summaryrefslogtreecommitdiff
diff options
context:
space:
mode:
-rw-r--r--.gitattributes4
-rw-r--r--LICENSE.txt11
-rw-r--r--README.md2
-rw-r--r--old/66804-0.txt10260
-rw-r--r--old/66804-0.zipbin192951 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/66804-h.zipbin260568 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/66804-h/66804-h.htm10763
-rw-r--r--old/66804-h/images/new-cover.jpgbin37387 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/66804-h/images/titlepage.pngbin12859 -> 0 bytes
9 files changed, 17 insertions, 21023 deletions
diff --git a/.gitattributes b/.gitattributes
new file mode 100644
index 0000000..d7b82bc
--- /dev/null
+++ b/.gitattributes
@@ -0,0 +1,4 @@
+*.txt text eol=lf
+*.htm text eol=lf
+*.html text eol=lf
+*.md text eol=lf
diff --git a/LICENSE.txt b/LICENSE.txt
new file mode 100644
index 0000000..6312041
--- /dev/null
+++ b/LICENSE.txt
@@ -0,0 +1,11 @@
+This eBook, including all associated images, markup, improvements,
+metadata, and any other content or labor, has been confirmed to be
+in the PUBLIC DOMAIN IN THE UNITED STATES.
+
+Procedures for determining public domain status are described in
+the "Copyright How-To" at https://www.gutenberg.org.
+
+No investigation has been made concerning possible copyrights in
+jurisdictions other than the United States. Anyone seeking to utilize
+this eBook outside of the United States should confirm copyright
+status under the laws that apply to them.
diff --git a/README.md b/README.md
new file mode 100644
index 0000000..af9661c
--- /dev/null
+++ b/README.md
@@ -0,0 +1,2 @@
+Project Gutenberg (https://www.gutenberg.org) public repository for
+eBook #66804 (https://www.gutenberg.org/ebooks/66804)
diff --git a/old/66804-0.txt b/old/66804-0.txt
deleted file mode 100644
index 74a3389..0000000
--- a/old/66804-0.txt
+++ /dev/null
@@ -1,10260 +0,0 @@
-The Project Gutenberg eBook of Majesteit, by Louis Couperus
-
-This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
-most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
-whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
-of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at
-www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you
-will have to check the laws of the country where you are located before
-using this eBook.
-
-Title: Majesteit
-
-Author: Louis Couperus
-
-Release Date: November 23, 2021 [eBook #66804]
-
-Language: Dutch
-
-Character set encoding: UTF-8
-
-Produced by: Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading
- Team at https://www.pgdp.net/ for Project Gutenberg (This file
- was produced from images generously made available by The
- Internet Archive/Canadian Libraries)
-
-*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK MAJESTEIT ***
-
-
-
- MAJESTEIT
-
- DOOR
- LOUIS COUPERUS
-
-
- ZEVENDE DRUK
-
-
- L. J. VEEN’S UITGEVERSMAATSCHAPPIJ N.V.
- AMSTERDAM
-
-
-
-
-
-
-
-
-EERSTE DEEL.
-
-
-EERSTE HOOFDSTUK.
-
-
-I.
-
-Over Lipara, anders eene stad als marmer wit; lange witte villa-reien
-aan zuidblauwe zee; eindelooze elegante wandelkaden daarvoor, met
-palmen, die groen verlakt aftrilden op een atmosfeer van levend blauwen
-ether;—dreef, zwaar, van onweêr zwoel en van tragedie, eene sombere
-lucht vol grauw, als een gevaarte aan den hemel. En die grauwe lucht
-was vol geheim, was vol van toekomst, van vreemde toekomst; ze stortte
-geen onweêr uit, maar bleef hangen over de stad; ze sloeg alleen vale
-schaduwen neêr over de blankheid harer paleizen, over de breedte harer
-pleinen en straten, over de blauwte van hare zee, heure haven, waar de
-schepen recht, stil, angstig, opboomden naar omhoog.
-
-Wit, vierkant, massief, in het groen der Elizabethparken, in het
-intimere mysterie van zijn eigen groot platanenpark—het park der
-beroemde platanen van Lipara, boomen van roem—lag het Imperiaal, het
-keizerlijk paleis, quasi Moorsch met witte arcaden van puntbogen, lag
-het als de stedekroon zelve der hoofdstad; éen groot juweel van
-architectuur, van die stad, al lag het er midden in, afgesloten door al
-dat parkengroen.
-
-De keizerin, Elizabeth van Liparië, zat in den intimen salon harer
-vertrekken aan den rechtervleugel; ze zat met eene hofdame: gravin
-Hélène van Thesbia. De vensters waren open; ze openden op het park; de
-beroemde platanen rezen daar, knoestig-oud, breed, angstig, roerloos
-met hunne uitgeknipte bladeren, waartusschen eene dofgroene schemering
-zeefde op de gazons neêr, die liepen, zacht en gelijk gerold, naar de
-verte weg, als strak-gespannen, einde- en eindeloos uitgemeten fluweel,
-weg naar eene violette verschiet-verte; met, ergens, als ééne gillend
-witte vlek, éen beeld.
-
-Een groot zwijgen suisde uit het park zijne vreemde hoorbaarheid van
-stilte naar binnen; het suisde rond om de keizerin. Zij zat daar,
-glimlachend; zij luisterde naar Hélène, die las; zij poogde te
-luisteren, zij verstond niet altijd. Eene nerveuze vrees was in haar,
-omving haar geheel als met een niet zichtbaar net van mazen,
-onbreekbaar. Die vrees was om haren man, hare kinderen: haren oudsten
-zoon, hare dochters, haren jongsten jongen. Die vrees, ze kroop over
-het tapijt, onder hare voeten; ze hing van het plafond, boven haar
-hoofd; sloop om haar rond, door geheel de kamer. Die vrees was in het
-park; ze kwam van ver, uit de violette verschieten; langs de gazons
-streek ze en over de open vensters klom ze naar binnen; ze viel uit de
-boomen; uit de lucht, de grauwe lucht van onweêr, viel ze neêr. Door
-Lipara, door heel Liparië, het geheele rijk, trilde die vrees, trilde
-ze naar binnen, in de keizerin, vulde ze haar geheel...
-
-Toen haalde Elizabeth diep adem, en glimlachte. Hélène had, bij een
-zin, tot haar opgekeken, met een licht effect van stem en oogen voor
-den dialoog in den roman; daarom glimlachte de keizerin en luisterde ze
-nu weêr. De angst bleef in haar, maar ze doofde dien met veel
-berusting, berusting in wat zijn zoû, zijn moest.
-
-De roman, dien Hélène las, was Daniële Cortis, een werk, dat opgang
-maakte aan het hof, omdat de prinses Thera het mooi had gevonden.
-Zorgvuldig en vol intonatie las de gravin voor; de arabesken van het
-Italiaansch ontspitsten aan hare lippen met eene elegance van heel
-puntig Venetiaansch glaswerk, bloemerig en doorglanzend. En de keizerin
-verwonderde zich er om, dat Hélène zoo mooi kon lezen en niet scheen te
-voelen dien angst, die toch overal omsloop, als een spook.
-
-Er werd geklopt aan de deur van de antichambre, een lakei opende en
-eene hofdame verscheen tusschen de portière, met eene buiging.
-
-—Zijne Hoogheid, prins Herman... diende zij aan met eene stem, die wat
-weifelde, als wist zij, dat dit namiddaguur van de keizerin bijna
-heilig was.
-
-—Verzoek den prins hier te komen! antwoordde de keizerin; hare stem
-klonk hoog vriendelijk en toch innemend sympathiek;—wij wachten den
-prins al zoo lang...
-
-De deur bleef open, de hofdame ging, de lakei wachtte bij de portière,
-onbewegelijk, tot de prins komen zoû. Zijn stevige tred klonk, gauw
-naderend aan, door de antichambre en aangenaam kwam hij binnen,
-vriendelijkheid op zijn gezond rood gezicht, pleizier van weêrzien in
-zijn groote grijze oogen, waarin een zwarte pupil blonk. De lakei deed
-de deur achter hem toe.
-
-—Tante!
-
-De prins trad, met zijne beide handen toegestoken, naar de keizerin;
-zij was opgestaan, evenals Hélène, en zij kwam hem een pas tegemoet,
-zij nam zijne beide handen aan en duldde, dat hij haar op beide wangen
-hartelijk zoende.
-
-Hélène boog.
-
-—Freule van Thesbia... groette de prins.
-
-—Eindelijk dus! zei de keizerin, schertsend ontevreden; ze schudde haar
-hoofd, maar ze kon niet anders dan vriendelijk blijven kijken naar zijn
-prettig mooi, gezond gezicht. Waarom heb je niet zéker willen
-telegrafeeren wanneer je kwam? Othomar was dan aan het station geweest,
-maar nu...
-
-Ze haalde, ongelukkig glimlachend, hare schouders op, als om te zeggen
-dat het nu niet anders had kunnen zijn, of zijne ontvangst was maar tel
-quel geweest...
-
-—Tante! sprak Herman; de klank van zijne stem wilde zeggen, dat hij dit
-nooit van Othomar zoû willen eischen; ik ben uitstekend ontvangen
-geworden: de generaal Ducardi, Leoni, Fasti, onze waarde ambassadeur en
-Siridsen...
-
-—Het zal Othomar toch spijten; zei de keizerin; hij is nu gaan toeren
-met Thera; Thera ment haar nieuwe vossen. Ik begrijp niet, dat ze
-gegaan zijn; ze zullen regen krijgen!
-
-De keizerin was weêr gaan zitten met een angstigen blik naar het weêr
-buiten; de prins en Hélène zetten zich eveneens. Een kruisvuur van
-vragen naar de beide families ontvonkte tusschen de keizerin en haren
-neef; men had in enkele maanden elkaâr niet gezien; er was veel te
-bespreken; het waren tijden vol ramp en de keizerin toonde een lang
-telegram, dat de keizer uit Altara gezonden had, omtrent de
-overstroomingen. Hare vingers, die het papier bleven vasthouden,
-trilden.
-
-Zij was eene vrouw van bijzondere schoonheid nog, niettegenstaande hare
-groote kinderen. Maar de charme van hare schoonheid zagen maar
-weinigen; in het publiek kreeg die schoonheid iets straks als van een
-camee; mooie fijne lijnen, groote koude bruine oogen, zonder expressie;
-een kouden mond van geslotenheid; voor de menschen kreeg haar rank
-figuur iets stijfs en automatisch; zelfs vertoonde zij zich zoo voor de
-intimere kringen van het hof. Maar zag men haar als nu in het geheim
-van haar eigen salon, met niemand samen dan met haren neef, wien zij
-bijna even liefhad als hare eigen kinderen, en éen hofdametje, dat zij
-bedierf, dan was zij, trots den angst, dien zij terugduwde diep in haar
-hart, als eene andere vrouw; in haar eenvoudig grijs zijden toilet—een
-lichten rouw voor een bloedverwant—werd het stijf automatische van haar
-figuur verbogen tot eene gracieuze lenigheid van zich houden en
-bewegen, even spontaan, als dat andere bestudeerd was; de camee van
-haar gelaat bezielde zich; in de oogen kwam bijna weemoed en een lach
-vooral om dien kouden mond van strakheid was als een glans van
-sympathie, waarin zij onherkenbaar scheen voor wie haar eerst gezien
-had, koud, stijf en strak.
-
-Prins Herman van Gothland was de tweede zoon harer zuster, de koningin
-van Gothland. Een groote soliede jongen in zijn klein-uniform van
-luitenant-ter-zee met het gezond Germaansch blonde van het Huis van
-Gothland: een stevige nek, breede schouders, de gebombeerde borst van
-een gymnast, de besliste levendigheid van beweging eener vitale natuur,
-meer dan genoeg verstand in zijn groote grijze oogen met de zwarte
-pupil, en met nu en dan een enkelen, prettig zachten toon in zijn
-baritonstem: een toon, die even lichtjes verwonderde om haar geklank en
-hem sympathiek maakte, als ze week was in zijne viriliteit. En nu hij
-daar zat, gemakkelijk, eenvoudig, aangenaam, en toch met iets van
-gezag, dat al te groote jovialiteit in zichzelven niet duldde, nu hij
-met zijne lieve stem sprak over zijn vader, zijne moeder, zijne broêrs
-en zusters, vroeg naar zijn oom, keizer Oscar van Liparië, vroeg naar
-Othomar, Thera, nu, o nu wekte hij bij de keizerin een fijn gevoel op
-van het sympathieke van familie, iets van een geheimen band van bloed,
-een zeer stevigen steun van verwantschap, in het izolement hunner
-onderlinge hoogheden, de hoogheden van Liparië en van Gothland; zij
-voelde daar, aan het andere einde van Europa, vér, vér van haar en toch
-zoo nabij door het magnetisme van dit fijne gevoel, dat Gothland liggen
-als éen groót veld van liefde, waarna zij hare gedachten kon laten
-toedrijven; zij duizelde niet meer van weemoed en van angst, dat zij
-zoo hoog was met die haar lief waren, haar man en hare kinderen, want
-zij was niet alleén hoog: in hare hoogte steunde zij tegen een andere
-hoogte, Liparië tegen Gothland, Gothland tegen Liparië; iets vochtigs
-van tranen kwam er om over haren blik, een weemoed van geluk klom er om
-op haren adem; het spook van angst was verdwenen; zij had haren neef
-kunnen omhelzen; zij had hem dit willen zeggen: alleen zijne
-aanwezigheid reeds gaf haar dit gevoel, gevoel van troost en van
-kracht; in maanden had zij het gemist.
-
-
-
-
-
-II.
-
-De deur werd geopend; de lakei wachtte stijfrecht met een strakken
-blik, die voor zich uitzag, in de schemering der portière. Prinses
-Thera en Othomar traden binnen; de prinses kwam blij en vriendelijk
-naar haren neef toe, zij kusten elkaâr; ook Othomar omhelsde Herman met
-een enkel woord. Maar tegen de natuurlijke uitingen van de keizerin en
-van Thera, klonk dit enkel woord van den hertog van Xara bestudeerd en
-glimlachend koud aan, niet intiem en als met een zweem van etiquette,
-die niet noodig was. Het verborg niet eene doorglanzende onoprechtheid,
-een doorzichtbaar vertoon, dat zich geene moeite gaf sympathie te
-huichelen, maar eenvoudig-weg scheen, wat het op dit oogenblik niet
-anders kon dan schijnen: een groet van gemaakte vriendelijkheid
-tusschen neven van gelijke jaren. Prins Herman was dit gewend; tusschen
-Othomar en hem bestond geen innigheid, en vooral den eersten keer, dat
-zij elkaâr weêr ontmoeteden na maanden, trof dit: het deed de keizerin
-onaangenaam scherp aan.
-
-Opnieuw ging het gesprek door over de overstroomingen in het Noorden.
-De keizerin toonde haren kinderen het laatste telegram, dat zij Herman
-getoond had; het vermeldde nieuwe rampen: weêr nieuwe dorpen
-weggespoeld, steden geteisterd door de gezwollene en overvloeiende
-rivieren, na een maand van regen, die als een zondvloed was geweest. De
-keizer was er om, drie dagen geleden, naar de Noordelijke
-gouvernementen gegaan, maar ieder oogenblik verwachtte men nu aan het
-hof zijn wensch, dat de kroonprins er hem vervangen zoû, daar hij zelve
-naar Lipara terug zoû keeren, om de crizis in het Kabinet.
-
-De kroonprins sprak hierover steeds een beetje vormelijk en koudweg.
-Hij was een jonge man van een-en-twintig jaren, klein van gestalte,
-slank, heel fijn van bouw, met een delicaat weemoedig gelaat en
-stil-zwarte oogen, die meestal strak voor zich uitzagen; een jong
-snorretje tinte zijn bovenlip als met een streep Oost-Indischen inkt.
-Hij droeg het hoofd wat voorover op de borst en blikte dan zoo door
-zijne wimpers onder-op; meestal zat hij zeer stil; zijne handen, die
-klein en breed maar fijn waren, beide in eene gelijke houding op zijne
-knieën, en hij had den tic zich de linkerhand soms onder het oog te
-brengen en—hij was wat bijziende,—dan even te turen naar zijn ring. Hij
-was strak omvangen in zijne blauw- en witte uniform van kapitein der
-lanciers; uniform, waarin hij zich meestal vertoonde in het publiek, en
-waarvan de zilveren brandebourgs eenige breedte leenden aan zijn
-tengerheid; om den rechterpols droeg hij een smallen armband van dof
-goud.
-
-—Deze brief kwam eerst, sprak de keizerin; lees eens voor, Thera...
-
-De prinses nam het epistel; de keizer schreef:
-
-—“Het hart breekt mij dit alles te zien en er zoo weinig aan te kunnen
-doen; de geheele streek ten Zuiden van den Zanthos, van Altara tot
-Lycilië toe, is ééne watervlakte; waar dorpen waren, drijven nu de
-ruïnes van bruggen en huizen, boomen, opeenstapelingen van daken, dood
-vee, karren en huisraad, en terwijl wij over den Therezia-dijk gingen,
-die God zij geloofd! bij Altara nog niet bezweek, spoelde een klomp van
-lijken langzaam aan, vlak voor onze voeten, in één reuzenomhelzing van
-den dood...”
-
-De kroonprins was plotseling bleek geworden; hij bleef zitten in zijne
-gewone houding: hij tuurde naar zijn ring, met den tic, die hem eigen
-was. Thera las verder. Toen de kroonprins opzag, ontmoette zijn blik
-den blik zijner moeder. Zij knikte hem, zonder dat de anderen, die
-luisterden, het zagen, met de wimpers toe; hij glimlachte: een glimlach
-vol navranten weemoed en knikte als zij hem geknikt had, met die zelfde
-onzichtbare trilling der wimpers; het was of hij dien zachten groet
-begreep en er een vleugje troost uit putte voor een geheimzinnig
-verdriet, dat hem stil drukte in hemzelven, dat op zijne borst lag, als
-een beklemming van adem, als een cauchemar in het wakende leven.
-
-Maar prins Herman sprak reeds over de ministerieele crizis; men
-verwachtte ieder oogenblik, dat het autoritaire ministerie, na de
-nieuwe verkiezingen onmachtig in het voor het meerendeel
-constitutioneele Huis der Standen, den keizer zijn ontslag zoû bieden.
-De quaestie liep als altijd over de Grondwetherziening, die de
-constitutioneelen begeerden, de autoritairen,—op de hand van den
-keizer—niet. Keizerin Elizabeth zuchtte er om met een zucht van
-afmatting, hoe dikwijls was deze quaestie van Grondwetherziening,—in
-Liparië altijd grondwetuitbreiding en beperking van het keizerlijk
-gezag, in hunne regeering van meer dan twintig jaren al niet komen
-opdoemen als een aanval tegen haren man zelven! Zijne lange reeks
-Liparische voorouders gelijk, hereditair autocratisch, kon Oscar het
-zijn vader, Othomar XI, nooit vergeven, dat onder diens liberale
-regeering een Grondwet tot stand had kùnnen komen. En nu, in deze
-crizis, ze wilden niet weinig, de constitutioneelen. Het Huis van Adel,
-erfelijk autoritair, het Lichaam van den keizer zelve, dat alle te
-constitutioneele wetsvoorstellen, komende uit het Huis der Standen, te
-niet deed, ze wilden het niet meer boven zich, erfelijk en daardoor in
-zijn erfrecht altijd autoritair; ze wilden het: gekozen! Zelfs Othomar
-XI, modern, vóor een constitutie, zoû nooit hebben kunnen dulden dezen
-aanval op eene der aloudste instellingen van het rijk, aanval, die
-Liparië schudden zou in zijn fondament...
-
-Terwijl Herman hierover sprak, ter loops, met zijne woorden deze hoogst
-gewichtige quaestie vluchtig aanrakende, scheen het Othomar, alsof het
-hem duizelde. Een wereld ging door zijn hoofd, als joeg het met snelle
-wolken door zijne verbeelding heen, en uit die wolken doemden hem
-vizioenen op, rossig, vaag, bliksemsnel, verschrikkelijk als iets van
-een Apocalypse, einde van het heelal in eene ontploffing van dynamiet.
-Uit die wolken flitste, gedurende eene seconde, op: een tafreel,
-herinnering uit de historie van zijn erfrijk: een der keizers van
-Liparië, eeuwen geleden vermoord door zijn gunsteling op een hoffeest.
-Revoluties in andere landen van Europa, de Fransche omwenteling, ze
-flikkerden met een weerschijn van bloedrood omhoog; de werkstakingen in
-de kwikzilvermijnen der Oostelijke gouvernementen grijnsden hem er uit
-aan, uit de wolk, de wereld van wolk, die stormde door zijne gedachte
-heen... En nog zooveel, nog zooveel, alles zoo snel, met de snelheid
-van hunne bliksems; hij kon ze niet grijpen, de rossige bliksems; het
-flikkerde maar door hem heen en dan weg, weg was het verflikkerd,
-ver!... En vreemd was het hem, dat hij daar zat, in den salon zijner
-moeder, het prachtige park wemelend achter de spiegelruiten met tinten
-van oud, middeneeuwsch goudleêr, nu in het lager schijnen der
-zonnestralen; zijne moeder over hem, zoo lief, zoo delicaat zacht in
-het intime van dit even alleen samen zijn; zijn neef, die sprak, en
-zijne zuster, die antwoordde, en het hofdametje, dat toehoorde met een
-glimlach... Hoe vreemd zoo te zijn, zoo gemakkelijk, zoo stil, zoo
-rustig, in het geheim van hun paleis, of Liparië niet trilde als een
-oude, wankele toren? O, ze spraken er over, over de crizis, Herman en
-Thera, maar wat was spreken? Woorden, altijd woorden! Waarom altijd
-aaneenschakelingen van woorden, mooie leêge woorden, die een vorst moet
-samenschakelen en dan zeggen aan zijne onderdanen, nu bij deze
-gelegenheid, dan bij gene! Neen, neen, hij had ze niet, redevoeringen!
-Want wat moesten ze dan toch uitdrukken, dit of dat? Wat was het goede,
-het ware, het goed-ware voor hun rijk, dit of dat? Hoe het te weten,
-hoe zeker te zijn, hoe niet meer te weifelen, te zoeken, te tasten,
-geblinddoekt! Had hij dan duizend oogen door het geheele rijk heen, zoû
-hij alles kunnen zien, wat gebeuren zoû, en was hij alwetend: zoû hij
-alles kunnen weten wat goed zoû zijn? De grondwet... was het dan goed
-voor een rijk een grondwet te hebben, of niet? In Rusland... was het in
-Rusland goed? Een republiek, zou een republiek beter zijn? En wie had
-gelijk; had zijn vader gelijk, die absoluut wilde regeeren, met zijn
-erfelijk Huis van Adel, waarin hij, Othomar, zich nu zijne intrede
-herinnerde als hertog van Xara, achttien jaren oud, met de hertogelijke
-kroon, en den mantel en de keten van de Orde van den Rijksappel. Of had
-het Huis der Standen gelijk: zoû het goed zijn, beperking van het
-absolutisme? Het was wel moeilijk te beslissen... De overstroomingen:
-“Het hart breekt me dit alles te zien en er zoo weinig aan te kunnen
-doen... tot Lycilië toe eene watervlakte, een klomp van lijken, in
-omhelzing van den dood...”
-
-Het lichtte.
-
-Zwaar doffe rommelingen gingen door de lucht; dikke druppelen vielen
-hard als liquide hagel neêr op de bladeren der platanen; het geheele
-park scheen te sidderen, angstig voor de wolkbreuk, die komen zoû.
-Hélène was opgestaan en sloot het open venster.
-
-Toen hoorde Othomar een vreemde klank: Syrië... Spraken zij al niet
-meer over het Huis van Adel? Syrië, Syrië...
-
-—De koning en koningin zouden de volgende week gekomen zijn, maar ze
-hebben nu hun bezoek uitgesteld, zei de keizerin.
-
-—Om de overstroomingen, vulde Thera aan. Ze gaan nu eerst naar
-Constantinopel. Ik woû, dat ze maar bij den Sultan bleven...
-
-—Die visite lijkt me tenminste nog al een corvée, lachte Herman, en hoe
-lang blijven ze, tante?
-
-Keizerin Elizabeth haalde hare schouders op, om te zeggen, dat ze niet
-wist: het aanstaand bezoek van den koning en de koningin van Syrië was
-haar, zoowel als den keizer, tegen, maar het was niet te ontduiken...
-Om Hélène echter wilde zij er niet veel over spreken en zeide:
-
-—Alle hoffeesten zijn nu, zooals je weet, uitgesteld, Herman, alles om
-die ontzettende ramp. Je zal het stil hebben, mijn jongen. Ga van avond
-met Othomar meê naar graaf Myxila...
-
-Graaf Myxila, de Rijkskanselier, vierde dien dag zijn zestigsten
-verjaardag. Hij was de voornaamste gunsteling van den keizer; dien
-morgen was hij bij de keizerin zijne gelukwenschen komen ontvangen; de
-kroonprins, op verlangen van den keizer, zoû dien avond een oogenblik
-op het feest in het Kanselarij-paleis verschijnen.
-
-Prins Herman zag naar Othomar, vragend, als verwachtte hij ook een
-woord van dezen:
-
-—Natuurlijk... haastte de hertog van Xara zich te zeggen; Myxila zal er
-wel op rekenen Herman te zien...
-
-
-
-
-
-III.
-
-Toen Othomar en Herman des avonds, in een stortregen, om half-elf uit
-het Kanselarij-paleis terug kwamen, wist men ook bij de keizerin, dat
-het ministerie zijn ontslag had aangeboden; de prinsen hadden bij graaf
-Myxila de ministers ontmoet; de crizis had onder de uiterlijke
-mondainiteit der soirée getrild als eene dreigende huivering. Ook was
-er een telegram van den keizer aan den hertog van Xara:
-
-
- “Ik draag uwe Keizerlijke Hoogheid op zich morgen naar
- Altara te begeven.
-
- Oscar.”
-
-
-Het telegram was geene verrassing, maar het natuurlijk gevolg van het
-ontslag der ministers, en de terugkomst van den keizer, want de keizer
-wilde het terrein van de ramp niet verlaten zonder den troost, dat de
-troonopvolger hem er vervangen zoû.
-
-Othomar trok zich, na een oogenblik bij de keizerin, terug in zijne
-eigen kamers. Hij ontbood zijn adjudant, prins Dutri, en hield met dien
-een paar woorden van korte beraadslaging; de adjudant haastte zich
-daarna met veel drukte weg. In de kleedkamer vond Othomar zijn
-kamerdienaar, Andro, door een der kamerheeren gewaarschuwd, al bezig
-met pakken.
-
-—Pak niet te veel in, Andro, sprak hij, terwijl de kamerdienaar
-eerbiedig van voor een koffer oprees; dat is maar ballast...
-
-Zoodra hij dit gezegd had, wist hij eigenlijk niet waarom. De
-kamerdienaar scheen er zich ook niet aan te storen; opnieuw geknield
-voor den koffer pakte hij in, wat hem goed dacht. Het zoû wel goed zijn
-zoo als Andro het deed, dacht Othomar.
-
-En hij wierp zich neêr in een stoel van zijn kabinet. Een venster was
-open; een enkele staande lamp, in een hoek, gaf niet veel licht. Buiten
-stortte de woedende kletregen neêr; een vochtige adem van natte
-bladeren dreef naar binnen.
-
-De prins was moê, te moê, dan dat hij Andro zoû roepen om zijne
-nauwsluitende verlakte laarzen uit te trekken. Hij droeg, wit met goud,
-zijn uniform van kolonel der Garde van den Troon, de keizerlijke
-lijfgarde; de keten van de Orde van den Rijksappel hing om zijn hals,
-andere ridderorden bestarrelden hem hier en daar de borst. Voor zijn
-oogen dwarrelde nog het feest van den Rijkskanselier; in zijne hersens
-ruischten, tegelijk met den regen, de noodzakelijke gesprekken over de
-crizis, het ministerie, het Huis van Adel. Hij zag zichzelven voor
-zich: de kroonprins, altijd de kroonprins, altijd te neêrbuigend, te
-minzaam, niet vrij genoeg, niet eenvoudig, niet gemakkelijk, als
-Herman, en hij zag Herman, die zich met gemak bewoog in de zalen van
-het Kanselarij-paleis, die zich, eenvoudig weg, liet voorstellen aan de
-dames, nu eens door graaf Myxila, dan door een adjudant. En hij
-benijdde zijn neef, die tweede zoon was. Herman deed niet als hijzelve,
-de atmosfeer om zich heen bevriezen, aanstonds bevriezen, door den koud
-keizerlijken glans van zijn kroonprinsschap.
-
-Hij zag de ministers voor zich. De ministers, die zouden aftreden, elk
-van hen met, in zijn hart, zijne eigen belangen, in plaats van Liparië;
-hij vermoedde dit om hunne nederige wijze van zijn, tegenover hem, den
-kroonprins, toen hij ze allen had aangesproken, allen... Hij voelde,
-dat ze zich maar voordeden, dat er veel in hen was, dat ze niet
-schijnen lieten en hij vroeg zich in eens af: waarom, waarom dit alles
-zoo, waarom zooveel schijn, alles schijn...? Pijn deed het hem nu, diep
-in zijne borst; de strakte van zijne bestarrelde uniform benauwde
-hem...
-
-De oude gravin Myxila zag hij voor zich en enkele andere dames die hij
-had zien nijgen in het geknak harer slepen en het plotseling
-neêrgeschitter harer diamanten; die hij had zien kleur krijgen van
-genot, omdat de hertog van Xara haar had opgemerkt. Ook de vrouw van
-den opperhofmaarschalk, de hertogin van Yemena, die zoo langen tijd van
-het hof afwezig geweest was, in eene zelfverbanning op haar goed in
-Vaza, hij zag ze voor zich, zooals ze naar hem toe was gekomen, geleid
-door Prins Dutri. Want hij kende haar niet; toen zij vroeger aan het
-hof geweest was, was hij een jongen geweest van vijftien jaar; streng,
-militair opgevoed, weinig bij de keizerin en nooit op de feesten van
-het hof, hij had toen de hertogin nooit gezien.
-
-Nu, in de schemering van die éene lamp, met de woede van het weêr daar
-buiten, zag hij haar weêr en ze werd als transparant in de stralen van
-den regen; vreemd scheen ze door den regen heen, als door een gordijn
-van natte mousseline. Eene groote vrouw, met hare rijke vormen, half
-naakt onder het witte gevlam der rivière, zoo kwam ze naar hem toe, het
-haar blauwzwart met glans er over, het gelaat wat bleek onder een licht
-waas van roze poeier; zoo kwam ze nader, langzaam, weifelend, in haar
-goudgeel broché satijn met zwaar sabelbont omzoomd; zoo boog ze voor
-hem, in nederig diepe neiging voor keizerlijkheid; het hoofd knakte
-haar op de borst, de tiara in het zwarte haar schoot stralen, haar
-geheele gestalte golfde met ééne slangelijn van gratie naar beneden, in
-de stof van goudglans, die haar boezem omglinsterd hield en op de dikke
-plooien van den sleep scheen te breken met kantlijnen van licht. Hij
-had tot haar gesproken. Ze was gerezen uit de golving harer gratie van
-nederigheid; ze had hem geantwoord, hij wist niet meer wat; hare oogen
-hadden als zwarte sterren geschitterd op de zijne. Zij had indruk op
-hem gemaakt. Hij meende, omdat hij veel van haar had hooren spreken,
-als van eene vrouw met een leven vol passie: iets, dat hem raadsel was.
-Zijne opvoeding was militair en streng zuiver geweest, zijne
-jongelingsjaren waren kuisch gebleven te midden der gemakkelijke zeden
-van het hof, misschien omdat zijne ouders, na eene lange scheiding,
-voor henzelven, in stil geheim, weêr tot elkaâr gekomen waren, in eene
-behoefte aan familieleven en steun op elkaâr; keizerin Elizabeth had
-keizer Oscar vergeven en zich geschikt in zijn ontrouw als in een
-noodlot. Om zich heen had Othomar niet gezien het leven der zinnen. Aan
-de universiteit te Altara, waar hij gestudeerd had, had hij zich niet
-dan officieel gemengd in de genoegens der studenten; hij was altijd de
-kroonprins gebleven, niet uit hoogheid, maar uit niet anders kunnen,
-uit gebrek aan gemakkelijkheid en tact.
-
-En, als het onbekende, had iets in de hertogin indruk op hem gemaakt.
-Hij voelde in deze vrouw, die met haar sfinxe-lach zoo diep voor hem
-neeg, een wereld van gevoel en wetenschap, die niet in hem was; hij had
-zich tegenover haar arm gevoeld, klein en onbeduidend. Wat was dat, dat
-in haar was en niet in hem? Was het een raadsel der ziel? Waren er
-zulke dingen, zieleraadsels, en was het de moeite waard zich er in te
-verdiepen? Zoo eene vrouw als zij, was die niet geheel anders dan zijne
-moeder en zijne zusters? Of spraken zijne adjudanten, onder hen, ook
-over zijne zusters, zooals ze over de hertogin spraken? En dat leven
-van passie, dat leven van liefde voor zoo velen, was dat eene waarheid?
-Lasterden zij niet, de adjudanten, of minstens, lieten zij de waarheid
-niet anders schijnen dan ze was, zooals ze altijd deden, in alles?
-alsof om een vorst de waarheid altijd anders schijnen moest dan om een
-onderdaan?
-
-Hij voelde zich moê. En hij bleef zitten, de dwarreling der vreemde
-beelden van dat feest door eene transparantheid van regen uit zich
-pogende voort te drijven en tevergeefs. Voor hem, als in zijne kamer,
-liepen daar allen door elkaâr, de ministers, de adjudanten, graaf
-Myxila en de hertogin.
-
-Een klop, een kamerheer.
-
-—Prins Herman vraagt of hij Uwe Hoogheid even storen mag.
-
-Hij knikte van ja. Prins Herman kwam na een oogenblik binnen.
-
-—Je bent altijd welkom, Herman! sprak Othomar, en zijne stem klonk,
-ondanks hemzelven, koud.
-
-—Ik kom je even iets vragen, sprak Herman van Gothland. Ik zoû gaarne
-met je meêgaan naar Altara, morgen. Maar ik wil verzekerd zijn, dat je
-het goed vindt. Ik zoû het ook uit mezelven niet gevraagd hebben, als
-tante er niet over gesproken had. Wat vindt je?
-
-Othomar zag Herman aan; zijne koele stem mishaagde Othomar.
-
-—Als je het doet uit belangstelling, omdat je nu toch te Lipara bent,
-zeker... begon hij.
-
-—Laat me je nog eens zeggen: ik doe het voornamelijk om... tante.
-
-Zijne stem klonk zeer nadrukkelijk.
-
-—Doe het dan om haar, antwoordde Othomar zacht. Het zal mij heel
-aangenaam zijn, als je meêgaat terwille van mijn moeder.
-
-Herman was zich bewust onnoodig koel en nadrukkelijk te zijn geweest.
-Hij had er spijt van. De keizerin had hem verzocht Othomar te
-vergezellen. Hij had eerst geaarzeld, wetende, dat er sympathie ontbrak
-tusschen Othomar en hem. Toen had hij toegegeven, maar niet geweten hoe
-het Othomar te vragen. Zijne gewone gemakkelijkheid had hem in den
-steek gelaten, zooals altijd, tegenover Othomar.
-
-—Goed dan... stamelde Herman onhandig.
-
-Othomar stak zijne hand uit:
-
-—Ik begrijp je bedoeling heel goed. Mama heeft gaarne, dat je met me
-meê gaat, omdat ze dan weet, dat er iemand bij me is, dien ik álles zoû
-kunnen vertrouwen. Niet waar?
-
-Herman drukte zijne hand.
-
-—Ja! sprak hij, blij, prettig; zonder afgunst, dat Othomar in dit
-gesprek meester bleef, zeer verheugd, dat zijn neef het zoo opnam. Ja,
-juist. Zoo is het. Laat me je nu niet meer ophouden, het is al laat.
-Adieu...
-
-—Adieu...
-
-Herman ging. Het stortregende steeds. Othomar was weêr gaan zitten; de
-kilte van den regennacht drong koud naar binnen en viel op zijne
-schouders. Roerloos bleef hij staren op de punten zijner laarzen.
-
-Andro kwam zacht binnen.
-
-—Verlangt Uwe Hoogheid...?
-
-Othomar knikte. De kamerdienaar sloot eerst het raam toe, liet den
-gordijn vallen en knielde toen voor den prins, die hem met een gebaar
-van afmatting, den voet toestak, en de hak van zijn laars rusten deed
-op zijne knie.
-
-
-
-
-
-IV.
-
-Des nachts hield de stortvloed op; des morgens regende het weêr. Het
-was zeven uur; een zwoele vochtdamp sloeg tegen den kolossalen glasboog
-van het station aan, als werd die geheel beädemd. De express stond
-gereed; de locomotief snoof met kort krachtige hijgingen, als een
-ontevreden, moê beest. Eene groote menigte, gonzende opeenpakking van
-vage menschen in den onduidelijken nevelmorgen, vulde den glazen hall;
-een detachement der infanterie,—twee gelederen, links en rechts; de
-uniformen, donkerrood, lichtgrijs; daarboven zwak geschitter van
-bajonetten,—veegde twee lange striemen van kleur dwars door het grauwe
-station heen, sneed de menigte in tweeën en hield voor de deur der
-keizerlijke wachtkamer een breede plek leêg.
-
-Door de menigte huiverde ontevredenheid; er flitsten booze blikken;
-ruwe woorden knetterden kort door de lucht, vloeken; een minachtend
-lachen deed zich even in een hoek hooren.
-
-Men wachtte lang; toen klonk buiten gejuich; de prins was aangekomen,
-vóór het station. De wachtkamer vulde zich met uniformen, flauw
-schitterend in den morgen; korte zachte gesprekken gingen om.
-
-Othomar trad binnen, met Herman, en den markies van Dazzara, den
-gouverneur der rezidentie,—hoogste militaire autoriteit,—wiens rijke
-uniform afstak tegen de eenvoudigere der anderen, zelfs die der
-prinsen; adjudanten-generaal, Liparische en Gothlandsche adjudanten,
-ordonnans-officieren volgden hem. De burgemeester der stad, de
-directeur van het spoorwezen traden Othomar tegemoet, begroetteden hem;
-de burgemeester verloor zich in lange frazen voor de beide prinsen.
-
-—Waarom is de toegang tot het perron niet verboden aan het publiek?
-vroeg generaal Ducardi aan den directeur; de adjudant-generaal toch had
-door de kanten gordijnen even op het perron gezien, nieuwsgierig om het
-gegons daarbuiten.
-
-De directeur haalde zijn schouders op.
-
-—Dat was ook het eerste plan; het is ook zoo geweest toen de keizer
-wegging, antwoordde hij. Maar een speciale boodschap uit het Imperiaal
-liet ons dringend verzoeken, het perron niet af te sluiten; het was het
-verlangen van den hertog van Xara.
-
-—En al die soldaten dan?
-
-—Op bevel van den gouverneur van de rezidentie; een ordonnans-officier
-kwam ons zeggen, dat er een detachement infanterie zoû aanrukken, als
-eerewacht.
-
-—Kwam die ordonnans-officier ook uit het Imperiaal?
-
-—Neen, van het Gouvernementspaleis...
-
-Ducardi haalde de schouders op; een nijdig gebrom deed zijn groote
-grijze snor trillen. Hij ging recht op den kroonprins af.
-
-—Weet Uwe Hoogheid, dat er een detachement infanterie buiten staat?
-brak hij de lange zinnen van den burgemeester af. De gouverneur hoorde
-hem en trad nader.
-
-—Een detachement...? Neen... sprak Othomar verbaasd.
-
-—Had Uwe Hoogheid dan niet bevolen? ging Ducardi voort.
-
-—Ik? Neen... herhaalde Othomar weêr.
-
-De gouverneur boog diep; hij werd zenuwachtig door de forsche stem van
-den generaal, die luid sprak.
-
-—Ik meende! sprak hij netjes, maar mompelend, stotterend,—en hij poogde
-te zijn nederig voor den prins en tegelijk hoog voor den generaal—ik
-meende, dat het goed zoû zijn Uwe Hoogheid te vrijwaren tegen
-mogelijke... mogelijke onaangenaamheden, vooral omdat Uwe Hoogheid
-wenschte... wenschte, dat het perron voor het publiek toegankelijk zoû
-zijn...
-
-Othomar had, als Ducardi, naar buiten gezien: de infanterie en haïe, de
-menigte daarachter, boos, gonzend, grijs, dreigend.
-
-—Maar Excellentie! sprak hij hoog tegen den gouverneur! dan was het nog
-maar beter geweest het perron te laten afsluiten! Dit is geheel
-verkeerd! De stadspolitie zoû voldoende zijn geweest om wat te dicht
-bij dringen tegen te houden.
-
-—Ik was bang voor... voor onaangenaamheden, Hoogheid! Onrustige tijden,
-het volk zoo ontevreden, fluisterde de gouverneur, bang gehoord te
-worden door de adjudanten.
-
-—Geheel verkeerd! herhaalde Othomar driftig, zenuwachtig opgewonden.
-Laat de infanterie oprukken!
-
-—Onmogelijk nu, Hoogheid! haastte Ducardi zich te zeggen, met een
-ongelukkige glimlach. U begrijpt, dat dàt niet kan.
-
-Het gesprek was terzijde gevoerd, in een half fluisterenden toon; toch
-scheen men te luisteren; alle oogen tuurden naar de groep om de
-prinsen; alle anderen zwegen.
-
-—Laat ons dan dien treurigen toestand zoo min mogelijk rekken; we
-kunnen zeker gaan! sprak Othomar en zijne stem trilde hoog, jong,
-zenuwachtig in zijne heldere keel.
-
-De deuren openden zich; Othomar in zijn haast, trad het eerst naar
-buiten; de adjudanten en ordonnans-officieren volgden hem niet
-dadelijk, daar zij moesten uitwijken voor prins Herman, die zich
-toevallig wat achteraf bevond. Herman haastte zich bij Othomar; de
-anderen volgden.
-
-De prinsen maakten links en rechts eene hoofdbeweging, als wilden zij
-groeten; maar hunne oogen ontmoeten de strakke ronde oogen der
-soldaten, die in één flits het geweer prezenteerden; ze salueerden en
-liepen door naar den coupé, een beetje vlug, met een onaangenaam gevoel
-over den rug.
-
-Onder den reusachtigen glazen boog van het station achter de gelederen
-der soldaten, zweeg de menigte doodstil, want het gonsen verstomde
-bijna; vloek, noch minachtend lachen werd meer gehoord, maar ook geen
-gejuich, geen leve, dat zoet is aan het oor der vorsten.
-
-En de gezichten van dat vage volk, door uniformen en bajonetten
-afgesloten van hun toekomstigen beheerscher, bleven strak, met doffe,
-haatdragende oogen, met opeengesloten monden, vol ingehoudenheid,
-turen, hem als wegkijkende in den keizerlijken coupé.
-
-Uit de vensters wuifden de prinsen met de hand de autoriteiten toe, die
-op het perron stonden, buigend, salueerend. De locomotief floot,
-krijschte, verscheurde de nauwe vocht-atmosfeer onder den koepel; de
-trein verliet het station, reed den vroegen morgen in, die lichter was
-buiten den glasboog; gleed als over de regenstad heen op viaducten;
-kanalen, straten, pleinen onder zich; verder op de tinnen en spitsen
-der paleizen en kerken; de twee marmeren torens van den Dom—met de
-duiven die nestelen in de Renaissance-arabesken van het kantwerk zijner
-spitsen,—reeds vaal wit op wat blauw wordende lucht; dan, midden in de
-stad,—groen, wijd, éene oaze—de Elizabethperken, de blanke massa van
-het Imperiaal, en daarachter de reuzenbocht der kaden, de haven met
-haar mastenwoud, de ovale bocht van den horizont der zee, alles nat,
-glinsterend, verregend.
-
-Somber zag Othomar voor zich, Herman glimlachte hem toe.
-
-—Kom, denk er niet meer aan, ried hij aan; en, lachend:
-
-—Onze arme gouverneur zal er slecht van dineeren vanmiddag!
-
-Generaal Ducardi bromde een vloek binnen-in:
-
-—Allerstomst... hoorde Herman hem mompelen.
-
-—Ik wilde ze toonen, sprak Othomar in eens...; hij had willen zeggen:
-dat ik niet bang voor ze ben; hij sloeg een blik om zich heen, zag de
-oogen van prins Dutri, zijn adjudant, als bazilisken op hem gevestigd,
-en liet zijne stem van trotsch, weekhartig worden; treurig weg besloot
-hij:
-
-—... dat ik ze liefheb en zoo geheel en al vertrouw: waarom moest het
-nu zoo uitvallen...
-
-De weekheid zijner stem had geklonken om prins Dutri te behagen; maar
-ze mishaagde den generaal; hij zag eerst zijn kroonprins van terzijde
-aan en toen naar den prins van Gothland; hij vergeleek: zijn oog bleef,
-waardeerend, goedkeurend, met soldatesk pleizier hangen aan den flinken
-luitenant-ter-zee, breed en sterk, de handen op de dijen, een beetje
-voorover gebogen, de witte rezidentie nakijkend, die voor zijne oogen
-achterweg werd getrokken door de schuine stralen van regen heen...
-
-Na vier uur sporen, Novi, in het gouvernement van Xara. De trein staat
-stil; de prinsen, hun gevolg stappen uit, raadplegen klokken, horloges.
-Men verwondert zich, men wandelt op en neêr over het perron, een half
-uur, een uur lang; prins Herman gaat in druk gesprek met den
-stationschef. Het regent steeds.
-
-Eindelijk wordt de express van Altara geseind. Zij glijdt binnen, staat
-stil; uit den keizerlijken coupé treedt keizer Oscar; generaals,
-adjudanten volgen hem; hunne uniformen, ook die van den keizer, hebben
-iets van hare strakheid verloren en plooien wat moê om hunne schouders
-heen, als kleederen lang gedragen. De keizer, nog jong, breed en
-stevig, en maar even grijzend, gaat met een flinken stap, hij omhelst
-zijn zoon, zijn neef, kortaf gauw. De vorstelijke personen verdwijnen
-in de wachtkamer; Ducardi en een der Gothlandsche officieren volgen
-hen. Het onderhoud duurt echter kort; na tien minuten komen zij weder
-op het perron; haastige woorden, handdrukken worden gewisseld; de
-keizer stapt opnieuw in zijn coupé; de kroonprins in den zijne. De
-trein van den prins wacht, tot die zijns vaders—met éene laatste
-wuifhand,—kruist; daarna spoort ook die weg...
-
-Zorg ligt als een wolk op Othomars voorhoofd. Hij herinnert zich zijn
-vaders woorden: wanhopig onze mooie, oude stad; de Therezia-dijk
-misschien aan het zwichten; zoo weinig energie bij het gemeentebestuur;
-duizenden menschen zonder dak, vluchtende, overnachtende in kerken,
-publieke gebouwen. En zijn laatste woord:
-
-—Laat er naar St. Ladislas gaan...
-
-Othomar denkt na; een ieder zwijgt om hem heen, gedrukt door den
-naklank der keizerlijke woorden, die de ramp weêr opnieuw schilderen,
-weêr frisch hen voor de oogen brachten; de oogen van Ducardi, die zich
-beter vechtmajoor weet dan trooster in watersnood, de oogen van Dutri,
-nog vol van den mondainen glans der onvergelijkbare rezidentie. Iets
-van hun eigenbelang begint te zwijgen; gedachte aan wat zij zien
-zullen, trekt door hen heen.
-
-En Othomar denkt na. Wat zal hij doen, wat kàn hij doen? Is het niet te
-veel wat men van hem vergt? Kàn hij den drang der wateren tegengaan?
-
-—Oh, die regen, die regen! mompelt hij, en balt zijne vuist, stil.
-
-Nog vijf uur sporens, de torens der stad, de gekartelde lijnen en
-titanische vlakken van het sterke St. Ladislas schieten aan den
-horizont op, schuiven op zij naderbij. De trein staat stil, in het
-land, bij een kleine halte, de prinsen weten, dat het Centraal Station
-overstroomd is; aan de halte is de geheele spoordirectie overgebracht.
-En eensklaps staan zij voor de gladde, groene vlakte van water; voor
-den Zanthos, die zich uitgestort heeft; éene zee van water, breed en
-effen, nauwelijks gerimpeld, als eene, al gestilde gramschap. Een pont
-wacht, die hen overbrengt tusschen ruïnes van huizen, drijvend
-huisraad. Een dood paard haakt aan die pont vast, een muffe lucht van
-vochtig bederf waart om. Bij een ingestort huis zijn ponteniers bezig
-een lijk op te visschen, het hangt aan hunne haken, met slappe armen en
-lange natte haren, het vale lijkhoofd achterover; het is een vrouw.
-Herman ziet Othomars lippen trillen.
-
-Nu varen zij door een straat, verlaten hooge huizen eener arme
-voorstad. Dit gedeelte is reeds dagen overstroomd. Zij landen aan een
-plein; het volk is daar; het juicht. Luider en luider juichen zij;
-geroerd om hun prins, die over het water komt, naar hen toe, om hen te
-redden. Een troep studenten schreeuwen, roepen zijn naam en leve, en
-zwaaien hunne kleurige petten.
-
-Othomar drukt den burgemeester, den minister van waterstaat, den
-gouverneur van Altara, andere autoriteiten de hand. Zijn hart is vol;
-hij voelt eene snik onder zijne borst wellen.
-
-Uit den troep studenten treedt een te voorschijn, een groote, lange
-jongen.
-
-—Hoogheid! roept hij; mogen wij Uw lijfwacht zijn?
-
-De etiquette bestaat hier nauwelijks, al kijken ook de autoriteiten
-boos. Othomar herinnert zich zijne studentenjaren, nog zoo lang niet
-geleden, drukt den student de hand; prins Herman ook, en de studenten
-zijn opgewonden en roepen weêr leve, leve, en leve Othomar en leve
-Gothland!
-
-Achter het plein raadt men de stad in nood, stillen nood van nog
-grooter dreigend gevaar; de oude kroningsstad, de tweede van het rijk,
-stad van geleerdheid en traditie, somber monument der middeneeuwen;
-grauw steekt ze af tegen het blanke Lipara, dat daar ginds lacht en
-mooi is van nieuw marmer aan hare blauwe zee, maar dat zijne vorsten
-niet heeft zoo lief als zij, de onttroonde hoofdstad met haren
-Romaanschen reuzendom, waar de heilige keizerskroon met het kruis van
-St. Ladislas gedrukt wordt om de slapen van iederen keizer van Liparië.
-Zijn hare gebieders haar ook ontrouw en wonen zij sedert eeuwen in hun
-wit Imperiaal daarginds, en niet meer op den ouden gekartelden burcht
-van den schutsheilige van het rijk, zij, de oude stad, de moeder van
-het land, blijft ze trouw in hare moederliefde, en niet om den eed: om
-het bloed, om het hart, om geheel haar leven, dat hare oude traditie
-is...
-
-Maar, als zijn vader, zoû Othomar dezen keer niet naar den slotburcht
-van St. Ladislas gaan; het kasteel lag te hoog, en te ver van de stad,
-te ver van de ramp. Open hofrijtuigen wachtten; zij stegen in, de
-studenten slingerden zich te paard; de prinsen zouden hun intrek nemen
-in het paleis van den Aartsbisschop-kardinaal, den Primaat van Liparië,
-in het Episcopaal, dat met den Dom en het Oude Paleis éene kolossale,
-oude grauwe massa vormde, een stad op zichzelve, het hart zelve der
-stad.
-
-Zij reden vlug voort. Het volk juichte; zij zagen hen als een stoet van
-verlossers, van wie ze meenden, dat eindelijk het heil zoû komen.
-Tusschen het vertrek van den keizer en de aankomst van den prins was
-eene neêrslachtigheid geweest die zich bij het zien van Othomar tot
-ziekelijk enthouziasme omhoog wond.
-
-Het werd in eens donker, maar nog niet om het zinken der zon—vijf uur
-in Maart in het Zuiden;—het werd donker om de wolken, de gevaarten aan
-de lucht, die in bol gespannen reuzenzeilen water meevoerden, dat ze
-reeds weêr in druppels neêr lieten sijpelen. Onder die grauwe lucht
-klonk het volksgejuich op als in mineur, toen, op eens als barsteden de
-gezwollen wolken in éen scheur open, een zondvloed neêrstortte, als met
-éen enkel loodrecht vlak van water.
-
-Othomar was met Herman en Ducardi in het eerste rijtuig gezeten.
-
-Zoû Uwe Hoogheid het rijtuig niet dicht willen hebben? vroeg de oude
-generaal, die den prins hielp zijn burnous omslaan.
-
-Othomar weifelde; hij had geen tijd den generaal te antwoorden; de
-menigte groeide aan, werd dichter, juichte, en hij boog terug,
-salueerde, knikte. Zwaarrecht kletste de regen neêr. De straffe stralen
-liepen de prinsen en de generaal over den rug, in den hals, doorweekten
-hunne knieën. De menigte school onder een brokkelend dak van
-parapluies, als onder natte zwarte sterren te zamen, vulde de nauwe
-straten der oude stad, drong zich tusschen de voorrijders en het
-rijtuig; de koetsier moest langzamer rijden.
-
-—Wil je het rijtuig niet dicht laten maken? vroeg Herman Ducardi na.
-Othomar weifelde nog. Toen, en zelve vond hij zijne woorden wat
-theatraal, en wist hij niet hoe ze zouden klinken, luid op:
-
-—Neen, laat ons niet bang zijn voor water; zij hebben immers allen door
-het water geleden, hier.
-
-Maar Ducardi zag hem aan: hij voelde iets in zich voor zijn prins
-trillen...
-
-Het rijtuig bleef open. In een der volgende landauers zag prins Dutri
-woedend naar voren om, of de hertog van Xara zich, en achter zich zijne
-adjudanten, nog langer zoû laten nat regenen. In de nauwe hooge straten
-bij den Dom werd bijna stapvoets gereden, dwars door het gejubel van
-het dringende volk door. Tot op de huid nat, kwam de kroonprins van
-Liparië met de zijnen bij den Aartsbisschop-Kardinaal aan; een spoor
-van water lieten zij achter op de trappen en corridors van het
-Episcopaal.
-
-
-
-
-
-V.
-
-In andere uniformen een kort diner bij den hoogen prelaat; eenige
-domheeren en abten zitten meê aan. De zaal is groot, somber, met
-zwakken schijn van kaarsen nauwelijks verlicht; het zilver glimt dof op
-de oude, zwart eikenhouten dressoiren; de fresco’s aan den muur,
-heilige tafereelen, zijn naulijks te onderscheiden. Een stille haast
-doet de monden reppen; men spreekt gedempt; de lakeien, in sombere
-liverei, gaan als op de teenen rond. De kardinaal, aan wiens zijden de
-prinsen gezeten zijn, is lang, mager, met een fijn, ascetisch gezicht
-en de staalblauwe oogen van een dweper; zijne stem komt diep uit zijn
-keel als een orakel; hij zegt iets van den wil des Heeren en maakt een
-berustend gebaar met beide handen, de vingers even uitgespreid, zooals
-Jezus doet op oude schilderijen. Een der abten, secretaris van den
-kardinaal, een jonge man met een rond, roze gezicht en mollige witte
-handen, lacht even nog al luid op om een grap van prins Dutri, die,
-naast hem gezeten, iets vertelt van een gravin uit Lipara, die zij
-beiden kennen. De kardinaal kijkt den dartelen secretaris streng aan.
-
-Na een haastig diner, gaan de prinsen en hun gevolg te paard de stad
-in, toegejuicht waar zij komen. Tot dicht bij den Dom en het
-Aartsbisschoppelijk paleis staat het water al. Groepen mannen, vrouwen,
-kinderen snikkend, vloeien te zamen, den prins te gemoet, die over de
-donkere pleinen rijdt; men draagt flambouwen om hem heen, daar de
-gaslantaarns niet overal branden; de rosse vlammen doen vreemd,
-romantisch over de oude donkere murenmassa’s, spiegelen zich als met
-lange bloedrimpels in het water, dat in de nauwe stegen staat. Een
-groot huis met vele verdiepingen en rissen kleine ramen, schijnt
-eensklaps ondergeloopen te zijn; geheimzinnig plotselinge druk der
-wateren, door het metselwerk der kelders, uit de fondamenten
-opsijpelend, zich verraderlijk weg banend door de minste voege of
-barst. De bewoners redden zich in kleine booten, die met roode lichtjes
-door de zwarte waterstad heen varen; een kind huilt luidkeels. Het zijn
-arme menschen, honderden, die daar te zamen wonen, als opgestapeld in
-doozen. De prinsen zijn afgestegen, gaan in een bootje, varen er heen
-en men weet wie ze zijn; zelve helpen ze een oude vrouw en drie
-kinderen, nat tot aan het middel, klimmen op een vlot; zelve geven ze
-geld, roepen ze bevelen. En den ouden burcht van St. Ladislas wijzen ze
-aan als toevlucht...
-
-Maar is er een roep opgegaan, verder, eerst in den donkeren avond
-onduidelijk vernomen, dan eindelijk duidelijker hoorbaar:
-
-—De Therezia-dijk, de Therezia-dijk...
-
-De prinsen willen er heen; te paard is het niet mogelijk; in bootjes is
-de eenige manier. Prins Herman zelve grijpt de roeispanen; in het
-volgende bootje beweert Dutri tegen Von Fest, een der Gothlandsche
-adjudanten, dat Venetië toch nog comfortabeler is...
-
-—De Therezia-dijk, de Therezia-dijk...
-
-De dijk ligt als de zwarte rug van een groot, lang dier even buiten de
-stad, aan den linkeroever van den Zanthos, en beschermt er, meestal in
-het voorjaar, voor opwellingen der rivier de geheele wijk van St.
-Therezia, het Oostelijk gedeelte der stad, dat nog al hoog ligt. Over
-de waterstraten glijden de bootjes voort; op het Therezia-plein is het
-mogelijk te landen: er branden lantarens, fakkels walmen, rosse
-vlamspelingen krinkelen over het water. Het plein is groot, breed;
-zwart staan de huizen er om heen en begrenzen het in den nacht met
-hunne onregelmatige lijnen van dakspitsen en schoorsteenen, met de
-massieve massa van de kerk van St. Therezia, waarvan de torens zich in
-de donkere lucht verliezen; in het midden van het plein rijst een groot
-ruiterstandbeeld van een Liparisch keizer, reusachtig in bronzen
-onbeweeglijkheid over het kleine dwarrelen der menigte den arm
-uitzwaaiend, een zwaard in de vuist.
-
-Othomar en Herman hebben hunne drie adjudanten, Dutri, Leoni en Von
-Fest, wien men paarden gezocht en gezadeld heeft, weggezonden, naar den
-dijk toe; eene geheele buitenstad van villa’s, fabrieken en het station
-van St. Therezia beschermt die daar tegen het water van den Zanthos,
-die zijn rechteroever reeds over het land heeft uitgestort en dat
-verdrinkt. De prinsen staan in het midden van het plein op de trappen
-van het voetstuk des standbeelds; zij hebben verder voort willen gaan
-maar de burgemeester zelve heeft hen verzocht daar te blijven; verderop
-dreigt er ieder oogenblik levensgevaar... Wat men kon, heeft men reeds
-gedaan; er is niets meer te doen dan te wachten.
-
-Er verloopen kwartieren, halve uren. Het wachten op het
-verschrikkelijke maakt kalm; men hoopt weêr. De officieren rijden af en
-aan; de villa’s en fabrieken daar ginds zijn verlaten; een geheele stad
-ligt er leêg, ontvlucht. Prins Dutri verzekerd, draaiend met zijn
-paard, dat hij buiten adem heeft gereden, dat de dijk houden zal; nadat
-hij met de prinsen gesproken heeft, omringt men hem, het zijn de
-bewoners der villa’s, de fabrikanten, die hem met vragen overstelpen,
-gesterkt door de zelfbewustheid van den keizerlijken adjudant. Nog eens
-galoppeert Dutri weg.
-
-Daar gaan de deuren van de kerk geheel, wijd open: in het einde van
-perspectief, tusschen de zuilen, schitteren de lichtjes op het altaar;
-eene processie vloeit langzaam naar buiten; een gemyterde bisschop,
-priesters, choorkinderen, die zingen en vanen dragen en hooge kaarsen
-en wolken zwaaien uit hunne wierookvaten; achter het omhoog geheven
-crucifix, de reliquie van St. Therezia in haren antieken schrijn van
-middeneeuwsch goud en kristal en kostbare steenen, ruw geslepen of
-rond; ze wordt gedragen onder een baldakijn en in den dwarrelenden
-kaarsenschemer schittert en straalt ze als een heilig juweel, als een
-star, over dat sombere plein, door dien zwarten nacht van onheil heen;
-flikkeren de reuzensmaragden, flonkert het kostelijk gedreven goud, en
-voor het Zeer Heilige wijkt de opeengedrongen menigte terzijde en valt
-ze neêr, geknield. De vijfde maal is het, dat dien dag de processie
-ommegaat, de reliquie gedragen wordt, ter bezwering van de ramp. Ze
-gaat voorbij het standbeeld; de prinsen knielen neêr; het Latijn van
-den zang, de glans van de reliquie in haar schrijn, de walm van den
-wierook gaat over hen heen met den zegen van den bisschop...
-
-Om de processie is het stil geworden op het plein, maar men hoort nu
-een geruisen als van verre... Als met éen golfslag schijnt de menigte
-te deinen, men knielt niet meer; de processie zelfs wordt verbroken en
-verwart zich. Door het gedrang gaat de mare: de dijk is gezwicht...
-
-Men kán nog niet gelooven, maar eensklaps dondert van boven het fort
-van St. Ladislas, dat zijne wallen om den burcht breid, een schot en
-dreunt over de zwarte stad, en davert door de zwarte lucht alsof zijn
-weerslag breekt tegen de lage wolken aan. Een tweede schot dondert na,
-als met reuzen-cymbalen van catastrofe, een derde... de geheele stad
-weet, dat de Zanthos den dijk heeft verbroken.
-
-Het geheele plein is in warrelende beweging: éen mierenhoop; hoopen
-laatste vluchtelingen komen nog aan in drommen, armen, haveloozen nu,
-die niet eerder hadden kunnen vluchten, die nog altijd hoopten; door
-het gedrang poogt, hijgende, vloekende, te paard, den angst in zijne
-oogen, prins Dutri het standbeeld te bereiken; het verre geruisch als
-van zee komt nader en nader. Men vlucht in alle straten, te voet of in
-bootjes; de processie in wanorde, met het geschitter van haren
-reliquie-schrijn, die als schijnt te wankelen op de golven eener
-menschenzee, verspreidt zich naar de kerk...
-
-—Is het plein zelfs niet veilig? vraagt Othomar: hij kan bijna niet
-spreken; zijne borst is geklemd als in ijzer, zijne oogen vullen zich
-met tranen, een onmetelijke wanhoop van machteloosheid en medelijden
-verdrinkt zijne ziel.
-
-De burgemeester schudt van neen.
-
-—Het plein ligt lager dan de buitenwijken, Hoogheid; U kan hier niet
-meer blijven. Gaat U in Godsnaam terug, met een boot, naar het
-Episcopaal...
-
-Maar de prinsen willen blijven, ook al ruischt het meer en meer.
-
-—Gaat U dan in de kerk, Hoogheden; daar is dan nog de eenige veilige
-plaats, smeekt de burgemeester. In Gods naam, ik bid U!!
-
-Het plein is reeds als schoon geveegd, de flambouwen geleiden de
-prinsen naar de trappen der kerk; als een zachte donder, die over den
-grond strijkt, golft de Zanthos aan.
-
-In de kerk galmt het orgel, zingt men, bidt men... den geheelen nacht.
-En den geheelen nacht blijft het daar buiten chaotisch zwart, zacht
-ruischend...
-
-Als de eerste schemeringen bleeken over de lucht, die in de verte roze
-en grijs, flauw opaal en parelmoêr begint op te tinten, treedt Othomar
-met Herman en de adjudanten naar buiten, op de treden der kerk.
-
-Het plein staat onder water; de huizen rijzen uit het water op; het
-standbeeld van Othomar III zwaait zijn bronzen arm en zwaard over een
-meer uit, dat rimpelt in de morgenbries.
-
-Van het Therezia-plein tot de Domplaats staat alles onder.
-
-
-
-
-
-VI.
-
- Aan Hare Allergenadigste Keizerlijke Majesteit Elizabeth,
- Keizerin van Liparië. Altara, Episcopaal, Maart 18...
-
-
- Mijn aangebeden moeder!
-
-Uw brief verwijt me, dat ik U niet dadelijk eergisteren geschreven heb;
-vergeef me, want zoo dikwijls zijn mijne gedachten toch vol van U
-geweest. Maar ik voelde mij gisteren zoo moê na een drukken dag, en
-miste ’s avonds kracht tot schrijven. Laat mij U nu het een en ander
-van mij melden.
-
-U beschrijft mij den vreeselijken indruk, die het te Lipara maakte,
-toen men des nachts van hier de doorbraak van den Thereziadijk seinde,
-en hoe U allen waakten in het Imperiaal. Ook wij sliepen dien nacht
-niet, maar waakten in de Therezia-kerk. Men herinnert zich, sedert
-vijftig jaren, niet eene zoo verschrikkelijke overstrooming; tijdens
-die, welke mijn Vader zich herinnert uit zijne kinderjaren, was het
-Thereziaplein niet overstroomd en stond het water slechts tot de groote
-ijzerfabriek, naar men zegt.
-
-Hoe U te beschrijven, wat ik voelde in dien nacht, terwijl wij hoopten
-en wachtten, beurtelings hoopten, dat God en Zijne Heilige Moeder dit
-onheil van ons zouden afwenden, en wachtten tot de catastrofe zoû
-losbarsten. Wij stonden op het voetstuk van het ruiterbeeld en er was
-niets meer te doen. O, die onmacht om mij heen, die onmacht in
-mij-zelven. Telkens vroeg ik mij af, wat ik daar deed, zoo ik niets kon
-doen om mijn volk te helpen. Nooit nog, liefste moeder, heb ik dit
-gevoel van onmacht, van niets kunnen tegen wat moet gebeuren, zoo wijd
-zich in mijne ziel voelen uitbreiden, tot ze haar geheel en al met
-wanhoop vulde, maar ook nooit voelde ik zóo waarachtig, dat alle dingen
-van het leven twee zijden hebben, dat de grootste ramp zoowel zijne
-zwarte schaduw als zijn helderen lichtkant heeft, want nooit, o nooit,
-voelde ik zóo sterk en innig door mijne wanhoop heen, liefde voor ons
-volk; iets, wat ik nog niet wist, dat zoo als waarheid in ons hart kon
-bestaan, als ik het toen voelde huiveren door mij heen; en die liefde
-gaf mij een onmetelijken weemoed bij de gedachte, dat zij niet allen,
-de millioenen zielen van ons rijk, ooit zullen weten, of zoo ze wisten,
-gelooven, dat ik ze zoo liefhad, liefhad alsof er bloed van mij in hen
-was. Nu wil ik mijzelven niet bedriegen en weet ik heel goed, dat ik
-dit gevoel nooit zoû gevoelen te Lipara, maar hier voel ik het, in onze
-oude stad, die ons hare geheele sympathie geeft. Hier voel ik het, dat
-ikzelve ben, als onze Altariërs, meer Slavisch dan Romaansch, zooals
-onze zuidelingen in Lipara en Thracyna, hier voel ik mij van hun bloed,
-wat ik mij ginds niet voel! Er zal natuurlijk veel gesproken en
-geschreven zijn in de couranten over de onhandigheid van den markies
-van Dazzara met zijn dwaze eerewacht aan het station, bij ons vertrek;
-hoe het ook zij, ik voelde in den trein groote treurigheid, dat,
-terwijl ze daar toch waren om mij te zien weggaan, ze mij niet schenen
-lief te hebben; ik weet wel, dat U dit als een verkeerd sensitivisme
-weêr in mij zal afkeuren, maar ik kan het niet helpen; mijn lieve
-moeder; ik ben zoo, en zoo overgevoelig voor sympathie in het algemeen
-en voor de uitingen van ons volk in het bizonder. En daarom ook heb ik
-ze hier lief: misschien heel eenvoudig en kinderachtig wel, omdat ze
-mij toonen lief te hebben: overal enthouziasme, en dat oprecht gemeend,
-waar wij ook komen; en toch wat kunnen wij doen, dan wat geld geven?
-Die sympathie zie ik bij het laagste volk; arbeiders en werklieden, die
-ik toch nooit gezien had met weten, en nauwelijks drie, vier woorden
-van troost kon zeggen—en, ik weet dan nooit veel anders te zeggen, het
-is altijd het zelfde; bij de soldaten, die toch wel instinctmatig
-voelen, al zien ze mij ook nooit anders, dan in uniform, dat ik geen
-militair in mijn hart ben; bij de studenten, bij de geestelijkheid, bij
-het gemeentebestuur en de hoogere autoriteiten. Gisteren zijn wij
-overal rond geweest op de plaatsen, die ter herberging zijn aangewezen:
-behalve in de barakken, in magazijnen en fabrieken, zelfs in enkele
-zalen van departementen en het Paleis van Justitie, in twee theaters,
-en in de gevangenis, arme menschen! Ook op St. Ladislas. Wij hadden van
-den Ronden Toren een uitzicht over het omliggende land: in het Oosten
-niets dan water en water, als een zee. Het hart werd mij
-dichtgeschroefd in de borst.
-
-Wij gingen ook naar de Hoogeschool: de meeste professoren kende ik nog
-van twee jaren geleden, toen ik er studeerde.
-
-Een verschrikkelijk schouwspel was buiten de stad; o, mama, waren het
-honderden, waren het duizenden lijken, als in een Morgue naast elkander
-neêrgespreid op een weiland; een kort oogenblik vóor de ter
-aarde-bestelling, om de identiteit vast te stellen! Navrante tooneelen
-heb ik gezien; mijn hart werd er onder verscheurd; troepen van
-bloedverwanten, die zochten, of snikkend, hadden gevonden. Een
-verschrikkelijk weeë lucht vervulde de geheele atmosfeer. Ik voelde mij
-onwel worden, en zag ook zeer wit, ik had al mijn energie noodig om
-niet te willen flauw vallen, maar Herman stak zijn arm onder den mijne
-en steunde mij zooveel mogelijk zonder ostensatie, terwijl een paar
-doktoren uit de groep der geneesheeren, met wie ik sprak, me iets gaven
-om aan te ruiken. O, mama, het was een verschrikkelijk schouwspel, al
-die vale, misvormde, opgezwollen lijken op het groene gras en daarboven
-de hemel, die weêr diep blauw was geworden!
-
-In den gemeenteraad heb ik volgens Uw verlangen en dat van mijn Vader
-doen weten, dat U beiden ieder een personeele gift van een millioen
-florijnen aanbiedt en heb ik tevens de mijne aangeboden. De geheele
-wereld schijnt met ons meê te voelen; van alle oorden stroomt het geld
-toe, maar de schade schijnt een put, die niet te dempen is. Zooals u
-mij meldt, is de gift van onze Syrische vrienden waarlijk Oostersch
-vorstelijk.
-
-Wat heb ik U meer te vertellen? Ik weet het waarlijk niet; in mijn
-hersenen draait een cauchemar van akelige vizioenen rond en ik kan
-ternauwernood recht logisch doordenken. Maar ik beloof U, mijn lieve
-moeder, te doen wat ik kan, en dat naar mijn beste krachten, en wat ik
-U vraag is alleen éen enkel woord, dat mij zegt, dat U niet al te
-ontevreden is over Uw jongen.
-
-Zooals mijn Vader verlangt, blijf ik hier nog een week: het schijnt de
-bevolking, die ons zoo lief heeft, toch goed te doen ons te zien. Men
-was zeer opgetogen, dat er was aangezegd, dat U en Thera na mijn
-vertrek te Altara zouden komen. U zal met Uwe zachte hand nog zooveel
-kunnen doen, wat wij over het hoofd zagen. Wat hebben ze ons hier toch
-lief en waarom zijn wij maar niet altijd op St. Ladislas; al is de
-burcht somber, het is er helder van hunne sympathie.
-
-Maar laat mij U niet zoo poëtisch schrijven in deze dagen van nood,
-waarin wij practisch moeten zijn. Hermans gezelschap doet mij veel goed
-en ik kan meer doen als hij naast mij staat. Generaal Ducardi is als
-altijd een flinke, onvermoeide kerel. De anderen zijn allemaal zeer
-bereidvaardig en practisch geweest, en zoo ik het mag zeggen in
-eerbiedige tegenspraak van mijn Vader, ik geloof toch wel, dat het
-gemeentebestuur doet wat het kan. Een Engelsch ingenieur zeide wel, dat
-met betere voorzorgsmaatregelen en meerdere nauwkeurigheid van
-nakijken, de Therezia-dijk het misschien had uitgehouden: enfin, dat
-weet ik niet.
-
-Herman zal met mij meêgaan op mijn reis door de gouvernementen. Wij
-zullen naar Lycilië en Vaza gaan en zooveel mogelijk naar het
-platteland. Dat is er natuurlijk het ergste aan toe.—Ik krijg juist de
-telegrammen; de markies van Dazzara ontslagen, de hertog van
-Mena-Doni—ik hoû niet van dien man—gouverneur der rezidentie!
-
-Lipara in staat van beleg! Mijn Vader zal ons Huis van Adel dus weten
-te behouden, door die ontbinding van het Huis der Standen?
-
-Liefste moeder, Zijne Eminentie laat juist verzoeken mij zijne
-opwachting te komen maken. Ik wil hem niet laten wachten en eindig dus
-in der haast mijn epistel; met mijn beide armen om U heen, noem ik mij
-vol innigheid en eerbied,
-
-U, met héel zijn ziel, liefhebbende Zoon,
-
- Uw jongen,
-
- Othomar.
-
-
-
-
-
-
-
-
-TWEEDE HOOFDSTUK.
-
-
-I.
-
-Ook het gouvernement van Vaza, ten Noorden van het hooggebergte van
-Altara, de alpenketen der Giganten was ten deele geteisterd door den
-Zanthos. De hoofdstad, Vaza, was overstroomd. Tegen de hellingen der
-bergen aan was de provincie gespaard gebleven. Daar waren uitgebreide
-terrassen van wijngaarden, dan wouden van kastanjes en noteboomen en
-olijven. De schitterend blanke sneeuwlijn der bergtoppen golfde tegen
-eene, weêr blauwe, lucht aan, kartelde er hare kammen en beet als met
-happende lijnen het intens azuur brokken uit; scheen er een muil van
-schitterend witte ijstanden te wetten tegen het staalglanzend metaal
-van den luchtdom aan.
-
-Daar, twaalf mijlen van de stad, troonde op zijne rotsen het oude
-Castel Vaza, kasteel der hertogen van Yemena en graven van Vaza, parken
-en woud er om heen, half fort, half burcht, krachtig, eenvoudig,
-middeneeuws, ruw van lijnen, met zijne vier torens en rechte vlakken
-van tinnen, aan alle zijden den horizont om zich heen cirkelend en vèr
-houdend van zich af. Dicht bij eene warreling van dorpjes; in de verte
-de torens en spitsen, het dakengewoel van Vaza; nog verder, in den
-cirkel van panorama, die de torens wijd ommetrokken, de Zanthos, die,
-breed aanslingerend, zich stortte in zee, en Lycilië, wit in de zon met
-hare rechte vierkantjes van huizen, schitterend neêrgeplekt aan het
-blauw van het water; dan, eene tweede zee: de bergtoppen, die sneeuwig
-golfden in verschieten weg en nevelen van afstand. En, schitterend ook
-in de zon, die vreemde meren aan den Zanthos, als plakkaten metaal: het
-water, dat de volle rivier had uitgestort; de overstroomingen.
-
-Het vierkante slot, dat om een hof zijne vier vleugels trekt, heeft nog
-twee bijgebouwde vleugels van achteren, in nieuweren stijl van
-elegantere Renaissance, en uitziende op het park, waarin de vijvers
-liggen, als ovale bekkens van liquide zilver, gevat in smaragd van
-gazons. De damherten grazen er, bijna mijmerend en bevallig, langzaam
-omdwalend op fijne pooten; soms, in eens, gestrekt, de koppen
-achterover, de oogen wild, rennen zij, vele te zamen, een eind weg in
-vlucht voor onzichtbare verschrikking; andere, kalmer, grazen door,
-laconiek, filozofisch.
-
-De hertogen van Yemena en graven van Vaza zijn van een der oudste
-geslachten des rijks, en laten hun stamboom wortelen in eeuwen, vóór
-den eersten keizer van Liparië. De tegenwoordige hertog,
-opperhofmaarschalk en connétable van Liparië, heeft drie kinderen uit
-zijn eerste huwelijk; de erfgenaam van zijn titel, de jonge markies van
-Xardi, adjudant van den keizer, en twee dochters, jongere meisjes nog,
-in een klooster.
-
-De hertogin is in het kasteel alleen. Zij zit in een groot boudoir, dat
-met driekantige loggia uitgebouwd, ziet op het park, de vijvers, de
-herten. Een bries waait buiten en de vluchtige wolken, die elkaâr als
-vlokkige schimmen, doorzichtige sluiers aan flarden, najagen aan de
-ijlblauwe lucht, slepen hare schaduwen, als vluchtige somberheden, over
-het park heen, tinten het even met voorbijgaande donkerte, die ook de
-herten donker maakt, en ze dan weêr bruin laat glanzen in zon. Stil is
-het daarbuiten; stil in het kasteel. Afgelegen ligt er het slot; binnen
-hebben de bedienden een zacht geloop door zalen en gangen, een
-fluisterenden toon, in afwachting van het hooge bezoek.
-
-Het is na het lunch. De hertogin ligt half op een divan en tuurt naar
-de herten. Zij is nog niet gekleed en draagt een robe d’intérieur, los,
-met vele plooien; vieux rose broché, zalmkleurig peluche en antieke
-kant. Als zij alleen is, houdt zij van veel licht, in eene gezonde
-behoefte aan ruimte van atmosfeer; voor de hooge boogramen zijn de
-gordijnen weggetrokken en valt de schelte van den voorjaarshemel
-bedwelmend in. Maar het licht doet aan hare schoonheid geen goed, want
-al is het haar ook nog blauwig ravenzwart, heur teint heeft de matheid
-van verwelkende witte rozen; hare oogen, die mooi kunnen zijn, groot en
-als liquide donker, turen vol moêheid met een zweem van lichtgelen
-kring, en zeer duidelijk zijn zichtbaar de striempjes op zij, de
-groefjes, die etsen om den fijnen neus; de lijnen, die den mond
-verlengd hebben en trekken naar omlaag.
-
-De hertogin staat langzaam op; ze gaat door een deur, die tot hare
-slaap- en kleedkamers toegang geeft, en blijft eenige oogenblikken weg.
-Daarna komt ze terug; met beide handen, tegen zich aangedrukt, met
-moeite, draagt ze een zichtbaar zwaar kistje en zet het op de tafel
-voor den divan. Het kistje is van oud gedreven zilver met vergulde
-cizeleeringen en groote blauwe turkooizen, van dat kostbare
-Renaissance-werk, zooals men niet meer doet. Aan haren armband zoekt
-zij een klein, recht, gouden sleuteltje en ontsluit de kist. De
-juweelen schitteren: parelen, brillanten, saffieren, smaragden, en
-vangen op hunne facetten al het voorjaarslicht van den hemel op, blauw,
-wit, geel. Maar de hertogin drukt op een veer, ontsluit alzoo een
-onzichtbaar laadje en haalt er uit twee pakketten brieven, enkele
-portretten.
-
-De portretten vertoonen het zelfde gelaat; een niet zeer jongen man,
-een vreemd gezicht, half droomerig, en half sensueel, met veel mysterie
-en veel charme. De portretten vertoonen hem in de elaborate uniform van
-een officier der Garde van den Troon, in een ridderkostuum van een
-gekostumeerd bal, in een flanellen tennis-pak en in gewoon politiek.
-Langzaam gaan de oogen der hertogin van het eene naar het andere,
-vergelijkt ze de beeltenissen, een treurigen glimlach om haren mond,
-weemoed in hare oogen. Dan strikt ze de linten los om de brieven, neemt
-ze uit de, zorgvuldig bewaarde, enveloppen, vouwt ze open, en leest
-hier en daar, en herleest, en vouwt ze weêr dicht...
-
-Zij kent die zinnen van buiten, die haar nog vertellen van eene vreemde
-passie, de innigste, de waarste, de eenvoudigste en daarom misschien de
-vreemdste, die zij ooit gevoeld heeft, haar omvangen heeft in
-toovermazen van vuur. Zien hare oogen nu weêr naar de herten—de
-zonneschijn drijft als vloeiend goud over het park—tusschen haar en het
-stille landschap rijzen, doorzichtig, in teêr glanzende
-fantasmagorieën, de herinneringen op van het verleden, de tafereelen
-dier liefde en het is haar alsof vonken haar voor de oogen spelen, als
-dwarrelen er fonkelende arabesken, tintelingen van licht. Wat gebeurd
-is, doorleeft zij in enkele minuten; dan sluit zij de oogen, strijkt
-met de hand over het voorhoofd en bedenkt hoe treurig het is, dat het
-verleden niets is dan wat herinnering, die als asch stuift door onze
-ziel, en die wij soms verzamelen willen in een kostbare urn, te
-vergeefs. Hoe treurig het is, dat men niet kan blijven treuren, al wil
-men, omdat het leven niet wil. Niets dan die asch in hare ziel, en die
-brieven, portretten...
-
-Ze sluit ze weêr weg en kijkt naar de juweelen nu. En goed ziet ze in
-haar eigen hart, ziet ze zich geheel als ze is, want ze weet, dat ze
-eerlijk is geweest, altijd. Altijd voor hem en voor zichzelve. Eerlijk,
-toen hunne liefde brak als een glazen regenboog van tintelkleuren aan
-een uitspansel van wijdte, en zij niet meer wilde zien en wilde zijn en
-zich terugtrok van het hof op dit slot en de mare liet gaan, dat eene
-slepende ziekte haar kwijnen liet, en zij treurde, en treurde, eerst
-snikkend en wringend de handen, toen kalmer van wanhoop, toen... De
-herten hadden daar altijd doorgegraasd, als bleven zij altijd de
-zelfde. Maar zij...
-
-Eerlijk was ze geweest, altijd. In haar wanhoop, en ook in wat volgde.
-In de verflauwing dier wanhoop. Toen was ze het treurigst geweest,
-omdat wanhoop verflauwen kòn. Toen treurig, omdat ze nog leefde en
-voelde vitaliteit in zich. Toen... omdat ze zich begon te vervelen. Om
-dat alles had groote wanhoop, als met morbide bloesems van vreemde
-orchideeën, hare vreemde ziel doorwoekerd. Zij haatte, verachtte,
-vervloekte zichzelve. Maar in haar werd het niet anders. Ze verveelde
-zich.
-
-Eenzaam leefde zij op het slot. Haar man en haar stiefzoon waren te
-Lipara; hare stiefdochters, van wie ze veel hield, voltooiden hare
-opvoeding in een klooster, waar eene keizerlijke prinses, zuster des
-keizers, abdis was.
-
-Ze was alleen, ze zag nooit iemand. En ze verveelde zich. In haar
-ontwaakte weêr het leven, dat slechts gesluimerd had, en dat zij had
-doodgewaand, had willen begraven in een sepulker, waarom hare
-herinneringen als standbeelden zouden staan. In zich voelde ze zich,
-die ze altijd, trots hoeveel liefde ook, geweest was: vrouw van de
-wereld, hakende naar dien glans der omgeving van keizerlijkheid, die
-splendeur van het hof, die noodlottig weêr aantrekt en onmisbaar is,
-wie ze van geboorte, als hunne levensatmosfeer, hebben ingeademd. En de
-oogenblikken, dat zij niet dacht aan hare wanhoop, dacht zij aan het
-Imperiaal, zag zij er zich, schitterend in hare rijpe schoonheid,
-gevierd en aanbeden als zij altijd geweest was.
-
-Toen liet ze haren stiefzoon, den markies van Xardi, de mare doen
-verspreiden, dat zij herstellende was. Een maand later, in het midden
-van het winterseizoen, nà een groot hoffeest, maar vóór een intime
-réunie in de eigen salons der keizerin, vroeg zij audiëntie aan bij
-Elizabeth.
-
-Zoo zag ze zich in ware, klare waarheid en diep treurig in haar arme
-ziel van liefdeverlangen en wereldverlangen en menschelijkheid was ze,
-dat zoo wreed het leven voort wilde gaan, als in een dollen triomftocht
-van zichzelve, verpletterend onder zijne raderen hare herinneringen,
-klaterend van schettermuziek door haren weemoed heen, doende haar
-voelen de weinigheid van den mensch, het minime van zijn gevoel, de
-kleinheid van zijne ziel, die toch nog het eenige aan hem is...
-
-De hertogin heeft de dubbel kostbare kist weêr weggesloten. Ze vergeet
-wat om haar heen is, wat haar wacht; ze tuurt, droomt, en leeft weêr in
-het verleden met dat genot, dat men in verleden krijgt, als men jeugd
-verliest.
-
-Er wordt geklopt op de deur, een lakei verschijnt en buigt:
-
-—Excellentie, de kok vraagt u dringend zelf te spreken.
-
-—De kok...?
-
-Ze heft haar mooi gezicht op, droomend, half lachend, als met een
-profiel van Cleopatra, zoo Egyptisch fijn en recht, richt zich op den
-divan wat hooger, en leunt op hare hand.
-
-—Laat hem binnen...
-
-Alles komt tot haar terug, de werkelijkheid, de dag van heden, en ze
-glimlacht er om en haalt de schouders op; zoo is het leven.
-
-De lakei gaat, de kok komt binnen in zijn wit schort en witte baret;
-hij is zenuwachtig en nu zijne meesteres al de wenkbrauwen fronst om
-zijn oneerbiedig kostuum, begint hij te stamelen:
-
-—Vergeef me, Excellentie; en hij wijst, ongelukkig van gezicht, naar
-zijn voorschoot, zijne witte mouwen...
-
-En hij klaagt, dat de opperjager niet gezorgd heeft voor genoeg
-ortolanen. Hij kan zijn pastei niet maken; hij durft het niet op zich
-nemen, Excellentie.
-
-Ze ziet hem aan met hare raadselachtige oogen; ze heeft grooten lust in
-lachen uit te barsten om zijn kluchtig gezicht, zijn wanhopig gebaar
-van wijde armen, te lachen en te huilen ook, ook woest en luid.
-
-—Wat moeten we doen, Excellentie, wat moeten we doen?! De stad is te
-ver; daar kan niet heengezonden worden vóór etenstijd en trouwens, daar
-hebben ze ook nooit iets. Het is ook eigenlijk de schuld van den
-hofmeester, Excellentie; de hofmeester had hare Excellentie moeten
-waarschuwen...
-
-—Er zijn leeuwerikken, zegt ze.
-
-Die moeten morgen naar Lipara gezonden worden, Excellentie; naar zijne
-Excellentie, den hertog!
-
-De hertogin haalt de schouders op, een beetje lachend.
-
-—Het kan niet anders, mijn beste. Zijne Keizerlijke Hoogheid, de Hertog
-van Xara, gaat vóór zijne Excellentie, niet waar? Maak een chaufroid
-van leeuwerikken.
-
-—Ja, dat is ook zijn idee geweest, maar hij zelve had het niet durven
-opperen. Ja, dat is zeker goed, uitstekend, Excellentie.
-
-Zij lacht nog even en knikt daarna, dat hij kan gaan. De kok, zichtbaar
-verlicht, buigt en verdwijnt. Zij staat op, ziet zich lang-uit voor
-zich staan in een spiegel in haar lui verkreukt geplooi van roos- en
-zalmkleur en oude kant, rekt de armen lang uit met een in-moê gebaar,
-en belt hare kamenier, waarna ze hare kleedkamer ingaat. Wil ze nog
-lachen? Of nog huilen? Ze weet het niet, maar ze weet wel, dat ze zich
-kleeden moet... Wat er met of om een mensch gebeurt, liefde of pastei
-van ortolanen, kleeden moet hij zich, kleeden, eten en slapen, en
-daarna weêr het zelfde, kleeden... en eten... en slapen...
-
-
-
-
-
-II.
-
-Drie rijtuigen, à la Daumont, voeren Othomar, Herman en de anderen
-langs den breeden, slingerenden, op- en afgaanden weg naar Castel Vaza.
-Het is vijf uur, ’s namiddags, nog zacht zonnig, maar niet warm meer;
-er waait een frissche bries. Het landschap is wijd en grootsch; de
-bergen wisselen bij het verschieten van den weg hunne golvende
-sneeuwlijnen van panorama. De streek is bloeiend mooi; de dorpjes, die
-zij doorgaan, zijn welvarend—bezittingen van den hertog—; tusschen Vaza
-en het kasteel is het land gespaard van water; de uitstortingen van den
-Zanthos drenken meer het Oosten. Het is moeilijk hier onafgebroken door
-te blijven denken aan die ontzettende ramp van water, en aan den
-toestand van Lipara, daar ginds in staat van beleg door den keizer
-verklaard, het is hier zoo mooi, zoo vol leven van voorjaar, en het
-zinken van de zon na een mooien zomerdag is er zonder weemoed. De
-kastanjes wuiven hunne frischgroene waaiers en de lucht is nog als
-parelmoêr, al zeeft er ook al asch van schemering over heen. Een
-vroolijk gesprek gaat om tusschen de prinsen, Ducardi en Von Fest, die
-in het eerste rijtuig zitten; zij praten opgewonden, lachen, en zijn er
-vroolijk om, dat de dorpelingen, nu ja, hen soms wel groeten als visite
-voor het kasteel, met een tik aan een pet of een goedigen knik, maar
-niet weten wie ze zijn. Prins Herman knikt een mooie jonge boerenmeid
-toe, die met open mond na blijft kijken, en herinnert zich de heerlijke
-jacht op grof wild, verleden jaar, toen hij met den keizer en Othomar
-de gast was geweest van den hertog. De hertogin hadden zij toen niet
-gezien; ze was lijdende... Generaal Ducardi vertelt anecdoten uit den
-oorlog van vijftien jaar geleden.
-
-En zij hebben allen eenige moeite hunne gezichten in de officieele
-plooi te zetten als zij door de oude, geblazoeneerde poort over de
-neêrgelaten ophaalbrug de minutenlange inrijlaan oprijden, en door den
-hoofdintendant worden ontvangen, in den binnenhof van het kasteel. Dit
-wil de etiquette. De hertogin mag zich niet vertoonen, voor de
-hoofdintendant, te midden van het geheele personeel des hertogen, den
-Hertog van Xara welkom heet uit naam zijns afwezigen meesters en den
-kroonprins een draadbericht aanbied uit Lipara, dat de hofmeester op
-een zilveren schaal reikt. Dit telegram is van den hertog van Yemena,
-het meldt, dat zijn dienst en die van zijn zoon, den markies van Xardi,
-bij zijne Majesteit den keizer, des Hertogen van Xara Allergenadigsten
-Vader, hen weêrhouden hun geliefden kroonprins in hun kasteel te
-ontvangen, maar dat zij Zijne Keizerlijke Hoogheid verzoeken, dit huis
-als het Hare te beschouwen. De prins leest het telegram en reikt het
-aan den ordonnans-officier, graaf van Thesbia, over. Daarna gaat hij,
-door den intendant geleid, de trappen op, de vestibule in.
-
-In weêrwil van den dag daarbuiten nog, is de vestibule hel verlicht, en
-lijkt een woud vol palmen en breedbladige sierplanten. De hertogin
-treedt den kroonprins te gemoet, en breekt hare gratie in een diepe
-buiging neêr. Zoo heeft hij haar reeds zien buigen. Maar schooner
-misschien nog is zij in dit effen toilet van zwart fluweel en
-Venetiaansche kant, haren prachtigen boezem, wit met het grein van
-Carrarisch, laag ontbloot, hare sculpturale armen bloot, een zwaren
-sleep achter zich, als een golf van inkt; een klein hertogelijk
-kroontje van brillant en smaragd in het haar, dat zwart ook is met
-goudblauwigen ravengloed.
-
-Zij heet de prinsen welkom; Othomar buigt haar den arm toe; prins
-Herman, de adjudanten volgen hen de kolossale trap op, door de haie der
-lakeien heen, die onbewegelijk staan, met strakke oogen, die niet
-schijnen te zien. Dan door een ris van verlichte zalen en galerijen
-naar een grooten ontvangsalon, schitterend van het licht der kostbare
-rotskristallen kroon, waar het kaarslicht in regenboogt, en breed
-neêrglanst en watert op het marmermozaïek van den vloer, en langs de
-ornamentale spiegels in lijsten van zwaar Louis-XV-gekrul, schilderijen
-van meesters der Renaissance aan den wand.
-
-Een oogenblik daar een staande receptie, een kleine cour; in hunne
-schitterendste uniformen—want van Vaza was het een heerlijke, al dan
-ook lange rijtoer, en de heeren hebben tijd gehad zich in de stad in
-groot uniform te steken—komen de adjudanten en ordonnansofficieren, de
-een na den ander, der hertogin de hand kussen; zij kent ze, behalve de
-Gothlandsche officieren, allen, bijna allen intiem; ieder weet ze een
-bijna gemeenzaam woord te zeggen, terwijl het goud van hare stem
-tusschen hare lachende lippen smelt en hare groote Egyptische oogen
-vreemd droomend kijken. Zoo blijft zij een oogenblik alleraanminnigste
-gastvrouw, tusschen de beide prinsen, zij vrouw alleen te midden dier
-officieren, die hen omringen, tusschen een kort snel vuurwerk van
-compliment en geestigheid, dat tintelt tusschen hen om. Dan verschijnt
-de hofmeester, terwijl de deuren openschuiven en de tafel hel
-glinsterend zichtbaar wordt, en hij buigt voor zijne meesteres, ten
-teeken, dat zij gediend is. De hertogin neemt den arm van den
-kroonprins; de heeren volgen.
-
-Het is aan tafel zeer vroolijk. Men is in een intiemen kring; menschen,
-die gewoon zijn elkaâr iederen dag te zien; de hertogin zorgt voor een
-gemakkelijken toon, een lichte familiariteit, die zich om den
-kroonprins inhoudt, maar aanzweemt de, eenigszins sportachtige, ruwheid
-en ongegeneerdheid in woord en in gebaar, die de modetoon is aan het
-hof. De Gothlandsche officieren zijn hier blijkbaar niet mede
-vertrouwd; Von Fest, een reus van een vent, kijkt rechts en links, en
-glimlacht. De hertogin heeft dien chic van onverschilligheid anders
-zeer sterk, maar tempert zich nu, al zit ze ook wel eens met hare beide
-mooie ellebogen op tafel. De kroonprins heeft weêr dat onzegbare van
-strakheid, dat iets om hem bevriezen doet; de natuurlijkheid, die hij
-te Altara had, heeft opnieuw plaats gemaakt voor iets bijna gedwongens
-en tevens hoogs; zijn glimlach tegen de hertogin is gemaakt, en de
-schoone gastvrouw vindt haren hoogen gast, in stilten haars harten: een
-onuitstaanbaren jongen!
-
-Misschien is Othomar zoo door de gesprekken, die alle weven om de
-hertogin heen als middenpunt en de kleinere nieuwtjes van het Imperiaal
-behandelen; van de overstroomingen is hier nauwlijks sprake, nauwlijks
-ook van den staat van beleg der rezidentie; slechts een enkel woord nu
-en dan herinnert er aan. Maar voor het meerendeel schijnt men dat alles
-te vergeten, hier in dit heerlijk interieur, aan dit uitstekende diner,
-onder het parelen van dien zacht gouden Lyciliër, uit den eigen
-hertogelijken wijngaard. Deze Lyciliër is beroemd, en men roemt ze dan
-ook; de kroonprins zelve klinkt de hertogin er meê toe met een paar
-hoffelijke woorden, die hij zelve heel gewoon geuit heeft, maar die men
-een allergeestigst compliment schijnt te vinden, want ze lachen allen
-vleierig goedkeurend, terwijl ze hem in verstandhouding van begrijpen
-aanzien, en de hertogin zelve vindt hem niet zoo onuitstaanbaar meer,
-maar straalt hem met haren vollen glanslach toe. Wat heeft hij dan toch
-gezegd? Verbaasd is hij over zichzelven en over hun gelach. Hij meende
-niets dan een banaliteit, en...
-
-Maar hij herinnert zich: het is altijd zoo en hij begrijpt het nu. En
-hij vindt ze flauw en wendt zich tot Ducardi en Von Fest; hij forceert
-het gesprek en spreekt in eens druk over den toestand der stad Vaza,
-die ook veel te lijden heeft gehad. Dan over Altara. Hij doet der
-hertogin een lang verhaal van het doorbreken van den Therezia-dijk. De
-hertogin vindt hem een vreemden jongen; even meent ze, dat hij
-coquetteert; daarna besluit ze, dat hij om de eene of andere reden wat
-zenuwachtig is: dan vindt ze, dat hij mooie, zachte oogen heeft, zoo
-kijkend onder-op door zijne wimpers, en dat hij aardig vertelt. Ze
-wendt zich heelemaal tot hem, vergeet de officieren om haar heen,
-vraagt, en, met de ellebogen op de tafel, een kelk Lyciliër in de hand,
-luistert ze aandachtig, hangt aan de jong-keizerlijke lippen en voelt
-eene emotie. Die emotie is, omdat hij zoo jong, en hoog is, en zulke
-oogen heeft en zoo eene stem. Zij vindt zijne handen sympathiek, in
-dien breed-fijnen vorm, als van een oude kracht van ras, dat zich
-enerveert; ze let op, dat hij nu en dan naar zijn ring kijkt. En,
-ernstig geworden, praat ze van de vreeselijke tijden, al die duizende
-arme menschen, zonder dak, zonder iets... Het is echter het tweede
-oogenblik, dat zij aan die duizenden denkt; het eerste, was dat half
-uurtje, toen de aalmoezenier van den hertog haar om geld vroeg, en hoe
-zij het wilde besteed hebben... Zij herinnert zich, dat tijdens dit
-gesprek met den aalmoezenier, eene coupeuze van Worth haar wachtte voor
-hetzelfde toilet, dat ze nu draagt, en ze vindt de toevalligheden van
-het leven toch zéer interessant. Ze weet, door haar zelf-inzicht, dat
-deze filozofie is als schuim van champagne, en glimlacht er ook zelve
-om. Dan luistert ze weêr aandachtig naar Othomar, die nog van de
-nachtwake verhaalt in de kerk van St. Therezia. De officieren zijn stil
-geworden en luisteren ook. Zijne Keizerlijke Hoogheid heeft zichzelven
-middenpunt van gesprek gemaakt en de hertogin onttroond. Ze heeft dit
-ook opgemerkt, vindt hem er vreemd maar aardig om, weet vooral niet wat
-ze aan hem heeft, en is geboeid.
-
-
-
-
-
-III.
-
-Na het diner een gezellige reunie in een paar kleine salons; in een
-ervan staat een biljart en de hertogin zelve, gracieuzelijk hare keu
-richtend en ze houdend tusschen hare bejuweelde vingers, speelt er een
-partij met prins Herman, Leoni en den jongen Thesbia. Soms hangt zij,
-al mikkend, over de groene tafel heen, met eene onbegrijpelijke
-lenigheid in hare zware vormen, en hare mooie Carrarische borst glooit
-door heure snelle bewegingen op en neêr in de Venetiaansche kant en het
-zwarte fluweel. In den anderen salon zijn Othomar en generaal Ducardi
-en de Gothlandsche adjudanten aandachtig bezig op een nauwkeurig
-gedetailleerde militaire kaart, onder een lamp van gedrapeerde kant, de
-route te bestudeeren, die zij morgen te paard zullen afleggen naar de
-overstroomde dorpen. De hofmeester en een lakei gaan rond met koffie en
-likeur.
-
-Na de partij biljart komt de hertogin met hare heeren vroolijk lachende
-in den anderen salon. De prins en zijne officieren zien beleefd
-glimlachend op van hunne kaart, maar zij, betooverend:
-
-—O, laat mij U niet storen, Hoogheid...
-
-Zij heeft den arm van Dutri genomen voor een kleine wandeling op het
-terras buiten. De deuren staan open, het weêr is heerlijk: een beetje
-koel. De hofmeester slaat haar een bonten mantel om den blooten hals.
-Op het lange terras, buiten, gaat zij met Dutri op en neêr, op en neêr,
-telkens voorbij de open deuren: telkens dan ook slaat zij een blik naar
-de groep onder de lamp: gebogen hoofden en vingers, die met een potlood
-wijzen. Haar stap is luchtig aan den arm van den eleganten adjudant;
-hare sleep golft haar vroolijk achterna. Druk praat ze, vraagt ze
-Dutri:
-
-—Hoe bevalt je de tournée?
-
-—Aller-insipide! Niets of niemand was amuzant, dan de secretaris van
-den Primaat!... Die Gothlanders zijn vervelend en zoo vreeselijk weinig
-cosmopolitisch! En het is vermoeiend ook, altijd dat sjouwen! Zie je,
-ik beschouw het als oorlog en zoo maak ik het door; als ik het
-beschouwen ging als vredestijd, kwam ik er nooit door heen! De
-ontvangst is gelukkig overal nog al hebbelijk. O, de kroonprins maakt
-zich bepaald populair...
-
-—Een aardige jongen... valt ze hem in de rede. Ik had hem in langen
-tijd niet gezien; hij studeerde toen te Altara en daarna herinner ik me
-hem maar een paar maal in het Imperiaal gezien te hebben, in eens van
-kind opgeschoten als een asperge, en heelemaal nog een jongen. Ik
-herinner me nog: hij kreeg een kleur, toen ik voor hem boog. Toen
-verleden, bij Myxila...
-
-Dutri is zeer familiaar met de hertogin; hij noemt haar bij den
-voornaam, flirt altijd een beetje met haar voor amuzement en
-aanstellerij, zonder verdere gunsten; zij kennen elkaâr te goed, te
-lang, zijn te veel in elkaârs confidentie, en zij beschouwt hem meer
-als een cavalier-servant, voor kleinere diensten en hofintriguetjes,
-dan als iemand, voor wien het ooit mogelijk zoû zijn, dat ze eene
-“emotie” zoû kunnen voelen.
-
-—Ma chère Alexa, pas op...! spreekt hij en dreigt met den vinger.
-
-—Waarvoor? vraagt ze terug, tartend.
-
-—Alsof ik het niet zie...
-
-Ze lacht luid.
-
-—Zie wat je wilt! roept ze onverschillig uit, met hare stem van ruw
-sans-gêne, die in de mode is. Neen, beste Dutri, mij hoef je niet te
-waarschuwen, hoor! God, lieve jongen, ik heb twee meisjes, die ik over
-een jaar lanceeren moet. Over twee jaar ben ik misschien grootmama. Ik
-doe er niet meer aan, hoor! Ik begrijp niet, dat er van die malle
-vrouwen zijn die altijd zoo iets moeten hebben. En dan, het maakt zoo
-gauw oud...
-
-Dutri schatert het uit; hij kan zich niet inhouden en stikt van het
-lachen...
-
-—Waarom lach je zoo? vraagt ze.
-
-Hij ziet haar aan; schudt zijn hoofd, als weet hij wel.
-
-—Tegenover mij hoef je heusch zoo niet verstoppertje te spelen, Alexa.
-Ik weet zoo goed als jij... dat jijzelf een van die malle vrouwen
-bent...!
-
-Hij schatert weêr en zij nu ook.
-
-—Ik?
-
-—Ach kom! Je hebt er evenveel behoefte aan als aan eten en slapen op
-zijn tijd. Je zoû al lang dood zijn, als je niet bij geregelde
-tusschenpoozen, chronisch, je “geëmotioneerd” hadt. En dat oud worden,
-je weet heel goed, dat je dat miserabel vindt!
-
-—Ach neen. Ik doe wat ik kan om jong te blijven, omdat je dat aan
-jezelve verplicht bent. Maar vechten er tegen doe ik niet. En je zal
-zien hoe netjes ik later mijn oude jaren draag...
-
-—Zoo als je alles draagt.
-
-—Merci. Zie je, als ik grijs begin te worden, gooi ik iets over mijn
-haar, dat me heelemaal grijs maakt, en poeier ik me, begrijp je. Voilà
-tout!
-
-—Een goed idee...
-
-—Dutri...
-
-Hij zag haar aan, merkte, dat ze hem iets vragen wilde. Zij gingen een
-oogenblik zwijgend voort, in den donker; bij hunne, telkens herhaalde,
-wandeling gingen zij, telkens tweemaal door het licht heen, dat in twee
-breede plekken door de deuren op het terras viel. Het park was vol
-zwarte schaduw en vaag wit schemerden de groote vazen op het terras;
-boven stond de lucht vol sterren.
-
-—Wat woû je me vragen? vroeg de adjudant.
-
-Zij wachtte, tot zij door het licht heen waren en weêr in het donker
-liepen.
-
-—Hoor je nog wel eens wat van hem?
-
-—Verleden had Thesbia een brief van hem uit Parijs. Niet veel nieuws.
-Hij verveelt er zich, geloof ik, en maakt zijn geld op. Het domste wat
-je doen kan: je geld opmaken in Parijs! Ik vind Parijs een afgesleten
-boel. Trouwens, hoe kan dat anders. Een republiek is een onding. Iets
-primitiefs en onbeschaafds. Vóór de monarchieën waren er republieken:
-het Paradijs met Adam en Eva was een republiek van dieren en beesten:
-Adam was prezident...
-
-—Wees niet idioot. Wat schreef hij?
-
-—Niet veel bizonders. Toch een dolle streek van hem zijn ontslag te
-vragen als kapitein van de Garde. Hoe kwam hij er op? Zeg, wat is er
-tusschen jullie gebeurd?
-
-Zij liepen weêr door het licht, ze zweeg even; toen, in het
-donker:—Niets, antwoordde ze en hare stem had niet meer dien aangenomen
-chic van brutaliteit en sans-gêne, maar versmolt in een klaagtoon van
-melancholie.
-
-—Niets? antwoordde Dutri. En waarom dan...
-
-—Ik weet het niet. We hadden veel met elkaâr gesproken, en zoo
-langzamerhand begonnen we te voelen, dat we elkaâr niet meer gelukkig
-konden maken. Nu weet ik het niet meer waarom, heusch niet.
-
-—Psychologie dus. Dat komt van al dat gevoel. Jullie zijn beiden heel
-dwaas. Aan psychologie te doen, als je verliefd bent is heel
-onvoorzichtig, omdat je dan psychologizeert op je eigen en je liefde in
-stukjes snijdt, als een taart, waarvan je bang bent niet genoeg te
-kunnen eten. Oefen psychologie uit op een ander, dat is aardig, zooals
-ik doe op jou, Alexa.
-
-—Kom praat geen dwaasheid, Dutri. Weet je anders niets van hem af?
-
-—Niets anders, dan dat hij zich onmogelijk heeft gemaakt voor onze
-sociëteit. En dat misschien wel door jouw schuld, Alexa, en door je
-psychologie.
-
-Zij liep zwijgend aan zijn arm door; haar mond trilde, hare Egyptische
-oogen werden vochtig.
-
-—O... zeide zij, en ze hield den adjudant in eens staande, klemde zijn
-arm, zag hem vol met hare natte oogen aan:
-
-—Ik hield van hem, ik hield van hem, als ik nooit van iemand heb
-gehouden! Ik... ik hoû nog van hem! Als hij me één woord schreef, zoû
-ik vergeten wie ik ben, mijn man, mijn pozitie, zou ik naar hem toe
-gaan, naar hem toe gaan... O, Dutri, weet je wat het is, in ons factice
-leven, waarin alle dingen zoo valsch om je heen zijn, als, als...
-heusch van iemand gehoúden te hebben? En dat gevoel als loutere
-waarheid in je hart te weten? O, zie je, ik aanbid hem, ik aanbid hem
-nog, en één woord van hem, één woord...
-
-—Gelukkig dat hij verstandiger is dan jij, Alexa, en dat woord nooit
-zeggen zal. Daarbij heeft hij geen geld: wat zoû je met hem moeten
-beginnen? Samen op de planken gaan? Wat een vulkaan ben je toch, Alexa,
-wat een vulkaan!
-
-Hij schudde afkeurend met zijn fatterigen krullekop, schikte even de
-zware kwasten van zijn uniform. Zij nam zijne hand, ernstig nog, nog
-niet hervallen in hun toon van blague:
-
-—Dutri, als je van hem hoort, beloof je me dan iets te zeggen? Ik heb
-soms hònger naar nieuws van hem...
-
-Zij zag hem aan met zulk een intens hevig verlangen, met zulken honger,
-dat hij ervan ontstelde. Hij zag haar vrouw, die alles doen zoû, om een
-passie. Toen glimlachte hij, blagueerend als altijd:
-
-—Gekke wezens zijn jullie toch allemaal! Nu goed, ik beloof het je.
-Maar laten we nu naar binnen gaan, want de geografische studiën
-schijnen afgeloopen en ik smacht naar een kop thee...
-
-Zij gingen naar binnen; bezig aan hare theetafel, gracelijk de vingers
-latende gaan over de antieke Chineesche kopjes, vroeg zij den
-kroonprins dadelijk den weg, die Zijne Hoogheid nemen zoû, zeer begaan
-met de overstroomde dorpen, de arme boeren... het in alles geheel en al
-eens met den hertog van Xara, zich badende in de sympathie, die zij
-opving uit zijne lieve, zwarte, melancholieke oogen,—oogen, om er alle
-melancholie van weg te zoenen! zich badende in zijn jeugdigen glans van
-keizerlijkheid...
-
-Dutri hielp haar suiker in de kopjes doen. Hij zag haar belangstellend
-aan; hij kende haar nog al goed, zij was hem weinig raadsel meer; toch
-amuzeerde ze hem altijd en was ze nooit-uitbestudeerd, meende hij.
-
-
-
-
-
-IV.
-
-Het was een der historische vertrekken van Castel Vaza: een antieke,
-sombere zaal, waar de keizers van Liparië, zoo ze gast der hertogen van
-Yemena waren geweest, steeds geslapen hadden op een oud verguld
-paradebed, vijf treden hoog, waarboven, uit een, door cherubs getorste,
-keizerskroon, de zware gordijnen van donker blauw brokaat en fluweel
-neêrhingen. Er hingen al de portretten der keizers en keizerinnen, die
-daar gerust hadden: de hertogen van Yemena waren steeds zeer door hunne
-vorsten geliefd, en de trots der hertogelijke familie was, dat ieder
-Liparisch keizer minstens één nacht hun gast geweest was. Aan ieder
-meubel, ieder ornament aan het vergulde bekken en de vergulde
-lampetkan, aan alles waren historische souvenirs verbonden en de
-legenden van zijn Huis kwamen, een voor een, bij Othomar op, toen hij
-zich uitstrekte.
-
-Hij was zeer moê en had toch geen slaap. In zijne gewrichten voelde hij
-een looden stijfte, als een koû, die hij zoû gevat hebben, en door zijn
-geheele lichaam ging eene voortdurende trilling, eene geheimzinnige
-siddering van zenuwen, als was hij een gespannen snaar, die men
-aanroert. De acht dagen te Altara, de volgende vijf dagen te Vaza, de
-tochten in de omstreken hadden hem zeer afgemat. Over dag vond hij geen
-oogenblik tijd aan die vermoeidheid toe te geven, maar des avonds,
-uitgestrekt ter ruste, brak ze hem neêr, zonder dat een gezonde slaap
-volgde.
-
-Hij was gewend aan zijn klein veldbed, waarop hij sliep in zijn strenge
-slaapkamer van het Imperiaal, bed, waarop hij van kind af geslapen had.
-De paradebedden, in het Episcopaal, te Vaza, en hier deden hem zich
-vreemd, neêrgegooid en ongemakkelijk voelen. Zijne oogen bleven ook nu
-open en volgden de plooien der hooge gordijnen, doorzochten de
-schaduwen, die het flauwe licht eener zilveren lamp in de hoeken terug
-deed kruipen. Zwaar begon het in zijne ooren te suizen.
-
-En zonderling vond hij het daar te liggen op dat bed, waar al zijne
-voorouders ook eens gelegen hadden. Ze tuurden hem allen aan van de
-acht vakken der wanden. Wat was hij? Atoom van leven, stofje van
-vorstelijkheid, uit hen allen geboren; een der laatste schakels uit
-hunne lange ketting, die door de eeuwen terugslingerde en leidde tot
-dien geheimzinnigen, mystieken oorsprong, half heilig, legendarisch,
-tot St. Ladislas zelven... Zoû er na hem ook dàt komen: eene tweede
-ketting, die zich voort zoû slingeren in de toekomst? Of... En waartoe
-telkens de terugkomende, eindeloos eeuwige wedergeboorte van het leven?
-Wat zoû het einde zijn, het groote Einde...?
-
-In eens kwam, als een vizioen, tot hem-terug de nacht op het
-Therezia-plein, het donderend schot van het fort, driemaal herhaald, en
-het krachtig aanruischen van eene naderende zwartte, die als eene zee
-was. Suiste het maar in zijne ooren, of... of ruischte het waarlijk
-weêr aan? Ruischte, op zijn vraag naar het einde, het groote Einde, de
-zwarte toekomst aan met dat zelfde geluid van dreigend water, dat door
-niets te weêrhouden zoû zijn? Dijken drong het door; alles wat tot
-bescherming werd opgeworpen, sleepte het meê, onverbiddelijk, met zijn
-zwarte frons van ernstig noodlot, en de sombere plooien van zijne
-overstrooming, die als een voortgesleept lijkkleed was over alles wat
-eindigen moet, trok het voort, tot waar zij waren, de zijnen, op hun
-hoog standpunt van Majesteit bij de gratie Gods en van St. Ladislas;
-zijn vader, op hun eeuwenouden troon, gekroond en gescepterd en den
-appel van het rijk in de keizerlijke palm, en het scheen niet te weten,
-dat ze goddelijk waren en heilig onschendbaar; het scheen om niets te
-geven in zijne ruwe, sombere, onverschillige, aan niets geloovende,
-aanruischende profanatie, want over hen heen slierde het, in eens,
-woest, zijne zwarte golven, slierde hen meê, zijn vader, zijne moeder,
-hen allen, en zij waren geweest, de keizerlijken, werden legende in het
-gloren van den nieuwen dag, die over de zwarte zee rees...
-
-Zijne voorouders zagen hem aan, en ze schenen hem schimmen toe,
-legenden ook, onwaarheid, waarvan de traditie niet meer beschermen zoû.
-Ze schenen hem spoken, vijanden... Ronder opende hij zijne brandende
-oogen op hunne stijve, gesleepmantelde of geharnaste figuren, die van
-de acht vakken der wanden naar hem toe schenen aan te stappen, om hem
-in hun midden te stikken, neêr te drukken in een engen kring van
-nachtmerrie op zijne hijgende borst, met ijzeren knieën de lucht uit
-zijne longen persend, met ijzeren handen vermorselend zijn hoofd,
-waaruit het zweet tappelings liep langs de slapen.
-
-Toen voelde hij zich bang, als een klein kind, dat verteld is geworden
-van akelige dingen. Bang voor die spoken van keizers, bang voor de
-flitsen van vizioenen, die tafereelen der overstrooming weêr voor hem
-deden bliksemen—het weiland met de lijken; de ponteniers, die de vrouw
-opvischten. De lijken begonnen in eens te leven, te schateren met
-spleten van monden en holle oogen, als hadden zij hem voor den gek
-gehouden, als waren er geene overstroomingen geweest en de
-kamerschemering der slaapzaal, die vol was van de keizers, drukte op
-hem neêr als met atmosfeeren stikstof.
-
-—Andro! Andro! riep hij, gesmoord in zijne keel en toen, als in
-doodsangst:
-
-—Andro!! Andro...
-
-De deur aan het eind der kamer werd opengerukt; de kamerdienaar kwam
-binnen, ontsteld, in zijne nachtkleêren. Zijne reëele verschijning
-verbrak den toover van den nacht en immobilizeerde de spoken weêr tot
-portretten.
-
-—Hoogheid...!!
-
-—Andro, kom hier...
-
-—Hoogheid, wat is er...? Wat heeft U me doen schrikken, Hoogheid! Wat
-heeft U... Ik dacht...
-
-—Wat, Andro?
-
-—Niets, Hoogheid, Uw stem klonk zoo verschrikkelijk heesch! wat heeft U
-toch...
-
-—Ik weet het niet, Andro; ik ben ziek, geloof ik; ik kan niet slapen...
-
-De man wischte met een zakdoek Othomars klam voorhoofd af.
-
-—Wil U iets hebben, Hoogheid? Wil U water...?
-
-—Neen, dank je, dank je... Andro, kun je hier komen slapen?
-
-—Als U het wil, Hoogheid...
-
-—Ja, hier, onder aan mijn bed. Ik geloof, dat ik nog al ziek ben,
-Andro... Haal je kussen hier.
-
-De man zag hem aan. Hij was niet veel ouder dan zijn prins. Hij had hem
-van kind af aan bediend en aanbad hem met eene aanbidding van lagere
-voor majesteit; hij voelde zich geheel en al aan hem gebonden,
-verknocht; hij wist, dat de prins niet sterk was, maar ook, dat hij
-nooit klaagde...
-
-Boos, in eens, draaide hij zich om, om naar zijn kamer te gaan en zijn
-kussen te halen.
-
-—Natuurlijk, als ze U ook zoo afbeulen! riep hij met eene woede, die
-hij niet meer kon inhouden. Generaal Ducardi denkt zeker, dat U ook in
-zoo een robbenhuid steekt als hij!
-
-In zijn snor mopperend, kwam hij terug, met het kussen, legde het neêr
-op de trede van het praalbed.
-
-—Heeft U koorts? vroeg hij.
-
-—Neen... ja, misschien; een beetje. Het zal wel overgaan, Andro. Ik...
-ik ben...
-
-Hij dorst het niet zeggen.
-
-—Ik ben wat onrustig, ging hij door, en angstig gingen zijne oogen door
-de kamer heen, waar de keizers weêr stil stonden.
-
-—Wil U een dokter uit Vaza hebben?
-
-—Neen, neen, Andro, zeker niet; ben je nu mal, zoo een opschudding in
-den nacht. Ga nu maar slapen, hier onder...
-
-—Zal U dan ook probeeren te slapen... mijn “prinsje”? vroeg hij, met
-dat teedere verkleinwoord, dat, in zijne taal, als een liefkoozing
-klonk.
-
-Othomar knikte hem lachend toe, en duldde, dat hij, met iets van een
-voedster, de kussens voor hem opschudde.
-
-—Wat een bed, mopperde Andro. Het lijkt wel een grafmonument...
-
-Daarna legde hij zich neêr, maar sliep niet; hij bleef wakker. En toen
-Othomar na eene pooze vroeg:
-
-—Slaap je al, Andro? antwoordde hij:
-
-—Ja, Uw Hoogheid, bijna.
-
-—Suist er iets in de verte, is dat water of... of verbeeld ik het me?
-
-De man luisterde.
-
-—Ik hoor niets, Hoogheid... U zal wat koortsig zijn.
-
-—Neem een stoel en kom hier zitten, aan mijn hoofdeind...
-
-De man deed zoo.
-
-—En laat je me voelen, je hand, zoo...
-
-Eindelijk look Othomar zijne oogen. In zijne ooren ruischte het door,
-steeds door... Maar onder het geruisch zelve, terwijl de lichtheid uit
-zijn hoofd nevelde, sliep de kroonprins van Liparië in, zijne klamme
-hand in de harde handen van zijn knecht, die den onrustigen slaap van
-zijn meester bespiedde in de trillingen om den mond, de schokken van
-het lichaam, tot, om te stillen, hij met zijne andere hand zacht over
-het kloppend voorhoofd streelde, meêlijdend mompelend, met zijn
-vreemden, nationalen klank van liefkoozing.
-
-—Mijn arm prinsje...
-
-Buiten begon het te dagen; het licht scheen de venstergordijnen even
-van elkaâr te schuiven.
-
-
-
-
-
-V.
-
-Den volgenden morgen zoû de hertogin aan de ontbijttafel prezideeren;
-zij was reeds met al de heeren in de eetzaal, toen Othomar binnenkwam,
-het laatste. Dutri begeleidde hem. Strak kleedde hem zijne uniform,
-blauw, wit en zilver, en hij groette, glimlachend, maar eenigszins
-stijf, terwijl Herman hem de hand gaf en de andere bogen, de hertogin
-diep neeg.
-
-—Wat ziet de prins bleek! sprak Leoni tot Ducardi.
-
-Het was zoo, de prins zag zeer bleek; zijne oogen stonden dof, maar hij
-hield zich goed, at iets van visch, proefde aan een salmis van wild.
-Toch was de vermoeidheid van den prins zoo zichtbaar, dat Ducardi zelve
-over tafel zacht tot hem zei:
-
-—Voelt Uwe Hoogheid zich niet wel?...
-
-Aller oogen zagen Othomar aan, en hij wilde hunne belangstelling
-logenstraffen.
-
-—Ik heb niets, antwoordde hij.
-
-—Heeft Uwe Hoogheid niet goed geslapen? ging Ducardi voort.
-
-—Niet zoo heel goed... moest Othomar bekennen, met een glimlach.
-
-Het gesprek ging door, de hertogin wendde het af; maar na het ontbijt,
-op het punt van te gaan—de paarden stonden gezadeld in den
-binnenhof—zei Ducardi kortaf:
-
-—We zouden beter doen niet te gaan, Hoogheid!
-
-Othomar verbaasde zich, wilde niet begrijpen.
-
-—U schijnt wat moê, Hoogheid! hernam Ducardi kort, en, zachter,
-verontschuldigend:
-
-—En het is ook niet te verwonderen, dat de laatste dagen U hebben
-aangegrepen. Als Uwe Hoogheid het mij vergunt, zoû ik haar aanraden
-vandaag rust te nemen.
-
-Een zacht gevoel van ontspanning kwam reeds over den prins heen; hij
-voelde zich te gestreeld door dit denkbeeld van rust, om langer tegen
-te strijden, maar toch stak hem zijn geweten, bij de gedachte aan zijn
-vader: eene schaamte, zoo deze hooren mocht van afmatting, die zoo
-duidelijk zichtbaar scheen.
-
-En hij wilde volstrekt niet, dat men in het geheel niet zoû gaan. Hij
-gaf in zoo verre dan toe aan Ducardi, dat hijzelve niet gaan zoû en
-rust zoû nemen, indien men meende, dat hij die behoefde, maar prins
-Herman en de anderen verzocht hij dringend de voorgenomen route van
-heden te nemen, en te gaan. En hij zeide dit met jeugdige hoogheid, in
-zichzelven reeds ontspannen door den dag van rust, die komen zoû, een
-geheelen dag, onverwachts! maar vooral bang dit genot te laten merken
-en daarom een beetje boudeerend doende, of hij wèl meê wilde, of hij
-generaal Ducardi dwaas vond, met zijn raad...
-
-De heeren gingen. De hertogin zelve leidde Othomar naar den westelijken
-zijvleugel, drong hem zeer rust te nemen in haar eigen boudoir. Door de
-vensters der galerij zag Othomar Herman en de anderen wegrijden; hij
-volgde hen een oogenblik met de oogen, ging toen verder met de
-hertogin, en zag over den binnenhof een groom het paard dat men
-hemzelven gezadeld had, het kloppende aan den hals, terugbrengen naar
-stal. Verschillend gevoel woelde nog in hem: streeling van rust, een
-beetje angst zich te verraden, schaamte...
-
-In het boudoir liet de hertogin hem alleen. Het was er stil; buiten,
-vredig voornaam, graasden de damherten. De rust van het boudoir eener
-vrouw van de wereld, met het rijke zwijgend gedrapeer van zijden
-stoffen, de afwachtende weekheid van zachte meubels, de kalme
-schittering van ornamenten, allen voorwerpen van kunst en kostbaar,
-viel met eene suizelooze ademloosheid over hem heen, als een waas van
-tulle, geurig van eene onnoembare, zachte emanatie: het parfum zelve
-dier vrouw. De werkeloosheid van dit oogenblik van heden sloeg, in
-eens, een beetje vreemd, op Othomar neêr en verijlde zijne gedachten in
-eene lichte verwondering. Hij was als een hollend paard, dat in eens
-wordt stil gerukt, tot staan.
-
-Hij zette zich een oogenblik, keek naar de herten. Toen stond hij op,
-bedacht of hij bellen zoû, maar vond het beter zelve even te zoeken. Op
-de kleine schrijftafel der hertogin—Japansch verlakt met parelmoêren
-landschappen ingelegd en ivoren ooievaren—vond hij een stuk papier, een
-potlood.
-
-En hij schreef:
-
-
-Aan Hare Allergenadigste Majesteit, Elizabeth, Keizerin van Liparië.
-
-Castel Vaza, April 18..
-
-
-Wil U niet verontrusten, als de couranten overdrijven, en melden, dat
-ik ziek ben. Ik was een weinig vermoeid en generaal Ducardi ried mij
-aan heden rust te nemen. Herman en de anderen zijn gegaan; morgen hoop
-ik van hier uit, onze tweede route te leiden. Overmorgen gaan wij naar
-Lycilië.
-
-
-Othomar.
-
-
-Toen belde hij en aan den lakei, die verscheen:
-
-—Mijn kamerdienaar, Andro.
-
-Deze verscheen na eenige oogenblikken.
-
-—Andro, zeide Othomar; vraag een paard, ga naar Vaza en bezorg zoo gauw
-mogelijk dit telegram aan Hare Majesteit, de keizerin...
-
-Andro ging heen en de vreemd ijle ledigheid viel weêr over Othomar
-neêr. Over het park scheen de zon, de herten glansden als van havana
-satijnen vellen. De laatste veertien dagen trokken Othomar weêr
-voorbij. En het was of hij in het perspectief van dat heele kleine
-verleden, de ellende, die hij gezien had en had pogen te troosten, als
-éen groot geheel, éene schilderij van menschelijke ramp, zich zag
-uitbreiden. En voor het groote leed, dat zijn land vervulde, voelde hij
-zijn hart vol medelijden kloppen. Een week gevoel van weemoed, dat er
-was zooveel leed, en dat hij was zoo machteloos, klom weêr in hem op,
-als het altijd deed, wanneer hij alleen was en kon nadenken. Dan voelde
-hij zich klein, onbeduidend, niets kunnende en iets in zijne ziel
-duizelde en viel als slap, spierloos neêr van eene opgeschroefde
-hoogte, zonder energie en zonder wil. Dan lag dat daar in wanhoop en er
-òp drukte, zwaar van al zijn leed, het geheele keizerrijk en
-verpletterde het met zijn gewicht van centenaren.
-
-Er waren belangrijke werkstakingen uitgebroken in de Oostelijke
-kwikzilvermijnen, aan de andere zijden der Giganten. Hij herinnerde
-zich eens een tocht aldaar en te hebben geleden om de vreemd, vaal
-bleeke gezichten der arbeiders, die hem met groote holle oogen
-aanstaarden, en er langzaam gesloopt werden door hun eigen broodwerk in
-een atmosfeer vol gif. En hij wist wel, dat wat hij toen nog gezien
-had, iets Zondags was, het welvarendste, dat men vertoonen kon; dat hij
-de zwarte diepte hunner ellende nooit zien zoû, omdat hij kroonprins
-was. En niets kon hij voor ze doen en als ze nog woester het hoofd
-opstaken, dan ze nu reeds deden, zouden de troepen, die er reeds heen
-waren, op ze schieten, als op honden.
-
-Hij hijgde luid, als om de centenaren op zijn borst weg te hijgen, maar
-ze vielen weêr terug. Het beeld van zijn vader kwam hem voor den geest,
-hoog, zeker, bewust van zichzelven, zonder weifeling altijd wetend wat
-hij doen zoû, vol vertrouwen, dat majesteit niet feilen kon,
-handteekeningen zettend met groote, vaste letters, kortaf: Oscar...
-Alles wat zoo geteekend werd: Oscar, was vlekkeloos van
-rechtvaardigheid, als het noodlot zelve. Hoe anders was hij, zijn zoon,
-en begon met hem dan het oude ras van kracht en gezag te kwijnen, als
-met een plotselingen knak in den rug, eene uitputting van merg?
-
-Toen zag hij zijne moeder, Rumeensche prinses, zoo innig beminnend de
-haren; vrouwelijkheid, moederlijkheid zelve in hun kleinen kring; voor
-het volk trotsch, ongenaakbaar, zonder tact, als hij zelve, niet
-bemind, als ook hij niet, tenminste niet in Lipara en het Zuiden van
-het rijk. Hij wist het: onder die strakke ongenaakbaarheid verborg zij
-haren angst, angst, als zij zat in een open rijtuig, in de comedie, bij
-plechtigheden en in de kerk, zelfs bij bezoek aan liefdadige
-instellingen; die angst had in haar gedood de groote liefde voor het
-algemeen, en ziekelijk overspannen de liefde voor den kleinen kring,
-tegen hare, van natuur wijd om zich heen ziende, ziel in. En door dien
-angst heen hare berusting, hare afwachting van de catastrofe, de
-uitbarsting, waarin zij met de haren zoû omkomen...!
-
-Hij was hun zoon, de opvolger op hun troon: van waar had hij dan zijne
-weifeling van niet-kunnen, die zijn vader niet had, en de liefde voor
-hun volk, die zijne moeder niet meer had? Zijne voorouders kende hij
-alleen uit de historie; in de eerste middeneeuwen barbaarsch, wreed,
-later verfijnd sensueel, genotziek; één vorst, zwakkeling, geheel door
-hovelingen geregeerd, een roi-fainéant, onder wien het rijk ten prooi
-was geworden aan binnenlandsche verdeeldheid en buitenlandsche
-hebzucht; daarna beschaafder, eene resurrectie van kracht, reactie van
-opkomst na verval, en de roem en de grootheid van het rijk tot nu
-toe... Tot nu toe; aan hém was deze erfenis van grootheid en roem; hoe
-zoû hij met ze doen, hoe ze eens overgeven aan zijn eigen zoon?
-
-Toen voelde hij zich zoo klein, zoo bang, dat hij wel ergens weg had
-willen loopen, uit de, hem aangapende, oogen zijner toekomstige
-verplichtingen weg...
-
-
-
-
-
-VI.
-
-Het lunch had al de intimiteit van een allerbekoorlijkst tête-à-tête,
-gediend in de kleine eetkamer; de hofmeester alleen achter tafel. De
-hertogin vroeg zeer belangstellend hoe Othomar het maakte; de prins
-voelde zich waarlijk al uitgerust, had goeden eetlust, was vroolijk,
-prees den kok en den beroemden Lyciliër. Toen de hertogin hem na het
-lunch voorstelde een kleinen toer te maken in den omtrek, vond hij dit
-een uitstekend idee. Hijzelve wilde te paard—hij wist, dat de hertogin
-eene uitstekende amazone was,—maar Alexa ried dit lachend af; zei, dat
-ze bang was voor generaal Ducardi, die den prins rust had aanbevolen,
-en meende, dat een kleine rijtoer in open rijtuig minder afmattend zijn
-zoû. Zij had zich bijtijds herinnerd, dat eene amazone haar zwaar en
-oud maakte, en was heel blij, dat de prins toegaf.
-
-Het was heerlijk weer gebleven; zachte zon in blauwe lucht. Het
-landschap deinde zich wijd uit; de bergen stonden schril en steil met
-hunne ijskammen in den ether. De toer had het bekoorlijke van een
-incognito zonder etiquette; de prins in zijn klein uniform naast de
-hertogin, in een eenvoudig somber toilet van mauve velours-de-chasse,
-in de elegante, lichte victoria, waarop de koetsier alleen zat, zonder
-palfrenier, vlug de twee slanke goudvossen aanzettend. De zon
-glansplekte over de gladde robes der paarden, spiegelde in het verlakt
-van het rijtuig, en in de facetten der geslepen lantarens, op den
-hoogen hoed van den koetsier en in de knoopen van Othomars uniform. Al
-dit vonken wisselde in kort straalgeflits, en zoo, flonkerend,
-luchtigjes, gleed het rijtuig over den weg, door een paar dorpjes,
-waarvan de bewoners hunne landvrouw groeteden, maar niet wisten wie was
-de eenvoudige jonge officier, die naast haar zat. Een bries had de
-vocht der vroegere dagen droog gewaaid, en lichte wolkjes van stof
-stuivelden zelfs onder de snel raderende wielen op.
-
-De hertogin sprak veel, over Lipara, den keizer, de keizerin. Zij had
-dien tact van instinctmatig te voelen wat te zeggen en waarover te
-spreken, als zij behagen wilde. Hare stem was een charme. Zij kon soms
-een grooten eenvoud en natuurlijkheid hebben, meestal als ze er niet
-aan dacht hoe zich voor te doen. Instinctmatig, tegenover den prins, om
-hem sympathiek te zijn, nam ze dien zelfden eenvoud aan, die hare
-natuur was. Ze werd er jaren jonger om; de brutale chic van de mode
-flatteerde haar veel minder, en maakte haar ouder, zelfs vulgair.
-Zooals nu affineerde ze zich in de natuurlijke distinctie van een oud
-geslacht. De zwarte voilette om den kleinen hoed verborg de leelijke
-rimpeltjes en hare oogen glansden als sterren er door heen.
-
-De prins herinnerde zich verhalen van zijne adjudanten,—van Dutri niet
-uitgezonderd—over de hertogin: hij herinnerde zich namen, die
-fluisterend genoemd werden. Hij geloofde op dit oogenblik niet aan dien
-laster, zooals hij meende. Gevoelig als hij was voor sympathie,
-streelde hem de hare, die hij bij intuïtie in haar ried, en deed hem
-goed en lief van haar denken, zooals hij dacht van allen, die van hèm
-hielden.
-
-Het rijtuig was tusschen hellingen en wijngaarden gegaan, toen het
-opeens als bij verrassing langs een kasteel reed, half zichtbaar
-tusschen heel oude kastanjeboomen.
-
-—“Wat is dit goed?” vroeg de prins. Wie zijn hier uw buren, mevrouw?
-
-—Niemand minder dan Zanti, Hoogheid, antwoordde de hertogin; zij
-huiverde, maar poogde te schertsen. Balthazar Zanti woont hier met zijn
-dochter.
-
-—Zanti! Balthazar Zanti?! riep Othomar verbaasd; hij richtte zich op,
-keek nieuwsgierig naar het slot, dat zich verborg achter de kastanjes.
-Maar hoe komt het dan, mevrouw, dat ik verleden jaar, toen ik met den
-keizer bij mijnheer den hertog jaagde, nooit van prins Zanti gehoord
-heb, en dat hij hier woonde?
-
-De hertogin lachte.
-
-—Denkelijk, Hoogheid, omdat de jacht van den hertog een anderen kant op
-ligt—zij maakte met de hand eene vage beweging—en U hier dus niet
-voorbij kwam, en omdat Zijne Majesteit den naam van Balthazar Zanti
-niet hooren wil.
-
-—Maar door niemand van de adjudanten...!
-
-De hertogin lachte nog vroolijker, zag den prins, schertslachend ook,
-aan en sprak:
-
-—Het is zeker onvergeeflijk van ze U niet beter in te lichten omtrent
-de merkwaardigheden van het gouvernement van Vaza. Maar... ik bedenk me
-nu, het is heel natuurlijk, Hoogheid. Het kasteel stond verleden jaar
-leêg; Zanti reisde door het rijk en hield redevoeringen. U herinnert
-zich, ze zijn later gerechtelijk verboden. Zijn naam was dus toen hier
-nog geen locale klank...
-
-De prins zag nog altijd naar het slot, dat maar niet geheel zichtbaar
-werd, toen het rijtuig, met een bocht van den weg, bijna rakelings reed
-voorbij een kleine groep, aan de helling van een wijngaardheuvel: een
-oude man, een jong meisje, een hond; het jonge meisje, teêr, tenger,
-bleek, blond, trots de zon in veel bont gekleed, waaronder zij nog eene
-zekere morbide elegance behield; ze zat op het gras, een donker bonten
-toque op het zilverblonde haar; hare lange, witte hand, ongeschoeid,
-klopte tot kalmte manend op den kroeskop van den retriever, die het
-rijtuig aanblafte; en naast haar stond, hoog, een groote, oude man,
-vreemd in een ruimen, grauwen kiel; een grijze reus, met zwaren baard
-en sombere oogen, zwart schemerend onder den rand van een slappen
-vilten hoed. De hond blafte; het meisje groette even—ze herkende de
-hertogin als bure—zonder den prins te kennen; de oude man echter zag
-strak fronsend, en groette niet. Het rijtuig ratelde voorbij.
-
-—Dat was Zanti... fluisterde de hertogin.
-
-—Zanti...! herhaalde de prins. En sedert wanneer woont hij hier?
-
-—Sedert heel kort; ik geloof, dat de doktoren de lucht van Vaza gezond
-achtten voor zijn dochter.
-
-—Dat meisje, was dat zijn dochter?
-
-—Ja, Hoogheid, ik heb haar al eens meer gezien; ze schijnt ziekelijk te
-zijn.
-
-—Prins Zanti, niet waar?
-
-—Zeker, Hoogheid, maar op eigen verlangen Zanti tout court... Titels
-zijn dwaasheid, Hoogheid, in de negentiende eeuw.
-
-Zij schertste en toch voelde zij eene stille huivering, ze wist niet
-waarom. Dat Zanti daar zoo dicht bij Castel Vaza was komen wonen, vond
-ze onheilspellend. Den kroonprins zag zij even snel, huiverend, van ter
-zijde aan. Zij bespeurde hoe een vreemd nadenken over zijn gelaat trok
-als een schaduw. Toen, om het gesprek te wenden, niet meer te denken
-aan dien akeligen man:
-
-—U ziet er veel beter uit, Hoogheid, dan van morgen! De lucht heeft U
-goed gedaan...
-
-Zij schudde haren huiver af. De prins echter bleef vreemd; een
-plotselinge emotie scheen in hem te woelen. Toen zij terug waren in het
-kasteel, in het boudoir, wilde de hertogin zelve den prins een kop thee
-schenken. Hij stond te kijken naar buiten, naar de herten, maar,
-terwijl ze met het geblazoeneerd vergulde gerei van hare theetafel
-bezig was, zag ze hem bleek worden, krijtwit,—zooals dien morgen—,
-zijne oogen vergrooten, vreemd...
-
-—Wat heeft U, Hoogheid... riep ze verschrikt en trad nader.
-
-Hij wendde zich tot haar, poogde te lachen.
-
-—Pardon, mevrouw, ik ben al heel onhoffelijk... zoo te zijn, maar...
-maar die man daar heeft me verrast...—hij lachte—, ik wist niet, dat
-hij hier was, en dan de lucht... die ijle lucht...
-
-Hij bracht de hand naar zijn voorhoofd; witter zag ze hem worden, het
-bloed scheen uit hem weg te loopen, en hij duizelde...
-
-—Hoogheid...!! riep ze.
-
-Maar Othomar, de hand vaag bewegend als tot steun, was tegen haar
-aangevallen; zij ving hem op, in haren arm, aan hare borst, doodelijk
-verschrikt, en ze zag, dat hij flauw lag. Een fijn zweet stond op zijn
-voorhoofd; zijne oogen loken zich met moede leden, als stierven ze;
-zijn mond was open, zonder adem.
-
-De hertogin ontstelde hevig; doodsbang was ze, dat den hertog van Xara
-iets ernstigs overkomen zoû, in het kasteel, alleen bij haar; ze voelde
-in eens, dat Liparië’s toekomst aan den steun harer armen was
-toevertrouwd; ze zag den prins reeds dood, zichzelve in ongenade, aan
-het Imperiaal... Dit alles stoof door hare hersenen heen, in het
-allereerste oogenblik. Maar zij beschouwde hem lang na, eene zachte
-uitdrukking kwam op haar gelaat. Trots, dat de hertog van Xara daar
-half flauw op haren schouder lag, en plotselinge passie waarin veel
-moederlijkheid en medelijden, mengden zich samen tot een vreemd gevoel
-in hare ziel. Zij streek hem zacht het haar weg, veegde zijn bepareld
-voorhoofd af met haren zakdoek... En het vreemde gevoel werd vreemder
-nog in haar, intenser in zijne beide elementen: intenser in trots,
-intenser in medelijdende liefde: die eener minnares en moeder te zamen.
-Toen met een glimlach, drukte zij den zakdoek, éven nat van het
-keizerlijke zweet, aan hare sidderende lippen. De zachte geur van het
-vocht scheen haar te bedwelmen, met een aroom van virile jeugd... Zij
-dacht aan de brieven en portretten in het zilveren kistje met de
-turkooizen. Een diepe weemoed om het leven vlijmde door hare ziel; nog
-meerdere harer herinneringen schenen weg te stuiven als asch. Toen,
-zich niet meer willende geven aan dien weemoed, boog ze haar hoofd, en
-ernstig nu, zich gevende aan het heden, dat haar van nieuw geluk deed
-opleven, drukte zij die lippen, sidderender nog, op Othomars mond. Even
-verwijlde zij er; hare oogen sloten zich; toen gaf zij haar zoen.
-
-Zij openden hunne oogen, te gelijkertijd, zagen elkaâr aan. Ernstig
-somber, tragisch bijna flitste zij hare blikken in de zijne. Hij zeide
-niets, bleef haar aanstaren, nog half in hare armen. De kleur welde
-onder zijne wangen terug. Hunne oogen dronken elkaâr in. Hij voelde het
-onbekende voor hem openwijken, zich ingewijd worden in de wereld van
-kennis, die hij in haar ried en zelve niet wist. Maar hij voelde geene
-vreugde er om: hare oogen bleven somber. Toen nam hij alleen hare hand,
-drukte die even als eenige tegenliefkoozing, en sprak, de oogen,
-onafgewend, in hare groote, stille, zwarte passieblikken, zijn gezicht
-nog van verrassing strak:
-
-—Ik was wat duizelig, zoo even...? Ik vraag u excuus, mevrouw...
-
-Ze bleef hem ook aanzien, somber, nu glimlachend nederig. Haar trots
-roeide in éen wiekslag op naar het heel hooge: den mond van haren
-toekomstigen keizer zegelde nog haar zoen! Hare liefde aanraakte haar
-in-leven zooals een waaiende bries over een meer strijkt, het met éen
-enkel frisch geblaas geheel zilver rimpelend en bewegend tot in diepte
-toe; zij aanbad hem om zijne jonge hoogheid, die zoo genadig aannam
-haar zoen, zonder dien verder te erkennen, om zijne keizerlijke
-naïviteit, zijne jongensstem, zijne jongensoogen, zijn handdruk: het
-eenige, dat hij haar gegeven had; en het was in haar een zeer vreemd
-trotsche wellust: het genot die naïve jeugd, die mannelijke
-maagdelijkheid aan te zweemen, te beginnen in te drinken met hare
-oogen, hare lippen en hare ziel, als tooverdrank, die haarzelve weêr
-zoû geven hare jeugd.
-
-
-
-
-
-VII.
-
-Men dineerde dien middag laat, daar men gewacht had op Herman en de
-anderen. De gesprekken aan tafel liepen over den toestand van het
-platteland, over de boeren, die van alles beroofd waren. De hertogin
-was stil; de conversatie interesseerde haar niet, maar hare stilte had
-iets glimlachend rustigs.
-
-Dien avond bestudeerde Othomar met Ducardi weder de kaart, onder de
-kanten lamp. De avond was koud geworden, de deuren van het terras waren
-toe. De hertogin had geen lust tot biljarten, maar zij zat in den
-tweeden salon zacht met Dutri te praten. Zij zag er prachtig uit,
-placide als een beeld, in haar licht geel getint antiek kanten toilet,
-de bloote borst regelmatig golvend over eene gelijke ademhaling; een
-enkele star van brillanten in het haar van voren.
-
-Othomar wees met het potlood over de kaart.
-
-—Zoo kunnen we dan gaan, langs dien weg... Zie, generaal Ducardi, ziet
-u eens hier, kolonel Von Fest, hier heb ik van middag getoerd met
-mevrouw de hertogin en hier, geloof ik, woont Zanti. Wist u dat?
-
-De heeren keken op, zagen naar het punt, dat de kroonprins aanwees,
-verwonderden zich.
-
-—Ik dacht, dat hij in het Zuiden woonde, in Thracyna! meende de jonge
-graaf van Thesbia. Othomar vertelde, wat de hertogin hem gezegd had.
-
-—Zanti! riep Herman; Balthazar Zanti? O, maar dan is hij het...! Ik
-sprak van middag met een troep boeren; ze vertelden me van de nieuwe
-barakken, die een nieuw landeigenaar uit de buurt had laten opslaan,
-maar ze spraken dialect, ik verstond ze niet goed; ik dacht, dat ze
-Xanti zeiden, en dan dacht ik er niet aan, dat het Balthazar Zanti kon
-zijn. Maar dan is hij het!
-
-—Barakken? vroeg Othomar.
-
-—Ja, een dorp van barakken, naar het scheen; ze spraken er van, dat hij
-zoo rijk en zoo genereus was, en ik weet niet hoeveel boeren
-huisvestte, die alles verloren hadden.
-
-—Ik meen nu wel in de couranten gelezen te hebben, dat Zanti in Vaza
-was gaan wonen, zei Leoni.
-
-—Ik zoû die barakken wel willen zien, we kunnen er morgen aangaan, zei
-Othomar.
-
-Generaal Ducardi fronste zijne borstelige brauwen.
-
-—U weet, Hoogheid, dat Zijne Majesteit allesbehalve op Zanti gesteld
-is, en er zelfs over denkt hem te verbannen. Het zoû misschien meer in
-den geest van Zijne Majesteit zijn, om wat Zanti hier doet, op dit
-oogenblik maar te niëeren.
-
-Othomar voelde echter geen lust den generaal toe te geven; een jonge
-strijdlust borrelde in hem op.
-
-—Maar generaal, iemands weldaden te niëeren in deze tijden, is noch
-dankbaar, noch diplomatiek.
-
-—Ik ben overtuigd, dat zoo Zijne Majesteit wist, dat Zanti zijn kasteel
-hier bewoonde, Zij Uwe Hoogheid speciaal zoû verzocht hebben zich
-volstrekt niet in gemeenschap met dien man te stellen! sprak Ducardi
-nadrukkelijk.
-
-—Ik ben hier zoo zeker niet van, generaal! sprak Othomar droog, en
-geloof integendeel, dat zoo Zijne Majesteit wist, dat Zanti zóo veel
-deed voor de slachtoffers van de overstrooming, Zijne Majesteit hem wel
-wat liefhebberen in communisme vergeven zoû.
-
-Ducardi beet op zijn snor met een schuinen glimlach.
-
-—Uwe Hoogheid spreekt wel wat luchthartig over dat liefhebberen in
-communisme. Zanti’s theorieën en praktijken zijn meer dan
-dilettantisme...
-
-—Maar generaal, hernam Othomar zacht; ik begrijp heusch niet waarom
-Zanti’s socialisme, op dit oogenblik, verhinderen moet, dat wij,—ik
-herhaal op dit oogenblik—apprecieeren hetgeen hij doet, en ons moet
-tegenhouden zijn barakken te bezoeken, terwijl we in Vaza komen om
-alles omtrent de overstroomingen op te nemen...
-
-Ducardi keek hem aan, boos. Hij was het niet gewend, dat Zijne Hoogheid
-zoo tegensprak. De anderen luisterden toe. De hertogin zelve, gelokt
-door de discussie, waarin zij Othomars stem hoog op hoorde klinken met
-jong gezag, was met Dutri nader gekomen, nieuwsgierig...
-
-—Het zoû toch minstens genomen geen kwaad kunnen die barakken even te
-zien, dit moet ik mijn neef toegeven, generaal! sprak Herman van
-Gothland, die plezier in Othomar kreeg.
-
-Ook Von Fest sloot zich overtuigend hierbij aan, rondweg, eerlijk,
-meende het niet anders dan verplicht te zijn aan de slachtoffers, die
-Zanti geborgen had. Iedereen zeide nu zijn opinie: Leoni vond het
-onmogelijk, dat de kroonprins Vaza bezoeken zoû en die barakken niet;
-het zoû zijn alsof Zijne Hoogheid bang was voor zoo een bullebak van
-een Zanti. Dat Othomar Ducardi tegensprak, gaf hun allen grond om zich
-schrap te zetten tegen den ouden generaal, die den tocht totnogtoe
-geleid had met iets van militair autocratisme, dat hen vaak had
-gehinderd. Zelfs Dutri, anders nog al onverschillig, voegde zich bij
-hen, blagueerend, met glinsterende oogen, omdat Ducardi eens op zijn
-plaats werd gezet. Hij knipoogde tegen de hertogin.
-
-En het waren alleen Siridsen en Thesbia, die op de hand van Ducardi
-waren, weifelend, omdat de generaal zoo zeker wist, dat de wil des
-keizers anders zoû luiden dan het verlangen van zijn zoon; Thesbia
-vooral:
-
-—Ik begrijp niet, dat de prins zoo aandringt, fluisterde hij ontsteld
-tot de hertogin. Ducardi heeft gelijk: u weet zelve toch, hoe de keizer
-op Zanti gebeten is...
-
-De hertogin haalde glimlachend hare mooie schouders op, luisterend naar
-Othomar, dien zij zich hoorde verdedigen, gesteund door uitroepen,
-hoofdgeknik der anderen.
-
-—Nu, hoorde zij Ducardi droog antwoorden; als Uwe Hoogheid dan
-volstrekt wil, dat wij er heen gaan, zullen wij gaan; ik hoop alleen,
-dat Uwe Hoogheid zich altijd herinneren zal, dat ik het in dezen niet
-eens met haar was...
-
-De hertog van Xara nu antwoordde hem lachend, na deze overwinning het
-eerst den vrede aanbiedend, en was het in het geheele verdere plan, dat
-op de kaart tot aan Lycilië werd voortgezet, geheel met den generaal
-eens, met kleine vleiende intonaties van goedkeuring en hoogschatting
-voor zijn doorzicht en practische blik...
-
-—Hij mag niet l’étoffe hebben voor een groot veldheer, fluisterde Dutri
-tot de hertogin: er zal een aardig diplomaatje van hem groeien...
-
-Maar Ducardi was innerlijk zeer boos. Een oogenblik dacht hij er over
-den keizer per geheime depêche zijn verlangen te vragen, maar verwierp
-dit denkbeeld, daar het in het Imperiaal geen goeden indruk zoû maken,
-zoo, in zulk eene schijnbare, kleinigheid, den hertog van Xara geene
-vrijheid werd gelaten. Hij poogde dus slechts den volgenden morgen
-Othomar nog eens het bezoek te ontraden, de prins echter bleef er bij.
-
-—Is u dan zoo tegen dat bezoek, generaal? vroeg Von Fest. Is het dan
-eigenlijk niet meer dan redelijk?
-
-—U kent niet de antipathie van Zijne Majesteit voor dien man, kolonel!
-antwoordde de generaal. Zooals ik u al zei, Zijne Majesteit denkt er
-over hem te verbannen en zal dat zeker doen, als Zij hoort, dat hij
-zich nu op zijn kasteel heeft opgesloten, zeker met het doel de boeren
-op te ruien, zooals hij, in de steden, de arbeiders heeft opgeruid. Die
-man is een gevaarlijk dweper, kolonel, gevaarlijk vooral, omdat hij
-geld heeft om zijn utopieën in praktijk te brengen. Hij stookt den
-minderen man op, zijne militaire verplichtingen niet na te komen, omdat
-er staat geschreven:—“Gij zult niet doodslaan.” Het huwelijk vindt hij
-een onnoodig sacrament, en ik heb gehoord, dat zijne volgelingen
-eenvoudig bij hem komen, en hij ze zelve trouwt, met een soort van
-zegen, die ook alweêr steunt op een tekst... ik weet niet meer welken.
-Telkens schrijft hij socialistische brochures, die aangehouden worden,
-en houdt hij opruiende redevoeringen. En die man is zelfs candidaat
-gesteld voor het Huis der Standen.
-
-—Iemand, die zijn titel afzweert, lid van het Huis der Standen!
-glimlachte Von Fest.
-
-—O, die inconsequenties wemelen in zijn leer, bromde Ducardi. Hij zal u
-natuurlijk zeggen, dat zoolang er niets beters is dan het Huis der
-Standen, hij dan maar van het Huis der Standen lid wil zijn! En van wat
-zoo een man doet, wil de kroonprins notitie nemen!
-
-Von Fest haalde zijn schouders op.
-
-—Laat hem, generaal. De prins is jong. Hij wil weten en zien. Dat
-bewijst voor hem.
-
-—Maar... de keizer zal het nooit goed vinden, kolonel! donderde de
-generaal met een vloek.
-
-Weêr haalde Von Fest de schouders op.
-
-—Ik zoû het hem toch niet meer afraden, generaal. Als de prins iets
-wil, laat hem dan maar willen, dat zal hem goed doen... En krijgt hij
-daarna een standje van zijn vader, dan zal hem dat ook goed doen,
-bijwijze van reactie.
-
-Ducardi zag hem vlak aan.
-
-—Wat vindt u van onzen prins? vroeg hij op den man af.
-
-Von Fest zag den generaal, glimlachend, terug aan vlak in de zoekende
-oogen. Hij was eerlijk van natuur en oprecht, maar genoeg hoveling om
-zich te kunnen verbergen, als hij dit noodig oordeelde.
-
-—Een allercharmantste jongen, antwoordde hij. Maar het leven, of liever
-hijzelf, zal nog veel aan hem moeten vervormen, om hem straf te doen
-staan... voor later.
-
-De officieren begrepen elkaâr. Ducardi blies een zwaren zucht uit.
-
-—Ja, er zullen moeilijke tijden komen, sprak hij, met een vloek.
-
-—Ja, antwoordde de Gothlandsche kolonel eenvoudig.
-
-De prinsen waren in den binnenhof opgestegen; men reed langs den
-zelfden weg, dien Othomar den vorigen middag met de hertogin getoerd
-had en langs het kasteel van Zanti. Leoni was te weten gekomen waar de
-barakken lagen; zij reden nog een half uur; de bergen begonnen te
-wijken, de weg slingerde zich met bocht op bocht onder de trappelende
-hoeven der paarden. Eensklaps breidde aan den horizont de Zanthos zich
-uit: het breede vlak van uitgestort water, éen groot meer onder de
-wijde tintellucht van voorjaar.
-
-—Daar zullen ze zijn! wees Leoni.
-
-Zijn vinger wees een gehucht aan van lange houten gebouwen,
-klaarblijkelijk frisch gebouwd, naar nieuw hout riekend in de
-aanwaaiende morgenbries. Toen zij nader reden, zagen zij timmerlieden,
-metselaars: eene geheele werkplaats vol bedrijvigheid vertoonde zich,
-hoopen roode baksteen, stapels lange planken. Er klonk gezang, met
-vromen klank, als van psalmen.
-
-Ducardi, steeds gewend vóór te rijden, aan de linkerzijde van den
-kroonprins, hield zijn paard met bedoeling in, liet de anderen hem
-inhalen; Othomar merkte, dat hij hier niet door wilde. Hij vond den
-generaal kleingeestig en, tot Thesbia:
-
-—Vraag of Zanti hier is...
-
-De ordonnans-officier wendde zich met de vraag tot een soort opzichter.
-Niemand der werklieden had gegroet; de adjudanten weifelden of zij den
-kroonprins herkend hadden. Ja, Zanti was er. Eenvoudig “Zanti”. Goed,
-hij zoû hem roepen.
-
-De man ging. Het duurde lang. Othomar, te paard wachtende met de
-anderen, begon zijne houding reeds moeilijk te vinden, verloor zijn
-tact, nam zijne stijve strakheid aan, praatte gedwongen met Herman. Hij
-vond, dat het moeilijk was te wachten, als men dit totnogtoe nooit
-gedaan had. Hij werd er zenuwachtig van, maakte ook zijn paard, met
-coquette kopbeweging aan de teugels trekkend, zenuwachtig en dacht er
-al aan, maar voort te gaan...
-
-Maar Zanti, met den opzichter, die hem geroepen had, kwam juist aan,
-langzaam, zich volstrekt niet haastende. Hij keek uit de verte onder
-zijne hand naar de groep officieren te paard, die schitterden; bleef
-staan; vroeg nog iets, aan den opzichter; keek weêr.
-
-—Onhebbelijke vent! mompelde Thesbia.
-
-De ordonnans-officier reed hem driftig tegemoet, sprak hoog van zijne
-Keizerlijke Hoogheid, den Hertog van Xara; de hertog wenschte de
-barakken te zien.
-
-—Het zijn geen barakken, sprak Zanti norsch tegen.
-
-—Wat dan? vroeg de ordonnans-officier uit de hoogte.
-
-—Woningen, antwoordde Zanti droog.
-
-Thesbia haalde geërgerd de schouders op. Maar de kroonprins zelve was
-nadergereden, salueerde Zanti, zonder dat deze hem eenigen groet gegund
-had.
-
-—Vergunt Uwe Excellentie, dat wij een blik slaan op wat Zij doet voor
-de slachtoffers der overstroomingen? vroeg hij beleefd, zacht,
-innemend.
