diff options
Diffstat (limited to 'old/66778-0.txt')
| -rw-r--r-- | old/66778-0.txt | 12519 |
1 files changed, 0 insertions, 12519 deletions
diff --git a/old/66778-0.txt b/old/66778-0.txt deleted file mode 100644 index a56285f..0000000 --- a/old/66778-0.txt +++ /dev/null @@ -1,12519 +0,0 @@ -The Project Gutenberg eBook of Een huwelijk in Indië, by Mina (Wilhelmina -Jacoba Paulina Rudolphine) Kruseman - -This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and -most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions -whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms -of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at -www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you -will have to check the laws of the country where you are located before -using this eBook. - -Title: Een huwelijk in Indië - -Author: Mina (Wilhelmina Jacoba Paulina Rudolphine) Kruseman - -Release Date: November 20, 2021 [eBook #66778] - -Language: Dutch - -Character set encoding: UTF-8 - -Produced by: Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading - Team at https://www.pgdp.net/ for Project Gutenberg (This book - was produced from scanned images of public domain material - from the Google Books project.) - -*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK EEN HUWELIJK IN INDIË *** - - - - EEN - HUWELIJK IN INDIË - - DOOR - MINA KRUSEMAN - (Stella Oristorio di Frama, Cantatrice) - - - ’S GRAVENHAGE - MARTINUS NIJHOFF - 1873 - - - - - - - - - J’ai commencé ma vie par aimer. - Puis j’ai souffert. - Puis j’ai haï. - Puis j’ai méprisé—Et même j’ai ri.— - Maintenant je pardonne. - - Si je puis vivre quelques années encore, c’est probable que je - finirai par où j’ai commencé et qu’au lieu de l’instinct, ce - sera l’intelligence alors, qui aura compris le grand mot de la - nature - - Amour. - - - - - - - - -Dit is geen boek vol kennis en geleerdheid, geen poëtische fictie, rijk -aan stoute droomen en onwaarschijnlijkheden, geen verhaal, geen roman, -geen novelle zelfs; maar alles en niets; want ’t is een droeve kreet -uit het werkelijke leven, een zwakke kopie van de fantastische -realiteit, een greep uit de natuur weêrgegeven vrij en grillig als de -waarheid. - - -New-York 1871–1872. M. K. - - - - - - - - -INHOUD - - -EERSTE DEEL - -HOE ZIJ WAS - - Hoofdstuk. Bladz. - - I. Hoe Lina opgevoed werd 1 - II. Het eerste voorgevoel 19 - III. De gouvernante 22 - IV. Meesteres en leerling 35 - V. Een brief van huis 41 - VI. Louise van Amerongen 44 - VII. Een bal 52 - VIII. Het bezoek van den resident 60 - IX. De huwelijksaanvraag 63 - X. Vader en dochter 73 - XI. Het jawoord 70 - XII. Het verlovingsfeest 91 - XIII. Het eerste gesprek zonder getuigen 94 - XIV. Hoe bruid en bruidegom over elkander denken 100 - XV. Het offer aan eerzucht gebracht 108 - - -TWEEDE DEEL - -WAT ZIJ WERD - - XVI. Te huis 113 - XVII. Wie bij Louise waken komt 122 - XVIII. De kinderen van Mina 129 - XIX. De eerste receptie 136 - XX. Een nieuw gevoel 153 - XXI. Sympathie 157 - XXII. Eenige bladzijden uit het leven van een dokter 169 - XXIII. Hoe het kwaad ontstaat 195 - XXIV. Gevoelen en begrijpen 201 - XXV. Plannen 209 - XXVI. Plicht 213 - XXVII. Dood 220 - XXVIII. Mevrouw Joly 225 - XXIX. De gouverneur-generaal 227 - XXX. Vrijdag avond. Werner 229 - XXXI. Het tijgergevecht 235 - XXXII. Felicita. De jachtpartij 246 - XXXIII. Krankzinnig 269 - XXXIV. Het bezoek der ouders 280 - XXXV. De vlucht 293 - - -DERDE DEEL - -HOE ZIJ HAD KUNNEN ZIJN - - XXXVI. Speranza 302 - XXXVII. Lawson 311 - XXXVIII. Geluk 321 - XXXIX. Recht 324 - XL. Lina’s huwelijk 326 - XLI. Haat en minachting. Moederliefde 336 - XLII. August van Langendijk 355 - XLIII. Oude kennissen 360 - XLIV. In het Haagsche Bosch 365 - XLV. Academie vrienden 369 - XLVI. Lina’s tusschenkomst 373 - XLVII. De laatste brieven 375 - - - - - - - - -EERSTE DEEL - -HOE ZIJ WAS - - - LA FEMME AU XIXe SIÈCLE. - - Un piège lui est tendu à chaque pas qu’elle fait seule. - - Une insulte l’attend au bout de chaque réussite. - - Et l’intérêt seul lui tresse sa couronne de gloire, qu’il lui pose - sur la tête avec un rire de mépris. - - Le travail l’abaisse, - Le talent la déshonore, - L’indépendance la dégrade. - - Il faut qu’elle ne soit rien pour être quelque chose. Ou bien - qu’elle tombe, pour avoir le droit de monter. - - Lettre à M. Alexandre Dumas, fils, au - sujet de son livre L’Homme-Femme, par - Mlle Oristorio di Frama, Cantatrice. - - - - - - - - -EERSTE DEEL - -HOE ZIJ WAS - - -EERSTE HOOFDSTUK - -HOE LINA OPGEVOED WERD - - -Mijnheer Van Wageningen was eenige jaren geleden als ritmeester -gepensioneerd geworden. Niet lang daarna had hij zijn vrouw verloren, -een lief, flink, praktisch mensch, dat hem een ware steun, een hulp, -een troost in zijn, anders zwaar beproefd, leven geweest was, en hem -steeds had lief gehad met haar geheele hart en verstand. - -Na den dood zijner vrouw was Van Wageningen van het tooneel der wereld -verdwenen. Zijn vrienden hadden hem even gemist, zijn kennissen hadden -zijn spoor verloren, en zijn bloedverwanten wisten niets meer van hem -dan dat hij zich ergens in Gelderland, in een afgelegen dorpje, een -huisje had gekocht, waar hij afgezonderd en zuinig van zijn klein -inkomen leefde, en zich geheel toewijdde aan de opvoeding van zijn twee -kinderen, die hij aan geen vreemde zorgen toevertrouwde. - -Wat zijn zoontje betrof, had de man gelijk. Maar zijn dochtertje, een -aardig, vlug, verstandig ding van nog geen elf jaar, werd in het geheel -niet opgevoed zooals de mode of de gewoonte wilde dat een meisje van -haren stand opgevoed zou worden. - -Lina was een goed, gevoelig, hartelijk kind, maar zóo rondborstig, -oprecht en vrij, dat zij de schrik was van allen die haar kenden. - -»Later zal zij leeren zwijgen, laat zij eerst maar leeren oordeelen,” -was de leus van den vader, en bij het minst wat er voorviel, waren de -eerste woorden van den ritmeester: »Lina, mijn kind, wat zeg je -daarvan?” - -Hierdoor had Lina dan ook zulk een zuiver en vlug oordeel verkregen en -zoo goed geleerd haar gedachten gemakkelijk en helder mee te deelen, -dat de kinderen van het dorp haar te geleerd, de dames (er waren er -twee) haar te wijsneuzig en de heeren haar te brutaal vonden, om zich -met haar in te laten; zoodat het arme kind bijna altijd met haar vader -alleen was, en tot tijdverdrijf of uitspanning, in de uren dat zij -niets beters te doen had, van hem schermen en exerceeren leerde, -evenals haar jonger broertje, om wat gezonde beweging te maken. - -De notaris had den ritmeester eens om zijn schermmeesterschap bespot, -in het koffiehuis waar zij ’s Woensdagsavonds hun whistclub hadden, -maar de ritmeester had hem kalm laten uitlachen en hem toen al -mêleerende geantwoord: - -»Die nooit in verlegenheid wil geraken, moet alles kennen; zóover -brengen wij het niet, dat is waar, maar we moeten toch trachten het zoo -ver mogelijk te brengen. Ik wou jou wel eens naar Afrika of Amerika -zenden, geheel alleen, zooals je daar vóor me staat, en je als je -schaduw volgen, om te zien hoe je ’t maken zoudt. Ik geloof dat ik -interessante kluchten beleven zou. En dat ik je nog wel eens zou hooren -zeggen: »had ik ook maar schermen en exerceeren geleerd! En zoo veel -andere dingen meer, die ik versmaad en bespot heb, omdat ik ze niet -kende.”—Docter ’t is aan u.” - -Eens kocht de ritmeester een veulen van een boer. Lina had het zien -mishandelen door twee lompe boerenjongens, die het sloegen en met -stokken prikten om het te doen steigeren. Met gloeiende wangen en -vonkelende oogen was zij binnen komen stuiven in de kamer van den -ritmeester. »Och Paatje!—Pa lief, kom toch!—Ik kan het niet aanzien!—Ze -mishandelen een veulen omdat ze ’t leelijk en koppig noemen, die -affreuse boeren!—Koop het Paatje! Och koop het toch.—Bij ons zal het -arme dier gelukkig wezen!”—De ritmeester was met haar mee gegaan, had -het veulen gezien en het, tot verbazing van den boer, gekocht. - -»Wat mag die daar mee doen?” had de verkooper bij zichzelven gezegd, -»drie keer heb ik het naar de paardenmarkt gebracht en drie keer ben ik -er weer mee thuis gekomen, omdat ik het niet kwijt kon raken. Wat mag -de ritmeester er mee doen?” Hij telde met welgevallen het geld dat hij -pas ontvangen had (’t was meer dan hij op de markt had durven vragen) -en lachte, sous cape over zijn eigen slimheid. »De ritmeester beet -gehad!” - -Bij den ritmeester in huis werd ook gelachen, het was er feest, ter -eere van het veulen, dat gras uit kinderhanden at en wortelen en -klontjes suiker.... Welk een geluk! - -Eenigen tijd daarna ging Lina haar veulen een bezoek brengen in een -nieuwe wei; de vorige eigenaar had het in zijn wei niet langer willen -houden. Zij moest een boerderij langs, waar een groote hond voor een -hok aan een ketting lag; ’s nachts liep hij los, dan moest hij op de -bleek passen. - -»Pas op, de hond zal je bijten!” riep een boer. - -Lina lachte, zag het groote bruine dier flink in de oogen met haar -open, goedhartigen blik en lei haar hand op zijn kop. - -Hektor kwispelde met zijn staart, drong zich dicht aan haar zijde en -lekte haar kleine hand. - -»Ziet gij wel dat de kennis gauw gemaakt is? Wij weten wel dat wij van -elkander houden.” En, den hond een zoen op zijn kop gevende, vloog zij -de wei in om haar veulen te bezoeken. - -De hond oogde haar na, zoolang hij kon. Dankbaarheid, vreugde, liefde, -droefheid, trouw—wat lag er al niet in dien hondenblik! - -De boer ook oogde haar na, dom en wel, met open mond en half gesloten -oogen. »Ze zal er nog eens tegen aanloopen” mompelde hij half overluid -en keerde tot zijn ploeg terug.—Was hij geen boer geweest dan had hij -»excentrique” gezegd. Doch het was maar een boer. De hond zou zoo iets -nooit gezegd hebben. - -»Randa!” klonk een kinderstem door de wei. Een veulen, dat bij een -beekje stond te grazen, spitste de ooren en zag om. - -»Hier mijn Randa, kom je mee?” - -In een oogwenk was hij naar haar toegesneld, en met zijn hoofd op haar -schouder, haar armen om zijn hals, stapte Lina met Randa het houten -brugje over, de wei uit. Toen zij de boerderij voorbijging, zag zij nog -even om naar den hond. - -»Adieu Hektor! adieu!” - -En Hektor wurgde zich half aan zijn zware ketting om haar weer te zien -en na te oogen en den hem eigenaardigen vriendschapsgroet te zenden, -dien hij anders slechts voor zijn meesters over had. - -De boer zag om, hij dacht dat een zijner kinderen met zijn boterhammen -kwam, het was Lina maar. - -»Zwijg!” riep hij van verre, hij wierp den hond met een steen en -hervatte zijn werk. - -Toen het veulen groot en sterk genoeg was om bereden te worden, -dresseerde de ritmeester het zelf en gaf hij het aan Lina cadeau, die -er den volgenden dag het dorp op door draafde. - -»Schande!” riepen de dames. »Van Wageningen is een ongehoorde -waaghals!” En zij haalden hare kinderen naar binnen, die op de stoep -speelden en licht door het slechte voorbeeld bedorven konden worden. - -Eenige dagen later leerde Lina schieten met de buks. En toen zag men op -eens het huis van den ritmeester gesloten. - -»God weet wat hij nu weer uit heeft gevoerd!” riepen de vrome -menschlievende dames; vroom en menschlievend waren zij, want zij -vergaten nooit te bidden en stuivertjes te geven voor de te bekeeren -Chineesjes in Afrika en Indiaantjes aan de Noordpool. - -»Wat hij uit heeft gevoerd? Ik denk dat Lina den een of ander overreden -heeft.” - -»Of doodgeschoten!” - -»Ja, doodgeschoten! ’t Is best mogelijk.” - -»O zeker.” - -En den volgenden morgen twijfelde niemand in het heele dorp er meer aan -dat Lina iemand doodgeschoten had. Men wist zelfs het uur waarop en de -plek waar het feit had plaats gehad; den naam van den armen vermoorde -was men vergeten, maar die zou wel in de courant komen, wanneer de -justitie zich met de zaak bemoeien zou. - -Veertien dagen later werd het huis van den ritmeester weer geopend, en -zag men Lina weer rijden en schieten, alsof er niets gebeurd was. - -Niemand scheen zich het droevig voorval meer te herinneren, althans -niemand sprak er meer over als Lina, die het ten laatste ook gehoord -had en er braaf om lachte. - -Zoo waren er nog een paar jaren verloopen, toen de ritmeester zijn -dochter eens in den tuin riep en haar vriendelijk zeide: - -»Lina, kindlief, ik moet eens een ernstig woordje met je spreken. Je -bent nu oud en wijs genoeg om zelve te oordeelen, en daar het je eigen -toekomst geldt, wil ik ook dat je zelve zult beslissen.” - -Lina ging naast haren vader op de tuinbank zitten en wachtte geduldig -op hetgeen er volgen zou. - -»Wij zijn niet rijk, dit weet ge, kind,” hernam de ritmeester; »maar -gelukkig zijn wij niet arm ook, daar wij genoeg hebben en het u en den -kleinen Eduard, zoolang ik leef, aan niets behoeft te ontbreken. Maar -kom ik vandaag of morgen te sterven, dan houdt mijn pensioen op, en dan -zal uw inkomen zóo gering wezen, dat gij er niet van leven kunt. Wat -wilt ge dan beginnen?” - -»Dan zal ik werken,” antwoordde Lina vast besloten. - -»Uw oom en tante te Utrecht, bij wie wij een paar jaar geleden veertien -dagen doorbrachten, hebben mij verzocht u te zeggen, dat gij bij hun -leven nooit voor de toekomst bezorgd behoefdet te wezen, daar gij hun -huis steeds als dat uwer ouders beschouwen kondet. Na hun dood zijt gij -en Eduard hun eenige erfgenamen.” - -Er blonken groote tranen in Lina’s oogen. »Oom en tante zijn wel goed -voor ons, maar ik zou toch noch liever weinig verdienen dan veel -krijgen,” zeide zij. - -»Goed kind! Dus bij oom en tante wilt gij niet wezen. Maar wat wilt gij -dan? Wilt gij gouvernante worden? huishoudster? katechiseerjuffrouw?” - -»Wat kan ik nog meer worden?” vroeg zij, alsof de opgenoemde -betrekkingen haar niet bijzonder toelachten. - -»Naaister of juffrouw van gezelschap, anders