouw nog niet. + +--Neen, maar wat voor mij in dit geval hetzelfde is, ik heb hem +trouw gezworen, en hijzelf ontsloeg mij nog niet van die gelofte. + +--Laat dat zijn! 't Kon vroeger misschien nog gelden. Maar nu? Hij +zelf heeft immers zijn trouw gebroken en u daarmee reeds ontslagen +van uw woord. + +--Zoo mogen anderen er misschien over denken, die in andere +begrippen zijn opgevoed dan ik. De mijne echter verbieden mij te +doen wat gij verlangt. En zoo die begrippen voor 't oogenblik aan +uwe plannen in den weg staan, wijt het, mijn vader! aan uzelven, +die mij eenmaal daarin hebt doen opvoeden. Bovendien, ik wil er +geen geheim van maken, nog blijf ik Siddha beminnen in weerwil van +zijn handelwijs, en een ander zou ik nooit kunnen liefhebben na +hem. + +--Maar er behoeft hier immers ook geen sprake te zijn van liefde! +Het is genoeg dat Selim u bemint, en dat gij gebruik kunt maken +van den invloed dien gij op hem hebt. Maar dat schijnt gij nu niet +te verkiezen, eenvoudig om een gehechtheid aan allerlei overdreven +en lang verouderde voorstellingen en een dwazen hartstogt voor een +onwaardige. Bedenk echter wat gij verwerpt, indien gij blijft +volharden in uwe onzinnige weigering! Een Koningrijk wordt u +aangeboden, een rijk waarvan de wedergade nauw in de wereld valt +aan te wijzen, en gij stoot het verachtelijk van u af, enkel om +een droombeeld, een gril. + +--'t Mag zijn dat ik ongelijk heb,--antwoordde Iravati gedwongen +bedaard, terwijl haar vader zich al meer begon op te winden,--maar +uwe voorspiegelingen zullen mij daarvan niet overtuigen. Ze werden +mij eveneens en beter nog, door den Prins zelf gedaan, maar konden +mij evenmin van besluit doen veranderen. + +--Uw besluit schijnt dus te zijn, den wil van uw vader te weerstaan? +Mij dunkt, dat komt toch ook niet overeen met die beginselen waaraan +gij zoo gehccht zijt, en die toch gehoorzaamheid van het kind aan zijne +ouders tot een der eerste pligten maken. + +--Zeker, maar niet wanneer die pligt met een nog hoogeren in strijd +geraakt. Hoezeer 't mij ook leed is dat ik u niet mag gehoorzamen, ik +mag nu eenmaal niet en ik kan niet. + +--Doch 't is u dan toch bekend dat een vader ook regten over zijn +dochter heeft en de magt bezit om haar des noods tot gehoorzaamheid te +dwingen. + +--Dat is mij volkomen bekend; maar ik weet ook, dat dwang hier tot +niets zou dienen. Want als ik mij werkelijk tot een huwelijk met +Selim noodzaken liet, zou ik juist alle waarde voor hem hebben +verloren en van mijn invloed ook geen gebruik meer kunnen maken. +Dat weet hij zelf volkomen, en denkt dus aan geen dwang. Indien +hij daartoe besluiten wilde, hij zou uwe tusschenkomst niet eens +van noode hebben. De troonopvolger van Akbar is magtig genoeg om +zijn wil tegen den mijne en ook tegen den uwe door te zetten, als +hij verkoos. + +Salhana balde zijne vuisten en beet van ongeduld op zijn knevel. +Aan alle kanten geslagen! En door wie? Door een eenvoudig meisje, +dat hij tot nog toe als het zachtzinnigste en onderdanigste wezen +had gekend! Al zijn heerlijke plannen van den laatsten tijd, al +zijn schitterende vooruitzigten door dat eigenzinnige, nu +weerbarstige kind vernield! Hij had gedroomd, nu niet meer van een +onderkoningschap alleen, maar van niets minder dan de hoogste +plaats na den Keizer zelven in het rijk; hij zag zich reeds in +Agra als Groot-Vizier nevens den troon, en vorst en land +beheerschend door zijne dochter, oppermagtig gebieder over al die +rijken en volken, zoo niet in naam dan toch metterdaad.... + +--Welnu!--riep hij eindelijk na eenig stilzwijgen uit, terwijl hij +in dreigende houding zich tegenover Iravati plaatste,--gij +verkiest naar rede niet te luisteren, en voor dwang zijt gij niet +bevreesd. Maar misschien toch wel voor iets anders. Wel dan +misschien voor den vloek van een vader! + +--Het leed dat mij reeds is opgelegd,--antwoordde Iravati,--zou +er door verdubbeld worden; maar ik zou kracht zoeken om den last +te dragen zonder te bezwijken. En moest dit, welnu! dan geschiede +wat mij is voorbeschikt. + +--Gij zijt moedig,--sprak nu Salhana op kouden, maar tevens ietwat +sarcastischen toon,--of althans gij tracht het te zijn. Ik wil +evenwel gelooven dat gij niets voor uzelve vreest; maar zijt gij +wel zoo zeker dat uwe halstarrigheid niet soms ten nadeele mogt +komen van dien Siddha, dien gij erkent nog lief te hebben, en dat +de Prins uwe weigering niet op hem soms wreken mogt? + +De laatste slag scheen doel te hebben getroffen. Als in wanhoop +hief Iravati de handen omhoog, en liet ze toen magteloos weer +zinken, terwijl haar hoofd zich voorover boog op hare borst. Met +een hatelijk zegevierenden glimlach zag Salhana haar aan. De +overwinning dan was eindelijk toch behaald, de zege hem, de kracht +der onverzettelijke was gebroken!... + +Daar rigtte zich de fiere jonkvrouw uit haar gebukte houding weder +op, en Salhana onverschrokken in de oogen ziende, sprak zij, eerst +met weifelende, daarna met vaste stem: + +--Wat gij, vader! daar gezegd hebt, is wreed, gruwelijk wreed, en +ik kan bijna niet gelooven dat het ernstig gemeend zou zijn. Maar +al is dat zoo, al is 't een ernstige bedreiging, ook die is niet +bij magte mij te doen wankelen en mij den heiligen pligt te doen +verzaken die mij is voorgeschreven. Indien Siddha hier vóór ons +stond en hij zag mij weifelen en mijne gelofte schenden om hem te +redden uit gevaar, hij zelf zou mij verachten en het regt hebben +mij te verstooten. Mijn leven wil ik voor hem offeren; het behoort +hem; maar niet mijne eer, die eveneens hem toebehoort. Wel weet ik +dat zijn dood de mijne worden moet; maar wat ons is beschikt, +vermogen wij niet af te wenden. Laat dan de wraak den onschuldige +treffen; doch er zal niets bij te winnen zijn, noch voor Selim, +noch voor u. Gij zoudt een dochter, uw broeder zou een zoon minder +hebben, dat ware alles, en uwe eerzucht zou toch niet zijn gebaat +...Maar laat ons dit gesprek afbreken, dat mij in 't eind den +eerbied kon doen vergeten dien ik u verschuldigd blijf! Doch +bedenk het, mijn vader! dat ik uwe dochter ben, een jonkvrouw uit +uw eigen hoog en eeuwenoud goslacht, die zich door niets laat +dwingen en door niets verschrikken waar het eer en pligt, en den +man dien zij lief heeft, geldt! + +Nog een oogenblik zag Salhana Iravati aan. Daar stond zij voor hem +in ongebogen houding, hooghartig, uitdagend bijna. De rollen waren +omgekeerd; de tot nog toe zoo onderdanige dochter scheen te +gebieden, de trotsche vader tot onderwerping genoopt. Zonder een +woord te spreken keerde hij zich om en snelde voort met haastige +schreden, terwijl een uitdrukking van magtelooze woede zijn +donkere gelaatstrekken verwrong. + + + +ELFDE HOOFDSTUK. + +Tauhid I Ilahi + +Vóór en omtrent de winkels en woningen van een der kleinere +bazaar's van Agra aan de rivierzijde bewoog zich, als gewoonlijk, +tegen 't vallen van den avond eene bonte, maar overigens zeer +rustige menigte. Hier en daar zaten in open galerijen en +vertrekken de spelers met hunne dobbelsteenen om het bord waarop +ze hun inzet hadden gewaagd; elders dronken soldaten van +verschillende wapens elkander vrolijk toe, 't mogt dan met wijn of +met sterker benevelende dranken geschieden; op eene enkele plaats +lag een eenzame droomer de stille en tijdelijke zaligheden te +genieten, die een meer of min overmatig gebruik van den opium hem +verschaffen mogt; en in diepe en ernstige gesprekken zag men +eenige deftige Musulmannen gewikkeld, die zich voor een enkelen +keer hadden verwaardigd, aan de rustig gezellige genoegens der +anders niet weinig door hen geminachte Hindoe's deel te nemen. + +--Ja, Ali!--sprak een van die in eigen oog zoo voorname heeren tot +zijn medgezel,--gij hebt wél gelijk; 't begint van kwaad tot erger +te komen met Akbar en zijn hof. Wat daar al ongeregtigheden moeten +gepleegd worden! Dat gaat zoo maar avond aan avond met die, ik ben +er zeker van, godslasterlijke bijeenkomsten. Zoo kwam ik nog +gisteren, 't was middernacht ongeveer, langs het paleis; en wat +meent gij dat ik er zag? Al de vensters van 's Keizers vertrekken +hel verlicht; alles schitterend van lampen en waskaarsen op +reusachtige luchters. Maar voor wat? Voor een feest, zooals een +vorst dat mag en soms ook moet vieren? Neen, man! Alles doodstil, +behalve nu en dan een statig gezang, een soort van loflied, zooals +Akbar zelf, naar men zegt, er meer dan een vervaardigd heeft, maar +dat, hoewel het anders welluidend genoeg klonk, toch niets te +maken kan hebben met onze heilige godsdienst, waarvoor de Profeet +geprezen zij! + +--En wat beduidde dat, Yoessoef?--vroeg de ander. + +--Wat het eigenlijk te beteekenen had,--antwoordde Yoessoef,-- +weet ik u niet met zekerheid te zeggen, maar wel, dat al dat licht +en dat gezang in verband moest staan met de nieuwe leer, die de +Keizer in plaats van den Islam wil stellen, en waarin hij zijne +vertrouwden inwijdt, een soort van vuur- en zonnedienst, die hij +voornamelijk van onze oude Parsi's en ook van de ongeloovigen +hier, Allah zij hun genadig! ter kwader uur ontvangen moet hebben. + +--Maar wat is dat dan toch eigenlijk voor dienst?--vroeg Ali;--ik +heb er wel eens van hooren spreken, maar ik weet toch niet regt +wat het is. + +--Heel bepaald--hernam Yoessoef,--weet ik het ook niet; maar dat +het heel ergerlijk zijn moet, bewijst wel de verklaarde tegenzin +van alle goedgeloovigen, en onder hen vooral van een man als Abdal +Kadir, anders ook bij Akbar zelf wel in aanzien, en een groot +geleerde. Doch wat nu mijn persoonlijke ervaring aangaat, ik heb +in den laatsten tijd nog wel onrustbarender zaken waargenomen dan +wat ik u vertelde. Denk eens! niet lang nog geleden zag ik heel in +stilte, en als was hij voor verspieders bevreesd, een man uit het +paleis sluipen, dien gij stellig wel kent en dien gij niet ligt +ontmoet zult hebben of 't werd u koud en huiverig, Gorakh, den +zoogenaamden Yogi.--Nu,--vervolgde de spreker, terwijl hij zijne +reeds fluisterende stem nog een toon dalen liet,--weet gij voor +wien ik dien man aanzie? Regtuit gezegd, als hij de Shaitan zelf +niet is, dan is hij toch zeker een handlanger van hem; en met dat +wezen... heeft dan de Keizer een verbond gesloten! + +Yoessoef zweeg een oogenblik en met ontzetting staarde zijn makker +hem aan. + +--Behoede ons Allah!--riep hij eensklaps weer uit, terwijl hij +naar eene langs den waterkant voortschrijdende gestalte wees,-- +daar is hijzelf in eigen persoon! Mogten de wateren der Djoemna +hem verzwelgen! + +En werkelijk vertoonde zich daar weder de Doerga-priester, en +begaf zich tot een groep Hindoe's en Perzen, die in levendig +gesprek met elkander waren gewikkeld. + +--Nu, en ik zeg u dan,--sprak een dier laatsten,--wij mogen en +kunnen 't niet langer dulden dat onze heilige godsdienst zoo +voortdurend en openlijk door een Feizi en een Aboel Fazl, om nu te +zwijgen van een hoogere, wordt bespot en ten toon gesteld. En 't +is mij onbegrijpelijk hoe gijlieden, al belijdt gij dan eene +andere godsdienst, er vrede mee kunt hebben dat men hier alles +zoekt om te keeren en alles te vernietigen wat u zoowel als ons +tot nogtoe altijd heilig scheen. + +--Maar zóóver zijn we nog niet,--antwoordde de Hindoe;--dat de +Keizer en zijne getrouwen niet véél meer aan uw Koran hechten, is +bekend genoeg, en eveneens dat ze daarom onze godsdienst nog niet +zijn toegedaan. Maar ik heb nog niets van eenig omverwerpen of +vernielen gehoord; onze tempels blijven als de uwe onaangeroerd, +en niemand hindert ons in onze godsdienstige praktijken, terwijl +gij Mohammedanen te voren niet anders deed dan ons plagen en +vervolgen. + +--En dat verdiendet gij ook, gij zonen van.... + +--Komaan, mannen, geen twist!--sprak tusschenbeiden komend, een +Perzisch krijgsman;--dat brengt ons toch niets verder.--En meteen +gaf hij den verbolgen Mohammedaan een wenk. + +--Laat het dan zijn!--antwoordde deze, en den Hindoe den rug +toekeerend, verwijderde hij zich met een paar zijner vrienden en +den krijgsman die zooeven gesproken had. + +Nu mengde zich ook Gorakh in het gesprek en:--'t Is goed, Mobarik! +--zeide hij,--dat gij daarbij waart. Openlijke twisten konden nu +gevaarlijk worden. De meeste Hindoe's houden nog de zijde van den +Keizer. Wekt ze dus niet te spoedig, en zoekt ze voor 't oogenblik +nog niet te winnen; ze komen toch wel over als de kans begint te +keeren. Hoever zijt gij inmiddels gevorderd? + +--De meeste van onze Mansabdar's zijn gewonnen,--antwoordde +Mobarik,--en terstond zullen zij openlijk onze zijde kiezen zoodra +hun het teeken gegeven wordt. Die met het leger meegaan zullen +daar op het geschikte oogenblik omwenden, en die hier in Agra +blijven zullen hetzelfde doen. Van hun troepen zijn zij volkomen +zeker. + +Met bijzondere opmerkzaamheid hadden vooral ook twee andere mannen +geluisterd, die zich intusschen bij de overigen gevoegd hadden, +en, blijkens de met dezen gewisselde begroeting, mede tot de zeer +vertrouwden behoorden. Met nog meer belangstelling luisterden zij, +toen Gorakh met zachte stem hernam: + +--Van onze zijde is in de laatste dagen nog eenige verandering in +het plan raadzaam gekeurd. Wij moeten niet wachten met den slag te +slaan tot Akbar in het Noorden zal zijn aangekomen. 't Is toch +altijd mogelijk dat hij, in weerwil van den afval van een deel +zijner troepen, eene overwinning behaalt; sommige berigten uit +Kaçmir doen er ons zelfs voor vreezen, en verspreidt zich van zoo +iets het gerucht, dan valt er hier weinig of niets meer voor ons +uit te voeren. Wij moeten de zaak dus wat verhaasten, en zoodra de +Keizer met zijn leger te ver op weg zal zijn om Agra in weinige +dagreizen weer te bereiken, het plan terstond doorzetten. Is dan +Selim hier eenmaal tot Keizer uitgeroepen en heeft hij zich in de +vesting versterkt, dan is er niet de minste twijfel of de +ontevredenen in het leger zelf keeren zich tegen Akbar, 't geen +anders, als 't alleen op hen aankomt, naar ons nog onlangs is +gebleken, in 't geheel nog zoo zeker niet is. Zorg dus, Mobarik! +en ook gij anderen, dat de onzen bij tijds gewaarschuwd worden en +behoorlijk gereed zijn het vervroegde plan te helpen uitvoeren! + +Na nog eenige nadere afspraken scheidden de bondgenooten en gingen +ieder huns weegs. + +--Dat is gewigtig nieuws!--zei tot zijn medgezel een der beide +mannen, die zich 't laatst bij de anderen gevoegd hadden, toen zij +een eind verder waren gegaan. + +--Dat zal waar zijn!--riep de ander uit;--en vergis ik mij niet, +dan zal het Akbar de zaak vrij wat gemakkelijker maken. Jammer, +dat wij niet dadelijk aan Aboel Fazl rapport kunnen doen; maar wij +moeten natuurlijk wachten tot den nacht; vóór dien tijd naar zijn +paleis te gaan, schijnt te gevaarlijk. Ook is hij, geloof ik, op +dit oogenblik bij den Keizer en wij zouden hem dus niet vinden. + +--Ook dunkt mij beter--hernam degene die 't eerst gesproken had,-- +voor 't oogenblik niet langer zamen te blijven. Wij vinden elkaar +dan na middernacht bij den Vizier terug. + +En den anderen groetend, sloeg hij eene zijstraat in, terwijl zijn +medgezel langs de rivier bleef voortwandelen. + +Maar wat er dan 's avonds wel onheiligs en schrikbarends omging in +die geheimzinnige binnenvertrekken van den Keizer, die naar het +gevoelen van den vromen Yoessoef en velen zijner geloofsgenooten +een verbond met geen minder persoon dan Satan zelf gesloten had? +Dezen avond ten minste zou de regtzinnige Musulman er niets +bijzonders hebben opgemerkt, hoewel hij zeker nieuwen aanstoot aan +de gesprekken zou hebben genomen die er worden gevoerd, ten +minste.... indien hij in staat ware geweest ze geheel te volgen. + +Feizi, Aboel Fazl en de vóór eenigen tijd uit het Noorden +teruggekeerde Brahmaan Koelloeka waren daar met den Keizer bijeen. + +--Nog geen nadere berigten van uw spionnen?--vroeg deze aan zijn +Minister. + +--Sinds eergisteren nog niet,--antwoordde Aboel Fazl;--ik verwacht +hen echter heden na middernacht in mijne woning, en ik onderstel +dat ze ons wel wat nieuws zullen brengen. + +--Treurig toch, niet waar?--hernam Akbar,--dat men zich telkens +van zulke lieden bedienen moet! Och, waarom zijn de menschen toch +ook zoo, en maken ze ons 't gebruik van dergelijke middelen +onvermijdelijk? + +--Een noodwendig gevolg--antwoordde de staatsman,--van den +regeringsvorm die hier nu eenmaal bestaat, en waarin geen verdere +verandering mogelijk schijnt buiten die welke er reeds in is +aangebragt. Ontevredenen, ze mogen het dan teregt of ten onregte +zijn, hebben geen middel om herstel van hunne grieven te erlangen +waar alle magt in handen van één eenige berust, en die ééne +oordeelt dat die grieven ongegrond zijn. Eerzuchtigen en +gelukzoekers bedienen zich dan van hen als hunne werktuigen voor +geheime plannen, en maar al te ligt laten ze zich daartoe +gebruiken. + +--Maar ik weiger toch nooit de klagten mijner onderdanen aan te +hooren,--zei Akbar,--en als ze billijk zijn, toon ik mij immers +ook steeds bereid om herstel aan te brengen voor zoover in mijne +magt staat. + +--Als ze billijk zijn!--herhaalde Aboel Fazl,--ja, maar wie +beoordeelt dat? De Keizer zelf met zijne raadslieden. + +--Maar wat zoudt gij dan willen? We hebben hier wel van staten en +volken in andere wereldstreken gehoord, waar dat anders ging; maar +de toestanden van die volken zijn of waren ook gansch andere. Hoe +willen wij hier met al die verschillende rijken en stammen, die +aan ons gebied zijn onderworpen, eenigen wezenlijken invloed op +het bestuur aan het volk zelf verleenen? Daargelaten nog of het +volkskarakter en 's lands zeden en gewoonten het mogelijk, zouden +maken. + +--Dat is alles volkomen waar,--hernam Aboel Fazl,--maar ik heb ook +reeds gezegd, dat ik geen verdere verandering wenschelijk of ook +mogelijk achtte; en zoo ik nu van de bestaande toestanden sprak, +dan was 't enkel om daaruit tot het onvermijdelijke der middelen +te besluiten, die wij, om erger te voorkomen, wel genoodzaakt zijn +aan te wenden. Wat voor 't overige de lieden betreft, die wij +gewoon zijn met den verachtelijken naam van spionnen te betitelen, +ze zijn toch niet altijd zoozeer te minachten als 't wel schijnen +mogt. Althans die beide, die ik nu in 't bijzonder bedoelde, zijn +wezenlijk eerlijke, door anderen ook geachte lieden en met hart en +ziel ons toegedaan. 't Is waar, ik zorg dat ze goed beloond +worden, maar noodig ware dat anders niet; ze zouden ook zonder dat +ons trouw zijn. En goede diensten hebben ze ons dan ook waarlijk +wel bewezen; zij ontdekten ons het geknoei van Salhana, den +Goeverneur van Allahabad, en, wat niet minder waard is, ook de +geheime gangen van dien Gorakh, den Yogi. + +--Ja,--merkte Feizi, misschien wel wat ondeugend, aan,--van dien +wijsgeer, die een tijd lang ook op de gunst van Zijne Majesteit +mogt bogen, toen hij nog de geheimen der Yoga-leer beloofde te +onthullen. Veel is daar echter niet van gekomen voor zoover ik +weet. + +Akbar kleurde een weinig bij die herinnering, die hem weer in de +gedachte bragt, hoe hij bijna, althans voor een oogenblik, met al +zijne wijsheid de bedrogene in handen van den slimmen huichelaar +was geworden; maar ter regter tijd vatte Koelloeka het gesprek +weer op waar het dreigde te blijven steken. + +--En dat is toch werkelijk jammer!--zeide hij;--'t is waar, met +dien Gorakh behoort men zich niet te veel in te laten; mijn +voormalige leerling Siddha heeft mij ook wel 't een en ander +omtrent hem meegedeeld wat tot voorzigtigheid maande. En toch, hij +weet misschien door overlevering nog meer dan wij omtrent die oude +en tegenwoordig meest vergeten leeringen ontdekken kunnen. + +--Ziet gij wel,--sprak Akbar als zegevierend tot Feizi,--ook onze +vriend Koelloeka, wien toch anders heel wat Brahmaansche wijsheid +bekend is, acht die veel besproken Yoga-leer nog lang zoo +onbelangrijk niet. + +--Gaarne wil ik gelooven dat zij veel belangrijks bevat,--antwoordde +Feizi,--vooral indien onze wijze vriend dat zegt, van wien we reeds +zooveel wetenswaardigs vernamen. Doch vergun mij, wijze Koelloeka! u de +vraag te doen, wat gij nu eigenlijk van dat voormalig stelsel zoudt +verwachten. Voor zoover ik weet is het niet veel anders dan een dwaas +mysticisme, dat aan zijne adepten eene onmogelijke vereeniging van het +eindig individu met het oneindig Alzijn belooft, en ten slotte eenvoudig +op belagchelijke tooverkunsten of, beter nog gezegd, op eenige handige +goocheltoeren uitloopt. + +--Zóó ongunstig--zeide Koelloeka,--denk ik nog niet over het +systeem van Patandjali, ook al geloof ik geenszins dat het op 't +bezit eener absolute waarheid zich mag beroemen. Die vereeniging +met, dat opgaan van het eindige in het Oneindige, van het +menschelijk bewustzijn in het Alwezen, dat de Yoga beoogd moet +hebben, is op zichzelf genomen zoo groote dwaasheid niet. Wel +dwaalt die leer ongetwijfeld, indien zij het middel der beoogde +vereeniging in eene volkomen oplossing van het bewustzijn, van het +denken zelf des menschen zoekt, waardoor het individu in een soort +van extase met het oneindige wezen zou zamensmelten, maar waardoor +het in waarheid, zoo dat kon, zou eindigen met zich zelf te +vernietigen. Niet zoo gansch verwerpelijk echter schijnt mij, +althans voor een deel, het gronddenkbeeld waarvan hier wordt +uitgegaan. Of blijft het niet altijd eene waarheid, dat de mensch: +juist omdat hij anders zoo eng bekrompen zich gevoelt, geen hooger +standpunt van den geest weet te bereiken dan waartoe hij zich +verheft wanneer hij in enkele te weinig hem gegunde oogenblikken +zijne eindige persoonlijkheid voelt verdwijnen, om gansch en al in +hoogere en meer algemeene begrippen op te gaan? Mits die begrippen +maar geen ledige abstractiën blijven, maar aan het volle en +krachtige menschenleven zijn ontleend, aan de wetenschap, aan de +kunst, aan de bespiegeling ook over de maatschappelijke en +burgerlijke betrekking der menschen onderling. Wat, ik vraag het, +kunt gij hooger stellen dan een dergelijk zich verliezen van het +eindig en zelfzuchtig Ik in het wezenlijk algemeene, in het +algemeen menschelijke, waaraan het individu eerst zijn regten +levensgeest ontleent en waarin het behoort op te gaan, zal het in +waarheid aan zijn bestemming kunnen beantwoorden? + +--Ziedaar,--sprak Akbar,--een woord naar mijn hart! Maar diezelfde +gedachte, verloochening der zelfzucht, bezielt ook andere uwer +oude wijsgeerige stelsels, gelijk ook die nieuwere leer, die de +zendelingen uit het Westen hier komen prediken. Maar is er toch +niet iets anders nog, waarop het denken van den mensch en in 't +bijzonder het wijsgeerig denken zich te rigten heeft? Zoo waar en +zoo verheven ook die leer der zelf verloochening zijn moge, wat +meldt zij ons omtrent het eeuwig en oneindig verband der dingen en +de eenheid, die al het menigvuldige doordringt en zamenvat? + +--Inderdaad,--antwoordde de Brahmaan,--den naam van wijsgeer wel +onwaardig zou hij zijn, die niet dát juist en de daaruit +voortvloeijende levensbeschouwing en praktische moraal het +hoofdvoorwerp van alle wijsgeerig denken, den wezenlijken inhoud +der wijsbegeerte zelve noemde. Maar wie verschaft ons de volledige +oplossing van het wereldraadsel? + +--Zeker niemand,--gaf nu Feizi ten antwoord,--althans tot heden +niet. Wat latere wetenschap misschien na verre eeuwen nog tot die +ontraadseling zal bijdragen laat zich heden zelfs in de verte niet +vermoeden. Maar zouden wij nu voorloopig ons niet tevrede kunnen +stellen met de overtuiging, die door alle ware wijzen van vroeger +en later dagen wordt gedeeld, en door den een in meer door den +ander in minder duidelijke bewoordingen is uitgedrukt, dat er een +eeuwig en onbegonnen oorspronkelijk leven is in het heelal, +waaruit en waardoor alles in zijn noodwendig oorzakelijk verband +wordt zamengehouden; een leven en zijn, waarvan de hoogste wet +ontwikkeling heet, de ontwikkeling van de steeds lagere trappen +van het bestaan tot de altijd hoogere? En wat zijn wij dan zelf, +wij menschen? Immers, even als al wat ons omringt, de verschijnselen en +openbaringen van dat ééne Alleven en Alzijn zelf, en eveneens bestemd om +ieder in eigen kring en naar mate van vermogen tot die algemeene +ontwikkeling mede te werken. En naarmate wij nu levendiger en met steeds +duidelijker bewustzijn ons dat algemeene, hoogste begrip voor oogen +weten te stellen, zal ook meer en meer de enghartige zelfzucht op den +achtergrond treden en plaats maken voor onbaatzuchtige toewijding aan +het heil van onze medemenschen, van de maatschappij en van den staat. + +--Zeer juist gezegd, mijn waarde Feizi!--sprak Akbar weder,--maar +zoo waar nu dat alles ook zijn moge, voldoet het u geheel, en +verlangt gij niet soms ook naar iets anders, iets meer? + +--Ongetwijfeld,--was het antwoord,--aan dat ééne begrip in zijn +afgetrokken algemeenheid hebben wij niet genoeg. Wij moeten 't ook +in zijn bijzonderheden, zijne toepassing leeren begrijpen. Wij +moeten trachten naar de kennis van dat oneindige leven en dat +oorzakelijk verband, door de waarneming van de menigvuldige +verschijnselen zelve. En naar die kennis trachten immers allen, +die zich toewijden aan de wetenschap. + +--Gij begrijpt mij nog niet volkomen,--hernam de Keizer;--wat gij +daar gezegd hebt, wil ik u eveneens toegeven; maar wat ik nu +eigenlijk bedoelde, is dit. Heeft dat Alzijn, waarvan gij spreekt, +zijn grond in zichzelf of in een nog hooger, intelligent bestaan? + +--Intelligentie, denken,--antwoordde de ander,--is een noodwendige +eigenschap van het Zijn, even als datgene wat wij gewoonlijk stof +noemen of uitgebreidheid eene andere is. Beide zich uitend en zich +openbarend in die oneindige wijzigingen, die wij verschijnselen +heeten. En hoe zou nu datgene wat een eigenschap is van iets, +tegelijk de grond of de oorzaak van datzelfde kunnen zijn?... + +Eenige oogenblikken heerschte er volkomen stilzwijgen. De Keizer +zocht naar een antwoord, maar schudde het hoofd en zeide niets. + +--Mijn waarde broeder! sprak nu Aboel Fazl, het woord tot Feizi +rigtend,--uwe redenering schijnt mij volkomen logisch, en toch +voldoet ze mij nog evenmin als, geloof ik, onzen geëerbiedigden +Keizer. Wat hebt gij, wat hebben wij nu over 't algemeen aan dat +begrip van het Alzijn en Alleven? Wat geeft het óns? + +--Wel,--antwoordde Feizi lagchend,--het behoeft u ook niets te +geven, als het maar waar is. En is het waar, dan dient gij 't ook +daarvoor te erkennen zelfs al voldoet het, al behaagt het u niet. +Ik meen u echter zooeven nog te hebben aangetoond, dat mijn begrip +toch wel degelijk iets geeft, en waarde voor het leven bezit, in +zoover het ons opwekt tot toewijding aan al wat wij als goed en +waar beschouwen. En wat wilt gij dan eigenlijk nog meer? + +--Ik geef 't u gewonnen,--hernam Aboel Fazl;--maar ik sprak nu niet +zoozeer van mijzelf en ons anderen als wel van minder ontwikkelden, die +dat alles zoo niet begrijpen en toch ook behoefte gevoelen aan iets +meer en iets hoogers dan de dagelijksche ervaring hun aanbiedt. Zou 't +nu in allen gevalle niet mogelijk zijn, die meer afgetrokken begrippen +in een kleed te hullen, dat ze meer aanneemlijk maakte voor 't +algemeen? + +--Onze vriend Aboel Fazl--zei Akbar,--heeft daar juist teruggegeven wat +ik reeds meer dan eens bij mijzelf overlegde. Zou het, zoo dacht ik, +inderdaad niet mogelijk zijn, zooal geen nieuwe zinnebeelden uit te +denken voor de begrippen, die Feizi daar verkondigde, dan toch vroegere +weer te verlevendigen, die niet door enkele en alleenstaande +godsdienststichters verzonnen werden, maar uit den waarlijk godsdienstig +dichterlijken geest der volken zelven zijn voortgesproten. + +--Ik meen de bedoeling te verstaan,--sprak Feizi, toen Akbar een +oogenblik zweeg;--het geldt hier, bedrieg ik mij niet, de nieuwe +leer, welke de Keizer zou wenschen in te voeren en ook ten deele +onder sommigen zijner vertouwden reeds ingevoerd heeft. Is het zoo +niet? + +--Inderdaad,--antwoordde Akbar,--gij hebt u daaromtrent niet +bedrogen. Maar laat mij nu ook gebruik maken van de gelegenheid om +er iets naders van te zeggen. Ik ben u, Feizi! en ook u, +Koelloeka! omtrent dat een en ander wel eenige opheldering +verschuldigd, en 't is mij dus welkom dat de loop van ons gesprek +mij daartoe een gereede aanleiding geeft. Zoo luistert dan! ... +lang, zeide ik daareven, heb ik gezocht naar een vorm waarin het +redelijk godsdienstig bewustzijn zich mogt uiten en die +tegelijkertijd den wijsgeerigen denker en den minder hoog +ontwikkelde bevredigen kon. Eindelijk gaf de kennisneming van +sommige denkbeelden onzer voormalige Perzen, maar vooral ook die +van de vroegere dichterlijk wijsgeerige voorstellingen uwer aloude +zangers, Koelloeka! mij eenigermate aan de hand wat ik eigenlijk +zocht. Ik bedoelde de u welbekende voorstellingen van de Zon en +het Vuur, en die bespiegelingen over de meest in 't oog vallende +verschijnselen van het licht en de warmte, die in den aanvang +misschien onduidelijk en verward schijnen, maar wél bezien, eene +verhevene waarheid bevatten, eene waarheid die de wetenschap van +later eeuwen welligt nog door hare uitkomsten tot hoogere +zekerheid zal verheffen.--Ziet!--vervolgde Akbar, terwijl hij +nader trad bij de galerij aan de open zijde van het vertrek, en +naar de langzaam ten ondergang neigende zonneschijf wees,--daar +verlaat ons weder de glorierijke vertegenwoordiger van alle licht +en leven op aarde om morgen weer te keeren in schitterender glans! +Vroegere geslachten vereerden hem als een God en zagen biddend tot +hem op; voor de Wijzen van ouds was hij 't verheven zinnebeeld van +het levensbeginsel zelf in het heelal en van die ééne alles +doordringende kracht, die woont in al het bestaande, en zich uit +in hare oneindige verschijnselen. En is het niet licht en warmte +inderdaad wat in alles leeft en alles bezielt, en zonder 't welk +niets zou kunnen zijn? In het zonlicht, in maan en sterren, in de +bliksemstraal, in het vuur dat wijzelf ontsteken in den haard, in +het licht dat wij doen ontbranden op onze luchters zien wij de +meest onmiddelijke verschijnselen van die kracht, nu eens +weldadig, dan weer vreeselijk en vernielend; maar ook in den +grond, in de planten, in mensch en dier, in lucht en water is +diezelfde kracht steeds aanwezig, al merken we haar niet telkens +daarin op; en welk verschijnsel in één woord, waarin ze niet +voortdurend op eene of andere wijze wordt waargenomen? Is nu dit +alles werkelijk aldus, zou het dan al te zeer eene speling der +dichterlijke phantasie mogen heeten, indien wij die ééne kracht +tot zinnebeeld kozen van die eenheid en dat leven waarvan gij, +Feizi! zoo aanstonds ons gesproken hebt? En nu is onze vriend +Aboel Fazl, wien ik mede de vraag voorlegde, het niet alleen +hierin met mij eens, maar hij heeft mij ook op het denkbeeld +gebragt, om het met mijne nieuwe of, wilt ge, aan de ouderen +ontleende leer,--altijd uitsluitend door redelijke overtuiging, +nooit anders,--bij het volk te beproeven en te zien of zij niet +het velerlei bijgeloof zou kunnen vervangen dat nu nog zoo +algemeen heerschend is. Een naam was er noodig om die leer te +onderscheiden van andere en, hoewel nu een naam nooit volkomen het +geheele begrip kan uitdrukken, scheen ons toch die van Tauhid i +Ilahi, de Eenheid der Godheid, dat is dan van het Alwezen en zijn +Albestaan, een niet ongeschikte. Ceremoniën, uitwendige +vertooningen blijven voor 't overige geheel buitengesloten, ten +ware gij een eenvoudige symbolische vereering van de zon gedurende +den dag en in den morgenstond, en van het licht in den nacht, door +onderlinge zamenspraken en geschikte lofzangen, een uitwendige +eeredienst mogt noemen.--Van dit een en ander--zoo besloot de +Keizer,--had ik tot dusver u beiden wel eens nu en dan een wenk +gegeven, maar 't nog niet nader voor u ontwikkeld. De tijd scheen +mij daarvoor thans gekomen. En nu, zegt mij openhartig uw +gevoelen! + +Geen der beide vrienden scheen nog zoo aanstonds geneigd, aan de +uitnoodiging te voldoen. Ten laatste brak Koelloeka het +stilzwijgen. + +--Wijze vorst!--zeide hij,--vergeef het ons zoo wij niet +onmiddelijk met ons antwoord gereed zijn. Uwe belangwekkende +mededeelingen eischen wel een oogenblik nadenken. In het plan door +u ontwikkeld ligt veel aanlokkelijks, doch, naar mijn bescheiden +meening, ook veel wat bedenkelijk schijnt. De betrekkelijke +juistheid en de verhevenheid uwer zinnebeeldige, voor een deel aan +onze oude zangers en wijzen ontleende leer, zal ik de eerste zijn +toe te geven. Maar, moet ik tevens vragen, is er niet groot gevaar +dat diezelfde symbolen, eenmaal onder het volk gebragt en door de +menigte aangenomen, gesteld dat dit geschieden zou, toch spoedig +weer hun oorspronkelijke beteekenis zouden verliezen en alles ten +slotte weer op een geheel uitwendige gansch werktuigelijke +vormendienst zou nederkomen? Bedenken wij het wél, dat ongeveer +diezelfde leer, die gij thans zoudt wenschen te verkondigen, reeds +eenmaal werkelijk tot het geloof van sommige volken behoord heeft. +En wat is er van geworden?... Maar niet in later dagen alleen, ook +in die overoude tijden reeds, waarop gij u beroept, ontstond er al +een twijfel omtrent het voorwerp van vereering; en, evengoed als +menig godvruchtige onzer dagen, vroeg ook toenmaal reeds het vroom +gemoed: + +"Hij die adem, Hij die kracht geeft, + Wiens gebod wordt vereerd door Deva's, door allen, + Wiens schaduw is de onsterflijkheid, + Wiens schaduw is de dood,-- + Wie is die God, wien het offer wij brengen?" + + +Ook toen dus had men blijkbaar weer niet genoeg aan dien Soerya, +de Zon, en aan Agni, het Vuur, als beeld of vertegenwoordiger der +ééne levenskracht. En zal nu aan de Tauhid i Ilahi een gelukkiger +toekomst zijn beschoren dan aan de vuur- en zonnedienst der +geslachten, die ons zijn vooraf gegaan? + +Akbar gaf geen dadelijk antwoord.--En gij, Feizi!--vroeg hij,-- +wat is uw gevoelen omtrent de zaak? + +Weinig of niets--antwoordde Feizi,--heb ik tot nog toe te voegen +aan 't geen onze waardige vriend daar in 't midden heeft gebragt. +De twijfel, waarvan hij gewaagde, werd trouwens in die oude +tijden, tot welke de voormalige zonnedienst moet worden +teruggebragt, ook vrij wat sterker nog uitgesproken dan in het +door hem aangehaalde Veda-lied. Een ander dichter van die dagen +toont reeds voldoende, in 't geheel niet meer te weten waaraan hij +zich eigenlijk houden zal.--Wie weet het,--vraagt hij,-- + +"Wie weet het, wie verklaart het ons, + Vanwaar dit Al ontstond? + De Deva's zelf zijn later dan zijn wording, + Wie dan, die weet, van waar dit Al ontstond. + + + Van waar 't ontstond, en of een Wezen 't schiep + Of niet,--dat slechts weet Hij, + Die, alles ziende, in gindschen hemel troont. + Hij weet het, of... ook Hij zelfs weet het niet!" + + +De twijfel schijnt dus al haast even oud als de godsdienst zelve. +Maar dat nog daargelaten! En gezwegen ook van den haat en de +tegenwerking, die een hervormer, ook de meest humane, steeds van +zijne tijdgenooten te wachten heeft, en waarvan wij ook hier reeds +de verschijnselen kunnen opmerken, voor zoover 't een en ander +omtrent de nieuwe leer onder 't volk is bekend geworden. Ik weet +dat een Akbar daarvoor niet bevreesd kan zijn. Maar het andere +gevaar, waarop Koelloeka wees, mag waarlljk niet te ligt worden +geteld. Het gevaar dat de min ontwikkelde menigte, zoodra er maar +weer een naam genoemd wordt, 't zij dan Allah, 't zij een andere, +daaraan terstond weer eene persoonlijke beteekenis zal hechten en +de persoonsverbeelding als onderscheiden van het Alzijn zelf gaan +beschouwen. En dan is het natuurlijk ook weer gedaan met die +Eenheid der Godheid, zooals gij die werkelijk bedoelt. En wat hebt +gij dan eigenlijk uitgerigt, wat zijt gij verder gekomen? + +--Maar Feizi!--vroeg Aboel Fazl,--wat zoudt gij zelf dan wel +verlangen om het volk wijzer en verstandiger te maken? Hoe die +hervorming der begrippen tot stand te brengen, die de Keizer +beoogt? + +--De groote wijsgeeren--was Feizi's antwoord,--der natie die ginds +het noord-oostelijk grensland, China, bewoont, en wier beschaafden +sinds lang in 't geheel geen godsdienst meer belijden, hebben, +waar het volksverlichting en volksontwikkeling gold, één groot +beginsel verkondigd dat zoo eenvoudig mogelijk schijnt en toch +door ons nog maar al te veel uit het oog wordt verloren: Vóór +alles volksonderwijs! Ziedaar het eenige, maar ook volkomen zekere +middel. Het werkt langzaam, 't is waar, en wie op groote schaal +het begint toe te passen, ziet zelf niet ligt de uitkomst; maar +deze is niettemin onmisbaar op den duur, terwijl elke verkondiging +van eene meer of min met zinnebeelden getooide leer, 't zij dan +met of zonder openbaringsgezag, wel voor een tijd kan bloeijen, +doch in 't einde steeds weer verbastert, of, zoo dit al niet +gebeurt, toch weer ophoudt aan de geestelijke en zedelijke +behoeften der menschen te voldoen. + +--Er schijnt veel waars in 't geen gij zegt,--sprak Akbar ten +slotte,--en ik wil dat alles in zeer ernstige overweging nemen. +Welligt ook zullen wij in elk geval onze leeringen tot enger +vriendenkring moeten beperken en zal hare invoering onder het +eigenlijke volk op onoverkomelijke bezwaren blijven afstuiten. +Niettemin, ik geef mijn lievelingsdenkbeeld nog zoo terstond niet +op, gelijk gij dat ook wel niet verwachten zult. Wij moeten er nog +eens nader over spreken. Doch voor heden genoeg! Staatszorgen +roepen ons straks weder tot onze meer gewone werkzaamheden. Ik +dank u inmiddels, mijne vrienden! voor uw onderhoud; u, Aboel +Fazl! voor uwe ondersteuning, en u beiden voor uwe opregte en +welgemeende tegenspraak! + +En na afscheid van den Keizer te hebben genomen begaf zich Aboel +Fazl met de beide anderen naar zijn paleis om daar, in hunne +tegenwoordigheid, het verslag der twee verspieders aan te hooren. + + + +TWAALFDE HOOFDSTUK. + +Aanslagen + +'t Was een vrolijke, tamelijk frissche morgen, toen Siddha met een +paar zijner ruiters den weg naar Fattipoer opreed om derwaarts +eenige brieven over te brengen, die men aan geen eenvoudigen bode +had kunnen toevertrouwen. De zon scheen helder zonder nog te +branden, in de boomen zongen de veelkleurige vogels, en in de +takken sprongen eekhorens en kleine apen al spelend heen en weder. +De gansche natuur scheen iets opgeruimds, iets levenslustigs te +vertoonen, wat haar anders in die streken zelden eigen pleegt te +zijn; en ook de landlieden, die men onderweg ontmoette, hadden den +hun gewonen loomen en slaperigen gang voor een levendiger tred +verwisseld, als deelden ook zij in de opgewektheid die daar alom +scheen te heerschen. + +Wie daar echter volstrekt niet aan deelnam was onze voorheen zoo +levenslustige Siddha. Somber veeleer en in gepeins verloren reed +hij voort, en zwijgend ook volgden hem zijne onderhoorigen. Wél +scheen hij een ander mensch geworden sinds den tijd toen hij voor +'t eerst in Agra kwam, en met Parviz en zijne vrienden schertste, +en met deelneming zooal niet met belangstelling naar de +vertrouwelijke mededeelingen omtrent de edele dochter van den +schatmeester luisterde. En wel ook had Parviz dat niet zonder +verwondering opgemerkt; maar bescheidenheid had hem weerhouden +naar de aanleiding te vragen of onderzoek te doen. Te dieper +intusschen gevoelde Siddha het zelf, hoe anders het met hem +geworden was. Hoe anders inderdaad dan den dag toen Koelloeka hem +moedig en luchthartig voorwaarts zag springen met zijn hengst, als +dacht hij de wereld te gaan veroveren, en vrolijk hem den +geliefden naam zijner toekomstige bruid hoorde uitroepen! Hoe +anders nu dan toen een enkele kus van Iravati hem de zaligheid +scheen, en hij nog niet geleerd had te smachten naar de +hartstogtelijke omarmingen eener Rezia! Toen hij nog rein was van +gemoed en zich nog niet te schamen had over zichzelven omdat hij +aan verraad en trouwbreuk en schandelijke ondankbaarheid zich had +schuldig gemaakt! + +Somber vooral ook waren ditmaal zijne gedachten, daar zich heden +meer dan ooit zekere vermoedens bij hem opdrongen, die meer dan +eens, hoewel nog onbestemd, aan zijn geest zich hadden voorgedaan. +Was Rezia zelve hem wezenlijk getrouw of behandelde zij hem niet +anders dan den echtgenoot, die toch zooveel meer dan hij hare +liefde verdiende? Of Selim werkelijk enkel om staatkundige redenen +haar bijwijlen opzocht, dan of ook andere hem naar Feizi's +vrouwenvertrekken voerden? En dan die zamenzwering waarin hij, +Siddha, hoe langs hoe meer gewikkeld werd! Ook deze begon een niet +weinig dubbelzinnig karakter voor hem aan te nemen, sinds hij toch +langzamerhand wel begon in te zien, dat het in 't geheel niet om +de onafhankelijkheid van zijn vaderland alleen, maar tevens, zoo +niet uitsluitend, om gansch iets anders te doen was. En had ook +Rezia hem niet meer dan eens reeds, naar hare eigene bekentenis, +misleid? En wat reden dan om aan te nemen, dat ze hem nu de +waarheid en niets dan deze had meegedeeld? In welke nieuwe +verwikkelingen had hij zich dan gestoken, en tot welke misdrijven +liet hij zich misschien als werktuig gebruiken! + +Een uitroep van een der ruiters deed hem opschrikken uit zijne +mijmering, en de rigting der lans volgend, waarmee de krijgsman +naar een punt in de verte wees, ontwaarde hij daar een groep +mannen te paard, die, naar hunne bewegingen te oordeelen, met +elkaar in gevecht moesten zijn. + +--Voorwaarts!--riep Siddha, en zijn paard de sporen gevend snelde +hij in vollen ren, door de twee anderen gevolgd, naar de plaats +van den strijd. Naderbij gekomen herkende hij, tot zijne niet +geringe verwondering en schrik, in een dier mannen Aboel Fazl, en +in dengene die hem met zijn sabel zocht te treffen Narasinha, een +Radja, dien hij zich herinnerde meermalen en onder anderen ook bij +Prins Selim te hebben ontmoet. + +Inmiddels hadden de volgelingen van den Radja de nieuw aankomenden +al spoedig in 't oog gekregen, en een vijftal rende hen aanstonds +te gemoet. De schok tusschen Siddha en den voorsten ruiter was +geweldig en in een oogwenk lag deze, de borst door de spoor zijner +tegenpartij doorboord, met zijn paard op den grond. Onmiddelijk nu +trok Siddha zijn sabel en bragt daarmee den volgende een houw toe, +die hem aanstonds uit den zadel deed tuimelen. Maar zwaarder werk +had hij met den derde, die even als hij een geoefend ruiter en +zeer behendig met de sabel bleek te zijn. En terwijl zijne beide +volgelingen de twee anderen bezig hielden, kwamen er weer nieuwe +aanrijden om hunne makkers bij te springen. De kansen begonnen dus +hagchelijk voor onze drie mannen te staan, toen het Siddha +eindelijk gelukte zijn vijand een zwaren slag in den hals toe te +brengen en hem daardoor buiten staat van gevecht te stellen; en +juist toen de strijd met de nieuw bijgekomenen stond te beginnen, +klonk er een bevel dat hen gebood om te keeren. Terstond wendden +zij den teugel en reden naar de hunnen terug. Maar in hetzelfde +oogenblik toen zijne tegenpartij gevallen was en hij de overigen +te hulp zag snellen, had Siddha ook Aboel Fazl de armen zien +uitbreiden, terwijl de sabel hem ontviel, en achterover storten +van het paard. Een kort oogenblik later had Narasinha zijne +helpers teruggeroepen en rende nu met al zijne volgelingen over de +vlakte voort. Siddha's eerste beweging was, de moordenaars na te +rijden, maar spoedig begreep hij met zijn twee ruiters, waarvan er +een ook gekwetst was, toch voor 't oogenblik niets te kunnen +uitrigten, terwijl de vier dienaren van den Minister eveneens +verslagen op het veld lagen uitgestrekt. Daarenboven eischte Aboel +Fazl zijne zorg. + +Snel van zijn paard gesprongen, dat hij aan de anderen overgaf, +knielde hij nevens den gevangene, en diens kleeding losmakend +trachtte hij zoo goed mogelijk het bloed te stelpen dat uit de +breede en waarschijnlijk ook diepe borstwond vloeide. Tot zijne +blijdschap sloeg Aboel Fazl de oogen op, en toonde duidelijk hem +te herkennen. De vreugde was echter kort van duur. + +--Uwe hulp, mijn brave Siddha! komt te laat,--sprak met zwakke +stem de gewonde;--met mij is het gedaan en met mijn arbeid voor +den Keizer en zijn rijk.... Eén laatst bevel nog! Laat voor Akbar +de naam van den waren moordenaar verborgen blijven als gij dien +soms vermoedt.... + +--Narasinha--antwoordde Siddha,--was, ik onderstelde het dadelijk, +alleen zijn huurling. De ware moordenaar is.... + +Maar toch aarzelde hij den naam uit te spreken. + +--... Selim!--vulde Aboel Fazl aan; men had mij reeds van ter +zijde voor hem gewaarschuwd. + +Afgemat zonk de stervende, door Siddha's arm gesteund, achterover. +Maar toen een weinig later het bewustzijn voor eenige oogenblikken +terugkeerde, vond hij nog de kracht, schoon de stem hem bijna +begaf, een laatsten groet aan dien keizerlijken vriend te rigten, +dien hij zoo trouw en met zooveel ijver gedurende zijn leven had +ter zijde gestaan. + +--Zeg aan Akbar,--sprak hij,--dat mijne laatste gedachte aan hem +is geweest. En zeg hem ook, dat ik sterf in de vaste overtuiging +omtrent de waarheid dier beginselen, die wij zoo menigmaal, ook +nog gisteravond, te zamen bespraken.... Den zonneglans zie ik +nauwelijks meer, en wel gevoel ik dat het licht nog in mij leeft, +maar ook daar zal het straks zijn uitgedoofd .... Doch ik beklaag +mij niet! Ik geloof in staat te zijn geweest iets ten nutte mijner +medemenschen te verrigten, al was het minder dan ik had gewenscht. +En daarom sterf ik tevrede. Zorg ook gij, mijn jonge vriend! dat +gij eenmaal hetzelfde moogt zeggen!...--En nu vaarwel!--fluisterde +de Vizier na nog eene korte pauze terwijl hij den ander zacht de +hand drukte .... + +Het hoofd viel voorover op de borst en weldra gevoelde Siddha dat +zijn arm niet meer steunde dan een lijk.... + +Ver van de plaats waar dit alles voorviel, werd omstreeks +denzelfden tijd een ander drama gespeeld, dat met het zoo +aanstonds beschrevene in sommige opzigten veel overeenkomst +vertoonde, schoon het in andere niet weinig daarvan verschilde. + +In het gebergte van den Himâlaya, en voornamelijk in den omtrek +van den Bhadrinâth, had gedurende verscheidene dagen een drukkende +warmte geheerscht. Wel waren des avonds nu en dan donkere +regenwolken, de weldadige hemelkoeijen, verschenen om de dorstende +aarde te drenken; maar de booze Vritra, de donkere daemon, had ze +telkens weer weggevoerd, en des anderen daags keerde ook de +zonnehitte terug om veld en planten te verschroeijen. Eindelijk +rustte de magtige Indra, de Koning des hemels, zich uit ten +strijde. Wederom kwamen tegen den avond de wolken, en wederom +zocht de daemon ze te vermeesteren; maar thans greep Indra zijne +bliksemschicht, en ratelend weerklonk, honderdvoudig door de +bergen weerkaatst, de eerste, geweldige slag. Wel voelde zich +Vritra getroffen, maar nog gaf hij den strijd niet op, en nog +verkwikte geen enkele regendroppel de smachtende natuur. Toen +daalden keer op keer de vreeselijke slagen op zijn hoofd, en +verlichtten de bergtoppen en de heuvelen en dalen met verblindenden +glans, terwijl onophoudelijk de donder bleef rollen, en hooge boomen +werden doorkliefd, en zware rotsblokken neer werden geslingerd in de +ravijnen. Nu ook viel de regen in digte stroomen neder, en beeken en +bergstroomen begonnen te zwellen en zochten ruischend hun weg naar de +meren in de valleijen. Eindelijk, tegen 't vallen van den nacht, +bedaarde de vreeselijke strijd, de regen hield op, het weerlicht +flikkerde slechts nu en dan nog in de duisternis, en geen ander geluid +brak de stilte dan het klateren van het water, dat van de hoogten naar +de dalen vloeide. + +Thans trad ook Gaurapada, de kluizenaar, naar buiten en, met +welgevallen de frissche met de heerlijkste geuren bezwangerde +lucht inademend, zette hij zich neder onder het vooruitstekend, +met jasmijn en rozen begroeide afdak aan de voorzijde zijner +woning. In eene aangename stemming bragt hem een tijdlang de +zachte en kalme rust der wederoplevende natuur, terwijl het +aloude, eeuwenheugende wolken-epos met zijn Indra, den Vritra- +dooder, tot held, hem nog voor den geest bleef zweven als ware 't +eerst gisteren gedicht; maar toch begonnen ook spoedig weer +sombere en verontrustende gedachten zich aan hem op te dringen. +Koelloeka had in den laatsten tijd hem berigten uit Kaçmir en Agra +gebragt, die hem met geene geringe bezorgdheid vervulden voor de +toekomst van zijn nog altijd zoozeer geliefd vaderland. + +--En zoo moet het--dus overlegde hij,--dan toch eindelijk tot +datgene komen, wat ik zoolang gevreesd heb en wat ik zocht af te +wenden door mijne jarenlange vrijwillige ballingschap! Een vreemde +overheerscher staat binnen te dringen in ons ongelukkig land, en +onze eigene rampzalige twisten banen hem den weg. Hij heeft +gelijk, van zijn standpunt; hij moet de orde herstellen in een +naburigen staat, die zijn rijk onophoudelijk blijft verontrusten, +en kan dat niet met eerbiediging van 's lands zelfstandigheid, dan +moet het geschieden door onderwerping. Maar wij! Of er dan +wezenlijk niets meer aan te doen zou zijn?--Neen!--ging hij voort +in zijne gedachten,--dat denkbeeld van Koelloeka, die mij terug +wilde doen keeren, opdat ik, door Akbar misschien gesteund, het +bestuur weer mogt overnemen van mijn te zwakken broeder, neen, dat +deugt werkelijk niet! Mijn wederoptreden zou enkel een tijdelijk +redmiddel zijn, indien het dat al was. En ik ben ook te oud +geworden en ongeschikt om weer te gaan regeren; althans daar, waar +jeugdige kracht vóór alles zou worden vereischt. Lang ook kan het +met mij niet meer duren.... Mijn hoofd is moede en verlangt zich +neer te leggen ter ruste. Ik wensch sinds lang reeds naar het +oogenblik, dat ik zal mogen ingaan tot die vereeniging met het +Oneindige Brahma, waaraan wij allen ons kort afzonderlijk bestaan +ontleenen, en waartoe wij allen eenmaal wederkeeren .... + +En langzaam sloot Gaurapada de oogen, terwijl hij zich uitstrekte +op het zachte en frissche bed van mos. Een lichtstraal, die voor +een oogenblik de gansche vallei en het meer daar omlaag bescheen, +wekte hem weder en deed hem zijne overpeinzingen nog een oogenblik +hervatten. + +--Ook is het misschien nog het beste,--zoo dacht hij wederom,-- +dat het maar gaat zooals 't nu eenmaal bestemd schijnt te zijn. +Ons volk verarmt, komt tot verval, wordt ellendig onder dien +telkens vernieuwden partijstrijd, waarvan toch het eind nooit te +voorzien schijnt. Kwam het eenmaal weer onder een goed en ordelijk +bestuur, zijn industrie en zijn handel zouden herleven, zijne +voormalige welvaart kon nog terugkeeren. En Akbar is een +verstandig en een regtvaardig vorst, die zijn onderdanen gelukkig +weet te maken, en dien heden de volken zegenen, die te voren zich +nog verzetten tegen zijne heerschappij. En toch is het hard voor +een land zich van de vrijheid te zien berooven, waarop het sinds +vele eeuwen trotsch mogt zijn! Ach, dat het mij gespaard ware +geweest dit te beleven van mijn eigen land! + +Nogmaals leunde hij 't hoofd achterover met een zucht, tot hij ten +laatste, half werktuigelijk nog luisterend naar het ruischen der +beek, in een ligte sluimering verviel. Alles scheen in diepe rust, +heinde en ver. Niets meer kon den slaap van den grijsaard storen. +Slechts nu en dan vernam hij in zijn nabijheid het gonzen van een +insect en meende hij dat het streek langs zijn gelaat. Ook beving +hem een zonderlinge gewaarwording, een onverklaarbaar gevoel alsof +hij niet alléén was. Nog eemnaal zag hij op, maar hij ontwaarde +niets, en ook het insect scheen door zijn beweging verjaagd. Na +eenigen tijd kwam het echter terug en ging weder en keerde, totdat +de sluimerende er geen acht meer op sloeg en zich geheel overgaf +aan een nu onoverwinnelijken slaap. + +Toch was deze zoo zwaar niet, of de minste aanleiding kon hem +daaruit wekken. En eensklaps greep hij naar zijn hals, waarom hij +vlug een koord voelde slingeren, en met de eene hand het koord +vattend, tastte hij met de andere om zich heen. Aanstonds +ontmoette hij een koud en glibberig, als met olie bestreken +ligchaam, en nu, van het koord zich bevrijd gevoelend, greep hij +met beide handen het ligchaam aan. Maar hoe vast hij de nog +krachtige vuisten er om heen zocht te klemmen, toch gleed het hem +door de vingers en scheen hem te ontsnappen .... Daar klonk +plotseling in de stilte van den nacht een rauwe kreet, beantwoord +door een dof gebrul, en in zijn onmiddelijke nabijheid zag +Gaurapada een paar vurige, heen en weder rollende ballen +glinsteren.... Nog een kort oogenblik en het weerlicht deed hem +terstond Hara, zijn tijger, herkennen, die, met den geweldigen +klauw op een donker menschelijk ligchaam, vlak vóór hem lag +uitgestrekt. + +Op het vernemen van den kreet was inmiddels de dienaar toegesneld +met een licht dat in het binnenvertrek stond te branden, en bij +het schijnsel overtuigde zich weldra Gaurapada dat zijn gezicht +hem zooeven niet bedrogen had. Onmiddelijk begreep hij nu ook wat +er was voorgevallen. De man, die daar lag, had beproefd hem te +worgen, maar tijdig had hij 't koord nog gevoeld en zijn tijger, +door instinct of hoe dat heeten mogt gedreven, moest den Worger +even onbemerkt zijn nageslopen als deze den kluizenaar genaderd +was. + +--Terug, Hara!--riep nu Gaurapada, opspringend en den tijger in +den nek grijpend,--terug, zeg ik! + +Eerst bleef het dier nog onbewegelijk, maar gehoorzaamde ten +laatste, schoon blijkbaar onwillig, aan de stem van zijn meester, +trok den klauw terug en ging zich grommend op zekeren afstand +nederleggen. + +Met behulp van den dienaar rigtte nu de kluizenaar zijn gevallen, +door den tijger met één slag in den rug gevelden vijand van den +grond, en legde hem, toen hij zich overtuigd had dat hij nog +leefde, voorzigtig op het mos. + +--Ik ken dien man,--zeide hij, een weinig nader hem beschouwend;--ik +bewees hem indertijd, toen ik nog magtig was, menige weldaad en gunst. +Wat hem nu gedreven kan hebben tot een zoo verraderlijken aanval? + +Op dit oogenblik zag de gewonde, die Gaurapada's woorden verstaan +had, op, en den kluizenaar lang en opmerkzaam aanstarend, +fluisterde hij, blijkbaar met verbazing: + +--Nandigoepta!... Kan het mogelijk zijn? + +--Nandigoepta inderdaad!--antwoordde de ander;--maar gij, wat +bewoog u, mij naar 't leven te staan? + +--Mijn Heer en mijn Vorst!--sprak de Worger, voor enkele +oogenblikken nog met vaste stem,--ik zweer u bij den magtigen çiva +en zijne heilige echtgenoote! dat ik niet wist wie gij waart en u +lang gestorven waande. Had ik 't geweten, ik zou de kracht niet +hebben gehad aan 't bevel van Doerga te voldoen, welke dan ook de +straf van hare ongenade mogt zijn. Maar gelukkig heeft zij zelve +uw dood niet gewild, en dien tijger gezonden om mijn leven als +offer in de plaats van het uwe te nemen. Geloofd zij haar naam! + +Uitpuiting verhinderde den gewonde voort te gaan. Met den dienaar +wiesch en verbond Gaurapada hem zoo goed mogelijk den vreeselijk +ontvleeschden rug, waarin de klauw van den tijger diep was +doorgedrongen, en toen, na hem te drinken te hebben gegeven en +ziende dat hij zich een weinig begon te herstellen, vroeg hij +verder: + +--Maar nog eens dan. Wat of wie dreef u tot die daad? En indien +gij zelf niet eens wist wie ik was, wie heeft u dan gezegd, dat +Doerga mijn dood verlangde? + +--Gorakh, de Yogi!--was het antwoord. + +--Ha! die schurk!--mompelde Gaurapada;--dan zit er stellig nog +meer achter.--Gij zijt dus,--vervolgde hij,--naar ik bemerk, een +Worger geworden. Dan beklaag ik u om uw treurige verblindheid. +Maar was ik de eenige, dien Gorakh u aanwees als uitverkoren +offer? + +De pijn verhinderde eenige oogenblikken den gewonde te antwoorden, +schoon op zijne strakke gelaatstrekken niets daarvan te lezen +stond. Toen antwoordde hij, met tusschenpoozen sprekend: + +--Ook de eerste Minister in Kaçmir, de broeder van Salhana, werd +daartoe uitverkoren. Maar hem te dooden is opgedragen aan mijn +broeder, die u ook wel bekend is, en alleen als hem de aanslag +mislukte, zou die uitgevoerd worden door mij. + +--En is uw broeder reeds sedert lang naar Kaçmir gegaan? + +--Hij verliet mij gisteren op eenigen afstand van hier en ging +toen voort naar het Noorden. + +--Te voet? + +--Ja! + +--En zijn er nog anderen van de uwen, die met deze bevelen omtrent +den Minister en mij bekend werden gemaakt? + +--Geen anderen. Eerst als blijkt dat wij niet zijn geslaagd, wordt +de last aan anderen overgedragen. + +Gaurapada wenkte, zijn dienaar en trad een weinig met hem ter +zijde. + +--Ga--sprak hij,--en zadel terstond uw paard! Gij zult spoedig een +reis hebben te ondernemen. + +Een zacht, schoon bedwongen gekreun riep hem bij den gewonde +terug, nadat zijn dienaar zich verwijderd had. + +--Heer! sprak fluisterend gene,--ik heb nog maar enkele +oogenblikken te leven.... Maar verleen mij nog ééne gunst na de +vele, die ik van u genoot!... Zeg mij, dat gij mij vergeeft! + +--Ik vergeef u, arme man!--antwoordde Gaurapada;--ik weet het nu, +dat gij een werktuig waart en niets anders. + +--Dan sterf ik gelukkig!--hernam de Worger;--en met een voorsmaak +der zaligheid ga ik in tot het eeuwige leven. Door het wonder dat +de Godin aan u verrigtte, en door tevens mij aan te nemen als +offer, heeft zij getoond dat hare genade u en mij verzekerd is... +--Heilige, driewerf heilige Doerga!--riep hij, als op eenmaal door +nieuwe kracht bezield en met opgeheven armen zich omhoog rigtend, +met luider stem,--ontvang mij in den tempel uwer glorie! Ik kom!-- +Toen stortte hij weer achterover, strekte de armen uit en lag +bewegingloos. De geloovige volgeling van de Godin der Vernieling +was niet meer.... + +Geruimen tijd nog bleef de kluizenaar op het zielloos ligchaam +staren, waaraan de akelige magerheid, de donkere kleur en de met +wit en rood op het voorhoofd geteekende drietand van çiva een +spookachtig aanzien gaven bij het weifelend licht. + +--Tot wat--prevelde hij in zichzelf,--de godsdienst al niet leiden +kan! Hoe zij van anders goede en onbedorven lieden soms +misdadigers en moordenaars en krankzinnigen weet te maken! Toch +was die man op zichzelf nog geenszins te beklagen; hij stierf als +martelaar, met de volle en onwrikbare overtuiging, eene eeuwige +zaligheid straks deelachtig te worden. Maar die huichelaars, die +eervergeten schelmen, als die Gorakh, die zulke onnoozele zielen +tot werktuig voor hun vloekwaardige ondernemingen gebruiken! Wat +van dezen? Wat verdienen zij anders dan dat men een verdelgingskrijg +opene tegen hen?...--Doch neen!--hernam hij, 't hoofd schuddend,--dat is +toch ook het regte niet! Geen genade waar het misdrijf of de poging +daartoe gebleken is, maar geen vervolging ook zoolang het bij dreigen +blijft! Want wie kan bepalen, wanneer een godsdienst-secte gevaarlijk +en schadelijk wordt en tot op welke hoogte zij het nog niet is?... + +De terugkeerende dienaar kwam de overdenking van Gaurapada +afbreken. + +--Help mij--sprak deze,--den man begraven, die daar ligt; hij is +dood, en ik wil niet dat Hara hem gaat verslinden, die 't anders +zeker wel gaarne doen zou. En dan, als wij er mee gereed zijn, te +paard! Haast u naar Kaçmir, om den Minister te waarschuwen omtrent +hetgeen wij zoo straks vernomen hebben, en zorg dat men den +broeder van dezen man, dien gij ook wel gekend hebt, zoodra +mogelijk op 't spoor kome, om hem in zijn voornemen te verhinderen +en te beletten dat hij met iemand anders van de zijnen in +aanraking komt. Kunt gij, zoek dan nog uit te vorschen waar Gorakh +zich bevindt. Dien spare men geen oogenblik als hij gevonden is! +De ellendeling heeft dubbel en dwars den strop verdiend, dien hij +om den nek van anderen doet slaan. + +--Doch, geëerde Meester,--vroeg de dienaar aarzelend,--wilt gij +hier nu zoo geheel alléén blijven in de wildernis? Men schijnt uw +schuilplaats ontdekt te hebben, en zal dus misschien nieuwe +dergelijke aanvallen op uw leven beproeven. Moet ik nu juist van +hier, nu ik misschien voor u waken kon? + +--Mijn beste vriend!--antwoordde Gaurapada glimlagchend,--maak u +over mij niet bezorgd! Wat, vooreerst, is mijn leven in +vergelijking van die grooter belangen, die van een wél en spoedig +slagen uwer zending kunnen afhangen? Maar bovendien ben ik hier +alléén haast even veilig als met u tot waker. Ten minste zoolang +Hara leeft. Gij hebt het gezien dat hij wakker genoeg is, en in 't +vervolg zou ik ook geen van die bruine naaktloopers meer raden +zich hier in de buurt te vertoonen. Hara kent dat slag van volk +nu, en hij zou ze stellig niet ongedeerd laten als ze hier kwamen. +Staat uw paard gereed? + +--Ja, Heer! + +--Nu, straks dan voorwaarts! Help mij nu eerst nog aan ons +werk!... + + + +DERTIENDE HOOFDSTUK. + +Afscheid + +De tijding van Aboel Fazl's dood had een overweldigenden indruk op +den Keizer te weeg gebragt. Het was alsof alles hem eensklaps +ontzonk wat tot heden zijn steun was geweest; en hij, de sterke +nooit versaagde man, die het hoofd had geboden aan de geweldigste +stormen, de grootste gevaren had getrotseerd, en telken male als +overwinnaar te voorschijn was getreden uit den strijd, hij voelde +zijn kracht als verlamd en zich bijkans onmagtig tegenover de +nieuwe verwikkelingen, die al wederom het rijk begonnen te +bedreigen. Het eenige besluit dat hij in de eerste dagen had weten +te nemen, was een streng bevel tot vervolging van Narasinha, den +moordenaar,--een bevel intusschen waaraan nooit uitvoering werd +gegeven, daar de Radja zich vér vandaar in volkomen veiligheid had +gesteld tot den tijd dat Selim den troon zou hebben bestegen, en +hem dan eenmaal zou overladen met zijne gunsten. Toch kon een man +van Akbar's karakter niet weekelijk gebogen blijven onder den last +der smart, hoe zwaar die ook drukken mogt. Eenige dagen sloot hij +zich op, en sprak hij met niemand dan Feizi en enkele zeer +vertrouwden; maar ten laatste vond hij toch weder den moed en de +kracht om anderen te woord te staan, die omtrent hun eigen +belangen of die van het rijk hem gehoor verzochten. Zoo ook met +het hoofd der Jezuïeten-missie, den Padre Aquaviva, die vóór zijn +aanstaand vertrek hem nog een bezoek wenschte te brengen. + +--Zoo, gaat gij ons dan weer verlaten, Eerwaarde Vader?--vroeg +Akbar, toen de Jezuïet bij hem was binnengeleid. + +--Ik moet wel, Sire!--antwoordde Rodolpho,--onze Provinciaal roept +mij naar Goa terug. Maar ik mogt niet vertrekken zonder Uwe +Majesteit nog mijn opregten dank te hebben betuigd voor de eer en +de gunsten hier door ons genoten, hoewel ik bijkans aarzelde nog +gehoor te vragen na het belangrijk, en zeker ook smartelijk +verlies, dat u getroffen heeft. Een waardig man en een trouw +vriend even als een bekwaam dienaar moet Aboel Fazl geweest zijn, +naar 't geen mij van hem bekend werd; en 't herdenken van zulk een +man is dan ook zeker nog een troost te midden van de droefheid....--Al +ware mij,--voegde hij een oogenblik later er aan toe,--al ware mij zulk +een troost niet genoeg. + +--Niet genoeg?--herhaalde Akbar verwonderd.--En wat hadt gij dan +meer nog verlangd? + +--Ik zou de overtuiging gewenscht hebben, dat hij gestorven was +reiner van ziel en in zaliger verwachting dan thans mogelijk was. + +--Aboel Fazl,--antwoordde de Keizer op ernstigen, maar kalmen en +waardigen toon,--Aboel Fazl was even rein van ziel als één uwer, +om niet meer te zeggen; en hij is gestorven zooals ik zou wenschen +te sterven. + +De Jezuïet wachtte of Akbar er nog iets zou bijvoegen, maar de +Keizer zweeg; en de toon van zijn antwoord duidde wel aan, dat +nadere verklaring te vragen voor 't minst zeer onvoorzigtig zou +zijn. + +--En denkt gij spoedig terug te keeren?--vroeg Akbar na eenige +oogenblikken het stilzwijgen weer afbrekend. + +--Dat zal afhangen van de bevelen die mij gegeven worden,-- +antwoordde Aquaviva;--wat echter mijzelven betreft, ik zie mij wel +genoopt, met hoeveel leedwezen ook, mijne zending herwaarts als +mislukt te beschouwen. + +--En waarom mislukt? Wordt gij hier niet voldoende beschermd, +bewijst men u niet de noodige eer, geniet gij niet de meest +volkomen vrijheid om te verkondigen wat gij wilt en te bekeeren +wie gij kunt? En telt gij dat nu voor niets, hier in een land waar +nog maar weinige jaren geleden, onder mijn voorgangers, ook de +geringste openbare prediking van uw leeringen u aan de doodstraf +zou hebben blootgesteld? + +--Sire!--antwoordde de Padre,--wij moesten al zeer ondankbaar +zijn, indien wij al deze belangrijke voorregten eenvoudig voor +niets rekenden. En toch, ik moet het herhalen, onze zending is, +wat haar hoofddoel aangaat, mislukt. Wél is u bekend, met wat +schoone, heerlijke verwachtingen wij vóór eenigen tijd in Agra +kwamen. De hooge en eerbiedige belangstelling door u in de gewijde +schriften en de gebruiken der Kerk aan den dag gelegd, had ons de +hoop doen opvatten dat het licht der waarheid ten laatste mogt +doordringen in uw diepdenkenden geest en uw edel gemoed. Wij +hadden gehoopt, wij hadden alhaast met zekerheid verwacht dat de +Kerk van Christus eenmaal in Shah Akbar een harer roemrijkste +zonen mogt begroeten, zoo niet den meest roemruchtige van allen! +Maar die hoop en verwachting, we mogen 't ons niet ontveinzen, +blijft ijdel. Kan dan niet met reden gezegd worden, dat onze +zending haar voornaamste doel heeft gemist? En toch... al blijft +er dan soms in enkele onzer leeringen hier of daar eenig bezwaar, +waartegen uwe wijsbegeerte zich nu nog verzet, nadere studie en +onderzoek mogten dat in 't eind misschien nog wel oplossen. Indien +gij slechts wildet aanvangen met op de groote weldaden te letten, +die de Kerk aan het Westen verzekerd heeft en die ook hier niet +zouden uitblijven, zoodra ze maar eens de magt bezat! + +--Met reden--hernam Akbar,--laat gij nu de eigenlijk dogmatische +vraagstukken ter zijde; ik vrees dat wij 't daarover toch nooit +eens zullen worden, en ik gevoel voor 't oogenblik ook geen +opgewektheid om daarover te redetwisten. Maar nu die weldaden, +waarvan gij spreekt! Ik geloof gaarne, en vind ook alle reden om +te gelooven, dat uwe Christelijke leer veel nut in de wereld +gesticht heeft, onder anderen door meer en beter dan de meeste +andere godsdiensten op de toepassing van het beginsel der +algemeene menschenliefde en zelfverloochening aan te dringen, +hoewel dan, gelijk wij u vroeger reeds aantoonden, dat alles +volstrekt niet uitsluitend aan uwe godsdienst eigen is. Maar bij +al dat nut komt toch, dunkt mij, ook niet weinig nadeel; of hebt +gij niet de meest geweldige onverdraagzaamheid gestookt, die de +wereld misschien ooit gekend heeft? Hebt gij, priesters! in uwe +eigene landen daar in het Westen, u niet opgeworpen tot tirannen +over het geweten uwer medemenschen? Hebt gij niet honderden en +duizenden tot worgpaal en brandstapel gedoemd, enkel omdat ze van +u over sommige geloofspunten verschilden? Noemt gij dat weldaden? +Zoo ja, dan hebt gij toch zonderlinge begrippen omtrent weldoen en +is uwe menschenliefde al van een heel vreemde soort.--En zeg mij!-- +vervolgde de Keizer, terwijl hij Aquaviva aanzag met een +doordringenden blik,--zeg! wat zoudt gij uitrigten met mij, +Akbar, dien gij nu zoo hoog heet te vereeren, indien ik eens +christen-onderdaan ware van een der vorsten, die gehoorzamen aan +uwe bevelen? Zoudt gij ook mij niet in de holen uwer kerkers +werpen en, als ik bleef volharden in zoogenaamd ongeloof, mij +uitleveren aan den regter om verwezen te worden naar het vuur? + +Bedremmeld trad de Jezuïet een schrede achteruit. Dergelijke vraag +had hij niet verwacht. En wat er op te antwoorden? Zeer zeker, het +kon niet worden ontkend dat er waarschijnlijk zoo met Akbar zou +gehandeld worden, indien de omstandigheden werkelijk waren zooals +hij ze nu voorstelde. + +--Maar, Sire!--stotterde ten laatste Aquaviva,--dat alles is nu +immers het geval niet! En wie kan zich Akbar, den grooten Keizer +van Hindostan, denken als onderdaan van een onzer vorsten? + +--Zeker, dat gaat niet; gelukkig voor mij! Doch uw antwoord +bewijst, dat mijne onderstelling volkomen juist was voor 't +gegeven geval. Maar nu een andere vraag! Wat zoudt gij eigenlijk +met mij willen uitrigten, nu ik Keizer van Hindostan ben? Gij +zoudt mij eenvoudig tot een van die vorsten willen maken, die u +onderdanig gehoorzaam zijn en die gij tot werktuigen gebruikt ter +handhaving van uwe kerkelijke dwingelandij. En daarom zijt gij +natuurlijk ook zoo erg gesteld op mijne bekeering. Welnu! ik zeg u +eens voor al: die zult gij nooit beleven. Zelfs, als ik voldoende +met de leer uwer Evangeliën in haar geheel instemde om haar +openlijk of heimelijk te omhelzen, ook dan nog zou ik niets willen +weten van uwe Kerk als zoodanig, wel beseffend wat noodlottige +gevolgen hare erkenning door den monarch voor den staat en zijne +burgers zou na zich slepen. + +--Dan--hernam Aquaviva,--blijft ons niets anders over dan te +bidden tot den Heer, dat een wonder van Zijne hand datgene +wrochten moge, wat onze ijverige maar nog te zwakke pogingen niet +tot stand mogten brengen. En dat gebed, ik ben er zeker van, zal +in 't eind niet onverhoord blijven. Bedenk het, gij oppermagtig +gebieder! dat zelfs de grooten der aarde niets vermogen tegen Hem, +en dat Hij ook straffen heeft voor degenen, die wagen Zijn wil te +weerstaan! Hij en Hij alleen zal zegevieren, en de poorten der hel +zullen de rots van Petrus niet overweldigen en Christus zal met +Zijn kerk zijn tot aan het einde der wereld! + +--Dat is zijne zaak!--riep nu Akbar uit, ten laatste een weinig +van zijn bedaardheid verliezend;--maar de mijne is, te waken voor +de vrijheid en de regten mijner onderdanen en hen te beschermen +tegen u zoowel als tegen moellah's of welke andere priesters of +schriftgeleerden dan ook. En daarom nog eens: Blijf hier of +vertrek! zooals gij wilt; predik wat gij goed vindt in mijne +landen; bouw er u kerken; en gij zult gelijke bescherming genieten +als de Mohammedanen in hunne moskeën en de Hindoe's in hunne +pagoden; maar wees tevens gewaarschuwd! Van het eerste oogenblik +dat ik u eenige vervolging zie instellen 't zij tegen uw eigen +bekeerlingen of tegen een ander, gelijk gij dat op de Malabaarsche +kusten reeds beproeft, van dat oogenblik af zijt gij verbannen uit +mijne rijken, en zoolang ik Hindostan regeer, zet geen der uwen +een voet meer op zijn grond. + +Met verbeten woede had de volgeling van Loyola die hooghartige en +beslissende woorden aangehoord; maar wat kon hij doen, wat bleef +hem te zeggen over? Te beklagen had hij zich in 't minst niet +tegenover den altijd welwillenden, volmaakt verdraagzamen vorst, +en den geduchten monarch te willen trotseren ware louter +krankzinnigheid. Zelfs geen martelaarskroon viel er bij te +verdienen. Bezigde hij, de hier volkomen magtelooze zendeling, +dreigende of ook oproerige taal, de Keizer zou gewis geen haar van +zijn hoofd krenken, maar hem met de zijnen naar Soeratta laten +brengen, hem daar in een schip laden en vervolgens met de meeste +beleefdheid in Goa aan land doen zetten. Of hij zou dat misschien +nog niet eens der moeite waard rekenen, maar hem eenvoudig +uitlagchen en de deur wijzen. Droevig en vernederend bewustzijn, +voorwaar, voor een lid van die elders zoo magtige en gevreesde +Orde, voor wie de volken sidderden, en Koningen en Pausen zelfs +gedwongen werden het hoofd te buigen in deemoed! + +Weldra echter brak Akbar zelf de overdenkingen van den +teleurgestelden en zwijgend vóór hem staanden missionaris af. + +--Eerwaarde Vader!--sprak hij nu weder op zijne gewone +vriendelijke wijze,--het is mij waarlijk leed, dat gij een +oogenblik mij genoopt hebt zoo rondborstig tot u te spreken en, +met meer klem dan ik tegenover u gewenscht zou hebben, mijn gezag +te handhaven in den strijd dien gij hebt uitgelokt. Maar ik wensch +u dan ook niet gramstorig te zien vertrekken. Ik vernam, ik leerde +van u en de uwen veel, waarvan de kennis mij bijzonder welkom was; +en daarvoor wil ik dankbaar blijven. Kan ik niet aan al uwe +wenschen voldoen, wees verzekerd dat het mij smart; en zoo wij +omtrent sommige zaken van elkander verschillen in gevoelen, meen +niet dat ik persoonlijk u daarom minder blijf hoogachten. Gij wilt +ons verlaten; het zij zoo! Maar laat het in vriendschap zijn! Laat +het geschieden in den geest van den verheven stichter uwer +godsdienst, die wel gezegd heeft dat hij geen vrede kwam brengen +maar het zwaard, maar wiens hoog en edel streven toch de stichting +van een rijk van vrede en van liefde onder de menschen was! + +Had Aquaviva een oogenblik te voren het hoofd gebogen voor de magt +van den Keizer, thans had hij te bukken voor een ander overwigt, +voor dat van Akbar's zedelijke meerderheid. De godsdienstijveraar, +de hartstogtelijke dweeper zelf gevoelde het. En het was dan ook +slechts met weifelende stem, dat hij, de anders voor niets +vervaarde en door niets overweldigde apostel, een enkel woord van +vaarwel wist uit te brengen tot dien verstokte van harte, wiens +oog met blindheid was geslagen voor het licht der waarheid, en +wiens oor gesloten bleef voor de vermaningen van den priester der +alleenzaligmakende Kerk. + +--Vergeef het ons, edele Vorst!--zoo sprak hij, bewogen in weerwil +van zichzelven,--als wij soms woorden uiten die u mishagen en u +ondank schijnen voor de vele weldaden, welke wij in uw rijk +ontvingen!--Schrijf ze enkel toe aan den ijver die ons bezielt +voor ons geloof, en die voorzeker niet geringer is dan de +geestdrift, waarmede gij zelf uw leven aan de belangen uwer staten +en volken hebt gewijd! Nogmaals dan willen wij u dank zeggen voor +'t geen gij voor ons hebt willen doen; en, hecht gijzelf dan al +geen waarde aan onze gebeden, wees overtuigd dat ze u blijven +vergezellen ook dan wanneer wij vér van hier zullen zijn!... + +Stilzwijgend beantwoordde Akbar den eerbiedigen groet van den +Padre, en zenuwachtig de vingers heen en weer bewegend als telde +hij de kralen van zijn rozenkrans, verliet deze langzaam het +vertrek. + +In een der zuilengangen aan de buitenzijde van het paleis, waar +enkele lampen een flauw schijnsel verspreidden, stuitte hij +plotseling op een man, die zijne verontschuldigende woorden met +een half onderdrukten vloek beantwoordde. + +--Verdoemde Christenhond!--bromde die man, terwijl hij zich verder +spoedde. Het was Abdal Kadir Badaoni, die zich tot den Keizer +begaf. Bij de wachters zich aanmeldend, werd hij weldra bij Akbar +toegelaten. + +--Gij ziet,--zeide deze,--ik ben steeds gaarne voor u te spreken; +en ik maakte ook geen bezwaar u thans te ontvangen, toen gij mij +dezen morgen gehoor liet vragen, hoewel anders de treurige +omstandigheden waarin ik verkeer, 't mij in de laatste dagen wel +wat moeilijk deden vallen al mijne vrienden te woord te staan. + +--Sire!--begon Abdal Kadir op schijnbaar eerbiedigen maar tevens +onmiskenbaar norschen en onvriendelijken toon en zonder in 't +minst acht te geven op de voorkomende wijze, waarop de Keizer hem +ontving,--ik kom u vaarwel zeggen. Mijn tijd is genaderd om van +hier te gaan. + +--Hoe nu, mijn waarde vriend,--vroeg Akbar,--ook gij? En wat noopt +u ons zoo plotseling te verlaten? + +--Onwil--luidde het antwoord,--om hier steeds te blijven aanzien, +wat mij tot eene dagelijksche ergernis strekt en mij bedroeft tot +in 't diepste mijner ziel; maar onwil tevens om deel te nemen aan +het verraad en de zamenzweringen waarvan ik u omringd zie, en +waaraan ik onwillekeurig zou blijven deelnemen, indien ik hier nog +langer vertoefde. Akbar! uw rijk neigt ten val! Ik heb u +gewaarschuwd toen het nog tijd was; thans is het dat misschien +reeds niet meer. Wat er bepaald omgaat, weet ik niet en ik wil het +ook verder niet weten; maar de tegenstand, dien gij door uwe dwaze +en misdadige verachting van onze heilige godsdienst hebt opgewekt, +acht ik te groot en te krachtig dan dat het mogelijk ware op den +duur daaraan het hoofd te bieden. + +Voeg daarbij de eerzucht van Selim, uw zoon, en de geheime +kuiperijen van andere niet minder eergierige lieden, die hem weten +te vervoeren ten einde zelf zich meester te maken van rangen en +bedieningen die hun nu onthouden blijven, en gij zult mij +toestemmen dat de stand van zaken voor 't allerminst hoogst +gevaarlijk voor uwe regering is.--Maar, zeide ik,--dus ging hij +voort, den ligten glimlach niet opmerkend die bij zijne donkere +voorspellingen zich om de lippen des Keizers had geplooid,--ik wil +ook niet langer getuige zijn van wat hier dagelijks omgaat en +sinds lang ook wereldkundig is. Den heiligen Koran hebt gij met de +uwen versmeten en onder den voet getrapt; voor den grooten Profeet +hebt gij niets dan verachting en spot; gij vermeit u in allerlei +goddelooze praktijken, door onreine vuuraanbidders u geleerd; gij +ontvangt openlijk aan uw hof en heimelijk in uw binnenvertrekken, +met eer en gunstbewijzen hen overladend, onze ergste vijanden, +Joden en Christenen, zooals ik er zooeven nog een uw paleis zag +verlaten, en Indische toovenaars en duivelskunstenaars, en ik weet +niet wat nog ander dergelijk slag van volk, dat de Shaitan zelf +ons hier op den hals heeft gezonden! Inderdaad, Djelal-ed-din +Mohammed! gij doet wél eer aan uw naam! Djelal-ed-din! "De Glorie +des Geloofs!" Bittere ironie van het noodlot, toen het u eenmaal +bekleedde met zulk een titel dien gij bestemd waart op zoo +smadelijke wijze te onteeren! En nu weder, als of dat alles nog +niet genoeg was, en om de mate vol te meten, die buitengemeene en +overdreven eer aan de nagedachtenis van dien Aboel Fazl, dien +verleider, dien aartsvijand van het geloof! Hij juist met Feizi +den godloochenaar, zijn broeder, was het, die u tot al die +ongeregtigheden verlokte en u tot ontrouw en afval heeft vervoerd; +en juist dien éénen man toont gij openlijk te vereeren boven +allen! Ach, mogt in 't eind nog zijn afschrikwekkend voorbeeld, +zoo niet van zijn leven dan toch van zijn sterven, u tot +waarschuwing strekken vóór het te laat is! Men heeft u, ik +betwijfel het niet, zeker allerlei fraais omtrent zijne laatste +gezegden opgedischt; maar, geloof mij! de waarheid bleef u +verborgen; en ik wil, hoe zwaar 't mij ook valt, ze onthullen voor +u en u zeggen, hoe Aboel Fazl werkelijk gestorven is. Zoo hoor dan +en sidder bij het schrikwekkend berigt, dat hier aan iedereen +bekend is behalve alleen aan u! Tot op het laatste oogenblik dat +hij nog spreken kon, bleef Aboel Fazl zijn God lasteren op de +meest gruwzame wijze; toen begon hij te blaffen als een hond, en +zijne gelaatstrekken verwrongen zich en zijne lippen werden blauw, +als gevoelde hij reedsde eerste smarten van de eeuwige verdoemenis +die hem wachtte!... + +--Dat is gelogen, schandelijk gelogen!--riep Akbar eensklaps +opstuivend uit, nadat hij tot dusver den woesten dweeper bedaard +had laten uitrazen,--dat is schandelijke, gemeene laster, zooals +gij, godsdienstijveraars! dien weet uit te denken, waar rede en +gezond verstand u in den steek laten en gij te vergeefs naar een +smet zoekt waarmee gij een edel karakter mogt kunnen bezoedelen! +Hoe Aboel Fazl gestorven is en wat hij stervend heeft gezegd, dat +weet ik ten zekerste van eene volmaakt vertrouwbare zijde, van +iemand, die zijne woorden onmogelijk kon uitdenken; spaar mij dus +uwe ijdele leugentaal! Ik verkies ze niet verder aan te hooren. Ik +heb met geduld geluisterd naar de onbeschofte woorden, die gij +waagdet mij in 't aangezigt te werpen; ik heb dat alles aangehoord +met eene lankmoedigheid, zooals waarschijnlijk geen ander vorst in +mijne plaats ze tegenover u zou hebben betoond; maar gij hebt +misbruik gemaakt van mijne goedheid, en dat zal ik niet dulden. +Rand mij aan, beleedig mij in mijne innigste en dierbaarste +overtuigingen, scheld op mij, op Akbar, op uw Keizer, het is wel! +ik zal het u vergeven. Maar laster niet mijn trouwsten, mijn +verraderlijk vermoorden vriend, of ik zal gebruik maken van mijn +regt en mijne magt om voor altijd die tong te doen verstommen, die +laag en lafhartig een gehaten tegenstander bespuwt, nu hij niet +meer in staat is zich te verdedigen! + +--Neem mijn hoofd!--sprak Abdal Kadir, den Keizer onverschrokken +in 't aangezigt starend,--gij weet dat ik u mijn leven wenschte te +wijden, en dat ik het honderd malen voor u zou hebben over gehad. +Kan mijn dood u niet van dienst zijn, hij strekke dan ter +voldoening aan uw ongeregten toorn! Ik heb u gezegd wat mij +waarheid scheen; aan u om het te gelooven of niet! Ik deed mijn +pligt; doe gij den uwe of wat ge daarvoor gelieft aan te zien! + +--Genoeg!--zei Akbar, nog nauw bekomen van zijne drift,--ik +begeer uw leven zoo min als uw dood. Ga heen, en ongedeerd: maar +waag het niet, mij ooit weer onder de oogen te komen! + +Zonder antwoord of groet keerde Abdal Kadir zich om, en schreed +met opgeheven hoofde en trotschen blik naar den uitgang van het +vertrek.... + +--Abdal Kadir!--sprak wederom de Keizer, toen de ander reeds den +voorhang had opgeligt, en bij dien onverwachten uitroep wendde de +hooghartige Mohammedaan verwonderd en onwillekeurig het hoofd,-- +laat ons zóó niet scheiden! Daarvoor hebben we elkander te lang +gekend en ook wederzijds elkaar te hoog leeren achten; want ik +weet, dat gij ondanks al ons verschil mij uwe achting en +belangstelling toch niet ontzegt: uwe hevigheid zelve bewijst het. +En ik van mijne zijde, ik stel u hoog als een kundig en in vele +opzigten ook verstandig man, maar bovenal, wat hier en in deze +tijden nog wel het meeste zegt, als een waarlijk braaf en eerlijk +man. Niemand zie ik gaarne in toorn mij verlaten, maar vooral u +niet. Ga! ik begrijp zelf dat het noodig zijn zal en gij niet +anders kunt; maar ga niet met wrok in het hart. Gedenk de lange +jaren, die wij te zamen in vrede en vriendschap hebben doorleefd, +en vergeet, al is 't ook maar voor één oogenblik, de oorzaken die +onze scheiding voortaan onvermijdelijk maken! Wilt gij?... + +Eerst, toen Akbar begon te spreken, vertoonde zich nog steeds op het +gelaat van Abdal Kadir dezelfde norsche uitdrukking, die het niet had +verlaten gedurende het gansche pijnlijke gesprek; maar langzamerhand +begon zij te wijken, en het voor zachter indrukken wel ontvankelijk +gemoed van den dweeper, als maar geen godsdienstijver zijn hartstogt +wekte, gaf ten laatste zich gewonnen aan de grootmoedige taal van den +altijd vergevensgezinden vorst. Wel sprak hij niet, maar zijne houding +zeide genoeg toen Akbar hem de hand tot afscheid reikte. Hij vatte ze +met kracht, en terwijl hij zich diep voorover boog, viel op die hand +een traan. Toen ging Abdal Kadir, om niet terug te keeren. Ook dezen +dan zou Akbar nooit wederzien.... + +Lang nog staarde hij op den voorhang, die zich weder gesloten had +achter den vriend van weleer. Daarop begaf hij zich met wankele +schreden naar de geopende galerij, en zag uit naar het maanlicht, +dat daar met vriendelijken glans de in volkomen rust verzonken +tuinen en hunne zacht klaterende fonteinen bescheen. Toen zette +hij vermoeid zich op een der marmeren rustbanken neder en bedekte +zich het gelaat met de handen. + +Zij verlieten hem dus, de een voor, de ander na. Aboel Fazl was +hem wreedaardig ontroofd; de Christenzendeling verliet hem in +arren moede; Abdal Kadir had voor altijd hem vaarwel gezegd. En +dat alles juist in oogenblikken waarin hij meer dan ooit behoefte +aan opbeuring en steun van trouwe vrienden gevoelde, juist in een +tijdsgewricht als dit, nu zijn eigen zoon tegen hem in opstand +kwam en hem den heerscherstaf zocht te ontrukken, dien hij zoo +lange jaren tot heil en onder de zegeningen van zijne volken in de +krachtige vuist had geklemd! En dat alles om de godsdienst en ter +wille van het een of ander, 't zij dan opregt gemeend of ook +gehuicheld geloof! Want dat Selim zijn aanslag in naam der +godsdienst zou ondernemen, was zeker; en algemeen heerschte ook de +overtuiging dat Narasinha het werktuig in de handen van ijveraars +was geweest. + +--Godsdienst!--sprak Akbar in zich zelven,--wat is het? Is het een +gelukkig, een heilrijk verschijnsel in den menschelijken geest, +dat het eindig wezen zijne nietigheid doet gevoelen en tevens het +verheft, stemmend tot nederigheid en tot aanbidding te gelijk, een +heerlijk, zalig gevoel en het meest verhevene waarvoor de ziel +vatbaar kan zijn, de menschen wekkend om elkander lief te hebben +en te leven voor elkanders welzijn? Of is het een bedroevend, een +noodlottig ziekteverschijnsel, dat den mensch slechts trotscher en +overmoediger en vijandiger jegens anderen stemt naarmate zijne +overtuiging dieper is geworteld, eene soort van krankzinnigheid, +die zich bijwijlen van de besten en edelsten meester maakt en hen +beweegt hun naaste te haten en te vervloeken, een waanzin die tot +misdrijf voert en moord en bloedigen strijd onder de volken werpt? +Zou 't dan een geluk of een ongeluk zijn als de menschen eenmaal +ophielden eenige godsdienst te belijden? Onoplosbare vraag! Vol +van de grootste tegenstrijdigheden, en die toch nagenoeg allen +gereed staan zonder eenig bedenken te beantwoorden. Geen +godsdienst, zoo spreken de meesten, geen heil ook meer voor den +mensch en geen orde in de maatschappij! En tot zóóver zijn ze 't +allen eens. Maar welke godsdienst nu? Ziedaar de strijd ontvlamd; +een ieder roept: de mijne, en de mijne alléén! en de zwaarden +vliegen uit de scheede, en het staal en het ruw geweld gaan +beslissen wat waarheid is. En zou het dan denkbaar zijn, dat er +ooit een godsdienst kon worden gevonden die allen gelijkelijk mogt +voldoen, en alle menschen vereenigen in één eenigen liefdeband? +Waren 't geen dwaze droomen, waarmee ik mij zoo dikwijls vleide en +mij zelf bedroog toen ik zoo iets meende ontdekt te hebben? +Helaas! vrienden te verliezen is hard, maar harder misschien nog +het verlies van illusiën, die ons dierbaar werden!... + +Eene hand, die zacht op zijn schouder werd gelegd, deed Akbar +opzien. Nevens hem stond Feizi, wien hij 't voorregt had verleend, +ook onaangediend bij hem te verschijnen. + +--Akbar!--sprak Feizi,--waak op uit uwe droevige, maar ook ijdele +en nuttelooze mijmeringen! Moet ik het zijn, die tot u zeg: Wees +een man! Ik, die mij anders zoo zwak gevoel tegenover u? Maar het +is noodig dat ik zoo spreek. Wees overtuigd, dat ik niet minder +diep het verlies van mijn waardigen en mij zoo dierbaren broeder +betreur, dan gij den dood van een trouwen raadsman en veelgeliefden +vriend; maar wij behooren beide te waken, en gij meer nog dan ik, dat +de smart ons niet overmanne en ons zwak make in 't gezigt der gevaren, +die het rijk nog blijven bedreigen. En daarom waag zelfs ik het te +zeggen: Betoon u weer een man! Die voortdurende neerslagtigheid is uwer +onwaardig, en als Aboel Fazl zelf er getuige van ware, hij zou welligt +voor 't eerst in zijn leven hebben erkend, dat zelfs Akbar niet +onfeilbaar is. + +--Mijn trouwe, mijn edele vriend!--antwoordde Akbar,--van harte +dank voor uw onverholen en mannelijke taal! Zulk eene opwekking is +mij tegenwoordig wel noodig, maar toch bedriegt gij u eenigermate +omtrent de aanleiding tot die overdenkingen, waarin gij mij +zooeven verdiept vondt. De herinnering aan uw onvergetelijken +broeder komt daarin slechts voor een deel. + +En uitvoerig verhaalde Akbar zijn vriend wat er bij het afscheid +van Aquaviva en van Abdal Kadir was voorgevallen, en deelde hem de +overpeinzingen mede waartoe het een en ander hem had geleid. + +--In dat alles--sprak Feizi, toen hij een oogenblik had +nagedacht,--herken ik weder mijn grootmoedigen Keizer, en... mijn +idealistisch wijsgeerigen vriend. Gij weet voor 't overige wat +mijn gevoelen over die punten is, die gij daar hebt aangeroerd. Ik +hecht niet veel aan 't geen men gewoon is godsdienst te noemen, +als zich dat blijft bepalen tot een soort van onbepaald mystisch +gevoel zonder wezenlijken inhoud, en noch veel minder als het zich +uit in onbewijsbare, alleen door de verbeelding geschapen +voorstellingen en leerbegrippen. En in zóóver hebben de menschen +volkomen gelijk, die mij een atheïst noemen. Maar daarom ben ik +nog geenszins een ongeloovige. Ik geloof integendeel veel; maar +mijn geloof steunt ook op vaste gronden, omdat het op de ervaring +zelve berust. Zoo onder anderen geloof ik, en meer dan eens hield +ik 't u voor, aan de wet der gestadige ontwikkeling; en niet enkel +op stoffelijk gebied, maar ook en vooral op dat van den geest en +het denken der menschen; en in die voortdurende ontwikkeling zie +ik de oplossing van het groot probleem, die gij, als alle andere +hervormers en stichters van nieuwe godsdienst-systemen, reeds +aanstonds, maar lang nog vóór den tijd, zoudt wenschen gevonden te +hebben. Denk eens, van waar wij menschen aanvingen en waar wij +reeds gekomen zijn, en bereken dan hoever we 't eenmaal nog +brengen kunnen! Dieren waren wij en niets dan dat; na eenige +duizende jaren werden wij redelijke wezens of iets althans wat +daarop gelijkt; en wanneer nu nogmaals duizende en duizende jaren +zullen voorbij zijn gegaan, wat kan er dan niet van ons worden? +Zullen wij, en niet eenige weinigen alleen, maar ook allen +misschien, door steeds voortgezet onderzoek en steeds hooger zich +ontwikkelende wetenschap geleid, niet ten laatste een wezenlijk +inzigt erlangen in het oneindig en noodwendig verband der dingen? +En zullen wij dan, tevrede met dat inzigt en daarin berustend, ook +niet volkomen al die droomerijen kunnen missen, die zich nu nog +onder den fraai klinkenden naam van godsdienst aan ons blijven +opdringen maar, wel beschouwd, niet anders dan kunstmiddelen zijn +om aan de begeerlijkheid onzer zelfzucht te voldoen en ons in het +tegenwoordig en in een, alweer door de verbeelding geschapen, +volgend leven een heilstaat te verzekeren, die voor geen eindig +wezen ooit kan zijn weggelegd? + +--Uw geest streeft hoog,--zei Akbar,--uw blik ziet ver. Mij te +hoog en te verre soms. Ik let ook op het tegenwoordige, en die +late, late toekomst brengt mij weinig troost. + +--Maar verlies ik dan--vroeg Feizi,--het tegenwoordige uit het +oog? Behoort het niet tot de eerste stelregels van mijn geloof, +of, wilt ge, van mijn wijsbegeerte, dat de mensch vóór alles +geroepen is waardig de pligten te vervullen, die hem in zijne +maatschappelijke betrekking, welke ze dan ook zijn mag, zijn +opgelegd? Zeker, alle bespiegeling, alle wetenschap is ijdel, +wanneer daarvoor de werkelijkheid en het onmiddelijk vóór handen +liggende verwaarloosd wordt. Leerde ons niet de wijsbegeerte, +juist daaraan, aan het levend heden onze krachten te wijden, ze +zou weer niets dan eene begoocheling zijn en een ijdel spel van +den geest. Maar iets anders is het mede te werken, en met allen +ijver en beschikbare kracht, aan onze naaste bestemming, iets +anders de onmiddelijke verwezenlijking te eischen van al wat wij +tot stand wenschen te brengen en dan mismoedig te worden als 't +ons nog niet gelukt. Zoo ook omtrent datgene wat gij godsdienst en +meer bepaald volksgodsdienst of volksovertuiging omtrent de +onzienlijke dingen noemt. Deze ontwikkelt zich evenmin als iets +anders, wat dan ook, plotseling en op den wenk van een bezield +hervormer, maar niet dan langzaam en in den loop der eeuwen. En de +vervulling eener noodwendige voorwaarde moet haar in elk geval +voorafgaan: alle volksontwikkeling moet voorbereid worden door +volksbeschaving. En ook deze is weer niet denkbaar zonder dat het +volk eerst de middelen bezit om in zijn onderhoud te voorzien, +alzoo: niet denkbaar zonder volkswelvaart. Maar zou nu, wat dezen +eersten grondslag van alle beschaving en ontwikkeling betreft, een +Akbar nog reden hebben tot veel zelfverwijt of mismoedigheid? Zou +hij meenen, niet genoeg of althans niet veel reeds te hebben +gedaan voor het welzijn der volken onder zijn beheer? Zie terug, +mijn Keizer! op hetgeen door u werd volbragt, en oordeel dan, nu +eens uw theologische bespiegelingen ter zijde latend, of de +verkregen uitkomst niet de beste aanmoediging is om kloek en met +ijver den aangevangen arbeid voort te zetten! + +Wel had Feizi gelijk, en vleitaal van een hoveling was het niet, +toen hij den maatschappelijken hervormingsarbeid roemde, dien de +Keizer begonnen had en met gelukkig gevolg ook had doorgezet. De +ervaring van volgende eeuwen zou het zegel drukken op zijn +woorden. Want van Akbar's godsdienstige droomerijen bleef nauw een +spoor meer na zijn dood; maar zijn landelijk stelsel is de +voorname grondslag gebleven, waarop heel het bestuur van Hindostan +onder alle opeenvolgende regeringen bleef berusten, datzelfde +stelsel in hoofdzaak dat een kloeke en verstandige Brit ook +gewenscht had in onze Nederlandsch-Indische bezittingen in te +voeren, en dat ook daar zijn zegenrijke vruchten had kunnen +dragen, indien het niet door de traagheid, de onkunde en het +onverstand onzer eigene, latere regeringsmannen tot in den grond +ware bedorven geworden .... + +--Gij hebt wederom regt, Feizi!--sprak de Keizer, zich oprigtend +in zijn krachtige mannelijke gestalte en het hoofd omhoog heffend +als met nieuwen levenslust bezield;--het is zoo, ons betaamt te +werken, niet te droomen, te arbeiden zoolang het dag is, +onvermoeid en onverpoosd. Blijf mij bijstaan met mijne nog +overgebleven getrouwen, nu vooral, nu een krachtige steun mij +ontviel; en ik durf u belooven, gij zult even goed over Akbar +tevrede zijn als hij over u. Maar nu nog eenmaal een zinnebeeld! +Hoe wars gij ook zijn moogt van symbolen, dit ééne vindt wis +genade in uw oog. Zie daar ginds het zwakke nachtelijke schijnsel; +daarin herken ik den zielstoestand, waarin ik dagen lang en veel +te lang reeds verkeerde. Maar morgen rijst weer de zon; en daarin +wil ik ook weer mijzelf aanschouwen, niet zooals ik ben, maar +zooals ik behoor te zijn. Dát toch is de roeping van den vorst, +zoolang nog de beweging niet vóór alles uitgaat van de volken +zelf, met zijne raadslieden de voorname bron van licht en +bezielend leven te worden in den staat. Vergeet ik dat soms, of +verlies ik het voor een oogenblik zelfs uit het oog, roep dan, +Feizi! gelijk ook Aboel Fazl deed, den heiligen vorstenpligt weder +op voor mijn geest en spreek weer tot mij gelijk gij dezen nacht +gesproken hebt!... + + + +VEERTIENDE HOOFDSTUK. + +De ontdekking + +Sinds verscheidene dagen was de Keizer aan 't hoofd van zijn leger +uitgetogen naar het Noorden, en alle berigten meldden dat hij zich +reeds op aanmerkelijken afstand van Agra bevond. Nog bleef daar +evenwel Siddha op het bevel wachten, dat hem zijne gedeeltelijk +vooruitgetrokken manschappen moest doen volgen; en geen wonder zoo +hij den tusschentijd zich bleef korten door herhaalde bezoeken aan +Rezia-Goelbadan. Zoo begaf hij zich ook nu weer tegen den avond +naar hare woning, doch, hij kon 't zich niet ontveinzen, niet +geheel met dezelfde opgewektheid als anders. Hij was in den +laatsten tijd de steeds verleidelijke, maar toch ook veelzins +raadselachtige vrouw al meer en meer gaan wantrouwen; en zoo hij +haar thans nogmaals wilde bezoeken, het was voor een deel om zoo +mogelijk iets naders omtrent hare geheimen en die der zamenzwering +gewaar te worden. Weinig vermoedde hij evenwel dat hij juist dezen +avond meer zou vernemen dan hem lief kon zijn. + +Aan het poortje in den tuinmuur gekomen bevond hij tot zijne +verwondering dat het niet als gewoonlijk gesloten was, maar dat de +sleutel, waarschijnlijk door achteloosheid in het slot was +gelaten. Wat er van ware hij behoefde nu in elk geval het +gebruikelijke teeken niet te geven om binnen te komen, en de deur +voorzichtig achter zich sluitend, ging hij met rassche schreden +voort door de laan. In de nabijheid der veranda vond hij nieuwe +reden tot verwondering. Daar trad juist op dat oogenblik een man +naar binnen, wiens gelaat hij eerst niet dadelijk zien kon, maar +in wien hij, zich haastig achter de hooge en digte planten +verschuilend, bij het schijnsel der lamp zijn oom Salhana +herkende, die, vlugtig Goelbadan groetend, in de hevigste +gejaagdheid uitriep: + +--Wij zijn verraden, schandelijk verraden!--De Keizer--ging hij +voort, terwijl Goelbadan hem verschrikt aanhoorde,--is van al +onze plannen onderrigt. Hoe, weet ik niet, maar het is zeker. Ik +heb stellige berichten van Gorakh, die, zooals gij weet, vermomd +in het leger is. Akbar wist niet alleen van onze voornemens reeds +bijna van den beginne af aan, maar zijne spionnen hebben hem ook +in staat gesteld ze te volgen in al de veranderingen, die wij er +in gebragt hebben. Slim als hij is heeft hij daarop aan sommigen, +van wie hij verwachten kon dat zij 't ons over zouden brengen, +zich laten verluiden dat hij ons eerste plan had doorzien, maar +zonder er bij te voegen dat ook het tweede hem bekend was. De +onzen moesten wel denken dat hij in den val liep. Nu trekt hij +eindelijk uit met zijn leger en houdt zich alsof hij regelregt +naar Kaçmir zal doorgaan. Maar jawel! Daar keert hij eensklaps om, +en neemt zijn weg met snelle dagreizen weer naar Agra, waar hij +ons juist wil komen verrassen op 't oogenblik dat wij ons volkomen +zeker wanen. Wel ben ik nu nog bij tijds gewaarschuwd, om te +verhinderen dat Selim op den bepaalden dag tot Keizer wordt +uitgeroepen; maar ons baat dat niet veel, want daar Akbar alles +weet, zal hij ons niet sparen, al betrapt hij Selim zelf ook niet +op de daad. Er zit dus niets anders voor ons op dan uiterste +maatregelen te beproeven. + +--En waarin zouden die kunnen bestaan?--vroeg Goelbadan. + +--Gorakh en de zijnen--antwoordde Salhana,--moeten te hulp komen, +en zij kunnen het. Eer de Keizer den tijd heeft om Agra te +bereiken, moet het met zijn leven gedaan zijn.... + +Eene huivering ging bij deze woorden den luisteraar door de leden, +en de hand aan zijn dolk slaande wilde hij eene schrede voorwaarts +doen. Doch hij bedwong zich nog bij tijds. + +--Selim behoeft daar niets van te weten,--ging Salhana voort,--en +we moeten 't hem ook maar niet vertellen als de daad volbragt zal +zijn. Hijzelf zal 't wel vermoeden, maar zich houden of hij 't +niet begreep, en er ons niet slechter om aanzien. Morgen ga ik +naar 't leger om alles met Gorakh af te spreken, die mij de +teekenen heeft doen meedeelen, waaraan ik hem in zijne verkleeding +kan herkennen. En zorgt gij nu inmiddels dat Selim wordt +gewaarschuwd. Ikzelf wil ditmaal niet tot hem gaan, om geen +vermoeden te wekken. Maar zeg mij tevens, hoe staat gij +tegenwoordig met hem? + +--Ik zag hem in lange niet hier,--antwoordde Goelbadan,--maar de +reden van zijn voortdurende afwezigheid bleef mij onbekend. Ik +maak mij omtrent hem echter niet ongerust; hij begeert mij, hij +wil mij volstrekt, het koste wat het kosten moet, tot zijne +Sultane; en dat zal ook zoo zijn, mits hijzelf maar eerst Keizer +is, niet vóór dien tijd. + +--Inmiddels--zei Salhana,--houdt gij u bezig met dien neef van +mij, dien ik u bezorgd heb, niet waar? Een knappe jongen in elk +geval, en waarin gij ook nog al behagen scheent te vinden. + +--Een tijd lang, ja! Maar hij begint mij tegenwoordig te vervelen; +en wél bezien is hij ons ook maar half van nut. Men heeft +onophoudelijk met hem te kibbelen over allerlei begrippen van +pligt en eer, zoodra 't op iets wezenlijks aankomt. Ik denk hem +dan ook spoedig de deur te wijzen als hij zijn dienst zal hebben +gedaan; en dat te meer, omdat hij in mijne plannen met Selim mij +wel eens in den weg kon zijn.... + +--Wat is dat?--vroeg plotseling Salhana, zich naar de buitenzijde +van de veranda keerend,--mij dunkt, ik hoor daar beweging. Er kan +hier toch niet de eene of andere ongenoode gast in den omtrek +zijn? + +--Onmogelijk!--antwoordde Goelbadan,--het poortje aan den tuinmuur +is immers goed gesloten?--Salhana herinnerde zich ook niet dat hij +'t inderhaast had opengelaten;--en van de andere zijde is geen 't +minste gevaar, daar Feizi dezen morgen naar 't leger is +vertrokken. Ga straks langs dien kant; dat is nog voorzigtiger dan +langs den anderen, waar gij Siddha soms in de nabijheid van den +tuinmuur zoudt kunnen ontmoeten. + +--Alles--hernam Salhana,--is dan goed afgesproken, niet waar? Gij +zorgt voor Selim en de rest hier in Agra; ik voor mij blijf mij +met Akbar belasten, en ben ik niet al te ongelukkig dan zijn wij +spoedig van hem en al zijn volk bevrijd. + +Met een ligten groet verdween Salhana achter een der gordijnen +langs een zijgang, die Siddha niet bekend was en waardoor hij +verhinderd werd hem te volgen zooals eerst zijn voornemen was. Het +beste ware nu nog geweest, onmiddelijk terug te keeren en het +nieuwe komplot door tijdige waarschuwing aan den Keizer te +verijdelen, terwijl de zamenzweerders daar niets van vermoedden; +en hij gevoelde dat ook, maar de onweerstaanbare lust om Goelbadan +te toonen, dat hij had opgehouden haar geminacht werktuig te zijn, +behield de overhand, en met één enkelen sprong was hij naar binnen +en stond hij vóór haar. + +--Gevloekte slang!--riep hij uit,--gij, die een schandelijk +verrader van mij hebt gemaakt, denk niet dat uw doemwaardige +voornemens en die van den schurk daar, dien ik mij schaam mijn +bloedverwant te noemen, nog kans hebben van slagen! Ik, die u +tegenwoordig begin te vervelen, en 't is goed dat ik het weet, ik +zal ze verhinderen. + +--Ha! gij hebt daar geluisterd!--sprak Goelbadan, en eene +uitdrukking van haat en kwaadaardigheid, gelijk Siddha nooit in +die anders zoo zachte en innemende gelaatstrekken mogelijk zou +hebben geacht, ontsierde haar plotseling op eene wijze, die haar +op dat oogenblik inderdaad leelijk deed worden;--en nu denkt gij +ons te gaan verraden? Maar dat zal niet gebeuren! + +En eer Siddha in staat was hare bewegingen te volgen, vloog zij op +hem toe en bedreigde een opgeheven dolk zijne borst. Half +werktuigelijk zocht hij 't wapen af te weren, toen hij plotseling +als verlamd de armen liet zakken bij het aanschouwen van eene +gestalte, die als 't ware uit den grond daar achter Goelbadan +verrezen was; maar in 't zelfde oogenblik ook greep een ijzeren +vuist de omhoog geheven moordende hand, en verhinderde den anders +door niets belemmerden stoot.... + +Haastig keerde Goelbadan zich om, en... stortte met een kreet van +ontzetting ter aarde.... Achter haar stond Feizi, en achter hem +vertoonden zich twee donkerkleurige dienaren met de blanke sabel +in de hand. + +--Genade!--kermde zij, weer tot bezinning gekomen, terwijl Siddha +wezenloos het tooneel stond aan te zien,--genade, mijn gebieder +en Heer!--En 't hoofd diep gebogen, terwijl hare lange donkere +lokken over den grond sleepten, kroop zij op hare knieën naar den +beleedigden echtgenoot, die al verder achterwaarts trad naarmate +zij digter hem zocht te naderen. + +--Terug!--riep Feizi,--terug! spaar mij uwe onreine aanraking!-- +Bindt die vrouw,--sprak hij tot zijne onderhoorigen,--en voert +haar naar mijn kasteel bij Mathoera! Daar blijve zij streng +bewaakt, haar leven lang. En zoo zij ooit eene poging, hoe gering +ook, waagt om zich met iemand, wie 't ook zijn mag, daarbuiten in +verbinding te stellen, dan worde het vonnis aan haar voltrokken, +waarvan ik voor heden haar nog genade schenk. Nimmer wil ik van +haar iets weerzien, of, zoo het moet, het zij dan enkel haar +schuldig hoofd! + +Nog eenmaal rigtte hij 't woord tot de smadelijk gevallene en nu +niet minder schandelijk zichzelve vernederende, die daar aan zijne +voeten lag geknield; maar dat woord was niet bestemd om hare straf +te verligten. + +--Hoop--sprak hij,--doet nog leven, naar men zegt. En gij, wier +naam nooit meer over mijne lippen zal komen, gij vleit u misschien +nog met eene zoete verwachting. Gij meent welligt nog op de +bescherming te kunnen rekenen van een, die magtiger is dan ik, of +eenmaal ten minste het zijn zal. Gij denkt nog dat Selim u bij zal +staan, en u zal komen verlossen uit uwe gevangenis. Maar die +verwachting is ijdel! Want degene, die, zelf door u bedrogen, mij +uwe betrekking tot dien man daar ginds verried, dat was juist hij, +dat was diezelfde Selim, dien gij in uwe netten gevangen dacht! + +Snel had Goelbadan het hoofd omhoog geheven en opmerkzaam had zij +toegeluisterd. Nu verwrongen zich hare gelaatstrekken en met een +gil stortte zij voorover, het hoofd op den grond en de armen vóór +zich uitgestrekt. + +--Doet uw pligt!--zei Feizi tot zijne volgelingen, en haastig +droegen zij de bewustelooze weg.... + +--En nu gij!--zoo ging hij, Siddha naderend voort, terwijl hij +zijn sabel uit de scheede toog.... + +--Mijn leven heb ik verbeurd,--sprak Siddha, zijn kleed +openscheurend,--stoot toe; ik verlang niets liever dan dat, ik +wensch den dood als eene genade van uwe hand! + +--Dat begrijp ik!--antwoordde Feizi, zich bezinnend, en langzaam +liet hij de sabel weer in hare scheede glijden,--dat begrijp ik +zeer goed. Maar ik ben, wél bezien, niet voornemens aan uw +verlangen te voldoen. Anderen zouden in een geval als dit er +misschien anders over denken. Een Muzulman zou u 't hoofd voor de +voeten leggen, een Hindoe u doen worgen, een Frank u uitdagen tot +een tweegevecht, wat wel het gekste van alles ware. Doch ik +verkies noch het een noch het ander. Gij moogt leven en ongedeerd +van hier gaan. Maar leven dan ook met de herinnering aan 't geen +gij hebt gedaan, en aan de wijze waarop gij, die u een edelman +noemt, eene belangelooze vriendschap vergolden hebt. Die +herinnering, dat bewustzijn zullen u nimmermeer verlaten, al +overdekt gij u met roem en al stijgt gij ook nog zoo hoog in rang; +en hoe ook gevierd en door anderen vereerd, toch zult gij de oogen +blijven neerslaan voor elk eerlijk man, bedenkend hoe gijzelf +eenmaal in uw jongere jaren u jegens een vriend gedragen hebt. +Ziedaar de straf, die ik u opleg! En nu, vertrek! + +Een gebiedende, geen weerspraak of verzet meer duldende +handbeweging van Feizi deed den diep onder zijn schuldgevoel +gebogene met laag op de borst gezonken hoofd en met wankele +schreden naar den uitgang zoeken; en nauwelijks wetend wat hij +deed en waarheen hij ging, verliet Siddha het buitenverblijf en +vond hij als werktuigelijk zijn weg naar de nog altijd onafgesloten +poort. + +Geruimen tijd bleef hij zoo goed als gedachteloos ronddwalen. Aan +de rivier zag hij, ondanks 't reeds vergevorderd uur, nog eenige +sjouwerlieden bezig met het laden van een schip; en alsof hij er +eenig belang bij had, volgde hij nauwlettend hunne bewegingen, nu +eens zich afvragend hoe ze die baal daar over de loopplank zouden +krijgen, dan weer het hoofd schuddend over hunne onhandigheid. +Bijna had hij zich aangeboden om hen wat te helpen. Maar een +drietal soldaten, die nog bij het licht van een walmende toorts +onder een afdak zaten te drinken en te dobbelen, leidde zijne +opmerkzaamheid weer af, en nu begon hij lust te krijgen om met hen +mee te drinken en mee te spelen.... Daar was het hem op eens als +werd er een gordijn opgetrokken dat voor zijne oogen hing, en zag +hij het gansche tooneel weer vóór zich, waarin hij daar straks +eene zoo jammerlijke rol had gespeeld. Maar bijkans in hetzelfde +oogenblik verdrong weer ééne gedachte tijdelijk al het andere: de +herinnering aan den voorgenomen moordaanslag op den Keizer! Had +Feizi alles gehoord, en dus ook dit? En was hij dan in staat Akbar +te gaan waarschuwen? Het bleef hem onbekend, en hij had natuurlijk +ook geen gelegenheid het te weten te komen. Maar waartoe ook? +Waarom zelf niet gegaan, en zonder verder tijdverlies? Salhana zou +eerst morgen vertrekken; een ander kon hem dus, al ging hij vroeg, +nog vóór zijn. + +Geen oogenblik bedacht Siddha zich langer, maar in bijkans +ademlooze vaart snelde hij naar het kwartier waar zijne met hem +teruggebleven manschappen gelegerd waren, droeg daar het bevel aan +een zijner officieren over, haastte zich naar zijne woning en +gelastte Vatsa, terstond den vos te zadelen,--dien vos van Feizi, +dien hij na zijne ontdekking omtrent den waren naam van Rezia +evenmin had durven berijden als terugzenden, maar die nu in het +belang van Keizer en rijk zijne diensten zou doen. + +--Maak u gereed mij te volgen naar het leger,--zeide hij tot +Vatsa, toen deze met het opgetuigde paard verscheen,--maar van +verre, zoodat er eenige afstand tusschen ons blijft. Vertrek een +uur na mij, rijd dan door zoo snel gij kunt en breng, zoo 't +noodig is, de boodschap over, die ik u geven zal. Ik weet, dat ik +u volkomen kan vertrouwen...--En hier deelde hij hem zooveel als +vereischt werd omtrent de plannen van Salhana mede, en gaf hem +bevel, dat onmiddelijk aan den Keizer zelf te melden, indien hij +zijn meester soms niet in het leger mogt aantreffen. Daarop sprong +hij in den zadel en reed spoorslags voort. + +Een overhaaste reis, waarbij hij zichzelven en zijn snel loopend +paard niet dan de volstrekt noodige rust gunde, bragt hem binnen +betrekkelijk korten tijd bij het leger, dat ook van zijn kant Agra +weer een goed eind genaderd was. Terstond liet hij, in 't kamp +gekomen, zich aandienen bij den Keizer, die hem na eenig dralen +alléén in zijne tent ontving. + +--Wat komt gij hier uitrigten?--vroeg Akbar op strengen toon.-- +Wie heeft u last gegeven uw post in Agra te verlaten? Dat is een +vergrijp, dat u duur te staan kan komen. + +--Sire!--antwoordde Siddha,--indien geen ander vergrijp door mij +gepleegd was dan dit, zou ik wel van groot geluk mogen spreken. +Maar ik kom mij bij Uwe Majesteit aanklagen van de grootste +misdaad, die een krijgsman jegens zijn vorst kan plegen: van +verraad! + +--Ik vermoedde zoo iets,--sprak de Keizer, terwijl Siddha ontzet +een stap terugtrad,--en daarom werd u 't bevel niet gegeven om op +te rukken. En nu komt gijzelf mij de bevestiging brengen van uw +ontrouw! Goed; wij zullen zien. Spreek verder! + +In 't kort, maar zonder iets wezenlijks te verzwijgen, verhaalde +Siddha hoe hij, door Goelbadan verleid, zijn begunstiger en vriend +had bedrogen en zich tot verraad jegens den Keizer had laten +verlokken. Met langzame schreden wandelde Akbar heen en weder +gedurende het verhaal. Zijn gelaat duidde niets aan van 't geen er +in hem mogt omgaan. Eindelijk, toen Siddha zweeg, bleef hij vóór +hem staan, en zeide kortaf en met strengen blik: + +--Uw misdrijf eischt den dood! + +--Dat weet ik, Sire!--was het antwoord;--en ik kom mijne geregte +straf van Uwe Majesteit verzoeken. + +--Waarom zijt gij niet gevlugt als gij bevreesd waart dat het +verraad ontdekt zou worden? + +--De misdaad verlangt boete, en ik mag niet straffeloos blijven +rondlopen, waar ook, een voorwerp van minachting voor mijzelf en +voor ieder die mij herkennen mogt. + +--Maar hoe is het, dat gij zoo op eens tot uw tegenwoordig besluit +zijt gekomen? Daarvoor moet een oorzaak bestaan. En mij dunkt, gij +hebt mij nog niet alles gezegd; er ontbrak nog iets aan uw +verhaal. + +--Dat is ook zoo; maar wat ik nog heb mee te deelen, mogt ik niet +zeggen vóór mijn vonnis door u was uitgesproken. Thans mag ik +verder gaan.... De magt dan, waardoor die vrouw mij zoolang nog, +in weerwil van mijzelven gebonden hield, werd plotseling +verbroken, de blinddoek viel mij van de oogen en eindelijk leerde +ik eerst volkomen inzien, wie ik was, wat ik misdreef en welke +straf ik had verdiend.... + +En nu volgde ietwat uitvoeriger dan 't voorafgaande, de +beschrijving van het tooneel van dien laatsten avond bij Goelbadan +en de mededeeling van het nieuwe, door Salhana ontworpen plan. + +Ook nu nog was er geenerlei aandoening zigtbaar op het strak +gelaat van den Keizer. Zijn stap alleen, terwijl hij bleef heen en +weder gaan, was een weinig driftiger en meer gehaast. Toen het +verhaal was geëindigd bleef hij eerst een tijdlang zwijgen, doch +sprak ten laatste: + +--Met reden schijnt gij ondersteld te hebben dat uwe laatste +mededeeling van invloed kon zijn op het vonnis dat ik over u had +uit te spreken. Gij hebt mij en mijn rijk een belangrijke dienst +bewezen. Maar gij bedriegt u, indien gij meent dat ik straks reeds +een onherroepelijk vonnis velde. Te zeggen dat een misdrijf op +zichzelf de doodstraf verdient, is nog niet gezegd dat voor hem +die het beging, geenerlei verschooning is aan te voeren. En voor u +is dit, dunkt mij, juist wel het geval. Ook afgescheiden van uwe +verdere mededeelingen zou ik in mijne uitspraak geweifeld hebben, +en had ik toch misschien genade laten gelden voor regt. Gij hebt +zwaar misdreven, Siddha! jegens mij en zeker niet minder jegens +mijn vriend; maar een misdadiger zijt gij daarom nog niet. Gij +waart het offer eener sterke verleiding, en ik weet zelf wat het +zegt daaraan te zijn blootgesteld; maar uw eergevoel ging niet +gansch verloren en herleefde toen uwe verblinding geweken was. Let +wel! ik vergoelijk in 't minst niet uwe handelingen en tel uw +schuld niet ligt; maar ik ben evenmin van oordeel dat gij tot die +onverbeterlijken behoort, die men in 't belang der maatschappij +onschadelijk heeft te maken. Integendeel, ik wil gelooven dat gij +door later daden nog voor een deel, althans wat mij betreft, de +herinnering zult uit kunnen wisschen aan 't geen gij als onderdaan +misdreven hebt. En uw gansche gedrag van heden geeft mij de vaste +overtuiging, dat gij jegens mij u nooit meer aan eenige +trouweloosheid zult schuldíg maken en voortaan beter de +waarschuwing indachtig zult zijn, die ik u eenmaal daar in den +tuin van mijn paleis in Agra gaf. Ik laat u daarom het leven en-- +uw rang. Bewijs mij, dat ik mij niet ten tweeden male in u heb +bedrogen! + +Te antwoorden was Siddha in de eerste oogenblikken niet mogelijk; +maar hij knielde neder voor den Keizer en kuste eerbiedig den zoom +van zijn gewaad. + +--Ik dank u, Sire!--sprak hij eindelijk, nadat Akbar hem gewenkt +had op te staan,--niet voor dat leven, dat voor mij geen waarde +meer heeft, maar voor de gelegenheid mij geschonken om nog een +deel van de schuld te boeten, waarmede ik mij beladen heb. En zoo +'t mij voegt, na al het gebeurde nog om een gunst te verzoeken, ik +vraag dan als de allerhoogste dat mij spoedig geoorloofd mag zijn +aan den strijd deel te nemen, die ginds in het Noorden tegen de +rooverbenden wordt gevoerd. + +--Ook die gunst wil ik u verleenen,--antwoordde de Keizer,--maar +vooraf belast ik u hier nog met eene andere taak. Eenige van de +getrouwsten mijner eigene lijfwachten stel ik onder uwe bevelen. +Ga met hen Salhana te gemoet, maak u aanstonds van hem meester +zoodra gij hem vindt, en breng hem hier; maar in 't diepste +geheim, zoadat Gorakh, die naar uw zeggen hier rond moet zwerven, +er niets van bemerkt. + +Een wenk van den Keizer maakte een einde aan het gesprek; en +aanstonds, zoodra hij 't bevel over de wachten aanvaard had, was +Siddha met hen, en zijn niet lang na hem aangekomen dienaar, weer +op weg. + +Spoediger dan hij verwacht had ontmoette hij zijn oom, die mede +veel haast scheen gemaakt te hebben, met twee zijner volgelingen. +In een oogenblik waren deze overmand en gevangen genomen; en, +schoon, Salhana zelf nog een tijdlang tegenstand bood, ook hij was +toch dra overweldigd, en, tot zijn niet geringe woede, gekneveld +op bevel van dien tot heden zoozeer door hem geminachten +jongeling. Om zijne herkenning door anderen te beletten werd hem +een sluijer over 't hoofd geworpen, en in allerijl werd hij daarop +medegevoerd naar het kamp. + +In de tent des Keizers ontdeed men hem van zijne boeijen en den +sluijer, en liet hem met Akbar en Siddha alleen. + +--Uw verraad, Salhana!--sprak de Keizer,--en ook uw nieuwste plan +is ons bekend. Die jonkman daar heeft het ons meegedeeld. Maak u +gereed te sterven. De beul wacht u! + +Met een giftigen blik zag Salhana zijn neef aan, en stortte toen +voor de voeten van Akbar neder, met het voorhoofd den grond +aanrakend. + +--Spaar mijn leven!--bad hij.--Straf mij, genadige Vorst! maar... +laat mij leven, en ik wil alles bekennen, alles zeggen wat ik +weet. + +--Salhana!--antwoordde de Keizer met de diepste minachting,--ik +wist dat gij een verrader, een schurk waart, maar ik had u nog +niet leeren kennen als een lafaard bovendien. Voorwaar, gij zijt +al een heel groote ellendeling en nauwelijks waard een kop kleiner +te worden gemaakt! Wat voor 't overige uwe bekentenissen aangaat, +ik heb ze niet van noode; ik weet daaromtrent alles, zeg ik u. +Slechts één ding verlang ik nog te weten. Waar en hoe is Gorakh te +vinden? + +--Ik zal het u zeggen!--riep Salhana uit, met onverholen vreugde +dien straal van hoop begroetend;--ik zal het nauwkeurig aanwijzen. +En dan?... + +--Dan gun ik u een schandelijk leven. Doch worden uwe aanduidingen +valsch bevonden, dan, gij begrijpt het, wacht u het zwaard. + +Uitvoerig en nauwkeurig gaf nu Salhana de teekenen op, waaraan men +den Yogi in zijne vermomming kon herkennen. + +--Men bewake dezen man met de uiterste strengheid,--beval de +Keizer aan Siddha,--en inmiddels gaat gij uit met uwe wachten, +zoekt Gorakh, en als gij hem gevonden hebt, laat gij hem opknoopen +aan den eersten boom den beste. + +Aan het bevel werd spoedig uitvoering gegeven. De mededeelingen +van Salhana bleken juist te zijn. Men was den Doerga-priester +weldra op het spoor, en aanstonds werd hij gevat. + +--Ha, mijn jonge vriend!--zei de priester, Siddha herkennend, met +zijn hatelijksten lach,--vergeldt gij zóó de belangstelling die ik +u betoonde? Nu dat zij zoo! Maar bewijs mij toch ééne beleefdheid; +die kunt gij nog wel voor mij over hebben! Zeg, wie heeft mij +verraden? Dat kan wel niemand anders dan Salhana zijn, niet waar? + +--Zoo is het!--antwoordde Siddha.--En nu gij,--vervolgde hij tot +de wachten,--voert dien man buiten het kamp en dat ginds het +vonnis aan hem voltrokken worde! Voorwaarts! + +--En wat is dat vonnis?--vroeg nog de ander. + +--De strop!--was het antwoord. + +--Goed!--zei Gorakh,--dat blijft in mijn vak! + +Den man te binden was wel overbodig, en ook zonder de minste +poging tot verzet stapte hij bedaard tusschen de krijgslieden +voort. Gedurende eenigen tijd zag ook Siddha niet naar hem om, en +de wachten letten mede niet veel op zijne bewegingen. Buiten de +legerplaats evenwel zich omwendend om zijne ruiters nog eenig +nader bevel te geven, bemerkte Siddha dat de Yogi bezig was met +zijne regterhand over een langwerpig boomblad te strijken, dat hij +in de linker hield en dat hij óf onderweg moest hebben opgeraapt +óf uit zijne kleeding te voorschijn gehaald. Een oogenblik later +hief hij 't blad omhoog en wuifde er mede alsof 't een waaijer +was. + +--Komaan!--riep Siddha ongeduldig,--laat dat geknoei met uw +goocheltoeren nu maar! 't Helpt u toch niet langer. En werp dat +blad daar weg! Wij hebben genoeg van uwe kunsten! + +Gorakh gehoorzaamde, hoewel niet dan na nogmaals, als lagchend en +als om Siddha te plagen, een paar mystische teekens met het blad +in de lucht te hebben gesneden. Toen wierp hij 't op den grond, en +men ging verder. Weinige oogenblikken later hing het ligchaam van +den priester aan den tak van een alleenstaanden boom. + +Inmiddels waren een paar lieden, naar 't uiterlijk te oordeelen +dienaren van een of ander edelman, die bij de gevangenneming +tegenwoordig waren geweest, doch niet dan onverschillig er naar +gekeken hadden, onopgemerkt op eenigen afstand den stoet gevolgd, +die den veroordeelde naar de strafplaats voerde. Zoodra de troep +voorbij de plek was, waar Gorakh het blad had neergeworpen, gingen +zij zoeken in het zand en vonden weldra het gezochte voorwerp. Het +was een verdroogd boomblad, maar waarin met eene snelle hand en +met behulp van een veelal tot dat einde gebezigd scherp werktuig, +een aantal woorden stonden gekrast. Na gezamenlijke lezing verborg +een der beiden het zorgvuldig in zijn gewaad en haastte zich naar +het kamp terug. + +Daar erlangde Salhana, zoodra de tijding van Gorakh's dood aan den +Keizer was overgebragt, de hem toegezegde levensgenade, maar +tevens werd aan eenige krijgslieden de last gegeven hem streng te +blijven bewaken. Na 't einde van den oorlog zou men verder zien, +wat met hem uit te rigten. Gevangenschap, waarschijnlijk in eene +of andere vesting, zou, begreep hij wel, zijn lot zijn zoolang +Akbar regeerde. Maar daarna zou Selim hem zeker aanstonds +verlossen. En dan was hij misschien ook in de gelegenheid om aan +zijn wraakzucht tegen Siddha te voldoen.... + +Het toezicht van zijne bewakers was echter uit den aard der zaak +niet zoo voortdurend streng, of 't mogt nog wel eens den een of +ander gelukken hem te naderen; en er werd dan ook geen acht op +geslagen dat eens op een avond een als dienaar van een der edelen +gekleed persoon, hem voorbijgaande, snel en heimelijk hem een +opgerold blad in handen speelde. Wat dat zijn kon? Een geheime +mededeeling van een zijner vrienden, van Goelbadan misschien om +hem een middel aan te wijzen tot de vlugt?... + +"Salhana!"--dus luidde het haastig en met verkortingen geschreven +briefje,--"de Keizer, die mij vonnist, zal niet sterven; want dat +zou u dienen. Maar Doerga kiest tot offer u, die mij verraden +hebt." + +Het angstzweet brak Salhana uit en als verlamd van schrik liet hij +'t blad uit de hand vallen. Hij wist toch maar al te goed wat die +weinige woorden beteekenden, en hij wist dus ook dat zijn vonnis +onherroepelijk was geveld. Het laatste gebod van den Doerga- +priester zou niet worden veronachtzaamd, en liever nog zouden er +honderd der zijnen zich opofferen dan het bevel onuitgevoerd +laten. Of er dan in 't geheel geen hoop en geenerlei kans meer +was? Inderdaad zoo goed als geene! Ja, was hij nog maar in Agra, +en daar in de vesting of ergens anders opgesloten, waar die +anderen althans zoo ligt niet tot hem konden doordringen dan hier +in 't open veld! Maar hij was in de achterhoede van het leger, en +deze volgde niet dan zeer langzaam het snel voortrukkend overig +gedeelte.... Hijzelf bad en smeekte nu zijne bewakers dat zij toch +goed de wacht bij hem zouden houden, omdat zijn leven door +sluipmoordenaars was bedreigd; maar zij lachten hem uit, en hij +hoorde hen zeggen: Er zou ook wat aan verloren zijn! Nog verzocht +hij dat men in den nacht een licht bij hem zou laten branden, maar +men bleef hem uitlagchen en hem bespotten om zijn lafhartigheid. +Hij had geen rustig oogenblik meer. Des daags, op marsch, dacht +hij langs elke heg of struik de eene of andere donkere gestalte te +zien sluipen, die hem bespiedde en hem volgde op zijne schreden. +Bij halten, als anderen rust namen, bleef hij voorzigtig overeind +zitten en zoekend rondzien langs de boomen en het kreupelhout. En +dan in den nacht, in den schrikkelijken, eindeloozen nacht! Hij +had alles willen geven om ten minste wakker te kunnen blijven, en +hij deed ook zooveel mogelijk zijn best, luisterend naar het +minste geritsel en telkens in 't donker om zich heen tastend; maar +bij wijlen overmande hem toch de slaap. Dan schrikte hij +plotseling weer op en greep naar zijn hals, en dacht er iets te +voelen dat hem den adem kwam benemen. In 't eind ging hij zich +verbeelden dat er een koord om zijn nek was geslagen en daar bleef +zitten tot het eensklaps zou worden toegetrokken. Telkens en +telkens moest hij door 't gevoel zijner vingers zich overtuigen +dat hij zich bedroog, tot in 't laatst die beweging van de hand +naar de keel hem tot eene werktuigelijke gewoonte begon te worden. +Een enkelen keer kwam de gedachte bij hem op om zelf een eind aan +zijn leven te maken en op die wijze zich te verlossen van zijn +marteling; maar hij durfde niet en hij bezat geen moed om zich den +dolk in het hart te stooten. En dan nog de hoop, hoe flauw ook, +dat hij nog betrekkelijk veilig mogt zijn als men maar eenmaal in +Agra zou zijn aangekomen! Maar langzaam ging de togt altijd +langzamer, en het was nog de vraag of 't wel in het plan van den +Keizer lag de achterhoede tot de residentie zelve te laten +voorttrekken.... + +De Worgers belastten zich eindelijk met de taak, die Salhana zelf +niet durfde volvoeren, en bevrijdden hem van zijn angst.... Eens +in den vroegen morgen vonden zijne bewakers hem dood liggen in de +tent, die gedurende den nacht hem tot verblijf had gestrekt. + + + +VIJFTIENDE HOOFDSTUK. + +Beterschap + +In Agra ging alles nagenoeg zooals Akbar en zijne raadslieden van +den aanvang af berekend hadden, en vooral na de mededeelingen van +Siddha konden voorzien. Dat Selim nog bij tijds omtrent den +terugkeer van het leger zou gewaarschuwd worden en 't dus +misschien niet gelukken zou hem op de daad te betrappen, hadden +Akbar's vertrouwden nog steeds gevreesd; en wel ware in dat geval +de aanslag verijdeld, maar tevens vrij wat moeijelijker geweest, +den Prins te overtuigen van zijn verraad. Nu evenwel de boodschap +van Gorakh, den leider der zaamgezworenen in het leger was +onderschept, en Goelbadan in de onmogelijkheid gesteld ze aan +Selim en de zijnen over te brengen, stonden de kansen veel +gunstiger. En inderdaad, wel kwamen er enkele geruchten tot de +zaamgezworenen te Agra omtrent een spoedigen terugtogt van den +Keizer; maar, niets daaromtrent van hun eigen vrienden vernemend, +hielden zij die geruchten eenvoudig voor een list om hen van +eenige onderneming gedurende Akbar's afwezigheid terug te houden. +Er bestond dus, meenden zij, geenerlei reden om geen uitvoering te +geven aan het plan. + +Op den bepaalden dag dan nam Selim bezit van het vorstelijk +paleis, en deed zich openlijk in Agra uitroepen als Keizer. +Terstond ontsloeg hij een aantal van de voornaamste ambtenaren en +krijgsbevelhebbers en stelde anderen in hun plaats. Schrik en +ontzetting verspreidden zich allerwege in de stad. De rijken +sloten hunne huizen, de kooplieden hunne winkels, en de volkrijke, +anders zoo levendige residentie scheen op eenmaal als uitgestorven. +De berigten toch omtrent Akbar's terugkeer hadden meer geloof gevonden +bij de burgerij dan bij de misleide zamenzweerders, en een geduchte +strijd scheen te voorzien, als Selim, in de vesting zich versterkend, +een krachtigen tegenstand mogt bieden aan zijn vader. Maar toen de Prins +nu de vesting liet opeischen, weigerde, tot zijn niet geringe verbazing +en schrik, de Goeverneur volstandig aan den eisch te voldoen, sloot de +welversterkte poorten en rigtte zijn geschut tegen de stad. In +schijn toch had diezelfde Goeverneur, met medeweten van Akbar, de +zijde van Selim gekozen, zoodat deze volkomen zeker van het fort +meende te zijn, maar inderdaad was hij den Keizer trouw gebleven. +En nu bevestigden zich ook de tot dusver in den wind geslagen +berigten omtrent de bewegingen van het leger, en geen dagmarsch +scheidde dit weldra meer van de stad. Dus tusschen twee vuren +geplaatst, terwijl nagenoeg allen die hem in den opstand geholpen +hadden zoo snel mogelijk hem weer verlieten, begreep Selim dat er +geen andere uitkomst overbleef dan een overhaaste vlugt. Doch te +laat! De vooruitgezonden troepen sloten al de uitwegen af, en toen +Selim met enkele volgelingen de stad wilde verlaten, werd hij +overvallen door eene afdeeling ruiterij en, hoewel met alle eer, +toch ook met een gestrengheid die alle verdere poging tot vlugten +onmogelijk maakte, gevankelijk naar het paleis teruggevoerd waar +hij een vlugtig oogenblik als Keizer had getroond. + +Eenige dagen later ontving hij de uitnoodiging om te verschijnen +bij den vorst, die thans werkelijk in zijne hoofdstad was +teruggekeerd. Zijn vorst, zijn vader, zijn regter tevens! Selim +was dapper, maar thans voelde hij den moed zich toch ontzinken, en +dat te meer omdat hijzelf zoo volkomen overtuigd was van zijne +schuld. Ook wist hij dat Akbar grootmoedig kon zijn, maar tevens +gestreng, als straffen in het rijksbelang noodig was. + +Zijn anders niet onredelijke vrees maakte echter spoedig plaats +voor verwondering, toen hij, alléén bij den Keizer toegelaten, +dezen met het hoofd in de hand op een divan vond uitgestrekt, +terwijl zijn andere arm vermoeid over den rand van het rustbed +hing, en hem ook zijne houding niet zag veranderen toen hij, de +schuldige, daar binnentrad. + +--Ik heb lang gedraald u te ontvangen, Selim!--begon Akbar ten +laatste, terwijl hij een vlugtigen blik wierp op zijn diep +beschaamden, in gebogen houding vóór hem staanden zoon;--ik zag op +tegen dit onderhoud; ik wenschte dat gij 't mij gespaard mogt +hebben! + +Weer zweeg hij eenige oogenblikken; en toen, zich halverwege +oprigtend en de handen omhoog heffend, barstte hij los in een +bittere en hartstogtelijke klagt: + +--Mijn zoon! mijn zoon!--riep hij uit,--dat ik dit van u beleven +moest! Waartoe liet gij u verleiden door valsche vrienden en +verkeerd begrepen eerzucht! Gij weet het, hoezeer ik u altijd heb +lief gehad, uw minste wenschen waar 't mogelijk was zocht te +voorkomen, u overlaadde met eer en aanzien en schatten. Gij weet +ook, gij hebt het meer dan eens van mij en van uwe moeder gehoord, +hoe ik, nog kinderloos en toen ik nog in mijn goedgeloovigen tijd +verkeerde, heb gebeden om de geboorte van een zoon, en toen +eindelijk dat geluk mij te beurt viel en gij mij geschonken waart, +die gebeurtenis herdacht door de stichting van Fattipoer, op welks +heuvel ik zoo menigmaal tot Allah mijne gebeden had omhoog +gezonden. Maar had ik geweten wat mij eenmaal van u te wachten +stond, mijn gebed zou niet zoo vurig en mijne vreugde over zijn +verhooring zoo groot niet zijn geweest! Ach, was het u dan +onmogelijk, althans eenmaal in uw leven, eene overwinning te +behalen op uzelf, en nog zoolang geduld te hebben, alvorens uw +voet te zetten op den troon, tot uw vader, zoo jong toch niet +meer, u de plaats had opengelaten? Was 't u ondoenlijk door dat +ééne ten minste de liefde eenigszins te vergelden, die ik u altijd +heb toegedragen en waarvan gij de blijken toch waarlijk wel +ondervonden hebt? + +Selim wist niet te antwoorden, toen zijn vader weer voor een +oogenblik ophield te spreken. Die gansch onverwachte ontvangst, +die altijd, in weerwil van zijne vergrijpen, nog liefderijke +schoon droevige taal had hem diep getroffen. Want hij was niet +slecht, niet verstokt van hart, maar zwak en ligtzinnig; en op hem +rustte de vloek, dien Akbar had weten te ontgaan, de vloek van het +despotisme, dat den alleenheerscher, en ook hem die weet dat hij +bestemd is het te zijn, de eigen onbetoomde willekeur in de +plaats leert stellen van regt en van pligt. + +--Maar neen!--ging de Keizer weer voort,--gij hebt het niet +gewild, of liever nog, gij hebt het niet gekund. Gij zijt nooit in +staat geweest u te bedwingen in iets; hoe dan in dit ééne? Een +tijd lang, ik zag het met het grootste genoegen, hebt gij +opgehouden met uwe drinkgelagen, maar hoe kort duurde de +beterschap! Gij, die in mijne plaats wilt heerschen over anderen, +gij weet nog niet eens uzelven te beheerschen! En hadt gij nog +maar beter uwe eigene stelling begrepen! Eigenbelang, maar +wezenlijk, geen valsch eigenbelang, had u van zelf den regten weg +gewezen. Gij zoudt dan hebben ingezien dat alleen regtvaardigheid +en trouwe pligtsvervulling u de achting en genegenheid uwer +toekomstige onderdanen konden verwerven, maar dat handelingen als +die waaraan gij thans u hebt schuldig gemaakt, u verachtelijk +moesten doen worden in hun oogen ook al ware uw doel bereikt en al +gehoorzaamden zij hun nieuwen meester uit zelfzucht of uit vrees. +Nu hebt gij, even onverstandig als misdadig, dien eerbied +verspeeld, en u en ook mij met schande overdekt. Of meent gij, dat +ook mij de vernedering niet treft, die u heden wordt opgelegd? Hoe +gaarne had ik ze nog voorkomen! Ik beproefde het, toen ik u op +raad van Aboel Fazl, die u welwillend gezind was, naar Allahabad +zond. Ik wist toen nog niet, dat juist Salhana tot de ergste +verraders en de gevaarlijksten uwer verleiders behoorde. Maar +genoeg, de poging om u te onttrekken aan uwe omgeving mislukte, en +de zaken bleven haar gang gaan. Toen werd het ten laatste noodig +in 't openbaar en ten aanzien van een ieder het bewijs te leveren, +dat list noch geweld ook van den hoogst geplaatste iets tegen +Akbar en de zijnen vermag, en dat de Keizer nog altijd oppermachtig +blijft regeren. Gij hebt mij gedwongen; aan uzelf de schuld van 't geen +heden is geschied. Uzelven hebt gij veel kwaad gedaan, en mij hebt gij +diep gegriefd; dieper dan gijzelf welligt op dit oogenblik beseft. +Moogt gij nimmer in de gelegenheid zijn het volkomen te begrijpen en +door eigen ondervinding te leeren wat het zegt voor een vader, zijn +eigen zoon als vijand tegenover zich te zien en zichzelf misschien +genoopt hem te bestrijden met het zwaard in de hand! + +En wél zou die droevige ervaring ook Selim in later dagen niet +blijven gespaard, en zou hij gelegenheid vinden de woorden zijns +vaders te overdenken, als eenmaal, in de jaren van zijn ouderdom, +Shah Djihan, zijn eigen eveneens geliefde zoon, hem bekampen zou +in 't open veld en meer dan eens met overmagt van legers de zijnen +zou verslaan!... Thans inmiddels gevoelde hij het zedelijk +bewustzijn, dat zoolang had geslapen, weer ontwaakt, en voor 't +eerst doorzag hij in haar vollen omvang zijne schuld, door valsche +raadgevers hem tot heden steeds als weinig beteekenend, of althans +als niets buitengewoons en iets wél verschoonbaars voorgesteld. En +door aandoening overmeesterd, wierp hij, zijn gelaat in de handen +verbergend, zich op de knieën voor zijn vader neer. + +--Sta op!--sprak ten laatste de Keizer na een tijdlang zwijgend +zijn zoon te hebben aangezien,--en luister! Dat ik het volle regt +bezit en de magt om u de straf op te leggen die ik mogt +goedvinden, zult gij zoomin als iemand anders mij kunnen +betwisten. Maar ik wil voor u geene verdere vernedering dan die +welke gij reeds hebt ondergaan. Ik wil dat niet, omdat het schaden +zou aan uw later gezag, aan den eerbied dien men u verschuldigd +zal zijn als gij mij eenmaal zijt opgevolgd in de regering. +Strafte ik u nog verder in 't openbaar, ik zou u dan tevens voor +goed vervallen moeten verklaren van den troon en een uwer jongere +broeders tot mijn opvolger behooren aan te wijzen. Maar dat wil, +dat kan ik nog niet. Ik heb u nog te zeer lief om u voor immer te +verstooten, zoolang ik het vermijden kan. Niettemin blijft alles +afhangen van uzelven. Zeg mij, en zeg het, gelijk gij in dit +oogenblik wel zult willen, opregt:--Verlangt gij nog met mij mede +te werken in het belang van ons rijk, of gevoelt gij daarvoor geen +lust of geen genoegzame kracht? In 't eene geval zal ik u eene +eervolle maar moeijelijke werkzaamheid opdragen; in 't andere kunt +gij hier blijven aan mijn hof, en daar trachten, want dat raad ik +u toch aan, zooveel althans van de kunst van regeren te vernemen +als in uw lateren werkkring u onmisbaar zal zijn. Ik laat u de +keus. + +--Mijn vader!--antwoordde thans eindelijk Selim,--ik gevoel het +volkomen dat ik noch het eene noch het andere aanbod, beiden even +grootmoedig, heb verdiend, en mij niet zou mogen beklagen, indien +ik na mijne laatste handelingen door u van de troonopvolging +vervallen werd verklaard, maar laat gij mij werkelijk eene +onverdiende keus, dan aarzel ik geen oogenblik, maar grijp +terstond het eerste van uwe voorstellen aan. Draag mij een zwaren +en des noods gevaarvollen arbeid op, en ik wil trachten zoo goed +ik kan dien te volbrengen. Gij hebt mij inderdaad met eer en met +gunsten overladen, maar misschien ook wel te veel! ik heb mijn +tijd werkeloos, in ijdele ledigheid, verspild en verbrast, terwijl +gijzelf dag aan dag en avond aan avond hebt gearbeid voor het nut +van den staat; en die werkeloosheid, die ellendige ledigheid, die +geen verstrooijing op den duur kan aanvullen, heeft mij, zoo niet +geheel dan toch voor een groot deel gehoor doen geven aan +verraders en verzoekers, die mij een wezenlijken en meer +roemrijken werkkring voorspiegelden als ikzelf maar eenmaal de +magt, in handen zou hebben. Wijs mij nu zulk een werkkring aan, al +is 't een meer nederige, en ik zal misschien nog gelegenheid +vinden om weer eenigszins goed te maken wat ik jegens u misdreef! + +--Gij beoordeelt uzelven niet onjuist,--hernam Akbar,--en de regte +zelfkennis is wel de eerste stap op den goeden weg. Ook wil ik +gaarne erkennen dat ik van mijne zijde niet geheel vrij ben van +schuld, in zoo ver ik u veel te lang dat ledig en bij alle +grootheid en weelde toch eentoonig leven liet, waarin gij tot +dusver hebt verkeerd. Maar welaan dan! Niet lang nog is het rijke +en vruchtbare Bengalen onderworpen aan mijne heerschappij, en nog +wacht het op de voorregten eener ordelijke regering zooals onze +landen die genieten. Ga nu, en help mij zulk eene regering +invoeren ook dáár! Gij zult er onder mijne souvereiniteit het +bestuur op u nemen, en voortaan een nagenoeg onafhankelijk Koning +zijn, totdat eenmaal de tijd zal zijn gekomen waarin gij, in vrede +ten laatste met uzelven en geacht weer en bemind door uwe volken, +de regering zult kunnen aanvaarden over gansch Hindostan! + +Tranen van vreugde en van dankbaarheid ontsprongen Selim's oogen, +en na eerbiedig de hand des Keizers gekust te hebben snelde hij +heen, vol moed en vol nieuwen levenslust. De verzoening tusschen +vader en zoon was opregt, en de vrede en vriendschap, Akbar +gevoelde het en hij zag juist, zou voortaan niet weder tusschen +hen beiden worden verstoord. + +Was het in Agra na den gelukkig voorbijgedreven storm een tijd van +althans betrekkelijke vreugde, in Allahabad werd het in die dagen +en vooral in de spoedig daarop volgende een tijd van rouw. Voor +ééne ten minste. In algemeene bewoordingen en zonder noodelooze +vermelding van bijzonderheden werd aan Iravati de dood haars +vaders medegedeeld door den nieuwen Goeverneur, die haar tevens de +verzekering gaf dat zij in den burgt kon blijven vertoeven zoolang +haar goed dacht. De misdrijven, waaraan Salhana zich schuldig had +gemaakt waren haar nooit bekend geweest; ook thans vernam zij +daarvan weinig of niets, daar zij den meesten verholen waren +gebleven; en, had zij haar vader nooit wezenlijk leeren +liefhebben, zij had toch tot op zekere hoogte hem achting +toegedragen, en zijne laatste handelwijze jegens haarzelve +vergetend, betreurde zij hem wezenlijk en opregt. Doch weldra kwam +ander nieuws dat wel geschikt bleek om op gansch andere wijze haar +gemoed te schokken, zoo droevig door 't geen zij omtrent haren +Siddha vernomen had, reeds gestemd. + +Niet lang nadat de tijding van Salhana's dood haar geworden was, +kwam Koelloeka, de Brahmaan, zich bij haar aanmelden. Alleen zijn +ééne getrouwe dienaar had op een gevaarvollen togt uit het Noorden +hem vergezeld. + +--Edele jonkvrouw!--sprak hij, bij Iravati toegelaten,--ik +belastte mij met eene zware taak, omdat ik eene boodschap heb over +te brengen, treurig voor u en voor mij. Ik breng u een teeken, dat +u wel bekend zal zijn.... + +En in zijn gordel tastend legde hij den fijn geweven veelkleurigen +sluijer vóór haar neder, dien zij Siddha had toegeworpen, toen zij +voor het laatst hem onder 't balkon van haar venster had gezien. + +--Ik begrijp alles!--riep zij verbleekend uit, terwijl zij +opsprong;--hij is niet meer!... + +--Zóóver--antwoordde Koelloeka,--was het nog niet gekomen toen ik +hem verliet; maar ik vrees toch het ergste, en ik moet twijfelen, +hoe gaarne ik het tegendeel ook geloofde, of ik ooit mijn +voormaligen leerling weer zal zien. + +--Doch zeg mij, wat is er met hem gebeurd?--vroeg Iravati.--Zie! +ik ben nu weer bedaard en wil u rustig aanhooren mits gij mij +alles mededeelt. + +En nu verhaalde Koelloeka omstandig al wat hij van Siddha's +laatste ontmoetingen wist. + +Op zijn dringende en ernstige bede had de Keizer hem veroorloofd, +met zijne Radjpoet's en anderen tegen de stroopers in het Noorden +op te trekken. Daar, in de hem welbekende gebergten, voerde hij +een tijdlang een zeer gelukkigen en roemrijken krijg; gevaren +telde hij niet, maar zocht ze veeleer op, vooral voor zichzelven, +en menigmaal had hij reeds waagstukken beproefd, waarvoor zelfs de +dapperste zijner volgelingen waren teruggedeinsd. Altijd echter +met goed geluk. Doch ten laatste wisten de rooverbenden, terwijl +hij een bergpas doortrok, hem van zijne hoofdmagt af te snijden en +hem en zijne nu betrekkelijk weinige volgers van alle kanten te +omsingelen. Wel streed hij ook thans weer met zijne gewone +onversaagdheid en kracht, wel wist hij de zijnen door eigen +voorbeeld lang nog te blijven aanvuren en viel er menig ruiter van +den vijand door zijn zwaard getroffen in den afgrond, maar ten +laatste stortte hijzelf met wonden bedekt van zijn paard, terwijl +de meesten zijner dapperen gewond of gesneuveld rondom hem lagen +uitgestrekt. Vatsa, die zijne zijde bijkans niet had verlaten en +hem vallen zag, begreep op dit oogenblik beter te kunnen doen dan +een ijdele en nuttelooze wraak te beproeven, liet zich onmiddelijk +van het paard glijden en bleef toen bewegingloos liggen alsof ook +hij verslagen was. Weinige oogenblikken later kwam de hoofdmagt +aanrukken en dwong den vijand tot een haastigen aftogt. Nu sprong +Vatsa snel weer op, begaf zich tot zijn meester en hoewel eerst +meenend dat hij gesneuveld was, ontdekte hij spoedig tot zijn +blijdschap dat hij nog leefde. Met behulp van eenige der nieuw +aangekomen ruiters legde hij den gevallene, na zoo goed het gaan +wilde zijne wonden verbonden te hebben, op een in der haast +zamengestelde draagbaar en stelde toen voor, hem naar een in de +nabijheid gelegen Boeddhistenklooster te voeren, waarheen de weg +hem bekend was. Aan het plan werd terstond uitvoering gegeven. + +--Ikzelf,--vervolgde Koelloeka,--ik bevond mij juist op dat +oogenblik in het klooster toen de ruiters er met hun zwaar +gewonden bevelhebber aankwamen. Met de meeste liefde en zorg +verpleegden hem de goede monniken, en een ervaren geneesheer, die +zich onder de hunnen bevond, gaf mij de verzekering dat niets zou +worden gespaard wat zijne kunst vermogt om hem in 't leven te +behouden. Na eenigen tijd kwam Siddha weer tot bewustzijn, en mij +aan zijne zijde ontwarend, knikte hij mij vriendelijk toe. Ten +laatste gevoelde hij ook voor eenige oogenblikken weer de kracht +om te spreken.--Vriend!--zeide hij,--ik ga u verlaten; Ik gevoel +dat ik hiervan niet meer zal opkomen. Bewijs mij nog één dienst!-- +Vragend zag ik den geneesheer aan, maar deze schudde het hoofd. +Ook hij scheen weinig of geen hoop meer te zien. Tevens echter +wilde hij Siddha het zwijgen opleggen; maar deze stoorde zich niet +aan het verbod.--Ik moet spreken!--zeide hij;--Koelloeka! neem +den sluijer dien gij daar bij mijne wapenrusting zult vinden, +breng dien zoodra gij kunt aan Iravati, en zeg haar dat ik haar +nooit zoo lief had gedurende mijn leven dan op het oogenblik dat +ik den dood nabij weet. Ga terstond en wacht niet tot ik gestorven +ben. Laat mij sterven met het bewustzijn, dat zij het teeken uit +uwe handen ontvangt!--Toen sloten zich zijne oogen en hij sprak +niet meer. Ik aarzelde niet aan dat waarschijnlijk laatste verzoek +te voldoen, nam den sluijer, en Siddha aan de trouwe zorgen van de +Boeddhisten en Vatsa overlatend, toog ik onverwijld op weg. + +--Ik dank u--sprak Iravati,--voor de dienst, welke gij ons beiden +hebt willen bewijzen. Maar Siddha leeft nog, zegt gij, of was nog +niet gestorven toen gij hem verliet. Dan weet ik ook wat mij te +doen staat. + +--Te doen?--vroeg de Brahmaan.--Wat zoudt gij kunnen? + +--Ik ga met u op weg naar Siddha!--antwoordde Iravati bedaard. + +--Wat! Gij?--riep Koelloeka in verbazing uit,--gij, een zwakke +weerlooze vrouw, zonder sterk geleide daar ginds door die wilde +bosschen en bergen, waar het zwermt van rooverbenden en waar wij +anderen zelf reeds aan groote gevaren ons blootstellen op zulk een +reis! Waar denkt gij aan? + +--Zoo goed--was het antwoord,--als gij, mijn vriend! u ter wille +van Siddha aan die gevaren waagt, zoo goed kan ook ik het voor hem +doen. En vrees niet dat ik u tot last zal zijn. Ik ben zoo zwak +niet als gij misschien meent en aan bergwegen en bosschen wel +gewend.--Neen! ging Iravati voort, toen Koelloeka weer nieuwe +tegenwerpingen wilde maken,--tracht mij niet af te brengen van +mijn besluit! Het zou u niet baten. En wilt gij mij niet meenemen, +dan ga ik alléén met een mijner dienaren. Meen ook niet dat mijn +besluit in overhaasting wordt genomen en ik er straks wel op terug +zal komen. Ik heb meer dan eens over de mogelijkheid van een +dergelijk geval gedacht, als zich juist op dit oogenblik voordoet. +Ik heb meer dan eens in omstandigheden die er aanleiding toe +gaven, mijn eigen toestand met dien van de Damayanti der legende +vergeleken, en ik heb besloten, dat zij, waar 't pas gaf, steeds +mijn voorbeeld zou zijn. En wat is nu mijn geringe opoffering bij +de hare? Alléén en van alles beroofd, van alle zijden door nog +gansch andere gevaren omringd, zwierf zij rond door de wildernis +om haar trouweloozen echtgenoot op te zoeken; en ik, ik ga, als +gij 't mij vergunt ten minste, onder geleide van een man van +beproefde dapperheid en beleid; en waar hij weet door te dringen, +zal ik wel weten te volgen! + +--En zijn arm zal u niet falen, waar die bij magte is u te +beschermen!--riep thans Koelloeka uit;--en is die arm al wat +stram, hij bezit toch nog kracht genoeg om het zwaard te hanteren. +Welaan dan! ik wil uw besluit eerbiedigen, niet minder dan ik het +bewonder. Zoo bereid u dan voor tot den togt, en gij vindt mij +gereed om dien met u te ondernemen. + +Zonder dralen ontbood Iravati hare dienares, en haastte zich met +haar de noodige toebereidselen te maken voor de reis, terwijl zij +haar in korte woorden het doel van den togt mededeelde. Niet +weinig was de trouwe Nipoenika, die hare meesteres innig liefhad, +ontsteld, toen zij dat berigt vernam. Maar Iravati legde haar +onmiddelijk het zwijgen op, toen zij eene poging waagde om haar +van de onderneming terug te houden. + +--Laat mij dan met u gaan!--bad de dienares. + +--Neen!--antwoordde Iravati,--dat kan niet. ééne vrouw te +beschermen is al genoeg voor Koelloeka en zijn dienaar. En ik gaf +u bovendien ook juist kennis van mijn plan, maar in 't geheim +altijd, opdat, als ik niet terugkeer, iemand wete waar ik gebleven +ben en dat aan mijne betrekkingen in Kaçmir kan melden. + +--Maar ware 't dan niet beter, den Goeverneur van het fort om +behoorlijk geleide te verzoeken? + +--Ook dàt zou niet deugen. Een afdeeling gewapenden zou onderweg +juist de aandacht trekken, en eene sterke magt kan de Goeverneur +ons niet meegeven. Met ons drieën hebben wij dus veel meer kans de +reis met goed geluk te volbrengen. + +Niet aanstonds evenwel kon de togt worden ondernomen. Koelloeka's +paarden waren nog te vermoeid om onmiddelijk weer op weg te gaan. +Men had dus tot den namiddag te wachten. Lang viel Iravati die +werkelooze tusschentijd. Was men maar eenmaal onderweg, dan was er +ten minste nog eenige afleiding. Nu zat zij onafgebroken te +mijmeren over dat ééne enkele, dat met uitsluiting van alle andere +gedachten haar bezig hield. + +Met schrik, zij wist zelve niet waarom, zag zij op, toen zij +eensklaps iemand haastig hoorde naderen, en een oogenblik later +stond een man vóór haar, aan wien zij in deze oogenblikken wel 't +minst van allen zou hebben gedacht--Selim. + +--Gij hier?--riep zij uit. + +--Ik kwam hier--antwoordde de Prins,--op mijne doorreis naar +Bengalen. En ik kom, naar ik zooeven ontdekte, juist op een goed +oogenblik. Ik kom u verhinderen in de uitvoering van een plan, te +dwaas om in 't hoofd eener verstandige vrouw op te rijzen. Uwe +dienares heeft, uit liefde voor u, het verbod om er van te spreken +geschonden en mij gebeden door mijne tusschenkomst het te +beletten. Ik heb haar dat beloofd. + +--Bemoei u, Heer!--sprak Iravati,--wat ik u verzoeken mag, niet +met mij noch mijne plannen! Ik ben geen kind meer, dat niet weet +wat het doet. En in allen geval zijt gij ook niet geroepen om voor +mij te waken. + +--Toch zal ik het doen, voor uw eigen welzijn. En ook... welnu! +waarom het niet ronduit gezegd?... en ook, omdat ik u niet naar +dien gehaten mededinger verkies te zien gaan, die zelf u ontrouw +werd. Ik kan de gedachte niet verdragen, dat gij dien man, zoo gij +hem nog in leven vindt, met liefkozingen zult overladen, terwijl +gij mij verstooten hebt! En daarom zal ik gebruik maken van mijne +magt en u dwingen hier te blijven al is 't ook tegen uw wil! + +--Gij kunt het, Selim!--antwoordde Iravati,--maar gij zult het +niet. Gijzelf weet zeer goed dat gij niets zoudt winnen, maar wel +verliezen door zulk eene laaghartige daad van geweld. Mij zoudt +gij toch niet erlangen, en Siddha's dood geen oogenblik er door +verhaasten; gijzelf daarentegen, dien ik tot heden bleef achten, +ook al kon ik u mijne liefde niet schenken, gij zoudt u door zulk +eene handelwijze enkel dit ééne verzekeren: mijne diepste +minachting! Begeert gij die? Mijne verachting en uw eigen zeker +niet geringer zelfverachting bovendien? Wilt gij u aanstellen als +een zwakke vrouw, die hare hartstogten niet meester is en enkel +toegeeft aan hare redelooze drift, of wenscht gij u te gedragen +als een man, en door uzelf te beheerschen ook toonen dat gij +waardig zijt eenmaal te gebieden over anderen? Beslis het zelf! Ik +vraag u geen gunst! + +Met gejaagden stap ging Selim op en neder. Een heftige strijd werd +er in zijn binnenste gevoerd door hartstogt en pligtbesef, door +eergevoel en drift. Haar, de vergeefs gewenschte, vruchteloos +gevleide, over te laten zonder tegenstand aan den verwenschten +medeminnaar, was hard, scheen ondoenlijk. Maar toch, zij had regt. +Geen weerstand kon baten en geweld moest hem 't eenige doen +verliezen wat hij nog bezat: de achting van haar, wier oordeel hij +op prijs stelde boven alles. En dan hare laatste woorden, die hem +levendig de diep gevoelde vermaningen van zijn edelen en +verstandigen vader voor den geest riepen! Zelfbeheersching, +zelfverloochening! Eerste pligt en onmisbare deugd voor den Vorst! +Nooit nog had hij in waarheid ze betracht; en zou nu, na zijne +ernstige belofte, na zijn stellig voornemen een nieuw leven aan te +vangen, zijn allereerste handeling weer een daad zijn, die Iravati +met alle regt eene laaghartige geweldenarij had genoemd?... + +--Iravati!--sprak hij ten laatste,--ik onderwerp mij, nu als +vroeger, aan uw wil. Wat het mij kost behoef ik u niet te zeggen; +maar genoeg, ik gehoorzaam. Helaas! ik zeg het nogmaals, waarom +heb ik u niet vroeger gekend? Gij zoudt een ander mensch van mij +gemaakt hebben dan ik geworden ben. Maar dat is nu eenmaal alles +anders; en ik wil trachten mij te schikken in 't onvermijdelijke. +Ga dan, en hoewel ik uw voornemen roekeloos blijf achten, ik mag +toch niet nalaten het te eerbiedigen als een moedig en edel +besluit. Maar nog meer nu! Het kan zijn, het ware althans niet +onmogelijk, dat uw Siddha nog in 't leven bleef; en dan, ik +begrijp het maar al te wel, zoudt gij met hem u verzoenen en het +woord gestand doen dat gij hem gezworen hebt. Welnu! met wangunst +zou ik het aanzien, maar ook zonder wraakzucht jegens u en jegens +hem die u dierbaar is. Laat het dan eenmaal althans gezegd kunnen +worden, dat de zwakke en zelfzuchtige Selim zichzelf bedwong en +dat de toekomstige gebieder van Hindostan ook meester van zijn +eigen hartstogt kon zijn. En als gij vroeg of laat, gij of Siddha +Rama, mijne bescherming mogt behoeven, ik geef u mijn vorstelijk +woord dat ze u niet zal worden onthouden. Eéne gunst alleen vraag +ik van u, die er thans geene van mij wilt ontvangen! Ontzeg mij, +al zien wij elkaar nimmer weder, uwe vriendschap niet geheel, en +denk niet met toorn en verachting aan een man, wiens eenig +misdrijf jegens uzelve toch alleen hierin bestond, dat hij u al te +hartstogtelijk beminde!... + +Geen antwoord meer wachtte hij, maar snelde voort.--Mijn vader!-- +sprak hij in zichzelven, terwijl hij met haastige schreden en +zonder om te zien zich verwijderde,--zoudt gij thans, voor éénmaal +ten minste, vrede kunnen hebben met uw zoon?... + + + +ZESTIENDE HOOFDSTUK. + +Feizi's vloek + +In 't Boeddha-klooster in het gebergte lag Siddha op zijne +legerstede, en nevens hem zat Iravati. Zoo groot ook hare vreugde +was geweest toen zij na den moeijelijken en gevaarvollen, maar +gelukkig volbragten togt vernam dat haar Siddha nog leefde, +zoozeer werd die blijdschap ook getemperd toen de geneesheer zijn +behoud nog uiterst twijfelachtig noemde, en zij, bij hem +toegelaten, hem voortdurend bewusteloos vond. Of hij ooit weer zou +ontwaken? Of zou hij sterven zonder haar te hebben herkend? + +Na verloop van een in bange afwachting doorgebragten tijd begon er +ten laatste weer eenige hoop te ontstaan; maar de arts raadde +Iravati tevens ernstig, zichzelve wat meer rust te gunnen als zij +den gewonde nog verder wilde blijven verplegen. Ook wisten +Koelloeka en de monniken haar nu en dan tot eene korte wandeling +te bewegen; en niet zonder genoegen bezocht zij dan bijwijlen ook +den kleinen bij het klooster gelegen tempel, als de kerkklok er de +geloovigen met hunne rozenkransen ten gebede riep. En met +belangstelling ook luisterde zij meer dan eens naar de redenen van +den Opperpriester, als deze haar over het ijdele en nietige van +het menschelijk leven sprak, waarin het leed voor het meerendeel +der wezens zooveel grooter was dan het geluk, en waarvan eenmaal +voor goed verlost te worden om te mogen ingaan tot het nirvâna, de +hoogste zaligheid was die voor den mensch bleef weggelegd. + +Koelloeka vond op dergelijke redenen wel wat aan te merken, en hij +zou in andere omstandigheden den priester misschien wel hebben +tegengeworpen, dat werkzaam te zijn en ten nutte van anderen toch +een waardiger levenstaak was dan verzonken te blijven in ledige +bespiegeling omtrent de ijdelheid der dingen; maar hij bemerkte +dat die stille en kalme, schoon ietwat droomerige leer juist voor +'t oogenblik een weldadigen invloed op Iravati had; en hij zweeg. +Ook was tegenspraak hier in zeker opzigt vrij overbodig, vermits +toch deze Boeddhisten zelf weer het bewijs leverden dat de natuur +soms beter is dan de leer. Wel namen zij geenerlei deel aan het +woelige leven en de gewone zorgen der wereld; maar dat zij in +ledigheid hun tijd doorbragten, kon hun waarlijk niet worden +verweten. Onvermoeid zwierven zij door het gebergte en gingen rond +bij de arme bergbewoners, overal weldoende voor zoover in hun +vermogen stond en zooveel doenlijk het leed verzachtend van allen +die zich ongelukkig gevoelden, zonder onderscheid van godsdienst, +van kaste of van nationaliteit. + +Weder was Iravati eens op een avond bij het leger van Siddha +gezeten, terwijl de geneesheer hem van de andere zijde gadesloeg, +toen hij, langzaam de oogen openend, een vlugtigen blik om zich +heen wierp en nevens zich Iravati scheen gewaar te worden. Want +zacht fluisterde hij haar naam, terwijl hij op 't zelfde oogenblik +weer de oogen sloot. Een wenk van den arts gebood haar, voor heden +zich te verwijderen; en schoorvoetend, maar 't hart toch vervuld +van vreugde, verliet zij hem om Koelloeka de heugelijke tijding te +gaan mededeelen. Den volgenden dag vond deze zijn vriend weer +aanmerkelijk toegenomen in beterschap en tot spreken ook weer in +staat. + +Maar niet dan spaarzaam maakte Siddha van de gelegenheid gebruik, +ook toen Iravati weder tot hem kwam. Wel bleef hij haar kennen, +even als zijn vriend; maar van het voorleden scheen hij zich +overigens niets te herinneren, en een nevel scheen er te zweven +voor zijn geest. Wezenloos zat hij meestal voor zich te staren en +alleen de stem van Iravati kon hem dan voor een oogenblik weer +doen ontwaken uit zijn verdooving. Dat bleef zoo, ook nadat zijn +ligchamelijke krachten zoo goed als volkomen reeds waren hersteld +en hij tot een behoorlijke beweging zich weer geheel in staat +gevoelde. + +Eens echter, toen hij met Iravati in de nabijheid van het klooster +rondwandelde, was het alsof plotseling een door haar gesproken +woord, of ook eenig voorwerp dat hem in 't oog viel,--zij wist +zelve later niet meer wat,--een herinnering bij hem opwekte. +Eensklaps stond hij stil, zag verwonderd om zich heen, en streek +zich met de hand over 't gelaat. Maar het hoofd schuddend wandelde +hij verder. Nogmaals echter stond hij stil, en beschouwde +oplettend nu eens de hooge bergtoppen, dan de helder blauwe lucht, +dan weer de vallei en de bosschen daar omlaag.... Eene doodelijke +bleekheid overtoog zijn gelaat, en met verwilderden blik zag hij +Iravati aan .... Het geheugen was teruggekeerd en in zijn volle +kracht; maar hoe? En ware vergetelheid voor altijd niet misschien +nog gelukkiger geweest?... + +--Van hier!--riep hij ten laatste uit,--van hier! Wat wilt gij +ongelukkige! nog in mijne nabijheid? Hoe moogt gij nog dulden dat +ik u nader, ik de trouwelooze, de schandelijke verrader, beladen +met den zwaarsten vloek die het hoofd van een man ooit treffen +kon!... + +Met nameloozen schrik had Iravati hem aangehoord. Wel begreep zij +niet aanstonds alles, maar toch reeds meer dan genoeg. Zij wilde +spreken, maar de stem begaf haar en in diepe smart zonk zij neder +aan zijne voeten. + +--De vloek,--herhaalde Siddha wild,--de vloek van Feizi: "Leef met +de herinnering aan 't geen gij gedaan hebt, gij die u een edelman +noemt, en al verwerft gij alles wat gij begeert, altijd zult gij +de oogen neerslaan voor ieder eerlijk man dien gij ontmoet!" En +dan zou ik nog wagen ze op te heffen tot u, de reine, schuldelooze, die +ik laaghartig even als dien edelen vriend verried! Ga weg! zeg ik, ver +van hier! Een gestalte verrijst daar tusschen u en mij!... Het is Feizi, +innemend, beminnelijk zooals hij was als vriend,... maar nu weer +dreigend en streng, zooals ik hem zag toen hij als regter mijn vonnis +sprak!... + +En Iravati, het hoofd weer opheffend, zag hem de oogen bedekken +met de hand, als vreesde hij langer haar te aanschouwen. Eindelijk +vond zij tot spreken weer de kracht. + +--Kom mede--zeide zij,--en ga weer met mij naar binnen! Gij +overspant u, en haalt u valsche droombeelden in het hoofd. Dat is +u niet goed. Zoo kom dan! + +--Droombeelden!--sprak Siddha bitter,--mogt dat waar zijn! Maar +neen! Ik ben geheel ontwaakt, ik ben volkomen helder, mijne kracht +is teruggekeerd, maar ook de herinnering, de vreeselijke +herinnering, en levendiger nu dan ooit. Nog gevoelde ik niet den +waren zin van Feizi's woorden; maar thans heb ik ze leeren +begrijpen, nu ik u heb weergezien. Voor den Keizer, ja! tot zelfs +voor den minste mijner soldaten heb ik vol schaamte de oogen +moeten neerslaan, maar nooit zoals nu. En ik zocht ook een +eerlijken dood, en dat stelde mij nog in staat hun blik te +verduren...--Iravati!--ging hij voort,--gij weet niet met wien +gij spreekt, gij kent mijn laatst voorleden niet. + +--Ik ken het,--antwoordde Iravati,--en al weet ik niet bepaald wat +er tusschen u en Feizi is voorgevallen, ik meen het toch +genoegzaam uit uwe woorden te kunnen opmaken. + +--En toch spreekt gij nog met mij?--riep Siddha uit,--en wendt u +niet van mij af, en kwaamt mij zelfs opzoeken om mij te verplegen +of mij te troosten in mijne laatste oogenblikken! + +--Heb ik u, Siddha! dan geen trouw gezworen en was ik niet +gehouden mijn woord gestand te doen zoolang het door uzelf mij +niet werd teruggegeven? En dat is immers niet geschied. Want gij +hebt mij door Koelloeka het teeken gezonden, dat mij ten blijk +moest strekken dat uwe laatste gedachte gewijd was aan mij. Toen +heb ik begrepen dat ik pligten had op mij genomen, pligten van +eene echtgenoote ook al had nog geen huwelijk ons vereenigd. + +--Welnu!--hernam Siddha,--ik ontsla u dan van die pligten en van +uwe vroegere gelofte! 't Is waar, mijne liefde keerde terug, en +met gansch nieuwe nog ongekende kracht, toen eenmaal de +noodlottige verblinding van mij geweken was; maar gij, gij kunt +mij trouw zijn en uw vermeenden pligt vervullen, maar beminnen +kunt gij mij niet meer. + +--Ik bemin u als voorheen!--antwoordde Iravati. + +--Gij zoekt u dat op te dringen uit overdreven eergevoel; maar het +kan niet zijn, en later zoudt gij u berouwen dat niet beter te +hebben ingezien. Er is geen liefde, waar geen achting meer kan +bestaan. En de vrouw moet kunnen opzien tegen den man, en haar +steun zoeken bij hem; maar ongelukkig het verbond als de man de +zwakkere is en zich te schamen heeft tegenover zijn eigene +echtgenoote! Ga dan en vergeet mij; ik ben zelfs uwe herinnering +niet meer waardig. + +--Gij verstoot mij dus? + +--Ik heb geen regt u te verstooten, geen regt eigenlijk ook om u +te ontslaan van uw woord; en zoo ik 't al deed, het was enkel om u +gerust te stellen en u 't gevoel te sparen alsof gij uit eigen +beweging mij verlaten hadt. + +--Luister naar mijne bede, Siddha!--sprak nu Iravati vleijend, +terwijl zij vertrouwelijk hare hand op zijn arm legde;--ik wil +niet met u twisten over al wat gij mij tracht voor te houden, ik +wil ook niets eischen, niets vorderen als mijn regt, maar u +smeeken alleen, gehoor te geven aan mijne vurige, mijne +hartstogtelijke wenschen. Keer u niet van mij af, verlaat mij +niet, juist op dit oogenblik nu ik meende u herwonnen te hebben! +Zie ik vraag u niet eens eene belofte voor de toekomst; ik geef u +de volkomen vrijheid; doch laat mij, al is 't ook maar een korten +tijd, nog in uwe nabijheid! De scheiding ware mij thans +onmogelijk! + +--Neen, en nogmaals neen!--antwoordde Siddha, thans bijkans met +hardheid,--geen weifelingen, geen nieuwe zwakheden meer! Ik beging +er waarlijk al genoeg. Nog eens alzoo: vergeet mij, en laat mij +gaan! + +En Iravati afwerend, die, voor hem nedergebogen, zijn gewaad nog +met de handen omklemde, wilde hij heensnellen en vlugten om de +eenmaal en ook nog heden zoo teeder beminde nimmer weer te zien. + +--Het is wel!--sprak nu Iravati, zich oprigtend met beleedigd +gevoel van eigenwaarde, en krachtiger en vaster klonk hare stem +dan Siddha die nog ooit had gehoord,--het is wel! Gij hebt, geloof +ik, gelijk. Gij maakt u mijne liefde onwaardig. Eenmaal zijt gij +ondanks al uwe geloften mij ontrouw geweest, maar ik had het +vergeven en vergeten, omdat ik begreep dat gij voor eene +verleiding waart gezwicht gelijk ik die niet kende. Doch nu +verwerpt gij mij willens en wetens, en niet omdat ik iets jegens u +misdreef, maar alleen omdat gijzelf te trotsch zijt om voor uwe +eigene vrouw te willen bekennen, dat gij eenmaal zwak en tegen +verleiding niet bestand zijt geweest. Welnu dan, verlaat mij! +Zonder u is mijn leven niets; maar eene afgedwongen liefde mag +geene jonkvrouw van ons geslacht verlangen, ook niet van den man +dien zij bemint. En zoo nu de herinnering aan 't geen gij jegens +een vriend misdreven hebt, u vervolgt, laat er dan nog ééne +bijkomen: de herinnering aan de vrouw, dien gij eenmaal hebt +liefgehad, maar die gij hebt opgeofferd om te voldoen aan uw +zelfzuchtige hoovaardij!... + +Siddha weifelde. Zou hij gaan? Kon hij blijven? Wel wenschte hij +dit; maar was het overeen te brengen met zijn gevoel van eer? Toch +bleef hij nog staan, en verwijderde zich niet, gelijk hij zoo +aanstonds nog voornemens was. + +--Wie zal beslissen?--vroeg hij, de hand aan het voorhoofd +slaande;--er is waarheid in 't geen gij zegt, en toch ook weer +strijd met wat ik als regt beschouw...--Doch--vervolgde hij,--zou +een ander, en die wijzer is dan wij beiden, niet misschien nog +weten te rigten tusschen ons? + +--Gij bedoelt Koelloeka? + +--Neen, niet hem, zoo verstandig hij ook zijn mag, en zoo hoog ik +hem ook acht. Ik weet het vooruit, hij zou slechts uw en mijn +geluk trachten te verzekeren, en dat meenen te doen door u +eenvoudig gelijk te geven. Hij is niet onpartijdig, niet vrij meer +in zijn oordeel. Een ander,--maar vraag mij nu niet nader!