-
-—Ik ben geen Excellentie, mopperde de grijsaard; maar als u wil kijken,
-mij goed.
-
-—Heel gaarne, antwoordde Othomar een beetje hoog; maar niet anders dan
-met geheel uw goedvinden. U staat als meester op uw grond en zoo ons
-bezoek u niet welkom is, zullen wij u niet onze aanwezigheid opdringen.
-
-Zanti zag hem aan.
-
-—Ik herhaal het, als u kijken wil, is het goed. Maar er is niet veel te
-kijken. Alles is zoo eenvoudig. Wij maken geen geheim van wat we doen.
-En de grond behoort mij niet toe, die is eigendom van hun allen.
-
-Othomar steeg af, de anderen volgden; Leoni en Thesbia vonden met
-moeite, voor een fooi, een paar jongens, die op de paarden zouden
-passen.
-
-Othomar en Herman waren reeds met den ouden man voortgegaan.
-
-—Ik hoor, dat u veel goed doet, om de ellende van de overstroomingen te
-lenigen, sprak Othomar.
-
-—De overstrooming is geen ellende.
-
-—Geen ellende! vroeg Herman verbaasd. Wat dan?
-
-—Een gerechte straf des hemels. En er zullen meerdere straffen komen.
-De tijden zijn zondig.
-
-De prinsen zagen elkaâr aan, met een snellen blik; zij begrepen, dat
-het gesprek niet zeer vlot zoû gaan.
-
-—Maar de zondigen die de hemel straft, helpt u toch, meneer Zanti!
-sprak Herman. Want al die barakken...!
-
-—Zijn geen barakken. Schuren, werkplaatsen, ook tijdelijke woningen.
-Het wordt hier een nederzetting, zoo God het wil. Om eenvoudig te leven
-in den arbeid. Het leven is zoo eenvoudig, maar de menschen hebben het
-zoo vreemd en ingewikkeld gemaakt.
-
-—Maar u neemt toch boeren op, die alles verloren hebben door de
-overstrooming? hield Herman vol.
-
-—Ik neem ze niet op. Als ze hunne zonden voelen, komen ze naar me toe
-en ik red ze van den ondergang.
-
-—En komen ze ook niet naar u toe, zonder hun zonden te voelen, maar
-omdat ze voelen, dat ze eten en logies zullen krijgen voor niets?
-
-—Ze krijgen geen eten en logies voor niets, ze werken hier, meneer!
-sprak de oude man; en misschien beter dan u, die met een uniform
-rondloopt... Ze krijgen hun loon naarmate ze werken, uit de
-gemeenschappelijke kas. Ze bouwen hier en ik bouw met ze meê. Ziet u
-dien boom hier en die bijl; dien boom was ik bezig te hakken, toen u me
-storen kwam.
-
-—Een flinke lichaamsbeweging! zei Herman; u lijkt me een krasse man!
-
-—U zegt dus, dat u hier een nederzetting vormt? vroeg Othomar.
-
-—Ja meneer. De steden zijn het verderf, het landleven maakt rein. Hier
-kunnen ze wonen; verder-op ligt bouwland, dat ik ze geef, en weiland;
-vee zal ik voor ze koopen.
-
-—Dus u poogt hier eenvoudig boeren te werven, sprak Herman.
-
-—Neen meneer! antwoordde de grijsaard barsch. Ik werf hier geen boeren:
-ze zijn mijn boeren niet. Ze zijn hun eigen boeren. Ze werken voor hun
-eigen, en ik ben eenvoudig boer, zooals zij. We zijn allen gelijk...
-
-—U is eenvoudig boer, herhaalde hem de prins Herman; maar u woont toch
-in een kasteel.
-
-—Neen, jonge man, antwoordde Zanti; ik woon in geen kasteel; ik woon
-hier; mijn dochter woont daar alleen. Ze is ziek... Ze zoû niet kunnen
-tegen een verandering van levenswijze, tegen ontbering. Maar lang zal
-ze niet leven, mijn kind...
-
-Hij hield even op, zag de prinsen beurtelings schuin, bijna angstig,
-aan.
-
-—Ze is mijn eenige zwakte, geloof ik, verontschuldigde hij zich met een
-weeke stem. Ze is mijn zonde: voor haar heb ik dokters genomen en
-vertrouw ik op wat ze zeggen en voorschrijven. Ziet u, ze zoû niet
-kunnen: mij volgen in alles; want ze heeft het verleden te veel in haar
-arm bloed. Ze heeft behoefte, levensbehoefte, aan een kasteel, aan
-gemak. Daarom laat ik haar daar... Maar ze zal niet lang leven... En
-dan verkoop ik het en deel ik mijn geld, geheel en al, onder hen
-allen... Ziet u, dat is zoo mijn zwakte, mijn zonde: ik ben maar een
-mensch...
-
-De prinsen zagen hem geroerd worden; zijne handen trilden. Toen meende
-hij zeker, dat hij al te veel, te lang, met hen gesproken had over wat
-hem ’t innigste aan zijn hart lag: zijne zonde. En hij wees hun de
-gebouwen, verklaarde ze hun...
-
-—Ik las enkele van uw brochures, meneer Zanti, sprak de kroonprins.
-Brengt u hier in toepassing uw idee omtrent het huwelijk?
-
-—Ik breng niets in toepassing, bromde de grijsaard weêr tegen. Ik laat
-ze allen vrij. Willen ze voor uw wet trouwen, dan kunnen ze het doen,
-maar komen ze bij mij, dan zegen ik ze, en laat ze gaan in vrede, omdat
-er geschreven staat: Wederom zeg ik u: indien er twee van u
-samenstemmen op de aarde, over eenige zaak, die zij zouden mogen
-begeeren, dat die hun zal geschieden van mijnen Vader, die in de
-Hemelen is... Want wanneer twee of drie vergaderd zijn in Mijnen naam,
-daar ben ik in het midden van hen...
-
-—En waarmeê beheerscht u zoo veel volgelingen? vroeg Herman.
-
-—Ik beheersch niet, meneer! donderde de oude man, zijn vuisten ballend,
-zijn gezicht rood van woede. Ik ben niet meer dan zij allen. De vader
-heeft het gezag in zijn eigen huisgezin, en de oude mannen geven raad,
-omdat ze ondervinding hebben, en dat is alles. Het leven is zoo
-eenvoudig...
-
-—Zooals u het zich voorstelt, maar niet zooals het in werkelijkheid is,
-wierp Herman tegen.
-
-Zanti zag hem boos aan, stond stil om beter te kunnen praten en
-driftig, hevig, riep hij uit:
-
-—En vindt u het in werkelijkheid beter, dan ik het me voorstel? Ik
-niet, meneer, en ik hoop mijn voorstelling werkelijkheid te zullen
-maken. U en de uwen hebben ook eens, eeuwen geleden, uwe voorstelling
-werkelijkheid gemaakt: nu is de beurt aan anderen, uw werkelijkheid
-heeft lang genoeg geduurd...
-
-Othomar, hoog, wilde iets tegen zeggen: de oude man wendde zich echter
-in eens tot hem, zacht maar stroef, met zijne doordringende
-dwepersstem, die Othomar huiveren deed:
-
-—Met u, meneer, heb ik medelijden! Ik haat u niet, al denkt u dit
-misschien. Ik haat niemand. Hoe ouder ik geworden ben, hoe minder ik
-heb leeren haten, hoe meer zachtheid er in mij gekomen is. Ziet u, ik
-hoor iets in uw stem en ik zie iets in uw oogen, dat me... aantrekt,
-meneer. Ik zeg het u ronduit; het is misschien heel dwaas van me zoo
-iets te zeggen tot mijn aanstaanden keizer. Maar het is zoo: iets in u
-trekt me aan. En ik heb medelijden met u. Weet u waarom? Omdat de
-tijden zullen komen!
-
-Hij wees met den vinger in eens naar boven, verrassend plechtig;
-vervolgde:
-
-—De ure zal komen. Misschien wel heel gauw. Wanneer ze niet komt, als
-uw vader regeert, zal ze komen als u regeert of uw zoon. Maar komen zal
-ze! En daarom heb ik medelijden met u. Want u zal geen genoeg liefde
-hebben voor uw volk. Geen genoeg liefde om te zeggen: Ik ben als jullie
-allen en niets meer. Ik wil niets meer bezitten dan jullie allen, want
-ik wil geen overvloed als jij honger lijdt. Ik wil niet over je
-heerschen, want ik ben maar een mensch als jullie allen en niet
-menschelijker. Is u menschelijker? Als u menschelijker was dàn zoû u
-mogen heerschen, ja dan, dan... Ziet u, jonge man, zooveel liefde zal u
-nooit voor uw volk hebben, om te doen dat alles, o, en meer nog, meer.
-Heerschen zal u en overvloed hebben, en oorlog voeren. Maar de tijden
-zullen komen! Daarom heb ik medelijden met u,... al moest ik het ook
-niet hebben.
-
-Othomar was bleek geworden; zelfs Herman huiverde even. Het was meer om
-de orakelstem van den man, die hunner vorstelijkheid het noodlot
-voorspelde, dan om zijne woorden. Maar Herman schudde zijne huivering
-af en boos, hoog:
-
-—Ik kan niet zeggen, dat u hoffelijk is tegen uw gasten, meneer Zanti,
-ik zal maar niet eens spreken van Zijne Keizerlijke Hoogheid...
-
-Zanti zag Othomar aan.
-
-—Vergeef me, sprak hij. Ik sprak zoo om uw bestwil. Uw oogen zijn als
-die van mijn dochter. Daarom sprak ik zoo.
-
-Herman schaterde.
-
-—Dat is zeker een geldige reden, meneer Zanti!
-
-Othomar echter knikte hem, niet verder op gekscherenden toon door te
-gaan en deed ook met een blik de adjudanten zich bedwingen, die in
-woordelooze verontwaardiging Zanti’s orakel hadden opgevangen: de man
-had bijna fluisterend tot Othomar gesproken. Zijn laatste woorden,
-waarin emotie klonk, brachten die verontwaardiging echter in
-verwarring, stilden hunne boosheid, deden hun den profeet beschouwen,
-als een halven gek, wien de kroonprins zoo genadig was zijne
-majesteitschennis niet kwalijk te nemen. En de officieren zagen elkaâr
-aan, trokken de wenkbrauwen op, de schouders. Dutri grinnikte. Othomar
-vroeg kalm aan Zanti of zij niet door zouden gaan.
-
-De nederzetting was zeer in den beginne; toch begonnen enkele kleine
-boerenwoningen te verrijzen; kastanjeboomen werden omgekapt; er waren
-honderde boeren bezig.
-
-De groep van officieren wekte groote nieuwsgierigheid; men had de
-prinsen herkend. Bijna overal staakte het volk hun werk, zag het de
-uniformen na.
-
-De prinsen en hun gevolg voelden instinctmatig, dat er een vijandige
-stemming door de boeren van Zanti voer. Deden zij hier en daar een
-vraag, naar de geleden ellende, het antwoord klonk ruw, kort, met eene
-verwijzing naar den wil Gods, en was steeds als een naklank van Zanti’s
-eigen woorden. Geldelijke hulp was hier niet te verleenen. Te laten
-zien had Zanti eigenlijk niets. De nederzetting viel Othomar tegen,
-misschien om iets van gekrenkte vorstelijkheid; gewend steeds met
-eerbied genaderd te worden als toekomstige majesteit, kwetste de
-ruwheid van Zanti, de stuurschheid zijner boeren zijne teêrgevoeligheid
-meer, dan hij zich wilde bekennen. Hij voelde, dat men op deze plek den
-kroonprins niet in hem zag, die zijn volk liefhad en wilde leeren
-bijstaan, maar wel den zoon van een dwingeland, die op zijne beurt eens
-dwingen zoû. Hij voelde, dat al noemde Zanti zich den apostel van den
-vrede, die vrede niet was onder zijne discipelen; en toen hij zag in
-hunne ruwe, sombere gezichten, zag hij de haat rood opflikkeren uit
-holle, diepe oogen, als met plotselinge bliksems...
-
-Zwaar vielen de centenaren hem op zijne borst, drukte zijn onmacht hem
-met een wereld van, niet te ledigen, ellende en ontroostbare smart op
-de schouders als naar den grond toe. De ellende en smart niet van een,
-maar van duizenden, millioenen. De haatdragende oogen vermenigvuldigden
-zich in een gewemel van haat om hem heen; ieder van zijn volk, die het
-geluk van hem vroeg, van hem eischte, en niet ontving, scheen hem daar
-met zulke groote oogen aan te staren...
-
-In eene wijde, onmetelijke hopeloosheid voelde hij zich duizelen. Hij
-verwachtte niets meer, het was het einde. En het verwonderde hem niet
-wat er gebeurde. De man met het verwrongen, harigbruine gezicht, die,
-als een nachtmerrie, op hem toestortte, hem aangreep, vol haat. Een
-vuile tabaksadem zwalmde over zijn gezicht, een grof mes blikkerde in
-een grove vuist naar zijn hals toe...
-
-Een geroep was opgegaan. Een schot knalde, kort, beslist, zonder zweem
-van aarzeling. De man vloekte een schorren kreet uit, knarsende van
-onwil, en spartelde tegen, stervend. Zijne hersens spatteden uiteen,
-over Othomar heen, bezoedelden den prins de uniform. En aan zijne
-voeten was de man reeds op den grond neêrgekwakt, oogenblikkelijk slap,
-spierloos, het mes nog in de kramp van de harige vingers geklemd; dat
-was alles gebeurd in één oogenblik.
-
-Het was Von Fest, die met een revolver het schot gelost had. De kolonel
-richtte zijn breede figuur op, zag om zich heen, den revolver nog
-schuin geheven, dreigend in de vuist. Het volk staarde, bewoog zich
-niet, verwezen door de plotselinge werkelijkheid vóór hen.
-
-Zanti, wezenloos, tuurde naar het lijk; toen sprak hij—de officieren
-ontsteld, druk, in verwarring om den prins heen—:
-
-—Gaat nu, en zoo het kan, gaat in vrede...!
-
-Vol bitterheid wees hij op het lijk. Hij schudde het hoofd met de
-grijze manen onder den vilten hoed; tranen sprongen in zijne ooghoeken
-op.
-
-—“Gij zult niet doodslaan...” hoorden zij hem mompelen. Zij schijnen
-dat nog niet te weten; niemand nog weet het...!
-
-Een vreemde blik, vol krankzinnigheid, werd troebel in zijne, anders
-heldergrauwe, oogen, hij scheen een oogenblik niet te weten wat hij
-doen zoû. Toen liep hij naar een boom, nam de bijl op, en zonder op de
-prinsen meer acht te slaan, begon hij te hakken, als een razende, slag
-op slag...
-
-De officieren hadden zich naar hunne paarden gehaast. Dutri keek nog
-achterom; bij het lijk, waar de boeren nu om heen kwamen staan, zag hij
-een vrouw; ze snikte, wierp hare armen vol wanhoop uit naar den hemel,
-brulde, balde de vuist tegen het omgewende gelaat van den adjudant,
-schreeuwend.
-
-Othomar had niets gezegd. Achter hem hoorde hij de vrouw brullen. Hij
-trilde in iedere zenuw. Op den weg, klaar om op te stijgen, vroeg
-Ducardi hem ontroerd:
-
-—Wil u naar Castel Vaza terug, Hoogheid?
-
-De prins zag den generaal hoog aan. Vlug door hem heen schoot de
-gedachte, dat de generaal er zeer tegen was geweest hier te komen. Hij
-knikte van neen. Toen zochten zijne oogen Von Fest; onder door de
-wimpers op keken ze den kolonel aan, diep zwart, vochtig, bijna met
-verwijt.
-
-Maar hij stak de hand uit.
-
-—Ik dank u, kolonel, sprak hij met een heesche stem.
-
-De kolonel drukte de hand van den prins.
-
-—Tot Uw dienst, Hoogheid! antwoordde hij, militair kort.
-
-—En nu, laat ons nu doorgaan naar den Zanthos, sprak Othomar en naderde
-zijn paard.
-
-Maar de oude generaal was zich niet meer meester. In deze laatste
-oogenblikken had hij gevoeld heel de hartstochtelijke liefde—hem
-erfelijk in het bloed gekiemd, één met hem, zijne ziel zelve, en die
-ziel alleen, uit één stuk—voor zijn vorstenhuis. Zijne vaders waren er
-voor gesneuveld, zonder aarzeling. En met de dolwijde omhelzing zijner
-lange, krachtige oude armen, liep hij op Othomar toe, dankbaar, dat hij
-leefde, drukte hem aan zijn borst te pletter, tot zijne uniformknoopen
-schramden aan Othomars wang, en riep, snikkend, onder zijn trillende
-snorbaard, uit:
-
-—Mijn prins, mijn prins, mijn prins...!
-
-
-
-
-
-VIII.
-
-De aanslag op Othomar was op Castel Vaza reeds bekend, vóor de prinsen
-terug waren, door boeren van den hertog, die aan de bedienden van het
-kasteel lange verhalen hadden gedaan, dat de prins zwaar gewond was. De
-hertogin had eerst niet willen gelooven; toen, in stijgenden angst, in
-de grootste spanning en onzekerheid rondgeloopen door de galerijen. Zij
-had zich eerst willen wijs maken, dat het volk wel overdrijven zoû.
-Toen zij bedacht, dat de prinsen en de adjudanten in het geval, dat
-Othomar verwond was, dadelijk zouden terug zijn gekomen, werd zij
-rustiger en wachtte af.
-
-De intendant echter, die naar Vaza geweest was, kwam ontzet terug: in
-de stad maakte men zich zeer ongerust, verdrong men zich aan de deuren
-der courantenbureaux, voor de bulletins, die den aanslag kort
-vermeldden, met de tergende bijvoeging, dat bizonderheden nog
-ontbraken. De hertogin begreep, dat op dit oogenblik het bulletin ook
-naar Lipara geseind was, en zij vreesde zoowel, dat Othomar een onheil
-was overkomen, als dat zij zelve in ongenade zoû vallen bij de
-keizerin...
-
-Toen de hertogin eindelijk, lang turende, uit een venster der
-westelijke galerij, de prinsen en hun gevolg op den verren weg, klein,
-zag aandraven, kon zij zich niet inhouden, ging zij hen tegemoet in den
-hof. Zij zag echter Othomar ongedeerd. De hertog van Xara steeg af, gaf
-haar de hand, glimlachte; zij kuste die, nijgend, met vuur; hare tranen
-vielen op ze neêr. De opperintendant trad nader, betuigde Othomar uit
-naam van alle dienaren van den hertog, hunne innige dankbaarheid, dat
-de Hertog van Xara gespaard was gebleven, door de genade Gods en den
-bijstand van St. Ladislas.
-
-Ducardi had nergens eerder kunnen telegrafeeren, maar zond nu ijlings
-naar Vaza, eene depêche aan den keizer, tevens vermeldend, dat de prins
-dadelijk na den aanslag kalm den voorgenomen tocht vervolgd had. Het
-diner werd in een gewar van stemgeluid gebruikt; de hertogin was zeer
-opgewonden, vroeg naar de minste bizonderheid, en omhelsde bijna Von
-Fest. De kroonprins dronk op zijn redder en allen brachten hem hulde.
-
-Daarna ried Ducardi,—in stilte—den kroonprins aan zich vroeg ter ruste
-te begeven. De generaal sprak met eene teedere stem, het scheen of de
-gedachte, dat hij zijn kroonprins verliezen kon, hem dezen meer had
-doen liefhebben. Ook Herman drong er bij Othomar op aan.
-
-Hij zelve was kalm geworden, maar had iets mats over geheel zijn wezen;
-met eene vreemde stem van matheid zelfs had hij Von Fest toegeklonken.
-Hij volgde nu hun raad op, trok zich terug, kleedde zich uit; zijn
-bezoedelde uniform, die hij vóór het diner reeds verwisseld had, hing
-nog over den stoel; hij huiverde ervan die een geheelen middag gedragen
-te hebben.
-
-—Dat ding! sprak hij tot Andro, die nog geheel in de war was, en, van
-zenuwachtigheid schreiend, opruimde; verbrand het of gooi het weg, gooi
-het weg...
-
-In zijn kamerrok wierp Othomar zich neêr op een bank in den salon, die
-grensde aan zijne slaapkamer. Eveneens een historisch vertrek; gobelins
-aan den wand met tafereelen uit Liparië’s historie: keizer Berengar I
-zegevierend Jeruzalem binnenrijdend met zijne, witte vanen heffende,
-kruisvaarders; keizerin Xaveria, goudgeharnast te paard voor Altara’s
-muren, stervende vallend achterover, getroffen door een Turkschen
-pijl...
-
-De prins lag naar ze te staren. Eene doodkalmte scheen hem niets te
-doen voelen, zich niets te doen aantrekken. Bij zichzelve ging hij
-geheel de geschiedenis na van Berengar tot Xaveria toe. Hij wist de
-jaartallen; de tafereelen wolkten voor hem als schoven er gobelins,
-caleidoscopisch, met de verbleekte kleuren van oud kunstwerk. Hij zag
-zichzelven terug, een kleine jongen, in het Imperiaal, in een strenge
-kamer, ijverig leerende; hij zag zijne meesters, die zich afwisselden:
-talen, historie, staathuishoudkunde, volkenrecht, strategie; het had
-zich alles gehoopt op zijne jonge hersenen, zich opgestapeld, zich
-opgebouwd als een toren. Tot afwisseling zijne militaire opvoeding:
-exerceeren, paardrijden, schermen, geleid door generaal Ducardi, die
-hem prees of op hem bromde, of mopperde op de onder-officieren, die hem
-leerden. Rekenen had hij nooit kunnen leeren, van algebra nooit iets
-begrepen; in vele vakken was hij altijd zwak gebleven; in natuurkunde
-en scheikunde bijvoorbeeld. Veel pleizier had hij een tijd gehad in
-mineralogie, in zoölogie en botanie, en later had hij gedweept met
-sterrenkunde. Daarna de hoogeschool en zijne juridische studiën...
-
-Hij herinnerde zich zijne kleine trotsjes van kind en van jongen, toen
-hij, negen jaar oud, luitenant was geworden van de Garde van den Troon;
-toen hij later de Orde van den Kouseband had gekregen van de koningin
-van Engeland en den Zwarten Adelaar van den Duitschen keizer, en het
-Gulden Vlies van de Regentes van Spanje. In zulken kleinen trots had
-zich dan altijd zekere angst gemengd, van mogelijke verplichtingen, die
-de Kouseband of de Adelaar zouden meêbrengen: verplichtingen, die hem
-vaag voor oogen warrelden, die hij niet dorst uitbeelden en nog minder
-vragen aan Ducardi, of zijn vader. Langzamerhand was die dreiging van
-verplichtingen zoo zwaar geworden, en nu, nu waren het de centenaren.
-
-De centenaren. Maar hij bewoog zich niet, vreemd kalm. Toen dacht hij
-terug aan Von Fest, aan de hertogin... Gisteren haar zoen... Flauw had
-hij gelegen op haren schouder en ze had hem gezoend en lang aangezien
-met hare passieblikken. Wat vertelden de adjudanten al niet...
-
-Toen kwam het als met een woeste golf tot hem, bruisend over zijne
-doodkalmte heen...!
-
-Waarom had die man hem gehaat, hem willen vermoorden, hem willen
-slachten als een beest...? Trots trilde in hem op, trots en wanhoop.
-Die man had hem aangeraakt, bezoedeld met zijn adem, hem, den
-kroonprins, den Hertog van Xara. Hij knarste met de tanden van woede...
-Dàt zoû Berengar I zich niet hebben laten doen! Den kop af, den kop
-af... O, dat plebs, dat niet wist, dat niet voelde, dat tegen hem
-opdrong, als schuim warrelde aan hun troon, dat zijne moeder beängstte,
-hoe trotsch ze ook er over heen zag, keizerlijk kalm, in de verte...
-
-Hoe hij het haatte, het haatte, met al den haat, oh! van zijn ras voor
-wie nu vrij waren en eens toch hunne slaven! Hoe hij er onder zoû laten
-schieten, later zoû laten schieten...
-
-Hij zag naar Xaveria; zelve werd ze geschoten, de fiere strijdster;
-achterover viel ze, verwond door den pijl van een Turksch soldaat. En
-hij, dien morgen, als niet Von Fest...
-
-Woest gooide hij zich achterover, begroef hij zijn gezicht in zijne
-handen en snikte. Neen, neen, o neen! Niet schieten, niet dooden, niet
-haten! Zóó was hij niet, zoo kon hij misschien één oogenblik zijn, maar
-zoo wàs hij niet! Hij hield van zijn volk: hij was zoo dankbaar als het
-jubelde, als hij het helpen kon. Hij zoû immers nooit op ze laten
-schieten! Hij wond zich nu maar op. Wat was er in zijne ziel iets
-anders voor hen allen, voor die millioenen, waarvan hij er misschien
-maar duizenden gezien had en maar honderden kende, dan éene groote
-liefde, die overal armen naar hen uitsloeg, om ze te omhelzen? Had hij
-dit niet gevoeld, daar in den zwarten nacht op het Therezia-plein?
-Waren haat en geweld voor hem? Neen, o neen; week was hij, misschien tè
-week, te weifelend, maar hij zoû ouder, hij zoû sterker worden; hij zoû
-willen willen, àllen zoû hij gelukkig maken. O, zoo ze maar van hem
-hielden, hem liefhadden met hunne groote massa van deinende, zwarte,
-schuimende menschenmenigte: zwarte melkweg van krioelende zielen,
-iedere ziel een vonk als zijne eigene; o, zoo ze hem maar liefhadden!
-Maar zij moesten hem niet haten, niet aanzien met zulke
-bloeddoorschoten oogen van haat, niet zulke grove, harige vingers slaan
-aan zijn hals, hem niet willen vermoorden, o God, willen slachten als
-een rund, met een gemeen mes, hem, hun aanstaanden vorst...!
-
-En hij voelde, dat ze hem niet hoorden en niet kenden en niet begrepen
-en niet liefhadden, die allen, en dat ze hem haatten, alleen uit
-instinct, omdat hij op hun troon geboren was!
-
-En zijne wanhoop, hierover, mat zich uit, grenzenloos, woestijn van
-zwarten nacht, die hij eeuwigheden ver om zich heen ried, en hij
-snikte, snikte, als een ontroostbaar kind, omdat dit zoo was, en
-wanhopiger worden zoû, iederen dag, die hem nader brengen zoû zijn
-toekomst van keizer en hùn toekomst: de treurige dag, die over eene
-verwoesting van oude wereld lichten zoû...
-
-Toen werd er geklopt aan eene kleine deur, die deur zacht
-opengemaakt...
-
-—Wie is daar? vroeg hij, verschrikt, voelende den inbreuk op etiquette;
-niet begrijpende, dat Andro door de antichambre niet kwam aankondigen,
-wie het ook zijn mocht.
-
-—Als Uwe Hoogheid vergunt...
-
-Hij herkende de zachte stem der hertogin, stond op, ging naar de deur.
-
-—Kom binnen, mevrouw...
-
-Zij kwam binnen aarzelend; voor de kille gangen van het kasteel had zij
-over haar gedecolleteerde borst een langen mantel omgeslagen...
-
-—Vergeef mij, Hoogheid, als ik inbreuk maak... als ik U stoor...
-
-Hij glimlachte, zeide van neen, verontschuldigde zijn kostuum, verrast,
-gestreeld...
-
-Zij zag, dat zijne oogen nat dreven.
-
-—Ik ben onbescheiden, sprak ze: maar ik kon het niet laten; ik wilde
-voor mij zelve weten, hoe U was, Hoogheid... Misschien heb ik U ook
-willen verrassen, ik weet het zelf niet. Iets drong mij... ik kon niet
-nalaten naar U toe te gaan. U is mijn gast en mijn kroonprins; ik
-smachtte er naar zelf te zien, hoe U was... Aan het diner hield Uwe
-Hoogheid zich goed, maar ik voelde...
-
-Hare stem vloeide zacht eentonig voort, als in druppelen van balsem.
-Hij vroeg haar te gaan zitten; zij deed zoo, hij zette zich naast haar;
-de donkere mantel gleed af en zij was prachtig, de borst bloot, sirene
-in haar parelmoêrachtig lichtgroen moiré. Het trof hem, dat zij de
-juweelen, die zij aan het diner gedragen had, al had afgelegd.
-
-—Ik woû stil tot U komen, door die deur daar, hernam zij; om U nog
-eens, tot U alleen, te zeggen hoe innig dankbaar ik ben, dat Uwe
-Hoogheid behouden bleef...
-
-Hare stem trilde; hare zwarte blikken werden vochtig; de schijn der
-groote kaarsen op zilveren luchters waterde over de zijde van haar
-toilet, speelde met zacht licht en dommelige schaduw in de modelleering
-van haar gelaat, in de glooiing van hare borst.
-
-Hij drukte hare hand; zij hield die vast.
-
-—Uw Hoogheid schreide, toen ik binnenkwam? vroeg ze zacht.
-
-Zijne tranen liepen nog; een snik schokte nog zijn lichaam omhoog.
-
-—Waarom? vroeg zij verder. Of ben ik onbescheiden...?
-
-Hij zag haar aan; in dit oogenblik had hij haar alles kunnen zeggen. En
-zoo hij zich inhield, gaf hij haar toch de essence zijner smart.
-
-—Ik was treurig, sprak hij, omdat ze mij schijnen te haten. Niets maakt
-mij zoo treurig, als hun haat.
-
-Zij zag hem lang aan, voelde zijn verdriet, begreep hem met haren tact
-van vrouw, met haar begrip van hovelinge, dat gerijpt was in de
-onmiddellijke nabijheid harer vorsten. Zij begreep hem: hij was de
-kroonprins, hij moest lijden zijn bizonder kroonprinselijk leed; een
-keizerskelk van smart moest hij ledigen. Het heugde haar, dat zij zelve
-geleden had, zoovele malen en zoo hevig, om liefde, vrouw van passie,
-die ze was; ze begreep, dat zijn leed anders was dan het hare, maar
-ontzettender zeker, daar het hem zoo jong al aangreep, en daar het niet
-was om zijn eigen éene ziel, maar om de millioenen zielen van zijn
-rijk! Ook zij had geleden, dat men haar niet liefhad; ook hij leed zoo.
-En zoo begreep ze hem, in éen oogwenk geheel en al, met geheel haar
-vreemd vrouwehart.
-
-Een trillend medelijden klom als nog niet gekende wellust haar op de
-borst, en als een innig zacht orakel sprak ze de woorden:
-
-—Ze haten U niet allen...
-
-Hij herkende hare sombere passieblikken van gisteren. Hij herinnerde
-zich haar zoen. Hij zag haar lang aan, even weifelend nog voor het
-onbekende. Toen breidde hij zijne armen uit, en als met een doffen
-schreeuw van wanhoop, schor van honger naar troost, riep hij haar tot
-zich in radeloosheid...
-
-—O, Alexa...
-
-Zij glimlachte eerst, glansde, wierp zich toen geheel in zijne jonge
-armen, verpletterde hem daarna aan hare bloote borst. Zij voelde zich
-als een maagd en als eene moeder samen. Maar toen hij zich vastklampte
-in wilde wanhoopspassie aan haar, voelde zij zich niets dan minnares.
-Ze wist, dat hij hare laatste liefde zoû zijn. Ze was er trots
-weemoedig om en helsch gelukkig. Als hagel kletterden hare zoenen op
-zijne oogen neêr...
-
-En in hunne liefde, dien nacht, mengden zij samen den alsem van wat zij
-beiden leden: elk zoekende den troost voor het leven in den ander.
-
-
-
-
-
-IX.
-
- Aan Zijne Allergenadigste Keizerlijke Hoogheid
- Othomar, Hertog van Xara, te Lycilië.
-
- Lipara, Imperiaal, April 18..
-
- Mijn lieve Broêr!
-
-Voor die vervelende couranten het je vertellen, wil ik je zeggen, dat
-onze geëerbiedigde Vader en Keizer, mij van morgen, op mijn tienden
-verjaardag, tot ridder van St. Ladislas geslagen heeft in de Ridderzaal
-van het paleis. Je begrijpt, hoe trotsch ik er op ben. Van de
-plechtigheid zal ik je maar niets vertellen, omdat je je die nog wel
-herinneren zal. Ik was zeer aangedaan, zoo tusschen al die groote
-ridders met hun lange, blauwe mantels, naar onzen Vader toe te wandelen
-en te knielen voor zijn troon; ik had mijn nieuwe uniform aan van
-luitenant van de Garde. De wapenkoning, de markies van Ezzera, hield de
-ridderwet voor op een kussen, waarop ik den eed zwoer. Ik zal wel wat
-klein geweest zijn, met mijn kleinen mantel—het kruis van St. Ladislas
-was er echter even groot op als bij alle anderen—ik voelde dat zij
-allen zoo op mij neêrkeken, en dat is geen prettig gevoel, als je de
-held van den dag bent. Maar ik ben natuurlijk ook de jongste ridder,
-dus mag ik wel wat kleiner zijn. Den degen, dien onze Vader mij gaf, is
-dan ook wat kleiner dan die van de andere ridders, maar het gevest is
-nog al mooi en schittert van kostbare steenen. Ik geloof echter, dat ik
-de scheede van jouw degen mooier gecizeleerd vind, maar als ik achttien
-jaar ben,—dat is dus over acht jaar!—krijg ik toch een anderen degen en
-natuurlijk een anderen mantel ook.
-
-Mama was vreeslijk ontsteld en zenuwachtig, toen zij van dien man
-hoorde, die je heeft aangevallen, en ze woû hebben, dat je dadelijk
-terugkwam, omdat het daar niet veilig scheen te zijn; en ze begreep
-maar niet, dat dat niet kon. Maar veilig, wat is er nu veilig! In den
-oorlog ben je toch ook niet veilig, en hier in het Imperiaal zelfs ook
-niet. Aan die veiligheid moet je maar niet zooveel denken, vind ik,
-maar natuurlijk: Mama is een vrouw, en daarom denkt ze anders dan wij.
-De standjes en de staat van beleg maken haar ook zenuwachtig, maar ik
-vind het wel aardig; het is nu alles militair, weet je? Die Von Fest is
-een flinke vent; het zoû me plezier doen, hem eens de hand te schudden
-en hem zelf te bedanken; nu ik dat niet kan doen, verzoek ik je
-nadrukkelijk het voor mij te doen, en het vooral niet te laten. Je weet
-zeker wel, door generaal Ducardi, dat Papa hem Commandeur van den
-Rijksappel wil maken; wat jammer, dat we hem niet ridder van St.
-Ladislas kunnen slaan, maar dan zoû hij natuurlijk Lipariër en geen
-Gothlander moeten zijn.
-
-Nu, lieve broêr, moet ik eindigen, want kolonel Fasti wacht mij voor de
-schermles. Doe mijn beste groeten aan Herman en generaal Ducardi, en
-groet de anderen voor mij; en wees zelf innig omhelsd door je
-liefhebbenden broêr
-
-
- Berengar.
- Markies van Thracyna,
- (Ridder van St. Ladislas.)
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-DERDE HOOFDSTUK.
-
-
-I.
-
-Het was na de opening van het nieuwe Parlement; de zon vloeide als met
-rechte vakken gesmolten goud langs de witte paleizen der stad en
-blauwde alleen wat schaduw was, in de hoeken.
-
-In twee maal twee gelederen, opgesteld langs de trottoirs der
-hoofdstraten, die voerden van het Paleis der Parlementen tot het
-Imperiaal toe, stonden twee regimenten der infanterie, grenadiers, rood
-en blauw. Achter ze drong en woelde, joelde de menigte; alle vensters,
-open, wemelden vol gezichten; van alle balkons zag men toe. Een schot
-daverde van Wenceslasfort aan zee; de keizer keerde terug; compagnie na
-compagnie prezenteerde de infanterie het geweer...
-
-De lanciers voorop, blauw en wit, wemelend met wimpels aan de punt van
-de lans, zes escadrons. De geheele Garde van den Troon; wit, met
-kurassen van spiegelend goud, zonneflitsend boven het satijnzwart der
-hengsten, de hellebaard op de dij, omstuwend de zacht wiegelende
-galakoetsen, zwaar verguld en spiegelkristal, flonkerend en twee
-gekeizerkroond, met zes- en achtspannen van gepluimkopte schimmels. De
-paarden schuimen op hunne gebitten, ongeduldig, pezig gebogen de
-pooten, trappelend om den langzamen stap van ceremonie, over de
-verblindend vierkant geplaveide straten heen. In de eerste koets, de
-opperceremoniemeester, graaf de Threma; in de tweede met de kroon en
-het achtspan—en het gegons van gejuich stijgt op achter de haie der
-soldaten—de keizer, de uniform éen goud, den mantel hermelijn en
-scharlaken, de kroon op het hoofd. Het is de eenige maal, dat het volk
-hun keizer gekroond ziet.
-
-En het juicht. Maar de keizer groet niet terug; links en rechts,
-beurtelings, ziet hij door het kristal van de koets naar de menigte met
-een trotschen glimlach van zelfbewustheid en overwinning, en zijn
-gelaat, vol ras, vol kracht, koud van wil, trotsch van gezag, is
-ongenaakbaar in zijn glimlach als van een imperator, op zijn zegetocht.
-
-Zegetocht is ze, die gang van het Paleis der Parlementen naar zijn
-Imperiaal terug; zege over wat men hem betwistte, en waarop hij nu zijn
-zware hand gelegd heeft, hun allen toonende, dat de wil van hem alleen
-hen buigen kan naar zijn woord en wensch. En het gejuich stijgt luider
-op en luider uit die grillige menigte, bedwongen als een vrouw door een
-heerscher, dien zij nu aanbidt om zijn kracht, bewondert om zijne
-keizermacht, welke hij steunt van het Parlement tot zijn eigen paleis
-toe, als met een geheel leger, dat leeft op zijn wenk; en luider en
-luider, luider en luider, galmt het leve door den zonmiddag de marmeren
-huizen te boven, en de keizer glimlacht, glimlacht altijd, of zijn
-glimlach meent: juicht, ge kunt wel niet ànders dan juichen...!
-
-In de volgende koets de hertog van Xara, gemanteld, gekroond; strak
-staart hij over het galmend gewoel met den zelfden blik van zijne
-moeder over de volksmenigte. In de daarop volgende de nieuwe
-gouverneur-generaal der rezidentie, chef van het Militaire Huis van den
-keizer, de hertog van Mena-Doni, ruwer soldaat en minder hofman dan de
-Markies van Dazzara, en onder wiens militaire vuist de blanke
-rezidentie, als een geranselde slavin, krom heeft gekropen tijdens den
-staat van beleg, afgekondigd na éen enkel uur van ongeregeldheid, dat
-had durven volgen op het besluit van den keizer om het Huis der Standen
-te ontbinden. Zijn grove, zinnelijke mond glimlacht ook met den zelfden
-glimlach van den keizer, wiens ruwe kracht hij schijnt te
-verpersoonlijken, en ook hij schijnt te zeggen: juicht maar toe, roept
-maar: leve!
-
-Dan de volgende koetsen: De Rijkskanselier, graaf Myxila; de ministers;
-zeven onder hen de zelfde der twaalf, die hadden willen heengaan, de
-anderen onder de autoritairsten van den ouden adel van het Huis van
-Adel zelve gekozen!
-
-Juicht maar toe, roept maar leve...
-
-Achter de koetsen der opperhofdignitarissen de kurassiers van Xara, het
-eigen regiment van den kroonprins; daarachter een regiment der
-Colonialen: Afrikanen; moorwit als glimmend ebbenhout, de oogen kralen,
-de monden dik vooruit, in het mousseline-achtige sneeuw der burnoussen;
-achter hen twee regimenten huzaren op zware paarden, in hun lange
-groene jassen met gouden brandebourgs en hooge kolbakken.
-
-Is ooit het Parlement zoo geopend geworden, met zulk vertoon van
-strijdbare macht? En buiten de stad, op het hooge Marsveld, weet het
-volk niet, dat er troepen uit alle gouvernementen zijn samengetrokken,
-en er kampeeren, om de manoeuvres, die vervroegd zijn? En de sterkere
-bezetting der forten, het eskader in de haven? Voelt het volk zelve,
-dat het niet anders dan juichen kàn, en juicht het nu maar ook, zelve
-weêr gelukkig om zijn gejuich, met Romaansche buigzaamheid en
-zuidelijke inschikkelijkheid, en verliefd op den keizer om het gewicht
-van zijn pletterende vuist, den kroonprins beminnend om de sympathieke
-innemendheid van zijn doen in het Noorden; misschien wel: omdat zij hem
-interessant vinden na een mislukten aanslag op zijn leven?
-
-En het schijnt hun niet te deeren, dat zij door de, geweer
-prezenteerende, grenadiers heen noch den keizer, noch den kroonprins,
-groeten zien; zij juichen, hen, ondanks, òm hunne koelheid misschien
-beminnend; zij juichen als dollen...
-
-Langzaam gaat de stoet van ceremonie door de eindeloos lange
-hoofdstraten voort. De geheele stad, trots haar marmer, dreunt van den
-hoefslag der paarden, op het vierkant plaveisel. Tusschen de voorhoede
-en de eindelooze achterhoede schemeren de galakoetsen met hare
-schitterende Troongarde als iets van juweel, klein, weinig, zorgvuldig
-bewaakt. De cavalerie is op dit oogenblik de ziel van Lipara; de
-daverende stap haar hartslag, en tusschen de grenadiers en de hooge
-huizen, schijnt het samengedrongen, dóórjuichende volk nauwelijks
-ruimte te hebben tot ademen.
-
-De stoet nadert het Imperiaal. Langs het kolossale marmeren voorplein
-scharen zich de lanciers en kurassiers aan drie zijden, voor de
-zijvleugels en langs de facade. Vóór hen schaart zich de Garde. De
-Afrikanen sluiten het plein af...
-
-De koetsen rijden voor; de keizer is uitgestapt. Met den kroonprins aan
-zijne zijde, gaat hij door de vestibule, de trappen op. De galerijen
-van het paleis wemelen van gouden uniformen, een dicht gevolg stuwt
-zich achter Oscar en Othomar. De grootmeester van de garderobe met
-twaalf kamerjonkers treedt den keizer tegemoet, die, evenals de prins,
-de kroon aflegt; de mantels worden hun losgehaakt.
-
-Zij gaan naar de groote Witte Zaal, wit van de Corinthische zuilen, met
-vergulde kapiteelen; de keizerin, de prinses Thera, te midden van hare
-dames zijn daar. Het is een groote dag; de monarchie triomfeert met die
-zonne-apotheoze van parlementsopening over de dreiging van toekomst
-heen en duwt die toekomst zelve terug. De keizerin, in haar slepend
-licht violet fluweel, treed haar gemaal tegemoet en nijgt voor hem, in
-ceremonie. De prinses, de grootmeesteres, de dames nijgen...
-
-Buiten, vóór, is het plein nu gevuld met de menigte; een opgewonden
-volksgeschreeuw schalmeit tegen het onwrikbaar paleis op, als eene zee
-tegen een rots. De deuren van het middelbalkon worden geopend. De
-keizer en de prins zullen zich vertoonen...
-
-—Groet maar héel even, fluistert de keizer streng tot zijn zoon.
-
-De zon regent buiten goud neêr op het gewoel, kleurt het dwarrelig,
-bewegelijk, zuidelijke bont tusschen de witte, onbewegelijke
-voor-zijvleugels van het Imperiaal, waarvan de kariatyden roerloos
-neêrzien. De vorsten stappen op het balkon. De hoeden zwaaien naar hen
-op; het geschreeuw bulkt met éen luidruchtig vulgairen keelgalm naar
-boven en schoot door de open deuren tegen het verguld plafond en de
-zuilen der Witte Zaal aan. De keizerin verschrikt er om, verbleekt;
-hare adem stokt...
-
-Op het balkon groet de keizer van Liparië met een enkele wuiving van
-hand zijn opgetogen volk tegen, de hertog van Xara buigt licht het
-hoofd.
-
-
-
-
-
-II.
-
-Van Grondwetherziening en hervorming van het erfelijk Huis van Adel was
-geen sprake meer. De drie kwart constitutioneele meerderheid, door de
-Grondwet vereischt in het Huis der Standen om zulk een voorstel in
-overweging te kunnen nemen,—in den aanvang aanwezig,—bestond niet meer
-na de nieuwe verkiezingen. Oscar, aanstonds na zijne terugkomst uit
-Altara, had hun zijn durvende kracht getoond. De troepen verzameld om
-Lipara; nu goed, voor de manoeuvres, om den koning van Syrië, die komen
-zoû. De forten versterkt. Het eskader in de haven. Toen het keizerlijk
-besluit, dat het Huis der Standen eenvoudig... zoû worden ontbonden.
-Hoe ze geschreeuwd hadden, na de afkondiging van dat besluit, in
-couranten en op straat! Een oogenblik ’s avonds iets van een oproer.
-Maar de keizer, woedend, over het niet onmiddellijk krachtdadig
-optreden van den markies van Dazzara, had dezen den volgenden morgen
-zijne hooge ontevredenheid betuigd. De markies voelde, dat er met de
-ongenade van den keizer op zekere oogenblikken niet te spotten viel; de
-keizer deelde hem zelve op staanden voet zijn ontslag mede, en zeide,
-dat hij gaan kon. Verpletterd, de wanhoop in de oogen, verliet de
-markies het Imperiaal; op het voorplein kruiste zijn rijtuig dat van
-den hertog van Mena-Doni, luitenant-generaal der huzaren; hij zag den
-sensueelen Nerokop van den hertog, begeerlijk van ambitie, opgluren
-naar de façade van het paleis. De markies had zich in den hoek van zijn
-rijtuig teruggegooid en handen gewrongen, geweend als een kind...
-
-Dien zelfden morgen werd Lipara in staat van beleg verklaard; de hertog
-van Mena-Doni tot gouverneur der rezidentie benoemd. Met groot militair
-vertoon en drie woorden toespraak ontbond de keizer het Huis der
-Standen. Het volk trilde, afgezweept, neêrgeranseld, tot kruipen
-gebracht aan de keizerlijke voeten. De nieuwe verkiezingen werden
-uitgeschreven. Moest het volk getuchtigd worden om zijn keizer lief te
-krijgen? Was het om de tallooze artikels in de couranten der
-Noordelijke gouvernementen, Altara, Vaza en Lycilië, die geheel hare
-sympathie schonken aan hun allerinnemendsten, weldoenden kroonprins,
-onvermoeid overal zijnde en lenigend wat hij kon? Was het om de
-kolossale fabelachtige giften van millioenen uit de keizerlijke kas
-zelve geschonken voor de slachtoffers van de ramp? De uitslag der
-verkiezingen werd bekend; het Nieuwe Huis der Standen telde eene
-machtelooze luttele meerderheid van constitutioneelen. Wat hielp het of
-de liberale bladen schreeuwden van geknoei en pressie! Buiten en binnen
-de stad lag het leger; iederen dag vertoonde zich de keizer, en aan
-zijne zijde, de hertog van Mena-Doni...
-
-De keizer verzocht het oude Ministerie te blijven, maar ontsloeg de,
-niet volstrekt autoritaire, ministers.
-
-De crizis was ten einde. Op het Marsveld zouden de groote
-voorjaarsmanoeuvres plaats hebben, zoodra de koning en de koningin van
-Syrië te Lipara waren.
-
-In Othomar rees eene hooge bewondering voor zijn vader. Hij had hem
-niet lief, met de teederheid, de vertrouwelijkheid, bijna nog
-kinderlijke aanhankelijkheid, waarmeê hij de keizerin liefhad; hij had
-altijd tegen hem opgezien, was als kind bang voor hem geweest. Nu, na
-den persoonlijken moed, dien hij den keizer had zien betoonen, de
-heerscherskracht, die hij had uitgeoefend, rees zijne Majesteit voor
-Othomars oogen hooger als met de gestalte van een halfgod. Zichzelven
-voelde hij daar klein mensch bij, als hij dacht: wat zoû ik gedaan
-hebben, als ik hierin had moeten doen? Had ik dadelijk het besluit
-durven nemen van eene ontbinding der Standen, en zoû ik niet gevreesd
-hebben voor een onmiddellijke revolutie in alle deelen des lands? Zoû
-ik, na de ongeregeldheden, dadelijk den markies van Dazzara hebben
-kunnen ontslaan, als een lakei hebben durven wegzenden, verknocht als
-hij was aan ons Huis, en stammende uit onzen roemrijksten adel! Zoû ik
-dien hertog, dien condottiere, met zijn wreeden kop, nog vóor ik den
-markies had ontslagen, reeds tot mij hebben durven roepen, zoodat de
-een kwam, toen de ander wegging!
-
-En, in zijne verbeelding, zag hij zich reeds weifelen; niet weten, wat
-het beste, vooral niet wat het rechtvaardigst zoû zijn; stelde hij
-zichzelven voor: geraden door den ouden graaf Myxila, ten laatste dan
-besluiten de Standen te ontbinden, maar den markies niet ontslaan.
-Lipara niet in staat van beleg verklaren, en de troepen te laat
-verzamelen, en de revolutie tegelijkertijd overal zien ontknallen als
-met bom op bom...
-
-Het rechtvaardigste, dit scheen hem het allermoeilijkst te doen voor
-een vorst.
-
-Maar de monarchale zege van den keizer maakte dat, hoe waar hij ook in
-zichzelven zijne zwakte zag, een weêrschijn van kracht en beslistheid
-op hem afstraalde van zijn vader zelven, aan wiens zijde hij stond.
-Daarbij had hij niet veel tijd tot peinzen. Iedere dag bracht zijne
-eigenaardige plichten meê. Nauwelijks éen enkel uur eenzame rust kon
-hij zich maken. Hij was gewend aan dit leven van zich altijd bewegen,
-zich altijd voordoen, nu hier, dan daar, er zoo aan gewend dat hij niet
-voelde de vermoeienis, die hem reeds vóór de tournée in het Noorden
-afmatte, en zich als ingekankerd had in zijn merg en zijne zenuwen. Hij
-dacht over die vermoeienis niet na, beschouwde ze misschien als eene
-organische loomte, iets tijdelijks, dat wel zoû overgaan. En iedere dag
-bracht het zijne. Zoo was hij gewend vroeg op te staan, altijd om zeven
-uur; Lipara lag dan nog in haren rozen sluimer van morgenlicht, stil
-wit; hij reed dan op zijn volbloed Arabier, zwarten Emiro,—even achter
-zich zijn lievelings-Schotschen-herdershond, meê galoppeerend, den
-spitsen snuit gestrekt, den kraag van haren hoog opgezet—; zonder
-adjudanten ging hij het park van het Imperiaal door, naar de
-Elizabethparken—des middags het rendez-vous der elegante equipages en
-cavaliers,—des morgens stil en wijd verlaten, met nauwelijks éen
-enkelen vroegen ruiter, die eerbiedig voor den prins front maakte en
-den hoed diep afnam. Dan reed hij langs de witte kaden met hare villa’s
-en palmen, hare terrassen en aloë’s en de onvergelijkbare haven lag
-voor hem, steeds intenser opblauwend onder het roze licht van den
-morgen, dat straffer werd. Verder op, de dokken, de schepen; daar
-gonsde er al de werkzaamheid. Langzaam stapte hij de haven langs; in de
-portieken der villa’s zag hij soms iets van de figuur eener vrouw, en
-hare oogen hem nakijken door rozen en clematis heen. Die rit was hem
-lief, om de zachte frissche lucht, om zijn paard, zijn hond, om de
-eenzaamheid met hen beiden, om de lange stille kaden, den wijden
-stillen hemel, den verren horizont, die nog even nevelde in laatsten
-morgenmist. De morgenbries aanwaaide zijn voorhoofd onder zijn
-uniformpet; de gedachten dwaalden doelloos door zijn brein. Dan schudde
-hij zich los uit dien wellust, reed terug naar de stad en ging naar de
-Xaveriuskazerne, die der lanciers, naar de Wenceslaskazerne, der
-grenadiers of naar de Berengarkazerne, die der huzaren. Hier vroeg hij,
-onderzocht hij, inspecteerde hij, en vond er zijne adjudanten, Dutri en
-Leoni; met hen reed hij terug naar het paleis, en begaf zich naar het
-kabinet van zijn vader; het was het uur, dat graaf Myxila bij den
-keizer kwam, en de staatszaken met den Rijkskanselier behandeld werden;
-de kroonprins was daarbij den laatsten tijd tegenwoordig. Dan zocht hij
-de keizerin op, die hem wachtte; het was meestal een allerliefst
-moment, dat zij samen vertrouwelijk waren vóór het lunch; vol charme
-van intimiteit. Dicht zat hij naast haar op een lagen stoel, nam hij
-hare hand, stortte de bezwaren van zijn hart bij haar uit, deelde haar
-mede zijn onrust over de toekomst, over zichzelven als hij later zoû
-dragen de kroon. Zijne oogen tuurden dan onder op door hunne wimpers,
-met hunne zwarte melancholie; zijne stem klaagde en vroeg om troost. En
-zij bemoedigde hem; zij zeide, dat niets gebeurde, dan wat gebeuren
-moest, dat alles noodzakelijk was in de groote, schalm aan schalm
-aaneengeschakelde, wereldorde; dat hij af moest wachten, maar
-tegelijkertijd naar zijn eigen gevoel zijn plicht moest doen, en dat
-hij zich niet ontzenuwen moest, door zulk eindeloos, niets oplossend
-gepeins. Hij zeide haar, dat hij zoo bang was voor zijne eigen
-weifelingen, en hoe hij vermoedde, dat zijne besluitnemingen altijd te
-laat zouden komen en zij antwoordde hem zacht lachend, dat zoo hij zóo
-goed zijne eigen gebreken kende, hij zich moest trainen in beslissen;
-hij vroeg haar naar de rechtvaardigheid—de onmogelijkheid voor hem op
-aarde—zij wees hem op zijn eigen gevoel van menschelijke ziel. Maar
-toch, hoe innig zoet deze uren waren, hij voelde, dat hij de zelfde
-bleef onder hun gewissel van woorden, en dat, zoo de woorden gewisseld
-waren, er niets in hem veranderd was. Hierom vond hij zich slecht en
-meende hij, dat hij zijne moeder niet genoeg liefhad, met niet genoeg
-overtuiging. Dan zag hij haar aan, zag haar glimlachen, ried onder
-haren glimlach dien nerveuzen angst, die haar nooit meer los zoû laten,
-en voelde, dat zij zoo alleen sprak om hèm, om hem op te beuren en niet
-uit overtuiging. En de gedachten dwaalden niet meer losjes door hem
-heen, als op zijn morgenrit aan de kaden: ze vielen als fijne nevels op
-elkaâr in zijn verbeelden en vormden zijn weemoed.
-
-Het lunch was intiem. Na het lunch pozeerde hij een uur voor Thera, die
-schilderde en zijn portret maakte. In den namiddag waren er altijd
-verschillende bezigheden; tentoonstellingen, liefdadige instellingen,
-inrichtingen van allerlei aard te bezoeken, den steen te leggen van een
-gebouw, een oorlogschip te laten loopen van stapel. Iedere minuut was
-gevuld, en iederen dag vulde zijne minuten anders dan de vorigen. Het
-diner werd altijd met groote etiquette en splendeur gebruikt; iederen
-dag waren er talrijke genoodigden, diplomaten, hooge ambtenaren,
-officieren. Het duurde lang, was iederen dag het ceremonieel gastmaal
-van een keizer. Dan des avonds de feesten aan het hof, of ten huize der
-ambassadeurs of dignitarissen; de comedies en concerten. De prins bleef
-echter nooit laat. In zijn eigen kabinet zat hij dan nog een paar uur
-te lezen, te werken; hij ging om twaalf uur naar bed.
-
-Aan dit leven van eentonige afwisseling was hij gewend, er in gegroeid.
-Zoodra hij van Lycilië terug was te Lipara—de stad toen nog in staat
-van beleg—wachtte het hem drukker dan ooit; de opening van het
-Parlement was gauw op zijne terugkomst gevolgd. De keizer was tevreden
-geweest over de houding van den kroonprins in het Noorden, misschien om
-den lof, die de Noordelijke couranten den hertog van Xara, vol
-sympathie, schonken; om zijn oogenblik van populariteit. Hij wilde zijn
-zoon meer en meer laten deelen in de staatszaken en sprak meer met hem
-over ze, alleen of met den Rijkskanselier. De strenge maatregelen
-echter van ruw geweld, die de hertog van Mena-Doni genomen
-had,—hijzelve te Lipara, en zijne officieren te Thracyna: hevige
-charges der huzaren op de dringende menigte—waren Othomar tegen
-geweest: hij had ze met wanhoop en smart vernomen, en toch geweten, dat
-met zachtheid niets ware verkregen. En in zijn opzien tegen den keizer,
-als tegen een halfgod van wil en van kracht, mengde zich iets van
-antipathie en onwil, dat hem van zijn vader stiet, en moeilijk maakte
-gedachtewisseling tusschen hen beiden.
-
-Nu, na de opening van het Parlement, was de stad, het geheele land,
-kalm geworden; de troepen echter bleven op het Marsveld, voor de
-aanstaande manoeuvres. De komst der Syrische vorsten was bepaald.
-Othomars dagen volgden zich weêr op als vroeger. Verschillende diners
-werden hem aangeboden, door de officieren der Garde van den Troon, en
-der andere corpsen, waarin hij zijn rang bekleedde. Ja, het was zijn
-oogenblik van populariteit. Men citeerde reeds, dat zijn bijnaam later
-zoû klinken als Othomar de Weldadige. In deze dagen legde hij den
-eersten steen van een groot Huis der Armen, tot welker stichting de
-erfenis van een schatrijken, kinderloozen hertog—een der oudste
-geslachten van Liparië, dat uitstierf,— millioenen had bijgedragen.
-
-Othomars zachtheid maakte een innemend contrast met de, juist
-uitgeoefende, ruwe kracht van Oscar. Hijzelve was echter innerlijk zeer
-verbaasd over zijn roep van weldadigheid; hij deed gaarne goed, maar
-voelde zucht tot goed-doen niet als hoofdtrek van zijn karakter in
-zich. Hij voelde integendeel géen hoofdtrek in zich.
-
-Na het diner hem door de officieren van den Staf aangeboden, zoû
-Othomar des avonds met Ducardi, Dutri en Leonie gaan naar den hertog
-van Yemena, om den opperhofmaarschalk officieel dank te zeggen voor de
-gastvrijheid hem op Castel Vaza betoond. De hertog bewoonde in Lipara
-een groot nieuw hôtel; zijn oud familiehôtel was te Altara.
-
-Het was negen uur. De kroonprins werd nog niet verwacht. De hertog en
-de hertogin echter ontvingen reeds hunne invité’s; de hertogin had,
-toen Othomar zijn bezoek had doen aankondigen, talrijke uitnoodigingen
-gedaan. De ruime receptiesalons vulden zich. Bijna geheel het corps
-diplomatique was tegenwoordig; enkele der ministers en groote charges
-van het hof, met hunne dames; de oude gravin Myxila en hare dochters,
-tal van officieren. Het was de intime kring van het Imperiaal; eene
-brutale gemeenzaamheid ging onder hen om, met het sans-gêne, dat in de
-mode was.
-
-Bij de hertogin stonden Lady Danbury, de vrouw van den eersten
-Engelschen secretaris en de markies van Xardi, de zoon van den hertog.
-Zij praatten druk over de Dazzara’s.
-
-—Ik heb ze gezien, zei Lady Danbury. Het is verschrikkelijk,
-verschrikkelijk. Ze wonen nu op Castel Dazzara, die oude ruïne in
-Thracyna, met hun vijf dochters, poor things! De plafonds vallen in.
-Drie kromme oude bedienden in liverei, en de liverei ouder nog dan de
-bedienden. En schulden, naar men zegt, schulden! Ik stond verbaasd, dat
-de markiezin zóo oud was geworden: ze heeft het zich vreeselijk
-aangetrokken, schijnt het.
-
-—Oud geworden? vroeg de hertogin. Ik vond haar nog zeer jong, den
-laatsten keer, dat ik haar zag...
-
-Ze haatte Lady Danbury, die lang, mager en spits van trekken was, en
-iets had van een gracieuze adder. En ze vervolgde:
-
-—Ze zag er nog zoo goed uit; ze is tenger, maar ze heeft een prachtigen
-hals... Ik begrijp heusch niet, dat ze zóo oud kan zijn geworden...
-
-En als peinzende over dit raadsel, tuurt de hertogin naar de te magere
-schouders van Lady Danbury.
-
-De oogen van Xardi schitteren; hij vermoedt een schermutseling.
-
-—Men zegt, dat de markies un de vos intimes was, vroeger, niet waar?
-insinueert de Engelsche. Het hatelijke “vroeger” valt Xardi echter
-tegen.
-
-—Ik hoû veel van de Dazzara’s, zegt de hertogin; maar... en ze lacht
-geheimzinnig met bedoeling; hij is altijd een ongeluksvogel geweest...
-
-—Zijne Excellentie, den hertog van Mena-Doni! kondigt de hofmeester
-aan.
-
-—De opgaande zon! fluistert Xardi tot Lady Danbury.
-
-Mena-Doni buigt zich reeds voor de hertogin, die hem tegenlacht. Lady
-Danbury, aan de zijde van Xardi, is doorgegaan.
-
-—En de geluksvogel, denkt u? vraagt ze.
-
-—O neen! zegt Xardi beslist. Ten minste, niet heelemaal...
-
-Ze zien elkaâr aan, en lachen.
-
-Keizerlijke adelaren blijven toch de mooiste vogels, niet waar?
-schertst Lady Danbury.
-
-—Wat weet u daarvan?
-
-—Helaas, mijn nederige persoon niets. Eer ik het zoover in zoölogie
-breng...!
-
-—Maar wat heeft u dan gehoord?
-
-—Wat iedereen hoort, als Dutri niet zijn mond kan houden.
-
-—Omtrent wat?
-
-—Omtrent zeker teeder afscheid op Castel Vaza...
-
-De markies van Xardi schatert van het lachen. Lady Danbury klemt in
-eens zijn arm.
-
-—Zeg, Xardi, ik weet wel mindere tengere personen, dan de markiezin van
-Dazzara, die zouden vervallen om de keizerlijke disgrâce. Et toi?
-
-De markies lacht luid meê, en:
-
-—Zelfs maar een kroonprinselijke... fluistert hij, achter den
-Watteau-waaier van Lady Danbury; ze proesten van het lachen samen.
-
-—Zijn Keizerlijke Hoogheid, de Hertog van Xara; hunne Excellenties,
-graaf Ducardi, prins Dutri, de markies van Leoni! luidt het plechtig,
-langzaam aangekondigd.
-
-Er ontstaat eene lichte emotie in de groepen. Men schaart zich en haie
-door de zaal; een paar dames verwarren zich in hare slepen en lachen.
-Zoo wacht men.
-
-Othomar verschijnt aan de opene deur; Ducardi, Dutri en Leoni zijn
-achter hem. De oude hertog haast zich den prins tegemoet; de markies
-van Xardi heeft Lady Danbury haastig haren waaier in de hand geduwd, en
-voegt zich bij zijnen vader.
-
-De oude hertog is een fijne magere man, vol geäffineerd ras, met geheel
-gladgeschoren gelaat; hij is eenvoudig in rok, met het breede groene
-Commandeurslint van den Rijksappel dwars over de borst, en het
-grootkruis van St. Ladislas om den hals.
-
-Othomar draagt zijn groot-uniform van chef van het regiment der
-kurassiers van Xara: zilver, rood en wit. Zijn helm met vederbos houdt
-hij onder den arm. Hij drukt den hertog de hand, spreekt hartelijke
-woorden tot hem. Maar in de naïveteit zijner jongensziel voelt hij
-bittere wroeging knagen aan iets van geweten, nu hij zoo spreekt van
-Castel Vaza, nu hij de innige betuigingen van den hertog aanhoort. Ook
-den markies van Xardi drukt Othomar de hand.
-
-Nu is ook de hertogin nader gekomen en begroet zij den kroonprins met
-hare beroemde nijging. Lady Danbury benijdt heure gratie en vraagt zich
-af, hoe ze mogelijk is met die sculpturale vormen: ze kan zich niet
-ontkennen, dat de hertogin van Yemana een splendide vrouw is...
-Tusschen den hertog en de hertogin gaat de prins door de haie der
-gasten, die buigen; de markies van Xardi volgt met de adjudanten.
-
-Othomar heeft de hertogin na zijn terugkeer in Lipara wel eenige malen
-in het Imperiaal gezien, maar niet alleen. Zij wisselen nu hoffelijke
-woorden, met officieele stembuiging en klank. De groepen vormen zich
-weêr, als op een intimen raôut.
-
-De hertogin is met Othomar verder gegaan, tot de lange serre toe,
-weinig verlicht, groen schemerend, met het voornaam palmgeblader der
-groote planten, met het fijn gewemel der bamboezen, die tegen de
-vierkante ruiten parelen dauw aanademen. Zij zwijgen een oogenblik,
-zien elkaâr aan. En Othomar voelt, dat zijne aandoeningen om deze vrouw
-niets zijn dan vluchtende momenten, wolkjes in zijne ziel. Het
-onbekende is voor hem opengegaan, maar werd hem désilluzie. Toch is hij
-haar dankbaar voor wat zij hem gaf: den troost harer passie, toen zijne
-oogen nog nat van verdriet waren. Zij heeft hem gesterkt door dien
-troost en hem man gemaakt. Maar alles in het leven is dubbel en zijne
-dankbaarheid heeft eene weêrzijde van zonde; hij ziet den hertog ginds
-een druk gesprek, onderlijnd met fijne, prezieze gebaren, houden met
-Ducardi; en de wroeging vlijmt zacht zijne jongensziel.
-
-En naast zijne dankbaarheid, voelt hij zijne désilluzie. Liefde, is dit
-liefde...? Hij voelt niets; in zijne ziel is niets nieuws gekomen. Hij
-ziet hoe heerlijk mooi de hertogin is, in haar ivoorkleurig broché, den
-sleep met donker bont omzet, de borst vierkant ontbloot, een ris
-parelen om den hals. Het half-licht zweemt door de planten
-sprookjesachtig groen langs haar heen met zachte dommeling en schaduw
-vol geheim; haar gelaat is fijn glimlachend op den achtergrond van
-gedoezeld donker. Hij herinnert zich haar zoen en de dolle omhelzing
-harer armen. Ja, het was een zalige ontzenuwing, een dronkenschap van
-het vleesch, nog niet gekende bedwelming, fyzieke troost. Maar liefde,
-was het liefde...? En hij moest wel besluiten: misschien is het liefde,
-en al voelt hij het gemis in zijne ziel, hij besluit toch: ja,
-misschien is het dat... liefde.
-
-—En wanneer zie ik Uwe Hoogheid weêr? fluistert ze.
-
-De vraag is ruw gedaan en verwondert hem. Maar deze enkele seconde van
-even-alleen-zijn is der hertogin zoo kostbaar, dat zij wel niet anders
-kan. Ze ziet zijne verwondering en aanbidt hem om zijne naïveteit. En
-hare oogen zien hem zoo dringend aan, dat hij antwoordt:
-
-—Morgen dineer ik bij den Franschen gezant; daarna ga ik naar de
-opera... Kan ik u om elf uur hier vinden?
-
-Hij verwondert zich om den logischen gang zijner gedachten, om zijn
-vraag, die hem zoo vreemd in de ooren klinkt. Maar zij antwoordt,
-verlegen lachend:
-
-—In Godsnaam, Hoogheid; hier niet, om elf uur! Hoe zoû dat kunnen...!
-Maar... kom bij... Dutri...
-
-Ze stamelt het; ze herinnert zich het weelderige appartement van den
-adjudant en ziet er zich terug... met anderen. En in hare verwarring
-merkt ze niet, dat ze hem zeer pijn heeft gedaan en zijne
-teêrgevoeligheid als met scherpe nagels gekrast heeft; vooral merkt ze
-dit niet, omdat hij antwoordt, verward:
-
-—Goed...
-
-Zij komen lachend, met hunne officieele, blanke stemmen terug, wandelen
-langzaam; hij, zoo jong in zijn gezilverde uniform, den helm, waaraan
-de veeren hangen, onder zijn natuurlijk bevallig geronden arm; zij,
-opluikend in glans, den ivoorkleurigen sleep lang slepend achter haar
-aan, den waaier van pluimen en brillant op en neêr slaand op haar borst
-met het grein van Carrarisch. Alle oogen zien naar ze en letten den
-triomf der hertogin op...
-
-En Othomar weet nu, dat zijne “liefde” zal worden, wat men een liaison
-noemt, en waarvan hij hoorde van die en van die, en waarvan hij las in
-romans. Hij had zich deze regeling zoo nog niet voorgesteld. Hij weet
-niet hoe hij aan Dutri zeggen zal, dat hij der hertogin ten zijnent
-rendez-vous heeft gegeven, en als hij denkt aan den adjudant, brokkelt
-iets van zijn ingeboren vorstelijkheid af als met kleine stukjes marmer
-of albast van een tengere zuil...
-
-Den hertog en den generaal naderend, spreekt hij over de aanstaande
-manoeuvres. De hertogin ziet hij nu op een afstand en Mena-Doni buigt
-zijn Nero-kop tot vlak bij haar gelaat. In zijne groote antipathie voor
-dien man mengt zich jaloezie. En terwijl hij glimlachend naar den
-hertog van Yemena hoort, meent hij nu zeker te weten, dat zijne liefde
-toch wel liefde is, omdat er jaloezie bijkomt.
-
-
-
-
-
-III.
-
-Den volgenden morgen, toen Othomar alleen paard reed, dacht hij den
-geheelen tijd aan Dutri. De moeilijkheid van een gesprek met zijn
-adjudant, scheen hem iets onoverkomelijks. Zijn hart klopte nu hij
-Dutri ontmoette, die hem wachtte in de Xaverius-kazerne. Maar de jonge
-officier wist hem in te fluisteren, zóo kalm hoffelijk, alsof dit alles
-de eenvoudigste zaak ter wereld was:
-
-—Ik sprak de hertogin van Yemena, Hoogheid... Hare Excellentie zei me,
-dat Uwe Hoogheid haar in het geheim wilde spreken, en mij de eer
-aandeed... Neemt Uwe Hoogheid dezen sleutel...
-
-Othomar nam werktuigelijk den sleutel aan. Zijn gelaat bleef strak,
-ernstig, maar inwendig voelde hij zich zeer verstoord op de hertogin,
-en begreep hij niet, hoe en waarom zij Dutri in hun geheim haalde. De
-eenvoud en gemakkelijkheid, waarmeê zij dit blijkbaar gedaan had,
-bliksemde hem als iets ontzettends toe. Eene wanorde scheen door zijn
-hoofd te dwarrelen, alsof de hertogin en Dutri er allerlei vastgezette
-denkbeelden van zijn jeugdig nadenken, met éen adem, hadden door elkaâr
-geblazen. Hij dacht aan den ouden hertog. Hij vond dit alles slecht.
-Hij wist, dat Dutri een jonge losbol was; hij hoorde door hem de
-geheele chronique-scandaleuze van het hof, maar hij had nooit de helft
-geloofd van wat Dutri vertelde, en den adjudant dikwijls stroef gezegd,
-dat hij er niet van hield zoo te hooren kwaad spreken van menschen, die
-zij iederen dag zagen en die verknocht waren aan zijn Huis. Nu scheen
-het hem toe, dat alles wat Dutri verteld had, waar kon zijn, en dat er
-nòg erger dingen konden gebeuren. Deze sleutel, met zulken hoffelijken
-eenvoud, met dit gemak van libertijn aangeboden, scheen hem een
-voorwerp van schroeiende schande. Hij schaamde zich het ding reeds in
-zijn zak te hebben gestoken...
-
-Hij ging echter verder. De sleutel brandde hem, terwijl hij sprak met
-generaal Ducardi, en, terug, in het Imperiaal, met zijn vader en
-Myxila. Vóor hij de keizerin op zoû zoeken, die hem reeds wachtte,
-sloot hij den sleutel weg in zijne schrijftafel; langzaam, een schaduw
-over zijn voorhoofd, ging hij daarna pas voor pas, de lange galerijen
-door, naar de appartementen der keizerin. In de antichambre rees de
-hofdame op, boog, klopte aan de deur en ontsloot die:
-
-—Zijne Hoogheid, de Hertog van Xara...
-
-Stil sloeg Othomar een kruis, als kwam hij een kerk binnen.
-
-—Moge God en Zijne Moeder mij vergeven! mompelde hij tusschen zijne
-lippen; toen trad hij binnen bij de keizerin.
-
-In het groote vertrek zat zij alleen, bij een der open ramen, die op
-het park zagen; zij droeg een zeer eenvoudigen, gladden donkeren japon.
-Het trof hem hoe jong zij er uitzag, en hij dacht er aan, dat zij
-jonger was dan de hertogin. Een aureool van delicate reinheid scheen om
-hare tengerlange gestalte te trillen als een atmosfeer van licht, en
-gaf haar eene hoogheid, die niet om andere vrouwen scheen. Zij
-glimlachte hem toe en hij kwam langzaam nader en kuste haar de hand.
-
-Zij had hem dien dag nog niet gezien, nam zijn hoofd tusschen hare
-slanke, koele handen en kuste hem.
-
-Hij zette zich naast haar op een lagen stoel.
-
-Toen streek zij met de hand over zijn voorhoofd.
-
-—Wat is er? vroeg ze.
-
-Hij zag haar aan en zeide, dat er niets bizonders was. Verder zag ze
-niet: hij bracht haar wel meer een bewolkt voorhoofd mede. Nog eens
-streek ze er over heen.
-
-—Ik heb papa beloofd ernstig met je te praten, Othomar, sprak ze.
-
-Hij keek tot haar op.
-
-—Hij vond het beter, dat ik met je sprak, omdat hij zelve oordeelde,
-dat ik gemakkelijker met je kon spreken. Hij is anders heel tevreden
-over je, mijn jongen, en verheugt er zich in, dat je zoo een klaar
-oordeel hebt, soms, over sommige staatszaken.
-
-Dit oordeel zijns vaders verbaasde hem.
-
-—En waarover beloofde u met me te spreken?
-
-—Over iets heel, heel gewichtigs, sprak ze met een zachten glimlach.
-Over je huwelijk, Othomar.
-
-—Mijn huwelijk...?
-
-—Ja, mijn jongen... Je wordt twee-en-twintig. Papa is wel veel later
-getrouwd, maar hij had veel broêrs. Ze zijn gestorven. Oom Xaverius is
-in zijn klooster. En wij... papa en ik, we zullen wel geen kinderen
-meer krijgen, Othomar.
-
-Ze had hare armen om zijn hals gelegd en trok hem naar zich toe: ze
-fluisterde:
-
-—We hebben niemand dan jou, mijn jongen en onzen kleinen Berengar.
-En... papa vindt, dat je daarom trouwen moet. We moeten een erfprins
-hebben, een Graaf van Lycilië...
-
-Zijne oogen werden vochtig; hij legde zijn hoofd tegen haar aan.
-
-—Twee om keizer te worden; Berengar, als ik er niet meer zijn mocht; is
-dat niet genoeg, mama?
-
-Ze schudde glimlachend het hoofd van neen. Neen, dat was niet genoeg
-zekerheid voor het Huis van Czyrkiski-Xanantria.
-
-—Mama, zeide hij zacht; als sociologen spreken over de sociale
-quaestie, betreuren zij het, dat er onder het proletariaat zooveel
-kinderen worden geboren en noemen zij de arme ouders, die niets hebben
-dan hunne liefde, zelf verantwoordelijk voor de meerdere ellende, die
-zij met die kinderen in de maatschappij veroorzaken. Treft dit verwijt
-eigenlijk ook ons niet? Of vindt u een keizer zoo gelukkig?
-
-Haar voorhoofd betrok.
-
-—Je bent in een van je sombere buien, Othomar. In Godsnaam, mijn
-jongen, geef je daar toch niet aan toe. Filozofeer zoo niet, neem het
-leven op, zooals het je gegeven is. Dit is de eenige manier, om het te
-dragen. Denk er niet over na of je later gelukkig zal zijn als keizer,
-maar neem aan, dat je keizer worden moet.
-
-—Goed, ik, maar waarom kinderen, mama?
-
-—Welke vorst laat zijn huis uitsterven, Othomar! Wees niet dwaas. Hecht
-aan traditie, dat is voor ons alles. Heb over die quaestie niet zulke
-vreemde denkbeelden. Ze zijn niet die van een aanstaanden—ik had bijna
-gezegd—alleenheerscher; ze zijn niet die van een vorst. Niet waar,
-Othomar, je begrijpt, je móet, je móet trouwen...
-
-Hare stem klonk beslister dan gewoonlijk, bijna hard.
-
-—En, beste jongen, ging zij door; zegen de omstandigheden en trouw nu,
-zoo gauw mogelijk. De politiek met het buitenland staat op het
-oogenblik zóo, dat er geen bizondere aanwijzingen voor je huwelijk
-zijn. Je kan zoo iets als kiezen. Want je bent de kroonprins van een
-groot rijk, mijn jongen, van een van de grootste rijken van Europa...
-
-Hij wilde spreken, ze ging haastig voort:
-
-—Ik herhaal je: je kan—bijna—kiezen. Je weet niet, hoeveel dit is.
-Apprecieer dat, apprecieer de omstandigheden. Reis naar de hoven van
-Europa, die in aanmerking komen. Zie uit je oogen, doe je keuze. Er
-zijn lieve prinsessen van Engeland, van Oostenrijk...
-
-Othomar sloot zijne oogen even, of eene vermoeidheid hem afmatte.
-
-—Later, mama... fluisterde hij.
-
-—Neen, mijn jongen, zei de keizerin: niet spreken van later, niet
-uitstellen. Denk er nu over na. Denk hoe je je reis nemen wilt en wie
-je meê wilt nemen en praat er over met papa en Myxila. Beloof je me
-dat?
-
-Hij drukte zijn hoofd even tegen haar aan en beloofde het, met een
-glimlach vol moêheid.
-
-—Wat is er toch, mijn jongen? vroeg ze. Zeg dan, wat is er toch?
-
-Zijne oogen werden vochtig.
-
-—Ik weet het niet, mama. Ik ben soms zoo moê...
-
-—Ben je niet wel?
-
-—Jawel, dat wel, maar ik ben zoo moê...
-
-—Maar waarvan dan toch, mijn kind?
-
-Hij begon zacht te snikken.
-
-—Van... van alles... mama.
-
-Zij zag hem lang aan, schudde langzaam, afkeurend haar hoofd.
-
-—Vergeef me, mama, stamelde hij en hij veegde zijne oogen af; ik zal er
-niet meer aan toegeven...
-
-—Dat heb je me al eens meer beloofd, Othomar.
-
-Als een kind drukte hij weêr zijn hoofd tegen haar aan.
-
-—Neen, heusch, betuigde hij, vleiend; ik zal er me heusch tegen
-verzetten. Het is niet goed van me, mama. Ik zal me meer ophouden: ik
-zal sterker worden, ik zweer het u, voor ú zal ik sterker worden...
-
-Ze zag hem weêr lang in de oogen, met haren reinen glimlach. Innige
-teederheid ging van haar uit op hem; hij voelde, dat hij nooit iemand
-zóo zoû liefhebben als die moeder. Toen nam zij hem in beide hare armen
-en drukte hem tegen zich aan.
-
-—Ik neem je belofte aan, en ik dank je... mijn arme jongen! fluisterde
-zij in haren zoen.
-
-Op dit oogenblik klonk er een jong gegons van stemmen, als van
-losgelaten vogels, uit het park, door de open ramen heen. Getrippel van
-vele kleine voeten knarste op het grint. Een hooge schelle kinderstem
-klonk op eens met woedende woorden uit de anderen op; de anderen
-zwegen...
-
-De keizerin was met een electrischen schok opgeschrikt. Zij richtte
-zich haastig omhoog, doodsbleek.
-
-—Berengar! riep ze, en hare stem bestierf.
-
-—En ik zal het zeggen aan Zijne Majesteit, wat voor een vlegel je bent,
-en dan zullen we eens zien! Dan zullen we wel eens zien, dan zullen we
-wel eens zien...
-
-De keizerin had zich bevende uit het venster gebogen, ze zag een
-tiental kleine jongens; ze keken beteuterd.
-
-—Waar is Zijne Hoogheid? vroeg ze.
-
-—Zijne Hoogheid is daar, Mevrouw! antwoordde een klein graafje verlegen
-en wees met een vingertje naar het achterplein, dat de keizerin niet
-zien kon.
-
-—Maar wat gebeurt er toch? Is dat een leven maken! Laat Zijne Hoogheid
-dadelijk hier komen! Berengar! Berengar!
-
-Zijne Hoogheid, Berengar, geroepen, kwam aan. Hij ging tusschen de
-kleine hertogjes en graafjes door, en zag naar het venster op, waaruit
-zijne moeder zich boog. Hij was een klein, flink gebouwd, pittig
-ventje; zijn gezicht was rood van verontwaardiging, met twee kleine
-woedende oogjes er in, als zwarte vonkjes.
-
-—Berengar, kom hier! riep de keizerin. Wat is er toch? Waarom kan je
-niet spelen, zonder te vechten?
-
-—Ik vecht niet, mama, maar... maar, ik zal het aan papa zeggen... en en
-dan zullen we wel eens zien...! Dàn zullen...
-
-—Berengar, kom dadelijk door het paleis hier binnen, dadelijk! beval de
-keizerin.
-
-Othomar, achter de keizerin, zag naar de groep jongens. Hij zag, hoe
-Berengar met een enkel woord zich verontschuldigde bij het grootste
-hertogje en langs het achterplein verdween.
-
-Na een oogenblik kwam het kind de kamer in.
-
-—Berengar, sprak de keizerin; het is heel ongemanierd zoo een leven te
-maken in het park, en dat wel vlak achter het paleis.
-
-Het kind zag haar aan, met ernstig rood gezichtje.
-
-—Ja mama, beaamde het zacht.
-
-—Wat is er gebeurd?
-
-Berengars lippen beginnen te trillen.
-
-—Het is die lamme schildwacht... begon hij.
-
-—Wat is er met dien schildwacht?
-
-Hij... hij prezenteerde niet voor me!
-
-—Prezenteerde de schildwacht niet voor je? Waarom niet?
-
-—Ik weet het niet! riep Berengar verontwaardigd.
-
-—Maar hij prezenteert toch altijd?
-
-—Ja maar, nu deed hij het niet. Wel den eersten keer, toen wij voorbij
-kwamen, maar niet den tweeden keer... We speelden krijgertje, en toen
-we voor de tweede maal voorbij hem liepen, prezenteerde hij niet!!
-
-Othomar begon te schateren.
-
-—Je hoeft er niet om te lachen! riep Berengar boos; en ik zal het aan
-papa zeggen, en dan zal je wel zien.
-
-—Maar woû je hebben, Berengar, zei de keizerin; dat iederen keer, als
-jij met krijgertje spelen voorbij liep, die man zijn geweer
-prezenteerde?
-
-Berengar bedacht zich.
-
-—Hij kon het toch minstens wel de tweede maal gedaan hebben. Als het nu
-drie, vier, vijf malen was geweest. Maar de twéede maal pas...! Wat
-moeten al die jongens wel van me denken?!
-
-—Hoor eens, Berengar, zei de keizerin; wat er ook gebeurt, het komt in
-het geheel niet te pas, dat je, wien het ook zij, met leelijke namen
-noemt en ook niet, dat je zoo een leven maakt in het park, vlak achter
-het paleis. Uitschelden, dat doet een kind van een keizer niet, zelfs
-niet een schildwacht. Ga daarom dus nu dadelijk naar dien schildwacht
-toe en zeg, dat het je spijt, je zoo driftig gemaakt te hebben.
-
-—Mama! riep het kind ontzet.
-
-Het gezicht van de keizerin stond strak.
-
-—Ik wil het, Berengar.
-
-De jongen zag haar met de grootste verbazing aan.
-
-—Moet ik dat zeggen... aan dien schildwacht, mama?!
-
--Ja.
-
-Blijkbaar begreep Berengar op dit moment de wereldorde niet; hij
-vermoedde een oogenblik, dat de revolutie was uitgebroken.
-
-—Maar, mama, dat kan ik niet!!
-
-—Het moet, Berengar, en dadelijk.
-
-—Maar mama, zal papa dat goed vinden?!
-
-—Zeker, Berengar, zei Othomar; wat mama je zegt te doen, vindt papa
-natuurlijk goed.
-
-In radeloosheid zag de jongen naar Othomar op; zijn gezichtje trok
-lang, zijn stevige vuistjes trilden. Toen barstte hij in een wanhopig
-snikken uit.
-
-—Kom Berengar, ga, zei de keizerin weêr.
-
-Het kind ontstelde nog meer om hare strakte; zoo zag hij altijd haar
-staren op de menigte, maar niet op hare kinderen. En hij wierp zich met
-de kleine wijdte zijner radelooze armpjes in hare rokken, omklemde haar
-en snikte met groote klokken van snikken.
-
-—Ik kàn dat niet doen, mama!!
-
-—Het moet, Berengar...
-
-—En... en... en ik wil het niet, ik wil niet!!! knarste de jongen in
-eens woedend, stampvoetend.
-
-De keizerin deed niets dan hem aanzien, heel lang, héel lang. Het
-verwijt van haren blik brak het kind. Het snikte luid op, en scheen er
-niet meer aan te denken, dat zijne vriendjes daarbuiten Zijne Hoogheid
-zeker zouden hooren snikken. Hij zag, dat er niets aan te doen was, dat
-het moest. Het moest!! Zijne Keizerlijke Hoogheid, Berengar, markies
-van Thracyna, (Ridder van St. Ladislas), mòest zijn spijt betuigen aan
-een schildwacht, die hèm, Zijne Hoogheid, nog wel te kort had gedaan.
-
-Zijn middeneeuwsch kinderzieltje was er geheel door in omwenteling. Hij
-begreep niets meer. Hij zag alleen maar, dat het moest, omdat zijne
-moeder hem met zoo een treurigen blik aanzag.
-
-—Othomar! snikte hij zijne wanhoop uit; Othomar! Wil... jij... dan met
-me... meêgaan!!! Maar hoe zal ik het doen, hoe zal ik het doen!
-
-Othomar glimlachte hem medelijdend toe, en stak zijne hand naar hem
-uit. De keizerin knikte, dat de prinsen zouden gaan.
-
-—Hoe zal ik het doen! O God, hoe zal ik het doen! hoorde zij Berengars
-stem nog uit de antichambre in wanhoop opsnikken.
-
-Elizabeth was doodsbleek geworden. Zoodra zij alleen was, zonk zij in
-een stoel, het hoofd achterover. Hélène van Thesbia kwam juist binnen.
-
-—Mevrouw! riep de jonge gravin. Wat heeft U?
-
-De keizerin greep hare hand; Hélène voelde die ijskoud.
-
-—Niets, Hélène, antwoordde zij; maar Berengar heeft me zoo
-verschrikkelijk laten schrikken. Ik dacht... ik dacht, dat ze hem
-vermoordden!!!
-
-En in een zenuwbui van stootende snikken stortte zij zich in de armen
-der gravin.
-
-
-
-
-
-IV.
-
-Dien avond, vóor Othomar met zijne adjudanten naar het diner bij den
-Franschen gezant zoû gaan, hield hij Dutri staande:
-
-—Ik zie, dat hare Excellentie, de hertogin, u zeer vertrouwt, prins,
-sprak hij kort. Ik wil niet betwijfelen of haar vertrouwen misplaatst
-is. Maar ik verzeker u dit: dat zóo het ooit mocht blijken, dàt het
-misplaatst was, ik dit nooit—noch nu, noch later vergeten zal...
-
-Dutri zag vreemd op: hij hoorde daar zijn aanstaanden keizer spreken.
-Toen maakte hij een moue als een boudeerend kind en sprak:
-
-—Ik kan niet zeggen, dat Uwe Hoogheid zeer dankbaar is voor de
-gastvrijheid, die ik Haar heb aangeboden.
-
-Othomar glimlachte pijnlijk, reikte hem nu de hand...
-
-—Of dat het vriendelijk is van Uwe Hoogheid mij van dàag met Hare
-ongenade te bedreigen, ging Dutri voort.
-
-—Ik ken je, Dutri, sprak de prins aan zijn oor. Ik ken je tong. Daarom
-alleen waarschuw ik je... En, nu in Gods naam, zwijg hier verder over,
-want dit... dit alles doet me pijn...
-
-Dutri zweeg en vond hem een kind en een vorst tegelijk. Hij haalde in
-stilte zijne schouders op om Othomars weêrgâlooze naïviteit, maar hij
-huiverde als hij dacht aan eene mogelijke ongenade. Hij had geen
-fortuin; zijne pozitie bij den kroonprins was zijn leven, zijne
-ambitie, zijn alles, voor nu en voor later: als de prins keizer zijn
-zoû...! Hoe blij was hij eerst geweest, dat Alexa hem alles verteld
-had, dat hij een geheim wist van zijn prins, die nooit geheimen scheen
-te hebben! Eene vage vreugde, dat dit geheim hem macht zoû geven over
-zijn toekomstigen keizer, was reeds door zijn hoofd vol luchthartige
-berekening gefladderd. En nu, nu dreigde de prins hém, ontzenuwde dus
-die macht al in den aanvang! Dutri had nu bijna spijt, dat hij in dit
-geheim was opgenomen; hij vreesde zelfs, dat de keizer er iets van zoû
-hooren, dat hem de ongenade van den vader al treffen zoû, voor die van
-den zoon...
-
-—Had Alexa me er dan ook maar nooit ingehaald! klaagde hij nu bij
-zichzelven met zijne oppervlakkige wisselvalligheid van gedachte.
-
-Maar hoewel Dutri zweeg, en zelfs tegensprak, werd er over de liaison
-van den kroonprins gesproken, misschien alleen naar aanleiding van de
-zegevierende blikken van Alexa, als Othomar, op een soirée, op een bal,
-een oogenblik tot haar sprak. De tegenspraak van Dutri, die men kende
-als een klap-uit, bracht echter verwarring, en men wist niet waaraan
-men zich te houden had en wat de waarheid was.
-
-Gelukkig om die liefde voelde Othomar zich echter niet; de woeste
-passie van die vrouw met haar brandende blikken, die hem het eene
-oogenblik overweldigde door hare zoenen, het andere voor hem neêrkroop
-als een slavin en aan zijne voeten brak in nederigheid voor haar
-aanstaanden heerscher, verbaasde hem eerst, sleepte hem in sommige
-wanhoopsbuien meê, maar wekte in hem op den duur een gevoel van onwil
-en tegenkanting. In het geparfumeerde appartement van den jongen
-adjudant, waar zij elkander zagen, en dat coquet was, als het boudoir
-van een jong meisje, gecapitonneerd als een bijouteriekist, kreeg hij
-soms lust die vrouw, die hem toch met hare vreemde ziel liefhad en hare
-liefde niet veinsde, van zich af te stooten, haar te trappen, te slaan.
-Zijn temperament was niet voor zoo brutalen hartstocht. Het was of zij
-schudde aan zijne zenuwen. Hij walgde soms van haar. En toch, een enkel
-woord van hem, en ze bedwong hare woestheid, zonk nederig naast hem
-neêr, streelde zacht zijne hand, zijn hoofd, en hij kon er niet aan
-twijfelen, dat zij hem aanbad, misschien wel een weinig omdat hij de
-kroonprins was, maar toch ook veel om hemzelven.
-
-Zoo was het April geworden, en bijna reeds zomer; de Syrische vorsten
-zouden komen. Ze waren eerst bij den Sultan geweest en daarna aan het
-hof te Althene. Door Liparië zouden zij naar de Noordelijke rijken van
-Europa gaan. Op den dag hunner aankomst fladderde Lipara van vlaggen;
-de, al zoo straffe, zuidezon regende goud over de witte stad; de haven
-azuurde in lichte rimpeling. Eene gonzende menigte: gebruinde
-gezichten—vele nog bont nationaal gekleede landlieden uit
-Thracyna—wemelde en drong over de kaden. Op het azuur van het water,
-als op liquide metaal, dreven de pantserschepen, welke de vorsten,
-verwelkomende, zouden binnen halen, naar den mond van de haven uit.
-Daar, op de Xaveria, waren met hun gevolg van admiralen en
-schouten-bij-nacht, de beide prinsen Othomar en Berengar, en hun
-schoonbroêr, de aartshertog van Karinthië. Tallooze kleine bootjes
-gleden snel over de zee heen, als waterspinnen.
-
-Een schot van Wenceslas-fort, den straffen ether verscheurend, meldde
-het oogenblik, dat de kleine vloot het Syrische yacht ontmoette, en de
-Oostersche vorsten dit verlieten voor de Xaveria. Uit de villa’s aan de
-kaden, uit de bootjes met toeschouwers, richtten zich de binocles naar
-het verschiet van in licht zwijmelende blauwte, waarop de schepen nog
-zichtbaar trilden. Een half uur daarna golfde, als van het Imperiaal
-af, het gejuich der menigte aan en golfde luider op en luider naar de
-haven toe. Door de haie der grenadiers, die stonden van het paleis tot
-het paviljoen, waar de hooge gasten zouden aan wal komen, reden de,
-door jockey’s bereden, landauers, aan, waarin Hunne Majesteiten zaten.
-Hen volgden de equipages der beide zusters, de aartshertogin van
-Karinthië en Thera, en van het gevolg.
-
-De vloot, het Syrische yacht omringend, was de haven weêr binnen
-gedreven. Door de eerewacht der Troongarde heen, tusschen de draperieën
-van purper en vlaggen, zag de menigte iets van begroeting der vorsten
-in het paviljoen. Men galmde leve’s!; daarna reed de stoet naar het
-Imperiaal, de keizer met den koning van Syrië in het eerste, de
-keizerin met de koningin in het volgende rijtuig; daarachter de
-landauers met de prinsen en prinsessen en het gevolg.
-
-Een roes van feesten en vertoon volgde. Na de tragedies der
-overstroomingen en der Parlementscrizis woei eene vroolijkheid van
-humor over de, in de zon glinsterende, rezidentie heen en duurde laat
-tot in de verlichte zalen en parken van het Imperiaal toe. Die humor
-was om de Oostersche vorstin. Den koning van Syrië vloeide misschien
-nog een paar druppelen van het bloed van Salomo door de aderen. Maar de
-koningin was niet van vorstelijke afkomst. Zij was de dochter van een
-der Syrische grooten en de naam van hare moeder werd niet genoemd in
-den Almanach de Gotha. Die moeder was zeker een favorite van
-twijfelachtig adellijke herkomst, maar wat zij precies geweest was,
-wist niemand. Een demi-mondaine uit Parijs of Weenen, die in het Oosten
-was gestrand en er fortuin had gemaakt in den harem van een grooten
-Syriër? Eene half Europeesche, half Egyptische danseuze uit een
-danshuis van Caïro of Alexandrië? Wat ook, hare gelukkige dochter, de
-koningin van Syrië, vertoonde onloochenbaar eene mengeling van bloed,
-iets Oostersch’ en Europeesch’ samen. Naast den echt Semitischen type
-van den koning, die iets nerveus deftigs had in zijne half Europeesche,
-half Orientalische uniform, waarop de diamanten schitterden, had de
-vorstin, dik, klein, mollig, zachtbruin, het exuberant glimlachende, en
-bewegelijk wiegende van ledematen, het draaiende van hoofd en werkende
-van oogen eener kleurlinge. Hare eerste verschijning al, in het
-rijtuig, naast de delicate figuur van keizerin Elizabeth, in kleurig
-reistoilet en hoed met groote pluimen, overvloeiend vriendelijk buigend
-en lachend naar alle zijden, had de Lipariërs, gewend aan de koele
-hoogheid hunner vorsten, met eene vroolijkheid doortinteld, die
-onuitbluschbaar scheen. De Syrische vorstin werd het topic van alle
-gesprekken en om haar tintten alle gesprekken zich met een glimlach van
-ondeugd. Daarbij scheen zij zoo in-goed, dat men onmogelijk kwaad van
-haar wist te vertellen en zich alleen maar om haar amuzeerde. Men
-herinnerde zich, dat de Syrische potentaten fabelachtig groote giften
-om de overstroomingen hadden geschonken. En de humor, die over Lipara
-woei, was een zuidelijke humor, zonder kwaadmeenen en alleen maar
-goedlachs of schaterend van pleizier, omdat de Lipariërs nog nooit zoo
-een grappige koningin gezien hadden.
-
-De groote manoeuvres hadden plaats op het Marsveld. De koning
-vergezelde den keizer en de prinsen te paard met hun zwerm van
-Europeesche en Oostersche adjudanten. De vorstinnen en haar gevolg
-wachtten de défilé’s in landauers af. Berengar marcheerde dapper in
-zijne compagnie grenadiers, waarin hij luitenant was, meê, wat zijne
-korte beentjes marcheeren konden, en hield zijn gezichtje strak, om de
-moeite niet te verraden, die hij had de lange stapbeenen bij te houden.
-De huzaren verbaasden den Syrischen vorst om hun één-zijn met hunne
-paarden, als zij in woesten rit zich half afwierpen naar den grond toe,
-en raapten in stormender vaart een vlag van den grond, zich weêr
-zwaaiden met éen kreet op en wuifden het doek. De Afrikanen voerden hun
-zwierige fantazia’s uit, drilden de speren, die bliksemden als
-losrakende bundels stralen, en wapperden aan in wolken van witte
-burnousen en stof, waarin hunne negerkoppen met tallooze zwarte vlekken
-wemeldonkerden en vonkten van oogen.
-
-Verder een tornooi, garden-party’s, races, regatta’s, volksspelen en
-vuurwerk. Lipara was éene stad van pleizier. Iederen dag gingen door
-haar heen gangen van vorstelijkheid, flikkerde de stoet van uniformen
-als levend goud, ratelden de keizerlijke landauers in de zon als met
-wielen van schitterende spaken door de lichte stof, die van het
-vierkant plaveisel der stad opstuivelde. Als druppelen wit vuur
-flonkerden het meest de diamanten, die de Syrische monarchen zelfs
-droegen op straat. Des avonds, als de zon niet meer schitterde,
-schitterden over de vaag witte avondstad aan hare violette haven,
-salamander-festoenen en kleurige vuurbrugketens factice hel onder de
-stille zilverblikken der sterren; bouquetten vuur vielen sissend in het
-water, waarop de bootjes zwart werden; ze lieten een lichte benauwdheid
-van kruitdamp na, in den nacht.
-
-In de groote Zuilenzaal volgden de ceremonieele gastmalen elkander op,
-met een vertoon van fabelachtig kostbaar gouden vaatwerk. De koningin
-van Syrië sleepte er hare curieuze theaterkostuums heen, den breeden
-boezem steeds overdwarst door een blauw ordelint vol plaques; hooge
-pluimen, waaraan diamantjes hingen, in het haar. Ze praatte druk,
-dankbaar voor de liefheid harer Liparische Vrienden, voor het genot en
-het gejuich. Hare overvloeiende gebaren maakten ieder vroolijk,
-brachten humor in de Liparische statie, vol etiquette. Elizabeth zelve
-moest er om glimlachen. De koningin speelde hare vorstelijke rol met
-het aplomb eener slechte actrice, die goedig is. Zij sprak ieder aan,
-strooide de minzaamheid harer klein-mollige, bruine majesteit over
-ieder in kleine atoompjes heen. Naast haar bleef de koning deftig, wijs
-kijkend als Salomo. De keizer prees hem als een verstandig vorst, met
-ruimen blik; de koning was reeds meermalen in Europa geweest. De
-Syrische adjudanten waren ook deftig, kalm, een beetje stijf, zich
-vormend naar westelijke zeden; de hofdames der koningin droegen wat
-vreemd hare Parijsche of Londensche sleeptoiletten, maar bleven er
-tenger in, bevallig bruin, met kroeskopjes en lange gespleten oogen: ze
-zouden toch mooier geweest zijn in wat gedrapeerd goudgaas.
-
-Twaalf dagen bleven de Syriërs, vóor ze naar Italië zouden gaan. Het
-was de voorlaatste avond: in het Imperiaal was een suite van veertien
-zalen om de groote danszaal verlicht voor een bal. Er waren drieduizend
-invitaties gedaan. Op het voorplein en in de aangrenzende hoofdstraten
-stonden de grenadiers.
-
-De danszaal was aan de achterzijde van het paleis; de hooge
-balkonvensters waren open en zagen over de balustraden heen in de
-donkerten van het platanenpark. Uit de palmengroepen der galerij
-schalmde het orkest. De quadrille d’honneur had zich gevormd, in het
-midden der zaal; de keizer en de koningin, de koning en de keizerin, de
-aartshertog van Karinthië met Thera, en Othomar met de aartshertogin.
-De andere officieele quadrille’s vormden hare figuren om ze heen. De
-honderden gasten zagen toe.
-
-Van het regenbogende rotskristal der kronen vloeide electrisch licht in
-witte lichtvakken uit de koepelende hoogte, gleed langs de marmeren
-mozaïek-wanden en porfieren zuilen der zaal en drupte in millioenen
-flikkeringen op de gladde facetten der juweelen, op het goud der
-uniformen en galarokken, op de waterende witte brokaten der slepen
-neêr; want het wit was voorgeschreven; alle dames waren in het wit en
-de sneeuw der fluweelen, de lelieglans der satijnen zilverden van het
-licht. Eén verblindend gewemel van glans doorleefde de immense zaal met
-zijne flonkerwisselingen. Want het licht bleef nooit, wisselde
-onophoudelijk zijn helste punt, maakte het bal tot éen caleidoscoop van
-schittering. Het licht guldde op iedere galon, liet zich vangen in
-elken brillant, bleef aan iedere parel hangen. De muziek scheen met dat
-licht éen te zijn; het koper weêrgalmde als goud.
-
-De hertogin van Yemena stond in een groep van diplomaten en adjudanten;
-hoog op rees ze in hare schoonheid, die in dit gewissel van
-lichtvonkeling sculpturaal prachtig was. Zij scheen kolossaal groot
-door den zwaren pli-Watteau, die van haren rug af sleepte, in wit
-broché. Zij droeg hare tiara van smaragd en brillant, en dezelfde
-groene steenen sparkelden in een groote juweelen bloemtak, die over
-haar corsage heen bloeide.
-
-De keizer naderde haar; ze knakte in hare beroemde nijging neêr, en
-Oscar sprak een oogenblik schertsende met haar. Toen de keizer verder
-was gegaan, zag zij den kroonprins naderen. Zij neeg weêr, hij boog
-glimlachend en bood haar den arm. Langzaam gingen zij door de zaal
-heen.
-
-—Ik heb u iets belangrijks te zeggen, fluisterde hij in een stem van
-conversatieklank.
-
-Hij kon zich niet met haar verwijderen; men zoû hen missen. Ze bleven
-dus door de zalen wandelen.
-
-—Ik heb U in zoolang niet gezien... alleen! fluisterde zij verwijtend
-terug, met die zelfde stem. En wat had... Uwe Hoogheid mij te zeggen?
-
-Voorzichtig spraken ze, den glimlach van koele conversatie op de
-lippen, het geluid van hunne stemmen dempende tusschen hen in,
-schijnbaar onverschillige blikken werpende om hen heen, of men ze niet
-hooren kon.
-
-—Iets,... dat ik u al lang had willen zeggen... Een besluit, dat ik
-nemen moet...
-
-De woorden kwamen hem telkens afgebrokkeld over de lippen, en niet
-klinkende met hun waar accent, uit voorzichtigheid. Zij merkte, dat hij
-haar een groot nieuws mede zoû deelen. Zonder dat ze wist waarom,
-beefde ze... Hijzelve wist niet of wat hij deed, wreed was of niet: zoo
-kende hij deze vrouw niet. Maar hij wist wel, dat hij met opzet dit
-moeielijke oogenblik gekozen had voor zijn onderhoud, omdat hij niet
-wist, hoe zij het dragen zoû. Hoe zij het dragen zoû in een
-tête-à-tête, als zij toe kon geven aan hartstochtelijkheid. Hier wist
-hij het, hoe zij het dragen zoû: glimlachend, als vrouw van de wereld,
-zelfs al werd het haar tot smart. Misschien was hij toch wèl wreed...
-Maar het was nu te laat: hij moest doorgaan.
-
-Zij zag tot hem op, de pluimen van den waaier bewegend. Hij vervolgde:
-
-—Een besluit... Als onze Syrische gasten weg zijn... ga... ik op
-reis...
-
-—Waarheen, Hoogheid?
-
-—Naar... verschillende hoven... van Europa...
-
-Zij vroeg niet meer; haar glimlach bestierf; toen glimlachte ze weêr
-als een automaat. Zij vroeg niet meer, omdat zij wel wist wat het
-beteekende als een kroonprins een reis ging doen naar verschillende
-hoven van Europa. Dat beteekende een bruidvaart. En ze zeide alleen, en
-haar stem kon niet anders klinken dan als een klaagtoon:
-
-—Zoo gauw al...
-
-Zoo gauw al... Zóó kort zoû haar keizerlijke roman duren! Zij had wel
-geweten, dat zoo het einde zoû kunnen zijn, want zij wist hem te rein
-om haar te laten naast eene jonge gemalin. Zij had zich ook al zoo een
-einde voorgesteld over een jaar, twee jaar misschien, zij zich
-terugtrekkende, en ze had zich voorgesteld, dat ze het doen zoû zonder
-rancune voor hare jonge, aanstaande keizerin. Maar nu al! Zoo gauw!
-Nauwelijks eenige weken! Zoo kort had nog géen roman in haar
-liefdeleven geduurd! Zij voelde er een smartelijken weemoed om, vocht
-waasde over hare oogen en de lichtwisselingen van het bal trilden voor
-haar heen als door water. Telkens vergat zij te glimlachen, maar zoodra
-zij er aan dacht, glimlachte zij weêr.
-
-—Zoo gauw al...?
-
-—Het moet...
-
-Ja, het moest, het kon niet anders. Voor haar was het het einde van
-haar leven. Wanhoop voelde ze er niet om, om dat einde; alleen maar
-smartelijken weemoed. Het zoû gedaan zijn. Na dezen keizerlijken roman
-geen andere. O, neen, nooit meer. Ze zoû hare jeugd er aan geven; hare
-stiefdochters zoû ze in de wereld brengen. Ze zoû dankbaar zijn, dat ze
-geleefd had, en nu oud worden. Maar oud... Ze was nog zoo jong, ze
-voelde zich nog zoo jong. Ze merkte nu eerst hoe ze haren kroonprins
-liefhad. En ze had gaarne weg willen zijn, uit de schittering van dat
-feest, om, alleen, hem nog eens te omhelzen, voor het laatst... O, die
-weemoed van alles, wat eindigen moet, alsof alles niets meer is dan
-geur, die vervliegt...
-
-—Ik vertrouw op u, mevrouw... sprak hij nu; ik hoop, dat u van die reis
-niets zeggen zal. U begrijpt, het is alles nog een geheim; er is nog
-geen keuze gedaan... er is alleen maar even over gesproken geworden met
-Hunne Majesteiten en Myxila. Niet waar, ik vertrouw op u?
-
-Zij knikte glimlachend van ja, ja...
-
-—Maar ik wilde het u toch nu al zeggen, ging hij voort.
-
-Zij glimlachte weêr. Op dit oogenblik scheen achter het paleis, onder
-het paleis, waar...? een vreemd onweêr uit te barsten. Door het gegalm
-der muziek en het getril van het licht heen, daverde een donderslag en
-rommelde door. Het was of de bliksem was ingeslagen, want door de open
-ramen, dadelijk na, hoorde men van een der achterzijvleugels van het
-paleis een ratelenden warrelval van steenen, die in de lucht geslingerd
-schenen, van groote balken, die onbehouwen neêrstommelden, van
-glasscherven, die schel naar alle zijden schenen uit elkaâr te
-springen...
-
-De muziek was in eens verstomd. De uniformen, de sleeptoiletten storten
-zich naar de open balkons, die op het park zagen, maar de nacht was
-donker, het park was stil. Een paar laatste balken schenen nog na te
-rollen, met een laatst afgruizelen van steen...
-
-In de schelle tinteling van het electrische licht waren de gezichten
-doods wit geworden als van cadavers. In verschrikking staarden de oogen
-elkaâr aan. De hertogin was half tegen Othomar aangezonken, toen zij
-Elizabeth met dolle, wezenlooze oogen voorbij hen zagen ijlen, een deur
-uit; hare lange, witte fluweelen sleep slierde haar radeloos, den hoek
-om, achterna. De grootmeesteres volgde haar, en Hélène van Thesbia. De
-keizer scheen haastig den ceremoniemeesters bevelen te geven, verliet
-toen ook het bal, met eenige officieren.
-
-Kort daarop echter klaterde weêr de muziek van de loggia der galerij
-af. Men zag vele adjudanten en ordonnans-officieren voor hunne dames
-buigen; de dames bevende rijzen. Het bal werd vervolgd; in de wendingen
-van den wals namen de uniformen en slepen weder de vorige schitteringen
-aan. De glimlachen schenen echter als weggeveegd te zijn van de
-gelaatstrekken, en de doodsbleeke gezichten der walsers maakten van het
-bal een macabere ommegang.
-
-Leonie, sidderend, boog voor Othomar.
-
-—Een dynamiet-ontploffing, onder in de kelders van den westelijken
-achterzijvleugel. De antichambres van het appartement van Zijne
-Majesteit zijn vernield. Zijne Majesteit verzoekt Uwe Hoogheid alles in
-het werk te stellen, om het bal te laten voortgaan. Alle officieren en
-hofdames zijn bevolen te dansen.
-
-De hertogin klemde Othomar’s arm, viel bijna flauw. Rondom hen heen
-ging de mare. De adjudanten sleepten hunne dames meê als half
-zwijmende. Men zag er een paar flauw weggebracht worden. De koningin
-van Syrië stond wezenloos aan de zijde van den aartshertog van
-Karinthië, die zijn arm om haar zwaar middel sloeg ten dans. Ze scheen
-nog niet tot besluit te kunnen komen.
-
-Othomar rondde zijn arm om de hertogin.
-
-—God, ik kàn niet... stamelde zij. In Gods naam, Hoogheid, ik kan
-niet...!
-
-—Het moet, sprak hij. Zijne Majesteit wil het...
-
-—Zijne Majesteit wil het... herhaalde zij.
-
-Hare beenen trilden onder haar als met electrische sidderingen. Toen
-liet zij hem haar nemen en zij dansten. Allen dansten.
-
-De keizerin was de trappen en galerijen naar de slaapverdieping
-opgehold. Zij zag niet, dat een paar dames haar volgden: zij rukte een
-deur open.
-
-—Berengar!! kreet zij uit.
-
-De slaapkamer van den jongen prins was verlicht. Het kind had zich, in
-zijn hemdje, al half van zijn veldbed gericht. Zijn kamerdienaar en een
-kamenier stonden ontzet in het midden van de kamer.
-
-—Berengar!! hokte de keizerin juichend, toen zij hem ongedeerd zag.
-
-Zij sloeg hare armen om hem heen, drukte hem aan hare borst.
-
-—O, mama, u doet me pijn! riep het kind geërgerd.
-
-Hare juweelen hadden hem even bloed geschramd aan zijne kleine bloote
-borst. Zij omhelsde hem nu zachter, met zenuwachtige snikken, die
-stokten in hare keel. Een touffe van brillanten struisveêren viel op
-den grond; de kamenier raapte ze op, met vingers, die niet grijpen
-konden.
-
-—Mama, laten ze het paleis in de lucht springen?!
-
-—Neen, Berengar, neen, er is niets...
-
-—Mama, ik wil er naar toe!! Ik moet zien, wat er van is.
-
-—Berengar...
-
-De deur was open gebleven; de keizer kwam binnen, rustig. De dames
-stonden op den corridor, te wachten op de keizerin...
-
-—Papa, mag ik meê, met u, kijken?
-
-—Neen, Berengar, er is niets te zien. Ga slapen...
-
-Toen boog hij zijn arm tot Elizabeth.
-
-—Mevrouw... sprak hij koel.
-
-Zij sloeg een smeekenden blik naar hem op. Hij bleef haar den arm
-bieden. Toen kuste zij nog eens den jongen, vleide hem nu zacht aan tot
-slapen.
-
-—Wacht even... stamelde zij tot Oscar.
-
-Zij ging naar den spiegel; de kamenier met hare onhandige vingers
-bevestigde de juweelen touffe aan den rand van het open corsage,
-plooide den vierkanten sleep uit.
-
-—Ik ben klaar, sprak de keizerin tot Oscar met eene doode stem.
-
-Zij nam zijn arm, de keizer drukte haar even de hand, en zij knikte
-Berengar nog eens toe, en gingen.
-
-Geärmd verschenen de vorsten ten tweeden male op het bal. De keizerin
-was bleek maar glimlachte. Zij was prachtig, delicaat van teedere
-majesteit in het uitslepende witte fluweel, waarop aan het corsage en
-over den rok van voren, touffes van brillanten struisveêren, in den
-vorm van fleurs-de-lys, flonkerden. Een kleine keizerinnekroon van
-brillanten kroonde haar klein rond hoofd.
-
-Het was twee uur. Meestal waren de vorsten gewoon tot één uur op de
-hofbals te blijven. De koningin van Syrië echter in haren exuberanten
-levenslust, had hen verzocht langer te blijven. Zij hadden toegegeven.
-Waren zij om éen uur gegaan, dan had de ontploffing plaats gehad op het
-oogenblik, dat Oscar waarschijnlijk zijn appartement juist binnen zoû
-gegaan zijn. Men had eerst gesproken over de antichambres alleen: het
-scheen nu toch, dat er ook groote schade veroorzaakt was aan het
-kabinet zelve van den keizer.
-
-Het souper begon. Men soupeerde in eene groote zaal; uit iedere tafel
-rees een palmboom, en de zaal was er een woud van palmen door. De grond
-was met een gouden zand bestrooid, dat, met het loopen, over de slepen
-heen poeierde. Electrisch licht scheen door de lange bladeren heen als
-maneschijn. In dien maneschijn bleven de gezichten doodwit, als vlakken
-van krijt, boven het glinsterend kristal en al het gouden vaatwerk. De
-muziek klaterde met zware cymbelslagen van koper.
-
-
-
-
-
-V.
-
- Aan Hare Koninklijke Majesteit Olga,
- Koningin van Gothland.
-
- Lipara, Imperiaal, Mei 18..
-
-
- Mijn liefste zuster.
-
-Eindelijk kan ik u den brief schrijven, dien ik al sedert lang in
-gedachten aan u schreef. De drukte van onze goede Syriërs is voorbij en
-Lipara weêr kalm. Ik kan tot nadenken komen. Maar mijn nadenken is
-niets dan treurigheid. Ziehier waarom, Olga.
-
-Ik geloof, dat Othomar zieker is, dan de doktoren het inzien. Hij is
-magerder geworden en ziet er zeer slecht uit. Hij klaagt nooit veel,
-maar verleden zei hij me toch, dat hij zich dikwijls moê voelde. De
-doktoren meenen, dat hij eenigen tijd rust noodig heeft en raden een
-lange zeereis aan. Zijne reis door Europa, waarover ik u verleden
-schreef, zal dus uitgesteld moeten worden. En nu kom ik met het
-volgende verzoek tot u.
-
-Ik weet, dat Herman spoedig een groote vaart op den Viking gaat doen
-naar Oost-Indië, Japan en Amerika, en het zoû op dit oogenblik mijn
-liefste verlangen zijn als Othomar hem zoû mogen vergezellen. Toen de
-doktoren een zeereis aanrieden, sprak ik er met Oscar over, maar wij
-kwamen tot geen besluit. Mijn kind namelijk heeft geene vrienden van
-zijne jaren, Olga, en dat maakte me zoo treurig, en we wisten, niet
-hoe, en met wie, we hem de reis zouden laten doen op eene wijze, die
-genoegen voor hem zoû zijn en geene eenzame verbanning uit ons midden.
-Hij is heel wel met zijne adjudanten, maar dat is toch niet wat ik zoû
-wenschen: een hartelijke, gemeenzame, vertrouwelijke vriendschap met
-iemand van zijne jaren, met wien hij eenigen tijd samen zoû zijn,
-geheel voor genoegen en ontspanning.
-
-Ik weet wel, dat het een beetje aan mijn kind zelve ligt, aan dat zeker
-gemis van gemakkelijkheid om open te zijn en tot zich te trekken. Maar
-hij heeft toch eigenschappen, waarom men hem zeer zoû kunnen beminnen,
-zoo men ze wist, zoo hij ze liet uit komen. Niet waar, u houdt toch ook
-van hem, Olga, en het is niet alleen mijn eigen blinde moederliefde,
-die mijn kind beminnelijk en sympathiek ziet? En daarom zoû ik zoo
-ingaarne hebben, dat Herman hem wilde meênemen en hem beter leerde
-kennen; wie weet of zij dan elkaâr niet zouden leeren liefhebben.
-Othomar vertelde mij al, dat ze op hunnen tocht in het Noorden van ons
-land, elkaâr meer genaderd waren dan zij ooit dachten te zullen doen,
-maar het was een drukke tijd; ieder oogenblik was met plichten en
-bezigheid gevuld en zij hadden geen tijd om met elkaâr te spreken en
-elkaâr te leeren kennen. Maar toch, in zulk een moeilijken tijd van
-samendoen kan men elkaâr ook leeren kennen zónder spreken; hoe het ook
-zij, zij zijn elkander reeds vriendschappelijker geworden; vroeger was
-het, tot mijn innig verdriet, Olga, antipathie; ze wilden elkaâr zelfs
-niet ontmoeten, zelfs uiterlijk was er niets dan koelheid tusschen hen;
-o, wat heeft mij dit alles leed gedaan, als ik onze jongens zoo tegen
-elkaâr zag doen en mij herinnerde hoe wij waren, Olga, toen wij jonge
-meisjes waren op ons mooi oud slot bij Boekarest. Hoe leefden wij niet
-geheel met elkaâr! Olga, Olga, wat is dat alles treurig lang geleden!
-Onze ouders zijn nu dood, onze broêrs verspreid, het slot is verlaten,
-en wij zijn gescheiden: wanneer zien we elkaâr? Nauwlijks een paar
-dagen nu en dan, als wij ergens samentreffen voor een huwelijk van
-bloedverwanten: rustelooze dagen altijd, waarin we toch niets aan
-elkaâr hebben. Dan, soms, niet eens ieder jaar, een paar weken, of in
-Gothland, of hier. U verwijt mij wel eens, dat ik, die zooveel van
-Gothland hoû, zoo weinig bij u kom, maar het is altijd de zelfde reden.
-Oscar verlaat niet gaarne Liparië, en ik kan mijn man niet verlaten. Ik
-kan sterk zijn naast hem, maar alleen ben ik zoo zwak, Olga. Dat hèm
-iets zoû kunnen overkomen, waarin ik niet deelen zoû, vermeerdert mijn
-angst ondragelijk. Ik heb het nog onlangs zoo gevoeld, toen ik met
-Thera te Altara was; ons bezoek was aangezegd en verplichtend, niet
-waar, en hoe ongaarne ik Oscar verliet, het moest. Het was juist in
-dien moeilijken tijd; Lipara in staat van beleg! Maar Oscar wilde het
-en ik ben gegaan. O, wat ik toen geleden heb!
-
-—Maar ik wen mij aan mijn angst, ik klaag niet en neem het leven op,
-zooals het ons gegeven wordt; ik hoop alleen maar, dat mijn jongen het
-ook zoo zal leeren opnemen. Misschien zal hij dit leeren. Het is wel
-moeilijker voor hem, want hij zal meer moeten handelen dan zijne
-moeder, die veel passiever zijn kan als vrouw, en het is gemakkelijker
-passief te leeren berusten, dan handelend. Maar, de Heiligen zullen hem
-zeker later kracht geven zijn lot te dragen en zijn kroon; hier
-vertrouw ik op. En toch, o Olga, onmetelijk is de weemoed in mij, dat
-wij vorsten zijn! Maar laat mij hier niet verder over doorgaan: het
-maakt zwak, het is niet goed, het is niet goed...
-
-Er is nog een geheime reden, dat ik Othomar gaarne weg zoû hebben van
-Lipara, al kost het mij ook altijd zoo veel, te scheiden van mijn
-lieveling. Er schijnt toch iets waar te zijn van die geruchten over de
-hertogin van Yemena: Oscar heeft er Myxila naar gevraagd, en die kon
-het niet loochenen, en zeide zelfs, dat het algemeen bekend was. Ik doe
-mijn best er maar niet te veel verdriet over te hebben, Olga, maar ik
-vind het een vreeselijke zaak. O God, laat mij er maar niet verder over
-denken of schrijven; het gaat mij anders zoo warren in mijn arm hoofd.
-Wat kan mijn kind zien in een vrouw, die ouder is dan zijne moeder! Wat
-zijn die dingen toch vreeslijk in de wereld, Olga, en wat zijn er toch
-vrouwen, die wij nooit zullen begrijpen, want temperament is toch niet
-álles: iedere vrouw heeft toch haar hart, en daarin moesten wij toch
-allen elkaâr weêrvinden, maar het schijnt zoo niet te zijn. Ik neem, in
-mijn verdriet hierover, maar aan, dat die vrouw mijn jongen liefheeft
-en daarom haar man bedriegt. O, het is ook zoo slecht van mijn kind;
-waarom moet hij zoo zijn, hij is anders zoo goed! Ik neem dat nu maar
-aan, dat ze hem liefheeft; verleden was het mijn laatste Handkus, de
-cour, waarmeê, zooals je weet, alle winterfeesten eindigen, en toen ze
-me naderde en voor me boog en op mijn hand hare lippen drukte, voelde
-ze zeker mijn afkeer en mijn verdriet van mijne vingers afstralen, want
-ze richtte zich uit hare buiging op, met een wanhopigen angst in hare
-oogen en iets van een snik in hare keel! Ik bleef haar koel aanzien,
-maar ik had toch medelijden met haar, Olga, want als een vrouw van onze
-wereld zich zóo slecht kan beheerschen op een ceremonieel oogenblik
-voor hare vorstin, moet hare ziel wel zeer geschokt geweest zijn:
-gelooft u dit ook niet met mij?
-
-Wij hebben nu rust. Over een week gaan we onze zomerkwartieren
-betrekken in Xara, op Castel Xaveria; het wordt hier al zeer warm. Voor
-dat wij gaan, zoû ik zoo gaarne een antwoord van u ontvangen hebben en
-weten hoe Herman mijn verzoek opneemt. Ik weet, dat hij veel van mij
-houdt, en het zeker gaarne zal inwilligen, niet waar, en dat hij om mij
-zal probeeren Othomar lief te hebben; en laat me toch haasten er bij te
-voegen, dat het ook de innigste wensch van Othomar is met Herman mede
-te gaan. De zeereis lokte hem eerst in het geheel niet toe, omdat hij
-niemand wist om meê te nemen en hij zeide, met ons maar naar Castel
-Xaveria te willen gaan, maar toen ik van Herman sprak, vereenigde hij
-zich geheel en al met mijn plan.
-
-Olga, wat zal ons de zomer geven? Rust of niet? Ik durf het maar niet
-hopen. De winter is gruwelijk geweest; onze Noordelijke gouvernementen
-zijn nog niet de ramp te boven. De ellende is er niet te lenigen. Er
-heerschen gevaarlijke tyfeuze koortsen, en vele gevallen van cholera
-zijn voorgekomen. De grèves in het Oosten zijn nu gedaan, maar ik ben
-zoo bang voor dat bedwingen met ruw geweld. O, als alles maar met
-zachtheid kon gebeuren! Die aanslag op Othomar en de ontploffing
-tijdens het laatste bal hebben mij ook zoo ziek gemaakt. Wat zoû ik u
-gaarne eens zien en in mijn armen drukken: kunt gij niet te Castel
-Xaveria komen van den zomer? U zoû er mij zoo innig, innig blij meê
-maken!!
-
-Kus Siegfried en alle de uwen van mij. Antwoord mij gauw, niet waar? Ik
-omhels u in beide mijne armen.
-
-
- Elizabeth.
-
-
-
-
-
-
-
-
-TWEEDE DEEL.
-
-
-EERSTE HOOFDSTUK.
-
-
-I.
-
-Augustus, aan de Oostzee. De grijze golven krullen tegen de klippen op
-met hooge, ronde kammen dik schuim. De lucht is daarboven éen wijde
-koepel, waardoor groote gebergten van wolken drijven, grijs-wit. Zij
-komen langzaam aan, vullen den hemeldom met hunne wisselende
-schijnmassa’s, als van rots- en alpenketen, die zouden zweven op
-atmosfeer, en drijven langzaam weêr voort, weg. De zee heeft er een
-smal strand, met veel verbrokkeld klip; zeer nabij donkert zwart-groen
-dennenbosch. Half als tegen de klippen aan, op de duisternis van het
-bosch als achtergrond, rijst het oude Altseeborgen. Het is een verweerd
-kasteel, waaraan de opkrullende golven schijnen te knagen; zijne drie
-hooge, ongelijke torens bouwen zich zwaar rond de lucht in. De weg naar
-het kasteel loopt van uit het bosch terrasachtig op, opglooiend, breed,
-leidt naar het achterplein, waar de hoofdingang is. Om het kasteel,
-breed heen, traptreden zich de granieten terrassen, met hunne ruwe
-balustrades, waarvan de hardsteen opgegeten is door de zoute lucht. Die
-terrassen zien, naarmate ze stijgen, wijder uit over de zee; van af het
-hoogste terras ligt de zee als éen groot segment van vreemde
-bewegelijkheid, levend element, aan tegen het strand links, en rechts.
-Over de zee zwaaien de Zuidewinden op het kasteel aan; het dennenbosch
-beschermt het veel voor de Noordelijke vlagen.
-
-Van den hoogsten toren flappert een ontzachlijk zeil van dundoek uit,
-en doet er vroolijk in de lucht: twee banen geel en er tusschen een
-witte baan, waarop de donkere vlak van den gekanteelden burcht, die het
-wapen van Gothland is. Het is er op den zonloozen morgen een glimlach
-aan den hemel; het zwelt en valt weêr slap en laat zich hoog op weêr
-blazen door den wind, die frisch aanwappert over het water.
-
-Een jonge man en een jong meisje loopen aan het strand; ze praten,
-glimlachen, zien elkander aan. Zij is grooter dan hij, zeer blank;
-onder den kleinen matrozenhoed waaien enkele harer, even rosgoudbruine,
-haren, verward door den wind, om haar gezicht; onophoudelijk strijkt
-zij ze weg. Zij draagt een eenvoudigen blauwen serge rok en witte
-blouse, een breeden leêren ceintuur om het middel. Hare elegante
-voetjes zijn telkens door den wind geheel zichtbaar, in de zwart zijden
-kousen en gele leêren schoenen. Een paar handschoenen zwaait ze
-luchtigjes in de hand.
-
-De jonge man draagt een licht, geruit zomerpak, en een strooien hoed.
-Hij is klein, tenger; zijne oogen hebben een zwarten blik van zachte
-melancholie. Hij schijnt aan het meisje naast hem een verhaal te doen
-van reizen; zij luistert met haren glimlach toe.
-
-Om hen heen, trots den wind, is de atmosfeer die eener wijde rust.
-Langs het strand loopende, komen zij voorbij het kasteel, gaan het
-achterom en zien naar boven. Uit een der vensters wuift iemand vroolijk
-met de hand, en roept iets. Zij pogen te hooren, de hand aan het oor,
-maar halen de schouders op: de wind waaide de woorden weg. Nog eens
-wuiven zij, en gaan door.
-
-Zij gaan echter niet ver, altijd langs het strand. Ginds ligt het
-visschersdorp, liggen een paar kleine villa’s, optrekjes. Een ervan
-schijnt juist, voor een vacantie-maand zeker, bewoond door eene groote
-familie; drukte van stemmen gonst naar buiten, kinderen rennen elkaâr
-aan het strand na; een klein meisje bonst in haar vaart tegen den
-jongen man aan.
-
-—Hola, zegt hij vriendelijk, en lacht; lachende gaan zij door.
-
-De kinderen rennen verder. Een visscher komt met zijn netten aan,
-grinnikt goedig en mompelt een groet. Een dikke dame in de verandah
-heeft de jongelieden nieuwsgierig nagekeken; ze ziet den visscher
-groeten, houdt hem staande.
-
-—Wie is die dame met dien heer?
-
-De visscher wijst goedig naar Altseeborgen.
-
-—Van het kasteel.
-
-—Maar wie dan? zegt de dame verschrikt.
-
-—Wel, die meneer is de prins van Liparië en de juffrouw is een
-Oostenrijksche prinses, zegt de visscher, alsof iets anders onmogelijk
-ware.
-
-De dame ziet het vorstelijke paar ontzet na en kijkt dan in wanhoop
-naar hare rennende kinderen. De jongelieden keeren juist terug op hunne
-heen-en-weêr-wandeling; ze lachen nog vroolijker nu en haasten zich een
-beetje vlugger naar het kasteel, alsof ze zich verlaat hebben. De dame,
-bleek nog, durft geene excuzes maken, maar maakt eene diepe buiging;
-zij krijgt een vriendelijken groet terug.
-
-
-
-
-
-II.
-
-De koninklijke familie van Gothland was gewoon den geheelen zomer te
-Altseeborgen te blijven. Het strand leende zich bizonder tot badplaats
-om het visschersdorp heen, maar koning Siegfried had hier nooit van
-willen hooren: het strand en het dorp waren koninklijk domein; slechts
-een paar nederige optrekjes hadden mogen verrijzen. Meestal kwamen daar
-des zomers enkele burgerfamilies met kinderen. Een moderne badplaats
-zoû Altseeborgen nooit worden, al vond de elegante wereld de
-gelegenheid ook uitstekend om te zomerschitteren, zoo vlak in de
-nabijheid van het koninklijk kasteel.
-
-Maar de Gothlandsche familie bewaakte ook zorgvuldig de vrijheid van
-haar zomerleven. Vier maanden leefden zij daar, zonder de etiquette der
-paleizen, in den grootsten eenvoud. Zij vormden een talrijke familie en
-er waren altijd vele logé’s. De koning deed de staatszaken
-huishoudelijk op het kasteel af. Zijne kleinkinderen liepen soms zijn
-kabinet in, als hij met den minister-prezident, die sommige dagen naar
-Altseeborgen kwam, in gewichtige bespreking was. Hij klopte ze even op
-de blonde krullebollen en zond ze met een liefkoozing weêr weg, om te
-spelen. Er waren daar de kroonprins Gunther, en de kroonprinses Sofie,
-Duitsche vorstin, hertog en hertogin van Wendeholm; zij hadden vier
-kinderen, een meisje en drie jongens. Op den hertog volgde prins
-Herman, na hem de prinses Wanda, twintig jaar; na haar de jongere
-prinsen Olaf en Christofel. Verder waren er ook altijd twee oude
-prinsessen, zusters van den koning, douairières van Duitsche vorsten.
-Van alle hoven van Europa, die als éene groote familie zijn, kwamen nu
-en dan verschillende leden logeeren en brachten er hunne nuance van
-verschillende nationaliteit mede, iets exotisch in klank van stem en in
-zijn van zede, voor zoover dit niet in hun cosmopolitisme weggesmolten
-was.
-
-Othomar was met Herman drie maanden op zee geweest; zij hadden
-Voor-Indië, China, Japan en Amerika aangedaan. De reis was incognito
-geweest om alle officieele ontvangst te ontloopen, en Othomar had geen
-anderen titel gedragen dan dien van prins Czyrkiski. De reis had
-Othomar veel goed gedaan; hij voelde zich zelfs zoo wel, dat hij
-keizerin Elizabeth geschreven had nog eenigen tijd in den familiekring
-te Altseeborgen te willen blijven, maar daarna zijne, reeds vroeger
-voorgenomen, reis aan de Europeesche hoven te ondernemen.
-
-Het gemakkelijke samenzijn had de neven zeer tot elkaâr gebracht.
-Herman had Othomar onder zijn strakheid en gemis aan gemakkelijkheid
-leeren kennen als een jongen kroonprins, die zeer tegen zijne toekomst
-opzag, maar veel redelijkheid in zich had, wilde leeren berusten in het
-leven en zich reeds sterk maken voor zijn aanstaand zwaar juk van
-keizergrootheid. Hij begreep Othomar en had medelijden met hem.
-Hijzelve zag in het leven een vitaal genot; te ademen alleen reeds was
-genieten; zijn bestaan van tweeden zoon, met alleen zijne
-marineplichten, die hij liefhad, zooals een afstammeling van oude
-zeekoningen ze erfelijk lief kon hebben, hoorde een perspectief voor
-hem heen van niets dan éene verre onbewolkte zorgeloosheid; dat hij
-koningszoon was, gaf hem niets dan gemak, dan genot en hij waardeerde
-zijne hoogheid van omstandigheden met jolig pleizier, hij schepte zich
-den room af van een kelk, waaruit Othomar later alsem zoû drinken.
-Vergeleek hij ook eerst Othomar met zijn broêr, den hertog van
-Weldeholm, en kroonprins ook, hij van Gothland, Herman vergeleek nu
-niet meer; zijn oordeel was redelijker geworden; hij begreep, dat geene
-vergelijking mogelijk was. Liparië was een ontzachlijk bijna
-autocratisch keizerrijk; het volk, vooral in het Zuiden, zeer
-wisselvallig, altijd met kracht in toom gehouden om zijn kinderlijk
-nooit zelf weten wat het doen zoû van grilligheid; de Gothlanders, van
-temperament kalm liberaal, zonder schreeuwerigheid, hielden zich met
-hunne, reeds lang verkregen, uitgebreide constitutie, rustig om koning
-Siegfried, dien zij den vader van het land noemden. Dat Gunther er niet
-tegen opzag eenmaal de kroon te moeten dragen, was dat reden, dat
-Othomar zonder die vreeze hoefde te zijn? Bezat Othomar niet eerder de
-teedere eigenschappen, die in den nauwen cirkel van een intiemen kring
-gewaardeerd worden en beminnelijk maken bij enkele sympathieken, dan
-dien felleren glans van hoedanigheid, die op een hoog standpunt hel
-doet uitkomen en relief, en opzien wekt bij de menigte? Was die jongen
-met zijne ziel vol scrupule, zijn heimwee naar rechtvaardigheid, zijn
-in-verlangen naar liefde, zijn dadelijk gekwetste teêrgevoeligheid, was
-hij de zoon zijner vaderen, afstammeling van Berengar den Sterke,
-Wenceslas den Wreede, zoon der strijdbare Xaveria, of was hij niet
-eerder het kind maar zijner zachte moeder alleen?
-
-Het was niet in Herman hier veel en lang over na te denken, maar het
-kwam plotseling tot hem, bruskweg, als een nieuw uitzicht, dat geopend
-wordt in een klaarder licht. En wat antipathie in hem geweest was, werd
-medelijden, vriendschap en verwondering over het willen van de
-wereldorde, omdat ze met een ziel als die van Othomar niets anders wist
-te doen dan ze neêr te drukken onder een kroon.
-
-Het eenvoudige familieleven te Altseeborgen was voor Othomar als een
-kuur. Hij voelde er zich in natuurlijkheid opleven, zijne
-menschelijkheid zich er zonder boei wijder ontplooien. Gewend aan het
-ceremonieele hofleven van het Imperiaal, aan welks etiquette keizer
-Oscar streng de hand hield, verwonderde de, bijna burgerlijke, eenvoud
-zijner Gothlandsche familie hem eerst, maar verheugde hem later. Vorige
-jaren was hij wel nu en dan korten tijd te Altseeborgen geweest, maar
-nooit zóo lang gebleven, om zich, zooals nu, geheel en al tot de hunnen
-te kunnen rekenen.
-
-Behalve Othomar waren er op dit oogenblik geene andere logés dan de
-aartshertogin Valérie, nicht van den Oostenrijkschen keizer. Vermoedden
-de jongelieden iets of niet? Werden hunne namen samen genoemd door de
-jongere prinsen en prinsessen? Uiterlijk scheen het niet; een enkelen
-keer maar hadden de prinses Sofie of Wanda noodig de jongere broêrs met
-een blik te doen zwijgen. En toch was het met gewichtige bedoeling, dat
-de koningin van Gothland, in samenstemming met den keizer van Liparië
-en de ouders van Valérie—aartshertog Albrecht en aartshertogin Eudoxie,
-die het slot te Sigismundingen bewoonden—de jonge lieden samen had
-gebracht. Keizer Oscar zoû zeker liever eene der jeugdige Russische
-grootvorstinnen, nicht van den Czaar, tot schoondochter hebben willen
-kiezen, maar het verschil van godsdienst was altijd een onoverkomelijke
-hinderpaal; bezwaren had de keizer, trots zijn voorkeur, tegen de
-Oostenrijksche verbintenis intusschen niet.
-
-Misschien rieden Othomar en Valérie iets van deze bedoeling, maar het
-geheim ervan wekte geene gedwongenheid tusschen hen; zij waren, van
-beider kant, zoozeer gewend telkens bekende vorsten of prinsessen met
-hen samen genoemd te hooren, te zien zelfs vermeld in couranten:
-verlovingsberichten, die kort daarop weêr tegengesproken werden; ze
-hadden zelfs samen geschertst over de vele malen, die de publieke
-opinie hen had uitgehuwelijkt, telkens weêr met anderen; soms waren het
-zelfs voor henzelve verrassingen geweest, die zij vonden in de
-nieuwsbladen, en waarover zij jolig pleizier hadden gemaakt. Zij
-stoorden zich dus niet aan een heel enkel ondeugend woord van prins
-Olaf of prins Christofel; flinke jongens van zeventien en vijftien
-jaar, die het gezellig vonden te plagen. En daarbij oefende koningin
-Olga, verstandig en redelijk, niet den minsten invloed op hen uit. Zij
-had ze samen genoodigd, maar meer deed ze niet. Misschien lette zij
-stil op hoe zij waren met elkaâr, en schreef ze hiervan een enkel woord
-aan hare zuster, maar zij hield zich geheel buiten de mazen, die zich
-tusschen hunne kroonlevens moesten samen weven. Toch was het haar
-moeilijk zoo te doen. Zij hield van Valérie, en meende, dat dit
-huwelijk in allen deele goed zoû zijn. Maar daarbij kwamen er dringende
-brieven van Sigismundingen, en zelfs van Weenen, waar men niets liever
-wenschte, dan de jonge aartshertogin, hertogin van Xara te zien. Er
-waren hier, behalve dat men aan het Oostenrijksche hof een hernieuwde
-verbintenis met Liparië op prijs stelde, nog andere redenen voor, van
-intimer aard.
-
-
-
-
-
-III.
-
-De zon was in den namiddag doorgebroken en deed het grijs van de lucht
-en het water opblauwen met de wazige blauwte van Noordelijken zomer. De
-zee gloeide en schubde zich goud; het verweerde kasteel stond zijn
-breeden granietstapel, als een oude man zijn rug, te blakeren in de
-warmte. Op het hoogste terras, dat met drie glazen deuren tot den
-grooten hall toegang had, was het gestreepte linnen zeil neêrgelaten.
-Er lagen matten over den grond. In groote rieten stoelen zaten prinses
-Sofie en aartshertogin Valérie; beiden schilderden met waterverf. Uit
-den hall klonken, eentonig, de zachte gamma’s van prinses Elizabeth,
-het oudste dochtertje der kroonprinses, dat studeerde. Prinses Wanda
-zat op den grond en stoeide nog al wild met hare twee jongste neefjes,
-Erik en Karel. Op een langen rieten stoel lag prins Herman, met beide
-beenen uitgestrekt; naast hem een tafeltje vol couranten en
-tijdschriften, waarvan er eenige op den grond gevallen waren; een
-groote bel sherry-cobbler in den rieten glashouder van zijn stoel, een
-blauwtjes wolkende cigarette tusschen zijne vingers.
-
-Sofie en Valérie vergeleken hare studiën en lachten. Ze keken naar de
-lucht, die het neêrgelaten zeil recht afsneed; de wolken, wollig wit,
-schuimden er op elkaâr; de zee was verblindend van gouden schubben, als
-een reuzenpantser.
-
-—Wat teekenen jullie toch? vroeg Herman, die in een geïllustreerd
-tijdschrift bladerde.
-
-—Wolken, antwoordde Valérie; niets dan wolken. Ik heb Sofie overgehaald
-samen wolkstudies te maken. Je moet straks, als je niet te lui bent,
-mijn album eens komen zien—ze lachte even—het zijn niets dan wolken!
-
-—Hé! zei Herman, lang uitgerekt. Hoe vreemd...
-
-—Ja, zei Sofie droomerig; wolken zijn wel aardig, maar je weet nooit ze
-te treffen: ze veranderen ieder oogenblik.
-
-—Erik, vraag eens aan tante Valérie haar album voor me, vroeg Herman.
-
-—Wel neen, riep Wanda; ga het zelf halen, hoor luilak...
-
-Maar Erik wilde toch gaan; er ontstond een schermutseling. Wanda hield
-den kleinen jongen in beide armen vast, Karel deed meê, zij stoeiden,
-en Wanda viel lachend, schuin over den grond.
-
-—Maar Wanda! berispte Sofie.
-
-Valérie stond op en ging naar Herman toe.
-
-—Met dat al zie je mijn wolken niet, luie jongen. Ik zal maar genadig
-zijn. Kijk eens...
-
-Herman richtte zich nu, in eens, op, nam het album aan.
-
-—Hoe grappig, zei hij. Geel, en wit en violet en roze! Allemaal
-zonsondergangen!
-
-—En zonsopgangen. Ik zie er misschien meer dan jij!
-
-—Wat jij toch al niet in wolken ziet, Valérie! Het is verbazend. Wat
-verschilt de eene mensch toch van den anderen. Ik zoû het nooit in mijn
-hoofd krijgen wolken te gaan uitteekenen. Je moet eens met me meêgaan
-op reis; dan zoû je heele verzamelingen van wolken kunnen maken.
-
-—Had me die propozitie maar eerder gedaan! schertste Valérie. Dan had
-ik met Xara meê kunnen gaan.
-
-—Maar waar is Othomar! zei Herman.
-
-Valérie zei, dat ze het niet wist...
-
-Herman dronk aan zijn sherry-cobbler, Wanda wilde ook proeven, maar
-Herman zei, dat ze zelve maar om een glas moest bellen en weigerde.
-Wanda wilde toch; hij greep haar de polsen.
-
-—Maar Wanda! berispte Sofie weêr, loom; zij streek de hand over het
-voorhoofd en legde haar penseel neer.
-
-Wanda lachte vroolijk.
-
-—Maar Wanda! deed ze Sofie na, en ze lachten allen Sofie uit; Sofie
-lachte meê.
-
-—Sprak ik zoo? vroeg ze, met hare loome stem. Ik weet het ook niet, ik
-word hier zoo slaperig, zoo lui...
-
-Zij waren nog allen vroolijk om Sofie, toen stemmen klonken uit den
-hall, schelle oude stemmen. Het waren de twee douairières met Othomar;
-de oude dames minaudeerden hoffelijk tegen den jongen prins, die heur
-stoelen aanbood. De tantes hadden na het lunch een slaapje gemaakt; ze
-kwamen nu weêr te voorschijn, met tapisseriewerken in groote réticules.
-Iedereen begroette haar met veel eerbied, waarin een schalksch tintje
-school.
-
-—Pardon, lieber Herzog, murmelde de oude prinses Elza, de oudste; ik
-heb liever dat kleine stoeltje...
-
-Ook prinses Marianne wilde een klein recht stoeltje; de oude dames
-bedankten Othomar met eene révérence voor zijne galanterie, zetten zich
-stijf recht, begonnen te handwerken: groote blazoenen voor
-stoelbekleedsels. Zij waren zeer deftig, met fijne maar uitgerimpelde
-gezichten, grijze tours en een zwart kanten kapsel; ze droegen krakende
-moiré japonnen, van ouderwetschen snit. Nu en dan wisselden ze een
-snel, vinnig, woord, met eene, plotselinge kakelende, beweging van hare
-fijne kakatoeprofielen, ze keken even aandachtig naar de zee, als kon
-het niet anders of ze zouden iets belangrijks zien aankomen uit het
-onbestemde; dan werkten ze weêr door... Hare ouderwetsche, deftige,
-stijf in keurs geregen, schrale figuren deden vreemd samen met de
-losheid der jonge lieden in hunne eenvoudige serge zomerpakken: de
-verwarde haren en de opgesjorde blouse van prinses Wanda werden er zeer
-ongegeneerd om.
-
-Een derde oude dame kwam statieus aan, zij had eenige overeenkomst met
-de douairières; zij was echter gravin Von Altenburg, vroegere
-grootmeesteres der prinses Elsa; achter haar brachten twee lakeien
-bladen, waarop koffie en gebak, het goûter der oude prinsessen. De
-gravin maakte eene ceremonieele nijging voor de jonge vorsten.
-
-—Het terrein is ingenomen! fluisterde Herman tot Valérie. Zij waren
-weêr gaan zitten en onder hen plaagden zij, zonder dat de tantes, of de
-gravin, die eenigszins doof was, het hooren konden. Othomar met zijne
-drie Nornen, zooals zij schertsten. Een drukke taalwarrel ging om: de
-tantes spraken Duitsch en schreeuwden, om zich te doen verstaan, iets
-over de kalmte van de zee in de arme ooren der koffieschenkende gravin,
-die knikte, dat ze begreep. De jongere vorsten spraken meestal
-Engelsch; Herman soms met Othomar een paar woorden Liparisch, en de
-kinderen, die op een lager terras waren gaan spelen, joedelden
-Gothlands en Fransch luidruchtig door elkaâr.
-
-De lakeien hadden de afternoon-tea gebracht en voor prinses Sofie
-geplaatst, toen eene hofdame verscheen. Zij boog voor de jonge
-kroonprinses, en, in het Gothlandsch:
-
-—Hare Majesteit verzoekt Uwe Hoogheid in den kleinen salon te komen.
-
-—Mama vraagt me bij haar te komen, zei prinses Sofie in het Engelsch,
-terwijl ze opstond. Wanda, schenk jij thee? Kinderen, zullen jullie
-naar boven gaan om je te kleeden? Wanda, zeg het hun nog eens, niet
-waar?
-
-De kroonprinses ging door den hall, een groote, ronde koepelvormige
-zaal, vol hertengeweien, elandkoppen, jachttrofeeën; daarna een trap
-op. In de antichambre der Koningin, deed de lakei de deur voor haar
-open. Koningin Olga zat alleen; zij was eenige jaren ouder dan hare
-zuster, de keizerin van Liparië, grooter en zwaarder van bouw; hare
-trekken hadden echter veel overeenkomst met die van Elizabeth, maar
-waren meer aangedikt.
-
-—Sofie, sprak ze dadelijk, in het Duitsch; ik heb een brief uit
-Sigismundingen...
-
-De hertogin van Wendeholm was gaan zitten.
-
-—Iets over Valérie? vroeg ze verschrikt.
-
-—Ja... begon de koningin, met een nadenken in haar blik. Arm kind...
-
-—Maar wat dan, mama?
-
-—Daar, lees zelf...
-
-De koningin reikte den brief aan haar schoondochter over. Deze las
-haastig. De brief was van de aartshertogin Eudoxie, de moeder van
-Valérie, met een beverige opgewonden hand geschreven, en vermeldde in
-termen, die onverschillig wilden zijn maar eene groote voldoening
-verrieden, dat prins Leopold von Lohe-Obkowitz in Nice was met de
-beroemde actrice Estelle Desvaux; dat hij afstand van zijne heerlijke
-rechten zoû doen ten gunste van zijn jongeren broeder, en daarna
-trouwen zoû met zijne maitresse. De brief verzocht aan de koningin of
-aan de kroonprinses dit te willen meêdeelen aan Valérie, in de hoop,
-dat zij er niet te zeer door geschokt zoû worden. Verder eindigde de
-brief met hevige aanvallen tegen prins Leopold, die zich zoo te schande
-maakte, maar tevens met onverholen blijdschap, dat Valérie er nu
-misschien nooit weêr over denken zoû vrouwe te willen worden van een
-gebied, dat zes meter in het vierkant mat! De aartshertog Albrecht
-schreef er onder, dat dit nieuws geen vaag gerucht was maar zekerheid;
-en dat prins Leopold het zelve aan hunne eigen verwanten te Nice
-verteld had, die het geschreven hadden naar Sigismundingen.
-
-—Heeft Valérie wel eens met je over prins Lohe gesproken? vroeg de
-koningin.
-
-—Een enkelen keer, mama, antwoordde de hertogin van Wendeholm, terwijl
-zij het epistel terug gaf; maar wij weten allen genoeg, dat dit bericht
-haar zeer zal schokken. Zoû zij er in het minst op zijn voorbereid?
-
-—Waarschijnlijk niet; we hadden er toch geen van allen nog iets van
-gehoord of gelezen. Zal ik het haar zeggen? Arm kind...
-
-—Wil ik het doen, mama? Zooals ik u zeg, een enkelen keer heeft Valérie
-met me gesproken...
-
-—Goed, doe jij het dan...
-
-De hertogin bedacht zich, zag naar de pendule.
-
-—Het is al zoo laat, ik zal het doen na het diner; we waren nog geen
-van allen gekleed... Wat vindt u?
-
-—Goed dan, na het diner...
-
-De kroonprinses ging, ze moest zich haasten met haar toilet. Toen het
-zeven uur was, luidde een klinkende bel, lang door. Men kwam in den
-hall te zamen; de eetzaal zag met groote bogen op het dennenbosch uit.
-Het was een lange tafel: koning Siegfried, een krasse oude vorst met
-vollen, grijzenden baard; koningin Olga; kroonprins Gunther, lang,
-blond, twee-en-dertig jaren; prinses Sofie en hunne kinderen; Othomar
-tusschen zijne tante en Valérie, Herman en Wanda, Olaf en Christofel,
-de twee douairières met gravin Von Altenburg, adjudanten, hofdames,
-kamerheeren, de gouvernante van prinses Elizabeth, de gouverneurs der
-kleine prinsen...
-
-De ongedwongenheid van vroolijke gesprekken ging om. Men droeg
-eenvoudig toilette-de-ville; de koning gekleede jas, de jongere prinsen
-en adjudanten smokings. De jonge prinsessen droegen lichte
-zomer-toiletten van wit serge of roze mousseline de-laine; ze hadden
-een paar bloemen uit de serres zich gestoken in de ceintuurs.
-
-Valérie praatte vroolijk, Herman plaagde haar nog eens met hare
-wolkstudies, maar Othomar zei, dat hij ze zeer bewonderde. Koningin
-Olga en prinses Sofie wisselden een blik en waren stiller dan anders.
-De koning zag ook zeer aandachtig naar de jonge lieden. Na het diner
-verspreidde zich de familie; de kroonprins en Herman gingen met de
-jongere prinsen en de kinderen roeien op zee, in twee booten. Wanda en
-Valérie liepen, de armen om elkaârs middel, op en neêr, op het lange
-voorterras, het zeil was voor den avond reeds omhoog getrokken. De zee
-was nog blauw; de lucht parelkleurig en niet zoo hel meer: boven den
-horizont brandde de zon nog blakende scheuren in de wijd uitstralende
-wolken.
-
-De jonge meisjes liepen, lachten, zagen naar de twee bootjes op zee en
-wuifden ze toe. Heel ver weg ging een steamer fijn gepenteekend, met
-een vuil streepje rook. De jonge prinsen riepen: hoera! hoera! en
-heeschen hunne kleine vlag op.
-
-—Zie toch die couranten van Herman, zei Valérie. Tante Olga houdt niet
-van dien rommel...
-
-Ze wees naar al de tijdschriften en nieuwsbladen, die de lakeien zeker
-vergeten hadden op te ruimen. Ze lagen over den langen, rieten
-reisstoel, op het tafeltje, over den grond.
-
-—Wil ik bellen, dat zij ze opruimen? vroeg Wanda.
-
-—Och, laat maar, zei Valérie.
-
-Ze raapte zelve een paar couranten op, vouwde ze, schikte ze te zamen,
-Wanda wuifde weêr naar de bootjes, met een zakdoek.
-
-—Mijn God! hoorde zij in eens Valérie dof mompelen.
-
-Ze zag om; de jonge aartshertogin bleek, was op een stoel neêrgezonken.
-Zij had de couranten weêr laten vallen; een ervan hield ze krampachtig,
-kreukelend, vast, ze zag er op neêr, met oogen, wezenloos van schrik.
-
-—Het is niet waar... stamelde zij. Ze liegen altijd... ze liegen!
-
-—Wat is er, Valérie? riep Wanda verschrikt.
-
-Op dit oogenblik kwam de hertogin van Wendeholm door den hall aan.
-
-—Valérie! riep ze.
-
-Het jonge meisje hoorde niet. De hertogin kwam nader.
-
-—Valérie! herhaalde ze. Zoû ik je even kunnen spreken, alleen?
-
-De aartshertogin hief haar bleek gezichtje op. Ze scheen niet te
-hooren, niet te begrijpen.
-
-—Mijn God! fluisterde de hertogin tot Wanda; weet ze het al?
-
-—Wat toch? vroeg Wanda.
-
-Maar een lakei kwam door den hall ook; hij droeg een zilveren blad met
-brieven. Er waren een paar brieven voor de hertogin; hij bood ze haar
-eerst; toen éen, aan Valérie. De aartshertogin scheen met hare
-verblinde oogen dien brief toch wel te zien; gulzig greep zij er naar.
-De lakei ging.
-
-—O... God...! stamelde zij eindelijk.
-
-Zij rukte den brief open uit de enveloppe, verscheurde hem half in hare
-drift en las met krankzinnige oogen. Sofie en Wanda zagen haar ontzet
-aan.
-
-—O... God...! kreet de aartshertogin smartelijk. Het is waar... het is
-waar... het is waar!!! Oh...
-
-Zij stond trillende op, zag met dolle oogen om zich heen, stortte zich
-als gek in de armen der hertogin. Een luide snik stiet uit hare keel,
-als schoot een pistoolschot door haar hart heen.
-
-—Hij schrijft het me zelf! kreet zij uit. Zelf! Het is waar, wat in de
-courant staat... Oh!!!...
-
-En zij knakte met haar hoofd op Sofie’s schouder neer. Sofie voerde
-haar mee den hall in; Valérie liet zich meeslepen als een kind. Wanda
-volgde, weenende, wringende haar handen zonder te weten waarom.
-
-Uit de bootjes, die al heel ver waren, wuifden de jonge prinsen nog
-eens; prinsesje Elizabeth poogde zelfs iets te roepen; zij begreep niet
-waarom Wanda en Valérie zoo flauw waren niet meer terug te wuiven.
-
-Aan den horizont ging de zon onder; de gloeiende wolken waren allen
-verdommeld in schuimend goud-roze neveltjes met blinkende randen; maar
-het werd avond; de lucht donkerde; een voor een smolten de roze wolkjes
-weg; éen laatste wolk nog, als met twee stralenvleugels van laatste
-zonneschichten, flikkerde nog even op, of ze wilde vliegen, en verzonk
-toen, in eens, de vleugels geknakt, weg in de violette donkerte. De
-eerste sterren twinkelden op, hel zichtbaar.
-
-
-
-
-
-IV.
-
-Het was den volgenden morgen nog heel vroeg, half zes, toen de
-aartshertogin Valérie de terrassen van Altseeborgen afging. Zij had de
-kamenier alleen gezegd, dat zij vóor het eerste ontbijt, dat
-gezamenlijk gebruikt werd, terug zoû zijn. Beslist als met eene
-impulzie, ging zij het eene terras na het andere af. Zij ontmoette
-niemand dan een paar bedienden en schildwachten. Het onderste terras
-liep zij naar zee om; daar was een kleine vierkante haven in het
-graniet uitgehouwen, waar, in een bootenhuis, de roei- en zeilbooten
-gemeerd lagen. Zij koos zich een lange, smalle giek, en haakte die van
-de ijzeren ketting los. Met handigheid zette zij zich en greep zij de
-riemen: enkele korte slagen brachten haar het haventje uit, en in zee.
-
-Over de zee woei een Zuidwestenwind. De zee was vreemd grijs, als
-spiegelde ze in haar ovaal de onzekere lucht boven zich af: een
-dofblanke lucht, waarin vuile rafels hingen van, uit elkaâr gewaaide,
-wolken. De horizont was niet zichtbaar; er dreven lichte nevels, die er
-de afscheiding tusschen zee en lucht uitdoezelden met smoezelige tint.
-Sterk woei de wind aan.
-
-Valérie had den kleinen matrozenhoed afgezet en heure haren warrelden
-om haar gezicht. Zij had naar het visschersdorp heen willen roeien,
-maar ze voelde aanstonds, dat het boven hare krachten ging op te werken
-tegen den wind. Zij liet zich dus gaan met den wind meê. Een oogenblik
-dacht zij aan het weêr, de lucht, den wind; toen wierp zij die gedachte
-van zich. Stevig bewoog zij de riemen.
-
-Hoewel de zee betrekkelijk kalm was, wipte het bootje telkens over den
-gladden rug van een golf heen en daalde dan weêr. Schuimspatten vlogen
-op. Toen Valérie na korten tijd omzag, verschrikte zij een weinig,
-omdat Altseeborgen zich zoo ver van haar terugtrok. Zij aarzelde nog
-eens, maar liet zich weêr gaan...