schiet er ook al niet veel -meer voor de vrouwen over tegenwoordig. Tenzij gij millionair waart, -dan zouden alle carrières voor je openstaan, die je slechts bekoren -konden. Nu moet gij een keuze doen uit die welke weinig kosten om ze te -leeren, en toch een geschikt bestaanmiddel aanbieden. Om het ver in -muziek of schilderen te brengen, daarvoor zijt gij reeds te oud. En een -kruk moogt gij niet worden. Doe wat je wilt, maar doe het goed. Ik heb -meer achting voor een schaarslijper die zijn vak verstaat dan voor een -halfmislukt geleerde.” - -»Ja, waren de kinderen maar niet altijd zoo bang voor mij, dan zou ik -gaarne gouvernante willen worden.” - -»Goed, gouvernante dus. Maar een gouvernante moet kunde hebben, en, wat -meer zegt, zij moet menschenkennis bezitten. Zij moet weten wat er in -de wereld omgaat. Zij moet het goede kennen om het uit te oefenen en -het kwaad om het tegen te gaan. Zij moet karakterkunde en -fisionomiekunde bezitten, om bij den eersten oogopslag te zien wie zij -vóor heeft, en hoe zij met de menschen om moet gaan. Daarbij moet zij -een karakter hebben, vast en onwrikbaar, want zij moet doen wat recht -en billijk is, en geheel leven voor het welzijn van hare medemenschen. -De kinderen, wier verstandelijke, wier geestelijke opvoeding geheel aan -hare zorgen wordt toevertrouwd, zijn haar vreemd, zij moet ze leeren -kennen en liefhebben, als of het de haren waren. Zij moet een goed -humeur, een edel hart, een sterken geest, een helder oordeel hebben, -wil zij dien heilzamen invloed op hare leerlingen uitoefenen dien zij -alleen door eigen voorbeeld verkrijgen kan. Als ik vrouw was, zou bij -mijn leven, nooit een kind van mij in handen van een vreemde komen.” - -Lina liet haar hoofd op den schouder van haar vader vallen en vroeg -zacht: »Paatje, hoe zou ik aan menschenkennis kunnen komen, ik die geen -menschen ken?” - -»Logisch! Zeer logisch, kind. Maar nu gij gouvernante worden wilt, zal -ik u in de gelegenheid stellen te leeren al wat gij daarvoor kennen -moet.” - -Een maand later woonde ritmeester Van Wageningen met zijn kinderen in -Parijs, waar Lina alle soorten van meesters en meesteressen had in -vreemde talen en schoone kunsten. - -»Hier zijn wij bij de oppervlakkigheid,” had de ritmeester gezegd, »en -aangezien de oppervlakkigheid een hoofdrol in de wereld speelt, zoo -zijn wij hier goed.” Het daarbij houdende, dwaalde hij met zijn -dochtertje geheel Parijs door. Het kind moest alles zien van de -Catacombes af, tot het vondelingenhuis en Bicètre toe. - -Eens terwijl zij in een restaurant aan tafel zaten, kwam er een dame op -krukken binnen. Zij was alleen. Een oogenblik bleef zij in de deur -staan om naar een plaats te zien.—Haar oog viel op Lina die haar -aankeek. - -»Mooi!” dacht de eene. - -»Lief,” zei de andere. - -En de lieve kwam naast de mooie zitten. - -Het duurde niet lang of een gesprek werd aangeknoopt. De nieuw gekomene -was jong en, zonder juist een schoonheid te zijn, bekoorlijk. Zij had -dat zachte, dat lijdende, dat goedhartige over zich, wat wij gewoon -zijn sympathiek te noemen. En wanneer zij sprak kwam er tusschenbeide -zulk een gloed in hare donkere oogen, speelde er zulk een fijne lach om -hare dunne lippen, dat Lina haar tout simplement een »beauté” noemde. - -Gedurende eenige dagen bleef de kennismaking bij samen eten en samen -praten. De beauté was elken dag op hetzelfde uur in den restaurant -gekomen, op eens bleef zij weg. - -»Ze is zeker ziek,” zeide Lina. »Als ik wist waar zij woonde ging ik -haar opzoeken.” - -»Waar zij woont? Wel dat zal een van de garçons mogelijk wel weten.” - -Alle garçons wisten het. - -»Mlle Salvita? Rue Lafayette No....” riepen zij van alle kanten. - -De ritmeester reed er dadelijk met zijn dochtertje heen. - -Zij vonden de deur van Mlle Salvita’s kamer open, en zagen het jonge -meisje voor haar piano zitten, het hoofd in de handen gezonken, bitter -weenende. - -De ritmeester wilde aankloppen, maar Lina was reeds binnen, en lag in -de armen harer nieuwe vriendin. - -»Quel ange d’enfant vous êtes! Et vous aussi, mon cher monsieur, comme -vous êtes bon!” - -»Je vous ai cru malade,” zeide Lina. - -»Et je le suis en effet. Voilà ma maladie.” Zij wees met de hand op de -muziek die vóor haar lag. »J’aime le chant, je l’aime passionnément et -mon amour me tue!” - -Lina begreep niet recht, de ritmeester begreep ook niet. - -»Il y a six mois,” vervolgde zij, »j’étais chanteuse dramatique à -l’opéra. Que de peines, que de souffrances, que de misères pour en -arriver là!—Et comme j’étais heureuse alors!—Le succès coûte cher, -toujours et partout—une de mes camarades, jalouse de mes triomphes, me -fit tomber un soir, en jetant des pelures de pommes dans un escalier -que je devais descendre rapidement. Depuis lors toute ma vie n’a été -que souffrances. Ma jambe, cassée d’abord, puis mal remise, mal -soignée, fut enfin amputée.—Adieu théâtre!—Adieu rêves de gloire et de -bonheur!—” - -Zij snikte overluid en bleef een oogenblik met het hoofd op de piano -rusten. Toen lachte zij door haar tranen heen en vroeg zacht: - -»Chantez vous Mademoiselle?” - -»Non madame, je touche un peu du piano, c’est tout.” - -»Voyons, si elle a de la voix?” - -En of Lina wilde of niet, zij moest de noten aangeven. - -»Quelle voix splendide! Venez me voir tous les jours, je vous -apprendrai le chant. Ne dites pas non, car je suis triste et -malheureuse, je suis seule au monde, c’est une oeuvre de charité que je -vous demande.” - -Zóo leerde Lina zingen in Parijs.—En toen de familie Van Wageningen zes -maanden later naar het vaderland terug was gekeerd en zich in de -hofstad gevestigd had, werd Mlle Salvita gepresenteerd als de -gouvernante van Lina. - -De ritmeester werd weder van krankzinnigheid beschuldigd. - -»Waarom menschen?” vroeg hij lachend, toen de critique, na geheel den -Haag doorloopen te hebben, ook hem ten laatste het men zegt in het oor -kwam fluisteren. - -»Waarom menschen? Omdat ik anders handel dan gij gedaan zoudt hebben? -Wel, daar moest je me des te meer om achten! Maar je begrijpt me niet. -Tant pis pour vous!” - -»Eene actrice!” gilt de wereld. - -»Een mensch,” antwoordt de ritmeester. »En een mensch dat goed is, dat -verstandig is, en dat geleden heeft.” - -»Eene actrice!” galmt de echo noch. - -En de ritmeester hoort dien nagalm en lacht hem uit, - -»De opvoeding mijner kinderen ligt mij het naast aan het hart,” zei Van -Wageningen eens, toen men hem naar de gezondheid zijner schijfschietende -dochter vroeg. »De helft van den dag besteedt zij aan hare studies, de -andere helft is aan lichaamsoefeningen en uitspanningen gewijd, de -avonden brengt zij in theaters, concerten of gezelschappen door—studie -naar het leven—menschenkennis! altijd menschenkennis op den -voorgrond.—Alle standen moet zij doorworstelen, en daar zij met den -boer begonnen is, zoo moet zij met den Koning eindigen. Wat zij leeren -kan dat moet zij leeren, van schijfschieten en zwemmen af, tot kooken, -deklameeren en borduren toe. Zóo alleen kunnen wij vrouwen, zóo alleen -kunnen wij moeders krijgen. - -»Uw boeren koebeesten, uw middelstandsche werkezels, uw deftige -onbekwaamheden en uw adellijke modepoppen bevallen mij niet. -Leeghoofden, zelfonbewustheden, die met moeite het leven doorkruipen, -omdat gij haar het gaan belet.” - -Mogelijk had de man gelijk, maar zeker had hij het niet moeten zeggen, -daar hij niemand tot zijn denkwijze overhaalde, en hij uitgelachen werd -door zijn vrienden, die hem doorgaans de gouvernante en zijn dochter de -ritmeester noemden. - -Eens, het zal zoo wat twee jaar later geweest zijn, kwam Lina aan haar -vader zeggen dat zij gereed was haar examen voor hoofdonderwijzeres af -te leggen. »Ik ben nu al achttien jaar,” voegde zij er ernstig bij, »en -het wordt dus hoog tijd dat ik voor mij zelve ga zorgen.” - -»Goed kind,” was het antwoord, »ga, en vertrouw op God, die al wat goed -is zegent.” - -Lina ging, deed haar examen en kwam er met glans door. - -Een der examinatoren, een gemoedelijk, oud mannetje, had haar vóor het -examen gevraagd of zij niet bang was. »Neen,” had zij lachend -geantwoord. »Ik weet wel dat ik er goed door zal komen.” - -»Kleine, pedante wijsneus!” dacht de oude examinator bij zichzelven, -»hoe jonger hoe verwaander, is het tegenwoordig!” - -Maar Lina was er inderdaad goed doorgekomen, en toen moest de oude -erkennen dat er meer waarheid en meer eenvoud in hare kalmte gelegen -had, dan in den angst en onrust der overige geëxamineerden, die bijna -allen bleek en bevend aan de groene tafel verschenen waren en geen van -allen zoo goed voldaan hadden als zij. - -Noch dienzelfden winter werd Lina voorgesteld aan het hof. Ook daar -bleef zij niet lang onopgemerkt. Zij was grooter dan gewoon en had een -meer dan gewone vrouwelijke schoonheid. Men had gepraat over hare -excentriciteit en gelachen over haar origineele opvoeding en men had -daarbij niet gedacht aan frissche jeugd, gezondheid, schoonheid. -Sympathique! dat was het eenige woord dat door de bonte menigte gonsde; -toen eindelijk het wezen zelf verscheen, waarvan reeds zoovele -karikaturen in het licht gegeven waren. En of het vreemd is of niet, -dit was zeker niet tegen te spreken, dat de eenvoudige, kalme Lina meer -gefêteerd werd, dan menig hooger geplaatst meisje, dat het zeker meer -verwacht had dan zij. - -Toen de winter half ten einde was, hield er een prachtig rijtuig stil -vóor het huis, waar Van Wageningen op kamers woonde, en een oogenblik -later trad graaf Henri d’Artonges het woonvertrek des ritmeesters -binnen, om hem de hand zijner dochter te vragen voor zijn eenigen zoon. - -De ritmeester stond op en belde. - -»Antje,” zeide hij, »verzoek juffrouw Lina even hier te komen.” - -En zich tot den graaf wendende, vervolgde hij: - -»Mijnheer d’Artonges, ik ben gewoon mijn dochter in al haar handelingen -vrij te laten. Zij kent uwen zoon; acht zij hem en deelt zij zijn -liefde, dan zal het mij gelukkig maken onze kinderen eenmaal vereenigd -te zien.” - -Een oogenblik later trad Lina binnen. Mijnheer d’Artonges herhaalde -zijn aanzoek, er bij voegende dat hij de toestemming haars vaders reeds -verkregen had. - -Lina had hem vrij verwonderd aangehoord. Toen stond zij op, reikte hem -de hand en sprak zacht: - -»Neen, wij zouden elkander niet gelukkig maken—onze karakters loopen te -veel uiteen.” Zij wachtte een oogenblik en vervolgde toen, met tranen -in de oogen: - -»O! denk daarom niet dat ik hem niet hoog acht, of dat ik hem niet -dankbaar ben voor het vertrouwen dat hij in mij stelt! Neen, ik ken -hem, en ik weet hoe goed hij is—maar ik kan zijn liefde niet -beantwoorden zooals zij verdient beantwoord te worden, daar ik meer -bewondering dan sympathie voor hem gevoel.” - -Mijnheer d’Artonges deed nog eenige pogingen om Lina tot andere -inzichten te brengen, maar toen hij overtuigd was dat haar besluit vast -stond, vertrok hij, na haar herhaaldelijk zijn diep leedwezen verzekerd -te hebben, dat zij zijn schoondochter niet worden zou. - -»Gij hebt goed gehandeld mijn kind,” zeide de ritmeester, zoodra hij -zich met zijn dochter alleen bevond. »Het geld brengt veel geluk aan in -de wereld, maar het hart kan koud blijven en de ziel onvoldaan te -midden der grootste rijkdommen,—en gij gevoelt niets voor den jongen -d’Artonges, nietwaar?” - -»Niets,” antwoordde Lina met een licht hoofdschudden. - -Een oogenblik bleven vader en dochter zwijgen, toen zag Lina hem -uitvorschend aan met hare groote heldere oogen, en vroeg zij zacht: - -»Papa, is Herman Wagner nog niet bij u geweest?” - -De beurt van uitvorschend aanzien kwam aan den ritmeester. - -»Neen,” zeide hij verwonderd, »maar indien er eenig verband in den loop -uwer gedachten bestaat, dan zou ik geneigd zijn te vragen: Gevoelt gij -ook meer voor hem dan voor den jongen d’Artonges?” - -»Ja,” antwoordde Lina nauw hoorbaar, zich half weenend half lachend in -de armen haars vaders werpende. - -De ritmeester trok haar zacht naar de canapé en ging naast haar zitten. - -»Lief kind,” begon hij, na een oogenblik, »ik geloof dat Wagner een -beste, brave, oppassende jongen is. Ik billijk je keuze dus ten volle. -Maar Wagner is luitenant en bezit niet veel meer dan zijn traktement. -Hebt gij er dus op gerekend dat er nog menig jaartje zal moeten -verloopen, eer er aan een huwelijk gedacht zal kunnen worden?” - -»Ja,” antwoordde Lina weder. - -»Weet Wagner dat ook gij geheel ontbloot zijt van fortuin?” - -»Ik heb het hem gezegd, lang vóor dat hij mij zijn liefde verklaarde, -en ...” - -»En?—wat verder?” - -»Gisteren toen wij wandelden en gij met zijn broeder ons eenige -schreden vooruit waart, heeft hij mij gevraagd of ik genoeg van hem -hield om te wachten tot hij kapitein zou zijn. Ik heb »ja” gezegd, en -nu is hij van plan over te gaan bij het leger in Indië, in de plaats -van éen zijner vrienden, die liever in Europa wilde blijven en hem -dezen ruil had voorgesteld.—En nu had ik van mijn kant ook een plan -gemaakt—dat gij zult goedkeuren, niet waar?”—voegde zij er vleiend bij. -»Want het zou uw Lina gelukkig maken!” - -»Spreek kind, en wanneer het tot de mogelijkheden behoort, zal ik u -helpen om het plan ten uitvoer te brengen. Want goed is het zeker, -anders zoudt gij het niet gemaakt hebben.” - -Lina schoof wat dichter naar den ritmeester toe, greep zijn beide -handen in de haren, zag hem aan alsof zij in het diepst zijner ziel -wilde lezen en zeide zacht: - -»Mevrouw Van Hoorn zoekt een gouvernante voor een fatsoenlijke, brave -familie in Indië..... zoudt gij het ondankbaar van mij vinden, indien -ik u verlaten ging?” - -De ritmeester bedacht zich een oogenblik. »Neen,” zeide hij, »van -ondankbaarheid kan hier nooit sprake wezen, daar wij een jaar of drie -geleden immers reeds overeengekomen zijn dat gij, wat ouder geworden, -een betrekking als gouvernante zoeken zoudt.