--zou de +eenige zijn, dien ik in een tweestrijd als dezen kan vertrouwen, +en misschien zal hij mij raad kunnen geven. Luister dan, Iravati! +naar thans meer bedaarde, verstandige taal! Laat mij van hier +vertrekken en zoo spoedig mogelijk. Misschien keer ik weldra +weder, misschien ook nooit. Kom ik terug, dan is mijn verder leven +voor immer u gewijd; zoo niet, weet dan dat ik heb opgehouden voor +u te bestaan, en dat gij vrij zijt en van alle vroegere banden +ontslagen. En nu, geen tegenwerpingen meer! Heb geduld met mij, +gelijk gij tot dusver het steeds hebt betoond!... + +En eer Iravati bij dit nieuw en onverwacht besluit gelegenheid had +gevonden tot een antwoord, was hij verdwenen, en zocht hij reeds +naar zijn dienaar om zijn paard te zadelen en zich gereed te maken +tot een togt, waarvan het doel haar onbekend moest blijven. In +allerijl begaf zij zich naar Koelloeka en deelde hem in der haast +mede wat tot verklaring kon strekken van Siddha's zonderling +besluit. Wat hem gemeld werd, was den goeroe genoeg om hem te doen +inzien, dat het beter ware Siddha zijn gang te laten, dan hem in +dit oogenblik tegen te werken, ook al stelden zijne pas herwonnen +krachten hem nog nauwelijks tot het verduren van vermoeijenissen +in staat; en zoo goed mogelijk zocht hij de bedrukte Iravati te +troosten met de hoop, dat zij haar verloofde binnen een niet al te +lang tijdsverloop zou terug mogen zien. Inmiddels was Siddha zelf, +na een hartelijk afscheid van den Boeddha-priester, wien hij +tevens een rijk geschenk voor het klooster ter hand stelde, met +Vatsa reeds spoedig op weg.... + +Wederom gleden de late zonnestralen langs de hellingen van den +Himâlaya, en wederom daalde Siddha, maar nu enkel door zijn +dienaar vergezeld, naar de vallei, waar de woning van Gaurapada +lag. Daar werd hij door den ouden dienaar ontvangen, die hem +spoedig herkende en aanstonds zijn meester de komst van den gast +ging melden. + +Met blijdschap ontving de kluizenaar zijn jongen vriend, maar met +bekommering tevens zag hij hem aan, toen hij de verandering +opmerkte die zijn voorkomen had ondergaan. Het vroeger zoo open en +vrolijk gelaat, thans verbleekt, had eene strakke, sombere +uitdrukking aangenomen en ook de gansche houding scheen niet +veerkrachtig meer als voorheen. In betrekkelijk korten tijd was de +jongeling een man geworden; echter niet een man van geestkracht en +met levensmoed bezield, maar een die gebogen ging onder leed, en +wel--de scherpe blik van Gaurapada doorzag het dra,--onder dat +leed, dat welligt het zwaarst te dragen is, de smart die haar +oorsprong heeft in grievend zelfverwijt. + +--Eerwaarde!--begon Siddha, na de eerste begroeting,--of laat mij +liever zeggen, mijn genadige Vorst!... + +--Neen,--viel de kluizenaar hem in de rede,--blijf mij Gaurapada +noemen! Ik ben niets anders meer. + +--Welnu dan,--hernam Siddha,--ik gehoorzaam. En met vreugde zie ik +dat ge u mijner nog herinnert. Maar tevens zullen dan ook de +woorden u nog wel heugen, die gij bij mijn kort bezoek in uwe +gastvrije woning, ten afscheid tot mij gesproken hebt. + +--Ik liet u beloven--antwoordde Gaurapada,--mij nogmaals op te +zoeken als er ooit een tijd in uw leven kwam, waarin gij den raad +van een goed en opregt vriend mogt behoeven en dien bij een ander +niet te vinden wist. Ik begrijp, dat een dergelijke reden u thans +hier brengt. En mag ik oordeelen naar uw uiterlijk, dan moet, +dunkt mij, die reden ook eene zijn van droevigen aard. + +--Dat is zij,--sprak Siddha,--en als ik u alles heb meegedeeld, +zult gij u misschien verwonderen, dat mijn voorkomen nog niet +duidelijker te kennen geeft wat er in mij omgaat. + +--Kom inmiddels aan de andere zijde van het huis,--zei Gaurapada;-- +wij willen ons daar neerzetten en er rustig zamen spreken. + +Gaarne voldeed Siddha aan de uitnoodiging, en nadat hij op +dringend verlangen van den kluizenaar eerst nog een versterkenden +wijn en eenige ververschingen had gebruikt, begon hij 't verhaal +van zijn wedervaren tot op het oogenblik dat hij Iravati in het +klooster verlaten had. + +Opmerkzaam en met groote belangstelling hoorde Gaurapada hem aan, +en toen het verhaal ten einde was, zweeg hij nog geruimen tijd en +bleef in gedachten vóór zich staren. Eindelijk nam hij weer het +woord en Siddha aanziend met zijn helder en vriendelijk oog, zeide +hij: + +--Inderdaad! gij hebt u een zwaren last op de schouders gelegd. +Maar toch niet een, die voor een man niet te dragen zou zijn. Dat +gij door Goelbadan u liet verleiden acht ik zeer zeker niet te +verdedigen, maar toch wel verschoonbaar; dat gij echter uwe +betrekking met haar niet wist af te breken, toen gij ontdekt had +wie zij was, noem ik een niet ligt te vergeven schending van de +vriendschap die u aan Feizi verbond. Zoo was ook uw aanvankelijke +ontrouw jegens den Keizer grootendeels het gevolg eener dwaling; +maar tegen hem zaam te spannen en tevens in zijn dienst te +blijven, was misdadig. Ik beoordeel uw gedrag dus geenszins +zachter dan gijzelf. Integendeel, mijn oordeel moet zelfs iets +harder zijn. Want gij meent dat de reeks uwer feilen gesloten was, +toen gij den Keizer uw misdrijf hadt bekend. Maar gij bedriegt u. +Gij hebt er nog eene begaan, die niet minder noodlottig kon zijn +dan de overige, hoewel eene dwaling ook waartoe zeer velen in uwe +omstandigheden plegen te vervallen. De groote meerderheid der +menschen verbeeldt zich even als gij, dat berouw eene deugd is, en +dat boete en zelfkastijding het eenige is waardoor de misdadiger +zijne schuld kan uitwisschen. Maar er zijn weinig dwalingen zoo +verderfelijk menigmaal in de gevolgen als juist deze, wanneer de +boete nu juist daarin bestaat, dat men zich onttrekt aan den +werkkring waarin men nog nuttig werkzaam kan zijn, en ook anderen +in zichzelven straft. En dat was het, wat gij voornemens waart te +doen. Eerst zoekt gij den dood op het slagveld; en dat was ook +zeker 't eenvoudigste, als gij uzelf het leven niet wildet +benemen; mij blijkt echter niet wat uw dood op zichzelf aan +anderen gebaat zou hebben, en hoe gij uw vergrijpen er dus weer +goed mee kondt maken. En nu gij een eervollen dood niet hebt +kunnen vinden, en daartoe misschien ook voor 't oogenblik geen +gelegenheid bestaat, nu verklaart gij mij uw voornemen om eenzaam +te gaan leven in de wildernis en uwe dagen te slijten in +zelfkastijding en boete. Maar waartoe? Tot wat kan in uw geval die +afzondering dienen, óf voor uzelf óf voor een ander? En dan +Iravati, uwe bruid! Haar verstoot of verlaat gij, hoe ge 't noemen +wilt, niet omdat zij ontrouw werd jegens u, maar omdat gijzelf u +te schamen hebt gehad tegenover haar. Gij straft dus niet uzelf, +maar juist haar in de eerste plaats. Noemt gij zoo iets pligt of +deugd? Neen, mijn vriend! het zou slecht zijn, omdat het niet +enkel 't gevolg van een dwaling maar van een grove ondeugd zou +zijn.... Gij ziet mij verwonderd aan, maar gij zult mij gelijk +geven als ik u die ondeugd noem. Zij is hoogmoed, verregaande +trots, en sterk doet ze zich gelden bij u, terwijl ge u hebt +wijsgemaakt dat gij uzelven vernedert. Iravati heeft gelijk. Gij +waart te hooghartig om u te verbinden aan eene vrouw, die uwe +zwakheden kende of ze eenmaal zou kunnen ontdekken, terwijl zij +zichzelve niets te verwijten had. En evenzoo is het in waarheid +niet dan hoogmoed, wat u zou nopen de wereld te ontvlugten. Gij +zijt bevreesd soms iemand te ontmoeten, die 't een of ander van +uwe vroegere handelingen vernomen had; en zelfs durft gij een +ander man niet meer onder de oogen zien, ook al is hem niets van u +bekend, enkel omdat gij u bewust zijt eenmaal verkeerd en slecht +gehandeld te hebben. Heet dat, vraag ik, deugd of moed, of is 't +alles niet weder laakbare zwakheid? + +--Maar de laatste woorden van Feizi!--sprak Siddha, toen de +kluizenaar op een antwoord bleef wachten. + +--Ik had de tegenwerping voorzien,--hervatte Gaurapada,--en ik +wil haar volstrekt niet zekere beteekenis ontzeggen. Maar wachten +wij ons voor overdrijving! Dat Feizi handelde en sprak zooals hij +deed, noem ik zeer verklaarbaar; ikzelf zou in gelijke omstandigheden +misschien evenzoo hebben gedaan. En toch had hij in zekere mate weer +ongelijk; en zoo hij thans in mijne plaats was en dus onpartijdig +oordeelen kon, hij zou, ik twijfel niet, u hetzelfde zeggen. Een man +behoeft nog volstrekt niet zijn gansche leven lang zich te blijven +vernederen tegenover anderen, omdat hij eenmaal een afkeurenswaardige +daad bedreef, indien hij door latere handelingen de achting zijner +medeburgers zich waardig heeft weten te maken. Wel daarentegen zou hij +tegenover hen zich te schamen hebben, wanneer hij, na eens zijn plicht +door handelen te hebben verzaakt, door niet-handelen voortging dat te +doen.... En nu, luister naar den raad dien gij mij vraagt en dien ik u +volgaarne geef. Gij zijt voorlang tot het vol besef van het onwaardige +uwer vroegere gedragingen gekomen en hebt uzelven daarover aangeklaagd +bij den Keizer, bij Iravati en bij mij. Dat was goed, zeer goed! Maar +dat besef, dat helder inzigt in 't verkeerde uwer daden moet niet de +laatste wezenlijke stap zijn, maar juist de eerste op een beteren weg. +Het zal u kunnen behoeden voor latere dwalingen; niet alleen voor +soortgelijke als waartoe ge u liet verleiden, maar ook voor andere. Gij +zult beter leeren waken over uzelf, uwe indrukken, uwe hartstogten en +driften, meer beducht zijn voor daden, waarover gij later tegenover +anderen en uzelf u beschaamd moet gevoelen; en in 't eind kan op die +wijze een gemoedstoestand voor u geboren worden, waarin 't u nagenoeg +niet meer mogelijk ware te handelen tegen 't geen plicht en eer +gebieden. Maar niet, wanneer gij aan het werkelijke leven u onttrekt en +de verzoeking tracht te ontgaan enkel door ze te ontvlugten. Weersta de +verleiding, en begin nu in de eerste plaats met de overwinning van +uw misplaatsten trots! Daarom, neem Iravati tot vrouw en maak u +harer waardig; ga tot den Keizer en vraag hem een werkzaamheid +waarin gij hem en uw land van dienst kunt zijn. Ik twijfel geen +oogenblik, of hij zal ze u gaarne verleenen na uw op nieuw betoonde +trouw. Ik begrijp dat gij Feizi liefst zult willen ontwijken, en dat is +ook goed; gij behoort hem een nadere ontmoeting te sparen; maar +Hindostan is waarlijk groot genoeg om twee menschen van elkaar +gescheiden te houden, en in Kaçmir of elders kunt gij even goed als te +Agra zelf nog werkzaam zijn. Denk nu over dat een en ander eens na en +meld mij, als gij 't overwogen zult hebben, uw besluit!--Neen, antwoord +mij thans niet terstond,--sprak Gaurapada met afwerend gebaar, toen hij +Siddha gereed zag het woord op te vatten;--neem thans de rust, die, ik +zie het, u volstrekt noodig is; en als gij dan morgen behoorlijk alles +hebt overwogen, zeg mij dan of er nog bezwaren bij u bestaan tegen 't +geen ik gemeend heb u te moeten aanraden! + +En met een vriendelijken groet verwijderde zich de kluizenaar en +liet Siddha over aan zijne eigene overpeinzingen. + +Den anderen dag stond nogmaals Siddha gereed om afscheid te nemen, +en nu voor 't laatst misschien, van Gaurapada. Lang nog bleven de +beide mannen in gesprek en toen eindelijk de reiziger weer te +paard zou stijgen, drukte hij met warmte zijn waardigen gastheer +de hand, en sprak met bewogen stem, maar weer verhelderd gelaat:-- +Ik dank u, Gaurapada! voor de wijze en mannelijke taal, die gij +tot mij hebt gesproken. Een nieuw leven ben ik u verschuldigd, en +ik wil hopen mij daarin anders te gedragen dan in dat vorige, dat +ik niet wil vergeten maar voor altijd achter mij laat. Gij hebt +mij geleerd wat regt berouw en wezenlijke boete is; moge ik nimmer +toonen dat ik u verkeerd begreep, of u aanleiding geven tot de +ervaring dat gij uw goeden raad aan een onwaardige hebt +verspild!... + + + +ZEVENTIENDE HOOFDSTUK. + +Bij het praalgraf + +In de nabijheid van het dorp Sekandra, niet ver van Agra, verheft +zich een dier prachtige gebouwen, die, de roem van Hindostan en +door de smaakvolle weelde hunner bouworde de bewondering wekkend +van alle reizigers, de laatste overblijfselen mogen heeten van de +vóórlang verdwenen grootheid der Mogols. Een met torens bezette +ringmuur geeft door een breede poort van rooden met marmer +ingelegden steen den toegang tot een uitgebreid, met lommerrijke +boomen beplant park, in welks midden zich een gebouw van +aanzienlijke hoogte en kolossalen omvang bevindt. En dat gebouw +zelf, niet minder uitmuntend door de strenge schoonheid zijner +lijnen dan door het weelderige en bevallige der tallooze op de +muren, poorten en minaretten aangebragte versieringen, is wederom +door een aantal hoogere en lagere open koepels en galerijen +omringd, zoodat het geheel eer nog eene verzameling van paleizen +en lusthoven schijnt dan een op zichzelf staand monument. Die +grootsche stichting evenwel is niet het verblijf van levenden, +maar werd bestemd om het gebeente te dekken van een roemruchtigen +doode, van Akbar. + +Eenige jaren na de tot hiertoe vermelde gebeurtenissen stond daar +in het park eens op een avond een zwijgend paar. Een krachtvol man +in rijk en smaakvol gewaad, met de linkerhand op het gevest van +zijn sabel en met den regterarm om de leest eener beeldschoone, +bevallig gekleede vrouw, die, als de ligte slingerplant aan den +sterken eik, aan den schouder van haar echtgenoot leunde: Siddha +Rama met zijne thans overgelukkige Iravati.... Bewonderend zagen +beiden op naar het heerlijk mausoleum en dachten aan den man, van +wien zij zoo menigmaal te zamen en nooit anders dan met den +hoogsten eerbied gesproken hadden. + +Veel was er gedurende die inmiddels verloopen jaren anders +geworden. + +Akbar dan was niet meer. Selim, zijn zoon, na op verlangen van +zijn vader bij diens sterfbed het zwaard te hebben aangegord dat +hij, de Keizer, steeds had gedragen, was hem opgevolgd en regeerde +nu onder den titel van Djihangir in Hindostan. Dat hij met Akbar +niet te vergelijken viel, lag wel in den aard der zaak, en niemand +dan ook die verwachtte dat hij hem ooit zou evenaren; maar slecht +kon zijne regering toch niet worden genoemd, en aan zijne +opvolgers, aan Shah Djihan en Aurengzeb, was het voorbehouden, +onder allen uitwendigen glans de zaden te strooijen van het +bederf, dat het eenmaal zoo magtige rijk weer uiteen zou doen +vallen, om als eene ligte prooi het ten laatste in handen te +spelen van Britsche veroveraars. Zijne slechte gewoonten had Selim +overigens nog wel niet gansch afgelegd; en Sir Thomas Roe, die als +Engelsch gezant zijn hof bezocht, vond gelegenheid om hem in een +dergelijken toestand te zien, als waarin Siddha hem op het +nachtfeest in zijn paleis had aanschouwd; maar toch had hij +geleerd zijne uitspattingen te beperken, en in elk geval was hij +geenszins de onverbeterlijke dronkaard geworden, die hij eenmaal +bestemd scheen in 't vervolg van zijn leven te zijn. Jegens +Iravati had hij volkomen zijn woord gestand gedaan, en gelukkig +ook vond hij troost over de ondervonden teleurstelling in zijn +huwelijk met de schoone en verstandige Noermahal, die een +veelbeteekenenden en in vele opzigten heilzamen invloed op hem +verkreeg. + +Dat Kaçmir in 't eind moest onderworpen worden, was reeds lang te +voorzien geweest; en na de verijdeling van Selim's zamenzwering +kostte het Akbar weinig moeite meer om door te dringen in het +ontredderd land en het te onderwerpen aan zijne heerschappij. De +zwakke Koning was gesneuveld; zijne onwaardige zonen werden +verbannen; Siddha's vader werd door den Keizer tot Onderkoning +benoemd, en hijzelf erlangde, met het vooruitzigt zijn vader op te +volgen, de eerste betrekking na dezen in het land, terwijl +Koelloeka hem, trouw als steeds, met raad en daad ter zijde bleef +staan. Niet lang ook of het volk, dat zich eerst niet dan noode +had gewonnen gegeven, begon de zegeningen te waardeeren van het +nieuw en thans eindelijk door wijze instellingen en bekwame +beambten rust en welvaart verzekerend bestuur. + +De kluizenaar van den Bhadrinâth beleefde niet meer de volkomen +onderwerping van zijn vaderland. Eens, toen Koelloeka hem een +bezoek was gaan brengen om hem op de tijding daarvan voor te +bereiden, vond hij den ouden dienaar alleen. Zijn meester was op +eenmaal ongesteld geworden en weinige dagen later was hij +gestorven, rustig en kalm zooals hij in zijne laatste jaren had +geleefd. De dienaar begroef het lijk op eene hoogte, die naar de +zijde van Kaçmir ziet. Daar legde Hara, de tijger, zich neder, en +begon, als de dienaar hem zocht te verwijderen en naar huis te +lokken, op onheilspellende wijze te grommen. Aan het voedsel en +het water dat hem op die plek gebragt werd, raakte hij niet; en na +enkele dagen lag hij dood op het graf van zijn meester en vriend. +De dienaar begroef hem nevens dezen. + +Van Parviz, jegens wien Feizi blijkbaar van het gebeurde met +Goelbadan gezwegen had, ontving Siddha van tijd tot tijd vrolijker +berigten. Hij was gelukkig door het bezit van de dochter des +schatmeeesters; en, in een hooge staatsbetrekking geplaatst, hield +hij zich vooral ook bezig met het ordenen van de letterkundige en +diplomatische nalatenschap van Aboel Fazl, zijn steeds nog door +velen diepbetreurden oom. + +Abdal Kadir bleef zich terugtrekken uit het openbare leven en werd hoe +langer hoe regtzinniger, en steeds hartstogtelijker ijveraar voor het +ware geloof. Hij zocht troost voor zijne vele teleurstellingen en +ergernissen in het schrijven van zijn Moentak-hab-oet-Tawarikh, waarin +hij zich bitter bleef beklagen over Akbar en dapper voortging op Aboel +Fazl en Feizi te schelden, die hem nooit kwaad hadden gedaan. + +De Padre Aquaviva keerde niet te Agra terug; anderen kwamen er +later zijn werk weder opvatten. Met weinig gelukkiger uitslag +evenwel; en ook nu nog, bijkans drie eeuwen later, blijft de +bekeering van Hindostan tot de vrome wenschen van Westersche +dweepers behooren. + +Of de trouwe Vatsa met de praatlustige maar goedhartige Nipoenika +huwde, meldt de geschiedenis niet. De waarschijnlijkheid echter +bestaat, dat de dienaar en de dienares wel het voorbeeld van +meester en gebiedster zullen gevolgd hebben. + +Aan het geluk van deze beiden ontbrak thans weinig of niets meer. +Wel kwam er bij wijlen nog eene sombere herinnering opdoemen in +Siddha's geest, maar hij had zich langzamerhand gewend, zich +daardoor niet geheel te laten neerslaan, en vooral ook zijn leed +voor Iravati te verbergen, sinds hij bemerkt had hoezeer 't haar +bedroefde als zij de donkere uitdrukking op zijn gelaat ontwaarde, +wier oorzaak zij maar al te wel begreep. Wat en hoe hij misdreef, +had hij eens voor al omstandig haar bekend, maar als hij toch soms +nog zinspeelde op het gebeurde, sloot zij vriendelijk lagchend hem +den mond en wilde er niets meer van hooren. En eenigen tijd na hun +huwelijk had zij hem een zoon geschonken, dien hij weldra haast +niet minder dan haarzelve beminde. Toch leerde hij nu eerst +volkomen haar waardeeren, en begrijpen welk een schat hij gewonnen +had en bijkans zou hebben versmaad, toen hem Iravati haar +wedervaren met Selim verhaalde, en vreemd opzag toen hij in +levendige bewoordingen haar zijne bewondering uitdrukte over hare +handelwijze; zij toch had, meende ze, niet anders gehandeld dan in +gelijk geval iedere vrouw van haar geslacht zou hebben gedaan. + +Lang bleef Siddha daar nevens haar bij Akbar's graf in gedachten +verzonken, toen zijn aandacht op eens door een voetstap getrokken +werd, die in de nabijheid zich deed hooren op den met zware +steenen bevloerden grond. Ontzet deed hij een stap achterwaarts, +toen hij den naderende herkende. En zijn uitroep moest Iravati wel +terstond doen begrijpen tot welke noodlottige ontmoeting het hier +gekomen was.... + +--Feizi!...--klonk het uit zijn mond.... + +Onmiddelijk stond de ander stil, nadat hij eerst zonder op de +beide bezoekers te letten al mijmerend was blijven voortgaan. En +ook hij ging een schrede achteruit, toen hij den man gewaar werd +die hem eenmaal zoo diep beleedigd had .... Maar hij scheen zich +te bezinnen en trad langzaam weer voorwaarts, en toen hij Siddha +een beweging zag maken om zich haastig te verwijderen, zeide hij: + +--Blijf en hoor mij aan! Hier, bij het graf van den vorst, die +altijd liever vergaf dan strafte en zijn vijanden niet wist te +haten, voegt ons geen toorn en geen wrok. Ook ik heb menigmaal +reeds getracht zijn edel voorbeeld te volgen, en althans in mijn +hart u de beleediging te vergeven, die ge mij hebt aangedaan. Maar +ik kon niet, ik miste nog de kracht. Thans, op deze geheiligde +plek, waar het toeval ons voor 't eerst weer zamenbrengt, heb ik +eindelijk die kracht gevonden, en wil ik doen wat Akbar in mijne +plaats zou gedaan hebben. Ik vergeef u, Siddha! + +Diep ontroerd en met gebogen hoofd stond Siddha daar vóór zijn +edelmoedigen vijand; en met bewondering zag Iravati naar den man, +die zulk een strijd tegen zichzelve volstreden had. + +--Zie op!--sprak Feizi weder,--en ontvlugt den blik van uw +vroegeren vriend niet meer! De woorden, die ik eenmaal in toorn +tot u rigtte, waren zeker niet onverdiend, maar voor een man van +uw karakter toch inderdaad een vreeselijke, misschien ook al te +harde straf; en ik weet, door Koelloeka, welk een indruk ze op u +hebben nagelaten en tot welke verkeerde handelwijze ze u bijkans +hadden vervoerd. En ik vernam ook van ons beider vriend, dat +gijzelf de verleider niet zijt geweest en in den beginne ook niet +geweten hadt wie de verleidster was. Haar invloed en geduchte magt +heb ikzelf trouwens wel gekend. Te vreezen is zij thans voor +niemand meer. In hare gevangenschap heeft zij zelve een eind aan +haar schuldig leven gemaakt. Doch genoeg reeds van het voorleden, +vooral in tegenwoordigheid van haar, die ik begrijp als uwe edele +echtgenoote te mogen begroeten. Laat het dan vergeten zijn +tusschen ons! Uwe verdere handelingen, waarvan ik later veel +vernam, hebben u op nieuw de achting en vriendschap waardig +gemaakt van een man van eer. Ziedaar mijn hand als voorheen! + +Het was Iravati die ze greep, terwijl Siddha nog nauw van zijne +ontroering scheen bekomen. + +--Heer!--sprak zij,--ik zeg u dank, innigen dank voor uwe +grootmoedigheid! Wat gij gezegd hebt verjaagt de donkere wolk, die +nog altijd ons huwelijksgeluk kwam verstoren, en het looden wigt +is dan eindelijk opgeheven, waaronder mijn Siddha zoolang heeft +gebukt gegaan! + +--Ik zoek naar woorden,--sprak nu ten laatste Siddha zelf, terwijl +hij thans ook de hand van Feizi aannam,--naar woorden om uit te +drukken wat ik in dit oogenblik gevoel; maar ik weet ze nog niet +te vinden. Toen ik eenmaal mij getroost, althans mij gesterkt +achtte door de verstandige taal van een wijs man, geloofde ik tot +een nieuw leven herboren te zijn; maar thans gevoel ik het, ik ben +dat eerst nu! Uwe vriendschap, Feizi! had voor mij steeds de +hoogste waarde; maar te grievender dan ook mijn zelfverwijt en te +zwaarder mijne straf, toen ik door eigen schuld op de schandelijkste +wijze ze had verbeurd. En die vriendschap, die ge mij edelmoedig +teruggeeft, acht ik ook het hoogste geschenk dat tegenwoordig mij nog +geworden kon. + +--Toch zal--hernam Feizi,--onze tegenwoordige toevallige +zamenkomst slechts kort van duur en deze onze ontmoeting +waarschijnlijk wel de laatste zijn. Dat ik aan de staatsdienst mij +heb onttrokken, is u zeker wel bekend; Selim, of zooals hij nu met +een trotschen titel zich gelieft te noemen, Djihangir, zag mij zoo +min als mijn broeder ooit met een goed oog aan; en bovendien viel +'t mij zwaar hem te gaan dienen, om redenen, die ik nu niet verder +behoef aan te duiden. Ik trok mij dus terug en leefde stil te +Agra. Nu heeft Shah Abbas, de Koning van Perzië, mij uitgenoodigd +om in zijne hoofdstad te komen en mij daar met wetenschappelijke +werkzaamheden bezig te houden. Aan die uitnoodiging wil ik gehoor +geven. Morgen vertrek ik naar Ispahan, en, zoo 't mij daar +behaagt, denk ik er ook te blijven. Maar ik mogt niet van hier +gaan zonder een afscheidsbezoek aan de laatste woning van mijn +vorstelijken vriend. Daarom treft gij mij heden op deze plaats. +Die vriend was mij alles, Siddha! en meer zelfs dan mijn leven en +huwelijksgeluk; en indien gij tegen hem u waart blijven +bezondigen, neen! ik geloof niet dat ik 't ooit u vergeven had. +Maar gij hebt getoond hem te eeren en te hoogachten als ik, ook al +waart gij nooit in de gelegenheid hem zóó te waardeeren en zóó +lief te hebben als de weinigen, die hem volkomen én in zijne +buitengewone grootheid én ook in zijne kleine maar doorgaans nog +altijd beminnenswaardige zwakheden hebben gekend. + +--Ik heb--merkte Siddha aan,--inderdaad hem zóó nooit leeren +kennen, maar toch genoeg van hem kunnen ontdekken om hem niet +anders dan met de grootste bewondering en den hoogsten eerbied te +herdenken. Ook een ander vorst heb ik gekend, maar die opgehouden +had het te zijn; en grooten dank ben ik hem verschuldigd, en +dierbaar is mij zijne nagedachtenis; maar nadat ik mij vroeger de +vraag had gesteld, wie van die beiden wel de grootste was, kwam ik +in later dagen tot de overtuiging, dat de stille en rustige +wijsgeer, die van alle wereldsche genietingen afstand had gedaan, +toch nog overtroffen werd door den wijsgeer op den troon, die te +midden van het woeligst staatsleven diezelfde gelijkmatigheid van +karakter en die regtvaardigheid van zin had weten te bewaren, die +de ander in zijne afzondering zich had eigen gemaakt. Inderdaad, +zoo één, dan heeft wel Akbar zijn naam verdiend! + +--Dat zullen wel alle komende geslachten u nazeggen,--sprak +Feizi,--in 't Oosten en in 't Westen. Die titel van "de Groote" +pleegt door vleijers en begunstigden aan menig vorst te worden +toegekend; maar dikwijls met weinig regt. Niet hier aldus. Indien +groot te zijn waarlijk beteekent, zichzelf met geen minder kracht +dan anderen te beheerschen en een leven van moeiten en zorgen toe +te wijden aan het geluk zijner medemenschen, dan was de man wiens +gebeente ginds rust in waarheid wel een groot man. Er zijn vorsten +geweest, en er zullen er misschien ook nog komen, wier naam in de +wereldgeschiedenis meer bekendheid erlangt dan de zijne; er waren +er, en er zullen ook mogelijk nog zijn, wien nog hooger roem ten +deel valt dan hem; maar zéér zelden toch zal er een magthebber in +de geschiedenis zijn aan te wijzen, die te midden van al zijne +grootheid zoo volkomen als Akbar zich mensch bleef betoonen in de +schoonste en edelste beteekenis van het woord ...--En nu:--besloot +Feizi, terwijl hij beiden, Siddha en Iravati, de hand drukte,-- +vaartwel! En denkt ook nog eens aan mij, als ik vér van hier zal +zijn. Gij kunt het nu voortaan zonder bitterheid. Ook mijzelven +ontneemt die overtuiging een last, die lang mij zwaar gewogen +heeft! ... + +Nog bleef Siddha geruimen tijd nadat Feizi zich langzaam door de +breede laan had verwijderd, met zijne Iravati in het park +vertoeven. Eindelijk verliet hij met haar ook de plaats, waar hij +een laatste, stilzwijgende hulde was komen brengen aan de +nagedachtenis van den grooten Keizer. + +--Zoo gaan zij dan allen,--sprak hij mijmerend onder 't huiswaarts +keeren,--allen die wij leerden kennen en hoogachten! Ook hem zien +wij waarschijnlijk nooit terug, die zooeven ons verliet. Toch +sterven zulke mannen als Akbar en Aboel Fazl en Feizi niet als de +dood een eind aan hun leven maakt! Zij blijven voortbestaan in de +herinnering, die ze ons nalaten en in hunne werken. Hunne gedachte +bezielt anderen die na hen komen, en wederom anderen die er komen +na dezen. Of dàt niet de onsterfelijkheid zou zijn?... + + + + + + + + + +End of Project Gutenberg's Akbar, by Petrus Abraham Samuel van Limburg Brouwer + +*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK AKBAR *** + +***** This file should be named 6712-8.txt or 6712-8.zip ***** +This and all associated files of various formats will be found in: + http://www.gutenberg.org/6/7/1/6712/ + +Produced by Jeroen Hellingman, Miranda van de Heijning, +Charles Franks and the Online Distributed Proofreading Team. + + +Updated editions will replace the previous one--the old editions +will be renamed. + +Creating the works from public domain print editions means that no +one owns a United States copyright in these works, so the Foundation +(and you!) can copy and distribute it in the United States without +permission and without paying copyright royalties. Special rules, +set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to +copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to +protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project +Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you +charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you +do not charge anything for copies of this eBook, complying with the +rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose +such as creation of derivative works, reports, performances and +research. They may be modified and printed and given away--you may do +practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is +subject to the trademark license, especially commercial +redistribution. + + + +*** START: FULL LICENSE *** + +THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE +PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK + +To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free +distribution of electronic works, by using or distributing this work +(or any other work associated in any way with the phrase "Project +Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project +Gutenberg-tm License available with this file or online at + www.gutenberg.org/license. + + +Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm +electronic works + +1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm +electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to +and accept all the terms of this license and intellectual property +(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all +the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy +all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. +If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project +Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the +terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or +entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. + +1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be +used on or associated in any way with an electronic work by people who +agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few +things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works +even without complying with the full terms of this agreement. See +paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project +Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement +and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic +works. See paragraph 1.E below. + +1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" +or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project +Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the +collection are in the public domain in the United States. If an +individual work is in the public domain in the United States and you are +located in the United States, we do not claim a right to prevent you from +copying, distributing, performing, displaying or creating derivative +works based on the work as long as all references to Project Gutenberg +are removed. Of course, we hope that you will support the Project +Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by +freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of +this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with +the work. You can easily comply with the terms of this agreement by +keeping this work in the same format with its attached full Project +Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. + +1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern +what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in +a constant state of change. If you are outside the United States, check +the laws of your country in addition to the terms of this agreement +before downloading, copying, displaying, performing, distributing or +creating derivative works based on this work or any other Project +Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning +the copyright status of any work in any country outside the United +States. + +1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: + +1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate +access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently +whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the +phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project +Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, +copied or distributed: + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + +1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived +from the public domain (does not contain a notice indicating that it is +posted with permission of the copyright holder), the work can be copied +and distributed to anyone in the United States without paying any fees +or charges. If you are redistributing or providing access to a work +with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the +work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 +through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the +Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or +1.E.9. + +1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted +with the permission of the copyright holder, your use and distribution +must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional +terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked +to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the +permission of the copyright holder found at the beginning of this work. + +1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm +License terms from this work, or any files containing a part of this +work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. + +1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this +electronic work, or any part of this electronic work, without +prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with +active links or immediate access to the full terms of the Project +Gutenberg-tm License. + +1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, +compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any +word processing or hypertext form. However, if you provide access to or +distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than +"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version +posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), +you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a +copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon +request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other +form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm +License as specified in paragraph 1.E.1. + +1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, +performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works +unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing +access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided +that + +- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from + the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method + you already use to calculate your applicable taxes. The fee is + owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he + has agreed to donate royalties under this paragraph to the + Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments + must be paid within 60 days following each date on which you + prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax + returns. Royalty payments should be clearly marked as such and + sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the + address specified in Section 4, "Information about donations to + the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." + +- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies + you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he + does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm + License. You must require such a user to return or + destroy all copies of the works possessed in a physical medium + and discontinue all use of and all access to other copies of + Project Gutenberg-tm works. + +- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any + money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the + electronic work is discovered and reported to you within 90 days + of receipt of the work. + +- You comply with all other terms of this agreement for free + distribution of Project Gutenberg-tm works. + +1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm +electronic work or group of works on different terms than are set +forth in this agreement, you must obtain permission in writing from +both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael +Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the +Foundation as set forth in Section 3 below. + +1.F. + +1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable +effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread +public domain works in creating the Project Gutenberg-tm +collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic +works, and the medium on which they may be stored, may contain +"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or +corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual +property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a +computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by +your equipment. + +1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right +of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project +Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project +Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all +liability to you for damages, costs and expenses, including legal +fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT +LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE +PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE +TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE +LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR +INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH +DAMAGE. + +1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a +defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can +receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a +written explanation to the person you received the work from. If you +received the work on a physical medium, you must return the medium with +your written explanation. The person or entity that provided you with +the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a +refund. If you received the work electronically, the person or entity +providing it to you may choose to give you a second opportunity to +receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy +is also defective, you may demand a refund in writing without further +opportunities to fix the problem. + +1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth +in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO OTHER +WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO +WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. + +1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied +warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. +If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the +law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be +interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by +the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any +provision of this agreement shall not void the remaining provisions. + +1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the +trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone +providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance +with this agreement, and any volunteers associated with the production, +promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, +harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, +that arise directly or indirectly from any of the following which you do +or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm +work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any +Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. + + +Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm + +Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of +electronic works in formats readable by the widest variety of computers +including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists +because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from +people in all walks of life. + +Volunteers and financial support to provide volunteers with the +assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's +goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will +remain freely available for generations to come. In 2001, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure +and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. +To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation +and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 +and the Foundation information page at www.gutenberg.org + + +Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive +Foundation + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit +501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the +state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal +Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification +number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent +permitted by U.S. federal laws and your state's laws. + +The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. +Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered +throughout numerous locations. Its business office is located at 809 +North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email +contact links and up to date contact information can be found at the +Foundation's web site and official page at www.gutenberg.org/contact + +For additional contact information: + Dr. Gregory B. Newby + Chief Executive and Director + gbnewby@pglaf.org + +Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation + +Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide +spread public support and donations to carry out its mission of +increasing the number of public domain and licensed works that can be +freely distributed in machine readable form accessible by the widest +array of equipment including outdated equipment. Many small donations +($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt +status with the IRS. + +The Foundation is committed to complying with the laws regulating +charities and charitable donations in all 50 states of the United +States. Compliance requirements are not uniform and it takes a +considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up +with these requirements. We do not solicit donations in locations +where we have not received written confirmation of compliance. To +SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any +particular state visit www.gutenberg.org/donate + +While we cannot and do not solicit contributions from states where we +have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition +against accepting unsolicited donations from donors in such states who +approach us with offers to donate. + +International donations are gratefully accepted, but we cannot make +any statements concerning tax treatment of donations received from +outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. + +Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation +methods and addresses. Donations are accepted in a number of other +ways including checks, online payments and credit card donations. +To donate, please visit: www.gutenberg.org/donate + + +Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic +works. + +Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm +concept of a library of electronic works that could be freely shared +with anyone. For forty years, he produced and distributed Project +Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. + +Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. +unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily +keep eBooks in compliance with any particular paper edition. + +Most people start at our Web site which has the main PG search facility: + + www.gutenberg.org + +This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, +including how to make donations to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to +subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. diff --git a/6712-8.zip b/6712-8.zip Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..1bd42f6 --- /dev/null +++ b/6712-8.zip diff --git a/LICENSE.txt b/LICENSE.txt new file mode 100644 index 0000000..6312041 --- /dev/null +++ b/LICENSE.txt @@ -0,0 +1,11 @@ +This eBook, including all associated images, markup, improvements, +metadata, and any other content or labor, has been confirmed to be +in the PUBLIC DOMAIN IN THE UNITED STATES. + +Procedures for determining public domain status are described in +the "Copyright How-To" at https://www.gutenberg.org. + +No investigation has been made concerning possible copyrights in +jurisdictions other than the United States. Anyone seeking to utilize +this eBook outside of the United States should confirm copyright +status under the laws that apply to them. diff --git a/README.md b/README.md new file mode 100644 index 0000000..528751f --- /dev/null +++ b/README.md @@ -0,0 +1,2 @@ +Project Gutenberg (https://www.gutenberg.org) public repository for +eBook #6712 (https://www.gutenberg.org/ebooks/6712) diff --git a/old/7akba10.txt b/old/7akba10.txt new file mode 100644 index 0000000..5a0d26f --- /dev/null +++ b/old/7akba10.txt @@ -0,0 +1,10374 @@ +The Project Gutenberg EBook of Akbar, by Petrus Abraham Samuel van Limburg Brouwer + +Copyright laws are changing all over the world. Be sure to check the +copyright laws for your country before downloading or redistributing +this or any other Project Gutenberg eBook. + +This header should be the first thing seen when viewing this Project +Gutenberg file. Please do not remove it. Do not change or edit the +header without written permission. + +Please read the "legal small print," and other information about the +eBook and Project Gutenberg at the bottom of this file. Included is +important information about your specific rights and restrictions in +how the file may be used. You can also find out about how to make a +donation to Project Gutenberg, and how to get involved. + + +**Welcome To The World of Free Plain Vanilla Electronic Texts** + +**eBooks Readable By Both Humans and By Computers, Since 1971** + +*****These eBooks Were Prepared By Thousands of Volunteers!***** + + +Title: Akbar + +Author: Petrus Abraham Samuel van Limburg Brouwer + +Release Date: October, 2004 [EBook #6712] +[Yes, we are more than one year ahead of schedule] +[This file was first posted on January 18, 2003] + +Edition: 10 + +Language: Dutch + +Character set encoding: ASCII + +*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK, AKBAR *** + + + + +Produced by Jeroen Hellingman, Miranda van de Heijning, Charles Franks and +the Online Distributed Proofreading Team. + + + +AKBAR + +EEN OOSTERSCHE ROMAN + +Mr. P.A.S. van Limburg Brouwer + + + +INLEIDING + +De grootsche figuur van Keizer Akbar, den beheerscher van Indie +in het laatst der zestiende eeuw (1556-1605), scheen mij om meer +dan eene reden zoozeer aller belangstelling te verdienen, dat ik +niet aan de verzoeking heb kunnen weerstaan, hem als hoofdpersoon +te doen optreden in eene romantische schets, welke ik hierbij ons +publiek waag aan te bieden. + +Voor den lezer, die gesteld mogt zijn op eene nauwlettende +onderscheiding tusschen hetgeen er wezenlijk historisch in het +boek voorkomt en wat daarin is verdicht, strekke het volgende. + +Bepaald geschiedkundige personen, behalve Akbar zelf, zijn: Selim, +zijn zoon; Aboel Fazl, zijn Vizier; diens broeder Feizi; Abdal +Kadir Badaoni; Rodolpho Aquaviva, de Jezuiet, en enkele anderen +van minder beteekenis. Parviz behoort mede tot de geschiedenis +maar droeg een anderen naam. Nandigoepta is wel geen historisch +persoon, maar toch een type, gelijk er meer dan een in de +geschiedenis van Indie, en in 't bijzonder van Kacmir, valt aan +te wijzen. Zoo ook Gorakh en zijne Worgers. En Iravati blijft in +zeker opzigt eene historische figuur, voorzoover zij het beeld der +echt Indische vrouw moet vertegenwoordigen, gelijk die in het +drama en de legende van Indie ons wordt voorgesteld. Verscheidene +gezegden eindelijk, den personen in den mond gelegd, zijn mede +historisch.--In enkele punten is, om ligt begrijpelijke redenen +eenigszins van de werkelijke geschiedenis afgeweken: tijdens Akbar +regeerden in Kacmir geen Hindoe-vorsten meer, hoewel het land voor +'t overige volkomen Indisch bleef; de aanslag van Selim, waarvan +de bijzonderheden mede eenigszins gewijzigd zijn voorgesteld, +geschiedde gedurende den togt niet tegen Kacmir, maar tegen +Dekkan; Feizi was ouder dan Aboel Fazl en stierf voor diens moord; +Fattipoer ligt iets verder van Agra dan 't in het verhaal is +voorgesteld. Op de beoordeeling van het karakter der feiten en der +personen kunnen dergelijke geringe afwijkingen intusschen wel van +geen invloed zijn. + +In den stijl van het werk is, in 't bijzonder bij de gesprekken, +voorzooveel zonder slaafsche navolging en zonder misbruik van +vreemde woorden doenlijk scheen, naar behoud van den Oosterschen +vorm gestreefd, en bij de spelling van eigennamen meer gelet op +gemak voor den lezer dan op de eischen eener streng wetenschappelijke +schrijfwijze. De hier en daar ingevoegde gedichten zijn allen door mij +bewerkt naar den oorspronkelijken Oosterschen tekst. + +Eene uitvoerige opgave van de bronnen, die bij de zamenstelling +hebben gediend, zal men hier wel niet verlangen; en den +geschiedkenner ware daaromtrent ook niet veel nieuws mede te +deelen. Hij toch weet, dat de geschriften van Aboel Fazl en Abdal +Kadir de voornaamste oorspronkelijke bronnen voor de kennis van +Akbar's leven, instellingen en begrippen zijn, waaruit de meeste +latere, zoo Oostersche als Westersche schrijvers hebben geput, en +dat de berigten der Jezuieten uit het Hindostan van zijn tijd, +schoon menigmaal blijkbaar onjuist, toch in vele opzigten tot +aanvulling en verklaring dienen van die der Perzische geschiedschrijvers. +Nauw ook eischt vermelding dat verscheidene nieuwere historische werken +van meer of minder uitgebreidheid, reisbeschrijvingen en plaatwerken in +dezen geraadpleegd zijn. Voor het meer bepaald Indische in den roman +dienden hoofdzakelijk de verschillende legenden, vertellingen, romans en +drama's, die uit de Sanskritlitteratuur zijn tot ons gekomen, en voor de +eigen wijsgeerig-godsdienstige begrippen van Akbar, die overigens nog 't +best uit het geschrift van zijn voornaamsten tegenstander, Abdal +Kadir, zijn op te maken, de Vedische of oud-Indische voorstellingen, +waaraan hij meerendeels zijne eigene moet hebben ontleend. Door andere +schrijvers schijnt op dit laatste te weinig acht te zijn geslagen. Eene +bron verdient nog bijzondere vermelding, omdat ze tot heden niet bekend +werd: de velerlei mededeelingen omtrent land en volk door de kooplieden +onzer Oost-Indische Compagnie, die kort na Akbars regering te Soeratta +en te Agra waren gevestigd en wier brieven nog worden bewaard in ons +oud-koloniaal archief. + +Bij alle zorg voor nauwkeurigheid blijft in eene proeve als deze +de mogelijkheid van vergissingen en onjuistheden, vooral wat +plaatsbeschrijvingen aangaat, nog altijd bestaan. In zoover die nu +hier of daar mogten zijn ingeslopen, kan de schrijver wel niet +anders dan voorloopig daaromtrent verschooning vragen en zich +aanbevolen houden voor gegronde teregtwijzing. + +Den Haag, October 1872. v. L. B. + + + +EERSTE HOOFDSTUK. + +Een kluizenaar + +Met rooden gloed schoten de laatste stralen der ondergaande zon, +weerkaatst door de purpergetinte sneeuwvelden van den Bhadrinath, +langs de steile hellingen van het Himalaya-gebergte, terwijl een +zachte zuidenwind de geuren der bosschen en bloemen uit de dalen +omhoog dreef naar de toppen der bergen. Eeuwen en eeuwen lang +hadden de stralen dierzelfde zon diezelfde hellingen dus beschenen +en waren gelijke geuren omhoog gestegen, zonder stoornis of +verandering, zoo 't schijnen mogt, dier altijd jeugdige, maar +eenzame natuur, terwijl daar omlaag in verre verte menschen +kampten en magtige rijken verrezen en vernietigd werden, en +diepdenkende vernuften zich afpijnden om doel en laatsten grond te +vinden voor het bestaan van het heelal. + +Ook nu,--'t was in het laatst van de zestiende eeuw onzer +jaartelling, toen Djelal-ed-din Mohammed, bijgenaamd Akbar of de +Groote, en onder dien naam meest bekend, het magtig rijk der +Mogols in Hindostan ten toppunt verhief van glans,--ook nu bleef +dat hooge gebergte, nauw toegankelijke zetel eenmaal der Indische +Deva's, lusthof thans van Britsche aristocraten, nog een wild en +onherbergzaam, door menschenvoet weinig betreden oord. Ook thans +was 't enkel de roep van een snel voorbijtrekkenden roofvogel, die +nu en dan, of 't zacht eentoonig gegons der op en neder dansende +insectenzwermen, dat nauw hoorbaar de eindelooze stilte brak. Toch +bleef die plek niet zoo volkomen eenzaam als een min opmerkzaam +beschouwer alligt zou hebben ondersteld. Diep gedoken en als +verborgen in het hooge gras der berghelling lag, behagelijk +uitgestrekt, een groote fraai gevlekte tijger, droomend en als in +wijsgeerige rust opziend nu eens naar de hooge sneeuwkruinen, dan +weer de oogen sluitend voor het nog schelle licht, en omlaag +starend naar de liefelijke groene vallei, die daar beneden zich +uitbreidde tot waar nogmaals andere berggevaarten hunne toppen +verhieven om ten laatste zaam te smelten met den wazigen +veelkleurig getinten horizont. Waar hij aan dacht, soms dus omhoog +blikkend, soms nederziend in de diepte? Misschien wel, met +nevelachtig weer opdoemende herinnering, aan de tijden toen hij +onder eene andere gedaante als magtig Radja nog heerschte in het +weelderig Kacmir, en vasallen zich bogen aan zijne voeten en +schoone vrouwen dongen om de eer van zijn oogopslag. Of was dat +prachtige, koninklijke dier werkelijk niets anders dan een +reusachtige kat, een monster der wildernis en niet veeleer een +nieuw hulsel voor de verdoolde ziel van een eenmaal trotsch en +overmoedig heerscher. Ook nu nog was hij de Koning der woestijn, +waarin geen leeuw hem den voorrang kwam betwisten; ook nu nog +toonde de fiere blik waarmede hij bij wijlen in 't ronde staarde, +dat hij zijner magt zich bewust bleef, en bewezen zijne gladde +bewegingen en bevallige wendingen wanneer hij soms wisselde van +houding, dat hij even ridderlijk zich aan de voeten eener schoone +prinses had weten neer te vleijen als, trotsch zich oprichtend, te +gebieden over zijne minderen in rang. Doch eensklaps als uit zijne +mijmering opgeschrikt, sprong hij omhoog en luisterde.... Een +geluid, een klank van menschenstemmen trof uit de verte zijn +fijngeoefend oor. + +En inderdaad, schoon op nog tamelijk verwijderden afstand, kwam,--wel +ongewoon verschijnsel hier!--een groep ruiters langs het eenig +begaanbare gedeelte van den bergrug afdalen naar de vlakte. Een +jong, bevallig man, wiens rijke kleeding en fiere houding hem +terstond als edelman deden herkennen, nevens een meer bejaarden in +stemmiger gewaad, en achter hem twee dienaren. De eerste op een +kleinen, maar krachtig gebouwden en vluggen schimmelhengst van +edel ras, de ander op een zwaarder, donker paard, de dienaren op +grofharige maar sterke bergpaarden. De jongeling droeg een blauw +zijden, naar onderen openhangend en met gouden knoopjes versierd +wambuis, wijde broek en roode schoenen, een ligte muts met een +hooge door een diamant vastgehouden veder op het hoofd, een korte +sabel met fraai gevest ter zijde nevens een met edelgesteenten +bezetten dolk in den rijkgestikten gordel, en een lange speer in +de rechterhand. Zijne gestalte was rijzig en van eene volmaakte +evenredigheid, zijn schoon, regelmatig gelaat was blank en slechts +even door de zon getint, terwijl zijne donkere oogen en lokken en +een fijne bruine knevel de helderheid zijner kleur, onmiskenbaar +teeken van het echt oorspronkelijk Arisch ras, nog schenen te +verhoogen. Zijn oudere medgezel, een krachtige, breedgeschouderde +figuur, vertoonde een eenigszins donkerder tint, schoon de +regelmatigheid zijner gelaatstrekken hem evenzeer als een man van +hetzelfde bloed deed herkennen. Hij had een fraaijen gekrulden +baard, die bijkans de helft van zijn gelaat mogt verbergen; een +groote witte tulband dekte zijn hoofd, en zijne gestalte hulde +zich in een lang, tot bijna aan de voeten reikend, om het midden +met een vergulden gordel vastgehouden kleed van donkere, maar +fijne stof; ook hij was gewapend met sabel en speer en om zijne +schouders hing een klein, rond schild. De dienaars droegen anders +niet dan wijde, los omgeslagen mantels over de anders weinig +bedekte bronskleurige leden; verscheiden helblinkende koperen +ringen, onder 't voortrijden een rinkelenden klank veroorzakend, +sierden hunne enkels en polsgewrichten; korte speren en ronde +schilden vormden hun wapentuig. + +Uit de gesprekken hunner meesters ware spoedig op te maken +geweest, wie deze waren, van waar zij kwamen en welk het doel van +hunner reis. De jonge edelman, Siddha Rama, was de zoon van den +eersten minister van Kacmir en door zijn vader met het overbrengen +van belangrijke brieven naar het hof van Keizer Akbar of den +Grooten Mogol, te Agra, belast, waar hij tevens het bevel zou +aanvaarden over eene afdeeling Radjpoet-ruiterij, die onder de +hulptroepen van het keizerlijk leger dienst had te doen. Hij werd +vergezeld door zijn leermeester Koelloeka, een Brahmaan van +afkomst, en deels geleerde, deels krijgsman, die hem zoowel in de +oorlogskunst en alle ridderlijke oefeningen als in de aloude +heilige taal en de daarin gestelde klassieke en gewijde schriften +had onderwezen. Alvorens echter den togt naar Agra voort te +zetten, hadden zij een bezoek te brengen aan een kluizenaar in het +gebergte, om vervolgens naar Allahabad te vertrekken, waar +Siddha's oom in naam des Keizers bevel voerde over het fort aan +het vereenigingspunt van Ganges en Djoemna, en waar ook de +verloofde van Siddha, de jeugdige Iravati, dochter van den +Goeverneur, met verlangen naar het aangekondigd bezoek van haar +toekomstigen echtgenoot uit bleef zien. + +--Maar, eerwaarde Koelloeka!--sprak Siddha, na een tijdlang +stilzwijgend naast zijn leermeester te hebben gereden,--gij, die +zoo goed hier den weg kent, vertelt mij dat wij nu vlak bij de +kluizenarij van Gaurapada Bhikshoe moeten zijn, en ik zie toch +niets wat maar op een kluis of zoo iets gelijkt. Zou de heilige +man ook soms zijn verhuisd? + +--Geduld maar, mijn jonge driftkop!--antwoordde de Brahmaan,--zoo +aanstonds komen wij aan een wending van den berg, die ge van hier +nog niet zien kunt, en als wij daar zijn, zult gij spoedig genoeg +het kleine bosch in de vallei zien liggen, waar Gaurapada zijn +stille woning heeft gebouwd. Maar gij mogt wel met wat meer +eerbied van den Eerwaarde spreken, naar mij dunkt. Trouwens hij +zal u dat zelf wel leeren als gij hem maar eerst ontmoet. + +--Nu,--hernam Siddha vergoelijkend,--'t was zoo kwaad niet +gemeend.... Maar wat is dat?--riep hij eensklaps uit, met zijne +lans naar het hooge gras aan de zijde van den bergweg wijzend, dat +zich golvend scheen te bewegen, schoon geen wind het verschijnsel +kon veroorzaakt hebben. En eer zijn bedaarder medgezel hem kon +weerhouden was de hartstogtelijke jager met zijn paard in het gras +gesprongen, en baande hij met gevelde speer zich een weg naar de +plek waar hij de beweging in het gras had opgemerkt. Onmiddelijk +en nog voor Koelloeka rende een der dienaren zijn jongen meester +na, toen hij dezen plotseling weer zag stilstaan en als verwonderd +om zich heen staren. Alle beweging in het gras had volkomen +opgehouden, geen sprietje bewoog zich meer en geen geluid werd +vernomen. Daar begon het golven opnieuw, maar veel verder af, en +boven de hooge grashalmen vertoonde zich bijwijlen het bruingevlekte +ligchaam van een grooten tijger, die met geweldige sprongen voortrende. +Nogmaals gaf Siddha zijn paard de sporen, maar 't volgend oogenblik lag +hij in zijne volle lengte in het gras: een dicht begroeide kuil had +paard en ruiter doen storten. In een oogwenk echter was deze weer op de +been. + +--'t Is niets, Vatsa!--zeide hij tot zijn dienaar, die van zijn +paard gesprongen, op hem was toegesneld,--ik ben hier zacht genoeg +neergekomen. Als mijn beste schimmel 't er nu maar even goed heeft +afgebragt! + +Bij onderzoek bleek gelukkig, dat het edele dier evenmin eenig +letsel had bekomen als zijn doldriftige berijder, maar de tijger +was weg en nergens meer te bespeuren, zoodat men niets anders te +doen had dan spoedig weer in den zadel te springen en den +gestoorden togt voort te zetten. + +Zwijgend reed nu weer Siddha, over zijn dwaas avontuur niet weinig +beschaamd, nevens zijn goeroe, tot deze het stilzwijgen afbrak met +te zeggen: + +--Gij hebt daar, geloof ik, een gekken streek begaan, mijn waarde! + +--Ja!--bekende Siddha nederig,--ik heb ongetwijfeld een mal figuur +gemaakt met daar zoo om te rollen. + +--Nu,--hernam Koelloeka,--dat kondt gij niet helpen; niemand kan +overdekte kuilen zien; maar dat bedoel ik ook niet, ik meen iets +anders. + +--Wat dan? + +--Gij zult het straks wel merken, indien ten minste waar is wat ik +vermoed. + +De glimlach, die bij deze woorden om den mond van Koelloeka +speelde, maakte Siddha's nieuwsgierigheid natuurlijk nog meer +gaande; maar juist toen hij nadere uitlegging wilde vragen was de +straks aangeduide wending bereikt, en breidde zich een ander +gedeelte der vallei, nog even verlicht door den zonneschijn, met +zijn weelderigen plantengroei en zijne frissche stroomen en beeken +voor 't bewonderend oog der reizigers uit. + +--Zie ginds!--sprak Koelloeka, met zijne lans naar een digt +bosschaadje in de diepte wijzend, waarlangs een heldere beek zich +slingerde als een zilveren lint,--daar woont Gaurapada. + +En zonder verder te spreken daalden de ruiters voorzigtig langs de +steile helling naar omlaag, volgden het, half door de natuur, half +door ruwe kunst gevormde pad, dat naar het bosch leidde, en reden, +dit ingegaan, voort tot zij aan de andere grens waren gekomen, +waar opnieuw het vergezigt zich opende over de heuvelachtige +vlakte. + +Daar, onder het digte lommer, verhief zich, door slanke, met +klimop en rozen begroeide bamboestijlen gesteund, en gedekt door +een eenvoudig maar bevallig overhellend rieten dak, eene nederige +woning, maar die toch wat bouwtrant en uiterlijk aanzien betrof +veeleer een aangenaam buitenverblijf dan de strenge armoedige +kluis van een boetedoend heilige mogt worden genoemd. Achter, het +donkere woud; aan de voorzijde, een honderde tinten en schakeringen +weerkaatsend smaragdgroen meer, zooals alleen eene Alpennatuur dat +kent, met witte en blauwe lotusbloemen langs de kanten, en waarin de +zilverkleurige beek, die reeds van ver het oog had getroffen, zich +uitstortte voor een wijl om straks aan de andere zijde het weer te +verlaten en haar weg te vervolgen naar steeds dieper gelegen dalen; in +'t verschiet eindelijk, aan den meer en meer in de schemering +wegduikenden overkant, de verre reijen der bergkruinen, die van hier +gezien slechts onbeduidende heuvelen schenen, maar, van gindsche +vlakten beschouwd, opnieuw als hemelhooge, voor menschen voet nauw +bestijgbare rotsgevaarten zich vertoonen mogten. + +Een oogenblik stonden onze reizigers, hier aangekomen, stil, en +als verloren in den aanblik van het evenzeer grootsche als +liefelijke, door een laatsten schemerschijn nog verlichte +natuurtooneel; doch, spoedig het naaste doel van hun togt zich +herinnerend, stegen zij af en vertrouwden hunne paarden aan de +beide dienaars, terwijl zich Koelloeka naar de woning begaf om +door middel van een daar aanwezige klok het teeken te geven van +hunne komst. De moeite werd hem echter bespaard, en eer hij het +woonhuis was genaderd, vertoonde zich op den drempel reeds de +bewoner, door een dienaar gevolgd, wien hij de zorg voor de +paarden der gasten aanbeval door een zwijgenden gebiedenden wenk. + +Wel zonderling mogt de indruk heeten, dien de aanblik van den +kluizenaar op Siddha te weeg bragt. In zijn eigen land, in zijne +bergen en bosschen, had hij vrome boetelingen, strenge heiligen, +rondslenterende bedelmonniken in menigte en van allerlei soort +gezien: sommigen in vuile pijen, met groote bamboestokken in de +hand, en bedelnappen en rozenkransen aan de zijde; anderen in een +soort kleedij uit boomschors vervaardigd; wederom anderen met +nagenoeg in 't geheel geen kleederen aan het lijf, kaalgeschoren, +van 't hoofd tot aan de voeten met grauwe asch bedekt, en +voorhoofd en borst met witte kalk besmeerd; allen zich overgevend +aan de meest afkeer wekkende en toch vrome en lichtgeloovige +gemoederen tot milddadigheid verlokkende praktijken; walgelijke en +afzigtelijke wezens allen ook, maar steunend op de magt van een +grenzenloos fanatisme, en in vadsige luiheid terend op de +aalmoezen, hun toegeworpen door een dom, maar vastgeworteld +bijgeloof. Geen wonder dan ook zoo de jonge, aan fijner beschaving +gewende, met diepe minachting op die soort van volk neerziende +edelman, ook in weerwil van zijn eerbied voor den leermeester, die +steeds met ontzag den kluizenaar van den Bhadrinath had genoemd, +juist geen groote verwachting had van den man, die aan de deur van +gindsche woning hem zou ontvangen, en een ligten toon van ironie +niet had weten te onderdrukken toen er van den heilige in het +Himalaya-gebergte werd melding gemaakt. Doch te treffender dan ook +in zijn oog de hooge en statige figuur, die ginds, het woonhuis +verlatend, de beide reizigers met voorname waardigheid maar tevens +innemende vriendelijkheid te gemoet kwam. + +Een oud man in blinkend wit gewaad, met nog eenige fijne lokken om +den anders kalen schedel en een langen en zwaren zilverkleurigen +baard, maar nog in 't minst niet door den last der jaren gebogen, +en wiens, bij alle vriendelijkheid toch hooghartige blik wel +getuigde, dat in vroeger dagen gebieden hem meer eigen was geweest +dan het ontvangen en opvolgen van bevelen. + +--Weest welkom, vrienden!--sprak hij, elk zijner beide bezoekers, +die zich eerbiedig voor hem gebogen hadden, bij de hand vattend,--welkom +in mijne eenzaamheid! 't Is mij goed, weer eens iets te +mogen vernemen van uw--hier scheen hij een oogenblik te weifelen, +maar ging toch met vaste stem weer voort,--van uw en mijn land en +volk. + +Eer Koelloeka of Siddha kon antwoorden, werd hunne opmerkzaamheid +getrokken door een dof gebrul, dat zich in de onmiddelijke +nabijheid hooren deed; en een oogenblik later trad van achter de +woning met langzame en statige schreden een geweldige tijger te +voorschijn, en naderde, met den zwaren staart zijne flanken +slaande, de drie mannen. Onwillekeurig deed Siddha een stap terug +en sloeg de hand aan den ponjaard in zijn gordel. + +--Laat dat speelgoed maar zitten!--sprak Gaurapada lagchend,-- +daar zoudt gij Hara niet veel kwaad mee doen. + +--Hier!--sprak hij gebiedend tot den tijger, en terstond legde het +magtige dier zieh aan de voeten des meesters. + +--Heb ik 't u niet gezegd?--vroeg Koelloeka aan Siddha, op den +tijger wijzend,--en begrijpt gij nu waarom gij zoo straks een +dwazen streek begingt? + +--Vergeving, eerwaarde heer! vergeving!--sprak Siddha, met omhoog +geheven handen tot Gaurapada, terstond begrijpend, dat hij straks +jagt had gemaakt op den tijger van den kluizenaar,--ik wist +inderdaad niet .... + +--Ik begrijp het al,--viel Gaurapada hem in de rede,--gij hebt +Hara gejaagd. Nu, dat is wel eens meer voorgekomen, maar niet +altijd zoo goed voor den jager afgeloopen, als mijn viervoetige +vriend hier soms eens boos werd. Iemand opgegeten heeft hij echter +nog nooit, en als men hem geen kwaad doet, valt hij ook niet aan. +Ik heb hem, zooals vriend Koelloeka weet, hier al lang, van jongs +af aan, en wij beiden zijn nu gansch aan elkander gewend. Niet +waar, Hara?--vroeg hij, zich half voorover buigend naar den +tijger, die, halverwege zich oprigtend, zijn breeden kop tegen de +hand van zijn meester drukte.--En mijne vrienden,--vervolgde +deze,--zijn de zijnen. Zie maar eens! + +En Siddha naderend legde hij hem zacht de hand op den schouder, +waarop de tijger beurtelings beide mannen aanziend, zich voor +Siddha nederlegde en ook diens hand met zijn kop aanraakte. +Ditmaal trad de jonge edelman geen stap terug, maar streelde +bedaard den kop van het dier, dat hem ook verder niet bleek te +verschrikken toen 't een oogenblik, als behagelijk geeuwend, zijne +breede kaken opsperde en de geweldige reijen zijner tanden liet +zien. + +--Goed zoo!--sprak Gaurapada, terwijl Hara weer tot hem +terugkeerde,--goed zoo! Ik heb er menig gezien, ouder en sterker +dan gij, die niet terstond zoo rustig bleef. Doch laat ons nu aan +andere dingen denken! Reizigers zooals gijlieden, die zeker een +langen togt gemaakt en hier in de wildernis zeker niet veel op uw +weg gevonden hebt, verlangen alligt naar eenige versterking. Wilt +mij dan volgen! + +En hen voorgaande trad de kluizenaar zijne woning binnen, waarvan +het inwendige geheel aan het uiterlijk beantwoordend, wel is waar +niet meer dan het noodige bevatte, maar dat alles in de meest +volmaakte orde en op sierlijke wijze gerangschikt, en mede wel +aanduidend, dat de bezitter in vroeger tijden ook het meerdere en +het overtollige gekend moest hebben. Nadat de gasten zich met hem +op de fijne, op den vloer uitgebreide matten hadden neergezet, +bragt de dienaar, die straks de paarden in bewaring had genomen, +eenige schotels met eenvoudige, maar stevige spijzen, koud wild en +visch, benevens een aantal toegevouwen boombladeren met frissche +vruchten, en toen het maal een aanvang had genomen, ook een +drietal drinkschalen waarin den gasten een krachtige, fonkelende +wijn werd aangeboden. + +--Dat hadt ge hier waarschijnlijk niet verwacht, edele Siddha!--sprak +Gaurapada,--gij waart zeker in de overtuiging, dat een vrome +kluizenaar niets dan bronwater drinkt. En de meerderheid meent, +dat het ook zoo behoort. Ik voor mij denk er anders over; ik heb +nooit begrepen dat het wezen van het kluizenaarsleven in +noodelooze zelfkwelling of onthouding is gelegen, en dat een +schaal goeden wijn met mate gebruikt, aan de rust der ziel zou +behoeven te schaden. Ook is hier in de bergen iets krachtigs nu en +dan inderdaad bevorderlijk voor de gezondheid. + +De eenvoudige en gemakkelijke toon van den overigens zoo statigen +kluizenaar, die hem gansch als een man van de wereld deed kennen, +gaf den jongen ministerzoon al spoedig vertrouwen, en van zijn +kant beantwoordde hij nu ook met vrijmoedigheid, schoon altijd met +dien eerbied, dien de regte Hindoe den oudere van jaren leert +betoonen, de vragen welke Gaurapada tot hem rigtte omtrent zijn +vader, omtrent Iravati zijn verloofde en zijn leven aan het hof +van Kacmir. Tot zijne verwondering bleek de kluizenaar nauwkeurig +alles te weten wat vroeger daar was voorgevallen en toonde hij +zich zelfs met bijzonderheden bekend, die voor elk een geheim +moesten zijn, wien de toegang tot het binnenste der vorstelijke +paleizen niet geopend was geweest. Ongetwijfeld was Gaurapada in +vroeger dagen een vertrouwd raadsman van een der vorsten, die +elkaar voor dezen in vrij snelle reeks waren opgevolgd; dan hoe +het zijn mogt, Siddha waagde geen onbescheiden vraag zoolang de +ander zijn waren stand hem niet bekend maakte. Nog merkte hij op +dat de gesprekken van Gaurapada doorgaans eene groote opgeruimdheid +ademden, en hij volkomen met zijn tegenwoordigen staat te vrede scheen, +maar dat toch bijwijlen, als er van de staatkundige gebeurtenissen in +het Noorden gesproken werd, een donkere wolk zijn edel gelaat bedekte. +Telkens echter slechts voorbijgaand; want al kon zelfs de sterke wil van +den wijsgeer soms eene vlugtige aandoening niet volkomen verbergen, een +geest als de zijne was blijkbaar te magtig om ze niet terstond weer te +onderdrukken. + +Inmiddels was het laat geworden in den avond, en wierp de maan +reeds haar hellen schijn over het landsdhap, dat zich, door de +opene stijlen van het vertrek gezien, voor het oog der gasten +uitbreidde. + +--En nu,--zeide eindelijk Gaurapada, terwijl hij opstond,--vergun +mij, edele Siddha! mij met uw leermeester, mijn vriend, eenige +oogenblikken aan het genoegen van uw bijzijn te onttrekken. Ik heb +met hem eenige zaken te bespreken, die vooralsnog geheim moeten +blijven, en waarin gij trouwens ook waarschijnlijk slechts matig +belang zoudt stellen. Mogt ge u straks wenschen te verfrisschen, +ginds is, naar gij ziet, het meer of de beek, en aan een bad in de +vrije natuur zijt gij zeker ook wel gewoon. + +Daarop verlieten de beide oudere mannen te zamen het vertrek en +nog lang daarna zag Siddha hen arm in arm in den maneschijn +wandelen, blijkbaar in ernstige en belangrijke gesprekken +verdiept. Toen zij terugkeerden was het tijd om zich ter ruste te +begeven, en niet zonder welbehagen gingen de reizigers hunne +vermoeide leden uitstrekken op de voor hen in gereedheid gebragte, +wederom zeer eenvoudige, maar daarom nog geenszins ongeriefelijke +legersteden. + +De vroege morgen van den volgenden dag vond onze reizigers na een +frisch bad en een hartig ontbijt weer tot het voortzeiten van hun +togt gereed; en terwijl nu de paarden werden opgezadeld, nam +Gaurapada voor eenige oogenblikken Siddha ter zijde, en sprak, +ditmaal buiten gehoor van Koelloeka: + +--Heilige kluizenaars, mijn jonge vriend! zijn gewoon, de jongeren +die hen komen bezoeken, niet zonder eenige leering, 't zij dan +verstandige of niet, te laten vertrekken. Gij wacht misschien iets +dergelijks ook van mij. Maar dan bedriegt gij u. Ik heb voor 't +oogenblik niets te voegen bij 't geen de wijze Koelloeka, uw +verstandige goeroe, u ongetwijfeld geleerd heeft. De wereld, die +gij gaat opzoeken, en 't leven zelf moeten het verdere doen. Maar +een woord toch, waaraan ik een verzoek heb toe te voegen! Schroom +niet, wanneer gij ginds in het Zuiden in het magtig en weelderig +wereldrijk zult zijn aangekomen, uw billijk aandeel te nemen aan +geoorloofde uitspanningen en vermaken; geniet het leven, dan eerst +leert gij 't kennen en het wezenlijke van het onwezenlijke +onderscheiden: maar gedenk steeds de les, waaraan uw leeraar u +voorzeker meermalen herinnerd heeft: houd uw gemoed rein, en draag +zorg dat gij u nooit over uwe handelingen te schamen hebt, niet +enkel voor anderen, maar ook voor uzelven! Doch wanneer het mogt +gebeuren, dat gij, in weerwil van uw ijverigst streven om die les +te betrachten, toch op eene of andere wijze de gemoedsrust zaagt +gestoord, die u als elk ander mensch onmisbaar blijft, en indien +gij dan soms geen vriend mogt hebben, wien gij uw hart kunt +openleggen, denk dan eens aan een oud vriend van uw vader en van +uw leermeester, en kom tot den kluizenaar van den Bhadrinath. Wilt +gij mij dat belooven? + +--Ik beloof het! antwoordde Siddha, eenvoudig maar met mannelijken +ernst, terwijl hij de armen eerbiedig over de borst kruiste. Maar +vriendelijk als steeds vatte Gaurapada zijne beide handen en +drukte ze hartelijk. + +Weldra werden de paarden voorgebragt, de ruiters zetten zich na +afscheid van den kluizenaar in den zadel en reden, door hunne +dienaren gevolgd, het bosch weer in en het bergpad op. Nog meer +dan eens zag Siddha om en wierp hij een blik op de eerbiedwekkende +gestalte van den wijze, zooals die met zijn tijger nevens zich nog +geruimen tijd tusschen de hooge boomstammen door, aan den drempel +zijner woning zigtbaar bleef. Daarna reed hij zwijgend en in +gedachten verzonken naast zijn medgezel voort. + +Eensklaps, als opschrikkend uit zijne mijmering, hield hij zijn +paard met een vrij onzachten ruk in, zoodat het bijkans steigerde. + +--Koelloeka!--sprak hij,--ik zag nog nooit een man als Gaurapada! + +Doch bijna op 't zelfde oogenblik kleurde hij tot over de ooren, +bedenkend, maar te laat, dat zijn uitroep juist niet bijzonder +vleijend voor zijn vriend en leeraar mogt heeten. Noodeloos +evenwel maakte hij zich ongerust door te meenen, dat deze eenigen +aanstoot aan zijne woorden nam. Integendeel Koelloeka's gelaat +teekende eene ongeveinsde vreugde over de bewondering van zijn +leerling voor zijn ouden vriend. + +--Inderdaad!--zeide hij,--het verheugt mij dat gij zoo over hem +denkt; dat pleit ook tevens voor uzelf. En wees niet bevreesd u +ooit in hem bedrogen te zullen zien. + +--Maar,--vroeg Siddha weer even plotseling na een oogenblik +stilzwijgen,--wie is nu Gaurapada? + +--Wel!--was het antwoord,--dat hebt gij immers zelf gezien: een +kluizenaar in 't Himalaya-gebergte. + +--Nu ja!--zei Siddha eenigszins ongeduldig,--dat weet ik ook wel; maar +ik meen: wat was hij vroeger, eer hij hier kwam en tijgers temde? + +--Hij trachtte menschen te temmen,--antwoordde Koelloeka,--maar +'t gelukte hem niet altijd. Doch waarom hebt ge hem zelf niet +gevraagd, wie hij was? + +--Zou dat bescheiden zijn geweest? Zoudt gij dat hebben +goedgekeurd? + +--Neen, zeker niet! Gij hebt goed gehandeld met de gastvrijheid +niet te schenden door onbescheiden nieuwsgierigheid, ook al kwam +ze voort uit wezenlijke belangstelling. Maar daarom hebt ge nu ook +verdiend, die nieuwsgierigheid te zien bevredigd. Gaurapada heeft +mij veroorloofd, indien ik dat goed achtte, u zijn voorleden en +zijn waren naam mede te deelen. Zoo luister!--Er was eens een +Koning-- + +--Hoe nu?--vroeg Siddha, een weinig verstoord,--gaat ge mij nu een +sprookje van Somadeva vertellen, zooals ik er zooveel van u hoorde +toen ik een kleine jongen was? + +--Hoor mijn sprookje,--antwoordde Koelloeka bedaard,--of hoor +niets! Er was dan, zeg ik, eens een Koning, die gesteund door +goede raadslieden, zijn volk regeerde met wijsheid en beleid. +Kinderen had hij niet, maar wel een jongeren broeder, een jonkman +van veel bekwaamheid, dien hij zeer liefhad en ook tot zijn +opvolger had bestemd zoo hij eenmaal het land mogt ontvallen of de +last der staatszaken in 't eind te zwaar op zijne schouders +drukken mogt. Doch die jongere broeder was eerzuchtig, ondanks +vele andere, goede hoedanigheden; hij had het geduld niet, zijn +tijd af te wachten en liet zich door eene aan de bestaande +regering vijandige staatspartij verleiden, eerst heimelijk, daarna +in 't openbaar en ten slotte met de wapenen in de hand op te staan +tegen zijn broeder en wettigen Vorst, tot deze hem en de zijnen +ten laatste overwon en hem gevangen medevoerde naar de hoofdstad +van zijn rijk. Maar de beweging was daarmede niet geeindigd, de +woelingen duurden voort, en om deze te onderdrukken bleef den +Koning geen ander middel dan zijn eerzuchtigen en steeds +gevaarlijken broeder, hoe innig ook door hem geliefd, uit den weg +te ruimen, en diens vrienden en aanhangers een gelijk lot te te +doen ondergaan. Maar zoo doende zou hij zijn troon ook slechts +vesten in broeder- en burgerbloed, en welligt eindelooze veeten in +'t leven roepen, waarvan het eind geen ander kon zijn dan +algeheele uitputting van zijn rijk en de volkomen onderwerping van +zijn volk aan vreemde, lang reeds op de erfenis zijner vaderen +azende overheerschers. Toch twijfelde nagenoeg niemand of de +Koning zou ten laatste overgaan tot den nu eenmaal onvermijdelijken +maatregel, toen zich eensklaps het gerucht verspreidde dat hij uit zijn +paleis verdwenen en waarschijnlijk, zoo niet zeker, door verraad gevallen +was. En inderdaad vernam men sinds dien tijd niets meer van hem; zijn +broeder, uit de gevangenis verlost, besteeg als wettig opvolger den +troon, en regeerde sedert dien tijd, verstandiglijk de beste raadslieden +van zijn broeder aan zijne zijde houdend, zoo al niet met gelijke +wijsheid, dan toch met goed geluk het weer tot rust gekomen land. + +Een oogenblik zweeg Koelloeka, en brak hij zijn verhaal af om zijn +medgezel en leerling aan te zien. Maar het gelaat van dezen +teekende noch verwondering, noch bijzondere belangstelling. + +--Gij verhaalt mij,--zeide hij,--eenvoudig de geschiedenis van +onzen eigen tegenwoordigen Koning en zijn voorganger en ouderen +broeder Nandigoepta. Maar die is immers iedereen bekend, mij zoo +goed als elk ander bewoner van Kacmir. + +--Ongetwijfeld,--hernam Koelloeka,--die geschiedenis, voorzoover +ik ze u in herinnering bragt, is aan ieder bekend genoeg; doch wat +niet een iegelijk weet, maar alleen zeer enkelen, is, dat de +Koning Nandigoepta niet door verraad is gevallen en niet gedood of +verdreven werd, maar uit eigen beweging zonder dat zijn broeder of +iemand anders dan een enkele vertrouwde het wist, de wijk nam naar +een afgelegen oord, en door algemeen het gerucht te doen +rondstrooien dat hij verslagen was, zijn broeder redde van een +smadelijken dood en zijn rijk van den anders onvermijdelijken, +althans waarschijnlijken ondergang. + +--Zoo leeft dan Nandigoepta nog!--riep Siddha uit,--en hij is.... + +--Gelijk gij reeds begrepen hebt,--antwoordde Koelloeka,--de +kluizenaar, dien wij straks verlieten. Heilig blijve u zijn +geheim, het geheim van zijn rijk en van zijn geslacht! Aan uwe +riddereer wordt het door hem toevertrouwd. De zoon van uw vader, +zijn trouwsten dienaar en vriend, mogt het kennen, maar zal het +ook weten te bewaren zoo zeker hij edelman is. + +--Waarom,--vroeg Siddha, een oogenblik naderhand, half ontevrede, +--waarom mij dit niet meegedeeld toen wij nog ginds waren? Ik had +dan den Vorst mogen dank zeggen voor de weldaden, in de dagen +zijner grootheid aan mijn vader bewezen en aan ons geslacht. Doch +'t is waar! gij hadt geen regt te spreken, zoolang hij zelf het +niet deed; en bovendien heb ik immers nog de gelegenheid! +Gaurapada toch,--zooals hij thans genoemd wil zijn,--heeft mij +doen belooven, hem op te zoeken als ik soms in moeilijke +omstandigheden goeden raad van noode had. + +--En gij hebt wel gedaan, dat te belooven,--zeide Koelloeka,-- +houdt u aan dat woord! Gaurapada is wijzer en beter dan een onzer. + +Maar Siddha hoorde nauwelijks meer; wederom was hij in gedachten +verzonken. De ontmoeting met den kluizenaar en de openbaring van +diens geheim had diepen indruk op hem gemaakt. Daar, bij 't eerste +begin zijner reize, had hij een vorstelijk wijsgeer aanschouwd, +een man die eenmaal bijkans onbeperkte magt bezat en gebaad had in +weelde, maar die alles, rijkdom en aanzien, vrijwillig had +opgeofferd ter liefde van zijn broeder en van zijn land, en thans, +in 't gelukkig bewustzijn wel te hebben gedaan, zich tevrede en +zelfs opgeruimd betoonde in zijn eenvoudig leven in de wildernis, +met geen ander gezelschap dan een ouden getrouwen dienaar en een +verscheurend dier. En nu was hij op weg naar het hof van den +magtigsten monarch, dien Hindostan ooit had gekend, den +gelukkigen, met roem overladen beheerscher van een wereldrijk, die +zijn volken meer nog door wijs beleid dan door kracht van wapenen +wist te onderwerpen aan zijn wil, die te beschikken had over +onmetelijke schatten, en die zich bondgenoot mogt heeten van +magtige Vorsten uit de verst verwijderde landen en beschermer van +alle bekende godsdiensten der aarde. Wat de goede Siddha, anders +gewoon zich nog al wat te laten voorstaan op zijn adel en 't +aanzien van zijn persoon, nu plotseling zich klein gevoelde bij de +gedachte aan twee zulke mannen! En wie wel de grootste dier beiden +was? 't Viel zeker moeielijk te beslissen, en wijselijk begreep +Siddha, dat hij in elk geval zijn oordeel had op te schorten tot +hijzelf ook Keizer Akbar gezien en welligt gesproken zou hebben. +Dat besluit bragt hem tevens terug tot het naaste doel der reis, +het bezoek te Allahabad, waar de geliefde bruid, de schoone +Iravati, hem verbeidde. Zijn sedert eenige oogenblikken somber +gelaat helderde op, en vrolijk sprak hij, zijn hengst de sporen +gevend, toen men een vlak terrein van belangrijke uitgestrektheid +had bereikt: + +--Komaan! nu weer eens een flinken rid, meester!--En voorwaarts +ging het in snellen galop, terwijl Koelloeka hem de veerkrachtige +speer zag drillen en hem den naam hoorde uitroepen, die toch in 't +eind de zege had bevochten in zijne gedachten.--Iravati! + +--Voorwaarts, voorwaarts maar!--prevelde de Brahmaan in zich +zelven, terwijl hij mede zijn paard in galop zette,--vooruit tot +het einde is bereikt! Voor mij is 't alhaast gekomen, voor hem +vangt de levensreis eerst aan. Och! of zijn weg steeds zoo glad +als deze mogt zijn! Maar ook hij zal zijn klippen wel ontmoeten en +glibberige hellingen en welligt ook--afgronden. Bleven 't maar,--voegde +hij, in zichzelf glimlagchend en denkend aan het ongeval +van den vorigen avond, er aan toe,--bleven 't maar altijd +onschadelijke kuilen! + + + +TWEEDE HOOFDSTUK. + +Iravati + +Aan het digt met planten en bloemen begroeid balkon van +Allahabad's hoogen burgt, paleis en veste tevens, zat een jong +bevallig meisje, het hoofd in de hand geleund, als mijmerend naar +het uitgestrekte vergezigt te staren, dat zich aan gene zijde der +beide hier zamenvloeiende stroomen in het helle licht vertoonde +van een onbewolkte morgenzon. Ter linker zijde de rotsachtige +hoogten en wilde zandige oevers der Djoemna, ter regter de +liefelijke vallei van den Ganges; allerwege digte bosschaadjen van +mango-boomen, met tallooze papegaaijen en andere schitterend +gekleurde vogels bevolkt; hier en daar kleine eilandjes zich +verheffend boven het watervlak; en op den achtergrond, ginds in de +verte, de hooge, door pagoden bekroonde rotsgevaarten van het +tegenoverliggende land. + +Enkel naar de kleedij te oordeelen, zou in de mijmerende niet +terstond eene jonkvrouw van aanzienlijk geslacht zijn te herkennen +geweest. Een eenvoudig wit gewaad, met een smallen donkerrooden +rand omzet en om 't midden door een gouden gordel vastgehouden, +een fijne gouden haarband om de digte donkere lokken en een enkele +roos daartusschen tot eenig sieraad, ziedaar alles. Maar waartoe +ook zou die slanke, uitnemend geevenredigde gestalte, dat ovale, +fijn besneden gelaat met het groote en donkere, door lange zijden +wimpers overschaduwde oog, nog ander siersel van noode hebben +gehad dan de natuur zelve of Kama, de minnegod, reeds daaraan had +verleend? En geen spruit ook voorzeker van verbasterden stam, geen +dochter van een lager ras, die zooveel bevalligheid aan zooveel +eenvoud tevens had weten te paren als deze. + +Niet in verrukking intusschen als menigmaal anders aanschouwden +ditmaal die smachtende oogen het heerlijk natuurtooneel daar +omlaag. Ook heden als gisteren en den vorigen dag zagen ze +verlangend uit naar die verre gebergten aan de overzijde, van waar +hij komen moest, de lang maar te vergeefs gewachte.... Waar hij +toeven mogt? Wat hem kon weerhouden? En dacht hij nog wel, anders +dan vlugtig en voorbijgaand misschien aan haar, wier gedachten +dagen en maanden lang hem, en hem alleen, waren gewijd geweest?... + +Een zware tred deed zich hooren in de galerij achter het vertrek, +waar het balkon op uitkwam, en voorafgegaan door een dienares, die +het tot deur strekkend gordijn ter zijde schoof, naderde een kort, +gezet man van iets meer dan middelbaren leeftijd, in engsluitend, +maar lang, bijkans tot de voeten afhangend gewaad en een kort +zwaard met fraai versierde greep in den gordel als eenig +herkenbaar teeken zijner waardigheid. + +--Edele jonkvrouw!--sprak de dienares, bescheiden haar jeugdige +meesteresse uit hare mijmering wekkend,--Salhana, de Goeverneur, +uw vader, brengt u heden bezoek! + +--Hij zij welkom!--antwoordde de jonkvrouw, van kindsbeen af +steeds aan dien deftigen toon gewend, en opstaand trad zij haar +vader te gemoet. + +--Iravati!--sprak deze, haar aanziend met zijn doordringende +zwarte oogen, maar voor 't overige zonder eenige uitdrukking op +zijn mat bleek, met korten donkeren baard bedekt gelaat,--voor +eenigen tijd heb ik u meegedeeld, dat ik Siddha Rama uit Kacmir, +uw neef en verloofde, hier met Koelloeka, zijn leermeester +wachtende was. Beiden zijn thans aangekomen, en bevinden zich in +de beneden-galerij. Wij willen hen daar gaan ontvangen. + +Een oogenblik scheen Iravati bij 't vernemen der tijding al de haar +ingeprente lessen van vormelijkheid, die geen haastige bewegingen +gedoogden, te vergeten, en wilde zij haar vader voorbijsnellen, om +ginds terstond den lang gewachte te verwelkomen. Maar Salhana hield +haar door een wenk en eene ligte handbeweging terug. + +--Vooraf nog een woord!--zeide hij.--'t Is u bekend, dat de +belijders van den Islam, waaronder wij hier leven, het vrijer +verkeer van ongehuwde jongelingen en jonge dochters ten hoogste +afkeuren, en dat ook onze Hindoe's zich meer en meer naar die +inzigten hunner overheerschers hebben geschikt. Ik voor mij blijf, +gelijk u bekend is, aan onze aloude zeden gehecht, en, hoewel ik +voor 't overige streng alle passende vormen wensch in acht genomen +te zien, vergun ik u ook thans, als vroeger in ons eigen land, uw +neef en aanstaanden bruidegom vrijelijk te spreken. Maar laat geen +ander dan onze vertrouwden uw zamenkomsten ontwaren. 't Zou mijn +invloed hier, waar ik bevel voer, kunnen schaden, en ook uw eigen +goeden naam. Thans, kom! + +En haar voorgaand leidde hij zijne dochter naar de opene, mede op +de rivier uitziende galerij, waar de beide bezoekers hun +verschijnen stonden af te wachten. + +--Zijt welkom mijne heeren en vrienden!--sprak Salhana, statig op +hen toetredend,--ik zeg u dank, dat gij aan mijne uitnoodiging +hebt voldaan en terstond uw intrek ten mijnent hebt genomen, niet, +zooals velen plegen te doen, eerst ginds beneden, in de stad. + +De inhoud der woorden luidde hartelijk; de toon waarop zij werden +uitgesproken was het echter evenmin als het strakke, niets +zeggende gelaat. Wie dat een en ander evenwel mogt opgemerkt +hebben, niet de ontstuimige Siddha, die ter nauwernood zijn +deftigen oom begroetend, en Koelloeka nauw den tijd latend den +eerbiedigen groet van Iravati te ontvangen, een vurigen kus drukte +op de door deze hem aangeboden hand, terwijl hij op ridderlijke +wijze zich op een knie voor zijn uitverkorene nederliet. + +--Welkom!--sprak zij, terwijl ze hem tevens wenkte op te staan, +(en hoe zoet klonk hem wederom die zachte, welluidende stem!),-- +welkom, vriend! Ach hoe lang hebben wij u gewacht en uitgezien +naar gindsche bergen, ongerust en haast vertwijfelend aan uw +eindelijke komst! + +--Gij gelooft toch niet, lieve!--riep Siddha, haast +verontwaardigd, uit,--dat ik een oogenblik langer dan noodig was +mijne aankomst in Allahabad kon vertragen? Waarlijk, zoo ik over +bergstroomen en afgronden had kunnen springen om spoediger bij u +te zijn, en had mijn trouwe hengst maar vleugels als Vishnoe's +Garoeda bezeten, ik had, voorwaar, hem niet gespaard! + +--Ik geloof u gaarne,--hernam Iravati, vriendelijk glimlagchend,-- +en 't was ook waarlijk geen verwijt dat ik tot u of onzen +waardigen vriend Koelloeka rigtte. Doch verblijden we ons thans +ook in het zamenzijn, te meer omdat het, zooals ik van mijn vader +verneem, slechts kort zal mogen duren. + +--Inderdaad,--zeide Salhana, na een oogenblik onderhoud met +Koelloeka het gesprek der beide gelieven afbrekend,--onze vrienden +moeten ons morgen al vroeg weer verlaten. Van langen duur acht ik +vooreerst onze ontmoeting dus niet; en toch heb ik, edele Siddha! +het zamenzijn met uwe bruid nog eenige oogenblikken te bekorten, +daar ook ik nog een enkel woord met u wenschte te spreken. En +liefst terstond, daar mijn tijd kostbaar is en ik voor ons +middagmaal nog velerlei in mijne betrekking heb af te doen. Zoudt +gij dan, uw nader onderhoud nog een weinig uitstellend, voor eene +wijl mij willen volgen? + +Eene weigering van den voorslag was natuurlijk niet denkbaar, en +hoewel schoorvoetend en met een smachtenden blik naar Iravati, +door haar volkomen verstaan en gewaardeerd, volgde Siddha zijn +beleefden maar strengen oom naar den hof, die aan de andere zijde +van het paleis op het hellend terras was aangelegd. + +Daar, onder het lommer der hooge boemen, zette Salhana zich op een +rustbank neder en wenkte zijn neef naast hem plaats te nemem. + +--En zoo gaat gij dan,--begon hij,--uw fortuin beproeven in de +bijna onmiddelijke dienst van onzen grooten Keizer! Inderdaad, gij +moogt van geluk spreken, dat gij een vader hebt die u eene zoo +gunstige gelegenheid weet te openen als u thans geboden wordt, en, +zoo ik 't zonder aanmatiging er bij mag voegen, een oom, die zich +toevallig door zijne betrekking bij magte zag om uwe belangen te +helpen bevorderen. + +--Daarvoor ben ik u ook opregt dankbaar,--antwoordde Siddha,--en +ik hoop nooit te vergeten dat gij, werkelijk meer nog dan mijn +vader zelf vermogt, mij den eersten stap op den ladder zoo +gemakkelijk hebt gemaakt. Doch niet enkel omdat ik daardoor in de +gelegenheid kan komen om misschien eenmaal tot aanzien op te +klimmen, maar ook om ginds eens iets meer te kunnen uitrigten dan +in ons eigen, wel schoon, maar toch afgelegen land, en tevens in +persoon den grooten Keizer te midden van al de pracht zijner +hofhouding te zien, waarvan men te huis mij zoo veel heeft +verhaald. + +--Voorzeker!--hernam Salhana,--dat alles is ook wel de moeite +waard. een raad inmiddels! Wacht u voor overdreven voorstellingen! +Ik zeg niet, van den rijkdom van palelzen en hoven; want daarvan +kan men bij ons in 't Noorden zich bezwaarlijk eene voorstelling +vormen; maar, van den persoon des Keizers. Die zou u wel eens +kunnen tegenvallen, en uw geestdrift zou dan al spoedig merkelijk +zijn bekoeld. Beter dus, met een weinig minder hooggespannen +verwachting te beginnen. + +--Hoe?--vroeg Siddha verwonderd,--verdient dan Akbar niet in +waarheid zijn naam? Is hij niet, gelijk mijn vader en mijn +leermeester hem steeds voorstelden, een groot man zoowel als een +magtig vorst? + +--Dat zeg ik niet,--luidde het antwoord,--maar ook groote mannen +kunnen hun gebreken hebben, die wel eens gevaarlijk dreigen te +worden voor de belangen van anderen. + +--Luister!--ging de Goeverneur voort, voorzigtig rondziend of ook +iemand anders in de nabijheid zijne woorden mogt verstaan, terwijl +hij tevens zijne stem liet dalen tot een zacht fluisterenden +toon,--wanneer een man eenmaal zoo groote magt heeft erlangd als +Akbar, en dat door eigen kloekheid en beleid zooals hij, dan is de +lust naar meer zoo ligt niet bevredigd. De Keizer nu, die reeds +zooveel staten en volken aan zijne heerschappij onderwierp, kan +bezwaarlijk dulden dat uw en mijn vaderland op den duur zoo gansch +onafhankelijk blijve. Gij weet het voorts, niet waar? hoe in den +laatsten tijd weer nu en dan, al bleef 't nog voor de meesten een +geheim, in Kacmir oneenigheden zijn uitgebroken tusschen onzen +Koning en zijne beide zonen, even als die vroeger ook langzaam en +haast onmerkbaar aanvingen tusschen hem en zijn broeder +Nandigoepta. + +--Neen, dat wist ik niet,--zei Siddha,--het was mij tot dusver nog +niet ter ooren gekomen. + +--Nu,--hernam de ander,--gij zoudt het toch bij gelegenheid wel +vernomen hebben. Dus kan ik 't u ook terstond wel zeggen. Spreek +er intusschen maar niet over met Koelloeka; dat behoeft niet, en +ware misschien ook, zoo ik wel zie, niet goed. Doch nu verder! Die +oneenigheden dan, tusschen den Koning en zijne zonen en tusschen +dezen onderling, worden aangestookt,--gij begrijpt thans, door +wien. Is dan eenmaal de open veete uitgebroken en 't land weer in +partijen verdeeld, dan is er wel een voorwendsel te vinden om ons +den oorlog te verklaren; en de Keizer, door zijne handlangers en +spionnen omtrent den toegang door onze bergpassen ingelicht, komt +dan het land met een sterk leger overvallen en het inlijven in +zijn eigen rijk. Dat neemt nu alles natuurlijk niet weg, dat ik +gaarne zijn buitengewone verdiensten erken; maar diezelfde +eerzucht, die zijn volk groot maakt, kan de ondergang zijn van +onze onafhankelijkheid. + +--Doch hoe,--vroeg Siddha weder, na een oogenblik overdenkens,-- +hoe kunt gij in zulke omstandigheden en als dat alles werkelijk +zoo is, nog de dienaar zijn van een man, die, hoe beteekenend ook, +toch den ondergang van ons vaderland gezworen zou hebben? + +--En waarom niet?--sprak Salhana, op zijne beurt als verwonderd,--is +het dan niet goed dat een onzer, zonder hem zelf te benadeelen, +maar integendeel hem dienend in vele andere eveneens gewigtige +zaken, toch in de gelegenheid blijft, het oog op zijne plannen en +handelingen te houden? Juist daarom is 't ook nuttig dat gijzelf, +onder mijne aanbeveling en bescherming, nader met den heerscher +in aanraking komt. U zal hij voorzeker minder verdenken nog dan +mij, en gij zult alzoo, goed toeziend, ons soms nog beter op de +hoogte kunnen houden dan eenig ander. + +--Maar,--vroeg nogmaals Siddha, na een oogenblik nadenken, en als +aarzelend,--is dat eerlijk? + +--Jongeling!--antwoordde Salhana op hoogen toon, hoewel zijn +gelaat anders geen toorn verried,--laat mij u doen opmerken, dat +een man van mijn leeftijd en ervaring toch wel weten zal wat +eerlijk is of niet, en u, een jongmensch, die zijn loopbaan +aanvangt, toch geen raad zou geven in strijd met de regte +begrippen van eer! + +--Vergeef mij, oom!--hernam Siddha verlegen,--gij weet, ik ben nog +te weinig bekend met de beginselen van hoogere staatkunde om u zoo +terstond reeds volkomen te begrijpen. Ook heeft Koelloeka, mijn +goeroe, mij steeds ingeprent in alles den regten weg te volgen, +nooit dubbelzinnig jegens iemand te handelen, en.... + +--Koelloeka, mijn beste vriend! viel de ander hem in de rede,--is +een voortreffelijk man en voor wien ik steeds de meeste achting +heb gehad; maar hij is een geleerde, geen man van zaken, een man +van theorie, niet van praktijk. Zie nu eens! uw land en volk, +waaraan gij gehecht zijt, wordt bedreigd door een Vorst, dien gij +overigens hoog stelt en ook gaarne dienen wilt, maar alleen niet +in dat eene. Integendeel, daarin zoudt gij wenschen, en zou 't ook +uw pligt zijn, hem zoo doenlijk tegen te werken. Nu wordt u de +gelegenheid daartoe opengesteld; zoo niet geheel toch in zekere +mate. Zult gij nu die gelegenheid versmaden wegens 't een af ander +afgetrokken begrip van politieke eerlijkheid? En handelt hijzelf +dan zoo eerlijk door uw en mijn diensten aan te nemen en +tegelijker tijd lagen te leggen aan onzen Koning en ons land? En +zoo niet, wat aanspraak heeft hij dan op zoo bijzondere +openhartigheid van onze zijde? Daarenboven, ga maar eens tot +Akbar, en zeg hem, zoo gij durft, in zijn gezigt dat gij zijn +plannen doorgrondt en tegen hem in 't veld denkt te treden! Hij +zou u zien komen, mijn goede vriend! Eer een etmaal voorbij was, +laagt gij geboeid in den kerker of zaagt ge u heimelijk naar de +uiterste grenzen van Dekkan of Bengalen vervoerd,--zoo 't niet +erger met u afliep. Baat u en ons dus geen openlijk verzet, wat +rest dan anders dan goed gebruik te maken van de gunstige +gelegenheid, waardoor, let wel! den Vorst zelven geenerlei kwaad +wordt berokkend, terwijl wij van onzen kant er ons vaderland +misschien nog mee redden van het naderend verderf? + +Niet overtuigd nog, maar toch ook niet wetend hoe dergelijke +redeneringen te wederleggen, zocht Siddha vergeefs naar een +antwoord, en--zweeg, afwachtend wat zijn oom nog verder te zeggen +had. Maar deze scheen het onderhoud voorloopig als geeindigd te +beschouwen en maakte een beweging om op te staan, toen zich in de +laan waarop de rustbank het uitzigt gaf, eene figuur vertoonde, +wel geschikt om Siddha's opmerkzaamheid te trekken en zijne +gedachten voor 't oogenblik af te leiden van het gesprokene. + +'t Was een lange, magere, bronskleurige gedaante, kaal geschoren +behalve een enkele lange haarvlok op het glimmend voorhoofd, +regterarm en borst ontbloot, maar omhangen met het heilig koord +der Brahmanen, en voor 't overige de knokerige leden in een eng +sluitend wit kleed zonder eenig siersel gehuld. Diep lagen de +grauwe bijna wezenloos voor zich uitstarende oogen in hunne +kassen, en de holle wangen en sterk uitstekende jukbeenderen +schenen te getuigen van strenge vasten en harde zelfkastijding. +Schoon voor mensch of dier niet ligt bevreesd, en ook voor 't +overige wel aan de verschijning van dergelijke wonderlijke +gestalten gewend, schrikte toch Siddha een oogenblik voor deze +eene terug. Menig jongen en krachtigen tijger had hij in de +bosschen weerstaan en met speer en zwaard geveld, en meer dan een +geduchte slang had hij onverschrokken den kop afgehouwen, maar +nooit nog volkomen den afschuw kunnen overmeesteren, die hem bij +den plotselingen aanblik van een schuffelenden adder of een +eensklaps uitschietenden schorpioen beving, ook al vreesde hij +niet terstond de giftige beet. + +--Gorakh, de Yogi,--verklaarde Salhana,--priester van den Doerga- +tempel, ginds op den berg. Bejegen hem met ontzag. Hij verdient +het en heeft meer te beteekenen dan gij alligt vermoedt. + +Sluipend bijkans, meer nog dan gaande, de beide mannen, die +inmiddels opgestaan waren, naderend, sprak de priester, terwijl +hij de beide handen zaamgevouwen naar het voorhoofd bragt, op +langzaam sleependen toon en sommige lettergrepen op wonderlijke +wijze rekkend:-- + +--Om! om! U zij de gunst van den Heer der Wereld en van Doerga, +zijne glorierijke gemalin! Om! + +--Wees gegroet, eerwaarde Gorakh! antwoordde Salhana op die +zonderlinge toespraak,--zie hier mijn neef, Siddha Rama uit +Kacmir, van wien ik u vroeger reeds gesproken heb. + +--Hij zij gegroet!--was Gorakh's plegtig antwoord,--en moge hij +eenmaal, den strijd der tweeheid te boven, de zegeningen +doorgronden van het ter oneindige zaligheid leidend eenheidsbewustzijn, +waarin gij, mijn leerling en vriend! reeds meer en meer den waren weg +des heils begint te herkennen!--Doch,--vervolgde hij na een oogenblik +niet minder plegtig zwijgen,--dat levenservaring hem eerst dien weg +bereide, gelijk ze u en mij dien gewezen heeft! Gunnen we hem den tijd, +dien de leerling behoeft! Trouwens, ik ken hem, en weet dat hij eenmaal +tot de onzen zal behooren.--Nog onlangs,--en hier wendde hij zich +onmiddelijk tot Siddha,--nog onlangs heb ik u ontmoet. + +--Vergeef mij, Eerwaarde Heer!--zei de toegesprokene,--zoo ik 't +van mijn kant mij niet herinner.... + +--Dat kunt gij ook niet,--werd hem geantwoord;--ik was op dat +oogenblik onzigtbaar voor menschelijk oog. + +Te wel bekend met de wonderlijke beweringen der Yoga-belijders, +dat ze bij voorkomende gelegenheden zich onzigtbaar konden maken, +en dergelijke, vergenoegde zich Siddha met stilzwijgend den +priester aan te hooren, toen deze tot zijn verbazing voortging: + +--Het was op dien avond toen gij den tijger van den kluizenaar +zocht te vervolgen, en.... Maar wij spreken elkaar nog wel nader! +De edele Salhana verlangt thans mijn onderhoud. Tot later dan, +vaarwel! U zegene Doerga's magtige gemaal! + +En met doffe stem zijn--Om! Om!--prevelend, verwijderde zich de +Doerga-priester met Salhana, die, zijn neef een--Tot straks!-- +toeroepend, hem alleen liet in den hof. + +De laatste mededeeling van den Yogi was wel geschikt om Siddha's +verwondering op te wekken. Hoe wist die man wat er ginds met hem +in 't gebergte was voorgevallen, waar hij buiten zijn eigen +reisgezelschap geen enkel menschelijk wezen had bespeurd? Het +gezigt van zijn dienaar, dien hij op eenigen afstand daar tusschen +de boomen zag dwalen, bragt hem inmiddels op eene gedachte, die, +meende hij, alligt het raadsel kon oplossen. + +--Vatsa!--zeide hij, den man wenkend,--hebt gij of Koelloeka's +dienaar zoo even of daar straks met een priester gesproken? + +--Neen, Heer!--antwoordde Vatsa,--wij hebben zelfs geen priester +gezien. + +--Niet?--vroeg Siddha, thans wezenlijk verbaasd,--nu, goed dan! +Gij kunt gaan!--En terwijl hij met de hand wenkte, prevelde hij +half verstoord en toch ook half verschrikt, in zichzelf:--ik moet +er Koelloeka eens over spreken! + +Doch hoe kon nog eenig priester of wat ook een oogenblik langer +zijne gedachten bezighouden, toen hij, een eind weegs voortgewandeld, +het wit gewaad en de slanke gestalte van Iravati gewaar werd onder het +digte lommer der mango's aan den oever van een kleinen lotusvijver, +besproeid door een zacht klaterende en aangename koelte verspreidende +fontein? Bloemen lagen om haar heen en een nog onafgewerkten krans hield +zij in de hand. Doch zoodra niet hadden voetstappen in de nabijheid hare +opmerkzaamheid getrokken en nauw had zij Siddha herkend, of zij wierp +den krans weg, en snelde haar minnaar met zaamgevoegde en ter hoogte +van het voorhoofd opgeheven handen te gemoet. Hartstogtelijk drukte +Siddha ze in de zijnen, en de geliefde terugleidend zette hij naast haar +zich neder in het mos. + +--Wat uw vader toch een wreed man is,--sprak hij,--ons terstond +zoo weer te scheiden, nadat wij nauwlijks een paar woorden +gewisseld hadden! + +--Wel!--zei Iravati,--gij moest hem eer bedanken, dat hij ons +toestaat, elkaar zoo alleen te spreken. Dat is hier lang niet +allen vergund, die in ons geval verkeeren. + +--Nu goed!--hernam Siddha,--daarvoor wil ik hem van harte dankbaar +zijn, en te hooger waardeer ik dit gelukkig oogenblik, naar ik te +langer er op wachten moest. Doch hoe nu? Gij deelt dunkt mij niet +geheel in mijne blijdschap; wat mag de reden daarvan zijn? + +--Ach!--zuchtte Iravati,--hoe ware 't geluk onverdeeld als men +weet dat het zoo kort is van duur? Welligt of waarschijnlijk is +dit het eenige korte oogenblik dat we voor langen tijd elkander +vrijelijk mogen spreken. En morgen gaat gij weer verder, naar de +weelderige, woelige stad, waar gij een eenvoudig meisje als ik ben +alras zult vergeten.... + +--Vergeten!--riep Siddha uit,--heb ik dergelijk vermoeden aan u +verdiend? En wat is ook eene afwezigheid van misschien enkele +maanden? Keert dan,--vroeg hij met de woorden van Amaroe, terwijl +hij hare hand vatte, en haar nader ter zich trok,--"Keert dan wie +gaat, niet terug? Hoe dus: mijn liefste! zoo treurig? Blijft niet mijn +hart als mijn woord, scheiden we ook straks, u verpand." + + +--Ja,--zei Iravati lagchend,--als dichters ons troosten konden! +Maar vertel mij, Siddha! hebt gij nog nooit een vers op mij +gemaakt? + +--'k Wilde dat ik het kon,--was het nederig antwoord,--en +inderdaad ik heb 't wel eens beproefd, maar wat ik ook zocht, ik +vond nooit iets uwer waardig. Daarentegen is er een andere kunst, +waarin ik misschien iets beter ben bedreven dan in poezie, en wat +ik daarin beproefde wil ik niet voor u terughouden.-- + +En een klein met edelgesteenten omzet medaljon uit zijn gordel te +voorschijn halend toonde hij zijne verloofde een miniatuur +portret, waarin zij wel terstond haar eigen beeld moest herkennen. + +--Siddha!--riep zij blijde uit,--maar ik ben immers lang zoo +schoon niet! + +--Zoo schoon niet!--herhaalde hij,--neen, maar wel honderdmaal +schooner dan mijn penseel of dat van een ander u afbeelden kan! + +En in zeker opzigt had hij gelijk. Want, naar Indischen smaak, had +hij de doorsnee der oogen en de grootte van den mond een weinig +overdreven, terwijl juist de volkomen evenredigheid van beide met +de overige trekken een van Iravati's wezenlijke schoonheden was. + +--Maar hoe nu?--vroeg hij verschrikt, terwijl zijne gezellin +eensklaps was opgestaan en snel aan zijne armen ontsnapte, die +haar trachtten te omvatten,--hoe nu? gij neemt de vlugt? + +--Wacht mij even!--sprak zij,--in een oogwenk ben ik bij u terug. + +Met de vlugheid der gazelle zag hij tusschen de boomen haar den +weg nemen naar het paleis, als zwevend de breede marmeren trappen +bestijgen en weinige oogenblikken later terugkeeren met een niet +terstond uit de verte herkenbaar voorwerp in de hand. Toen, hem +weer genaderd, vertoonde zij hem, terwijl een blos hare wangen +overdekte en hemzelven een uitroep ontsnapte van blijde +bewondering, zijn eigen, welgelijkend, maar ditmaal werkelijk een +weinig geidealiseerd portret. + +--Liefste mijn!--sprak hij in vervoering, en eer ze zedig zich kon +terugtrekken had hij haar middel omvat en een vurigen kus op de +frissche rozeroode lippen gedrukt. + +--Zie! sprak zij,--de onstuimige omhelzing zachtkens afwerend,-- +nu zou mijn vader toch tevree met ons zijn! We hebben juist gedaan +zooals de prinsen en prinsessen, waarvan onze nationale +vertellingen spreken; die maakten ook elkaars portret. + +--Niet volmaakt juist, lieve!--verbeterde Siddha,--ze maakten hun +eigen portret, en ruilden dan met elkaar, of als ze elkander +afbeeldden, dan ruilden ze toch. Maar ik vind onze manier toch +beter; de hunne scheen mij altijd in 't eene geval een blijk van +verregaande ijdelheid, en in 't andere heel doelloos. + +--Foei!--zei Iravati bestraffend,--maakt gij aanmerkingen op de +schriften der Ouden? Wie weet of gij straks niet onze heilige +boeken zelf zoudt gaan kritiseren! + +--Nu ja, en waarom niet?--vroeg Siddha,--als ze nu eenmaal hier of +daar mis hebben of smakeloos zijn, of.... + +--Gij zijt toch, hoop ik, geen twijfelaar? + +--Twijfelaar? Aan wat? + +--Aan het gezag der heilige Veden, bij voorbeeld, of aan.... + +--Kom, beste!--viel Siddha de schoone spreekster lagchend in de +rede,--kom! laten we nu in deze weinige oogenblikken, die ons nog +gegund zijn, niet doen als zoovelen onzer landgenooten, die elkaar +haast nooit kunnen ontmoeten of ze doen elkander allerlei +theologische en philosophische vragen. + +--Gij hebt gelijk,--hernam Iravati,--en zie, ik weet ook een +spelletje dat veel aardiger is, en dat gij ook wel kent. Let op! + +En zich vooroverbuigend naar den kant van den vijver, plukte zij +een donkerblauwe lotusbloem, nam een groot langwerpig boomblad dat +daar op den grond lag, en, na het vlug tot een soort van schuitje +omgebogen te hebben, den lotus daarin stekend, liet zij het blad +drijven op het zacht door de beweging der fontein bewogen +watervlak. + +--Die bloem is mijn Siddha,--sprak ze half in zichzelve,--laat +ons nu zien of hij mij trouw zal blijven! + +--Neen!--sprak Siddha op zijne beurt verwijtend,--dat is een gek +spel! Dat moet gij niet spelen! + +Maar Iravati luisterde nauwelijks en zag met ademlooze +belangstelling naar het dobberend boomblad uit, dat daar vrolijk +op de kabbelende golfjes danste. + +--Trouw! trouw!--juichte zij.... + +Daar streek een ligt zuchtje van den zuidenwind over het water; +het ranke vaartuig helde ter zijde, kantelde, en vertoonde weldra +niet meer dan het ondervlak, terwijl de lotus verdween. + +--Helaas!--riep Iravati uit en liet het hoofd op de borst zinken, +--mijne voorgevoelens zouden mij dan niet bedriegen? + +--Foei! zeg ik nu van mijn kant,--sprak Siddha,--eene edele wel +opgevoede jonkvrouw hecht aan zulke dwaasheden, die hoogstens te +vergeven zijn aan onnoozele boerenmeisjes! En zoo stelt gij dan +meer vertrouwen in een boomblad, dat van zelf wel moet omvallen +als ge 't maar lang genoeg drijven laat, dan in het eerewoord van +een Indisch edelman, die u zijne trouw heeft gezworen als gij de +uwe aan hem? + +--Ach, Siddha!--zuchtte Iravati,--heb medelijden met mij als ik +mij soms wat kinderachtig aanstel! En is mijne onrust u geen blijk +hoe ik u liefheb? Mag ik niet soms, hoe groot ook mijn vertrouwen +op uw woord en uwe liefde is, met zekere onrust denken aan die +stad waar gij heengaat en waar u wie weet het welke verzoekingen +wachten? Toch had ik daareven groot ongelijk, dat erken ik; en,-- +vervolgde zij, haar hoofd aan Siddha's schouder leunend,--ik weet +immers ook, dat Siddha de mijne is, nu en voor altoos en dat er +geen andere vrouw bestaat, die mij ooit zijn hart kan ontrooven! + +Haar middel omvattend, zag Siddha de geliefde zwijgend aan; maar +die blik zeide meer dan de krachtigste betuigingen, en nameloos +gelukkig vleide zich Iravati aan zijne borst. + +Een gerinkel van ringen in de nabijheid deed beiden opzien, en uit +Siddha's omhelzing zich loswindend, zeide Iravati: + +--Ons zamenzijn, vriend! is geeindigd; daar komt Nipoenika, mijne +dienares, ons waarschuwen. + +Inderdaad verscheen een oogenblik later de dienares, wier gouden, +om de bronskleurige enkels en armen sluitende ringen onder 't gaan +het zooeven vernomen geluid hadden veroorzaakt, en meldde hare +meesteres dat de Goeverneur haar uitnoodigde, naar hare vertrekken +terug te keeren en zijn neef verzocht, met hem en Koelloeka aan +den maaltijd te komen deelnemen. + +Met een ligten handdruk scheidde Iravati van haar verloofde, en +begaf zich met Nipoenika terug naar het paleis. Op een afstand +volgde Siddha om zijn oom en zijn reisgezel in de benedenvertrekken +te gaan opzoeken. + +Aan pracht en weelde ontbrak het niet bij het maal, aangerigt in +een der kleinere vertrekken, dat met zijn open galerij een +heerlijk uitzigt leverde op het schilderachtig landschap daar +omlaag. Zijden, fraai geborduurde kussens, waarop de gasten plaats +namen, gouden en zilveren schalen in overvloed, keur van spijzen +en wijnen, tal van dienaren van allerlei gelaatskleur en in allerlei +kostuum, in een woord al wat overeenkomstig mogt heeten met den rang +van Salhana als Goeverneur der veste en voor 't oogenblik hoogst +gestelde onder de bewoners van het vorstelijk paleis. Maar de regte +vrolijkheid ontbrak aan het deftig feest en geen vertrouwelijkheid was +denkbaar; alles bleef er vormelijk, statig, stijf; en de gesprekken, +even onbeteekenend als hoffelijk, werden blijkbaar slechts tusschen de +drie mannen gevoerd omdat stilzwijgen onbeleefd zou zijn geweest. +--Hoe anders,--kon Siddha niet nalaten te denken,--hoe anders toch dat +eenvoudige maal bij den kluizenaar in het gebergte!--En 't was of +Koelloeka ongeveer hetzelfde dacht toen zijn jonge vriend hem even +aanzag; althans de blik dien hij toen juist in 't ronde wierp en zijn +nauw zigtbare, door Salhana niet opgemerkte glimlach bewezen wel dat er +ook iets dergelijks omging in zijne gedachten. + +Ten laatste inmiddels liep de lang gerekte maaltijd, waarbij in +alle deftigheid ook nog al vrij wat wijn was gedronken, ten einde. +Maar ook het overig gedeelte van den dag leverde voor Siddha geen +verder genoegen meer op. Wel dwaalde hij een tijd lang onder het +balkon der vertrekken rond, welke hem de gedienstige Nipoenika, +hem daar ontmoetend, als die harer meesteres had aangewezen, maar +Iravati vertoonde zich niet, en toen zij tegen den avond nog +eenmaal in tegenwoordigheid van haar vader en diens gasten +verscheen, was het enkel om een kort afscheid te nemen, even +vormelijk als de eerste begroeting in den morgen was geweest. + +Vroegtijdig met het krieken van den dag moest den volgenden morgen +de reis worden voertgezet, om onder behoorlijke middagrust de +hitte van den dag te kunnen ontwijken, en vroeg dus begaven de +reizigers zich naar hunne vertrekken. + +Doch zoo noodig de rust hem ook ware, de jongste der beiden kon +zoo terstond ze niet vinden, toen hij in 't voor hem gereed +gemaakte vertrek was aangekomen; en ongenegen dadelijk zijn +rustbed op te zoeken, begaf hij zich, na zijne wapens te hebben +afgelegd, nog voor eenige oogenblikken aan het open venster, dat, +aan de achterzijde van den burgt, het uitzigt verleende op de ook +daar aangebragte vestingwerken en de hier omheen liggende, nu in +nachtelijke schemering gehulde bosschen, waarachter zich weder +heuvelen en enkele hoogere, hier en daar met tempels en andere +heiligdommen gedekte bergen verhieven. + +Niet enkel Iravati's beeld echter was het wat op dit oogenblik hem +bezig hield. Ook de staatkundige gesprekken met zijn oom en de +zonderlinge ontmoeting met den geheimzinnigen priester rezen weer +op voor zijn geest. Dat deze door een of anderen kunstgreep achter +het voorval met den tijger was gekomen, begreep hij wel, al kon +hij niet ontdekken hoe; maar waartoe moest dat alles dienen, en +wat wilde die man eigenlijk? En Salhana, de Goeverneur? Viel er +vertrouwen te stellen in diens karakter, moesten zijne aanduidingen +gevolgd en werkelijk voor Koelloeka verzwegen worden wat er dien morgen +verhandeld was? Of ware 't niet noodig hem daarover te raadplegen? + +Eene onverwachte verschijning op den eersten ringmuur, waarvan de +lage borstwering scherp uitstak tegen de wel reeds nachtelijke +maar toch heldere lucht, deed Siddha een oogenblik het onderwerp +zijner overpeinzingen vergeten om spoedig zijne gedachten nogmaals +daarop terug te brengen. + +Boven de borstwering namelijk vertoonden zich eensklaps halverwege +twee gestalten zonder dat hij begreep hoe zij, terwijl hij toch +juist op den muur gestaard had, er zoo in eens waren gekomen; en +spoedig herkende hij aan hunne gedaanten, schoon hij de +gelaatstrekken niet onderscheiden kon, zijn oom, den Goeverneur, +en Gorakh, den Doerga-priester. Al weer die twee te zamen en in +dit late uur! Doch het wonderlijkste van de verschijning was +misschien nog de gansch veranderde houding van beiden. Geen zweem +meer van hunne vroegere stijfheid en statigheid. De een +gesticuleerde al harder dan de andere bij het blijkbaar zeer +levendig gesprek, terwijl zij nu eens naar het kasteel, dan weer +naar het gebergte aan de overzijde wezen. Het onderhoud bleef in +vollen gang tot het eensklaps gestoord werd door de verschijning +van wederom nieuwe figuren, die een voor een achter elkaar langs +den ringmuur zich voortbewogen. Dunne, magere gestalten allen, en +bijkans geheel naakt, met uitzondering van een wit, om den hals +gewonden koord, dat ook in de schemering nog door het verschil met +hunne donkere huidskleur zigtbaar bleef. Aanstonds bij hunne komst +was Salhana, waarschijnlijk langs een uit het paleis onzigtbare +trap, even snel verdwenen als hij straks gekomen was. De priester +had onmiddelijk al zijne statigheid weer aangenomen, en met de +regterhand naar een der hoogste bergen wijzend, stelde hij zich +aan het hoofd van den stoet, en daalde met dezen langs den muur +naar het aan den voet der rots gelegen donkere woud omlaag. Een +lange reeks van gedaanten, alle nagenoeg volkomen op de eerste +gelijkend, volgde hem, en Siddha had lang opgehouden te tellen +toen hij de laatste in de duisternis van het bosch verdwijnen zag. + +Eene ligte huivering had zijns ondanks hem bevangen toen hij die +zonderlinge gestalten daar voorbij zag trekken en hun uitwendig +voorkomen met den naam der godin in verband bragt, aan wier dienst +zich Gorakh heette gewijd te hebben, en wier tempel op gindschen +berg zij thans waarschijnlijk met hem gingen bezoeken. Kon het dan +waar zijn dat die sekte nog bestond, waarvan hij zoo menigmaal +gehoord had, maar die hij lang uitgeroeid of uitgestorven waande, +dat geheimzinnig verbond van daemonen in menschengedaante, dat zoo +lang de plaag en de schrik van Hindostan was geweest, het +vreeselijkst voortbrengsel welligt, dat ooit godsdienstig +fanatisme had uitgebroeid? En met een aanvoerder van dergelijke +bende zou zijn oom, de dienaar des Keizers in verstandhouding +zijn? 't Was inderdaad niet te gelooven, en lagchend om zijn eigen +dwaze voorstellingen verliet Siddha het venster, en wierp zich, +haastig ontkleed, op zijne legerstede. + +Vermogt hij ook nu nog niet spoedig den slaap te vatten, en dwaalden +nog lang de tegenstrijdige beelden van Iravati en Salhana en Gorakh met +diens naakte bruine volgelingen hem door het hoofd, tot een vast +besluit was hij toch gekomen eer hij insliep: met Koelloeka zou hij +niet spreken over 't geen hij dien dag gehoord en gezien had. Dat zijn +oom in geheimen was gewikkeld, bleek hem duidelijk genoeg, maar voor +een staatsman was dat zoo onnatuurlijk niet, en niets bewees hem dat +zij iets misdadigs hadden, terwijl toch de ontdekking alligt van +nadeelige gevolgen voor Salhana en misschien ook voor diens naaste +betrekkingen kon zijn. Was dan hij, Siddha, nu geregtigd het een of +ander uit te brengen, aan wien dan ook, wat een vertrouwelijk gesprek +of een louter toeval hem daaromtrent had bekend gemaakt? Koelloeka zelf +zou ongetwijfeld de eerste zijn om dergelijke handelwijze af te keuren. + + + +DERDE HOOFDSTUK. + +Agra + +Vrolijk trompetgeschal wekte Siddha uit zijne ligte +morgensluimering. Haastig opspringend, zag hij uit het venster het +groote plein van den burgt met eene menigte ruiters overdekt, +sommigen hunne paarden afzadelend, anderen bezig met op te stijgen +en zich in gelid te stellen. Voor de eene helft de ruiters, die +uit Allahabad naar Agra stonden te vertrekken en met wie onze +reizigers den togt derwaarts zouden ondernemen, voor de andere de +krijgslieden, die eerstgenoemden kwamen vervangen. Reeds zag de +jonge edelman zijn dienaar met den schimmel op hem wachten, en +vlug maakte hij zich tot het voortzetten der reize gereed. Weinig +tijds later zat hij te paard, terwijl ook eenige oogenblikken +daarna Koelloeka met den Goeverneur verscheen. + +Nog even inmiddels vond Siddha, eer de stoet zich in beweging ging +stellen, de gelegenheid om langs de bastions den hoek om te rijden +tot aan het balkon, waar hij den vorigen namiddag zoo herhaaldelijk naar +had opgezien. Ditmaal werd hij niet geheel in zijne verwachting bedrogen. +Tusschen de planten die het balkon bedekten ontwaarde hij terstond eene +hem wel bekende, in 't wit gehulde gestalte, die bij zijne nadering met +een luchtig op den zachten wind fladderend doek wuifde; en toen hij +digter bij was gekomen daalde dit langzaam neder zoodat hij, met eene +vlugge wending van zijn paard, het op de punt zijner lans kon opvangen. + +'t Was een van die schitterend gekleurde en ragfijne weefsels van +Kacmir, die de wanhoop van alle wevers der wereld uitmaakten en +die zich even ligt door een vingerring lieten trekken als tot +sluijer gebruiken of tot een tulband zamenvouwen. Snel kuste hij +'t voor hem onwaardeerbaar afscheidsgeschenk, wond het in een +oogwenk om het gevest van zijn sabel, en toen met de hand wenkend +ten laatsten groet, was hij dra in eenige sprongen bij zijne +reisgenooten terug. + +Een eind wegs begeleidde nog Salhana, mede te paard, zijne gasten +en de vertrekkende ruiters. Daarop nam hij afscheid, zijn neef nog +mededeelend dat hij spoedig hem te Agra hoopte terug te zien, +vermits hij zelf eenige dagen later zich derwaarts dacht te +begeven; en in gezelschap van den bevelvoerenden officier der +afdeeling, met wien zij intusschen kennis hadden gemaakt, trokken +onze reizigers verder. + +Meer dan een dag nog duurde de togt. Voor een groot deel door +zandige, veelal met meer steenen dan boomen bedekte vlakten, soms +ook over liefelijke begroeide heuvelen, en meest langs of in de +nabijheid van den oever der Djoemna. Eindelijk werd op weinig +afstand van Agra des avonds de laatste halt gehouden, en toen nu +den volgenden morgen na een korten rid de Keizerstad zelve was +bereikt, zagen de reizigers, ook diegenen onder hen voor wien de +aanblik niet nieuw meer was, de moeite en de onvermijdelijke +verveling van den togt zich wel vergoed. + +Halvemaansgewijze, langs den tegenovergestelden oever der rivier, lag +tusschen tuinen en vestingwerken van allerlei vorm de breede rei van +paleizen en moskeen, die in dezen tijd en nog lang daarna Agra of +Akbarabad tot een van de schoonste en prachtigste steden der wereld +maakten. In het midden ongeveer en uitblinkend boven allen verrees het +paleis van den Keizer zelf, waarvan het hoofdgebouw, van alle zijden +omringd door kleinere, tusschen de digte boomgroepen der lusthoven +verspreid, door de keurige voeging zijner roode en glad gepolijste +zandsteenen als uit een in het zonlicht glanzend granietblok scheen +gehouwen, en toch, in weerwil van het waarlijk kolossale zijner +afmetingen, met zijne menigte van puntig uitloopende koepeldaken en +vlugge slanke torens en als de fijnste kant tegen de lucht uitstekend +beeldhouwwerk een voorzeker niet minder bekoorlijken dan overweldigenden +invloed op den beschouwer te weeg moest brengen. En daar omheen de +paleizen en lusthoven der hofgrooten en der rijke en aanzienlijke +stadbewoners en de moskeen met hare koepels en minaretten, en hier en +daar ook nog enkele pagoden, overblijfsels en laatste getuigen van een +vroegeren, in deze streken althans, overwonnen beschavingstoestand. Wel +was die aanblik reden genoeg voor den reiziger, en in 't bijzonder ook +voor hem die de plek voor 't eerst bezocht, om den teugel in te houden, +ten einde nog eene wijl zich te verlustigen in het gezigt van zooveel +pracht, en, kon het, een oogenblik na te denken over den indruk daardoor +veroorzaakt. Een eenig mensch, magtig veroveraar en diep ingrijpend +hervormer bovendien, was dan voor 't grootste deel de stichter van dat +alles, dat in eene voormaals nog weinig aanzienlijke plaats als +eensklaps door eene tooverroede te voorschijn was geroepen uit den +barren grond? Wat geweldig, wat veelbeteekenend man dat niet zijn moest! +En een gevoel van beklemdheid greep Siddha aan, toen hij zich +voorstelde, misschien binnen kort voor dien man te zullen verschijnen +en welligt zelfs eenige woorden, zij 't ook slechts vormelijke, met hem +te moeten wisselen. + +Weldra intusschen begaf men zich verder en, aan de overzijde der +rivier gekomen, namen Koelloeka en Siddha afscheid van hun +reisgenoot, den officier, en begaven zich met hunne dienaren naar +de woning door een van Koelloeka's vrienden voor hen gehuurd,--een +eenvoudig maar smaakvol en aangenaam ingerigt huis met een +vriendelijk uitzigt op omliggende tuinen en op den klaren, in de +morgenzon glinsterenden stroom in de laagte. + +--Komaan, dat treft!--zei Koelloeka toen zij de woning waren +binnengetreden,--ik zie daar dat onze goederen al met de kameelen +zijn aangekomen. Nu behoeven wij niet stil te zitten en kunnen +straks al dadelijk, als we ons wat gekleed hebben, onze opwachting +bij Aboel Fazl, den Minister gaan maken. Eerst nu een frisch bad; +en inmiddels kan Vatsa onze zaken helpen uitpakken. + +Een half uur later waren beiden tot het voorgenomen bezoek op weg; +Siddha in een tot de knieen reikend en op de met een parelsnoer +behangen borst een weinig geopend goudlakensch kleed, en gedekt +door een niet te grooten, met een veder gesierden tulband, waarin +hij Iravati's afscheidsteeken had gevlochten; Koelloeka eveneens +in ietwat sierlijker, min streng eenvoudig gewaad dan hij tot +dusver gedragen had. Sabel en dolk, meer tot tooi nu dan tot +voorkomend gebruik, strekten tot wapentuig. + +De weg naar het paleis des Ministers was niet lang; en daar +aangekomen en de voorhoven doorgegaan zijnde, werden de beide +bezoekers op de vermelding hunner namen terstond naar een der +binnenvertrekken geleid om daar den Vizier af te wachten. Ook +stelde deze hun geduld niet lang op de proef. Weldra werd een der +gordijnen, die het vertrek van de overige scheidden, ter zijde +geschoven, en Aboel Fazl trad binnen. + +Hij was een eenigszins gezet man van middelbare lengte en +omstreeks een goede vijfig jaar, in een wel eenvoudig, maar toch +kostbaar gewaad van gele, gebloemde zijde gekleed. Een baard droeg +hij in 't geheel niet, maar zijn glad gelaat vertoonde niettemin, +ook in weerwil van zekeren vermoeiden trek, eene uitdrukking van +mannelijke kracht en sterken, vasten wil, eene uitdrukking tevens +weer getemperd door den vriendelijken blik zijner donkere oogen. + +--'t Verheugt mij, u zoo spoedig hier te zien,--sprak hij na de +gewone groeten, die van de zijde van Koelloeka en Siddha zeer +eerbiedig waren;--onze jonge vriend betoont zich daarmede, dank +zij waarschijnlijk ook uwe aansporing, wijze Koelloeka! niet +langzaam in 's Keizers dienst. + +--'t Ware voorzeker ook een slecht begin,--merkte de aangesprokene +op,--indien hij een oogenblik langer dan noodig was had gedraald +om de eervolle betrekking te komen aanvaarden, die uwe gunst en +die des Keizers hem hebben toegedacht. + +--Geen gunst, mijn vriend!--hernam Aboel Fazl--geen gunst, maar +verstandig beleid, zoo ik hoop. Wij achten hier geenszins nuttig, +alle betrekkingen steeds in handen te geven van onze eigene +grooten, en stellen 't ook op prijs als 's lands oorspronkelijke +edelen zich wijden aan onze dienst. Ook weet gij dat onze +Radjpoet's ongaarne hun aanvoerders uit anderen dan van hun eigen +stammen zien gekozen. En wat eindelijk kon mij aangenamer zijn dan +den zoon van een oud vriend, en van wien ik ook niet dan goede +getuigenissen vernam, tot een betrekking te roepen die zijn vader +gewenscht voor hem acht? + +--Veroorloof mij niettemin, edele Heer!--sprak nu Siddha toen de +Minister zweeg--het mij toegezegde als een gunst te blijven +beschouwen en Uwe Excellentie daarvoor mijn dank en dien van mijn +vader te betuigen! Ik wil hopen dat ik mij haar niet gansch +onwaardig zal maken. + +--Blijf trouw voor alles!--zei Aboel Fazl ernstig;--'t is een +voorschrift dat u thans overbodig schijnt; maar als ge wat langer +hier zijt geweest, zult gij aldra bemerken dat het dit in 't +geheel niet is in een omgeving waar verraad menigmaal van alle +kanten loert en zich ook de besten nog wel eens tot ontrouw lieten +verleiden. Morgen inmiddels zal uw opperbevelhebber u de noodige +instructien geven voor de dienst. Ook zal hij voorzeker niet +nalaten u te waarschuwen, wat voorzigtig met uwe Radjpoet's te +zijn. Want, gij weet het, velen hunner, al bekleeden zij geen +bepaalden militairen rang, zijn edelen als gij, en willen dus niet +zoo geheel behandeld worden als gewone soldaten. Voor 't oogenblik +zult gij, naar ik onderstel, wel eens wat meer van de residentie +willen zien dan gij tot nogtoe er van gewaar zijt geworden. Ik wil +u dus niet langer terughouden.--Doch wacht nog even,--sprak de +Minister, toen Siddha zich gereed maakte te vertrekken,--een +geleider zal u niet onwelkom zijn, en ik meen u een geschikten te +kunnen aanwijzen.--Daarop in de handen klappend, vroeg hij den +spoedig verschenen dienaar:--Is mijn neef Parviz hier? + +--Ik zag hem zooeven nog in den hof gaan,--antwoordde de dienaar. + +--Zeg, dat ik hem hier wensch te zien! + +Weinige oogenblikken later verscheen een jongman van ongeveer +Siddha's leeftijd, rijk gekleed en met juweelen en paarlen gesierd +en van een bevallig en innemend, schoon ook in weerwil van zijn +fijnen zwarten knevel ietwat vrouwelijk voorkomen. + +--Parviz!--zei Aboel Fazl,--zie hier de beide heeren uit Kacmir, +waarvan ik u de komst gemeld heb. Den edelen Siddha zult gij hoop +ik al spoedig uw vriend mogen noemen. Thans wilt gij hem alligt +wel tot gids strekken in onze stad, die hij voor 't eerst bezoekt. + +--Gaarne, oom!--antwoordde Parviz, terwijl hij Siddha beleefd en +vriendelijk tevens groette,--'t zal mij niet minder genoegen zijn +dan eer. + +--Zoo gaat dan!--hernam de Minister.--Koelloeka zal misschien nog +wel enkele oogenblikken hier willen vertoeven om met mij sommige +belangen van Kacmir te bespreken. Doch, mijne heeren!--zeide hij +nog in 't bijzonder tot Siddha en den Brahmaan,--vergeet vooral +niet nog heden mijn broeder Feizi een bezoek te brengen! Hij zou +'t u erg kwalijk nemen als gij 't uitsteldet tot morgen, al werd +mij de voorrang ook gaarne door hem gegund. + +En op een vriendelijken wenk van den Staatsdienaar verwijderden +zich de beide jongelieden en verlieten gezamenlijk het paleis. + +--Kom!--zei Parviz, toen zij buiten waren,--'t is gelukkig nog zoo +heel warm niet, en we konden dus wel eens dadelijk het eerste gaan +zien waar een bezoeker van Agra wel voor alles heengaat, het +paleis van den Keizer. Ten minste als de wandeling u niet te zwaar +is na uw morgenrid. + +--Och!--antwoordde Siddha, spoedig gemeenzaam met zijn nieuwen +vriend,--om de warmte geef ik in den regel al even weinig als om +de kou, wij zijn er in onze bergen wel aan gewend. En ook niet om +een weinig moeite. Maar ongaarne zou ik u last veroorzaken om mij +iets te laten zien wat gij zelf natuurlijk al lang kent. + +--Nu,--hernam Parviz wat spotachtig,--zoo'n ijzervreter ben ik wel niet +als gij, die daar uit de hooge bergen en wilde bosschen komt; maar een +wandelingetje kan ik toch nog wel maken, en al kreeg ik 't nu ook wat +warm, uw gezelschap zal mij de mogelijke vermoeijenis wel doen +vergeten. + +Zoo al pratend en terwijl men elkander 't een en ander omtrent +eigen betrekkingen en belangen meedeelde, waarbij Parviz onder +anderen vertelde dat zijn oom, de Minister, hem voor de +krijgsdienst, waarin hij zelf ook niet veel behagen vond, +ongeschikt achtte, en hem voor een staatsambt bestemde, kwamen de +beide wandelaars al spoedig aan de groote, breede straat, die een +der hoofdtoegangen vormde tot de voorhoven der vorstelijke +paleizen. Aan het einde dier straat was een hooge, in den vorm van +een triomfboog opgerigte poort, en deze doorgegaan zijnde kwam men +op een uitgestrekt, door platanen beschaduwd plein, dat ook nog +door zes andere bogen van gelijke bouworde en even breede straten +toegankelijk werd gemaakt. In 't midden verhief zich een kolossale +steenen olifant, door den tromp bij wijze van fontein en hooge +waterkolom opspuitend; en de drie andere zijden van het plein +werden ingesloten door lange reijen van marmeren kolonaden, +waarachter als trapsgewijze de verschillende verdiepingen der +hoofdgebouwen omhoog rezen. Was de aanblik misschien minder +treffend en schilderachtig dan die van de rivierzijde, de +verbazende uitgestrektheid der paleizen en hunne bijbehoorende +gebouwen, waaronder ook vestingwerken van velerlei aard, viel +daarentegen te meer in het oog. + +--Gij begrijpt wel,--zei Parviz,--dat we dat alles wat daarbinnen +is nu niet in eens zien kunnen, ook al waren we nog zoo bestand +tegen vermoeijenis; wij zouden er toch den tijd niet voor hebben. +Doch laten we nu dan voorloopig eens het een en ander er van +bekijken, dan kunt gij u ten minste eenig begrip vormen van het +geheel. Gaandeweg zult gij er later wel meer van zien. + +En een der galerijen binnentredend deed Parviz zich en zijn +medgezel aan een wachter kennen, die hun terstond een geleider +medegaf naar de voor bezoekers van hun rang toegankelijke +binnengebouwen. En nu ging het door lange reeksen van grootere en +kleinere vertrekken, het eene al rijker en fraaijer gestoffeerd +dan het andere, alle opgetrokken in den luchtigen en bevalligen +Moorschen bouwtrant, en waarvan er verscheiden een bekoorlijk +uitzigt leverden op de uitgestrekte tuinen met hunne frissche +fonteinen en hun pacht van bloemen en gewassen van allerlei soort. +Hier marmeren wanden, ingelegd met sierlijke bloemen van keurig +mozaiekwerk; daar spiegels van alle kanten en fijne, haast +onzigtbare fonteinen, wier dunne stofregen een heerlijke koelte +verspreidde; allerwege goudlakensche of zijden, met goud- en +zilverdraad gestikte gordijnen en voorhangsels van velerlei naar +den aard der overige versierselen wisselende kleur, en zware +tapijten en zachte zijden kussens, waarop in die omgeving zich uit +te strekken op zich zelf reeds een genot mogt zijn geweest. + +--Daar ginds, aan den anderen vleugel,--zei Parviz weder,--zou +men u nog veel meer fraais kunnen toonen; maar daar kunnen wij +natuurlijk niet binnenkomen: 't zijn de vrouwenvertekken. Ik heb +eens een kijkje gehad in een paar daarvan, toen ze pas waren +afgewerkt en nog niet bewoond werden; ja, wat daar niet al aan ten +koste moet zijn gelegd! Maar ik schenk u de beschrijving; gij hebt +al genoeg te kijken en dus zeker ook weinig lust om nog meer aan +te hooren. Is,--vroeg hij den geleider,--de groote audientie-hal +open? + +--Neen, Heer!--antwoordde de ander,--voor 't oogenblik niet; maar +over een paar dagen.... + +--Nu, 't maakt ook niet uit,--hernam Parviz.--Binnenkort,-- +vervolgde hij tot Siddha,--zal er wel openbare audientie zijn en +dan kunnen wij er heengaan. En van de vertrekken die de Keizer +zelf bewoont, zult gij later misschien wel meer gewaar worden. +Laat ons voor 't oogenblik nog wat bijzaken gaan opnemen, die het +zien toch ook nog wel waard mogen heeten. + +Langs hooge en breede zuilengangen, waarbinnen zich een menigte +van dienaren en krijgslieden van allerlei rangen bewoog, soms ook +door de regte en lange lanen van het park, wandelden nu de +bezoekers voort, terwijl Parviz zijn medgezel de bestemming der +verschillende zalen en gebouwen aanduidde. Hier de Keizerlijke +bibliotheek, met hare rijk gebonden handschrfften, ginds de +werkplaatsen der goudsmeden en juweliers, de laboratorien ter +vervaardiging van reukwerken, de uitgebreide magazijnen en +keukens, en eindelijk ook, behalve nog de arsenalen der vesting, +de stallen der paarden, olifanten en kameelen, die meer in 't +bijzonder voor den Keizer zelf en zijn gevolg waren bestemd. + +Tot dusver had Siddha gemeend, toch ook nog wel begrip van +paleizen te hebben; nu echter begon hij tot de overtuiging te +komen, dat hij er eigenlijk nog nooit een gezien had. Niet weinig +vooral verbaasde hem de uitgebreidheid van die stallen, die van +boven en uit de verte beschouwd, zich als heel een afzonderlijk +dorp vertoonden te midden van de parken waarbinnen ze waren +opgerigt. + +--Wat menigte van edele dieren daar niet zijn moet,--merkte hij +op. + +--Ja,--antwoordde Parviz,--een goede honderd olifanten zijn er +onder anderen stellig wel hier; hoeveel er elders nog voor den +Keizer worden gehouden weet ik niet met zekerheid; naar men zegt +moet hij er nog heel wat bezitten en een evenredig aantal kameelen +en paarden en jagt-luipaarden. + +--Maar,--vroeg Siddha,--wat heeft een man, al is hij ook Shah +Akbar, nu toch eigenlijk aan zooveel overdaad in alles? + +--Hij voor zich zelf niet veel,--was het antwoord,--en misschien +minder nog dan gij wel meenen zoudt. Geboren in een wildernis, +toen zijn vader als balling rondzwierf, en opgevoed in een +legerkamp, hecht hij volstrekt niet aan al die inderdaad +overmatige weelde, en zou ongetwijfeld met oneindig minder tevrede +zijn; maar hij is overtuigd en, naar ik geloof, volkomen teregt, +dat een vorst als hij, in deze landen en onder al die volken en +grooten waarover hij heerscht, een indrukwekkende praal niet +minder van noode heeft dan een sterk leger en ervaren staatsmannen. Wij +allen, Perzen, Mongolen, Arabieren of Hindoe's gijlieden zoo goed als +wij, zijn nu eenmaal gewoon daartegen op te zien en te meer ontzag voor +den monarch te hebben naar hij meer uiterlijk vertoon maakt. Doch als ge +nu meent dat met al die vertooning ook verkwisting zamengaat, dan zoudt +ge u niet weinig vergissen. Ik durf u ten stelligste te verzekeren dat +er in waarheid niets wordt weggeworpen, en al wordt er soms ook +gestolen, heel veel kan 't betrekkelijk niet zijn. Want tot in de +kleinste bijzonderheden van deze ontzaggelijke hofhouding heerscht +even strenge regel en orde als in de verschillende afdeelingen van +het staatsbestuur, die bijkans overal in het rijk van den Grooten +Mogol als voorbeeld kunnen gelden van een verstandige administratie. +Mijn oom Aboel Fazl is bezig dat alles nauwkeurig te omschrijven in zijn +groote werk over de instellingen en het bestuur van den Keizer, in zijn +Ain i Akbari, waarbij hij mij wel eens een handje laat helpen. Eene zaak +met dat al is er, waarin men Akbar soms wel eens verkwistend mogt noemen. +Als 't namelijk geldt, anderen bij te staan die zich in moeilijkheden +bevinden of behoeftig zijn, en eenige aanspraak op zijn mildheid kunnen +maken, of ook wel de bevordering van wetenschap en kunst, dan hebben +zijn schatmeesters dikwijls moeite genoeg hem binnen de redelijke +grenzen te houden. Maar nu!--vervolgde Parviz na een oogenblik +stilzwijgen,--'t wordt nu waarlijk onze tijd om naar huis te gaan; +de zon begint al te branden en ik wil u ook wel bekennen dat ik +wat vermoeid ben. Als we hier nog langer bleven ronddrentelen zou +ik veel lust hebben hier of daar op een rustbank neer te vallen en +er de koelte van den avond af te wachten; maar daar hebben we niet +veel aan, en dan verloopen we ook ons maal. + +--Zoo laat ons den terugtogt dan aannemen!--antwoordde Siddha,--en +ik dank u inmiddels van harte voor uw vriendelijk geleide. Gij +hebt mij hier al haast den weg geleerd. + +Langs een bijpad aan de andere zijde der tuinen en gebouwen leidde +nu Parviz zijn vriend naar diens woning terug, en daar afscheid +nemend, zeide hij: + +--Gij zult het morgen waarschijnlijk wel te druk hebben met +dienstzaken om nog verder de stad te bezigtigen of uitstapjes te +maken. Doch zoo gij overmorgen of later wilt, ik ben gaarne tot uw +dienst. Laat mij 't maar eens weten, of ik kom u misschien ook wel +opzoeken. + +De beide jongelieden gaven elkaar de hand, en in een koel vertrek +zijner woning ging Siddha de middagrust genieten, die ook hem op +dit oogenblik toch niet onwelkom was. + +Tegen 't vallen van den avond begaf hij met zijn ouderen vriend +zich weer op weg om Feizi, den broeder des Ministers, het +voorgenomen bezoek te brengen. Eene aangenaam tusschen digte +boomgroepen gelegen en betrekkelijk niet uitgestrekte maar toch +rijk en smaakvol gebouwde villa diende Aboel Fazl's jongeren +broeder tot woning. Aanstonds werden ook hier de bezoekers +toegelaten en bij den bewoner aangediend; weinige oogenblikken +daarna verscheen een dienaar om hen binnen te leiden in Feizi's +eigen vertrek. + +Daar, in de nabijheid van het balkon, dat voor een groot deel zich +uitbreidde langs het gebouw, zat aan een kunstig bewerkte tafel, +met velerlei handschriften bedekt en door menigte van anderen op +den grond liggende omringd, een man in de kracht zijns levens, met +de schrijfstift in de hand en voorover gebogen over zijne papieren +en perkamenten. Zoodra hij de bezoekers gewaar werd, stond hij op, +trad hen te gemoet, en beiden zonder verdere formaliteiten met een +eenvoudig: Welkom! de hand gevend, wenkte hij hen, op de voor het +balkon gespreide kussens met hem plaats te nemen. + +Wat Feizi vooral van zijn ouderen broeder onderscheidde, met wien +hij overigens veel gelijkenis vertoonde, was de opgeruimde, +joviale uitdrukking van zijn eveneens glad geschoren gelaat en +eene bijzondere ongedwongenheid van manieren, aan de hoffelijke +vormen van een man van de wereld gepaard. Ook kenschetste zijn +kalme en rustige blik meer nog den stillen denker dan den man van +krachtig, rusteloos handelen, schoon hij als krijgsman toch ook +menige dappere daad had bedreven en als gezant meer dan eens +netelige vragen had helpen oplossen voor zijn vorst. + +--Ik wist het wel,--zeide hij, terwijl een paar dienaren den +gasten wijn en ververschingen kwamen aanbieden,--gij zoudt den dag +niet laten verloopen, waarde Koelloeka! zonder mij, zoo goed als +mijn broeder, met uw bezoek te verheugen en mij in kennis te +brengen met uw jongen vriend, dien ik spoedig ook den mijne hoop +te noemen.--En wat zegt ge nu wel van onze nieuwe stad?--vroeg hij +aan Siddha.--Gij hebt er toch zeker al 't een en ander van gezien? + +--Uw neef Parviz, edele Heer!--antwoordde Siddha,--heeft dezen +morgen de vriendelijkheid gehad mij door een gedeelte van het +paleis rond te leiden. Maar om u de waarheid te zeggen, ik kan er +eigenlijk nog zoo geen oordeel over uitspreken; ik ben voor 't +oogenblik eenvoudig verbaasd over zooveel pracht en zooveel +heerlijke kunstwerken. Ik had er mij veel van voorgesteld, maar +dat alles is mij gebleken ver beneden de werkelijkheid te zijn. + +--Dat geloof ik gaarne,--hernam Feizi,--het gaat iedereen zoo, die +voor 't eerst hier komt. Men mag nog zooveel beschrijvingen van +Akbar's paleizen gehoord of gelezen hebben, toch staat men nog +altijd verwonderd als men ze werkelijk ziet. Maar zeg mij, +Koelloeka! hoe gaat het u tegenwoordig in uw verre Noorden? Ik ben +benieuwd weer eens iets van uw Kacmir te vernemen. + +Gaarne beantwoordde Koelloeka de vraag, schoon in 't algemeen en +zonder thans te doelen op de weer aangevangen oneenigheden; en ook +Siddha nam spoedig een levendig deel aan het gesprek. Nooit nog +had hij met een vreemde zoo snel zich op zijn gemak gevoeld als nu +met dienzelfden veelbeteekenenden Feizi, des grooten Keizers +vriend zoowel als raadsman, tegen wiens nu reeds allerwege +beroemden naam van geleerdheid en kunde hij steeds zoo hoog had +opgezien. Al spoedig had inmiddels het gesprek het terrein der +dingen van den dag verlaten en was het overgegaan tot onderwerpen +van meer algemeenen aard. Vooral ook tot letterkundige. + +--Gij bewondert onze paleizen,--sprak Feizi tot Siddha,--en gij +erkent dat zij uwe verwachting overtreffen; maar mij is 't nog +gansch anders gegaan, toen ik voor 't eerst kennis maakte met uwe +eeuwenoude klassieke en geheiligde litteratuur. Onze geloovige, +maar daarom nog niet heel kundige moellah's hadden mij altijd +verteld, dat Indische letterkunde eigenlijk niets anders was dan +een verward en smakeloos zamenraapsel van allerlei gedrogtelijkheden, +even verderfelijk voor waren kunstzin als gevaarlijk voor het geloof in +Allah en zijn Profeet. Wat er van dit laatste zijn mag, laat ik daar; +maar als mijn kunstsmaak als ook mijn zucht naar wetenschap voldaan +zullen worden dan geschiedt dit vrij wat beter door uwe dichters en +denkers dan door de onzen. Wat prachtige heldendichten de uwe, wat +verheven lyriek, wat schitterende drama's, en welke ridderlijke en +edele, wat humane en zedelijk reine gevoelens in veel van dat alles! En +welk eene diepte en omvang tevens van gedachten bij uwe wijsgeeren van +ouds! Maar wat behoef ik ulieden dat te herinneren? Gij weet en begrijpt +het natuurlijk veel beter dan ik, die niet dan met zware inspanning uwe +moeilijke, zoo gansch en al van ons Perzisch en Arabisch verschillende, +klassieke taal kon leeren verstaan. + +--Nu, het Sanskrit waait ons tegenwoordigen Hindoe's, die +natuurlijk meest Hindostani spreken, ook juist niet aan,--zei +Siddha,--vraag Koelloeka maar eens, hoeveel hij met mij te doen +heeft gehad om 't mij te leeren. + +--'t Ging nog al,--merkte Koelloeka goelijk aan,--maar al heeft +dan een Feizi in den aanvang zoo goed als ieder ander moeite gehad +met het leeren der taal, hij heeft wel doen vergeten dat ze +oorspronkelijk hem niet eigen was, door zijne vertaling van onze +Kacmirsche kronijk en voorzeker niet minder door zijne treflijke +navolging van Nala en Damayanti. + +--Wat heerlijk dichtwerk, niet waar?--hernam Feizi, die niet +spoedig was uitgepraat als hij eens over Hindoe-litteratuur +begon,--en hoever blijft niet elke bewerking in eene andere taal +beneden het origineel, zoo eenvoudig en toch zoo verheven schoon, +met die onovertroffen vrouwenfiguur, de edele, reine, bij alle +beproeving en miskenning, aan haar onwaardigen gemaal zoo +onwankelbaar trouwe Damayanti! Voor 't overige, als ik soms iets +navolg dan doe ik 't voornamelijk ten gerieve van Akbar, die +natuurlijk geen tijd heeft om nog eens vreemde talen te gaan +leeren en toch alles lezen wil. Zoo heeft hij mij ook al een +overzetting van de Evangelien opgedragen. + +--Van de wat?--vroeg Koelloeka. + +--Van de heilige boeken dier mannen uit het Westen, die zich, naar +den stichter hunner godsdienst, Christenen heeten, en waarvan gij +toch zeker wel gehoord hebt. Nu, er staat ook veel lezenswaardigs +in die boeken, en er komen veel verheven en diepzinnige +denkbeelden in voor, nevens veel onbeduidends en ook onzinnigs, +even als in uwe theosophien; maar over 't geheel geeft het niet +bepaald veel nieuws als men uwe theologie en wijsbegeerte eenmaal +kent. Maar wat mij ook zoo bijzonder steeds bevalt,--dus vervolgde +hij, zijne lofrede op oud-Indie's beschaving voortzettend,--dat +zijn uwe spreuken. Hoe laf en zouteloos schijnen mij wederom de +onze, die voor hooge wijsheid moeten doorgaan, als ik ze bij die +andere vergelijk! Al had ik er maar deze eene van u geleerd, ik +zou al genoeg hebben om mij weer moed te geven als ik dien soms +verlies bij het arbeiden aan mijn manuscripten daar: + +"De schat, die niet vergaat, niet wordt geroofd, maar aangroeit, + Naar gij hem meer verkwist, die schat heet wetenschap." + + +--Is 't zoo goed?--vroeg hij Siddha, na de regels in 't +oorspronkelijke te hebben uitgesproken,--of maak ik soms een fout? + +Een oogenblik aarzelde Siddha met zijn antwoord, maar Koelloeka +aanziend, die glimlagchend knikte, antwoordde hij met gepaste +vrijmoedigheid: + +--Eene enkele, Heer! maar trouwens ook een zeer geringe.--En den +laatsten regel herhalend, verbeterde hij de uitspraak van een der +daarin voorkomende woorden. + +--Nu, ik kom er nog al wel af!--riep Feizi vrolijk uit,--maar +zegt gij mij nu ook eens een spreuk van Bhartrihari voor! Gij kent +er toch zeker wel een enkele van buiten. + +Siddha dacht een oogenblik na en reciteerde toen: + + "Elk werd geboren die leeft; wezenlijk echter geboren + Heel alleen hij, die een naam nalaat aan 't komend geslacht." + + +--Oho!--zei Feizi lagchend,--gij hebt daar in uw Kacmir nog wat +anders dan Sanskrit geleerd! Gij zijt al vrij wel gevorderd in de +kunst van vleijen, mijn vriend! + +--Vleijen?--vroeg Siddha,--maar zou dan uw naam, als die van uw +broeder Aboel Fazl tot in de verste streken van Hindostan en zeker +ook van Perzie doorgedrongen, bestemd zijn om door volgende +geslachten weer vergeten of door hen niet gewaardeerd te worden? + +--Mijns broeders naam!--sprak de ander,--ja, dien zal men niet +ligt weer vergeten! Al was 't nog niet eens om zijn daden, dan +toch zeker om zijn onsterfelijk werk, zijn Akbar-Nameh, waarin hij +bezig is de regeringsgeschiedenis van onzen grooten Keizer te +beschrijven. Dat wordt eerst een boek, mijne vrienden! waarbij al +mijn werken en tobben in 't niet verzinken. Ik heb alleen, het +inziende, hem wel eens de aanmerking gemaakt, dat hij Akbar, die +toch altijd een mensch blijft en dus ook wel zijne gebreken heeft, +wat al te zeer in de wolken steekt, en dus alligt in toekomende +tijden zich den blaam van partijdigheid of zelfs van vorstenvleijerij +op den hals zal halen. Maar hij wil er niets van hooren, iets op zijn +lof van den Keizer af te laten dingen.--Als ik,--antwoordt hij mij, +--niet alles zeggen mag wat ik wezenlijk in gemoede denk van den man, +die meer is dan mijn vorst, die mijn weldoener is en mijn trouwste +vriend, dan werp ik mijn gansche boek veel liever in 't vuur!--Nu, gij +begrijpt, daartegen valt dan niet veel te redeneren. En bovendien men +kan 't aan Akbar zelf wel merken, al zegt hij 't niet, dat het hem +gansch niet onwelkom is, zich door zijn vriend, aan wiens oordeel hij +hooge waarde hecht, zoo geprezen te zien. + +--Edele Feizi!--sprak Siddha, nadat er een kort oogenblik stilte +had geheerscht,--mag ik u eens eene opregte vraag doen? + +--Wel zeker!--luidde 't gulle bescheid,--en ik hoop er even +eerlijk op te kunnen antwoorden. + +--Nu dan, toen wij daar van den Minister Aboel Fazl spraken, kwam +mij eene waarschuwing in de gedachte die hij mij dezen morgen gaf. +Hij waarschuwde namelijk tegen het verraad dat den Keizer hier +steeds omringt. Zoudt gij, die zoo verstandig zijt, nu wezenlijk +meenen dat hier nog lieden zijn kunnen dwaas en tevens misdadig +genoeg om tegen zoo magtig, zoo groot en zoo weldadig een vorst +als Shah Akbar zamen te spannen?--of is het werkelijk zoo? + +--Och kom!--riep Feizi uit,--mijn broeder ziet ook overal verraad! +Maar dat is nu eenmaal een Minister, en vooral een eersten, een +Groot-Vizier, eigen. Maak u echter niet al te beducht; de +menschen zijn inderdaad zoo slecht niet, en in elk geval niet gek +genoeg om zich aan dergelijke kunsten te wagen, waarbij ze hun +hoofd op 't spel zetten met voor 't minst tien kansen tegen een. + +--Feizi!--sprak Koelloeka ernstig en half verwijtend,--uwe +optimistische beschouwingen getuigen ongetwijfeld voor uw goed +hart; maar denkt gijzelf niet, dat ze soms gevaarlijk mogten +worden, en bijvoorbeeld jongeren, zooals onzen nog weinig ervaren +vriend hier, tot onvoorzigtigheid verleiden? + +--Nu, maar ik zeg ook niet dat hij onvoorzigtig moet zijn,-- +hernam de ander,--ik meen alleen dat hij nu juist niet behoeft te +beginnen met zich allerlei voorstellingen omtrent hof- en +staatsintriges in 't hoofd te halen, maar kloek en blijmoedig het +leven behoort in te gaan. Zoo begonnen wij allen, en we zijn er +immers wel bij gevaren. Met al te veel achterdocht aanvangend kon +hij op 't laatst wel eens niemand meer gaan vertrouwen, ook mijn +broeder zelf en mij niet. + +--Dat in geen geval!--riep Siddha levendig uit, terwijl hij Feizi +vrijmoedig in 't vriendelijk open gelaat zag,--en zoo min ik ooit +bedekte vijandschap van uwe zijde zou vreezen, zoo min hebt gij te +eeniger tijd verraad of trouweloosheid te wachten van wien zoozeer +prijs stelt op uwe achting en vriendschap als ik. + +--Gedenk dat woord!--zei nogmaals Koelloeka op ernstigen toon,-- +en bedenk tevens dat de mensch nooit bij magte is vooruit alle +omstandigheden en oorzaken te kennen, die eenmaal invloed kunnen +hebben op 't geen hij gewoon is, kortzigtig, zijn vrijen wil te +noemen. + +--Zie zoo!--sprak Feizi op zijn gewone luchthartige manier,--daar +zijn we nu weer aan de philosophie. Nu, gij weet, dat behoort ook +al tot mijn liefhebberijen, al ben ik er juist niet ver in; en als +mijn geleerde vriend Koelloeka wil, dan laten wij de lichten +aansteken, want het begint al donker te worden, en verdiepen wij +ons nog wat in Sankhya en Vedanta, waarin hij zelf zoo sterk is. +Jammer, dat wij Akbar zoo maar niet kunnen doen uitnoodigen om bij +ons gesprek tegenwoordig te zijn! Dat was juist weer iets voor +hem, die de droogste philosophische discussie vermakelijker vindt +dan de schitterendste feesten. + +--Niets liever, geeerde Feizi!--was Koelloeka's antwoord,--dan +zamen nog menig uur, gelijk wij vroeger zoo dikwijls deden, aan de +door u bedoelde onderwerpen te wijden; maar voor 't oogenblik is +'t voor ons meer dan tijd om te gaan. Siddha moet morgen in de +vroegte reeds op 't appel zijn om zijn kommando over te nemen, en +ikzelf heb te huis nog heden, al wordt het nacht, verscheiden +zaken te regelen voor mijn vertrek, dat op overmorgen bepaald is. +Wilt gij ons dus vergunnen, thans voorloopig u dank te zeggen voor +uwe, als altijd, zoo vriendelijke ontvangst? + +--Ik moet wel, waarde vriend!--antwoordde Feizi, terwijl hij een +dienaar riep om de bezoekers uitgeleide te doen,--al verzette ik +mij gaarne tegen uw besluit. Siddha!--zeide hij nog vertrouwelijk +tot dezen, na afscheid gereed den dienaar en zijn leermeester te +volgen,--wij spraken daar straks van onvoorzigtigheden.... Waak +daar tegen! Maar een jong man als gij loopt er bij ongeluk toch +wel eens in, vooral aan zoo'n hof als 't onze, en mogt dat soms +eens gebeuren en gij u in verlegenheid bevinden, kom dan gerust +bij Feizi; die kan u misschien nog wel eens uit den brand helpen. + +En zonder antwoord of dank af te wachten keerde de broeder des +Ministers zich om, en ging naar zijn binnenvertrek terug.... + +Zoo ontbrak het dan Siddha,--de gedachte drong onder 't huiswaarts +keeren zich als van zelf bij hem op,--zoo ontbrak 't hem bij de +intree in het leven waarlijk niet aan goede raadgevers en aan +steun! Voor uiterste omstandigheden de wijze kluizenaar van het +gebergte, voor geringere moeijelijkheden de verstandige en +invloedrijke Feizi, en daarenboven de hem reeds gebleken gunst van +den eersten Minister en de toegezegde van den oppermagtigen Keizer +zelf. Wat iemand vooreerst nog meer had kunnen verlangen? + + + +VIERDE HOOFDSTUK. + +Akbar + +Toen den volgenden morgen onze jeugdige krijgsman op een van de +groote pleinen der vesting het bevel over zijne afdeeling benevens +de noodige instructien van den Hoofd-Mansabdar der Radjpoet's +ontvangen had, bleek hem al spoedig dat in vredestijd ten minste +de dienst noch lastig noch bijzonder zwaar was te achten. De boven +hem gestelde officier was een streng man en zeer gesteld op de +krijgstucht, die bij deze troepen anders wel eens te wenschen +overliet; maar daaraan was Koelloeka's leerling wel gewend, +terwijl hij ook zelf een goede tucht onmisbaar achtte; en voor 't +overige bleek diezelfde Mansabdar, die hem als teeken van zijn +rang de witte reigerveder met het daaraan bevestigd onderscheidingsteeken +overreikte, een zeer beschaafd en wellevend mensch, wien het bij al +zijne strengheid ook niet aan zekere vriendelijkheid ontbrak. Niet +minder behaagde Siddha het voorkomen zijner ondergeschikten, aan wie hij +thans vormelijk werd voorgesteld; kloeke jonge mannen bijkans allen en +uitnemende ruiters, in sierlijke, schitterende kleedij als hunne +aanvoerders, met krijgshaftige houding en gelaatstrekken stralend van +levenslust en moed. + +Op uitnoodiging van den bevelhebber liet nu Siddha zijne ruiters +eenige evolutien maken, waarbij hij zelf ook gelegenheid had zijne +rijkunst zoowel als de uitnemende dressuur van zijn hengst te doen +bewonderen; en na afloop der oefening zou Koelloeka, ware hij +tegenwoordig geweest, ongetwijfeld met zelfvoldoening de +goedkeuring hebben opgemerkt, welke zijn leerling van den kant +zijner superieuren ten deel viel. Na nog eenige gezamenlijke +bewegingen met eene andere op het plein verzamelde afdeeling, werd +de trompet gestoken ten teeken dat de exercitie voor heden was +afgeloopen, en bevel gegeven tot inrukken. + +Aan Vatsa, die bij een van de toegangen tot het plein hem stond te +wachten, gaf nu Siddha zijn paard over, en rigtte daarop zijne +schreden naar een der tuinen van het paleis, waarvan het bezoek +aan officieren van zijn rang veroorloofd was. Eer hij echter den +hof bereikt had, zag hij uit een zijlaan een jonge vrouw naderen, +blijkens hare kleeding eene dienares van goeden huize, die op hem +toetredend, een oogenblik hem oplettend aanzag en toen vroeg: + +--Zijt gij, Heer! niet de edele Siddha, die hier onlangs uit +Kacmir moet zijn aangekomen? + +--Die ben ik,--antwoordde de ander,--gij schijnt mij te kennen. + +--Ik persoonlijk niet,--zei de dienares,--maar de edele vrouw die +mij gezonden heeft, gaf mij uwe aanduiding. Zij verlangt voor +eenige oogenblikken uw onderhoud; zoudt gij de goedheid willen +hebben haar dat te gunnen? + +--Maar,--vroeg Siddha,--wie is uw meesteres? + +--Vergun mij, Heer!--was het antwoord,--u den naam voor 't +oogenblik te verzwijgen; zij zelve zal u daaromtrent voorzeker +inlichten, als gij haar met een bezoek mogt willen vereeren. En +wilt gij dit, dan wacht zij u nog heden avond. Kom dan omtrent zes +uur ginds bij de moskee,--en hier wees zij naar het even prachtig +als sierlijk gebouw, dat daar op eene hoogte achter de tuinen met +zijne vergulde koepeldaken en wit marmeren minaretten in het +zonlicht glansde,--ik zal u daar wachten en u geleiden. + +Siddha aarzelde en zocht naar een antwoord. Een avontuur? En hij +dacht aan Iravati. Of een komplot? En hij herinnerde zich de +waarschuwing van Aboel Fazl. + +--Nu?--vroeg de dienares, eenigszins spottend hem aanziend,--weet +een ridder als gij niet wat hij doen zal, als eene aanzienlijke +vrouw hem uitnoodigt tot een kort onderhoud? Gij zijt toch, hoop +ik, niet bevreesd.... + +--Bevreesd!--riep Siddha toornig uit, terwijl een hoogrood zijn +gelaat overdekte,--wat geeft u 't regt....--Maar--vervolgde hij, +zich bedwingend,--'t is waar, mijne weifeling moest u zonderling +schijnen. Laat de reden u evenwel onverschillig zijn, en wacht mij +tegen den bepaalden tijd bij de moskee! + +--Het is wel!--antwoordde de vrouw en verwijderde zich met een +beleefden groet door de laan waarlangs zij gekomen was. + +Wel overlegde Siddha of hij niet beproeven zou haar ongemerkt te +volgen en zoo mogelijk dus te ontdekken met wie hij te doen had; +doch spoedig begreep hij dat hem dit toch niet gelukken zou, en de +dienares wel behoorlijk op hare hoede zou zijn. Schoon onvoldaan, +en met de gansche zaak en zichzelven niet erg tevrede, wandelde +hij dan maar voort in afwachting van 't geen de avond zou geven en +bereikte hij ook spoedig den eigenlijken hof. + +Zoo rijk ook de aanleg van dezen, toch was er iets wat het oog eer +vermoeide dan bevredigde: de onveranderlijk regte lanen, alle met +glad gepolijste steenen van verschillende kleur bevloerd, en meer +nog tusschen een soort van lage, kunstig gebeitelde muurtjes, dan +tusschen boomen uitloopend op eveneens in marmer besloten vijvers, +in wier midden zich fonteinen van allerlei vorm verhieven. Wat +daarenboven het gezigt nog eentooniger maakte, was het volmaakt +vlakke dier regte lanen, die op verschillende plaatsen in het +ongelijke terrein waren uitgegraven. Met dat al bleef de aanblik +toch treffend en in elk geval heerschte er doorgaans eene +aangename koelte ouder de digte, hier en daar verspreide +boomgroepen, waaronder ook sierlijke marmeren banken eene +aangename rustplaats boden. + +Op een dier banken zag onze wandelaar, na een tijdlang te zijn +voortgegaan zonder iemand te hebben ontmoet, een man gezeten van, +naar 't hem voorkwam, middelbaren leeftijd en eene, niet lange +maar bijzonder krachtige statuur, met breede schouders en +zwaargewelfde borst, een man wiens uiterlijk voorkomen, zonder dat +hij van de reden zich wist rekenschap te geven, op merkwaardige +wijze zijn aandacht trok. Van de hovelingen, welke Siddha tot +dusver ontmoet had, onderscheidde deze man zich door niets wat +bepaald onder woorden viel te brengen. Zijn gelaat, als dat der +meeste anderen glad geschoren, was kalm, waardig en open, maar +noch bepaald schoon, noch ook het tegendeel te noemen, en zijn +kleeding was rijk maar toch vrij eenvoudig. Een gewaad van niet +bijzonder kleurige, maar zeer fraai doorweven stof, en tot eenig +siersel, behalve de kunstig gedreven en met edelgesteenten bezette +sabelgreep, een enkele diamant van buitengewone grootte en +schitterenden glans in de plooijen van den tulband. Maar wat +sierselen noch schoonheid van gelaatstrekken konden verleenen, dat +was die eigenaardige uitdrukking van houding en blik, die Siddha +ook terstond in Gaurapada, den kluizenaar, had getroffen, maar hem +nu bij dezen nog veel meer in 't oog viel, en die nagenoeg +uitsluitend den heerscher, niet ligt een onderdaan eigen kon zijn. +Toch vermoedde hij in den onbekende niets anders dan een hoveling +of een krijgsbevelhebber; want van eenig vorst, die op dit +oogenblik zich aan Akbar's hof zou bevinden, had hij niets +gehoord, en de groote Keizer zelf zou toch zoo ligt niet voor +iedereen genaakbaar zijn, noch zoo eenzaam daar op een bank in een +der voor vreemden toegankelijke tuinen zijn gezeten. Met een +zwijgenden groet wilde hij juist voorbijgaan, toen de onbekende op +eens zijn naam uitsprak, en zonder op te staan en zonder nadere +inleiding vroeg, of hij al kennis met zijn Radjpoet's gemaakt had. + +Nogal verwonderd, dat iedereen scheen te weten wie hij was, +antwoordde Siddha bevestigend, waarop de ander, terstond de zaak +verklarend, voortging: + +--Ik herkende aan die reigerveder uw rang, en daar ik nu al uwe +medeofficieren persoonlijk ken en tevens wist dat gij dezer dagen +hier zoudt komen om uw betrekking te aanvaarden, was 't mij ook +niet moeilijk te weten wien ik voor mij zag. En hoe bevalt u die +betrekking? Zet u inmiddels! + +--Ik zou,--antwoordde Siddha, aan de uitnoodiging gehoor gevend, +al klonk die meer als een bevel, en nauw of in 't geheel niet +opmerkend hoe die volslagen onbekende hem als een ondergeschikte +scheen te behandelen,--ik zou al erg ondankbaar jegens mijn +begunstigers en den Keizer moeten zijn als ik de eervolle en +tevens aangename betrekking niet waardeerde waarin zij mij +geplaatst hebben. + +--...En den Keizer!--herhaalde de ander,--nu ja. Maar zeg mij, +komt gij nu eigenlijk om hem te dienen, of eenvoudig om deel te +hebben aan de voorregten, die uw rang aan zijn hof u verleent? + +--Een lastige vraag, edele Heer!--sprak Siddha openhartig,--en die +ik mij zelf eigenlijk nog in 't geheel niet gesteld heb. Ik zou er +voor 't oogenblik alleen op kunnen antwoorden: om 't een zoowel +als om 't ander. Dat ik overigens den Keizer trouw hoop te dienen, +zoolang eer en pligt het mij veroorloven, spreekt, dunkt mij, wel +van zelf als ik eenmaal vrijwillig mij aan zijn dienst verbonden +heb. + +--Voorzigtig geantwoord!--merkte de onbekende aan,--de vraag is +alleen maar, wat gij soms onder eer en pligt verstaat. Dat zijn +rekbare woorden. + +--Voor velen,--hernam Siddha,--maar niet voor mij. Ik neem ze in +den strengsten zin. Maar ook in eene bepaalde beteekenis. Eer en +pligt zouden mij bijvoorbeeld verbieden in strijd te handelen met +de belangen van mijn eigen vaderland, en ik zou dat ook niet +willen doen al werd het door Akbar zelf mij bevolen, maar in dat +geval liever al de voorregten opgeven, welke zijn gunst mij zou +kunnen verzekeren. + +--En gij zoudt wel doen,--sprak de ander goedkeurend, maar wat +reden hebt gij tot dergelijke onderstelling als zou de Keizer +inderdaad iets van u verlangen wat u en den uwen tot wezenlijk +nadeel kon strekken? + +Een oogenblik weifelde Siddha en draalde met zijn antwoord, +terwijl hij, als reeds vroeger, aan zijn gesprek met zijn oom, den +Goeverneur van Allahabad dacht. Spoedig echter vermande hij zich +en, den vreemde met vrijmoedigheid in het rond en open gelaat +ziende, vroeg hij zonder verdere inleiding of voorbereiding: + +--Is Akbar niet eerzuchtig? + +--Jongmensch!