-
-Toen zij het kasteel verlaten had, was geene gedachte in haar geweest;
-alleen eene impulzie om te handelen. Nu, onder de handeling zelve, rees
-de gedachte bij haar op, als werd die door den wind uit eene lethargie
-gewekt. Valérie’s oogen staarden brandend groot, zonder tranen, voor
-zich uit.
-
-Het was waar, reëel. Dit was het wiel, dat telkens terugdraaide in hare
-gedachte. Het was waar, reëel. In de couranten—de zelfde, die Herman
-urenlang doorbladerd had—stond het: Sofie had het haar gezegd; zijn
-eigen brief meldde het haar.
-
-Zij had dien brief niet meer, hij was verscheurd. Maar ieder woord
-brandmerkte nog haar verbeelden.
-
-Het was zijn brief geweest; zijn eigene woorden waren het geweest, zijn
-stijl. Hoe had ze met woorden van hem gedweept, eens. Maar deze, waren
-het wel de zijne? Schreef hij zoo? Kon zij zich voorstellen, dat hij
-ooit zóó tot haar spreken zoû:
-
-Hij zoû haar niet ongelukkig willen maken door haar lief te hebben
-tegen den wil harer ouders, harer keizerlijke familie. Het was immers
-waar, dat hij niet haar evenboortige was. Zijn huis was van ouden adel,
-maar meer niet. Zij was van keizerlijken en koninklijken bloede. Hij
-was haar dankbaar, dat zij tot hem neêr had gebogen en hem tot haar had
-willen heffen. Maar het was niet goed dit te doen. De tradities der
-menschen moesten onschendbaar zijn: het was, vooral voor hen, grooten
-der aarde, niet goed tegen traditie te doen. Zij moesten dankbaar zijn
-voor de liefde, die hunne zielen had gelukkig gemaakt, maar meer
-mochten zij niet verlangen. Te Weenen wilde men niet, dat zij elkander
-lief hadden. Zoû hij haar ooit geheel gelukkig kunnen maken—zoû zij,
-zoo ze huwden en zich met hunne liefde terugtrokken in het buitenland,
-nooit terug verlangen en heimwee voelen naar den splendeur, waaruit hij
-haar tot zich had neêrgehaald? Want, zóo zij huwden, zoû hij nog minder
-hare gelijke zijn, dan hij nu reeds was, door de ongenade van zijn
-keizer. Neen, neen, het mocht niet. Zij moesten scheiden. Zij waren
-niet voor elkaâr geboren. Een kort oogenblik hadden zij de heerlijke
-illuzie gebeeld, dat zij wél voor elkaâr geboren waren; dat was alles.
-Voor die herinnering zoû hij dankbaar blijven, zijn leven lang.
-
-Met een brekend hart nam hij afscheid van haar, vaarwel, vaarwel. Het
-was gedaan, zijn hooge carrière, zijn leven, zijn alles. Hij vroeg haar
-om vergeving. Hij wist, dat hij te zwak was, om haar lief te hebben
-tegen den wil van zijn vorst in. En hij vroeg haar vergeving daarvoor.
-Zij zoû den naam van eene vrouw hooren, samen met de zijnen; ook hier
-vroeg hij vergeving voor. Hij had die vrouw niet lief, maar zij wilde
-hem troosten in zijne smart...
-
-De wind, strafweg, was feller opgestoken, met een zwaren gelijken
-blaasadem. De lucht stond donker. Woester rolden de golven op het
-bootje aan en wipten het op hunne ruggen als van gladde waterbeesten.
-Het schuim had Valérie nat gemaakt. Zij zag om. Altseeborgen lag zeer
-ver, nauwelijks zichtbaar; de vlag zag zij nog teekenen in de lucht,
-als een lintje.
-
-—Ik ben gek, dacht ze. Waar ga ik naar toe...? Ik moet terug...
-
-Maar het was moeilijk de boot te keeren! Telkens sloeg de wind haar
-weêr af en dreef haar verder. Een wanhoop kwam over Valérie’s lichaam
-en ziel, moreele en fyzieke wanhoop.
-
-—Nu, laat dan maar, dacht ze.
-
-Ze liet de riemen los, dreef verder, weg, weg. Waarom ook niet? Waarom
-zoû ze zich niet laten wegdrijven? Zonder hem, zonder hem... kon ze
-niet leven! Haar geluk was gebroken; wat was het leven, zonder geluk?
-Want zij wilde geluk, het was haar broodnoodig...
-
-Ze was half ingezonken in de boot. De riemen klapperden tegen de wanden
-aan. Een golf kletste over haar heen. Hare oogen staarden brandend voor
-zich uit, in het verre.
-
-Een tweede golf kletste, hare voeten waren doornat. Zij richtte zich
-langzaam op, zag naar de booze zee, naar de donkere lucht. Toen greep
-zij de riemen weêr, met een zucht van smart.
-
-—Kom aan! dacht ze.
-
-Hooger rees en lager daalde ze. Maar met een dolle poging deed zij de
-boot wenden...
-
-—Het moet! knarste zij tusschen de tanden.
-
-Zij hield de smalle boot tegen den wind in en begon te roeien. Het
-moest. Haar voorhoofd fronste zich, hare kakebeenen knarsten, hare
-tanden schrijnden over elkaâr. Zij voelde hare spieren rekken. En ze
-roeide door, tegen den wind op. Met haar heele lichaam schokte zij op
-tegen den straffen adem. Het moest. Het zoû. En zij wende zich aan hare
-krachtsinspanning; werktuigelijk roeide zij door. Zóó wende zij aan ze,
-dat ze begon te snikken, terwijl ze roeide...
-
-O God, hoe lief had ze hem gehad, met heel hare ziel! Waaròm, wist ze
-het? O, zoo hij maar wat sterker ware geweest, zij zoû het wel geweest
-zijn! Wat deed hun de ongenade van haar oom, den keizer, zoo ze elkaâr
-liefhadden? Wat de woede van hare ouders, zoo ze elkaâr liefhadden? Wat
-kon hun Europa schelen, zoo ze elkaâr liefhadden! Niets, alles niets...
-Zoo hij hun geluk maar had durven grijpen, toen het voor hen fladderde,
-zooals het maar ééns voor eene ziel uitfladdert! Maar hij had niet
-gedurfd, hij voelde zich te zwak dien greep te wagen, hij bekende het
-haar zelve... En nu... was het gedaan, gedaan, gedaan...
-
-Al snikkende roeide zij door. Hare armen schenen te zwellen, te
-springen uit elkaâr. Enkele dikke druppels van regen vielen neer.
-Waarom eigenlijk roeide zij door? De zee was de dood, verlossing van
-het leven, vergetelheid, blussching van schroeiende pijn. Waarom roeide
-ze dan door?
-
-—O God! ik weet het niet! antwoordde zij zichzelve hardop; maar het
-moet! Het moet!...
-
-En met de schokken van haar sterk vorstinnelijf werkte zij zich terug,
-naar het leven...
-
-Maar op Altseeborgen was men in groote onrust. Het was drie uur
-geleden, dat Valérie gegaan was. De kamenier wist niet anders te
-zeggen, dan dat Hare Hoogheid verzekerd had voor het ontbijt terug te
-zullen zijn. De schildwachten hadden haar de terrassen zien afgaan,
-maar verder geen acht geslagen welken kant Hare Hoogheid was uitgegaan.
-Zij meenden naar het bosch, maar wisten niet zeker...
-
-Iedere minuut steeg de angst; geen vermoeden werd uitgesproken, maar
-men las het elkander in de oogen. Koning Siegfried beval zelve stil te
-gaan zoeken, om geen opzien te baren bij de hofhouding en het volk van
-het dorp. Van verdwalen kon geen sprake zijn: het dennenbosch was niet
-groot en Valérie kende Altseeborgen goed. Trouwens, er was niets dan
-het bosch en het strand en het dorp.
-
-De koning en de kroonprins gingen zelve het bosch in met een adjudant.
-Herman en zijn jongere broêr Olaf gingen het dorp in links; Othomar en
-Christofel langs de zee, rechts. De koningin bleef met de prinsessen in
-hartkloppende onzekerheid achter. Hoe men ook had pogen zich goed te
-houden en te ontbijten, iets van een gerucht waarde reeds door het
-kasteel heen.
-
-Othomar was met Christofel langs het klippige strand gegaan; de regen
-begon te druppelen, dik hard.
-
-—Wat zoeken we hier eigenlijk! zei Othomar radeloos.
-
-—Ze zal zich misschien in zee hebben gegooid! antwoordde de jonge prins
-en, voor het eerst van zijn leven, was hij bang voor de diepte, die de
-dood was. Zonder te weten gingen zij door, door...
-
-—Laat ons terugkeeren, sprak Othomar.
-
-Zij gingen echter nog eenigen tijd voort; ze konden niet opgeven...
-
-Daar klonk een kreet over het water; zij schrikten op, maar zagen eerst
-niets.
-
-—Hoorde je? vroeg Christofel bleek, die aan spooklegenden van de zee
-dacht.
-
-—Een zeemeeuw zeker! zei Othomar, maar luisterde toch. De kreet klonk
-weêr.
-
-—Daar, zie je niets! wees Christofel.
-
-Hij wees een lange vlak, die deinde over het water aan.
-
-Othomar schudde van neen.
-
-—Neen, dat kan niet! zei hij; dat is een visschersjongen.
-
-—Wel neen, het is een giek! riep Christofel.
-
-Zij zeiden niets meer, liepen op een draf door. De vlak werd
-duidelijker: een giek, de kreet klonk, doordringend.
-
-—Mijn God, Valérie! schreeuwde Othomar.
-
-Zij schreeuwde eenige woorden terug; hij verstond maar ten deele. Zij
-roeide niet ver van het strand af, naar het kasteel toe. Othomar deed
-zijn jas, zijne schoenen uit, stroopte zijn broek op, de mouwen van
-zijn hemd.
-
-—Neem dat meê, riep hij tot Christofel; en ga terug naar het kasteel,
-zeg het hun...
-
-Hij liep met bloote voeten over de klippen heen, de zee in, wierp zich
-in het water, zwom naar de boot. Het was zeer moeilijk voor hem in het
-bootje te komen, zonder het te doen omslaan. Het kantelde dol links en
-rechts; met éene beweging van lichte vlugheid slaagde Othomar echter er
-in te springen.
-
-—Ik kan niet meer... sprak Valérie mat.
-
-Ze liet de riemen los; hij greep ze en roeierde op. Ze viel even tegen
-hem aan, maar hield zich toen recht om hem niet te belemmeren.
-
-
-
-
-
-V.
-
-De jonge aartshertogin verscheen niet aan het lunch; zij sliep. Even
-voor het diner,—het regende en de koningin dronk in den hall thee, met
-de prinsessen, de tantes, de kinderen,—verscheen zij. Zij zag wat
-bleek; haar gezicht was een weinig uitgetrokken; hare oogen vreemd
-groot, brandend. Zij droeg een eenvoudig zomertoilet van zacht lila
-soupele stof, met een paar witte linten om den leest gestrikt; de kleur
-stond haar goed bij het vreemde haar, dat nu eens bruin was en dan weêr
-rossiger scheen. De koningin strekte de hand naar Valérie uit; ze
-schudde het hoofd en zei:
-
-—Ondeugend kind! Wat heb je ons bang gemaakt.
-
-Valérie kuste het voorhoofd der koningin.
-
-—Vergeef me, tante. De wind was zoo sterk, ik kon er bijna niet tegen
-op. Ik had niet moeten gaan. Maar ik had, ik had behoefte... aan
-beweging.
-
-De koningin zag haar angstig aan.
-
-—Hoe voel je je?
-
-—O, goed tante. Wat stijf; een beetje hoofdpijn ook. Het is niets. Mijn
-handen alleen hebben een paar groote blâren, ziet u eens...
-
-En ze lachte.
-
-De oude dames vroegen uitvoerig naar het gebeurde: het was heel
-moeielijk ze het aan haar verstand te brengen. Wanda zette zich
-tusschen haarbeiden, deed haar het verhaal; de fijne kakatoe-profielen
-bogen telkens ontzet op en neêr naar Wanda toe. De tantes legden de
-hand op het hart en zagen Valérie in verschrikking aan; vriendelijk
-glimlachte zij ze toe. Toen de gravin Von Altenburg verscheen, namen de
-tantes de oude grootmeesteres tusschen haar in en deden, op hare beurt,
-het verhaal, krijschende aan de arme ooren der gravin. Koning Siegfried
-kwam binnen; hij ging naar Valérie toe, die opstond, nam haar het hoofd
-tusschen de handen, zag haar aan en schudde zijn grijzen kop; toch
-glimlachte hij. Toen zag hij naar zijne zusters; hij amuzeerde zich
-altijd om ze; ze waren nog midden in haar verhaal tegen de gravin,
-namen elkaâr telkens het woord uit den mond:
-
-—Nu, zoo verschrikkelijk was het niet! viel de koning ze in de rede;
-zoo te roeien is wel eens prettig en een goed middel tegen migraine. Je
-moest het ook eens doen, Elsa, als je migraine hebt.
-
-De oude prinses zag hem zoetsappig glimlachend aan: ze wist nooit of
-haar broêr zoo iets meende of niet. Ze schudde haar deftig hoofd
-langzaam heen en weêr:
-
-—Neen, lieber Siegfried, dat kunnen wij niet meer doen. Unsere liebe
-Erzherzogin is nog een jong ding...!
-
-Othomar, Gunther en Herman kwamen binnen; ze hadden gebiljart; de
-jongere prinsen volgden hen. Valérie sidderde even, stond op en ging
-naar Othomar.
-
-—Ik dank je, Xara, sprak ze. Duizend-, duizendmaal!
-
-—Maar waarom, Valérie! antwoordde Othomar eenvoudig. Ik heb niets
-gedaan dan je een eind teruggeroeid. Er was geen gevaar. Want, als je
-zoo moê was geweest, dat je niet meer hadt gekund, hadt je immers in
-zee kunnen springen en kunnen zwemmen naar land. Je bent een goede
-zwemster. Je hadt alleen de boot er aan geofferd.
-
-Zij zag hem aan.
-
-—Het is zoo, zei ze. Maar ik dacht daar niet aan. Ik was misschien...
-verbijsterd. Ik zoû het niet gedaan hebben; ik had een idee-fixe om
-terug te roeien. Als ik niet meer had kunnen roeien, was ik zeker...
-Weiger mijn dank niet, ik verzoek het je: neem hem aan.
-
-Zij stak hare hand uit, hij drukte ze. Met verwondering zag hij stil
-tot haar op, en begreep haar niet. Hij dacht niet anders dan dat zij
-dien morgen het kasteel verlaten had met een plan van zelfmoord. Had
-zij op het water berouw gevoeld of niet gedurfd; had zij willen
-doorleven en was zij teruggekeerd? Was zij zoo oppervlakkig, dat zij
-het groote leed, dat haar gisteren avond verpletterd had, nu reeds te
-boven was? Voelde zij, dat het leven over alles wat van ons is, geluk
-of smart, heenradert met zijn onverschillige jubelkarren en dat het
-maar het beste is om niets te geven en te voelen, ook niets? Wat van
-dit alles was er in haar? Hij kon het niet doorgronden. En opnieuw zag
-hij zich weer vreemd staan voor de vraag van de liefde. Wat was dit
-gevoel waard, zoo het zóó weinig maar woog in een vrouweziel? Wat woog
-het bij hemzelven voor Alexa? Wat was het dan... of was het dan nog
-iets... anders?
-
-Aan het diner praatte Valérie als gewoonlijk en hij bleef haar niet
-begrijpen. Het ergerde hem, zijn gebrek aan doorzicht in menschehart:
-hoe kon hij het ontwikkelen? Een aanstaande vorst moest toch met éen
-enkelen blik kunnen zien... En in eens, misschien alleen òm zijn wensch
-naar menschekennis, kwam het in hem op, dat ze zich verborg, dat ze
-misschien nog zeer leed, maar zich voordeed, zich ophield; ze was
-immers een vorstenkind: zij leerden dat allen, vorstenkinderen, zich
-ophouden, zich voordoen! Het zat hun in het bloed. Schuin zag hij haar
-aan, waar hij naast haar zat; kalm praatte zij over hem heen met de
-koningin. Hij wist niet of hij goed geraden had en hij weifelde nog
-tusschen die twee: houdt ze zich op, of is ze oppervlakkig? Maar toch
-was hij gelukkig omtrent haar te kunnen weifelen en dat eerste
-vermoeden van oppervlakkigheid te ontzenuwen door zijne tweede
-gedachte. Hij was hier gelukkig om, niet geheel en al om Valérie
-alleen, dat zij beter zoû zijn, dan hij eerst meende; hij was er vooral
-gelukkig om, om den algemeenen regel, waartoe hij er om besloot: dat
-een mensch meestal beter is, dieper denkt, edeler voelt dan hij
-schijnen laat in de iederen-daagsche banaliteit van het leven, die hem
-dwingt zich te bemoeien met nietsjes en woorden, ieder oogenblik. Een
-teêr gevoel van vreugde kwam over hem, dat hij dit zoo had bedacht. Een
-rust, dat hij iets mooi in het leven geraden had: een mooi geheim.
-Iedereen wist het misschien, maar niemand liet het blijken. O ja, de
-menschen waren goed; de wereld was goed, in hare essence. Een vreemd
-mysterie alleen dwong anders te schijnen, een vreemde dwang der
-wereldorde. Hij zag om zich heen over de lange tafel. Alle gezichten
-hadden vriendelijkheid en sympathie over zich. Hij hield van zijn oom,
-den koning; zoo kalm, zacht, flink, met het schijnbaar stug
-stilzwijgende van zijn Noordsch karakter, met zijn rustigen glimlach en
-nu en dan een kleine vonk van scherts, tegen de oude tantes vooral,
-maar ook tegen de kinderen en zelfs tegen de adjudanten, de hofdames.
-Hij wist, dat zijn oom een denker was, een wijsgeer; hij zoû gaarne
-eens lang met hem hebben willen spreken over punten van filozofie. Ook
-van zijne tante hield hij: een flinke vorstin; hoeveel deed zij niet
-voor haar land, hoeveel liefdadige instellingen riep ze niet op; een
-flinke moeder, hoe verstandig kwijtte zij zich niet van hare moeilijke
-taak; vorstenkinderen op te voeden. Zij was in haar land meer bemind
-dan zijne moeder, die hij toch aanbad, in het hare; zij had meer tact,
-minder angst, minder hoogheid ook tegen de menigte. Het had misschien
-omgekeerd moeten zijn: zij koningin hier, hare zuster keizerin
-daarginds...
-
-En de kroonprins met zijne eenvoudige mannelijkheid; Herman met zijne
-joligheid; de jongere broêrs met hunne stevige jongensblague; hoeveel
-hield hij niet van ze! Sofie, Wanda, de kinderen, hoeveel hield hij
-niet van ze! De tantes, de oude, zich wijdende grootmeesteres, hij vond
-ze zelfs sympathiek. O de wereld was goed, de menschen waren goed! En
-Valérie was niet onverschillig, maar leed in stille stilte, zooals een
-vorstenkind lijden moet, met kalme oogen en een glimlach!
-
-Toen het diner gedaan was, nam koningin Olga Othomars arm.
-
-—Kom even meê, sprak ze.
-
-De regen had opgehouden, een lakei opende de boogdeuren. Er was daar
-het lange achterterras, achter de eetzaal; het zag uit op het bosch. De
-koningin had haren arm onder dien van Othomar gestoken, en begon met
-hem op en neêr te wandelen.
-
-—En je gaat ons dus verlaten? vroeg ze.
-
-Hij zag haar glimlachend aan.
-
-—U weet het, tante: met veel spijt. Ik zal nog dikwijls heimwee naar
-Altseeborgen hebben, naar u allen. Ik voel mij zoo geheel thuis in uw
-kring. Maar ik verlang toch ook Mama terug te zien; het is nu bijna
-vier maanden geleden, dat ik haar zag.
-
-—En voel je je beter?
-
-—Hoe zoû het anders kunnen, tante. De reis met Herman had me al
-opgesterkt, en het leven hier bij u is een heerlijke nakuur geweest.
-Een heerlijke vacantie.
-
-—Maar nu zal het uit zijn met die vacantie: zal je nu weêr kunnen
-handelen?
-
-Hij glimlachte met een kalme berusting in zijne melancholieke oogen.
-
-—Zeker tante, het mag niet altijd vacantie blijven. Me dunkt, ik heb
-het er van genomen; zes weken niets gedaan dan liggen in het zand, of
-in het bosch, of op die heel gemakkelijke rieten bank van Herman.
-
-—Heb je niets meer gedaan? vroeg zij schalk.
-
-—Wat meent u?
-
-—Niet het leven gered... van Valérie?
-
-Hij maakte een kleine beweging van zacht ongeduld.
-
-—Maar tante, heusch niet. De couranten zullen dat nu wel gaan
-vertellen, maar het is heusch geen redding geweest. Valérie kan immers
-zwemmen en ze was vlak bij het land.
-
-—Ik heb een brief van papa, Othomar.
-
-—Van papa?
-
-—Ja... Heb je nooit gedacht aan... Valérie?
-
-Hij bedacht zich even.
-
-—Misschien, lachte hij.
-
-—Voel je geen genegenheid voor haar?
-
-—Zeker tante... Ik dacht, dat papa liever de grootvorstin Xenia wilde?
-
-De koningin haalde hare schouders op.
-
-—De godsdienstkwestie, niet waar? Papa heeft toch ook gaarne een
-Oostenrijksche verbintenis. Hoe denk je de reis te nemen? En wanneer ga
-je?
-
-—Ducardi en de anderen komen nog deze week hier. Aan het einde van de
-week. Eerst Kopenhagen, Londen, Brussel, Berlijn en dan naar Weenen.
-
-—En naar Sigismundingen.
-
-—Ja, naar Sigismundingen, als papa wil.
-
-—Maar wat wil jij, Othomar?
-
-Hij zag haar zacht aan, glimlachend, haalde de schouders op.
-
-—Maar tante, wat heb ik te willen?
-
-—Zoû je van Valérie kunnen houden?
-
-—Ik geloof het wel, tante: ik geloof, dat ze heel lief is en heel
-flink.
-
-—Ja, dat is ze zeker, Othomar. Zoû je niet, voor je wegging, dan met
-haar praten?
-
-—Tante...
-
-—Waarom niet?
-
-—Tante, dàt kan ik niet doen. Ik blijf nog maar enkele dagen hier,
-en...
-
-—En?
-
-—Valérie heeft een groot verdriet gehad. Het kan niet anders of zij
-moet er nu nog zeer onder lijden. Bedenk, tante, het was gisteren. Mijn
-God, gisteren...! En vandaag was ze zoo kalm, zoo eenvoudig... Maar het
-kan niet anders, niet waar, of ze lijdt nog heel erg. Zij is van morgen
-met dat weêr op zee gegaan... we weten niets, niet waar, tante, maar we
-denken allen het zelfde! Misschien vergissen we ons, eenvoudig weg. De
-dingen, die schijnen, zijn dikwijls anders. Maar hoe het ook zij,
-verdriet heeft ze zeker. Ik kan haar dat dus niet vragen, nu...
-
-—Het is jammer; jullie zijn nu samen. Dikwijls wordt zoo iets beslist
-uit de verte. Je zoû, als het hier in orde kwam, de reis misschien niet
-hoeven te maken.
-
-—Tante, papa stond toch op die reis...
-
-—Dat is zoo; omdat nog niets beslist was.
-
-—Neen, tante, laat mij die reis doen. Want in orde komen, hier, dat kan
-het toch niet. Als papa het me zelve vroeg zoû ik zeggen... dat het
-niet kan.
-
-—Papa vraagt het je, Othomar, in dien brief aan mij.
-
-Hij greep hare handen.
-
-—Tante, schrijf u het dan terug, aan papa, dat het niet kan, nu. O,
-onmogelijk, onmogelijk. Laat ons haar sparen, tante. Als ze mijn vrouw
-wordt, wordt ze het toch, terwijl ze een ander liefheeft. Is dat al
-niet vreeslijk genoeg voor haar, als het later beslist wordt, na
-maanden? Laat ons haar daarom nu dus sparen. U voelt dat toch ook als
-vrouw, niet waar? Er zijn geen staatszaken, waarom mijn huwelijk zoo
-dringend zoû moeten worden gesloten.
-
-—Toch wil papa, dat je zoo gauw mogelijk trouwt, Othomar. Hij wenscht
-een kleinzoon...
-
-Hij antwoordde niet: een lijden trok over zijn gelaat. De koningin zag
-het.
-
-—Maar je hebt gelijk, antwoordde zij, hem toegevend. Het zoû te wreed
-zijn. Valérie houdt zich anders goed. Zoo moet een aanstaande keizerin
-van Liparië zijn...
-
-Hij antwoordde nog niet, liep stil naast haar; nog steeds lag hare hand
-op zijn arm; zij voelde dien trillen.
-
-—Kom, zij ze zacht; laat ons naar binnen gaan; zoo een wandeling op en
-neêr maakt nog moê ook...
-
-
-
-
-
-VI.
-
-Ducardi, Dutri, Leonie en Thesbia waren te Altseeborgen aangekomen; zij
-zouden Othomar vergezellen op zijn officieele reis door Europa. Het was
-een der laatste dagen, dat Othomar met Herman samen wandelde, des
-morgens, naar het bosch.
-
-De zon scheen, het bosch was geurig, de voet gleed uit over de gladde
-naalden. De prinsen lieten zich op den grond neêr, bij een groote plas
-water; om hen heen verrezen de rechte dennestammen met hunne knoestige
-pieken van zijtakken; de lucht week, met blauwe plekken, tusschen het
-uitstekende naaldenloover, weg naar de ruimte.
-
-Herman leunde tegen een stam aan; Othomar strekte zich uit op den rug,
-de handen onder het hoofd.
-
-—Het is nu gauw uit, zeide hij zacht.
-
-Herman antwoordde niet, maar streek met zijne hand de naalden
-werktuigelijk bij elkaâr. En ook Othomar sprak niet meer; hij dronk
-zijn laatste oogenblik van ontspannen rust als met voorzichtige teugen
-in: iedere teug was een wellust, die nooit terug zoû komen.
-
-In het bosch was het doodstil, als was de aarde onbewoond; de weemoed
-van wat eindigt hing tusschen de boomen.
-
-In eens nam Othomar Hermans hand en drukte die.
-
-—Ik dank je, zei hij.
-
-—Waarvoor? vroeg Herman.
-
-—Voor het genot, dat wij samen hebben gehad. Mama had gelijk: ik kende
-je niet, Herman...
-
-—Maar ik jou ook niet, beste jongen.
-
-—Het zijn mooie dagen geweest. Hoe heerlijk hebben we samen gereisd,
-als twee touristen. Hoe heerlijk grootsch was Voor-Indië, niet waar, en
-Japan, hoe curieus. Ik hoû anders niet van jagen, maar met jou begreep
-ik het en voelde ik de emotie er van: ik zal onze tijgerjacht nooit
-vergeten! Die oogen van dat beest, het gevaar in het gezicht: dat
-sterkt. In zoo een oogenblik voel je je primitief worden als de eerste
-mensch. Zoo een tijger kijkt een boel geweifel uit je weg. Dat is een
-ander gevaar, dan waar mama altijd bang voor is; o dat enerveert zoo,
-dat eet al je energie op... En de nachten op den Indischen Oceaan, op
-onzen Viking. Die kolossale ruime cirkel om je heen, al die sterren
-boven je! Wat hebben we dikwijls zitten kijken, met onze beenen op de
-verschansing... Het is misschien niet goed lang zoo te droomen, maar
-het rust zoo uit, het rust zoo uit. Ik zal het nooit vergeten, nooit...
-
-—Nu maar, kerel, we zullen het nog wel eens over doen.
-
-—Neen, je doet iets nooit over. Wat gedaan is, is gedaan. Niets komt
-terug, geen oogenblik. Het is later altijd wat anders...
-
-Hij zag even om zich heen, alsof er iets beluisteren kon, fluisterde
-toen:
-
-—Herman, ik moet je iets zeggen.
-
-—Wat dan?
-
-—Iets toevertrouwen. Maar zeg eerst: toen met dien tijger, toen vond je
-me niet laf, niet waar?
-
-—Neen, zeker niet!
-
-—Nu, ik ben het toch, laf. Ik ben bang, altijd bang. Ze weten het niet,
-de dokters, omdat ik het hun nooit zeg. Maar ik ben het altijd...
-
-—Maar waarvoor dan toch, kerel?
-
-—Voor iets in mezelven. Zie je, Herman, ik ben zoo bang... dat ik het
-niet vol zal kunnen houden. Dat ik op een oogenblik te zwak zal zijn.
-Dat ik het in éens niet meer zal kunnen doen, en dan, dan...
-
-Hij huiverde; zij zagen elkaâr aan.
-
-—Het is niet goed, vervolgde hij werktuigelijk, als gesterkt door
-Hermans blik. Ik zal er tegen strijden, tegen dien angst... Geloof je
-aan voorgevoelens?
-
-—Ja, aan het omgekeerde van ze: de mijne komen altijd omgekeerd uit!
-
-—Ik hoop dan, dat het mijne ook niet zal uitkomen.
-
-—Maar wat is het?
-
-—Dat er binnen het jaar... iemand van ons... dood zal zijn... te
-Lipara.
-
-Herman bleef hem star aanzien. Trotsch zijne flinkheid en zijne fyzieke
-kracht van spieren, school er in hem eene lichte overerving van het
-bijgeloof, dat in de zee aanruischt als met stemmen van verre profetie;
-bijgeloof, gewiegeld door de mooie legenden van hunne Gothlandsche zee,
-die als eene sirene vreemde sprookjes zingt van mystiek. Hij wist het
-misschien zelve niet, dat er hem iets van vloeide door zijn rijk bloed,
-vóor hij het voelde op dit oogenblik, en hij wilde het weg uit zich
-schudden, als nonsens.
-
-—Maar Othomar, wees toch verstandig!
-
-—Ik kan er niets tegen doen, Herman; ik denk er niet over, maar het
-zijn heele kleine prikjes, als gedachten, die plotseling opkomen. En
-verleden... o verleden, toen was het meer; toen werd het een droom, een
-nachtmerrie. Ik liep door de winkelstraten van Lipara en uit alle
-winkels kwamen zwarte menschen, en die maten hoopen zwart krip uit, met
-meters, en zóoveel, dat de straten zich er mee vulden en dat het krip
-als met wolken in de stad lag, en als een hoop van floers boven de stad
-steeg. Het werd er donker om; de zon scheen er niet meer door heen, en
-over alles lag de schaduw. De menschen schenen mij niet te herkennen,
-en toen ik vroeg, waarvoor al dat krip was, fluisterden ze aan mijn
-ooren: stil, stil, het is... voor het Imperiaal!... O, Herman, toen
-werd ik wakker, en ik was nat van zweet en het was of ik het nog altijd
-hoorde naklinken: voor het Imperiaal, het is voor het Imperiaal!
-
-Herman was opgestaan, hij werd een beetje zenuwachtig.
-
-—Kom, zei hij, willen we gaan?... Droomen, hecht toch niet aan droomen,
-Othomar!
-
-Othomar stond ook op.
-
-—Neen, ik moest ook niet aan ze hechten, herhaalde hij vreemd; ik heb
-het vroeger ook nooit gedaan.
-
-—Othomar... begon Herman, beslist, als wilde hij spreken.
-
-—Zeg even niets tegen me; laat me een oogenblik stil! viel hij in de
-rede, snel, angstig.
-
-Zij liepen door het bosch, zwijgend. Othomar zag vreemd om zich heen,
-over den grond. Herman sloot de lippen dicht op elkaâr, en fronste zijn
-voorhoofd: hij was boos. Maar hij sprak niet. Na enkele minuten werden
-Othomars vreemde blikken kalmer; ze stilden zich tot hunne gewone,
-zachte melancholie.
-
-Toen zuchtte hij licht, als weêr komende op adem.
-
-—Wees niet boos, sprak hij, zijn arm stekend onder dien van Herman.
-
-Zijne stem had weêr den gewonen klank.
-
-—Het zal misschien goed zijn, dat ik je dat gezegd heb: nu zal het
-misschien uit me weggaan. Wees dus niet boos, Herman... Ik beloof het
-je, voortaan zal ik niet meer zoo spreken en ook mijn best doen niet
-meer zoo te denken. Maar wat me hindert, moet ik zeggen. En dat is toch
-ook veel beter, dan het eeuwig te verzwijgen! Zie je, ik zal gauw ook
-geen tijd meer hebben aan zulke dingen te denken—morgenavond zijn wij
-te Kopenhagen, en dan neemt het leven weêr zijn gewonen loop. Hoe heb
-ik toch zoo vreemd gesproken, hoe ben ik er op gekomen? Ik weet het
-zelf niet meer... Het lijkt me nu zelf heel dwaas.
-
-Hij lachte even en toen, ernstig:
-
-—Ik ben toch blij, dat we alleen gesproken hebben, dat ik je heb kunnen
-danken. Niet waar, we zijn nu vrienden?
-
-—Ja, we zijn vrienden, antwoordde Herman lachend, úit zijne boosheid;
-maar ik zal jou toch nooit heelemaal kennen!
-
-—Zeg dat nu niet alleen om een enkel voorgevoelen, dat ik zelf dwaas
-vind. Wat is er anders voor raadselachtigs in me...!
-
-Herman zag hem aan.
-
-—Neen, anders ook niet! gaf hij toe. Je bent een goede jongen. Ik weet
-niet, hoe het gekomen is, maar ik hoû veel van je...
-
-Zij gingen het bosch uit; de zee lag voor hen. Als het leven zelve, lag
-ze voor hen, met het mysterie harer diepte, waarin eene veelvuldige
-ziel scheen te bewegen en golf te ronden na golf. Onnoembaar en
-ontelbaar waren hare wisselingen van kleur: hare stemmingen van
-onophoudelijke beweging, en hoog spuwde zij op de kammen harer
-woestheid een schuim van passie uit. Maar die passie was hare
-oppervlakkigste openbaring: al het overvloedige van hare eindelooze
-vitaliteit: uit hare diepte ruischte, in de onnazingbare melodieën
-harer millioenen stemmen, de mystiek op van hare ziel, als het geheim,
-dat de hemel alleen wist, bóven haar.
-
-
-
-
-
-VII.
-
- Aan Zijne Allergenadigste Keizerlijke
- Hoogheid Othomar, Hertog van Xara,
-
- te
-
- Osborne House Wight. Lipara, Imperiaal. Sept. 18..
-
-
- Dierbare Zoon.
-
-Wij ontvingen met veel genoegen Uw brief, die ons meldde de hartelijke
-ontvangst, die U eerst te Kopenhagen ten deel viel en nu in Engeland.
-Wij moeten U echter onze bevreemding doen opmerken omtrent hetgeen
-Tante Olga ons schreef, en ons leed betuigen, dat Gij U niet naar ons
-verlangen gedragen hebt; dit zelfde leed betuigen, door middel van
-brieven aan ons, de Keizer van Oostenrijk en de Aartshertog Albrecht.
-Wij hebben ons zeker in ons schrijven aan Tante Olga niet dringend
-genoeg uitgelaten: in het andere geval zouden wij ons niet kunnen
-voorstellen, dat zij er niet meer bij U op zoû hebben aangedrongen, aan
-de Aartshertogin Valérie een onderhoud te verzoeken en haar te spreken
-over de gewichtige zaak, die ons allen op dit oogenblik zoo zeer ter
-harte gaat. Gij hadt dan reeds aan de hoven, die Gij nu bezoekt, Uwe
-verloving sous-cachet kunnen mededeelen, en zij zoû aan het einde van
-Uwe reis te Sigismundingen gevierd hebben kunnen worden. Terwijl Gij U
-nu zeker bij onze Vrienden, Hunne Majesteiten van Denemarken en van
-Engeland, in een scheeve positie plaatst, daar er immers in alle
-nieuwsbladen over eene mogelijke verloving met de Aartshertogin Valérie
-gesproken wordt en de pers zoo goedgunstig is het voor en tegen van
-deze verbintenis reeds met luider stemme te bespreken. Uwe reis had
-echter toch in alle geval plaats moeten hebben, daar ze al zoo lang
-geleden was aangekondigd—Uwe ziekte kwam daar tusschen beiden,—en daar
-ze dus niet meer is dan eene beleefdheid jegens onze Vrienden.
-
-Nog eens, dat Gij U hierin niet naar ons verlangen gedragen hebt, doet
-ons veel verdriet. Wij zien er in zekere neiging tot een burgerlijke
-overgevoeligheid, Othomar, die wij hopen, dat Gij zult leeren
-beheerschen met al de kracht, die in U is. Een verdriet, als prins Von
-Lohe-Obkowitz Uwe aanstaande bruid heeft aangedaan, heeft ons allen wel
-eens in ons leven getroffen, en kan zeker een korten tijd groote smart
-veroorzaken, maar het blijft geheel en al een personeel en
-ondergeschikt gevoelen, en het mag zich in het minst niet dringen vóor
-zaken van zulk groot staatsbelang als het huwelijk van een aanstaanden
-Keizer van Liparië. De Aartshertogin Valérie zal dit zeker ook zoo
-leeren beschouwen, als zij ouder is, en wij hopen, dat zij reeds
-spoedig zal inzien, dat hare genegenheid voor de prins Lohe nooit haar
-geluk had kunnen zijn, daar ze haar in disharmonie had gebracht met
-Zijne Majesteit, haar Oom, en met alle hare verwanten.
-
-Beheersch U, Othomar; wij vragen U dit dringend. Gij hebt somtijds
-ideeën en maakt U voorstellingen, die niet van een vorst zijn. Wij
-hebben dit reeds meermalen opgemerkt onder anderen, toen Gij, in Vaza,
-Zanti bezocht hebt. Wij hebben U dit niet willen verwijten, omdat wij
-overigens zeer tevreden over U geweest zijn. Uw liefste wensch zal
-zeker zijn, dat wij dit altijd zullen blijven.
-
-Wij hopen U dus over drie weken terug te zien te Sigismundingen, waar
-de Aartshertogin Valérie dan van Altseeborgen teruggekeerd zal zijn, om
-met U samen te treffen, en waar wij ook den Keizer van Oostenrijk
-ontmoeten zullen.
-
-Wij hopen van harte, dat de lange reis met Herman U veel goed zal
-gedaan hebben, en dat Uw huwelijk zoo spoedig mogelijk te Altara zal
-kunnen plaats grijpen. Dit blijde vooruitzicht is ons eene aangename
-afleiding voor de beslommeringen omtrent de Legerwet, die in het Huis
-der Standen zoo halsstarrige tegenkanting vindt, maar die wij toch
-hopen te zullen doordrijven, daar ons Leger noodzakelijke vermeerdering
-vereischt.
-
-Wij omhelzen U van harte.
-
-
- Oscar.
-
-
-
-
-
-
-
-
-TWEEDE HOOFDSTUK.
-
-
-I.
-
-Het was na het galadiner op het slot te Sigismundingen, waar de
-keizerlijke familiën van Liparië en Oostenrijk vereenigd waren, om de
-verloving van den hertog van Xara met de aartshertogin Valérie te
-vieren. Het was in September: de dag was zwoel heet geweest, en in den
-avond was de broeiwarmte nog blijven hangen in de lucht.
-
-Men was juist van tafel opgestaan en de stoet der vorstelijke personen
-ging door een galerij naar de receptiesalons terug. Al de
-balkonvensters der hel verlichte galerij stonden open: onder, als in
-een afgrond van stroomlandschap, vloeide de Donau, ruischend tegen de
-rotsen aan, waarop het slot met zijne talrijke kleine punttorens omhoog
-was getrokken. De bergen trokken een somber violetten omtrek van
-toppen-lijn aan tegen de heldere lucht, die telkens hel was van
-electrische glanzingen, als van geluidloos weêrlicht. Het bosch stond
-somber zwart, schaduwachtig, opglooiend met de piek-toppen van zijn
-sparren tegen de bergen aan; in de verte lagen kleine huisjes verward
-in den avond, als een uitgespreid dorpje, met hier en daar een klein
-geel licht.
-
-De keizer van Liparië bood den arm aan de moeder der bruid, de
-aartshertogin Eudoxie; dan volgden de keizer van Oostenrijk met de
-keizerin van Liparië, de aartshertog Albrecht met de keizerin van
-Oostenrijk, Othomar met Valérie... Even drukte Valérie Othomars arm en
-trok zich met hem uit den stoet terug.
-
-—Het was zoo warm in de eetzaal: vergeef me, sprak zij tot Othomars
-zuster, de aartshertogin van Karinthië, die met een harer
-Oostenrijksche neven volgde, en haar glimlach vroeg de aartshertogin
-door te gaan. De anderen volgden: de vorstelijke genoodigden, de
-adjudanten, de hofdames: zij glimlachten tegen de keizerlijke
-verloofden, die in een der open vensterbogen ze lieten voorbij gaan.
-
-Zij bleven alleen in de galerij, staande voor het open raam.
-
-—Ik heb behoefte aan lucht, sprak Valérie met een zucht.
-
-Hij antwoordde niet. Zwijgend stonden zij samen te staren op het
-avondlandschap. Hij droeg de Uhlanen-uniform van het regiment dat hij
-in Oostenrijk commandeerde en een nieuwe orde starrelden met de anderen
-mede op zijn borst: die van het Oostenrijksche Gulden Vlies. Zij scheen
-ouder geworden dan zij te Altseeborgen was, in haar roze zijden
-avondtoilet, met groote, zeer licht groene fluweelen pofmouwen, een
-dichtgekroesden witte-struisveêrenrand om het open corsage en om den
-sleep.
-
-—Wil ik je even alleen laten, Valérie? vroeg hij zacht.
-
-Zij knikte, weemoedig glimlachend, van neen. Een onbedwingbare emotie
-scheen hare borst zenuwachtig op en neêr te doen hijgen.
-
-—Waarom, Othomar? vroeg ze. Ik ben des nachts al genoeg alleen met mijn
-gedachten. Laat me er maar zoo min mogelijk alleen meê...
-
-Zij stak hem in eens hare hand toe:
-
-—Vergeef je aan je aanstaande keizerin haar gebroken hart? vroeg ze, in
-eens, met een grooten snik.
-
-En haar bleek, vermagerd gezicht wendde zich geheel naar hem toe, met
-een paar oogen, als van een verwonde ree. Een onbedwingbaar gevoel van
-medesmart bracht zijne ziel in eene plotselinge opvolging: hij drukte
-hare hand vast, en wendde zich af, om niet te weenen.
-
-Hij zag naar buiten. Somber romantisch verhieven zich enkele, der van
-hier zichtbare, punttorens in den electrischen lichtenden ether. Onder
-hen, romantisch, ruischte de Donau. De bergen waren als het landschap
-uit een ballade. En geen ballade, geen roman klonk er tusschen hunne
-harten. Het proza der noodzakelijkheid en onvermijdelijkheid was alleen
-de harmonie, die hen verbond. Maar deze harmonie, ook verbond hen in
-werkelijkheid, bracht hen samen, deed hen elkander begrijpen, met
-elkander meêvoelen en meêleven. Zij waren nu even alleen, en eerlijk
-peilden hunne oogen elkaâr in de zielediepte. Geen veinzen was noodig
-tusschen hen beiden: zij zagen elkanders leed, trillend liggen in
-elkanders hart, naakt.
-
-Het was geen oproerige wanhoopspassie, die zij zagen. Zij zagen een
-stil huiverigen weemoed; zij zagen die aan met groote starre oogen van
-angst, zooals kinderen kijken als ze een spook meenen te zien. Dat
-spook kwam voor hen uit het leven zelve: het leven zelve werd hun een
-spookbestaan. Zijzelve waren schimmen, al voelden ze zich tastbaar, met
-lichamen. Wat waren zij? Droomwezens met kronen; ze liepen en bogen en
-deden en glimlachten, als ze moesten in den drom om hunne kronen. Zij
-bestonden niet: eene vaagheid zweemde wel hunne droom-hersenen aan, dat
-er iets bestaan kon, in andere natuurwetten, dan die van hunne sfeer,
-maar in hunne sfeer bestonden zij niet...
-
-Zijne hand had werktuigelijk gefrommeld aan papieren, die vlak bij hem
-lagen op een vergulde spiegelconsole, tusschen twee der raambogen; het
-ware eenige geïllustreerde tijdschriften, zeker door een kamerheer
-vergeten. Hij nam er een op, om hun treurig stilzwijgen te vullen en
-opende het. Het eerste wat hij zag was hunne eigene portretten.
-
-—Kijk, zeide hij.
-
-Hij toonde ze haar. Ze bladerden nu samen, zagen ook de portretten
-hunner ouders, een afbeelding van het kasteel, een hoekje in het park
-van Sigismundingen.
-
-Toen lazen zij samen de aankondiging van hunne verloving; zij werden
-eerst ieder beschreven, hij, een talentvolle prins, die veel goed deed,
-in zijn land zeer populair, en hartelijk bemind door den
-Oostenrijkschen keizer; zij, eene vorstin naar ziel en lichaam, geboren
-om keizerin te zijn van een groot rijk, met ook zeer bijzondere
-talenten. Heel Europa had op dit oogenblik de oogen op hen gevestigd.
-Want hun huwelijk zoû niet alleen zijn eene vorstelijke verbintenis van
-staatsbelang, maar ook een band leggen van innige harmonie; hun
-huwelijk was een huwelijk uit liefde. Men had het soms wel anders
-willen doen voorkomen, maar dit was niet juist. In Gothland, in den
-huiselijken kring te Altseeborgen, hadden de jeugdige vorsten immers
-elkander goed leeren kennen, was hunne liefde als eene idylle aan de
-zee ontloken en had de hertog van Xara zelfs eens het leven gered der
-aartshertogin, die zich met stormachtig weêr te ver in een roeiboot had
-gewaagd. Hunne liefde was als een roman met een goed einde. Keizer
-Oscar had zelve liever de grootvorstin Xenia tot kroonprinses van
-Liparië gezien, en hechtte zeer aan eene verbintenis met Rusland, maar
-hij had toegegeven aan de liefde van zijn zoon... En het artikel
-eindigde, dat het huwelijk in October in het oude paleis te Altara zoû
-voltrokken worden.
-
-Zij lazen het samen, met hunne weemoedige gezichten, hunne groote
-strakke oogen, die nog pijn deden van het staren in elkanders ziel.
-Geene enkele opmerking kwam over hunne lippen na het artikel; zij
-glimlachten alleen even met hunne twee navrante glimlachen; toen legde
-hij het tijdschrift weêr neêr. En zij vroeg, met die vreemde kalmte,
-waarmeê zij, verloofden, elkaâr poogden te leeren kennen:
-
-—Othomar, heb jij niemand... lief?
-
-Een gloed kwam over zijne wangen. Wist zij van Alexa?
-
-—Ik heb wel gedacht, dat ik... iemand lief heb gehad, bekende hij; maar
-ik geloof toch niet, dat het bepaalde liefde was. Ik geloof nu, dat ik
-het element niet in me heb, met heel mijn ziel op te gaan in een gevoel
-voor een enkele andere ziel: ik zoû niet weten hoe ik ze vinden moest,
-die éene ziel, en ik zoû bang zijn me te vergissen, of me maar iets
-wijs te maken... Neen, ik geloof niet, dat ik dat excluzieve gevoel
-ooit zal kennen. Ik gevoel meer in me een groot, wijd, algemeen gevoel,
-een immens medelijden, voor ons volk. Het is misschien wel vreemd van
-me...
-
-Hij zeide het bijna schuchter, als ware het een abnormaliteit, dat
-algemeene gevoel, waarvoor hij zich schamen moest voor haar.
-
-—Een groote liefde, legde hij nog eens uit, toen zij hem zwijgend aan
-bleef zien, en hij maakte eene openende beweging met zijne armen; voor
-ons volk...
-
-—Voel je dàt? vroeg ze, in bevreemding.
-
-—Ja...
-
-Iets als een perspectief ging voor haar open, of er een verschiet van
-licht gloorde aan het héele einde van hare zwarte droefheid, maar het
-verschiet was zoo ver, zoó ver...
-
-—Maar Othomar, sprak ze; dat is heel goed. Dat is heel mooi, zoo te
-voelen!
-
-Hij haalde de schouders op.
-
-—Mooi! Hoe meen je? Ik voel het toch om al de ellende, die er is...
-onder ons volk, het lagere, het laagste vooral. Als ze allemaal
-gelukkig waren en overvloed hadden, had ik het niet te voelen. Waarom
-is er dan iets moois aan?
-
-Zij lachte even.
-
-—Daar kan ik niet tegen op redeneeren, dat gaat me te ver. Ik heb nooit
-over sociale toestanden nagedacht; ze hebben altijd zoo bestaan en...
-en ik heb er niet over nagedacht. Maar ik voel alleen, met mijn
-instinct van vrouw, dat het mooi is, dat je dat voelt, Othomar.
-
-Zij greep zijne hand en drukte die, haar gelaat opgeklaard in een
-glimlach. Toen zag zij, peinzend, het donkere landschap in, beneden
-hen, en zij huiverde.
-
-—Het wordt frisch, zei hij. Laat ons naar binnen gaan, Valérie; je vat
-hier koû.
-
-Zij voelde even aan haren blooten hals.
-
-—Dadelijk, sprak ze.
-
-Ze blikte naar beneden, naar den ruischenden Donau. Een damp begon van
-den stroom op te stijgen en vulde het dal als met lichte strepen
-mousseline.
-
-—Kom, drong hij.
-
-—Kijk, zei ze; hoe diep is dat, niet waar?
-
-Hij zag naar beneden.
-
-—Ja, antwoordde hij.
-
-—Voel je geen duizeling? vroeg ze.
-
-Hij keek haar angstig aan.
-
-—Neen, dat niet; ten minste niet zoo dadelijk...
-
-—Othomar, sprak ze fluisterend. Ik heb hier een heelen avond gezeten.
-Telkens keek ik naar beneden, het was donkerder dan nu, en ik zag niets
-dan zwart en het bruiste maar altijd door in die zwarte diepte. Het was
-de avond, nadat onze verloving beslist was. Ik had zoo een pijn, ik heb
-zoo geleden! Ik dacht, dat ik me al overwonnen had, maar ze lieten me
-geen rust, en ik had alleen overwonnen, om opnieuw te moeten strijden.
-Dat ik je vrouw moest worden kwam even onverwacht als... als mijn groot
-verdriet gekomen was! Toen heb ik me zoo zwak gevoeld, omdat het me zoo
-overstelpte, omdat ze me geen rust lieten. O, ze zijn zoo wreed
-geweest, ze gaven me geen oogenblik, om op adem te komen. Voort moest
-het maar weêr, voort! Toen heb ik me zwak gevoeld. Ik dacht, dat ik die
-zwakte niet te boven zoû komen. Ik heb hier gezeten, uren lang, te
-kijken naar den Donau. Het maakte me duizelig... Eindelijk dacht ik,
-dat ik het besluit genomen had: om me te gooien naar beneden... Ik zag
-me al wegdrijven, daar, daar, daar beneden, om het kasteel heen...
-Waarom ik het niet gedaan heb? Ik geloof om... hèm, Othomar. Ik had hem
-nog lief, ik heb hem nòg lief, al is het niet fier van me. Ik woû hem
-niet straffen met mijn zelfmoord. Hij is zoo zwak, ik ken hem, het zoû
-hem zijn leven lang vervolgd hebben...! Toen... toen, Othomar, ben ik
-weggeloopen, en ik heb gebeden!!! Ik wist niet meer wat te doen!
-
-Zij verborg haar gelaat vol smart in hare handen, met een grooten snik.
-Zijne oogen stonden vol tranen; hij zag hoe ze sidderde. Een zijblik
-vol angst sloeg hij op den diepen stroom beneden, die als roepend
-bruiste...
-
-—Valérie, stamelde hij ontzet; in Godsnaam, laat ons naar binnen gaan.
-Het is hier te koud, en, en...
-
-Zij zag hem angstig aan ook, met dolle oogen.
-
-—Ja, laat ons weggaan, Othomar! fluisterde ze. Ik word hier bang: we
-hebben dat zoo in onze familie; nog zooveel romantiek vloeit er in onze
-aderen...
-
-Zij nam zijn arm, zij gingen. Maar voor zij de suite der antichambres
-zouden binnentreden, die leiden naar de salons, hield zij hem nog even
-staande:
-
-—Ik weet niet, of we elkaâr nog alleen zullen zien, voor je naar Lipara
-terug gaat. En ik wou je nog voor iets bedanken...
-
-—Waarvoor? vroeg hij.
-
-—Voor... iets, dat tante Olga me zei. Voor..., dat je me gespaard
-hebt... te Altseeborgen. Ik dank je, Othomar...
-
-Zij sloeg haren arm om zijn hals en gaf hem een zoen. Ook hij kuste
-haar.
-
-En zij wisselden hunne eerste liefkoozing.
-
-
-
-
-
-II.
-
-Den volgenden dag reisde de keizerlijke familie van Liparië van
-Sigismundingen terug naar Lipara. De ontvangst aan het Centraal Station
-was zeer hartelijk; de stad vlagde: des avonds hadden er volksfeesten
-plaats.
-
-De officieren der verschillende legercorpsen boden den kroonprins
-gastmalen aan, zijne verloving ter eere. De portretten der
-aartshertogin Valérie lagen voor de ramen van alle platenwinkels; de
-couranten schreven lange artikelen, vol jubel.
-
-Het was enkele uren vóór het diner, dat de officieren der Troongarde
-boden aan hun vorstelijken kolonel, toen aan Othomar, als ware het in
-eens, een vreemd gevoel overkwam. Hij was in zijn kabinet, voelde zich
-eenigszins duizelig en moest gaan zitten. De duizeling was licht, maar
-duurde lang; lang scheen de kamer langzaam om hem heen te willen
-draaien en niet te kunnen, wat iets pijnlijks gaf als van tegenkanting
-dier levenlooze meubels. Othomars eene hand steunde op zijne dij, de
-andere op den kraaghals van den colley, die den kop op zijn knie had
-gelegd. Voorover gebogen bleef hij zitten.
-
-Toen de duizeling voorbij was, behield hij eene vreemde lichtheid in
-het hoofd, als was er iets uit weggenomen. Hij liet zich voorzichtig
-achterover vallen; de colley, die half soesde in slaap, opende
-droomerig de oogen en soesde weêr in, zijn kop op de knie, onder
-Othomars hand. Een onweêrstaanbare moêheid kroop Othomars ledematen op,
-als verdronken zij in eene weeke modder. Het bevreemdde hem zeer, dit
-gevoel, en op de pendule schuin kijkend, zonder het hoofd te bewegen—om
-de duizeling niet weêr te wekken—rekende hij uit, dat hij nog ruim
-anderhalf uur had vóor het diner. Deze lengte van tijd stelde hem
-gerust en stil bleef hij zitten, als wegende zijne moêheid, of ze over
-zoû gaan, wegtrekken zoû uit zijn lichaam.
-
-Het duurde lang, zoo lang zelfs, dat hij weifelde of hij zoû kunnen
-gaan of niet. Toen er drie kwartier voorbij waren, drukte zijne hand op
-eene schel, die dicht bij hem stond op tafel. Andro kwam binnen.
-
-Andro... begon hij, maar zweeg verder.
-
-—Verlangt Uwe Hoogheid zich te kleeden? Alles ligt klaar...
-
-Othomar klopte even op den kop van den hond, die nog steeds
-onbeweeglijk op zijn knie lag te soezen...
-
-—Is Uwe Hoogheid niet wel?
-
-—Een beetje duizelig, Andro; het gaat al over.
-
-—Maar zoû Uwe Hoogheid dan wel gaan: wil ik dan niet om prins Dutri
-zenden?
-
-Othomar schudde beslist van neen en stond op.
-
-—Neen, het is al te laat, Andro. Kom, help me...
-
-En hij ging zijne kleedkamer in.
-
-Hij verscheen op het diner, maar verontschuldigde zich toch bij zijne
-officieren over zijne zichtbare matheid. De toasten dankte hij alleen
-met eene heffing van het glas, met een glimlach. Het trof hen allen,
-dat hij er zeer slecht uitzag, vermagerd, met holle oogen, krijtwit in
-zijn wit- en gouden uniform. Dadelijk na het diner keerde hij terug
-naar het Imperiaal, zonder hen te vergezellen naar den Keizerlijken
-Sportclub, de societeit der jeunesse dorée.
-
-Hij sliep zwaar; een vage nevel van gedroom trok door zijn nacht heen.
-De man, die hem bij Zanti had willen vermoorden, grijnsde hem aan, met
-ballende vuisten; toen werd het de Gothlandsche zee en hij roeide
-Valérie voort, maar hoe hij ook roeide, de drie torens van het kasteel
-trokken altijd door verder weg, onbereikbaar...
-
-Toen hij wakker werd, was het reeds over achten. Hij bedacht, dat het
-te laat was voor zijn gewoonlijken morgenrit en bleef liggen. Hij belde
-Andro.
-
-—Waarom heb je me niet om zeven uur wakker gemaakt?
-
-—Uwe Hoogheid sliep nog zoo vast; ik dorst niet; Uwe Hoogheid was
-gisteren niet wel...
-
-—Zoo, heb je me maar laten slapen? Nu goed dan... Laat aan Hare
-Majesteit zeggen, dat... dat ik niet wel ben.
-
-De man zag hem angstig aan.
-
-—Wat scheelt Uwe Hoogheid?
-
-—Ik weet het niet, Andro...... Een beetje moê. Waar is Djalo?
-
-—Hier, Hoogheid...
-
-De colley kwam luidruchtig binnen, zette de groote pooten op het
-veldbed, schudde, om te kwispelstaarten, het achterlijf woest heen en
-weêr... Toen, in eens, ging hij kalm liggen, voor het bed.
-
-De keizerin liet terug zeggen, dat zij dadelijk komen zoû; ze was nog
-niet gekleed... Met stille open oogen bleef Othomar op haar wachten.
-
-In eene lichte emotie van angst kwam zij eindelijk binnen. Zij vroeg
-hem, maar leerde niets uit zijne vage, glimlachende antwoorden. Zij
-legde de hand op zijn voorhoofd, voelde hem den pols, en kon niet
-besluiten, dat hij koorts zoû hebben. Er heerschten tyfeuze koortsen:
-zij was er bang voor...
-
-De lijfartsen, die geroepen waren, stelden haar gerust: het was geene
-koorts. De prins scheen algemeen vermoeid te zijn, hij had zich zeker
-overspannen in den laatsten tijd. Hij moest rust nemen...
-
-De keizer verwonderde zich: de prins had pas rust gehad en was weken
-lang te Altseeborgen gebleven. Waar had dit dan voor gediend!
-
-De mare ging door het paleis, de stad, het land, Europa, dat de hertog
-van Xara zijne kamer hield, om eene lichte ongesteldheid. Een
-eenvoudig, zeer geruststellend bulletin werd door de geneesheeren
-uitgegeven.
-
-Des middags stond Othomar echter op, kleedde zich zelfs aan, maar niet
-in uniform. Hij had wat geluncht in zijne kamer en ging nu naar de
-appartementen der prinses Thera. Zij zat te teekenen; bij haar eene
-hofdame; de jonge markiezin van Ezzera.
-
-De prinses was verwonderd haar broêr te zien.
-
-—Zoo, ben je daar? Ik dacht, dat je in bed lag...
-
-—Neen, het gaat wat beter...
-
-Hij groette de markiezin, die was opgestaan en neeg.
-
-—Wil je niet schilderen? vroeg Othomar.
-
-Thera zag hem aan.
-
-—Je ziet zoo witjes, arme jongen. Het is misschien beter maar niet. Het
-vermoeit ook, dat pozeeren, niet waar?
-
-—Ja, soms, een beetje...
-
-Zij stonden nu voor het portret; de markiezin had zich teruggetrokken,
-zooals zij altijd deed bij dit samenzijn van zuster en broêr. De
-schilderij was half bedekt door een zijden lap, dien Thera opsloeg: het
-was reeds een expressieve jonge kop, waarin het leven begon te tintelen
-achter de zwarte oogen van weemoed; breed en vast van penseelstreek
-gedaan, met veel reflect van buitenlicht, dat op de eene zijde van het
-gelaat viel, en het en relief deed komen, de achterschaduw uit, naar
-voren.
-
-—Het is bijna af? vroeg Othomar.
-
-—Ja, maar voor den laatsten toets heb je me al zoo lang in den steek
-gelaten; denk maar, je bent vier maanden weg geweest. Ik heb er al dien
-tijd niets aan kunnen doen. Maar weet je... je bent veranderd. Als ik
-het maar niet zoo zal moeten laten! Het lijkt niet meer...
-
-—Het zal wel weêr gaan lijken, als ik er wat beter ga uitzien!
-antwoordde Othomar, maar de prinses was licht nerveus geworden; ze trok
-er den zijden lap in eens weêr over heen...
-
-Othomar verscheen niet aan het diner: hij ging zeer vroeg naar bed. Den
-volgenden morgen vonden de geneesheeren hem in eene groote
-lusteloosheid. Hij was opgestaan maar had zich niet gekleed; in zijn
-kamerrok lag hij op de bank in zijn kabinet, de colley aan zijne
-voeten. Aan de keizerin klaagde hij, dat hij zich zoo vreemd in zijn
-hoofd voelde, als zoû het opengaan en alles er uit weg wolken. Bij den
-keizer, die hem zien kwam, verontschuldigde hij zich met zijn
-souffranten glimlach over zijne ongesteldheid...
-
-Dagen lang bleef deze toestand de zelfde: een totale lusteloosheid,
-totaal gebrek aan eetlust, een zichtbare afmatting... De keizerin zat
-bij hem, waar hij lag op zijn bank, te staren door de open ramen in de
-groene diepte van het platanenpark. De vogels sjirpten er; soms klonk
-er Berengars schel stemmetje, die met een paar vriendjes speelde. De
-keizerin las voor, maar het vermoeide Othomar, het gaf hem hoofdpijn...
-
-Na een lang gesprek, dat de drie doktoren met den keizer en de keizerin
-gehouden hadden, werd professor Barzia, uit Altara, ontboden voor een
-consult; de professor was een Europeesche specialiteit voor
-zenuwziekten.
-
-In het kabinet van den keizer wachtten de keizer, de keizerin en graaf
-Myxila den uitslag van het onderzoek en het, daarop gevolgde, consult
-af. Het duurde lang. In hunne afwachting spraken zij niet; de keizerin
-zat met haar stil berustend gelaat te turen voor zich; de keizer,
-geïrriteerd, liep heen en weer. De oude Rijkskanselier, met zijn streng
-hoog gezicht en kalen schedel, stond bedenkend bij het venster.
-
-Toen lieten de doktoren zich aandienen. Ze verschenen, professor Barzia
-het eerst; de lijfartsen volgden. De keizerin meende het ergste te
-lezen op de strakke, blanke gelaatstrekken van den professor; een der
-artsen echter, als meêlijdend, knikte achter hem haar met zijn goeden,
-dikken kop stil geruststellend toe.
-
-—Welnu? vroeg de keizer.
-
-—Wij hebben Zijne Keizerlijke Hoogheid nauwkeurig onderzocht, Sire,
-begon de professor. Van organische gebreken is de prins geheel vrij, al
-is hij over het algemeen van een teêre constitutie.
-
-—Maar wat dan? vroeg Oscar.
-
-—Het zenuwgestel van den prins dunkt ons verontrustend afgemat te zijn,
-Sire.
-
-—Zijn zenuwen? Maar hij is nooit zenuwachtig, hij is altijd kalm, riep
-de keizer uit, onwillig.
-
-—Des te meer moeten wij de zelfbeheersching van den prins waardeeren,
-Sire. Zijne Hoogheid heeft zich klaarblijkelijk lang opgehouden en deze
-inspanning verraadt Haar op dit oogenblik. Zij is nu ook kalm, zooals
-uwe Majesteit zegt. Maar deze kalmte neemt niet weg, dat Hare zenuwen
-volslagen afgewonden zijn. Zijne Hoogheid heeft klaarblijkelijk te veel
-van zich gevergd in den laatsten tijd.
-
-—En waarin zoû dat te veel dan bestaan hebben? vroeg de keizer hoog.
-
-De professor maakte een vage beweging van niet weten.
-
-—Dat zal men aan het hof zeker beter weten, dan ik het doe, die uit
-mijn studeerkamer en mijn hospitalen kom, Sire. Uwe Majesteit zelve zal
-zich daarop het antwoord kunnen zeggen. Ik kan Haar alleen eenige
-aanwijzingen geven. Zijne Hoogheid zei mij, zich te herinneren, dat Zij
-reeds voor de groote overstroomingen in het Noorden, zulke afmattingen
-en duizelingen soms gevoelde. Dat was Maart. Het is nu September. Ik
-stel mij voor, dat Zijne Hoogheid in dien tusschentijd een veelbewogen
-leven geleid heeft?
-
-De keizer maakte niet begrijpende bewegingen met de wenkbrauwen: lichte
-trillingen van zijn energieken kop met het vlies van grauwend haar.
-
-—De reis in het Noorden kàn Zijne Hoogheid inderdaad aangedaan hebben,
-professor... begon de keizerin.
-
-Zij zat recht, hoog, in haar eenvoudigen donkeren japon. Haar gelaat
-was zonder uitdrukking; hare oogen stonden koud. Zij sprak zakelijk,
-als ware zij niet eene moeder.
-
-—Zijne Hoogheid is zeer gevoelig voor indrukken, ging zij voort; en Zij
-heeft er indertijd te Altara zeker schokkende ontvangen.
-
-De professor boog even het hoofd.
-
-—Ik herinner mij Zijne Hoogheid bij de lijkschouwing op het weiland,
-Mevrouw, sprak hij; Zijne Hoogheid wàs werkelijk bizonder aangedaan...
-
-—Maar wat beduidt dat? vroeg de keizer, steeds onwillig.
-
-—Dat Zijne Hoogheid sedert dien tijd denkelijk zich geen rust heeft
-gegund, Sire...
-
-—Zijne Hoogheid heeft zich máanden rust gegund! riep de keizer uit.
-
-—Vergunt Uwe Majesteit ons eens terug te gaan. Na de zeer vermoeiende
-reis in het Noorden is de prins dadelijk gekomen in emoties van
-staatsgewicht—Lipara was destijds in staat van beleg—en daarna in de
-drukte van een feesttijd, toen de Syrische vorsten hier waren...
-
-De keizer haalde zijne schouders op.
-
-—De prins is daarna al voor herstel van gezondheid op aanraden van
-mijne geachte collega’s een zeereis gaan ondernemen. Zijne Hoogheid zal
-toen zeker dagen van rust gehad hebben, maar de groote jachten, die Zij
-met prins Herman samen deed, zijn Haar ongetwijfeld te zwaar geweest.
-Nu onlangs is Zijne Hoogheid verloofd geworden; dit kan Haar emotie
-gegeven hebben. Ik tel terloops eenige groote feiten op Sire. Ik weet
-niets van het gemoedsleven van den prins; als ik hiervan iets wist, zoû
-het mij zeker vele dingen gemakkelijker maken. Maar dit is zeker: Zijne
-hoogheid heeft dag aan dag een te schokkend bestaan gehad, wat het dan
-ook waren, groote of kleine schokken. Dat Zijne Hoogheid niet eerder in
-elkaâr is gevallen, is zeker te danken aan een buitengewone
-zelfbeheersching, die mij aan den prins zelven onbewust schijnt te
-zijn, en een buitengewoon plichtbesef, dat ook geheel spontaan in Zijne
-Hoogheid is. Het zijn hooge kwaliteiten, Sire, in een aanstaand
-heerscher...
-
-Der keizerin was eene lichte blos over de wangen gegaan; een zachtere
-uitdrukking wasemde over de koudheid van haar gelaat.
-
-—En wat is uw raad, professor; vroeg ze.
-
-—Dat Zijne Hoogheid een onbepaalde rust neemt, Mevrouw.
-
-—Het huwelijk van Zijne Hoogheid was voor de volgende maand bepaald?
-hernam de keizerin, vragend.
-
-De gelaatstrekken van professor Barzia werden geheel blank en strak.
-
-—Het zoû eenvoudig-weg onverantwoordelijk zijn, zoo het huwelijk van
-Zijne Hoogheid de volgende maand plaats greep, orakelde hij met zijne
-effen stem.
-
-—Uitstellen dus? vroeg de keizer met ingehouden woede.
-
-—Zonder twijfel, Sire, antwoordde de professor beslist koel.
-
-—Mijn waarde professor... knarste de keizer quasi vriendelijk tusschen
-zijne tanden. U spreekt van rust, en nog eens rust. Mijn God, ik zeg u,
-de prins heeft gerust, maanden lang, maanden lang... Rust ik ooit zoo
-lang? Het leven is bewegen en regeeren is ook bewegen. Wij kunnen niet
-aan rust doen. Waarom moet een jonge man als de prins telkens rusten?
-Ik herinner me niet óoit zoo gerust te hebben, toen ik kroonprins was!
-Hij mag niet zoo sterk zijn als ik, hij is toch van ons geslacht!
-Emoties, zegt u! Mijn God, wat voor emoties? Emoties van staatsgewicht?
-Die heb ik gehad, maar de prins niet! En ik had er geen rust na noodig.
-En moet een vorst gaan uitrusten als hij verloofd is? Waarlijk,
-professor, dat is de hygiene te ver gedreven!
-
-—Sire, Uwe Majesteit heeft mij de eer aan gedaan mijn oordeel te willen
-weten over den toestand van den prins. Ik heb dat oordeel uitgesproken,
-naar mijn beste weten.
-
-—Dus rusten?
-
-—Ongetwijfeld, Sire.
-
-—Maar hoe lang wil u hebben, dat hij rust?
-
-—Ik kan hier geen datum voor stellen, Sire.
-
-—Hoe lang wil u hebben, dat zijn huwelijk uitgesteld wordt?
-
-—Onbepaald, Sire.
-
-De keizer liep het vertrek op en neêr: iets vreemds trilde over zijn
-energieken kop: angst...
-
-—Dat is onmogelijk, mompelde hij kort.
-
-Allen zwegen.
-
-—Dat is onmogelijk, herhaalde hij dof.
-
-—Dan zal Zijne Hoogheid trouwen, Sire, sprak Barzia.
-
-De keizer stond stil.
-
-—Hoe meent u? vroeg hij barsch.
-
-—Dat niets Uwe Majesteit in deze hoogst gewichtige zaak een wet kan
-stellen... behalve Haar eigen gevoel en redelijkheid.
-
-Hijgend ging de adem van den keizer tusschen zijne volle lippen van
-zinnelijkheid; de aderen zwollen dik op zijn laag Romeinsch voorhoofd;
-zijne sterke vuisten balden zich. Niemand had Oscar nog ooit zoo
-gezien; niemand ook had nog zoo tot hem durven spreken...
-
-—Verklaar u dan nader... donderde hij in het strakke gelaat van den
-professor.
-
-Deze verroerde geen trek:
-
-—Als Zijne Hoogheid de volgende maand trouwt... is het Hare dood.
-
-De keizerin bleef stijfrecht zitten, maar zij was zeer bleek geworden,
-rilde, sloot de oogen of het haar duizelde.
-
-—Zijn dood? herhaalde de keizer verplet.
-
-—Of erger, hernam Barzia.
-
-—Erger?!
-
-—De ondergang van Uwer Majesteits nageslacht.
-
-De keizer vloekte een woesten kreet uit en sloeg met de vuist op de
-kolossale schrijftafel. De bronzen ornamenten ervan rinkelden. Myxila
-trad een pas nader.
-
-—Sire, sprak hij; er is niets verloren. Heb ik den heer professor wel
-begrepen, zoo is de ongesteldheid van Zijne Hoogheid een tijdelijke, en
-geneeslijk.
-
-—Zeker, Excellentie, antwoordde Barzia. Zoo men ze niet ongeneeslijk en
-niet tijdelijk dwingt te zijn.
-
-Oscar beet zich krampachtig de lippen. Zijne flonkerende oogen stonden
-klein, wreed. Het trof Myxila, hoe hij op dit oogenblik geleek op een
-portret van Wenceslas den Wreede.
-
-—Professor, siste hij. Wij danken u. Blijf nog tot morgen te Lipara,
-opdat u Zijne Hoogheid nog eens kunt observeeren.
-
-—Ik gehoorzaam aan het bevel van Uwe Majesteit, sprak Barzia.
-
-Hij boog, de geneesheeren bogen, zij trokken zich terug. Alleen met de
-keizerin en den Rijkskanselier hield Oscar niet langer zijne woede in.
-Als een schuimbekkend dier, wild, liep hij op en neêr met zware
-stappen, krijschte hij als kon de adem niet door zijne geschroefde keel
-komen.
-
-—Oh! knarste hij tusschen zijne kaken, barstte hij eindelijk los. Die
-jongen, die jongen... Niet éens kan die trouwen! Met zijn hertogin,
-dàar kon die meê trouwen! En die jongen! O, die jongen moet mij
-opvolgen, mij...
-
-Eene woedende lach stiet zich minachtend tusschen zijne groote witte
-tanden uit, als vlijmende ironie.
-
-De keizerin rees op.
-
-—Graaf Myxila, sprak ze sidderend. Mag ik uwe Excellentie verzoeken mij
-te volgen?
-
-Zij begaf zich naar de deur; Myxila, aarzelend, volgde reeds.
-
-—Waarom? brulde de keizer. Wat hoeft dat? Ik heb nog met Myxila te
-spreken...
-
-De keizerin zag den keizer ijskoud aan.
-
-—Het is mijn uitdrukkelijk verlangen, Sire, dat graaf Myxila mij volgt,
-sprak ze, steeds met hare sidderende stem. Ik geloof, dat Uwe Majesteit
-eenzaamheid behoeft. Uwe Majesteit zegt dingen, die een vader zelfs
-niet mag dènken, en een vorst zeker niet mag zeggen in de prezentie van
-een zijner onderdanen, zelfs niet van een zijner hoogste onderdanen.
-
-De keizer wilde haar in de rede vallen.
-
-—Uwe Majesteit,—ging de keizerin trillend hoog voort, hem het woord met
-hare ijskoude sidderende stem afsnijdende als met een mes—zegt die
-dingen van den toekomstigen keizer van Liparië... en ik wensch, dat
-géen onderdaan, zelfs niet graaf Myxila, uit Haren mond van den
-toekomstigen keizer zulke dingen hoort, en Uwe Majesteit zegt die
-dingen tevens van mijn zoon: ik wensch ze daarom zelve niet te hooren,
-Sire! Excellentie, ik verzoek u nog eens: volg mij.
-
-—Ga dan, brulde de keizer dol uit. Ga dan allebei, laat me dan ook
-alleen, laát me ook alleen!
-
-Razend liep hij op en neêr, smeet de stoelen door elkaâr, brieschte als
-een aangehitste leeuw in een kooi. Een bronzen beeld nam hij op van de
-console, voor een hoogen spiegel, die tot het plafond in vergulde
-krullen omhoog steeg.
-
-—Daar dan! striemde zijne stem, en zijne drift scheen ziedend rond te
-wolken in zijn verward brein, rood te bliksemen uit zijn
-bloeddoorschoten oogen, hem krankzinnig te maken om zijne
-krachteloosheid tegenover de domme noodlotsmachten der logische
-omstandigheden.
-
-Als een athleet zwierde zijn arm het zware beeld door de lucht; als een
-kind wierp hij het in den grooten spiegel, die kletterend in een
-flikkering van scherven viel.
-
-De keizerin en Myxila hadden het vertrek verlaten.
-
-
-
-
-
-III.
-
-Het gewone hofleven ging voort; de eerste handkus der keizerin had
-plaats. In de salons bij de groote audientiezaal, verlicht, hoewel het
-dag was, kwamen de dames binnen, boden zij den opperkamerheer hare
-kaarten, teekenden zij hare namen, en zij wachtten tot hare titels door
-de ceremoniemeesters afgeroepen werden. Zij stonden gedecolleteerd, de
-slepen over den arm; de lange witte sluiers vielen uit de pluimen en
-juweelen tiara’s in wazige gaaskreuken neêr. Het was de eerste
-vertooning der nieuwe toiletten van het seizoen: de mode, die zich
-bezield had en liep en zich bewoog: maar de volle salons schenen
-slechts de wachtkamers dier vertooning, en de opgenomen slepen gaven
-een indruk van voorbereiding tot het plechtige moment: die seconde van
-verschijning vóor Hare Majesteit.
-
-De hertogin van Yemena stond, den sleep ook over den arm, te wachten
-met de twee markiezinnen hare stiefdochters, die zij aan de keizerin
-zoû voorstellen, toen zij Dutri zag, buigende, zich verontschuldigende,
-tusschen de wachtende dames doordraaiende, om zich een weg te banen
-door den vollen salon.
-
-—Dutri, wenkte ze, omdat hij haar niet scheen op te merken.
-
-Hij bereikte haar na eenige moeite, boog, maakte zijn compliment aan de
-markiezinnetjes. Zij stonden met strakke gezichtjes, angstig ronde
-oogen, en gesloten monden, en hare jonge figuurtjes teekenden zich met
-eene schuchterheid van nieuwelingen; telkens, gracieus onhandig,
-verschikten zij hare zwarte manteaux-de-cour over den arm. Even
-glimlachten zij bij de woorden van Dutri: toen keken zij weêr strak,
-vergeleken de toiletten van andere dames bij de hare.
-
-—Dutri, fluisterde de hertogin, hoe gaat het met den prins?
-
-—Altijd het zelfde, fluisterde de adjudant terug; vreeslijke
-melancholie...
-
-—Dutri, murmelde zij nog zachter; zoû er geen mogelijkheid zijn hem te
-zien?
-
-Dutri verschrikte.
-
-—Hoe dat, Alexa? Wanneer?
-
-—Straks, na den Handkus...
-
-—Maar dat is onmogelijk, Alexa! De prins ziet niemand dan Hunne
-Majesteiten en de prinses; hij spreekt met niemand, zelfs met zijn
-kamerheeren niet, zelfs met òns niet...
-
-—Dutri, drong ze aan, met hare hand op zijn arm. Doe je best. Help me.
-Vraag een onderhoud voor me. Als je me helpt... zal ik je ook helpen...
-
-Hij zag haar afwachtend aan.
-
-—Hoe vindt je Hélène? vroeg ze.
-
-—Ik vind Eleonore mooier, glimlachte hij.
-
-—Nu, kom dan meer bij ons, op mijn intime réunies; we zien je ook
-nooit. Ik zal den hertog prepareeren...
-
-Zij liet het rijke huwelijk schitteren voor zijne oogen: hij knipte ze,
-bleef haar glimlachend aanzien.
-
-—Maar help me dan ook... ging ze voort, met een lichte dreiging.
-
-—Ik zal mijn best doen, Alexa, maar ik kan niets beloven..., had hij
-nog juist tijd te antwoorden.
-
-—Wacht me na den Handkus, in de andere salons, fluisterde hij nog,
-gaande eenige passen met haar meê.
-
-Den geheelen tijd, plechtig, langzaam, waren de titels afgeroepen,
-gingen de dames, lieten zij de slepen vallen, ontloken zij.
-
-—Hare Excellentie, de hertogin van Yemena, gravin van Vaza; Hare
-Excellenties, de markiezinnen van Yemena...
-
-De hertogin ging, de meisjes volgden haar, hoogrood met kloppende
-harten. Zij gingen door eene galerij, lieten de slepen vallen aan de
-deur der audiëntiezaal, voor zij binnen zouden treden, plooiden lakeien
-de zware hofmantels uit.
-
-—Hare Excellentie, de hertogin... klonk het ten tweede male, nu door de
-audientiezaal heen, met een timbre van meerderen eerbied, omdat de
-titels klonken aan de luisterende ooren van ontvangende majesteit.
-
-De hertogin en de markiezinnen traden binnen. Tusschen de wijde
-golvingen van donkerblauw fluweel, waarop het kruis van St. Ladislas
-wemelde, onder den, door vergulde zuilen geschraagden troonhemel, zat
-de keizerin, als een idool, de schaduw uitschitterend in haar waterend
-zilverbrokaat, den hermelijnen keizerinnemantel zwaar kreukbrekende
-voor hare voeten, een kleinen diadeem flonkerend op het hoofd. Aan de
-rechterzijde van den troon zat de prinses Thera op een lagen tabouret;
-aan de linkerzijde stond de grootmeesteres, gravin de Threma; er om
-heen, aan beide zijden eene foule van dames du palais, grootofficieren,
-adjudanten, hofdames, kamerjonkers...
-
-De hertogin neeg hare nijging, naderde den troon, zweemde in grooten
-eerbied, als met nauwlijks durvende lippen, de juweelen vingertippen
-aan, die de keizerin bood, als een levende reliquie. Toen ging de
-hertogin twee passen terug; de markiezinnen, de eene na de andere,
-volgden haar voorbeeld, verrasten iedereen door de aanvallige
-frischheid harer eerste hofbewegingen, waarin een tikje linkschheid
-charme werd. Toen de buigingen, in langzame ceremonie van terugwijken,
-achteruit. Door andere deuren verdwenen zij, ze bevonden zich in eene
-andere galerij, kwamen in andere salons, waar men op de rijtuigen
-wachtte. En de jonge meisjes zagen elkaâr aan, zoekende elkanders
-indruk, nog hoogrood van de emotie harer ijdele hartjes en vreemd
-verrast door de ongrijpbare kortheid van dit eerste allergewichtigste
-moment van hun leven als groote menschen; als dames, die met hare mama
-meêgingen naar het Imperiaal, waar zij voortaan hare existenties zouden
-ademen. Hoe hadden zij niet maanden van te voren gedacht en gedroomd
-aan dit oogenblik; nu, in eens was het voorbij, verrassend vlug...
-
-De hertogin tikte aan Hélène’s kin, schikte even de voile van Eleonore,
-zei, dat ze keurig gebogen hadden, dat zij zelve zelfs had opgelet hoe
-de gravin de Threma schik in ze gehad had. Zij sprak daarop druk met de
-andere dames, stelde de markiezinnetjes voor, beloofde visites. Toen
-wendde zij zich tot een lakei.
-
-—Ga, zien, waar mijn rijtuig staat, en laat het uit de file gaan en het
-laatst voorkomen. Hier...
-
-Zij gaf een klein goudstuk, de lakei ging. Eene zenuwachtige
-gejaagdheid kwam over de hertogin; angstig zag zij naar Dutri uit.
-Eindelijk kreeg zij hem in het oog; met zijn fattige drukte kwam hij op
-haar af...
-
-—Alexa, onmogelijk...
-
-—Heb je het aan den prins gevraagd?
-
-—Neen, nog niet; ten eerste het is de vraag of hij mij wel zien wil.
-Maar dan: hoe breng ik je bij hem; op de portalen loopen altijd lakeien
-rond, en staan de gardes en de hellebaardiers; in de antichambres kan
-je telkens een kamerheer tegenkomen. Heusch, het is onmogelijk.
-
-Zij werd boos.
-
-—Vraag het hem nu maar eerst. We zullen later wel zien, hoe we bij hem
-komen.
-
-Dutri maakte gracieuze bewegingen van wanhoop.
-
-—Maar Alexa, je wilt heusch niet begrijpen, dat... het onmógelijk is...
-
-Zij antwoordde niet, niet willende nadenken, met haar star idee-fixe in
-het hoofd om den prins te zien, te willen zien. En in eens, zich
-wendende tot hem:
-
-—Goed, als je dan niets voor me over hebt, hoef je niet te denken, dat
-ik je in iéts helpen zal.
-
-Luider dan hun eerst gefluisterde woorden, klonk hare nerveus booze
-stem, de beide meisjes hoorden haar.
-
-—Alexa, smeekte hij zacht.
-
-—Neen, neen, weerde zij af, kort.
-
-Hij dacht aan zijne schulden en aan Eleonore.
-
-—Ik zal het probeeren, fluisterde hij radeloos.
-
-Zij beloonde hem dadelijk met een glimlach; hij ging, repte zich weêr
-heen, als in eeuwige drukte van gewichtigheid, om zijn jongen,
-keizerlijken meester, die zoo treurig ziek was. In de antichambre vond
-hij den kamerheer van dienst.
-
-—Zoû de prins me willen zien?
-
-De kamerheer haalde de schouders op.
-
-—Ik zal het vragen, sprak hij.
-
-Spoedig kwam hij terug; de prins vergunde Dutri te komen.
-
-Dutri trad binnen. Othomar lag op een divan van tijgervellen voor zijne
-schrijftafel. Hij was vermagerd; hol stonden zijne oogen, zijn tint was
-mat: tenger slank stak zijn hals uit den lossen omgeslagen kraag van
-het zijden hemd, waarover hij een fluweelen buis droeg. Hij had een
-boek in de hand, opengeslagen. Djalo, de colley, lag op den grond.
-
-Dutri, als goed prater, begon met vlugge zinnen, die elkaâr op de
-hielen zaten, zijn verzoek voor te dragen...
-
-—De hertogin? herhaalde Othomar mat. Neen, neen...
-
-Dutri praatte door, werd weemoedig, gebruikte woorden van zachte,
-insinueerende treurigheid. Over Othomars gelaat trok eene uitdrukking
-op, die daar vreemd was en nieuw, den laatsten tijd: het was of de
-weemoed van zijn gelaat zich verhardde in eene strakke koppigheid; eene
-stilzwijgende onverzettelijkheid.
-
-—Neen, sprak hij nogmaals, en onverzettelijk koppig ook klonk zijne
-stem; excuzeer me bij hare Excellentie, Dutri. En waar... waar zoû ze
-me willen zien?
-
-—Ik bracht die moeilijkheid ook onder de oogen van hare Excellentie,
-maar misschien als Uwe Hoogheid zoo genadig was... zoû men toch...
-
-Othomar sloot de oogen en wierp het hoofd achterover; zijne hand viel
-slap op den kop van den colley. Hij antwoordde niet meer, en zijne
-lippen waren vast op elkaâr geklemd.
-
-Dutri aarzelde nog: wat kon hij doen, wat zoû hij Alexa zeggen...
-
-Maar de deur ging open; de keizerin kwam binnen. De Handkus was
-geëindigd; den mantel en de kroon had zij afgelegd, maar zij droeg nog
-het stijfzware toilet van zilverbroché. Koud zag ze Dutri aan en boog
-even het hoofd, dat hij gaan zoû; de adjudant maakte zich verward uit
-de voeten, zonder zijn gewonen tact.
-
-Othomar was half opgerezen.
-
-—Mama!...
-
-Zij zette zich bij hem, streek met de hand over zijn hoofd.
-
-—Hoe gaat het?
-
-Hij glimlachte, knipte met de oogen zònder te antwoorden.
-
-—Wat deed Dutri hier?
-
-—Hij vroeg me... och mama, laat dat, vraag er niet naar...
-
-—Wat is u mooi! Mag ik u ook mijn Handkus geven?
-
-Aanhalig, schertsend nam hij hare hand en kuste ze. Zij nam hem het
-boek uit de vingers, las den majesteitschennenden titel.
-
-—Lees je weêr, Othomar... Je weet, je mag zooveel niet lezen. En waarom
-al die vreemde boeken...?
-
-Op tafel lagen Lasalle, Marx, werken van Russische nihillisten, een
-brochure van Bakounine, brochures van Zanti... Het werkje, dat hij las,
-was van een bekenden Liparischen anarchist, getiteld: “Het onrecht bij
-de gratie Gods”; het wierp alles omver: het geloof en den staat; het
-richtte zich rechtstreeks tot de gekroonde machthebbende dwingelanden;
-rechtstreeks sprak het Oscar aan.
-
-—Is het om beter te worden, dat je zulke dingen leest, Othomar? vroeg
-ze met een smartelijk verwijt.
-
-—Mama, ik moet toch zien wat ze willen...
-
-—En wat willen ze?
-
-Hij zag peinzend voor zich.
-
-—Ik weet niet wat ze willen, ik begrijp ze niet. Ze zeggen heele lange
-zinnen, en altijd weêr de zelfde, met altijd weêr de zelfde woorden. Ik
-begrijp alleen dat ze, alles wat bestaat afkeuren en iets anders
-willen. Maar soms toch...!
-
-—Wat soms?
-
-—Soms zeggen ze vreeselijke dingen, vreeslijk omdat ze wáarheid
-schijnen, mama. Als ze over God spreken, mama, en bewijzen, dat hij
-niet bestaat, als ze onze geheele staatsinrichting een onding vinden,
-alle gezag verwerpen, het onze ook... Ze spreken soms als kinderen, die
-in éens zouden kunnen praten en oordeelen, en dan spreken ze soms in
-eens klaar en dan komen er heele primitieve gedachten bij me op: als
-God bestaat, waarom onrecht en ellende en ons gezag, om welk recht? O
-God, mama, welk recht hebben wij te heerschen over anderen, over
-millioenen?! Zeg het me, maar redeneer van het begin, redeneer niet van
-achteren af; begin niet bij ons, begin bij onze éerste heerschers, onze
-geweldenaren; welk recht hadden zij, en vloeit het onze alleen voort
-uit het hunne? O, die raadsels, die eenvoudige raadsels, wie lost ze
-op, mijn God, wie lost ze op...
-
-Elizabeth was bleek geworden: ze zag hem aan of hij krankzinnig ware
-geworden.
-
-—Wie geeft je die boeken? vroeg ze hard, heesch, angstig.
-
-—Dutri, Leonie; Andro heeft er mij ook gehaald.
-
-—Ze zijn gek! riep de keizerin uit, opstaande. Waarom vraag je ze?
-
-—Ik wil weten, mama...
-
-—Othomar, riep ze. Wil je doen wat ik vraag?
-
-—Ja mama, antwoordde hij zacht; maar ga weêr zitten, en... en wees niet
-boos. En... en zeg niet Othomar. En... en ga u verkleeden, o, ik kan u
-niet zien in dit toilet: u is zoo ver van me af; uw stem klinkt niet
-tot me toe, en ik durf u niet omhelzen, u is mijn moeder niet; u is de
-keizerin. Mama, o mama...
-
-Zijne stem riep om haar. Eene machtige aandoening werd in haar wakker.
-
-—O mijn jongen! riep ze uit; een halve snik brak in hare keel.
-
-—Ja, ja, noem me zoo... Mama, laat ons elkaâr weêr gauw terugvinden,
-laten wij elkaâr niet verliezen. Wat is uw verzoek?
-
-—Geef mij al die boeken.
-
-—Ik zal ze u geven; ze maken me toch niet gelukkiger!
-
-—Maar waarom ben je ongelukkig, mijn jongen, mijn jongen!
-
-—Mama, kijk de wereld, kijk ons land, zie ze lijden, zie ze verdrukt
-worden! Wat zal ik ooit voor ze kunnen doen! Machteloos zal ik altijd
-zijn, niettegenstaande àl onze macht. O, het wordt zoo donker voor me,
-ik zie niets meer, ik heb geen hoop, alleen utopisten hopen nog, maar
-ik... ik hoop niet meer, want ik kan niets, ik kan niets...! O God,
-mama, het heele land valt op me neêr en het verplettert me: en ik kan
-niets, ik kan niets, ik kan niets... Ik zal moeten regeeren; ik zal het
-niet kunnen, mama. Wat ben ik? Een arme zieke jongen: hoe kan ik keizer
-worden? Ik weet niet waarom het is, mama en hoe het komt, maar ik voel
-me niet als een aanstaande keizer, ik voel me als een zwak kind! Ik
-voel me als uw kind, als uw jongen, en niets meer...
-
-Hij scheen zich te willen werpen in hare armen, maar wierp zich
-integendeel achteruit, alsof hij schrikte van haar schitterend toilet;
-mat knakte zijn hoofd hem op de borst, vielen zijne armen slap. Zij zag
-zijne beweging; haar eerste gevoel was spijt in haar hoftoilet bij hem
-te zijn gekomen, verlangend als zij was geweest hem te zien en zich
-niet gunnende den tijd zich te verkleeden. Maar deze spijt ging als
-eene vluchtige emotie door haar heen, want het duizelde haar hevig na,
-alsof een afgrond aan hare voeten gapend openging, of de aarde week, en
-het zwarte niets zich uitbreidde. Een wanhoop van volslagen
-machteloosheid verdronk hare ziel. Vaag strekte zij de armen uit en
-sloeg ze als tastende om zijn hals, met dwalende oogen.
-
-—Mijn jongen, spreek zoo niet meer, want... als je zoo spreekt, ontneem
-je mij ook mijn kracht! fluisterde zij bang. Want wat is er aan te
-doen: je moet, wij moeten allemaal...
-
-—Vergeef me, mama, maar ik, ik zal niet kunnen. O, ik zie het nu helder
-in. Ik ben niet opgewonden, ik ben kalm. Ik zie het: ik voorspel u, dat
-het nooit gaan zal...
-
-—Maar papa is nog zoo jong en zoo sterk, mijn jongen; en als je ouder
-wordt...
-
-—Hoe ouder ik word, hoe minder het zal gaan, mama. Ik ben er altijd als
-kind bang voor geweest, maar ik heb het nog nóoit zoo wanhopig ingezien
-als nu. Neen, mama, het zal niet gaan. Ik heb, nu ik ziek ben, allen
-tijd over om er over na te denken en ik zie nu het slot van al onze
-moeite voor me...
-
-Wanhopig tuurden zijne oogen op den grond; zij, radeloos, hing nog half
-aan hem; eene dreigende huivering scheen door de kamer te ademen.
-
-—Mama...
-
-Zij antwoordde niet.
-
-—Ik moet u mijn besluit meêdeelen...
-
-—Welk besluit...
-
-—Wil u het aan papa zeggen?
-
-—Wat, wat, Othomar, mijn jongen?
-
-—Dat ik niet trouwen kan... met Valérie, omdat...
-
-—Later, later, je hòeft niet nu te trouwen...
-
-—Neen, mama, het kan nóoit, omdat ik...
-
-Zij zag hem smeekend aan, vragend.
-
-—Omdat ik afstand wil doen... van mijn rechten... ten behoeve van
-Berengar...
-
-Zij antwoordde niet; slap zakte ze tegen hem aan, niet wetende hoe te
-troosten en op te beuren en zacht klagend begon ze te snikken. Het was
-of hare ziel, langzaam, maar aanhoudend, tot ze overvloeide, vol smart
-gegoten werd. Zij verweet zichzelve alles. Hij was haar kind: zij had
-den aanstaanden keizer van Liparië deze zwakte ingeboren. En de
-openbaring van dit smartelijk mysterie der herediteit voor hare
-radelooze oogen, ontnam haar al hare kracht, al haren moed, al hare
-macht van berusting.
-
-—Mama... herhaalde hij.
-
-Zij snikte door.
-
-—Wees niet zoo wanhopig... Berengar zal beter zijn dan ik... U zal het
-aan papa zeggen, niet waar... Of neen, laat het, als het u zooveel
-kost: ik zal het zelf doen...
-
-Zij schrikte zenuwachtig uit hare radeloosheid op.
-
-—O God, neen; Othomar, neen, spreek er hem niet over, hij is zoo
-driftig; hij zoû je... hij zoû je vermoorden! Beloof me, dat je er hem
-niet over spreken zal! Ik zal het doen, o mijn God, ik zal het doen...
-
-Maar eene resurrectie trilde in haar op.
-
-—Maar, Othomar, ik bid je, waarom moet het? Je bent nu ziek, maar je
-zal beter worden en dan... dan zal je anders denken!?
-
-Hij tuurde voor zich uit; zijn voorgevoel doorsidderde hem: hij zag
-zijn droom weêr; de straten van Lipara, die zich vulden met krip, tot
-aan den hemel, waar zij het zonlicht floersden. En over zijn gelaat
-kwam weêr de nieuwe trek van verharding, van onverzettelijke
-koppigheid, die haar hem niet herkennen deed; hij schudde het hoofd
-langzaam heen en weêr, heen en weêr.
-
-—Neen, mama, ik zal nooit anders denken. Geloof me, het zal zoo beter
-zijn.
-
-Toen zij hem zoo zag, stortte hare nieuwe hoop weêr in en zij snikte
-weêr. Snikkend stond zij op; in haar verdriet groef zich eene leêgte;
-zij verloor iets: haar zoon.
-
-—Gaat u weg? vroeg hij.
-
-Zij knikte van ja, snikkend.
-
-—Vergeeft u me?
-
-Zij knikte nog eens van ja. Toen lachte zij hem even toe, een lach vol
-wanhoop, de kracht missende hem te kussen, en zij ging, steeds
-snikkende.
-
-Hij bleef alleen, en stond op. Midden in de kamer bleef Othomar staan;
-strak zagen zijne oogen op den colley.
-
-—Waarom moet ik haar verdriet doen! dacht hij.
-
-Alles in zijne ziel deed hem pijn.
-
-—Waarom ben ik met Herman op reis gegaan? vroeg hij zich weêr af. In
-die eerste dagen van rust ben ik zoo gaan denken. En professor Barzia
-zegt toch: rust... Wat weet hij van me af? Wat weet de eene mensch van
-den andere af...
-
-—Djalo! riep hij.
-
-De colley kwam, schuddende, aan, blij.
-
-—Djalo, wat is goed, hoe moet de wereld zijn? Moeten er koningen en
-keizers zijn, Djalo,... of moeten we maar allemaal weggaan?
-
-De hond zag hem aan, heftig kwispelstaartend; in eens sprong hij op,
-likte hem in het gezicht.
-
-—En waarom, Djalo, moet de eene mensch den andere altijd verdriet doen?
-Waarom moeten vorsten hun volk verdriet doen? Blijft het leven dan
-altijd het zelfde, eeuwen door...!
-
-Othomar was op den divan in-een gezakt; zijne hand viel over den hond
-neêr, die haar hartstochtelijk likte.
-
-—O! snikte hij. Mijn volk, mijn volk...!
-
-— — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — —
-
-Op het voorplein van het Imperiaal reden op dit oogenblik de laatste
-rijtuigen weg; de kijkende menigte, achter de grenadiers, zag
-nieuwsgierig naar het even schitterende der mooie dames door de glazen
-der equipages heen. Die van de hertogin van Yemena was het allerlaatst.
-
-
-
-
-
-IV.
-
-Een doffe geest scheen te waren door de geluidelijke marmeren ruimten
-van het Imperiaal; eene vale melancholie scheen er de timbres van stem
-en weêrkaatsingen te dempen en er een zwaar web van atmosfeer te
-hangen, van de hooge plafonds af. Het was het najaar; de eerste feesten
-zouden plaats hebben; het eerste hofbal werd gegeven. Maar het scheen
-gegeven te worden, omdat het niet anders kon: het was een loom,
-officieel, slepend feest. De intimere kringen van het Imperiaal, die
-van de hertogin van Yemena en van het corps diplomatique, betreurden de
-kleinere réunies in de kleinere salons der keizerin. Zij beschouwden
-die groote bals als noodzakelijke corvées! de kleinere bals echter der
-keizerin werden altijd als allerliefste feesten gewaardeerd. Maar de
-keizerin had gezegd, dat ze niet plaats zouden hebben, om de ziekte van
-den kroonprins. Op dit eerste groote bal waren de Majesteiten maar een
-kort oogenblik verschenen, met de quadrille d’honneur...
-
-Over de schitterende stemming van feestelijke vorstelijkheid, zoo kort
-geleden de gewone atmosfeer van het paleis, zeefde een grauwe asch
-neêr. De diners, vroeger de splendeurs van iederen dag, werden bekort,
-alleen de noodzakelijkste invitaties gedaan. De keizer zelve bleef in
-een voortdurend norsche stemming: de Legerwet, om de uitbreiding der
-strijdbare macht, werd nog altijd in het Huis der Standen in zijn
-principe aangevallen en de keizer wilde volstrekt zijn minister van
-Oorlog handhaven; daarbij was hij, met dat tikje kinderlijkheid in zijn
-energie, nog niet zijne teleurstelling te boven omtrent het uitstel van
-het huwelijk van den hertog van Xara. Dat zijne Liparische wereld niet
-ging, zooals hij wilde dat ze gaan zoû, scheen hem voortdurend te
-irriteeren.
-
-Noch de keizerin, noch de prins zelve hadden het oogenblik gunstig
-geacht om den keizer het treurige besluit meê te deelen. Maar juist
-hierom was de keizerin in stilte weêr gaan hopen. Er was nog niets
-gezegd: het vernederende geheim bestond nog alleen maar tusschen haren
-zoon en haar. Vernederend, want waarom zoû hij voor den lande afstand
-doen? Welk voorwendsel zoû genoeg schijn hebben om dat ware motief van
-zwakte en onmacht te verbergen? En hij was toch haar kind, en dat van
-Oscar. Ondoenbaar scheen het der keizerin Othomars wensch aan zijn
-vader bekend te maken, en dien te zeggen, dat zijn eigen zoon zich
-geene heerscherskracht voelde. O, zoo zij haar kind die vernedering had
-kúnnen besparen, wat zoû zij er niet voor willen opofferen! Maar was
-hij waàrlijk zoo onmachtig om zich te beheerschen, en zich fier op te
-richten, onder het gewicht nog maar van zijne prinsekroon? Zoo zij hem
-maar had kunnen zèggen op zijn moedelooze woorden, maar ze had alleen
-kunnen snikken, alleen kunnen toegeven aan zijne wanhoop; te vergeefs
-had zij de geheime veer in zijne ziel gezocht, die hem zich zoû doen
-verheffen uit de krachteloosheid, waarin de rust van zijn nadenken hem
-had doen neêrzakken... En toch voelde zij, dat er eene geheime veer
-bestaan moest, omdat zij die instinctmatig vermoedde in iedere ziel
-hunner evenboortigen: het was het mysterie hunner vorstelijkheid; de
-reden dat zij vorsten waren; de reden van hun recht. Zij had dat
-aanbiddelijk naïve geloof, dat in hen, gekroonde hoofden, éene essence
-van eigenschap eenig is, waarom zij zijn boven de menigte. De enkele
-druppel van een heilig bloed door hunne aderen, een enkele atoom van
-neêrgedaalde goddelijkheid, die glans deed schijnen door gehéel hunne
-ziel. Zij geloofde aan het excluzief hoog rechtmatige van Majesteit in
-hen. Omdat zij hieraan geloofde, als zij geloofde aan hare zondigheid
-van mensch tevens en aan de absolutie van haren biechtvader, den
-aartsbisschop van Lipara, zoû zij ook nooit éen oogenblik kunnen
-twijfelen aan hun goddelijk recht van heerschers. Wat men ook dacht, of
-schreef, of anders wilde, zij hàdden recht: hiervan was zij zeker, als
-zij zeker was van de Drie-eenheid. Dat Othomar aan God getwijfeld had,
-was haar uniek voorgekomen, maar het had haar niet zóo neêrgeslagen als
-zijn ongeloof aan hun recht. Miste dan alleen hij die essence van
-eigenschap, dien heilig gouden bloeddrup, die goddelijke atoom? En zoo
-hij ze miste, zoo hij, de kroonprins, Majesteit miste, was dit
-monsterachtig gemis dan hàre schuld, de schuld eener moeder, die
-gebaard heeft?
-
-Het vermoeden van deze schuld verpletterde haar, en vóor zij nog met
-Oscar had durven spreken, vernederde zij zich voor den aartsbisschop.
-De prelaat, ontzet over wat er kiemde in de mysterieuze melancholie van
-het Imperiaal, had haar nauwelijks kunnen troosten. Uren bleef zij
-daarna liggen voor haar crucifix. Zij bad met heel hare ziel, bad om
-klaarheid in haarzelve en in haren zoon, bad om kracht en dat de vonk
-mocht neêrdalen in Othomar. Toen zij zoo gebeden had, zoo lang en met
-zulke overtuiging, kwam, als eene uitstorting van heiligen geest, eene
-berusting over haar neêr. Ze vond zichzelve weêr, ze wachtte af, vond
-haar geloovige fatalisme terug, dat niets gebeurt dan wat gebeuren moet
-en goed is... Het slechte gebeurde niet. Zoo het moest, dat Othomar de
-vonk ontvangen zoû, zoû dat goed zijn; zoo het moest, dat hij afstand
-deed, zoû dat ook goed zijn, o God, goed zijn van eene vreemde,
-ondoorzienbare goedheid...!
-
-Omdat de dagen voorbij gingen, zonder dat de keizerin nog met den
-keizer gesproken had, hoopte zij weêr; hoopte zij, dat Othomar zich
-terug zoû vinden en niet meer zoû willen zijne eigene vernedering. Maar
-zij scheen te hopen ondanks alles, want iederen keer, dat zij Othomar
-weêr zag, vond zij hem doffer en matter, radeloozer onder de zekerheid
-zijner zwakte. Professor Barzia, die zelve den prins behandelde en hem
-in het paleis zijne dubbele, daagsche koudwaterdouche toediende, scheen
-zich over lichamelijke zwakte het minst ongerust te maken. De prins was
-niet forsch, maar de professor ried, in zijn fijn gestel, het element,
-dat geworden was uit de eerste sensueel-ruwe kracht van het geslacht
-Czyrkiski; het Slavische element, dat zich geënerveerd had door zijne
-Romaansche bijmengingen, maar zich had behouden: eene geheime taaiheid,
-iets onverdelgbaars van onbewuste fermiteit, dat, als een fondament,
-héel onder lag en waarop veel tengers en fragiels zich scheen omhoog te
-bouwen. Wat ruwe kracht was geweest, meende de professor in taaiheid
-terug te vinden, wat wreedheid en sensualiteit, in ontzenuwing,
-totnogtoe door zelf beheersching en spontaan plichtsbesef in evenwicht
-gehouden, maar, in deze oververmoeidheid, plotseling zich openbarend.
-Barzia vond duidelijk in Othomar terug den spruit zijner vaderen, en
-hij meende, dat, al had de rijke materialiteit van het eerste
-vorstenbloed zich meer vergeestelijkt—of het nu dunner vloeide door
-fijner aderen,—dit bloed toch niet zóo verarmd was, dat men het
-delicate van dezen aanstaanden keizer uitputting van ras kon noemen.
-Misschien tintte Barzia’s plotselinge sympathie voor den prins deze
-fyziologische diagnoze met te veel optimisme; hoe ook, de professor
-vreesde het minst voor die tengerheid, voor die zenuwzwakte zelfs; wat
-hij vreesde, was, of de psychische kwaliteiten, waarom de prins hem in
-eens zoo lief was geworden, zich zouden kunnen handhaven in deze
-periode van moedeloosheid en matheid. Spontaan, onoverdacht,
-onberekend, wist hij die deugden in den prins te zijn, als een, hem
-onbekende schat; zouden zij te-loor gaan, nu, in deze treurige dagen,
-of zouden ze blijven, zich ontwikkelen misschien, zich louteren,
-Othomar in moreele kracht bijgeven, wat hij in fyzieke miste, en zóo
-hem genezen? Want de professor wist het: zij waren het eenige wat hem
-genezen kon...
-
-Othomar zelve dacht niet over zijn deugden, noch over zijn bloed: hij
-dacht aan zijne toekomst en dacht aan ze met eene ieder uur
-aangroeiende, wanhoop. Als de keizerin aan Barzia vroeg, of die rust
-den prins goed zoû doen en afleiding niet beter ware, beweerde de
-professor, dat de prins den laatsten tijd genoeg afleiding had gehad.
-Hij moest zijne vermoeidheid eerst te boven komen en geheel; waarmeê de
-prins op dit oogenblik ook zijne hersenen bezighield kwam er minder op
-aan...
-
-Maar Barzia meende dit niet geheel en al en zoû het zeker in het geheel
-niet gemeend hebben, zoo hij geweten hadde, waarover de prins dacht en
-zoo hij alzoo diens totale veêrkrachteloosheid van ziel gehéel hadde
-kunnen beoordeelen.
-
-En de dagen gingen voorbij. Othomar sprak niet meer met de keizerin
-over zijn besluit, om haar dit leed zoo min mogelijk aan te doen; de
-keizerin sprak er ook niet over en hoopte.
-
-Maar in Othomars overpeinzing kwam het ieder oogenblik terug als een
-wiel: hij kon niets voor zijn volk, dat hij toch liefhad; hij kon het
-niet regeeren, hij zoû afstand doen van zijne rechten en van zijn
-kroonprinselijken titel: Berengar zoû hertog van Xara worden...
-
-De kleine prins kwam zijn broêr iederen dag even zien; altijd droeg hij
-zijn kleine uniform, had hij zijn stevig airtje van een
-miniatuur-generaal en Othomar zag hem glimlachend onderzoekend aan.
-
-Ging er in de middeneeuwsche hersentjes van het kind niets om van een
-wensch naar heerschen, ging er door zijn heftig hartje geen jaloezie?
-Othomar herinnerde zich uit Liparië’s historie, uit de wreede tijden
-hunner eerste middeneeuwen, dat vreeslijke drama—men toonde op St.
-Ladislas de kamer nog waar het gespeeld was—: die tweede zoon zijn
-ouderen broeder doorpriemend uit kroonzucht en het lijk werpende uit
-een boograam in den Zanthos, die vloeide onder aan den burcht. Wat was
-er over van zulken naijver in dit kind? En al was zulke naijver geheel
-geaffineerd in minder saillante gevoelens, zoû er toch geen onmetelijk
-geluk gaan door Berengars kleine prinsenziel, als hij zoû weten, dat
-hij kroonprins mocht zijn en eenmaal worden zoû: keizer! Maar wat zoû
-het kind denken van hèm, Othomar, die al deze heerlijkheid vrijwillig
-weggaf? Zoû het hem minachten, terwijl het hem dankbaar was, of zoû het
-een loerend mysterie vermoeden achter al die grootheid, die Othomar van
-zich wierp, en achterdocht koesteren...
-
-Dan trok hij het ventje met een stil medelijden naar zich toe, maar
-voelde met pleizier het harde vleesch van zijne flinke ledemaatjes,
-hoorde met genot naar zijne korte, doorhakkende zinnetjes. Daarna rende
-Berengar weg en Djalo mocht met hem meêrennen door het park: na een uur
-bracht hij den hond bij Othomar terug en sprak hij met gewicht van
-zijne lessen, die begonnen.
-
-En als Berengar weg was, lag Othomar in zijne lange droomuren over hem
-te denken, beschouwde hij zijn broêr al geheel en al als kroonprins en
-wischte hij zichzelven weg uit de rij der toekomstige souvereinen,
-dacht hij er aan wat hij doen zoû als hij genezen was, en alle purper
-had afgeschud, herinnerde hij zich zijn oom Xaverius, die abt was van
-een klooster, stelde hij zichzelven voor, studeerende, schrijvende
-werken over historie en sociologie...
-
-
-
-
-
-V.
-
-Het waren de dagen van het najaar; dikwijls vergrauwde het zonneblauw
-van den hemel; des morgens waaiden de winden uit het Noorden, bliezen
-over de zee tot zij staalkleurde; dan kwam de zon door en scheen ze nog
-heel warm een paar uren lang met een enkele vlaag, koud, aan de hoeken
-der straten, verraderlijk in eens aanflapperend; dan, tegen vier uur,
-half vijf, bluschte de zon en bleef de atmosfeer alleen hare kilte
-uitademen, ijzig aan de open haven, tusschen de witte paleizen, in
-straten en op pleinen.
-
-Het was een ongezonde tijd: de keizerin en Berengar hadden een kou
-gevat op een rijtoer in een open rijtuig; ze hielden beiden hunne kamer
-en Othomar, op zijne beurt, kwam ze opzoeken; de keizerin hoestte, de
-kleine prins had koorts; er waren nooit zoovele zieken als in dezen
-tijd, beweerden de doktoren. En eene melancholie bleef hangen in de
-ruimte van het Imperiaal, over de geheele stad, waar men, in de opera
-en op de feesten, de keizerlijke familie niet meer verschijnen zag.
-Nooit waren de dagelijksche diners in het Imperiaal zoo kort geweest,
-met zoo weinig genoodigden, en het maakte een onoverkomelijk treurigen
-indruk, de keizerin niet te zien naast den keizer, in hare delicate,
-fijn vorstelijke majesteit, maar de prinses Thera, aan wie het
-onmogelijk scheen de barsche, ontevreden trekken van Oscar te doen
-opklaren. Othomar wist niet, dat men zich over de keizerin zelfs
-ongerust maakte; zij ontving hem altijd met alle blijmoedigheid, die
-zij, trots hare pijn op de borst, kon verzamelen; de doktoren zeiden
-hem niets, niemand gaf hem de bulletins, men wilde hem sparen en ook,
-men maakte zich in het Imperiaal zelve minder ongerust dan in de stad,
-dan door het land.
-
-Maar de kleine prins ontving Othomar met minder zachtmoedigheid dan de
-keizerin en het waren iederen dag stille woeden, bouderies op de
-doktoren, die hem in zijn bedje hielden.
-
-Eens dat de kroonprins Berengar kwam zien, waren zij bij hem, de
-doktoren; de koorts was gestegen, maar het prinsje wilde uit zijn bed;
-hij was stout, schold, had zelfs den goedigen dokter met zijn dikken
-kop, geslagen, geranseld met de kleine gebalde vuist.
-
-—Zoodra je beter bent, Berengar, sprak Othomar, die hem eerst bestraft
-had; zal ik je iets geven.
-
-—Wat dan? vroeg de jongen begeerig. Maar ik ben nu al beter.
-
-—Neen, neen, je moet doen wat de doktoren zeggen en niet
-tegenstribbelen.
-
-—En wat krijg ik dan?
-
-Othomar zag hem lang aan.
-
-—Wat krijg ik dan? herhaalde het kind.
-
-—Dat mag ik nog niet zeggen, Berengar; eigenlijk is het nu nog wel wat
-groot voor je.
-
-—Wat dan; een paard?
-
-—Neen, het is niet zoo groot als een paard, maar zwaarder; vraag er
-niet meer naar, en raad er ook niet naar, maar wees gehoorzaam; dan
-wordt je beter en dan krijg je het.
-
-—Zwaarder dan een paard en niet zoo groot... peinsde Berengar met
-gloeiende wangen.
-
-Het hoofd gebogen op de borst, slepend, keerde Othomar naar zijne kamer
-terug. Uren bleef hij er stil, zwaarmoedig zitten in dezelfde houding;
-als gewoonlijk verscheen hij niet aan het diner en at nauwelijks van
-wat Andro hem diende. Toen wilde hij zich uitstrekken op de bank, nam
-een boek om te lezen, maar legde het weêr neêr en hief zich op, als met
-een plotselinge impulsie.
-
-—Waarom niet nu? dacht hij! waarom altijd uitstellen...
-
-De avond viel, maar de bovengalerijen van het paleis waren nog niet
-verlicht; door die duisterende schaduw heen zijne matheid
-voortslepende, ging Othomar naar de antichambres van den keizer. De
-kamerheer diende hem aan.
-
-Oscar zat aan zijne schrijftafel, een pen in de hand.
-
-—Stoor ik u, papa? Of kan ik u spreken.
-
-—Neen, je stoort me niet... Ben je bij mama geweest?
-
-—Ja, van middag; ze was nog al wel, maar Berengar had koorts.
-
-De keizer zag hem aan.
-
-—Erger dan van morgen?
-
-—Ik weet niet; hij gloeide nog al...
-
-De keizer stond op.
-
-—Heb je me te spreken?
-
-—Ja papa.
-
-—Wacht dan even. Ik ben na van morgen nog niet bij Berengar geweest.
-
-Hij ging, liet de deur aanstaan.
-
-Othomar bleef alleen. Hij was gaan zitten. Hij zag rond in het groote
-kabinet, dat hij zoo goed kende van hunne ochtendberaadslagingen met
-den Rijkskanselier. In den laatsten tijd had hij ze echter niet meer
-bijgewoond. Hij bedacht wat hij zeggen zoû; intusschen dwaalden zijne
-oogen om; ze vielen op den grooten spiegel met vergulde krullen; iets
-bevreemde hem. Toen stond hij op en ging naar het glas toe.
-
-—Ik dacht toch, dat het daarboven verweerd was, meende hij; ik kan me
-toch zoo niet vergissen. Zoû het vernieuwd zijn geworden?
-
-Hij stond nog bij den spiegel, toen Oscar terugkwam.
-
-—Berengar is niets wel; de koorts neemt toe, sprak hij, en de klank van
-zijne stem weifelde. Mama is bij hem...
-
-In de suggestie zijner eigene overdenkingen viel het Othomar niet op,
-dat de kleine prins zeker moest zijn zieker geworden, zoo de keizerin,
-zelve lijdende, bij hem was.
-
-—En waarover hadt je me te spreken? vroeg de keizer, toen de prins
-zwijgen bleef.
-
-—Over Berengar, papa.
-
-—Over Berengar?
-
-—Over Berengar en mij. Ik heb ons vergeleken, papa. Wij zijn broêrs,
-wij zijn beiden uw zonen. Wie van ons, gelooft u, dat het meeste heeft
-van... u... en van onze voorvaderen?
-
-—Waar wil je naar toe, Othomar?
-
-—Naar het recht, papa. Naar rechtvaardigheid. De natuur is soms
-onrechtvaardig en blind; ze had Berengar eerst moeten laten geboren
-worden en dan mij... of mij maar zelfs niet.
-
-—Nog eens, waar wil je naar toe, Othomar?
-
-—Ziet u dat niet in, papa? Ik zal het u zeggen. Is Berengar niet meer
-vorst dan ik? Is hij daarom niet uw lieveling? En zoû ik hem van zijn
-natuurlijk recht moeten ontrooven, ter wille van mijn traditioneel
-recht? Ik wil afstand voor hem doen, papa. Afstand van alles, van al
-mijn rechten.
-
-—De jongen is gek, mompelde Oscar.
-
-—Van al mijn rechten, herhaalde Othomar, droomerig, als zag hij de
-toekomst: zijn kleinen broêr, gekroond.
-
-—Othomar, ijl je? vroeg de keizer.
-
-—Papa, ik ijl niet. Wat ik zeg, heb ik dagen, weken misschien
-overdacht; ik weet het niet: de tijd gaat voorbij... Wat ik u zeg, heb
-ik met Mama overwogen; ze heeft er om gesnikt, maar mij niet
-tegengesproken. Ze ziet het ook zoo in... En wat ik u zeg staat vast;
-ik ben er toe besloten en niets zal er mij van terugbrengen... Ik hoû
-van Berengar; ik sta hem gaarne alles af en ik zal bidden, dat hij
-gelukkig wordt door mijn geschenk. Ik ben overtuigd—en u is het ook—dat
-Berengar een beter keizer zal zijn dan ik. Wat bezit ik er voor
-talenten voor...?
-
-Hij haalde radeloos zijne schouders op met eene zenuwachtige siddering,
-die ze schokte.
-
-—Geene, antwoordde hij zichzelven. Ik heb er geene, ik kan niets. Ik
-kan niet beslissen—als nu—, ik kan niet handelen, ik zal altijd iemand
-zijn van gedachte. En waarom zoû ik dan keizer zijn en hij niets meer
-dan de opperbevelhebber van mijn leger of mijn vloot? Dat kan immers
-niet goed zijn; dat kan zoo niet bedoeld zijn door de natuur... Papa,
-ik geef het hem, mijn recht van eerstgeborene en ik... ik zal wel leven
-als het moet...
-
-De keizer, de ellebogen op de tafel, de handen onder de kin, had hem
-aangehoord, staarde hem aan met zijne kleine toegeknepen oogen.
-
-—Je meent dat alles? vroeg hij.
-
-—Ja papa.
-
-—Je ijlt niet?
-
-—Neen papa, ik ijl niet.
-
-—Dan ben je gek.
-
-De keizer stond op.
-
-—Dan ben je gek, zeg ik je. Othomar, zie in, dat je gek bent en kom tot
-je verstand terug; wordt niet geheel krankzinnig.
-
-—Waarom noemt u me krankzinnig, papa? Kàn u het niet met me eens zijn,
-dat Berengar beter zou zijn dan ik?
-
-De wreede blikken van zijn vader doorpriemden Othomar.
-
-—Neen, daarin ben je niet krankzinnig; daarin heb je gelijk...
-
-—En waarom ben ik dan krankzinnig, omdat ik, om die reden, afstand wil
-doen, ten behoeve van hem?
-
-—Omdat dat niet gebeuren kan, Othomar.
-
-—Welke is de wet, die het verbiedt?
-
-—Mijn wil, Othomar.
-
-De prins hief zich hoog op.
-
-—Uw wil? riep hij; uw wil? U erkent, dat ik niet meer vorst ben, dan
-alleen van geboorte? U erkent, dat Berengar wel uw eigen keizerkracht
-heeft en u wilt, u wilt niet, dat ik afstand doe? En u denkt, dat ik me
-neêr zal leggen bij dien wil...?
-
-Hij stiet een heeschen lach uit.
-
-—Neen, papa, ik zal me niet aan dien wil storen. In alles kan u uw wil
-doorzetten, maar hierin niet. Al riep u uw heele leger bij elkaâr, dan
-kon u dit toch niet dwingen. Er is een einde aan menschelijken wil,
-papa, en niets, niets, niets kan mij beletten, dat ik mijzelven
-ongeschikt vind tot regeeren en dat ik geen kroon dragen wil!
-
-De keizer had Othomars polsen gegrepen; zijn heete adem siste in
-Othomars gezicht.
-
-—Verdomde jongen! knarstte hij tusschen zijne groote witte tanden.
-Lammeling! Je hebt gelijk, je hebt niets van een keizer; je zal er
-nooit iets van hebben. Als ik niet beter wist, zoû ik zeggen, dat je de
-zoon was van een lakei. Je hebt gelijk, je bent ongeschikt. Je bent
-niets, jou past onze kroon niet. En toch, al moest ik je opsluiten in
-een gevangenis, zoodat niemand je laagheden hooren kon, je zùlt geen
-afstand doen. Het einde van mijn wil is verder dan jij het ziet. Hoor
-je? Je zult het niet doen, je zult geen afstand doen, al moest ik je
-van dit oogenblik af, als een schande, verbergen voor de wereld. Jouw
-verslapte hersenen begrijpen dat niet, niet waar? Je begrijpt niet,
-waarom ik meer hoû van Berengar, dan van een lafbek als jij, en hem
-toch niet in jouw plaats mijn opvolger wil zien? Dan zal ik het je
-moeten zeggen. Ik wil dat niet, om de wereld geen getuige te maken van
-de ontaarding van ons geslacht. Ik wil niet, dat ze ziet, hoe ellendig
-het verzwakt is in jou, en ik zoû je eerder... je eerder kunnen
-vermoorden, dan dulden, dat je afstand deed!
-
-Woest had Oscar den prins bij de schouders genomen, hem achteruit
-geduwd op een bank, waarop hij, zittende, neêrzonk; als een prooi bleef
-hij hem omknellen in zijn greep van sterke handen.
-
-—Maar ik zeg je, ging de keizer voort; ik zeg je, je bent de zoon niet
-van een lakei: je bent mijn zoon, en ik zal je niet vermoorden, omdat
-ik je vader ben. Alleen dit wil ik je zeggen, Othomar: je had me
-hiervoor kunnen sparen. Ik geloof, dat je hoog denkt van je
-fijngevoeligheid, maar je bezit zelfs niet het eenvoudigste gevoel. Je
-voelt zelfs niet, dat je een laagheid hebt bedacht, de laagheid van een
-proletariër, een slaaf, een paria, een ellendeling. Je hebt zelfs geen
-oogenblik gevoeld, wat voor een leed je mij zoû doen met die laagheid.
-Je zag, dat ik meer hield van je broêr; je dacht, dat ik je laf plan
-goed zoû vinden. Geen oogenblik kwam het in je op, dat je mij met die
-lafheid het grootste verdriet zoû doen, dat ik ooit kon ondervinden...!
-
-Verpletterd was Othomar op de bank ineengezakt. Hij kon niet meer
-onderscheiden wat recht was en wat waar; hij kende zichzelven niet meer
-op dit oogenblik; als geesels striemden de woorden van zijn vader hem
-de ziel. En hij voelde zich geene kracht er tegen op te komen; de
-beleedigende verwijtingen hielden hem afgeranseld neêr. Laagheid en
-schande, krankzinnigheid en ontaarding, hij ging er in onder; hij zwolg
-de modder er van in, tot hij er in stikte. En dat hij er niet in stikte
-en ademen bleef, leven bleef, dat de dag klaar om hem heen was, de
-dingen onveranderd waren, de wereld daarbuiten niets wist, dit alles
-werd hem wanhoop. Een oogenblik dacht hij aan zijne moeder. Maar hij
-wilde het zwart, den dood, om zich te verbergen, zichzelven en zijne
-schande, zijne ontaarding, de melaatschheid van zijn paria-gemoed...
-Het flitste door hem heen in de seconde na dien laatsten striem van
-verwijt over zijne ineengezonken ziel. Hij wist, dat Oscar altijd een
-revolver geladen had in een open loket van zijne schrijftafel. Zijne
-hersenen spanden zich in bedenken, hoe dit wapen te bereiken. Hij was
-opgestaan, had het loket genaderd: in eens sprong hij er op af, strekte
-zijne hand uit en greep het pistool...
-
-Dacht Oscar, dat zijn zoon verbijsterd was door zijne laatste woorden
-en nu het leven wenschte van zijn vader? Doorzag hij die extaze naar
-zelfvernietiging in zijn kind, ging door zijn sidderend brein heen die
-gruwel van gedachte, dat zelfvernietiging... het laatste heil voor den
-paria zoû zijn? Wat ook, instinctmatig toch stortte hij op Othomar toe.
-Maar de prins, licht, ontsprong hem, richtte de revolver, de oogen dol,
-het gelaat verwrongen, in wezenlooze wanhoop opzichzelven, op zijn
-eigen voorhoofd, waarop de aderen blauw zwollen...
-
-—Othomar! brulde de keizer.
-
-Op dit oogenblik ijlden stappen buiten aan, klonken verwarde woorden in
-de antichambre en de markies van Xardi, adjudant van den keizer,
-ontzet, in verwarring, smeet de deur wijd open...
-
-—Sire! riep hij uit; de keizerin vraagt of Uwe Majesteit
-oogenblikkelijk bij prins Berengar komt...
-
-Het schot was afgegaan, in den muur. Het bloed drupte van Othomars oor.
-De keizer had den prins beetgepakt en hem het nog vijfmaal geladen
-pistool ontrukt; ook het tweede schot ging in dat korte oogenblik van
-strijd af, in het plafond. Wezenloos bleef Othomar staan.
-
-—Markies! beet de keizer Xardi toe; weet niet wat u denkt, maar ik zeg
-u dit: u heeft niets gezien, u denkt niets. Wat hier gebeurde vóór u
-binnenkwam... is niet gebeurd.
-
-Dreigend strekte hij den vinger naar Xardi uit.
-
-—Mocht u óoit vergeten, markies, dat het niet gebeurd is, dan zal ik
-ook vergeten wie u is, al laat u ook uw stamboom opklimmen tot voor den
-onze!
-
-Doodsbleek stond Xardi voor zijn keizer.
-
-—Mijn God! Sire...
-
-—Wat doet u het kabinet van uw vorst op die onhebbelijke manier
-binnenkomen? De hertog van Xara laat zich zelfs aandienen, markies!
-
-—Sire...
-
-—Wat? Spreek op!
-
-—Hare Majesteit...
-
-—Wat, Hare Majesteit?
-
-—Prins Berengar... de koorts is gestegen: hij ijlt, Sire en de
-doktoren...
-
-De keizer was verbleekt.
-
-—Hij is dood? vroeg hij woest. Zeg het in eens.
-
-—Niet dood, Sire, maar...
-
-—Maar wat?
-
-—Maar de doktoren... hebben geen hoop...
-
-Met een vloek van smart duwde de keizer den adjudant weg en stortte
-zich voort, de kamer uit.
-
-De kroonprins was blijven staan. Het leven kwam tot hem terug; eene
-werkelijkheid van smart, uit nachtmerrie geboren. Zijne oogen liepen
-vol tranen.
-
-—Xardi... smeekte hij; je Huis was altijd trouw aan ons Huis; zweer me,
-dat je zwijgen zal.
-
-In ontzetting zag de markies den kroonprins aan.
-
-—Hoogheid...
-
-—Zweer me, Xardi.
-
-—Ik zweer het U, Hoogheid, sprak de adjudant gedempt, en strekte zijne
-vingers uit naar het crucifix, aan den muur.
-
-Othomar drukte zijne hand.
-
-—Is prins Berengar...
-
-Hij kon nauwelijks spreken.
-
-—Is prins Berengar in eens zoo ziek geworden...?
-
-—De koorts stijgt ieder oogenblik, Hoogheid, en hij ijlt...
-
-—Ik ga er heen, sprak Othomar.
-
-Hij sponsde zich met den zakdoek het bloed van het oor en hield het,
-dadelijk doorweekte, batist er tegen aan.
-
-In de laatste antichambre ging hij voorbij den kamerheer en zag schuin
-naar hem. Xardi stond even stil.
-
-—De hertog van Xara heeft zich licht verwond, sprak hij. Hij onderzocht
-iets aan de revolver van den keizer, toen ik binnenkwam en hij
-schrikte: twee schoten gingen af.
-
-—Ik heb ze gehoord, fluisterde de kamerheer bleek.
-
-—Er was bijna een ongeluk gebeurd...
-
-Zij zwegen even, hunne blikken begrepen elkaâr. Eene huivering liep
-over hunne ruggen. De nacht scheen als met wolken van onheil kil te
-dalen over het paleis.
-
-—En... de kleine prins...? vroeg de kamerheer rillende.
-
-Xardi haalde de schouders op; zijne oogen werden vochtig om ingeboren
-liefde, eeuwen oud, voor zijne vorsten.
-
-—Sterft... sprak hij dof.
-
-
-
-
-
-VI.
-
-De kroonprins ging door de antichambre: een der doktoren stond er
-kompressen te weeken in een kom met ijs; nieuw ijs werd juist door een
-kamerdienaar in een emmer aangebracht. De deur van de slaapkamer was
-open en aan de deur bleef Othomar staan. Op zijn veldbed lag de kleine
-prins en praatte zacht, zangerig door; de keizerin, bleek, lijdende,
-zich ophoudende ondanks alles, zat met de prinses Thera naast hem.
-
-De keizer wisselde korte woorden met de twee andere doktoren, over wier
-trekken eene strakke hopeloosheid lag, bijtende smart verwrong Oscars
-gelaat, dat trok van diepe rimpels.
-
-—Mijn God, hij herkent me niet, hij herkent mij niet! hoorde Othomar
-den keizer klagen.
-
-—Mij ook niet, murmelde de keizerin.
-
-—Wat zoû het zijn; wat, wat, wat zoû het zijn, zong het prinsje en zijn
-anders schel stemmetje klonk zacht als het melodietje van een vogel:
-het was of hij wat speelde in zichzelven.
-
-—Ik krijg wat van mijn broêrtje, van mijn broêrtje, wat moois! zong hij
-door; en de keizerin verstond zijne woorden, maar ze begreep niet, en
-toen hij verder zong: den naam van den kroonprins, met zijn titel:
-
-—Othomar, o Othomar van Xara, van Xara... smeekte ze zacht naar de
-deur;
-
-—Othomar, hij zegt je naam; kom, misschien herkent hij jou!
-
-Othomar kwam nader; hij ging voorbij den keizer, hij knielde neêr aan
-het bed; een glimlach lichtte over Berengars gezichtje.
-
-—Hij wordt kalmer, zei de goedige dokter, wien de tranen over het
-gezicht liepen, tot Oscar; ziet Uwe Majesteit: de prins herkent Zijne
-Hoogheid, den Hertog...
-
-Eene blijdschap klonk door zijne stem.
-
-Een hevige jaloezie verwrong de trekken van den keizer.
-
-—Neen, neen, sprak hij.
-
-—Zeker, Sire, zie maar, drong de dokter aan, oplevende in hoop.
-
-—o Othomar, o Othomar van Xara, zong het prinsje: hij had zijn broêr
-herkend, maar zag hem niet in het leven, zag hem alleen in zijn
-wakenden droom, door de glazigheid van zijn koorts.
-
-—Wat breng je me voor moois? Kleiner dan een paard, maar zwaarder?
-Zwaarder? O wat is het zwaar, zwaar, zwaar...
-
-Zijn stemmetje klonk als in inspanning, als lichtte hij iets op; zijn
-kramptrekkende, kleine, breede handen maakten het gebaar van moeilijk
-beuren.
-
-—Berengar, sprak de kroonprins en zijne stem brak, zijn hart kromp
-ineen...
-
-—Othomar, antwoordde het kind.
-
-Een smartelijke kreet ontsnapte den keizer.
-
-—Ja, je bent altijd zoo aardig voor me, ging de kleine prins zangerig
-voort. Je geeft me altijd van die mooie dingen. Je weet wel, die mooie
-kanonnen, op mijn verjaardag? En dat pistool? Maar daar is mama zoo
-bang voor... Ga je dood, Othomar? Kijk, bloed, aan je oor... Wat
-bloedt, gaat toch dood? Ga je dood, Othomar? Kijk, bloed op je jas...
-
-De keizerin bleef strak zitten; zij zag van Berengar naar de bloedende
-wond van haar oudsten zoon...
-
-—Bloed, bloed, bloed! zong het kind. Othomar gaat dood! Ja, hij geeft
-me altijd zooveel moois, Othomar. Ik heb al zooveel, veel meer dan àlle
-àndere kinderen van Liparië! En wat krijg ik nu... nog meer? Dat mooie
-ding? Wat is het? Ik voel het wel: het is zoo zwaar, maar ik zie het
-niet...
-
-De dokter was uit de antichambre gekomen en naderde met de kompressen.
-
-—Ik zie het niet... ik zie het niet...!! zong het kind pijnlijk, mat.
-
-Toen de dokter de kompressen aanlegde, woelde het tegen, begon het te
-huilen, alsof een groot verdriet in zijn hartje opwelde.
-
-—Ik zie het niet!! snikte het; ik zal het noóit zien...!!!!
-
-Een heftige bui volgde het snikken; woest sloeg hij met de armen rond,
-trok de kompressen af, wierp zich het ijs van het hoofd, richtte zich
-met dolle oogjes staande in zijn bed, gooide de dekens weg... Othomar
-was opgerezen, de keizerin ook. Oscar zat in een stoel, het gezicht met
-de handen bedekt, en snikte tegen prinses Thera aan. De doktoren traden
-bij het bed, poogden Berengar te bedaren, maar hij sloeg ze; de koorts
-steeg in krankzinnigheid naar zijn klein brein.
-
-Op dit oogenblik kwam professor Barzia binnen; hij woonde niet in het
-paleis; men had hem ontboden uit zijn hôtel.
-
-—Wat doet Uwe Hoogheid hier? richtte hij zich aanstonds tot Othomar.
-
-De kroonprins antwoordde niet.
-
-—Trekt Uwe Hoogheid zich dadelijk terug in Haar eigen appartement,
-beval de professor.
-
-—Red mijn jongen! riep de keizer uit, gebroken, snikkende.
-
-—Ik red den kroonprins eerst, Sire: hij vermoordt zich hier!
-
-—Goed, goed, maar red hèm dan! schreeuwde Oscar woest.
-
-De andere doktoren hadden bevelen gegeven; een kuip werd
-binnengebracht; vol gegoten met lauw water, geregeld naar een
-thermometer... Maar Othomar zag niet meer, hij ijlde weg, voortgedreven
-door Barzia’s strenge blikken. Over de galerijen ijlde hij, door een
-groep van officieren en kamerheeren, die angstig met elkaâr stonden te
-fluisteren en voor hem uitweken. Hij stortte zijn eigen kabinet in, dat
-niet verlicht was. In den donker dacht hij zich neêr te gooien op de
-bank, maar bonsde op den grond. Daar bleef hij liggen. Zoo, als
-verpletterd door de duisternis, begon hij te kreunen, te steenen, luid
-op te snikken met scherpe gillen van zenuwtoeval.
-
-Andro was binnen gekomen; zijn voet stiet tegen den prins aan. Hij stak
-het gas aan, poogde zijn meester op te beuren. Maar Othomar hield zich
-als loodzwaar; snerpend lang stieten zich de zenuwgillen uit zijne
-keel. Andro belde, twee-, driemaal; lang luidde hij door; eindelijk
-verschenen een lakei en een kamerheer tegelijkertijd aan verschillende
-deuren.
-
-—Roep professor Barzia! riep Andro tot den lakei. Excellentie, helpt u
-me Zijne Hoogheid oplichten...! smeekte hij den kamerheer. Maar de
-lakei liep, toen hij zich omkeerde, tegen den professor aan, die bij
-den kleinen prins niets doen kon en den kroonprins gevolgd was. Hij zag
-Othomar liggen op den grond, kreunend, gillend...
-
-—Laat mij met Zijne Hoogheid alleen, beval hij met een blik rondom
-zich.
-
-De kamerheer, Andro, de lakei volgden zijn bevel.
-
-De professor was een groote, oude man, zwaar gebouwd en sterk: hij
-naderde den prins en hief hem, niettegenstaande zijne loodzwaarte van
-nervoziteit, op in zijne armen. Zoo hield hij hem eenvoudig omklemd, op
-de bank, en zag hem aan, diep in de oogen, met blikken van suggestie.
-In eens zweeg Othomar zijn gillen stil; zijne keel verstomde. Mat
-knikte zijn hoofd neêr op den schouder van Barzia. Deze hield hem
-steeds in zijne armen. De prins werd kalm, als een gesust kind, zonder
-dat Barzia éen woord geuit had.
-
-—Mag ik Uwe Hoogheid verzoeken naar bed te gaan, sprak de professor met
-zijne zachte stem van dwang.
-
-Hij hielp Othomar opstaan, stak zelve het licht aan in zijne
-slaapkamer, hielp den prins zijn jas uittrekken.
-
-—Waarom bloedt Uw Hoogheid aan het oor? vroeg Barzia, wien geronnen
-bloed de vingers bezoedelde.
-
-—Een schot... begon Othomar dof; het wegwenden van zijn gelaat, het
-sluiten van zijne oogen zeiden het overige.
-
-De professor sprak niet meer; als ware Othomar een kind, hielp hij hem
-verder, waschte hij hem het oor, den hals, de handen, met de zachtheid
-eener moeder. Toen deed hij hem zich neêrleggen in bed, dekte hem toe,
-ordende de kamer als een knecht. Toen ging hij naast het bed zitten,
-waarin Othomar lag, met groote vreemde oogen, starend: hij nam de hand
-van den prins en bleef zoo, lang, zacht ziende op hem neêr. Het half
-neêrgedraaide licht, achter, hield den grooten kop van Barzia in het
-donker en glansde alleen wat op zijn kalen schedel, waaraan tot op den
-hals eenige grijze manen hingen. Eindelijk sprak hij zacht:
-
-—Uwe Hoogheid wil beter worden, niet waar?
-
-—Ja, sprak Othomar, zijns ondanks.
-
-—Hoe zal Uwe Hoogheid dat doen? vroeg de professor.
-
-De prins antwoordde niet.
-
-—Weet Uwe Hoogheid niet? Dan moet Zij er maar eens over denken. Maar
-Zij moet zich heel kalm houden, niet waar, héel kalm...
-
-En hij streelde Othomars hand met zachte, gelijke bewegingen, als
-balsemde hij ze.
-
-—Want Uwe Hoogheid mag zich nooit meer toegeven aan zenuwtoevallen. Uwe
-Hoogheid moet bedenken, hoe ze tegen te houden. Ik geef Uwe Hoogheid
-wel veel te bedenken, ging Barzia glimlachend door. Dat doe ik, omdat
-ik Uwe Hoogheid aan andere dingen wil laten denken, dan waaraan Ze
-denkt. Er moet wat klaarheid komen in Hare hersenen. Is Zij moê en wil
-Ze slapen, of mag ik nog praten?
-
-—Ja, praat maar, fluisterde de prins.
-
-—Er komen dagen van groote smart voor het Imperiaal... begon de dokter
-weêr, zacht. Uwe Hoogheid moet aan die dagen denken, zonder zich te
-laten meêsleepen door de smart ervan... De kleine prins zal
-waarschijnlijk niet blijven leven, Hoogheid. Zal Zij daaraan denken en
-denken aan Hare ouders, Hunne arme Majesteiten? Er zijn van die dagen
-voor een land of voor een enkele familie, waarin de smart zich schijnt
-opeen te stapelen. Want deze dag, deze nacht schijnt die niet het einde
-van Uw geslacht, mijn prins? Stil, stil en beweeg U niet; laat mij maar
-praten, als een oude man, die zeurt... Weet Uwe Hoogheid, dat de keizer
-vandaag voor het eerst van zijn heele leven geweend heeft, gesnikt?
-Zijn jongste zoon sterft. Tusschen dit kind en den vader is een oudste
-zoon, die zwaar, zwaar ziek is... Is dit alles niet het einde?
-
-—Als God het dan zoo wil... fluisterde Othomar.
-
-—Is het goed te berusten, sprak Barzia. Maar wil God het zoo?
-
-—Wie zal het ons zeggen...
-
-—Vraagt het eens aan Uzelven, maar nu niet, Hoogheid, morgen, morgen...
-Na de smartelijkste nachten... komen weêr de morgens...
-
-De professor was opgestaan en had een poeier in een glas water gemengd.
-
-—Drink eens, Hoogheid...
-
-Othomar dronk.
-
-—En ga nu stil liggen en sluit die groote oogen.
-
-—Ik kan toch niet slapen...
-
-—Dat hoeft ook niet, maar sluit die oogen...
-
-Barzia streek met de hand over ze heen; de prins hield ze toe. Zijne
-hand lag weêr in de hand van den professor.
-
-Eene suizelooze stilte daalde neêr in de kamer. Buiten, in de galerijen
-en corridors, kwamen soms radelooze stappen aan, als uit de verte, in
-nuttelooze haast; dan verklonken ze weêr weg, in wanhoop. Eene wereld
-van smart scheen zich in het paleis, daar buiten die kamer, uit te
-breiden, tot ze alle ruimten er van vulde met haar donker, nachtelijk
-wee. Maar in deze ééne kamer verroerde zich niets. De professor zat
-stil en staarde vol nadenken: de kroonprins was als een kind
-ingeslapen.
-
-
-
-
-
-VII.
-
-Den volgenden morgen ging de dag op over den rouw van een keizerrijk.
-Prins Berengar was in dien nacht bezweken.
-
-Othomar had lang geslapen en werd laat wakker, als in eene vreemde
-kalmte. Toen professor Barzia hem het einde van den kleinen prins
-vertelde,—de apathie der laatste oogenblikken na eene woede van
-koorts—scheen het hem toe, dat hij dit reeds wist. De groote smart, die
-hij voelde, was zonderling rustig, zonder oproer in zijn hart en
-verbaasde hemzelven. Kalm bleef hij liggen, toen de professor hem
-verbood op te staan. Als zonder emotie stelde hij zich voor: den
-kleinen jongen, roerloos, de oogen gesloten, op zijn veldbed.
-Werktuigelijk vouwde hij zijne handen en bad hij voor het zieltje van
-zijn broêr.
-
-Hij mocht dien dag zijne kamer niet verlaten en zag alleen even de
-keizerin, die bij hem kwam. Het verbaasde hem niets, dat ook zij kalm
-was, met droge oogen: zij had nog geen traan gestort. Zelfs toen hij
-zich oprichtte uit zijne kussens en haar omhelsde, weende zij niet. Hij
-ook weende niet, maar alleen zijne eigene kalmte verwonderde hem: niet
-de hare. Zij bleef maar een oogenblik; toen ging zij terug als met
-werktuigelijke passen en hij bleef alleen. Hij zag dien dag anders
-niemand dan Barzia: zelfs Andro kwam niet in zijne kamer binnen.
-
-Buiten die kamer ried de prins, aan zekere passen door de gangen,
-zekere klanken van stem—het weinige, dat tot hem doordrong—de smart van
-het paleis; stelde hij zich voor de treurmare gaande door het land,
-Europa, en de menschen ontzet doende staan voor den dood, die verrast
-had. Het leven was niet zeker: wie wist of hij morgen leefde! IJdel
-waren de plannen der menschen, wie wist het uur, dat volgen zoû! En
-kalm steeds bleef hij hierover denken, in de zonderlinge rust van zijne
-ziel, waarin hij als eene nutteloosheid zag om te strijden tegen het
-leven en tegen den dood.
-
-Den volgenden dag eerst vergunde Barzia hem op te staan, laat in den
-middag. Na zijne douche kleedde hij zich kalm aan, in zijne
-lanciersuniform, een krip om de mouw. Toen hij zich in een spiegel zag,
-verwonderde het hem hoe hij leek op zijne moeder, hoe hij nu ging met
-hare zelfde machinale pas. Barzia vergunde hem naar den salon der
-keizerin te gaan. Hij vond er haar, den keizer, Thera, en den
-aartshertog en de aartshertogin van Karinthië, die den vorigen avond te
-Lipara waren aangekomen. Men zat stil bij elkaâr; nu en dan ging een
-zacht woord om.
-
-Othomar ging naar den keizer en wilde hem omhelzen: Oscar echter drukte
-hem slechts de hand. Daarna omhelsde Othomar zijne zusters, zijn
-schoonbroêr. Toen zette hij zich neêr bij de keizerin en nam hare hand
-en zat stil. Zij was vermagerd en krijtwit in hare zwarte japon. Zij
-weende niet: alleen de twee prinsessen begonnen telkens te snikken en
-telkens weêr.
-
-De familie gebruikte het diner alleen in de kleine eetzaal, zonder
-gevolg. Eene verplettering was als neêrgezonken op het paleis, dat
-geheel scheen te zwijgen op dit uur, met alleen nu en dan het zachte
-geloop door galerijen van een ordonnans-officier, die ging, een
-lijkkrans in de hand, van een lakei, die bracht een blad vol
-telegrammen. Na het korte diner trok de familie zich weêr terug in den
-salon der keizerin. De uren sleepten zich voort. De avond was geheel
-gevallen. Toen werd de aartsbisschop van Lipara aangekondigd.
-
-De keizerlijke familie stond op; door de galerijen ging zij, zonder
-gevolg, naar de groote Ridderzaal. Hellebaardiers stonden bij de deur.
-Zij traden binnen. De keizer reikte de keizerin de hand en geleidde
-haar naar den troon, waarvan de kroon en de draperiën omfloersd waren.
-Aan beide zijden waren zetels voor Othomar, de prinsessen, den
-aartshertog.
-
-In het midden der zaal, voor den troon, rees de katafalk op onder een
-hemel van zwart en hermelijn. In uniform lag er de kleine prins neêr.
-Over zijne voeten hing een kleine blauwe riddermantel met een groot wit
-kruis; een kinderdegen lag hem op de borst, en zijne handjes waren om
-het juweelen gevest heengevouwen. Aan zijn hoofdje, en wat hooger,
-blonk, op een kussen, een kleine markiezenkroon. Zes vergulde luchters
-glansden met vele hooge kaarsen stil op het kind neêr en ze lieten de
-groote zaal verder in schaduw: alleen rees, buiten, de maan in verre
-nachtblauwe lucht; hier en daar tintte ze met een witte glansplek de
-wapenrustingen, de trofeeën, die hingen en, als ijzeren geesten,
-stonden in nissen en aan den muur. Aan het voeteneind der katafalk
-breidde, op een tafel, met wit fluweelen kleed, als altaar, een groot,
-verguld crucifix, tusschen luchters, ontfermend, twee kruisarmen uit.
-
-Den degen in den arm, roerloos als de wapenrustingen aan den muur,
-stonden vier ridders van St. Ladislas, den blauwen mantel om, twee aan
-twee, aan iedere zijde van de katafalk.
-
-Een zachte geur van bloemen woei om. Om de katafalk heen stapelden zich
-de kransen op in cirkels van alles wat wit bloesemt; de aroom van
-violen geurde het hoogst.
-
-Zij waren gezeten: de keizer, de keizerin en hunne vier kinderen.
-Langzaam kwam de aartsbisschop binnen met zijne priesters en
-koorknapen. Toen knielden de vorsten op kussens voor hunne zetels neêr.
-De prelaat las de lijkmis en het Latijn van het Kyrie-Eleison en het
-Agnus Dei smeekte voor Berengars kleine ziel te midden der zielen van
-het vagevuur, trilde zacht door de immense zaal, wolkte met den geur
-der bloemen mede over het roerlooze, ooggeslotene gezicht van het
-keizerlijke kind...
-
-De dienst was geëindigd; de prelaat sprenkelde het wijwater, ging
-sprenkelend om de katafalk heen. De vorsten verlieten de zaal, maar
-Othomar bleef.
-
-—Ik wil mijn krans neêrleggen... sprak hij zacht tot de keizerin.
-
-Ook de priesters, langzaam, vertrokken; den vier ridders, die door
-anderen vervangen zouden worden, zeide de kroonprins zijn verlangen een
-oogenblik alleen te willen blijven. Ook zij gingen. Toen zag hij aan de
-deur Thesbia verschijnen, een grooten witten krans in de hand. Hij ging
-den ordonnans-officier tegemoet en nam den krans aan.
-
-Othomar bleef alleen. Lang, breed, met duistere einden, strekte zich de
-zaal uit. De maan was hooger gestegen, scheen blanker, spookte op de
-wapenrustingen. In het midden, als met heiligheid, tusschen den vromen
-glans der lange kaarsen—rees de katafalk, lag de prins.
-
-De kroonprins ging twee treden de katafalk op en legde den krans neêr.
-Toen zag hij naar Berengars gelaat; geene koorts verwrong het meer;
-rustig lag het, blank, als sliep het. Alle geluiden in de zaal waren
-weggestorven; eene doodstilte hing neêr. Hier scheen de wereld van
-smart, die het paleis en het land vervuld hadden, zich geheiligd te
-hebben in verhevene kalmte. En Othomar zag zich alleen met zijne ziel.
-Het onzekere van het leven, het ijdele van menschenvoornemen kwam tot
-hem weêr, maar in klaarheid; het was geen zwart mysterie en werd
-harmonie. Het was of hij geheel de harmonie zag van het verleden; in
-geheel Liparië’s verleden van historie, in geheel het verleden der
-wereld klonk geen enkele valsche toon. Alle smart was heilig en
-harmonisch, bracht nader tot het hooge Einde, dat weêr Begin zoû zijn,
-en nooit iets anders dan harmonie. Eene berusting daalde als een
-heilige geest in zijn gemoed; zijne vreemde kalmte werd berusting. Het
-was of zijne zenuwen zich ontspanden in éene groote leniging.
-
-En in zijne berusting was alleen de weemoed, dat hij nooit meer zoû
-hooren het hoog-bevelende stemmetje van het kind, dat hij lief had
-gehad. Dat dit kleine leven uitgeleefd had, zoo gauw, en voor altijd.
-In zijne berusting was alleen éven de verwondering, dat het zoo moest
-zijn en niet als hij het zich gedacht had. Hij zoû zelve moeten dragen
-zijne kroon, die hij aan Berengar had willen afstaan. En het was hem
-nu, of hij die terug ontving van den kleinen doode zelven. Hierom zeker
-voelde hij zoo niets geen opstand in zijne ziel, voelde hij die rust,
-dat besef van harmonie. Als eene erfenis kwam zijn geschenk tot
-hemzelven weêr terug.
-
-Lang stond hij zoo, denkende, starende op zijn roerloos broêrtje en
-eenvoudig werd zijne gedachte in hem; recht voor zich uit zag hij een
-weg, dien hij volgen zoû...
-
-Toen hoorde hij zijn naam:
-
-—Othomar...
-
-Hij keek op en zag de keizerin aan de deur. Zij kwam nader.
-
-—Barzia vroeg naar je, fluisterde ze; hij maakte zich ongerust over
-je...
-
-Hij glimlachte haar toe en schudde het hoofd van neen: dat hij kalm
-was.
-
-Zij was nu geheel genaderd, trad op de treden van de katafalk en vlijde
-zich aan zijn arm.
-
-—Hoe stil is zijn gezichtje... murmelde ze. O, Othomar, ik heb hem nog
-niet eens mijn laatsten zoen gegeven. En morgen behoort hij me niet
-meer toe: dan defileert hier al dat volk!
-
-—Maar hij is nú nog van ons, mama, van u...
-
-—Othomar...
-
-—Mama...
-
-—Zal ik jou ook niet hoeven... te verliezen?
-
-—Neen mama, mij niet... Ik zal blijven leven... voor u...
-
-Hij omhelsde haar; zij zag tot hem op, verwonderd om zijne stem. Toen
-keek ze weêr naar het kind. Ze maakte zich los uit de armen van haar
-zoon, hief zich nog hooger, boog zich over het witte gezichtje en kuste
-het voorhoofd. Maar zoodra de steenkoude van het doode vleesch in hare
-lippen trok, trok zij zich terug, staarde wezenloos op het lijkje, of
-zij nu eerst begreep. Een kramp verstijfde hare armen, verwrong hare
-vingers; recht viel zij achterover tegen Othomar aan.
-
-En hare oogen werden vochtig met de eerste tranen, die zij om Berengars
-dood vergoot, en zij verborg haar hoofd in Othomars armen en snikte,
-snikte...
-
-Toen voerde hij haar voorzichtig, langzaam de treden van de katafalk
-af, geleidde haar uit de zaal. In de galerij kwam hij Barzia tegen; het
-stil kalme gelaat van den prins, die zijne moeder ondersteunde, stelde
-den professor gerust...
-
-Zoodra de keizerin en de kroonprins de Ridderzaal verlaten hadden,
-traden vier ridders van St. Ladislas, den blauwen mantel om, binnen.
-Zij namen hunne plaats in aan beide zijden van de katafalk en zij
-bleven er roerloos staan in den kaarsenglans, starende voor zich uit,
-wakende in den rouwnacht over het keizerlijke lijkje, waarover nu de
-blauwte van de maan viel... Ook de priesters waren binnengekomen, en
-baden...
-
-Het paleis was stil. Toen Othomar aan de deur van haar appartement
-zijne moeder had overgegeven aan Hélène van Thesbia, ging hij de
-galerijen door naar zijne eigen kamers. Maar bij eene wending der
-gangen schrikte hij. De groote ceremonietrap gaapte, flauw verlicht aan
-zijne voeten, met de holte der kolossale vestibule onder aan. Behangers
-waren daar bezig de balustrades der trap te drapeeren met floers van
-krip, voor het oogenblik, dat de kist naar beneden gedragen zoû worden.
-Zij maten met wijde armen de nevels van zwart uit, wierpen zwarte wolk
-op wolk; de wolken krip stapelden zich met eene droeve luchtigheid op,
-en op en op, schenen de geheele trap te vullen en treê na treê hooger
-te stijgen of ze het geheele paleis zouden veroveren met hun zwart...
-
-De behangers zagen den kroonprins niet, en werkten door, zwijgend, in
-het flauwe licht. Maar eene koude rilling ging over Othomar heen.
-Doodsbleek staarde hij naar de mannen, die daar aan zijne voeten het
-krip uitmaten en het wolken deden naar hem toe. Hij herinnerde zich
-zijn droom: de straten van Lipara, zich vullende met krip tot de zon
-zwijmde... Zijn bloed scheen hem te bevriezen in zijne aderen...
-
-Toen sloeg hij een kruis.
-
-—O God, geef me kracht! bad hij in ontzetting...
-
-
-
-
-
-VIII.
-
-Den volgenden morgen ging tusschen de paradewachten door der grenadiers
-het volk voorbij het lijk van den kleinen prins. Den daarop volgenden
-werd het vervoerd naar Altara en bijgezet in den keizerlijken
-grafkelder in den Dom van St. Ladislas. De prinsen Gunther en Herman
-van Gothland waren voor de plechtigheid overgekomen, maar den hertog
-van Xara was door professor Barzia verboden aan de ceremonie deel te
-nemen: hij bleef te Lipara.
-
-De Gothlandsche prinsen en hun gevolg kwamen met keizer Oscar terug
-naar de rezidentie, waar, op het dringend verlangen van hare zuster,
-ook koningin Olga met prinses Wanda gekomen was. En in de rouwstilte
-van het Imperiaal trok de familie zich bij elkaâr in een nauwen cirkel
-van intimiteit. Keizerin Elizabeth had, na hare eerste tranen, die
-onnatuurlijke kalmte verloren; telkens onderging zij hevige aanvallen
-van verdriet, die de koningin Olga of Othomar nauwlijks wisten te
-bedaren. De keizer was ontroostbaar, gaf zich met eene kinderlijke
-hevigheid over aan zijne smart. Men had hem nooit zoo gezien, men kende
-hem zoo niet. Dat hij zijn lieveling verloren had, bracht zijne ziel in
-opstand tegen de wereld en tegen God. Daarbij kwam, dat hij zich zeer
-had aangetrokken zijn laatste gesprek met Othomar, waarin deze hem van
-afstand-doen gesproken had. De keizer was er niet meer op terug
-gekomen, maar hij dacht er telkens aan. Hij vreesde er weêr met Othomar
-over te moeten spreken. Met woede voelde hij zijn onmacht, den
-kroonprins dit besluit van wanhoop te verbieden. En hij verbeeldde zich
-wat er volgens de wetten gebeuren zoû, zoo de prins volhardde: de
-aartshertogin van Karinthië keizerin, de aartshertog prins-gemaal en
-het geslacht van Czyrkiski niet meer heerschende op den troon van
-Liparië in de mannelijke lijn. Dat dit zoû kunnen gebeuren, deed,
-tegelijkertijd met zijn leed over Berengars dood, keizer Oscar lijden
-met dat zeer bijzondere leed van den vorst, in wiens bloed nog vloeit
-geheel de geërfde gehechtheid aan de grootheid zijner vaderen, en die
-ze voort wil laten duren tot den laatsten dag. En was hij ook
-ontroostbaar over het verlies van het kind, dat hij het meeste liefhad,
-zwaarder, maar stiller, in grooter geheim—daar hij er niet over
-sprak—en hierom wellicht smartelijker, voelde hij zijn leed over dit
-idee, over deze toekomst, die hij zich beeldde. Zelfs met de keizerin
-had hij er niet over gesproken, uit zekere vrees en bijgeloovigheid.