—Gisteren dacht ik nog aan -Indië—en ik vond u te jong om u zoo geheel alleen de wijde wereld in te -zenden. Maar de vrouw, die waarachtig lief heeft, is ouder dan hare -jaren en sterk door hare liefde; de deugd is haar een behoefte, want -zij is haar steun en hare belooning tevens. Ga dus, mijn kind! ga, -betracht uw plicht en wees gelukkig!” - -Drie maanden later werden er groote koffers uit het huis van den -ritmeester gedragen en verzonden naar het schip Antonia dat te -Rotterdam in lading lag voor Java. - -En acht dagen daarna werd Lina van Wageningen naar boord gebracht door -haren vader, Wagner, en Richard haar broeder. - -Toen zij weder t’huis gekomen waren, reikte Mlle Salvita den ritmeester -zwijgend de hand. Zij begreep wat er in het hart van den armen vader -omging en zij vond geen woord van troost voor den braven, -zelf-opofferenden man, die in de wereld alleen stond en niets dan spot -of onverschilligheid in vreemde oogen las. - -»Zij heeft gelijk dat zij ver weg gaat,” sprak hij nauw hoorbaar, »want -in haar eigen land had ze nooit een conditie gevonden.—»Excentrique!” -heeft haar dorpje gezegd en »excentrique” heeft de hofstad nagegalmd. -»Excentrique” gilt de wereld al verder en verder, en de kring, gevormd -door een droppel in een waterplas, wordt dagelijks grooter en -grooter!—Domme wereld die een lof tot een schimpnaam maakt, zonder te -begrijpen dat het toch een lof blijft.—Niet gewoon is buitengewoon dus -meer dan gewoon.—God zegene alle excentrieke menschen! O! mocht het -hedendaagsch gewoon vernietigd en het excentrieke gewoon worden. Welk -een reuzenstap zou dan de menschheid op het gebied van vooruitgang -gedaan hebben!” - - - - - - - - -TWEEDE HOOFDSTUK - -HET EERSTE VOORGEVOEL - - -Zij zat aan den voet van een ouden weringinboom in het mollige gras te -spelen. Een jonge poedel dartelde vroolijk om haar heen, duizende -bloemen geurden aan haar voeten en veelkleurige vlinders omdartelden -het vriendelijke kinderkopje, terwijl de vogels het bosch van hun -liefelijke tonen deden weergalmen en de eenzaamheid die toovermacht -uitoefende, welke tot zelfs op het gemoed van het onnadenkend zorgeloos -kind inwerkt en een zweem van overpeinzing doet geboren worden in de -ziel die nog nimmer heeft gevoeld door nadenken, of nagedacht over -hetgeen zij gevoelde. - -Vreemd voorwaar is het oogenblik van ontwaken, wanneer men zóo ontwaken -kan; maar groot, maar heilig is dat oogenblik voor de toekomst, en -machtig werkt het op het jeugdig hart, dat in de vrije, rijke natuur -het eerst met zichzelf bekend is geworden. En later, wanneer de wereld -zich met hare schijntooneelen somber aan het menschenoog vertoond -heeft; wanneer teleurstelling en bedrog elke illusie, elk ideaal, ja, -somtijds zelfs elken wensch vernietigd hebben; wanneer vrees de plaats -van hoop, en mistrouwen die van menschenliefde heeft ingenomen; wanneer -het denkbeeld van geluk door een spotlach wordt verdreven; wanneer -deugd en godsdienst als bittere schimpwoorden, in de dichtste plooien -van het versteende hart teruggedrongen worden, en smart of haat de -eenige tonen opwekken die nog weerklank vinden in de droeve, kranke -ziel,—o, dan is het goed een gelukkige kindschheid gehad te hebben! Dan -is het heilzaam een blik in het verledene te kunnen werpen en dáar de -heldere, klare dagen weer te vinden, die ons in het tegenwoordige -ontbreken; dáar de deugden in ons zelve aan te treffen, die wij thans -in onze medemenschen ontkennen willen: dáar te herleven, terwijl het -tegenwoordige ons dreigt te dooden. - -Maar hieraan dacht de kleine Melatie niet. Zij was nog in den aanvang -des levens en haar aandacht was niet op het verledene gevestigd. Het -was de toekomst die zij gevoelde, het was het menschelijk instinkt, dat -in het kind ontwaakte. - -Zij had gezongen en gespeeld en versjes opgezegd voor haar getrouwen -poedel. Maar plotseling nam het spel een einde, de lieve kinderstem -bleef zwijgen en het »Zou ik niet mijn moeder eeren” werd door een -tranenvloed gesmoord. - -»O! maatje! maatje!” snikte zij luid, »zal Mela altijd bij u -blijven?—O! sterf toch niet!—sterf nooit—of neem uw kleine Mela mee!” - -Zij weende lang en staarde treurig vóor zich.... Maar poedel kwam, -lekte ’t lieve kind de kleine natte handjes, sprong tegen ’t rood -geschreid gezichtje op en ging weer lustig aan het stoeien. - -Weg met Van Alphen! Weg met de tranen! Weg met elke gedachte die niet -recht vroolijk was! - -Dáar sprong zij op. Weer plukten de kleine handjes de geurigste -bloemen, weer speelde een gulle lach om het bevend onderlipje, weer -blonk een straal van hoop in ’t nog betraande oog. En vlug trippelden -de voetjes weer voort over ’t mollige frissche gras. - -Gelukkig de jaren der kindsheid, waarin een traan in een lach, waarin -een zucht in een vreugdekreet kan wegsmelten! Gelukkig de mensch die -zulk een kindsheid gehad heeft en die zich haar ten nutte heeft gemaakt -om in zijn hart de dankbaarheid jegens zijn Schepper aan te kweeken -zooveel in zijn vermogen was. Gelukkig de sterveling die zich ook in de -jaren van ondervinding en smart in zijn jeugd kan spiegelen en nooit de -gelijkenis verliest, die tusschen het beeld van het kind en dat van den -mensch bestaan kan en bestaan zal, zoolang de ziel haar oorspronkelijke -reinheid behouden heeft, en het verstand ontwikkeld is geworden, zonder -dat het hart door deze ontwikkeling verwaarloosd is of gedood. - - - - - - - - -DERDE HOOFDSTUK - -DE GOUVERNANTE - - -De kleine Melatie was nog geen zeven jaar oud toen haar moeder haar op -een morgen een fleschje eau de Cologne en een stukje zeep gaf om in de -kamer van de »juffrouw” te brengen. - -Trotsch op de gewichtige taak welke zij volbracht had, kwam zij een -oogenblik later terug en zei ernstig: - -»De juffrouw zal tevreden zijn over Melatie, want Melatie heeft hard -gewerkt vandaag.” - -»Zoo? Wat heb je dan gedaan?” - -»Ik heb bloemen geplukt voor de juffrouw en ze in haar bed gestrooid.” - -»En als de juffrouw nu eens niet hield van bloemen in haar bed? Want -daar zijn de menschen in Holland niet aan gewoon?” - -»Zal ik ze weer weghalen, moesje?” vroeg het arme kind teleurgesteld, -maar terstond weer vroolijk lachende, vervolgde zij vleiend: »Mag ik -met papa meegaan, om de juffrouw uit de stad te halen?” - -»Ja, dat moogt ge, maar laat Sarina je eerst netjes aankleeden en -gedraag je dan verstandig, anders krijgt de juffrouw nog berouw van -hier gekomen te zijn en al hare familie en vrienden verlaten te hebben, -alleen voor het geluk van de kleine Melatie.” - -Het goede kind beloofde dat zij zoet zou wezen en de nieuwe gouvernante -heel lief zou vinden, en reed toen, netjes aangekleed, met mijnheer -Oristorio di Frama, naar A., om Lina van Wageningen, de nieuwe -gouvernante, af te halen. - -Lina was nog niet bij de familie Joly aangekomen, bij wie mijnheer di -Frama haar rendez-vous gegeven had. - -Na geruimen tijd al pratende gewacht te hebben kwam er eindelijk een -reisrijtuig met koffers beladen het hek inrollen. Mevrouw Joly, haar -vijf meisjes, waarvan het oudste veertien jaren telde, mijnheer -Oristorio, de kleine Melatie, allen snelden naar voren om de jonge -gouvernante te verwelkomen, die niet wist welke hand zij het eerst zou -vatten, welke vraag zij het eerst moest beantwoorden. - -»Dag jufje!” klonk eindelijk een kinderstemmetje tusschen al die -drukte. »Dag jufje! Krijgt Melatie geen zoentje van je?” - -Lina zag het arme kind de handjes naar haar uitstrekken en haar bij -haar japon grijpen om niet door de groote menschen verdrongen te -worden. - -»Kom hier mijn zoete, lieve Melatie!” sprak zij met tranen in de oogen, -en het kind in hare armen sluitende, drukte zij het tegen haar hart, -overlaadde het met kussen en vervolgde zachter: - -»O zulk een ontvangst had ik nooit durven verwachten! Wat zijt gij -allen goed voor mij!” - -Spoedig vertrokken mijnheer Oristorio, Lina en de kleine Melatie naar -Felicita, alwaar mevrouw di Frama met ongeduld de jonge gouvernante -wachtte, die zij zonder eenige plichtplegingen omhelsde en bij de hand -naar haar kamer geleidde. - -»Wij zijn allen gelukkig u in ons midden te zien,” sprak zij goedig. -»Zoo gij u in de eenzaamheid kunt schikken, geloof ik dat gij hier -tevreden zult wezen, en hoop ik dat gij uw ouderlijk huis niet te veel -zult missen in een familie die gij geheel als de uwe beschouwen kunt.” - -»O! dat gevoel ik!” antwoordde Lina aangedaan. »Gij zult allen goed en -lief voor mij zijn, daar twijfel ik niet aan! Mijn vurigste wensch is, -mij die goedheid waardig te maken en voor dat lieve kind te wezen....” - -Zij kon niet verder spreken en borst in een luid snikken uit. - -Mevrouw di Frama leidde haar zacht naar een rotanbank waarop zij naast -haar plaats nam, en liet haar ongestoord uit weenen. - -Toen zij tot bedaren was gekomen, sprak zij met haar over haar reis, -haar aankomst te Batavia, haar kortstondig verblijf in Java’s -hoofdstad. Zoo werden de tranen, al pratende, weggewischt, en toen de -huisgenooten een half uur later aan het diner vereenigd waren, klonken -de gesprekken zóo ongedwongen en vertrouwelijk dat niemand -verondersteld zou hebben dat zich een nieuweling in dien kleinen -vriendenkring bevond. - -»Och! er zijn geen vreemdelingen,” zeide Lina lachend, »voor mij ten -minste bestaan ze niet!” - -»Voor mij ook niet!” riep mijnheer Oristorio, »dat zijn wij alweer -éens. Dien ik niet dadelijk ken, ken ik nooit!” - -»En dien ik niet dadelijk ken, verlang ik niet te kennen ook,” gaf Lina -ten antwoord. »Ik heb reeds zooveel tegen sympathie en antipathie -gestreden en ik heb er mij nog nooit goed bij bevonden. Daarom ben ik -nu ook tot de conclusie gekomen, dat wij wijs zouden doen indien wij -dat onverklaarbaar, waarschuwend instinkt, in plaats van het tegen te -werken en langzamerhand te vernietigen, liever met zorg aankweekten en -zuiver hielden.....” - -»Hetzelfde wat ik altijd zeg! Niet waar Julie?” vervolgde mijnheer di -Frama, zich tot zijn vrouw wendende, »Heb ik niet altijd gezegd, de -mensch weet meer dan hij zelf weet, maar zijn hoogmoed gaat zóo ver, -dat hij alles weten wil en per slot van rekening door zijn waanwijsheid -zijn weten verleert. Bleven wij toch maar eenvoudig waar, ongekunsteld -oorspronk....” - -»Toewan Werner,” kondigde een der jongens aan, en op hetzelfde -oogenblik trad een jong mensch de achtergalerij binnen. - -»Onze huisvriend,” zeide de gastheer, »onze gouvernante,” vervolgde -hij, Werner een stoel aanbiedende tusschen zijn vrouw en Lina. - -De nieuw gekomene was een slank jongman, met golvend blond haar en -groote blauwe oogen, een hoog voorhoofd, een fraaien neus en fijne -welgevormde lippen, nauwlijks overschaduwd door de kleine blonde -knevels. Bij den eersten aanblik was men geneigd hem vroolijk te -noemen; maar, sloeg men hem aandachtig gade, dan vond men meer -geestdrift en meer denken in die beweegbare trekken, dan eigenlijke -vroolijkheid. Buitendien teekende zijn geheele persoon kalme -vastberadenheid, zachtheid en kracht. Hij had iets hoogs, iets -vorstelijks over zich, dat vreemd overeenkwam met zijn jeugd, daar hij -nauwlijks eenentwintig jaren bereikt kon hebben. Toch was er harmonie -in zijn voorkomen en, zooals mijnheer di Frama gewoonlijk zeide: -»charme.” - -»Juffrouw Van Wageningen, is dat een vreemdeling?” vroeg mijnheer -Oristorio, op Werner wijzende. - -»Neen mijnheer, dat is een kennis.” - -»Op weg om een vriend te worden, hoop ik? Hij speelt viool en zingt, -soms declameert hij ook, maar daar is hij karig mee, zeker omdat hij -zijn auditorium niet op de hoogte van zijn talent acht. Maar nu het -publiek met een artiste vermeerderd en dus verbeterd is, sedert de -komst van de juffrouw, zal hij zich zeker minder laten bidden en -ons....” - -»Neen mijnheer di Frama, dat moogt gij niet zeggen! De juffrouw zou nog -gaan denken dat ik talent had en ik kan toch werkelijk niets.” - -»Kom, kom, geen valsche schaamte, als je blieft. Gij hebt meer talent -in uw kleinen pink, dan er in geheel A. te vinden is.” - -»Och! neen, geloof dat niet juffrouw,” hernam Werner levendig. »Ik ben -maar een arme verwaarloosde jongen die eigenlijk niets goed, grondig -geleerd heb.—Ik heb vroeg mijn ouders verloren, en mijn voogden lieten -zich nooit veel aan mij gelegen liggen. Toen zij mij vroegen wat ik -worden wilde, zeide ik »zeeman”, omdat ik eens met een mijner vrienden -een dag te Scheveningen doorbracht, en het gezicht van de zee mij zoo -had getroffen dat het dweepen met de golven en de kleine vaartuigen mij -drie dagen van mijn werk hield en mij veel straf bezorgde. Op mijn -zestiende jaar deed ik mijn eerste reis als adelborst en daarna werd ik -voor vijf jaren naar Indië gezonden. De zee beviel mij, maar het -zeemansleven had ik mij gansch anders voorgesteld, en ik was zoo -gelukkig hier iemand te vinden die er mij van verloste. Het was te -Samarang. Ik stond in de sociëteit met een paar officieren te praten, -toen een man van middelbaren leeftijd, bruin, verbrand, met een -donkeren oogopslag en een forsche stem, mij plotseling op den schouder -klopte met de vraag: »Wel jonker, hoe bevalt je het zeemansleven?” - -»Slecht, mijnheer.” - -»Dat dacht ik wel. En als je ook nog geen berouw hadt over de keuze van -je vak, dan zou ik je zeggen dat je het weldra krijgen zoudt. Je liefde -of liever je bewondering voor de zee heeft je het scheepsleven over het -hoofd doen zien, niet waar? En nu je eenmaal in het schuitje bent, vaar -je voort, omdat je geen kans ziet er weer uit te komen.” - -»Juist mijnheer,” antwoordde ik lachend, eenigszins verwonderd over den -familjaren, kortafgebeten en toch goedhartigen toon van den -vreemdeling. - -»Heeren, je permiteert me?” vervolgde hij, de officieren groetende en -mij zonder complimenten bij den arm de galerij uitvoerende. - -»Luister jonker, je bevalt me. Ik heb op mijn fabriek iemand noodig die -vlijtig en eerlijk is, en meer gezond verstand en oordeel heeft, dan -vernuft en geleerdheid. Ik geloof dat ik in u gevonden heb wat ik zoek; -een bruikbaar mensch. Wil je de zeedienst vaarwel zeggen en bij mij -komen, dan kun je beginnen met ondergeschikt werkzaam te zijn, en later -kun je administrateur worden. Of je eenmaal deelhebber of eigenaar zult -worden, dit zal geheel van je zelven afhangen. Om te beginnen kun je -rekenen op een inkomen van tweehonderd ’s maands, vrij woning, vrij -brandstof enz. enz.