--sprak de onbekende op een toon en met een blik, die +Siddha zijns ondanks eene zijdelingsche beweging deden maken op +zijn bank,--zooeven hebt gij voorzigtige uitdrukkingen gebezigd, +maar aan 't hof van Shah Akbar zelf u zoo uit te laten jegens +iemand, dien gij in 't geheel niet kent, dat dunkt mij toch al erg +gewaagd. + +--Zoo mag het schijnen,--antwoordde Siddha onbevangen, ik ken u +niet, dat is waar; doch of ik uw naam en rang nu verneem of niet, +is mij voor 't oogenblik onverschillig. Ik zie u, ik zie uw +gelaat, ik hoor uw stem: dat is mij genoeg; en een edelman, jong +en nog onervaren bovendien, die openhartig en opregt met u +spreekt, zult gij en kunt gij niet verraden noch willen +benadeelen, omdat hij toont u te vertrouwen. + +Een glans van genoegen, doch niet zooals gestreelde ijdelheid dat +verschaft, maar van waarlijk edele en reine voldoening, overtoog +bij die eenvoudige woorden het gelaat van den onbekende. Vleitaal +te hooren was hem niet vreemd, en hij was daarvoor ook geenszins +ongevoelig, maar hier was het een woord uit het hart, dat +ongetwijfeld belangeloos tot hem gesproken werd, en juist datgene +in hem roemde waarop hij prijs stelde boven alles.... + +--Dat--zeide hij, de hand op Siddha's schouder leggend, en zachter +dan anders klonk zijn stem en eene innemende vriendelijkheid blonk +uit zijn helder oog,--dat is een waar woord, dat gij gesproken +hebt! Gij vertrouwt mij, zegt gij, ook hoewel ge mij nog niet +kent. Blijf daarbij als ge mij eenmaal wel zult kennen! Maar nu +dan Akbar! Eerzuchtig is hij, naar uwe meening, en gij hebt regt. +Ik ken hem eenigszins, al is 't ook zoo goed niet als ik wel zou +verlangen, en ik stem het u toe dat hij eerzucht heeft. Een +onbegrensde, nooit voldane eerzucht zelfs. Maar welke? Zoudt gij +dan werkelijk meenen dat het enkel de zucht was om al meer en meer +rijken en volken toe te voegen aan zijn reeds zoo uitgestrekt, nu +al zoo moeijelijk te beheerschen gebied? Zou hij zich met het +verworvene niet kunnen tevrede stellen? Zie toch! alleen het +betrekkelijk kleine rijk van Agra en Delhi was bijkans zijn eenige +erfenis; weinig of niets anders had Hoemayoen, zijn veelal +ongelukkige en zwaar beproefde vader, hem nagelaten; en +tegenwoordig strekt zijn gebied zich uit van de grenzen van Perzie +tot de uiterste streken van Bengalen en de gewesten van Dekkan en +Golconda. Wat verbeeldt gij u dan, of eenige nieuwe verovering, +bijvoorbeeld van uw ver afgelegen Kacmir, op zich zelve hem zoo +buitengemeen veel genot zou verschaffen, of ook hem zoo groote +opofferingen waard zou zijn als elke veroveringstogt steeds kosten +moet? Toch kunnen er redenen bestaan, die een vorst gebiedend +nopen de onafhankelijkheid van een naburigen staat niet langer te +eerbiedigen, wanneer deze in ernst gevaarlijk dreigt te worden +voor de rust en de veiligheid zijner eigene volken. En in zulk een +geval moet hij handelen, moet hij strijden, ook al liet hij nog +zoo gaarne het zwaard in de schede en al ware hem niets +gewenschter dan een rijk van vrede en eendragt in de staten die +hem omringen zoowel als in zijn eigen land. Maar dat neemt alles +niet weg dat de afstammeling van Baber en Tamerlan inderdaad +eerzuchtig is, hoewel in een anderen zin dan gij blijkbaar +onderstelt.--Zijne eerzucht,--vervolgde de spreker,--terwijl zijn +anders rustig oog begon te schitteren,--zijne eerzucht dan is, en +was het voorlang, sinds de eerste jaren van zijn mannelijken +leeftijd, niet enkel de stichting van een groot en magtig rijk, +maar bovenal het geluk, de welvaart en de ontwikkeling der volken, +die hem door eene hoogere, al is 't onbekende, althans nooit +begrepen en doorgronde magt zijn toevertrouwd. Hunne maatschappelijke +toestanden heeft hij getracht te regelen, hunne oneenigheden bij te +leggen, het onderscheid, of den strijd ten minste, der verschillende +rassen te doen ophouden, een einde te maken aan godsdiensttwisten, en +den overmoed en de dwingelandij te beteugelen van magtige en zelfzuchtige +grooten. Hij heeft beproefd, de nijvere klassen der burgerij te verheffen, +en rijkdom en welvaart te verspreiden onder allen, wetenschappen en +kunsten aan te moedigen, en zijne volken op te leiden tot dien staat van +beschaving en verlichting, waarvoor velen hunner zoo uitnemenden +aanleg betoonen. Zeg nu vrij, dat dit alles veel te veel is voor +een enkel eenvoudig sterveling, en ik zal u niet weerspreken; maar +laat het streven naar een ideaal niet veroordeeld worden enkel +omdat het onbereikbaar is. En wezenlijk, volkomen bereikbaar, ja! +dat beken ik gaarne, is het ideaal van Akbar niet. Dat heeft hij +zelf al genoegzaam ondervonden. Hoe vele jaren van denken en +zwoegen en onophoudelijk strijden heeft hij niet al gewijd aan het +bereiken van zijn doel, en hoe ver, hoe ver, helaas! blijft hij +daarvan ook heden nog verwijderd! + +Met eerbied en ontzag had Siddha geluisterd naar den hem +onbekenden man, die inmiddels was opgestaan, en in 't vuur zijner +rede hartstogtelijk de hand had omhoog geheven, maar nu, ten einde +gekomen, ze weer mistroostig zakken liet en het diepdenkend hoofd +voorover boog op de ongetwijfeld ook een warm hart omsluitende +borst. Voor een oogenblik bestond er bij zijn, mede nu opgerezen, +toehoorder geen twijfel of hij zag niemand anders voor zich dan +den Keizer zelf; maar toch scheen de gedachte alsof zoo een man +jegens hem, een jong en onbekend vreemdeling, zich dus zou +uitlaten, te dwaas dan dat hij wezenlijk er aan hechten kon. Met +dat al was hij nu toch voornemens rondweg te vragen met wien hij +eigenlijk gesproken had, toen zich voetstappen in de nabijheid +deden vernemen en een lang, schoon een weinig gebogen man in +stemmig gewaad, en, hier bij uitzondering, met een digten zwarten +baard, het verder onderhoud kwam afbreken en nadere vragen +onmogelijk maakte. + +--Abdal Kadir!--sprak de onbekende, meer evenwel in zichzelven dan +verklarend tot Siddha, en een oogenblik dekte een donkere wolk +zijn gelaat. Niettemin ontving hij den inmiddels naderbij gekomene +met beleefdheid, hem tevens een wenk gevend waaruit de ander +genoeg begreep dat hij onbekend verlangde te blijven. + +Met een trotschen blik nam Abdal Kadir den een weinig ter zijde +getreden Siddha van 't hoofd tot de voeten op, en keerde hem toen +zonder een woord te spreken den rug toe. Dat onzen Indischen +edelman het bloed naar de wangen steeg, was zeker bij dergelijke +bejegening niet te verwonderen, en juist wilde hij op den ander +toetreden om verklaring te eischen van de beleediging, toen de +onbekende hem terughield en zeide: + +--Laat, edele Siddha! de eenigszins vreemde handelwijze van mijn +vriend hier u niet al te zeer vertoornen! Hij heeft het niet +persoonlijk tegen u, zelfs in 't minst niet, daar ben ik zeker +van; maar het gezigt van u, Hindoe's in 't algemeen, is hem altijd +onaangenaam, omdat hij zich verbeeldt, dat zij schade doen aan +zijn geloof.--Is het zoo niet?--vroeg hij, Abdal Kadir aanziend. + +--Zoo is het inderdaad!--antwoordde deze;--en ik heb ook werkelijk +geen persoonlijke veete tegen u, jonkman!--vervolgde hij tot +Siddha,--ik ken u niet eens; maar des te beter die van uw stam en +geslacht. Hen te bestrijden blijft mij een heilige pligt. En ik +strijd tegen hen, ik haat hen met onverzoenlijken haat, niet omdat +ik niet velen hunner als menschen zou kunnen achten, maar omdat +zij ons geloof belagen en onzen Keizer zelf daarvan afkeerig +maken. Allah verloochenen zij, en bespotten Zijn Profeet; ons, +diens volgelingen, zoeken zij te verdringen en zich meester te +maken van ambten en bedieningen om hunne valsche goden en hunne +dwaalleeraars in de plaats te stellen van den God, buiten wien +geen God is, en van den eenige die in waarheid Hem verkondigd +heeft. Daarom, maar daarom ook alleen, haat ik hen en u. Ik haat u +en wil strijden tegen u ten einde toe, omdat gij of ongodisten +zijt of afgodendienaars, in elk geval verleiders van het volk, +verzoekers van den vorst. Genoeg! omdat gij anders niet zijt dan +ongeloovige.... + +Een uiterst strenge en doordringende blik van den ongenoemde hield +op de lippen van den spreker het woord terug dat blijkbaar volgen +moest, en, ware 't geuit, ook ongetwijfeld Siddha had doen +opstuiven in weerwil van al zijne pogingen om zich te bedwingen. + +--Ongeloovigen dan, in een woord,--vervolgde Abdal Kadir,--en dat +is voor een opregt zoon van den grooten Profeet reeds meer dan +genoeg. Maar wat gaat het u aan, of ik, die hier niets te zeggen +of te beteekenen heb, nu al dan niet met u en uw stamgenooten ben +ingenomen? Gij zijt immers verzekerd van de gunst des Keizers, die +alles doen kan, en ook doet, wat hem gelieft. Van de voormalige +belastingen, door de ware geloovigen met het volste regt van +ulieden, verzakers der goddelijke waarheid, gevorderd, heeft hij u +vrijgesteld; hij roept u tot alle betrekkingen, stelt u aan tot +zijne officieren en legerhoofden, kiest onder u zijne raadslieden +en vrienden; wat wilt gij meer? Laat mij dan, laat ons en onzen +geregten wrok; wij kunnen u toch niet deren! Eene andere vraag zal +het zijn of de straf des hemels niet eenmaal zal nederdalen op uw +hoofd, en... welligt ook hem zal treffen, die met eer en +gunstbewijzen u overlaadde in plaats van u te tuchtigen met de +roede en met het zwaard, door Allah zelf te dien einde hem ter +hand gesteld! + +--Mij dunkt,--sprak nu de onbekende na deze warme ontboezeming op +ijskouden toon,--mij dunkt, ons onderhoud, op deze wijze +voortgezet, kan voor geen onzer meer eenig nut of genoegen +leveren. Ongetwijfeld zoudt gij, vriend Siddha! ook aan 't woord +komend, nog wel 't een en ander tegen Abdal Kadir's redenen in 't +midden hebben te brengen, gelijk ik zelf ook verre ben van er mee +in te stemmen; doch, zoo ik mij niet vergis, komt hij ditmaal ons +niet opzoeken om een toch onvruchtbaren twist te voeren, maar ter +bespreking van een of ander dadelijk belang. Daarvoor sta ik hem +dan ook gaarne te woord. Vergun mij dus, u voor 't oogenblik +vaarwel te zeggen. Spoedig hopen wij elkander weer te zien.... + +--Abdal Kadir!--vroeg de tot dusver ongenoemde, nadat Siddha zich +verwijderd had met een eerbiedigen groet, waarvan overigens +slechts een zeer gering gedeelte was toegewijd aan den nijdigen +Islamiet,--wat verlangt gij van mij? + +--Sire!--antwoordde de toegesprokene, want dat het inderdaad Akbar +zelf was met wien Siddha zich had onderhouden, zou ieder hem +gezegd hebben die niet als hij voor 't eerst aan het hof van Agra +kwam,--Sire! mijn pligt als onderdaan en als vriend, geen eigen of +bijzonder belang, noopte mij tot Uwe Majesteit te gaan.... + +--Ik weet het,--viel Akbar hem in de rede,--zelfzuchtig zijt gij +niet, en beschermelingen houdt gij er ook niet op na. Toch zou ik +soms wenschen dat er iets van ware; misschien kon ik u dan nog +eens voldoen; thans gelukt mij dat zelden of nooit. Ook wil ik wel +wedden, tien tegen een, dat gij mij weer over geloofszaken hebt te +spreken; uw opgewonden woorden van zooeven verkondden mij alhaast +wat er komen moet. Wees intusschen zoo goed, u thans wat te +matigen! + +--Inderdaad!--antwoordde Abdal Kadir,--het geloof, ons eenig waar +en onvervalscht geloof, is het ook nu wederom wat mij herwaarts +voert. Daarover wensch ik een oogenblik onderhoud.--En,--vervolgde +hij,--nu van zijne zijde met een strengen blik,--een wezenlijk +ernstig, als het kan! + +--Ik wil gaarne mijn best doen,--zei Akbar beleefd,--en ik beloof +u, volstrekt niet te lagchen, mits... gij 't ook niet al te bont +maakt. + +--Het oordeel daaromtrent hangt af van de bijzondere opvatting,-- +merkte de ander aan,--maar ik wil mijnerzijds streven, de zaak zoo +bedaard mogelijk te behandelen. Mijn pligt dan, zeide ik, als +onderdaan noopt mij onverholen te spreken. Te waarschuwen toch, en +met allen ernst te waarschuwen, wordt dringend noodig voor al wie +als ik het opregt met Shah Akbar meent en tevens weet wat mij is +ter ooren gekomen. Dat er al lang een hevig ongenoegen onder ons, +wezenlijke Mohammedanen, bestaat over de wijze waarop allerlei +Heiden- en Jodenvolk door u, den Keizer, wordt begunstigd, en +lauwhartigen als een Aboel Fazl, en atheisten als een Feizi, in de +hoogste magts- en ambtsbetrekkingen zijn geplaatst, is u voldoende +bekend. Maar wat gij niet weet, is, hoe er dientengevolge in 't +midden van uw rijk en in de dadelijke nabijheid van uw hof eene +partij is ontstaan, die onherroepelijk uw val en ondergang +besloten heeft, indien gij ten einde toe weigert gehoor te geven +aan de allezins billijke eischen, waarop zij, als vertegenwoordigende +de aloude en eenig ware vrienden van het huis van Tamerlan, mag aanspraak +maken. Nog onlangs was ik in de gelegenheid eene vergadering onzer +moellah's bij te wonen, en wat ik daar vernam was mij inderdaad reeds +genoeg om mij te doen sidderen bij de gedachte, wat dergelijke onder de +Mohammedaansche bevolking zoo invloedrijke mannen niet al vermogten +zelfs tegen een Akbar, indien ze eens gesteund werden door eerzuchtige +grooten en ontevreden legerhoofden, zooals er zoovelen ook aan het hof +van Agra zelf als overal in gansch Hindostan nog gevonden worden. + +--Maar,--vroeg Akbar, eenigszins ongeduldig,--wat willen dan +eigenlijk uwe moellah's en hun aanhang? Hebben ze niet genoeg aan +de meest volmaakte vrijheid om te denken en te spreken zooals zij +willen, en proselieten te maken zooveel ze maar kunnen? Heb ik hun +ooit een stroobreed in den weg gelegd? + +--Zeker niet,--hernam de ander,--maar dat zou dan ook ten hemel +schreijen! Doch wat baat hun die vrijheid, indien anderen, indien +alle mogelijke soorten van ongeloovigen volmaakt dezelfde +bezitten, en hier aan uw hof, en in het leger en allerwege in +allerlei maatschappelijke betrekkingen hen komen ergeren door hun +verontreinigende tegenwoordigheid? En wat komt er dan van de +handhaving van het eenig ware geloof, waartoe boven alles de +Keizer, de vertegenwoordiger van Allah hier op aarde, geroepen is? + +--Ja, daar zijn wij er weer!--riep Akbar uit,--dat is nu weer het +oude thema. Gijlieden alleen hebt de waarheid in pacht, en +daarvoor moet alles zwichten, ook ik, en wat niet buigen wil moet +breken. Maar waarom zijt gij nu eigenlijk alleen in 't bezit van +die waarheid? + +--Omdat de Profeet, gezegend zij zijn naam! ze ons verkondigd +heeft, en omdat.... + +--Omdat hij 't wist, en niemand anders dan hij. Goed! Maar daar +hebt gij nu die Padres, die hier uit het Westen, uit de landen der +Franken komen, ook eerlijke, brave menschen zooals gij. + +Die hebben ook een Profeet, dien ze, bedrieg ik mij niet, wel eens +als hun God vereeren, schoon mij dat nog niet regt duidelijk is. +En die is in elk geval ouder dan Mohammed. Dan zijn er ook nog de +Joden, die niets van dezen en ook niets van den anderen, maar +alleen van Mozes willen weten. En wat zegt gij dan wel van onze +Brahmanen hier? Die komen met zooveel oude en alle met het hoogste +gezag bekleede boeken voor den dag, boeken zoo eerwaardig oud dat +zijzelf ze haast niet meer kunnen verstaan, en beroepen zich op +zooveel zieners en heilige mannen dat Mozes met zijn Thora en +Christus met zijn Evangelie en Mohammed met zijn Koran er allen te +zamen nauw tegen op kunnen werken. En nu vraag ik u toch in +gemoede: Hoe wil ik een eenvoudig man, die van dat alles wel eens +iets gehoord heb, maar er geen honderdste part van versta, nu als +geloofsregter gaan beslissen en uitmaken of Mohammed bijvoorbeeld +meer regt dan Christus heeft? + +--Maar gij zijt toch in de leer van den Islam opgevoed? + +--Een weinig afdoende grond voor iemands geloof, dat toch wel op +eigen onderzoek en overtuiging dient te steunen en bezwaarlijk +alleen afhankelijk zijn kan van de omstandigheid of zijn vader hem +indertijd heeft laten doopen of besnijden! Maar 't is de vraag nu +ook niet, wat ik persoonlijk al dan niet heb te gelooven; dat gaat +niemand aan; maar alleen, wat ik als vorst, als beheerscher van +het rijk der Mogols te doen heb tegenover de belijders van al die +verschillende godsdienstsecten, die alle gelijkelijk aan mijn +heerschappij zijn onderworpen en dus ook gelijke aanspraak hebben +op mijn bescherming. En die vraag, geloof mij, beste vriend! die +zult gij nimmer kunnen oplossen zoolang gij alles van dien eenen +kant blijft bekijken en blind voor al de andere zijt. + +--Maar de gevaren dan toch, waarmede uw inzigten, daargelaten +welke waarde ze hebben, uw rijk en uw troon bedreigen? + +--Nu,--sprak de Keizer, met zekere minachting glimlagchend,--ik +heb wel aan andere 't hoofd geboden dan die waarmee de toorn uwer +geloofsdrijvers mij thans weer te bedreigen heet. + +--Andere!--hernam Abdal Kadir met nadruk en den vorst met +ernstigen blik in de oogen ziend,--juist, andere! Namelijk die +soort van gevaren, die vreemden u bereidden. Maar als het verzet, +heimelijk eerst, daarna meer openbaar, nu eens opkwam uit uw eigen +huis, of gevoed en bevorderd werd door hen die behooren tot uw +eigen geslacht? Indien uw zoon.... + +--Mijn zoon! Selim!--riep Akbar uit.--En toch,--ging hij voort,-- +onmogelijk schijnt zoo iets niet! Wij zagen dat meer in ons +geslacht en in dat der vorsten, die ons omringden en na eindelooze +familietwisten zich onderwierpen aan onze heerschappij. En zoo +meent gij dan dat Selim zelf zich met uwe ontevredenen tegen mij +zou kunnen verbinden? Want dat schijnt toch wel de strekking uwer +woorden. + +--Zoo is het, Sire!--antwoordde Abdal Kadir,--althans ik heb +gemeend dat hij zich daartoe wel eens door geloofsijver kon laten +verleiden; maar ik zeg nog volstrekt niet dat het reeds het geval +is. + +--Nu,--hernam Akbar,--als 't er dan werkelijk toe komen moest, een +ding is zeker, uit ijver voor 't geloof zou Selim dus niet +handelen; hij geeft vrij wat meer om fijnen wijn en schoone +vrouwen dan om den Koran en den Profeet. Maar dat neemt niet weg, +dat ik u dankbaar ben voor de waarschuwing. Waart gij er terstond +mee begonnen, we hadden ons vrij wat overtollige woorden kunnen +besparen. Hebt gij later weer eens meer zulke mededeelingen, we +zullen er u dank voor zeggen; zij kunnen ons leeren, een weinig op +onze hoede te zijn en onze lieden hier wat in 't oog te houden. +Voor 't oogenblik inmiddels: Vaarwel! + +En met een ietwat ironieken glimlach om de lippen verwijderde zich +de Keizer en liet Abdal Kadir in de gelegenheid om over den indruk +na te denken, dien zijne toespraken hadden te weeg gebragt. + +--Bij Allah!--bromde de volgeling van den Profeet tusschen zijne +tanden,--daar hebben we nu weer wat moois verrigt! Ik had gemeend +hem niet weinig te doen ontstellen toen ik Selim noemde en hem op +eens gedwee te maken door mijne mededeeling. Maar bij slot van +rekening heb ik hem nu eenvoudig gewaarschuwd; en in plaats van +ons te helpen, zal hij ons nu nog harder gaan tegenwerken, nu hij +weet of althans vermoedt dat sommigen der onzen met zijn eigen +zoon tegen hem zamenspannen, of ook, zoo hij 't misschien reeds +bevroedde, zich door mij in zijne meening bevestigd ziet. Een wijs +man acht gij u, Abdal Kadir! en toch... gij hebt weer gehandeld +als een gek! + +Och, of de ijver die mij bezielt, voor ons heilig geloof, mij ook +die kalmte steeds liet bewaren, die Akbar zoo zelden verlaat! Wat +voordeel hem dat niet verschaf, boven ons!... + +Of nu evenwel die bedaardheid, zooeven door Akbar betoond, ook +wezenlijk zoo opregt en natuurlijk was als de ander onderstelde, +mogt de vraag heeten voor wie hem in diep gepeins met naar den +grond geslagen oog en nu en dan het hoofd schuddend naar zijn +paleis had zien terugwandelen.... + +Daar, in zijne eigene, voor slechts enkelen toegankelijke +vertrekken wachtte inmiddels een man, wiens tegenwoordigheid +buiten twijfel aan Abdal Kadir, zoo hij er van geweten had, +opnieuw stof zou hebben gegeven tot hevige verontwaardiging,-- +Koelloeka, de Brahmaan. In gedachten verzonken zat hij naar den +vloer te staren, en noch de prachtige versierselen van het ruim en +luchtig vertrek noch het heerlijk uitzigt over de lagchende tuinen +scheen een oogenblik zijne opmerkzaamheid te trekken. 't Was dan +trouwens ook niet voor den eersten keer dat hij dit alles +aanschouwde. + +Een Keizerlijk wachter kwam weinig tijds na het straks gevoerde +gesprek hem wekken uit zijne mijmering om hem binnen te leiden bij +den Vorst. + +--'t Is mij lief u weer hier te zien, Koelloeka!--sprak de Keizer, +na minzaam den groet van den Brahmaan te hebben beantwoord,--en ik +wil hopen dat gij mij goede berigten medebrengt uit uw land. + +--Helaas, Sire!--antwoordde Koelloeka mistroostig,--wenschte dat +ik het kon; of ook de min gunstige voor Uwe Majesteit te mogen +verbergen, zooals ik 't nog voor anderen doe. Maar het vertrouwen +door Haar in mij gesteld, alsook het welbegrepen belang van mijn +land zelf, noopt mij, niet te verzwijgen wat ik weet. + +--Ik begrijp het al,--zei Akbar,--zeker weer de oude geschiedenis! +Partijveeten en familietwisten, zonen die tegen hun vader, +broeders die onder elkander intrigeren, daar... als elders. + +--Maar al te waar!--hernam Koelloeka.--Toen eenmaal Nandigoepta, +de wettige Koning van het tooneel was afgetreden en zijn broeder +de vrije hand had gelaten, meenden wij dat nu voor goed de orde +zou zijn hersteld; en geruimen tijd was het ook zoo. Met de +bestaande regering was het volk tevrede, zooal niet ingenomen, en +aan nieuwe veranderingen werd althans niet gedacht. Ook nu is dat +onder de eigenlijke burgerij nog volstrekt niet het geval. Maar +toch begint weer factiegeest nieuwe onlusten aan te stoken, en al +wederom nieuwe omwentelingen schijnen te worden voorbereid. Wat +nog misschien het ergste is, wij weten niet te ontdekken van welke +zijde het voornamelijk komt. De zoons van den Koning, die vroeg of +laat tegen hem in opstand dreigen te geraken en onderling ook al +weer verdeeld schijnen, handelen zeer zeker niet uit eigen +beweging en worden blijkbaar opgestookt. Maar door wie? Ziedaar +wat tot dusver ons ontsnapt. + +--'t Mag zijn hoe het wil,--sprak de Keizer, vast en beslissend,--of +zij zelfstandig handelen of niet, het schijnt toch dat het oude spel +weer zijn gang begint te gaan. En wat moet, indien 't niet bijtijds +wordt verhinderd het onvermijdelijk gevolg daarvan zijn? Dat, als +vroeger, de verschillende partijen zich gaan uitrusten tot openlijken +strijd, dat burgeroorlog uw land verscheurt, en dat van weerszijden +zich benden vormen, die, naarmate ze minder geluk hebben binnen de +grenzen van hun eigen landstreken het elders en wel bepaald binnen de +mijne gaan beproeven, en mijne landen en mijne onderdanen komen +plunderen en brandschatten om zich schadeloos te stellen voor wat zij +te huis verloren hebben. En nu zeg ik u zonder omwegen en eens voor +goed, opdat gij in tijds moogt gewaarschuwd zijn, ik zal dat niet +dulden. Mijn rijk, mijne volken zullen geeerbiedigd worden, en kan dit +niet anders dan door geweld, welnu, wat moeite en wat schatten 't ook +weer kosten moge, ik verzamel opnieuw mijne legers en voer ze naar het +Noorden om ook daar de rust te herstellen, die onmisbaar voor de +welvaart mijner onderdanen blijft. Liever nog het gansche rooversnest +uitgeroeid dan het tot schade der mijnen enkel om der lieve vrede wille +te laten voortbestaan! Ondanks al zijn ontzag voor den Keizer mogt ook +de bezadigde Koelloeka een opwelling van toorn niet bedwingen bij die +trotsche en als uitdagende taal, en donkerder kleurde zich, al gaf hij +geen dadelijk antwoord, zijn door de zon gebruind gelaat. + +--Vergeef mij, waarde Koelloeka! hernam thans evenwel Akbar,-- +indien mijne woorden u soms griefden; maar gij weet immers zoo +goed als ikzelf, dat ik, dus sprekend, de goeden onder ulieden, +zooals gijzelf of uw tegenwoordigen vorst of zijne ministers niet +bedoel, maar enkel die ellendige intriganten, die uzelven het +meeste nadeel berokkenen en ons bedreigen met de gevolgen van +hunne onzalige woelingen. Daartegen te waken is en blijft mijn +pligt, en ik zal dien weten te vervullen. Help mij voorzooveel gij +kunt om mijne tusschenkomst onnoodig te maken, en gij moogt u +verzekerd houden dat ik de laatste zijn zal om ze u op te dringen. + +--Ik stel volkomen vertrouwen in uwe woorden,--sprak Koelloeka,--en +zoo ik een gevoel van wrevel niet gansch terug kon houden, 't was zeker +niet minder om de vloekwaardige lagen, die ook thans weder ons land en +onzen vorst worden gelegd, dan om de bedreigingen, waartoe ze, ik moet, +hoe ongaarne ook, het wel erkennen, aanleiding geven en het regt. Maar +schuilt nu in Kacmir zelf en nergens anders het verraad? En is het zoo +gansch ondenkbaar dat er hier aan uw eigen hof en in uw naaste +omgeving, onder uwe verwanten zelfs, wordt zamengespannen tegen ons, +als tegen uw gezag? + +--Hoe nu? Wat meent gij? + +--Ik ging te ver welligt en sprak misschien voorbarig. Maar ik heb +mijn vermoedens en, zoozeer ik wenschen mogt dat zij ijdel bleken +te zijn, toch kan ik ze niet gansch en al van mij afzetten. +Selim.... + +--Wat? Al weder Selim? Zou die ook hier weer in betrokken kunnen +zijn? + +--Wat hij verder nog uitrigt is mij onbekend, maar enkele +aanduidingen, hoewel zeker nog zeer onbestemde, geven mij toch +aanleiding Uwe majesteit in dezen te waarschuwen. Blijken zij +ongegrond, des te beter; maar goed toe te zien kan toch in elk +geval geen kwaad. + +--En dat zal geschieden! Voor 't oogenblik echter berust nagenoeg alles +nog maar op onderstellingen en onbewezen mogelijkheden. Oordeelen en +handelen wij dus niet te ras! Wees echter verzekerd dat niets van 't +geen gij thans mij hebt medegedeeld mijn nauwlettend onderzoek zal +ontgaan, en als we elkander weerzien zal de tijd tot beslissing en +handeling misschien ook zijn aangebroken. Tot zoolang geen welligt +ijdele zorgen. Doch eer ge van hier gaat wil ik u nog iets mededeelen, +waarin gij meer persoonlijk wel eenig belang zult stellen. Ik heb zoo +straks uw leerling gesproken. + +--Hoe, Siddha?--riep Koelloeka eenigszins verwonderd uit,--en wie +stelde hem dan nu reeds voor? + +--Niemand,--antwoordde Akbar,--ik heb, in 't park hem ginds +ontmoetend en ligt begrijpend wie hij was, hem zelf maar eens +aangesproken. Gij weet dat ik wel eens meer zoo handel. + +--En hij wist niet dat hij met den magtigen Keizer sprak? + +--Natuurlijk niet, en 't bleek mij dat hij 't ook niet vermoedde. +Zeg 't hem ook niet als gij hem zien mogt; later zal ik hem zelf +wel inlichten. Maar gij verlangt zeker te weten wat ik van hem +zeg? Welnu, ik ben heel wel met hem tevrede; 't is een flinke, +eerlijke jongen, in wien ik vertrouwen stel. Misschien soms wat +onvoorzigtig en wat heel openhartig.... + +--Hij heeft immers niets gezegd wat ongepast tegenover den Keizer +kon zijn? + +--Wel iets,--hernam Akbar lagchend,--ten minste indien hij geweten +had tot wien hij 't zeide. Maar stel u gerust! Toen ikzelf hem +onder 't oog bragt dat hij zich wat haastig uitliet, gaf hij mij +een verontschuldiging waartegen ik niets had in te brengen. Maar +genoeg! ik heb u gezegd dat hij mij voldeed, en 't is u bekend dat +ik anders juist niet gewoon ben zoo aanstonds gunstig over de +menschen te oordeelen die ik voor 't eerst zie. Laat hij zelf nu +maar zorgen dat de goede indruk niet verloren ga! Andere zaken +roepen mij nu voor 't oogenblik. Ik houd u dus niet langer terug! + +Met eerbiedigen groet verliet Koelloeka het vertrek en met +welgevallen zag Akbar hem na,--hem, een man zoo ver van hem +verwijderd en in stand en in rang, en door uitwendige godsdienst +en nationaliteit, maar toch opregt aan hem verbonden door achting +en vriendschap, en dengene onwankelbaar trouw, wien hij eenmaal +zijn woord had verpand. + +--Op dien ten minste valt te rekenen!--sprak de Keizer in +zichzelven,--in hem althans is geen bedrog.--En hij had regt. Maar +hoevelen nog die hem nader stonden en van wie hij niet met +evenveel regt hetzelfde getuigen kon! + + + +VIJFDE HOOFDSTUK. + +Een nieuwe kennis en een oude + +Niet lang had Siddha, omstreeks den bepaalden tijd, in de +nabijheid van de moskee gewacht of hij zag de dienares naderen +die, digter bij gekomen, hem uitnoodigde haar te volgen. Door +verschillende lanen en zijpaden ging zij hem voor, tot zij +eindelijk aan een hoogen tuinmuur kwam en een klein in den muur +aangebragt poortje opende, dat zij ook, nadat beiden waren +binnengetreden, zorgvuldig weer sloot. Een digte laan met +cactussen en andere gewassen leidde hen tot een soort van terras +met oranjeboomen en verscheidene fonteinen, waarop de achtergevel +uitzag van een klein, maar bijzonder sierlijk en smaakvol huis, +welks overig gedeelte in zwaar geboomte verscholen bleef. Langs de +marmeren trappen en door een opene galerij werd nu Siddha door +zijn geleidster in een mede aan den voorkant gansch geopend +vertrek gevoerd; en na hem te hebben binnengebragt, verdween zij +achter een der voorhangen. + +Op een divan, aan de opene zijde van het vertrek, lag daar in +bevallig achtelooze houding eene jonge, rijk en met smaak op de +Perzische wijze gekleede vrouw, die zoodra zij haar bezoeker +gewaar werd zich van het rustbed verhief en hem te gemoet kwam om +hem welkom te heeten. Of zij schoon was? Met juistheid zou Siddha +niet geweten hebben het te beslissen. Hare trekken waren niet +regelmatig, haar gestalte was klein en tenger; maar hare zachte +blauwe oogen, met lange zijden wimpers overschaduwd, hadden eene +onbeschrijfelijk vriendelijke en innemende uitdrukking; haar +alligt ietwat te groote mond scheen ook tot iets anders nog uit te +noodigen dan enkel tot het luisteren naar hare woorden; en, was +ook hare gestalte niet groot, zij bezat daarentegen de meest +volmaakte evenredigheid, terwijl het gedeeltelijk eng sluitend +gewaad de schoone ronding der vormen te duidelijker deed uitkomen. +Wat evenwel Siddha terstond meer in 't bijzonder trof, was de hier +wel buitengemeene blankheid van den hals en den half ontblooten +boezem, waarom zich een kostbaar parelsnoer wond, en niet minder +ook de rozeroode tint der wangen, gelijk hij die bij andere niet +bruin gekleurde vrouwen tot dusver nog nooit had opgemerkt. + +--Edele Heer!--sprak de onbekende, en zoo de indruk, dien haar +gansche voorkomen op Siddha gemaakt had, niet reeds zoo gunstig +ware geweest, de liefelijke klank harer stem zou hem volkomen +hebben gewonnen,--ik zeg u dank dat gij zoo spoedig aan mijne +uitnoodiging hebt willen voldoen. Welligt was mijn vezoek wat +onbescheiden; maar als ik u de reden heb medegedeeld, zult gij, +hoop ik, 't mij niet al te euvel duiden. + +--Aan zulk een uitnoodiging gehoor te weigeren,--antwoordde +Siddha,--ware ongetwijfeld al zeer onridderlijk geweest. Maar +gaarne wil ik u de verzekering geven, edele vrouw! dat ik niet dan +met ongeduld den tijd van het bezoek had kunnen afwachten, indien +ik vooraf in de gelegenheid was geweest om het beeld te zien van +degene die mij de uitnoodiging deed toekomen. + +Met een ligte hoofdbuiging het gezegde beantwoordend, dat zij +blijkbaar als een beleefdheidsphrase opvatte, ging de jonge vrouw +voort: + +--Mijne verontschuldiging dan is, dat geen eigenbelang mij tot +deze handelwijs bewoog, maar het belang van eene andere, van eene +vriendin, die ik hartelijk liefheb. Zij werd voor eenigen tijd +genoodzaakt uit Agra te vlugten om de lagen te ontgaan, die haar +door sommige aanzienlijke en magtige personen gelegd werden, en +ver van hier, in uw land, in Kacmir, een schuilplaats te zoeken. +Nu heb ik haar eenige mededeelingen te doen, die voor haar van +groot gewigt kunnen zijn; maar ik wist tot heden geen middel om ze +haar veilig te doen geworden, daar ik de boden, die hier tot mijne +beschikking mogten zijn, geen van allen kan vertrouwen. + +Daar verneem ik toevallig,--hoe, doet nu niet af,--dat gij met uw +vroegeren leermeester Koelloeka in Agra waart gekomen, en tevens, +dat de goeroe spoedig weer naar zijn land terugkeert. Ik begreep +terstond dat ik niet beter kon doen dan mijn vertrouwen te stellen +in de eer van een edelman zooals gij, wiens naam mij ook wel +bekend was, en besloot dus u te verzoeken, uw vriend met de +overbrenging van een brief te willen belasten, waarin ik kennis +geef aan mijne vriendin van 't geen zij belang heeft te vernemen. +Zou dit verzoek nu te veel soms van u of van den waardigenen +Koelloeka gevergd zijn? + +Een gevoel van verligting was Siddha's eerste gewaarwording bij +het aanhooren van deze woorden. Zoo kwam dan de gansche zaak +eenvoudig neer op het overbrengen van een blijkbaar zeer +onschuldigen brief, die hem voor 't overige ook niets aanging. +Toch mengde zich, half onbewust, een zekere teleurstelling onder +dat gevoel van tevredenheid. Dat er geen sprake was van eenige +zamenzwering mogt hem ongetwijfeld zeer verblijden, maar of zijne +ijdelheid wel zoo bijzonder gevleid kon zijn door de overtuiging +dat er ook geen zweem van een avontuurtje zich vertoonde? +Inmiddels haastte hij zich aan de onbekende de verzekering te +geven, dat hij zeer gaarne zijn leeraar met den brief zou belasten +en dat deze ook tegen de overbrenging wel geen bezwaar zou maken. + +Op een teeken der jonge vrouw verscheen nu de dienares en bragt op +haar verlangen een in briefvorm zaamgevouwen en met een zijden +koord en een zegel gesloten stuk. + +--Het opschrift,--sprak gene, nadat de dienares weer vertrokken +was,--luidt, zooals gij ziet, aan iemand anders dan aan mijne +vriendin zelve. De naam is u misschien bekend. + +--Zeer zeker!--antwoordde Siddha,--ik ben meer dan eens met dien +jongen man op de jagt geweest.--Nu, die zal haar den brief dan +ter hand stellen. Zoo doende weet uw vriend Koelloeka niet aan wie +hij eigenlijk gerigt is, 't geen mij wenschelijk voorkomt, om niet +meer personen in 't geheim te mengen dan er nu reeds mee bekend +zijn. Ik hoop maar,--vervolgde zij na een oogenblik zwijgens,-- +dat mijne vriendin haar voordeel zal kunnen doen met hetgeen ik +haar meld. Inderdaad ik heb opregt medelijden met haar in hare +ballingschap; en toch, ik kan haar soms ook benijden, dat zij in +de gelegenheid is uw heerlijk land te bezoeken, waarvan ik zooveel +prachtige beschrijvingen heb gelezen. Maar zeg mij, opregt +gesproken, zijn die beschrijvingen niet soms wat overdreven, ten +minste wat heel dichterlijk? + +--Ik voor mij,--antwoordde Siddha,--zoozeer mijn leermeester mij +ook altijd gewaarschuwd heeft tegen overschrijding van de grenzen +die goede smaak en werkelijkheid ons stellen, ik heb toch steeds +als hij gevonden dat de beschrijvingen door u bedoeld nog ver +beneden de waarheid bleven. Inderdaad, ook in deze streken heeft +de natuur soms haar schoon, en bekoorlijk zijn menigmaal de +boorden uwer Djoemna, en bij de pracht en de weelde uwer paleizen +en lusthoven haalt niets in ons noordelijk land; maar wat daar +toch bergen en dalen en bosschen en lagchende velden er bieden, +zoudt gij in deze zooveel minder bevoorregte streken u bezwaarlijk +weten voor te stellen. En door de herinnering aan zijn vaderland +als door de belangstelling zijner nu waarlijk schoone toehoorderesse +medegesleept, begon zich onze Siddha in schilderingen van Hindostan's +wereldberoemd paradijs te verliezen, wier welsprekende voordragt niet +minder dan het uiterlijk van den verhaler den blik van wezenlijk +welgevallen regtvaardigde, waarmede de luisterende nu en dan den edelen, +krachtigen jongeling aanzag. + +--Maar ik hield u te lang reeds bezig,--sprak zij oprijzend ten +laatste,--en heb waarschijnlijk reeds misbruik gemaakt van uwe +welwillendheid. Een verzoek nog! Laat onze zamenkomst, ter wille +ook van de belangen mijner vriendin, een geheim blijven tusschen u +en mij. Van eenige beteekenis kan die vlugtige ontmoeting trouwens +ook niet zijn. + +--Voor u zeer zeker niet,--sprak Siddha,--voor mij echter meer dan +gij schijnt te meenen. + +--Ik zie,--hernam de andere lagchend,--dat gij, Hindoe's niet +minder dan de onzen de kunst verstaat om u hoffelijk jegens +vrouwen uit te drukken. Maar dat daargelaten! Een enkel woord ben +ik u echter nog verschuldigd. Ik zou mij uw vertrouwen al zeer +onwaardig toonen indien ik, zelve u kennend, mij voortdurend als +geheel onbekende jegens u bleef gedragen, en ik zie dan ook geen +bezwaar, mits onder geheimhouding altijd, u mijn naam en stand mee +te deelen. Die is voor 't overige nederig genoeg. Mijn naam is +Rezia; mijn vader was een Armenier, die, hier gekomen om handel te +drijven, mij vroegtijdig uithuwde aan een rijk, maar reeds +tamelijk bejaard koopman hier in de stad. Sinds geruimen tijd is +deze voor zijn zaken naar Perzie en verder nog naar het Westen +getrokken; en in lang heb ik ook niets van hem vernomen. Inmiddels +woon ik hier, zooals gij ziet, eenzaam en stil, hoewel anders niet +verstoken van de aangenaamheden en de rustige genoegens van het +buitenleven. Zoo weet gij dan ten minste voor wie gij u de moeite +van een bezoek hebt getroost, al is het dat wij elkander na dezen +niet verder mogten ontmoeten. + +--En waarom, edele Rezia! zou dat niet mogen zijn?--vroeg Siddha; +--niets, dunkt mij, behoeft u en mij daarin te verhinderen, en +mogelijk zou ik u soms nog 't een en ander kunnen meedeelen van +het land waar tegenwoordig uwe vriendin vertoeft, dat misschien in +staat ware uwe belangstelling op te wekken. + +--Welnu!--antwoordde Rezia,--niet geheel wil ik uw vriendelijk +aanbod afslaan. Indien gij een dezer avonden soms nog een verloren +oogenblik vindt, ik houd mij dan aanbevolen voor eenig berigt of +de verzending van mijn schrijven geen bezwaar heeft gevonden en +naar gissing goede kans heeft te slagen. Mijne dienares ontmoet u +alligt hier of daar en gij hebt haar slechts een tijd te noemen om +mij nogmaals een bezoek te brengen in mijn stil verblijf. + +--En voor die gelegenheid wil ik u dankbaar zijn,--antwoordde +Siddha, terwijl hij, zorgvuldig 't hem toevertrouwde stuk in zijn +gordel verbergend, zich gereed maakte om voor 't oogenblik +afscheid te nemen. + +Op een hernieuwd teeken vertoonde zich nogmaals de vertrouwde +dienares en deed Siddha weer uitgeleide langs denzelfden weg, die +hem straks den toegang tot het paviljoen had verleend. + +Te huis gekomen stond hij lang nog in gedachten voor de open +veranda van zijn vertrek en staarde naar de zacht daar beneden +voortstroomende rivier. Dat waren dan dezelfde wateren, die den +voet van Allahabad's burgt besproeiden en waarin ook het liefelijk +gelaat van Iravati zich weerspiegeld had! Was het niet als bragten +die golven hem den groet der teeder beminde en als fluisterden zij +hem woorden toe van liefde en van trouw? Snel nam hij het +medaljon met Iravati's portret van den wand, kuste het en zette +zich neder in de galerij. Lang nog bezag hij het beeld en +beminnelijker dan ooit schenen hem de trekken der edele en schoone +Hindoe-jonkvrouw. Maar zonderling toch ook! Als zijn blik soms +weer afdwaalde en rondzwierf langs de paleizen en tuinen aan de +boorden van den stroom, dan doemde ook weer een ander beeld in +zijn herinnering op,... de bevallige houding, de sierlijke +gestalte, de blauwe oogen, de bekoorlijke stem van Rezia, de +Armenische. Wat die vrouw hem dan aanging? Zeker niets; maar wat +kwaad ook van den anderen kant, zoo hij ze lief en innemend vond? +Hij had toch waarlijk niet aan Iravati de gelofte gedaan, alle +mogelijke andere vrouwen leelijk en onbehagelijk te zullen +noemen!... + +--Hallo!--klonk het 's anderen morgens vroeg in den voorhof van +Siddha's woning,--is uw meester nog niet wakker? Ga eens en zie of +ik hem stoor met een bezoek! + +Juist wilde Vatsa aan het bevel gehoorzamen toen Siddha zelf, +bezig zich gereed te maken om uit te gaan, terstond de vrolijke +stem van Parviz, den neef van Aboel Fazl, herkende, en in den +voorhof zich begevend, zijn bezoeker uitnoodigde binnen te komen. + +--Hebt gij dienst?--vroeg deze. + +--Een paar dagen niet. + +--Nu, dat treft. Dan komt het u misschien wel gelegen eens een +uitstapje te maken? + +--Zeer gaarne! Waarheen? + +--Wel! naar Fattipoer Sikri natuurlijk, de buitenresidentie van +den Keizer. Daarheen zou alweer een ieder u voeren, die u voor 't +eerst een togtje in de omstreken liet doen. + +--Ik geef mij geheel over aan uwe vriendelijke leiding,--hernam +Siddha,--veroorloof mij echter u een enkel oogenblik alleen te +laten. Koelloeka vertrekt straks en ik wil hem dus even vaarwel +zeggen. + +Spoedig was hij, Koelloeka opgezocht hebbende, met het afscheid +gereed, waarbij zijn leermeester zonder verder navragen zich met +de overbrenging van den brief belastte; en kort daarop zat hij in +den zadel en reed met Parviz, gevolgd door den dienaar van zijn +vriend en den zijne, de stad uit. + +Een breede laan, door vrij hooge boomen beschaduwd en met schoone +vergezigten over de velden en bosschaadjen aan weerszijden, maakte +den togt voor een groot deel tot een wezenlijk aangenamen +wandelrid. + +--Zie,--sprak Parviz, toen men een tijdlang had voortgereden,-- +zulke lanen heeft de Keizer nu ook laten aanleggen op andere en +verre wegen, waar vroeger haast geen blad groeide en waar men van +hitte verging. Een zeer nuttig werk voorzeker! En geen reiziger +trouwens die er Akbar niet dankbaar voor is. + +--Ja, de Keizer doet nuttige dingen!--antwoordde Siddha; en +daarbij tevens aan den merkwaardigen man denkend met wien hij den +vorigen dag over Akbar gesproken had, deelde hij Parviz in +algemeene bewoordingen zijne ontmoeting mede en vroeg hem of hij +den persoon kende, wiens uiterlijk hij beschreef. + +--Neen, die is mij niet bekend,--zei Parviz, met moeite een +glimlach bedwingend,--maar gij zult hem misschien wel eens +weerzien. + +--Waarschijnlijk wel,--hernam Siddha,--hij schijnt hier thuis te +behooren. Maar vertel mij dan eens iets anders. Hoe komt het dat +er hier zooveel mannen zijn die in 't geheel geen baard dragen? Ik +dacht juist dat uwe Mohammedanen zoo bijzonder op een baard +gesteld waren. + +--Dat zijn zij ook, maar Akbar zelf denkt nu juist anders over de +zaak. Zoo een kneveltje als het uwe of 't mijne kan er bij hem nog +wel door, maar liefst ziet hij in 't geheel niets op iemands +gezigt. Of dat nu enkel een gril is zooals men die ook bij de +verstandigste menschen wel eens meer ontmoet, dan of hij met opzet +de regtzinnig geloovigen wil plagen, of ook hun toonen dat hij om +hunne vooroordeelen en vormbegrippen niet geeft, ik weet het niet, +maar zeker is dat de zaak, zoo onbeduidend en kinderachtig ze +schijnen mag, al tot heel wat onaangenaamheden en gehaspel heeft +aanleiding gegeven. Doch hier naderen wij de woning van een der +dorpshoofden in den omtrek, dien ik door mijn oom den Minister +goed ken; willen we een oogenblik bij hem uitrusten en onze +paarden wat water geven? Mijn bruin ten minste zal er wel naar +verlangen; hij stond al een heelen tijd gezadeld eer ik uitreed. + +Overeenkomstig het voorstel steeg men af in den binnenhof der +nette en flink van hout en steenen opgetrokken, te midden van +tamarindeboomen en acacia's gelegen boerderij; en weldra vertoonde +zich op het geroep zijner onderhoorigen de eigenaar zelf, een +Hindoe van middelbare jaren en deftig, magistraal voorkomen. Na de +gewone pligtplegingen en terwijl de gastheer frissche vruchten +nevens een kruik ijskoud kristalhelder water liet aanbrengen, kwam +het gesprek, zooals te verwachten was, al spoedig op den landbouw +en de bijzondere welvaart die er ook voor een weinig geoefend oog +reeds terstond onder de landbouwende bevolking dezer streken viel +op te merken, en die gunstig afstak bij 't geen Siddha in zijne +eigene gewoon was te zien. + +--Voor een deel,--verklaarde het dorpshoofd,--is die gelukkige +toestand natuurlijk ons eigen werk; zonder arbeid en inspanning +waren wij er zeker niet gekomen; maar grooten dank ook zijn wij +den Keizer verschuldigd, wiens verstandig en bijzonder doelmatig +stelsel van bestuur ons eerst tot eigen krachtsinspanning de regte +gelegenheid gaf. + +--Ik heb er van gehoord,--merkte Siddha aan,--maar om u de +waarheid te zeggen, ik ben daaromtrent nog niet geheel op de +hoogte. + +--Toch is het zeer eenvoudig,--hernam de Hindoe,--en voor iemand +van uwe beschaving gemakkelijk genoeg te vatten. Het gansche +systeem toch berust in hoofdzaak op eene geschikte verdeeling der +landerijen, eene vaste, billijk geregelde opbrengst der landrente, +en bovenal op de regtszekerheid die het een en het ander den +landeigenaar en den landbouwer verschaft. Vroeger ging alles +tamelijk willekeurig, en wist niemand regt wat hem eigenlijk +toekwam en wat hij op te brengen had, terwijl aan ons dorpshoofden +meerendeels bleef overgelaten, met de regering de jaarlijksche +opbrengst der velden, naarmate die soms voor-, soms nadeelig +heette, te regelen: Thans is dat alles anders geworden. De velden +zijn behoorlijk opgemeten en de grenzen vastgesteld; de opbrengst +wordt met inachtneming van de meerdere of mindere vruchtbaarheid +der daartoe in verschillende klassen ingedeelde gronden, over een +bepaald aantal jaren geschat; en, wat niet het minste zegt, en +tevens misschien wel het moeijelijkst te regelen viel, de daarnaar +berekende landrente of belasting wordt zooveel maar doenlijk in +geld, en niet meer als vroeger in voortbrengselen voldaan. En geen +regeringsbeambten hebben meer te beslissen, wanneer daarover +geschillen ontstaan, maar de regter alleen. Het gevolg van dat een +en ander moet wel zijn, en is het ook, dat de landbouwer, eigenaar +of pachter, nu eenmaal vooruit kan weten wat zijn land hem +ongeveer zal kosten, wat hij te betalen heeft en wat zijn vrij +beschikbaar eigendom blijft. En is het dan wonder zoo hij, met +eenige energie, en goed zijn eigen belangen begrijpend, ook +wezenlijk vooruitgaat en welvarend wordt waar hij te voren nauw +zijn dagelijksche rijst kon verdienen? Trouwens gij ziet de +vruchten, en kunt dus zelf oordoelen, hoewel gij 't nog beter +zoudt kunnen indien gij onze landerijen en haar bewoners in den +vroegeren toestand gekend hadt zoo als ik. + +--De vergelijking met dien van mijn eigen land,--antwoordde +Siddha,--moet wel tot gelijke uitkomst leiden als de uwe. Welk een +zegen voor een staat, een vorst als Akbar te bezitten! + +--Maar zijn raadsmannen mogen wij toch ook wel dankbaar zijn,-- +hernam de magistraat,--en in 't bijzonder Todar Mal, den +schatmeester, die het stelsel eigenlijk uitwerkte, en Aboel Fazl, +den Groot-Vizier, die er de laatste hand aan legt, door met de +grootste strengheid alle afpersingen en knevelarijen van de +regeringsambtenaren, met wie wij te doen hebben, tegen te gaan. +En, scheen het al in den beginne, dat de staatsinkomsten door al +deze maatregelen zouden verminderen, op den duur is juist het +tegendeel gebleken; en zelfs al waren die inkomsten iets geringer, +ze zouden toch nog in waarde gewonnen hebben, omdat ze nu zooveel +vaster en beter verzekerd dan te voren zijn. + +--Maar, geachte Heer!--vroeg Siddha,--bestaat er nu geen gevaar +dat het stelsel, zoo uitnemend het zijn mag, weer in duigen valt +als een min verstandig vorst eens den troon bestijgt? + +--Ik geloof het niet,--was het antwoord;--als onze gemeenten +eenmaal zekere regten verkregen hebben, kan geen despoot haar die +ligt weer ontnemen. Gij weet, dat die gemeenten bijkans geheel en +al zichzelve regeren door hare eigene overheden en daardoor tot op +zekere hoogte onafhankelijk worden van den Soeverein. Wilde nu +deze beproeven hare regten te verkorten tegen de adat in, dan zou +hij als met duizenden kleine staatjes te doen krijgen en geen +ambtenaren en geen soldaten genoeg vinden om die alle tot +gehoorzaamheid te blijven dwingen. Of zoo 't hem al gelukte, de +dorpen zouden meerendeels eenvoudig verlaten worden en de +bevolking zou zich terugtrekken in ontoegankelijke bosschen en +wildernissen. Voor 't overige laten onze dorpers den vorst ook van +hun kant volkomen vrij in zijne handelingen. Hij mag oorlogvoeren +met andere rijken zooveel hem lust en zoolang zijne schatkist het +toelaat; en om intriges en twisten van het paleis geven onze +gemeentenaren in het geheel niet; de meesten zelfs vernemen er +zelden iets van. + +--Een gelukkige toestand!--zei Siddha,--en voor beide partijen +inderdaad heel gemakkelijk. + +--Alleen de staats- en volkseenheid wordt er juist niet door +bevorderd,--merkte Parviz op, zich nu ook mengend in het gesprek. + +--Dat wordt zij ook niet,--antwoordde de magistraat,--maar zoudt +gij dan meenen dat eene wezenlijke eenheid van den staat, anders +dan in den persoon van den vorst, op zich zelve mogelijk was in +een land als ons tegenwoordig Hindostan, waar zulk eene menigte +van allerlei meest onderscheiden rassen en volken bij en door +elkander woont? + +--Ik erken dat het moeijelijk zijn zou, hoewel 't alligt zaak +ware, er wat meer naar te streven dan tot nu toe gedaan wordt. + +Een tijdlang nog werd het onderhoud, waarin vooral Siddha veel +belang stelde, voortgezet; en daarop namen de beide vrienden +afscheid van het beleefde dorpshoofd en vervolgden, hun paarden +weer bestijgend, hun weg. + +Een flinke, maar tamelijk lange rid, waarbij nog al eens halt +moest worden gehouden om rust te nemen, bragt hen eindelijk in 't +gezigt der hoogte, waarop het versterkt en door zware ringmuren +omsloten paleis van Fattipoer was gebouwd. Mogt de aanblik der +Agrasche paleizen indrukwekkend heeten, deze was het van zekeren +afstand niet minder. Trotsch en statig, maar als altijd bevallig +en sierlijk tevens, verhieven zich, als terrasgewijze boven +elkander geplaatst, de verschillende luchtig omhoog rijzende +gebouwen met hunne vlug opgetrokken torens en fijne kanteelen en +breede, hel in 't zonlicht glanzende marmeren trappen, afgewisseld +alles door het groen der tamarinden en andere boomen, waaruit ze +deels te voorschijn traden om ook deels weder zich daartusschen te +verbergen. Doch toen Siddha met zijn geleider, nadat zij de +paarden aan de zorg hunner dienaren hadden toevertrouwd, den +eigenlijken omkring van het paleis zelf was binnengetreden, +gevoelde hij zich schoon minder verrast, toch aangenamer aangedaan +door het vrolijker en genoegelijker voorkomen dezer, voor 't +overige met niet minder weelde en sierlijkheid ingerigte gebouwen +en vertrekken dan door het gezigt der veel meer uitgestrekte van +Agra. Ook de tuinen schenen hem bevalliger en meer bevredigend +voor het oog, daar toch hier althans geen geweld was gedaan aan de +natuur, en lanen en slingerpaden, met vermijding van de eentoonige +regtheid en het onveranderlijk waterpas, de bogten en verhevenheden +bleven volgen, door het bewogen terrein en den plantengroei zelven +aangewezen. En dan, welk een heerlijk en verkwikkelijk vergezigt over de +omliggende heuvelen en met rijken oogst beladen bouwvelden, en de als +zilver glanzende rivier daar omlaag en het, wel is waar kunstmatig +aangebragte, maar daarom niet minder schilderachtig meer in het +verschiet!--Geruimen tijd bleven de bezoekers daar ronddwalen, nu eens +langs eenzame wandelpaden, dan weer door de met wachters en dienaren +vervulde galerijen, tot eindelijk Parviz den voorslag deed, een zijner +vrienden in de lager gelegene stad te gaan opzoeken om daar hun +intrek te nemen en tevens een beter maal te gebruiken dan men +onderweg had kunnen vinden. + +Natuurlijk vond ook dit voorstel gereedelijk gehoor; en nadat men +bij den gastvrijen vriend van Parviz de noodige rust had genoten, +en zich door een hartig en tevens vrolijk maal had gesterkt, +begaven onze vrienden zich weer op weg om nog 't een en ander van +de stad zelve te zien. + +--Vergun mij,--sprak Parviz,--u voor weinige oogenblikken aan u +zelven over te laten. Ik heb hier nog eenige stukken op last van +mijn oom aan een van zijne ambtenaren over te brengen, en dezen +over eenige zaken te spreken waarin gij zeker geen belang zoudt +stellen. Hij woont hier in de nabijheid en ik ben zoo aanstonds +bij u terug. Inmiddels hebt gij daar tusschen de acacia's ginds +een vrij ouden tempel, dien gij misschien wel eens zult willen +bezigtigen. Des verkiezende kunt gij er ook uwe devotie verrigten. + +--Wel verpligt,--antwoordde de ander lagchend,--daaraan ga ik mij +niet te buiten. Maar zeer gaarne wil ik den tempel eens bezien. Ik +zal u daar dan of in de nabijheid wachten. + +Spoedig ontwaarde Siddha, toen hij de zware en flauw verlichte gewelven +was binnengetreden, aan de talrijke zinnebeeldige versieringen der +zuilen, dat hij zich in een civa-tempel bevond; en na eenige gangen te +zijn doorgegaan, aanschouwde hij dan ook aan 't uiteinde van een soort +van hal en van boven verlicht het kolossale beeld van den God, met de +beenen kruiselings op een hoog voetstuk gezeten, de armen en enkels met +eene menigte van ringen versierd, het teeken van den drietand op het +voorhoofd en een keten van doodshoofden om den hals,--civa, den +Oneindigen en Almagtigen Wereldheer, scheppend om te vernielen, en +vernielend om te scheppen op nieuw, het eindeloos in zijn openbaringen +zich vervormend Wezen, waaruit alle Zijn voortspruit en waartoe het Al +gestadig terug moet keeren. Zoo goed nu onze jonge Indier de begrippen +kende, welke die beeldtenis en hare symbolen vertegenwoordigden, en +zoozeer hij daarvan ook de betrekkelijke waarde bleef erkennen, toch +stuitte hem ook nu weder, zooals het vroeger bij dergelijk schouwspel +gedaan had, niet weinig het wanstaltige en gedrogtelijke dier gedaante, +die wel is waar zekeren indruk bij den eersten aanblik kon maken, doch +wel bezien de voor 't overige inderdaad niet van schoonheid ontbloote +bouworde van den tempel op hinderlijke wijze ontsierde. + +Niet lang echter duurde zijne eenzame bespiegeling over dit een en +ander; want achter zich vernam hij een oogenblik later een stem, +hoewel de stilte niet door het geluid van voetstappen was +verstoord geworden. + +--Om!--klonk het,--om! U brengt de onwaardige dienaar van civa's +heilige echtgenoote, de in hem wonende Oneindige Kracht, zijnen +groet. + +En naar de plek zich keerend van waar de stem kwam, werd Siddha +den Doerga-priester Gorakh gewaar, dien hij te Allahabad in +gezelschap van zijn oom Salhana had gezien. + +--Ik groet u, Eerwaarde!--sprak hij, en wachtte wat de ander hem +te zeggen zou hebben. + +--Zoo! wij zijn elkander dan nog niet vergeten sinds onze laatste +ontmoeting,--hernam Gorakh;--trouwens wat mij betreft, ik heb u +wel in 't oog gehouden, sinds ik daar ginds in de nabijheid van +den Bhadrinath u waargenomen heb. + +--Nu ja,--zeide Siddha, een weinig ongeduldig,--laat dat zijn hoe +'t wil. Maar ik begrijp eigenlijk niet, eerwaarde Heer! welk +belang gij in mij stellen kunt. + +--En zou dan,--vroeg de ander,--de neef van mijn leerling en +vriend geen aanspraak mogen maken op mijne belangstelling? Maar +ook daarom juist schijnt mij pligt, u een waarschuwing niet te +onthouden, waar ik die noodig acht, en indien gij ze van mij wilt +aannemen. Gij weet wie Gaurapada, de kluizenaar, is, niet waar? + +--Gaurapada?--vroeg Siddha,--welzeker! Hij is een kluizenaar in 't +gebergte. + +--Ja, maar ik meen, wie hij was eer hij zijn tegenwoordigen naam +droeg. + +--Daar weet ik niets van. Hij heeft het mij niet verteld. + +--Maar uw goeroe, Koelloeka, heeft het u toch medegedeeld? + +--Ik heb er hem niet eens naar gevraagd en 't kan mij ook niet +schelen. + +Met een zijdelingschen, uitvorschenden blik zag Gorakh den spreker aan; +maar deze ware geen rechte Indier geweest, indien zijn gelaat in eene +omstandigheid als deze niet de meest mogelijke onverschilligheid had +vertoond. Ietwat minder voorzigtig echter liet hij, warm wordend bij 't +indringende van den ander, er op volgen: + +--En al wist ik nu ook nauwkeurig, wie en wat Gaurapada in vroeger +tijd geweest mogt zijn, gij begrijpt dat ik 't u toch niet zou +zeggen. + +--Ha!--riep de Yogi uit,--gij vertrouwt mij niet! En gij meent mij +zelfs te mogen tarten? Herinner u, dat ik een vriend van den +Goeverneur van Allahabad ben! + +--Ja, dat weet ik!--sprak Siddha met zekeren nadruk. + +--Wat weet gij? + +--Ik weet wat ik weet, en dat is genoeg! + +Nijdig keek de priester Siddha aan. En tevens niet zonder +ongerustheid. Wat beteekende dat gezegde op dien toon? En wat kon +hij werkelijk weten? Doch voor 't oogenblik scheen in elk geval +wel 't veiligst het toch niet vlottend gesprek maar af te breken. + +--Nu, genoeg dan!--zeide Gorakh,--voor u en voor mij. + +Doch bedenk een ding, mijn jonge vriend, die mijne vriendschap +niet schijnt te begeeren!--en ik wil ze u ook niet opdringen!-- +bedenk, dat de magtige Godin, aan wier dienst ik mijne geringe +krachten wijde, niet alleen behouden maar ook verdelgen kan, en +dat er geen hoop op genade en geen kans op redding bestaat voor +hem, dien zij eenmaal door hare priesters als uitverkoren offer +haren getrouwen heeft aangewezen! + +En in een der zijgangen verdween zonder nader antwoord af te +wachten de geheimzinnige boeteling; en, hoe vastberaden anders +ook, toch vermogt Siddha hem niet na te staren zonder een zeker +gevoel van beklemdheid en onwillekeurigen angst. En 't scheen hem, +hoewel de Doerga-priester thans werkelijk toch alleen was, als zag +hij hem nogmaals gevolgd door dien langen stoet van naakte bruine +gestalten met de witte koorden om den nek, met welken hij in de +nachtelijke schemering hem langs den ringnmur van Allahabad had +zien verdwijnen in het bosch. + +Eer hij zich inmiddels ter ruste begaf dacht hem niet onnut, nog +eene enkele vraag tot den trouwen dienaar te rigten, die hem in de +woning van den vriend van Parviz afwachtte om te vernemen of zijn +meester nog iets te bevelen had. + +--Vatsa!--zeide hij,--gij hebt mij laatst in het park van +Allahabad betuigd, dat gij evenmin als Koelloeka's dienaar daar +een priester of boeteling hadt gezien. Maar herinnert gij u soms +toch met eenig ander, u onbekend persoon gesproken en dezen +misschien eene of andere bijzonderbeid van onze reis in 't +gebergte verteld te hebben? + +Ik zou er niet verder aan hebben gedacht,--antwoordde Vatsa,-- +maar nu ge 't mij zoo afvraagt, Heer! nu herinner ik mij wel, dat +er in den omtrek der stallen een half naakt en bruin gekleurd man +met ons kwam praten, en nadat hij ons 't een en ander omtrent de +vesting en de stad had verteld, ook naar onze reisontmoetingen +vroeg. + +--En gij hebt hem toen van mijn geval met den tijger van Gaurapada +verteld? + +--Ik geloof inderdaad van ja! + +--En zeidet gij soms ook iets omtrent den kluizenaar en diens +uiterlijk voorkomen? + +--Zeker!--antwoordde Vatsa,--juist zijn eerbiedwaardig en tegelijk +vorstelijk voorkomen had in 't bijzonder onze aandacht getrokken; +wij waren er beiden nog vol van en daar wij niet wisten dat er +kwaad in stak er van te spreken, maakten wij ook geen geheim van +onze ontmoeting tegenover den vreemde. + +--Wien gij dus ook het uiterlijk van Gaurapada eenigermate zult +beschreven hebben? + +--Nauwkeurig herinner ik mij dat niet meer; maar ik geloof wel dat +wij er iets van meldden. + +--Bedenkelijk!--mompelde Siddha in zichzelf,--inderdaad nog al +bedenkelijk! De priester heeft natuurlijk door zijn handlanger +omtrent onze reis vernomen wat hij weten wilde om mij te +overbluffen, maar schijnt tevens tot eenig vermoeden omtrent +Gaurapada te zijn gekomen. Dat hij straks mij zocht uit te hooren, +is duidelijk genoeg. Maar wat kan hij met Gaurapada, of +Nandigoepta, hebben uit te staan? En mijn oom Salhana? Of die er +mee in betrokken zou zijn?... + +--We hebben toch hoop ik geen kwaad gedaan door met dien onbekende +te praten?--vroeg Vatsa ongerust, toen hij zijn jongen meester zoo +in gedachten zag. + +--Neen, neen!--antwoordde deze,--en zoo gij 't al gedaan mogt +hebben, gij deedt het onwillekeurig en hebt dus geen schuld. We +hadden ook voorzigtiger moeten zijn en u vooraf waarschuwen. Maar +let nu op een ding, Vatsa! spreek voortaan met niemand meer over +den kluizenaar, wie er ook komt om u naar hem te vragen! Hebt ge +mij begrepen? + +--Volkomen, Heer!--antwoordde de ander,--van nu af heb ik dien +kluizenaar nooit gezien, of, zoo ik hem soms eens zag, ik ben +volkomen vergeten hoe hij er uitziet.-- + +--Met dat al,--dacht Siddha,--zal nu toch Koelloeka, of, kan het, +Nandigoepta zelf dienen gewaarschuwd te worden. Ik wil er voor +zorgen zoodra ik een veilige gelegenheid vind; Salhana moge er nu +mee te maken hebben of niet! + + + +ZESDE HOOFDSTUK. + +Selim + +--Welaan, mijne heeren!--sprak de bevelhebber der Radjpoet's, die +op het plein in de vesting met eenige zijner officieren stond te +praten, terwijl de ruiters zich in gelid schaarden,--nu spoedig +opgezeten en dan naar het kamp, waar zooals gij weet de Keizer +heden wapenschouwing komt houden! + +Vlug werd er aan het bevel voldaan, en weldra, nadat men buiten de +vesting was gekomen, ging het in draf naar het kamp, dat op +eenigen afstand van de stad in eene uitgestrekte vlakte was +opgerigt. Een treffend schouwspel vertoonde zich aan Siddha's oog +toen hij aan 't hoofd zijner afdeeling met de overigen eene kleine +hoogte had bestegen en vandaar het veld in 't gezigt kreeg. Daar +ter regterzijde eene gansche stad als 't ware van tenten, langs +breede straten in de meest regelmatige orde nevens elkander +gerangschikt, en in wier midden zich, roodgekleurd en met vergulde +peervormige toppen, de Keizerlijke tent verhief, zoo men althans +dien naam mogt geven aan dergelijk, schoon uit hout en doek +zamengesteld, paleis. En aan de linkerzijde het uitgestrekte veld, +waarop zich in bonte mengeling de meest verscheiden troepenkorpsen +vertoonden, gepantserde en niet-gepantserde ruiters in bonte, +veelkleurige kleederdragt, sommigen met lansen, anderen met +geweren gewapend, artillerie en strijdolifanten, en een weinig +meer in de verte ook die vrolijker uitgemonsterde, op wier rug +gemakkelijke met kussens voorziene en van boven tegen de zon +bedekte zetels tot voertuig strekten voor aanzienlijke, meest +gesluierde vrouwen, die de wapenschouwing kwamen bijwonen. + +Eenigen tijd nadat ook de Radjpoet-ruiterij op de vlakte was +aangekomen rukten de verschillende troepen, voorafgegaan door hare +muziekkorpsen, op, om langs den Keizer en zijn staf te defileren, +die daar op een eenigszins meer verheven terrein hen afwachtte. +Naderbij gekomen behoefde Siddha wel niet lang in twijfel te +staan, wien hij onder die groep van schitterend uitgedoste +veldheeren, wier wapenen en paardentuigen glinsterden van goud en +edelgesteenten, nu als den Keizer zelven te beschouwen had. Wel +onmiskenbaar toch was door zijne gansche houding die forsche man, +die daar op zijn prachtig wit paard en den veldheerstaf in de +hand, een paar passen voor de overigen, en zijn baniervoerder en +parasoldrager achter zich, de voorbijtrekkende troepen in +oogenschouw nam. Maar tevens herkende hij ook terstond in den +magtigen gebieder denzelfden persoon met wien hij in de tuinen van +het paleis gesproken had, en omtrent wiens wezenlijken rang ook +toen reeds, gelijk nu wel bleek, een inderdaad volkomen waar +vermoeden bij hem gerezen was. + +Op zijne beurt nu met zijn ruiters den Keizer voorbijtrekkend, +boog hij, gelijk hij de anderen die hem voorgingen had zien doen, +zich voorover met omlaag gerigte lanspunt, en, tevens met een +steelschen blik naar Akbar opziend, meende hij op het anders +streng gelaat van dezen een ligten glimlach te bespeuren, die hem +dra tot de overtuiging bragt dat de Keizer zijne nog al +vrijmoedige woorden toch niet euvel scheen te hebben opgenomen. +Ook herinnerde hij zich met zekere gerustheid dat Akbar, eene +Vlugtige opwelling van toorn nu daargelaten, ook voortdurend open +en vriendelijk tot hem gesproken had. En eindelijk behoefde hij +thans zoo erg niet meer tegen een voorstelling aan den grooten +Keizer op te zien, die, naar Feizi hem had te kennen gegeven, +waarschijnlijk wel na de wapenschouwing in het legerkamp zou +kunnen plaats hebben. + +Die verzekering werd ook niet gelogenstraft toen er rust voor de +troepen was bevolen, en de officieren, die hierbij gemist konden +worden, zich naar de voor hen bestemde gedeelten van het kamp +hadden begeven. Daar toch zag Siddha al spoedig zich door Feizi +wenken en op 's Keizers raadsman toetredend, werd hij door dezen +naar de uitgebreide groep der van binnen niet minder weelderig dan +de vertrekken van het paleis zelf versierde middententen geleid. +Een oogenblik later bevonden zich beide in de hooge tegenwoordigheid +van den vorst. + +Niet weinig inmiddels verwonderde zich Feizi zelf toen hij Akbar +terstond een stap voorwaarts zag doen en hem tot Siddha, wiens +diepen groet hij met een genadige handbeweging beantwoordde, +zonder de officieele voorstelling af te wachten, hoorde zeggen: + +--Wel! ik zag u straks in dienst, en 't scheen mij dat er eenmaal +nog wel een geschikt officier uit u groeien kan. Zorg maar dat ge +mij niet in die goede verwachting bedriegt! + +--Ik kende,--vervolgde hij tot Feizi,--uw beschermeling al een +weinig; wij hebben elkander reeds voor eenige dagen ontmoet, +hoewel hij toen niet raadde wie ik was. + +--Had ik dat geweten, Sire!--sprak Siddha eerbiedig,--ik had +daarom met geen meer ontzag tot Uwe Majesteit op kunnen zien dan +ik toch reeds tot den mij onbekende deed. + +--Maar toch waarschijnlijk wat minder vrij gesproken hebben,-- +vulde Akbar een weinig spotachtig het hoffelijk, maar blijkbaar +ook ernstig bedoeld gezegde aan;--doch daarin stak op zich zelf +geen kwaad, en ik hoor ook liever wat de menschen van mij denken +dan te moeten raden naar 't geen zij over mij spreken achter mijn +rug. Maar daarom dan ook, en naar aanleiding tevens van ons vorig +gesprek, een bevel of liever, want wat ik verlang laat zich niet +afdwingen, een verzoek: schenk mij ook in vervolg van tijd +hetzelfde vertrouwen, dat gij, mij niet kennend, reeds in mij +gesteld hebt! Gij ziet wel, het heeft tot heden u niet bedrogen. +Wend u tot mij, niet tot anderen, als gij meent u over mij of de +mijnen te beklagen te hebben. Klagten aan te horen weiger ik +nooit; zijn ze ongegrond, dan tracht ik ze te wederleggen; zijn ze +billijk, ik zoek naar herstel der grieven. Openhartigheid en +gepaste vrijmoedigheid, mijn vriend Feizi kan het getuigen, wekken +nooit in ernst mijn toorn; wel daarentegen valschheid en +veinzerij. + +En na nog enkele vragen en gezegden omtrent Siddha's meer +bijzondere dienstbetrekking, wenkte de Keizer ten teeken dat het +gehoor was afgeloopen, en verwijderde zich Feizi met zijn jongeren +vriend, die natuurlijk niet weinig in de wolken was over zijn +tweede onderhoud met den vorst, en ook niet naliet zijn medgezel +het een en ander omtrent het eerste te verhalen. + +--Nu, gij zijt wezenlijk een gelukskind,--sprak Feizi,--dat treft +iedereen maar zoo niet, hoewel Akbar overigens niet moeijelijk is +te genaken en doorgaans allen gaarne te woord staat. Gij schijnt +inmiddels een gunstigen indruk op hem gemaakt te hebben, en dat +verheugt mij van harte. Doch zie ik daar Parviz niet aankomen? Och +jawel! Maar wat die hier komt uitvoeren? Wel, wel!--vervolgde hij, +zijn neef toesprekend,--mijnheer de toekomstige staatsraad hier +onder krijgslieden tusschen de tenten! + +--Even goed, dunkt mij,--antwoordde Parviz,--als mijn waarde oom, +de wijsgeer! Doch ik erken gaarne, dat ik voor 't overige evenmin +kans zie hem ooit te evenaren in zijn staatsmanswijsheid en +geleerdheid als in de wapenfeiten die hij bedreven heeft. + +--Nu, geen komplimentjes, neef!--hernam de ander lagchend,--dat +komt onder ons niet te pas. Maar weet gij wat ik eigenlijk denk? +Gij zijt hier zeker gekomen om daar ginds een kijkje te nemen van +de fraai aangekleede olifanten; de schoone dochter van Todar Mal +is stellig weer niet vreemd aan uw verschijning, al moogt gij haar +eigenlijk niet eens zien. + +--Oom! zeg ik op mijne beurt, geen verraden van mijn geheimen! +Hoewel ik--voegde Parviz rond en goedhartig er aan toe,--die +anders niet voor mijn vriend Siddha verborgen wil houden. Te +minder omdat ik mij verzekerd reken van zijne belangstelling, +wanneer hij van zijn kant aan zijne voorzeker niet minder +beminnelijke verloofde denkt. Maar,--zeide hij tevens, zich tot +Siddha wendend,--zoover als gij ben ik ongelukkig nog bij lange +niet. Of ik misschien al eenige gunst in de oogen der dochter zal +mogen vinden, van den vader durf ik mij gansch niet verzekerd +houden. + +--Dat zal mettertijd wel teregtkomen,--merkte Feizi goelijk op,-- +doch genoeg voor 't ogenblik van ons vertrouwelijk gesprek! +Ziehier anderen, voor wier ooren dat alles zeker niet bestemd kan +zijn. + +--Wie is dat?--vroeg Siddha, toen hij een groep ruiters zag +naderen in wier midden zich een jongmensch, welligt enkele jaren +ouder dan hij zelf, maar toch anders van ongeveer gelijken +leeftijd, vertoonde, en wiens uiterlijk voorkomen hem om meer dan +eene reden wel opmerkelijk scheen. Vooreerst om de wezenlijk +overdadige pracht zijner kleeding. Over het fijn goudlakensch +kleed droeg hij niet minder dan vier snoeren buitengewoon groote +paarlen; de tulband was met een hooge reigerveder en drie juweelen +van onschatbare waarde getooid; en om de armen droeg hij, tot aan +de ellebogen, reijen van banden alle met edelgesteenten bezet, +terwijl aan elken vinger een ring was gestoken. Om niet eens van +de diamanten en paarlen te spreken, die zijn wapenen en het tuig +van zijn paard versierden. Maar hoe zonderling bij al dat +geflonker het bleek en vermoeid gelaat afstak, waarvan de vaalheid +nog meer scheen uit te komen door de gitzwarte oogen en de scherp +afgeteekende knevels en wenkbrauwen. Oorspronkelijk waren die +trekken ongetwijfeld schoon en edel te noemen, maar zij waren +vervallen en verouderd voor den tijd en droegen de onmiskenbare +teekenen van menigen anders dan in wijsgeerige bespiegeling en +onthouding doorgebragten nacht. + +--Hoe! kent gij dien nog niet?--vroeg Feizi,--dat is Selim de zoon +van den Keizer en zijn aangewezen opvolger. + +Met een zwijgenden groet wilde de Kroonprins voorbij rijden, maar +hij bedacht zich en, zijn paard naar Feizi en Parviz wendend, +zeide hij: + +--Mijne heeren! 't is mij lief u juist hier te ontmoeten; ik wacht +dezen avond eenige vrienden in mijn paleis voor een klein feest; +wilt ge mij niet 't genoegen ook van uw bijzijn schenken? + +--De vraag--antwoordde Feizi,--ware mij in elke omstandigheid een +bevel, zoo ik niet heden juist door een hooger werd verhinderd er +aan te gehoorzamen, De Keizer heeft mij voor dezen avond +bescheiden. + +--O zoo!--hernam Selim met een half minachtenden glimlach, hoewel +overigens naar 't scheen juist niet rouwig om de weigering;--gij +moet mijn vader zeker weer les gaan geven in uw ongeloovige +wijsbegeerte, niet waar? + +--Wat ik persoonlijk doe,--was het antwoord,--blijft geheel ter +beoordeeling van Uwe Hoogheid; maar wat de Keizer goed mag vinden, +staat, dunkt mij, boven Haar oordeel en het mijne. Ook zou de +vraag nog mogen heeten wiens avond wel het nuttigst besteed zou +zijn. + +--Nu maak u maar niet boos, edele Feizi!--sprak de Prins +vergoelijkend,--ik meen het zoo kwaad niet. Doch moet ik u dan uwe +avonden laten, gun mij ook de mijnen! En gij Parviz!--ging hij, +tot dezen zich keerend, voort,--hebt gij ook soms zoo zwaarwigtige +bezigheden, die u van een onschuldig genoegen moeten terughouden? + +--Volstrekt niet,--antwoordde Parviz,--en al had ik die, ik zou +niets liever wenschen dan ze ter zijde te mogen stellen voor een +festijn in Selim's paleis. Maar veroorlooft mij, zoo de vraag niet +onbescheiden is, Uwe Hoogheid, een nieuwen vriend van mij voor te +stellen? + +En Siddha, die achteruit was getreden, wenkend om nader te komen, +meldde hij diens naam en rang. + +--O ja!--sprak Selim,--ik herinner mij zoo iets van zijne komst +hier vernomen te hebben. Wilt gij,--vroeg hij Siddha,--soms heden +avond uw vriend begeleiden, gij zult mij genoegen doen. + +--Ik stel de eer op hoogen prijs,--antwoordde Siddha met een +hoffelijke buiging. + +--De eer, nu ja!--zei Selim,--die geeft niet veel; ik heb niets te +beteekenen hier aan het hof; maar ik hoop dat onze bijeenkomst u +eenig genoegen mag verschaffen. Tot den avond alzoo! + +En zijn paard wendend vertrok de Prins met zijn gevolg. + +--Vergunt mij; geeerde vrienden!--zei hierop Siddha,--nu ook +mijn afscheid te nemen; 't wordt tijd mijn ruiters weer op te +zoeken. + +--Indien gij wilt,--sprak nog Parviz voor het scheiden,--kom dan +tegen den avond mij afhalen; mijn woning ligt in uw weg, en dan +gaan wij zamen. + +--Met genoegen!--antwoordde de ander en begaf zich terug naar zijn +post. + +Dat de pracht van Selim's paleis ook aan die zijner kleedij zou +beantwoorden, had Siddha natuurlijk wel vermoed; maar toch vond +hij zijne verwachting nog overtroffen door de ongehoorde weelde +toen hij, langs verscheidene voorvertrekken en tusschen reijen van +dienaren door, de zacht maar overvloedig verlichte en niet al te +groote hal was binnengetreden, waar de Kroonprins met zijn +vrienden zich bevond. De zalen van het Keizerlijk paleis hadden +met al haar uitgezochten rijkdom nog iets ernstigs en gestrengs; +maar hier ademde alles, tot zelfs de overigens steeds bevallige +Moorsche bouworde en het schitterend dekoratief, niet dan zucht +naar weelde en een jagen naar het meest onbeperkte zingenot. +Veelkleurige zijden en goudlakensche voorhangsels neergolvend van +de als fijne kanten uitgehouwen bogen, en halverwege het keurig +mozaiekwerk in de met verguldsel afgezette marmeren wanden +bedekkend; digte bloemengroepen, bedwelmende geuren verspreidend +alom; breede, de lichten weerkaatsende spiegels; mollige tapijten +van phantastische teekening; lage en tot weeke rust verlokkende +divans; als kleine heuvels opeengestapelde gouden en kristallen +drinkschalen, en marmeren en porphieren koelvaten van allerlei +vorm; en aan de breede zijde der zaal een soort van tooneel, +waarop zich straks de danseressen en speellieden zouden vertoonen; +alles door tal van in bontkleurige ballons gevatte lampen +verlicht;--ziedaar ongetwijfeld een aanblik, die ook een bezoeker +van Indische paleizen nog wel bij den eersten oogopslag kon +verbaasd doen staan. + +Al spoedig had Selim, rondziende langs den kring der gasten, die, +in groepen verdeeld, hier op de divans zich hadden nedergezet, +daar met elkaar stonden te praten, de nieuw aangekomenen ontdekt, +en kort daarna op hen toetredend, sprak hij: + +--Zijt welkom, mijne heeren! in mijne nederige woning! Ik wil +hopen, gelijk ik dezen morgen reeds zeide, dat de avond ons eenig +wederzijdsch genoegen mag schenken. Laat het u inmiddels gezegd +zijn, de etiquette behoort ditmaal niet tot de vermakelijkheden; +wij trachten, althans voor dit oogenblik, vrienden onder elkaar te +zijn. + +De Prins wendde zich tot anderen; en op eenmaal zag Siddha eene +hem welbekende, maar hier op dit oogenblik niet verwachte figuur +naderen,--die van Salhana, den Goeverneur van Allahabad. + +--Wel, neef!--sprak deze, hem de hand gevend,--dat doet mij +genoegen u hier te ontmoeten. Ik ben zoo straks aangekomen en vond +juist bij tijds in mijne woning eene uitnoodiging van den Prins, +die mij hier in Agra verwachtte. + +--En,--vroeg Siddha,--hoe is het ginds, en hoe gaat het.... + +--Iravati? vulde Salhana aan--heel best. Zij laat u groeten. Doch +zie eens, daar komt een man met wien gij kennis moet maken, ook al +is hij voor 't oogenblik niet bijzonder gezien ten hove. Hij heeft +met dat al niet weinig te beteekenen. Een nieuwe kennismaking was +evenwel overtollig; want de naderende bleek niemand anders dan +Abdal Kadir Badaoni, de Islamietische ijveraar, te zijn, dien +Siddha reeds in het Keizerlijk park met Akbar zelf had gezien. Tot +zijne verwondering begroette diezelfde man zijn oom, schoon toch +even goed een ongeloovige als hij, nog al tamelijk beleefd, +terwijl hem zelf nu ook iets ten deel viel wat als eene soort van +hoffelijke ontvangst kon worden aangemerkt. + +--Ik zag uw neef toevallig reeds vroeger,--sprak Abdal Kadir toen +Salhana hem wilde voorstellen,--en ik wil hopen,--vervolgde hij +tot Siddha,--dat gij mijne toen gesproken woorden in de beteekenis +zult willen opvatten die ik zelf er aan gaf; gij ziet nu wel dat +personen mij nog niet gehaat zijn al moet ik hen bestrijden om hun +dwalingen. + +--Ik eerbiedig uwe gevoelens, edele Heer!--antwoordde Siddha,--al +betreur ik ook dat gij 't niet eveneens de onzen kunt doen. +Misschien .... + +--Wat misschien?--begon Abdal Kadir opstuivend. + +--Neen, neen, mijn waarde heeren!--sprak nu Salhana, tot vrede +manend,--geen getwist nu, wat ik u bidden mag, over uwe +wederzijdsche gevoelens omtrent geloofskwestien! Bedenken wij +liever wat feitelijke gevaren ons allen, ons Indiers zoowel als +ulieden, trouwe zonen van den Profeet, bedreigen, indien de +plannen eens verwezenlijkt werden, die ginds door hooger gestelde +magten schijnen ontworpen te worden! + +Enkele andere personen, blijkbaar mede wel vertrouwde bekenden van +Salhana en den Mohammedaan, hadden zich inmiddels bij de +sprekenden aangesloten, terwijl Parviz zich met eenige jongeren +naar een ander gedeelte der zaal had begeven. Allen luisterden met +opmerkzaamheid, doch tevens een nauw gesloten kring vormend, waar +geen ander, ongenoode, zich had weten binnen te dringen. + +Bedenken wij--ging Salhana voort, op wel verstaanbaren maar toch +fluisterenden toon,--wat ons gebeuren moet, indien wij eens +gedwongen werden ons allen openlijk aan de zonderlinge, tegen ons +aller begrippen en zeden strijdende eeredienst te onderwerpen, die +de anders zoo hoog geeerbiedigde Keizer ons, hoe dan ook, schijnt +te willen opdringen. Hoe nu? Zoudt gijlieden Mohammedanen, de +tegenwoordige beheerschers van het land, uw Allah verloochenend, +dan in aanbidding voor zon en sterren willen nederknielen, en +misschien.... + +--Bij den baard van den Profeet!--begon Abdal Kadir, de hand aan +'t gevest van zijn sabel slaand,--we zouden.... + +--Bleef het daar nog maar bij,--hernam de ander,--doch er is nog +erger. Denkt maar eens aan de woorden: "Allahoe Akbar", die +tegenwoordig op munten en firmans gevonden worden! Die schijnen +ongetwijfeld heel onschuldig als men ze in den zin van "God is +groot" verstaat; maar zij kunnen immers ook nog iets anders +beteekenen, te weten: "Akbar is God." + +--Dat gaat zeker alles te buiten!--riep Abdal Kadir nu in volle +woede uit; maar Salhana kwam weer tusschen beiden. + +--Laat ons bedaard blijven!--zeide hij,--we hebben hier trouwens +nog maar te doen met onderstellingen, die mogelijk ook, zooals ik +zou hopen, ongegrond zullen blijken te zijn. Maar als het toch +eenmaal zoo eens was, dan vraag ik, zoudt gij u kunnen en mogen +onderwerpen, of ook wij, die tot heden de meest volkomen vrijheid +genoten om dat geloof te belijden, wat wij erfden van onze vaderen +en naar onze overtuiging het beste en redelijkste scheen? Beviel +de laatste vraag al iets minder aan Abdal Kadir dan de vroeger +gestelde, op Siddha maakte zij des te meer indruk. Dat Akbar aan +de stichting van een nieuwe godsdienst dacht, was hem wel reeds +eens ter ooren gekomen; maar of hij daarmede nu ook werkelijk +gewetensdwang beoogde. En als 't eens zoo zijn mogt?... + +--Daarom,--besloot Salhana,--geen onderlinge twist! Maar laat ons +gezamenlijk toezien, en, moet het, ons eendragtig door geoorloofde +middelen trachten te beveiligen tegen de gevaren, waarmee het, +vrees ik, maar al te zeer door dweepers en door intriganten gevoed +idealisme van een anders voortreffelijk vorst ons dreigen mogt! +Doch ik geloof, dat de Prins reeds het teeken heeft gegeven om ons +eigenlijk festijn te doen beginnen. Breken wij dus voor 't +oogenblik ons onderhoud af! Ik blijf mij inmiddels aanbevelen, +mijne heeren! voor uw nader gevoelen over 't gesprokene. Mogelijk +verkeer ik gansch in dwaling. Ik mogt het van harte wenschen! + +Terwijl de gasten bezig waren eene plaats op de verschillende +divans te zoeken, hoorde Siddha, een der groepen voorbijgaande, +een paar woorden die zijne opmerkzaamheid trokken. + +--En Kacmir?--vroeg een der sprekers,--zijn er berigten? + +--Heel goede!--antwoordde de toegesprokene;--de mijn kan haast +springen. + +--En de brief? + +--In de beste handen! + +Andere gasten scheidden Siddha van de twee wier gesprek hij daar +toevallig aanhoorde, en weldra zag hij niet ver van Selim zich +tusschen eenige hem nog onbekende jongelieden geplaatst, doch met +wie hij spoedig in gesprek was, terwijl de talrijke dienaren +verschillende ververschingen aanbragten en de wijn rijkelijk in de +gouden drinkschalen begon te vloeijen. Nu en dan kwamen hem nog +wel de straks vernomen woorden voor den geest, maar de beteekenis +bleef hem duister. Konden zij op die heimelijke twisten in zijn +vaderland slaan, die naar Salhana's zeggen, door Akbar werden +aangestookt? En die brief? Onwillekeurig maar ook slechts vlugtig +dacht hij aan den brief van Rezia, dien Koelloeka had meegenomen, +Maar wat kon die met staatkunde te maken hebben? + +Weldra ook werd zijns opmerkzaamheid geheel door de danseressen +ingenomen, die, begeleid door muziekanten, van achter een der +voorhangen op het tooneel in het breede der hal waren verschenen +en aldra, den bruingetinten boezem nagenoeg gansch ontbloot, maar +daarentegen met lang, tot de voeten reikend gewaad, op de maat der +snaren-instrumenten en cymbels eenige van die dansen begonnen uit +te voeren, die ten allen tijde zoozeer in den smaak vielen beide +van Indier en van Musulman, en vaak uren achtereen hen weten bezig +te houden. Tot afwisseling evenwel traden ook nu en dan zangers en +zangeressen op, en vergastten de toehoorders met de voordragt van +Perzische liederen, die bijzonder aan Selim en zijne vrienden +schenen te behagen, maar Siddha een weinig eentoonig en ledig van +inhoud voorkwamen. + +--Waar blijft nu Rembha?--vroeg eindelijk de Prins,--ze zou ons +iets nieuws komen voorzingen, een paar vertaalde stukken uit een +oud Indisch gedicht, dat u, Siddha! zeker wel bekend zal zijn, het +Gitagovinda, meen ik. + +--O ja!--antwoordde Siddha,--de pastorale van Djayadeva, waarin de +avonturen van den God Krishna met de herderinnen en zijn +hereeniging met de schoone Radha beschreven worden. Ik heb er zelf +ook wel eens een vertaling van beproefd. + +--Nu,--hernam Selim,--laat ons dan eens luisteren! Daar komt +Rembha al. + +En op de estrade vertoonde zich een donker gekleurde schoone jonge +vrouw, in rijk doch misschien wel wat heel weelderig kostuum, en +ving half zingend, half reciterend, onder begeleiding eener zachte +muziek aldus aan: + +Nu de lieftallige atimoekta den mango doet siddren in minlijke +boeijen, Nu ook Vrindavana's woud weer der Djamoena heldere golven +besproeijen, Nu zich de lente aan de jeugd en de schoonheid, met +haar tot verleiding geboren, Paart om den kluizenaar zelf in de +rust zijner vrome overpeinzing te storen, Nu komt zich Krishna in +'t voorjaar vermeijen, Droef voor verlaatnen alleen, en speelt +kozend en danst met de dartlende reijen. + +"Donker in 't gele gewaad, ligt met sandel bestrooid en met + kransen omhangen, + De oorringen schittrend in 't licht als de dans ze beweegt om de + lagchende wangen, + Schertsend en kozend met dartel gebaar + Leidt Krishna ten reidans de luchtige schaar. + + + Deze, met zwellenden boezem, die digt zich daar zoekt aan zijn + zijde te dringen, + Neuriet een liefelijk lied, dat ze straks hem bij 't tokklen der + luit hoorde zingen. + De andre, wier rusteloos oog toont wat liefde en wat lust ze uit + zijn blik heeft gedronken, + Staat als verblind door den glans van zijn lotusgelaat in + gedachten verzonken. + + + Gene, die slanke, die haastig hem nadert, als had ze iets in 't + oor hem te fluistren, + Drukt snel een vlugtigen kus op zijn wang, als hij lagchend zich + buigt om te luistren. + + + Deze, door inniger hartstogt tot hem, den bekoorlijken herder + getrokken, + Wil hem, de hand aan zijn kleed, naar 't bosschaadje aan den + oever der Djamoena lokken. + + + Zij, die daar danst bij den klank van de fluit naar de maat der + zacht rinklende ringen, + Weet hem door 't blijk van haar kunst tot een uitroep van blijde + bewondring te dwingen. + + + Deze en die kussend ter vlugt, maar te vaster die innige aan 't + harte soms prangend, + Gene schalksch aanziend en deze, die tracht hem te ontsnappen, + met de armen omvangend, + Schertsend en kozend met dartel gebaar, + Leidt Krishna ten reidans de luchtige schaar." + + +--De voordragt,--sprak Selim met reden, toen de zangeres een +oogenblik ophield,--laat niets te wenschen over; maar wat dunkt u, +edele Siddha! van de vertaling? + +--Niet kwaad!--antwoordde de ander;--de denkbeelden zijn vrij wel +teruggegeven, al zijn de woorden ook niet overal volkomen gevolgd. +Dat is trouwens, ik erken het, ook heel moeijelijk met deze ietwat +gemaakte en gezochte poezie van den lateren tijd. Maar is de +vertaler zelf niet bekend? + +--Het is Feizi, met wien ik u dezen morgen zag spreken,--zei de Prins, +even glimlagchend om de verlegenheid, die zich op Siddha's gelaat bij +deze verklaring, in verband met zijn nog al meesterachtig oordeel, +vertoonde.--Maar wees gerust,--vervolgde hij,--Feizi zal 't u stellig +niet kwalijk nemen als gij zijn werk niet onvoorwaardelijk goedkeurt, +maar u zeker voor elke teregtwijzing dankbaar zijn. Doch laat ons, +Rembha! nog een enkel stuk hooren, en dan willen wij voor heden avond +niet meer van u vergen. + +--De klagt dan--sprak de zangeres,--van de verlatene Radha tot +hare vriendin: + +"Hem, die naar kussen begeerig, ginds 't landlijk vermaak zoekt + met speelsche vriendinnen, + Die ook zich harten zoo ligt door den lach der koraalroode lippen + kan winnen, + Hem, die ginds dartelt, hem blijf ik gedenken, + Moge ook hij spot slechts voor liefde mij schenken! + + + Hem, die met rankgelijke armen heel 't vrouwendom, kon het, zou + wenschen te omvangen, + Handen en voeten en borst met juweelen die 't duister verlichten + omhangen; + + + Hem, wiens met sandel omwolkt en hel stralende voorhoofd de maan + doet verbleeken, + Hem, wiens onstuimige hart te vergeefs de verloorne om genade + doet smeeken, Hem, die ginds dartelt, hem blijf ik gedenken, + Moge ook hij spot slechts voor liefde mij schenken!" + + +Een kort oogenblik zweeg Rembha, en ging toen, in eenigzins +veranderde maat, en met steeds zoetvloeijender klank harer ronde +welluidende stem en als 't ware klimmende hartstogtelijkheid in de +rol der minnende Radha voort: + +"Mij, hier verscholen in 't loof, hem, die daar sluimert in 't + nachtelijk duister, + Mij, die klagend hem zoekt, hem, die ginds praalt in zijn + lagchende luister, + Ons, ach! breng spoedig weer zamen, vriendinne! + Mij, dat ik ruste aan zijn hart, hem, dat hij trouw me als + voorheen weer beminne! + + + Mij, bij zijn naadring beschaamd, hem, die door vleitaal mijn + zinnen verrukte, + Mij, door zijn glimlach bekoord, hem, die mij strafloos den + sluijer ontrukte, + + + Mij, op het bed hier van mos, hem, die zich vleije als weleer aan + mijn zijde, + Mij, weer tot kozen bereid, hem, die den dronk zijner lippen mij + wijde, + + + Mij dan met schemerend oog, hem met van vreugde straks tintlende + wangen, + Mij met de leden zoo mat, hem, door den roes der verrukking + hevangen, + Ons, ach! breng spoedig weer zamen, vriendinne! + Mij, dat ik ruste aan zijn hart, hem, dat hij trouw me als + voorheen weer beminne!" + + +Eene uitbundige toejuiching viel der schoone zangeres ten deel, +zij het dan om den inhoud der woorden, door geen gehoor alligt +beter begrepen dan door het hare, of wel om de uitdrukking, welke +zij door stem en gebaren er aan te geven wist. + +--Dat belooft iets, niet waar?--sprak Selim,--als we nu eens aan +de werkelijke hereeniging van Krishna en Radha komen! Maar dat een +andermaal!--Doch zeg ons geachte Abdal Kadir!--vroeg hij, +misschien niet geheel zonder bijoogmerk, aan dezen, die schuins +tegenover Siddha had plaats genomen,--bevalt u die Indische +dichtkunst toch niet wel zoo goed als de onze, ook al hebt gij, +als elk ander goed geloovige, een afschuw van de wanbegrippen door +het boos geslacht dezer Hindoe's verkondigd? + +--Met dichters,--antwoordde Abdal Kadir, ter nauwernood zijn +inwendigen wrevel bedwingend,--heb ik over 't geheel niet veel op; +en ook onze heilige Profeet, gezegend zijn naam! vloekte met reden +den goddeloozen Amroel Kais, zoo hoog ook door anderen diens +Moallakah mogt zijn geroemd. Maar dat nu die Hindoe's niet alleen +zulke wulpsche verzen maken, als wij er hier vernamen, maar +bovendien zulke wellustige wezens als die Krishna en die Radha tot +voorwerpen van goddelijke vereering durven verheffen, dat dunkt +mij toch wat al te grof. + +Juist dacht Siddha het woord te nemen om den ijveraar, zoo +mogelijk, eens aan 't verstand te brengen, dat er nog een +onderscheid is tusschen mythologie en godsdienst, tusschen poezie +en geloof, toen Selim te regter tijd verdere woordenwisseling +verhinderde door uit te roepen: + +--Geen theologie, mijne heeren! wat ik u verzoeken mag! Laten wij +dat over aan mijn hooggeachten vader, die, naar ik vernam, op dit +oogenblik met den geleerden Feizi, en mogelijk nog anderen, aan 't +philosopheren moet zijn. Wij voor ons, meerendeels jongeren van +jaren, kwamen hier bijeen om vrolijk den avond met elkaar door te +brengen. Welaan dan, gij zangers en speellieden ginds! Een +drinklied nu, en een levendig ook, om ons weer in den goeden toon +te brengen! En laat stroomen den wijn, die ons 't hart verheugt; +en zoo gij, edele Abdal Kadir! het wraken mogt, bedenk dan tevens +dat een dichter, dien onze groote Profeet toch niet vloekte en die +geeerd bleef onder de onzen, dat Tharafa reeds zong: + +"En komt ge tot het drinkgelag, + Ik doe u gaarn den ganschen dag + Een trouw en kloek bescheid. + + + Den beker vindt des morgens gij + Ten boord gevuld reeds staan; + Is 't u genoeg, straks vangen wij* Met frisschen moed weer aan!" + + +En waarom zouden we dat goede voorbeeld dan niet volgen? + +De knorrige Mohammedaan bromde nog wel iets achter zijn baard, +maar hij begreep dat tegenspraak hier onvoorzigtig zijn zou, daar +hij Selim,--en deze wist dat ook wel,--als bondgenoot tegen +Akbar's geloofsverzaking van noode had. Hij zweeg dus, en +eindigde, om zijn leed te verzetten, met zelf dapper mee te +drinken, wat de Profeet er dan ook van gezegd mogt hebben. + +De overige genooden lieten zich trouwens ook niet onbetuigd en +menigmaal werden de drinkschalen even snel geledigd als gevuld, +terwijl ook de zangeressen en bayaderes op een wenk van Selim zich +onder de gasten mengden en hier en daar op de divans nevens hen +plaats namen. + +Met de schoone Rembha, die ergens in zijn nabijheid teregt kwam +had Siddha al spoedig een gesprek aangeknoopt; en weldra bleek hem +dat zij niet alleen een vrij beschaafde en ontwikkelde vrouw, maar +ook een zeer goedhartig wezen was, toen zij met medelijden van de +ongelukkige danseressen sprak, die, al waren ze geen eigenlijke +slavinnen, toch meerendeels door hare ouders op zeer vroegen +leeftijd reeds aan den meestbiedende waren verkocht en nu, door +den een aan den ander als een soort van koopwaar overgedaan, een +leven leidden, niet voel beter dan dat der wezenlijke slaverij. + +--'t Is mij,--zeide zij openhartig genoeg,--in den beginne ook zoo +gegaan; maar gelukkig had ik wat aanleg tot den zang, en een +mijner begunstigers liet mij daarom een redehijke opvoeding geven, +zoodat ik nu voor mijzelve kan zorgen, en des noods van mijne +kunst alleen kan bestaan. En als ik,--voegde zij lagchend er bij, +--als ik oud en leelijk ben geworden, dan.... + +--Ja dan!--kon Siddha niet nalaten met een gevoel van medelijden +uit te roepen. + +--Och neen!--hernam Rembha,--ik begrijp wel wat gij bedoelt; maar +gij vergist u. Als ik dan oud en leelijk word, dan behoef ik mij +nog in 't geheel niet te verlagen als zoovele om anderen aan +avonturen te helpen, maar dan vind ik ligt genoeg, daar ik eene +Indische van goede kaste ben, eene gelegenheid om hier of daar in +een tempel het toezigt te krijgen over de zangeressen en +dansmeisjes, die de priesters voor hun ceremonien er op na houden. + +Een wat meer luidruchtige muziek dan tot heden brak het gesprek +voor 't oogenblik af, en toen het weer stil werd, mengden andere +gasten en andere vrouwen zich in het onderhoud. Ook werden nu de +gesprekken al meer en meer los van aard, en menige uitdrukking +trof Siddha's oor, die hem tot heden onbekend was, maar waarvan +hij de juist niet bijzonder kiesche beteekenis al spoedig genoeg +begreep. Langzamerhand begon er ook vrij wat van het dekorum +verloren te gaan, dat tot nog toe was in acht genomen. Hier en +daar lag reeds een feestvierende achterover met de ledige schaal +in de hand en volslagen onbewust van 't geen er om hem heen +gebeurde; en op de divans zag men menige groep, wier houding alles +behalve van eerbied getuigde voor de hooge tegenwoordigheid in +welke men zich bevond. Maar al lang zag de Prins zelf niet meer +naar de anderen om. In achtelooze houding lag hij tusschen twee +nevens hem gezeten danseressen, waarvan de eene met de greep van +zijn dolk speelde, terwijl de andere aan zijn juweelen armbanden +trok. Een daarvan, dien hij loshaakte, wierp hij deze in den +schoot en gene wierp hij een paar kostbare paarlen toe, die hij +van zijn kleed rukte; daarna hief hij de drinkschaal weer op om ze +te laten vullen, en die geledigd hebbend, zonk hij met beneveld +oog in zijne kussens terug. En de gesprekken, zoo de verwarde, +elkaar kruisende uitroepingen dien naam nog verdienden, werden al +luider en luider, en de muziek bleef spelen, en de wijn bleef +stroomen, tot eindelijk ook onze Siddha, door het rumoer en de +bloemengeuren en zeer zeker niet het minst door den wijn zelf +bedwelmd, al minder en minder van 't geen hem omringde begon op te +merken. + +Een krachtige hand, die eensklaps op zijn schouder werd gelegd, +schudde hem voor 't oogenblik wakker uit zijne verdooving. Het was +die van Salhana, die hem ongemerkt genaderd was. + +--Komaan!--sprak deze,--'t wordt tijd voor ons om te vertrekken. +Er gebeuren bij gelegenheden als deze wel eens gevaarlijke dingen +als er soms de eene of andere twist ontstaat, en men weet dan +nooit waar men in gemengd kan worden. + +--Ja, maar--vroeg Siddha met een weifelende uitspraak,--kunnen +wij zoo maar heengaan, eer de Prins het teeken van scheiden geeft? + +--De Prins!--zei Salhana nog al verachtelijk,--zie maar eens of +hij er naar vragen zal of wij heengaan of niet!--En daarbij wees +hij naar Selim, die daar achterover lag op den divan met de oogen +gesloten en den arm afhangend over het kussen; terwijl de pas weer +gevulde schaal, aan zijne hand ontvallend, over het kostbaar +tapijt op den grond was gerold. Maar hoe ook Siddha zijn best +deed, hij ontwaarde geen Selim meer, of zoo hij nog iets zag dan +waren 't er twee; en gewillig liet hij zich nu buiten de zaal +leiden door zijn oom, die hem stevig onder den arm greep, op het +voorplein in een anders voor hemzelven bestemden palankijn deed +plaats nemen, en toen, na een woord aan de dragers, schoon hij +stellig niet minder gedronken had dan zijn neef, met vasten stap +zich huiswaarts begaf. + +Op zijn weg door een der nauwere straten ontwaarde hij onder de +luifel van een huis eene lange magere gedaante, die, voorzigtig +rondziende, hare schuilplaats verliet, en in welke hij spoedig +Gorakh, den Yogi, herkende. + +--Alles wel?--vroeg deze. + +--Heel best!--was het antwoord,--onze zaken vorderen. Iets +bepaalds kan ik u echter nog niet meedeelen, maar zoodra ik wat +anders weet, en in elk geval, zoodra wij uwe hulp of die uwer +getrouwen van noode hebben, zal ik u doen waarschuwen. + +--En onze jonge gek? Houd hem in 't oog! Ik geloof dat hij iets +van onze verstandhouding vermoedt. Dat maakt echter niets uit, als +hij maar eerst binnen is. Maar daarom, zeg mij, is de vogel al in +de knip? + +--Nog niet,--antwoordde Salhana,--maar heel lang zal dat wel niet +duren. + +Gorakh lagchte, en de beide mannen gingen langs tegenovergestelde +kanten ieder huns weegs. + + + +ZEVENDE HOOFDSTUK. + +Stille zamenkomsten + +Feizi had zich niet van een voorwendsel bediend, toen hij de +uitnoodiging van den Kroonprins afsloeg. Omstreeks denzelfden +tijd, waarop Selim zijne gasten zag vergaderen, wachtte hij met +den Keizer in diens binnenvertrekken een genoode van gansch +anderen aard. + +Voorafgegaan door een dienaar, die na de aanmelding terstond weer +verdween, trad daar weldra een man binnen, aan wiens gewaad ieder +Westerling terstond den Roomsch-Katholieken geestelijke herkend +zou hebben. Het was dan ook de Padre Rodolpho Aquaviva, hoofd van +de toenmalige Jezuieten-missie, uit Goa door den Vader Provinciaal +naar het hof van Agra afgevaardigd. + +--Ik heet u welkom, Eerwaarde Vader!--sprak Akbar, zijn groet +beantwoordend,--welkom in den naam van dat Hoogste Wezen, dat wij +beiden gelijkelijk, schoon op verschillende wijzen vereeren!--Ik +wil hopen,--voegde hij vragend er bij,--dat de reis u niet al te +zeer zal hebben vermoeid? + +--Ik ben Uwe Majesteit dankbaar voor die belangstelling,-- +antwoordde Aquaviva;--gelukkig hebben wij den togt zonder +ongevallen kunnen volbrengen, hoewel mijne gezondheid anders veel +te wenschen overlaat. Maar de nietige mensch behoort te dragen wat +de Heer over hem beschikt. + +--Dat zeg ik met u!--hernam Akbar;--maar ik heb u ook nog te +bedanken voor de boekwerken, die gij sinds uwe afwezigheid de +goedheid gehad hebt mij te doen toekomen, uwe Evangeli*n en +andere schriften. Mijn vriend Feizi hier, dien gij van vroeger u +nog wel zult herinneren, heeft ze grootendeels voor mij vertaald; +en ik verzeker u, dat wij te zamen en met Aboel Fazl er trouw in +gelezen hebben. + +--En,--vroeg de Padre, nauwlettend het gelaat van den Keizer +bespiedend,--mogen wij ook hopen dat het gestrooide zaad in goede +aarde is gevallen? + +--Ik geloof ja!--antwoordde Akbar;--ik stel verscheidene van uw heilige +boeken bijzonder hoog, nu ik daarmede eens nader heb kennis gemaakt. +Wat schoone en verhevene waarheden zijn er niet in vervat! En dan, nevens +die hoogere, meer het onzienlijke betreffende begrippen, die ook in de +leer van den Islam niet gansch ontbreken, welk eene edele en reine +opvatting van zelfverloochening en zelfopoffering, en bovenal welk een +zuiver, aan den Koran doorgaans geheel vreemd begrip van menschenliefde +en humaniteit! Dat ik uw Christendom alzoo ver boven het Mohammedanisme +stel, behoef ik u wel niet nader te verzekeren. + +--De Heere zij geloofd!--sprak de Jezuiet met ten hemel geslagen +geslagen oog en de handen zamenvouwend;--ziedaar de regte weg! +Eerst de dwaling wel begrepen door vergelijking met de waarheid; +dan is het gemoed ook ontvankelijk voor deze. En hoe zou het +trouwens ook mogelijk zijn dat een man als Akbar, niet enkel een +grootmagtig Vorst, maar, wat meer nog zegt, een zoo wijs en +geleerd man bovendien, de waarheid niet van den logen zou weten te +onderscheiden? + +--Ik ben u verpligt voor die welwillende beoordeeling,--zei +Akbar,--maar ik vrees, dat ik alligt weer in uwe achting zal +dalen, indien ik aan mijne woorden van zooeven nog iets toevoeg. +En dat moet ik toch, wil ik opregt jegens u handelen. Ik gaf u +mijne warme bewondering te kennen voor veel wat er in uwe heilige +schriften wordt aangetroffen; maar dat belet niet dat ik nog een +open oog wensch te houden voor 't geen er goeds en schoons ook in +andere godsdiensten te vinden is. Daar hebt gij bijvoorbeeld +enkele der hier nog bestaande, de oorspronkelijk Indische. + +--Hoe, wat?--kon Aquaviva zich niet weerhouden in de grootste +ontsteltenis uit te roepen,--die gruwelijke afgoderijen! + +--Ik erken,--hernam Akbar bedaard,--dat er bij zijn, waarop die +benaming wel toepasselijk is. Maar dat is toch lang niet met alle +het geval. Niet waar, Feizi? + +--Zeer zeker niet!--antwoordde deze,--en niemand weet dat beter +dan mijn Keizer zelf; en hij zal u, Eerwaarde Vader! even als ik +kunnen betuigen, dat er onder die godsdiensten zelfs meer dan een +wordt gevonden, die, wat de evengenoemde punten betreft niet voor +de uwe, voor het Christendom behoeft onder te doen. + +--Onmogelijk!--zei Aquaviva met vaste stem. + +--En waarom onmogelijk?--vroeg Feizi glimlagchend,--kent gij dan +wezenlijk al die stelsels zoo nauwkeurig? + +--Ik ken ze niet anders,--hernam de Padre,--dan uit hetgeen ik +hier er nu en dan van zie. Maar ik begeer en ik behoef ze ook niet +nader te kennen. Waartoe zou het dienen? Er kan toch maar eene +waarheid zijn. + +--Dat spreekt wel van zelf,--viel hier Akbar in,--maar de vraag is +juist, wat waarheid is, en bij wie ze gevonden wordt; of ze enkel +gevonden wordt in een leerstelsel, dan wel in meer dan een +verspreid. Nu zult ge mij natuurlijk antwoorden, dat niemand +anders in het bezit der waarheid is dan gijlieden; maar dan vraag +ik wederom: waaruit blijkt dat? + +--Wel,--hernam Aquaviva,--de waarheid is ons immers geopenbaard +door Jezus Christus, den Zoon van God. + +--Zoo zegt gij!--was het antwoord; maar nu zegt mijn vriend Abdal +Kadir, de Islamiet, dat ze hem is geopenbaard door Mohammed, den +grooten Profeet. En dat uw Christus werkelijk Gods Zoon was, zoudt +gij toch eerst dienen te bewijzen, eer ge op hemzelf als zoodanig +u beroepen kunt. + +--Zoo zeggen ook,--voegde Feizi er nog bij,--onze Vishnoeieten +hier, dat de waarheid hun niet alleen door wijze en heilige mannen +is bekend geworden, maar ook geopenbaard in verschillende +incarnatien der Godheid. + +--Maar het gezag der Alleenzaligmakende kerk dan, en dat van den +Bijbel, Gods woord!--hernam de Jezuiet. + +--Dat staat weer gelijk,--antwoordde Akbar,--met het gezag van den +Koran, de khaliefen en de oelema's. En met de autoriteit van de +kanonieke boeken en de leeraren der Vishnoeieten bijvoorbeeld, +waarvan Feizi zooeven sprak. + +--Maar dan toch het vast geloof! Zegt dat niets? + +--Ook al weer bij allen van gelijke kracht. + +--Het Christendom is in elk geval veel ouder dan de Islam. + +--Ja, maar lang zoo oud niet als de Veda, op welks gezag de +zooeven genoemde godsdienstleer meerendeels steunt. En ook het +Boeddhisme is ouder dan het Christendom. En, terwijl het daarmede, +als trouwens ook andere Indische leeringen, overeenstemt wat echt +humanitaire begrippen aangaat, en op merkwaardige wijze ook vele +kerkelijke gebruiken met u gemeen heeft, het wint het, dunkt mij, +van uwe leer in geest van verdraagzaamheid. + +--Wij komen op die wijze niet veel verder,--merkte de Padre, +ondanks al zijn ontzag voor den Keizer als zoodanig, een weinig +gemelijk aan. + +--Neen, dat geloof ik ook niet, waarde Heer!--zei Akbar met een +ligten glimlach;--doch beter zou het misschien gaan, zooal niet +volkomen in overeenstemming met uw bijzonder doel, indien gij van +de hier nog heerschende rigtingen eens wat nader kennis wildet +nemen, en u daaromtrent dezelfde moeite getroosten, welke wij ons +niet ontzagen wat de godsdienst uwer landstreken betreft. Wij +konden dan ten minste die verschillende leeringen eens zamen +vergelijken, om dan ten slotte wel tot eene overtuiging omtrent +hare wederzijdsche inwendige waarde te geraken. + +--Maar daarvoor ben ik hier niet gekomen,--hervatte de +Heidenapostel,--ik ben gezonden om het Evangelie te prediken en +zielen te redden van het verderf! + +--Welnu!--sprak Akbar op zijn gewonen kalmen toon,--ik wensch u +een goeden uitslag. Maar ik twijfel of gij veel zult vorderen, +indien gij anderen eenvoudig zoekt op te dringen wat gijzelf voor +waar houdt, zonder te doorgronden of zelfs na te vragen wat zij +van hun kant gewoon zijn als waarheid te erkennen. + +--Toch vertrouw ik,--sprak Aquaviva weder, door al die formele +bezwaren nog niet afgeschrikt,--op de onweerstaanbare overtuigingskracht, +welke alleen ons geloof bezit en waarvoor in 't eind ook het meest +verstokte hart moet zwichten, zij het dan van afgodendienaar of van +ongodist. + +--Gij bedoelt den inhoud van uw geloof, niet waar? + +--Ongetwijfeld! + +--Nu, voor zoover die inhoud zich inderdaad van de leeringen der +overige belijdenissen, die we zooeven noemden, onderscheidt, zou +ik al zeer weinig geneigd zijn, uw onbepaald vertrouwen, zoozeer +ik 't anders ook eerbiedig, te deelen. En in zoover diezelfde +inhoud met dien van anderen overeenstemt, is er geen strijd en +komt uw bekeeringswerk dus ook niet te pas. Wat dunkt u, vriend +Feizi! is het niet zoo? Gij zijt een man van bedaard verstand, en +niet zulk een idealist, zoo als ik, even als onze eerwaarde +Aquaviva, mij wel eens betoon. Wij hebben dus prijs te stellen op +uw oordeel. + +Of de eerwaarde Aquaviva het hiermede geheel eens was, mogt +onzeker heeten; maar in elk geval diende hij Feizi wel aan het +woord te laten, toen deze begon: + +--Ik geloof niet, Sire! dat Uwe Majesteit eene bevestiging Harer +woorden mijnerzijds behoeft. Maar den Padre moet ik eveneens de +verzekering geven, al beneemt ze hem een zijner meest dierbare +illusien, dat die bijzondere leerbegrippen, die uitsluitend aan +zijne geloofsbelijdenis eigen zijn, ook al maakt hij enkele +bekeerlingen, toch nooit wortel zullen schieten in dit land, noch +onder Mohammedanen, noch onder hen, die hij gewoon is met den naam +van Heidenen te bestempelen. Genen, boven alles aan hun dogma van +God's onverbreekbare en ononderscheiden eenheid gehecht, kunnen +nooit vrede hebben met zijn leerstelling omtrent de Drieeenheid, +of de drie personen in de Godheid; dezen, voor wie die leer +misschien minder onaanneemlijk mogt schijnen, in zoover ze toch +reeds gewoon zijn het eene Wezen onder meer dan een vorm te +vereeren, zullen daarentegen onvermijdelijk op bezwaren stuiten +van nog gansch anderen aard. Zij zullen bijvoorbeeld, om er nu +slechts een te noemen, u, Eerwaarde Vader! nooit toegeven, dat God +den mensch geschapen heeft juist om hem te doen vallen en daarna, +ten einde hem weer te redden, zichzelf in zijn eigen zoon ten +offer heeft gebragt; of, van den anderen kant, hem scheppend zoo +als hij hem schiep, niet zou geweten hebben dat hij vallen moest +en er alzoo tot dat zonderlinge evengenoemd redmiddel moest worden +overgegaan om de goddelijke regtvaardigheid weer met de goddelijke +liefde in overeenstemming te brengen. Zij zullen, houd het mij ten +goede, zoodanige voorstelling eenvoudig onzinnig achten, en dus +ook niet geneigd zijn, hunne voorvaderlijke, veel eenvoudiger en +redelijker begrippen voor zoo iets vaarwel te zeggen. Laat gij +daarentegen uw strengere leer omtrent zondeval en verzoening +nevens vele dergelijke, maar waarvan ik nu niet wil spreken, +wederom los, en verkondigt gij anders niet dan uw Christelijke +moraal en uwe begrippen van algemeen-menschelijkheid en +verloochening der zelfzucht en opofferende menschenliefde, dan +leert gij niets nieuws en uwe prediking wordt, voor 't minst +genomen, vrij overtollig. + +--Maar wij laten niets los!--viel Aquaviva uit;--wat wij +verkondigen, zullen wij volhouden, omdat het de waarheid is, en de +eenige waarheid die de verdorven menschheid kan redden en +verdoolde zielen behoeden voor de eeuwige straffen der hel; en +daarom staan wij dan ook bereid, hier als elders, ons kruis op ons +te nemen en smaadheid te lijden om Jesu Christi wille, en, moet +het zijn, ook den marteldood, als Hijzelf en zoovelen Zijner +Heiligen na Hem, te ondergaan! + +--Maar daarvan, mijn waarde Heer!--sprak nu Akbar, terwijl hij +zijn hand op den arm van den verbolgen en in geestdrift ontstoken +ijveraar legde,--daarvan kan hier immers, zoolang ik Hindostan +beheersch, in 't allerminst geen sprake zijn. Smaad ook hebt gij, +voor zoover ik weet, nooit onder mijne regering ondervonden; wel, +zoo ik meen, hooge eer, een eer zelfs u door zeer velen benijd; en +daarbij geniet gij de meest mogelijke vrijheid om uwe gevoelens te +verkondigen waar en aan wie ge maar wilt. Doch wij spraken, +bedrieg ik mij niet, over uw kansen om anderen in dit land tot de +belijdenis uwer bijzondere godsdienstige begrippen over te halen. +En deze, ik moet het wel met Feizi erkennen, deze schijnen mij +vooralsnog uiterst gering. + +--Doch,--waagde Aquaviva op te merken,--als Uwe Majesteit nu eens +het voorbeeld gaf? + +--Dan zou ik toch zelf wel eerst overtuigd moeten zijn!-- +antwoordde Akbar;--of zoudt gij willen, dat ik iets met den mond +ging belijden wat mijn hart bleef verloochenen? + +--Zeer zeker,--hernam de ander,--ware zoo iets een ongerijmde +eisch. En ik mag er dan vooreerst ook niet meer op aandringen. +Maar ik had zoo gehoopt, zoo vertrouwd, dat de lezing der Schrift +reeds het edel gemoed van Hindostan's wijzen beheerscher +ontvankelijk zou hebben gemaakt voor dat eenig geloof, dat alleen +in staat is zijne ziel, als de onze, te behouden voor het eeuwig +en anders onvermijdelijk verderf! En nu zie ik mij niettemin in +die zoo dierbare verwachting weer teleurgesteld. Is het dan niet +te vergeven als ik mij zoo aanstonds in wat sterke bewoordingen +uitdrukte? + +--Gij hebt geen vergiffenis van noode, mijn waardige vriend!-- +antwoordde Akbar;--ik kan mij uw ijver volkomen voorstellen. Maar +ik heb immers ook niet gezegd, dat ik volstrekt niet naar u +luisteren wil. Integendeel! ik schenk u steeds gaarne de +gelegenheid om, kunt ge, mij te overreden. Doch laat ons voor 't +oogenblik afbreken, en ons onderhoud van heden avond enkel als een +voorloopig beschouwen! We spraken ditmaal ook over wat veel +onderwerpen te gelijk, een andermaal willen we wat beter bij een +bepaald punt blijven staan, en wie weet, hoever uw geleerdheid en +welsprekendheid het dan nog met mij brengt! + +Of de Keizer bepaald ernstig sprak, dan of zekere ironie zich +mengde onder zijne woorden, schoon in zijn stem of gebaren daarvan +niets merkbaar was, had de Jezuiet moeilijk kunnen beslissen. Wat +er evenwel van ware, de wenk dat het onderhoud voor heden was +afgeloopen kon hem niet onduidelijk zijn; en, den Keizer dank +zeggend voor de op nieuw hem bewezen eer, verliet hij met +eerbiedigen groet het vertrek. + +--Allen toch dezelfden!--sprak Akbar tot Feizi, toen de ander hem +verlaten had;--of gij nu Abdal Kadir of Aquaviva hoort, 't is +altijd weer gezag, geloof, openbaring, maar geen sprake van rede +en verstand, en van gronden aan wetenschap en ervaring ontleend. +Toch onderhoude ik mij gaarne met die dweepers. De verschillende +wijze waarop de menschen zich hunne betrekking tot den oneindigen +grond van het Al voorstellen, is meerendeels wel uit boeken te +ontdekken; maar het levend woord van de belijders zelven der +onderscheiden gezindheden leert ons menigmaal toch nog meer. + +--Ongetwijfeld!--antwoordde Feizi;--maar wat nu dat voortdurend +beroep op gezag en openbaring aangaat, is het niet natuurlijk en +onvermijdelijk bij allen, die, niet te vrede met hetgeen rede en +ervaring ons leeren, de oplossing der wereldraadsels in +voortbrengselen van hun eigen verbeelding zoeken? Toont men hun nu +de ongegrondheid of ook de onzinnigheid van vele dier voorstellingen, +dan rest hun niet anders dan zich te beroepen op het gezag eener +openbaring, die hen of hun voorgangers met hunne ingebeelde waarheden +moet hebben bekend gemaakt. Doch, zonderling voorwaar! dat de +tegenspraak hen zoo zelden tot eigen onderzoek en rustige beoordeeling +hunner opgeschroefde leeringen voert. Konden ze daartoe besluiten, ze +zouden spoedig genoeg de ijlheid dier theorien leeren inzien. Hoog en +trotsch inderdaad verheffen zich de pijlers en tinnen hunner tempels +tot in de wolken; maar onderzoek de grondvesten, en gij ontdekt aldra, +dat ze staan te waggelen op het stuifzand der phantasie. + +Niet aanstonds sprak Akbar, toen Feizi zweeg. Eenige oogenblikken +dacht hij na, en zeide toen: + +--Ik geloof dat gij gelijk hebt, Feizi! Maar toch, ik betrap mij +zelf wel eens op iets diergelijks als gij dien lieden verwijt, ook +al erken ik in 't eind weer geen ander gezag dan onze eigene rede. +En of ons nu, in oogenblikken van geestvervoering, de dichterlijke +verbeelding niet soms tot de ontdekking van waarheden kon leiden, +die wij later door de uitkomsten der wetenschap mogten bevestigd +zien? Doch daarover nader! Wij hebben thans nog andere zaken te +bespreken; en straks komt Aboel Fazl, om ons, naar ik verwacht, +eenige niet onbelangrijke mededeelingen te doen. + +In een ander gedeelte van Agra had, een avond later, mede eene +zamenkomst plaats, maar die overigens met de zoo aanstonds +beschrevene niets anders gemeen had dan dat ze eveneens eene +heimelijke, voor onbescheiden oogen en ooren wel verborgene was. + +Reeds meer dan eens had Siddha in de dagen die onmiddelijk op zijn +eerste bezoek bij Rezia volgden, naar de dienares omgezien, die +hem toenmaals naar hare woning had geleid. Ten laatste had hij de +vertrouwde nogmaals in den omtrek der Keizerlijke tuinen ontmoet, +en van haar op nieuw eene uitnoodiging van hare meesteres +ontvangen, waaraan hij ook wederom zich gehaast had te voldoen. +Sinds dien tijd herhaalden zich telkens die bezoeken en volgden al +sneller en sneller op elkaar, totdat eindelijk de dag aan Siddha +ledig scheen, waarop hij niet nevens Rezia aan de veranda was +gezeten geweest. Wat ook Agra schoons en aangenaams bieden mogt, +hoezeer hem ook de meer dan eens reeds gebleken gunst van Aboel +Fazl en later ook die des Keizers verblijdde, en hoeveel wezenlijk +genoegen hij ook in zijne gesprekken met Feizi smaakte, wiens +woning voor hem openstond en die hem wezenlijk als een vertrouwd +vriend behandelde, of zoo goed hij zich ook vermaakte met den +jongeren Parviz en zijne levenslustige kameraden, toch was er +niets wat zoo onweerstaanbaar hem trok als het stille paviljoen +der bevallige Armenische. Dat het beeld van Iravati daarbij meer +en meer op den achtergrond geraakte, was zeker niet vreemd, en +evenmin dat Rezia voor hem al spoedig iets meer dan eene aangename +en onderhoudende kennis werd, terwijl zijzelve ook gansch niet +ongevoelig voor de onverholen hulde van den jongen edelman scheen. +Wel had eensklaps een gevoel van schrik zich van hem meester +gemaakt toen hij tot het vol bewustzijn kwam, dat zij hem niet +enkel dierbaar was geworden als eene lieve vriendin, maar dat hij +met een hartstogt haar beminde geljk hij dien tot heden nog nooit +had gekend; doch al vrij spoedig ook was hij aan die gedachte +gewoon, en geen andere heheerschte ten slotte zijn gemoed dan de +voortaan door niets meer te beteugelen begeerte om haar de zijne +te mogen noemen en zijne liefde door haar beantwoord te zien. + +Op den bewusten avond dan had nogmaals Siddha nevens zijne +verleidelijke gastvrouw op den divan plaats genomen, waarvoor nu +een kleine en lage, sierlijk gebeeldhouwde tafel met frissche +vruchten en gouden, met tintelenden wijn gevulde drinkschalen was +gesteld. En verlokkender scheen zij in dit oogenblik hem dan ooit, +en weelderiger hare schoone bevallige vormen, en dieper van +uitdrukking de blik harer zachte blauwe oogen, die nu eens met +weeke teederheid, dan weer met onbeschrijfelijken gloed naar hem +opzagen om haastig straks in de schaduw der donkere wimpers weer +schuil te gaan. En liefelijke geuren van rozen en jasmijn stegen +er op uit den bloemenhof en een heldere maan wierp hare stralen +als getemperd daglicht op het balkon en in het vertrek, en +overtoog met hellen zilverglans de boomgroepen en fonteinen daar +omlaag. + +--Siddha!--sprak Rezia eensklaps ernstig na eenig meer +onverschillig en schertsend onderhoud,--gij hebt mij voorheen +reeds een dienst bewezen door mijn brief veilig naar Kacmir te +doen overbrengen; zou ik nu nog een tweede van u mogen vergen, +maar die, ik zeg het u vooruit, van vrij wat meer beteekenis ook +voor uzelf kan zijn? + +--Gebied, en ik gehoorzaam!--antwoordde Siddha zonder weifelen;-- +wat het ook zijn mag wat gij verlangt, wees overtuigd, en gij weet +hoezeer 't mij ernst is, ik zal trachten het te volbrengen. + +--Voorzigtig, mijn vriend!--hernam Rezia, den wijsvinger schalks +omhoog heffend;--gij verbindt u reeds alvorens te weten wat ik u +van zou kunnen vergen? Dat komt omdat gij, in uw wezenlijk +aanzienlijken rang, en verzekerd van uw benijdenswaardige stelling +ten hove, eigenlijk wat laag neerziet op een eenvoudige vrouw +zooals ik, en dus meent al heel gemakkelijk eene of andere mijner +grillen te kunnen bevredigen. Maar dat kon u toch wel eens +tegenvallen. + +--Ik zweer u,--was het nog al driftig antwoord,--zoo iets kwam in +de verte zelfs niet bij mij op. Nogmaals dan: eisch wat gij wilt, +en ik gehoorzaam uw bevel! + +--Nu dan,--hervatte Rezia, terwijl zij nog ietwat vertrouwelijker +naar de zijde van haar thans wel verklaarden aanbidder neigde,-- +wat ik te verlangen zou hebben is, wel bezien, eigenlijk evenzeer +in uw belang als in het mijne. Gij verbeeldt u alligt dat ik, zoo +stil en eenzaam hier levend, niets weet van 't geen er omgaat in +de paleizen van Agra en in 's Keizers raad verhandeld wordt. +Toevallige betrekking met enkele personen, die goed op de hoogte +zijn, stelt mij evenwel in de gelegenheid er iets meer van te +weten dan gij waarschijnlijk vermoedt. Iets meer ook misschien dan +uzelf bekend is, en u toch in uw eigen belang, althans in dat van +uw land en uw geslacht, bekend behoorde te zijn. + +--Ik geloof,--sprak Siddha,--dat ik u reeds begrijp. Gij bedoelt +zekere plannen die tegen de onafhankelijkheid van Kacmir gesmeed +konden worden, indien de aldaar weer aangevangen binnenlandsche +twisten ze soms voor uitvoering vatbaar mogten maken. + +--Volkomen juist!--was het antwoord,--maar wat gij toch niet +schijnt te weten is, dat diezelfde plannen al vrij wel gerijpt +zijn, dat de Keizerlijke legermagt tot den inval gereed wordt +gemaakt, en--dat gijzelf met de uwen bestemd zijt om tot hulp te +dienen tegen uw land en volk, door middel van uw invloed op de +trouw aan u gehechte Radjpoet's en van uw welklinkenden naam in +Kacmir zelf; altijd, wel te verstaan, indien gij blindelings +blijft gehoorzamen aan 't geen u door Akbar of van zijnentwege +geboden wordt. + +--Maar, lieve Rezia!--vroeg Siddha met een flauwe poging om onder +schijnbaar luchthartigen toon de onrust te verbergen, die zich van +hem meester maakte,--al mogt dat alles nu zoo zijn, wat is het u? +En wat kan u bewegen mij daarover in dit oogenblik te onderhouden? + +--Mijn wezenlijk eigenbelang, maar tevens ook belangstelling in +het uwe, mijn vriend! Ik sprak u vroeger van een vriendin, gelijk +gij u zult herinneren, die hier aan zekere vervolging zou zijn +blootgesteld. Maar, nu oprecht gesproken, ik misleidde u! Niet die +vriendin gold het, maar mijzelve. Die echtgenoot, aan wien een +wreed bevel mijns vaders mij eenmaal kluisterde, en wiens tirannie +ik verfoei, keert werkelijk spoedig terug. Hem te ontvlugten, vrij +te zijn, eenmaal in veiligheid mij te kunnen verbinden met dengene +die later welligt de man mijner keuze zijn zal, blijft mijn doel. +En om dat te bereiken, zocht ik Kacmir als toevlugtsoord en +knoopte er verbindingen met enkele uwer vrienden aan. Maar wordt +nu ook dat land aan Akbar's ver strekkende magt onderworpen, dan +ontgaat mij ook weer die mogelijkheid en weet ik niet waarheen +voortaan mij te wenden. Spoedig zie ik mij dan weder in de magt +van den man, die te beschikken heeft over mijn lot, en--met onze +genoegelijke en vrolijke zamenkomsten is het uit mijn vriend! en +Rezia heeft opgehouden voor u te bestaan, even als gij--'t werd +met een ligte zucht er aan toegevoegd,--ook voor haar! + +--Dat niet!--riep Siddha hartstogtelijk uit,--dat zal niet +gebeuren! Maar wat wilt gij dan? Wat middel weet gij? Wat eischt +ge van mij? + +--Anders niet--antwoordde Rezia bedaard,--dan dat ge u niet tot +werktuig laat gebruiken tegen uw eigen land, tegen uzelf, tegen +mij! Blijf uw dapperen aanvoeren als tot heden, maar leid ze, den +beslissenden dag, niet op tegen ons, en weet hen, als het +oogenblik zal gekomen zijn, op geschikte wijze te doen overgaan +tot diegenen der onzen, voor wie ze steeds bij alle uiterlijk +vertoon van trouw en onderdanigheid aan den Keizer, uit den aard +van hun stam en oud-adelijke geslachten een geheime neiging +hebben. Dan zal een magtige partij in Kacmir zelf u bijvallen, u +steunen door haar invloed, u verheffen tot de hoogste eer; en dan +zult gij in 't eind, ook al is dat nu van minder belang, een +veilige wijkplaats hebben bereid aan mij arme, die ten allen tijde +u dankbaar zal blijven voor de bescherming haar verleend! + +--Maar,--stamelde Siddha, bij al die plannen en vooruitzigten nauw +meer den draad zijner eigene gedachten vattend,--dat is toch +verraad, en verraad van de ergste soort jegens den Keizer, die mij +vertrouwt! + +--Zeer zeker verraad!--antwoordde Rezia met een minachtenden +lach,--de Keizer heeft natuurlijk volkomen regt, u als werktuig te +gebruiken tegen uw eigen land en volk, onder den schijn van u +gunsten te willen bewijzen; maar gij, gij mist het regt, hem te +betalen met gelijke munt! Nu, daarvoor zijt ge dan ook onderdaan, +of--slaaf! Doch handel zooals gij verkiest! Uwe betuiging van daar +straks, dat gij alles zoudt willen doen wat ik vroeg, blijkt mij +nu eene ijdele pligtpleging te zijn geweest, zooals men die wel +eens meer jegens onnoozele vrouwen uit. Maar genoeg! En laat ons +onderhoud thans liever geeindigd zijn; niet omdat mij dat +aangenaam ware, maar omdat ik beter vind, op eens met kloek +besluit van elkaar te scheiden dan onze kennismaking nog verder +voort te zetten, en ze dan morgen of een dag later toch +onvermijdelijk en tegen onzen wil te zien afgebroken. + +--Nog eens,--sprak Siddha, terwijl Rezia als gebogen onder haar +smart zich van hem afwendde,--dat nooit, dat in geen geval! En ik +loog ook niet al aarzelde ik straks een oogenblik, toen ik zeide +te willen doen wat gij zoudt eischen. Ik herhaal het: Gebied, en +ik gehoorzaam! + +--Uw woord! + +--Mijn woord als edelman! Doch waarom het nog verlangd? Gij weet immers +dat ik niet anders kan, dat ik toch doen zou wat gij maar eischen mogt. +En waarom ook verder nog verzwegen wat u al lang bekend is? Laat mij +dan vrij het betuigen, laat mij 't eindelijk zeggen, dat gij mij +dierbaar zijt boven alles, dierbaar boven het leven en zelfs boven de +eer, en dat ik met een hartstogt u bemin zooals ik tot nu toe nooit +mogelijk of ook maar denkbaar had geacht! Ik meende te weten wat liefde +was, maar 't was een kinderlijke genegenheid die ik er voor aanzag. Gij +hebt mij anders geleerd. Maar leer mij meer nog! Leer mij, wat het zegt, +eene liefde als de mijne te zien beantwoord! Geen slaaf kan onderdaniger +aan zijn meester zich toonen dan ik het zijn wil jegens u; nooit de +slaaf van Akbar of van wien ook, zooals gij meendet, maar wel de uwe! +Al wat ik heb en ooit nog verwerven mogt, rijkdom, aanzien, rang, +behoort u alleen, en de magt die gij over mij bezit kunt gij gebruiken +en misbruiken naar welgevallen. Maar wees de mijne, Rezia! de mijne +zoolang ons te leven rest! + +--Neen, Siddha!--sprak zij zacht, terwijl zij de hand afweerde +waarmee hij de hare zocht te vatten,--neen! mij voegt het niet, +zulke taal van u aan te hooren, noch u, ze tot mij te uiten. +Bedenk het, ik ben nog niet vrij, en ook gijzelf niet; want andere +banden, gij verhaaldet 't mij zelf, houden u gevangen. + +--Andere banden!--riep Siddha driftig uit,--ik verbreek ze! Of +liever, ik heb ze al lang verbroken! En kon ik dat niet, ik zou +den dag vloeken, waarop ze mij werden aangelegd. En gij! moogt ge +ook heden niet vrij zijn, ik ben het die 't weldra u maken zal! +Naar Kacmir trekken wij heen, naar het afgelegene maar schoone +Noorden, waar Siddha Rama's naam, gelijk gij wel zegt, nog invloed +heeft, en waar niemand ligt zou wagen, die gehate echtgenoot zoo +min als een ander, haar te beleedigen, die nu eenmaal mijn +bescherming geniet. + +--En zou die bescherming ook voldoende zijn tegen een Akbar en +zijn gunstelingen?--vroeg Rezia. + +--Tegen hem en de zijnen, wie ook, als tegen alle anderen!--was +het overmoedig antwoord;--ook tegen hemzelf zullen wij Kacmir +weten vrij te vechten, al ware 't alleen om het tot een wijkplaats +te behouden voor u en voor mij. + +--Toch mag ik u niet blijven aanhooren,--hernam Rezia;--in +waarheid, het is mij leed dat gij tot mij gesproken hebt als dezen +avond. Gij hadt mij en uzelf dit alles moeten sparen. Dan had onze +vriendschappelijke omgang mogelijk nog kunnen voortduren, en later +misschien tot eene andere verbindtenis kunnen leiden. Thans moet +alles ophouden, zoozeer mij dat ook bedroeft. Ga nu, zeg mij +vaarwel en vergeet mij; het is beter voor u, en...ook voor mij, +die gij zegt lief te hebben! + +Inderdaad!--sprak Siddha, terwijl hij opstond en, 't hoofd op de +borst gezonken, eenige passen terugtrad,--een spoedige scheiding +zal nog wel het verstandigste zijn. Ik zie het maar al te goed; +mijn liefde wordt versmaad. Wat dan nog langer hier te toeven? 't +Is waar, zonder u is er voor mij geen leven, geen geluk meer +denkbaar; en toch, de voortdurende marteling, u telkens te moeten +zien en van dag tot dag inniger lief te hebben, en dan te weten +dat gij dien gehaten, dien gevloekten vreemde blijft toebehooren, +is mij onduldbaar. Nieuwe onlusten nu zijn er, naar ik verneem, in +het Zuiden, in Dekkan, uitgebroken en de Keizer roept derwaarts +verscheiden zijner legerbenden; ik wil hem smeeken, mij daarheen +te zenden, en in den strijd met wilde bergstammen vind ik spoedig, +zoo niet vergetelheid, want die is onmogelijk, dan toch een +tijdigen, nu wel gewenschten dood. + +--Ach, Siddha!--klonk het droef klagend en in den zoetsten toon +der liefelijke welluidende stem,--ach! waartoe nu een hevigheid +zooals ik ze nog nooit van u ondervond? Waartoe, indien een zwakke +vrouw, die maar al te zeer de moeijelijkheid van den strijd tegen +haarzelve en haar eigen hartstogt ondervindt, nog een oogenblik de +kracht zoekt te behouden om uw aandrang te weerstaan? Het is zoo, +gelijk gij zegt: het ware beter mij te verlaten. En toch ... ik +kan u nog niet laten gaan! Blijf al is 't maar een korte poos; zet +u nog eenmaal aan mijne zijde, en verheugen wij ons, al ware 't +ook voor het laatst, nog eenige oogenblikken in die meer rustige, +door onbedwongen hartstogt niet verstoorde gesprekken, waarin ook +gij toch als ik te voren zooveel genoegen vondt. + +En eer Siddha tot bewustzijn van zijn handeling kwam was hij +nogmaals nevens de vrouw gezeten, die heel zijn verstand en zinnen +had vermeesterd; en, op haar verlangen de luit grijpend, die daar +nevens hem lag, begon hij te zoeken in zijn herinnering naar een +der liederen van zijn land, om wier voordragt zij met hare gewone +innemendheid hem gebeden had. + +Maar of hij al zocht, en soms aanving en dan weer ophield, om +straks op nieuw te beginnen en nogmaals te blijven steken, zijn +geheugen faalde, en mismoedig legde hij de nuttelooze luit ter +zijde. + +--Ik weet niets meer,--zeide hij,--ik kan mij niets meer +herinneren, ik denk niet meer!... + +--Hoe nu, mijn zanger!--sprak Rezia lagchend,--moet ik het dan +zijn, die u voorga? Welaan! Maar drinken wij eerst elkander toe!--En +een der drinkschalen opvattend, deed zij Siddha ook de zijne +ledigen en begon toen met zachte, smeltende stem een zoetvloeiend +Perzisch minnelied, dat ook spoedig genoeg zijne verbeelding weer +te verlevendigen wist. + +--Nu dan!--riep hij weer opgewonden uit toen Rezia had geeindigd, +en beschreef, naar Kalidasa's Jaargetijden, de ontvangst van den +minnaar door de, voor hem bij den terugkeer van den zomer getooide +bruid: + +"In 't loofprieel, van bloemengeur doortrokken, + Drinkt hij den wijn, ligt door haar mond beroerd; + Een lieflijk lied weet Kama hem te ontlokken, + Door teedre min tot dartel spel vervoerd. + + + De boezem rijk met parelen omwonden, + Het zijden kleed om slanke heup geplooid, + De lokken los met bloemen opgebonden, + Ontvangt zij hem, als bruid voor hem getooid. + + + Wie voelt zich niet van blijden lust doordringen + Waar, ligt van tred, als zwanengang, een voet + Door zachten klank der rinkelende ringen + Aan d' enkel steeds, rooskleurig, denken doet? + + + Waar 't geel saffraan den glans verhoogt der lokken, + En gouden gordel slanke leest omsnoert, + En luchtig gaas, van sandelgeur doortrokken, + Den boezem dekt, dien minnelust ontroert? + + + Weg dan 't gewaad, dat te eng die slanke leden, + Met ligte dauw bepareld, nog omhult! + Het nijdig kleed, dat, halfweg afgegleden, + Des jonglings hart met wangunst nog vervult!... + + + Zoo wekt de wind, die in de blaadren fluistert, + En rimplend 't meer en 't murmlend beekjen kust, + Zoo wekt ook 't lied, dat 's dichters oor beluistert, + Den God der Liefde uit lange winterrust..." + + +De zanger zweeg, en zij die hem aanhoorde, en zich al digter en +digter aan zijne zijde had gevleid, sprak niet, maar zag naar hem +op met hare betooverende oogen, stralend ditmaal van een ongewonen +gloed. Toen vatte hij eensklaps hare beide handen, en trok haar +tot zich met thans bijkans onweerstaanbare kracht. + +--Rezia! sprak hij,--Rezia! wees mij Kalidasa's bruid!... Voor nu +en voor altijd mijn! + +En zacht fluisterde zij Siddha's naam, en hare armen om zijn hals +slaande, zonk zij magteloos aan zijne borst.... + +Meer dan eens sloop sinds dien avond, in 't late van den, liefst +donkeren, nacht eene mannelijke gestalte langs de cactuslaan, die +tot de woning der Armenische leidde, en spoedde zich, bedachtzaam +rondziende, voort.... De lotusbloem van Iravati was gekanteld met +het ranke vaartuig waarop hij zich bevond; een zoele windvlaag had +het omgeworpen. + + + +ACHTSTE HOOFDSTUK. + +Een verzoeker + +Nogmaals was de jeugdige kasteleinesse van Allahabad aan het +balkon van den burgt gezeten, en zag uit naar de verre gebergten, +vanwaar, nu geruimen tijd reeds geleden, de toen lang verbeide +gekomen was. In het landschap daar omlaag had niets zich veranderd +sinds dien tijd; dezelfde kalme, zilveren wateren en bosschaadjen +daar beneden, en bergtoppen aan den verren overkant; en dezelfde +onbewolkte zonneschijn, die toen het landschap had verlicht. Of +ook in hem niets veranderd mogt zijn, die nu zeker een ijverig +deel nam aan de verstrooijingen van het hof en de velerlei +vermaken der groote stad? Of hij nog steeds aan haar dacht, en +dagelijks hare beeldtenis bezag, gelijk zij de zijne? De twijfel, +soms haars ondanks bij haar oprijzend, scheen Iravati niettemin +bij eenig nadenken eene beleediging jegens den man, dien zij niet +minder hoogachtte dan lief had en die nog bij zijn laatste bezoek +op zoo innige en tevens plegtige wijze zijn woord van trouw aan +haar verpandde en in zijne brieven ook daarna zijne gelofte nog +had herhaald. Maar deze hadden sinds eenigen tijd opgehouden. En +waarom keerde hij niet spoedig eens weder, al was 't dan vooreerst +maar tijdelijk? Kon hij zoolang van haar gescheiden blijven zonder +gelegenheid te zoeken, ware 't slechts voor een enkelen dag haar +weer te zien? Ongetwijfeld hield strenge dienstpligt hem terug, en +kon hem zoo aanstonds geen verlof worden gegeven tot eene +afwezigheid. Maar wat de tijd inmiddels lang viel, wat de uren en +dagen schenen voort te kruipen voor haar die eenzaam hier wachten +moest! + +Als dien anderen morgen werd zij in hare mijmering ook weder +gestoord door de verschijning van haar vader, den Goeverneur. + +--Iravati!--sprak deze op den gewonen afgemeten toon, dien hij +waar hem dat paste wist aan te slaan,--een gast brengt ons heden +bezoek .... + +Hij was dan gekomen! hij wachtte ginds! En in zichzelve juichte de +ongeduldige, schoon zij uiterlijk het niet blijken liet. + +--Een gast,--vervolgde Salhana,--dien het u zeker even aangenaam +als vereerend zal zijn te ontmoeten. Het is Selim, de Kroonprins, +die op verlangen zijns vaders eenigen tijd in Allahabad komt +vertoeven. + +Niet dan met de grootste inspanning wist Iravati hare bittere +teleurstelling te verbergen; maar iets te antwoorden scheen haar +onmogelijk. + +--Welnu?--vroeg Salhana,--is het berigt u niet welkom? Daar is er +menigeen, die heel wat zou geven om de eer te mogen genieten die u +wacht. Voor 't overige begeer ik natuurlijk niet dat iemand van 's +Prinsen gevolg u zien zal; maar met den aanstaanden Keizer is het +heel iets anders. Ook kan het voor mij en ook voor Siddha van +belang zijn, indien gij u zijne gunst weet te verwerven. Volg mij +nu! + +Toen Iravati met haar vader de galerij binnentrad waar op dat +oogenblik Selim zich alleen bevond, ging deze haar een paar +schreden te gemoet en wilde haar op zijne gewone luchthartige +schoon hoffelijke wijze toespreken; doch eensklaps begaf hem al +zijne vrijmoedigheid, en zwijgend bleef hij staan. Eene zoo edele +houding aan zooveel bescheidenheid tevens gepaard, eene zoo +ernstige schoonheid bij zoo innemende en lieftallige uitdrukking +van gelaat, herinnerde hij zich niet bij eenige vrouw nog ooit te +hebben aanschouwd. En tegen zijne gewoonte wachtte hij met zijne +begroeting tot Salhana vormelijk zijne dochter aan hem had +voorgesteld. + +--Ik ben u verpligt, edele jonkvrouw!--sprak hij toen,--dat gij u +de moeite getroost, mij als gast te komen begroeten. Ik heb reeds +meer dan eens van u gehoord, en...,--eene beleefdheidsphrase die +hem op de lippen zweefde, scheen hem te laf en te onbeduidend dan +dat ze niet moest blijven steken,--en...,--vervolgde hij, voor 't +oogenblik niets anders vindend,--het is mij aangenaam thans +persoonlijk uwe kennis te mogen maken. + +--De eer, mij en mijn vader door Uwe Hoogheid bewezen, stel ik +bijzonder op prijs!--antwoordde Iravati;--en ik wil hopen dat het +stil verblijf in Allahabad u niet te zeer moge tegenvallen in +vergelijking met het leven der hofstad, dat aan afwisseling zeker +wel heel wat rijker zal zijn. + +--Indien--sprak Selim,--de edele dochter van den Goeverneur mij nu +en dan het genoegen van haar bijzijn gunt, dan ben ik voorzeker +niet bevreesd dat het verblijf mij lang zal vallen. Maar ik hoor u +van de residentie spreken; gij kent die toch, wil ik hopen? + +--Ik ben nog nooit in Agra geweest?--luidde het antwoord. + +--Niet?--vroeg Selim;--maar, waardige Salhana!--vervolgde hij,-- +het wordt dan toch waarlijk tijd dat ge uw rijkbegaafde dochter +eens wat meer van de wereld laat zien dan hier in dezen afgelegen +burgt haar vertoond kan worden! + +--Die tijd,--antwoordde de Goeverneur,--zal gekomen zijn als mijne +dochter zich eenmaal ouder de hoede van haar aanstaanden +echtgenoot, mijn toekomstigen, nog onlangs door Uwe Hoogheid met +zooveel welwillendheid ontvangen schoonzoon, zal bevinden. + +Waarom die herinnering den Prins niet bijzonder welkom scheen, +viel bezwaarlijk te ontdekken; maar in elk geval zweeg hij +onmiddelijk, terwijl zijn donkere wenkbrauwen zich fronsten; en +een oogenblik daarna bragt hij 't gesprek op andere onderwerpen +over. Een tijdlang werd het nog voortgezet, en daarop vroeg +Salhana voor zijne dochter verlof zich naar hare vertrekken terug +te begeven. Met een eerbiedige neiging verwijderde zich Iravati, +weltevrede dat het weinig vermakelijk onderhoud was afgeloopen, en +geen anderen indruk van den zoon des Keizers medenemend dan dat +hij verbazend prachtig was gekleed, schoon op dat oogenblik +Selim's kostuum voor hemzelf nog niets anders dan een eenvoudig +reisgewaad vertegenwoordigde. + +Eenige oogenblikken later was Selim met den Goeverneur en nog een +derden persoon in een der tegen alle indringers en luisteraars wel +verzekerde vertrekken van den burgt gezeten, blijkbaar om te +beraadslagen over belangrijker vragen dan die, hoe men 't best in +Allahabad zich den tijd zou korten. Die derde was Gorakh, de +Doerga-priester. + +--Het doel waarnaar wij streven, mijne vrienden!--dus begon de Prins,-- +schijnt weldra door ons genaderd. Doch laat ons voorzigtig zijn voor +alles! En niet onverstandig doen wij, naar 't mij voorkomt, als wij +thans aanvangen met den stand onzer plannen te overzien, om dan te +onderzoeken wat er nog tot verdere voorbereiding dient beraamd te +worden. Gij nu, Salhana! zijt, geloof ik, daarvan nog 't best van ons +drieen op de hoogte. Wat mij betreft, ge weet dat men aan 't hof het een +en ander is gaan vermoeden, en van daar de wensch, dat wil dan zeggen +het bevel mijns vaders om mij hierheen te begeven. Wie mij dat bezorgd +heeft, weet ik heel wel; 't is weer die Aboel Fazl, vloeke hem Allah! +Maar ik hoop 't hem bij gelegenheid wel eens betaald te zetten. En nu +gij, Salhana! + +--Tot heden,--begon deze,--kan ik niet anders zien of alles gaat +naar wensch. In Agra, Delhi, Lahore en andere plaatsen zijn de +echt Mohammedaansche Omrah's en de verdere grooten ten hevigste +tegen den Keizer verbitterd, om de verachting waaraan hij nu al +lang hunne godsdienst blootstelt en het verlies der voorregten +welke hij hun ontnomen heeft. Zij zullen niets liever zien dan een +omwentellng bij de eerste gelegenheid de beste, en velen zijn +volkomen bereid daaraan mee te werken. Evenzoo meer dan een der +hoogere Mansabdar's. Abdal Kadir helpt ons in dat alles niet +weinig, maar al te zeer moet er toch niet op hem gebouwd worden; +hij zou wel openlijk willen te werk gaan, 't geen natuurlijk een +dwaasheid ware; maar hij heeft telkens weer bezwaren tegen 't geen +hij verraad noemt. + +--En uw neef?--vroeg Selim. + +--Die komt geheel op onze zijde; hoe we dat nu gedaan hebben +gekregen, doet niet ter zake; genoeg dat het zoo is. Ik had hem +eerst als onzen spion bij Akbar willen gebruiken; maar 't is mij +gebleken dat hij er niet voor deugt; hij is te onnoozel en te veel +in de begrippen van dien Koelloeka opgevoed om de rol behoorlijk +te spelen; en daarenboven pakt Akbar hem ook telkens op zijne +bekende manier weer in, als hij hem soms ontmoet; 't is dus maar +beter dat hij den Keizer niet al te dikwijls ziet. Daarentegen zal +hij ons geheel andere en nog betere diensten kunnen bewijzen. Nog +onlangs werd hij in rang als Mansabdar verhoogd, en spoedig heeft +hij kans op nieuwe bevordering, zoodat hij tegen den bepaalden +tijd een vrij belangrijk getal ruiters zal aanvoeren; over zijne +Radjpoet's heeft hij ook persoonlijk veel te zeggen, en in Kacmir +heeft zijn naam grooten invloed. Wanneer wij dus het beraamde plan +uitvoeren dan wordt ons zijn medewerking van niet gering nut. Op +het gegeven oogenblik laat hij de zijnen omkeeren en zich tegen de +Keizerlijken wenden, en geen twijfel of dat voorbeeld zal door de +meerderheid der Radjpoet's en Patan's wel worden gevolgd. + +--Maar nu het plan zelf, wat Kacmir betreft?--vroeg Selim wederom. + +--Wel, mij dunkt,--antwoordde Salhana,--dat het niet beter kon +staan dan thans. De binnenlandsche twisten zijn, meerendeels door +ons toedoen, tot een uiterste gekomen; de partijen staan gewapend +tegenover elkander; de stroopers loopen het land af, en, wat hier +wel 't belangrijkste is, ook Akbar's naburig gelegen rijken; zij +geven hem dus de aanleiding aan de hand om met zijn leger naar het +Noorden op te trekken, en tot herstel en blijvende verzekering der +rust de verovering van Kacmir te beproeven. Zijn legermagt staat +dan ook al gereed; en, bedrieg ik mij niet, dan is zijn voornemen, +na de aanstaande jaarlijksche viering van zijn geboortedag den +togt te gaan ondernemen. Is nu eenmaal de strijd aan den gang, dan +valt onze Siddha even als andere aanvoerders hem plotseling af, +vereenigt zich met de onzen in het leger van Kacmir en houdt Akbar +genoeg bezig om hem vooreerst den terugtogt te beletten. Inmiddels +hebben de onzen in Agra zelf de handen vrij, roepen Selim tot +Keizer uit, en stellen zich in 't bezit van de vesting en de +schatkist. Zoo dan Akbar ten laatste nog terugkeert, dan valt er +misschien nog wat te vechten met zijne troepen, schoon ik 't niet +onderstel; maar 't eind van de zaak moet toch zijn, dat hij ten +gunste van den Kroonprins afstand doet van den troon. + +--Alles,--sprak Selim,--volkomen goed berekend, en geheel +overeenkomstig ons oorspronkelijk, en thans, naar ik met genoegen +zie, meer tot rijpheid gekomen plan! Maar eene vraag toch! Bestaat +er geen gevaar dat er iets van uitlekt? Is alles wel steeds +voorzigtig aangelegd? Zoo bijvoorbeeld die brief, die naar Kacmir +verzonden zou worden; indien hij eens in verkeerde handen was +geraakt? + +--De brief--antwoordde Salhana,--is volkomen goed aan zijne +bestemming teregtgekomen. Maar weet gij, wie hem meenam? Niemand +anders dan onze vriend Koelloeka zelf. + +--Wat?--riep Selim uit,--Koelloeka! Welk onvergeeflijk waagstuk! + +--In 't minst niet,--hernam de ander bedaard;--het was juist de +allerveiligste weg. De goede man wist zelf niet wat hij overbragt; +het stuk was hem door Siddha ter hand gesteld, die ook niet wist +wat er in stond; en in 't uiterste geval, indien hij bij de +overbrenging betrapt ware geweest, hijzelf zou er 't ergste zijn +ingeloopen zonder daarom nog eenige inlichting te kunnen geven; en +wij, die natuurlijk in het stuk niet bij name genoemd werden, +bleven toch buiten schot. + +--Heel goed gevonden!--sprak Selim goedkeurend en hartelijk +lagchend;--maar thans verder! Wij zijn u voorloopig dankbaar voor +uwe mededeelingen, Salhana! Maar nu onze eerwaarde Gorakh! Heeft +ook hij ons niet iets nieuws te vertellen? + +--Ik geloof wel van ja!--antwoordde de Yogi, die tot dusver +stilzwijgend had toegeluisterd;--althans ik heb van mijn kant ook +niet stil gezeten. Zooals ik u vroeger reeds voorzegde, maar u +toen nog onwaarschijnlijk voorkwam, heb ik mij den weg gebaand tot +het paleis niet alleen, maar ook tot de binnenvertrekken van den +Keizer. Gij weet, welke moeite hij zich geeft om alle stelsels van +godsdienst en wijsbegeerte te leeren kennen, die maar eenigermate +onder zijn bereik vallen. En zoo wilde hij dan ook volstrekt +kennis maken met die aloude Yoga-leer, waarvan hij veel gehoord, +maar weinig of niets naders vernomen had. Want hier schoot niet +enkel Feizi's, maar ook Koelloeka's geleerdheid, als die der +overige Brahmanen, wier hulp werd ingeroepen, te kort, en de +weinige ingewijden, die er nog in Hindostan te vinden zijn, wisten +zij hem niet aan te wijzen. Nu zorgde ik, door sommige vertrouwden +hem 't een en ander omtrent mijne kennis van de Yoga-geheimen te +laten verluiden; en niet lang of ik werd ten hove ontboden, en +Akbar ontving heimelijk van mij eenige eerste aanduidingen omtrent +de leer der concentratie, waardoor de sterveling zich al meer en +meer in onmiddelijke betrekking tot het oneindig Alwezen weet te +stellen, en, zijn denken en zijn in dat van het absolute +oplossend, ook het oneindig bestaan deelachtig wordt, zoodat hij +'t vermogen erlangt, zich naar willekeur tot op de verste +afstanden te verplaatsen schijnbaar zonder de plek te verlaten +waar hij zich bevindt, de grootste zoowel als de kleinste vormen +aan te nemen en zich onzigtbaar of ook ligter te maken dan de +lucht. Om nu ook kracht aan de zaak bij te zetten en 't niet bij +verzekeringen te laten, bragt ik eens een mijner lieden mede, die +bijzonder ver is in allerlei toeren, en deed hem een kunst +verrigten, waarover de Keizer, niet zonder reden trouwens, +verbaasd stond. De man zette zich op een lagen houten steel, +waaraan een bamboe met een haak als van een wandelstok was +bevestigd, liet toen een wit laken voor zich uitspreiden zoodat +men hem niet zien kon, en toen nu het laken werd weggetrokken, zat +hij letterlijk in de lucht, een paar voet boven den stoel en enkel +steunend met de eene, uitgestrekte hand op den haak van den +bamboe. Een heel merkwaardige kunst, die ik u bij gelegenheid wel +eens zal laten zien, als wij eens tijd hebben. Maar genoeg! Akbar +was niet alleen verwonderd, maar ook hoe langer hoe meer begeerig, +in onze geheimen te worden ingewijd. En hij is dat nog. Gij +begrijpt dat ik mij wel wachtte, hem iets meer te vertellen dan +noodig was om telkens sterker zijn nieuwsgierigheid te wekken; en +zoo komt het, dat ik nu altijd gelegenheid heb om bij hem, die +niets liever wenscht, te worden toegelaten. Ik maak er een +spaarzaam gebruik van, maar, dat wil ik wel verzekeren, een goed! +Met de mijnen neem ik behoorlijk steeds alles op wat voor ons en +onze zaak van eenig belang kan zijn; en Akbar's paleizen en eigen +geheime vertrekken zijn op die wijze met lieden vervuld, die alles +uitvorschen wat er omgaat, terwijl hijzelf in hen niets anders dan +volgelingen van een godsdienstig dweeper en asceet vermoedt. +Vandaar ook dat ik u, Selim! en ook onzen vriend Salhana reeds +omtrent menige zaak kon onderrigten, die anders niet zoo +gemakkelijk door u ontdekt had kunnen zijn. Over Kacmir straks +nader! + +--Inderdaad!--sprak Selim, toen de Yogi zweeg,--wij moeten +erkennen, dat gij een knap toovenaar zijt. Maar zeg mij nu eens +ronduit, ten minste als zoo iets met uwe gewoonten is overeen te +brengen, wat verlangt gij eigenlijk als belooning voor de diensten +welke gij ons bewijst? Salhana, wij weten het, wenscht eenmaal, +als ons gezag bevestigd zal zijn, tot Onderkoning van Kacmir te +worden verheven; en dat billijk verlangen zal, gelijk hem bekend +is, als alles wel gaat ook bevredigd worden. Niets om niets! zeg +ik met hem. Maar gij nu! wat wilt gij van ons? Ik acht het nuttig, +dat te vernemen opdat wij vooraf behoorlijk onze voorwaarden +kunnen stellen. + +--Grootmagtig Vorst!... vergun mij reeds bij voorbaat u zoo te +noemen!..., antwoordde Gorakh,--van u verlang ik... eenvoudig +niets! Dat verbaast u, niet waar? Welnu, ik wil trachten 't u +duidelijk te maken. Wat verlangt gij, vraag ik van mijn kant, voor +uzelven? Gij hebt reeds, zou men meenen, al wat het hart begeeren +kan. Gij hebt schatten, paleizen, schoone vrouwen die u te dienste +staan, vrolijke gastvrienden, de heerlijkste wijnen, en na den +Keizer zijt gij de eerste man van dit magtig en bloeijend rijk, +met de zekerheid zelf eenmaal de alleenheerscher te zijn. Toch +zwoegt gij bijkans zonder pozen, en roept onze hulp en die van +anderen, uwe minderen, in ter verwezenlijking van duistere, +moeijelijke en ook gevaarvolle plannen. Waarom? Omdat gij +heerschen wilt en niet kunt wachten tot de dood van uw vader den +troon voor u beschikbaar stelt. Zie nu! wat gij wilt voor uzelven, +dat verlang ik ook voor mij: te heerschen! En terwijl gij tot +heden nog zoo goed als niets te gebieden hebt, doe ik het al lang, +schoon ik nog altijd blijf streven naar steeds uitgebreider magt. +Ik, de arme, onbekende, door velen verachte priester, ik bezit een +gezag zooals gij in al uwe grootheid het niet kunt magtig worden. +Honderden, waarvan ieder in zekere omstandigheden een leger waard +zou zijn voor de grooten der aarde, gehoorzamen onvoorwaardelijk +en zonder navraag, zonder aarzeling, zonder vrees tot den +geringste mijner wenken. En door welke magt zijn ze aan mij +onderwerpen? Door die waartegen niets bestand is, en waardoor de +rede wordt uitgedoofd, en de wil verlamd, totdat de mensch een +levend en wandelend lijk wordt: de magt van het godsdienstig +fanatisme. Een vingerwijzing van mij naar wie ik maar wil, naar u +of naar een ander, is genoeg om een of meer der hunnen te doen +begrijpen, welk nieuw offer aan de nooit verzadigde Doerga het +meest welkom zal zijn; en te meer welkom is haar dat van den +hooger gestelde onder de menschen. Laat nu ook de aangewezene zelf +vooraf zijn gewaarschuwd, laat hij voorzorgen nemen zooveel hij +wil, en zich omringen met dienaren en wachten, toch ontkomt hij +nauw anders dan door een wonder het voorbeschikte lot. Overal in +zijne nabijheid en onmiddelijke omgeving zwerven onder allerlei +vermomming mijne getrouwen om hem heen; en als het regte oogenblik +gekomen is, dan, in de stilte meest van den nacht, voelt hij +eensklaps zonder vooraf eenig geluid of geridsel vernomen te +hebben, het worgkoord om den hals, en eer hij een kreet of zucht +heeft kunnen slaken is de lange reeks der offeranden vermeerderd +met een nieuw. 't Is waar, een enkele keer, schoon zelden, vindt +de indringer zich betrapt, maar de aangevallene die hem grijpt en +tracht vast te houden, voelt een glad ligchaam, als van een slang, +door zijn handen glijden, en even snel en onhoorbaar als het kwam, +is het aanstonds weer verdwenen. En in 't uiterste geval, als een +mijner Worgers dan toch werkelijk gevat wordt, welnu, dan kan men +hem dooden en dan sterft hij met de onwrikbare overtuiging, +terstond de oneindige zaligheid deelachtig te worden; maar dan +staan er ook weer honderd anderen gereed aan wie op nieuw de proef +kan worden bevolen, en wel vreemd zoo die vroeg of laat niet +gelukken mogt. + +De Yogi zweeg een oogenblik, maar geen zijner beide toehoorders +nam het woord. Salhana, met de medegedeelde bijzonderheden reeds +wel bekend, had vrij onverschillig toegeluisterd en vond geen +reden er iets aan toe te voegen. Maar Selim was onder de +beschrijving van den priester verbleekt, schoon 't hem anders niet +aan persoonlijken moed ontbrak, en peinzend bleef hij voor zich +staren. + +--Zoo dan--hervatte Gorakh,--heersch ook ik, doch op mijne wijze. +Die mij tegenstaan ruim ik onbemerkt door anderen uit den weg; en +zij die mijne magt kennen, vreezen mij en doen gemeenlijk in 't +eind, ze mogen hoog of laag geplaatst zijn, wat ik van hen begeer. +En meent gij dan dat deze wijze van magtsoefening niet evengoed +als de uwe hare behagelijkheid kan hebben? Of zou het geen +vleijend en trotsch gevoel zijn, door de menschen zich geminacht +en vernederd te zien, maar tevens te weten dat men over hen, over +hunne handelingen, over hun leven en dood naar willekeur te +beschikken heeft? En ik ben niet de eenige, die er zoo over denkt. +Ik weet het, daar zijn er ook anderen en ook in gansch andere en +ver van hier gelegen landen, die eveneens in stilte en in het +duister trachten te heerschen over hen, die het hoogste gebied +voeren in 't oog der wereld. Meer dan eens heb ik in Agra en +elders onder eene behoorlijke vermomming met die mannen gesproken, +die hier uit het verre Westen komen om volgelingen te winnen voor +hunne leer, en, onder den schijn van een gewillig oor te leenen +aan hunne prediking, hen langzamerhand uitgehoord. En uit hun +mededeelingen en die hunner landgenooten, onder anderen ook +omtrent de inrigting en werking der Orde waartoe zij behooren, heb +ik ontdekt, dat zij of althans hunne opperhoofden een gelijk doel +najagen als ik en mijns gelijken, al zoeken zij langs anderen weg +het te bereiken. Hunne middelen, zeg ik, zijn andere, hoewel +daarom nog niet altijd zachtzinniger dan de onze; wij hier laten +de menschen worgen, zij ginds laten ze levend verbranden; maar het +doel blijft in elk geval hetzelfde. En ook zij worden in hun eigen +streken dikwijls weinig opgemerkt en weinig geteld, menigmaal ook +bestreden en vervolgd, en toch weten ook zij in naam van het +zoogezegd geloof te gebieden over wereldlijke magthebbers niet +alleen, maar zelfs over het geestelijk Opperhoofd hunner eigene +kerk, terwijl zij veinzen met onvoorwaardelijke onderworpenheid +zijne bevelen te gehoorzamen! Zoo ziet gij dan, hoe vreemd het +eerst u ook scheen, dat het wezen en het genot der magt nog +geenszins voor allen, zooals voor u, in het uitwendig vertoon en +in de openlijke erkenning door anderen behoeft gelegen te zijn. + +Nog bleef Selim zwijgen, nadat Gorakh geeindigd had. Maar de blik, +welken hij dezen toewierp, zeide meer dan woorden. + +De priester lachte.--Ik begrijp zeer goed,--sprak hij langzaam,-- +welke gedachten op dit oogenblik uwe Hoogheid bezig houden. Een +bondgenoot als ik kon wel eens een gevaarlijke worden, en zoo mogt +het dan de vraag zijn of 't niet maar zaak ware, zich terstond van +hem te ontslaan. Maar ik ben immers niet onnoozel genoeg om mij in +'t hol van den tijger te wagen, als ik niet zeker was er veilig +weer uit te komen. Mijne getrouwen nu wachten mij ginds in den +tempel op den berg; keer ik voor morgen er niet terug, dan weten +ze ook, wien de Godin als zoenoffer voor den dood van haar +gewijden priester heeft aangewezen. + +--Nu, dat is met uwe gewone omzigtigheid gehandeld,--sprak thans +Selim;--maar, waarde Gorakh! uw voorzorg was toch inderdaad +overbodig. Wij hebben uwe hulp wezenlijk in menig geval van noode, +en zonder reden zou ik mij daarvan toch zelf niet gaan versteken. +Maar we zijn, geloof ik, een weinig afgedwaald van 't eigenlijk +onderwerp onzer beraadslaging. En omtrent eene zaak nu ben ik niet +volkomen gerust. Wat staat ons, Salhana! van uw broeder, den +Minister in Kacmir, te wachten? Zal hij onze zijde kiezen, of, zoo +niet, kan hij ons wezenlijk nadeel toebrengen? + +--Het laatste vrees ik maar al te zeer,--antwoordde de +Goeverneur,--hij zal de zijde van den tegenwoordigen Koning niet +verlaten, en zoo deze ten onder wordt gebragt, zich veel liever +nog tot Akbar keeren dan tot de onzen, van wien hij niet dan +onheil voor het land en het volk voorziet. + +--Laat hem in dat geval aan mij over!--zei Gorakh. + +--Wat bedoelt gij? + +--Vraag toch niet langer! Ik zeg u: laat hem aan mij, en hij zal u +niet lang in den weg staan. Maar er is nog een ander punt en van +veel meer gewigt. Ik heb alle reden om te vermoeden dat een zeker, +in Kacmir bijzonder beteekenend persoon, dien wij allen lang dood +waanden, maar die, als hij 't eens niet was in zijn land +terugkeerde, al onze plannen in duigen kon doen vallen, inderdaad +nog tot de levenden behoort. + +--Wie, wat?--vroeg Salhana in de uiterste ongerustheid,--gij +meent toch niet.... + +--Ik meen juist dengene, dien gij onderstelt. Ik bedoel +Nandigoepta. + +--Nandigoepta! Maar dat kan immers niet zijn! + +--En waarom niet? Hebben wij ooit eenige zekerheid gehad omtrent +zijn dood? In 't minste niet. Wij weten dat hij plotseling +verdween en dat er niets meer van hem vernomen werd, ziedaar +alles. En nu ben ik voor eenigen tijd tot de ontdekking gekomen, +dat er in het Himalaya-gebergte, in de nabijheid van den +Bhadrinath, een kluizenaar woont, die, wat uiterlijk voorkomen +betreft, bijzonder op den vroegeren Koning gelijken moet, en wien, +let wel! Koelloeka met Siddha Rama op zijn reis herwaarts een +bezoek heeft gebragt. + +--Dat ziet er inderdaad heel bedenkelijk uit!--zei nu ook Selim. + +--Ik heb inmiddels--hervatte Gorakh,--enkelen der mijnen op de +zaak afgezonden, zij zullen wel alles nasporen wat ons tot de +ontdekking der waarheid kan leiden; en, blijft mijn vermoeden +juist, dan,--en hier maakte de Yogi zeker teeken, dat zijn beide +toehoorders maar al te goed begrepen,--dan wijst hem Doerga gewis +als een dergenen aan, die haar welkom zouden zijn. Doch 't zal nu +mijn tijd worden om naar mijn getrouwen terug te keeren. Uwe +Hoogheid zal mij dus zeker wel willen veroorlooven mij te +verwijderen? + +Selim knikte toestemmend, hoewel hij misschien wel gewenscht zou +hebben, dat de priester nooit meer een voet buiten 't kasteel mogt +hebben gezet. En voorloopig ging het drietal uiteen. + +Avond aan avond vernam na dien eersten dag Iravati, wanneer zij +eenzaam in de lanen van het park doolde, het feestgedruisch, dat +uit de hooge en bij die gelegenheden hel verlichte zalen van den +burgt weerklonk. Daar vermaakte zich de aanstaande Keizer van +Hindostan met zijn gastvrienden en danseressen, en trachtte zich +op die wijze schadeloos te stellen voor de verveling van den dag +en voor een wijl de zorgen te vergeten, waarmede zijn eigen +eerzucht hem beladen had. En de getrouwe Nipoenika, die menigmaal, +in hare nederige betrekking weinig of niet opgemerkt en tusschen +de overige bedienden zich inmengend, het een en ander van die +festijnen zag, kwam dan niet zelden ook aan hare meesteresse +bijzonderheden daaromtrent meedeelen, die der reine en van zulke +dingen nog onkundige jonkvrouw het bloed naar de wangen deden +stijgen en het stilzwijgen opleggen aan hare dienares. Of ook +Siddha wel eens daar in Agra deelnam aan feestelijkheden van dien +aard? En die Selim, de toekomstige beheerscher van een wereldrijk +en eenmaal de nagenoeg onbeperkte gebieder over het lot zooveler +volken! Hoe laag hij niet scheen gezonken, ondanks het hooge +standpunt, waarop de fortuin hem had geplaatst! + +En toch vond Iravati geen reden om den Prins te minachten wanneer zij +bij wijlen, gelijk nog al dikwijls gebeurde, 't zij dan met haar vader, +'t zij ook alleen zich in zijne tegenwoordigheid bevond. De wijze +waarop hij gewoon was met haar te spreken was steeds die van een +volmaakt edelman; en wel verre van zich ooit de geringste vrijpostigheid +jegens haar te veroorlooven, bejegende hij haar met een eerbied en +ontzag gelijk de meest hooggeplaatste vorstin die niet anders had +kunnen verlangen. Geen zweem ook van vleijende doch niets zeggende +hoffelijkheid in de woorden die hij tot haar rigtte; maar alles +eenvoudig, ongedwongen, natuurlijk, terwijl ook in menig opzigt zijne +gesprekken werkelijk onderhoudend bleken te zijn en getuigden van een +lang niet gewone geestbeschaving en tamelijk uitgebreide kennis.--Och! +of die jonge, zoo hooggestelde man--zoo overlegde zij menigmaal bij +zichzelve,--wat beter van zijne velerlei gaven gebruik mogt maken, en, +het treflijk voorbeeld van zijn edelen vader voor oogen, zich op andere +wijze dan nu wist voor te bereiden tot de grootsche taak die ook hij +eenmaal te vervullen had! + +Eens op een avond, terwijl Iravati in gedachten verzonken op een +der rustbanken in het park zich had nedergezet, bleef tot hare +verwondering niet alleen rondom, maar ook in den burgt zelf de +meest volkomen stilte heerschen, en geen licht bijkans vertoonde +zich aan de hooge vensters en in de galerijen van het paleis. Een +zachte en zoele wind alleen ruischte er door het gebladerte en +bewoog de toppen der boomen, en uit de vallei daar omlaag klonk nu +en dan de toon eener fluit of het ligt gerinkel van het +klokkenspel, dat eene vrolijke dorpsjeugd begeleidde bij hare +landelijke dansen. + +Een geluid van voetstappen brak op eens de stilte, en in de +avondschemering werd een mannelijke gestalte zigtbaar, die de plek +naderde waar de dochter van Salhana gezeten was. Met een gevoel +van schrik rees zij, bij dergelijke hier wel ongewone verschijning +op, toen zij tot haar verwondering in den vermeenden indringer den +Prins herkende, die, naderbij gekomen, op zijn gewone eerbiedig +hoffelijke wijze haar begroette. + +--Vergeef mij, edele jonkvrouw!--zeide hij,--indien ik, onbewust +van uwe tegenwoordigheid op deze plek, onwillekeurig u kom storen. +Wil mijn avondgroet ontvangen, en ik zal u niet verder lastig +vallen. + +--De stoornis--antwoordde Iravati beleefd,--kan mij wel niet +anders dan aangenaam zijn. Maar inderdaad ik wil wel bekennen, dat +zij mij een weinig verrast. Ik meende dat Uwe Hoogheid gewoon was +op andere en meer vrolijke wijze den avond te korten dan met +stille en eenzame wandelingen. + +--Zoo was het,--sprak Selim,--en ik gevoel volkomen dat ik u +daarmee reden genoeg heb gegeven tot billijke ergernis, en meer +eerbied had moeten betoonen voor de woning waarin gij uw verblijf +houdt. Maar laat voorbij zijn wat voorbij is! Voortaan zal geen +onpassend feestgedruisch in dit uw paleis u meer hinderen, noch de +stilte breken van den nacht. + +Niet zonder verwondering hoorde Iravati den spreker aan. Waartoe +die verklaringen? En vanwaar die plotselinge omkeer? + +--Eene verandering,--ging Selim voort,--en naar ik geloof een niet +geringe is er, hoewel binnen betrekkelijk korte tijd, met mij +voorgevallen. Tot heden was ik... hoor mij aan, en treed niet +terug! ik wil u alles zeggen... tot nu dan was ik een woestaard, +een wellusteling, ja een dronkaard zelfs, ik verberg u niets! Maar +ik heb opgehouden dat te zijn; ik heb gebroken met mijn voorleden, +en de Selim van thans is een andere geworden dan hij gisteren zich +misschien nog betoonde. Ik wil leven voortaan voor pligt en voor +eer, voor het heil der volken die eenmaal aan mijne zorgen mogten +zijn toevertrouwd; ik wil vaarwel zeggen aan alle eerzuchtige en +ongeoorloofde voornemens en bovenal ook aan die nietswaardige, +verlagende verstrooijingen, waarin ik tot heden wel geen wezenlijk +genoegen maar toch een soort van uitspanning vond. Ik wil dat +alles, indien... indien een wensch wordt voldaan, van welks +vervulling mijn geluk, mijne toekomst, en voor een deel welligt +ook die van mijn rijk afhankelijk zal zijn! Die vervulling is in +uwe hand! + +--Ik begrijp u niet, Heer!--sprak Iravati, wie het angstig te +moede werd, en die geen vrouw ware geweest als zij niet maar al te +wel tot het besef was gekomen, waarheen de rede van den Kroonprins +strekken moest. + +--Gij zult mij spoedig begrijpen,--antwoordde deze,--als ik u zeg, +wie die verandering in mijn wezen zoo plotseling heeft teweeg +gebragt. Of liever, behoeft gij nog te gissen en te raden, en hebt +gij niet lang reeds uit al mijn woorden verstaan, dat het niemand +anders zijn kon dan gij en gij alleen?--En zoo is het,--ging hij +met steeds klimmende, doch altijd binnen de grenzen eener +eerbiedige bewondering gehouden geestdrift voort;--sinds het +eerste oogenblik dat ik u aanschouwde, wist ik, althans gevoelde +ik, dat gij een invloed, en een belangrijken, moest hebben op mijn +lot. Ik, die nooit nog voor iemand, wie ook, de oogen had +neergeslagen, ik deed het onmiddelijk voor u, en gevoelde mij +klein en nietig in uwe tegenwoordigheid. En telkens, wanneer ik u +terugzag en met u sprak, en u nader leerde kennen, werd het mij +duidelijker dat gij over mijne toekomst te beslissen zoudt hebben. +Ik begon een afkeer te krijgen van mijzelf en van mijn levenswijs +en die zoogenaamde vrienden, die mij op zoo onwaardige wijze den +avond en dikwijls den nacht hielpen doorbrengen. Toch kon ik nog +niet besluiten, zoo op eens met dat alles te breken, en als dan +onze feesten weer aan den gang waren, ja, dan, ik beken het +openhartig, verdween ook menigmaal uw beeld voor mijn geest, als +de wijn dien weer begon te benevelen. Maar welk een gevoel van +schaamte en van onwil tegen mijzelven dan weder, zoodra ik 's +anderen daags u weer ontmoette! Heden dan werd mijn besluit +genomen en, gelijk gij ziet, ook volvoerd. Alles is stil, de +feestklanken zwijgen, mijne danseressen heb ik weggezonden en de +meesten mijner gasten zijn heden vertrokken of denken morgen +Allahabad te verlaten. Dat alles is uw werk; moge 't door meer en +beter nog gevolgd worden! Maar daartoe is eene voorwaarde +onmisbaar! Wij mogen geen vreemden blijven tegenover elkander; een +nadere band dan eene toevallige en weer voorbijgaande kennismaking +moet ons vereenen. Iravati! kan het nog noodig zijn u duidelijker +te verklaren wat ik voor u gevoel? Welnu dan! ik.... + +--Ach neen, neen, Heer!--riep Iravati hartstogtelijk, en de handen +smeekend omhoog heffend, uit,--zwijg dat woord dat gij gereed +waart te spreken, maar dat ik niet mag aanhooren! + +--Niet mag?--herhaalde Selim vragend--of niet wil? Mij dunkt dat +er van mogen niet te spreken valt, waar een bede tot u gerigt +wordt door mij! + +--Beide dan,--antwoordde Iravati met vaste stem,--niet mag en niet +wil! Ik mag niet, omdat mijn woord van trouw mij aan een ander +heeft verbonden; en mogt ik, toch zou ik niet willen en ook niet +kunnen wat gij verlangt, omdat mijn hart, mijn gansche leven nu +eenmaal dien anderen toebehoort. + +Gelukkig voor haar dat de toenemende duisternis haar belette de +sombere en woeste uitdrukking op te merken, die bij deze vrij +onvoorzigtige woorden op het bleek gelaat van den Prins te lezen +stond. Want had zij 't gezien, zij mogt gesidderd hebben bij de +gedachte aan dien andere en aan hetgeen hem welligt van zulk een +medeminnaar te wachten stond. + +--Bedenk het wel,--sprak Selim, na een wijl gezwegen te hebben, +bedenk het wat gij roekeloos dus versmaadt ter wille van een +jonkman, die u eenmaal misschien dierbaar was en voor 't oogenblik +nog schijnt te zijn, maar die, zoo hijzelf u al trouw bleef, toch +nimmer u kan aanbieden wat de toekomstige beheerscher van het rijk +der Mogols u verzekeren wil! Ik spreek u niet van de schatten die +uw eigendom zouden zijn en van de weelde waarin ge u baden mogt, +wanneer gij eenmaal, aan mijne zijde gezeten, mogt gebieden over +de rijken en vorsten van Hindostan. Te goed is mij bekend, hoe +weinig uw edeler en boven dat alles verheven geest voor dergelijke +verlokking vatbaar ware. En toch blijft ook dit niet te verachten! +Gij meent te weten wat rijkdom en weelde is; maar wat gij tot +heden daarvan gezien hebt, is niet dan ellendig klatergoud tegen +de wezenlijke pracht, die de paleizen en lusthoven van Agra en +Delhi u eenmaal bieden konden. Doch laat dat zijn! Maar bedenk, +zeg ik, wat schitterende toekomst gij verwerpt, indien gij liever +de vrouw wordt van een onbekend en niets beteekenend edelman dan +de magtige Sultane, die den onbeperkten monarch in al zijn doen en +laten beheerscht, en alle grooten en edelen voor hare voeten ziet +buigen, en naar welgevallen over het lot van millioenen beschikt! +Want, zooals ik heden het mijne in uwe handen stel, zoo doe ik, +dat zweer ik met een duren eed! ook van heden af met dat mijner +toekomstige onderdanen. Wat gij wilt en beslist zal mij eene wet, +een gebod zijn, waaraan ik mij niet zal vermogen te onttrekken; +want dit weet ik, niets dan wat edel en goed en verstandig is zal +mij door u worden aangeraden, en geen regtvaardige en geen +onregtvaardig verdrukte ook in het gansche rijk of hij zal steun +en bescherming vinden bij u! + +Te vergeefs bleef de heerscher van morgen, smeekeling nu, op een +antwoord wachten. Iravai zweeg, maar haar stilzwijgen gaf +blijkbaar genoeg geenerlei toestemming te kennen; zij had zich +afgewend en als in stille smart zich met gebogen hoofd het gelaat +met de handen bedekt. Ook het schitterend vooruitzigt haar +voorgespiegeld, had dus geen indruk gemaakt op haar gemoed. + +--Iravati!