-
-En bij dit denk-verdriet,—dat zijne ziel van kracht, waarin altijd een
-zweem van kinderlijkheid gebleven was, zich zwak deed gevoelen, of zij
-de ziel ware van ieder ander mensch in plaats van de zijne: die van een
-vorst—mengde zich de zakelijke ergernis over de legerwet. Er zouden
-driehonderd millioen noodig zijn; honderd millioen waren reeds
-toegestaan voor de versterking der infanterie; de twee andere honderd,
-voor de artillerie, had de Minister van Oorlog, graaf Marcella, nog
-niet weten te verwinnen. De meerderheid der legercommissie was tegen
-die kolossale wapening der grensforten; in het Huis der Standen ried de
-minister reeds heftige tegenkanting, vermoedde hij zijn val. Noch
-Oscar, Myxila noch Marcella, wilden het minste toegeven. En Oscar zoû
-zijn minister daarenboven willen handhaven tot in het onmogelijke toe.
-
-Het was in deze dagen, dat Othomar zich door generaal Ducardi geheel op
-de hoogte der questie liet brengen, de stafkaarten en legerstaten en
-verslagen der commissie bestudeerde, de parlementaire discussies van
-uit zijne afzondering volgde. Hij hield lange overwegingen met den
-generaal. Hij had echter in maanden niet meer de ochtendberaadslagingen
-in het kabinet van zijn vader bijgewoond. Maar op een morgen kleedde
-hij zich—wat hij niet altijd deed—in uniform en liet door een kamerheer
-aan Oscar verzoeken of de keizer hem vergunde tegenwoordig te zijn bij
-de ontvangst van graaf Marcella. De keizer was verwonderd, haalde de
-schouders op, maar bestreed zijne antipathie, en liet zijn zoon zeggen,
-dat hij komen kon. Zoodra de Rijkskanselier en de minister bij den
-keizer waren, vervoegde Othomar zich bij hen. Hij was tengerder nog
-geworden en de zilveren brandebourgs van zijn lanciersuniform konden
-nauwlijks aan zijne slankte eenige breedte leenen; hij was bleek en wat
-hol van wangen, maar de blik in zijne oogen had die vroegere
-koortsachtige onrust verloren en zijne melancholieke kalmte
-teruggewonnen, tegelijk met iets straks van hoogheid. Hij mengde zich
-eerst niet in de discussie, liet den keizer vloeken, den Rijkskanselier
-zijne schouders ophalen en berusten in het onmogelijke, den minister
-verklaren, dat hij nooit toe zoû geven. Toen vroeg hij echter aan Oscar
-vergunning een woord in het midden te brengen. Hij had een potlood in
-de hand genomen; hij toonde met enkele kort besliste lijnen van
-aanwijzing over de kaarten, met enkele direct juiste aanduidingen op de
-staten, met enkele cijfers, die hij uit zijn hoofd, en nauwkeurig
-opnoemde, dat hij geheel op de hoogte was. Hij meende, dat, voor zoover
-hij kon nagaan uit de verslagen der commissie, uit de stemming in het
-Huis der Standen, het ongetwijfeld vast zoû staan, dat de tweehonderd
-millioen geweigerd zouden worden. Dat de minister vallen zoû. Hij
-herhaalde deze laatste woorden nadrukkelijk en zag toen vast zijn vader
-eerst aan en daarna graaf Marcella. Toen, met zijne zachte stem, die
-logisch in klank na klank zich verhief en daalde met rustige woorden
-van overtuiging, vroeg hij, waarom men zich niet voegen zoû naar de
-omstandigheden en van ze maken wat van ze te maken was. Waarom men niet
-de honderd millioen voor de infanterie zoû aanvaarden als het gewonnene
-en—hetgeen, zonder o ogenblikkelijk gevaar, toch zoû kunnen—de
-tweehonderd anderen zoû pogen te verdeden over eene tijdlengte van vier
-of vijf jaar. Hij meende zeker te zijn, dat een twintig millioen ’s
-jaars meer, niet zoo heftige tegenkanting zoû vinden. Met zulke eene
-schikking zoû graaf Marcella zichzelven kunnen handhaven en door den
-keizer gehandhaafd kunnen worden...
-
-Toen hij zweeg, volgde eene stilte zijne woorden. Zijn raad was, zoo
-niet geniaal, practisch geweest, makende van dit oogenblik van crizis
-wat er van te maken zoû zijn. Graaf Myxila knikte zijn hoofd langzaam,
-goedkeurend. De keizer en graaf Marcella konden Othomars denkbeeld niet
-dadelijk aanhangen, halsstarrig, als ze doordrijven wilden de legerwet
-in hare eerste onveranderde conceptie. Maar de Rijkskanselier voegde
-zich bij den kroonprins, deed nog nadrukkelijker uitkomen, dat eene
-zoodanige schikking de eenige zijn zoû, waarmeê Zijne Majesteit graaf
-Marcella zoû kunnen behouden. En de beraadslaging eindigde, dat het
-voorstel van den hertog van Xara in overweging zoû genomen worden. Toen
-Myxila en Marcella gegaan waren, vroeg de keizer den prins nog een
-oogenblik te blijven.
-
-—Othomar, sprak hij: het doet mij groot genoegen, dat je je weêr met de
-zaken van ons land bezig houdt...
-
-Hij weifelde even, bijna angstig.
-
-—Welke concluzie kan ik daaruit trekken... voor de toekomst? ging hij
-eindelijk langzaam voort.
-
-De kroonprins begreep hem.
-
-—Papa, sprak hij zacht. Ik heb mijne moedelooze oogenblikken gehad. Ik
-zal ze misschien nog wel hebben. Maar vergeet... wat er zoo kort voor
-Berengars dood tusschen ons besproken is geworden. Ik denk er niet meer
-over afstand te doen...
-
-De keizer haalde diep adem.
-
-—Ik ben vroom, papa, en geloovig, ging de prins voort. Misschien
-bijgeloovig. Ik zie duidelijk in wat er gebeurd is, de hand van God...
-
-Hij streek met de hand over het voorhoofd, peinzende voor zich heen.
-
-—De hand van God, herhaalde hij. Ik heb een voorgevoel gehad van den
-dood van éen onzer binnen dit jaar. Ik dacht dat ik het zelf zoû zijn,
-die sterven zoû. Daarom papa, zag ik misschien niet in, dat het
-monsterachtig van mij was, waartoe ik besloten had. Ik dacht niet aan
-mijzelven, die toch zoû dood gaan; ik dacht alleen aan Berengar. Ik
-zag, dat hij meer vorst was dan ik. Maar nu is hij dood en ik leef, en
-ik zal nu aan mijzelven denken. Want ik voel het, dat ik mijzelven niet
-behoor. En ik voel, dat het dit is, wat ons staande moet houden in het
-leven: dit gevoel, dat wij niet aan onszelven behooren, maar aan
-anderen. Ik heb altijd van ons volk gehouden en ik woû het helpen in
-het vage, in het abstracte; ik sloeg mijn handen uit, zonder te weten
-wat en als ik niet volbracht, was ik er wanhopig om...
-
-Hij hield in eens op, zag schichtig naar zijn vader, als had hij zich
-te ver laten gaan in het uitspreken zijner gedachten. Maar Oscar zat
-hem kalm aan te hooren, en hij ging voort:
-
-—En ik weet nu, dat zulke wanhoop niet goed is, omdat wij met zulke
-wanhoop ons aan onszelven behouden en ons niet kunnen geven aan
-anderen. U ziet—en hij stond op en glimlachte—ik kan maar niet genezen
-van mijn filozofie, maar ik hoop nu, dat ze mij zal leeren sterken in
-plaats van mij te ontzenuwen, omdat ze nu uit een geheel ander principe
-voortvloeit.—De keizer haalde licht de schouders op.
-
-—Ieder moet zich zijn eigen levenswijsheid maken, Othomar; ik kan je
-alleen dezen raad geven: dweep niet en hoû je standpunt hoog. Cijfer
-jezelven niet te veel weg, want zulke abnegatie duurt niet en herneemt
-toch weêr later oude rechten. Ik denk zooveel niet na; ik ben meer
-spontaan en impulsief. Maar ik wil niet over je oordeelen, omdat jij
-anders bent; je kan er niets tegen. Je bent misschien meer van dezen
-tijd dan ik. Ik wil alleen naar het rezultaat zien van je
-overpeinzingen en dat rezultaat is: dat je jezelven teruggeeft aan het
-gewone leven en aan de belangen van je land. En hierom verheug ik me,
-Othomar. Ik wil ook niet te ver in de toekomst zien; ik vermoed, dat je
-ook later niet mijn ideeën zult hebben; ik vermoed, dat je later zult
-regeeren met een constitutie van A tot Z, met een gekozen Hooger-Huis.
-Ik vermoed, dat je van de autoritair adellijke partij veel tegenkanting
-zult hebben... Maar zooals ik zeg, ik wil daar niet te ver in doorgaan
-en mij alleen verheugen over je moreele beterschap. En ik ben je heel
-dankbaar voor den raad, dien je ons zoo even gegeven hebt. Ze was
-eenvoudig, maar uit onszelve waren wij er zeker niet toe gekomen. Wij
-zijn daartoe te vasthoudend. Ik geloof nu wel, dat wat je voorstelde,
-het beste zal zijn; dat het wel niet anders zal kunnen...
-
-Hij stak zijne hand uit, Othomar greep die.
-
-—En, vervolgde hij, met de groote loyaliteit, die ondanks zijne
-tirannieke hoogheid het fond van zijne ziel was; laat geene rancune bij
-je blijven over... woorden, die ik je gezegd heb, Othomar. Ik ben hevig
-en driftig, dat weet je. Ik hield meer van Berengar dan van jou. Maar
-jijzelf hield van dat kind. Hoû me geen rancune na, terwille van hem...
-Je bent toch mijn zoon ook en ik hoû van je, alleen al om het feit, dàt
-je mijn zoon bent, en de laatste van mijn geslacht... Vergeef me mijn
-eerlijkheid.
-
-Toen drukte hij Othomar in zijne armen. Het trof hem pijnlijk de
-tengerheid van den prins te voelen in zijne stevige omhelzing, zoo
-dadelijk na zijne woorden: de laatste van mijn geslacht... Een vreemde,
-bittere wanhoop ging er om door zijne ziel, maar tevens vermoedde hij
-duidelijk het mysterie in die tengerheid: een onbekende, moreele
-drijfveer, die hij zelve in zijn weinig complexen eenvoud zeker miste,
-maar, vol verwondering, voelde in zijn zoon. Toen de prins gegaan was
-en Oscar, alleen, hierover dacht, en die drijfveer zocht in hetgeen hem
-in zijn kind bekend was, vond hij niet, maar voelde toch, dat wat ze
-ook ware, ze iets benijdenswaardigs was: een kracht, die taaier was dan
-spierkracht. Hij zag om zich heen: zijn oog viel op het portret van de
-keizerin op zijne schrijftafel. Hoe dikwijls had hij er niet op getuurd
-met ergernis, om hun troonopvolger, die zoo geheel haar eigen zoon was.
-Maar alsof eene schemering van glans voor zijne oogen opging, zag hij
-nu naar het delicate gelaat, zonder dien ouden wrevel en eene dankbare
-warmte begon in hem op te stralen. Wat ze ook ware, Othomar had die
-geheimzinnige kracht van zijne moeder. Ze redde hem en behield hem voor
-zijn land, voor zijn geslacht. En— wie wist het—misschien was dit
-mysterie, wat dan ook, het element, dat hun geslacht behoefde, eene
-noodige essence voor zijne nieuwe levensvatbaarheid... Hij drong daar
-verder niet in door; de toekomst—ook al klaarde ze nu op uit hare
-eerste duisternis—was hem niet lief. Hij had het verleden lief, die
-ijzeren eeuwen met hare helden van keizers. Maar hij voelde, dat niet
-alles verloren was. In zijn vroom geloof aan het Hoogste, dacht hij als
-zijn zoon, aan de hand van God. Zoo het zoo moest, zoû het zoo goed
-zijn. De wil van God was ondoorgrondelijk...
-
-En dankbaar aan de keizerin, dankbaar, dat het licht voor hem werd,
-boog hij de knieën voor het crucifix aan den muur, en bad hij voor
-zijne beide zonen, bad hij lang voor den zoon, die zijne kroon zoû
-dragen, maar langer voor de ziel van het kind van zijn éigen bloed, en
-welks gemis de smart zijn zoû, die altijd alsem zoû blijven op den
-grond van zijne, nu uitgestorte, ziel...
-
-
-
-
-
-IX.
-
-Uit het Dagboek van Alexa, Hertogin van Yemena. Gravin van Vaza.
-
-
- Nov. 18...
-
-De kroonprins is niet met den keizer meêgekomen. Professor Barzia heeft
-het hem verboden, omdat hij meende, dat de groote jachten, waarmeê de
-hertog Zijne Majesteit verstrooien wil, in zijn verdriet om onzen
-kleinen prins, te vermoeiend zouden zijn voor mijn lieven zieke. Ik
-hoor toch van Dutri, dat hij aanmerkelijk in beterschap toeneemt, en
-zijne dagelijkschen morgenrit reeds hervat heeft.
-
-Het is gedaan voor mij. Arm zondig hart, in mij zelve, sterf. Want na
-deze laatste bloem van passie, die in u ontlook, wil ik dat ge sterft,
-voor de wereld. Om de reinheid van mijn keizerlijke bloem, wil ik, dat
-ge nu sterft. Niets hierna, niets, dan het nieuwe Leven, dat ik voor
-mij zie lichten...
-
-En toch, ik ben nog jong; ik zie mij in mijn spiegel niet ouder dan een
-jaar geleden. Ik zoû, als ik niet wilde, geen afstand behoeven te doen
-van mijne vrouwelijke machten. En zoo beschouwt iedereen het, want ik
-weet, dat men fluistert over den Hertog van Mena-Doni, als zoû hij in
-mijn hart mijn aangebeden kroonprins vervangen hebben. Maar het is niet
-waar, het is niet waar. En ik ben er zoo blij om, dat ze mij niet
-kennen en het niet weten. Dat ze het niet begrijpen, dat ik rein wil
-laten verwelken mijne keizerlijke liefde en na haar geene aardsche
-liefde koesteren wil.
-
-Lieve liefde van mijn hart, gij hebt mij verheven tot mijn nieuw Leven!
-Gij waart nog zonde, maar ge louterdet toch, omdat ge zelve gelouterd
-waart door de aanraking van het heilige, dat in vorstelijkheid is. O,
-ge waart de laatste zonde, maar ge waart reeds reiner dan de vorige.
-Want groote zondaresse ben ik geweest; heel mijn zondig leven van vrouw
-offerde ik aan verterende passie en wat liet het anders na dan asch in
-mijn hart! Groote, blakende liefde van mijn leven voor hem, die nu dood
-is—zijne ziel ruste in vrede—ik wil u niet verloochenen, omdat gij
-geweest zijt mijn meest intense aardsche genot, omdat ik door u het
-eerste heb leeren weten, dat ik een ziel had, en omdat ge zóo nader
-bracht tot wat ik nu voor mij zie; maar toch, wat waart ge anders dan
-aardschheid! En mijne reinere keizerlijke liefde, wat waart ook gij
-anders dan aardschheid! Zachte vorst van mijn ziel, wat wil God anders,
-dat ge zijn zult dan aardsch. Een rijk wacht u, eene kroon, een
-scepter, eene keizerin. God wil het zoo, en daarom is het goed, dat ge
-aardsch zijt, terwijl uwe aardschheid toch tevens gewijd wordt door uw
-vroom geloof. Maar ik, ik ben minder geweest dan aardsch alleen: ik was
-zondig. En nu wil ik, dat mijn hart geheel en al sterft in mij, omdat
-het niets is dan zonde. Dan zal mijn hart herboren worden, in nieuw
-Leven...
-
-Ik heb geleden. Uren heb ik gelegen op het koude marmer van de kapel,
-tot mijne knieën me pijn deden en mijne leden stijf waren. Mijn zondig
-leven heb ik gebiecht aan mijn heiligen biechtvader, Monseigneur van
-Vaza. O, de zoetheid van absolutie en de extaze van gebed! Waarom
-voelen wij niet eerder dien zaligen troost, die er is in de waarneming
-van onze godsdienstige plichten! O, als ik mij geheel kon storten in
-het zoete mysterie, in God; als ik gaan kon in een klooster! Maar ik
-heb mijne twee stiefdochters. Ik moet ze brengen in de wereld; het is
-mijn taak. En Monseigneur meent, dat het mijne boete is en mijn straf:
-me niet terug te kunnen trekken in heiligende afzondering, maar te
-moeten blijven ademen, de zondige atmosfeer van de wereld.
-
-Mijn kasteel in Lycilië, waar we nooit komen, mijn eigen kasteel en
-erfgoed, wil ik geven aan onze Heilige Kerk voor een klooster van
-jonkvrouwen Ursulinnen. Onlangs ben ik er geweest, met Monseigneur. O,
-de groote sombere zalen, de fresco’s in schaduw, het donkere park! En
-de kapel, als er de nieuwe glazen zullen gekomen zijn, waardoor het
-licht in mystieke kleurenwemeling zal neêrvallen! Mijn dierbaarste
-wensch is het, daar oud te kunnen worden en er geheel af te kunnen
-sterven van de wereld: maar zal het ooit mogen, Heilige Moeder Gods,
-zal het ooit mogen!
-
-— — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — —
-
-Ben ik eerlijk? Wie weet het, wat weet ikzelve? Voel ik die loutering
-van mijne ziel in waarheid of blijf ik toch, die ik ben? Een
-vreeselijke twijfel rijst in mij op; het is Satan, die in mij komt! Ik
-wil bidden: Heilige Maagd, bid voor mij!
-
-— — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — —
-
-Ik ben kalmer geworden; het gebed heeft mij gesterkt. O, smartelijk
-zijn de twijfelingen, die mij rukken uit mijne overtuiging. Dan zegt
-Satan, dat ik mij die overtuiging wijs maak, om mij te troosten in
-mijne verlatenheid en dat ik vroom ben geworden uit gemis aan
-bezigheid. Ik zie mij zelve dan in den spiegel, jong; eene jonge vrouw.
-Maar als ik bid, wijken de twijfelingen weêr uit mijn zondig gemoed en
-blik ik met huivering terug naar mijn slecht verleden. En dan klaart
-het nieuwe Leven van mijne toekomst weêr voor mij op...
-
-Dierbare prins, vorst van mijne ziel, hier op deze bladen, die niemand
-ooit lezen zal, neem ik afscheid van U, omdat het mij niet gegeven
-werd, afscheid van U te nemen op een oogenblik van tastbare
-werkelijkheid. O, dikwijls, dag aan dag misschien, zal ik U nog zien in
-het wemelen van de wereld, in de ceremonie der paleizen, maar u zal mij
-niet meer behooren en daarom neem ik afscheid van U. Wat ik ook
-ben,—dubbele zondares misschien, die alleen naar den hemel verlangt,
-omdat de aarde haar niet meer boeit—waàr ben ik voor U geweest, als ik
-altijd was, in liefde. Ik heb U gebukt gezien, U, zoo tenger, onder Uw
-zwaar juk van keizerlijkheid en ik heb mijn hart voor U voelen
-overvloeien van medelijden. Ik heb U mijn armzaligen zondigen troost
-willen geven, zooals ik dat kon. Moge de Hemel mij vergeven! Ik heb U
-getroffen op een oogenblik, dat de tranen aan Uwe lieve oogen
-ontvloeiden uit bitterheid, dat men U haatte en de schennende hand had
-durven slaan aan Uw vorstelijk lichaam, en ik heb u willen geven wat
-zoets ik kon, om U die bitterheid te doen vergeten. O, misschien was ik
-toen zelfs niet geheel eerlijk; misschien ben ik het zelfs nu niet!
-Maar dàt zoû te vreeslijk zijn: dat zoû me mijzelve doen verachten, als
-ik niet kan! En ik wil ten minste die illuzie behouden, dat ik eerlijk
-wàs! Dat ik U wilde troosten! Dat, al was het ook zonde, ik U getroost
-heb. Dat ik U in ware waarheid heb liefgehad. Dat ik U nog lief heb.
-Dat ik U niet meer lief zal hebben—omdat ik dit niet mag—als Uwe
-minnares, maar dat ik het doen zal als Uwe onderdane. Het bloed van
-mijne aderen bemint het Uwe; Uw gouden bloed! En als ikzelve den vrede
-zal gevonden hebben en niet meer weifelen en twijfelen zal, zullen
-mijne laatste dagen slechts gebed zijn voor U, dat ook U de vrede worde
-en de kracht voor Uwe toekomstige heerscherstaak. Ik voel geen naijver
-op haar, die mijne aanstaande keizerin zal zijn. Ik weet, dat zij mooi
-is, en zij is jonger dan ik. Maar ik vergelijk me niet met haar. Ik zal
-hare onderdane zijn, zooals ik de Uwe ben. Want ik heb U lief om
-Uzelve, en ik heb lief alles, wat van U zal zijn. U is mijn vorst; U is
-mijn vorst reeds meer dan Oscar! Vaarwel, mijn prins, mijn kroonprins,
-mijn vorst! Als ik U terug zie, zal U mij niets meer zijn dan mijn
-vorst, en mijn vorst alleen!
-
-
- Aan Zijne Allergenadigste Keizerlijke Hoogheid Othomar,
- Hertog van Xara te Lipara.
-
- Castel Vaza, Nov. 18... Mijn dierbare Prins!
-
-
-Vergeef me zoo ik het waag U bijgaande bladen toe te zenden. Ik meende
-eerst U te zenden een langen brief, een brief van afscheid. Ik schreef
-er U ook vele, maar zond ze U niet en verscheurde ze. Toen schreef ik U
-alleen voor mijzelve, nam ik afscheid van U voor mijzelve. Maar kan ik
-het nagaan, wat er in mij omgaat, wat ik denk van het eene oogenblik op
-het andere?! Ik miste het toch: mijn zoet afscheid, dat nog iets
-geheims van mij binden zoû aan U. En zoo kan ik niet nalaten—eindelijk,
-na veel slingering van gedachte!—U deze bladen, die ik slechts voor
-mijzelve had vol geschreven, te zenden. Aan Uwe voeten smeek ik U: neem
-ze in genade aan, lees ze in genade. Verscheur ze daarna; U zal door ze
-de laatste gedachte weten, die ik heb gewaagd te wijden aan het
-mysterie, dat onze liefde was...
-
-Ik druk mijn lippen aan Uwe aangebeden handen,
-
-
- Alexa.
-
-
-
-
-
-
-
-
-DERDE HOOFDSTUK.
-
-
-I.
-
-Keizerin Elizabeth reed met Hélène van Thesbia in eene victoria—een
-voorrijder voorop—van St. Ladislas naar het Oude Paleis, dat met den
-Dom en het Episcopaal éen reuzenbouw vormde; daar, in Altara, hadden de
-aartshertog Albrecht en de aartshertogin Eudoxie den vorigen dag met de
-keizerlijke bruid hun intrek genomen. Van den hoogen slotburcht, die
-als een breede steenblokkenmassa, met gekanteelde vlakken en plompe
-torens, over Altara heen zag, daalde onder oude kastanjes, onmerkbaar,
-de weg, licht zigzagkronkelend naar beneden. Het stof stuivelde onder
-de wielen op; aan beide zijden lagen villa’s, met terrassen, vroolijk
-van vazen en bloemen en beelden, en lager en lager afglooiende, naar de
-stad toe. De villa’s vlagden; de blauw-en-witte vlaggen met de witte
-kruisen joelden als een jeugd van kleuren onder het bestofte loof der
-oude boomen en acacia’s.
-
-Het was Juni; zes maanden na den dood van den kleinen prins, maar de
-rouw was verlicht om het aanstaande huwelijk van den hertog van Xara,
-dat de keizer zoo spoedig mogelijk voltrekken zag. De keizerin echter
-droeg nog zwaren rouw, dien zij eerst op den dag van het huwelijk af
-zoû leggen; Hélène droeg grijs; de liverei was grijs.
-
-Vele wandelaars, ruiters, equipages gingen langs den weg, hielden
-eerbiedig stil; de keizerin groette links en rechts; van af de balcons
-der villa’s groette men haar. In het warme zomerweder heerschte er eene
-gemoedelijkheid, eene zachte vroolijkheid langs den weg, ademde de weg,
-met zijne villa’s, waar de menschen in groepen zaten, eene
-vriendelijkheid uit, die der keizerin aangenaam aandeed en haar hart
-met een lichten weemoed op deed zwellen in hare borst. Kinderen liepen
-rond en speelden, in witte zomerpakjes; ze stonden in eens stil, en als
-welopgevoede kinderen, die de leden der keizerlijke familie iederen dag
-zagen voorbijgaan, groetten zij diep, de jongens onhandig, de meisjes
-met pas geleerde révérences. Dan speelden zij weêr door... En de
-keizerin glimlachte om een groote familie, oude en jonge menschen
-samen, die op een terras zeker een verjaardag vierden en lachten en
-dronken, vele glazen en karaffen voor zich: de kinderen hunne monden
-vol koek. Zoodra zij den voorrijder zagen, stonden zij op en zij
-groetten allen, sommige de glazen nog in de hand, en de keizerin,
-zonder hare gewone strakheid, groette ze innemend met een glimlach
-terug.
-
-En het was als ging zij door een groot dorp van luxe; een oogenblik
-vergat zij de lichte obsessie, die haar neêrdrukte, vergat zij waarom
-zij heden ging naar Valérie toe en liet zij zich wiegelen door haar
-welbehagen in de liefde, die zij om zich ried. Het was die liefde der
-oude Liparische patricische familiën—adellijk of niet-adellijk—voor
-hare vorsten. Het was eene liefkoozing, die zij nooit te Lipara voelde.
-En zij herinnerde zich Othomars brief, tijdens de overstroomingen van
-het vorige jaar: waarom zijn we toch niet meer te Altara...
-
-Geen oogenblik kon zij ophouden te groeten. Maar zij naderde nu de
-stad; als coulissen schoven de oude huizen op; de geheele stad schoof
-nader, vroolijk van vlaggen, die jong deden over haar oude steen. De
-straten waren vol; duizende vreemdelingen, van binnen- of buitenslands,
-waren te Altara; in de hôtels was geene kamer meer te krijgen. En de
-keizerin kon nauwelijks een woord tot Hélène spreken; zij kon niets
-doen dan knikken, altijd door...
-
-Op het voorplein van het Oude Paleis was de paradewacht der infanterie
-ter eere der Oostenrijksche bruid opgesteld en prezenteerde, nu het
-rijtuig der keizerin voorreed, het geweer. De aartshertogin Eudoxie
-verwachtte de vorstin.
-
-—Hoe is Valérie? vroeg Elizabeth dadelijk.
-
-—Goed, kalm, antwoordde de aartshertogin; ik had het zoo niet durven
-hopen. Maar ze wil niemand ontvangen...
-
-—Laat toch vragen of ik haar zien kan...
-
-De hofdame der aartshertogin verwijderde zich: ze kwam terug met het
-bericht, dat Valérie de keizerin wachtte.
-
-Elizabeth vond het jonge meisje in een negligé van witte kant, bleek,
-met groote donkere doffe oogen, liggen op een bank, ze richtte zich
-echter op:
-
-—Mevrouw, vergeef me, verontschuldigde zij zich.
-
-Elizabeth omhelsde haar met eene groote zachtheid; de aartshertogin
-zeide:
-
-—Ik was niet wel, ik voelde me moê...
-
-Toen echter ontmoetten hare oogen die van de keizerin, en zag zij, hoe
-deze niet eischte, dat ze zich met onmenschelijke kracht ophield. Zij
-drukte zich tegen de keizerin aan en weende zacht, als eene weent, die
-reeds lang en hartstochtelijk geweend heeft en nu moê is van haar
-weenen en het niet anders meer kan dan zacht. De keizerin deed haar
-zitten, zette zich naast haar en liefkoosde haar met een streelend
-gebaar van de hand. Geene van beide sprak; zij vonden geene van beide
-woorden in de moeilijke verhouding, waarin zij, op dit oogenblik, over
-en weêr waren.
-
-Twee dagen geleden, den dag vóor dien, waarop de reis van de bruid van
-Altara bepaald was, was het bekend geworden, dat prins Von
-Lohe-Obkowitz zich te Parijs had doodgeschoten. Welke de reden van dien
-zelfmoord geweest was, wist men niet. Sommigen meenden, dat de prins
-zwaar gebukt ging onder de ongenade van den keizer van Oostenrijk en de
-brouille met zijne familie; anderen, dat hij met baccara een fortuin
-verloren had en verder geruïneerd was door de artistieke lubies zijner
-vrouw, de beroemde Estelle Desvaux, die enkele malen in haar leven
-zichzelve geruïneerd had, maar door een kunstreis en wat diamanten te
-verkoopen er ook weêr telkens boven-op gekomen was. Weer anderen
-hielden vol, dat prins Lohe nooit zijne liefde voor de aanstaande
-hertogin van Xara had kunnen vergeten. Maar hoeveel men ook vertelde in
-de hofkringen van Weenen, men wist niets zekers. Valérie had, bij
-toeval, het bericht, dat men haar verzwijgen wilde, in de zelfde
-courant gelezen, waarin zij, nu bijna een jaar geleden, bij toeval ook,
-op het terras te Altseeborgen het bericht had gelezen, van prins Lohe’s
-voorgenomen huwelijk en afstand van zijne rechten. Hare ziel, die geene
-neiging tot mystiek had, werd echter bijna in den schok van wanhoop,
-die ze doorvoer, bijgeloovig om deze herhaling van wreedheid. Maar toen
-zij haar leed, maanden geleden, had doorgestreden en uitgeleden, was
-eene onverschilligheid in haar nagevolgd door al het verdere leed, dat
-zij nog óoit zoû kunnen ondervinden in het leven. De dood van hare
-illuzies was eene geheele dood geweest; na hare verloving had zij zich
-weêr gevonden, als met eene andere ziel, verhard en gepantserd met
-onverschilligheid. Het was vreemd, dat in deze onverschilligheid het
-eenige, waar zij gevoelig voor bleef, het exquize van Othomars karakter
-was: zijne fijngevoeligheid, dat hij haar, tegen Oscars zin, gespaard
-had te Altseeborgen; zijn wijd gevoel van algemeene liefde voor zijn
-volk; geheel zijn karakter van zachtheid en eenvoudig plichtsbesef...
-Maar hoe onverschillig zij verder zich ook dacht, wreed was dit tweede
-toeval geweest, alsof een verfijnd noodlot het oogenblik er voor had
-uitgekozen. Een martyre was de officieele reis geweest van
-Sigismundingen naar Altara. Als een automaat was Valérie gegaan door de
-recepties aan de grenzen, door de ontvangst aan het Centraal Station te
-Altara met de begroeting van haar keizerlijken bruidegom, die er haar
-gekust had, en de toespraak der autoriteiten, het aanbieden van brood
-en zout door de domheeren van het kapittel van St. Ladislas. Zij had
-het geslikt, hun brood en hun zout. En de rit door de stad, die vlagde
-en eerepoorten oprichtte van straat naar straat, naar het oude Paleis,
-in den open landauer met den keizer en haar bruidegom, door het gejuich
-van het volk heen, dat in hare arme ooren en door hare overprikkelde
-zenuwen sneed als met zagende messen! Toen, in het Paleis, was het
-Othomar opgevallen, hoe zij er uitzag, als een voortgejaagd dier met
-schichtige oogen. De dood van Prins Lohe was ook te Altara bekend en al
-had het volk gejuicht, gejuicht uit ware sympathie voor de aanstaande
-kroonprinses, het had er haar op aangezien, nieuwsgierig, begeerig eene
-vorstelijke smart te zien trillen door hunne feestvreugde heen,
-voortgejaagd tusschen bogen van groen en vlaggetrofee. Zij hadden niets
-gezien. Valérie had gebogen, geglimlacht, van het balkon van het oude
-Paleis naast Othomar met de hand gegroet! Niets, niets hadden zij
-gezien, hoezeer ze ook gespannen waren, hoeveel ze zich ook hadden
-verbeeld. Maar toen was Valérie’s kracht ten einde. De rol was
-gespeeld, het gordijn mocht vallen. Othomar liet haar alleen met een
-handdruk. Uren had zij wezenloos gezeten; toen was de nacht gekomen;
-geslapen had zij niet, maar zij had kunnen snikken.
-
-Nu was het de volgende dag; moê lag ze neêr, maar eigenlijk was ze
-uitgeweend, uitgestreden, vond ze hare onverschilligheid terug: het
-verdere leed van haar leven zoû haar immers niet meer kunnen deren!
-
-Maar de teedere omhelzing van Othomars moeder verzachtte Valérie, en
-zij vond hare tranen terug.
-
-Nauwlijks wisselden zij eenige woorden en toch voelden zij hare
-wederzijdsche sympathiën tot elkaâr gaan. En Valérie ried door haar
-verdriet heen haren plicht, die tegelijkertijd hare kracht zoû zijn;
-geen bittere onverschilligheid, maar eene berusting in wat haar leven
-zijn zoû. O ze had het zich anders voorgesteld in hare
-jongemeisjes-droomen: zij had het zich lieflijker en lachender gebeeld
-en natuurlijker van uiting, spontaner en zonder zulke filozofie. Maar
-uit hare droomen was ze wakker geworden en waar zoû zij anders hare
-kracht zoeken dan in plicht...! En ze won zichzelve, wat er ook in hare
-ziel vernield was, terug door eene onbewuste vitaliteit,—hare
-eigenlijke natuur—meer nog dan door hare gedachte. Zij droogde hare
-tranen, sprak er over, dat het uur naderde waarop eene deputatie van
-Liparische jonkvrouwen haar een huwelijksgeschenk zoû komen aanbieden
-en de keizerin liet haar alleen, opdat zij zich kleeden zoû.
-
-Zij verscheen niet lang daarna, in wit toilet, met dof goud opgewerkt,
-in den salon, waar hare ouders met de keizerin samen waren en met
-Hélène van Thesbia en de Oostenrijksche hofdames. Kort daarop kwamen
-ook Othomar met zijne zusters, en de aartshertog van Karinthië. En toen
-de deputatie der adellijke jonge meisjes aangekondigd werd en
-verscheen, Eleonore van Yemena in het midden, luisterde Valérie met
-haar gewonen glimlach naar de toespraak van het markiezinnetje, nam zij
-met een innemend gebaar uit de handen van twee andere meisjes het
-groote étui aan, dat deze open liet springen en waar, op licht fluweel,
-een driedubbel halssnoer van groote parelen lag. En zij wist een paar
-aardige zinnen te vinden om te bedanken; ze uitte ze met een heldere
-stem, en wie haar gehoord had, zoû nooit vermoed hebben, dat zij een
-slapeloozen nacht had doorgebracht, badende in tranen en voor zich
-ziende het lijk van een jongen man met verpletterde slapen.
-
-Het werd aan de jonge dames der deputatie vergund de huwelijkscadeaux
-te zien, die in een groote zaal waren tentoongesteld; de prinses Thera
-en de hofdames gingen met haar meê. Het was daar in die zaal een
-plotselinge schitterglans, in het daglicht stralend van de lange
-tafels, waar, tusschen bloemen, de cadeaux stonden: de zware vergulde
-candelabres, vergulde tafel- en theeserviesen en kristal, vergulde en
-zilveren cassetten van verschillende steden, de Dom van Altara in
-zilver, zilveren schepen met fijne bollende zeilen van inrichtingen van
-marine en juweelen geschenken van alle vorstelijke vrienden en
-verwanten van Europa. Op een satijnen kussen lag, als een
-feeënkleinood, een sparkelende hertoginnediadeem van groote saffieren
-en brillanten, een der geschenken van de aanstaande schoonouders der
-bruid. En zeer trof het geschenk van de prinses Thera: het portret van
-den hertog van Xara; een kunstwerk, dat reeds op tentoonstellingen in
-beide hoofdsteden bekend was geworden. Maar het leek niet veel meer en
-het was daarom de wanhoop van de prinses. Het was jonger, vager,
-weeker, dan de prins zich nu vertoonde: iets magerder dan vroeger, maar
-met een dikkere streep van snor en een lichtgekroesden baard om de
-wangen. De melancholieke oogen hadden meer den kouden blik van keizerin
-Elizabeth gekregen; ook overigens geleek Othomar op zijne moeder en
-meer dan vroeger. Maar wat steeds in den prins trof, was, in zijne
-nerveuze fijnheid, zijn ras, zijne spitse distinctie, zijne rechtmatige
-hoogheid. Hij had veel verloren van zijne strakheid, zijne stijve
-tacteloosheid en iets zekerders en beslisters gekregen en het gaf,
-trots zijn kouderen blik, meer vertrouwen in een kroonprins, dan zijn
-altijd symphathiek, maar ietwat week optreden van vroeger. De gedachten
-schenen zich scherper in hem af te teekenen, de woorden spitser
-tusschen zijne lippen te komen; hij scheen meer op zichzelven te
-steunen, minder te geven om wat anderen van hem dachten. Het was, nog
-niet geheel bewust, dat uniek vorstelijke gevoel, dat in hem wakker
-werd: dat naïve, hooge ingeboren vertrouwen op den enkelen druppel
-gouden bloed, die in zijne aderen was, en die hem zijne rechten gaf...
-
-Het was vooral professor Barzia geweest, die, verbonden aan Othomar en
-hem iederen dag zelve behandelend, dit zelfvertrouwen gewekt had, door
-zijne woorden, komende uit menschenkennis en monarchale liefde beiden,
-en uit eene bizondere liefde voor den kroonprins daarenboven. De
-koudwaterdouches hadden den prins opgestijfd, maar de suggesties van
-den professor, die Othomars onbewust werkende eigenschappen als uit
-hare onbewustheid gewekt hadden, waren wellicht een nog ingrijpender
-geneesmiddel gebleken. De prins had zich leeren beheerschen en hij was
-den professor liever geworden en liever...
-
-Deze toewijding, geboren uit eene ontdekking van wat anderen niet
-wisten—hooge kwaliteiten van gemoed—was gesterkt door Barzia’s
-opvoeding van die zelfde kwaliteiten en, toen het huwelijk van den
-prins kon bepaald worden, zag de professor met evenveel trots als
-liefde neêr op zijn patiënt, dien hij fysiek genezen verklaarde en
-moreel genezen voor zichzelven dacht...
-
-
-
-
-
-II.
-
-Het was twee dagen daarna de dag van het keizerlijke huwelijk. De stad
-wemelde reeds den vroegen morgen van het, uit de omstreken
-toegestroomde, volk, dat zich gonzend drong door de nauwere straten.
-Want reeds vroeg waren de hoofdstraten afgezet door de infanterie, van
-den Slotburcht tot aan het Oude Paleis en den Dom toe. En Altara,
-anders grauw, oud, verweerd, was niet herkenbaar, bont van vlaggen,
-jong van groenfestoen, versierd met draperieën en tapijtwerk van zijne
-balkons af. Eene warme zuidelijke Meizon goot vakken van glans over de
-stad heen en het rood en het blauw en het wit en groen der wachtende
-uniformen, met de regelmatige bliksems der bajonetten daarboven, trok
-breede lijnen van kleur bijna bloemenvroolijk door haar heen, tot op
-naar het slot van St. Ladislas.
-
-Door de afgezette straten reden hofrijtuigen heen en weêr; ze
-schitterden vol uniformen: vorstelijke genoodigden, die naar St.
-Ladislas of het Oude Paleis gebracht werden. Men zag er Russische,
-Duitsche, Engelsche, Oostenrijksche, Gothlandsche uniformen; vlug, als
-zich voorbereidend tot het oogenbllk van ceremonie, flikkerden zij door
-Altara heen, door hare, met soldaten beperkte, lange leêgten van
-straten.
-
-Onder de kastanjes aan den Burchtweg waren de villa’s ook dwarrelig vol
-van toeschouwers, die in de tuinen en op de terrassen liepen en zaten,
-en bont spikkelden in de strepen zon, die filtreerden door het loover
-heen, en de lichte zomertoiletten der dames, hare kleurige parasols,
-schenen het villa aan villa garden-parties te zijn, terwijl men wachtte
-op den stoet van den bruidegom, die, als de Liparische etiquette het
-eischte, van St. Ladislas vertrok om zijne bruid te vinden in het Oude
-Paleis.
-
-Elf uur. Van het fort van St. Ladislas davert het eerste schot, daveren
-telkens schoten na. Eene gonzende emotie huivert langs den geheelen
-Burchtweg. Op den nauw merkbaar dalenden weg verschijnen paukisten en
-trompetters, wapenherauten te paard. Achter hen schittert de Garde van
-den Troon aan, om de verguld- en kristallen gala-koetsen. De
-opper-ceremoniemeester, graaf de Threma, in de eerste; in de tweede,
-met de keizerkroon en het gepluimkopte achtspan: scharlaken omhoeste
-schimmels,—en het gejuich uit de villa’s stijgt luider op en luider—de
-keizer en de hertog van Xara zelve aan zijne zijde; in de volgende
-koetsen de te-zaam-gekomen majesteiten en vorstelijkheden uit geheel
-Europa; de keizerin van Liparië, de keizer en de keizerin van
-Duitschland, de koning en de koningin van Gothland, Russische
-grootvorsten, de hertog van Sparta en de prins van Napels... De
-Rijkskanselier, de ministers, de gemantelde leden van het Huis van
-Adel... En de eindelooze stoet gaat langzaam onder het kanongedaver
-langs den Burchtweg door de hoofdstraten tot in de kern der stad. Daar
-wacht, in het Oude Paleis, de bruid haren bruidegom met geheel hare
-Oostenrijksche familie: de keizer en de keizerin; hare ouders: de
-aartshertog Albrecht en de aartshertogin Eudoxie...
-
-Het is daar, dat de protokollen geteekend worden op de, met goud
-brokaat bedekte, vergulden tafel, waarop de keizers en keizerinnen van
-Liparië hunne handteekeningen sedert eeuwen geschreven hebben, waarop,
-na het kroonprinselijke paar, de vorstelijke getuigen de akten
-onderschrijven...
-
-Nu gaat de geheele stoet door galerij na galerij naar de Nieuwe
-Sacristie. Het is eene minutenlange wandeling van statie: de
-trompetters, de herauten, de ceremoniemeesters; de blauwgemantelde
-ridders van St. Ladislas; de wit-en-gouden Garde van den Troon; keizer
-Oscar met den hertog van Xara, de keizerin van Oostenrijk met de
-bruid... Langzaam gaat zij aan de zijde van haren oom, het hoofd iets
-gebogen, als onder het gewicht van hare prinsessekroon, waaruit de
-kanten sluier afwemelt, zacht blond doende om haren blooten hals, die
-van brillanten druppel-flonkert. Haar toilet is van een, van voren met
-zilver doorweven en met parelen arabesken en emblemaat bestikt,
-stijfzwaar satijnbrokaat; groote witte fluweelen pofmouwen doffen aan
-hare schouders op; de sleep van zilverbrokaat en wit fluweel is zoo
-lang, dat zes hofdames ze in golvingen aan zilveren handtrensen
-achterna dragen. Achter die hofdames volgden hare eere-jonkvrouwen,
-gelijk gekleed met gelijke bouquetten; het zijn de prinses Thera, de
-prinses Wanda, Duitsche, Engelsche en Oostenrijksche prinsessen. En de
-majesteiten en de vorstelijkheden volgen; de stoet vloeit binnen in de
-Nieuwe Sacristie; hier ontvangt de Kardinaal-Aartsbisschop, Primaat van
-Liparië, met geheel zijne gemijterde geestelijkheid den bruidegom en de
-bruid...
-
-In de kathedraal wacht de foule der genoodigden. Trots den
-zomerzonneglans drijft een mystieke schaduwschemer tusschen de
-ontzaglijke hooge bogen van den Dom en bloesemt het daglicht alleen op
-de bonte glazen der zijkapellen; in de welvingen hangt zelfs donker.
-Maar één glans van niet te tellen zoovele kaarsen is er het
-hoogaltaar...
-
-De Rijkskanselier, de ministers, de gezanten, het geheele
-corps-diplomatique, de leden van het Huis van Adel en van het Huis der
-Standen, leden van hooge rechtscolleges zijn binnengekomen; ze vullen
-de tribunes, die links en rechts zijn opgericht. En de geheele
-kathedraal vult zich; ééne volle wemeling van ritselende, zware zijden
-stoffen—de gala-toiletten der gedecolleteerde dames, wier juweelen
-twinkelen—wemeling van goud opschitterende uniformen en galarokken, die
-als groote vonken de schemering van den Dom verlichten.
-
-Daar schetteren de trompetten, galmt het orgel zijne juichtonen van
-plechtigen feestmarsch uit; door de Sacristie is de eerste cortège
-binnengekomen: de keizer van Duitschland met keizerin Elizabeth van
-Liparië, de aartshertogin Eudoxie, en een lange sleep van gevolg...
-Telkens schetteren nu de trompetten, galmt het orgel, en de genoodigde
-majesteiten met hunne gevolgen, de vertegenwoordigers der mogendheden,
-komen binnen in stoet na stoet. De baldakijnen links en rechts van het
-choor beginnen zich te vullen. Spoedig volgt de tweede cortège: de
-dignitarissen voorop, met de insignieën van het keizerschap, keizer
-Oscar, die den hertog van Xara voert: beiden dragen over hunne gouden
-uniformen de lange, drapeerende blauwe riddermantels van St. Ladislas,
-waar, op den linkerarm, het groote witte kruis straalt; vier
-kroonprinsen volgen als de vier getuigen van den bruidegom: de hertog
-van Wendeholm, de Russische Grootvorst-Troonopvolger, de hertog van
-Sparta, en de prins van Napels; de Ridders van St. Ladislas, de
-officieren van de Garde van den Troon, schildknapen en pages volgen
-daarna...
-
-En plotseling, glasschel, vibreert een koor van hooge stemmen en roept
-er den zegen uit over de bruid, die komt in naam des Heeren... De derde
-cortège is binnengekomen: de keizer van Oostenrijk en de aartshertog
-Albrecht, voerende de bruid, met hare hofdames, hare eere-jonkvrouwen
-en ze schijnt ééne witte weelde van hooge jonkvrouwelijkheid te midden
-van haar wit en bloemengeurend gevolg. En de zang strooit er zijne
-klanken als met handenvol zilveren leliën over haar uit; hare gewijde
-verschijning wekt eene emotie, die siddert door de volle
-prachtwemeling, de geheele katedraal door. Nu, ten laatste verschijnt
-de vierde cortège: de Kardinaal-Aartsbisschop, Primaat van Liparië, met
-zijne bisschoppen en domheeren en kapelanen; de kerkvorsten zetten zich
-in de hooge gebeeldhouwde zetels van het choor; de dienst begint...
-
-De zon schijnt op dit oogenblik gewacht te hebben om door de hooge,
-bonte boogramen, waarop het leven van St. Ladislas als in kleuren van
-juweel zijne kleine vierkante tafereelen sparkelt, schuin met een
-hellend vlak van stralen neêr te schieten op het choor, op de
-priesters, op de baldakijnen, waar de majesteiten zitten, op bruidegom
-en bruid... En al de kleuren: het oude goud van het altaar, het nieuwe
-der uniformen, de brokaten en de kroonjuweelen, ze vlammen op, alsof de
-zon er den brand in steekt: éen brand van wisselvonkelingen, die, met
-de tallooze kaarsen van het altaar, de kerk eensklaps hél verlicht. De
-diademen der vorstinnen zijn als vlammekronen, de ridderorden der
-vorsten starrelen er als een firmament. Luchtig, doorzichtig in den
-zonneschijn, blauw nevelen de wierookwolkjes op, die choorkinderen
-toezwaaien; de zonneschijn poeiert door den blonden sluier der
-knielende bruid, steekt een gloeibrand over haar wit-en-zilveren sleep,
-omstraalt haar als met eene apotheoze van licht, dat maagdelijk blank
-op haar terugkaatst. Haar bruidegom knielt naast haar: geheel omplooit
-zijn blauwe mantel hem; rein, op zijn arm, straalt het witte kruis.
-Beiden houden zij nu lange kaarsen in de hand. En de Primaat met zijn
-juweelen mijter en zijn, met juweelen arabesken bezetten stijfgouden
-dalmatiek, heft de oogen op, breidt de handen omhoog en strekt ze
-zegenend uit over de gebogen keizerlijke hoofden...
-
-Hoog zwelt de zang weêr; het Te Deum Laudamus, alsof de golven der
-stemmen op de golven van het orgel hooger stijgen en hooger, door de
-kathedraal heen naar den hemel in éene extaze van heilige muziek. Het
-oude steenen reuzengebouw schijnt te sidderen van emotie, als wordt de
-muziek zijne ziel en het luidt uit al zijne klokken eene zwellende zee
-van klanken over Altara heen, brons in de laagte, en uit alle metalen
-ze smedend tot kristalrein goud, in de hoogste hoogte van hoorbaren
-klank...
-
-Een uur later. Op het afgezette Domplein komt beweging, tusschen de
-wachtende galakoetsen. Nu gaat de stoet weêr terug naar St. Ladislas,
-maar achter de koets van Keizer Oscar zit nu Othomar met Valérie te
-zamen. En de stad juicht, en galmt er hare leve’s uit; de huizen,
-tusschen al de vlaggen en trofeeën dreunen er van. De wachten
-prezenteeren het geweer, en in den feestroes merkt men niet, hoe ginds
-in de kleinere straten gevochten wordt, arrestatiën gedaan worden; een
-bekend anarchist bijna vermoord is door het imperialistische volk...
-
-In zijne kostbare statie, nu verhoogd door de blanke aanwezigheid van
-de jonge hertogin van Xara en haar eigen gevolg, gaat de eindelooze en
-eindelooze stoet terug, de stad door, den Burchtweg op en de villa’s
-aldaar zien nu ook Valérie en juichen haar toe, zonder eind...
-
-Het is in de Witte Troonzaal, dat Othomar en Valérie hun cour houden:
-allen defileeren voor hen heen, de ministers en gezanten, de leden der
-beide Huizen, der rechtscolleges, corporatiën en deputaties. Na den
-cour het déjeuner, waarvan de tafel met het ceremonieele gouden en
-juweelen vaatwerk schittert, dat slechts bij de keizerlijke huwelijken
-gebruikt wordt. Na het déjeuner de laatste plechtigheid: in de Gouden
-Zaal—een immense zaal, laag, Byzantijnsch van bouw en ornamentiek,
-eeuwenoud en onveranderd—de fakkeldans; de ommegang der ministers, die
-op vergulde handvatten lange, brandende kaarsen dragen, terwijl Othomar
-en Valérie telkens naar rang uitnoodigen onder de foule der
-vorstelijkheden, alle vorstelijkheden beurtelings uitnoodigen en achter
-de ministers ommegaan... Het is er eene eentonige ceremonie, telkens
-weêr herhaald; de ministers met de fakkels, Othomar met eene vorstin en
-omstuwd door de ridders van St. Ladislas, Valérie met een vorst en
-geheel haar witte gevolg; en het is eene herademing als de plechtigheid
-is afgeloopen en de jonggehuwden zich teruggetrokken hebben om zich te
-verkleeden. Dan verschijnen zij: Othomar als chef der kurassiers van
-Xara, Valérie in haar wit lakensch reistoilet en hoed met witte veeren
-en zij nemen afscheid; een open landauer wacht hen, en zij rijden met
-een dichte escorte van kurassiers van Xara opnieuw naar de stad, rijden
-ze in alle richtingen door, vertoonen zich overal, groeten allen en
-rijden ze ten laatste uit naar het kasteel, waar zij de eerste dagen
-zullen zijn: Castel Zanthos, dicht bij de stad, aan den breeden
-stroom...
-
-En de oude verweerde hoofdstad, die vol van majesteiten blijft, die nog
-fladdert van wimpels, die des avonds éene gele vlam is en roode gloed
-van vuurwerk en illuminatie, schijnt, zonder de jonggehuwden, toch
-verloren te hebben de aantrekkelijkheid, die haar maakte tot brandpunt
-van feest en pracht en keizerlijke ceremonie; en des avonds, trots
-illuminatie en vuurwerk en gala-voorstellingen, is het Centraal-Station
-bestormd door duizenden, die heengaan...
-
-
-
-
-
-III.
-
-Het was maanden na het huwelijk van den hertog van Xara, toen keizer
-Oscar, des morgens zeer vroeg in zijn kabinet binnenkomend, en zich
-begevend naar zijne schrijftafel, getroffen werd door een stuk
-bordpapier met groote, zwarte, opgeplakte letters, dat op den grond lag
-bij het raam. Hij raapte het niet op; hoewel hij alleen was, verbleekte
-hij niet, maar zwollen wel op zijn laag voorhoofd de dikke aderen van
-woede over het feit, dat hij zelfs niet in zijn eigen kabinet vrij was,
-voor hunne majesteitschennis. Hij belde en ontbood zijn kamerdienaar,
-een vertrouwd man.
-
-—Raap dat ding op! beval hij, en brieschend in stilte:
-
-—Hoe komt het hier?
-
-De kamerdienaar verbleekte. Hij las de dreigende scheldwoorden met
-groote, vette letters reeds van den grond af, bukte zich en hield
-sidderend het plakkaat in de hand.
-
-—Hoe komt het hier? herhaalde de keizer, stampvoetend.
-
-De kamerdienaar zwoer, dat hij niets wist. In den morgen had niemand
-toegang tot het kabinet, dan hijzelve; een half uur geleden was hij er
-binnengekomen om er de ramen te openen en toen had hij nog niets
-gezien.
-
-—Het kan niet anders, Sire, of er is iemand in het park geslopen: het
-moet door het raam heen geslingerd zijn...
-
-Het was zeker de eenigste verklaring, maar het was eene verklaring, die
-den keizer zeer irriteerde. Het was niet de eerste maal, dat de keizer
-in de intimiteit van zijn kabinet zulke plakkaten vond. Het gevolg was
-geweest, dat er in het Imperiaal plotselinge arrestatiën plaats grepen
-van bedienden, van soldaten der verschillende wachten, maar deze
-arrestatiën en zoekingen hadden niets aan het licht gebracht, en
-maakten daarom een des te pijnlijkeren indruk. De wachten van het
-paleis, de wachten aan de vergulde grilles van het park, waar dit samen
-groeide met de Elizabeth-parken—de publieke tuinen der rezidentie—waren
-reeds vermeerderd: geheime politie, de eigen politie van den keizer,
-hield zelfs een scherp oog op die wachten zelve.
-
-Keizer Oscar was den kamerdienaar strak blijven aanzien; een oogenblik
-rees de gedachte in hem dezen man zelven te laten onderzoeken, maar hij
-begreep dadelijk daarna: het dwaze van dien achterdocht; de man was
-jaren en jaren in zijn persoonlijken dienst, geheel aan hem verknocht
-en bleef dan ook Oscars langen blik beantwoorden met den kalmen eerbied
-zijner oogen, zichtbaar nadenkend over de onoplosbaarheid van het
-vreemde raadsel.
-
-—Verbrand dat ding, beval de keizer: en praat er niet over.
-
-Oscar had daarna een lang onderhoud met den chef zijner geheime
-politie, over wien hij in den laatsten tijd niet anders dan tevreden
-kon zijn: geheime drukkerijen van anarchistische bladen, die telkens
-verspreid werden, waren opgespoord; een komplot om den keizerlijken
-trein van het zomerpaleis in Xara, Castel Xaveria, naar Liparia, in de
-lucht te laten springen, was verijdeld; verdenking van in verband te
-staan met anarchistische comité’s was gevallen op een ambtenaar aan een
-der ministeries en zelfs op een jong officier en het was gebleken, dat
-deze verdenkingen juist waren. Nog onlangs was een werkplaats ontdekt,
-waar men leerde hoe dynamietbommen en helsche machines te maken. Maar
-wie de brutale onverlaten waren, die hunne dreigbrieven tot in het
-keizerlijke kabinet wisten binnen te slingeren, was maar niet kunnen
-worden ontdekt. Eene week lang waren van uit het park de vensters van
-het kabinet bespied en al dien tijd had men niets gezien; het was nu
-een paar dagen geleden, dat deze geheime wacht was opgeheven. De chef
-der geheime politie meende zeker te zijn, dat de schuldigen scholen in
-het Imperiaal zelve en bekend waren met de intime gewoonten van den
-keizer. In stilte werden plotselinge huiszoekingen gedaan bij alle
-bedienden van het Imperiaal, waarvan men niet geheel zeker was, en toen
-men bij een palfrenier een anarchistisch blaadje, waarin voor den
-keizer beleedigende woorden stonden, gevonden had, werd deze man
-verbannen naar eene der dwangafdeelingen der kwikzilvermijnen van het
-Oosten. Deze verbanning was als het begin van tallooze andere
-verbanningen; ze volgden elkander slag op slag op; het waren soldaten,
-matrozen, vele kleinere ambtenaren der departementen: de couranten
-noemden niet eens alle verbanningen meer op. Strenger werd de censuur;
-telkens werden dagbladen opgeheven; redacteurs beboet en gestraft; de
-imperialistische bladen, organen van graaf Myxila, gaven, bijna
-tyranniek, den toon aan, dien men wilde. Een meeting van socialisten
-werd met sabelslagen der huzaren uit elkaâr gedreven; hevige
-ongeregeldheden volgden daarop in de rezidentie en ze wonnen de andere
-groote steden, Thracyna, Xara, zelfs Altara. Eene grève der dokwerkers
-vervulde Lipara weken lang met een stijgende onrust; politie-agenten
-werden op klaarlichten dag aan de haven wreedaardig vermoord.
-
-De hertog van Mena-Doni was in deze dagen de rechtervuist van keizer
-Oscar en zijne ruwe krachtsuitoefeningen hielden de rezidentie zooverre
-in bedwang, dat geen oproer uitbrak, dat het iederen-daagsche leven van
-zonnelachende weelde voortging, dat iederen middag om vijf uur de
-elegante equipages naar de Elizabethparken bleven voortstroomen, waar
-de keizerin of de hertogin van Xara zich zelfs iederen dag een
-oogenblik vertoonden. Maar op dit schijnsel van zorgeloosheid waren in
-stilte duizenden oogen van bescherming geslagen; de troepen in de
-kazernen waren geconsigneerd: glansende escortes van kurassiers
-begeleidden de keizerlijke landauers.
-
-De keizerin had Othomar ook verzocht zijne eenzame morgenritten te
-staken en zich nooit te vertoonen dan met gevolg. De hertog en de
-hertogin van Xara bewoonden het kroonpaleis, een betrekkelijk nieuw
-gebouw aan de kade, waar zij een uitgebreide hofhouding hielden en ook
-in dit paleis van zijn zoon liet de keizer huiszoekingen doen, kwam het
-aan het licht, dat er anarchisten scholen onder het personeel.
-
-Dit verraad, tot in hunne paleizen toe, bracht de keizerin in eene
-voortdurende siddering van angst: zij leefde deze dagen een voortdurend
-leven van angst, zoo ze zonder den keizer was. Want zij was het minst
-angstig, als ze zich naast Oscar vertoonde, op tentoonstellingen, bij
-plechtigheden, in de opera, en, het was vreemd: dan dacht zij niet aan
-hemzelven, maar, zoo ze niet bij haar waren, aan hare kinderen, alsof
-de catastrofe niet anders gebeuren zoû, dan op eene plaats, waar
-zijzelve zich niet zoû bevinden.
-
-De keizerin zag in Othomar zoo zeer haar eigen zoon, dat, in hunne
-intime ochtendgesprekken—want de kroonprins kwam nog altijd iederen
-morgen een oogenblik bij zijne moeder—het haar bevreemdde in hem niet
-haar eigen angst terug te vinden, maar wel geheel haar eigen berusting,
-die er de weêrzijde van was. Maar geheel na zijn huwelijk, vond zij hem
-veranderd; in deze korte oogenblikken van alleen-samen-zijn niet meer
-klagend, weifelend, zoekend, maar kalm sprekende over wat hij doen
-moest, vol van eene blijkbare harmonie, die rustige zekerheid gaf aan
-zijne woorden, zijne gebaren en zelfs aan zijne handelingen. Bij deze
-zekerheid behield hij eene stil waardige bescheidenheid: drong hij niet
-hoog op, wat van hem was; bleef hij bezitten dat ontvankelijke voor wat
-van andere menschen komt, en dat hem steeds in zoo hooge mate
-sympathiek gekenmerkt had. Hij was zeker oud voor zijn jonge jaren; wie
-niet wist, zoû hem meer dan zijne drie-en-twintig gegeven hebben, nu
-hij om zijne wangen ook zijne kroesbaard nog staan liet... En toch,
-toch welden vooral in deze dagen van troebel zijne vroegere angsten
-dikwijls bij hem op, kon hij minuten lang alleen zitten, starende op
-een vaag punt in zijne kamer, luisterende naar het ruischen van de
-toekomst, als hij geluisterd had in dien nacht van spooksel zijner
-voorvaderen op Castel Vaza, voelende dat, ineens, geheel zijne nieuwe
-levensberusting van hem afgleed als een kleed, dat viel van zijne
-schouders. Maar hij had zich zoo weten te beheerschen, dat niemand,
-zijn vader niet, zijne moeder niet, de kroonprinses zelfs niet, iets
-merkte van deze zielezwijming, die hem ijskoud in zijne korte
-eenzaamheden achterliet, twijfelend aan zijn recht, vol vreemd, week
-erbarmen voor zijn volk...
-
-Het was geheel de oude ziekte, die zoo, periodiek, in hem
-terugborrelde, als een slecht sap, zijne aderen doorvloeide, zijne
-zenuwen verslapte, hem in elkaâr knakte, als zoû hij er nooit meer van
-genezen. Maar hij wende aan ze, gevoelde er geene wanhoop meer om, wist
-zelfs, gedurende de oogenblikken, dàt de ziekte duurde, dat ze niet
-duren zoû en vond in zichzelven er na terug zijne harmonie, die vooral
-zijne berusting was.
-
-Het was in deze dagen van stille gisting, dat er sprake kwam van een
-huwelijk der prinses Thera met den prins van Napels; er was echter nog
-niets beslist tusschen de beide familiën, maar wel was de jonge prins
-te Lipara genoodigd om de groote najaarsmanoeuvres bij te wonen. Er
-hadden jachten plaats; verschillende feestelijkheden volgden elkander
-op. Othomar had vooral in deze dagen meer dan anders met die
-plotselinge zwakten te kampen; een vreemd gevoel, eene huivering, een
-geheimzinnige angst, bleef hem bij en verliet hem niet meer: angst,
-dien hij niet dorst analyzeeren, uit vrees motieven te vinden, welke
-hem gehéel zijne kalmte zouden doen verliezen. In hem verlevendigde
-zich de herinnering aan het feit, dat hij kort na zijn huwelijk een
-droom had gedroomd, ongeveer gelijk aan zijn vorige droom: de sinistere
-rezidentie zich zwart vullende met krip... Het was nog geweest, terwijl
-hij met zijne jonge vrouw te Castel Zanthos verbleef en hij had er niet
-aan gehecht, omdat hij meende, dat deze tweede droom alleen de
-afschaduwing geweest was van den vorige, alleen de herinnering aan wat
-reeds gebeurd was en niet meer. Maar nu, in deze dagen van feestdrukte
-om den prins, die hun hof bezocht, met het gisten van
-volks-ontevredenheid, als een troebel, donker element onder de opperste
-brille van al hun keizerlijk vertoon, verlevendigde zich de herinnering
-er aan, en trokken de angsten en huiveringen er om steeds duidelijker
-en duidelijker ommelijnen in zijne verbeelding, en gevoelde hij, op éen
-oogenblik, zoo geheel zijne vroegere nerveuze zwakte over hem heen
-komen, dat hij, onder een voorwendsel, professor Barzia uit Altara
-ontbood en met den geleerde een lang onderhoud had, waarover hij zelfs
-met de hertogin van Xara niet sprak. Toen de professor vertrokken was,
-voelde Othomar zich verlucht, gesterkt, maar weifelde in hem alleen de
-gedachte na, dat het niet goed was, voor een aanstaand souverein, zoo
-onder den invloed te zijn van eene sterkere ziel, als hij was onder die
-van Barzia; nam hij zich voor een volgenden keer Barzia’s suggestie
-niet meer in te roepen, maar zichzelven te genezen, geheel in het
-geheim van zijne eigen ziel. Dit plan om steeds te willen steunen op
-eigen kracht, deed hem zich geheel terugvinden...
-
-Hij was den dag volgende op het onderhoud met den professor den
-geheelen morgen en namiddag met den prins van Napels samen, dien hij
-vroolijk, opgewekt, zooals men den hertog van Xara zelden zag, op
-verschillende plaatsen begeleidde. Hun gevolg was verwonderd om die
-glinsterende blijmoedigheid van den kroonprins, wien zij toch altijd
-eenige melancholie waren blijven aanzien. Dien middag had er een groot
-galadiner in het Imperiaal plaats. Des avonds zoû de keizerlijke
-familie hun gast begeleiden naar de opera, waar een galavoorstelling
-zoû worden gegeven en een beroemde tenor zingen zoû.
-
-Er werden in deze dagen bij al de uitgangen der keizerlijke familie,
-steeds onder den schijn van glanzend vertoon, strenge maatregelen van
-voorzorg genomen. De rijtuigen, die dien avond naar het gebouw der
-Groote Opera reden, omtrappelde een dicht en sterk escorte van
-kurassiers. De straat op zij van het gebouw, waar de eigen entrée van
-den keizer was, was afgezet; een eerewacht stond aan de trappen;
-geheime politie had zich gemengd tusschen het wachtende publiek: de
-geheele groote-wereld der rezidentie...
-
-De keizerlijke loge was met hare draperieën van donker violet en gouden
-kwasten, vlak over het tooneel van het kolosale theater; de eerste acte
-was geëindigd—het was Aïda, dat men gaf—toen de fanfares uit het orkest
-opschetterden en de vorstelijkheden verschenen: de keizer, de keizerin,
-de prins van Napels, de hertog en de hertogin van Xara, de prinses
-Thera... En hunne verschijning scheen de eerste dof-wachtende,
-zenuwachtig-onverschillige stemming der volle zaal te electrizeeren
-alsof, mèt hunne verschijning, het licht in de kronen heller scheen, de
-zaal opglinsterde met al hare flikkerwisselingen van juweel, al haar
-getintel van verguldsel, al de nieuwsgierigheid der schitterende oogen,
-die tuurden naar het vorstelijke middelpunt; alsof de toiletten der
-dames zich met ééne ritseling van zware zijden stof ineens opbolden,
-waaiers zich uitplooiden, zich bewogen op en neêr, of een wind woei
-door vele bloemen, in veel glans...
-
-Toen het rijzen van de gordijn; de tweede acte met geheel haar
-melodrama van Egyptische vorstenpracht: de overwinning na den oorlog en
-de dansen daarom: de liefde van den held voor de Ethiopische slavin, en
-de ijverzuchtige dochter des Farao, en de optocht der goden met de
-bazuinen: alles gezongen, geïnstrumenteerd, opzwellende van muziek in
-een vierkant kader van geschilderd tooneelgordijn; bewegelijk
-schilderij van gezongen Egyptische vorstenoudheid, voor de oogen van
-moderne vorstelijkheid, modern turende quasi-onverschilligheid van
-samenzijn, waar de groote wereld wilde, dat men op dit oogenblik samen
-was: onder de oogen van den keizer en zijne familie, en zijn hoogen,
-jongen gast... De hartstochten op het tooneel zich ontbreidelend in
-zwellende en zwellende kreten van muziek, liefde en wanhoop, en oorlog
-en triomf en priesterstaatzucht van muziek, àlles muziek, alsof het
-leven muziek was, muziek de ziel en essence der wereld... En onder den
-glans dier muziek en van dat factice leven, de zichtbare mime der
-akteurs, de glorie van den beroemden tenor met zijn te modernen kop,
-zijn voor oorlog onware prachtkleedij, zijne buigingen en geglimlach
-voor de ware wereld daar buiten zijn klein tooneelwereldkader: voor het
-publiek, dat applaudiseerde, nadat de keizer in de handen had willen
-klappen...
-
-Het was op dit oogenblik, dit oogenblik van ovatie, dit oogenblik van
-schitterenden roem van den tenor: zijn applaus afklinkende van
-vorstelijke handen. Het was op dit oogenblik: keizer Oscar zich
-ombuigende naar zijn adjudant, den markies van Xardi, achter hem; de
-adjudant eerbiedig luisterend naar den wensch van Zijne Majesteit om
-den zanger in den salon der keizerlijke loge te ontbieden... Keizerin
-Elizabeth en de hertogin van Xara, schitterend in haar gala, hare
-juweelen, in glimlachend gesprek met den jongen vreemden kroonprins,
-die hun gast was. Othomar nog vroolijk vanaf dien middag, schertsende
-met Thera en de hofdames... De geheele zaal turende, nu de gordijn
-gevallen was, ten laatste male, naar hen allen in ééne schittering van
-luxe en licht...
-
-Op dit oogenblik: op de bovenste galerij een plotseling tumult, eene
-worsteling van soldaten en politie-agenten met éen man... Eén
-plotselinge ruwe warrelklomp daarboven te midden der meest mondaine
-uitspreiïngen van aristocratisch gala-vertoon. En alle oogen niet meer
-naar de keizerlijke loge, maar naar boven... Toen, de man,
-onmenschelijk sterk zich worstelende uit den greep van zijne
-aanvallers, doemende vooruit, uit hun klomp, als een zwarte
-bliksemstraal: donkere kroeskop, haatschietende oogen vol
-dwepersstrakheid, één arm ineens uitgestrekt naar de keizerlijke
-grootheid daar beneden, als op een zeker onafwendbaar gemikt doel. De
-geheele zaal één tumult, geschreeuw, gegil: wijde gebaren van
-hulpelooze armen, dat alles heel kort, nauwelijks ééne seconde... Een
-schot, en nog een schot na...
-
-Keizer Oscar is getroffen in de borst, hij is half getuimeld tegen de
-keizerin aan, wier bloote juweelenboezem hij in eens bezoedelt met
-bloed, dat zijn gouden uniform dadelijk doorweekt. Geen gouden bloed:
-rijk rood bloed... Maar de keizerin slaat hare armen in
-wanhoopsradeloosheid naar boven; haar snerpende gil striemt door de
-zaal. Ze valt neêr in de armen der hertogin van Xara. De keizer is
-gezonken in de armen van Xardi en van Othomar: een woedende vloek boort
-tusschen zijne vast geknarste tanden door, terwijl hij zijn
-bloeduniform zoo hard openrukt, dat de knoopen rondom hem afvliegen...
-
-
-
-
-
-IV.
-
-Daarbuiten was het Groote Opera plein, hel verlicht van veelarmige
-monumentale lantarens, dadelijk donker-wriemelig geworden, vol van
-menschenmassa; de geheele stad vloeide er te zamen langs alle straten;
-de ontzetting trok er alles samen, als met magneet. Detachementen
-huzaren gingen reeds door de stad, hielden het opgewonden volk in
-bedwang; de hertog van Mena-Doni zag men als op alle punten tegelijk,
-met zijne soldatenmacht neêrtrappende de revolutie, waar die uit alle
-hoeken koppen omhoog scheen te willen steken. Boven was de lucht donker
-als een frons. Het begon te regenen...
-
-De mare ging, dat de keizer gestorven was. Het was niet waar. Togende
-naar adem lag de vorst in den foyer van het opera-gebouw, te midden van
-die ontzetting der zijnen, van zijn gevolg, van de toeschietende
-doktoren... Hij mocht niet vervoerd worden, zeiden zij. Hij wilde het.
-Hij wilde hier niet sterven. Hij wilde terug naar zijn Imperiaal. En
-spannende de veeren van zijn energie, beval hij, richtte hij zich op,
-het bloed gulpende uit zijne keel: Othomar en de adjudanten steunden
-hem...
-
-Buiten, op het plein, groeide de menschenmassa, steeg de ontzetting,
-borrelde de opstand uit het zwart van die menschentrossen omhoog.
-Telkens barstten gevechten uit tusschen troepen volk, dokwerkers, met
-de wachten voor het gebouw, met de politie. De hofrijtuigen gingen,
-leêg, geëscorteerd terug naar het paleis.
-
-Andere rijtuigen, huurrijtuigen, poogden hier en daar door het volk
-heen te komen: kurrassiers omringden ze, beschermden ze met geheven
-sabel. Stroomen van vloekend gescheld spatterden tegen ze aan, tegen de
-vaag doorschijnende glazen, waarachter lichte kleuren opvlakten,
-vonkjes juweelen uitschoten. Angstige oogen van vrouwen keken er strak
-schuin door, zonder bewegen.
-
-In de couloirs, op de groote monumentale trap van het opera-gebouw
-verdrong men zich, vocht men om er door te komen; toen zagen in eens
-alle oogen groot-starend naar boven: de keizer ging er! bloedende,
-hijgende naar adem, te midden der zijnen... Eene ontzetting staakte een
-oogenblik het gedrang; toen drong men weêr door... Dames vluchtten er
-tot achter de coulissen, vermengden er hare aristocratie met de bohême
-der akteurs, der actrices, door elkaâr heen, verward, te midden van den
-ontsteld gonzenden zwerm danseusen, priesteressen van Isis. Fooien
-werden gegeven, gesmeekt werd om rijtuigen, om huurrijtuigen...
-
-De hertogin van Yemena stond daar, met hare dochters; zij zagen uit
-naar het rijtuig, dat zij reeds tienmalen besteld hadden... Een
-tooneelknecht haalde onverschillig de schouders op: hij wist geen
-rijtuig te halen.
-
-—Ik wacht niet langer meer, zei de hertogin sidderend: de meisjes
-klampten zich snikkend, dol zenuwachtig aan haar...
-
-Zij verkreeg van eene actrice een lederen taschje; haastig deed zij
-hare juweelen af, beval de meisjes het zelfde te doen. Ze deden ze in
-het taschje. Een kamenier verzocht ze, voor een goudstuk, hare slepen
-op te spelden, hoog op, verzocht ze haar zwarte schoenen te vinden.
-Andere dames, half flauw van angst, wachtende, zagen naar haar, zagen
-haar zoo, vreemd, praktisch. Ze wist van een paar choristen drie lange
-zwarte mantels te koopen, met drie zwarte hoeden, sloeg zich een mantel
-om, sloeg ze de snikkende markiezinnetjes om.
-
-—Ik durf niet, mama! snikte Eleonore uit.
-
-De hertogin was beslist.
-
-—Kom, ga meê... drong ze aan, en ze dreef de meisjes voort; de andere
-dames zagen haar ontsteld na, door een achterdeur verdwijnen, in een
-achterstraat...
-
-De hertogin drukte het taschje met juweelen tegen zich.
-
-——In Gods naam, huil niet; wees kalm, gebood ze hare dochters. Loop
-kalm door en niet te gauw. Hoû die mantels goed dicht.
-
-Zij ging, richtte zich hoog op tusschen de twee bevende
-markiezinnetjes, in de kleêren van die choristen; de regen viel neêr.
-Volkshoopen liepen tegen ze aan; ze vermengden zich met ze; een
-oogenblik was ze Hélène kwijt...
-
-—Wacht even! sprak ze tot Eleonore.
-
-En ze bleven staan, tusschen het dringende volk; troepen hotsten aan,
-socialistische juichzangen joedelden ruw op...
-
-Toen ging zij met Eleonore terug, dringende, duwende, gevende Hélène
-gelegenheid haar weêr te bereiken...
-
-—Geef me nu allebei een arm: hier...
-
-Zij deden het; zoo, schijnbaar kalm, langzaam, langzaam aan, alsof zij
-nieuwsgierigen waren, die ook wilden kijken, naderden zij het
-opera-plein, waarop het wriemelde tegen de wachten aan. Rijtuigen
-passeerden, stapvoets, geëscorteerd. Een oude, slechte huurkast, met
-een mageren knol, wentelde een modderig wiel vlak tegen haar aan,
-schuurde tegen hare knieën; een kurassier van het escorte hief de sabel
-dreigend tegen haar op...
-
-—Mijn God! riep ze, gedempt en klemde de kinderen. Het eerst had zij
-herkend den koetsier, in een vuilen jas: een palfrenier van het
-Imperiaal, wiens gezicht ze zich herinnerde. Toen, met een snellen blik
-in het rijtuig, herkende zij—juist vlak bij eene groote lantaren met
-vele ornamentieke armen—den keizer tegen Othomar aan, en haar eigen
-stiefzoon, Xardi. Maar de markies herkende haar niet, want, verschrikt
-om het vele licht, wendde hij zijn gezicht snel af, boog hij zich,
-donker, beschermend, over den keizer en den kroonprins...
-
-De meisjes hadden niets gezien; de hertogin zeide niets, bang te
-verraden... Ze voelde geheel hare moedige kalmte haar ontzinken; ze
-sidderde van het hoofd tot de voeten. Tranen kon zij niet weêrhouden,
-om haren armen keizer, die stierf, die zoo terug ging naar zijn paleis.
-Eene groote, zwarte angst viel over haar heen. De regen sijpelde over
-hare borst...
-
-—Hoû je mantels dicht! vermaande ze nog even hare dochters; toen ging
-ze voort, sleepte zich voort en de meisjes ook, knikkende op hare
-beenen naast haar...
-
-Maar eene woede van menschen dwarrelde over het opera-plein; een strijd
-scheen daar te heerschen... Een klomp volk, die omsingelde een hoop
-politie-agenten en soldaten, tusschen wie een krankzinnige zich wrong
-met sterke gebaren; een ruw geschreeuw galmde op. Aan de verlichte,
-open ramen der opera, boven de nog feestelijk hel verlichte peristyle
-verschenen gezichten bij gezichten, akteurs in kostuum nog, zagen ze
-toe...
-
-—Mama, we zullen nooit kunnen doorgaan! snikte Eleonore zacht.
-
-De hertogin dacht in wanhoop aan de groote Keizerinnen avenue, waar
-haar hôtel was. Zoo ver... hoe zoû ze bereiken...
-
-—Ze vermoorden hem, ze vermoorden hem, ze mógen hem niet vermoorden!
-blèrde het volk rondom haar op.
-
-Toen begreep de hertogin, toen zag ze, en de meisjes zagen ook... het
-volk, woedend, schuimbekkend—wraaknemers al, maar eerst ontevredenen,
-zelfs misschien anarchisten: zoo waren de Lipariërs!—het volk,
-dringende tegen de soldaten en agenten, in wier midden de moordenaar
-van den keizer zijne groote, krankzinnige gebaren nog poogde uit te
-slaan. En de wraaknemers bestormden dien kring van
-gevangenbewaarders—ze sleepten den man voort... Het was tot vlak onder
-de oogen van de hertogin, van hare dochters...
-
-—Oah, oah, oah! brulden ze rauw, mannen en wijven; ze trokken hem de
-kleeren van het lijf, sloegen hem, en hij schreeuwde tegen. Op den
-grond sloegen zij hem neêr met knuppels en zij vertrapten hem met grove
-schoenen; zijn bloed vloeide; zijne hersens stroomden uit zijn
-verpletterden schedel...
-
-Als beesten werden zij toen, omdat ze zijn bloed zagen: grinnikten en
-slikten van pleizier...
-
-Eleonore knakte flauw tegen de hertogin, maar Alexa schudde haar bij
-den arm...
-
-—Hoû je op, hoû je op, in Gods naam, hoû je op!! riep zij luid. Ik kan
-niets met je doen, als je flauw valt!
-
-Hare sterke handen stompelden het markiezinnetje tot het leven terug,
-en woest voort sleepte zij ze, knikkende...
-
-
-
-
-
-V.
-
-De keizer, die niet sterven wilde, leefde met zijne doorboorde longen,
-hijgende naar adem, nog twee dagen van louter energie.
-
-En zóo waren de Lipariërs: de man, de moordenaar, gepakt in de opera,
-was trots politie en wacht, tot een vormeloozen klomp vermoord door
-ontevredenen zelve...
-
-En zoo is het leven: de keizer van een groot rijk was te midden der
-zijnen doorschoten door een dweper, en het leven ging voort... Het rijk
-was even uitgebreid als vroeger: een rijk, natuurmooi, zuidelijk rijk;
-hooge sneeuwbergen in het Noorden; middeneeuwsche en moderne steden,
-die lagen in wijde gouvernementen; de rezidentie zelve, blank in hare
-gouden najaarszon met zijn Imperiaal onder blauwe lucht, dicht aan
-blauwe zee, waarom de kaden zich bogen....
-
-En zoo is het leven der heerschers: de keizer was vermoord, eenvoudig
-doodgeschoten, en de opperceremoniemeester had het druk, de
-ceremoniemeesters waren het niet met elkaâr eens; de statie van eene
-keizerlijke begrafenis bereidde zich in alle ingewikkeldheid voor; door
-heel Europa ging de nahuivering der ontzetting; door alle couranten
-gingen de telegrammen en lange artikelen...
-
-Dat was alles om éen enkel schot van een dweper, een martelaar voor
-volksrecht.
-
-Keizerin Elizabeth staarde met open, wijde oogen op het noodlot, dat
-gekomen was. Zóo had zij het zich nooit voorgesteld, dat het komen zoû,
-zoo, zoo ruw, te midden van dat gala en naast hun vorstelijken gast.
-Zoo langs háar heen, treffende alleen haren man en niet verpletterende
-hen allen, in eens, geheel hunne keizerlijkheid! Gekomen was het, en...
-nog vreesde zij, vreesde zij steeds door en nog meer dan vroeger: voor
-haren zoon...! Het was haar of zij vroeger nóoit gevreesd had...
-
-Het was de dag vóór de begrafenis van keizer Oscar, toen de hertogin
-van Xara, de jonge keizerin nu, ongesteld werd, en de geneesheeren
-verklaarden, dat zij zwanger was...
-
-Het keizerslijk was reeds in hooge statie vervoerd naar Altara. Op St.
-Ladislas zouden de Altariërs het op de katafalk tusschen duizenden
-brandende kaarsen zien liggen met, aan de doode voeten, de
-schitterinsigniën van het hoogste souvereinschap; daarna zoû het
-vervoerd worden naar den keizerlijken grafkelder in den Dom...
-
-Op dien dag gingen ook over Lipara, waarvan de blankheid zwart
-schemerde onder rouw-decoratiën en zwarte vlaggen, de schoten van
-Wenceslas-fort, dof bulderend zijn gelijkmatig, zwaar, eentonig
-bombardement van uitvaart. Eenzaam, hoog, in de stad, die van schoten
-daverde, stond, leêg, het Imperiaal met zijne somber strak neêrkijkende
-karyatiden. De jonge keizer, Othomar XII, leidde te Altara den
-plechtigen stoet. De keizerin-moeder was in het Kroonpaleis, bij de
-jeugdige keizerin Valérie... Over hun glans, die schitterde,
-schitterden nieuwe glansen op, in het leven, dat door was gegaan, dat
-doorging...
-
-De keizerinnen zaten bij elkaâr. Valérie hield Elizabeth zacht in hare
-armen: met gelijke getelde tusschenpoozen bonsden de schoten van het
-fort af, over het paleis...
-
-Toen hief Elizabeth zich smartelijk op uit de armen harer schoondochter
-en zacht orakelde hare stem:
-
-—Als het een zoon is... zal het een Hertog van Xara zijn... Hij had zoo
-gaarne een Graaf van Lycilië gezien...!
-
-De schoten bonsden; de beide keizerinnen, in rouw, weenden, snikten.
-En, na langen tijd voor het eerst,—zooals het na langen tijd geweest
-ook was, bij Berengars dood—kwam nù geheel haar gemis, haar verdriet,
-hare rampzaligheid, hare wanhoop over Elizabeth heen, en voelde zij,
-dat zij dien keizer, aan wien zij als heel jonge prinses, nu
-vier-en-twintig jaren geleden, was uitgehuwelijkt, zonder liefde, had
-lief gekregen in die kwart-eeuw van meêleven op zijn hoog punt van
-souverein...
-
-Dien avond kwam Othomar terug, en alleen bij zijne vrouw, bij zijne
-moeder, snikte hij met ze meê, de jonge keizer, dien niemand te Altara
-in den Dom had zien weenen. Want keizerin Elizabeth had het nog éens
-herhaald:
-
-—Als het een zoon is... zal het een Hertog van Xara zijn...!
-
-En toen had de keizer van Liparië zich niet meer kunnen betoomen! In
-éen bliksemstraal, éen zigzag van ontzetting zag hij zijn
-kroonprinsleven terug, dacht hij aan zijn aanstaanden zoon. Hoe zoû dit
-noodlottige kind zijn? Eene herhaling van hem, van zijn geweifel, zijn
-weemoed en zijne wanhoop?
-
-En, met zijne niet te bedwingen snikken, snikte hij toen, in eens
-overstelpt door de dreigende toekomst, zijne smart uit over zijn vader,
-die geweest was en over zijn zoon, die komen zoû! snikte hij, het hoofd
-in de armen zijner jonge keizerin, die, eensklaps bewust te moeten
-troosten, was kalm geworden en kalm op hem neêrzag, nemende hun
-majesteitsleven op hare schouders, als ware het maar een drukkend zware
-mantel van purper en hermelijn, en niet meer, nemende het zoo
-krachtiglijk op, omdat er in hare aderen vloeide als in de zijne: één
-enkele druppel heilig gouden bloed, die eenig is in alle hunne gelijken
-en die zijn zoû hun kracht op de aarde en hun recht voor God...
-
-
-
-
-
-VI.
-
- Aan Hare Keizerlijke en Koninklijke Hoogheid Eudoxie,
- Aartshertogin van Oostenrijk, te Sigismundingen.
-
- Altara, St. Ladislas. Mei 18...
-
-
- Mijn lieve moeder!
-
-Ik kan U niet zeggen welk een verdriet Uw brief mij deed: in Gods naam,
-wind U zoo niet op en zeg niet zulke verschrikkelijke dingen. Het deed
-ons ook innig veel leed, dat U niet bij onze kroning kon tegenwoordig
-zijn en door Uwe rheumatische koortsen te Sigismundingen moest
-achterblijven, maar waarom moet U, lieve moeder, die koortsen als een
-straf van God beschouwen en waarom moet U het beschouwen als een straf
-van God, dat U Uwe lievelingsilluzie niet zaagt gebeuren en niet
-tegenwoordig kondt zijn in onzen ouden Dom, toen Othomar, gekroond door
-den Primaat, zelve mij kroonde tot Keizerin van Liparië. U waart er
-niet bij tegenwoordig, maar het is toch gebeurd: Uwe illuzie is toch
-waarheid. En ik zeg U dit, zonder de minste bitterheid, o, geloof mij,
-zonder de minste! Een straf, dat U mij dwong, tegen mijn zin...! U moet
-wel ziek zijn, ziek naar lichaam en geest, arme moeder, om zoo te
-kunnen schrijven: ik glimlach er een beetje om, ik herken U zoo niet
-meer. En laat mijn glimlach getuigen, dat ik niet ongelukkig ben; o,
-verre daarvan! Ons geluk is bijna nooit, wat wij ons voorstellen, dat
-het zijn zal en wat wij betreuren, dat het niet wordt...
-
-Als U mij zag, zoû U zien, dat ik niet ongelukkig was. Het is Mei, de
-zon schijnt, de boogramen zijn open. Mijn blik ziet in de verte den
-Zanthos als een breed en glinsterend vlak van water zich wegslingeren.
-Dicht bij mijne schrijftafel staat Uw groote, mooie zilveren wieg en
-tusschen de dichte kanten gordijnen heen zie ik mijn klein hertogje van
-Xara sluimeren... Ik weet niet hoe ik het U schrijven moet; ik heb
-mijne woorden zoo niet om U dat goed uit te drukken, maar wat ik voel,
-met dat wijde perspektief van rivierland voor mij en dat kleine
-kostbare kind naast mij, o, mama, dat is geen ongeluk! Het is een
-gevoel, waarin zeker heel veel weemoed schuilt, maar meer sombers
-schuilt er ook niet in. En waarom zoû het, trots dien weemoed,
-eigenlijk zelfs geen geluk zijn. Ik ben jong, ik ben keizerin en ik zie
-een leven voor mij! Om mij heen zie ik mijn land, zie ik mijn volk: ik
-wil, dat het het volk van mijn hart, van mijne ziel worde, geheel en
-al! Ik weet nog niet hoe, maar voor dat volk wil ik leven, wil ik samen
-leven met Othomar. O, ik beken het U, hoe ik dat doen zal, weet ik nog
-niet, maar ik zal het vinden, samen met hem! En als, ik heb een man en
-een kind en een volk! een Keizer, een Kroonprins en een Rijk, heb ik
-dan geen doel om te leven en als ik een levensdoel heb—en welk een
-ontzaglijk levensdoel!—heb ik dan ook geen geluk? Is het geluk iets
-anders dan een hoog, een edel levensdoel gevonden te hebben?
-
-Ik zoû U zoo gaarne overtuigen. En als U mij hier zag, op ons stil St.
-Ladislas, nu al de drukte der kroningsplechtigheden voorbij is, dan zoû
-U mij gelooven. Othomar houdt van St. Ladislas en neemt zich voor hier
-ieder jaar een maand in het voorjaar te komen. Dat mijn kind hier
-geboren is, noemt men een goed voorteeken, want U kent het geloof der
-Lipariërs, dat de kroonprins van hun land geboren wil zien worden te
-St. Ladislas, onder de onmiddellijke hoede van den Schutsheilige.
-
-Othomar echter is op dit oogenblik niet hier; hij is voor enkele dagen
-te Lipara—U weet dit natuurlijk uit de couranten ...; tweemaal per dag
-schrijft hij mij. Ik heb hem dit gevraagd, opdat ik geheel op de hoogte
-blijve van zijn gemoedstoestand; die rampzaligheid van den moord op
-zijn Vader, die twee dagen sterven van keizer Oscar! ze hebben Othomar
-zoo hevig, hevig aangegrepen; mijn God, hoe U te schrijven in woorden
-over die ontzetting! Hoe kan ik nog met hoop leven na al wat ik reeds
-in mijn korte leven geleden heb en voor ontzetting om mij heen heb
-gezien! En toch, toch is het zoo, want jeugd is zoo krachtig en ik, ik
-ben sterk, ik mòet het zijn...
-
-Ik heb hem bewonderd, mijn jonge keizer, in die ontzettende dagen, om
-zijne uiterlijke kalmte, waardoor de stormvloed van alle zijne emotie’s
-nooit heen brak, voor de oogen der wereld. Terug van de begrafenis, de
-plechtigheid der Handteekening onder de Vijf Heilige Akten; de drukte
-dadelijk der opeengestapelde staatszaken... Een maand daarna, de nieuwe
-verkiezingen, de constitutioneele meerderheid in het Huis der Standen,
-het ontslag der ministers... U zal dit alles gelezen hebben, in de
-bladen. Daarop de geboorte van onzen zoon; daarna onze kroning, op het
-oogenblik, dat Liparië in zijne fondamenten geschokt scheen! En nu,
-Othomar te Lipara, om het nieuwe constitutioneele ministerie... Dan
-graaf Myxila, die het niet eens is met Othomars moderne ideeën, die hem
-zelfs vrij heftig heeft durven verwijten, dat hij zoo kort na den
-gewelddadigen dood van zijn Vader reeds diens ideeën loslaat en die nu
-verzocht heeft om zijn ontslag... Othomar zal Myxila nog pogen te
-weêrhouden, maar begrijpt zelve, dat het onmogelijk zal wezen. En de
-Grondwetsherziening in het verschiet met zoo vele ingrijpende
-veranderingen; denkelijk met de instelling der Hoogere en Lagere
-Staten, terwijl het Huis van Adel uiterlijk zal blijven bestaan, maar
-niet meer zal zijn dan een raadgevend Eerelichaam. Concessies, als U
-wil, maar Othomar heeft nu eenmaal geheel andere ideeën dan zijn Vader;
-en zoo hij die concessies doet, doet hij ze zeker aan het verleden en
-niet aan de toekomst en niet aan zichzelven...
-
-Wreed is het leven, wreed in zijne verwisselingen en wreed zelfs in
-zijne herbloeiïngen en voor ons vorsten is dit alles misschien het
-wreedst, maar de wereld behoort aan wat komen zal...
-
-Keizerin Elizabeth vertoeft nog hier; zij is in eens zoo oud geworden,
-zoo grijs, en zeer dof en terneêrgeslagen en ze weet niet wat ze doen
-zal: met hare eigen hofhouding blijven in het Imperiaal, hier blijven
-op St. Ladislas, zich terugtrekken op Castel Xaveria... Al de
-keizerlijke paleizen en kasteelen dwarrelen haar nu door haar arm
-hoofd: hare eigen-bezittingen en de kroondomeinen; ze weet niet
-waarheen ze wil: wij blijven er natuurlijk op aandringen, dat zij het
-Imperiaal niet verlaat: het is er groot genoeg, dat zij er bijna haar
-geheel eigen Militair en Civiel Huis behouden kan...
-
-Dierbare moeder, ik schrijf U spoedig weêr: het dwarrelt mij nu te
-veel; ik heb te veel aangeroerd; mijne vrouwehersenen kunnen dat alles
-zoo nog niet logisch en ordelijk overdenken, neêrschrijven... En ik ben
-nog maar zoo kort keizerin en ik ben niet ouder dan twee-en-twintig,
-ook al voel ik me niet zoo jong meer... Deze brief is alleen een
-haastig neêrgeschreven antwoord op Uw treurig zelfverwijt, dat ik U
-hier, in naam van den Hemel, smeek geheel van U af te werpen. Nu ik U
-dit schrijf, rijst de avond van mijn verlovingsdiner te Sigismundingen
-mij opnieuw voor den geest. Wij waren zulke vreemde verloofden, Othomar
-en ik. Ik vroeg hem—glimlach er om en ween er niet over, mama—of hij
-iemand liefhad. Hij zei me van neen. Hij zei me zijn volk lief te
-hebben en hij opende zijne armen, als wilde hij het omhelzen. Zijn
-volk! De dageraad van een nieuw idee—oud zeker voor duizenden en eeuwen
-oud, maar nieuw voor mij, als een nieuwe dag nieuw is—gloorde voor me
-op, wierp licht over mijn duister leed, deed een weg voor mij uit
-stralen...
-
-Dien weg, mama, ik zie hem nu ieder en dag klaarder en klaarder stralen
-voor mij uit, en ik wil hem volgen, met mijn man en kind, met mijn
-Keizer en met mijn Kroonprins!
-
-Mijn Kroonprins, die wakker wordt en om mij roept...
-
-God geve mij kracht, mama.
-
-
- Valérie.
-
-
-
-
-
-
-*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK MAJESTEIT ***
-
-Updated editions will replace the previous one--the old editions will
-be renamed.
-
-Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright
-law means that no one owns a United States copyright in these works,
-so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the
-United States without permission and without paying copyright
-royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part
-of this license, apply to copying and distributing Project
-Gutenberg-tm electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG-tm
-concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark,
-and may not be used if you charge for an eBook, except by following
-the terms of the trademark license, including paying royalties for use
-of the Project Gutenberg trademark. If you do not charge anything for
-copies of this eBook, complying with the trademark license is very
-easy. You may use this eBook for nearly any purpose such as creation
-of derivative works, reports, performances and research. Project
-Gutenberg eBooks may be modified and printed and given away--you may
-do practically ANYTHING in the United States with eBooks not protected
-by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the trademark
-license, especially commercial redistribution.
-
-START: FULL LICENSE
-
-THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
-PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
-
-To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
-distribution of electronic works, by using or distributing this work
-(or any other work associated in any way with the phrase "Project
-Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full
-Project Gutenberg-tm License available with this file or online at
-www.gutenberg.org/license.
-
-Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project
-Gutenberg-tm electronic works
-
-1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
-electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
-and accept all the terms of this license and intellectual property
-(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
-the terms of this agreement, you must cease using and return or
-destroy all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your
-possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a
-Project Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound
-by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the
-person or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph
-1.E.8.
-
-1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
-used on or associated in any way with an electronic work by people who
-agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
-things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
-even without complying with the full terms of this agreement. See
-paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
-Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this
-agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm
-electronic works. See paragraph 1.E below.
-
-1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the
-Foundation" or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection
-of Project Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual
-works in the collection are in the public domain in the United
-States. If an individual work is unprotected by copyright law in the
-United States and you are located in the United States, we do not
-claim a right to prevent you from copying, distributing, performing,
-displaying or creating derivative works based on the work as long as
-all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope
-that you will support the Project Gutenberg-tm mission of promoting
-free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg-tm
-works in compliance with the terms of this agreement for keeping the
-Project Gutenberg-tm name associated with the work. You can easily
-comply with the terms of this agreement by keeping this work in the
-same format with its attached full Project Gutenberg-tm License when
-you share it without charge with others.
-
-1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
-what you can do with this work. Copyright laws in most countries are
-in a constant state of change. If you are outside the United States,
-check the laws of your country in addition to the terms of this
-agreement before downloading, copying, displaying, performing,
-distributing or creating derivative works based on this work or any
-other Project Gutenberg-tm work. The Foundation makes no
-representations concerning the copyright status of any work in any
-country other than the United States.
-
-1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
-
-1.E.1. The following sentence, with active links to, or other
-immediate access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear
-prominently whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work
-on which the phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the
-phrase "Project Gutenberg" is associated) is accessed, displayed,
-performed, viewed, copied or distributed:
-
- This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
- most other parts of the world at no cost and with almost no
- restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it
- under the terms of the Project Gutenberg License included with this
- eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the
- United States, you will have to check the laws of the country where
- you are located before using this eBook.
-
-1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is
-derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not
-contain a notice indicating that it is posted with permission of the
-copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in
-the United States without paying any fees or charges. If you are
-redistributing or providing access to a work with the phrase "Project
-Gutenberg" associated with or appearing on the work, you must comply
-either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or
-obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg-tm
-trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9.
-
-1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
-with the permission of the copyright holder, your use and distribution
-must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any
-additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms
-will be linked to the Project Gutenberg-tm License for all works
-posted with the permission of the copyright holder found at the
-beginning of this work.
-
-1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
-License terms from this work, or any files containing a part of this
-work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
-
-1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
-electronic work, or any part of this electronic work, without
-prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
-active links or immediate access to the full terms of the Project
-Gutenberg-tm License.
-
-1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
-compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including
-any word processing or hypertext form. However, if you provide access
-to or distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format
-other than "Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official
-version posted on the official Project Gutenberg-tm website
-(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense
-to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means
-of obtaining a copy upon request, of the work in its original "Plain
-Vanilla ASCII" or other form. Any alternate format must include the
-full Project Gutenberg-tm License as specified in paragraph 1.E.1.
-
-1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
-performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
-unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
-
-1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
-access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works
-provided that:
-
-* You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
- the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
- you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed
- to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he has
- agreed to donate royalties under this paragraph to the Project
- Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid
- within 60 days following each date on which you prepare (or are
- legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty
- payments should be clearly marked as such and sent to the Project
- Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in
- Section 4, "Information about donations to the Project Gutenberg
- Literary Archive Foundation."
-
-* You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
- you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
- does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
- License. You must require such a user to return or destroy all
- copies of the works possessed in a physical medium and discontinue
- all use of and all access to other copies of Project Gutenberg-tm
- works.
-
-* You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of
- any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
- electronic work is discovered and reported to you within 90 days of
- receipt of the work.
-
-* You comply with all other terms of this agreement for free
- distribution of Project Gutenberg-tm works.
-
-1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project
-Gutenberg-tm electronic work or group of works on different terms than
-are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing
-from the Project Gutenberg Literary Archive Foundation, the manager of
-the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the Foundation as set
-forth in Section 3 below.
-
-1.F.
-
-1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
-effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
-works not protected by U.S. copyright law in creating the Project
-Gutenberg-tm collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm
-electronic works, and the medium on which they may be stored, may
-contain "Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate
-or corrupt data, transcription errors, a copyright or other
-intellectual property infringement, a defective or damaged disk or
-other medium, a computer virus, or computer codes that damage or
-cannot be read by your equipment.
-
-1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
-of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
-Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
-Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
-liability to you for damages, costs and expenses, including legal
-fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
-LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
-PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
-TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
-LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
-INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
-DAMAGE.
-
-1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
-defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
-receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
-written explanation to the person you received the work from. If you
-received the work on a physical medium, you must return the medium
-with your written explanation. The person or entity that provided you
-with the defective work may elect to provide a replacement copy in
-lieu of a refund. If you received the work electronically, the person
-or entity providing it to you may choose to give you a second
-opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If
-the second copy is also defective, you may demand a refund in writing
-without further opportunities to fix the problem.
-
-1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
-in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO
-OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT
-LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
-
-1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
-warranties or the exclusion or limitation of certain types of
-damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement
-violates the law of the state applicable to this agreement, the
-agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or
-limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or
-unenforceability of any provision of this agreement shall not void the
-remaining provisions.
-
-1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
-trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
-providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in
-accordance with this agreement, and any volunteers associated with the
-production, promotion and distribution of Project Gutenberg-tm
-electronic works, harmless from all liability, costs and expenses,
-including legal fees, that arise directly or indirectly from any of
-the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this
-or any Project Gutenberg-tm work, (b) alteration, modification, or
-additions or deletions to any Project Gutenberg-tm work, and (c) any
-Defect you cause.
-
-Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
-
-Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
-electronic works in formats readable by the widest variety of
-computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It
-exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations
-from people in all walks of life.
-
-Volunteers and financial support to provide volunteers with the
-assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's
-goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
-remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
-and permanent future for Project Gutenberg-tm and future
-generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see
-Sections 3 and 4 and the Foundation information page at
-www.gutenberg.org
-
-Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation
-
-The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non-profit
-501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
-state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
-Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
-number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by
-U.S. federal laws and your state's laws.
-
-The Foundation's business office is located at 809 North 1500 West,
-Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up
-to date contact information can be found at the Foundation's website
-and official page at www.gutenberg.org/contact
-
-Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
-Literary Archive Foundation
-
-Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without
-widespread public support and donations to carry out its mission of
-increasing the number of public domain and licensed works that can be
-freely distributed in machine-readable form accessible by the widest
-array of equipment including outdated equipment. Many small donations
-($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
-status with the IRS.
-
-The Foundation is committed to complying with the laws regulating
-charities and charitable donations in all 50 states of the United
-States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
-considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
-with these requirements. We do not solicit donations in locations
-where we have not received written confirmation of compliance. To SEND
-DONATIONS or determine the status of compliance for any particular
-state visit www.gutenberg.org/donate
-
-While we cannot and do not solicit contributions from states where we
-have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
-against accepting unsolicited donations from donors in such states who
-approach us with offers to donate.
-
-International donations are gratefully accepted, but we cannot make
-any statements concerning tax treatment of donations received from
-outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
-
-Please check the Project Gutenberg web pages for current donation
-methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
-ways including checks, online payments and credit card donations. To
-donate, please visit: www.gutenberg.org/donate
-
-Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic works
-
-Professor Michael S. Hart was the originator of the Project
-Gutenberg-tm concept of a library of electronic works that could be
-freely shared with anyone. For forty years, he produced and
-distributed Project Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of
-volunteer support.
-
-Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
-editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in
-the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not
-necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper
-edition.
-
-Most people start at our website which has the main PG search
-facility: www.gutenberg.org
-
-This website includes information about Project Gutenberg-tm,
-including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
-subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
diff --git a/old/66804-0.zip b/old/66804-0.zip
deleted file mode 100644
index f33913d..0000000
--- a/old/66804-0.zip
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/66804-h.zip b/old/66804-h.zip
deleted file mode 100644
index 547d114..0000000
--- a/old/66804-h.zip
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/66804-h/66804-h.htm b/old/66804-h/66804-h.htm
deleted file mode 100644
index 72f3ecc..0000000
--- a/old/66804-h/66804-h.htm
+++ /dev/null
@@ -1,10763 +0,0 @@
-<!DOCTYPE html
-PUBLIC "-//W3C//DTD HTML 4.01 Transitional//EN" "http://www.w3.org/TR/html4/loose.dtd">
-<!-- This HTML file has been automatically generated from an XML source on 2021-11-23T21:14:57Z using SAXON HE 9.9.1.8 . -->
-<html lang="nl">
-<head>
-<meta http-equiv="Content-Type" content="text/html; charset=utf-8">
-<title>Majesteit</title>
-<meta name="generator" content="tei2html.xsl, see https://github.com/jhellingman/tei2html">
-<meta name="author" content="Louis Marie Anne Couperus (1863–1923)">
-<link rel="coverpage" href="images/new-cover.jpg">
-<link rel="schema.DC" href="http://dublincore.org/documents/1998/09/dces/">
-<meta name="DC.Creator" content="Louis Marie Anne Couperus (1863–1923)">
-<meta name="DC.Title" content="Majesteit">
-<meta name="DC.Language" content="nl-1900">
-<meta name="DC.Format" content="text/html">
-<meta name="DC.Publisher" content="Project Gutenberg">
-<style type="text/css"> /* <![CDATA[ */
-html {
-line-height: 1.3;
-}
-body {
-margin: 0;
-}
-main {
-display: block;
-}
-h1 {
-font-size: 2em;
-margin: 0.67em 0;
-}
-hr {
-height: 0;
-overflow: visible;
-}
-pre {
-font-family: monospace, monospace;
-font-size: 1em;
-}
-a {
-background-color: transparent;
-}
-abbr[title] {
-border-bottom: none;
-text-decoration: underline;
-text-decoration: underline dotted;
-}
-b, strong {
-font-weight: bolder;
-}
-code, kbd, samp {
-font-family: monospace, monospace;
-font-size: 1em;
-}
-small {
-font-size: 80%;
-}
-sub, sup {
-font-size: 67%;
-line-height: 0;
-position: relative;
-vertical-align: baseline;
-}
-sub {
-bottom: -0.25em;
-}
-sup {
-top: -0.5em;
-}
-img {
-border-style: none;
-}
-body {
-font-family: serif;
-font-size: 100%;
-text-align: left;
-margin-top: 2.4em;
-}
-div.front, div.body {
-margin-bottom: 7.2em;
-}
-div.back {
-margin-bottom: 2.4em;
-}
-.div0 {
-margin-top: 7.2em;
-margin-bottom: 7.2em;
-}
-.div1 {
-margin-top: 5.6em;
-margin-bottom: 5.6em;
-}
-.div2 {
-margin-top: 4.8em;
-margin-bottom: 4.8em;
-}
-.div3 {
-margin-top: 3.6em;
-margin-bottom: 3.6em;
-}
-.div4 {
-margin-top: 2.4em;
-margin-bottom: 2.4em;
-}
-.div5, .div6, .div7 {
-margin-top: 1.44em;
-margin-bottom: 1.44em;
-}
-.div0:last-child, .div1:last-child, .div2:last-child, .div3:last-child,
-.div4:last-child, .div5:last-child, .div6:last-child, .div7:last-child {
-margin-bottom: 0;
-}
-blockquote div.front, blockquote div.body, blockquote div.back {
-margin-top: 0;
-margin-bottom: 0;
-}
-.divBody .div1:first-child, .divBody .div2:first-child, .divBody .div3:first-child, .divBody .div4:first-child,
-.divBody .div5:first-child, .divBody .div6:first-child, .divBody .div7:first-child {
-margin-top: 0;
-}
-h1, h2, h3, h4, h5, h6, .h1, .h2, .h3, .h4, .h5, .h6 {
-clear: both;
-font-style: normal;
-text-transform: none;
-}
-h3, .h3 {
-font-size: 1.2em;
-}
-h3.label {
-font-size: 1em;
-margin-bottom: 0;
-}
-h4, .h4 {
-font-size: 1em;
-}
-.alignleft {
-text-align: left;
-}
-.alignright {
-text-align: right;
-}
-.alignblock {
-text-align: justify;
-}
-p.tb, hr.tb, .par.tb {
-margin: 1.6em auto;
-text-align: center;
-}
-p.argument, p.note, p.tocArgument, .par.argument, .par.note, .par.tocArgument {
-font-size: 0.9em;
-text-indent: 0;
-}
-p.argument, p.tocArgument, .par.argument, .par.tocArgument {
-margin: 1.58em 10%;
-}
-td.tocDivNum {
-vertical-align: top;
-}
-td.tocPageNum {
-vertical-align: bottom;
-}
-.opener, .address {
-margin-top: 1.6em;
-margin-bottom: 1.6em;
-}
-.addrline {
-margin-top: 0;
-margin-bottom: 0;
-}
-.dateline {
-margin-top: 1.6em;
-margin-bottom: 1.6em;
-text-align: right;
-}
-.salute {
-margin-top: 1.6em;
-margin-left: 3.58em;
-text-indent: -2em;
-}
-.signed {
-margin-top: 1.6em;
-margin-left: 3.58em;
-text-indent: -2em;
-}
-.epigraph {
-font-size: 0.9em;
-width: 60%;
-margin-left: auto;
-}
-.epigraph span.bibl {
-display: block;
-text-align: right;
-}
-.trailer {
-clear: both;
-margin-top: 3.6em;
-}
-span.abbr, abbr {
-white-space: nowrap;
-}
-span.parnum {
-font-weight: bold;
-}
-span.corr, span.gap {
-border-bottom: 1px dotted red;
-}
-span.num, span.trans, span.trans {
-border-bottom: 1px dotted gray;
-}
-span.measure {
-border-bottom: 1px dotted green;
-}
-.ex {
-letter-spacing: 0.2em;
-}
-.sc {
-font-variant: small-caps;
-}
-.asc {
-font-variant: small-caps;
-text-transform: lowercase;
-}
-.uc {
-text-transform: uppercase;
-}
-.tt {
-font-family: monospace;
-}
-.underline {
-text-decoration: underline;
-}
-.overline, .overtilde {
-text-decoration: overline;
-}
-.rm {
-font-style: normal;
-}
-.red {
-color: red;
-}
-hr {
-clear: both;
-border: none;
-border-bottom: 1px solid black;
-width: 45%;
-margin-left: auto;
-margin-right: auto;
-margin-top: 1em;
-text-align: center;
-}
-hr.dotted {
-border-bottom: 2px dotted black;
-}
-hr.dashed {
-border-bottom: 2px dashed black;
-}
-.aligncenter {
-text-align: center;
-}
-h1, h2, .h1, .h2 {
-font-size: 1.44em;
-line-height: 1.5;
-}
-h1.label, h2.label {
-font-size: 1.2em;
-margin-bottom: 0;
-}
-h5, h6 {
-font-size: 1em;
-font-style: italic;
-}
-p, .par {
-text-indent: 0;
-}
-p.firstlinecaps:first-line, .par.firstlinecaps:first-line {
-text-transform: uppercase;
-}
-.hangq {
-text-indent: -0.32em;
-}
-.hangqq {
-text-indent: -0.42em;
-}
-.hangqqq {
-text-indent: -0.84em;
-}
-p.dropcap:first-letter, .par.dropcap:first-letter {
-float: left;
-clear: left;
-margin: 0 0.05em 0 0;
-padding: 0;
-line-height: 0.8;
-font-size: 420%;
-vertical-align: super;
-}
-blockquote, p.quote, div.blockquote, div.argument, .par.quote {
-font-size: 0.9em;
-margin: 1.58em 5%;
-}
-.pageNum a, a.noteRef:hover, a.pseudoNoteRef:hover, a.hidden:hover, a.hidden {
-text-decoration: none;
-}
-.advertisement, .advertisements {
-background-color: #FFFEE0;
-border: black 1px dotted;
-color: #000;
-margin: 2em 5%;
-padding: 1em;
-}
-.footnotes .body, .footnotes .div1 {
-padding: 0;
-}
-.fnarrow {
-color: #AAAAAA;
-font-weight: bold;
-text-decoration: none;
-}
-.fnarrow:hover, .fnreturn:hover {
-color: #660000;
-}
-.fnreturn {
-color: #AAAAAA;
-font-size: 80%;
-font-weight: bold;
-text-decoration: none;
-vertical-align: 0.25em;
-}
-a {
-text-decoration: none;
-}
-a:hover {
-text-decoration: underline;
-background-color: #e9f5ff;
-}
-a.noteRef, a.pseudoNoteRef {
-font-size: 67%;
-line-height: 0;
-position: relative;
-vertical-align: baseline;
-top: -0.5em;
-text-decoration: none;
-margin-left: 0.1em;
-}
-.displayfootnote {
-display: none;
-}
-div.footnotes {
-font-size: 80%;
-margin-top: 1em;
-padding: 0;
-}
-hr.fnsep {
-margin-left: 0;
-margin-right: 0;
-text-align: left;
-width: 25%;
-}
-p.footnote, .par.footnote {
-margin-bottom: 0.5em;
-margin-top: 0.5em;
-}
-p.footnote .fnlabel, .par.footnote .fnlabel {
-float: left;
-min-width: 1.0em;
-margin-left: -0.1em;
-padding-top: 0.9em;
-padding-right: 0.4em;
-}
-.apparatusnote {
-text-decoration: none;
-}
-.apparatusnote:target, .fndiv:target {
-background-color: #eaf3ff;
-}
-table.tocList {
-width: 100%;
-margin-left: auto;
-margin-right: auto;
-border-width: 0;
-border-collapse: collapse;
-}
-td.tocPageNum, td.tocDivNum {
-text-align: right;
-min-width: 10%;
-border-width: 0;
-white-space: nowrap;
-}
-td.tocDivNum {
-padding-left: 0;
-padding-right: 0.5em;
-}
-td.tocPageNum {
-padding-left: 0.5em;
-padding-right: 0;
-}
-td.tocDivTitle {
-width: auto;
-}
-p.tocPart, .par.tocPart {
-margin: 1.58em 0;
-font-variant: small-caps;
-}
-p.tocChapter, .par.tocChapter {
-margin: 1.58em 0;
-}
-p.tocSection, .par.tocSection {
-margin: 0.7em 5%;
-}
-table.tocList td {
-vertical-align: top;
-}
-table.tocList td.tocPageNum {
-vertical-align: bottom;
-}
-table.inner {
-display: inline-table;
-border-collapse: collapse;
-width: 100%;
-}
-td.itemNum {
-text-align: right;
-min-width: 5%;
-padding-right: 0.8em;
-}
-td.innerContainer {
-padding: 0;
-margin: 0;
-}
-.index {
-font-size: 80%;
-}
-.index p {
-text-indent: -1em;
-margin-left: 1em;
-}
-.indexToc {
-text-align: center;
-}
-.transcriberNote {
-background-color: #DDE;
-border: black 1px dotted;
-color: #000;
-font-family: sans-serif;
-font-size: 80%;
-margin: 2em 5%;
-padding: 1em;
-}
-.missingTarget {
-text-decoration: line-through;
-color: red;
-}
-.correctionTable {
-width: 75%;
-}
-.width20 {
-width: 20%;
-}
-.width40 {
-width: 40%;
-}
-p.smallprint, li.smallprint, .par.smallprint {
-color: #666666;
-font-size: 80%;
-}
-span.musictime {
-vertical-align: middle;
-display: inline-block;
-text-align: center;
-}
-span.musictime, span.musictime span.top, span.musictime span.bottom {
-padding: 1px 0.5px;
-font-size: xx-small;
-font-weight: bold;
-line-height: 0.7em;
-}
-span.musictime span.bottom {
-display: block;
-}
-ul {
-list-style-type: none;
-}
-.splitListTable {
-margin-left: 0;
-}
-.numberedItem {
-text-indent: -3em;
-margin-left: 3em;
-}
-.numberedItem .itemNumber {
-float: left;
-position: relative;
-left: -3.5em;
-width: 3em;
-display: inline-block;
-text-align: right;
-}
-.itemGroupTable {
-border-collapse: collapse;
-margin-left: 0;
-}
-.itemGroupTable td {
-padding: 0;
-margin: 0;
-vertical-align: middle;
-}
-.itemGroupBrace {
-padding: 0 0.5em !important;
-}
-.titlePage {
-border: #DDDDDD 2px solid;
-margin: 3em 0 7em 0;
-padding: 5em 10% 6em 10%;
-text-align: center;
-}
-.titlePage .docTitle {
-line-height: 1.7;
-margin: 2em 0 2em 0;
-font-weight: bold;
-}
-.titlePage .docTitle .mainTitle {
-font-size: 1.8em;
-}
-.titlePage .docTitle .subTitle, .titlePage .docTitle .seriesTitle,
-.titlePage .docTitle .volumeTitle {
-font-size: 1.44em;
-}
-.titlePage .byline {
-margin: 2em 0 2em 0;
-font-size: 1.2em;
-line-height: 1.5;
-}
-.titlePage .byline .docAuthor {
-font-size: 1.2em;
-font-weight: bold;
-}
-.titlePage .figure {
-margin: 2em auto;
-}
-.titlePage .docImprint {
-margin: 4em 0 0 0;
-font-size: 1.2em;
-line-height: 1.5;
-}
-.titlePage .docImprint .docDate {
-font-size: 1.2em;
-font-weight: bold;
-}
-div.figure {
-text-align: center;
-}
-.figure {
-margin-left: auto;
-margin-right: auto;
-}
-.floatLeft {
-float: left;
-margin: 10px 10px 10px 0;
-}
-.floatRight {
-float: right;
-margin: 10px 0 10px 10px;
-}
-p.figureHead, .par.figureHead {
-font-size: 100%;
-text-align: center;
-}
-.figAnnotation {
-font-size: 80%;
-position: relative;
-margin: 0 auto;
-}
-.figTopLeft, .figBottomLeft {
-float: left;
-}
-.figTopRight, .figBottomRight {
-float: right;
-}
-.figure p, .figure .par {
-font-size: 80%;
-margin-top: 0;
-text-align: center;
-}
-img {
-border-width: 0;
-}
-td.galleryFigure {
-text-align: center;
-vertical-align: middle;
-}
-td.galleryCaption {
-text-align: center;
-vertical-align: top;
-}
-tr, td, th {
-vertical-align: top;
-}
-tr.bottom, td.bottom, th.bottom {
-vertical-align: bottom;
-}
-td.label, tr.label td {
-font-weight: bold;
-}
-td.unit, tr.unit td {
-font-style: italic;
-}
-td.leftbrace, td.rightbrace {
-vertical-align: middle;
-}
-span.sum {
-padding-top: 2px;
-border-top: solid black 1px;
-}
-table.inlinetable {
-display: inline-table;
-}
-table.borderOutside {
-border-collapse: collapse;
-}
-table.borderOutside td {
-padding-left: 4px;
-padding-right: 4px;
-}
-table.borderOutside .cellHeadTop, table.borderOutside .cellTop {
-border-top: 2px solid black;
-}
-table.borderOutside .cellHeadBottom {
-border-bottom: 1px solid black;
-}
-table.borderOutside .cellBottom {
-border-bottom: 2px solid black;
-}
-table.borderOutside .cellLeft, table.borderOutside .cellHeadLeft {
-border-left: 2px solid black;
-}
-table.borderOutside .cellRight, table.borderOutside .cellHeadRight {
-border-right: 2px solid black;
-}
-table.verticalBorderInside {
-border-collapse: collapse;
-}
-table.verticalBorderInside td {
-padding-left: 4px;
-padding-right: 4px;
-border-left: 1px solid black;
-}
-table.verticalBorderInside .cellHeadTop, table.verticalBorderInside .cellTop {
-border-top: 2px solid black;
-}
-table.verticalBorderInside .cellHeadBottom {
-border-bottom: 1px solid black;
-}
-table.verticalBorderInside .cellBottom {
-border-bottom: 2px solid black;
-}
-table.verticalBorderInside .cellLeft, table.verticalBorderInside .cellHeadLeft {
-border-left: 0 solid black;
-}
-table.borderAll {
-border-collapse: collapse;
-}
-table.borderAll td {
-padding-left: 4px;
-padding-right: 4px;
-border: 1px solid black;
-}
-table.borderAll .cellHeadTop, table.borderAll .cellTop {
-border-top: 2px solid black;
-}
-table.borderAll .cellHeadBottom {
-border-bottom: 1px solid black;
-}
-table.borderAll .cellBottom {
-border-bottom: 2px solid black;
-}
-table.borderAll .cellLeft, table.borderAll .cellHeadLeft {
-border-left: 2px solid black;
-}
-table.borderAll .cellRight, table.borderAll .cellHeadRight {
-border-right: 2px solid black;
-}
-tr.borderTop td, tr.borderTop th, th.borderTop, td.borderTop {
-border-top: 1px solid black !important;
-}
-tr.borderRight td, tr.borderRight th, th.borderRight, td.borderRight {
-border-right: 1px solid black !important;
-}
-tr.borderLeft td, tr.borderLeft th, th.borderLeft, td.borderLeft {
-border-left: 1px solid black !important;
-}
-tr.borderBottom td, tr.borderBottom th, th.borderBottom, td.borderBottom {
-border-bottom: 1px solid black !important;
-}
-tr.borderHorizontal td, tr.borderHorizontal th, th.borderHorizontal, td.borderHorizontal {
-border-top: 1px solid black !important;
-border-bottom: 1px solid black !important;
-}
-tr.borderVertical td, tr.borderVertical th, th.borderVertical, td.borderVertical {
-border-right: 1px solid black !important;
-border-left: 1px solid black !important;
-}
-tr.borderAll td, tr.borderAll th, th.borderAll, td.borderAll {
-border: 1px solid black !important;
-}
-tr.noBorderTop td, tr.noBorderTop th, th.noBorderTop, td.noBorderTop {
-border-top: none !important;
-}
-tr.noBorderRight td, tr.noBorderRight th, th.noBorderRight, td.noBorderRight {
-border-right: none !important;
-}
-tr.noBorderLeft td, tr.noBorderLeft th, th.noBorderLeft, td.noBorderLeft {
-border-left: none !important;
-}
-tr.noBorderBottom td, tr.noBorderBottom th, th.noBorderBottom, td.noBorderBottom {
-border-bottom: none !important;
-}
-tr.noBorderHorizontal td, tr.noBorderHorizontal th, th.noBorderHorizontal, td.noBorderHorizontal {
-border-top: none !important;
-border-bottom: none !important;
-}
-tr.noBorderVertical td, tr.noBorderVertical th, th.noBorderVertical, td.noBorderVertical {
-border-right: none !important;
-border-left: none !important;
-}
-tr.borderAll td, tr.borderAll th, th.borderAll, td.noBorderAll {
-border: none !important;
-}
-.cellDoubleUp {
-border: 0 solid black !important;
-width: 1em;
-}
-td.alignDecimalIntegerPart {
-text-align: right;
-border-right: none !important;
-padding-right: 0 !important;
-margin-right: 0 !important;
-}
-td.alignDecimalFractionPart {
-text-align: left;
-border-left: none !important;
-padding-left: 0 !important;
-margin-left: 0 !important;
-}
-td.alignDecimalNotNumber {
-text-align: center;
-}
-span.ditto {
-display: inline-block;
-vertical-align: middle;
-text-align: center;
-}
-span.ditto span.s {
-height: 0;
-visibility: hidden;
-line-height: 0;
-}
-span.ditto span.d {
-display: block;
-text-align: center;
-line-height: 0.7em;
-}
-span.ditto span.i {
-position: relative;
-top: -2px;
-}
-body {
-padding: 1.58em 16%;
-}
-.pageNum {
-display: inline;
-font-size: 8.4pt;
-font-style: normal;
-margin: 0;
-padding: 0;
-position: absolute;
-right: 1%;
-text-align: right;
-letter-spacing: normal;
-}
-.marginnote {
-font-size: 0.8em;
-height: 0;
-left: 1%;
-position: absolute;
-text-indent: 0;
-width: 14%;
-text-align: left;
-}
-.right-marginnote {
-font-size: 0.8em;
-height: 0;
-right: 3%;
-position: absolute;
-text-indent: 0;
-text-align: right;
-width: 11%
-}
-.cut-in-left-note {
-font-size: 0.8em;
-left: 1%;
-float: left;
-text-indent: 0;
-width: 14%;
-text-align: left;
-padding: 0.8em 0.8em 0.8em 0;
-}
-.cut-in-right-note {
-font-size: 0.8em;
-left: 1%;
-float: right;
-text-indent: 0;
-width: 14%;
-text-align: right;
-padding: 0.8em 0 0.8em 0.8em;
-}
-span.tocPageNum, span.flushright {
-position: absolute;
-right: 16%;
-top: auto;
-text-indent: 0;
-}
-.pglink::after {
-content: "\0000A0\01F4D8";
-font-size: 80%;
-font-style: normal;
-font-weight: normal;
-}
-.catlink::after {
-content: "\0000A0\01F4C7";
-font-size: 80%;
-font-style: normal;
-font-weight: normal;
-}
-.exlink::after, .wplink::after, .biblink::after, .qurlink::after, .seclink::after {
-content: "\0000A0\002197\00FE0F";
-color: blue;
-font-size: 80%;
-font-style: normal;
-font-weight: normal;
-}
-.pglink:hover {
-background-color: #DCFFDC;
-}
-.catlink:hover {
-background-color: #FFFFDC;
-}
-.exlink:hover, .wplink:hover, .biblink:hover, .qurlink:hover, .seclin:hover {
-background-color: #FFDCDC;
-}
-body {
-background: #FFFFFF;
-font-family: serif;
-}
-body, a.hidden {
-color: black;
-}
-h1, h2, .h1, .h2 {
-text-align: center;
-font-variant: small-caps;
-font-weight: normal;
-}
-p.byline {
-text-align: center;
-font-style: italic;
-margin-bottom: 2em;
-}
-.div2 p.byline, .div3 p.byline, .div4 p.byline, .div5 p.byline, .div6 p.byline, .div7 p.byline {
-text-align: left;
-}
-.figureHead, .noteRef, .pseudoNoteRef, .marginnote, .right-marginnote, p.legend, .verseNum {
-color: #660000;
-}
-.rightnote, .pageNum, .lineNum, .pageNum a {
-color: #AAAAAA;
-}
-a.hidden:hover, a.noteRef:hover, a.pseudoNoteRef:hover {
-color: red;
-}
-h1, h2, h3, h4, h5, h6 {
-font-weight: normal;
-}
-table {
-margin-left: auto;
-margin-right: auto;
-}
-.tablecaption {
-text-align: center;
-}
-.arab { font-family: Scheherazade, serif; }
-.aran { font-family: 'Awami Nastaliq', serif; }
-.grek { font-family: 'Charis SIL', serif; }
-.hebr { font-family: Shlomo, 'Ezra SIL', serif; }
-.syrc { font-family: 'Serto Jerusalem', serif; }
-/* CSS rules generated from rendition elements in TEI file */
-.cs {
-text-align: center; font-size: small;
-}
-.cn {
-text-align: center;
-}
-.cl {
-text-align: center; font-size: large; line-height: 1.0;
-}
-.cxl {
-text-align: center; font-size: x-large; line-height: 0.8;
-}
-.cxxl {
-text-align: center; font-size: xx-large; line-height: 0.6;
-}
-.cxxxl {
-text-align: center; font-size: xxx-large; line-height: 0.5;
-}
-/* CSS rules generated from @rend attributes in TEI file */
-.cover-imagewidth {
-width:480px;
-}
-.titlepage-imagewidth {
-width:483px;
-}
-.ads {
-border:2pt solid black;
-}
-.tbl\.ads {
-font-size:small;
-}
-.xd31e3358 {
-font-size:larger;
-}
-@media handheld {
-}
-/* ]]> */ </style>
-</head>
-<body>
-
-<div style='text-align:center; font-size:1.2em; font-weight:bold'>The Project Gutenberg eBook of Majesteit, by Louis Couperus</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
-most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
-whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
-of the Project Gutenberg License included with this eBook or online
-at <a href="https://www.gutenberg.org">www.gutenberg.org</a>. If you
-are not located in the United States, you will have to check the laws of the
-country where you are located before using this eBook.
-</div>
-
-<p style='display:block; margin-top:1em; margin-bottom:1em; margin-left:2em; text-indent:-2em'>Title: Majesteit</p>
-
-<div style='display:block; margin-top:1em; margin-bottom:1em; margin-left:2em; text-indent:-2em'>Author: Louis Couperus</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>Release Date: November 23, 2021 [eBook #66804]</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>Language: Dutch</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>Character set encoding: UTF-8</div>
-
-<div style='display:block; margin-left:2em; text-indent:-2em'>Produced by: Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading Team at https://www.pgdp.net/ for Project Gutenberg (This file was produced from images generously made available by The Internet Archive/Canadian Libraries)</div>
-
-<div style='margin-top:2em; margin-bottom:4em'>*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK MAJESTEIT ***</div>
-<div class="front">
-<div class="div1 cover"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody">
-<p class="first"></p>
-<div class="figure cover-imagewidth"><img src="images/new-cover.jpg" alt="Nieuw ontworpen voorkant." width="480" height="720"></div><p>
-</p>
-</div>
-</div>
-<div class="div1 frenchtitle"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody">
-<p class="first cl">MAJESTEIT
-</p>
-</div>
-</div>
-<div class="div1 titlepage"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody">
-<p class="first"></p>
-<div class="figure titlepage-imagewidth"><img src="images/titlepage.png" alt="Oorspronkelijke titelpagina." width="483" height="720"></div><p>
-</p>
-</div>
-</div>
-<div class="titlePage">
-<div class="docTitle">
-<div class="mainTitle">MAJESTEIT</div>
-</div>
-<div class="byline">DOOR<br>
-<span class="docAuthor">LOUIS COUPERUS</span></div>
-<div class="docImprint">ZEVENDE DRUK
-<br>
-L. J. VEEN’S UITGEVERSMAATSCHAPPIJ N.V.<br>
-AMSTERDAM</div>
-</div>
-<p></p>
-<div class="div1 imprint"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody">
-<p class="first cs">N.V. Drukkerij G.&nbsp;J. Thieme, Nijmegen
-<span class="pageNum" id="pb5">[<a href="#pb5">5</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div class="body">
-<div id="pt1" class="div0 part">
-<h2 class="main">EERSTE DEEL.</h2>
-<div id="ch1.1" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#ch1.1.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="main">EERSTE HOOFDSTUK.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<div id="s.1.1.1" class="div2 section"><span class="pageNum">[<a href="#s.1.1.1.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h3 class="main">I.</h3>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Over Lipara, anders eene stad als marmer wit; lange witte villa-reien aan zuidblauwe
-zee; eindelooze elegante wandelkaden daarvoor, met palmen, die groen verlakt aftrilden
-op een atmosfeer van levend blauwen ether;—dreef, zwaar, van onweêr zwoel en van tragedie,
-eene sombere lucht vol grauw, als een gevaarte aan den hemel. En die grauwe lucht
-was vol geheim, was vol van toekomst, van vreemde toekomst; ze stortte geen onweêr
-uit, maar bleef hangen over de stad; ze sloeg alleen vale schaduwen neêr over de blankheid
-harer paleizen, over de breedte harer pleinen en straten, over de blauwte van hare
-zee, heure haven, waar de schepen recht, stil, angstig, opboomden naar omhoog.
-</p>
-<p>Wit, vierkant, massief, in het groen der Elizabethparken, in het intimere mysterie
-van zijn eigen groot platanenpark—het park der beroemde platanen van Lipara, boomen
-van roem—lag het Imperiaal, het keizerlijk paleis, quasi Moorsch met witte arcaden
-van puntbogen, lag het als de stedekroon zelve der hoofdstad; éen groot juweel van
-architectuur, van die stad, al lag het er midden in, afgesloten door al dat parkengroen.
-</p>
-<p>De keizerin, Elizabeth van Liparië, zat in den intimen salon harer vertrekken aan
-den rechtervleugel; ze zat met eene hofdame: gravin Hélène van Thesbia. De vensters
-waren open; ze openden op het park; de beroemde platanen rezen daar, knoestig-oud,
-breed, angstig, roerloos met hunne uitgeknipte bladeren, waartusschen eene dofgroene
-schemering zeefde op de gazons neêr, die liepen, zacht en gelijk gerold, naar de verte
-weg, als strak-gespannen, einde- en eindeloos <span class="pageNum" id="pb6">[<a href="#pb6">6</a>]</span>uitgemeten fluweel, weg naar eene violette verschiet-verte; met, ergens, als ééne
-gillend witte vlek, éen beeld.
-</p>
-<p>Een groot zwijgen suisde uit het park zijne vreemde hoorbaarheid van stilte naar binnen;
-het suisde rond om de keizerin. Zij zat daar, glimlachend; zij luisterde naar Hélène,
-die las; zij poogde te luisteren, zij verstond niet altijd. Eene nerveuze vrees was
-in haar, omving haar geheel als met een niet zichtbaar net van mazen, onbreekbaar.
-Die vrees was om haren man, hare kinderen: haren oudsten zoon, hare dochters, haren
-jongsten jongen. Die vrees, ze kroop over het tapijt, onder hare voeten; ze hing van
-het plafond, boven haar hoofd; sloop om haar rond, door geheel de kamer. Die vrees
-was in het park; ze kwam van ver, uit de violette verschieten; langs de gazons streek
-ze en over de open vensters klom ze naar binnen; ze viel uit de boomen; uit de lucht,
-de grauwe lucht van onweêr, viel ze neêr. Door Lipara, door heel Liparië, het geheele
-rijk, trilde die vrees, trilde ze naar binnen, in de keizerin, vulde ze haar geheel …
-</p>
-<p>Toen haalde Elizabeth diep adem, en glimlachte. Hélène had, bij een zin, tot haar
-opgekeken, met een licht effect van stem en oogen voor den dialoog in den roman; daarom
-glimlachte de keizerin en luisterde ze nu weêr. De angst bleef in haar, maar ze doofde
-dien met veel berusting, berusting in wat zijn zoû, zijn moest.
-</p>
-<p>De roman, dien Hélène las, was Daniële Cortis, een werk, dat opgang maakte aan het
-hof, omdat de prinses Thera het mooi had gevonden. Zorgvuldig en vol intonatie las
-de gravin voor; de arabesken van het Italiaansch ontspitsten aan hare lippen met eene
-elegance van heel puntig Venetiaansch glaswerk, bloemerig en doorglanzend. En de keizerin
-verwonderde zich er om, dat Hélène zoo mooi kon lezen en niet scheen te voelen dien
-angst, die toch overal omsloop, als een spook.
-</p>
-<p>Er werd geklopt aan de deur van de antichambre, een lakei opende en eene hofdame verscheen
-tusschen de portière, met eene buiging.
-</p>
-<p>—Zijne Hoogheid, prins Herman … diende zij aan met eene stem, die wat weifelde, als
-wist zij, dat dit namiddaguur van de keizerin bijna heilig was.
-</p>
-<p>—Verzoek den prins hier te komen! antwoordde de keizerin; <span class="pageNum" id="pb7">[<a href="#pb7">7</a>]</span>hare stem klonk hoog vriendelijk en toch innemend sympathiek;—wij wachten den prins
-al zoo lang …
-</p>
-<p>De deur bleef open, de hofdame ging, de lakei wachtte bij de portière, onbewegelijk,
-tot de prins komen zoû. Zijn stevige tred klonk, gauw naderend aan, door de antichambre
-en aangenaam kwam hij binnen, vriendelijkheid op zijn gezond rood gezicht, pleizier
-van weêrzien in zijn groote grijze oogen, waarin een zwarte pupil blonk. De lakei
-deed de deur achter hem toe.
-</p>
-<p>—Tante!
-</p>
-<p>De prins trad, met zijne beide handen toegestoken, naar de keizerin; zij was opgestaan,
-evenals Hélène, en zij kwam hem een pas tegemoet, zij nam zijne beide handen aan en
-duldde, dat hij haar op beide wangen hartelijk zoende.
-</p>
-<p>Hélène boog.
-</p>
-<p>—Freule van Thesbia … groette de prins.
-</p>
-<p>—Eindelijk dus! zei de keizerin, schertsend ontevreden; ze schudde haar hoofd, maar
-ze kon niet anders dan vriendelijk blijven kijken naar zijn prettig mooi, gezond gezicht.
-Waarom heb je niet zéker willen telegrafeeren wanneer je kwam? Othomar was dan aan
-het station geweest, maar nu …
-</p>
-<p>Ze haalde, ongelukkig glimlachend, hare schouders op, als om te zeggen dat het nu
-niet anders had kunnen zijn, of zijne ontvangst was maar tel quel geweest …
-</p>
-<p>—Tante! sprak Herman; de klank van zijne stem wilde zeggen, dat hij dit nooit van
-Othomar zoû willen eischen; ik ben uitstekend ontvangen geworden: de generaal Ducardi,
-Leoni, Fasti, onze waarde ambassadeur en Siridsen …
-</p>
-<p>—Het zal Othomar toch spijten; zei de keizerin; hij is nu gaan toeren met Thera; Thera
-ment haar nieuwe vossen. Ik begrijp niet, dat ze gegaan zijn; ze zullen regen krijgen!
-</p>
-<p>De keizerin was weêr gaan zitten met een angstigen blik naar het weêr buiten; de prins
-en Hélène zetten zich eveneens. Een kruisvuur van vragen naar de beide families ontvonkte
-tusschen de keizerin en haren neef; men had in enkele maanden elkaâr niet gezien;
-er was veel te bespreken; het waren tijden vol ramp en de keizerin toonde een lang
-telegram, dat de keizer uit Altara gezonden had, omtrent de <span class="pageNum" id="pb8">[<a href="#pb8">8</a>]</span>overstroomingen. Hare vingers, die het papier bleven vasthouden, trilden.
-</p>
-<p>Zij was eene vrouw van bijzondere schoonheid nog, niettegenstaande hare groote kinderen.
-Maar de charme van hare schoonheid zagen maar weinigen; in het publiek kreeg die schoonheid
-iets straks als van een camee; mooie fijne lijnen, groote koude bruine oogen, zonder
-expressie; een kouden mond van geslotenheid; voor de menschen kreeg haar rank figuur
-iets stijfs en automatisch; zelfs vertoonde zij zich zoo voor de intimere kringen
-van het hof. Maar zag men haar als nu in het geheim van haar eigen salon, met niemand
-samen dan met haren neef, wien zij bijna even liefhad als hare eigen kinderen, en
-éen hofdametje, dat zij bedierf, dan was zij, trots den angst, dien zij terugduwde
-diep in haar hart, als eene andere vrouw; in haar eenvoudig grijs zijden toilet—een
-lichten rouw voor een bloedverwant—werd het stijf automatische van haar figuur verbogen
-tot eene gracieuze lenigheid van zich houden en bewegen, even spontaan, als dat andere
-bestudeerd was; de camee van haar gelaat bezielde zich; in de oogen kwam bijna weemoed
-en een lach vooral om dien kouden mond van strakheid was als een glans van sympathie,
-waarin zij onherkenbaar scheen voor wie haar eerst gezien had, koud, stijf en strak.
-</p>
-<p>Prins Herman van Gothland was de tweede zoon harer zuster, de koningin van Gothland.
-Een groote soliede jongen in zijn klein-uniform van luitenant-ter-zee met het gezond
-Germaansch blonde van het Huis van Gothland: een stevige nek, breede schouders, de
-gebombeerde borst van een gymnast, de besliste levendigheid van beweging eener vitale
-natuur, meer dan genoeg verstand in zijn groote grijze oogen met de zwarte pupil,
-en met nu en dan een enkelen, prettig zachten toon in zijn baritonstem: een toon,
-die even lichtjes verwonderde om haar geklank en hem sympathiek maakte, als ze week
-was in zijne viriliteit. En nu hij daar zat, gemakkelijk, eenvoudig, aangenaam, en
-toch met iets van gezag, dat al te groote jovialiteit in zichzelven niet duldde, nu
-hij met zijne lieve stem sprak over zijn vader, zijne moeder, zijne <span class="corr" id="xd31e180" title="Bron: broers">broêrs</span> en zusters, vroeg naar zijn oom, keizer Oscar van Liparië, vroeg naar Othomar, Thera,
-nu, o nu wekte hij bij <span class="pageNum" id="pb9">[<a href="#pb9">9</a>]</span>de keizerin een fijn gevoel op van het sympathieke van familie, iets van een geheimen
-band van bloed, een zeer stevigen steun van verwantschap, in het izolement hunner
-onderlinge hoogheden, de hoogheden van Liparië en van Gothland; zij voelde daar, aan
-het andere einde van Europa, vér, vér van haar en toch zoo nabij door het magnetisme
-van dit fijne gevoel, dat Gothland liggen als éen groót veld van liefde, waarna zij
-hare gedachten kon laten toedrijven; zij duizelde niet meer van weemoed en van angst,
-dat zij zoo hoog was met die haar lief waren, haar man en hare kinderen, want zij
-was niet alleén hoog: in hare hoogte steunde zij tegen een andere hoogte, Liparië
-tegen Gothland, Gothland tegen Liparië; iets vochtigs van tranen kwam er om over haren
-blik, een weemoed van geluk klom er om op haren adem; het spook van angst was verdwenen;
-zij had haren neef kunnen omhelzen; zij had hem dit willen zeggen: alleen zijne aanwezigheid
-reeds gaf haar dit gevoel, gevoel van troost en van kracht; in maanden had zij het
-gemist.
-</p>
-</div>
-</div>
-<div id="s.1.1.2" class="div2 section"><span class="pageNum">[<a href="#s.1.1.2.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h3 class="main">II.</h3>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">De deur werd geopend; de lakei wachtte stijfrecht met een strakken blik, die voor
-zich uitzag, in de schemering der portière. Prinses Thera en Othomar traden binnen;
-de prinses kwam blij en vriendelijk naar haren neef toe, zij kusten elkaâr; ook Othomar
-omhelsde Herman met een enkel woord. Maar tegen de natuurlijke uitingen van de keizerin
-en van Thera, klonk dit enkel woord van den hertog van Xara bestudeerd en glimlachend
-koud aan, niet intiem en als met een zweem van etiquette, die niet noodig was. Het
-verborg niet eene doorglanzende onoprechtheid, een doorzichtbaar vertoon, dat zich
-geene moeite gaf sympathie te huichelen, maar eenvoudig-weg scheen, wat het op dit
-oogenblik niet anders kon dan schijnen: een groet van gemaakte vriendelijkheid tusschen
-neven van gelijke jaren. Prins Herman was dit gewend; tusschen Othomar en hem bestond
-geen innigheid, en vooral den eersten keer, dat zij elkaâr weêr ontmoeteden na maanden,
-trof dit: het deed de keizerin onaangenaam scherp aan.
-</p>
-<p>Opnieuw ging het gesprek door over de overstroomingen in het Noorden. De keizerin
-toonde haren kinderen het laatste <span class="pageNum" id="pb10">[<a href="#pb10">10</a>]</span>telegram, dat zij Herman getoond had; het vermeldde nieuwe rampen: weêr nieuwe dorpen
-weggespoeld, steden geteisterd door de gezwollene en overvloeiende rivieren, na een
-maand van regen, die als een zondvloed was geweest. De keizer was er om, drie dagen
-geleden, naar de Noordelijke gouvernementen gegaan, maar ieder oogenblik verwachtte
-men nu aan het hof zijn wensch, dat de kroonprins er hem vervangen zoû, daar hij zelve
-naar Lipara terug zoû keeren, om de crizis in het Kabinet.
-</p>
-<p>De kroonprins sprak hierover steeds een beetje vormelijk en koudweg. Hij was een jonge
-man van een-en-twintig jaren, klein van gestalte, slank, heel fijn van bouw, met een
-delicaat weemoedig gelaat en stil-zwarte oogen, die meestal strak voor zich uitzagen;
-een jong snorretje tinte zijn bovenlip als met een streep Oost-Indischen inkt. Hij
-droeg het hoofd wat voorover op de borst en blikte dan zoo door zijne wimpers onder-op;
-meestal zat hij zeer stil; zijne handen, die klein en breed maar fijn waren, beide
-in eene gelijke houding op zijne knieën, en hij had den tic zich de linkerhand soms
-onder het oog te brengen en—hij was wat bijziende,—dan even te turen naar zijn ring.
-Hij was strak omvangen in zijne blauw- en witte uniform van kapitein der lanciers;
-uniform, waarin hij zich meestal vertoonde in het publiek, en waarvan de zilveren
-brandebourgs eenige breedte leenden aan zijn tengerheid; om den rechterpols droeg
-hij een smallen armband van dof goud.
-</p>
-<p>—Deze brief kwam eerst, sprak de keizerin; lees eens voor, Thera …
-</p>
-<p>De prinses nam het epistel; de keizer schreef:
-</p>
-<p>—„Het hart breekt mij dit alles te zien en er zoo weinig aan te kunnen doen; de geheele
-streek ten Zuiden van den Zanthos, van Altara tot Lycilië toe, is ééne watervlakte;
-waar dorpen waren, drijven nu de ruïnes van bruggen en huizen, boomen, opeenstapelingen
-van daken, dood vee, karren en huisraad, en terwijl wij over den Therezia-dijk gingen,
-die God zij geloofd! bij Altara nog niet bezweek, spoelde een klomp van lijken langzaam
-aan, vlak voor onze voeten, in één reuzenomhelzing van den dood …”
-</p>
-<p>De kroonprins was plotseling bleek geworden; hij bleef <span class="pageNum" id="pb11">[<a href="#pb11">11</a>]</span>zitten in zijne gewone houding: hij tuurde naar zijn ring, met den tic, die hem eigen
-was. Thera las verder. Toen de kroonprins opzag, ontmoette zijn blik den blik zijner
-moeder. Zij knikte hem, zonder dat de anderen, die luisterden, het zagen, met de wimpers
-toe; hij glimlachte: een glimlach vol navranten weemoed en knikte als zij hem geknikt
-had, met die zelfde onzichtbare trilling der wimpers; het was of hij dien zachten
-groet begreep en er een vleugje troost uit putte voor een geheimzinnig verdriet, dat
-hem stil drukte in hemzelven, dat op zijne borst lag, als een beklemming van adem,
-als een cauchemar in het wakende leven.
-</p>
-<p>Maar prins Herman sprak reeds over de ministerieele crizis; men verwachtte ieder oogenblik,
-dat het autoritaire ministerie, na de nieuwe verkiezingen onmachtig in het voor het
-meerendeel constitutioneele Huis der Standen, den keizer zijn ontslag zoû bieden.
-De quaestie liep als altijd over de Grondwetherziening, die de constitutioneelen begeerden,
-de autoritairen,—op de hand van den keizer—niet. Keizerin Elizabeth zuchtte er om
-met een zucht van afmatting, hoe dikwijls was deze quaestie van Grondwetherziening,—in
-Liparië altijd grondwetuitbreiding en beperking van het keizerlijk gezag, in hunne
-regeering van meer dan twintig jaren al niet komen opdoemen als een aanval tegen haren
-man zelven! Zijne lange reeks Liparische voorouders gelijk, hereditair autocratisch,
-kon Oscar het zijn vader, Othomar XI, nooit vergeven, dat onder diens liberale regeering
-een Grondwet tot stand had kùnnen komen. En nu, in deze crizis, ze wilden niet weinig,
-de constitutioneelen. Het Huis van Adel, erfelijk autoritair, het Lichaam van den
-keizer zelve, dat alle te constitutioneele wetsvoorstellen, komende uit het Huis der
-Standen, te niet deed, ze wilden het niet meer boven zich, erfelijk en daardoor in
-zijn erfrecht altijd autoritair; ze wilden het: gekozen! Zelfs Othomar XI, modern,
-vóor een constitutie, zoû nooit hebben kunnen dulden dezen aanval op eene der aloudste
-instellingen van het rijk, aanval, die Liparië schudden zou in zijn fondament …
-</p>
-<p>Terwijl Herman hierover sprak, ter loops, met zijne woorden deze hoogst gewichtige
-quaestie vluchtig aanrakende, scheen het Othomar, alsof het hem duizelde. Een wereld
-ging <span class="pageNum" id="pb12">[<a href="#pb12">12</a>]</span>door zijn hoofd, als joeg het met snelle wolken door zijne verbeelding heen, en uit
-die wolken doemden hem vizioenen op, rossig, vaag, bliksemsnel, verschrikkelijk als
-iets van een Apocalypse, einde van het heelal in eene ontploffing van dynamiet. Uit
-die wolken flitste, gedurende eene seconde, op: een tafreel, herinnering uit de historie
-van zijn erfrijk: een der keizers van Liparië, eeuwen geleden vermoord door zijn gunsteling
-op een hoffeest. Revoluties in andere landen van Europa, de Fransche omwenteling,
-ze flikkerden met een weerschijn van bloedrood omhoog; de werkstakingen in de kwikzilvermijnen
-der Oostelijke gouvernementen grijnsden hem er uit aan, uit de wolk, de wereld van
-wolk, die stormde door zijne gedachte heen … En nog zooveel, nog zooveel, alles zoo
-snel, met de snelheid van hunne bliksems; hij kon ze niet grijpen, de rossige bliksems;
-het flikkerde maar door hem heen en dan weg, weg was het verflikkerd, ver!… En vreemd
-was het hem, dat hij daar zat, in den salon zijner moeder, het prachtige park wemelend
-achter de spiegelruiten met tinten van oud, middeneeuwsch goudleêr, nu in het lager
-schijnen der zonnestralen; zijne moeder over hem, zoo lief, zoo delicaat zacht in
-het intime van dit even alleen samen zijn; zijn neef, die sprak, en zijne zuster,
-die antwoordde, en het hofdametje, dat toehoorde met een glimlach … Hoe vreemd zoo
-te zijn, zoo gemakkelijk, zoo stil, zoo rustig, in het geheim van hun paleis, of Liparië
-niet trilde als een oude, wankele toren? O, ze spraken er over, over de crizis, Herman
-en Thera, maar wat was spreken? Woorden, altijd woorden! Waarom altijd aaneenschakelingen
-van woorden, mooie leêge woorden, die een vorst moet samenschakelen en dan zeggen
-aan zijne onderdanen, nu bij deze gelegenheid, dan bij gene! Neen, neen, hij had ze
-niet, redevoeringen! Want wat moesten ze dan toch uitdrukken, dit of dat? Wat was
-het goede, het ware, het goed-ware voor hun rijk, dit of dat? Hoe het te weten, hoe
-zeker te zijn, hoe niet meer te weifelen, te zoeken, te tasten, geblinddoekt! Had
-hij dan duizend oogen door het geheele rijk heen, zoû hij alles kunnen zien, wat gebeuren
-zoû, en was hij alwetend: zoû hij alles kunnen weten wat goed zoû zijn? De grondwet …
-was het dan goed voor een rijk een grondwet te hebben, of niet? In Rusland … was het
-in Rusland <span class="pageNum" id="pb13">[<a href="#pb13">13</a>]</span>goed? Een republiek, zou een republiek beter zijn? En wie had gelijk; had zijn vader
-gelijk, die absoluut wilde regeeren, met zijn erfelijk <span class="corr" id="xd31e207" title="Bron: huis">Huis</span> van Adel, waarin hij, Othomar, zich nu zijne intrede herinnerde als hertog van Xara,
-achttien jaren oud, met de hertogelijke kroon, en den mantel en de keten van de Orde
-van den Rijksappel. Of had het Huis der Standen gelijk: zoû het goed zijn, beperking
-van het absolutisme? Het was wel moeilijk te beslissen … De overstroomingen: „Het
-hart breekt me dit alles te zien en er zoo weinig aan te kunnen doen … tot Lycilië
-toe eene watervlakte, een klomp van lijken, in omhelzing van den dood …”
-</p>
-<p>Het lichtte.
-</p>
-<p>Zwaar doffe rommelingen gingen door de lucht; dikke druppelen vielen hard als liquide
-hagel neêr op de bladeren der platanen; het geheele park scheen te sidderen, angstig
-voor de wolkbreuk, die komen zoû. Hélène was opgestaan en sloot het open venster.
-</p>
-<p>Toen hoorde Othomar een vreemde klank: Syrië … Spraken zij al niet meer over het Huis
-van Adel? Syrië, Syrië …
-</p>
-<p>—De koning en koningin zouden de volgende week gekomen zijn, maar ze hebben nu hun
-bezoek uitgesteld, zei de keizerin.
-</p>
-<p>—Om de overstroomingen, vulde Thera aan. Ze gaan nu eerst naar Constantinopel. Ik
-woû, dat ze maar bij den Sultan bleven …
-</p>
-<p>—Die visite lijkt me tenminste nog al een corvée, lachte Herman, en hoe lang blijven
-ze, tante?
-</p>
-<p>Keizerin Elizabeth haalde hare schouders op, om te zeggen, dat ze niet wist: het aanstaand
-bezoek van den koning en de koningin van Syrië was haar, zoowel als den keizer, tegen,
-maar het was niet te ontduiken … Om Hélène echter wilde zij er niet veel over spreken
-en zeide:
-</p>
-<p>—Alle hoffeesten zijn nu, zooals je weet, uitgesteld, Herman, alles om die ontzettende
-ramp. Je zal het stil hebben, mijn jongen. Ga van avond met Othomar meê naar graaf
-Myxila …
-</p>
-<p>Graaf Myxila, de Rijkskanselier, vierde dien dag zijn zestigsten verjaardag. Hij was
-de voornaamste gunsteling van den keizer; dien morgen was hij bij de keizerin zijne
-gelukwenschen <span class="pageNum" id="pb14">[<a href="#pb14">14</a>]</span>komen ontvangen; de kroonprins, op verlangen van den keizer, zoû dien avond een oogenblik
-op het feest in het Kanselarij-paleis verschijnen.
-</p>
-<p>Prins Herman zag naar Othomar, vragend, als verwachtte hij ook een woord van dezen:
-</p>
-<p>—Natuurlijk … haastte de hertog van Xara zich te zeggen; Myxila zal er wel op rekenen
-Herman te zien …
-</p>
-</div>
-</div>
-<div id="s.1.1.3" class="div2 section"><span class="pageNum">[<a href="#s.1.1.3.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h3 class="main">III.</h3>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Toen Othomar en Herman des avonds, in een stortregen, om half-elf uit het Kanselarij-paleis
-terug kwamen, wist men ook bij de keizerin, dat het ministerie zijn ontslag had aangeboden;
-de prinsen hadden bij graaf Myxila de ministers ontmoet; de crizis had onder de uiterlijke
-mondainiteit der soirée getrild als eene dreigende huivering. Ook was er een telegram
-van den keizer aan den hertog van Xara:
-</p>
-<blockquote>
-<p class="first">„Ik draag uwe Keizerlijke Hoogheid op zich morgen naar Altara te begeven.
-</p>
-<p class="signed">Oscar.”</p>
-</blockquote><p>
-</p>
-<p>Het telegram was geene verrassing, maar het natuurlijk gevolg van het ontslag der
-ministers, en de terugkomst van den keizer, want de keizer wilde het terrein van de
-ramp niet verlaten zonder den troost, dat de troonopvolger hem er vervangen zoû.
-</p>
-<p>Othomar trok zich, na een oogenblik bij de keizerin, terug in zijne eigen kamers.
-Hij ontbood zijn adjudant, prins Dutri, en hield met dien een paar woorden van korte
-beraadslaging; de adjudant haastte zich daarna met veel drukte weg. In de kleedkamer
-vond Othomar zijn kamerdienaar, Andro, door een der kamerheeren gewaarschuwd, al bezig
-met pakken.
-</p>
-<p>—Pak niet te veel in, Andro, sprak hij, terwijl de kamerdienaar eerbiedig van voor
-een koffer oprees; dat is maar ballast …
-</p>
-<p>Zoodra hij dit gezegd had, wist hij eigenlijk niet waarom. De kamerdienaar scheen
-er zich ook niet aan te storen; opnieuw geknield voor den koffer pakte hij in, wat
-hem goed dacht. Het zoû wel goed zijn zoo als Andro het deed, dacht Othomar.
-<span class="pageNum" id="pb15">[<a href="#pb15">15</a>]</span></p>
-<p>En hij wierp zich neêr in een stoel van zijn kabinet. Een venster was open; een enkele
-staande lamp, in een hoek, gaf niet veel licht. Buiten stortte de woedende kletregen
-neêr; een vochtige adem van natte bladeren dreef naar binnen.
-</p>
-<p>De prins was moê, te moê, dan dat hij Andro zoû roepen om zijne nauwsluitende verlakte
-laarzen uit te trekken. Hij droeg, wit met goud, zijn uniform van kolonel der Garde
-van den Troon, de keizerlijke lijfgarde; de keten van de Orde van den Rijksappel hing
-om zijn hals, andere ridderorden bestarrelden hem hier en daar de borst. Voor zijn
-oogen dwarrelde nog het feest van den Rijkskanselier; in zijne hersens ruischten,
-tegelijk met den regen, de noodzakelijke gesprekken over de crizis, het ministerie,
-het Huis van Adel. Hij zag zichzelven voor zich: de kroonprins, altijd de kroonprins,
-altijd te neêrbuigend, te minzaam, niet vrij genoeg, niet eenvoudig, niet gemakkelijk,
-als Herman, en hij zag Herman, die zich met gemak bewoog in de zalen van het Kanselarij-paleis,
-die zich, eenvoudig weg, liet voorstellen aan de dames, nu eens door graaf Myxila,
-dan door een adjudant. En hij benijdde zijn neef, die tweede zoon was. Herman deed
-niet als hijzelve, de atmosfeer om zich heen bevriezen, aanstonds bevriezen, door
-den koud keizerlijken glans van zijn kroonprinsschap.