— —Neem je mijn aanbod aan?” - -»Dat weet ik niet, mijnheer.” - -»Je bent voorzichtig. Dat bevalt me ook. Máar waarom weifel je? Heb je -ouders wier toestemming je denkt noodig te hebben?—Dan zal ik wachten -tot je die verkregen hebt.—Of denk je dat épauletten meer waarde aan -een mensch geven dan een pen of een schop? Dan vergis je je. Of is je -traktement niet hoog genoeg? Dan zal ik het.....” - -»O! neen mijnheer, niets van dat alles! Mijn eenige vrees is dat ik -niet berekend ben voor de betrekking die gij mij zoo loyaal aanbiedt.” - -»Daar ben je vrij wat beter voor berekend dan voor de betrekking, die -je thans vervult.—Maar ik dring je niet. Ik wil zelfs volstrekt niet -dat je met overijling over je levenslot beschikken zult. Hier heb je -mijn kaartje—wacht heb je ook even een potlood voor me?—Zóo—en hier heb -je het adres van mijn vriend bij wien ik logeer.—Als je iets besloten -hebt, kom mij dan zien; je kunt informaties naar me inwinnen bij wie je -wilt—heel Samarang kent me—au revoir!” - -Hij had mijn hand gegrepen en was verdwenen, eer ik nog recht tot -bezinning gekomen was. - -Wat bewoog dien man om dus te handelen? Ik begreep er niets van. Maar -er lag zóo iets goedigs, opens en vertrouwelijks in zijn donkere oogen, -dat ik nog dienzelfden avond naar Bodjong reed, om hem te zeggen dat ik -mijn ontslag had ingediend. - -»En welke informaties heb je van me ingewonnen?” - -»Geen, mijnheer.” Ik was trotsch dát te kunnen zeggen. - -»Geen? Dat is onvoorzichtig jonker, want je kent me niet, je weet niet -wie ik ben en waartoe ik in staat ben.” - -»Ik weet niets, mijnheer, dat is waar. Maar ik ken hier niemand en ik -heb dus geen reden om iemand anders meer te vertrouwen dan u, de eenige -persoon die mij werkelijk belangstelling betoond heeft.” - -»Daar heb je gelijk in, en ik hoop je later ook te toonen dat ik je -vertrouwen waardig ben.” - -»Zóo kwam ik hier op de fabriek van den heer Van Romberg terecht, waar -ik nu als administrateur een gelukkig, kalm, werkzaam leven lijd. -Mijnheer Van Romberg is eenige maanden geleden, tot herstel van -gezondheid, naar Europa vertrokken, en nog dagelijks mis ik den -hartelijken, vertrouwlijken omgang van den braven man, dien ik -langzamerhand als een vader heb leeren hoogachten en liefhebben.” - -»En dien je weldra in zijn zaken zult opvolgen,” ging mijnheer -Oristorio voort. »Zeg nu alles maar, want deelhebber is hij reeds -sedert eenigen tijd, en als de zaken zóo blijven voortgaan, als ze tot -dus ver gegaan zijn, dan kan hij over twee, drie jaar de fabriek vrij -hebben, en voor zijn eigen rekening de zaken voortzetten.” - -»En mijnheer Van Romberg?” vroeg Werner angstig. - -»Van Romberg zal niet terugkomen. Hij is naar Europa vertrokken -hoofdzakelijk omdat hij het heimwee naar zijn oude moeder had en omdat -hij zijn vaderland terug wilde zien, zijn gezondheid was eigenlijk pas -de derde reden.” - -»Maar mijnheer, dat heeft hij mij nooit gezegd!” - -»Dat weet ik wel, maar hij heeft het mij geschreven. Wacht, ik zal u -zijn brief laten lezen. Julie, waar is hij? Wij hebben hem gisteren in -de pianokamer gelaten, niet waar?—Siedin, tjobak liat apa tr’ada satoe -soerat di atas piano?” [1] - -Siedin kwam met den brief terug, waaruit mijnheer di Frama het volgende -voorlas: - -»Ik ben rijk genoeg. Waarom zou ik nog langer in den vreemde blijven, -terwijl mijn oude moeder gelukkig is mij bij zich te hebben? En terwijl -ik zelf hier alles gevonden heb wat ik met billijkheid verlangen kan? -Intusschen regretteer ik nog ons heerlijk Indië, maar men kan niet -overal te gelijk zijn, en nu ik kiezen moet, hier blijven of -terugkeeren, heb ik maar besloten, een einde aan alle quaesties te -maken, door hier te blijven. Met de volgende mail schrijf ik aan -Werner. Zonder hem had ik zoo spoedig mijn zaken niet verlaten, want ik -heb hart voor mijn land en hart voor mijn volk, dat ik zoo maar niet -aan den eersten den besten had willen overgeven, voor een miserable -hand vol banknoten.—Wat Werner betreft, zijn eenig gebrek is dat hij -zóo jong is (maar dat zal wel beteren), overigens is hij geheel de man, -berekend voor het besturen eener groote possessie. Hij is werkzaam en -stipt, goedhartig en ferm, meegaande en plichtlievend; en Goddank, -heeft hij enthousiasme en poëzie genoeg om zich in de eenzaamheid niet -dood te kniezen. Als ik in mijn riet niets dan suiker had gezien en in -mijn suiker niets dan geld, dan was ik krankzinnig geworden, lang vóor -dat ik rijk was geweest!—En zóo is het met hem ook gesteld.—Het eenige -wat ik hem toewensch, is een lieve, verstandige, brave vrouw, die met -hem denken en gevoelen kan—maar—waar hij die vinden zal?—Of hij haar -zelfs ooit zal vinden?—Er zijn naturen in de wereld, die geschapen -schijnen om alleen te staan. Zijn ze te goed, te hoog, te fier, te -rein?—Wat zijn ze?.... Ik weet het niet. Maar ik weet wel dat ze hier -op aarde ronddoolen om gelukkig te maken en niet om gelukkig te zijn. -Ik houd Werner voor éen van die lichtzuilen in de duisternis. De -menschheid heeft mooi golven en woelen, bruisen en opstuiven tegen den -rotsklomp die tot voetstuk dient, de zuil staat vast en kalm, en het -licht blijft schijnen en waarschuwen en goed doen, tegen alle -mishandeling in.—Ik ken nog iemand die tot de lichtzuilen behoort; ik -bedoel onzen armen dokter, die ook als een dwaalster alleen het leven -doorgaat, troost en verlichting brengt, waar hij komt, en voor -zichzelven geen geluk kan vinden. Arme Heisterman! Ik wou dat hij hier -was, om mijne moeder te troosten, als zij haar aanvallen van rhumatisme -krijgt, waaraan de dokters beweeren dat niets gedaan kan worden. Arme -menschheid die zoo veel moet lijden, omdat ze zoo weinig weet! Enfin, -dáar zijn wij dan ook maar menschen voor, enz. enz.” - -»Gij ziet dus,” vervolgde mijnheer Oristorio den brief dichtvouwende, -»dat Van Romberg geen plan heeft om terug te komen.” - -»Dat spijt mij. Niets kan mij de vriendschap vergoeden van den edelen -man, die mij heeft voortgeholpen, onderwezen, aangemoedigd alsof ik -zijn eigen zoon geweest was.” - -»Gij hadt hem liever zien terugkomen, dan uwe positie te verbeteren -door zijn afwezigheid?” - -»O zeker!” riep Werner, ter sluiks een traan wegpinkend. »Ik geef niet -om geld,” vervolgde hij, Lina aanziende, »daar ben ik waarschijnlijk -nog te jong voor. Dat zal de juffrouw wel begrijpen.” - -»Ja dat begrijp ik volkomen. Ik gevoel ook niets voor geld.” - -»Chut! gij spreekt als kinderen, die niet weten wat er in de wereld -omgaat. Geld is de groote spil, waarom alle gelukken en gelukjes -draaien, vervolgd, verdrongen, beknepen door hoop, teleurstelling en -intrigue. Zonder geld is er geen geluk mogelijk.” - -»En alle ongelukken zijn mogelijk met geld, niet waar?” riep Werner -lachend. - -»Bijna allen... ja...” - -»Och! geluk is zoo denkbeeldig!” zei Lina. »Zoo als de eene mensch -geschapen schijnt om onder alle omstandigheden gelukkig te wezen, zoo -schijnt de andere voorbeschikt tot altijddurend zuchten en klagen.” - -»Ja, dat zien wij aan Heisterman, die zijn gansche leven door met -ongelukken en soesahs te kampen heeft gehad en altijd even opgeruimd en -tevreden is.” - -»O! ho! dat is niet altijd zóo geweest!” riep een vreemde stem. -»Heisterman heeft ook droefheid en wanhoop gekend..... Pardon.... -Mejuffrouw!...” - -De dokter zag nu eerst dat er een vreemde dame aan tafel zat, die hem -met groote, vragende oogen aanstaarde en naar zijn woorden luisterde -met een nieuwsgierigen lach, waardoor hij geheel van zijn stuk raakte. - -»Ga voort, Heisterman, ga voort, geneer je niet. Juffrouw Van -Wageningen kent je al sedert een uur en is dus waarschijnlijk blij je -te zien.” - -»Ja, dat ben ik,” antwoordde Lina, »zelfs zijt gij niet vroeg genoeg -gekomen naar mijn zin, daar ik reeds tijd gehad heb naar uw -kennismaking te verlangen.” - -De dokter bleef haar zwijgend aanstaren en nam werktuigelijk aan hare -zijde plaats. - -»Juffrouw Van Wageningen!” sprak hij half overluid—en haar steeds -aanziende herhaalde hij nog zachter: - -»Juffrouw Van Wageningen!—Ritmeester Van Wageningen——zijn -dochter?——Lina?—” - -»Ja dokter.” - -Hij bedekte zijn gelaat met beide handen en bleef een oogenblik in -gepeins verloren zitten. - -»Waar blijft de tijd!” riep hij eindelijk, het hoofd weer opheffende. - -»Vergeef mij,” vervolgde hij zachter, »ik moet u wel krankzinnig -toeschijnen.—Mogelijk ben ik het ook—want ik leef met de dooden alsof -ze levend waren—en dikwijls met de levenden alsof zij dood waren.” - -»Dat schijnen ze ook wel, al zijn ze ’t niet!” antwoordde Lina lachend. - -Verrast staarde hij haar weder aan. - -»Zóo had ze moeten zijn!” dacht bij overluid. En als hadden zijn eigen -woorden hem verschrikt, zóo sprong hij van zijn stoel op, greep zijn -hoed, vatte Lina’s hand.... - -»Tot weerziens—ik moet weg—ik heb geen tijd—tot morgen—au revoir!” - -En weg was de dokter. - -»Wat heeft hij?” - -»Wat is hij raar van avond!” - -»Welk een vreemde man!” - -»Waar moet hij heen?” riepen allen tegelijk, en niemand begreep iets -van het zonderling gedrag van den dokter, dan Lina misschien, die den -ganschen avond stil en afgetrokken bleef en groote sympathie gevoelde -voor den vreemden man, met wien zij medelijden had. - - - - - - - - -VIERDE HOOFDSTUK - -MEESTERES EN LEERLING - - -»Hu! juf een spin!” riep Melatie, en zij liep hard de kamer uit om een -bezem te halen, waarmee zij de spin wilde dooden. Maar toen zij terug -kwam, met den bezem in de hand, stond Lina haar in de geopende deur af -te wachten. - -»Waarom wilt gij dat arme diertje dooden?” vroeg zij zacht. - -»O! omdat het zoo leelijk is!” - -»En omdat gij ook leelijk zijt, zou men u dus ook moeten dooden?” - -»Maar jufje! Ik ben toch geen spin!” - -»Neen, gij zijt geen spin, maar gij zijt toch ook zeer leelijk, en wat -hebt gij dan vóor boven die spin?” - -»Wel dat ik veel verstandiger ben dan zij, en dat ik kan lezen en -schrijven en naaien—en dat kan die domme spin toch niet!” - -»Neen dàt kan zij niet, maar daarentegen kan zij iets anders dat gij -niet zoudt kunnen, al wildet gij ook nog zoo gaarne.” - -»Och! juf! En wat is dat?” - -»Hebt gij ooit een spin haar webje zien maken?” - -»Zoo’n vuil, leelijk spinneweb?” - -»Ik vind het niet vuil en niet leelijk, Melatie. Hebt gij het wel ooit -van nabij beschouwd?” - -»O! neen, lieve juf!” - -»En waarom spreekt gij er dan met zulk een minachting over? Kom eens -even hier—maar zet eerst je bezem weer buiten de kamer, dan zal ik je -eens laten zien wat die domme spin kan maken, en hoe zij zelfs de -menschen nog van dienst kan wezen. Ziet gij dat leelijke spinrag hier -wel aan den zolder hangen?” - -»Ja, jufje, dat had de baboe al lang moeten weghalen—maar zij heeft het -vergeten.” - -»Kom nu eens mee in den tuin, dan zal ik je nog een spinrag laten zien, -en dat zult ge voorzeker zoo leelijk niet vinden.” - -Melatie ging wel met haar gouvernante mede, maar zij lachte er toch om, -dat zij naar den tuin moest loopen om een webje te bewonderen. - -»Welnu?” vroeg Lina, haar een spin wijzende, die midden in haar net -zat, »hoe vindt gij nu dat webje?” - -»Och, juflief! Ik zie er niets bijzonders aan, ik vind het heel -gewoon.” - -»Maar gij vindt mogelijk alles gewoon wat gij dagelijks ziet?—Neen, -mijn lieve Mela, zóo oppervlakkig moogt gij niet oordeelen. Alles is -waard met aandacht bezichtigd te worden en elk schepsel vooral, dat gij -dagelijks om u heen ziet leven, verdient uw opmerkzaamheid ten volle. -Gij hebt reeds dikwijls het garen gezien, waarmede gij dagelijks naait, -niet waar?” - -»Ja, juf.” - -»Hoe vindt gij dat? fijn of grof?” - -»Fijn, heel fijn, jufje.” - -»Net zoo fijn als de draden van dit webje?” - -»Neen!—O! neen—lang niet zóo fijn!” - -»Kent gij dan een anderen draad, die zóo fijn is als deze?” - -»Zóo fijn als deze?—Neen jufje.” - -»Ziet gij nu wel dat die leelijke spin nog zoo dom niet is als gij wel -zoudt denken, en dat de draden die zij kan maken vrij wat fijner en -fraaier zijn, dan die welke door menschenhanden gemaakt worden?” - -»Ja, zoo’n draadje! Maar wat heeft men nu nog aan zoo’n draadje?” - -»Wat men er aan heeft? Dat zal ik u zeggen. Zooals gij ziet, bestaat -een web uit een menigte rondloopende draadjes, die weer door -dwarsdraadjes, evenals aaneengeschakelde laddertjes aan elkander -verbonden zijn. Elk dezer fijne draadjes nu, dat gij slechts als éen -geheel kunt onderscheiden, bestaat weer uit zoovele, veel dunnere en -fijnere draadjes, dat gij die, indien men ze eens uitgespreid vóor u op -tafel kon leggen, zelfs met geen mogelijkheid zoudt kunnen tellen.” - -»Hé jufje, en daar zie ik niets van!” - -»Ja, mijn kind, gij kunt niet alles zien wat bestaat; er is nog zóoveel -in de natuur waarvan gij u geen denkbeeld kunt vormen, maar daarom -juist moet gij niets onopgemerkt laten voorbijgaan, en moet gij nooit -iets met minachting behandelen, of met onverschilligheid beschouwen, -omdat gij het niet kent of omdat gij het niet begrijpen kunt.