--sprak Selim weder en nu met diep bewogen stem,--laat de +vrede mij niet aanstonds weer zijn geroofd, die bij uwe verschijning +zoo weldadig was neergedaald in mijne ziel! Door u ben ik een ander +mensch geworden; laat mij niet weder terugkeeren tot wat ik eenmaal was! +Heb medelijden met mij, en met die talloozen ook, die een weldoener in +mij zullen vinden als gij mij ter zijde staat, maar ook een tiran +misschien als gij mij blijft versmaden! Ik ben zwak, dat weet ik; maar +ik zou sterk, ik zou een held, ook in het zedelijke, zijn, als ik aan +uw woord, aan uw aanblik mijne kracht mogt ontleenen. Waarom mij dat +dan ontzegd? Een woord slechts behoeft het u te kosten, en de kroon van +Indie ligt aan uwe voeten, en gij hebt de hand slechts uit te strekken +om ze te plaatsen op uw eigen hoofd!--Maar ik zie het,--ging hij +driftig voort, toen Iravati nog altijd bleef zwijgen,--mijn eerbied, +mijne bewondering, mijne tot alles bereide liefde is u niets, en gij +versmaadt den Vorst voor den onbeduidenden avonturier aan wien gij door +onbedachtzaam eenmaal gesmeede ketenen u gebonden waant! Doch bedenk +ook wel wat gij doet, wat gij waagt, welk lot u zou kunnen treffen, en +ook hem, als eenmaal de liefde van den magthebber verkeeren mogt in +toorn en in haat!... --Maar ik spreek waanzinnige woorden,--zeide hij +weder mismoedig, terwijl hij het hoofd op de borst liet zinken;--wat +reden ook en wat regt heb ik om uwe wederliefde te eischen? Ik ben, hoe +hoog ook eenmaal mijn staat, toch uwer niet meer waardig; ik ben oud en +afgeleefd voor mijn tijd; en hij, die andere is jong en schoon en nog +onbedorven van hart. Wat reden dan voor mij tot klagten? Wat ik ben +geworden, dat heb ik mijzelf gemaakt of een ongelukkig lot dat mij in +een toestand plaatste, waarvoor ik niet berekend was. En toch, hoe +anders, anders had het kunnen zijn, indien datzelfde lot u vroeger dan +heden op mijn weg had gevoerd! Maar te laat nu, te laat!... + +--Mijn Vorst!--sprak thans Iravati zacht,--gij doet uzelven +onregt! Gij hebt reden tot zelfbeschuldiging, maar niet daarom nog +tot dergelijke zelfverachting. En wees verzekerd, ik veracht en +versmaad u niet, al kan ik ook nooit de uwe zijn. Inderdaad, had +ik u vroeger leeren kennen, ook zooals gij thans zijt, maar eer +nog een ander mijne liefde wou en mijn woord van trouw erlangde, +ik had misschien uwe genegenheid kunnen beantwoorden. + +Thans kan zij niet anders dan mij leed doen, ook terwijl ze mij +vereert. Gijzelf trouwens kunt in ernst niet verlangen, dat ik +mijn gegeven woord zou verbreken; en deed ik het, gij zoudt immers +de achting voor mij verliezen, waarop uwe genegenheid steunt. Maar +zelfs in dat geval, dat nu niet meer mogelijk is, had iets moeten +zijn wat toch weer niet denkbaar ware geweest: uw hooge rang had +niet moeten bestaan. Want dien zou ik nooit met u kunnen deelen. +De weelde en de pracht, in wier midden gij u beweegt, zou nooit +mijn levenselement kunnen zijn, en de geduchte verantwoordelijkheid +zou ik niet weten te dragen, die gij geneigd waart op mijne schouders te +leggen. Doch wat er ook van zijn mogt, het is nu eenmaal alles anders. +En waarom ons dus te verliezen in overdenkingen, omtrent hetgeen +misschien had kunnen gebeuren, maar toch niet is? De magtige Deva's, de +ongeziene krachten die ons lot beheerschen, hebben het blijkbaar anders +gewild; onderwerpen wij ons aan hunne voorzeker wijze beslissing, gij +zoowel als ik! En zoo laat mij dan, mijn genadige Vorst en Heer! in den +nederigen staat waarin gij mij gevonden hebt; ga en zie niet meer naar +mij om; vergeet mij voor nu en voor altijd, of zoo ge soms u mijner +nog herinnert, het zij dan om tevens aan het oogenblik te denken, +waarop gij aan edeler gevoelens en verhevener voornemens u +gewonnen gaaft dan te voren uw gemoed hadden vervuld! Wat mij +betreft, ik wil u gedenken, u volgen met mijne gedachten in al uwe +handelingen, in uwe toekomstige, zoo ik hoop en vertrouw, eenmaal +roemrijke daden en gelukkige regering, als gij den troon van den +grooten Keizer bestegen zult hebben; en wees verzekerd dat geen +uwer tallooze onderdanen met meer wezenlijke en hartelijke +belangstelling het oog op u gevestigd zal houden dan zij, die +thans u smeekt haar te verlaten en haar te ontslaan van den +moeijelijken pligt om ongehoorzaam aan uwe wenschen te zijn! + +Naar een antwoord, een passend, een afdoend, overtuigend antwoord +zocht, maar vruchteloos, de voor 't eerst misschien in zijn +gansche leven zoo weersproken despoot... Zwijgend bleef hij voor +de jonkvrouw staan, nu gereed om te spreken, dan weer zich +terughoudend, en te vergeefs naar woorden zoekend om de +tegenstrijdige gevoelens te uiten, die daar woelden en elkaar +verdrongen in zijn brein. Ten laatste trad hij op Iravati toe, +greep hare hand, en na ze even met zijne lippen te hebben +aangeraakt, keerde hij zich om en verdween, zonder een woord +verder te spreken, in de duisternis. + +'s Anderen daags vernam Salhana tot zijn niet geringen schrik, dat +de Prins het kasteel en Allahabad had verlaten, en met een enkelen +dienaar was heengetogen,--niemand wist te zeggen, waarheen. + + + +NEGENDE HOOFDSTUK. + +De keizerweging + +Wat al gewoel daar op dien grooten bazaar, waar Siddha eens in den +morgen rondslenterde tusschen de lange reijen van winkels, die al wat +het oog in die streken maar begeerde en ruimer of beperkter beurs +betalen kon, in rijken voorraad hadden uitgestald! En wat zonderlinge +en vreemdsoortige mengeling van rassen en volken, waarvan de +verschillende vertegenwoordigers, lang reeds aan elkander gewoon, zich +daar kruisten bijkans zonder acht meer op elkaar te slaan! Hier de +oorspronkelijke bewoners des lands, de Hindoe's van meer of minder +zuiver bloed en dientengevolge ook meer of minder gebruinde tint; daar +de menigmaal overmoedige beheerschers, de Perzen en Arabieren en +Tartaren met hun veelal blanker gelaat; elders weer Armeniers en Joden +uit wederom westelijker streken, en ook zonen van het Hemelsch Rijk met +hunne lange staarten en wijde gebloemde japonnen; hier en daar enkele +mannen, wier aanblik in 't bijzonder Siddha's opmerkzaamheid trok, +vermits hij huns gelijken nog niet had gezien, mannen in zonderlinge +kleedij, met puntige, breedgerande met pluimen bezette hoeden, in korte +wambuizen, wijde fulpen broeken en hooge kaplaarzen, en met lange regte +degens in kleurig om den schouder hangend bandelier; eindelijk, in hun +gezelschap, een paar van die geestelijke heeren, waarvan er een niet +lang geleden bij den Keizer zelf was toegelaten geweest. En dan weer +tusschen al die mannen, velen gekomen om te koopen of hun eigen waren +van de hand te doen, anderen ook in voorname ledigheid rondwandelend en +uit de hoogte op de woelige menigte nederziend, een tal van vrouwen van +niet minder gemengde natien en rangen; verscheidene in 't eeuwenheugend +onveranderd Indisch volkskostuum, eenvoudig maar sierlijk en bevallig +steeds, dat heupen en linkerschouder wel bedekkend, een deel van den +regter zigtbaar liet; andere in kleuriger meer opgeschikt Perzisch +gewaad; enkele ook digt gesluijerd naar streng Mohammedaansche zeden +en niets vertoonend wat aan een menschelijk wezen kon herinneren dan +een paar met roode pantoffels geschoeide voeten en een paar donkere +oogen, die overigens glinsterend genoeg door de ronde gaten van +den vormloozen alles overdekkenden sluijer gluurden; sommige +eveneens daar verschenen om huishoudelijke inkoopen te doen of +zich in 't bezit te stellen van meer overtollige snuisterijen; +maar verscheidene ook om er iets anders nog dan koopwaren te +zoeken of wel op meer of min bedekte wijze zich zelve daarvoor aan +te bieden; deze laatste de bewoonsters van dat sterk bevolkt +gedeelte der stad, dat in de wandeling onder den eigenaardigen +naam van Shaitan-poera of "Satanstad" bekend was. + +Juist wilde Siddha aan een der voorbijgangers vragen, wie die hem +nog onbekende mannen waren, toen hij zijn vriend en begunstiger +Feizi zag naderen en de vraag dus aanstonds tot dezen rigten kon. + +--Dat zijn Franken,--antwoordde Feizi,--of zooals ze met hun meer +bijzonderen naam zich heeten, Portugezen. Zij komen uit zeer verre +streken van het Westen om hier in Indie handel te drijven, en die +anderen, die daar met hen zijn, om ons te bekeeren tot wat zij +noemen het alleenzaligmakend geloof. + +--En die twee,--vroeg Siddha,--die van de andere zijde naderen, +behooren die ook tot hen? Zij dragen nagenoeg dezelfde kleeding, +maar hun gelaat is, dunkt mij, blanker; en wat rosse haren en +baard! + +--Ook wel Franken!--verklaarde Feizi,--maar toch van de anderen +onderscheiden. Het zijn Engelschen, die hier de Portugezen zoeken +te verdringen, maar tot nog toe met weinig geluk. + +Ook zijn ze niet erg bij den Keizer en bij onze grooten gezien. +Eenige weinige jaren later nog, en Feizi had onder die vreemde +Westerlingen in Agra, die hij, even als zijne tijd en landgenooten +onder den algemeenen naam van Franken begreep, ook nog anderen +kunnen aanwijzen, die wederom van genen verschilden. Hij had er +dan kunnen wijzen op de forsche, schoon soms ietwat plompe +gestalte en het goedronde gezigt van Hollander en Zeeuw, die +mannen, die onder aanvoering van Pieter van den Broeeke daar +almede hunne fortuin of die hunner meesters, de Bewindhebbers der +Oost-Indische Compagnie, kwamen beproeven en lange jaren beide +voor Portugezen en Britten de meest geduchte mededingers op de +markten van Hindostan en de rijken der Mogols zouden zijn, en die +ook in de Indische wateren de eer der Nederlandsche vlag met roem +zouden weten te handhaven tegen "Gijs" of "Gijs-oom", gelijk zij +bij wege van spottende, zooal spraakkunstig min verdedigbare, +verkorting gewoon waren hun aartsvijand in die streken te +betitelen. Maar hun tijd was toenmaals nog niet gekomen. + +Terwijl inmiddels de beide Engelschen voorbijgingen bekeek hen +Siddha met die soort van nieuwsgierigheid, die, bij het zien van +nog onbekende vreemden niet onnatuurlijk, doch ook ver was van +beleefd te mogen heeten. Doch Siddha gevoelde, na 't geen hem +omtrent deze lieden was meegedeeld, te weinig eerbied voor hen dan +dat hij 't noodig rekende hun zijne gewone hoffelijkheid te +betoonen; en ook Feizi zelf scheen hun nauw een blik waardig te +achten. + +--Verdoemde, trotsche Mooren!--bromde een der beide zonen van +Albion in zijn taal, terwijl hij verder ging. + +Hadden die twee mannen, die inderdaad nog al hoovaardige Indier, +dien de ander voor een Perziaan of Arabier aanzag, en die thans +nog geminachte Brit eens een enkelen blik in de toekomst kunnen +werpen, en hadden zij vermoed, dat de opvolgers van dezen eenmaal +de beheerschers van die des anderen en de oppergebieders van het +land zouden worden, ze hadden elkaar waarschijnlijk met wat meer +opmerkzaamheid gadegeslagen. En met te grooter belangstelling +zeker nog indien iemand hun toen eens had kunnen zeggen, dat zij +de afstammelingen waren van een en hetzelfde volkengeslacht, en +dat die vreemdeling, wat alouden oorsprong aanging, vrij wat nader +bij Siddha stond dan deze bij menig zijner uit Semitisch ras +gesproten vrienden. + +--Doch laat al dat volk voor 't geen 't is!--sprak Feizi weder,-- +die lieden doen ons overigens hier geen kwaad, maar integendeel +veel nut aan onzen handel en onze industrie. Ook leveren ze ons +verscheiden goede schilders en andere kunstenaars. En omtrent hun +eigen landen hebben ze ons veel geleerd. Als zij hier maar niet +trachten den baas te gaan spelen, zooals dat elders wel in hun +smaak schijnt te vallen! + +--Nu, maar dan zou ik ze toch aanstonds de deur uitzetten!--zei +Siddha. + +--Dat zou ook stellig wel gebeuren, dat verzeker ik u! Maar nu +iets anders! Vooreerst dan: Hebt ge mijn vos al eens gereden, +zooals wij hadden afgesproken? + +--Wel-zeker! antwoordde Siddha,--en met het grootste genoegen. Een +alleredelst dier!--En hij begon zich te verliezen in lofredenen op +het paard van Feizi. + +--Hij bevalt u alzoo?--sprak deze,--nu, dan zal ik hem op uw stal +laten brengen. Gij kunt hem houden als gij wilt; en in den +aanstaanden veldtogt zal hij u wel te pas komen. Uw schimmel is, +ik erken het, een fraai paard en heel goed gedresseerd, maar, zoo +'t mij voorkomt, niet zoo heel sterk. De vos is dat juist +buitengewoon. En ikzelf rijd hem toch zelden; ik wil 't ook wel +bekennen, ik ben wat lui geworden en gebruik liever een beest van +wat zachter beweging. + +--Maar,--zei Siddha, over dergelijke geedheid verlegen,--dat is +waarlijk een toch al te kostelijk geschenk, dat ik niet aan u heb +verdiend! Uw vos is een volbloed, prachtige Arabier, zooals ik er +nog nooit een gereden heb. + +--Als ik mijn vrienden iets aanbied,--zei Feizi,--dan dient het toch +ook iets redelijks te zijn. Maar ik heb u nog iets anders te vertellen. +En wel omtrent de vergadering die er gisteravond in het paleis werd +gehouden en waarbij ik u gaarne tegenwoordig had gezien. Verbeeld u! in +weerwil van al de staatszorgen die den Keizer weer overstelpen, vond +hij toch nog tijd en lust als gewoonlijk om zijne wijsgeerige en +theologische zamenkomsten te houden; en juist nu was dan ook de +gelegenheid bijzonder gunstig, nu de Christenzendelingen uit Goa weer +over waren gekomen. Zoo had hij dan gister, in een der groote zalen +van het paleis, een aantal oelemah's en moellah's, waaronder natuurlijk +ook Abdal Kadir, verzameld, en met hem een paar Jezuieten, een Jood en +een Parzi, benevens uw voormaligen, hier teruggekomen leermeester +Koelloeka, dien gij gewis reeds begroet zult hebben, en Aboel Fazl, +mijn broeder. Ik zelf had ook de eer en het genoegen daarbij aanwezig +te zijn, en nam in den loop der discussie uwe aloude atheistische +natuurphilosophie voor mijne rekening al keek ook Akbar zelf daarbij +soms wat schuin, terwijl Koelloeka voor den regtzinnig Brahmaanschen +Vedanta optrad, en Aboel Fazl zich meer op algemeen humanistisch terrein +bewoog. Koelloeka betrapte hem nu en dan wel op erg Boeddhistische +ketterijen, maar liet dat gaan, in aanmerking nemend dat er geen +Boeddhist in 't gezelschap was om zijne leer te verdedigen, gij weet +toch, er zijn er hier nog wel, maar niet bekwaam genoeg om aan +dergelijke gesprekken deel te nemen. Wat nu inmiddels, zoo +belangwekkend dan overigens die gesprekken, waarbij de Keizer meer +voorzat dan meeredeneerde, nog het merkwaardigst mogt heeten, was de +afloop van de gansche vergadering. In den beginne ging alles zoo +ordelijk en hoffelijk als maar verlangd kon worden: onze moellah's +bleven statig en deftig en lieten zich niet veel uit; de padre's waren +heel zachtzinnig en floten zoet als vogelaars; de Jood, een volgeling +van Maimonides, bleef, dat dient gezegd, ten einde toe waardig, schoon +hij niet veel zeide en zich ook niet bijzonder op zijn gemak scheen te +voelen; de Parzi was dichterlijk, maar niet altijd heel goed te +begrijpen; en wij, we wierpen zoo nu en dan enkele stellingen en +bewijsgronden in de discussie, die we bij uwe wijsgeeren van ouds en +ook hier en daar bij sommige onzer Arabische en Perzische hadden +opgedaan, maar die geenszins in den smaak van de strijdende partijen +bleken te vallen. Langzamerhand evenwel, zooals dat gemeenlijk gebeurt, +begonnen deze zich warm te maken; van argumenten kwam het tot +magtspreuken en van magtspreuken tot harde woorden, voornamelijk +tusschen onze Moslemim en de Jezuieten, hoewel ook wij in 't geheel +niet en door geen hunner werden gespaard; en in 't eind werd het een +gescheld en gevloek en geschreeuw, ondanks de tegenwoordigheid van den +Keizer zelf, dat hooren en zien ons dreigde te vergaan. Vooral de +moellah's weerden zich dapper. Gij begrijpt trouwens, dat ze zich +hier wel 't meest verongelijkt moesten achten. Akbar intusschen +zat het dwaze tooneel niet zonder inwendig genoegen aan te zien en +keek mij menigmaal glimlagchend aan; maar ten slotte werd het hem +toch te erg, en begreep hij dat aan zijne waardigheid te kort zou +worden gedaan als hij 't langer liet voortduren.--Feizi!--zeide hij, +mij wenkend,--laat dat volk de deur uitwerpen als het zich niet langer +behoorlijk weet te gedragen! Ik gaf hun nu immers weer de ruimste +gelegenheid om hun geloofstheorien tegenover elkaar te verdedigen, ten +einde dan zelf te zien wie de beste gronden voor de zijne zou weten aan +te voeren. En wat doen ze nu? Elkaar uitschelden en verdoemen, anders +niet. Hoor mij dat rumoer nu eens aan! Zoo aanstonds gaan ze, geloof +ik, nog vechten! Maak er een eind aan!--Sire!--antwoordde ik,--dan zou +'t toch maar best zijn ze allen te zamen weg te jagen; want zoolang er +nog twee overblijven, komt er toch geen eind aan 't gekijf.--Akbar +lachte, maar stond toen op van den zetel waarop hij tot nu toe met de +meest mogelijke kalmte was blijven zitten; en, zijne magtige stem +verheffend, terwijl nu aanstonds al de twistenden zwegen, zeide hij: +--Wij danken u, mijne heeren! voor den leerrijken avond, dien uwe +welwillendheid en uwe belangwekkende zamensprekingen ons heden weder +verschaft hebben, en wij houden ons voor eene nadere bijeenkomst +aanbevolen. De tegenwoordige zij voor 't oogenblik gesloten!--En met de +hand wenkend, liet hij de aanwezigen gaan, waarvan de meerderheid zich +al grommend verwijderde. Och, Siddha! wat zijn de menschen toch gek, +dat ze elkaar zoo haten en vervloeken om afgetrokken stellingen over +zaken, waarvan ze toch niets weten en wier kennis, al bezaten ze die +ook, hen geen stap verder zou brengen tot de werkelijke beoefening van +wat eer en pligt hun gebieden! + +--Dat zeg ik ook! En 't laatste is waarlijk al moeijelijk genoeg! +--antwoordde Siddha met een zucht, en zichzelven vrij wat meer dan +de ander nog kon vermoeden, van die moeijelijkheid bewust. + +--Maar vertel mij nu eens,--hernam Feizi,--ik vergat nog 't u te +vragen, hoe komt ge hier in eens zoo terug? Ik dacht dat gij met +de uwen reeds naar 't leger op weg waart. + +--Dat was ook zoo,--gaf Siddha ten antwoord,--wij waren reeds +vertrokken, maar ontvingen tegenbevel onder weg. En zoo blijven we +dan nog eenige dagen in Agra; 't geen mij bijzonder genoegen doet, +omdat het mij in de gelegenheid stelt, het groote feest van heden, +het geboortefeest van den Keizer, bij te wonen, waarvan ik veel +gehoord heb.--Dat er nog een andere reden was, waarom Siddha nog +gaarne wat langer in Agra vertoefde, vond hij natuurlijk niet +noodig er bij te voegen. + +--Gij herinnert mij tevens,--sprak Feizl weder,--dat het tijd zal +worden om naar het paleis te gaan voor den doerbar. De Keizer +ontvangt heden, zooals gij weet, de vreemde gezanten. Ga mee, gij +kunt er uw plaats innemen onder de officieren van uw rang. + +Minder dan toen hij voor 't eerst een doerbar of audientie van den +Mogel bij woonde werd Siddha, na met Feizi de groote troonhal te +zijn binnengetreden, en in 't eind ook de Keizer verschenen was, +door den indruk getroffen, dien al wat hem daar omringde op den +bezoeker te weeg moest brengen; maar toch kon hij ook nu niet +nalaten de sierlijke pracht der wit marmeren kolommen en der met +fraai mozaiekwerk ingelegde wanden te bewonderen en de luchtige, +fijn gehouwen bogen en de menigte van veelkleurige zijden en +fluweelen voorhangsels, die in bevallige plooijen tusschen de +hooge zuilen heen en weder wuifden. Meer nog echter trof hem +ditmaal de aanblik der vergadering, grooter en plegtiger thans dan +bij andere, vroegere gelegenheden. Aan 't eind der hal, van boven +beschenen door een niet te sterk licht, zat de Groote Mogel op +zijn kostbaren, van edelgesteenten schitterenden troon; aan +weerszijden, in lange reijen, allen staande, de omrah's en +oelemah's, de ministers, de veldheeren en alle verdere grooten van +hoogen rang; voorts de gezanten van verschillende natien, allen in +hun bijzondere kleederdragt; daar tusschen de padre's Jezuieten, +en eindelijk de mindere beambten en officieren, waaronder ook +Siddha, overeenkomstig zijn rang, een plaats had ingenomen. + +Het voornaamste deel der plegtigheid was de uitwisseling van +geschenken. De gezanten, en ook anderen, begaven zich ieder op +zijn beurt tot den Keizer, legden, voor den troon gekomen, op de +officieele wijze de regterhand tegen het voorhoofd en bogen dan +het hoofd bij wijze van begroeting. Daarop stelden zij de +geschenken, die zij medebragten, meest kostbare voorwerpen van +kunst, aan de eene zijde van de trappen der verhevenheid waarop de +troon geplaatst was, en namen dan de tegengeschenken in ontvangst, +die van wege den Keizer hun werden aangeboden. Ook Rodolpho +Aquaviva begaf zich op zijn beurt tot den Mogol en, een prachtig +gebonden Latijnschen Bijbel in de hand houdend, wilde hij dien op +de gebruikelijke wijze nederleggen, toen Akbar zelf opstond, een +paar schreden voorwaarts deed, en het boek persoonlijk uit handen +van den zendeling aannam. + +--Wij danken u, Eerwaarde Vader!--zeide hij,--voor uw welgedachte +geschenk! En wij willen hopen, dat hetgeen wij van onzen kant u +hebben aan te bieden, ook u niet minder welkom zal zijn. + +En van een nevens hem staanden Brahmaan van hoogen rang een +sierlijk handschrift van vrij grooten omvang aannemend, gaf hij +dit over aan den Jezuiet, onder bijvoeging van de woorden: + +--Het is een handschrift van den Atharva-Yeda, een der oudste +heilige boeken onzer Indiers, met daarnevens gelegde Perzische +vertaling. + +Eerbiedig nam Aquaviva het Keizerlijk geschenk in ontvangst, schoon het +de vraag mogt heeten of hij er zoo bijzonder mee was ingenomen en er +niet eenige toespeling in zag op het verhandelde ter vergadering van +den vorigen avond, 't geen te meer waarschijnlijkheid erlangde doordien +den Keizer steeds vooruit bekend was, welke bepaalde geschenken zouden +aangeboden worden ten einde de zijnen daarnaar te kunnen inrigten, en +er alzoo wel eene bepaalde bedoeling in het tegengeschenk moest zijn +gelegen. Maar wat de padre ook dacht, niet moeijelijk viel te raden hoe +de zaak door de regtzinnige Mohammedanen zou worden opgevat. En +werkelijk fronste zich menig voorhoofd in hunne reijen, en niet dan met +de uiterste moeite kon Abdal Kadir zich weerhouden, openlijk aan zijne +verontwaardiging lucht te geven. Dat zij niet op den zin van het +tegengeschenk letten en niet begrepen hoe Akbar juist daarmede te +kennen gaf, dat hij volstrekt geen partij trok voor de Christenen in +het bijzonder, sprak wel van zelf; zij zagen alleen op de buitengewone +eer den Christen bewezen; maar Aboel Fazl, die de zaak beter vatte, +schudde toch ook, hoewel nauw merkbaar het hoofd; die vrij noodelooze +uittarting en beleediging van de Mohammedanen door den anders zoo +verstandigen en humanen Akbar was hem leed, ook al kon hij voor 't +overige niet geheel ontkennen, dat ze voor hun onhebbelijk gedrag van +den vorigen avond wel iets hadden verdiend. + +Na afloop van de eigenlijke receptie bleef de Mogol nog eenigen +tijd anderen ten gehoore ontvangen, en liet ook dezen en genen tot +zich komen om hun openlijk eenige opdragt te geven of met een of +ander ambt hen te bekleeden. Zou in 't eind ook onzen Siddha, dien +zijn altijd scherp oog daar onder zijne officieren had opgemerkt. + +--Siddha Rama!--zeide hij,--wij hebben reden, over u tevrede te +zijn. En uit aanmerking daarvan zijt gij van heden af Mansabdar +over duizend. Blijf ons vertrouwen u waardig betoonen! + +Een hoog rood overtoog Siddha's gelaat, terwijl hij stilzwijgend +en op de gebruikelijke wijze diep het hoofd buigend den Keizer +zijn dank bragt voor de op nieuw hem bewezen gunst. Het vertrouwen +van Akbar waardig! Kon er een zijn in het leger, die het nog +minder verdiende? En toch ... zijn land, zijne betrekkingen en-- +Rezia! En de Keizer had immers ook wel eenig belang bij zijne +spoedig te verwachten medewerking voor de zaken van Kacmir. 't Was +dus niet alles edelmoedigheid en gunst! Akbar intusschen zag in de +verlegenheid van den jongen krijgsman niet dan eene ligt +verklaarbare en zelfs loffelijke bescheidenheid, toen hij zoo +openlijk zich geprezen en met gunsten, door de Moslem's hem weer +benijd, overladen zag, en vriendelijk knikte hij den jongeling +toe, terwijl hij hem wenkte dat hij zich verwijderen mogt. + +Niet lang nu ook of het oogenblik was daar waarop het eigenlijke +volksfeest een aanvang zou nemen. Daartoe was een uitgestrekt veld +buiten de stad bestemd; en derwaarts stroomde uit alle straten en +langs alle wegen eene bonte menigte van voetgangers en ruiters, +velen te paard, anderen op fraai uitgedoste olifanten, verscheiden +ook op kameelen met eetwaren en andere ververschingen beladen ten +gerieve der velen, die kwamen deelnemen aan de vermakelijkheden. +In dat bont gewoel mengde zich weldra ook Siddha met zijn vriend +Parviz, dien hij bij 't verlaten van het paleis had ontmoet en die +hem hartelijk geluk wenschte met zijne nieuwe bevordering. + +--En gij,--vroeg Siddha,--hoe staat het met uwe belangen? + +--Gij meent waarschijnlijk mijne heel bijzondere, niet waar?--zei +de andere lagchend,--nu dat gaat nog al. Haar wie mijn hart +behoort zag ik meermalen in den laatsten tijd, en schoon dat zeer +in 't geheim geschiedt, heb ik toch reden om te vermoeden dat +Todar Mal, haar vader, dat heel wel weet en er eigenlijk niets +tegen heeft, al geeft hij zich natuurlijk den schijn als ware 't +hem volkomen onbekend. Ik geloof trouwens dat mijn oom Feizi niet +geheel vreemd is aan die gunstige wending. Zegene hem Allah! zou +de vrome Abdal Kadir zeggen. + +En hier verdwaalde de goede Parviz, zooals te verwachten was, in +een stroom van lofredenen op de schoonheid en de deugden der +aangebedene, die voor hem natuurlijk van hoog, maar voor zijn +toehoorder niet dan van matig belang waren, maar in elk geval +strekten om de beide vrienden bezig te houden tot zij, al +voortwandelend, op het feestterrein zelf waren aangekomen. + +Ook hier was de aanblik niet minder levendig en ongetwijfeld nog veel +vrolijker dan te voren die van het uitgestrekte legerkamp. Eene +onafzienbare menigte bewoog zich in de meest bonte groepen over het +groote, golvende veld, waar tallooze grootere en kleinere, op allerlei +wijze uitgemonsterde tenten waren opgeslagen, en vooral ook de vele +olifanten met hunne logge en meestal donkere ligchamen maar schitterende +dekkleeden en rijk versierde zetels eene schilderachtige afwisseling +tusschen de zooveel kleinere gestalten der voetgangers en ruiters te +weeg bragten. In 't bijzonder trokken de keizerlijke de aandacht, wier +gouden borst- en hoofdplaten met groote smaragden waren getooid, +en wier reusachtig ligchaam ook overigens met een schat was +beladen, die op zich zelf reeds een matig fortuin voor een stil en +gewoon burger mogt hebben vertegenwoordigd. Op een der aldus +gesierde vertoonde zich de Groote Mogol zelf, en in 't midden van +een breeden kring van hovelingen afstijgend, begaf hij zich met +hen naar de plaats waar de groote plegtigheid van den dag stond +gevierd te worden, eene plegtigheid evenwel, die meer de opmerking +verdiende om het zonderlinge dan wel om het indrukwekkende dat +haar eigen was, en die velen op meer of min gezochte wijze +getracht hebben zinnebeeldig te verklaren, maar waarvan toch de +regte beteekenis den geschiedschrijver nog ontsnapt. + +Op een kleine verhevenheid bevond zich een vrij omvangrijke en +sterke weegschaal, waarop een man zich gemakkelijk plaatsen kon. +In de eene schaal lagen hoopen goud en zilver en edelgesteenten; +de andere, nu nog omhoog gehevene, was ledig. Op deze stelde zich +nu de Keizer zelf ten aanschouwen van de honderden en duizenden +zijner onderdanen die daar van alle kanten zich in 't ronde hadden +geschaard; de andere schaal werd zoolang beladen en weder ontladen +tot zij in evenwigt met den doorluchtigen persoon des Mogols was +gekomen. En deze toonde wel, zijn redelijk gewigt tegen dat der +edele metalen te bezitten; jammer maar dat er niet wat anders nog +in de andere schaal gelegd kon worden, zooals pligt en eer en +goede trouw en geestdrift voor al wat groot en schoon was; want +ook tegen dit alles gewogen, ware Akbar voorzeker niet te ligt +bevonden. Nadat nu evenwel de weging bezwaarlijk anders dan tegen +iets stoffelijks had kunnen geschieden, stapte hij na afloop +daarvan bedaard weer van zijn schaal, en het goud en zilver werd +met het overige onder de omstanders verdeel. Ten slotte begaf zich +de Keizer tusschen de groepen die hem omringden, wierp onder de +omstanders een menigte van kleinere gouden voorwerpen, in den vorm +van bloemen en vruchten gedreven en door zijn dienaren hem +overgereikt, en rigtte middelerwijl tot dezen en genen, 't zij dan +hooger of lager gestelde, een minzaam en belangstellend woord, +waarmede hij velen op nieuw in de overtuiging bevestigde, dat het +volk in Akbar niet enkel een groot en magtig, maar ook een +welwillend gebieder had erlangd, wien het heil zijner onderdanen +meer nog dan zijne eigene grootheid ter harte ging. + +Na afloop van de zoogezegd meer ernstige ceremonien van den dag +begon de eigenlijke feestvreugde eerst regt, en werden de talrijke +bezoekers van het terrein met allerlei vermakelijkeden bezig +gehouden. Hier goochelaars en grappenmakers, die verschillende +sterke toeren verrigtten en dwaze kunsten vertoonden; ginds +dansers en danseressen, die met hun gewone langzame bewegingen en +op de maat eener vrij eentoonige muziek hun meerendeels mimische +dansen uitvoerden; verder op weer ruiters met lange speren naar +ringen of andere voorwerpen stekend; en op een enkele plek ook de +wonderlijke en afzigtelijke vertooning van een paar dier +vreemdsoortige wezens, die op merkwaardige wijze, alleen Indien +eigen, een soort van godsdienstige handeling wisten te verbinden +met wat men elders kermistoeren noemen zou; nagenoeg gansch naakte +mannen, die een goede twintig voet boven den grond aan ijzeren, +met een koord aan 't eind van een bewoegbaar dwarshout bevestigde +en achter in hunne naakte schouders vattende haken slingerden. +Vooral hier, waar die vertooning weinig gewoon was, trok zij de +aandacht van zeer velen; en ook Parviz bleef met belangstelling +opzien naar het schouwspel, terwijl Siddha, die het elders reeds +dikwijls had bijgewoond, er vrij onverschillig bij bleef. + +--Wat die lieden toch kan bezielen?--zei Parviz tot zijn vriend;--men +zegt dat ze die pijniging uit godsdienstijver ondergaan, maar +waarom kiezen ze dan juist een volksfeest er voor uit? Vrolijk is +de zaak toch niet. En wat ik ook maar niet kan begrijpen, is, dat +ze na hun vertooning blijkbaar nog ongedeerd zijn en er nauwelijks +pijn van schijnen te gevoelen. + +--Dat kan ik nu van mijne zijde u misschien duidelijk maken,-- +antwoordde Siddha;--gij weet dat dergelijke martelingen als ons +hier schijnen vertoond teworden, door sommigen onzer godsdienstijveraars +als verdiensten worden beschouwd, waarmede de hemel te winnen valt; en +wanneer nu anderen, die de martelaars staan aan te zien, na afloop der +plegtigheid hun meer of minder geld schenken dan verwerven de gevers +zich ook een deel van de verdiensten die genen te veel hebben. Vandaar +dat er nog al winst voor de vertooners te behalen is op plaatsen, waar +ze veel bijgeloovig volk bijeen vinden. Hier schijnt dat evenwel minder +te lukken dan in 't oosten en noorden. Wat nu hun kunsten zelven +aangaat, daarvan is het geheim wel niet met zekerheid bekend, +maar, naar ik geloof, toch wel eenigermate vermoed. Bedrieg ik mij +niet, dan voeren zij altijd eenige vrouwen met zich, hoewel deze +zich niet met hen in 't openbaar vertoonen, en laten zich door +haar den halven dag en vooral onmiddelijk voor den aanvang hunner +kunsten, in en onder de schouderbladen zoolang knijpen dat zij +bijkans ongevoelig worden op die plek en na lange steeds +voortgezette oefening de haken er zoo in vatten kunnen, dat ze hun +geen kwaad en bijkans ook geen pijn meer doen. + +--Wonderlijke aardigheden toch!--merkte Parviz op. + +--Ja, en ellendige ook, voor zoover ze 't bijgeloof helpen voeden. +Eerlijke en fatsoenlijke Brahmanen verachten ze dan ook diep. Maar +hebt ge mij niet gezegd, dat wij een dierengevecht te zien zouden +krijgen? + +--Welzeker! en ik bemerk daar aan de vlaggen ginds dat het haast +zal beginnen. Laat ons daar heen gaan en er een plaats zoeken! + +Die te vinden op de rondom het strijdperk opgerigte en fraai versierde +tribunes, in wier midden de Keizer zelf met velen zijner hofhouding +gezeten was, viel den beiden vrienden niet moeijelijk. De teekenen van +hun rang gaven hun spoedig toegang tot een der kleinere stellaadjen; en +weldra verschenen nu ook van twee verschillende kanten de beide +strijdolifanten, elk met een schitterend dekkleed getooid en bereden +door zijn eveneens kleurig uitgemonsterden kornak. Voorbereiding tot +den strijd was er weinig. Zoodra de beide geweldige dieren elkaar +genaderd waren, rigtten ze zich al snuivend op hunne achterpooten +omhoog, bliezen hunne flanken op, grepen elkander bij de tromp, zoodat +de eene plotseling als in de andere scheen geslingerd, en trachtten +elkaar stooten toe te brengen met de lange vooruitstekende slagtanden, +terwijl hunne berijders nu eens met de knieen achter hunne ooren, dan +weer met de handen aan de singels der dekkleeden zich wisten vast te +klemmen. Geruimen tijd duurde het woedend gevecht en met wisselend +geluk, zoodat nu eens de eene olifant, dan weer de andere +achteruitdeinsde, tot ten laatste een der beide werd omgeworpen, +terwijl de kornak met een vluggen sprong veilig op zijne voeten teregt +kwam. Terstond sloeg nu die van den overwinnaar zijn haak in de altijd +open gehouden wond bij het oor, en zonder verder zijn gevallen +tegenstander leed te veroorzaken trad het dier, door de pijn tot +gehoorzaamheid gedwongen, terug. De Keizer klapte in de handen, de +hovelingen en andere toeschouwers volgden zijn voorbeeld, en +langzamerhand verliet men weder de tribunes. + +--Akbar schijnt veel belangstelling in dergelijke gevechten te toonen, +--merkte Siddha aan, terwijl hij met zijn vriend verder wandelde. + +--Ja,--antwoordde deze,--dat is zoo. Akbar houdt van alles waarbij +kracht en behendigheid van menschen of van dieren te pas komt. Hij +zelf is, gelijk gij ook wel kunt zien, buitengewoon sterk; hij is +beter misschien dan eenig ander bedreven op alle wapens; en zijn +persoonlijke moed in den krijg en op de jagt is, zooals gij zeker +wel vernomen hebt, van dien aard dat daaraan eer de naam van +roekeloosheid te geven zou zijn. 't Is soms of hij de gevaren +opzoekt in plaats van ze te vermijden, en zijne veldheeren en +jagtvrienden hebben menigmaal heel wat met hem te doen als hij +eens aan den gang is. Nu, van zijn velerlei avonturen zult gij ook +wel al vrij wat gehoord hebben; sommige, 't is waar, zijn +overdreven voorgesteld, maar ik weet er toch waarvoor ik zou +durven instaan. Feizi, die zelf er enkele bijwoonde, zal er u bij +gelegenheid wel eens van vertellen. + +Zoo, onder verschillende gesprekken, wandelde men nog een tijd +lang voort, en besloot toen de zaak maar voor gezien te houden en +naar de stad terug te keeren. Eensklaps echter bleef Siddha staan, +terwijl hij met groote verwondering naar het tentje op den rug van +een der vele fraai opgesmukte olifanten keek, dat zijn oog daar +toevallig ontmoette. De vrouw toch, die hij daar nevens een paar +andere op de zijden kussens zag geleund, en die haar ligten, met +een schitterenden diamant aan den kleinen tulband bevestigden +sluijer had ter zijde geschoven, was,--hij kon zich daarin niet +bedriegen,--buiten allen twijfel niemand anders dan Rezia; en +naast haar ontwaarde hij ook de hem welbekende dienares. Maar wat +kwam ze hier uitrigten, zij, die altijd beweerd had, zich met de +meeste zorg voor het oog van vreemden in hare stille afzondering +te verbergen? En dat juist op een oogenblik nu zij allen grond had +te meenen dat Siddha naar het leger vertrokken was! Had zij hem +dan bedrogen en was zij eene andere dan zij gezegd had te zijn? + +Zoo bedaard echter en schijnbaar onverschillig als hem mogelijk +viel, vroeg hij zijn medgezel, naar Rezia wijzend, die, een +anderen kant uitziende, hem niet onder de voetgangers opmerkte:-- +Kent gij die vrouw? + +--Die daar met den teruggeslagen sluijer en de dienares met den +waaijer van pauwenveeren nevens haar?--vroeg Parviz,--welzeker! +zou ik die niet kennen? En 't verwondert mij zelfs dat gij niet +weet wie zij is. Maar 't is waar, zij vertoont zich niet veel, +vooral niet in den laatsten tijd. Welnu dan, dat is.... + +En hier noemde Parviz een naam, waarvan het aanhooren zijn vriend +een schok deed ondervinden gelijk hij zijn gansche leven nog nooit +was gewaar geworden, en een gevoel bij hem deed ontstaan als +bevond hij zich op den uitersten rand van een der hoogste +rotsklippen in zijne noordelijke gebergten en als stortte hij, +door eene duizeling bevangen, in den peilloozen afgrond.... + +--Dat is--zei Parviz,--eene vrouw, van welke gij toch in elk geval +wel gehoord zult hebben: Goelbadan, de vrouw van Feizi! + + + +TIENDE HOOFDSTUK. + +Verrassingen + +--Nu?--vroeg Parviz, verwonderd over Siddha's nog al vreemde +houding,--wat gaat die naam of die vrouw u aan? Gij zijt toch, +hoop ik, niet maar zoo in eens bij 't eerste gezigt op Goelbadan +verliefd geworden? Ik zou 't u trouwens ook niet raden; want +Feizi, anders de goedheid zelf is gansch niet gemakkelijk als 't +zijn vrouw geldt, op wie hijzelf nog smoorlijk verliefd is. + +--Een voorbijgaande herinnering!--antwoordde Siddha, zoo goed +mogelijk zich herstellend,--een herinnering opgewekt toevallig +door een overeenkomst van naam, maar die overigens met de vrouw +van Feizi niets te maken heeft. + +--Des te beter!--hernam de ander, en zwijgend gingen beiden voort. + +Alleen te zijn, zoo spoedig mogelijk van Parviz los te komen,-- +geen andere gedachte bezielde voor 't oogenblik diens medgezel. +Daar zag hij een zijner ondergeschikten op en neder wandelen.... + +--Vergun mij,--zeide hij tot Parviz,--u voor 't oogenblik vaarwel +te zeggen, ik heb dien man daar te spreken. Intusschen blijf ik u +ook ditmaaal weer dankbaar voor uw vriendelijk geleide! + +En haastig zijn vriend groetend, wenkte hij den ruiter en was +spoedig met hem in een gesprek over dienstzaken, maar dat hij even +snel weer afbrak zoodra Parviz uit het gezigt was. + +Toen snelde hij heen met rassche schreden. Waarheen? Hij wist het +niet. Maar hij liep voort, altijd voort, denkend, droomend, als in +een roes van dronkenschap. + +Goelbadan, de vrouw van Feizi! Verraad alzoo, schoon ditmaal +onwetend, maar dan toch van de allerergste soort, jegens den man, +die op de meest belangelooze wijze zich hier, in den vreemde, zijn +opregten vriend had betoond, en hem voorregten had verzekerd +zooals geen ander in zijne plaats zonder dergelijke bescherming +ligt verworven zou hebben; verraad jegens den Keizer, die hem met +onverdiende en onverwachte gunsten overladen had; verraad en +schandelijke ontrouw jegens haar, wie hij eenmaal zijn hart had +gewijd en zijn ridderwoord verpand; alles om die eene, eenige, die +hem bedroog, die hij verachten moest, en toch--boven allen en +alles nog bleef beminnen! Wat echter te doen? De pligt, de eer +gebood, en sprak luide genoeg. Alleen de vlugt, en een overhaaste, +kon uitredding geven. Want hij gevoelde 't maar al te wel: te +toeven was anders niet dan op nieuw zich op den rand te begeven +van den bodemloozen afgrond. Maar zoo plotseling, zonder eenige +voorbereiding, zonder verklaring haar te verlaten, die, al was ze +zwak, toch wel getoond had hem lief te hebben en, al misleidde ze +hem, toch ook eigen eer en pligt hem ten offer had gebragt, was +dat goed gehandeld, was het redelijk, was het--hem doenlijk? ... + +Lang dwaalde Siddha nog rond, nauw wetend werwaarts hij zijne +schreden rigtte. Ten laatste bevond hij zich, opziende, in de +onmiddelijke nabijheid der stad, en niet ver van de plaats waar de +woning van Rezia,--die Rezia van vorige, gelukkiger dagen,-- +gelegen was, en die, hij moest het zich nu wel herinneren, aan de +meermalen, doch van een geheel andere zijde door hem bezochte +villa van Feizi grensde. En de avond begon te vallen. Het was het +uur, waarop hij gemeenlijk zich naar den tuinmuur begaf en op het +aan de dienares welbekende teeken werd toegelaten in de laan naar +het paviljoen. Eenige oogenblikken nog en hij stond weer voor +denzelfden muur, en gaf het signaal, en snelde, nadat de kleine +poort zich weer geopend had, naar binnen. + +Op den divan bij de galerij lag Rezia, of Goelbadan nu, als te +voren uitgestrekt in behagelijke rust, aan geen Siddha voor 't +oogenblik meer denkend, dien ze reeds op weg naar het leger +waande. Daar stormde op eens, door niemand aangemeld, de man het +vertrek binnen, die mijlen ver van daar heette te zijn. + +--Hoe? Siddha!--riep zij uit, terwijl zij verschrikt opstond, ik +dacht dat gij lang vertrokken waart! + +--Rezia! Goelbadan!--sprak Siddha met schijnbare bedaardheid,--ik +ken u thans. Gij hebt mij misleid, mij en den man aan wien ik +zooveel, zoo niet alles, hier te danken heb. Ik kom u vaarwel +zeggen. De eer gebiedt mij u te verlaten, en ik weet dat ik het +niet zou kunnen zonder u te ontvlugten. Morgen, heden nog vertrek +ik om nimmer Agra weer te zien, noch ook u! + +In een oogwenk en nog eer Siddha eindigde had Feizi's eehtgenoote +alles begrepen. Zij had, volkomen overtuigd dat haar minnaar met +zijn ruiters vertrokken was, geen reden gevonden om zich niet in +'t openbaar te vertoonen of, bij het feest verschijnend, zich, als +anders, zorgvuldig gesluijerd te houden. Daar alzoo moest ze door +hem zijn herkend en haar ware naam hem door iemand zijn +medegedeeld. De zaak was te duidelijk om veel nadere verklaringen +te behoeven. Maar verklaringen in dit oogenblik te vragen lag +bovendien niet in hare taktiek. + +Met hare zachte blauwe oogen zag zij vluchtig doch smeekend tevens +haar minnaar aan, en hief de handen gevouwen omhoog; toen wankelde +zij en zeeg, zonder een woord te spreken, op den divan neder, +terwijl zij haar gelaat in de kussens verschool. + +Een tijdlang bleef Siddha zwijgend op haar nederzien. Zoo schoon, +zoo onweerstaanbaar verleidelijk had die bevallige gestalte hem +nog nooit geschenen als juist nu, nu hij voor goed had besloten +haar nimmer terug te zien; en onvergetelijk, hij gevoelde het, zou +hem ten allen tijde die laatste blik zijn, dien hij daareven nog +had opgevangen. + +Maar:--heen!--zoo klonk het in zijn binnenste,--snel heen! En geen +redeneringen en geen verder afscheid meer, of het is te laat om de +betoovering, die zoo straks geweken scheen, te ontkomen!... + +Daar hief zij langzaam het hoofd op, en schoof de weelderige +lokken ter zijde, die om haar voorhoofd golfden, en streek zich +met de hand over 't gelaat, als iemand die uit een diepen slaap of +uit een bezwijming ontwaakt. + +--Rezia!... laat mij nog eenmaal u zoo noemen!...--sprak Siddha +weder,--verzwaar mij het afscheid niet dat ik gemeend had u te +moeten brengen, omdat een verlaten voor altijd, zonder eenige +voorbereiding, mij een onridderlijke handelwijze scheen. Maar dat +de scheiding voortaan onvermijdelijk is, zult gij, ik vertrouw +het, mij aanstonds wel toegeven. Onwetend heb ik de gastvrijheid +geschonden en belangelooze vriendschap met den grofsten ondank +beloond. Willens en wetens dat te blijven doen, ware wel 't ergste +aller misdrijven. + +--Gij hebt gelijk, mijn vriend!--antwoorddo Rezia gelaten en met +zachte stem,--eene scheiding, dat gevoel ik maar al te zeer, moet +u onvermijdelijk voorkomen. Ik vreesde, ik vermoedde het voor +lang, en daarom bleef ik ook zoolang veinzen tegenover u. Doch +hoor mij nog een enkel oogenblik aan, eer ge mij voor altijd +verlaat, opdat ge mij eenmaal niet met al te groote minachting +moogt herdenken; en verneem wat ik, niet tot verdediging maar dan +toch tot verontschuldiging van mijn gedrag heb aan te voeren! Ik +misleidde u, het is waar, en zelfs meer dan eens. Ik begon reeds +met u te misleiden den eersten keer dat ge mij zaagt. Ik had, maar +zonder door u te zijn opgemerkt, u zeer kort na uwe komst in Agra +ontmoet; uw uiterlijk voorkomen wekte mijne belangstelling, die +niet weinig werd vermeerderd door 't geen ik, navragend, omtrent u +vernam; en toen, onvoorzigtig genoeg! besloten uwe kennis te +maken, gebruikte ik den naar Kacmir bestemden brief als +voorwendsel om mijn inderdaad onberaden doel te bereiken. Waartoe +onze kennismaking gevoerd heeft, tot hoever mijn zwakheid, mijne +liefde mij verleidde, helaas! het is ons beiden maar al te wel +bekend. Maar ik wist toenmaals nog in 't minste niet dat eenige +band van vriendschap u aan Feizi verbond; en later, toen ik tot +mijn niet geringen schrik het bemerkte, ja! toen had ik sterk +genoeg moeten zijn om onze verdere betrekking af te breken, +althans om u eerlijk te bekennen wie ik was. Maar, ach! ik was +zwak, Siddha! zwak zooals een vrouw dat zijn kan die bemint, die +den man harer keuze hartstogtelijk liefheeft. Ik vreesde voor die +scheiding, die uw eergevoel u als noodzakelijk zou opdringen, en-- +ik zweeg. Kunt gij mij vergeven eer wij voor altijd elkander +vaarwel zeggen? + +En schuchter en als bevreesd nog voor zijn toorn reikte zij hem de +hand, terwijl zij mat en loom in de kussens terugzonk en tranen +hare oogen verduisterden. Nog kampte hij met zichzelven. Een +vreeselijke, een geweldige strijd. Maar te kort, veel te kort van +duur. + +--Rezia!--riep hij eensklaps uit, terwijl hij niet alleen de +aangeboden hand vatte, maar hartstogtelijker dan ooit de vrouw, +die hem beheerschte en hem alles deed vergeten, in zijn armen +sloot,--Rezia! zonder u geen leven meer, geen bestaan, en met u +geen misdaad en geene schande!... + +...Inderdaad, hij had geen onwaarheid gezegd, noch eene overdreven +spreekwijze gebezigd toen hij eenmaal haar verzekerd had, dat zij +hem dierbaarder was dan het leven en dierbaarder ook dan zijne +eer!... + +Aan onverwachte ervaringen komt inmiddels soms niet ligt een +einde. Zoo ook met onzen Siddha. Half verstoord, en half nog +badend in nameloos geluk, deels zichzelf diep verachtend, en deels +ook weer juichend in zijn noodlottigen hartstogt, wilde hij, +eenigen tijd later door de welbekende laan geslopen, de kleine +poort in den tuinmuur openen, toen deze tot zijne verbazing als +van zelf openging en een mannelijke gestalte binnentrad, die, +zonder hem terstond te bemerken, ze weer achter zich poogde te +sluiten. Een onwillekeurige uitroep van Siddha deed den vreemde +plotseling omkeeren.... Wie het zijn mogt? Feizi zelf misschien? +Siddha had zich de tong uit den mond willen rukken om zijn dwaze +onvoorzigtigheid; maar het was te laat. + +--Wat, in den naam van Shaitan! komt gij hier uitvoeren?--riep de +ander uit, en aanstonds herkende Siddha, zoo aan de stem als ook +nu in 't schemerdonker aan de gedaante, Prins Selim. + +--Dat mogt ik, dunkt mij, met evenveel regt vragen aan u, zoo niet +met meer!--was het drieste antwoord. + +Een kletterend geluid deed Siddha begrijpen dat de Prins de hand +aan zijn sabel had geslagen, en hij van zijn kant haastte zich +hetzelfde te doen. Op eens echter liet Selim, een paar schreden +nader gekomen, en zijn tegenpartij herkennend, het zwaard weer in +de schede glijden. + +--Ha! mijn vriend Siddha Rama!--sprak hij, tot niet geringe +verbazing van den ander, op vrolijken toon,--zoo betrappen wij u +dan op uwe nachtelijke avonturen! Nu, een jonkman als gij mag 't +er wel eens van nemen. Vrees niet dat ik u verraden zal! En +jaloersch behoeft gij ook niet te zijn. Gij weet wel dat de +uitverkorene van uw hart, die gij blijkbaar zooeven verlaten hebt, +eenigermate met onze staatkundige plannen in verband staat; en +vandaar dat ik haar soms in diep geheim, en dus ook wel eens onder +deksel van den nacht moet gaan spreken. Ik begrijp evenwel dat ze +op dit oogenblik minder bereid zal zijn mij over dergelijke dorre +onderwerpen te woord te staan, en ik zal dus maar 't best doen +mijn bezoek vooreerst uit te stellen. + +En zich omkeerend begaf Selim zich naar 't poortje, en, na Siddha +eveneens den doorgang te hebben verleend, sloot hij 't weer +zorgvuldig achter zich toe. + +--En nu,--zeide hij, waarschijnlijk gaat gij naar uwe woning, +links; mijn weg ligt aan den tegenovergestelden kant.--Doch,-- +voegde hij er nog bij, terwijl hij gereed stond zich te +verwijderen, en Siddha, niet wetend wat te antwoorden, hem +stilzwijgend aanhoorde,--laat deze ontmoeting een geheim blijven +tusschen u en mij! Dat is in ons beider belang. En zonder meer +verdween Selim in het duister, terwijl de ander nog geruimen tijd +als verbluft staan bleef. + +--Een goede dienst, die hij mij daar toevallig bewezen heeft!-- +mompelde de prins in zichzelven, terwijl hij zich verder spoedde; +--hij stelt mij in 't bezit van een geheim dat voor mij van +onberekenbare waarde kan zijn!... Die slang daar ginds zal ik +nader wel vinden!... + +'s Anderen daags dwaalde een van Selim's vertrouwden rondom het +buitenverblijf en stond weldra in een verborgen hoek met de +dienares van Goelbadan te praten. Spoedig was de koop, dien hij +had voor te stellen, gesloten; en de dienares toonde zich volkomen +bereid, de geheimen harer meesteres te verraden. De Prins toch kon +natuurlijk meer betalen dan deze en Siddha te zamen. Den avond van +denzelfden dag meldde zich de dienares aan het paleis, werd +terstond door den vertrouwde ontvangen, stelde hem een paar, in +den vorm van brieven gevouwen papieren ter hand, en haastte zich +toen met den ontvangen prijs naar de woning harer meesteres terug. +Een dag later was Selim met klein gevolg weder op weg naar +Allahabad. + +Daar toefde eene eenzaam treurende. Sinds langen tijd reeds had +Iravati niets meer van haar verloofde vernomen. In den beginne, +kort na zijne aankomst in Agra, had hij, ze herinnerde 't zich +telkens, haar nog een paar brieven toegezonden, overvloeijende als +vroegere van betuigingen zijner liefde en onwankelbare trouw; +daarna had zij geen letter meer van hem ontvangen, terwijl haar +door anderen toch werd medegedeeld dat hij zich volkomen wel +bovond en hoog in eer en in de gunst des Keizers begon te stijgen. +Wat dan de reden van zijn voortdurend stilzwijgen kon zijn? Een +vreeselijke twijfel begon nu hoe langer hoe meer zich meester te +maken van haar gemoed; maar telkens ook wist zij dien wederom te +onderdrukken en op nieuw zich te sterken in het vertrouwen, dat +zij in de eer en het woord van haren Siddha bleef stellen. + +Eens, toen zij deels weer in mijmering verloren een boek +doorbladerde dat zij vroeger, nog in Kacmir vertoevend, met haar +verloofde gelezen had, kwam de trouwe Nipoenika haar storen en +naderde haar met bedrukt en onheilspellend gelaat, haastig eerst, +maar straks weer weifelend, als aarzelde zij of ze spreken of +zwijgen moest. + +--Welnu?--vroeg Iravati,--wat komt gij mij melden? Mij dunkt, gij +brengt mij slechte tijding. + +--Helaas, mijne jonkvrouw!--antwoordde de dienares,--ik zou +wenschen dat ik een slot mogt leggen op mijn mond; en toch mag ik +u niet onkundig laten van 't geen mij daar straks werd meegedeeld. +Het betreft u zoo na, dat ik niet zou wagen het gansch te +verzwijgen. + +--Zoo spreek dan, en onverholen!--gebood Iravati,--ik ben bereid +aan te hooren wat gij te zeggen hebt. + +En nu verhaalde de vertrouwde, hoe zij van een krijgsman, die uit +Agra kwam, het een en ander omtrent Siddha vernomen had. Eerst +sprak zij in meer of min bedekte termen; daarna duidelijker; +eindelijk kwam alles voor den dag wat Selim zelf omtrent het +avontuur met de vrouw van Feizi had weten te ontdekken. De +uitwerking van het verhaal was zooals de andere gevreesd had. Als +wezenloos zat Iravati voor zich uit te staren, en lang had +Nipoenika opgehouden te spreken eer zij eenig antwoord gaf. Toen +sprong zij eensklaps op, en vroeg met een haar ongewone drift: + +--Wie heeft u dat alles verteld? Wie was die krijgsman? Spreek de +waarheid! En geen omwegen, verstaat gij? + +--Edele jonkvrouw!--antwoordde Nipoenika,--hoe zou ik u durven +misleiden en welk belang kon ik er ook bij hebben? De man, die mij +verhaalde wat ik u heb medegedeeld, was een dienaar van den +Kroonprins. + +--Dan is alles ook gelogen!--riep Iravati uit,--ik begrijp de zaak +volkomen. Welk een verachtelijk middel!--voegde zij in zichzelve +er bij; en daarop weder tot hare dienares:--Het is wel, mijn goede +Nipoenika! Ik dank u voor uw berigt, dat gij, ik betwijfel het +niet, mij enkel uit wezenlijke belangstelling hebt overgebragt. +Maar ik hecht er niet aan, nu de bron mij bekend is, waaruit het +voortkwam. Laat mij voor 't oogenblik echter alleen, en moei u in +'t vervolg niet al te veel met dien man, die u met die praatjes +heeft bezig gehouden! + +Toch had de wel gerigte pijl beter getroffen dan Iravati tegenover +zichzelve en haar vertrouwde wilde toegeven, en toen deze zich had +verwijderd zat zij nog lang, het hoofd in de hand geleund, over de +mogelijkheid en waarschijnlijkheid van het gebeurde na te denken. +Wederom echter voelde zij haar moed herleven toen zij na eenigen +tijd, haar vertrek verlaten hebbend, in een der galerijen Prins +Selim zelf ontmoette, van wiens terugkomst haar tot dusver niets +was gemeld. De zaak was duidelijk. Hij en niemand anders had +inderdaad, gelijk zij aanstonds reeds vermoedde, het gansche +lasterlijke verhaal uitgedacht om haar, zoo mogelijk, van Siddha +te vervreemden. Een koele en met zekere minachting tevens niet +onvermengde hoofdbuiging was het eenige, waarmede zij zich +verwaardigde den eerbiedigen groet van den hoogen bezoeker te +beantwoorden. + +--Iravati!--sprak deze, nader tredend,--gij mogt reden hebben u te +verwonderen over mijn terugkeer in dit paleis na ons laatste, voor +mij zoo ontmoedigend onderhoud, indien niet hetgeen ik door uwe +getrouwe dienares u liet meedeelen, omdat ik niet persoonlijk de +overbrenger wilde zijn, u daaromtrent eenige verklaring gaf. + +--Ik begrijp zeer goed,--antwoordde Iravati zonder blijk van +toorn, maar ook zonder omwegen,--dat laster door u te baat is +genomen, waar u blijkt dat overreding onvermogend is. Toch had ik +zoo iets niet verwacht, vooral niet van u. + +--Laster!--hernam Selim,--ja, dat ware inderdaad al een heel +verachtelijk middel om het doel van mijn vurige, doch zoo ik meen +toch geenszins ongeoorloofde of ook beleedigende wenschen te +bereiken. Maar daarenboven een zeer ijdel. Want welke waarde zoudt +gij aan dergelijk los daarheen geworpen verhaal, een eenvoudig +praatje, kunnen hechten, indien de waarheid niet door bewijzen kon +worden gestaafd? + +--Hoe nu? Bewijzen? Wat bedoelt gij? + +--Ik bedoel die soort van bewijsstukken, waartegen zelfs de +strengste en meest nauwlettende regter niets zou hebben in te +brengen. Gij kent natuurlijk het schrift en de hand van Siddha, +niet waar? + +--Ongetwijfeld! + +--Welnu, zie deze brieven dan!--En Selim overhandigde haar de +beide in briefvorm vervatte stukken papier, welke de vertrouwde +van Goelbadan, na ze behendig aan haar meesteres te hebben +ontstolen, hem verkocht had; vlugtig geschreven, hartstogtelijk +gestelde, met allerlei uitroepen en betuigingen van liefde +vervulde en hier en daar ook met een paar versregels doorspekte +brieven van Siddha, waarin de naam der aangebeden Rezia herhaalde +malen voorkwam. + +Haastig las Iravati dat alles, terwijl het haar voor de oogen +begon te schemeren. En zij las en herlas, en keerde de brieven om +en om, en bezag ze van alle kanten, tot zij ze eensklaps uit de +hand liet vallen en, hare bezinning verliezend, bewusteloos ware +neergestort, indien niet Selim haar snel had ondersteund en op een +nabijzijnde rustbank had nedergevleid. + +Eene zwakke zenuwachtige maagd was Iravati echter, hoe innig en +onbegrensd ook hare liefde, niet. Daar vloeide haar door de aderen +nog het bloed van een voormalig krachtig ras, van een oud +heldengeslacht, en spoedig rees zij weder op en stelde zich +tegenover den Prins, tewijl zij met vastheid hem in de oogen zag. + +--Mijn lot,--sprak zij,--is beslist, indien, gelijk ik nu wel moet +aannemen, werkelijk waar is wat mij werd verhaald. Eene andere +heeft bezit genomen van het hart, dat tot heden mij behoorde en +mij alleen. Het zij zoo, al wordt het mijn dood! Doch meen niet, +gij Vorst, die over alles te gebieden hebt behalve over een +vrouwenhart, dat daarmede u den weg zou zijn gebaand, dien gij met +uwe ontdekkingen reeds zaagt geopend! Meen niet, dat mijne +gelofte ijdel is geworden omdat het woord van trouw aan de andere +zijde verbroken werd, zoolang het mijne mij niet is teruggegeven! + +--Hoe nu?--riep Selim in verbazing uit,--de minnaar, wiens ontrouw +u thans wel gebleken is, verlaat u en offert u op aan eene andere, +en gij zoudt u niet vrij achten en niet mogen luisteren, ik zeg +niet terstond, maar eenmaal welligt, als de vroegere herinnering +verzwakt en eindelijk verdwenen zal zijn, naar hem, die u boven +allen en boven alles lief heeft en magt en eer, zooals geen ander +die bieden kan, aan uwe voeten legt? + +--Selim!--antwoordde Iravati zacht, terwijl ze zich tot geregeld +denken dwong,--gij verstaat mij niet en gij kunt mij misschien ook +niet verstaan. Gij kunt ons, Indische vrouwen, niet begrijpen, +zoozeer verschillend van die, waaraan gij anderen gewoon zijt. Het +hoogste geluk voor eene vrouw schijnt u, en zoo schijnt het +werkelijk ook velen, de begunstigde Sultane van een magtig +heerscher te zijn. En gij meent ook dat het genoeg is, eene onzer +van de ontrouw haars minnaars te overtuigen, om haar terstond alle +gedachten aan den onwaardige vaarwel te doen zeggen. + +--En is dat dan niet overvoldoende? + +--Onze vrouwen--was het antwoord--kennen die verlokking van +grootheid niet, waar het haar pligt betreft en hare eer; en den +echtgenoot, of, wat hetzelfde zegt, den plegtig verloofden +bruidegom, wien zij eenmaal haar woord verpandden, blijven zij +getrouw, ook al zien zij hare liefde met ontrouw beantwoord. De +gehechtheid der vrouw aan den man weet bij ons van geene grenzen; +of is u niet bekend genoeg, hoe vele, laat zoo iets nu te +verwerpen zijn als een gevolg van bijgeloof of van overdreven +gevoel, zich volkomen vrijwillig en met de grootste geestdrift op +den brandstapel werpen, die het lijk van den gestorven echtgenoot +verteert? En hebt gij ook nooit gehoord van onze heilige legenden +en riddersagen, die de toewijding der echtgenoote, ook aan den +onwaardige, schilderen? Van de roerende lotgevallen der edele +Damayanti kwam u zeker wel 't een en ander ter ooren. Welnu! voor +zooveel in mij is, wil ook ik eene Damayanti zijn! Dat Siddha mij +verlate, ik zeg het als zij: het is de booze Kali, die in hem is +gevaren en hem tot kwaad verlokte, niet hijzelf die zoo grievend +leed over mijn hoofd bragt. En als de betoovering van hem zal +geweken zijn, dan keert hij, een andere Nala, tot mij terug, en +rein van elke smet vinde hij mij weder en overtuige zich dat ik +beter nog dan hijzelf voor de eer heb gewaakt van zijn naam! + +--Ik liet u gaarne--hernam Selim na een oogenblik gezwegen te +hebben,--die gelukkige hoop op zijne terugkomst, hoezeer ze mij +ook smarten moest. Doch vlei u niet met dergelijke verwachting! +Geloof mij, ik ken die vrouw, in wier strikken hij verward is +geraakt; ikzelf, ik heb haar bemind tot op het oogenblik dat ik u +aanschouwde; en ik weet dat zij onweerstaanbaar blijft zoolang +geen andere en reiner liefde den hartstogt komt verdringen, dien +een man eenmaal voor haar gevoelt. Geloof mij, zeg ik! geen +verleidelijker vrouw ken ik dan deze, gelijk ik geen reinere en +geen edelere ken dan u! + +--Prins!--zeide Iravati op deze hernieuwde verklaring,--ik wil u +smeeken om eene gunst voor heden, al schijnt u 't verzoek ook +onheusch. Laat mij voor eenige oogenblikken over aan mij zelve! Ik +gevoel thans werkelijk behoefte, na al wat ik vernemen moest, om +alleen te zijn. Een ridder, een edelman zooals gij, zal, ik +vertrouw het, mij dit niet willen misgunnen. + +--Ik ware--antwoordde Selim,--den naam onwaardig dien gij mij +toekent, als ik een oogenblik langer van uwe goedheid misbruik +maakte. Ook is verdere aandrang van mijne zijde, ik gevoel het +maar al te wel, voor het tegenwoordige niet alleen onnut, maar in +mijn eigen nadeel. Ik gehoorzaam dus aan uw verlangen. + +En zich omwendend verliet hij, schoon met loome schreden, de +galerij. + +Maar toen hij was heengegaan ontzonk Iravati ook de kracht, die +haar standvastigheid deed betoonen tegenover hem, en uitgeput zeeg +zij op de rustbank neder, en, het gelaat met de handen bedekkend, +weende zij bitter. + +Kortstondig echter was hare betrekkelijke rust, en verschrikt zag +zij op, toen na eenigen tijd zich weer een voetstap in de +nabijheid deed vernemen. Het was Salhana, die haar naderde. + +--Mijne dochter!--sprak hij, met meer zachtheid in zijne stem dan +zij tot dusver zich herinnerde nog ooit bij hem te hebben +opgemerkt, + +--Ik weet wat uwe gedachten bezig houdt en u 't hoofd laat buigen onder +leed. En ik wist ook reeds vroeger wat u heden werd medegedeeld. Ik had +de trouweloosheid van Siddha ginds in Agra reeds ontdekt, maar bleef +alles voor u verbergen tot de tijd zou zijn gekomen waarop te spreken +pligt mogt worden. Hoe het zij, alles is u thans bekend. En nu, gij +zult het, vertrouw ik, wel inzien, nu gebiedt u de achting die ge +uzelve niet alleen, maar ook mij en mijn huis verschuldigd zijt, alle +herinnering aan dien man te bannen, die op zoo smadelijke wijze de +nadere verbindtenis met ons geslacht verworpen heeft.--Neen, hoor mij +aan!--vervolgde hij, toen hij Iravati gereed zag te antwoorden;--geloof +mij, ik gevoel diep, innig medelijden met u in dit noodlottig +oogenblik; maar ik mag daarom niet nalaten u te herinneren wat eene +dochter van onzen edelen stam aan hare eer en haar goeden naam +verschuldigd is. Tevens echter wil ik, hoewel in geheim, u iets +mededeelen wat ik eveneens ontdekte, en dat, zooal niet aanstonds de +wond zal heelen die u geslagen werd, dan toch in 't eind u tot troost +zal strekken. Eene heerlijke, eene schitterende toekomst wacht u nog, +Iravati! Wat voor elke vrouw in gansch Hindostan het begeerlijkst lot +mogt zijn, kan het uwe worden. Prins Selim,--ik vermoedde 't sinds lang, +en toen ik hem onlangs de gelegenheid gaf zich te verklaren, bekende hij +'t mij ook,--Prins Selim bemint u en begeert u tot zijne echtgenoote! + +--Dat weet ik,--antwoordde Iravati. + +--Gij weet het? En hoe? + +--De Prins zelf heeft het mij verklaard, ook heden nog. + +--En uw antwoord? + +--Ik heb het vereerend aanbod afgeslagen. + +--Hoe! Wat?--riep Salhana met de grootste verbazing en ergernis +uit,--afgeslagen? Zijt gij zinneloos? + +--Ik geloof het niet. Maar ik ben immers verloofd aan Siddha. + +--Wel! wat kan dat nu uitmaken? Gij zijt immers nog vrij in uwe +keuze. Gij zijt zijn vrouw nog niet. + +--Neen, maar wat voor mij in dit geval hetzelfde is, ik heb hem +trouw gezworen, en hijzelf ontsloeg mij nog niet van die gelofte. + +--Laat dat zijn! 't Kon vroeger misschien nog gelden. Maar nu? Hij +zelf heeft immers zijn trouw gebroken en u daarmee reeds ontslagen +van uw woord. + +--Zoo mogen anderen er misschien over denken, die in andere +begrippen zijn opgevoed dan ik. De mijne echter verbieden mij te +doen wat gij verlangt. En zoo die begrippen voor 't oogenblik aan +uwe plannen in den weg staan, wijt het, mijn vader! aan uzelven, +die mij eenmaal daarin hebt doen opvoeden. Bovendien, ik wil er +geen geheim van maken, nog blijf ik Siddha beminnen in weerwil van +zijn handelwijs, en een ander zou ik nooit kunnen liefhebben na +hem. + +--Maar er behoeft hier immers ook geen sprake te zijn van liefde! +Het is genoeg dat Selim u bemint, en dat gij gebruik kunt maken +van den invloed dien gij op hem hebt. Maar dat schijnt gij nu niet +te verkiezen, eenvoudig om een gehechtheid aan allerlei overdreven +en lang verouderde voorstellingen en een dwazen hartstogt voor een +onwaardige. Bedenk echter wat gij verwerpt, indien gij blijft +volharden in uwe onzinnige weigering! Een Koningrijk wordt u +aangeboden, een rijk waarvan de wedergade nauw in de wereld valt +aan te wijzen, en gij stoot het verachtelijk van u af, enkel om +een droombeeld, een gril. + +--'t Mag zijn dat ik ongelijk heb,--antwoordde Iravati gedwongen +bedaard, terwijl haar vader zich al meer begon op te winden,--maar +uwe voorspiegelingen zullen mij daarvan niet overtuigen. Ze werden +mij eveneens en beter nog, door den Prins zelf gedaan, maar konden +mij evenmin van besluit doen veranderen. + +--Uw besluit schijnt dus te zijn, den wil van uw vader te weerstaan? +Mij dunkt, dat komt toch ook niet overeen met die beginselen waaraan +gij zoo gehccht zijt, en die toch gehoorzaamheid van het kind aan zijne +ouders tot een der eerste pligten maken. + +--Zeker, maar niet wanneer die pligt met een nog hoogeren in strijd +geraakt. Hoezeer 't mij ook leed is dat ik u niet mag gehoorzamen, ik +mag nu eenmaal niet en ik kan niet. + +--Doch 't is u dan toch bekend dat een vader ook regten over zijn +dochter heeft en de magt bezit om haar des noods tot gehoorzaamheid te +dwingen. + +--Dat is mij volkomen bekend; maar ik weet ook, dat dwang hier tot +niets zou dienen. Want als ik mij werkelijk tot een huwelijk met +Selim noodzaken liet, zou ik juist alle waarde voor hem hebben +verloren en van mijn invloed ook geen gebruik meer kunnen maken. +Dat weet hij zelf volkomen, en denkt dus aan geen dwang. Indien +hij daartoe besluiten wilde, hij zou uwe tusschenkomst niet eens +van noode hebben. De troonopvolger van Akbar is magtig genoeg om +zijn wil tegen den mijne en ook tegen den uwe door te zetten, als +hij verkoos. + +Salhana balde zijne vuisten en beet van ongeduld op zijn knevel. +Aan alle kanten geslagen! En door wie? Door een eenvoudig meisje, +dat hij tot nog toe als het zachtzinnigste en onderdanigste wezen +had gekend! Al zijn heerlijke plannen van den laatsten tijd, al +zijn schitterende vooruitzigten door dat eigenzinnige, nu +weerbarstige kind vernield! Hij had gedroomd, nu niet meer van een +onderkoningschap alleen, maar van niets minder dan de hoogste +plaats na den Keizer zelven in het rijk; hij zag zich reeds in +Agra als Groot-Vizier nevens den troon, en vorst en land +beheerschend door zijne dochter, oppermagtig gebieder over al die +rijken en volken, zoo niet in naam dan toch metterdaad.... + +--Welnu!--riep hij eindelijk na eenig stilzwijgen uit, terwijl hij +in dreigende houding zich tegenover Iravati plaatste,--gij +verkiest naar rede niet te luisteren, en voor dwang zijt gij niet +bevreesd. Maar misschien toch wel voor iets anders. Wel dan +misschien voor den vloek van een vader! + +--Het leed dat mij reeds is opgelegd,--antwoordde Iravati,--zou +er door verdubbeld worden; maar ik zou kracht zoeken om den last +te dragen zonder te bezwijken. En moest dit, welnu! dan geschiede +wat mij is voorbeschikt. + +--Gij zijt moedig,--sprak nu Salhana op kouden, maar tevens ietwat +sarcastischen toon,--of althans gij tracht het te zijn. Ik wil +evenwel gelooven dat gij niets voor uzelve vreest; maar zijt gij +wel zoo zeker dat uwe halstarrigheid niet soms ten nadeele mogt +komen van dien Siddha, dien gij erkent nog lief te hebben, en dat +de Prins uwe weigering niet op hem soms wreken mogt? + +De laatste slag scheen doel te hebben getroffen. Als in wanhoop +hief Iravati de handen omhoog, en liet ze toen magteloos weer +zinken, terwijl haar hoofd zich voorover boog op hare borst. Met +een hatelijk zegevierenden glimlach zag Salhana haar aan. De +overwinning dan was eindelijk toch behaald, de zege hem, de kracht +der onverzettelijke was gebroken!... + +Daar rigtte zich de fiere jonkvrouw uit haar gebukte houding weder +op, en Salhana onverschrokken in de oogen ziende, sprak zij, eerst +met weifelende, daarna met vaste stem: + +--Wat gij, vader! daar gezegd hebt, is wreed, gruwelijk wreed, en +ik kan bijna niet gelooven dat het ernstig gemeend zou zijn. Maar +al is dat zoo, al is 't een ernstige bedreiging, ook die is niet +bij magte mij te doen wankelen en mij den heiligen pligt te doen +verzaken die mij is voorgeschreven. Indien Siddha hier voor ons +stond en hij zag mij weifelen en mijne gelofte schenden om hem te +redden uit gevaar, hij zelf zou mij verachten en het regt hebben +mij te verstooten. Mijn leven wil ik voor hem offeren; het behoort +hem; maar niet mijne eer, die eveneens hem toebehoort. Wel weet ik +dat zijn dood de mijne worden moet; maar wat ons is beschikt, +vermogen wij niet af te wenden. Laat dan de wraak den onschuldige +treffen; doch er zal niets bij te winnen zijn, noch voor Selim, +noch voor u. Gij zoudt een dochter, uw broeder zou een zoon minder +hebben, dat ware alles, en uwe eerzucht zou toch niet zijn gebaat +...Maar laat ons dit gesprek afbreken, dat mij in 't eind den +eerbied kon doen vergeten dien ik u verschuldigd blijf! Doch +bedenk het, mijn vader! dat ik uwe dochter ben, een jonkvrouw uit +uw eigen hoog en eeuwenoud goslacht, die zich door niets laat +dwingen en door niets verschrikken waar het eer en pligt, en den +man dien zij lief heeft, geldt! + +Nog een oogenblik zag Salhana Iravati aan. Daar stond zij voor hem +in ongebogen houding, hooghartig, uitdagend bijna. De rollen waren +omgekeerd; de tot nog toe zoo onderdanige dochter scheen te +gebieden, de trotsche vader tot onderwerping genoopt. Zonder een +woord te spreken keerde hij zich om en snelde voort met haastige +schreden, terwijl een uitdrukking van magtelooze woede zijn +donkere gelaatstrekken verwrong. + + + +ELFDE HOOFDSTUK. + +Tauhid I Ilahi + +Voor en omtrent de winkels en woningen van een der kleinere +bazaar's van Agra aan de rivierzijde bewoog zich, als gewoonlijk, +tegen 't vallen van den avond eene bonte, maar overigens zeer +rustige menigte. Hier en daar zaten in open galerijen en +vertrekken de spelers met hunne dobbelsteenen om het bord waarop +ze hun inzet hadden gewaagd; elders dronken soldaten van +verschillende wapens elkander vrolijk toe, 't mogt dan met wijn of +met sterker benevelende dranken geschieden; op eene enkele plaats +lag een eenzame droomer de stille en tijdelijke zaligheden te +genieten, die een meer of min overmatig gebruik van den opium hem +verschaffen mogt; en in diepe en ernstige gesprekken zag men +eenige deftige Musulmannen gewikkeld, die zich voor een enkelen +keer hadden verwaardigd, aan de rustig gezellige genoegens der +anders niet weinig door hen geminachte Hindoe's deel te nemen. + +--Ja, Ali!--sprak een van die in eigen oog zoo voorname heeren tot +zijn medgezel,--gij hebt wel gelijk; 't begint van kwaad tot erger +te komen met Akbar en zijn hof. Wat daar al ongeregtigheden moeten +gepleegd worden! Dat gaat zoo maar avond aan avond met die, ik ben +er zeker van, godslasterlijke bijeenkomsten. Zoo kwam ik nog +gisteren, 't was middernacht ongeveer, langs het paleis; en wat +meent gij dat ik er zag? Al de vensters van 's Keizers vertrekken +hel verlicht; alles schitterend van lampen en waskaarsen op +reusachtige luchters. Maar voor wat? Voor een feest, zooals een +vorst dat mag en soms ook moet vieren? Neen, man! Alles doodstil, +behalve nu en dan een statig gezang, een soort van loflied, zooals +Akbar zelf, naar men zegt, er meer dan een vervaardigd heeft, maar +dat, hoewel het anders welluidend genoeg klonk, toch niets te +maken kan hebben met onze heilige godsdienst, waarvoor de Profeet +geprezen zij! + +--En wat beduidde dat, Yoessoef?--vroeg de ander. + +--Wat het eigenlijk te beteekenen had,--antwoordde Yoessoef,-- +weet ik u niet met zekerheid te zeggen, maar wel, dat al dat licht +en dat gezang in verband moest staan met de nieuwe leer, die de +Keizer in plaats van den Islam wil stellen, en waarin hij zijne +vertrouwden inwijdt, een soort van vuur- en zonnedienst, die hij +voornamelijk van onze oude Parsi's en ook van de ongeloovigen +hier, Allah zij hun genadig! ter kwader uur ontvangen moet hebben. + +--Maar wat is dat dan toch eigenlijk voor dienst?--vroeg Ali;--ik +heb er wel eens van hooren spreken, maar ik weet toch niet regt +wat het is. + +--Heel bepaald--hernam Yoessoef,--weet ik het ook niet; maar dat +het heel ergerlijk zijn moet, bewijst wel de verklaarde tegenzin +van alle goedgeloovigen, en onder hen vooral van een man als Abdal +Kadir, anders ook bij Akbar zelf wel in aanzien, en een groot +geleerde. Doch wat nu mijn persoonlijke ervaring aangaat, ik heb +in den laatsten tijd nog wel onrustbarender zaken waargenomen dan +wat ik u vertelde. Denk eens! niet lang nog geleden zag ik heel in +stilte, en als was hij voor verspieders bevreesd, een man uit het +paleis sluipen, dien gij stellig wel kent en dien gij niet ligt +ontmoet zult hebben of 't werd u koud en huiverig, Gorakh, den +zoogenaamden Yogi.--Nu,--vervolgde de spreker, terwijl hij zijne +reeds fluisterende stem nog een toon dalen liet,--weet gij voor +wien ik dien man aanzie? Regtuit gezegd, als hij de Shaitan zelf +niet is, dan is hij toch zeker een handlanger van hem; en met dat +wezen... heeft dan de Keizer een verbond gesloten! + +Yoessoef zweeg een oogenblik en met ontzetting staarde zijn makker +hem aan. + +--Behoede ons Allah!--riep hij eensklaps weer uit, terwijl hij +naar eene langs den waterkant voortschrijdende gestalte wees,-- +daar is hijzelf in eigen persoon! Mogten de wateren der Djoemna +hem verzwelgen! + +En werkelijk vertoonde zich daar weder de Doerga-priester, en +begaf zich tot een groep Hindoe's en Perzen, die in levendig +gesprek met elkander waren gewikkeld. + +--Nu, en ik zeg u dan,--sprak een dier laatsten,--wij mogen en +kunnen 't niet langer dulden dat onze heilige godsdienst zoo +voortdurend en openlijk door een Feizi en een Aboel Fazl, om nu te +zwijgen van een hoogere, wordt bespot en ten toon gesteld. En 't +is mij onbegrijpelijk hoe gijlieden, al belijdt gij dan eene +andere godsdienst, er vrede mee kunt hebben dat men hier alles +zoekt om te keeren en alles te vernietigen wat u zoowel als ons +tot nogtoe altijd heilig scheen. + +--Maar zoover zijn we nog niet,--antwoordde de Hindoe;--dat de +Keizer en zijne getrouwen niet veel meer aan uw Koran hechten, is +bekend genoeg, en eveneens dat ze daarom onze godsdienst nog niet +zijn toegedaan. Maar ik heb nog niets van eenig omverwerpen of +vernielen gehoord; onze tempels blijven als de uwe onaangeroerd, +en niemand hindert ons in onze godsdienstige praktijken, terwijl +gij Mohammedanen te voren niet anders deed dan ons plagen en +vervolgen. + +--En dat verdiendet gij ook, gij zonen van.... + +--Komaan, mannen, geen twist!--sprak tusschenbeiden komend, een +Perzisch krijgsman;--dat brengt ons toch niets verder.--En meteen +gaf hij den verbolgen Mohammedaan een wenk. + +--Laat het dan zijn!--antwoordde deze, en den Hindoe den rug +toekeerend, verwijderde hij zich met een paar zijner vrienden en +den krijgsman die zooeven gesproken had. + +Nu mengde zich ook Gorakh in het gesprek en:--'t Is goed, Mobarik! +--zeide hij,--dat gij daarbij waart. Openlijke twisten konden nu +gevaarlijk worden. De meeste Hindoe's houden nog de zijde van den +Keizer. Wekt ze dus niet te spoedig, en zoekt ze voor 't oogenblik +nog niet te winnen; ze komen toch wel over als de kans begint te +keeren. Hoever zijt gij inmiddels gevorderd? + +--De meeste van onze Mansabdar's zijn gewonnen,--antwoordde +Mobarik,--en terstond zullen zij openlijk onze zijde kiezen zoodra +hun het teeken gegeven wordt. Die met het leger meegaan zullen +daar op het geschikte oogenblik omwenden, en die hier in Agra +blijven zullen hetzelfde doen. Van hun troepen zijn zij volkomen +zeker. + +Met bijzondere opmerkzaamheid hadden vooral ook twee andere mannen +geluisterd, die zich intusschen bij de overigen gevoegd hadden, +en, blijkens de met dezen gewisselde begroeting, mede tot de zeer +vertrouwden behoorden. Met nog meer belangstelling luisterden zij, +toen Gorakh met zachte stem hernam: + +--Van onze zijde is in de laatste dagen nog eenige verandering in +het plan raadzaam gekeurd. Wij moeten niet wachten met den slag te +slaan tot Akbar in het Noorden zal zijn aangekomen. 't Is toch +altijd mogelijk dat hij, in weerwil van den afval van een deel +zijner troepen, eene overwinning behaalt; sommige berigten uit +Kacmir doen er ons zelfs voor vreezen, en verspreidt zich van zoo +iets het gerucht, dan valt er hier weinig of niets meer voor ons +uit te voeren. Wij moeten de zaak dus wat verhaasten, en zoodra de +Keizer met zijn leger te ver op weg zal zijn om Agra in weinige +dagreizen weer te bereiken, het plan terstond doorzetten. Is dan +Selim hier eenmaal tot Keizer uitgeroepen en heeft hij zich in de +vesting versterkt, dan is er niet de minste twijfel of de +ontevredenen in het leger zelf keeren zich tegen Akbar, 't geen +anders, als 't alleen op hen aankomt, naar ons nog onlangs is +gebleken, in 't geheel nog zoo zeker niet is. Zorg dus, Mobarik! +en ook gij anderen, dat de onzen bij tijds gewaarschuwd worden en +behoorlijk gereed zijn het vervroegde plan te helpen uitvoeren! + +Na nog eenige nadere afspraken scheidden de bondgenooten en gingen +ieder huns weegs. + +--Dat is gewigtig nieuws!--zei tot zijn medgezel een der beide +mannen, die zich 't laatst bij de anderen gevoegd hadden, toen zij +een eind verder waren gegaan. + +--Dat zal waar zijn!--riep de ander uit;--en vergis ik mij niet, +dan zal het Akbar de zaak vrij wat gemakkelijker maken. Jammer, +dat wij niet dadelijk aan Aboel Fazl rapport kunnen doen; maar wij +moeten natuurlijk wachten tot den nacht; voor dien tijd naar zijn +paleis te gaan, schijnt te gevaarlijk. Ook is hij, geloof ik, op +dit oogenblik bij den Keizer en wij zouden hem dus niet vinden. + +--Ook dunkt mij beter--hernam degene die 't eerst gesproken had,-- +voor 't oogenblik niet langer zamen te blijven. Wij vinden elkaar +dan na middernacht bij den Vizier terug. + +En den anderen groetend, sloeg hij eene zijstraat in, terwijl zijn +medgezel langs de rivier bleef voortwandelen. + +Maar wat er dan 's avonds wel onheiligs en schrikbarends omging in +die geheimzinnige binnenvertrekken van den Keizer, die naar het +gevoelen van den vromen Yoessoef en velen zijner geloofsgenooten +een verbond met geen minder persoon dan Satan zelf gesloten had? +Dezen avond ten minste zou de regtzinnige Musulman er niets +bijzonders hebben opgemerkt, hoewel hij zeker nieuwen aanstoot aan +de gesprekken zou hebben genomen die er worden gevoerd, ten +minste.... indien hij in staat ware geweest ze geheel te volgen. + +Feizi, Aboel Fazl en de voor eenigen tijd uit het Noorden +teruggekeerde Brahmaan Koelloeka waren daar met den Keizer bijeen. + +--Nog geen nadere berigten van uw spionnen?--vroeg deze aan zijn +Minister. + +--Sinds eergisteren nog niet,--antwoordde Aboel Fazl;--ik verwacht +hen echter heden na middernacht in mijne woning, en ik onderstel +dat ze ons wel wat nieuws zullen brengen. + +--Treurig toch, niet waar?--hernam Akbar,--dat men zich telkens +van zulke lieden bedienen moet! Och, waarom zijn de menschen toch +ook zoo, en maken ze ons 't gebruik van dergelijke middelen +onvermijdelijk? + +--Een noodwendig gevolg--antwoordde de staatsman,--van den +regeringsvorm die hier nu eenmaal bestaat, en waarin geen verdere +verandering mogelijk schijnt buiten die welke er reeds in is +aangebragt. Ontevredenen, ze mogen het dan teregt of ten onregte +zijn, hebben geen middel om herstel van hunne grieven te erlangen +waar alle magt in handen van een eenige berust, en die eene +oordeelt dat die grieven ongegrond zijn. Eerzuchtigen en +gelukzoekers bedienen zich dan van hen als hunne werktuigen voor +geheime plannen, en maar al te ligt laten ze zich daartoe +gebruiken. + +--Maar ik weiger toch nooit de klagten mijner onderdanen aan te +hooren,--zei Akbar,--en als ze billijk zijn, toon ik mij immers +ook steeds bereid om herstel aan te brengen voor zoover in mijne +magt staat. + +--Als ze billijk zijn!--herhaalde Aboel Fazl,--ja, maar wie +beoordeelt dat? De Keizer zelf met zijne raadslieden. + +--Maar wat zoudt gij dan willen? We hebben hier wel van staten en +volken in andere wereldstreken gehoord, waar dat anders ging; maar +de toestanden van die volken zijn of waren ook gansch andere. Hoe +willen wij hier met al die verschillende rijken en stammen, die +aan ons gebied zijn onderworpen, eenigen wezenlijken invloed op +het bestuur aan het volk zelf verleenen? Daargelaten nog of het +volkskarakter en 's lands zeden en gewoonten het mogelijk, zouden +maken. + +--Dat is alles volkomen waar,--hernam Aboel Fazl,--maar ik heb ook +reeds gezegd, dat ik geen verdere verandering wenschelijk of ook +mogelijk achtte; en zoo ik nu van de bestaande toestanden sprak, +dan was 't enkel om daaruit tot het onvermijdelijke der middelen +te besluiten, die wij, om erger te voorkomen, wel genoodzaakt zijn +aan te wenden. Wat voor 't overige de lieden betreft, die wij +gewoon zijn met den verachtelijken naam van spionnen te betitelen, +ze zijn toch niet altijd zoozeer te minachten als 't wel schijnen +mogt. Althans die beide, die ik nu in 't bijzonder bedoelde, zijn +wezenlijk eerlijke, door anderen ook geachte lieden en met hart en +ziel ons toegedaan. 't Is waar, ik zorg dat ze goed beloond +worden, maar noodig ware dat anders niet; ze zouden ook zonder dat +ons trouw zijn. En goede diensten hebben ze ons dan ook waarlijk +wel bewezen; zij ontdekten ons het geknoei van Salhana, den +Goeverneur van Allahabad, en, wat niet minder waard is, ook de +geheime gangen van dien Gorakh, den Yogi. + +--Ja,--merkte Feizi, misschien wel wat ondeugend, aan,--van dien +wijsgeer, die een tijd lang ook op de gunst van Zijne Majesteit +mogt bogen, toen hij nog de geheimen der Yoga-leer beloofde te +onthullen. Veel is daar echter niet van gekomen voor zoover ik +weet. + +Akbar kleurde een weinig bij die herinnering, die hem weer in de +gedachte bragt, hoe hij bijna, althans voor een oogenblik, met al +zijne wijsheid de bedrogene in handen van den slimmen huichelaar +was geworden; maar ter regter tijd vatte Koelloeka het gesprek +weer op waar het dreigde te blijven steken. + +--En dat is toch werkelijk jammer!--zeide hij;--'t is waar, met +dien Gorakh behoort men zich niet te veel in te laten; mijn +voormalige leerling Siddha heeft mij ook wel 't een en ander +omtrent hem meegedeeld wat tot voorzigtigheid maande. En toch, hij +weet misschien door overlevering nog meer dan wij omtrent die oude +en tegenwoordig meest vergeten leeringen ontdekken kunnen. + +--Ziet gij wel,--sprak Akbar als zegevierend tot Feizi,--ook onze +vriend Koelloeka, wien toch anders heel wat Brahmaansche wijsheid +bekend is, acht die veel besproken Yoga-leer nog lang zoo +onbelangrijk niet. + +--Gaarne wil ik gelooven dat zij veel belangrijks bevat,--antwoordde +Feizi,--vooral indien onze wijze vriend dat zegt, van wien we reeds +zooveel wetenswaardigs vernamen. Doch vergun mij, wijze Koelloeka! u de +vraag te doen, wat gij nu eigenlijk van dat voormalig stelsel zoudt +verwachten. Voor zoover ik weet is het niet veel anders dan een dwaas +mysticisme, dat aan zijne adepten eene onmogelijke vereeniging van het +eindig individu met het oneindig Alzijn belooft, en ten slotte eenvoudig +op belagchelijke tooverkunsten of, beter nog gezegd, op eenige handige +goocheltoeren uitloopt. + +--Zoo ongunstig--zeide Koelloeka,--denk ik nog niet over het +systeem van Patandjali, ook al geloof ik geenszins dat het op 't +bezit eener absolute waarheid zich mag beroemen. Die vereeniging +met, dat opgaan van het eindige in het Oneindige, van het +menschelijk bewustzijn in het Alwezen, dat de Yoga beoogd moet +hebben, is op zichzelf genomen zoo groote dwaasheid niet. Wel +dwaalt die leer ongetwijfeld, indien zij het middel der beoogde +vereeniging in eene volkomen oplossing van het bewustzijn, van het +denken zelf des menschen zoekt, waardoor het individu in een soort +van extase met het oneindige wezen zou zamensmelten, maar waardoor +het in waarheid, zoo dat kon, zou eindigen met zich zelf te +vernietigen. Niet zoo gansch verwerpelijk echter schijnt mij, +althans voor een deel, het gronddenkbeeld waarvan hier wordt +uitgegaan. Of blijft het niet altijd eene waarheid, dat de mensch: +juist omdat hij anders zoo eng bekrompen zich gevoelt, geen hooger +standpunt van den geest weet te bereiken dan waartoe hij zich +verheft wanneer hij in enkele te weinig hem gegunde oogenblikken +zijne eindige persoonlijkheid voelt verdwijnen, om gansch en al in +hoogere en meer algemeene begrippen op te gaan? Mits die begrippen +maar geen ledige abstractien blijven, maar aan het volle en +krachtige menschenleven zijn ontleend, aan de wetenschap, aan de +kunst, aan de bespiegeling ook over de maatschappelijke en +burgerlijke betrekking der menschen onderling. Wat, ik vraag het, +kunt gij hooger stellen dan een dergelijk zich verliezen van het +eindig en zelfzuchtig Ik in het wezenlijk algemeene, in het +algemeen menschelijke, waaraan het individu eerst zijn regten +levensgeest ontleent en waarin het behoort op te gaan, zal het in +waarheid aan zijn bestemming kunnen beantwoorden? + +--Ziedaar,--sprak Akbar,--een woord naar mijn hart! Maar diezelfde +gedachte, verloochening der zelfzucht, bezielt ook andere uwer +oude wijsgeerige stelsels, gelijk ook die nieuwere leer, die de +zendelingen uit het Westen hier komen prediken. Maar is er toch +niet iets anders nog, waarop het denken van den mensch en in 't +bijzonder het wijsgeerig denken zich te rigten heeft? Zoo waar en +zoo verheven ook die leer der zelf verloochening zijn moge, wat +meldt zij ons omtrent het eeuwig en oneindig verband der dingen en +de eenheid, die al het menigvuldige doordringt en zamenvat? + +--Inderdaad,--antwoordde de Brahmaan,--den naam van wijsgeer wel +onwaardig zou hij zijn, die niet dat juist en de daaruit +voortvloeijende levensbeschouwing en praktische moraal het +hoofdvoorwerp van alle wijsgeerig denken, den wezenlijken inhoud +der wijsbegeerte zelve noemde. Maar wie verschaft ons de volledige +oplossing van het wereldraadsel? + +--Zeker niemand,--gaf nu Feizi ten antwoord,--althans tot heden +niet. Wat latere wetenschap misschien na verre eeuwen nog tot die +ontraadseling zal bijdragen laat zich heden zelfs in de verte niet +vermoeden. Maar zouden wij nu voorloopig ons niet tevrede kunnen +stellen met de overtuiging, die door alle ware wijzen van vroeger +en later dagen wordt gedeeld, en door den een in meer door den +ander in minder duidelijke bewoordingen is uitgedrukt, dat er een +eeuwig en onbegonnen oorspronkelijk leven is in het heelal, +waaruit en waardoor alles in zijn noodwendig oorzakelijk verband +wordt zamengehouden; een leven en zijn, waarvan de hoogste wet +ontwikkeling heet, de ontwikkeling van de steeds lagere trappen +van het bestaan tot de altijd hoogere? En wat zijn wij dan zelf, +wij menschen? Immers, even als al wat ons omringt, de verschijnselen en +openbaringen van dat eene Alleven en Alzijn zelf, en eveneens bestemd om +ieder in eigen kring en naar mate van vermogen tot die algemeene +ontwikkeling mede te werken. En naarmate wij nu levendiger en met steeds +duidelijker bewustzijn ons dat algemeene, hoogste begrip voor oogen +weten te stellen, zal ook meer en meer de enghartige zelfzucht op den +achtergrond treden en plaats maken voor onbaatzuchtige toewijding aan +het heil van onze medemenschen, van de maatschappij en van den staat. + +--Zeer juist gezegd, mijn waarde Feizi!--sprak Akbar weder,--maar +zoo waar nu dat alles ook zijn moge, voldoet het u geheel, en +verlangt gij niet soms ook naar iets anders, iets meer? + +--Ongetwijfeld,--was het antwoord,--aan dat eene begrip in zijn +afgetrokken algemeenheid hebben wij niet genoeg. Wij moeten 't ook +in zijn bijzonderheden, zijne toepassing leeren begrijpen. Wij +moeten trachten naar de kennis van dat oneindige leven en dat +oorzakelijk verband, door de waarneming van de menigvuldige +verschijnselen zelve. En naar die kennis trachten immers allen, +die zich toewijden aan de wetenschap. + +--Gij begrijpt mij nog niet volkomen,--hernam de Keizer;--wat gij +daar gezegd hebt, wil ik u eveneens toegeven; maar wat ik nu +eigenlijk bedoelde, is dit. Heeft dat Alzijn, waarvan gij spreekt, +zijn grond in zichzelf of in een nog hooger, intelligent bestaan? + +--Intelligentie, denken,--antwoordde de ander,--is een noodwendige +eigenschap van het Zijn, even als datgene wat wij gewoonlijk stof +noemen of uitgebreidheid eene andere is. Beide zich uitend en zich +openbarend in die oneindige wijzigingen, die wij verschijnselen +heeten. En hoe zou nu datgene wat een eigenschap is van iets, +tegelijk de grond of de oorzaak van datzelfde kunnen zijn?... + +Eenige oogenblikken heerschte er volkomen stilzwijgen. De Keizer +zocht naar een antwoord, maar schudde het hoofd en zeide niets. + +--Mijn waarde broeder! sprak nu Aboel Fazl, het woord tot Feizi +rigtend,--uwe redenering schijnt mij volkomen logisch, en toch +voldoet ze mij nog evenmin als, geloof ik, onzen geeerbiedigden +Keizer. Wat hebt gij, wat hebben wij nu over 't algemeen aan dat +begrip van het Alzijn en Alleven? Wat geeft het ons? + +--Wel,--antwoordde Feizi lagchend,--het behoeft u ook niets te +geven, als het maar waar is. En is het waar, dan dient gij 't ook +daarvoor te erkennen zelfs al voldoet het, al behaagt het u niet. +Ik meen u echter zooeven nog te hebben aangetoond, dat mijn begrip +toch wel degelijk iets geeft, en waarde voor het leven bezit, in +zoover het ons opwekt tot toewijding aan al wat wij als goed en +waar beschouwen. En wat wilt gij dan eigenlijk nog meer? + +--Ik geef 't u gewonnen,--hernam Aboel Fazl;--maar ik sprak nu niet +zoozeer van mijzelf en ons anderen als wel van minder ontwikkelden, die +dat alles zoo niet begrijpen en toch ook behoefte gevoelen aan iets +meer en iets hoogers dan de dagelijksche ervaring hun aanbiedt. Zou 't +nu in allen gevalle niet mogelijk zijn, die meer afgetrokken begrippen +in een kleed te hullen, dat ze meer aanneemlijk maakte voor 't +algemeen? + +--Onze vriend Aboel Fazl--zei Akbar,--heeft daar juist teruggegeven wat +ik reeds meer dan eens bij mijzelf overlegde. Zou het, zoo dacht ik, +inderdaad niet mogelijk zijn, zooal geen nieuwe zinnebeelden uit te +denken voor de begrippen, die Feizi daar verkondigde, dan toch vroegere +weer te verlevendigen, die niet door enkele en alleenstaande +godsdienststichters verzonnen werden, maar uit den waarlijk godsdienstig +dichterlijken geest der volken zelven zijn voortgesproten. + +--Ik meen de bedoeling te verstaan,--sprak Feizi, toen Akbar een +oogenblik zweeg;--het geldt hier, bedrieg ik mij niet, de nieuwe +leer, welke de Keizer zou wenschen in te voeren en ook ten deele +onder sommigen zijner vertouwden reeds ingevoerd heeft. Is het zoo +niet? + +--Inderdaad,--antwoordde Akbar,--gij hebt u daaromtrent niet +bedrogen. Maar laat mij nu ook gebruik maken van de gelegenheid om +er iets naders van te zeggen. Ik ben u, Feizi! en ook u, +Koelloeka! omtrent dat een en ander wel eenige opheldering +verschuldigd, en 't is mij dus welkom dat de loop van ons gesprek +mij daartoe een gereede aanleiding geeft. Zoo luistert dan! ... +lang, zeide ik daareven, heb ik gezocht naar een vorm waarin het +redelijk godsdienstig bewustzijn zich mogt uiten en die +tegelijkertijd den wijsgeerigen denker en den minder hoog +ontwikkelde bevredigen kon. Eindelijk gaf de kennisneming van +sommige denkbeelden onzer voormalige Perzen, maar vooral ook die +van de vroegere dichterlijk wijsgeerige voorstellingen uwer aloude +zangers, Koelloeka! mij eenigermate aan de hand wat ik eigenlijk +zocht. Ik bedoelde de u welbekende voorstellingen van de Zon en +het Vuur, en die bespiegelingen over de meest in 't oog vallende +verschijnselen van het licht en de warmte, die in den aanvang +misschien onduidelijk en verward schijnen, maar wel bezien, eene +verhevene waarheid bevatten, eene waarheid die de wetenschap van +later eeuwen welligt nog door hare uitkomsten tot hoogere +zekerheid zal verheffen.--Ziet!--vervolgde Akbar, terwijl hij +nader trad bij de galerij aan de open zijde van het vertrek, en +naar de langzaam ten ondergang neigende zonneschijf wees,--daar +verlaat ons weder de glorierijke vertegenwoordiger van alle licht +en leven op aarde om morgen weer te keeren in schitterender glans! +Vroegere geslachten vereerden hem als een God en zagen biddend tot +hem op; voor de Wijzen van ouds was hij 't verheven zinnebeeld van +het levensbeginsel zelf in het heelal en van die eene alles +doordringende kracht, die woont in al het bestaande, en zich uit +in hare oneindige verschijnselen. En is het niet licht en warmte +inderdaad wat in alles leeft en alles bezielt, en zonder 't welk +niets zou kunnen zijn? In het zonlicht, in maan en sterren, in de +bliksemstraal, in het vuur dat wijzelf ontsteken in den haard, in +het licht dat wij doen ontbranden op onze luchters zien wij de +meest onmiddelijke verschijnselen van die kracht, nu eens +weldadig, dan weer vreeselijk en vernielend; maar ook in den +grond, in de planten, in mensch en dier, in lucht en water is +diezelfde kracht steeds aanwezig, al merken we haar niet telkens +daarin op; en welk verschijnsel in een woord, waarin ze niet +voortdurend op eene of andere wijze wordt waargenomen? Is nu dit +alles werkelijk aldus, zou het dan al te zeer eene speling der +dichterlijke phantasie mogen heeten, indien wij die eene kracht +tot zinnebeeld kozen van die eenheid en dat leven waarvan gij, +Feizi! zoo aanstonds ons gesproken hebt? En nu is onze vriend +Aboel Fazl, wien ik mede de vraag voorlegde, het niet alleen +hierin met mij eens, maar hij heeft mij ook op het denkbeeld +gebragt, om het met mijne nieuwe of, wilt ge, aan de ouderen +ontleende leer,--altijd uitsluitend door redelijke overtuiging, +nooit anders,--bij het volk te beproeven en te zien of zij niet +het velerlei bijgeloof zou kunnen vervangen dat nu nog zoo +algemeen heerschend is. Een naam was er noodig om die leer te +onderscheiden van andere en, hoewel nu een naam nooit volkomen het +geheele begrip kan uitdrukken, scheen ons toch die van Tauhid i +Ilahi, de Eenheid der Godheid, dat is dan van het Alwezen en zijn +Albestaan, een niet ongeschikte. Ceremonien, uitwendige +vertooningen blijven voor 't overige geheel buitengesloten, ten +ware gij een eenvoudige symbolische vereering van de zon gedurende +den dag en in den morgenstond, en van het licht in den nacht, door +onderlinge zamenspraken en geschikte lofzangen, een uitwendige +eeredienst mogt noemen.--Van dit een en ander--zoo besloot de +Keizer,--had ik tot dusver u beiden wel eens nu en dan een wenk +gegeven, maar 't nog niet nader voor u ontwikkeld. De tijd scheen +mij daarvoor thans gekomen. En nu, zegt mij openhartig uw +gevoelen! + +Geen der beide vrienden scheen nog zoo aanstonds geneigd, aan de +uitnoodiging te voldoen. Ten laatste brak Koelloeka het +stilzwijgen. + +--Wijze vorst!--zeide hij,--vergeef het ons zoo wij niet +onmiddelijk met ons antwoord gereed zijn. Uwe belangwekkende +mededeelingen eischen wel een oogenblik nadenken. In het plan door +u ontwikkeld ligt veel aanlokkelijks, doch, naar mijn bescheiden +meening, ook veel wat bedenkelijk schijnt. De betrekkelijke +juistheid en de verhevenheid uwer zinnebeeldige, voor een deel aan +onze oude zangers en wijzen ontleende leer, zal ik de eerste zijn +toe te geven. Maar, moet ik tevens vragen, is er niet groot gevaar +dat diezelfde symbolen, eenmaal onder het volk gebragt en door de +menigte aangenomen, gesteld dat dit geschieden zou, toch spoedig +weer hun oorspronkelijke beteekenis zouden verliezen en alles ten +slotte weer op een geheel uitwendige gansch werktuigelijke +vormendienst zou nederkomen? Bedenken wij het wel, dat ongeveer +diezelfde leer, die gij thans zoudt wenschen te verkondigen, reeds +eenmaal werkelijk tot het geloof van sommige volken behoord heeft. +En wat is er van geworden?... Maar niet in later dagen alleen, ook +in die overoude tijden reeds, waarop gij u beroept, ontstond er al +een twijfel omtrent het voorwerp van vereering; en, evengoed als +menig godvruchtige onzer dagen, vroeg ook toenmaal reeds het vroom +gemoed: + +"Hij die adem, Hij die kracht geeft, + Wiens gebod wordt vereerd door Deva's, door allen, + Wiens schaduw is de onsterflijkheid, + Wiens schaduw is de dood,-- + Wie is die God, wien het offer wij brengen?" + + +Ook toen dus had men blijkbaar weer niet genoeg aan dien Soerya, +de Zon, en aan Agni, het Vuur, als beeld of vertegenwoordiger der +eene levenskracht. En zal nu aan de Tauhid i Ilahi een gelukkiger +toekomst zijn beschoren dan aan de vuur- en zonnedienst der +geslachten, die ons zijn vooraf gegaan? + +Akbar gaf geen dadelijk antwoord.--En gij, Feizi!--vroeg hij,-- +wat is uw gevoelen omtrent de zaak? + +Weinig of niets--antwoordde Feizi,--heb ik tot nog toe te voegen +aan 't geen onze waardige vriend daar in 't midden heeft gebragt. +De twijfel, waarvan hij gewaagde, werd trouwens in die oude +tijden, tot welke de voormalige zonnedienst moet worden +teruggebragt, ook vrij wat sterker nog uitgesproken dan in het +door hem aangehaalde Veda-lied. Een ander dichter van die dagen +toont reeds voldoende, in 't geheel niet meer te weten waaraan hij +zich eigenlijk houden zal.--Wie weet het,--vraagt hij,-- + +"Wie weet het, wie verklaart het ons, + Vanwaar dit Al ontstond? + De Deva's zelf zijn later dan zijn wording, + Wie dan, die weet, van waar dit Al ontstond. + + + Van waar 't ontstond, en of een Wezen 't schiep + Of niet,--dat slechts weet Hij, + Die, alles ziende, in gindschen hemel troont. + Hij weet het, of... ook Hij zelfs weet het niet!" + + +De twijfel schijnt dus al haast even oud als de godsdienst zelve. +Maar dat nog daargelaten! En gezwegen ook van den haat en de +tegenwerking, die een hervormer, ook de meest humane, steeds van +zijne tijdgenooten te wachten heeft, en waarvan wij ook hier reeds +de verschijnselen kunnen opmerken, voor zoover 't een en ander +omtrent de nieuwe leer onder 't volk is bekend geworden. Ik weet +dat een Akbar daarvoor niet bevreesd kan zijn. Maar het andere +gevaar, waarop Koelloeka wees, mag waarlljk niet te ligt worden +geteld. Het gevaar dat de min ontwikkelde menigte, zoodra er maar +weer een naam genoemd wordt, 't zij dan Allah, 't zij een andere, +daaraan terstond weer eene persoonlijke beteekenis zal hechten en +de persoonsverbeelding als onderscheiden van het Alzijn zelf gaan +beschouwen. En dan is het natuurlijk ook weer gedaan met die +Eenheid der Godheid, zooals gij die werkelijk bedoelt. En wat hebt +gij dan eigenlijk uitgerigt, wat zijt gij verder gekomen? + +--Maar Feizi!--vroeg Aboel Fazl,--wat zoudt gij zelf dan wel +verlangen om het volk wijzer en verstandiger te maken? Hoe die +hervorming der begrippen tot stand te brengen, die de Keizer +beoogt? + +--De groote wijsgeeren--was Feizi's antwoord,--der natie die ginds +het noord-oostelijk grensland, China, bewoont, en wier beschaafden +sinds lang in 't geheel geen godsdienst meer belijden, hebben, +waar het volksverlichting en volksontwikkeling gold, een groot +beginsel verkondigd dat zoo eenvoudig mogelijk schijnt en toch +door ons nog maar al te veel uit het oog wordt verloren: Voor +alles volksonderwijs! Ziedaar het eenige, maar ook volkomen zekere +middel. Het werkt langzaam, 't is waar, en wie op groote schaal +het begint toe te passen, ziet zelf niet ligt de uitkomst; maar +deze is niettemin onmisbaar op den duur, terwijl elke verkondiging +van eene meer of min met zinnebeelden getooide leer, 't zij dan +met of zonder openbaringsgezag, wel voor een tijd kan bloeijen, +doch in 't einde steeds weer verbastert, of, zoo dit al niet +gebeurt, toch weer ophoudt aan de geestelijke en zedelijke +behoeften der menschen te voldoen. + +--Er schijnt veel waars in 't geen gij zegt,--sprak Akbar ten +slotte,--en ik wil dat alles in zeer ernstige overweging nemen. +Welligt ook zullen wij in elk geval onze leeringen tot enger +vriendenkring moeten beperken en zal hare invoering onder het +eigenlijke volk op onoverkomelijke bezwaren blijven afstuiten. +Niettemin, ik geef mijn lievelingsdenkbeeld nog zoo terstond niet +op, gelijk gij dat ook wel niet verwachten zult. Wij moeten er nog +eens nader over spreken. Doch voor heden genoeg! Staatszorgen +roepen ons straks weder tot onze meer gewone werkzaamheden. Ik +dank u inmiddels, mijne vrienden! voor uw onderhoud; u, Aboel +Fazl! voor uwe ondersteuning, en u beiden voor uwe opregte en +welgemeende tegenspraak! + +En na afscheid van den Keizer te hebben genomen begaf zich Aboel +Fazl met de beide anderen naar zijn paleis om daar, in hunne +tegenwoordigheid, het verslag der twee verspieders aan te hooren. + + + +TWAALFDE HOOFDSTUK. + +Aanslagen + +'t Was een vrolijke, tamelijk frissche morgen, toen Siddha met een +paar zijner ruiters den weg naar Fattipoer opreed om derwaarts +eenige brieven over te brengen, die men aan geen eenvoudigen bode +had kunnen toevertrouwen. De zon scheen helder zonder nog te +branden, in de boomen zongen de veelkleurige vogels, en in de +takken sprongen eekhorens en kleine apen al spelend heen en weder. +De gansche natuur scheen iets opgeruimds, iets levenslustigs te +vertoonen, wat haar anders in die streken zelden eigen pleegt te +zijn; en ook de landlieden, die men onderweg ontmoette, hadden den +hun gewonen loomen en slaperigen gang voor een levendiger tred +verwisseld, als deelden ook zij in de opgewektheid die daar alom +scheen te heerschen. + +Wie daar echter volstrekt niet aan deelnam was onze voorheen zoo +levenslustige Siddha. Somber veeleer en in gepeins verloren reed +hij voort, en zwijgend ook volgden hem zijne onderhoorigen. Wel +scheen hij een ander mensch geworden sinds den tijd toen hij voor +'t eerst in Agra kwam, en met Parviz en zijne vrienden schertste, +en met deelneming zooal niet met belangstelling naar de +vertrouwelijke mededeelingen omtrent de edele dochter van den +schatmeester luisterde. En wel ook had Parviz dat niet zonder +verwondering opgemerkt; maar bescheidenheid had hem weerhouden +naar de aanleiding te vragen of onderzoek te doen. Te dieper +intusschen gevoelde Siddha het zelf, hoe anders het met hem +geworden was. Hoe anders inderdaad dan den dag toen Koelloeka hem +moedig en luchthartig voorwaarts zag springen met zijn hengst, als +dacht hij de wereld te gaan veroveren, en vrolijk hem den +geliefden naam zijner toekomstige bruid hoorde uitroepen! Hoe +anders nu dan toen een enkele kus van Iravati hem de zaligheid +scheen, en hij nog niet geleerd had te smachten naar de +hartstogtelijke omarmingen eener Rezia! Toen hij nog rein was van +gemoed en zich nog niet te schamen had over zichzelven omdat hij +aan verraad en trouwbreuk en schandelijke ondankbaarheid zich had +schuldig gemaakt! + +Somber vooral ook waren ditmaal zijne gedachten, daar zich heden +meer dan ooit zekere vermoedens bij hem opdrongen, die meer dan +eens, hoewel nog onbestemd, aan zijn geest zich hadden voorgedaan. +Was Rezia zelve hem wezenlijk getrouw of behandelde zij hem niet +anders dan den echtgenoot, die toch zooveel meer dan hij hare +liefde verdiende? Of Selim werkelijk enkel om staatkundige redenen +haar bijwijlen opzocht, dan of ook andere hem naar Feizi's +vrouwenvertrekken voerden? En dan die zamenzwering waarin hij, +Siddha, hoe langs hoe meer gewikkeld werd! Ook deze begon een niet +weinig dubbelzinnig karakter voor hem aan te nemen, sinds hij toch +langzamerhand wel begon in te zien, dat het in 't geheel niet om +de onafhankelijkheid van zijn vaderland alleen, maar tevens, zoo +niet uitsluitend, om gansch iets anders te doen was. En had ook +Rezia hem niet meer dan eens reeds, naar hare eigene bekentenis, +misleid? En wat reden dan om aan te nemen, dat ze hem nu de +waarheid en niets dan deze had meegedeeld? In welke nieuwe +verwikkelingen had hij zich dan gestoken, en tot welke misdrijven +liet hij zich misschien als werktuig gebruiken! + +Een uitroep van een der ruiters deed hem opschrikken uit zijne +mijmering, en de rigting der lans volgend, waarmee de krijgsman +naar een punt in de verte wees, ontwaarde hij daar een groep +mannen te paard, die, naar hunne bewegingen te oordeelen, met +elkaar in gevecht moesten zijn. + +--Voorwaarts!--riep Siddha, en zijn paard de sporen gevend snelde +hij in vollen ren, door de twee anderen gevolgd, naar de plaats +van den strijd. Naderbij gekomen herkende hij, tot zijne niet +geringe verwondering en schrik, in een dier mannen Aboel Fazl, en +in dengene die hem met zijn sabel zocht te treffen Narasinha, een +Radja, dien hij zich herinnerde meermalen en onder anderen ook bij +Prins Selim te hebben ontmoet. + +Inmiddels hadden de volgelingen van den Radja de nieuw aankomenden +al spoedig in 't oog gekregen, en een vijftal rende hen aanstonds +te gemoet. De schok tusschen Siddha en den voorsten ruiter was +geweldig en in een oogwenk lag deze, de borst door de spoor zijner +tegenpartij doorboord, met zijn paard op den grond. Onmiddelijk nu +trok Siddha zijn sabel en bragt daarmee den volgende een houw toe, +die hem aanstonds uit den zadel deed tuimelen. Maar zwaarder werk +had hij met den derde, die even als hij een geoefend ruiter en +zeer behendig met de sabel bleek te zijn. En terwijl zijne beide +volgelingen de twee anderen bezig hielden, kwamen er weer nieuwe +aanrijden om hunne makkers bij te springen. De kansen begonnen dus +hagchelijk voor onze drie mannen te staan, toen het Siddha +eindelijk gelukte zijn vijand een zwaren slag in den hals toe te +brengen en hem daardoor buiten staat van gevecht te stellen; en +juist toen de strijd met de nieuw bijgekomenen stond te beginnen, +klonk er een bevel dat hen gebood om te keeren. Terstond wendden +zij den teugel en reden naar de hunnen terug. Maar in hetzelfde +oogenblik toen zijne tegenpartij gevallen was en hij de overigen +te hulp zag snellen, had Siddha ook Aboel Fazl de armen zien +uitbreiden, terwijl de sabel hem ontviel, en achterover storten +van het paard. Een kort oogenblik later had Narasinha zijne +helpers teruggeroepen en rende nu met al zijne volgelingen over de +vlakte voort. Siddha's eerste beweging was, de moordenaars na te +rijden, maar spoedig begreep hij met zijn twee ruiters, waarvan er +een ook gekwetst was, toch voor 't oogenblik niets te kunnen +uitrigten, terwijl de vier dienaren van den Minister eveneens +verslagen op het veld lagen uitgestrekt. Daarenboven eischte Aboel +Fazl zijne zorg. + +Snel van zijn paard gesprongen, dat hij aan de anderen overgaf, +knielde hij nevens den gevangene, en diens kleeding losmakend +trachtte hij zoo goed mogelijk het bloed te stelpen dat uit de +breede en waarschijnlijk ook diepe borstwond vloeide. Tot zijne +blijdschap sloeg Aboel Fazl de oogen op, en toonde duidelijk hem +te herkennen. De vreugde was echter kort van duur. + +--Uwe hulp, mijn brave Siddha! komt te laat,--sprak met zwakke +stem de gewonde;--met mij is het gedaan en met mijn arbeid voor +den Keizer en zijn rijk.... Een laatst bevel nog! Laat voor Akbar +de naam van den waren moordenaar verborgen blijven als gij dien +soms vermoedt.... + +--Narasinha--antwoordde Siddha,--was, ik onderstelde het dadelijk, +alleen zijn huurling. De ware moordenaar is.... + +Maar toch aarzelde hij den naam uit te spreken. + +--... Selim!--vulde Aboel Fazl aan; men had mij reeds van ter +zijde voor hem gewaarschuwd. + +Afgemat zonk de stervende, door Siddha's arm gesteund, achterover. +Maar toen een weinig later het bewustzijn voor eenige oogenblikken +terugkeerde, vond hij nog de kracht, schoon de stem hem bijna +begaf, een laatsten groet aan dien keizerlijken vriend te rigten, +dien hij zoo trouw en met zooveel ijver gedurende zijn leven had +ter zijde gestaan. + +--Zeg aan Akbar,--sprak hij,--dat mijne laatste gedachte aan hem +is geweest. En zeg hem ook, dat ik sterf in de vaste overtuiging +omtrent de waarheid dier beginselen, die wij zoo menigmaal, ook +nog gisteravond, te zamen bespraken.... Den zonneglans zie ik +nauwelijks meer, en wel gevoel ik dat het licht nog in mij leeft, +maar ook daar zal het straks zijn uitgedoofd .... Doch ik beklaag +mij niet! Ik geloof in staat te zijn geweest iets ten nutte mijner +medemenschen te verrigten, al was het minder dan ik had gewenscht. +En daarom sterf ik tevrede. Zorg ook gij, mijn jonge vriend! dat +gij eenmaal hetzelfde moogt zeggen!...--En nu vaarwel!--fluisterde +de Vizier na nog eene korte pauze terwijl hij den ander zacht de +hand drukte .... + +Het hoofd viel voorover op de borst en weldra gevoelde Siddha dat +zijn arm niet meer steunde dan een lijk.... + +Ver van de plaats waar dit alles voorviel, werd omstreeks +denzelfden tijd een ander drama gespeeld, dat met het zoo +aanstonds beschrevene in sommige opzigten veel overeenkomst +vertoonde, schoon het in andere niet weinig daarvan verschilde. + +In het gebergte van den Himalaya, en voornamelijk in den omtrek +van den Bhadrinath, had gedurende verscheidene dagen een drukkende +warmte geheerscht. Wel waren des avonds nu en dan donkere +regenwolken, de weldadige hemelkoeijen, verschenen om de dorstende +aarde te drenken; maar de booze Vritra, de donkere daemon, had ze +telkens weer weggevoerd, en des anderen daags keerde ook de +zonnehitte terug om veld en planten te verschroeijen. Eindelijk +rustte de magtige Indra, de Koning des hemels, zich uit ten +strijde. Wederom kwamen tegen den avond de wolken, en wederom +zocht de daemon ze te vermeesteren; maar thans greep Indra zijne +bliksemschicht, en ratelend weerklonk, honderdvoudig door de +bergen weerkaatst, de eerste, geweldige slag. Wel voelde zich +Vritra getroffen, maar nog gaf hij den strijd niet op, en nog +verkwikte geen enkele regendroppel de smachtende natuur. Toen +daalden keer op keer de vreeselijke slagen op zijn hoofd, en +verlichtten de bergtoppen en de heuvelen en dalen met verblindenden +glans, terwijl onophoudelijk de donder bleef rollen, en hooge boomen +werden doorkliefd, en zware rotsblokken neer werden geslingerd in de +ravijnen. Nu ook viel de regen in digte stroomen neder, en beeken en +bergstroomen begonnen te zwellen en zochten ruischend hun weg naar de +meren in de valleijen. Eindelijk, tegen 't vallen van den nacht, +bedaarde de vreeselijke strijd, de regen hield op, het weerlicht +flikkerde slechts nu en dan nog in de duisternis, en geen ander geluid +brak de stilte dan het klateren van het water, dat van de hoogten naar +de dalen vloeide. + +Thans trad ook Gaurapada, de kluizenaar, naar buiten en, met +welgevallen de frissche met de heerlijkste geuren bezwangerde +lucht inademend, zette hij zich neder onder het vooruitstekend, +met jasmijn en rozen begroeide afdak aan de voorzijde zijner +woning. In eene aangename stemming bragt hem een tijdlang de +zachte en kalme rust der wederoplevende natuur, terwijl het +aloude, eeuwenheugende wolken-epos met zijn Indra, den Vritra- +dooder, tot held, hem nog voor den geest bleef zweven als ware 't +eerst gisteren gedicht; maar toch begonnen ook spoedig weer +sombere en verontrustende gedachten zich aan hem op te dringen. +Koelloeka had in den laatsten tijd hem berigten uit Kacmir en Agra +gebragt, die hem met geene geringe bezorgdheid vervulden voor de +toekomst van zijn nog altijd zoozeer geliefd vaderland. + +--En zoo moet het--dus overlegde hij,--dan toch eindelijk tot +datgene komen, wat ik zoolang gevreesd heb en wat ik zocht af te +wenden door mijne jarenlange vrijwillige ballingschap! Een vreemde +overheerscher staat binnen te dringen in ons ongelukkig land, en +onze eigene rampzalige twisten banen hem den weg. Hij heeft +gelijk, van zijn standpunt; hij moet de orde herstellen in een +naburigen staat, die zijn rijk onophoudelijk blijft verontrusten, +en kan dat niet met eerbiediging van 's lands zelfstandigheid, dan +moet het geschieden door onderwerping. Maar wij! Of er dan +wezenlijk niets meer aan te doen zou zijn?--Neen!--ging hij voort +in zijne gedachten,--dat denkbeeld van Koelloeka, die mij terug +wilde doen keeren, opdat ik, door Akbar misschien gesteund, het +bestuur weer mogt overnemen van mijn te zwakken broeder, neen, dat +deugt werkelijk niet! Mijn wederoptreden zou enkel een tijdelijk +redmiddel zijn, indien het dat al was. En ik ben ook te oud +geworden en ongeschikt om weer te gaan regeren; althans daar, waar +jeugdige kracht voor alles zou worden vereischt. Lang ook kan het +met mij niet meer duren.... Mijn hoofd is moede en verlangt zich +neer te leggen ter ruste. Ik wensch sinds lang reeds naar het +oogenblik, dat ik zal mogen ingaan tot die vereeniging met het +Oneindige Brahma, waaraan wij allen ons kort afzonderlijk bestaan +ontleenen, en waartoe wij allen eenmaal wederkeeren .... + +En langzaam sloot Gaurapada de oogen, terwijl hij zich uitstrekte +op het zachte en frissche bed van mos. Een lichtstraal, die voor +een oogenblik de gansche vallei en het meer daar omlaag bescheen, +wekte hem weder en deed hem zijne overpeinzingen nog een oogenblik +hervatten. + +--Ook is het misschien nog het beste,--zoo dacht hij wederom,-- +dat het maar gaat zooals 't nu eenmaal bestemd schijnt te zijn. +Ons volk verarmt, komt tot verval, wordt ellendig onder dien +telkens vernieuwden partijstrijd, waarvan toch het eind nooit te +voorzien schijnt. Kwam het eenmaal weer onder een goed en ordelijk +bestuur, zijn industrie en zijn handel zouden herleven, zijne +voormalige welvaart kon nog terugkeeren. En Akbar is een +verstandig en een regtvaardig vorst, die zijn onderdanen gelukkig +weet te maken, en dien heden de volken zegenen, die te voren zich +nog verzetten tegen zijne heerschappij. En toch is het hard voor +een land zich van de vrijheid te zien berooven, waarop het sinds +vele eeuwen trotsch mogt zijn! Ach, dat het mij gespaard ware +geweest dit te beleven van mijn eigen land! + +Nogmaals leunde hij 't hoofd achterover met een zucht, tot hij ten +laatste, half werktuigelijk nog luisterend naar het ruischen der +beek, in een ligte sluimering verviel. Alles scheen in diepe rust, +heinde en ver. Niets meer kon den slaap van den grijsaard storen. +Slechts nu en dan vernam hij in zijn nabijheid het gonzen van een +insect en meende hij dat het streek langs zijn gelaat. Ook beving +hem een zonderlinge gewaarwording, een onverklaarbaar gevoel alsof +hij niet alleen was. Nog eemnaal zag hij op, maar hij ontwaarde +niets, en ook het insect scheen door zijn beweging verjaagd. Na +eenigen tijd kwam het echter terug en ging weder en keerde, totdat +de sluimerende er geen acht meer op sloeg en zich geheel overgaf +aan een nu onoverwinnelijken slaap. + +Toch was deze zoo zwaar niet, of de minste aanleiding kon hem +daaruit wekken. En eensklaps greep hij naar zijn hals, waarom hij +vlug een koord voelde slingeren, en met de eene hand het koord +vattend, tastte hij met de andere om zich heen. Aanstonds +ontmoette hij een koud en glibberig, als met olie bestreken +ligchaam, en nu, van het koord zich bevrijd gevoelend, greep hij +met beide handen het ligchaam aan. Maar hoe vast hij de nog +krachtige vuisten er om heen zocht te klemmen, toch gleed het hem +door de vingers en scheen hem te ontsnappen .... Daar klonk +plotseling in de stilte van den nacht een rauwe kreet, beantwoord +door een dof gebrul, en in zijn onmiddelijke nabijheid zag +Gaurapada een paar vurige, heen en weder rollende ballen +glinsteren.... Nog een kort oogenblik en het weerlicht deed hem +terstond Hara, zijn tijger, herkennen, die, met den geweldigen +klauw op een donker menschelijk ligchaam, vlak voor hem lag +uitgestrekt. + +Op het vernemen van den kreet was inmiddels de dienaar toegesneld +met een licht dat in het binnenvertrek stond te branden, en bij +het schijnsel overtuigde zich weldra Gaurapada dat zijn gezicht +hem zooeven niet bedrogen had. Onmiddelijk begreep hij nu ook wat +er was voorgevallen. De man, die daar lag, had beproefd hem te +worgen, maar tijdig had hij 't koord nog gevoeld en zijn tijger, +door instinct of hoe dat heeten mogt gedreven, moest den Worger +even onbemerkt zijn nageslopen als deze den kluizenaar genaderd +was. + +--Terug, Hara!--riep nu Gaurapada, opspringend en den tijger in +den nek grijpend,--terug, zeg ik! + +Eerst bleef het dier nog onbewegelijk, maar gehoorzaamde ten +laatste, schoon blijkbaar onwillig, aan de stem van zijn meester, +trok den klauw terug en ging zich grommend op zekeren afstand +nederleggen. + +Met behulp van den dienaar rigtte nu de kluizenaar zijn gevallen, +door den tijger met een slag in den rug gevelden vijand van den +grond, en legde hem, toen hij zich overtuigd had dat hij nog +leefde, voorzigtig op het mos. + +--Ik ken dien man,--zeide hij, een weinig nader hem beschouwend;--ik +bewees hem indertijd, toen ik nog magtig was, menige weldaad en gunst. +Wat hem nu gedreven kan hebben tot een zoo verraderlijken aanval? + +Op dit oogenblik zag de gewonde, die Gaurapada's woorden verstaan +had, op, en den kluizenaar lang en opmerkzaam aanstarend, +fluisterde hij, blijkbaar met verbazing: + +--Nandigoepta!... Kan het mogelijk zijn? + +--Nandigoepta inderdaad!--antwoordde de ander;--maar gij, wat +bewoog u, mij naar 't leven te staan? + +--Mijn Heer en mijn Vorst!--sprak de Worger, voor enkele +oogenblikken nog met vaste stem,--ik zweer u bij den magtigen civa +en zijne heilige echtgenoote! dat ik niet wist wie gij waart en u +lang gestorven waande. Had ik 't geweten, ik zou de kracht niet +hebben gehad aan 't bevel van Doerga te voldoen, welke dan ook de +straf van hare ongenade mogt zijn. Maar gelukkig heeft zij zelve +uw dood niet gewild, en dien tijger gezonden om mijn leven als +offer in de plaats van het uwe te nemen. Geloofd zij haar naam! + +Uitpuiting verhinderde den gewonde voort te gaan. Met den dienaar +wiesch en verbond Gaurapada hem zoo goed mogelijk den vreeselijk +ontvleeschden rug, waarin de klauw van den tijger diep was +doorgedrongen, en toen, na hem te drinken te hebben gegeven en +ziende dat hij zich een weinig begon te herstellen, vroeg hij +verder: + +--Maar nog eens dan. Wat of wie dreef u tot die daad? En indien +gij zelf niet eens wist wie ik was, wie heeft u dan gezegd, dat +Doerga mijn dood verlangde? + +--Gorakh, de Yogi!--was het antwoord. + +--Ha! die schurk!--mompelde Gaurapada;--dan zit er stellig nog +meer achter.--Gij zijt dus,--vervolgde hij,--naar ik bemerk, een +Worger geworden. Dan beklaag ik u om uw treurige verblindheid. +Maar was ik de eenige, dien Gorakh u aanwees als uitverkoren +offer? + +De pijn verhinderde eenige oogenblikken den gewonde te antwoorden, +schoon op zijne strakke gelaatstrekken niets daarvan te lezen +stond. Toen antwoordde hij, met tusschenpoozen sprekend: + +--Ook de eerste Minister in Kacmir, de broeder van Salhana, werd +daartoe uitverkoren. Maar hem te dooden is opgedragen aan mijn +broeder, die u ook wel bekend is, en alleen als hem de aanslag +mislukte, zou die uitgevoerd worden door mij. + +--En is uw broeder reeds sedert lang naar Kacmir gegaan? + +--Hij verliet mij gisteren op eenigen afstand van hier en ging +toen voort naar het Noorden. + +--Te voet? + +--Ja! + +--En zijn er nog anderen van de uwen, die met deze bevelen omtrent +den Minister en mij bekend werden gemaakt? + +--Geen anderen. Eerst als blijkt dat wij niet zijn geslaagd, wordt +de last aan anderen overgedragen. + +Gaurapada wenkte, zijn dienaar en trad een weinig met hem ter +zijde. + +--Ga--sprak hij,--en zadel terstond uw paard! Gij zult spoedig een +reis hebben te ondernemen. + +Een zacht, schoon bedwongen gekreun riep hem bij den gewonde +terug, nadat zijn dienaar zich verwijderd had. + +--Heer! sprak fluisterend gene,--ik heb nog maar enkele +oogenblikken te leven.... Maar verleen mij nog eene gunst na de +vele, die ik van u genoot!... Zeg mij, dat gij mij vergeeft! + +--Ik vergeef u, arme man!--antwoordde Gaurapada;--ik weet het nu, +dat gij een werktuig waart en niets anders. + +--Dan sterf ik gelukkig!--hernam de Worger;--en met een voorsmaak +der zaligheid ga ik in tot het eeuwige leven. Door het wonder dat +de Godin aan u verrigtte, en door tevens mij aan te nemen als +offer, heeft zij getoond dat hare genade u en mij verzekerd is... +--Heilige, driewerf heilige Doerga!--riep hij, als op eenmaal door +nieuwe kracht bezield en met opgeheven armen zich omhoog rigtend, +met luider stem,--ontvang mij in den tempel uwer glorie! Ik kom!-- +Toen stortte hij weer achterover, strekte de armen uit en lag +bewegingloos. De geloovige volgeling van de Godin der Vernieling +was niet meer.... + +Geruimen tijd nog bleef de kluizenaar op het zielloos ligchaam +staren, waaraan de akelige magerheid, de donkere kleur en de met +wit en rood op het voorhoofd geteekende drietand van civa een +spookachtig aanzien gaven bij het weifelend licht. + +--Tot wat--prevelde hij in zichzelf,--de godsdienst al niet leiden +kan! Hoe zij van anders goede en onbedorven lieden soms +misdadigers en moordenaars en krankzinnigen weet te maken! Toch +was die man op zichzelf nog geenszins te beklagen; hij stierf als +martelaar, met de volle en onwrikbare overtuiging, eene eeuwige +zaligheid straks deelachtig te worden. Maar die huichelaars, die +eervergeten schelmen, als die Gorakh, die zulke onnoozele zielen +tot werktuig voor hun vloekwaardige ondernemingen gebruiken! Wat +van dezen? Wat verdienen zij anders dan dat men een verdelgingskrijg +opene tegen hen?...--Doch neen!--hernam hij, 't hoofd schuddend,--dat is +toch ook het regte niet! Geen genade waar het misdrijf of de poging +daartoe gebleken is, maar geen vervolging ook zoolang het bij dreigen +blijft! Want wie kan bepalen, wanneer een godsdienst-secte gevaarlijk +en schadelijk wordt en tot op welke hoogte zij het nog niet is?... + +De terugkeerende dienaar kwam de overdenking van Gaurapada +afbreken. + +--Help mij--sprak deze,--den man begraven, die daar ligt; hij is +dood, en ik wil niet dat Hara hem gaat verslinden, die 't anders +zeker wel gaarne doen zou. En dan, als wij er mee gereed zijn, te +paard! Haast u naar Kacmir, om den Minister te waarschuwen omtrent +hetgeen wij zoo straks vernomen hebben, en zorg dat men den +broeder van dezen man, dien gij ook wel gekend hebt, zoodra +mogelijk op 't spoor kome, om hem in zijn voornemen te verhinderen +en te beletten dat hij met iemand anders van de zijnen in +aanraking komt. Kunt gij, zoek dan nog uit te vorschen waar Gorakh +zich bevindt. Dien spare men geen oogenblik als hij gevonden is! +De ellendeling heeft dubbel en dwars den strop verdiend, dien hij +om den nek van anderen doet slaan. + +--Doch, geeerde Meester,--vroeg de dienaar aarzelend,--wilt gij +hier nu zoo geheel alleen blijven in de wildernis? Men schijnt uw +schuilplaats ontdekt te hebben, en zal dus misschien nieuwe +dergelijke aanvallen op uw leven beproeven. Moet ik nu juist van +hier, nu ik misschien voor u waken kon? + +--Mijn beste vriend!--antwoordde Gaurapada glimlagchend,--maak u +over mij niet bezorgd! Wat, vooreerst, is mijn leven in +vergelijking van die grooter belangen, die van een wel en spoedig +slagen uwer zending kunnen afhangen? Maar bovendien ben ik hier +alleen haast even veilig als met u tot waker. Ten minste zoolang +Hara leeft. Gij hebt het gezien dat hij wakker genoeg is, en in 't +vervolg zou ik ook geen van die bruine naaktloopers meer raden +zich hier in de buurt te vertoonen. Hara kent dat slag van volk +nu, en hij zou ze stellig niet ongedeerd laten als ze hier kwamen. +Staat uw paard gereed? + +--Ja, Heer! + +--Nu, straks dan voorwaarts! Help mij nu eerst nog aan ons +werk!... + + + +DERTIENDE HOOFDSTUK. + +Afscheid + +De tijding van Aboel Fazl's dood had een overweldigenden indruk op +den Keizer te weeg gebragt. Het was alsof alles hem eensklaps +ontzonk wat tot heden zijn steun was geweest; en hij, de sterke +nooit versaagde man, die het hoofd had geboden aan de geweldigste +stormen, de grootste gevaren had getrotseerd, en telken male als +overwinnaar te voorschijn was getreden uit den strijd, hij voelde +zijn kracht als verlamd en zich bijkans onmagtig tegenover de +nieuwe verwikkelingen, die al wederom het rijk begonnen te +bedreigen. Het eenige besluit dat hij in de eerste dagen had weten +te nemen, was een streng bevel tot vervolging van Narasinha, den +moordenaar,--een bevel intusschen waaraan nooit uitvoering werd +gegeven, daar de Radja zich ver vandaar in volkomen veiligheid had +gesteld tot den tijd dat Selim den troon zou hebben bestegen, en +hem dan eenmaal zou overladen met zijne gunsten. Toch kon een man +van Akbar's karakter niet weekelijk gebogen blijven onder den last +der smart, hoe zwaar die ook drukken mogt. Eenige dagen sloot hij +zich op, en sprak hij met niemand dan Feizi en enkele zeer +vertrouwden; maar ten laatste vond hij toch weder den moed en de +kracht om anderen te woord te staan, die omtrent hun eigen +belangen of die van het rijk hem gehoor verzochten. Zoo ook met +het hoofd der Jezuieten-missie, den Padre Aquaviva, die voor zijn +aanstaand vertrek hem nog een bezoek wenschte te brengen. + +--Zoo, gaat gij ons dan weer verlaten, Eerwaarde Vader?--vroeg +Akbar, toen de Jezuiet bij hem was binnengeleid. + +--Ik moet wel, Sire!--antwoordde Rodolpho,--onze Provinciaal roept +mij naar Goa terug. Maar ik mogt niet vertrekken zonder Uwe +Majesteit nog mijn opregten dank te hebben betuigd voor de eer en +de gunsten hier door ons genoten, hoewel ik bijkans aarzelde nog +gehoor te vragen na het belangrijk, en zeker ook smartelijk +verlies, dat u getroffen heeft. Een waardig man en een trouw +vriend even als een bekwaam dienaar moet Aboel Fazl geweest zijn, +naar 't geen mij van hem bekend werd; en 't herdenken van zulk een +man is dan ook zeker nog een troost te midden van de droefheid....--Al +ware mij,--voegde hij een oogenblik later er aan toe,--al ware mij zulk +een troost niet genoeg. + +--Niet genoeg?--herhaalde Akbar verwonderd.--En wat hadt gij dan +meer nog verlangd? + +--Ik zou de overtuiging gewenscht hebben, dat hij gestorven was +reiner van ziel en in zaliger verwachting dan thans mogelijk was. + +--Aboel Fazl,--antwoordde de Keizer op ernstigen, maar kalmen en +waardigen toon,--Aboel Fazl was even rein van ziel als een uwer, +om niet meer te zeggen; en hij is gestorven zooals ik zou wenschen +te sterven. + +De Jezuiet wachtte of Akbar er nog iets zou bijvoegen, maar de +Keizer zweeg; en de toon van zijn antwoord duidde wel aan, dat +nadere verklaring te vragen voor 't minst zeer onvoorzigtig zou +zijn. + +--En denkt gij spoedig terug te keeren?--vroeg Akbar na eenige +oogenblikken het stilzwijgen weer afbrekend. + +--Dat zal afhangen van de bevelen die mij gegeven worden,-- +antwoordde Aquaviva;--wat echter mijzelven betreft, ik zie mij wel +genoopt, met hoeveel leedwezen ook, mijne zending herwaarts als +mislukt te beschouwen. + +--En waarom mislukt? Wordt gij hier niet voldoende beschermd, +bewijst men u niet de noodige eer, geniet gij niet de meest +volkomen vrijheid om te verkondigen wat gij wilt en te bekeeren +wie gij kunt? En telt gij dat nu voor niets, hier in een land waar +nog maar weinige jaren geleden, onder mijn voorgangers, ook de +geringste openbare prediking van uw leeringen u aan de doodstraf +zou hebben blootgesteld? + +--Sire!--antwoordde de Padre,--wij moesten al zeer ondankbaar +zijn, indien wij al deze belangrijke voorregten eenvoudig voor +niets rekenden. En toch, ik moet het herhalen, onze zending is, +wat haar hoofddoel aangaat, mislukt. Wel is u bekend, met wat +schoone, heerlijke verwachtingen wij voor eenigen tijd in Agra +kwamen. De hooge en eerbiedige belangstelling door u in de gewijde +schriften en de gebruiken der Kerk aan den dag gelegd, had ons de +hoop doen opvatten dat het licht der waarheid ten laatste mogt +doordringen in uw diepdenkenden geest en uw edel gemoed. Wij +hadden gehoopt, wij hadden alhaast met zekerheid verwacht dat de +Kerk van Christus eenmaal in Shah Akbar een harer roemrijkste +zonen mogt begroeten, zoo niet den meest roemruchtige van allen! +Maar die hoop en verwachting, we mogen 't ons niet ontveinzen, +blijft ijdel. Kan dan niet met reden gezegd worden, dat onze +zending haar voornaamste doel heeft gemist? En toch... al blijft +er dan soms in enkele onzer leeringen hier of daar eenig bezwaar, +waartegen uwe wijsbegeerte zich nu nog verzet, nadere studie en +onderzoek mogten dat in 't eind misschien nog wel oplossen. Indien +gij slechts wildet aanvangen met op de groote weldaden te letten, +die de Kerk aan het Westen verzekerd heeft en die ook hier niet +zouden uitblijven, zoodra ze maar eens de magt bezat! + +--Met reden--hernam Akbar,--laat gij nu de eigenlijk dogmatische +vraagstukken ter zijde; ik vrees dat wij 't daarover toch nooit +eens zullen worden, en ik gevoel voor 't oogenblik ook geen +opgewektheid om daarover te redetwisten. Maar nu die weldaden, +waarvan gij spreekt! Ik geloof gaarne, en vind ook alle reden om +te gelooven, dat uwe Christelijke leer veel nut in de wereld +gesticht heeft, onder anderen door meer en beter dan de meeste +andere godsdiensten op de toepassing van het beginsel der +algemeene menschenliefde en zelfverloochening aan te dringen, +hoewel dan, gelijk wij u vroeger reeds aantoonden, dat alles +volstrekt niet uitsluitend aan uwe godsdienst eigen is. Maar bij +al dat nut komt toch, dunkt mij, ook niet weinig nadeel; of hebt +gij niet de meest geweldige onverdraagzaamheid gestookt, die de +wereld misschien ooit gekend heeft? Hebt gij, priesters! in uwe +eigene landen daar in het Westen, u niet opgeworpen tot tirannen +over het geweten uwer medemenschen? Hebt gij niet honderden en +duizenden tot worgpaal en brandstapel gedoemd, enkel omdat ze van +u over sommige geloofspunten verschilden? Noemt gij dat weldaden? +Zoo ja, dan hebt gij toch zonderlinge begrippen omtrent weldoen en +is uwe menschenliefde al van een heel vreemde soort.--En zeg mij!-- +vervolgde de Keizer, terwijl hij Aquaviva aanzag met een +doordringenden blik,--zeg! wat zoudt gij uitrigten met mij, +Akbar, dien gij nu zoo hoog heet te vereeren, indien ik eens +christen-onderdaan ware van een der vorsten, die gehoorzamen aan +uwe bevelen? Zoudt gij ook mij niet in de holen uwer kerkers +werpen en, als ik bleef volharden in zoogenaamd ongeloof, mij +uitleveren aan den regter om verwezen te worden naar het vuur? + +Bedremmeld trad de Jezuiet een schrede achteruit. Dergelijke vraag +had hij niet verwacht. En wat er op te antwoorden? Zeer zeker, het +kon niet worden ontkend dat er waarschijnlijk zoo met Akbar zou +gehandeld worden, indien de omstandigheden werkelijk waren zooals +hij ze nu voorstelde. + +--Maar, Sire!--stotterde ten laatste Aquaviva,--dat alles is nu +immers het geval niet! En wie kan zich Akbar, den grooten Keizer +van Hindostan, denken als onderdaan van een onzer vorsten? + +--Zeker, dat gaat niet; gelukkig voor mij! Doch uw antwoord +bewijst, dat mijne onderstelling volkomen juist was voor 't +gegeven geval. Maar nu een andere vraag! Wat zoudt gij eigenlijk +met mij willen uitrigten, nu ik Keizer van Hindostan ben? Gij +zoudt mij eenvoudig tot een van die vorsten willen maken, die u +onderdanig gehoorzaam zijn en die gij tot werktuigen gebruikt ter +handhaving van uwe kerkelijke dwingelandij. En daarom zijt gij +natuurlijk ook zoo erg gesteld op mijne bekeering. Welnu! ik zeg u +eens voor al: die zult gij nooit beleven. Zelfs, als ik voldoende +met de leer uwer Evangelien in haar geheel instemde om haar +openlijk of heimelijk te omhelzen, ook dan nog zou ik niets willen +weten van uwe Kerk als zoodanig, wel beseffend wat noodlottige +gevolgen hare erkenning door den monarch voor den staat en zijne +burgers zou na zich slepen. + +--Dan--hernam Aquaviva,--blijft ons niets anders over dan te +bidden tot den Heer, dat een wonder van Zijne hand datgene +wrochten moge, wat onze ijverige maar nog te zwakke pogingen niet +tot stand mogten brengen. En dat gebed, ik ben er zeker van, zal +in 't eind niet onverhoord blijven. Bedenk het, gij oppermagtig +gebieder! dat zelfs de grooten der aarde niets vermogen tegen Hem, +en dat Hij ook straffen heeft voor degenen, die wagen Zijn wil te +weerstaan! Hij en Hij alleen zal zegevieren, en de poorten der hel +zullen de rots van Petrus niet overweldigen en Christus zal met +Zijn kerk zijn tot aan het einde der wereld! + +--Dat is zijne zaak!--riep nu Akbar uit, ten laatste een weinig +van zijn bedaardheid verliezend;--maar de mijne is, te waken voor +de vrijheid en de regten mijner onderdanen en hen te beschermen +tegen u zoowel als tegen moellah's of welke andere priesters of +schriftgeleerden dan ook. En daarom nog eens: Blijf hier of +vertrek! zooals gij wilt; predik wat gij goed vindt in mijne +landen; bouw er u kerken; en gij zult gelijke bescherming genieten +als de Mohammedanen in hunne moskeen en de Hindoe's in hunne +pagoden; maar wees tevens gewaarschuwd! Van het eerste oogenblik +dat ik u eenige vervolging zie instellen 't zij tegen uw eigen +bekeerlingen of tegen een ander, gelijk gij dat op de Malabaarsche +kusten reeds beproeft, van dat oogenblik af zijt gij verbannen uit +mijne rijken, en zoolang ik Hindostan regeer, zet geen der uwen +een voet meer op zijn grond. + +Met verbeten woede had de volgeling van Loyola die hooghartige en +beslissende woorden aangehoord; maar wat kon hij doen, wat bleef +hem te zeggen over? Te beklagen had hij zich in 't minst niet +tegenover den altijd welwillenden, volmaakt verdraagzamen vorst, +en den geduchten monarch te willen trotseren ware louter +krankzinnigheid. Zelfs geen martelaarskroon viel er bij te +verdienen. Bezigde hij, de hier volkomen magtelooze zendeling, +dreigende of ook oproerige taal, de Keizer zou gewis geen haar van +zijn hoofd krenken, maar hem met de zijnen naar Soeratta laten +brengen, hem daar in een schip laden en vervolgens met de meeste +beleefdheid in Goa aan land doen zetten. Of hij zou dat misschien +nog niet eens der moeite waard rekenen, maar hem eenvoudig +uitlagchen en de deur wijzen. Droevig en vernederend bewustzijn, +voorwaar, voor een lid van die elders zoo magtige en gevreesde +Orde, voor wie de volken sidderden, en Koningen en Pausen zelfs +gedwongen werden het hoofd te buigen in deemoed! + +Weldra echter brak Akbar zelf de overdenkingen van den +teleurgestelden en zwijgend voor hem staanden missionaris af. + +--Eerwaarde Vader!--sprak hij nu weder op zijne gewone +vriendelijke wijze,--het is mij waarlijk leed, dat gij een +oogenblik mij genoopt hebt zoo rondborstig tot u te spreken en, +met meer klem dan ik tegenover u gewenscht zou hebben, mijn gezag +te handhaven in den strijd dien gij hebt uitgelokt. Maar ik wensch +u dan ook niet gramstorig te zien vertrekken. Ik vernam, ik leerde +van u en de uwen veel, waarvan de kennis mij bijzonder welkom was; +en daarvoor wil ik dankbaar blijven. Kan ik niet aan al uwe +wenschen voldoen, wees verzekerd dat het mij smart; en zoo wij +omtrent sommige zaken van elkander verschillen in gevoelen, meen +niet dat ik persoonlijk u daarom minder blijf hoogachten. Gij wilt +ons verlaten; het zij zoo! Maar laat het in vriendschap zijn! Laat +het geschieden in den geest van den verheven stichter uwer +godsdienst, die wel gezegd heeft dat hij geen vrede kwam brengen +maar het zwaard, maar wiens hoog en edel streven toch de stichting +van een rijk van vrede en van liefde onder de menschen was! + +Had Aquaviva een oogenblik te voren het hoofd gebogen voor de magt +van den Keizer, thans had hij te bukken voor een ander overwigt, +voor dat van Akbar's zedelijke meerderheid. De godsdienstijveraar, +de hartstogtelijke dweeper zelf gevoelde het. En het was dan ook +slechts met weifelende stem, dat hij, de anders voor niets +vervaarde en door niets overweldigde apostel, een enkel woord van +vaarwel wist uit te brengen tot dien verstokte van harte, wiens +oog met blindheid was geslagen voor het licht der waarheid, en +wiens oor gesloten bleef voor de vermaningen van den priester der +alleenzaligmakende Kerk. + +--Vergeef het ons, edele Vorst!--zoo sprak hij, bewogen in weerwil +van zichzelven,--als wij soms woorden uiten die u mishagen en u +ondank schijnen voor de vele weldaden, welke wij in uw rijk +ontvingen!--Schrijf ze enkel toe aan den ijver die ons bezielt +voor ons geloof, en die voorzeker niet geringer is dan de +geestdrift, waarmede gij zelf uw leven aan de belangen uwer staten +en volken hebt gewijd! Nogmaals dan willen wij u dank zeggen voor +'t geen gij voor ons hebt willen doen; en, hecht gijzelf dan al +geen waarde aan onze gebeden, wees overtuigd dat ze u blijven +vergezellen ook dan wanneer wij ver van hier zullen zijn!... + +Stilzwijgend beantwoordde Akbar den eerbiedigen groet van den +Padre, en zenuwachtig de vingers heen en weer bewegend als telde +hij de kralen van zijn rozenkrans, verliet deze langzaam het +vertrek. + +In een der zuilengangen aan de buitenzijde van het paleis, waar +enkele lampen een flauw schijnsel verspreidden, stuitte hij +plotseling op een man, die zijne verontschuldigende woorden met +een half onderdrukten vloek beantwoordde. + +--Verdoemde Christenhond!--bromde die man, terwijl hij zich verder +spoedde. Het was Abdal Kadir Badaoni, die zich tot den Keizer +begaf. Bij de wachters zich aanmeldend, werd hij weldra bij Akbar +toegelaten. + +--Gij ziet,--zeide deze,--ik ben steeds gaarne voor u te spreken; +en ik maakte ook geen bezwaar u thans te ontvangen, toen gij mij +dezen morgen gehoor liet vragen, hoewel anders de treurige +omstandigheden waarin ik verkeer, 't mij in de laatste dagen wel +wat moeilijk deden vallen al mijne vrienden te woord te staan. + +--Sire!--begon Abdal Kadir op schijnbaar eerbiedigen maar tevens +onmiskenbaar norschen en onvriendelijken toon en zonder in 't +minst acht te geven op de voorkomende wijze, waarop de Keizer hem +ontving,--ik kom u vaarwel zeggen. Mijn tijd is genaderd om van +hier te gaan. + +--Hoe nu, mijn waarde vriend,--vroeg Akbar,--ook gij? En wat noopt +u ons zoo plotseling te verlaten? + +--Onwil--luidde het antwoord,--om hier steeds te blijven aanzien, +wat mij tot eene dagelijksche ergernis strekt en mij bedroeft tot +in 't diepste mijner ziel; maar onwil tevens om deel te nemen aan +het verraad en de zamenzweringen waarvan ik u omringd zie, en +waaraan ik onwillekeurig zou blijven deelnemen, indien ik hier nog +langer vertoefde. Akbar! uw rijk neigt ten val! Ik heb u +gewaarschuwd toen het nog tijd was; thans is het dat misschien +reeds niet meer. Wat er bepaald omgaat, weet ik niet en ik wil het +ook verder niet weten; maar de tegenstand, dien gij door uwe dwaze +en misdadige verachting van onze heilige godsdienst hebt opgewekt, +acht ik te groot en te krachtig dan dat het mogelijk ware op den +duur daaraan het hoofd te bieden. + +Voeg daarbij de eerzucht van Selim, uw zoon, en de geheime +kuiperijen van andere niet minder eergierige lieden, die hem weten +te vervoeren ten einde zelf zich meester te maken van rangen en +bedieningen die hun nu onthouden blijven, en gij zult mij +toestemmen dat de stand van zaken voor 't allerminst hoogst +gevaarlijk voor uwe regering is.--Maar, zeide ik,--dus ging hij +voort, den ligten glimlach niet opmerkend die bij zijne donkere +voorspellingen zich om de lippen des Keizers had geplooid,--ik wil +ook niet langer getuige zijn van wat hier dagelijks omgaat en +sinds lang ook wereldkundig is. Den heiligen Koran hebt gij met de +uwen versmeten en onder den voet getrapt; voor den grooten Profeet +hebt gij niets dan verachting en spot; gij vermeit u in allerlei +goddelooze praktijken, door onreine vuuraanbidders u geleerd; gij +ontvangt openlijk aan uw hof en heimelijk in uw binnenvertrekken, +met eer en gunstbewijzen hen overladend, onze ergste vijanden, +Joden en Christenen, zooals ik er zooeven nog een uw paleis zag +verlaten, en Indische toovenaars en duivelskunstenaars, en ik weet +niet wat nog ander dergelijk slag van volk, dat de Shaitan zelf +ons hier op den hals heeft gezonden! Inderdaad, Djelal-ed-din +Mohammed! gij doet wel eer aan uw naam! Djelal-ed-din! "De Glorie +des Geloofs!" Bittere ironie van het noodlot, toen het u eenmaal +bekleedde met zulk een titel dien gij bestemd waart op zoo +smadelijke wijze te onteeren! En nu weder, als of dat alles nog +niet genoeg was, en om de mate vol te meten, die buitengemeene en +overdreven eer aan de nagedachtenis van dien Aboel Fazl, dien +verleider, dien aartsvijand van het geloof! Hij juist met Feizi +den godloochenaar, zijn broeder, was het, die u tot al die +ongeregtigheden verlokte en u tot ontrouw en afval heeft vervoerd; +en juist dien eenen man toont gij openlijk te vereeren boven +allen! Ach, mogt in 't eind nog zijn afschrikwekkend voorbeeld, +zoo niet van zijn leven dan toch van zijn sterven, u tot +waarschuwing strekken voor het te laat is! Men heeft u, ik +betwijfel het niet, zeker allerlei fraais omtrent zijne laatste +gezegden opgedischt; maar, geloof mij! de waarheid bleef u +verborgen; en ik wil, hoe zwaar 't mij ook valt, ze onthullen voor +u en u zeggen, hoe Aboel Fazl werkelijk gestorven is. Zoo hoor dan +en sidder bij het schrikwekkend berigt, dat hier aan iedereen +bekend is behalve alleen aan u! Tot op het laatste oogenblik dat +hij nog spreken kon, bleef Aboel Fazl zijn God lasteren op de +meest gruwzame wijze; toen begon hij te blaffen als een hond, en +zijne gelaatstrekken verwrongen zich en zijne lippen werden blauw, +als gevoelde hij reedsde eerste smarten van de eeuwige verdoemenis +die hem wachtte!... + +--Dat is gelogen, schandelijk gelogen!--riep Akbar eensklaps +opstuivend uit, nadat hij tot dusver den woesten dweeper bedaard +had laten uitrazen,--dat is schandelijke, gemeene laster, zooals +gij, godsdienstijveraars! dien weet uit te denken, waar rede en +gezond verstand u in den steek laten en gij te vergeefs naar een +smet zoekt waarmee gij een edel karakter mogt kunnen bezoedelen! +Hoe Aboel Fazl gestorven is en wat hij stervend heeft gezegd, dat +weet ik ten zekerste van eene volmaakt vertrouwbare zijde, van +iemand, die zijne woorden onmogelijk kon uitdenken; spaar mij dus +uwe ijdele leugentaal! Ik verkies ze niet verder aan te hooren. Ik +heb met geduld geluisterd naar de onbeschofte woorden, die gij +waagdet mij in 't aangezigt te werpen; ik heb dat alles aangehoord +met eene lankmoedigheid, zooals waarschijnlijk geen ander vorst in +mijne plaats ze tegenover u zou hebben betoond; maar gij hebt +misbruik gemaakt van mijne goedheid, en dat zal ik niet dulden. +Rand mij aan, beleedig mij in mijne innigste en dierbaarste +overtuigingen, scheld op mij, op Akbar, op uw Keizer, het is wel! +ik zal het u vergeven. Maar laster niet mijn trouwsten, mijn +verraderlijk vermoorden vriend, of ik zal gebruik maken van mijn +regt en mijne magt om voor altijd die tong te doen verstommen, die +laag en lafhartig een gehaten tegenstander bespuwt, nu hij niet +meer in staat is zich te verdedigen! + +--Neem mijn hoofd!--sprak Abdal Kadir, den Keizer onverschrokken +in 't aangezigt starend,--gij weet dat ik u mijn leven wenschte te +wijden, en dat ik het honderd malen voor u zou hebben over gehad. +Kan mijn dood u niet van dienst zijn, hij strekke dan ter +voldoening aan uw ongeregten toorn! Ik heb u gezegd wat mij +waarheid scheen; aan u om het te gelooven of niet! Ik deed mijn +pligt; doe gij den uwe of wat ge daarvoor gelieft aan te zien! + +--Genoeg!--zei Akbar, nog nauw bekomen van zijne drift,--ik +begeer uw leven zoo min als uw dood. Ga heen, en ongedeerd: maar +waag het niet, mij ooit weer onder de oogen te komen! + +Zonder antwoord of groet keerde Abdal Kadir zich om, en schreed +met opgeheven hoofde en trotschen blik naar den uitgang van het +vertrek.... + +--Abdal Kadir!--sprak wederom de Keizer, toen de ander reeds den +voorhang had opgeligt, en bij dien onverwachten uitroep wendde de +hooghartige Mohammedaan verwonderd en onwillekeurig het hoofd,-- +laat ons zoo niet scheiden! Daarvoor hebben we elkander te lang +gekend en ook wederzijds elkaar te hoog leeren achten; want ik +weet, dat gij ondanks al ons verschil mij uwe achting en +belangstelling toch niet ontzegt: uwe hevigheid zelve bewijst het. +En ik van mijne zijde, ik stel u hoog als een kundig en in vele +opzigten ook verstandig man, maar bovenal, wat hier en in deze +tijden nog wel het meeste zegt, als een waarlijk braaf en eerlijk +man. Niemand zie ik gaarne in toorn mij verlaten, maar vooral u +niet. Ga! ik begrijp zelf dat het noodig zijn zal en gij niet +anders kunt; maar ga niet met wrok in het hart. Gedenk de lange +jaren, die wij te zamen in vrede en vriendschap hebben doorleefd, +en vergeet, al is 't ook maar voor een oogenblik, de oorzaken die +onze scheiding voortaan onvermijdelijk maken! Wilt gij?... + +Eerst, toen Akbar begon te spreken, vertoonde zich nog steeds op het +gelaat van Abdal Kadir dezelfde norsche uitdrukking, die het niet had +verlaten gedurende het gansche pijnlijke gesprek; maar langzamerhand +begon zij te wijken, en het voor zachter indrukken wel ontvankelijk +gemoed van den dweeper, als maar geen godsdienstijver zijn hartstogt +wekte, gaf ten laatste zich gewonnen aan de grootmoedige taal van den +altijd vergevensgezinden vorst. Wel sprak hij niet, maar zijne houding +zeide genoeg toen Akbar hem de hand tot afscheid reikte. Hij vatte ze +met kracht, en terwijl hij zich diep voorover boog, viel op die hand +een traan. Toen ging Abdal Kadir, om niet terug te keeren. Ook dezen +dan zou Akbar nooit wederzien.... + +Lang nog staarde hij op den voorhang, die zich weder gesloten had +achter den vriend van weleer. Daarop begaf hij zich met wankele +schreden naar de geopende galerij, en zag uit naar het maanlicht, +dat daar met vriendelijken glans de in volkomen rust verzonken +tuinen en hunne zacht klaterende fonteinen bescheen. Toen zette +hij vermoeid zich op een der marmeren rustbanken neder en bedekte +zich het gelaat met de handen. + +Zij verlieten hem dus, de een voor, de ander na. Aboel Fazl was +hem wreedaardig ontroofd; de Christenzendeling verliet hem in +arren moede; Abdal Kadir had voor altijd hem vaarwel gezegd. En +dat alles juist in oogenblikken waarin hij meer dan ooit behoefte +aan opbeuring en steun van trouwe vrienden gevoelde, juist in een +tijdsgewricht als dit, nu zijn eigen zoon tegen hem in opstand +kwam en hem den heerscherstaf zocht te ontrukken, dien hij zoo +lange jaren tot heil en onder de zegeningen van zijne volken in de +krachtige vuist had geklemd! En dat alles om de godsdienst en ter +wille van het een of ander, 't zij dan opregt gemeend of ook +gehuicheld geloof! Want dat Selim zijn aanslag in naam der +godsdienst zou ondernemen, was zeker; en algemeen heerschte ook de +overtuiging dat Narasinha het werktuig in de handen van ijveraars +was geweest. + +--Godsdienst!--sprak Akbar in zich zelven,--wat is het? Is het een +gelukkig, een heilrijk verschijnsel in den menschelijken geest, +dat het eindig wezen zijne nietigheid doet gevoelen en tevens het +verheft, stemmend tot nederigheid en tot aanbidding te gelijk, een +heerlijk, zalig gevoel en het meest verhevene waarvoor de ziel +vatbaar kan zijn, de menschen wekkend om elkander lief te hebben +en te leven voor elkanders welzijn? Of is het een bedroevend, een +noodlottig ziekteverschijnsel, dat den mensch slechts trotscher en +overmoediger en vijandiger jegens anderen stemt naarmate zijne +overtuiging dieper is geworteld, eene soort van krankzinnigheid, +die zich bijwijlen van de besten en edelsten meester maakt en hen +beweegt hun naaste te haten en te vervloeken, een waanzin die tot +misdrijf voert en moord en bloedigen strijd onder de volken werpt? +Zou 't dan een geluk of een ongeluk zijn als de menschen eenmaal +ophielden eenige godsdienst te belijden? Onoplosbare vraag! Vol +van de grootste tegenstrijdigheden, en die toch nagenoeg allen +gereed staan zonder eenig bedenken te beantwoorden. Geen +godsdienst, zoo spreken de meesten, geen heil ook meer voor den +mensch en geen orde in de maatschappij! En tot zoover zijn ze 't +allen eens. Maar welke godsdienst nu? Ziedaar de strijd ontvlamd; +een ieder roept: de mijne, en de mijne alleen! en de zwaarden +vliegen uit de scheede, en het staal en het ruw geweld gaan +beslissen wat waarheid is. En zou het dan denkbaar zijn, dat er +ooit een godsdienst kon worden gevonden die allen gelijkelijk mogt +voldoen, en alle menschen vereenigen in een eenigen liefdeband? +Waren 't geen dwaze droomen, waarmee ik mij zoo dikwijls vleide en +mij zelf bedroog toen ik zoo iets meende ontdekt te hebben? +Helaas! vrienden te verliezen is hard, maar harder misschien nog +het verlies van illusien, die ons dierbaar werden!... + +Eene hand, die zacht op zijn schouder werd gelegd, deed Akbar +opzien. Nevens hem stond Feizi, wien hij 't voorregt had verleend, +ook onaangediend bij hem te verschijnen. + +--Akbar!--sprak Feizi,--waak op uit uwe droevige, maar ook ijdele +en nuttelooze mijmeringen! Moet ik het zijn, die tot u zeg: Wees +een man! Ik, die mij anders zoo zwak gevoel tegenover u? Maar het +is noodig dat ik zoo spreek. Wees overtuigd, dat ik niet minder +diep het verlies van mijn waardigen en mij zoo dierbaren broeder +betreur, dan gij den dood van een trouwen raadsman en veelgeliefden +vriend; maar wij behooren beide te waken, en gij meer nog dan ik, dat +de smart ons niet overmanne en ons zwak make in 't gezigt der gevaren, +die het rijk nog blijven bedreigen. En daarom waag zelfs ik het te +zeggen: Betoon u weer een man! Die voortdurende neerslagtigheid is uwer +onwaardig, en als Aboel Fazl zelf er getuige van ware, hij zou welligt +voor 't eerst in zijn leven hebben erkend, dat zelfs Akbar niet +onfeilbaar is. + +--Mijn trouwe, mijn edele vriend!--antwoordde Akbar,--van harte +dank voor uw onverholen en mannelijke taal! Zulk eene opwekking is +mij tegenwoordig wel noodig, maar toch bedriegt gij u eenigermate +omtrent de aanleiding tot die overdenkingen, waarin gij mij +zooeven verdiept vondt. De herinnering aan uw onvergetelijken +broeder komt daarin slechts voor een deel. + +En uitvoerig verhaalde Akbar zijn vriend wat er bij het afscheid +van Aquaviva en van Abdal Kadir was voorgevallen, en deelde hem de +overpeinzingen mede waartoe het een en ander hem had geleid. + +--In dat alles--sprak Feizi, toen hij een oogenblik had +nagedacht,--herken ik weder mijn grootmoedigen Keizer, en... mijn +idealistisch wijsgeerigen vriend. Gij weet voor 't overige wat +mijn gevoelen over die punten is, die gij daar hebt aangeroerd. Ik +hecht niet veel aan 't geen men gewoon is godsdienst te noemen, +als zich dat blijft bepalen tot een soort van onbepaald mystisch +gevoel zonder wezenlijken inhoud, en noch veel minder als het zich +uit in onbewijsbare, alleen door de verbeelding geschapen +voorstellingen en leerbegrippen. En in zoover hebben de menschen +volkomen gelijk, die mij een atheist noemen. Maar daarom ben ik +nog geenszins een ongeloovige. Ik geloof integendeel veel; maar +mijn geloof steunt ook op vaste gronden, omdat het op de ervaring +zelve berust. Zoo onder anderen geloof ik, en meer dan eens hield +ik 't u voor, aan de wet der gestadige ontwikkeling; en niet enkel +op stoffelijk gebied, maar ook en vooral op dat van den geest en +het denken der menschen; en in die voortdurende ontwikkeling zie +ik de oplossing van het groot probleem, die gij, als alle andere +hervormers en stichters van nieuwe godsdienst-systemen, reeds +aanstonds, maar lang nog voor den tijd, zoudt wenschen gevonden te +hebben. Denk eens, van waar wij menschen aanvingen en waar wij +reeds gekomen zijn, en bereken dan hoever we 't eenmaal nog +brengen kunnen! Dieren waren wij en niets dan dat; na eenige +duizende jaren werden wij redelijke wezens of iets althans wat +daarop gelijkt; en wanneer nu nogmaals duizende en duizende jaren +zullen voorbij zijn gegaan, wat kan er dan niet van ons worden? +Zullen wij, en niet eenige weinigen alleen, maar ook allen +misschien, door steeds voortgezet onderzoek en steeds hooger zich +ontwikkelende wetenschap geleid, niet ten laatste een wezenlijk +inzigt erlangen in het oneindig en noodwendig verband der dingen? +En zullen wij dan, tevrede met dat inzigt en daarin berustend, ook +niet volkomen al die droomerijen kunnen missen, die zich nu nog +onder den fraai klinkenden naam van godsdienst aan ons blijven +opdringen maar, wel beschouwd, niet anders dan kunstmiddelen zijn +om aan de begeerlijkheid onzer zelfzucht te voldoen en ons in het +tegenwoordig en in een, alweer door de verbeelding geschapen, +volgend leven een heilstaat te verzekeren, die voor geen eindig +wezen ooit kan zijn weggelegd? + +--Uw geest streeft hoog,--zei Akbar,--uw blik ziet ver. Mij te +hoog en te verre soms. Ik let ook op het tegenwoordige, en die +late, late toekomst brengt mij weinig troost. + +--Maar verlies ik dan--vroeg Feizi,--het tegenwoordige uit het +oog? Behoort het niet tot de eerste stelregels van mijn geloof, +of, wilt ge, van mijn wijsbegeerte, dat de mensch voor alles +geroepen is waardig de pligten te vervullen, die hem in zijne +maatschappelijke betrekking, welke ze dan ook zijn mag, zijn +opgelegd? Zeker, alle bespiegeling, alle wetenschap is ijdel, +wanneer daarvoor de werkelijkheid en het onmiddelijk voor handen +liggende verwaarloosd wordt. Leerde ons niet de wijsbegeerte, +juist daaraan, aan het levend heden onze krachten te wijden, ze +zou weer niets dan eene begoocheling zijn en een ijdel spel van +den geest. Maar iets anders is het mede te werken, en met allen +ijver en beschikbare kracht, aan onze naaste bestemming, iets +anders de onmiddelijke verwezenlijking te eischen van al wat wij +tot stand wenschen te brengen en dan mismoedig te worden als 't +ons nog niet gelukt. Zoo ook omtrent datgene wat gij godsdienst en +meer bepaald volksgodsdienst of volksovertuiging omtrent de +onzienlijke dingen noemt. Deze ontwikkelt zich evenmin als iets +anders, wat dan ook, plotseling en op den wenk van een bezield +hervormer, maar niet dan langzaam en in den loop der eeuwen. En de +vervulling eener noodwendige voorwaarde moet haar in elk geval +voorafgaan: alle volksontwikkeling moet voorbereid worden door +volksbeschaving. En ook deze is weer niet denkbaar zonder dat het +volk eerst de middelen bezit om in zijn onderhoud te voorzien, +alzoo: niet denkbaar zonder volkswelvaart. Maar zou nu, wat dezen +eersten grondslag van alle beschaving en ontwikkeling betreft, een +Akbar nog reden hebben tot veel zelfverwijt of mismoedigheid? Zou +hij meenen, niet genoeg of althans niet veel reeds te hebben +gedaan voor het welzijn der volken onder zijn beheer? Zie terug, +mijn Keizer! op hetgeen door u werd volbragt, en oordeel dan, nu +eens uw theologische bespiegelingen ter zijde latend, of de +verkregen uitkomst niet de beste aanmoediging is om kloek en met +ijver den aangevangen arbeid voort te zetten! + +Wel had Feizi gelijk, en vleitaal van een hoveling was het niet, +toen hij den maatschappelijken hervormingsarbeid roemde, dien de +Keizer begonnen had en met gelukkig gevolg ook had doorgezet. De +ervaring van volgende eeuwen zou het zegel drukken op zijn +woorden. Want van Akbar's godsdienstige droomerijen bleef nauw een +spoor meer na zijn dood; maar zijn landelijk stelsel is de +voorname grondslag gebleven, waarop heel het bestuur van Hindostan +onder alle opeenvolgende regeringen bleef berusten, datzelfde +stelsel in hoofdzaak dat een kloeke en verstandige Brit ook +gewenscht had in onze Nederlandsch-Indische bezittingen in te +voeren, en dat ook daar zijn zegenrijke vruchten had kunnen +dragen, indien het niet door de traagheid, de onkunde en het +onverstand onzer eigene, latere regeringsmannen tot in den grond +ware bedorven geworden .... + +--Gij hebt wederom regt, Feizi!--sprak de Keizer, zich oprigtend +in zijn krachtige mannelijke gestalte en het hoofd omhoog heffend +als met nieuwen levenslust bezield;--het is zoo, ons betaamt te +werken, niet te droomen, te arbeiden zoolang het dag is, +onvermoeid en onverpoosd. Blijf mij bijstaan met mijne nog +overgebleven getrouwen, nu vooral, nu een krachtige steun mij +ontviel; en ik durf u belooven, gij zult even goed over Akbar +tevrede zijn als hij over u. Maar nu nog eenmaal een zinnebeeld! +Hoe wars gij ook zijn moogt van symbolen, dit eene vindt wis +genade in uw oog. Zie daar ginds het zwakke nachtelijke schijnsel; +daarin herken ik den zielstoestand, waarin ik dagen lang en veel +te lang reeds verkeerde. Maar morgen rijst weer de zon; en daarin +wil ik ook weer mijzelf aanschouwen, niet zooals ik ben, maar +zooals ik behoor te zijn. Dat toch is de roeping van den vorst, +zoolang nog de beweging niet voor alles uitgaat van de volken +zelf, met zijne raadslieden de voorname bron van licht en +bezielend leven te worden in den staat. Vergeet ik dat soms, of +verlies ik het voor een oogenblik zelfs uit het oog, roep dan, +Feizi! gelijk ook Aboel Fazl deed, den heiligen vorstenpligt weder +op voor mijn geest en spreek weer tot mij gelijk gij dezen nacht +gesproken hebt!... + + + +VEERTIENDE HOOFDSTUK. + +De ontdekking + +Sinds verscheidene dagen was de Keizer aan 't hoofd van zijn leger +uitgetogen naar het Noorden, en alle berigten meldden dat hij zich +reeds op aanmerkelijken afstand van Agra bevond. Nog bleef daar +evenwel Siddha op het bevel wachten, dat hem zijne gedeeltelijk +vooruitgetrokken manschappen moest doen volgen; en geen wonder zoo +hij den tusschentijd zich bleef korten door herhaalde bezoeken aan +Rezia-Goelbadan. Zoo begaf hij zich ook nu weer tegen den avond +naar hare woning, doch, hij kon 't zich niet ontveinzen, niet +geheel met dezelfde opgewektheid als anders. Hij was in den +laatsten tijd de steeds verleidelijke, maar toch ook veelzins +raadselachtige vrouw al meer en meer gaan wantrouwen; en zoo hij +haar thans nogmaals wilde bezoeken, het was voor een deel om zoo +mogelijk iets naders omtrent hare geheimen en die der zamenzwering +gewaar te worden. Weinig vermoedde hij evenwel dat hij juist dezen +avond meer zou vernemen dan hem lief kon zijn. + +Aan het poortje in den tuinmuur gekomen bevond hij tot zijne +verwondering dat het niet als gewoonlijk gesloten was, maar dat de +sleutel, waarschijnlijk door achteloosheid in het slot was +gelaten. Wat er van ware hij behoefde nu in elk geval het +gebruikelijke teeken niet te geven om binnen te komen, en de deur +voorzichtig achter zich sluitend, ging hij met rassche schreden +voort door de laan. In de nabijheid der veranda vond hij nieuwe +reden tot verwondering. Daar trad juist op dat oogenblik een man +naar binnen, wiens gelaat hij eerst niet dadelijk zien kon, maar +in wien hij, zich haastig achter de hooge en digte planten +verschuilend, bij het schijnsel der lamp zijn oom Salhana +herkende, die, vlugtig Goelbadan groetend, in de hevigste +gejaagdheid uitriep: + +--Wij zijn verraden, schandelijk verraden!--De Keizer--ging hij +voort, terwijl Goelbadan hem verschrikt aanhoorde,--is van al +onze plannen onderrigt. Hoe, weet ik niet, maar het is zeker. Ik +heb stellige berichten van Gorakh, die, zooals gij weet, vermomd +in het leger is. Akbar wist niet alleen van onze voornemens reeds +bijna van den beginne af aan, maar zijne spionnen hebben hem ook +in staat gesteld ze te volgen in al de veranderingen, die wij er +in gebragt hebben. Slim als hij is heeft hij daarop aan sommigen, +van wie hij verwachten kon dat zij 't ons over zouden brengen, +zich laten verluiden dat hij ons eerste plan had doorzien, maar +zonder er bij te voegen dat ook het tweede hem bekend was. De +onzen moesten wel denken dat hij in den val liep. Nu trekt hij +eindelijk uit met zijn leger en houdt zich alsof hij regelregt +naar Kacmir zal doorgaan. Maar jawel! Daar keert hij eensklaps om, +en neemt zijn weg met snelle dagreizen weer naar Agra, waar hij +ons juist wil komen verrassen op 't oogenblik dat wij ons volkomen +zeker wanen. Wel ben ik nu nog bij tijds gewaarschuwd, om te +verhinderen dat Selim op den bepaalden dag tot Keizer wordt +uitgeroepen; maar ons baat dat niet veel, want daar Akbar alles +weet, zal hij ons niet sparen, al betrapt hij Selim zelf ook niet +op de daad. Er zit dus niets anders voor ons op dan uiterste +maatregelen te beproeven. + +--En waarin zouden die kunnen bestaan?--vroeg Goelbadan. + +--Gorakh en de zijnen--antwoordde Salhana,--moeten te hulp komen, +en zij kunnen het. Eer de Keizer den tijd heeft om Agra te +bereiken, moet het met zijn leven gedaan zijn.... + +Eene huivering ging bij deze woorden den luisteraar door de leden, +en de hand aan zijn dolk slaande wilde hij eene schrede voorwaarts +doen. Doch hij bedwong zich nog bij tijds. + +--Selim behoeft daar niets van te weten,--ging Salhana voort,--en +we moeten 't hem ook maar niet vertellen als de daad volbragt zal +zijn. Hijzelf zal 't wel vermoeden, maar zich houden of hij 't +niet begreep, en er ons niet slechter om aanzien. Morgen ga ik +naar 't leger om alles met Gorakh af te spreken, die mij de +teekenen heeft doen meedeelen, waaraan ik hem in zijne verkleeding +kan herkennen. En zorgt gij nu inmiddels dat Selim wordt +gewaarschuwd. Ikzelf wil ditmaal niet tot hem gaan, om geen +vermoeden te wekken. Maar zeg mij tevens, hoe staat gij +tegenwoordig met hem? + +--Ik zag hem in lange niet hier,--antwoordde Goelbadan,--maar de +reden van zijn voortdurende afwezigheid bleef mij onbekend. Ik +maak mij omtrent hem echter niet ongerust; hij begeert mij, hij +wil mij volstrekt, het koste wat het kosten moet, tot zijne +Sultane; en dat zal ook zoo zijn, mits hijzelf maar eerst Keizer +is, niet voor dien tijd. + +--Inmiddels--zei Salhana,--houdt gij u bezig met dien neef van +mij, dien ik u bezorgd heb, niet waar? Een knappe jongen in elk +geval, en waarin gij ook nog al behagen scheent te vinden. + +--Een tijd lang, ja! Maar hij begint mij tegenwoordig te vervelen; +en wel bezien is hij ons ook maar half van nut. Men heeft +onophoudelijk met hem te kibbelen over allerlei begrippen van +pligt en eer, zoodra 't op iets wezenlijks aankomt. Ik denk hem +dan ook spoedig de deur te wijzen als hij zijn dienst zal hebben +gedaan; en dat te meer, omdat hij in mijne plannen met Selim mij +wel eens in den weg kon zijn.... + +--Wat is dat?--vroeg plotseling Salhana, zich naar de buitenzijde +van de veranda keerend,--mij dunkt, ik hoor daar beweging. Er kan +hier toch niet de eene of andere ongenoode gast in den omtrek +zijn? + +--Onmogelijk!--antwoordde Goelbadan,--het poortje aan den tuinmuur +is immers goed gesloten?