-</p>
-<p>Hij zag de ministers voor zich. De ministers, die zouden aftreden, elk van hen met,
-in zijn hart, zijne eigen belangen, in plaats van Liparië; hij vermoedde dit om hunne
-nederige wijze van zijn, tegenover hem, den kroonprins, toen hij ze allen had aangesproken,
-allen … Hij voelde, dat ze zich maar voordeden, dat er veel in hen was, dat ze niet
-schijnen lieten en hij vroeg zich in eens af: waarom, waarom dit alles zoo, waarom
-zooveel schijn, alles schijn …? Pijn deed het hem nu, diep in zijne borst; de strakte
-van zijne bestarrelde uniform benauwde hem …
-</p>
-<p>De oude gravin Myxila zag hij voor zich en enkele andere dames die hij had zien nijgen
-in het geknak harer slepen en het plotseling neêrgeschitter harer diamanten; die hij
-had zien kleur krijgen van genot, omdat de hertog van Xara haar had opgemerkt. Ook
-de vrouw van den opperhofmaarschalk, de hertogin van Yemena, die zoo langen tijd van
-het hof afwezig <span class="pageNum" id="pb16">[<a href="#pb16">16</a>]</span>geweest was, in eene zelfverbanning op haar goed in Vaza, hij zag ze voor zich, zooals
-ze naar hem toe was gekomen, geleid door Prins Dutri. Want hij kende haar niet; toen
-zij vroeger aan het hof geweest was, was hij een jongen geweest van vijftien jaar;
-streng, militair opgevoed, weinig bij de keizerin en nooit op de feesten van het hof,
-hij had toen de hertogin nooit gezien.
-</p>
-<p>Nu, in de schemering van die éene lamp, met de woede van het weêr daar buiten, zag
-hij haar weêr en ze werd als transparant in de stralen van den regen; vreemd scheen
-ze door den regen heen, als door een gordijn van natte mousseline. Eene groote vrouw,
-met hare rijke vormen, half naakt onder het witte gevlam der rivière, zoo kwam ze
-naar hem toe, het haar blauwzwart met glans er over, het gelaat wat bleek onder een
-licht waas van roze poeier; zoo kwam ze nader, langzaam, weifelend, in haar goudgeel
-broché satijn met zwaar sabelbont omzoomd; zoo boog ze voor hem, in nederig diepe
-neiging voor keizerlijkheid; het hoofd knakte haar op de borst, de tiara in het zwarte
-haar schoot stralen, haar geheele gestalte golfde met ééne slangelijn van gratie naar
-beneden, in de stof van goudglans, die haar boezem omglinsterd hield en op de dikke
-plooien van den sleep scheen te breken met kantlijnen van licht. Hij had tot haar
-gesproken. Ze was gerezen uit de golving harer gratie van nederigheid; ze had hem
-geantwoord, hij wist niet meer wat; hare oogen hadden als zwarte sterren geschitterd
-op de zijne. Zij had indruk op hem gemaakt. Hij meende, omdat hij veel van haar had
-hooren spreken, als van eene vrouw met een leven vol passie: iets, dat hem raadsel
-was. Zijne opvoeding was militair en streng zuiver geweest, zijne jongelingsjaren
-waren kuisch gebleven te midden der gemakkelijke zeden van het hof, misschien omdat
-zijne ouders, na eene lange scheiding, voor henzelven, in stil geheim, weêr tot <span class="corr" id="xd31e249" title="Bron: elkaar">elkaâr</span> gekomen waren, in eene behoefte aan familieleven en steun op <span class="corr" id="xd31e252" title="Bron: elkaar">elkaâr</span>; keizerin Elizabeth had keizer Oscar vergeven en zich geschikt in zijn ontrouw als
-in een noodlot. Om zich heen had Othomar niet gezien het leven der zinnen. Aan de
-universiteit te Altara, waar hij gestudeerd had, had hij zich niet dan officieel gemengd
-in de genoegens der studenten; hij was altijd de kroonprins gebleven, niet uit <span class="pageNum" id="pb17">[<a href="#pb17">17</a>]</span>hoogheid, maar uit niet anders kunnen, uit gebrek aan gemakkelijkheid en tact.
-</p>
-<p>En, als het onbekende, had iets in de hertogin indruk op hem gemaakt. Hij voelde in
-deze vrouw, die met haar sfinxe-lach zoo diep voor hem neeg, een wereld van gevoel
-en wetenschap, die niet in hem was; hij had zich tegenover haar arm gevoeld, klein
-en onbeduidend. Wat was dat, dat in haar was en niet in hem? Was het een raadsel der
-ziel? Waren er zulke dingen, zieleraadsels, en was het de moeite waard zich er in
-te verdiepen? Zoo eene vrouw als zij, was die niet geheel anders dan zijne moeder
-en zijne zusters? Of spraken zijne adjudanten, onder hen, ook over zijne zusters,
-zooals ze over de hertogin spraken? En dat leven van passie, dat leven van liefde
-voor zoo velen, was dat eene waarheid? Lasterden zij niet, de adjudanten, of minstens,
-lieten zij de waarheid niet anders schijnen dan ze was, zooals ze altijd deden, in
-alles? alsof om een vorst de waarheid altijd anders schijnen moest dan om een onderdaan?
-</p>
-<p>Hij voelde zich moê. En hij bleef zitten, de dwarreling der vreemde beelden van dat
-feest door eene transparantheid van regen uit zich pogende voort te drijven en tevergeefs.
-Voor hem, als in zijne kamer, liepen daar allen door elkaâr, de ministers, de adjudanten,
-graaf Myxila en de hertogin.
-</p>
-<p>Een klop, een kamerheer.
-</p>
-<p>—Prins Herman vraagt of hij Uwe Hoogheid even storen mag.
-</p>
-<p>Hij knikte van ja. Prins Herman kwam na een oogenblik binnen.
-</p>
-<p>—Je bent altijd welkom, Herman! sprak Othomar, en zijne stem klonk, ondanks hemzelven,
-koud.
-</p>
-<p>—Ik kom je even iets vragen, sprak Herman van Gothland. Ik zoû gaarne met je meêgaan
-naar Altara, morgen. Maar ik wil verzekerd zijn, dat je het goed vindt. Ik zoû het
-ook uit mezelven niet gevraagd hebben, als tante er niet over gesproken had. Wat vindt
-je?
-</p>
-<p>Othomar zag Herman aan; zijne koele stem mishaagde Othomar.
-</p>
-<p>—Als je het doet uit belangstelling, omdat je nu toch te Lipara bent, zeker … begon
-hij.
-<span class="pageNum" id="pb18">[<a href="#pb18">18</a>]</span></p>
-<p>—Laat me je nog eens zeggen: ik doe het voornamelijk om … tante.
-</p>
-<p>Zijne stem klonk zeer nadrukkelijk.
-</p>
-<p>—Doe het dan om haar, antwoordde Othomar zacht. Het zal mij heel aangenaam zijn, als
-je meêgaat terwille van mijn moeder.
-</p>
-<p>Herman was zich bewust onnoodig koel en nadrukkelijk te zijn geweest. Hij had er spijt
-van. De keizerin had hem verzocht Othomar te vergezellen. Hij had eerst geaarzeld,
-wetende, dat er sympathie ontbrak tusschen Othomar en hem. Toen had hij toegegeven,
-maar niet geweten hoe het Othomar te vragen. Zijne gewone gemakkelijkheid had hem
-in den steek gelaten, zooals altijd, tegenover Othomar.
-</p>
-<p>—Goed dan … stamelde Herman onhandig.
-</p>
-<p>Othomar stak zijne hand uit:
-</p>
-<p>—Ik begrijp je bedoeling heel goed. Mama heeft gaarne, dat je met me meê gaat, omdat
-ze dan weet, dat er iemand bij me is, dien ik álles zoû kunnen vertrouwen. Niet waar?
-</p>
-<p>Herman drukte zijne hand.
-</p>
-<p>—Ja! sprak hij, blij, prettig; zonder afgunst, dat Othomar in dit gesprek meester
-bleef, zeer verheugd, dat zijn neef het zoo opnam. Ja, juist. Zoo is het. Laat me
-je nu niet meer ophouden, het is al laat. Adieu …
-</p>
-<p>—Adieu …
-</p>
-<p>Herman ging. Het stortregende steeds. Othomar was weêr gaan zitten; de kilte van den
-regennacht drong koud naar binnen en viel op zijne schouders. Roerloos bleef hij staren
-op de punten zijner laarzen.
-</p>
-<p>Andro kwam zacht binnen.
-</p>
-<p>—Verlangt Uwe Hoogheid …?
-</p>
-<p>Othomar knikte. De kamerdienaar sloot eerst het raam toe, liet den gordijn vallen
-en knielde toen voor den prins, die hem met een gebaar van afmatting, den voet toestak,
-en de hak van zijn laars rusten deed op zijne knie.
-</p>
-</div>
-</div>
-<div id="s.1.1.4" class="div2 section"><span class="pageNum">[<a href="#s.1.1.4.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h3 class="main">IV.</h3>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Des nachts hield de stortvloed op; des morgens regende het weêr. Het was zeven uur;
-een zwoele vochtdamp sloeg tegen den kolossalen glasboog van het station aan, als
-werd <span class="pageNum" id="pb19">[<a href="#pb19">19</a>]</span>die geheel beädemd. De express stond gereed; de locomotief snoof met kort krachtige
-hijgingen, als een ontevreden, moê beest. Eene groote menigte, gonzende opeenpakking
-van vage menschen in den onduidelijken nevelmorgen, vulde den glazen hall; een detachement
-der infanterie,—twee gelederen, links en rechts; de uniformen, donkerrood, lichtgrijs;
-daarboven zwak geschitter van bajonetten,—veegde twee lange striemen van kleur dwars
-door het grauwe station heen, sneed de menigte in tweeën en hield voor de deur der
-keizerlijke wachtkamer een breede plek leêg.
-</p>
-<p>Door de menigte huiverde ontevredenheid; er flitsten booze blikken; ruwe woorden knetterden
-kort door de lucht, vloeken; een minachtend lachen deed zich even in een hoek hooren.
-</p>
-<p>Men wachtte lang; toen klonk buiten gejuich; de prins was aangekomen, vóór het station.
-De wachtkamer vulde zich met uniformen, flauw schitterend in den morgen; korte zachte
-gesprekken gingen om.
-</p>
-<p>Othomar trad binnen, met Herman, en den markies van Dazzara, den gouverneur der rezidentie,—hoogste
-militaire autoriteit,—wiens rijke uniform afstak tegen de eenvoudigere der anderen,
-zelfs die der prinsen; adjudanten-generaal, Liparische en Gothlandsche adjudanten,
-ordonnans-officieren volgden hem. De burgemeester der stad, de directeur van het spoorwezen
-traden Othomar tegemoet, begroetteden hem; de burgemeester verloor zich in lange frazen
-voor de beide prinsen.
-</p>
-<p>—Waarom is de toegang tot het perron niet verboden aan het publiek? vroeg generaal
-Ducardi aan den directeur; de adjudant-generaal toch had door de kanten gordijnen
-even op het perron gezien, nieuwsgierig om het gegons daarbuiten.
-</p>
-<p>De directeur haalde zijn schouders op.
-</p>
-<p>—Dat was ook het eerste plan; het is ook zoo geweest toen de keizer wegging, antwoordde
-hij. Maar een speciale boodschap uit het Imperiaal liet ons dringend verzoeken, het
-perron niet af te sluiten; het was het verlangen van den hertog van Xara.
-</p>
-<p>—En al die soldaten dan?
-</p>
-<p>—Op bevel van den gouverneur van de rezidentie; een <span class="pageNum" id="pb20">[<a href="#pb20">20</a>]</span>ordonnans-officier kwam ons zeggen, dat er een detachement infanterie zoû aanrukken,
-als eerewacht.
-</p>
-<p>—Kwam die ordonnans-officier ook uit het Imperiaal?
-</p>
-<p>—Neen, van het Gouvernementspaleis …
-</p>
-<p>Ducardi haalde de schouders op; een nijdig gebrom deed zijn groote grijze snor trillen.
-Hij ging recht op den kroonprins af.
-</p>
-<p>—Weet Uwe Hoogheid, dat er een detachement infanterie buiten staat? brak hij de lange
-zinnen van den burgemeester af. De gouverneur hoorde hem en trad nader.
-</p>
-<p>—Een detachement …? Neen … sprak Othomar verbaasd.
-</p>
-<p>—Had Uwe Hoogheid dan niet bevolen? ging Ducardi voort.
-</p>
-<p>—Ik? Neen … herhaalde Othomar <span class="corr" id="xd31e311" title="Bron: weer">weêr</span>.
-</p>
-<p>De gouverneur boog diep; hij werd zenuwachtig door de forsche stem van den generaal,
-die luid sprak.
-</p>
-<p>—Ik meende! sprak hij netjes, maar mompelend, stotterend,—en hij poogde te zijn nederig
-voor den prins en tegelijk hoog voor den generaal—ik meende, dat het goed zoû zijn
-Uwe Hoogheid te vrijwaren tegen mogelijke … mogelijke onaangenaamheden, vooral omdat
-Uwe Hoogheid wenschte … wenschte, dat het perron voor het publiek toegankelijk zoû
-zijn …
-</p>
-<p>Othomar had, als Ducardi, naar buiten gezien: de infanterie en haïe, de menigte daarachter,
-boos, gonzend, grijs, dreigend.
-</p>
-<p>—Maar Excellentie! sprak hij hoog tegen den gouverneur! dan was het nog maar beter
-geweest het perron te laten afsluiten! Dit is geheel verkeerd! De stadspolitie zoû
-voldoende zijn geweest om wat te dicht bij dringen tegen te houden.
-</p>
-<p><span class="corr" id="xd31e319" title="Niet in bron">—</span>Ik was bang voor … voor onaangenaamheden, Hoogheid! Onrustige tijden, het volk zoo
-ontevreden, fluisterde de gouverneur, bang gehoord te worden door de adjudanten.
-</p>
-<p>—Geheel verkeerd! herhaalde Othomar driftig, zenuwachtig opgewonden. Laat de infanterie
-oprukken!
-</p>
-<p>—Onmogelijk nu, Hoogheid! haastte Ducardi zich te zeggen, met een ongelukkige glimlach.
-U begrijpt, dat dàt niet kan.
-<span class="pageNum" id="pb21">[<a href="#pb21">21</a>]</span></p>
-<p>Het gesprek was terzijde gevoerd, in een half fluisterenden toon; toch scheen men
-te luisteren; alle oogen tuurden naar de groep om de prinsen; alle anderen zwegen.
-</p>
-<p>—Laat ons dan dien treurigen toestand zoo min mogelijk rekken; we kunnen zeker gaan!
-sprak Othomar en zijne stem trilde hoog, jong, zenuwachtig in zijne heldere keel.
-</p>
-<p>De deuren openden zich; Othomar in zijn haast, trad het eerst naar buiten; de adjudanten
-en ordonnans-officieren volgden hem niet dadelijk, daar zij moesten uitwijken voor
-prins Herman, die zich toevallig wat achteraf bevond. Herman haastte zich bij Othomar;
-de anderen volgden.
-</p>
-<p>De prinsen maakten links en rechts eene hoofdbeweging, als wilden zij groeten; maar
-hunne oogen ontmoeten de strakke ronde oogen der soldaten, die in één flits het geweer
-prezenteerden; ze salueerden en liepen door naar den coupé, een beetje vlug, met een
-onaangenaam gevoel over den rug.
-</p>
-<p>Onder den reusachtigen glazen boog van het station achter de gelederen der soldaten,
-zweeg de menigte doodstil, want het gonsen verstomde bijna; vloek, noch minachtend
-lachen werd meer gehoord, maar ook geen gejuich, geen leve, dat zoet is aan het oor
-der vorsten.
-</p>
-<p>En de gezichten van dat vage volk, door uniformen en bajonetten afgesloten van hun
-toekomstigen beheerscher, bleven strak, met doffe, haatdragende oogen, met opeengesloten
-monden, vol ingehoudenheid, turen, hem als wegkijkende in den keizerlijken coupé.
-</p>
-<p>Uit de vensters wuifden de prinsen met de hand de autoriteiten toe, die op het perron
-stonden, buigend, salueerend. De locomotief floot, krijschte, verscheurde de nauwe
-vocht-atmosfeer onder den koepel; de trein verliet het station, reed den vroegen morgen
-in, die lichter was buiten den glasboog; gleed als over de regenstad heen op viaducten;
-kanalen, straten, pleinen onder zich; verder op de tinnen en spitsen der paleizen
-en kerken; de twee marmeren torens van den Dom—met de duiven die nestelen in de Renaissance-arabesken
-van het kantwerk zijner spitsen,—reeds vaal wit op wat blauw wordende lucht; dan,
-midden in de stad,—groen, wijd, éene oaze—de Elizabethperken, de blanke massa van
-het Imperiaal, en daarachter de reuzenbocht der kaden, de haven <span class="pageNum" id="pb22">[<a href="#pb22">22</a>]</span>met haar mastenwoud, de ovale bocht van den horizont der zee, alles nat, glinsterend,
-verregend.
-</p>
-<p>Somber zag Othomar voor zich, Herman glimlachte hem toe.
-</p>
-<p>—Kom<span class="corr" id="xd31e339" title="Niet in bron">,</span> denk er niet meer aan, ried hij aan; en, lachend:
-</p>
-<p>—Onze arme gouverneur zal er slecht van dineeren vanmiddag!
-</p>
-<p>Generaal Ducardi bromde een vloek binnen-in:
-</p>
-<p>—Allerstomst … hoorde Herman hem mompelen.
-</p>
-<p>—Ik wilde ze toonen, sprak Othomar in eens …; hij had willen zeggen: dat ik niet bang
-voor ze ben; hij sloeg een blik om zich heen, zag de oogen van prins Dutri, zijn adjudant,
-als bazilisken op hem gevestigd, en liet zijne stem van trotsch, weekhartig worden;
-treurig weg besloot hij:
-</p>
-<p>—… dat ik ze liefheb en zoo geheel en al vertrouw: waarom moest het nu zoo uitvallen …
-</p>
-<p>De weekheid zijner stem had geklonken om prins Dutri te behagen; maar ze mishaagde
-den generaal; hij zag eerst zijn kroonprins van terzijde aan en toen naar den prins
-van Gothland; hij vergeleek: zijn oog bleef, waardeerend, goedkeurend, met soldatesk
-pleizier hangen aan den flinken luitenant-ter-zee, breed en sterk, de handen op de
-dijen, een beetje voorover gebogen, de witte rezidentie nakijkend, die voor zijne
-oogen achterweg werd getrokken door de schuine stralen van regen heen …
-</p>
-<p>Na vier uur sporen, Novi, in het gouvernement van Xara. De trein staat stil; de prinsen,
-hun gevolg stappen uit, raadplegen klokken, horloges. Men verwondert zich, men wandelt
-op en <span class="corr" id="xd31e350" title="Bron: neer">neêr</span> over het perron, een half uur, een uur lang; prins Herman gaat in druk gesprek met
-den stationschef. Het regent steeds.
-</p>
-<p>Eindelijk wordt de express van Altara geseind. Zij glijdt binnen, staat stil; uit
-den keizerlijken coupé treedt keizer Oscar; generaals, adjudanten volgen hem; hunne
-uniformen, ook die van den keizer, hebben iets van hare strakheid verloren en plooien
-wat moê om hunne schouders heen, als kleederen lang gedragen. De keizer, nog jong,
-breed en stevig, en maar even grijzend, gaat met een flinken stap, hij omhelst zijn
-zoon, zijn neef, kortaf gauw. De vorstelijke personen verdwijnen <span class="pageNum" id="pb23">[<a href="#pb23">23</a>]</span>in de wachtkamer; Ducardi en een der Gothlandsche officieren volgen hen. Het onderhoud
-duurt echter kort; na tien minuten komen zij weder op het perron; haastige woorden,
-handdrukken worden gewisseld; de keizer stapt opnieuw in zijn coupé; de kroonprins
-in den zijne. De trein van den prins wacht, tot die zijns vaders—met éene laatste
-wuifhand,—kruist; daarna spoort ook die weg …
-</p>
-<p>Zorg ligt als een wolk op Othomars voorhoofd. Hij herinnert zich zijn vaders woorden:
-wanhopig onze mooie, oude stad; de Therezia-dijk misschien aan het zwichten; zoo weinig
-energie bij het gemeentebestuur; duizenden menschen zonder dak, vluchtende, overnachtende
-in kerken, publieke gebouwen. En zijn laatste woord:
-</p>
-<p>—Laat er naar St. Ladislas gaan …
-</p>
-<p>Othomar denkt na; een ieder zwijgt om hem heen, gedrukt door den naklank der keizerlijke
-woorden, die de ramp weêr opnieuw schilderen, weêr frisch hen voor de oogen brachten;
-de oogen van Ducardi, die zich beter vechtmajoor weet dan trooster in watersnood,
-de oogen van Dutri, nog vol van den mondainen glans der onvergelijkbare rezidentie.
-Iets van hun eigenbelang begint te zwijgen; gedachte aan wat zij zien zullen, trekt
-door hen heen.
-</p>
-<p>En Othomar denkt na. Wat zal hij doen, wat kàn hij doen? Is het niet te veel wat men
-van hem vergt? Kàn hij den drang der wateren tegengaan?
-</p>
-<p>—Oh, die regen, die regen! mompelt hij, en balt zijne vuist, stil.
-</p>
-<p>Nog vijf uur sporens, de torens der stad, de gekartelde lijnen en titanische vlakken
-van het sterke St. Ladislas schieten aan den horizont op, schuiven op zij naderbij.
-De trein staat stil, in het land, bij een kleine halte, de prinsen weten, dat het
-Centraal Station overstroomd is; aan de halte is de geheele spoordirectie overgebracht.
-En eensklaps staan zij voor de gladde, groene vlakte van water; voor den Zanthos,
-die zich uitgestort heeft; éene zee van water, breed en effen, nauwelijks gerimpeld,
-als eene, al gestilde gramschap. Een pont wacht, die hen overbrengt tusschen ruïnes
-van huizen, drijvend huisraad. Een dood paard haakt aan die pont vast, een muffe lucht
-van vochtig bederf waart om. Bij een ingestort <span class="pageNum" id="pb24">[<a href="#pb24">24</a>]</span>huis zijn ponteniers bezig een lijk op te visschen, het hangt aan hunne haken, met
-slappe armen en lange natte haren, het vale lijkhoofd achterover; het is een vrouw.
-Herman ziet Othomars lippen trillen.
-</p>
-<p>Nu varen zij door een straat, verlaten hooge huizen eener arme voorstad. Dit gedeelte
-is reeds dagen overstroomd. Zij landen aan een plein; het volk is daar; het juicht.
-Luider en luider juichen zij; geroerd om hun prins, die over het water komt, naar
-hen toe, om hen te redden. Een troep studenten schreeuwen, roepen zijn naam en leve,
-en zwaaien hunne kleurige petten.
-</p>
-<p>Othomar drukt den burgemeester, den minister van waterstaat, den gouverneur van Altara,
-andere autoriteiten de hand. Zijn hart is vol; hij voelt eene snik onder zijne borst
-wellen.
-</p>
-<p>Uit den troep studenten treedt een te voorschijn, een groote, lange jongen.
-</p>
-<p>—Hoogheid! roept hij; mogen wij Uw lijfwacht zijn?
-</p>
-<p>De etiquette bestaat hier nauwelijks, al kijken ook de autoriteiten boos. Othomar
-herinnert zich zijne studentenjaren, nog zoo lang niet geleden, drukt den student
-de hand; prins Herman ook, en de studenten zijn opgewonden en roepen weêr leve, leve,
-en leve Othomar en leve Gothland!
-</p>
-<p>Achter het plein raadt men de stad in nood, stillen nood van nog grooter dreigend
-gevaar; de oude kroningsstad, de tweede van het rijk, stad van geleerdheid en traditie,
-somber monument der middeneeuwen; grauw steekt ze af tegen het blanke Lipara, dat
-daar ginds lacht en mooi is van nieuw marmer aan hare blauwe zee, maar dat zijne vorsten
-niet heeft zoo lief als zij, de onttroonde hoofdstad met haren Romaanschen reuzendom,
-waar de heilige keizerskroon met het kruis van St. Ladislas gedrukt wordt om de slapen
-van iederen keizer van Liparië. Zijn hare gebieders haar ook ontrouw en wonen zij
-sedert eeuwen in hun wit Imperiaal daarginds, en niet meer op den ouden gekartelden
-burcht van den schutsheilige van het rijk, zij, de oude stad, de moeder van het land,
-blijft ze trouw in hare moederliefde, en niet om den eed: om het bloed, om het hart,
-om geheel haar leven, dat hare oude traditie is …
-<span class="pageNum" id="pb25">[<a href="#pb25">25</a>]</span></p>
-<p>Maar, als zijn vader, zoû Othomar dezen keer niet naar den slotburcht van St. Ladislas
-gaan; het kasteel lag te hoog, en te ver van de stad, te ver van de ramp. Open hofrijtuigen
-wachtten; zij stegen in, de studenten slingerden zich te paard; de prinsen zouden
-hun intrek nemen in het paleis van den Aartsbisschop-kardinaal, den Primaat van Liparië,
-in het Episcopaal, dat met den Dom en het Oude Paleis éene kolossale, oude grauwe
-massa vormde, een stad op zichzelve, het hart zelve der stad.
-</p>
-<p>Zij reden vlug voort. Het volk juichte; zij zagen hen als een stoet van verlossers,
-van wie ze meenden, dat eindelijk het heil zoû komen. Tusschen het vertrek van den
-keizer en de aankomst van den prins was eene neêrslachtigheid geweest die zich bij
-het zien van Othomar tot ziekelijk enthouziasme omhoog wond.
-</p>
-<p>Het werd in eens donker, maar nog niet om het zinken der zon—vijf uur in Maart in
-het Zuiden;—het werd donker om de wolken, de gevaarten aan de lucht, die in bol gespannen
-reuzenzeilen water meevoerden, dat ze reeds weêr in druppels neêr lieten sijpelen.
-Onder die grauwe lucht klonk het volksgejuich op als in mineur, toen, op eens als
-barsteden de gezwollen wolken in éen scheur open, een zondvloed neêrstortte, als met
-éen enkel loodrecht vlak van water.
-</p>
-<p>Othomar was met Herman en Ducardi in het eerste rijtuig gezeten.
-</p>
-<p>Zoû Uwe Hoogheid het rijtuig niet dicht willen hebben? vroeg de oude generaal, die
-den prins hielp zijn burnous omslaan.
-</p>
-<p>Othomar weifelde; hij had geen tijd den generaal te antwoorden; de menigte groeide
-aan, werd dichter, juichte, en hij boog terug, salueerde, knikte. Zwaarrecht kletste
-de regen neêr. De straffe stralen liepen de prinsen en de generaal over den rug, in
-den hals, doorweekten hunne knieën. De menigte school onder een brokkelend dak van
-parapluies, als onder natte zwarte sterren te zamen, vulde de nauwe straten der oude
-stad, drong zich tusschen de voorrijders en het rijtuig; de koetsier moest langzamer
-rijden.
-</p>
-<p>—Wil je het rijtuig niet dicht laten maken? vroeg Herman Ducardi na. Othomar weifelde
-nog. Toen, en zelve vond <span class="pageNum" id="pb26">[<a href="#pb26">26</a>]</span>hij zijne woorden wat theatraal, en wist hij niet hoe ze zouden klinken, luid op:
-</p>
-<p>—Neen, laat ons niet bang zijn voor water; zij hebben immers allen door het water
-geleden, hier.
-</p>
-<p>Maar Ducardi zag hem aan: hij voelde iets in zich voor zijn prins trillen …
-</p>
-<p>Het rijtuig bleef open. In een der volgende landauers zag prins Dutri woedend naar
-voren om, of de hertog van Xara zich, en achter zich zijne adjudanten, nog langer
-zoû laten nat regenen. In de nauwe hooge straten bij den Dom werd bijna stapvoets
-gereden, dwars door het gejubel van het dringende volk door. Tot op de huid nat, kwam
-de kroonprins van Liparië met de zijnen bij den Aartsbisschop-Kardinaal aan; een spoor
-van water lieten zij achter op de trappen en corridors van het Episcopaal.
-</p>
-</div>
-</div>
-<div id="s.1.1.5" class="div2 section"><span class="pageNum">[<a href="#s.1.1.5.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h3 class="main">V.</h3>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">In andere uniformen een kort diner bij den hoogen prelaat; eenige domheeren en abten
-zitten meê aan. De zaal is groot, somber, met zwakken schijn van kaarsen nauwelijks
-verlicht; het zilver glimt dof op de oude, zwart eikenhouten dressoiren; de fresco’s
-aan den muur, heilige tafereelen, zijn naulijks te onderscheiden. Een stille haast
-doet de monden reppen; men spreekt gedempt; de lakeien, in sombere liverei, gaan als
-op de teenen rond. De kardinaal, aan wiens zijden de prinsen gezeten zijn, is lang,
-mager, met een fijn, ascetisch gezicht en de staalblauwe oogen van een dweper; zijne
-stem komt diep uit zijn keel als een orakel; hij zegt iets van den wil des Heeren
-en maakt een berustend gebaar met beide handen, de vingers even uitgespreid, zooals
-Jezus doet op oude schilderijen. Een der abten, secretaris van den kardinaal, een
-jonge man met een rond, roze gezicht en mollige witte handen, lacht even nog al luid
-op om een grap van prins Dutri, die, naast hem gezeten, iets vertelt van een gravin
-uit Lipara, die zij beiden kennen. De kardinaal kijkt den dartelen secretaris streng
-aan.
-</p>
-<p>Na een haastig diner, gaan de prinsen en hun gevolg te paard de stad in, toegejuicht
-waar zij komen. Tot dicht bij den Dom en het Aartsbisschoppelijk paleis staat het
-water al. <span class="pageNum" id="pb27">[<a href="#pb27">27</a>]</span>Groepen mannen, vrouwen, kinderen snikkend, vloeien te zamen, den prins te gemoet,
-die over de donkere pleinen rijdt; men draagt flambouwen om hem heen, daar de gaslantaarns
-niet overal branden; de rosse vlammen doen vreemd, romantisch over de oude donkere
-murenmassa’s, spiegelen zich als met lange bloedrimpels in het water, dat in de nauwe
-stegen staat. Een groot huis met vele verdiepingen en rissen kleine ramen, schijnt
-eensklaps ondergeloopen te zijn; geheimzinnig plotselinge druk der wateren, door het
-metselwerk der kelders, uit de fondamenten opsijpelend, zich verraderlijk weg banend
-door de minste voege of barst. De bewoners redden zich in kleine booten, die met roode
-lichtjes door de zwarte waterstad heen varen; een kind huilt luidkeels. Het zijn arme
-menschen, honderden, die daar te zamen wonen, als opgestapeld in doozen. De prinsen
-zijn afgestegen, gaan in een bootje, varen er heen en men weet wie ze zijn; zelve
-helpen ze een oude vrouw en drie kinderen, nat tot aan het middel, klimmen op een
-vlot; zelve geven ze geld, roepen ze bevelen. En den ouden burcht van St. Ladislas
-wijzen ze aan als toevlucht …
-</p>
-<p>Maar is er een roep opgegaan, verder, eerst in den donkeren avond onduidelijk vernomen,
-dan eindelijk duidelijker hoorbaar:
-</p>
-<p>—De Therezia-dijk, de Therezia-dijk …
-</p>
-<p>De prinsen willen er heen; te paard is het niet mogelijk; in bootjes is de eenige
-manier. Prins Herman zelve grijpt de roeispanen; in het volgende bootje beweert Dutri
-tegen Von Fest, een der Gothlandsche adjudanten, dat Venetië toch nog comfortabeler
-is …
-</p>
-<p>—De Therezia-dijk, de Therezia-dijk …
-</p>
-<p>De dijk ligt als de zwarte rug van een groot, lang dier even buiten de stad, aan den
-linkeroever van den Zanthos, en beschermt er, meestal in het voorjaar, voor opwellingen
-der rivier de geheele wijk van St. Therezia, het Oostelijk gedeelte der stad, dat
-nog al hoog ligt. Over de waterstraten glijden de bootjes voort; op het Therezia-plein
-is het mogelijk te landen: er branden lantarens, fakkels walmen, rosse vlamspelingen
-krinkelen over het water. Het plein is groot, breed; zwart staan de huizen er om heen
-en begrenzen het in den nacht met hunne onregelmatige lijnen van dakspitsen en schoorsteenen,
-<span class="pageNum" id="pb28">[<a href="#pb28">28</a>]</span>met de massieve massa van de kerk van St. Therezia, waarvan de torens zich in de donkere
-lucht verliezen; in het midden van het plein rijst een groot ruiterstandbeeld van
-een Liparisch keizer, reusachtig in bronzen onbeweeglijkheid over het kleine dwarrelen
-der menigte den arm uitzwaaiend, een zwaard in de vuist.
-</p>
-<p>Othomar en Herman hebben hunne drie adjudanten, Dutri, Leoni en Von Fest, wien men
-paarden gezocht en gezadeld heeft, weggezonden, naar den dijk toe; eene geheele buitenstad
-van villa’s, fabrieken en het station van St. Therezia beschermt die daar tegen het
-water van den Zanthos, die zijn rechteroever reeds over het land heeft uitgestort
-en dat verdrinkt. De prinsen staan in het midden van het plein op de trappen van het
-voetstuk des standbeelds; zij hebben verder voort willen gaan maar de burgemeester
-zelve heeft hen verzocht daar te blijven; verderop dreigt er ieder oogenblik levensgevaar …
-Wat men kon, heeft men reeds gedaan; er is niets meer te doen dan te wachten.
-</p>
-<p>Er verloopen kwartieren, halve uren. Het wachten op het verschrikkelijke maakt kalm;
-men hoopt weêr. De officieren rijden af en aan; de villa’s en fabrieken daar ginds
-zijn verlaten; een geheele stad ligt er leêg, ontvlucht. Prins Dutri verzekerd, draaiend
-met zijn paard, dat hij buiten adem heeft gereden, dat de dijk houden zal; nadat hij
-met de prinsen gesproken heeft, omringt men hem, het zijn de bewoners der villa’s,
-de fabrikanten, die hem met vragen overstelpen, gesterkt door de zelfbewustheid van
-den keizerlijken adjudant. Nog eens galoppeert Dutri weg.
-</p>
-<p>Daar gaan de deuren van de kerk geheel, wijd open: in het einde van perspectief, tusschen
-de zuilen, schitteren de lichtjes op het altaar; eene processie vloeit langzaam naar
-buiten; een gemyterde bisschop, priesters, choorkinderen, die zingen en vanen dragen
-en hooge kaarsen en wolken zwaaien uit hunne wierookvaten; achter het omhoog geheven
-crucifix, de reliquie van St. Therezia in haren antieken schrijn van middeneeuwsch
-goud en kristal en kostbare steenen, ruw geslepen of rond; ze wordt gedragen onder
-een baldakijn en in den dwarrelenden kaarsenschemer schittert en straalt ze als een
-heilig juweel, als een star, over dat sombere plein, door dien <span class="pageNum" id="pb29">[<a href="#pb29">29</a>]</span>zwarten nacht van onheil heen; flikkeren de reuzensmaragden, flonkert het kostelijk
-gedreven goud, en voor het Zeer Heilige wijkt de opeengedrongen menigte terzijde en
-valt ze neêr, geknield. De vijfde maal is het, dat dien dag de processie ommegaat,
-de reliquie gedragen wordt, ter bezwering van de ramp. Ze gaat voorbij het standbeeld;
-de prinsen knielen neêr; het Latijn van den zang, de glans van de reliquie in haar
-schrijn, de walm van den wierook gaat over hen heen met den zegen van den bisschop …
-</p>
-<p>Om de processie is het stil geworden op het plein, maar men hoort nu een geruisen
-als van verre … Als met éen golfslag schijnt de menigte te deinen, men knielt niet
-meer; de processie zelfs wordt verbroken en verwart zich. Door het gedrang gaat de
-mare: de dijk is gezwicht …
-</p>
-<p>Men kán nog niet gelooven, maar eensklaps dondert van boven het fort van St. Ladislas,
-dat zijne wallen om den burcht breid, een schot en dreunt over de zwarte stad, en
-davert door de zwarte lucht alsof zijn weerslag breekt tegen de lage wolken aan. Een
-tweede schot dondert na, als met reuzen-cymbalen van catastrofe, een derde … de geheele
-stad weet, dat de Zanthos den dijk heeft verbroken.
-</p>
-<p>Het geheele plein is in warrelende beweging: éen mierenhoop; hoopen laatste vluchtelingen
-komen nog aan in drommen, armen, haveloozen nu, die niet eerder hadden kunnen vluchten,
-die nog altijd hoopten; door het gedrang poogt, hijgende, vloekende, te paard, den
-angst in zijne oogen, prins Dutri het standbeeld te bereiken; het verre geruisch als
-van zee komt nader en nader. Men vlucht in alle straten, te voet of in bootjes; de
-processie in wanorde, met het geschitter van haren reliquie-schrijn, die als schijnt
-te wankelen op de golven eener menschenzee, verspreidt zich naar de kerk …
-</p>
-<p>—Is het plein zelfs niet veilig? vraagt Othomar: hij kan bijna niet spreken; zijne
-borst is geklemd als in ijzer, zijne oogen vullen zich met tranen, een onmetelijke
-wanhoop van machteloosheid en medelijden verdrinkt zijne ziel.
-</p>
-<p>De burgemeester schudt van neen.
-</p>
-<p>—Het plein ligt lager dan de buitenwijken, Hoogheid; U kan hier niet meer blijven.
-Gaat U in Godsnaam terug, met een boot, naar het Episcopaal …
-<span class="pageNum" id="pb30">[<a href="#pb30">30</a>]</span></p>
-<p>Maar de prinsen willen blijven, ook al ruischt het meer en meer.
-</p>
-<p>—Gaat U dan in de kerk, Hoogheden; daar is dan nog de eenige veilige plaats, smeekt
-de burgemeester. In Gods naam, ik bid U!!
-</p>
-<p>Het plein is reeds als schoon geveegd, de flambouwen geleiden de prinsen naar de trappen
-der kerk; als een zachte donder, die over den grond strijkt, golft de Zanthos aan.
-</p>
-<p>In de kerk galmt het orgel, zingt men, bidt men … den geheelen nacht. En den geheelen
-nacht blijft het daar buiten chaotisch zwart, zacht ruischend …
-</p>
-<p>Als de eerste schemeringen bleeken over de lucht, die in de verte roze en grijs, flauw
-opaal en parelmoêr begint op te tinten, treedt <span class="corr" id="xd31e425" title="Bron: Olthomar">Othomar</span> met Herman en de adjudanten naar buiten, op de treden der kerk.
-</p>
-<p>Het plein staat onder water; de huizen rijzen uit het water op; het standbeeld van
-Othomar III zwaait zijn bronzen arm en zwaard over een meer uit, dat rimpelt in de
-morgenbries.
-</p>
-<p>Van het Therezia-plein tot de Domplaats staat alles onder.
-</p>
-</div>
-</div>
-<div id="s.1.1.6" class="div2 section"><span class="pageNum">[<a href="#s.1.1.6.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h3 class="main">VI.</h3>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first address">Aan <br>Hare Allergenadigste Keizerlijke Majesteit <br>Elizabeth, <br>Keizerin van Liparië. <br>Altara, <br>Episcopaal, <br>Maart 18 …
-</p>
-<p class="salute">Mijn aangebeden moeder!
-</p>
-<p>Uw brief verwijt me, dat ik U niet dadelijk eergisteren geschreven heb; vergeef me,
-want zoo dikwijls zijn mijne gedachten toch vol van U geweest. Maar ik voelde mij
-gisteren zoo moê na een drukken dag, en miste ’s avonds kracht tot schrijven. Laat
-mij U nu het een en ander van mij melden.
-</p>
-<p>U beschrijft mij den vreeselijken indruk, die het te Lipara maakte, toen men des nachts
-van hier de doorbraak van den Thereziadijk seinde, en hoe U allen waakten in het Imperiaal.
-<span class="pageNum" id="pb31">[<a href="#pb31">31</a>]</span>Ook wij sliepen dien nacht niet, maar waakten in de Therezia-kerk. Men herinnert zich,
-sedert vijftig jaren, niet eene zoo verschrikkelijke overstrooming; tijdens die, welke
-mijn Vader zich herinnert uit zijne kinderjaren, was het Thereziaplein niet overstroomd
-en stond het water slechts tot de groote ijzerfabriek, naar men zegt.
-</p>
-<p>Hoe U te beschrijven, wat ik voelde in dien nacht, terwijl wij hoopten en wachtten,
-beurtelings hoopten, dat God en Zijne Heilige Moeder dit onheil van ons zouden afwenden,
-en wachtten tot de catastrofe zoû losbarsten. Wij stonden op het voetstuk van het
-ruiterbeeld en er was niets meer te doen. O, die onmacht om mij heen, die onmacht
-in mij-zelven. Telkens vroeg ik mij af, wat ik daar deed, zoo ik niets kon doen om
-mijn volk te helpen. Nooit nog, liefste moeder, heb ik dit gevoel van onmacht, van
-niets kunnen tegen wat moet gebeuren, zoo wijd zich in mijne ziel voelen uitbreiden,
-tot ze haar geheel en al met wanhoop vulde, maar ook nooit voelde ik zóo waarachtig,
-dat alle dingen van het leven twee zijden hebben, dat de grootste ramp zoowel zijne
-zwarte schaduw als zijn helderen lichtkant heeft, want nooit, o nooit, voelde ik zóo
-sterk en innig door mijne wanhoop heen, liefde voor ons volk; iets, wat ik nog niet
-wist, dat zoo als waarheid in ons hart kon bestaan, als ik het toen voelde huiveren
-door mij heen; en die liefde gaf mij een onmetelijken weemoed bij de gedachte, dat
-zij niet allen, de millioenen zielen van ons rijk, ooit zullen weten, of zoo ze wisten,
-gelooven, dat ik ze zoo liefhad, liefhad alsof er bloed van mij in hen was. Nu wil
-ik mijzelven niet bedriegen en weet ik heel goed, dat ik dit gevoel nooit zoû gevoelen
-te Lipara, maar hier voel ik het, in onze oude stad, die ons hare geheele sympathie
-geeft. Hier voel ik het, dat ikzelve ben, als onze Altariërs, meer Slavisch dan Romaansch,
-zooals onze zuidelingen in Lipara en Thracyna, hier voel ik mij van hun bloed, wat
-ik mij ginds niet voel! Er zal natuurlijk veel gesproken en geschreven zijn in de
-couranten over de onhandigheid van den markies van Dazzara met zijn dwaze eerewacht
-aan het station, bij ons vertrek; hoe het ook zij, ik voelde in den trein groote treurigheid,
-dat, terwijl ze daar toch waren om mij te zien weggaan, ze mij niet schenen lief te
-hebben; ik weet wel, dat U dit als een verkeerd <span class="pageNum" id="pb32">[<a href="#pb32">32</a>]</span>sensitivisme weêr in mij zal afkeuren, maar ik kan het niet helpen; mijn lieve moeder;
-ik ben zoo, en zoo overgevoelig voor sympathie in het algemeen en voor de uitingen
-van ons volk in het bizonder. En daarom ook heb ik ze hier lief: misschien heel eenvoudig
-en kinderachtig wel, omdat ze mij toonen lief te hebben: overal enthouziasme, en dat
-oprecht gemeend, waar wij ook komen; en toch wat kunnen wij doen, dan wat geld geven?
-Die sympathie zie ik bij het laagste volk; arbeiders en werklieden, die ik toch nooit
-gezien had met weten, en nauwelijks drie, vier woorden van troost kon zeggen—en, ik
-weet dan nooit veel anders te zeggen, het is altijd het zelfde; bij de soldaten, die
-toch wel instinctmatig voelen, al zien ze mij ook nooit anders, dan in uniform, dat
-ik geen militair in mijn hart ben; bij de studenten, bij de geestelijkheid, bij het
-gemeentebestuur en de hoogere autoriteiten. Gisteren zijn wij overal rond geweest
-op de plaatsen, die ter herberging zijn aangewezen: behalve in de barakken, in magazijnen
-en fabrieken, zelfs in enkele zalen van departementen en het Paleis van Justitie,
-in twee theaters, en in de gevangenis, arme menschen! Ook op St. Ladislas. Wij hadden
-van den Ronden Toren een uitzicht over het omliggende land: in het Oosten niets dan
-water en water, als een zee. Het hart werd mij dichtgeschroefd in de borst.
-</p>
-<p>Wij gingen ook naar de Hoogeschool: de meeste professoren kende ik nog van twee jaren
-geleden, toen ik er studeerde.
-</p>
-<p>Een verschrikkelijk schouwspel was buiten de stad; o, mama, waren het honderden, waren
-het duizenden lijken, als in een Morgue naast elkander neêrgespreid op een weiland;
-een kort oogenblik vóor de ter aarde-bestelling, om de identiteit vast te stellen!
-Navrante tooneelen heb ik gezien; mijn hart werd er onder verscheurd; troepen van
-bloedverwanten, die zochten, of snikkend, hadden gevonden. Een verschrikkelijk weeë
-lucht vervulde de geheele atmosfeer. Ik voelde mij onwel worden, en zag ook zeer wit,
-ik had al mijn energie noodig om niet te willen flauw vallen, maar Herman stak zijn
-arm onder den mijne en steunde mij zooveel mogelijk zonder ostensatie, terwijl een
-paar doktoren uit de groep der geneesheeren, met wie ik sprak, me iets gaven om aan
-te ruiken. O, mama, het was een verschrikkelijk schouwspel, al die vale, <span class="pageNum" id="pb33">[<a href="#pb33">33</a>]</span>misvormde, opgezwollen lijken op het groene gras en daarboven de hemel, die weêr diep
-blauw was geworden!
-</p>
-<p>In den gemeenteraad heb ik volgens Uw verlangen en dat van mijn Vader doen weten,
-dat U beiden ieder een personeele gift van een millioen florijnen aanbiedt en heb
-ik tevens de mijne aangeboden. De geheele wereld schijnt met ons meê te voelen; van
-alle oorden stroomt het geld toe, maar de schade schijnt een put, die niet te dempen
-is. Zooals u mij meldt, is de gift van onze Syrische vrienden waarlijk Oostersch vorstelijk.
-</p>
-<p>Wat heb ik U meer te vertellen? Ik weet het waarlijk niet; in mijn hersenen draait
-een cauchemar van akelige vizioenen rond en ik kan ternauwernood recht logisch doordenken.
-Maar ik beloof U, mijn lieve moeder, te doen wat ik kan, en dat naar mijn beste krachten,
-en wat ik U vraag is alleen éen enkel woord, dat mij zegt, dat U niet al te ontevreden
-is over Uw jongen.
-</p>
-<p>Zooals mijn Vader verlangt, blijf ik hier nog een week: het schijnt de bevolking,
-die ons zoo lief heeft, toch goed te doen ons te zien. Men was zeer opgetogen, dat
-er was aangezegd, dat U en Thera na mijn vertrek te Altara zouden komen. U zal met
-Uwe zachte hand nog zooveel kunnen doen, wat wij over het hoofd zagen. Wat hebben
-ze ons hier toch lief en waarom zijn wij maar niet altijd op St. Ladislas; al is de
-burcht somber, het is er helder van hunne sympathie.
-</p>
-<p>Maar laat mij U niet zoo poëtisch schrijven in deze dagen van nood, waarin wij practisch
-moeten zijn. Hermans gezelschap doet mij veel goed en ik kan meer doen als hij naast
-mij staat. Generaal Ducardi is als altijd een flinke, onvermoeide kerel. De anderen
-zijn allemaal zeer bereidvaardig en practisch geweest, en zoo ik het mag zeggen in
-eerbiedige tegenspraak van mijn Vader, ik geloof toch wel, dat het gemeentebestuur
-doet wat het kan. Een Engelsch ingenieur zeide wel, dat met betere voorzorgsmaatregelen
-en meerdere nauwkeurigheid van nakijken, de Therezia-dijk het misschien had uitgehouden:
-enfin, dat weet ik niet.
-</p>
-<p>Herman zal met mij meêgaan op mijn reis door de gouvernementen. Wij zullen naar Lycilië
-en Vaza gaan en zooveel mogelijk naar het platteland. Dat is er natuurlijk het ergste
-<span class="pageNum" id="pb34">[<a href="#pb34">34</a>]</span>aan toe.—Ik krijg juist de telegrammen; de markies van Dazzara ontslagen, de hertog
-van Mena-Doni—ik hoû niet van dien man—gouverneur der rezidentie!
-</p>
-<p>Lipara in staat van beleg! Mijn Vader zal ons Huis van Adel dus weten te behouden,
-door die ontbinding van het Huis der Standen?
-</p>
-<p>Liefste moeder, Zijne Eminentie laat juist verzoeken mij zijne opwachting te komen
-maken. Ik wil hem niet laten wachten en eindig dus in der haast mijn epistel; met
-mijn beide armen om U heen, noem ik mij vol innigheid en eerbied,
-</p>
-<p>U, met héel zijn ziel, liefhebbende Zoon,
-</p>
-<p class="signed">Uw jongen,
-</p>
-<p class="signed"><span class="sc">Othomar</span>.
-</p>
-</div>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div id="ch1.2" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#ch1.2.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="main">TWEEDE HOOFDSTUK.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<div id="s1.2.1" class="div2 section"><span class="pageNum">[<a href="#s1.2.1.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h3 class="main">I.</h3>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Ook het gouvernement van Vaza, ten Noorden van het hooggebergte van Altara, de alpenketen
-der Giganten was ten deele geteisterd door den Zanthos. De hoofdstad, Vaza, was overstroomd.
-Tegen de hellingen der bergen aan was de provincie gespaard gebleven. Daar waren uitgebreide
-terrassen van wijngaarden, dan wouden van kastanjes en noteboomen en olijven. De schitterend
-blanke sneeuwlijn der bergtoppen golfde tegen eene, weêr blauwe, lucht aan, kartelde
-er hare kammen en beet als met happende lijnen het intens azuur brokken uit; scheen
-er een muil van schitterend witte ijstanden te wetten tegen het staalglanzend metaal
-van den luchtdom aan.
-</p>
-<p>Daar, twaalf mijlen van de stad, troonde op zijne rotsen het oude Castel Vaza, kasteel
-der hertogen van Yemena en graven van Vaza, parken en woud er om heen, half fort,
-half burcht, krachtig, eenvoudig, middeneeuws, ruw van lijnen, met zijne vier torens
-en rechte vlakken van tinnen, aan alle zijden den horizont om zich heen cirkelend
-en vèr houdend van zich af. Dicht bij eene warreling van dorpjes; in de verte de torens
-en spitsen, het dakengewoel van Vaza; nog verder, <span class="pageNum" id="pb35">[<a href="#pb35">35</a>]</span>in den cirkel van panorama, die de torens wijd ommetrokken, de Zanthos, die, breed
-aanslingerend, zich stortte in zee, en Lycilië, wit in de zon met hare rechte vierkantjes
-van huizen, schitterend neêrgeplekt aan het blauw van het water; dan, eene tweede
-zee: de bergtoppen, die sneeuwig golfden in verschieten weg en nevelen van afstand.
-En, schitterend ook in de zon, die vreemde meren aan den Zanthos, als plakkaten metaal:
-het water, dat de volle rivier had uitgestort; de overstroomingen.
-</p>
-<p>Het vierkante slot, dat om een hof zijne vier vleugels trekt, heeft nog twee bijgebouwde
-vleugels van achteren, in nieuweren stijl van elegantere Renaissance, en uitziende
-op het park, waarin de vijvers liggen, als ovale bekkens van liquide zilver, gevat
-in smaragd van gazons. De damherten grazen er, bijna mijmerend en bevallig, langzaam
-omdwalend op fijne pooten; soms, in eens, gestrekt, de koppen achterover, de oogen
-wild, rennen zij, vele te zamen, een eind weg in vlucht voor onzichtbare verschrikking;
-andere, kalmer, grazen door, laconiek, filozofisch.
-</p>
-<p>De hertogen van Yemena en graven van Vaza zijn van een der oudste geslachten des rijks,
-en laten hun stamboom wortelen in eeuwen, vóór den eersten keizer van Liparië. De
-tegenwoordige hertog, opperhofmaarschalk en connétable van Liparië, heeft drie kinderen
-uit zijn eerste huwelijk; de erfgenaam van zijn titel, de jonge markies van Xardi,
-adjudant van den keizer, en twee dochters, jongere meisjes nog, in een klooster.
-</p>
-<p>De hertogin is in het kasteel alleen. Zij zit in een groot boudoir, dat met driekantige
-loggia uitgebouwd, ziet op het park, de vijvers, de herten. Een bries waait buiten
-en de vluchtige wolken, die elkaâr als vlokkige schimmen, doorzichtige sluiers aan
-flarden, najagen aan de ijlblauwe lucht, slepen hare schaduwen, als vluchtige somberheden,
-over het park heen, tinten het even met voorbijgaande donkerte, die ook de herten
-donker maakt, en ze dan weêr bruin laat glanzen in zon. Stil is het daarbuiten; stil
-in het kasteel. Afgelegen ligt er het slot; binnen hebben de bedienden een zacht geloop
-door zalen en gangen, een fluisterenden toon, in afwachting van het hooge bezoek.
-<span class="pageNum" id="pb36">[<a href="#pb36">36</a>]</span></p>
-<p>Het is na het lunch. De hertogin ligt half op een divan en tuurt naar de herten. Zij
-is nog niet gekleed en draagt een robe d’intérieur, los, met vele plooien; vieux rose
-broché, zalmkleurig peluche en antieke kant. Als zij alleen is, houdt zij van veel
-licht, in eene gezonde behoefte aan ruimte van atmosfeer; voor de hooge boogramen
-zijn de gordijnen weggetrokken en valt de schelte van den voorjaarshemel bedwelmend
-in. Maar het licht doet aan hare schoonheid geen goed, want al is het haar ook nog
-blauwig ravenzwart, heur teint heeft de matheid van verwelkende witte rozen; hare
-oogen, die mooi kunnen zijn, groot en als liquide donker, turen vol moêheid met een
-zweem van lichtgelen kring, en zeer duidelijk zijn zichtbaar de striempjes op zij,
-de groefjes, die etsen om den fijnen neus; de lijnen, die den mond verlengd hebben
-en trekken naar omlaag.
-</p>
-<p>De hertogin staat langzaam op; ze gaat door een deur, die tot hare slaap- en kleedkamers
-toegang geeft, en blijft eenige oogenblikken weg. Daarna komt ze terug; met beide
-handen, tegen zich aangedrukt, met moeite, draagt ze een zichtbaar zwaar kistje en
-zet het op de tafel voor den divan. Het kistje is van oud gedreven zilver met vergulde
-cizeleeringen en groote blauwe turkooizen, van dat kostbare Renaissance-werk, zooals
-men niet meer doet. Aan haren armband zoekt zij een klein, recht, gouden sleuteltje
-en ontsluit de kist. De juweelen schitteren: parelen, brillanten, saffieren, smaragden,
-en vangen op hunne facetten al het voorjaarslicht van den hemel op, blauw, wit, geel.
-Maar de hertogin drukt op een veer, ontsluit alzoo een onzichtbaar laadje en haalt
-er uit twee pakketten brieven, enkele portretten.
-</p>
-<p>De portretten vertoonen het zelfde gelaat; een niet zeer jongen man, een vreemd gezicht,
-half droomerig, en half sensueel, met veel mysterie en veel charme. De portretten
-vertoonen hem in de elaborate uniform van een officier der Garde van den Troon, in
-een ridderkostuum van een gekostumeerd bal, in een flanellen tennis-pak en in gewoon
-politiek. Langzaam gaan de oogen der hertogin van het eene naar het andere, vergelijkt
-ze de beeltenissen, een treurigen glimlach om haren mond, weemoed in hare oogen. Dan
-strikt ze de linten los om de brieven, neemt ze uit de, zorgvuldig bewaarde, <span class="pageNum" id="pb37">[<a href="#pb37">37</a>]</span>enveloppen, vouwt ze open, en leest hier en daar, en herleest, en vouwt ze weêr dicht …
-</p>
-<p>Zij kent die zinnen van buiten, die haar nog vertellen van eene vreemde passie, de
-innigste, de waarste, de eenvoudigste en daarom misschien de vreemdste, die zij ooit
-gevoeld heeft, haar omvangen heeft in toovermazen van vuur. Zien hare oogen nu weêr
-naar de herten—de zonneschijn drijft als vloeiend goud over het park—tusschen haar
-en het stille landschap rijzen, doorzichtig, in teêr glanzende fantasmagorieën, de
-herinneringen op van het verleden, de tafereelen dier liefde en het is haar alsof
-vonken haar voor de oogen spelen, als dwarrelen er fonkelende arabesken, tintelingen
-van licht. Wat gebeurd is, doorleeft zij in enkele minuten; dan sluit zij de oogen,
-strijkt met de hand over het voorhoofd en bedenkt hoe treurig het is, dat het verleden
-niets is dan wat herinnering, die als asch stuift door onze ziel, en die wij soms
-verzamelen willen in een kostbare urn, te vergeefs. Hoe treurig het is, dat men niet
-kan blijven treuren, al wil men, omdat het leven niet wil. Niets dan die asch in hare
-ziel, en die brieven, portretten …
-</p>
-<p>Ze sluit ze weêr weg en kijkt naar de juweelen nu. En goed ziet ze in haar eigen hart,
-ziet ze zich geheel als ze is, want ze weet, dat ze eerlijk is geweest, altijd. Altijd
-voor hem en voor zichzelve. Eerlijk, toen hunne liefde brak als een glazen regenboog
-van tintelkleuren aan een uitspansel van wijdte, en zij niet meer wilde zien en wilde
-zijn en zich terugtrok van het hof op dit slot en de mare liet gaan, dat eene slepende
-ziekte haar kwijnen liet, en zij treurde, en treurde, eerst snikkend en wringend de
-handen, toen kalmer van wanhoop, toen … De herten hadden daar altijd doorgegraasd,
-als bleven zij altijd de zelfde. Maar zij …
-</p>
-<p>Eerlijk was ze geweest, altijd. In haar wanhoop, en ook in wat volgde. In de verflauwing
-dier wanhoop. Toen was ze het treurigst geweest, omdat wanhoop verflauwen kòn. Toen
-treurig, omdat ze nog leefde en voelde vitaliteit in zich. Toen … omdat ze zich begon
-te vervelen. Om dat alles had groote wanhoop, als met morbide bloesems van vreemde
-orchideeën, hare vreemde ziel doorwoekerd. Zij haatte, verachtte, vervloekte zichzelve.
-Maar in haar werd het niet anders. Ze verveelde zich.
-<span class="pageNum" id="pb38">[<a href="#pb38">38</a>]</span></p>
-<p>Eenzaam leefde zij op het slot. Haar man en haar stiefzoon waren te Lipara; hare stiefdochters,
-van wie ze veel hield, voltooiden hare opvoeding in een klooster, waar eene keizerlijke
-prinses, zuster des keizers, abdis was.
-</p>
-<p>Ze was alleen, ze zag nooit iemand. En ze verveelde zich. In haar ontwaakte weêr het
-leven, dat slechts gesluimerd had, en dat zij had doodgewaand, had willen begraven
-in een sepulker, waarom hare herinneringen als standbeelden zouden staan. In zich
-voelde ze zich, die ze altijd, trots hoeveel liefde ook, geweest was: vrouw van de
-wereld, hakende naar dien glans der omgeving van keizerlijkheid, die splendeur van
-het hof, die noodlottig weêr aantrekt en onmisbaar is, wie ze van geboorte, als hunne
-levensatmosfeer, hebben ingeademd. En de oogenblikken, dat zij niet dacht aan hare
-wanhoop, dacht zij aan het Imperiaal, zag zij er zich, schitterend in hare rijpe schoonheid,
-gevierd en aanbeden als zij altijd geweest was.
-</p>
-<p>Toen liet ze haren stiefzoon, den markies van Xardi, de mare doen verspreiden, dat
-zij herstellende was. Een maand later, in het midden van het winterseizoen, nà een
-groot hoffeest, maar vóór een intime réunie in de eigen salons der keizerin, vroeg
-zij audiëntie aan bij Elizabeth.
-</p>
-<p>Zoo zag ze zich in ware, klare waarheid en diep treurig in haar arme ziel van liefdeverlangen
-en wereldverlangen en menschelijkheid was ze, dat zoo wreed het leven voort wilde
-gaan, als in een dollen triomftocht van zichzelve, verpletterend onder zijne raderen
-hare herinneringen, klaterend van schettermuziek door haren weemoed heen, doende haar
-voelen de weinigheid van den mensch, het minime van zijn gevoel, de kleinheid van
-zijne ziel, die toch nog het eenige aan hem is …
-</p>
-<p>De hertogin heeft de dubbel kostbare kist weêr weggesloten. Ze vergeet wat om haar
-heen is, wat haar wacht; ze tuurt, droomt, en leeft weêr in het verleden met dat genot,
-dat men in verleden krijgt, als men jeugd verliest.
-</p>
-<p>Er wordt geklopt op de deur, een lakei verschijnt en buigt:
-</p>
-<p>—Excellentie, de kok vraagt u dringend zelf te spreken.
-</p>
-<p>—De kok …?
-</p>
-<p>Ze heft haar mooi gezicht op, droomend, half lachend, als <span class="pageNum" id="pb39">[<a href="#pb39">39</a>]</span>met een profiel van Cleopatra, zoo Egyptisch fijn en recht, richt zich op den divan
-wat hooger, en leunt op hare hand.
-</p>
-<p>—Laat hem binnen …
-</p>
-<p>Alles komt tot haar terug, de werkelijkheid, de dag van heden, en ze glimlacht er
-om en haalt de schouders op; zoo is het leven.
-</p>
-<p>De lakei gaat, de kok komt binnen in zijn wit schort en witte baret; hij is zenuwachtig
-en nu zijne meesteres al de wenkbrauwen fronst om zijn oneerbiedig kostuum, begint
-hij te stamelen:
-</p>
-<p>—Vergeef me, Excellentie; en hij wijst, ongelukkig van gezicht, naar zijn voorschoot,
-zijne witte mouwen …
-</p>
-<p>En hij klaagt, dat de opperjager niet gezorgd heeft voor genoeg ortolanen. Hij kan
-zijn pastei niet maken; hij durft het niet op zich nemen, Excellentie.
-</p>
-<p>Ze ziet hem aan met hare raadselachtige oogen; ze heeft grooten lust in lachen uit
-te barsten om zijn kluchtig gezicht, zijn wanhopig gebaar van wijde armen, te lachen
-en te huilen ook, ook woest en luid.
-</p>
-<p>—Wat moeten we doen, Excellentie, wat moeten we doen?! De stad is te ver; daar kan
-niet heengezonden worden vóór etenstijd en trouwens, daar hebben ze ook nooit iets.
-Het is ook eigenlijk de schuld van den hofmeester, Excellentie; de hofmeester had
-hare Excellentie moeten waarschuwen …
-</p>
-<p>—Er zijn leeuwerikken, zegt ze.
-</p>
-<p>Die moeten morgen naar Lipara gezonden worden, Excellentie; naar zijne Excellentie,
-den hertog!
-</p>
-<p>De hertogin haalt de schouders op, een beetje lachend.
-</p>
-<p>—Het kan niet anders, mijn beste. Zijne Keizerlijke Hoogheid, de Hertog van Xara,
-gaat vóór zijne Excellentie, niet waar? Maak een chaufroid van leeuwerikken.
-</p>
-<p>—Ja, dat is ook zijn idee geweest, maar hij zelve had het niet durven opperen. Ja,
-dat is zeker goed, uitstekend, Excellentie.
-</p>
-<p>Zij lacht nog even en knikt daarna, dat hij kan gaan. De kok, zichtbaar verlicht,
-buigt en verdwijnt. Zij staat op, ziet zich lang-uit voor zich staan in een spiegel
-in haar lui verkreukt geplooi van roos- en zalmkleur en oude kant, rekt de <span class="pageNum" id="pb40">[<a href="#pb40">40</a>]</span>armen lang uit met een in-moê gebaar, en belt hare kamenier, waarna ze hare kleedkamer
-ingaat. Wil ze nog lachen? Of nog huilen? Ze weet het niet, maar ze weet wel, dat
-ze zich kleeden moet … Wat er met of om een mensch gebeurt, liefde of pastei van ortolanen,
-kleeden moet hij zich, kleeden, eten en slapen, en daarna weêr het zelfde, kleeden …
-en eten … en slapen …
-</p>
-</div>
-</div>
-<div id="s1.2.2" class="div2 section"><span class="pageNum">[<a href="#s1.2.2.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h3 class="main">II.</h3>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Drie rijtuigen, à la Daumont, voeren Othomar, Herman en de anderen langs den breeden,
-slingerenden, op- en afgaanden weg naar Castel Vaza. Het is vijf uur, ’s namiddags,
-nog zacht zonnig, maar niet warm meer; er waait een frissche bries. Het landschap
-is wijd en grootsch; de bergen wisselen bij het verschieten van den weg hunne golvende
-sneeuwlijnen van panorama. De streek is bloeiend mooi; de dorpjes, die zij doorgaan,
-zijn welvarend—bezittingen van den hertog—; tusschen Vaza en het kasteel is het land
-gespaard van water; de uitstortingen van den Zanthos drenken meer het Oosten. Het
-is moeilijk hier onafgebroken door te blijven denken aan die ontzettende ramp van
-water, en aan den toestand van Lipara, daar ginds in staat van beleg door den keizer
-verklaard, het is hier zoo mooi, zoo vol leven van voorjaar, en het zinken van de
-zon na een mooien zomerdag is er zonder weemoed. De kastanjes wuiven hunne frischgroene
-waaiers en de lucht is nog als parelmoêr, al zeeft er ook al asch van schemering over
-heen. Een vroolijk gesprek gaat om tusschen de prinsen, Ducardi en Von Fest, die in
-het eerste rijtuig zitten; zij praten opgewonden, lachen, en zijn er vroolijk om,
-dat de dorpelingen, nu ja, hen soms wel groeten als visite voor het kasteel, met een
-tik aan een pet of een goedigen knik, maar niet weten wie ze zijn. Prins Herman knikt
-een mooie jonge boerenmeid toe, die met open mond na blijft kijken, en herinnert zich
-de heerlijke jacht op grof wild, verleden jaar, toen hij met den keizer en Othomar
-de gast was geweest van den hertog. De hertogin hadden zij toen niet gezien; ze was
-lijdende … Generaal Ducardi vertelt anecdoten uit den oorlog van vijftien jaar geleden.
-</p>
-<p>En zij hebben allen eenige moeite hunne gezichten in de <span class="pageNum" id="pb41">[<a href="#pb41">41</a>]</span>officieele plooi te zetten als zij door de oude, geblazoeneerde poort over de neêrgelaten
-ophaalbrug de minutenlange inrijlaan oprijden, en door den hoofdintendant worden ontvangen,
-in den binnenhof van het kasteel. Dit wil de etiquette. De hertogin mag zich niet
-vertoonen, voor de hoofdintendant, te midden van het geheele personeel des hertogen,
-den Hertog van Xara welkom heet uit naam zijns afwezigen meesters en den kroonprins
-een draadbericht aanbied uit Lipara, dat de hofmeester op een zilveren schaal reikt.
-Dit telegram is van den hertog van Yemena, het meldt, dat zijn dienst en die van zijn
-zoon, den markies van Xardi, bij zijne Majesteit den keizer, des Hertogen van Xara
-Allergenadigsten Vader, hen weêrhouden hun geliefden kroonprins in hun kasteel te
-ontvangen, maar dat zij Zijne Keizerlijke Hoogheid verzoeken, dit huis als het Hare
-te beschouwen. De prins leest het telegram en reikt het aan den ordonnans-officier,
-graaf van Thesbia, over. Daarna gaat hij, door den intendant geleid, de trappen op,
-de vestibule in.
-</p>
-<p>In weêrwil van den dag daarbuiten nog, is de vestibule hel verlicht, en lijkt een
-woud vol palmen en breedbladige sierplanten. De hertogin treedt den kroonprins te
-gemoet, en breekt hare gratie in een diepe buiging neêr. Zoo heeft hij haar reeds
-zien buigen. Maar schooner misschien nog is zij in dit effen toilet van zwart fluweel
-en Venetiaansche kant, haren prachtigen boezem, wit met het grein van Carrarisch,
-laag ontbloot, hare sculpturale armen bloot, een zwaren sleep achter zich, als een
-golf van inkt; een klein hertogelijk kroontje van brillant en smaragd in het haar,
-dat zwart ook is met goudblauwigen ravengloed.
-</p>
-<p>Zij heet de prinsen welkom; Othomar buigt haar den arm toe; prins Herman, de adjudanten
-volgen hen de kolossale trap op, door de haie der lakeien heen, die onbewegelijk staan,
-met strakke oogen, die niet schijnen te zien. Dan door een ris van verlichte zalen
-en galerijen naar een grooten ontvangsalon, schitterend van het licht der kostbare
-rotskristallen kroon, waar het kaarslicht in regenboogt, en breed neêrglanst en watert
-op het marmermozaïek van den vloer, en langs de ornamentale spiegels in lijsten van
-zwaar Louis-XV-gekrul, schilderijen van meesters der Renaissance aan den wand.
-<span class="pageNum" id="pb42">[<a href="#pb42">42</a>]</span></p>
-<p>Een oogenblik daar een staande receptie, een kleine cour; in hunne schitterendste
-uniformen—want van Vaza was het een heerlijke, al dan ook lange rijtoer, en de heeren
-hebben tijd gehad zich in de stad in groot uniform te steken—komen de adjudanten en
-ordonnansofficieren, de een na den ander, der hertogin de hand kussen; zij kent ze,
-behalve de Gothlandsche officieren, allen, bijna allen intiem; ieder weet ze een bijna
-gemeenzaam woord te zeggen, terwijl het goud van hare stem tusschen hare lachende
-lippen smelt en hare groote Egyptische oogen vreemd droomend kijken. Zoo blijft zij
-een oogenblik alleraanminnigste gastvrouw, tusschen de beide prinsen, zij vrouw alleen
-te midden dier officieren, die hen omringen, tusschen een kort snel vuurwerk van compliment
-en geestigheid, dat tintelt tusschen hen om. Dan verschijnt de hofmeester, terwijl
-de deuren openschuiven en de tafel hel glinsterend zichtbaar wordt, en hij buigt voor
-zijne meesteres, ten teeken, dat zij gediend is. De hertogin neemt den arm van den
-kroonprins; de heeren volgen.
-</p>
-<p>Het is aan tafel zeer vroolijk. Men is in een intiemen kring; menschen, die gewoon
-zijn elkaâr iederen dag te zien; de hertogin zorgt voor een gemakkelijken toon, een
-lichte familiariteit, die zich om den kroonprins inhoudt, maar aanzweemt de, eenigszins
-sportachtige, ruwheid en ongegeneerdheid in woord en in gebaar, die de modetoon is
-aan het hof. De Gothlandsche officieren zijn hier blijkbaar niet mede vertrouwd; Von
-Fest, een reus van een vent, kijkt rechts en links, en glimlacht. De hertogin heeft
-dien chic van onverschilligheid anders zeer sterk, maar tempert zich nu, al zit ze
-ook wel eens met hare beide mooie ellebogen op tafel. De kroonprins heeft weêr dat
-onzegbare van strakheid, dat iets om hem bevriezen doet; de natuurlijkheid, die hij
-te Altara had, heeft opnieuw plaats gemaakt voor iets bijna gedwongens en tevens hoogs;
-zijn glimlach tegen de hertogin is gemaakt, en de schoone gastvrouw vindt haren hoogen
-gast, in stilten haars harten: een onuitstaanbaren jongen!
-</p>
-<p>Misschien is Othomar zoo door de gesprekken, die alle weven om de hertogin heen als
-middenpunt en de kleinere nieuwtjes van het Imperiaal behandelen; van de overstroomingen
-is hier nauwlijks sprake, nauwlijks ook van den staat <span class="pageNum" id="pb43">[<a href="#pb43">43</a>]</span>van beleg der rezidentie; slechts een enkel woord nu en dan herinnert er aan. Maar
-voor het meerendeel schijnt men dat alles te vergeten, hier in dit heerlijk interieur,
-aan dit uitstekende diner, onder het parelen van dien zacht gouden Lyciliër, uit den
-eigen hertogelijken wijngaard. Deze Lyciliër is beroemd, en men roemt ze dan ook;
-de kroonprins zelve klinkt de hertogin er meê toe met een paar hoffelijke woorden,
-die hij zelve heel gewoon geuit heeft, maar die men een allergeestigst compliment
-schijnt te vinden, want ze lachen allen vleierig goedkeurend, terwijl ze hem in verstandhouding
-van begrijpen aanzien, en de hertogin zelve vindt hem niet zoo onuitstaanbaar meer,
-maar straalt hem met haren vollen glanslach toe. Wat heeft hij dan toch gezegd? Verbaasd
-is hij over zichzelven en over hun gelach. Hij meende niets dan een banaliteit, en …
-</p>
-<p>Maar hij herinnert zich: het is altijd zoo en hij begrijpt het nu. En hij vindt ze
-flauw en wendt zich tot Ducardi en Von Fest; hij forceert het gesprek en spreekt in
-eens druk over den toestand der stad Vaza, die ook veel te lijden heeft gehad. Dan
-over Altara. Hij doet der hertogin een lang verhaal van het doorbreken van den Therezia-dijk.
-De hertogin vindt hem een vreemden jongen; even meent ze, dat hij coquetteert; daarna
-besluit ze, dat hij om de eene of andere reden wat zenuwachtig is: dan vindt ze, dat
-hij mooie, zachte oogen heeft, zoo kijkend onder-op door zijne wimpers, en dat hij
-aardig vertelt. Ze wendt zich heelemaal tot hem, vergeet de officieren om haar heen,
-vraagt, en, met de ellebogen op de tafel, een kelk Lyciliër in de hand, luistert ze
-aandachtig, hangt aan de jong-keizerlijke lippen en voelt eene emotie. Die emotie
-is, omdat hij zoo jong, en hoog is, en zulke oogen heeft en zoo eene stem. Zij vindt
-zijne handen sympathiek, in dien breed-fijnen vorm, als van een oude kracht van ras,
-dat zich enerveert; ze let op, dat hij nu en dan naar zijn ring kijkt. En, ernstig
-geworden, praat ze van de vreeselijke tijden, al die duizende arme menschen, zonder
-dak, zonder iets … Het is echter het tweede oogenblik, dat zij aan die duizenden denkt;
-het eerste, was dat half uurtje, toen de aalmoezenier van den hertog haar om geld
-vroeg, en hoe zij het wilde besteed hebben … Zij herinnert zich, dat tijdens dit gesprek
-met <span class="pageNum" id="pb44">[<a href="#pb44">44</a>]</span>den aalmoezenier, eene coupeuze van Worth haar wachtte voor hetzelfde toilet, dat
-ze nu draagt, en ze vindt de toevalligheden van het leven toch zéer interessant. Ze
-weet, door haar zelf-inzicht, dat deze filozofie is als schuim van champagne, en glimlacht
-er ook zelve om. Dan luistert ze weêr aandachtig naar Othomar, die nog van de nachtwake
-verhaalt in de kerk van St. Therezia. De officieren zijn stil geworden en luisteren
-ook. Zijne Keizerlijke Hoogheid heeft zichzelven middenpunt van gesprek gemaakt en
-de hertogin onttroond. Ze heeft dit ook opgemerkt, vindt hem er vreemd maar aardig
-om, weet vooral niet wat ze aan hem heeft, en is geboeid.
-</p>
-</div>
-</div>
-<div id="s1.2.3" class="div2 section"><span class="pageNum">[<a href="#s1.2.3.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h3 class="main">III.</h3>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Na het diner een gezellige reunie in een paar kleine salons; in een ervan staat een
-biljart en de hertogin zelve, gracieuzelijk hare keu richtend en ze houdend tusschen
-hare bejuweelde vingers, speelt er een partij met prins Herman, Leoni en den jongen
-Thesbia. Soms hangt zij, al mikkend, over de groene tafel heen, met eene onbegrijpelijke
-lenigheid in hare zware vormen, en hare mooie Carrarische borst glooit door heure
-snelle bewegingen op en neêr in de Venetiaansche kant en het zwarte fluweel. In den
-anderen salon zijn Othomar en generaal Ducardi en de Gothlandsche adjudanten aandachtig
-bezig op een nauwkeurig gedetailleerde militaire kaart, onder een lamp van gedrapeerde
-kant, de route te bestudeeren, die zij morgen te paard zullen afleggen naar de overstroomde
-dorpen. De hofmeester en een lakei gaan rond met koffie en likeur.
-</p>
-<p>Na de partij biljart komt de hertogin met hare heeren vroolijk lachende in den anderen
-salon. De prins en zijne officieren zien beleefd glimlachend op van hunne kaart, maar
-zij, betooverend:
-</p>
-<p>—O, laat mij U niet storen, Hoogheid …
-</p>
-<p>Zij heeft den arm van Dutri genomen voor een kleine wandeling op het terras buiten.
-De deuren staan open, het weêr is heerlijk: een beetje koel. De hofmeester slaat haar
-een bonten mantel om den blooten hals. Op het lange terras, buiten, gaat zij met Dutri
-op en neêr, op en neêr, telkens voorbij de <span class="pageNum" id="pb45">[<a href="#pb45">45</a>]</span>open deuren: telkens dan ook slaat zij een blik naar de groep onder de lamp: gebogen
-hoofden en vingers, die met een potlood wijzen. Haar stap is luchtig aan den arm van
-den eleganten adjudant; hare sleep golft haar vroolijk achterna. Druk praat ze, vraagt
-ze Dutri:
-</p>
-<p>—Hoe bevalt je de tournée?
-</p>
-<p>—Aller-insipide! Niets of niemand was amuzant, dan de secretaris van den Primaat!…
-Die Gothlanders zijn vervelend en zoo vreeselijk weinig cosmopolitisch! En het is
-vermoeiend ook, altijd dat sjouwen! Zie je, ik beschouw het als oorlog en zoo maak
-ik het door; als ik het beschouwen ging als vredestijd, kwam ik er nooit door heen!
-De ontvangst is gelukkig overal nog al hebbelijk. O, de kroonprins maakt zich bepaald
-populair …
-</p>
-<p>—Een aardige jongen … valt ze hem in de rede. Ik had hem in langen tijd niet gezien;
-hij studeerde toen te Altara en daarna herinner ik me hem maar een paar maal in het
-Imperiaal gezien te hebben, in eens van kind opgeschoten als een asperge, en heelemaal
-nog een jongen. Ik herinner me nog: hij kreeg een kleur, toen ik voor hem boog. Toen
-verleden, bij Myxila …
-</p>
-<p>Dutri is zeer familiaar met de hertogin; hij noemt haar bij den voornaam, flirt altijd
-een beetje met haar voor amuzement en aanstellerij, zonder verdere gunsten; zij kennen
-elkaâr te goed, te lang, zijn te veel in elkaârs confidentie, en zij beschouwt hem
-meer als een cavalier-servant, voor kleinere diensten en hofintriguetjes, dan als
-iemand, voor wien het ooit mogelijk zoû zijn, dat ze eene „emotie” zoû kunnen voelen.
-</p>
-<p>—Ma chère Alexa, pas op …! spreekt hij en dreigt met den vinger.
-</p>
-<p>—Waarvoor? vraagt ze terug, tartend.
-</p>
-<p>—Alsof ik het niet zie …
-</p>
-<p>Ze lacht luid.
-</p>
-<p>—Zie wat je wilt! roept ze onverschillig uit, met hare stem van ruw sans-gêne, die
-in de mode is. Neen, beste Dutri, mij hoef je niet te waarschuwen, hoor! God, lieve
-jongen, ik heb twee meisjes, die ik over een jaar lanceeren moet. Over twee jaar ben
-ik misschien grootmama. Ik doe er niet meer aan, hoor! Ik begrijp niet, dat er van
-die malle vrouwen zijn <span class="pageNum" id="pb46">[<a href="#pb46">46</a>]</span>die altijd zoo iets moeten hebben. En dan, het maakt zoo gauw oud …
-</p>
-<p>Dutri schatert het uit; hij kan zich niet inhouden en stikt van het lachen …
-</p>
-<p>—Waarom lach je zoo? vraagt ze.
-</p>
-<p>Hij ziet haar aan; schudt zijn hoofd, als weet hij wel.
-</p>
-<p>—Tegenover mij hoef je heusch zoo niet verstoppertje te spelen, Alexa. Ik weet zoo
-goed als jij … dat jijzelf een van die malle vrouwen bent …!
-</p>
-<p>Hij schatert weêr en zij nu ook.
-</p>
-<p>—Ik?
-</p>
-<p>—Ach kom! Je hebt er evenveel behoefte aan als aan eten en slapen op zijn tijd. Je
-zoû al lang dood zijn, als je niet bij geregelde tusschenpoozen, chronisch, je „geëmotioneerd”
-hadt. En dat oud worden, je weet heel goed, dat je dat miserabel vindt!
-</p>
-<p>—Ach neen. Ik doe wat ik kan om jong te blijven, omdat je dat aan jezelve verplicht
-bent. Maar vechten er tegen doe ik niet. En je zal zien hoe netjes ik later mijn oude
-jaren draag …
-</p>
-<p>—Zoo als je alles draagt.
-</p>
-<p>—Merci. Zie je, als ik grijs begin te worden, gooi ik iets over mijn haar, dat me
-heelemaal grijs maakt, en poeier ik me, begrijp je. Voilà tout!
-</p>
-<p>—Een goed idee …
-</p>
-<p>—Dutri …
-</p>
-<p>Hij zag haar aan, merkte, dat ze hem iets vragen wilde. Zij gingen een oogenblik zwijgend
-voort, in den donker; bij hunne, telkens herhaalde, wandeling gingen zij, telkens
-tweemaal door het licht heen, dat in twee breede plekken door de deuren op het terras
-viel. Het park was vol zwarte schaduw en vaag wit schemerden de groote vazen op het
-terras; boven stond de lucht vol sterren.
-</p>
-<p>—Wat woû je me vragen? vroeg de adjudant.
-</p>
-<p>Zij wachtte, tot zij door het licht heen waren en <span class="corr" id="xd31e598" title="Bron: weér">weêr</span> in het donker liepen.
-</p>
-<p>—Hoor je nog wel eens wat van hem?
-</p>
-<p>—Verleden had Thesbia een brief van hem uit Parijs. Niet veel nieuws. Hij verveelt
-er zich, geloof ik, en maakt <span class="pageNum" id="pb47">[<a href="#pb47">47</a>]</span>zijn geld op. Het domste wat je doen kan: je geld opmaken in Parijs! Ik vind Parijs
-een afgesleten boel. Trouwens, hoe kan dat anders. Een republiek is een onding. Iets
-primitiefs en onbeschaafds. Vóór de monarchieën waren er republieken: het Paradijs
-met Adam en Eva was een republiek van dieren en beesten: Adam was prezident …
-</p>
-<p>—Wees niet idioot. Wat schreef hij?
-</p>
-<p>—Niet veel bizonders. Toch een dolle streek van hem zijn ontslag te vragen als kapitein
-van de Garde. Hoe kwam hij er op? Zeg, wat is er tusschen jullie gebeurd?
-</p>
-<p>Zij liepen weêr door het licht, ze zweeg even; toen, in het donker:—Niets, antwoordde
-ze en hare stem had niet meer dien aangenomen chic van brutaliteit en sans-gêne, maar
-versmolt in een klaagtoon van melancholie.
-</p>
-<p>—Niets? antwoordde Dutri. En waarom dan …
-</p>
-<p>—Ik weet het niet. We hadden veel met <span class="corr" id="xd31e613" title="Bron: elkaar">elkaâr</span> gesproken, en zoo langzamerhand begonnen we te voelen, dat we <span class="corr" id="xd31e616" title="Bron: elkaar">elkaâr</span> niet meer gelukkig konden maken. Nu weet ik het niet meer waarom, heusch niet.
-</p>
-<p>—Psychologie dus. Dat komt van al dat gevoel. Jullie zijn beiden heel dwaas. Aan psychologie
-te doen, als je verliefd bent is heel onvoorzichtig, omdat je dan psychologizeert
-op je eigen en je liefde in stukjes snijdt, als een taart, waarvan je bang bent niet
-genoeg te kunnen eten. Oefen psychologie uit op een ander, dat is aardig, zooals ik
-doe op jou, Alexa.
-</p>
-<p>—Kom praat geen dwaasheid, Dutri. Weet je anders niets van hem af?
-</p>
-<p>—Niets anders, dan dat hij zich onmogelijk heeft gemaakt voor onze sociëteit. En dat
-misschien wel door jouw schuld, Alexa, en door je psychologie.
-</p>
-<p>Zij liep zwijgend aan zijn arm door; haar mond trilde, hare Egyptische oogen werden
-vochtig.
-</p>
-<p>—O … zeide zij, en ze hield den adjudant in eens staande, klemde zijn arm, zag hem
-vol met hare natte oogen aan:
-</p>
-<p>—Ik hield van hem, ik hield van hem, als ik nooit van iemand heb gehouden! Ik … ik
-hoû nog van hem! Als hij me één woord schreef, zoû ik vergeten wie ik ben, mijn man,
-mijn pozitie, zou ik naar hem toe gaan, naar hem toe gaan … O, Dutri, weet je wat
-het is, in ons factice leven, waarin alle <span class="pageNum" id="pb48">[<a href="#pb48">48</a>]</span>dingen zoo valsch om je heen zijn, als, als … heusch van iemand gehoúden te hebben?
-En dat gevoel als loutere waarheid in je hart te weten? O, zie je, ik aanbid hem,
-ik aanbid hem nog, en één woord van hem, één woord …
-</p>
-<p>—Gelukkig dat hij verstandiger is dan jij, Alexa, en dat woord nooit zeggen zal. Daarbij
-heeft hij geen geld: wat zoû je met hem moeten beginnen? Samen op de planken gaan?
-Wat een vulkaan ben je toch, Alexa, wat een vulkaan!
-</p>
-<p>Hij schudde afkeurend met zijn fatterigen krullekop, schikte even de zware kwasten
-van zijn uniform. Zij nam zijne hand, ernstig nog, nog niet hervallen in hun toon
-van blague:
-</p>
-<p>—Dutri, als je van hem hoort, beloof je me dan iets te zeggen? Ik heb soms hònger
-naar nieuws van hem …
-</p>
-<p>Zij zag hem aan met zulk een intens hevig verlangen, met zulken honger, dat hij ervan
-ontstelde. Hij zag haar vrouw, die alles doen zoû, om een passie. Toen glimlachte
-hij, blagueerend als altijd:
-</p>
-<p>—Gekke wezens zijn jullie toch allemaal! Nu goed, ik beloof het je. Maar laten we
-nu naar binnen gaan, want de geografische studiën schijnen afgeloopen en ik smacht
-naar een kop thee …
-</p>
-<p>Zij gingen naar binnen; bezig aan hare theetafel, gracelijk de vingers latende gaan
-over de antieke Chineesche kopjes, vroeg zij den kroonprins dadelijk den weg, die
-Zijne Hoogheid nemen zoû, zeer begaan met de overstroomde dorpen, de arme boeren …
-het in alles geheel en al eens met den hertog van Xara, zich badende in de sympathie,
-die zij opving uit zijne lieve, zwarte, melancholieke oogen,—oogen, om er alle melancholie
-van weg te zoenen! zich badende in zijn jeugdigen glans van keizerlijkheid …
-</p>
-<p>Dutri hielp haar suiker in de kopjes doen. Hij zag haar belangstellend aan; hij kende
-haar nog al goed, zij was hem weinig raadsel meer; toch amuzeerde ze hem altijd en
-was ze nooit-uitbestudeerd, meende hij.
-</p>
-</div>
-</div>
-<div id="s1.2.4" class="div2 section"><span class="pageNum">[<a href="#s1.2.4.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h3 class="main">IV.</h3>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Het was een der historische vertrekken van Castel Vaza<span class="corr" id="xd31e640" title="Niet in bron">:</span> een antieke, sombere zaal, waar de keizers van Liparië, zoo ze gast der hertogen
-van Yemena waren geweest, steeds geslapen <span class="pageNum" id="pb49">[<a href="#pb49">49</a>]</span>hadden op een oud verguld paradebed, vijf treden hoog, waarboven, uit een, door cherubs
-getorste, keizerskroon, de zware gordijnen van donker blauw brokaat en fluweel neêrhingen.
-Er hingen al de portretten der keizers en keizerinnen, die daar gerust hadden: de
-hertogen van Yemena waren steeds zeer door hunne vorsten geliefd, en de trots der
-hertogelijke familie was, dat ieder Liparisch keizer minstens één nacht hun gast geweest
-was. Aan ieder meubel, ieder ornament aan het vergulde bekken en de vergulde lampetkan,
-aan alles waren historische souvenirs verbonden en de legenden van zijn Huis kwamen,
-een voor een, bij Othomar op, toen hij zich uitstrekte.
-</p>
-<p>Hij was zeer moê en had toch geen slaap. In zijne gewrichten voelde hij een looden
-stijfte, als een koû, die hij zoû gevat hebben, en door zijn geheele lichaam ging
-eene voortdurende trilling, eene geheimzinnige siddering van zenuwen, als was hij
-een gespannen snaar, die men aanroert. De acht dagen te Altara, de volgende vijf dagen
-te Vaza, de tochten in de omstreken hadden hem zeer afgemat. Over dag vond hij geen
-oogenblik tijd aan die vermoeidheid toe te geven, maar des avonds, uitgestrekt ter
-ruste, brak ze hem neêr, zonder dat een gezonde slaap volgde.
-</p>
-<p>Hij was gewend aan zijn klein veldbed, waarop hij sliep in zijn strenge slaapkamer
-van het Imperiaal, bed, waarop hij van kind af geslapen had. De paradebedden, in het
-Episcopaal, te Vaza, en hier deden hem zich vreemd, neêrgegooid en ongemakkelijk voelen.
-Zijne oogen bleven ook nu open en volgden de plooien der hooge gordijnen, doorzochten
-de schaduwen, die het flauwe licht eener zilveren lamp in de hoeken terug deed kruipen.
-Zwaar begon het in zijne ooren te suizen.
-</p>
-<p>En zonderling vond hij het daar te liggen op dat bed, waar al zijne voorouders ook
-eens gelegen hadden. Ze tuurden hem allen aan van de acht vakken der wanden. Wat was
-hij? Atoom van leven, stofje van vorstelijkheid, uit hen allen geboren; een der laatste
-schakels uit hunne lange ketting, die door de eeuwen terugslingerde en leidde tot
-dien geheimzinnigen, mystieken oorsprong, half heilig, legendarisch, tot St. Ladislas
-zelven … Zoû er na hem ook dàt komen: eene tweede ketting, die zich voort <span class="corr" id="xd31e648" title="Bron: zoù">zoû</span> slingeren in de toekomst? Of … <span class="pageNum" id="pb50">[<a href="#pb50">50</a>]</span>En waartoe telkens de terugkomende, eindeloos eeuwige wedergeboorte van het leven?
-Wat zoû het einde zijn, het groote Einde …?
-</p>
-<p>In eens kwam, als een vizioen, tot hem-terug de nacht op het Therezia-plein, het donderend
-schot van het fort, driemaal herhaald, en het krachtig aanruischen van eene naderende
-zwartte, die als eene zee was. Suiste het maar in zijne ooren, of … of ruischte het
-waarlijk weêr aan? Ruischte, op zijn vraag naar het einde, het groote Einde, de zwarte
-toekomst aan met dat zelfde geluid van dreigend water, dat door niets te weêrhouden
-zoû zijn? Dijken drong het door; alles wat tot bescherming werd opgeworpen, sleepte
-het meê, onverbiddelijk, met zijn zwarte frons van ernstig noodlot, en de sombere
-plooien van zijne overstrooming, die als een voortgesleept lijkkleed was over alles
-wat eindigen moet, trok het voort, tot waar zij waren, de zijnen, op hun hoog standpunt
-van Majesteit bij de gratie Gods en van St. Ladislas; zijn vader, op hun eeuwenouden
-troon, gekroond en gescepterd en den appel van het rijk in de keizerlijke palm, en
-het scheen niet te weten, dat ze goddelijk waren en heilig onschendbaar; het scheen
-om niets te geven in zijne ruwe, sombere, onverschillige, aan niets geloovende, aanruischende
-profanatie, want over hen heen slierde het, in eens, woest, zijne zwarte golven, slierde
-hen meê, zijn vader, zijne moeder, hen allen, en zij waren geweest, de keizerlijken,
-werden legende in het gloren van den nieuwen dag, die over de zwarte zee rees …
-</p>
-<p>Zijne voorouders zagen hem aan, en ze schenen hem schimmen toe, legenden ook, onwaarheid,
-waarvan de traditie niet meer beschermen zoû. Ze schenen hem spoken, vijanden … Ronder
-opende hij zijne brandende oogen op hunne stijve, gesleepmantelde of geharnaste figuren,
-die van de acht vakken der wanden naar hem toe schenen aan te stappen, om hem in hun
-midden te stikken, neêr te drukken in een engen kring van nachtmerrie op zijne hijgende
-borst, met ijzeren knieën de lucht uit zijne longen persend, met ijzeren handen vermorselend
-zijn hoofd, waaruit het zweet tappelings liep langs de slapen.
-</p>
-<p>Toen voelde hij zich bang, als een klein kind, dat verteld is geworden van akelige
-dingen. Bang voor die spoken van keizers, bang voor de flitsen van vizioenen, die
-tafereelen der <span class="pageNum" id="pb51">[<a href="#pb51">51</a>]</span>overstrooming weêr voor hem deden bliksemen—het weiland met de lijken; de ponteniers,
-die de vrouw opvischten. De lijken begonnen in eens te leven, te schateren met spleten
-van monden en holle oogen, als hadden zij hem voor den gek gehouden, als waren er
-geene overstroomingen geweest en de kamerschemering der slaapzaal, die vol was van
-de keizers, drukte op hem neêr als met atmosfeeren stikstof.
-</p>
-<p>—Andro! Andro! riep hij, gesmoord in zijne keel en toen, als in doodsangst:
-</p>
-<p>—Andro!! Andro …
-</p>
-<p>De deur aan het eind der kamer werd opengerukt; de kamerdienaar kwam binnen, ontsteld,
-in zijne nachtkleêren. Zijne reëele verschijning verbrak den toover van den nacht
-en immobilizeerde de spoken weêr tot portretten.
-</p>
-<p>—Hoogheid …!!
-</p>
-<p>—Andro, kom hier …
-</p>
-<p>—Hoogheid, wat is er …? Wat heeft U me doen schrikken, Hoogheid! Wat heeft U … Ik
-dacht …
-</p>
-<p>—Wat, Andro?
-</p>
-<p>—Niets, Hoogheid, Uw stem klonk zoo verschrikkelijk heesch! wat heeft U toch …
-</p>
-<p>—Ik weet het niet, Andro; ik ben ziek, geloof ik; ik kan niet slapen …
-</p>
-<p>De man wischte met een zakdoek Othomars klam voorhoofd af.
-</p>
-<p>—Wil U iets hebben, Hoogheid? Wil U water …?
-</p>
-<p>—Neen, dank je, dank je … Andro, kun je hier komen slapen?
-</p>
-<p>—Als U het wil, Hoogheid …
-</p>
-<p>—Ja, hier, onder aan mijn bed. Ik geloof, dat ik nog al ziek ben, Andro … Haal je
-kussen hier.
-</p>
-<p>De man zag hem aan. Hij was niet veel ouder dan zijn prins. Hij had hem van kind af
-aan bediend en aanbad hem met eene aanbidding van lagere voor majesteit; hij voelde
-zich geheel en al aan hem gebonden, verknocht; hij wist, dat de prins niet sterk was,
-maar ook, dat hij nooit klaagde …
-</p>
-<p>Boos, in eens, draaide hij zich om, om naar zijn kamer te gaan en zijn kussen te halen.
-</p>
-<p>—Natuurlijk, als ze U ook zoo afbeulen! riep hij met eene <span class="pageNum" id="pb52">[<a href="#pb52">52</a>]</span>woede, die hij niet meer kon inhouden. Generaal Ducardi denkt zeker, dat U ook in
-zoo een robbenhuid steekt als hij!
-</p>
-<p>In zijn snor mopperend, kwam hij terug, met het kussen, legde het neêr op de trede
-van het praalbed.
-</p>
-<p>—Heeft U koorts? vroeg hij.
-</p>
-<p>—Neen … ja, misschien; een beetje. Het zal wel overgaan, Andro. Ik … ik ben …
-</p>
-<p>Hij dorst het niet zeggen.
-</p>
-<p>—Ik ben wat onrustig, ging hij door, en angstig gingen zijne oogen door de kamer heen,
-waar de keizers weêr stil stonden.
-</p>
-<p>—Wil U een dokter uit Vaza hebben?
-</p>
-<p>—Neen, neen, Andro, zeker niet; ben je nu mal, zoo een opschudding in den nacht. Ga
-nu maar slapen, hier onder …
-</p>
-<p>—Zal U dan ook probeeren te slapen … mijn „prinsje”? vroeg hij, met dat teedere verkleinwoord,
-dat, in zijne taal, als een liefkoozing klonk.
-</p>
-<p>Othomar knikte hem lachend toe, en duldde, dat hij, met iets van een voedster, de
-kussens voor hem opschudde.
-</p>
-<p>—Wat een bed, mopperde Andro. Het lijkt wel een grafmonument …
-</p>
-<p>Daarna legde hij zich neêr, maar sliep niet; hij bleef wakker. En toen Othomar na
-eene pooze vroeg:
-</p>
-<p>—Slaap je al, Andro? antwoordde hij:
-</p>
-<p>—Ja, Uw Hoogheid, bijna.
-</p>
-<p>—Suist er iets in de verte, is dat water of … of verbeeld ik het me?
-</p>
-<p>De man luisterde.
-</p>
-<p>—Ik hoor niets, Hoogheid … U zal wat koortsig zijn.
-</p>
-<p>—Neem een stoel en kom hier zitten, aan mijn hoofdeind …
-</p>
-<p>De man deed zoo.
-</p>
-<p>—En laat je me voelen, je hand, zoo …
-</p>
-<p>Eindelijk look Othomar zijne oogen. In zijne ooren ruischte het door, steeds door …
-Maar onder het geruisch zelve, terwijl de lichtheid uit zijn hoofd nevelde, sliep
-de kroonprins van Liparië in, zijne klamme hand in de harde handen van zijn knecht,
-die den onrustigen slaap van zijn meester bespiedde in de trillingen om den mond,
-de schokken van het lichaam, tot, om te stillen, hij met zijne andere hand zacht <span class="pageNum" id="pb53">[<a href="#pb53">53</a>]</span>over het kloppend voorhoofd streelde, meêlijdend mompelend, met zijn vreemden, nationalen
-klank van liefkoozing.
-</p>
-<p>—Mijn arm prinsje …
-</p>
-<p>Buiten begon het te dagen; het licht scheen de venstergordijnen even van <span class="corr" id="xd31e709" title="Bron: elkaar">elkaâr</span> te schuiven.
-</p>
-</div>
-</div>
-<div id="s1.2.5" class="div2 section"><span class="pageNum">[<a href="#s1.2.5.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h3 class="main">V.</h3>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Den volgenden morgen zoû de hertogin aan de ontbijttafel prezideeren; zij was reeds
-met al de heeren in de eetzaal, toen Othomar binnenkwam, het laatste. Dutri begeleidde
-hem. Strak kleedde hem zijne uniform, blauw, wit en zilver, en hij groette, glimlachend,
-maar eenigszins stijf, terwijl Herman hem de hand gaf en de andere bogen, de hertogin
-diep neeg.
-</p>
-<p>—Wat ziet de prins bleek! sprak Leoni tot Ducardi.
-</p>
-<p>Het was zoo, de prins zag zeer bleek; zijne oogen stonden dof, maar hij hield zich
-goed, at iets van visch, proefde aan een salmis van wild. Toch was de vermoeidheid
-van den prins zoo zichtbaar, dat Ducardi zelve over tafel zacht tot hem zei:
-</p>
-<p>—Voelt Uwe Hoogheid zich niet wel?…
-</p>
-<p>Aller oogen zagen Othomar aan, en hij wilde hunne belangstelling logenstraffen.
-</p>
-<p>—Ik heb niets, antwoordde hij.
-</p>
-<p>—Heeft Uwe Hoogheid niet goed geslapen? ging Ducardi voort.
-</p>
-<p>—Niet zoo heel goed … moest Othomar bekennen, met een glimlach.
-</p>
-<p>Het gesprek ging door, de hertogin wendde het af; maar na het ontbijt, op het punt
-van te gaan—de paarden stonden gezadeld in den binnenhof—zei Ducardi kortaf:
-</p>
-<p>—We zouden beter doen niet te gaan, Hoogheid!
-</p>
-<p>Othomar verbaasde zich, wilde niet begrijpen.
-</p>
-<p>—U schijnt wat moê, Hoogheid! hernam Ducardi kort, en, zachter, verontschuldigend:
-</p>
-<p>—En het is ook niet te verwonderen, dat de laatste dagen U hebben aangegrepen. Als
-Uwe Hoogheid het mij vergunt, zoû ik haar aanraden vandaag rust te nemen.
-</p>
-<p>Een zacht gevoel van ontspanning kwam reeds over den <span class="pageNum" id="pb54">[<a href="#pb54">54</a>]</span>prins heen; hij voelde zich te gestreeld door dit denkbeeld van rust, om langer tegen
-te strijden, maar toch stak hem zijn geweten, bij de gedachte aan zijn vader: eene
-schaamte, zoo deze hooren mocht van afmatting, die zoo duidelijk zichtbaar scheen.
-</p>
-<p>En hij wilde volstrekt niet, dat men in het geheel niet zoû gaan. Hij gaf in zoo verre
-dan toe aan Ducardi, dat hijzelve niet gaan zoû en rust zoû nemen, indien men meende,
-dat hij die behoefde, maar prins Herman en de anderen verzocht hij dringend de voorgenomen
-route van heden te nemen, en te gaan. En hij zeide dit met jeugdige hoogheid, in zichzelven
-reeds ontspannen door den dag van rust, die komen zoû, een geheelen dag, onverwachts!
-maar vooral bang dit genot te laten merken en daarom een beetje boudeerend doende,
-of hij wèl meê wilde, of hij generaal Ducardi dwaas vond, met zijn raad …
-</p>
-<p>De heeren gingen. De hertogin zelve leidde Othomar naar den westelijken zijvleugel,
-drong hem zeer rust te nemen in haar eigen boudoir. Door de vensters der galerij zag
-Othomar Herman en de anderen wegrijden; hij volgde hen een oogenblik met de oogen,
-ging toen verder met de hertogin, en zag over den binnenhof een groom het paard dat
-men hemzelven gezadeld had, het kloppende aan den hals, terugbrengen naar stal. Verschillend
-gevoel woelde nog in hem: streeling van rust, een beetje angst zich te verraden, schaamte …
-</p>
-<p>In het boudoir liet de hertogin hem alleen. Het was er stil; buiten, vredig voornaam,
-graasden de damherten. De rust van het boudoir eener vrouw van de wereld, met het
-rijke zwijgend gedrapeer van zijden stoffen, de afwachtende weekheid van zachte meubels,
-de kalme schittering van ornamenten, allen voorwerpen van kunst en kostbaar, viel
-met eene suizelooze ademloosheid over hem heen, als een waas van tulle, geurig van
-eene onnoembare, zachte emanatie: het parfum zelve dier vrouw. De werkeloosheid van
-dit oogenblik van heden sloeg, in eens, een beetje vreemd, op Othomar neêr en verijlde
-zijne gedachten in eene lichte verwondering. Hij was als een hollend paard, dat in
-eens wordt stil gerukt, tot staan.
-</p>
-<p>Hij zette zich een oogenblik, keek naar de herten. Toen stond hij op, bedacht of hij
-bellen zoû, maar vond het beter <span class="pageNum" id="pb55">[<a href="#pb55">55</a>]</span>zelve even te zoeken. Op de kleine schrijftafel der hertogin—Japansch verlakt met
-parelmoêren landschappen ingelegd en ivoren ooievaren—vond hij een stuk papier, een
-potlood.
-</p>
-<p>En hij schreef:
-</p>
-<p class="address">Aan Hare Allergenadigste Majesteit, <br>Elizabeth, <br>Keizerin van Liparië.
-</p>
-<p class="dateline">Castel Vaza, April 18..
-</p>
-<p>Wil U niet verontrusten, als de couranten overdrijven, en melden, dat ik ziek ben.
-Ik was een weinig vermoeid en generaal Ducardi ried mij aan heden rust te nemen. Herman
-en de anderen zijn gegaan; morgen hoop ik van hier uit, onze tweede route te leiden.
-Overmorgen gaan wij naar Lycilië.
-</p>
-<p class="signed"><span class="sc">Othomar</span>.
-</p>
-<p>Toen belde hij en aan den lakei, die verscheen:
-</p>
-<p>—Mijn kamerdienaar, Andro.
-</p>
-<p>Deze verscheen na eenige oogenblikken.
-</p>
-<p>—Andro, zeide Othomar; vraag een paard, ga naar Vaza en bezorg zoo gauw mogelijk dit
-telegram aan Hare Majesteit, de keizerin …
-</p>
-<p>Andro ging heen en de vreemd ijle ledigheid viel weêr over Othomar neêr. Over het
-park scheen de zon, de herten glansden als van havana satijnen vellen. De laatste
-veertien dagen trokken Othomar weêr voorbij. En het was of hij in het perspectief
-van dat heele kleine verleden, de ellende, die hij gezien had en had pogen te troosten,
-als éen groot geheel, éene schilderij van menschelijke ramp, zich zag uitbreiden.
-En voor het groote leed, dat zijn land vervulde, voelde hij zijn hart vol medelijden
-kloppen. Een week gevoel van weemoed, dat er was zooveel leed, en dat hij was zoo
-machteloos, klom weêr in hem op, als het altijd deed, wanneer hij alleen was en kon
-nadenken. Dan voelde hij zich klein, onbeduidend, niets kunnende en iets in zijne
-ziel duizelde en viel als slap, spierloos neêr van eene opgeschroefde hoogte, zonder
-energie en zonder wil. Dan lag dat daar in wanhoop en er òp drukte, <span class="pageNum" id="pb56">[<a href="#pb56">56</a>]</span>zwaar van al zijn leed, het geheele keizerrijk en verpletterde het met zijn gewicht
-van centenaren.
-</p>
-<p>Er waren belangrijke werkstakingen uitgebroken in de Oostelijke kwikzilvermijnen,
-aan de andere zijden der Giganten. Hij herinnerde zich eens een tocht aldaar en te
-hebben geleden om de vreemd, vaal bleeke gezichten der arbeiders, die hem met groote
-holle oogen aanstaarden, en er langzaam gesloopt werden door hun eigen broodwerk in
-een atmosfeer vol gif. En hij wist wel, dat wat hij toen nog gezien had, iets Zondags
-was, het welvarendste, dat men vertoonen kon; dat hij de zwarte diepte hunner ellende
-nooit zien zoû, omdat hij kroonprins was. En niets kon hij voor ze doen en als ze
-nog woester het hoofd opstaken, dan ze nu reeds deden, zouden de troepen, die er reeds
-heen waren, op ze schieten, als op honden.
-</p>
-<p>Hij hijgde luid, als om de centenaren op zijn borst weg te hijgen, maar ze vielen
-weêr terug. Het beeld van zijn vader kwam hem voor den geest, hoog, zeker, bewust
-van zichzelven, zonder weifeling altijd wetend wat hij doen zoû, vol vertrouwen, dat
-majesteit niet feilen kon, handteekeningen zettend met groote, vaste letters, kortaf:
-Oscar … Alles wat zoo geteekend werd: Oscar, was vlekkeloos van rechtvaardigheid,
-als het noodlot zelve. Hoe anders was hij, zijn zoon, en begon met hem dan het oude
-ras van kracht en gezag te kwijnen, als met een plotselingen knak in den rug, eene
-uitputting van merg?
-</p>
-<p>Toen zag hij zijne moeder, Rumeensche prinses, zoo innig beminnend de haren; vrouwelijkheid,
-moederlijkheid zelve in hun kleinen kring; voor het volk trotsch, ongenaakbaar, zonder
-tact, als hij zelve, niet bemind, als ook hij niet, tenminste niet in Lipara en het
-Zuiden van het rijk. Hij wist het: onder die strakke ongenaakbaarheid verborg <span class="corr" id="xd31e766" title="Bron: hij">zij</span> haren angst, angst, als zij zat in een open rijtuig, in de comedie, bij plechtigheden
-en in de kerk, zelfs bij bezoek aan liefdadige instellingen; die angst had in haar
-gedood de groote liefde voor het algemeen, en ziekelijk overspannen de liefde voor
-den kleinen kring, tegen hare, van natuur wijd om zich heen ziende, ziel in. En door
-dien angst heen hare berusting, hare afwachting van de catastrofe, de uitbarsting,
-waarin zij met de haren zoû omkomen …!
-<span class="pageNum" id="pb57">[<a href="#pb57">57</a>]</span></p>
-<p>Hij was hun zoon, de opvolger op hun troon: van waar had hij dan zijne weifeling van
-niet-kunnen, die zijn vader niet had, en de liefde voor hun volk, die zijne moeder
-niet meer had? Zijne voorouders kende hij alleen uit de historie; in de eerste middeneeuwen
-barbaarsch, wreed, later verfijnd sensueel, genotziek; één vorst, zwakkeling, geheel
-door hovelingen geregeerd, een roi-fainéant, onder wien het rijk ten prooi was geworden
-aan binnenlandsche verdeeldheid en buitenlandsche hebzucht; daarna beschaafder, eene
-resurrectie van kracht, reactie van opkomst na verval, en de roem en de grootheid
-van het rijk tot nu toe … Tot nu toe; aan hém was deze erfenis van grootheid en roem;
-hoe zoû hij met ze doen, hoe ze eens overgeven aan zijn eigen zoon?
-</p>
-<p>Toen voelde hij zich zoo klein, zoo bang, dat hij wel ergens weg had willen loopen,
-uit de, hem aangapende, oogen zijner toekomstige verplichtingen weg …
-</p>
-</div>
-</div>
-<div id="s1.2.6" class="div2 section"><span class="pageNum">[<a href="#s1.2.6.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h3 class="main">VI.</h3>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Het lunch had al de intimiteit van een allerbekoorlijkst tête-à-tête, gediend in de
-kleine eetkamer; de hofmeester alleen achter tafel. De hertogin vroeg zeer belangstellend
-hoe Othomar het maakte; de prins voelde zich waarlijk al uitgerust, had goeden eetlust,
-was vroolijk, prees den kok en den beroemden Lyciliër. Toen de hertogin hem na het
-lunch voorstelde een kleinen toer te maken in den omtrek, vond hij dit een uitstekend
-idee. Hijzelve wilde te paard—hij wist, dat de hertogin eene uitstekende amazone was,—maar
-Alexa ried dit lachend af; zei, dat ze bang was voor generaal Ducardi, die den prins
-rust had aanbevolen, en meende, dat een kleine rijtoer in open rijtuig minder afmattend
-zijn zoû. Zij had zich bijtijds herinnerd, dat eene amazone haar zwaar en oud maakte,
-en was heel blij, dat de prins toegaf.
-</p>
-<p>Het was heerlijk weer gebleven; zachte zon in blauwe lucht. Het landschap deinde zich
-wijd uit; de bergen stonden schril en steil met hunne ijskammen in den ether. De toer
-had het bekoorlijke van een incognito zonder etiquette; de prins in zijn klein uniform
-naast de hertogin, in een eenvoudig somber toilet van mauve velours-de-chasse, in
-de elegante, lichte victoria, waarop de koetsier alleen zat, zonder palfrenier, <span class="pageNum" id="pb58">[<a href="#pb58">58</a>]</span>vlug de twee slanke goudvossen aanzettend. De zon glansplekte over de gladde robes
-der paarden, spiegelde in het verlakt van het rijtuig, en in de facetten der geslepen
-lantarens, op den hoogen hoed van den koetsier en in de knoopen van Othomars uniform.
-Al dit vonken wisselde in kort straalgeflits, en zoo, flonkerend, luchtigjes, gleed
-het rijtuig over den weg, door een paar dorpjes, waarvan de bewoners hunne landvrouw
-groeteden, maar niet wisten wie was de eenvoudige jonge officier, die naast haar zat.
-Een bries had de vocht der vroegere dagen droog gewaaid, en lichte wolkjes van stof
-stuivelden zelfs onder de snel raderende wielen op.
-</p>
-<p>De hertogin sprak veel, over Lipara, den keizer, de keizerin. Zij had dien tact van
-instinctmatig te voelen wat te zeggen en waarover te spreken, als zij behagen wilde.
-Hare stem was een charme. Zij kon soms een grooten eenvoud en natuurlijkheid hebben,
-meestal als ze er niet aan dacht hoe zich voor te doen. Instinctmatig, tegenover den
-prins, om hem sympathiek te zijn, nam ze dien zelfden eenvoud aan, die hare natuur
-was. Ze werd er jaren jonger om; de brutale chic van de mode flatteerde haar veel
-minder, en maakte haar ouder, zelfs vulgair. Zooals nu affineerde ze zich in de natuurlijke
-distinctie van een oud geslacht. De zwarte voilette om den kleinen hoed verborg de
-leelijke rimpeltjes en hare oogen glansden als sterren er door heen.
-</p>
-<p>De prins herinnerde zich verhalen van zijne adjudanten,—van Dutri niet uitgezonderd—over
-de hertogin: hij herinnerde zich namen, die fluisterend genoemd werden. Hij geloofde
-op dit oogenblik niet aan dien laster, zooals hij meende. Gevoelig als hij was voor
-sympathie, streelde hem de hare, die hij bij intuïtie in haar ried, en deed hem goed
-en lief van haar denken, zooals hij dacht van allen, die van hèm hielden.
-</p>
-<p>Het rijtuig was tusschen hellingen en wijngaarden gegaan, toen het opeens als bij
-verrassing langs een kasteel reed, half zichtbaar tusschen heel oude kastanjeboomen.
-</p>
-<p>—„Wat is dit goed?” vroeg de prins. Wie zijn hier uw buren, mevrouw?
-</p>
-<p>—Niemand minder dan Zanti, Hoogheid, antwoordde de hertogin; zij huiverde, maar poogde
-te schertsen. Balthazar Zanti woont hier met zijn dochter.
-<span class="pageNum" id="pb59">[<a href="#pb59">59</a>]</span></p>
-<p>—Zanti! Balthazar Zanti?! riep Othomar verbaasd; hij richtte zich op, keek nieuwsgierig
-naar het slot, dat zich verborg achter de kastanjes. Maar hoe komt het dan, mevrouw<span class="corr" id="xd31e789" title="Niet in bron">,</span> dat ik verleden jaar, toen ik met den keizer bij mijnheer den hertog jaagde, nooit
-van prins Zanti gehoord heb, en dat hij hier woonde?
-</p>
-<p>De hertogin lachte.
-</p>
-<p>—Denkelijk, Hoogheid, omdat de jacht van den hertog een anderen kant op ligt—zij maakte
-met de hand eene vage beweging—en U hier dus niet voorbij kwam, en omdat Zijne Majesteit
-den naam van Balthazar Zanti niet hooren wil.
-</p>
-<p>—Maar door niemand van de adjudanten …!
-</p>
-<p>De hertogin lachte nog vroolijker, zag den prins, schertslachend ook, aan en sprak:
-</p>
-<p>—Het is zeker onvergeeflijk van ze U niet beter in te lichten omtrent de merkwaardigheden
-van het gouvernement van Vaza. Maar … ik bedenk me nu, het is heel natuurlijk, Hoogheid.
-Het kasteel stond verleden jaar leêg; Zanti reisde door het rijk en hield redevoeringen.
-U herinnert zich, ze zijn later gerechtelijk verboden. Zijn naam was dus toen hier
-nog geen locale klank …
-</p>
-<p>De prins zag nog altijd naar het slot, dat maar niet geheel zichtbaar werd, toen het
-rijtuig, met een bocht van den weg, bijna rakelings reed voorbij een kleine groep,
-aan de helling van een wijngaardheuvel: een oude man, een jong meisje, een hond; het
-jonge meisje, teêr, tenger, bleek, blond, trots de zon in veel bont gekleed, waaronder
-zij nog eene zekere morbide elegance behield; ze zat op het gras, een donker bonten
-toque op het zilverblonde haar; hare lange, witte hand, ongeschoeid, klopte tot kalmte
-manend op den kroeskop van den retriever, die het rijtuig aanblafte; en naast haar
-stond, hoog, een groote, oude man, vreemd in een ruimen, grauwen kiel; een grijze
-reus, met zwaren baard en sombere oogen, zwart schemerend onder den rand van een slappen
-vilten hoed. De hond blafte; het meisje groette even—ze herkende de hertogin als bure—zonder
-den prins te kennen; de oude man echter zag strak fronsend, en groette niet. Het rijtuig
-ratelde voorbij.
-</p>
-<p>—Dat was Zanti … fluisterde de hertogin.
-<span class="pageNum" id="pb60">[<a href="#pb60">60</a>]</span></p>
-<p>—Zanti …! herhaalde de prins. En sedert wanneer woont hij hier?
-</p>
-<p>—Sedert heel kort; ik geloof, dat de doktoren de lucht van Vaza gezond achtten voor
-zijn dochter.
-</p>
-<p>—Dat meisje, was dat zijn dochter?
-</p>
-<p>—Ja, Hoogheid, ik heb haar al eens meer gezien; ze schijnt ziekelijk te zijn.
-</p>
-<p>—Prins Zanti, niet waar?
-</p>
-<p>—Zeker, Hoogheid, maar op eigen verlangen Zanti tout court … Titels zijn dwaasheid,
-Hoogheid, in de negentiende eeuw.
-</p>
-<p>Zij schertste en toch voelde zij eene stille huivering, ze wist niet waarom. Dat Zanti
-daar zoo dicht bij Castel Vaza was komen wonen, vond ze onheilspellend. Den kroonprins
-zag zij even snel, huiverend, van ter zijde aan. Zij bespeurde hoe een vreemd nadenken
-over zijn gelaat trok als een schaduw. Toen, om het gesprek te wenden, niet meer te
-denken aan dien akeligen man:
-</p>
-<p>—U ziet er veel beter uit, Hoogheid, dan van morgen! De lucht heeft U goed gedaan …
-</p>
-<p>Zij schudde haren huiver af. De prins echter bleef vreemd; een plotselinge emotie
-scheen in hem te woelen. Toen zij terug waren in het kasteel, in het boudoir, wilde
-de hertogin zelve den prins een kop thee schenken. Hij stond te kijken naar buiten,
-naar de herten, maar, terwijl ze met het geblazoeneerd vergulde gerei van hare theetafel
-bezig was, zag ze hem bleek worden, krijtwit,—zooals dien morgen—, zijne oogen vergrooten,
-vreemd …
-</p>
-<p>—Wat heeft U, Hoogheid … riep ze verschrikt en trad nader.
-</p>
-<p>Hij wendde zich tot haar, poogde te lachen.
-</p>
-<p>—Pardon, mevrouw, ik ben al heel onhoffelijk … zoo te zijn, maar … maar die man daar
-heeft me verrast …—hij lachte—, ik wist niet, dat hij hier was, en dan de lucht …
-die ijle lucht …
-</p>
-<p>Hij bracht de hand naar zijn voorhoofd; witter zag ze hem worden, het bloed scheen
-uit hem weg te loopen, en hij duizelde …
-</p>
-<p>—Hoogheid …!! riep ze.
-<span class="pageNum" id="pb61">[<a href="#pb61">61</a>]</span></p>
-<p>Maar Othomar, de hand vaag bewegend als tot steun, was tegen haar aangevallen; zij
-ving hem op, in haren arm, aan hare borst, doodelijk verschrikt, en ze zag, dat hij
-flauw lag. Een fijn zweet stond op zijn voorhoofd; zijne oogen loken zich met moede
-leden, als stierven ze; zijn mond was open, zonder adem.
-</p>
-<p>De hertogin ontstelde hevig; doodsbang was ze, dat den hertog van Xara iets ernstigs
-overkomen zoû, in het kasteel, alleen bij haar; ze voelde in eens, dat Liparië’s toekomst
-aan den steun harer armen was toevertrouwd; ze zag den prins reeds dood, zichzelve
-in ongenade, aan het Imperiaal … Dit alles stoof door hare hersenen heen, in het allereerste
-oogenblik. Maar zij beschouwde hem lang na, eene zachte uitdrukking kwam op haar gelaat.
-Trots, dat de hertog van Xara daar half flauw op haren schouder lag, en plotselinge
-passie waarin veel moederlijkheid en medelijden, mengden zich samen tot een vreemd
-gevoel in hare ziel. Zij streek hem zacht het haar weg, veegde zijn bepareld voorhoofd
-af met haren zakdoek … En het vreemde gevoel werd vreemder nog in haar, intenser in
-zijne beide elementen: intenser in trots, intenser in medelijdende liefde: die eener
-minnares en moeder te zamen. Toen met een glimlach, drukte zij den zakdoek, éven nat
-van het keizerlijke zweet, aan hare sidderende lippen. De zachte geur van het vocht
-scheen haar te bedwelmen, met een aroom van virile jeugd … Zij dacht aan de brieven
-en portretten in het zilveren kistje met de turkooizen. Een diepe weemoed om het leven
-vlijmde door hare ziel; nog meerdere harer herinneringen schenen weg te stuiven als
-asch. Toen, zich niet meer willende geven aan dien weemoed, boog ze haar hoofd, en
-ernstig nu, zich gevende aan het heden, dat haar van nieuw geluk deed opleven, drukte
-zij die lippen, sidderender nog, op Othomars mond. Even verwijlde zij er; hare oogen
-sloten zich; toen gaf zij haar zoen.
-</p>
-<p>Zij openden hunne oogen, te gelijkertijd, zagen elkaâr aan. Ernstig somber, tragisch
-bijna flitste zij hare blikken in de zijne. Hij zeide niets, bleef haar aanstaren,
-nog half in hare armen. De kleur welde onder zijne wangen terug. Hunne oogen dronken
-elkaâr in. Hij voelde het onbekende voor hem openwijken, zich ingewijd worden in de
-wereld van kennis, <span class="pageNum" id="pb62">[<a href="#pb62">62</a>]</span>die hij in haar ried en zelve niet wist. Maar hij voelde geene vreugde er om: hare
-oogen bleven somber. Toen nam hij alleen hare hand, drukte die even als eenige tegenliefkoozing,
-en sprak, de oogen, onafgewend, in hare groote, stille, zwarte passieblikken, zijn
-gezicht nog van verrassing strak:
-</p>
-<p>—Ik was wat duizelig, zoo even …? Ik vraag u excuus, mevrouw …
-</p>
-<p>Ze bleef hem ook aanzien, somber, nu glimlachend nederig. Haar trots roeide in éen
-wiekslag op naar het heel hooge: den mond van haren toekomstigen keizer zegelde nog
-haar zoen! Hare liefde aanraakte haar in-leven zooals een waaiende bries over een
-meer strijkt, het met éen enkel frisch geblaas geheel zilver rimpelend en bewegend
-tot in diepte toe; zij aanbad hem om zijne jonge hoogheid, die zoo genadig aannam
-haar zoen, zonder dien verder te erkennen, om zijne keizerlijke naïviteit, zijne jongensstem,
-zijne jongensoogen, zijn handdruk: het eenige, dat hij haar gegeven had; en het was
-in haar een zeer vreemd trotsche wellust: het genot die naïve jeugd, die mannelijke
-maagdelijkheid aan te zweemen, te beginnen in te drinken met hare oogen, hare lippen
-en hare ziel, als tooverdrank, die haarzelve weêr zoû geven hare jeugd.
-</p>
-</div>
-</div>
-<div id="s1.2.7" class="div2 section"><span class="pageNum">[<a href="#s1.2.7.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h3 class="main">VII.</h3>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Men dineerde dien middag laat, daar men gewacht had op Herman en de anderen. De gesprekken
-aan tafel liepen over den toestand van het platteland, over de boeren, die van alles
-beroofd waren. De hertogin was stil; de conversatie interesseerde haar niet, maar
-hare stilte had iets glimlachend rustigs.
-</p>
-<p>Dien avond bestudeerde Othomar met Ducardi weder de kaart, onder de kanten lamp. De
-avond was koud geworden, de deuren van het terras waren toe. De hertogin had geen
-lust tot biljarten, maar zij zat in den tweeden salon zacht met Dutri te praten. Zij
-zag er prachtig uit, placide als een beeld, in haar licht geel getint antiek kanten
-toilet, de bloote borst regelmatig golvend over eene gelijke ademhaling; een enkele
-star van brillanten in het haar van voren.
-</p>
-<p>Othomar wees met het potlood over de kaart.
-</p>
-<p>—Zoo kunnen we dan gaan, langs dien weg … Zie, generaal <span class="pageNum" id="pb63">[<a href="#pb63">63</a>]</span>Ducardi, ziet u eens hier, kolonel Von Fest, hier heb ik van middag getoerd met mevrouw
-de hertogin en hier, geloof ik, woont Zanti. Wist u dat?
-</p>
-<p>De heeren keken op, zagen naar het punt, dat de kroonprins aanwees, verwonderden zich.
-</p>
-<p>—Ik dacht, dat hij in het Zuiden woonde, in Thracyna! meende de jonge graaf van Thesbia.
-Othomar vertelde, wat de hertogin hem gezegd had.
-</p>
-<p>—Zanti! riep Herman; Balthazar Zanti? O, maar dan is hij het …! Ik sprak van middag
-met een troep boeren; ze vertelden me van de nieuwe barakken, die een nieuw landeigenaar
-uit de buurt had laten opslaan, maar ze spraken dialect, ik verstond ze niet goed;
-ik dacht, dat ze Xanti zeiden, en dan dacht ik er niet aan, dat het Balthazar Zanti
-kon zijn. Maar dan is hij het!
-</p>
-<p>—Barakken? vroeg Othomar.
-</p>
-<p>—Ja, een dorp van barakken, naar het scheen; ze spraken er van, dat hij zoo rijk en
-zoo genereus was, en ik weet niet hoeveel boeren huisvestte, die alles verloren hadden.
-</p>
-<p>—Ik meen nu wel in de couranten gelezen te hebben, dat Zanti in Vaza was gaan wonen,
-zei Leoni.
-</p>
-<p>—Ik zoû die barakken wel willen zien, we kunnen er morgen aangaan, zei Othomar.
-</p>
-<p>Generaal Ducardi fronste zijne borstelige brauwen.
-</p>
-<p>—U weet, Hoogheid, dat Zijne Majesteit allesbehalve op Zanti gesteld is, en er zelfs
-over denkt hem te verbannen. Het zoû misschien meer in den geest van Zijne Majesteit
-zijn, om wat Zanti hier doet, op dit oogenblik maar te niëeren.
-</p>
-<p>Othomar voelde echter geen lust den generaal toe te geven; een jonge strijdlust borrelde
-in hem op.
-</p>
-<p>—Maar generaal, iemands weldaden te niëeren in deze tijden, is noch dankbaar, noch
-diplomatiek.
-</p>
-<p>—Ik ben overtuigd, dat zoo Zijne Majesteit wist, dat Zanti zijn kasteel hier bewoonde<span class="corr" id="xd31e850" title="Niet in bron">,</span> Zij Uwe Hoogheid speciaal zoû verzocht hebben zich volstrekt niet in gemeenschap
-met dien man te stellen! sprak Ducardi nadrukkelijk.
-</p>
-<p>—Ik ben hier zoo zeker niet van, generaal! sprak Othomar droog, en geloof integendeel,
-dat zoo Zijne Majesteit wist, dat Zanti zóo veel deed voor de slachtoffers van de
-<span class="pageNum" id="pb64">[<a href="#pb64">64</a>]</span>overstrooming, Zijne Majesteit hem wel wat liefhebberen in communisme vergeven <span class="corr" id="xd31e856" title="Bron: zoú">zoû</span>.
-</p>
-<p>Ducardi beet op zijn snor met een schuinen glimlach.
-</p>
-<p>—Uwe Hoogheid spreekt wel wat luchthartig over dat liefhebberen in communisme. Zanti’s
-theorieën en praktijken zijn meer dan dilettantisme …
-</p>
-<p>—Maar generaal, hernam Othomar zacht; ik begrijp heusch niet waarom Zanti’s socialisme,
-op <i>dit</i> oogenblik, verhinderen moet, dat wij,—ik herhaal op dit oogenblik—apprecieeren hetgeen
-hij doet, en ons moet tegenhouden zijn barakken te bezoeken, terwijl we in Vaza komen
-om alles omtrent de overstroomingen op te nemen …
-</p>
-<p>Ducardi keek hem aan, boos. Hij was het niet gewend, dat Zijne Hoogheid zoo tegensprak.
-De anderen luisterden toe. De hertogin zelve, gelokt door de discussie, waarin zij
-Othomars stem hoog op hoorde klinken met jong gezag, was met Dutri nader gekomen,
-nieuwsgierig …
-</p>
-<p>—Het zoû toch minstens genomen geen kwaad kunnen die barakken even te zien, dit moet
-ik mijn neef toegeven, generaal! sprak Herman van Gothland, die plezier in Othomar
-kreeg.
-</p>
-<p>Ook Von Fest sloot zich overtuigend hierbij aan, rondweg, eerlijk, meende het niet
-anders dan verplicht te zijn aan de slachtoffers, die Zanti geborgen had. Iedereen
-zeide nu zijn opinie: Leoni vond het onmogelijk, dat de kroonprins Vaza bezoeken zoû
-en die barakken niet; het zoû zijn alsof Zijne Hoogheid bang was voor zoo een bullebak
-van een Zanti. Dat Othomar Ducardi tegensprak, gaf hun allen grond om zich schrap
-te zetten tegen den ouden generaal, die den tocht totnogtoe geleid had met iets van
-militair autocratisme, dat hen vaak had gehinderd. Zelfs Dutri, anders nog al onverschillig,
-voegde zich bij hen, blagueerend, met glinsterende oogen, omdat Ducardi eens op zijn
-plaats werd gezet. Hij knipoogde tegen de hertogin.
-</p>
-<p>En het waren alleen Siridsen en Thesbia, die op de hand van Ducardi waren, weifelend,
-omdat de generaal zoo zeker wist, dat de wil des keizers anders zoû luiden dan het
-verlangen van zijn zoon; Thesbia vooral:
-</p>
-<p>—Ik begrijp niet, dat de prins zoo aandringt, fluisterde hij <span class="pageNum" id="pb65">[<a href="#pb65">65</a>]</span>ontsteld tot de hertogin. Ducardi heeft gelijk: u weet zelve toch, hoe de keizer op
-Zanti gebeten is …
-</p>
-<p>De hertogin haalde glimlachend hare mooie schouders op, luisterend naar Othomar, dien
-zij zich hoorde verdedigen, gesteund door uitroepen, hoofdgeknik der anderen.
-</p>
-<p>—Nu, hoorde zij Ducardi droog antwoorden; als Uwe Hoogheid dan volstrekt <i>wil</i>, dat wij er heen gaan, zullen wij gaan; ik hoop alleen, dat Uwe Hoogheid zich altijd
-herinneren zal, dat ik het in dezen niet eens met haar was …
-</p>
-<p>De hertog van Xara nu antwoordde hem lachend, na deze overwinning het eerst den vrede
-aanbiedend, en was het in het geheele verdere plan, dat op de kaart tot aan Lycilië
-werd voortgezet, geheel met den generaal eens, met kleine vleiende intonaties van
-goedkeuring en hoogschatting voor zijn doorzicht en practische blik …
-</p>
-<p>—Hij mag niet l’étoffe hebben voor een groot veldheer, fluisterde Dutri tot de hertogin:
-er zal een aardig diplomaatje van hem groeien …
-</p>
-<p>Maar Ducardi was innerlijk zeer boos. Een oogenblik dacht hij er over den keizer per
-geheime depêche zijn verlangen te vragen, maar verwierp dit denkbeeld, daar het in
-het Imperiaal geen goeden indruk zoû maken, zoo, in zulk eene schijnbare, kleinigheid,
-den hertog van Xara geene vrijheid werd gelaten. Hij poogde dus slechts den volgenden
-morgen Othomar nog eens het bezoek te ontraden, de prins echter bleef er bij.
-</p>
-<p>—Is u dan zoo tegen dat bezoek, generaal? vroeg Von Fest. Is het dan eigenlijk niet
-meer dan redelijk?
-</p>
-<p>—U kent niet de antipathie van Zijne Majesteit voor dien man, kolonel! antwoordde
-de generaal. Zooals ik u al zei, Zijne Majesteit denkt er over hem te verbannen en
-zal dat zeker doen, als Zij hoort, dat hij zich nu op zijn kasteel heeft opgesloten,
-zeker met het doel de boeren op te ruien, zooals hij, in de steden, de arbeiders heeft
-opgeruid. Die man is een gevaarlijk dweper, kolonel, gevaarlijk vooral, omdat hij
-geld heeft om zijn utopieën in praktijk te brengen. Hij stookt den minderen man op,
-zijne militaire verplichtingen niet na te komen, omdat er staat geschreven:—„Gij zult
-niet doodslaan.” Het huwelijk vindt hij een onnoodig sacrament, <span class="pageNum" id="pb66">[<a href="#pb66">66</a>]</span>en ik heb gehoord, dat zijne volgelingen eenvoudig bij hem komen, en hij ze zelve
-trouwt, met een soort van zegen, die ook alweêr steunt op een tekst … ik weet niet
-meer welken. Telkens schrijft hij socialistische brochures, die aangehouden worden,
-en houdt hij opruiende redevoeringen. En die man is zelfs candidaat gesteld voor het
-Huis der Standen.
-</p>
-<p>—Iemand, die zijn titel afzweert, lid van het Huis der Standen! glimlachte Von Fest.
-</p>
-<p>—O, die inconsequenties wemelen in zijn leer, bromde Ducardi. Hij zal u natuurlijk
-zeggen, dat zoolang er niets beters is dan het Huis der Standen, hij dan maar van
-het Huis der Standen lid wil zijn! En van wat zoo een man doet, wil de kroonprins
-notitie nemen!
-</p>
-<p>Von Fest haalde zijn schouders op.
-</p>
-<p>—Laat hem, generaal. De prins is jong. Hij wil weten en zien. Dat bewijst voor hem.
-</p>
-<p>—Maar … de keizer zal het nooit goed vinden, kolonel! donderde de generaal met een
-vloek.
-</p>
-<p>Weêr haalde Von Fest de schouders op.
-</p>
-<p>—Ik zoû het hem toch niet meer afraden, generaal. Als de prins iets wil, laat hem
-dan maar willen, dat zal hem goed doen … En krijgt hij daarna een standje van zijn
-vader, dan zal hem dat ook goed doen, bijwijze van reactie.
-</p>
-<p>Ducardi zag hem vlak aan.
-</p>
-<p>—Wat vindt u van onzen prins? vroeg hij op den man af.
-</p>
-<p>Von Fest zag den generaal, glimlachend, terug aan vlak in de zoekende oogen. Hij was
-eerlijk van natuur en oprecht, maar genoeg hoveling om zich te kunnen verbergen, als
-hij dit noodig oordeelde.
-</p>
-<p>—Een allercharmantste jongen, antwoordde hij. Maar het leven, of liever hijzelf, zal
-nog veel aan hem moeten vervormen, om hem straf te doen staan … voor later.
-</p>
-<p>De officieren begrepen <span class="corr" id="xd31e902" title="Bron: elkaar">elkaâr</span>. Ducardi blies een zwaren zucht uit.
-</p>
-<p>—Ja, er zullen moeilijke tijden komen, sprak hij, met een vloek.
-</p>
-<p>—Ja, antwoordde de Gothlandsche kolonel eenvoudig.
-</p>
-<p>De prinsen waren in den binnenhof opgestegen; men reed langs den zelfden weg, dien
-Othomar den vorigen middag <span class="pageNum" id="pb67">[<a href="#pb67">67</a>]</span>met de hertogin getoerd had en langs het kasteel van Zanti. Leoni was te weten gekomen
-waar de barakken lagen; zij reden nog een half uur; de bergen begonnen te wijken,
-de weg slingerde zich met bocht op bocht onder de trappelende hoeven der paarden.
-Eensklaps breidde aan den horizont de Zanthos zich uit: het breede vlak van uitgestort
-water, éen groot meer onder de wijde tintellucht van voorjaar.
-</p>
-<p>—Daar zullen ze zijn! wees Leoni.
-</p>
-<p>Zijn vinger wees een gehucht aan van lange houten gebouwen, klaarblijkelijk frisch
-gebouwd, naar nieuw hout riekend in de aanwaaiende morgenbries. Toen zij nader reden,
-zagen zij timmerlieden, metselaars: eene geheele werkplaats vol bedrijvigheid vertoonde
-zich, hoopen roode baksteen, stapels lange planken. Er klonk gezang, met vromen klank,
-als van psalmen.
-</p>
-<p>Ducardi, steeds gewend vóór te rijden, aan de linkerzijde van den kroonprins, hield
-zijn paard met bedoeling in, liet de anderen hem inhalen; Othomar merkte, dat hij
-hier niet door wilde. Hij vond den generaal kleingeestig en, tot Thesbia:
-</p>
-<p>—Vraag of Zanti hier is …
-</p>
-<p>De ordonnans-officier wendde zich met de vraag tot een soort opzichter. Niemand der
-werklieden had gegroet; de adjudanten weifelden of zij den kroonprins herkend hadden.
-Ja, Zanti was er. Eenvoudig „Zanti”. Goed, hij zoû hem roepen.
-</p>
-<p>De man ging. Het duurde lang. Othomar, te paard wachtende met de anderen, begon zijne
-houding reeds moeilijk te vinden, verloor zijn tact, nam zijne stijve strakheid aan,
-praatte gedwongen met Herman. Hij vond, dat het moeilijk was te wachten, als men dit
-totnogtoe nooit gedaan had. Hij werd er zenuwachtig van, maakte ook zijn paard, met
-coquette kopbeweging aan de teugels trekkend, zenuwachtig en dacht er al aan, maar
-voort te gaan …
-</p>
-<p>Maar Zanti, met den opzichter, die hem geroepen had, kwam juist aan, langzaam, zich
-volstrekt niet haastende. Hij keek uit de verte onder zijne hand naar de groep officieren
-te paard, die schitterden; bleef staan; vroeg nog iets, aan den opzichter; keek weêr.
-</p>
-<p>—Onhebbelijke vent! mompelde Thesbia.
-<span class="pageNum" id="pb68">[<a href="#pb68">68</a>]</span></p>
-<p>De ordonnans-officier reed hem driftig tegemoet, sprak hoog van zijne Keizerlijke
-Hoogheid, den Hertog van Xara; de hertog wenschte de barakken te zien.
-</p>
-<p>—Het zijn geen barakken, sprak Zanti norsch tegen.
-</p>
-<p>—Wat dan? vroeg de ordonnans-officier uit de hoogte.
-</p>
-<p>—Woningen, antwoordde Zanti droog.
-</p>
-<p>Thesbia haalde geërgerd de schouders op. Maar de kroonprins zelve was nadergereden,
-salueerde Zanti, zonder dat deze hem eenigen groet gegund had.
-</p>
-<p>—Vergunt Uwe Excellentie, dat wij een blik slaan op wat Zij doet voor de slachtoffers
-der overstroomingen? vroeg hij beleefd, zacht, innemend.
-</p>
-<p>—Ik ben geen Excellentie, mopperde de grijsaard; maar als u wil kijken, mij goed.
-</p>
-<p>—Heel gaarne, antwoordde Othomar een beetje hoog; maar niet anders dan met <i>geheel</i> uw goedvinden. U staat als meester op uw grond en zoo ons bezoek u niet welkom is,
-zullen wij u niet onze aanwezigheid opdringen.
-</p>
-<p>Zanti zag hem aan.
-</p>
-<p>—Ik herhaal het, als u kijken wil, is het goed. Maar er is niet veel te kijken. Alles
-is zoo eenvoudig. Wij maken geen geheim van wat we doen. En de grond behoort mij niet
-toe, die is eigendom van hun allen.
-</p>
-<p>Othomar steeg af, de anderen volgden; Leoni en Thesbia vonden met moeite, voor een
-fooi, een paar jongens, die op de paarden zouden passen.
-</p>
-<p>Othomar en Herman waren reeds met den ouden man voortgegaan.
-</p>
-<p>—Ik hoor, dat u veel goed doet, om de ellende van de overstroomingen te lenigen, sprak
-Othomar.
-</p>
-<p>—De overstrooming is geen ellende.
-</p>
-<p>—Geen ellende! vroeg Herman verbaasd. Wat dan?
-</p>
-<p>—Een gerechte straf des hemels. En er zullen meerdere straffen komen. De tijden zijn
-zondig.
-</p>
-<p>De prinsen zagen elkaâr aan, met een snellen blik; zij begrepen, dat het gesprek niet
-zeer vlot zoû gaan.
-</p>
-<p>—Maar de zondigen die de hemel straft, helpt u toch, meneer Zanti! sprak Herman. Want
-al die barakken …!
-</p>
-<p>—Zijn geen barakken. Schuren, werkplaatsen, ook tijdelijke <span class="pageNum" id="pb69">[<a href="#pb69">69</a>]</span>woningen. Het wordt hier een nederzetting, zoo God het wil. Om eenvoudig te leven
-in den arbeid. Het leven is zoo eenvoudig, maar de menschen hebben het zoo vreemd
-en ingewikkeld gemaakt.
-</p>
-<p>—Maar u neemt toch boeren op, die alles verloren hebben door de overstrooming? hield
-Herman vol.
-</p>
-<p>—Ik neem ze niet op. Als ze hunne zonden voelen, komen ze naar me toe en ik red ze
-van den ondergang.
-</p>
-<p>—En komen ze ook niet naar u toe, zonder hun zonden te voelen, maar omdat ze voelen,
-dat ze eten en logies zullen krijgen voor niets?
-</p>
-<p>—Ze krijgen geen eten en logies voor niets, ze werken hier, meneer! sprak de oude
-man; en misschien beter dan u, die met een uniform rondloopt … Ze krijgen hun loon
-naarmate ze werken, uit de gemeenschappelijke kas. Ze bouwen hier en ik bouw met ze
-meê. Ziet u dien boom hier en die bijl; dien boom was ik bezig te hakken, toen u me
-storen kwam.
-</p>
-<p>—Een flinke lichaamsbeweging! zei Herman; u lijkt me een krasse man!
-</p>
-<p>—U zegt dus, dat u hier een nederzetting vormt? vroeg Othomar.
-</p>
-<p>—Ja meneer. De steden zijn het verderf, het landleven maakt rein. Hier kunnen ze wonen;
-verder-op ligt bouwland, dat ik ze geef, en weiland; vee zal ik voor ze koopen.
-</p>
-<p>—Dus u poogt hier eenvoudig boeren te werven, sprak Herman.
-</p>
-<p>—Neen meneer! antwoordde de grijsaard barsch. Ik werf hier geen boeren: ze zijn mijn
-boeren niet. Ze zijn hun eigen boeren. Ze werken voor hun eigen, en ik ben eenvoudig
-boer, zooals zij. We zijn allen gelijk …
-</p>
-<p>—U is eenvoudig boer, herhaalde hem de prins Herman; maar u woont toch in een kasteel.
-</p>
-<p>—Neen, jonge man, antwoordde Zanti; ik woon in geen kasteel; ik woon <i>hier</i>; mijn dochter woont daar alleen. Ze is ziek … Ze zoû niet kunnen tegen een verandering
-van levenswijze, tegen ontbering. Maar lang zal ze niet leven, mijn kind …
-</p>
-<p>Hij hield even op, zag de prinsen beurtelings schuin, bijna angstig, aan.
-<span class="pageNum" id="pb70">[<a href="#pb70">70</a>]</span></p>
-<p>—Ze is mijn eenige zwakte, geloof ik, verontschuldigde hij zich met een weeke stem.
-Ze is mijn zonde: voor haar heb ik dokters genomen en vertrouw ik op wat ze zeggen
-en voorschrijven. Ziet u, ze zoû niet kunnen: mij volgen in alles; want ze heeft het
-verleden te veel in haar arm bloed. Ze heeft behoefte, levensbehoefte, aan een kasteel,
-aan gemak. Daarom laat ik haar daar … Maar ze zal niet lang leven … En dan verkoop
-ik het en deel ik mijn geld, geheel en al, onder hen allen … Ziet u, dat is zoo mijn
-zwakte, mijn zonde: ik ben maar een mensch …
-</p>
-<p>De prinsen zagen hem geroerd worden; zijne handen trilden. Toen meende hij zeker,
-dat hij al te veel, te lang, met hen gesproken had over wat hem ’t innigste aan zijn
-hart lag: zijne zonde. En hij wees hun de gebouwen, verklaarde ze hun …
-</p>
-<p>—Ik las enkele van uw brochures, meneer Zanti, sprak de kroonprins. Brengt u hier
-in toepassing uw idee omtrent het huwelijk?
-</p>
-<p>—Ik breng niets in toepassing, bromde de grijsaard weêr tegen. Ik laat ze allen vrij.
-Willen ze voor uw wet trouwen, dan kunnen ze het doen, maar komen ze bij mij, dan
-zegen ik ze, en laat ze gaan in vrede, omdat er geschreven staat: Wederom zeg ik u:
-indien er twee van u samenstemmen op de aarde, over eenige zaak, die zij zouden mogen
-begeeren, dat die hun zal geschieden van mijnen Vader, die in de Hemelen is … Want
-wanneer twee of drie vergaderd zijn in Mijnen naam, daar ben ik in het midden van
-hen …
-</p>
-<p>—En waarmeê beheerscht u zoo veel volgelingen? vroeg Herman.
-</p>
-<p>—Ik beheersch niet, meneer! donderde de oude man, zijn vuisten ballend, zijn gezicht
-rood van woede. Ik ben niet meer dan zij allen. De vader heeft het gezag in zijn eigen
-huisgezin, en de oude mannen geven raad, omdat ze ondervinding hebben, en dat is alles.
-Het leven is zoo eenvoudig …
-</p>
-<p>—Zooals u het zich voorstelt, maar niet zooals het in werkelijkheid is, wierp Herman
-tegen.
-</p>
-<p>Zanti zag hem boos aan, stond stil om beter te kunnen praten en driftig, hevig, riep
-hij uit:
-</p>
-<p>—En vindt u het in werkelijkheid beter, dan ik het me <span class="pageNum" id="pb71">[<a href="#pb71">71</a>]</span>voorstel? Ik niet, meneer, en ik hoop mijn voorstelling werkelijkheid te zullen maken.
-U en de uwen hebben ook eens, eeuwen geleden, uwe voorstelling werkelijkheid gemaakt:
-nu is de beurt aan anderen, uw werkelijkheid heeft lang genoeg geduurd …
-</p>
-<p>Othomar, hoog, wilde iets tegen zeggen: de oude man wendde zich echter in eens tot
-hem, zacht maar stroef, met zijne doordringende dwepersstem, die Othomar huiveren
-deed:
-</p>
-<p>—Met u, meneer, heb ik medelijden! Ik haat u niet, al denkt u dit misschien. Ik haat
-niemand. Hoe ouder ik geworden ben, hoe minder ik heb leeren haten, hoe meer zachtheid
-er in mij gekomen is. Ziet u, ik hoor iets in uw stem en ik zie iets in uw oogen,
-dat me … aantrekt, meneer. Ik zeg het u ronduit; het is misschien heel dwaas van me
-zoo iets te zeggen tot mijn aanstaanden keizer. Maar het is zoo: iets in u trekt me
-aan. En ik heb medelijden met u. Weet u waarom? Omdat de tijden zullen komen!
-</p>
-<p>Hij wees met den vinger in eens naar boven, verrassend plechtig; vervolgde:
-</p>
-<p>—De ure zal komen. Misschien wel heel gauw. Wanneer ze niet komt, als <span class="corr" id="xd31e985" title="Bron: u">uw</span> vader regeert, zal ze komen als u regeert of uw zoon. Maar komen zal ze! En daarom
-heb ik medelijden met u. Want u zal geen genoeg liefde hebben voor uw volk. Geen genoeg
-liefde om te zeggen: Ik ben als jullie allen en niets meer. Ik wil niets meer bezitten
-dan jullie allen, want ik wil geen overvloed als jij honger lijdt. Ik wil niet over
-je heerschen, want ik ben maar een mensch als jullie allen en niet menschelijker.
-Is u menschelijker? Als u menschelijker was dàn zoû u mogen heerschen, ja dan, dan …
-Ziet u, jonge man, zooveel liefde zal u nooit voor uw volk hebben, om te doen dat
-alles, o, en meer nog, meer. Heerschen zal u en overvloed hebben, en oorlog voeren.
-Maar de tijden zullen komen! Daarom heb ik medelijden met u,… al moest ik het ook
-niet hebben.
-</p>
-<p>Othomar was bleek geworden; zelfs Herman huiverde even. Het was meer om de orakelstem
-van den man, die hunner vorstelijkheid het noodlot voorspelde, dan om zijne woorden.
-Maar Herman schudde zijne huivering af en boos, hoog:
-<span class="pageNum" id="pb72">[<a href="#pb72">72</a>]</span></p>
-<p>—Ik kan niet zeggen, dat u hoffelijk is tegen uw <i>gasten</i>, meneer Zanti, ik zal maar niet eens spreken van Zijne Keizerlijke Hoogheid …
-</p>
-<p>Zanti zag Othomar aan.
-</p>
-<p>—Vergeef me, sprak hij. Ik sprak zoo om uw bestwil. Uw oogen zijn als die van mijn
-dochter. Daarom sprak ik zoo.
-</p>
-<p>Herman schaterde.
-</p>
-<p>—Dat is zeker een geldige reden, meneer Zanti!
-</p>
-<p>Othomar echter knikte hem, niet verder op gekscherenden toon door te gaan en deed
-ook met een blik de adjudanten zich bedwingen, die in woordelooze verontwaardiging
-Zanti’s orakel hadden opgevangen: de man had bijna fluisterend tot Othomar gesproken.
-Zijn laatste woorden, waarin emotie klonk, brachten die verontwaardiging echter in
-verwarring, stilden hunne boosheid, deden hun den profeet beschouwen, als een halven
-gek, wien de kroonprins zoo genadig was zijne majesteitschennis niet kwalijk te nemen.
-En de officieren zagen elkaâr aan, trokken de wenkbrauwen op, de schouders. Dutri
-grinnikte. Othomar vroeg kalm aan Zanti of zij niet door zouden gaan.
-</p>
-<p>De nederzetting was zeer in den beginne; toch begonnen enkele kleine boerenwoningen
-te verrijzen; kastanjeboomen werden omgekapt; er waren honderde boeren bezig.
-</p>
-<p>De groep van officieren wekte groote nieuwsgierigheid; men had de prinsen herkend.
-Bijna overal staakte het volk hun werk, zag het de uniformen na.
-</p>
-<p>De prinsen en hun gevolg voelden instinctmatig, dat er een vijandige stemming door
-de boeren van Zanti voer. Deden zij hier en daar een vraag, naar de geleden ellende,
-het antwoord klonk ruw, kort, met eene verwijzing naar den wil Gods, en was steeds
-als een naklank van Zanti’s eigen woorden. Geldelijke hulp was hier niet te verleenen.
-Te laten zien had Zanti eigenlijk niets. De nederzetting viel Othomar tegen, misschien
-om iets van gekrenkte vorstelijkheid; gewend steeds met eerbied genaderd te worden
-als toekomstige majesteit, kwetste de ruwheid van Zanti, de stuurschheid zijner boeren
-zijne teêrgevoeligheid meer, dan hij zich wilde bekennen. Hij voelde, dat men op deze
-plek den kroonprins niet in hem zag, die zijn volk liefhad en wilde leeren bijstaan,
-maar wel den <span class="pageNum" id="pb73">[<a href="#pb73">73</a>]</span>zoon van een dwingeland, die op zijne beurt eens dwingen zoû. Hij voelde, dat al noemde
-Zanti zich den apostel van den vrede, die vrede niet was onder zijne discipelen; en
-toen hij zag in hunne ruwe, sombere gezichten, zag hij de haat rood opflikkeren uit
-holle, diepe oogen, als met plotselinge bliksems …
-</p>
-<p>Zwaar vielen de centenaren hem op zijne borst, drukte zijn onmacht hem met een wereld
-van, niet te ledigen, ellende en ontroostbare smart op de schouders als naar den grond
-toe. De ellende en smart niet van een, maar van duizenden, millioenen. De haatdragende
-oogen vermenigvuldigden zich in een gewemel van haat om hem heen; ieder van zijn volk,
-die het geluk van hem vroeg, van hem eischte, en niet ontving, scheen hem daar met
-zulke groote oogen aan te staren …
-</p>
-<p>In eene wijde, onmetelijke hopeloosheid voelde hij zich duizelen. Hij verwachtte niets
-meer, het was het einde. En het verwonderde hem niet wat er gebeurde. De man met het
-verwrongen, harigbruine gezicht, die, als een nachtmerrie, op hem toestortte, hem
-aangreep, vol haat. Een vuile tabaksadem zwalmde over zijn gezicht, een grof mes blikkerde
-in een grove vuist naar zijn hals toe …
-</p>
-<p>Een geroep was opgegaan. Een schot knalde, kort, beslist, zonder zweem van aarzeling.
-De man vloekte een schorren kreet uit, knarsende van onwil, en spartelde tegen, stervend.
-Zijne hersens spatteden uiteen, over Othomar heen, bezoedelden den prins de uniform.
-En aan zijne voeten was de man reeds op den grond neêrgekwakt, oogenblikkelijk slap,
-spierloos, het mes nog in de kramp van de harige vingers geklemd; dat was alles gebeurd
-in één oogenblik.
-</p>
-<p>Het was Von Fest, die met een revolver het schot gelost had. De kolonel richtte zijn
-breede figuur op, zag om zich heen, den revolver nog schuin geheven, dreigend in de
-vuist. Het volk staarde, bewoog zich niet, verwezen door de plotselinge werkelijkheid
-vóór hen.
-</p>
-<p>Zanti, wezenloos, tuurde naar het lijk; toen sprak hij—de officieren ontsteld, druk,
-in verwarring om den prins heen—:
-</p>
-<p>—Gaat nu, en zoo het kan, gaat in vrede …!
-</p>
-<p>Vol bitterheid wees hij op het lijk. Hij schudde het hoofd <span class="pageNum" id="pb74">[<a href="#pb74">74</a>]</span>met de grijze manen onder den vilten hoed; tranen sprongen in zijne ooghoeken op.
-</p>
-<p>—„Gij zult niet doodslaan …” hoorden zij hem mompelen. Zij schijnen dat nog niet te
-weten; niemand nog weet het …!
-</p>
-<p>Een vreemde blik, vol krankzinnigheid, werd troebel in zijne, anders heldergrauwe,
-oogen, hij scheen een oogenblik niet te weten wat hij doen zoû. Toen liep hij naar
-een boom, nam de bijl op, en zonder op de prinsen meer acht te slaan, begon hij te
-hakken, als een razende, slag op slag …
-</p>
-<p>De officieren hadden zich naar hunne paarden gehaast. Dutri keek nog achterom; bij
-het lijk, waar de boeren nu om heen kwamen staan, zag hij een vrouw; ze snikte, wierp
-hare armen vol wanhoop uit naar den hemel, brulde, balde de vuist tegen het omgewende
-gelaat van den adjudant, schreeuwend.
-</p>
-<p>Othomar had niets gezegd. Achter hem hoorde hij de vrouw brullen. Hij trilde in iedere
-zenuw. Op den weg, klaar om op te stijgen, vroeg Ducardi hem ontroerd:
-</p>
-<p>—Wil u naar Castel Vaza terug, Hoogheid?
-</p>
-<p>De prins zag den generaal hoog aan. Vlug door hem heen schoot de gedachte, dat de
-generaal er zeer tegen was geweest hier te komen. Hij knikte van neen. Toen zochten
-zijne oogen Von Fest; onder door de wimpers op keken ze den kolonel aan, diep zwart,
-vochtig, bijna met verwijt.
-</p>
-<p>Maar hij stak de hand uit.
-</p>
-<p>—Ik dank u, kolonel, sprak hij met een heesche stem.
-</p>
-<p>De kolonel drukte de hand van den prins.
-</p>
-<p>—Tot Uw dienst, Hoogheid! antwoordde hij, militair kort.
-</p>
-<p>—En nu, laat ons nu doorgaan naar den Zanthos, sprak Othomar en naderde zijn paard.