—Maar weet -gij mij nu ook te zeggen, lieve Mela, waarom die spin dat kunstig -weefsel maakt en waarmede zij de menschen van dienst kan wezen?” - -»Neen jufje.” - -»Zooals gij nu dat net dáarvoor u ziet, dient het hoofdzakelijk tot het -vangen van vliegen en andere insekten, waarmede de spin zich voeden -moet, terwijl zij de menschen alzoo tevens van een werkelijke plaag -bevrijdt. Later, wanneer zij haar eieren gelegd heeft, waaruit weder -andere spinnetjes te voorschijn moeten komen, spint zij ook die -eiertjes geheel in een webje, om ze op deze wijze te behoeden tegen de -aanvallen van weer en wind, waardoor zij anders beschadigd of geheel -vernield zouden worden. En wat zegt gij nu wel van die leelijke, domme -spin, Melatie? Wilt gij haar nu nog met uw bezem dooden, omdat gij haar -zoo leelijk vindt? Ziet gij nu nog niets bijzonders aan dat webje? -Vindt gij die dunne, fijne draadjes nu nog zóo gewoon?” - -»Neen, neen, jufje! Nu vind ik ze mooi, en nu vind ik de spin zelve ook -niet half zoo dom meer als vroeger. En nu ik weet dat zij van vliegen -en andere nare beesten moet leven, verzeker ik u dat ik nooit meer een -enkele spin zal plagen of dooden, want ik heb een vreeselijken hekel -aan vliegen!” - -»En toch moogt gij ook zelfs geen vliegje verachten: dit hebt gij aan -de spin gezien. Elk diertje, hoe klein en hoe gering het u ook moge -toeschijnen, bestaat omdat het moet bestaan, omdat de goede God het een -leven gaf en een werkkring op onze aarde aanwees, waarvoor het berekend -en geschapen is. Ziet gij dus later mogelijk nog eens een diertje dat -gij leelijk vindt, of waarvan gij om de een of andere reden een afkeer -hebt, ontzie het dan, lieve Mela, spaar het en bescherm het, omdat het -een schepsel is dat door denzelfden Schepper gemaakt is die u het leven -gaf en die nog dagelijks voor u en voor uw ouders zorgt, zooals Hij ook -verlangt dat Zijn schepselen onderling voor elkander leven zullen en -voor elkander zullen zorg dragen.” - -»Altijd, jufje?” - -»Ja zeker, altijd.” - -»En de menschen schieten elkander dood, met groote geweren, zooals -mijnheer Werner heeft.” - -»Dat mogen zij niet doen.” - -»Een mooie officier met dikke [2] épauletten en een grooten sabel heeft -zelf aan Mama verteld, dat hij acht menschen in éen uur dood gemaakt -had, en dat zeide hij, dat zoo goed was.” - -»Neen Mela, dat is niet goed; maar de menschen weten niet wat goed is -en daarom handelen zij verkeerd. Al wat eenig leed veroorzaakt, is -kwaad, en al wat beter of gelukkig maakt is goed,—vergeet dat nooit, en -als gij het een of ander doen wilt, waarvan gij niet weet of het goed -of kwaad is, vraag dan u zelve dit: »Maak ik iets of iemand beter? Wie -maak ik gelukkig?”—En zoo gij niets beter maakt of niemand gelukkig, -doe het dan niet, want dan is het kwaad.” - -Melatie sloeg de oogen neer en zag twee kippen vechten om een muis. - -»Jufje!” riep zij zenuwachtig, »red die arme muis!” - -Maar de muis was verdwenen en de kippen stapten voort, kalm en tevreden -evenals de mooie officier, die dapperheid en heldenmoed met een -doodenregister staafde. Men kon het ze aanzien, die fiere kippen, dat -ze een nuttig werk verricht hadden, een gevaarlijken vijand verslagen -en de aarde van een ondier verlost hadden. Wat zou er van de wereld -geworden zijn, als die kippen er niet geweest waren? - -»Arm muisje!” riep Mela. »’t Was zoo vlug en zoo vroolijk daareven! Hu! -Foei! leelijke, stoute kippen! Ik hoop dat je ’t eerst geslacht zult -worden!” - -Zóo eet de een den ander op, en toch vinden allen dat opeten verkeerd, -als ’t een ander is die eet.... - -Lina gevoelde grooten lust tot lachen, maar hield zich goed voor haar -leerling en plukte een hand vol gras voor een geitje, om een andere -wending aan het gesprek te geven dat wat al te scabreux begon te -worden. Melatie volgde haar voorbeeld en kwam met haar schortje vol -gras aanloopen om jufje te helpen. - - - - - - - - -VIJFDE HOOFDSTUK - -EEN BRIEF VAN HUIS - - - Mejufvrouw L. Van Wageningen. Adres: - den WelEd. Heer Oristorio, enz., enz. - - Liefste Lina! - -Wel mijn kind, wat waren wij gelukkig toen wij heden morgen de tijding -ontvingen van uw goede aankomst in Oost-Indië! Richard is den ganschen -dag zóo wild geweest van vreugde dat er geen huis met hem te houden -was, Ella Salvita was te opgewonden om te ontbijten, zelfs om mij -suiker in mijn thee te geven, nu ik beken je ronduit dat ik het niet -bemerkt had vóor dat zij zelve het zag, en mij lachend verweet dat ik -even ongeduldig en zenuwachtig was als zij! Je oude poes begreep niets -van de consternatie, maar Bijoux scheen je ganschen brief met ons te -lezen, en deelde in de vreugde alsof hij tot de familie behoorde. -Mietje alleen kwam vrij nuchter uit den hoek met haar: »Och! heetje! Is -de juffer nou in dat verre land! Wel, wel, ’t is wat te zeggen!” En dan -beweren de geleerden dat Mietje meer ziel heeft dan Bijoux. ’t Is -mogelijk, maar ik geloof het niet. En indien het zóo is, welnu dan acht -ik er den hond des te hooger om, daar hij beter gebruik van de zijne -maakt dan zij van de hare. - -En nu heb ik je wat nieuws mee te deelen, namelijk dat ik je wijzen -raad gevolgd en Ella ten huwelijk gevraagd heb. Zij was in deze -omstandigheid weer eenvoudig groot, zooals zij in alle anderen geweest -is.—»Neen,” was haar eerste woord. »Ik ben de vrouw niet die geluk in -een familie brengen kan.”—»Wie kan die vrouw zijn, indien gij haar niet -zijt?” vroeg ik haar. »Waar is verstand en ziel en wil vereenigd als in -u? Waar liefde tot een hoogeren graad van volmaaktheid opgevoerd dan in -de zelfverloochenende grootheid die de grondtrek van uw karakter -uitmaakt.” - -Zij zag mij aan, met haar groote dankbare oogen en schudde weemoedig -het hoofd, terwijl zij zacht en ferm zeide: »Neen, ritmeester, gij hebt -kinderen, voor wie gij den heiligen moedernaam zuiver en onbevlekt -bewaren moet..... Een actrice vernedert de kinderen die haar »moeder” -noemen, verlaagt hem die onder zijn naam de minachting tracht te -verbergen, die aan den hare verbonden is.... Spreek nooit meer van een -huwelijk. Laat mij bij u blijven en gelukkig zijn en bekommer u niet -verder over een leven dat, God geve het, niet lang meer duren zal.” - -Zij glimlachte, en verliet de kamer met een kalmte die ieder ander dan -mij, had doen denken dat zij ongevoelig was. - -Ik oogde haar na toen zij den gang doorging, den trap op, in hare -kamer.... en toen alles stil was, volgde ik haar. - -Ik vond haar op de sofa, met het gelaat in de handen, bitter -schreiende. Ik had de deur zóo zacht geopend dat zij mij niet had -hooren inkomen en dat ik naast haar zat eer zij het wist. »Ella,” sprak -ik nauw hoorbaar. »Kom, wisch die tranen weg en laat ons openhartig -samen spreken.” Zij zag mij een oogenblik ontsteld aan, liet toen het -hoofd op mijn schouder zinken en snikte zenuwachtig zonder een woord te -kunnen uiten. Toen zij eindelijk tot bedaren was gekomen en haar hoofd -half lachend op had gericht met de woorden: »Laat ons nu over iets -anders spreken,” gaf ik haar uw brief van de Kaap de Goede Hoop, en -liet ik haar zelve lezen wat gij omtrent een huwelijk tusschen haar en -mij geschreven hadt. - -Toen zij gelezen had, gaf zij mij met bevende hand den brief terug. - -»Verlangt gij liefde, ritmeester?” vroeg zij aarzelend. - -»Neen. Ik verlang van u niet meer dan een jonge vrouw kan geven aan een -man van mijn leeftijd: achting, welwillendheid, vriendschap.—” Zij -zeide niets, opende een schrijfportefeuille, kreeg er een paar oude -brieven uit en overhandigde mij die met de woorden: »Hier is mijn -liefde.—De vrouw aan wie deze brieven gericht waren is dood, haar -zuster zond ze mij terug, toen zij gestorven was, en als de weemoedige -herinnering aan lang vervlogen gouden droomen, heb ik ze bewaard, niet -denkende dat zij mij ooit te pas zouden komen.—Lees ze en verscheur ze -dan—mijn verleden is dáar.—Later zullen wij over de toekomst spreken.” - -Ik was gereed de brieven terstond te verscheuren en zeide haar dat ik -haar verleden als het mijne aannam, zonder onderzoek en zonder twijfel; -maar zij smeekte mij zoo dringend aan haar verzoek te voldoen, dat ik -gehoorzaamde en haar niet weerzag vóor etenstijd. - -Wanneer gij deze letteren ontvangt, zal Ella mijne vrouw zijn, en dan -mijn kind zult gij een moeder hebben, op wie gij trotsch kunt -wezen......... - - - - - - - - -ZESDE HOOFDSTUK - -LOUISE VAN AMERONGEN - - -Het was in het midden van den goeden moesson. De zon wierp hare stralen -loodrecht op de huizen, waarvan de daken gloeiden en de witgekalkte -muren verblindend schitterden, terwijl de jalousieën zorgvuldig -gesloten waren en niemand zich meer in de galerijen bevond. Ook de -straten waren bijna geheel verlaten, slechts nu en dan deed zich nog -het rateltje van den Klontong [3] hooren, of het gekraak van het -bamboezen juk van den koeli [4] die, gebogen onder zijn zwaren last, -zijn weg vervolgen moest, terwijl alles rust en uitputting ademde. -Zelfs de vrouwen in de warongs [5] sliepen bij hare nassie [6] of -kwee-kwee, [7] en de wisselaarsters op de hoeken der straten hadden -slechts eenige duiten vóor zich liggen om des te rustiger onder den -half gescheurden pajong [8] op de kleine gevlochten tikar [9] te kunnen -voortdommelen, gedurende de weinige uren dat de groote warmte alles, -tot zelfs het geld, bijna vergeten deed. - -’t Is nog te vroeg, maar wacht even, en wij zullen met de ondergaande -zon in deze schijnbaar uitgestorven stad het lachend Samarang -herkennen. Dan zullen wij alle huizen geopend zien, alle wegen bezocht -vinden, dan.... maar wacht nog even, het is nauwlijks drie uur geslagen -en de europeesche bevolking is nog grootendeels in rust. - -In den tuin, vóor een smaakvolle villa aan den Bodjongschen weg loopt -een jonge slavin, in haar kort wit baadjoe en rood geruiten sarong, die -met een gouden band om het middel wordt vastgehouden, onophoudelijk van -het eene bloembed naar het andere. Zij knipt de schoonste knoppen af, -plukt de geurigste rozen, maar schudt nog steeds ontevreden het hoofd, -alsof zij hetgeen zij zocht, niet vinden kon. Eindelijk keert zij -schoorvoetend naar huis terug. - -»Wat zal Nonna [10] boos zijn. Geen enkele witte roos van daag!” denkt -zij bij zichzelve en nauw hoorbaar sluipt zij een groote kamer binnen, -waar zij de bloemen in een blauw glazen kommetje op een smaakvolle -toilettafel plaatst. - -»Hoe laat Alima?” roept een zachte stem uit het groote ledikant, -waarvan de dunne neteldoeksche gordijnen langzaam door een fijn wit -handje op zijde worden geschoven. - -»Bij vieren, Nonna.” - -»Bij vieren! gauw de thee! Mijn hemel! Hoe kom ik nog klaar! Gooi de -jalousieën open! Roep Rosa! Kap mij! Raap mijn boek op! Geef mijn -kousen! Laat zien de bloemen! Gauw! Gauw! Ik heb haast! Rosa! Rosa!” - -Alima raapte dood bedaard, eerst het boek op, dat hare jeugdige -meesteres in haar drift uit bed had laten vallen, schoof toen een -grooten rotangstoel voor den toiletspiegel en opende eindelijk de -jalousieën, om daarna achtereenvolgens alle verdere bevelen ten uitvoer -te brengen, terwijl Louise van Amerongen met haar boek op den grooten -stoel neerviel en Eugène Sue’s »Orgueil” half liggend vervolgde, zooals -zij die een uur te voren half slapend begonnen was. - -Toch was Louise niet lui, noch heerschzuchtig, noch wispelturig, maar -zij was verwend. Zij was de eenige dochter van een schatrijken koopman, -de oogappel, de afgod, de geheele toekomst harer ouders, die haar lief -hadden en bedierven met een verblindheid welke alle perken te buiten -ging. Tusschenbeide had het mevrouw Van Amerongen wel eens gehinderd -dat hare dochter zoo langzaam in hare bewegingen, zoo kortaf in hare -antwoorden, wezen kon; maar mevrouw Van Amerongen was een Europeesche -vrouw, terwijl haar dochter geboren en opgevoed was in Indië, waar -onverschilligheid en opvliegendheid elkander steeds de eerste plaats in -het hart der meeste vrouwen betwisten; zij begreep dus dat zij hier met -een kwaal te worstelen had, waarvan haar kind niet dan met de grootste -moeite te genezen zou zijn. Buitendien was Louise rijk en bevallig -genoeg dat men haar zulke kleine gebreken vergeven kon. Heeft niet -ieder mensch het een of ander in gewoonte of manieren dat wel anders -wezen mocht? En verder werd er niet aan de verbetering van de oogappel -gedacht. - -Louise was nauwelijks vijftien jaar oud, maar zij was groot voor haar -leeftijd en geheel ontwikkeld; daarbij was zij schoon met haar fluweel -zwarte oogen, haar golvend haar en hare schitterend witte tanden, haar -slanke leest en haar kleine welgevormde handen en voeten. Ook was er -iets vreemds, iets aantrekkelijks in hare bevallige ronde bewegingen, -in haar statigen langzamen gang, terwijl haar fiere houding, gevoegd -bij haar zachte welluidende stem, aan haar geheele persoon iets -boeiends en meesleepends gaven. - -En het hart?