--Salhana herinnerde zich ook niet dat hij +'t inderhaast had opengelaten;--en van de andere zijde is geen 't +minste gevaar, daar Feizi dezen morgen naar 't leger is +vertrokken. Ga straks langs dien kant; dat is nog voorzigtiger dan +langs den anderen, waar gij Siddha soms in de nabijheid van den +tuinmuur zoudt kunnen ontmoeten. + +--Alles--hernam Salhana,--is dan goed afgesproken, niet waar? Gij +zorgt voor Selim en de rest hier in Agra; ik voor mij blijf mij +met Akbar belasten, en ben ik niet al te ongelukkig dan zijn wij +spoedig van hem en al zijn volk bevrijd. + +Met een ligten groet verdween Salhana achter een der gordijnen +langs een zijgang, die Siddha niet bekend was en waardoor hij +verhinderd werd hem te volgen zooals eerst zijn voornemen was. Het +beste ware nu nog geweest, onmiddelijk terug te keeren en het +nieuwe komplot door tijdige waarschuwing aan den Keizer te +verijdelen, terwijl de zamenzweerders daar niets van vermoedden; +en hij gevoelde dat ook, maar de onweerstaanbare lust om Goelbadan +te toonen, dat hij had opgehouden haar geminacht werktuig te zijn, +behield de overhand, en met een enkelen sprong was hij naar binnen +en stond hij voor haar. + +--Gevloekte slang!--riep hij uit,--gij, die een schandelijk +verrader van mij hebt gemaakt, denk niet dat uw doemwaardige +voornemens en die van den schurk daar, dien ik mij schaam mijn +bloedverwant te noemen, nog kans hebben van slagen! Ik, die u +tegenwoordig begin te vervelen, en 't is goed dat ik het weet, ik +zal ze verhinderen. + +--Ha! gij hebt daar geluisterd!--sprak Goelbadan, en eene +uitdrukking van haat en kwaadaardigheid, gelijk Siddha nooit in +die anders zoo zachte en innemende gelaatstrekken mogelijk zou +hebben geacht, ontsierde haar plotseling op eene wijze, die haar +op dat oogenblik inderdaad leelijk deed worden;--en nu denkt gij +ons te gaan verraden? Maar dat zal niet gebeuren! + +En eer Siddha in staat was hare bewegingen te volgen, vloog zij op +hem toe en bedreigde een opgeheven dolk zijne borst. Half +werktuigelijk zocht hij 't wapen af te weren, toen hij plotseling +als verlamd de armen liet zakken bij het aanschouwen van eene +gestalte, die als 't ware uit den grond daar achter Goelbadan +verrezen was; maar in 't zelfde oogenblik ook greep een ijzeren +vuist de omhoog geheven moordende hand, en verhinderde den anders +door niets belemmerden stoot.... + +Haastig keerde Goelbadan zich om, en... stortte met een kreet van +ontzetting ter aarde.... Achter haar stond Feizi, en achter hem +vertoonden zich twee donkerkleurige dienaren met de blanke sabel +in de hand. + +--Genade!--kermde zij, weer tot bezinning gekomen, terwijl Siddha +wezenloos het tooneel stond aan te zien,--genade, mijn gebieder +en Heer!--En 't hoofd diep gebogen, terwijl hare lange donkere +lokken over den grond sleepten, kroop zij op hare knieen naar den +beleedigden echtgenoot, die al verder achterwaarts trad naarmate +zij digter hem zocht te naderen. + +--Terug!--riep Feizi,--terug! spaar mij uwe onreine aanraking!-- +Bindt die vrouw,--sprak hij tot zijne onderhoorigen,--en voert +haar naar mijn kasteel bij Mathoera! Daar blijve zij streng +bewaakt, haar leven lang. En zoo zij ooit eene poging, hoe gering +ook, waagt om zich met iemand, wie 't ook zijn mag, daarbuiten in +verbinding te stellen, dan worde het vonnis aan haar voltrokken, +waarvan ik voor heden haar nog genade schenk. Nimmer wil ik van +haar iets weerzien, of, zoo het moet, het zij dan enkel haar +schuldig hoofd! + +Nog eenmaal rigtte hij 't woord tot de smadelijk gevallene en nu +niet minder schandelijk zichzelve vernederende, die daar aan zijne +voeten lag geknield; maar dat woord was niet bestemd om hare straf +te verligten. + +--Hoop--sprak hij,--doet nog leven, naar men zegt. En gij, wier +naam nooit meer over mijne lippen zal komen, gij vleit u misschien +nog met eene zoete verwachting. Gij meent welligt nog op de +bescherming te kunnen rekenen van een, die magtiger is dan ik, of +eenmaal ten minste het zijn zal. Gij denkt nog dat Selim u bij zal +staan, en u zal komen verlossen uit uwe gevangenis. Maar die +verwachting is ijdel! Want degene, die, zelf door u bedrogen, mij +uwe betrekking tot dien man daar ginds verried, dat was juist hij, +dat was diezelfde Selim, dien gij in uwe netten gevangen dacht! + +Snel had Goelbadan het hoofd omhoog geheven en opmerkzaam had zij +toegeluisterd. Nu verwrongen zich hare gelaatstrekken en met een +gil stortte zij voorover, het hoofd op den grond en de armen voor +zich uitgestrekt. + +--Doet uw pligt!--zei Feizi tot zijne volgelingen, en haastig +droegen zij de bewustelooze weg.... + +--En nu gij!--zoo ging hij, Siddha naderend voort, terwijl hij +zijn sabel uit de scheede toog.... + +--Mijn leven heb ik verbeurd,--sprak Siddha, zijn kleed +openscheurend,--stoot toe; ik verlang niets liever dan dat, ik +wensch den dood als eene genade van uwe hand! + +--Dat begrijp ik!--antwoordde Feizi, zich bezinnend, en langzaam +liet hij de sabel weer in hare scheede glijden,--dat begrijp ik +zeer goed. Maar ik ben, wel bezien, niet voornemens aan uw +verlangen te voldoen. Anderen zouden in een geval als dit er +misschien anders over denken. Een Muzulman zou u 't hoofd voor de +voeten leggen, een Hindoe u doen worgen, een Frank u uitdagen tot +een tweegevecht, wat wel het gekste van alles ware. Doch ik +verkies noch het een noch het ander. Gij moogt leven en ongedeerd +van hier gaan. Maar leven dan ook met de herinnering aan 't geen +gij hebt gedaan, en aan de wijze waarop gij, die u een edelman +noemt, eene belangelooze vriendschap vergolden hebt. Die +herinnering, dat bewustzijn zullen u nimmermeer verlaten, al +overdekt gij u met roem en al stijgt gij ook nog zoo hoog in rang; +en hoe ook gevierd en door anderen vereerd, toch zult gij de oogen +blijven neerslaan voor elk eerlijk man, bedenkend hoe gijzelf +eenmaal in uw jongere jaren u jegens een vriend gedragen hebt. +Ziedaar de straf, die ik u opleg! En nu, vertrek! + +Een gebiedende, geen weerspraak of verzet meer duldende +handbeweging van Feizi deed den diep onder zijn schuldgevoel +gebogene met laag op de borst gezonken hoofd en met wankele +schreden naar den uitgang zoeken; en nauwelijks wetend wat hij +deed en waarheen hij ging, verliet Siddha het buitenverblijf en +vond hij als werktuigelijk zijn weg naar de nog altijd onafgesloten +poort. + +Geruimen tijd bleef hij zoo goed als gedachteloos ronddwalen. Aan +de rivier zag hij, ondanks 't reeds vergevorderd uur, nog eenige +sjouwerlieden bezig met het laden van een schip; en alsof hij er +eenig belang bij had, volgde hij nauwlettend hunne bewegingen, nu +eens zich afvragend hoe ze die baal daar over de loopplank zouden +krijgen, dan weer het hoofd schuddend over hunne onhandigheid. +Bijna had hij zich aangeboden om hen wat te helpen. Maar een +drietal soldaten, die nog bij het licht van een walmende toorts +onder een afdak zaten te drinken en te dobbelen, leidde zijne +opmerkzaamheid weer af, en nu begon hij lust te krijgen om met hen +mee te drinken en mee te spelen.... Daar was het hem op eens als +werd er een gordijn opgetrokken dat voor zijne oogen hing, en zag +hij het gansche tooneel weer voor zich, waarin hij daar straks +eene zoo jammerlijke rol had gespeeld. Maar bijkans in hetzelfde +oogenblik verdrong weer eene gedachte tijdelijk al het andere: de +herinnering aan den voorgenomen moordaanslag op den Keizer! Had +Feizi alles gehoord, en dus ook dit? En was hij dan in staat Akbar +te gaan waarschuwen? Het bleef hem onbekend, en hij had natuurlijk +ook geen gelegenheid het te weten te komen. Maar waartoe ook? +Waarom zelf niet gegaan, en zonder verder tijdverlies? Salhana zou +eerst morgen vertrekken; een ander kon hem dus, al ging hij vroeg, +nog voor zijn. + +Geen oogenblik bedacht Siddha zich langer, maar in bijkans +ademlooze vaart snelde hij naar het kwartier waar zijne met hem +teruggebleven manschappen gelegerd waren, droeg daar het bevel aan +een zijner officieren over, haastte zich naar zijne woning en +gelastte Vatsa, terstond den vos te zadelen,--dien vos van Feizi, +dien hij na zijne ontdekking omtrent den waren naam van Rezia +evenmin had durven berijden als terugzenden, maar die nu in het +belang van Keizer en rijk zijne diensten zou doen. + +--Maak u gereed mij te volgen naar het leger,--zeide hij tot +Vatsa, toen deze met het opgetuigde paard verscheen,--maar van +verre, zoodat er eenige afstand tusschen ons blijft. Vertrek een +uur na mij, rijd dan door zoo snel gij kunt en breng, zoo 't +noodig is, de boodschap over, die ik u geven zal. Ik weet, dat ik +u volkomen kan vertrouwen...--En hier deelde hij hem zooveel als +vereischt werd omtrent de plannen van Salhana mede, en gaf hem +bevel, dat onmiddelijk aan den Keizer zelf te melden, indien hij +zijn meester soms niet in het leger mogt aantreffen. Daarop sprong +hij in den zadel en reed spoorslags voort. + +Een overhaaste reis, waarbij hij zichzelven en zijn snel loopend +paard niet dan de volstrekt noodige rust gunde, bragt hem binnen +betrekkelijk korten tijd bij het leger, dat ook van zijn kant Agra +weer een goed eind genaderd was. Terstond liet hij, in 't kamp +gekomen, zich aandienen bij den Keizer, die hem na eenig dralen +alleen in zijne tent ontving. + +--Wat komt gij hier uitrigten?--vroeg Akbar op strengen toon.-- +Wie heeft u last gegeven uw post in Agra te verlaten? Dat is een +vergrijp, dat u duur te staan kan komen. + +--Sire!--antwoordde Siddha,--indien geen ander vergrijp door mij +gepleegd was dan dit, zou ik wel van groot geluk mogen spreken. +Maar ik kom mij bij Uwe Majesteit aanklagen van de grootste +misdaad, die een krijgsman jegens zijn vorst kan plegen: van +verraad! + +--Ik vermoedde zoo iets,--sprak de Keizer, terwijl Siddha ontzet +een stap terugtrad,--en daarom werd u 't bevel niet gegeven om op +te rukken. En nu komt gijzelf mij de bevestiging brengen van uw +ontrouw! Goed; wij zullen zien. Spreek verder! + +In 't kort, maar zonder iets wezenlijks te verzwijgen, verhaalde +Siddha hoe hij, door Goelbadan verleid, zijn begunstiger en vriend +had bedrogen en zich tot verraad jegens den Keizer had laten +verlokken. Met langzame schreden wandelde Akbar heen en weder +gedurende het verhaal. Zijn gelaat duidde niets aan van 't geen er +in hem mogt omgaan. Eindelijk, toen Siddha zweeg, bleef hij voor +hem staan, en zeide kortaf en met strengen blik: + +--Uw misdrijf eischt den dood! + +--Dat weet ik, Sire!--was het antwoord;--en ik kom mijne geregte +straf van Uwe Majesteit verzoeken. + +--Waarom zijt gij niet gevlugt als gij bevreesd waart dat het +verraad ontdekt zou worden? + +--De misdaad verlangt boete, en ik mag niet straffeloos blijven +rondlopen, waar ook, een voorwerp van minachting voor mijzelf en +voor ieder die mij herkennen mogt. + +--Maar hoe is het, dat gij zoo op eens tot uw tegenwoordig besluit +zijt gekomen? Daarvoor moet een oorzaak bestaan. En mij dunkt, gij +hebt mij nog niet alles gezegd; er ontbrak nog iets aan uw +verhaal. + +--Dat is ook zoo; maar wat ik nog heb mee te deelen, mogt ik niet +zeggen voor mijn vonnis door u was uitgesproken. Thans mag ik +verder gaan.... De magt dan, waardoor die vrouw mij zoolang nog, +in weerwil van mijzelven gebonden hield, werd plotseling +verbroken, de blinddoek viel mij van de oogen en eindelijk leerde +ik eerst volkomen inzien, wie ik was, wat ik misdreef en welke +straf ik had verdiend.... + +En nu volgde ietwat uitvoeriger dan 't voorafgaande, de +beschrijving van het tooneel van dien laatsten avond bij Goelbadan +en de mededeeling van het nieuwe, door Salhana ontworpen plan. + +Ook nu nog was er geenerlei aandoening zigtbaar op het strak +gelaat van den Keizer. Zijn stap alleen, terwijl hij bleef heen en +weder gaan, was een weinig driftiger en meer gehaast. Toen het +verhaal was geeindigd bleef hij eerst een tijdlang zwijgen, doch +sprak ten laatste: + +--Met reden schijnt gij ondersteld te hebben dat uwe laatste +mededeeling van invloed kon zijn op het vonnis dat ik over u had +uit te spreken. Gij hebt mij en mijn rijk een belangrijke dienst +bewezen. Maar gij bedriegt u, indien gij meent dat ik straks reeds +een onherroepelijk vonnis velde. Te zeggen dat een misdrijf op +zichzelf de doodstraf verdient, is nog niet gezegd dat voor hem +die het beging, geenerlei verschooning is aan te voeren. En voor u +is dit, dunkt mij, juist wel het geval. Ook afgescheiden van uwe +verdere mededeelingen zou ik in mijne uitspraak geweifeld hebben, +en had ik toch misschien genade laten gelden voor regt. Gij hebt +zwaar misdreven, Siddha! jegens mij en zeker niet minder jegens +mijn vriend; maar een misdadiger zijt gij daarom nog niet. Gij +waart het offer eener sterke verleiding, en ik weet zelf wat het +zegt daaraan te zijn blootgesteld; maar uw eergevoel ging niet +gansch verloren en herleefde toen uwe verblinding geweken was. Let +wel! ik vergoelijk in 't minst niet uwe handelingen en tel uw +schuld niet ligt; maar ik ben evenmin van oordeel dat gij tot die +onverbeterlijken behoort, die men in 't belang der maatschappij +onschadelijk heeft te maken. Integendeel, ik wil gelooven dat gij +door later daden nog voor een deel, althans wat mij betreft, de +herinnering zult uit kunnen wisschen aan 't geen gij als onderdaan +misdreven hebt. En uw gansche gedrag van heden geeft mij de vaste +overtuiging, dat gij jegens mij u nooit meer aan eenige +trouweloosheid zult schuldig maken en voortaan beter de +waarschuwing indachtig zult zijn, die ik u eenmaal daar in den +tuin van mijn paleis in Agra gaf. Ik laat u daarom het leven en-- +uw rang. Bewijs mij, dat ik mij niet ten tweeden male in u heb +bedrogen! + +Te antwoorden was Siddha in de eerste oogenblikken niet mogelijk; +maar hij knielde neder voor den Keizer en kuste eerbiedig den zoom +van zijn gewaad. + +--Ik dank u, Sire!--sprak hij eindelijk, nadat Akbar hem gewenkt +had op te staan,--niet voor dat leven, dat voor mij geen waarde +meer heeft, maar voor de gelegenheid mij geschonken om nog een +deel van de schuld te boeten, waarmede ik mij beladen heb. En zoo +'t mij voegt, na al het gebeurde nog om een gunst te verzoeken, ik +vraag dan als de allerhoogste dat mij spoedig geoorloofd mag zijn +aan den strijd deel te nemen, die ginds in het Noorden tegen de +rooverbenden wordt gevoerd. + +--Ook die gunst wil ik u verleenen,--antwoordde de Keizer,--maar +vooraf belast ik u hier nog met eene andere taak. Eenige van de +getrouwsten mijner eigene lijfwachten stel ik onder uwe bevelen. +Ga met hen Salhana te gemoet, maak u aanstonds van hem meester +zoodra gij hem vindt, en breng hem hier; maar in 't diepste +geheim, zoadat Gorakh, die naar uw zeggen hier rond moet zwerven, +er niets van bemerkt. + +Een wenk van den Keizer maakte een einde aan het gesprek; en +aanstonds, zoodra hij 't bevel over de wachten aanvaard had, was +Siddha met hen, en zijn niet lang na hem aangekomen dienaar, weer +op weg. + +Spoediger dan hij verwacht had ontmoette hij zijn oom, die mede +veel haast scheen gemaakt te hebben, met twee zijner volgelingen. +In een oogenblik waren deze overmand en gevangen genomen; en, +schoon, Salhana zelf nog een tijdlang tegenstand bood, ook hij was +toch dra overweldigd, en, tot zijn niet geringe woede, gekneveld +op bevel van dien tot heden zoozeer door hem geminachten +jongeling. Om zijne herkenning door anderen te beletten werd hem +een sluijer over 't hoofd geworpen, en in allerijl werd hij daarop +medegevoerd naar het kamp. + +In de tent des Keizers ontdeed men hem van zijne boeijen en den +sluijer, en liet hem met Akbar en Siddha alleen. + +--Uw verraad, Salhana!--sprak de Keizer,--en ook uw nieuwste plan +is ons bekend. Die jonkman daar heeft het ons meegedeeld. Maak u +gereed te sterven. De beul wacht u! + +Met een giftigen blik zag Salhana zijn neef aan, en stortte toen +voor de voeten van Akbar neder, met het voorhoofd den grond +aanrakend. + +--Spaar mijn leven!--bad hij.--Straf mij, genadige Vorst! maar... +laat mij leven, en ik wil alles bekennen, alles zeggen wat ik +weet. + +--Salhana!--antwoordde de Keizer met de diepste minachting,--ik +wist dat gij een verrader, een schurk waart, maar ik had u nog +niet leeren kennen als een lafaard bovendien. Voorwaar, gij zijt +al een heel groote ellendeling en nauwelijks waard een kop kleiner +te worden gemaakt! Wat voor 't overige uwe bekentenissen aangaat, +ik heb ze niet van noode; ik weet daaromtrent alles, zeg ik u. +Slechts een ding verlang ik nog te weten. Waar en hoe is Gorakh te +vinden? + +--Ik zal het u zeggen!--riep Salhana uit, met onverholen vreugde +dien straal van hoop begroetend;--ik zal het nauwkeurig aanwijzen. +En dan?... + +--Dan gun ik u een schandelijk leven. Doch worden uwe aanduidingen +valsch bevonden, dan, gij begrijpt het, wacht u het zwaard. + +Uitvoerig en nauwkeurig gaf nu Salhana de teekenen op, waaraan men +den Yogi in zijne vermomming kon herkennen. + +--Men bewake dezen man met de uiterste strengheid,--beval de +Keizer aan Siddha,--en inmiddels gaat gij uit met uwe wachten, +zoekt Gorakh, en als gij hem gevonden hebt, laat gij hem opknoopen +aan den eersten boom den beste. + +Aan het bevel werd spoedig uitvoering gegeven. De mededeelingen +van Salhana bleken juist te zijn. Men was den Doerga-priester +weldra op het spoor, en aanstonds werd hij gevat. + +--Ha, mijn jonge vriend!--zei de priester, Siddha herkennend, met +zijn hatelijksten lach,--vergeldt gij zoo de belangstelling die ik +u betoonde? Nu dat zij zoo! Maar bewijs mij toch eene beleefdheid; +die kunt gij nog wel voor mij over hebben! Zeg, wie heeft mij +verraden? Dat kan wel niemand anders dan Salhana zijn, niet waar? + +--Zoo is het!--antwoordde Siddha.--En nu gij,--vervolgde hij tot +de wachten,--voert dien man buiten het kamp en dat ginds het +vonnis aan hem voltrokken worde! Voorwaarts! + +--En wat is dat vonnis?--vroeg nog de ander. + +--De strop!--was het antwoord. + +--Goed!--zei Gorakh,--dat blijft in mijn vak! + +Den man te binden was wel overbodig, en ook zonder de minste +poging tot verzet stapte hij bedaard tusschen de krijgslieden +voort. Gedurende eenigen tijd zag ook Siddha niet naar hem om, en +de wachten letten mede niet veel op zijne bewegingen. Buiten de +legerplaats evenwel zich omwendend om zijne ruiters nog eenig +nader bevel te geven, bemerkte Siddha dat de Yogi bezig was met +zijne regterhand over een langwerpig boomblad te strijken, dat hij +in de linker hield en dat hij of onderweg moest hebben opgeraapt +of uit zijne kleeding te voorschijn gehaald. Een oogenblik later +hief hij 't blad omhoog en wuifde er mede alsof 't een waaijer +was. + +--Komaan!--riep Siddha ongeduldig,--laat dat geknoei met uw +goocheltoeren nu maar! 't Helpt u toch niet langer. En werp dat +blad daar weg! Wij hebben genoeg van uwe kunsten! + +Gorakh gehoorzaamde, hoewel niet dan na nogmaals, als lagchend en +als om Siddha te plagen, een paar mystische teekens met het blad +in de lucht te hebben gesneden. Toen wierp hij 't op den grond, en +men ging verder. Weinige oogenblikken later hing het ligchaam van +den priester aan den tak van een alleenstaanden boom. + +Inmiddels waren een paar lieden, naar 't uiterlijk te oordeelen +dienaren van een of ander edelman, die bij de gevangenneming +tegenwoordig waren geweest, doch niet dan onverschillig er naar +gekeken hadden, onopgemerkt op eenigen afstand den stoet gevolgd, +die den veroordeelde naar de strafplaats voerde. Zoodra de troep +voorbij de plek was, waar Gorakh het blad had neergeworpen, gingen +zij zoeken in het zand en vonden weldra het gezochte voorwerp. Het +was een verdroogd boomblad, maar waarin met eene snelle hand en +met behulp van een veelal tot dat einde gebezigd scherp werktuig, +een aantal woorden stonden gekrast. Na gezamenlijke lezing verborg +een der beiden het zorgvuldig in zijn gewaad en haastte zich naar +het kamp terug. + +Daar erlangde Salhana, zoodra de tijding van Gorakh's dood aan den +Keizer was overgebragt, de hem toegezegde levensgenade, maar +tevens werd aan eenige krijgslieden de last gegeven hem streng te +blijven bewaken. Na 't einde van den oorlog zou men verder zien, +wat met hem uit te rigten. Gevangenschap, waarschijnlijk in eene +of andere vesting, zou, begreep hij wel, zijn lot zijn zoolang +Akbar regeerde. Maar daarna zou Selim hem zeker aanstonds +verlossen. En dan was hij misschien ook in de gelegenheid om aan +zijn wraakzucht tegen Siddha te voldoen.... + +Het toezicht van zijne bewakers was echter uit den aard der zaak +niet zoo voortdurend streng, of 't mogt nog wel eens den een of +ander gelukken hem te naderen; en er werd dan ook geen acht op +geslagen dat eens op een avond een als dienaar van een der edelen +gekleed persoon, hem voorbijgaande, snel en heimelijk hem een +opgerold blad in handen speelde. Wat dat zijn kon? Een geheime +mededeeling van een zijner vrienden, van Goelbadan misschien om +hem een middel aan te wijzen tot de vlugt?... + +"Salhana!"--dus luidde het haastig en met verkortingen geschreven +briefje,--"de Keizer, die mij vonnist, zal niet sterven; want dat +zou u dienen. Maar Doerga kiest tot offer u, die mij verraden +hebt." + +Het angstzweet brak Salhana uit en als verlamd van schrik liet hij +'t blad uit de hand vallen. Hij wist toch maar al te goed wat die +weinige woorden beteekenden, en hij wist dus ook dat zijn vonnis +onherroepelijk was geveld. Het laatste gebod van den Doerga- +priester zou niet worden veronachtzaamd, en liever nog zouden er +honderd der zijnen zich opofferen dan het bevel onuitgevoerd +laten. Of er dan in 't geheel geen hoop en geenerlei kans meer +was? Inderdaad zoo goed als geene! Ja, was hij nog maar in Agra, +en daar in de vesting of ergens anders opgesloten, waar die +anderen althans zoo ligt niet tot hem konden doordringen dan hier +in 't open veld! Maar hij was in de achterhoede van het leger, en +deze volgde niet dan zeer langzaam het snel voortrukkend overig +gedeelte.... Hijzelf bad en smeekte nu zijne bewakers dat zij toch +goed de wacht bij hem zouden houden, omdat zijn leven door +sluipmoordenaars was bedreigd; maar zij lachten hem uit, en hij +hoorde hen zeggen: Er zou ook wat aan verloren zijn! Nog verzocht +hij dat men in den nacht een licht bij hem zou laten branden, maar +men bleef hem uitlagchen en hem bespotten om zijn lafhartigheid. +Hij had geen rustig oogenblik meer. Des daags, op marsch, dacht +hij langs elke heg of struik de eene of andere donkere gestalte te +zien sluipen, die hem bespiedde en hem volgde op zijne schreden. +Bij halten, als anderen rust namen, bleef hij voorzigtig overeind +zitten en zoekend rondzien langs de boomen en het kreupelhout. En +dan in den nacht, in den schrikkelijken, eindeloozen nacht! Hij +had alles willen geven om ten minste wakker te kunnen blijven, en +hij deed ook zooveel mogelijk zijn best, luisterend naar het +minste geritsel en telkens in 't donker om zich heen tastend; maar +bij wijlen overmande hem toch de slaap. Dan schrikte hij +plotseling weer op en greep naar zijn hals, en dacht er iets te +voelen dat hem den adem kwam benemen. In 't eind ging hij zich +verbeelden dat er een koord om zijn nek was geslagen en daar bleef +zitten tot het eensklaps zou worden toegetrokken. Telkens en +telkens moest hij door 't gevoel zijner vingers zich overtuigen +dat hij zich bedroog, tot in 't laatst die beweging van de hand +naar de keel hem tot eene werktuigelijke gewoonte begon te worden. +Een enkelen keer kwam de gedachte bij hem op om zelf een eind aan +zijn leven te maken en op die wijze zich te verlossen van zijn +marteling; maar hij durfde niet en hij bezat geen moed om zich den +dolk in het hart te stooten. En dan nog de hoop, hoe flauw ook, +dat hij nog betrekkelijk veilig mogt zijn als men maar eenmaal in +Agra zou zijn aangekomen! Maar langzaam ging de togt altijd +langzamer, en het was nog de vraag of 't wel in het plan van den +Keizer lag de achterhoede tot de residentie zelve te laten +voorttrekken.... + +De Worgers belastten zich eindelijk met de taak, die Salhana zelf +niet durfde volvoeren, en bevrijdden hem van zijn angst.... Eens +in den vroegen morgen vonden zijne bewakers hem dood liggen in de +tent, die gedurende den nacht hem tot verblijf had gestrekt. + + + +VIJFTIENDE HOOFDSTUK. + +Beterschap + +In Agra ging alles nagenoeg zooals Akbar en zijne raadslieden van +den aanvang af berekend hadden, en vooral na de mededeelingen van +Siddha konden voorzien. Dat Selim nog bij tijds omtrent den +terugkeer van het leger zou gewaarschuwd worden en 't dus +misschien niet gelukken zou hem op de daad te betrappen, hadden +Akbar's vertrouwden nog steeds gevreesd; en wel ware in dat geval +de aanslag verijdeld, maar tevens vrij wat moeijelijker geweest, +den Prins te overtuigen van zijn verraad. Nu evenwel de boodschap +van Gorakh, den leider der zaamgezworenen in het leger was +onderschept, en Goelbadan in de onmogelijkheid gesteld ze aan +Selim en de zijnen over te brengen, stonden de kansen veel +gunstiger. En inderdaad, wel kwamen er enkele geruchten tot de +zaamgezworenen te Agra omtrent een spoedigen terugtogt van den +Keizer; maar, niets daaromtrent van hun eigen vrienden vernemend, +hielden zij die geruchten eenvoudig voor een list om hen van +eenige onderneming gedurende Akbar's afwezigheid terug te houden. +Er bestond dus, meenden zij, geenerlei reden om geen uitvoering te +geven aan het plan. + +Op den bepaalden dag dan nam Selim bezit van het vorstelijk +paleis, en deed zich openlijk in Agra uitroepen als Keizer. +Terstond ontsloeg hij een aantal van de voornaamste ambtenaren en +krijgsbevelhebbers en stelde anderen in hun plaats. Schrik en +ontzetting verspreidden zich allerwege in de stad. De rijken +sloten hunne huizen, de kooplieden hunne winkels, en de volkrijke, +anders zoo levendige residentie scheen op eenmaal als uitgestorven. +De berigten toch omtrent Akbar's terugkeer hadden meer geloof gevonden +bij de burgerij dan bij de misleide zamenzweerders, en een geduchte +strijd scheen te voorzien, als Selim, in de vesting zich versterkend, +een krachtigen tegenstand mogt bieden aan zijn vader. Maar toen de Prins +nu de vesting liet opeischen, weigerde, tot zijn niet geringe verbazing +en schrik, de Goeverneur volstandig aan den eisch te voldoen, sloot de +welversterkte poorten en rigtte zijn geschut tegen de stad. In +schijn toch had diezelfde Goeverneur, met medeweten van Akbar, de +zijde van Selim gekozen, zoodat deze volkomen zeker van het fort +meende te zijn, maar inderdaad was hij den Keizer trouw gebleven. +En nu bevestigden zich ook de tot dusver in den wind geslagen +berigten omtrent de bewegingen van het leger, en geen dagmarsch +scheidde dit weldra meer van de stad. Dus tusschen twee vuren +geplaatst, terwijl nagenoeg allen die hem in den opstand geholpen +hadden zoo snel mogelijk hem weer verlieten, begreep Selim dat er +geen andere uitkomst overbleef dan een overhaaste vlugt. Doch te +laat! De vooruitgezonden troepen sloten al de uitwegen af, en toen +Selim met enkele volgelingen de stad wilde verlaten, werd hij +overvallen door eene afdeeling ruiterij en, hoewel met alle eer, +toch ook met een gestrengheid die alle verdere poging tot vlugten +onmogelijk maakte, gevankelijk naar het paleis teruggevoerd waar +hij een vlugtig oogenblik als Keizer had getroond. + +Eenige dagen later ontving hij de uitnoodiging om te verschijnen +bij den vorst, die thans werkelijk in zijne hoofdstad was +teruggekeerd. Zijn vorst, zijn vader, zijn regter tevens! Selim +was dapper, maar thans voelde hij den moed zich toch ontzinken, en +dat te meer omdat hijzelf zoo volkomen overtuigd was van zijne +schuld. Ook wist hij dat Akbar grootmoedig kon zijn, maar tevens +gestreng, als straffen in het rijksbelang noodig was. + +Zijn anders niet onredelijke vrees maakte echter spoedig plaats +voor verwondering, toen hij, alleen bij den Keizer toegelaten, +dezen met het hoofd in de hand op een divan vond uitgestrekt, +terwijl zijn andere arm vermoeid over den rand van het rustbed +hing, en hem ook zijne houding niet zag veranderen toen hij, de +schuldige, daar binnentrad. + +--Ik heb lang gedraald u te ontvangen, Selim!--begon Akbar ten +laatste, terwijl hij een vlugtigen blik wierp op zijn diep +beschaamden, in gebogen houding voor hem staanden zoon;--ik zag op +tegen dit onderhoud; ik wenschte dat gij 't mij gespaard mogt +hebben! + +Weer zweeg hij eenige oogenblikken; en toen, zich halverwege +oprigtend en de handen omhoog heffend, barstte hij los in een +bittere en hartstogtelijke klagt: + +--Mijn zoon! mijn zoon!--riep hij uit,--dat ik dit van u beleven +moest! Waartoe liet gij u verleiden door valsche vrienden en +verkeerd begrepen eerzucht! Gij weet het, hoezeer ik u altijd heb +lief gehad, uw minste wenschen waar 't mogelijk was zocht te +voorkomen, u overlaadde met eer en aanzien en schatten. Gij weet +ook, gij hebt het meer dan eens van mij en van uwe moeder gehoord, +hoe ik, nog kinderloos en toen ik nog in mijn goedgeloovigen tijd +verkeerde, heb gebeden om de geboorte van een zoon, en toen +eindelijk dat geluk mij te beurt viel en gij mij geschonken waart, +die gebeurtenis herdacht door de stichting van Fattipoer, op welks +heuvel ik zoo menigmaal tot Allah mijne gebeden had omhoog +gezonden. Maar had ik geweten wat mij eenmaal van u te wachten +stond, mijn gebed zou niet zoo vurig en mijne vreugde over zijn +verhooring zoo groot niet zijn geweest! Ach, was het u dan +onmogelijk, althans eenmaal in uw leven, eene overwinning te +behalen op uzelf, en nog zoolang geduld te hebben, alvorens uw +voet te zetten op den troon, tot uw vader, zoo jong toch niet +meer, u de plaats had opengelaten? Was 't u ondoenlijk door dat +eene ten minste de liefde eenigszins te vergelden, die ik u altijd +heb toegedragen en waarvan gij de blijken toch waarlijk wel +ondervonden hebt? + +Selim wist niet te antwoorden, toen zijn vader weer voor een +oogenblik ophield te spreken. Die gansch onverwachte ontvangst, +die altijd, in weerwil van zijne vergrijpen, nog liefderijke +schoon droevige taal had hem diep getroffen. Want hij was niet +slecht, niet verstokt van hart, maar zwak en ligtzinnig; en op hem +rustte de vloek, dien Akbar had weten te ontgaan, de vloek van het +despotisme, dat den alleenheerscher, en ook hem die weet dat hij +bestemd is het te zijn, de eigen onbetoomde willekeur in de +plaats leert stellen van regt en van pligt. + +--Maar neen!--ging de Keizer weer voort,--gij hebt het niet +gewild, of liever nog, gij hebt het niet gekund. Gij zijt nooit in +staat geweest u te bedwingen in iets; hoe dan in dit eene? Een +tijd lang, ik zag het met het grootste genoegen, hebt gij +opgehouden met uwe drinkgelagen, maar hoe kort duurde de +beterschap! Gij, die in mijne plaats wilt heerschen over anderen, +gij weet nog niet eens uzelven te beheerschen! En hadt gij nog +maar beter uwe eigene stelling begrepen! Eigenbelang, maar +wezenlijk, geen valsch eigenbelang, had u van zelf den regten weg +gewezen. Gij zoudt dan hebben ingezien dat alleen regtvaardigheid +en trouwe pligtsvervulling u de achting en genegenheid uwer +toekomstige onderdanen konden verwerven, maar dat handelingen als +die waaraan gij thans u hebt schuldig gemaakt, u verachtelijk +moesten doen worden in hun oogen ook al ware uw doel bereikt en al +gehoorzaamden zij hun nieuwen meester uit zelfzucht of uit vrees. +Nu hebt gij, even onverstandig als misdadig, dien eerbied +verspeeld, en u en ook mij met schande overdekt. Of meent gij, dat +ook mij de vernedering niet treft, die u heden wordt opgelegd? Hoe +gaarne had ik ze nog voorkomen! Ik beproefde het, toen ik u op +raad van Aboel Fazl, die u welwillend gezind was, naar Allahabad +zond. Ik wist toen nog niet, dat juist Salhana tot de ergste +verraders en de gevaarlijksten uwer verleiders behoorde. Maar +genoeg, de poging om u te onttrekken aan uwe omgeving mislukte, en +de zaken bleven haar gang gaan. Toen werd het ten laatste noodig +in 't openbaar en ten aanzien van een ieder het bewijs te leveren, +dat list noch geweld ook van den hoogst geplaatste iets tegen +Akbar en de zijnen vermag, en dat de Keizer nog altijd oppermachtig +blijft regeren. Gij hebt mij gedwongen; aan uzelf de schuld van 't geen +heden is geschied. Uzelven hebt gij veel kwaad gedaan, en mij hebt gij +diep gegriefd; dieper dan gijzelf welligt op dit oogenblik beseft. +Moogt gij nimmer in de gelegenheid zijn het volkomen te begrijpen en +door eigen ondervinding te leeren wat het zegt voor een vader, zijn +eigen zoon als vijand tegenover zich te zien en zichzelf misschien +genoopt hem te bestrijden met het zwaard in de hand! + +En wel zou die droevige ervaring ook Selim in later dagen niet +blijven gespaard, en zou hij gelegenheid vinden de woorden zijns +vaders te overdenken, als eenmaal, in de jaren van zijn ouderdom, +Shah Djihan, zijn eigen eveneens geliefde zoon, hem bekampen zou +in 't open veld en meer dan eens met overmagt van legers de zijnen +zou verslaan!... Thans inmiddels gevoelde hij het zedelijk +bewustzijn, dat zoolang had geslapen, weer ontwaakt, en voor 't +eerst doorzag hij in haar vollen omvang zijne schuld, door valsche +raadgevers hem tot heden steeds als weinig beteekenend, of althans +als niets buitengewoons en iets wel verschoonbaars voorgesteld. En +door aandoening overmeesterd, wierp hij, zijn gelaat in de handen +verbergend, zich op de knieen voor zijn vader neer. + +--Sta op!--sprak ten laatste de Keizer na een tijdlang zwijgend +zijn zoon te hebben aangezien,--en luister! Dat ik het volle regt +bezit en de magt om u de straf op te leggen die ik mogt +goedvinden, zult gij zoomin als iemand anders mij kunnen +betwisten. Maar ik wil voor u geene verdere vernedering dan die +welke gij reeds hebt ondergaan. Ik wil dat niet, omdat het schaden +zou aan uw later gezag, aan den eerbied dien men u verschuldigd +zal zijn als gij mij eenmaal zijt opgevolgd in de regering. +Strafte ik u nog verder in 't openbaar, ik zou u dan tevens voor +goed vervallen moeten verklaren van den troon en een uwer jongere +broeders tot mijn opvolger behooren aan te wijzen. Maar dat wil, +dat kan ik nog niet. Ik heb u nog te zeer lief om u voor immer te +verstooten, zoolang ik het vermijden kan. Niettemin blijft alles +afhangen van uzelven. Zeg mij, en zeg het, gelijk gij in dit +oogenblik wel zult willen, opregt:--Verlangt gij nog met mij mede +te werken in het belang van ons rijk, of gevoelt gij daarvoor geen +lust of geen genoegzame kracht? In 't eene geval zal ik u eene +eervolle maar moeijelijke werkzaamheid opdragen; in 't andere kunt +gij hier blijven aan mijn hof, en daar trachten, want dat raad ik +u toch aan, zooveel althans van de kunst van regeren te vernemen +als in uw lateren werkkring u onmisbaar zal zijn. Ik laat u de +keus. + +--Mijn vader!--antwoordde thans eindelijk Selim,--ik gevoel het +volkomen dat ik noch het eene noch het andere aanbod, beiden even +grootmoedig, heb verdiend, en mij niet zou mogen beklagen, indien +ik na mijne laatste handelingen door u van de troonopvolging +vervallen werd verklaard, maar laat gij mij werkelijk eene +onverdiende keus, dan aarzel ik geen oogenblik, maar grijp +terstond het eerste van uwe voorstellen aan. Draag mij een zwaren +en des noods gevaarvollen arbeid op, en ik wil trachten zoo goed +ik kan dien te volbrengen. Gij hebt mij inderdaad met eer en met +gunsten overladen, maar misschien ook wel te veel! ik heb mijn +tijd werkeloos, in ijdele ledigheid, verspild en verbrast, terwijl +gijzelf dag aan dag en avond aan avond hebt gearbeid voor het nut +van den staat; en die werkeloosheid, die ellendige ledigheid, die +geen verstrooijing op den duur kan aanvullen, heeft mij, zoo niet +geheel dan toch voor een groot deel gehoor doen geven aan +verraders en verzoekers, die mij een wezenlijken en meer +roemrijken werkkring voorspiegelden als ikzelf maar eenmaal de +magt, in handen zou hebben. Wijs mij nu zulk een werkkring aan, al +is 't een meer nederige, en ik zal misschien nog gelegenheid +vinden om weer eenigszins goed te maken wat ik jegens u misdreef! + +--Gij beoordeelt uzelven niet onjuist,--hernam Akbar,--en de regte +zelfkennis is wel de eerste stap op den goeden weg. Ook wil ik +gaarne erkennen dat ik van mijne zijde niet geheel vrij ben van +schuld, in zoo ver ik u veel te lang dat ledig en bij alle +grootheid en weelde toch eentoonig leven liet, waarin gij tot +dusver hebt verkeerd. Maar welaan dan! Niet lang nog is het rijke +en vruchtbare Bengalen onderworpen aan mijne heerschappij, en nog +wacht het op de voorregten eener ordelijke regering zooals onze +landen die genieten. Ga nu, en help mij zulk eene regering +invoeren ook daar! Gij zult er onder mijne souvereiniteit het +bestuur op u nemen, en voortaan een nagenoeg onafhankelijk Koning +zijn, totdat eenmaal de tijd zal zijn gekomen waarin gij, in vrede +ten laatste met uzelven en geacht weer en bemind door uwe volken, +de regering zult kunnen aanvaarden over gansch Hindostan! + +Tranen van vreugde en van dankbaarheid ontsprongen Selim's oogen, +en na eerbiedig de hand des Keizers gekust te hebben snelde hij +heen, vol moed en vol nieuwen levenslust. De verzoening tusschen +vader en zoon was opregt, en de vrede en vriendschap, Akbar +gevoelde het en hij zag juist, zou voortaan niet weder tusschen +hen beiden worden verstoord. + +Was het in Agra na den gelukkig voorbijgedreven storm een tijd van +althans betrekkelijke vreugde, in Allahabad werd het in die dagen +en vooral in de spoedig daarop volgende een tijd van rouw. Voor +eene ten minste. In algemeene bewoordingen en zonder noodelooze +vermelding van bijzonderheden werd aan Iravati de dood haars +vaders medegedeeld door den nieuwen Goeverneur, die haar tevens de +verzekering gaf dat zij in den burgt kon blijven vertoeven zoolang +haar goed dacht. De misdrijven, waaraan Salhana zich schuldig had +gemaakt waren haar nooit bekend geweest; ook thans vernam zij +daarvan weinig of niets, daar zij den meesten verholen waren +gebleven; en, had zij haar vader nooit wezenlijk leeren +liefhebben, zij had toch tot op zekere hoogte hem achting +toegedragen, en zijne laatste handelwijze jegens haarzelve +vergetend, betreurde zij hem wezenlijk en opregt. Doch weldra kwam +ander nieuws dat wel geschikt bleek om op gansch andere wijze haar +gemoed te schokken, zoo droevig door 't geen zij omtrent haren +Siddha vernomen had, reeds gestemd. + +Niet lang nadat de tijding van Salhana's dood haar geworden was, +kwam Koelloeka, de Brahmaan, zich bij haar aanmelden. Alleen zijn +eene getrouwe dienaar had op een gevaarvollen togt uit het Noorden +hem vergezeld. + +--Edele jonkvrouw!--sprak hij, bij Iravati toegelaten,--ik +belastte mij met eene zware taak, omdat ik eene boodschap heb over +te brengen, treurig voor u en voor mij. Ik breng u een teeken, dat +u wel bekend zal zijn.... + +En in zijn gordel tastend legde hij den fijn geweven veelkleurigen +sluijer voor haar neder, dien zij Siddha had toegeworpen, toen zij +voor het laatst hem onder 't balkon van haar venster had gezien. + +--Ik begrijp alles!--riep zij verbleekend uit, terwijl zij +opsprong;--hij is niet meer!... + +--Zoover--antwoordde Koelloeka,--was het nog niet gekomen toen ik +hem verliet; maar ik vrees toch het ergste, en ik moet twijfelen, +hoe gaarne ik het tegendeel ook geloofde, of ik ooit mijn +voormaligen leerling weer zal zien. + +--Doch zeg mij, wat is er met hem gebeurd?--vroeg Iravati.--Zie! +ik ben nu weer bedaard en wil u rustig aanhooren mits gij mij +alles mededeelt. + +En nu verhaalde Koelloeka omstandig al wat hij van Siddha's +laatste ontmoetingen wist. + +Op zijn dringende en ernstige bede had de Keizer hem veroorloofd, +met zijne Radjpoet's en anderen tegen de stroopers in het Noorden +op te trekken. Daar, in de hem welbekende gebergten, voerde hij +een tijdlang een zeer gelukkigen en roemrijken krijg; gevaren +telde hij niet, maar zocht ze veeleer op, vooral voor zichzelven, +en menigmaal had hij reeds waagstukken beproefd, waarvoor zelfs de +dapperste zijner volgelingen waren teruggedeinsd. Altijd echter +met goed geluk. Doch ten laatste wisten de rooverbenden, terwijl +hij een bergpas doortrok, hem van zijne hoofdmagt af te snijden en +hem en zijne nu betrekkelijk weinige volgers van alle kanten te +omsingelen. Wel streed hij ook thans weer met zijne gewone +onversaagdheid en kracht, wel wist hij de zijnen door eigen +voorbeeld lang nog te blijven aanvuren en viel er menig ruiter van +den vijand door zijn zwaard getroffen in den afgrond, maar ten +laatste stortte hijzelf met wonden bedekt van zijn paard, terwijl +de meesten zijner dapperen gewond of gesneuveld rondom hem lagen +uitgestrekt. Vatsa, die zijne zijde bijkans niet had verlaten en +hem vallen zag, begreep op dit oogenblik beter te kunnen doen dan +een ijdele en nuttelooze wraak te beproeven, liet zich onmiddelijk +van het paard glijden en bleef toen bewegingloos liggen alsof ook +hij verslagen was. Weinige oogenblikken later kwam de hoofdmagt +aanrukken en dwong den vijand tot een haastigen aftogt. Nu sprong +Vatsa snel weer op, begaf zich tot zijn meester en hoewel eerst +meenend dat hij gesneuveld was, ontdekte hij spoedig tot zijn +blijdschap dat hij nog leefde. Met behulp van eenige der nieuw +aangekomen ruiters legde hij den gevallene, na zoo goed het gaan +wilde zijne wonden verbonden te hebben, op een in der haast +zamengestelde draagbaar en stelde toen voor, hem naar een in de +nabijheid gelegen Boeddhistenklooster te voeren, waarheen de weg +hem bekend was. Aan het plan werd terstond uitvoering gegeven. + +--Ikzelf,--vervolgde Koelloeka,--ik bevond mij juist op dat +oogenblik in het klooster toen de ruiters er met hun zwaar +gewonden bevelhebber aankwamen. Met de meeste liefde en zorg +verpleegden hem de goede monniken, en een ervaren geneesheer, die +zich onder de hunnen bevond, gaf mij de verzekering dat niets zou +worden gespaard wat zijne kunst vermogt om hem in 't leven te +behouden. Na eenigen tijd kwam Siddha weer tot bewustzijn, en mij +aan zijne zijde ontwarend, knikte hij mij vriendelijk toe. Ten +laatste gevoelde hij ook voor eenige oogenblikken weer de kracht +om te spreken.--Vriend!--zeide hij,--ik ga u verlaten; Ik gevoel +dat ik hiervan niet meer zal opkomen. Bewijs mij nog een dienst!-- +Vragend zag ik den geneesheer aan, maar deze schudde het hoofd. +Ook hij scheen weinig of geen hoop meer te zien. Tevens echter +wilde hij Siddha het zwijgen opleggen; maar deze stoorde zich niet +aan het verbod.--Ik moet spreken!--zeide hij;--Koelloeka! neem +den sluijer dien gij daar bij mijne wapenrusting zult vinden, +breng dien zoodra gij kunt aan Iravati, en zeg haar dat ik haar +nooit zoo lief had gedurende mijn leven dan op het oogenblik dat +ik den dood nabij weet. Ga terstond en wacht niet tot ik gestorven +ben. Laat mij sterven met het bewustzijn, dat zij het teeken uit +uwe handen ontvangt!--Toen sloten zich zijne oogen en hij sprak +niet meer. Ik aarzelde niet aan dat waarschijnlijk laatste verzoek +te voldoen, nam den sluijer, en Siddha aan de trouwe zorgen van de +Boeddhisten en Vatsa overlatend, toog ik onverwijld op weg. + +--Ik dank u--sprak Iravati,--voor de dienst, welke gij ons beiden +hebt willen bewijzen. Maar Siddha leeft nog, zegt gij, of was nog +niet gestorven toen gij hem verliet. Dan weet ik ook wat mij te +doen staat. + +--Te doen?--vroeg de Brahmaan.--Wat zoudt gij kunnen? + +--Ik ga met u op weg naar Siddha!--antwoordde Iravati bedaard. + +--Wat! Gij?--riep Koelloeka in verbazing uit,--gij, een zwakke +weerlooze vrouw, zonder sterk geleide daar ginds door die wilde +bosschen en bergen, waar het zwermt van rooverbenden en waar wij +anderen zelf reeds aan groote gevaren ons blootstellen op zulk een +reis! Waar denkt gij aan? + +--Zoo goed--was het antwoord,--als gij, mijn vriend! u ter wille +van Siddha aan die gevaren waagt, zoo goed kan ook ik het voor hem +doen. En vrees niet dat ik u tot last zal zijn. Ik ben zoo zwak +niet als gij misschien meent en aan bergwegen en bosschen wel +gewend.--Neen! ging Iravati voort, toen Koelloeka weer nieuwe +tegenwerpingen wilde maken,--tracht mij niet af te brengen van +mijn besluit! Het zou u niet baten. En wilt gij mij niet meenemen, +dan ga ik alleen met een mijner dienaren. Meen ook niet dat mijn +besluit in overhaasting wordt genomen en ik er straks wel op terug +zal komen. Ik heb meer dan eens over de mogelijkheid van een +dergelijk geval gedacht, als zich juist op dit oogenblik voordoet. +Ik heb meer dan eens in omstandigheden die er aanleiding toe +gaven, mijn eigen toestand met dien van de Damayanti der legende +vergeleken, en ik heb besloten, dat zij, waar 't pas gaf, steeds +mijn voorbeeld zou zijn. En wat is nu mijn geringe opoffering bij +de hare? Alleen en van alles beroofd, van alle zijden door nog +gansch andere gevaren omringd, zwierf zij rond door de wildernis +om haar trouweloozen echtgenoot op te zoeken; en ik, ik ga, als +gij 't mij vergunt ten minste, onder geleide van een man van +beproefde dapperheid en beleid; en waar hij weet door te dringen, +zal ik wel weten te volgen! + +--En zijn arm zal u niet falen, waar die bij magte is u te +beschermen!--riep thans Koelloeka uit;--en is die arm al wat +stram, hij bezit toch nog kracht genoeg om het zwaard te hanteren. +Welaan dan! ik wil uw besluit eerbiedigen, niet minder dan ik het +bewonder. Zoo bereid u dan voor tot den togt, en gij vindt mij +gereed om dien met u te ondernemen. + +Zonder dralen ontbood Iravati hare dienares, en haastte zich met +haar de noodige toebereidselen te maken voor de reis, terwijl zij +haar in korte woorden het doel van den togt mededeelde. Niet +weinig was de trouwe Nipoenika, die hare meesteres innig liefhad, +ontsteld, toen zij dat berigt vernam. Maar Iravati legde haar +onmiddelijk het zwijgen op, toen zij eene poging waagde om haar +van de onderneming terug te houden. + +--Laat mij dan met u gaan!--bad de dienares. + +--Neen!--antwoordde Iravati,--dat kan niet. eene vrouw te +beschermen is al genoeg voor Koelloeka en zijn dienaar. En ik gaf +u bovendien ook juist kennis van mijn plan, maar in 't geheim +altijd, opdat, als ik niet terugkeer, iemand wete waar ik gebleven +ben en dat aan mijne betrekkingen in Kacmir kan melden. + +--Maar ware 't dan niet beter, den Goeverneur van het fort om +behoorlijk geleide te verzoeken? + +--Ook dat zou niet deugen. Een afdeeling gewapenden zou onderweg +juist de aandacht trekken, en eene sterke magt kan de Goeverneur +ons niet meegeven. Met ons drieen hebben wij dus veel meer kans de +reis met goed geluk te volbrengen. + +Niet aanstonds evenwel kon de togt worden ondernomen. Koelloeka's +paarden waren nog te vermoeid om onmiddelijk weer op weg te gaan. +Men had dus tot den namiddag te wachten. Lang viel Iravati die +werkelooze tusschentijd. Was men maar eenmaal onderweg, dan was er +ten minste nog eenige afleiding. Nu zat zij onafgebroken te +mijmeren over dat eene enkele, dat met uitsluiting van alle andere +gedachten haar bezig hield. + +Met schrik, zij wist zelve niet waarom, zag zij op, toen zij +eensklaps iemand haastig hoorde naderen, en een oogenblik later +stond een man voor haar, aan wien zij in deze oogenblikken wel 't +minst van allen zou hebben gedacht--Selim. + +--Gij hier?--riep zij uit. + +--Ik kwam hier--antwoordde de Prins,--op mijne doorreis naar +Bengalen. En ik kom, naar ik zooeven ontdekte, juist op een goed +oogenblik. Ik kom u verhinderen in de uitvoering van een plan, te +dwaas om in 't hoofd eener verstandige vrouw op te rijzen. Uwe +dienares heeft, uit liefde voor u, het verbod om er van te spreken +geschonden en mij gebeden door mijne tusschenkomst het te +beletten. Ik heb haar dat beloofd. + +--Bemoei u, Heer!--sprak Iravati,--wat ik u verzoeken mag, niet +met mij noch mijne plannen! Ik ben geen kind meer, dat niet weet +wat het doet. En in allen geval zijt gij ook niet geroepen om voor +mij te waken. + +--Toch zal ik het doen, voor uw eigen welzijn. En ook... welnu! +waarom het niet ronduit gezegd?... en ook, omdat ik u niet naar +dien gehaten mededinger verkies te zien gaan, die zelf u ontrouw +werd. Ik kan de gedachte niet verdragen, dat gij dien man, zoo gij +hem nog in leven vindt, met liefkozingen zult overladen, terwijl +gij mij verstooten hebt! En daarom zal ik gebruik maken van mijne +magt en u dwingen hier te blijven al is 't ook tegen uw wil! + +--Gij kunt het, Selim!--antwoordde Iravati,--maar gij zult het +niet. Gijzelf weet zeer goed dat gij niets zoudt winnen, maar wel +verliezen door zulk eene laaghartige daad van geweld. Mij zoudt +gij toch niet erlangen, en Siddha's dood geen oogenblik er door +verhaasten; gijzelf daarentegen, dien ik tot heden bleef achten, +ook al kon ik u mijne liefde niet schenken, gij zoudt u door zulk +eene handelwijze enkel dit eene verzekeren: mijne diepste +minachting! Begeert gij die? Mijne verachting en uw eigen zeker +niet geringer zelfverachting bovendien? Wilt gij u aanstellen als +een zwakke vrouw, die hare hartstogten niet meester is en enkel +toegeeft aan hare redelooze drift, of wenscht gij u te gedragen +als een man, en door uzelf te beheerschen ook toonen dat gij +waardig zijt eenmaal te gebieden over anderen? Beslis het zelf! Ik +vraag u geen gunst! + +Met gejaagden stap ging Selim op en neder. Een heftige strijd werd +er in zijn binnenste gevoerd door hartstogt en pligtbesef, door +eergevoel en drift. Haar, de vergeefs gewenschte, vruchteloos +gevleide, over te laten zonder tegenstand aan den verwenschten +medeminnaar, was hard, scheen ondoenlijk. Maar toch, zij had regt. +Geen weerstand kon baten en geweld moest hem 't eenige doen +verliezen wat hij nog bezat: de achting van haar, wier oordeel hij +op prijs stelde boven alles. En dan hare laatste woorden, die hem +levendig de diep gevoelde vermaningen van zijn edelen en +verstandigen vader voor den geest riepen! Zelfbeheersching, +zelfverloochening! Eerste pligt en onmisbare deugd voor den Vorst! +Nooit nog had hij in waarheid ze betracht; en zou nu, na zijne +ernstige belofte, na zijn stellig voornemen een nieuw leven aan te +vangen, zijn allereerste handeling weer een daad zijn, die Iravati +met alle regt eene laaghartige geweldenarij had genoemd?... + +--Iravati!--sprak hij ten laatste,--ik onderwerp mij, nu als +vroeger, aan uw wil. Wat het mij kost behoef ik u niet te zeggen; +maar genoeg, ik gehoorzaam. Helaas! ik zeg het nogmaals, waarom +heb ik u niet vroeger gekend? Gij zoudt een ander mensch van mij +gemaakt hebben dan ik geworden ben. Maar dat is nu eenmaal alles +anders; en ik wil trachten mij te schikken in 't onvermijdelijke. +Ga dan, en hoewel ik uw voornemen roekeloos blijf achten, ik mag +toch niet nalaten het te eerbiedigen als een moedig en edel +besluit. Maar nog meer nu! Het kan zijn, het ware althans niet +onmogelijk, dat uw Siddha nog in 't leven bleef; en dan, ik +begrijp het maar al te wel, zoudt gij met hem u verzoenen en het +woord gestand doen dat gij hem gezworen hebt. Welnu! met wangunst +zou ik het aanzien, maar ook zonder wraakzucht jegens u en jegens +hem die u dierbaar is. Laat het dan eenmaal althans gezegd kunnen +worden, dat de zwakke en zelfzuchtige Selim zichzelf bedwong en +dat de toekomstige gebieder van Hindostan ook meester van zijn +eigen hartstogt kon zijn. En als gij vroeg of laat, gij of Siddha +Rama, mijne bescherming mogt behoeven, ik geef u mijn vorstelijk +woord dat ze u niet zal worden onthouden. Eene gunst alleen vraag +ik van u, die er thans geene van mij wilt ontvangen! Ontzeg mij, +al zien wij elkaar nimmer weder, uwe vriendschap niet geheel, en +denk niet met toorn en verachting aan een man, wiens eenig +misdrijf jegens uzelve toch alleen hierin bestond, dat hij u al te +hartstogtelijk beminde!... + +Geen antwoord meer wachtte hij, maar snelde voort.--Mijn vader!-- +sprak hij in zichzelven, terwijl hij met haastige schreden en +zonder om te zien zich verwijderde,--zoudt gij thans, voor eenmaal +ten minste, vrede kunnen hebben met uw zoon?... + + + +ZESTIENDE HOOFDSTUK. + +Feizi's vloek + +In 't Boeddha-klooster in het gebergte lag Siddha op zijne +legerstede, en nevens hem zat Iravati. Zoo groot ook hare vreugde +was geweest toen zij na den moeijelijken en gevaarvollen, maar +gelukkig volbragten togt vernam dat haar Siddha nog leefde, +zoozeer werd die blijdschap ook getemperd toen de geneesheer zijn +behoud nog uiterst twijfelachtig noemde, en zij, bij hem +toegelaten, hem voortdurend bewusteloos vond. Of hij ooit weer zou +ontwaken? Of zou hij sterven zonder haar te hebben herkend? + +Na verloop van een in bange afwachting doorgebragten tijd begon er +ten laatste weer eenige hoop te ontstaan; maar de arts raadde +Iravati tevens ernstig, zichzelve wat meer rust te gunnen als zij +den gewonde nog verder wilde blijven verplegen. Ook wisten +Koelloeka en de monniken haar nu en dan tot eene korte wandeling +te bewegen; en niet zonder genoegen bezocht zij dan bijwijlen ook +den kleinen bij het klooster gelegen tempel, als de kerkklok er de +geloovigen met hunne rozenkransen ten gebede riep. En met +belangstelling ook luisterde zij meer dan eens naar de redenen van +den Opperpriester, als deze haar over het ijdele en nietige van +het menschelijk leven sprak, waarin het leed voor het meerendeel +der wezens zooveel grooter was dan het geluk, en waarvan eenmaal +voor goed verlost te worden om te mogen ingaan tot het nirvana, de +hoogste zaligheid was die voor den mensch bleef weggelegd. + +Koelloeka vond op dergelijke redenen wel wat aan te merken, en hij +zou in andere omstandigheden den priester misschien wel hebben +tegengeworpen, dat werkzaam te zijn en ten nutte van anderen toch +een waardiger levenstaak was dan verzonken te blijven in ledige +bespiegeling omtrent de ijdelheid der dingen; maar hij bemerkte +dat die stille en kalme, schoon ietwat droomerige leer juist voor +'t oogenblik een weldadigen invloed op Iravati had; en hij zweeg. +Ook was tegenspraak hier in zeker opzigt vrij overbodig, vermits +toch deze Boeddhisten zelf weer het bewijs leverden dat de natuur +soms beter is dan de leer. Wel namen zij geenerlei deel aan het +woelige leven en de gewone zorgen der wereld; maar dat zij in +ledigheid hun tijd doorbragten, kon hun waarlijk niet worden +verweten. Onvermoeid zwierven zij door het gebergte en gingen rond +bij de arme bergbewoners, overal weldoende voor zoover in hun +vermogen stond en zooveel doenlijk het leed verzachtend van allen +die zich ongelukkig gevoelden, zonder onderscheid van godsdienst, +van kaste of van nationaliteit. + +Weder was Iravati eens op een avond bij het leger van Siddha +gezeten, terwijl de geneesheer hem van de andere zijde gadesloeg, +toen hij, langzaam de oogen openend, een vlugtigen blik om zich +heen wierp en nevens zich Iravati scheen gewaar te worden. Want +zacht fluisterde hij haar naam, terwijl hij op 't zelfde oogenblik +weer de oogen sloot. Een wenk van den arts gebood haar, voor heden +zich te verwijderen; en schoorvoetend, maar 't hart toch vervuld +van vreugde, verliet zij hem om Koelloeka de heugelijke tijding te +gaan mededeelen. Den volgenden dag vond deze zijn vriend weer +aanmerkelijk toegenomen in beterschap en tot spreken ook weer in +staat. + +Maar niet dan spaarzaam maakte Siddha van de gelegenheid gebruik, +ook toen Iravati weder tot hem kwam. Wel bleef hij haar kennen, +even als zijn vriend; maar van het voorleden scheen hij zich +overigens niets te herinneren, en een nevel scheen er te zweven +voor zijn geest. Wezenloos zat hij meestal voor zich te staren en +alleen de stem van Iravati kon hem dan voor een oogenblik weer +doen ontwaken uit zijn verdooving. Dat bleef zoo, ook nadat zijn +ligchamelijke krachten zoo goed als volkomen reeds waren hersteld +en hij tot een behoorlijke beweging zich weer geheel in staat +gevoelde. + +Eens echter, toen hij met Iravati in de nabijheid van het klooster +rondwandelde, was het alsof plotseling een door haar gesproken +woord, of ook eenig voorwerp dat hem in 't oog viel,--zij wist +zelve later niet meer wat,--een herinnering bij hem opwekte. +Eensklaps stond hij stil, zag verwonderd om zich heen, en streek +zich met de hand over 't gelaat. Maar het hoofd schuddend wandelde +hij verder. Nogmaals echter stond hij stil, en beschouwde +oplettend nu eens de hooge bergtoppen, dan de helder blauwe lucht, +dan weer de vallei en de bosschen daar omlaag.... Eene doodelijke +bleekheid overtoog zijn gelaat, en met verwilderden blik zag hij +Iravati aan .... Het geheugen was teruggekeerd en in zijn volle +kracht; maar hoe? En ware vergetelheid voor altijd niet misschien +nog gelukkiger geweest?... + +--Van hier!--riep hij ten laatste uit,--van hier! Wat wilt gij +ongelukkige! nog in mijne nabijheid? Hoe moogt gij nog dulden dat +ik u nader, ik de trouwelooze, de schandelijke verrader, beladen +met den zwaarsten vloek die het hoofd van een man ooit treffen +kon!... + +Met nameloozen schrik had Iravati hem aangehoord. Wel begreep zij +niet aanstonds alles, maar toch reeds meer dan genoeg. Zij wilde +spreken, maar de stem begaf haar en in diepe smart zonk zij neder +aan zijne voeten. + +--De vloek,--herhaalde Siddha wild,--de vloek van Feizi: "Leef met +de herinnering aan 't geen gij gedaan hebt, gij die u een edelman +noemt, en al verwerft gij alles wat gij begeert, altijd zult gij +de oogen neerslaan voor ieder eerlijk man dien gij ontmoet!" En +dan zou ik nog wagen ze op te heffen tot u, de reine, schuldelooze, die +ik laaghartig even als dien edelen vriend verried! Ga weg! zeg ik, ver +van hier! Een gestalte verrijst daar tusschen u en mij!... Het is Feizi, +innemend, beminnelijk zooals hij was als vriend,... maar nu weer +dreigend en streng, zooals ik hem zag toen hij als regter mijn vonnis +sprak!... + +En Iravati, het hoofd weer opheffend, zag hem de oogen bedekken +met de hand, als vreesde hij langer haar te aanschouwen. Eindelijk +vond zij tot spreken weer de kracht. + +--Kom mede--zeide zij,--en ga weer met mij naar binnen! Gij +overspant u, en haalt u valsche droombeelden in het hoofd. Dat is +u niet goed. Zoo kom dan! + +--Droombeelden!--sprak Siddha bitter,--mogt dat waar zijn! Maar +neen! Ik ben geheel ontwaakt, ik ben volkomen helder, mijne kracht +is teruggekeerd, maar ook de herinnering, de vreeselijke +herinnering, en levendiger nu dan ooit. Nog gevoelde ik niet den +waren zin van Feizi's woorden; maar thans heb ik ze leeren +begrijpen, nu ik u heb weergezien. Voor den Keizer, ja! tot zelfs +voor den minste mijner soldaten heb ik vol schaamte de oogen +moeten neerslaan, maar nooit zoals nu. En ik zocht ook een +eerlijken dood, en dat stelde mij nog in staat hun blik te +verduren...--Iravati!--ging hij voort,--gij weet niet met wien +gij spreekt, gij kent mijn laatst voorleden niet. + +--Ik ken het,--antwoordde Iravati,--en al weet ik niet bepaald wat +er tusschen u en Feizi is voorgevallen, ik meen het toch +genoegzaam uit uwe woorden te kunnen opmaken. + +--En toch spreekt gij nog met mij?--riep Siddha uit,--en wendt u +niet van mij af, en kwaamt mij zelfs opzoeken om mij te verplegen +of mij te troosten in mijne laatste oogenblikken! + +--Heb ik u, Siddha! dan geen trouw gezworen en was ik niet +gehouden mijn woord gestand te doen zoolang het door uzelf mij +niet werd teruggegeven? En dat is immers niet geschied. Want gij +hebt mij door Koelloeka het teeken gezonden, dat mij ten blijk +moest strekken dat uwe laatste gedachte gewijd was aan mij. Toen +heb ik begrepen dat ik pligten had op mij genomen, pligten van +eene echtgenoote ook al had nog geen huwelijk ons vereenigd. + +--Welnu!--hernam Siddha,--ik ontsla u dan van die pligten en van +uwe vroegere gelofte! 't Is waar, mijne liefde keerde terug, en +met gansch nieuwe nog ongekende kracht, toen eenmaal de +noodlottige verblinding van mij geweken was; maar gij, gij kunt +mij trouw zijn en uw vermeenden pligt vervullen, maar beminnen +kunt gij mij niet meer. + +--Ik bemin u als voorheen!--antwoordde Iravati. + +--Gij zoekt u dat op te dringen uit overdreven eergevoel; maar het +kan niet zijn, en later zoudt gij u berouwen dat niet beter te +hebben ingezien. Er is geen liefde, waar geen achting meer kan +bestaan. En de vrouw moet kunnen opzien tegen den man, en haar +steun zoeken bij hem; maar ongelukkig het verbond als de man de +zwakkere is en zich te schamen heeft tegenover zijn eigene +echtgenoote! Ga dan en vergeet mij; ik ben zelfs uwe herinnering +niet meer waardig. + +--Gij verstoot mij dus? + +--Ik heb geen regt u te verstooten, geen regt eigenlijk ook om u +te ontslaan van uw woord; en zoo ik 't al deed, het was enkel om u +gerust te stellen en u 't gevoel te sparen alsof gij uit eigen +beweging mij verlaten hadt. + +--Luister naar mijne bede, Siddha!--sprak nu Iravati vleijend, +terwijl zij vertrouwelijk hare hand op zijn arm legde;--ik wil +niet met u twisten over al wat gij mij tracht voor te houden, ik +wil ook niets eischen, niets vorderen als mijn regt, maar u +smeeken alleen, gehoor te geven aan mijne vurige, mijne +hartstogtelijke wenschen. Keer u niet van mij af, verlaat mij +niet, juist op dit oogenblik nu ik meende u herwonnen te hebben! +Zie ik vraag u niet eens eene belofte voor de toekomst; ik geef u +de volkomen vrijheid; doch laat mij, al is 't ook maar een korten +tijd, nog in uwe nabijheid! De scheiding ware mij thans +onmogelijk! + +--Neen, en nogmaals neen!--antwoordde Siddha, thans bijkans met +hardheid,--geen weifelingen, geen nieuwe zwakheden meer! Ik beging +er waarlijk al genoeg. Nog eens alzoo: vergeet mij, en laat mij +gaan! + +En Iravati afwerend, die, voor hem nedergebogen, zijn gewaad nog +met de handen omklemde, wilde hij heensnellen en vlugten om de +eenmaal en ook nog heden zoo teeder beminde nimmer weer te zien. + +--Het is wel!--sprak nu Iravati, zich oprigtend met beleedigd +gevoel van eigenwaarde, en krachtiger en vaster klonk hare stem +dan Siddha die nog ooit had gehoord,--het is wel! Gij hebt, geloof +ik, gelijk. Gij maakt u mijne liefde onwaardig. Eenmaal zijt gij +ondanks al uwe geloften mij ontrouw geweest, maar ik had het +vergeven en vergeten, omdat ik begreep dat gij voor eene +verleiding waart gezwicht gelijk ik die niet kende. Doch nu +verwerpt gij mij willens en wetens, en niet omdat ik iets jegens u +misdreef, maar alleen omdat gijzelf te trotsch zijt om voor uwe +eigene vrouw te willen bekennen, dat gij eenmaal zwak en tegen +verleiding niet bestand zijt geweest. Welnu dan, verlaat mij! +Zonder u is mijn leven niets; maar eene afgedwongen liefde mag +geene jonkvrouw van ons geslacht verlangen, ook niet van den man +dien zij bemint. En zoo nu de herinnering aan 't geen gij jegens +een vriend misdreven hebt, u vervolgt, laat er dan nog eene +bijkomen: de herinnering aan de vrouw, dien gij eenmaal hebt +liefgehad, maar die gij hebt opgeofferd om te voldoen aan uw +zelfzuchtige hoovaardij!... + +Siddha weifelde. Zou hij gaan? Kon hij blijven? Wel wenschte hij +dit; maar was het overeen te brengen met zijn gevoel van eer? Toch +bleef hij nog staan, en verwijderde zich niet, gelijk hij zoo +aanstonds nog voornemens was. + +--Wie zal beslissen?--vroeg hij, de hand aan het voorhoofd +slaande;--er is waarheid in 't geen gij zegt, en toch ook weer +strijd met wat ik als regt beschouw...--Doch--vervolgde hij,--zou +een ander, en die wijzer is dan wij beiden, niet misschien nog +weten te rigten tusschen ons? + +--Gij bedoelt Koelloeka? + +--Neen, niet hem, zoo verstandig hij ook zijn mag, en zoo hoog ik +hem ook acht. Ik weet het vooruit, hij zou slechts uw en mijn +geluk trachten te verzekeren, en dat meenen te doen door u +eenvoudig gelijk te geven. Hij is niet onpartijdig, niet vrij meer +in zijn oordeel. Een ander,--maar vraag mij nu niet nader!--zou de +eenige zijn, dien ik in een tweestrijd als dezen kan vertrouwen, +en misschien zal hij mij raad kunnen geven. Luister dan, Iravati! +naar thans meer bedaarde, verstandige taal! Laat mij van hier +vertrekken en zoo spoedig mogelijk. Misschien keer ik weldra +weder, misschien ook nooit. Kom ik terug, dan is mijn verder leven +voor immer u gewijd; zoo niet, weet dan dat ik heb opgehouden voor +u te bestaan, en dat gij vrij zijt en van alle vroegere banden +ontslagen. En nu, geen tegenwerpingen meer! Heb geduld met mij, +gelijk gij tot dusver het steeds hebt betoond!... + +En eer Iravati bij dit nieuw en onverwacht besluit gelegenheid had +gevonden tot een antwoord, was hij verdwenen, en zocht hij reeds +naar zijn dienaar om zijn paard te zadelen en zich gereed te maken +tot een togt, waarvan het doel haar onbekend moest blijven. In +allerijl begaf zij zich naar Koelloeka en deelde hem in der haast +mede wat tot verklaring kon strekken van Siddha's zonderling +besluit. Wat hem gemeld werd, was den goeroe genoeg om hem te doen +inzien, dat het beter ware Siddha zijn gang te laten, dan hem in +dit oogenblik tegen te werken, ook al stelden zijne pas herwonnen +krachten hem nog nauwelijks tot het verduren van vermoeijenissen +in staat; en zoo goed mogelijk zocht hij de bedrukte Iravati te +troosten met de hoop, dat zij haar verloofde binnen een niet al te +lang tijdsverloop zou terug mogen zien. Inmiddels was Siddha zelf, +na een hartelijk afscheid van den Boeddha-priester, wien hij +tevens een rijk geschenk voor het klooster ter hand stelde, met +Vatsa reeds spoedig op weg.... + +Wederom gleden de late zonnestralen langs de hellingen van den +Himalaya, en wederom daalde Siddha, maar nu enkel door zijn +dienaar vergezeld, naar de vallei, waar de woning van Gaurapada +lag. Daar werd hij door den ouden dienaar ontvangen, die hem +spoedig herkende en aanstonds zijn meester de komst van den gast +ging melden. + +Met blijdschap ontving de kluizenaar zijn jongen vriend, maar met +bekommering tevens zag hij hem aan, toen hij de verandering +opmerkte die zijn voorkomen had ondergaan. Het vroeger zoo open en +vrolijk gelaat, thans verbleekt, had eene strakke, sombere +uitdrukking aangenomen en ook de gansche houding scheen niet +veerkrachtig meer als voorheen. In betrekkelijk korten tijd was de +jongeling een man geworden; echter niet een man van geestkracht en +met levensmoed bezield, maar een die gebogen ging onder leed, en +wel--de scherpe blik van Gaurapada doorzag het dra,--onder dat +leed, dat welligt het zwaarst te dragen is, de smart die haar +oorsprong heeft in grievend zelfverwijt. + +--Eerwaarde!--begon Siddha, na de eerste begroeting,--of laat mij +liever zeggen, mijn genadige Vorst!... + +--Neen,--viel de kluizenaar hem in de rede,--blijf mij Gaurapada +noemen! Ik ben niets anders meer. + +--Welnu dan,--hernam Siddha,--ik gehoorzaam. En met vreugde zie ik +dat ge u mijner nog herinnert. Maar tevens zullen dan ook de +woorden u nog wel heugen, die gij bij mijn kort bezoek in uwe +gastvrije woning, ten afscheid tot mij gesproken hebt. + +--Ik liet u beloven--antwoordde Gaurapada,--mij nogmaals op te +zoeken als er ooit een tijd in uw leven kwam, waarin gij den raad +van een goed en opregt vriend mogt behoeven en dien bij een ander +niet te vinden wist. Ik begrijp, dat een dergelijke reden u thans +hier brengt. En mag ik oordeelen naar uw uiterlijk, dan moet, +dunkt mij, die reden ook eene zijn van droevigen aard. + +--Dat is zij,--sprak Siddha,--en als ik u alles heb meegedeeld, +zult gij u misschien verwonderen, dat mijn voorkomen nog niet +duidelijker te kennen geeft wat er in mij omgaat. + +--Kom inmiddels aan de andere zijde van het huis,--zei Gaurapada;-- +wij willen ons daar neerzetten en er rustig zamen spreken. + +Gaarne voldeed Siddha aan de uitnoodiging, en nadat hij op +dringend verlangen van den kluizenaar eerst nog een versterkenden +wijn en eenige ververschingen had gebruikt, begon hij 't verhaal +van zijn wedervaren tot op het oogenblik dat hij Iravati in het +klooster verlaten had. + +Opmerkzaam en met groote belangstelling hoorde Gaurapada hem aan, +en toen het verhaal ten einde was, zweeg hij nog geruimen tijd en +bleef in gedachten voor zich staren. Eindelijk nam hij weer het +woord en Siddha aanziend met zijn helder en vriendelijk oog, zeide +hij: + +--Inderdaad! gij hebt u een zwaren last op de schouders gelegd. +Maar toch niet een, die voor een man niet te dragen zou zijn. Dat +gij door Goelbadan u liet verleiden acht ik zeer zeker niet te +verdedigen, maar toch wel verschoonbaar; dat gij echter uwe +betrekking met haar niet wist af te breken, toen gij ontdekt had +wie zij was, noem ik een niet ligt te vergeven schending van de +vriendschap die u aan Feizi verbond. Zoo was ook uw aanvankelijke +ontrouw jegens den Keizer grootendeels het gevolg eener dwaling; +maar tegen hem zaam te spannen en tevens in zijn dienst te +blijven, was misdadig. Ik beoordeel uw gedrag dus geenszins +zachter dan gijzelf. Integendeel, mijn oordeel moet zelfs iets +harder zijn. Want gij meent dat de reeks uwer feilen gesloten was, +toen gij den Keizer uw misdrijf hadt bekend. Maar gij bedriegt u. +Gij hebt er nog eene begaan, die niet minder noodlottig kon zijn +dan de overige, hoewel eene dwaling ook waartoe zeer velen in uwe +omstandigheden plegen te vervallen. De groote meerderheid der +menschen verbeeldt zich even als gij, dat berouw eene deugd is, en +dat boete en zelfkastijding het eenige is waardoor de misdadiger +zijne schuld kan uitwisschen. Maar er zijn weinig dwalingen zoo +verderfelijk menigmaal in de gevolgen als juist deze, wanneer de +boete nu juist daarin bestaat, dat men zich onttrekt aan den +werkkring waarin men nog nuttig werkzaam kan zijn, en ook anderen +in zichzelven straft. En dat was het, wat gij voornemens waart te +doen. Eerst zoekt gij den dood op het slagveld; en dat was ook +zeker 't eenvoudigste, als gij uzelf het leven niet wildet +benemen; mij blijkt echter niet wat uw dood op zichzelf aan +anderen gebaat zou hebben, en hoe gij uw vergrijpen er dus weer +goed mee kondt maken. En nu gij een eervollen dood niet hebt +kunnen vinden, en daartoe misschien ook voor 't oogenblik geen +gelegenheid bestaat, nu verklaart gij mij uw voornemen om eenzaam +te gaan leven in de wildernis en uwe dagen te slijten in +zelfkastijding en boete. Maar waartoe? Tot wat kan in uw geval die +afzondering dienen, of voor uzelf of voor een ander? En dan +Iravati, uwe bruid! Haar verstoot of verlaat gij, hoe ge 't noemen +wilt, niet omdat zij ontrouw werd jegens u, maar omdat gijzelf u +te schamen hebt gehad tegenover haar. Gij straft dus niet uzelf, +maar juist haar in de eerste plaats. Noemt gij zoo iets pligt of +deugd? Neen, mijn vriend! het zou slecht zijn, omdat het niet +enkel 't gevolg van een dwaling maar van een grove ondeugd zou +zijn.... Gij ziet mij verwonderd aan, maar gij zult mij gelijk +geven als ik u die ondeugd noem. Zij is hoogmoed, verregaande +trots, en sterk doet ze zich gelden bij u, terwijl ge u hebt +wijsgemaakt dat gij uzelven vernedert. Iravati heeft gelijk. Gij +waart te hooghartig om u te verbinden aan eene vrouw, die uwe +zwakheden kende of ze eenmaal zou kunnen ontdekken, terwijl zij +zichzelve niets te verwijten had. En evenzoo is het in waarheid +niet dan hoogmoed, wat u zou nopen de wereld te ontvlugten. Gij +zijt bevreesd soms iemand te ontmoeten, die 't een of ander van +uwe vroegere handelingen vernomen had; en zelfs durft gij een +ander man niet meer onder de oogen zien, ook al is hem niets van u +bekend, enkel omdat gij u bewust zijt eenmaal verkeerd en slecht +gehandeld te hebben. Heet dat, vraag ik, deugd of moed, of is 't +alles niet weder laakbare zwakheid? + +--Maar de laatste woorden van Feizi!--sprak Siddha, toen de +kluizenaar op een antwoord bleef wachten. + +--Ik had de tegenwerping voorzien,--hervatte Gaurapada,--en ik +wil haar volstrekt niet zekere beteekenis ontzeggen. Maar wachten +wij ons voor overdrijving! Dat Feizi handelde en sprak zooals hij +deed, noem ik zeer verklaarbaar; ikzelf zou in gelijke omstandigheden +misschien evenzoo hebben gedaan. En toch had hij in zekere mate weer +ongelijk; en zoo hij thans in mijne plaats was en dus onpartijdig +oordeelen kon, hij zou, ik twijfel niet, u hetzelfde zeggen. Een man +behoeft nog volstrekt niet zijn gansche leven lang zich te blijven +vernederen tegenover anderen, omdat hij eenmaal een afkeurenswaardige +daad bedreef, indien hij door latere handelingen de achting zijner +medeburgers zich waardig heeft weten te maken. Wel daarentegen zou hij +tegenover hen zich te schamen hebben, wanneer hij, na eens zijn plicht +door handelen te hebben verzaakt, door niet-handelen voortging dat te +doen.... En nu, luister naar den raad dien gij mij vraagt en dien ik u +volgaarne geef. Gij zijt voorlang tot het vol besef van het onwaardige +uwer vroegere gedragingen gekomen en hebt uzelven daarover aangeklaagd +bij den Keizer, bij Iravati en bij mij. Dat was goed, zeer goed! Maar +dat besef, dat helder inzigt in 't verkeerde uwer daden moet niet de +laatste wezenlijke stap zijn, maar juist de eerste op een beteren weg. +Het zal u kunnen behoeden voor latere dwalingen; niet alleen voor +soortgelijke als waartoe ge u liet verleiden, maar ook voor andere. Gij +zult beter leeren waken over uzelf, uwe indrukken, uwe hartstogten en +driften, meer beducht zijn voor daden, waarover gij later tegenover +anderen en uzelf u beschaamd moet gevoelen; en in 't eind kan op die +wijze een gemoedstoestand voor u geboren worden, waarin 't u nagenoeg +niet meer mogelijk ware te handelen tegen 't geen plicht en eer +gebieden. Maar niet, wanneer gij aan het werkelijke leven u onttrekt en +de verzoeking tracht te ontgaan enkel door ze te ontvlugten. Weersta de +verleiding, en begin nu in de eerste plaats met de overwinning van +uw misplaatsten trots! Daarom, neem Iravati tot vrouw en maak u +harer waardig; ga tot den Keizer en vraag hem een werkzaamheid +waarin gij hem en uw land van dienst kunt zijn. Ik twijfel geen +oogenblik, of hij zal ze u gaarne verleenen na uw op nieuw betoonde +trouw. Ik begrijp dat gij Feizi liefst zult willen ontwijken, en dat is +ook goed; gij behoort hem een nadere ontmoeting te sparen; maar +Hindostan is waarlijk groot genoeg om twee menschen van elkaar +gescheiden te houden, en in Kacmir of elders kunt gij even goed als te +Agra zelf nog werkzaam zijn. Denk nu over dat een en ander eens na en +meld mij, als gij 't overwogen zult hebben, uw besluit!--Neen, antwoord +mij thans niet terstond,--sprak Gaurapada met afwerend gebaar, toen hij +Siddha gereed zag het woord op te vatten;--neem thans de rust, die, ik +zie het, u volstrekt noodig is; en als gij dan morgen behoorlijk alles +hebt overwogen, zeg mij dan of er nog bezwaren bij u bestaan tegen 't +geen ik gemeend heb u te moeten aanraden! + +En met een vriendelijken groet verwijderde zich de kluizenaar en +liet Siddha over aan zijne eigene overpeinzingen. + +Den anderen dag stond nogmaals Siddha gereed om afscheid te nemen, +en nu voor 't laatst misschien, van Gaurapada. Lang nog bleven de +beide mannen in gesprek en toen eindelijk de reiziger weer te +paard zou stijgen, drukte hij met warmte zijn waardigen gastheer +de hand, en sprak met bewogen stem, maar weer verhelderd gelaat:-- +Ik dank u, Gaurapada! voor de wijze en mannelijke taal, die gij +tot mij hebt gesproken. Een nieuw leven ben ik u verschuldigd, en +ik wil hopen mij daarin anders te gedragen dan in dat vorige, dat +ik niet wil vergeten maar voor altijd achter mij laat. Gij hebt +mij geleerd wat regt berouw en wezenlijke boete is; moge ik nimmer +toonen dat ik u verkeerd begreep, of u aanleiding geven tot de +ervaring dat gij uw goeden raad aan een onwaardige hebt +verspild!... + + + +ZEVENTIENDE HOOFDSTUK. + +Bij het praalgraf + +In de nabijheid van het dorp Sekandra, niet ver van Agra, verheft +zich een dier prachtige gebouwen, die, de roem van Hindostan en +door de smaakvolle weelde hunner bouworde de bewondering wekkend +van alle reizigers, de laatste overblijfselen mogen heeten van de +voorlang verdwenen grootheid der Mogols. Een met torens bezette +ringmuur geeft door een breede poort van rooden met marmer +ingelegden steen den toegang tot een uitgebreid, met lommerrijke +boomen beplant park, in welks midden zich een gebouw van +aanzienlijke hoogte en kolossalen omvang bevindt. En dat gebouw +zelf, niet minder uitmuntend door de strenge schoonheid zijner +lijnen dan door het weelderige en bevallige der tallooze op de +muren, poorten en minaretten aangebragte versieringen, is wederom +door een aantal hoogere en lagere open koepels en galerijen +omringd, zoodat het geheel eer nog eene verzameling van paleizen +en lusthoven schijnt dan een op zichzelf staand monument. Die +grootsche stichting evenwel is niet het verblijf van levenden, +maar werd bestemd om het gebeente te dekken van een roemruchtigen +doode, van Akbar. + +Eenige jaren na de tot hiertoe vermelde gebeurtenissen stond daar +in het park eens op een avond een zwijgend paar. Een krachtvol man +in rijk en smaakvol gewaad, met de linkerhand op het gevest van +zijn sabel en met den regterarm om de leest eener beeldschoone, +bevallig gekleede vrouw, die, als de ligte slingerplant aan den +sterken eik, aan den schouder van haar echtgenoot leunde: Siddha +Rama met zijne thans overgelukkige Iravati.... Bewonderend zagen +beiden op naar het heerlijk mausoleum en dachten aan den man, van +wien zij zoo menigmaal te zamen en nooit anders dan met den +hoogsten eerbied gesproken hadden. + +Veel was er gedurende die inmiddels verloopen jaren anders +geworden. + +Akbar dan was niet meer. Selim, zijn zoon, na op verlangen van +zijn vader bij diens sterfbed het zwaard te hebben aangegord dat +hij, de Keizer, steeds had gedragen, was hem opgevolgd en regeerde +nu onder den titel van Djihangir in Hindostan. Dat hij met Akbar +niet te vergelijken viel, lag wel in den aard der zaak, en niemand +dan ook die verwachtte dat hij hem ooit zou evenaren; maar slecht +kon zijne regering toch niet worden genoemd, en aan zijne +opvolgers, aan Shah Djihan en Aurengzeb, was het voorbehouden, +onder allen uitwendigen glans de zaden te strooijen van het +bederf, dat het eenmaal zoo magtige rijk weer uiteen zou doen +vallen, om als eene ligte prooi het ten laatste in handen te +spelen van Britsche veroveraars. Zijne slechte gewoonten had Selim +overigens nog wel niet gansch afgelegd; en Sir Thomas Roe, die als +Engelsch gezant zijn hof bezocht, vond gelegenheid om hem in een +dergelijken toestand te zien, als waarin Siddha hem op het +nachtfeest in zijn paleis had aanschouwd; maar toch had hij +geleerd zijne uitspattingen te beperken, en in elk geval was hij +geenszins de onverbeterlijke dronkaard geworden, die hij eenmaal +bestemd scheen in 't vervolg van zijn leven te zijn. Jegens +Iravati had hij volkomen zijn woord gestand gedaan, en gelukkig +ook vond hij troost over de ondervonden teleurstelling in zijn +huwelijk met de schoone en verstandige Noermahal, die een +veelbeteekenenden en in vele opzigten heilzamen invloed op hem +verkreeg. + +Dat Kacmir in 't eind moest onderworpen worden, was reeds lang te +voorzien geweest; en na de verijdeling van Selim's zamenzwering +kostte het Akbar weinig moeite meer om door te dringen in het +ontredderd land en het te onderwerpen aan zijne heerschappij. De +zwakke Koning was gesneuveld; zijne onwaardige zonen werden +verbannen; Siddha's vader werd door den Keizer tot Onderkoning +benoemd, en hijzelf erlangde, met het vooruitzigt zijn vader op te +volgen, de eerste betrekking na dezen in het land, terwijl +Koelloeka hem, trouw als steeds, met raad en daad ter zijde bleef +staan. Niet lang ook of het volk, dat zich eerst niet dan noode +had gewonnen gegeven, begon de zegeningen te waardeeren van het +nieuw en thans eindelijk door wijze instellingen en bekwame +beambten rust en welvaart verzekerend bestuur. + +De kluizenaar van den Bhadrinath beleefde niet meer de volkomen +onderwerping van zijn vaderland. Eens, toen Koelloeka hem een +bezoek was gaan brengen om hem op de tijding daarvan voor te +bereiden, vond hij den ouden dienaar alleen. Zijn meester was op +eenmaal ongesteld geworden en weinige dagen later was hij +gestorven, rustig en kalm zooals hij in zijne laatste jaren had +geleefd. De dienaar begroef het lijk op eene hoogte, die naar de +zijde van Kacmir ziet. Daar legde Hara, de tijger, zich neder, en +begon, als de dienaar hem zocht te verwijderen en naar huis te +lokken, op onheilspellende wijze te grommen. Aan het voedsel en +het water dat hem op die plek gebragt werd, raakte hij niet; en na +enkele dagen lag hij dood op het graf van zijn meester en vriend. +De dienaar begroef hem nevens dezen. + +Van Parviz, jegens wien Feizi blijkbaar van het gebeurde met +Goelbadan gezwegen had, ontving Siddha van tijd tot tijd vrolijker +berigten. Hij was gelukkig door het bezit van de dochter des +schatmeeesters; en, in een hooge staatsbetrekking geplaatst, hield +hij zich vooral ook bezig met het ordenen van de letterkundige en +diplomatische nalatenschap van Aboel Fazl, zijn steeds nog door +velen diepbetreurden oom. + +Abdal Kadir bleef zich terugtrekken uit het openbare leven en werd hoe +langer hoe regtzinniger, en steeds hartstogtelijker ijveraar voor het +ware geloof. Hij zocht troost voor zijne vele teleurstellingen en +ergernissen in het schrijven van zijn Moentak-hab-oet-Tawarikh, waarin +hij zich bitter bleef beklagen over Akbar en dapper voortging op Aboel +Fazl en Feizi te schelden, die hem nooit kwaad hadden gedaan. + +De Padre Aquaviva keerde niet te Agra terug; anderen kwamen er +later zijn werk weder opvatten. Met weinig gelukkiger uitslag +evenwel; en ook nu nog, bijkans drie eeuwen later, blijft de +bekeering van Hindostan tot de vrome wenschen van Westersche +dweepers behooren. + +Of de trouwe Vatsa met de praatlustige maar goedhartige Nipoenika +huwde, meldt de geschiedenis niet. De waarschijnlijkheid echter +bestaat, dat de dienaar en de dienares wel het voorbeeld van +meester en gebiedster zullen gevolgd hebben. + +Aan het geluk van deze beiden ontbrak thans weinig of niets meer. +Wel kwam er bij wijlen nog eene sombere herinnering opdoemen in +Siddha's geest, maar hij had zich langzamerhand gewend, zich +daardoor niet geheel te laten neerslaan, en vooral ook zijn leed +voor Iravati te verbergen, sinds hij bemerkt had hoezeer 't haar +bedroefde als zij de donkere uitdrukking op zijn gelaat ontwaarde, +wier oorzaak zij maar al te wel begreep. Wat en hoe hij misdreef, +had hij eens voor al omstandig haar bekend, maar als hij toch soms +nog zinspeelde op het gebeurde, sloot zij vriendelijk lagchend hem +den mond en wilde er niets meer van hooren. En eenigen tijd na hun +huwelijk had zij hem een zoon geschonken, dien hij weldra haast +niet minder dan haarzelve beminde. Toch leerde hij nu eerst +volkomen haar waardeeren, en begrijpen welk een schat hij gewonnen +had en bijkans zou hebben versmaad, toen hem Iravati haar +wedervaren met Selim verhaalde, en vreemd opzag toen hij in +levendige bewoordingen haar zijne bewondering uitdrukte over hare +handelwijze; zij toch had, meende ze, niet anders gehandeld dan in +gelijk geval iedere vrouw van haar geslacht zou hebben gedaan. + +Lang bleef Siddha daar nevens haar bij Akbar's graf in gedachten +verzonken, toen zijn aandacht op eens door een voetstap getrokken +werd, die in de nabijheid zich deed hooren op den met zware +steenen bevloerden grond. Ontzet deed hij een stap achterwaarts, +toen hij den naderende herkende. En zijn uitroep moest Iravati wel +terstond doen begrijpen tot welke noodlottige ontmoeting het hier +gekomen was.... + +--Feizi!...--klonk het uit zijn mond.... + +Onmiddelijk stond de ander stil, nadat hij eerst zonder op de +beide bezoekers te letten al mijmerend was blijven voortgaan. En +ook hij ging een schrede achteruit, toen hij den man gewaar werd +die hem eenmaal zoo diep beleedigd had .... Maar hij scheen zich +te bezinnen en trad langzaam weer voorwaarts, en toen hij Siddha +een beweging zag maken om zich haastig te verwijderen, zeide hij: + +--Blijf en hoor mij aan! Hier, bij het graf van den vorst, die +altijd liever vergaf dan strafte en zijn vijanden niet wist te +haten, voegt ons geen toorn en geen wrok. Ook ik heb menigmaal +reeds getracht zijn edel voorbeeld te volgen, en althans in mijn +hart u de beleediging te vergeven, die ge mij hebt aangedaan. Maar +ik kon niet, ik miste nog de kracht. Thans, op deze geheiligde +plek, waar het toeval ons voor 't eerst weer zamenbrengt, heb ik +eindelijk die kracht gevonden, en wil ik doen wat Akbar in mijne +plaats zou gedaan hebben. Ik vergeef u, Siddha! + +Diep ontroerd en met gebogen hoofd stond Siddha daar voor zijn +edelmoedigen vijand; en met bewondering zag Iravati naar den man, +die zulk een strijd tegen zichzelve volstreden had. + +--Zie op!--sprak Feizi weder,--en ontvlugt den blik van uw +vroegeren vriend niet meer! De woorden, die ik eenmaal in toorn +tot u rigtte, waren zeker niet onverdiend, maar voor een man van +uw karakter toch inderdaad een vreeselijke, misschien ook al te +harde straf; en ik weet, door Koelloeka, welk een indruk ze op u +hebben nagelaten en tot welke verkeerde handelwijze ze u bijkans +hadden vervoerd. En ik vernam ook van ons beider vriend, dat +gijzelf de verleider niet zijt geweest en in den beginne ook niet +geweten hadt wie de verleidster was. Haar invloed en geduchte magt +heb ikzelf trouwens wel gekend. Te vreezen is zij thans voor +niemand meer. In hare gevangenschap heeft zij zelve een eind aan +haar schuldig leven gemaakt. Doch genoeg reeds van het voorleden, +vooral in tegenwoordigheid van haar, die ik begrijp als uwe edele +echtgenoote te mogen begroeten. Laat het dan vergeten zijn +tusschen ons! Uwe verdere handelingen, waarvan ik later veel +vernam, hebben u op nieuw de achting en vriendschap waardig +gemaakt van een man van eer. Ziedaar mijn hand als voorheen! + +Het was Iravati die ze greep, terwijl Siddha nog nauw van zijne +ontroering scheen bekomen. + +--Heer!--sprak zij,--ik zeg u dank, innigen dank voor uwe +grootmoedigheid! Wat gij gezegd hebt verjaagt de donkere wolk, die +nog altijd ons huwelijksgeluk kwam verstoren, en het looden wigt +is dan eindelijk opgeheven, waaronder mijn Siddha zoolang heeft +gebukt gegaan! + +--Ik zoek naar woorden,--sprak nu ten laatste Siddha zelf, terwijl +hij thans ook de hand van Feizi aannam,--naar woorden om uit te +drukken wat ik in dit oogenblik gevoel; maar ik weet ze nog niet +te vinden. Toen ik eenmaal mij getroost, althans mij gesterkt +achtte door de verstandige taal van een wijs man, geloofde ik tot +een nieuw leven herboren te zijn; maar thans gevoel ik het, ik ben +dat eerst nu! Uwe vriendschap, Feizi! had voor mij steeds de +hoogste waarde; maar te grievender dan ook mijn zelfverwijt en te +zwaarder mijne straf, toen ik door eigen schuld op de schandelijkste +wijze ze had verbeurd. En die vriendschap, die ge mij edelmoedig +teruggeeft, acht ik ook het hoogste geschenk dat tegenwoordig mij nog +geworden kon. + +--Toch zal--hernam Feizi,--onze tegenwoordige toevallige +zamenkomst slechts kort van duur en deze onze ontmoeting +waarschijnlijk wel de laatste zijn. Dat ik aan de staatsdienst mij +heb onttrokken, is u zeker wel bekend; Selim, of zooals hij nu met +een trotschen titel zich gelieft te noemen, Djihangir, zag mij zoo +min als mijn broeder ooit met een goed oog aan; en bovendien viel +'t mij zwaar hem te gaan dienen, om redenen, die ik nu niet verder +behoef aan te duiden. Ik trok mij dus terug en leefde stil te +Agra. Nu heeft Shah Abbas, de Koning van Perzie, mij uitgenoodigd +om in zijne hoofdstad te komen en mij daar met wetenschappelijke +werkzaamheden bezig te houden. Aan die uitnoodiging wil ik gehoor +geven. Morgen vertrek ik naar Ispahan, en, zoo 't mij daar +behaagt, denk ik er ook te blijven. Maar ik mogt niet van hier +gaan zonder een afscheidsbezoek aan de laatste woning van mijn +vorstelijken vriend. Daarom treft gij mij heden op deze plaats. +Die vriend was mij alles, Siddha! en meer zelfs dan mijn leven en +huwelijksgeluk; en indien gij tegen hem u waart blijven +bezondigen, neen! ik geloof niet dat ik 't ooit u vergeven had. +Maar gij hebt getoond hem te eeren en te hoogachten als ik, ook al +waart gij nooit in de gelegenheid hem zoo te waardeeren en zoo +lief te hebben als de weinigen, die hem volkomen en in zijne +buitengewone grootheid en ook in zijne kleine maar doorgaans nog +altijd beminnenswaardige zwakheden hebben gekend. + +--Ik heb--merkte Siddha aan,--inderdaad hem zoo nooit leeren +kennen, maar toch genoeg van hem kunnen ontdekken om hem niet +anders dan met de grootste bewondering en den hoogsten eerbied te +herdenken. Ook een ander vorst heb ik gekend, maar die opgehouden +had het te zijn; en grooten dank ben ik hem verschuldigd, en +dierbaar is mij zijne nagedachtenis; maar nadat ik mij vroeger de +vraag had gesteld, wie van die beiden wel de grootste was, kwam ik +in later dagen tot de overtuiging, dat de stille en rustige +wijsgeer, die van alle wereldsche genietingen afstand had gedaan, +toch nog overtroffen werd door den wijsgeer op den troon, die te +midden van het woeligst staatsleven diezelfde gelijkmatigheid van +karakter en die regtvaardigheid van zin had weten te bewaren, die +de ander in zijne afzondering zich had eigen gemaakt. Inderdaad, +zoo een, dan heeft wel Akbar zijn naam verdiend! + +--Dat zullen wel alle komende geslachten u nazeggen,--sprak +Feizi,--in 't Oosten en in 't Westen. Die titel van "de Groote" +pleegt door vleijers en begunstigden aan menig vorst te worden +toegekend; maar dikwijls met weinig regt. Niet hier aldus. Indien +groot te zijn waarlijk beteekent, zichzelf met geen minder kracht +dan anderen te beheerschen en een leven van moeiten en zorgen toe +te wijden aan het geluk zijner medemenschen, dan was de man wiens +gebeente ginds rust in waarheid wel een groot man. Er zijn vorsten +geweest, en er zullen er misschien ook nog komen, wier naam in de +wereldgeschiedenis meer bekendheid erlangt dan de zijne; er waren +er, en er zullen ook mogelijk nog zijn, wien nog hooger roem ten +deel valt dan hem; maar zeer zelden toch zal er een magthebber in +de geschiedenis zijn aan te wijzen, die te midden van al zijne +grootheid zoo volkomen als Akbar zich mensch bleef betoonen in de +schoonste en edelste beteekenis van het woord ...--En nu:--besloot +Feizi, terwijl hij beiden, Siddha en Iravati, de hand drukte,-- +vaartwel! En denkt ook nog eens aan mij, als ik ver van hier zal +zijn. Gij kunt het nu voortaan zonder bitterheid. Ook mijzelven +ontneemt die overtuiging een last, die lang mij zwaar gewogen +heeft! ... + +Nog bleef Siddha geruimen tijd nadat Feizi zich langzaam door de +breede laan had verwijderd, met zijne Iravati in het park +vertoeven. Eindelijk verliet hij met haar ook de plaats, waar hij +een laatste, stilzwijgende hulde was komen brengen aan de +nagedachtenis van den grooten Keizer. + +--Zoo gaan zij dan allen,--sprak hij mijmerend onder 't huiswaarts +keeren,--allen die wij leerden kennen en hoogachten! Ook hem zien +wij waarschijnlijk nooit terug, die zooeven ons verliet. Toch +sterven zulke mannen als Akbar en Aboel Fazl en Feizi niet als de +dood een eind aan hun leven maakt! Zij blijven voortbestaan in de +herinnering, die ze ons nalaten en in hunne werken. Hunne gedachte +bezielt anderen die na hen komen, en wederom anderen die er komen +na dezen. Of dat niet de onsterfelijkheid zou zijn?... + + + + +*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK, AKBAR *** + +This file should be named 7akba10.txt or 7akba10.zip +Corrected EDITIONS of our eBooks get a new NUMBER, 7akba11.txt +VERSIONS based on separate sources get new LETTER, 7akba10a.txt + +Project Gutenberg eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as Public Domain in the US +unless a copyright notice is included. Thus, we usually do not +keep eBooks in compliance with any particular paper edition. + +We are now trying to release all our eBooks one year in advance +of the official release dates, leaving time for better editing. +Please be encouraged to tell us about any error or corrections, +even years after the official publication date. + +Please note neither this listing nor its contents are final til +midnight of the last day of the month of any such announcement. +The official release date of all Project Gutenberg eBooks is at +Midnight, Central Time, of the last day of the stated month. A +preliminary version may often be posted for suggestion, comment +and editing by those who wish to do so. + +Most people start at our Web sites at: +http://gutenberg.net or +http://promo.net/pg + +These Web sites include award-winning information about Project +Gutenberg, including how to donate, how to help produce our new +eBooks, and how to subscribe to our email newsletter (free!). + + +Those of you who want to download any eBook before announcement +can get to them as follows, and just download by date. This is +also a good way to get them instantly upon announcement, as the +indexes our cataloguers produce obviously take a while after an +announcement goes out in the Project Gutenberg Newsletter. + +http://www.ibiblio.org/gutenberg/etext04 or +ftp://ftp.ibiblio.org/pub/docs/books/gutenberg/etext04 + +Or /etext03, 02, 01, 00, 99, 98, 97, 96, 95, 94, 93, 92, 92, 91 or 90 + +Just search by the first five letters of the filename you want, +as it appears in our Newsletters. + + +Information about Project Gutenberg (one page) + +We produce about two million dollars for each hour we work. The +time it takes us, a rather conservative estimate, is fifty hours +to get any eBook selected, entered, proofread, edited, copyright +searched and analyzed, the copyright letters written, etc. Our +projected audience is one hundred million readers. If the value +per text is nominally estimated at one dollar then we produce $2 +million dollars per hour in 2002 as we release over 100 new text +files per month: 1240 more eBooks in 2001 for a total of 4000+ +We are already on our way to trying for 2000 more eBooks in 2002 +If they reach just 1-2% of the world's population then the total +will reach over half a trillion eBooks given away by year's end. + +The Goal of Project Gutenberg is to Give Away 1 Trillion eBooks! +This is ten thousand titles each to one hundred million readers, +which is only about 4% of the present number of computer users. + +Here is the briefest record of our progress (* means estimated): + +eBooks Year Month + + 1 1971 July + 10 1991 January + 100 1994 January + 1000 1997 August + 1500 1998 October + 2000 1999 December + 2500 2000 December + 3000 2001 November + 4000 2001 October/November + 6000 2002 December* + 9000 2003 November* +10000 2004 January* + + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation has been created +to secure a future for Project Gutenberg into the next millennium. + +We need your donations more than ever! + +As of February, 2002, contributions are being solicited from people +and organizations in: Alabama, Alaska, Arkansas, Connecticut, +Delaware, District of Columbia, Florida, Georgia, Hawaii, Illinois, +Indiana, Iowa, Kansas, Kentucky, Louisiana, Maine, Massachusetts, +Michigan, Mississippi, Missouri, Montana, Nebraska, Nevada, New +Hampshire, New Jersey, New Mexico, New York, North Carolina, Ohio, +Oklahoma, Oregon, Pennsylvania, Rhode Island, South Carolina, South +Dakota, Tennessee, Texas, Utah, Vermont, Virginia, Washington, West +Virginia, Wisconsin, and Wyoming. + +We have filed in all 50 states now, but these are the only ones +that have responded. + +As the requirements for other states are met, additions to this list +will be made and fund raising will begin in the additional states. +Please feel free to ask to check the status of your state. + +In answer to various questions we have received on this: + +We are constantly working on finishing the paperwork to legally +request donations in all 50 states. If your state is not listed and +you would like to know if we have added it since the list you have, +just ask. + +While we cannot solicit donations from people in states where we are +not yet registered, we know of no prohibition against accepting +donations from donors in these states who approach us with an offer to +donate. + +International donations are accepted, but we don't know ANYTHING about +how to make them tax-deductible, or even if they CAN be made +deductible, and don't have the staff to handle it even if there are +ways. + +Donations by check or money order may be sent to: + +Project Gutenberg Literary Archive Foundation +PMB 113 +1739 University Ave. +Oxford, MS 38655-4109 + +Contact us if you want to arrange for a wire transfer or payment +method other than by check or money order. + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation has been approved by +the US Internal Revenue Service as a 501(c)(3) organization with EIN +[Employee Identification Number] 64-622154. Donations are +tax-deductible to the maximum extent permitted by law. As fund-raising +requirements for other states are met, additions to this list will be +made and fund-raising will begin in the additional states. + +We need your donations more than ever! + +You can get up to date donation information online at: + +http://www.gutenberg.net/donation.html + + +*** + +If you can't reach Project Gutenberg, +you can always email directly to: + +Michael S. Hart <hart@pobox.com> + +Prof. Hart will answer or forward your message. + +We would prefer to send you information by email. + + +**The Legal Small Print** + + +(Three Pages) + +***START**THE SMALL PRINT!**FOR PUBLIC DOMAIN EBOOKS**START*** +Why is this "Small Print!" statement here? You know: lawyers. +They tell us you might sue us if there is something wrong with +your copy of this eBook, even if you got it for free from +someone other than us, and even if what's wrong is not our +fault. So, among other things, this "Small Print!" statement +disclaims most of our liability to you. It also tells you how +you may distribute copies of this eBook if you want to. + +*BEFORE!* YOU USE OR READ THIS EBOOK +By using or reading any part of this PROJECT GUTENBERG-tm +eBook, you indicate that you understand, agree to and accept +this "Small Print!" statement. If you do not, you can receive +a refund of the money (if any) you paid for this eBook by +sending a request within 30 days of receiving it to the person +you got it from. If you received this eBook on a physical +medium (such as a disk), you must return it with your request. + +ABOUT PROJECT GUTENBERG-TM EBOOKS +This PROJECT GUTENBERG-tm eBook, like most PROJECT GUTENBERG-tm eBooks, +is a "public domain" work distributed by Professor Michael S. Hart +through the Project Gutenberg Association (the "Project"). +Among other things, this means that no one owns a United States copyright +on or for this work, so the Project (and you!) can copy and +distribute it in the United States without permission and +without paying copyright royalties. Special rules, set forth +below, apply if you wish to copy and distribute this eBook +under the "PROJECT GUTENBERG" trademark. + +Please do not use the "PROJECT GUTENBERG" trademark to market +any commercial products without permission. + +To create these eBooks, the Project expends considerable +efforts to identify, transcribe and proofread public domain +works. Despite these efforts, the Project's eBooks and any +medium they may be on may contain "Defects". Among other +things, Defects may take the form of incomplete, inaccurate or +corrupt data, transcription errors, a copyright or other +intellectual property infringement, a defective or damaged +disk or other eBook medium, a computer virus, or computer +codes that damage or cannot be read by your equipment. + +LIMITED WARRANTY; DISCLAIMER OF DAMAGES +But for the "Right of Replacement or Refund" described below, +[1] Michael Hart and the Foundation (and any other party you may +receive this eBook from as a PROJECT GUTENBERG-tm eBook) disclaims +all liability to you for damages, costs and expenses, including +legal fees, and [2] YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE OR +UNDER STRICT LIABILITY, OR FOR BREACH OF WARRANTY OR CONTRACT, +INCLUDING BUT NOT LIMITED TO INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE +OR INCIDENTAL DAMAGES, EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE +POSSIBILITY OF SUCH DAMAGES. + +If you discover a Defect in this eBook within 90 days of +receiving it, you can receive a refund of the money (if any) +you paid for it by sending an explanatory note within that +time to the person you received it from. If you received it +on a physical medium, you must return it with your note, and +such person may choose to alternatively give you a replacement +copy. If you received it electronically, such person may +choose to alternatively give you a second opportunity to +receive it electronically. + +THIS EBOOK IS OTHERWISE PROVIDED TO YOU "AS-IS". NO OTHER +WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, ARE MADE TO YOU AS +TO THE EBOOK OR ANY MEDIUM IT MAY BE ON, INCLUDING BUT NOT +LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR A +PARTICULAR PURPOSE. + +Some states do not allow disclaimers of implied warranties or +the exclusion or limitation of consequential damages, so the +above disclaimers and exclusions may not apply to you, and you +may have other legal rights. + +INDEMNITY +You will indemnify and hold Michael Hart, the Foundation, +and its trustees and agents, and any volunteers associated +with the production and distribution of Project Gutenberg-tm +texts harmless, from all liability, cost and expense, including +legal fees, that arise directly or indirectly from any of the +following that you do or cause: [1] distribution of this eBook, +[2] alteration, modification, or addition to the eBook, +or [3] any Defect. + +DISTRIBUTION UNDER "PROJECT GUTENBERG-tm" +You may distribute copies of this eBook electronically, or by +disk, book or any other medium if you either delete this +"Small Print!" and all other references to Project Gutenberg, +or: + +[1] Only give exact copies of it. Among other things, this + requires that you do not remove, alter or modify the + eBook or this "small print!" statement. You may however, + if you wish, distribute this eBook in machine readable + binary, compressed, mark-up, or proprietary form, + including any form resulting from conversion by word + processing or hypertext software, but only so long as + *EITHER*: + + [*] The eBook, when displayed, is clearly readable, and + does *not* contain characters other than those + intended by the author of the work, although tilde + (~), asterisk (*) and underline (_) characters may + be used to convey punctuation intended by the + author, and additional characters may be used to + indicate hypertext links; OR + + [*] The eBook may be readily converted by the reader at + no expense into plain ASCII, EBCDIC or equivalent + form by the program that displays the eBook (as is + the case, for instance, with most word processors); + OR + + [*] You provide, or agree to also provide on request at + no additional cost, fee or expense, a copy of the + eBook in its original plain ASCII form (or in EBCDIC + or other equivalent proprietary form). + +[2] Honor the eBook refund and replacement provisions of this + "Small Print!" statement. + +[3] Pay a trademark license fee to the Foundation of 20% of the + gross profits you derive calculated using the method you + already use to calculate your applicable taxes. If you + don't derive profits, no royalty is due. Royalties are + payable to "Project Gutenberg Literary Archive Foundation" + the 60 days following each date you prepare (or were + legally required to prepare) your annual (or equivalent + periodic) tax return. Please contact us beforehand to + let us know your plans and to work out the details. + +WHAT IF YOU *WANT* TO SEND MONEY EVEN IF YOU DON'T HAVE TO? +Project Gutenberg is dedicated to increasing the number of +public domain and licensed works that can be freely distributed +in machine readable form. + +The Project gratefully accepts contributions of money, time, +public domain materials, or royalty free copyright licenses. +Money should be paid to the: +"Project Gutenberg Literary Archive Foundation." + +If you are interested in contributing scanning equipment or +software or other items, please contact Michael Hart at: +hart@pobox.com + +[Portions of this eBook's header and trailer may be reprinted only +when distributed free of all fees. Copyright (C) 2001, 2002 by +Michael S. Hart. Project Gutenberg is a TradeMark and may not be +used in any sales of Project Gutenberg eBooks or other materials be +they hardware or software or any other related product without +express permission.] + +*END THE SMALL PRINT! FOR PUBLIC DOMAIN EBOOKS*Ver.02/11/02*END* + diff --git a/old/7akba10.zip b/old/7akba10.zip Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..84a5351 --- /dev/null +++ b/old/7akba10.zip diff --git a/old/8akba10.txt b/old/8akba10.txt new file mode 100644 index 0000000..9875b4a --- /dev/null +++ b/old/8akba10.txt @@ -0,0 +1,10374 @@ +The Project Gutenberg EBook of Akbar, by Petrus Abraham Samuel van Limburg Brouwer + +Copyright laws are changing all over the world. Be sure to check the +copyright laws for your country before downloading or redistributing +this or any other Project Gutenberg eBook. + +This header should be the first thing seen when viewing this Project +Gutenberg file. Please do not remove it. Do not change or edit the +header without written permission. + +Please read the "legal small print," and other information about the +eBook and Project Gutenberg at the bottom of this file. Included is +important information about your specific rights and restrictions in +how the file may be used. You can also find out about how to make a +donation to Project Gutenberg, and how to get involved. + + +**Welcome To The World of Free Plain Vanilla Electronic Texts** + +**eBooks Readable By Both Humans and By Computers, Since 1971** + +*****These eBooks Were Prepared By Thousands of Volunteers!***** + + +Title: Akbar + +Author: Petrus Abraham Samuel van Limburg Brouwer + +Release Date: October, 2004 [EBook #6712] +[This file was first posted on January 18, 2003] +[Most recently updated March 29, 2004] + +Edition: 10 + +Language: Dutch + +Character set encoding: ISO-8859-1 + +*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK, AKBAR *** + + + + +Produced by Jeroen Hellingman, Miranda van de Heijning, Charles Franks and +the Online Distributed Proofreading Team. + + + +AKBAR + +EEN OOSTERSCHE ROMAN + +Mr. P.A.S. van Limburg Brouwer + + + +INLEIDING + +De grootsche figuur van Keizer Akbar, den beheerscher van Indië +in het laatst der zestiende eeuw (1556-1605), scheen mij om meer +dan ééne reden zoozeer aller belangstelling te verdienen, dat ik +niet aan de verzoeking heb kunnen weerstaan, hem als hoofdpersoon +te doen optreden in eene romantische schets, welke ik hierbij ons +publiek waag aan te bieden. + +Voor den lezer, die gesteld mogt zijn op eene nauwlettende +onderscheiding tusschen hetgeen er wezenlijk historisch in het +boek voorkomt en wat daarin is verdicht, strekke het volgende. + +Bepaald geschiedkundige personen, behalve Akbar zelf, zijn: Selim, +zijn zoon; Aboel Fazl, zijn Vizier; diens broeder Feizi; Abdal +Kadir Badaoni; Rodolpho Aquaviva, de Jezuïet, en enkele anderen +van minder beteekenis. Parviz behoort mede tot de geschiedenis +maar droeg een anderen naam. Nandigoepta is wel geen historisch +persoon, maar toch een type, gelijk er meer dan een in de +geschiedenis van Indië, en in 't bijzonder van Kaçmir, valt aan +te wijzen. Zoo ook Gorakh en zijne Worgers. En Iravati blijft in +zeker opzigt eene historische figuur, voorzoover zij het beeld der +echt Indische vrouw moet vertegenwoordigen, gelijk die in het +drama en de legende van Indië ons wordt voorgesteld. Verscheidene +gezegden eindelijk, den personen in den mond gelegd, zijn mede +historisch.--In enkele punten is, om ligt begrijpelijke redenen +eenigszins van de werkelijke geschiedenis afgeweken: tijdens Akbar +regeerden in Kaçmir geen Hindoe-vorsten meer, hoewel het land voor +'t overige volkomen Indisch bleef; de aanslag van Selim, waarvan +de bijzonderheden mede eenigszins gewijzigd zijn voorgesteld, +geschiedde gedurende den togt niet tegen Kaçmir, maar tegen +Dekkan; Feizi was ouder dan Aboel Fazl en stierf vóór diens moord; +Fattipoer ligt iets verder van Agra dan 't in het verhaal is +voorgesteld. Op de beoordeeling van het karakter der feiten en der +personen kunnen dergelijke geringe afwijkingen intusschen wel van +geen invloed zijn. + +In den stijl van het werk is, in 't bijzonder bij de gesprekken, +voorzooveel zonder slaafsche navolging en zonder misbruik van +vreemde woorden doenlijk scheen, naar behoud van den Oosterschen +vorm gestreefd, en bij de spelling van eigennamen meer gelet op +gemak voor den lezer dan op de eischen eener streng wetenschappelijke +schrijfwijze. De hier en daar ingevoegde gedichten zijn allen door mij +bewerkt naar den oorspronkelijken Oosterschen tekst. + +Eene uitvoerige opgave van de bronnen, die bij de zamenstelling +hebben gediend, zal men hier wel niet verlangen; en den +geschiedkenner ware daaromtrent ook niet veel nieuws mede te +deelen. Hij toch weet, dat de geschriften van Aboel Fazl en Abdal +Kadir de voornaamste oorspronkelijke bronnen voor de kennis van +Akbar's leven, instellingen en begrippen zijn, waaruit de meeste +latere, zoo Oostersche als Westersche schrijvers hebben geput, en +dat de berigten der Jezuïeten uit het Hindostan van zijn tijd, +schoon menigmaal blijkbaar onjuist, toch in vele opzigten tot +aanvulling en verklaring dienen van die der Perzische geschiedschrijvers. +Nauw ook eischt vermelding dat verscheidene nieuwere historische werken +van meer of minder uitgebreidheid, reisbeschrijvingen en plaatwerken in +dezen geraadpleegd zijn. Voor het meer bepaald Indische in den roman +dienden hoofdzakelijk de verschillende legenden, vertellingen, romans en +drama's, die uit de Sanskritlitteratuur zijn tot ons gekomen, en voor de +eigen wijsgeerig-godsdienstige begrippen van Akbar, die overigens nog 't +best uit het geschrift van zijn voornaamsten tegenstander, Abdal +Kadir, zijn op te maken, de Vedische of oud-Indische voorstellingen, +waaraan hij meerendeels zijne eigene moet hebben ontleend. Door andere +schrijvers schijnt op dit laatste te weinig acht te zijn geslagen. Eéne +bron verdient nog bijzondere vermelding, omdat ze tot heden niet bekend +werd: de velerlei mededeelingen omtrent land en volk door de kooplieden +onzer Oost-Indische Compagnie, die kort na Akbars regering te Soeratta +en te Agra waren gevestigd en wier brieven nog worden bewaard in ons +oud-koloniaal archief. + +Bij alle zorg voor nauwkeurigheid blijft in eene proeve als deze +de mogelijkheid van vergissingen en onjuistheden, vooral wat +plaatsbeschrijvingen aangaat, nog altijd bestaan. In zoover die nu +hier of daar mogten zijn ingeslopen, kan de schrijver wel niet +anders dan voorloopig daaromtrent verschooning vragen en zich +aanbevolen houden voor gegronde teregtwijzing. + +Den Haag, October 1872. v. L. B. + + + +EERSTE HOOFDSTUK. + +Een kluizenaar + +Met rooden gloed schoten de laatste stralen der ondergaande zon, +weerkaatst door de purpergetinte sneeuwvelden van den Bhadrinâth, +langs de steile hellingen van het Himâlaya-gebergte, terwijl een +zachte zuidenwind de geuren der bosschen en bloemen uit de dalen +omhoog dreef naar de toppen der bergen. Eeuwen en eeuwen lang +hadden de stralen dierzelfde zon diezelfde hellingen dus beschenen +en waren gelijke geuren omhoog gestegen, zonder stoornis of +verandering, zoo 't schijnen mogt, dier altijd jeugdige, maar +eenzame natuur, terwijl daar omlaag in verre verte menschen +kampten en magtige rijken verrezen en vernietigd werden, en +diepdenkende vernuften zich afpijnden om doel en laatsten grond te +vinden voor het bestaan van het heelal. + +Ook nu,--'t was in het laatst van de zestiende eeuw onzer +jaartelling, toen Djelal-ed-din Mohammed, bijgenaamd Akbar of de +Groote, en onder dien naam meest bekend, het magtig rijk der +Mogols in Hindostan ten toppunt verhief van glans,--ook nu bleef +dat hooge gebergte, nauw toegankelijke zetel eenmaal der Indische +Deva's, lusthof thans van Britsche aristocraten, nog een wild en +onherbergzaam, door menschenvoet weinig betreden oord. Ook thans +was 't enkel de roep van een snel voorbijtrekkenden roofvogel, die +nu en dan, of 't zacht eentoonig gegons der op en neder dansende +insectenzwermen, dat nauw hoorbaar de eindelooze stilte brak. Toch +bleef die plek niet zoo volkomen eenzaam als een min opmerkzaam +beschouwer alligt zou hebben ondersteld. Diep gedoken en als +verborgen in het hooge gras der berghelling lag, behagelijk +uitgestrekt, een groote fraai gevlekte tijger, droomend en als in +wijsgeerige rust opziend nu eens naar de hooge sneeuwkruinen, dan +weer de oogen sluitend voor het nog schelle licht, en omlaag +starend naar de liefelijke groene vallei, die daar beneden zich +uitbreidde tot waar nogmaals andere berggevaarten hunne toppen +verhieven om ten laatste zaam te smelten met den wazigen +veelkleurig getinten horizont. Waar hij aan dacht, soms dus omhoog +blikkend, soms nederziend in de diepte? Misschien wel, met +nevelachtig weer opdoemende herinnering, aan de tijden toen hij +onder eene andere gedaante als magtig Râdja nog heerschte in het +weelderig Kaçmir, en vasallen zich bogen aan zijne voeten en +schoone vrouwen dongen om de eer van zijn oogopslag. Of was dat +prachtige, koninklijke dier werkelijk niets anders dan een +reusachtige kat, een monster der wildernis en niet veeleer een +nieuw hulsel voor de verdoolde ziel van een eenmaal trotsch en +overmoedig heerscher. Ook nu nog was hij de Koning der woestijn, +waarin geen leeuw hem den voorrang kwam betwisten; ook nu nog +toonde de fiere blik waarmede hij bij wijlen in 't ronde staarde, +dat hij zijner magt zich bewust bleef, en bewezen zijne gladde +bewegingen en bevallige wendingen wanneer hij soms wisselde van +houding, dat hij even ridderlijk zich aan de voeten eener schoone +prinses had weten neer te vleijen als, trotsch zich oprichtend, te +gebieden over zijne minderen in rang. Doch eensklaps als uit zijne +mijmering opgeschrikt, sprong hij omhoog en luisterde.... Een +geluid, een klank van menschenstemmen trof uit de verte zijn +fijngeoefend oor. + +En inderdaad, schoon op nog tamelijk verwijderden afstand, kwam,--wél +ongewoon verschijnsel hier!--een groep ruiters langs het eenig +begaanbare gedeelte van den bergrug afdalen naar de vlakte. Een +jong, bevallig man, wiens rijke kleeding en fiere houding hem +terstond als edelman deden herkennen, nevens een meer bejaarden in +stemmiger gewaad, en achter hem twee dienaren. De eerste op een +kleinen, maar krachtig gebouwden en vluggen schimmelhengst van +edel ras, de ander op een zwaarder, donker paard, de dienaren op +grofharige maar sterke bergpaarden. De jongeling droeg een blauw +zijden, naar onderen openhangend en met gouden knoopjes versierd +wambuis, wijde broek en roode schoenen, een ligte muts met een +hooge door een diamant vastgehouden veder op het hoofd, een korte +sabel met fraai gevest ter zijde nevens een met edelgesteenten +bezetten dolk in den rijkgestikten gordel, en een lange speer in +de rechterhand. Zijne gestalte was rijzig en van eene volmaakte +evenredigheid, zijn schoon, regelmatig gelaat was blank en slechts +even door de zon getint, terwijl zijne donkere oogen en lokken en +een fijne bruine knevel de helderheid zijner kleur, onmiskenbaar +teeken van het echt oorspronkelijk Arisch ras, nog schenen te +verhoogen. Zijn oudere medgezel, een krachtige, breedgeschouderde +figuur, vertoonde een eenigszins donkerder tint, schoon de +regelmatigheid zijner gelaatstrekken hem evenzeer als een man van +hetzelfde bloed deed herkennen. Hij had een fraaijen gekrulden +baard, die bijkans de helft van zijn gelaat mogt verbergen; een +groote witte tulband dekte zijn hoofd, en zijne gestalte hulde +zich in een lang, tot bijna aan de voeten reikend, om het midden +met een vergulden gordel vastgehouden kleed van donkere, maar +fijne stof; ook hij was gewapend met sabel en speer en om zijne +schouders hing een klein, rond schild. De dienaars droegen anders +niet dan wijde, los omgeslagen mantels over de anders weinig +bedekte bronskleurige leden; verscheiden helblinkende koperen +ringen, onder 't voortrijden een rinkelenden klank veroorzakend, +sierden hunne enkels en polsgewrichten; korte speren en ronde +schilden vormden hun wapentuig. + +Uit de gesprekken hunner meesters ware spoedig op te maken +geweest, wie deze waren, van waar zij kwamen en welk het doel van +hunner reis. De jonge edelman, Siddha Rama, was de zoon van den +eersten minister van Kaçmir en door zijn vader met het overbrengen +van belangrijke brieven naar het hof van Keizer Akbar of den +Grooten Mogol, te Agra, belast, waar hij tevens het bevel zou +aanvaarden over eene afdeeling Radjpoet-ruiterij, die onder de +hulptroepen van het keizerlijk leger dienst had te doen. Hij werd +vergezeld door zijn leermeester Koelloeka, een Brahmaan van +afkomst, en deels geleerde, deels krijgsman, die hem zoowel in de +oorlogskunst en alle ridderlijke oefeningen als in de aloude +heilige taal en de daarin gestelde klassieke en gewijde schriften +had onderwezen. Alvorens echter den togt naar Agra voort te +zetten, hadden zij een bezoek te brengen aan een kluizenaar in het +gebergte, om vervolgens naar Allahabad te vertrekken, waar +Siddha's oom in naam des Keizers bevel voerde over het fort aan +het vereenigingspunt van Ganges en Djoemna, en waar ook de +verloofde van Siddha, de jeugdige Iravati, dochter van den +Goeverneur, met verlangen naar het aangekondigd bezoek van haar +toekomstigen echtgenoot uit bleef zien. + +--Maar, eerwaarde Koelloeka!--sprak Siddha, na een tijdlang +stilzwijgend naast zijn leermeester te hebben gereden,--gij, die +zoo goed hier den weg kent, vertelt mij dat wij nu vlak bij de +kluizenarij van Gaurapada Bhikshoe moeten zijn, en ik zie toch +niets wat maar op een kluis of zoo iets gelijkt. Zou de heilige +man ook soms zijn verhuisd? + +--Geduld maar, mijn jonge driftkop!--antwoordde de Brahmaan,--zoo +aanstonds komen wij aan een wending van den berg, die ge van hier +nog niet zien kunt, en als wij daar zijn, zult gij spoedig genoeg +het kleine bosch in de vallei zien liggen, waar Gaurapada zijn +stille woning heeft gebouwd. Maar gij mogt wel met wat meer +eerbied van den Eerwaarde spreken, naar mij dunkt. Trouwens hij +zal u dat zelf wel leeren als gij hem maar eerst ontmoet. + +--Nu,--hernam Siddha vergoelijkend,--'t was zoo kwaad niet +gemeend.... Maar wat is dat?--riep hij eensklaps uit, met zijne +lans naar het hooge gras aan de zijde van den bergweg wijzend, dat +zich golvend scheen te bewegen, schoon geen wind het verschijnsel +kon veroorzaakt hebben. En eer zijn bedaarder medgezel hem kon +weerhouden was de hartstogtelijke jager met zijn paard in het gras +gesprongen, en baande hij met gevelde speer zich een weg naar de +plek waar hij de beweging in het gras had opgemerkt. Onmiddelijk +en nog vóór Koelloeka rende een der dienaren zijn jongen meester +na, toen hij dezen plotseling weer zag stilstaan en als verwonderd +om zich heen staren. Alle beweging in het gras had volkomen +opgehouden, geen sprietje bewoog zich meer en geen geluid werd +vernomen. Daar begon het golven opnieuw, maar veel verder af, en +boven de hooge grashalmen vertoonde zich bijwijlen het bruingevlekte +ligchaam van een grooten tijger, die met geweldige sprongen voortrende. +Nogmaals gaf Siddha zijn paard de sporen, maar 't volgend oogenblik lag +hij in zijne volle lengte in het gras: een dicht begroeide kuil had +paard en ruiter doen storten. In een oogwenk echter was deze weer op de +been. + +--'t Is niets, Vatsa!--zeide hij tot zijn dienaar, die van zijn +paard gesprongen, op hem was toegesneld,--ik ben hier zacht genoeg +neergekomen. Als mijn beste schimmel 't er nu maar even goed heeft +afgebragt! + +Bij onderzoek bleek gelukkig, dat het edele dier evenmin eenig +letsel had bekomen als zijn doldriftige berijder, maar de tijger +was weg en nergens meer te bespeuren, zoodat men niets anders te +doen had dan spoedig weer in den zadel te springen en den +gestoorden togt voort te zetten. + +Zwijgend reed nu weer Siddha, over zijn dwaas avontuur niet weinig +beschaamd, nevens zijn goeroe, tot deze het stilzwijgen afbrak met +te zeggen: + +--Gij hebt daar, geloof ik, een gekken streek begaan, mijn waarde! + +--Ja!--bekende Siddha nederig,--ik heb ongetwijfeld een mal figuur +gemaakt met daar zoo om te rollen. + +--Nu,--hernam Koelloeka,--dat kondt gij niet helpen; niemand kan +overdekte kuilen zien; maar dat bedoel ik ook niet, ik meen iets +anders. + +--Wat dan? + +--Gij zult het straks wel merken, indien ten minste waar is wat ik +vermoed. + +De glimlach, die bij deze woorden om den mond van Koelloeka +speelde, maakte Siddha's nieuwsgierigheid natuurlijk nog meer +gaande; maar juist toen hij nadere uitlegging wilde vragen was de +straks aangeduide wending bereikt, en breidde zich een ander +gedeelte der vallei, nog even verlicht door den zonneschijn, met +zijn weelderigen plantengroei en zijne frissche stroomen en beeken +voor 't bewonderend oog der reizigers uit. + +--Zie ginds!--sprak Koelloeka, met zijne lans naar een digt +bosschaadje in de diepte wijzend, waarlangs een heldere beek zich +slingerde als een zilveren lint,--daar woont Gaurapada. + +En zonder verder te spreken daalden de ruiters voorzigtig langs de +steile helling naar omlaag, volgden het, half door de natuur, half +door ruwe kunst gevormde pad, dat naar het bosch leidde, en reden, +dit ingegaan, voort tot zij aan de andere grens waren gekomen, +waar opnieuw het vergezigt zich opende over de heuvelachtige +vlakte. + +Daar, onder het digte lommer, verhief zich, door slanke, met +klimop en rozen begroeide bamboestijlen gesteund, en gedekt door +een eenvoudig maar bevallig overhellend rieten dak, eene nederige +woning, maar die toch wat bouwtrant en uiterlijk aanzien betrof +veeleer een aangenaam buitenverblijf dan de strenge armoedige +kluis van een boetedoend heilige mogt worden genoemd. Achter, het +donkere woud; aan de voorzijde, een honderde tinten en schakeringen +weerkaatsend smaragdgroen meer, zooals alleen eene Alpennatuur dat +kent, met witte en blauwe lotusbloemen langs de kanten, en waarin de +zilverkleurige beek, die reeds van ver het oog had getroffen, zich +uitstortte voor een wijl om straks aan de andere zijde het weer te +verlaten en haar weg te vervolgen naar steeds dieper gelegen dalen; in +'t verschiet eindelijk, aan den meer en meer in de schemering +wegduikenden overkant, de verre reijen der bergkruinen, die van hier +gezien slechts onbeduidende heuvelen schenen, maar, van gindsche +vlakten beschouwd, opnieuw als hemelhooge, voor menschen voet nauw +bestijgbare rotsgevaarten zich vertoonen mogten. + +Een oogenblik stonden onze reizigers, hier aangekomen, stil, en +als verloren in den aanblik van het evenzeer grootsche als +liefelijke, door een laatsten schemerschijn nog verlichte +natuurtooneel; doch, spoedig het naaste doel van hun togt zich +herinnerend, stegen zij af en vertrouwden hunne paarden aan de +beide dienaars, terwijl zich Koelloeka naar de woning begaf om +door middel van een daar aanwezige klok het teeken te geven van +hunne komst. De moeite werd hem echter bespaard, en eer hij het +woonhuis was genaderd, vertoonde zich op den drempel reeds de +bewoner, door een dienaar gevolgd, wien hij de zorg voor de +paarden der gasten aanbeval door een zwijgenden gebiedenden wenk. + +Wel zonderling mogt de indruk heeten, dien de aanblik van den +kluizenaar op Siddha te weeg bragt. In zijn eigen land, in zijne +bergen en bosschen, had hij vrome boetelingen, strenge heiligen, +rondslenterende bedelmonniken in menigte en van allerlei soort +gezien: sommigen in vuile pijen, met groote bamboestokken in de +hand, en bedelnappen en rozenkransen aan de zijde; anderen in een +soort kleedij uit boomschors vervaardigd; wederom anderen met +nagenoeg in 't geheel geen kleederen aan het lijf, kaalgeschoren, +van 't hoofd tot aan de voeten met grauwe asch bedekt, en +voorhoofd en borst met witte kalk besmeerd; allen zich overgevend +aan de meest afkeer wekkende en toch vrome en lichtgeloovige +gemoederen tot milddadigheid verlokkende praktijken; walgelijke en +afzigtelijke wezens allen ook, maar steunend op de magt van een +grenzenloos fanatisme, en in vadsige luiheid terend op de +aalmoezen, hun toegeworpen door een dom, maar vastgeworteld +bijgeloof. Geen wonder dan ook zoo de jonge, aan fijner beschaving +gewende, met diepe minachting op die soort van volk neerziende +edelman, ook in weerwil van zijn eerbied voor den leermeester, die +steeds met ontzag den kluizenaar van den Bhadrinâth had genoemd, +juist geen groote verwachting had van den man, die aan de deur van +gindsche woning hem zou ontvangen, en een ligten toon van ironie +niet had weten te onderdrukken toen er van den heilige in het +Himâlaya-gebergte werd melding gemaakt. Doch te treffender dan ook +in zijn oog de hooge en statige figuur, die ginds, het woonhuis +verlatend, de beide reizigers met voorname waardigheid maar tevens +innemende vriendelijkheid te gemoet kwam. + +Een oud man in blinkend wit gewaad, met nog eenige fijne lokken om +den anders kalen schedel en een langen en zwaren zilverkleurigen +baard, maar nog in 't minst niet door den last der jaren gebogen, +en wiens, bij alle vriendelijkheid toch hooghartige blik wel +getuigde, dat in vroeger dagen gebieden hem meer eigen was geweest +dan het ontvangen en opvolgen van bevelen. + +--Weest welkom, vrienden!--sprak hij, elk zijner beide bezoekers, +die zich eerbiedig voor hem gebogen hadden, bij de hand vattend,--welkom +in mijne eenzaamheid! 't Is mij goed, weer eens iets te +mogen vernemen van uw--hier scheen hij een oogenblik te weifelen, +maar ging toch met vaste stem weer voort,--van uw en mijn land en +volk. + +Eer Koelloeka of Siddha kon antwoorden, werd hunne opmerkzaamheid +getrokken door een dof gebrul, dat zich in de onmiddelijke +nabijheid hooren deed; en een oogenblik later trad van achter de +woning met langzame en statige schreden een geweldige tijger te +voorschijn, en naderde, met den zwaren staart zijne flanken +slaande, de drie mannen. Onwillekeurig deed Siddha een stap terug +en sloeg de hand aan den ponjaard in zijn gordel. + +--Laat dat speelgoed maar zitten!--sprak Gaurapada lagchend,-- +daar zoudt gij Hara niet veel kwaad mee doen. + +--Hier!--sprak hij gebiedend tot den tijger, en terstond legde het +magtige dier zieh aan de voeten des meesters. + +--Heb ik 't u niet gezegd?--vroeg Koelloeka aan Siddha, op den +tijger wijzend,--en begrijpt gij nu waarom gij zoo straks een +dwazen streek begingt? + +--Vergeving, eerwaarde heer! vergeving!--sprak Siddha, met omhoog +geheven handen tot Gaurapada, terstond begrijpend, dat hij straks +jagt had gemaakt op den tijger van den kluizenaar,--ik wist +inderdaad niet .... + +--Ik begrijp het al,--viel Gaurapada hem in de rede,--gij hebt +Hara gejaagd. Nu, dat is wel eens meer voorgekomen, maar niet +altijd zoo goed voor den jager afgeloopen, als mijn viervoetige +vriend hier soms eens boos werd. Iemand opgegeten heeft hij echter +nog nooit, en als men hem geen kwaad doet, valt hij ook niet aan. +Ik heb hem, zooals vriend Koelloeka weet, hier al lang, van jongs +af aan, en wij beiden zijn nu gansch aan elkander gewend. Niet +waar, Hara?--vroeg hij, zich half voorover buigend naar den +tijger, die, halverwege zich oprigtend, zijn breeden kop tegen de +hand van zijn meester drukte.--En mijne vrienden,--vervolgde +deze,--zijn de zijnen. Zie maar eens! + +En Siddha naderend legde hij hem zacht de hand op den schouder, +waarop de tijger beurtelings beide mannen aanziend, zich vóór +Siddha nederlegde en ook diens hand met zijn kop aanraakte. +Ditmaal trad de jonge edelman geen stap terug, maar streelde +bedaard den kop van het dier, dat hem ook verder niet bleek te +verschrikken toen 't een oogenblik, als behagelijk geeuwend, zijne +breede kaken opsperde en de geweldige reijen zijner tanden liet +zien. + +--Goed zoo!--sprak Gaurapada, terwijl Hara weer tot hem +terugkeerde,--goed zoo! Ik heb er menig gezien, ouder en sterker +dan gij, die niet terstond zoo rustig bleef. Doch laat ons nu aan +andere dingen denken! Reizigers zooals gijlieden, die zeker een +langen togt gemaakt en hier in de wildernis zeker niet veel op uw +weg gevonden hebt, verlangen alligt naar eenige versterking. Wilt +mij dan volgen! + +En hen voorgaande trad de kluizenaar zijne woning binnen, waarvan +het inwendige geheel aan het uiterlijk beantwoordend, wel is waar +niet meer dan het noodige bevatte, maar dat alles in de meest +volmaakte orde en op sierlijke wijze gerangschikt, en mede wel +aanduidend, dat de bezitter in vroeger tijden ook het meerdere en +het overtollige gekend moest hebben. Nadat de gasten zich met hem +op de fijne, op den vloer uitgebreide matten hadden neergezet, +bragt de dienaar, die straks de paarden in bewaring had genomen, +eenige schotels met eenvoudige, maar stevige spijzen, koud wild en +visch, benevens een aantal toegevouwen boombladeren met frissche +vruchten, en toen het maal een aanvang had genomen, ook een +drietal drinkschalen waarin den gasten een krachtige, fonkelende +wijn werd aangeboden. + +--Dat hadt ge hier waarschijnlijk niet verwacht, edele Siddha!--sprak +Gaurapada,--gij waart zeker in de overtuiging, dat een vrome +kluizenaar niets dan bronwater drinkt. En de meerderheid meent, +dat het ook zoo behoort. Ik voor mij denk er anders over; ik heb +nooit begrepen dat het wezen van het kluizenaarsleven in +noodelooze zelfkwelling of onthouding is gelegen, en dat een +schaal goeden wijn met mate gebruikt, aan de rust der ziel zou +behoeven te schaden. Ook is hier in de bergen iets krachtigs nu en +dan inderdaad bevorderlijk voor de gezondheid. + +De eenvoudige en gemakkelijke toon van den overigens zoo statigen +kluizenaar, die hem gansch als een man van de wereld deed kennen, +gaf den jongen ministerzoon al spoedig vertrouwen, en van zijn +kant beantwoordde hij nu ook met vrijmoedigheid, schoon altijd met +dien eerbied, dien de regte Hindoe den oudere van jaren leert +betoonen, de vragen welke Gaurapada tot hem rigtte omtrent zijn +vader, omtrent Iravati zijn verloofde en zijn leven aan het hof +van Kaçmir. Tot zijne verwondering bleek de kluizenaar nauwkeurig +alles te weten wat vroeger daar was voorgevallen en toonde hij +zich zelfs met bijzonderheden bekend, die voor elk een geheim +moesten zijn, wien de toegang tot het binnenste der vorstelijke +paleizen niet geopend was geweest. Ongetwijfeld was Gaurapada in +vroeger dagen een vertrouwd raadsman van een der vorsten, die +elkaar vóór dezen in vrij snelle reeks waren opgevolgd; dan hoe +het zijn mogt, Siddha waagde geen onbescheiden vraag zoolang de +ander zijn waren stand hem niet bekend maakte. Nog merkte hij op +dat de gesprekken van Gaurapada doorgaans eene groote opgeruimdheid +ademden, en hij volkomen met zijn tegenwoordigen staat te vrede scheen, +maar dat toch bijwijlen, als er van de staatkundige gebeurtenissen in +het Noorden gesproken werd, een donkere wolk zijn edel gelaat bedekte. +Telkens echter slechts voorbijgaand; want al kon zelfs de sterke wil van +den wijsgeer soms eene vlugtige aandoening niet volkomen verbergen, een +geest als de zijne was blijkbaar te magtig om ze niet terstond weer te +onderdrukken. + +Inmiddels was het laat geworden in den avond, en wierp de maan +reeds haar hellen schijn over het landsdhap, dat zich, door de +opene stijlen van het vertrek gezien, voor het oog der gasten +uitbreidde. + +--En nu,--zeide eindelijk Gaurapada, terwijl hij opstond,--vergun +mij, edele Siddha! mij met uw leermeester, mijn vriend, eenige +oogenblikken aan het genoegen van uw bijzijn te onttrekken. Ik heb +met hem eenige zaken te bespreken, die vooralsnog geheim moeten +blijven, en waarin gij trouwens ook waarschijnlijk slechts matig +belang zoudt stellen. Mogt ge u straks wenschen te verfrisschen, +ginds is, naar gij ziet, het meer of de beek, en aan een bad in de +vrije natuur zijt gij zeker ook wel gewoon. + +Daarop verlieten de beide oudere mannen te zamen het vertrek en +nog lang daarna zag Siddha hen arm in arm in den maneschijn +wandelen, blijkbaar in ernstige en belangrijke gesprekken +verdiept. Toen zij terugkeerden was het tijd om zich ter ruste te +begeven, en niet zonder welbehagen gingen de reizigers hunne +vermoeide leden uitstrekken op de voor hen in gereedheid gebragte, +wederom zeer eenvoudige, maar daarom nog geenszins ongeriefelijke +legersteden. + +De vroege morgen van den volgenden dag vond onze reizigers na een +frisch bad en een hartig ontbijt weer tot het voortzeiten van hun +togt gereed; en terwijl nu de paarden werden opgezadeld, nam +Gaurapada voor eenige oogenblikken Siddha ter zijde, en sprak, +ditmaal buiten gehoor van Koelloeka: + +--Heilige kluizenaars, mijn jonge vriend! zijn gewoon, de jongeren +die hen komen bezoeken, niet zonder eenige leering, 't zij dan +verstandige of niet, te laten vertrekken. Gij wacht misschien iets +dergelijks ook van mij. Maar dan bedriegt gij u. Ik heb voor 't +oogenblik niets te voegen bij 't geen de wijze Koelloeka, uw +verstandige goeroe, u ongetwijfeld geleerd heeft. De wereld, die +gij gaat opzoeken, en 't leven zelf moeten het verdere doen. Maar +één woord toch, waaraan ik een verzoek heb toe te voegen! Schroom +niet, wanneer gij ginds in het Zuiden in het magtig en weelderig +wereldrijk zult zijn aangekomen, uw billijk aandeel te nemen aan +geoorloofde uitspanningen en vermaken; geniet het leven, dan eerst +leert gij 't kennen en het wezenlijke van het onwezenlijke +onderscheiden: maar gedenk steeds de les, waaraan uw leeraar u +voorzeker meermalen herinnerd heeft: houd uw gemoed rein, en draag +zorg dat gij u nooit over uwe handelingen te schamen hebt, niet +enkel voor anderen, maar ook voor uzelven! Doch wanneer het mogt +gebeuren, dat gij, in weerwil van uw ijverigst streven om die les +te betrachten, toch op eene of andere wijze de gemoedsrust zaagt +gestoord, die u als elk ander mensch onmisbaar blijft, en indien +gij dan soms geen vriend mogt hebben, wien gij uw hart kunt +openleggen, denk dan eens aan een oud vriend van uw vader en van +uw leermeester, en kom tot den kluizenaar van den Bhadrinâth. Wilt +gij mij dat belooven? + +--Ik beloof het! antwoordde Siddha, eenvoudig maar met mannelijken +ernst, terwijl hij de armen eerbiedig over de borst kruiste. Maar +vriendelijk als steeds vatte Gaurapada zijne beide handen en +drukte ze hartelijk. + +Weldra werden de paarden voorgebragt, de ruiters zetten zich na +afscheid van den kluizenaar in den zadel en reden, door hunne +dienaren gevolgd, het bosch weer in en het bergpad op. Nog meer +dan eens zag Siddha om en wierp hij een blik op de eerbiedwekkende +gestalte van den wijze, zooals die met zijn tijger nevens zich nog +geruimen tijd tusschen de hooge boomstammen door, aan den drempel +zijner woning zigtbaar bleef. Daarna reed hij zwijgend en in +gedachten verzonken naast zijn medgezel voort. + +Eensklaps, als opschrikkend uit zijne mijmering, hield hij zijn +paard met een vrij onzachten ruk in, zoodat het bijkans steigerde. + +--Koelloeka!--sprak hij,--ik zag nog nooit een man als Gaurapada! + +Doch bijna op 't zelfde oogenblik kleurde hij tot over de ooren, +bedenkend, maar te laat, dat zijn uitroep juist niet bijzonder +vleijend voor zijn vriend en leeraar mogt heeten. Noodeloos +evenwel maakte hij zich ongerust door te meenen, dat deze eenigen +aanstoot aan zijne woorden nam. Integendeel Koelloeka's gelaat +teekende eene ongeveinsde vreugde over de bewondering van zijn +leerling voor zijn ouden vriend. + +--Inderdaad!--zeide hij,--het verheugt mij dat gij zoo over hem +denkt; dat pleit ook tevens voor uzelf. En wees niet bevreesd u +ooit in hem bedrogen te zullen zien. + +--Maar,--vroeg Siddha weer even plotseling na een oogenblik +stilzwijgen,--wie is nu Gaurapada? + +--Wel!--was het antwoord,--dat hebt gij immers zelf gezien: een +kluizenaar in 't Himâlaya-gebergte. + +--Nu ja!--zei Siddha eenigszins ongeduldig,--dat weet ik óók wel; maar +ik meen: wat was hij vroeger, eer hij hier kwam en tijgers temde? + +--Hij trachtte menschen te temmen,--antwoordde Koelloeka,--maar +'t gelukte hem niet altijd. Doch waarom hebt ge hem zelf niet +gevraagd, wie hij was? + +--Zou dat bescheiden zijn geweest? Zoudt gij dat hebben +goedgekeurd? + +--Neen, zeker niet! Gij hebt goed gehandeld met de gastvrijheid +niet te schenden door onbescheiden nieuwsgierigheid, ook al kwam +ze voort uit wezenlijke belangstelling. Maar daarom hebt ge nu ook +verdiend, die nieuwsgierigheid te zien bevredigd. Gaurapada heeft +mij veroorloofd, indien ik dat goed achtte, u zijn voorleden en +zijn waren naam mede te deelen. Zoo luister!--Er was eens een +Koning-- + +--Hoe nu?--vroeg Siddha, een weinig verstoord,--gaat ge mij nu een +sprookje van Somadeva vertellen, zooals ik er zooveel van u hoorde +toen ik een kleine jongen was? + +--Hoor mijn sprookje,--antwoordde Koelloeka bedaard,--of hoor +niets! Er was dan, zeg ik, eens een Koning, die gesteund door +goede raadslieden, zijn volk regeerde met wijsheid en beleid. +Kinderen had hij niet, maar wel een jongeren broeder, een jonkman +van veel bekwaamheid, dien hij zeer liefhad en ook tot zijn +opvolger had bestemd zoo hij eenmaal het land mogt ontvallen of de +last der staatszaken in 't eind te zwaar op zijne schouders +drukken mogt. Doch die jongere broeder was eerzuchtig, ondanks +vele andere, goede hoedanigheden; hij had het geduld niet, zijn +tijd af te wachten en liet zich door eene aan de bestaande +regering vijandige staatspartij verleiden, eerst heimelijk, daarna +in 't openbaar en ten slotte met de wapenen in de hand op te staan +tegen zijn broeder en wettigen Vorst, tot deze hem en de zijnen +ten laatste overwon en hem gevangen medevoerde naar de hoofdstad +van zijn rijk. Maar de beweging was daarmede niet geëindigd, de +woelingen duurden voort, en om deze te onderdrukken bleef den +Koning geen ander middel dan zijn eerzuchtigen en steeds +gevaarlijken broeder, hoe innig ook door hem geliefd, uit den weg +te ruimen, en diens vrienden en aanhangers een gelijk lot te te +doen ondergaan. Maar zoo doende zou hij zijn troon ook slechts +vesten in broeder- en burgerbloed, en welligt eindelooze veeten in +'t leven roepen, waarvan het eind geen ander kon zijn dan +algeheele uitputting van zijn rijk en de volkomen onderwerping van +zijn volk aan vreemde, lang reeds op de erfenis zijner vaderen +azende overheerschers. Toch twijfelde nagenoeg niemand of de +Koning zou ten laatste overgaan tot den nu eenmaal onvermijdelijken +maatregel, toen zich eensklaps het gerucht verspreidde dat hij uit zijn +paleis verdwenen en waarschijnlijk, zoo niet zeker, door verraad gevallen +was. En inderdaad vernam men sinds dien tijd niets meer van hem; zijn +broeder, uit de gevangenis verlost, besteeg als wettig opvolger den +troon, en regeerde sedert dien tijd, verstandiglijk de beste raadslieden +van zijn broeder aan zijne zijde houdend, zoo al niet met gelijke +wijsheid, dan toch met goed geluk het weer tot rust gekomen land. + +Een oogenblik zweeg Koelloeka, en brak hij zijn verhaal af om zijn +medgezel en leerling aan te zien. Maar het gelaat van dezen +teekende noch verwondering, noch bijzondere belangstelling. + +--Gij verhaalt mij,--zeide hij,--eenvoudig de geschiedenis van +onzen eigen tegenwoordigen Koning en zijn voorganger en ouderen +broeder Nandigoepta. Maar die is immers iedereen bekend, mij zoo +goed als elk ander bewoner van Kaçmir. + +--Ongetwijfeld,--hernam Koelloeka,--die geschiedenis, voorzoover +ik ze u in herinnering bragt, is aan ieder bekend genoeg; doch wat +niet een iegelijk weet, maar alleen zeer enkelen, is, dat de +Koning Nandigoepta niet door verraad is gevallen en niet gedood of +verdreven werd, maar uit eigen beweging zonder dat zijn broeder of +iemand anders dan een enkele vertrouwde het wist, de wijk nam naar +een afgelegen oord, en door algemeen het gerucht te doen +rondstrooien dat hij verslagen was, zijn broeder redde van een +smadelijken dood en zijn rijk van den anders onvermijdelijken, +althans waarschijnlijken ondergang. + +--Zoo leeft dan Nandigoepta nog!--riep Siddha uit,--en hij is.... + +--Gelijk gij reeds begrepen hebt,--antwoordde Koelloeka,--de +kluizenaar, dien wij straks verlieten. Heilig blijve u zijn +geheim, het geheim van zijn rijk en van zijn geslacht! Aan uwe +riddereer wordt het door hem toevertrouwd. De zoon van uw vader, +zijn trouwsten dienaar en vriend, mogt het kennen, maar zal het +ook weten te bewaren zoo zeker hij edelman is. + +--Waarom,--vroeg Siddha, een oogenblik naderhand, half ontevrede, +--waarom mij dit niet meegedeeld toen wij nog ginds waren? Ik had +dan den Vorst mogen dank zeggen voor de weldaden, in de dagen +zijner grootheid aan mijn vader bewezen en aan ons geslacht. Doch +'t is waar! gij hadt geen regt te spreken, zoolang hij zelf het +niet deed; en bovendien heb ik immers nog de gelegenheid! +Gaurapada toch,--zooals hij thans genoemd wil zijn,--heeft mij +doen belooven, hem op te zoeken als ik soms in moeilijke +omstandigheden goeden raad van noode had. + +--En gij hebt wél gedaan, dat te belooven,--zeide Koelloeka,-- +houdt u aan dat woord! Gaurapada is wijzer en beter dan één onzer. + +Maar Siddha hoorde nauwelijks meer; wederom was hij in gedachten +verzonken. De ontmoeting met den kluizenaar en de openbaring van +diens geheim had diepen indruk op hem gemaakt. Daar, bij 't eerste +begin zijner reize, had hij een vorstelijk wijsgeer aanschouwd, +een man die eenmaal bijkans onbeperkte magt bezat en gebaad had in +weelde, maar die alles, rijkdom en aanzien, vrijwillig had +opgeofferd ter liefde van zijn broeder en van zijn land, en thans, +in 't gelukkig bewustzijn wél te hebben gedaan, zich tevrede en +zelfs opgeruimd betoonde in zijn eenvoudig leven in de wildernis, +met geen ander gezelschap dan een ouden getrouwen dienaar en een +verscheurend dier. En nu was hij op weg naar het hof van den +magtigsten monarch, dien Hindostan ooit had gekend, den +gelukkigen, met roem overladen beheerscher van een wereldrijk, die +zijn volken meer nog door wijs beleid dan door kracht van wapenen +wist te onderwerpen aan zijn wil, die te beschikken had over +onmetelijke schatten, en die zich bondgenoot mogt heeten van +magtige Vorsten uit de verst verwijderde landen en beschermer van +alle bekende godsdiensten der aarde. Wat de goede Siddha, anders +gewoon zich nog al wat te laten voorstaan op zijn adel en 't +aanzien van zijn persoon, nu plotseling zich klein gevoelde bij de +gedachte aan twee zulke mannen! En wie wel de grootste dier beiden +was? 't Viel zeker moeielijk te beslissen, en wijselijk begreep +Siddha, dat hij in elk geval zijn oordeel had op te schorten tot +hijzelf ook Keizer Akbar gezien en welligt gesproken zou hebben. +Dat besluit bragt hem tevens terug tot het naaste doel der reis, +het bezoek te Allahabad, waar de geliefde bruid, de schoone +Iravati, hem verbeidde. Zijn sedert eenige oogenblikken somber +gelaat helderde op, en vrolijk sprak hij, zijn hengst de sporen +gevend, toen men een vlak terrein van belangrijke uitgestrektheid +had bereikt: + +--Komaan! nu weer eens een flinken rid, meester!--En voorwaarts +ging het in snellen galop, terwijl Koelloeka hem de veerkrachtige +speer zag drillen en hem den naam hoorde uitroepen, die toch in 't +eind de zege had bevochten in zijne gedachten.--Iravati! + +--Voorwaarts, voorwaarts maar!--prevelde de Brahmaan in zich +zelven, terwijl hij mede zijn paard in galop zette,--vooruit tot +het einde is bereikt! Voor mij is 't alhaast gekomen, voor hem +vangt de levensreis eerst aan. Och! of zijn weg steeds zoo glad +als deze mogt zijn! Maar ook hij zal zijn klippen wel ontmoeten en +glibberige hellingen en welligt ook--afgronden. Bleven 't maar,--voegde +hij, in zichzelf glimlagchend en denkend aan het ongeval +van den vorigen avond, er aan toe,--bleven 't maar altijd +onschadelijke kuilen! + + + +TWEEDE HOOFDSTUK. + +Iravati + +Aan het digt met planten en bloemen begroeid balkon van +Allahabad's hoogen burgt, paleis en veste tevens, zat een jong +bevallig meisje, het hoofd in de hand geleund, als mijmerend naar +het uitgestrekte vergezigt te staren, dat zich aan gene zijde der +beide hier zamenvloeiende stroomen in het helle licht vertoonde +van een onbewolkte morgenzon. Ter linker zijde de rotsachtige +hoogten en wilde zandige oevers der Djoemna, ter regter de +liefelijke vallei van den Ganges; allerwege digte bosschaadjen van +mango-boomen, met tallooze papegaaijen en andere schitterend +gekleurde vogels bevolkt; hier en daar kleine eilandjes zich +verheffend boven het watervlak; en op den achtergrond, ginds in de +verte, de hooge, door pagoden bekroonde rotsgevaarten van het +tegenoverliggende land. + +Enkel naar de kleedij te oordeelen, zou in de mijmerende niet +terstond eene jonkvrouw van aanzienlijk geslacht zijn te herkennen +geweest. Een eenvoudig wit gewaad, met een smallen donkerrooden +rand omzet en om 't midden door een gouden gordel vastgehouden, +een fíjne gouden haarband om de digte donkere lokken en een enkele +roos daartusschen tot eenig sieraad, ziedaar alles. Maar waartoe +ook zou die slanke, uitnemend geëvenredigde gestalte, dat ovale, +fijn besneden gelaat met het groote en donkere, door lange zijden +wimpers overschaduwde oog, nog ander siersel van noode hebben +gehad dan de natuur zelve of Kama, de minnegod, reeds daaraan had +verleend? En geen spruit ook voorzeker van verbasterden stam, geen +dochter van een lager ras, die zooveel bevalligheid aan zooveel +eenvoud tevens had weten te paren als deze. + +Niet in verrukking intusschen als menigmaal anders aanschouwden +ditmaal die smachtende oogen het heerlijk natuurtooneel daar +omlaag. Ook heden als gisteren en den vorigen dag zagen ze +verlangend uit naar die verre gebergten aan de overzijde, van waar +hij komen moest, de lang maar te vergeefs gewachte.... Waar hij +toeven mogt? Wat hem kon weerhouden? En dacht hij nog wel, anders +dan vlugtig en voorbijgaand misschien aan haar, wier gedachten +dagen en maanden lang hem, en hem alleen, waren gewijd geweest?... + +Een zware tred deed zich hooren in de galerij achter het vertrek, +waar het balkon op uitkwam, en voorafgegaan door een dienares, die +het tot deur strekkend gordijn ter zijde schoof, naderde een kort, +gezet man van iets meer dan middelbaren leeftijd, in engsluitend, +maar lang, bijkans tot de voeten afhangend gewaad en een kort +zwaard met fraai versierde greep in den gordel als eenig +herkenbaar teeken zijner waardigheid. + +--Edele jonkvrouw!--sprak de dienares, bescheiden haar jeugdige +meesteresse uit hare mijmering wekkend,--Salhana, de Goeverneur, +uw vader, brengt u heden bezoek! + +--Hij zij welkom!--antwoordde de jonkvrouw, van kindsbeen af +steeds aan dien deftigen toon gewend, en opstaand trad zij haar +vader te gemoet. + +--Iravati!--sprak deze, haar aanziend met zijn doordringende +zwarte oogen, maar voor 't overige zonder eenige uitdrukking op +zijn mat bleek, met korten donkeren baard bedekt gelaat,--vóór +eenigen tijd heb ik u meegedeeld, dat ik Siddha Rama uit Kaçmir, +uw neef en verloofde, hier met Koelloeka, zijn leermeester +wachtende was. Beiden zijn thans aangekomen, en bevinden zich in +de beneden-galerij. Wij willen hen daar gaan ontvangen. + +Een oogenblik scheen Iravati bij 't vernemen der tijding al de haar +ingeprente lessen van vormelijkheid, die geen haastige bewegingen +gedoogden, te vergeten, en wilde zij haar vader voorbijsnellen, om +ginds terstond den lang gewachte te verwelkomen. Maar Salhana hield +haar door een wenk en eene ligte handbeweging terug. + +--Vooraf nog een woord!--zeide hij.--'t Is u bekend, dat de +belijders van den Islam, waaronder wij hier leven, het vrijer +verkeer van ongehuwde jongelingen en jonge dochters ten hoogste +afkeuren, en dat ook onze Hindoe's zich meer en meer naar die +inzigten hunner overheerschers hebben geschikt. Ik voor mij blijf, +gelijk u bekend is, aan onze aloude zeden gehecht, en, hoewel ik +voor 't overige streng alle passende vormen wensch in acht genomen +te zien, vergun ik u ook thans, als vroeger in ons eigen land, uw +neef en aanstaanden bruidegom vrijelijk te spreken. Maar laat geen +ander dan onze vertrouwden uw zamenkomsten ontwaren. 't Zou mijn +invloed hier, waar ik bevel voer, kunnen schaden, en ook uw eigen +goeden naam. Thans, kom! + +En haar voorgaand leidde hij zijne dochter naar de opene, mede op +de rivier uitziende galerij, waar de beide bezoekers hun +verschijnen stonden af te wachten. + +--Zijt welkom mijne heeren en vrienden!--sprak Salhana, statig op +hen toetredend,--ik zeg u dank, dat gij aan mijne uitnoodiging +hebt voldaan en terstond uw intrek ten mijnent hebt genomen, niet, +zooals velen plegen te doen, eerst ginds beneden, in de stad. + +De inhoud der woorden luidde hartelijk; de toon waarop zij werden +uitgesproken was het echter evenmin als het strakke, niets +zeggende gelaat. Wie dat een en ander evenwel mogt opgemerkt +hebben, niet de ontstuimige Siddha, die ter nauwernood zijn +deftigen oom begroetend, en Koelloeka nauw den tijd latend den +eerbiedigen groet van Iravati te ontvangen, een vurigen kus drukte +op de door deze hem aangeboden hand, terwijl hij op ridderlijke +wijze zich op één knie voor zijn uitverkorene nederliet. + +--Welkom!--sprak zij, terwijl ze hem tevens wenkte op te staan, +(en hoe zoet klonk hem wederom die zachte, welluidende stem!),-- +welkom, vriend! Ach hoe lang hebben wij u gewacht en uitgezien +naar gindsche bergen, ongerust en haast vertwijfelend aan uw +eindelijke komst! + +--Gij gelooft toch niet, lieve!--riep Siddha, haast +verontwaardigd, uit,--dat ik één oogenblik langer dan noodig was +mijne aankomst in Allahabad kon vertragen? Waarlijk, zoo ik over +bergstroomen en afgronden had kunnen springen om spoediger bij u +te zijn, en had mijn trouwe hengst maar vleugels als Vishnoe's +Garoeda bezeten, ik had, voorwaar, hem niet gespaard! + +--Ik geloof u gaarne,--hernam Iravati, vriendelijk glimlagchend,-- +en 't was ook waarlijk geen verwijt dat ik tot u of onzen +waardigen vriend Koelloeka rigtte. Doch verblijden we ons thans +ook in het zamenzijn, te meer omdat het, zooals ik van mijn vader +verneem, slechts kort zal mogen duren. + +--Inderdaad,--zeide Salhana, na een oogenblik onderhoud met +Koelloeka het gesprek der beide gelieven afbrekend,--onze vrienden +moeten ons morgen al vroeg weer verlaten. Van langen duur acht ik +vooreerst onze ontmoeting dus niet; en toch heb ik, edele Siddha! +het zamenzijn met uwe bruid nog eenige oogenblikken te bekorten, +daar ook ik nog een enkel woord met u wenschte te spreken. En +liefst terstond, daar mijn tijd kostbaar is en ik vóór ons +middagmaal nog velerlei in mijne betrekking heb af te doen. Zoudt +gij dan, uw nader onderhoud nog een weinig uitstellend, voor eene +wijl mij willen volgen? + +Eene weigering van den voorslag was natuurlijk niet denkbaar, en +hoewel schoorvoetend en met een smachtenden blik naar Iravati, +door haar volkomen verstaan en gewaardeerd, volgde Siddha zijn +beleefden maar strengen oom naar den hof, die aan de andere zijde +van het paleis op het hellend terras was aangelegd. + +Daar, onder het lommer der hooge boemen, zette Salhana zich op een +rustbank neder en wenkte zijn neef naast hem plaats te nemem. + +--En zoo gaat gij dan,--begon hij,--uw fortuin beproeven in de +bijna onmiddelijke dienst van onzen grooten Keizer! Inderdaad, gij +moogt van geluk spreken, dat gij een vader hebt die u eene zoo +gunstige gelegenheid weet te openen als u thans geboden wordt, en, +zoo ik 't zonder aanmatiging er bij mag voegen, een oom, die zich +toevallig door zijne betrekking bij magte zag om uwe belangen te +helpen bevorderen. + +--Daarvoor ben ik u ook opregt dankbaar,--antwoordde Siddha,--en +ik hoop nooit te vergeten dat gij, werkelijk meer nog dan mijn +vader zelf vermogt, mij den eersten stap op den ladder zoo +gemakkelijk hebt gemaakt. Doch niet enkel omdat ik daardoor in de +gelegenheid kan komen om misschien eenmaal tot aanzien op te +klimmen, maar ook om ginds eens iets meer te kunnen uitrigten dan +in ons eigen, wel schoon, maar toch afgelegen land, en tevens in +persoon den grooten Keizer te midden van al de pracht zijner +hofhouding te zien, waarvan men te huis mij zoo veel heeft +verhaald. + +--Voorzeker!--hernam Salhana,--dat alles is ook wel de moeite +waard. één raad inmiddels! Wacht u voor overdreven voorstellingen! +Ik zeg niet, van den rijkdom van palelzen en hoven; want daarvan +kan men bij ons in 't Noorden zich bezwaarlijk eene voorstelling +vormen; maar, van den persoon des Keizers. Die zou u wel eens +kunnen tegenvallen, en uw geestdrift zou dan al spoedig merkelijk +zijn bekoeld. Beter dus, met een weinig minder hooggespannen +verwachting te beginnen. + +--Hoe?--vroeg Siddha verwonderd,--verdient dan Akbar niet in +waarheid zijn naam? Is hij niet, gelijk mijn vader en mijn +leermeester hem steeds voorstelden, een groot man zoowel als een +magtig vorst? + +--Dat zeg ik niet,--luidde het antwoord,--maar ook groote mannen +kunnen hun gebreken hebben, die wel eens gevaarlijk dreigen te +worden voor de belangen van anderen. + +--Luister!--ging de Goeverneur voort, voorzigtig rondziend of ook +iemand anders in de nabijheid zijne woorden mogt verstaan, terwijl +hij tevens zijne stem liet dalen tot een zacht fluisterenden +toon,--wanneer een man eenmaal zóó groote magt heeft erlangd als +Akbar, en dat door eigen kloekheid en beleid zooals hij, dan is de +lust naar meer zoo ligt niet bevredigd. De Keizer nu, die reeds +zooveel staten en volken aan zijne heerschappij onderwierp, kan +bezwaarlijk dulden dat uw en mijn vaderland op den duur zoo gansch +onafhankelijk blijve. Gij weet het voorts, niet waar? hoe in den +laatsten tijd weer nu en dan, al bleef 't nog voor de meesten een +geheim, in Kaçmir oneenigheden zijn uitgebroken tusschen onzen +Koning en zijne beide zonen, even als die vroeger ook langzaam en +haast onmerkbaar aanvingen tusschen hem en zijn broeder +Nandigoepta. + +--Neen, dat wist ik niet,--zei Siddha,--het was mij tot dusver nog +niet ter ooren gekomen. + +--Nu,--hernam de ander,--gij zoudt het toch bij gelegenheid wel +vernomen hebben. Dus kan ik 't u ook terstond wel zeggen. Spreek +er intusschen maar niet over met Koelloeka; dat behoeft niet, en +ware misschien ook, zoo ik wél zie, niet goed. Doch nu verder! Die +oneenigheden dan, tusschen den Koning en zijne zonen en tusschen +dezen onderling, worden aangestookt,--gij begrijpt thans, door +wien. Is dan eenmaal de open veete uitgebroken en 't land weer in +partijen verdeeld, dan is er wel een voorwendsel te vinden om ons +den oorlog te verklaren; en de Keizer, door zijne handlangers en +spionnen omtrent den toegang door onze bergpassen ingelicht, komt +dan het land met een sterk leger overvallen en het inlijven in +zijn eigen rijk. Dat neemt nu alles natuurlijk niet weg, dat ik +gaarne zijn buitengewone verdiensten erken; maar diezelfde +eerzucht, die zijn volk groot maakt, kan de ondergang zijn van +onze onafhankelijkheid. + +--Doch hoe,--vroeg Siddha weder, na een oogenblik overdenkens,-- +hoe kunt gij in zulke omstandigheden en als dat alles werkelijk +zoo is, nog de dienaar zijn van een man, die, hoe beteekenend ook, +toch den ondergang van ons vaderland gezworen zou hebben? + +--En waarom niet?--sprak Salhana, op zijne beurt als verwonderd,--is +het dan niet goed dat een onzer, zonder hem zelf te benadeelen, +maar integendeel hem dienend in vele andere eveneens gewigtige +zaken, toch in de gelegenheid blijft, het oog op zijne plannen en +handelingen te houden? Juist daarom is 't ook nuttig dat gijzelf, +onder mijne aanbeveling en bescherming, nader met den heerscher +in aanraking komt. U zal hij voorzeker minder verdenken nog dan +mij, en gij zult alzoo, goed toeziend, ons soms nog beter op de +hoogte kunnen houden dan eenig ander. + +--Maar,--vroeg nogmaals Siddha, na een oogenblik nadenken, en als +aarzelend,--is dat eerlijk? + +--Jongeling!--antwoordde Salhana op hoogen toon, hoewel zijn +gelaat anders geen toorn verried,--laat mij u doen opmerken, dat +een man van mijn leeftijd en ervaring toch wel weten zal wat +eerlijk is of niet, en u, een jongmensch, die zijn loopbaan +aanvangt, toch geen raad zou geven in strijd met de regte +begrippen van eer! + +--Vergeef mij, oom!--hernam Siddha verlegen,--gij weet, ik ben nog +te weinig bekend met de beginselen van hoogere staatkunde om u zoo +terstond reeds volkomen te begrijpen. Ook heeft Koelloeka, mijn +goeroe, mij steeds ingeprent in alles den regten weg te volgen, +nooit dubbelzinnig jegens iemand te handelen, en.... + +--Koelloeka, mijn beste vriend! viel de ander hem in de rede,--is +een voortreffelijk man en voor wien ik steeds de meeste achting +heb gehad; maar hij is een geleerde, geen man van zaken, een man +van theorie, niet van praktijk. Zie nu eens! uw land en volk, +waaraan gij gehecht zijt, wordt bedreigd door een Vorst, dien gij +overigens hoog stelt en ook gaarne dienen wilt, maar alleen niet +in dat ééne. Integendeel, daarin zoudt gij wenschen, en zou 't ook +uw pligt zijn, hem zoo doenlijk tegen te werken. Nu wordt u de +gelegenheid daartoe opengesteld; zoo niet geheel toch in zekere +mate. Zult gij nu die gelegenheid versmaden wegens 't een af ander +afgetrokken begrip van politieke eerlijkheid? En handelt hijzelf +dan zoo eerlijk door uw en mijn diensten aan te nemen en +tegelijker tijd lagen te leggen aan onzen Koning en ons land? En +zoo niet, wat aanspraak heeft hij dan op zoo bijzondere +openhartigheid van onze zijde? Daarenboven, ga maar eens tot +Akbar, en zeg hem, zoo gij durft, in zijn gezigt dat gij zijn +plannen doorgrondt en tegen hem in 't veld denkt te treden! Hij +zou u zien komen, mijn goede vriend! Eer een etmaal voorbij was, +laagt gij geboeid in den kerker of zaagt ge u heimelijk naar de +uiterste grenzen van Dekkan of Bengalen vervoerd,--zoo 't niet +erger met u afliep. Baat u en ons dus geen openlijk verzet, wat +rest dan anders dan goed gebruik te maken van de gunstige +gelegenheid, waardoor, let wel! den Vorst zelven geenerlei kwaad +wordt berokkend, terwijl wij van onzen kant er ons vaderland +misschien nog mee redden van het naderend verderf? + +Niet overtuigd nog, maar toch ook niet wetend hoe dergelijke +redeneringen te wederleggen, zocht Siddha vergeefs naar een +antwoord, en--zweeg, afwachtend wat zijn oom nog verder te zeggen +had. Maar deze scheen het onderhoud voorloopig als geëindigd te +beschouwen en maakte een beweging om op te staan, toen zich in de +laan waarop de rustbank het uitzigt gaf, eene figuur vertoonde, +wél geschikt om Siddha's opmerkzaamheid te trekken en zijne +gedachten voor 't oogenblik af te leiden van het gesprokene. + +'t Was een lange, magere, bronskleurige gedaante, kaal geschoren +behalve één enkele lange haarvlok op het glimmend voorhoofd, +regterarm en borst ontbloot, maar omhangen met het heilig koord +der Brahmanen, en voor 't overige de knokerige leden in een eng +sluitend wit kleed zonder eenig siersel gehuld. Diep lagen de +grauwe bijna wezenloos voor zich uitstarende oogen in hunne +kassen, en de holle wangen en sterk uitstekende jukbeenderen +schenen te getuigen van strenge vasten en harde zelfkastijding. +Schoon voor mensch of dier niet ligt bevreesd, en ook voor 't +overige wel aan de verschijning van dergelijke wonderlijke +gestalten gewend, schrikte toch Siddha een oogenblik voor deze +ééne terug. Menig jongen en krachtigen tijger had hij in de +bosschen weerstaan en met speer en zwaard geveld, en meer dan één +geduchte slang had hij onverschrokken den kop afgehouwen, maar +nooit nog volkomen den afschuw kunnen overmeesteren, die hem bij +den plotselingen aanblik van een schuffelenden adder of een +eensklaps uitschietenden schorpioen beving, ook al vreesde hij +niet terstond de giftige beet. + +--Gorakh, de Yogi,--verklaarde Salhana,--priester van den Doerga- +tempel, ginds op den berg. Bejegen hem met ontzag. Hij verdient +het en heeft meer te beteekenen dan gij alligt vermoedt. + +Sluipend bijkans, meer nog dan gaande, de beide mannen, die +inmiddels opgestaan waren, naderend, sprak de priester, terwijl +hij de beide handen zaamgevouwen naar het voorhoofd bragt, op +langzaam sleependen toon en sommige lettergrepen op wonderlijke +wijze rekkend:-- + +--Om! om! U zij de gunst van den Heer der Wereld en van Doerga, +zijne glorierijke gemalin! Om! + +--Wees gegroet, eerwaarde Gorakh! antwoordde Salhana op die +zonderlinge toespraak,--zie hier mijn neef, Siddha Rama uit +Kaçmir, van wien ik u vroeger reeds gesproken heb. + +--Hij zij gegroet!--was Gorakh's plegtig antwoord,--en moge hij +eenmaal, den strijd der tweeheid te boven, de zegeningen +doorgronden van het ter oneindige zaligheid leidend eenheidsbewustzijn, +waarin gij, mijn leerling en vriend! reeds meer en meer den waren weg +des heils begint te herkennen!--Doch,--vervolgde hij na een oogenblik +niet minder plegtig zwijgen,--dat levenservaring hem eerst dien weg +bereide, gelijk ze u en mij dien gewezen heeft! Gunnen we hem den tijd, +dien de leerling behoeft! Trouwens, ik ken hem, en weet dat hij eenmaal +tot de onzen zal behooren.--Nog onlangs,--en hier wendde hij zich +onmiddelijk tot Siddha,--nog onlangs heb ik u ontmoet. + +--Vergeef mij, Eerwaarde Heer!--zei de toegesprokene,--zoo ik 't +van mijn kant mij niet herinner.... + +--Dat kunt gij ook niet,--werd hem geantwoord;--ik was op dat +oogenblik onzigtbaar voor menschelijk oog. + +Te wel bekend met de wonderlijke beweringen der Yoga-belijders, +dat ze bij voorkomende gelegenheden zich onzigtbaar konden maken, +en dergelijke, vergenoegde zich Siddha met stilzwijgend den +priester aan te hooren, toen deze tot zijn verbazing voortging: + +--Het was op dien avond toen gij den tijger van den kluizenaar +zocht te vervolgen, en.... Maar wij spreken elkaar nog wel nader! +De edele Salhana verlangt thans mijn onderhoud. Tot later dan, +vaarwel! U zegene Doerga's magtige gemaal! + +En met doffe stem zijn--Om! Om!--prevelend, verwijderde zich de +Doerga-priester met Salhana, die, zijn neef een--Tot straks!-- +toeroepend, hem alleen liet in den hof. + +De laatste mededeeling van den Yogi was wél geschikt om Siddha's +verwondering op te wekken. Hoe wist die man wat er ginds met hem +in 't gebergte was voorgevallen, waar hij buiten zijn eigen +reisgezelschap geen enkel menschelijk wezen had bespeurd? Het +gezigt van zijn dienaar, dien hij op eenigen afstand daar tusschen +de boomen zag dwalen, bragt hem inmiddels op eene gedachte, die, +meende hij, alligt het raadsel kon oplossen. + +--Vatsa!--zeide hij, den man wenkend,--hebt gij of Koelloeka's +dienaar zoo even of daar straks met een priester gesproken? + +--Neen, Heer!--antwoordde Vatsa,--wij hebben zelfs geen priester +gezien. + +--Niet?--vroeg Siddha, thans wezenlijk verbaasd,--nu, goed dan! +Gij kunt gaan!--En terwijl hij met de hand wenkte, prevelde hij +half verstoord en toch ook half verschrikt, in zichzelf:--ik moet +er Koelloeka eens over spreken! + +Doch hoe kon nog eenig priester of wat ook een oogenblik langer +zijne gedachten bezighouden, toen hij, een eind weegs voortgewandeld, +het wit gewaad en de slanke gestalte van Iravati gewaar werd onder het +digte lommer der mango's aan den oever van een kleinen lotusvijver, +besproeid door een zacht klaterende en aangename koelte verspreidende +fontein? Bloemen lagen om haar heen en een nog onafgewerkten krans hield +zij in de hand. Doch zoodra niet hadden voetstappen in de nabijheid hare +opmerkzaamheid getrokken en nauw had zij Siddha herkend, of zij wierp +den krans weg, en snelde haar minnaar met zaamgevoegde en ter hoogte +van het voorhoofd opgeheven handen te gemoet. Hartstogtelijk drukte +Siddha ze in de zijnen, en de geliefde terugleidend zette hij naast haar +zich neder in het mos. + +--Wat uw vader toch een wreed man is,--sprak hij,--ons terstond +zoo weer te scheiden, nadat wij nauwlijks een paar woorden +gewisseld hadden! + +--Wel!--zei Iravati,--gij moest hem eer bedanken, dat hij ons +toestaat, elkaar zoo alleen te spreken. Dat is hier lang niet +allen vergund, die in ons geval verkeeren. + +--Nu goed!