-</p>
-<p>Maar de oude generaal was zich niet meer meester. In deze laatste oogenblikken had
-hij gevoeld heel de hartstochtelijke liefde—hem erfelijk in het bloed gekiemd, één
-met hem, zijne ziel zelve, en die ziel alleen, uit één stuk—voor zijn vorstenhuis.
-Zijne vaders waren er voor gesneuveld, zonder aarzeling. En met de dolwijde omhelzing
-zijner lange, krachtige oude armen, liep hij op Othomar toe, dankbaar, dat hij leefde,
-drukte hem aan zijn borst te pletter, tot zijne <span class="pageNum" id="pb75">[<a href="#pb75">75</a>]</span>uniformknoopen schramden aan Othomars wang, en riep, snikkend, onder zijn trillende
-snorbaard, uit:
-</p>
-<p>—Mijn prins, mijn prins, mijn prins …!
-</p>
-</div>
-</div>
-<div id="s1.2.8" class="div2 section"><span class="pageNum">[<a href="#s1.2.8.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h3 class="main">VIII.</h3>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">De aanslag op Othomar was op Castel Vaza reeds bekend, vóor de prinsen terug waren,
-door boeren van den hertog, die aan de bedienden van het kasteel lange verhalen hadden
-gedaan, dat de prins zwaar gewond was. De hertogin had eerst niet willen gelooven;
-toen, in stijgenden angst, in de grootste spanning en onzekerheid rondgeloopen door
-de galerijen. Zij had zich eerst willen wijs maken, dat het volk wel overdrijven zoû.
-Toen zij bedacht, dat de prinsen en de adjudanten in het geval, dat Othomar verwond
-was, dadelijk zouden terug zijn gekomen, werd zij rustiger en wachtte af.
-</p>
-<p>De intendant echter, die naar Vaza geweest was, kwam ontzet terug: in de stad maakte
-men zich zeer ongerust, verdrong men zich aan de deuren der courantenbureaux, voor
-de bulletins, die den aanslag kort vermeldden, met de tergende bijvoeging, dat bizonderheden
-nog ontbraken. De hertogin begreep, dat op dit oogenblik het bulletin ook naar Lipara
-geseind was, en zij vreesde zoowel, dat Othomar een onheil was overkomen, als dat
-zij zelve in ongenade zoû vallen bij de keizerin …
-</p>
-<p>Toen de hertogin eindelijk, lang turende, uit een venster der westelijke galerij,
-de prinsen en hun gevolg op den verren weg, klein, zag aandraven, kon zij zich niet
-inhouden, ging zij hen tegemoet in den hof. Zij zag echter Othomar ongedeerd. De hertog
-van Xara steeg af, gaf haar de hand, glimlachte; zij kuste die, nijgend, met vuur;
-hare tranen vielen op ze neêr. De opperintendant trad nader, betuigde Othomar uit
-naam van alle dienaren van den hertog, hunne innige dankbaarheid, dat de Hertog van
-Xara gespaard was gebleven, door de genade Gods en den bijstand van St. Ladislas.
-</p>
-<p>Ducardi had nergens eerder kunnen telegrafeeren, maar zond nu ijlings naar Vaza, eene
-depêche aan den keizer, tevens vermeldend, dat de prins dadelijk na den aanslag kalm
-den voorgenomen tocht vervolgd had. Het diner werd in een gewar van stemgeluid gebruikt;
-de hertogin was zeer opgewonden, <span class="pageNum" id="pb76">[<a href="#pb76">76</a>]</span>vroeg naar de minste bizonderheid, en omhelsde bijna Von Fest. De kroonprins dronk
-op zijn redder en allen brachten hem hulde.
-</p>
-<p>Daarna ried Ducardi,—in stilte—den kroonprins aan zich vroeg ter ruste te begeven.
-De generaal sprak met eene teedere stem, het scheen of de gedachte, dat hij zijn kroonprins
-verliezen kon, hem dezen meer had doen liefhebben. Ook Herman drong er bij Othomar
-op aan.
-</p>
-<p>Hij zelve was kalm geworden, maar had iets mats over geheel zijn wezen; met eene vreemde
-stem van matheid zelfs had hij Von Fest toegeklonken. Hij volgde nu hun raad op, trok
-zich terug, kleedde zich uit; zijn bezoedelde uniform, die hij vóór het diner reeds
-verwisseld had, hing nog over den stoel; hij huiverde ervan die een geheelen middag
-gedragen te hebben.
-</p>
-<p>—Dat ding! sprak hij tot Andro, die nog geheel in de war was, en, van zenuwachtigheid
-schreiend, opruimde; verbrand het of gooi het weg, gooi het weg …
-</p>
-<p>In zijn kamerrok wierp Othomar zich neêr op een bank in den salon, die grensde aan
-zijne slaapkamer. Eveneens een historisch vertrek; gobelins aan den wand met tafereelen
-uit Liparië’s historie: keizer Berengar I zegevierend Jeruzalem binnenrijdend met
-zijne, witte vanen heffende, kruisvaarders; keizerin Xaveria, goudgeharnast te paard
-voor Altara’s muren, stervende vallend achterover, getroffen door een Turkschen pijl …
-</p>
-<p>De prins lag naar ze te staren. Eene doodkalmte scheen hem niets te doen voelen, zich
-niets te doen aantrekken. Bij zichzelve ging hij geheel de geschiedenis na van Berengar
-tot Xaveria toe. Hij wist de jaartallen; de tafereelen wolkten voor hem als schoven
-er gobelins, caleidoscopisch, met de verbleekte kleuren van oud kunstwerk. Hij zag
-zichzelven terug, een kleine jongen, in het Imperiaal, in een strenge kamer, ijverig
-leerende; hij zag zijne meesters, die zich afwisselden: talen, historie, staathuishoudkunde,
-volkenrecht, strategie; het had zich alles gehoopt op zijne jonge hersenen, zich opgestapeld,
-zich opgebouwd als een toren. Tot afwisseling zijne militaire opvoeding: exerceeren,
-paardrijden, schermen, geleid door generaal Ducardi, die hem prees of op hem <span class="pageNum" id="pb77">[<a href="#pb77">77</a>]</span>bromde, of mopperde op de onder-officieren, die hem leerden. Rekenen had hij nooit
-kunnen leeren, van algebra nooit iets begrepen; in vele vakken was hij altijd zwak
-gebleven; in natuurkunde en scheikunde bijvoorbeeld. Veel pleizier had hij een tijd
-gehad in mineralogie, in zoölogie en botanie, en later had hij gedweept met sterrenkunde.
-Daarna de hoogeschool en zijne juridische studiën …
-</p>
-<p>Hij herinnerde zich zijne kleine trotsjes van kind en van jongen, toen hij, negen
-jaar oud, luitenant was geworden van de Garde van den Troon; toen hij later de Orde
-van den Kouseband had gekregen van de koningin van Engeland en den Zwarten Adelaar
-van den Duitschen keizer, en het Gulden Vlies van de Regentes van Spanje. In zulken
-kleinen trots had zich dan altijd zekere angst gemengd, van mogelijke verplichtingen,
-die de Kouseband of de Adelaar zouden meêbrengen: verplichtingen, die hem vaag voor
-oogen warrelden, die hij niet dorst uitbeelden en nog minder vragen aan Ducardi, of
-zijn vader. Langzamerhand was die dreiging van verplichtingen zoo zwaar geworden,
-en nu, nu waren het de centenaren.
-</p>
-<p>De centenaren. Maar hij bewoog zich niet, vreemd kalm. Toen dacht hij terug aan Von
-Fest, aan de hertogin … Gisteren haar zoen … Flauw had hij gelegen op haren schouder
-en ze had hem gezoend en lang aangezien met hare passieblikken. Wat vertelden de adjudanten
-al niet …
-</p>
-<p>Toen kwam het als met een woeste golf tot hem, bruisend over zijne doodkalmte heen …!
-</p>
-<p>Waarom had die man hem gehaat, hem willen vermoorden, hem willen slachten als een
-beest …? Trots trilde in hem op, trots en wanhoop. Die man had hem aangeraakt, bezoedeld
-met zijn adem, hem, den kroonprins, den Hertog van Xara. Hij knarste met de tanden
-van woede … Dàt zoû Berengar I zich niet hebben laten doen! Den kop af, den kop af …
-O, dat plebs, dat niet wist, dat niet voelde, dat tegen hem opdrong, als schuim warrelde
-aan hun troon, dat zijne moeder beängstte, hoe trotsch ze ook er over heen zag, keizerlijk
-kalm, in de verte …
-</p>
-<p>Hoe hij het haatte, het haatte, met al den haat, oh! van zijn ras voor wie nu vrij
-waren en eens toch hunne slaven! Hoe <span class="pageNum" id="pb78">[<a href="#pb78">78</a>]</span>hij er onder zoû laten schieten, later zoû laten schieten …
-</p>
-<p>Hij zag naar Xaveria; zelve werd ze geschoten, de fiere strijdster; achterover viel
-ze, verwond door den pijl van een Turksch soldaat. En hij, dien morgen, als niet Von
-Fest …
-</p>
-<p>Woest gooide hij zich achterover, begroef hij zijn gezicht in zijne handen en snikte.
-Neen, neen, o neen! Niet schieten, niet dooden, niet haten! Zóó was hij niet, zoo
-kon hij misschien één oogenblik zijn, maar zoo wàs hij niet! Hij hield van zijn volk:
-hij was zoo dankbaar als het jubelde, als hij het helpen kon. Hij zoû immers nooit
-op ze laten schieten! Hij wond zich nu maar op. Wat was er in zijne ziel iets anders
-voor hen allen, voor die millioenen, waarvan hij er misschien maar duizenden gezien
-had en maar honderden kende, dan éene groote liefde, die overal armen naar hen uitsloeg,
-om ze te omhelzen? Had hij dit niet gevoeld, daar in den zwarten nacht op het Therezia-plein?
-Waren haat en geweld voor hem? Neen, o neen; week was hij, misschien tè week, te weifelend,
-maar hij zoû ouder, hij zoû sterker worden; hij zoû willen willen, àllen zoû hij gelukkig
-maken. O, zoo ze maar van hem hielden, hem liefhadden met hunne groote massa van deinende,
-zwarte, schuimende menschenmenigte: zwarte melkweg van krioelende zielen, iedere ziel
-een vonk als zijne eigene; o, zoo ze hem maar liefhadden! Maar zij moesten hem niet
-haten, niet aanzien met zulke bloeddoorschoten oogen van haat, niet zulke grove, harige
-vingers slaan aan zijn hals, hem niet willen vermoorden, o God, willen slachten als
-een rund, met een gemeen mes, hem, hun aanstaanden vorst …!
-</p>
-<p>En hij voelde, dat ze hem niet hoorden en niet kenden en niet begrepen en niet liefhadden,
-die allen, en dat ze hem haatten, alleen uit instinct, omdat hij op hun troon geboren
-was!
-</p>
-<p>En zijne wanhoop, hierover, mat zich uit, grenzenloos, woestijn van zwarten nacht,
-die hij eeuwigheden ver om zich heen ried, en hij snikte, snikte, als een ontroostbaar
-kind, omdat dit zoo was, en wanhopiger worden zoû, iederen dag, die hem nader brengen
-zoû zijn toekomst van keizer en hùn toekomst: de treurige dag, die over eene verwoesting
-van oude wereld lichten zoû …
-</p>
-<p>Toen werd er geklopt aan eene kleine deur, die deur zacht opengemaakt …
-<span class="pageNum" id="pb79">[<a href="#pb79">79</a>]</span></p>
-<p>—Wie is daar? vroeg hij, verschrikt, voelende den inbreuk op etiquette; niet begrijpende,
-dat Andro door de antichambre niet kwam aankondigen, wie het ook zijn mocht.
-</p>
-<p>—Als Uwe Hoogheid vergunt …
-</p>
-<p>Hij herkende de zachte stem der hertogin, stond op, ging naar de deur.
-</p>
-<p>—Kom binnen, mevrouw …
-</p>
-<p>Zij kwam binnen aarzelend; voor de kille gangen van het kasteel had zij over haar
-gedecolleteerde borst een langen mantel omgeslagen …
-</p>
-<p>—Vergeef mij, Hoogheid, als ik inbreuk maak … als ik U stoor …
-</p>
-<p>Hij glimlachte, zeide van neen, verontschuldigde zijn kostuum, verrast, gestreeld …
-</p>
-<p>Zij zag, dat zijne oogen nat dreven.
-</p>
-<p>—Ik ben onbescheiden, sprak ze: maar ik kon het niet laten; ik wilde voor mij zelve
-weten, hoe U was, Hoogheid … Misschien heb ik U ook willen verrassen, ik weet het
-zelf niet. Iets drong mij … ik kon niet nalaten naar U toe te gaan. U is mijn gast
-en mijn kroonprins; ik smachtte er naar zelf te zien, hoe U was … Aan het diner hield
-Uwe Hoogheid zich goed, maar ik voelde …
-</p>
-<p>Hare stem vloeide zacht eentonig voort, als in druppelen van balsem. Hij vroeg haar
-te gaan zitten; zij deed zoo, hij zette zich naast haar; de donkere mantel gleed af
-en zij was prachtig, de borst bloot, sirene in haar parelmoêrachtig lichtgroen moiré.
-Het trof hem, dat zij de juweelen, die zij aan het diner gedragen had, al had afgelegd.
-</p>
-<p>—Ik woû stil tot U komen, door die deur daar, hernam zij; om U nog eens, tot U alleen,
-te zeggen hoe innig dankbaar ik ben, dat Uwe Hoogheid behouden bleef …
-</p>
-<p>Hare stem trilde; hare zwarte blikken werden vochtig; de schijn der groote kaarsen
-op zilveren luchters waterde over de zijde van haar toilet, speelde met zacht licht
-en dommelige schaduw in de modelleering van haar gelaat, in de glooiing van hare borst.
-</p>
-<p>Hij drukte hare hand; zij hield die vast.
-</p>
-<p>—Uw Hoogheid schreide, toen ik binnenkwam? vroeg ze zacht.
-<span class="pageNum" id="pb80">[<a href="#pb80">80</a>]</span></p>
-<p>Zijne tranen liepen nog; een snik schokte nog zijn lichaam omhoog.
-</p>
-<p>—Waarom? vroeg zij verder. Of ben ik onbescheiden …?
-</p>
-<p>Hij zag haar aan; in dit oogenblik had hij haar alles kunnen zeggen. En zoo hij zich
-inhield, gaf hij haar toch de essence zijner smart.
-</p>
-<p>—Ik was treurig, sprak hij, omdat ze mij schijnen te haten. Niets maakt mij zoo treurig,
-als hun haat.
-</p>
-<p>Zij zag hem lang aan, voelde zijn verdriet, begreep hem met haren tact van vrouw,
-met haar begrip van hovelinge, dat gerijpt was in de onmiddellijke nabijheid harer
-vorsten. Zij begreep hem: hij was de kroonprins, hij moest lijden zijn bizonder kroonprinselijk
-leed; een keizerskelk van smart moest hij ledigen. Het heugde haar, dat zij zelve
-geleden had, zoovele malen en zoo hevig, om liefde, vrouw van passie, die ze was;
-ze begreep, dat zijn leed anders was dan het hare, maar ontzettender zeker, daar het
-hem zoo jong al aangreep, en daar het niet was om zijn eigen éene ziel, maar om de
-millioenen zielen van zijn rijk! Ook zij had geleden, dat men haar niet liefhad; ook
-hij leed zoo. En zoo begreep ze hem, in éen oogwenk geheel en al, met geheel haar
-vreemd vrouwehart.
-</p>
-<p>Een trillend medelijden klom als nog niet gekende wellust haar op de borst, en als
-een innig zacht orakel sprak ze de woorden:
-</p>
-<p>—Ze haten U niet allen …
-</p>
-<p>Hij herkende hare sombere passieblikken van gisteren. Hij herinnerde zich haar zoen.
-Hij zag haar lang aan, even weifelend nog voor het onbekende. Toen breidde hij zijne
-armen uit, en als met een doffen schreeuw van wanhoop, schor van honger naar troost,
-riep hij haar tot zich in radeloosheid …
-</p>
-<p>—O, Alexa …
-</p>
-<p>Zij glimlachte eerst, glansde, wierp zich toen geheel in zijne jonge armen, verpletterde
-hem daarna aan hare bloote borst. Zij voelde zich als een maagd en als eene moeder
-samen. Maar toen hij zich vastklampte in wilde wanhoopspassie aan haar, voelde zij
-zich niets dan minnares. Ze wist, dat hij hare laatste liefde zoû zijn. Ze was er
-trots weemoedig om en helsch gelukkig. Als hagel kletterden hare zoenen op zijne oogen
-neêr …
-<span class="pageNum" id="pb81">[<a href="#pb81">81</a>]</span></p>
-<p>En in hunne liefde, dien nacht, mengden zij samen den alsem van wat zij beiden leden:
-elk zoekende den troost voor het leven in den ander.
-</p>
-</div>
-</div>
-<div id="s1.2.9" class="div2 section"><span class="pageNum">[<a href="#s1.2.9.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h3 class="main">IX.</h3>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first address">Aan <br>Zijne Allergenadigste Keizerlijke Hoogheid <br>Othomar, <br>Hertog van Xara, <br>te Lycilië<span class="corr" id="xd31e1111" title="Niet in bron">.</span>
-</p>
-<p class="address">Lipara, <br>Imperiaal, <br>April 18..
-</p>
-<p class="salute">Mijn lieve Broêr!
-</p>
-<p>Voor die vervelende couranten het je vertellen, wil ik je zeggen, dat onze geëerbiedigde
-Vader en Keizer, mij van morgen, op mijn tienden verjaardag, tot ridder van St. Ladislas
-geslagen heeft in de Ridderzaal van het paleis. Je begrijpt, hoe trotsch ik er op
-ben. Van de plechtigheid zal ik je maar niets vertellen, omdat je je die nog wel herinneren
-zal. Ik was zeer aangedaan, zoo tusschen al die groote ridders met hun lange, blauwe
-mantels, naar onzen Vader toe te wandelen en te knielen voor zijn troon; ik had mijn
-nieuwe uniform aan van luitenant van de Garde. De wapenkoning, de markies van Ezzera,
-hield de ridderwet voor op een kussen, waarop ik den eed zwoer. Ik zal wel wat klein
-geweest zijn, met mijn kleinen mantel—het kruis van St. Ladislas was er echter even
-groot op als bij alle anderen—ik voelde dat zij allen zoo op mij neêrkeken, en dat
-is geen prettig gevoel, als je de held van den dag bent. Maar ik ben natuurlijk ook
-de jongste ridder, dus mag ik wel wat kleiner zijn. Den degen, dien onze Vader mij
-gaf, is dan ook wat kleiner dan die van de andere ridders, maar het gevest is nog
-al mooi en schittert van kostbare steenen. Ik geloof echter, dat ik de scheede van
-jouw degen mooier gecizeleerd vind, maar als ik achttien jaar ben,—dat is dus over
-acht jaar!—krijg ik toch een anderen degen en natuurlijk een anderen mantel ook.
-<span class="pageNum" id="pb82">[<a href="#pb82">82</a>]</span></p>
-<p>Mama was vreeslijk ontsteld en zenuwachtig, toen zij van dien man hoorde, die je heeft
-aangevallen, en ze woû hebben, dat je dadelijk terugkwam, omdat het daar niet veilig
-scheen te zijn; en ze begreep maar niet, dat dat niet kon. Maar veilig, wat is er
-nu veilig! In den oorlog ben je toch ook niet veilig, en hier in het Imperiaal zelfs
-ook niet. Aan die veiligheid moet je maar niet zooveel denken, vind ik, maar natuurlijk:
-Mama is een vrouw, en daarom denkt ze anders dan wij. De standjes en de staat van
-beleg maken haar ook zenuwachtig, maar ik vind het wel aardig; het is nu alles militair,
-weet je? Die Von Fest is een flinke vent; het zoû me plezier doen, hem eens de hand
-te schudden en hem zelf te bedanken; nu ik dat niet kan doen, verzoek ik je <i>nadrukkelijk</i> het voor mij te doen, en het vooral <i>niet</i> te laten. Je weet zeker wel, door generaal Ducardi, dat Papa hem Commandeur van den
-Rijksappel wil maken; wat jammer, dat we hem niet ridder van St. Ladislas kunnen slaan,
-maar dan zoû hij natuurlijk Lipariër en geen Gothlander moeten zijn.
-</p>
-<p>Nu, lieve broêr, moet ik eindigen, want kolonel Fasti wacht mij voor de schermles.
-Doe mijn <i>beste</i> groeten aan Herman en generaal Ducardi, en groet de anderen voor mij; en wees zelf
-innig omhelsd door je liefhebbenden broêr
-</p>
-<p class="dateline"><span class="sc">Berengar</span>.
-</p>
-<p class="signed">Markies van Thracyna,
-</p>
-<p class="signed">(Ridder van St. Ladislas.)
-</p>
-</div>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div id="ch1.3" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#ch1.3.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="main">DERDE HOOFDSTUK.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<div id="s1.3.1" class="div2 section"><span class="pageNum">[<a href="#s1.3.1.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h3 class="main">I.</h3>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Het was na de opening van het nieuwe Parlement; de zon vloeide als met rechte vakken
-gesmolten goud langs de witte paleizen der stad en blauwde alleen wat schaduw was,
-in de hoeken.
-</p>
-<p>In twee maal twee gelederen, opgesteld langs de trottoirs der hoofdstraten, die voerden
-van het Paleis der Parlementen tot het Imperiaal toe, stonden twee regimenten der
-infanterie, grenadiers, rood en blauw. Achter ze drong en woelde, <span class="pageNum" id="pb83">[<a href="#pb83">83</a>]</span>joelde de menigte; alle vensters, open, wemelden vol gezichten; van alle balkons zag
-men toe. Een schot daverde van Wenceslasfort aan zee; de keizer keerde terug; compagnie
-na compagnie prezenteerde de infanterie het geweer …
-</p>
-<p>De lanciers voorop, blauw en wit, wemelend met wimpels aan de punt van de lans, zes
-escadrons. De geheele Garde van den Troon; wit, met kurassen van spiegelend goud,
-zonneflitsend boven het satijnzwart der hengsten, de hellebaard op de dij, omstuwend
-de zacht wiegelende galakoetsen, zwaar verguld en spiegelkristal, flonkerend en twee
-gekeizerkroond, met zes- en achtspannen van gepluimkopte schimmels. De paarden schuimen
-op hunne gebitten, ongeduldig, pezig gebogen de pooten, trappelend om den langzamen
-stap van ceremonie, over de verblindend vierkant geplaveide straten heen. In de eerste
-koets, de opperceremoniemeester, graaf de Threma; in de tweede met de kroon en het
-achtspan—en het gegons van gejuich stijgt op achter de haie der soldaten—de keizer,
-de uniform éen goud, den mantel hermelijn en scharlaken, de kroon op het hoofd. Het
-is de eenige maal, dat het volk hun keizer gekroond ziet.
-</p>
-<p>En het juicht. Maar de keizer groet niet terug; links en rechts, beurtelings, ziet
-hij door het kristal van de koets naar de menigte met een trotschen glimlach van zelfbewustheid
-en overwinning, en zijn gelaat, vol ras, vol kracht, koud van wil, trotsch van gezag,
-is ongenaakbaar in zijn glimlach als van een imperator, op zijn zegetocht.
-</p>
-<p>Zegetocht is ze, die gang van het Paleis der Parlementen naar zijn Imperiaal terug;
-zege over wat men hem betwistte, en waarop hij nu zijn zware hand gelegd heeft, hun
-allen toonende, dat de wil van hem alleen hen buigen kan naar zijn woord en wensch.
-En het gejuich stijgt luider op en luider uit die grillige menigte, bedwongen als
-een vrouw door een heerscher, dien zij nu aanbidt om zijn kracht, bewondert om zijne
-keizermacht, welke hij steunt van het Parlement tot zijn eigen paleis toe, als met
-een geheel leger, dat leeft op zijn wenk; en luider en luider, luider en luider, galmt
-het leve door den zonmiddag de marmeren huizen te boven, en de keizer glimlacht, glimlacht
-altijd, of zijn glimlach meent: juicht, ge kunt wel niet ànders dan juichen …!
-<span class="pageNum" id="pb84">[<a href="#pb84">84</a>]</span></p>
-<p>In de volgende koets de hertog van Xara, gemanteld, gekroond; strak staart hij over
-het galmend gewoel met den zelfden blik van zijne moeder over de volksmenigte. In
-de daarop volgende de nieuwe gouverneur-generaal der rezidentie, chef van het Militaire
-Huis van den keizer, de hertog van Mena-Doni, ruwer soldaat en minder hofman dan de
-Markies van Dazzara, en onder wiens militaire vuist de blanke rezidentie, als een
-geranselde slavin, krom heeft gekropen tijdens den staat van beleg, afgekondigd na
-éen enkel uur van ongeregeldheid, dat had durven volgen op het besluit van den keizer
-om het Huis der Standen te ontbinden. Zijn grove, zinnelijke mond glimlacht ook met
-den zelfden glimlach van den keizer, wiens ruwe kracht hij schijnt te verpersoonlijken,
-en ook hij schijnt te zeggen: juicht maar toe, roept maar: leve!
-</p>
-<p>Dan de volgende koetsen: De Rijkskanselier, graaf Myxila; de ministers; zeven onder
-hen de zelfde der twaalf, die hadden willen heengaan, de anderen onder de autoritairsten
-van den ouden adel van het Huis van Adel zelve gekozen!
-</p>
-<p>Juicht maar toe, roept maar leve …
-</p>
-<p>Achter de koetsen der opperhofdignitarissen de kurassiers van Xara, het eigen regiment
-van den kroonprins; daarachter een regiment der Colonialen: Afrikanen; moorwit als
-glimmend ebbenhout, de oogen kralen, de monden dik vooruit, in het mousseline-achtige
-sneeuw der burnoussen; achter hen twee regimenten huzaren op zware paarden, in hun
-lange groene jassen met gouden brandebourgs en hooge kolbakken.
-</p>
-<p>Is ooit het Parlement zoo geopend geworden, met zulk vertoon van strijdbare macht?
-En buiten de stad, op het hooge Marsveld, weet het volk niet, dat er troepen uit alle
-gouvernementen zijn samengetrokken, en er kampeeren, om de manoeuvres, die vervroegd
-zijn? En de sterkere bezetting der forten, het eskader in de haven? Voelt het volk
-zelve, dat het niet anders dan juichen kàn, en juicht het nu maar ook, zelve weêr
-gelukkig om zijn gejuich, met Romaansche buigzaamheid en zuidelijke inschikkelijkheid,
-en verliefd op den keizer om het gewicht van zijn pletterende vuist, den kroonprins
-beminnend om de sympathieke innemendheid van zijn doen in het Noorden; misschien wel:
-omdat zij hem interessant vinden na een mislukten aanslag op zijn leven?
-<span class="pageNum" id="pb85">[<a href="#pb85">85</a>]</span></p>
-<p>En het schijnt hun niet te deeren, dat zij door de, geweer prezenteerende, grenadiers
-heen noch den keizer, noch den kroonprins, groeten zien; zij juichen, hen, ondanks,
-òm hunne koelheid misschien beminnend; zij juichen als dollen …
-</p>
-<p>Langzaam gaat de stoet van ceremonie door de eindeloos lange hoofdstraten voort. De
-geheele stad, trots haar marmer, dreunt van den hoefslag der paarden, op het vierkant
-plaveisel. Tusschen de voorhoede en de eindelooze achterhoede schemeren de galakoetsen
-met hare schitterende Troongarde als iets van juweel, klein, weinig, zorgvuldig bewaakt.
-De cavalerie is op dit oogenblik de ziel van Lipara; de daverende stap haar hartslag,
-en tusschen de grenadiers en de hooge huizen, schijnt het samengedrongen, dóórjuichende
-volk nauwelijks ruimte te hebben tot ademen.
-</p>
-<p>De stoet nadert het Imperiaal. Langs het kolossale marmeren voorplein scharen zich
-de lanciers en kurassiers aan drie zijden, voor de zijvleugels en langs de facade.
-Vóór hen schaart zich de Garde. De Afrikanen sluiten het plein af …
-</p>
-<p>De koetsen rijden voor; de keizer is uitgestapt. Met den kroonprins aan zijne zijde,
-gaat hij door de vestibule, de trappen op. De galerijen van het paleis wemelen van
-gouden uniformen, een dicht gevolg stuwt zich achter Oscar en Othomar. De grootmeester
-van de garderobe met twaalf kamerjonkers treedt den keizer tegemoet, die, evenals
-de prins, de kroon aflegt; de mantels worden hun losgehaakt.
-</p>
-<p>Zij gaan naar de groote Witte Zaal, wit van de Corinthische zuilen, met vergulde kapiteelen;
-de keizerin, de prinses Thera, te midden van hare dames zijn daar. Het is een groote
-dag; de monarchie triomfeert met die zonne-apotheoze van parlementsopening over de
-dreiging van toekomst heen en duwt die toekomst zelve terug. De keizerin, in haar
-slepend licht violet fluweel, treed haar gemaal tegemoet en nijgt voor hem, in ceremonie.
-De prinses, de grootmeesteres, de dames nijgen …
-</p>
-<p>Buiten, vóór, is het plein nu gevuld met de menigte; een opgewonden volksgeschreeuw
-schalmeit tegen het onwrikbaar paleis op, als eene zee tegen een rots. De deuren van
-het middelbalkon worden geopend. De keizer en de prins zullen zich vertoonen …
-<span class="pageNum" id="pb86">[<a href="#pb86">86</a>]</span></p>
-<p>—Groet maar héel even, fluistert de keizer streng tot zijn zoon.
-</p>
-<p>De zon regent buiten goud neêr op het gewoel, kleurt het dwarrelig, bewegelijk, zuidelijke
-bont tusschen de witte, onbewegelijke voor-zijvleugels van het Imperiaal, waarvan
-de kariatyden roerloos neêrzien. De vorsten stappen op het balkon. De hoeden zwaaien
-naar hen op; het geschreeuw bulkt met éen luidruchtig vulgairen keelgalm naar boven
-en schoot door de open deuren tegen het verguld plafond en de zuilen der Witte Zaal
-aan. De keizerin verschrikt er om, verbleekt; hare adem stokt …
-</p>
-<p>Op het balkon groet de keizer van Liparië met een enkele wuiving van hand zijn opgetogen
-volk tegen, de hertog van Xara buigt licht het hoofd.
-</p>
-</div>
-</div>
-<div id="s1.3.2" class="div2 section"><span class="pageNum">[<a href="#s1.3.2.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h3 class="main">II.</h3>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Van Grondwetherziening en hervorming van het erfelijk Huis van Adel was geen sprake
-meer. De drie kwart constitutioneele meerderheid, door de Grondwet vereischt in het
-Huis der Standen om zulk een voorstel in overweging te kunnen nemen,—in den aanvang
-aanwezig,—bestond niet meer na de nieuwe verkiezingen. Oscar, aanstonds na zijne terugkomst
-uit Altara, had hun zijn durvende kracht getoond. De troepen verzameld om Lipara;
-nu goed, voor de manoeuvres, om den koning van Syrië, die komen zoû. De forten versterkt.
-Het eskader in de haven. Toen het keizerlijk besluit, dat het Huis der Standen eenvoudig …
-zoû worden ontbonden. Hoe ze geschreeuwd hadden, na de afkondiging van dat besluit,
-in couranten en op straat! Een oogenblik ’s avonds iets van een oproer. Maar de keizer,
-woedend, over het niet onmiddellijk krachtdadig optreden van den markies van Dazzara,
-had dezen den volgenden morgen zijne hooge ontevredenheid betuigd. De markies voelde,
-dat er met de ongenade van den keizer op zekere oogenblikken niet te spotten viel;
-de keizer deelde hem zelve op staanden voet zijn ontslag mede, en zeide, dat hij gaan
-kon. Verpletterd, de wanhoop in de oogen, verliet de markies het Imperiaal; op het
-voorplein kruiste zijn rijtuig dat van den hertog van Mena-Doni, luitenant-generaal
-der huzaren; hij zag den sensueelen Nerokop <span class="pageNum" id="pb87">[<a href="#pb87">87</a>]</span>van den hertog, begeerlijk van ambitie, opgluren naar de façade van het paleis. De
-markies had zich in den hoek van zijn rijtuig teruggegooid en handen gewrongen, geweend
-als een kind …
-</p>
-<p>Dien zelfden morgen werd Lipara in staat van beleg verklaard; de hertog van Mena-Doni
-tot gouverneur der rezidentie benoemd. Met groot militair vertoon en drie woorden
-toespraak ontbond de keizer het Huis der Standen. Het volk trilde, afgezweept, neêrgeranseld,
-tot kruipen gebracht aan de keizerlijke voeten. De nieuwe verkiezingen werden uitgeschreven.
-Moest het volk getuchtigd worden om zijn keizer lief te krijgen? Was het om de tallooze
-artikels in de couranten der Noordelijke gouvernementen, Altara, Vaza en Lycilië,
-die geheel hare sympathie schonken aan hun allerinnemendsten, weldoenden kroonprins,
-onvermoeid overal zijnde en lenigend wat hij kon? Was het om de kolossale fabelachtige
-giften van millioenen uit de keizerlijke kas zelve geschonken voor de slachtoffers
-van de ramp? De uitslag der verkiezingen werd bekend; het Nieuwe Huis der Standen
-telde eene machtelooze luttele meerderheid van constitutioneelen. Wat hielp het of
-de liberale bladen schreeuwden van geknoei en pressie! Buiten en binnen de stad lag
-het leger; iederen dag vertoonde zich de keizer, en aan zijne zijde, de hertog van
-Mena-Doni …
-</p>
-<p>De keizer verzocht het oude Ministerie te blijven, maar ontsloeg de, niet volstrekt
-autoritaire, ministers.
-</p>
-<p>De crizis was ten einde. Op het Marsveld zouden de groote voorjaarsmanoeuvres plaats
-hebben, zoodra de koning en de koningin van Syrië te Lipara waren.
-</p>
-<p>In Othomar rees eene hooge bewondering voor zijn vader. Hij had hem niet lief, met
-de teederheid, de vertrouwelijkheid, bijna nog kinderlijke aanhankelijkheid, waarmeê
-hij de keizerin liefhad; hij had altijd tegen hem opgezien, was als kind bang voor
-hem geweest. Nu, na den persoonlijken moed, dien hij den keizer had zien betoonen,
-de heerscherskracht, die hij had uitgeoefend, rees zijne Majesteit voor Othomars oogen
-hooger als met de gestalte van een halfgod. Zichzelven voelde hij daar klein mensch
-bij, als hij dacht: wat zoû <i>ik</i> gedaan hebben, als ik hierin had moeten doen? Had ik dadelijk <span class="pageNum" id="pb88">[<a href="#pb88">88</a>]</span>het besluit durven nemen van eene ontbinding der Standen, en zoû ik niet gevreesd
-hebben voor een onmiddellijke revolutie in alle deelen des lands? Zoû ik, na de ongeregeldheden,
-dadelijk den markies van Dazzara hebben kunnen ontslaan, als een lakei hebben durven
-wegzenden, verknocht als hij was aan ons Huis, en stammende uit onzen roemrijksten
-adel! Zoû ik dien hertog, dien condottiere, met zijn wreeden kop, nog vóor ik den
-markies had ontslagen, reeds tot mij hebben durven roepen, zoodat de een kwam, toen
-de ander wegging!
-</p>
-<p>En, in zijne verbeelding, zag hij zich reeds weifelen; niet weten, wat het beste,
-vooral niet wat het rechtvaardigst zoû zijn; stelde hij zichzelven voor: geraden door
-den ouden graaf Myxila, ten laatste dan besluiten de Standen te ontbinden, maar den
-markies niet ontslaan. Lipara niet in staat van beleg verklaren, en de troepen te
-laat verzamelen, en de revolutie tegelijkertijd overal zien ontknallen als met bom
-op bom …
-</p>
-<p>Het rechtvaardigste, dit scheen hem het allermoeilijkst te doen voor een vorst.
-</p>
-<p>Maar de monarchale zege van den keizer maakte dat, hoe waar hij ook in zichzelven
-zijne zwakte zag, een weêrschijn van kracht en beslistheid op hem afstraalde van zijn
-vader zelven, aan wiens zijde hij stond. Daarbij had hij niet veel tijd tot peinzen.
-Iedere dag bracht zijne eigenaardige plichten meê. Nauwelijks éen enkel uur eenzame
-rust kon hij zich maken. Hij was gewend aan dit leven van zich altijd bewegen, zich
-altijd voordoen, nu hier, dan daar, er zoo aan gewend dat hij niet voelde de vermoeienis,
-die hem reeds vóór de tournée in het Noorden afmatte, en zich als ingekankerd had
-in zijn merg en zijne zenuwen. Hij dacht over die vermoeienis niet na, beschouwde
-ze misschien als eene organische loomte, iets tijdelijks, dat wel zoû overgaan. En
-iedere dag bracht het zijne. Zoo was hij gewend vroeg op te staan, altijd om zeven
-uur; Lipara lag dan nog in haren rozen sluimer van morgenlicht, stil wit; hij reed
-dan op zijn volbloed Arabier, zwarten Emiro,—even achter zich zijn lievelings-Schotschen-herdershond,
-meê galoppeerend, den spitsen snuit gestrekt, den kraag van haren hoog opgezet—; zonder
-adjudanten ging hij het park van het Imperiaal door, naar de Elizabethparken—<span class="pageNum" id="pb89">[<a href="#pb89">89</a>]</span>des middags het rendez-vous der elegante equipages en cavaliers,—des morgens stil
-en wijd verlaten, met nauwelijks éen enkelen vroegen ruiter, die eerbiedig voor den
-prins front maakte en den hoed diep afnam. Dan reed hij langs de witte kaden met hare
-villa’s en palmen, hare terrassen en aloë’s en de onvergelijkbare haven lag voor hem,
-steeds intenser opblauwend onder het roze licht van den morgen, dat straffer werd.
-Verder op, de dokken, de schepen; daar gonsde er al de werkzaamheid. Langzaam stapte
-hij de haven langs; in de portieken der villa’s zag hij soms iets van de figuur eener
-vrouw, en hare oogen hem nakijken door rozen en clematis heen. Die rit was hem lief,
-om de zachte frissche lucht, om zijn paard, zijn hond, om de eenzaamheid met hen beiden,
-om de lange stille kaden, den wijden stillen hemel, den verren horizont, die nog even
-nevelde in laatsten morgenmist. De morgenbries aanwaaide zijn voorhoofd onder zijn
-uniformpet; de gedachten dwaalden doelloos door zijn brein. Dan schudde hij zich los
-uit dien wellust, reed terug naar de stad en ging naar de Xaveriuskazerne, die der
-lanciers, naar de Wenceslaskazerne, der grenadiers of naar de Berengarkazerne, die
-der huzaren. Hier vroeg hij, onderzocht hij, inspecteerde hij, en vond er zijne adjudanten,
-Dutri en Leoni; met <span class="corr" id="xd31e1196" title="Bron: hem">hen</span> reed hij terug naar het paleis, en begaf zich naar het kabinet van zijn vader; het
-was het uur, dat graaf Myxila bij den keizer kwam, en de staatszaken met den Rijkskanselier
-behandeld werden; de kroonprins was daarbij den laatsten tijd tegenwoordig. Dan zocht
-hij de keizerin op, die hem wachtte; het was meestal een allerliefst moment, dat zij
-samen vertrouwelijk waren vóór het lunch; vol charme van intimiteit. Dicht zat hij
-naast haar op een lagen stoel, nam hij hare hand, stortte de bezwaren van zijn hart
-bij haar uit, deelde haar mede zijn onrust over de toekomst, over zichzelven als hij
-later zoû dragen de kroon. Zijne oogen tuurden dan onder op door hunne wimpers, met
-hunne zwarte melancholie; zijne stem klaagde en vroeg om troost. En zij bemoedigde
-hem; zij zeide, dat niets gebeurde, dan wat gebeuren moest, dat alles noodzakelijk
-was in de groote, schalm aan schalm aaneengeschakelde, wereldorde; dat hij af moest
-wachten, maar tegelijkertijd naar zijn eigen gevoel zijn plicht moest doen, en dat
-hij zich niet ontzenuwen <span class="pageNum" id="pb90">[<a href="#pb90">90</a>]</span>moest, door zulk eindeloos, niets oplossend gepeins. Hij zeide haar, dat hij zoo bang
-was voor zijne eigen weifelingen, en hoe hij vermoedde, dat zijne besluitnemingen
-altijd te laat zouden komen en zij antwoordde hem zacht lachend, dat zoo hij zóo goed
-zijne eigen gebreken kende, hij zich moest trainen in beslissen; hij vroeg haar naar
-de rechtvaardigheid—de onmogelijkheid voor hem op aarde—zij wees hem op zijn eigen
-gevoel van menschelijke ziel. Maar toch, hoe innig zoet deze uren waren, hij voelde,
-dat hij de zelfde bleef onder hun gewissel van woorden, en dat, zoo de woorden gewisseld
-waren, er niets in hem veranderd was. Hierom vond hij zich slecht en meende hij, dat
-hij zijne moeder niet genoeg liefhad, met niet genoeg overtuiging. Dan zag hij haar
-aan, zag haar glimlachen, ried onder haren glimlach dien nerveuzen angst, die haar
-nooit meer los zoû laten, en voelde, dat zij zoo alleen sprak om hèm, om hem op te
-beuren en niet uit overtuiging. En de gedachten dwaalden niet meer losjes door hem
-heen, als op zijn morgenrit aan de kaden: ze vielen als fijne nevels op elkaâr in
-zijn verbeelden en vormden zijn weemoed.
-</p>
-<p>Het lunch was intiem. Na het lunch pozeerde hij een uur voor Thera, die schilderde
-en zijn portret maakte. In den namiddag waren er altijd verschillende bezigheden;
-tentoonstellingen, liefdadige instellingen, inrichtingen van allerlei aard te bezoeken,
-den steen te leggen van een gebouw, een oorlogschip te laten loopen van stapel. Iedere
-minuut was gevuld, en iederen dag vulde zijne minuten anders dan de vorigen. Het diner
-werd altijd met groote etiquette en splendeur gebruikt; iederen dag waren er talrijke
-genoodigden, diplomaten, hooge ambtenaren, officieren. Het duurde lang, was iederen
-dag het ceremonieel gastmaal van een keizer. Dan des avonds de feesten aan het hof,
-of ten huize der ambassadeurs of dignitarissen; de comedies en concerten. De prins
-bleef echter nooit laat. In zijn eigen kabinet zat hij dan nog een paar uur te lezen,
-te werken; hij ging om twaalf uur naar bed.
-</p>
-<p>Aan dit leven van eentonige afwisseling was hij gewend, er in gegroeid. Zoodra hij
-van Lycilië terug was te Lipara—de stad toen nog in staat van beleg—wachtte het hem
-drukker <span class="pageNum" id="pb91">[<a href="#pb91">91</a>]</span>dan ooit; de opening van het Parlement was gauw op zijne terugkomst gevolgd. De keizer
-was tevreden geweest over de houding van den kroonprins in het Noorden, misschien
-om den lof, die de Noordelijke couranten den hertog van Xara, vol sympathie, schonken;
-om zijn oogenblik van populariteit. Hij wilde zijn zoon meer en meer laten deelen
-in de staatszaken en sprak meer met hem over ze, alleen of met den Rijkskanselier.
-De strenge maatregelen echter van ruw geweld, die de hertog van Mena-Doni genomen
-had,—hijzelve te Lipara, en zijne officieren te Thracyna: hevige charges der huzaren
-op de dringende menigte—waren Othomar tegen geweest: hij had ze met wanhoop en smart
-vernomen, en toch geweten, dat met zachtheid niets ware verkregen. En in zijn opzien
-tegen den keizer, als tegen een halfgod van wil en van kracht, mengde zich iets van
-antipathie en onwil, dat hem van zijn vader stiet, en moeilijk maakte gedachtewisseling
-tusschen hen beiden.
-</p>
-<p>Nu, na de opening van het Parlement, was de stad, het geheele land, kalm geworden;
-de troepen echter bleven op het Marsveld, voor de aanstaande manoeuvres. De komst
-der Syrische vorsten was bepaald. Othomars dagen volgden zich weêr op als vroeger.
-Verschillende diners werden hem aangeboden, door de officieren der Garde van den Troon,
-en der andere corpsen, waarin hij zijn rang bekleedde. Ja, het was zijn oogenblik
-van populariteit. Men citeerde reeds, dat zijn bijnaam later zoû klinken als Othomar
-de Weldadige. In deze dagen legde hij den eersten steen van een groot Huis der Armen,
-tot welker stichting de erfenis van een schatrijken, kinderloozen hertog—een der oudste
-geslachten van Liparië, dat uitstierf,— millioenen had bijgedragen.
-</p>
-<p>Othomars zachtheid maakte een innemend contrast met de, juist uitgeoefende, ruwe kracht
-van Oscar. Hijzelve was echter innerlijk zeer verbaasd over zijn roep van weldadigheid;
-hij deed gaarne goed, maar voelde zucht tot goed-doen niet als hoofdtrek van zijn
-karakter in zich. Hij voelde integendeel géen hoofdtrek in zich.
-</p>
-<p>Na het diner hem door de officieren van den Staf aangeboden, zoû Othomar des avonds
-met Ducardi, Dutri en Leonie gaan naar den hertog van Yemena, om den opperhofmaarschalk
-<span class="pageNum" id="pb92">[<a href="#pb92">92</a>]</span>officieel dank te zeggen voor de gastvrijheid hem op Castel Vaza betoond. De hertog
-bewoonde in Lipara een groot nieuw hôtel; zijn oud familiehôtel was te Altara.
-</p>
-<p>Het was negen uur. De kroonprins werd nog niet verwacht. De hertog en de hertogin
-echter ontvingen reeds hunne invité’s; de hertogin had, toen Othomar zijn bezoek had
-doen aankondigen, talrijke uitnoodigingen gedaan. De ruime receptiesalons vulden zich.
-Bijna geheel het corps diplomatique was tegenwoordig; enkele der ministers en groote
-charges van het hof, met hunne dames; de oude gravin Myxila en hare dochters, tal
-van officieren. Het was de intime kring van het Imperiaal; eene brutale gemeenzaamheid
-ging onder hen om, met het sans-gêne, dat in de mode was.
-</p>
-<p>Bij de hertogin stonden Lady Danbury, de vrouw van den eersten Engelschen secretaris
-en de markies van Xardi, de zoon van den hertog. Zij praatten druk over de Dazzara’s.
-</p>
-<p>—Ik heb ze gezien, zei Lady Danbury. Het is verschrikkelijk, verschrikkelijk. Ze wonen
-nu op Castel Dazzara, die oude ruïne in Thracyna, met hun vijf dochters, poor things!
-De plafonds vallen in. Drie kromme oude bedienden in liverei, en de liverei ouder
-nog dan de bedienden. En schulden, naar men zegt, schulden! Ik stond verbaasd, dat
-de markiezin zóo oud was geworden: ze heeft het zich vreeselijk aangetrokken, schijnt
-het.
-</p>
-<p>—Oud geworden? vroeg de hertogin. Ik vond haar nog zeer jong, den laatsten keer, dat
-ik haar zag …
-</p>
-<p>Ze haatte Lady Danbury, die lang, mager en spits van trekken was, en iets had van
-een gracieuze adder. En ze vervolgde:
-</p>
-<p>—Ze zag er nog zoo goed uit; ze is tenger, maar ze heeft een prachtigen hals … Ik
-begrijp heusch niet, dat ze zóo oud kan zijn geworden …
-</p>
-<p>En als peinzende over dit raadsel, tuurt de hertogin naar de te magere schouders van
-Lady Danbury.
-</p>
-<p>De oogen van Xardi schitteren; hij vermoedt een schermutseling.
-</p>
-<p>—Men zegt, dat de markies un de vos intimes was, <i>vroeger</i>, niet waar? insinueert de Engelsche. Het hatelijke „vroeger” valt Xardi echter tegen.
-<span class="pageNum" id="pb93">[<a href="#pb93">93</a>]</span></p>
-<p>—Ik hoû veel van de Dazzara’s, zegt de hertogin; maar … en ze lacht geheimzinnig met
-bedoeling; hij is <i>altijd</i> een ongeluksvogel geweest …
-</p>
-<p>—Zijne Excellentie, den hertog van Mena-Doni! kondigt de hofmeester aan.
-</p>
-<p>—De opgaande zon! fluistert Xardi tot Lady Danbury.
-</p>
-<p>Mena-Doni buigt zich reeds voor de hertogin, die hem tegenlacht. Lady Danbury, aan
-de zijde van Xardi, is doorgegaan.
-</p>
-<p>—En de geluksvogel, denkt u? vraagt ze.
-</p>
-<p>—O neen! zegt Xardi beslist. Ten minste, niet heelemaal …
-</p>
-<p>Ze zien elkaâr aan, en lachen.
-</p>
-<p>Keizerlijke adelaren blijven toch de mooiste vogels, niet waar? schertst Lady Danbury.
-</p>
-<p>—Wat weet u daarvan?
-</p>
-<p>—Helaas, mijn nederige persoon niets. Eer ik het zoover in zoölogie breng …!
-</p>
-<p>—Maar wat heeft u dan gehoord?
-</p>
-<p>—Wat iedereen hoort, als Dutri niet zijn mond kan houden.
-</p>
-<p>—Omtrent wat?
-</p>
-<p>—Omtrent zeker teeder afscheid op Castel Vaza …
-</p>
-<p>De markies van Xardi schatert van het lachen. Lady Danbury klemt in eens zijn arm.
-</p>
-<p>—Zeg, Xardi, ik weet wel mindere tengere personen, dan de markiezin van Dazzara, die
-zouden vervallen om de keizerlijke disgrâce<span class="corr" id="xd31e1248" title="Bron: ,">.</span> <span lang="fr">Et toi?</span>
-</p>
-<p>De markies lacht luid meê, en:
-</p>
-<p>—Zelfs maar een kroonprinselijke … fluistert hij, achter den Watteau-waaier van Lady
-Danbury; ze proesten van het lachen samen.
-</p>
-<p>—Zijn Keizerlijke Hoogheid, de Hertog van Xara; hunne Excellenties, graaf Ducardi,
-prins Dutri, de markies van Leoni! luidt het plechtig, langzaam aangekondigd.
-</p>
-<p>Er ontstaat eene lichte emotie in de groepen. Men schaart zich en haie door de zaal;
-een paar dames verwarren zich in hare slepen en lachen. Zoo wacht men.
-</p>
-<p>Othomar verschijnt aan de opene deur; Ducardi, Dutri en <span class="pageNum" id="pb94">[<a href="#pb94">94</a>]</span>Leoni zijn achter hem. De oude hertog haast zich den prins tegemoet; de markies van
-Xardi heeft Lady Danbury haastig haren waaier in de hand geduwd, en voegt zich bij
-zijnen vader.
-</p>
-<p>De oude hertog is een fijne magere man, vol geäffineerd ras, met geheel gladgeschoren
-gelaat; hij is eenvoudig in rok, met het breede groene Commandeurslint van den Rijksappel
-dwars over de borst, en het grootkruis van St. Ladislas om den hals.
-</p>
-<p>Othomar draagt zijn groot-uniform van chef van het regiment der kurassiers van Xara:
-zilver, rood en wit. Zijn helm met vederbos houdt hij onder den arm. Hij drukt den
-hertog de hand, spreekt hartelijke woorden tot hem. Maar in de naïveteit zijner jongensziel
-voelt hij bittere wroeging knagen aan iets van geweten, nu hij zoo spreekt van Castel
-Vaza, nu hij de innige betuigingen van den hertog aanhoort. Ook den markies van Xardi
-drukt Othomar de hand.
-</p>
-<p>Nu is ook de hertogin nader gekomen en begroet zij den kroonprins met hare beroemde
-nijging. Lady Danbury benijdt heure gratie en vraagt zich af, hoe ze mogelijk is met
-die sculpturale vormen: ze kan zich niet ontkennen, dat de hertogin van Yemana een
-splendide vrouw is … Tusschen den hertog en de hertogin gaat de prins door de haie
-der gasten, die buigen; de markies van Xardi volgt met de adjudanten.
-</p>
-<p>Othomar heeft de hertogin na zijn terugkeer in Lipara wel eenige malen in het Imperiaal
-gezien, maar niet alleen. Zij wisselen nu hoffelijke woorden, met officieele stembuiging
-en klank. De groepen vormen zich weêr, als op een intimen raôut.
-</p>
-<p>De hertogin is met Othomar verder gegaan, tot de lange serre toe, weinig verlicht,
-groen schemerend, met het voornaam palmgeblader der groote planten, met het fijn gewemel
-der bamboezen, die tegen de vierkante ruiten parelen dauw aanademen. Zij zwijgen een
-oogenblik, zien elkaâr aan. En Othomar voelt, dat zijne aandoeningen om deze vrouw
-niets zijn dan vluchtende momenten, wolkjes in zijne ziel. Het onbekende is voor hem
-opengegaan, maar werd hem désilluzie. Toch is hij haar dankbaar voor wat zij hem gaf:
-den troost harer passie, toen zijne oogen nog nat van verdriet waren. Zij heeft hem
-gesterkt door dien troost en hem man gemaakt. <span class="pageNum" id="pb95">[<a href="#pb95">95</a>]</span>Maar alles in het leven is dubbel en zijne dankbaarheid heeft eene weêrzijde van zonde;
-hij ziet den hertog ginds een druk gesprek, onderlijnd met fijne, prezieze gebaren,
-houden met Ducardi; en de wroeging vlijmt zacht zijne jongensziel.
-</p>
-<p>En naast zijne dankbaarheid, voelt hij zijne désilluzie. Liefde, is dit liefde …?
-Hij voelt niets; in zijne ziel is niets nieuws gekomen. Hij ziet hoe heerlijk mooi
-de hertogin is, in haar ivoorkleurig broché, den sleep met donker bont omzet, de borst
-vierkant ontbloot, een ris parelen om den hals. Het half-licht zweemt door de planten
-sprookjesachtig groen langs haar heen met zachte dommeling en schaduw vol geheim;
-haar gelaat is fijn glimlachend op den achtergrond van gedoezeld donker. Hij herinnert
-zich haar zoen en de dolle omhelzing harer armen. Ja, het was een zalige ontzenuwing,
-een dronkenschap van het vleesch, nog niet gekende bedwelming, fyzieke troost. Maar
-liefde, was het liefde …? En hij moest wel besluiten: misschien is het liefde, en
-al voelt hij het gemis in zijne ziel, hij besluit toch: ja, misschien is het dat …
-liefde.
-</p>
-<p>—En wanneer zie ik Uwe Hoogheid weêr? fluistert ze.
-</p>
-<p>De vraag is ruw gedaan en verwondert hem. Maar deze enkele seconde van even-alleen-zijn
-is der hertogin zoo kostbaar, dat zij wel niet anders kan. Ze ziet zijne verwondering
-en aanbidt hem om zijne naïveteit. En hare oogen zien hem zoo dringend aan, dat hij
-antwoordt:
-</p>
-<p>—Morgen dineer ik bij den Franschen gezant; daarna ga ik naar de opera … Kan ik u
-om elf uur hier vinden?
-</p>
-<p>Hij verwondert zich om den logischen gang zijner gedachten, om zijn vraag, die hem
-zoo vreemd in de ooren klinkt. Maar zij antwoordt, verlegen lachend:
-</p>
-<p>—In Godsnaam, Hoogheid; hier niet, om elf uur! Hoe zoû dat kunnen …! Maar … kom bij …
-Dutri …
-</p>
-<p>Ze stamelt het; ze herinnert zich het weelderige appartement van den adjudant en ziet
-er zich terug … met anderen. En in hare verwarring merkt ze niet, dat ze hem zeer
-pijn heeft gedaan en zijne teêrgevoeligheid als met scherpe nagels gekrast heeft;
-vooral merkt ze dit niet, omdat hij antwoordt, verward:
-</p>
-<p>—Goed …
-<span class="pageNum" id="pb96">[<a href="#pb96">96</a>]</span></p>
-<p>Zij komen lachend, met hunne officieele, blanke stemmen terug, wandelen langzaam;
-hij, zoo jong in zijn gezilverde uniform, den helm, waaraan de veeren hangen, onder
-zijn natuurlijk bevallig geronden arm; zij, opluikend in glans, den ivoorkleurigen
-sleep lang slepend achter haar aan, den waaier van pluimen en brillant op en neêr
-slaand op haar borst met het grein van Carrarisch. Alle oogen zien naar ze en letten
-den triomf der hertogin op …
-</p>
-<p>En Othomar weet nu, dat zijne „liefde” zal worden, wat men een liaison noemt, en waarvan
-hij hoorde van die en van die, en waarvan hij las in romans. Hij had zich deze regeling
-zoo nog niet voorgesteld. Hij weet niet hoe hij aan Dutri zeggen zal, dat hij der
-hertogin ten zijnent rendez-vous heeft gegeven, en als hij denkt aan den adjudant,
-brokkelt iets van zijn ingeboren vorstelijkheid af als met kleine stukjes marmer of
-albast van een tengere zuil …
-</p>
-<p>Den hertog en den generaal naderend, spreekt hij over de aanstaande manoeuvres. De
-hertogin ziet hij nu op een afstand en Mena-Doni buigt zijn Nero-kop tot vlak bij
-haar gelaat. In zijne groote antipathie voor dien man mengt zich jaloezie. En terwijl
-hij glimlachend naar den hertog van Yemena hoort, meent hij nu zeker te weten, dat
-zijne liefde toch wel liefde is, omdat er jaloezie bijkomt.
-</p>
-</div>
-</div>
-<div id="s1.3.3" class="div2 section"><span class="pageNum">[<a href="#s1.3.3.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h3 class="main">III.</h3>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Den volgenden morgen, toen Othomar alleen paard reed, dacht hij den geheelen tijd
-aan Dutri. De moeilijkheid van een gesprek met zijn adjudant, scheen hem iets onoverkomelijks.
-Zijn hart klopte nu hij Dutri ontmoette, die hem wachtte in de Xaverius-kazerne. Maar
-de jonge officier wist hem in te fluisteren, zóo kalm hoffelijk, alsof dit alles de
-eenvoudigste zaak ter wereld was:
-</p>
-<p>—Ik sprak de hertogin van Yemena, Hoogheid … Hare Excellentie zei me, dat Uwe Hoogheid
-haar in het geheim wilde spreken, en mij de eer aandeed … Neemt Uwe Hoogheid dezen
-sleutel …
-</p>
-<p>Othomar nam werktuigelijk den sleutel aan. Zijn gelaat bleef strak, ernstig, maar
-inwendig voelde hij zich zeer verstoord op de hertogin, en begreep hij niet, hoe en
-waarom zij <span class="pageNum" id="pb97">[<a href="#pb97">97</a>]</span>Dutri in hun geheim haalde. De eenvoud en gemakkelijkheid, waarmeê zij dit blijkbaar
-gedaan had, bliksemde hem als iets ontzettends toe. Eene wanorde scheen door zijn
-hoofd te dwarrelen, alsof de hertogin en Dutri er allerlei vastgezette denkbeelden
-van zijn jeugdig nadenken, met éen adem, hadden door elkaâr geblazen. Hij dacht aan
-den ouden hertog. Hij vond dit alles slecht. Hij wist, dat Dutri een jonge losbol
-was; hij hoorde door hem de geheele chronique-scandaleuze van het hof, maar hij had
-nooit de helft geloofd van wat Dutri vertelde, en den adjudant dikwijls stroef gezegd,
-dat hij er niet van hield zoo te hooren kwaad spreken van menschen, die zij iederen
-dag zagen en die verknocht waren aan zijn Huis. Nu scheen het hem toe, dat alles wat
-Dutri verteld had, waar kon zijn, en dat er nòg erger dingen konden gebeuren. Deze
-sleutel, met zulken hoffelijken eenvoud, met dit gemak van libertijn aangeboden, scheen
-hem een voorwerp van schroeiende schande. Hij schaamde zich het ding reeds in zijn
-zak te hebben gestoken …
-</p>
-<p>Hij ging echter verder. De sleutel brandde hem, terwijl hij sprak met generaal Ducardi,
-en, terug, in het Imperiaal, met zijn vader en Myxila. Vóor hij de keizerin op zoû
-zoeken, die hem reeds wachtte, sloot hij den sleutel weg in zijne schrijftafel; langzaam,
-een schaduw over zijn voorhoofd, ging hij daarna pas voor pas, de lange galerijen
-door, naar de appartementen der keizerin. In de antichambre rees de hofdame op, boog,
-klopte aan de deur en ontsloot die:
-</p>
-<p>—Zijne Hoogheid, de Hertog van Xara …
-</p>
-<p>Stil sloeg Othomar een kruis, als kwam hij een kerk binnen.
-</p>
-<p>—Moge God en Zijne Moeder mij vergeven! mompelde hij tusschen zijne lippen; toen trad
-hij binnen bij de keizerin.
-</p>
-<p>In het groote vertrek zat zij alleen, bij een der open ramen, die op het park zagen;
-zij droeg een zeer eenvoudigen, gladden donkeren japon. Het trof hem hoe jong zij
-er uitzag, en hij dacht er aan, dat zij jonger was dan de hertogin. Een aureool van
-delicate reinheid scheen om hare tengerlange gestalte te trillen als een atmosfeer
-van licht, en gaf haar eene hoogheid, die niet om andere vrouwen scheen. Zij glimlachte
-hem toe en hij kwam langzaam nader en kuste haar de hand.
-<span class="pageNum" id="pb98">[<a href="#pb98">98</a>]</span></p>
-<p>Zij had hem dien dag nog niet gezien, nam zijn hoofd tusschen hare slanke, koele handen
-en kuste hem.
-</p>
-<p>Hij zette zich naast haar op een lagen stoel.
-</p>
-<p>Toen streek zij met de hand over zijn voorhoofd.
-</p>
-<p>—Wat is er? vroeg ze.
-</p>
-<p>Hij zag haar aan en zeide, dat er niets bizonders was. Verder zag ze niet: hij bracht
-haar wel meer een bewolkt voorhoofd mede. Nog eens streek ze er over heen.
-</p>
-<p>—Ik heb papa beloofd ernstig met je te praten, Othomar, sprak ze.
-</p>
-<p>Hij keek tot haar op.
-</p>
-<p>—Hij vond het beter, dat ik met je sprak, omdat hij zelve oordeelde, dat ik gemakkelijker
-met je kon spreken. Hij is anders heel tevreden over je, mijn jongen, en verheugt
-er zich in, dat je zoo een klaar oordeel hebt, soms, over sommige staatszaken.
-</p>
-<p>Dit oordeel zijns vaders verbaasde hem.
-</p>
-<p>—En waarover beloofde u met me te spreken?
-</p>
-<p>—Over iets heel, heel gewichtigs, sprak ze met een zachten glimlach. Over je huwelijk,
-Othomar.
-</p>
-<p>—Mijn huwelijk …?
-</p>
-<p>—Ja, mijn jongen … Je wordt twee-en-twintig. Papa is wel veel later getrouwd, maar
-hij had veel broêrs. Ze zijn gestorven. Oom Xaverius is in zijn klooster. En wij …
-papa en ik, we zullen wel geen kinderen meer krijgen, Othomar.
-</p>
-<p>Ze had hare armen om zijn hals gelegd en trok hem naar zich toe: ze fluisterde:
-</p>
-<p>—We hebben niemand dan jou, mijn jongen en onzen kleinen Berengar. En … papa vindt,
-dat je daarom trouwen moet. We moeten een erfprins hebben, een Graaf van Lycilië …
-</p>
-<p>Zijne oogen werden vochtig; hij legde zijn hoofd tegen haar aan.
-</p>
-<p>—Twee om keizer te worden; Berengar, als ik er niet meer zijn mocht; is dat niet genoeg,
-mama?
-</p>
-<p>Ze schudde glimlachend het hoofd van neen. Neen, dat was niet genoeg zekerheid voor
-het Huis van Czyrkiski-Xanantria.
-</p>
-<p>—Mama, zeide hij zacht; als sociologen spreken over de <span class="pageNum" id="pb99">[<a href="#pb99">99</a>]</span>sociale quaestie, betreuren zij het, dat er onder het proletariaat zooveel kinderen
-worden geboren en noemen zij de arme ouders, die niets hebben dan hunne liefde, zelf
-verantwoordelijk voor de meerdere ellende, die zij met die kinderen in de maatschappij
-veroorzaken. Treft dit verwijt eigenlijk ook ons niet? Of vindt u een keizer zoo gelukkig?
-</p>
-<p>Haar voorhoofd betrok.
-</p>
-<p>—Je bent in een van je sombere buien, Othomar. In Godsnaam, mijn jongen, geef je daar
-toch niet aan toe. Filozofeer zoo niet, neem het leven op, zooals het je gegeven is.
-Dit is de eenige manier, om het te dragen. Denk er niet over na of je later gelukkig
-zal zijn als keizer, maar neem aan, dat je keizer worden moet.
-</p>
-<p>—Goed, ik, maar waarom kinderen, mama?
-</p>
-<p>—Welke vorst laat zijn huis uitsterven, Othomar! Wees niet dwaas. Hecht aan traditie,
-dat is voor ons alles. Heb over die quaestie niet zulke vreemde denkbeelden. Ze zijn
-niet die van een aanstaanden—ik had bijna gezegd—alleenheerscher; ze zijn niet die
-van een vorst. Niet waar, Othomar, je begrijpt, je móet, je móet trouwen …
-</p>
-<p>Hare stem klonk beslister dan gewoonlijk, bijna hard.
-</p>
-<p>—En, beste jongen, ging zij door; zegen de omstandigheden en trouw nu, zoo gauw mogelijk.
-De politiek met het buitenland staat op het oogenblik zóo, dat er geen bizondere aanwijzingen
-voor je huwelijk zijn. Je kan zoo iets als kiezen. Want je bent de kroonprins van
-een groot rijk, mijn jongen, van een van de grootste rijken van Europa …
-</p>
-<p>Hij wilde spreken, ze ging haastig voort:
-</p>
-<p>—Ik herhaal je: je kan—bijna—kiezen. Je weet niet, hoeveel dit is. Apprecieer dat,
-apprecieer de omstandigheden. Reis naar de hoven van Europa, die in aanmerking komen.
-Zie uit je oogen, doe je keuze. Er zijn lieve prinsessen van Engeland, van Oostenrijk …
-</p>
-<p>Othomar sloot zijne oogen even, of eene vermoeidheid hem afmatte.
-</p>
-<p>—Later, mama … fluisterde hij.
-</p>
-<p>—Neen, mijn jongen, zei de keizerin: niet spreken van later, niet uitstellen. Denk
-er nu over na. Denk hoe je je reis nemen wilt en wie je meê wilt nemen en praat er
-over met papa en Myxila. Beloof je me dat?
-<span class="pageNum" id="pb100">[<a href="#pb100">100</a>]</span></p>
-<p>Hij drukte zijn hoofd even tegen haar aan en beloofde het, met een glimlach vol moêheid.
-</p>
-<p>—Wat is er toch, mijn jongen? vroeg ze. Zeg dan, wat is er toch?
-</p>
-<p>Zijne oogen werden vochtig.
-</p>
-<p>—Ik weet het niet, mama. Ik ben soms zoo moê …
-</p>
-<p>—Ben je niet wel?
-</p>
-<p>—Jawel, dat wel, maar ik ben zoo moê …
-</p>
-<p>—Maar waarvan dan toch, mijn kind?
-</p>
-<p>Hij begon zacht te snikken.
-</p>
-<p>—Van … van alles … mama.
-</p>
-<p>Zij zag hem lang aan, schudde langzaam, afkeurend haar hoofd.
-</p>
-<p>—Vergeef me, mama, stamelde hij en hij veegde zijne oogen af; ik zal er niet meer
-aan toegeven …
-</p>
-<p>—Dat heb je me al eens meer beloofd, Othomar.
-</p>
-<p>Als een kind drukte hij weêr zijn hoofd tegen haar aan.
-</p>
-<p>—Neen, heusch, betuigde hij, vleiend; ik zal er me heusch tegen verzetten. Het is
-niet goed van me, mama. Ik zal me meer ophouden: ik zal sterker worden, ik zweer het
-u, voor ú zal ik sterker worden …
-</p>
-<p>Ze zag hem weêr lang in de oogen, met haren reinen glimlach. Innige teederheid ging
-van haar uit op hem; hij voelde, dat hij nooit iemand zóo zoû liefhebben als die moeder.
-Toen nam zij hem in beide hare armen en drukte hem tegen zich aan.
-</p>
-<p>—Ik neem je belofte aan, en ik dank je … mijn arme jongen! fluisterde zij in haren
-zoen.
-</p>
-<p>Op dit oogenblik klonk er een jong gegons van stemmen, als van losgelaten vogels,
-uit het park, door de open ramen heen. Getrippel van vele kleine voeten knarste op
-het grint. Een hooge schelle kinderstem klonk op eens met woedende woorden uit de
-anderen op; de anderen zwegen …
-</p>
-<p>De keizerin was met een electrischen schok opgeschrikt. Zij richtte zich haastig omhoog,
-doodsbleek.
-</p>
-<p>—Berengar! riep ze, en hare stem bestierf.
-</p>
-<p>—En ik zal het zeggen aan Zijne Majesteit, wat voor een vlegel je bent, en dan zullen
-we eens zien! Dan zullen we wel eens zien, dan zullen we wel eens zien …
-<span class="pageNum" id="pb101">[<a href="#pb101">101</a>]</span></p>
-<p>De keizerin had zich bevende uit het venster gebogen, ze zag een tiental kleine jongens;
-ze keken beteuterd.
-</p>
-<p>—Waar is Zijne Hoogheid? vroeg ze.
-</p>
-<p>—Zijne Hoogheid is daar, Mevrouw! antwoordde een klein graafje verlegen en wees met
-een vingertje naar het achterplein, dat de keizerin niet zien kon.
-</p>
-<p>—Maar wat gebeurt er toch? Is dat een leven maken! Laat Zijne Hoogheid dadelijk hier
-komen! Berengar! Berengar!
-</p>
-<p>Zijne Hoogheid, Berengar, geroepen, kwam aan. Hij ging tusschen de kleine hertogjes
-en graafjes door, en zag naar het venster op, waaruit zijne moeder zich boog. Hij
-was een klein, flink gebouwd, pittig ventje; zijn gezicht was rood van verontwaardiging,
-met twee kleine woedende oogjes er in, als zwarte vonkjes.
-</p>
-<p>—Berengar, kom hier! riep de keizerin. Wat is er toch? Waarom kan je niet spelen,
-zonder te vechten?
-</p>
-<p>—Ik vecht niet, mama, maar … maar, ik zal het aan papa zeggen … en en dan zullen we
-wel eens zien …! Dàn zullen …
-</p>
-<p>—Berengar, kom dadelijk door het paleis hier binnen, dadelijk! beval de keizerin.
-</p>
-<p>Othomar, achter de keizerin, zag naar de groep jongens. Hij zag, hoe Berengar met
-een enkel woord zich verontschuldigde bij het grootste hertogje en langs het achterplein
-verdween.
-</p>
-<p>Na een oogenblik kwam het kind de kamer in.
-</p>
-<p>—Berengar, sprak de keizerin; het is heel ongemanierd zoo een leven te maken in het
-park, en dat wel vlak achter het paleis.
-</p>
-<p>Het kind zag haar aan, met ernstig rood gezichtje.
-</p>
-<p>—Ja mama, beaamde het zacht.
-</p>
-<p>—Wat is er gebeurd?
-</p>
-<p>Berengars lippen beginnen te trillen.
-</p>
-<p>—Het is die lamme schildwacht … begon hij.
-</p>
-<p>—Wat is er met dien schildwacht?
-</p>
-<p>Hij … hij prezenteerde niet voor me!
-</p>
-<p>—Prezenteerde de schildwacht niet voor je? Waarom niet?
-</p>
-<p>—Ik weet het niet! riep Berengar verontwaardigd.
-<span class="pageNum" id="pb102">[<a href="#pb102">102</a>]</span></p>
-<p>—Maar hij prezenteert toch altijd?
-</p>
-<p>—Ja maar, nu deed hij het niet. Wel den eersten keer, toen wij voorbij kwamen, maar
-niet den tweeden keer … We speelden krijgertje, en toen we voor de tweede maal voorbij
-hem liepen, prezenteerde hij niet!!
-</p>
-<p>Othomar begon te schateren.
-</p>
-<p>—Je hoeft er niet om te lachen! riep Berengar boos; en ik zal het aan papa zeggen,
-en dan zal je wel zien.
-</p>
-<p>—Maar woû je hebben, Berengar, zei de keizerin; dat iederen keer, als jij met krijgertje
-spelen voorbij liep, die man zijn geweer prezenteerde?
-</p>
-<p>Berengar bedacht zich.
-</p>
-<p>—Hij kon het toch minstens wel de tweede maal gedaan hebben. Als het nu drie, vier,
-vijf malen was geweest. Maar de twéede maal pas …! Wat moeten al die jongens wel van
-me denken?!
-</p>
-<p>—Hoor eens, Berengar, zei de keizerin; wat er ook gebeurt, het komt in het geheel
-niet te pas, dat je, wien het ook zij, met leelijke namen noemt en ook niet, dat je
-zoo een leven maakt in het park, vlak achter het paleis. Uitschelden, dat doet een
-kind van een keizer niet, zelfs niet een schildwacht. Ga daarom dus nu dadelijk naar
-dien schildwacht toe en zeg, dat het je spijt, je zoo driftig gemaakt te hebben.
-</p>
-<p>—Mama! riep het kind ontzet.
-</p>
-<p>Het gezicht van de keizerin stond strak.
-</p>
-<p>—Ik wil het, Berengar.
-</p>
-<p>De jongen zag haar met de grootste verbazing aan.
-</p>
-<p>—Moet ik dat zeggen … aan dien schildwacht, mama?!
-</p>
-<p>-Ja.
-</p>
-<p>Blijkbaar begreep Berengar op dit moment de wereldorde niet; hij vermoedde een oogenblik,
-dat de revolutie was uitgebroken.
-</p>
-<p>—Maar, mama, dat kan ik niet!!
-</p>
-<p>—Het moet, Berengar, en dadelijk.
-</p>
-<p>—Maar mama, zal papa dat goed vinden?!
-</p>
-<p>—Zeker, Berengar, zei Othomar; wat mama je zegt te doen, vindt papa natuurlijk goed.
-</p>
-<p>In radeloosheid zag de jongen naar Othomar op; zijn gezichtje <span class="pageNum" id="pb103">[<a href="#pb103">103</a>]</span>trok lang, zijn stevige vuistjes trilden. Toen barstte hij in een wanhopig snikken
-uit.
-</p>
-<p>—Kom Berengar, ga, zei de keizerin weêr.
-</p>
-<p>Het kind ontstelde nog meer om hare strakte; zoo zag hij altijd haar staren op de
-menigte, maar niet op hare kinderen. En hij wierp zich met de kleine wijdte zijner
-radelooze armpjes in hare rokken, omklemde haar en snikte met groote klokken van snikken.
-</p>
-<p>—Ik kàn dat niet doen, mama!!
-</p>
-<p>—Het moet, Berengar …
-</p>
-<p>—En … en … en ik <i>wil</i> het niet, ik <i>wil</i> niet!!! knarste de jongen in eens woedend, stampvoetend.
-</p>
-<p>De keizerin deed niets dan hem aanzien, heel lang, héel lang. Het verwijt van haren
-blik brak het kind. Het snikte luid op, en scheen er niet meer aan te denken, dat
-zijne vriendjes daarbuiten Zijne Hoogheid zeker zouden hooren snikken. Hij zag, dat
-er niets aan te doen was, dat het moest. Het moest!! Zijne Keizerlijke Hoogheid, Berengar,
-markies van Thracyna, (Ridder van St. Ladislas), mòest zijn spijt betuigen aan een
-schildwacht, die hèm, Zijne Hoogheid, nog wel te kort had gedaan.
-</p>
-<p>Zijn middeneeuwsch kinderzieltje was er geheel door in omwenteling. Hij begreep niets
-meer. Hij zag alleen maar, dat het moest, omdat zijne moeder hem met zoo een treurigen
-blik aanzag.
-</p>
-<p>—Othomar! snikte hij zijne wanhoop uit; Othomar! Wil … jij … dan met me … meêgaan!!!
-Maar hoe zal ik het doen, hoe zal ik het doen!
-</p>
-<p>Othomar glimlachte hem medelijdend toe, en stak zijne hand naar hem uit. De keizerin
-knikte, dat de prinsen zouden gaan.
-</p>
-<p>—Hoe zal ik het doen! O God, hoe zal ik het doen! hoorde zij Berengars stem nog uit
-de antichambre in wanhoop opsnikken.
-</p>
-<p>Elizabeth was doodsbleek geworden. Zoodra zij alleen was, zonk zij in een stoel, het
-hoofd achterover. Hélène van Thesbia kwam juist binnen.
-</p>
-<p>—Mevrouw! riep de jonge gravin. Wat heeft U?
-</p>
-<p>De keizerin greep hare hand; Hélène voelde die ijskoud.
-<span class="pageNum" id="pb104">[<a href="#pb104">104</a>]</span></p>
-<p>—Niets, Hélène, antwoordde zij; maar Berengar heeft me zoo verschrikkelijk laten schrikken.
-Ik dacht … ik dacht, dat ze hem vermoordden!!!
-</p>
-<p>En in een zenuwbui van stootende snikken stortte zij zich in de armen der gravin.
-</p>
-</div>
-</div>
-<div id="s1.3.4" class="div2 section"><span class="pageNum">[<a href="#s1.3.4.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h3 class="main">IV.</h3>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Dien avond, vóor Othomar met zijne adjudanten naar het diner bij den Franschen gezant
-zoû gaan, hield hij Dutri staande:
-</p>
-<p><span class="corr" id="xd31e1438" title="Niet in bron">—</span>Ik zie, dat hare Excellentie, de hertogin, u zeer vertrouwt, prins, sprak hij kort.
-Ik wil niet betwijfelen of haar vertrouwen misplaatst is. Maar ik verzeker u dit:
-dat zóo het ooit mocht blijken, dàt het misplaatst was, ik dit nooit—noch nu, noch
-<i>later</i> vergeten zal …
-</p>
-<p>Dutri zag vreemd op: hij hoorde daar zijn aanstaanden keizer spreken. Toen maakte
-hij een moue als een boudeerend kind en sprak:
-</p>
-<p>—Ik kan niet zeggen, dat Uwe Hoogheid zeer dankbaar is voor de gastvrijheid, die ik
-Haar heb aangeboden.
-</p>
-<p>Othomar glimlachte pijnlijk, reikte hem nu de hand …
-</p>
-<p>—Of dat het vriendelijk is van Uwe Hoogheid mij van dàag met Hare ongenade te bedreigen,
-ging Dutri voort.
-</p>
-<p>—Ik ken je, Dutri, sprak de prins aan zijn oor. Ik ken je tong. Daarom alleen waarschuw
-ik je … En, nu in Gods naam, zwijg hier verder over, want dit … dit alles doet me
-pijn …
-</p>
-<p>Dutri zweeg en vond hem een kind en een vorst tegelijk. Hij haalde in stilte zijne
-schouders op om Othomars weêrgâlooze naïviteit, maar hij huiverde als hij dacht aan
-eene mogelijke ongenade. Hij had geen fortuin; zijne pozitie bij den kroonprins was
-zijn leven, zijne ambitie, zijn alles, voor nu en voor <i>later</i>: als de prins keizer zijn zoû …! Hoe blij was hij eerst geweest, dat Alexa hem alles
-verteld had, dat hij een geheim wist van zijn prins, die nooit geheimen scheen te
-hebben! Eene vage vreugde, dat dit geheim hem macht zoû geven over zijn toekomstigen
-keizer, was reeds door zijn hoofd vol luchthartige berekening gefladderd. En nu, nu
-dreigde de prins hém, ontzenuwde dus die macht al in den aanvang! <span class="pageNum" id="pb105">[<a href="#pb105">105</a>]</span>Dutri had nu bijna spijt, dat hij in dit geheim was opgenomen; hij vreesde zelfs,
-dat de keizer er iets van zoû hooren, dat hem de ongenade van den vader al treffen
-zoû, voor die van den zoon …
-</p>
-<p>—Had Alexa me er dan ook maar nooit ingehaald! klaagde hij nu bij zichzelven met zijne
-oppervlakkige wisselvalligheid van gedachte.
-</p>
-<p>Maar hoewel Dutri zweeg, en zelfs tegensprak, werd er over de liaison van den kroonprins
-gesproken, misschien alleen naar aanleiding van de zegevierende blikken van Alexa,
-als Othomar, op een soirée, op een bal, een oogenblik tot haar sprak. De tegenspraak
-van Dutri, die men kende als een klap-uit, bracht echter verwarring, en men wist niet
-waaraan men zich te houden had en wat de waarheid was.
-</p>
-<p>Gelukkig om die liefde voelde Othomar zich echter niet; de woeste passie van die vrouw
-met haar brandende blikken, die hem het eene oogenblik overweldigde door hare zoenen,
-het andere voor hem neêrkroop als een slavin en aan zijne voeten brak in nederigheid
-voor haar aanstaanden heerscher, verbaasde hem eerst, sleepte hem in sommige wanhoopsbuien
-meê, maar wekte in hem op den duur een gevoel van onwil en tegenkanting. In het geparfumeerde
-appartement van den jongen adjudant, waar zij elkander zagen, en dat coquet was, als
-het boudoir van een jong meisje, gecapitonneerd als een bijouteriekist, kreeg hij
-soms lust die vrouw, die hem toch met hare vreemde ziel liefhad en hare liefde niet
-veinsde, van zich af te stooten, haar te trappen, te slaan. Zijn temperament was niet
-voor zoo brutalen hartstocht. Het was of zij schudde aan zijne zenuwen. Hij walgde
-soms van haar. En toch, een enkel woord van hem, en ze bedwong hare woestheid, zonk
-nederig naast hem neêr, streelde zacht zijne hand, zijn hoofd, en hij kon er niet
-aan twijfelen, dat zij hem aanbad, misschien wel een weinig omdat hij de kroonprins
-was, maar toch ook veel om hemzelven.
-</p>
-<p>Zoo was het April geworden, en bijna reeds zomer; de Syrische vorsten zouden komen.
-Ze waren eerst bij den Sultan geweest en daarna aan het hof te Althene. Door Liparië
-zouden zij naar de Noordelijke rijken van Europa gaan. Op den dag hunner aankomst
-fladderde Lipara van vlaggen; de, <span class="pageNum" id="pb106">[<a href="#pb106">106</a>]</span>al zoo straffe, zuidezon regende goud over de witte stad; de haven azuurde in lichte
-rimpeling. Eene gonzende menigte: gebruinde gezichten—vele nog bont nationaal gekleede
-landlieden uit Thracyna—wemelde en drong over de kaden. Op het azuur van het water,
-als op liquide metaal, dreven de pantserschepen, welke de vorsten, verwelkomende,
-zouden binnen halen, naar den mond van de haven uit. Daar, op de Xaveria, waren met
-hun gevolg van admiralen en schouten-bij-nacht, de beide prinsen Othomar en Berengar,
-en hun schoonbroêr, de aartshertog van Karinthië. Tallooze kleine bootjes gleden snel
-over de zee heen, als waterspinnen.
-</p>
-<p>Een schot van Wenceslas-fort, den straffen ether verscheurend, meldde het oogenblik,
-dat de kleine vloot het <span class="corr" id="xd31e1463" title="Bron: Sirische">Syrische</span> yacht ontmoette, en de Oostersche vorsten dit verlieten voor de Xaveria. Uit de villa’s
-aan de kaden, uit de bootjes met toeschouwers, richtten zich de binocles naar het
-verschiet van in licht zwijmelende blauwte, waarop de schepen nog zichtbaar trilden.
-Een half uur daarna golfde, als van het Imperiaal af, het gejuich der menigte aan
-en golfde luider op en luider naar de haven toe. Door de haie der grenadiers, die
-stonden van het paleis tot het paviljoen, waar de hooge gasten zouden aan wal komen,
-reden de, door jockey’s bereden, landauers, aan, waarin Hunne Majesteiten zaten. Hen
-volgden de equipages der beide zusters, de aartshertogin van Karinthië en Thera, en
-van het gevolg.
-</p>
-<p>De vloot, het Syrische yacht omringend, was de haven weêr binnen gedreven. Door de
-eerewacht der Troongarde heen, tusschen de draperieën van purper en vlaggen, zag de
-menigte iets van begroeting der vorsten in het paviljoen. Men galmde leve’s!; daarna
-reed de stoet naar het Imperiaal, de keizer met den koning van Syrië in het eerste,
-de keizerin met de koningin in het volgende rijtuig; daarachter de landauers met de
-prinsen en prinsessen en het gevolg.
-</p>
-<p>Een roes van feesten en vertoon volgde. Na de tragedies der overstroomingen en der
-Parlementscrizis woei eene vroolijkheid van humor over de, in de zon glinsterende,
-rezidentie heen en duurde laat tot in de verlichte zalen en parken van het Imperiaal
-toe. Die humor was om de Oostersche vorstin. Den koning van Syrië vloeide misschien
-nog een paar <span class="pageNum" id="pb107">[<a href="#pb107">107</a>]</span>druppelen van het bloed van Salomo door de aderen. Maar de koningin was niet van vorstelijke
-afkomst. Zij was de dochter van een der Syrische grooten en de naam van hare moeder
-werd niet genoemd in den Almanach de Gotha. Die moeder was zeker een favorite van
-twijfelachtig adellijke herkomst, maar wat zij precies geweest was, wist niemand.
-Een demi-mondaine uit Parijs of Weenen, die in het Oosten was gestrand en er fortuin
-had gemaakt in den harem van een grooten Syriër? Eene half Europeesche, half Egyptische
-danseuze uit een danshuis van Caïro of Alexandrië? Wat ook, hare gelukkige dochter,
-de koningin van Syrië, vertoonde onloochenbaar eene mengeling van bloed, iets Oostersch’
-en Europeesch’ samen. Naast den echt Semitischen type van den koning, die iets nerveus
-deftigs had in zijne half Europeesche, half Orientalische uniform, waarop de diamanten
-schitterden, had de vorstin, dik, klein, mollig, zachtbruin, het exuberant glimlachende,
-en bewegelijk wiegende van ledematen, het draaiende van hoofd en werkende van oogen
-eener kleurlinge. Hare eerste verschijning al, in het rijtuig, naast de delicate figuur
-van keizerin Elizabeth, in kleurig reistoilet en hoed met groote pluimen, overvloeiend
-vriendelijk buigend en lachend naar alle zijden, had de Lipariërs, gewend aan de koele
-hoogheid hunner vorsten, met eene vroolijkheid doortinteld, die onuitbluschbaar scheen.
-De Syrische vorstin werd het topic van alle gesprekken en om haar tintten alle gesprekken
-zich met een glimlach van ondeugd. Daarbij scheen zij zoo in-goed, dat men onmogelijk
-kwaad van haar wist te vertellen en zich alleen maar om haar amuzeerde. Men herinnerde
-zich, dat de Syrische potentaten fabelachtig groote giften om de overstroomingen hadden
-geschonken. En de humor, die over Lipara woei, was een zuidelijke humor, zonder kwaadmeenen
-en alleen maar goedlachs of schaterend van pleizier, omdat de Lipariërs nog nooit
-zoo een grappige koningin gezien hadden.
-</p>
-<p>De groote manoeuvres hadden plaats op het Marsveld. De koning vergezelde den keizer
-en de prinsen te paard met hun zwerm van Europeesche en Oostersche adjudanten. De
-vorstinnen en haar gevolg wachtten de défilé’s in landauers af. Berengar marcheerde
-dapper in zijne compagnie grenadiers, <span class="pageNum" id="pb108">[<a href="#pb108">108</a>]</span>waarin hij luitenant was, meê, wat zijne korte beentjes marcheeren konden, en hield
-zijn gezichtje strak, om de moeite niet te verraden, die hij had de lange stapbeenen
-bij te houden. De huzaren verbaasden den Syrischen vorst om hun één-zijn met hunne
-paarden, als zij in woesten rit zich half afwierpen naar den grond toe, en raapten
-in stormender vaart een vlag van den grond, zich weêr zwaaiden met éen kreet op en
-wuifden het doek. De Afrikanen voerden hun zwierige fantazia’s uit, drilden de speren,
-die bliksemden als losrakende bundels stralen, en wapperden aan in wolken van witte
-burnousen en stof, waarin hunne negerkoppen met tallooze zwarte vlekken wemeldonkerden
-en vonkten van oogen.
-</p>
-<p>Verder een tornooi, garden-party’s, races, regatta’s, volksspelen en vuurwerk. Lipara
-was éene stad van pleizier. Iederen dag gingen door haar heen gangen van vorstelijkheid,
-flikkerde de stoet van uniformen als levend goud, ratelden de keizerlijke landauers
-in de zon als met wielen van schitterende spaken door de lichte stof, die van het
-vierkant plaveisel der stad opstuivelde. Als druppelen wit vuur flonkerden het meest
-de diamanten, die de Syrische monarchen zelfs droegen op straat. Des avonds, als de
-zon niet meer schitterde, schitterden over de vaag witte avondstad aan hare violette
-haven, salamander-festoenen en kleurige vuurbrugketens factice hel onder de stille
-zilverblikken der sterren; bouquetten vuur vielen sissend in het water, waarop de
-bootjes zwart werden; ze lieten een lichte benauwdheid van kruitdamp na, in den nacht.
-</p>
-<p>In de groote Zuilenzaal volgden de ceremonieele gastmalen elkander op, met een vertoon
-van fabelachtig kostbaar gouden vaatwerk. De koningin van Syrië sleepte er hare curieuze
-theaterkostuums heen, den breeden boezem steeds overdwarst door een blauw ordelint
-vol plaques; hooge pluimen, waaraan diamantjes hingen, in het haar. Ze praatte druk,
-dankbaar voor de liefheid harer Liparische Vrienden, voor het genot en het gejuich.
-Hare overvloeiende gebaren maakten ieder vroolijk, brachten humor in de Liparische
-statie, vol etiquette. Elizabeth zelve moest er om glimlachen. De koningin speelde
-hare vorstelijke rol met het aplomb eener slechte actrice, die goedig is. Zij sprak
-ieder aan, strooide de minzaamheid <span class="pageNum" id="pb109">[<a href="#pb109">109</a>]</span>harer klein-mollige, bruine majesteit over ieder in kleine atoompjes heen. Naast haar
-bleef de koning deftig, wijs kijkend als Salomo. De keizer prees hem als een verstandig
-vorst, met ruimen blik; de koning was reeds meermalen in Europa geweest. De Syrische
-adjudanten waren ook deftig, kalm, een beetje stijf, zich vormend naar westelijke
-zeden; de hofdames der koningin droegen wat vreemd hare Parijsche of Londensche sleeptoiletten,
-maar bleven er tenger in, bevallig bruin, met kroeskopjes en lange gespleten oogen:
-ze zouden toch mooier geweest zijn in wat gedrapeerd goudgaas.
-</p>
-<p>Twaalf dagen bleven de Syriërs, vóor ze naar Italië zouden gaan. Het was de voorlaatste
-avond: in het Imperiaal was een suite van veertien zalen om de groote danszaal verlicht
-voor een bal. Er waren drieduizend invitaties gedaan. Op het voorplein en in de aangrenzende
-hoofdstraten stonden de grenadiers.
-</p>
-<p>De danszaal was aan de achterzijde van het paleis; de hooge balkonvensters waren open
-en zagen over de balustraden heen in de donkerten van het platanenpark. Uit de palmengroepen
-der galerij schalmde het orkest. De quadrille d’honneur had zich gevormd, in het midden
-der zaal; de keizer en de koningin, de koning en de keizerin, de aartshertog van Karinthië
-met Thera, en Othomar met de aartshertogin. De andere officieele quadrille’s vormden
-hare figuren om ze heen. De honderden gasten zagen toe.
-</p>
-<p>Van het regenbogende rotskristal der kronen vloeide electrisch licht in witte lichtvakken
-uit de koepelende hoogte, gleed langs de marmeren mozaïek-wanden en porfieren zuilen
-der zaal en drupte in millioenen flikkeringen op de gladde facetten der juweelen,
-op het goud der uniformen en galarokken, op de waterende witte brokaten der slepen
-neêr; want het wit was voorgeschreven; alle dames waren in het wit en de sneeuw der
-fluweelen, de lelieglans der satijnen zilverden van het licht. Eén verblindend gewemel
-van glans doorleefde de immense zaal met zijne flonkerwisselingen. Want het licht
-bleef nooit, wisselde onophoudelijk zijn helste punt, maakte het bal tot éen caleidoscoop
-van schittering. Het licht guldde op iedere galon, liet zich vangen in elken brillant,
-bleef aan <span class="pageNum" id="pb110">[<a href="#pb110">110</a>]</span>iedere parel hangen. De muziek scheen met dat licht éen te zijn; het koper weêrgalmde
-als goud.
-</p>
-<p>De hertogin van Yemena stond in een groep van diplomaten en adjudanten; hoog op rees
-ze in hare schoonheid, die in dit gewissel van lichtvonkeling sculpturaal prachtig
-was. Zij scheen kolossaal groot door den zwaren pli-Watteau, die van haren rug af
-sleepte, in wit broché. Zij droeg hare tiara van smaragd en brillant, en <span class="corr" id="xd31e1489" title="Bron: de zelfde">dezelfde</span> groene steenen sparkelden in een groote juweelen bloemtak, die over haar corsage
-heen bloeide.
-</p>
-<p>De keizer naderde haar; ze knakte in hare beroemde nijging neêr, en Oscar sprak een
-oogenblik schertsende met haar. Toen de keizer verder was gegaan, zag zij den kroonprins
-naderen. Zij neeg weêr, hij boog glimlachend en bood haar den arm. Langzaam gingen
-zij door de zaal heen.
-</p>
-<p>—Ik heb u iets belangrijks te zeggen, fluisterde hij in een stem van conversatieklank.
-</p>
-<p>Hij kon zich niet met haar verwijderen; men zoû hen missen. Ze bleven dus door de
-zalen wandelen.
-</p>
-<p>—Ik heb U in zoolang niet gezien … alleen! fluisterde zij verwijtend terug, met die
-zelfde stem. En wat had … Uwe Hoogheid mij te zeggen?
-</p>
-<p>Voorzichtig spraken ze, den glimlach van koele conversatie op de lippen, het geluid
-van hunne stemmen dempende tusschen hen in, schijnbaar onverschillige blikken werpende
-om hen heen, of men ze niet hooren kon.
-</p>
-<p>—Iets,… dat ik u al lang had willen zeggen … Een besluit, dat ik nemen moet …
-</p>
-<p>De woorden kwamen hem telkens afgebrokkeld over de lippen, en niet klinkende met hun
-waar accent, uit voorzichtigheid. Zij merkte, dat hij haar een groot nieuws mede zoû
-deelen. Zonder dat ze wist waarom, beefde ze … Hijzelve wist niet of wat hij deed,
-wreed was of niet: zoo kende hij deze vrouw niet. Maar hij wist wel, dat hij met opzet
-dit moeielijke oogenblik gekozen had voor zijn onderhoud, omdat hij niet wist, hoe
-zij het dragen zoû. Hoe zij het dragen zoû in een tête-à-tête, als zij toe kon geven
-aan hartstochtelijkheid. Hier wist hij het, hoe zij het dragen zoû: glimlachend, als
-vrouw van de wereld, zelfs al werd het haar tot smart. <span class="pageNum" id="pb111">[<a href="#pb111">111</a>]</span>Misschien was hij toch wèl wreed … Maar het was nu te laat: hij moest doorgaan.
-</p>
-<p>Zij zag tot hem op, de pluimen van den waaier bewegend. Hij vervolgde:
-</p>
-<p>—Een besluit … Als onze Syrische gasten weg zijn … ga … ik op reis …
-</p>
-<p>—Waarheen, Hoogheid?
-</p>
-<p>—Naar … verschillende hoven … van Europa …
-</p>
-<p>Zij vroeg niet meer; haar glimlach bestierf; toen glimlachte ze weêr als een automaat.
-Zij vroeg niet meer, omdat zij wel wist wat het beteekende als een kroonprins een
-reis ging doen naar verschillende hoven van Europa. Dat beteekende een bruidvaart.
-En ze zeide alleen, en haar stem kon niet anders klinken dan als een klaagtoon:
-</p>
-<p>—Zoo gauw al …
-</p>
-<p>Zoo gauw al … Zóó kort zoû haar keizerlijke roman duren! Zij had wel geweten, dat
-zoo het einde zoû kunnen zijn, want zij wist hem te rein om haar te laten naast eene
-jonge gemalin. Zij had zich ook al zoo een einde voorgesteld over een jaar, twee jaar
-misschien, zij zich terugtrekkende, en ze had zich voorgesteld, dat ze het doen zoû
-zonder rancune voor hare jonge, aanstaande keizerin. Maar nu al! Zoo gauw! Nauwelijks
-eenige weken! Zoo kort had nog géen roman in haar liefdeleven geduurd! Zij voelde
-er een smartelijken weemoed om, vocht waasde over hare oogen en de lichtwisselingen
-van het bal trilden voor haar heen als door water. Telkens vergat zij te glimlachen,
-maar zoodra zij er aan dacht, glimlachte zij weêr.
-</p>
-<p>—Zoo gauw al …?
-</p>
-<p>—Het moet …
-</p>
-<p>Ja, het moest, het kon niet anders. Voor haar was het het einde van haar leven. Wanhoop
-voelde ze er niet om, om dat einde; alleen maar smartelijken weemoed. Het zoû gedaan
-zijn. Na dezen keizerlijken roman geen andere. O, neen, nooit meer. Ze zoû hare jeugd
-er aan geven; hare stiefdochters zoû ze in de wereld brengen. Ze zoû dankbaar zijn,
-dat ze geleefd had, en nu oud worden. Maar oud … Ze was nog zoo jong, ze voelde zich
-nog zoo jong. Ze merkte nu eerst hoe ze haren kroonprins liefhad. En ze had gaarne
-weg willen zijn, <span class="pageNum" id="pb112">[<a href="#pb112">112</a>]</span>uit de schittering van dat feest, om, alleen, hem nog eens te omhelzen, voor het laatst …
-O, die weemoed van alles, wat eindigen moet, alsof alles niets meer is dan geur, die
-vervliegt …
-</p>
-<p>—Ik vertrouw op u, mevrouw … sprak hij nu; ik hoop, dat u van die reis niets zeggen
-zal. U begrijpt, het is alles nog een geheim; er is nog geen keuze gedaan … er is
-alleen maar even over gesproken geworden met Hunne Majesteiten en Myxila. Niet waar,
-ik vertrouw op u?
-</p>
-<p>Zij knikte glimlachend van ja, ja …
-</p>
-<p>—Maar ik wilde het u toch nu al zeggen, ging hij voort.
-</p>
-<p>Zij glimlachte weêr. Op dit oogenblik scheen achter het paleis, onder het paleis,
-waar …? een vreemd onweêr uit te barsten. Door het gegalm der muziek en het getril
-van het licht heen, daverde een donderslag en rommelde door. Het was of de bliksem
-was ingeslagen, want door de open ramen, dadelijk na, hoorde men van een der achterzijvleugels
-van het paleis een ratelenden warrelval van steenen, die in de lucht geslingerd schenen,
-van groote balken, die onbehouwen neêrstommelden, van glasscherven, die schel naar
-alle zijden schenen uit elkaâr te springen …
-</p>
-<p>De muziek was in eens verstomd. De uniformen, de sleeptoiletten storten zich naar
-de open balkons, die op het park zagen, maar de nacht was donker, het park was stil.
-Een paar laatste balken schenen nog na te rollen, met een laatst afgruizelen van steen …
-</p>
-<p>In de schelle tinteling van het electrische licht waren de gezichten doods wit geworden
-als van cadavers. In verschrikking staarden de oogen <span class="corr" id="xd31e1524" title="Bron: elkaar">elkaâr</span> aan. De hertogin was half tegen Othomar aangezonken, toen zij Elizabeth met dolle,
-wezenlooze oogen voorbij hen zagen ijlen, een deur uit; hare lange, witte fluweelen
-sleep slierde haar radeloos, den hoek om, achterna. De grootmeesteres volgde haar,
-en Hélène van Thesbia. De keizer scheen haastig den ceremoniemeesters bevelen te geven,
-verliet toen ook het bal, met eenige officieren.
-</p>
-<p>Kort daarop echter klaterde weêr de muziek van de loggia der galerij af. Men zag vele
-adjudanten en ordonnans-officieren voor hunne dames buigen; de dames bevende rijzen.
-Het bal werd vervolgd; in de wendingen van den wals namen <span class="pageNum" id="pb113">[<a href="#pb113">113</a>]</span>de uniformen en slepen weder de vorige schitteringen aan. De glimlachen schenen echter
-als weggeveegd te zijn van de gelaatstrekken, en de doodsbleeke gezichten der walsers
-maakten van het bal een macabere ommegang.
-</p>
-<p>Leonie, sidderend, boog voor Othomar.
-</p>
-<p>—Een dynamiet-ontploffing, onder in de kelders van den westelijken achterzijvleugel.
-De antichambres van het appartement van Zijne Majesteit zijn vernield. Zijne Majesteit
-verzoekt Uwe Hoogheid alles in het werk te stellen, om het bal te laten voortgaan.
-Alle officieren en hofdames zijn bevolen te dansen.
-</p>
-<p>De hertogin klemde Othomar’s arm, viel bijna flauw. Rondom hen heen ging de mare.
-De adjudanten sleepten hunne dames meê als half zwijmende. Men zag er een paar flauw
-weggebracht worden. De koningin van Syrië stond wezenloos aan de zijde van den aartshertog
-van Karinthië, die zijn arm om haar zwaar middel sloeg ten dans. Ze scheen nog niet
-tot besluit te kunnen komen.
-</p>
-<p>Othomar rondde zijn arm om de hertogin.
-</p>
-<p>—God, ik kàn niet … stamelde zij. In Gods naam, Hoogheid, ik kan niet …!
-</p>
-<p>—Het moet, sprak hij. Zijne Majesteit wil het …
-</p>
-<p>—Zijne Majesteit wil het … herhaalde zij.
-</p>
-<p>Hare beenen trilden onder haar als met electrische sidderingen. Toen liet zij hem
-haar nemen en zij dansten. Allen dansten.
-</p>
-<p>De keizerin was de trappen en galerijen naar de slaapverdieping opgehold. Zij zag
-niet, dat een paar dames haar volgden: zij rukte een deur open.
-</p>
-<p>—Berengar!! kreet zij uit.
-</p>
-<p>De slaapkamer van den jongen prins was verlicht. Het kind had zich, in zijn hemdje,
-al half van zijn veldbed gericht. Zijn kamerdienaar en een kamenier stonden ontzet
-in het midden van de kamer.
-</p>
-<p>—Berengar!! hokte de keizerin juichend, toen zij hem ongedeerd zag.
-</p>
-<p>Zij sloeg hare armen om hem heen, drukte hem aan hare borst.
-</p>
-<p>—O, mama, u doet me pijn! riep het kind geërgerd.
-<span class="pageNum" id="pb114">[<a href="#pb114">114</a>]</span></p>
-<p>Hare juweelen hadden hem even bloed geschramd aan zijne kleine bloote borst. Zij omhelsde
-hem nu zachter, met zenuwachtige snikken, die stokten in hare keel. Een touffe van
-brillanten struisveêren viel op den grond; de kamenier raapte ze op, met vingers,
-die niet grijpen konden.
-</p>
-<p>—Mama, laten ze het paleis in de lucht springen?!
-</p>
-<p>—Neen, Berengar, neen, er is niets …
-</p>
-<p>—Mama, ik wil er naar toe!! Ik moet zien, wat er van is.
-</p>
-<p>—Berengar …
-</p>
-<p>De deur was open gebleven; de keizer kwam binnen, rustig. De dames stonden op den
-corridor, te wachten op de keizerin …
-</p>
-<p>—Papa, mag ik meê, met u, kijken?
-</p>
-<p>—Neen, Berengar, er is niets te zien. Ga slapen …
-</p>
-<p>Toen boog hij zijn arm tot Elizabeth.
-</p>
-<p>—Mevrouw … sprak hij koel.
-</p>
-<p>Zij sloeg een smeekenden blik naar hem op. Hij bleef haar den arm bieden. Toen kuste
-zij nog eens den jongen, vleide hem nu zacht aan tot slapen.
-</p>
-<p>—Wacht even … stamelde zij tot Oscar.
-</p>
-<p>Zij ging naar den spiegel; de kamenier met hare onhandige vingers bevestigde de juweelen
-touffe aan den rand van het open corsage, plooide den vierkanten sleep uit.
-</p>
-<p>—Ik ben klaar, sprak de keizerin tot Oscar met eene doode stem.
-</p>
-<p>Zij nam zijn arm, de keizer drukte haar even de hand, en zij knikte Berengar nog eens
-toe, en gingen.
-</p>
-<p>Geärmd verschenen de vorsten ten tweeden male op het bal. De keizerin was bleek maar
-glimlachte. Zij was prachtig, delicaat van teedere majesteit in het uitslepende witte
-fluweel, waarop aan het corsage en over den rok van voren, touffes van brillanten
-struisveêren, in den vorm van fleurs-de-lys, flonkerden. Een kleine keizerinnekroon
-van brillanten kroonde haar klein rond hoofd.
-</p>
-<p>Het was twee uur. Meestal waren de vorsten gewoon tot één uur op de hofbals te blijven.
-De koningin van Syrië echter in haren exuberanten levenslust, had hen verzocht langer
-te blijven. Zij hadden toegegeven. Waren zij om éen uur gegaan, dan had de ontploffing
-plaats gehad op het oogenblik, <span class="pageNum" id="pb115">[<a href="#pb115">115</a>]</span>dat Oscar waarschijnlijk zijn appartement juist binnen zoû gegaan zijn. Men had eerst
-gesproken over de antichambres alleen: het scheen nu toch, dat er ook groote schade
-veroorzaakt was aan het kabinet zelve van den keizer.
-</p>
-<p>Het souper begon. Men soupeerde in eene groote zaal; uit iedere tafel rees een palmboom,
-en de zaal was er een woud van palmen door. De grond was met een gouden zand bestrooid,
-dat, met het loopen, over de slepen heen poeierde. Electrisch licht scheen door de
-lange bladeren heen als maneschijn. In dien maneschijn bleven de gezichten doodwit,
-als vlakken van krijt, boven het glinsterend kristal en al het gouden vaatwerk. De
-muziek klaterde met zware cymbelslagen van koper.
-</p>
-</div>
-</div>
-<div id="s1.3.5" class="div2 section"><span class="pageNum">[<a href="#s1.3.5.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h3 class="main">V.</h3>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first address">Aan <br>Hare Koninklijke Majesteit Olga, <br>Koningin van Gothland.
-</p>
-<p class="address">Lipara, <br>Imperiaal, <br>Mei 18..
-</p>
-<p class="salute">Mijn liefste zuster.
-</p>
-<p>Eindelijk kan ik u den brief schrijven, dien ik al sedert lang in gedachten aan u
-schreef. De drukte van onze goede Syriërs is voorbij en Lipara weêr kalm. Ik kan tot
-nadenken komen. Maar mijn nadenken is niets dan treurigheid. Ziehier waarom, Olga.
-</p>
-<p>Ik geloof, dat Othomar zieker is, dan de doktoren het inzien. Hij is magerder geworden
-en ziet er zeer slecht uit. Hij klaagt nooit veel, maar verleden zei hij me toch,
-dat hij zich dikwijls moê voelde. De doktoren meenen, dat hij eenigen tijd rust noodig
-heeft en raden een lange zeereis aan. Zijne reis door Europa, waarover ik u verleden
-schreef, zal dus uitgesteld moeten worden. En nu kom ik met het volgende verzoek tot
-u.
-</p>
-<p>Ik weet, dat Herman spoedig een groote vaart op den Viking gaat doen naar Oost-Indië,
-Japan en Amerika, en het zoû op dit oogenblik mijn liefste verlangen zijn als Othomar
-hem zoû mogen vergezellen. Toen de doktoren een zeereis aanrieden, sprak ik er met
-Oscar over, maar wij kwamen tot <span class="pageNum" id="pb116">[<a href="#pb116">116</a>]</span>geen besluit. Mijn kind namelijk heeft geene vrienden van zijne jaren, Olga, en dat
-maakte me zoo treurig, en we wisten, niet hoe, en met wie, we hem de reis zouden laten
-doen op eene wijze, die genoegen voor hem zoû zijn en geene eenzame verbanning uit
-ons midden. Hij is heel wel met zijne adjudanten, maar dat is toch niet wat ik zoû
-wenschen: een hartelijke, gemeenzame, vertrouwelijke vriendschap met iemand van zijne
-jaren, met wien hij eenigen tijd samen <span class="corr" id="xd31e1593" title="Bron: zou">zoû</span> zijn, geheel voor genoegen en ontspanning.
-</p>
-<p>Ik weet wel, dat het een beetje aan mijn kind zelve ligt, aan dat zeker gemis van
-gemakkelijkheid om open te zijn en tot zich te trekken. Maar hij heeft toch eigenschappen,
-waarom men hem zeer <span class="corr" id="xd31e1598" title="Bron: zou">zoû</span> kunnen beminnen, zoo men ze wist, zoo hij ze liet uit komen. Niet waar, u houdt toch
-ook van hem, Olga, en het is niet alleen mijn eigen blinde moederliefde, die mijn
-kind beminnelijk en sympathiek ziet? En daarom zoû ik zoo <i>in</i>gaarne hebben, dat Herman hem wilde meênemen en hem beter leerde kennen; wie weet
-of zij dan elkaâr niet zouden leeren liefhebben. Othomar vertelde mij al, dat ze op
-hunnen tocht in het Noorden van ons land, <span class="corr" id="xd31e1603" title="Bron: elkaar">elkaâr</span> meer genaderd waren dan zij ooit dachten te zullen doen, maar het was een drukke
-tijd; ieder oogenblik was met plichten en bezigheid gevuld en zij hadden geen tijd
-om met <span class="corr" id="xd31e1606" title="Bron: elkaar">elkaâr</span> te spreken en elkaâr te leeren kennen. Maar toch, in zulk een moeilijken tijd van
-samendoen kan men elkaâr ook leeren kennen zónder spreken; hoe het ook zij, zij zijn
-elkander reeds vriendschappelijker geworden; vroeger was het, tot mijn innig verdriet,
-Olga, antipathie; ze wilden elkaâr zelfs niet ontmoeten, zelfs uiterlijk was er niets
-dan koelheid tusschen hen; o, wat heeft mij dit alles leed gedaan, als ik onze jongens
-zoo tegen <span class="corr" id="xd31e1609" title="Bron: elkaar">elkaâr</span> zag doen en mij herinnerde hoe <i>wij</i> waren, Olga, toen wij jonge meisjes waren op ons mooi oud slot bij Boekarest. Hoe
-leefden wij niet geheel met elkaâr! Olga, Olga, wat is dat alles treurig lang geleden!
-Onze ouders zijn nu dood, onze broêrs verspreid, het slot is verlaten, en wij zijn
-gescheiden: wanneer zien we elkaâr? Nauwlijks een paar dagen nu en dan, als wij ergens
-samentreffen voor een huwelijk van bloedverwanten: rustelooze dagen altijd, waarin
-we toch niets aan elkaâr hebben. Dan, soms, niet eens ieder jaar, een paar <span class="pageNum" id="pb117">[<a href="#pb117">117</a>]</span>weken, of in Gothland, of hier. U verwijt mij wel eens, dat ik, die zooveel van Gothland
-hoû, zoo weinig bij u kom, maar het is altijd de zelfde reden. Oscar verlaat niet
-gaarne Liparië, en ik kan mijn man niet verlaten. Ik kan sterk zijn naast hem, maar
-alleen ben ik zoo zwak, Olga. Dat hèm iets <span class="corr" id="xd31e1617" title="Bron: zou">zoû</span> kunnen overkomen, waarin ik niet deelen zoû, vermeerdert mijn angst ondragelijk.
-Ik heb het nog onlangs zoo gevoeld, toen ik met Thera te Altara was; ons bezoek was
-aangezegd en verplichtend, niet waar, en hoe ongaarne ik Oscar verliet, het moest.
-Het was juist in dien moeilijken tijd; Lipara in staat van beleg! Maar Oscar wilde
-het en ik ben gegaan. O, wat ik toen geleden heb!
-</p>
-<p>—Maar ik wen mij aan mijn angst, ik klaag niet en neem het leven op, zooals het ons
-gegeven wordt; ik hoop alleen maar, dat mijn jongen het ook zoo zal leeren opnemen.
-Misschien zal hij dit leeren. Het is wel moeilijker voor hem, want hij zal meer moeten
-handelen dan zijne moeder, die veel passiever zijn kan als vrouw, en het is gemakkelijker
-passief te leeren berusten, dan handelend. Maar, de Heiligen zullen hem zeker later
-kracht geven zijn lot te dragen en zijn kroon; hier vertrouw ik op. En toch, o Olga,
-onmetelijk is de weemoed in mij, dat wij vorsten zijn! Maar laat mij hier niet verder
-over doorgaan: het maakt zwak, het is niet goed, het is niet goed …
-</p>
-<p>Er is nog een geheime reden, dat ik Othomar gaarne weg zoû hebben van Lipara, al kost
-het mij ook altijd zoo veel, te scheiden van mijn lieveling. Er schijnt toch iets
-waar te zijn van die geruchten over de hertogin van Yemena: Oscar heeft er Myxila
-naar gevraagd, en die kon het niet loochenen, en zeide zelfs, dat het algemeen bekend
-was. Ik doe mijn best er maar niet te veel verdriet over te hebben, Olga, maar ik
-vind het een vreeselijke zaak. O God, laat mij er maar niet verder over denken of
-schrijven; het gaat mij anders zoo warren in mijn arm hoofd. Wat kan mijn kind zien
-in een vrouw, die ouder is dan zijne moeder! Wat zijn die dingen toch vreeslijk in
-de wereld, Olga, en wat zijn er toch vrouwen, die wij nooit zullen begrijpen, want
-temperament is toch niet álles: iedere vrouw heeft toch haar hart, en daarin moesten
-wij toch allen elkaâr weêrvinden, maar het schijnt zoo niet te zijn. Ik neem, <span class="pageNum" id="pb118">[<a href="#pb118">118</a>]</span>in mijn verdriet hierover, maar aan, dat die vrouw mijn jongen liefheeft en daarom
-haar man bedriegt. O, het is ook zoo slecht van mijn kind; waarom moet hij zoo zijn,
-hij is anders zoo goed! Ik neem dat nu maar aan, dat ze hem liefheeft; verleden was
-het mijn laatste Handkus, de cour, waarmeê, zooals je weet, alle winterfeesten eindigen,
-en toen ze me naderde en voor me boog en op mijn hand hare lippen drukte, voelde ze
-zeker mijn afkeer en mijn verdriet van mijne vingers afstralen, want ze richtte zich
-uit hare buiging op, met een wanhopigen angst in hare oogen en iets van een snik in
-hare keel! Ik bleef haar koel aanzien, maar ik had toch medelijden met haar, Olga,
-want als een vrouw van onze wereld zich zóo slecht kan beheerschen op een ceremonieel
-oogenblik voor hare vorstin, moet hare ziel wel zeer geschokt geweest zijn: gelooft
-u dit ook niet met mij?
-</p>
-<p>Wij hebben nu rust. Over een week gaan we onze zomerkwartieren betrekken in Xara,
-op Castel Xaveria; het wordt hier al zeer warm. Voor dat wij gaan, zoû ik zoo gaarne
-een antwoord van u ontvangen hebben en weten hoe Herman mijn verzoek opneemt. Ik weet,
-dat hij veel van mij houdt, en het zeker gaarne zal inwilligen, niet waar, en dat
-hij om mij zal probeeren Othomar lief te hebben; en laat me toch haasten er bij te
-voegen, dat het ook de innigste wensch van <i>Othomar</i> is met Herman mede te gaan. De zeereis lokte hem eerst in het geheel niet toe, omdat
-hij niemand wist om meê te nemen en hij zeide, met ons maar naar Castel Xaveria te
-willen gaan, maar toen ik van Herman sprak, vereenigde hij zich geheel en al met mijn
-plan.
-</p>
-<p>Olga, wat zal ons de zomer geven? Rust of niet? Ik durf het maar niet hopen. De winter
-is gruwelijk geweest; onze Noordelijke gouvernementen zijn nog niet de ramp te boven.
-De ellende is er niet te lenigen. Er heerschen gevaarlijke tyfeuze koortsen, en vele
-gevallen van cholera zijn voorgekomen. De grèves in het Oosten zijn nu gedaan, maar
-ik ben zoo bang voor dat bedwingen met ruw geweld. O, als alles maar met zachtheid
-kon gebeuren! Die aanslag op Othomar en de ontploffing tijdens het laatste bal hebben
-mij ook zoo ziek gemaakt. Wat zoû ik u gaarne eens zien en in mijn armen drukken:
-kunt gij niet te Castel Xaveria komen van <span class="pageNum" id="pb119">[<a href="#pb119">119</a>]</span>den zomer? U zoû er mij zoo innig, innig blij meê maken!!
-</p>
-<p>Kus Siegfried en alle de uwen van mij. Antwoord mij gauw, niet waar? Ik omhels u in
-beide mijne armen.
-</p>
-<p class="signed"><span class="sc">Elizabeth.</span>
-<span class="pageNum" id="pb120">[<a href="#pb120">120</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div id="pt2" class="div0 part">
-<h2 class="main">TWEEDE DEEL.</h2>
-<div id="ch2.1" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#ch2.1.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="main">EERSTE HOOFDSTUK.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<div id="s2.1.1" class="div2 section"><span class="pageNum">[<a href="#s2.1.1.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h3 class="main">I.</h3>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Augustus, aan de Oostzee. De grijze golven krullen tegen de klippen op met hooge,
-ronde kammen dik schuim. De lucht is daarboven éen wijde koepel, waardoor groote gebergten
-van wolken drijven, grijs-wit. Zij komen langzaam aan, vullen den hemeldom met hunne
-wisselende schijnmassa’s, als van rots- en alpenketen, die zouden zweven op atmosfeer,
-en drijven langzaam weêr voort, weg. De zee heeft er een smal strand, met veel verbrokkeld
-klip; zeer nabij donkert zwart-groen dennenbosch. Half als tegen de klippen aan, op
-de duisternis van het bosch als achtergrond, rijst het oude Altseeborgen. Het is een
-verweerd kasteel, waaraan de opkrullende golven schijnen te knagen; zijne drie hooge,
-ongelijke torens bouwen zich zwaar rond de lucht in. De weg naar het kasteel loopt
-van uit het bosch terrasachtig op, opglooiend, breed, leidt naar het achterplein,
-waar de hoofdingang is. Om het kasteel, breed heen, traptreden zich de granieten terrassen,
-met hunne ruwe balustrades, waarvan de hardsteen opgegeten is door de zoute lucht.
-Die terrassen zien, naarmate ze stijgen, wijder uit over de zee; van af het hoogste
-terras ligt de zee als éen groot segment van vreemde bewegelijkheid, levend element,
-aan tegen het strand links, en rechts. Over de zee zwaaien de Zuidewinden op het kasteel
-aan; het <span class="corr" id="xd31e1648" title="Bron: dennebosch">dennenbosch</span> beschermt het veel voor de Noordelijke vlagen.
-</p>
-<p>Van den hoogsten toren flappert een ontzachlijk zeil van dundoek uit, en doet er vroolijk
-in de lucht: twee banen geel en er tusschen een witte baan, waarop de donkere vlak
-van den gekanteelden burcht, die het wapen van Gothland is. Het is er op den zonloozen
-morgen een glimlach aan den hemel; <span class="pageNum" id="pb121">[<a href="#pb121">121</a>]</span>het zwelt en valt weêr slap en laat zich hoog op weêr blazen door den wind, die frisch
-aanwappert over het water.
-</p>
-<p>Een jonge man en een jong meisje loopen aan het strand; ze praten, glimlachen, zien
-elkander aan. Zij is grooter dan hij, zeer blank; onder den kleinen matrozenhoed waaien
-enkele harer, even rosgoudbruine, haren, verward door den wind, om haar gezicht; onophoudelijk
-strijkt zij ze weg. Zij draagt een eenvoudigen blauwen serge rok en witte blouse,
-een breeden leêren ceintuur om het middel. Hare elegante voetjes zijn telkens door
-den wind geheel zichtbaar, in de zwart zijden kousen en gele leêren schoenen. Een
-paar handschoenen zwaait ze luchtigjes in de hand.
-</p>
-<p>De jonge man draagt een licht, geruit zomerpak, en een strooien hoed. Hij is klein,
-tenger; zijne oogen hebben een zwarten blik van zachte melancholie. Hij schijnt aan
-het meisje naast hem een verhaal te doen van reizen; zij luistert met haren glimlach
-toe.
-</p>
-<p>Om hen heen, trots den wind, is de atmosfeer die eener wijde rust. Langs het strand
-loopende, komen zij voorbij het kasteel, gaan het achterom en zien naar boven. Uit
-een der vensters wuift iemand vroolijk met de hand, en roept iets. Zij pogen te hooren,
-de hand aan het oor, maar halen de schouders op: de wind waaide de woorden weg. Nog
-eens wuiven zij, en gaan door.
-</p>
-<p>Zij gaan echter niet ver, altijd langs het strand. Ginds ligt het visschersdorp, liggen
-een paar kleine villa’s, optrekjes. Een ervan schijnt juist, voor een vacantie-maand
-zeker, bewoond door eene groote familie; drukte van stemmen gonst naar buiten, kinderen
-rennen elkaâr aan het strand na; een klein meisje bonst in haar vaart tegen den jongen
-man aan.
-</p>
-<p>—Hola, zegt hij vriendelijk, en lacht; lachende gaan zij door.
-</p>
-<p>De kinderen rennen verder. Een visscher komt met zijn netten aan, grinnikt goedig
-en mompelt een groet. Een dikke dame in de verandah heeft de jongelieden nieuwsgierig
-nagekeken; ze ziet den visscher groeten, houdt hem staande.
-</p>
-<p>—Wie is die dame met dien heer?
-</p>
-<p>De visscher wijst goedig naar Altseeborgen.
-</p>
-<p>—Van het kasteel.
-<span class="pageNum" id="pb122">[<a href="#pb122">122</a>]</span></p>
-<p>—Maar wie dan? zegt de dame verschrikt.
-</p>
-<p>—Wel, die meneer is de prins van Liparië en de juffrouw is een Oostenrijksche prinses,
-zegt de visscher, alsof iets anders onmogelijk ware.
-</p>
-<p>De dame ziet het vorstelijke paar ontzet na en kijkt dan in wanhoop naar hare rennende
-kinderen. De jongelieden keeren juist terug op hunne heen-en-weêr-wandeling; ze lachen
-nog vroolijker nu en haasten zich een beetje vlugger naar het kasteel, alsof ze zich
-verlaat hebben. De dame, bleek nog, durft geene excuzes maken, maar maakt eene diepe
-buiging; zij krijgt een vriendelijken groet terug.
-</p>
-</div>
-</div>
-<div id="s2.1.2" class="div2 section"><span class="pageNum">[<a href="#s2.1.2.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h3 class="main">II.</h3>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">De koninklijke familie van Gothland was gewoon den geheelen zomer te Altseeborgen
-te blijven. Het strand leende zich bizonder tot badplaats om het visschersdorp heen,
-maar koning Siegfried had hier nooit van willen hooren: het strand en het dorp waren
-koninklijk domein; slechts een paar nederige optrekjes hadden mogen verrijzen. Meestal
-kwamen daar des zomers enkele burgerfamilies met kinderen. Een moderne badplaats zoû
-Altseeborgen nooit worden, al vond de elegante wereld de gelegenheid ook uitstekend
-om te zomerschitteren, zoo vlak in de nabijheid van het koninklijk kasteel.
-</p>
-<p>Maar de Gothlandsche familie bewaakte ook zorgvuldig de vrijheid van haar zomerleven.
-Vier maanden leefden zij daar, zonder de etiquette der paleizen, in den grootsten
-eenvoud. Zij vormden een talrijke familie en er waren altijd vele logé’s. De koning
-deed de staatszaken huishoudelijk op het kasteel af. Zijne kleinkinderen liepen soms
-zijn kabinet in, als hij met den minister-prezident, die sommige dagen naar Altseeborgen
-kwam, in gewichtige bespreking was. Hij klopte ze even op de blonde krullebollen en
-zond ze met een liefkoozing weêr weg, om te spelen. Er waren daar de kroonprins Gunther,
-en de kroonprinses Sofie, Duitsche vorstin, hertog en hertogin van Wendeholm; zij
-hadden vier kinderen, een meisje en drie jongens. Op den hertog volgde prins Herman,
-na hem de prinses Wanda, twintig jaar; na haar de jongere prinsen Olaf en Christofel.
-Verder waren er ook altijd twee <span class="pageNum" id="pb123">[<a href="#pb123">123</a>]</span>oude prinsessen, zusters van den koning, douairières van Duitsche vorsten. Van alle
-hoven van Europa, die als éene groote familie zijn, kwamen nu en dan verschillende
-leden logeeren en brachten er hunne nuance van verschillende nationaliteit mede, iets
-exotisch in klank van stem en in zijn van zede, voor zoover dit niet in hun cosmopolitisme
-weggesmolten was.
-</p>
-<p>Othomar was met Herman drie maanden op zee geweest; zij hadden Voor-Indië, China,
-Japan en Amerika aangedaan. De reis was incognito geweest om alle officieele ontvangst
-te ontloopen, en Othomar had geen anderen titel gedragen dan dien van prins Czyrkiski.
-De reis had Othomar veel goed gedaan; hij voelde zich zelfs zoo wel, dat hij keizerin
-Elizabeth geschreven had nog eenigen tijd in den familiekring te Altseeborgen te willen
-blijven, maar daarna zijne, reeds vroeger voorgenomen, reis aan de Europeesche hoven
-te ondernemen.
-</p>
-<p>Het gemakkelijke samenzijn had de neven zeer tot elkaâr gebracht. Herman had Othomar
-onder zijn strakheid en gemis aan gemakkelijkheid leeren kennen als een jongen kroonprins,
-die zeer tegen zijne toekomst opzag, maar veel redelijkheid in zich had, wilde leeren
-berusten in het leven en zich reeds sterk maken voor zijn aanstaand zwaar juk van
-keizergrootheid. Hij begreep Othomar en had medelijden met hem. Hijzelve zag in het
-leven een vitaal genot; te ademen alleen reeds was genieten; zijn bestaan van tweeden
-zoon, met alleen zijne marineplichten, die hij liefhad, zooals een afstammeling van
-oude zeekoningen ze erfelijk lief kon hebben, hoorde een perspectief voor hem heen
-van niets dan éene verre onbewolkte zorgeloosheid; dat hij koningszoon was, gaf hem
-niets dan gemak, dan genot en hij waardeerde zijne hoogheid van omstandigheden met
-jolig pleizier, hij schepte zich den room af van een kelk, waaruit Othomar later alsem
-zoû drinken. Vergeleek hij ook eerst Othomar met zijn broêr, den hertog van Weldeholm,
-en kroonprins ook, hij van Gothland, Herman vergeleek nu niet meer; zijn oordeel was
-redelijker geworden; hij begreep, dat geene vergelijking mogelijk was. Liparië was
-een ontzachlijk bijna autocratisch keizerrijk; het volk, vooral in het Zuiden, zeer
-wisselvallig, altijd met kracht <span class="pageNum" id="pb124">[<a href="#pb124">124</a>]</span>in toom gehouden om zijn kinderlijk nooit zelf weten wat het doen zoû van grilligheid;
-de Gothlanders, van temperament kalm liberaal, zonder schreeuwerigheid, hielden zich
-met hunne, reeds lang verkregen, uitgebreide constitutie, rustig om koning Siegfried,
-dien zij den vader van het land noemden. Dat Gunther er niet tegen opzag eenmaal de
-kroon te moeten dragen, was dat reden, dat Othomar zonder die vreeze hoefde te zijn?
-Bezat Othomar niet eerder de teedere eigenschappen, die in den nauwen cirkel van een
-intiemen kring gewaardeerd worden en beminnelijk maken bij enkele sympathieken, dan
-dien felleren glans van hoedanigheid, die op een hoog standpunt hel doet uitkomen
-en relief, en opzien wekt bij de menigte? Was die jongen met zijne ziel vol scrupule,
-zijn heimwee naar rechtvaardigheid, zijn in-verlangen naar liefde, zijn dadelijk gekwetste
-teêrgevoeligheid, was hij de zoon zijner vaderen, afstammeling van Berengar den Sterke,
-Wenceslas den Wreede, zoon der strijdbare Xaveria, of was hij niet eerder het kind
-maar zijner zachte moeder alleen?
-</p>
-<p>Het was niet in Herman hier veel en lang over na te denken, maar het kwam plotseling
-tot hem, bruskweg, als een nieuw uitzicht, dat geopend wordt in een klaarder licht.
-En wat antipathie in hem geweest was, werd medelijden, vriendschap en verwondering
-over het willen van de wereldorde, omdat ze met een ziel als die van Othomar niets
-anders wist te doen dan ze neêr te drukken onder een kroon.
-</p>
-<p>Het eenvoudige familieleven te Altseeborgen was voor Othomar als een kuur. Hij voelde
-er zich in natuurlijkheid opleven, zijne menschelijkheid zich er zonder boei wijder
-ontplooien. Gewend aan het ceremonieele hofleven van het Imperiaal, aan welks etiquette
-keizer Oscar streng de hand hield, verwonderde de, bijna burgerlijke, eenvoud zijner
-Gothlandsche familie hem eerst, maar verheugde hem later. Vorige jaren was hij wel
-nu en dan korten tijd te Altseeborgen geweest, maar nooit zóo lang gebleven, om zich,
-zooals nu, geheel en al tot de hunnen te kunnen rekenen.
-</p>
-<p>Behalve Othomar waren er op dit oogenblik geene andere logés dan de aartshertogin
-Valérie, nicht van den Oostenrijkschen keizer. Vermoedden de jongelieden iets of niet?
-Werden hunne namen samen genoemd door de jongere prinsen <span class="pageNum" id="pb125">[<a href="#pb125">125</a>]</span>en prinsessen? Uiterlijk scheen het niet; een enkelen keer maar hadden de prinses
-Sofie of Wanda noodig de jongere broêrs met een blik te doen zwijgen. En toch was
-het met gewichtige bedoeling, dat de koningin van Gothland, in samenstemming met den
-keizer van Liparië en de ouders van Valérie—aartshertog Albrecht en aartshertogin
-Eudoxie, die het slot te Sigismundingen bewoonden—de jonge lieden samen had gebracht.
-Keizer Oscar zoû zeker liever eene der jeugdige Russische grootvorstinnen, nicht van
-den Czaar, tot schoondochter hebben willen kiezen, maar het verschil van godsdienst
-was altijd een onoverkomelijke hinderpaal; bezwaren had de keizer, trots zijn voorkeur,
-tegen de Oostenrijksche verbintenis intusschen niet.
-</p>
-<p>Misschien rieden Othomar en Valérie iets van deze bedoeling, maar het geheim ervan
-wekte geene gedwongenheid tusschen hen; zij waren, van beider kant, zoozeer gewend
-telkens bekende vorsten of prinsessen met hen samen genoemd te hooren, te zien zelfs
-vermeld in couranten: verlovingsberichten, die kort daarop weêr tegengesproken werden;
-ze hadden zelfs samen geschertst over de vele malen, die de publieke opinie hen had
-uitgehuwelijkt, telkens weêr met anderen; soms waren het zelfs voor henzelve verrassingen
-geweest, die zij vonden in de nieuwsbladen, en waarover zij jolig pleizier hadden
-gemaakt. Zij stoorden zich dus niet aan een heel enkel ondeugend woord van prins Olaf
-of prins Christofel; flinke jongens van zeventien en vijftien jaar, die het gezellig
-vonden te plagen. En daarbij oefende koningin Olga, verstandig en redelijk, niet den
-minsten invloed op hen uit. Zij had ze samen genoodigd, maar meer deed ze niet. Misschien
-lette zij stil op hoe zij waren met elkaâr, en schreef ze hiervan een enkel woord
-aan hare zuster, maar zij hield zich geheel buiten de mazen, die zich tusschen hunne
-kroonlevens moesten samen weven. Toch was het haar moeilijk zoo te doen. Zij hield
-van Valérie, en meende, dat dit huwelijk in allen deele goed zoû zijn. Maar daarbij
-kwamen er dringende brieven van Sigismundingen, en zelfs van Weenen, waar men niets
-liever wenschte, dan de jonge aartshertogin, hertogin van Xara te zien. Er waren hier,
-behalve dat men aan het Oostenrijksche hof een hernieuwde verbintenis met Liparië
-op prijs stelde, nog andere redenen voor, van intimer aard.
-<span class="pageNum" id="pb126">[<a href="#pb126">126</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="s2.1.3" class="div2 section"><span class="pageNum">[<a href="#s2.1.3.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h3 class="main">III.</h3>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">De zon was in den namiddag doorgebroken en deed het grijs van de lucht en het water
-opblauwen met de wazige blauwte van Noordelijken zomer. De zee gloeide en schubde
-zich goud; het verweerde kasteel stond zijn breeden granietstapel, als een oude man
-zijn rug, te blakeren in de warmte. Op het hoogste terras, dat met drie glazen deuren
-tot den grooten hall toegang had, was het gestreepte linnen zeil neêrgelaten. Er lagen
-matten over den grond. In groote rieten stoelen zaten prinses Sofie en aartshertogin
-Valérie; beiden schilderden met waterverf. Uit den hall klonken, eentonig, de zachte
-gamma’s van prinses Elizabeth, het oudste dochtertje der kroonprinses, dat studeerde.
-Prinses Wanda zat op den grond en stoeide nog al wild met hare twee jongste neefjes,
-Erik en Karel. Op een langen rieten stoel lag prins Herman, met beide beenen uitgestrekt;
-naast hem een tafeltje vol couranten en tijdschriften, waarvan er eenige op den grond
-gevallen waren; een groote bel sherry-cobbler in den rieten glashouder van zijn stoel,
-een blauwtjes wolkende cigarette tusschen zijne vingers.
-</p>
-<p>Sofie en Valérie vergeleken hare studiën en lachten. Ze keken naar de lucht, die het
-neêrgelaten zeil recht afsneed; de wolken, wollig wit, schuimden er op elkaâr; de
-zee was verblindend van gouden schubben, als een reuzenpantser.
-</p>
-<p>—Wat teekenen jullie toch? vroeg Herman, die in een geïllustreerd tijdschrift bladerde.
-</p>
-<p>—Wolken, antwoordde Valérie; niets dan wolken. Ik heb Sofie overgehaald samen wolkstudies
-te maken. Je moet straks, als je niet te lui bent, mijn album eens komen zien—ze lachte
-even—het zijn niets dan wolken!
-</p>
-<p>—Hé! zei Herman, lang uitgerekt. Hoe vreemd …
-</p>
-<p>—Ja, zei Sofie droomerig; wolken zijn wel aardig, maar je weet nooit ze te treffen:
-ze veranderen ieder oogenblik.
-</p>
-<p>—Erik, vraag eens aan tante Valérie haar album voor me, vroeg Herman.
-</p>
-<p>—Wel neen, riep Wanda; ga het zelf halen, hoor luilak …
-</p>
-<p>Maar Erik wilde toch gaan; er ontstond een schermutseling. Wanda hield den kleinen
-jongen in beide armen vast, <span class="pageNum" id="pb127">[<a href="#pb127">127</a>]</span>Karel deed meê, zij stoeiden, en Wanda viel lachend, schuin over den grond.
-</p>
-<p>—Maar Wanda! berispte Sofie.
-</p>
-<p>Valérie stond op en ging naar Herman toe.
-</p>
-<p>—Met dat al zie je mijn wolken niet, luie jongen. Ik zal maar genadig zijn. Kijk eens …
-</p>
-<p>Herman richtte zich nu, in eens, op, nam het album aan.
-</p>
-<p>—Hoe grappig, zei hij. Geel, en wit en violet en roze! Allemaal zonsondergangen!
-</p>
-<p>—En zonsopgangen. Ik zie er misschien meer dan jij!
-</p>
-<p>—Wat jij toch al niet in wolken ziet, Valérie! Het is verbazend. Wat verschilt de
-eene mensch toch van den anderen. Ik zoû het nooit in mijn hoofd krijgen wolken te
-gaan uitteekenen. Je moet eens met me meêgaan op reis; dan zoû je heele verzamelingen
-van wolken kunnen maken.
-</p>
-<p>—Had me die propozitie maar eerder gedaan! schertste Valérie. Dan had ik met Xara
-meê kunnen gaan.
-</p>
-<p>—Maar waar is Othomar! zei Herman.
-</p>
-<p>Valérie zei, dat ze het niet wist …
-</p>
-<p>Herman dronk aan zijn sherry-cobbler, Wanda wilde ook proeven, maar Herman zei, dat
-ze zelve maar om een glas moest bellen en weigerde. Wanda wilde toch; hij greep haar
-de polsen.
-</p>
-<p>—Maar Wanda! berispte Sofie weêr, loom; zij streek de hand over het voorhoofd en legde
-haar penseel neer.
-</p>
-<p>Wanda lachte vroolijk.
-</p>
-<p>—Maar Wanda! deed ze Sofie na, en ze lachten allen Sofie uit; Sofie lachte meê.
-</p>
-<p>—Sprak ik zoo? vroeg ze, met hare loome stem. Ik weet het ook niet, ik word hier zoo
-slaperig, zoo lui …
-</p>
-<p>Zij waren nog allen vroolijk om Sofie, toen stemmen klonken uit den hall, schelle
-oude stemmen. Het waren de twee douairières met Othomar; de oude dames minaudeerden
-hoffelijk tegen den jongen prins, die heur stoelen aanbood. De tantes hadden na het
-lunch een slaapje gemaakt; ze kwamen nu weêr te voorschijn, met tapisseriewerken in
-groote réticules. Iedereen begroette haar met veel eerbied, waarin een schalksch tintje
-school.
-<span class="pageNum" id="pb128">[<a href="#pb128">128</a>]</span></p>
-<p>—Pardon, lieber Herzog, murmelde de oude prinses Elza, de oudste; ik heb liever dat
-kleine stoeltje …
-</p>
-<p>Ook prinses Marianne wilde een klein recht stoeltje; de oude dames bedankten Othomar
-met eene révérence voor zijne galanterie, zetten zich stijf recht, begonnen te handwerken:
-groote blazoenen voor stoelbekleedsels. Zij waren zeer deftig, met fijne maar uitgerimpelde
-gezichten, grijze tours en een zwart kanten kapsel; ze droegen krakende moiré japonnen,
-van ouderwetschen snit. Nu en dan wisselden ze een snel, vinnig, woord, met eene,
-plotselinge kakelende, beweging van hare fijne kakatoeprofielen, ze keken even aandachtig
-naar de zee, als kon het niet anders of ze zouden iets belangrijks zien aankomen uit
-het onbestemde; dan werkten ze weêr door … Hare ouderwetsche, deftige, stijf in keurs
-geregen, schrale figuren deden vreemd samen met de losheid der jonge lieden in hunne
-eenvoudige serge zomerpakken: de verwarde haren en de opgesjorde blouse van prinses
-Wanda werden er zeer ongegeneerd om.
-</p>
-<p>Een derde oude dame kwam statieus aan, zij had eenige overeenkomst met de douairières;
-zij was echter gravin Von Altenburg, vroegere grootmeesteres der prinses Elsa; achter
-haar brachten twee lakeien bladen, waarop koffie en gebak, het goûter der oude prinsessen.
-De gravin maakte eene ceremonieele nijging voor de jonge vorsten.
-</p>
-<p>—Het terrein is ingenomen! fluisterde Herman tot Valérie. Zij waren weêr gaan zitten
-en onder hen plaagden zij, zonder dat de tantes, of de gravin, die eenigszins doof
-was, het hooren konden. Othomar met zijne drie Nornen, zooals zij schertsten. Een
-drukke taalwarrel ging om: de tantes spraken Duitsch en schreeuwden, om zich te doen
-verstaan, iets over de kalmte van de zee in de arme ooren der koffieschenkende gravin,
-die knikte, dat ze begreep. De jongere vorsten spraken meestal Engelsch; Herman soms
-met Othomar een paar woorden Liparisch, en de kinderen, die op een lager terras waren
-gaan spelen, joedelden Gothlands en Fransch luidruchtig door elkaâr.
-</p>
-<p>De lakeien hadden de afternoon-tea gebracht en voor prinses Sofie geplaatst, toen
-eene hofdame verscheen. Zij boog voor de jonge kroonprinses, en, in het Gothlandsch:
-<span class="pageNum" id="pb129">[<a href="#pb129">129</a>]</span></p>
-<p>—Hare Majesteit verzoekt Uwe Hoogheid in den kleinen salon te komen.
-</p>
-<p>—Mama vraagt me bij haar te komen, zei prinses Sofie in het Engelsch, terwijl ze opstond.
-Wanda, schenk jij thee? Kinderen, zullen jullie naar boven gaan om je te kleeden?
-Wanda, zeg het hun nog eens, niet waar?
-</p>
-<p>De kroonprinses ging door den hall, een groote, ronde koepelvormige zaal, vol hertengeweien,
-elandkoppen, jachttrofeeën; daarna een trap op. In de antichambre der Koningin, deed
-de lakei de deur voor haar open. Koningin Olga zat alleen; zij was eenige jaren ouder
-dan hare zuster, de keizerin van Liparië, grooter en zwaarder van bouw; hare trekken
-hadden echter veel overeenkomst met die van Elizabeth, maar waren meer aangedikt.
-</p>
-<p>—Sofie, sprak ze dadelijk, in het Duitsch; ik heb een brief uit Sigismundingen …
-</p>
-<p>De hertogin van Wendeholm was gaan zitten.
-</p>
-<p>—Iets over Valérie? vroeg ze verschrikt.
-</p>
-<p>—Ja … begon de koningin, met een nadenken in haar blik. Arm kind …
-</p>
-<p>—Maar wat dan, mama?
-</p>
-<p>—Daar, lees zelf …
-</p>
-<p>De koningin reikte den brief aan haar schoondochter over. Deze las haastig. De brief
-was van de aartshertogin Eudoxie<span class="corr" id="xd31e1744" title="Niet in bron">,</span> de moeder van Valérie, met een beverige opgewonden hand geschreven, en vermeldde
-in termen, die onverschillig wilden zijn maar eene groote voldoening verrieden, dat
-prins Leopold von Lohe-Obkowitz in Nice was met de beroemde actrice Estelle Desvaux;
-dat hij afstand van zijne heerlijke rechten zoû doen ten gunste van zijn jongeren
-broeder, en daarna trouwen zoû met zijne maitresse. De brief verzocht aan de koningin
-of aan de kroonprinses dit te willen meêdeelen aan Valérie, in de hoop, dat zij er
-niet te zeer door geschokt <span class="corr" id="xd31e1746" title="Bron: zou">zoû</span> worden. Verder eindigde de brief met hevige aanvallen tegen prins Leopold, die zich
-zoo te schande maakte, maar tevens met onverholen blijdschap, dat Valérie er nu misschien
-nooit weêr over denken zoû vrouwe te willen worden van een gebied, dat zes meter in
-het vierkant mat! De aartshertog Albrecht schreef er onder, dat dit nieuws geen vaag
-gerucht was <span class="pageNum" id="pb130">[<a href="#pb130">130</a>]</span>maar zekerheid; en dat prins Leopold het zelve aan hunne eigen verwanten te Nice verteld
-had, die het geschreven hadden naar Sigismundingen.
-</p>
-<p>—Heeft Valérie wel eens met je over prins Lohe gesproken? vroeg de koningin.
-</p>
-<p>—Een enkelen keer, mama, antwoordde de hertogin van Wendeholm, terwijl zij het epistel
-terug gaf; maar wij weten allen genoeg, dat dit bericht haar zeer zal schokken. Zoû
-zij er in het minst op zijn voorbereid?
-</p>
-<p>—Waarschijnlijk niet; we hadden er toch geen van allen nog iets van gehoord of gelezen.
-Zal ik het haar zeggen? Arm kind …
-</p>
-<p>—Wil ik het doen, mama? Zooals ik u zeg, een enkelen keer heeft Valérie met me gesproken …
-</p>
-<p>—Goed, doe jij het dan …
-</p>
-<p>De hertogin bedacht zich, zag naar de pendule.
-</p>
-<p>—Het is al zoo laat, ik zal het doen na het diner; we waren nog geen van allen gekleed …
-Wat vindt u?
-</p>
-<p>—Goed dan, na het diner …
-</p>
-<p>De kroonprinses ging, ze moest zich haasten met haar toilet. Toen het zeven uur was,
-luidde een klinkende bel, lang door. Men kwam in den hall te zamen; de eetzaal zag
-met groote bogen op het dennenbosch uit. Het was een lange tafel: koning Siegfried,
-een krasse oude vorst met vollen, grijzenden baard; koningin Olga; kroonprins Gunther,
-lang, blond, twee-en-dertig jaren; prinses Sofie en hunne kinderen; Othomar tusschen
-zijne tante en Valérie, Herman en Wanda, Olaf en Christofel, de twee douairières met
-gravin Von Altenburg, adjudanten, hofdames, kamerheeren, de gouvernante van prinses
-Elizabeth, de gouverneurs der kleine prinsen …
-</p>
-<p>De ongedwongenheid van vroolijke gesprekken ging om. Men droeg eenvoudig toilette-de-ville;
-de koning gekleede jas, de jongere prinsen en adjudanten smokings. De jonge prinsessen
-droegen lichte zomer-toiletten van wit serge of roze mousseline de-laine; ze hadden
-een paar bloemen uit de serres zich gestoken in de ceintuurs.
-</p>
-<p>Valérie praatte vroolijk, Herman plaagde haar nog eens met hare wolkstudies, maar
-Othomar zei, dat hij ze zeer bewonderde. Koningin Olga en prinses Sofie wisselden
-een blik <span class="pageNum" id="pb131">[<a href="#pb131">131</a>]</span>en waren stiller dan anders. De koning zag ook zeer aandachtig naar de jonge lieden.
-Na het diner verspreidde zich de familie; de kroonprins en Herman gingen met de jongere
-prinsen en de kinderen roeien op zee, in twee booten. Wanda en Valérie liepen, de
-armen om elkaârs middel, op en neêr, op het lange voorterras, het zeil was voor den
-avond reeds omhoog getrokken. De zee was nog blauw; de lucht parelkleurig en niet
-zoo hel meer: boven den horizont brandde de zon nog blakende scheuren in de wijd uitstralende
-wolken.
-</p>
-<p>De jonge meisjes liepen, lachten, zagen naar de twee bootjes op zee en wuifden ze
-toe. Heel ver weg ging een steamer fijn gepenteekend, met een vuil streepje rook.
-De jonge prinsen riepen: hoera! hoera! en heeschen hunne kleine vlag op.
-</p>
-<p>—Zie toch die couranten van Herman, zei Valérie. Tante Olga houdt niet van dien rommel …
-</p>
-<p>Ze wees naar al de tijdschriften en nieuwsbladen, die de lakeien zeker vergeten hadden
-op te ruimen. Ze lagen over den langen, rieten reisstoel, op het tafeltje, over den
-grond.
-</p>
-<p>—Wil ik bellen, dat zij ze opruimen? vroeg Wanda.
-</p>
-<p>—Och, laat maar, zei Valérie.
-</p>
-<p>Ze raapte zelve een paar couranten op, vouwde ze, schikte ze te zamen, Wanda wuifde
-weêr naar de bootjes, met een zakdoek.
-</p>
-<p>—Mijn God! hoorde zij in eens Valérie dof mompelen.
-</p>
-<p>Ze zag om; de jonge aartshertogin bleek, was op een stoel neêrgezonken. Zij had de
-couranten weêr laten vallen; een ervan hield ze krampachtig, kreukelend, vast, ze
-zag er op neêr, met oogen, wezenloos van schrik.
-</p>
-<p>—Het is niet waar … stamelde zij. Ze liegen altijd … ze liegen!
-</p>
-<p>—Wat is er, Valérie? riep Wanda verschrikt.
-</p>
-<p>Op dit oogenblik kwam de hertogin van Wendeholm door den hall aan.
-</p>
-<p>—Valérie! riep ze.
-</p>
-<p>Het jonge meisje hoorde niet. De hertogin kwam nader.
-</p>
-<p>—Valérie! herhaalde ze. Zoû ik je even kunnen spreken, alleen?
-</p>
-<p>De aartshertogin hief haar bleek gezichtje op. Ze scheen niet te hooren, niet te begrijpen.
-<span class="pageNum" id="pb132">[<a href="#pb132">132</a>]</span></p>
-<p>—Mijn God! fluisterde de hertogin tot Wanda; weet ze het al?
-</p>
-<p>—Wat toch? vroeg Wanda.
-</p>
-<p>Maar een lakei kwam door den hall ook; hij droeg een zilveren blad met brieven. Er
-waren een paar brieven voor de hertogin; hij bood ze haar eerst; toen éen, aan Valérie.
-De aartshertogin scheen met hare verblinde oogen dien brief toch wel te zien; gulzig
-greep zij er naar. De lakei ging.
-</p>
-<p>—O … God …! stamelde zij eindelijk.
-</p>
-<p>Zij rukte den brief open uit de enveloppe, verscheurde hem half in hare drift en las
-met krankzinnige oogen. Sofie en Wanda zagen haar ontzet aan.
-</p>
-<p>—O … God …! kreet de aartshertogin smartelijk. Het is waar … het is waar … het is
-waar!!! Oh …
-</p>
-<p>Zij stond trillende op, zag met dolle oogen om zich heen, stortte zich als gek in
-de armen der hertogin. Een luide snik stiet uit hare keel, als schoot een pistoolschot
-door haar hart heen.
-</p>
-<p>—Hij schrijft het me zelf! kreet zij uit. Zelf! Het is waar, wat in de courant staat …
-Oh!!!…
-</p>
-<p>En zij knakte met haar hoofd op Sofie’s schouder neer. Sofie voerde haar mee den hall
-in; Valérie liet zich meeslepen als een kind. Wanda volgde, weenende, wringende haar
-handen zonder te weten waarom.
-</p>
-<p>Uit de bootjes, die al heel ver waren, wuifden de jonge prinsen nog eens; prinsesje
-Elizabeth poogde zelfs iets te roepen; zij begreep niet waarom Wanda en Valérie zoo
-flauw waren niet meer terug te wuiven.
-</p>
-<p>Aan den horizont ging de zon onder; de gloeiende wolken waren allen verdommeld in
-schuimend goud-roze neveltjes met blinkende randen; maar het werd avond; de lucht
-donkerde; een voor een smolten de roze wolkjes weg; éen laatste wolk nog, als met
-twee stralenvleugels van laatste zonneschichten, flikkerde nog even op, of ze wilde
-vliegen, en verzonk toen, in eens, de vleugels geknakt, weg in de violette donkerte.
-De eerste sterren twinkelden op, hel zichtbaar.
-</p>
-</div>
-</div>
-<div id="s2.1.4" class="div2 section"><span class="pageNum">[<a href="#s2.1.4.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h3 class="main">IV.</h3>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Het was den volgenden morgen nog heel vroeg, half zes, toen de aartshertogin Valérie
-de terrassen van Altseeborgen <span class="pageNum" id="pb133">[<a href="#pb133">133</a>]</span>afging. Zij had de kamenier alleen gezegd, dat zij vóor het eerste ontbijt, dat gezamenlijk
-gebruikt werd, terug zoû zijn. Beslist als met eene impulzie, ging zij het eene terras
-na het andere af. Zij ontmoette niemand dan een paar bedienden en schildwachten. Het
-onderste terras liep zij naar zee om; daar was een kleine vierkante haven in het graniet
-uitgehouwen, waar, in een bootenhuis, de roei- en zeilbooten gemeerd lagen. Zij koos
-zich een lange, smalle giek, en haakte die van de ijzeren ketting los. Met handigheid
-zette zij zich en greep zij de riemen: enkele korte slagen brachten haar het haventje
-uit, en in zee.
-</p>
-<p>Over de zee woei een Zuidwestenwind. De zee was vreemd grijs, als spiegelde ze in
-haar ovaal de onzekere lucht boven zich af: een dofblanke lucht, waarin vuile rafels
-hingen van, uit elkaâr gewaaide, wolken. De horizont was niet zichtbaar; er dreven
-lichte nevels, die er de afscheiding tusschen zee en lucht uitdoezelden met smoezelige
-tint. Sterk woei de wind aan.
-</p>
-<p>Valérie had den kleinen matrozenhoed afgezet en heure haren warrelden om haar gezicht.
-Zij had naar het visschersdorp heen willen roeien, maar ze voelde aanstonds, dat het
-boven hare krachten ging op te werken tegen den wind. Zij liet zich dus gaan met den
-wind meê. Een oogenblik dacht zij aan het weêr, de lucht, den wind; toen wierp zij
-die gedachte van zich. Stevig bewoog zij de riemen.
-</p>
-<p>Hoewel de zee betrekkelijk kalm was, wipte het bootje telkens over den gladden rug
-van een golf heen en daalde dan weêr. Schuimspatten vlogen op. Toen Valérie na korten
-tijd omzag, verschrikte zij een weinig, omdat Altseeborgen zich zoo ver van haar terugtrok.
-Zij aarzelde nog eens, maar liet zich weêr gaan …
-</p>
-<p>Toen zij het kasteel verlaten had, was geene gedachte in haar geweest; alleen eene
-impulzie om te handelen. Nu, onder de handeling zelve, rees de gedachte bij haar op,
-als werd die door den wind uit eene lethargie gewekt. Valérie’s oogen staarden brandend
-groot, zonder tranen, voor zich uit.
-</p>
-<p>Het was waar, reëel. Dit was het wiel, dat telkens terugdraaide in hare gedachte.
-Het was waar, reëel. In de couranten—de zelfde, die Herman urenlang doorbladerd had—<span class="pageNum" id="pb134">[<a href="#pb134">134</a>]</span>stond het: Sofie had het haar gezegd; zijn eigen brief meldde het haar.
-</p>
-<p>Zij had dien brief niet meer, hij was verscheurd. Maar ieder woord brandmerkte nog
-haar verbeelden.
-</p>
-<p>Het was zijn brief geweest; zijn eigene woorden waren het geweest, zijn stijl. Hoe
-had ze met woorden van hem gedweept, eens. Maar deze, waren het wel de zijne? Schreef
-hij zoo? Kon zij zich voorstellen, dat hij ooit zóó tot haar spreken zoû:
-</p>
-<p>Hij zoû haar niet ongelukkig willen maken door haar lief te hebben tegen den wil harer
-ouders, harer keizerlijke familie. Het was immers waar, dat hij niet haar evenboortige
-was. Zijn huis was van ouden adel, maar meer niet. Zij was van keizerlijken en koninklijken
-bloede. Hij was haar dankbaar, dat zij tot hem neêr had gebogen en hem tot haar had
-willen heffen. Maar het was niet goed dit te doen. De tradities der menschen moesten
-onschendbaar zijn: het was, vooral voor hen, grooten der aarde, niet goed tegen traditie
-te doen. Zij moesten dankbaar zijn voor de liefde, die hunne zielen had gelukkig gemaakt,
-maar meer mochten zij niet verlangen. Te Weenen wilde men niet, dat zij elkander lief
-hadden. Zoû hij haar ooit geheel gelukkig kunnen maken—zoû zij, zoo ze huwden en zich
-met hunne liefde terugtrokken in het buitenland, nooit terug verlangen en heimwee
-voelen naar den splendeur, waaruit hij haar tot zich had neêrgehaald? Want, zóo zij
-huwden, zoû hij nog minder hare gelijke zijn, dan hij nu reeds was, door de ongenade
-van zijn keizer. Neen, neen, het mocht niet. Zij moesten scheiden. Zij waren niet
-voor elkaâr geboren. Een kort oogenblik hadden zij de heerlijke illuzie gebeeld, dat
-zij wél voor elkaâr geboren waren; dat was alles. Voor die herinnering zoû hij dankbaar
-blijven, zijn leven lang.
-</p>
-<p>Met een brekend hart nam hij afscheid van haar, vaarwel, vaarwel. Het was gedaan,
-zijn hooge carrière, zijn leven, zijn alles. Hij vroeg haar om vergeving. Hij wist,
-dat hij te zwak was, om haar lief te hebben tegen den wil van zijn vorst in. En hij
-vroeg haar vergeving daarvoor. Zij zoû den naam van eene vrouw hooren, samen met de
-zijnen; ook hier vroeg hij vergeving voor. Hij had die vrouw niet lief, maar zij wilde
-hem troosten in zijne smart …
-<span class="pageNum" id="pb135">[<a href="#pb135">135</a>]</span></p>
-<p>De wind, strafweg, was feller opgestoken, met een zwaren gelijken blaasadem. De lucht
-stond donker. Woester rolden de golven op het bootje aan en wipten het op hunne ruggen
-als van gladde waterbeesten. Het schuim had Valérie nat gemaakt. Zij zag om. Altseeborgen
-lag zeer ver, nauwelijks zichtbaar; de vlag zag zij nog teekenen in de lucht, als
-een lintje.