—Het hart was goed en sloeg voor al wat groot en edel is. -Ook het hoofd was goed, maar ’t was niet goed bestuurd geworden, en -hierdoor werd dáar waar het scherpe oordeel van het kind tekort schoot, -helaas! maar al te dikwijls de koude rede van den -»gedésillusionneerden” mensch geloofd. - -Alima kwam eindelijk terug met een kopje koude thee en een paar -schoteltjes kwee-kwee. Rosa, een meisje van een jaar of dertien, volgde -haar, plaatste zich zwijgend tegen den muur en wachtte. - -»Waarop wacht gij?” vroeg Louise. - -»Ik ben bij nonna Van den Berg geweest, nonna.” - -»En?” - -»Nonna Van den Berg zal tegen half zes te paard hier zijn.” - -»Goed.” - -»Toewan ketjil [11] laat vragen of hij de nonnas vergezellen mag?” - -»Hm—m,” toestemmend geluid. - -»Moet ik antwoord zenden, nonna?” - -»Neen, kap mij.” - -Rosa maakte een zestal breede vlechten van het weelderige, zwarte haar -en schikte ze in sierlijke lussen om het fraaie kopje harer meesteres. - -»Alima, krijg mijn amazone uit de kast, en al wat ik verder noodig heb, -leg alles op bed bij elkaar.” - -De slavin liep eenige keeren de kamer op en neer, haalde hier het -rijkleed, daar den hoed, ginds de handschoenen en plaatste zich, toen -alles gereed lag, naast Rosa, achter den stoel harer meesteres om op -nieuwe bevelen te wachten. - -Louise echter was geheel in l’Orgueil verdiept, en hoorde of zag niets -van hetgeen er om haar henen voor viel. - -De pendule sloeg weer éen, daar werd zij wakker. - -»Ja! Allah! half vijf!” - -L’Orgueil ging op den grond, de koekjes moesten - - weg, de thee stortte over het blad, alles ging het onderste boven om - nonna spoedig in de kleeren te helpen... Eindelijk was zij gereed, en - met een lichten blos van het reppen, trad zij in haar sierlijk - rijkleed den hoogen stoep af, onderaan welken Henri van den Berg, de - broeder harer vriendin, gereed stond om haar bij het te paard stijgen - behulpzaam te zijn. - -»Waar blijft Marie?” vroeg zij lachend. - -»Zij zal volgen met papa en met Willem Nieland, dien wij juist tegen -kwamen toen wij het hek uit reden.” En hij zag haar aan alsof hij voor -haar antwoord vreesde. - -»Wij zullen hen te gemoet gaan,” sprak het meisje spotachtig. Henri -boog zwijgend en reikte haar de hand tot opstijgen. - -Wat was de jonge lachende Louise schoon, toen hare donkere oogen van -hoop en leven schitterden en hare slanke buigzame gestalte zoo sierlijk -uitkwam op den fieren Arabischen Isabel die, trotsch op zijn schoonen -last, het edel hoofd nog hooger ophief en in vollen galop het hek -uitvloog. - -Louise’s ouders oogden haar na en konden den glimlach niet bedwingen, -die zoo duidelijk zeide hoe zij hun eenig kind bewonderden en -liefhadden, met al den trots hunner ziel. - -»Henri verraadt zich toch gedurig,” sprak mijnheer Van Amerongen. - -»Louise houdt zich goed,” antwoordde mevrouw. - -»Zij zal het niet opmerken.” - -»O, haar ontgaat niets!” - -»Henri is een beste, brave jongen, maar toch voor Louise...” - -»O, Louise kan wel betere partijen doen.” - -»Dat geloof ik!” - - - -»Louise ik begrijp u niet!” sprak Henri. - -»Dat verlang ik ook niet.” - -»Maar... Kom, antwoord mij eens wat duidelijker... Zeg mij, bid ik -u...” - -»Éens Henri, maar éens vooral, hoor! Ik houd niet van herhalen, dat -weet gij. Gij wilt weten of ik u lief heb, niet waar?” - -»Ja,” antwoordde hij nauw hoorbaar. - -»Welnu, ik heb er velen lief als u.” - -»En acht gij mij?” vroeg hij verder. - -»Meer dan alle anderen te zamen.” - -»En toch...” - -»Uw vrouw, nooit, dat weet gij.” - -»Maar Louise!” - -»Geen woord meer.” - -»Maar welke toekomst droomt gij u dan? Wat verlangt gij...” - -»Ik denk aan geen toekomst en ik verlang niets. Niets dan vrij te -blijven en mijn rechten op mij zelve te behouden.” - -»Altijd?” - -Louise wendde lachend het hoofd van hem af. - -»Zijn die rechten op u zelve u zoo dierbaar, dat gij ze levenslang -zoudt wenschen te behouden?” - -»Oude jonge juffrouw!” riep het meisje als verschrikt, en zij lachte -zóo hartelijk dat Henri onwillekeurig met haar mede deed. »Neen, neen, -dat nooit!” - -»Wat dan?” - -»Niets.” - -»Louise, Louise, waar...” - -»Ik ben jong en gelukkig Henri, waarom...” - -»Gij hebt gelijk. Gij zijt jong en gelukkig! Geniet! Geniet zoo lang -het u mogelijk zal zijn; blijf vroolijk en onbezorgd voortleven in de -weelde en in de liefde die u omringen en droom u een toekomst zóo -schoon en zóo heerlijk als uw fantastische verbeelding ze u slechts -voor kan spiegelen.” - -»En in de werkelijkheid?” - -»Zult gij mogelijk een beter man gelukkig kunnen maken, een edeler -mensch uw liefde kunnen schenken dan ik ben.” - -»Neen, dat nooit!” - -Die woorden waren haar ontvallen, want nauwlijks had zij ze gesproken -of een hoog rood steeg haar tot aan het voorhoofd, en, zich snel -voorover buigende, liet zij haar paard den vrijen teugel en rende zij -voort tot dat zij mijnheer Van den Berg met Marie en Willem Nieland -ontmoette. - - - - - - - - -ZEVENDE HOOFDSTUK - -EEN BAL - - -In de dagen der verpachting telde Samarang de meeste feesten. De -resident, de kolonel, nog een paar hooggeplaatste personen en eenige -rijke partikulieren waren er op gesteld de vreemde residenten -beleefdheden te bewijzen en hadden dus reeds van te voren met elkander -overlegd, over welke dagen ieder van hen te beschikken zou hebben. - -Wat al vreugde voor de jonge meisjes, die weder haar balkleederen in -gereedheid konden brengen en menigen vroolijken avond in het -vooruitzicht hadden. Maar welk een vreugde voor Louise van Amerongen -vooral, die weder zou schitteren en uitblinken boven allen en reeds -vooraf verzekerd kon wezen van nieuwe en onafgebroken triomfen! - -Wat was zij schoon toen zij ’t open rijtuig uitsprong en het helder -licht der dammers haar vriendelijk gelaat bescheen! Toen het vol orkest -haar met de groote trom aan ’t hoofd, begroette, en zij lachend haar -net geganteerde hand aan Albert van den Hove reikte, om op zijn arm -geleund de lange galerijen van het residentiegebouw te doorloopen, -eerst haar opwachting bij de gastvrouw te maken en vervolgens haar -plaats in te nemen aan het lagere einde der zaal, waar zij terstond -door een aantal heeren omringd werd, die elkander verdrongen voor een -dans, een lach, een blik van de »Roos van Samarang”. - -Wat was zij schoon toen ze eindelijk drong door den dichten drom van -aanbidders die haar den weg versperde, en licht en vlug de wals begon, -welke zij volhield, van den eenen danser naar den anderen overgaande, -tot dat de muziek verstomd was en het laatste paar van vermoeidheid -uitgeput tot staan was gekomen. - -Hoe velen hadden haar opgemerkt, hoe velen hadden haar nageoogd en door -hoe velen was zij weder bewonderd of benijd geworden? - -Zij wist het niet; maar het kon haar ook niet schelen. Zij die gewoon -was opgemerkt te worden, zag niet meer dat zij nageoogd, bewonderd en -benijd werd. Het wufte kind van het oogenblik bleef koud voor de -lofuitingen der wereld, terwijl haar hart schier hoorbaar klopte en -haar oogen schitterden van geluk bij het denken aan een tweede wals! - -Lach maar kind! De ware wijsheid is geluk. De wereld biedt tranen -genoeg en zorgen in overvloed aan den rijpen leeftijd; lach gij maar -voort zoolang gij lachen kunt. De vroolijkheid is het schoonste sieraad -der jeugd. Geniet zoolang gij slechts kunt, dans voort, en volg de -inspraak van uw hart, zoolang die uit kinderlijken eenvoud en -oprechtheid voortspruit; wees wispelturig zelfs, als gij wilt... de -wispelturigheid op uw jaren is geen gebrek, wanneer zij met -goedhartigheid gepaard gaat. - -»Neen, ik blijf zitten,” zei ze. - -»Maar Louise, gij die nooit wilt blijven zitten!” - -»Al zou het dan ook enkel voor de variatie wezen.” - -»Een quadrille is toch niet vermoeiend, die kunt gij even goed mee doen -als...” - -»Vermoeiend! En wie spreekt daarvan? Ik ben nooit vermoeid!” - -»Nu, kom dan mede?” - -»Neen.” - -»Maar Louise!” - -»Neen.” - -»Gij zijt al zeer kort af, van avond.” - -»Ik ben ook heel boos op u.” - -»Op mij?” - -»Ja.” - -»Maar waarom dan? Wat heb ik u gedaan?” - -»Mij? O! mij niets. Mij kunt gij niets doen! Maar mijn vriendin hebt -gij beleedigd en dat vergeef ik u niet licht.” - -»O ho! Uw vriendin? Die zwarte Mathilde, met wie ik niet dansen wil -omdat zij te klein en te mager en te leelijk is.... Nu, dit kunt gij -mij toch niet kwalijk nemen, hé?” - -»Hoor eens Willem, zij mag zoo leelijk zijn als gij wilt, dat kan ze -niet helpen, het arme schaap, maar ze is goed en dat is genoeg.” - -»Maar dat is niet genoeg voor mij, om voor mijn plezier met haar te -dansen.” - -»Dat behoeft ook niet, dans maar, en ik zal u niet vragen of gij het -voor uw plezier gedaan hebt.” - -»Neen,” riep Willem, op zijn beurt kort af en naar de leelijke Mathilde -omziende, ten einde een lach te verbergen. - -»Wilt gij niet?” - -»Neen.” - -»Goed.” - -Willem bleef nog eenige oogenblikken zwijgend staan wachten, terwijl -Louise met haar waaier speelde. - -»De dans begint.” - -»Goed.” - -»Bedenkt gij u niet?” - -»Neen.” - -»Dan blijf ik hier bij u zitten.” - -»Hm.” - -»Gij zult toch wel met mij willen spreken, hoop ik?” - -»Neen.” - -»Ook niet, wanneer ik met Mathilde gedanst zal hebben?” - -»O! dan wil ik alles!” - -»Dan krijg ik een dans?” - -»Drie, als gij wilt!” - -»Goed, maar ik zal ook niet behoeven te vragen of gij ze »voor uw -plezier” zult doen.” - -Een gulle, ongedwongen lach was Louises eenig antwoord. - - - -»Wie is zij, die ik daar zoo spotachtig zie lachen, schoon oud en jong -in de quadrille staat en zij alleen is blijven zitten?” - -»Waar?.... Het is de Roos van Samarang, geloof ik! Juist zij is het! -Welke tinka (caprice) is dat nu weer?” - -»Tinka?—Zou men haar gevraagd hebben, denkt gij?” - -»Haar gevraagd? Wel, wel resident, nu toont gij dat gij vreemdeling -zijt! Kent gij Louise van Amerongen nog niet?” - -»Is zij Louise van Amerongen? De kleine coquette die alle luitenants -het hoofd op hol brengt?—Een aardig kopje! Ik zou mij waarachtig -weleens aan haar willen laten voorstellen.” - -»Nu, kom maar mede.” - -»Ja, maar is het niet wat gek, hè? een resident... Dàt zal haar geheel -ongenaakbaar maken.” - -»Ta, ta, ta, wat al gebluf! Kom maar mee, van dien kant hebt gij niets -te vreezen.” - -»Juffrouw Van Amerongen, mag ik de eer hebben u resident Stevens van -Langendijk voor te stellen!” - -Louise boog even, bood de heeren een stoel aan, en zweeg, den resident -vragend aanziende, om hem te kennen te geven dat hij aan het woord -was.—Dit is een gewoonte, vrij algemeen op Java, waar een dame bijna -nooit het eerst het woord tot een heer zal richten. - -»Wat hebt gij daar een lief toiletje aan, juffrouw Van Amerongen.” - -Louise, met een beleefd lachje: »vindt u?” - -»O ja, en dat beelderige coiffuurtje! Zoodra gij de zaal binnen kwaamt, -hebt gij mij getroffen.” - -»Ja?” - -De resident kuchte eens. - -»Ik heb zooveel over u hooren spreken,” begon hij weder, »dat ik -mijnheer Vrede terstond verzocht heb mij aan u te presenteeren, maar -gij zijt den ganschen avond zóo geëntoureerd geweest, dat wij geen -gelegenheid vinden konden om tot u door te dringen.” - -»Hm!” met een lachje. - -Hij kuchte weder. - -»Verduiveld, hoe bête!” dacht hij bij zichzelven, zonder te letten op -de groote nonsense die hij zelf met zooveel emphase voordroeg. - -»Woont gij reeds lang in dat prachtige huis aan den Bodjongschen weg, -juffrouw Van Amerongen?” - -»Sedert drie jaar pas.” - -»Gij gaat zeer veel uit, niet waar?” - -»Ja, er wordt hier nog al eens gedanst.” - -»En gij houdt niet van dansen, hè?” - -»Ik? O, dol!” - -»En gij zijt nu blijven zitten?” - -»Dezen keer—ja.” - -»Bij preferen... bij verkiezing natuurlijk, want...” - -»Ja, resident.” - -Zóo spraken zij nog eenige minuten, tot dat de quadrille geëindigd was. -Toen werd Louise weder van alle kanten door bewonderaars omringd, -terwijl de resident met zijn vriend naar zijn speeltafeltje terugkeerde -en, recht voldaan over zich zelven, een lange redevoering hield over de -domheid, nietigheid en kleingeestigheid der vrouwen: »Zij zijn toch -allen gelijk, of men er éen ziet of honderd, er zit nooit iets bij.” - -En wat antwoordde Louise, toen haar cavalier haar half lachend, half -verwijtend vroeg, »hoe de ongehuwde resident haar bevallen was?” - -»Och, goed!” - -»Dat meent gij niet.” - -»Waarom?” - -»Omdat gij het zóo niet zeggen zoudt, indien gij het meendet.” - -»Maar wat wilt gij dan dat ik antwoorden zal, wanneer gij mij naar -iemand vraagt dien ik zoo even voor het eerst gezien heb?” - -»Wel zeg mij hoe gij hem vindt, aangenaam of onaangenaam, aardig of -niet, verstandig of...” - -»O neen, over zijn verstand althans kan ik niet oordeelen!” - -»En waarom niet?” - -»Omdat men een heer eenige malen met andere heeren ongestoord moet -hebben hooren spreken, om te weten of er wat bij zit of niet; met ons -dames zijn alle heeren dom.” - -»O! dat zal ik mijn vriend terug vertellen!” - -»De resident is uw vriend?” - -»Ja juffrouw.” - -»Goed.” - -»Ik mag dus?” - -»Och! waarom niet; het kan mij niet schelen.” - -En zij danste weder voort, en sprak en lachte en was gelukkig als te -voren, zonder verder aan den resident te denken. - -Nu kent gij Louise van Amerongen, wier schoonheid aller oogen boeide, -wier coquetterie aller tongen in beweging bracht. Coquetterie! ’t Arme -kind wist niet eens wat dat uitheemsche woord beteekende! Dat behoefde -ook niet. Zij was jong en schoon en rijk, en daarbij was zij vrij in -hare bewegingen en ongedwongen in haar gesprekken: wat is er meer -noodig om een vrouw coquette te noemen? - -Louise, het vroolijke, zorgelooze kind, kende haren bijnaam en lachte -er om, terwijl zij onschuldig met de harten harer aanbidders speelde en -hare nijdige vriendinnen over haar wangunst bespotte. - -O, vrouwen! zoo gij wist hoe gij uzelve benadeelt door al dat noodeloos -geschimp, door dat geringschatten van al wat uw sfeer te boven gaat! -Zoo gij wist hoe bespottelijk gij uw eigen nietigheid tentoonstelt, -door de meerderheid van anderen onzinnig te ontkennen, gij zoudt -zwijgen, geloof ik, al ware het ook slechts uit eigenbelang... Maar -neen, gij zoudt niets, zoolang gij uw arme ziel niet gereinigd hadt van -de duizende, kleine, lage hartstochten die in onkunde hun oorsprong -hebben en als égoïsme, haat en afgunst het leven verpesten van uzelve -zoowel, als van de onschuldige wezens die het ongeluk hebben van door u -opgemerkt te worden. - - - - - - - - -ACHTSTE HOOFDSTUK - -HET BEZOEK VAN DEN RESIDENT - - -Den dag na het bal was Louise weder alleen in haar kamer. Ditmaal sliep -zij niet; zij lag in een dun wit morgengewaad op een rustbank -uitgestrekt en speelde met de donkere lokken die langs haar schouders -golfden en in dikke krullen tot op den vloer neder hingen. Hare oogen -staarden gedachteloos en haar lippen waren stijf op elkander geperst, -terwijl haar boek nog ongeopend naast haar lag. Plotseling sprong zij -uit hare half droomende, half wakende houding op, een koortsachtige -flikkering schitterde in haar somber oog en een diepe zucht ontsnapte -den geprangden boezem. - -Toen wierp zij zich weder in de kussens en wachtte kalm en geduldig tot -dat Alima met de thee kwam om haar, als naar gewoonte, te wekken en te -helpen kleeden. - -»Is het zoo goed, nonna?” vroeg de jonge slavin, toen het weelderige -haar gevlochten en opgemaakt was. »Vindt nonna de bloemen frisch -genoeg?” - -»Bloemen! O neen, geen bloemen vandaag!” - -Alima wierp de met zooveel zorg geschikte rozen ter zijde. - -»Is het nu naar uw zin, nonna?” - -»Hm—m.” - -En zonder zelfs een blik in den spiegel te werpen, stond Louise op en -liet zij Alima ongestoord haar toilet voltooien alsof het haar niet -schelen kon hoe zij er uit zou zien. - -Voor dien avond had resident Stevens van Langendijk belet laten vragen -bij mijnheer en mevrouw Van Amerongen, en Louise, die deze eer -verbazend vervelend vond, had een rijtuig laten inspannen om Marie van -den Berg te halen, met wie zij den ganschen avond half fluisterend zat -te praten om den resident niet in zijn gesprekken te stooren, die nu, -met opzet, in het geheel niet dom of onbeduidend waren. - -»Zij is verduiveld mooi!” dacht de resident bij zichzelven, terwijl hij -zich uitsloofde om de aandacht van het jonge meisje op de een of andere -wijze tot zich te trekken. »Zij zou wel goed voldoen in het groote -residentiehuis—aan het hoofd van de tafel—naast den Gouverneur-Generaal -bij voorbeeld—als mijn vrouw: Louise Stevens van Langendijk—dat klinkt -nog zoo slecht niet. En een meisje met fortuin... Enfin, daar kunnen -wij altijd nog wel toe komen.