--hernam Siddha,--daarvoor wil ik hem van harte dankbaar +zijn, en te hooger waardeer ik dit gelukkig oogenblik, naar ik te +langer er op wachten moest. Doch hoe nu? Gij deelt dunkt mij niet +geheel in mijne blijdschap; wat mag de reden daarvan zijn? + +--Ach!--zuchtte Iravati,--hoe ware 't geluk onverdeeld als men +weet dat hét zoo kort is van duur? Welligt of waarschijnlijk is +dit het eenige korte oogenblik dat we voor langen tijd elkander +vrijelijk mogen spreken. En morgen gaat gij weer verder, naar de +weelderige, woelige stad, waar gij een eenvoudig meisje als ik ben +alras zult vergeten.... + +--Vergeten!--riep Siddha uit,--heb ik dergelijk vermoeden aan u +verdiend? En wat is ook eene afwezigheid van misschien enkele +maanden? Keert dan,--vroeg hij met de woorden van Amaroe, terwijl +hij hare hand vatte, en haar nader ter zich trok,--"Keert dan wie +gaat, niet terug? Hoe dus: mijn liefste! zoo treurig? Blijft niet mijn +hart als mijn woord, scheiden we ook straks, u verpand." + + +--Ja,--zei Iravati lagchend,--als dichters ons troosten konden! +Maar vertel mij, Siddha! hebt gij nog nooit een vers op mij +gemaakt? + +--'k Wilde dat ik het kon,--was het nederig antwoord,--en +inderdaad ik heb 't wel eens beproefd, maar wat ik ook zocht, ik +vond nooit iets uwer waardig. Daarentegen is er een andere kunst, +waarin ik misschien iets beter ben bedreven dan in poëzie, en wat +ik daarin beproefde wil ik niet voor u terughouden.-- + +En een klein met edelgesteenten omzet medaljon uit zijn gordel te +voorschijn halend toonde hij zijne verloofde een miniatuur +portret, waarin zij wel terstond haar eigen beeld moest herkennen. + +--Siddha!--riep zij blijde uit,--maar ik ben immers lang zoo +schoon niet! + +--Zoo schoon niet!--herhaalde hij,--neen, maar wel honderdmaal +schooner dan mijn penseel of dat van een ander u afbeelden kan! + +En in zeker opzigt had hij gelijk. Want, naar Indischen smaak, had +hij de doorsnee der oogen en de grootte van den mond een weinig +overdreven, terwijl juist de volkomen evenredigheid van beide met +de overige trekken een van Iravati's wezenlijke schoonheden was. + +--Maar hoe nu?--vroeg hij verschrikt, terwijl zijne gezellin +eensklaps was opgestaan en snel aan zijne armen ontsnapte, die +haar trachtten te omvatten,--hoe nu? gij neemt de vlugt? + +--Wacht mij even!--sprak zij,--in een oogwenk ben ik bij u terug. + +Met de vlugheid der gazelle zag hij tusschen de boomen haar den +weg nemen naar het paleis, als zwevend de breede marmeren trappen +bestijgen en weinige oogenblikken later terugkeeren met een niet +terstond uit de verte herkenbaar voorwerp in de hand. Toen, hem +weer genaderd, vertoonde zij hem, terwijl een blos hare wangen +overdekte en hemzelven een uitroep ontsnapte van blijde +bewondering, zijn eigen, welgelijkend, maar ditmaal werkelijk een +weinig geïdealiseerd portret. + +--Liefste mijn!--sprak hij in vervoering, en eer ze zedig zich kon +terugtrekken had hij haar middel omvat en een vurigen kus op de +frissche rozeroode lippen gedrukt. + +--Zie! sprak zij,--de onstuimige omhelzing zachtkens afwerend,-- +nu zou mijn vader toch tevree met ons zijn! We hebben juist gedaan +zooals de prinsen en prinsessen, waarvan onze nationale +vertellingen spreken; die maakten ook elkaars portret. + +--Niet volmaakt juist, lieve!--verbeterde Siddha,--ze maakten hun +eigen portret, en ruilden dan met elkaar, of als ze elkander +afbeeldden, dan ruilden ze toch. Maar ik vind onze manier toch +beter; de hunne scheen mij altijd in 't eene geval een blijk van +verregaande ijdelheid, en in 't andere heel doelloos. + +--Foei!--zei Iravati bestraffend,--maakt gij aanmerkingen op de +schriften der Ouden? Wie weet of gij straks niet onze heilige +boeken zelf zoudt gaan kritiseren! + +--Nu ja, en waarom niet?--vroeg Siddha,--als ze nu eenmaal hier of +daar mis hebben of smakeloos zijn, of.... + +--Gij zijt toch, hoop ik, geen twijfelaar? + +--Twijfelaar? Aan wat? + +--Aan het gezag der heilige Veden, bij voorbeeld, of aan.... + +--Kom, beste!--viel Siddha de schoone spreekster lagchend in de +rede,--kom! laten we nu in deze weinige oogenblikken, die ons nog +gegund zijn, niet doen als zoovelen onzer landgenooten, die elkaar +haast nooit kunnen ontmoeten of ze doen elkander allerlei +theologische en philosophische vragen. + +--Gij hebt gelijk,--hernam Iravati,--en zie, ik weet ook een +spelletje dat veel aardiger is, en dat gij ook wel kent. Let op! + +En zich vooroverbuigend naar den kant van den vijver, plukte zij +een donkerblauwe lotusbloem, nam een groot langwerpig boomblad dat +daar op den grond lag, en, na het vlug tot een soort van schuitje +omgebogen te hebben, den lotus daarin stekend, liet zij het blad +drijven op het zacht door de beweging der fontein bewogen +watervlak. + +--Die bloem is mijn Siddha,--sprak ze half in zichzelve,--laat +ons nu zien of hij mij trouw zal blijven! + +--Neen!--sprak Siddha op zijne beurt verwijtend,--dat is een gek +spel! Dat moet gij niet spelen! + +Maar Iravati luisterde nauwelijks en zag met ademlooze +belangstelling naar het dobberend boomblad uit, dat daar vrolijk +op de kabbelende golfjes danste. + +--Trouw! trouw!--juichte zij.... + +Daar streek een ligt zuchtje van den zuidenwind over het water; +het ranke vaartuig helde ter zijde, kantelde, en vertoonde weldra +niet meer dan het ondervlak, terwijl de lotus verdween. + +--Helaas!--riep Iravati uit en liet het hoofd op de borst zinken, +--mijne voorgevoelens zouden mij dan niet bedriegen? + +--Foei! zeg ik nu van mijn kant,--sprak Siddha,--eene edele wel +opgevoede jonkvrouw hecht aan zulke dwaasheden, die hoogstens te +vergeven zijn aan onnoozele boerenmeisjes! En zoo stelt gij dan +meer vertrouwen in een boomblad, dat van zelf wel moet omvallen +als ge 't maar lang genoeg drijven laat, dan in het eerewoord van +een Indisch edelman, die u zijne trouw heeft gezworen als gij de +uwe aan hem? + +--Ach, Siddha!--zuchtte Iravati,--heb medelijden met mij als ik +mij soms wat kinderachtig aanstel! En is mijne onrust u geen blijk +hoe ik u liefheb? Mag ik niet soms, hoe groot ook mijn vertrouwen +op uw woord en uwe liefde is, met zekere onrust denken aan die +stad waar gij heengaat en waar u wie weet het welke verzoekingen +wachten? Toch had ik daareven groot ongelijk, dat erken ik; en,-- +vervolgde zij, haar hoofd aan Siddha's schouder leunend,--ik weet +immers ook, dat Siddha de mijne is, nu en voor altoos en dat er +geen andere vrouw bestaat, die mij ooit zijn hart kan ontrooven! + +Haar middel omvattend, zag Siddha de geliefde zwijgend aan; maar +die blik zeide meer dan de krachtigste betuigingen, en nameloos +gelukkig vleide zich Iravati aan zijne borst. + +Een gerinkel van ringen in de nabijheid deed beiden opzien, en uit +Siddha's omhelzing zich loswindend, zeide Iravati: + +--Ons zamenzijn, vriend! is geëindigd; daar komt Nipoenika, mijne +dienares, ons waarschuwen. + +Inderdaad verscheen een oogenblik later de dienares, wier gouden, +om de bronskleurige enkels en armen sluitende ringen onder 't gaan +het zooeven vernomen geluid hadden veroorzaakt, en meldde hare +meesteres dat de Goeverneur haar uitnoodigde, naar hare vertrekken +terug te keeren en zijn neef verzocht, met hem en Koelloeka aan +den maaltijd te komen deelnemen. + +Met een ligten handdruk scheidde Iravati van haar verloofde, en +begaf zich met Nipoenika terug naar het paleis. Op een afstand +volgde Siddha om zijn oom en zijn reisgezel in de benedenvertrekken +te gaan opzoeken. + +Aan pracht en weelde ontbrak het niet bij het maal, aangerigt in +een der kleinere vertrekken, dat met zijn open galerij een +heerlijk uitzigt leverde op het schilderachtig landschap daar +omlaag. Zijden, fraai geborduurde kussens, waarop de gasten plaats +namen, gouden en zilveren schalen in overvloed, keur van spijzen +en wijnen, tal van dienaren van allerlei gelaatskleur en in allerlei +kostuum, in één woord al wat overeenkomstig mogt heeten met den rang +van Salhana als Goeverneur der veste en voor 't oogenblik hoogst +gestelde onder de bewoners van het vorstelijk paleis. Maar de regte +vrolijkheid ontbrak aan het deftig feest en geen vertrouwelijkheid was +denkbaar; alles bleef er vormelijk, statig, stijf; en de gesprekken, +even onbeteekenend als hoffelijk, werden blijkbaar slechts tusschen de +drie mannen gevoerd omdat stilzwijgen onbeleefd zou zijn geweest. +--Hoe anders,--kon Siddha niet nalaten te denken,--hoe anders toch dat +eenvoudige maal bij den kluizenaar in het gebergte!--En 't was of +Koelloeka ongeveer hetzelfde dacht toen zijn jonge vriend hem even +aanzag; althans de blik dien hij toen juist in 't ronde wierp en zijn +nauw zigtbare, door Salhana niet opgemerkte glimlach bewezen wel dat er +ook iets dergelijks omging in zijne gedachten. + +Ten laatste inmiddels liep de lang gerekte maaltijd, waarbij in +alle deftigheid ook nog al vrij wat wijn was gedronken, ten einde. +Maar ook het overig gedeelte van den dag leverde voor Siddha geen +verder genoegen meer op. Wel dwaalde hij een tijd lang onder het +balkon der vertrekken rond, welke hem de gedienstige Nipoenika, +hem daar ontmoetend, als die harer meesteres had aangewezen, maar +Iravati vertoonde zich niet, en toen zij tegen den avond nog +eenmaal in tegenwoordigheid van haar vader en diens gasten +verscheen, was het enkel om een kort afscheid te nemen, even +vormelijk als de eerste begroeting in den morgen was geweest. + +Vroegtijdig met het krieken van den dag moest den volgenden morgen +de reis worden voertgezet, om onder behoorlijke middagrust de +hitte van den dag te kunnen ontwijken, en vroeg dus begaven de +reizigers zich naar hunne vertrekken. + +Doch zoo noodig de rust hem ook ware, de jongste der beiden kon +zoo terstond ze niet vinden, toen hij in 't voor hem gereed +gemaakte vertrek was aangekomen; en ongenegen dadelijk zijn +rustbed op te zoeken, begaf hij zich, na zijne wapens te hebben +afgelegd, nog voor eenige oogenblikken aan het open venster, dat, +aan de achterzijde van den burgt, het uitzigt verleende op de ook +daar aangebragte vestingwerken en de hier omheen liggende, nu in +nachtelijke schemering gehulde bosschen, waarachter zich weder +heuvelen en enkele hoogere, hier en daar met tempels en andere +heiligdommen gedekte bergen verhieven. + +Niet enkel Iravati's beeld echter was het wat op dit oogenblik hem +bezig hield. Ook de staatkundige gesprekken met zijn oom en de +zonderlinge ontmoeting met den geheimzinnigen priester rezen weer +op voor zijn geest. Dat deze door een of anderen kunstgreep achter +het voorval met den tijger was gekomen, begreep hij wel, al kon +hij niet ontdekken hoe; maar waartoe moest dat alles dienen, en +wat wilde die man eigenlijk? En Salhana, de Goeverneur? Viel er +vertrouwen te stellen in diens karakter, moesten zijne aanduidingen +gevolgd en werkelijk voor Koelloeka verzwegen worden wat er dien morgen +verhandeld was? Of ware 't niet noodig hem daarover te raadplegen? + +Eene onverwachte verschijning op den eersten ringmuur, waarvan de +lage borstwering scherp uitstak tegen de wel reeds nachtelijke +maar toch heldere lucht, deed Siddha een oogenblik het onderwerp +zijner overpeinzingen vergeten om spoedig zijne gedachten nogmaals +daarop terug te brengen. + +Boven de borstwering namelijk vertoonden zich eensklaps halverwege +twee gestalten zonder dat hij begreep hoe zij, terwijl hij toch +juist op den muur gestaard had, er zoo in eens waren gekomen; en +spoedig herkende hij aan hunne gedaanten, schoon hij de +gelaatstrekken niet onderscheiden kon, zijn oom, den Goeverneur, +en Gorakh, den Doerga-priester. Al weer die twee te zamen en in +dit late uur! Doch het wonderlijkste van de verschijning was +misschien nog de gansch veranderde houding van beiden. Geen zweem +meer van hunne vroegere stijfheid en statigheid. De een +gesticuleerde al harder dan de andere bij het blijkbaar zeer +levendig gesprek, terwijl zij nu eens naar het kasteel, dan weer +naar het gebergte aan de overzijde wezen. Het onderhoud bleef in +vollen gang tot het eensklaps gestoord werd door de verschijning +van wederom nieuwe figuren, die één voor één achter elkaar langs +den ringmuur zich voortbewogen. Dunne, magere gestalten allen, en +bijkans geheel naakt, met uitzondering van een wit, om den hals +gewonden koord, dat ook in de schemering nog door het verschil met +hunne donkere huidskleur zigtbaar bleef. Aanstonds bij hunne komst +was Salhana, waarschijnlijk langs een uit het paleis onzigtbare +trap, even snel verdwenen als hij straks gekomen was. De priester +had onmiddelijk al zijne statigheid weer aangenomen, en met de +regterhand naar een der hoogste bergen wijzend, stelde hij zich +aan het hoofd van den stoet, en daalde met dezen langs den muur +naar het aan den voet der rots gelegen donkere woud omlaag. Een +lange reeks van gedaanten, alle nagenoeg volkomen op de eerste +gelijkend, volgde hem, en Siddha had lang opgehouden te tellen +toen hij de laatste in de duisternis van het bosch verdwijnen zag. + +Eene ligte huivering had zijns ondanks hem bevangen toen hij die +zonderlinge gestalten daar voorbij zag trekken en hun uitwendig +voorkomen met den naam der godin in verband bragt, aan wier dienst +zich Gorakh heette gewijd te hebben, en wier tempel op gindschen +berg zij thans waarschijnlijk met hem gingen bezoeken. Kon het dan +waar zijn dat die sekte nog bestond, waarvan hij zoo menigmaal +gehoord had, maar die hij lang uitgeroeid of uitgestorven waande, +dat geheimzinnig verbond van daemonen in menschengedaante, dat zoo +lang de plaag en de schrik van Hindostan was geweest, het +vreeselijkst voortbrengsel welligt, dat ooit godsdienstig +fanatisme had uitgebroeid? En met een aanvoerder van dergelijke +bende zou zijn oom, de dienaar des Keizers in verstandhouding +zijn? 't Was inderdaad niet te gelooven, en lagchend om zijn eigen +dwaze voorstellingen verliet Siddha het venster, en wierp zich, +haastig ontkleed, op zijne legerstede. + +Vermogt hij ook nu nog niet spoedig den slaap te vatten, en dwaalden +nog lang de tegenstrijdige beelden van Iravati en Salhana en Gorakh met +diens naakte bruine volgelingen hem door het hoofd, tot één vast +besluit was hij toch gekomen eer hij insliep: met Koelloeka zou hij +niet spreken over 't geen hij dien dag gehoord en gezien had. Dat zijn +oom in geheimen was gewikkeld, bleek hem duidelijk genoeg, maar voor +een staatsman was dat zoo onnatuurlijk niet, en niets bewees hem dat +zij iets misdadigs hadden, terwijl toch de ontdekking alligt van +nadeelige gevolgen voor Salhana en misschien ook voor diens naaste +betrekkingen kon zijn. Was dan hij, Siddha, nu geregtigd het een of +ander uit te brengen, aan wien dan ook, wat een vertrouwelijk gesprek +of een louter toeval hem daaromtrent had bekend gemaakt? Koelloeka zelf +zou ongetwijfeld de eerste zijn om dergelijke handelwijze af te keuren. + + + +DERDE HOOFDSTUK. + +Agra + +Vrolijk trompetgeschal wekte Siddha uit zijne ligte +morgensluimering. Haastig opspringend, zag hij uit het venster het +groote plein van den burgt met eene menigte ruiters overdekt, +sommigen hunne paarden afzadelend, anderen bezig met op te stijgen +en zich in gelid te stellen. Voor de eene helft de ruiters, die +uit Allahabad naar Agra stonden te vertrekken en met wie onze +reizigers den togt derwaarts zouden ondernemen, voor de andere de +krijgslieden, die eerstgenoemden kwamen vervangen. Reeds zag de +jonge edelman zijn dienaar met den schimmel op hem wachten, en +vlug maakte hij zich tot het voortzetten der reize gereed. Weinig +tijds later zat hij te paard, terwijl ook eenige oogenblikken +daarna Koelloeka met den Goeverneur verscheen. + +Nog even inmiddels vond Siddha, eer de stoet zich in beweging ging +stellen, de gelegenheid om langs de bastions den hoek om te rijden +tot aan het balkon, waar hij den vorigen namiddag zoo herhaaldelijk naar +had opgezien. Ditmaal werd hij niet geheel in zijne verwachting bedrogen. +Tusschen de planten die het balkon bedekten ontwaarde hij terstond eene +hem wel bekende, in 't wit gehulde gestalte, die bij zijne nadering met +een luchtig op den zachten wind fladderend doek wuifde; en toen hij +digter bij was gekomen daalde dit langzaam neder zoodat hij, met eene +vlugge wending van zijn paard, het op de punt zijner lans kon opvangen. + +'t Was een van die schitterend gekleurde en ragfijne weefsels van +Kaçmir, die de wanhoop van alle wevers der wereld uitmaakten en +die zich even ligt door een vingerring lieten trekken als tot +sluijer gebruiken of tot een tulband zamenvouwen. Snel kuste hij +'t voor hem onwaardeerbaar afscheidsgeschenk, wond het in een +oogwenk om het gevest van zijn sabel, en toen met de hand wenkend +ten laatsten groet, was hij dra in eenige sprongen bij zijne +reisgenooten terug. + +Een eind wegs begeleidde nog Salhana, mede te paard, zijne gasten +en de vertrekkende ruiters. Daarop nam hij afscheid, zijn neef nog +mededeelend dat hij spoedig hem te Agra hoopte terug te zien, +vermits hij zelf eenige dagen later zich derwaarts dacht te +begeven; en in gezelschap van den bevelvoerenden officier der +afdeeling, met wien zij intusschen kennis hadden gemaakt, trokken +onze reizigers verder. + +Meer dan één dag nog duurde de togt. Voor een groot deel door +zandige, veelal met meer steenen dan boomen bedekte vlakten, soms +ook over liefelijke begroeide heuvelen, en meest langs of in de +nabijheid van den oever der Djoemna. Eindelijk werd op weinig +afstand van Agra des avonds de laatste halt gehouden, en toen nu +den volgenden morgen na een korten rid de Keizerstad zelve was +bereikt, zagen de reizigers, ook diegenen onder hen voor wien de +aanblik niet nieuw meer was, de moeite en de onvermijdelijke +verveling van den togt zich wél vergoed. + +Halvemaansgewijze, langs den tegenovergestelden oever der rivier, lag +tusschen tuinen en vestingwerken van allerlei vorm de breede rei van +paleizen en moskeën, die in dezen tijd en nog lang daarna Agra of +Akbarabad tot een van de schoonste en prachtigste steden der wereld +maakten. In het midden ongeveer en uitblinkend boven allen verrees het +paleis van den Keizer zelf, waarvan het hoofdgebouw, van alle zijden +omringd door kleinere, tusschen de digte boomgroepen der lusthoven +verspreid, door de keurige voeging zijner roode en glad gepolijste +zandsteenen als uit één in het zonlicht glanzend granietblok scheen +gehouwen, en toch, in weerwil van het waarlijk kolossale zijner +afmetingen, met zijne menigte van puntig uitloopende koepeldaken en +vlugge slanke torens en als de fijnste kant tegen de lucht uitstekend +beeldhouwwerk een voorzeker niet minder bekoorlijken dan overweldigenden +invloed op den beschouwer te weeg moest brengen. En daar omheen de +paleizen en lusthoven der hofgrooten en der rijke en aanzienlijke +stadbewoners en de moskeën met hare koepels en minaretten, en hier en +daar ook nog enkele pagoden, overblijfsels en laatste getuigen van een +vroegeren, in deze streken althans, overwonnen beschavingstoestand. Wél +was die aanblik reden genoeg voor den reiziger, en in 't bijzonder ook +voor hem die de plek voor 't eerst bezocht, om den teugel in te houden, +ten einde nog eene wijl zich te verlustigen in het gezigt van zooveel +pracht, en, kon het, een oogenblik na te denken over den indruk daardoor +veroorzaakt. Eén eenig mensch, magtig veroveraar en diep ingrijpend +hervormer bovendien, was dan voor 't grootste deel de stichter van dat +alles, dat in eene voormaals nog weinig aanzienlijke plaats als +eensklaps door eene tooverroede te voorschijn was geroepen uit den +barren grond? Wat geweldig, wat veelbeteekenend man dat niet zijn moest! +En een gevoel van beklemdheid greep Siddha aan, toen hij zich +voorstelde, misschien binnen kort vóór dien man te zullen verschijnen +en welligt zelfs eenige woorden, zij 't ook slechts vormelijke, met hem +te moeten wisselen. + +Weldra intusschen begaf men zich verder en, aan de overzijde der +rivier gekomen, namen Koelloeka en Siddha afscheid van hun +reisgenoot, den officier, en begaven zich met hunne dienaren naar +de woning door een van Koelloeka's vrienden voor hen gehuurd,--een +eenvoudig maar smaakvol en aangenaam ingerigt huis met een +vriendelijk uitzigt op omliggende tuinen en op den klaren, in de +morgenzon glinsterenden stroom in de laagte. + +--Komaan, dat treft!--zei Koelloeka toen zij de woning waren +binnengetreden,--ik zie daar dat onze goederen al met de kameelen +zijn aangekomen. Nu behoeven wij niet stil te zitten en kunnen +straks al dadelijk, als we ons wat gekleed hebben, onze opwachting +bij Aboel Fazl, den Minister gaan maken. Eerst nu een frisch bad; +en inmiddels kan Vatsa onze zaken helpen uitpakken. + +Een half uur later waren beiden tot het voorgenomen bezoek op weg; +Siddha in een tot de knieën reikend en op de met een parelsnoer +behangen borst een weinig geopend goudlakensch kleed, en gedekt +door een niet te grooten, met een veder gesierden tulband, waarin +hij Iravati's afscheidsteeken had gevlochten; Koelloeka eveneens +in ietwat sierlijker, min streng eenvoudig gewaad dan hij tot +dusver gedragen had. Sabel en dolk, meer tot tooi nu dan tot +voorkomend gebruik, strekten tot wapentuig. + +De weg naar het paleis des Ministers was niet lang; en daar +aangekomen en de voorhoven doorgegaan zijnde, werden de beide +bezoekers op de vermelding hunner namen terstond naar een der +binnenvertrekken geleid om daar den Vizier af te wachten. Ook +stelde deze hun geduld niet lang op de proef. Weldra werd een der +gordijnen, die het vertrek van de overige scheidden, ter zijde +geschoven, en Aboel Fazl trad binnen. + +Hij was een eenigszins gezet man van middelbare lengte en +omstreeks een goede vijfig jaar, in een wel eenvoudig, maar toch +kostbaar gewaad van gele, gebloemde zijde gekleed. Een baard droeg +hij in 't geheel niet, maar zijn glad gelaat vertoonde niettemin, +ook in weerwil van zekeren vermoeiden trek, eene uitdrukking van +mannelijke kracht en sterken, vasten wil, eene uitdrukking tevens +weer getemperd door den vriendelijken blik zijner donkere oogen. + +--'t Verheugt mij, u zoo spoedig hier te zien,--sprak hij na de +gewone groeten, die van de zijde van Koelloeka en Siddha zeer +eerbiedig waren;--onze jonge vriend betoont zich daarmede, dank +zij waarschijnlijk ook uwe aansporing, wijze Koelloeka! niet +langzaam in 's Keizers dienst. + +--'t Ware voorzeker ook een slecht begin,--merkte de aangesprokene +op,--indien hij een oogenblik langer dan noodig was had gedraald +om de eervolle betrekking te komen aanvaarden, die uwe gunst en +die des Keizers hem hebben toegedacht. + +--Geen gunst, mijn vriend!--hernam Aboel Fazl--geen gunst, maar +verstandig beleid, zoo ik hoop. Wij achten hier geenszins nuttig, +alle betrekkingen steeds in handen te geven van onze eigene +grooten, en stellen 't ook op prijs als 's lands oorspronkelijke +edelen zich wijden aan onze dienst. Ook weet gij dat onze +Radjpoet's ongaarne hun aanvoerders uit anderen dan van hun eigen +stammen zien gekozen. En wat eindelijk kon mij aangenamer zijn dan +den zoon van een oud vriend, en van wien ik ook niet dan goede +getuigenissen vernam, tot een betrekking te roepen die zijn vader +gewenscht voor hem acht? + +--Veroorloof mij niettemin, edele Heer!--sprak nu Siddha toen de +Minister zweeg--het mij toegezegde als een gunst te blijven +beschouwen en Uwe Excellentie daarvoor mijn dank en dien van mijn +vader te betuigen! Ik wil hopen dat ik mij haar niet gansch +onwaardig zal maken. + +--Blijf trouw vóór alles!--zei Aboel Fazl ernstig;--'t is een +voorschrift dat u thans overbodig schijnt; maar als ge wat langer +hier zijt geweest, zult gij aldra bemerken dat het dit in 't +geheel niet is in een omgeving waar verraad menigmaal van alle +kanten loert en zich ook de besten nog wel eens tot ontrouw lieten +verleiden. Morgen inmiddels zal uw opperbevelhebber u de noodige +instructiën geven voor de dienst. Ook zal hij voorzeker niet +nalaten u te waarschuwen, wat voorzigtig met uwe Radjpoet's te +zijn. Want, gij weet het, velen hunner, al bekleeden zij geen +bepaalden militairen rang, zijn edelen als gij, en willen dus niet +zoo geheel behandeld worden als gewone soldaten. Voor 't oogenblik +zult gij, naar ik onderstel, wel eens wat meer van de residentie +willen zien dan gij tot nogtoe er van gewaar zijt geworden. Ik wil +u dus niet langer terughouden.--Doch wacht nog even,--sprak de +Minister, toen Siddha zich gereed maakte te vertrekken,--een +geleider zal u niet onwelkom zijn, en ik meen u een geschikten te +kunnen aanwijzen.--Daarop in de handen klappend, vroeg hij den +spoedig verschenen dienaar:--Is mijn neef Parviz hier? + +--Ik zag hem zooeven nog in den hof gaan,--antwoordde de dienaar. + +--Zeg, dat ik hem hier wensch te zien! + +Weinige oogenblikken later verscheen een jongman van ongeveer +Siddha's leeftijd, rijk gekleed en met juweelen en paarlen gesierd +en van een bevallig en innemend, schoon ook in weerwil van zijn +fijnen zwarten knevel ietwat vrouwelijk voorkomen. + +--Parviz!--zei Aboel Fazl,--zie hier de beide heeren uit Kaçmir, +waarvan ik u de komst gemeld heb. Den edelen Siddha zult gij hoop +ik al spoedig uw vriend mogen noemen. Thans wilt gij hem alligt +wel tot gids strekken in onze stad, die hij voor 't eerst bezoekt. + +--Gaarne, oom!--antwoordde Parviz, terwijl hij Siddha beleefd en +vriendelijk tevens groette,--'t zal mij niet minder genoegen zijn +dan eer. + +--Zoo gaat dan!--hernam de Minister.--Koelloeka zal misschien nog +wel enkele oogenblikken hier willen vertoeven om met mij sommige +belangen van Kaçmir te bespreken. Doch, mijne heeren!--zeide hij +nog in 't bijzonder tot Siddha en den Brahmaan,--vergeet vooral +niet nog heden mijn broeder Feizi een bezoek te brengen! Hij zou +'t u erg kwalijk nemen als gij 't uitsteldet tot morgen, al werd +mij de voorrang ook gaarne door hem gegund. + +En op een vriendelijken wenk van den Staatsdienaar verwijderden +zich de beide jongelieden en verlieten gezamenlijk het paleis. + +--Kom!--zei Parviz, toen zij buiten waren,--'t is gelukkig nog zoo +heel warm niet, en we konden dus wel eens dadelijk het eerste gaan +zien waar een bezoeker van Agra wel vóór alles heengaat, het +paleis van den Keizer. Ten minste als de wandeling u niet te zwaar +is na uw morgenrid. + +--Och!--antwoordde Siddha, spoedig gemeenzaam met zijn nieuwen +vriend,--om de warmte geef ik in den regel al even weinig als om +de kou, wij zijn er in onze bergen wel aan gewend. En ook niet om +een weinig moeite. Maar ongaarne zou ik u last veroorzaken om mij +iets te laten zien wat gij zelf natuurlijk al lang kent. + +--Nu,--hernam Parviz wat spotachtig,--zoo'n ijzervreter ben ik wel niet +als gij, die daar uit de hooge bergen en wilde bosschen komt; maar een +wandelingetje kan ik toch nog wel maken, en al kreeg ik 't nu ook wat +warm, uw gezelschap zal mij de mogelijke vermoeijenis wel doen +vergeten. + +Zoo al pratend en terwijl men elkander 't een en ander omtrent +eigen betrekkingen en belangen meedeelde, waarbij Parviz onder +anderen vertelde dat zijn oom, de Minister, hem voor de +krijgsdienst, waarin hij zelf ook niet veel behagen vond, +ongeschikt achtte, en hem voor een staatsambt bestemde, kwamen de +beide wandelaars al spoedig aan de groote, breede straat, die een +der hoofdtoegangen vormde tot de voorhoven der vorstelijke +paleizen. Aan het einde dier straat was een hooge, in den vorm van +een triomfboog opgerigte poort, en deze doorgegaan zijnde kwam men +op een uitgestrekt, door platanen beschaduwd plein, dat ook nog +door zes andere bogen van gelijke bouworde en even breede straten +toegankelijk werd gemaakt. In 't midden verhief zich een kolossale +steenen olifant, door den tromp bij wijze van fontein en hooge +waterkolom opspuitend; en de drie andere zijden van het plein +werden ingesloten door lange reijen van marmeren kolonaden, +waarachter als trapsgewijze de verschillende verdiepingen der +hoofdgebouwen omhoog rezen. Was de aanblik misschien minder +treffend en schilderachtig dan die van de rivierzijde, de +verbazende uitgestrektheid der paleizen en hunne bijbehoorende +gebouwen, waaronder ook vestingwerken van velerlei aard, viel +daarentegen te meer in het oog. + +--Gij begrijpt wel,--zei Parviz,--dat we dat alles wat daarbinnen +is nu niet in eens zien kunnen, ook al waren we nog zoo bestand +tegen vermoeijenis; wij zouden er toch den tijd niet voor hebben. +Doch laten we nu dan voorloopig eens het een en ander er van +bekijken, dan kunt gij u ten minste eenig begrip vormen van het +geheel. Gaandeweg zult gij er later wel meer van zien. + +En een der galerijen binnentredend deed Parviz zich en zijn +medgezel aan een wachter kennen, die hun terstond een geleider +medegaf naar de voor bezoekers van hun rang toegankelijke +binnengebouwen. En nu ging het door lange reeksen van grootere en +kleinere vertrekken, het eene al rijker en fraaijer gestoffeerd +dan het andere, alle opgetrokken in den luchtigen en bevalligen +Moorschen bouwtrant, en waarvan er verscheiden een bekoorlijk +uitzigt leverden op de uitgestrekte tuinen met hunne frissche +fonteinen en hun pacht van bloemen en gewassen van allerlei soort. +Hier marmeren wanden, ingelegd met sierlijke bloemen van keurig +mozaïekwerk; daar spiegels van alle kanten en fijne, haast +onzigtbare fonteinen, wier dunne stofregen een heerlijke koelte +verspreidde; allerwege goudlakensche of zijden, met goud- en +zilverdraad gestikte gordijnen en voorhangsels van velerlei naar +den aard der overige versierselen wisselende kleur, en zware +tapijten en zachte zijden kussens, waarop in die omgeving zich uit +te strekken op zich zelf reeds een genot mogt zijn geweest. + +--Daar ginds, aan den anderen vleugel,--zei Parviz weder,--zou +men u nog veel meer fraais kunnen toonen; maar daar kunnen wij +natuurlijk niet binnenkomen: 't zijn de vrouwenvertekken. Ik heb +eens een kijkje gehad in een paar daarvan, toen ze pas waren +afgewerkt en nog niet bewoond werden; ja, wat daar niet al aan ten +koste moet zijn gelegd! Maar ik schenk u de beschrijving; gij hebt +al genoeg te kijken en dus zeker ook weinig lust om nog meer aan +te hooren. Is,--vroeg hij den geleider,--de groote audientie-hal +open? + +--Neen, Heer!--antwoordde de ander,--voor 't oogenblik niet; maar +over een paar dagen.... + +--Nu, 't maakt ook niet uit,--hernam Parviz.--Binnenkort,-- +vervolgde hij tot Siddha,--zal er wel openbare audientie zijn en +dan kunnen wij er heengaan. En van de vertrekken die de Keizer +zelf bewoont, zult gij later misschien wel meer gewaar worden. +Laat ons voor 't oogenblik nog wat bijzaken gaan opnemen, die het +zien toch ook nog wel waard mogen heeten. + +Langs hooge en breede zuilengangen, waarbinnen zich een menigte +van dienaren en krijgslieden van allerlei rangen bewoog, soms ook +door de regte en lange lanen van het park, wandelden nu de +bezoekers voort, terwijl Parviz zijn medgezel de bestemming der +verschillende zalen en gebouwen aanduidde. Hier de Keizerlijke +bibliotheek, met hare rijk gebonden handschrfften, ginds de +werkplaatsen der goudsmeden en juweliers, de laboratoriën ter +vervaardiging van reukwerken, de uitgebreide magazijnen en +keukens, en eindelijk ook, behalve nog de arsenalen der vesting, +de stallen der paarden, olifanten en kameelen, die meer in 't +bijzonder voor den Keizer zelf en zijn gevolg waren bestemd. + +Tot dusver had Siddha gemeend, toch ook nog wel begrip van +paleizen te hebben; nu echter begon hij tot de overtuiging te +komen, dat hij er eigenlijk nog nooit een gezien had. Niet weinig +vooral verbaasde hem de uitgebreidheid van die stallen, die van +boven en uit de verte beschouwd, zich als heel een afzonderlijk +dorp vertoonden te midden van de parken waarbinnen ze waren +opgerigt. + +--Wat menigte van edele dieren daar niet zijn moet,--merkte hij +op. + +--Ja,--antwoordde Parviz,--een goede honderd olifanten zijn er +onder anderen stellig wel hier; hoeveel er elders nog voor den +Keizer worden gehouden weet ik niet met zekerheid; naar men zegt +moet hij er nog heel wat bezitten en een evenredig aantal kameelen +en paarden en jagt-luipaarden. + +--Maar,--vroeg Siddha,--wat heeft één man, al is hij ook Shah +Akbar, nu toch eigenlijk aan zooveel overdaad in alles? + +--Hij voor zich zelf niet veel,--was het antwoord,--en misschien +minder nog dan gij wel meenen zoudt. Geboren in een wildernis, +toen zijn vader als balling rondzwierf, en opgevoed in een +legerkamp, hecht hij volstrekt niet aan al die inderdaad +overmatige weelde, en zou ongetwijfeld met oneindig minder tevrede +zijn; maar hij is overtuigd en, naar ik geloof, volkomen teregt, +dat een vorst als hij, in deze landen en onder al die volken en +grooten waarover hij heerscht, een indrukwekkende praal niet +minder van noode heeft dan een sterk leger en ervaren staatsmannen. Wij +allen, Perzen, Mongolen, Arabieren of Hindoe's gijlieden zoo goed als +wij, zijn nu eenmaal gewoon daartegen op te zien en te meer ontzag voor +den monarch te hebben naar hij meer uiterlijk vertoon maakt. Doch als ge +nu meent dat met al die vertooning ook verkwisting zamengaat, dan zoudt +ge u niet weinig vergissen. Ik durf u ten stelligste te verzekeren dat +er in waarheid niets wordt weggeworpen, en al wordt er soms ook +gestolen, heel veel kan 't betrekkelijk niet zijn. Want tot in de +kleinste bijzonderheden van deze ontzaggelijke hofhouding heerscht +even strenge regel en orde als in de verschillende afdeelingen van +het staatsbestuur, die bijkans overal in het rijk van den Grooten +Mogol als voorbeeld kunnen gelden van een verstandige administratie. +Mijn oom Aboel Fazl is bezig dat alles nauwkeurig te omschrijven in zijn +groote werk over de instellingen en het bestuur van den Keizer, in zijn +Aïn i Akbari, waarbij hij mij wel eens een handje laat helpen. Eene zaak +met dat al is er, waarin men Akbar soms wel eens verkwistend mogt noemen. +Als 't namelijk geldt, anderen bij te staan die zich in moeilijkheden +bevinden of behoeftig zijn, en eenige aanspraak op zijn mildheid kunnen +maken, of ook wel de bevordering van wetenschap en kunst, dan hebben +zijn schatmeesters dikwijls moeite genoeg hem binnen de redelijke +grenzen te houden. Maar nu!--vervolgde Parviz na een oogenblik +stilzwijgen,--'t wordt nu waarlijk onze tijd om naar huis te gaan; +de zon begint al te branden en ik wil u ook wel bekennen dat ik +wat vermoeid ben. Als we hier nog langer bleven ronddrentelen zou +ik veel lust hebben hier of daar op een rustbank neer te vallen en +er de koelte van den avond af te wachten; maar daar hebben we niet +veel aan, en dan verloopen we ook ons maal. + +--Zoo laat ons den terugtogt dan aannemen!--antwoordde Siddha,--en +ik dank u inmiddels van harte voor uw vriendelijk geleide. Gij +hebt mij hier al haast den weg geleerd. + +Langs een bijpad aan de andere zijde der tuinen en gebouwen leidde +nu Parviz zijn vriend naar diens woning terug, en daar afscheid +nemend, zeide hij: + +--Gij zult het morgen waarschijnlijk wel te druk hebben met +dienstzaken om nog verder de stad te bezigtigen of uitstapjes te +maken. Doch zoo gij overmorgen of later wilt, ik ben gaarne tot uw +dienst. Laat mij 't maar eens weten, of ik kom u misschien ook wel +opzoeken. + +De beide jongelieden gaven elkaar de hand, en in een koel vertrek +zijner woning ging Siddha de middagrust genieten, die ook hem op +dit oogenblik toch niet onwelkom was. + +Tegen 't vallen van den avond begaf hij met zijn ouderen vriend +zich weer op weg om Feizi, den broeder des Ministers, het +voorgenomen bezoek te brengen. Eene aangenaam tusschen digte +boomgroepen gelegen en betrekkelijk niet uitgestrekte maar toch +rijk en smaakvol gebouwde villa diende Aboel Fazl's jongeren +broeder tot woning. Aanstonds werden ook hier de bezoekers +toegelaten en bij den bewoner aangediend; weinige oogenblikken +daarna verscheen een dienaar om hen binnen te leiden in Feizi's +eigen vertrek. + +Daar, in de nabijheid van het balkon, dat voor een groot deel zich +uitbreidde langs het gebouw, zat aan een kunstig bewerkte tafel, +met velerlei handschriften bedekt en door menigte van anderen op +den grond liggende omringd, een man in de kracht zijns levens, met +de schrijfstift in de hand en voorover gebogen over zijne papieren +en perkamenten. Zoodra hij de bezoekers gewaar werd, stond hij op, +trad hen te gemoet, en beiden zonder verdere formaliteiten met een +eenvoudig: Welkom! de hand gevend, wenkte hij hen, op de vóór het +balkon gespreide kussens met hem plaats te nemen. + +Wat Feizi vooral van zijn ouderen broeder onderscheidde, met wien +hij overigens veel gelijkenis vertoonde, was de opgeruimde, +joviale uitdrukking van zijn eveneens glad geschoren gelaat en +eene bijzondere ongedwongenheid van manieren, aan de hoffelijke +vormen van een man van de wereld gepaard. Ook kenschetste zijn +kalme en rustige blik meer nog den stillen denker dan den man van +krachtig, rusteloos handelen, schoon hij als krijgsman toch ook +menige dappere daad had bedreven en als gezant meer dan eens +netelige vragen had helpen oplossen voor zijn vorst. + +--Ik wist het wel,--zeide hij, terwijl een paar dienaren den +gasten wijn en ververschingen kwamen aanbieden,--gij zoudt den dag +niet laten verloopen, waarde Koelloeka! zonder mij, zoo goed als +mijn broeder, met uw bezoek te verheugen en mij in kennis te +brengen met uw jongen vriend, dien ik spoedig ook den mijne hoop +te noemen.--En wat zegt ge nu wel van onze nieuwe stad?--vroeg hij +aan Siddha.--Gij hebt er toch zeker al 't een en ander van gezien? + +--Uw neef Parviz, edele Heer!--antwoordde Siddha,--heeft dezen +morgen de vriendelijkheid gehad mij door een gedeelte van het +paleis rond te leiden. Maar om u de waarheid te zeggen, ik kan er +eigenlijk nog zoo geen oordeel over uitspreken; ik ben voor 't +oogenblik eenvoudig verbaasd over zooveel pracht en zooveel +heerlijke kunstwerken. Ik had er mij veel van voorgesteld, maar +dat alles is mij gebleken vér beneden de werkelijkheid te zijn. + +--Dat geloof ik gaarne,--hernam Feizi,--het gaat iedereen zoo, die +voor 't eerst hier komt. Men mag nog zooveel beschrijvingen van +Akbar's paleizen gehoord of gelezen hebben, toch staat men nog +altijd verwonderd als men ze werkelijk ziet. Maar zeg mij, +Koelloeka! hoe gaat het u tegenwoordig in uw verre Noorden? Ik ben +benieuwd weer eens iets van uw Kaçmir te vernemen. + +Gaarne beantwoordde Koelloeka de vraag, schoon in 't algemeen en +zonder thans te doelen op de weer aangevangen oneenigheden; en ook +Siddha nam spoedig een levendig deel aan het gesprek. Nooit nog +had hij met een vreemde zoo snel zich op zijn gemak gevoeld als nu +met dienzelfden veelbeteekenenden Feizi, des grooten Keizers +vriend zoowel als raadsman, tegen wiens nu reeds allerwege +beroemden naam van geleerdheid en kunde hij steeds zoo hoog had +opgezien. Al spoedig had inmiddels het gesprek het terrein der +dingen van den dag verlaten en was het overgegaan tot onderwerpen +van meer algemeenen aard. Vooral ook tot letterkundige. + +--Gij bewondert onze paleizen,--sprak Feizi tot Siddha,--en gij +erkent dat zij uwe verwachting overtreffen; maar mij is 't nog +gansch anders gegaan, toen ik voor 't eerst kennis maakte met uwe +eeuwenoude klassieke en geheiligde litteratuur. Onze geloovige, +maar daarom nog niet heel kundige moellah's hadden mij altijd +verteld, dat Indische letterkunde eigenlijk niets anders was dan +een verward en smakeloos zamenraapsel van allerlei gedrogtelijkheden, +even verderfelijk voor waren kunstzin als gevaarlijk voor het geloof in +Allah en zijn Profeet. Wat er van dit laatste zijn mag, laat ik daar; +maar als mijn kunstsmaak als ook mijn zucht naar wetenschap voldaan +zullen worden dan geschiedt dit vrij wat beter door uwe dichters en +denkers dan door de onzen. Wat prachtige heldendichten de uwe, wat +verheven lyriek, wat schitterende drama's, en welke ridderlijke en +edele, wat humane en zedelijk reine gevoelens in veel van dat alles! En +welk eene diepte en omvang tevens van gedachten bij uwe wijsgeeren van +ouds! Maar wat behoef ik ulieden dat te herinneren? Gij weet en begrijpt +het natuurlijk veel beter dan ik, die niet dan met zware inspanning uwe +moeilijke, zoo gansch en al van ons Perzisch en Arabisch verschillende, +klassieke taal kon leeren verstaan. + +--Nu, het Sanskrit waait ons tegenwoordigen Hindoe's, die +natuurlijk meest Hindostani spreken, ook juist niet aan,--zei +Siddha,--vraag Koelloeka maar eens, hoeveel hij met mij te doen +heeft gehad om 't mij te leeren. + +--'t Ging nog al,--merkte Koelloeka goelijk aan,--maar al heeft +dan een Feizi in den aanvang zoo goed als ieder ander moeite gehad +met het leeren der taal, hij heeft wél doen vergeten dat ze +oorspronkelijk hem niet eigen was, door zijne vertaling van onze +Kaçmirsche kronijk en voorzeker niet minder door zijne treflijke +navolging van Nala en Damayanti. + +--Wat heerlijk dichtwerk, niet waar?--hernam Feizi, die niet +spoedig was uitgepraat als hij eens over Hindoe-litteratuur +begon,--en hoever blijft niet elke bewerking in eene andere taal +beneden het origineel, zoo eenvoudig en toch zoo verheven schoon, +met die onovertroffen vrouwenfiguur, de edele, reine, bij alle +beproeving en miskenning, aan haar onwaardigen gemaal zoo +onwankelbaar trouwe Damayanti! Voor 't overige, als ik soms iets +navolg dan doe ik 't voornamelijk ten gerieve van Akbar, die +natuurlijk geen tijd heeft om nog eens vreemde talen te gaan +leeren en toch alles lezen wil. Zoo heeft hij mij ook al een +overzetting van de Evangeliën opgedragen. + +--Van de wat?--vroeg Koelloeka. + +--Van de heilige boeken dier mannen uit het Westen, die zich, naar +den stichter hunner godsdienst, Christenen heeten, en waarvan gij +toch zeker wel gehoord hebt. Nu, er staat ook veel lezenswaardigs +in die boeken, en er komen veel verheven en diepzinnige +denkbeelden in voor, nevens veel onbeduidends en ook onzinnigs, +even als in uwe theosophiën; maar over 't geheel geeft het niet +bepaald veel nieuws als men uwe theologie en wijsbegeerte eenmaal +kent. Maar wat mij ook zoo bijzonder steeds bevalt,--dus vervolgde +hij, zijne lofrede op oud-Indië's beschaving voortzettend,--dat +zijn uwe spreuken. Hoe laf en zouteloos schijnen mij wederom de +onze, die voor hooge wijsheid moeten doorgaan, als ik ze bij die +andere vergelijk! Al had ik er maar deze ééne van u geleerd, ik +zou al genoeg hebben om mij weer moed te geven als ik dien soms +verlies bij het arbeiden aan mijn manuscripten daar: + +"De schat, die niet vergaat, niet wordt geroofd, maar aangroeit, + Naar gij hem meer verkwist, die schat heet wetenschap." + + +--Is 't zóó goed?--vroeg hij Siddha, na de regels in 't +oorspronkelijke te hebben uitgesproken,--of maak ik soms een fout? + +Een oogenblik aarzelde Siddha met zijn antwoord, maar Koelloeka +aanziend, die glimlagchend knikte, antwoordde hij met gepaste +vrijmoedigheid: + +--Eene enkele, Heer! maar trouwens ook een zeer geringe.--En den +laatsten regel herhalend, verbeterde hij de uitspraak van een der +daarin voorkomende woorden. + +--Nu, ik kom er nog al wél af!--riep Feizi vrolijk uit,--maar +zegt gij mij nu ook eens een spreuk van Bhartrihari voor! Gij kent +er toch zeker wel een enkele van buiten. + +Siddha dacht een oogenblik na en reciteerde toen: + + "Elk werd geboren die leeft; wezenlijk echter geboren + Heel alleen hij, die een naam nalaat aan 't komend geslacht." + + +--Oho!--zei Feizi lagchend,--gij hebt daar in uw Kaçmir nog wat +anders dan Sanskrit geleerd! Gij zijt al vrij wel gevorderd in de +kunst van vleijen, mijn vriend! + +--Vleijen?--vroeg Siddha,--maar zou dan uw naam, als die van uw +broeder Aboel Fazl tot in de verste streken van Hindostan en zeker +ook van Perzië doorgedrongen, bestemd zijn om door volgende +geslachten weer vergeten of door hen niet gewaardeerd te worden? + +--Mijns broeders naam!--sprak de ander,--ja, dien zal men niet +ligt weer vergeten! Al was 't nog niet eens om zijn daden, dan +toch zeker om zijn onsterfelijk werk, zijn Akbar-Nameh, waarin hij +bezig is de regeringsgeschiedenis van onzen grooten Keizer te +beschrijven. Dat wordt eerst een boek, mijne vrienden! waarbij al +mijn werken en tobben in 't niet verzinken. Ik heb alleen, het +inziende, hem wel eens de aanmerking gemaakt, dat hij Akbar, die +toch altijd een mensch blijft en dus ook wel zijne gebreken heeft, +wat al te zeer in de wolken steekt, en dus alligt in toekomende +tijden zich den blaam van partijdigheid of zelfs van vorstenvleijerij +op den hals zal halen. Maar hij wil er niets van hooren, iets op zijn +lof van den Keizer af te laten dingen.--Als ik,--antwoordt hij mij, +--niet alles zeggen mag wat ik wezenlijk in gemoede denk van den man, +die meer is dan mijn vorst, die mijn weldoener is en mijn trouwste +vriend, dan werp ik mijn gansche boek veel liever in 't vuur!--Nu, gij +begrijpt, daartegen valt dan niet veel te redeneren. En bovendien men +kan 't aan Akbar zelf wel merken, al zegt hij 't niet, dat het hem +gansch niet onwelkom is, zich door zijn vriend, aan wiens oordeel hij +hooge waarde hecht, zoo geprezen te zien. + +--Edele Feizi!--sprak Siddha, nadat er een kort oogenblik stilte +had geheerscht,--mag ik u eens eene opregte vraag doen? + +--Wel zeker!--luidde 't gulle bescheid,--en ik hoop er even +eerlijk op te kunnen antwoorden. + +--Nu dan, toen wij daar van den Minister Aboel Fazl spraken, kwam +mij eene waarschuwing in de gedachte die hij mij dezen morgen gaf. +Hij waarschuwde namelijk tegen het verraad dat den Keizer hier +steeds omringt. Zoudt gij, die zoo verstandig zijt, nu wezenlijk +meenen dat hier nog lieden zijn kunnen dwaas en tevens misdadig +genoeg om tegen zoo magtig, zoo groot en zoo weldadig een vorst +als Shah Akbar zamen te spannen?--of is het werkelijk zoo? + +--Och kom!--riep Feizi uit,--mijn broeder ziet ook overal verraad! +Maar dat is nu eenmaal een Minister, en vooral een eersten, een +Groot-Vizier, eigen. Maak u echter niet al te beducht; de +menschen zijn inderdaad zoo slecht niet, en in elk geval niet gek +genoeg om zich aan dergelijke kunsten te wagen, waarbij ze hun +hoofd op 't spel zetten met voor 't minst tien kansen tegen één. + +--Feizi!--sprak Koelloeka ernstig en half verwijtend,--uwe +optimistische beschouwingen getuigen ongetwijfeld voor uw goed +hart; maar denkt gijzelf niet, dat ze soms gevaarlijk mogten +worden, en bijvoorbeeld jongeren, zooals onzen nog weinig ervaren +vriend hier, tot onvoorzigtigheid verleiden? + +--Nu, maar ik zeg ook niet dat hij onvoorzigtig moet zijn,-- +hernam de ander,--ik meen alleen dat hij nu juist niet behoeft te +beginnen met zich allerlei voorstellingen omtrent hof- en +staatsintriges in 't hoofd te halen, maar kloek en blijmoedig het +leven behoort in te gaan. Zoo begonnen wij allen, en we zijn er +immers wél bij gevaren. Met al te veel achterdocht aanvangend kon +hij op 't laatst wel eens niemand meer gaan vertrouwen, ook mijn +broeder zelf en mij niet. + +--Dat in geen geval!--riep Siddha levendig uit, terwijl hij Feizi +vrijmoedig in 't vriendelijk open gelaat zag,--en zoo min ik ooit +bedekte vijandschap van uwe zijde zou vreezen, zoo min hebt gij te +eeniger tijd verraad of trouweloosheid te wachten van wien zóózeer +prijs stelt op uwe achting en vriendschap als ik. + +--Gedenk dat woord!--zei nogmaals Koelloeka op ernstigen toon,-- +en bedenk tevens dat de mensch nooit bij magte is vooruit alle +omstandigheden en oorzaken te kennen, die eenmaal invloed kunnen +hebben op 't geen hij gewoon is, kortzigtig, zijn vrijen wil te +noemen. + +--Zie zoo!--sprak Feizi op zijn gewone luchthartige manier,--daar +zijn we nu weer aan de philosophie. Nu, gij weet, dat behoort ook +al tot mijn liefhebberijen, al ben ik er juist niet vér in; en als +mijn geleerde vriend Koelloeka wil, dan laten wij de lichten +aansteken, want het begint al donker te worden, en verdiepen wij +ons nog wat in Sankhya en Vedanta, waarin hij zelf zoo sterk is. +Jammer, dat wij Akbar zoo maar niet kunnen doen uitnoodigen om bij +ons gesprek tegenwoordig te zijn! Dat was juist weer iets voor +hem, die de droogste philosophische discussie vermakelijker vindt +dan de schitterendste feesten. + +--Niets liever, geëerde Feizi!--was Koelloeka's antwoord,--dan +zamen nog menig uur, gelijk wij vroeger zoo dikwijls deden, aan de +door u bedoelde onderwerpen te wijden; maar voor 't oogenblik is +'t voor ons meer dan tijd om te gaan. Siddha moet morgen in de +vroegte reeds op 't appél zijn om zijn kommando over te nemen, en +ikzelf heb te huis nog heden, al wordt het nacht, verscheiden +zaken te regelen vóór mijn vertrek, dat op overmorgen bepaald is. +Wilt gij ons dus vergunnen, thans voorloopig u dank te zeggen voor +uwe, als altijd, zoo vriendelijke ontvangst? + +--Ik moet wel, waarde vriend!--antwoordde Feizi, terwijl hij een +dienaar riep om de bezoekers uitgeleide te doen,--al verzette ik +mij gaarne tegen uw besluit. Siddha!--zeide hij nog vertrouwelijk +tot dezen, na afscheid gereed den dienaar en zijn leermeester te +volgen,--wij spraken daar straks van onvoorzigtigheden.... Waak +daar tegen! Maar een jong man als gij loopt er bij ongeluk toch +wel eens in, vooral aan zoo'n hof als 't onze, en mogt dat soms +eens gebeuren en gij u in verlegenheid bevinden, kom dan gerust +bij Feizi; die kan u misschien nog wel eens uit den brand helpen. + +En zonder antwoord of dank af te wachten keerde de broeder des +Ministers zich om, en ging naar zijn binnenvertrek terug.... + +Zoo ontbrak het dan Siddha,--de gedachte drong onder 't huiswaarts +keeren zich als van zelf bij hem op,--zoo ontbrak 't hem bij de +intree in het leven waarlijk niet aan goede raadgevers en aan +steun! Voor uiterste omstandigheden de wijze kluizenaar van het +gebergte, voor geringere moeijelijkheden de verstandige en +invloedrijke Feizi, en daarenboven de hem reeds gebleken gunst van +den eersten Minister en de toegezegde van den oppermagtigen Keizer +zelf. Wat iemand vooreerst nog meer had kunnen verlangen? + + + +VIERDE HOOFDSTUK. + +Akbar + +Toen den volgenden morgen onze jeugdige krijgsman op een van de +groote pleinen der vesting het bevel over zijne afdeeling benevens +de noodige instructiën van den Hoofd-Mansabdar der Radjpoet's +ontvangen had, bleek hem al spoedig dat in vredestijd ten minste +de dienst noch lastig noch bijzonder zwaar was te achten. De boven +hem gestelde officier was een streng man en zeer gesteld op de +krijgstucht, die bij deze troepen anders wel eens te wenschen +overliet; maar daaraan was Koelloeka's leerling wel gewend, +terwijl hij ook zelf een goede tucht onmisbaar achtte; en voor 't +overige bleek diezelfde Mansabdar, die hem als teeken van zijn +rang de witte reigerveder met het daaraan bevestigd onderscheidingsteeken +overreikte, een zeer beschaafd en wellevend mensch, wien het bij al +zijne strengheid ook niet aan zekere vriendelijkheid ontbrak. Niet +minder behaagde Siddha het voorkomen zijner ondergeschikten, aan wie hij +thans vormelijk werd voorgesteld; kloeke jonge mannen bijkans allen en +uitnemende ruiters, in sierlijke, schitterende kleedij als hunne +aanvoerders, met krijgshaftige houding en gelaatstrekken stralend van +levenslust en moed. + +Op uitnoodiging van den bevelhebber liet nu Siddha zijne ruiters +eenige evolutiën maken, waarbij hij zelf ook gelegenheid had zijne +rijkunst zoowel als de uitnemende dressuur van zijn hengst te doen +bewonderen; en na afloop der oefening zou Koelloeka, ware hij +tegenwoordig geweest, ongetwijfeld met zelfvoldoening de +goedkeuring hebben opgemerkt, welke zijn leerling van den kant +zijner superieuren ten deel viel. Na nog eenige gezamenlijke +bewegingen met eene andere op het plein verzamelde afdeeling, werd +de trompet gestoken ten teeken dat de exercitie voor heden was +afgeloopen, en bevel gegeven tot inrukken. + +Aan Vatsa, die bij een van de toegangen tot het plein hem stond te +wachten, gaf nu Siddha zijn paard over, en rigtte daarop zijne +schreden naar een der tuinen van het paleis, waarvan het bezoek +aan officieren van zijn rang veroorloofd was. Eer hij echter den +hof bereikt had, zag hij uit een zijlaan een jonge vrouw naderen, +blijkens hare kleeding eene dienares van goeden huize, die op hem +toetredend, een oogenblik hem oplettend aanzag en toen vroeg: + +--Zijt gij, Heer! niet de edele Siddha, die hier onlangs uit +Kaçmir moet zijn aangekomen? + +--Die ben ik,--antwoordde de ander,--gij schijnt mij te kennen. + +--Ik persoonlijk niet,--zei de dienares,--maar de edele vrouw die +mij gezonden heeft, gaf mij uwe aanduiding. Zij verlangt voor +eenige oogenblikken uw onderhoud; zoudt gij de goedheid willen +hebben haar dat te gunnen? + +--Maar,--vroeg Siddha,--wie is uw meesteres? + +--Vergun mij, Heer!--was het antwoord,--u den naam voor 't +oogenblik te verzwijgen; zij zelve zal u daaromtrent voorzeker +inlichten, als gij haar met een bezoek mogt willen vereeren. En +wilt gij dit, dan wacht zij u nog heden avond. Kom dan omtrent zes +uur ginds bij de moskee,--en hier wees zij naar het even prachtig +als sierlijk gebouw, dat daar op eene hoogte achter de tuinen met +zijne vergulde koepeldaken en wit marmeren minaretten in het +zonlicht glansde,--ik zal u daar wachten en u geleiden. + +Siddha aarzelde en zocht naar een antwoord. Een avontuur? En hij +dacht aan Iravati. Of een komplot? En hij herinnerde zich de +waarschuwing van Aboel Fazl. + +--Nu?--vroeg de dienares, eenigszins spottend hem aanziend,--weet +een ridder als gij niet wat hij doen zal, als eene aanzienlijke +vrouw hem uitnoodigt tot een kort onderhoud? Gij zijt toch, hoop +ik, niet bevreesd.... + +--Bevreesd!--riep Siddha toornig uit, terwijl een hoogrood zijn +gelaat overdekte,--wat geeft u 't regt....--Maar--vervolgde hij, +zich bedwingend,--'t is waar, mijne weifeling moest u zonderling +schijnen. Laat de reden u evenwel onverschillig zijn, en wacht mij +tegen den bepaalden tijd bij de moskee! + +--Het is wel!--antwoordde de vrouw en verwijderde zich met een +beleefden groet door de laan waarlangs zij gekomen was. + +Wel overlegde Siddha of hij niet beproeven zou haar ongemerkt te +volgen en zoo mogelijk dus te ontdekken met wie hij te doen had; +doch spoedig begreep hij dat hem dit toch niet gelukken zou, en de +dienares wel behoorlijk op hare hoede zou zijn. Schoon onvoldaan, +en met de gansche zaak en zichzelven niet erg tevrede, wandelde +hij dan maar voort in afwachting van 't geen de avond zou geven en +bereikte hij ook spoedig den eigenlijken hof. + +Zoo rijk ook de aanleg van dezen, toch was er iets wat het oog eer +vermoeide dan bevredigde: de onveranderlijk regte lanen, alle met +glad gepolijste steenen van verschillende kleur bevloerd, en meer +nog tusschen een soort van lage, kunstig gebeitelde muurtjes, dan +tusschen boomen uitloopend op eveneens in marmer besloten vijvers, +in wier midden zich fonteinen van allerlei vorm verhieven. Wat +daarenboven het gezigt nog eentooniger maakte, was het volmaakt +vlakke dier regte lanen, die op verschillende plaatsen in het +ongelijke terrein waren uitgegraven. Met dat al bleef de aanblik +toch treffend en in elk geval heerschte er doorgaans eene +aangename koelte ouder de digte, hier en daar verspreide +boomgroepen, waaronder ook sierlijke marmeren banken eene +aangename rustplaats boden. + +Op een dier banken zag onze wandelaar, na een tijdlang te zijn +voortgegaan zonder iemand te hebben ontmoet, een man gezeten van, +naar 't hem voorkwam, middelbaren leeftijd en eene, niet lange +maar bijzonder krachtige statuur, met breede schouders en +zwaargewelfde borst, een man wiens uiterlijk voorkomen, zonder dat +hij van de reden zich wist rekenschap te geven, op merkwaardige +wijze zijn aandacht trok. Van de hovelingen, welke Siddha tot +dusver ontmoet had, onderscheidde deze man zich door niets wat +bepaald onder woorden viel te brengen. Zijn gelaat, als dat der +meeste anderen glad geschoren, was kalm, waardig en open, maar +noch bepaald schoon, noch ook het tegendeel te noemen, en zijn +kleeding was rijk maar toch vrij eenvoudig. Een gewaad van niet +bijzonder kleurige, maar zeer fraai doorweven stof, en tot eenig +siersel, behalve de kunstig gedreven en met edelgesteenten bezette +sabelgreep, een enkele diamant van buitengewone grootte en +schitterenden glans in de plooijen van den tulband. Maar wat +sierselen noch schoonheid van gelaatstrekken konden verleenen, dat +was die eigenaardige uitdrukking van houding en blik, die Siddha +ook terstond in Gaurapada, den kluizenaar, had getroffen, maar hem +nu bij dezen nog veel meer in 't oog viel, en die nagenoeg +uitsluitend den heerscher, niet ligt een onderdaan eigen kon zijn. +Toch vermoedde hij in den onbekende niets anders dan een hoveling +of een krijgsbevelhebber; want van eenig vorst, die op dit +oogenblik zich aan Akbar's hof zou bevinden, had hij niets +gehoord, en de groote Keizer zelf zou toch zoo ligt niet voor +iedereen genaakbaar zijn, noch zoo eenzaam daar op een bank in een +der voor vreemden toegankelijke tuinen zijn gezeten. Met een +zwijgenden groet wilde hij juist voorbijgaan, toen de onbekende op +eens zijn naam uitsprak, en zonder op te staan en zonder nadere +inleiding vroeg, of hij al kennis met zijn Radjpoet's gemaakt had. + +Nogal verwonderd, dat iedereen scheen te weten wie hij was, +antwoordde Siddha bevestigend, waarop de ander, terstond de zaak +verklarend, voortging: + +--Ik herkende aan die reigerveder uw rang, en daar ik nu al uwe +medeofficieren persoonlijk ken en tevens wist dat gij dezer dagen +hier zoudt komen om uw betrekking te aanvaarden, was 't mij ook +niet moeilijk te weten wien ik voor mij zag. En hoe bevalt u die +betrekking? Zet u inmiddels! + +--Ik zou,--antwoordde Siddha, aan de uitnoodiging gehoor gevend, +al klonk die meer als een bevel, en nauw of in 't geheel niet +opmerkend hoe die volslagen onbekende hem als een ondergeschikte +scheen te behandelen,--ik zou al erg ondankbaar jegens mijn +begunstigers en den Keizer moeten zijn als ik de eervolle en +tevens aangename betrekking niet waardeerde waarin zij mij +geplaatst hebben. + +--...En den Keizer!--herhaalde de ander,--nu ja. Maar zeg mij, +komt gij nu eigenlijk om hem te dienen, of eenvoudig om deel te +hebben aan de voorregten, die uw rang aan zijn hof u verleent? + +--Een lastige vraag, edele Heer!--sprak Siddha openhartig,--en die +ik mij zelf eigenlijk nog in 't geheel niet gesteld heb. Ik zou er +voor 't oogenblik alleen op kunnen antwoorden: om 't een zoowel +als om 't ander. Dat ik overigens den Keizer trouw hoop te dienen, +zoolang eer en pligt het mij veroorloven, spreekt, dunkt mij, wel +van zelf als ik eenmaal vrijwillig mij aan zijn dienst verbonden +heb. + +--Voorzigtig geantwoord!--merkte de onbekende aan,--de vraag is +alleen maar, wat gij soms onder eer en pligt verstaat. Dat zijn +rekbare woorden. + +--Voor velen,--hernam Siddha,--maar niet voor mij. Ik neem ze in +den strengsten zin. Maar ook in eene bepaalde beteekenis. Eer en +pligt zouden mij bijvoorbeeld verbieden in strijd te handelen met +de belangen van mijn eigen vaderland, en ik zou dat ook niet +willen doen al werd het door Akbar zelf mij bevolen, maar in dat +geval liever al de voorregten opgeven, welke zijn gunst mij zou +kunnen verzekeren. + +--En gij zoudt wél doen,--sprak de ander goedkeurend, maar wat +reden hebt gij tot dergelijke onderstelling als zou de Keizer +inderdaad iets van u verlangen wat u en den uwen tot wezenlijk +nadeel kon strekken? + +Een oogenblik weifelde Siddha en draalde met zijn antwoord, +terwijl hij, als reeds vroeger, aan zijn gesprek met zijn oom, den +Goeverneur van Allahabad dacht. Spoedig echter vermande hij zich +en, den vreemde met vrijmoedigheid in het rond en open gelaat +ziende, vroeg hij zonder verdere inleiding of voorbereiding: + +--Is Akbar niet eerzuchtig? + +--Jongmensch!--sprak de onbekende op een toon en met een blik, die +Siddha zijns ondanks eene zijdelingsche beweging deden maken op +zijn bank,--zooeven hebt gij voorzigtige uitdrukkingen gebezigd, +maar aan 't hof van Shah Akbar zelf u zoo uit te laten jegens +iemand, dien gij in 't geheel niet kent, dat dunkt mij toch al erg +gewaagd. + +--Zoo mag het schijnen,--antwoordde Siddha onbevangen, ik ken u +niet, dat is waar; doch of ik uw naam en rang nu verneem of niet, +is mij voor 't oogenblik onverschillig. Ik zie u, ik zie uw +gelaat, ik hoor uw stem: dat is mij genoeg; en een edelman, jong +en nog onervaren bovendien, die openhartig en opregt met u +spreekt, zult gij en kunt gij niet verraden noch willen +benadeelen, omdat hij toont u te vertrouwen. + +Een glans van genoegen, doch niet zooals gestreelde ijdelheid dat +verschaft, maar van waarlijk edele en reine voldoening, overtoog +bij die eenvoudige woorden het gelaat van den onbekende. Vleitaal +te hooren was hem niet vreemd, en hij was daarvoor ook geenszins +ongevoelig, maar hier was het een woord uit het hart, dat +ongetwijfeld belangeloos tot hem gesproken werd, en juist datgene +in hem roemde waarop hij prijs stelde boven alles.... + +--Dat--zeide hij, de hand op Siddha's schouder leggend, en zachter +dan anders klonk zijn stem en eene innemende vriendelijkheid blonk +uit zijn helder oog,--dat is een waar woord, dat gij gesproken +hebt! Gij vertrouwt mij, zegt gij, ook hoewel ge mij nog niet +kent. Blijf daarbij als ge mij eenmaal wél zult kennen! Maar nu +dan Akbar! Eerzuchtig is hij, naar uwe meening, en gij hebt regt. +Ik ken hem eenigszins, al is 't ook zoo goed niet als ik wel zou +verlangen, en ik stem het u toe dat hij eerzucht heeft. Een +onbegrensde, nooit voldane eerzucht zelfs. Maar welke? Zoudt gij +dan werkelijk meenen dat het enkel de zucht was om al meer en meer +rijken en volken toe te voegen aan zijn reeds zoo uitgestrekt, nu +al zoo moeijelijk te beheerschen gebied? Zou hij zich met het +verworvene niet kunnen tevrede stellen? Zie toch! alleen het +betrekkelijk kleine rijk van Agra en Delhi was bijkans zijn eenige +erfenis; weinig of niets anders had Hoemayoen, zijn veelal +ongelukkige en zwaar beproefde vader, hem nagelaten; en +tegenwoordig strekt zijn gebied zich uit van de grenzen van Perzië +tot de uiterste streken van Bengalen en de gewesten van Dekkan en +Golconda. Wat verbeeldt gij u dan, of eenige nieuwe verovering, +bijvoorbeeld van uw ver afgelegen Kaçmir, op zich zelve hem zoo +buitengemeen veel genot zou verschaffen, of ook hem zoo groote +opofferingen waard zou zijn als elke veroveringstogt steeds kosten +moet? Toch kunnen er redenen bestaan, die een vorst gebiedend +nopen de onafhankelijkheid van een naburigen staat niet langer te +eerbiedigen, wanneer deze in ernst gevaarlijk dreigt te worden +voor de rust en de veiligheid zijner eigene volken. En in zulk een +geval moet hij handelen, moet hij strijden, ook al liet hij nog +zoo gaarne het zwaard in de schede en al ware hem niets +gewenschter dan een rijk van vrede en eendragt in de staten die +hem omringen zoowel als in zijn eigen land. Maar dat neemt alles +niet weg dat de afstammeling van Baber en Tamerlan inderdaad +eerzuchtig is, hoewel in een anderen zin dan gij blijkbaar +onderstelt.--Zijne eerzucht,--vervolgde de spreker,--terwijl zijn +anders rustig oog begon te schitteren,--zijne eerzucht dan is, en +was het voorlang, sinds de eerste jaren van zijn mannelijken +leeftijd, niet enkel de stichting van een groot en magtig rijk, +maar bovenal het geluk, de welvaart en de ontwikkeling der volken, +die hem door eene hoogere, al is 't onbekende, althans nooit +begrepen en doorgronde magt zijn toevertrouwd. Hunne maatschappelijke +toestanden heeft hij getracht te regelen, hunne oneenigheden bij te +leggen, het onderscheid, of den strijd ten minste, der verschillende +rassen te doen ophouden, een einde te maken aan godsdiensttwisten, en +den overmoed en de dwingelandij te beteugelen van magtige en zelfzuchtige +grooten. Hij heeft beproefd, de nijvere klassen der burgerij te verheffen, +en rijkdom en welvaart te verspreiden onder allen, wetenschappen en +kunsten aan te moedigen, en zijne volken op te leiden tot dien staat van +beschaving en verlichting, waarvoor velen hunner zoo uitnemenden +aanleg betoonen. Zeg nu vrij, dat dit alles veel te veel is voor +één enkel eenvoudig sterveling, en ik zal u niet weerspreken; maar +laat het streven naar een ideaal niet veroordeeld worden enkel +omdat het onbereikbaar is. En wezenlijk, volkomen bereikbaar, ja! +dat beken ik gaarne, is het ideaal van Akbar niet. Dat heeft hij +zelf al genoegzaam ondervonden. Hoe vele jaren van denken en +zwoegen en onophoudelijk strijden heeft hij niet al gewijd aan het +bereiken van zijn doel, en hoe vér, hoe vér, helaas! blijft hij +daarvan ook heden nog verwijderd! + +Met eerbied en ontzag had Siddha geluisterd naar den hem +onbekenden man, die inmiddels was opgestaan, en in 't vuur zijner +rede hartstogtelijk de hand had omhoog geheven, maar nu, ten einde +gekomen, ze weer mistroostig zakken liet en het diepdenkend hoofd +voorover boog op de ongetwijfeld ook een warm hart omsluitende +borst. Voor een oogenblik bestond er bij zijn, mede nu opgerezen, +toehoorder geen twijfel of hij zag niemand anders vóór zich dan +den Keizer zelf; maar toch scheen de gedachte alsof zóó een man +jegens hem, een jong en onbekend vreemdeling, zich dus zou +uitlaten, te dwaas dan dat hij wezenlijk er aan hechten kon. Met +dat al was hij nu toch voornemens rondweg te vragen met wien hij +eigenlijk gesproken had, toen zich voetstappen in de nabijheid +deden vernemen en een lang, schoon een weinig gebogen man in +stemmig gewaad, en, hier bij uitzondering, met een digten zwarten +baard, het verder onderhoud kwam afbreken en nadere vragen +onmogelijk maakte. + +--Abdal Kadir!--sprak de onbekende, meer evenwel in zichzelven dan +verklarend tot Siddha, en een oogenblik dekte een donkere wolk +zijn gelaat. Niettemin ontving hij den inmiddels naderbij gekomene +met beleefdheid, hem tevens een wenk gevend waaruit de ander +genoeg begreep dat hij onbekend verlangde te blijven. + +Met een trotschen blik nam Abdal Kadir den een weinig ter zijde +getreden Siddha van 't hoofd tot de voeten op, en keerde hem toen +zonder een woord te spreken den rug toe. Dat onzen Indischen +edelman het bloed naar de wangen steeg, was zeker bij dergelijke +bejegening niet te verwonderen, en juist wilde hij op den ander +toetreden om verklaring te eischen van de beleediging, toen de +onbekende hem terughield en zeide: + +--Laat, edele Siddha! de eenigszins vreemde handelwijze van mijn +vriend hier u niet al te zeer vertoornen! Hij heeft het niet +persoonlijk tegen u, zelfs in 't minst niet, daar ben ik zeker +van; maar het gezigt van u, Hindoe's in 't algemeen, is hem altijd +onaangenaam, omdat hij zich verbeeldt, dat zij schade doen aan +zijn geloof.--Is het zoo niet?--vroeg hij, Abdal Kadir aanziend. + +--Zoo is het inderdaad!--antwoordde deze;--en ik heb ook werkelijk +geen persoonlijke veete tegen u, jonkman!--vervolgde hij tot +Siddha,--ik ken u niet eens; maar des te beter die van uw stam en +geslacht. Hen te bestrijden blijft mij een heilige pligt. En ik +strijd tegen hen, ik haat hen met onverzoenlijken haat, niet omdat +ik niet velen hunner als menschen zou kunnen achten, maar omdat +zij ons geloof belagen en onzen Keizer zelf daarvan afkeerig +maken. Allah verloochenen zij, en bespotten Zijn Profeet; ons, +diens volgelingen, zoeken zij te verdringen en zich meester te +maken van ambten en bedieningen om hunne valsche goden en hunne +dwaalleeraars in de plaats te stellen van den God, buiten wien +geen God is, en van den eenige die in waarheid Hem verkondigd +heeft. Daarom, maar daarom ook alleen, haat ik hen en u. Ik haat u +en wil strijden tegen u ten einde toe, omdat gij óf ongodisten +zijt óf afgodendienaars, in elk geval verleiders van het volk, +verzoekers van den vorst. Genoeg! omdat gij anders niet zijt dan +ongeloovige.... + +Een uiterst strenge en doordringende blik van den ongenoemde hield +op de lippen van den spreker het woord terug dat blijkbaar volgen +moest, en, ware 't geuit, ook ongetwijfeld Siddha had doen +opstuiven in weerwil van al zijne pogingen om zich te bedwingen. + +--Ongeloovigen dan, in één woord,--vervolgde Abdal Kadir,--en dat +is voor een opregt zoon van den grooten Profeet reeds meer dan +genoeg. Maar wat gaat het u aan, of ik, die hier niets te zeggen +of te beteekenen heb, nu al dan niet met u en uw stamgenooten ben +ingenomen? Gij zijt immers verzekerd van de gunst des Keizers, die +alles doen kan, en ook doet, wat hem gelieft. Van de voormalige +belastingen, door de ware geloovigen met het volste regt van +ulieden, verzakers der goddelijke waarheid, gevorderd, heeft hij u +vrijgesteld; hij roept u tot alle betrekkingen, stelt u aan tot +zijne officieren en legerhoofden, kiest onder u zijne raadslieden +en vrienden; wat wilt gij meer? Laat mij dan, laat ons en onzen +geregten wrok; wij kunnen u toch niet deren! Eene andere vraag zal +het zijn of de straf des hemels niet eenmaal zal nederdalen op uw +hoofd, en... welligt ook hem zal treffen, die met eer en +gunstbewijzen u overlaadde in plaats van u te tuchtigen met de +roede en met het zwaard, door Allah zelf te dien einde hem ter +hand gesteld! + +--Mij dunkt,--sprak nu de onbekende na deze warme ontboezeming op +ijskouden toon,--mij dunkt, ons onderhoud, op deze wijze +voortgezet, kan voor geen onzer meer eenig nut of genoegen +leveren. Ongetwijfeld zoudt gij, vriend Siddha! ook aan 't woord +komend, nog wel 't een en ander tegen Abdal Kadir's redenen in 't +midden hebben te brengen, gelijk ik zelf ook verre ben van er mee +in te stemmen; doch, zoo ik mij niet vergis, komt hij ditmaal ons +niet opzoeken om een toch onvruchtbaren twist te voeren, maar ter +bespreking van een of ander dadelijk belang. Daarvoor sta ik hem +dan ook gaarne te woord. Vergun mij dus, u voor 't oogenblik +vaarwel te zeggen. Spoedig hopen wij elkander weer te zien.... + +--Abdal Kadir!--vroeg de tot dusver ongenoemde, nadat Siddha zich +verwijderd had met een eerbiedigen groet, waarvan overigens +slechts een zeer gering gedeelte was toegewijd aan den nijdigen +Islamiet,--wat verlangt gij van mij? + +--Sire!--antwoordde de toegesprokene, want dat het inderdaad Akbar +zelf was met wien Siddha zich had onderhouden, zou ieder hem +gezegd hebben die niet als hij voor 't eerst aan het hof van Agra +kwam,--Sire! mijn pligt als onderdaan en als vriend, geen eigen of +bijzonder belang, noopte mij tot Uwe Majesteit te gaan.... + +--Ik weet het,--viel Akbar hem in de rede,--zelfzuchtig zijt gij +niet, en beschermelingen houdt gij er ook niet op na. Toch zou ik +soms wenschen dat er iets van ware; misschien kon ik u dan nog +eens voldoen; thans gelukt mij dat zelden of nooit. Ook wil ik wel +wedden, tien tegen een, dat gij mij weer over geloofszaken hebt te +spreken; uw opgewonden woorden van zooeven verkondden mij alhaast +wat er komen moet. Wees intusschen zoo goed, u thans wat te +matigen! + +--Inderdaad!--antwoordde Abdal Kadir,--het geloof, ons eenig waar +en onvervalscht geloof, is het ook nu wederom wat mij herwaarts +voert. Daarover wensch ik een oogenblik onderhoud.--En,--vervolgde +hij,--nu van zijne zijde met een strengen blik,--een wezenlijk +ernstig, als het kan! + +--Ik wil gaarne mijn best doen,--zei Akbar beleefd,--en ik beloof +u, volstrekt niet te lagchen, mits... gij 't ook niet al te bont +maakt. + +--Het oordeel daaromtrent hangt af van de bijzondere opvatting,-- +merkte de ander aan,--maar ik wil mijnerzijds streven, de zaak zoo +bedaard mogelijk te behandelen. Mijn pligt dan, zeide ik, als +onderdaan noopt mij onverholen te spreken. Te waarschuwen toch, en +met allen ernst te waarschuwen, wordt dringend noodig voor al wie +als ik het opregt met Shah Akbar meent en tevens weet wat mij is +ter ooren gekomen. Dat er al lang een hevig ongenoegen onder ons, +wezenlijke Mohammedanen, bestaat over de wijze waarop allerlei +Heiden- en Jodenvolk door u, den Keizer, wordt begunstigd, en +lauwhartigen als een Aboel Fazl, en atheïsten als een Feizi, in de +hoogste magts- en ambtsbetrekkingen zijn geplaatst, is u voldoende +bekend. Maar wat gij niet weet, is, hoe er dientengevolge in 't +midden van uw rijk en in de dadelijke nabijheid van uw hof eene +partij is ontstaan, die onherroepelijk uw val en ondergang +besloten heeft, indien gij ten einde toe weigert gehoor te geven +aan de allezins billijke eischen, waarop zij, als vertegenwoordigende +de aloude en eenig ware vrienden van het huis van Tamerlan, mag aanspraak +maken. Nog onlangs was ik in de gelegenheid eene vergadering onzer +moellah's bij te wonen, en wat ik daar vernam was mij inderdaad reeds +genoeg om mij te doen sidderen bij de gedachte, wat dergelijke onder de +Mohammedaansche bevolking zoo invloedrijke mannen niet al vermogten +zelfs tegen een Akbar, indien ze eens gesteund werden door eerzuchtige +grooten en ontevreden legerhoofden, zooals er zoovelen ook aan het hof +van Agra zelf als overal in gansch Hindostan nog gevonden worden. + +--Maar,--vroeg Akbar, eenigszins ongeduldig,--wat willen dan +eigenlijk uwe moellah's en hun aanhang? Hebben ze niet genoeg aan +de meest volmaakte vrijheid om te denken en te spreken zooals zij +willen, en proselieten te maken zooveel ze maar kunnen? Heb ik hun +ooit een stroobreed in den weg gelegd? + +--Zeker niet,--hernam de ander,--maar dat zou dan ook ten hemel +schreijen! Doch wat baat hun die vrijheid, indien anderen, indien +alle mogelijke soorten van ongeloovigen volmaakt dezelfde +bezitten, en hier aan uw hof, en in het leger en allerwege in +allerlei maatschappelijke betrekkingen hen komen ergeren door hun +verontreinigende tegenwoordigheid? En wat komt er dan van de +handhaving van het eenig ware geloof, waartoe boven alles de +Keizer, de vertegenwoordiger van Allah hier op aarde, geroepen is? + +--Ja, daar zijn wij er weer!--riep Akbar uit,--dat is nu weer het +oude thema. Gijlieden alleen hebt de waarheid in pacht, en +daarvoor moet alles zwichten, ook ik, en wat niet buigen wil moet +breken. Maar waarom zijt gij nu eigenlijk alléén in 't bezit van +die waarheid? + +--Omdat de Profeet, gezegend zij zijn naam! ze ons verkondigd +heeft, en omdat.... + +--Omdat hij 't wist, en niemand anders dan hij. Goed! Maar daar +hebt gij nu die Padres, die hier uit het Westen, uit de landen der +Franken komen, ook eerlijke, brave menschen zooals gij. + +Die hebben ook een Profeet, dien ze, bedrieg ik mij niet, wel eens +als hun God vereeren, schoon mij dat nog niet regt duidelijk is. +En die is in elk geval ouder dan Mohammed. Dan zijn er ook nog de +Joden, die niets van dezen en ook niets van den anderen, maar +alleen van Mozes willen weten. En wat zegt gij dan wel van onze +Brahmanen hier? Die komen met zooveel oude en alle met het hoogste +gezag bekleede boeken voor den dag, boeken zoo eerwaardig oud dat +zijzelf ze haast niet meer kunnen verstaan, en beroepen zich op +zooveel zieners en heilige mannen dat Mozes met zijn Thora en +Christus met zijn Evangelie en Mohammed met zijn Koran er allen te +zamen nauw tegen op kunnen werken. En nu vraag ik u toch in +gemoede: Hoe wil ik een eenvoudig man, die van dat alles wel eens +iets gehoord heb, maar er geen honderdste part van versta, nu als +geloofsregter gaan beslissen en uitmaken of Mohammed bijvoorbeeld +meer regt dan Christus heeft? + +--Maar gij zijt toch in de leer van den Islam opgevoed? + +--Een weinig afdoende grond voor iemands geloof, dat toch wel op +eigen onderzoek en overtuiging dient te steunen en bezwaarlijk +alleen afhankelijk zijn kan van de omstandigheid of zijn vader hem +indertijd heeft laten doopen of besnijden! Maar 't is de vraag nu +ook niet, wat ik persoonlijk al dan niet heb te gelooven; dat gaat +niemand aan; maar alleen, wat ik als vorst, als beheerscher van +het rijk der Mogols te doen heb tegenover de belijders van al die +verschillende godsdienstsecten, die alle gelijkelijk aan mijn +heerschappij zijn onderworpen en dus ook gelijke aanspraak hebben +op mijn bescherming. En die vraag, geloof mij, beste vriend! die +zult gij nimmer kunnen oplossen zoolang gij alles van dien éénen +kant blijft bekijken en blind voor al de andere zijt. + +--Maar de gevaren dan toch, waarmede uw inzigten, daargelaten +welke waarde ze hebben, uw rijk en uw troon bedreigen? + +--Nu,--sprak de Keizer, met zekere minachting glimlagchend,--ik +heb wel aan andere 't hoofd geboden dan die waarmee de toorn uwer +geloofsdrijvers mij thans weer te bedreigen heet. + +--Andere!--hernam Abdal Kadir met nadruk en den vorst met +ernstigen blik in de oogen ziend,--juist, andere! Namelijk die +soort van gevaren, die vreemden u bereidden. Maar als het verzet, +heimelijk eerst, daarna meer openbaar, nu eens opkwam uit uw eigen +huis, of gevoed en bevorderd werd door hen die behooren tot uw +eigen geslacht? Indien uw zoon.... + +--Mijn zoon! Selim!--riep Akbar uit.--En toch,--ging hij voort,-- +onmogelijk schijnt zoo iets niet! Wij zagen dat meer in ons +geslacht en in dat der vorsten, die ons omringden en na eindelooze +familietwisten zich onderwierpen aan onze heerschappij. En zoo +meent gij dan dat Selim zelf zich met uwe ontevredenen tegen mij +zou kunnen verbinden? Want dat schijnt toch wel de strekking uwer +woorden. + +--Zoo is het, Sire!--antwoordde Abdal Kadir,--althans ik heb +gemeend dat hij zich daartoe wel eens door geloofsijver kon laten +verleiden; maar ik zeg nog volstrekt niet dat het reeds het geval +is. + +--Nu,--hernam Akbar,--als 't er dan werkelijk toe komen moest, één +ding is zeker, uit ijver voor 't geloof zou Selim dus niet +handelen; hij geeft vrij wat meer om fijnen wijn en schoone +vrouwen dan om den Koran en den Profeet. Maar dat neemt niet weg, +dat ik u dankbaar ben voor de waarschuwing. Waart gij er terstond +mee begonnen, we hadden ons vrij wat overtollige woorden kunnen +besparen. Hebt gij later weer eens meer zulke mededeelingen, we +zullen er u dank voor zeggen; zij kunnen ons leeren, een weinig op +onze hoede te zijn en onze lieden hier wat in 't oog te houden. +Voor 't oogenblik inmiddels: Vaarwel! + +En met een ietwat ironieken glimlach om de lippen verwijderde zich +de Keizer en liet Abdal Kadir in de gelegenheid om over den indruk +na te denken, dien zijne toespraken hadden te weeg gebragt. + +--Bij Allah!--bromde de volgeling van den Profeet tusschen zijne +tanden,--daar hebben we nu weer wat moois verrigt! Ik had gemeend +hem niet weinig te doen ontstellen toen ik Selim noemde en hem op +eens gedwee te maken door mijne mededeeling. Maar bij slot van +rekening heb ik hem nu eenvoudig gewaarschuwd; en in plaats van +ons te helpen, zal hij ons nu nog harder gaan tegenwerken, nu hij +weet of althans vermoedt dat sommigen der onzen met zijn eigen +zoon tegen hem zamenspannen, of ook, zoo hij 't misschien reeds +bevroedde, zich door mij in zijne meening bevestigd ziet. Een wijs +man acht gij u, Abdal Kadir! en toch... gij hebt weer gehandeld +als een gek! + +Och, of de ijver die mij bezielt, voor ons heilig geloof, mij ook +die kalmte steeds liet bewaren, die Akbar zoo zelden verlaat! Wat +voordeel hem dat niet verschaf, boven ons!... + +Of nu evenwel die bedaardheid, zooeven door Akbar betoond, ook +wezenlijk zoo opregt en natuurlijk was als de ander onderstelde, +mogt de vraag heeten voor wie hem in diep gepeins met naar den +grond geslagen oog en nu en dan het hoofd schuddend naar zijn +paleis had zien terugwandelen.... + +Daar, in zijne eigene, voor slechts enkelen toegankelijke +vertrekken wachtte inmiddels een man, wiens tegenwoordigheid +buiten twijfel aan Abdal Kadir, zoo hij er van geweten had, +opnieuw stof zou hebben gegeven tot hevige verontwaardiging,-- +Koelloeka, de Brahmaan. In gedachten verzonken zat hij naar den +vloer te staren, en noch de prachtige versierselen van het ruim en +luchtig vertrek noch het heerlijk uitzigt over de lagchende tuinen +scheen een oogenblik zijne opmerkzaamheid te trekken. 't Was dan +trouwens ook niet voor den eersten keer dat hij dit alles +aanschouwde. + +Een Keizerlijk wachter kwam weinig tijds na het straks gevoerde +gesprek hem wekken uit zijne mijmering om hem binnen te leiden bij +den Vorst. + +--'t Is mij lief u weer hier te zien, Koelloeka!--sprak de Keizer, +na minzaam den groet van den Brahmaan te hebben beantwoord,--en ik +wil hopen dat gij mij goede berigten medebrengt uit uw land. + +--Helaas, Sire!--antwoordde Koelloeka mistroostig,--wenschte dat +ik het kon; of ook de min gunstige voor Uwe Majesteit te mogen +verbergen, zooals ik 't nog voor anderen doe. Maar het vertrouwen +door Haar in mij gesteld, alsook het welbegrepen belang van mijn +land zelf, noopt mij, niet te verzwijgen wat ik weet. + +--Ik begrijp het al,--zei Akbar,--zeker weer de oude geschiedenis! +Partijveeten en familietwisten, zonen die tegen hun vader, +broeders die onder elkander intrigeren, dáár... als elders. + +--Maar al te waar!--hernam Koelloeka.--Toen eenmaal Nandigoepta, +de wettige Koning van het tooneel was afgetreden en zijn broeder +de vrije hand had gelaten, meenden wij dat nu voor goed de orde +zou zijn hersteld; en geruimen tijd was het ook zoo. Met de +bestaande regering was het volk tevrede, zooal niet ingenomen, en +aan nieuwe veranderingen werd althans niet gedacht. Ook nu is dat +onder de eigenlijke burgerij nog volstrekt niet het geval. Maar +toch begint weer factiegeest nieuwe onlusten aan te stoken, en al +wederom nieuwe omwentelingen schijnen te worden voorbereid. Wat +nog misschien het ergste is, wij weten niet te ontdekken van welke +zijde het voornamelijk komt. De zoons van den Koning, die vroeg of +laat tegen hem in opstand dreigen te geraken en onderling ook al +weer verdeeld schijnen, handelen zeer zeker niet uit eigen +beweging en worden blijkbaar opgestookt. Maar door wie? Ziedaar +wat tot dusver ons ontsnapt. + +--'t Mag zijn hoe het wil,--sprak de Keizer, vast en beslissend,--of +zij zelfstandig handelen of niet, het schijnt toch dat het oude spel +weer zijn gang begint te gaan. En wat moet, indien 't niet bijtijds +wordt verhinderd het onvermijdelijk gevolg daarvan zijn? Dat, als +vroeger, de verschillende partijen zich gaan uitrusten tot openlijken +strijd, dat burgeroorlog uw land verscheurt, en dat van weerszijden +zich benden vormen, die, naarmate ze minder geluk hebben binnen de +grenzen van hun eigen landstreken het elders en wel bepaald binnen de +mijne gaan beproeven, en mijne landen en mijne onderdanen komen +plunderen en brandschatten om zich schadeloos te stellen voor wat zij +te huis verloren hebben. En nu zeg ik u zonder omwegen en eens voor +goed, opdat gij in tijds moogt gewaarschuwd zijn, ik zal dat niet +dulden. Mijn rijk, mijne volken zullen geëerbiedigd worden, en kan dit +niet anders dan door geweld, welnu, wat moeite en wat schatten 't ook +weer kosten moge, ik verzamel opnieuw mijne legers en voer ze naar het +Noorden om ook daar de rust te herstellen, die onmisbaar voor de +welvaart mijner onderdanen blijft. Liever nog het gansche rooversnest +uitgeroeid dan het tot schade der mijnen enkel om der lieve vrede wille +te laten voortbestaan! Ondanks al zijn ontzag voor den Keizer mogt ook +de bezadigde Koelloeka een opwelling van toorn niet bedwingen bij die +trotsche en als uitdagende taal, en donkerder kleurde zich, al gaf hij +geen dadelijk antwoord, zijn door de zon gebruind gelaat. + +--Vergeef mij, waarde Koelloeka! hernam thans evenwel Akbar,-- +indien mijne woorden u soms griefden; maar gij weet immers zoo +goed als ikzelf, dat ik, dus sprekend, de goeden onder ulieden, +zooals gijzelf of uw tegenwoordigen vorst of zijne ministers niet +bedoel, maar enkel die ellendige intriganten, die uzelven het +meeste nadeel berokkenen en ons bedreigen met de gevolgen van +hunne onzalige woelingen. Daartegen te waken is en blijft mijn +pligt, en ik zal dien weten te vervullen. Help mij voorzooveel gij +kunt om mijne tusschenkomst onnoodig te maken, en gij moogt u +verzekerd houden dat ik de laatste zijn zal om ze u op te dringen. + +--Ik stel volkomen vertrouwen in uwe woorden,--sprak Koelloeka,--en +zoo ik een gevoel van wrevel niet gansch terug kon houden, 't was zeker +niet minder om de vloekwaardige lagen, die ook thans weder ons land en +onzen vorst worden gelegd, dan om de bedreigingen, waartoe ze, ik moet, +hoe ongaarne ook, het wel erkennen, aanleiding geven en het regt. Maar +schuilt nu in Kaçmir zelf en nergens anders het verraad? En is het zoo +gansch ondenkbaar dat er hier aan uw eigen hof en in uw naaste +omgeving, onder uwe verwanten zelfs, wordt zamengespannen tegen ons, +als tegen uw gezag? + +--Hoe nu? Wat meent gij? + +--Ik ging te ver welligt en sprak misschien voorbarig. Maar ik heb +mijn vermoedens en, zoozeer ik wenschen mogt dat zij ijdel bleken +te zijn, toch kan ik ze niet gansch en al van mij afzetten. +Selim.... + +--Wat? Al weder Selim? Zou die ook hier weer in betrokken kunnen +zijn? + +--Wat hij verder nog uitrigt is mij onbekend, maar enkele +aanduidingen, hoewel zeker nog zeer onbestemde, geven mij toch +aanleiding Uwe majesteit in dezen te waarschuwen. Blijken zij +ongegrond, des te beter; maar goed toe te zien kan toch in elk +geval geen kwaad. + +--En dat zal geschieden! Voor 't oogenblik echter berust nagenoeg alles +nog maar op onderstellingen en onbewezen mogelijkheden. Oordeelen en +handelen wij dus niet te ras! Wees echter verzekerd dat niets van 't +geen gij thans mij hebt medegedeeld mijn nauwlettend onderzoek zal +ontgaan, en als we elkander weerzien zal de tijd tot beslissing en +handeling misschien ook zijn aangebroken. Tot zoolang geen welligt +ijdele zorgen. Doch eer ge van hier gaat wil ik u nog iets mededeelen, +waarin gij meer persoonlijk wel eenig belang zult stellen. Ik heb zoo +straks uw leerling gesproken. + +--Hoe, Siddha?--riep Koelloeka eenigszins verwonderd uit,--en wie +stelde hem dan nu reeds voor? + +--Niemand,--antwoordde Akbar,--ik heb, in 't park hem ginds +ontmoetend en ligt begrijpend wie hij was, hem zelf maar eens +aangesproken. Gij weet dat ik wel eens meer zoo handel. + +--En hij wist niet dat hij met den magtigen Keizer sprak? + +--Natuurlijk niet, en 't bleek mij dat hij 't ook niet vermoedde. +Zeg 't hem ook niet als gij hem zien mogt; later zal ik hem zelf +wel inlichten. Maar gij verlangt zeker te weten wat ik van hem +zeg? Welnu, ik ben heel wel met hem tevrede; 't is een flinke, +eerlijke jongen, in wien ik vertrouwen stel. Misschien soms wat +onvoorzigtig en wat heel openhartig.... + +--Hij heeft immers niets gezegd wat ongepast tegenover den Keizer +kon zijn? + +--Wel iets,--hernam Akbar lagchend,--ten minste indien hij geweten +had tot wien hij 't zeide. Maar stel u gerust! Toen ikzelf hem +onder 't oog bragt dat hij zich wat haastig uitliet, gaf hij mij +een verontschuldiging waartegen ik niets had in te brengen. Maar +genoeg! ik heb u gezegd dat hij mij voldeed, en 't is u bekend dat +ik anders juist niet gewoon ben zoo aanstonds gunstig over de +menschen te oordeelen die ik voor 't eerst zie. Laat hij zelf nu +maar zorgen dat de goede indruk niet verloren ga! Andere zaken +roepen mij nu voor 't oogenblik. Ik houd u dus niet langer terug! + +Met eerbiedigen groet verliet Koelloeka het vertrek en met +welgevallen zag Akbar hem na,--hem, een man zoo ver van hem +verwijderd én in stand én in rang, én door uitwendige godsdienst +en nationaliteit, maar toch opregt aan hem verbonden door achting +en vriendschap, en dengene onwankelbaar trouw, wien hij eenmaal +zijn woord had verpand. + +--Op dien ten minste valt te rekenen!--sprak de Keizer in +zichzelven,--in hem althans is geen bedrog.--En hij had regt. Maar +hoevelen nog die hem nader stonden en van wie hij niet met +evenveel regt hetzelfde getuigen kon! + + + +VIJFDE HOOFDSTUK. + +Een nieuwe kennis en een oude + +Niet lang had Siddha, omstreeks den bepaalden tijd, in de +nabijheid van de moskee gewacht of hij zag de dienares naderen +die, digter bij gekomen, hem uitnoodigde haar te volgen. Door +verschillende lanen en zijpaden ging zij hem voor, tot zij +eindelijk aan een hoogen tuinmuur kwam en een klein in den muur +aangebragt poortje opende, dat zij ook, nadat beiden waren +binnengetreden, zorgvuldig weer sloot. Een digte laan met +cactussen en andere gewassen leidde hen tot een soort van terras +met oranjeboomen en verscheidene fonteinen, waarop de achtergevel +uitzag van een klein, maar bijzonder sierlijk en smaakvol huis, +welks overig gedeelte in zwaar geboomte verscholen bleef. Langs de +marmeren trappen en door een opene galerij werd nu Siddha door +zijn geleidster in een mede aan den voorkant gansch geopend +vertrek gevoerd; en na hem te hebben binnengebragt, verdween zij +achter een der voorhangen. + +Op een divan, aan de opene zijde van het vertrek, lag daar in +bevallig achtelooze houding eene jonge, rijk en met smaak op de +Perzische wijze gekleede vrouw, die zoodra zij haar bezoeker +gewaar werd zich van het rustbed verhief en hem te gemoet kwam om +hem welkom te heeten. Of zij schoon was? Met juistheid zou Siddha +niet geweten hebben het te beslissen. Hare trekken waren niet +regelmatig, haar gestalte was klein en tenger; maar hare zachte +blauwe oogen, met lange zijden wimpers overschaduwd, hadden eene +onbeschrijfelijk vriendelijke en innemende uitdrukking; haar +alligt ietwat te groote mond scheen ook tot iets anders nog uit te +noodigen dan enkel tot het luisteren naar hare woorden; en, was +ook hare gestalte niet groot, zij bezat daarentegen de meest +volmaakte evenredigheid, terwijl het gedeeltelijk eng sluitend +gewaad de schoone ronding der vormen te duidelijker deed uitkomen. +Wat evenwel Siddha terstond meer in 't bijzonder trof, was de hier +wel buitengemeene blankheid van den hals en den half ontblooten +boezem, waarom zich een kostbaar parelsnoer wond, en niet minder +ook de rozeroode tint der wangen, gelijk hij die bij andere niet +bruin gekleurde vrouwen tot dusver nog nooit had opgemerkt. + +--Edele Heer!--sprak de onbekende, en zoo de indruk, dien haar +gansche voorkomen op Siddha gemaakt had, niet reeds zoo gunstig +ware geweest, de liefelijke klank harer stem zou hem volkomen +hebben gewonnen,--ik zeg u dank dat gij zoo spoedig aan mijne +uitnoodiging hebt willen voldoen. Welligt was mijn vezoek wat +onbescheiden; maar als ik u de reden heb medegedeeld, zult gij, +hoop ik, 't mij niet al te euvel duiden. + +--Aan zulk een uitnoodiging gehoor te weigeren,--antwoordde +Siddha,--ware ongetwijfeld al zeer onridderlijk geweest. Maar +gaarne wil ik u de verzekering geven, edele vrouw! dat ik niet dan +met ongeduld den tijd van het bezoek had kunnen afwachten, indien +ik vooraf in de gelegenheid was geweest om het beeld te zien van +degene die mij de uitnoodiging deed toekomen. + +Met een ligte hoofdbuiging het gezegde beantwoordend, dat zij +blijkbaar als een beleefdheidsphrase opvatte, ging de jonge vrouw +voort: + +--Mijne verontschuldiging dan is, dat geen eigenbelang mij tot +deze handelwijs bewoog, maar het belang van eene andere, van eene +vriendin, die ik hartelijk liefheb. Zij werd vóór eenigen tijd +genoodzaakt uit Agra te vlugten om de lagen te ontgaan, die haar +door sommige aanzienlijke en magtige personen gelegd werden, en +vér van hier, in uw land, in Kaçmir, een schuilplaats te zoeken. +Nu heb ik haar eenige mededeelingen te doen, die voor haar van +groot gewigt kunnen zijn; maar ik wist tot heden geen middel om ze +haar veilig te doen geworden, daar ik de boden, die hier tot mijne +beschikking mogten zijn, geen van allen kan vertrouwen. + +Daar verneem ik toevallig,--hoe, doet nu niet af,--dat gij met uw +vroegeren leermeester Koelloeka in Agra waart gekomen, en tevens, +dat de goeroe spoedig weer naar zijn land terugkeert. Ik begreep +terstond dat ik niet beter kon doen dan mijn vertrouwen te stellen +in de eer van een edelman zooals gij, wiens naam mij ook wel +bekend was, en besloot dus u te verzoeken, uw vriend met de +overbrenging van een brief te willen belasten, waarin ik kennis +geef aan mijne vriendin van 't geen zij belang heeft te vernemen. +Zou dit verzoek nu te veel soms van u of van den waardigenen +Koelloeka gevergd zijn? + +Een gevoel van verligting was Siddha's eerste gewaarwording bij +het aanhooren van deze woorden. Zoo kwam dan de gansche zaak +eenvoudig neer op het overbrengen van een blijkbaar zeer +onschuldigen brief, die hem voor 't overige ook niets aanging. +Toch mengde zich, half onbewust, een zekere teleurstelling onder +dat gevoel van tevredenheid. Dat er geen sprake was van eenige +zamenzwering mogt hem ongetwijfeld zeer verblijden, maar of zijne +ijdelheid wel zoo bijzonder gevleid kon zijn door de overtuiging +dat er ook geen zweem van een avontuurtje zich vertoonde? +Inmiddels haastte hij zich aan de onbekende de verzekering te +geven, dat hij zeer gaarne zijn leeraar met den brief zou belasten +en dat deze ook tegen de overbrenging wel geen bezwaar zou maken. + +Op een teeken der jonge vrouw verscheen nu de dienares en bragt op +haar verlangen een in briefvorm zaamgevouwen en met een zijden +koord en een zegel gesloten stuk. + +--Het opschrift,--sprak gene, nadat de dienares weer vertrokken +was,--luidt, zooals gij ziet, aan iemand anders dan aan mijne +vriendin zelve. De naam is u misschien bekend. + +--Zeer zeker!--antwoordde Siddha,--ik ben meer dan eens met dien +jongen man op de jagt geweest.--Nu, die zal haar den brief dan +ter hand stellen. Zoo doende weet uw vriend Koelloeka niet aan wie +hij eigenlijk gerigt is, 't geen mij wenschelijk voorkomt, om niet +meer personen in 't geheim te mengen dan er nu reeds mee bekend +zijn. Ik hoop maar,--vervolgde zij na een oogenblik zwijgens,-- +dat mijne vriendin haar voordeel zal kunnen doen met hetgeen ik +haar meld. Inderdaad ik heb opregt medelijden met haar in hare +ballingschap; en toch, ik kan haar soms ook benijden, dat zij in +de gelegenheid is uw heerlijk land te bezoeken, waarvan ik zooveel +prachtige beschrijvingen heb gelezen. Maar zeg mij, opregt +gesproken, zijn die beschrijvingen niet soms wat overdreven, ten +minste wat heel dichterlijk? + +--Ik voor mij,--antwoordde Siddha,--zoozeer mijn leermeester mij +ook altijd gewaarschuwd heeft tegen overschrijding van de grenzen +die goede smaak en werkelijkheid ons stellen, ik heb toch steeds +als hij gevonden dat de beschrijvingen door u bedoeld nog vér +beneden de waarheid bleven. Inderdaad, ook in deze streken heeft +de natuur soms haar schoon, en bekoorlijk zijn menigmaal de +boorden uwer Djoemna, en bij de pracht en de weelde uwer paleizen +en lusthoven haalt niets in ons noordelijk land; maar wat daar +toch bergen en dalen en bosschen en lagchende velden er bieden, +zoudt gij in deze zooveel minder bevoorregte streken u bezwaarlijk +weten voor te stellen. En door de herinnering aan zijn vaderland +als door de belangstelling zijner nu waarlijk schoone toehoorderesse +medegesleept, begon zich onze Siddha in schilderingen van Hindostan's +wereldberoemd paradijs te verliezen, wier welsprekende voordragt niet +minder dan het uiterlijk van den verhaler den blik van wezenlijk +welgevallen regtvaardigde, waarmede de luisterende nu en dan den edelen, +krachtigen jongeling aanzag. + +--Maar ik hield u te lang reeds bezig,--sprak zij oprijzend ten +laatste,--en heb waarschijnlijk reeds misbruik gemaakt van uwe +welwillendheid. Eén verzoek nog! Laat onze zamenkomst, ter wille +ook van de belangen mijner vriendin, een geheim blijven tusschen u +en mij. Van eenige beteekenis kan die vlugtige ontmoeting trouwens +ook niet zijn. + +--Voor u zeer zeker niet,--sprak Siddha,--voor mij echter meer dan +gij schijnt te meenen. + +--Ik zie,--hernam de andere lagchend,--dat gij, Hindoe's niet +minder dan de onzen de kunst verstaat om u hoffelijk jegens +vrouwen uit te drukken. Maar dat daargelaten! Een enkel woord ben +ik u echter nog verschuldigd. Ik zou mij uw vertrouwen al zeer +onwaardig toonen indien ik, zelve u kennend, mij voortdurend als +geheel onbekende jegens u bleef gedragen, en ik zie dan ook geen +bezwaar, mits onder geheimhouding altijd, u mijn naam en stand mee +te deelen. Die is voor 't overige nederig genoeg. Mijn naam is +Rezia; mijn vader was een Armeniër, die, hier gekomen om handel te +drijven, mij vroegtijdig uithuwde aan een rijk, maar reeds +tamelijk bejaard koopman hier in de stad. Sinds geruimen tijd is +deze voor zijn zaken naar Perzië en verder nog naar het Westen +getrokken; en in lang heb ik ook niets van hem vernomen. Inmiddels +woon ik hier, zooals gij ziet, eenzaam en stil, hoewel anders niet +verstoken van de aangenaamheden en de rustige genoegens van het +buitenleven. Zoo weet gij dan ten minste voor wie gij u de moeite +van een bezoek hebt getroost, al is het dat wij elkander na dezen +niet verder mogten ontmoeten. + +--En waarom, edele Rezia! zou dat niet mogen zijn?--vroeg Siddha; +--niets, dunkt mij, behoeft u en mij daarin te verhinderen, en +mogelijk zou ik u soms nog 't een en ander kunnen meedeelen van +het land waar tegenwoordig uwe vriendin vertoeft, dat misschien in +staat ware uwe belangstelling op te wekken. + +--Welnu!--antwoordde Rezia,--niet geheel wil ik uw vriendelijk +aanbod afslaan. Indien gij een dezer avonden soms nog een verloren +oogenblik vindt, ik houd mij dan aanbevolen voor eenig berigt of +de verzending van mijn schrijven geen bezwaar heeft gevonden en +naar gissing goede kans heeft te slagen. Mijne dienares ontmoet u +alligt hier of daar en gij hebt haar slechts een tijd te noemen om +mij nogmaals een bezoek te brengen in mijn stil verblijf. + +--En voor die gelegenheid wil ik u dankbaar zijn,--antwoordde +Siddha, terwijl hij, zorgvuldig 't hem toevertrouwde stuk in zijn +gordel verbergend, zich gereed maakte om voor 't oogenblik +afscheid te nemen. + +Op een hernieuwd teeken vertoonde zich nogmaals de vertrouwde +dienares en deed Siddha weer uitgeleide langs denzelfden weg, die +hem straks den toegang tot het paviljoen had verleend. + +Te huis gekomen stond hij lang nog in gedachten voor de open +veranda van zijn vertrek en staarde naar de zacht daar beneden +voortstroomende rivier. Dat waren dan dezelfde wateren, die den +voet van Allahabad's burgt besproeiden en waarin ook het liefelijk +gelaat van Iravati zich weerspiegeld had! Was het niet als bragten +die golven hem den groet der teeder beminde en als fluisterden zij +hem woorden toe van liefde en van trouw? Snel nam hij het +medaljon met Iravati's portret van den wand, kuste het en zette +zich neder in de galerij. Lang nog bezag hij het beeld en +beminnelijker dan ooit schenen hem de trekken der edele en schoone +Hindoe-jonkvrouw. Maar zonderling toch ook! Als zijn blik soms +weer afdwaalde en rondzwierf langs de paleizen en tuinen aan de +boorden van den stroom, dan doemde ook weer een ander beeld in +zijn herinnering op,... de bevallige houding, de sierlijke +gestalte, de blauwe oogen, de bekoorlijke stem van Rezia, de +Armenische. Wat die vrouw hem dan aanging? Zeker niets; maar wat +kwaad ook van den anderen kant, zoo hij ze lief en innemend vond? +Hij had toch waarlijk niet aan Iravati de gelofte gedaan, alle +mogelijke andere vrouwen leelijk en onbehagelijk te zullen +noemen!... + +--Hallo!--klonk het 's anderen morgens vroeg in den voorhof van +Siddha's woning,--is uw meester nog niet wakker? Ga eens en zie of +ik hem stoor met een bezoek! + +Juist wilde Vatsa aan het bevel gehoorzamen toen Siddha zelf, +bezig zich gereed te maken om uit te gaan, terstond de vrolijke +stem van Parviz, den neef van Aboel Fazl, herkende, en in den +voorhof zich begevend, zijn bezoeker uitnoodigde binnen te komen. + +--Hebt gij dienst?--vroeg deze. + +--Een paar dagen niet. + +--Nu, dat treft. Dan komt het u misschien wel gelegen eens een +uitstapje te maken? + +--Zeer gaarne! Waarheen? + +--Wel! naar Fattipoer Sikri natuurlijk, de buitenresidentie van +den Keizer. Daarheen zou alweer een ieder u voeren, die u voor 't +eerst een togtje in de omstreken liet doen. + +--Ik geef mij geheel over aan uwe vriendelijke leiding,--hernam +Siddha,--veroorloof mij echter u een enkel oogenblik alleen te +laten. Koelloeka vertrekt straks en ik wil hem dus even vaarwel +zeggen. + +Spoedig was hij, Koelloeka opgezocht hebbende, met het afscheid +gereed, waarbij zijn leermeester zonder verder navragen zich met +de overbrenging van den brief belastte; en kort daarop zat hij in +den zadel en reed met Parviz, gevolgd door den dienaar van zijn +vriend en den zijne, de stad uit. + +Een breede laan, door vrij hooge boomen beschaduwd en met schoone +vergezigten over de velden en bosschaadjen aan weerszijden, maakte +den togt voor een groot deel tot een wezenlijk aangenamen +wandelrid. + +--Zie,--sprak Parviz, toen men een tijdlang had voortgereden,-- +zulke lanen heeft de Keizer nu ook laten aanleggen op andere en +verre wegen, waar vroeger haast geen blad groeide en waar men van +hitte verging. Een zeer nuttig werk voorzeker! En geen reiziger +trouwens die er Akbar niet dankbaar voor is. + +--Ja, de Keizer doet nuttige dingen!--antwoordde Siddha; en +daarbij tevens aan den merkwaardigen man denkend met wien hij den +vorigen dag over Akbar gesproken had, deelde hij Parviz in +algemeene bewoordingen zijne ontmoeting mede en vroeg hem of hij +den persoon kende, wiens uiterlijk hij beschreef. + +--Neen, die is mij niet bekend,--zei Parviz, met moeite een +glimlach bedwingend,--maar gij zult hem misschien wel eens +weerzien. + +--Waarschijnlijk wel,--hernam Siddha,--hij schijnt hier thuis te +behooren. Maar vertel mij dan eens iets anders. Hoe komt het dat +er hier zooveel mannen zijn die in 't geheel geen baard dragen? Ik +dacht juist dat uwe Mohammedanen zoo bijzonder op een baard +gesteld waren. + +--Dat zijn zij ook, maar Akbar zelf denkt nu juist anders over de +zaak. Zoo een kneveltje als het uwe of 't mijne kan er bij hem nog +wel door, maar liefst ziet hij in 't geheel niets op iemands +gezigt. Of dat nu enkel een gril is zooals men die ook bij de +verstandigste menschen wel eens meer ontmoet, dan of hij met opzet +de regtzinnig geloovigen wil plagen, of ook hun toonen dat hij om +hunne vooroordeelen en vormbegrippen niet geeft, ik weet het niet, +maar zeker is dat de zaak, zoo onbeduidend en kinderachtig ze +schijnen mag, al tot heel wat onaangenaamheden en gehaspel heeft +aanleiding gegeven. Doch hier naderen wij de woning van een der +dorpshoofden in den omtrek, dien ik door mijn oom den Minister +goed ken; willen we een oogenblik bij hem uitrusten en onze +paarden wat water geven? Mijn bruin ten minste zal er wel naar +verlangen; hij stond al een heelen tijd gezadeld eer ik uitreed. + +Overeenkomstig het voorstel steeg men af in den binnenhof der +nette en flink van hout en steenen opgetrokken, te midden van +tamarindeboomen en acacia's gelegen boerderij; en weldra vertoonde +zich op het geroep zijner onderhoorigen de eigenaar zelf, een +Hindoe van middelbare jaren en deftig, magistraal voorkomen. Na de +gewone pligtplegingen en terwijl de gastheer frissche vruchten +nevens een kruik ijskoud kristalhelder water liet aanbrengen, kwam +het gesprek, zooals te verwachten was, al spoedig op den landbouw +en de bijzondere welvaart die er ook voor een weinig geoefend oog +reeds terstond onder de landbouwende bevolking dezer streken viel +op te merken, en die gunstig afstak bij 't geen Siddha in zijne +eigene gewoon was te zien. + +--Voor een deel,--verklaarde het dorpshoofd,--is die gelukkige +toestand natuurlijk ons eigen werk; zonder arbeid en inspanning +waren wij er zeker niet gekomen; maar grooten dank ook zijn wij +den Keizer verschuldigd, wiens verstandig en bijzonder doelmatig +stelsel van bestuur ons eerst tot eigen krachtsinspanning de regte +gelegenheid gaf. + +--Ik heb er van gehoord,--merkte Siddha aan,--maar om u de +waarheid te zeggen, ik ben daaromtrent nog niet geheel op de +hoogte. + +--Toch is het zeer eenvoudig,--hernam de Hindoe,--en voor iemand +van uwe beschaving gemakkelijk genoeg te vatten. Het gansche +systeem toch berust in hoofdzaak op eene geschikte verdeeling der +landerijen, eene vaste, billijk geregelde opbrengst der landrente, +en bovenal op de regtszekerheid die het een en het ander den +landeigenaar en den landbouwer verschaft. Vroeger ging alles +tamelijk willekeurig, en wist niemand regt wat hem eigenlijk +toekwam en wat hij op te brengen had, terwijl aan ons dorpshoofden +meerendeels bleef overgelaten, met de regering de jaarlijksche +opbrengst der velden, naarmate die soms voor-, soms nadeelig +heette, te regelen: Thans is dat alles anders geworden. De velden +zijn behoorlijk opgemeten en de grenzen vastgesteld; de opbrengst +wordt met inachtneming van de meerdere of mindere vruchtbaarheid +der daartoe in verschillende klassen ingedeelde gronden, over een +bepaald aantal jaren geschat; en, wat niet het minste zegt, en +tevens misschien wel het moeijelijkst te regelen viel, de daarnaar +berekende landrente of belasting wordt zooveel maar doenlijk in +geld, en niet meer als vroeger in voortbrengselen voldaan. En geen +regeringsbeambten hebben meer te beslissen, wanneer daarover +geschillen ontstaan, maar de regter alleen. Het gevolg van dat een +en ander moet wel zijn, en is het ook, dat de landbouwer, eigenaar +of pachter, nu eenmaal vooruit kan weten wat zijn land hem +ongeveer zal kosten, wat hij te betalen heeft en wat zijn vrij +beschikbaar eigendom blijft. En is het dan wonder zoo hij, met +eenige energie, en goed zijn eigen belangen begrijpend, ook +wezenlijk vooruitgaat en welvarend wordt waar hij te voren nauw +zijn dagelijksche rijst kon verdienen? Trouwens gij ziet de +vruchten, en kunt dus zelf oordoelen, hoewel gij 't nog beter +zoudt kunnen indien gij onze landerijen en haar bewoners in den +vroegeren toestand gekend hadt zoo als ik. + +--De vergelijking met dien van mijn eigen land,--antwoordde +Siddha,--moet wel tot gelijke uitkomst leiden als de uwe. Welk een +zegen voor een staat, een vorst als Akbar te bezitten! + +--Maar zijn raadsmannen mogen wij toch ook wel dankbaar zijn,-- +hernam de magistraat,--en in 't bijzonder Todar Mal, den +schatmeester, die het stelsel eigenlijk uitwerkte, en Aboel Fazl, +den Groot-Vizier, die er de laatste hand aan legt, door met de +grootste strengheid alle afpersingen en knevelarijen van de +regeringsambtenaren, met wie wij te doen hebben, tegen te gaan. +En, scheen het al in den beginne, dat de staatsinkomsten door al +deze maatregelen zouden verminderen, op den duur is juist het +tegendeel gebleken; en zelfs al waren die inkomsten iets geringer, +ze zouden toch nog in waarde gewonnen hebben, omdat ze nu zooveel +vaster en beter verzekerd dan te voren zijn. + +--Maar, geachte Heer!--vroeg Siddha,--bestaat er nu geen gevaar +dat het stelsel, zoo uitnemend het zijn mag, weer in duigen valt +als een min verstandig vorst eens den troon bestijgt? + +--Ik geloof het niet,--was het antwoord;--als onze gemeenten +eenmaal zekere regten verkregen hebben, kan geen despoot haar die +ligt weer ontnemen. Gij weet, dat die gemeenten bijkans geheel en +al zichzelve regeren door hare eigene overheden en daardoor tot op +zekere hoogte onafhankelijk worden van den Soeverein. Wilde nu +deze beproeven hare regten te verkorten tegen de adat in, dan zou +hij als met duizenden kleine staatjes te doen krijgen en geen +ambtenaren en geen soldaten genoeg vinden om die alle tot +gehoorzaamheid te blijven dwingen. Of zoo 't hem al gelukte, de +dorpen zouden meerendeels eenvoudig verlaten worden en de +bevolking zou zich terugtrekken in ontoegankelijke bosschen en +wildernissen. Voor 't overige laten onze dorpers den vorst ook van +hun kant volkomen vrij in zijne handelingen. Hij mag oorlogvoeren +met andere rijken zooveel hem lust en zoolang zijne schatkist het +toelaat; en om intriges en twisten van het paleis geven onze +gemeentenaren in het geheel niet; de meesten zelfs vernemen er +zelden iets van. + +--Een gelukkige toestand!--zei Siddha,--en voor beide partijen +inderdaad heel gemakkelijk. + +--Alleen de staats- en volkseenheid wordt er juist niet door +bevorderd,--merkte Parviz op, zich nu ook mengend in het gesprek. + +--Dat wordt zij ook niet,--antwoordde de magistraat,--maar zoudt +gij dan meenen dat eene wezenlijke eenheid van den staat, anders +dan in den persoon van den vorst, op zich zelve mogelijk was in +een land als ons tegenwoordig Hindostan, waar zulk eene menigte +van allerlei meest onderscheiden rassen en volken bij en door +elkander woont? + +--Ik erken dat het moeijelijk zijn zou, hoewel 't alligt zaak +ware, er wat meer naar te streven dan tot nu toe gedaan wordt. + +Een tijdlang nog werd het onderhoud, waarin vooral Siddha veel +belang stelde, voortgezet; en daarop namen de beide vrienden +afscheid van het beleefde dorpshoofd en vervolgden, hun paarden +weer bestijgend, hun weg. + +Een flinke, maar tamelijk lange rid, waarbij nog al eens halt +moest worden gehouden om rust te nemen, bragt hen eindelijk in 't +gezigt der hoogte, waarop het versterkt en door zware ringmuren +omsloten paleis van Fattipoer was gebouwd. Mogt de aanblik der +Agrasche paleizen indrukwekkend heeten, deze was het van zekeren +afstand niet minder. Trotsch en statig, maar als altijd bevallig +en sierlijk tevens, verhieven zich, als terrasgewijze boven +elkander geplaatst, de verschillende luchtig omhoog rijzende +gebouwen met hunne vlug opgetrokken torens en fijne kanteelen en +breede, hel in 't zonlicht glanzende marmeren trappen, afgewisseld +alles door het groen der tamarinden en andere boomen, waaruit ze +deels te voorschijn traden om ook deels weder zich daartusschen te +verbergen. Doch toen Siddha met zijn geleider, nadat zij de +paarden aan de zorg hunner dienaren hadden toevertrouwd, den +eigenlijken omkring van het paleis zelf was binnengetreden, +gevoelde hij zich schoon minder verrast, toch aangenamer aangedaan +door het vrolijker en genoegelijker voorkomen dezer, voor 't +overige met niet minder weelde en sierlijkheid ingerigte gebouwen +en vertrekken dan door het gezigt der veel meer uitgestrekte van +Agra. Ook de tuinen schenen hem bevalliger en meer bevredigend +voor het oog, daar toch hier althans geen geweld was gedaan aan de +natuur, en lanen en slingerpaden, met vermijding van de eentoonige +regtheid en het onveranderlijk waterpas, de bogten en verhevenheden +bleven volgen, door het bewogen terrein en den plantengroei zelven +aangewezen. En dan, welk een heerlijk en verkwikkelijk vergezigt over de +omliggende heuvelen en met rijken oogst beladen bouwvelden, en de als +zilver glanzende rivier daar omlaag en het, wel is waar kunstmatig +aangebragte, maar daarom niet minder schilderachtig meer in het +verschiet!--Geruimen tijd bleven de bezoekers daar ronddwalen, nu eens +langs eenzame wandelpaden, dan weer door de met wachters en dienaren +vervulde galerijen, tot eindelijk Parviz den voorslag deed, een zijner +vrienden in de lager gelegene stad te gaan opzoeken om daar hun +intrek te nemen en tevens een beter maal te gebruiken dan men +onderweg had kunnen vinden. + +Natuurlijk vond ook dit voorstel gereedelijk gehoor; en nadat men +bij den gastvrijen vriend van Parviz de noodige rust had genoten, +en zich door een hartig en tevens vrolijk maal had gesterkt, +begaven onze vrienden zich weer op weg om nog 't een en ander van +de stad zelve te zien. + +--Vergun mij,--sprak Parviz,--u voor weinige oogenblikken aan u +zelven over te laten. Ik heb hier nog eenige stukken op last van +mijn oom aan een van zijne ambtenaren over te brengen, en dezen +over eenige zaken te spreken waarin gij zeker geen belang zoudt +stellen. Hij woont hier in de nabijheid en ik ben zoo aanstonds +bij u terug. Inmiddels hebt gij daar tusschen de acacia's ginds +een vrij ouden tempel, dien gij misschien wel eens zult willen +bezigtigen. Des verkiezende kunt gij er ook uwe devotie verrigten. + +--Wel verpligt,--antwoordde de ander lagchend,--daaraan ga ik mij +niet te buiten. Maar zeer gaarne wil ik den tempel eens bezien. Ik +zal u daar dan of in de nabijheid wachten. + +Spoedig ontwaarde Siddha, toen hij de zware en flauw verlichte gewelven +was binnengetreden, aan de talrijke zinnebeeldige versieringen der +zuilen, dat hij zich in een çiva-tempel bevond; en na eenige gangen te +zijn doorgegaan, aanschouwde hij dan ook aan 't uiteinde van een soort +van hal en van boven verlicht het kolossale beeld van den God, met de +beenen kruiselings op een hoog voetstuk gezeten, de armen en enkels met +eene menigte van ringen versierd, het teeken van den drietand op het +voorhoofd en een keten van doodshoofden om den hals,--çiva, den +Oneindigen en Almagtigen Wereldheer, scheppend om te vernielen, en +vernielend om te scheppen op nieuw, het eindeloos in zijn openbaringen +zich vervormend Wezen, waaruit alle Zijn voortspruit en waartoe het Al +gestadig terug moet keeren. Zoo goed nu onze jonge Indiër de begrippen +kende, welke die beeldtenis en hare symbolen vertegenwoordigden, en +zoozeer hij daarvan ook de betrekkelijke waarde bleef erkennen, toch +stuitte hem ook nu weder, zooals het vroeger bij dergelijk schouwspel +gedaan had, niet weinig het wanstaltige en gedrogtelijke dier gedaante, +die wel is waar zekeren indruk bij den eersten aanblik kon maken, doch +wel bezien de voor 't overige inderdaad niet van schoonheid ontbloote +bouworde van den tempel op hinderlijke wijze ontsierde. + +Niet lang echter duurde zijne eenzame bespiegeling over dit een en +ander; want achter zich vernam hij een oogenblik later een stem, +hoewel de stilte niet door het geluid van voetstappen was +verstoord geworden. + +--Om!--klonk het,--om! U brengt de onwaardige dienaar van çiva's +heilige echtgenoote, de in hem wonende Oneindige Kracht, zijnen +groet. + +En naar de plek zich keerend van waar de stem kwam, werd Siddha +den Doerga-priester Gorakh gewaar, dien hij te Allahabad in +gezelschap van zijn oom Salhana had gezien. + +--Ik groet u, Eerwaarde!--sprak hij, en wachtte wat de ander hem +te zeggen zou hebben. + +--Zoo! wij zijn elkander dan nog niet vergeten sinds onze laatste +ontmoeting,--hernam Gorakh;--trouwens wat mij betreft, ik heb u +wél in 't oog gehouden, sinds ik daar ginds in de nabijheid van +den Bhadrinâth u waargenomen heb. + +--Nu ja,--zeide Siddha, een weinig ongeduldig,--laat dat zijn hoe +'t wil. Maar ik begrijp eigenlijk niet, eerwaarde Heer! welk +belang gij in mij stellen kunt. + +--En zou dan,--vroeg de ander,--de neef van mijn leerling en +vriend geen aanspraak mogen maken op mijne belangstelling? Maar +ook daarom juist schijnt mij pligt, u een waarschuwing niet te +onthouden, waar ik die noodig acht, en indien gij ze van mij wilt +aannemen. Gij weet wie Gaurapada, de kluizenaar, is, niet waar? + +--Gaurapada?--vroeg Siddha,--welzeker! Hij is een kluizenaar in 't +gebergte. + +--Ja, maar ik meen, wie hij was eer hij zijn tegenwoordigen naam +droeg. + +--Daar weet ik niets van. Hij heeft het mij niet verteld. + +--Maar uw goeroe, Koelloeka, heeft het u toch medegedeeld? + +--Ik heb er hem niet eens naar gevraagd en 't kan mij ook niet +schelen. + +Met een zijdelingschen, uitvorschenden blik zag Gorakh den spreker aan; +maar deze ware geen rechte Indiër geweest, indien zijn gelaat in eene +omstandigheid als deze niet de meest mogelijke onverschilligheid had +vertoond. Ietwat minder voorzigtig echter liet hij, warm wordend bij 't +indringende van den ander, er op volgen: + +--En al wist ik nu ook nauwkeurig, wie en wat Gaurapada in vroeger +tijd geweest mogt zijn, gij begrijpt dat ik 't u toch niet zou +zeggen. + +--Ha!--riep de Yogi uit,--gij vertrouwt mij niet! En gij meent mij +zelfs te mogen tarten? Herinner u, dat ik een vriend van den +Goeverneur van Allahabad ben! + +--Ja, dat weet ik!--sprak Siddha met zekeren nadruk. + +--Wat weet gij? + +--Ik weet wat ik weet, en dat is genoeg! + +Nijdig keek de priester Siddha aan. En tevens niet zonder +ongerustheid. Wat beteekende dat gezegde op dien toon? En wat kon +hij werkelijk weten? Doch voor 't oogenblik scheen in elk geval +wel 't veiligst het toch niet vlottend gesprek maar af te breken. + +--Nu, genoeg dan!--zeide Gorakh,--voor u en voor mij. + +Doch bedenk één ding, mijn jonge vriend, die mijne vriendschap +niet schijnt te begeeren!--en ik wil ze u ook niet opdringen!-- +bedenk, dat de magtige Godin, aan wier dienst ik mijne geringe +krachten wijde, niet alleen behouden maar ook verdelgen kan, en +dat er geen hoop op genade en geen kans op redding bestaat voor +hem, dien zij eenmaal door hare priesters als uitverkoren offer +haren getrouwen heeft aangewezen! + +En in een der zijgangen verdween zonder nader antwoord af te +wachten de geheimzinnige boeteling; en, hoe vastberaden anders +ook, toch vermogt Siddha hem niet na te staren zonder een zeker +gevoel van beklemdheid en onwillekeurigen angst. En 't scheen hem, +hoewel de Doerga-priester thans werkelijk toch alléén was, als zag +hij hem nogmaals gevolgd door dien langen stoet van naakte bruine +gestalten met de witte koorden om den nek, met welken hij in de +nachtelijke schemering hem langs den ringnmur van Allahabad had +zien verdwijnen in het bosch. + +Eer hij zich inmiddels ter ruste begaf dacht hem niet onnut, nog +eene enkele vraag tot den trouwen dienaar te rigten, die hem in de +woning van den vriend van Parviz afwachtte om te vernemen of zijn +meester nog iets te bevelen had. + +--Vatsa!--zeide hij,--gij hebt mij laatst in het park van +Allahabad betuigd, dat gij evenmin als Koelloeka's dienaar daar +een priester of boeteling hadt gezien. Maar herinnert gij u soms +toch met eenig ander, u onbekend persoon gesproken en dezen +misschien eene of andere bijzonderbeid van onze reis in 't +gebergte verteld te hebben? + +Ik zou er niet verder aan hebben gedacht,--antwoordde Vatsa,-- +maar nu ge 't mij zoo afvraagt, Heer! nu herinner ik mij wel, dat +er in den omtrek der stallen een half naakt en bruin gekleurd man +met ons kwam praten, en nadat hij ons 't een en ander omtrent de +vesting en de stad had verteld, ook naar onze reisontmoetingen +vroeg. + +--En gij hebt hem toen van mijn geval met den tijger van Gaurapada +verteld? + +--Ik geloof inderdaad van ja! + +--En zeidet gij soms ook iets omtrent den kluizenaar en diens +uiterlijk voorkomen? + +--Zeker!--antwoordde Vatsa,--juist zijn eerbiedwaardig en tegelijk +vorstelijk voorkomen had in 't bijzonder onze aandacht getrokken; +wij waren er beiden nog vol van en daar wij niet wisten dat er +kwaad in stak er van te spreken, maakten wij ook geen geheim van +onze ontmoeting tegenover den vreemde. + +--Wien gij dus ook het uiterlijk van Gaurapada eenigermate zult +beschreven hebben? + +--Nauwkeurig herinner ik mij dat niet meer; maar ik geloof wel dat +wij er iets van meldden. + +--Bedenkelijk!--mompelde Siddha in zichzelf,--inderdaad nog al +bedenkelijk! De priester heeft natuurlijk door zijn handlanger +omtrent onze reis vernomen wat hij weten wilde om mij te +overbluffen, maar schijnt tevens tot eenig vermoeden omtrent +Gaurapada te zijn gekomen. Dat hij straks mij zocht uit te hooren, +is duidelijk genoeg. Maar wat kan hij met Gaurapada, of +Nandigoepta, hebben uit te staan? En mijn oom Salhana? Of die er +mee in betrokken zou zijn?... + +--We hebben toch hoop ik geen kwaad gedaan door met dien onbekende +te praten?--vroeg Vatsa ongerust, toen hij zijn jongen meester zoo +in gedachten zag. + +--Neen, neen!--antwoordde deze,--en zoo gij 't al gedaan mogt +hebben, gij deedt het onwillekeurig en hebt dus geen schuld. We +hadden ook voorzigtiger moeten zijn en u vooraf waarschuwen. Maar +let nu op één ding, Vatsa! spreek voortaan met niemand meer over +den kluizenaar, wie er ook komt om u naar hem te vragen! Hebt ge +mij begrepen? + +--Volkomen, Heer!--antwoordde de ander,--van nu af heb ik dien +kluizenaar nooit gezien, of, zoo ik hem soms eens zag, ik ben +volkomen vergeten hoe hij er uitziet.-- + +--Met dat al,--dacht Siddha,--zal nu toch Koelloeka, of, kan het, +Nandigoepta zelf dienen gewaarschuwd te worden. Ik wil er voor +zorgen zoodra ik een veilige gelegenheid vind; Salhana moge er nu +mee te maken hebben of niet! + + + +ZESDE HOOFDSTUK. + +Selim + +--Welaan, mijne heeren!--sprak de bevelhebber der Radjpoet's, die +op het plein in de vesting met eenige zijner officieren stond te +praten, terwijl de ruiters zich in gelid schaarden,--nu spoedig +opgezeten en dan naar het kamp, waar zooals gij weet de Keizer +heden wapenschouwing komt houden! + +Vlug werd er aan het bevel voldaan, en weldra, nadat men buiten de +vesting was gekomen, ging het in draf naar het kamp, dat op +eenigen afstand van de stad in eene uitgestrekte vlakte was +opgerigt. Een treffend schouwspel vertoonde zich aan Siddha's oog +toen hij aan 't hoofd zijner afdeeling met de overigen eene kleine +hoogte had bestegen en vandaar het veld in 't gezigt kreeg. Daar +ter regterzijde eene gansche stad als 't ware van tenten, langs +breede straten in de meest regelmatige orde nevens elkander +gerangschikt, en in wier midden zich, roodgekleurd en met vergulde +peervormige toppen, de Keizerlijke tent verhief, zoo men althans +dien naam mogt geven aan dergelijk, schoon uit hout en doek +zamengesteld, paleis. En aan de linkerzijde het uitgestrekte veld, +waarop zich in bonte mengeling de meest verscheiden troepenkorpsen +vertoonden, gepantserde en niet-gepantserde ruiters in bonte, +veelkleurige kleederdragt, sommigen met lansen, anderen met +geweren gewapend, artillerie en strijdolifanten, en een weinig +meer in de verte ook die vrolijker uitgemonsterde, op wier rug +gemakkelijke met kussens voorziene en van boven tegen de zon +bedekte zetels tot voertuig strekten voor aanzienlijke, meest +gesluierde vrouwen, die de wapenschouwing kwamen bijwonen. + +Eenigen tijd nadat ook de Radjpoet-ruiterij op de vlakte was +aangekomen rukten de verschillende troepen, voorafgegaan door hare +muziekkorpsen, op, om langs den Keizer en zijn staf te defileren, +die daar op een eenigszins meer verheven terrein hen afwachtte. +Naderbij gekomen behoefde Siddha wel niet lang in twijfel te +staan, wien hij onder die groep van schitterend uitgedoste +veldheeren, wier wapenen en paardentuigen glinsterden van goud en +edelgesteenten, nu als den Keizer zelven te beschouwen had. Wel +onmiskenbaar toch was door zijne gansche houding die forsche man, +die daar op zijn prachtig wit paard en den veldheerstaf in de +hand, een paar passen vóór de overigen, en zijn baniervoerder en +parasoldrager achter zich, de voorbijtrekkende troepen in +oogenschouw nam. Maar tevens herkende hij ook terstond in den +magtigen gebieder denzelfden persoon met wien hij in de tuinen van +het paleis gesproken had, en omtrent wiens wezenlijken rang ook +toen reeds, gelijk nu wel bleek, een inderdaad volkomen waar +vermoeden bij hem gerezen was. + +Op zijne beurt nu met zijn ruiters den Keizer voorbijtrekkend, +boog hij, gelijk hij de anderen die hem vóórgingen had zien doen, +zich voorover met omlaag gerigte lanspunt, en, tevens met een +steelschen blik naar Akbar opziend, meende hij op het anders +streng gelaat van dezen een ligten glimlach te bespeuren, die hem +dra tot de overtuiging bragt dat de Keizer zijne nog al +vrijmoedige woorden toch niet euvel scheen te hebben opgenomen. +Ook herinnerde hij zich met zekere gerustheid dat Akbar, ééne +Vlugtige opwelling van toorn nu daargelaten, ook voortdurend open +en vriendelijk tot hem gesproken had. En eindelijk behoefde hij +thans zoo erg niet meer tegen een voorstelling aan den grooten +Keizer op te zien, die, naar Feizi hem had te kennen gegeven, +waarschijnlijk wel na de wapenschouwing in het legerkamp zou +kunnen plaats hebben. + +Die verzekering werd ook niet gelogenstraft toen er rust voor de +troepen was bevolen, en de officieren, die hierbij gemist konden +worden, zich naar de voor hen bestemde gedeelten van het kamp +hadden begeven. Daar toch zag Siddha al spoedig zich door Feizi +wenken en op 's Keizers raadsman toetredend, werd hij door dezen +naar de uitgebreide groep der van binnen niet minder weelderig dan +de vertrekken van het paleis zelf versierde middententen geleid. +Een oogenblik later bevonden zich beide in de hooge tegenwoordigheid +van den vorst. + +Niet weinig inmiddels verwonderde zich Feizi zelf toen hij Akbar +terstond een stap voorwaarts zag doen en hem tot Siddha, wiens +diepen groet hij met een genadige handbeweging beantwoordde, +zonder de officiëele voorstelling af te wachten, hoorde zeggen: + +--Wel! ik zag u straks in dienst, en 't scheen mij dat er eenmaal +nog wel een geschikt officier uit u groeien kan. Zorg maar dat ge +mij niet in die goede verwachting bedriegt! + +--Ik kende,--vervolgde hij tot Feizi,--uw beschermeling al een +weinig; wij hebben elkander reeds vóór eenige dagen ontmoet, +hoewel hij toen niet raadde wie ik was. + +--Had ik dat geweten, Sire!--sprak Siddha eerbiedig,--ik had +daarom met geen meer ontzag tot Uwe Majesteit op kunnen zien dan +ik toch reeds tot den mij onbekende deed. + +--Maar toch waarschijnlijk wat minder vrij gesproken hebben,-- +vulde Akbar een weinig spotachtig het hoffelijk, maar blijkbaar +ook ernstig bedoeld gezegde aan;--doch daarin stak op zich zelf +geen kwaad, en ik hoor ook liever wat de menschen van mij denken +dan te moeten raden naar 't geen zij over mij spreken achter mijn +rug. Maar daarom dan ook, en naar aanleiding tevens van ons vorig +gesprek, een bevel of liever, want wat ik verlang laat zich niet +afdwingen, een verzoek: schenk mij ook in vervolg van tijd +hetzelfde vertrouwen, dat gij, mij niet kennend, reeds in mij +gesteld hebt! Gij ziet wel, het heeft tot heden u niet bedrogen. +Wend u tot mij, niet tot anderen, als gij meent u over mij of de +mijnen te beklagen te hebben. Klagten aan te horen weiger ik +nooit; zijn ze ongegrond, dan tracht ik ze te wederleggen; zijn ze +billijk, ik zoek naar herstel der grieven. Openhartigheid en +gepaste vrijmoedigheid, mijn vriend Feizi kan het getuigen, wekken +nooit in ernst mijn toorn; wel daarentegen valschheid en +veinzerij. + +En na nog enkele vragen en gezegden omtrent Siddha's meer +bijzondere dienstbetrekking, wenkte de Keizer ten teeken dat het +gehoor was afgeloopen, en verwijderde zich Feizi met zijn jongeren +vriend, die natuurlijk niet weinig in de wolken was over zijn +tweede onderhoud met den vorst, en ook niet naliet zijn medgezel +het een en ander omtrent het eerste te verhalen. + +--Nu, gij zijt wezenlijk een gelukskind,--sprak Feizi,--dat treft +iedereen maar zoo niet, hoewel Akbar overigens niet moeijelijk is +te genaken en doorgaans allen gaarne te woord staat. Gij schijnt +inmiddels een gunstigen indruk op hem gemaakt te hebben, en dat +verheugt mij van harte. Doch zie ik daar Parviz niet aankomen? Och +jawel! Maar wat die hier komt uitvoeren? Wel, wel!--vervolgde hij, +zijn neef toesprekend,--mijnheer de toekomstige staatsraad hier +onder krijgslieden tusschen de tenten! + +--Even goed, dunkt mij,--antwoordde Parviz,--als mijn waarde oom, +de wijsgeer! Doch ik erken gaarne, dat ik voor 't overige evenmin +kans zie hem ooit te evenaren in zijn staatsmanswijsheid en +geleerdheid als in de wapenfeiten die hij bedreven heeft. + +--Nu, geen komplimentjes, neef!--hernam de ander lagchend,--dat +komt onder ons niet te pas. Maar weet gij wat ik eigenlijk denk? +Gij zijt hier zeker gekomen om daar ginds een kijkje te nemen van +de fraai aangekleede olifanten; de schoone dochter van Todar Mal +is stellig weer niet vreemd aan uw verschijning, al moogt gij haar +eigenlijk niet eens zien. + +--Oom! zeg ik op mijne beurt, geen verraden van mijn geheimen! +Hoewel ik--voegde Parviz rond en goedhartig er aan toe,--die +anders niet voor mijn vriend Siddha verborgen wil houden. Te +minder omdat ik mij verzekerd reken van zijne belangstelling, +wanneer hij van zijn kant aan zijne voorzeker niet minder +beminnelijke verloofde denkt. Maar,--zeide hij tevens, zich tot +Siddha wendend,--zoover als gij ben ik ongelukkig nog bij lange +niet. Of ik misschien al eenige gunst in de oogen der dochter zal +mogen vinden, van den vader durf ik mij gansch niet verzekerd +houden. + +--Dat zal mettertijd wel teregtkomen,--merkte Feizi goelijk op,-- +doch genoeg voor 't ogenblik van ons vertrouwelijk gesprek! +Ziehier anderen, voor wier ooren dat alles zeker niet bestemd kan +zijn. + +--Wie is dat?--vroeg Siddha, toen hij een groep ruiters zag +naderen in wier midden zich een jongmensch, welligt enkele jaren +ouder dan hij zelf, maar toch anders van ongeveer gelijken +leeftijd, vertoonde, en wiens uiterlijk voorkomen hem om meer dan +eene reden wel opmerkelijk scheen. Vooreerst om de wezenlijk +overdadige pracht zijner kleeding. Over het fijn goudlakensch +kleed droeg hij niet minder dan vier snoeren buitengewoon groote +paarlen; de tulband was met een hooge reigerveder en drie juweelen +van onschatbare waarde getooid; en om de armen droeg hij, tot aan +de ellebogen, reijen van banden alle met edelgesteenten bezet, +terwijl aan elken vinger een ring was gestoken. Om niet eens van +de diamanten en paarlen te spreken, die zijn wapenen en het tuig +van zijn paard versierden. Maar hoe zonderling bij al dat +geflonker het bleek en vermoeid gelaat afstak, waarvan de vaalheid +nog meer scheen uit te komen door de gitzwarte oogen en de scherp +afgeteekende knevels en wenkbrauwen. Oorspronkelijk waren die +trekken ongetwijfeld schoon en edel te noemen, maar zij waren +vervallen en verouderd vóór den tijd en droegen de onmiskenbare +teekenen van menigen anders dan in wijsgeerige bespiegeling en +onthouding doorgebragten nacht. + +--Hoe! kent gij dien nog niet?--vroeg Feizi,--dat is Selim de zoon +van den Keizer en zijn aangewezen opvolger. + +Met een zwijgenden groet wilde de Kroonprins voorbij rijden, maar +hij bedacht zich en, zijn paard naar Feizi en Parviz wendend, +zeide hij: + +--Mijne heeren! 't is mij lief u juist hier te ontmoeten; ik wacht +dezen avond eenige vrienden in mijn paleis voor een klein feest; +wilt ge mij niet 't genoegen ook van uw bijzijn schenken? + +--De vraag--antwoordde Feizi,--ware mij in elke omstandigheid een +bevel, zoo ik niet heden juist door een hooger werd verhinderd er +aan te gehoorzamen, De Keizer heeft mij voor dezen avond +bescheiden. + +--O zoo!--hernam Selim met een half minachtenden glimlach, hoewel +overigens naar 't scheen juist niet rouwig om de weigering;--gij +moet mijn vader zeker weer les gaan geven in uw ongeloovige +wijsbegeerte, niet waar? + +--Wat ik persoonlijk doe,--was het antwoord,--blijft geheel ter +beoordeeling van Uwe Hoogheid; maar wat de Keizer goed mag vinden, +staat, dunkt mij, boven Haar oordeel en het mijne. Ook zou de +vraag nog mogen heeten wiens avond wel het nuttigst besteed zou +zijn. + +--Nu maak u maar niet boos, edele Feizi!--sprak de Prins +vergoelijkend,--ik meen het zoo kwaad niet. Doch moet ik u dan uwe +avonden laten, gun mij ook de mijnen! En gij Parviz!--ging hij, +tot dezen zich keerend, voort,--hebt gij ook soms zoo zwaarwigtige +bezigheden, die u van een onschuldig genoegen moeten terughouden? + +--Volstrekt niet,--antwoordde Parviz,--en al had ik die, ik zou +niets liever wenschen dan ze ter zijde te mogen stellen voor een +festijn in Selim's paleis. Maar veroorlooft mij, zoo de vraag niet +onbescheiden is, Uwe Hoogheid, een nieuwen vriend van mij voor te +stellen? + +En Siddha, die achteruit was getreden, wenkend om nader te komen, +meldde hij diens naam en rang. + +--O ja!--sprak Selim,--ik herinner mij zoo iets van zijne komst +hier vernomen te hebben. Wilt gij,--vroeg hij Siddha,--soms heden +avond uw vriend begeleiden, gij zult mij genoegen doen. + +--Ik stel de eer op hoogen prijs,--antwoordde Siddha met een +hoffelijke buiging. + +--De eer, nu ja!--zei Selim,--die geeft niet veel; ik heb niets te +beteekenen hier aan het hof; maar ik hoop dat onze bijeenkomst u +eenig genoegen mag verschaffen. Tot den avond alzoo! + +En zijn paard wendend vertrok de Prins met zijn gevolg. + +--Vergunt mij; geëerde vrienden!--zei hierop Siddha,--nu ook +mijn afscheid te nemen; 't wordt tijd mijn ruiters weer op te +zoeken. + +--Indien gij wilt,--sprak nog Parviz vóór het scheiden,--kom dan +tegen den avond mij afhalen; mijn woning ligt in uw weg, en dan +gaan wij zamen. + +--Met genoegen!--antwoordde de ander en begaf zich terug naar zijn +post. + +Dat de pracht van Selim's paleis ook aan die zijner kleedij zou +beantwoorden, had Siddha natuurlijk wel vermoed; maar toch vond +hij zijne verwachting nog overtroffen door de ongehoorde weelde +toen hij, langs verscheidene voorvertrekken en tusschen reijen van +dienaren door, de zacht maar overvloedig verlichte en niet al te +groote hal was binnengetreden, waar de Kroonprins met zijn +vrienden zich bevond. De zalen van het Keizerlijk paleis hadden +met al haar uitgezochten rijkdom nog iets ernstigs en gestrengs; +maar hier ademde alles, tot zelfs de overigens steeds bevallige +Moorsche bouworde en het schitterend dekoratief, niet dan zucht +naar weelde en een jagen naar het meest onbeperkte zingenot. +Veelkleurige zijden en goudlakensche voorhangsels neergolvend van +de als fijne kanten uitgehouwen bogen, en halverwege het keurig +mozaïekwerk in de met verguldsel afgezette marmeren wanden +bedekkend; digte bloemengroepen, bedwelmende geuren verspreidend +alom; breede, de lichten weerkaatsende spiegels; mollige tapijten +van phantastische teekening; lage en tot weeke rust verlokkende +divans; als kleine heuvels opeengestapelde gouden en kristallen +drinkschalen, en marmeren en porphieren koelvaten van allerlei +vorm; en aan de breede zijde der zaal een soort van tooneel, +waarop zich straks de danseressen en speellieden zouden vertoonen; +alles door tal van in bontkleurige ballons gevatte lampen +verlicht;--ziedaar ongetwijfeld een aanblik, die ook een bezoeker +van Indische paleizen nog wel bij den eersten oogopslag kon +verbaasd doen staan. + +Al spoedig had Selim, rondziende langs den kring der gasten, die, +in groepen verdeeld, hier op de divans zich hadden nedergezet, +daar met elkaar stonden te praten, de nieuw aangekomenen ontdekt, +en kort daarna op hen toetredend, sprak hij: + +--Zijt welkom, mijne heeren! in mijne nederige woning! Ik wil +hopen, gelijk ik dezen morgen reeds zeide, dat de avond ons eenig +wederzijdsch genoegen mag schenken. Laat het u inmiddels gezegd +zijn, de etiquette behoort ditmaal niet tot de vermakelijkheden; +wij trachten, althans voor dit oogenblik, vrienden onder elkaar te +zijn. + +De Prins wendde zich tot anderen; en op eenmaal zag Siddha eene +hem welbekende, maar hier op dit oogenblik niet verwachte figuur +naderen,--die van Salhana, den Goeverneur van Allahabad. + +--Wel, neef!--sprak deze, hem de hand gevend,--dat doet mij +genoegen u hier te ontmoeten. Ik ben zoo straks aangekomen en vond +juist bij tijds in mijne woning eene uitnoodiging van den Prins, +die mij hier in Agra verwachtte. + +--En,--vroeg Siddha,--hoe is het ginds, en hoe gaat het.... + +--Iravati? vulde Salhana aan--heel best. Zij laat u groeten. Doch +zie eens, daar komt een man met wien gij kennis moet maken, ook al +is hij voor 't oogenblik niet bijzonder gezien ten hove. Hij heeft +met dat al niet weinig te beteekenen. Een nieuwe kennismaking was +evenwel overtollig; want de naderende bleek niemand anders dan +Abdal Kadir Badaoni, de Islamietische ijveraar, te zijn, dien +Siddha reeds in het Keizerlijk park met Akbar zelf had gezien. Tot +zijne verwondering begroette diezelfde man zijn oom, schoon toch +even goed een ongeloovige als hij, nog al tamelijk beleefd, +terwijl hem zelf nu ook iets ten deel viel wat als eene soort van +hoffelijke ontvangst kon worden aangemerkt. + +--Ik zag uw neef toevallig reeds vroeger,--sprak Abdal Kadir toen +Salhana hem wilde voorstellen,--en ik wil hopen,--vervolgde hij +tot Siddha,--dat gij mijne toen gesproken woorden in de beteekenis +zult willen opvatten die ik zelf er aan gaf; gij ziet nu wel dat +personen mij nog niet gehaat zijn al moet ik hen bestrijden om hun +dwalingen. + +--Ik eerbiedig uwe gevoelens, edele Heer!--antwoordde Siddha,--al +betreur ik ook dat gij 't niet eveneens de onzen kunt doen. +Misschien .... + +--Wat misschien?--begon Abdal Kadir opstuivend. + +--Neen, neen, mijn waarde heeren!--sprak nu Salhana, tot vrede +manend,--geen getwist nu, wat ik u bidden mag, over uwe +wederzijdsche gevoelens omtrent geloofskwestiën! Bedenken wij +liever wat feitelijke gevaren ons allen, ons Indiërs zoowel als +ulieden, trouwe zonen van den Profeet, bedreigen, indien de +plannen eens verwezenlijkt werden, die ginds door hooger gestelde +magten schijnen ontworpen te worden! + +Enkele andere personen, blijkbaar mede wel vertrouwde bekenden van +Salhana en den Mohammedaan, hadden zich inmiddels bij de +sprekenden aangesloten, terwijl Parviz zich met eenige jongeren +naar een ander gedeelte der zaal had begeven. Allen luisterden met +opmerkzaamheid, doch tevens een nauw gesloten kring vormend, waar +geen ander, ongenoode, zich had weten binnen te dringen. + +Bedenken wij--ging Salhana voort, op wel verstaanbaren maar toch +fluisterenden toon,--wat ons gebeuren moet, indien wij eens +gedwongen werden ons allen openlijk aan de zonderlinge, tegen ons +aller begrippen en zeden strijdende eeredienst te onderwerpen, die +de anders zoo hoog geëerbiedigde Keizer ons, hoe dan ook, schijnt +te willen opdringen. Hoe nu? Zoudt gijlieden Mohammedanen, de +tegenwoordige beheerschers van het land, uw Allah verloochenend, +dan in aanbidding voor zon en sterren willen nederknielen, en +misschien.... + +--Bij den baard van den Profeet!--begon Abdal Kadir, de hand aan +'t gevest van zijn sabel slaand,--we zouden.... + +--Bleef het daar nog maar bij,--hernam de ander,--doch er is nog +erger. Denkt maar eens aan de woorden: "Allahoe Akbar", die +tegenwoordig op munten en firmans gevonden worden! Die schijnen +ongetwijfeld heel onschuldig als men ze in den zin van "God is +groot" verstaat; maar zij kunnen immers ook nog iets anders +beteekenen, te weten: "Akbar is God." + +--Dat gaat zeker alles te buiten!--riep Abdal Kadir nu in volle +woede uit; maar Salhana kwam weer tusschen beiden. + +--Laat ons bedaard blijven!--zeide hij,--we hebben hier trouwens +nog maar te doen met onderstellingen, die mogelijk ook, zooals ik +zou hopen, ongegrond zullen blijken te zijn. Maar als het toch +eenmaal zoo eens was, dan vraag ik, zoudt gij u kunnen en mogen +onderwerpen, of ook wij, die tot heden de meest volkomen vrijheid +genoten om dat geloof te belijden, wat wij erfden van onze vaderen +en naar onze overtuiging het beste en redelijkste scheen? Beviel +de laatste vraag al iets minder aan Abdal Kadir dan de vroeger +gestelde, op Siddha maakte zij des te meer indruk. Dat Akbar aan +de stichting van een nieuwe godsdienst dacht, was hem wel reeds +eens ter ooren gekomen; maar of hij daarmede nu ook werkelijk +gewetensdwang beoogde. En als 't eens zoo zijn mogt?... + +--Daarom,--besloot Salhana,--geen onderlinge twist! Maar laat ons +gezamenlijk toezien, en, moet het, ons eendragtig door geoorloofde +middelen trachten te beveiligen tegen de gevaren, waarmee het, +vrees ik, maar al te zeer door dweepers en door intriganten gevoed +idealisme van een anders voortreffelijk vorst ons dreigen mogt! +Doch ik geloof, dat de Prins reeds het teeken heeft gegeven om ons +eigenlijk festijn te doen beginnen. Breken wij dus voor 't +oogenblik ons onderhoud af! Ik blijf mij inmiddels aanbevelen, +mijne heeren! voor uw nader gevoelen over 't gesprokene. Mogelijk +verkeer ik gansch in dwaling. Ik mogt het van harte wenschen! + +Terwijl de gasten bezig waren eene plaats op de verschillende +divans te zoeken, hoorde Siddha, een der groepen voorbijgaande, +een paar woorden die zijne opmerkzaamheid trokken. + +--En Kaçmir?--vroeg een der sprekers,--zijn er berigten? + +--Heel goede!--antwoordde de toegesprokene;--de mijn kan haast +springen. + +--En de brief? + +--In de beste handen! + +Andere gasten scheidden Siddha van de twee wier gesprek hij daar +toevallig aanhoorde, en weldra zag hij niet ver van Selim zich +tusschen eenige hem nog onbekende jongelieden geplaatst, doch met +wie hij spoedig in gesprek was, terwijl de talrijke dienaren +verschillende ververschingen aanbragten en de wijn rijkelijk in de +gouden drinkschalen begon te vloeijen. Nu en dan kwamen hem nog +wel de straks vernomen woorden voor den geest, maar de beteekenis +bleef hem duister. Konden zij op die heimelijke twisten in zijn +vaderland slaan, die naar Salhana's zeggen, door Akbar werden +aangestookt? En die brief? Onwillekeurig maar ook slechts vlugtig +dacht hij aan den brief van Rezia, dien Koelloeka had meegenomen, +Maar wat kon die met staatkunde te maken hebben? + +Weldra ook werd zijns opmerkzaamheid geheel door de danseressen +ingenomen, die, begeleid door muziekanten, van achter een der +voorhangen op het tooneel in het breede der hal waren verschenen +en aldra, den bruingetinten boezem nagenoeg gansch ontbloot, maar +daarentegen met lang, tot de voeten reikend gewaad, op de maat der +snaren-instrumenten en cymbels eenige van die dansen begonnen uit +te voeren, die ten allen tijde zoozeer in den smaak vielen beide +van Indiër en van Musulman, en vaak uren achtereen hen weten bezig +te houden. Tot afwisseling evenwel traden ook nu en dan zangers en +zangeressen op, en vergastten de toehoorders met de voordragt van +Perzische liederen, die bijzonder aan Selim en zijne vrienden +schenen te behagen, maar Siddha een weinig eentoonig en ledig van +inhoud voorkwamen. + +--Waar blijft nu Rembha?--vroeg eindelijk de Prins,--ze zou ons +iets nieuws komen voorzingen, een paar vertaalde stukken uit een +oud Indisch gedicht, dat u, Siddha! zeker wel bekend zal zijn, het +Gitagovinda, meen ik. + +--O ja!--antwoordde Siddha,--de pastorale van Djayadeva, waarin de +avonturen van den God Krishna met de herderinnen en zijn +hereeniging met de schoone Radha beschreven worden. Ik heb er zelf +ook wel eens een vertaling van beproefd. + +--Nu,--hernam Selim,--laat ons dan eens luisteren! Daar komt +Rembha al. + +En op de estrade vertoonde zich een donker gekleurde schoone jonge +vrouw, in rijk doch misschien wel wat heel weelderig kostuum, en +ving half zingend, half reciterend, onder begeleiding eener zachte +muziek aldus aan: + +Nu de lieftallige atimoekta den mango doet siddren in minlijke +boeijen, Nu ook Vrindavana's woud weer der Djamoena heldere golven +besproeijen, Nu zich de lente aan de jeugd en de schoonheid, met +haar tot verleiding geboren, Paart om den kluizenaar zelf in de +rust zijner vrome overpeinzing te storen, Nu komt zich Krishna in +'t voorjaar vermeijen, Droef voor verlaatnen alleen, en speelt +kozend en danst met de dartlende reijen. + +"Donker in 't gele gewaad, ligt met sandel bestrooid en met + kransen omhangen, + De oorringen schittrend in 't licht als de dans ze beweegt om de + lagchende wangen, + Schertsend en kozend met dartel gebaar + Leidt Krishna ten reidans de luchtige schaar. + + + Deze, met zwellenden boezem, die digt zich daar zoekt aan zijn + zijde te dringen, + Neuriet een liefelijk lied, dat ze straks hem bij 't tokklen der + luit hoorde zingen. + De andre, wier rusteloos oog toont wat liefde en wat lust ze uit + zijn blik heeft gedronken, + Staat als verblind door den glans van zijn lotusgelaat in + gedachten verzonken. + + + Gene, die slanke, die haastig hem nadert, als had ze iets in 't + oor hem te fluistren, + Drukt snel een vlugtigen kus op zijn wang, als hij lagchend zich + buigt om te luistren. + + + Deze, door inniger hartstogt tot hem, den bekoorlijken herder + getrokken, + Wil hem, de hand aan zijn kleed, naar 't bosschaadje aan den + oever der Djamoena lokken. + + + Zij, die daar danst bij den klank van de fluit naar de maat der + zacht rinklende ringen, + Weet hem door 't blijk van haar kunst tot een uitroep van blijde + bewondring te dwingen. + + + Deze en die kussend ter vlugt, maar te vaster die innige aan 't + harte soms prangend, + Gene schalksch aanziend en deze, die tracht hem te ontsnappen, + met de armen omvangend, + Schertsend en kozend met dartel gebaar, + Leidt Krishna ten reidans de luchtige schaar." + + +--De voordragt,--sprak Selim met reden, toen de zangeres een +oogenblik ophield,--laat niets te wenschen over; maar wat dunkt u, +edele Siddha! van de vertaling? + +--Niet kwaad!--antwoordde de ander;--de denkbeelden zijn vrij wel +teruggegeven, al zijn de woorden ook niet overal volkomen gevolgd. +Dat is trouwens, ik erken het, ook heel moeijelijk met deze ietwat +gemaakte en gezochte poëzie van den lateren tijd. Maar is de +vertaler zelf niet bekend? + +--Het is Feizi, met wien ik u dezen morgen zag spreken,--zei de Prins, +even glimlagchend om de verlegenheid, die zich op Siddha's gelaat bij +deze verklaring, in verband met zijn nog al meesterachtig oordeel, +vertoonde.--Maar wees gerust,--vervolgde hij,--Feizi zal 't u stellig +niet kwalijk nemen als gij zijn werk niet onvoorwaardelijk goedkeurt, +maar u zeker voor elke teregtwijzing dankbaar zijn. Doch laat ons, +Rembha! nog een enkel stuk hooren, en dan willen wij voor heden avond +niet meer van u vergen. + +--De klagt dan--sprak de zangeres,--van de verlatene Radha tot +hare vriendin: + +"Hem, die naar kussen begeerig, ginds 't landlijk vermaak zoekt + met speelsche vriendinnen, + Die ook zich harten zoo ligt door den lach der koraalroode lippen + kan winnen, + Hem, die ginds dartelt, hem blijf ik gedenken, + Moge ook hij spot slechts voor liefde mij schenken! + + + Hem, die met rankgelijke armen heel 't vrouwendom, kon het, zou + wenschen te omvangen, + Handen en voeten en borst met juweelen die 't duister verlichten + omhangen; + + + Hem, wiens met sandel omwolkt en hel stralende voorhoofd de maan + doet verbleeken, + Hem, wiens onstuimige hart te vergeefs de verloorne om genade + doet smeeken, Hem, die ginds dartelt, hem blijf ik gedenken, + Moge ook hij spot slechts voor liefde mij schenken!" + + +Een kort oogenblik zweeg Rembha, en ging toen, in eenigzins +veranderde maat, en met steeds zoetvloeijender klank harer ronde +welluidende stem en als 't ware klimmende hartstogtelijkheid in de +rol der minnende Radha voort: + +"Mij, hier verscholen in 't loof, hem, die daar sluimert in 't + nachtelijk duister, + Mij, die klagend hem zoekt, hem, die ginds praalt in zijn + lagchende luister, + Ons, ach! breng spoedig weer zamen, vriendinne! + Mij, dat ik ruste aan zijn hart, hem, dat hij trouw me als + voorheen weer beminne! + + + Mij, bij zijn naadring beschaamd, hem, die door vleitaal mijn + zinnen verrukte, + Mij, door zijn glimlach bekoord, hem, die mij strafloos den + sluijer ontrukte, + + + Mij, op het bed hier van mos, hem, die zich vleije als weleer aan + mijn zijde, + Mij, weer tot kozen bereid, hem, die den dronk zijner lippen mij + wijde, + + + Mij dan met schemerend oog, hem met van vreugde straks tintlende + wangen, + Mij met de leden zoo mat, hem, door den roes der verrukking + hevangen, + Ons, ach! breng spoedig weer zamen, vriendinne! + Mij, dat ik ruste aan zijn hart, hem, dat hij trouw me als + voorheen weer beminne!" + + +Eene uitbundige toejuiching viel der schoone zangeres ten deel, +zij het dan om den inhoud der woorden, door geen gehoor alligt +beter begrepen dan door het hare, of wel om de uitdrukking, welke +zij door stem en gebaren er aan te geven wist. + +--Dat belooft iets, niet waar?--sprak Selim,--als we nu eens aan +de werkelijke hereeniging van Krishna en Radha komen! Maar dat een +andermaal!--Doch zeg ons geachte Abdal Kadir!--vroeg hij, +misschien niet geheel zonder bijoogmerk, aan dezen, die schuins +tegenover Siddha had plaats genomen,--bevalt u die Indische +dichtkunst toch niet wel zoo goed als de onze, ook al hebt gij, +als elk ander goed geloovige, een afschuw van de wanbegrippen door +het boos geslacht dezer Hindoe's verkondigd? + +--Met dichters,--antwoordde Abdal Kadir, ter nauwernood zijn +inwendigen wrevel bedwingend,--heb ik over 't geheel niet veel op; +en ook onze heilige Profeet, gezegend zijn naam! vloekte met reden +den goddeloozen Amroel Kaïs, zoo hoog ook door anderen diens +Moallakah mogt zijn geroemd. Maar dat nu die Hindoe's niet alleen +zulke wulpsche verzen maken, als wij er hier vernamen, maar +bovendien zulke wellustige wezens als die Krishna en die Radha tot +voorwerpen van goddelijke vereering durven verheffen, dat dunkt +mij toch wat al te grof. + +Juist dacht Siddha het woord te nemen om den ijveraar, zoo +mogelijk, eens aan 't verstand te brengen, dat er nog een +onderscheid is tusschen mythologie en godsdienst, tusschen poëzie +en geloof, toen Selim te regter tijd verdere woordenwisseling +verhinderde door uit te roepen: + +--Geen theologie, mijne heeren! wat ik u verzoeken mag! Laten wij +dat over aan mijn hooggeachten vader, die, naar ik vernam, op dit +oogenblik met den geleerden Feizi, en mogelijk nog anderen, aan 't +philosopheren moet zijn. Wij voor ons, meerendeels jongeren van +jaren, kwamen hier bijeen om vrolijk den avond met elkaar door te +brengen. Welaan dan, gij zangers en speellieden ginds! Een +drinklied nu, en een levendig ook, om ons weer in den goeden toon +te brengen! En laat stroomen den wijn, die ons 't hart verheugt; +en zoo gij, edele Abdal Kadir! het wraken mogt, bedenk dan tevens +dat een dichter, dien onze groote Profeet toch niet vloekte en die +geëerd bleef onder de onzen, dat Tharafa reeds zong: + +"En komt ge tot het drinkgelag, + Ik doe u gaarn den ganschen dag + Een trouw en kloek bescheid. + + + Den beker vindt des morgens gij + Ten boord gevuld reeds staan; + Is 't u genoeg, straks vangen wij* Met frisschen moed weer aan!" + + +En waarom zouden we dat goede voorbeeld dan niet volgen? + +De knorrige Mohammedaan bromde nog wel iets achter zijn baard, +maar hij begreep dat tegenspraak hier onvoorzigtig zijn zou, daar +hij Selim,--en deze wist dat ook wel,--als bondgenoot tegen +Akbar's geloofsverzaking van noode had. Hij zweeg dus, en +eindigde, om zijn leed te verzetten, met zelf dapper mee te +drinken, wat de Profeet er dan ook van gezegd mogt hebben. + +De overige genooden lieten zich trouwens ook niet onbetuigd en +menigmaal werden de drinkschalen even snel geledigd als gevuld, +terwijl ook de zangeressen en bayadéres op een wenk van Selim zich +onder de gasten mengden en hier en daar op de divans nevens hen +plaats namen. + +Met de schoone Rembha, die ergens in zijn nabijheid teregt kwam +had Siddha al spoedig een gesprek aangeknoopt; en weldra bleek hem +dat zij niet alleen een vrij beschaafde en ontwikkelde vrouw, maar +ook een zeer goedhartig wezen was, toen zij met medelijden van de +ongelukkige danseressen sprak, die, al waren ze geen eigenlijke +slavinnen, toch meerendeels door hare ouders op zeer vroegen +leeftijd reeds aan den meestbiedende waren verkocht en nu, door +den een aan den ander als een soort van koopwaar overgedaan, een +leven leidden, niet voel beter dan dat der wezenlijke slaverij. + +--'t Is mij,--zeide zij openhartig genoeg,--in den beginne ook zoo +gegaan; maar gelukkig had ik wat aanleg tot den zang, en een +mijner begunstigers liet mij daarom een redehijke opvoeding geven, +zoodat ik nu voor mijzelve kan zorgen, en des noods van mijne +kunst alleen kan bestaan. En als ik,--voegde zij lagchend er bij, +--als ik oud en leelijk ben geworden, dan.... + +--Ja dan!--kon Siddha niet nalaten met een gevoel van medelijden +uit te roepen. + +--Och neen!--hernam Rembha,--ik begrijp wel wat gij bedoelt; maar +gij vergist u. Als ik dan oud en leelijk word, dan behoef ik mij +nog in 't geheel niet te verlagen als zoovele om anderen aan +avonturen te helpen, maar dan vind ik ligt genoeg, daar ik eene +Indische van goede kaste ben, eene gelegenheid om hier of daar in +een tempel het toezigt te krijgen over de zangeressen en +dansmeisjes, die de priesters voor hun ceremoniën er op na houden. + +Een wat meer luidruchtige muziek dan tot heden brak het gesprek +voor 't oogenblik af, en toen het weer stil werd, mengden andere +gasten en andere vrouwen zich in het onderhoud. Ook werden nu de +gesprekken al meer en meer los van aard, en menige uitdrukking +trof Siddha's oor, die hem tot heden onbekend was, maar waarvan +hij de juist niet bijzonder kiesche beteekenis al spoedig genoeg +begreep. Langzamerhand begon er ook vrij wat van het dekorum +verloren te gaan, dat tot nog toe was in acht genomen. Hier en +daar lag reeds een feestvierende achterover met de ledige schaal +in de hand en volslagen onbewust van 't geen er om hem heen +gebeurde; en op de divans zag men menige groep, wier houding alles +behalve van eerbied getuigde voor de hooge tegenwoordigheid in +welke men zich bevond. Maar al lang zag de Prins zelf niet meer +naar de anderen om. In achtelooze houding lag hij tusschen twee +nevens hem gezeten danseressen, waarvan de eene met de greep van +zijn dolk speelde, terwijl de andere aan zijn juweelen armbanden +trok. Een daarvan, dien hij loshaakte, wierp hij deze in den +schoot en gene wierp hij een paar kostbare paarlen toe, die hij +van zijn kleed rukte; daarna hief hij de drinkschaal weer op om ze +te laten vullen, en die geledigd hebbend, zonk hij met beneveld +oog in zijne kussens terug. En de gesprekken, zoo de verwarde, +elkaar kruisende uitroepingen dien naam nog verdienden, werden al +luider en luider, en de muziek bleef spelen, en de wijn bleef +stroomen, tot eindelijk ook onze Siddha, door het rumoer en de +bloemengeuren en zeer zeker niet het minst door den wijn zelf +bedwelmd, al minder en minder van 't geen hem omringde begon op te +merken. + +Een krachtige hand, die eensklaps op zijn schouder werd gelegd, +schudde hem voor 't oogenblik wakker uit zijne verdooving. Het was +die van Salhana, die hem ongemerkt genaderd was. + +--Komaan!--sprak deze,--'t wordt tijd voor ons om te vertrekken. +Er gebeuren bij gelegenheden als deze wel eens gevaarlijke dingen +als er soms de eene of andere twist ontstaat, en men weet dan +nooit waar men in gemengd kan worden. + +--Ja, maar--vroeg Siddha met een weifelende uitspraak,--kunnen +wij zoo maar heengaan, eer de Prins het teeken van scheiden geeft? + +--De Prins!--zei Salhana nog al verachtelijk,--zie maar eens of +hij er naar vragen zal of wij heengaan of niet!--En daarbij wees +hij naar Selim, die daar achterover lag op den divan met de oogen +gesloten en den arm afhangend over het kussen; terwijl de pas weer +gevulde schaal, aan zijne hand ontvallend, over het kostbaar +tapijt op den grond was gerold. Maar hoe ook Siddha zijn best +deed, hij ontwaarde geen Selim meer, of zoo hij nog iets zag dan +waren 't er twee; en gewillig liet hij zich nu buiten de zaal +leiden door zijn oom, die hem stevig onder den arm greep, op het +voorplein in een anders voor hemzelven bestemden palankijn deed +plaats nemen, en toen, na een woord aan de dragers, schoon hij +stellig niet minder gedronken had dan zijn neef, met vasten stap +zich huiswaarts begaf. + +Op zijn weg door een der nauwere straten ontwaarde hij onder de +luifel van een huis eene lange magere gedaante, die, voorzigtig +rondziende, hare schuilplaats verliet, en in welke hij spoedig +Gorakh, den Yogi, herkende. + +--Alles wel?--vroeg deze. + +--Heel best!--was het antwoord,--onze zaken vorderen. Iets +bepaalds kan ik u echter nog niet meedeelen, maar zoodra ik wat +anders weet, en in elk geval, zoodra wij uwe hulp of die uwer +getrouwen van noode hebben, zal ik u doen waarschuwen. + +--En onze jonge gek? Houd hem in 't oog! Ik geloof dat hij iets +van onze verstandhouding vermoedt. Dat maakt echter niets uit, als +hij maar eerst binnen is. Maar daarom, zeg mij, is de vogel al in +de knip? + +--Nog niet,--antwoordde Salhana,--maar heel lang zal dat wel niet +duren. + +Gorakh lagchte, en de beide mannen gingen langs tegenovergestelde +kanten ieder huns weegs. + + + +ZEVENDE HOOFDSTUK. + +Stille zamenkomsten + +Feizi had zich niet van een voorwendsel bediend, toen hij de +uitnoodiging van den Kroonprins afsloeg. Omstreeks denzelfden +tijd, waarop Selim zijne gasten zag vergaderen, wachtte hij met +den Keizer in diens binnenvertrekken een genoode van gansch +anderen aard. + +Voorafgegaan door een dienaar, die na de aanmelding terstond weer +verdween, trad daar weldra een man binnen, aan wiens gewaad ieder +Westerling terstond den Roomsch-Katholieken geestelijke herkend +zou hebben. Het was dan ook de Padre Rodolpho Aquaviva, hoofd van +de toenmalige Jezuïeten-missie, uit Goa door den Vader Provinciaal +naar het hof van Agra afgevaardigd. + +--Ik heet u welkom, Eerwaarde Vader!--sprak Akbar, zijn groet +beantwoordend,--welkom in den naam van dat Hoogste Wezen, dat wij +beiden gelijkelijk, schoon op verschillende wijzen vereeren!--Ik +wil hopen,--voegde hij vragend er bij,--dat de reis u niet al te +zeer zal hebben vermoeid? + +--Ik ben Uwe Majesteit dankbaar voor die belangstelling,-- +antwoordde Aquaviva;--gelukkig hebben wij den togt zonder +ongevallen kunnen volbrengen, hoewel mijne gezondheid anders veel +te wenschen overlaat. Maar de nietige mensch behoort te dragen wat +de Heer over hem beschikt. + +--Dat zeg ik met u!--hernam Akbar;--maar ik heb u ook nog te +bedanken voor de boekwerken, die gij sinds uwe afwezigheid de +goedheid gehad hebt mij te doen toekomen, uwe Evangeli*n en +andere schriften. Mijn vriend Feizi hier, dien gij van vroeger u +nog wel zult herinneren, heeft ze grootendeels voor mij vertaald; +en ik verzeker u, dat wij te zamen en met Aboel Fazl er trouw in +gelezen hebben. + +--En,--vroeg de Padre, nauwlettend het gelaat van den Keizer +bespiedend,--mogen wij ook hopen dat het gestrooide zaad in goede +aarde is gevallen? + +--Ik geloof ja!--antwoordde Akbar;--ik stel verscheidene van uw heilige +boeken bijzonder hoog, nu ik daarmede eens nader heb kennis gemaakt. +Wat schoone en verhevene waarheden zijn er niet in vervat! En dan, nevens +die hoogere, meer het onzienlijke betreffende begrippen, die ook in de +leer van den Islam niet gansch ontbreken, welk eene edele en reine +opvatting van zelfverloochening en zelfopoffering, en bovenal welk een +zuiver, aan den Koran doorgaans geheel vreemd begrip van menschenliefde +en humaniteit! Dat ik uw Christendom alzoo ver boven het Mohammedanisme +stel, behoef ik u wel niet nader te verzekeren. + +--De Heere zij geloofd!--sprak de Jezuïet met ten hemel geslagen +geslagen oog en de handen zamenvouwend;--ziedaar de regte weg! +Eerst de dwaling wel begrepen door vergelijking met de waarheid; +dan is het gemoed ook ontvankelijk voor deze. En hoe zou het +trouwens ook mogelijk zijn dat een man als Akbar, niet enkel een +grootmagtig Vorst, maar, wat meer nog zegt, een zoo wijs en +geleerd man bovendien, de waarheid niet van den logen zou weten te +onderscheiden? + +--Ik ben u verpligt voor die welwillende beoordeeling,--zei +Akbar,--maar ik vrees, dat ik alligt weer in uwe achting zal +dalen, indien ik aan mijne woorden van zooeven nog iets toevoeg. +En dat moet ik toch, wil ik opregt jegens u handelen. Ik gaf u +mijne warme bewondering te kennen voor veel wat er in uwe heilige +schriften wordt aangetroffen; maar dat belet niet dat ik nog een +open oog wensch te houden voor 't geen er goeds en schoons ook in +andere godsdiensten te vinden is. Daar hebt gij bijvoorbeeld +enkele der hier nog bestaande, de oorspronkelijk Indische. + +--Hoe, wat?--kon Aquaviva zich niet weerhouden in de grootste +ontsteltenis uit te roepen,--die gruwelijke afgoderijen! + +--Ik erken,--hernam Akbar bedaard,--dat er bij zijn, waarop die +benaming wel toepasselijk is. Maar dat is toch lang niet met alle +het geval. Niet waar, Feizi? + +--Zeer zeker niet!--antwoordde deze,--en niemand weet dat beter +dan mijn Keizer zelf; en hij zal u, Eerwaarde Vader! even als ik +kunnen betuigen, dat er onder die godsdiensten zelfs meer dan een +wordt gevonden, die, wat de evengenoemde punten betreft niet voor +de uwe, voor het Christendom behoeft onder te doen. + +--Onmogelijk!--zei Aquaviva met vaste stem. + +--En waarom onmogelijk?--vroeg Feizi glimlagchend,--kent gij dan +wezenlijk al die stelsels zoo nauwkeurig? + +--Ik ken ze niet anders,--hernam de Padre,--dan uit hetgeen ik +hier er nu en dan van zie. Maar ik begeer en ik behoef ze ook niet +nader te kennen. Waartoe zou het dienen? Er kan toch maar ééne +waarheid zijn. + +--Dat spreekt wel van zelf,--viel hier Akbar in,--maar de vraag is +juist, wat waarheid is, en bij wie ze gevonden wordt; of ze enkel +gevonden wordt in één leerstelsel, dan wel in meer dan één +verspreid. Nu zult ge mij natuurlijk antwoorden, dat niemand +anders in het bezit der waarheid is dan gijlieden; maar dan vraag +ik wederom: waaruit blijkt dat? + +--Wel,--hernam Aquaviva,--de waarheid is ons immers geopenbaard +door Jezus Christus, den Zoon van God. + +--Zoo zegt gij!--was het antwoord; maar nu zegt mijn vriend Abdal +Kadir, de Islamiet, dat ze hem is geopenbaard door Mohammed, den +grooten Profeet. En dat uw Christus werkelijk Gods Zoon was, zoudt +gij toch eerst dienen te bewijzen, eer ge op hemzelf als zoodanig +u beroepen kunt. + +--Zoo zeggen ook,--voegde Feizi er nog bij,--onze Vishnoeïeten +hier, dat de waarheid hun niet alleen door wijze en heilige mannen +is bekend geworden, maar ook geopenbaard in verschillende +incarnatiën der Godheid. + +--Maar het gezag der Alleenzaligmakende kerk dan, en dat van den +Bijbel, Gods woord!--hernam de Jezuïet. + +--Dat staat weer gelijk,--antwoordde Akbar,--met het gezag van den +Koran, de khaliefen en de oelema's. En met de autoriteit van de +kanonieke boeken en de leeraren der Vishnoeïeten bijvoorbeeld, +waarvan Feizi zooeven sprak. + +--Maar dan toch het vast geloof! Zegt dat niets? + +--Ook al weer bij allen van gelijke kracht. + +--Het Christendom is in elk geval veel ouder dan de Islam. + +--Ja, maar lang zoo oud niet als de Veda, op welks gezag de +zooeven genoemde godsdienstleer meerendeels steunt. En ook het +Boeddhisme is ouder dan het Christendom. En, terwijl het daarmede, +als trouwens ook andere Indische leeringen, overeenstemt wat echt +humanitaire begrippen aangaat, en op merkwaardige wijze ook vele +kerkelijke gebruiken met u gemeen heeft, het wint het, dunkt mij, +van uwe leer in geest van verdraagzaamheid. + +--Wij komen op die wijze niet veel verder,--merkte de Padre, +ondanks al zijn ontzag voor den Keizer als zoodanig, een weinig +gemelijk aan. + +--Neen, dat geloof ik óók niet, waarde Heer!--zei Akbar met een +ligten glimlach;--doch beter zou het misschien gaan, zooal niet +volkomen in overeenstemming met uw bijzonder doel, indien gij van +de hier nog heerschende rigtingen eens wat nader kennis wildet +nemen, en u daaromtrent dezelfde moeite getroosten, welke wij ons +niet ontzagen wat de godsdienst uwer landstreken betreft. Wij +konden dan ten minste die verschillende leeringen eens zamen +vergelijken, om dan ten slotte wel tot eene overtuiging omtrent +hare wederzijdsche inwendige waarde te geraken. + +--Maar daarvoor ben ik hier niet gekomen,--hervatte de +Heidenapostel,--ik ben gezonden om het Evangelie te prediken en +zielen te redden van het verderf! + +--Welnu!