-</p>
-<p>—Ik ben gek, dacht ze. Waar ga ik naar toe …? Ik moet terug …
-</p>
-<p>Maar het was moeilijk de boot te keeren! Telkens sloeg de wind haar weêr af en dreef
-haar verder. Een wanhoop kwam over Valérie’s lichaam en ziel, moreele en fyzieke wanhoop.
-</p>
-<p>—Nu, laat dan maar, dacht ze.
-</p>
-<p>Ze liet de riemen los, dreef verder, weg, weg. Waarom ook niet? Waarom zoû ze zich
-niet laten wegdrijven? Zonder hem, zonder hem … kon ze niet leven! Haar geluk was
-gebroken; wat was het leven, zonder geluk? Want zij wilde geluk, het was haar broodnoodig …
-</p>
-<p>Ze was half ingezonken in de boot. De riemen klapperden tegen de wanden aan. Een golf
-kletste over haar heen. Hare oogen staarden brandend voor zich uit, in het verre.
-</p>
-<p>Een tweede golf kletste, hare voeten waren doornat. Zij richtte zich langzaam op,
-zag naar de booze zee, naar de donkere lucht. Toen greep zij de riemen weêr, met een
-zucht van smart.
-</p>
-<p>—Kom aan! dacht ze.
-</p>
-<p>Hooger rees en lager daalde ze. Maar met een dolle poging deed zij de boot wenden …
-</p>
-<p>—Het moet! knarste zij tusschen de tanden.
-</p>
-<p>Zij hield de smalle boot tegen den wind in en begon te roeien. Het moest. Haar voorhoofd
-fronste zich, hare kakebeenen knarsten, hare tanden schrijnden over elkaâr. Zij voelde
-hare spieren rekken. En ze roeide door, tegen den wind op. Met haar heele lichaam
-schokte zij op tegen den straffen adem. Het moest. Het zoû. En zij wende zich aan
-hare krachtsinspanning; werktuigelijk roeide zij door. Zóó wende zij aan ze, dat ze
-begon te snikken, terwijl ze roeide …
-</p>
-<p>O God, hoe lief had ze hem gehad, met heel hare ziel! <span class="pageNum" id="pb136">[<a href="#pb136">136</a>]</span>Waaròm, wist ze het? O, zoo hij maar wat sterker ware geweest, <i>zij</i> zoû het wel geweest zijn! Wat deed hun de ongenade van haar oom, den keizer, zoo
-ze elkaâr liefhadden? Wat de woede van hare ouders, zoo ze elkaâr liefhadden? Wat
-kon hun Europa schelen, zoo ze elkaâr liefhadden! Niets, alles niets … Zoo hij hun
-geluk maar had durven grijpen, toen het voor hen fladderde, zooals het maar ééns voor
-eene ziel uitfladdert! Maar hij had niet gedurfd, hij voelde zich te zwak dien greep
-te wagen, hij bekende het haar zelve … En nu … was het gedaan, gedaan, gedaan …
-</p>
-<p>Al snikkende roeide zij door. Hare armen schenen te zwellen, te springen uit elkaâr.
-Enkele dikke druppels van regen vielen neer. Waarom eigenlijk roeide zij door? De
-zee was de dood, verlossing van het leven, vergetelheid, blussching van schroeiende
-pijn. Waarom roeide ze dan door?
-</p>
-<p>—O God! ik weet het niet! antwoordde zij zichzelve hardop; maar het moet! Het moet!…
-</p>
-<p>En met de schokken van haar sterk vorstinnelijf werkte zij zich terug, naar het leven …
-</p>
-<p>Maar op Altseeborgen was men in groote onrust. Het was drie uur geleden, dat Valérie
-gegaan was. De kamenier wist niet anders te zeggen, dan dat Hare Hoogheid verzekerd
-had voor het ontbijt terug te zullen zijn. De schildwachten hadden haar de terrassen
-zien afgaan, maar verder geen acht geslagen welken kant Hare Hoogheid was uitgegaan.
-Zij meenden naar het bosch, maar wisten niet zeker …
-</p>
-<p>Iedere minuut steeg de angst; geen vermoeden werd uitgesproken, maar men las het elkander
-in de oogen. Koning Siegfried beval zelve stil te gaan zoeken, om geen opzien te baren
-bij de hofhouding en het volk van het dorp. Van verdwalen kon geen sprake zijn: het
-dennenbosch was niet groot en Valérie kende Altseeborgen goed. Trouwens, er was niets
-dan het bosch en het strand en het dorp.
-</p>
-<p>De koning en de kroonprins gingen zelve het bosch in met een adjudant. Herman en zijn
-jongere broêr Olaf gingen het dorp in links; Othomar en Christofel langs de zee, rechts.
-De koningin bleef met de prinsessen in hartkloppende onzekerheid achter. Hoe men ook
-had pogen zich goed te houden en te ontbijten, iets van een gerucht waarde reeds door
-het kasteel heen.
-<span class="pageNum" id="pb137">[<a href="#pb137">137</a>]</span></p>
-<p>Othomar was met Christofel langs het klippige strand gegaan; de regen begon te druppelen,
-dik hard.
-</p>
-<p>—Wat zoeken we hier eigenlijk! zei Othomar radeloos.
-</p>
-<p>—Ze zal zich misschien in zee hebben gegooid! antwoordde de jonge prins en, voor het
-eerst van zijn leven, was hij bang voor de diepte, die de dood was. Zonder te weten
-gingen zij door, door …
-</p>
-<p>—Laat ons terugkeeren, sprak Othomar.
-</p>
-<p>Zij gingen echter nog eenigen tijd voort; ze konden niet opgeven …
-</p>
-<p>Daar klonk een kreet over het water; zij schrikten op, maar zagen eerst niets.
-</p>
-<p>—Hoorde je? vroeg Christofel bleek, die aan spooklegenden van de zee dacht.
-</p>
-<p>—Een zeemeeuw zeker! zei Othomar, maar luisterde toch. De kreet klonk weêr.
-</p>
-<p>—Daar, zie je niets! wees Christofel.
-</p>
-<p>Hij wees een lange vlak, die deinde over het water aan.
-</p>
-<p>Othomar schudde van neen.
-</p>
-<p>—Neen, dat kan niet! zei hij; dat is een visschersjongen.
-</p>
-<p>—Wel neen, het is een giek! riep Christofel.
-</p>
-<p>Zij zeiden niets meer, liepen op een draf door. De vlak werd duidelijker: een giek,
-de kreet klonk, doordringend.
-</p>
-<p>—Mijn God, Valérie! schreeuwde Othomar.
-</p>
-<p>Zij schreeuwde eenige woorden terug; hij verstond maar ten deele. Zij roeide niet
-ver van het strand af, naar het kasteel toe. Othomar deed zijn jas, zijne schoenen
-uit, stroopte zijn broek op, de mouwen van zijn hemd.
-</p>
-<p>—Neem dat meê, riep hij tot Christofel; en ga terug naar het kasteel, zeg het hun …
-</p>
-<p>Hij liep met bloote voeten over de klippen heen, de zee in, wierp zich in het water,
-zwom naar de boot. Het was zeer moeilijk voor hem in het bootje te komen, zonder het
-te doen omslaan. Het kantelde dol links en rechts; met éene beweging van lichte vlugheid
-slaagde Othomar echter er in te springen.
-</p>
-<p>—Ik kan niet meer … sprak Valérie mat.
-</p>
-<p>Ze liet de riemen los; hij greep ze en roeierde op. Ze viel even tegen hem aan, maar
-hield zich toen recht om hem niet te belemmeren.
-<span class="pageNum" id="pb138">[<a href="#pb138">138</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="s2.1.5" class="div2 section"><span class="pageNum">[<a href="#s2.1.5.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h3 class="main">V.</h3>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">De jonge aartshertogin verscheen niet aan het lunch; zij sliep. Even voor het diner,—het
-regende en de koningin dronk in den hall thee, met de prinsessen, de tantes, de kinderen,—verscheen
-zij. Zij zag wat bleek; haar gezicht was een weinig uitgetrokken; hare oogen vreemd
-groot, brandend. Zij droeg een eenvoudig zomertoilet van zacht lila soupele stof,
-met een paar witte linten om den leest gestrikt; de kleur stond haar goed bij het
-vreemde haar, dat nu eens bruin was en dan weêr rossiger scheen. De koningin strekte
-de hand naar Valérie uit; ze schudde het hoofd en zei:
-</p>
-<p>—Ondeugend kind! Wat heb je ons bang gemaakt.
-</p>
-<p>Valérie kuste het voorhoofd der koningin.
-</p>
-<p>—Vergeef me, tante. De wind was zoo sterk, ik kon er bijna niet tegen op. Ik had niet
-moeten gaan. Maar ik had, ik had behoefte … aan beweging.
-</p>
-<p>De koningin zag haar angstig aan.
-</p>
-<p>—Hoe voel je je?
-</p>
-<p>—O, goed tante. Wat stijf; een beetje hoofdpijn ook. Het is niets. Mijn handen alleen
-hebben een paar groote blâren, ziet u eens …
-</p>
-<p>En ze lachte.
-</p>
-<p>De oude dames vroegen uitvoerig naar het gebeurde: het was heel moeielijk ze het aan
-haar verstand te brengen. Wanda zette zich tusschen haarbeiden, deed haar het verhaal;
-de fijne kakatoe-profielen bogen telkens ontzet op en neêr naar Wanda toe. De tantes
-legden de hand op het hart en zagen Valérie in verschrikking aan; vriendelijk glimlachte
-zij ze toe. Toen de gravin Von Altenburg verscheen, namen de tantes de oude grootmeesteres
-tusschen haar in en deden, op hare beurt, het verhaal, krijschende aan de arme ooren
-der gravin. Koning Siegfried kwam binnen; hij ging naar Valérie toe, die opstond,
-nam haar het hoofd tusschen de handen, zag haar aan en schudde zijn grijzen kop; toch
-glimlachte hij. Toen zag hij naar zijne zusters; hij amuzeerde zich altijd om ze;
-ze waren nog midden in haar verhaal tegen de gravin, namen elkaâr telkens het woord
-uit den mond:
-</p>
-<p>—Nu, zoo verschrikkelijk was het niet! viel de koning ze <span class="pageNum" id="pb139">[<a href="#pb139">139</a>]</span>in de rede; zoo te roeien is wel eens prettig en een goed middel tegen migraine. Je
-moest het ook eens doen, Elsa, als je migraine hebt.
-</p>
-<p>De oude prinses zag hem zoetsappig glimlachend aan: ze wist nooit of haar <span class="corr" id="xd31e1886" title="Bron: broer">broêr</span> zoo iets meende of niet. Ze schudde haar deftig hoofd langzaam heen en weêr:
-</p>
-<p>—Neen, lieber Siegfried, dat kunnen <i>wij</i> niet meer doen. Unsere liebe Erzherzogin is nog een jong ding …!
-</p>
-<p>Othomar, Gunther en Herman kwamen binnen; ze hadden gebiljart; de jongere prinsen
-volgden hen. Valérie sidderde even, stond op en ging naar Othomar.
-</p>
-<p>—Ik dank je, Xara, sprak ze. Duizend-, duizendmaal!
-</p>
-<p>—Maar waarom, Valérie! antwoordde Othomar eenvoudig. Ik heb niets gedaan dan je een
-eind teruggeroeid. Er was geen gevaar. Want, als je zoo moê was geweest, dat je niet
-meer hadt gekund, hadt je immers in zee kunnen springen en kunnen zwemmen naar land.
-Je bent een goede zwemster. Je hadt alleen de boot er aan geofferd.
-</p>
-<p>Zij zag hem aan.
-</p>
-<p>—Het is zoo, zei ze. Maar ik dacht daar niet aan. Ik was misschien … verbijsterd.
-Ik zoû het niet gedaan hebben; ik had een idee-fixe om terug te roeien. Als ik niet
-meer had kunnen roeien, was ik zeker … Weiger mijn dank niet, ik verzoek het je: neem
-hem aan.
-</p>
-<p>Zij stak hare hand uit, hij drukte ze. Met verwondering zag hij stil tot haar op,
-en begreep haar niet. Hij dacht niet anders dan dat zij dien morgen het kasteel verlaten
-had met een plan van zelfmoord. Had zij op het water berouw gevoeld of niet gedurfd;
-had zij willen doorleven en was zij teruggekeerd? Was zij zoo oppervlakkig, dat zij
-het groote leed, dat haar gisteren avond verpletterd had, nu reeds te boven was? Voelde
-zij, dat het leven over alles wat van ons is, geluk of smart, heenradert met zijn
-onverschillige jubelkarren en dat het maar het beste is om niets te geven en te voelen,
-ook niets? Wat van dit alles was er in haar? Hij kon het niet doorgronden. En opnieuw
-zag hij zich weer vreemd staan voor de vraag van de liefde. Wat was dit gevoel waard,
-zoo het zóó weinig maar woog in een vrouweziel? Wat woog het bij hemzelven voor Alexa?
-Wat was het dan … of was het dan nog iets … anders?
-<span class="pageNum" id="pb140">[<a href="#pb140">140</a>]</span></p>
-<p>Aan het diner praatte Valérie als gewoonlijk en hij bleef haar niet begrijpen. Het
-ergerde hem, zijn gebrek aan doorzicht in menschehart: hoe kon hij het ontwikkelen?
-Een aanstaande vorst moest toch met éen enkelen blik kunnen zien … En in eens, misschien
-alleen òm zijn wensch naar menschekennis, kwam het in hem op, dat ze zich verborg,
-dat ze misschien nog zeer leed, maar zich voordeed, zich ophield; ze was immers een
-<span class="corr" id="xd31e1903" title="Bron: vorsten kind">vorstenkind</span>: zij leerden dat allen, vorstenkinderen, zich ophouden, zich voordoen! Het zat hun
-in het bloed. Schuin zag hij haar aan, waar hij naast haar zat; kalm praatte zij over
-hem heen met de koningin. Hij wist niet of hij goed geraden had en hij weifelde nog
-tusschen die twee: houdt ze zich op, of is ze oppervlakkig? Maar toch was hij gelukkig
-omtrent haar te kunnen weifelen en dat eerste vermoeden van oppervlakkigheid te ontzenuwen
-door zijne tweede gedachte. Hij was hier gelukkig om, niet geheel en al om Valérie
-alleen, dat zij beter zoû zijn, dan hij eerst meende; hij was er vooral gelukkig om,
-om den algemeenen regel, waartoe hij er om besloot: dat een mensch meestal beter is,
-dieper denkt, edeler voelt dan hij schijnen laat in de iederen-daagsche banaliteit
-van het leven, die hem dwingt zich te bemoeien met nietsjes en woorden, ieder oogenblik.
-Een teêr gevoel van vreugde kwam over hem, dat hij dit zoo had bedacht. Een rust,
-dat hij iets mooi in het leven geraden had: een mooi geheim. Iedereen wist het misschien,
-maar niemand liet het blijken. O ja, de menschen waren goed; de wereld was goed, in
-hare essence. Een vreemd mysterie alleen dwong anders te schijnen, een vreemde dwang
-der wereldorde. Hij zag om zich heen over de lange tafel. Alle gezichten hadden vriendelijkheid
-en sympathie over zich. Hij hield van zijn oom, den koning; zoo kalm, zacht, flink,
-met het schijnbaar stug stilzwijgende van zijn Noordsch karakter, met zijn rustigen
-glimlach en nu en dan een kleine vonk van scherts, tegen de oude tantes vooral, maar
-ook tegen de kinderen en zelfs tegen de adjudanten, de hofdames. Hij wist, dat zijn
-oom een denker was, een wijsgeer; hij zoû gaarne eens lang met hem hebben willen spreken
-over punten van filozofie. Ook van zijne tante hield hij: een flinke vorstin; hoeveel
-deed zij niet voor haar land, hoeveel liefdadige instellingen riep ze niet <span class="pageNum" id="pb141">[<a href="#pb141">141</a>]</span>op; een flinke moeder, hoe verstandig kwijtte zij zich niet van hare moeilijke taak;
-vorstenkinderen op te voeden. Zij was in haar land meer bemind dan zijne moeder, die
-hij toch aanbad, in het hare; zij had meer tact, minder angst, minder hoogheid ook
-tegen de menigte. Het had misschien omgekeerd moeten zijn: zij koningin hier, hare
-zuster keizerin daarginds …
-</p>
-<p>En de kroonprins met zijne eenvoudige mannelijkheid; Herman met zijne joligheid; de
-jongere <span class="corr" id="xd31e1910" title="Bron: broers">broêrs</span> met hunne stevige jongensblague; hoeveel hield hij niet van ze! Sofie, Wanda, de
-kinderen, hoeveel hield hij niet van ze! De tantes, de oude, zich wijdende grootmeesteres,
-hij vond ze zelfs sympathiek. O de wereld was goed, de menschen waren goed! En Valérie
-was niet onverschillig, maar leed in stille stilte, zooals een vorstenkind lijden
-moet, met kalme oogen en een glimlach!
-</p>
-<p>Toen het diner gedaan was, nam koningin Olga Othomars arm.
-</p>
-<p>—Kom even meê, sprak ze.
-</p>
-<p>De regen had opgehouden, een lakei opende de boogdeuren. Er was daar het lange achterterras,
-achter de eetzaal; het zag uit op het bosch. De koningin had haren arm <span class="corr" id="xd31e1918" title="Bron: onden">onder</span> dien van Othomar gestoken, en begon met hem op en neêr te wandelen.
-</p>
-<p>—En je gaat ons dus verlaten? vroeg ze.
-</p>
-<p>Hij zag haar glimlachend aan.
-</p>
-<p>—U weet het, tante: met veel spijt. Ik zal nog dikwijls heimwee naar Altseeborgen
-hebben, naar u allen. Ik voel mij zoo geheel thuis in uw kring. Maar ik verlang toch
-ook Mama terug te zien; het is nu bijna vier maanden geleden, dat ik haar zag.
-</p>
-<p>—En voel je je beter?
-</p>
-<p>—Hoe zoû het anders kunnen, tante. De reis met Herman had me al opgesterkt, en het
-leven hier bij u is een heerlijke nakuur geweest. Een heerlijke vacantie.
-</p>
-<p>—Maar nu zal het uit zijn met die vacantie: zal je nu weêr kunnen handelen?
-</p>
-<p>Hij glimlachte met een kalme berusting in zijne melancholieke oogen.
-</p>
-<p>—Zeker tante, het mag niet altijd vacantie blijven. Me <span class="pageNum" id="pb142">[<a href="#pb142">142</a>]</span>dunkt, ik heb het er van genomen; zes weken niets gedaan dan liggen in het zand, of
-in het bosch, of op die heel gemakkelijke rieten bank van Herman.
-</p>
-<p>—Heb je niets meer gedaan? vroeg zij schalk.
-</p>
-<p>—Wat meent u?
-</p>
-<p>—Niet het leven gered … van Valérie?
-</p>
-<p>Hij maakte een kleine beweging van zacht ongeduld.
-</p>
-<p>—Maar tante, heusch niet. De couranten zullen dat nu wel gaan vertellen, maar het
-is heusch geen redding geweest. Valérie kan immers zwemmen en ze was vlak bij het
-land.
-</p>
-<p>—Ik heb een brief van papa, Othomar.
-</p>
-<p>—Van papa?
-</p>
-<p>—Ja … Heb je nooit gedacht aan … Valérie?
-</p>
-<p>Hij bedacht zich even.
-</p>
-<p>—Misschien, lachte hij.
-</p>
-<p>—Voel je geen genegenheid voor haar?
-</p>
-<p>—Zeker tante … Ik dacht, dat papa liever de grootvorstin Xenia wilde?
-</p>
-<p>De koningin haalde hare schouders op.
-</p>
-<p>—De godsdienstkwestie, niet waar? Papa heeft toch ook gaarne een Oostenrijksche verbintenis.
-Hoe denk je de reis te nemen? En wanneer ga je?
-</p>
-<p>—Ducardi en de anderen komen nog deze week hier. Aan het einde van de week. Eerst
-Kopenhagen, Londen, Brussel, Berlijn en dan naar Weenen.
-</p>
-<p>—En naar Sigismundingen.
-</p>
-<p>—Ja, naar Sigismundingen, als papa wil.
-</p>
-<p>—Maar wat wil jij, Othomar?
-</p>
-<p>Hij zag haar zacht aan, glimlachend, haalde de schouders op.
-</p>
-<p>—Maar tante, wat heb ik te willen?
-</p>
-<p>—Zoû je van Valérie kunnen houden?
-</p>
-<p>—Ik geloof het wel, tante: ik geloof, dat ze heel lief is en heel flink.
-</p>
-<p>—Ja, dat is ze zeker, Othomar. Zoû je niet, voor je wegging, dan met haar praten?
-</p>
-<p>—Tante …
-</p>
-<p>—Waarom niet?
-<span class="pageNum" id="pb143">[<a href="#pb143">143</a>]</span></p>
-<p>—Tante, dàt kan ik niet doen. Ik blijf nog maar enkele dagen hier, en …
-</p>
-<p>—En?
-</p>
-<p>—Valérie heeft een groot verdriet gehad. Het kan niet anders of zij moet er nu nog
-zeer onder lijden. Bedenk, tante, het was gisteren. Mijn God, gisteren …! En vandaag
-was ze zoo kalm, zoo eenvoudig … Maar het kan niet anders, niet waar, of ze lijdt
-nog heel erg. Zij is van morgen met dat weêr op zee gegaan … we weten niets, niet
-waar, tante, maar we denken allen het zelfde! Misschien vergissen we ons, eenvoudig
-weg. De dingen, die schijnen, zijn dikwijls anders. Maar hoe het ook zij, verdriet
-heeft ze zeker. Ik kan haar dat dus niet vragen, nu …
-</p>
-<p>—Het is jammer; jullie zijn nu samen. Dikwijls wordt zoo iets beslist uit de verte.
-Je zoû, als het hier in orde kwam, de reis misschien niet hoeven te maken.
-</p>
-<p>—Tante, papa stond toch op die reis …
-</p>
-<p>—Dat is zoo; omdat nog niets beslist was.
-</p>
-<p>—Neen, tante, laat mij die reis doen. Want in orde komen, hier, dat kan het toch niet.
-Als papa het me zelve vroeg zoû ik zeggen … dat het niet kan.
-</p>
-<p>—Papa vraagt het je, Othomar, in dien brief aan mij.
-</p>
-<p>Hij greep hare handen.
-</p>
-<p>—Tante, schrijf u het dan terug, aan papa, dat het niet kan, nu. O, onmogelijk, onmogelijk.
-Laat ons haar sparen, tante. Als ze mijn vrouw wordt, wordt ze het toch, terwijl ze
-een ander liefheeft. Is dat al niet vreeslijk genoeg voor haar, als het later beslist
-wordt, na maanden? Laat ons haar daarom nu dus sparen. U voelt dat toch ook als vrouw,
-niet waar? Er zijn geen staatszaken, waarom mijn huwelijk zoo dringend zoû moeten
-worden gesloten.
-</p>
-<p>—Toch wil papa, dat je zoo gauw mogelijk trouwt, Othomar. Hij wenscht een kleinzoon …
-</p>
-<p>Hij antwoordde niet: een lijden trok over zijn gelaat. De koningin zag het.
-</p>
-<p>—Maar je hebt gelijk, antwoordde zij, hem toegevend. Het zoû te wreed zijn. Valérie
-houdt zich anders goed. Zoo moet een aanstaande keizerin van Liparië zijn …
-</p>
-<p>Hij antwoordde nog niet, liep stil naast haar; nog <span class="pageNum" id="pb144">[<a href="#pb144">144</a>]</span>steeds lag hare hand op zijn arm; zij voelde dien trillen.
-</p>
-<p>—Kom, zij ze zacht; laat ons naar binnen gaan; zoo een wandeling op en neêr maakt
-nog moê ook …
-</p>
-</div>
-</div>
-<div id="s2.1.6" class="div2 section"><span class="pageNum">[<a href="#s2.1.6.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h3 class="main">VI.</h3>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Ducardi, Dutri, Leonie en Thesbia waren te Altseeborgen aangekomen; zij zouden Othomar
-vergezellen op zijn officieele reis door Europa. Het was een der laatste dagen, dat
-Othomar met Herman samen wandelde, des morgens, naar het bosch.
-</p>
-<p>De zon scheen, het bosch was geurig, de voet gleed uit over de gladde naalden. De
-prinsen lieten zich op den grond <span class="corr" id="xd31e1986" title="Bron: neer">neêr</span>, bij een groote plas water; om hen heen verrezen de rechte dennestammen met hunne
-knoestige pieken van zijtakken; de lucht week, met blauwe plekken, tusschen het uitstekende
-naaldenloover, weg naar de ruimte.
-</p>
-<p>Herman leunde tegen een stam aan; Othomar strekte zich uit op den rug, de handen onder
-het hoofd.
-</p>
-<p>—Het is nu gauw uit, zeide hij zacht.
-</p>
-<p>Herman antwoordde niet, maar streek met zijne hand de naalden werktuigelijk bij elkaâr.
-En ook Othomar sprak niet meer; hij dronk zijn laatste oogenblik van ontspannen rust
-als met voorzichtige teugen in: iedere teug was een wellust, die nooit terug zoû komen.
-</p>
-<p>In het bosch was het doodstil, als was de aarde onbewoond; de weemoed van wat eindigt
-hing tusschen de boomen.
-</p>
-<p>In eens nam Othomar Hermans hand en drukte die.
-</p>
-<p>—Ik dank je, zei hij.
-</p>
-<p>—Waarvoor? vroeg Herman.
-</p>
-<p>—Voor het genot, dat wij samen hebben gehad. Mama had gelijk: ik kende je niet, Herman …
-</p>
-<p>—Maar ik jou ook niet, beste jongen.
-</p>
-<p>—Het zijn mooie dagen geweest. Hoe heerlijk hebben we samen gereisd, als twee touristen.
-Hoe heerlijk grootsch was Voor-Indië, niet waar, en Japan, hoe curieus. Ik hoû anders
-niet van jagen, maar met jou begreep ik het en voelde ik de emotie er van: ik zal
-onze tijgerjacht nooit vergeten! Die oogen van dat beest, het gevaar in het gezicht:
-dat sterkt. In zoo een oogenblik voel je je primitief worden als de eerste <span class="pageNum" id="pb145">[<a href="#pb145">145</a>]</span>mensch. Zoo een tijger kijkt een boel geweifel uit je weg. Dat is een ander gevaar,
-dan waar mama altijd bang voor is; o dat enerveert zoo, dat eet al je energie op …
-En de nachten op den Indischen Oceaan, op onzen Viking. Die kolossale ruime cirkel
-om je heen, al die sterren boven je! Wat hebben we dikwijls zitten kijken, met onze
-beenen op de verschansing … Het is misschien niet goed lang zoo te droomen, maar het
-rust zoo uit, het rust zoo uit. Ik zal het nooit vergeten, nooit …
-</p>
-<p>—Nu maar, kerel, we zullen het nog wel eens over doen.
-</p>
-<p>—Neen, je doet iets nooit over. Wat gedaan is, is gedaan. Niets komt terug, geen oogenblik.
-Het is later altijd wat anders …
-</p>
-<p>Hij zag even om zich heen, alsof er iets beluisteren kon, fluisterde toen:
-</p>
-<p>—Herman, ik moet je iets zeggen.
-</p>
-<p>—Wat dan?
-</p>
-<p>—Iets toevertrouwen. Maar zeg eerst: toen met dien tijger, toen vond je me niet laf,
-niet waar?
-</p>
-<p>—Neen, zeker niet!
-</p>
-<p>—Nu, ik ben het toch, laf. Ik ben bang, altijd bang. Ze weten het niet, de dokters,
-omdat ik het hun nooit zeg. Maar ik ben het altijd …
-</p>
-<p>—Maar waarvoor dan toch, kerel?
-</p>
-<p>—Voor iets in mezelven. Zie je, Herman, ik ben zoo bang … dat ik het niet vol zal
-kunnen houden. Dat ik op een oogenblik te zwak zal zijn. Dat ik het in éens niet meer
-zal kunnen doen, en dan, dan …
-</p>
-<p>Hij huiverde; zij zagen elkaâr aan.
-</p>
-<p>—Het is niet goed, vervolgde hij werktuigelijk, als gesterkt door Hermans blik. Ik
-zal er tegen strijden, tegen dien angst … Geloof je aan voorgevoelens?
-</p>
-<p>—Ja, aan het omgekeerde van ze: de mijne komen altijd omgekeerd uit!
-</p>
-<p>—Ik hoop dan, dat het mijne ook niet zal uitkomen.
-</p>
-<p>—Maar wat is het?
-</p>
-<p>—Dat er binnen het jaar … iemand van ons … dood zal zijn … te Lipara.
-</p>
-<p>Herman bleef hem star aanzien. Trotsch zijne flinkheid en <span class="pageNum" id="pb146">[<a href="#pb146">146</a>]</span>zijne fyzieke kracht van spieren, school er in hem eene lichte overerving van het
-bijgeloof, dat in de zee aanruischt als met stemmen van verre profetie; bijgeloof,
-gewiegeld door de mooie legenden van hunne Gothlandsche zee, die als eene sirene vreemde
-sprookjes zingt van mystiek. Hij wist het misschien zelve niet, dat er hem iets van
-vloeide door zijn rijk bloed, vóor hij het voelde op dit oogenblik, en hij wilde het
-weg uit zich schudden, als nonsens.
-</p>
-<p>—Maar Othomar, wees toch verstandig!
-</p>
-<p>—Ik kan er niets tegen doen, Herman; ik denk er niet over, maar het zijn heele kleine
-prikjes, als gedachten, die plotseling opkomen. En verleden … o verleden, toen was
-het meer; toen werd het een droom, een nachtmerrie. Ik liep door de winkelstraten
-van Lipara en uit alle winkels kwamen zwarte menschen, en die maten hoopen zwart krip
-uit, met meters, en zóoveel, dat de straten zich er mee vulden en dat het krip als
-met wolken in de stad lag, en als een hoop van floers boven de stad steeg. Het werd
-er donker om; de zon scheen er niet meer door heen, en over alles lag de schaduw.
-De menschen schenen mij niet te herkennen, en toen ik vroeg, waarvoor al dat krip
-was, fluisterden ze aan mijn ooren: stil, stil, het is … voor het Imperiaal!… O, Herman,
-toen werd ik wakker, en ik was nat van zweet en het was of ik het nog altijd hoorde
-naklinken: voor het Imperiaal, het is voor het Imperiaal!
-</p>
-<p>Herman was opgestaan, hij werd een beetje zenuwachtig.
-</p>
-<p>—Kom, zei hij, willen we gaan?… Droomen, hecht toch niet aan droomen, Othomar!
-</p>
-<p>Othomar stond ook op.
-</p>
-<p>—Neen, ik moest ook niet aan ze hechten, herhaalde hij vreemd; ik heb het vroeger
-ook nooit gedaan.
-</p>
-<p>—Othomar … begon Herman, beslist, als wilde hij spreken.
-</p>
-<p>—Zeg even niets tegen me; laat me een oogenblik stil! viel hij in de rede, snel, angstig.
-</p>
-<p>Zij liepen door het bosch, zwijgend. Othomar zag vreemd om zich heen, over den grond.
-Herman sloot de lippen dicht op elkaâr, en fronste zijn voorhoofd: hij was boos. Maar
-hij sprak niet. Na enkele minuten werden Othomars vreemde <span class="pageNum" id="pb147">[<a href="#pb147">147</a>]</span>blikken kalmer; ze stilden zich tot hunne gewone, zachte melancholie.
-</p>
-<p>Toen zuchtte hij licht, als weêr komende op adem.
-</p>
-<p>—Wees niet boos, sprak hij, zijn arm stekend onder dien van Herman.
-</p>
-<p>Zijne stem had weêr den gewonen klank.
-</p>
-<p>—Het zal misschien goed zijn, dat ik je dat gezegd heb: nu zal het misschien uit me
-weggaan. Wees dus niet boos, Herman … Ik beloof het je, voortaan zal ik niet meer
-zoo spreken en ook mijn best doen niet meer zoo te denken. Maar wat me hindert, moet
-ik zeggen. En dat is toch ook veel beter, dan het eeuwig te verzwijgen! Zie je, ik
-zal gauw ook geen tijd meer hebben aan zulke dingen te denken—morgenavond zijn wij
-te Kopenhagen, en dan neemt het leven weêr zijn gewonen loop. Hoe heb ik toch zoo
-vreemd gesproken, hoe ben ik er op gekomen? Ik weet het zelf niet meer … Het lijkt
-me nu zelf heel dwaas.
-</p>
-<p>Hij lachte even en toen, ernstig:
-</p>
-<p>—Ik ben toch blij, dat we alleen gesproken hebben, dat ik je heb kunnen danken. Niet
-waar, we zijn nu vrienden?
-</p>
-<p>—Ja, we zijn vrienden, antwoordde Herman lachend, úit zijne boosheid; maar ik zal
-jou toch nooit heelemaal kennen!
-</p>
-<p>—Zeg dat nu niet alleen om een enkel voorgevoelen, dat ik zelf dwaas vind. Wat is
-er anders voor raadselachtigs in me …!
-</p>
-<p>Herman zag hem aan.
-</p>
-<p>—Neen, anders ook niet! gaf hij toe. Je bent een goede jongen. Ik weet niet, hoe het
-gekomen is, maar ik hoû veel van je …
-</p>
-<p>Zij gingen het bosch uit; de zee lag voor hen. Als het leven zelve, lag ze voor hen,
-met het mysterie harer diepte, waarin eene veelvuldige ziel scheen te bewegen en golf
-te ronden na golf. Onnoembaar en ontelbaar waren hare wisselingen van kleur: hare
-stemmingen van onophoudelijke beweging, en hoog spuwde zij op de kammen harer woestheid
-een schuim van passie uit. Maar die passie was hare oppervlakkigste openbaring: al
-het overvloedige van hare eindelooze vitaliteit: uit hare diepte ruischte, in de onnazingbare
-melodieën harer millioenen stemmen, de mystiek op van hare ziel, als het geheim, dat
-de hemel alleen wist, bóven haar.
-<span class="pageNum" id="pb148">[<a href="#pb148">148</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="s2.1.7" class="div2 section"><span class="pageNum">[<a href="#s2.1.7.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h3 class="main">VII.</h3>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first address">Aan Zijne Allergenadigste Keizerlijke Hoogheid <br>Othomar, <br>Hertog van Xara,
-</p>
-<p>te
-</p>
-<p class="address">Osborne House <br>Wight. <br>Lipara, <br>Imperiaal. <br>Sept. 18..
-</p>
-<p class="salute">Dierbare Zoon.
-</p>
-<p>Wij ontvingen met veel genoegen Uw brief, die ons meldde de hartelijke ontvangst,
-die U eerst te Kopenhagen ten deel viel en nu in Engeland. Wij moeten U echter onze
-bevreemding doen opmerken omtrent hetgeen Tante Olga ons schreef, en ons leed betuigen,
-dat Gij U niet naar ons verlangen gedragen hebt; dit zelfde leed betuigen, door middel
-van brieven aan ons, de Keizer van Oostenrijk en de Aartshertog Albrecht. Wij hebben
-ons zeker in ons schrijven aan Tante Olga niet dringend genoeg uitgelaten: in het
-andere geval zouden wij ons niet kunnen voorstellen, dat zij er niet meer bij U op
-zoû hebben aangedrongen, aan de Aartshertogin Valérie een onderhoud te verzoeken en
-haar te spreken over de gewichtige zaak, die ons allen op dit oogenblik zoo zeer ter
-harte gaat. Gij hadt dan reeds aan de hoven, die Gij nu bezoekt, Uwe verloving <i>sous-cachet</i> kunnen mededeelen, en zij zoû aan het einde van Uwe reis te Sigismundingen gevierd
-hebben kunnen worden. Terwijl Gij U nu zeker bij onze Vrienden, Hunne Majesteiten
-van Denemarken en van Engeland, in een scheeve positie plaatst, daar er immers in
-alle nieuwsbladen over eene mogelijke verloving met de Aartshertogin Valérie gesproken
-wordt en de pers zoo goedgunstig is het voor en tegen van deze verbintenis reeds met
-luider stemme te bespreken. Uwe reis had echter toch <i>in alle geval</i> plaats moeten hebben, daar ze al zoo lang geleden was aangekondigd—Uwe ziekte kwam
-daar tusschen beiden,—en daar ze dus niet meer is dan eene beleefdheid jegens onze
-Vrienden.
-<span class="pageNum" id="pb149">[<a href="#pb149">149</a>]</span></p>
-<p>Nog eens, dat Gij U hierin niet naar ons verlangen gedragen hebt, doet ons veel verdriet.
-Wij zien er in zekere neiging tot een burgerlijke overgevoeligheid, Othomar, die wij
-hopen, dat Gij zult leeren beheerschen met al de kracht, die in U is. Een verdriet,
-als prins Von Lohe-Obkowitz Uwe aanstaande bruid heeft aangedaan, heeft ons allen
-wel eens in ons leven getroffen, en kan zeker een korten tijd groote smart veroorzaken,
-maar het blijft geheel en al een personeel en ondergeschikt gevoelen, en het mag zich
-<i>in het minst</i> niet dringen vóor zaken van zulk groot staatsbelang als het huwelijk van een aanstaanden
-Keizer van Liparië. De Aartshertogin Valérie zal dit zeker ook zoo leeren beschouwen,
-als zij ouder is, en wij hopen, dat zij reeds spoedig zal inzien, dat hare genegenheid
-voor de prins Lohe nooit haar geluk had kunnen zijn, daar ze haar in disharmonie had
-gebracht met Zijne Majesteit, haar Oom, en met alle hare verwanten.
-</p>
-<p>Beheersch U, Othomar; wij vragen U dit dringend. Gij hebt somtijds ideeën en maakt
-U voorstellingen, die niet van een vorst zijn. Wij hebben dit reeds meermalen opgemerkt
-onder anderen, toen Gij, in Vaza, Zanti bezocht hebt. Wij hebben U dit niet willen
-verwijten, omdat wij overigens zeer tevreden over U geweest zijn. Uw liefste wensch
-zal zeker zijn, dat wij dit altijd zullen blijven.
-</p>
-<p>Wij hopen U dus over drie weken terug te zien te Sigismundingen, waar de Aartshertogin
-Valérie dan van Altseeborgen teruggekeerd zal zijn, om met U samen te treffen, en
-waar wij ook den Keizer van Oostenrijk ontmoeten zullen.
-</p>
-<p>Wij hopen van harte, dat de lange reis met Herman U veel goed zal gedaan hebben, en
-dat Uw huwelijk <i>zoo spoedig mogelijk</i> te Altara zal kunnen plaats grijpen. Dit blijde vooruitzicht is ons eene aangename
-afleiding voor de beslommeringen omtrent de Legerwet, die in het Huis der Standen
-zoo halsstarrige tegenkanting vindt, maar die wij toch hopen te zullen doordrijven,
-daar ons Leger noodzakelijke vermeerdering vereischt.
-</p>
-<p>Wij omhelzen U van harte.
-</p>
-<p class="signed"><span class="sc">Oscar.</span>
-<span class="pageNum" id="pb150">[<a href="#pb150">150</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div id="ch2.2" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#ch2.2.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="main">TWEEDE HOOFDSTUK.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<div id="s2.2.1" class="div2 section"><span class="pageNum">[<a href="#s2.2.1.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h3 class="main">I.</h3>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Het was na het galadiner op het slot te Sigismundingen, waar de keizerlijke familiën
-van Liparië en Oostenrijk vereenigd waren, om de verloving van den hertog van Xara
-met de aartshertogin Valérie te vieren. Het was in September: de dag was zwoel heet
-geweest, en in den avond was de broeiwarmte nog blijven hangen in de lucht.
-</p>
-<p>Men was juist van tafel opgestaan en de stoet der vorstelijke personen ging door een
-galerij naar de receptiesalons terug. Al de balkonvensters der hel verlichte galerij
-stonden open: onder, als in een afgrond van stroomlandschap, vloeide de Donau, ruischend
-tegen de rotsen aan, waarop het slot met zijne talrijke kleine punttorens omhoog was
-getrokken. De bergen trokken een somber violetten omtrek van toppen-lijn aan tegen
-de heldere lucht, die telkens hel was van electrische glanzingen, als van geluidloos
-weêrlicht. Het bosch stond somber zwart, schaduwachtig, opglooiend met de piek-toppen
-van zijn sparren tegen de bergen aan; in de verte lagen kleine huisjes verward in
-den avond, als een uitgespreid dorpje, met hier en daar een klein geel licht.
-</p>
-<p>De keizer van Liparië bood den arm aan de moeder der bruid, de aartshertogin Eudoxie;
-dan volgden de keizer van Oostenrijk met de keizerin van Liparië, de aartshertog Albrecht
-met de keizerin van Oostenrijk, Othomar met Valérie … Even drukte Valérie Othomars
-arm en trok zich met hem uit den stoet terug.
-</p>
-<p>—Het was zoo warm in de eetzaal: vergeef me, sprak zij tot Othomars zuster, de aartshertogin
-van Karinthië, die met een harer Oostenrijksche neven volgde, en haar glimlach vroeg
-de aartshertogin door te gaan. De anderen volgden: de vorstelijke genoodigden, de
-adjudanten, de hofdames: zij glimlachten tegen de keizerlijke verloofden, die in een
-der open vensterbogen ze lieten voorbij gaan.
-</p>
-<p>Zij bleven alleen in de galerij, staande voor het open raam.
-</p>
-<p>—Ik heb behoefte aan lucht, sprak Valérie met een zucht.
-</p>
-<p>Hij antwoordde niet. Zwijgend stonden zij samen te staren op het avondlandschap. Hij
-droeg de Uhlanen-uniform van <span class="pageNum" id="pb151">[<a href="#pb151">151</a>]</span>het regiment dat hij in Oostenrijk commandeerde en een nieuwe orde starrelden met
-de anderen mede op zijn borst: die van het Oostenrijksche Gulden Vlies. Zij scheen
-ouder geworden dan zij te Altseeborgen was, in haar roze zijden avondtoilet, met groote,
-zeer licht groene fluweelen pofmouwen, een dichtgekroesden witte-struisveêrenrand
-om het open corsage en om den sleep.
-</p>
-<p>—Wil ik je even alleen laten, Valérie? vroeg hij zacht.
-</p>
-<p>Zij knikte, weemoedig glimlachend, van neen. Een onbedwingbare emotie scheen hare
-borst zenuwachtig op en neêr te doen hijgen.
-</p>
-<p>—Waarom, Othomar? vroeg ze. Ik ben des nachts al genoeg alleen met mijn gedachten.
-Laat me er maar zoo min mogelijk alleen meê …
-</p>
-<p>Zij stak hem in eens hare hand toe:
-</p>
-<p>—Vergeef je aan je aanstaande keizerin haar gebroken hart? vroeg ze, in eens, met
-een grooten snik.
-</p>
-<p>En haar bleek, vermagerd gezicht wendde zich geheel naar hem toe, met een paar oogen,
-als van een verwonde <span class="corr" id="xd31e2118" title="Bron: reê">ree</span>. Een onbedwingbaar gevoel van medesmart bracht zijne ziel in eene plotselinge opvolging:
-hij drukte hare hand vast, en wendde zich af, om niet te weenen.
-</p>
-<p>Hij zag naar buiten. Somber romantisch verhieven zich enkele, der van hier zichtbare,
-punttorens in den electrischen lichtenden ether. Onder hen, romantisch, ruischte de
-Donau. De bergen waren als het landschap uit een ballade. En geen ballade, geen roman
-klonk er tusschen hunne harten. Het proza der noodzakelijkheid en onvermijdelijkheid
-was alleen de harmonie, die hen verbond. Maar deze harmonie, ook verbond hen in werkelijkheid,
-bracht hen samen, deed hen elkander begrijpen, met elkander meêvoelen en meêleven.
-Zij waren nu even alleen, en eerlijk peilden hunne oogen elkaâr in de zielediepte.
-Geen veinzen was noodig tusschen hen beiden: zij zagen elkanders leed, trillend liggen
-in elkanders hart, naakt.
-</p>
-<p>Het was geen oproerige wanhoopspassie, die zij zagen. Zij zagen een stil huiverigen
-weemoed; zij zagen die aan met groote starre oogen van angst, zooals kinderen kijken
-als ze een spook meenen te zien. Dat spook kwam voor hen uit het <span class="pageNum" id="pb152">[<a href="#pb152">152</a>]</span>leven zelve: het leven zelve werd hun een spookbestaan. Zijzelve waren schimmen, al
-voelden ze zich tastbaar, met lichamen. Wat waren zij? Droomwezens met kronen; ze
-liepen en bogen en deden en glimlachten, als ze moesten in den drom om hunne kronen.
-Zij bestonden niet: eene vaagheid zweemde wel hunne droom-hersenen aan, dat er iets
-bestaan kon, in andere natuurwetten, dan die van hunne sfeer, maar in hunne sfeer
-bestonden zij niet …
-</p>
-<p>Zijne hand had werktuigelijk gefrommeld aan papieren, die vlak bij hem lagen op een
-vergulde spiegelconsole, tusschen twee der raambogen; het ware eenige geïllustreerde
-tijdschriften, zeker door een kamerheer vergeten. Hij nam er een op, om hun treurig
-stilzwijgen te vullen en opende het. Het eerste wat hij zag was hunne eigene portretten.
-</p>
-<p>—Kijk, zeide hij.
-</p>
-<p>Hij toonde ze haar. Ze bladerden nu samen, zagen ook de portretten hunner ouders,
-een afbeelding van het kasteel, een hoekje in het park van Sigismundingen.
-</p>
-<p>Toen lazen zij samen de aankondiging van hunne verloving; zij werden eerst ieder beschreven,
-hij, een talentvolle prins, die veel goed deed, in zijn land zeer populair, en hartelijk
-bemind door den Oostenrijkschen keizer; zij, eene vorstin naar ziel en lichaam, geboren
-om keizerin te zijn van een groot rijk, met ook zeer bijzondere talenten. Heel Europa
-had op dit oogenblik de oogen op hen gevestigd. Want hun huwelijk zoû niet alleen
-zijn eene vorstelijke verbintenis van staatsbelang, maar ook een band leggen van innige
-harmonie; hun huwelijk was een huwelijk uit liefde. Men had het soms wel anders willen
-doen voorkomen, maar dit was niet juist. In Gothland, in den huiselijken kring te
-Altseeborgen, hadden de jeugdige vorsten immers elkander goed leeren kennen, was hunne
-liefde als eene idylle aan de zee ontloken en had de hertog van Xara zelfs eens het
-leven gered der aartshertogin, die zich met stormachtig weêr te ver in een roeiboot
-had gewaagd. Hunne liefde was als een roman met een goed einde. Keizer Oscar had zelve
-liever de grootvorstin Xenia tot kroonprinses van Liparië gezien, en hechtte zeer
-aan eene verbintenis met Rusland, maar hij had toegegeven aan de liefde van zijn zoon …
-En het artikel eindigde, dat het huwelijk <span class="pageNum" id="pb153">[<a href="#pb153">153</a>]</span>in October in het oude paleis te Altara zoû voltrokken worden.
-</p>
-<p>Zij lazen het samen, met hunne weemoedige gezichten, hunne groote strakke oogen, die
-nog pijn deden van het staren in elkanders ziel. Geene enkele opmerking kwam over
-hunne lippen na het artikel; zij glimlachten alleen even met hunne twee navrante glimlachen;
-toen legde hij het tijdschrift weêr <span class="corr" id="xd31e2135" title="Bron: neer">neêr</span>. En zij vroeg, met die vreemde kalmte, waarmeê zij, verloofden, elkaâr poogden te
-leeren kennen:
-</p>
-<p>—Othomar, heb jij niemand … lief?
-</p>
-<p>Een gloed kwam over zijne wangen. Wist zij van Alexa?
-</p>
-<p>—Ik heb wel gedacht, dat ik … iemand lief heb gehad, bekende hij; maar ik geloof toch
-niet, dat het bepaalde liefde was. Ik geloof nu, dat ik het element niet in me heb,
-met heel mijn ziel op te gaan in een gevoel voor een enkele andere ziel: ik zoû niet
-weten hoe ik ze vinden moest, die éene ziel, en ik zoû bang zijn me te vergissen,
-of me maar iets wijs te maken … Neen, ik geloof niet, dat ik dat excluzieve gevoel
-ooit zal kennen. Ik gevoel meer in me een groot, wijd, algemeen gevoel, een immens
-medelijden, voor ons volk. Het is misschien wel vreemd van me …
-</p>
-<p>Hij zeide het bijna schuchter, als ware het een abnormaliteit, dat algemeene gevoel,
-waarvoor hij zich schamen moest voor haar.
-</p>
-<p>—Een groote liefde, legde hij nog eens uit, toen zij hem zwijgend aan bleef zien,
-en hij maakte eene openende beweging met zijne armen; voor ons volk …
-</p>
-<p>—Voel je dàt? vroeg ze, in bevreemding.
-</p>
-<p>—Ja …
-</p>
-<p>Iets als een perspectief ging voor haar open, of er een verschiet van licht gloorde
-aan het héele einde van hare zwarte droefheid, maar het verschiet was zoo ver, zoó
-ver …
-</p>
-<p>—Maar Othomar, sprak ze; dat is heel goed. Dat is heel mooi, zoo te voelen!
-</p>
-<p>Hij haalde de schouders op.
-</p>
-<p>—Mooi! Hoe meen je? Ik voel het toch om al de ellende, die er is … onder ons volk,
-het lagere, het laagste vooral. Als ze allemaal gelukkig waren en overvloed hadden,
-had ik het niet te voelen. Waarom is er dan iets moois aan?
-<span class="pageNum" id="pb154">[<a href="#pb154">154</a>]</span></p>
-<p>Zij lachte even.
-</p>
-<p>—Daar kan ik niet tegen op redeneeren, dat gaat me te ver. Ik heb nooit over sociale
-toestanden nagedacht; ze hebben altijd zoo bestaan en … en ik heb er niet over nagedacht.
-Maar ik voel alleen, met mijn instinct van vrouw, dat het mooi is, dat je dat voelt,
-Othomar.
-</p>
-<p>Zij greep zijne hand en drukte die, haar gelaat opgeklaard in een glimlach. Toen zag
-zij, peinzend, het donkere landschap in, beneden hen, en zij huiverde.
-</p>
-<p>—Het wordt frisch, zei hij. Laat ons naar binnen gaan, Valérie; je vat hier koû.
-</p>
-<p>Zij voelde even aan haren blooten hals.
-</p>
-<p>—Dadelijk, sprak ze.
-</p>
-<p>Ze blikte naar beneden, naar den ruischenden Donau. Een damp begon van den stroom
-op te stijgen en vulde het dal als met lichte strepen mousseline.
-</p>
-<p>—Kom, drong hij.
-</p>
-<p>—Kijk, zei ze; hoe diep is dat, niet waar?
-</p>
-<p>Hij zag naar beneden.
-</p>
-<p>—Ja, antwoordde hij.
-</p>
-<p>—Voel je geen duizeling? vroeg ze.
-</p>
-<p>Hij keek haar angstig aan.
-</p>
-<p>—Neen, dat niet; ten minste niet zoo dadelijk …
-</p>
-<p>—Othomar, sprak ze fluisterend. Ik heb hier een heelen avond gezeten. Telkens keek
-ik naar beneden, het was donkerder dan nu, en ik zag niets dan zwart en het bruiste
-maar altijd door in die zwarte diepte. Het was de avond, nadat onze verloving beslist
-was. Ik had zoo een pijn, ik heb zoo geleden! Ik dacht, dat ik me al overwonnen had,
-maar ze lieten me geen rust, en ik had alleen overwonnen, om opnieuw te moeten strijden.
-Dat ik je vrouw moest worden kwam even onverwacht als … als mijn groot verdriet gekomen
-was! Toen heb ik me zoo zwak gevoeld, omdat het me zoo overstelpte, omdat ze me geen
-rust lieten. O, ze zijn zoo wreed geweest, ze gaven me geen oogenblik, om op adem
-te komen. Voort moest het maar weêr, voort! Toen heb ik me zwak gevoeld. Ik dacht,
-dat ik die zwakte niet te boven zoû komen. Ik heb hier gezeten, uren lang, te kijken
-naar den Donau. Het maakte me duizelig … Eindelijk dacht ik, dat ik het besluit genomen
-<span class="pageNum" id="pb155">[<a href="#pb155">155</a>]</span>had: om me te gooien naar beneden … Ik zag me al wegdrijven, daar, daar, daar beneden,
-om het kasteel heen … Waarom ik het niet gedaan heb? Ik geloof om … hèm, Othomar.
-Ik had hem nog lief, ik heb hem nòg lief, al is het niet fier van me. Ik woû hem niet
-straffen met mijn zelfmoord. Hij is zoo zwak, ik ken hem, het zoû hem zijn leven lang
-vervolgd hebben …! Toen … toen, Othomar, ben ik weggeloopen, en ik heb gebeden!!!
-Ik wist niet meer wat te doen!
-</p>
-<p>Zij verborg haar gelaat vol smart in hare handen, met een grooten snik. Zijne oogen
-stonden vol tranen; hij zag hoe ze sidderde. Een zijblik vol angst sloeg hij op den
-diepen stroom beneden, die als roepend bruiste …
-</p>
-<p>—Valérie, stamelde hij ontzet; in Godsnaam, laat ons naar binnen gaan. Het is hier
-te koud, en, en …
-</p>
-<p>Zij zag hem angstig aan ook, met dolle oogen.
-</p>
-<p>—Ja, laat ons weggaan, Othomar! fluisterde ze. Ik word hier bang: we hebben dat zoo
-in onze familie; nog zooveel romantiek vloeit er in onze aderen …
-</p>
-<p>Zij nam zijn arm, zij gingen. Maar voor zij de suite der antichambres zouden binnentreden,
-die leiden naar de salons, hield zij hem nog even staande:
-</p>
-<p>—Ik weet niet, of we elkaâr nog alleen zullen zien, voor je naar Lipara terug gaat.
-En ik wou je nog voor iets bedanken …
-</p>
-<p>—Waarvoor? vroeg hij.
-</p>
-<p>—Voor … iets, dat tante Olga me zei. Voor …, dat je me gespaard hebt … te Altseeborgen.
-Ik dank je, Othomar …
-</p>
-<p>Zij sloeg haren arm om zijn hals en gaf hem een zoen. Ook hij kuste haar.
-</p>
-<p>En zij wisselden hunne eerste liefkoozing.
-</p>
-</div>
-</div>
-<div id="s2.2.2" class="div2 section"><span class="pageNum">[<a href="#s2.2.2.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h3 class="main">II.</h3>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Den volgenden dag reisde de keizerlijke familie van Liparië van Sigismundingen terug
-naar Lipara. De ontvangst aan het Centraal Station was zeer hartelijk; de stad vlagde:
-des avonds hadden er volksfeesten plaats.
-</p>
-<p>De officieren der verschillende legercorpsen boden den kroonprins gastmalen aan, zijne
-verloving ter eere. De portretten der aartshertogin Valérie lagen voor de ramen van
-alle <span class="pageNum" id="pb156">[<a href="#pb156">156</a>]</span>platenwinkels; de couranten schreven lange artikelen, vol jubel.
-</p>
-<p>Het was enkele uren vóór het diner, dat de officieren der Troongarde boden aan hun
-vorstelijken kolonel, toen aan Othomar, als ware het in eens, een vreemd gevoel overkwam.
-Hij was in zijn kabinet, voelde zich eenigszins duizelig en moest gaan zitten. De
-duizeling was licht, maar duurde lang; lang scheen de kamer langzaam om hem heen te
-willen draaien en niet te kunnen, wat iets pijnlijks gaf als van tegenkanting dier
-levenlooze meubels. Othomars eene hand steunde op zijne dij, de andere op den kraaghals
-van den colley, die den kop op zijn knie had gelegd. Voorover gebogen bleef hij zitten.
-</p>
-<p>Toen de duizeling voorbij was, behield hij eene vreemde lichtheid in het hoofd, als
-was er iets uit weggenomen. Hij liet zich voorzichtig achterover vallen; de colley,
-die half soesde in slaap, opende droomerig de oogen en soesde weêr in, zijn kop op
-de knie, onder Othomars hand. Een onweêrstaanbare <span class="corr" id="xd31e2193" title="Bron: moeheid">moêheid</span> kroop Othomars ledematen op, als verdronken zij in eene weeke modder. Het bevreemdde
-hem zeer, dit gevoel, en op de pendule schuin kijkend, zonder het hoofd te bewegen—om
-de duizeling niet weêr te wekken—rekende hij uit, dat hij nog ruim anderhalf uur had
-vóor het diner. Deze lengte van tijd stelde hem gerust en stil bleef hij zitten, als
-wegende zijne moêheid, of ze over zoû gaan, wegtrekken zoû uit zijn lichaam.
-</p>
-<p>Het duurde lang, zoo lang zelfs, dat hij weifelde of hij zoû kunnen gaan of niet.
-Toen er drie kwartier voorbij waren, drukte zijne hand op eene schel, die dicht bij
-hem stond op tafel. Andro kwam binnen.
-</p>
-<p>Andro … begon hij, maar zweeg verder.
-</p>
-<p>—Verlangt Uwe Hoogheid zich te kleeden? Alles ligt klaar …
-</p>
-<p>Othomar klopte even op den kop van den hond, die nog steeds onbeweeglijk op zijn knie
-lag te soezen …
-</p>
-<p>—Is Uwe Hoogheid niet wel?
-</p>
-<p>—Een beetje duizelig, Andro; het gaat al over.
-</p>
-<p>—Maar zoû Uwe Hoogheid dan wel gaan: wil ik dan niet om prins Dutri zenden?
-<span class="pageNum" id="pb157">[<a href="#pb157">157</a>]</span></p>
-<p>Othomar schudde beslist van neen en stond op.
-</p>
-<p>—Neen, het is al te laat, Andro. Kom, help me …
-</p>
-<p>En hij ging zijne kleedkamer in.
-</p>
-<p>Hij verscheen op het diner, maar verontschuldigde zich toch bij zijne officieren over
-zijne zichtbare matheid. De toasten dankte hij alleen met eene heffing van het glas,
-met een glimlach. Het trof hen allen, dat hij er zeer slecht uitzag, vermagerd, met
-holle oogen, krijtwit in zijn wit- en gouden uniform. Dadelijk na het diner keerde
-hij terug naar het Imperiaal, zonder hen te vergezellen naar den Keizerlijken Sportclub,
-de societeit der jeunesse dorée.
-</p>
-<p>Hij sliep zwaar; een vage nevel van gedroom trok door zijn nacht heen. De man, die
-hem bij Zanti had willen vermoorden, grijnsde hem aan, met ballende vuisten; toen
-werd het de Gothlandsche zee en hij roeide Valérie voort, maar hoe hij ook roeide,
-de drie torens van het kasteel trokken altijd door verder weg, onbereikbaar …
-</p>
-<p>Toen hij wakker werd, was het reeds over achten. Hij bedacht, dat het te laat was
-voor zijn gewoonlijken morgenrit en bleef liggen. Hij belde Andro.
-</p>
-<p>—Waarom heb je me niet om zeven uur wakker gemaakt?
-</p>
-<p>—Uwe Hoogheid sliep nog zoo vast; ik dorst niet; Uwe Hoogheid was gisteren niet wel …
-</p>
-<p>—Zoo, heb je me maar laten slapen? Nu goed dan … Laat aan Hare Majesteit zeggen, dat …
-dat ik niet wel ben.
-</p>
-<p>De man zag hem angstig aan.
-</p>
-<p>—Wat scheelt Uwe Hoogheid?
-</p>
-<p>—Ik weet het niet, Andro.….. Een beetje moê. Waar is Djalo?
-</p>
-<p>—Hier, Hoogheid …
-</p>
-<p>De colley kwam luidruchtig binnen, zette de groote pooten op het veldbed, schudde,
-om te kwispelstaarten, het achterlijf woest heen en weêr … Toen, in eens, ging hij
-kalm liggen, voor het bed.
-</p>
-<p>De keizerin liet terug zeggen, dat zij dadelijk komen zoû; ze was nog niet gekleed …
-Met stille open oogen bleef Othomar op haar wachten.
-</p>
-<p>In eene lichte emotie van angst kwam zij eindelijk binnen. Zij vroeg hem, maar leerde
-niets uit zijne vage, glimlachende <span class="pageNum" id="pb158">[<a href="#pb158">158</a>]</span>antwoorden. Zij legde de hand op zijn voorhoofd, voelde hem den pols, en kon niet
-besluiten, dat hij koorts zoû hebben. Er heerschten tyfeuze koortsen: zij was er bang
-voor …
-</p>
-<p>De lijfartsen, die geroepen waren, stelden haar gerust: het was geene koorts. De prins
-scheen algemeen vermoeid te zijn, hij had zich zeker overspannen in den laatsten tijd.
-Hij moest rust nemen …
-</p>
-<p>De keizer verwonderde zich: de prins had pas rust gehad en was weken lang te Altseeborgen
-gebleven. Waar had dit dan voor gediend!
-</p>
-<p>De mare ging door het paleis, de stad, het land, Europa, dat de hertog van Xara zijne
-kamer hield, om eene lichte ongesteldheid. Een eenvoudig, zeer geruststellend bulletin
-werd door de geneesheeren uitgegeven.
-</p>
-<p>Des middags stond Othomar echter op, kleedde zich zelfs aan, maar niet in uniform.
-Hij had wat geluncht in zijne kamer en ging nu naar de appartementen der prinses Thera.
-Zij zat te teekenen; bij haar eene hofdame; de jonge markiezin van Ezzera.
-</p>
-<p>De prinses was verwonderd haar <span class="corr" id="xd31e2232" title="Bron: broer">broêr</span> te zien.
-</p>
-<p>—Zoo, ben je daar? Ik dacht, dat je in bed lag …
-</p>
-<p>—Neen, het gaat wat beter …
-</p>
-<p>Hij groette de markiezin, die was opgestaan en neeg.
-</p>
-<p>—Wil je niet schilderen? vroeg Othomar.
-</p>
-<p>Thera zag hem aan.
-</p>
-<p>—Je ziet zoo witjes, arme jongen. Het is misschien beter maar niet. Het vermoeit ook,
-dat pozeeren, niet waar?
-</p>
-<p>—Ja, soms, een beetje …
-</p>
-<p>Zij stonden nu voor het portret; de markiezin had zich teruggetrokken, zooals zij
-altijd deed bij dit samenzijn van zuster en broêr. De schilderij was half bedekt door
-een zijden lap, dien Thera opsloeg: het was reeds een expressieve jonge kop, waarin
-het leven begon te tintelen achter de zwarte oogen van weemoed; breed en vast van
-penseelstreek gedaan, met veel reflect van buitenlicht, dat op de eene zijde van het
-gelaat viel, en het en relief deed komen, de achterschaduw uit, naar voren.
-</p>
-<p>—Het is bijna af? vroeg Othomar.
-<span class="pageNum" id="pb159">[<a href="#pb159">159</a>]</span></p>
-<p>—Ja, maar voor den laatsten toets heb je me al zoo lang in den steek gelaten; denk
-maar, je bent vier maanden weg geweest. Ik heb er al dien tijd niets aan kunnen doen.
-Maar weet je … je bent veranderd. Als ik het maar niet zoo zal moeten laten! Het lijkt
-niet meer …
-</p>
-<p>—Het zal wel weêr gaan lijken, als ik er wat beter ga uitzien! antwoordde Othomar,
-maar de prinses was licht nerveus geworden; ze trok er den zijden lap in eens weêr
-over heen …
-</p>
-<p>Othomar verscheen niet aan het diner: hij ging zeer vroeg naar bed. Den volgenden
-morgen vonden de geneesheeren hem in eene groote lusteloosheid. Hij was opgestaan
-maar had zich niet gekleed; in zijn kamerrok lag hij op de bank in zijn kabinet, de
-colley aan zijne voeten. Aan de keizerin klaagde hij, dat hij zich zoo vreemd in zijn
-hoofd voelde, als zoû het opengaan en alles er uit weg wolken. Bij den keizer, die
-hem zien kwam, verontschuldigde hij zich met zijn souffranten glimlach over zijne
-ongesteldheid …
-</p>
-<p>Dagen lang bleef deze toestand de zelfde: een totale lusteloosheid, totaal gebrek
-aan eetlust, een zichtbare afmatting … De keizerin zat bij hem, waar hij lag op zijn
-bank, te staren door de open ramen in de groene diepte van het platanenpark. De vogels
-sjirpten er; soms klonk er Berengars schel stemmetje, die met een paar vriendjes speelde.
-De keizerin las voor, maar het vermoeide Othomar, het gaf hem hoofdpijn …
-</p>
-<p>Na een lang gesprek, dat de drie doktoren met den keizer en de keizerin gehouden hadden,
-werd professor Barzia, uit Altara, ontboden voor een consult; de professor was een
-Europeesche specialiteit voor zenuwziekten.
-</p>
-<p>In het kabinet van den keizer wachtten de keizer, de keizerin en graaf Myxila den
-uitslag van het onderzoek en het, daarop gevolgde, consult af. Het duurde lang. In
-hunne afwachting spraken zij niet; de keizerin zat met haar stil berustend gelaat
-te turen voor zich; de keizer, geïrriteerd, liep heen en weer. De oude Rijkskanselier,
-met zijn streng hoog gezicht en kalen schedel, stond bedenkend bij het venster.
-</p>
-<p>Toen lieten de doktoren zich aandienen. Ze verschenen, professor Barzia het eerst;
-de lijfartsen volgden. De keizerin meende het ergste te lezen op de strakke, blanke
-gelaatstrekken <span class="pageNum" id="pb160">[<a href="#pb160">160</a>]</span>van den professor; een der artsen echter, als meêlijdend, knikte achter hem haar met
-zijn goeden, dikken kop stil geruststellend toe.
-</p>
-<p>—Welnu? vroeg de keizer.
-</p>
-<p>—Wij hebben Zijne Keizerlijke Hoogheid nauwkeurig onderzocht, Sire, begon de professor.
-Van organische gebreken is de prins geheel vrij, al is hij over het algemeen van een
-teêre constitutie.
-</p>
-<p>—Maar wat dan? vroeg Oscar.
-</p>
-<p>—Het zenuwgestel van den prins dunkt ons verontrustend afgemat te zijn, Sire.
-</p>
-<p>—Zijn zenuwen? Maar hij is nooit zenuwachtig, hij is altijd kalm, riep de keizer uit,
-onwillig.
-</p>
-<p>—Des te meer moeten wij de zelfbeheersching van den prins waardeeren, Sire. Zijne
-Hoogheid heeft zich klaarblijkelijk lang opgehouden en deze inspanning verraadt Haar
-op dit oogenblik. Zij is nu ook kalm, zooals uwe Majesteit zegt. Maar deze kalmte
-neemt niet weg, dat Hare zenuwen volslagen afgewonden zijn. Zijne Hoogheid heeft klaarblijkelijk
-te veel van zich gevergd in den laatsten tijd.
-</p>
-<p>—En waarin zoû dat te veel dan bestaan hebben? vroeg de keizer hoog.
-</p>
-<p>De professor maakte een vage beweging van niet weten.
-</p>
-<p>—Dat zal men aan het hof zeker beter weten, dan ik het doe, die uit mijn studeerkamer
-en mijn hospitalen kom, Sire. Uwe Majesteit zelve zal zich daarop het antwoord kunnen
-zeggen. Ik kan Haar alleen eenige aanwijzingen geven. Zijne Hoogheid zei mij, zich
-te herinneren, dat Zij reeds voor de groote overstroomingen in het Noorden, zulke
-afmattingen en duizelingen soms gevoelde. Dat was Maart. Het is nu September. Ik stel
-mij voor, dat Zijne Hoogheid in dien tusschentijd een veelbewogen leven geleid heeft?
-</p>
-<p>De keizer maakte niet begrijpende bewegingen met de wenkbrauwen: lichte trillingen
-van zijn energieken kop met het vlies van grauwend haar.
-</p>
-<p>—De reis in het Noorden kàn Zijne Hoogheid inderdaad aangedaan hebben, professor …
-begon de keizerin.
-</p>
-<p>Zij zat recht, hoog, in haar eenvoudigen donkeren japon. Haar gelaat was zonder uitdrukking;
-hare oogen stonden <span class="pageNum" id="pb161">[<a href="#pb161">161</a>]</span>koud. Zij sprak zakelijk, als ware zij niet eene moeder.
-</p>
-<p>—Zijne Hoogheid is zeer gevoelig voor indrukken, ging zij voort; en Zij heeft er indertijd
-te Altara zeker schokkende ontvangen.
-</p>
-<p>De professor boog even het hoofd.
-</p>
-<p>—Ik herinner mij Zijne Hoogheid bij de lijkschouwing op het weiland, Mevrouw, sprak
-hij; Zijne Hoogheid wàs werkelijk bizonder aangedaan …
-</p>
-<p>—Maar wat beduidt dat? vroeg de keizer, steeds onwillig.
-</p>
-<p>—Dat Zijne Hoogheid sedert dien tijd denkelijk zich geen rust heeft gegund, Sire …
-</p>
-<p>—Zijne Hoogheid heeft zich máanden rust gegund! riep de keizer uit.
-</p>
-<p>—Vergunt Uwe Majesteit ons eens terug te gaan. Na de zeer vermoeiende reis in het
-Noorden is de prins dadelijk gekomen in emoties van staatsgewicht—Lipara was destijds
-in staat van beleg—en daarna in de drukte van een feesttijd, toen de Syrische vorsten
-hier waren …
-</p>
-<p>De keizer haalde zijne schouders op.
-</p>
-<p>—De prins is daarna al voor herstel van gezondheid op aanraden van mijne geachte collega’s
-een zeereis gaan ondernemen. Zijne Hoogheid zal toen zeker dagen van rust gehad hebben,
-maar de groote jachten, die Zij met prins Herman samen deed, zijn Haar ongetwijfeld
-te zwaar geweest. Nu onlangs is Zijne Hoogheid verloofd geworden; dit kan Haar emotie
-gegeven hebben. Ik tel terloops eenige groote feiten op Sire. Ik weet niets van het
-gemoedsleven van den prins; als ik hiervan iets wist, zoû het mij zeker vele dingen
-gemakkelijker maken. Maar dit is zeker: Zijne hoogheid heeft dag aan dag een te schokkend
-bestaan gehad, wat het dan ook waren, groote of kleine schokken. Dat Zijne Hoogheid
-niet eerder in elkaâr is gevallen, is zeker te danken aan een buitengewone zelfbeheersching,
-die mij aan den prins zelven onbewust schijnt te zijn, en een buitengewoon plichtbesef,
-dat ook geheel spontaan in Zijne Hoogheid is. Het zijn hooge kwaliteiten, Sire, in
-een aanstaand heerscher …
-</p>
-<p>Der keizerin was eene lichte blos over de wangen gegaan; een zachtere uitdrukking
-wasemde over de koudheid van haar gelaat.
-<span class="pageNum" id="pb162">[<a href="#pb162">162</a>]</span></p>
-<p>—En wat is uw raad, professor; vroeg ze.
-</p>
-<p>—Dat Zijne Hoogheid een onbepaalde rust neemt, Mevrouw.
-</p>
-<p>—Het huwelijk van Zijne Hoogheid was voor de volgende maand bepaald? hernam de keizerin,
-vragend.
-</p>
-<p>De gelaatstrekken van professor Barzia werden geheel blank en strak.
-</p>
-<p>—Het zoû eenvoudig-weg onverantwoordelijk zijn, zoo het huwelijk van Zijne Hoogheid
-de volgende maand plaats greep, orakelde hij met zijne effen stem.
-</p>
-<p>—Uitstellen dus? vroeg de keizer met ingehouden woede.
-</p>
-<p>—Zonder twijfel, Sire, antwoordde de professor beslist koel.
-</p>
-<p>—Mijn waarde professor … knarste de keizer quasi vriendelijk tusschen zijne tanden.
-U spreekt van rust, en nog eens rust. Mijn God, ik zeg u, de prins heeft gerust, maanden
-lang, maanden lang … Rust ik ooit zoo lang? Het leven is bewegen en regeeren is ook
-bewegen. Wij kunnen niet aan rust doen. Waarom moet een jonge man als de prins telkens
-rusten? Ik herinner me niet óoit zoo gerust te hebben, toen ik kroonprins was! Hij
-mag niet zoo sterk zijn als ik, hij is toch van ons geslacht! Emoties, zegt u! Mijn
-God, wat voor emoties? Emoties van staatsgewicht? Die heb <i>ik</i> gehad, maar de prins niet! En ik had er geen rust na noodig. En moet een vorst gaan
-uitrusten als hij verloofd is? Waarlijk, professor, dat is de hygiene te ver gedreven!
-</p>
-<p>—Sire, Uwe Majesteit heeft mij de eer aan gedaan mijn oordeel te willen weten over
-den toestand van den prins. Ik heb dat oordeel uitgesproken, naar mijn beste weten.
-</p>
-<p>—Dus rusten?
-</p>
-<p>—Ongetwijfeld, Sire.
-</p>
-<p>—Maar hoe lang wil u hebben, dat hij rust?
-</p>
-<p>—Ik kan hier geen datum voor stellen, Sire.
-</p>
-<p>—Hoe lang wil u hebben, dat zijn huwelijk uitgesteld wordt?
-</p>
-<p>—Onbepaald, Sire.
-</p>
-<p>De keizer liep het vertrek op en neêr: iets vreemds trilde over zijn energieken kop:
-angst …
-</p>
-<p>—Dat is onmogelijk, mompelde hij kort.
-<span class="pageNum" id="pb163">[<a href="#pb163">163</a>]</span></p>
-<p>Allen zwegen.
-</p>
-<p>—Dat is onmogelijk, herhaalde hij dof.
-</p>
-<p>—Dan zal Zijne Hoogheid trouwen, Sire, sprak Barzia.
-</p>
-<p>De keizer stond stil.
-</p>
-<p>—Hoe meent u? vroeg hij barsch.
-</p>
-<p>—Dat niets Uwe Majesteit in deze hoogst gewichtige zaak een wet kan stellen … behalve
-Haar eigen gevoel en redelijkheid.
-</p>
-<p>Hijgend ging de adem van den keizer tusschen zijne volle lippen van zinnelijkheid;
-de aderen zwollen dik op zijn laag Romeinsch voorhoofd; zijne sterke vuisten balden
-zich. Niemand had Oscar nog ooit zoo gezien; niemand ook had nog zoo tot hem durven
-spreken …
-</p>
-<p>—Verklaar u dan nader … donderde hij in het strakke gelaat van den professor.
-</p>
-<p>Deze verroerde geen trek:
-</p>
-<p>—Als Zijne Hoogheid de volgende maand trouwt … is het Hare dood.
-</p>
-<p>De keizerin bleef stijfrecht zitten, maar zij was zeer bleek geworden, rilde, sloot
-de oogen of het haar duizelde.
-</p>
-<p>—Zijn dood? herhaalde de keizer verplet.
-</p>
-<p>—Of erger, hernam Barzia.
-</p>
-<p>—Erger?!
-</p>
-<p>—De ondergang van Uwer Majesteits nageslacht.
-</p>
-<p>De keizer vloekte een woesten kreet uit en sloeg met de vuist op de kolossale schrijftafel.
-De bronzen ornamenten ervan rinkelden. Myxila trad een pas nader.
-</p>
-<p>—Sire, sprak hij; er is niets verloren. Heb ik den heer professor wel begrepen, zoo
-is de ongesteldheid van Zijne Hoogheid een tijdelijke, en geneeslijk.
-</p>
-<p>—Zeker, Excellentie, antwoordde Barzia. Zoo men ze niet ongeneeslijk en niet tijdelijk
-dwingt te zijn.
-</p>
-<p>Oscar beet zich krampachtig de lippen. Zijne flonkerende oogen stonden klein, wreed.
-Het trof Myxila, hoe hij op dit oogenblik geleek op een portret van Wenceslas den
-Wreede.
-</p>
-<p>—Professor, siste hij. Wij danken u. Blijf nog tot morgen te Lipara, opdat u Zijne
-Hoogheid nog eens kunt observeeren.
-</p>
-<p>—Ik gehoorzaam aan het bevel van Uwe Majesteit, sprak Barzia.
-<span class="pageNum" id="pb164">[<a href="#pb164">164</a>]</span></p>
-<p>Hij boog, de geneesheeren bogen, zij trokken zich terug. Alleen met de keizerin en
-den Rijkskanselier hield Oscar niet langer zijne woede in. Als een schuimbekkend dier,
-wild, liep hij op en neêr met zware stappen, krijschte hij als kon de adem niet door
-zijne geschroefde keel komen.
-</p>
-<p>—Oh! knarste hij tusschen zijne kaken, barstte hij eindelijk los. Die jongen, die
-jongen … Niet éens kan die trouwen! Met zijn hertogin, dàar kon die meê trouwen! En
-die jongen! <span class="corr" id="xd31e2339" title="Bron: o">O</span>, die jongen moet mij opvolgen, mij …
-</p>
-<p>Eene woedende lach stiet zich minachtend tusschen zijne groote witte tanden uit, als
-vlijmende ironie.
-</p>
-<p>De keizerin rees op.
-</p>
-<p>—Graaf Myxila, sprak ze sidderend. Mag ik uwe Excellentie verzoeken mij te volgen?
-</p>
-<p>Zij begaf zich naar de deur; Myxila, aarzelend, volgde reeds.
-</p>
-<p>—Waarom? brulde de keizer. Wat hoeft dat? Ik heb nog met Myxila te spreken …
-</p>
-<p>De keizerin zag den keizer ijskoud aan.
-</p>
-<p>—Het is mijn uitdrukkelijk verlangen, Sire, dat graaf Myxila mij volgt, sprak ze,
-steeds met hare sidderende stem. Ik geloof, dat Uwe Majesteit eenzaamheid behoeft.
-Uwe Majesteit zegt dingen, die een vader zelfs niet mag dènken, en een vorst zeker
-niet mag zeggen in de prezentie van een zijner onderdanen, zelfs niet van een zijner
-hoogste onderdanen.
-</p>
-<p>De keizer wilde haar in de rede vallen.
-</p>
-<p>—Uwe Majesteit,—ging de keizerin trillend hoog voort, hem het woord met hare ijskoude
-sidderende stem afsnijdende als met een mes—zegt die dingen van den toekomstigen keizer
-van Liparië … en ik wensch, dat géen onderdaan, zelfs niet graaf Myxila, uit Haren
-mond van den toekomstigen keizer zulke dingen hoort, en Uwe Majesteit zegt die dingen
-tevens van <i>mijn zoon</i>: ik wensch ze daarom zelve niet te hooren, Sire! Excellentie, ik verzoek u nog eens:
-volg mij.
-</p>
-<p>—Ga dan, brulde de keizer dol uit. Ga dan allebei, laat me dan ook alleen, laát me
-ook alleen!
-</p>
-<p>Razend liep hij op en neêr, smeet de stoelen door elkaâr, brieschte als een aangehitste
-leeuw in een kooi. Een bronzen beeld nam hij op van de console, voor een hoogen <span class="pageNum" id="pb165">[<a href="#pb165">165</a>]</span>spiegel, die tot het plafond in vergulde krullen omhoog steeg.
-</p>
-<p>—Daar dan! striemde zijne stem, en zijne drift scheen ziedend rond te wolken in zijn
-verward brein, rood te bliksemen uit zijn bloeddoorschoten oogen, hem krankzinnig
-te maken om zijne krachteloosheid tegenover de domme noodlotsmachten der logische
-omstandigheden.
-</p>
-<p>Als een athleet zwierde zijn arm het zware beeld door de lucht; als een kind wierp
-hij het in den grooten spiegel, die kletterend in een flikkering van scherven viel.
-</p>
-<p>De keizerin en Myxila hadden het vertrek verlaten.
-</p>
-</div>
-</div>
-<div id="s2.2.3" class="div2 section"><span class="pageNum">[<a href="#s2.2.3.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h3 class="main">III.</h3>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Het gewone hofleven ging voort; de eerste handkus der keizerin had plaats. In de salons
-bij de groote audientiezaal, verlicht, hoewel het dag was, kwamen de dames binnen,
-boden zij den opperkamerheer hare kaarten, teekenden zij hare namen, en zij wachtten
-tot hare titels door de ceremoniemeesters afgeroepen werden. Zij stonden gedecolleteerd,
-de slepen over den arm; de lange witte sluiers vielen uit de pluimen en juweelen tiara’s
-in wazige gaaskreuken neêr. Het was de eerste vertooning der nieuwe toiletten van
-het seizoen: de mode, die zich bezield had en liep en zich bewoog: maar de volle salons
-schenen slechts de wachtkamers dier vertooning, en de opgenomen slepen gaven een indruk
-van voorbereiding tot het plechtige moment: die seconde van verschijning vóor Hare
-Majesteit.
-</p>
-<p>De hertogin van Yemena stond, den sleep ook over den arm, te wachten met de twee markiezinnen
-hare stiefdochters, die zij aan de keizerin zoû voorstellen, toen zij Dutri zag, buigende,
-zich verontschuldigende, tusschen de wachtende dames doordraaiende, om zich een weg
-te banen door den vollen salon.
-</p>
-<p>—Dutri, wenkte ze, omdat hij haar niet scheen op te merken.
-</p>
-<p>Hij bereikte haar na eenige moeite, boog, maakte zijn compliment aan de markiezinnetjes.
-Zij stonden met strakke gezichtjes, angstig ronde oogen, en gesloten monden, en hare
-jonge figuurtjes teekenden zich met eene schuchterheid van nieuwelingen; telkens,
-gracieus onhandig, verschikten zij <span class="pageNum" id="pb166">[<a href="#pb166">166</a>]</span>hare zwarte manteaux-de-cour over den arm. Even glimlachten zij bij de woorden van
-Dutri: toen keken zij weêr strak, vergeleken de toiletten van andere dames bij de
-hare.
-</p>
-<p>—Dutri, fluisterde de hertogin, hoe gaat het met den prins?
-</p>
-<p>—Altijd het zelfde, fluisterde de adjudant terug; vreeslijke melancholie …
-</p>
-<p>—Dutri, murmelde zij nog zachter; zoû er geen mogelijkheid zijn hem te zien?
-</p>
-<p>Dutri verschrikte.
-</p>
-<p>—Hoe dat, Alexa? Wanneer?
-</p>
-<p>—Straks, na den Handkus …
-</p>
-<p>—Maar dat is onmogelijk, Alexa! De prins ziet niemand dan Hunne Majesteiten en de
-prinses; hij spreekt met niemand, zelfs met zijn kamerheeren niet, zelfs met òns niet …
-</p>
-<p>—Dutri, drong ze aan, met hare hand op zijn arm. Doe je best. Help me. Vraag een onderhoud
-voor me. Als je me helpt … zal ik je ook helpen …
-</p>
-<p>Hij zag haar afwachtend aan.
-</p>
-<p>—Hoe vindt je Hélène? vroeg ze.
-</p>
-<p>—Ik vind Eleonore mooier, glimlachte hij.
-</p>
-<p>—Nu, kom dan meer bij ons, op mijn intime réunies; we zien je ook nooit. Ik zal den
-hertog prepareeren …
-</p>
-<p>Zij liet het rijke huwelijk schitteren voor zijne oogen: hij knipte ze, bleef haar
-glimlachend aanzien.
-</p>
-<p>—Maar help me dan ook … ging ze voort, met een lichte dreiging.
-</p>
-<p>—Ik zal mijn best doen, Alexa, maar ik kan niets beloven …, had hij nog juist tijd
-te antwoorden.
-</p>
-<p>—Wacht me na den Handkus, in de andere salons, fluisterde hij nog, gaande eenige passen
-met haar meê.
-</p>
-<p>Den geheelen tijd, plechtig, langzaam, waren de titels afgeroepen, gingen de dames,
-lieten zij de slepen vallen, ontloken zij.
-</p>
-<p>—Hare Excellentie, de hertogin van Yemena, gravin van Vaza; Hare Excellenties, de
-markiezinnen van Yemena …
-</p>
-<p>De hertogin ging, de meisjes volgden haar, hoogrood met kloppende harten. Zij gingen
-door eene galerij, lieten de slepen vallen aan de deur der audiëntiezaal, voor zij
-binnen <span class="pageNum" id="pb167">[<a href="#pb167">167</a>]</span>zouden treden, plooiden lakeien de zware hofmantels uit.
-</p>
-<p>—Hare Excellentie, de hertogin … klonk het ten tweede male, nu door de audientiezaal
-heen, met een timbre van meerderen eerbied, omdat de titels klonken aan de luisterende
-ooren van ontvangende majesteit.
-</p>
-<p>De hertogin en de markiezinnen traden binnen. Tusschen de wijde golvingen van donkerblauw
-fluweel, waarop het kruis van St. Ladislas wemelde, onder den, door vergulde zuilen
-geschraagden troonhemel, zat de keizerin, als een idool, de schaduw uitschitterend
-in haar waterend zilverbrokaat, den hermelijnen keizerinnemantel zwaar kreukbrekende
-voor hare voeten, een kleinen diadeem flonkerend op het hoofd. Aan de rechterzijde
-van den troon zat de prinses Thera op een lagen tabouret; aan de linkerzijde stond
-de grootmeesteres, gravin de Threma; er om heen, aan beide zijden eene foule van dames
-du palais, grootofficieren, adjudanten, hofdames, kamerjonkers …
-</p>
-<p>De hertogin neeg hare nijging, naderde den troon, zweemde in grooten eerbied, als
-met nauwlijks durvende lippen, de juweelen vingertippen aan, die de keizerin bood,
-als een levende reliquie. Toen ging de hertogin twee passen terug; de markiezinnen,
-de eene na de andere, volgden haar voorbeeld, verrasten iedereen door de aanvallige
-frischheid harer eerste hofbewegingen, waarin een tikje linkschheid charme werd. Toen
-de buigingen, in langzame ceremonie van terugwijken, achteruit. Door andere deuren
-verdwenen zij, ze bevonden zich in eene andere galerij, kwamen in andere salons, waar
-men op de rijtuigen wachtte. En de jonge meisjes zagen elkaâr aan, zoekende elkanders
-indruk, nog hoogrood van de emotie harer ijdele hartjes en vreemd verrast door de
-ongrijpbare kortheid van dit eerste allergewichtigste moment van hun leven als groote
-menschen; als dames, die met hare mama meêgingen naar het Imperiaal, waar zij voortaan
-hare existenties zouden ademen. Hoe hadden zij niet maanden van te voren gedacht en
-gedroomd aan dit oogenblik; nu, in eens was het voorbij, verrassend vlug …
-</p>
-<p>De hertogin tikte aan Hélène’s kin, schikte even de voile van Eleonore, zei, dat ze
-keurig gebogen hadden, dat zij zelve zelfs had opgelet hoe de gravin de Threma schik
-in ze gehad <span class="pageNum" id="pb168">[<a href="#pb168">168</a>]</span>had. Zij sprak daarop druk met de andere dames, stelde de markiezinnetjes voor, beloofde
-visites. Toen wendde zij zich tot een lakei.
-</p>
-<p>—Ga, zien, waar mijn rijtuig staat, en laat het uit de file gaan en het laatst voorkomen.
-Hier …
-</p>
-<p>Zij gaf een klein goudstuk, de lakei ging. Eene zenuwachtige gejaagdheid kwam over
-de hertogin; angstig zag zij naar Dutri uit. Eindelijk kreeg zij hem in het oog; met
-zijn fattige drukte kwam hij op haar af …
-</p>
-<p>—Alexa, onmogelijk …
-</p>
-<p>—Heb je het aan den prins gevraagd?
-</p>
-<p>—Neen, nog niet; ten eerste het is de vraag of hij <i>mij</i> wel zien wil. Maar dan: hoe breng ik je bij hem; op de portalen loopen altijd lakeien
-rond, en staan de gardes en de hellebaardiers; in de antichambres kan je telkens een
-kamerheer tegenkomen. Heusch, het is onmogelijk.
-</p>
-<p>Zij werd boos.
-</p>
-<p>—Vraag het hem nu maar eerst. We zullen later wel zien, hoe we bij hem komen.
-</p>
-<p>Dutri maakte gracieuze bewegingen van wanhoop.
-</p>
-<p>—Maar Alexa, je wilt heusch niet begrijpen, dat … het onmógelijk is …
-</p>
-<p>Zij antwoordde niet, niet willende nadenken, met haar star idee-fixe in het hoofd
-om den prins te zien, te willen zien. En in eens, zich wendende tot hem:
-</p>
-<p>—Goed, als je dan niets voor me over hebt, hoef je niet te denken, dat ik je in iéts
-helpen zal.
-</p>
-<p>Luider dan hun eerst gefluisterde woorden, klonk hare nerveus booze stem, de beide
-meisjes hoorden haar.
-</p>
-<p>—Alexa, smeekte hij zacht.
-</p>
-<p>—Neen, neen, weerde zij af, kort.
-</p>
-<p>Hij dacht aan zijne schulden en aan Eleonore.
-</p>
-<p>—Ik zal het probeeren, fluisterde hij radeloos.
-</p>
-<p>Zij beloonde hem dadelijk met een glimlach; hij ging, repte zich weêr heen, als in
-eeuwige drukte van gewichtigheid, om zijn jongen, keizerlijken meester, die zoo treurig
-ziek was. In de antichambre vond hij den kamerheer van dienst.
-</p>
-<p>—Zoû de prins me willen zien?
-</p>
-<p>De kamerheer haalde de schouders op.
-<span class="pageNum" id="pb169">[<a href="#pb169">169</a>]</span></p>
-<p>—Ik zal het vragen, sprak hij.
-</p>
-<p>Spoedig kwam hij terug; de prins vergunde Dutri te komen.
-</p>
-<p>Dutri trad binnen. Othomar lag op een divan van tijgervellen voor zijne schrijftafel.
-Hij was vermagerd; hol stonden zijne oogen, zijn tint was mat: tenger slank stak zijn
-hals uit den lossen omgeslagen kraag van het zijden hemd, waarover hij een fluweelen
-buis droeg. Hij had een boek in de hand, opengeslagen. Djalo, de colley, lag op den
-grond.
-</p>
-<p>Dutri, als goed prater, begon met vlugge zinnen, die elkaâr op de hielen zaten, zijn
-verzoek voor te dragen …
-</p>
-<p><span class="corr" id="xd31e2434" title="Niet in bron">—</span>De hertogin? herhaalde Othomar mat. Neen, neen …
-</p>
-<p>Dutri praatte door, werd weemoedig, gebruikte woorden van zachte, insinueerende treurigheid.
-Over Othomars gelaat trok eene uitdrukking op, die daar vreemd was en nieuw, den laatsten
-tijd: het was of de weemoed van zijn gelaat zich verhardde in eene strakke koppigheid;
-eene stilzwijgende onverzettelijkheid.
-</p>
-<p>—Neen, sprak hij nogmaals, en onverzettelijk koppig ook klonk zijne stem; excuzeer
-me bij hare Excellentie, Dutri. En waar … waar zoû ze me willen zien?
-</p>
-<p>—Ik bracht die moeilijkheid ook onder de oogen van hare Excellentie, maar misschien
-als Uwe Hoogheid zoo genadig was … zoû men toch …
-</p>
-<p>Othomar sloot de oogen en wierp het hoofd achterover; zijne hand viel slap op den
-kop van den colley. Hij antwoordde niet meer, en zijne lippen waren vast op elkaâr
-geklemd.
-</p>
-<p>Dutri aarzelde nog: wat kon hij doen, wat zoû hij Alexa zeggen …
-</p>
-<p>Maar de deur ging open; de keizerin kwam binnen. De Handkus was geëindigd; den mantel
-en de kroon had zij afgelegd, maar zij droeg nog het stijfzware toilet van zilverbroché.
-Koud zag ze Dutri aan en boog even het hoofd, dat hij gaan zoû; de adjudant maakte
-zich verward uit de voeten, zonder zijn gewonen tact.
-</p>
-<p>Othomar was half opgerezen.
-</p>
-<p>—Mama!…
-</p>
-<p>Zij zette zich bij hem, streek met de hand over zijn hoofd.
-</p>
-<p>—Hoe gaat het?
-</p>
-<p>Hij glimlachte, knipte met de oogen zònder te antwoorden.
-<span class="pageNum" id="pb170">[<a href="#pb170">170</a>]</span></p>
-<p>—Wat deed Dutri hier?
-</p>
-<p>—Hij vroeg me … och mama, laat dat, vraag er niet naar<span class="corr" id="xd31e2453" title="Bron: ..">…</span>
-</p>
-<p>—Wat is u mooi! Mag ik u ook mijn Handkus geven?
-</p>
-<p>Aanhalig, schertsend nam hij hare hand en kuste ze. Zij nam hem het boek uit de vingers,
-las den majesteitschennenden titel.
-</p>
-<p>—Lees je weêr, Othomar … Je weet, je mag zooveel niet lezen. En waarom al die vreemde
-boeken …?
-</p>
-<p>Op tafel lagen Lasalle, Marx, werken van Russische nihillisten, een brochure van Bakounine,
-brochures van Zanti … Het werkje, dat hij las, was van een bekenden Liparischen anarchist,
-getiteld: „Het onrecht bij de gratie Gods”; het wierp alles omver: het geloof en den
-staat; het richtte zich rechtstreeks tot de gekroonde machthebbende dwingelanden;
-rechtstreeks sprak het Oscar aan.
-</p>
-<p>—Is het om beter te worden, dat je zulke dingen leest, Othomar? vroeg ze met een smartelijk
-verwijt.
-</p>
-<p>—Mama, ik moet toch zien wat ze willen …
-</p>
-<p>—En wat willen ze?
-</p>
-<p>Hij zag peinzend voor zich.
-</p>
-<p>—Ik weet niet wat ze willen, ik begrijp ze niet. Ze zeggen heele lange zinnen, en
-altijd weêr de zelfde, met altijd weêr de zelfde woorden. Ik begrijp alleen dat ze,
-alles wat bestaat afkeuren en iets anders willen. Maar soms toch …!
-</p>
-<p>—Wat soms?
-</p>
-<p>—Soms zeggen ze vreeselijke dingen, vreeslijk omdat ze wáarheid schijnen, mama. Als
-ze over God spreken, mama, en bewijzen, dat hij niet bestaat, als ze onze geheele
-staatsinrichting een onding vinden, alle gezag verwerpen, het onze ook … Ze spreken
-soms als kinderen, die in éens zouden kunnen praten en oordeelen, en dan spreken ze
-soms in eens klaar en dan komen er heele primitieve gedachten bij me op: als God bestaat,
-waarom onrecht en ellende en ons gezag, om welk recht? O God, mama, welk recht hebben
-wij te heerschen over anderen, over millioenen?! Zeg het me, maar redeneer van het
-begin, redeneer niet van achteren af; begin niet bij ons, begin bij onze éerste heerschers,
-onze geweldenaren; welk recht hadden zij, en vloeit het onze alleen voort uit het
-hunne? O, <span class="pageNum" id="pb171">[<a href="#pb171">171</a>]</span>die raadsels, die eenvoudige raadsels, wie lost ze op, mijn God, wie lost ze op …
-</p>
-<p>Elizabeth was bleek geworden: ze zag hem aan of hij krankzinnig ware geworden.
-</p>
-<p>—Wie geeft je die boeken? vroeg ze hard, heesch, angstig.
-</p>
-<p>—Dutri, Leonie; Andro heeft er mij ook gehaald.
-</p>
-<p>—Ze zijn gek! riep de keizerin uit, opstaande. Waarom vraag je ze?
-</p>
-<p>—Ik wil weten, mama …
-</p>
-<p>—Othomar, riep ze. Wil je doen wat ik vraag?
-</p>
-<p>—Ja mama, antwoordde hij zacht; maar ga weêr zitten, en … en wees niet boos. En …
-en zeg niet Othomar. En … en ga u verkleeden, o, ik kan u niet zien in dit toilet:
-u is zoo ver van me af; uw stem klinkt niet tot me toe, en ik durf u niet omhelzen,
-u is mijn moeder niet; u is de keizerin. Mama, o mama …
-</p>
-<p>Zijne stem riep om haar. Eene machtige aandoening werd in haar wakker.
-</p>
-<p>—O mijn jongen! riep ze uit; een halve snik brak in hare keel.
-</p>
-<p>—Ja, ja, noem me zoo … Mama, laat ons elkaâr weêr gauw terugvinden, laten wij elkaâr
-niet verliezen. Wat is uw verzoek?
-</p>
-<p>—Geef mij al die boeken.
-</p>
-<p>—Ik zal ze u geven; ze maken me toch niet gelukkiger!
-</p>
-<p>—Maar waarom ben je ongelukkig, mijn jongen, mijn jongen!
-</p>
-<p>—Mama, kijk de wereld, kijk ons land, zie ze lijden, zie ze verdrukt worden! Wat zal
-ik ooit voor ze kunnen doen! Machteloos zal ik altijd zijn, niettegenstaande àl onze
-macht. O, het wordt zoo donker voor me, ik zie niets meer, ik heb geen hoop, alleen
-utopisten hopen nog, maar ik … ik hoop niet meer, want ik kan niets, ik kan niets …!
-O God, mama, het heele land valt op me neêr en het verplettert me: en ik kan niets,
-ik kan niets, ik kan niets … Ik zal moeten regeeren; ik zal het niet kunnen, mama.
-Wat ben ik? Een arme zieke jongen: hoe kan ik keizer worden? Ik weet niet waarom het
-is, mama en hoe het komt, maar ik voel me niet als een aanstaande keizer, ik voel
-me als een zwak kind! Ik voel me als uw kind, als uw jongen, en niets meer …
-<span class="pageNum" id="pb172">[<a href="#pb172">172</a>]</span></p>
-<p>Hij scheen zich te willen werpen in hare armen, maar wierp zich integendeel achteruit,
-alsof hij schrikte van haar schitterend toilet; mat knakte zijn hoofd hem op de borst,
-vielen zijne armen slap. Zij zag zijne beweging; haar eerste gevoel was spijt in haar
-hoftoilet bij hem te zijn gekomen, verlangend als zij was geweest hem te zien en zich
-niet gunnende den tijd zich te verkleeden. Maar deze spijt ging als eene vluchtige
-emotie door haar heen, want het duizelde haar hevig na, alsof een afgrond aan hare
-voeten gapend openging, of de aarde week, en het zwarte niets zich uitbreidde. Een
-wanhoop van volslagen machteloosheid verdronk hare ziel. Vaag strekte zij de armen
-uit en sloeg ze als tastende om zijn hals, met dwalende oogen.
-</p>
-<p>—Mijn jongen, spreek zoo niet meer, want … als je zoo spreekt, ontneem je mij ook
-mijn kracht! fluisterde zij bang. Want wat is er aan te doen: je moet, wij moeten
-allemaal …
-</p>
-<p>—Vergeef me, mama, maar ik, ik zal niet kunnen. O, ik zie het nu helder in. Ik ben
-niet opgewonden, ik ben kalm. Ik zie het: ik voorspel u, dat het nooit gaan zal …
-</p>
-<p>—Maar papa is nog zoo jong en zoo sterk, mijn jongen; en als je ouder wordt …
-</p>
-<p>—Hoe ouder ik word, hoe minder het zal gaan, mama. Ik ben er altijd als kind bang
-voor geweest, maar ik heb het nog nóoit zoo wanhopig ingezien als nu. Neen, mama,
-het zal niet gaan. Ik heb, nu ik ziek ben, allen tijd over om er over na te denken
-en ik zie nu het slot van al onze moeite voor me …
-</p>
-<p>Wanhopig tuurden zijne oogen op den grond; zij, radeloos, hing nog half aan hem; eene
-dreigende huivering scheen door de kamer te ademen.
-</p>
-<p>—Mama …
-</p>
-<p>Zij antwoordde niet.
-</p>
-<p>—Ik moet u mijn besluit meêdeelen …
-</p>
-<p>—Welk besluit …
-</p>
-<p>—Wil u het aan papa zeggen?
-</p>
-<p>—Wat, wat, Othomar, mijn jongen?
-</p>
-<p>—Dat ik niet trouwen kan … met Valérie, omdat …
-</p>
-<p>—Later, later, je hòeft niet nu te trouwen …
-</p>
-<p>—Neen, mama, het kan nóoit, omdat ik …
-</p>
-<p>Zij zag hem smeekend aan, vragend.
-<span class="pageNum" id="pb173">[<a href="#pb173">173</a>]</span></p>
-<p>—Omdat ik afstand wil doen … van mijn rechten … ten behoeve van Berengar …
-</p>
-<p>Zij antwoordde niet; slap zakte ze tegen hem aan, niet wetende hoe te troosten en
-op te beuren en zacht klagend begon ze te snikken. Het was of hare ziel, langzaam,
-maar aanhoudend, tot ze overvloeide, vol smart gegoten werd. Zij verweet zichzelve
-alles. Hij was haar kind: zij had den aanstaanden keizer van Liparië deze zwakte ingeboren.
-En de openbaring van dit smartelijk mysterie der herediteit voor hare radelooze oogen,
-ontnam haar al hare kracht, al haren moed, al hare macht van berusting.
-</p>
-<p>—Mama … herhaalde hij.
-</p>
-<p>Zij snikte door.
-</p>
-<p>—Wees niet zoo wanhopig … Berengar zal beter zijn dan ik … U zal het aan papa zeggen,
-niet waar … Of neen, laat het, als het u zooveel kost: ik zal het zelf doen …
-</p>
-<p>Zij schrikte zenuwachtig uit hare radeloosheid op.
-</p>
-<p>—O God, neen; Othomar, neen, spreek er hem niet over, hij is zoo driftig; hij zoû
-je … hij zoû je vermoorden! Beloof me, dat je er hem niet over spreken zal! <i>Ik</i> zal het doen, o mijn God, <i>ik</i> zal het doen …
-</p>
-<p>Maar eene resurrectie trilde in haar op.
-</p>
-<p>—Maar, Othomar, ik bid je, waarom moet het? Je bent nu ziek, maar je zal beter worden
-en dan … dan zal je anders denken!?
-</p>
-<p>Hij tuurde voor zich uit; zijn voorgevoel doorsidderde hem: hij zag zijn droom weêr;
-de straten van Lipara, die zich vulden met krip, tot aan den hemel, waar zij het zonlicht
-floersden. En over zijn gelaat kwam weêr de nieuwe trek van verharding, van onverzettelijke
-koppigheid, die haar hem niet herkennen deed; hij schudde het hoofd langzaam heen
-en weêr, heen en weêr.
-</p>
-<p>—Neen, mama, ik zal nooit anders denken. Geloof me, het zal zoo beter zijn.
-</p>
-<p>Toen zij hem zoo zag, stortte hare nieuwe hoop weêr in en zij snikte weêr. Snikkend
-stond zij op; in haar verdriet groef zich eene leêgte; zij verloor iets: haar zoon.
-</p>
-<p>—Gaat u weg? vroeg hij.
-</p>
-<p>Zij knikte van ja, snikkend.
-<span class="pageNum" id="pb174">[<a href="#pb174">174</a>]</span></p>
-<p>—Vergeeft u me?
-</p>
-<p>Zij knikte nog eens van ja. Toen lachte zij hem even toe, een lach vol wanhoop, de
-kracht missende hem te kussen, en zij ging, steeds snikkende.
-</p>
-<p>Hij bleef alleen, en stond op. Midden in de kamer bleef Othomar staan; strak zagen
-zijne oogen op den colley.
-</p>
-<p>—Waarom moet ik haar verdriet doen! dacht hij.
-</p>
-<p>Alles in zijne ziel deed hem pijn.
-</p>
-<p>—Waarom ben ik met Herman op reis gegaan? vroeg hij zich weêr af. In die eerste dagen
-van rust ben ik zoo gaan denken. En professor Barzia zegt toch: rust … Wat weet hij
-van me af? Wat weet de eene mensch van den andere af …
-</p>
-<p>—Djalo! riep hij.
-</p>
-<p>De colley kwam, schuddende, aan, blij.
-</p>
-<p>—Djalo, wat is goed, hoe moet de wereld zijn? Moeten er koningen en keizers zijn,
-Djalo,… of moeten we maar allemaal weggaan?
-</p>
-<p>De hond zag hem aan, heftig kwispelstaartend; in eens sprong hij op, likte hem in
-het gezicht.
-</p>
-<p>—En waarom, Djalo, moet de eene mensch den andere altijd verdriet doen? Waarom moeten
-vorsten hun volk verdriet doen? Blijft het leven dan altijd het zelfde, eeuwen door …!
-</p>
-<p>Othomar was op den divan in-een gezakt; zijne hand viel over den hond neêr, die haar
-hartstochtelijk likte.
-</p>
-<p>—O! snikte hij. Mijn volk, mijn volk …!
-</p>
-<p>— — — — — — — — — — — — — — — — — —
-</p>
-<p>Op het voorplein van het Imperiaal reden op dit oogenblik de laatste rijtuigen weg;
-de kijkende menigte, achter de grenadiers, zag nieuwsgierig naar het even schitterende
-der mooie dames door de glazen der equipages heen. Die van de hertogin van Yemena
-was het allerlaatst.
-</p>
-</div>
-</div>
-<div id="s2.2.4" class="div2 section"><span class="pageNum">[<a href="#s2.2.4.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h3 class="main">IV.</h3>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Een doffe geest scheen te waren door de geluidelijke marmeren ruimten van het Imperiaal;
-eene vale melancholie scheen er de timbres van stem en weêrkaatsingen te dempen en
-er een zwaar web van atmosfeer te hangen, van de hooge plafonds af. Het was het najaar;
-de eerste feesten zouden <span class="pageNum" id="pb175">[<a href="#pb175">175</a>]</span>plaats hebben; het eerste hofbal werd gegeven. Maar het scheen gegeven te worden,
-omdat het niet anders kon: het was een loom, officieel, slepend feest. De intimere
-kringen van het Imperiaal, die van de hertogin van Yemena en van het corps diplomatique,
-betreurden de kleinere réunies in de kleinere salons der keizerin. Zij beschouwden
-die groote bals als noodzakelijke corvées! de kleinere bals echter der keizerin werden
-altijd als allerliefste feesten gewaardeerd. Maar de keizerin had gezegd, dat ze niet
-plaats zouden hebben, om de ziekte van den kroonprins. Op dit eerste groote bal waren
-de Majesteiten maar een kort oogenblik verschenen, met de quadrille d’honneur …
-</p>
-<p>Over de schitterende stemming van feestelijke vorstelijkheid, zoo kort geleden de
-gewone atmosfeer van het paleis, zeefde een grauwe asch neêr. De diners, vroeger de
-splendeurs van iederen dag, werden bekort, alleen de noodzakelijkste invitaties gedaan.
-De keizer zelve bleef in een voortdurend norsche stemming: de Legerwet, om de uitbreiding
-der strijdbare macht, werd nog altijd in het Huis der Standen in zijn principe aangevallen
-en de keizer wilde volstrekt zijn minister van Oorlog handhaven; daarbij was hij,
-met dat tikje kinderlijkheid in zijn energie, nog niet zijne teleurstelling te boven
-omtrent het uitstel van het huwelijk van den hertog van Xara. Dat zijne Liparische
-wereld niet ging, zooals hij wilde dat ze gaan zoû, scheen hem voortdurend te irriteeren.
-</p>
-<p>Noch de keizerin, noch de prins zelve hadden het oogenblik gunstig geacht om den keizer
-het treurige besluit meê te deelen. Maar juist hierom was de keizerin in stilte weêr
-gaan hopen. Er was nog niets gezegd: het vernederende geheim bestond nog alleen maar
-tusschen haren zoon en haar. Vernederend, want waarom zoû hij voor den lande afstand
-doen? Welk voorwendsel zoû genoeg schijn hebben om dat ware motief van zwakte en onmacht
-te verbergen? En hij was toch haar kind, en dat van Oscar. Ondoenbaar scheen het der
-keizerin Othomars wensch aan zijn vader bekend te maken, en dien te zeggen, dat zijn
-eigen zoon zich geene heerscherskracht voelde. O, zoo zij haar kind die vernedering
-had kúnnen besparen, wat <span class="corr" id="xd31e2556" title="Bron: zoù">zoû</span> zij er niet voor willen opofferen! Maar was hij waàrlijk zoo onmachtig om zich te
-beheerschen, <span class="pageNum" id="pb176">[<a href="#pb176">176</a>]</span>en zich fier op te richten, onder het gewicht nog maar van zijne prinsekroon? Zoo
-zij hem maar had kunnen zèggen op zijn moedelooze woorden, maar ze had alleen kunnen
-snikken, alleen kunnen toegeven aan zijne wanhoop; te vergeefs had zij de geheime
-veer in zijne ziel gezocht, die hem zich zoû doen verheffen uit de krachteloosheid,
-waarin de rust van zijn nadenken hem had doen neêrzakken … En toch voelde zij, dat
-er eene geheime veer bestaan moest, omdat zij die instinctmatig vermoedde in iedere
-ziel hunner evenboortigen: het was het mysterie hunner vorstelijkheid; de reden dat
-zij vorsten waren; de reden van hun recht. Zij had dat aanbiddelijk naïve geloof,
-dat in hen, gekroonde hoofden, éene essence van eigenschap eenig is, waarom zij zijn
-boven de menigte. De enkele druppel van een heilig bloed door hunne aderen, een enkele
-atoom van neêrgedaalde goddelijkheid, die glans deed schijnen door gehéel hunne ziel.
-Zij geloofde aan het excluzief hoog rechtmatige van Majesteit in hen. Omdat zij hieraan
-geloofde, als zij geloofde aan hare zondigheid van mensch tevens en aan de absolutie
-van haren biechtvader, den aartsbisschop van Lipara, zoû zij ook nooit éen oogenblik
-kunnen twijfelen aan hun goddelijk recht van heerschers. Wat men ook dacht, of schreef,
-of anders wilde, zij hàdden recht: hiervan was zij zeker, als zij zeker was van de
-Drie-eenheid. Dat Othomar aan God getwijfeld had, was haar uniek voorgekomen, maar
-het had haar niet zóo <span class="corr" id="xd31e2561" title="Bron: neergeslagen">neêrgeslagen</span> als zijn ongeloof aan hun recht. Miste dan alleen hij die essence van eigenschap,
-dien heilig gouden bloeddrup, die goddelijke atoom? En zoo hij ze miste, zoo hij,
-de kroonprins, Majesteit miste, was dit monsterachtig gemis dan hàre schuld, de schuld
-eener moeder, die gebaard heeft?
-</p>
-<p>Het vermoeden van deze schuld verpletterde haar, en vóor zij nog met Oscar had durven
-spreken, vernederde zij zich voor den aartsbisschop. De prelaat, ontzet over wat er
-kiemde in de mysterieuze melancholie van het Imperiaal, had haar nauwelijks kunnen
-troosten. Uren bleef zij daarna liggen voor haar crucifix. Zij bad met heel hare ziel,
-bad om klaarheid in haarzelve en in haren zoon, bad om kracht en dat de vonk mocht
-neêrdalen in Othomar. Toen zij zoo gebeden had, zoo lang en met zulke overtuiging,
-kwam, als eene <span class="pageNum" id="pb177">[<a href="#pb177">177</a>]</span>uitstorting van heiligen geest, eene berusting over haar neêr. Ze vond zichzelve weêr,
-ze wachtte af, vond haar geloovige fatalisme terug, dat niets gebeurt dan wat gebeuren
-moet en goed is … Het slechte gebeurde niet. Zoo het moest, dat Othomar de vonk ontvangen
-zoû, zoû dat goed zijn; zoo het moest, dat hij afstand deed, zoû dat ook goed zijn,
-o God, goed zijn van eene vreemde, ondoorzienbare goedheid …!
-</p>
-<p>Omdat de dagen voorbij gingen, zonder dat de keizerin nog met den keizer gesproken
-had, hoopte zij weêr; hoopte zij, dat Othomar zich terug zoû vinden en niet meer zoû
-willen zijne eigene vernedering. Maar zij scheen te hopen ondanks alles, want iederen
-keer, dat zij Othomar weêr zag, vond zij hem doffer en matter, radeloozer onder de
-zekerheid zijner zwakte. Professor Barzia, die zelve den prins behandelde en hem in
-het paleis zijne dubbele, daagsche koudwaterdouche toediende, scheen zich over lichamelijke
-zwakte het minst ongerust te maken. De prins was niet forsch, maar de professor ried,
-in zijn fijn gestel, het element, dat geworden was uit de eerste sensueel-ruwe kracht
-van het geslacht Czyrkiski; het Slavische element, dat zich geënerveerd had door zijne
-Romaansche bijmengingen, maar zich had behouden: eene geheime taaiheid, iets onverdelgbaars
-van onbewuste fermiteit, dat, als een fondament, héel onder lag en waarop veel tengers
-en fragiels zich scheen omhoog te bouwen. Wat ruwe kracht was geweest, meende de professor
-in taaiheid terug te vinden, wat wreedheid en sensualiteit, in ontzenuwing, totnogtoe
-door zelf beheersching en spontaan plichtsbesef in evenwicht gehouden, maar, in deze
-oververmoeidheid, plotseling zich openbarend. Barzia vond duidelijk in Othomar terug
-den spruit zijner vaderen, en hij meende, dat, al had de rijke materialiteit van het
-eerste vorstenbloed zich meer vergeestelijkt—of het nu dunner vloeide door fijner
-aderen,—dit bloed toch niet zóo verarmd was, dat men het delicate van dezen aanstaanden
-keizer uitputting van ras kon noemen. Misschien tintte Barzia’s plotselinge sympathie
-voor den prins deze fyziologische diagnoze met te veel optimisme; hoe ook, de professor
-vreesde het minst voor die tengerheid, voor die zenuwzwakte zelfs; wat hij vreesde,
-was, of de psychische kwaliteiten, waarom de prins hem in eens zoo lief was <span class="pageNum" id="pb178">[<a href="#pb178">178</a>]</span>geworden, zich zouden kunnen handhaven in deze periode van moedeloosheid en matheid.
-Spontaan, onoverdacht, onberekend, wist hij die deugden in den prins te zijn, als
-een, hem onbekende schat; zouden zij te-loor gaan, nu, in deze treurige dagen, of
-zouden ze blijven, zich ontwikkelen misschien, zich louteren, Othomar in moreele kracht
-bijgeven, wat hij in fyzieke miste, en zóo hem genezen? Want de professor wist het:
-zij waren het eenige wat hem genezen kon …
-</p>
-<p>Othomar zelve dacht niet over zijn deugden, <span class="corr" id="xd31e2574" title="Bron: nog">noch</span> over zijn bloed: hij dacht aan zijne toekomst en dacht aan ze met eene ieder uur
-aangroeiende, wanhoop. Als de keizerin aan Barzia vroeg, of die rust den prins goed
-zoû doen en afleiding niet beter ware, beweerde de professor, dat de prins den laatsten
-tijd genoeg afleiding had gehad. Hij moest zijne vermoeidheid eerst te boven komen
-en geheel; waarmeê de prins op dit oogenblik ook zijne hersenen bezighield kwam er
-minder op aan …
-</p>
-<p>Maar Barzia meende dit niet geheel en al en zoû het zeker in het geheel niet gemeend
-hebben, zoo hij geweten hadde, waarover de prins dacht en zoo hij alzoo diens totale
-veêrkrachteloosheid van ziel gehéel hadde kunnen beoordeelen.
-</p>
-<p>En de dagen gingen voorbij. Othomar sprak niet meer met de keizerin over zijn besluit,
-om haar dit leed zoo min mogelijk aan te doen; de keizerin sprak er ook niet over
-en hoopte.
-</p>
-<p>Maar in Othomars overpeinzing kwam het ieder oogenblik terug als een wiel: hij kon
-niets voor zijn volk, dat hij toch liefhad; hij kon het niet regeeren, hij zoû afstand
-doen van zijne rechten en van zijn kroonprinselijken titel: Berengar zoû hertog van
-Xara worden …
-</p>
-<p>De kleine prins kwam zijn broêr iederen dag even zien; altijd droeg hij zijn kleine
-uniform, had hij zijn stevig airtje van een miniatuur-generaal en Othomar zag hem
-glimlachend onderzoekend aan.
-</p>
-<p>Ging er in de middeneeuwsche hersentjes van het kind niets om van een wensch naar
-heerschen, ging er door zijn heftig hartje geen jaloezie? Othomar herinnerde zich
-uit Liparië’s historie, uit de wreede tijden hunner eerste middeneeuwen, dat vreeslijke
-drama—men toonde op St. Ladislas de kamer nog waar het gespeeld was—: die tweede zoon
-zijn <span class="pageNum" id="pb179">[<a href="#pb179">179</a>]</span>ouderen broeder doorpriemend uit kroonzucht en het lijk werpende uit een boograam
-in den Zanthos, die vloeide onder aan den burcht. Wat was er over van zulken naijver
-in dit kind? En al was zulke naijver geheel geaffineerd in minder saillante gevoelens,
-zoû er toch geen onmetelijk geluk gaan door Berengars kleine prinsenziel, als hij
-zoû weten, dat hij kroonprins mocht zijn en eenmaal worden zoû: keizer! Maar wat zoû
-het kind denken van hèm, Othomar, die al deze heerlijkheid vrijwillig weggaf? Zoû
-het hem minachten, terwijl het hem dankbaar was, of zoû het een loerend mysterie vermoeden
-achter al die grootheid, die Othomar van zich wierp, en achterdocht koesteren …
-</p>
-<p>Dan trok hij het ventje met een stil medelijden naar zich toe, maar voelde met pleizier
-het harde vleesch van zijne flinke ledemaatjes, hoorde met genot naar zijne korte,
-doorhakkende zinnetjes. Daarna rende Berengar weg en Djalo mocht met hem meêrennen
-door het park: na een uur bracht hij den hond bij Othomar terug en sprak hij met gewicht
-van zijne lessen, die begonnen.
-</p>
-<p>En als Berengar weg was, lag Othomar in zijne lange droomuren over hem te denken,
-beschouwde hij zijn broêr al geheel en al als kroonprins en wischte hij zichzelven
-weg uit de rij der toekomstige souvereinen, dacht hij er aan wat hij doen zoû als
-hij genezen was, en alle purper had afgeschud, herinnerde hij zich zijn oom Xaverius,
-die abt was van een klooster, stelde hij zichzelven voor, studeerende, schrijvende
-werken over historie en sociologie …
-</p>
-</div>
-</div>
-<div id="s2.2.5" class="div2 section"><span class="pageNum">[<a href="#s2.2.5.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h3 class="main">V.</h3>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Het waren de dagen van het najaar; dikwijls vergrauwde het zonneblauw van den hemel;
-des morgens waaiden de winden uit het Noorden, bliezen over de zee tot zij staalkleurde;
-dan kwam de zon door en scheen ze nog heel warm een paar uren lang met een enkele
-vlaag, koud, aan de hoeken der straten, verraderlijk in eens aanflapperend; dan, tegen
-vier uur, half vijf, bluschte de zon en bleef de atmosfeer alleen hare kilte uitademen,
-ijzig aan de open haven, tusschen de witte paleizen, in straten en op pleinen.
-</p>
-<p>Het was een ongezonde tijd: de keizerin en Berengar hadden <span class="pageNum" id="pb180">[<a href="#pb180">180</a>]</span>een kou gevat op een rijtoer in een open rijtuig; ze hielden beiden hunne kamer en
-Othomar, op zijne beurt, kwam ze opzoeken; de keizerin hoestte, de kleine prins had
-koorts; er waren nooit zoovele zieken als in dezen tijd, beweerden de doktoren. En
-eene melancholie bleef hangen in de ruimte van het Imperiaal, over de geheele stad,
-waar men, in de opera en op de feesten, de keizerlijke familie niet meer verschijnen
-zag. Nooit waren de dagelijksche diners in het Imperiaal zoo kort geweest, met zoo
-weinig genoodigden, en het maakte een onoverkomelijk treurigen indruk, de keizerin
-niet te zien naast den keizer, in hare delicate, fijn vorstelijke majesteit, maar
-de prinses Thera, aan wie het onmogelijk scheen de barsche, ontevreden trekken van
-Oscar te doen opklaren. Othomar wist niet, dat men zich over de keizerin zelfs ongerust
-maakte; zij ontving hem altijd met alle blijmoedigheid, die zij, trots hare pijn op
-de borst, kon verzamelen; de doktoren zeiden hem niets, niemand gaf hem de bulletins,
-men wilde hem sparen en ook, men maakte zich in het Imperiaal zelve minder ongerust
-dan in de stad, dan door het land.
-</p>
-<p>Maar de kleine prins ontving Othomar met minder zachtmoedigheid dan de keizerin en
-het waren iederen dag stille woeden, bouderies op de doktoren, die hem in zijn bedje
-hielden.
-</p>
-<p>Eens dat de kroonprins Berengar kwam zien, waren zij bij hem, de doktoren; de koorts
-was gestegen, maar het prinsje wilde uit zijn bed; hij was stout, schold, had zelfs
-den goedigen dokter met zijn dikken kop, geslagen, geranseld met de kleine gebalde
-vuist.
-</p>
-<p>—Zoodra je beter bent, Berengar, sprak Othomar, die<span id="xd31e2599"></span> hem eerst bestraft had; zal ik je iets geven.
-</p>
-<p>—Wat dan? vroeg de jongen begeerig. Maar ik ben nu al beter.
-</p>
-<p>—Neen, neen, je moet doen wat de doktoren zeggen en niet tegenstribbelen.
-</p>
-<p>—En wat krijg ik dan?
-</p>
-<p>Othomar zag hem lang aan.
-</p>
-<p>—Wat krijg ik dan? herhaalde het kind.
-</p>
-<p>—Dat mag ik nog niet zeggen, Berengar; eigenlijk is het nu nog wel wat groot voor
-je.
-<span class="pageNum" id="pb181">[<a href="#pb181">181</a>]</span></p>
-<p>—Wat dan; een paard?
-</p>
-<p>—Neen, het is niet zoo groot als een paard, maar zwaarder; vraag er niet meer naar,
-en raad er ook niet naar, maar wees gehoorzaam; dan wordt je beter en dan krijg je
-het.
-</p>
-<p>—Zwaarder dan een paard en niet zoo groot … peinsde Berengar met gloeiende wangen.
-</p>
-<p>Het hoofd gebogen op de borst, slepend, keerde Othomar naar zijne kamer terug. Uren
-bleef hij er stil, zwaarmoedig zitten in dezelfde houding; als gewoonlijk verscheen
-hij niet aan het diner en at nauwelijks van wat Andro hem diende. Toen wilde hij zich
-uitstrekken op de bank, nam een boek om te lezen, maar legde het weêr neêr en hief
-zich op, als met een plotselinge impulsie.
-</p>
-<p>—Waarom niet nu? dacht hij! waarom altijd uitstellen …
-</p>
-<p>De avond viel, maar de bovengalerijen van het paleis waren nog niet verlicht; door
-die duisterende schaduw heen zijne matheid voortslepende, ging Othomar naar de antichambres
-van den keizer. De kamerheer diende hem aan.
-</p>
-<p>Oscar zat aan zijne schrijftafel, een pen in de hand.
-</p>
-<p>—Stoor ik u, papa? Of kan ik u spreken.
-</p>
-<p>—Neen, je stoort me niet … Ben je bij mama geweest?
-</p>
-<p>—Ja, van middag; ze was nog al wel, maar Berengar had koorts.
-</p>
-<p>De keizer zag hem aan.
-</p>
-<p>—Erger dan van morgen?
-</p>
-<p>—Ik weet niet; hij gloeide nog al …
-</p>
-<p>De keizer stond op.
-</p>
-<p>—Heb je me te spreken?
-</p>
-<p>—Ja papa.
-</p>
-<p>—Wacht dan even. Ik ben na van morgen nog niet bij Berengar geweest.
-</p>
-<p>Hij ging, liet de deur aanstaan.
-</p>
-<p>Othomar bleef alleen. Hij was gaan zitten. Hij zag rond in het groote kabinet, dat
-hij zoo goed kende van hunne ochtendberaadslagingen met den Rijkskanselier. In den
-laatsten tijd had hij ze echter niet meer bijgewoond. Hij bedacht wat hij zeggen zoû;
-intusschen dwaalden zijne oogen om; ze vielen op den grooten spiegel met vergulde
-krullen; iets bevreemde hem. Toen stond hij op en ging naar het glas toe.
-<span class="pageNum" id="pb182">[<a href="#pb182">182</a>]</span></p>
-<p>—Ik dacht toch, dat het daarboven verweerd was, meende hij; ik kan me toch zoo niet
-vergissen. Zoû het vernieuwd zijn geworden?
-</p>
-<p>Hij stond nog bij den spiegel, toen Oscar terugkwam.
-</p>
-<p>—Berengar is niets wel; de koorts neemt toe, sprak hij, en de klank van zijne stem
-weifelde. Mama is bij hem …
-</p>
-<p>In de suggestie zijner eigene overdenkingen viel het Othomar niet op, dat de kleine
-prins zeker moest zijn zieker geworden, zoo de keizerin, zelve lijdende, bij hem was.
-</p>
-<p>—En waarover hadt je me te spreken? vroeg de keizer, toen de prins zwijgen bleef.
-</p>
-<p>—Over Berengar, papa.
-</p>
-<p>—Over Berengar?
-</p>
-<p>—Over Berengar en mij. Ik heb ons vergeleken, papa. Wij zijn broêrs, wij zijn beiden
-uw zonen. Wie van ons, gelooft u, dat het meeste heeft van … u … en van onze voorvaderen?
-</p>
-<p>—Waar wil je naar toe, Othomar?
-</p>
-<p>—Naar het recht, papa. Naar rechtvaardigheid. De natuur is soms onrechtvaardig en
-blind; ze had Berengar eerst moeten laten geboren worden en dan mij … of mij maar
-zelfs niet.
-</p>
-<p>—Nog eens, waar wil je naar toe, Othomar?
-</p>
-<p>—Ziet u dat niet in, papa? Ik zal het u zeggen. Is Berengar niet meer vorst dan ik?
-Is hij daarom niet uw lieveling? En zoû ik hem van zijn natuurlijk recht moeten ontrooven,
-ter wille van mijn traditioneel recht? Ik wil afstand voor hem doen, papa. Afstand
-van alles, van al mijn rechten.
-</p>
-<p>—De jongen is gek, mompelde Oscar.
-</p>
-<p>—Van al mijn rechten, herhaalde Othomar, droomerig, als zag hij de toekomst: zijn
-kleinen broêr, gekroond.
-</p>
-<p><span class="corr" id="xd31e2649" title="Niet in bron">—</span>Othomar, ijl je? vroeg de keizer.
-</p>
-<p>—Papa, ik ijl niet. Wat ik zeg, heb ik dagen, weken misschien overdacht; ik weet het
-niet: de tijd gaat voorbij … Wat ik u zeg, heb ik met Mama overwogen; ze heeft er
-om gesnikt, maar mij niet tegengesproken. Ze ziet het ook zoo in … En wat ik u zeg
-staat vast; ik ben er toe besloten en niets zal er mij van terugbrengen … Ik hoû van
-Berengar; ik sta hem gaarne alles af en ik zal bidden, dat hij gelukkig wordt <span class="pageNum" id="pb183">[<a href="#pb183">183</a>]</span>door mijn geschenk. Ik ben overtuigd—en u is het ook—dat Berengar een beter keizer
-zal zijn dan ik. Wat bezit ik er voor talenten voor …?
-</p>
-<p>Hij haalde radeloos zijne schouders op met eene zenuwachtige siddering, die ze schokte.
-</p>
-<p>—Geene, antwoordde hij zichzelven. Ik heb er geene, ik kan niets. Ik kan niet beslissen—als
-nu—, ik kan niet handelen, ik zal altijd iemand zijn van gedachte. En waarom zoû ik
-dan keizer zijn en hij niets meer dan de opperbevelhebber van mijn leger of mijn vloot?
-Dat kan immers niet goed zijn; dat kan zoo niet bedoeld zijn door de natuur … Papa,
-ik geef het hem, mijn recht van eerstgeborene en ik … ik zal wel leven als het moet …
-</p>
-<p>De keizer, de ellebogen op de tafel, de handen onder de kin, had hem aangehoord, staarde
-hem aan met zijne kleine toegeknepen oogen.
-</p>
-<p>—Je meent dat alles? vroeg hij.
-</p>
-<p>—Ja papa.
-</p>
-<p>—Je ijlt niet?
-</p>
-<p>—Neen papa, ik ijl niet.
-</p>
-<p>—Dan ben je gek.
-</p>
-<p>De keizer stond op.
-</p>
-<p>—Dan ben je gek, zeg ik je. Othomar, zie in, dat je gek bent en kom tot je verstand
-terug; wordt niet geheel krankzinnig.
-</p>
-<p>—Waarom noemt u me krankzinnig, papa? Kàn u het niet met me eens zijn, dat Berengar
-beter zou zijn dan ik?
-</p>
-<p>De wreede blikken van zijn vader doorpriemden Othomar.
-</p>
-<p>—Neen, daarin ben je niet krankzinnig; daarin heb je gelijk …
-</p>
-<p>—En waarom ben ik dan krankzinnig, omdat ik, om die reden, afstand wil doen, ten behoeve
-van hem?
-</p>
-<p>—Omdat dat niet gebeuren kan, Othomar.
-</p>
-<p>—Welke is de wet, die het verbiedt?
-</p>
-<p>—Mijn wil, Othomar.
-</p>
-<p>De prins hief zich hoog op.
-</p>
-<p>—Uw wil? riep hij; uw wil? U erkent, dat ik niet meer vorst ben, dan alleen van geboorte?
-U erkent, dat Berengar wel uw eigen keizerkracht heeft en u wilt, u <i>wilt</i> niet, dat ik <span class="pageNum" id="pb184">[<a href="#pb184">184</a>]</span>afstand doe? En u denkt, dat ik me neêr zal leggen bij dien wil …?
-</p>
-<p>Hij stiet een heeschen lach uit.
-</p>
-<p>—Neen, papa, ik zal me niet aan dien wil storen. In alles kan u uw wil doorzetten,
-maar hierin niet. Al riep u uw heele leger bij elkaâr, dan kon u dit toch niet dwingen.
-Er is een einde aan menschelijken wil, papa, en niets, niets, niets kan mij beletten,
-dat ik mijzelven ongeschikt vind tot regeeren en dat ik geen kroon dragen <i>wil</i>!
-</p>
-<p>De keizer had Othomars polsen gegrepen; zijn heete adem siste in Othomars gezicht.
-</p>
-<p>—Verdomde jongen! knarstte hij tusschen zijne groote witte tanden. Lammeling! Je hebt
-gelijk, je hebt niets van een keizer; je zal er nooit iets van hebben. Als ik niet
-beter wist, zoû ik zeggen, dat je de zoon was van een lakei. Je hebt gelijk, je bent
-ongeschikt. Je bent niets, jou past onze kroon niet. En toch, al moest ik je opsluiten
-in een gevangenis, zoodat niemand je laagheden hooren kon, je zùlt geen afstand doen.
-Het einde van mijn wil is verder dan jij het ziet. Hoor je? Je zult het niet doen,
-je zult geen afstand doen, al moest ik je van dit oogenblik af, als een schande, verbergen
-voor de wereld. Jouw verslapte hersenen begrijpen dat niet, niet waar? Je begrijpt
-niet, waarom ik meer hoû van Berengar, dan van een lafbek als jij, en hem toch niet
-in jouw plaats mijn opvolger wil zien? Dan zal ik het je moeten zeggen. Ik wil dat
-niet, om de wereld geen getuige te maken van de ontaarding van ons geslacht. Ik wil
-niet, dat ze ziet, hoe ellendig het verzwakt is in jou, en ik zoû je eerder … je eerder
-kunnen vermoorden, dan dulden, dat je afstand deed!
-</p>
-<p>Woest had Oscar den prins bij de schouders genomen, hem achteruit geduwd op een bank,
-waarop hij, zittende, neêrzonk; als een prooi bleef hij hem omknellen in zijn greep
-van sterke handen.
-</p>
-<p>—Maar ik zeg je, ging de keizer voort; ik zeg je, je bent de zoon <i>niet</i> van een lakei: je bent mijn zoon, en ik zal je niet vermoorden, omdat ik je vader
-ben. Alleen dit wil ik je zeggen, Othomar: je had me hiervoor kunnen sparen. Ik geloof,
-dat je hoog denkt van je fijngevoeligheid, maar je bezit zelfs niet het eenvoudigste
-gevoel. Je voelt zelfs niet, dat je een <span class="pageNum" id="pb185">[<a href="#pb185">185</a>]</span>laagheid hebt bedacht, de laagheid van een proletariër, een slaaf, een paria, een
-ellendeling. Je hebt zelfs geen oogenblik gevoeld, wat voor een leed je mij zoû doen
-met die laagheid. Je zag, dat ik meer hield van je broêr; je dacht, dat ik je laf
-plan goed zoû vinden. Geen oogenblik kwam het in je op, dat je <i>mij</i> met die lafheid het grootste verdriet zoû doen, dat ik ooit kon ondervinden …!
-</p>
-<p>Verpletterd was Othomar op de bank ineengezakt. Hij kon niet meer onderscheiden wat
-recht was en wat waar; hij kende zichzelven niet meer op dit oogenblik; als geesels
-striemden de woorden van zijn vader hem de ziel. En hij voelde zich geene kracht er
-tegen op te komen; de beleedigende verwijtingen hielden hem afgeranseld neêr. Laagheid
-en schande, krankzinnigheid en ontaarding, hij ging er in onder; hij zwolg de modder
-er van in, tot hij er in stikte. En dat hij er niet in stikte en ademen bleef, leven
-bleef, dat de dag klaar om hem heen was, de dingen onveranderd waren, de wereld daarbuiten
-niets wist, dit alles werd hem wanhoop. Een oogenblik dacht hij aan zijne moeder.
-Maar hij wilde het zwart, den dood, om zich te verbergen, zichzelven en zijne schande,
-zijne ontaarding, de melaatschheid van zijn paria-gemoed … Het flitste door hem heen
-in de seconde na dien laatsten striem van verwijt over zijne ineengezonken ziel. Hij
-wist, dat Oscar altijd een revolver geladen had in een open loket van zijne schrijftafel.
-Zijne hersenen spanden zich in bedenken, hoe dit wapen te bereiken. Hij was opgestaan,
-had het loket genaderd: in eens sprong hij er op af, strekte zijne hand uit en greep
-het pistool …
-</p>
-<p>Dacht Oscar, dat zijn zoon verbijsterd was door zijne laatste woorden en nu het leven
-wenschte van zijn vader? Doorzag hij die extaze naar zelfvernietiging in zijn kind,
-ging door zijn sidderend brein heen die gruwel van gedachte, dat zelfvernietiging …
-het laatste heil voor den paria zoû zijn? Wat ook, instinctmatig toch stortte hij
-op Othomar toe. Maar de prins, licht, ontsprong hem, richtte de revolver, de oogen
-dol, het gelaat verwrongen, in wezenlooze wanhoop opzichzelven, op zijn eigen voorhoofd,
-waarop de aderen blauw zwollen …
-</p>
-<p>—Othomar! brulde de keizer.
-<span class="pageNum" id="pb186">[<a href="#pb186">186</a>]</span></p>
-<p>Op dit oogenblik ijlden stappen buiten aan, klonken verwarde woorden in de antichambre
-en de markies van Xardi, adjudant van den keizer, ontzet, in verwarring, smeet de
-deur wijd open …
-</p>
-<p>—Sire! riep hij uit; de keizerin vraagt of Uwe Majesteit oogenblikkelijk bij prins
-Berengar komt …
-</p>
-<p>Het schot was afgegaan, in den muur. Het bloed drupte van Othomars oor. De keizer
-had den prins beetgepakt en hem het nog vijfmaal geladen pistool ontrukt; ook het
-tweede schot ging in dat korte oogenblik van strijd af, in het plafond. Wezenloos
-bleef Othomar staan.
-</p>
-<p>—Markies! beet de keizer Xardi toe; weet niet wat u denkt, maar ik zeg u dit: u heeft
-niets gezien, u denkt niets. Wat hier gebeurde vóór u binnenkwam … is niet gebeurd.
-</p>
-<p>Dreigend strekte hij den vinger naar Xardi uit.
-</p>
-<p>—Mocht u óoit vergeten, markies, dat het niet gebeurd is, dan zal ik ook vergeten
-wie u is, al laat u ook uw stamboom opklimmen tot voor den onze!
-</p>
-<p>Doodsbleek stond Xardi voor zijn keizer.
-</p>
-<p>—Mijn God! Sire …
-</p>
-<p>—Wat doet u het kabinet van uw vorst op die onhebbelijke manier binnenkomen? De hertog
-van Xara laat zich zelfs aandienen, markies!
-</p>
-<p>—Sire …
-</p>
-<p>—Wat? Spreek op!
-</p>
-<p>—Hare Majesteit …
-</p>
-<p>—Wat, Hare Majesteit?
-</p>
-<p>—Prins Berengar … de koorts is gestegen: hij ijlt, Sire en de doktoren …
-</p>
-<p>De keizer was verbleekt.
-</p>
-<p>—Hij is dood? vroeg hij woest. Zeg het in eens.
-</p>
-<p>—Niet dood, Sire, maar …
-</p>
-<p>—Maar wat?
-</p>
-<p>—Maar de doktoren … hebben geen hoop …
-</p>
-<p>Met een vloek van smart duwde de keizer den adjudant weg en stortte zich voort, de
-kamer uit.
-</p>
-<p>De kroonprins was blijven staan. Het leven kwam tot hem terug; eene werkelijkheid
-van smart, uit nachtmerrie geboren. Zijne oogen liepen vol tranen.
-<span class="pageNum" id="pb187">[<a href="#pb187">187</a>]</span></p>
-<p>—Xardi … smeekte hij; je Huis was altijd trouw aan ons Huis; zweer me, dat je zwijgen
-zal.
-</p>
-<p>In ontzetting zag de markies den kroonprins aan.
-</p>
-<p>—Hoogheid …
-</p>
-<p>—Zweer me, Xardi.
-</p>
-<p>—Ik zweer het U, Hoogheid, sprak de adjudant gedempt, en strekte zijne vingers uit
-naar het crucifix, aan den muur.
-</p>
-<p>Othomar drukte zijne hand.
-</p>
-<p>—Is prins Berengar …
-</p>
-<p>Hij kon nauwelijks spreken.
-</p>
-<p>—Is prins Berengar in eens zoo ziek geworden …?
-</p>
-<p>—De koorts stijgt ieder oogenblik, Hoogheid, en hij ijlt …
-</p>
-<p>—Ik ga er heen, sprak Othomar.
-</p>
-<p>Hij sponsde zich met den zakdoek het bloed van het oor en hield het, dadelijk doorweekte,
-batist er tegen aan.
-</p>
-<p>In de laatste antichambre ging hij voorbij den kamerheer en zag schuin naar hem. Xardi
-stond even stil.
-</p>
-<p>—De hertog van Xara heeft zich licht verwond, sprak hij. Hij onderzocht iets aan de
-revolver van den keizer, toen ik binnenkwam en hij schrikte: twee schoten gingen af.
-</p>
-<p>—Ik heb ze gehoord, fluisterde de kamerheer bleek.
-</p>
-<p>—Er was bijna een ongeluk gebeurd …
-</p>
-<p>Zij zwegen even, hunne blikken begrepen elkaâr. Eene huivering liep over hunne ruggen.
-De nacht scheen als met wolken van onheil kil te dalen over het paleis.
-</p>
-<p>—En … de kleine prins …? vroeg de kamerheer rillende.
-</p>
-<p>Xardi haalde de schouders op; zijne oogen werden vochtig om ingeboren liefde, eeuwen
-oud, voor zijne vorsten.
-</p>
-<p>—Sterft … sprak hij dof.
-</p>
-</div>
-</div>
-<div id="s2.2.6" class="div2 section"><span class="pageNum">[<a href="#s2.2.6.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h3 class="main">VI.</h3>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">De kroonprins ging door de antichambre: een der doktoren stond er kompressen te weeken
-in een kom met ijs; nieuw ijs werd juist door een kamerdienaar in een emmer aangebracht.
-De deur van de slaapkamer was open en aan de deur bleef Othomar staan. Op zijn veldbed
-lag de kleine prins en praatte zacht, zangerig door; de keizerin, bleek, lijdende,
-zich ophoudende ondanks alles, zat met de prinses Thera naast hem.
-<span class="pageNum" id="pb188">[<a href="#pb188">188</a>]</span></p>
-<p>De keizer wisselde korte woorden met de twee andere doktoren, over wier trekken eene
-strakke hopeloosheid lag, bijtende smart verwrong Oscars gelaat, dat trok van diepe
-rimpels.
-</p>
-<p>—Mijn God, hij herkent me niet, hij herkent mij niet! hoorde Othomar den keizer klagen.
-</p>
-<p>—Mij ook niet, murmelde de keizerin.
-</p>
-<p>—Wat zoû het zijn; wat, wat, wat zoû het zijn, zong het prinsje en zijn anders schel
-stemmetje klonk zacht als het melodietje van een vogel: het was of hij wat speelde
-in zichzelven.
-</p>
-<p>—Ik krijg wat van mijn broêrtje, van mijn broêrtje, wat moois! zong hij door; en de
-keizerin verstond zijne woorden, maar ze begreep niet, en toen hij verder zong: den
-naam van den kroonprins, met zijn titel:
-</p>
-<p>—Othomar, o Othomar van Xara, van Xara … smeekte ze zacht naar de deur;
-</p>
-<p>—Othomar, hij zegt je naam; kom, misschien herkent hij jou!
-</p>
-<p>Othomar kwam nader; hij ging voorbij den keizer, hij knielde <span class="corr" id="xd31e2763" title="Bron: neer">neêr</span> aan het bed; een glimlach lichtte over Berengars gezichtje.
-</p>
-<p>—Hij wordt kalmer, zei de goedige dokter, wien de tranen over het gezicht liepen,
-tot Oscar; ziet Uwe Majesteit: de prins herkent Zijne Hoogheid, den Hertog …
-</p>
-<p>Eene blijdschap klonk door zijne stem.
-</p>
-<p>Een hevige jaloezie verwrong de trekken van den keizer.
-</p>
-<p>—Neen, neen, sprak hij.
-</p>
-<p>—Zeker, Sire, zie maar, drong de dokter aan, oplevende in hoop.
-</p>
-<p>—o Othomar, o Othomar van Xara, zong het prinsje: hij had zijn broêr herkend, maar
-zag hem niet in het leven, zag hem alleen in zijn wakenden droom, door de glazigheid
-van zijn koorts.
-</p>
-<p>—Wat breng je me voor moois? Kleiner dan een paard, maar zwaarder? Zwaarder? O wat
-is het zwaar, zwaar, zwaar …
-</p>
-<p>Zijn stemmetje klonk als in inspanning, als lichtte hij iets op; zijn kramptrekkende,
-kleine, breede handen maakten het gebaar van moeilijk beuren.
-<span class="pageNum" id="pb189">[<a href="#pb189">189</a>]</span></p>
-<p>—Berengar, sprak de kroonprins en zijne stem brak, zijn hart kromp ineen …
-</p>
-<p>—Othomar, antwoordde het kind.
-</p>
-<p>Een smartelijke kreet ontsnapte den keizer.
-</p>
-<p>—Ja, je bent altijd zoo aardig voor me, ging de kleine prins zangerig voort. Je geeft
-me altijd van die mooie dingen. Je weet wel, die mooie kanonnen, op mijn verjaardag?
-En dat pistool? Maar daar is mama zoo bang voor … Ga je dood, Othomar? Kijk, bloed,
-aan je oor … Wat bloedt, gaat toch dood? Ga je dood, Othomar? Kijk, bloed op je jas …
-</p>
-<p>De keizerin bleef strak zitten; zij zag van Berengar naar de bloedende wond van haar
-oudsten zoon …
-</p>
-<p>—Bloed, bloed, bloed! zong het kind. Othomar gaat dood! Ja, hij geeft me altijd zooveel
-moois, Othomar. Ik heb al zooveel, veel meer dan àlle àndere kinderen van Liparië!
-En wat krijg ik nu … nog meer? Dat mooie ding? Wat is het? Ik voel het wel: het is
-zoo zwaar, maar ik zie het niet …
-</p>
-<p>De dokter was uit de antichambre gekomen en naderde met de kompressen.
-</p>
-<p>—Ik zie het niet … ik zie het niet …!! zong het kind pijnlijk, mat.
-</p>
-<p>Toen de dokter de kompressen aanlegde, woelde het tegen, begon het te huilen, alsof
-een groot verdriet in zijn hartje opwelde.
-</p>
-<p>—Ik zie het niet!! snikte het; ik zal het noóit zien …!!!!
-</p>
-<p>Een heftige bui volgde het snikken; woest sloeg hij met de armen rond, trok de kompressen
-af, wierp zich het ijs van het hoofd, richtte zich met dolle oogjes staande in zijn
-bed, gooide de dekens weg … Othomar was opgerezen, de keizerin ook. Oscar zat in een
-stoel, het gezicht met de handen bedekt, en snikte tegen prinses Thera aan. De doktoren
-traden bij het bed, poogden Berengar te bedaren, maar hij sloeg ze; de koorts steeg
-in krankzinnigheid naar zijn klein brein.
-</p>
-<p>Op dit oogenblik kwam professor Barzia binnen; hij woonde niet in het paleis; men
-had hem ontboden uit zijn hôtel.
-</p>
-<p>—Wat doet Uwe Hoogheid hier? richtte hij zich aanstonds tot Othomar.
-</p>
-<p>De kroonprins antwoordde niet.
-<span class="pageNum" id="pb190">[<a href="#pb190">190</a>]</span></p>
-<p>—Trekt Uwe Hoogheid zich dadelijk terug in Haar eigen appartement, beval de professor.
-</p>
-<p>—Red mijn jongen! riep de keizer uit, gebroken, snikkende.
-</p>
-<p>—Ik red den kroonprins eerst, Sire: hij vermoordt zich hier!
-</p>
-<p>—Goed, goed, maar red hèm dan! schreeuwde Oscar woest.
-</p>
-<p>De andere doktoren hadden bevelen gegeven; een kuip werd binnengebracht; vol gegoten
-met lauw water, geregeld naar een thermometer … Maar Othomar zag niet meer, hij ijlde
-weg, voortgedreven door Barzia’s strenge blikken. Over de galerijen ijlde hij, door
-een groep van officieren en kamerheeren, die angstig met elkaâr stonden te fluisteren
-en voor hem uitweken. Hij stortte zijn eigen kabinet in, dat niet verlicht was. In
-den donker dacht hij zich neêr te gooien op de bank, maar bonsde op den grond. Daar
-bleef hij liggen. Zoo, als verpletterd door de duisternis, begon hij te kreunen, te
-steenen, luid op te snikken met scherpe gillen van zenuwtoeval.
-</p>
-<p>Andro was binnen gekomen; zijn voet stiet tegen den prins aan. Hij stak het gas aan,
-poogde zijn meester op te beuren. Maar Othomar hield zich als loodzwaar; snerpend
-lang stieten zich de zenuwgillen uit zijne keel. Andro belde, twee-, driemaal; lang
-luidde hij door; eindelijk verschenen een lakei en een kamerheer tegelijkertijd aan
-verschillende deuren.
-</p>
-<p>—Roep professor Barzia! riep Andro tot den lakei. Excellentie, helpt u me Zijne Hoogheid
-oplichten …! smeekte hij den kamerheer. Maar de lakei liep, toen hij zich omkeerde,
-tegen den professor aan, die bij den kleinen prins niets doen kon en den kroonprins
-gevolgd was. Hij zag Othomar liggen op den grond, kreunend, gillend …
-</p>
-<p>—Laat mij met Zijne Hoogheid alleen, beval hij met een blik rondom zich.
-</p>
-<p>De kamerheer, Andro, de lakei volgden zijn bevel.
-</p>
-<p>De professor was een groote, oude man, zwaar gebouwd en sterk: hij naderde den prins
-en hief hem, niettegenstaande zijne loodzwaarte van nervoziteit, op in zijne armen.
-Zoo <span class="pageNum" id="pb191">[<a href="#pb191">191</a>]</span>hield hij hem eenvoudig omklemd, op de bank, en zag hem aan, diep in de oogen, met
-blikken van suggestie. In eens zweeg Othomar zijn gillen stil; zijne keel verstomde.
-Mat knikte zijn hoofd <span class="corr" id="xd31e2808" title="Bron: neer">neêr</span> op den schouder van Barzia. Deze hield hem steeds in zijne armen. De prins werd kalm,
-als een gesust kind, zonder dat Barzia éen woord geuit had.
-</p>
-<p>—Mag ik Uwe Hoogheid verzoeken naar bed te gaan, sprak de professor met zijne zachte
-stem van dwang.
-</p>
-<p>Hij hielp Othomar opstaan, stak zelve het licht aan in zijne slaapkamer, hielp den
-prins zijn jas uittrekken.
-</p>
-<p>—Waarom bloedt Uw Hoogheid aan het oor? vroeg Barzia, wien geronnen bloed de vingers
-bezoedelde.
-</p>
-<p>—Een schot … begon Othomar dof; het wegwenden van zijn gelaat, het sluiten van zijne
-oogen zeiden het overige.
-</p>
-<p>De professor sprak niet meer; als ware Othomar een kind, hielp hij hem verder, waschte
-hij hem het oor, den hals, de handen, met de zachtheid eener moeder. Toen deed hij
-hem zich neêrleggen in bed, dekte hem toe, ordende de kamer als een knecht. Toen ging
-hij naast het bed zitten, waarin Othomar lag, met groote vreemde oogen, starend: hij
-nam de hand van den prins en bleef zoo, lang, zacht ziende op hem neêr. Het half neêrgedraaide
-licht, achter, hield den grooten kop van Barzia in het donker en glansde alleen wat
-op zijn kalen schedel, waaraan tot op den hals eenige grijze manen hingen. Eindelijk
-sprak hij zacht:
-</p>
-<p>—Uwe Hoogheid wil beter worden, niet waar?
-</p>
-<p>—Ja, sprak Othomar, zijns ondanks.
-</p>
-<p>—Hoe zal Uwe Hoogheid dat doen? vroeg de professor.
-</p>
-<p>De prins antwoordde niet.
-</p>
-<p>—Weet Uwe Hoogheid niet? Dan moet Zij er maar eens over denken. Maar Zij moet zich
-heel kalm houden, niet waar, héel kalm …
-</p>
-<p>En hij streelde Othomars hand met zachte, gelijke bewegingen, als balsemde hij ze.
-</p>
-<p>—Want Uwe Hoogheid mag zich nooit meer toegeven aan zenuwtoevallen. Uwe Hoogheid moet
-bedenken, hoe ze tegen te houden. Ik geef Uwe Hoogheid wel veel te bedenken, ging
-Barzia glimlachend door. Dat doe ik, omdat ik Uwe Hoogheid aan andere dingen wil laten
-denken, dan waaraan <span class="pageNum" id="pb192">[<a href="#pb192">192</a>]</span>Ze denkt. Er moet wat klaarheid komen in Hare hersenen. Is Zij moê en wil Ze slapen,
-of mag ik nog praten?
-</p>
-<p>—Ja, praat maar, fluisterde de prins.
-</p>
-<p>—Er komen dagen van groote smart voor het Imperiaal … begon de dokter weêr, zacht.
-Uwe Hoogheid moet aan die dagen denken, zonder zich te laten meêsleepen door de smart
-ervan … De kleine prins zal waarschijnlijk niet blijven leven, Hoogheid. Zal Zij daaraan
-denken en denken aan Hare ouders, Hunne arme Majesteiten? Er zijn van die dagen voor
-een land of voor een enkele familie, waarin de smart zich schijnt opeen te stapelen.
-Want deze dag, deze nacht schijnt die niet het einde van Uw geslacht, mijn prins?
-Stil, stil en beweeg U niet; laat mij maar praten, als een oude man, die zeurt … Weet
-Uwe Hoogheid, dat de keizer vandaag voor het eerst van zijn heele leven geweend heeft,
-gesnikt? Zijn jongste zoon sterft. Tusschen dit kind en den vader is een oudste zoon,
-die zwaar, zwaar ziek is … Is dit alles niet het einde?
-</p>
-<p>—Als God het dan zoo wil … fluisterde Othomar.
-</p>
-<p>—Is het goed te berusten, sprak Barzia. Maar wil God het zoo?
-</p>
-<p>—Wie zal het ons zeggen …
-</p>
-<p>—Vraagt het eens aan Uzelven, maar nu niet, Hoogheid, morgen, morgen … Na de smartelijkste
-nachten … komen weêr de morgens …
-</p>
-<p>De professor was opgestaan en had een poeier in een glas water gemengd.
-</p>
-<p>—Drink eens, Hoogheid …
-</p>
-<p>Othomar dronk.
-</p>
-<p>—En ga nu stil liggen en sluit die groote oogen.
-</p>
-<p>—Ik kan toch niet slapen …
-</p>
-<p>—Dat hoeft ook niet, maar sluit die oogen …
-</p>
-<p>Barzia streek met de hand over ze heen; de prins hield ze toe. Zijne hand lag weêr
-in de hand van den professor.
-</p>
-<p>Eene suizelooze stilte daalde neêr in de kamer. Buiten, in de galerijen en corridors,
-kwamen soms radelooze stappen aan, als uit de verte, in nuttelooze haast; dan verklonken
-ze weêr weg, in wanhoop. Eene wereld van smart scheen zich in het paleis, daar buiten
-die kamer, uit te breiden, tot ze <span class="pageNum" id="pb193">[<a href="#pb193">193</a>]</span>alle ruimten er van vulde met haar donker, nachtelijk wee. Maar in deze ééne kamer
-verroerde zich niets. De professor zat stil en staarde vol nadenken: de kroonprins
-was als een kind ingeslapen.
-</p>
-</div>
-</div>
-<div id="s2.2.7" class="div2 section"><span class="pageNum">[<a href="#s2.2.7.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h3 class="main">VII.</h3>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Den volgenden morgen ging de dag op over den rouw van een keizerrijk. Prins Berengar
-was in dien nacht bezweken.
-</p>
-<p>Othomar had lang geslapen en werd laat wakker, als in eene vreemde kalmte. Toen professor
-Barzia hem het einde van den kleinen prins vertelde,—de apathie der laatste oogenblikken
-na eene woede van koorts—scheen het hem toe, dat hij dit reeds wist. De groote smart,
-die hij voelde, was zonderling rustig, zonder oproer in zijn hart en verbaasde hemzelven.
-Kalm bleef hij liggen, toen de professor hem verbood op te staan. Als zonder emotie
-stelde hij zich voor: den kleinen jongen, roerloos, de oogen gesloten, op zijn veldbed.
-Werktuigelijk vouwde hij zijne handen en bad hij voor het zieltje van zijn broêr.
-</p>
-<p>Hij mocht dien dag zijne kamer niet verlaten en zag alleen even de keizerin, die bij
-hem kwam. Het verbaasde hem niets, dat ook zij kalm was, met droge oogen: zij had
-nog geen traan gestort. Zelfs toen hij zich oprichtte uit zijne kussens en haar omhelsde,
-weende zij niet. Hij ook weende niet, maar alleen zijne eigene kalmte verwonderde
-hem: niet de hare. Zij bleef maar een oogenblik; toen ging zij terug als met werktuigelijke
-passen en hij bleef alleen. Hij zag dien dag anders niemand dan Barzia: zelfs Andro
-kwam niet in zijne kamer binnen.
-</p>
-<p>Buiten die kamer ried de prins, aan zekere passen door de gangen, zekere klanken van
-stem—het weinige, dat tot hem doordrong—de smart van het paleis; stelde hij zich voor
-de treurmare gaande door het land, Europa, en de menschen ontzet doende staan voor
-den dood, die verrast had. Het leven was niet zeker: wie wist of hij morgen leefde!
-IJdel waren de plannen der menschen, wie wist het uur, dat volgen zoû! En kalm steeds
-bleef hij hierover denken, in de zonderlinge rust van zijne ziel, waarin hij als eene
-nutteloosheid zag om te strijden tegen het leven en tegen den dood.
-</p>
-<p>Den volgenden dag eerst vergunde Barzia hem op te staan, <span class="pageNum" id="pb194">[<a href="#pb194">194</a>]</span>laat in den middag. Na zijne douche kleedde hij zich kalm aan, in zijne lanciersuniform,
-een krip om de mouw. Toen hij zich in een spiegel zag, verwonderde het hem hoe hij
-leek op zijne moeder, hoe hij nu ging met hare zelfde machinale pas. Barzia vergunde
-hem naar den salon der keizerin te gaan. Hij vond er haar, den keizer, Thera, en den
-aartshertog en de aartshertogin van Karinthië, die den vorigen avond te Lipara waren
-aangekomen. Men zat stil bij elkaâr; nu en dan ging een zacht woord om.
-</p>
-<p>Othomar ging naar den keizer en wilde hem omhelzen: Oscar echter drukte hem slechts
-de hand. Daarna omhelsde Othomar zijne zusters, zijn schoonbroêr. Toen zette hij zich
-neêr bij de keizerin en nam hare hand en zat stil. Zij was vermagerd en krijtwit in
-hare zwarte japon. Zij weende niet: alleen de twee prinsessen begonnen telkens te
-snikken en telkens weêr.