—Eén woord en ik heb haar!” - -»Wat is hij leelijk!” waren bijna op hetzelfde oogenblik Louise’s -gedachten. »Zoo’n rood gezicht—en zulke grasgroene oogen, met zulk -lichtgeel haar! Net boeloe jagong!—Ik kan mij best begrijpen dat hij -niet getrouwd is.—Wie zou ook zoo’n man willen hebben!” - -Eindelijk sloeg het elf uur en ging de resident naar huis. Ieder kreeg -een handje, Louise alleen werd met een stijve buiging afgescheept. - -»Niet beleefd!” fluisterde zij Marie lachend in het oor, terwijl zij -het hoofd van hem afwendde en zich, zonder verder over hem te spreken, -ter ruste begaf, tevreden over hare opzettelijke onverschilligheid en -hoogst voldaan over de halve onbeleefdheid van den resident. - -Vreemd vrouwelijk instinkt! Louise was gelukkig over den weinig -gunstigen indruk dien zij op den resident scheen gemaakt te hebben, en -toch beving haar een soort van huivering wanneer zij aan die koude, -stijve buiging dacht. - -En waarom? - -Zij wist het niet. Zij kon zich geen rekenschap geven van het vreemd -gevoel waarmede zij te worstelen had, telkens wanneer zij zijn naam -slechts hoorde. Toch had zij eigenlijk niets tegen den resident, en kon -zij geen enkele reden vinden om hem minder genegen te wezen dan iederen -anderen vreemdeling, met wien de omstandigheden haar in kennis -brachten. - -»Ik ben bang voor dien man!” dacht zij bij zichzelve, en hoewel zij -zich moeite gaf hem te vergeten of haar kinderachtigen afkeer van hem -te overwinnen, toch was haar laatste gedachte telkens weder: - -»Ik ben bang voor hem!” - - - - - - - - -NEGENDE HOOFDSTUK - -DE HUWELIJKSAANVRAAG - - -»Is nonna Louise t’huis?” vroeg Marie van den Berg, den volgenden -morgen reeds om half negen uit haar palankijn [12] stappende. - -»De nonna is in hare kamer, nonna.” - -»Goed. Gij kunt heengaan, Drono. Mijnheer Van Amerongen zal mij van -avond wel naar huis laten brengen.” - -Drono reed weg en Marie begaf zich naar Louise’s kamer, waar zij haar -vriendin met loshangend haar, op een matje op den vloer vond zitten, -bezig met een kleinen zwarten aap in de kleeren harer pop te steken. - -»Wat doe je daar?” vroeg zij lachend. »Ja, kassian! Arm Keesje! Wacht, -ik zal je helpen, hier, hier is een speld.” - -»Dank je. Och, Marie, je neemt niet kwalijk dat ik niet opsta....” - -»Ik kom bij je zitten. Wel mijn goed best Keesje! Hoe gaat het? Wat -ziet hij er uit, het stumpertje. Hier is zijn kleedje. Gedécolleteerd -nog al! En wat een mager, zwart, ruig halsje, zal daar uitkomen!” - -»En die zevenmijls handjes en voetjes!” - -»O! Wat is Keesje nu mooi! Ja, kassian! Wat houdt hij zich stil! Wat is -hij deftig! Wat loopt hij trotsch! Net de vrouw van Pieter Papelaya! -hè?” - -»Ja, ja, precies Kakamia Papelaya! maar toch zóo leelijk niet!” - -En Kees kreeg op elke wang een zoen en een pisang [13] tot belooning. - -De meisjes hadden dolle pret, en nauwlijks was de pisang op, of zij -grepen Keesje ieder bij een poot en begonnen een wandeling door de -achtergalerij. - -»Wij moesten eigenlijk een wagentje hebben,” begon Marie, »dan konden -wij den tuin met hem rondrijden.” - -»Een wagentje? Ja—wacht—wilt gij hem even vasthouden dan zal ik den -ouden mandewagen gaan zoeken, die moet hier of daar in de bijgebouwen -staan, geloof ik. De kinderen van den koetsier hebben er laatst mee -gespeeld.—Ha! daar zie ik Rosa! Rosa, haal den mandewagen!” - -»De mandewagen Nonna? Daar zijn de voorwielen af.” - -»Dat is niets, haal hem maar.” - -Een oogenblik later kwam Rosa met een ouden mandewagen aangeloopen, -dien zij zeer voorzichtig aan den vóorkant ophield om hem niet verder -te vernielen. - -»Wel zóo gaat het goed!” riep Marie, verrukt over de twee achterwielen, -die nog vastzaten en ronddraaiden. »Als gij ons nu een kussen kunt -geven, dan zult gij Keesje eens deftig in zijn equipage zien zitten.” - -Rosa bracht een gehaakt canapé-kussen uit Louise’s kamer, Keesje werd -er op gezet en zoo nam de toer een aanvang.—Kees liet zich de pret -geduldig welgevallen, zoo lang hij bijna geen beweging gevoelde, maar -toen de meisjes, dat langzaam loopen moede, het op een draven begonnen -te zetten zonder aan het ontbreken van de voorwielen te denken, toen -werd de arme Kees zoodanig heen en weer geschokt dat hij uit pure -wanhoop den wagen uitsprong en wegvlood zoo goed en zoo kwaad als zijn -wijde kousjes en zijn sleepjapon het hem veroorloofden. - -»Kees is weg!” riep Louise, half uitgeput op den hoek van een -schelpenpad staan blijvende. - -De beide meisjes tuurden den tuin door en zagen eindelijk het schelmpje -met groote moeite de stoep der achtergalerij opstrompelen. - -»Daar is hij! Pak hem!” riepen beiden, en zij renden den tuin door, de -stoep op, de achtergalerij in, de binnengalerij door, naar voren... - -»Goeden morgen, dames!” klonk het op eens. Marie was reeds verdwenen, -maar Louise die niets gezien had vóor het te laat was, stond onthutst -en blozend tegenover den resident Stevens van Langendijk. - -»Ik had niet durven hopen het genoegen te hebben van mejuffrouw Van -Amerongen al zóo vroeg in den morgen te ontmoeten.” - -De resident sprak zóo ernstig dat Louise het waagde haar groote zwarte -oogen naar hem op te heffen. - -»Het is toevallig,” sprak zij nauw hoorbaar; toen wierp zij een blik in -den tuin vóor het huis. Daar sprong iets wits in een mangaboom rond, -terwijl er zeer zacht in de binnengalerij gehoest werd. Louise bloosde -weder en sloeg de oogen neer terwijl zij zich boog om den resident een -stoel aan te bieden, en een lach aan zijn stijven blik te onttrekken. - -»Neem plaats, resident... zoo gij een oogenblik wilt wachten, zal ik -papa....” - -»Gaarne, zeer gaarne, ik heb een dringend verzoek aan uw vader te -doen.” - -Louise verdween. Mijnheer Van Amerongen kwam zelf vóor om den resident -te verzoeken hem naar zijn kamer te volgen. - -»Mijnheer Van Amerongen,” dus begon de resident de deur achter zich -dicht trekkende, »ik ben smoorlijk verliefd op uw dochter en, om geen -onnoodige woorden te verspillen, zal ik je maar dadelijk vertellen dat -gij mij hier ziet om u haar hand te vragen.” - -»Resident!” riep mijnheer Van Amerongen verbaasd, »mijn dochter? Maar -mijn dochter is nog...” - -»Zoo jong, wilt gij zeggen. Wel mijn vriend, dat is geen gebrek! Ik -houd niets van oude vrouwen, en als dit dus uw eenige zwarigheid is, -verontrust u dan niet, ik beloof u, dat ik voor haar een echtgenoot en -een vader tevens wezen zal.” - -Mijnheer Van Amerongen kon geen antwoord vinden, hij stotterde iets van -»onverwacht geluk” en »eer”, maar verder kwam hij niet. - -»Het is zóo dus gedécideerd,” hernam de resident, op een toon die geen -tegenspraak duldde. »Gij zult mijn voorspraak bij uw dochter wezen en -ik zal over een paar dagen terugkomen om uw antwoord te vernemen.” - -»Goed resident... zeer goed,” stemde de vereerde vader toe, recht -verheugd dat de resident zichzelven geantwoord had. - -»Maar resident...” vroeg hij aarzelend toen mijnheer Stevens de kamer -reeds bijna verlaten had, »twee dagen, ik geef u in bedenking... -dat...” - -»Ja, man! Ik weet wel dat men bij gelegenheden als deze, doorgaans bij -acht of veertien dagen zweert, maar wij hebben vandaag Maandag en -Vrijdag moet ik weer in mijn residentie zijn, wat kan ik daaraan doen?” - -De resident lachte zeer vriendelijk, reikte mijnheer Van Amerongen de -hand en stapte in zijn rijtuig. - -»Tot Woensdag dus!” - -»Tot Woensdag resident.” - -Het rijtuig rolde weg. Koortsachtig vlug spoedde mijnheer Van Amerongen -zich naar de kamer zijner vrouw. - -»Nieuws! Groot nieuws Henriette,” riep hij, half buiten adem -binnenstuivende. »Louise, onze Louise,——residentsvrouw!—Stevens van -Langendijk, hier geweest!——Louise gevraagd!” - -Hij stikte haast in de blijde boodschap. Henriette begreep maar half. -»Wat bedoelt gij?” vroeg zij zacht, terwijl haar hart bonsde alsof het -van elkaar zou springen. - -»Louise!—Resident Stevens van Langendijk heeft Louise ten huwelijk -gevraagd!” - -Mevrouw antwoordde niets. Zij wierp zich in zijn armen en zag hem, door -haar tranen heen, zoo verheugd, zoo dankbaar aan, alsof het zijn schuld -was dat een resident verliefd op hun dochter was geworden. - -»Waar is Louise?” - -»In den tuin, met Marie.” - -Mijnheer Van Amerongen klapte in de handen, floot, riep Drono, Saït, -Bonsoe, Siedin, en maakte zooveel lawaai dat de jongens uit alle hoeken -van het huis gelijktijdig de kamer kwamen binnenstormen. - -»Nonna Louise?” - -Allen zwegen. - -»Ik weet niet waar de nonna is,” antwoordde eindelijk de moedigste van -allen. - -»Zoek haar en zeg haar dat ik de nonna oogenblikkelijk wensch te -spreken.” - -De woordjes wij en ons worden op Java zelden gebezigd, doorgaans hoort -men echtgenooten spreken van mijn huis, mijn wagen, mijn kind, alsof zij -ieder afzonderlijke huizen, wagens en kinderen hadden. - -Louise en Marie zaten onder een grooten boom achter in den tuin te -spelen met het aangekleede Keesje, dat alle moeite deed om een doekoe -machtig te worden, welke vrucht de meisjes aan een koord door het gras -trokken. - -Zij ontstelden niet weinig op het gezicht van den zwerm bedienden die -in allerijl op haar af kwam. - -»Wat moet gij?” vroeg Louise opspringende. »Is er een ongeluk -gebeurd?—Spreek!” - -»Neen, niets nonna. Mijnheer wenscht de nonna oogenblikkelijk te -spreken.” - -»Is het anders niet,” riep zij lachend, en, haar zakdoek boven haar -hoofd houdende bij wijze van parasol, liep zij zoo hard als zij kon -naar binnen. - -Mijnheer Van Amerongen ving haar in zijn armen op. - -»Goed, lief, gelukkig kind!” riep hij met tranen in de oogen. Ook -mevrouw omhelsde haar, drukte haar aan haar hart en riep: »Goede, -lieve, beste Louise!” - -En Louise, verstomd over dezen plotselingen aanval van ouderliefde, -sloeg angstig haar oogen neder en was bang zonder zelve te weten -waarvoor. - -»Maar begrijpt gij het dan niet?” vroeg mijnheer Van Amerongen -eindelijk, toen de eerste uitboezemingen van geluk voorbij waren. - -»Ik begrijp niets—volstrekt niets,” antwoordde Louise half fluisterend. - -»En gij zelve hebt hem ontvangen, zoo even....” - -»Wie? Wie heb ik ontvangen?” - -»Maar den resident!” - -»O! den resident! Ja, dien ben ik toevallig tegen het lijf geloopen -toen ik den aap nazat,” antwoordde het meisje meer gerustgesteld. - -»Toevallig?—En wat heeft hij u al zoo verteld, klein ding?—Ja, dal zult -gij ons niet zeggen, hè? Hij houdt maar wat veel van u die -resident....” - -»De resident?” herhaalde Louise, weder geheel tot haar vorige verbazing -terugkeerende. »Ik heb haast niet met hem gesproken—ik heb hem een -stoel aangeboden—dat is al—toen ben ik u gaan roepen. Ik was niet -gekleed—ik schaamde mij dood, om met loshangend haar....” - -»Kom, kom, allemaal gekheid, als gij zijn vrouw zult zijn, zal hij u -nog wel eens meer met loshangend haar zien....” - -»Ik!” riep Louise, geheel buiten zichzelven van verwondering. - -»Ja, gij! gij, mijne Louise, gij mevrouw Stevens van Langendijk! Gij, -de vrouw van den resident van A. Gij de eerste dame van de plaats, zoo -jong als gij zijt. De rijkste, de schoonste, de eerste van allen! Hadt -gij u ooit een dergelijk geluk durven droomen?” - -Louise antwoordde niet. - -Mevrouw Van Amerongen vatte haar zacht bij de hand en trok haar naast -zich op een bank. - -»Wat hebt ge Louise?” vroeg zij vriendelijk. - -»Ik wil de vrouw van den resident niet worden!” riep het meisje met een -koortsgloed op de wangen en een flikkering van toorn in de oogen. »Ik -ben bang voor dien man!” vervolgde zij zachter, zich weenend in de -armen harer moeder werpende. - -Een diepe stilte volgde. - -Mijnheer Van Amerongen gaf zijn vrouw een wenk, dien deze met een -toestemmend hoofdknikje beantwoordde en daarop verliet hij de kamer. - -»Kom Louise,” hernam mevrouw, zoodra zij zich met haar dochter alleen -bevond, »kom kind, gedraag u nu eens als een verstandig meisje en droog -die tranen af. Zeg mij nu kalm wat u op het hart ligt, uw vader is weg -en voor mij behoeft gij toch geen geheimen te hebben. Gij weet wel dat -uw ouders niets dan uw geluk verlangen, en wanneer gij een gegronde -reden hebt om den resident uw hand te weigeren, dan zullen wij u immers -ook niet dwingen tot een huwelijk dat u ongelukkig zou maken.” - -»O ongelukkig maakt het mij zeker... en hem er bij!” riep Louise -hartstochtelijk, terwijl zij van de bank op en naar het venster vloog. -Haar moeder volgde haar. - -»Hebt gij iets tegen den resident?” vroeg zij zacht. - -»Heeft mijn vader u ten huwelijk gevraagd, evenals de resident mij?” - -»Hoe meent gij dat, mijn kind?” - -»Ha, ik zie het al! Gij zoudt hem bedankt hebben, zoo hij zich buiten -uw voorkennis tot uw ouders had gewend,... u als koopwaar had -behandeld. Als een paard verkocht—weggegeven als een hond, zonder...” - -»Louise, Louise, bedaar toch mijn kind.