--sprak Akbar op zijn gewonen kalmen toon,--ik wensch u +een goeden uitslag. Maar ik twijfel of gij veel zult vorderen, +indien gij anderen eenvoudig zoekt op te dringen wat gijzelf voor +waar houdt, zonder te doorgronden of zelfs na te vragen wat zij +van hun kant gewoon zijn als waarheid te erkennen. + +--Toch vertrouw ik,--sprak Aquaviva weder, door al die formele +bezwaren nog niet afgeschrikt,--op de onweerstaanbare overtuigingskracht, +welke alleen ons geloof bezit en waarvoor in 't eind ook het meest +verstokte hart moet zwichten, zij het dan van afgodendienaar of van +ongodist. + +--Gij bedoelt den inhoud van uw geloof, niet waar? + +--Ongetwijfeld! + +--Nu, voor zoover die inhoud zich inderdaad van de leeringen der +overige belijdenissen, die we zooeven noemden, onderscheidt, zou +ik al zeer weinig geneigd zijn, uw onbepaald vertrouwen, zoozeer +ik 't anders ook eerbiedig, te deelen. En in zoover diezelfde +inhoud met dien van anderen overeenstemt, is er geen strijd en +komt uw bekeeringswerk dus ook niet te pas. Wat dunkt u, vriend +Feizi! is het niet zoo? Gij zijt een man van bedaard verstand, en +niet zulk een idealist, zoo als ik, even als onze eerwaarde +Aquaviva, mij wel eens betoon. Wij hebben dus prijs te stellen op +uw oordeel. + +Of de eerwaarde Aquaviva het hiermede geheel eens was, mogt +onzeker heeten; maar in elk geval diende hij Feizi wel aan het +woord te laten, toen deze begon: + +--Ik geloof niet, Sire! dat Uwe Majesteit eene bevestiging Harer +woorden mijnerzijds behoeft. Maar den Padre moet ik eveneens de +verzekering geven, al beneemt ze hem een zijner meest dierbare +illusiën, dat die bijzondere leerbegrippen, die uitsluitend aan +zijne geloofsbelijdenis eigen zijn, ook al maakt hij enkele +bekeerlingen, toch nooit wortel zullen schieten in dit land, noch +onder Mohammedanen, noch onder hen, die hij gewoon is met den naam +van Heidenen te bestempelen. Genen, boven alles aan hun dogma van +God's onverbreekbare en ononderscheiden eenheid gehecht, kunnen +nooit vrede hebben met zijn leerstelling omtrent de Drieëenheid, +of de drie personen in de Godheid; dezen, voor wie die leer +misschien minder onaanneemlijk mogt schijnen, in zoover ze toch +reeds gewoon zijn het ééne Wezen onder meer dan één vorm te +vereeren, zullen daarentegen onvermijdelijk op bezwaren stuiten +van nog gansch anderen aard. Zij zullen bijvoorbeeld, om er nu +slechts één te noemen, u, Eerwaarde Vader! nooit toegeven, dat God +den mensch geschapen heeft juist om hem te doen vallen en daarna, +ten einde hem weer te redden, zichzelf in zijn eigen zoon ten +offer heeft gebragt; of, van den anderen kant, hem scheppend zoo +als hij hem schiep, niet zou geweten hebben dat hij vallen moest +en er alzoo tot dat zonderlinge evengenoemd redmiddel moest worden +overgegaan om de goddelijke regtvaardigheid weer met de goddelijke +liefde in overeenstemming te brengen. Zij zullen, houd het mij ten +goede, zoodanige voorstelling eenvoudig onzinnig achten, en dus +ook niet geneigd zijn, hunne voorvaderlijke, veel eenvoudiger en +redelijker begrippen voor zoo iets vaarwel te zeggen. Laat gij +daarentegen uw strengere leer omtrent zondeval en verzoening +nevens vele dergelijke, maar waarvan ik nu niet wil spreken, +wederom los, en verkondigt gij anders niet dan uw Christelijke +moraal en uwe begrippen van algemeen-menschelijkheid en +verloochening der zelfzucht en opofferende menschenliefde, dan +leert gij niets nieuws en uwe prediking wordt, voor 't minst +genomen, vrij overtollig. + +--Maar wij laten niets los!--viel Aquaviva uit;--wat wij +verkondigen, zullen wij volhouden, omdat het de waarheid is, en de +eenige waarheid die de verdorven menschheid kan redden en +verdoolde zielen behoeden voor de eeuwige straffen der hel; en +daarom staan wij dan ook bereid, hier als elders, ons kruis op ons +te nemen en smaadheid te lijden om Jesu Christi wille, en, moet +het zijn, ook den marteldood, als Hijzelf en zoovelen Zijner +Heiligen na Hem, te ondergaan! + +--Maar daarvan, mijn waarde Heer!--sprak nu Akbar, terwijl hij +zijn hand op den arm van den verbolgen en in geestdrift ontstoken +ijveraar legde,--daarvan kan hier immers, zoolang ik Hindostan +beheersch, in 't allerminst geen sprake zijn. Smaad ook hebt gij, +voor zoover ik weet, nooit onder mijne regering ondervonden; wel, +zoo ik meen, hooge eer, een eer zelfs u door zeer velen benijd; en +daarbij geniet gij de meest mogelijke vrijheid om uwe gevoelens te +verkondigen waar en aan wie ge maar wilt. Doch wij spraken, +bedrieg ik mij niet, over uw kansen om anderen in dit land tot de +belijdenis uwer bijzondere godsdienstige begrippen over te halen. +En deze, ik moet het wel met Feizi erkennen, deze schijnen mij +vooralsnog uiterst gering. + +--Doch,--waagde Aquaviva op te merken,--als Uwe Majesteit nu eens +het voorbeeld gaf? + +--Dan zou ik toch zelf wel eerst overtuigd moeten zijn!-- +antwoordde Akbar;--of zoudt gij willen, dat ik iets met den mond +ging belijden wat mijn hart bleef verloochenen? + +--Zeer zeker,--hernam de ander,--ware zoo iets een ongerijmde +eisch. En ik mag er dan vooreerst ook niet meer op aandringen. +Maar ik had zoo gehoopt, zoo vertrouwd, dat de lezing der Schrift +reeds het edel gemoed van Hindostan's wijzen beheerscher +ontvankelijk zou hebben gemaakt voor dat éénig geloof, dat alléén +in staat is zijne ziel, als de onze, te behouden voor het eeuwig +en anders onvermijdelijk verderf! En nu zie ik mij niettemin in +die zoo dierbare verwachting weer teleurgesteld. Is het dan niet +te vergeven als ik mij zoo aanstonds in wat sterke bewoordingen +uitdrukte? + +--Gij hebt geen vergiffenis van noode, mijn waardige vriend!-- +antwoordde Akbar;--ik kan mij uw ijver volkomen voorstellen. Maar +ik heb immers ook niet gezegd, dat ik volstrekt niet naar u +luisteren wil. Integendeel! ik schenk u steeds gaarne de +gelegenheid om, kunt ge, mij te overreden. Doch laat ons voor 't +oogenblik afbreken, en ons onderhoud van heden avond enkel als een +voorloopig beschouwen! We spraken ditmaal ook over wat veel +onderwerpen te gelijk, een andermaal willen we wat beter bij een +bepaald punt blijven staan, en wie weet, hoever uw geleerdheid en +welsprekendheid het dan nog met mij brengt! + +Of de Keizer bepaald ernstig sprak, dan of zekere ironie zich +mengde onder zijne woorden, schoon in zijn stem of gebaren daarvan +niets merkbaar was, had de Jezuïet moeilijk kunnen beslissen. Wat +er evenwel van ware, de wenk dat het onderhoud voor heden was +afgeloopen kon hem niet onduidelijk zijn; en, den Keizer dank +zeggend voor de op nieuw hem bewezen eer, verliet hij met +eerbiedigen groet het vertrek. + +--Allen toch dezelfden!--sprak Akbar tot Feizi, toen de ander hem +verlaten had;--of gij nu Abdal Kadir of Aquaviva hoort, 't is +altijd weer gezag, geloof, openbaring, maar geen sprake van rede +en verstand, en van gronden aan wetenschap en ervaring ontleend. +Toch onderhoude ik mij gaarne met die dweepers. De verschillende +wijze waarop de menschen zich hunne betrekking tot den oneindigen +grond van het Al voorstellen, is meerendeels wel uit boeken te +ontdekken; maar het levend woord van de belijders zelven der +onderscheiden gezindheden leert ons menigmaal toch nog meer. + +--Ongetwijfeld!--antwoordde Feizi;--maar wat nu dat voortdurend +beroep op gezag en openbaring aangaat, is het niet natuurlijk en +onvermijdelijk bij allen, die, niet te vrede met hetgeen rede en +ervaring ons leeren, de oplossing der wereldraadsels in +voortbrengselen van hun eigen verbeelding zoeken? Toont men hun nu +de ongegrondheid of ook de onzinnigheid van vele dier voorstellingen, +dan rest hun niet anders dan zich te beroepen op het gezag eener +openbaring, die hen of hun voorgangers met hunne ingebeelde waarheden +moet hebben bekend gemaakt. Doch, zonderling voorwaar! dat de +tegenspraak hen zoo zelden tot eigen onderzoek en rustige beoordeeling +hunner opgeschroefde leeringen voert. Konden ze daartoe besluiten, ze +zouden spoedig genoeg de ijlheid dier theoriën leeren inzien. Hoog en +trotsch inderdaad verheffen zich de pijlers en tinnen hunner tempels +tot in de wolken; maar onderzoek de grondvesten, en gij ontdekt aldra, +dat ze staan te waggelen op het stuifzand der phantasie. + +Niet aanstonds sprak Akbar, toen Feizi zweeg. Eenige oogenblikken +dacht hij na, en zeide toen: + +--Ik geloof dat gij gelijk hebt, Feizi! Maar toch, ik betrap mij +zelf wel eens op iets diergelijks als gij dien lieden verwijt, ook +al erken ik in 't eind weer geen ander gezag dan onze eigene rede. +En of ons nu, in oogenblikken van geestvervoering, de dichterlijke +verbeelding niet soms tot de ontdekking van waarheden kon leiden, +die wij later door de uitkomsten der wetenschap mogten bevestigd +zien? Doch daarover nader! Wij hebben thans nog andere zaken te +bespreken; en straks komt Aboel Fazl, om ons, naar ik verwacht, +eenige niet onbelangrijke mededeelingen te doen. + +In een ander gedeelte van Agra had, een avond later, mede eene +zamenkomst plaats, maar die overigens met de zoo aanstonds +beschrevene niets anders gemeen had dan dat ze eveneens eene +heimelijke, voor onbescheiden oogen en ooren wél verborgene was. + +Reeds meer dan eens had Siddha in de dagen die onmiddelijk op zijn +eerste bezoek bij Rezia volgden, naar de dienares omgezien, die +hem toenmaals naar hare woning had geleid. Ten laatste had hij de +vertrouwde nogmaals in den omtrek der Keizerlijke tuinen ontmoet, +en van haar op nieuw eene uitnoodiging van hare meesteres +ontvangen, waaraan hij ook wederom zich gehaast had te voldoen. +Sinds dien tijd herhaalden zich telkens die bezoeken en volgden al +sneller en sneller op elkaar, totdat eindelijk de dag aan Siddha +ledig scheen, waarop hij niet nevens Rezia aan de veranda was +gezeten geweest. Wat ook Agra schoons en aangenaams bieden mogt, +hoezeer hem ook de meer dan eens reeds gebleken gunst van Aboel +Fazl en later ook die des Keizers verblijdde, en hoeveel wezenlijk +genoegen hij ook in zijne gesprekken met Feizi smaakte, wiens +woning voor hem openstond en die hem wezenlijk als een vertrouwd +vriend behandelde, of zoo goed hij zich ook vermaakte met den +jongeren Parviz en zijne levenslustige kameraden, toch was er +niets wat zoo onweerstaanbaar hem trok als het stille paviljoen +der bevallige Armenische. Dat het beeld van Iravati daarbij meer +en meer op den achtergrond geraakte, was zeker niet vreemd, en +evenmin dat Rezia voor hem al spoedig iets meer dan eene aangename +en onderhoudende kennis werd, terwijl zijzelve ook gansch niet +ongevoelig voor de onverholen hulde van den jongen edelman scheen. +Wel had eensklaps een gevoel van schrik zich van hem meester +gemaakt toen hij tot het vol bewustzijn kwam, dat zij hem niet +enkel dierbaar was geworden als eene lieve vriendin, maar dat hij +met een hartstogt haar beminde geljk hij dien tot heden nog nooit +had gekend; doch al vrij spoedig ook was hij aan die gedachte +gewoon, en geen andere heheerschte ten slotte zijn gemoed dan de +voortaan door niets meer te beteugelen begeerte om haar de zijne +te mogen noemen en zijne liefde door haar beantwoord te zien. + +Op den bewusten avond dan had nogmaals Siddha nevens zijne +verleidelijke gastvrouw op den divan plaats genomen, waarvoor nu +een kleine en lage, sierlijk gebeeldhouwde tafel met frissche +vruchten en gouden, met tintelenden wijn gevulde drinkschalen was +gesteld. En verlokkender scheen zij in dit oogenblik hem dan ooit, +en weelderiger hare schoone bevallige vormen, en dieper van +uitdrukking de blik harer zachte blauwe oogen, die nu eens met +weeke teederheid, dan weer met onbeschrijfelijken gloed naar hem +opzagen om haastig straks in de schaduw der donkere wimpers weer +schuil te gaan. En liefelijke geuren van rozen en jasmijn stegen +er op uit den bloemenhof en een heldere maan wierp hare stralen +als getemperd daglicht op het balkon en in het vertrek, en +overtoog met hellen zilverglans de boomgroepen en fonteinen daar +omlaag. + +--Siddha!--sprak Rezia eensklaps ernstig na eenig meer +onverschillig en schertsend onderhoud,--gij hebt mij voorheen +reeds een dienst bewezen door mijn brief veilig naar Kaçmir te +doen overbrengen; zou ik nu nog een tweede van u mogen vergen, +maar die, ik zeg het u vooruit, van vrij wat meer beteekenis ook +voor uzelf kan zijn? + +--Gebied, en ik gehoorzaam!--antwoordde Siddha zonder weifelen;-- +wat het ook zijn mag wat gij verlangt, wees overtuigd, en gij weet +hoezeer 't mij ernst is, ik zal trachten het te volbrengen. + +--Voorzigtig, mijn vriend!--hernam Rezia, den wijsvinger schalks +omhoog heffend;--gij verbindt u reeds alvorens te weten wat ik u +van zou kunnen vergen? Dat komt omdat gij, in uw wezenlijk +aanzienlijken rang, en verzekerd van uw benijdenswaardige stelling +ten hove, eigenlijk wat laag neerziet op een eenvoudige vrouw +zooals ik, en dus meent al heel gemakkelijk eene of andere mijner +grillen te kunnen bevredigen. Maar dat kon u toch wel eens +tegenvallen. + +--Ik zweer u,--was het nog al driftig antwoord,--zoo iets kwam in +de verte zelfs niet bij mij op. Nogmaals dan: eisch wat gij wilt, +en ik gehoorzaam uw bevel! + +--Nu dan,--hervatte Rezia, terwijl zij nog ietwat vertrouwelijker +naar de zijde van haar thans wel verklaarden aanbidder neigde,-- +wat ik te verlangen zou hebben is, wél bezien, eigenlijk evenzeer +in uw belang als in het mijne. Gij verbeeldt u alligt dat ik, zoo +stil en eenzaam hier levend, niets weet van 't geen er omgaat in +de paleizen van Agra en in 's Keizers raad verhandeld wordt. +Toevallige betrekking met enkele personen, die goed op de hoogte +zijn, stelt mij evenwel in de gelegenheid er iets meer van te +weten dan gij waarschijnlijk vermoedt. Iets meer ook misschien dan +uzelf bekend is, en u toch in uw eigen belang, althans in dat van +uw land en uw geslacht, bekend behoorde te zijn. + +--Ik geloof,--sprak Siddha,--dat ik u reeds begrijp. Gij bedoelt +zekere plannen die tegen de onafhankelijkheid van Kaçmir gesmeed +konden worden, indien de aldaar weer aangevangen binnenlandsche +twisten ze soms voor uitvoering vatbaar mogten maken. + +--Volkomen juist!--was het antwoord,--maar wat gij toch niet +schijnt te weten is, dat diezelfde plannen al vrij wel gerijpt +zijn, dat de Keizerlijke legermagt tot den inval gereed wordt +gemaakt, en--dat gijzelf met de uwen bestemd zijt om tot hulp te +dienen tegen uw land en volk, door middel van uw invloed op de +trouw aan u gehechte Radjpoet's en van uw welklinkenden naam in +Kaçmir zelf; altijd, wel te verstaan, indien gij blindelings +blijft gehoorzamen aan 't geen u door Akbar of van zijnentwege +geboden wordt. + +--Maar, lieve Rezia!--vroeg Siddha met een flauwe poging om onder +schijnbaar luchthartigen toon de onrust te verbergen, die zich van +hem meester maakte,--al mogt dat alles nu zoo zijn, wat is het u? +En wat kan u bewegen mij daarover in dit oogenblik te onderhouden? + +--Mijn wezenlijk eigenbelang, maar tevens ook belangstelling in +het uwe, mijn vriend! Ik sprak u vroeger van een vriendin, gelijk +gij u zult herinneren, die hier aan zekere vervolging zou zijn +blootgesteld. Maar, nu oprecht gesproken, ik misleidde u! Niet die +vriendin gold het, maar mijzelve. Die echtgenoot, aan wien een +wreed bevel mijns vaders mij eenmaal kluisterde, en wiens tirannie +ik verfoei, keert werkelijk spoedig terug. Hem te ontvlugten, vrij +te zijn, eenmaal in veiligheid mij te kunnen verbinden met dengene +die later welligt de man mijner keuze zijn zal, blijft mijn doel. +En om dat te bereiken, zocht ik Kaçmir als toevlugtsoord en +knoopte er verbindingen met enkele uwer vrienden aan. Maar wordt +nu ook dat land aan Akbar's vér strekkende magt onderworpen, dan +ontgaat mij ook weer die mogelijkheid en weet ik niet waarheen +voortaan mij te wenden. Spoedig zie ik mij dan weder in de magt +van den man, die te beschikken heeft over mijn lot, en--met onze +genoegelijke en vrolijke zamenkomsten is het uit mijn vriend! en +Rezia heeft opgehouden voor u te bestaan, even als gij--'t werd +met een ligte zucht er aan toegevoegd,--ook voor haar! + +--Dat niet!--riep Siddha hartstogtelijk uit,--dat zal niet +gebeuren! Maar wat wilt gij dan? Wat middel weet gij? Wat eischt +ge van mij? + +--Anders niet--antwoordde Rezia bedaard,--dan dat ge u niet tot +werktuig laat gebruiken tegen uw eigen land, tegen uzelf, tegen +mij! Blijf uw dapperen aanvoeren als tot heden, maar leid ze, den +beslissenden dag, niet op tegen ons, en weet hen, als het +oogenblik zal gekomen zijn, op geschikte wijze te doen overgaan +tot diegenen der onzen, voor wie ze steeds bij alle uiterlijk +vertoon van trouw en onderdanigheid aan den Keizer, uit den aard +van hun stam en oud-adelijke geslachten een geheime neiging +hebben. Dan zal een magtige partij in Kaçmir zelf u bijvallen, u +steunen door haar invloed, u verheffen tot de hoogste eer; en dan +zult gij in 't eind, ook al is dat nu van minder belang, een +veilige wijkplaats hebben bereid aan mij arme, die ten allen tijde +u dankbaar zal blijven voor de bescherming haar verleend! + +--Maar,--stamelde Siddha, bij al die plannen en vooruitzigten nauw +meer den draad zijner eigene gedachten vattend,--dat is toch +verraad, en verraad van de ergste soort jegens den Keizer, die mij +vertrouwt! + +--Zeer zeker verraad!--antwoordde Rezia met een minachtenden +lach,--de Keizer heeft natuurlijk volkomen regt, u als werktuig te +gebruiken tegen uw eigen land en volk, onder den schijn van u +gunsten te willen bewijzen; maar gij, gij mist het regt, hem te +betalen met gelijke munt! Nu, daarvoor zijt ge dan ook onderdaan, +of--slaaf! Doch handel zooals gij verkiest! Uwe betuiging van daar +straks, dat gij alles zoudt willen doen wat ik vroeg, blijkt mij +nu eene ijdele pligtpleging te zijn geweest, zooals men die wel +eens meer jegens onnoozele vrouwen uit. Maar genoeg! En laat ons +onderhoud thans liever geëindigd zijn; niet omdat mij dat +aangenaam ware, maar omdat ik beter vind, op eens met kloek +besluit van elkaar te scheiden dan onze kennismaking nog verder +voort te zetten, en ze dan morgen of een dag later toch +onvermijdelijk en tegen onzen wil te zien afgebroken. + +--Nog eens,--sprak Siddha, terwijl Rezia als gebogen onder haar +smart zich van hem afwendde,--dat nooit, dat in geen geval! En ik +loog ook niet al aarzelde ik straks een oogenblik, toen ik zeide +te willen doen wat gij zoudt eischen. Ik herhaal het: Gebied, en +ik gehoorzaam! + +--Uw woord! + +--Mijn woord als edelman! Doch waarom het nog verlangd? Gij weet immers +dat ik niet anders kan, dat ik toch doen zou wat gij maar eischen mogt. +En waarom ook verder nog verzwegen wat u al lang bekend is? Laat mij +dan vrij het betuigen, laat mij 't eindelijk zeggen, dat gij mij +dierbaar zijt boven alles, dierbaar boven het leven en zelfs boven de +eer, en dat ik met een hartstogt u bemin zooals ik tot nu toe nooit +mogelijk of ook maar denkbaar had geacht! Ik meende te weten wat liefde +was, maar 't was een kinderlijke genegenheid die ik er voor aanzag. Gij +hebt mij anders geleerd. Maar leer mij meer nog! Leer mij, wat het zegt, +eene liefde als de mijne te zien beantwoord! Geen slaaf kan onderdaniger +aan zijn meester zich toonen dan ik het zijn wil jegens u; nooit de +slaaf van Akbar of van wien ook, zooals gij meendet, maar wel de uwe! +Al wat ik heb en ooit nog verwerven mogt, rijkdom, aanzien, rang, +behoort u alleen, en de magt die gij over mij bezit kunt gij gebruiken +en misbruiken naar welgevallen. Maar wees de mijne, Rezia! de mijne +zoolang ons te leven rest! + +--Neen, Siddha!--sprak zij zacht, terwijl zij de hand afweerde +waarmee hij de hare zocht te vatten,--neen! mij voegt het niet, +zulke taal van u aan te hooren, noch u, ze tot mij te uiten. +Bedenk het, ik ben nog niet vrij, en ook gijzelf niet; want andere +banden, gij verhaaldet 't mij zelf, houden u gevangen. + +--Andere banden!--riep Siddha driftig uit,--ik verbreek ze! Of +liever, ik heb ze al lang verbroken! En kon ik dat niet, ik zou +den dag vloeken, waarop ze mij werden aangelegd. En gij! moogt ge +ook heden niet vrij zijn, ik ben het die 't weldra u maken zal! +Naar Kaçmir trekken wij heen, naar het afgelegene maar schoone +Noorden, waar Siddha Rama's naam, gelijk gij wél zegt, nog invloed +heeft, en waar niemand ligt zou wagen, die gehate echtgenoot zoo +min als een ander, haar te beleedigen, die nu eenmaal mijn +bescherming geniet. + +--En zou die bescherming ook voldoende zijn tegen een Akbar en +zijn gunstelingen?--vroeg Rezia. + +--Tegen hem en de zijnen, wie ook, als tegen alle anderen!--was +het overmoedig antwoord;--ook tegen hemzelf zullen wij Kaçmir +weten vrij te vechten, al ware 't alleen om het tot een wijkplaats +te behouden voor u en voor mij. + +--Toch mag ik u niet blijven aanhooren,--hernam Rezia;--in +waarheid, het is mij leed dat gij tot mij gesproken hebt als dezen +avond. Gij hadt mij en uzelf dit alles moeten sparen. Dan had onze +vriendschappelijke omgang mogelijk nog kunnen voortduren, en later +misschien tot eene andere verbindtenis kunnen leiden. Thans moet +alles ophouden, zoozeer mij dat ook bedroeft. Ga nu, zeg mij +vaarwel en vergeet mij; het is beter voor u, en...ook voor mij, +die gij zegt lief te hebben! + +Inderdaad!--sprak Siddha, terwijl hij opstond en, 't hoofd op de +borst gezonken, eenige passen terugtrad,--een spoedige scheiding +zal nog wel het verstandigste zijn. Ik zie het maar al te goed; +mijn liefde wordt versmaad. Wat dan nog langer hier te toeven? 't +Is waar, zonder u is er voor mij geen leven, geen geluk meer +denkbaar; en toch, de voortdurende marteling, u telkens te moeten +zien en van dag tot dag inniger lief te hebben, en dan te weten +dat gij dien gehaten, dien gevloekten vreemde blijft toebehooren, +is mij onduldbaar. Nieuwe onlusten nu zijn er, naar ik verneem, in +het Zuiden, in Dekkan, uitgebroken en de Keizer roept derwaarts +verscheiden zijner legerbenden; ik wil hem smeeken, mij daarheen +te zenden, en in den strijd met wilde bergstammen vind ik spoedig, +zoo niet vergetelheid, want die is onmogelijk, dan toch een +tijdigen, nu wel gewenschten dood. + +--Ach, Siddha!--klonk het droef klagend en in den zoetsten toon +der liefelijke welluidende stem,--ach! waartoe nu een hevigheid +zooals ik ze nog nooit van u ondervond? Waartoe, indien een zwakke +vrouw, die maar al te zeer de moeijelijkheid van den strijd tegen +haarzelve en haar eigen hartstogt ondervindt, nog een oogenblik de +kracht zoekt te behouden om uw aandrang te weerstaan? Het is zoo, +gelijk gij zegt: het ware beter mij te verlaten. En toch ... ik +kan u nog niet laten gaan! Blijf al is 't maar een korte poos; zet +u nog eenmaal aan mijne zijde, en verheugen wij ons, al ware 't +ook voor het laatst, nog eenige oogenblikken in die meer rustige, +door onbedwongen hartstogt niet verstoorde gesprekken, waarin ook +gij toch als ik te voren zooveel genoegen vondt. + +En eer Siddha tot bewustzijn van zijn handeling kwam was hij +nogmaals nevens de vrouw gezeten, die heel zijn verstand en zinnen +had vermeesterd; en, op haar verlangen de luit grijpend, die daar +nevens hem lag, begon hij te zoeken in zijn herinnering naar een +der liederen van zijn land, om wier voordragt zij met hare gewone +innemendheid hem gebeden had. + +Maar of hij al zocht, en soms aanving en dan weer ophield, om +straks op nieuw te beginnen en nogmaals te blijven steken, zijn +geheugen faalde, en mismoedig legde hij de nuttelooze luit ter +zijde. + +--Ik weet niets meer,--zeide hij,--ik kan mij niets meer +herinneren, ik denk niet meer!... + +--Hoe nu, mijn zanger!--sprak Rezia lagchend,--moet ik het dan +zijn, die u voorga? Welaan! Maar drinken wij eerst elkander toe!--En +een der drinkschalen opvattend, deed zij Siddha ook de zijne +ledigen en begon toen met zachte, smeltende stem een zoetvloeiend +Perzisch minnelied, dat ook spoedig genoeg zijne verbeelding weer +te verlevendigen wist. + +--Nu dan!--riep hij weer opgewonden uit toen Rezia had geëindigd, +en beschreef, naar Kalidasa's Jaargetijden, de ontvangst van den +minnaar door de, voor hem bij den terugkeer van den zomer getooide +bruid: + +"In 't loofpriëel, van bloemengeur doortrokken, + Drinkt hij den wijn, ligt door haar mond beroerd; + Een lieflijk lied weet Kama hem te ontlokken, + Door teedre min tot dartel spel vervoerd. + + + De boezem rijk met parelen omwonden, + Het zijden kleed om slanke heup geplooid, + De lokken los met bloemen opgebonden, + Ontvangt zij hem, als bruid voor hem getooid. + + + Wie voelt zich niet van blijden lust doordringen + Waar, ligt van tred, als zwanengang, een voet + Door zachten klank der rinkelende ringen + Aan d' enkel steeds, rooskleurig, denken doet? + + + Waar 't geel saffraan den glans verhoogt der lokken, + En gouden gordel slanke leest omsnoert, + En luchtig gaas, van sandelgeur doortrokken, + Den boezem dekt, dien minnelust ontroert? + + + Weg dan 't gewaad, dat te eng die slanke leden, + Met ligte dauw bepareld, nog omhult! + Het nijdig kleed, dat, halfweg afgegleden, + Des jonglings hart met wangunst nog vervult!... + + + Zoo wekt de wind, die in de blaadren fluistert, + En rimplend 't meer en 't murmlend beekjen kust, + Zoo wekt ook 't lied, dat 's dichters oor beluistert, + Den God der Liefde uit lange winterrust..." + + +De zanger zweeg, en zij die hem aanhoorde, en zich al digter en +digter aan zijne zijde had gevleid, sprak niet, maar zag naar hem +op met hare betooverende oogen, stralend ditmaal van een ongewonen +gloed. Toen vatte hij eensklaps hare beide handen, en trok haar +tot zich met thans bijkans onweerstaanbare kracht. + +--Rezia! sprak hij,--Rezia! wees mij Kalidasa's bruid!... Voor nu +en voor altijd mijn! + +En zacht fluisterde zij Siddha's naam, en hare armen om zijn hals +slaande, zonk zij magteloos aan zijne borst.... + +Meer dan eens sloop sinds dien avond, in 't late van den, liefst +donkeren, nacht eene mannelijke gestalte langs de cactuslaan, die +tot de woning der Armenische leidde, en spoedde zich, bedachtzaam +rondziende, voort.... De lotusbloem van Iravati was gekanteld met +het ranke vaartuig waarop hij zich bevond; een zoele windvlaag had +het omgeworpen. + + + +ACHTSTE HOOFDSTUK. + +Een verzoeker + +Nogmaals was de jeugdige kasteleinesse van Allahabad aan het +balkon van den burgt gezeten, en zag uit naar de verre gebergten, +vanwaar, nu geruimen tijd reeds geleden, de toen lang verbeide +gekomen was. In het landschap daar omlaag had niets zich veranderd +sinds dien tijd; dezelfde kalme, zilveren wateren en bosschaadjen +daar beneden, en bergtoppen aan den verren overkant; en dezelfde +onbewolkte zonneschijn, die toen het landschap had verlicht. Of +ook in hem niets veranderd mogt zijn, die nu zeker een ijverig +deel nam aan de verstrooijingen van het hof en de velerlei +vermaken der groote stad? Of hij nog steeds aan haar dacht, en +dagelijks hare beeldtenis bezag, gelijk zij de zijne? De twijfel, +soms haars ondanks bij haar oprijzend, scheen Iravati niettemin +bij eenig nadenken eene beleediging jegens den man, dien zij niet +minder hoogachtte dan lief had en die nog bij zijn laatste bezoek +op zoo innige en tevens plegtige wijze zijn woord van trouw aan +haar verpandde en in zijne brieven ook daarna zijne gelofte nog +had herhaald. Maar deze hadden sinds eenigen tijd opgehouden. En +waarom keerde hij niet spoedig eens weder, al was 't dan vooreerst +maar tijdelijk? Kon hij zoolang van haar gescheiden blijven zonder +gelegenheid te zoeken, ware 't slechts voor een enkelen dag haar +weer te zien? Ongetwijfeld hield strenge dienstpligt hem terug, en +kon hem zoo aanstonds geen verlof worden gegeven tot eene +afwezigheid. Maar wat de tijd inmiddels lang viel, wat de uren en +dagen schenen voort te kruipen voor haar die eenzaam hier wachten +moest! + +Als dien anderen morgen werd zij in hare mijmering ook weder +gestoord door de verschijning van haar vader, den Goeverneur. + +--Iravati!--sprak deze op den gewonen afgemeten toon, dien hij +waar hem dat paste wist aan te slaan,--een gast brengt ons heden +bezoek .... + +Hij was dan gekomen! hij wachtte ginds! En in zichzelve juichte de +ongeduldige, schoon zij uiterlijk het niet blijken liet. + +--Een gast,--vervolgde Salhana,--dien het u zeker even aangenaam +als vereerend zal zijn te ontmoeten. Het is Selim, de Kroonprins, +die op verlangen zijns vaders eenigen tijd in Allahabad komt +vertoeven. + +Niet dan met de grootste inspanning wist Iravati hare bittere +teleurstelling te verbergen; maar iets te antwoorden scheen haar +onmogelijk. + +--Welnu?--vroeg Salhana,--is het berigt u niet welkom? Daar is er +menigeen, die heel wat zou geven om de eer te mogen genieten die u +wacht. Voor 't overige begeer ik natuurlijk niet dat iemand van 's +Prinsen gevolg u zien zal; maar met den aanstaanden Keizer is het +heel iets anders. Ook kan het voor mij en ook voor Siddha van +belang zijn, indien gij u zijne gunst weet te verwerven. Volg mij +nu! + +Toen Iravati met haar vader de galerij binnentrad waar op dat +oogenblik Selim zich alleen bevond, ging deze haar een paar +schreden te gemoet en wilde haar op zijne gewone luchthartige +schoon hoffelijke wijze toespreken; doch eensklaps begaf hem al +zijne vrijmoedigheid, en zwijgend bleef hij staan. Eene zoo edele +houding aan zooveel bescheidenheid tevens gepaard, eene zoo +ernstige schoonheid bij zoo innemende en lieftallige uitdrukking +van gelaat, herinnerde hij zich niet bij eenige vrouw nog ooit te +hebben aanschouwd. En tegen zijne gewoonte wachtte hij met zijne +begroeting tot Salhana vormelijk zijne dochter aan hem had +voorgesteld. + +--Ik ben u verpligt, edele jonkvrouw!--sprak hij toen,--dat gij u +de moeite getroost, mij als gast te komen begroeten. Ik heb reeds +meer dan eens van u gehoord, en...,--eene beleefdheidsphrase die +hem op de lippen zweefde, scheen hem te laf en te onbeduidend dan +dat ze niet moest blijven steken,--en...,--vervolgde hij, voor 't +oogenblik niets anders vindend,--het is mij aangenaam thans +persoonlijk uwe kennis te mogen maken. + +--De eer, mij en mijn vader door Uwe Hoogheid bewezen, stel ik +bijzonder op prijs!--antwoordde Iravati;--en ik wil hopen dat het +stil verblijf in Allahabad u niet te zeer moge tegenvallen in +vergelijking met het leven der hofstad, dat aan afwisseling zeker +wel heel wat rijker zal zijn. + +--Indien--sprak Selim,--de edele dochter van den Goeverneur mij nu +en dan het genoegen van haar bijzijn gunt, dan ben ik voorzeker +niet bevreesd dat het verblijf mij lang zal vallen. Maar ik hoor u +van de residentie spreken; gij kent die toch, wil ik hopen? + +--Ik ben nog nooit in Agra geweest?--luidde het antwoord. + +--Niet?--vroeg Selim;--maar, waardige Salhana!--vervolgde hij,-- +het wordt dan toch waarlijk tijd dat ge uw rijkbegaafde dochter +eens wat meer van de wereld laat zien dan hier in dezen afgelegen +burgt haar vertoond kan worden! + +--Die tijd,--antwoordde de Goeverneur,--zal gekomen zijn als mijne +dochter zich eenmaal ouder de hoede van haar aanstaanden +echtgenoot, mijn toekomstigen, nog onlangs door Uwe Hoogheid met +zooveel welwillendheid ontvangen schoonzoon, zal bevinden. + +Waarom die herinnering den Prins niet bijzonder welkom scheen, +viel bezwaarlijk te ontdekken; maar in elk geval zweeg hij +onmiddelijk, terwijl zijn donkere wenkbrauwen zich fronsten; en +een oogenblik daarna bragt hij 't gesprek op andere onderwerpen +over. Een tijdlang werd het nog voortgezet, en daarop vroeg +Salhana voor zijne dochter verlof zich naar hare vertrekken terug +te begeven. Met een eerbiedige neiging verwijderde zich Iravati, +weltevrede dat het weinig vermakelijk onderhoud was afgeloopen, en +geen anderen indruk van den zoon des Keizers medenemend dan dat +hij verbazend prachtig was gekleed, schoon op dat oogenblik +Selim's kostuum voor hemzelf nog niets anders dan een eenvoudig +reisgewaad vertegenwoordigde. + +Eenige oogenblikken later was Selim met den Goeverneur en nog een +derden persoon in een der tegen alle indringers en luisteraars wel +verzekerde vertrekken van den burgt gezeten, blijkbaar om te +beraadslagen over belangrijker vragen dan die, hoe men 't best in +Allahabad zich den tijd zou korten. Die derde was Gorakh, de +Doerga-priester. + +--Het doel waarnaar wij streven, mijne vrienden!--dus begon de Prins,-- +schijnt weldra door ons genaderd. Doch laat ons voorzigtig zijn vóór +alles! En niet onverstandig doen wij, naar 't mij voorkomt, als wij +thans aanvangen met den stand onzer plannen te overzien, om dan te +onderzoeken wat er nog tot verdere voorbereiding dient beraamd te +worden. Gij nu, Salhana! zijt, geloof ik, daarvan nog 't best van ons +drieën op de hoogte. Wat mij betreft, ge weet dat men aan 't hof het een +en ander is gaan vermoeden, en van daar de wensch, dat wil dan zeggen +het bevel mijns vaders om mij hierheen te begeven. Wie mij dat bezorgd +heeft, weet ik heel wel; 't is weer die Aboel Fazl, vloeke hem Allah! +Maar ik hoop 't hem bij gelegenheid wel eens betaald te zetten. En nu +gij, Salhana! + +--Tot heden,--begon deze,--kan ik niet anders zien of alles gaat +naar wensch. In Agra, Delhi, Lahore en andere plaatsen zijn de +echt Mohammedaansche Omrah's en de verdere grooten ten hevigste +tegen den Keizer verbitterd, om de verachting waaraan hij nu al +lang hunne godsdienst blootstelt en het verlies der voorregten +welke hij hun ontnomen heeft. Zij zullen niets liever zien dan een +omwentellng bij de eerste gelegenheid de beste, en velen zijn +volkomen bereid daaraan mee te werken. Evenzoo meer dan één der +hoogere Mansabdar's. Abdal Kadir helpt ons in dat alles niet +weinig, maar al te zeer moet er toch niet op hem gebouwd worden; +hij zou wel openlijk willen te werk gaan, 't geen natuurlijk een +dwaasheid ware; maar hij heeft telkens weer bezwaren tegen 't geen +hij verraad noemt. + +--En uw neef?--vroeg Selim. + +--Die komt geheel op onze zijde; hoe we dat nu gedaan hebben +gekregen, doet niet ter zake; genoeg dat het zoo is. Ik had hem +eerst als onzen spion bij Akbar willen gebruiken; maar 't is mij +gebleken dat hij er niet voor deugt; hij is te onnoozel en te veel +in de begrippen van dien Koelloeka opgevoed om de rol behoorlijk +te spelen; en daarenboven pakt Akbar hem ook telkens op zijne +bekende manier weer in, als hij hem soms ontmoet; 't is dus maar +beter dat hij den Keizer niet al te dikwijls ziet. Daarentegen zal +hij ons geheel andere en nog betere diensten kunnen bewijzen. Nog +onlangs werd hij in rang als Mansabdar verhoogd, en spoedig heeft +hij kans op nieuwe bevordering, zoodat hij tegen den bepaalden +tijd een vrij belangrijk getal ruiters zal aanvoeren; over zijne +Radjpoet's heeft hij ook persoonlijk veel te zeggen, en in Kaçmir +heeft zijn naam grooten invloed. Wanneer wij dus het beraamde plan +uitvoeren dan wordt ons zijn medewerking van niet gering nut. Op +het gegeven oogenblik laat hij de zijnen omkeeren en zich tegen de +Keizerlijken wenden, en geen twijfel of dat voorbeeld zal door de +meerderheid der Radjpoet's en Patan's wel worden gevolgd. + +--Maar nu het plan zelf, wat Kaçmir betreft?--vroeg Selim wederom. + +--Wel, mij dunkt,--antwoordde Salhana,--dat het niet beter kon +staan dan thans. De binnenlandsche twisten zijn, meerendeels door +ons toedoen, tot een uiterste gekomen; de partijen staan gewapend +tegenover elkander; de stroopers loopen het land af, en, wat hier +wel 't belangrijkste is, ook Akbar's naburig gelegen rijken; zij +geven hem dus de aanleiding aan de hand om met zijn leger naar het +Noorden op te trekken, en tot herstel en blijvende verzekering der +rust de verovering van Kaçmir te beproeven. Zijn legermagt staat +dan ook al gereed; en, bedrieg ik mij niet, dan is zijn voornemen, +na de aanstaande jaarlijksche viering van zijn geboortedag den +togt te gaan ondernemen. Is nu eenmaal de strijd aan den gang, dan +valt onze Siddha even als andere aanvoerders hem plotseling af, +vereenigt zich met de onzen in het leger van Kaçmir en houdt Akbar +genoeg bezig om hem vooreerst den terugtogt te beletten. Inmiddels +hebben de onzen in Agra zelf de handen vrij, roepen Selim tot +Keizer uit, en stellen zich in 't bezit van de vesting en de +schatkist. Zoo dan Akbar ten laatste nog terugkeert, dan valt er +misschien nog wat te vechten met zijne troepen, schoon ik 't niet +onderstel; maar 't eind van de zaak moet toch zijn, dat hij ten +gunste van den Kroonprins afstand doet van den troon. + +--Alles,--sprak Selim,--volkomen goed berekend, en geheel +overeenkomstig ons oorspronkelijk, en thans, naar ik met genoegen +zie, meer tot rijpheid gekomen plan! Maar eene vraag toch! Bestaat +er geen gevaar dat er iets van uitlekt? Is alles wel steeds +voorzigtig aangelegd? Zoo bijvoorbeeld die brief, die naar Kaçmir +verzonden zou worden; indien hij eens in verkeerde handen was +geraakt? + +--De brief--antwoordde Salhana,--is volkomen goed aan zijne +bestemming teregtgekomen. Maar weet gij, wie hem meenam? Niemand +anders dan onze vriend Koelloeka zelf. + +--Wat?--riep Selim uit,--Koelloeka! Welk onvergeeflijk waagstuk! + +--In 't minst niet,--hernam de ander bedaard;--het was juist de +allerveiligste weg. De goede man wist zelf niet wat hij overbragt; +het stuk was hem door Siddha ter hand gesteld, die ook niet wist +wat er in stond; en in 't uiterste geval, indien hij bij de +overbrenging betrapt ware geweest, hijzelf zou er 't ergste zijn +ingeloopen zonder daarom nog eenige inlichting te kunnen geven; en +wij, die natuurlijk in het stuk niet bij name genoemd werden, +bleven toch buiten schot. + +--Heel goed gevonden!--sprak Selim goedkeurend en hartelijk +lagchend;--maar thans verder! Wij zijn u voorloopig dankbaar voor +uwe mededeelingen, Salhana! Maar nu onze eerwaarde Gorakh! Heeft +ook hij ons niet iets nieuws te vertellen? + +--Ik geloof wel van ja!--antwoordde de Yogi, die tot dusver +stilzwijgend had toegeluisterd;--althans ik heb van mijn kant ook +niet stil gezeten. Zooals ik u vroeger reeds voorzegde, maar u +toen nog onwaarschijnlijk voorkwam, heb ik mij den weg gebaand tot +het paleis niet alleen, maar ook tot de binnenvertrekken van den +Keizer. Gij weet, welke moeite hij zich geeft om alle stelsels van +godsdienst en wijsbegeerte te leeren kennen, die maar eenigermate +onder zijn bereik vallen. En zoo wilde hij dan ook volstrekt +kennis maken met die aloude Yoga-leer, waarvan hij veel gehoord, +maar weinig of niets naders vernomen had. Want hier schoot niet +enkel Feizi's, maar ook Koelloeka's geleerdheid, als die der +overige Brahmanen, wier hulp werd ingeroepen, te kort, en de +weinige ingewijden, die er nog in Hindostan te vinden zijn, wisten +zij hem niet aan te wijzen. Nu zorgde ik, door sommige vertrouwden +hem 't een en ander omtrent mijne kennis van de Yoga-geheimen te +laten verluiden; en niet lang of ik werd ten hove ontboden, en +Akbar ontving heimelijk van mij eenige eerste aanduidingen omtrent +de leer der concentratie, waardoor de sterveling zich al meer en +meer in onmiddelijke betrekking tot het oneindig Alwezen weet te +stellen, en, zijn denken en zijn in dat van het absolute +oplossend, ook het oneindig bestaan deelachtig wordt, zoodat hij +'t vermogen erlangt, zich naar willekeur tot op de verste +afstanden te verplaatsen schijnbaar zonder de plek te verlaten +waar hij zich bevindt, de grootste zoowel als de kleinste vormen +aan te nemen en zich onzigtbaar of ook ligter te maken dan de +lucht. Om nu ook kracht aan de zaak bij te zetten en 't niet bij +verzekeringen te laten, bragt ik eens een mijner lieden mede, die +bijzonder ver is in allerlei toeren, en deed hem een kunst +verrigten, waarover de Keizer, niet zonder reden trouwens, +verbaasd stond. De man zette zich op een lagen houten steel, +waaraan een bamboe met een haak als van een wandelstok was +bevestigd, liet toen een wit laken vóór zich uitspreiden zoodat +men hem niet zien kon, en toen nu het laken werd weggetrokken, zat +hij letterlijk in de lucht, een paar voet boven den stoel en enkel +steunend met de eene, uitgestrekte hand op den haak van den +bamboe. Een heel merkwaardige kunst, die ik u bij gelegenheid wel +eens zal laten zien, als wij eens tijd hebben. Maar genoeg! Akbar +was niet alleen verwonderd, maar ook hoe langer hoe meer begeerig, +in onze geheimen te worden ingewijd. En hij is dat nog. Gij +begrijpt dat ik mij wel wachtte, hem iets meer te vertellen dan +noodig was om telkens sterker zijn nieuwsgierigheid te wekken; en +zoo komt het, dat ik nu altijd gelegenheid heb om bij hem, die +niets liever wenscht, te worden toegelaten. Ik maak er een +spaarzaam gebruik van, maar, dat wil ik wél verzekeren, een goed! +Met de mijnen neem ik behoorlijk steeds alles op wat voor ons en +onze zaak van eenig belang kan zijn; en Akbar's paleizen en eigen +geheime vertrekken zijn op die wijze met lieden vervuld, die alles +uitvorschen wat er omgaat, terwijl hijzelf in hen niets anders dan +volgelingen van een godsdienstig dweeper en asceet vermoedt. +Vandaar ook dat ik u, Selim! en ook onzen vriend Salhana reeds +omtrent menige zaak kon onderrigten, die anders niet zoo +gemakkelijk door u ontdekt had kunnen zijn. Over Kaçmir straks +nader! + +--Inderdaad!--sprak Selim, toen de Yogi zweeg,--wij moeten +erkennen, dat gij een knap toovenaar zijt. Maar zeg mij nu eens +ronduit, ten minste als zoo iets met uwe gewoonten is overeen te +brengen, wat verlangt gij eigenlijk als belooning voor de diensten +welke gij ons bewijst? Salhana, wij weten het, wenscht eenmaal, +als ons gezag bevestigd zal zijn, tot Onderkoning van Kaçmir te +worden verheven; en dat billijk verlangen zal, gelijk hem bekend +is, als alles wel gaat ook bevredigd worden. Niets om niets! zeg +ik met hem. Maar gij nu! wat wilt gij van ons? Ik acht het nuttig, +dat te vernemen opdat wij vooraf behoorlijk onze voorwaarden +kunnen stellen. + +--Grootmagtig Vorst!... vergun mij reeds bij voorbaat u zoo te +noemen!..., antwoordde Gorakh,--van u verlang ik... eenvoudig +niets! Dat verbaast u, niet waar? Welnu, ik wil trachten 't u +duidelijk te maken. Wat verlangt gij, vraag ik van mijn kant, voor +uzelven? Gij hebt reeds, zou men meenen, al wat het hart begeeren +kan. Gij hebt schatten, paleizen, schoone vrouwen die u te dienste +staan, vrolijke gastvrienden, de heerlijkste wijnen, en na den +Keizer zijt gij de eerste man van dit magtig en bloeijend rijk, +met de zekerheid zelf eenmaal de alleenheerscher te zijn. Toch +zwoegt gij bijkans zonder pozen, en roept onze hulp en die van +anderen, uwe minderen, in ter verwezenlijking van duistere, +moeijelijke en ook gevaarvolle plannen. Waarom? Omdat gij +heerschen wilt en niet kunt wachten tot de dood van uw vader den +troon voor u beschikbaar stelt. Zie nu! wat gij wilt voor uzelven, +dat verlang ik ook voor mij: te heerschen! En terwijl gij tot +heden nog zoo goed als niets te gebieden hebt, doe ik het al lang, +schoon ik nog altijd blijf streven naar steeds uitgebreider magt. +Ik, de arme, onbekende, door velen verachte priester, ik bezit een +gezag zooals gij in al uwe grootheid het niet kunt magtig worden. +Honderden, waarvan ieder in zekere omstandigheden een leger waard +zou zijn voor de grooten der aarde, gehoorzamen onvoorwaardelijk +en zonder navraag, zonder aarzeling, zonder vrees tot den +geringste mijner wenken. En door welke magt zijn ze aan mij +onderwerpen? Door die waartegen niets bestand is, en waardoor de +rede wordt uitgedoofd, en de wil verlamd, totdat de mensch een +levend en wandelend lijk wordt: de magt van het godsdienstig +fanatisme. Eén vingerwijzing van mij naar wie ik maar wil, naar u +of naar een ander, is genoeg om een of meer der hunnen te doen +begrijpen, welk nieuw offer aan de nooit verzadigde Doerga het +meest welkom zal zijn; en te meer welkom is haar dat van den +hooger gestelde onder de menschen. Laat nu ook de aangewezene zelf +vooraf zijn gewaarschuwd, laat hij voorzorgen nemen zooveel hij +wil, en zich omringen met dienaren en wachten, toch ontkomt hij +nauw anders dan door een wonder het voorbeschikte lot. Overal in +zijne nabijheid en onmiddelijke omgeving zwerven onder allerlei +vermomming mijne getrouwen om hem heen; en als het regte oogenblik +gekomen is, dan, in de stilte meest van den nacht, voelt hij +eensklaps zonder vooraf eenig geluid of geridsel vernomen te +hebben, het worgkoord om den hals, en eer hij een kreet of zucht +heeft kunnen slaken is de lange reeks der offeranden vermeerderd +met een nieuw. 't Is waar, een enkele keer, schoon zelden, vindt +de indringer zich betrapt, maar de aangevallene die hem grijpt en +tracht vast te houden, voelt een glad ligchaam, als van een slang, +door zijn handen glijden, en even snel en onhoorbaar als het kwam, +is het aanstonds weer verdwenen. En in 't uiterste geval, als een +mijner Worgers dan toch werkelijk gevat wordt, welnu, dan kan men +hem dooden en dan sterft hij met de onwrikbare overtuiging, +terstond de oneindige zaligheid deelachtig te worden; maar dan +staan er ook weer honderd anderen gereed aan wie op nieuw de proef +kan worden bevolen, en wél vreemd zoo die vroeg of laat niet +gelukken mogt. + +De Yogi zweeg een oogenblik, maar geen zijner beide toehoorders +nam het woord. Salhana, met de medegedeelde bijzonderheden reeds +wel bekend, had vrij onverschillig toegeluisterd en vond geen +reden er iets aan toe te voegen. Maar Selim was onder de +beschrijving van den priester verbleekt, schoon 't hem anders niet +aan persoonlijken moed ontbrak, en peinzend bleef hij vóór zich +staren. + +--Zóó dan--hervatte Gorakh,--heersch ook ik, doch op mijne wijze. +Die mij tegenstaan ruim ik onbemerkt door anderen uit den weg; en +zij die mijne magt kennen, vreezen mij en doen gemeenlijk in 't +eind, ze mogen hoog of laag geplaatst zijn, wat ik van hen begeer. +En meent gij dan dat deze wijze van magtsoefening niet evengoed +als de uwe hare behagelijkheid kan hebben? Of zou het geen +vleijend en trotsch gevoel zijn, door de menschen zich geminacht +en vernederd te zien, maar tevens te weten dat men over hen, over +hunne handelingen, over hun leven en dood naar willekeur te +beschikken heeft? En ik ben niet de eenige, die er zoo over denkt. +Ik weet het, daar zijn er ook anderen en ook in gansch andere en +vér van hier gelegen landen, die eveneens in stilte en in het +duister trachten te heerschen over hen, die het hoogste gebied +voeren in 't oog der wereld. Meer dan eens heb ik in Agra en +elders onder eene behoorlijke vermomming met die mannen gesproken, +die hier uit het verre Westen komen om volgelingen te winnen voor +hunne leer, en, onder den schijn van een gewillig oor te leenen +aan hunne prediking, hen langzamerhand uitgehoord. En uit hun +mededeelingen en die hunner landgenooten, onder anderen ook +omtrent de inrigting en werking der Orde waartoe zij behooren, heb +ik ontdekt, dat zij of althans hunne opperhoofden een gelijk doel +najagen als ik en mijns gelijken, al zoeken zij langs anderen weg +het te bereiken. Hunne middelen, zeg ik, zijn andere, hoewel +daarom nog niet altijd zachtzinniger dan de onze; wij hier laten +de menschen worgen, zij ginds laten ze levend verbranden; maar het +doel blijft in elk geval hetzelfde. En ook zij worden in hun eigen +streken dikwijls weinig opgemerkt en weinig geteld, menigmaal ook +bestreden en vervolgd, en toch weten ook zij in naam van het +zoogezegd geloof te gebieden over wereldlijke magthebbers niet +alleen, maar zelfs over het geestelijk Opperhoofd hunner eigene +kerk, terwijl zij veinzen met onvoorwaardelijke onderworpenheid +zijne bevelen te gehoorzamen! Zoo ziet gij dan, hoe vreemd het +eerst u ook scheen, dat het wezen en het genot der magt nog +geenszins voor allen, zooals voor u, in het uitwendig vertoon en +in de openlijke erkenning door anderen behoeft gelegen te zijn. + +Nog bleef Selim zwijgen, nadat Gorakh geëindigd had. Maar de blik, +welken hij dezen toewierp, zeide meer dan woorden. + +De priester lachte.--Ik begrijp zeer goed,--sprak hij langzaam,-- +welke gedachten op dit oogenblik uwe Hoogheid bezig houden. Een +bondgenoot als ik kon wel eens een gevaarlijke worden, en zoo mogt +het dan de vraag zijn of 't niet maar zaak ware, zich terstond van +hem te ontslaan. Maar ik ben immers niet onnoozel genoeg om mij in +'t hol van den tijger te wagen, als ik niet zeker was er veilig +weer uit te komen. Mijne getrouwen nu wachten mij ginds in den +tempel op den berg; keer ik vóór morgen er niet terug, dan weten +ze ook, wien de Godin als zoenoffer voor den dood van haar +gewijden priester heeft aangewezen. + +--Nu, dat is met uwe gewone omzigtigheid gehandeld,--sprak thans +Selim;--maar, waarde Gorakh! uw voorzorg was toch inderdaad +overbodig. Wij hebben uwe hulp wezenlijk in menig geval van noode, +en zonder reden zou ik mij daarvan toch zelf niet gaan versteken. +Maar we zijn, geloof ik, een weinig afgedwaald van 't eigenlijk +onderwerp onzer beraadslaging. En omtrent ééne zaak nu ben ik niet +volkomen gerust. Wat staat ons, Salhana! van uw broeder, den +Minister in Kaçmir, te wachten? Zal hij onze zijde kiezen, of, zoo +niet, kan hij ons wezenlijk nadeel toebrengen? + +--Het laatste vrees ik maar al te zeer,--antwoordde de +Goeverneur,--hij zal de zijde van den tegenwoordigen Koning niet +verlaten, en zoo deze ten onder wordt gebragt, zich veel liever +nog tot Akbar keeren dan tot de onzen, van wien hij niet dan +onheil voor het land en het volk voorziet. + +--Laat hem in dat geval aan mij over!--zei Gorakh. + +--Wat bedoelt gij? + +--Vraag toch niet langer! Ik zeg u: laat hem aan mij, en hij zal u +niet lang in den weg staan. Maar er is nog een ander punt en van +veel meer gewigt. Ik heb alle reden om te vermoeden dat een zeker, +in Kaçmir bijzonder beteekenend persoon, dien wij allen lang dood +waanden, maar die, als hij 't eens niet was in zijn land +terugkeerde, al onze plannen in duigen kon doen vallen, inderdaad +nog tot de levenden behoort. + +--Wie, wat?--vroeg Salhana in de uiterste ongerustheid,--gij +meent toch niet.... + +--Ik meen juist dengene, dien gij onderstelt. Ik bedoel +Nandigoepta. + +--Nandigoepta! Maar dat kan immers niet zijn! + +--En waarom niet? Hebben wij ooit eenige zekerheid gehad omtrent +zijn dood? In 't minste niet. Wij weten dat hij plotseling +verdween en dat er niets meer van hem vernomen werd, ziedaar +alles. En nu ben ik voor eenigen tijd tot de ontdekking gekomen, +dat er in het Himâlaya-gebergte, in de nabijheid van den +Bhadrinâth, een kluizenaar woont, die, wat uiterlijk voorkomen +betreft, bijzonder op den vroegeren Koning gelijken moet, en wien, +let wel! Koelloeka met Siddha Rama op zijn reis herwaarts een +bezoek heeft gebragt. + +--Dat ziet er inderdaad heel bedenkelijk uit!--zei nu ook Selim. + +--Ik heb inmiddels--hervatte Gorakh,--enkelen der mijnen op de +zaak afgezonden, zij zullen wel alles nasporen wat ons tot de +ontdekking der waarheid kan leiden; en, blijft mijn vermoeden +juist, dan,--en hier maakte de Yogi zeker teeken, dat zijn beide +toehoorders maar al te goed begrepen,--dan wijst hem Doerga gewis +als een dergenen aan, die haar welkom zouden zijn. Doch 't zal nu +mijn tijd worden om naar mijn getrouwen terug te keeren. Uwe +Hoogheid zal mij dus zeker wel willen veroorlooven mij te +verwijderen? + +Selim knikte toestemmend, hoewel hij misschien wel gewenscht zou +hebben, dat de priester nooit meer een voet buiten 't kasteel mogt +hebben gezet. En voorloopig ging het drietal uiteen. + +Avond aan avond vernam na dien eersten dag Iravati, wanneer zij +eenzaam in de lanen van het park doolde, het feestgedruisch, dat +uit de hooge en bij die gelegenheden hel verlichte zalen van den +burgt weerklonk. Daar vermaakte zich de aanstaande Keizer van +Hindostan met zijn gastvrienden en danseressen, en trachtte zich +op die wijze schadeloos te stellen voor de verveling van den dag +en voor een wijl de zorgen te vergeten, waarmede zijn eigen +eerzucht hem beladen had. En de getrouwe Nipoenika, die menigmaal, +in hare nederige betrekking weinig of niet opgemerkt en tusschen +de overige bedienden zich inmengend, het een en ander van die +festijnen zag, kwam dan niet zelden ook aan hare meesteresse +bijzonderheden daaromtrent meedeelen, die der reine en van zulke +dingen nog onkundige jonkvrouw het bloed naar de wangen deden +stijgen en het stilzwijgen opleggen aan hare dienares. Of ook +Siddha wel eens daar in Agra deelnam aan feestelijkheden van dien +aard? En die Selim, de toekomstige beheerscher van een wereldrijk +en eenmaal de nagenoeg onbeperkte gebieder over het lot zooveler +volken! Hoe laag hij niet scheen gezonken, ondanks het hooge +standpunt, waarop de fortuin hem had geplaatst! + +En toch vond Iravati geen reden om den Prins te minachten wanneer zij +bij wijlen, gelijk nog al dikwijls gebeurde, 't zij dan met haar vader, +'t zij ook alleen zich in zijne tegenwoordigheid bevond. De wijze +waarop hij gewoon was met haar te spreken was steeds die van een +volmaakt edelman; en wel verre van zich ooit de geringste vrijpostigheid +jegens haar te veroorlooven, bejegende hij haar met een eerbied en +ontzag gelijk de meest hooggeplaatste vorstin die niet anders had +kunnen verlangen. Geen zweem ook van vleijende doch niets zeggende +hoffelijkheid in de woorden die hij tot haar rigtte; maar alles +eenvoudig, ongedwongen, natuurlijk, terwijl ook in menig opzigt zijne +gesprekken werkelijk onderhoudend bleken te zijn en getuigden van een +lang niet gewone geestbeschaving en tamelijk uitgebreide kennis.--Och! +of die jonge, zoo hooggestelde man--zoo overlegde zij menigmaal bij +zichzelve,--wat beter van zijne velerlei gaven gebruik mogt maken, en, +het treflijk voorbeeld van zijn edelen vader voor oogen, zich op andere +wijze dan nu wist voor te bereiden tot de grootsche taak die ook hij +eenmaal te vervullen had! + +Eens op een avond, terwijl Iravati in gedachten verzonken op een +der rustbanken in het park zich had nedergezet, bleef tot hare +verwondering niet alleen rondom, maar ook in den burgt zelf de +meest volkomen stilte heerschen, en geen licht bijkans vertoonde +zich aan de hooge vensters en in de galerijen van het paleis. Een +zachte en zoele wind alleen ruischte er door het gebladerte en +bewoog de toppen der boomen, en uit de vallei daar omlaag klonk nu +en dan de toon eener fluit of het ligt gerinkel van het +klokkenspel, dat eene vrolijke dorpsjeugd begeleidde bij hare +landelijke dansen. + +Een geluid van voetstappen brak op eens de stilte, en in de +avondschemering werd een mannelijke gestalte zigtbaar, die de plek +naderde waar de dochter van Salhana gezeten was. Met een gevoel +van schrik rees zij, bij dergelijke hier wel ongewone verschijning +op, toen zij tot haar verwondering in den vermeenden indringer den +Prins herkende, die, naderbij gekomen, op zijn gewone eerbiedig +hoffelijke wijze haar begroette. + +--Vergeef mij, edele jonkvrouw!--zeide hij,--indien ik, onbewust +van uwe tegenwoordigheid op deze plek, onwillekeurig u kom storen. +Wil mijn avondgroet ontvangen, en ik zal u niet verder lastig +vallen. + +--De stoornis--antwoordde Iravati beleefd,--kan mij wel niet +anders dan aangenaam zijn. Maar inderdaad ik wil wel bekennen, dat +zij mij een weinig verrast. Ik meende dat Uwe Hoogheid gewoon was +op andere en meer vrolijke wijze den avond te korten dan met +stille en eenzame wandelingen. + +--Zoo was het,--sprak Selim,--en ik gevoel volkomen dat ik u +daarmee reden genoeg heb gegeven tot billijke ergernis, en meer +eerbied had moeten betoonen voor de woning waarin gij uw verblijf +houdt. Maar laat voorbij zijn wat voorbij is! Voortaan zal geen +onpassend feestgedruisch in dit uw paleis u meer hinderen, noch de +stilte breken van den nacht. + +Niet zonder verwondering hoorde Iravati den spreker aan. Waartoe +die verklaringen? En vanwaar die plotselinge omkeer? + +--Eene verandering,--ging Selim voort,--en naar ik geloof een niet +geringe is er, hoewel binnen betrekkelijk korte tijd, met mij +voorgevallen. Tot heden was ik... hoor mij aan, en treed niet +terug! ik wil u alles zeggen... tot nu dan was ik een woestaard, +een wellusteling, ja een dronkaard zelfs, ik verberg u niets! Maar +ik heb opgehouden dat te zijn; ik heb gebroken met mijn voorleden, +en de Selim van thans is een andere geworden dan hij gisteren zich +misschien nog betoonde. Ik wil leven voortaan voor pligt en voor +eer, voor het heil der volken die eenmaal aan mijne zorgen mogten +zijn toevertrouwd; ik wil vaarwel zeggen aan alle eerzuchtige en +ongeoorloofde voornemens en bovenal ook aan die nietswaardige, +verlagende verstrooijingen, waarin ik tot heden wel geen wezenlijk +genoegen maar toch een soort van uitspanning vond. Ik wil dat +alles, indien... indien een wensch wordt voldaan, van welks +vervulling mijn geluk, mijne toekomst, en voor een deel welligt +ook die van mijn rijk afhankelijk zal zijn! Die vervulling is in +uwe hand! + +--Ik begrijp u niet, Heer!--sprak Iravati, wie het angstig te +moede werd, en die geen vrouw ware geweest als zij niet maar al te +wel tot het besef was gekomen, waarheen de rede van den Kroonprins +strekken moest. + +--Gij zult mij spoedig begrijpen,--antwoordde deze,--als ik u zeg, +wie die verandering in mijn wezen zoo plotseling heeft teweeg +gebragt. Of liever, behoeft gij nog te gissen en te raden, en hebt +gij niet lang reeds uit al mijn woorden verstaan, dat het niemand +anders zijn kon dan gij en gij alleen?--En zoo is het,--ging hij +met steeds klimmende, doch altijd binnen de grenzen eener +eerbiedige bewondering gehouden geestdrift voort;--sinds het +eerste oogenblik dat ik u aanschouwde, wist ik, althans gevoelde +ik, dat gij een invloed, en een belangrijken, moest hebben op mijn +lot. Ik, die nooit nog voor iemand, wie ook, de oogen had +neergeslagen, ik deed het onmiddelijk voor u, en gevoelde mij +klein en nietig in uwe tegenwoordigheid. En telkens, wanneer ik u +terugzag en met u sprak, en u nader leerde kennen, werd het mij +duidelijker dat gij over mijne toekomst te beslissen zoudt hebben. +Ik begon een afkeer te krijgen van mijzelf en van mijn levenswijs +en die zoogenaamde vrienden, die mij op zoo onwaardige wijze den +avond en dikwijls den nacht hielpen doorbrengen. Toch kon ik nog +niet besluiten, zoo op eens met dat alles te breken, en als dan +onze feesten weer aan den gang waren, ja, dan, ik beken het +openhartig, verdween ook menigmaal uw beeld voor mijn geest, als +de wijn dien weer begon te benevelen. Maar welk een gevoel van +schaamte en van onwil tegen mijzelven dan weder, zoodra ik 's +anderen daags u weer ontmoette! Heden dan werd mijn besluit +genomen en, gelijk gij ziet, ook volvoerd. Alles is stil, de +feestklanken zwijgen, mijne danseressen heb ik weggezonden en de +meesten mijner gasten zijn heden vertrokken of denken morgen +Allahabad te verlaten. Dat alles is uw werk; moge 't door meer en +beter nog gevolgd worden! Maar daartoe is ééne voorwaarde +onmisbaar! Wij mogen geen vreemden blijven tegenover elkander; een +nadere band dan eene toevallige en weer voorbijgaande kennismaking +moet ons vereenen. Iravati! kan het nog noodig zijn u duidelijker +te verklaren wat ik voor u gevoel? Welnu dan! ik.... + +--Ach neen, neen, Heer!--riep Iravati hartstogtelijk, en de handen +smeekend omhoog heffend, uit,--zwijg dat woord dat gij gereed +waart te spreken, maar dat ik niet mag aanhooren! + +--Niet mag?--herhaalde Selim vragend--of niet wil? Mij dunkt dat +er van mogen niet te spreken valt, waar een bede tot u gerigt +wordt door mij! + +--Beide dan,--antwoordde Iravati met vaste stem,--niet mag en niet +wil! Ik mag niet, omdat mijn woord van trouw mij aan een ander +heeft verbonden; en mogt ik, toch zou ik niet willen en ook niet +kunnen wat gij verlangt, omdat mijn hart, mijn gansche leven nu +eenmaal dien anderen toebehoort. + +Gelukkig voor haar dat de toenemende duisternis haar belette de +sombere en woeste uitdrukking op te merken, die bij deze vrij +onvoorzigtige woorden op het bleek gelaat van den Prins te lezen +stond. Want had zij 't gezien, zij mogt gesidderd hebben bij de +gedachte aan dien andere en aan hetgeen hem welligt van zulk een +medeminnaar te wachten stond. + +--Bedenk het wél,--sprak Selim, na een wijl gezwegen te hebben, +bedenk het wat gij roekeloos dus versmaadt ter wille van een +jonkman, die u eenmaal misschien dierbaar was en voor 't oogenblik +nog schijnt te zijn, maar die, zoo hijzelf u al trouw bleef, toch +nimmer u kan aanbieden wat de toekomstige beheerscher van het rijk +der Mogols u verzekeren wil! Ik spreek u niet van de schatten die +uw eigendom zouden zijn en van de weelde waarin ge u baden mogt, +wanneer gij eenmaal, aan mijne zijde gezeten, mogt gebieden over +de rijken en vorsten van Hindostan. Te goed is mij bekend, hoe +weinig uw edeler en boven dat alles verheven geest voor dergelijke +verlokking vatbaar ware. En toch blijft ook dit niet te verachten! +Gij meent te weten wat rijkdom en weelde is; maar wat gij tot +heden daarvan gezien hebt, is niet dan ellendig klatergoud tegen +de wezenlijke pracht, die de paleizen en lusthoven van Agra en +Delhi u eenmaal bieden konden. Doch laat dat zijn! Maar bedenk, +zeg ik, wat schitterende toekomst gij verwerpt, indien gij liever +de vrouw wordt van een onbekend en niets beteekenend edelman dan +de magtige Sultane, die den onbeperkten monarch in al zijn doen en +laten beheerscht, en alle grooten en edelen voor hare voeten ziet +buigen, en naar welgevallen over het lot van millioenen beschikt! +Want, zooals ik heden het mijne in uwe handen stel, zoo doe ik, +dat zweer ik met een duren eed! ook van heden af met dat mijner +toekomstige onderdanen. Wat gij wilt en beslist zal mij eene wet, +een gebod zijn, waaraan ik mij niet zal vermogen te onttrekken; +want dit weet ik, niets dan wat edel en goed en verstandig is zal +mij door u worden aangeraden, en geen regtvaardige en geen +onregtvaardig verdrukte ook in het gansche rijk of hij zal steun +en bescherming vinden bij u! + +Te vergeefs bleef de heerscher van morgen, smeekeling nu, op een +antwoord wachten. Iravai zweeg, maar haar stilzwijgen gaf +blijkbaar genoeg geenerlei toestemming te kennen; zij had zich +afgewend en als in stille smart zich met gebogen hoofd het gelaat +met de handen bedekt. Ook het schitterend vooruitzigt haar +voorgespiegeld, had dus geen indruk gemaakt op haar gemoed. + +--Iravati!--sprak Selim weder en nu met diep bewogen stem,--laat de +vrede mij niet aanstonds weer zijn geroofd, die bij uwe verschijning +zoo weldadig was neergedaald in mijne ziel! Door u ben ik een ander +mensch geworden; laat mij niet weder terugkeeren tot wat ik eenmaal was! +Heb medelijden met mij, en met die talloozen ook, die een weldoener in +mij zullen vinden als gij mij ter zijde staat, maar ook een tiran +misschien als gij mij blijft versmaden! Ik ben zwak, dat weet ik; maar +ik zou sterk, ik zou een held, ook in het zedelijke, zijn, als ik aan +uw woord, aan uw aanblik mijne kracht mogt ontleenen. Waarom mij dat +dan ontzegd? Eén woord slechts behoeft het u te kosten, en de kroon van +Indië ligt aan uwe voeten, en gij hebt de hand slechts uit te strekken +om ze te plaatsen op uw eigen hoofd!--Maar ik zie het,--ging hij +driftig voort, toen Iravati nog altijd bleef zwijgen,--mijn eerbied, +mijne bewondering, mijne tot alles bereide liefde is u niets, en gij +versmaadt den Vorst voor den onbeduidenden avonturier aan wien gij door +onbedachtzaam eenmaal gesmeede ketenen u gebonden waant! Doch bedenk +ook wel wat gij doet, wat gij waagt, welk lot u zou kunnen treffen, en +ook hem, als eenmaal de liefde van den magthebber verkeeren mogt in +toorn en in haat!... --Maar ik spreek waanzinnige woorden,--zeide hij +weder mismoedig, terwijl hij het hoofd op de borst liet zinken;--wat +reden ook en wat regt heb ik om uwe wederliefde te eischen? Ik ben, hoe +hoog ook eenmaal mijn staat, toch uwer niet meer waardig; ik ben oud en +afgeleefd vóór mijn tijd; en hij, die andere is jong en schoon en nog +onbedorven van hart. Wat reden dan voor mij tot klagten? Wat ik ben +geworden, dat heb ik mijzelf gemaakt of een ongelukkig lot dat mij in +een toestand plaatste, waarvoor ik niet berekend was. En toch, hoe +anders, anders had het kunnen zijn, indien datzelfde lot u vroeger dan +heden op mijn weg had gevoerd! Maar te laat nu, te laat!... + +--Mijn Vorst!--sprak thans Iravati zacht,--gij doet uzelven +onregt! Gij hebt reden tot zelfbeschuldiging, maar niet daarom nog +tot dergelijke zelfverachting. En wees verzekerd, ik veracht en +versmaad u niet, al kan ik ook nooit de uwe zijn. Inderdaad, had +ik u vroeger leeren kennen, ook zooals gij thans zijt, maar eer +nog een ander mijne liefde wou en mijn woord van trouw erlangde, +ik had misschien uwe genegenheid kunnen beantwoorden. + +Thans kan zij niet anders dan mij leed doen, ook terwijl ze mij +vereert. Gijzelf trouwens kunt in ernst niet verlangen, dat ik +mijn gegeven woord zou verbreken; en deed ik het, gij zoudt immers +de achting voor mij verliezen, waarop uwe genegenheid steunt. Maar +zelfs in dat geval, dat nu niet meer mogelijk is, had iets moeten +zijn wat toch weer niet denkbaar ware geweest: uw hooge rang had +niet moeten bestaan. Want dien zou ik nooit met u kunnen deelen. +De weelde en de pracht, in wier midden gij u beweegt, zou nooit +mijn levenselement kunnen zijn, en de geduchte verantwoordelijkheid +zou ik niet weten te dragen, die gij geneigd waart op mijne schouders te +leggen. Doch wat er ook van zijn mogt, het is nu eenmaal alles anders. +En waarom ons dus te verliezen in overdenkingen, omtrent hetgeen +misschien had kunnen gebeuren, maar toch niet is? De magtige Deva's, de +ongeziene krachten die ons lot beheerschen, hebben het blijkbaar anders +gewild; onderwerpen wij ons aan hunne voorzeker wijze beslissing, gij +zoowel als ik! En zoo laat mij dan, mijn genadige Vorst en Heer! in den +nederigen staat waarin gij mij gevonden hebt; ga en zie niet meer naar +mij om; vergeet mij voor nu en voor altijd, of zoo ge soms u mijner +nog herinnert, het zij dan om tevens aan het oogenblik te denken, +waarop gij aan edeler gevoelens en verhevener voornemens u +gewonnen gaaft dan te voren uw gemoed hadden vervuld! Wat mij +betreft, ik wil u gedenken, u volgen met mijne gedachten in al uwe +handelingen, in uwe toekomstige, zoo ik hoop en vertrouw, eenmaal +roemrijke daden en gelukkige regering, als gij den troon van den +grooten Keizer bestegen zult hebben; en wees verzekerd dat geen +uwer tallooze onderdanen met meer wezenlijke en hartelijke +belangstelling het oog op u gevestigd zal houden dan zij, die +thans u smeekt haar te verlaten en haar te ontslaan van den +moeijelijken pligt om ongehoorzaam aan uwe wenschen te zijn! + +Naar een antwoord, een passend, een afdoend, overtuigend antwoord +zocht, maar vruchteloos, de voor 't eerst misschien in zijn +gansche leven zóó weersproken despoot... Zwijgend bleef hij vóór +de jonkvrouw staan, nu gereed om te spreken, dan weer zich +terughoudend, en te vergeefs naar woorden zoekend om de +tegenstrijdige gevoelens te uiten, die daar woelden en elkaar +verdrongen in zijn brein. Ten laatste trad hij op Iravati toe, +greep hare hand, en na ze even met zijne lippen te hebben +aangeraakt, keerde hij zich om en verdween, zonder een woord +verder te spreken, in de duisternis. + +'s Anderen daags vernam Salhana tot zijn niet geringen schrik, dat +de Prins het kasteel en Allahabad had verlaten, en met één enkelen +dienaar was heengetogen,--niemand wist te zeggen, waarheen. + + + +NEGENDE HOOFDSTUK. + +De keizerweging + +Wat al gewoel daar op dien grooten bazaar, waar Siddha eens in den +morgen rondslenterde tusschen de lange reijen van winkels, die al wat +het oog in die streken maar begeerde en ruimer of beperkter beurs +betalen kon, in rijken voorraad hadden uitgestald! En wat zonderlinge +en vreemdsoortige mengeling van rassen en volken, waarvan de +verschillende vertegenwoordigers, lang reeds aan elkander gewoon, zich +daar kruisten bijkans zonder acht meer op elkaar te slaan! Hier de +oorspronkelijke bewoners des lands, de Hindoe's van meer of minder +zuiver bloed en dientengevolge ook meer of minder gebruinde tint; dáár +de menigmaal overmoedige beheerschers, de Perzen en Arabieren en +Tartaren met hun veelal blanker gelaat; elders weer Armeniërs en Joden +uit wederom westelijker streken, en ook zonen van het Hemelsch Rijk met +hunne lange staarten en wijde gebloemde japonnen; hier en daar enkele +mannen, wier aanblik in 't bijzonder Siddha's opmerkzaamheid trok, +vermits hij huns gelijken nog niet had gezien, mannen in zonderlinge +kleedij, met puntige, breedgerande met pluimen bezette hoeden, in korte +wambuizen, wijde fulpen broeken en hooge kaplaarzen, en met lange regte +degens in kleurig om den schouder hangend bandelier; eindelijk, in hun +gezelschap, een paar van die geestelijke heeren, waarvan er één niet +lang geleden bij den Keizer zelf was toegelaten geweest. En dan weer +tusschen al die mannen, velen gekomen om te koopen of hun eigen waren +van de hand te doen, anderen ook in voorname ledigheid rondwandelend en +uit de hoogte op de woelige menigte nederziend, een tal van vrouwen van +niet minder gemengde natiën en rangen; verscheidene in 't eeuwenheugend +onveranderd Indisch volkskostuum, eenvoudig maar sierlijk en bevallig +steeds, dat heupen en linkerschouder wel bedekkend, een deel van den +regter zigtbaar liet; andere in kleuriger meer opgeschikt Perzisch +gewaad; enkele ook digt gesluijerd naar streng Mohammedaansche zeden +en niets vertoonend wat aan een menschelijk wezen kon herinneren dan +een paar met roode pantoffels geschoeide voeten en een paar donkere +oogen, die overigens glinsterend genoeg door de ronde gaten van +den vormloozen alles overdekkenden sluijer gluurden; sommige +eveneens daar verschenen om huishoudelijke inkoopen te doen of +zich in 't bezit te stellen van meer overtollige snuisterijen; +maar verscheidene ook om er iets anders nog dan koopwaren te +zoeken of wel op meer of min bedekte wijze zich zelve daarvoor aan +te bieden; deze laatste de bewoonsters van dat sterk bevolkt +gedeelte der stad, dat in de wandeling onder den eigenaardigen +naam van Shaitan-poera of "Satanstad" bekend was. + +Juist wilde Siddha aan een der voorbijgangers vragen, wie die hem +nog onbekende mannen waren, toen hij zijn vriend en begunstiger +Feizi zag naderen en de vraag dus aanstonds tot dezen rigten kon. + +--Dat zijn Franken,--antwoordde Feizi,--of zooals ze met hun meer +bijzonderen naam zich heeten, Portugezen. Zij komen uit zeer verre +streken van het Westen om hier in Indië handel te drijven, en die +anderen, die daar met hen zijn, om ons te bekeeren tot wat zij +noemen het alléénzaligmakend geloof. + +--En die twee,--vroeg Siddha,--die van de andere zijde naderen, +behooren die ook tot hen? Zij dragen nagenoeg dezelfde kleeding, +maar hun gelaat is, dunkt mij, blanker; en wat rosse haren en +baard! + +--Ook wel Franken!--verklaarde Feizi,--maar toch van de anderen +onderscheiden. Het zijn Engelschen, die hier de Portugezen zoeken +te verdringen, maar tot nog toe met weinig geluk. + +Ook zijn ze niet erg bij den Keizer en bij onze grooten gezien. +Eenige weinige jaren later nog, en Feizi had onder die vreemde +Westerlingen in Agra, die hij, even als zijne tijd en landgenooten +onder den algemeenen naam van Franken begreep, ook nog anderen +kunnen aanwijzen, die wederom van genen verschilden. Hij had er +dan kunnen wijzen op de forsche, schoon soms ietwat plompe +gestalte en het goedronde gezigt van Hollander en Zeeuw, die +mannen, die onder aanvoering van Pieter van den Broeeke daar +almede hunne fortuin of die hunner meesters, de Bewindhebbers der +Oost-Indische Compagnie, kwamen beproeven en lange jaren beide +voor Portugezen en Britten de meest geduchte mededingers op de +markten van Hindostan en de rijken der Mogols zouden zijn, en die +ook in de Indische wateren de eer der Nederlandsche vlag met roem +zouden weten te handhaven tegen "Gijs" of "Gijs-oom", gelijk zij +bij wege van spottende, zooal spraakkunstig min verdedigbare, +verkorting gewoon waren hun aartsvijand in die streken te +betitelen. Maar hun tijd was toenmaals nog niet gekomen. + +Terwijl inmiddels de beide Engelschen voorbijgingen bekeek hen +Siddha met die soort van nieuwsgierigheid, die, bij het zien van +nog onbekende vreemden niet onnatuurlijk, doch ook vér was van +beleefd te mogen heeten. Doch Siddha gevoelde, na 't geen hem +omtrent deze lieden was meegedeeld, te weinig eerbied voor hen dan +dat hij 't noodig rekende hun zijne gewone hoffelijkheid te +betoonen; en ook Feizi zelf scheen hun nauw een blik waardig te +achten. + +--Verdoemde, trotsche Mooren!--bromde een der beide zonen van +Albion in zijn taal, terwijl hij verder ging. + +Hadden die twee mannen, die inderdaad nog al hoovaardige Indiër, +dien de ander voor een Perziaan of Arabier aanzag, en die thans +nog geminachte Brit eens een enkelen blik in de toekomst kunnen +werpen, en hadden zij vermoed, dat de opvolgers van dezen eenmaal +de beheerschers van die des anderen en de oppergebieders van het +land zouden worden, ze hadden elkaar waarschijnlijk met wat meer +opmerkzaamheid gadegeslagen. En met te grooter belangstelling +zeker nog indien iemand hun toen eens had kunnen zeggen, dat zij +de afstammelingen waren van een en hetzelfde volkengeslacht, en +dat die vreemdeling, wat alouden oorsprong aanging, vrij wat nader +bij Siddha stond dan deze bij menig zijner uit Semitisch ras +gesproten vrienden. + +--Doch laat al dat volk voor 't geen 't is!--sprak Feizi weder,-- +die lieden doen ons overigens hier geen kwaad, maar integendeel +veel nut aan onzen handel en onze industrie. Ook leveren ze ons +verscheiden goede schilders en andere kunstenaars. En omtrent hun +eigen landen hebben ze ons veel geleerd. Als zij hier maar niet +trachten den baas te gaan spelen, zooals dat elders wel in hun +smaak schijnt te vallen! + +--Nu, maar dan zou ik ze toch aanstonds de deur uitzetten!--zei +Siddha. + +--Dat zou ook stellig wel gebeuren, dat verzeker ik u! Maar nu +iets anders! Vooreerst dan: Hebt ge mijn vos al eens gereden, +zooals wij hadden afgesproken? + +--Wel-zeker! antwoordde Siddha,--en met het grootste genoegen. Een +alleredelst dier!--En hij begon zich te verliezen in lofredenen op +het paard van Feizi. + +--Hij bevalt u alzoo?--sprak deze,--nu, dan zal ik hem op uw stal +laten brengen. Gij kunt hem houden als gij wilt; en in den +aanstaanden veldtogt zal hij u wel te pas komen. Uw schimmel is, +ik erken het, een fraai paard en heel goed gedresseerd, maar, zoo +'t mij voorkomt, niet zoo heel sterk. De vos is dat juist +buitengewoon. En ikzelf rijd hem toch zelden; ik wil 't ook wel +bekennen, ik ben wat lui geworden en gebruik liever een beest van +wat zachter beweging. + +--Maar,--zei Siddha, over dergelijke geedheid verlegen,--dat is +waarlijk een toch al te kostelijk geschenk, dat ik niet aan u heb +verdiend! Uw vos is een volbloed, prachtige Arabier, zooals ik er +nog nooit een gereden heb. + +--Als ik mijn vrienden iets aanbied,--zei Feizi,--dan dient het toch +ook iets redelijks te zijn. Maar ik heb u nog iets anders te vertellen. +En wel omtrent de vergadering die er gisteravond in het paleis werd +gehouden en waarbij ik u gaarne tegenwoordig had gezien. Verbeeld u! in +weerwil van al de staatszorgen die den Keizer weer overstelpen, vond +hij toch nog tijd en lust als gewoonlijk om zijne wijsgeerige en +theologische zamenkomsten te houden; en juist nu was dan ook de +gelegenheid bijzonder gunstig, nu de Christenzendelingen uit Goa weer +over waren gekomen. Zoo had hij dan gister, in een der groote zalen +van het paleis, een aantal oelemah's en moellah's, waaronder natuurlijk +ook Abdal Kadir, verzameld, en met hem een paar Jezuïeten, een Jood en +een Parzi, benevens uw voormaligen, hier teruggekomen leermeester +Koelloeka, dien gij gewis reeds begroet zult hebben, en Aboel Fazl, +mijn broeder. Ik zelf had ook de eer en het genoegen daarbij aanwezig +te zijn, en nam in den loop der discussie uwe aloude atheïstische +natuurphilosophie voor mijne rekening al keek ook Akbar zelf daarbij +soms wat schuin, terwijl Koelloeka voor den regtzinnig Brahmaanschen +Vedanta optrad, en Aboel Fazl zich meer op algemeen humanistisch terrein +bewoog. Koelloeka betrapte hem nu en dan wel op erg Boeddhistische +ketterijen, maar liet dat gaan, in aanmerking nemend dat er geen +Boeddhist in 't gezelschap was om zijne leer te verdedigen, gij weet +toch, er zijn er hier nog wel, maar niet bekwaam genoeg om aan +dergelijke gesprekken deel te nemen. Wat nu inmiddels, zoo +belangwekkend dan overigens die gesprekken, waarbij de Keizer meer +voorzat dan meeredeneerde, nog het merkwaardigst mogt heeten, was de +afloop van de gansche vergadering. In den beginne ging alles zoo +ordelijk en hoffelijk als maar verlangd kon worden: onze moellah's +bleven statig en deftig en lieten zich niet veel uit; de padre's waren +heel zachtzinnig en floten zoet als vogelaars; de Jood, een volgeling +van Maimonides, bleef, dat dient gezegd, ten einde toe waardig, schoon +hij niet veel zeide en zich ook niet bijzonder op zijn gemak scheen te +voelen; de Parzi was dichterlijk, maar niet altijd heel goed te +begrijpen; en wij, we wierpen zoo nu en dan enkele stellingen en +bewijsgronden in de discussie, die we bij uwe wijsgeeren van ouds en +ook hier en daar bij sommige onzer Arabische en Perzische hadden +opgedaan, maar die geenszins in den smaak van de strijdende partijen +bleken te vallen. Langzamerhand evenwel, zooals dat gemeenlijk gebeurt, +begonnen deze zich warm te maken; van argumenten kwam het tot +magtspreuken en van magtspreuken tot harde woorden, voornamelijk +tusschen onze Moslemim en de Jezuïeten, hoewel ook wij in 't geheel +niet en door geen hunner werden gespaard; en in 't eind werd het een +gescheld en gevloek en geschreeuw, ondanks de tegenwoordigheid van den +Keizer zelf, dat hooren en zien ons dreigde te vergaan. Vooral de +moellah's weerden zich dapper. Gij begrijpt trouwens, dat ze zich +hier wel 't meest verongelijkt moesten achten. Akbar intusschen +zat het dwaze tooneel niet zonder inwendig genoegen aan te zien en +keek mij menigmaal glimlagchend aan; maar ten slotte werd het hem +toch te erg, en begreep hij dat aan zijne waardigheid te kort zou +worden gedaan als hij 't langer liet voortduren.--Feizi!--zeide hij, +mij wenkend,--laat dat volk de deur uitwerpen als het zich niet langer +behoorlijk weet te gedragen! Ik gaf hun nu immers weer de ruimste +gelegenheid om hun geloofstheoriën tegenover elkaar te verdedigen, ten +einde dan zelf te zien wie de beste gronden voor de zijne zou weten aan +te voeren. En wat doen ze nu? Elkaar uitschelden en verdoemen, anders +niet. Hoor mij dat rumoer nu eens aan! Zoo aanstonds gaan ze, geloof +ik, nog vechten! Maak er een eind aan!--Sire!--antwoordde ik,--dan zou +'t toch maar best zijn ze allen te zamen weg te jagen; want zoolang er +nog twee overblijven, komt er toch geen eind aan 't gekijf.--Akbar +lachte, maar stond toen op van den zetel waarop hij tot nu toe met de +meest mogelijke kalmte was blijven zitten; en, zijne magtige stem +verheffend, terwijl nu aanstonds al de twistenden zwegen, zeide hij: +--Wij danken u, mijne heeren! voor den leerrijken avond, dien uwe +welwillendheid en uwe belangwekkende zamensprekingen ons heden weder +verschaft hebben, en wij houden ons voor eene nadere bijeenkomst +aanbevolen. De tegenwoordige zij voor 't oogenblik gesloten!--En met de +hand wenkend, liet hij de aanwezigen gaan, waarvan de meerderheid zich +al grommend verwijderde. Och, Siddha! wat zijn de menschen toch gek, +dat ze elkaar zoo haten en vervloeken om afgetrokken stellingen over +zaken, waarvan ze toch niets weten en wier kennis, al bezaten ze die +ook, hen geen stap verder zou brengen tot de werkelijke beoefening van +wat eer en pligt hun gebieden! + +--Dat zeg ik ook! En 't laatste is waarlijk al moeijelijk genoeg! +--antwoordde Siddha met een zucht, en zichzelven vrij wat meer dan +de ander nog kon vermoeden, van die moeijelijkheid bewust. + +--Maar vertel mij nu eens,--hernam Feizi,--ik vergat nog 't u te +vragen, hoe komt ge hier in eens zoo terug? Ik dacht dat gij met +de uwen reeds naar 't leger op weg waart. + +--Dat was ook zoo,--gaf Siddha ten antwoord,--wij waren reeds +vertrokken, maar ontvingen tegenbevel onder weg. En zoo blijven we +dan nog eenige dagen in Agra; 't geen mij bijzonder genoegen doet, +omdat het mij in de gelegenheid stelt, het groote feest van heden, +het geboortefeest van den Keizer, bij te wonen, waarvan ik veel +gehoord heb.--Dat er nog een andere reden was, waarom Siddha nog +gaarne wat langer in Agra vertoefde, vond hij natuurlijk niet +noodig er bij te voegen. + +--Gij herinnert mij tevens,--sprak Feizl weder,--dat het tijd zal +worden om naar het paleis te gaan voor den doerbar. De Keizer +ontvangt heden, zooals gij weet, de vreemde gezanten. Ga mee, gij +kunt er uw plaats innemen onder de officieren van uw rang. + +Minder dan toen hij voor 't eerst een doerbar of audientie van den +Mogel bij woonde werd Siddha, na met Feizi de groote troonhal te +zijn binnengetreden, en in 't eind ook de Keizer verschenen was, +door den indruk getroffen, dien al wat hem daar omringde op den +bezoeker te weeg moest brengen; maar toch kon hij ook nu niet +nalaten de sierlijke pracht der wit marmeren kolommen en der met +fraai mozaïekwerk ingelegde wanden te bewonderen en de luchtige, +fijn gehouwen bogen en de menigte van veelkleurige zijden en +fluweelen voorhangsels, die in bevallige plooijen tusschen de +hooge zuilen heen en weder wuifden. Meer nog echter trof hem +ditmaal de aanblik der vergadering, grooter en plegtiger thans dan +bij andere, vroegere gelegenheden. Aan 't eind der hal, van boven +beschenen door een niet te sterk licht, zat de Groote Mogel op +zijn kostbaren, van edelgesteenten schitterenden troon; aan +weerszijden, in lange reijen, allen staande, de omrah's en +oelemah's, de ministers, de veldheeren en alle verdere grooten van +hoogen rang; voorts de gezanten van verschillende natiën, allen in +hun bijzondere kleederdragt; daar tusschen de padre's Jezuïeten, +en eindelijk de mindere beambten en officieren, waaronder ook +Siddha, overeenkomstig zijn rang, een plaats had ingenomen. + +Het voornaamste deel der plegtigheid was de uitwisseling van +geschenken. De gezanten, en ook anderen, begaven zich ieder op +zijn beurt tot den Keizer, legden, vóór den troon gekomen, op de +officiëele wijze de regterhand tegen het voorhoofd en bogen dan +het hoofd bij wijze van begroeting. Daarop stelden zij de +geschenken, die zij medebragten, meest kostbare voorwerpen van +kunst, aan de eene zijde van de trappen der verhevenheid waarop de +troon geplaatst was, en namen dan de tegengeschenken in ontvangst, +die van wege den Keizer hun werden aangeboden. Ook Rodolpho +Aquaviva begaf zich op zijn beurt tot den Mogol en, een prachtig +gebonden Latijnschen Bijbel in de hand houdend, wilde hij dien op +de gebruikelijke wijze nederleggen, toen Akbar zelf opstond, een +paar schreden voorwaarts deed, en het boek persoonlijk uit handen +van den zendeling aannam. + +--Wij danken u, Eerwaarde Vader!--zeide hij,--voor uw wélgedachte +geschenk! En wij willen hopen, dat hetgeen wij van onzen kant u +hebben aan te bieden, ook u niet minder welkom zal zijn. + +En van een nevens hem staanden Brahmaan van hoogen rang een +sierlijk handschrift van vrij grooten omvang aannemend, gaf hij +dit over aan den Jezuïet, onder bijvoeging van de woorden: + +--Het is een handschrift van den Atharva-Yeda, een der oudste +heilige boeken onzer Indiërs, met daarnevens gelegde Perzische +vertaling. + +Eerbiedig nam Aquaviva het Keizerlijk geschenk in ontvangst, schoon het +de vraag mogt heeten of hij er zoo bijzonder mee was ingenomen en er +niet eenige toespeling in zag op het verhandelde ter vergadering van +den vorigen avond, 't geen te meer waarschijnlijkheid erlangde doordien +den Keizer steeds vooruit bekend was, welke bepaalde geschenken zouden +aangeboden worden ten einde de zijnen daarnaar te kunnen inrigten, en +er alzoo wel eene bepaalde bedoeling in het tegengeschenk moest zijn +gelegen. Maar wat de padre ook dacht, niet moeijelijk viel te raden hoe +de zaak door de regtzinnige Mohammedanen zou worden opgevat. En +werkelijk fronste zich menig voorhoofd in hunne reijen, en niet dan met +de uiterste moeite kon Abdal Kadir zich weerhouden, openlijk aan zijne +verontwaardiging lucht te geven. Dat zij niet op den zin van het +tegengeschenk letten en niet begrepen hoe Akbar juist daarmede te +kennen gaf, dat hij volstrekt geen partij trok voor de Christenen in +het bijzonder, sprak wel van zelf; zij zagen alleen op de buitengewone +eer den Christen bewezen; maar Aboel Fazl, die de zaak beter vatte, +schudde toch ook, hoewel nauw merkbaar het hoofd; die vrij noodelooze +uittarting en beleediging van de Mohammedanen door den anders zoo +verstandigen en humanen Akbar was hem leed, ook al kon hij voor 't +overige niet geheel ontkennen, dat ze voor hun onhebbelijk gedrag van +den vorigen avond wel iets hadden verdiend. + +Na afloop van de eigenlijke receptie bleef de Mogol nog eenigen +tijd anderen ten gehoore ontvangen, en liet ook dezen en genen tot +zich komen om hun openlijk eenige opdragt te geven of met een of +ander ambt hen te bekleeden. Zou in 't eind ook onzen Siddha, dien +zijn altijd scherp oog daar onder zijne officieren had opgemerkt. + +--Siddha Rama!--zeide hij,--wij hebben reden, over u tevrede te +zijn. En uit aanmerking daarvan zijt gij van heden af Mansabdar +over duizend. Blijf ons vertrouwen u waardig betoonen! + +Een hoog rood overtoog Siddha's gelaat, terwijl hij stilzwijgend +en op de gebruikelijke wijze diep het hoofd buigend den Keizer +zijn dank bragt voor de op nieuw hem bewezen gunst. Het vertrouwen +van Akbar waardig! Kon er één zijn in het leger, die het nog +minder verdiende? En toch ... zijn land, zijne betrekkingen en-- +Rezia! En de Keizer had immers ook wel eenig belang bij zijne +spoedig te verwachten medewerking voor de zaken van Kaçmir. 't Was +dus niet alles edelmoedigheid en gunst! Akbar intusschen zag in de +verlegenheid van den jongen krijgsman niet dan eene ligt +verklaarbare en zelfs loffelijke bescheidenheid, toen hij zoo +openlijk zich geprezen en met gunsten, door de Moslem's hem weer +benijd, overladen zag, en vriendelijk knikte hij den jongeling +toe, terwijl hij hem wenkte dat hij zich verwijderen mogt. + +Niet lang nu ook of het oogenblik was daar waarop het eigenlijke +volksfeest een aanvang zou nemen. Daartoe was een uitgestrekt veld +buiten de stad bestemd; en derwaarts stroomde uit alle straten en +langs alle wegen eene bonte menigte van voetgangers en ruiters, +velen te paard, anderen op fraai uitgedoste olifanten, verscheiden +ook op kameelen met eetwaren en andere ververschingen beladen ten +gerieve der velen, die kwamen deelnemen aan de vermakelijkheden. +In dat bont gewoel mengde zich weldra ook Siddha met zijn vriend +Parviz, dien hij bij 't verlaten van het paleis had ontmoet en die +hem hartelijk geluk wenschte met zijne nieuwe bevordering. + +--En gij,--vroeg Siddha,--hoe staat het met uwe belangen? + +--Gij meent waarschijnlijk mijne heel bijzondere, niet waar?--zei +de andere lagchend,--nu dat gaat nog al. Haar wie mijn hart +behoort zag ik meermalen in den laatsten tijd, en schoon dat zeer +in 't geheim geschiedt, heb ik toch reden om te vermoeden dat +Todar Mal, haar vader, dat heel wel weet en er eigenlijk niets +tegen heeft, al geeft hij zich natuurlijk den schijn als ware 't +hem volkomen onbekend. Ik geloof trouwens dat mijn oom Feizi niet +geheel vreemd is aan die gunstige wending. Zegene hem Allah! zou +de vrome Abdal Kadir zeggen. + +En hier verdwaalde de goede Parviz, zooals te verwachten was, in +een stroom van lofredenen op de schoonheid en de deugden der +aangebedene, die voor hem natuurlijk van hoog, maar voor zijn +toehoorder niet dan van matig belang waren, maar in elk geval +strekten om de beide vrienden bezig te houden tot zij, al +voortwandelend, op het feestterrein zelf waren aangekomen. + +Ook hier was de aanblik niet minder levendig en ongetwijfeld nog veel +vrolijker dan te voren die van het uitgestrekte legerkamp. Eene +onafzienbare menigte bewoog zich in de meest bonte groepen over het +groote, golvende veld, waar tallooze grootere en kleinere, op allerlei +wijze uitgemonsterde tenten waren opgeslagen, en vooral ook de vele +olifanten met hunne logge en meestal donkere ligchamen maar schitterende +dekkleeden en rijk versierde zetels eene schilderachtige afwisseling +tusschen de zooveel kleinere gestalten der voetgangers en ruiters te +weeg bragten. In 't bijzonder trokken de keizerlijke de aandacht, wier +gouden borst- en hoofdplaten met groote smaragden waren getooid, +en wier reusachtig ligchaam ook overigens met een schat was +beladen, die op zich zelf reeds een matig fortuin voor een stil en +gewoon burger mogt hebben vertegenwoordigd. Op een der aldus +gesierde vertoonde zich de Groote Mogol zelf, en in 't midden van +een breeden kring van hovelingen afstijgend, begaf hij zich met +hen naar de plaats waar de groote plegtigheid van den dag stond +gevierd te worden, eene plegtigheid evenwel, die meer de opmerking +verdiende om het zonderlinge dan wel om het indrukwekkende dat +haar eigen was, en die velen op meer of min gezochte wijze +getracht hebben zinnebeeldig te verklaren, maar waarvan toch de +regte beteekenis den geschiedschrijver nog ontsnapt. + +Op een kleine verhevenheid bevond zich een vrij omvangrijke en +sterke weegschaal, waarop een man zich gemakkelijk plaatsen kon. +In de ééne schaal lagen hoopen goud en zilver en edelgesteenten; +de andere, nu nog omhoog gehevene, was ledig. Op deze stelde zich +nu de Keizer zelf ten aanschouwen van de honderden en duizenden +zijner onderdanen die daar van alle kanten zich in 't ronde hadden +geschaard; de andere schaal werd zoolang beladen en weder ontladen +tot zij in evenwigt met den doorluchtigen persoon des Mogols was +gekomen. En deze toonde wél, zijn redelijk gewigt tegen dat der +edele metalen te bezitten; jammer maar dat er niet wat anders nog +in de andere schaal gelegd kon worden, zooals pligt en eer en +goede trouw en geestdrift voor al wat groot en schoon was; want +ook tegen dit alles gewogen, ware Akbar voorzeker niet te ligt +bevonden. Nadat nu evenwel de weging bezwaarlijk anders dan tegen +iets stoffelijks had kunnen geschieden, stapte hij na afloop +daarvan bedaard weer van zijn schaal, en het goud en zilver werd +met het overige onder de omstanders verdeel. Ten slotte begaf zich +de Keizer tusschen de groepen die hem omringden, wierp onder de +omstanders een menigte van kleinere gouden voorwerpen, in den vorm +van bloemen en vruchten gedreven en door zijn dienaren hem +overgereikt, en rigtte middelerwijl tot dezen en genen, 't zij dan +hooger of lager gestelde, een minzaam en belangstellend woord, +waarmede hij velen op nieuw in de overtuiging bevestigde, dat het +volk in Akbar niet enkel een groot en magtig, maar ook een +welwillend gebieder had erlangd, wien het heil zijner onderdanen +meer nog dan zijne eigene grootheid ter harte ging. + +Na afloop van de zoogezegd meer ernstige ceremoniën van den dag +begon de eigenlijke feestvreugde eerst regt, en werden de talrijke +bezoekers van het terrein met allerlei vermakelijkeden bezig +gehouden. Hier goochelaars en grappenmakers, die verschillende +sterke toeren verrigtten en dwaze kunsten vertoonden; ginds +dansers en danseressen, die met hun gewone langzame bewegingen en +op de maat eener vrij eentoonige muziek hun meerendeels mimische +dansen uitvoerden; verder op weer ruiters met lange speren naar +ringen of andere voorwerpen stekend; en op een enkele plek ook de +wonderlijke en afzigtelijke vertooning van een paar dier +vreemdsoortige wezens, die op merkwaardige wijze, alleen Indiën +eigen, een soort van godsdienstige handeling wisten te verbinden +met wat men elders kermistoeren noemen zou; nagenoeg gansch naakte +mannen, die een goede twintig voet boven den grond aan ijzeren, +met een koord aan 't eind van een bewoegbaar dwarshout bevestigde +en achter in hunne naakte schouders vattende haken slingerden. +Vooral hier, waar die vertooning weinig gewoon was, trok zij de +aandacht van zeer velen; en ook Parviz bleef met belangstelling +opzien naar het schouwspel, terwijl Siddha, die het elders reeds +dikwijls had bijgewoond, er vrij onverschillig bij bleef. + +--Wat die lieden toch kan bezielen?--zei Parviz tot zijn vriend;--men +zegt dat ze die pijniging uit godsdienstijver ondergaan, maar +waarom kiezen ze dan juist een volksfeest er voor uit? Vrolijk is +de zaak toch niet. En wat ik ook maar niet kan begrijpen, is, dat +ze na hun vertooning blijkbaar nog ongedeerd zijn en er nauwelijks +pijn van schijnen te gevoelen. + +--Dat kan ik nu van mijne zijde u misschien duidelijk maken,-- +antwoordde Siddha;--gij weet dat dergelijke martelingen als ons +hier schijnen vertoond teworden, door sommigen onzer godsdienstijveraars +als verdiensten worden beschouwd, waarmede de hemel te winnen valt; en +wanneer nu anderen, die de martelaars staan aan te zien, na afloop der +plegtigheid hun meer of minder geld schenken dan verwerven de gevers +zich ook een deel van de verdiensten die genen te veel hebben. Vandaar +dat er nog al winst voor de vertooners te behalen is op plaatsen, waar +ze veel bijgeloovig volk bijeen vinden. Hier schijnt dat evenwel minder +te lukken dan in 't oosten en noorden. Wat nu hun kunsten zelven +aangaat, daarvan is het geheim wel niet met zekerheid bekend, +maar, naar ik geloof, toch wel eenigermate vermoed. Bedrieg ik mij +niet, dan voeren zij altijd eenige vrouwen met zich, hoewel deze +zich niet met hen in 't openbaar vertoonen, en laten zich door +haar den halven dag en vooral onmiddelijk vóór den aanvang hunner +kunsten, in en onder de schouderbladen zóólang knijpen dat zij +bijkans ongevoelig worden op die plek en na lange steeds +voortgezette oefening de haken er zóó in vatten kunnen, dat ze hun +geen kwaad en bijkans ook geen pijn meer doen. + +--Wonderlijke aardigheden toch!--merkte Parviz op. + +--Ja, en ellendige ook, voor zoover ze 't bijgeloof helpen voeden. +Eerlijke en fatsoenlijke Brahmanen verachten ze dan ook diep. Maar +hebt ge mij niet gezegd, dat wij een dierengevecht te zien zouden +krijgen? + +--Welzeker! en ik bemerk daar aan de vlaggen ginds dat het haast +zal beginnen. Laat ons daar heen gaan en er een plaats zoeken! + +Die te vinden op de rondom het strijdperk opgerigte en fraai versierde +tribunes, in wier midden de Keizer zelf met velen zijner hofhouding +gezeten was, viel den beiden vrienden niet moeijelijk. De teekenen van +hun rang gaven hun spoedig toegang tot een der kleinere stellaadjen; en +weldra verschenen nu ook van twee verschillende kanten de beide +strijdolifanten, elk met een schitterend dekkleed getooid en bereden +door zijn eveneens kleurig uitgemonsterden kornak. Voorbereiding tot +den strijd was er weinig. Zoodra de beide geweldige dieren elkaar +genaderd waren, rigtten ze zich al snuivend op hunne achterpooten +omhoog, bliezen hunne flanken op, grepen elkander bij de tromp, zoodat +de eene plotseling als in de andere scheen geslingerd, en trachtten +elkaar stooten toe te brengen met de lange vooruitstekende slagtanden, +terwijl hunne berijders nu eens met de knieën achter hunne ooren, dan +weer met de handen aan de singels der dekkleeden zich wisten vast te +klemmen. Geruimen tijd duurde het woedend gevecht en met wisselend +geluk, zoodat nu eens de eene olifant, dan weer de andere +achteruitdeinsde, tot ten laatste een der beide werd omgeworpen, +terwijl de kornak met een vluggen sprong veilig op zijne voeten teregt +kwam. Terstond sloeg nu die van den overwinnaar zijn haak in de altijd +open gehouden wond bij het oor, en zonder verder zijn gevallen +tegenstander leed te veroorzaken trad het dier, door de pijn tot +gehoorzaamheid gedwongen, terug. De Keizer klapte in de handen, de +hovelingen en andere toeschouwers volgden zijn voorbeeld, en +langzamerhand verliet men weder de tribunes. + +--Akbar schijnt veel belangstelling in dergelijke gevechten te toonen, +--merkte Siddha aan, terwijl hij met zijn vriend verder wandelde. + +--Ja,--antwoordde deze,--dat is zoo. Akbar houdt van alles waarbij +kracht en behendigheid van menschen of van dieren te pas komt. Hij +zelf is, gelijk gij ook wel kunt zien, buitengewoon sterk; hij is +beter misschien dan eenig ander bedreven op alle wapens; en zijn +persoonlijke moed in den krijg en op de jagt is, zooals gij zeker +wel vernomen hebt, van dien aard dat daaraan eer de naam van +roekeloosheid te geven zou zijn. 't Is soms of hij de gevaren +opzoekt in plaats van ze te vermijden, en zijne veldheeren en +jagtvrienden hebben menigmaal heel wat met hem te doen als hij +eens aan den gang is. Nu, van zijn velerlei avonturen zult gij ook +wel al vrij wat gehoord hebben; sommige, 't is waar, zijn +overdreven voorgesteld, maar ik weet er toch waarvoor ik zou +durven instaan. Feizi, die zelf er enkele bijwoonde, zal er u bij +gelegenheid wel eens van vertellen. + +Zoo, onder verschillende gesprekken, wandelde men nog een tijd +lang voort, en besloot toen de zaak maar voor gezien te houden en +naar de stad terug te keeren. Eensklaps echter bleef Siddha staan, +terwijl hij met groote verwondering naar het tentje op den rug van +een der vele fraai opgesmukte olifanten keek, dat zijn oog daar +toevallig ontmoette. De vrouw toch, die hij daar nevens een paar +andere op de zijden kussens zag geleund, en die haar ligten, met +een schitterenden diamant aan den kleinen tulband bevestigden +sluijer had ter zijde geschoven, was,--hij kon zich daarin niet +bedriegen,--buiten allen twijfel niemand anders dan Rezia; en +naast haar ontwaarde hij ook de hem welbekende dienares. Maar wat +kwam ze hier uitrigten, zij, die altijd beweerd had, zich met de +meeste zorg voor het oog van vreemden in hare stille afzondering +te verbergen? En dat juist op een oogenblik nu zij allen grond had +te meenen dat Siddha naar het leger vertrokken was! Had zij hem +dan bedrogen en was zij eene andere dan zij gezegd had te zijn? + +Zoo bedaard echter en schijnbaar onverschillig als hem mogelijk +viel, vroeg hij zijn medgezel, naar Rezia wijzend, die, een +anderen kant uitziende, hem niet onder de voetgangers opmerkte:-- +Kent gij die vrouw? + +--Die daar met den teruggeslagen sluijer en de dienares met den +waaijer van pauwenveeren nevens haar?--vroeg Parviz,--welzeker! +zou ik die niet kennen? En 't verwondert mij zelfs dat gij niet +weet wie zij is. Maar 't is waar, zij vertoont zich niet veel, +vooral niet in den laatsten tijd. Welnu dan, dat is.... + +En hier noemde Parviz een naam, waarvan het aanhooren zijn vriend +een schok deed ondervinden gelijk hij zijn gansche leven nog nooit +was gewaar geworden, en een gevoel bij hem deed ontstaan als +bevond hij zich op den uitersten rand van een der hoogste +rotsklippen in zijne noordelijke gebergten en als stortte hij, +door eene duizeling bevangen, in den peilloozen afgrond.... + +--Dat is--zei Parviz,--eene vrouw, van welke gij toch in elk geval +wel gehoord zult hebben: Goelbadan, de vrouw van Feizi! + + + +TIENDE HOOFDSTUK. + +Verrassingen + +--Nu?--vroeg Parviz, verwonderd over Siddha's nog al vreemde +houding,--wat gaat die naam of die vrouw u aan? Gij zijt toch, +hoop ik, niet maar zoo in eens bij 't eerste gezigt op Goelbadan +verliefd geworden? Ik zou 't u trouwens ook niet raden; want +Feizi, anders de goedheid zelf is gansch niet gemakkelijk als 't +zijn vrouw geldt, op wie hijzelf nog smoorlijk verliefd is. + +--Een voorbijgaande herinnering!--antwoordde Siddha, zoo goed +mogelijk zich herstellend,--een herinnering opgewekt toevallig +door een overeenkomst van naam, maar die overigens met de vrouw +van Feizi niets te maken heeft. + +--Des te beter!--hernam de ander, en zwijgend gingen beiden voort. + +Alléén te zijn, zoo spoedig mogelijk van Parviz los te komen,-- +geen andere gedachte bezielde voor 't oogenblik diens medgezel. +Daar zag hij een zijner ondergeschikten op en neder wandelen.... + +--Vergun mij,--zeide hij tot Parviz,--u voor 't oogenblik vaarwel +te zeggen, ik heb dien man daar te spreken. Intusschen blijf ik u +ook ditmaaal weer dankbaar voor uw vriendelijk geleide! + +En haastig zijn vriend groetend, wenkte hij den ruiter en was +spoedig met hem in een gesprek over dienstzaken, maar dat hij even +snel weer afbrak zoodra Parviz uit het gezigt was. + +Toen snelde hij heen met rassche schreden. Waarheen? Hij wist het +niet. Maar hij liep voort, altijd voort, denkend, droomend, als in +een roes van dronkenschap. + +Goelbadan, de vrouw van Feizi! Verraad alzoo, schoon ditmaal +onwetend, maar dan toch van de allerergste soort, jegens den man, +die op de meest belangelooze wijze zich hier, in den vreemde, zijn +opregten vriend had betoond, en hem voorregten had verzekerd +zooals geen ander in zijne plaats zonder dergelijke bescherming +ligt verworven zou hebben; verraad jegens den Keizer, die hem met +onverdiende en onverwachte gunsten overladen had; verraad en +schandelijke ontrouw jegens haar, wie hij eenmaal zijn hart had +gewijd en zijn ridderwoord verpand; alles om die ééne, eenige, die +hem bedroog, die hij verachten moest, en toch--boven allen en +alles nog bleef beminnen! Wat echter te doen? De pligt, de eer +gebood, en sprak luide genoeg. Alleen de vlugt, en een overhaaste, +kon uitredding geven. Want hij gevoelde 't maar al te wel: te +toeven was anders niet dan op nieuw zich op den rand te begeven +van den bodemloozen afgrond. Maar zoo plotseling, zonder eenige +voorbereiding, zonder verklaring haar te verlaten, die, al was ze +zwak, toch wel getoond had hem lief te hebben en, al misleidde ze +hem, toch ook eigen eer en pligt hem ten offer had gebragt, was +dat goed gehandeld, was het redelijk, was het--hem doenlijk? ... + +Lang dwaalde Siddha nog rond, nauw wetend werwaarts hij zijne +schreden rigtte. Ten laatste bevond hij zich, opziende, in de +onmiddelijke nabijheid der stad, en niet ver van de plaats waar de +woning van Rezia,--die Rezia van vorige, gelukkiger dagen,-- +gelegen was, en die, hij moest het zich nu wel herinneren, aan de +meermalen, doch van een geheel andere zijde door hem bezochte +villa van Feizi grensde. En de avond begon te vallen. Het was het +uur, waarop hij gemeenlijk zich naar den tuinmuur begaf en op het +aan de dienares welbekende teeken werd toegelaten in de laan naar +het paviljoen. Eenige oogenblikken nog en hij stond weer vóór +denzelfden muur, en gaf het signaal, en snelde, nadat de kleine +poort zich weer geopend had, naar binnen. + +Op den divan bij de galerij lag Rezia, of Goelbadan nu, als te +voren uitgestrekt in behagelijke rust, aan geen Siddha voor 't +oogenblik meer denkend, dien ze reeds op weg naar het leger +waande. Daar stormde op eens, door niemand aangemeld, de man het +vertrek binnen, die mijlen ver van daar heette te zijn. + +--Hoe? Siddha!--riep zij uit, terwijl zij verschrikt opstond, ik +dacht dat gij lang vertrokken waart! + +--Rezia! Goelbadan!--sprak Siddha met schijnbare bedaardheid,--ik +ken u thans. Gij hebt mij misleid, mij en den man aan wien ik +zooveel, zoo niet alles, hier te danken heb. Ik kom u vaarwel +zeggen. De eer gebiedt mij u te verlaten, en ik weet dat ik het +niet zou kunnen zonder u te ontvlugten. Morgen, heden nog vertrek +ik om nimmer Agra weer te zien, noch ook u! + +In een oogwenk en nog eer Siddha eindigde had Feizi's eehtgenoote +alles begrepen. Zij had, volkomen overtuigd dat haar minnaar met +zijn ruiters vertrokken was, geen reden gevonden om zich niet in +'t openbaar te vertoonen of, bij het feest verschijnend, zich, als +anders, zorgvuldig gesluijerd te houden. Dáár alzoo moest ze door +hem zijn herkend en haar ware naam hem door iemand zijn +medegedeeld. De zaak was te duidelijk om veel nadere verklaringen +te behoeven. Maar verklaringen in dit oogenblik te vragen lag +bovendien niet in hare taktiek. + +Met hare zachte blauwe oogen zag zij vluchtig doch smeekend tevens +haar minnaar aan, en hief de handen gevouwen omhoog; toen wankelde +zij en zeeg, zonder een woord te spreken, op den divan neder, +terwijl zij haar gelaat in de kussens verschool. + +Een tijdlang bleef Siddha zwijgend op haar nederzien. Zóó schoon, +zóó onweerstaanbaar verleidelijk had die bevallige gestalte hem +nog nooit geschenen als juist nu, nu hij voor goed had besloten +haar nimmer terug te zien; en onvergetelijk, hij gevoelde het, zou +hem ten allen tijde die laatste blik zijn, dien hij daareven nog +had opgevangen. + +Maar:--heen!--zoo klonk het in zijn binnenste,--snel heen! En geen +redeneringen en geen verder afscheid meer, of het is te laat om de +betoovering, die zoo straks geweken scheen, te ontkomen!... + +Daar hief zij langzaam het hoofd op, en schoof de weelderige +lokken ter zijde, die om haar voorhoofd golfden, en streek zich +met de hand over 't gelaat, als iemand die uit een diepen slaap of +uit een bezwijming ontwaakt. + +--Rezia!... laat mij nog eenmaal u zoo noemen!...--sprak Siddha +weder,--verzwaar mij het afscheid niet dat ik gemeend had u te +moeten brengen, omdat een verlaten voor altijd, zonder eenige +voorbereiding, mij een onridderlijke handelwijze scheen. Maar dat +de scheiding voortaan onvermijdelijk is, zult gij, ik vertrouw +het, mij aanstonds wel toegeven. Onwetend heb ik de gastvrijheid +geschonden en belangelooze vriendschap met den grofsten ondank +beloond. Willens en wetens dat te blijven doen, ware wel 't ergste +aller misdrijven. + +--Gij hebt gelijk, mijn vriend!--antwoorddo Rezia gelaten en met +zachte stem,--eene scheiding, dat gevoel ik maar al te zeer, moet +u onvermijdelijk voorkomen. Ik vreesde, ik vermoedde het vóór +lang, en daarom bleef ik ook zoolang veinzen tegenover u. Doch +hoor mij nog een enkel oogenblik aan, eer ge mij voor altijd +verlaat, opdat ge mij eenmaal niet met al te groote minachting +moogt herdenken; en verneem wat ik, niet tot verdediging maar dan +toch tot verontschuldiging van mijn gedrag heb aan te voeren! Ik +misleidde u, het is waar, en zelfs meer dan eens. Ik begon reeds +met u te misleiden den eersten keer dat ge mij zaagt. Ik had, maar +zonder door u te zijn opgemerkt, u zeer kort na uwe komst in Agra +ontmoet; uw uiterlijk voorkomen wekte mijne belangstelling, die +niet weinig werd vermeerderd door 't geen ik, navragend, omtrent u +vernam; en toen, onvoorzigtig genoeg! besloten uwe kennis te +maken, gebruikte ik den naar Kaçmir bestemden brief als +voorwendsel om mijn inderdaad onberaden doel te bereiken. Waartoe +onze kennismaking gevoerd heeft, tot hoever mijn zwakheid, mijne +liefde mij verleidde, helaas! het is ons beiden maar al te wel +bekend. Maar ik wist toenmaals nog in 't minste niet dat eenige +band van vriendschap u aan Feizi verbond; en later, toen ik tot +mijn niet geringen schrik het bemerkte, ja! toen had ik sterk +genoeg moeten zijn om onze verdere betrekking af te breken, +althans om u eerlijk te bekennen wie ik was. Maar, ach! ik was +zwak, Siddha! zwak zooals een vrouw dat zijn kan die bemint, die +den man harer keuze hartstogtelijk liefheeft. Ik vreesde voor die +scheiding, die uw eergevoel u als noodzakelijk zou opdringen, en-- +ik zweeg. Kunt gij mij vergeven eer wij voor altijd elkander +vaarwel zeggen? + +En schuchter en als bevreesd nog voor zijn toorn reikte zij hem de +hand, terwijl zij mat en loom in de kussens terugzonk en tranen +hare oogen verduisterden. Nog kampte hij met zichzelven. Een +vreeselijke, een geweldige strijd. Maar te kort, veel te kort van +duur. + +--Rezia!--riep hij eensklaps uit, terwijl hij niet alleen de +aangeboden hand vatte, maar hartstogtelijker dan ooit de vrouw, +die hem beheerschte en hem alles deed vergeten, in zijn armen +sloot,--Rezia! zonder u geen leven meer, geen bestaan, en met u +geen misdaad en geene schande!... + +...Inderdaad, hij had geen onwaarheid gezegd, noch eene overdreven +spreekwijze gebezigd toen hij eenmaal haar verzekerd had, dat zij +hem dierbaarder was dan het leven en dierbaarder ook dan zijne +eer!... + +Aan onverwachte ervaringen komt inmiddels soms niet ligt een +einde. Zoo ook met onzen Siddha. Half verstoord, en half nog +badend in nameloos geluk, deels zichzelf diep verachtend, en deels +ook weer juichend in zijn noodlottigen hartstogt, wilde hij, +eenigen tijd later door de welbekende laan geslopen, de kleine +poort in den tuinmuur openen, toen deze tot zijne verbazing als +van zelf openging en een mannelijke gestalte binnentrad, die, +zonder hem terstond te bemerken, ze weer achter zich poogde te +sluiten. Een onwillekeurige uitroep van Siddha deed den vreemde +plotseling omkeeren.... Wie het zijn mogt? Feizi zelf misschien? +Siddha had zich de tong uit den mond willen rukken om zijn dwaze +onvoorzigtigheid; maar het was te laat. + +--Wat, in den naam van Shaitan! komt gij hier uitvoeren?--riep de +ander uit, en aanstonds herkende Siddha, zoo aan de stem als ook +nu in 't schemerdonker aan de gedaante, Prins Selim. + +--Dat mogt ik, dunkt mij, met evenveel regt vragen aan u, zoo niet +met meer!--was het drieste antwoord. + +Een kletterend geluid deed Siddha begrijpen dat de Prins de hand +aan zijn sabel had geslagen, en hij van zijn kant haastte zich +hetzelfde te doen. Op eens echter liet Selim, een paar schreden +nader gekomen, en zijn tegenpartij herkennend, het zwaard weer in +de schede glijden. + +--Ha! mijn vriend Siddha Rama!--sprak hij, tot niet geringe +verbazing van den ander, op vrolijken toon,--zoo betrappen wij u +dan op uwe nachtelijke avonturen! Nu, een jonkman als gij mag 't +er wel eens van nemen. Vrees niet dat ik u verraden zal! En +jaloersch behoeft gij ook niet te zijn. Gij weet wel dat de +uitverkorene van uw hart, die gij blijkbaar zooeven verlaten hebt, +eenigermate met onze staatkundige plannen in verband staat; en +vandaar dat ik haar soms in diep geheim, en dus ook wel eens onder +deksel van den nacht moet gaan spreken. Ik begrijp evenwel dat ze +op dit oogenblik minder bereid zal zijn mij over dergelijke dorre +onderwerpen te woord te staan, en ik zal dus maar 't best doen +mijn bezoek vooreerst uit te stellen. + +En zich omkeerend begaf Selim zich naar 't poortje, en, na Siddha +eveneens den doorgang te hebben verleend, sloot hij 't weer +zorgvuldig achter zich toe. + +--En nu,--zeide hij, waarschijnlijk gaat gij naar uwe woning, +links; mijn weg ligt aan den tegenovergestelden kant.--Doch,-- +voegde hij er nog bij, terwijl hij gereed stond zich te +verwijderen, en Siddha, niet wetend wat te antwoorden, hem +stilzwijgend aanhoorde,--laat deze ontmoeting een geheim blijven +tusschen u en mij! Dat is in ons beider belang. En zonder meer +verdween Selim in het duister, terwijl de ander nog geruimen tijd +als verbluft staan bleef. + +--Een goede dienst, die hij mij daar toevallig bewezen heeft!-- +mompelde de prins in zichzelven, terwijl hij zich verder spoedde; +--hij stelt mij in 't bezit van een geheim dat voor mij van +onberekenbare waarde kan zijn!... Die slang daar ginds zal ik +nader wel vinden!... + +'s Anderen daags dwaalde een van Selim's vertrouwden rondom het +buitenverblijf en stond weldra in een verborgen hoek met de +dienares van Goelbadan te praten. Spoedig was de koop, dien hij +had voor te stellen, gesloten; en de dienares toonde zich volkomen +bereid, de geheimen harer meesteres te verraden. De Prins toch kon +natuurlijk meer betalen dan deze en Siddha te zamen. Den avond van +denzelfden dag meldde zich de dienares aan het paleis, werd +terstond door den vertrouwde ontvangen, stelde hem een paar, in +den vorm van brieven gevouwen papieren ter hand, en haastte zich +toen met den ontvangen prijs naar de woning harer meesteres terug. +Een dag later was Selim met klein gevolg weder op weg naar +Allahabad. + +Daar toefde eene eenzaam treurende. Sinds langen tijd reeds had +Iravati niets meer van haar verloofde vernomen. In den beginne, +kort na zijne aankomst in Agra, had hij, ze herinnerde 't zich +telkens, haar nog een paar brieven toegezonden, overvloeijende als +vroegere van betuigingen zijner liefde en onwankelbare trouw; +daarna had zij geen letter meer van hem ontvangen, terwijl haar +door anderen toch werd medegedeeld dat hij zich volkomen wél +bovond en hoog in eer en in de gunst des Keizers begon te stijgen. +Wat dan de reden van zijn voortdurend stilzwijgen kon zijn? Een +vreeselijke twijfel begon nu hoe langer hoe meer zich meester te +maken van haar gemoed; maar telkens ook wist zij dien wederom te +onderdrukken en op nieuw zich te sterken in het vertrouwen, dat +zij in de eer en het woord van haren Siddha bleef stellen. + +Eens, toen zij deels weer in mijmering verloren een boek +doorbladerde dat zij vroeger, nog in Kaçmir vertoevend, met haar +verloofde gelezen had, kwam de trouwe Nipoenika haar storen en +naderde haar met bedrukt en onheilspellend gelaat, haastig eerst, +maar straks weer weifelend, als aarzelde zij of ze spreken of +zwijgen moest. + +--Welnu?--vroeg Iravati,--wat komt gij mij melden? Mij dunkt, gij +brengt mij slechte tijding. + +--Helaas, mijne jonkvrouw!--antwoordde de dienares,--ik zou +wenschen dat ik een slot mogt leggen op mijn mond; en toch mag ik +u niet onkundig laten van 't geen mij daar straks werd meegedeeld. +Het betreft u zóó na, dat ik niet zou wagen het gansch te +verzwijgen. + +--Zoo spreek dan, en onverholen!--gebood Iravati,--ik ben bereid +aan te hooren wat gij te zeggen hebt. + +En nu verhaalde de vertrouwde, hoe zij van een krijgsman, die uit +Agra kwam, het een en ander omtrent Siddha vernomen had. Eerst +sprak zij in meer of min bedekte termen; daarna duidelijker; +eindelijk kwam alles voor den dag wat Selim zelf omtrent het +avontuur met de vrouw van Feizi had weten te ontdekken. De +uitwerking van het verhaal was zooals de andere gevreesd had. Als +wezenloos zat Iravati voor zich uit te staren, en lang had +Nipoenika opgehouden te spreken eer zij eenig antwoord gaf. Toen +sprong zij eensklaps op, en vroeg met een haar ongewone drift: + +--Wie heeft u dat alles verteld? Wie was die krijgsman? Spreek de +waarheid! En geen omwegen, verstaat gij? + +--Edele jonkvrouw!--antwoordde Nipoenika,--hoe zou ik u durven +misleiden en welk belang kon ik er ook bij hebben? De man, die mij +verhaalde wat ik u heb medegedeeld, was een dienaar van den +Kroonprins. + +--Dan is alles ook gelogen!--riep Iravati uit,--ik begrijp de zaak +volkomen. Welk een verachtelijk middel!--voegde zij in zichzelve +er bij; en daarop weder tot hare dienares:--Het is wél, mijn goede +Nipoenika! Ik dank u voor uw berigt, dat gij, ik betwijfel het +niet, mij enkel uit wezenlijke belangstelling hebt overgebragt. +Maar ik hecht er niet aan, nu de bron mij bekend is, waaruit het +voortkwam. Laat mij voor 't oogenblik echter alléén, en moei u in +'t vervolg niet al te veel met dien man, die u met die praatjes +heeft bezig gehouden! + +Toch had de wél gerigte pijl beter getroffen dan Iravati tegenover +zichzelve en haar vertrouwde wilde toegeven, en toen deze zich had +verwijderd zat zij nog lang, het hoofd in de hand geleund, over de +mogelijkheid en waarschijnlijkheid van het gebeurde na te denken. +Wederom echter voelde zij haar moed herleven toen zij na eenigen +tijd, haar vertrek verlaten hebbend, in een der galerijen Prins +Selim zelf ontmoette, van wiens terugkomst haar tot dusver niets +was gemeld. De zaak was duidelijk. Hij en niemand anders had +inderdaad, gelijk zij aanstonds reeds vermoedde, het gansche +lasterlijke verhaal uitgedacht om haar, zoo mogelijk, van Siddha +te vervreemden. Een koele en met zekere minachting tevens niet +onvermengde hoofdbuiging was het eenige, waarmede zij zich +verwaardigde den eerbiedigen groet van den hoogen bezoeker te +beantwoorden. + +--Iravati!--sprak deze, nader tredend,--gij mogt reden hebben u te +verwonderen over mijn terugkeer in dit paleis na ons laatste, voor +mij zoo ontmoedigend onderhoud, indien niet hetgeen ik door uwe +getrouwe dienares u liet meedeelen, omdat ik niet persoonlijk de +overbrenger wilde zijn, u daaromtrent eenige verklaring gaf. + +--Ik begrijp zeer goed,--antwoordde Iravati zonder blijk van +toorn, maar ook zonder omwegen,--dat laster door u te baat is +genomen, waar u blijkt dat overreding onvermogend is. Toch had ik +zoo iets niet verwacht, vooral niet van u. + +--Laster!--hernam Selim,--ja, dat ware inderdaad al een heel +verachtelijk middel om het doel van mijn vurige, doch zoo ik meen +toch geenszins ongeoorloofde of ook beleedigende wenschen te +bereiken. Maar daarenboven een zeer ijdel. Want welke waarde zoudt +gij aan dergelijk los daarheen geworpen verhaal, een eenvoudig +praatje, kunnen hechten, indien de waarheid niet door bewijzen kon +worden gestaafd? + +--Hoe nu? Bewijzen? Wat bedoelt gij? + +--Ik bedoel die soort van bewijsstukken, waartegen zelfs de +strengste en meest nauwlettende regter niets zou hebben in te +brengen. Gij kent natuurlijk het schrift en de hand van Siddha, +niet waar? + +--Ongetwijfeld! + +--Welnu, zie deze brieven dan!--En Selim overhandigde haar de +beide in briefvorm vervatte stukken papier, welke de vertrouwde +van Goelbadan, na ze behendig aan haar meesteres te hebben +ontstolen, hem verkocht had; vlugtig geschreven, hartstogtelijk +gestelde, met allerlei uitroepen en betuigingen van liefde +vervulde en hier en daar ook met een paar versregels doorspekte +brieven van Siddha, waarin de naam der aangebeden Rezia herhaalde +malen voorkwam. + +Haastig las Iravati dat alles, terwijl het haar voor de oogen +begon te schemeren. En zij las en herlas, en keerde de brieven om +en om, en bezag ze van alle kanten, tot zij ze eensklaps uit de +hand liet vallen en, hare bezinning verliezend, bewusteloos ware +neergestort, indien niet Selim haar snel had ondersteund en op een +nabijzijnde rustbank had nedergevleid. + +Eene zwakke zenuwachtige maagd was Iravati echter, hoe innig en +onbegrensd ook hare liefde, niet. Daar vloeide haar door de aderen +nog het bloed van een voormalig krachtig ras, van een oud +heldengeslacht, en spoedig rees zij weder op en stelde zich +tegenover den Prins, tewijl zij met vastheid hem in de oogen zag. + +--Mijn lot,--sprak zij,--is beslist, indien, gelijk ik nu wel moet +aannemen, werkelijk waar is wat mij werd verhaald. Eene andere +heeft bezit genomen van het hart, dat tot heden mij behoorde en +mij alleen. Het zij zoo, al wordt het mijn dood! Doch meen niet, +gij Vorst, die over alles te gebieden hebt behalve over een +vrouwenhart, dat daarmede u den weg zou zijn gebaand, dien gij met +uwe ontdekkingen reeds zaagt geopend! Meen niet, dat mijne +gelofte ijdel is geworden omdat het woord van trouw aan de andere +zijde verbroken werd, zoolang het mijne mij niet is teruggegeven! + +--Hoe nu?--riep Selim in verbazing uit,--de minnaar, wiens ontrouw +u thans wel gebleken is, verlaat u en offert u op aan eene andere, +en gij zoudt u niet vrij achten en niet mogen luisteren, ik zeg +niet terstond, maar eenmaal welligt, als de vroegere herinnering +verzwakt en eindelijk verdwenen zal zijn, naar hem, die u boven +allen en boven alles lief heeft en magt en eer, zooals geen ander +die bieden kan, aan uwe voeten legt? + +--Selim!--antwoordde Iravati zacht, terwijl ze zich tot geregeld +denken dwong,--gij verstaat mij niet en gij kunt mij misschien ook +niet verstaan. Gij kunt ons, Indische vrouwen, niet begrijpen, +zoozeer verschillend van die, waaraan gij anderen gewoon zijt. Het +hoogste geluk voor eene vrouw schijnt u, en zoo schijnt het +werkelijk ook velen, de begunstigde Sultane van een magtig +heerscher te zijn. En gij meent ook dat het genoeg is, eene onzer +van de ontrouw haars minnaars te overtuigen, om haar terstond alle +gedachten aan den onwaardige vaarwel te doen zeggen. + +--En is dat dan niet overvoldoende? + +--Onze vrouwen--was het antwoord--kennen die verlokking van +grootheid niet, waar het haar pligt betreft en hare eer; en den +echtgenoot, of, wat hetzelfde zegt, den plegtig verloofden +bruidegom, wien zij eenmaal haar woord verpandden, blijven zij +getrouw, ook al zien zij hare liefde met ontrouw beantwoord. De +gehechtheid der vrouw aan den man weet bij ons van geene grenzen; +of is u niet bekend genoeg, hoe vele, laat zoo iets nu te +verwerpen zijn als een gevolg van bijgeloof of van overdreven +gevoel, zich volkomen vrijwillig en met de grootste geestdrift op +den brandstapel werpen, die het lijk van den gestorven echtgenoot +verteert? En hebt gij ook nooit gehoord van onze heilige legenden +en riddersagen, die de toewijding der echtgenoote, ook aan den +onwaardige, schilderen? Van de roerende lotgevallen der edele +Damayanti kwam u zeker wel 't een en ander ter ooren. Welnu! voor +zooveel in mij is, wil ook ik eene Damayanti zijn! Dat Siddha mij +verlate, ik zeg het als zij: het is de booze Kali, die in hem is +gevaren en hem tot kwaad verlokte, niet hijzelf die zoo grievend +leed over mijn hoofd bragt. En als de betoovering van hem zal +geweken zijn, dan keert hij, een andere Nala, tot mij terug, en +rein van elke smet vinde hij mij weder en overtuige zich dat ik +beter nog dan hijzelf voor de eer heb gewaakt van zijn naam! + +--Ik liet u gaarne--hernam Selim na een oogenblik gezwegen te +hebben,--die gelukkige hoop op zijne terugkomst, hoezeer ze mij +ook smarten moest. Doch vlei u niet met dergelijke verwachting! +Geloof mij, ik ken die vrouw, in wier strikken hij verward is +geraakt; ikzelf, ik heb haar bemind tot op het oogenblik dat ik u +aanschouwde; en ik weet dat zij onweerstaanbaar blijft zoolang +geen andere en reiner liefde den hartstogt komt verdringen, dien +een man eenmaal voor haar gevoelt. Geloof mij, zeg ik! geen +verleidelijker vrouw ken ik dan deze, gelijk ik geen reinere en +geen edelere ken dan u! + +--Prins!--zeide Iravati op deze hernieuwde verklaring,--ik wil u +smeeken om ééne gunst voor heden, al schijnt u 't verzoek ook +onheusch. Laat mij voor eenige oogenblikken over aan mij zelve! Ik +gevoel thans werkelijk behoefte, na al wat ik vernemen moest, om +alléén te zijn. Een ridder, een edelman zooals gij, zal, ik +vertrouw het, mij dit niet willen misgunnen. + +--Ik ware--antwoordde Selim,--den naam onwaardig dien gij mij +toekent, als ik een oogenblik langer van uwe goedheid misbruik +maakte. Ook is verdere aandrang van mijne zijde, ik gevoel het +maar al te wel, voor het tegenwoordige niet alleen onnut, maar in +mijn eigen nadeel. Ik gehoorzaam dus aan uw verlangen. + +En zich omwendend verliet hij, schoon met loome schreden, de +galerij. + +Maar toen hij was heengegaan ontzonk Iravati ook de kracht, die +haar standvastigheid deed betoonen tegenover hem, en uitgeput zeeg +zij op de rustbank neder, en, het gelaat met de handen bedekkend, +weende zij bitter. + +Kortstondig echter was hare betrekkelijke rust, en verschrikt zag +zij op, toen na eenigen tijd zich weer een voetstap in de +nabijheid deed vernemen. Het was Salhana, die haar naderde. + +--Mijne dochter!--sprak hij, met meer zachtheid in zijne stem dan +zij tot dusver zich herinnerde nog ooit bij hem te hebben +opgemerkt, + +--Ik weet wat uwe gedachten bezig houdt en u 't hoofd laat buigen onder +leed. En ik wist ook reeds vroeger wat u heden werd medegedeeld. Ik had +de trouweloosheid van Siddha ginds in Agra reeds ontdekt, maar bleef +alles voor u verbergen tot de tijd zou zijn gekomen waarop te spreken +pligt mogt worden. Hoe het zij, alles is u thans bekend. En nu, gij +zult het, vertrouw ik, wel inzien, nu gebiedt u de achting die ge +uzelve niet alleen, maar ook mij en mijn huis verschuldigd zijt, alle +herinnering aan dien man te bannen, die op zoo smadelijke wijze de +nadere verbindtenis met ons geslacht verworpen heeft.--Neen, hoor mij +aan!--vervolgde hij, toen hij Iravati gereed zag te antwoorden;--geloof +mij, ik gevoel diep, innig medelijden met u in dit noodlottig +oogenblik; maar ik mag daarom niet nalaten u te herinneren wat eene +dochter van onzen edelen stam aan hare eer en haar goeden naam +verschuldigd is. Tevens echter wil ik, hoewel in geheim, u iets +mededeelen wat ik eveneens ontdekte, en dat, zooal niet aanstonds de +wond zal heelen die u geslagen werd, dan toch in 't eind u tot troost +zal strekken. Eene heerlijke, eene schitterende toekomst wacht u nog, +Iravati! Wat voor elke vrouw in gansch Hindostan het begeerlijkst lot +mogt zijn, kan het uwe worden. Prins Selim,--ik vermoedde 't sinds lang, +en toen ik hem onlangs de gelegenheid gaf zich te verklaren, bekende hij +'t mij ook,--Prins Selim bemint u en begeert u tot zijne echtgenoote! + +--Dat weet ik,--antwoordde Iravati. + +--Gij weet het? En hoe? + +--De Prins zelf heeft het mij verklaard, ook heden nog. + +--En uw antwoord? + +--Ik heb het vereerend aanbod afgeslagen. + +--Hoe! Wat?--riep Salhana met de grootste verbazing en ergernis +uit,--afgeslagen? Zijt gij zinneloos? + +--Ik geloof het niet. Maar ik ben immers verloofd aan Siddha. + +--Wel! wat kan dat nu uitmaken? Gij zijt immers nog vrij in uwe +keuze. Gij zijt zijn vrouw nog niet. + +--Neen, maar wat voor mij in dit geval hetzelfde is, ik heb hem +trouw gezworen, en hijzelf ontsloeg mij nog niet van die gelofte. + +--Laat dat zijn! 't Kon vroeger misschien nog gelden. Maar nu? Hij +zelf heeft immers zijn trouw gebroken en u daarmee reeds ontslagen +van uw woord. + +--Zoo mogen anderen er misschien over denken, die in andere +begrippen zijn opgevoed dan ik. De mijne echter verbieden mij te +doen wat gij verlangt. En zoo die begrippen voor 't oogenblik aan +uwe plannen in den weg staan, wijt het, mijn vader! aan uzelven, +die mij eenmaal daarin hebt doen opvoeden. Bovendien, ik wil er +geen geheim van maken, nog blijf ik Siddha beminnen in weerwil van +zijn handelwijs, en een ander zou ik nooit kunnen liefhebben na +hem. + +--Maar er behoeft hier immers ook geen sprake te zijn van liefde! +Het is genoeg dat Selim u bemint, en dat gij gebruik kunt maken +van den invloed dien gij op hem hebt. Maar dat schijnt gij nu niet +te verkiezen, eenvoudig om een gehechtheid aan allerlei overdreven +en lang verouderde voorstellingen en een dwazen hartstogt voor een +onwaardige. Bedenk echter wat gij verwerpt, indien gij blijft +volharden in uwe onzinnige weigering! Een Koningrijk wordt u +aangeboden, een rijk waarvan de wedergade nauw in de wereld valt +aan te wijzen, en gij stoot het verachtelijk van u af, enkel om +een droombeeld, een gril. + +--'t Mag zijn dat ik ongelijk heb,--antwoordde Iravati gedwongen +bedaard, terwijl haar vader zich al meer begon op te winden,--maar +uwe voorspiegelingen zullen mij daarvan niet overtuigen. Ze werden +mij eveneens en beter nog, door den Prins zelf gedaan, maar konden +mij evenmin van besluit doen veranderen. + +--Uw besluit schijnt dus te zijn, den wil van uw vader te weerstaan? +Mij dunkt, dat komt toch ook niet overeen met die beginselen waaraan +gij zoo gehccht zijt, en die toch gehoorzaamheid van het kind aan zijne +ouders tot een der eerste pligten maken. + +--Zeker, maar niet wanneer die pligt met een nog hoogeren in strijd +geraakt. Hoezeer 't mij ook leed is dat ik u niet mag gehoorzamen, ik +mag nu eenmaal niet en ik kan niet. + +--Doch 't is u dan toch bekend dat een vader ook regten over zijn +dochter heeft en de magt bezit om haar des noods tot gehoorzaamheid te +dwingen. + +--Dat is mij volkomen bekend; maar ik weet ook, dat dwang hier tot +niets zou dienen. Want als ik mij werkelijk tot een huwelijk met +Selim noodzaken liet, zou ik juist alle waarde voor hem hebben +verloren en van mijn invloed ook geen gebruik meer kunnen maken. +Dat weet hij zelf volkomen, en denkt dus aan geen dwang. Indien +hij daartoe besluiten wilde, hij zou uwe tusschenkomst niet eens +van noode hebben. De troonopvolger van Akbar is magtig genoeg om +zijn wil tegen den mijne en ook tegen den uwe door te zetten, als +hij verkoos. + +Salhana balde zijne vuisten en beet van ongeduld op zijn knevel. +Aan alle kanten geslagen! En door wie? Door een eenvoudig meisje, +dat hij tot nog toe als het zachtzinnigste en onderdanigste wezen +had gekend! Al zijn heerlijke plannen van den laatsten tijd, al +zijn schitterende vooruitzigten door dat eigenzinnige, nu +weerbarstige kind vernield! Hij had gedroomd, nu niet meer van een +onderkoningschap alleen, maar van niets minder dan de hoogste +plaats na den Keizer zelven in het rijk; hij zag zich reeds in +Agra als Groot-Vizier nevens den troon, en vorst en land +beheerschend door zijne dochter, oppermagtig gebieder over al die +rijken en volken, zoo niet in naam dan toch metterdaad.... + +--Welnu!--riep hij eindelijk na eenig stilzwijgen uit, terwijl hij +in dreigende houding zich tegenover Iravati plaatste,--gij +verkiest naar rede niet te luisteren, en voor dwang zijt gij niet +bevreesd. Maar misschien toch wel voor iets anders. Wel dan +misschien voor den vloek van een vader! + +--Het leed dat mij reeds is opgelegd,--antwoordde Iravati,--zou +er door verdubbeld worden; maar ik zou kracht zoeken om den last +te dragen zonder te bezwijken. En moest dit, welnu! dan geschiede +wat mij is voorbeschikt. + +--Gij zijt moedig,--sprak nu Salhana op kouden, maar tevens ietwat +sarcastischen toon,--of althans gij tracht het te zijn. Ik wil +evenwel gelooven dat gij niets voor uzelve vreest; maar zijt gij +wel zoo zeker dat uwe halstarrigheid niet soms ten nadeele mogt +komen van dien Siddha, dien gij erkent nog lief te hebben, en dat +de Prins uwe weigering niet op hem soms wreken mogt? + +De laatste slag scheen doel te hebben getroffen. Als in wanhoop +hief Iravati de handen omhoog, en liet ze toen magteloos weer +zinken, terwijl haar hoofd zich voorover boog op hare borst. Met +een hatelijk zegevierenden glimlach zag Salhana haar aan. De +overwinning dan was eindelijk toch behaald, de zege hem, de kracht +der onverzettelijke was gebroken!... + +Daar rigtte zich de fiere jonkvrouw uit haar gebukte houding weder +op, en Salhana onverschrokken in de oogen ziende, sprak zij, eerst +met weifelende, daarna met vaste stem: + +--Wat gij, vader! daar gezegd hebt, is wreed, gruwelijk wreed, en +ik kan bijna niet gelooven dat het ernstig gemeend zou zijn. Maar +al is dat zoo, al is 't een ernstige bedreiging, ook die is niet +bij magte mij te doen wankelen en mij den heiligen pligt te doen +verzaken die mij is voorgeschreven. Indien Siddha hier vóór ons +stond en hij zag mij weifelen en mijne gelofte schenden om hem te +redden uit gevaar, hij zelf zou mij verachten en het regt hebben +mij te verstooten. Mijn leven wil ik voor hem offeren; het behoort +hem; maar niet mijne eer, die eveneens hem toebehoort. Wel weet ik +dat zijn dood de mijne worden moet; maar wat ons is beschikt, +vermogen wij niet af te wenden. Laat dan de wraak den onschuldige +treffen; doch er zal niets bij te winnen zijn, noch voor Selim, +noch voor u. Gij zoudt een dochter, uw broeder zou een zoon minder +hebben, dat ware alles, en uwe eerzucht zou toch niet zijn gebaat +...Maar laat ons dit gesprek afbreken, dat mij in 't eind den +eerbied kon doen vergeten dien ik u verschuldigd blijf! Doch +bedenk het, mijn vader! dat ik uwe dochter ben, een jonkvrouw uit +uw eigen hoog en eeuwenoud goslacht, die zich door niets laat +dwingen en door niets verschrikken waar het eer en pligt, en den +man dien zij lief heeft, geldt! + +Nog een oogenblik zag Salhana Iravati aan. Daar stond zij voor hem +in ongebogen houding, hooghartig, uitdagend bijna. De rollen waren +omgekeerd; de tot nog toe zoo onderdanige dochter scheen te +gebieden, de trotsche vader tot onderwerping genoopt. Zonder een +woord te spreken keerde hij zich om en snelde voort met haastige +schreden, terwijl een uitdrukking van magtelooze woede zijn +donkere gelaatstrekken verwrong. + + + +ELFDE HOOFDSTUK. + +Tauhid I Ilahi + +Vóór en omtrent de winkels en woningen van een der kleinere +bazaar's van Agra aan de rivierzijde bewoog zich, als gewoonlijk, +tegen 't vallen van den avond eene bonte, maar overigens zeer +rustige menigte. Hier en daar zaten in open galerijen en +vertrekken de spelers met hunne dobbelsteenen om het bord waarop +ze hun inzet hadden gewaagd; elders dronken soldaten van +verschillende wapens elkander vrolijk toe, 't mogt dan met wijn of +met sterker benevelende dranken geschieden; op eene enkele plaats +lag een eenzame droomer de stille en tijdelijke zaligheden te +genieten, die een meer of min overmatig gebruik van den opium hem +verschaffen mogt; en in diepe en ernstige gesprekken zag men +eenige deftige Musulmannen gewikkeld, die zich voor een enkelen +keer hadden verwaardigd, aan de rustig gezellige genoegens der +anders niet weinig door hen geminachte Hindoe's deel te nemen. + +--Ja, Ali!--sprak een van die in eigen oog zoo voorname heeren tot +zijn medgezel,--gij hebt wél gelijk; 't begint van kwaad tot erger +te komen met Akbar en zijn hof. Wat daar al ongeregtigheden moeten +gepleegd worden! Dat gaat zoo maar avond aan avond met die, ik ben +er zeker van, godslasterlijke bijeenkomsten. Zoo kwam ik nog +gisteren, 't was middernacht ongeveer, langs het paleis; en wat +meent gij dat ik er zag? Al de vensters van 's Keizers vertrekken +hel verlicht; alles schitterend van lampen en waskaarsen op +reusachtige luchters. Maar voor wat? Voor een feest, zooals een +vorst dat mag en soms ook moet vieren? Neen, man! Alles doodstil, +behalve nu en dan een statig gezang, een soort van loflied, zooals +Akbar zelf, naar men zegt, er meer dan een vervaardigd heeft, maar +dat, hoewel het anders welluidend genoeg klonk, toch niets te +maken kan hebben met onze heilige godsdienst, waarvoor de Profeet +geprezen zij! + +--En wat beduidde dat, Yoessoef?--vroeg de ander. + +--Wat het eigenlijk te beteekenen had,--antwoordde Yoessoef,-- +weet ik u niet met zekerheid te zeggen, maar wel, dat al dat licht +en dat gezang in verband moest staan met de nieuwe leer, die de +Keizer in plaats van den Islam wil stellen, en waarin hij zijne +vertrouwden inwijdt, een soort van vuur- en zonnedienst, die hij +voornamelijk van onze oude Parsi's en ook van de ongeloovigen +hier, Allah zij hun genadig! ter kwader uur ontvangen moet hebben. + +--Maar wat is dat dan toch eigenlijk voor dienst?--vroeg Ali;--ik +heb er wel eens van hooren spreken, maar ik weet toch niet regt +wat het is. + +--Heel bepaald--hernam Yoessoef,--weet ik het ook niet; maar dat +het heel ergerlijk zijn moet, bewijst wel de verklaarde tegenzin +van alle goedgeloovigen, en onder hen vooral van een man als Abdal +Kadir, anders ook bij Akbar zelf wel in aanzien, en een groot +geleerde. Doch wat nu mijn persoonlijke ervaring aangaat, ik heb +in den laatsten tijd nog wel onrustbarender zaken waargenomen dan +wat ik u vertelde. Denk eens! niet lang nog geleden zag ik heel in +stilte, en als was hij voor verspieders bevreesd, een man uit het +paleis sluipen, dien gij stellig wel kent en dien gij niet ligt +ontmoet zult hebben of 't werd u koud en huiverig, Gorakh, den +zoogenaamden Yogi.--Nu,--vervolgde de spreker, terwijl hij zijne +reeds fluisterende stem nog een toon dalen liet,--weet gij voor +wien ik dien man aanzie? Regtuit gezegd, als hij de Shaitan zelf +niet is, dan is hij toch zeker een handlanger van hem; en met dat +wezen... heeft dan de Keizer een verbond gesloten! + +Yoessoef zweeg een oogenblik en met ontzetting staarde zijn makker +hem aan. + +--Behoede ons Allah!--riep hij eensklaps weer uit, terwijl hij +naar eene langs den waterkant voortschrijdende gestalte wees,-- +daar is hijzelf in eigen persoon! Mogten de wateren der Djoemna +hem verzwelgen! + +En werkelijk vertoonde zich daar weder de Doerga-priester, en +begaf zich tot een groep Hindoe's en Perzen, die in levendig +gesprek met elkander waren gewikkeld. + +--Nu, en ik zeg u dan,--sprak een dier laatsten,--wij mogen en +kunnen 't niet langer dulden dat onze heilige godsdienst zoo +voortdurend en openlijk door een Feizi en een Aboel Fazl, om nu te +zwijgen van een hoogere, wordt bespot en ten toon gesteld. En 't +is mij onbegrijpelijk hoe gijlieden, al belijdt gij dan eene +andere godsdienst, er vrede mee kunt hebben dat men hier alles +zoekt om te keeren en alles te vernietigen wat u zoowel als ons +tot nogtoe altijd heilig scheen. + +--Maar zóóver zijn we nog niet,--antwoordde de Hindoe;--dat de +Keizer en zijne getrouwen niet véél meer aan uw Koran hechten, is +bekend genoeg, en eveneens dat ze daarom onze godsdienst nog niet +zijn toegedaan. Maar ik heb nog niets van eenig omverwerpen of +vernielen gehoord; onze tempels blijven als de uwe onaangeroerd, +en niemand hindert ons in onze godsdienstige praktijken, terwijl +gij Mohammedanen te voren niet anders deed dan ons plagen en +vervolgen. + +--En dat verdiendet gij ook, gij zonen van.... + +--Komaan, mannen, geen twist!--sprak tusschenbeiden komend, een +Perzisch krijgsman;--dat brengt ons toch niets verder.--En meteen +gaf hij den verbolgen Mohammedaan een wenk. + +--Laat het dan zijn!--antwoordde deze, en den Hindoe den rug +toekeerend, verwijderde hij zich met een paar zijner vrienden en +den krijgsman die zooeven gesproken had. + +Nu mengde zich ook Gorakh in het gesprek en:--'t Is goed, Mobarik! +--zeide hij,--dat gij daarbij waart. Openlijke twisten konden nu +gevaarlijk worden. De meeste Hindoe's houden nog de zijde van den +Keizer. Wekt ze dus niet te spoedig, en zoekt ze voor 't oogenblik +nog niet te winnen; ze komen toch wel over als de kans begint te +keeren. Hoever zijt gij inmiddels gevorderd? + +--De meeste van onze Mansabdar's zijn gewonnen,--antwoordde +Mobarik,--en terstond zullen zij openlijk onze zijde kiezen zoodra +hun het teeken gegeven wordt. Die met het leger meegaan zullen +daar op het geschikte oogenblik omwenden, en die hier in Agra +blijven zullen hetzelfde doen. Van hun troepen zijn zij volkomen +zeker. + +Met bijzondere opmerkzaamheid hadden vooral ook twee andere mannen +geluisterd, die zich intusschen bij de overigen gevoegd hadden, +en, blijkens de met dezen gewisselde begroeting, mede tot de zeer +vertrouwden behoorden. Met nog meer belangstelling luisterden zij, +toen Gorakh met zachte stem hernam: + +--Van onze zijde is in de laatste dagen nog eenige verandering in +het plan raadzaam gekeurd. Wij moeten niet wachten met den slag te +slaan tot Akbar in het Noorden zal zijn aangekomen. 't Is toch +altijd mogelijk dat hij, in weerwil van den afval van een deel +zijner troepen, eene overwinning behaalt; sommige berigten uit +Kaçmir doen er ons zelfs voor vreezen, en verspreidt zich van zoo +iets het gerucht, dan valt er hier weinig of niets meer voor ons +uit te voeren. Wij moeten de zaak dus wat verhaasten, en zoodra de +Keizer met zijn leger te ver op weg zal zijn om Agra in weinige +dagreizen weer te bereiken, het plan terstond doorzetten. Is dan +Selim hier eenmaal tot Keizer uitgeroepen en heeft hij zich in de +vesting versterkt, dan is er niet de minste twijfel of de +ontevredenen in het leger zelf keeren zich tegen Akbar, 't geen +anders, als 't alleen op hen aankomt, naar ons nog onlangs is +gebleken, in 't geheel nog zoo zeker niet is. Zorg dus, Mobarik! +en ook gij anderen, dat de onzen bij tijds gewaarschuwd worden en +behoorlijk gereed zijn het vervroegde plan te helpen uitvoeren! + +Na nog eenige nadere afspraken scheidden de bondgenooten en gingen +ieder huns weegs. + +--Dat is gewigtig nieuws!--zei tot zijn medgezel een der beide +mannen, die zich 't laatst bij de anderen gevoegd hadden, toen zij +een eind verder waren gegaan. + +--Dat zal waar zijn!--riep de ander uit;--en vergis ik mij niet, +dan zal het Akbar de zaak vrij wat gemakkelijker maken. Jammer, +dat wij niet dadelijk aan Aboel Fazl rapport kunnen doen; maar wij +moeten natuurlijk wachten tot den nacht; vóór dien tijd naar zijn +paleis te gaan, schijnt te gevaarlijk. Ook is hij, geloof ik, op +dit oogenblik bij den Keizer en wij zouden hem dus niet vinden. + +--Ook dunkt mij beter--hernam degene die 't eerst gesproken had,-- +voor 't oogenblik niet langer zamen te blijven. Wij vinden elkaar +dan na middernacht bij den Vizier terug. + +En den anderen groetend, sloeg hij eene zijstraat in, terwijl zijn +medgezel langs de rivier bleef voortwandelen. + +Maar wat er dan 's avonds wel onheiligs en schrikbarends omging in +die geheimzinnige binnenvertrekken van den Keizer, die naar het +gevoelen van den vromen Yoessoef en velen zijner geloofsgenooten +een verbond met geen minder persoon dan Satan zelf gesloten had? +Dezen avond ten minste zou de regtzinnige Musulman er niets +bijzonders hebben opgemerkt, hoewel hij zeker nieuwen aanstoot aan +de gesprekken zou hebben genomen die er worden gevoerd, ten +minste.... indien hij in staat ware geweest ze geheel te volgen. + +Feizi, Aboel Fazl en de vóór eenigen tijd uit het Noorden +teruggekeerde Brahmaan Koelloeka waren daar met den Keizer bijeen. + +--Nog geen nadere berigten van uw spionnen?--vroeg deze aan zijn +Minister. + +--Sinds eergisteren nog niet,--antwoordde Aboel Fazl;--ik verwacht +hen echter heden na middernacht in mijne woning, en ik onderstel +dat ze ons wel wat nieuws zullen brengen. + +--Treurig toch, niet waar?--hernam Akbar,--dat men zich telkens +van zulke lieden bedienen moet! Och, waarom zijn de menschen toch +ook zoo, en maken ze ons 't gebruik van dergelijke middelen +onvermijdelijk? + +--Een noodwendig gevolg--antwoordde de staatsman,--van den +regeringsvorm die hier nu eenmaal bestaat, en waarin geen verdere +verandering mogelijk schijnt buiten die welke er reeds in is +aangebragt. Ontevredenen, ze mogen het dan teregt of ten onregte +zijn, hebben geen middel om herstel van hunne grieven te erlangen +waar alle magt in handen van één eenige berust, en die ééne +oordeelt dat die grieven ongegrond zijn. Eerzuchtigen en +gelukzoekers bedienen zich dan van hen als hunne werktuigen voor +geheime plannen, en maar al te ligt laten ze zich daartoe +gebruiken. + +--Maar ik weiger toch nooit de klagten mijner onderdanen aan te +hooren,--zei Akbar,--en als ze billijk zijn, toon ik mij immers +ook steeds bereid om herstel aan te brengen voor zoover in mijne +magt staat. + +--Als ze billijk zijn!--herhaalde Aboel Fazl,--ja, maar wie +beoordeelt dat? De Keizer zelf met zijne raadslieden. + +--Maar wat zoudt gij dan willen? We hebben hier wel van staten en +volken in andere wereldstreken gehoord, waar dat anders ging; maar +de toestanden van die volken zijn of waren ook gansch andere. Hoe +willen wij hier met al die verschillende rijken en stammen, die +aan ons gebied zijn onderworpen, eenigen wezenlijken invloed op +het bestuur aan het volk zelf verleenen? Daargelaten nog of het +volkskarakter en 's lands zeden en gewoonten het mogelijk, zouden +maken. + +--Dat is alles volkomen waar,--hernam Aboel Fazl,--maar ik heb ook +reeds gezegd, dat ik geen verdere verandering wenschelijk of ook +mogelijk achtte; en zoo ik nu van de bestaande toestanden sprak, +dan was 't enkel om daaruit tot het onvermijdelijke der middelen +te besluiten, die wij, om erger te voorkomen, wel genoodzaakt zijn +aan te wenden. Wat voor 't overige de lieden betreft, die wij +gewoon zijn met den verachtelijken naam van spionnen te betitelen, +ze zijn toch niet altijd zoozeer te minachten als 't wel schijnen +mogt. Althans die beide, die ik nu in 't bijzonder bedoelde, zijn +wezenlijk eerlijke, door anderen ook geachte lieden en met hart en +ziel ons toegedaan. 't Is waar, ik zorg dat ze goed beloond +worden, maar noodig ware dat anders niet; ze zouden ook zonder dat +ons trouw zijn. En goede diensten hebben ze ons dan ook waarlijk +wel bewezen; zij ontdekten ons het geknoei van Salhana, den +Goeverneur van Allahabad, en, wat niet minder waard is, ook de +geheime gangen van dien Gorakh, den Yogi. + +--Ja,--merkte Feizi, misschien wel wat ondeugend, aan,--van dien +wijsgeer, die een tijd lang ook op de gunst van Zijne Majesteit +mogt bogen, toen hij nog de geheimen der Yoga-leer beloofde te +onthullen. Veel is daar echter niet van gekomen voor zoover ik +weet. + +Akbar kleurde een weinig bij die herinnering, die hem weer in de +gedachte bragt, hoe hij bijna, althans voor een oogenblik, met al +zijne wijsheid de bedrogene in handen van den slimmen huichelaar +was geworden; maar ter regter tijd vatte Koelloeka het gesprek +weer op waar het dreigde te blijven steken. + +--En dat is toch werkelijk jammer!--zeide hij;--'t is waar, met +dien Gorakh behoort men zich niet te veel in te laten; mijn +voormalige leerling Siddha heeft mij ook wel 't een en ander +omtrent hem meegedeeld wat tot voorzigtigheid maande. En toch, hij +weet misschien door overlevering nog meer dan wij omtrent die oude +en tegenwoordig meest vergeten leeringen ontdekken kunnen. + +--Ziet gij wel,--sprak Akbar als zegevierend tot Feizi,--ook onze +vriend Koelloeka, wien toch anders heel wat Brahmaansche wijsheid +bekend is, acht die veel besproken Yoga-leer nog lang zoo +onbelangrijk niet. + +--Gaarne wil ik gelooven dat zij veel belangrijks bevat,--antwoordde +Feizi,--vooral indien onze wijze vriend dat zegt, van wien we reeds +zooveel wetenswaardigs vernamen. Doch vergun mij, wijze Koelloeka! u de +vraag te doen, wat gij nu eigenlijk van dat voormalig stelsel zoudt +verwachten. Voor zoover ik weet is het niet veel anders dan een dwaas +mysticisme, dat aan zijne adepten eene onmogelijke vereeniging van het +eindig individu met het oneindig Alzijn belooft, en ten slotte eenvoudig +op belagchelijke tooverkunsten of, beter nog gezegd, op eenige handige +goocheltoeren uitloopt. + +--Zóó ongunstig--zeide Koelloeka,--denk ik nog niet over het +systeem van Patandjali, ook al geloof ik geenszins dat het op 't +bezit eener absolute waarheid zich mag beroemen. Die vereeniging +met, dat opgaan van het eindige in het Oneindige, van het +menschelijk bewustzijn in het Alwezen, dat de Yoga beoogd moet +hebben, is op zichzelf genomen zoo groote dwaasheid niet. Wel +dwaalt die leer ongetwijfeld, indien zij het middel der beoogde +vereeniging in eene volkomen oplossing van het bewustzijn, van het +denken zelf des menschen zoekt, waardoor het individu in een soort +van extase met het oneindige wezen zou zamensmelten, maar waardoor +het in waarheid, zoo dat kon, zou eindigen met zich zelf te +vernietigen. Niet zoo gansch verwerpelijk echter schijnt mij, +althans voor een deel, het gronddenkbeeld waarvan hier wordt +uitgegaan. Of blijft het niet altijd eene waarheid, dat de mensch: +juist omdat hij anders zoo eng bekrompen zich gevoelt, geen hooger +standpunt van den geest weet te bereiken dan waartoe hij zich +verheft wanneer hij in enkele te weinig hem gegunde oogenblikken +zijne eindige persoonlijkheid voelt verdwijnen, om gansch en al in +hoogere en meer algemeene begrippen op te gaan? Mits die begrippen +maar geen ledige abstractiën blijven, maar aan het volle en +krachtige menschenleven zijn ontleend, aan de wetenschap, aan de +kunst, aan de bespiegeling ook over de maatschappelijke en +burgerlijke betrekking der menschen onderling. Wat, ik vraag het, +kunt gij hooger stellen dan een dergelijk zich verliezen van het +eindig en zelfzuchtig Ik in het wezenlijk algemeene, in het +algemeen menschelijke, waaraan het individu eerst zijn regten +levensgeest ontleent en waarin het behoort op te gaan, zal het in +waarheid aan zijn bestemming kunnen beantwoorden? + +--Ziedaar,--sprak Akbar,--een woord naar mijn hart! Maar diezelfde +gedachte, verloochening der zelfzucht, bezielt ook andere uwer +oude wijsgeerige stelsels, gelijk ook die nieuwere leer, die de +zendelingen uit het Westen hier komen prediken. Maar is er toch +niet iets anders nog, waarop het denken van den mensch en in 't +bijzonder het wijsgeerig denken zich te rigten heeft? Zoo waar en +zoo verheven ook die leer der zelf verloochening zijn moge, wat +meldt zij ons omtrent het eeuwig en oneindig verband der dingen en +de eenheid, die al het menigvuldige doordringt en zamenvat? + +--Inderdaad,--antwoordde de Brahmaan,--den naam van wijsgeer wel +onwaardig zou hij zijn, die niet dát juist en de daaruit +voortvloeijende levensbeschouwing en praktische moraal het +hoofdvoorwerp van alle wijsgeerig denken, den wezenlijken inhoud +der wijsbegeerte zelve noemde. Maar wie verschaft ons de volledige +oplossing van het wereldraadsel? + +--Zeker niemand,--gaf nu Feizi ten antwoord,--althans tot heden +niet. Wat latere wetenschap misschien na verre eeuwen nog tot die +ontraadseling zal bijdragen laat zich heden zelfs in de verte niet +vermoeden. Maar zouden wij nu voorloopig ons niet tevrede kunnen +stellen met de overtuiging, die door alle ware wijzen van vroeger +en later dagen wordt gedeeld, en door den een in meer door den +ander in minder duidelijke bewoordingen is uitgedrukt, dat er een +eeuwig en onbegonnen oorspronkelijk leven is in het heelal, +waaruit en waardoor alles in zijn noodwendig oorzakelijk verband +wordt zamengehouden; een leven en zijn, waarvan de hoogste wet +ontwikkeling heet, de ontwikkeling van de steeds lagere trappen +van het bestaan tot de altijd hoogere? En wat zijn wij dan zelf, +wij menschen? Immers, even als al wat ons omringt, de verschijnselen en +openbaringen van dat ééne Alleven en Alzijn zelf, en eveneens bestemd om +ieder in eigen kring en naar mate van vermogen tot die algemeene +ontwikkeling mede te werken. En naarmate wij nu levendiger en met steeds +duidelijker bewustzijn ons dat algemeene, hoogste begrip voor oogen +weten te stellen, zal ook meer en meer de enghartige zelfzucht op den +achtergrond treden en plaats maken voor onbaatzuchtige toewijding aan +het heil van onze medemenschen, van de maatschappij en van den staat. + +--Zeer juist gezegd, mijn waarde Feizi!--sprak Akbar weder,--maar +zoo waar nu dat alles ook zijn moge, voldoet het u geheel, en +verlangt gij niet soms ook naar iets anders, iets meer? + +--Ongetwijfeld,--was het antwoord,--aan dat ééne begrip in zijn +afgetrokken algemeenheid hebben wij niet genoeg. Wij moeten 't ook +in zijn bijzonderheden, zijne toepassing leeren begrijpen. Wij +moeten trachten naar de kennis van dat oneindige leven en dat +oorzakelijk verband, door de waarneming van de menigvuldige +verschijnselen zelve. En naar die kennis trachten immers allen, +die zich toewijden aan de wetenschap. + +--Gij begrijpt mij nog niet volkomen,--hernam de Keizer;--wat gij +daar gezegd hebt, wil ik u eveneens toegeven; maar wat ik nu +eigenlijk bedoelde, is dit. Heeft dat Alzijn, waarvan gij spreekt, +zijn grond in zichzelf of in een nog hooger, intelligent bestaan? + +--Intelligentie, denken,--antwoordde de ander,--is een noodwendige +eigenschap van het Zijn, even als datgene wat wij gewoonlijk stof +noemen of uitgebreidheid eene andere is. Beide zich uitend en zich +openbarend in die oneindige wijzigingen, die wij verschijnselen +heeten. En hoe zou nu datgene wat een eigenschap is van iets, +tegelijk de grond of de oorzaak van datzelfde kunnen zijn?... + +Eenige oogenblikken heerschte er volkomen stilzwijgen. De Keizer +zocht naar een antwoord, maar schudde het hoofd en zeide niets. + +--Mijn waarde broeder! sprak nu Aboel Fazl, het woord tot Feizi +rigtend,--uwe redenering schijnt mij volkomen logisch, en toch +voldoet ze mij nog evenmin als, geloof ik, onzen geëerbiedigden +Keizer. Wat hebt gij, wat hebben wij nu over 't algemeen aan dat +begrip van het Alzijn en Alleven? Wat geeft het óns? + +--Wel,--antwoordde Feizi lagchend,--het behoeft u ook niets te +geven, als het maar waar is. En is het waar, dan dient gij 't ook +daarvoor te erkennen zelfs al voldoet het, al behaagt het u niet. +Ik meen u echter zooeven nog te hebben aangetoond, dat mijn begrip +toch wel degelijk iets geeft, en waarde voor het leven bezit, in +zoover het ons opwekt tot toewijding aan al wat wij als goed en +waar beschouwen. En wat wilt gij dan eigenlijk nog meer? + +--Ik geef 't u gewonnen,--hernam Aboel Fazl;--maar ik sprak nu niet +zoozeer van mijzelf en ons anderen als wel van minder ontwikkelden, die +dat alles zoo niet begrijpen en toch ook behoefte gevoelen aan iets +meer en iets hoogers dan de dagelijksche ervaring hun aanbiedt. Zou 't +nu in allen gevalle niet mogelijk zijn, die meer afgetrokken begrippen +in een kleed te hullen, dat ze meer aanneemlijk maakte voor 't +algemeen? + +--Onze vriend Aboel Fazl--zei Akbar,--heeft daar juist teruggegeven wat +ik reeds meer dan eens bij mijzelf overlegde. Zou het, zoo dacht ik, +inderdaad niet mogelijk zijn, zooal geen nieuwe zinnebeelden uit te +denken voor de begrippen, die Feizi daar verkondigde, dan toch vroegere +weer te verlevendigen, die niet door enkele en alleenstaande +godsdienststichters verzonnen werden, maar uit den waarlijk godsdienstig +dichterlijken geest der volken zelven zijn voortgesproten. + +--Ik meen de bedoeling te verstaan,--sprak Feizi, toen Akbar een +oogenblik zweeg;--het geldt hier, bedrieg ik mij niet, de nieuwe +leer, welke de Keizer zou wenschen in te voeren en ook ten deele +onder sommigen zijner vertouwden reeds ingevoerd heeft. Is het zoo +niet? + +--Inderdaad,--antwoordde Akbar,--gij hebt u daaromtrent niet +bedrogen. Maar laat mij nu ook gebruik maken van de gelegenheid om +er iets naders van te zeggen. Ik ben u, Feizi! en ook u, +Koelloeka! omtrent dat een en ander wel eenige opheldering +verschuldigd, en 't is mij dus welkom dat de loop van ons gesprek +mij daartoe een gereede aanleiding geeft. Zoo luistert dan! ... +lang, zeide ik daareven, heb ik gezocht naar een vorm waarin het +redelijk godsdienstig bewustzijn zich mogt uiten en die +tegelijkertijd den wijsgeerigen denker en den minder hoog +ontwikkelde bevredigen kon. Eindelijk gaf de kennisneming van +sommige denkbeelden onzer voormalige Perzen, maar vooral ook die +van de vroegere dichterlijk wijsgeerige voorstellingen uwer aloude +zangers, Koelloeka! mij eenigermate aan de hand wat ik eigenlijk +zocht. Ik bedoelde de u welbekende voorstellingen van de Zon en +het Vuur, en die bespiegelingen over de meest in 't oog vallende +verschijnselen van het licht en de warmte, die in den aanvang +misschien onduidelijk en verward schijnen, maar wél bezien, eene +verhevene waarheid bevatten, eene waarheid die de wetenschap van +later eeuwen welligt nog door hare uitkomsten tot hoogere +zekerheid zal verheffen.--Ziet!--vervolgde Akbar, terwijl hij +nader trad bij de galerij aan de open zijde van het vertrek, en +naar de langzaam ten ondergang neigende zonneschijf wees,--daar +verlaat ons weder de glorierijke vertegenwoordiger van alle licht +en leven op aarde om morgen weer te keeren in schitterender glans! +Vroegere geslachten vereerden hem als een God en zagen biddend tot +hem op; voor de Wijzen van ouds was hij 't verheven zinnebeeld van +het levensbeginsel zelf in het heelal en van die ééne alles +doordringende kracht, die woont in al het bestaande, en zich uit +in hare oneindige verschijnselen. En is het niet licht en warmte +inderdaad wat in alles leeft en alles bezielt, en zonder 't welk +niets zou kunnen zijn? In het zonlicht, in maan en sterren, in de +bliksemstraal, in het vuur dat wijzelf ontsteken in den haard, in +het licht dat wij doen ontbranden op onze luchters zien wij de +meest onmiddelijke verschijnselen van die kracht, nu eens +weldadig, dan weer vreeselijk en vernielend; maar ook in den +grond, in de planten, in mensch en dier, in lucht en water is +diezelfde kracht steeds aanwezig, al merken we haar niet telkens +daarin op; en welk verschijnsel in één woord, waarin ze niet +voortdurend op eene of andere wijze wordt waargenomen? Is nu dit +alles werkelijk aldus, zou het dan al te zeer eene speling der +dichterlijke phantasie mogen heeten, indien wij die ééne kracht +tot zinnebeeld kozen van die eenheid en dat leven waarvan gij, +Feizi! zoo aanstonds ons gesproken hebt? En nu is onze vriend +Aboel Fazl, wien ik mede de vraag voorlegde, het niet alleen +hierin met mij eens, maar hij heeft mij ook op het denkbeeld +gebragt, om het met mijne nieuwe of, wilt ge, aan de ouderen +ontleende leer,--altijd uitsluitend door redelijke overtuiging, +nooit anders,--bij het volk te beproeven en te zien of zij niet +het velerlei bijgeloof zou kunnen vervangen dat nu nog zoo +algemeen heerschend is. Een naam was er noodig om die leer te +onderscheiden van andere en, hoewel nu een naam nooit volkomen het +geheele begrip kan uitdrukken, scheen ons toch die van Tauhid i +Ilahi, de Eenheid der Godheid, dat is dan van het Alwezen en zijn +Albestaan, een niet ongeschikte. Ceremoniën, uitwendige +vertooningen blijven voor 't overige geheel buitengesloten, ten +ware gij een eenvoudige symbolische vereering van de zon gedurende +den dag en in den morgenstond, en van het licht in den nacht, door +onderlinge zamenspraken en geschikte lofzangen, een uitwendige +eeredienst mogt noemen.--Van dit een en ander--zoo besloot de +Keizer,--had ik tot dusver u beiden wel eens nu en dan een wenk +gegeven, maar 't nog niet nader voor u ontwikkeld. De tijd scheen +mij daarvoor thans gekomen. En nu, zegt mij openhartig uw +gevoelen! + +Geen der beide vrienden scheen nog zoo aanstonds geneigd, aan de +uitnoodiging te voldoen. Ten laatste brak Koelloeka het +stilzwijgen. + +--Wijze vorst!--zeide hij,--vergeef het ons zoo wij niet +onmiddelijk met ons antwoord gereed zijn. Uwe belangwekkende +mededeelingen eischen wel een oogenblik nadenken. In het plan door +u ontwikkeld ligt veel aanlokkelijks, doch, naar mijn bescheiden +meening, ook veel wat bedenkelijk schijnt. De betrekkelijke +juistheid en de verhevenheid uwer zinnebeeldige, voor een deel aan +onze oude zangers en wijzen ontleende leer, zal ik de eerste zijn +toe te geven. Maar, moet ik tevens vragen, is er niet groot gevaar +dat diezelfde symbolen, eenmaal onder het volk gebragt en door de +menigte aangenomen, gesteld dat dit geschieden zou, toch spoedig +weer hun oorspronkelijke beteekenis zouden verliezen en alles ten +slotte weer op een geheel uitwendige gansch werktuigelijke +vormendienst zou nederkomen? Bedenken wij het wél, dat ongeveer +diezelfde leer, die gij thans zoudt wenschen te verkondigen, reeds +eenmaal werkelijk tot het geloof van sommige volken behoord heeft. +En wat is er van geworden?... Maar niet in later dagen alleen, ook +in die overoude tijden reeds, waarop gij u beroept, ontstond er al +een twijfel omtrent het voorwerp van vereering; en, evengoed als +menig godvruchtige onzer dagen, vroeg ook toenmaal reeds het vroom +gemoed: + +"Hij die adem, Hij die kracht geeft, + Wiens gebod wordt vereerd door Deva's, door allen, + Wiens schaduw is de onsterflijkheid, + Wiens schaduw is de dood,-- + Wie is die God, wien het offer wij brengen?" + + +Ook toen dus had men blijkbaar weer niet genoeg aan dien Soerya, +de Zon, en aan Agni, het Vuur, als beeld of vertegenwoordiger der +ééne levenskracht. En zal nu aan de Tauhid i Ilahi een gelukkiger +toekomst zijn beschoren dan aan de vuur- en zonnedienst der +geslachten, die ons zijn vooraf gegaan? + +Akbar gaf geen dadelijk antwoord.--En gij, Feizi!--vroeg hij,-- +wat is uw gevoelen omtrent de zaak? + +Weinig of niets--antwoordde Feizi,--heb ik tot nog toe te voegen +aan 't geen onze waardige vriend daar in 't midden heeft gebragt. +De twijfel, waarvan hij gewaagde, werd trouwens in die oude +tijden, tot welke de voormalige zonnedienst moet worden +teruggebragt, ook vrij wat sterker nog uitgesproken dan in het +door hem aangehaalde Veda-lied. Een ander dichter van die dagen +toont reeds voldoende, in 't geheel niet meer te weten waaraan hij +zich eigenlijk houden zal.--Wie weet het,--vraagt hij,-- + +"Wie weet het, wie verklaart het ons, + Vanwaar dit Al ontstond? + De Deva's zelf zijn later dan zijn wording, + Wie dan, die weet, van waar dit Al ontstond. + + + Van waar 't ontstond, en of een Wezen 't schiep + Of niet,--dat slechts weet Hij, + Die, alles ziende, in gindschen hemel troont. + Hij weet het, of... ook Hij zelfs weet het niet!" + + +De twijfel schijnt dus al haast even oud als de godsdienst zelve. +Maar dat nog daargelaten! En gezwegen ook van den haat en de +tegenwerking, die een hervormer, ook de meest humane, steeds van +zijne tijdgenooten te wachten heeft, en waarvan wij ook hier reeds +de verschijnselen kunnen opmerken, voor zoover 't een en ander +omtrent de nieuwe leer onder 't volk is bekend geworden. Ik weet +dat een Akbar daarvoor niet bevreesd kan zijn. Maar het andere +gevaar, waarop Koelloeka wees, mag waarlljk niet te ligt worden +geteld. Het gevaar dat de min ontwikkelde menigte, zoodra er maar +weer een naam genoemd wordt, 't zij dan Allah, 't zij een andere, +daaraan terstond weer eene persoonlijke beteekenis zal hechten en +de persoonsverbeelding als onderscheiden van het Alzijn zelf gaan +beschouwen. En dan is het natuurlijk ook weer gedaan met die +Eenheid der Godheid, zooals gij die werkelijk bedoelt. En wat hebt +gij dan eigenlijk uitgerigt, wat zijt gij verder gekomen? + +--Maar Feizi!--vroeg Aboel Fazl,--wat zoudt gij zelf dan wel +verlangen om het volk wijzer en verstandiger te maken? Hoe die +hervorming der begrippen tot stand te brengen, die de Keizer +beoogt? + +--De groote wijsgeeren--was Feizi's antwoord,--der natie die ginds +het noord-oostelijk grensland, China, bewoont, en wier beschaafden +sinds lang in 't geheel geen godsdienst meer belijden, hebben, +waar het volksverlichting en volksontwikkeling gold, één groot +beginsel verkondigd dat zoo eenvoudig mogelijk schijnt en toch +door ons nog maar al te veel uit het oog wordt verloren: Vóór +alles volksonderwijs! Ziedaar het eenige, maar ook volkomen zekere +middel. Het werkt langzaam, 't is waar, en wie op groote schaal +het begint toe te passen, ziet zelf niet ligt de uitkomst; maar +deze is niettemin onmisbaar op den duur, terwijl elke verkondiging +van eene meer of min met zinnebeelden getooide leer, 't zij dan +met of zonder openbaringsgezag, wel voor een tijd kan bloeijen, +doch in 't einde steeds weer verbastert, of, zoo dit al niet +gebeurt, toch weer ophoudt aan de geestelijke en zedelijke +behoeften der menschen te voldoen. + +--Er schijnt veel waars in 't geen gij zegt,--sprak Akbar ten +slotte,--en ik wil dat alles in zeer ernstige overweging nemen. +Welligt ook zullen wij in elk geval onze leeringen tot enger +vriendenkring moeten beperken en zal hare invoering onder het +eigenlijke volk op onoverkomelijke bezwaren blijven afstuiten. +Niettemin, ik geef mijn lievelingsdenkbeeld nog zoo terstond niet +op, gelijk gij dat ook wel niet verwachten zult. Wij moeten er nog +eens nader over spreken. Doch voor heden genoeg! Staatszorgen +roepen ons straks weder tot onze meer gewone werkzaamheden. Ik +dank u inmiddels, mijne vrienden! voor uw onderhoud; u, Aboel +Fazl! voor uwe ondersteuning, en u beiden voor uwe opregte en +welgemeende tegenspraak! + +En na afscheid van den Keizer te hebben genomen begaf zich Aboel +Fazl met de beide anderen naar zijn paleis om daar, in hunne +tegenwoordigheid, het verslag der twee verspieders aan te hooren. + + + +TWAALFDE HOOFDSTUK. + +Aanslagen + +'t Was een vrolijke, tamelijk frissche morgen, toen Siddha met een +paar zijner ruiters den weg naar Fattipoer opreed om derwaarts +eenige brieven over te brengen, die men aan geen eenvoudigen bode +had kunnen toevertrouwen. De zon scheen helder zonder nog te +branden, in de boomen zongen de veelkleurige vogels, en in de +takken sprongen eekhorens en kleine apen al spelend heen en weder. +De gansche natuur scheen iets opgeruimds, iets levenslustigs te +vertoonen, wat haar anders in die streken zelden eigen pleegt te +zijn; en ook de landlieden, die men onderweg ontmoette, hadden den +hun gewonen loomen en slaperigen gang voor een levendiger tred +verwisseld, als deelden ook zij in de opgewektheid die daar alom +scheen te heerschen. + +Wie daar echter volstrekt niet aan deelnam was onze voorheen zoo +levenslustige Siddha. Somber veeleer en in gepeins verloren reed +hij voort, en zwijgend ook volgden hem zijne onderhoorigen. Wél +scheen hij een ander mensch geworden sinds den tijd toen hij voor +'t eerst in Agra kwam, en met Parviz en zijne vrienden schertste, +en met deelneming zooal niet met belangstelling naar de +vertrouwelijke mededeelingen omtrent de edele dochter van den +schatmeester luisterde. En wel ook had Parviz dat niet zonder +verwondering opgemerkt; maar bescheidenheid had hem weerhouden +naar de aanleiding te vragen of onderzoek te doen. Te dieper +intusschen gevoelde Siddha het zelf, hoe anders het met hem +geworden was. Hoe anders inderdaad dan den dag toen Koelloeka hem +moedig en luchthartig voorwaarts zag springen met zijn hengst, als +dacht hij de wereld te gaan veroveren, en vrolijk hem den +geliefden naam zijner toekomstige bruid hoorde uitroepen! Hoe +anders nu dan toen een enkele kus van Iravati hem de zaligheid +scheen, en hij nog niet geleerd had te smachten naar de +hartstogtelijke omarmingen eener Rezia! Toen hij nog rein was van +gemoed en zich nog niet te schamen had over zichzelven omdat hij +aan verraad en trouwbreuk en schandelijke ondankbaarheid zich had +schuldig gemaakt! + +Somber vooral ook waren ditmaal zijne gedachten, daar zich heden +meer dan ooit zekere vermoedens bij hem opdrongen, die meer dan +eens, hoewel nog onbestemd, aan zijn geest zich hadden voorgedaan. +Was Rezia zelve hem wezenlijk getrouw of behandelde zij hem niet +anders dan den echtgenoot, die toch zooveel meer dan hij hare +liefde verdiende? Of Selim werkelijk enkel om staatkundige redenen +haar bijwijlen opzocht, dan of ook andere hem naar Feizi's +vrouwenvertrekken voerden? En dan die zamenzwering waarin hij, +Siddha, hoe langs hoe meer gewikkeld werd! Ook deze begon een niet +weinig dubbelzinnig karakter voor hem aan te nemen, sinds hij toch +langzamerhand wel begon in te zien, dat het in 't geheel niet om +de onafhankelijkheid van zijn vaderland alleen, maar tevens, zoo +niet uitsluitend, om gansch iets anders te doen was. En had ook +Rezia hem niet meer dan eens reeds, naar hare eigene bekentenis, +misleid? En wat reden dan om aan te nemen, dat ze hem nu de +waarheid en niets dan deze had meegedeeld? In welke nieuwe +verwikkelingen had hij zich dan gestoken, en tot welke misdrijven +liet hij zich misschien als werktuig gebruiken! + +Een uitroep van een der ruiters deed hem opschrikken uit zijne +mijmering, en de rigting der lans volgend, waarmee de krijgsman +naar een punt in de verte wees, ontwaarde hij daar een groep +mannen te paard, die, naar hunne bewegingen te oordeelen, met +elkaar in gevecht moesten zijn. + +--Voorwaarts!