-</p>
-<p>De familie gebruikte het diner alleen in de kleine eetzaal, zonder gevolg. Eene verplettering
-was als neêrgezonken op het paleis, dat geheel scheen te zwijgen op dit uur, met alleen
-nu en dan het zachte geloop door galerijen van een ordonnans-officier, die ging, een
-lijkkrans in de hand, van een lakei, die bracht een blad vol telegrammen. Na het korte
-diner trok de familie zich weêr terug in den salon der keizerin. De uren sleepten
-zich voort. De avond was geheel gevallen. Toen werd de aartsbisschop van Lipara aangekondigd.
-</p>
-<p>De keizerlijke familie stond op; door de galerijen ging zij, zonder gevolg, naar de
-groote Ridderzaal. Hellebaardiers stonden bij de deur. Zij traden binnen. De keizer
-reikte de keizerin de hand en geleidde haar naar den troon, waarvan de kroon en de
-draperiën omfloersd waren. Aan beide zijden waren zetels voor Othomar, de prinsessen,
-den aartshertog.
-</p>
-<p>In het midden der zaal, voor den troon, rees de katafalk op onder een hemel van zwart
-en hermelijn. In uniform lag er de kleine prins neêr. Over zijne voeten hing een kleine
-blauwe riddermantel met een groot wit kruis; een kinderdegen lag hem op de borst,
-en zijne handjes waren om het juweelen gevest heengevouwen. Aan zijn hoofdje, en wat
-hooger, blonk, op een kussen, een kleine markiezenkroon. Zes vergulde luchters glansden
-met vele hooge kaarsen stil op het kind neêr en ze <span class="pageNum" id="pb195">[<a href="#pb195">195</a>]</span>lieten de groote zaal verder in schaduw: alleen rees, buiten, de maan in verre nachtblauwe
-lucht; hier en daar tintte ze met een witte glansplek de wapenrustingen, de trofeeën,
-die hingen en, als ijzeren geesten, stonden in nissen en aan den muur. Aan het voeteneind
-der katafalk breidde, op een tafel, met wit fluweelen kleed, als altaar, een groot,
-verguld crucifix, tusschen luchters, ontfermend, twee kruisarmen uit.
-</p>
-<p>Den degen in den arm, roerloos als de wapenrustingen aan den muur, stonden vier ridders
-van St. Ladislas, den blauwen mantel om, twee aan twee, aan iedere zijde van de katafalk.
-</p>
-<p>Een zachte geur van bloemen woei om. Om de katafalk heen stapelden zich de kransen
-op in cirkels van alles wat wit bloesemt; de aroom van violen geurde het hoogst.
-</p>
-<p>Zij waren gezeten: de keizer, de keizerin en hunne vier kinderen. Langzaam kwam de
-aartsbisschop binnen met zijne priesters en koorknapen. Toen knielden de vorsten op
-kussens voor hunne zetels neêr. De prelaat las de lijkmis en het Latijn van het Kyrie-Eleison
-en het Agnus Dei smeekte voor Berengars kleine ziel te midden der zielen van het vagevuur,
-trilde zacht door de immense zaal, wolkte met den geur der bloemen mede over het roerlooze,
-ooggeslotene gezicht van het keizerlijke kind …
-</p>
-<p>De dienst was geëindigd; de prelaat sprenkelde het wijwater, ging sprenkelend om de
-katafalk heen. De vorsten verlieten de zaal, maar Othomar bleef.
-</p>
-<p>—Ik wil mijn krans neêrleggen … sprak hij zacht tot de keizerin.
-</p>
-<p>Ook de priesters, langzaam, vertrokken; den vier ridders, die door anderen vervangen
-zouden worden, zeide de kroonprins zijn verlangen een oogenblik alleen te willen blijven.
-Ook zij gingen. Toen zag hij aan de deur Thesbia verschijnen, een grooten witten krans
-in de hand. Hij ging den ordonnans-officier tegemoet en nam den krans aan.
-</p>
-<p>Othomar bleef alleen. Lang, breed, met duistere einden, strekte zich de zaal uit.
-De maan was hooger gestegen, scheen blanker, spookte op de wapenrustingen. In het
-midden, als met heiligheid, tusschen den vromen glans der lange kaarsen—rees de katafalk,
-lag de prins.
-</p>
-<p>De kroonprins ging twee treden de katafalk op en legde <span class="pageNum" id="pb196">[<a href="#pb196">196</a>]</span>den krans neêr. Toen zag hij naar Berengars gelaat; geene koorts verwrong het meer;
-rustig lag het, blank, als sliep het. Alle geluiden in de zaal waren weggestorven;
-eene doodstilte hing neêr. Hier scheen de wereld van smart, die het paleis en het
-land vervuld hadden, zich geheiligd te hebben in verhevene kalmte. En Othomar zag
-zich alleen met zijne ziel. Het onzekere van het leven, het ijdele van menschenvoornemen
-kwam tot hem weêr, maar in klaarheid; het was geen zwart mysterie en werd harmonie.
-Het was of hij geheel de harmonie zag van het verleden; in geheel Liparië’s verleden
-van historie, in geheel het verleden der wereld klonk geen enkele valsche toon. Alle
-smart was heilig en harmonisch, bracht nader tot het hooge Einde, dat weêr Begin <span class="corr" id="xd31e2875" title="Bron: zou">zoû</span> zijn, en nooit iets anders dan harmonie. Eene berusting daalde als een heilige geest
-in zijn gemoed; zijne vreemde kalmte werd berusting. Het was of zijne zenuwen zich
-ontspanden in éene groote leniging.
-</p>
-<p>En in zijne berusting was alleen de weemoed, dat hij nooit meer zoû hooren het hoog-bevelende
-stemmetje van het kind, dat hij lief had gehad. Dat dit kleine leven uitgeleefd had,
-zoo gauw, en voor altijd. In zijne berusting was alleen éven de verwondering, dat
-het zoo moest zijn en niet als hij het zich gedacht had. Hij zoû zelve moeten dragen
-zijne kroon, die hij aan Berengar had willen afstaan. En het was hem nu, of hij die
-terug ontving van den kleinen doode zelven. Hierom zeker voelde hij zoo niets geen
-opstand in zijne ziel, voelde hij die rust, dat besef van harmonie. Als eene erfenis
-kwam zijn geschenk tot hemzelven weêr terug.
-</p>
-<p>Lang stond hij zoo, denkende, starende op zijn roerloos broêrtje en eenvoudig werd
-zijne gedachte in hem; recht voor zich uit zag hij een weg, dien hij volgen zoû …
-</p>
-<p>Toen hoorde hij zijn naam:
-</p>
-<p>—Othomar …
-</p>
-<p>Hij keek op en zag de keizerin aan de deur. Zij kwam nader.
-</p>
-<p>—Barzia vroeg naar je, fluisterde ze; hij maakte zich ongerust over je …
-</p>
-<p>Hij glimlachte haar toe en schudde het hoofd van neen: dat hij kalm was.
-<span class="pageNum" id="pb197">[<a href="#pb197">197</a>]</span></p>
-<p>Zij was nu geheel genaderd, trad op de treden van de katafalk en vlijde zich aan zijn
-arm.
-</p>
-<p>—Hoe stil is zijn gezichtje … murmelde ze. O, Othomar, ik heb hem nog niet eens mijn
-laatsten zoen gegeven. En morgen behoort hij me niet meer toe: dan defileert hier
-al dat volk!
-</p>
-<p>—Maar hij is nú nog van ons, mama, van u …
-</p>
-<p>—Othomar …
-</p>
-<p>—Mama …
-</p>
-<p>—Zal ik jou ook niet hoeven … te verliezen?
-</p>
-<p>—Neen mama, mij niet … Ik zal blijven leven … voor u …
-</p>
-<p>Hij omhelsde haar; zij zag tot hem op, verwonderd om zijne stem. Toen keek ze weêr
-naar het kind. Ze maakte zich los uit de armen van haar zoon, hief zich nog hooger,
-boog zich over het witte gezichtje en kuste het voorhoofd. Maar zoodra de steenkoude
-van het doode vleesch in hare lippen trok, trok zij zich terug, staarde wezenloos
-op het lijkje, of zij nu eerst begreep. Een kramp verstijfde hare armen, verwrong
-hare vingers; recht viel zij achterover tegen Othomar aan.
-</p>
-<p>En hare oogen werden vochtig met de eerste tranen, die zij om Berengars dood vergoot,
-en zij verborg haar hoofd in Othomars armen en snikte, snikte …
-</p>
-<p>Toen voerde hij haar voorzichtig, langzaam de treden van de katafalk af, geleidde
-haar uit de zaal. In de galerij kwam hij Barzia tegen; het stil kalme gelaat van den
-prins, die zijne moeder ondersteunde, stelde den professor gerust …
-</p>
-<p>Zoodra de keizerin en de kroonprins de Ridderzaal verlaten hadden, traden vier ridders
-van St. Ladislas, den blauwen mantel om, binnen. Zij namen hunne plaats in aan beide
-zijden van de katafalk en zij bleven er roerloos staan in den kaarsenglans, starende
-voor zich uit, wakende in den rouwnacht over het keizerlijke lijkje, waarover nu de
-blauwte van de maan viel … Ook de priesters waren binnengekomen, en baden …
-</p>
-<p>Het paleis was stil. Toen Othomar aan de deur van haar appartement zijne moeder had
-overgegeven aan Hélène van Thesbia, ging hij de <span class="corr" id="xd31e2902" title="Bron: galarijen">galerijen</span> door naar zijne eigen kamers. Maar bij eene wending der gangen schrikte hij. De groote
-ceremonietrap gaapte, flauw verlicht aan zijne voeten, met de <span class="pageNum" id="pb198">[<a href="#pb198">198</a>]</span>holte der kolossale vestibule onder aan. Behangers waren daar bezig de balustrades
-der trap te drapeeren met floers van krip, voor het oogenblik, dat de kist naar beneden
-gedragen zoû worden. Zij maten met wijde armen de nevels van zwart uit, wierpen zwarte
-wolk op wolk; de wolken krip stapelden zich met eene droeve luchtigheid op, en op
-en op, schenen de geheele trap te vullen en treê na treê hooger te stijgen of ze het
-geheele paleis zouden veroveren met hun zwart …
-</p>
-<p>De behangers zagen den kroonprins niet, en werkten door, zwijgend, in het flauwe licht.
-Maar eene koude rilling ging over Othomar heen. Doodsbleek staarde hij naar de mannen,
-die daar aan zijne voeten het krip uitmaten en het wolken deden naar hem toe. Hij
-herinnerde zich zijn droom: de straten van Lipara, zich vullende met krip tot de zon
-zwijmde … Zijn bloed scheen hem te bevriezen in zijne aderen …
-</p>
-<p>Toen sloeg hij een kruis.
-</p>
-<p>—O God, geef me kracht! bad hij in ontzetting …
-</p>
-</div>
-</div>
-<div id="s2.2.8" class="div2 section"><span class="pageNum">[<a href="#s2.2.8.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h3 class="main">VIII.</h3>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Den volgenden morgen ging tusschen de paradewachten door der grenadiers het volk voorbij
-het lijk van den kleinen prins. Den daarop volgenden werd het vervoerd naar Altara
-en bijgezet in den keizerlijken grafkelder in den Dom van St. Ladislas. De prinsen
-Gunther en Herman van Gothland waren voor de plechtigheid overgekomen, maar den hertog
-van Xara was door professor Barzia verboden aan de ceremonie deel te nemen: hij bleef
-te Lipara.
-</p>
-<p>De Gothlandsche prinsen en hun gevolg kwamen met keizer Oscar terug naar de rezidentie,
-waar, op het dringend verlangen van hare zuster, ook koningin Olga met prinses Wanda
-gekomen was. En in de rouwstilte van het Imperiaal trok de familie zich bij elkaâr
-in een nauwen cirkel van intimiteit. Keizerin Elizabeth had, na hare eerste tranen,
-die onnatuurlijke kalmte verloren; telkens onderging zij hevige aanvallen van verdriet,
-die de koningin Olga of Othomar nauwlijks wisten te bedaren. De keizer was ontroostbaar,
-gaf zich met eene kinderlijke hevigheid over aan zijne smart. Men had hem nooit zoo
-gezien, men kende hem zoo niet. Dat hij zijn lieveling verloren had, bracht zijne
-ziel in opstand <span class="pageNum" id="pb199">[<a href="#pb199">199</a>]</span>tegen de wereld en tegen God. Daarbij kwam, dat hij zich zeer had aangetrokken zijn
-laatste gesprek met Othomar, waarin deze hem van afstand-doen gesproken had. De keizer
-was er niet meer op terug gekomen, maar hij dacht er telkens aan. Hij vreesde er weêr
-met Othomar over te moeten spreken. Met woede voelde hij zijn onmacht, den kroonprins
-dit besluit van wanhoop te verbieden. En hij verbeeldde zich wat er volgens de wetten
-gebeuren zoû, zoo de prins volhardde: de aartshertogin van Karinthië keizerin, de
-aartshertog prins-gemaal en het geslacht van Czyrkiski niet meer heerschende op den
-troon van Liparië in de mannelijke lijn. Dat dit zoû kunnen gebeuren, deed, tegelijkertijd
-met zijn leed over Berengars dood, keizer Oscar lijden met dat zeer bijzondere leed
-van den vorst, in wiens bloed nog vloeit geheel de geërfde gehechtheid aan de grootheid
-zijner vaderen, en die ze voort wil laten duren tot den laatsten dag. En was hij ook
-ontroostbaar over het verlies van het kind, dat hij het meeste liefhad, zwaarder,
-maar stiller, in grooter geheim—daar hij er niet over sprak—en hierom wellicht smartelijker,
-voelde hij zijn leed over dit idee, over deze toekomst, die hij zich beeldde. Zelfs
-met de keizerin had hij er niet over gesproken, uit zekere vrees en bijgeloovigheid.
-</p>
-<p>En bij dit denk-verdriet,—dat zijne ziel van kracht, waarin altijd een zweem van kinderlijkheid
-gebleven was, zich zwak deed gevoelen, of zij de ziel ware van ieder ander mensch
-in plaats van de zijne: die van een vorst—mengde zich de zakelijke ergernis over de
-legerwet. Er zouden driehonderd millioen noodig zijn; honderd millioen waren reeds
-toegestaan voor de versterking der infanterie; de twee andere honderd, voor de artillerie,
-had de Minister van Oorlog, graaf Marcella, nog niet weten te verwinnen. De meerderheid
-der legercommissie was tegen die kolossale wapening der grensforten; in het Huis der
-Standen ried de minister reeds heftige tegenkanting, vermoedde hij zijn val. Noch
-Oscar, Myxila noch Marcella, wilden het minste toegeven. En Oscar zoû zijn minister
-daarenboven willen handhaven tot in het onmogelijke toe.
-</p>
-<p>Het was in deze dagen, dat Othomar zich door generaal Ducardi geheel op de hoogte
-der questie liet brengen, de stafkaarten <span class="pageNum" id="pb200">[<a href="#pb200">200</a>]</span>en legerstaten en verslagen der commissie bestudeerde, de parlementaire discussies
-van uit zijne afzondering volgde. Hij hield lange overwegingen met den generaal. Hij
-had echter in maanden niet meer de ochtendberaadslagingen in het kabinet van zijn
-vader bijgewoond. Maar op een morgen kleedde hij zich—wat hij niet altijd deed—in
-uniform en liet door een kamerheer aan Oscar verzoeken of de keizer hem vergunde tegenwoordig
-te zijn bij de ontvangst van graaf Marcella. De keizer was verwonderd, haalde de schouders
-op, maar bestreed zijne antipathie, en liet zijn zoon zeggen, dat hij komen kon. Zoodra
-de Rijkskanselier en de minister bij den keizer waren, vervoegde Othomar zich bij
-hen. Hij was tengerder nog geworden en de zilveren brandebourgs van zijn lanciersuniform
-konden nauwlijks aan zijne slankte eenige breedte leenen; hij was bleek en wat hol
-van wangen, maar de blik in zijne oogen had die vroegere koortsachtige onrust verloren
-en zijne melancholieke kalmte teruggewonnen, tegelijk met iets straks van hoogheid.
-Hij mengde zich eerst niet in de discussie, liet den keizer vloeken, den Rijkskanselier
-zijne schouders ophalen en berusten in het onmogelijke, den minister verklaren, dat
-hij nooit toe zoû geven. Toen vroeg hij echter aan Oscar vergunning een woord in het
-midden te brengen. Hij had een potlood in de hand genomen; hij toonde met enkele kort
-besliste lijnen van aanwijzing over de kaarten, met enkele direct juiste aanduidingen
-op de staten, met enkele cijfers, die hij uit zijn hoofd, en nauwkeurig opnoemde,
-dat hij geheel op de hoogte was. Hij meende, dat, voor zoover hij kon nagaan uit de
-verslagen der commissie, uit de stemming in het Huis der Standen, het ongetwijfeld
-vast zoû staan, dat de tweehonderd millioen geweigerd zouden worden. Dat de minister
-vallen zoû. Hij herhaalde deze laatste woorden nadrukkelijk en zag toen vast zijn
-vader eerst aan en daarna graaf Marcella. Toen, met zijne zachte stem, die logisch
-in klank na klank zich verhief en daalde met rustige woorden van overtuiging, vroeg
-hij, waarom men zich niet voegen zoû naar de omstandigheden en van ze maken wat van
-ze te maken was. Waarom men niet de honderd millioen voor de infanterie zoû aanvaarden
-als het gewonnene en—hetgeen, zonder o ogenblikkelijk gevaar, toch zoû kunnen—<span class="pageNum" id="pb201">[<a href="#pb201">201</a>]</span>de tweehonderd anderen zoû pogen te verdeden over eene tijdlengte van vier of vijf
-jaar. Hij meende zeker te zijn, dat een twintig millioen ’s jaars meer, niet zoo heftige
-tegenkanting zoû vinden. Met zulke eene schikking zoû graaf Marcella zichzelven kunnen
-handhaven en door den keizer gehandhaafd kunnen worden …
-</p>
-<p>Toen hij zweeg, volgde eene stilte zijne woorden. Zijn raad was, zoo niet geniaal,
-practisch geweest, makende van dit oogenblik van crizis wat er van te maken zoû zijn.
-Graaf Myxila knikte zijn hoofd langzaam, goedkeurend. De keizer en graaf Marcella
-konden Othomars denkbeeld niet dadelijk aanhangen, halsstarrig, als ze doordrijven
-wilden de legerwet in hare eerste onveranderde conceptie. Maar de Rijkskanselier <span class="corr" id="xd31e2926" title="Bron: voegden">voegde</span> zich bij den kroonprins, deed nog nadrukkelijker uitkomen, dat eene zoodanige schikking
-de eenige zijn zoû, waarmeê Zijne Majesteit graaf Marcella zoû kunnen behouden. En
-de beraadslaging eindigde, dat het voorstel van den hertog van Xara in overweging
-zoû genomen worden. Toen Myxila en Marcella gegaan waren, vroeg de keizer den prins
-nog een oogenblik te blijven.
-</p>
-<p>—Othomar, sprak hij: het doet mij groot genoegen, dat je je weêr met de zaken van
-ons land bezig houdt …
-</p>
-<p>Hij weifelde even, bijna angstig.
-</p>
-<p>—Welke concluzie kan ik daaruit trekken … voor de toekomst? ging hij eindelijk langzaam
-voort.
-</p>
-<p>De kroonprins begreep hem.
-</p>
-<p>—Papa, sprak hij zacht. Ik heb mijne moedelooze oogenblikken gehad. Ik zal ze misschien
-nog wel hebben. Maar vergeet … wat er zoo kort voor Berengars dood tusschen ons besproken
-is geworden. Ik denk er niet meer over afstand te doen …
-</p>
-<p>De keizer haalde diep adem.
-</p>
-<p>—Ik ben vroom, papa, en geloovig, ging de prins voort. Misschien bijgeloovig. Ik zie
-duidelijk in wat er gebeurd is, de hand van God …
-</p>
-<p>Hij streek met de hand over het voorhoofd, peinzende voor zich heen.
-</p>
-<p>—De hand van God, herhaalde hij. Ik heb een voorgevoel gehad van den dood van éen
-onzer binnen dit jaar. Ik dacht <span class="pageNum" id="pb202">[<a href="#pb202">202</a>]</span>dat ik het zelf zoû zijn, die sterven zoû. Daarom papa, zag ik misschien niet in,
-dat het monsterachtig van mij was, waartoe ik besloten had. Ik dacht niet aan mijzelven,
-die toch zoû dood gaan; ik dacht alleen aan Berengar. Ik zag, dat hij meer vorst was
-dan ik. Maar nu is hij dood en ik leef, en ik zal nu aan mijzelven denken. Want ik
-voel het, dat ik mijzelven niet behoor. En ik voel, dat het dit is, wat ons staande
-moet houden in het leven: dit gevoel, dat wij niet aan onszelven behooren, maar aan
-anderen. Ik heb altijd van ons volk gehouden en ik woû het helpen in het vage, in
-het abstracte; ik sloeg mijn handen uit, zonder te weten wat en als ik niet volbracht,
-was ik er wanhopig om …
-</p>
-<p>Hij hield in eens op, zag schichtig naar zijn vader, als had hij zich te ver laten
-gaan in het uitspreken zijner gedachten. Maar Oscar zat hem kalm aan te hooren, en
-hij ging voort:
-</p>
-<p>—En ik weet nu, dat zulke wanhoop niet goed is, omdat wij met zulke wanhoop ons aan
-onszelven behouden en ons niet kunnen geven aan anderen. U ziet—en hij stond op en
-glimlachte—ik kan maar niet genezen van mijn filozofie, maar ik hoop nu, dat ze mij
-zal leeren sterken in plaats van mij te ontzenuwen, omdat ze nu uit een geheel ander
-principe voortvloeit<span class="corr" id="xd31e2945" title="Niet in bron">.</span>—De keizer haalde licht de schouders op.
-</p>
-<p>—Ieder moet zich zijn eigen levenswijsheid maken, Othomar; ik kan je alleen dezen
-raad geven: dweep niet en hoû je standpunt hoog. Cijfer jezelven niet te veel weg,
-want zulke abnegatie duurt niet en herneemt toch weêr later oude rechten. Ik denk
-zooveel niet na; ik ben meer spontaan en impulsief. Maar ik wil niet over je oordeelen,
-omdat jij anders bent; je kan er niets tegen. Je bent misschien meer van dezen tijd
-dan ik. Ik wil alleen naar het rezultaat zien van je overpeinzingen en dat rezultaat
-is: dat je jezelven teruggeeft aan het gewone leven en aan de belangen van je land.
-En hierom verheug ik me, Othomar. Ik wil ook niet te ver in de toekomst zien; ik vermoed,
-dat je ook later niet mijn ideeën zult hebben; ik vermoed, dat je later zult regeeren
-met een constitutie van A tot Z, met een gekozen Hooger-Huis. Ik vermoed, dat je van
-de autoritair adellijke partij veel tegenkanting zult hebben … Maar zooals ik zeg,
-ik wil daar niet te ver in doorgaan en mij alleen verheugen over je moreele beterschap.
-<span class="pageNum" id="pb203">[<a href="#pb203">203</a>]</span>En ik ben je heel dankbaar voor den raad, dien je ons zoo even gegeven hebt. Ze was
-eenvoudig, maar uit onszelve waren wij er zeker niet toe gekomen. Wij zijn daartoe
-te vasthoudend. Ik geloof nu wel, dat wat je voorstelde, het beste zal zijn; dat het
-wel niet anders zal kunnen …
-</p>
-<p>Hij stak zijne hand uit, Othomar greep die.
-</p>
-<p>—En, vervolgde hij, met de groote loyaliteit, die ondanks zijne tirannieke hoogheid
-het fond van zijne ziel was; laat geene rancune bij je blijven over … woorden, die
-ik je gezegd heb, Othomar. Ik ben hevig en driftig, dat weet je. Ik hield meer van
-Berengar dan van jou. Maar jijzelf hield van dat kind. Hoû me geen rancune na, terwille
-van hem … Je bent toch mijn zoon ook en ik hoû van je, alleen al om het feit, dàt
-je mijn zoon bent, en de laatste van mijn geslacht … Vergeef me mijn eerlijkheid.
-</p>
-<p>Toen drukte hij Othomar in zijne armen. Het trof hem pijnlijk de tengerheid van den
-prins te voelen in zijne stevige omhelzing, zoo dadelijk na zijne woorden: de laatste
-van mijn geslacht … Een vreemde, bittere wanhoop ging er om door zijne ziel, maar
-tevens vermoedde hij duidelijk het mysterie in die tengerheid: een onbekende, moreele
-drijfveer, die hij zelve in zijn weinig complexen eenvoud zeker miste, maar, vol verwondering,
-voelde in zijn zoon. Toen de prins gegaan was en Oscar, alleen, hierover dacht, en
-die drijfveer zocht in hetgeen hem in zijn kind bekend was, vond hij niet, maar voelde
-toch, dat wat ze ook ware, ze iets benijdenswaardigs was: een kracht, die taaier was
-dan spierkracht. Hij zag om zich heen: zijn oog viel op het portret van de keizerin
-op zijne schrijftafel. Hoe dikwijls had hij er niet op getuurd met ergernis, om hun
-troonopvolger, die zoo geheel haar eigen zoon was. Maar alsof eene schemering van
-glans voor zijne oogen opging, zag hij nu naar het delicate gelaat, zonder dien ouden
-wrevel en eene dankbare warmte begon in hem op te stralen. Wat ze ook ware, Othomar
-had die geheimzinnige kracht van zijne moeder. Ze redde hem en behield hem voor zijn
-land, voor zijn geslacht. En— wie wist het—misschien was dit mysterie, wat dan ook,
-het element, dat hun geslacht behoefde, eene noodige essence voor zijne nieuwe levensvatbaarheid …
-Hij drong daar verder niet in door; de toekomst<span class="pageNum" id="pb204">[<a href="#pb204">204</a>]</span>—ook al klaarde ze nu op uit hare eerste duisternis—was hem niet lief. Hij had het
-verleden lief, die ijzeren eeuwen met hare helden van keizers. Maar hij voelde, dat
-niet alles verloren was. In zijn vroom geloof aan het Hoogste, dacht hij als zijn
-zoon, aan de hand van God. Zoo het zoo moest, zoû het zoo goed zijn. De wil van God
-was ondoorgrondelijk …
-</p>
-<p>En dankbaar aan de keizerin, dankbaar, dat het licht voor hem werd, boog hij de knieën
-voor het crucifix aan den muur, en bad hij voor zijne beide zonen, bad hij lang voor
-den zoon, die zijne kroon zoû dragen, maar langer voor de ziel van het kind van zijn
-éigen bloed, en welks gemis de smart zijn zoû, die altijd alsem zoû blijven op den
-grond van zijne, nu uitgestorte, ziel …
-</p>
-</div>
-</div>
-<div id="s2.2.9" class="div2 section"><span class="pageNum">[<a href="#s2.2.9.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h3 class="main">IX.</h3>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first address">Uit het Dagboek van Alexa, <br>Hertogin van Yemena. <br>Gravin van Vaza.
-</p>
-<p class="dateline">Nov. 18 …
-</p>
-<p>De kroonprins is niet met den keizer meêgekomen. Professor Barzia heeft het hem verboden,
-omdat hij meende, dat de groote jachten, waarmeê de hertog Zijne Majesteit verstrooien
-wil, in zijn verdriet om onzen kleinen prins, te vermoeiend zouden zijn voor mijn
-lieven zieke. Ik hoor toch van Dutri, dat hij aanmerkelijk in beterschap toeneemt,
-en zijne dagelijkschen morgenrit reeds hervat heeft.
-</p>
-<p>Het is gedaan voor mij. Arm zondig hart, in mij zelve, sterf. Want na deze laatste
-bloem van passie, die in u ontlook, wil ik dat ge sterft, voor de wereld. Om de reinheid
-van mijn keizerlijke bloem, wil ik, dat ge nu sterft. Niets hierna, niets, dan het
-nieuwe Leven, dat ik voor mij zie lichten …
-</p>
-<p>En toch, ik ben nog jong; ik zie mij in mijn spiegel niet ouder dan een jaar geleden.
-Ik zoû, als ik niet wilde, geen afstand behoeven te doen van mijne vrouwelijke machten.
-En zoo beschouwt iedereen het, want ik weet, dat men fluistert over den Hertog van
-Mena-Doni, als zoû hij in mijn hart mijn aangebeden kroonprins vervangen hebben. Maar
-het is niet waar, het is niet waar. En ik ben er zoo blij om, dat ze mij <span class="pageNum" id="pb205">[<a href="#pb205">205</a>]</span>niet kennen en het niet weten. Dat ze het niet begrijpen, dat ik rein wil laten verwelken
-mijne keizerlijke liefde en na haar geene aardsche liefde koesteren wil.
-</p>
-<p>Lieve liefde van mijn hart, gij hebt mij verheven tot mijn nieuw Leven! Gij waart
-nog zonde, maar ge louterdet toch, omdat ge zelve gelouterd waart door de aanraking
-van het heilige, dat in vorstelijkheid is. O, ge waart de laatste zonde, maar ge waart
-reeds reiner dan de vorige. Want groote zondaresse ben ik geweest; heel mijn zondig
-leven van vrouw offerde ik aan verterende passie en wat liet het anders na dan asch
-in mijn hart! Groote, blakende liefde van mijn leven voor hem, die nu dood is—zijne
-ziel ruste in vrede—ik wil u niet verloochenen, omdat gij geweest zijt mijn meest
-intense aardsche genot, omdat ik door u het eerste heb leeren weten, dat ik een ziel
-had, en omdat ge zóo nader bracht tot wat ik nu voor mij zie; maar toch, wat waart
-ge anders dan aardschheid! En mijne reinere keizerlijke liefde, wat waart ook gij
-anders dan aardschheid! Zachte vorst van mijn ziel, wat wil God anders, dat ge zijn
-zult dan aardsch. Een rijk wacht u, eene kroon, een scepter, eene keizerin. God wil
-het zoo, en daarom is het goed, dat ge aardsch zijt, terwijl uwe aardschheid toch
-tevens gewijd wordt door uw vroom geloof. Maar ik, ik ben minder geweest dan aardsch
-alleen: ik was zondig. En nu wil ik, dat mijn hart geheel en al sterft in mij, omdat
-het niets is dan zonde. Dan zal mijn hart herboren worden, in nieuw Leven …
-</p>
-<p>Ik heb geleden. Uren heb ik gelegen op het koude marmer van de kapel, tot mijne knieën
-me pijn deden en mijne leden stijf waren. Mijn zondig leven heb ik gebiecht aan mijn
-heiligen biechtvader, Monseigneur van Vaza. O, de zoetheid van absolutie en de extaze
-van gebed! Waarom voelen wij niet eerder dien zaligen troost, die er is in de waarneming
-van onze godsdienstige plichten! O, als ik mij geheel kon storten in het zoete mysterie,
-in God; als ik gaan kon in een klooster! Maar ik heb mijne twee stiefdochters. Ik
-moet ze brengen in de wereld; het is mijn taak. En Monseigneur meent, dat het mijne
-boete is en mijn straf: me niet terug te kunnen trekken in heiligende afzondering,
-maar te moeten blijven ademen, de zondige atmosfeer van de wereld.
-<span class="pageNum" id="pb206">[<a href="#pb206">206</a>]</span></p>
-<p>Mijn kasteel in Lycilië, waar we nooit komen, mijn eigen kasteel en erfgoed, wil ik
-geven aan onze Heilige Kerk voor een klooster van jonkvrouwen Ursulinnen. Onlangs
-ben ik er geweest, met Monseigneur. O, de groote sombere zalen, de fresco’s in schaduw,
-het donkere park! En de kapel, als er de nieuwe glazen zullen gekomen zijn, waardoor
-het licht in mystieke kleurenwemeling zal neêrvallen! Mijn dierbaarste wensch is het,
-daar oud te kunnen worden en er geheel af te kunnen sterven van de wereld: maar zal
-het ooit mogen, Heilige Moeder Gods, zal het ooit mogen!
-</p>
-<p>— — — — — — — — — — — — — — — — — —
-</p>
-<p>Ben ik eerlijk? Wie weet het, wat weet ikzelve? Voel ik die loutering van mijne ziel
-in waarheid of blijf ik toch, die ik ben? Een vreeselijke twijfel rijst in mij op;
-het is Satan, die in mij komt! Ik wil bidden: Heilige Maagd, bid voor mij!
-</p>
-<p>— — — — — — — — — — — — — — — — — —
-</p>
-<p>Ik ben kalmer geworden; het gebed heeft mij gesterkt. O, smartelijk zijn de twijfelingen,
-die mij rukken uit mijne overtuiging. Dan zegt Satan, dat ik mij die overtuiging wijs
-maak, om mij te troosten in mijne verlatenheid en dat ik vroom ben geworden uit gemis
-aan bezigheid. Ik zie mij zelve dan in den spiegel, jong; eene jonge vrouw. Maar als
-ik bid, wijken de twijfelingen weêr uit mijn zondig gemoed en blik ik met huivering
-terug naar mijn slecht verleden. En dan klaart het nieuwe Leven van mijne toekomst
-weêr voor mij op …
-</p>
-<p>Dierbare prins, vorst van mijne ziel, hier op deze bladen, die niemand ooit lezen
-zal, neem ik afscheid van U, omdat het mij niet gegeven werd, afscheid van U te nemen
-op een oogenblik van tastbare werkelijkheid. O, dikwijls, dag aan dag misschien, zal
-ik U nog zien in het wemelen van de wereld, in de ceremonie der paleizen, maar u zal
-mij niet meer behooren en daarom neem ik afscheid van U. Wat ik ook ben,—dubbele zondares
-misschien, die alleen naar den hemel verlangt, omdat de aarde haar niet meer boeit—waàr
-ben ik voor U geweest, als ik altijd was, in liefde. Ik heb U gebukt gezien, U, zoo
-tenger, onder Uw zwaar juk van keizerlijkheid en ik heb mijn hart voor U voelen overvloeien
-van medelijden. Ik heb U mijn armzaligen zondigen troost willen geven, zooals ik dat
-kon. Moge de Hemel mij vergeven! Ik <span class="pageNum" id="pb207">[<a href="#pb207">207</a>]</span>heb U getroffen op een oogenblik, dat de tranen aan Uwe lieve oogen ontvloeiden uit
-bitterheid, dat men U haatte en de schennende hand had durven slaan aan Uw vorstelijk
-lichaam, en ik heb u willen geven wat zoets ik kon, om U die bitterheid te doen vergeten.
-O, misschien was ik toen zelfs niet geheel eerlijk; misschien ben ik het zelfs nu
-niet! Maar dàt zoû te vreeslijk zijn: dat zoû me mijzelve doen verachten, als ik niet
-kan! En ik wil ten minste die illuzie behouden, dat ik eerlijk wàs! Dat ik U wilde
-troosten! Dat, al was het ook zonde, ik U getroost heb. Dat ik U in ware waarheid
-heb liefgehad. Dat ik U nog lief heb. Dat ik U niet meer lief zal hebben—omdat ik
-dit niet mag—als Uwe minnares, maar dat ik het doen zal als Uwe onderdane. Het bloed
-van mijne aderen bemint het Uwe; Uw gouden bloed! En als ikzelve den vrede zal gevonden
-hebben en niet meer weifelen en twijfelen zal, zullen mijne laatste dagen slechts
-gebed zijn voor U, dat ook U de vrede worde en de kracht voor Uwe toekomstige heerscherstaak.
-Ik voel geen naijver op haar, die mijne aanstaande keizerin zal zijn. Ik weet, dat
-zij mooi is, en zij is jonger dan ik. Maar ik vergelijk me niet met haar. Ik zal hare
-onderdane zijn, zooals ik de Uwe ben. Want ik heb U lief om Uzelve, en ik heb lief
-alles, wat van U zal zijn. U is mijn vorst; U is mijn vorst reeds meer dan Oscar!
-Vaarwel, mijn prins, mijn kroonprins, mijn vorst! Als ik U terug zie, zal U mij niets
-meer zijn dan mijn vorst, en mijn vorst alleen!
-</p>
-<p class="address">Aan Zijne Allergenadigste Keizerlijke Hoogheid <br>Othomar, <br>Hertog van Xara <br>te Lipara.
-</p>
-<p class="address">Castel Vaza, <br>Nov. 18 … <br>Mijn dierbare Prins!
-</p>
-<p>Vergeef me zoo ik het waag U bijgaande bladen toe te zenden. Ik meende eerst U te
-zenden een langen brief, een brief van afscheid. Ik schreef er U ook vele, maar zond
-ze U niet en verscheurde ze. Toen schreef ik U alleen voor mijzelve, <span class="pageNum" id="pb208">[<a href="#pb208">208</a>]</span>nam ik afscheid van U voor mijzelve. Maar kan ik het nagaan, wat er in mij omgaat,
-wat ik denk van het eene oogenblik op het andere?! Ik miste het toch: mijn zoet afscheid,
-dat nog iets geheims van mij binden zoû aan U. En zoo kan ik niet nalaten—eindelijk,
-na veel slingering van gedachte!—U deze bladen, die ik slechts voor mijzelve had vol
-geschreven, te zenden. Aan Uwe voeten smeek ik U: neem ze in genade aan, lees ze in
-genade. Verscheur ze daarna; U zal door ze de laatste gedachte weten, die ik heb gewaagd
-te wijden aan het mysterie, dat onze liefde was …
-</p>
-<p>Ik druk mijn lippen aan Uwe aangebeden handen,
-</p>
-<p class="signed"><span class="sc">Alexa.</span>
-</p>
-</div>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div id="ch2.3" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#ch2.3.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="main">DERDE HOOFDSTUK.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<div id="s2.3.1" class="div2 section"><span class="pageNum">[<a href="#s2.3.1.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h3 class="main">I.</h3>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Keizerin Elizabeth reed met Hélène van Thesbia in eene victoria—een voorrijder voorop—van
-St. Ladislas naar het Oude Paleis, dat met den Dom en het Episcopaal éen reuzenbouw
-vormde; daar, in Altara, hadden de aartshertog Albrecht en de aartshertogin Eudoxie
-den vorigen dag met de keizerlijke bruid hun intrek genomen. Van den hoogen slotburcht,
-die als een breede steenblokkenmassa, met gekanteelde vlakken en plompe torens, over
-Altara heen zag, daalde onder oude kastanjes, onmerkbaar, de weg, licht zigzagkronkelend
-naar beneden. Het stof stuivelde onder de wielen op; aan beide zijden lagen villa’s,
-met terrassen, vroolijk van vazen en bloemen en beelden, en lager en lager afglooiende,
-naar de stad toe. De villa’s vlagden; de blauw-en-witte vlaggen met de witte kruisen
-joelden als een jeugd van kleuren onder het bestofte loof der oude boomen en acacia’s.
-</p>
-<p>Het was Juni; zes maanden na den dood van den kleinen prins, maar de rouw was verlicht
-om het aanstaande huwelijk van den hertog van Xara, dat de keizer zoo spoedig mogelijk
-voltrekken zag. De keizerin echter droeg nog zwaren rouw, dien zij eerst op den dag
-van het huwelijk af zoû leggen; Hélène droeg grijs; de liverei was grijs.
-</p>
-<p>Vele wandelaars, ruiters, equipages gingen langs den weg, <span class="pageNum" id="pb209">[<a href="#pb209">209</a>]</span>hielden eerbiedig stil; de keizerin groette links en rechts; van af de balcons der
-villa’s groette men haar. In het warme zomerweder heerschte er eene gemoedelijkheid,
-eene zachte vroolijkheid langs den weg, ademde de weg, met zijne villa’s, waar de
-menschen in groepen zaten, eene vriendelijkheid uit, die der keizerin aangenaam aandeed
-en haar hart met een lichten weemoed op deed zwellen in hare borst. Kinderen liepen
-rond en speelden, in witte zomerpakjes; ze stonden in eens stil, en als welopgevoede
-kinderen, die de leden der keizerlijke familie iederen dag zagen voorbijgaan, groetten
-zij diep, de jongens onhandig, de meisjes met pas geleerde révérences. Dan speelden
-zij weêr door … En de keizerin glimlachte om een groote familie, oude en jonge menschen
-samen, die op een terras zeker een verjaardag vierden en lachten en dronken, vele
-glazen en karaffen voor zich: de kinderen hunne monden vol koek. Zoodra zij den voorrijder
-zagen, stonden zij op en zij groetten allen, sommige de glazen nog in de hand, en
-de keizerin, zonder hare gewone strakheid, groette ze innemend met een glimlach terug.
-</p>
-<p>En het was als ging zij door een groot dorp van luxe; een oogenblik vergat zij de
-lichte obsessie, die haar neêrdrukte, vergat zij waarom zij heden ging naar Valérie
-toe en liet zij zich wiegelen door haar welbehagen in de liefde, die zij om zich ried.
-Het was die liefde der oude Liparische patricische familiën—adellijk of niet-adellijk—voor
-hare vorsten. Het was eene liefkoozing, die zij nooit te Lipara voelde. En zij herinnerde
-zich Othomars brief, tijdens de overstroomingen van het vorige jaar: waarom zijn we
-toch niet meer te Altara …
-</p>
-<p>Geen oogenblik kon zij ophouden te groeten. Maar zij naderde nu de stad; als coulissen
-schoven de oude huizen op; de geheele stad schoof nader, vroolijk van vlaggen, die
-jong deden over haar oude steen. De straten waren vol; duizende vreemdelingen, van
-binnen- of buitenslands, waren te Altara; in de hôtels was geene kamer meer te krijgen.
-En de keizerin kon nauwelijks een woord tot Hélène spreken; zij kon niets doen dan
-knikken, altijd door …
-</p>
-<p>Op het voorplein van het Oude Paleis was de paradewacht der infanterie ter eere der
-Oostenrijksche bruid opgesteld en prezenteerde, nu het rijtuig der keizerin voorreed,
-het <span class="pageNum" id="pb210">[<a href="#pb210">210</a>]</span>geweer. De aartshertogin <span class="corr" id="xd31e3027" title="Bron: Euxodie">Eudoxie</span> verwachtte de vorstin.
-</p>
-<p>—Hoe is Valérie? vroeg Elizabeth dadelijk.
-</p>
-<p>—Goed, kalm, antwoordde de aartshertogin; ik had het zoo niet durven hopen. Maar ze
-wil niemand ontvangen …
-</p>
-<p>—Laat toch vragen of ik haar zien kan …
-</p>
-<p>De hofdame der aartshertogin verwijderde zich: ze kwam terug met het bericht, dat
-Valérie de keizerin wachtte.
-</p>
-<p>Elizabeth vond het jonge meisje in een negligé van witte kant, bleek, met groote donkere
-doffe oogen, liggen op een bank, ze richtte zich echter op:
-</p>
-<p>—Mevrouw, vergeef me, verontschuldigde zij zich.
-</p>
-<p>Elizabeth omhelsde haar met eene groote zachtheid; de aartshertogin zeide:
-</p>
-<p>—Ik was niet wel, ik voelde me moê …
-</p>
-<p>Toen echter ontmoetten hare oogen die van de keizerin, en zag zij, hoe deze niet eischte,
-dat ze zich met onmenschelijke kracht ophield. Zij drukte zich tegen de keizerin aan
-en weende zacht, als eene weent, die reeds lang en hartstochtelijk geweend heeft en
-nu moê is van haar weenen en het niet anders meer kan dan zacht. De keizerin deed
-haar zitten, zette zich naast haar en liefkoosde haar met een streelend gebaar van
-de hand. Geene van beide sprak; zij vonden geene van beide woorden in de moeilijke
-verhouding, waarin zij, op dit oogenblik, over en weêr waren.
-</p>
-<p>Twee dagen geleden, den dag vóor dien, waarop de reis van de bruid van Altara bepaald
-was, was het bekend geworden, dat prins Von Lohe-Obkowitz zich te Parijs had doodgeschoten.
-Welke de reden van dien zelfmoord geweest was, wist men niet. Sommigen meenden, dat
-de prins zwaar gebukt ging onder de ongenade van den keizer van Oostenrijk en de brouille
-met zijne familie; anderen, dat hij met baccara een fortuin verloren had en verder
-geruïneerd was door de artistieke lubies zijner vrouw, de beroemde Estelle Desvaux,
-die enkele malen in haar leven zichzelve geruïneerd had, maar door een kunstreis en
-wat diamanten te verkoopen er ook weêr telkens boven-op gekomen was. Weer anderen
-hielden vol, dat prins Lohe nooit zijne liefde voor de aanstaande hertogin van Xara
-had kunnen vergeten. Maar hoeveel men ook vertelde in de hofkringen van Weenen, men
-wist niets <span class="pageNum" id="pb211">[<a href="#pb211">211</a>]</span>zekers. Valérie had, bij toeval, het bericht, dat men haar verzwijgen wilde, in de
-zelfde courant gelezen, waarin zij, nu bijna een jaar geleden, bij toeval ook, op
-het terras te Altseeborgen het bericht had gelezen, van prins Lohe’s voorgenomen huwelijk
-en afstand van zijne rechten. Hare ziel, die geene neiging tot mystiek had, werd echter
-bijna in den schok van wanhoop, die ze doorvoer, bijgeloovig om deze herhaling van
-wreedheid. Maar toen zij haar leed, maanden geleden, had doorgestreden en uitgeleden,
-was eene onverschilligheid in haar nagevolgd door al het verdere leed, dat zij nog
-óoit <span class="corr" id="xd31e3044" title="Bron: zou">zoû</span> kunnen ondervinden in het leven. De dood van hare illuzies was eene geheele dood
-geweest; na hare verloving had zij zich weêr gevonden, als met eene andere ziel, verhard
-en gepantserd met onverschilligheid. Het was vreemd, dat in deze onverschilligheid
-het eenige, waar zij gevoelig voor bleef, het exquize van Othomars karakter was: zijne
-fijngevoeligheid, dat hij haar, tegen Oscars zin, gespaard had te Altseeborgen; zijn
-wijd gevoel van algemeene liefde voor zijn volk; geheel zijn karakter van zachtheid
-en eenvoudig plichtsbesef … Maar hoe onverschillig zij verder zich ook dacht, wreed
-was dit tweede toeval geweest, alsof een verfijnd noodlot het oogenblik er voor had
-uitgekozen. Een martyre was de officieele reis geweest van Sigismundingen naar Altara.
-Als een automaat was Valérie gegaan door de recepties aan de grenzen, door de ontvangst
-aan het Centraal Station te Altara met de begroeting van haar keizerlijken bruidegom,
-die er haar gekust had, en de toespraak der autoriteiten, het aanbieden van brood
-en zout door de domheeren van het kapittel van St. Ladislas. Zij had het geslikt,
-hun brood en hun zout. En de rit door de stad, die vlagde en eerepoorten oprichtte
-van straat naar straat, naar het oude Paleis, in den open landauer met den keizer
-en haar bruidegom, door het gejuich van het volk heen, dat in hare arme ooren en door
-hare overprikkelde zenuwen sneed als met zagende messen! Toen, in het Paleis, was
-het Othomar opgevallen, hoe zij er uitzag, als een voortgejaagd dier met schichtige
-oogen. De dood van Prins Lohe was ook te Altara bekend en al had het volk gejuicht,
-gejuicht uit ware sympathie voor de aanstaande kroonprinses, het had er haar op aangezien,
-nieuwsgierig, <span class="pageNum" id="pb212">[<a href="#pb212">212</a>]</span>begeerig eene vorstelijke smart te zien trillen door hunne feestvreugde heen, voortgejaagd
-tusschen bogen van groen en vlaggetrofee. Zij hadden niets gezien. Valérie had gebogen,
-geglimlacht, van het balkon van het oude Paleis naast Othomar met de hand gegroet!
-Niets, niets hadden zij gezien, hoezeer ze ook gespannen waren, hoeveel ze zich ook
-hadden verbeeld. Maar toen was Valérie’s kracht ten einde. De rol was gespeeld, het
-gordijn mocht vallen. Othomar liet haar alleen met een handdruk. Uren had zij wezenloos
-gezeten; toen was de nacht gekomen; geslapen had zij niet, maar zij had kunnen snikken.
-</p>
-<p>Nu was het de volgende dag; moê lag ze neêr, maar eigenlijk was ze uitgeweend, uitgestreden,
-vond ze hare onverschilligheid terug: het verdere leed van haar leven zoû haar immers
-niet meer kunnen deren!
-</p>
-<p>Maar de teedere omhelzing van Othomars moeder verzachtte Valérie, en zij vond hare
-tranen terug.
-</p>
-<p>Nauwlijks wisselden zij eenige woorden en toch voelden zij hare wederzijdsche sympathiën
-tot elkaâr gaan. En Valérie ried door haar verdriet heen haren plicht, die tegelijkertijd
-hare kracht zoû zijn; geen bittere onverschilligheid, maar eene berusting in wat haar
-leven zijn zoû. O ze had het zich anders voorgesteld in hare jongemeisjes-droomen:
-zij had het zich lieflijker en lachender gebeeld en natuurlijker van uiting, spontaner
-en zonder zulke filozofie. Maar uit hare droomen was ze wakker geworden en waar zoû
-zij anders hare kracht zoeken dan in plicht …! En ze won zichzelve, wat er ook in
-hare ziel vernield was, terug door eene onbewuste vitaliteit,—hare eigenlijke natuur—meer
-nog dan door hare gedachte. Zij droogde hare tranen, sprak er over, dat het uur naderde
-waarop eene deputatie van Liparische jonkvrouwen haar een huwelijksgeschenk zoû komen
-aanbieden en de keizerin liet haar alleen, opdat zij zich kleeden zoû.
-</p>
-<p>Zij verscheen niet lang daarna, in wit toilet, met dof goud opgewerkt, in den salon,
-waar hare ouders met de keizerin samen waren en met Hélène van Thesbia en de Oostenrijksche
-hofdames. Kort daarop kwamen ook Othomar met zijne zusters, en de aartshertog van
-Karinthië. En toen de deputatie der adellijke jonge meisjes aangekondigd werd en verscheen,
-<span class="pageNum" id="pb213">[<a href="#pb213">213</a>]</span>Eleonore van Yemena in het midden, luisterde Valérie met haar gewonen glimlach naar
-de toespraak van het markiezinnetje, nam zij met een innemend gebaar uit de handen
-van twee andere meisjes het groote étui aan, dat deze open liet springen en waar,
-op licht fluweel, een driedubbel halssnoer van groote parelen lag. En zij wist een
-paar aardige zinnen te vinden om te bedanken; ze uitte ze met een heldere stem, en
-wie haar gehoord had, zoû nooit vermoed hebben, dat zij een slapeloozen nacht had
-doorgebracht, badende in tranen en voor zich ziende het lijk van een jongen man met
-verpletterde slapen.
-</p>
-<p>Het werd aan de jonge dames der deputatie vergund de huwelijkscadeaux te zien, die
-in een groote zaal waren tentoongesteld; de prinses Thera en de hofdames gingen met
-haar meê. Het was daar in die zaal een plotselinge schitterglans, in het daglicht
-stralend van de lange tafels, waar, tusschen bloemen, de cadeaux stonden: de zware
-vergulde candelabres, vergulde tafel- en theeserviesen en kristal, vergulde en zilveren
-cassetten van verschillende steden, de Dom van Altara in zilver, zilveren schepen
-met fijne bollende zeilen van inrichtingen van marine en juweelen geschenken van alle
-vorstelijke vrienden en verwanten van Europa. Op een satijnen kussen lag, als een
-feeënkleinood, een sparkelende hertoginnediadeem van groote saffieren en brillanten,
-een der geschenken van de aanstaande schoonouders der bruid. En zeer trof het geschenk
-van de prinses Thera: het portret van den hertog van Xara; een kunstwerk, dat reeds
-op tentoonstellingen in beide hoofdsteden bekend was geworden. Maar het leek niet
-veel meer en het was daarom de wanhoop van de prinses. Het was jonger, vager, weeker,
-dan de prins zich nu vertoonde: iets magerder dan vroeger, maar met een dikkere streep
-van snor en een lichtgekroesden baard om de wangen. De melancholieke oogen hadden
-meer den kouden blik van keizerin Elizabeth gekregen; ook overigens geleek Othomar
-op zijne moeder en meer dan vroeger. Maar wat steeds in den prins trof, was, in zijne
-nerveuze fijnheid, zijn ras, zijne spitse distinctie, zijne rechtmatige hoogheid.
-Hij had veel verloren van zijne strakheid, zijne stijve tacteloosheid en iets zekerders
-en beslisters gekregen en het gaf, trots <span class="pageNum" id="pb214">[<a href="#pb214">214</a>]</span>zijn kouderen blik, meer vertrouwen in een kroonprins, dan zijn altijd symphathiek,
-maar ietwat week optreden van vroeger. De gedachten schenen zich scherper in hem af
-te teekenen, de woorden spitser tusschen zijne lippen te komen; hij scheen meer op
-zichzelven te steunen, minder te geven om wat anderen van hem dachten. Het was, nog
-niet geheel bewust, dat uniek vorstelijke gevoel, dat in hem wakker werd: dat naïve,
-hooge ingeboren vertrouwen op den enkelen druppel gouden bloed, die in zijne aderen
-was, en die hem zijne rechten gaf …
-</p>
-<p>Het was vooral professor Barzia geweest, die, verbonden aan Othomar en hem iederen
-dag zelve behandelend, dit zelfvertrouwen gewekt had, door zijne woorden, komende
-uit menschenkennis en monarchale liefde beiden, en uit eene bizondere liefde voor
-den kroonprins daarenboven. De koudwaterdouches hadden den prins opgestijfd, maar
-de suggesties van den professor, die Othomars onbewust werkende eigenschappen als
-uit hare onbewustheid gewekt hadden, waren wellicht een nog ingrijpender geneesmiddel
-gebleken. De prins had zich leeren beheerschen en hij was den professor liever geworden
-en liever …
-</p>
-<p>Deze toewijding, geboren uit eene ontdekking van wat anderen niet wisten—hooge kwaliteiten
-van gemoed—was gesterkt door Barzia’s opvoeding van die zelfde kwaliteiten en, toen
-het huwelijk van den prins kon bepaald worden, zag de professor met evenveel trots
-als liefde neêr op zijn patiënt, dien hij fysiek genezen verklaarde en moreel genezen
-voor zichzelven dacht …
-</p>
-</div>
-</div>
-<div id="s2.3.2" class="div2 section"><span class="pageNum">[<a href="#s2.3.2.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h3 class="main">II.</h3>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Het was twee dagen daarna de dag van het keizerlijke huwelijk. De stad wemelde reeds
-den vroegen morgen van het, uit de omstreken toegestroomde, volk, dat zich gonzend
-drong door de nauwere straten. Want reeds vroeg waren de hoofdstraten afgezet door
-de infanterie, van den Slotburcht tot aan het Oude Paleis en den Dom toe. En Altara,
-anders grauw, oud, verweerd, was niet herkenbaar, bont van vlaggen, jong van groenfestoen,
-versierd met draperieën en tapijtwerk van zijne balkons af. Eene warme zuidelijke
-Meizon goot vakken <span class="pageNum" id="pb215">[<a href="#pb215">215</a>]</span>van glans over de stad heen en het rood en het blauw en het wit en groen der wachtende
-uniformen, met de regelmatige bliksems der bajonetten daarboven, trok breede lijnen
-van kleur bijna bloemenvroolijk door haar heen, tot op naar het slot van St. Ladislas.
-</p>
-<p>Door de afgezette straten reden hofrijtuigen heen en weêr; ze schitterden vol uniformen:
-vorstelijke genoodigden, die naar St. Ladislas of het Oude Paleis gebracht werden.
-Men zag er Russische, Duitsche, Engelsche, Oostenrijksche, Gothlandsche uniformen;
-vlug, als zich voorbereidend tot het oogenbllk van ceremonie, flikkerden zij door
-Altara heen, door hare, met soldaten beperkte, lange leêgten van straten.
-</p>
-<p>Onder de kastanjes aan den Burchtweg waren de villa’s ook dwarrelig vol van toeschouwers,
-die in de tuinen en op de terrassen liepen en zaten, en bont spikkelden in de strepen
-zon, die filtreerden door het loover heen, <span class="corr" id="xd31e3072" title="Bron: er">en</span> de lichte zomertoiletten der dames, hare kleurige parasols, schenen het villa aan
-villa garden-parties te zijn, terwijl men wachtte op den stoet van den bruidegom,
-die, als de Liparische etiquette het eischte, van St. Ladislas vertrok om zijne bruid
-te vinden in het Oude Paleis.
-</p>
-<p>Elf uur. Van het fort van St. Ladislas davert het eerste schot, daveren telkens schoten
-na. Eene gonzende emotie huivert langs den geheelen Burchtweg. Op den nauw merkbaar
-dalenden weg verschijnen paukisten en trompetters, wapenherauten te paard. Achter
-hen schittert de Garde van den Troon aan, om de verguld- en kristallen gala-koetsen.
-De opper-ceremoniemeester, graaf de Threma, in de eerste; in de tweede, met de keizerkroon
-en het gepluimkopte achtspan: scharlaken omhoeste schimmels,—en het gejuich uit de
-villa’s stijgt luider op en luider—de keizer en de hertog van Xara zelve aan zijne
-zijde; in de volgende koetsen de te-zaam-gekomen majesteiten en vorstelijkheden uit
-geheel Europa; de keizerin van Liparië, de keizer en de keizerin van Duitschland,
-de koning en de koningin van Gothland, Russische grootvorsten, de hertog van Sparta
-en de prins van Napels … De Rijkskanselier, de ministers, de gemantelde leden van
-het Huis van Adel … En de eindelooze stoet gaat langzaam onder het kanongedaver langs
-den Burchtweg door de hoofdstraten <span class="pageNum" id="pb216">[<a href="#pb216">216</a>]</span>tot in de kern der stad. Daar wacht, in het Oude Paleis, de bruid haren bruidegom
-met geheel hare Oostenrijksche familie: de keizer en de keizerin; hare ouders: de
-aartshertog Albrecht en de aartshertogin Eudoxie …
-</p>
-<p>Het is daar, dat de protokollen geteekend worden op de, met goud brokaat bedekte,
-vergulden tafel, waarop de keizers en keizerinnen van Liparië hunne handteekeningen
-sedert eeuwen geschreven hebben, waarop, na het kroonprinselijke paar, de vorstelijke
-getuigen de akten onderschrijven …
-</p>
-<p>Nu gaat de geheele stoet door galerij na galerij naar de Nieuwe Sacristie. Het is
-eene minutenlange wandeling van statie: de trompetters, de herauten, de ceremoniemeesters;
-de blauwgemantelde ridders van St. Ladislas; de wit-en-gouden Garde van den Troon;
-keizer Oscar met den hertog van Xara, de keizerin van Oostenrijk met de bruid … Langzaam
-gaat zij aan de zijde van haren oom, het hoofd iets gebogen, als onder het gewicht
-van hare prinsessekroon, waaruit de kanten sluier afwemelt, zacht blond doende om
-haren blooten hals, die van brillanten druppel-flonkert. Haar toilet is van een, van
-voren met zilver doorweven en met parelen arabesken en emblemaat bestikt, stijfzwaar
-satijnbrokaat; groote witte fluweelen pofmouwen doffen aan hare schouders op; de sleep
-van zilverbrokaat en wit fluweel is zoo lang, dat zes hofdames ze in golvingen aan
-zilveren handtrensen achterna dragen. Achter die hofdames volgden hare eere-jonkvrouwen,
-gelijk gekleed met gelijke bouquetten; het zijn de prinses Thera, de prinses Wanda,
-Duitsche, Engelsche en Oostenrijksche prinsessen. En de majesteiten en de vorstelijkheden
-volgen; de stoet vloeit binnen in de Nieuwe Sacristie; hier ontvangt de Kardinaal-Aartsbisschop,
-Primaat van Liparië, met geheel zijne gemijterde geestelijkheid den bruidegom en de
-bruid …
-</p>
-<p>In de kathedraal wacht de foule der genoodigden. Trots den zomerzonneglans drijft
-een mystieke schaduwschemer tusschen de ontzaglijke hooge bogen van den Dom en bloesemt
-het daglicht alleen op de bonte glazen der zijkapellen; in de welvingen hangt zelfs
-donker. Maar één glans van niet te tellen zoovele kaarsen is er het hoogaltaar …
-</p>
-<p>De Rijkskanselier, de ministers, de gezanten, het geheele <span class="pageNum" id="pb217">[<a href="#pb217">217</a>]</span>corps-diplomatique, de leden van het Huis van Adel en van het Huis der Standen, leden
-van hooge rechtscolleges zijn binnengekomen; ze vullen de tribunes, die links en rechts
-zijn opgericht. En de geheele kathedraal vult zich; ééne volle wemeling van ritselende,
-zware zijden stoffen—de gala-toiletten der gedecolleteerde dames, wier juweelen twinkelen—wemeling
-van goud opschitterende uniformen en galarokken, die als groote vonken de schemering
-van den Dom verlichten.
-</p>
-<p>Daar schetteren de trompetten, galmt het orgel zijne juichtonen van plechtigen feestmarsch
-uit; door de Sacristie is de eerste cortège binnengekomen: de keizer van Duitschland
-met keizerin Elizabeth van Liparië, de aartshertogin Eudoxie, en een lange sleep van
-gevolg … Telkens schetteren nu de trompetten, galmt het orgel, en de genoodigde majesteiten
-met hunne gevolgen, de vertegenwoordigers der mogendheden, komen binnen in stoet na
-stoet. De baldakijnen links en rechts van het choor beginnen zich te vullen. Spoedig
-volgt de tweede cortège: de dignitarissen voorop, met de insignieën van het keizerschap,
-keizer Oscar, die den hertog van Xara voert: beiden dragen over hunne gouden uniformen
-de lange, drapeerende blauwe riddermantels van St. Ladislas, waar, op den linkerarm,
-het groote witte kruis straalt; vier kroonprinsen volgen als de vier getuigen van
-den bruidegom: de hertog van Wendeholm, de Russische Grootvorst-Troonopvolger, de
-hertog van Sparta, en de prins van Napels; de Ridders van St. Ladislas, de officieren
-van de Garde van den Troon, schildknapen en pages volgen daarna …
-</p>
-<p>En plotseling, glasschel, vibreert een koor van hooge stemmen en roept er den zegen
-uit over de bruid, die komt in naam des Heeren … De derde cortège is binnengekomen:
-de keizer van Oostenrijk en de aartshertog Albrecht, voerende de bruid, met hare hofdames,
-hare eere-jonkvrouwen en ze schijnt ééne witte weelde van hooge jonkvrouwelijkheid
-te midden van haar wit en bloemengeurend gevolg. En de zang strooit er zijne klanken
-als met handenvol zilveren leliën over haar uit; hare gewijde verschijning wekt eene
-emotie, die siddert door de volle prachtwemeling, de geheele katedraal door. Nu, ten
-laatste verschijnt de vierde cortège: de Kardinaal-Aartsbisschop, Primaat van Liparië,
-met zijne bisschoppen <span class="pageNum" id="pb218">[<a href="#pb218">218</a>]</span>en domheeren en kapelanen; de kerkvorsten zetten zich in de hooge gebeeldhouwde zetels
-van het choor; de dienst begint …
-</p>
-<p>De zon schijnt op dit oogenblik gewacht te hebben om door de hooge, bonte boogramen,
-waarop het leven van St. Ladislas als in kleuren van juweel zijne kleine vierkante
-tafereelen sparkelt, schuin met een hellend vlak van stralen neêr te schieten op het
-choor, op de priesters, op de baldakijnen, waar de majesteiten zitten, op bruidegom
-en bruid … En al de kleuren: het oude goud van het altaar, het nieuwe der uniformen,
-de brokaten en de kroonjuweelen, ze vlammen op, alsof de zon er den brand in steekt:
-éen brand van wisselvonkelingen, die, met de tallooze kaarsen van het altaar, de kerk
-eensklaps hél verlicht. De diademen der vorstinnen zijn als vlammekronen, de ridderorden
-der vorsten starrelen er als een firmament. Luchtig, doorzichtig in den zonneschijn,
-blauw nevelen de wierookwolkjes op, die choorkinderen toezwaaien; de zonneschijn poeiert
-door den blonden sluier der knielende bruid, steekt een gloeibrand over haar wit-en-zilveren
-sleep, omstraalt haar als met eene apotheoze van licht, dat maagdelijk blank op haar
-terugkaatst. Haar bruidegom knielt naast haar: geheel omplooit zijn blauwe mantel
-hem; rein, op zijn arm, straalt het witte kruis. Beiden houden zij nu lange kaarsen
-in de hand. En de Primaat met zijn juweelen mijter en zijn, met juweelen arabesken
-bezetten stijfgouden dalmatiek, heft de oogen op, breidt de handen omhoog en strekt
-ze zegenend uit over de gebogen keizerlijke hoofden …
-</p>
-<p>Hoog zwelt de zang weêr; het Te Deum Laudamus, alsof de golven der stemmen op de golven
-van het orgel hooger stijgen en hooger, door de kathedraal heen naar den hemel in
-éene extaze van heilige muziek. Het oude steenen reuzengebouw schijnt te sidderen
-van emotie, als wordt de muziek zijne ziel en het luidt uit al zijne klokken eene
-zwellende zee van klanken over Altara heen, brons in de laagte, en uit alle metalen
-ze smedend tot kristalrein goud, in de hoogste hoogte van hoorbaren klank …
-</p>
-<p>Een uur later. Op het afgezette Domplein komt beweging, tusschen de wachtende galakoetsen.
-Nu gaat de stoet weêr terug naar St. Ladislas, maar achter de koets van Keizer <span class="pageNum" id="pb219">[<a href="#pb219">219</a>]</span>Oscar zit nu Othomar met Valérie te zamen. En de stad juicht, en galmt er hare leve’s
-uit; de huizen, tusschen al de vlaggen en trofeeën dreunen er van. De wachten prezenteeren
-het geweer, en in den feestroes merkt men niet, hoe ginds in de kleinere straten gevochten
-wordt, arrestatiën gedaan worden; een bekend anarchist bijna vermoord is door het
-imperialistische volk …
-</p>
-<p>In zijne kostbare statie, nu verhoogd door de blanke aanwezigheid van de jonge hertogin
-van Xara en haar eigen gevolg, gaat de eindelooze en eindelooze stoet terug, de stad
-door, den Burchtweg op en de villa’s aldaar zien nu ook Valérie en juichen haar toe,
-zonder eind …
-</p>
-<p>Het is in de Witte Troonzaal, dat Othomar en Valérie hun cour houden: allen defileeren
-voor hen heen, de ministers en gezanten, de leden der beide Huizen, der rechtscolleges,
-corporatiën en deputaties. Na den cour het déjeuner, waarvan de tafel met het ceremonieele
-gouden en juweelen vaatwerk schittert, dat slechts bij de keizerlijke huwelijken gebruikt
-wordt. Na het déjeuner <span class="corr" id="xd31e3101" title="Bron: der">de</span> laatste plechtigheid: in de Gouden Zaal—een immense zaal, laag, Byzantijnsch van
-bouw en ornamentiek, eeuwenoud en onveranderd—de fakkeldans; de ommegang der ministers,
-die op vergulde handvatten lange, brandende kaarsen dragen, terwijl Othomar en Valérie
-telkens naar rang uitnoodigen onder de foule der vorstelijkheden, alle vorstelijkheden
-beurtelings uitnoodigen en achter de ministers ommegaan … Het is er eene eentonige
-ceremonie, telkens weêr herhaald; de ministers met de fakkels, Othomar met eene vorstin
-en omstuwd door de ridders van St. Ladislas, Valérie met een vorst en geheel haar
-witte gevolg; en het is eene herademing als de plechtigheid is afgeloopen en de jonggehuwden
-zich teruggetrokken hebben om zich te verkleeden. Dan verschijnen zij: Othomar als
-chef der kurassiers van Xara, Valérie in haar wit lakensch reistoilet en hoed met
-witte veeren en zij nemen afscheid; een open landauer wacht hen, en zij rijden met
-een dichte escorte van kurassiers van Xara opnieuw naar de stad, rijden ze in alle
-richtingen door, vertoonen zich overal, groeten allen en rijden ze ten laatste uit
-naar het kasteel, waar zij de eerste dagen zullen zijn: Castel Zanthos, dicht bij
-de stad, aan den breeden stroom …
-<span class="pageNum" id="pb220">[<a href="#pb220">220</a>]</span></p>
-<p>En de oude verweerde hoofdstad, die vol van majesteiten blijft, die nog fladdert van
-wimpels, die des avonds éene gele vlam is en roode gloed van vuurwerk en illuminatie,
-schijnt, zonder de jonggehuwden, toch verloren te hebben de aantrekkelijkheid, die
-haar maakte tot brandpunt van feest en pracht en keizerlijke ceremonie; en des avonds,
-trots illuminatie en vuurwerk en gala-voorstellingen, is het Centraal-Station bestormd
-door duizenden, die heengaan …
-</p>
-</div>
-</div>
-<div id="s2.3.3" class="div2 section"><span class="pageNum">[<a href="#s2.3.3.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h3 class="main">III.</h3>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Het was maanden na het huwelijk van den hertog van Xara, toen keizer Oscar, des morgens
-zeer vroeg in zijn kabinet binnenkomend, en zich begevend naar zijne schrijftafel,
-getroffen werd door een stuk bordpapier met groote, zwarte, opgeplakte letters, dat
-op den grond lag bij het raam. Hij raapte het niet op; hoewel hij alleen was, verbleekte
-hij niet, maar zwollen wel op zijn laag voorhoofd de dikke aderen van woede over het
-feit, dat hij zelfs niet in zijn eigen kabinet vrij was, voor hunne majesteitschennis.
-Hij belde en ontbood zijn kamerdienaar, een vertrouwd man.
-</p>
-<p>—Raap dat ding op! beval hij, en brieschend in stilte:
-</p>
-<p>—Hoe komt het hier?
-</p>
-<p>De kamerdienaar verbleekte. Hij las de dreigende scheldwoorden met groote, vette letters
-reeds van den grond af, bukte zich en hield sidderend het plakkaat in de hand.
-</p>
-<p>—Hoe komt het hier? herhaalde de keizer, stampvoetend.
-</p>
-<p>De kamerdienaar zwoer, dat hij niets wist. In den morgen had niemand toegang tot het
-kabinet, dan hijzelve; een half uur geleden was hij er binnengekomen om er de ramen
-te openen en toen had hij nog niets gezien.
-</p>
-<p><span class="corr" id="xd31e3115" title="Niet in bron">—</span>Het kan niet anders, Sire, of er is iemand in het park geslopen: het moet door het
-raam heen geslingerd zijn …
-</p>
-<p>Het was zeker de eenigste verklaring, maar het was eene verklaring, die den keizer
-zeer irriteerde. Het was niet de eerste maal, dat de keizer in de intimiteit van zijn
-kabinet zulke plakkaten vond. Het gevolg was geweest, dat er in het Imperiaal plotselinge
-arrestatiën plaats grepen van bedienden, van soldaten der verschillende wachten, maar
-deze arrestatiën en zoekingen hadden niets aan het licht gebracht, en <span class="pageNum" id="pb221">[<a href="#pb221">221</a>]</span>maakten daarom een des te pijnlijkeren indruk. De wachten van het paleis, de wachten
-aan de vergulde grilles van het park, waar dit samen groeide met de Elizabeth-parken—de
-publieke tuinen der rezidentie—waren reeds vermeerderd: geheime politie, de eigen
-politie van den keizer, hield zelfs een scherp oog op die wachten zelve.
-</p>
-<p>Keizer Oscar was den kamerdienaar strak blijven aanzien; een oogenblik rees de gedachte
-in hem dezen man zelven te laten onderzoeken, maar hij begreep dadelijk daarna: het
-dwaze van dien achterdocht; de man was jaren en jaren in zijn persoonlijken dienst,
-geheel aan hem verknocht en bleef dan ook Oscars langen blik beantwoorden met den
-kalmen eerbied zijner oogen, zichtbaar nadenkend over de onoplosbaarheid van het vreemde
-raadsel.
-</p>
-<p>—Verbrand dat ding, beval de keizer: en praat er niet over.
-</p>
-<p>Oscar had daarna een lang onderhoud met den chef zijner geheime politie, over wien
-hij in den laatsten tijd niet anders dan tevreden kon zijn: geheime drukkerijen van
-anarchistische bladen, die telkens verspreid werden, waren opgespoord; een komplot
-om den keizerlijken trein van het zomerpaleis in Xara, Castel Xaveria, naar Liparia,
-in de lucht te laten springen, was verijdeld; verdenking van in verband te staan met
-anarchistische comité’s was gevallen op een ambtenaar aan een der ministeries en zelfs
-op een jong officier en het was gebleken, dat deze verdenkingen juist waren. Nog onlangs
-was een werkplaats ontdekt, waar men leerde hoe dynamietbommen en helsche machines
-te maken. Maar wie de brutale onverlaten waren, die hunne dreigbrieven tot in het
-keizerlijke kabinet wisten binnen te slingeren, was maar niet kunnen worden ontdekt.
-Eene week lang waren van uit het park de vensters van het kabinet bespied en al dien
-tijd had men niets gezien; het was nu een paar dagen geleden, dat deze geheime wacht
-was opgeheven. De chef der geheime politie meende zeker te zijn, dat de schuldigen
-scholen in het Imperiaal zelve en bekend waren met de intime gewoonten van den keizer.
-In stilte werden plotselinge huiszoekingen gedaan bij alle bedienden van het Imperiaal,
-waarvan men niet geheel zeker was, en toen men bij een palfrenier een anarchistisch
-<span class="pageNum" id="pb222">[<a href="#pb222">222</a>]</span>blaadje, waarin voor den keizer beleedigende woorden stonden, gevonden had, werd deze
-man verbannen naar eene der dwangafdeelingen der kwikzilvermijnen van het Oosten.
-Deze verbanning was als het begin van tallooze andere verbanningen; ze volgden elkander
-slag op slag op; het waren soldaten, matrozen, vele kleinere ambtenaren der departementen:
-de couranten noemden niet eens alle verbanningen meer op. Strenger werd de censuur;
-telkens werden dagbladen opgeheven; redacteurs beboet en gestraft; de imperialistische
-bladen, organen van graaf Myxila, gaven, bijna tyranniek, den toon aan, dien men wilde.
-Een meeting van socialisten werd met sabelslagen der huzaren uit elkaâr gedreven;
-hevige ongeregeldheden volgden daarop in de rezidentie en ze wonnen de andere groote
-steden, Thracyna, Xara, zelfs Altara. Eene grève der dokwerkers vervulde Lipara weken
-lang met een stijgende onrust; politie-agenten werden op klaarlichten dag aan de haven
-wreedaardig vermoord.
-</p>
-<p>De hertog van Mena-Doni was in deze dagen de rechtervuist van keizer Oscar en zijne
-ruwe krachtsuitoefeningen hielden de rezidentie zooverre in bedwang, dat geen oproer
-uitbrak, dat het iederen-daagsche leven van zonnelachende weelde voortging, dat iederen
-middag om vijf uur de elegante equipages naar de Elizabethparken bleven voortstroomen,
-waar de keizerin of de hertogin van Xara zich zelfs iederen dag een oogenblik vertoonden.
-Maar op dit schijnsel van zorgeloosheid waren in stilte duizenden oogen van bescherming
-geslagen; de troepen in de kazernen waren geconsigneerd: glansende escortes van kurassiers
-begeleidden de keizerlijke landauers.
-</p>
-<p>De keizerin had Othomar ook verzocht zijne eenzame morgenritten te staken en zich
-nooit te vertoonen dan met gevolg. De hertog en de hertogin van Xara bewoonden het
-kroonpaleis, een betrekkelijk nieuw gebouw aan de kade, waar zij een uitgebreide hofhouding
-hielden en ook in dit paleis van zijn zoon liet de keizer huiszoekingen doen, kwam
-het aan het licht, dat er anarchisten scholen onder het personeel.
-</p>
-<p>Dit verraad, tot in hunne paleizen toe, bracht de keizerin in eene voortdurende siddering
-van angst: zij leefde deze dagen <span class="pageNum" id="pb223">[<a href="#pb223">223</a>]</span>een voortdurend leven van angst, zoo ze zonder den keizer was. Want zij was het minst
-angstig, als ze zich naast Oscar vertoonde, op tentoonstellingen, bij plechtigheden,
-in de opera, en, het was vreemd: dan dacht zij niet aan hemzelven, maar, zoo ze niet
-bij haar waren, aan hare kinderen, alsof de catastrofe niet anders gebeuren zoû, dan
-op eene plaats, waar zijzelve zich niet zoû bevinden.
-</p>
-<p>De keizerin zag in Othomar zoo zeer haar eigen zoon, dat, in hunne intime ochtendgesprekken—want
-de kroonprins kwam nog altijd iederen morgen een oogenblik bij zijne moeder—het haar
-bevreemdde in hem niet haar eigen angst terug te vinden, maar wel geheel haar eigen
-berusting, die er de weêrzijde van was. Maar geheel na zijn huwelijk, vond zij hem
-veranderd; in deze korte oogenblikken van alleen-samen-zijn niet meer klagend, weifelend,
-zoekend, maar kalm sprekende over wat hij doen moest, vol van eene blijkbare harmonie,
-die rustige zekerheid gaf aan zijne woorden, zijne gebaren en zelfs aan zijne handelingen.
-Bij deze zekerheid behield hij eene stil waardige bescheidenheid: drong hij niet hoog
-op, wat van hem was; bleef hij bezitten dat ontvankelijke voor wat van andere menschen
-komt, en dat hem steeds in zoo hooge mate sympathiek gekenmerkt had. Hij was zeker
-oud voor zijn jonge jaren; wie niet wist, zoû hem meer dan zijne drie-en-twintig gegeven
-hebben, nu hij om zijne wangen ook zijne kroesbaard nog staan liet … En toch, toch
-welden vooral in deze dagen van troebel zijne vroegere angsten dikwijls bij hem op,
-kon hij minuten lang alleen zitten, starende op een vaag punt in zijne kamer, luisterende
-naar het ruischen van de toekomst, als hij geluisterd had in dien nacht van spooksel
-zijner voorvaderen op Castel Vaza, voelende dat, ineens, geheel zijne nieuwe levensberusting
-van hem afgleed als een kleed, dat viel van zijne schouders. Maar hij had zich zoo
-weten te beheerschen, dat niemand, zijn vader niet, zijne moeder niet, de kroonprinses
-zelfs niet, iets merkte van deze zielezwijming, die <span class="corr" id="xd31e3136" title="Bron: hen">hem</span> ijskoud in zijne korte eenzaamheden achterliet, twijfelend aan zijn recht, vol vreemd,
-week erbarmen voor zijn volk …
-</p>
-<p>Het was geheel de oude ziekte, die zoo, periodiek, in hem terugborrelde, als een slecht
-sap, zijne aderen doorvloeide, <span class="pageNum" id="pb224">[<a href="#pb224">224</a>]</span>zijne zenuwen verslapte, hem in elkaâr knakte, als zoû hij er nooit meer van genezen.
-Maar hij wende aan ze, gevoelde er geene wanhoop meer om, wist zelfs, gedurende de
-oogenblikken, dàt de ziekte duurde, dat ze niet duren zoû en vond in zichzelven er
-na terug zijne harmonie, die vooral zijne berusting was.
-</p>
-<p>Het was in deze dagen van stille gisting, dat er sprake kwam van een huwelijk der
-prinses Thera met den prins van Napels; er was echter nog niets beslist tusschen de
-beide familiën, maar wel was de jonge prins te Lipara genoodigd om de groote najaarsmanoeuvres
-bij te wonen. Er hadden jachten plaats; verschillende feestelijkheden volgden elkander
-op. Othomar had vooral in deze dagen meer dan anders met die plotselinge zwakten te
-kampen; een vreemd gevoel, eene huivering, een geheimzinnige angst, bleef hem bij
-en verliet hem niet meer: angst, dien hij niet dorst analyzeeren, uit vrees motieven
-te vinden, welke hem gehéel zijne kalmte zouden doen verliezen. In hem verlevendigde
-zich de herinnering aan het feit, dat hij kort na zijn huwelijk een droom had gedroomd,
-ongeveer gelijk aan zijn vorige droom: de sinistere rezidentie zich zwart vullende
-met krip … Het was nog geweest, terwijl hij met zijne jonge vrouw te Castel Zanthos
-verbleef en hij had er niet aan gehecht, omdat hij meende, dat deze tweede droom alleen
-de afschaduwing geweest was van den vorige, alleen de herinnering aan wat reeds gebeurd
-was en niet meer. Maar nu, in deze dagen van feestdrukte om den prins, die hun hof
-bezocht, met het gisten van volks-ontevredenheid, als een troebel, donker element
-onder de opperste brille van al hun keizerlijk vertoon, verlevendigde zich de herinnering
-er aan, en trokken de angsten en huiveringen er om steeds duidelijker en duidelijker
-ommelijnen in zijne verbeelding, en gevoelde hij, op éen oogenblik, zoo geheel zijne
-vroegere nerveuze zwakte over hem heen komen, dat hij, onder een voorwendsel, professor
-Barzia uit Altara ontbood en met den geleerde een lang onderhoud had, waarover hij
-zelfs met de hertogin van Xara niet sprak. Toen de professor vertrokken was, voelde
-Othomar zich verlucht, gesterkt, maar weifelde in hem alleen de gedachte na, dat het
-niet goed was, voor een aanstaand souverein, zoo onder den invloed te zijn van eene
-<span class="pageNum" id="pb225">[<a href="#pb225">225</a>]</span>sterkere ziel, als hij was onder die van Barzia; nam hij zich voor een volgenden keer
-Barzia’s suggestie niet meer in te roepen, maar zichzelven te genezen, geheel in het
-geheim van zijne eigen ziel. Dit plan om steeds te willen steunen op eigen kracht,
-deed hem zich geheel terugvinden …
-</p>
-<p>Hij was den dag volgende op het onderhoud met den professor den geheelen morgen en
-namiddag met den prins van Napels samen, dien hij vroolijk, opgewekt, zooals men den
-hertog van Xara zelden zag, op verschillende plaatsen begeleidde. Hun gevolg was verwonderd
-om die glinsterende blijmoedigheid van den kroonprins, wien zij toch altijd eenige
-melancholie waren blijven aanzien. Dien middag had er een groot galadiner in het Imperiaal
-plaats. Des avonds zoû de keizerlijke familie hun gast begeleiden naar de opera, waar
-een galavoorstelling <span class="corr" id="xd31e3149" title="Bron: zou">zoû</span> worden gegeven en een beroemde tenor zingen <span class="corr" id="xd31e3152" title="Bron: zou">zoû</span>.
-</p>
-<p>Er werden in deze dagen bij al de uitgangen der keizerlijke familie, steeds onder
-den schijn van glanzend vertoon, strenge maatregelen van voorzorg genomen. De rijtuigen,
-die dien avond naar het gebouw der Groote Opera reden, omtrappelde een dicht en sterk
-escorte van kurassiers. De straat op zij van het gebouw, waar de eigen entrée van
-den keizer was, was afgezet; een eerewacht stond aan de trappen; geheime politie had
-zich gemengd tusschen het wachtende publiek: de geheele groote-wereld der rezidentie …
-</p>
-<p>De keizerlijke loge was met hare draperieën van donker violet en gouden kwasten, vlak
-over het tooneel van het kolosale theater; de eerste acte was geëindigd—het was Aïda,
-dat men gaf—toen de fanfares uit het orkest opschetterden en de vorstelijkheden verschenen:
-de keizer, de keizerin, de prins van Napels, de hertog en de hertogin van Xara, de
-prinses Thera … En hunne verschijning scheen de eerste dof-wachtende, zenuwachtig-onverschillige
-stemming der volle zaal te electrizeeren alsof, mèt hunne verschijning, het licht
-in de kronen heller scheen, de zaal opglinsterde met al hare flikkerwisselingen van
-juweel, al haar getintel van verguldsel, al de nieuwsgierigheid der schitterende oogen,
-die tuurden naar het vorstelijke middelpunt; alsof de toiletten der dames zich met
-ééne ritseling van zware zijden stof ineens opbolden, <span class="pageNum" id="pb226">[<a href="#pb226">226</a>]</span>waaiers zich uitplooiden, zich bewogen op en neêr, of een wind woei door vele bloemen,
-in veel glans …
-</p>
-<p>Toen het rijzen van de gordijn; de tweede acte met geheel haar melodrama van Egyptische
-vorstenpracht: de overwinning na den oorlog en de dansen daarom: de liefde van den
-held voor de Ethiopische slavin, en de ijverzuchtige dochter des Farao, en de optocht
-der goden met de bazuinen: alles gezongen, geïnstrumenteerd, opzwellende van muziek
-in een vierkant kader van geschilderd tooneelgordijn; bewegelijk schilderij van gezongen
-Egyptische vorstenoudheid, voor de oogen van moderne vorstelijkheid, modern turende
-quasi-onverschilligheid van samenzijn, waar de groote wereld wilde, dat men op dit
-oogenblik samen was: onder de oogen van den keizer en zijne familie, en zijn hoogen,
-jongen gast … De hartstochten op het tooneel zich ontbreidelend in zwellende en zwellende
-kreten van muziek, liefde en wanhoop, en oorlog en triomf en priesterstaatzucht van
-muziek, àlles muziek, alsof het leven muziek was, muziek de ziel en essence der wereld …
-En onder den glans dier muziek en van dat factice leven, de zichtbare mime der akteurs,
-de glorie van den beroemden tenor met zijn te modernen kop, zijn voor oorlog onware
-prachtkleedij, zijne buigingen en geglimlach voor de ware wereld daar buiten zijn
-klein tooneelwereldkader: voor het publiek, dat applaudiseerde, nadat de keizer in
-de handen had willen klappen …
-</p>
-<p>Het was op dit oogenblik, dit oogenblik van ovatie, dit oogenblik van schitterenden
-roem van den tenor: zijn applaus afklinkende van vorstelijke handen. Het was op dit
-oogenblik: keizer Oscar zich ombuigende naar zijn adjudant, den markies van Xardi,
-achter hem; de adjudant eerbiedig luisterend naar den wensch van Zijne Majesteit om
-den zanger in den salon der keizerlijke loge te ontbieden … Keizerin Elizabeth en
-de hertogin van Xara, schitterend in haar gala, hare juweelen, in glimlachend gesprek
-met den jongen vreemden kroonprins, die hun gast was. Othomar nog vroolijk vanaf dien
-middag, schertsende met Thera en de hofdames … De geheele zaal turende, nu de gordijn
-gevallen was, ten laatste male, naar hen allen in ééne schittering van luxe en licht …
-</p>
-<p>Op dit oogenblik: op de bovenste galerij een plotseling tumult, <span class="pageNum" id="pb227">[<a href="#pb227">227</a>]</span>eene worsteling van soldaten en politie-agenten met éen man … Eén plotselinge ruwe
-warrelklomp daarboven te midden der meest mondaine uitspreiïngen van aristocratisch
-gala-vertoon. En alle oogen niet meer naar de keizerlijke loge, maar naar boven …
-Toen, de man, onmenschelijk sterk zich worstelende uit den greep van zijne aanvallers,
-doemende vooruit, uit hun klomp, als een zwarte bliksemstraal: donkere kroeskop, haatschietende
-oogen vol dwepersstrakheid, één arm ineens uitgestrekt naar de keizerlijke grootheid
-daar beneden, als op een zeker onafwendbaar gemikt doel. De geheele zaal één tumult,
-geschreeuw, gegil: wijde gebaren van hulpelooze armen, dat alles heel kort, nauwelijks
-ééne seconde … Een schot, en nog een schot na …
-</p>
-<p>Keizer Oscar is getroffen in de borst, hij is half getuimeld tegen de keizerin aan,
-wier bloote juweelenboezem hij in eens bezoedelt met bloed, dat zijn gouden uniform
-dadelijk doorweekt. Geen gouden bloed: rijk rood bloed … Maar de keizerin slaat hare
-armen in wanhoopsradeloosheid naar boven; haar snerpende gil striemt door de zaal.
-Ze valt neêr in de armen der hertogin van Xara. De keizer is gezonken in de armen
-van Xardi en van Othomar: een woedende vloek boort tusschen zijne vast geknarste tanden
-door, terwijl hij zijn bloeduniform zoo hard openrukt, dat de knoopen rondom hem afvliegen …
-</p>
-</div>
-</div>
-<div id="s2.3.4" class="div2 section"><span class="pageNum">[<a href="#s2.3.4.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h3 class="main">IV.</h3>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Daarbuiten was het Groote Opera plein, hel verlicht van veelarmige monumentale lantarens,
-dadelijk donker-wriemelig geworden, vol van menschenmassa; de geheele stad vloeide
-er te zamen langs alle straten; de ontzetting trok er alles samen, als met magneet.
-Detachementen huzaren gingen reeds door de stad, hielden het opgewonden volk in bedwang;
-de hertog van Mena-Doni zag men als op alle punten tegelijk, met zijne soldatenmacht
-neêrtrappende de revolutie, waar die uit alle hoeken koppen omhoog scheen te willen
-steken. Boven was de lucht donker als een frons. Het begon te regenen …
-</p>
-<p>De mare ging, dat de keizer gestorven was. Het was niet <span class="pageNum" id="pb228">[<a href="#pb228">228</a>]</span>waar. Togende naar adem lag de vorst in den foyer van het opera-gebouw, te midden
-van die ontzetting der zijnen, van zijn gevolg, van de toeschietende doktoren … Hij
-mocht niet vervoerd worden, zeiden zij. Hij wilde het. Hij wilde hier niet sterven.
-Hij wilde terug naar zijn Imperiaal. En spannende de veeren van zijn energie, beval
-hij, richtte hij zich op, het bloed gulpende uit zijne keel: Othomar en de adjudanten
-steunden hem …
-</p>
-<p>Buiten, op het plein, groeide de menschenmassa, steeg de ontzetting, borrelde de opstand
-uit het zwart van die menschentrossen omhoog. Telkens barstten gevechten uit tusschen
-troepen volk, dokwerkers, met de wachten voor het gebouw, met de politie. De hofrijtuigen
-gingen, leêg, geëscorteerd terug naar het paleis.
-</p>
-<p>Andere rijtuigen, huurrijtuigen, poogden hier en daar door het volk heen te komen:
-kurrassiers omringden ze, beschermden ze met geheven sabel. Stroomen van vloekend
-gescheld spatterden tegen ze aan, tegen de vaag doorschijnende glazen, waarachter
-lichte kleuren opvlakten, vonkjes juweelen uitschoten. Angstige oogen van vrouwen
-keken er strak schuin door, zonder bewegen.
-</p>
-<p>In de couloirs, op de groote monumentale trap van het opera-gebouw verdrong men zich,
-vocht men om er door te komen; toen zagen in eens alle oogen groot-starend naar boven:
-de keizer ging er! bloedende, hijgende naar adem, te midden der zijnen … Eene ontzetting
-staakte een oogenblik het gedrang; toen drong men weêr door … Dames vluchtten er tot
-achter de coulissen, vermengden er hare aristocratie met de bohême der akteurs, der
-actrices, door elkaâr heen, verward, te midden van den ontsteld gonzenden zwerm danseusen,
-priesteressen van Isis. Fooien werden gegeven, gesmeekt werd om rijtuigen, om huurrijtuigen …
-</p>
-<p>De hertogin van Yemena stond daar, met hare dochters; zij zagen uit naar het rijtuig,
-dat zij reeds tienmalen besteld hadden … Een tooneelknecht haalde onverschillig de
-schouders op: hij wist geen rijtuig te halen.
-</p>
-<p>—Ik wacht niet langer meer, zei de hertogin sidderend: de meisjes klampten zich snikkend,
-dol zenuwachtig aan haar …
-</p>
-<p>Zij verkreeg van eene actrice een lederen taschje; haastig <span class="pageNum" id="pb229">[<a href="#pb229">229</a>]</span>deed zij hare juweelen af, beval de meisjes het zelfde te doen. Ze deden ze in het
-taschje. Een kamenier verzocht ze, voor een goudstuk, hare slepen op te spelden, hoog
-op, verzocht ze haar zwarte schoenen te vinden. Andere dames, half flauw van angst,
-wachtende, zagen naar haar, zagen haar zoo, vreemd, praktisch. Ze wist van een paar
-choristen drie lange zwarte mantels te koopen, met drie zwarte hoeden, sloeg zich
-een mantel om, sloeg ze de snikkende markiezinnetjes om.
-</p>
-<p>—Ik durf niet, mama! snikte Eleonore uit.
-</p>
-<p>De hertogin was beslist.
-</p>
-<p>—Kom, ga meê … drong ze aan, en ze dreef de meisjes voort; de andere dames zagen haar
-ontsteld na, door een achterdeur verdwijnen, in een achterstraat …
-</p>
-<p>De hertogin drukte het taschje met juweelen tegen zich.
-</p>
-<p>——In Gods naam, huil niet; wees kalm, gebood ze hare dochters. Loop kalm door en niet
-te gauw. Hoû die mantels goed dicht.
-</p>
-<p>Zij ging, richtte zich hoog op tusschen de twee bevende markiezinnetjes, in de kleêren
-van die choristen; de regen viel neêr. Volkshoopen liepen tegen ze aan; ze vermengden
-zich met ze; een oogenblik was ze Hélène kwijt …
-</p>
-<p>—Wacht even! sprak ze tot Eleonore.
-</p>
-<p>En ze bleven staan, tusschen het dringende volk; troepen hotsten aan, socialistische
-juichzangen joedelden ruw op …
-</p>
-<p>Toen ging zij met Eleonore terug, dringende, duwende, gevende Hélène gelegenheid haar
-weêr te bereiken …
-</p>
-<p>—Geef me nu allebei een arm: hier …
-</p>
-<p>Zij deden het; zoo, schijnbaar kalm, langzaam, langzaam aan, alsof zij nieuwsgierigen
-waren, die ook wilden kijken, naderden zij het opera-plein, waarop het wriemelde tegen
-de wachten aan. Rijtuigen passeerden, stapvoets, geëscorteerd. Een oude, slechte huurkast,
-met een mageren knol, wentelde een modderig wiel vlak tegen haar aan, schuurde tegen
-hare knieën; een kurassier van het escorte hief de sabel dreigend tegen haar op …
-</p>
-<p>—Mijn God! riep ze, gedempt en klemde de kinderen. Het eerst had zij herkend den koetsier,
-in een vuilen jas: een palfrenier van het Imperiaal, wiens gezicht ze zich herinnerde.
-Toen, met een snellen blik in het rijtuig, herkende zij—<span class="pageNum" id="pb230">[<a href="#pb230">230</a>]</span>juist vlak bij eene groote lantaren met vele ornamentieke armen—den keizer tegen Othomar
-aan, en haar eigen stiefzoon, Xardi. Maar de markies herkende haar niet, want, verschrikt
-om het vele licht, wendde hij zijn gezicht snel af, boog hij zich, donker, beschermend,
-over den keizer en den kroonprins …
-</p>
-<p>De meisjes hadden niets gezien; de hertogin zeide niets, bang te verraden … Ze voelde
-geheel hare moedige kalmte haar ontzinken; ze sidderde van het hoofd tot de voeten.
-Tranen kon zij niet weêrhouden, om haren armen keizer, die stierf, die zoo terug ging
-naar zijn paleis. Eene groote, zwarte angst viel over haar heen. De regen sijpelde
-over hare borst …
-</p>
-<p>—Hoû je mantels dicht! vermaande ze nog even hare dochters; toen ging ze voort, sleepte
-zich voort en de meisjes ook, knikkende op hare beenen naast haar …
-</p>
-<p>Maar eene woede van menschen dwarrelde over het opera-plein; een strijd scheen daar
-te heerschen … Een klomp volk, die omsingelde een hoop politie-agenten en soldaten,
-tusschen wie een krankzinnige zich wrong met sterke gebaren; een ruw geschreeuw galmde
-op. Aan de verlichte, open ramen der opera, boven de nog feestelijk hel verlichte
-peristyle verschenen gezichten bij gezichten, akteurs in kostuum nog, zagen ze toe …
-</p>
-<p>—Mama, we zullen nooit kunnen doorgaan! snikte Eleonore zacht.
-</p>
-<p>De hertogin dacht in wanhoop aan de groote Keizerinnen avenue, waar haar hôtel was.
-Zoo ver … hoe zoû ze bereiken …
-</p>
-<p>—Ze vermoorden hem, ze vermoorden hem, ze mógen hem niet vermoorden! blèrde het volk
-rondom haar op.
-</p>
-<p>Toen begreep de hertogin, toen zag ze, en de meisjes zagen ook … het volk, woedend,
-schuimbekkend—wraaknemers al, maar eerst ontevredenen, zelfs misschien anarchisten:
-zoo waren de Lipariërs!—het volk, dringende tegen de soldaten en agenten, in wier
-midden de moordenaar van den keizer zijne groote, krankzinnige gebaren nog poogde
-uit te slaan. En de wraaknemers<span id="xd31e3209"></span> bestormden dien kring van gevangenbewaarders<span class="corr" id="xd31e3211" title="Bron: ">—</span>ze sleepten den man voort … Het was tot vlak onder de oogen van de hertogin, van hare
-dochters …
-<span class="pageNum" id="pb231">[<a href="#pb231">231</a>]</span></p>
-<p>—Oah, oah, oah! brulden ze rauw, mannen en wijven; ze trokken hem de kleeren van het
-lijf, sloegen hem, en hij schreeuwde tegen. Op den grond sloegen zij hem neêr met
-knuppels en zij vertrapten hem met grove schoenen; zijn bloed vloeide; zijne hersens
-stroomden uit zijn verpletterden schedel …
-</p>
-<p>Als beesten werden zij toen, omdat ze zijn bloed zagen: grinnikten en slikten van
-pleizier …
-</p>
-<p>Eleonore knakte flauw tegen de hertogin, maar Alexa schudde haar bij den arm …
-</p>
-<p>—Hoû je op, hoû je op, in Gods naam, hoû je op!! riep zij luid. Ik kan niets met je
-doen, als je flauw valt!
-</p>
-<p>Hare sterke handen stompelden het markiezinnetje tot het leven terug, en woest voort
-sleepte zij ze, knikkende …
-</p>
-</div>
-</div>
-<div id="s2.3.5" class="div2 section"><span class="pageNum">[<a href="#s2.3.5.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h3 class="main">V.</h3>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">De keizer, die niet sterven wilde, leefde met zijne doorboorde longen, hijgende naar
-adem, nog twee dagen van louter energie.
-</p>
-<p>En zóo waren de Lipariërs: de man, de moordenaar, gepakt in de opera, was trots politie
-en wacht, tot een vormeloozen klomp vermoord door ontevredenen zelve …
-</p>
-<p>En zoo is het leven: de keizer van een groot rijk was te midden der zijnen doorschoten
-door een dweper, en het leven ging voort … Het rijk was even uitgebreid als vroeger:
-een rijk, natuurmooi, zuidelijk rijk; hooge sneeuwbergen in het Noorden; middeneeuwsche
-en moderne steden, die lagen in wijde gouvernementen; de rezidentie zelve, blank in
-hare gouden najaarszon met zijn Imperiaal onder blauwe lucht, dicht aan blauwe zee,
-waarom de kaden zich bogen.…
-</p>
-<p>En zoo is het leven der heerschers: de keizer was vermoord, eenvoudig doodgeschoten,
-en de opperceremoniemeester had het druk, de ceremoniemeesters waren het niet met
-elkaâr eens; de statie van eene keizerlijke begrafenis bereidde zich in alle ingewikkeldheid
-voor; door heel Europa ging de nahuivering der ontzetting; door alle couranten gingen
-de telegrammen en lange artikelen …
-</p>
-<p>Dat was alles om éen enkel schot van een dweper, een martelaar voor volksrecht.
-<span class="pageNum" id="pb232">[<a href="#pb232">232</a>]</span></p>
-<p>Keizerin Elizabeth staarde met open, wijde oogen op het noodlot, dat gekomen was.
-Zóo had zij het zich nooit voorgesteld, dat het komen zoû, zoo, zoo ruw, te midden
-van dat gala en naast hun vorstelijken gast. Zoo langs háar heen, treffende alleen
-haren man en niet verpletterende hen allen, in eens, geheel hunne keizerlijkheid!
-Gekomen was het, en … nog vreesde zij, vreesde zij steeds door en nog meer dan vroeger:
-voor haren zoon …! Het was haar of zij vroeger nóoit gevreesd had …
-</p>
-<p>Het was de dag vóór de begrafenis van keizer Oscar, toen de hertogin van Xara, de
-jonge keizerin nu, ongesteld werd, en de geneesheeren verklaarden, dat zij zwanger
-was …
-</p>
-<p>Het keizerslijk was reeds in hooge statie vervoerd naar Altara. Op St. Ladislas zouden
-de Altariërs het op de katafalk tusschen duizenden brandende kaarsen zien liggen met,
-aan de doode voeten, de schitterinsigniën van het hoogste souvereinschap; daarna zoû
-het vervoerd worden naar den keizerlijken grafkelder in den Dom …
-</p>
-<p>Op dien dag gingen ook over Lipara, waarvan de blankheid zwart schemerde onder rouw-decoratiën
-en zwarte vlaggen, de schoten van Wenceslas-fort, dof bulderend zijn gelijkmatig,
-zwaar, eentonig bombardement van uitvaart. Eenzaam, hoog, in de stad, die van schoten
-daverde, stond, leêg, het Imperiaal met zijne somber strak neêrkijkende karyatiden.
-De jonge keizer, Othomar XII, leidde te Altara den plechtigen stoet. De keizerin-moeder
-was in het Kroonpaleis, bij de jeugdige keizerin Valérie … Over hun glans, die schitterde,
-schitterden nieuwe glansen op, in het leven, dat door was gegaan, dat doorging …
-</p>
-<p>De keizerinnen zaten bij elkaâr. Valérie hield Elizabeth zacht in hare armen: met
-gelijke getelde tusschenpoozen bonsden de schoten van het fort af, over het paleis …
-</p>
-<p>Toen hief Elizabeth zich smartelijk op uit de armen harer schoondochter en zacht orakelde
-hare stem:
-</p>
-<p>—Als het een zoon is … zal het een Hertog van Xara zijn … Hij had zoo gaarne een Graaf
-van Lycilië gezien …!
-</p>
-<p>De schoten bonsden; de beide keizerinnen, in rouw, weenden, snikten. En, na langen
-tijd voor het eerst,—zooals het na langen tijd geweest ook was, bij Berengars dood—kwam
-<span class="pageNum" id="pb233">[<a href="#pb233">233</a>]</span>nù geheel haar gemis, haar verdriet, hare rampzaligheid, hare wanhoop over Elizabeth
-heen, en voelde zij, dat zij dien keizer, aan wien zij als heel jonge prinses, nu
-vier-en-twintig jaren geleden, was uitgehuwelijkt, zonder liefde, had lief gekregen
-in die kwart-eeuw van meêleven op zijn hoog punt van souverein …
-</p>
-<p>Dien avond kwam Othomar terug, en alleen bij zijne vrouw, bij zijne moeder, snikte
-hij met ze meê, de jonge keizer, dien niemand te Altara in den Dom had zien weenen.
-Want keizerin Elizabeth had het nog éens herhaald:
-</p>
-<p>—Als het een zoon is … zal het een Hertog van Xara zijn …!
-</p>
-<p>En toen had de keizer van Liparië zich niet meer kunnen betoomen! In éen bliksemstraal,
-éen zigzag van ontzetting zag hij zijn kroonprinsleven terug, dacht hij aan zijn aanstaanden
-zoon. Hoe zoû dit noodlottige kind zijn? Eene herhaling van hem, van zijn geweifel,
-zijn weemoed en zijne wanhoop?
-</p>
-<p>En, met zijne niet te bedwingen snikken, snikte hij toen, in eens overstelpt door
-de dreigende toekomst, zijne smart uit over zijn vader, die geweest was en over zijn
-zoon, die komen zoû! snikte hij, het hoofd in de armen zijner jonge keizerin, die,
-eensklaps bewust te moeten troosten, was kalm geworden en kalm op hem neêrzag, nemende
-hun majesteitsleven op hare schouders, als ware het maar een drukkend zware mantel
-van purper en hermelijn, en niet meer, nemende het zoo krachtiglijk op, omdat er in
-hare aderen vloeide als in de zijne: één enkele druppel heilig gouden bloed, die eenig
-is in alle hunne gelijken en die zijn zoû hun kracht op de aarde en hun recht voor
-God …
-<span class="pageNum" id="pb234">[<a href="#pb234">234</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="s2.3.6" class="div2 section"><span class="pageNum">[<a href="#s2.3.6.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h3 class="main">VI.</h3>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first address">Aan Hare Keizerlijke en Koninklijke Hoogheid <br>Eudoxie, Aartshertogin van Oostenrijk, <br>te <br>Sigismundingen. <br>Altara, St. Ladislas. <br>Mei 18 …
-</p>
-<p class="salute">Mijn lieve moeder!
-</p>
-<p>Ik kan U niet zeggen welk een verdriet Uw brief mij deed: in Gods naam, wind U zoo
-niet op en zeg niet zulke verschrikkelijke dingen. Het deed ons ook innig veel leed,
-dat U niet bij onze kroning kon tegenwoordig zijn en door Uwe rheumatische koortsen
-te Sigismundingen moest achterblijven, maar waarom moet U, lieve moeder, die koortsen
-als een straf van God beschouwen en waarom moet U het beschouwen als een straf van
-God, dat U Uwe lievelingsilluzie niet zaagt gebeuren en niet tegenwoordig kondt zijn
-in onzen ouden Dom, toen Othomar, gekroond door den Primaat, zelve mij kroonde tot
-Keizerin van Liparië. U waart er niet bij tegenwoordig, maar het is toch gebeurd:
-Uwe illuzie is toch waarheid. En ik zeg U dit, zonder de minste bitterheid, o, geloof
-mij, zonder de <i>minste</i>! Een straf, dat U mij dwong, tegen mijn zin …! U moet wel ziek zijn, ziek naar lichaam
-en geest, arme moeder, om zoo te kunnen schrijven: ik glimlach er een beetje om, ik
-herken U zoo niet meer. En laat mijn glimlach getuigen, dat ik niet ongelukkig ben;
-o, verre daarvan! Ons geluk is bijna nooit, wat wij ons voorstellen, dat het zijn
-zal en wat wij betreuren, dat het niet wordt …
-</p>
-<p>Als U mij zag, zoû U zien, dat ik niet ongelukkig was. Het is Mei, de zon schijnt,
-de boogramen zijn open. Mijn blik ziet in de verte den Zanthos als een breed en glinsterend
-vlak van water zich wegslingeren. Dicht bij mijne schrijftafel staat Uw groote, mooie
-zilveren wieg en tusschen de dichte kanten gordijnen heen zie ik mijn klein hertogje
-van Xara sluimeren … Ik weet niet hoe ik het U schrijven moet; ik heb mijne woorden
-zoo niet om U dat goed uit te drukken, maar wat ik voel, <span class="pageNum" id="pb235">[<a href="#pb235">235</a>]</span>met dat wijde perspektief van rivierland voor mij en dat kleine kostbare kind naast
-mij, o, mama, dat is geen ongeluk! Het is een gevoel, waarin zeker heel veel weemoed
-schuilt, maar meer sombers schuilt er ook niet in. En waarom zoû het, trots dien weemoed,
-eigenlijk zelfs geen geluk zijn. Ik ben jong, ik ben keizerin en ik zie een leven
-voor mij! Om mij heen zie ik mijn land, zie ik mijn volk: ik wil, dat het het volk
-van mijn hart, van mijne ziel worde, geheel en al! Ik weet nog niet hoe, maar voor
-dat volk wil ik leven, wil ik samen leven met Othomar. O, ik beken het U, hoe ik dat
-doen zal, weet ik nog niet, maar ik zal het vinden, samen met hem! En als, ik heb
-een man en een kind en een volk! een Keizer, een Kroonprins en een Rijk, heb ik dan
-geen doel om te leven en als ik een levensdoel heb—en welk een ontzaglijk levensdoel!—heb
-ik dan ook geen geluk? Is het geluk iets anders dan een hoog, een edel levensdoel
-gevonden te hebben?
-</p>
-<p>Ik zoû U zoo gaarne overtuigen. En als U mij hier zag, op ons stil St. Ladislas, nu
-al de drukte der kroningsplechtigheden voorbij is, dan zoû U mij gelooven. Othomar
-houdt van St. Ladislas en neemt zich voor hier ieder jaar een maand in het voorjaar
-te komen. Dat mijn kind hier geboren is, noemt men een goed voorteeken, want U kent
-het geloof der Lipariërs, dat de kroonprins van hun land geboren wil zien worden te
-St. Ladislas, onder de onmiddellijke hoede van den Schutsheilige.
-</p>
-<p>Othomar echter is op dit oogenblik niet hier; hij is voor enkele dagen te Lipara—U
-weet dit natuurlijk uit de couranten …; tweemaal per dag schrijft hij mij. Ik heb
-hem dit gevraagd, opdat ik geheel op de hoogte blijve van zijn gemoedstoestand; die
-rampzaligheid van den moord op zijn Vader, die twee dagen sterven van keizer Oscar!
-ze hebben Othomar zoo hevig, hevig aangegrepen; mijn God, hoe U te schrijven in woorden
-over die ontzetting! Hoe kan ik nog met hoop leven na al wat ik reeds in mijn korte
-leven geleden heb en voor ontzetting om mij heen heb gezien! En toch, toch is het
-zoo, want jeugd is zoo krachtig en ik, ik ben sterk, ik mòet het zijn …
-</p>
-<p>Ik heb hem bewonderd, mijn jonge keizer, in die ontzettende dagen, om zijne uiterlijke
-kalmte, waardoor de stormvloed <span class="pageNum" id="pb236">[<a href="#pb236">236</a>]</span>van alle zijne emotie’s nooit heen brak, voor de oogen der wereld. Terug van de begrafenis,
-de plechtigheid der Handteekening onder de Vijf Heilige Akten; de drukte dadelijk
-der opeengestapelde staatszaken … Een maand daarna, de nieuwe verkiezingen, de constitutioneele
-meerderheid in het Huis der Standen, het ontslag der ministers … U zal dit alles gelezen
-hebben, in de bladen. Daarop de geboorte van onzen zoon; daarna onze kroning, op het
-oogenblik, dat Liparië in zijne fondamenten geschokt scheen! En nu, Othomar te Lipara,
-om het nieuwe constitutioneele ministerie … Dan graaf Myxila, die het niet eens is
-met Othomars moderne ideeën, die hem zelfs vrij heftig heeft durven verwijten, dat
-hij zoo kort na den gewelddadigen dood van zijn Vader reeds diens ideeën loslaat en
-die nu verzocht heeft om zijn ontslag … Othomar zal Myxila nog pogen te weêrhouden,
-maar begrijpt zelve, dat het onmogelijk zal wezen. En de Grondwetsherziening in het
-verschiet met zoo vele ingrijpende veranderingen; denkelijk met de instelling der
-Hoogere en Lagere Staten, terwijl het Huis van Adel uiterlijk zal blijven bestaan,
-maar niet meer zal zijn dan een raadgevend Eerelichaam. Concessies, als U wil, maar
-Othomar heeft nu eenmaal geheel andere ideeën dan zijn Vader; en zoo hij die concessies
-doet, doet hij ze zeker aan het verleden en niet aan de toekomst en niet aan zichzelven …
-</p>
-<p>Wreed is het leven, wreed in zijne verwisselingen en wreed zelfs in zijne herbloeiïngen
-en voor ons vorsten is dit alles misschien het wreedst, maar de wereld behoort aan
-wat komen zal …
-</p>
-<p>Keizerin Elizabeth vertoeft nog hier; zij is in eens zoo oud geworden, zoo grijs,
-en zeer dof en terneêrgeslagen en ze weet niet wat ze doen zal: met hare eigen hofhouding
-blijven in het Imperiaal, hier blijven op St. Ladislas, zich terugtrekken op Castel
-Xaveria … Al de keizerlijke paleizen en kasteelen dwarrelen haar nu door haar arm
-hoofd: hare eigen-bezittingen en de kroondomeinen; ze weet niet waarheen ze wil: wij
-blijven er natuurlijk op aandringen, dat zij het Imperiaal niet verlaat: het is er
-groot genoeg, dat zij er bijna haar geheel eigen Militair en Civiel Huis behouden
-kan …
-</p>
-<p>Dierbare moeder, ik schrijf U spoedig weêr: het dwarrelt mij <span class="pageNum" id="pb237">[<a href="#pb237">237</a>]</span>nu te veel; ik heb te veel aangeroerd; mijne vrouwehersenen kunnen dat alles zoo nog
-niet logisch en ordelijk overdenken, neêrschrijven … En ik ben nog maar zoo kort keizerin
-en ik ben niet ouder dan twee-en-twintig, ook al voel ik me niet zoo jong meer … Deze
-brief is alleen een haastig neêrgeschreven antwoord op Uw treurig zelfverwijt, dat
-ik U hier, in naam van den Hemel, smeek <i>geheel</i> van U af te werpen. Nu ik U dit schrijf, rijst de avond van mijn verlovingsdiner
-te Sigismundingen mij opnieuw voor den geest. Wij waren zulke vreemde verloofden,
-Othomar en ik. Ik vroeg hem—glimlach er om en ween er niet over, mama—of hij iemand
-liefhad. Hij zei me van neen. Hij zei me zijn volk lief te hebben en hij opende zijne
-armen, als wilde hij het omhelzen. Zijn volk! De dageraad van een nieuw idee—oud zeker
-voor duizenden en eeuwen oud, maar nieuw voor mij, als een nieuwe dag nieuw is—gloorde
-voor me op, wierp licht over mijn duister leed, deed een weg voor mij uit stralen …
-</p>
-<p>Dien weg, mama, ik zie hem nu ieder en dag klaarder en klaarder stralen voor mij uit,
-en ik wil hem volgen, met mijn man en kind, met mijn Keizer en met mijn Kroonprins!
-</p>
-<p>Mijn Kroonprins, die wakker wordt en om mij roept …
-</p>
-<p>God geve mij kracht, mama.
-</p>
-<p class="signed"><span class="sc">Valérie.</span>
-<span class="pageNum" id="pb238">[<a href="#pb238">238</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-</div>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div class="back">
-<div class="div1 advertisement ads"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody">
-<p class="first cl">Bij L.&nbsp;J. VEEN’s UITGEVERSMAATSCHAPPIJ N.V.
-</p>
-<p class="cn">te <span class="ex">Amsterdam</span>, zijn verder van
-</p>
-<p class="cxxl">LOUIS COUPERUS
-</p>
-<p class="cn">de volgende werken verschenen:
-</p>
-<div class="table">
-<table class="tbl.ads">
-<thead>
-<tr class="label">
-<td class="cellHeadLeft cellHeadTop cellHeadBottom"> </td>
-<td class="cellHeadTop cellHeadBottom">Ing. </td>
-<td class="cellHeadRight cellHeadTop cellHeadBottom">Geb.
-</td>
-</tr>
-</thead>
-<tbody>
-<tr>
-<td class="cellLeft">ANTIEKE VERHALEN, Van Goden en Keizers, enz. </td>
-<td><span class="seg">f</span> 2.90 </td>
-<td class="cellRight">f 3.90</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft">BABEL, Bandteekening van Jan Toorop </td>
-<td><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">f</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> 2.90 </td>
-<td class="cellRight"><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">f</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> 3.90</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft">DE BERG VAN LICHT, 3 deelen. Goedkoope uitgaaf </td>
-<td><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">f</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> 5.70 </td>
-<td class="cellRight"><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">f</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> 7.50</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft">UIT BLANKE STEDEN ONDER BLAUWE LUCHT, I en II à </td>
-<td><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">f</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> 4.75 </td>
-<td class="cellRight"><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">f</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> 6.50
-</td>
-</tr>
-<tr>
-<td colspan="3" class="colspan cellLeft cellRight xd31e3358">DE BOEKEN DER KLEINE ZIELEN:
-</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft"><span class="seg">Boek</span> I. DE KLEINE ZIELEN (in herdruk) </td>
-<td><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">f</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> 5.50 </td>
-<td class="cellRight"><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">f</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> 6.50</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft"><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">Boek</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> II. HET LATE LEVEN </td>
-<td><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">f</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> 5.50 </td>
-<td class="cellRight"><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">f</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> 6.50</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft"><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">Boek</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> III. ZIELESCHEMERING </td>
-<td><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">f</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> 5.50 </td>
-<td class="cellRight"><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">f</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> 6.50</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft"><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">Boek</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> IV. HET HEILIGE WETEN </td>
-<td><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">f</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> 5.50 </td>
-<td class="cellRight"><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">f</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> 6.50
-</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft">BRIEVEN VAN DEN NUTTELOOZEN TOESCHOUWER </td>
-<td><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">f</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> 0.75 </td>
-<td class="cellRight"><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">f</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> 1.25</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft">DER DINGEN ZIEL </td>
-<td><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">f</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> 0.75 </td>
-<td class="cellRight"><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">f</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> 1.25</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft">DIONYZOS, Bandteekening van B.&nbsp;W. Wierink </td>
-<td><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">f</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> 3.90 </td>
-<td class="cellRight"><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">f</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> 4.90</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft">EXTASE, Derde druk </td>
-<td><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">f</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> 1.90 </td>
-<td class="cellRight"><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">f</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> 2.90</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft">EXTASE, (U.V.O.-Serie No. 12) </td>
-<td> </td>
-<td class="cellRight"><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">f</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> 1.75</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft">FIDESSA, 4e druk (U.V.O.-Serie No. 8) </td>
-<td> </td>
-<td class="cellRight"><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">f</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> 1.75</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft">GOD EN GODEN </td>
-<td><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">f</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> 2.90 </td>
-<td class="cellRight"><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">f</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> 3.90</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft">HERAKLES, 2 deelen </td>
-<td><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">f</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> 6.50 </td>
-<td class="cellRight"><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">f</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> 7.50</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft">HOOGE TROEVEN, 2e druk </td>
-<td><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">f</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> 1.90 </td>
-<td class="cellRight"><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">f</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> 2.90</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft">EEN ILLUZIE, 3e uitgave </td>
-<td><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">f</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> 2.90 </td>
-<td class="cellRight"><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">f</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> 3.90</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft">JAN EN FLORENCE </td>
-<td><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">f</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> 0.75 </td>
-<td class="cellRight"><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">f</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> 1.25</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft">LANGS LIJNEN VAN GELIJDELIJKHEID, 2 deelen </td>
-<td><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">f</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> 5.50 </td>
-<td class="cellRight"><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">f</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> 6.50</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft">LEGENDE, MYTHE EN FANTASIE </td>
-<td><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">f</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> 3.50 </td>
-<td class="cellRight"><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">f</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> 4.50</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft">Idem, Kleine uitgave </td>
-<td><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">f</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> 1.90 </td>
-<td class="cellRight"><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">f</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> 2.90<span class="pageNum" id="pb239">[<a href="#pb239">239</a>]</span></td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft">EEN LENT VAN VAERZEN, (Gedichten), Ing. Geb. 2e druk </td>
-<td> </td>
-<td class="cellRight"><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">f</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> 2.90</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft">METAMORFOZE
-<br>Portret van H.&nbsp;J. Haverman. </td>
-<td><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">f</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> 4.90 </td>
-<td class="cellRight"><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">f</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> 6.50</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft">NOODLOT<span class="corr" id="xd31e3590" title="Niet in bron">,</span> 4e druk </td>
-<td><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">f</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> 2.90 </td>
-<td class="cellRight"><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">f</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> 3.90</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft">NOODLOT, (U.V.O.-Serie No. 7) </td>
-<td> </td>
-<td class="cellRight"><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">f</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> 1.75</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft">ORCHIDEEËN, 2e druk
-<br>Bandteekening van L.&nbsp;W.&nbsp;R. Wenckebach. </td>
-<td><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">f</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> 2.90 </td>
-<td class="cellRight"><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">f</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> 3.90</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft">VAN OUDE MENSCHEN, DE DINGEN DIE VOORBIJGAAN </td>
-<td><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">f</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> 3.90 </td>
-<td class="cellRight"><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">f</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> 4.90</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft">OVER LICHTENDE DREMPELS </td>
-<td><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">f</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> 2.90 </td>
-<td class="cellRight"><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">f</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> 3.90</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft">REIS-IMPRESSIES, 2e druk
-<br>Bandteekening van K. Sluijterman. </td>
-<td><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">f</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> 1.90 </td>
-<td class="cellRight"><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">f</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> 2.90</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft">DE STILLE KRACHT, 2e druk </td>
-<td><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">f</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> 3.90 </td>
-<td class="cellRight"><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">f</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> 4.90</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft">VAN EN OVER MIJZELF EN ANDEREN, deelen I, IV, à </td>
-<td><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">f</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> 2.90 </td>
-<td class="cellRight"><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">f</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> 3.90</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft">VAN EN OVER MIJZELF EN ANDEREN deel III </td>
-<td><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">f</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> 2.90 </td>
-<td class="cellRight"></td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft">VAN EN OVER MIJZELF EN IEDEREEN. Tien deeltjes: </td>
-<td> </td>
-<td class="cellRight"></td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft">1. ROME I–II. </td>
-<td> </td>
-<td class="cellRight"></td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft">2. GENÈVE EN FLORENCE I–II. </td>
-<td> </td>
-<td class="cellRight"></td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft">3. SICILIË, VENETIË EN MÜNCHEN I–II. </td>
-<td> </td>
-<td class="cellRight"></td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft">4. VAN EN OVER MIJZELF EN ANDEREN I–II. </td>
-<td> </td>
-<td class="cellRight"></td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft">5. SPAANSCH TOERISME I–II. </td>
-<td> </td>
-<td class="cellRight"></td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft">Prijs f 0.75 per deel ing. en 2 deelen in één linnen band geb. f 2.50, mits de 10
-deelen genomen worden. Aparte deeltjes kosten ing. f 0.95, geb. (2 deeltjes in één
-band) f 2.90 </td>
-<td> </td>
-<td class="cellRight"></td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft">AAN DEN WEG DER VREUGDE </td>
-<td><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">f</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> 2.90 </td>
-<td class="cellRight"><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">f</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> 3.90</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft">WERELDVREDE, 4e druk </td>
-<td><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">f</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> 2.90 </td>
-<td class="cellRight"><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">f</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> 3.90</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft">WILLISWINDE, (Gedichten)
-<br>Bandteekening van L.&nbsp;W.&nbsp;R. Wenckebach. </td>
-<td><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">f</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> 1.90 </td>
-<td class="cellRight"><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">f</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> 2.90</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft cellBottom">WREEDE PORTRETTEN </td>
-<td class="cellBottom"><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">f</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> 0.75 </td>
-<td class="cellRight cellBottom"><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">f</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> 1.25</td>
-</tr>
-</tbody>
-</table>
-</div><p>
-<span class="pageNum" id="pb240">[<a href="#pb240">240</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div class="div1 advertisement ads"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="main"><span class="underline">EEN SPROOKJE IN FIJN GEWAAD!</span></h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Een PRACHT-EDITIE van:
-</p>
-<p class="cxxxl">PSYCHE
-</p>
-<p class="cn">DOOR
-</p>
-<p class="cxl">LOUIS COUPERUS
-</p>
-<p class="cn">Met 23 prachtige teekeningen en bandteekening van B. REITH. Prijs gebonden f 10.—
-</p>
-<p class="cn">Gelijktijdig verscheen de ZEVENDE druk op Colombierformaat, in 2 soorten banden van
-B. REITH en JAN TOOROP. Prijs f 1.90 ing., f 2.90 geb.
-</p>
-<p class="cxxl">VERJAARDAGALBUM
-</p>
-<p class="cn">VAN
-</p>
-<p class="cxl">LOUIS COUPERUS
-</p>
-<p class="cl">GEDACHTEN UIT ZIJN WERKEN
-</p>
-<p class="cn">VERZAMELD DOOR
-</p>
-<p class="cl">ELIZABETH COUPERUS
-</p>
-<p class="cn">Gebonden witsnede f 1.90, kleursnede f 2.50, batikband f 2.90, goudsnede f 3.90.
-</p>
-<p class="cxl">WERK VAN LOUIS COUPERUS
-</p>
-<p class="cl">BLOEMLEZING UIT ZIJN WERKEN
-</p>
-<p class="cn">uitgekozen en ingeleid door
-</p>
-<p class="cl">Dr. A.&nbsp;J. DE JONG en JACOB HIEGENTLICH
-</p>
-<p class="cn">Met 3 portretten van den auteur. Prijs f 2.25 ing., f 2.90 geb.
-</p>
-</div>
-</div>
-<div class="div1" id="toc">
-<h2 class="main">Inhoudsopgave</h2>
-<table summary="Inhoudsopgave">
-<tr>
-<td class="tocDivNum"></td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#pt1">EERSTE DEEL.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#pt1">5</a></td>
-</tr>
-<tr id="ch1.1.toc">
-<td></td>
-<td class="tocDivNum"></td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ch1.1">EERSTE HOOFDSTUK.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch1.1">5</a></td>
-</tr>
-<tr id="s.1.1.1.toc">
-<td colspan="2"></td>
-<td class="tocDivNum">I. </td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="6"><a href="#s.1.1.1">I.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#s.1.1.1">5</a></td>
-</tr>
-<tr id="s.1.1.2.toc">
-<td colspan="2"></td>
-<td class="tocDivNum">II. </td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="6"><a href="#s.1.1.2">II.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#s.1.1.2">9</a></td>
-</tr>
-<tr id="s.1.1.3.toc">
-<td colspan="2"></td>
-<td class="tocDivNum">III. </td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="6"><a href="#s.1.1.3">III.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#s.1.1.3">14</a></td>
-</tr>
-<tr id="s.1.1.4.toc">
-<td colspan="2"></td>
-<td class="tocDivNum">IV. </td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="6"><a href="#s.1.1.4">IV.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#s.1.1.4">18</a></td>
-</tr>
-<tr id="s.1.1.5.toc">
-<td colspan="2"></td>
-<td class="tocDivNum">V. </td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="6"><a href="#s.1.1.5">V.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#s.1.1.5">26</a></td>
-</tr>
-<tr id="s.1.1.6.toc">
-<td colspan="2"></td>
-<td class="tocDivNum">VI. </td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="6"><a href="#s.1.1.6">VI.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#s.1.1.6">30</a></td>
-</tr>
-<tr id="ch1.2.toc">
-<td></td>
-<td class="tocDivNum"></td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ch1.2">TWEEDE HOOFDSTUK.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch1.2">34</a></td>
-</tr>
-<tr id="s1.2.1.toc">
-<td colspan="2"></td>
-<td class="tocDivNum">I. </td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="6"><a href="#s1.2.1">I.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#s1.2.1">34</a></td>
-</tr>
-<tr id="s1.2.2.toc">
-<td colspan="2"></td>
-<td class="tocDivNum">II. </td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="6"><a href="#s1.2.2">II.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#s1.2.2">40</a></td>
-</tr>
-<tr id="s1.2.3.toc">
-<td colspan="2"></td>
-<td class="tocDivNum">III. </td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="6"><a href="#s1.2.3">III.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#s1.2.3">44</a></td>
-</tr>
-<tr id="s1.2.4.toc">
-<td colspan="2"></td>
-<td class="tocDivNum">IV. </td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="6"><a href="#s1.2.4">IV.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#s1.2.4">48</a></td>
-</tr>
-<tr id="s1.2.5.toc">
-<td colspan="2"></td>
-<td class="tocDivNum">V. </td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="6"><a href="#s1.2.5">V.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#s1.2.5">53</a></td>
-</tr>
-<tr id="s1.2.6.toc">
-<td colspan="2"></td>
-<td class="tocDivNum">VI. </td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="6"><a href="#s1.2.6">VI.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#s1.2.6">57</a></td>
-</tr>
-<tr id="s1.2.7.toc">
-<td colspan="2"></td>
-<td class="tocDivNum">VII. </td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="6"><a href="#s1.2.7">VII.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#s1.2.7">62</a></td>
-</tr>
-<tr id="s1.2.8.toc">
-<td colspan="2"></td>
-<td class="tocDivNum">VIII. </td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="6"><a href="#s1.2.8">VIII.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#s1.2.8">75</a></td>
-</tr>
-<tr id="s1.2.9.toc">
-<td colspan="2"></td>
-<td class="tocDivNum">IX. </td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="6"><a href="#s1.2.9">IX.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#s1.2.9">81</a></td>
-</tr>
-<tr id="ch1.3.toc">
-<td></td>
-<td class="tocDivNum"></td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ch1.3">DERDE HOOFDSTUK.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch1.3">82</a></td>
-</tr>
-<tr id="s1.3.1.toc">
-<td colspan="2"></td>
-<td class="tocDivNum">I. </td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="6"><a href="#s1.3.1">I.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#s1.3.1">82</a></td>
-</tr>
-<tr id="s1.3.2.toc">
-<td colspan="2"></td>
-<td class="tocDivNum">II. </td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="6"><a href="#s1.3.2">II.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#s1.3.2">86</a></td>
-</tr>
-<tr id="s1.3.3.toc">
-<td colspan="2"></td>
-<td class="tocDivNum">III. </td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="6"><a href="#s1.3.3">III.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#s1.3.3">96</a></td>
-</tr>
-<tr id="s1.3.4.toc">
-<td colspan="2"></td>
-<td class="tocDivNum">IV. </td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="6"><a href="#s1.3.4">IV.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#s1.3.4">104</a></td>
-</tr>
-<tr id="s1.3.5.toc">
-<td colspan="2"></td>
-<td class="tocDivNum">V. </td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="6"><a href="#s1.3.5">V.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#s1.3.5">115</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum"></td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#pt2">TWEEDE DEEL.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#pt2">120</a></td>
-</tr>
-<tr id="ch2.1.toc">
-<td></td>
-<td class="tocDivNum"></td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ch2.1">EERSTE HOOFDSTUK.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch2.1">120</a></td>
-</tr>
-<tr id="s2.1.1.toc">
-<td colspan="2"></td>
-<td class="tocDivNum">I. </td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="6"><a href="#s2.1.1">I.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#s2.1.1">120</a></td>
-</tr>
-<tr id="s2.1.2.toc">
-<td colspan="2"></td>
-<td class="tocDivNum">II. </td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="6"><a href="#s2.1.2">II.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#s2.1.2">122</a></td>
-</tr>
-<tr id="s2.1.3.toc">
-<td colspan="2"></td>
-<td class="tocDivNum">III. </td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="6"><a href="#s2.1.3">III.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#s2.1.3">126</a></td>
-</tr>
-<tr id="s2.1.4.toc">
-<td colspan="2"></td>
-<td class="tocDivNum">IV. </td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="6"><a href="#s2.1.4">IV.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#s2.1.4">132</a></td>
-</tr>
-<tr id="s2.1.5.toc">
-<td colspan="2"></td>
-<td class="tocDivNum">V. </td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="6"><a href="#s2.1.5">V.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#s2.1.5">138</a></td>
-</tr>
-<tr id="s2.1.6.toc">
-<td colspan="2"></td>
-<td class="tocDivNum">VI. </td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="6"><a href="#s2.1.6">VI.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#s2.1.6">144</a></td>
-</tr>
-<tr id="s2.1.7.toc">
-<td colspan="2"></td>
-<td class="tocDivNum">VII. </td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="6"><a href="#s2.1.7">VII.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#s2.1.7">148</a></td>
-</tr>
-<tr id="ch2.2.toc">
-<td></td>
-<td class="tocDivNum"></td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ch2.2">TWEEDE HOOFDSTUK.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch2.2">150</a></td>
-</tr>
-<tr id="s2.2.1.toc">
-<td colspan="2"></td>
-<td class="tocDivNum">I. </td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="6"><a href="#s2.2.1">I.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#s2.2.1">150</a></td>
-</tr>
-<tr id="s2.2.2.toc">
-<td colspan="2"></td>
-<td class="tocDivNum">II. </td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="6"><a href="#s2.2.2">II.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#s2.2.2">155</a></td>
-</tr>
-<tr id="s2.2.3.toc">
-<td colspan="2"></td>
-<td class="tocDivNum">III. </td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="6"><a href="#s2.2.3">III.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#s2.2.3">165</a></td>
-</tr>
-<tr id="s2.2.4.toc">
-<td colspan="2"></td>
-<td class="tocDivNum">IV. </td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="6"><a href="#s2.2.4">IV.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#s2.2.4">174</a></td>
-</tr>
-<tr id="s2.2.5.toc">
-<td colspan="2"></td>
-<td class="tocDivNum">V. </td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="6"><a href="#s2.2.5">V.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#s2.2.5">179</a></td>
-</tr>
-<tr id="s2.2.6.toc">
-<td colspan="2"></td>
-<td class="tocDivNum">VI. </td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="6"><a href="#s2.2.6">VI.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#s2.2.6">187</a></td>
-</tr>
-<tr id="s2.2.7.toc">
-<td colspan="2"></td>
-<td class="tocDivNum">VII. </td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="6"><a href="#s2.2.7">VII.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#s2.2.7">193</a></td>
-</tr>
-<tr id="s2.2.8.toc">
-<td colspan="2"></td>
-<td class="tocDivNum">VIII. </td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="6"><a href="#s2.2.8">VIII.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#s2.2.8">198</a></td>
-</tr>
-<tr id="s2.2.9.toc">
-<td colspan="2"></td>
-<td class="tocDivNum">IX. </td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="6"><a href="#s2.2.9">IX.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#s2.2.9">204</a></td>
-</tr>
-<tr id="ch2.3.toc">
-<td></td>
-<td class="tocDivNum"></td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ch2.3">DERDE HOOFDSTUK.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch2.3">208</a></td>
-</tr>
-<tr id="s2.3.1.toc">
-<td colspan="2"></td>
-<td class="tocDivNum">I. </td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="6"><a href="#s2.3.1">I.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#s2.3.1">208</a></td>
-</tr>
-<tr id="s2.3.2.toc">
-<td colspan="2"></td>
-<td class="tocDivNum">II. </td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="6"><a href="#s2.3.2">II.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#s2.3.2">214</a></td>
-</tr>
-<tr id="s2.3.3.toc">
-<td colspan="2"></td>
-<td class="tocDivNum">III. </td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="6"><a href="#s2.3.3">III.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#s2.3.3">220</a></td>
-</tr>
-<tr id="s2.3.4.toc">
-<td colspan="2"></td>
-<td class="tocDivNum">IV. </td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="6"><a href="#s2.3.4">IV.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#s2.3.4">227</a></td>
-</tr>
-<tr id="s2.3.5.toc">
-<td colspan="2"></td>
-<td class="tocDivNum">V. </td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="6"><a href="#s2.3.5">V.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#s2.3.5">231</a></td>
-</tr>
-<tr id="s2.3.6.toc">
-<td colspan="2"></td>
-<td class="tocDivNum">VI. </td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="6"><a href="#s2.3.6">VI.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#s2.3.6">234</a></td>
-</tr>
-</table>
-</div>
-<div class="transcriberNote">
-<h2 class="main">Colofon</h2>
-<h3 class="main">Beschikbaarheid</h3>
-<p class="first">Dit eBoek is voor kosteloos gebruik door iedereen overal, met vrijwel geen beperkingen
-van welke soort dan ook. U mag het kopiëren, weggeven of hergebruiken onder de voorwaarden
-van de Project Gutenberg Licentie in dit eBoek of on-line op <a class="seclink xd31e39" title="Externe link" href="https://www.gutenberg.org/">www.gutenberg.org</a>.
-</p>
-<p>Dit eBoek is geproduceerd door het on-line gedistribueerd correctieteam op <a class="seclink xd31e39" title="Externe link" href="https://www.pgdp.net/">www.pgdp.net</a>.
-</p>
-<p>Een Engelse vertaling van dit boek, <i lang="en">Majesty: A Novel,</i> is ook beschikbaar bij Project Gutenberg als eboek <a class="pglink xd31e39" title="Link naar Project Gutenberg eboek" href="https://www.gutenberg.org/ebooks/33779">33779</a>.
-</p>
-<p>Scans van dit boek zijn beschikbaar op The Internet Archive (exemplaar <a class="seclink xd31e39" title="Externe link" href="https://archive.org/details/majesteit00coup">1</a>).
-</p>
-<h3 class="main">Metadata</h3>
-<table class="colophonMetadata" summary="Metadata">
-<tr>
-<td><b>Titel:</b></td>
-<td>Majesteit</td>
-<td></td>
-</tr>
-<tr>
-<td><b>Auteur:</b></td>
-<td>Louis Marie Anne Couperus (1863–1923)</td>
-<td><a href="https://viaf.org/viaf/27062908/" class="seclink">Info</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td><b>Taal:</b></td>
-<td>Nederlands (Spelling De Vries-Te Winkel)</td>
-<td></td>
-</tr>
-<tr>
-<td><b>Oorspronkelijke uitgiftedatum:</b></td>
-<td>[1893]</td>
-<td></td>
-</tr>
-</table>
-<h3 class="main">Codering</h3>
-<p class="first">Dit boek is weergegeven in oorspronkelijke schrijfwijze. Afgebroken woorden aan het
-einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. Kennelijke zetfouten in het origineel
-zijn verbeterd. Deze verbeteringen zijn aangegeven in de colofon aan het einde van
-dit boek.</p>
-<h3 class="main">Documentgeschiedenis</h3>
-<ul>
-<li>2021-10-11 Begonnen.
-</li>
-</ul>
-<h3 class="main">Externe Referenties</h3>
-<p>Dit Project Gutenberg eBoek bevat externe referenties. Het kan zijn dat deze links
-voor u niet werken.</p>
-<h3 class="main">Verbeteringen</h3>
-<p>De volgende verbeteringen zijn aangebracht in de tekst:</p>
-<table class="correctionTable" summary="Overzicht van verbeteringen aangebracht in de tekst.">
-<tr>
-<th>Bladzijde</th>
-<th>Bron</th>
-<th>Verbetering</th>
-<th>Bewerkingsafstand</th>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e180">8</a>, <a class="pageref" href="#xd31e1910">141</a></td>
-<td class="width40 bottom">broers</td>
-<td class="width40 bottom">broêrs</td>
-<td class="bottom">1 / 0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e207">13</a></td>
-<td class="width40 bottom">huis</td>
-<td class="width40 bottom">Huis</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e249">16</a>, <a class="pageref" href="#xd31e252">16</a>, <a class="pageref" href="#xd31e613">47</a>, <a class="pageref" href="#xd31e616">47</a>, <a class="pageref" href="#xd31e709">53</a>, <a class="pageref" href="#xd31e902">66</a>, <a class="pageref" href="#xd31e1524">112</a>, <a class="pageref" href="#xd31e1603">116</a>, <a class="pageref" href="#xd31e1606">116</a>, <a class="pageref" href="#xd31e1609">116</a></td>
-<td class="width40 bottom">elkaar</td>
-<td class="width40 bottom">elkaâr</td>
-<td class="bottom">1 / 0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e311">20</a></td>
-<td class="width40 bottom">weer</td>
-<td class="width40 bottom">weêr</td>
-<td class="bottom">1 / 0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e319">20</a>, <a class="pageref" href="#xd31e1438">104</a>, <a class="pageref" href="#xd31e2434">169</a>, <a class="pageref" href="#xd31e2649">182</a>, <a class="pageref" href="#xd31e3115">220</a></td>
-<td class="width40 bottom">
-[<i>Niet in bron</i>]
-</td>
-<td class="width40 bottom">—</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e339">22</a>, <a class="pageref" href="#xd31e789">59</a>, <a class="pageref" href="#xd31e850">63</a>, <a class="pageref" href="#xd31e1744">129</a>, <a class="pageref" href="#xd31e3590">239</a></td>
-<td class="width40 bottom">
-[<i>Niet in bron</i>]
-</td>
-<td class="width40 bottom">,</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e350">22</a>, <a class="pageref" href="#xd31e1986">144</a>, <a class="pageref" href="#xd31e2135">153</a>, <a class="pageref" href="#xd31e2763">188</a>, <a class="pageref" href="#xd31e2808">191</a></td>
-<td class="width40 bottom">neer</td>
-<td class="width40 bottom">neêr</td>
-<td class="bottom">1 / 0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e425">30</a></td>
-<td class="width40 bottom">Olthomar</td>
-<td class="width40 bottom">Othomar</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e598">46</a></td>
-<td class="width40 bottom">weér</td>
-<td class="width40 bottom">weêr</td>
-<td class="bottom">1 / 0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e640">48</a></td>
-<td class="width40 bottom">
-[<i>Niet in bron</i>]
-</td>
-<td class="width40 bottom">:</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e648">49</a>, <a class="pageref" href="#xd31e2556">175</a></td>
-<td class="width40 bottom">zoù</td>
-<td class="width40 bottom">zoû</td>
-<td class="bottom">1 / 0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e766">56</a></td>
-<td class="width40 bottom">hij</td>
-<td class="width40 bottom">zij</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e856">64</a></td>
-<td class="width40 bottom">zoú</td>
-<td class="width40 bottom">zoû</td>
-<td class="bottom">1 / 0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e985">71</a></td>
-<td class="width40 bottom">u</td>
-<td class="width40 bottom">uw</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1111">81</a>, <a class="pageref" href="#xd31e2945">202</a></td>
-<td class="width40 bottom">
-[<i>Niet in bron</i>]
-</td>
-<td class="width40 bottom">.</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1196">89</a></td>
-<td class="width40 bottom">hem</td>
-<td class="width40 bottom">hen</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1248">93</a></td>
-<td class="width40 bottom">,</td>
-<td class="width40 bottom">.</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1463">106</a></td>
-<td class="width40 bottom">Sirische</td>
-<td class="width40 bottom">Syrische</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1489">110</a></td>
-<td class="width40 bottom">de zelfde</td>
-<td class="width40 bottom">dezelfde</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1593">116</a>, <a class="pageref" href="#xd31e1598">116</a>, <a class="pageref" href="#xd31e1617">117</a>, <a class="pageref" href="#xd31e1746">129</a>, <a class="pageref" href="#xd31e2875">196</a>, <a class="pageref" href="#xd31e3044">211</a>, <a class="pageref" href="#xd31e3149">225</a>, <a class="pageref" href="#xd31e3152">225</a></td>
-<td class="width40 bottom">zou</td>
-<td class="width40 bottom">zoû</td>
-<td class="bottom">1 / 0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1648">120</a></td>
-<td class="width40 bottom">dennebosch</td>
-<td class="width40 bottom">dennenbosch</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1886">139</a>, <a class="pageref" href="#xd31e2232">158</a></td>
-<td class="width40 bottom">broer</td>
-<td class="width40 bottom">broêr</td>
-<td class="bottom">1 / 0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1903">140</a></td>
-<td class="width40 bottom">vorsten kind</td>
-<td class="width40 bottom">vorstenkind</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1918">141</a></td>
-<td class="width40 bottom">onden</td>
-<td class="width40 bottom">onder</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2118">151</a></td>
-<td class="width40 bottom">reê</td>
-<td class="width40 bottom">ree</td>
-<td class="bottom">1 / 0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2193">156</a></td>
-<td class="width40 bottom">moeheid</td>
-<td class="width40 bottom">moêheid</td>
-<td class="bottom">1 / 0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2339">164</a></td>
-<td class="width40 bottom">o</td>
-<td class="width40 bottom">O</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2453">170</a></td>
-<td class="width40 bottom">..</td>
-<td class="width40 bottom">…</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2561">176</a></td>
-<td class="width40 bottom">neergeslagen</td>
-<td class="width40 bottom">neêrgeslagen</td>
-<td class="bottom">1 / 0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2574">178</a></td>
-<td class="width40 bottom">nog</td>
-<td class="width40 bottom">noch</td>
-<td class="bottom">2</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2599">180</a></td>
-<td class="width40 bottom">,</td>
-<td class="width40 bottom">
-[<i>Verwijderd</i>]
-</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2902">197</a></td>
-<td class="width40 bottom">galarijen</td>
-<td class="width40 bottom">galerijen</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2926">201</a></td>
-<td class="width40 bottom">voegden</td>
-<td class="width40 bottom">voegde</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e3027">210</a></td>
-<td class="width40 bottom">Euxodie</td>
-<td class="width40 bottom">Eudoxie</td>
-<td class="bottom">2</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e3072">215</a></td>
-<td class="width40 bottom">er</td>
-<td class="width40 bottom">en</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e3101">219</a></td>
-<td class="width40 bottom">der</td>
-<td class="width40 bottom">de</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e3136">223</a></td>
-<td class="width40 bottom">hen</td>
-<td class="width40 bottom">hem</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e3209">230</a></td>
-<td class="width40 bottom">:</td>
-<td class="width40 bottom">
-[<i>Verwijderd</i>]
-</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e3211">230</a></td>
-<td class="width40 bottom"> </td>
-<td class="width40 bottom">—</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-</table>
-</div>
-</div>
-<div style='display:block; margin-top:4em'>*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK MAJESTEIT ***</div>
-<div style='text-align:left'>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-Updated editions will replace the previous one&#8212;the old editions will
-be renamed.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright
-law means that no one owns a United States copyright in these works,
-so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the United
-States without permission and without paying copyright
-royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part
-of this license, apply to copying and distributing Project
-Gutenberg&#8482; electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG&#8482;
-concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark,
-and may not be used if you charge for an eBook, except by following
-the terms of the trademark license, including paying royalties for use
-of the Project Gutenberg trademark. If you do not charge anything for
-copies of this eBook, complying with the trademark license is very
-easy. You may use this eBook for nearly any purpose such as creation
-of derivative works, reports, performances and research. Project
-Gutenberg eBooks may be modified and printed and given away--you may
-do practically ANYTHING in the United States with eBooks not protected
-by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the trademark
-license, especially commercial redistribution.
-</div>
-
-<div style='margin:0.83em 0; font-size:1.1em; text-align:center'>START: FULL LICENSE<br>
-<span style='font-size:smaller'>THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE<br>
-PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK</span>
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-To protect the Project Gutenberg&#8482; mission of promoting the free
-distribution of electronic works, by using or distributing this work
-(or any other work associated in any way with the phrase &#8220;Project
-Gutenberg&#8221;), you agree to comply with all the terms of the Full
-Project Gutenberg&#8482; License available with this file or online at
-www.gutenberg.org/license.
-</div>
-
-<div style='display:block; font-size:1.1em; margin:1em 0; font-weight:bold'>
-Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg&#8482; electronic works
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg&#8482;
-electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
-and accept all the terms of this license and intellectual property
-(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
-the terms of this agreement, you must cease using and return or
-destroy all copies of Project Gutenberg&#8482; electronic works in your
-possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a
-Project Gutenberg&#8482; electronic work and you do not agree to be bound
-by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the person
-or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.B. &#8220;Project Gutenberg&#8221; is a registered trademark. It may only be
-used on or associated in any way with an electronic work by people who
-agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
-things that you can do with most Project Gutenberg&#8482; electronic works
-even without complying with the full terms of this agreement. See
-paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
-Gutenberg&#8482; electronic works if you follow the terms of this
-agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg&#8482;
-electronic works. See paragraph 1.E below.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation (&#8220;the
-Foundation&#8221; or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection
-of Project Gutenberg&#8482; electronic works. Nearly all the individual
-works in the collection are in the public domain in the United
-States. If an individual work is unprotected by copyright law in the
-United States and you are located in the United States, we do not
-claim a right to prevent you from copying, distributing, performing,
-displaying or creating derivative works based on the work as long as
-all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope
-that you will support the Project Gutenberg&#8482; mission of promoting
-free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg&#8482;
-works in compliance with the terms of this agreement for keeping the
-Project Gutenberg&#8482; name associated with the work. You can easily
-comply with the terms of this agreement by keeping this work in the
-same format with its attached full Project Gutenberg&#8482; License when
-you share it without charge with others.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
-what you can do with this work. Copyright laws in most countries are
-in a constant state of change. If you are outside the United States,
-check the laws of your country in addition to the terms of this
-agreement before downloading, copying, displaying, performing,
-distributing or creating derivative works based on this work or any
-other Project Gutenberg&#8482; work. The Foundation makes no
-representations concerning the copyright status of any work in any
-country other than the United States.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.E.1. The following sentence, with active links to, or other
-immediate access to, the full Project Gutenberg&#8482; License must appear
-prominently whenever any copy of a Project Gutenberg&#8482; work (any work
-on which the phrase &#8220;Project Gutenberg&#8221; appears, or with which the
-phrase &#8220;Project Gutenberg&#8221; is associated) is accessed, displayed,
-performed, viewed, copied or distributed:
-</div>
-
-<blockquote>
- <div style='display:block; margin:1em 0'>
- This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and most
- other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
- whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
- of the Project Gutenberg License included with this eBook or online
- at <a href="https://www.gutenberg.org">www.gutenberg.org</a>. If you
- are not located in the United States, you will have to check the laws
- of the country where you are located before using this eBook.
- </div>
-</blockquote>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.E.2. If an individual Project Gutenberg&#8482; electronic work is
-derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not
-contain a notice indicating that it is posted with permission of the
-copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in
-the United States without paying any fees or charges. If you are
-redistributing or providing access to a work with the phrase &#8220;Project
-Gutenberg&#8221; associated with or appearing on the work, you must comply
-either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or
-obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg&#8482;
-trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.E.3. If an individual Project Gutenberg&#8482; electronic work is posted
-with the permission of the copyright holder, your use and distribution
-must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any
-additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms
-will be linked to the Project Gutenberg&#8482; License for all works
-posted with the permission of the copyright holder found at the
-beginning of this work.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg&#8482;
-License terms from this work, or any files containing a part of this
-work or any other work associated with Project Gutenberg&#8482;.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
-electronic work, or any part of this electronic work, without
-prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
-active links or immediate access to the full terms of the Project
-Gutenberg&#8482; License.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
-compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including
-any word processing or hypertext form. However, if you provide access
-to or distribute copies of a Project Gutenberg&#8482; work in a format
-other than &#8220;Plain Vanilla ASCII&#8221; or other format used in the official
-version posted on the official Project Gutenberg&#8482; website
-(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense
-to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means
-of obtaining a copy upon request, of the work in its original &#8220;Plain
-Vanilla ASCII&#8221; or other form. Any alternate format must include the
-full Project Gutenberg&#8482; License as specified in paragraph 1.E.1.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
-performing, copying or distributing any Project Gutenberg&#8482; works
-unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
-access to or distributing Project Gutenberg&#8482; electronic works
-provided that:
-</div>
-
-<div style='margin-left:0.7em;'>
- <div style='text-indent:-0.7em'>
- &#8226; You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
- the use of Project Gutenberg&#8482; works calculated using the method
- you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed
- to the owner of the Project Gutenberg&#8482; trademark, but he has
- agreed to donate royalties under this paragraph to the Project
- Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid
- within 60 days following each date on which you prepare (or are
- legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty
- payments should be clearly marked as such and sent to the Project
- Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in
- Section 4, &#8220;Information about donations to the Project Gutenberg
- Literary Archive Foundation.&#8221;
- </div>
-
- <div style='text-indent:-0.7em'>
- &#8226; You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
- you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
- does not agree to the terms of the full Project Gutenberg&#8482;
- License. You must require such a user to return or destroy all
- copies of the works possessed in a physical medium and discontinue
- all use of and all access to other copies of Project Gutenberg&#8482;
- works.
- </div>
-
- <div style='text-indent:-0.7em'>
- &#8226; You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of
- any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
- electronic work is discovered and reported to you within 90 days of
- receipt of the work.
- </div>
-
- <div style='text-indent:-0.7em'>
- &#8226; You comply with all other terms of this agreement for free
- distribution of Project Gutenberg&#8482; works.
- </div>
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project
-Gutenberg&#8482; electronic work or group of works on different terms than
-are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing
-from the Project Gutenberg Literary Archive Foundation, the manager of
-the Project Gutenberg&#8482; trademark. Contact the Foundation as set
-forth in Section 3 below.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.F.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
-effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
-works not protected by U.S. copyright law in creating the Project
-Gutenberg&#8482; collection. Despite these efforts, Project Gutenberg&#8482;
-electronic works, and the medium on which they may be stored, may
-contain &#8220;Defects,&#8221; such as, but not limited to, incomplete, inaccurate
-or corrupt data, transcription errors, a copyright or other
-intellectual property infringement, a defective or damaged disk or
-other medium, a computer virus, or computer codes that damage or
-cannot be read by your equipment.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the &#8220;Right
-of Replacement or Refund&#8221; described in paragraph 1.F.3, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
-Gutenberg&#8482; trademark, and any other party distributing a Project
-Gutenberg&#8482; electronic work under this agreement, disclaim all
-liability to you for damages, costs and expenses, including legal
-fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
-LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
-PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
-TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
-LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
-INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
-DAMAGE.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
-defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
-receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
-written explanation to the person you received the work from. If you
-received the work on a physical medium, you must return the medium
-with your written explanation. The person or entity that provided you
-with the defective work may elect to provide a replacement copy in
-lieu of a refund. If you received the work electronically, the person
-or entity providing it to you may choose to give you a second
-opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If
-the second copy is also defective, you may demand a refund in writing
-without further opportunities to fix the problem.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
-in paragraph 1.F.3, this work is provided to you &#8216;AS-IS&#8217;, WITH NO
-OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT
-LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
-warranties or the exclusion or limitation of certain types of
-damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement
-violates the law of the state applicable to this agreement, the
-agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or
-limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or
-unenforceability of any provision of this agreement shall not void the
-remaining provisions.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
-trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
-providing copies of Project Gutenberg&#8482; electronic works in
-accordance with this agreement, and any volunteers associated with the
-production, promotion and distribution of Project Gutenberg&#8482;
-electronic works, harmless from all liability, costs and expenses,
-including legal fees, that arise directly or indirectly from any of
-the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this
-or any Project Gutenberg&#8482; work, (b) alteration, modification, or
-additions or deletions to any Project Gutenberg&#8482; work, and (c) any
-Defect you cause.
-</div>
-
-<div style='display:block; font-size:1.1em; margin:1em 0; font-weight:bold'>
-Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg&#8482;
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-Project Gutenberg&#8482; is synonymous with the free distribution of
-electronic works in formats readable by the widest variety of
-computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It
-exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations
-from people in all walks of life.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-Volunteers and financial support to provide volunteers with the
-assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg&#8482;&#8217;s
-goals and ensuring that the Project Gutenberg&#8482; collection will
-remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
-and permanent future for Project Gutenberg&#8482; and future
-generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see
-Sections 3 and 4 and the Foundation information page at www.gutenberg.org.
-</div>
-
-<div style='display:block; font-size:1.1em; margin:1em 0; font-weight:bold'>
-Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non-profit
-501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
-state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
-Revenue Service. The Foundation&#8217;s EIN or federal tax identification
-number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by
-U.S. federal laws and your state&#8217;s laws.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-The Foundation&#8217;s business office is located at 809 North 1500 West,
-Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up
-to date contact information can be found at the Foundation&#8217;s website
-and official page at www.gutenberg.org/contact
-</div>
-
-<div style='display:block; font-size:1.1em; margin:1em 0; font-weight:bold'>
-Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-Project Gutenberg&#8482; depends upon and cannot survive without widespread
-public support and donations to carry out its mission of
-increasing the number of public domain and licensed works that can be
-freely distributed in machine-readable form accessible by the widest
-array of equipment including outdated equipment. Many small donations
-($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
-status with the IRS.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-The Foundation is committed to complying with the laws regulating
-charities and charitable donations in all 50 states of the United
-States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
-considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
-with these requirements. We do not solicit donations in locations
-where we have not received written confirmation of compliance. To SEND
-DONATIONS or determine the status of compliance for any particular state
-visit <a href="https://www.gutenberg.org/donate/">www.gutenberg.org/donate</a>.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-While we cannot and do not solicit contributions from states where we
-have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
-against accepting unsolicited donations from donors in such states who
-approach us with offers to donate.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-International donations are gratefully accepted, but we cannot make
-any statements concerning tax treatment of donations received from
-outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-Please check the Project Gutenberg web pages for current donation
-methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
-ways including checks, online payments and credit card donations. To
-donate, please visit: www.gutenberg.org/donate
-</div>
-
-<div style='display:block; font-size:1.1em; margin:1em 0; font-weight:bold'>
-Section 5. General Information About Project Gutenberg&#8482; electronic works
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-Professor Michael S. Hart was the originator of the Project
-Gutenberg&#8482; concept of a library of electronic works that could be
-freely shared with anyone. For forty years, he produced and
-distributed Project Gutenberg&#8482; eBooks with only a loose network of
-volunteer support.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-Project Gutenberg&#8482; eBooks are often created from several printed
-editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in
-the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not
-necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper
-edition.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-Most people start at our website which has the main PG search
-facility: <a href="https://www.gutenberg.org">www.gutenberg.org</a>.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-This website includes information about Project Gutenberg&#8482;,
-including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
-subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
-</div>
-
-</div>
diff --git a/old/66804-h/images/new-cover.jpg b/old/66804-h/images/new-cover.jpg
deleted file mode 100644
index 4b5d92c..0000000
--- a/old/66804-h/images/new-cover.jpg
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/66804-h/images/titlepage.png b/old/66804-h/images/titlepage.png
deleted file mode 100644
index c677c63..0000000
--- a/old/66804-h/images/titlepage.png
+++ /dev/null
Binary files differ