--riep Siddha, en zijn paard de sporen gevend snelde +hij in vollen ren, door de twee anderen gevolgd, naar de plaats +van den strijd. Naderbij gekomen herkende hij, tot zijne niet +geringe verwondering en schrik, in een dier mannen Aboel Fazl, en +in dengene die hem met zijn sabel zocht te treffen Narasinha, een +Radja, dien hij zich herinnerde meermalen en onder anderen ook bij +Prins Selim te hebben ontmoet. + +Inmiddels hadden de volgelingen van den Radja de nieuw aankomenden +al spoedig in 't oog gekregen, en een vijftal rende hen aanstonds +te gemoet. De schok tusschen Siddha en den voorsten ruiter was +geweldig en in een oogwenk lag deze, de borst door de spoor zijner +tegenpartij doorboord, met zijn paard op den grond. Onmiddelijk nu +trok Siddha zijn sabel en bragt daarmee den volgende een houw toe, +die hem aanstonds uit den zadel deed tuimelen. Maar zwaarder werk +had hij met den derde, die even als hij een geoefend ruiter en +zeer behendig met de sabel bleek te zijn. En terwijl zijne beide +volgelingen de twee anderen bezig hielden, kwamen er weer nieuwe +aanrijden om hunne makkers bij te springen. De kansen begonnen dus +hagchelijk voor onze drie mannen te staan, toen het Siddha +eindelijk gelukte zijn vijand een zwaren slag in den hals toe te +brengen en hem daardoor buiten staat van gevecht te stellen; en +juist toen de strijd met de nieuw bijgekomenen stond te beginnen, +klonk er een bevel dat hen gebood om te keeren. Terstond wendden +zij den teugel en reden naar de hunnen terug. Maar in hetzelfde +oogenblik toen zijne tegenpartij gevallen was en hij de overigen +te hulp zag snellen, had Siddha ook Aboel Fazl de armen zien +uitbreiden, terwijl de sabel hem ontviel, en achterover storten +van het paard. Een kort oogenblik later had Narasinha zijne +helpers teruggeroepen en rende nu met al zijne volgelingen over de +vlakte voort. Siddha's eerste beweging was, de moordenaars na te +rijden, maar spoedig begreep hij met zijn twee ruiters, waarvan er +een ook gekwetst was, toch voor 't oogenblik niets te kunnen +uitrigten, terwijl de vier dienaren van den Minister eveneens +verslagen op het veld lagen uitgestrekt. Daarenboven eischte Aboel +Fazl zijne zorg. + +Snel van zijn paard gesprongen, dat hij aan de anderen overgaf, +knielde hij nevens den gevangene, en diens kleeding losmakend +trachtte hij zoo goed mogelijk het bloed te stelpen dat uit de +breede en waarschijnlijk ook diepe borstwond vloeide. Tot zijne +blijdschap sloeg Aboel Fazl de oogen op, en toonde duidelijk hem +te herkennen. De vreugde was echter kort van duur. + +--Uwe hulp, mijn brave Siddha! komt te laat,--sprak met zwakke +stem de gewonde;--met mij is het gedaan en met mijn arbeid voor +den Keizer en zijn rijk.... Eén laatst bevel nog! Laat voor Akbar +de naam van den waren moordenaar verborgen blijven als gij dien +soms vermoedt.... + +--Narasinha--antwoordde Siddha,--was, ik onderstelde het dadelijk, +alleen zijn huurling. De ware moordenaar is.... + +Maar toch aarzelde hij den naam uit te spreken. + +--... Selim!--vulde Aboel Fazl aan; men had mij reeds van ter +zijde voor hem gewaarschuwd. + +Afgemat zonk de stervende, door Siddha's arm gesteund, achterover. +Maar toen een weinig later het bewustzijn voor eenige oogenblikken +terugkeerde, vond hij nog de kracht, schoon de stem hem bijna +begaf, een laatsten groet aan dien keizerlijken vriend te rigten, +dien hij zoo trouw en met zooveel ijver gedurende zijn leven had +ter zijde gestaan. + +--Zeg aan Akbar,--sprak hij,--dat mijne laatste gedachte aan hem +is geweest. En zeg hem ook, dat ik sterf in de vaste overtuiging +omtrent de waarheid dier beginselen, die wij zoo menigmaal, ook +nog gisteravond, te zamen bespraken.... Den zonneglans zie ik +nauwelijks meer, en wel gevoel ik dat het licht nog in mij leeft, +maar ook daar zal het straks zijn uitgedoofd .... Doch ik beklaag +mij niet! Ik geloof in staat te zijn geweest iets ten nutte mijner +medemenschen te verrigten, al was het minder dan ik had gewenscht. +En daarom sterf ik tevrede. Zorg ook gij, mijn jonge vriend! dat +gij eenmaal hetzelfde moogt zeggen!...--En nu vaarwel!--fluisterde +de Vizier na nog eene korte pauze terwijl hij den ander zacht de +hand drukte .... + +Het hoofd viel voorover op de borst en weldra gevoelde Siddha dat +zijn arm niet meer steunde dan een lijk.... + +Ver van de plaats waar dit alles voorviel, werd omstreeks +denzelfden tijd een ander drama gespeeld, dat met het zoo +aanstonds beschrevene in sommige opzigten veel overeenkomst +vertoonde, schoon het in andere niet weinig daarvan verschilde. + +In het gebergte van den Himâlaya, en voornamelijk in den omtrek +van den Bhadrinâth, had gedurende verscheidene dagen een drukkende +warmte geheerscht. Wel waren des avonds nu en dan donkere +regenwolken, de weldadige hemelkoeijen, verschenen om de dorstende +aarde te drenken; maar de booze Vritra, de donkere daemon, had ze +telkens weer weggevoerd, en des anderen daags keerde ook de +zonnehitte terug om veld en planten te verschroeijen. Eindelijk +rustte de magtige Indra, de Koning des hemels, zich uit ten +strijde. Wederom kwamen tegen den avond de wolken, en wederom +zocht de daemon ze te vermeesteren; maar thans greep Indra zijne +bliksemschicht, en ratelend weerklonk, honderdvoudig door de +bergen weerkaatst, de eerste, geweldige slag. Wel voelde zich +Vritra getroffen, maar nog gaf hij den strijd niet op, en nog +verkwikte geen enkele regendroppel de smachtende natuur. Toen +daalden keer op keer de vreeselijke slagen op zijn hoofd, en +verlichtten de bergtoppen en de heuvelen en dalen met verblindenden +glans, terwijl onophoudelijk de donder bleef rollen, en hooge boomen +werden doorkliefd, en zware rotsblokken neer werden geslingerd in de +ravijnen. Nu ook viel de regen in digte stroomen neder, en beeken en +bergstroomen begonnen te zwellen en zochten ruischend hun weg naar de +meren in de valleijen. Eindelijk, tegen 't vallen van den nacht, +bedaarde de vreeselijke strijd, de regen hield op, het weerlicht +flikkerde slechts nu en dan nog in de duisternis, en geen ander geluid +brak de stilte dan het klateren van het water, dat van de hoogten naar +de dalen vloeide. + +Thans trad ook Gaurapada, de kluizenaar, naar buiten en, met +welgevallen de frissche met de heerlijkste geuren bezwangerde +lucht inademend, zette hij zich neder onder het vooruitstekend, +met jasmijn en rozen begroeide afdak aan de voorzijde zijner +woning. In eene aangename stemming bragt hem een tijdlang de +zachte en kalme rust der wederoplevende natuur, terwijl het +aloude, eeuwenheugende wolken-epos met zijn Indra, den Vritra- +dooder, tot held, hem nog voor den geest bleef zweven als ware 't +eerst gisteren gedicht; maar toch begonnen ook spoedig weer +sombere en verontrustende gedachten zich aan hem op te dringen. +Koelloeka had in den laatsten tijd hem berigten uit Kaçmir en Agra +gebragt, die hem met geene geringe bezorgdheid vervulden voor de +toekomst van zijn nog altijd zoozeer geliefd vaderland. + +--En zoo moet het--dus overlegde hij,--dan toch eindelijk tot +datgene komen, wat ik zoolang gevreesd heb en wat ik zocht af te +wenden door mijne jarenlange vrijwillige ballingschap! Een vreemde +overheerscher staat binnen te dringen in ons ongelukkig land, en +onze eigene rampzalige twisten banen hem den weg. Hij heeft +gelijk, van zijn standpunt; hij moet de orde herstellen in een +naburigen staat, die zijn rijk onophoudelijk blijft verontrusten, +en kan dat niet met eerbiediging van 's lands zelfstandigheid, dan +moet het geschieden door onderwerping. Maar wij! Of er dan +wezenlijk niets meer aan te doen zou zijn?--Neen!--ging hij voort +in zijne gedachten,--dat denkbeeld van Koelloeka, die mij terug +wilde doen keeren, opdat ik, door Akbar misschien gesteund, het +bestuur weer mogt overnemen van mijn te zwakken broeder, neen, dat +deugt werkelijk niet! Mijn wederoptreden zou enkel een tijdelijk +redmiddel zijn, indien het dat al was. En ik ben ook te oud +geworden en ongeschikt om weer te gaan regeren; althans daar, waar +jeugdige kracht vóór alles zou worden vereischt. Lang ook kan het +met mij niet meer duren.... Mijn hoofd is moede en verlangt zich +neer te leggen ter ruste. Ik wensch sinds lang reeds naar het +oogenblik, dat ik zal mogen ingaan tot die vereeniging met het +Oneindige Brahma, waaraan wij allen ons kort afzonderlijk bestaan +ontleenen, en waartoe wij allen eenmaal wederkeeren .... + +En langzaam sloot Gaurapada de oogen, terwijl hij zich uitstrekte +op het zachte en frissche bed van mos. Een lichtstraal, die voor +een oogenblik de gansche vallei en het meer daar omlaag bescheen, +wekte hem weder en deed hem zijne overpeinzingen nog een oogenblik +hervatten. + +--Ook is het misschien nog het beste,--zoo dacht hij wederom,-- +dat het maar gaat zooals 't nu eenmaal bestemd schijnt te zijn. +Ons volk verarmt, komt tot verval, wordt ellendig onder dien +telkens vernieuwden partijstrijd, waarvan toch het eind nooit te +voorzien schijnt. Kwam het eenmaal weer onder een goed en ordelijk +bestuur, zijn industrie en zijn handel zouden herleven, zijne +voormalige welvaart kon nog terugkeeren. En Akbar is een +verstandig en een regtvaardig vorst, die zijn onderdanen gelukkig +weet te maken, en dien heden de volken zegenen, die te voren zich +nog verzetten tegen zijne heerschappij. En toch is het hard voor +een land zich van de vrijheid te zien berooven, waarop het sinds +vele eeuwen trotsch mogt zijn! Ach, dat het mij gespaard ware +geweest dit te beleven van mijn eigen land! + +Nogmaals leunde hij 't hoofd achterover met een zucht, tot hij ten +laatste, half werktuigelijk nog luisterend naar het ruischen der +beek, in een ligte sluimering verviel. Alles scheen in diepe rust, +heinde en ver. Niets meer kon den slaap van den grijsaard storen. +Slechts nu en dan vernam hij in zijn nabijheid het gonzen van een +insect en meende hij dat het streek langs zijn gelaat. Ook beving +hem een zonderlinge gewaarwording, een onverklaarbaar gevoel alsof +hij niet alléén was. Nog eemnaal zag hij op, maar hij ontwaarde +niets, en ook het insect scheen door zijn beweging verjaagd. Na +eenigen tijd kwam het echter terug en ging weder en keerde, totdat +de sluimerende er geen acht meer op sloeg en zich geheel overgaf +aan een nu onoverwinnelijken slaap. + +Toch was deze zoo zwaar niet, of de minste aanleiding kon hem +daaruit wekken. En eensklaps greep hij naar zijn hals, waarom hij +vlug een koord voelde slingeren, en met de eene hand het koord +vattend, tastte hij met de andere om zich heen. Aanstonds +ontmoette hij een koud en glibberig, als met olie bestreken +ligchaam, en nu, van het koord zich bevrijd gevoelend, greep hij +met beide handen het ligchaam aan. Maar hoe vast hij de nog +krachtige vuisten er om heen zocht te klemmen, toch gleed het hem +door de vingers en scheen hem te ontsnappen .... Daar klonk +plotseling in de stilte van den nacht een rauwe kreet, beantwoord +door een dof gebrul, en in zijn onmiddelijke nabijheid zag +Gaurapada een paar vurige, heen en weder rollende ballen +glinsteren.... Nog een kort oogenblik en het weerlicht deed hem +terstond Hara, zijn tijger, herkennen, die, met den geweldigen +klauw op een donker menschelijk ligchaam, vlak vóór hem lag +uitgestrekt. + +Op het vernemen van den kreet was inmiddels de dienaar toegesneld +met een licht dat in het binnenvertrek stond te branden, en bij +het schijnsel overtuigde zich weldra Gaurapada dat zijn gezicht +hem zooeven niet bedrogen had. Onmiddelijk begreep hij nu ook wat +er was voorgevallen. De man, die daar lag, had beproefd hem te +worgen, maar tijdig had hij 't koord nog gevoeld en zijn tijger, +door instinct of hoe dat heeten mogt gedreven, moest den Worger +even onbemerkt zijn nageslopen als deze den kluizenaar genaderd +was. + +--Terug, Hara!--riep nu Gaurapada, opspringend en den tijger in +den nek grijpend,--terug, zeg ik! + +Eerst bleef het dier nog onbewegelijk, maar gehoorzaamde ten +laatste, schoon blijkbaar onwillig, aan de stem van zijn meester, +trok den klauw terug en ging zich grommend op zekeren afstand +nederleggen. + +Met behulp van den dienaar rigtte nu de kluizenaar zijn gevallen, +door den tijger met één slag in den rug gevelden vijand van den +grond, en legde hem, toen hij zich overtuigd had dat hij nog +leefde, voorzigtig op het mos. + +--Ik ken dien man,--zeide hij, een weinig nader hem beschouwend;--ik +bewees hem indertijd, toen ik nog magtig was, menige weldaad en gunst. +Wat hem nu gedreven kan hebben tot een zoo verraderlijken aanval? + +Op dit oogenblik zag de gewonde, die Gaurapada's woorden verstaan +had, op, en den kluizenaar lang en opmerkzaam aanstarend, +fluisterde hij, blijkbaar met verbazing: + +--Nandigoepta!... Kan het mogelijk zijn? + +--Nandigoepta inderdaad!--antwoordde de ander;--maar gij, wat +bewoog u, mij naar 't leven te staan? + +--Mijn Heer en mijn Vorst!--sprak de Worger, voor enkele +oogenblikken nog met vaste stem,--ik zweer u bij den magtigen çiva +en zijne heilige echtgenoote! dat ik niet wist wie gij waart en u +lang gestorven waande. Had ik 't geweten, ik zou de kracht niet +hebben gehad aan 't bevel van Doerga te voldoen, welke dan ook de +straf van hare ongenade mogt zijn. Maar gelukkig heeft zij zelve +uw dood niet gewild, en dien tijger gezonden om mijn leven als +offer in de plaats van het uwe te nemen. Geloofd zij haar naam! + +Uitpuiting verhinderde den gewonde voort te gaan. Met den dienaar +wiesch en verbond Gaurapada hem zoo goed mogelijk den vreeselijk +ontvleeschden rug, waarin de klauw van den tijger diep was +doorgedrongen, en toen, na hem te drinken te hebben gegeven en +ziende dat hij zich een weinig begon te herstellen, vroeg hij +verder: + +--Maar nog eens dan. Wat of wie dreef u tot die daad? En indien +gij zelf niet eens wist wie ik was, wie heeft u dan gezegd, dat +Doerga mijn dood verlangde? + +--Gorakh, de Yogi!--was het antwoord. + +--Ha! die schurk!--mompelde Gaurapada;--dan zit er stellig nog +meer achter.--Gij zijt dus,--vervolgde hij,--naar ik bemerk, een +Worger geworden. Dan beklaag ik u om uw treurige verblindheid. +Maar was ik de eenige, dien Gorakh u aanwees als uitverkoren +offer? + +De pijn verhinderde eenige oogenblikken den gewonde te antwoorden, +schoon op zijne strakke gelaatstrekken niets daarvan te lezen +stond. Toen antwoordde hij, met tusschenpoozen sprekend: + +--Ook de eerste Minister in Kaçmir, de broeder van Salhana, werd +daartoe uitverkoren. Maar hem te dooden is opgedragen aan mijn +broeder, die u ook wel bekend is, en alleen als hem de aanslag +mislukte, zou die uitgevoerd worden door mij. + +--En is uw broeder reeds sedert lang naar Kaçmir gegaan? + +--Hij verliet mij gisteren op eenigen afstand van hier en ging +toen voort naar het Noorden. + +--Te voet? + +--Ja! + +--En zijn er nog anderen van de uwen, die met deze bevelen omtrent +den Minister en mij bekend werden gemaakt? + +--Geen anderen. Eerst als blijkt dat wij niet zijn geslaagd, wordt +de last aan anderen overgedragen. + +Gaurapada wenkte, zijn dienaar en trad een weinig met hem ter +zijde. + +--Ga--sprak hij,--en zadel terstond uw paard! Gij zult spoedig een +reis hebben te ondernemen. + +Een zacht, schoon bedwongen gekreun riep hem bij den gewonde +terug, nadat zijn dienaar zich verwijderd had. + +--Heer! sprak fluisterend gene,--ik heb nog maar enkele +oogenblikken te leven.... Maar verleen mij nog ééne gunst na de +vele, die ik van u genoot!... Zeg mij, dat gij mij vergeeft! + +--Ik vergeef u, arme man!--antwoordde Gaurapada;--ik weet het nu, +dat gij een werktuig waart en niets anders. + +--Dan sterf ik gelukkig!--hernam de Worger;--en met een voorsmaak +der zaligheid ga ik in tot het eeuwige leven. Door het wonder dat +de Godin aan u verrigtte, en door tevens mij aan te nemen als +offer, heeft zij getoond dat hare genade u en mij verzekerd is... +--Heilige, driewerf heilige Doerga!--riep hij, als op eenmaal door +nieuwe kracht bezield en met opgeheven armen zich omhoog rigtend, +met luider stem,--ontvang mij in den tempel uwer glorie! Ik kom!-- +Toen stortte hij weer achterover, strekte de armen uit en lag +bewegingloos. De geloovige volgeling van de Godin der Vernieling +was niet meer.... + +Geruimen tijd nog bleef de kluizenaar op het zielloos ligchaam +staren, waaraan de akelige magerheid, de donkere kleur en de met +wit en rood op het voorhoofd geteekende drietand van çiva een +spookachtig aanzien gaven bij het weifelend licht. + +--Tot wat--prevelde hij in zichzelf,--de godsdienst al niet leiden +kan! Hoe zij van anders goede en onbedorven lieden soms +misdadigers en moordenaars en krankzinnigen weet te maken! Toch +was die man op zichzelf nog geenszins te beklagen; hij stierf als +martelaar, met de volle en onwrikbare overtuiging, eene eeuwige +zaligheid straks deelachtig te worden. Maar die huichelaars, die +eervergeten schelmen, als die Gorakh, die zulke onnoozele zielen +tot werktuig voor hun vloekwaardige ondernemingen gebruiken! Wat +van dezen? Wat verdienen zij anders dan dat men een verdelgingskrijg +opene tegen hen?...--Doch neen!--hernam hij, 't hoofd schuddend,--dat is +toch ook het regte niet! Geen genade waar het misdrijf of de poging +daartoe gebleken is, maar geen vervolging ook zoolang het bij dreigen +blijft! Want wie kan bepalen, wanneer een godsdienst-secte gevaarlijk +en schadelijk wordt en tot op welke hoogte zij het nog niet is?... + +De terugkeerende dienaar kwam de overdenking van Gaurapada +afbreken. + +--Help mij--sprak deze,--den man begraven, die daar ligt; hij is +dood, en ik wil niet dat Hara hem gaat verslinden, die 't anders +zeker wel gaarne doen zou. En dan, als wij er mee gereed zijn, te +paard! Haast u naar Kaçmir, om den Minister te waarschuwen omtrent +hetgeen wij zoo straks vernomen hebben, en zorg dat men den +broeder van dezen man, dien gij ook wel gekend hebt, zoodra +mogelijk op 't spoor kome, om hem in zijn voornemen te verhinderen +en te beletten dat hij met iemand anders van de zijnen in +aanraking komt. Kunt gij, zoek dan nog uit te vorschen waar Gorakh +zich bevindt. Dien spare men geen oogenblik als hij gevonden is! +De ellendeling heeft dubbel en dwars den strop verdiend, dien hij +om den nek van anderen doet slaan. + +--Doch, geëerde Meester,--vroeg de dienaar aarzelend,--wilt gij +hier nu zoo geheel alléén blijven in de wildernis? Men schijnt uw +schuilplaats ontdekt te hebben, en zal dus misschien nieuwe +dergelijke aanvallen op uw leven beproeven. Moet ik nu juist van +hier, nu ik misschien voor u waken kon? + +--Mijn beste vriend!--antwoordde Gaurapada glimlagchend,--maak u +over mij niet bezorgd! Wat, vooreerst, is mijn leven in +vergelijking van die grooter belangen, die van een wél en spoedig +slagen uwer zending kunnen afhangen? Maar bovendien ben ik hier +alléén haast even veilig als met u tot waker. Ten minste zoolang +Hara leeft. Gij hebt het gezien dat hij wakker genoeg is, en in 't +vervolg zou ik ook geen van die bruine naaktloopers meer raden +zich hier in de buurt te vertoonen. Hara kent dat slag van volk +nu, en hij zou ze stellig niet ongedeerd laten als ze hier kwamen. +Staat uw paard gereed? + +--Ja, Heer! + +--Nu, straks dan voorwaarts! Help mij nu eerst nog aan ons +werk!... + + + +DERTIENDE HOOFDSTUK. + +Afscheid + +De tijding van Aboel Fazl's dood had een overweldigenden indruk op +den Keizer te weeg gebragt. Het was alsof alles hem eensklaps +ontzonk wat tot heden zijn steun was geweest; en hij, de sterke +nooit versaagde man, die het hoofd had geboden aan de geweldigste +stormen, de grootste gevaren had getrotseerd, en telken male als +overwinnaar te voorschijn was getreden uit den strijd, hij voelde +zijn kracht als verlamd en zich bijkans onmagtig tegenover de +nieuwe verwikkelingen, die al wederom het rijk begonnen te +bedreigen. Het eenige besluit dat hij in de eerste dagen had weten +te nemen, was een streng bevel tot vervolging van Narasinha, den +moordenaar,--een bevel intusschen waaraan nooit uitvoering werd +gegeven, daar de Radja zich vér vandaar in volkomen veiligheid had +gesteld tot den tijd dat Selim den troon zou hebben bestegen, en +hem dan eenmaal zou overladen met zijne gunsten. Toch kon een man +van Akbar's karakter niet weekelijk gebogen blijven onder den last +der smart, hoe zwaar die ook drukken mogt. Eenige dagen sloot hij +zich op, en sprak hij met niemand dan Feizi en enkele zeer +vertrouwden; maar ten laatste vond hij toch weder den moed en de +kracht om anderen te woord te staan, die omtrent hun eigen +belangen of die van het rijk hem gehoor verzochten. Zoo ook met +het hoofd der Jezuïeten-missie, den Padre Aquaviva, die vóór zijn +aanstaand vertrek hem nog een bezoek wenschte te brengen. + +--Zoo, gaat gij ons dan weer verlaten, Eerwaarde Vader?--vroeg +Akbar, toen de Jezuïet bij hem was binnengeleid. + +--Ik moet wel, Sire!--antwoordde Rodolpho,--onze Provinciaal roept +mij naar Goa terug. Maar ik mogt niet vertrekken zonder Uwe +Majesteit nog mijn opregten dank te hebben betuigd voor de eer en +de gunsten hier door ons genoten, hoewel ik bijkans aarzelde nog +gehoor te vragen na het belangrijk, en zeker ook smartelijk +verlies, dat u getroffen heeft. Een waardig man en een trouw +vriend even als een bekwaam dienaar moet Aboel Fazl geweest zijn, +naar 't geen mij van hem bekend werd; en 't herdenken van zulk een +man is dan ook zeker nog een troost te midden van de droefheid....--Al +ware mij,--voegde hij een oogenblik later er aan toe,--al ware mij zulk +een troost niet genoeg. + +--Niet genoeg?--herhaalde Akbar verwonderd.--En wat hadt gij dan +meer nog verlangd? + +--Ik zou de overtuiging gewenscht hebben, dat hij gestorven was +reiner van ziel en in zaliger verwachting dan thans mogelijk was. + +--Aboel Fazl,--antwoordde de Keizer op ernstigen, maar kalmen en +waardigen toon,--Aboel Fazl was even rein van ziel als één uwer, +om niet meer te zeggen; en hij is gestorven zooals ik zou wenschen +te sterven. + +De Jezuïet wachtte of Akbar er nog iets zou bijvoegen, maar de +Keizer zweeg; en de toon van zijn antwoord duidde wel aan, dat +nadere verklaring te vragen voor 't minst zeer onvoorzigtig zou +zijn. + +--En denkt gij spoedig terug te keeren?--vroeg Akbar na eenige +oogenblikken het stilzwijgen weer afbrekend. + +--Dat zal afhangen van de bevelen die mij gegeven worden,-- +antwoordde Aquaviva;--wat echter mijzelven betreft, ik zie mij wel +genoopt, met hoeveel leedwezen ook, mijne zending herwaarts als +mislukt te beschouwen. + +--En waarom mislukt? Wordt gij hier niet voldoende beschermd, +bewijst men u niet de noodige eer, geniet gij niet de meest +volkomen vrijheid om te verkondigen wat gij wilt en te bekeeren +wie gij kunt? En telt gij dat nu voor niets, hier in een land waar +nog maar weinige jaren geleden, onder mijn voorgangers, ook de +geringste openbare prediking van uw leeringen u aan de doodstraf +zou hebben blootgesteld? + +--Sire!--antwoordde de Padre,--wij moesten al zeer ondankbaar +zijn, indien wij al deze belangrijke voorregten eenvoudig voor +niets rekenden. En toch, ik moet het herhalen, onze zending is, +wat haar hoofddoel aangaat, mislukt. Wél is u bekend, met wat +schoone, heerlijke verwachtingen wij vóór eenigen tijd in Agra +kwamen. De hooge en eerbiedige belangstelling door u in de gewijde +schriften en de gebruiken der Kerk aan den dag gelegd, had ons de +hoop doen opvatten dat het licht der waarheid ten laatste mogt +doordringen in uw diepdenkenden geest en uw edel gemoed. Wij +hadden gehoopt, wij hadden alhaast met zekerheid verwacht dat de +Kerk van Christus eenmaal in Shah Akbar een harer roemrijkste +zonen mogt begroeten, zoo niet den meest roemruchtige van allen! +Maar die hoop en verwachting, we mogen 't ons niet ontveinzen, +blijft ijdel. Kan dan niet met reden gezegd worden, dat onze +zending haar voornaamste doel heeft gemist? En toch... al blijft +er dan soms in enkele onzer leeringen hier of daar eenig bezwaar, +waartegen uwe wijsbegeerte zich nu nog verzet, nadere studie en +onderzoek mogten dat in 't eind misschien nog wel oplossen. Indien +gij slechts wildet aanvangen met op de groote weldaden te letten, +die de Kerk aan het Westen verzekerd heeft en die ook hier niet +zouden uitblijven, zoodra ze maar eens de magt bezat! + +--Met reden--hernam Akbar,--laat gij nu de eigenlijk dogmatische +vraagstukken ter zijde; ik vrees dat wij 't daarover toch nooit +eens zullen worden, en ik gevoel voor 't oogenblik ook geen +opgewektheid om daarover te redetwisten. Maar nu die weldaden, +waarvan gij spreekt! Ik geloof gaarne, en vind ook alle reden om +te gelooven, dat uwe Christelijke leer veel nut in de wereld +gesticht heeft, onder anderen door meer en beter dan de meeste +andere godsdiensten op de toepassing van het beginsel der +algemeene menschenliefde en zelfverloochening aan te dringen, +hoewel dan, gelijk wij u vroeger reeds aantoonden, dat alles +volstrekt niet uitsluitend aan uwe godsdienst eigen is. Maar bij +al dat nut komt toch, dunkt mij, ook niet weinig nadeel; of hebt +gij niet de meest geweldige onverdraagzaamheid gestookt, die de +wereld misschien ooit gekend heeft? Hebt gij, priesters! in uwe +eigene landen daar in het Westen, u niet opgeworpen tot tirannen +over het geweten uwer medemenschen? Hebt gij niet honderden en +duizenden tot worgpaal en brandstapel gedoemd, enkel omdat ze van +u over sommige geloofspunten verschilden? Noemt gij dat weldaden? +Zoo ja, dan hebt gij toch zonderlinge begrippen omtrent weldoen en +is uwe menschenliefde al van een heel vreemde soort.--En zeg mij!-- +vervolgde de Keizer, terwijl hij Aquaviva aanzag met een +doordringenden blik,--zeg! wat zoudt gij uitrigten met mij, +Akbar, dien gij nu zoo hoog heet te vereeren, indien ik eens +christen-onderdaan ware van een der vorsten, die gehoorzamen aan +uwe bevelen? Zoudt gij ook mij niet in de holen uwer kerkers +werpen en, als ik bleef volharden in zoogenaamd ongeloof, mij +uitleveren aan den regter om verwezen te worden naar het vuur? + +Bedremmeld trad de Jezuïet een schrede achteruit. Dergelijke vraag +had hij niet verwacht. En wat er op te antwoorden? Zeer zeker, het +kon niet worden ontkend dat er waarschijnlijk zoo met Akbar zou +gehandeld worden, indien de omstandigheden werkelijk waren zooals +hij ze nu voorstelde. + +--Maar, Sire!--stotterde ten laatste Aquaviva,--dat alles is nu +immers het geval niet! En wie kan zich Akbar, den grooten Keizer +van Hindostan, denken als onderdaan van een onzer vorsten? + +--Zeker, dat gaat niet; gelukkig voor mij! Doch uw antwoord +bewijst, dat mijne onderstelling volkomen juist was voor 't +gegeven geval. Maar nu een andere vraag! Wat zoudt gij eigenlijk +met mij willen uitrigten, nu ik Keizer van Hindostan ben? Gij +zoudt mij eenvoudig tot een van die vorsten willen maken, die u +onderdanig gehoorzaam zijn en die gij tot werktuigen gebruikt ter +handhaving van uwe kerkelijke dwingelandij. En daarom zijt gij +natuurlijk ook zoo erg gesteld op mijne bekeering. Welnu! ik zeg u +eens voor al: die zult gij nooit beleven. Zelfs, als ik voldoende +met de leer uwer Evangeliën in haar geheel instemde om haar +openlijk of heimelijk te omhelzen, ook dan nog zou ik niets willen +weten van uwe Kerk als zoodanig, wel beseffend wat noodlottige +gevolgen hare erkenning door den monarch voor den staat en zijne +burgers zou na zich slepen. + +--Dan--hernam Aquaviva,--blijft ons niets anders over dan te +bidden tot den Heer, dat een wonder van Zijne hand datgene +wrochten moge, wat onze ijverige maar nog te zwakke pogingen niet +tot stand mogten brengen. En dat gebed, ik ben er zeker van, zal +in 't eind niet onverhoord blijven. Bedenk het, gij oppermagtig +gebieder! dat zelfs de grooten der aarde niets vermogen tegen Hem, +en dat Hij ook straffen heeft voor degenen, die wagen Zijn wil te +weerstaan! Hij en Hij alleen zal zegevieren, en de poorten der hel +zullen de rots van Petrus niet overweldigen en Christus zal met +Zijn kerk zijn tot aan het einde der wereld! + +--Dat is zijne zaak!--riep nu Akbar uit, ten laatste een weinig +van zijn bedaardheid verliezend;--maar de mijne is, te waken voor +de vrijheid en de regten mijner onderdanen en hen te beschermen +tegen u zoowel als tegen moellah's of welke andere priesters of +schriftgeleerden dan ook. En daarom nog eens: Blijf hier of +vertrek! zooals gij wilt; predik wat gij goed vindt in mijne +landen; bouw er u kerken; en gij zult gelijke bescherming genieten +als de Mohammedanen in hunne moskeën en de Hindoe's in hunne +pagoden; maar wees tevens gewaarschuwd! Van het eerste oogenblik +dat ik u eenige vervolging zie instellen 't zij tegen uw eigen +bekeerlingen of tegen een ander, gelijk gij dat op de Malabaarsche +kusten reeds beproeft, van dat oogenblik af zijt gij verbannen uit +mijne rijken, en zoolang ik Hindostan regeer, zet geen der uwen +een voet meer op zijn grond. + +Met verbeten woede had de volgeling van Loyola die hooghartige en +beslissende woorden aangehoord; maar wat kon hij doen, wat bleef +hem te zeggen over? Te beklagen had hij zich in 't minst niet +tegenover den altijd welwillenden, volmaakt verdraagzamen vorst, +en den geduchten monarch te willen trotseren ware louter +krankzinnigheid. Zelfs geen martelaarskroon viel er bij te +verdienen. Bezigde hij, de hier volkomen magtelooze zendeling, +dreigende of ook oproerige taal, de Keizer zou gewis geen haar van +zijn hoofd krenken, maar hem met de zijnen naar Soeratta laten +brengen, hem daar in een schip laden en vervolgens met de meeste +beleefdheid in Goa aan land doen zetten. Of hij zou dat misschien +nog niet eens der moeite waard rekenen, maar hem eenvoudig +uitlagchen en de deur wijzen. Droevig en vernederend bewustzijn, +voorwaar, voor een lid van die elders zoo magtige en gevreesde +Orde, voor wie de volken sidderden, en Koningen en Pausen zelfs +gedwongen werden het hoofd te buigen in deemoed! + +Weldra echter brak Akbar zelf de overdenkingen van den +teleurgestelden en zwijgend vóór hem staanden missionaris af. + +--Eerwaarde Vader!--sprak hij nu weder op zijne gewone +vriendelijke wijze,--het is mij waarlijk leed, dat gij een +oogenblik mij genoopt hebt zoo rondborstig tot u te spreken en, +met meer klem dan ik tegenover u gewenscht zou hebben, mijn gezag +te handhaven in den strijd dien gij hebt uitgelokt. Maar ik wensch +u dan ook niet gramstorig te zien vertrekken. Ik vernam, ik leerde +van u en de uwen veel, waarvan de kennis mij bijzonder welkom was; +en daarvoor wil ik dankbaar blijven. Kan ik niet aan al uwe +wenschen voldoen, wees verzekerd dat het mij smart; en zoo wij +omtrent sommige zaken van elkander verschillen in gevoelen, meen +niet dat ik persoonlijk u daarom minder blijf hoogachten. Gij wilt +ons verlaten; het zij zoo! Maar laat het in vriendschap zijn! Laat +het geschieden in den geest van den verheven stichter uwer +godsdienst, die wel gezegd heeft dat hij geen vrede kwam brengen +maar het zwaard, maar wiens hoog en edel streven toch de stichting +van een rijk van vrede en van liefde onder de menschen was! + +Had Aquaviva een oogenblik te voren het hoofd gebogen voor de magt +van den Keizer, thans had hij te bukken voor een ander overwigt, +voor dat van Akbar's zedelijke meerderheid. De godsdienstijveraar, +de hartstogtelijke dweeper zelf gevoelde het. En het was dan ook +slechts met weifelende stem, dat hij, de anders voor niets +vervaarde en door niets overweldigde apostel, een enkel woord van +vaarwel wist uit te brengen tot dien verstokte van harte, wiens +oog met blindheid was geslagen voor het licht der waarheid, en +wiens oor gesloten bleef voor de vermaningen van den priester der +alleenzaligmakende Kerk. + +--Vergeef het ons, edele Vorst!--zoo sprak hij, bewogen in weerwil +van zichzelven,--als wij soms woorden uiten die u mishagen en u +ondank schijnen voor de vele weldaden, welke wij in uw rijk +ontvingen!--Schrijf ze enkel toe aan den ijver die ons bezielt +voor ons geloof, en die voorzeker niet geringer is dan de +geestdrift, waarmede gij zelf uw leven aan de belangen uwer staten +en volken hebt gewijd! Nogmaals dan willen wij u dank zeggen voor +'t geen gij voor ons hebt willen doen; en, hecht gijzelf dan al +geen waarde aan onze gebeden, wees overtuigd dat ze u blijven +vergezellen ook dan wanneer wij vér van hier zullen zijn!... + +Stilzwijgend beantwoordde Akbar den eerbiedigen groet van den +Padre, en zenuwachtig de vingers heen en weer bewegend als telde +hij de kralen van zijn rozenkrans, verliet deze langzaam het +vertrek. + +In een der zuilengangen aan de buitenzijde van het paleis, waar +enkele lampen een flauw schijnsel verspreidden, stuitte hij +plotseling op een man, die zijne verontschuldigende woorden met +een half onderdrukten vloek beantwoordde. + +--Verdoemde Christenhond!--bromde die man, terwijl hij zich verder +spoedde. Het was Abdal Kadir Badaoni, die zich tot den Keizer +begaf. Bij de wachters zich aanmeldend, werd hij weldra bij Akbar +toegelaten. + +--Gij ziet,--zeide deze,--ik ben steeds gaarne voor u te spreken; +en ik maakte ook geen bezwaar u thans te ontvangen, toen gij mij +dezen morgen gehoor liet vragen, hoewel anders de treurige +omstandigheden waarin ik verkeer, 't mij in de laatste dagen wel +wat moeilijk deden vallen al mijne vrienden te woord te staan. + +--Sire!--begon Abdal Kadir op schijnbaar eerbiedigen maar tevens +onmiskenbaar norschen en onvriendelijken toon en zonder in 't +minst acht te geven op de voorkomende wijze, waarop de Keizer hem +ontving,--ik kom u vaarwel zeggen. Mijn tijd is genaderd om van +hier te gaan. + +--Hoe nu, mijn waarde vriend,--vroeg Akbar,--ook gij? En wat noopt +u ons zoo plotseling te verlaten? + +--Onwil--luidde het antwoord,--om hier steeds te blijven aanzien, +wat mij tot eene dagelijksche ergernis strekt en mij bedroeft tot +in 't diepste mijner ziel; maar onwil tevens om deel te nemen aan +het verraad en de zamenzweringen waarvan ik u omringd zie, en +waaraan ik onwillekeurig zou blijven deelnemen, indien ik hier nog +langer vertoefde. Akbar! uw rijk neigt ten val! Ik heb u +gewaarschuwd toen het nog tijd was; thans is het dat misschien +reeds niet meer. Wat er bepaald omgaat, weet ik niet en ik wil het +ook verder niet weten; maar de tegenstand, dien gij door uwe dwaze +en misdadige verachting van onze heilige godsdienst hebt opgewekt, +acht ik te groot en te krachtig dan dat het mogelijk ware op den +duur daaraan het hoofd te bieden. + +Voeg daarbij de eerzucht van Selim, uw zoon, en de geheime +kuiperijen van andere niet minder eergierige lieden, die hem weten +te vervoeren ten einde zelf zich meester te maken van rangen en +bedieningen die hun nu onthouden blijven, en gij zult mij +toestemmen dat de stand van zaken voor 't allerminst hoogst +gevaarlijk voor uwe regering is.--Maar, zeide ik,--dus ging hij +voort, den ligten glimlach niet opmerkend die bij zijne donkere +voorspellingen zich om de lippen des Keizers had geplooid,--ik wil +ook niet langer getuige zijn van wat hier dagelijks omgaat en +sinds lang ook wereldkundig is. Den heiligen Koran hebt gij met de +uwen versmeten en onder den voet getrapt; voor den grooten Profeet +hebt gij niets dan verachting en spot; gij vermeit u in allerlei +goddelooze praktijken, door onreine vuuraanbidders u geleerd; gij +ontvangt openlijk aan uw hof en heimelijk in uw binnenvertrekken, +met eer en gunstbewijzen hen overladend, onze ergste vijanden, +Joden en Christenen, zooals ik er zooeven nog een uw paleis zag +verlaten, en Indische toovenaars en duivelskunstenaars, en ik weet +niet wat nog ander dergelijk slag van volk, dat de Shaitan zelf +ons hier op den hals heeft gezonden! Inderdaad, Djelal-ed-din +Mohammed! gij doet wél eer aan uw naam! Djelal-ed-din! "De Glorie +des Geloofs!" Bittere ironie van het noodlot, toen het u eenmaal +bekleedde met zulk een titel dien gij bestemd waart op zoo +smadelijke wijze te onteeren! En nu weder, als of dat alles nog +niet genoeg was, en om de mate vol te meten, die buitengemeene en +overdreven eer aan de nagedachtenis van dien Aboel Fazl, dien +verleider, dien aartsvijand van het geloof! Hij juist met Feizi +den godloochenaar, zijn broeder, was het, die u tot al die +ongeregtigheden verlokte en u tot ontrouw en afval heeft vervoerd; +en juist dien éénen man toont gij openlijk te vereeren boven +allen! Ach, mogt in 't eind nog zijn afschrikwekkend voorbeeld, +zoo niet van zijn leven dan toch van zijn sterven, u tot +waarschuwing strekken vóór het te laat is! Men heeft u, ik +betwijfel het niet, zeker allerlei fraais omtrent zijne laatste +gezegden opgedischt; maar, geloof mij! de waarheid bleef u +verborgen; en ik wil, hoe zwaar 't mij ook valt, ze onthullen voor +u en u zeggen, hoe Aboel Fazl werkelijk gestorven is. Zoo hoor dan +en sidder bij het schrikwekkend berigt, dat hier aan iedereen +bekend is behalve alleen aan u! Tot op het laatste oogenblik dat +hij nog spreken kon, bleef Aboel Fazl zijn God lasteren op de +meest gruwzame wijze; toen begon hij te blaffen als een hond, en +zijne gelaatstrekken verwrongen zich en zijne lippen werden blauw, +als gevoelde hij reedsde eerste smarten van de eeuwige verdoemenis +die hem wachtte!... + +--Dat is gelogen, schandelijk gelogen!--riep Akbar eensklaps +opstuivend uit, nadat hij tot dusver den woesten dweeper bedaard +had laten uitrazen,--dat is schandelijke, gemeene laster, zooals +gij, godsdienstijveraars! dien weet uit te denken, waar rede en +gezond verstand u in den steek laten en gij te vergeefs naar een +smet zoekt waarmee gij een edel karakter mogt kunnen bezoedelen! +Hoe Aboel Fazl gestorven is en wat hij stervend heeft gezegd, dat +weet ik ten zekerste van eene volmaakt vertrouwbare zijde, van +iemand, die zijne woorden onmogelijk kon uitdenken; spaar mij dus +uwe ijdele leugentaal! Ik verkies ze niet verder aan te hooren. Ik +heb met geduld geluisterd naar de onbeschofte woorden, die gij +waagdet mij in 't aangezigt te werpen; ik heb dat alles aangehoord +met eene lankmoedigheid, zooals waarschijnlijk geen ander vorst in +mijne plaats ze tegenover u zou hebben betoond; maar gij hebt +misbruik gemaakt van mijne goedheid, en dat zal ik niet dulden. +Rand mij aan, beleedig mij in mijne innigste en dierbaarste +overtuigingen, scheld op mij, op Akbar, op uw Keizer, het is wel! +ik zal het u vergeven. Maar laster niet mijn trouwsten, mijn +verraderlijk vermoorden vriend, of ik zal gebruik maken van mijn +regt en mijne magt om voor altijd die tong te doen verstommen, die +laag en lafhartig een gehaten tegenstander bespuwt, nu hij niet +meer in staat is zich te verdedigen! + +--Neem mijn hoofd!--sprak Abdal Kadir, den Keizer onverschrokken +in 't aangezigt starend,--gij weet dat ik u mijn leven wenschte te +wijden, en dat ik het honderd malen voor u zou hebben over gehad. +Kan mijn dood u niet van dienst zijn, hij strekke dan ter +voldoening aan uw ongeregten toorn! Ik heb u gezegd wat mij +waarheid scheen; aan u om het te gelooven of niet! Ik deed mijn +pligt; doe gij den uwe of wat ge daarvoor gelieft aan te zien! + +--Genoeg!--zei Akbar, nog nauw bekomen van zijne drift,--ik +begeer uw leven zoo min als uw dood. Ga heen, en ongedeerd: maar +waag het niet, mij ooit weer onder de oogen te komen! + +Zonder antwoord of groet keerde Abdal Kadir zich om, en schreed +met opgeheven hoofde en trotschen blik naar den uitgang van het +vertrek.... + +--Abdal Kadir!--sprak wederom de Keizer, toen de ander reeds den +voorhang had opgeligt, en bij dien onverwachten uitroep wendde de +hooghartige Mohammedaan verwonderd en onwillekeurig het hoofd,-- +laat ons zóó niet scheiden! Daarvoor hebben we elkander te lang +gekend en ook wederzijds elkaar te hoog leeren achten; want ik +weet, dat gij ondanks al ons verschil mij uwe achting en +belangstelling toch niet ontzegt: uwe hevigheid zelve bewijst het. +En ik van mijne zijde, ik stel u hoog als een kundig en in vele +opzigten ook verstandig man, maar bovenal, wat hier en in deze +tijden nog wel het meeste zegt, als een waarlijk braaf en eerlijk +man. Niemand zie ik gaarne in toorn mij verlaten, maar vooral u +niet. Ga! ik begrijp zelf dat het noodig zijn zal en gij niet +anders kunt; maar ga niet met wrok in het hart. Gedenk de lange +jaren, die wij te zamen in vrede en vriendschap hebben doorleefd, +en vergeet, al is 't ook maar voor één oogenblik, de oorzaken die +onze scheiding voortaan onvermijdelijk maken! Wilt gij?... + +Eerst, toen Akbar begon te spreken, vertoonde zich nog steeds op het +gelaat van Abdal Kadir dezelfde norsche uitdrukking, die het niet had +verlaten gedurende het gansche pijnlijke gesprek; maar langzamerhand +begon zij te wijken, en het voor zachter indrukken wel ontvankelijk +gemoed van den dweeper, als maar geen godsdienstijver zijn hartstogt +wekte, gaf ten laatste zich gewonnen aan de grootmoedige taal van den +altijd vergevensgezinden vorst. Wel sprak hij niet, maar zijne houding +zeide genoeg toen Akbar hem de hand tot afscheid reikte. Hij vatte ze +met kracht, en terwijl hij zich diep voorover boog, viel op die hand +een traan. Toen ging Abdal Kadir, om niet terug te keeren. Ook dezen +dan zou Akbar nooit wederzien.... + +Lang nog staarde hij op den voorhang, die zich weder gesloten had +achter den vriend van weleer. Daarop begaf hij zich met wankele +schreden naar de geopende galerij, en zag uit naar het maanlicht, +dat daar met vriendelijken glans de in volkomen rust verzonken +tuinen en hunne zacht klaterende fonteinen bescheen. Toen zette +hij vermoeid zich op een der marmeren rustbanken neder en bedekte +zich het gelaat met de handen. + +Zij verlieten hem dus, de een voor, de ander na. Aboel Fazl was +hem wreedaardig ontroofd; de Christenzendeling verliet hem in +arren moede; Abdal Kadir had voor altijd hem vaarwel gezegd. En +dat alles juist in oogenblikken waarin hij meer dan ooit behoefte +aan opbeuring en steun van trouwe vrienden gevoelde, juist in een +tijdsgewricht als dit, nu zijn eigen zoon tegen hem in opstand +kwam en hem den heerscherstaf zocht te ontrukken, dien hij zoo +lange jaren tot heil en onder de zegeningen van zijne volken in de +krachtige vuist had geklemd! En dat alles om de godsdienst en ter +wille van het een of ander, 't zij dan opregt gemeend of ook +gehuicheld geloof! Want dat Selim zijn aanslag in naam der +godsdienst zou ondernemen, was zeker; en algemeen heerschte ook de +overtuiging dat Narasinha het werktuig in de handen van ijveraars +was geweest. + +--Godsdienst!--sprak Akbar in zich zelven,--wat is het? Is het een +gelukkig, een heilrijk verschijnsel in den menschelijken geest, +dat het eindig wezen zijne nietigheid doet gevoelen en tevens het +verheft, stemmend tot nederigheid en tot aanbidding te gelijk, een +heerlijk, zalig gevoel en het meest verhevene waarvoor de ziel +vatbaar kan zijn, de menschen wekkend om elkander lief te hebben +en te leven voor elkanders welzijn? Of is het een bedroevend, een +noodlottig ziekteverschijnsel, dat den mensch slechts trotscher en +overmoediger en vijandiger jegens anderen stemt naarmate zijne +overtuiging dieper is geworteld, eene soort van krankzinnigheid, +die zich bijwijlen van de besten en edelsten meester maakt en hen +beweegt hun naaste te haten en te vervloeken, een waanzin die tot +misdrijf voert en moord en bloedigen strijd onder de volken werpt? +Zou 't dan een geluk of een ongeluk zijn als de menschen eenmaal +ophielden eenige godsdienst te belijden? Onoplosbare vraag! Vol +van de grootste tegenstrijdigheden, en die toch nagenoeg allen +gereed staan zonder eenig bedenken te beantwoorden. Geen +godsdienst, zoo spreken de meesten, geen heil ook meer voor den +mensch en geen orde in de maatschappij! En tot zóóver zijn ze 't +allen eens. Maar welke godsdienst nu? Ziedaar de strijd ontvlamd; +een ieder roept: de mijne, en de mijne alléén! en de zwaarden +vliegen uit de scheede, en het staal en het ruw geweld gaan +beslissen wat waarheid is. En zou het dan denkbaar zijn, dat er +ooit een godsdienst kon worden gevonden die allen gelijkelijk mogt +voldoen, en alle menschen vereenigen in één eenigen liefdeband? +Waren 't geen dwaze droomen, waarmee ik mij zoo dikwijls vleide en +mij zelf bedroog toen ik zoo iets meende ontdekt te hebben? +Helaas! vrienden te verliezen is hard, maar harder misschien nog +het verlies van illusiën, die ons dierbaar werden!... + +Eene hand, die zacht op zijn schouder werd gelegd, deed Akbar +opzien. Nevens hem stond Feizi, wien hij 't voorregt had verleend, +ook onaangediend bij hem te verschijnen. + +--Akbar!--sprak Feizi,--waak op uit uwe droevige, maar ook ijdele +en nuttelooze mijmeringen! Moet ik het zijn, die tot u zeg: Wees +een man! Ik, die mij anders zoo zwak gevoel tegenover u? Maar het +is noodig dat ik zoo spreek. Wees overtuigd, dat ik niet minder +diep het verlies van mijn waardigen en mij zoo dierbaren broeder +betreur, dan gij den dood van een trouwen raadsman en veelgeliefden +vriend; maar wij behooren beide te waken, en gij meer nog dan ik, dat +de smart ons niet overmanne en ons zwak make in 't gezigt der gevaren, +die het rijk nog blijven bedreigen. En daarom waag zelfs ik het te +zeggen: Betoon u weer een man! Die voortdurende neerslagtigheid is uwer +onwaardig, en als Aboel Fazl zelf er getuige van ware, hij zou welligt +voor 't eerst in zijn leven hebben erkend, dat zelfs Akbar niet +onfeilbaar is. + +--Mijn trouwe, mijn edele vriend!--antwoordde Akbar,--van harte +dank voor uw onverholen en mannelijke taal! Zulk eene opwekking is +mij tegenwoordig wel noodig, maar toch bedriegt gij u eenigermate +omtrent de aanleiding tot die overdenkingen, waarin gij mij +zooeven verdiept vondt. De herinnering aan uw onvergetelijken +broeder komt daarin slechts voor een deel. + +En uitvoerig verhaalde Akbar zijn vriend wat er bij het afscheid +van Aquaviva en van Abdal Kadir was voorgevallen, en deelde hem de +overpeinzingen mede waartoe het een en ander hem had geleid. + +--In dat alles--sprak Feizi, toen hij een oogenblik had +nagedacht,--herken ik weder mijn grootmoedigen Keizer, en... mijn +idealistisch wijsgeerigen vriend. Gij weet voor 't overige wat +mijn gevoelen over die punten is, die gij daar hebt aangeroerd. Ik +hecht niet veel aan 't geen men gewoon is godsdienst te noemen, +als zich dat blijft bepalen tot een soort van onbepaald mystisch +gevoel zonder wezenlijken inhoud, en noch veel minder als het zich +uit in onbewijsbare, alleen door de verbeelding geschapen +voorstellingen en leerbegrippen. En in zóóver hebben de menschen +volkomen gelijk, die mij een atheïst noemen. Maar daarom ben ik +nog geenszins een ongeloovige. Ik geloof integendeel veel; maar +mijn geloof steunt ook op vaste gronden, omdat het op de ervaring +zelve berust. Zoo onder anderen geloof ik, en meer dan eens hield +ik 't u voor, aan de wet der gestadige ontwikkeling; en niet enkel +op stoffelijk gebied, maar ook en vooral op dat van den geest en +het denken der menschen; en in die voortdurende ontwikkeling zie +ik de oplossing van het groot probleem, die gij, als alle andere +hervormers en stichters van nieuwe godsdienst-systemen, reeds +aanstonds, maar lang nog vóór den tijd, zoudt wenschen gevonden te +hebben. Denk eens, van waar wij menschen aanvingen en waar wij +reeds gekomen zijn, en bereken dan hoever we 't eenmaal nog +brengen kunnen! Dieren waren wij en niets dan dat; na eenige +duizende jaren werden wij redelijke wezens of iets althans wat +daarop gelijkt; en wanneer nu nogmaals duizende en duizende jaren +zullen voorbij zijn gegaan, wat kan er dan niet van ons worden? +Zullen wij, en niet eenige weinigen alleen, maar ook allen +misschien, door steeds voortgezet onderzoek en steeds hooger zich +ontwikkelende wetenschap geleid, niet ten laatste een wezenlijk +inzigt erlangen in het oneindig en noodwendig verband der dingen? +En zullen wij dan, tevrede met dat inzigt en daarin berustend, ook +niet volkomen al die droomerijen kunnen missen, die zich nu nog +onder den fraai klinkenden naam van godsdienst aan ons blijven +opdringen maar, wel beschouwd, niet anders dan kunstmiddelen zijn +om aan de begeerlijkheid onzer zelfzucht te voldoen en ons in het +tegenwoordig en in een, alweer door de verbeelding geschapen, +volgend leven een heilstaat te verzekeren, die voor geen eindig +wezen ooit kan zijn weggelegd? + +--Uw geest streeft hoog,--zei Akbar,--uw blik ziet ver. Mij te +hoog en te verre soms. Ik let ook op het tegenwoordige, en die +late, late toekomst brengt mij weinig troost. + +--Maar verlies ik dan--vroeg Feizi,--het tegenwoordige uit het +oog? Behoort het niet tot de eerste stelregels van mijn geloof, +of, wilt ge, van mijn wijsbegeerte, dat de mensch vóór alles +geroepen is waardig de pligten te vervullen, die hem in zijne +maatschappelijke betrekking, welke ze dan ook zijn mag, zijn +opgelegd? Zeker, alle bespiegeling, alle wetenschap is ijdel, +wanneer daarvoor de werkelijkheid en het onmiddelijk vóór handen +liggende verwaarloosd wordt. Leerde ons niet de wijsbegeerte, +juist daaraan, aan het levend heden onze krachten te wijden, ze +zou weer niets dan eene begoocheling zijn en een ijdel spel van +den geest. Maar iets anders is het mede te werken, en met allen +ijver en beschikbare kracht, aan onze naaste bestemming, iets +anders de onmiddelijke verwezenlijking te eischen van al wat wij +tot stand wenschen te brengen en dan mismoedig te worden als 't +ons nog niet gelukt. Zoo ook omtrent datgene wat gij godsdienst en +meer bepaald volksgodsdienst of volksovertuiging omtrent de +onzienlijke dingen noemt. Deze ontwikkelt zich evenmin als iets +anders, wat dan ook, plotseling en op den wenk van een bezield +hervormer, maar niet dan langzaam en in den loop der eeuwen. En de +vervulling eener noodwendige voorwaarde moet haar in elk geval +voorafgaan: alle volksontwikkeling moet voorbereid worden door +volksbeschaving. En ook deze is weer niet denkbaar zonder dat het +volk eerst de middelen bezit om in zijn onderhoud te voorzien, +alzoo: niet denkbaar zonder volkswelvaart. Maar zou nu, wat dezen +eersten grondslag van alle beschaving en ontwikkeling betreft, een +Akbar nog reden hebben tot veel zelfverwijt of mismoedigheid? Zou +hij meenen, niet genoeg of althans niet veel reeds te hebben +gedaan voor het welzijn der volken onder zijn beheer? Zie terug, +mijn Keizer! op hetgeen door u werd volbragt, en oordeel dan, nu +eens uw theologische bespiegelingen ter zijde latend, of de +verkregen uitkomst niet de beste aanmoediging is om kloek en met +ijver den aangevangen arbeid voort te zetten! + +Wel had Feizi gelijk, en vleitaal van een hoveling was het niet, +toen hij den maatschappelijken hervormingsarbeid roemde, dien de +Keizer begonnen had en met gelukkig gevolg ook had doorgezet. De +ervaring van volgende eeuwen zou het zegel drukken op zijn +woorden. Want van Akbar's godsdienstige droomerijen bleef nauw een +spoor meer na zijn dood; maar zijn landelijk stelsel is de +voorname grondslag gebleven, waarop heel het bestuur van Hindostan +onder alle opeenvolgende regeringen bleef berusten, datzelfde +stelsel in hoofdzaak dat een kloeke en verstandige Brit ook +gewenscht had in onze Nederlandsch-Indische bezittingen in te +voeren, en dat ook daar zijn zegenrijke vruchten had kunnen +dragen, indien het niet door de traagheid, de onkunde en het +onverstand onzer eigene, latere regeringsmannen tot in den grond +ware bedorven geworden .... + +--Gij hebt wederom regt, Feizi!--sprak de Keizer, zich oprigtend +in zijn krachtige mannelijke gestalte en het hoofd omhoog heffend +als met nieuwen levenslust bezield;--het is zoo, ons betaamt te +werken, niet te droomen, te arbeiden zoolang het dag is, +onvermoeid en onverpoosd. Blijf mij bijstaan met mijne nog +overgebleven getrouwen, nu vooral, nu een krachtige steun mij +ontviel; en ik durf u belooven, gij zult even goed over Akbar +tevrede zijn als hij over u. Maar nu nog eenmaal een zinnebeeld! +Hoe wars gij ook zijn moogt van symbolen, dit ééne vindt wis +genade in uw oog. Zie daar ginds het zwakke nachtelijke schijnsel; +daarin herken ik den zielstoestand, waarin ik dagen lang en veel +te lang reeds verkeerde. Maar morgen rijst weer de zon; en daarin +wil ik ook weer mijzelf aanschouwen, niet zooals ik ben, maar +zooals ik behoor te zijn. Dát toch is de roeping van den vorst, +zoolang nog de beweging niet vóór alles uitgaat van de volken +zelf, met zijne raadslieden de voorname bron van licht en +bezielend leven te worden in den staat. Vergeet ik dat soms, of +verlies ik het voor een oogenblik zelfs uit het oog, roep dan, +Feizi! gelijk ook Aboel Fazl deed, den heiligen vorstenpligt weder +op voor mijn geest en spreek weer tot mij gelijk gij dezen nacht +gesproken hebt!... + + + +VEERTIENDE HOOFDSTUK. + +De ontdekking + +Sinds verscheidene dagen was de Keizer aan 't hoofd van zijn leger +uitgetogen naar het Noorden, en alle berigten meldden dat hij zich +reeds op aanmerkelijken afstand van Agra bevond. Nog bleef daar +evenwel Siddha op het bevel wachten, dat hem zijne gedeeltelijk +vooruitgetrokken manschappen moest doen volgen; en geen wonder zoo +hij den tusschentijd zich bleef korten door herhaalde bezoeken aan +Rezia-Goelbadan. Zoo begaf hij zich ook nu weer tegen den avond +naar hare woning, doch, hij kon 't zich niet ontveinzen, niet +geheel met dezelfde opgewektheid als anders. Hij was in den +laatsten tijd de steeds verleidelijke, maar toch ook veelzins +raadselachtige vrouw al meer en meer gaan wantrouwen; en zoo hij +haar thans nogmaals wilde bezoeken, het was voor een deel om zoo +mogelijk iets naders omtrent hare geheimen en die der zamenzwering +gewaar te worden. Weinig vermoedde hij evenwel dat hij juist dezen +avond meer zou vernemen dan hem lief kon zijn. + +Aan het poortje in den tuinmuur gekomen bevond hij tot zijne +verwondering dat het niet als gewoonlijk gesloten was, maar dat de +sleutel, waarschijnlijk door achteloosheid in het slot was +gelaten. Wat er van ware hij behoefde nu in elk geval het +gebruikelijke teeken niet te geven om binnen te komen, en de deur +voorzichtig achter zich sluitend, ging hij met rassche schreden +voort door de laan. In de nabijheid der veranda vond hij nieuwe +reden tot verwondering. Daar trad juist op dat oogenblik een man +naar binnen, wiens gelaat hij eerst niet dadelijk zien kon, maar +in wien hij, zich haastig achter de hooge en digte planten +verschuilend, bij het schijnsel der lamp zijn oom Salhana +herkende, die, vlugtig Goelbadan groetend, in de hevigste +gejaagdheid uitriep: + +--Wij zijn verraden, schandelijk verraden!--De Keizer--ging hij +voort, terwijl Goelbadan hem verschrikt aanhoorde,--is van al +onze plannen onderrigt. Hoe, weet ik niet, maar het is zeker. Ik +heb stellige berichten van Gorakh, die, zooals gij weet, vermomd +in het leger is. Akbar wist niet alleen van onze voornemens reeds +bijna van den beginne af aan, maar zijne spionnen hebben hem ook +in staat gesteld ze te volgen in al de veranderingen, die wij er +in gebragt hebben. Slim als hij is heeft hij daarop aan sommigen, +van wie hij verwachten kon dat zij 't ons over zouden brengen, +zich laten verluiden dat hij ons eerste plan had doorzien, maar +zonder er bij te voegen dat ook het tweede hem bekend was. De +onzen moesten wel denken dat hij in den val liep. Nu trekt hij +eindelijk uit met zijn leger en houdt zich alsof hij regelregt +naar Kaçmir zal doorgaan. Maar jawel! Daar keert hij eensklaps om, +en neemt zijn weg met snelle dagreizen weer naar Agra, waar hij +ons juist wil komen verrassen op 't oogenblik dat wij ons volkomen +zeker wanen. Wel ben ik nu nog bij tijds gewaarschuwd, om te +verhinderen dat Selim op den bepaalden dag tot Keizer wordt +uitgeroepen; maar ons baat dat niet veel, want daar Akbar alles +weet, zal hij ons niet sparen, al betrapt hij Selim zelf ook niet +op de daad. Er zit dus niets anders voor ons op dan uiterste +maatregelen te beproeven. + +--En waarin zouden die kunnen bestaan?--vroeg Goelbadan. + +--Gorakh en de zijnen--antwoordde Salhana,--moeten te hulp komen, +en zij kunnen het. Eer de Keizer den tijd heeft om Agra te +bereiken, moet het met zijn leven gedaan zijn.... + +Eene huivering ging bij deze woorden den luisteraar door de leden, +en de hand aan zijn dolk slaande wilde hij eene schrede voorwaarts +doen. Doch hij bedwong zich nog bij tijds. + +--Selim behoeft daar niets van te weten,--ging Salhana voort,--en +we moeten 't hem ook maar niet vertellen als de daad volbragt zal +zijn. Hijzelf zal 't wel vermoeden, maar zich houden of hij 't +niet begreep, en er ons niet slechter om aanzien. Morgen ga ik +naar 't leger om alles met Gorakh af te spreken, die mij de +teekenen heeft doen meedeelen, waaraan ik hem in zijne verkleeding +kan herkennen. En zorgt gij nu inmiddels dat Selim wordt +gewaarschuwd. Ikzelf wil ditmaal niet tot hem gaan, om geen +vermoeden te wekken. Maar zeg mij tevens, hoe staat gij +tegenwoordig met hem? + +--Ik zag hem in lange niet hier,--antwoordde Goelbadan,--maar de +reden van zijn voortdurende afwezigheid bleef mij onbekend. Ik +maak mij omtrent hem echter niet ongerust; hij begeert mij, hij +wil mij volstrekt, het koste wat het kosten moet, tot zijne +Sultane; en dat zal ook zoo zijn, mits hijzelf maar eerst Keizer +is, niet vóór dien tijd. + +--Inmiddels--zei Salhana,--houdt gij u bezig met dien neef van +mij, dien ik u bezorgd heb, niet waar? Een knappe jongen in elk +geval, en waarin gij ook nog al behagen scheent te vinden. + +--Een tijd lang, ja! Maar hij begint mij tegenwoordig te vervelen; +en wél bezien is hij ons ook maar half van nut. Men heeft +onophoudelijk met hem te kibbelen over allerlei begrippen van +pligt en eer, zoodra 't op iets wezenlijks aankomt. Ik denk hem +dan ook spoedig de deur te wijzen als hij zijn dienst zal hebben +gedaan; en dat te meer, omdat hij in mijne plannen met Selim mij +wel eens in den weg kon zijn.... + +--Wat is dat?--vroeg plotseling Salhana, zich naar de buitenzijde +van de veranda keerend,--mij dunkt, ik hoor daar beweging. Er kan +hier toch niet de eene of andere ongenoode gast in den omtrek +zijn? + +--Onmogelijk!--antwoordde Goelbadan,--het poortje aan den tuinmuur +is immers goed gesloten?--Salhana herinnerde zich ook niet dat hij +'t inderhaast had opengelaten;--en van de andere zijde is geen 't +minste gevaar, daar Feizi dezen morgen naar 't leger is +vertrokken. Ga straks langs dien kant; dat is nog voorzigtiger dan +langs den anderen, waar gij Siddha soms in de nabijheid van den +tuinmuur zoudt kunnen ontmoeten. + +--Alles--hernam Salhana,--is dan goed afgesproken, niet waar? Gij +zorgt voor Selim en de rest hier in Agra; ik voor mij blijf mij +met Akbar belasten, en ben ik niet al te ongelukkig dan zijn wij +spoedig van hem en al zijn volk bevrijd. + +Met een ligten groet verdween Salhana achter een der gordijnen +langs een zijgang, die Siddha niet bekend was en waardoor hij +verhinderd werd hem te volgen zooals eerst zijn voornemen was. Het +beste ware nu nog geweest, onmiddelijk terug te keeren en het +nieuwe komplot door tijdige waarschuwing aan den Keizer te +verijdelen, terwijl de zamenzweerders daar niets van vermoedden; +en hij gevoelde dat ook, maar de onweerstaanbare lust om Goelbadan +te toonen, dat hij had opgehouden haar geminacht werktuig te zijn, +behield de overhand, en met één enkelen sprong was hij naar binnen +en stond hij vóór haar. + +--Gevloekte slang!--riep hij uit,--gij, die een schandelijk +verrader van mij hebt gemaakt, denk niet dat uw doemwaardige +voornemens en die van den schurk daar, dien ik mij schaam mijn +bloedverwant te noemen, nog kans hebben van slagen! Ik, die u +tegenwoordig begin te vervelen, en 't is goed dat ik het weet, ik +zal ze verhinderen. + +--Ha! gij hebt daar geluisterd!--sprak Goelbadan, en eene +uitdrukking van haat en kwaadaardigheid, gelijk Siddha nooit in +die anders zoo zachte en innemende gelaatstrekken mogelijk zou +hebben geacht, ontsierde haar plotseling op eene wijze, die haar +op dat oogenblik inderdaad leelijk deed worden;--en nu denkt gij +ons te gaan verraden? Maar dat zal niet gebeuren! + +En eer Siddha in staat was hare bewegingen te volgen, vloog zij op +hem toe en bedreigde een opgeheven dolk zijne borst. Half +werktuigelijk zocht hij 't wapen af te weren, toen hij plotseling +als verlamd de armen liet zakken bij het aanschouwen van eene +gestalte, die als 't ware uit den grond daar achter Goelbadan +verrezen was; maar in 't zelfde oogenblik ook greep een ijzeren +vuist de omhoog geheven moordende hand, en verhinderde den anders +door niets belemmerden stoot.... + +Haastig keerde Goelbadan zich om, en... stortte met een kreet van +ontzetting ter aarde.... Achter haar stond Feizi, en achter hem +vertoonden zich twee donkerkleurige dienaren met de blanke sabel +in de hand. + +--Genade!--kermde zij, weer tot bezinning gekomen, terwijl Siddha +wezenloos het tooneel stond aan te zien,--genade, mijn gebieder +en Heer!--En 't hoofd diep gebogen, terwijl hare lange donkere +lokken over den grond sleepten, kroop zij op hare knieën naar den +beleedigden echtgenoot, die al verder achterwaarts trad naarmate +zij digter hem zocht te naderen. + +--Terug!--riep Feizi,--terug! spaar mij uwe onreine aanraking!-- +Bindt die vrouw,--sprak hij tot zijne onderhoorigen,--en voert +haar naar mijn kasteel bij Mathoera! Daar blijve zij streng +bewaakt, haar leven lang. En zoo zij ooit eene poging, hoe gering +ook, waagt om zich met iemand, wie 't ook zijn mag, daarbuiten in +verbinding te stellen, dan worde het vonnis aan haar voltrokken, +waarvan ik voor heden haar nog genade schenk. Nimmer wil ik van +haar iets weerzien, of, zoo het moet, het zij dan enkel haar +schuldig hoofd! + +Nog eenmaal rigtte hij 't woord tot de smadelijk gevallene en nu +niet minder schandelijk zichzelve vernederende, die daar aan zijne +voeten lag geknield; maar dat woord was niet bestemd om hare straf +te verligten. + +--Hoop--sprak hij,--doet nog leven, naar men zegt. En gij, wier +naam nooit meer over mijne lippen zal komen, gij vleit u misschien +nog met eene zoete verwachting. Gij meent welligt nog op de +bescherming te kunnen rekenen van een, die magtiger is dan ik, of +eenmaal ten minste het zijn zal. Gij denkt nog dat Selim u bij zal +staan, en u zal komen verlossen uit uwe gevangenis. Maar die +verwachting is ijdel! Want degene, die, zelf door u bedrogen, mij +uwe betrekking tot dien man daar ginds verried, dat was juist hij, +dat was diezelfde Selim, dien gij in uwe netten gevangen dacht! + +Snel had Goelbadan het hoofd omhoog geheven en opmerkzaam had zij +toegeluisterd. Nu verwrongen zich hare gelaatstrekken en met een +gil stortte zij voorover, het hoofd op den grond en de armen vóór +zich uitgestrekt. + +--Doet uw pligt!--zei Feizi tot zijne volgelingen, en haastig +droegen zij de bewustelooze weg.... + +--En nu gij!--zoo ging hij, Siddha naderend voort, terwijl hij +zijn sabel uit de scheede toog.... + +--Mijn leven heb ik verbeurd,--sprak Siddha, zijn kleed +openscheurend,--stoot toe; ik verlang niets liever dan dat, ik +wensch den dood als eene genade van uwe hand! + +--Dat begrijp ik!--antwoordde Feizi, zich bezinnend, en langzaam +liet hij de sabel weer in hare scheede glijden,--dat begrijp ik +zeer goed. Maar ik ben, wél bezien, niet voornemens aan uw +verlangen te voldoen. Anderen zouden in een geval als dit er +misschien anders over denken. Een Muzulman zou u 't hoofd voor de +voeten leggen, een Hindoe u doen worgen, een Frank u uitdagen tot +een tweegevecht, wat wel het gekste van alles ware. Doch ik +verkies noch het een noch het ander. Gij moogt leven en ongedeerd +van hier gaan. Maar leven dan ook met de herinnering aan 't geen +gij hebt gedaan, en aan de wijze waarop gij, die u een edelman +noemt, eene belangelooze vriendschap vergolden hebt. Die +herinnering, dat bewustzijn zullen u nimmermeer verlaten, al +overdekt gij u met roem en al stijgt gij ook nog zoo hoog in rang; +en hoe ook gevierd en door anderen vereerd, toch zult gij de oogen +blijven neerslaan voor elk eerlijk man, bedenkend hoe gijzelf +eenmaal in uw jongere jaren u jegens een vriend gedragen hebt. +Ziedaar de straf, die ik u opleg! En nu, vertrek! + +Een gebiedende, geen weerspraak of verzet meer duldende +handbeweging van Feizi deed den diep onder zijn schuldgevoel +gebogene met laag op de borst gezonken hoofd en met wankele +schreden naar den uitgang zoeken; en nauwelijks wetend wat hij +deed en waarheen hij ging, verliet Siddha het buitenverblijf en +vond hij als werktuigelijk zijn weg naar de nog altijd onafgesloten +poort. + +Geruimen tijd bleef hij zoo goed als gedachteloos ronddwalen. Aan +de rivier zag hij, ondanks 't reeds vergevorderd uur, nog eenige +sjouwerlieden bezig met het laden van een schip; en alsof hij er +eenig belang bij had, volgde hij nauwlettend hunne bewegingen, nu +eens zich afvragend hoe ze die baal daar over de loopplank zouden +krijgen, dan weer het hoofd schuddend over hunne onhandigheid. +Bijna had hij zich aangeboden om hen wat te helpen. Maar een +drietal soldaten, die nog bij het licht van een walmende toorts +onder een afdak zaten te drinken en te dobbelen, leidde zijne +opmerkzaamheid weer af, en nu begon hij lust te krijgen om met hen +mee te drinken en mee te spelen.... Daar was het hem op eens als +werd er een gordijn opgetrokken dat voor zijne oogen hing, en zag +hij het gansche tooneel weer vóór zich, waarin hij daar straks +eene zoo jammerlijke rol had gespeeld. Maar bijkans in hetzelfde +oogenblik verdrong weer ééne gedachte tijdelijk al het andere: de +herinnering aan den voorgenomen moordaanslag op den Keizer! Had +Feizi alles gehoord, en dus ook dit? En was hij dan in staat Akbar +te gaan waarschuwen? Het bleef hem onbekend, en hij had natuurlijk +ook geen gelegenheid het te weten te komen. Maar waartoe ook? +Waarom zelf niet gegaan, en zonder verder tijdverlies? Salhana zou +eerst morgen vertrekken; een ander kon hem dus, al ging hij vroeg, +nog vóór zijn. + +Geen oogenblik bedacht Siddha zich langer, maar in bijkans +ademlooze vaart snelde hij naar het kwartier waar zijne met hem +teruggebleven manschappen gelegerd waren, droeg daar het bevel aan +een zijner officieren over, haastte zich naar zijne woning en +gelastte Vatsa, terstond den vos te zadelen,--dien vos van Feizi, +dien hij na zijne ontdekking omtrent den waren naam van Rezia +evenmin had durven berijden als terugzenden, maar die nu in het +belang van Keizer en rijk zijne diensten zou doen. + +--Maak u gereed mij te volgen naar het leger,--zeide hij tot +Vatsa, toen deze met het opgetuigde paard verscheen,--maar van +verre, zoodat er eenige afstand tusschen ons blijft. Vertrek een +uur na mij, rijd dan door zoo snel gij kunt en breng, zoo 't +noodig is, de boodschap over, die ik u geven zal. Ik weet, dat ik +u volkomen kan vertrouwen...--En hier deelde hij hem zooveel als +vereischt werd omtrent de plannen van Salhana mede, en gaf hem +bevel, dat onmiddelijk aan den Keizer zelf te melden, indien hij +zijn meester soms niet in het leger mogt aantreffen. Daarop sprong +hij in den zadel en reed spoorslags voort. + +Een overhaaste reis, waarbij hij zichzelven en zijn snel loopend +paard niet dan de volstrekt noodige rust gunde, bragt hem binnen +betrekkelijk korten tijd bij het leger, dat ook van zijn kant Agra +weer een goed eind genaderd was. Terstond liet hij, in 't kamp +gekomen, zich aandienen bij den Keizer, die hem na eenig dralen +alléén in zijne tent ontving. + +--Wat komt gij hier uitrigten?--vroeg Akbar op strengen toon.-- +Wie heeft u last gegeven uw post in Agra te verlaten? Dat is een +vergrijp, dat u duur te staan kan komen. + +--Sire!--antwoordde Siddha,--indien geen ander vergrijp door mij +gepleegd was dan dit, zou ik wel van groot geluk mogen spreken. +Maar ik kom mij bij Uwe Majesteit aanklagen van de grootste +misdaad, die een krijgsman jegens zijn vorst kan plegen: van +verraad! + +--Ik vermoedde zoo iets,--sprak de Keizer, terwijl Siddha ontzet +een stap terugtrad,--en daarom werd u 't bevel niet gegeven om op +te rukken. En nu komt gijzelf mij de bevestiging brengen van uw +ontrouw! Goed; wij zullen zien. Spreek verder! + +In 't kort, maar zonder iets wezenlijks te verzwijgen, verhaalde +Siddha hoe hij, door Goelbadan verleid, zijn begunstiger en vriend +had bedrogen en zich tot verraad jegens den Keizer had laten +verlokken. Met langzame schreden wandelde Akbar heen en weder +gedurende het verhaal. Zijn gelaat duidde niets aan van 't geen er +in hem mogt omgaan. Eindelijk, toen Siddha zweeg, bleef hij vóór +hem staan, en zeide kortaf en met strengen blik: + +--Uw misdrijf eischt den dood! + +--Dat weet ik, Sire!--was het antwoord;--en ik kom mijne geregte +straf van Uwe Majesteit verzoeken. + +--Waarom zijt gij niet gevlugt als gij bevreesd waart dat het +verraad ontdekt zou worden? + +--De misdaad verlangt boete, en ik mag niet straffeloos blijven +rondlopen, waar ook, een voorwerp van minachting voor mijzelf en +voor ieder die mij herkennen mogt. + +--Maar hoe is het, dat gij zoo op eens tot uw tegenwoordig besluit +zijt gekomen? Daarvoor moet een oorzaak bestaan. En mij dunkt, gij +hebt mij nog niet alles gezegd; er ontbrak nog iets aan uw +verhaal. + +--Dat is ook zoo; maar wat ik nog heb mee te deelen, mogt ik niet +zeggen vóór mijn vonnis door u was uitgesproken. Thans mag ik +verder gaan.... De magt dan, waardoor die vrouw mij zoolang nog, +in weerwil van mijzelven gebonden hield, werd plotseling +verbroken, de blinddoek viel mij van de oogen en eindelijk leerde +ik eerst volkomen inzien, wie ik was, wat ik misdreef en welke +straf ik had verdiend.... + +En nu volgde ietwat uitvoeriger dan 't voorafgaande, de +beschrijving van het tooneel van dien laatsten avond bij Goelbadan +en de mededeeling van het nieuwe, door Salhana ontworpen plan. + +Ook nu nog was er geenerlei aandoening zigtbaar op het strak +gelaat van den Keizer. Zijn stap alleen, terwijl hij bleef heen en +weder gaan, was een weinig driftiger en meer gehaast. Toen het +verhaal was geëindigd bleef hij eerst een tijdlang zwijgen, doch +sprak ten laatste: + +--Met reden schijnt gij ondersteld te hebben dat uwe laatste +mededeeling van invloed kon zijn op het vonnis dat ik over u had +uit te spreken. Gij hebt mij en mijn rijk een belangrijke dienst +bewezen. Maar gij bedriegt u, indien gij meent dat ik straks reeds +een onherroepelijk vonnis velde. Te zeggen dat een misdrijf op +zichzelf de doodstraf verdient, is nog niet gezegd dat voor hem +die het beging, geenerlei verschooning is aan te voeren. En voor u +is dit, dunkt mij, juist wel het geval. Ook afgescheiden van uwe +verdere mededeelingen zou ik in mijne uitspraak geweifeld hebben, +en had ik toch misschien genade laten gelden voor regt. Gij hebt +zwaar misdreven, Siddha! jegens mij en zeker niet minder jegens +mijn vriend; maar een misdadiger zijt gij daarom nog niet. Gij +waart het offer eener sterke verleiding, en ik weet zelf wat het +zegt daaraan te zijn blootgesteld; maar uw eergevoel ging niet +gansch verloren en herleefde toen uwe verblinding geweken was. Let +wel! ik vergoelijk in 't minst niet uwe handelingen en tel uw +schuld niet ligt; maar ik ben evenmin van oordeel dat gij tot die +onverbeterlijken behoort, die men in 't belang der maatschappij +onschadelijk heeft te maken. Integendeel, ik wil gelooven dat gij +door later daden nog voor een deel, althans wat mij betreft, de +herinnering zult uit kunnen wisschen aan 't geen gij als onderdaan +misdreven hebt. En uw gansche gedrag van heden geeft mij de vaste +overtuiging, dat gij jegens mij u nooit meer aan eenige +trouweloosheid zult schuldíg maken en voortaan beter de +waarschuwing indachtig zult zijn, die ik u eenmaal daar in den +tuin van mijn paleis in Agra gaf. Ik laat u daarom het leven en-- +uw rang. Bewijs mij, dat ik mij niet ten tweeden male in u heb +bedrogen! + +Te antwoorden was Siddha in de eerste oogenblikken niet mogelijk; +maar hij knielde neder voor den Keizer en kuste eerbiedig den zoom +van zijn gewaad. + +--Ik dank u, Sire!--sprak hij eindelijk, nadat Akbar hem gewenkt +had op te staan,--niet voor dat leven, dat voor mij geen waarde +meer heeft, maar voor de gelegenheid mij geschonken om nog een +deel van de schuld te boeten, waarmede ik mij beladen heb. En zoo +'t mij voegt, na al het gebeurde nog om een gunst te verzoeken, ik +vraag dan als de allerhoogste dat mij spoedig geoorloofd mag zijn +aan den strijd deel te nemen, die ginds in het Noorden tegen de +rooverbenden wordt gevoerd. + +--Ook die gunst wil ik u verleenen,--antwoordde de Keizer,--maar +vooraf belast ik u hier nog met eene andere taak. Eenige van de +getrouwsten mijner eigene lijfwachten stel ik onder uwe bevelen. +Ga met hen Salhana te gemoet, maak u aanstonds van hem meester +zoodra gij hem vindt, en breng hem hier; maar in 't diepste +geheim, zoadat Gorakh, die naar uw zeggen hier rond moet zwerven, +er niets van bemerkt. + +Een wenk van den Keizer maakte een einde aan het gesprek; en +aanstonds, zoodra hij 't bevel over de wachten aanvaard had, was +Siddha met hen, en zijn niet lang na hem aangekomen dienaar, weer +op weg. + +Spoediger dan hij verwacht had ontmoette hij zijn oom, die mede +veel haast scheen gemaakt te hebben, met twee zijner volgelingen. +In een oogenblik waren deze overmand en gevangen genomen; en, +schoon, Salhana zelf nog een tijdlang tegenstand bood, ook hij was +toch dra overweldigd, en, tot zijn niet geringe woede, gekneveld +op bevel van dien tot heden zoozeer door hem geminachten +jongeling. Om zijne herkenning door anderen te beletten werd hem +een sluijer over 't hoofd geworpen, en in allerijl werd hij daarop +medegevoerd naar het kamp. + +In de tent des Keizers ontdeed men hem van zijne boeijen en den +sluijer, en liet hem met Akbar en Siddha alleen. + +--Uw verraad, Salhana!--sprak de Keizer,--en ook uw nieuwste plan +is ons bekend. Die jonkman daar heeft het ons meegedeeld. Maak u +gereed te sterven. De beul wacht u! + +Met een giftigen blik zag Salhana zijn neef aan, en stortte toen +voor de voeten van Akbar neder, met het voorhoofd den grond +aanrakend. + +--Spaar mijn leven!--bad hij.--Straf mij, genadige Vorst! maar... +laat mij leven, en ik wil alles bekennen, alles zeggen wat ik +weet. + +--Salhana!--antwoordde de Keizer met de diepste minachting,--ik +wist dat gij een verrader, een schurk waart, maar ik had u nog +niet leeren kennen als een lafaard bovendien. Voorwaar, gij zijt +al een heel groote ellendeling en nauwelijks waard een kop kleiner +te worden gemaakt! Wat voor 't overige uwe bekentenissen aangaat, +ik heb ze niet van noode; ik weet daaromtrent alles, zeg ik u. +Slechts één ding verlang ik nog te weten. Waar en hoe is Gorakh te +vinden? + +--Ik zal het u zeggen!--riep Salhana uit, met onverholen vreugde +dien straal van hoop begroetend;--ik zal het nauwkeurig aanwijzen. +En dan?... + +--Dan gun ik u een schandelijk leven. Doch worden uwe aanduidingen +valsch bevonden, dan, gij begrijpt het, wacht u het zwaard. + +Uitvoerig en nauwkeurig gaf nu Salhana de teekenen op, waaraan men +den Yogi in zijne vermomming kon herkennen. + +--Men bewake dezen man met de uiterste strengheid,--beval de +Keizer aan Siddha,--en inmiddels gaat gij uit met uwe wachten, +zoekt Gorakh, en als gij hem gevonden hebt, laat gij hem opknoopen +aan den eersten boom den beste. + +Aan het bevel werd spoedig uitvoering gegeven. De mededeelingen +van Salhana bleken juist te zijn. Men was den Doerga-priester +weldra op het spoor, en aanstonds werd hij gevat. + +--Ha, mijn jonge vriend!--zei de priester, Siddha herkennend, met +zijn hatelijksten lach,--vergeldt gij zóó de belangstelling die ik +u betoonde? Nu dat zij zoo! Maar bewijs mij toch ééne beleefdheid; +die kunt gij nog wel voor mij over hebben! Zeg, wie heeft mij +verraden? Dat kan wel niemand anders dan Salhana zijn, niet waar? + +--Zoo is het!--antwoordde Siddha.--En nu gij,--vervolgde hij tot +de wachten,--voert dien man buiten het kamp en dat ginds het +vonnis aan hem voltrokken worde! Voorwaarts! + +--En wat is dat vonnis?--vroeg nog de ander. + +--De strop!--was het antwoord. + +--Goed!--zei Gorakh,--dat blijft in mijn vak! + +Den man te binden was wel overbodig, en ook zonder de minste +poging tot verzet stapte hij bedaard tusschen de krijgslieden +voort. Gedurende eenigen tijd zag ook Siddha niet naar hem om, en +de wachten letten mede niet veel op zijne bewegingen. Buiten de +legerplaats evenwel zich omwendend om zijne ruiters nog eenig +nader bevel te geven, bemerkte Siddha dat de Yogi bezig was met +zijne regterhand over een langwerpig boomblad te strijken, dat hij +in de linker hield en dat hij óf onderweg moest hebben opgeraapt +óf uit zijne kleeding te voorschijn gehaald. Een oogenblik later +hief hij 't blad omhoog en wuifde er mede alsof 't een waaijer +was. + +--Komaan!--riep Siddha ongeduldig,--laat dat geknoei met uw +goocheltoeren nu maar! 't Helpt u toch niet langer. En werp dat +blad daar weg! Wij hebben genoeg van uwe kunsten! + +Gorakh gehoorzaamde, hoewel niet dan na nogmaals, als lagchend en +als om Siddha te plagen, een paar mystische teekens met het blad +in de lucht te hebben gesneden. Toen wierp hij 't op den grond, en +men ging verder. Weinige oogenblikken later hing het ligchaam van +den priester aan den tak van een alleenstaanden boom. + +Inmiddels waren een paar lieden, naar 't uiterlijk te oordeelen +dienaren van een of ander edelman, die bij de gevangenneming +tegenwoordig waren geweest, doch niet dan onverschillig er naar +gekeken hadden, onopgemerkt op eenigen afstand den stoet gevolgd, +die den veroordeelde naar de strafplaats voerde. Zoodra de troep +voorbij de plek was, waar Gorakh het blad had neergeworpen, gingen +zij zoeken in het zand en vonden weldra het gezochte voorwerp. Het +was een verdroogd boomblad, maar waarin met eene snelle hand en +met behulp van een veelal tot dat einde gebezigd scherp werktuig, +een aantal woorden stonden gekrast. Na gezamenlijke lezing verborg +een der beiden het zorgvuldig in zijn gewaad en haastte zich naar +het kamp terug. + +Daar erlangde Salhana, zoodra de tijding van Gorakh's dood aan den +Keizer was overgebragt, de hem toegezegde levensgenade, maar +tevens werd aan eenige krijgslieden de last gegeven hem streng te +blijven bewaken. Na 't einde van den oorlog zou men verder zien, +wat met hem uit te rigten. Gevangenschap, waarschijnlijk in eene +of andere vesting, zou, begreep hij wel, zijn lot zijn zoolang +Akbar regeerde. Maar daarna zou Selim hem zeker aanstonds +verlossen. En dan was hij misschien ook in de gelegenheid om aan +zijn wraakzucht tegen Siddha te voldoen.... + +Het toezicht van zijne bewakers was echter uit den aard der zaak +niet zoo voortdurend streng, of 't mogt nog wel eens den een of +ander gelukken hem te naderen; en er werd dan ook geen acht op +geslagen dat eens op een avond een als dienaar van een der edelen +gekleed persoon, hem voorbijgaande, snel en heimelijk hem een +opgerold blad in handen speelde. Wat dat zijn kon? Een geheime +mededeeling van een zijner vrienden, van Goelbadan misschien om +hem een middel aan te wijzen tot de vlugt?... + +"Salhana!"--dus luidde het haastig en met verkortingen geschreven +briefje,--"de Keizer, die mij vonnist, zal niet sterven; want dat +zou u dienen. Maar Doerga kiest tot offer u, die mij verraden +hebt." + +Het angstzweet brak Salhana uit en als verlamd van schrik liet hij +'t blad uit de hand vallen. Hij wist toch maar al te goed wat die +weinige woorden beteekenden, en hij wist dus ook dat zijn vonnis +onherroepelijk was geveld. Het laatste gebod van den Doerga- +priester zou niet worden veronachtzaamd, en liever nog zouden er +honderd der zijnen zich opofferen dan het bevel onuitgevoerd +laten. Of er dan in 't geheel geen hoop en geenerlei kans meer +was? Inderdaad zoo goed als geene! Ja, was hij nog maar in Agra, +en daar in de vesting of ergens anders opgesloten, waar die +anderen althans zoo ligt niet tot hem konden doordringen dan hier +in 't open veld! Maar hij was in de achterhoede van het leger, en +deze volgde niet dan zeer langzaam het snel voortrukkend overig +gedeelte.... Hijzelf bad en smeekte nu zijne bewakers dat zij toch +goed de wacht bij hem zouden houden, omdat zijn leven door +sluipmoordenaars was bedreigd; maar zij lachten hem uit, en hij +hoorde hen zeggen: Er zou ook wat aan verloren zijn! Nog verzocht +hij dat men in den nacht een licht bij hem zou laten branden, maar +men bleef hem uitlagchen en hem bespotten om zijn lafhartigheid. +Hij had geen rustig oogenblik meer. Des daags, op marsch, dacht +hij langs elke heg of struik de eene of andere donkere gestalte te +zien sluipen, die hem bespiedde en hem volgde op zijne schreden. +Bij halten, als anderen rust namen, bleef hij voorzigtig overeind +zitten en zoekend rondzien langs de boomen en het kreupelhout. En +dan in den nacht, in den schrikkelijken, eindeloozen nacht! Hij +had alles willen geven om ten minste wakker te kunnen blijven, en +hij deed ook zooveel mogelijk zijn best, luisterend naar het +minste geritsel en telkens in 't donker om zich heen tastend; maar +bij wijlen overmande hem toch de slaap. Dan schrikte hij +plotseling weer op en greep naar zijn hals, en dacht er iets te +voelen dat hem den adem kwam benemen. In 't eind ging hij zich +verbeelden dat er een koord om zijn nek was geslagen en daar bleef +zitten tot het eensklaps zou worden toegetrokken. Telkens en +telkens moest hij door 't gevoel zijner vingers zich overtuigen +dat hij zich bedroog, tot in 't laatst die beweging van de hand +naar de keel hem tot eene werktuigelijke gewoonte begon te worden. +Een enkelen keer kwam de gedachte bij hem op om zelf een eind aan +zijn leven te maken en op die wijze zich te verlossen van zijn +marteling; maar hij durfde niet en hij bezat geen moed om zich den +dolk in het hart te stooten. En dan nog de hoop, hoe flauw ook, +dat hij nog betrekkelijk veilig mogt zijn als men maar eenmaal in +Agra zou zijn aangekomen! Maar langzaam ging de togt altijd +langzamer, en het was nog de vraag of 't wel in het plan van den +Keizer lag de achterhoede tot de residentie zelve te laten +voorttrekken.... + +De Worgers belastten zich eindelijk met de taak, die Salhana zelf +niet durfde volvoeren, en bevrijdden hem van zijn angst.... Eens +in den vroegen morgen vonden zijne bewakers hem dood liggen in de +tent, die gedurende den nacht hem tot verblijf had gestrekt. + + + +VIJFTIENDE HOOFDSTUK. + +Beterschap + +In Agra ging alles nagenoeg zooals Akbar en zijne raadslieden van +den aanvang af berekend hadden, en vooral na de mededeelingen van +Siddha konden voorzien. Dat Selim nog bij tijds omtrent den +terugkeer van het leger zou gewaarschuwd worden en 't dus +misschien niet gelukken zou hem op de daad te betrappen, hadden +Akbar's vertrouwden nog steeds gevreesd; en wel ware in dat geval +de aanslag verijdeld, maar tevens vrij wat moeijelijker geweest, +den Prins te overtuigen van zijn verraad. Nu evenwel de boodschap +van Gorakh, den leider der zaamgezworenen in het leger was +onderschept, en Goelbadan in de onmogelijkheid gesteld ze aan +Selim en de zijnen over te brengen, stonden de kansen veel +gunstiger. En inderdaad, wel kwamen er enkele geruchten tot de +zaamgezworenen te Agra omtrent een spoedigen terugtogt van den +Keizer; maar, niets daaromtrent van hun eigen vrienden vernemend, +hielden zij die geruchten eenvoudig voor een list om hen van +eenige onderneming gedurende Akbar's afwezigheid terug te houden. +Er bestond dus, meenden zij, geenerlei reden om geen uitvoering te +geven aan het plan. + +Op den bepaalden dag dan nam Selim bezit van het vorstelijk +paleis, en deed zich openlijk in Agra uitroepen als Keizer. +Terstond ontsloeg hij een aantal van de voornaamste ambtenaren en +krijgsbevelhebbers en stelde anderen in hun plaats. Schrik en +ontzetting verspreidden zich allerwege in de stad. De rijken +sloten hunne huizen, de kooplieden hunne winkels, en de volkrijke, +anders zoo levendige residentie scheen op eenmaal als uitgestorven. +De berigten toch omtrent Akbar's terugkeer hadden meer geloof gevonden +bij de burgerij dan bij de misleide zamenzweerders, en een geduchte +strijd scheen te voorzien, als Selim, in de vesting zich versterkend, +een krachtigen tegenstand mogt bieden aan zijn vader. Maar toen de Prins +nu de vesting liet opeischen, weigerde, tot zijn niet geringe verbazing +en schrik, de Goeverneur volstandig aan den eisch te voldoen, sloot de +welversterkte poorten en rigtte zijn geschut tegen de stad. In +schijn toch had diezelfde Goeverneur, met medeweten van Akbar, de +zijde van Selim gekozen, zoodat deze volkomen zeker van het fort +meende te zijn, maar inderdaad was hij den Keizer trouw gebleven. +En nu bevestigden zich ook de tot dusver in den wind geslagen +berigten omtrent de bewegingen van het leger, en geen dagmarsch +scheidde dit weldra meer van de stad. Dus tusschen twee vuren +geplaatst, terwijl nagenoeg allen die hem in den opstand geholpen +hadden zoo snel mogelijk hem weer verlieten, begreep Selim dat er +geen andere uitkomst overbleef dan een overhaaste vlugt. Doch te +laat! De vooruitgezonden troepen sloten al de uitwegen af, en toen +Selim met enkele volgelingen de stad wilde verlaten, werd hij +overvallen door eene afdeeling ruiterij en, hoewel met alle eer, +toch ook met een gestrengheid die alle verdere poging tot vlugten +onmogelijk maakte, gevankelijk naar het paleis teruggevoerd waar +hij een vlugtig oogenblik als Keizer had getroond. + +Eenige dagen later ontving hij de uitnoodiging om te verschijnen +bij den vorst, die thans werkelijk in zijne hoofdstad was +teruggekeerd. Zijn vorst, zijn vader, zijn regter tevens! Selim +was dapper, maar thans voelde hij den moed zich toch ontzinken, en +dat te meer omdat hijzelf zoo volkomen overtuigd was van zijne +schuld. Ook wist hij dat Akbar grootmoedig kon zijn, maar tevens +gestreng, als straffen in het rijksbelang noodig was. + +Zijn anders niet onredelijke vrees maakte echter spoedig plaats +voor verwondering, toen hij, alléén bij den Keizer toegelaten, +dezen met het hoofd in de hand op een divan vond uitgestrekt, +terwijl zijn andere arm vermoeid over den rand van het rustbed +hing, en hem ook zijne houding niet zag veranderen toen hij, de +schuldige, daar binnentrad. + +--Ik heb lang gedraald u te ontvangen, Selim!--begon Akbar ten +laatste, terwijl hij een vlugtigen blik wierp op zijn diep +beschaamden, in gebogen houding vóór hem staanden zoon;--ik zag op +tegen dit onderhoud; ik wenschte dat gij 't mij gespaard mogt +hebben! + +Weer zweeg hij eenige oogenblikken; en toen, zich halverwege +oprigtend en de handen omhoog heffend, barstte hij los in een +bittere en hartstogtelijke klagt: + +--Mijn zoon! mijn zoon!--riep hij uit,--dat ik dit van u beleven +moest! Waartoe liet gij u verleiden door valsche vrienden en +verkeerd begrepen eerzucht! Gij weet het, hoezeer ik u altijd heb +lief gehad, uw minste wenschen waar 't mogelijk was zocht te +voorkomen, u overlaadde met eer en aanzien en schatten. Gij weet +ook, gij hebt het meer dan eens van mij en van uwe moeder gehoord, +hoe ik, nog kinderloos en toen ik nog in mijn goedgeloovigen tijd +verkeerde, heb gebeden om de geboorte van een zoon, en toen +eindelijk dat geluk mij te beurt viel en gij mij geschonken waart, +die gebeurtenis herdacht door de stichting van Fattipoer, op welks +heuvel ik zoo menigmaal tot Allah mijne gebeden had omhoog +gezonden. Maar had ik geweten wat mij eenmaal van u te wachten +stond, mijn gebed zou niet zoo vurig en mijne vreugde over zijn +verhooring zoo groot niet zijn geweest! Ach, was het u dan +onmogelijk, althans eenmaal in uw leven, eene overwinning te +behalen op uzelf, en nog zoolang geduld te hebben, alvorens uw +voet te zetten op den troon, tot uw vader, zoo jong toch niet +meer, u de plaats had opengelaten? Was 't u ondoenlijk door dat +ééne ten minste de liefde eenigszins te vergelden, die ik u altijd +heb toegedragen en waarvan gij de blijken toch waarlijk wel +ondervonden hebt? + +Selim wist niet te antwoorden, toen zijn vader weer voor een +oogenblik ophield te spreken. Die gansch onverwachte ontvangst, +die altijd, in weerwil van zijne vergrijpen, nog liefderijke +schoon droevige taal had hem diep getroffen. Want hij was niet +slecht, niet verstokt van hart, maar zwak en ligtzinnig; en op hem +rustte de vloek, dien Akbar had weten te ontgaan, de vloek van het +despotisme, dat den alleenheerscher, en ook hem die weet dat hij +bestemd is het te zijn, de eigen onbetoomde willekeur in de +plaats leert stellen van regt en van pligt. + +--Maar neen!--ging de Keizer weer voort,--gij hebt het niet +gewild, of liever nog, gij hebt het niet gekund. Gij zijt nooit in +staat geweest u te bedwingen in iets; hoe dan in dit ééne? Een +tijd lang, ik zag het met het grootste genoegen, hebt gij +opgehouden met uwe drinkgelagen, maar hoe kort duurde de +beterschap! Gij, die in mijne plaats wilt heerschen over anderen, +gij weet nog niet eens uzelven te beheerschen! En hadt gij nog +maar beter uwe eigene stelling begrepen! Eigenbelang, maar +wezenlijk, geen valsch eigenbelang, had u van zelf den regten weg +gewezen. Gij zoudt dan hebben ingezien dat alleen regtvaardigheid +en trouwe pligtsvervulling u de achting en genegenheid uwer +toekomstige onderdanen konden verwerven, maar dat handelingen als +die waaraan gij thans u hebt schuldig gemaakt, u verachtelijk +moesten doen worden in hun oogen ook al ware uw doel bereikt en al +gehoorzaamden zij hun nieuwen meester uit zelfzucht of uit vrees. +Nu hebt gij, even onverstandig als misdadig, dien eerbied +verspeeld, en u en ook mij met schande overdekt. Of meent gij, dat +ook mij de vernedering niet treft, die u heden wordt opgelegd? Hoe +gaarne had ik ze nog voorkomen! Ik beproefde het, toen ik u op +raad van Aboel Fazl, die u welwillend gezind was, naar Allahabad +zond. Ik wist toen nog niet, dat juist Salhana tot de ergste +verraders en de gevaarlijksten uwer verleiders behoorde. Maar +genoeg, de poging om u te onttrekken aan uwe omgeving mislukte, en +de zaken bleven haar gang gaan. Toen werd het ten laatste noodig +in 't openbaar en ten aanzien van een ieder het bewijs te leveren, +dat list noch geweld ook van den hoogst geplaatste iets tegen +Akbar en de zijnen vermag, en dat de Keizer nog altijd oppermachtig +blijft regeren. Gij hebt mij gedwongen; aan uzelf de schuld van 't geen +heden is geschied. Uzelven hebt gij veel kwaad gedaan, en mij hebt gij +diep gegriefd; dieper dan gijzelf welligt op dit oogenblik beseft. +Moogt gij nimmer in de gelegenheid zijn het volkomen te begrijpen en +door eigen ondervinding te leeren wat het zegt voor een vader, zijn +eigen zoon als vijand tegenover zich te zien en zichzelf misschien +genoopt hem te bestrijden met het zwaard in de hand! + +En wél zou die droevige ervaring ook Selim in later dagen niet +blijven gespaard, en zou hij gelegenheid vinden de woorden zijns +vaders te overdenken, als eenmaal, in de jaren van zijn ouderdom, +Shah Djihan, zijn eigen eveneens geliefde zoon, hem bekampen zou +in 't open veld en meer dan eens met overmagt van legers de zijnen +zou verslaan!... Thans inmiddels gevoelde hij het zedelijk +bewustzijn, dat zoolang had geslapen, weer ontwaakt, en voor 't +eerst doorzag hij in haar vollen omvang zijne schuld, door valsche +raadgevers hem tot heden steeds als weinig beteekenend, of althans +als niets buitengewoons en iets wél verschoonbaars voorgesteld. En +door aandoening overmeesterd, wierp hij, zijn gelaat in de handen +verbergend, zich op de knieën voor zijn vader neer. + +--Sta op!--sprak ten laatste de Keizer na een tijdlang zwijgend +zijn zoon te hebben aangezien,--en luister! Dat ik het volle regt +bezit en de magt om u de straf op te leggen die ik mogt +goedvinden, zult gij zoomin als iemand anders mij kunnen +betwisten. Maar ik wil voor u geene verdere vernedering dan die +welke gij reeds hebt ondergaan. Ik wil dat niet, omdat het schaden +zou aan uw later gezag, aan den eerbied dien men u verschuldigd +zal zijn als gij mij eenmaal zijt opgevolgd in de regering. +Strafte ik u nog verder in 't openbaar, ik zou u dan tevens voor +goed vervallen moeten verklaren van den troon en een uwer jongere +broeders tot mijn opvolger behooren aan te wijzen. Maar dat wil, +dat kan ik nog niet. Ik heb u nog te zeer lief om u voor immer te +verstooten, zoolang ik het vermijden kan. Niettemin blijft alles +afhangen van uzelven. Zeg mij, en zeg het, gelijk gij in dit +oogenblik wel zult willen, opregt:--Verlangt gij nog met mij mede +te werken in het belang van ons rijk, of gevoelt gij daarvoor geen +lust of geen genoegzame kracht? In 't eene geval zal ik u eene +eervolle maar moeijelijke werkzaamheid opdragen; in 't andere kunt +gij hier blijven aan mijn hof, en daar trachten, want dat raad ik +u toch aan, zooveel althans van de kunst van regeren te vernemen +als in uw lateren werkkring u onmisbaar zal zijn. Ik laat u de +keus. + +--Mijn vader!--antwoordde thans eindelijk Selim,--ik gevoel het +volkomen dat ik noch het eene noch het andere aanbod, beiden even +grootmoedig, heb verdiend, en mij niet zou mogen beklagen, indien +ik na mijne laatste handelingen door u van de troonopvolging +vervallen werd verklaard, maar laat gij mij werkelijk eene +onverdiende keus, dan aarzel ik geen oogenblik, maar grijp +terstond het eerste van uwe voorstellen aan. Draag mij een zwaren +en des noods gevaarvollen arbeid op, en ik wil trachten zoo goed +ik kan dien te volbrengen. Gij hebt mij inderdaad met eer en met +gunsten overladen, maar misschien ook wel te veel! ik heb mijn +tijd werkeloos, in ijdele ledigheid, verspild en verbrast, terwijl +gijzelf dag aan dag en avond aan avond hebt gearbeid voor het nut +van den staat; en die werkeloosheid, die ellendige ledigheid, die +geen verstrooijing op den duur kan aanvullen, heeft mij, zoo niet +geheel dan toch voor een groot deel gehoor doen geven aan +verraders en verzoekers, die mij een wezenlijken en meer +roemrijken werkkring voorspiegelden als ikzelf maar eenmaal de +magt, in handen zou hebben. Wijs mij nu zulk een werkkring aan, al +is 't een meer nederige, en ik zal misschien nog gelegenheid +vinden om weer eenigszins goed te maken wat ik jegens u misdreef! + +--Gij beoordeelt uzelven niet onjuist,--hernam Akbar,--en de regte +zelfkennis is wel de eerste stap op den goeden weg. Ook wil ik +gaarne erkennen dat ik van mijne zijde niet geheel vrij ben van +schuld, in zoo ver ik u veel te lang dat ledig en bij alle +grootheid en weelde toch eentoonig leven liet, waarin gij tot +dusver hebt verkeerd. Maar welaan dan! Niet lang nog is het rijke +en vruchtbare Bengalen onderworpen aan mijne heerschappij, en nog +wacht het op de voorregten eener ordelijke regering zooals onze +landen die genieten. Ga nu, en help mij zulk eene regering +invoeren ook dáár! Gij zult er onder mijne souvereiniteit het +bestuur op u nemen, en voortaan een nagenoeg onafhankelijk Koning +zijn, totdat eenmaal de tijd zal zijn gekomen waarin gij, in vrede +ten laatste met uzelven en geacht weer en bemind door uwe volken, +de regering zult kunnen aanvaarden over gansch Hindostan! + +Tranen van vreugde en van dankbaarheid ontsprongen Selim's oogen, +en na eerbiedig de hand des Keizers gekust te hebben snelde hij +heen, vol moed en vol nieuwen levenslust. De verzoening tusschen +vader en zoon was opregt, en de vrede en vriendschap, Akbar +gevoelde het en hij zag juist, zou voortaan niet weder tusschen +hen beiden worden verstoord. + +Was het in Agra na den gelukkig voorbijgedreven storm een tijd van +althans betrekkelijke vreugde, in Allahabad werd het in die dagen +en vooral in de spoedig daarop volgende een tijd van rouw. Voor +ééne ten minste. In algemeene bewoordingen en zonder noodelooze +vermelding van bijzonderheden werd aan Iravati de dood haars +vaders medegedeeld door den nieuwen Goeverneur, die haar tevens de +verzekering gaf dat zij in den burgt kon blijven vertoeven zoolang +haar goed dacht. De misdrijven, waaraan Salhana zich schuldig had +gemaakt waren haar nooit bekend geweest; ook thans vernam zij +daarvan weinig of niets, daar zij den meesten verholen waren +gebleven; en, had zij haar vader nooit wezenlijk leeren +liefhebben, zij had toch tot op zekere hoogte hem achting +toegedragen, en zijne laatste handelwijze jegens haarzelve +vergetend, betreurde zij hem wezenlijk en opregt. Doch weldra kwam +ander nieuws dat wel geschikt bleek om op gansch andere wijze haar +gemoed te schokken, zoo droevig door 't geen zij omtrent haren +Siddha vernomen had, reeds gestemd. + +Niet lang nadat de tijding van Salhana's dood haar geworden was, +kwam Koelloeka, de Brahmaan, zich bij haar aanmelden. Alleen zijn +ééne getrouwe dienaar had op een gevaarvollen togt uit het Noorden +hem vergezeld. + +--Edele jonkvrouw!--sprak hij, bij Iravati toegelaten,--ik +belastte mij met eene zware taak, omdat ik eene boodschap heb over +te brengen, treurig voor u en voor mij. Ik breng u een teeken, dat +u wel bekend zal zijn.... + +En in zijn gordel tastend legde hij den fijn geweven veelkleurigen +sluijer vóór haar neder, dien zij Siddha had toegeworpen, toen zij +voor het laatst hem onder 't balkon van haar venster had gezien. + +--Ik begrijp alles!--riep zij verbleekend uit, terwijl zij +opsprong;--hij is niet meer!... + +--Zóóver--antwoordde Koelloeka,--was het nog niet gekomen toen ik +hem verliet; maar ik vrees toch het ergste, en ik moet twijfelen, +hoe gaarne ik het tegendeel ook geloofde, of ik ooit mijn +voormaligen leerling weer zal zien. + +--Doch zeg mij, wat is er met hem gebeurd?--vroeg Iravati.--Zie! +ik ben nu weer bedaard en wil u rustig aanhooren mits gij mij +alles mededeelt. + +En nu verhaalde Koelloeka omstandig al wat hij van Siddha's +laatste ontmoetingen wist. + +Op zijn dringende en ernstige bede had de Keizer hem veroorloofd, +met zijne Radjpoet's en anderen tegen de stroopers in het Noorden +op te trekken. Daar, in de hem welbekende gebergten, voerde hij +een tijdlang een zeer gelukkigen en roemrijken krijg; gevaren +telde hij niet, maar zocht ze veeleer op, vooral voor zichzelven, +en menigmaal had hij reeds waagstukken beproefd, waarvoor zelfs de +dapperste zijner volgelingen waren teruggedeinsd. Altijd echter +met goed geluk. Doch ten laatste wisten de rooverbenden, terwijl +hij een bergpas doortrok, hem van zijne hoofdmagt af te snijden en +hem en zijne nu betrekkelijk weinige volgers van alle kanten te +omsingelen. Wel streed hij ook thans weer met zijne gewone +onversaagdheid en kracht, wel wist hij de zijnen door eigen +voorbeeld lang nog te blijven aanvuren en viel er menig ruiter van +den vijand door zijn zwaard getroffen in den afgrond, maar ten +laatste stortte hijzelf met wonden bedekt van zijn paard, terwijl +de meesten zijner dapperen gewond of gesneuveld rondom hem lagen +uitgestrekt. Vatsa, die zijne zijde bijkans niet had verlaten en +hem vallen zag, begreep op dit oogenblik beter te kunnen doen dan +een ijdele en nuttelooze wraak te beproeven, liet zich onmiddelijk +van het paard glijden en bleef toen bewegingloos liggen alsof ook +hij verslagen was. Weinige oogenblikken later kwam de hoofdmagt +aanrukken en dwong den vijand tot een haastigen aftogt. Nu sprong +Vatsa snel weer op, begaf zich tot zijn meester en hoewel eerst +meenend dat hij gesneuveld was, ontdekte hij spoedig tot zijn +blijdschap dat hij nog leefde. Met behulp van eenige der nieuw +aangekomen ruiters legde hij den gevallene, na zoo goed het gaan +wilde zijne wonden verbonden te hebben, op een in der haast +zamengestelde draagbaar en stelde toen voor, hem naar een in de +nabijheid gelegen Boeddhistenklooster te voeren, waarheen de weg +hem bekend was. Aan het plan werd terstond uitvoering gegeven. + +--Ikzelf,--vervolgde Koelloeka,--ik bevond mij juist op dat +oogenblik in het klooster toen de ruiters er met hun zwaar +gewonden bevelhebber aankwamen. Met de meeste liefde en zorg +verpleegden hem de goede monniken, en een ervaren geneesheer, die +zich onder de hunnen bevond, gaf mij de verzekering dat niets zou +worden gespaard wat zijne kunst vermogt om hem in 't leven te +behouden. Na eenigen tijd kwam Siddha weer tot bewustzijn, en mij +aan zijne zijde ontwarend, knikte hij mij vriendelijk toe. Ten +laatste gevoelde hij ook voor eenige oogenblikken weer de kracht +om te spreken.--Vriend!--zeide hij,--ik ga u verlaten; Ik gevoel +dat ik hiervan niet meer zal opkomen. Bewijs mij nog één dienst!-- +Vragend zag ik den geneesheer aan, maar deze schudde het hoofd. +Ook hij scheen weinig of geen hoop meer te zien. Tevens echter +wilde hij Siddha het zwijgen opleggen; maar deze stoorde zich niet +aan het verbod.--Ik moet spreken!--zeide hij;--Koelloeka! neem +den sluijer dien gij daar bij mijne wapenrusting zult vinden, +breng dien zoodra gij kunt aan Iravati, en zeg haar dat ik haar +nooit zoo lief had gedurende mijn leven dan op het oogenblik dat +ik den dood nabij weet. Ga terstond en wacht niet tot ik gestorven +ben. Laat mij sterven met het bewustzijn, dat zij het teeken uit +uwe handen ontvangt!--Toen sloten zich zijne oogen en hij sprak +niet meer. Ik aarzelde niet aan dat waarschijnlijk laatste verzoek +te voldoen, nam den sluijer, en Siddha aan de trouwe zorgen van de +Boeddhisten en Vatsa overlatend, toog ik onverwijld op weg. + +--Ik dank u--sprak Iravati,--voor de dienst, welke gij ons beiden +hebt willen bewijzen. Maar Siddha leeft nog, zegt gij, of was nog +niet gestorven toen gij hem verliet. Dan weet ik ook wat mij te +doen staat. + +--Te doen?--vroeg de Brahmaan.--Wat zoudt gij kunnen? + +--Ik ga met u op weg naar Siddha!--antwoordde Iravati bedaard. + +--Wat! Gij?--riep Koelloeka in verbazing uit,--gij, een zwakke +weerlooze vrouw, zonder sterk geleide daar ginds door die wilde +bosschen en bergen, waar het zwermt van rooverbenden en waar wij +anderen zelf reeds aan groote gevaren ons blootstellen op zulk een +reis! Waar denkt gij aan? + +--Zoo goed--was het antwoord,--als gij, mijn vriend! u ter wille +van Siddha aan die gevaren waagt, zoo goed kan ook ik het voor hem +doen. En vrees niet dat ik u tot last zal zijn. Ik ben zoo zwak +niet als gij misschien meent en aan bergwegen en bosschen wel +gewend.--Neen! ging Iravati voort, toen Koelloeka weer nieuwe +tegenwerpingen wilde maken,--tracht mij niet af te brengen van +mijn besluit! Het zou u niet baten. En wilt gij mij niet meenemen, +dan ga ik alléén met een mijner dienaren. Meen ook niet dat mijn +besluit in overhaasting wordt genomen en ik er straks wel op terug +zal komen. Ik heb meer dan eens over de mogelijkheid van een +dergelijk geval gedacht, als zich juist op dit oogenblik voordoet. +Ik heb meer dan eens in omstandigheden die er aanleiding toe +gaven, mijn eigen toestand met dien van de Damayanti der legende +vergeleken, en ik heb besloten, dat zij, waar 't pas gaf, steeds +mijn voorbeeld zou zijn. En wat is nu mijn geringe opoffering bij +de hare? Alléén en van alles beroofd, van alle zijden door nog +gansch andere gevaren omringd, zwierf zij rond door de wildernis +om haar trouweloozen echtgenoot op te zoeken; en ik, ik ga, als +gij 't mij vergunt ten minste, onder geleide van een man van +beproefde dapperheid en beleid; en waar hij weet door te dringen, +zal ik wel weten te volgen! + +--En zijn arm zal u niet falen, waar die bij magte is u te +beschermen!--riep thans Koelloeka uit;--en is die arm al wat +stram, hij bezit toch nog kracht genoeg om het zwaard te hanteren. +Welaan dan! ik wil uw besluit eerbiedigen, niet minder dan ik het +bewonder. Zoo bereid u dan voor tot den togt, en gij vindt mij +gereed om dien met u te ondernemen. + +Zonder dralen ontbood Iravati hare dienares, en haastte zich met +haar de noodige toebereidselen te maken voor de reis, terwijl zij +haar in korte woorden het doel van den togt mededeelde. Niet +weinig was de trouwe Nipoenika, die hare meesteres innig liefhad, +ontsteld, toen zij dat berigt vernam. Maar Iravati legde haar +onmiddelijk het zwijgen op, toen zij eene poging waagde om haar +van de onderneming terug te houden. + +--Laat mij dan met u gaan!--bad de dienares. + +--Neen!--antwoordde Iravati,--dat kan niet. ééne vrouw te +beschermen is al genoeg voor Koelloeka en zijn dienaar. En ik gaf +u bovendien ook juist kennis van mijn plan, maar in 't geheim +altijd, opdat, als ik niet terugkeer, iemand wete waar ik gebleven +ben en dat aan mijne betrekkingen in Kaçmir kan melden. + +--Maar ware 't dan niet beter, den Goeverneur van het fort om +behoorlijk geleide te verzoeken? + +--Ook dàt zou niet deugen. Een afdeeling gewapenden zou onderweg +juist de aandacht trekken, en eene sterke magt kan de Goeverneur +ons niet meegeven. Met ons drieën hebben wij dus veel meer kans de +reis met goed geluk te volbrengen. + +Niet aanstonds evenwel kon de togt worden ondernomen. Koelloeka's +paarden waren nog te vermoeid om onmiddelijk weer op weg te gaan. +Men had dus tot den namiddag te wachten. Lang viel Iravati die +werkelooze tusschentijd. Was men maar eenmaal onderweg, dan was er +ten minste nog eenige afleiding. Nu zat zij onafgebroken te +mijmeren over dat ééne enkele, dat met uitsluiting van alle andere +gedachten haar bezig hield. + +Met schrik, zij wist zelve niet waarom, zag zij op, toen zij +eensklaps iemand haastig hoorde naderen, en een oogenblik later +stond een man vóór haar, aan wien zij in deze oogenblikken wel 't +minst van allen zou hebben gedacht--Selim. + +--Gij hier?--riep zij uit. + +--Ik kwam hier--antwoordde de Prins,--op mijne doorreis naar +Bengalen. En ik kom, naar ik zooeven ontdekte, juist op een goed +oogenblik. Ik kom u verhinderen in de uitvoering van een plan, te +dwaas om in 't hoofd eener verstandige vrouw op te rijzen. Uwe +dienares heeft, uit liefde voor u, het verbod om er van te spreken +geschonden en mij gebeden door mijne tusschenkomst het te +beletten. Ik heb haar dat beloofd. + +--Bemoei u, Heer!--sprak Iravati,--wat ik u verzoeken mag, niet +met mij noch mijne plannen! Ik ben geen kind meer, dat niet weet +wat het doet. En in allen geval zijt gij ook niet geroepen om voor +mij te waken. + +--Toch zal ik het doen, voor uw eigen welzijn. En ook... welnu! +waarom het niet ronduit gezegd?... en ook, omdat ik u niet naar +dien gehaten mededinger verkies te zien gaan, die zelf u ontrouw +werd. Ik kan de gedachte niet verdragen, dat gij dien man, zoo gij +hem nog in leven vindt, met liefkozingen zult overladen, terwijl +gij mij verstooten hebt! En daarom zal ik gebruik maken van mijne +magt en u dwingen hier te blijven al is 't ook tegen uw wil! + +--Gij kunt het, Selim!--antwoordde Iravati,--maar gij zult het +niet. Gijzelf weet zeer goed dat gij niets zoudt winnen, maar wel +verliezen door zulk eene laaghartige daad van geweld. Mij zoudt +gij toch niet erlangen, en Siddha's dood geen oogenblik er door +verhaasten; gijzelf daarentegen, dien ik tot heden bleef achten, +ook al kon ik u mijne liefde niet schenken, gij zoudt u door zulk +eene handelwijze enkel dit ééne verzekeren: mijne diepste +minachting! Begeert gij die? Mijne verachting en uw eigen zeker +niet geringer zelfverachting bovendien? Wilt gij u aanstellen als +een zwakke vrouw, die hare hartstogten niet meester is en enkel +toegeeft aan hare redelooze drift, of wenscht gij u te gedragen +als een man, en door uzelf te beheerschen ook toonen dat gij +waardig zijt eenmaal te gebieden over anderen? Beslis het zelf! Ik +vraag u geen gunst! + +Met gejaagden stap ging Selim op en neder. Een heftige strijd werd +er in zijn binnenste gevoerd door hartstogt en pligtbesef, door +eergevoel en drift. Haar, de vergeefs gewenschte, vruchteloos +gevleide, over te laten zonder tegenstand aan den verwenschten +medeminnaar, was hard, scheen ondoenlijk. Maar toch, zij had regt. +Geen weerstand kon baten en geweld moest hem 't eenige doen +verliezen wat hij nog bezat: de achting van haar, wier oordeel hij +op prijs stelde boven alles. En dan hare laatste woorden, die hem +levendig de diep gevoelde vermaningen van zijn edelen en +verstandigen vader voor den geest riepen! Zelfbeheersching, +zelfverloochening! Eerste pligt en onmisbare deugd voor den Vorst! +Nooit nog had hij in waarheid ze betracht; en zou nu, na zijne +ernstige belofte, na zijn stellig voornemen een nieuw leven aan te +vangen, zijn allereerste handeling weer een daad zijn, die Iravati +met alle regt eene laaghartige geweldenarij had genoemd?... + +--Iravati!--sprak hij ten laatste,--ik onderwerp mij, nu als +vroeger, aan uw wil. Wat het mij kost behoef ik u niet te zeggen; +maar genoeg, ik gehoorzaam. Helaas! ik zeg het nogmaals, waarom +heb ik u niet vroeger gekend? Gij zoudt een ander mensch van mij +gemaakt hebben dan ik geworden ben. Maar dat is nu eenmaal alles +anders; en ik wil trachten mij te schikken in 't onvermijdelijke. +Ga dan, en hoewel ik uw voornemen roekeloos blijf achten, ik mag +toch niet nalaten het te eerbiedigen als een moedig en edel +besluit. Maar nog meer nu! Het kan zijn, het ware althans niet +onmogelijk, dat uw Siddha nog in 't leven bleef; en dan, ik +begrijp het maar al te wel, zoudt gij met hem u verzoenen en het +woord gestand doen dat gij hem gezworen hebt. Welnu! met wangunst +zou ik het aanzien, maar ook zonder wraakzucht jegens u en jegens +hem die u dierbaar is. Laat het dan eenmaal althans gezegd kunnen +worden, dat de zwakke en zelfzuchtige Selim zichzelf bedwong en +dat de toekomstige gebieder van Hindostan ook meester van zijn +eigen hartstogt kon zijn. En als gij vroeg of laat, gij of Siddha +Rama, mijne bescherming mogt behoeven, ik geef u mijn vorstelijk +woord dat ze u niet zal worden onthouden. Eéne gunst alleen vraag +ik van u, die er thans geene van mij wilt ontvangen! Ontzeg mij, +al zien wij elkaar nimmer weder, uwe vriendschap niet geheel, en +denk niet met toorn en verachting aan een man, wiens eenig +misdrijf jegens uzelve toch alleen hierin bestond, dat hij u al te +hartstogtelijk beminde!... + +Geen antwoord meer wachtte hij, maar snelde voort.--Mijn vader!-- +sprak hij in zichzelven, terwijl hij met haastige schreden en +zonder om te zien zich verwijderde,--zoudt gij thans, voor éénmaal +ten minste, vrede kunnen hebben met uw zoon?... + + + +ZESTIENDE HOOFDSTUK. + +Feizi's vloek + +In 't Boeddha-klooster in het gebergte lag Siddha op zijne +legerstede, en nevens hem zat Iravati. Zoo groot ook hare vreugde +was geweest toen zij na den moeijelijken en gevaarvollen, maar +gelukkig volbragten togt vernam dat haar Siddha nog leefde, +zoozeer werd die blijdschap ook getemperd toen de geneesheer zijn +behoud nog uiterst twijfelachtig noemde, en zij, bij hem +toegelaten, hem voortdurend bewusteloos vond. Of hij ooit weer zou +ontwaken? Of zou hij sterven zonder haar te hebben herkend? + +Na verloop van een in bange afwachting doorgebragten tijd begon er +ten laatste weer eenige hoop te ontstaan; maar de arts raadde +Iravati tevens ernstig, zichzelve wat meer rust te gunnen als zij +den gewonde nog verder wilde blijven verplegen. Ook wisten +Koelloeka en de monniken haar nu en dan tot eene korte wandeling +te bewegen; en niet zonder genoegen bezocht zij dan bijwijlen ook +den kleinen bij het klooster gelegen tempel, als de kerkklok er de +geloovigen met hunne rozenkransen ten gebede riep. En met +belangstelling ook luisterde zij meer dan eens naar de redenen van +den Opperpriester, als deze haar over het ijdele en nietige van +het menschelijk leven sprak, waarin het leed voor het meerendeel +der wezens zooveel grooter was dan het geluk, en waarvan eenmaal +voor goed verlost te worden om te mogen ingaan tot het nirvâna, de +hoogste zaligheid was die voor den mensch bleef weggelegd. + +Koelloeka vond op dergelijke redenen wel wat aan te merken, en hij +zou in andere omstandigheden den priester misschien wel hebben +tegengeworpen, dat werkzaam te zijn en ten nutte van anderen toch +een waardiger levenstaak was dan verzonken te blijven in ledige +bespiegeling omtrent de ijdelheid der dingen; maar hij bemerkte +dat die stille en kalme, schoon ietwat droomerige leer juist voor +'t oogenblik een weldadigen invloed op Iravati had; en hij zweeg. +Ook was tegenspraak hier in zeker opzigt vrij overbodig, vermits +toch deze Boeddhisten zelf weer het bewijs leverden dat de natuur +soms beter is dan de leer. Wel namen zij geenerlei deel aan het +woelige leven en de gewone zorgen der wereld; maar dat zij in +ledigheid hun tijd doorbragten, kon hun waarlijk niet worden +verweten. Onvermoeid zwierven zij door het gebergte en gingen rond +bij de arme bergbewoners, overal weldoende voor zoover in hun +vermogen stond en zooveel doenlijk het leed verzachtend van allen +die zich ongelukkig gevoelden, zonder onderscheid van godsdienst, +van kaste of van nationaliteit. + +Weder was Iravati eens op een avond bij het leger van Siddha +gezeten, terwijl de geneesheer hem van de andere zijde gadesloeg, +toen hij, langzaam de oogen openend, een vlugtigen blik om zich +heen wierp en nevens zich Iravati scheen gewaar te worden. Want +zacht fluisterde hij haar naam, terwijl hij op 't zelfde oogenblik +weer de oogen sloot. Een wenk van den arts gebood haar, voor heden +zich te verwijderen; en schoorvoetend, maar 't hart toch vervuld +van vreugde, verliet zij hem om Koelloeka de heugelijke tijding te +gaan mededeelen. Den volgenden dag vond deze zijn vriend weer +aanmerkelijk toegenomen in beterschap en tot spreken ook weer in +staat. + +Maar niet dan spaarzaam maakte Siddha van de gelegenheid gebruik, +ook toen Iravati weder tot hem kwam. Wel bleef hij haar kennen, +even als zijn vriend; maar van het voorleden scheen hij zich +overigens niets te herinneren, en een nevel scheen er te zweven +voor zijn geest. Wezenloos zat hij meestal voor zich te staren en +alleen de stem van Iravati kon hem dan voor een oogenblik weer +doen ontwaken uit zijn verdooving. Dat bleef zoo, ook nadat zijn +ligchamelijke krachten zoo goed als volkomen reeds waren hersteld +en hij tot een behoorlijke beweging zich weer geheel in staat +gevoelde. + +Eens echter, toen hij met Iravati in de nabijheid van het klooster +rondwandelde, was het alsof plotseling een door haar gesproken +woord, of ook eenig voorwerp dat hem in 't oog viel,--zij wist +zelve later niet meer wat,--een herinnering bij hem opwekte. +Eensklaps stond hij stil, zag verwonderd om zich heen, en streek +zich met de hand over 't gelaat. Maar het hoofd schuddend wandelde +hij verder. Nogmaals echter stond hij stil, en beschouwde +oplettend nu eens de hooge bergtoppen, dan de helder blauwe lucht, +dan weer de vallei en de bosschen daar omlaag.... Eene doodelijke +bleekheid overtoog zijn gelaat, en met verwilderden blik zag hij +Iravati aan .... Het geheugen was teruggekeerd en in zijn volle +kracht; maar hoe? En ware vergetelheid voor altijd niet misschien +nog gelukkiger geweest?... + +--Van hier!--riep hij ten laatste uit,--van hier! Wat wilt gij +ongelukkige! nog in mijne nabijheid? Hoe moogt gij nog dulden dat +ik u nader, ik de trouwelooze, de schandelijke verrader, beladen +met den zwaarsten vloek die het hoofd van een man ooit treffen +kon!... + +Met nameloozen schrik had Iravati hem aangehoord. Wel begreep zij +niet aanstonds alles, maar toch reeds meer dan genoeg. Zij wilde +spreken, maar de stem begaf haar en in diepe smart zonk zij neder +aan zijne voeten. + +--De vloek,--herhaalde Siddha wild,--de vloek van Feizi: "Leef met +de herinnering aan 't geen gij gedaan hebt, gij die u een edelman +noemt, en al verwerft gij alles wat gij begeert, altijd zult gij +de oogen neerslaan voor ieder eerlijk man dien gij ontmoet!" En +dan zou ik nog wagen ze op te heffen tot u, de reine, schuldelooze, die +ik laaghartig even als dien edelen vriend verried! Ga weg! zeg ik, ver +van hier! Een gestalte verrijst daar tusschen u en mij!... Het is Feizi, +innemend, beminnelijk zooals hij was als vriend,... maar nu weer +dreigend en streng, zooals ik hem zag toen hij als regter mijn vonnis +sprak!... + +En Iravati, het hoofd weer opheffend, zag hem de oogen bedekken +met de hand, als vreesde hij langer haar te aanschouwen. Eindelijk +vond zij tot spreken weer de kracht. + +--Kom mede--zeide zij,--en ga weer met mij naar binnen! Gij +overspant u, en haalt u valsche droombeelden in het hoofd. Dat is +u niet goed. Zoo kom dan! + +--Droombeelden!--sprak Siddha bitter,--mogt dat waar zijn! Maar +neen! Ik ben geheel ontwaakt, ik ben volkomen helder, mijne kracht +is teruggekeerd, maar ook de herinnering, de vreeselijke +herinnering, en levendiger nu dan ooit. Nog gevoelde ik niet den +waren zin van Feizi's woorden; maar thans heb ik ze leeren +begrijpen, nu ik u heb weergezien. Voor den Keizer, ja! tot zelfs +voor den minste mijner soldaten heb ik vol schaamte de oogen +moeten neerslaan, maar nooit zoals nu. En ik zocht ook een +eerlijken dood, en dat stelde mij nog in staat hun blik te +verduren...--Iravati!--ging hij voort,--gij weet niet met wien +gij spreekt, gij kent mijn laatst voorleden niet. + +--Ik ken het,--antwoordde Iravati,--en al weet ik niet bepaald wat +er tusschen u en Feizi is voorgevallen, ik meen het toch +genoegzaam uit uwe woorden te kunnen opmaken. + +--En toch spreekt gij nog met mij?--riep Siddha uit,--en wendt u +niet van mij af, en kwaamt mij zelfs opzoeken om mij te verplegen +of mij te troosten in mijne laatste oogenblikken! + +--Heb ik u, Siddha! dan geen trouw gezworen en was ik niet +gehouden mijn woord gestand te doen zoolang het door uzelf mij +niet werd teruggegeven? En dat is immers niet geschied. Want gij +hebt mij door Koelloeka het teeken gezonden, dat mij ten blijk +moest strekken dat uwe laatste gedachte gewijd was aan mij. Toen +heb ik begrepen dat ik pligten had op mij genomen, pligten van +eene echtgenoote ook al had nog geen huwelijk ons vereenigd. + +--Welnu!--hernam Siddha,--ik ontsla u dan van die pligten en van +uwe vroegere gelofte! 't Is waar, mijne liefde keerde terug, en +met gansch nieuwe nog ongekende kracht, toen eenmaal de +noodlottige verblinding van mij geweken was; maar gij, gij kunt +mij trouw zijn en uw vermeenden pligt vervullen, maar beminnen +kunt gij mij niet meer. + +--Ik bemin u als voorheen!--antwoordde Iravati. + +--Gij zoekt u dat op te dringen uit overdreven eergevoel; maar het +kan niet zijn, en later zoudt gij u berouwen dat niet beter te +hebben ingezien. Er is geen liefde, waar geen achting meer kan +bestaan. En de vrouw moet kunnen opzien tegen den man, en haar +steun zoeken bij hem; maar ongelukkig het verbond als de man de +zwakkere is en zich te schamen heeft tegenover zijn eigene +echtgenoote! Ga dan en vergeet mij; ik ben zelfs uwe herinnering +niet meer waardig. + +--Gij verstoot mij dus? + +--Ik heb geen regt u te verstooten, geen regt eigenlijk ook om u +te ontslaan van uw woord; en zoo ik 't al deed, het was enkel om u +gerust te stellen en u 't gevoel te sparen alsof gij uit eigen +beweging mij verlaten hadt. + +--Luister naar mijne bede, Siddha!--sprak nu Iravati vleijend, +terwijl zij vertrouwelijk hare hand op zijn arm legde;--ik wil +niet met u twisten over al wat gij mij tracht voor te houden, ik +wil ook niets eischen, niets vorderen als mijn regt, maar u +smeeken alleen, gehoor te geven aan mijne vurige, mijne +hartstogtelijke wenschen. Keer u niet van mij af, verlaat mij +niet, juist op dit oogenblik nu ik meende u herwonnen te hebben! +Zie ik vraag u niet eens eene belofte voor de toekomst; ik geef u +de volkomen vrijheid; doch laat mij, al is 't ook maar een korten +tijd, nog in uwe nabijheid! De scheiding ware mij thans +onmogelijk! + +--Neen, en nogmaals neen!--antwoordde Siddha, thans bijkans met +hardheid,--geen weifelingen, geen nieuwe zwakheden meer! Ik beging +er waarlijk al genoeg. Nog eens alzoo: vergeet mij, en laat mij +gaan! + +En Iravati afwerend, die, voor hem nedergebogen, zijn gewaad nog +met de handen omklemde, wilde hij heensnellen en vlugten om de +eenmaal en ook nog heden zoo teeder beminde nimmer weer te zien. + +--Het is wel!--sprak nu Iravati, zich oprigtend met beleedigd +gevoel van eigenwaarde, en krachtiger en vaster klonk hare stem +dan Siddha die nog ooit had gehoord,--het is wel! Gij hebt, geloof +ik, gelijk. Gij maakt u mijne liefde onwaardig. Eenmaal zijt gij +ondanks al uwe geloften mij ontrouw geweest, maar ik had het +vergeven en vergeten, omdat ik begreep dat gij voor eene +verleiding waart gezwicht gelijk ik die niet kende. Doch nu +verwerpt gij mij willens en wetens, en niet omdat ik iets jegens u +misdreef, maar alleen omdat gijzelf te trotsch zijt om voor uwe +eigene vrouw te willen bekennen, dat gij eenmaal zwak en tegen +verleiding niet bestand zijt geweest. Welnu dan, verlaat mij! +Zonder u is mijn leven niets; maar eene afgedwongen liefde mag +geene jonkvrouw van ons geslacht verlangen, ook niet van den man +dien zij bemint. En zoo nu de herinnering aan 't geen gij jegens +een vriend misdreven hebt, u vervolgt, laat er dan nog ééne +bijkomen: de herinnering aan de vrouw, dien gij eenmaal hebt +liefgehad, maar die gij hebt opgeofferd om te voldoen aan uw +zelfzuchtige hoovaardij!... + +Siddha weifelde. Zou hij gaan? Kon hij blijven? Wel wenschte hij +dit; maar was het overeen te brengen met zijn gevoel van eer? Toch +bleef hij nog staan, en verwijderde zich niet, gelijk hij zoo +aanstonds nog voornemens was. + +--Wie zal beslissen?--vroeg hij, de hand aan het voorhoofd +slaande;--er is waarheid in 't geen gij zegt, en toch ook weer +strijd met wat ik als regt beschouw...--Doch--vervolgde hij,--zou +een ander, en die wijzer is dan wij beiden, niet misschien nog +weten te rigten tusschen ons? + +--Gij bedoelt Koelloeka? + +--Neen, niet hem, zoo verstandig hij ook zijn mag, en zoo hoog ik +hem ook acht. Ik weet het vooruit, hij zou slechts uw en mijn +geluk trachten te verzekeren, en dat meenen te doen door u +eenvoudig gelijk te geven. Hij is niet onpartijdig, niet vrij meer +in zijn oordeel. Een ander,--maar vraag mij nu niet nader!--zou de +eenige zijn, dien ik in een tweestrijd als dezen kan vertrouwen, +en misschien zal hij mij raad kunnen geven. Luister dan, Iravati! +naar thans meer bedaarde, verstandige taal! Laat mij van hier +vertrekken en zoo spoedig mogelijk. Misschien keer ik weldra +weder, misschien ook nooit. Kom ik terug, dan is mijn verder leven +voor immer u gewijd; zoo niet, weet dan dat ik heb opgehouden voor +u te bestaan, en dat gij vrij zijt en van alle vroegere banden +ontslagen. En nu, geen tegenwerpingen meer! Heb geduld met mij, +gelijk gij tot dusver het steeds hebt betoond!... + +En eer Iravati bij dit nieuw en onverwacht besluit gelegenheid had +gevonden tot een antwoord, was hij verdwenen, en zocht hij reeds +naar zijn dienaar om zijn paard te zadelen en zich gereed te maken +tot een togt, waarvan het doel haar onbekend moest blijven. In +allerijl begaf zij zich naar Koelloeka en deelde hem in der haast +mede wat tot verklaring kon strekken van Siddha's zonderling +besluit. Wat hem gemeld werd, was den goeroe genoeg om hem te doen +inzien, dat het beter ware Siddha zijn gang te laten, dan hem in +dit oogenblik tegen te werken, ook al stelden zijne pas herwonnen +krachten hem nog nauwelijks tot het verduren van vermoeijenissen +in staat; en zoo goed mogelijk zocht hij de bedrukte Iravati te +troosten met de hoop, dat zij haar verloofde binnen een niet al te +lang tijdsverloop zou terug mogen zien. Inmiddels was Siddha zelf, +na een hartelijk afscheid van den Boeddha-priester, wien hij +tevens een rijk geschenk voor het klooster ter hand stelde, met +Vatsa reeds spoedig op weg.... + +Wederom gleden de late zonnestralen langs de hellingen van den +Himâlaya, en wederom daalde Siddha, maar nu enkel door zijn +dienaar vergezeld, naar de vallei, waar de woning van Gaurapada +lag. Daar werd hij door den ouden dienaar ontvangen, die hem +spoedig herkende en aanstonds zijn meester de komst van den gast +ging melden. + +Met blijdschap ontving de kluizenaar zijn jongen vriend, maar met +bekommering tevens zag hij hem aan, toen hij de verandering +opmerkte die zijn voorkomen had ondergaan. Het vroeger zoo open en +vrolijk gelaat, thans verbleekt, had eene strakke, sombere +uitdrukking aangenomen en ook de gansche houding scheen niet +veerkrachtig meer als voorheen. In betrekkelijk korten tijd was de +jongeling een man geworden; echter niet een man van geestkracht en +met levensmoed bezield, maar een die gebogen ging onder leed, en +wel--de scherpe blik van Gaurapada doorzag het dra,--onder dat +leed, dat welligt het zwaarst te dragen is, de smart die haar +oorsprong heeft in grievend zelfverwijt. + +--Eerwaarde!--begon Siddha, na de eerste begroeting,--of laat mij +liever zeggen, mijn genadige Vorst!... + +--Neen,--viel de kluizenaar hem in de rede,--blijf mij Gaurapada +noemen! Ik ben niets anders meer. + +--Welnu dan,--hernam Siddha,--ik gehoorzaam. En met vreugde zie ik +dat ge u mijner nog herinnert. Maar tevens zullen dan ook de +woorden u nog wel heugen, die gij bij mijn kort bezoek in uwe +gastvrije woning, ten afscheid tot mij gesproken hebt. + +--Ik liet u beloven--antwoordde Gaurapada,--mij nogmaals op te +zoeken als er ooit een tijd in uw leven kwam, waarin gij den raad +van een goed en opregt vriend mogt behoeven en dien bij een ander +niet te vinden wist. Ik begrijp, dat een dergelijke reden u thans +hier brengt. En mag ik oordeelen naar uw uiterlijk, dan moet, +dunkt mij, die reden ook eene zijn van droevigen aard. + +--Dat is zij,--sprak Siddha,--en als ik u alles heb meegedeeld, +zult gij u misschien verwonderen, dat mijn voorkomen nog niet +duidelijker te kennen geeft wat er in mij omgaat. + +--Kom inmiddels aan de andere zijde van het huis,--zei Gaurapada;-- +wij willen ons daar neerzetten en er rustig zamen spreken. + +Gaarne voldeed Siddha aan de uitnoodiging, en nadat hij op +dringend verlangen van den kluizenaar eerst nog een versterkenden +wijn en eenige ververschingen had gebruikt, begon hij 't verhaal +van zijn wedervaren tot op het oogenblik dat hij Iravati in het +klooster verlaten had. + +Opmerkzaam en met groote belangstelling hoorde Gaurapada hem aan, +en toen het verhaal ten einde was, zweeg hij nog geruimen tijd en +bleef in gedachten vóór zich staren. Eindelijk nam hij weer het +woord en Siddha aanziend met zijn helder en vriendelijk oog, zeide +hij: + +--Inderdaad! gij hebt u een zwaren last op de schouders gelegd. +Maar toch niet een, die voor een man niet te dragen zou zijn. Dat +gij door Goelbadan u liet verleiden acht ik zeer zeker niet te +verdedigen, maar toch wel verschoonbaar; dat gij echter uwe +betrekking met haar niet wist af te breken, toen gij ontdekt had +wie zij was, noem ik een niet ligt te vergeven schending van de +vriendschap die u aan Feizi verbond. Zoo was ook uw aanvankelijke +ontrouw jegens den Keizer grootendeels het gevolg eener dwaling; +maar tegen hem zaam te spannen en tevens in zijn dienst te +blijven, was misdadig. Ik beoordeel uw gedrag dus geenszins +zachter dan gijzelf. Integendeel, mijn oordeel moet zelfs iets +harder zijn. Want gij meent dat de reeks uwer feilen gesloten was, +toen gij den Keizer uw misdrijf hadt bekend. Maar gij bedriegt u. +Gij hebt er nog eene begaan, die niet minder noodlottig kon zijn +dan de overige, hoewel eene dwaling ook waartoe zeer velen in uwe +omstandigheden plegen te vervallen. De groote meerderheid der +menschen verbeeldt zich even als gij, dat berouw eene deugd is, en +dat boete en zelfkastijding het eenige is waardoor de misdadiger +zijne schuld kan uitwisschen. Maar er zijn weinig dwalingen zoo +verderfelijk menigmaal in de gevolgen als juist deze, wanneer de +boete nu juist daarin bestaat, dat men zich onttrekt aan den +werkkring waarin men nog nuttig werkzaam kan zijn, en ook anderen +in zichzelven straft. En dat was het, wat gij voornemens waart te +doen. Eerst zoekt gij den dood op het slagveld; en dat was ook +zeker 't eenvoudigste, als gij uzelf het leven niet wildet +benemen; mij blijkt echter niet wat uw dood op zichzelf aan +anderen gebaat zou hebben, en hoe gij uw vergrijpen er dus weer +goed mee kondt maken. En nu gij een eervollen dood niet hebt +kunnen vinden, en daartoe misschien ook voor 't oogenblik geen +gelegenheid bestaat, nu verklaart gij mij uw voornemen om eenzaam +te gaan leven in de wildernis en uwe dagen te slijten in +zelfkastijding en boete. Maar waartoe? Tot wat kan in uw geval die +afzondering dienen, óf voor uzelf óf voor een ander? En dan +Iravati, uwe bruid! Haar verstoot of verlaat gij, hoe ge 't noemen +wilt, niet omdat zij ontrouw werd jegens u, maar omdat gijzelf u +te schamen hebt gehad tegenover haar. Gij straft dus niet uzelf, +maar juist haar in de eerste plaats. Noemt gij zoo iets pligt of +deugd? Neen, mijn vriend! het zou slecht zijn, omdat het niet +enkel 't gevolg van een dwaling maar van een grove ondeugd zou +zijn.... Gij ziet mij verwonderd aan, maar gij zult mij gelijk +geven als ik u die ondeugd noem. Zij is hoogmoed, verregaande +trots, en sterk doet ze zich gelden bij u, terwijl ge u hebt +wijsgemaakt dat gij uzelven vernedert. Iravati heeft gelijk. Gij +waart te hooghartig om u te verbinden aan eene vrouw, die uwe +zwakheden kende of ze eenmaal zou kunnen ontdekken, terwijl zij +zichzelve niets te verwijten had. En evenzoo is het in waarheid +niet dan hoogmoed, wat u zou nopen de wereld te ontvlugten. Gij +zijt bevreesd soms iemand te ontmoeten, die 't een of ander van +uwe vroegere handelingen vernomen had; en zelfs durft gij een +ander man niet meer onder de oogen zien, ook al is hem niets van u +bekend, enkel omdat gij u bewust zijt eenmaal verkeerd en slecht +gehandeld te hebben. Heet dat, vraag ik, deugd of moed, of is 't +alles niet weder laakbare zwakheid? + +--Maar de laatste woorden van Feizi!--sprak Siddha, toen de +kluizenaar op een antwoord bleef wachten. + +--Ik had de tegenwerping voorzien,--hervatte Gaurapada,--en ik +wil haar volstrekt niet zekere beteekenis ontzeggen. Maar wachten +wij ons voor overdrijving! Dat Feizi handelde en sprak zooals hij +deed, noem ik zeer verklaarbaar; ikzelf zou in gelijke omstandigheden +misschien evenzoo hebben gedaan. En toch had hij in zekere mate weer +ongelijk; en zoo hij thans in mijne plaats was en dus onpartijdig +oordeelen kon, hij zou, ik twijfel niet, u hetzelfde zeggen. Een man +behoeft nog volstrekt niet zijn gansche leven lang zich te blijven +vernederen tegenover anderen, omdat hij eenmaal een afkeurenswaardige +daad bedreef, indien hij door latere handelingen de achting zijner +medeburgers zich waardig heeft weten te maken. Wel daarentegen zou hij +tegenover hen zich te schamen hebben, wanneer hij, na eens zijn plicht +door handelen te hebben verzaakt, door niet-handelen voortging dat te +doen.... En nu, luister naar den raad dien gij mij vraagt en dien ik u +volgaarne geef. Gij zijt voorlang tot het vol besef van het onwaardige +uwer vroegere gedragingen gekomen en hebt uzelven daarover aangeklaagd +bij den Keizer, bij Iravati en bij mij. Dat was goed, zeer goed! Maar +dat besef, dat helder inzigt in 't verkeerde uwer daden moet niet de +laatste wezenlijke stap zijn, maar juist de eerste op een beteren weg. +Het zal u kunnen behoeden voor latere dwalingen; niet alleen voor +soortgelijke als waartoe ge u liet verleiden, maar ook voor andere. Gij +zult beter leeren waken over uzelf, uwe indrukken, uwe hartstogten en +driften, meer beducht zijn voor daden, waarover gij later tegenover +anderen en uzelf u beschaamd moet gevoelen; en in 't eind kan op die +wijze een gemoedstoestand voor u geboren worden, waarin 't u nagenoeg +niet meer mogelijk ware te handelen tegen 't geen plicht en eer +gebieden. Maar niet, wanneer gij aan het werkelijke leven u onttrekt en +de verzoeking tracht te ontgaan enkel door ze te ontvlugten. Weersta de +verleiding, en begin nu in de eerste plaats met de overwinning van +uw misplaatsten trots! Daarom, neem Iravati tot vrouw en maak u +harer waardig; ga tot den Keizer en vraag hem een werkzaamheid +waarin gij hem en uw land van dienst kunt zijn. Ik twijfel geen +oogenblik, of hij zal ze u gaarne verleenen na uw op nieuw betoonde +trouw. Ik begrijp dat gij Feizi liefst zult willen ontwijken, en dat is +ook goed; gij behoort hem een nadere ontmoeting te sparen; maar +Hindostan is waarlijk groot genoeg om twee menschen van elkaar +gescheiden te houden, en in Kaçmir of elders kunt gij even goed als te +Agra zelf nog werkzaam zijn. Denk nu over dat een en ander eens na en +meld mij, als gij 't overwogen zult hebben, uw besluit!--Neen, antwoord +mij thans niet terstond,--sprak Gaurapada met afwerend gebaar, toen hij +Siddha gereed zag het woord op te vatten;--neem thans de rust, die, ik +zie het, u volstrekt noodig is; en als gij dan morgen behoorlijk alles +hebt overwogen, zeg mij dan of er nog bezwaren bij u bestaan tegen 't +geen ik gemeend heb u te moeten aanraden! + +En met een vriendelijken groet verwijderde zich de kluizenaar en +liet Siddha over aan zijne eigene overpeinzingen. + +Den anderen dag stond nogmaals Siddha gereed om afscheid te nemen, +en nu voor 't laatst misschien, van Gaurapada. Lang nog bleven de +beide mannen in gesprek en toen eindelijk de reiziger weer te +paard zou stijgen, drukte hij met warmte zijn waardigen gastheer +de hand, en sprak met bewogen stem, maar weer verhelderd gelaat:-- +Ik dank u, Gaurapada! voor de wijze en mannelijke taal, die gij +tot mij hebt gesproken. Een nieuw leven ben ik u verschuldigd, en +ik wil hopen mij daarin anders te gedragen dan in dat vorige, dat +ik niet wil vergeten maar voor altijd achter mij laat. Gij hebt +mij geleerd wat regt berouw en wezenlijke boete is; moge ik nimmer +toonen dat ik u verkeerd begreep, of u aanleiding geven tot de +ervaring dat gij uw goeden raad aan een onwaardige hebt +verspild!... + + + +ZEVENTIENDE HOOFDSTUK. + +Bij het praalgraf + +In de nabijheid van het dorp Sekandra, niet ver van Agra, verheft +zich een dier prachtige gebouwen, die, de roem van Hindostan en +door de smaakvolle weelde hunner bouworde de bewondering wekkend +van alle reizigers, de laatste overblijfselen mogen heeten van de +vóórlang verdwenen grootheid der Mogols. Een met torens bezette +ringmuur geeft door een breede poort van rooden met marmer +ingelegden steen den toegang tot een uitgebreid, met lommerrijke +boomen beplant park, in welks midden zich een gebouw van +aanzienlijke hoogte en kolossalen omvang bevindt. En dat gebouw +zelf, niet minder uitmuntend door de strenge schoonheid zijner +lijnen dan door het weelderige en bevallige der tallooze op de +muren, poorten en minaretten aangebragte versieringen, is wederom +door een aantal hoogere en lagere open koepels en galerijen +omringd, zoodat het geheel eer nog eene verzameling van paleizen +en lusthoven schijnt dan een op zichzelf staand monument. Die +grootsche stichting evenwel is niet het verblijf van levenden, +maar werd bestemd om het gebeente te dekken van een roemruchtigen +doode, van Akbar. + +Eenige jaren na de tot hiertoe vermelde gebeurtenissen stond daar +in het park eens op een avond een zwijgend paar. Een krachtvol man +in rijk en smaakvol gewaad, met de linkerhand op het gevest van +zijn sabel en met den regterarm om de leest eener beeldschoone, +bevallig gekleede vrouw, die, als de ligte slingerplant aan den +sterken eik, aan den schouder van haar echtgenoot leunde: Siddha +Rama met zijne thans overgelukkige Iravati.... Bewonderend zagen +beiden op naar het heerlijk mausoleum en dachten aan den man, van +wien zij zoo menigmaal te zamen en nooit anders dan met den +hoogsten eerbied gesproken hadden. + +Veel was er gedurende die inmiddels verloopen jaren anders +geworden. + +Akbar dan was niet meer. Selim, zijn zoon, na op verlangen van +zijn vader bij diens sterfbed het zwaard te hebben aangegord dat +hij, de Keizer, steeds had gedragen, was hem opgevolgd en regeerde +nu onder den titel van Djihangir in Hindostan. Dat hij met Akbar +niet te vergelijken viel, lag wel in den aard der zaak, en niemand +dan ook die verwachtte dat hij hem ooit zou evenaren; maar slecht +kon zijne regering toch niet worden genoemd, en aan zijne +opvolgers, aan Shah Djihan en Aurengzeb, was het voorbehouden, +onder allen uitwendigen glans de zaden te strooijen van het +bederf, dat het eenmaal zoo magtige rijk weer uiteen zou doen +vallen, om als eene ligte prooi het ten laatste in handen te +spelen van Britsche veroveraars. Zijne slechte gewoonten had Selim +overigens nog wel niet gansch afgelegd; en Sir Thomas Roe, die als +Engelsch gezant zijn hof bezocht, vond gelegenheid om hem in een +dergelijken toestand te zien, als waarin Siddha hem op het +nachtfeest in zijn paleis had aanschouwd; maar toch had hij +geleerd zijne uitspattingen te beperken, en in elk geval was hij +geenszins de onverbeterlijke dronkaard geworden, die hij eenmaal +bestemd scheen in 't vervolg van zijn leven te zijn. Jegens +Iravati had hij volkomen zijn woord gestand gedaan, en gelukkig +ook vond hij troost over de ondervonden teleurstelling in zijn +huwelijk met de schoone en verstandige Noermahal, die een +veelbeteekenenden en in vele opzigten heilzamen invloed op hem +verkreeg. + +Dat Kaçmir in 't eind moest onderworpen worden, was reeds lang te +voorzien geweest; en na de verijdeling van Selim's zamenzwering +kostte het Akbar weinig moeite meer om door te dringen in het +ontredderd land en het te onderwerpen aan zijne heerschappij. De +zwakke Koning was gesneuveld; zijne onwaardige zonen werden +verbannen; Siddha's vader werd door den Keizer tot Onderkoning +benoemd, en hijzelf erlangde, met het vooruitzigt zijn vader op te +volgen, de eerste betrekking na dezen in het land, terwijl +Koelloeka hem, trouw als steeds, met raad en daad ter zijde bleef +staan. Niet lang ook of het volk, dat zich eerst niet dan noode +had gewonnen gegeven, begon de zegeningen te waardeeren van het +nieuw en thans eindelijk door wijze instellingen en bekwame +beambten rust en welvaart verzekerend bestuur. + +De kluizenaar van den Bhadrinâth beleefde niet meer de volkomen +onderwerping van zijn vaderland. Eens, toen Koelloeka hem een +bezoek was gaan brengen om hem op de tijding daarvan voor te +bereiden, vond hij den ouden dienaar alleen. Zijn meester was op +eenmaal ongesteld geworden en weinige dagen later was hij +gestorven, rustig en kalm zooals hij in zijne laatste jaren had +geleefd. De dienaar begroef het lijk op eene hoogte, die naar de +zijde van Kaçmir ziet. Daar legde Hara, de tijger, zich neder, en +begon, als de dienaar hem zocht te verwijderen en naar huis te +lokken, op onheilspellende wijze te grommen. Aan het voedsel en +het water dat hem op die plek gebragt werd, raakte hij niet; en na +enkele dagen lag hij dood op het graf van zijn meester en vriend. +De dienaar begroef hem nevens dezen. + +Van Parviz, jegens wien Feizi blijkbaar van het gebeurde met +Goelbadan gezwegen had, ontving Siddha van tijd tot tijd vrolijker +berigten. Hij was gelukkig door het bezit van de dochter des +schatmeeesters; en, in een hooge staatsbetrekking geplaatst, hield +hij zich vooral ook bezig met het ordenen van de letterkundige en +diplomatische nalatenschap van Aboel Fazl, zijn steeds nog door +velen diepbetreurden oom. + +Abdal Kadir bleef zich terugtrekken uit het openbare leven en werd hoe +langer hoe regtzinniger, en steeds hartstogtelijker ijveraar voor het +ware geloof. Hij zocht troost voor zijne vele teleurstellingen en +ergernissen in het schrijven van zijn Moentak-hab-oet-Tawarikh, waarin +hij zich bitter bleef beklagen over Akbar en dapper voortging op Aboel +Fazl en Feizi te schelden, die hem nooit kwaad hadden gedaan. + +De Padre Aquaviva keerde niet te Agra terug; anderen kwamen er +later zijn werk weder opvatten. Met weinig gelukkiger uitslag +evenwel; en ook nu nog, bijkans drie eeuwen later, blijft de +bekeering van Hindostan tot de vrome wenschen van Westersche +dweepers behooren. + +Of de trouwe Vatsa met de praatlustige maar goedhartige Nipoenika +huwde, meldt de geschiedenis niet. De waarschijnlijkheid echter +bestaat, dat de dienaar en de dienares wel het voorbeeld van +meester en gebiedster zullen gevolgd hebben. + +Aan het geluk van deze beiden ontbrak thans weinig of niets meer. +Wel kwam er bij wijlen nog eene sombere herinnering opdoemen in +Siddha's geest, maar hij had zich langzamerhand gewend, zich +daardoor niet geheel te laten neerslaan, en vooral ook zijn leed +voor Iravati te verbergen, sinds hij bemerkt had hoezeer 't haar +bedroefde als zij de donkere uitdrukking op zijn gelaat ontwaarde, +wier oorzaak zij maar al te wel begreep. Wat en hoe hij misdreef, +had hij eens voor al omstandig haar bekend, maar als hij toch soms +nog zinspeelde op het gebeurde, sloot zij vriendelijk lagchend hem +den mond en wilde er niets meer van hooren. En eenigen tijd na hun +huwelijk had zij hem een zoon geschonken, dien hij weldra haast +niet minder dan haarzelve beminde. Toch leerde hij nu eerst +volkomen haar waardeeren, en begrijpen welk een schat hij gewonnen +had en bijkans zou hebben versmaad, toen hem Iravati haar +wedervaren met Selim verhaalde, en vreemd opzag toen hij in +levendige bewoordingen haar zijne bewondering uitdrukte over hare +handelwijze; zij toch had, meende ze, niet anders gehandeld dan in +gelijk geval iedere vrouw van haar geslacht zou hebben gedaan. + +Lang bleef Siddha daar nevens haar bij Akbar's graf in gedachten +verzonken, toen zijn aandacht op eens door een voetstap getrokken +werd, die in de nabijheid zich deed hooren op den met zware +steenen bevloerden grond. Ontzet deed hij een stap achterwaarts, +toen hij den naderende herkende. En zijn uitroep moest Iravati wel +terstond doen begrijpen tot welke noodlottige ontmoeting het hier +gekomen was.... + +--Feizi!...--klonk het uit zijn mond.... + +Onmiddelijk stond de ander stil, nadat hij eerst zonder op de +beide bezoekers te letten al mijmerend was blijven voortgaan. En +ook hij ging een schrede achteruit, toen hij den man gewaar werd +die hem eenmaal zoo diep beleedigd had .... Maar hij scheen zich +te bezinnen en trad langzaam weer voorwaarts, en toen hij Siddha +een beweging zag maken om zich haastig te verwijderen, zeide hij: + +--Blijf en hoor mij aan! Hier, bij het graf van den vorst, die +altijd liever vergaf dan strafte en zijn vijanden niet wist te +haten, voegt ons geen toorn en geen wrok. Ook ik heb menigmaal +reeds getracht zijn edel voorbeeld te volgen, en althans in mijn +hart u de beleediging te vergeven, die ge mij hebt aangedaan. Maar +ik kon niet, ik miste nog de kracht. Thans, op deze geheiligde +plek, waar het toeval ons voor 't eerst weer zamenbrengt, heb ik +eindelijk die kracht gevonden, en wil ik doen wat Akbar in mijne +plaats zou gedaan hebben. Ik vergeef u, Siddha! + +Diep ontroerd en met gebogen hoofd stond Siddha daar vóór zijn +edelmoedigen vijand; en met bewondering zag Iravati naar den man, +die zulk een strijd tegen zichzelve volstreden had. + +--Zie op!--sprak Feizi weder,--en ontvlugt den blik van uw +vroegeren vriend niet meer! De woorden, die ik eenmaal in toorn +tot u rigtte, waren zeker niet onverdiend, maar voor een man van +uw karakter toch inderdaad een vreeselijke, misschien ook al te +harde straf; en ik weet, door Koelloeka, welk een indruk ze op u +hebben nagelaten en tot welke verkeerde handelwijze ze u bijkans +hadden vervoerd. En ik vernam ook van ons beider vriend, dat +gijzelf de verleider niet zijt geweest en in den beginne ook niet +geweten hadt wie de verleidster was. Haar invloed en geduchte magt +heb ikzelf trouwens wel gekend. Te vreezen is zij thans voor +niemand meer. In hare gevangenschap heeft zij zelve een eind aan +haar schuldig leven gemaakt. Doch genoeg reeds van het voorleden, +vooral in tegenwoordigheid van haar, die ik begrijp als uwe edele +echtgenoote te mogen begroeten. Laat het dan vergeten zijn +tusschen ons! Uwe verdere handelingen, waarvan ik later veel +vernam, hebben u op nieuw de achting en vriendschap waardig +gemaakt van een man van eer. Ziedaar mijn hand als voorheen! + +Het was Iravati die ze greep, terwijl Siddha nog nauw van zijne +ontroering scheen bekomen. + +--Heer!--sprak zij,--ik zeg u dank, innigen dank voor uwe +grootmoedigheid! Wat gij gezegd hebt verjaagt de donkere wolk, die +nog altijd ons huwelijksgeluk kwam verstoren, en het looden wigt +is dan eindelijk opgeheven, waaronder mijn Siddha zoolang heeft +gebukt gegaan! + +--Ik zoek naar woorden,--sprak nu ten laatste Siddha zelf, terwijl +hij thans ook de hand van Feizi aannam,--naar woorden om uit te +drukken wat ik in dit oogenblik gevoel; maar ik weet ze nog niet +te vinden. Toen ik eenmaal mij getroost, althans mij gesterkt +achtte door de verstandige taal van een wijs man, geloofde ik tot +een nieuw leven herboren te zijn; maar thans gevoel ik het, ik ben +dat eerst nu! Uwe vriendschap, Feizi! had voor mij steeds de +hoogste waarde; maar te grievender dan ook mijn zelfverwijt en te +zwaarder mijne straf, toen ik door eigen schuld op de schandelijkste +wijze ze had verbeurd. En die vriendschap, die ge mij edelmoedig +teruggeeft, acht ik ook het hoogste geschenk dat tegenwoordig mij nog +geworden kon. + +--Toch zal--hernam Feizi,--onze tegenwoordige toevallige +zamenkomst slechts kort van duur en deze onze ontmoeting +waarschijnlijk wel de laatste zijn. Dat ik aan de staatsdienst mij +heb onttrokken, is u zeker wel bekend; Selim, of zooals hij nu met +een trotschen titel zich gelieft te noemen, Djihangir, zag mij zoo +min als mijn broeder ooit met een goed oog aan; en bovendien viel +'t mij zwaar hem te gaan dienen, om redenen, die ik nu niet verder +behoef aan te duiden. Ik trok mij dus terug en leefde stil te +Agra. Nu heeft Shah Abbas, de Koning van Perzië, mij uitgenoodigd +om in zijne hoofdstad te komen en mij daar met wetenschappelijke +werkzaamheden bezig te houden. Aan die uitnoodiging wil ik gehoor +geven. Morgen vertrek ik naar Ispahan, en, zoo 't mij daar +behaagt, denk ik er ook te blijven. Maar ik mogt niet van hier +gaan zonder een afscheidsbezoek aan de laatste woning van mijn +vorstelijken vriend. Daarom treft gij mij heden op deze plaats. +Die vriend was mij alles, Siddha! en meer zelfs dan mijn leven en +huwelijksgeluk; en indien gij tegen hem u waart blijven +bezondigen, neen! ik geloof niet dat ik 't ooit u vergeven had. +Maar gij hebt getoond hem te eeren en te hoogachten als ik, ook al +waart gij nooit in de gelegenheid hem zóó te waardeeren en zóó +lief te hebben als de weinigen, die hem volkomen én in zijne +buitengewone grootheid én ook in zijne kleine maar doorgaans nog +altijd beminnenswaardige zwakheden hebben gekend. + +--Ik heb--merkte Siddha aan,--inderdaad hem zóó nooit leeren +kennen, maar toch genoeg van hem kunnen ontdekken om hem niet +anders dan met de grootste bewondering en den hoogsten eerbied te +herdenken. Ook een ander vorst heb ik gekend, maar die opgehouden +had het te zijn; en grooten dank ben ik hem verschuldigd, en +dierbaar is mij zijne nagedachtenis; maar nadat ik mij vroeger de +vraag had gesteld, wie van die beiden wel de grootste was, kwam ik +in later dagen tot de overtuiging, dat de stille en rustige +wijsgeer, die van alle wereldsche genietingen afstand had gedaan, +toch nog overtroffen werd door den wijsgeer op den troon, die te +midden van het woeligst staatsleven diezelfde gelijkmatigheid van +karakter en die regtvaardigheid van zin had weten te bewaren, die +de ander in zijne afzondering zich had eigen gemaakt. Inderdaad, +zoo één, dan heeft wel Akbar zijn naam verdiend! + +--Dat zullen wel alle komende geslachten u nazeggen,--sprak +Feizi,--in 't Oosten en in 't Westen. Die titel van "de Groote" +pleegt door vleijers en begunstigden aan menig vorst te worden +toegekend; maar dikwijls met weinig regt. Niet hier aldus. Indien +groot te zijn waarlijk beteekent, zichzelf met geen minder kracht +dan anderen te beheerschen en een leven van moeiten en zorgen toe +te wijden aan het geluk zijner medemenschen, dan was de man wiens +gebeente ginds rust in waarheid wel een groot man. Er zijn vorsten +geweest, en er zullen er misschien ook nog komen, wier naam in de +wereldgeschiedenis meer bekendheid erlangt dan de zijne; er waren +er, en er zullen ook mogelijk nog zijn, wien nog hooger roem ten +deel valt dan hem; maar zéér zelden toch zal er een magthebber in +de geschiedenis zijn aan te wijzen, die te midden van al zijne +grootheid zoo volkomen als Akbar zich mensch bleef betoonen in de +schoonste en edelste beteekenis van het woord ...--En nu:--besloot +Feizi, terwijl hij beiden, Siddha en Iravati, de hand drukte,-- +vaartwel! En denkt ook nog eens aan mij, als ik vér van hier zal +zijn. Gij kunt het nu voortaan zonder bitterheid. Ook mijzelven +ontneemt die overtuiging een last, die lang mij zwaar gewogen +heeft! ... + +Nog bleef Siddha geruimen tijd nadat Feizi zich langzaam door de +breede laan had verwijderd, met zijne Iravati in het park +vertoeven. Eindelijk verliet hij met haar ook de plaats, waar hij +een laatste, stilzwijgende hulde was komen brengen aan de +nagedachtenis van den grooten Keizer. + +--Zoo gaan zij dan allen,--sprak hij mijmerend onder 't huiswaarts +keeren,--allen die wij leerden kennen en hoogachten! Ook hem zien +wij waarschijnlijk nooit terug, die zooeven ons verliet. Toch +sterven zulke mannen als Akbar en Aboel Fazl en Feizi niet als de +dood een eind aan hun leven maakt! Zij blijven voortbestaan in de +herinnering, die ze ons nalaten en in hunne werken. Hunne gedachte +bezielt anderen die na hen komen, en wederom anderen die er komen +na dezen. Of dàt niet de onsterfelijkheid zou zijn?... + + + + +*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK, AKBAR *** + +This file should be named 8akba10.txt or 8akba10.zip +Corrected EDITIONS of our eBooks get a new NUMBER, 8akba11.txt +VERSIONS based on separate sources get new LETTER, 8akba10a.txt + +Project Gutenberg eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as Public Domain in the US +unless a copyright notice is included. Thus, we usually do not +keep eBooks in compliance with any particular paper edition. + +We are now trying to release all our eBooks one year in advance +of the official release dates, leaving time for better editing. +Please be encouraged to tell us about any error or corrections, +even years after the official publication date. + +Please note neither this listing nor its contents are final til +midnight of the last day of the month of any such announcement. +The official release date of all Project Gutenberg eBooks is at +Midnight, Central Time, of the last day of the stated month. A +preliminary version may often be posted for suggestion, comment +and editing by those who wish to do so. + +Most people start at our Web sites at: +http://gutenberg.net or +http://promo.net/pg + +These Web sites include award-winning information about Project +Gutenberg, including how to donate, how to help produce our new +eBooks, and how to subscribe to our email newsletter (free!). + + +Those of you who want to download any eBook before announcement +can get to them as follows, and just download by date. This is +also a good way to get them instantly upon announcement, as the +indexes our cataloguers produce obviously take a while after an +announcement goes out in the Project Gutenberg Newsletter. + +http://www.ibiblio.org/gutenberg/etext04 or +ftp://ftp.ibiblio.org/pub/docs/books/gutenberg/etext04 + +Or /etext03, 02, 01, 00, 99, 98, 97, 96, 95, 94, 93, 92, 92, 91 or 90 + +Just search by the first five letters of the filename you want, +as it appears in our Newsletters. + + +Information about Project Gutenberg (one page) + +We produce about two million dollars for each hour we work. The +time it takes us, a rather conservative estimate, is fifty hours +to get any eBook selected, entered, proofread, edited, copyright +searched and analyzed, the copyright letters written, etc. Our +projected audience is one hundred million readers. If the value +per text is nominally estimated at one dollar then we produce $2 +million dollars per hour in 2002 as we release over 100 new text +files per month: 1240 more eBooks in 2001 for a total of 4000+ +We are already on our way to trying for 2000 more eBooks in 2002 +If they reach just 1-2% of the world's population then the total +will reach over half a trillion eBooks given away by year's end. + +The Goal of Project Gutenberg is to Give Away 1 Trillion eBooks! +This is ten thousand titles each to one hundred million readers, +which is only about 4% of the present number of computer users. + +Here is the briefest record of our progress (* means estimated): + +eBooks Year Month + + 1 1971 July + 10 1991 January + 100 1994 January + 1000 1997 August + 1500 1998 October + 2000 1999 December + 2500 2000 December + 3000 2001 November + 4000 2001 October/November + 6000 2002 December* + 9000 2003 November* +10000 2004 January* + + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation has been created +to secure a future for Project Gutenberg into the next millennium. + +We need your donations more than ever! + +As of February, 2002, contributions are being solicited from people +and organizations in: Alabama, Alaska, Arkansas, Connecticut, +Delaware, District of Columbia, Florida, Georgia, Hawaii, Illinois, +Indiana, Iowa, Kansas, Kentucky, Louisiana, Maine, Massachusetts, +Michigan, Mississippi, Missouri, Montana, Nebraska, Nevada, New +Hampshire, New Jersey, New Mexico, New York, North Carolina, Ohio, +Oklahoma, Oregon, Pennsylvania, Rhode Island, South Carolina, South +Dakota, Tennessee, Texas, Utah, Vermont, Virginia, Washington, West +Virginia, Wisconsin, and Wyoming. + +We have filed in all 50 states now, but these are the only ones +that have responded. + +As the requirements for other states are met, additions to this list +will be made and fund raising will begin in the additional states. +Please feel free to ask to check the status of your state. + +In answer to various questions we have received on this: + +We are constantly working on finishing the paperwork to legally +request donations in all 50 states. If your state is not listed and +you would like to know if we have added it since the list you have, +just ask. + +While we cannot solicit donations from people in states where we are +not yet registered, we know of no prohibition against accepting +donations from donors in these states who approach us with an offer to +donate. + +International donations are accepted, but we don't know ANYTHING about +how to make them tax-deductible, or even if they CAN be made +deductible, and don't have the staff to handle it even if there are +ways. + +Donations by check or money order may be sent to: + +Project Gutenberg Literary Archive Foundation +PMB 113 +1739 University Ave. +Oxford, MS 38655-4109 + +Contact us if you want to arrange for a wire transfer or payment +method other than by check or money order. + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation has been approved by +the US Internal Revenue Service as a 501(c)(3) organization with EIN +[Employee Identification Number] 64-622154. Donations are +tax-deductible to the maximum extent permitted by law. As fund-raising +requirements for other states are met, additions to this list will be +made and fund-raising will begin in the additional states. + +We need your donations more than ever! + +You can get up to date donation information online at: + +http://www.gutenberg.net/donation.html + + +*** + +If you can't reach Project Gutenberg, +you can always email directly to: + +Michael S. Hart <hart@pobox.com> + +Prof. Hart will answer or forward your message. + +We would prefer to send you information by email. + + +**The Legal Small Print** + + +(Three Pages) + +***START**THE SMALL PRINT!**FOR PUBLIC DOMAIN EBOOKS**START*** +Why is this "Small Print!" statement here? You know: lawyers. +They tell us you might sue us if there is something wrong with +your copy of this eBook, even if you got it for free from +someone other than us, and even if what's wrong is not our +fault. So, among other things, this "Small Print!" statement +disclaims most of our liability to you. It also tells you how +you may distribute copies of this eBook if you want to. + +*BEFORE!* YOU USE OR READ THIS EBOOK +By using or reading any part of this PROJECT GUTENBERG-tm +eBook, you indicate that you understand, agree to and accept +this "Small Print!" statement. If you do not, you can receive +a refund of the money (if any) you paid for this eBook by +sending a request within 30 days of receiving it to the person +you got it from. If you received this eBook on a physical +medium (such as a disk), you must return it with your request. + +ABOUT PROJECT GUTENBERG-TM EBOOKS +This PROJECT GUTENBERG-tm eBook, like most PROJECT GUTENBERG-tm eBooks, +is a "public domain" work distributed by Professor Michael S. Hart +through the Project Gutenberg Association (the "Project"). +Among other things, this means that no one owns a United States copyright +on or for this work, so the Project (and you!) can copy and +distribute it in the United States without permission and +without paying copyright royalties. Special rules, set forth +below, apply if you wish to copy and distribute this eBook +under the "PROJECT GUTENBERG" trademark. + +Please do not use the "PROJECT GUTENBERG" trademark to market +any commercial products without permission. + +To create these eBooks, the Project expends considerable +efforts to identify, transcribe and proofread public domain +works. Despite these efforts, the Project's eBooks and any +medium they may be on may contain "Defects". Among other +things, Defects may take the form of incomplete, inaccurate or +corrupt data, transcription errors, a copyright or other +intellectual property infringement, a defective or damaged +disk or other eBook medium, a computer virus, or computer +codes that damage or cannot be read by your equipment. + +LIMITED WARRANTY; DISCLAIMER OF DAMAGES +But for the "Right of Replacement or Refund" described below, +[1] Michael Hart and the Foundation (and any other party you may +receive this eBook from as a PROJECT GUTENBERG-tm eBook) disclaims +all liability to you for damages, costs and expenses, including +legal fees, and [2] YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE OR +UNDER STRICT LIABILITY, OR FOR BREACH OF WARRANTY OR CONTRACT, +INCLUDING BUT NOT LIMITED TO INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE +OR INCIDENTAL DAMAGES, EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE +POSSIBILITY OF SUCH DAMAGES. + +If you discover a Defect in this eBook within 90 days of +receiving it, you can receive a refund of the money (if any) +you paid for it by sending an explanatory note within that +time to the person you received it from. If you received it +on a physical medium, you must return it with your note, and +such person may choose to alternatively give you a replacement +copy. If you received it electronically, such person may +choose to alternatively give you a second opportunity to +receive it electronically. + +THIS EBOOK IS OTHERWISE PROVIDED TO YOU "AS-IS". NO OTHER +WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, ARE MADE TO YOU AS +TO THE EBOOK OR ANY MEDIUM IT MAY BE ON, INCLUDING BUT NOT +LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR A +PARTICULAR PURPOSE. + +Some states do not allow disclaimers of implied warranties or +the exclusion or limitation of consequential damages, so the +above disclaimers and exclusions may not apply to you, and you +may have other legal rights. + +INDEMNITY +You will indemnify and hold Michael Hart, the Foundation, +and its trustees and agents, and any volunteers associated +with the production and distribution of Project Gutenberg-tm +texts harmless, from all liability, cost and expense, including +legal fees, that arise directly or indirectly from any of the +following that you do or cause: [1] distribution of this eBook, +[2] alteration, modification, or addition to the eBook, +or [3] any Defect. + +DISTRIBUTION UNDER "PROJECT GUTENBERG-tm" +You may distribute copies of this eBook electronically, or by +disk, book or any other medium if you either delete this +"Small Print!" and all other references to Project Gutenberg, +or: + +[1] Only give exact copies of it. Among other things, this + requires that you do not remove, alter or modify the + eBook or this "small print!" statement. You may however, + if you wish, distribute this eBook in machine readable + binary, compressed, mark-up, or proprietary form, + including any form resulting from conversion by word + processing or hypertext software, but only so long as + *EITHER*: + + [*] The eBook, when displayed, is clearly readable, and + does *not* contain characters other than those + intended by the author of the work, although tilde + (~), asterisk (*) and underline (_) characters may + be used to convey punctuation intended by the + author, and additional characters may be used to + indicate hypertext links; OR + + [*] The eBook may be readily converted by the reader at + no expense into plain ASCII, EBCDIC or equivalent + form by the program that displays the eBook (as is + the case, for instance, with most word processors); + OR + + [*] You provide, or agree to also provide on request at + no additional cost, fee or expense, a copy of the + eBook in its original plain ASCII form (or in EBCDIC + or other equivalent proprietary form). + +[2] Honor the eBook refund and replacement provisions of this + "Small Print!" statement. + +[3] Pay a trademark license fee to the Foundation of 20% of the + gross profits you derive calculated using the method you + already use to calculate your applicable taxes. If you + don't derive profits, no royalty is due. Royalties are + payable to "Project Gutenberg Literary Archive Foundation" + the 60 days following each date you prepare (or were + legally required to prepare) your annual (or equivalent + periodic) tax return. Please contact us beforehand to + let us know your plans and to work out the details. + +WHAT IF YOU *WANT* TO SEND MONEY EVEN IF YOU DON'T HAVE TO? +Project Gutenberg is dedicated to increasing the number of +public domain and licensed works that can be freely distributed +in machine readable form. + +The Project gratefully accepts contributions of money, time, +public domain materials, or royalty free copyright licenses. +Money should be paid to the: +"Project Gutenberg Literary Archive Foundation." + +If you are interested in contributing scanning equipment or +software or other items, please contact Michael Hart at: +hart@pobox.com + +[Portions of this eBook's header and trailer may be reprinted only +when distributed free of all fees. Copyright (C) 2001, 2002 by +Michael S. Hart. Project Gutenberg is a TradeMark and may not be +used in any sales of Project Gutenberg eBooks or other materials be +they hardware or software or any other related product without +express permission.] + +*END THE SMALL PRINT! FOR PUBLIC DOMAIN EBOOKS*Ver.02/11/02*END* + diff --git a/old/8akba10.zip b/old/8akba10.zip Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..ad6eaf3 --- /dev/null +++ b/old/8akba10.zip |