—Gij moet niet vergeten dat uw -ouders eenvoudige burgerlieden waren, terwijl de resident een man van -de wereld is, en dat men in de groote wereld de toestemming der ouders -hebben moet, eer men een meisje met zijn liefde bekend mag maken.” - -Louise zag haar moeder zwijgend aan. - -»Hebt gij anders niets tegen den resident?” - -»Ik weet niet wat ik tegen hem heb,” antwoordde het meisje somber, -»maar ik weet wel dat ik zijn vrouw niet worden wil.” - -»Wil ik u zeggen wat gij tegen hem hebt, Louise? Gij zijt verwend, gij -zijt bedorven door al die loszinnige jonge heertjes, die u steeds met -hun complimenten en hofmakerijen vervolgen en u van liefde en -huwelijken spreken, alsof gij geen ouders in de wereld hadt....” - -Louise glimlachte, maar weerstond den blik harer moeder, en antwoordde -kalm: »En wat hebben zij er bij gewonnen, denkt gij? Niets, dan dat ik -mij door hen op mijn wenken laat bedienen,—verder sla ik geen acht op -hen.” - -Mevrouw Van Amerongen was heimelijk recht gelukkig over de bekentenis -harer dochter. Toch riep zij: »Foei Louise! En omdat gij zooveel mannen -aangetroffen hebt, die laag genoeg waren om zich als uw knechts te -laten gebruiken, daarom weigert gij de hand van den eerste, den eenigen -man die zijn eigenwaarde gevoelt en de uwe eerbiedigt; die u niet -alleen lief heeft, maar ook genoeg acht, om zich jegens u geheel te -gedragen zooals de man zich in de groote wereld jegens een vrouw van -aanzien gedragen moet?” - -Louise bloosde licht. »Mogelijk heb ik den resident niet goed -beoordeeld,” zeide zij; »maar ook, al was hij de beste, de volmaaktste -man op aarde, dan nog zou ik bang voor hem wezen, dan nog zou ik zeggen -dat ik nooit zijn vrouw wil worden!” - -»Wat zijt gij toch nog kinderachtig!” - -»Veel te kinderachtig voor een residentsvrouw,” antwoordde Louise, die -gevoelde dat zij veld begon te winnen. - -»Nu, ga maar weder spelen, ik zal aan uw vader zeggen, dat hij nog wat -geduld met u hebben moet, dat gij nog wat wachten wilt. Bedenk u -intusschen goed: als gij mijn raad op wildet volgen, zoudt gij den -resident zoo spoedig mogelijk aannemen, en niet het geluk van geheel uw -leven verwerpen in een vlaag van opgewondenheid en drift, waarover gij -later berouw zult hebben.” - -Louise ging schoorvoetend heen. - -»Laat Marie van het voorgevallene niets weten,” riep mevrouw haar na, -»en bedenk u goed!” - - - - - - - - -TIENDE HOOFDSTUK - -VADER EN DOCHTER - - -Den volgenden morgen, dadelijk na het ontbijt, moest Louise mijnheer -Van Amerongen naar zijn kamer volgen. - -»Ik hoop dat gij u bedacht hebt, mijn dochter,” begon hij op een hoogst -plechtigen toon, »en dat gij u heden wat minder dwaas en kinderachtig -zult aanstellen dan gij gisteren gedaan hebt. Gij moet doordrongen -wezen van het denkbeeld dat uw ouders u innig lief hebben, en dat zij -dus niets van u verlangen dat strijdig met uw belangen en met uw plicht -zou wezen. Ook moet gij weten dat de eerste plicht van kinderen jegens -hun ouders, gehoorzaamheid is, en dat er geen grooter zonde denkbaar is -dan die van ondankbaarheid jegens de personen die de Voorzienigheid -zelve als leidslieden aan uw zijde heeft geplaatst. Gij zijt nu, dunkt -mij, oud en wijs genoeg om dit zelve te beseffen.” - -Mijnheer Van Amerongen zweeg een oogenblik, maar Louise zeide niets. - -»Deze punten dus afgehandeld zijnde,” hernam hij, »verzoek ik u, ook -namens uw moeder, den resident zonder verder tegenstreven uw hand te -schenken en hem morgen, als uw aanstaanden echtgenoot, vriendelijk en -hartelijk te ontvangen.” - -Weer wachtte hij. Louise bleef nog altijd zwijgen. - -»En wilt gij dit niet,” vervolgde hij gestreng, haar stilzwijgen als -tegenspraak opvattende, »moet ik u, hetgeen ik niet hoop, als een -onwaardige dochter leeren kennen, voor wie de dierbaarste wenschen -harer ouders niets beteekenen, moet ik u de goede, verstandige -raadgevingen uwer moeder met onverschilligheid in den wind zien slaan, -en de schoonste droomen uws vaders met ondank en tinkas [14] zien -beantwoorden, welnu dan zal ik genoodzaakt zijn om mijn toevlucht tot -het uiterste te nemen, en u geen gehoorzaamheid meer te vragen, maar te -gebieden.” - -Nauwlijks had mijnheer Van Amerongen deze laatste woorden uitgesproken -of Louise sloeg haar vonkelende, zwarte oogen met een vreemde -uitdrukking van smart en kracht naar hem op. - -»Ik zal gehoorzamen,” sprak zij besloten, en na eenige oogenblikken -zwijgens, vervolgde zij met vuur: - -»Onthoud het wel, vader, dat gij het geweest zijt die dit huwelijk -gewild hebt... En zal die man zich eenmaal ongelukkig gevoelen, wijt -het dan niet aan mij maar aan u zelven.” - -»Schaam u Louise! Wat heeft die man u misdaan? Hij biedt u zijn hand en -zijn leven aan, en daarvoor belooft gij hem ongelukkig...” - -Louise’s oogen schoten vol tranen, en, haar vader verontwaardigd in de -reden vallende, hernam zij: - -»Ik zal hem niet opzettelijk ongelukkig maken... maar...” - -»Maar?” - -»Ik weet het niet!” Zij boog het hoofd, en zweeg. - -»Weet gij het niet?.... Kom, geef mij maar een zoen en zeg aan uw -moeder dat wij overmorgen feest zullen vieren. Hier hebt gij eenige -invitatiebriefjes; vraag verder zelve wie gij vragen wilt, en gedraag u -voortaan als een verstandig mensch.” - -Voor het eerst van haar leven nam Louise de invitatiebriefjes haars -vaders met onverschilligheid aan. Zij begreep zelve niet, hoe zij op -eens zóo veranderd was. - -»Wat heb ik toch?” dacht zij bij zichzelve. »Iedereen is goed en lief -voor mij, en toch zou ik den ganschen dag wel kunnen schreien.—Nog -nooit heb ik mij verveeld en nu verveelt mij alles... zelfs....” haar -oog viel op de briefjes welke zij pas weer als een blijk van liefde -ontvangen had. Zij beschuldigde zich zelve van wispelturigheid en -ondankbaarheid, wischte beschaamd haar tranen af en begaf zich zoo -vroolijk mogelijk naar haar moeder om deze met de heugelijke tijding -van het op handen zijnde feest bekend te maken. - -Het arme kind gevoelde diep, maar had geen begrip van hetgeen zij -gevoelde. Zij had haar ouders gehoorzaamheid beloofd, en, ofschoon zij -dit als haar plicht beschouwde, zoo gevoelde zij toch dat zij anders -had moeten handelen dan zij gedaan had. Maar hoe?... Zij dacht er den -ganschen dag en den halven nacht over na, maar toen den volgenden -morgen de zon weer vroolijk in haar kamer scheen en de gelukkige -vogelen hun vrijheidslied ten hemel zonden, was zij nog even ver als -van te voren—zij wist het niet! - - - - - - - - -ELFDE HOOFDSTUK - -HET JAWOORD - - -Wie een jaar of twintig geleden op Java geweest is, zal zich herinneren -hoe onbeschrijfelijk druk een huisvrouw het had, wanneer zij menschen -verwachtte. [15] Nergens was een kok, nergens een banketbakker te -vinden, bij wien zij voor geld of goede woorden een diner, souper of -collation bestellen kon. Op de blikjes, de ingelegde vruchten en eenige -soorten van gebakken na, moest alles, van de soep af tot het geringste -geleitje toe, in huis vervaardigd worden, en daar kokkie en toekan -passar [16] cum suis wel een gewonen daagschen pot [17] konden kooken, -maar weinig of geen verstand hadden van de uitheemsche gerechten, die -bij feesten verlangd werden, zoo kwam de grootste zorg en moeite op -Mevrouw en, zoo zij ze had, op haar vriendinnen neder. Daarbij kwamen -nog de kleedjes [18] der geheele familie (en dit zegt wat wanneer er -veel dochters zijn), die door mevrouw geknipt en geregen en daarna door -de meiden genaaid moesten worden. En het naloopen der bedienden, die -gelukkig zijn wanneer zij in een hoek »gedjonkokt” (gehurkt) op hun -gemak een pruimpje sirie kunnen kauwen. En het rangschikken der -plaatsen, het gereedzetten van het dessert, het schikken der bloemen en -duizend andere kleinigheden meer, die de oppervlakkige beschouwer niet -telt, maar waar het arme hoofd der huisvrouw dikwijls letterlijk van -omliep! - -Het was dus Woensdagmorgen, en de klok had nog geen acht geslagen, toen -de halve pandopo [19] reeds vol stond met hooge aarden komforen, -waarbij inlandsche vrouwen zaten te kiepas-kiepas [20] om het vuur aan -te houden. - -Mevrouw Van Amerongen was aan het kneeden van deeg, en Louise en Marie -stonden gekookte agar-agar door een doekje te zeven. - -»Ben je niet blij?” fluisterde Marie. - -»Hm—m.” - -»Een resident!” - -»Moet de agar-agar bij de rum, mama?” vroeg Louise. - -»Ja kind—neen, wacht even, geef mij—ik zal dat doen.” - -»Wat doe je morgen aan?” - -»Hm—dat weet ik niet.” - -»Ja, Allah! hoor haar toch eens, mevrouw! Zij weet niet wat zij morgen -aan zal doen!” - -»Zwijg toch Marie! Ik dacht aan wat anders.—Ik heb een wit kleedje van -papa gekregen.” - -Mevrouw Van Amerongen had ook aan iets anders gedacht, haar deeg had -haar verhinderd het gesprek der meisjes te hooren. - -»Tule of tarlatan?” - -»Satijn.” - -»Satijn!!! Mijn hemel hoe mooi!” - -»Geef mij nu de agar-agar,” riep mevrouw. - -»Komen de muzikanten, Louise?” - -»Ik weet het niet.” - -»Ja, tobat! Nu wordt het toch al te erg! Weet gij niet of er morgen -gedanst zal worden?” - -»Neen, ik heb het vergeten te vragen.” - -»Maar Louise?” vroeg Marie, met een schalksch lachje, »is het de -resident die u zoo vergeetachtig maakt?” - -Louise wierp een lepel op den grond en raapte dien weer op. - -»Wilt gij dansen, ga dan maar zelve naar papa, om het te vragen,” zeide -zij, een bord met boter opnemende en het een eind verder weer neer -zettende. - -Marie sloeg haar vriendin opmerkzaam gade. »Wat heeft zij toch?” dacht -zij bij zichzelve, »zij is zóo strak, zoo afgetrokken, zoo -onverschillig.... Aha! zou dat het zijn? Wacht.... Louise!” fluisterde -zij zacht, »kan de resident niet dansen? En moogt gij het daarom ook -niet doen? Moet gij nu reeds deftig wezen?” - -Louise zag verontwaardigd op, zij gevoelde zich gekrenkt door Marie’s -veronderstellingen. - -»Wat!” zeide zij, »de resident! Gij weet immers dat hij mij nog niet -eens gesproken heeft. En buitendien, zoolang ik zijn vrouw niet ben, -ben ik vrij, en heeft hij niets over mij te zeggen!” - -»Chut! chut! Louise! Wat zijn dat voor woorden?” riep mevrouw Van -Amerongen op eens. Louise had niet aan de tegenwoordigheid harer moeder -gedacht, maar nu deze toch eenmaal haar woorden gehoord had, gaf zij -zich de moeite niet van ze weder in te trekken. - -»Waar spraakt gij over?” vroeg mevrouw Van Amerongen al kneedende. - -»Och! over de partij van morgen. Marie dacht dat de resident niet -dansen kon, en het mij daarom ook niet toe zou staan.” - -»Hoe komt gij daar aan?” - -Louise schoof het bord met boter nog wat verder weg en zei: »Marie -vroeg of er gedanst zou worden.” - -»Dit zal geheel van u afhangen. Zoo gij de muzikanten hebben wilt, moet -gij maar zelve aan papa vragen of hij ze bestelt.” - -»Willen wij het samen gaan vragen?” fluisterde Marie, die in haar hart -reeds danste. - -»Het is mij wel.... als gij het woord doet.” - -»O! dat heb ik er gaarne voor over.” - -»Spreek toch niet meer over den resident, wat ik je bidden mag, Marie,” -begon Louise zoodra zij zich aan het oog harer moeder onttrokken had. -»Papa en mama zijn zoo verschrikkelijk met hem ingenomen....” - -»En gij?” - -»O! ik ook... natuurlijk,” antwoordde zij koel, »maar ik heb hem pas -twee keer gezien.” - -»Ja? Is het geen gek gevoel om met zoo’n wild vreemden man geëngageerd -te zijn?—Mij dunkt, ik zou in uw plaats niet weten hoe ik mij houden -moest tegenover hem.” - -»Ik geloof dat ik dat ook niet weet. Och! Als ik maar niet alleen met -hem behoef te wezen, dan kan het mij niet schelen. Hier is papa, gij -doet het woord hoor,—ik wil niet om de muzikanten vragen.” - -Marie deed het woord en mijnheer Van Amerongen beloofde dat er gedanst -zou worden. Uit dankbaarheid vloog Marie hem om den hals en liet Louise -zich een zoen welgevallen, juist op het oogenblik dat een der jongens -[21] binnentrad met de woorden: - -»Toewan resident.” - -De meisjes wilden vluchten, maar mijnheer Van Amerongen greep zijn -dochter bij den arm en beval haar te blijven. Marie was de deur reeds -uit, toen een wanhopige blik van Louise haar zóo dringend smeekte om -terug te keeren, dat zij zich weder aan haar zijde plaatste. - -Mijnheer Van Amerongen, die den resident eenige schreden tegemoet was -gegaan, kwam hand in hand met hem terug. »Mijn dochter,” zeide hij met -een onderdanig lachje, »bevond zich juist hier toen gij u liet -aandienen, en daar zij zich gelukkig acht u in persoon mede te deelen -hoezeer zij zich vereerd....” - -»Het is dus geklonken?” viel de resident hem in de rede, een -hartstochtelijken blik op Louise werpende. - -»Het is geklonken! mijn waarde aanstaande schoonzoon!” - -De resident wilde zijn arm om Louise’s hals slaan en de verloving -terstond met een kus beginnen, doch Louise trok zich terug en boog -onder den arm van den resident door. - -»Hoe is het?—Vriend of vijand?—Hoe staan de zaken eigenlijk?” - -»Goed, uitmuntend!” riep mijnheer Van Amerongen, na zijn dochter een -woedenden blik toegeworpen te hebben. »Louise is wat bloode—dat zal er -later wel uitgaan. Ze is ook nog zoo jong,” voegde hij er -verontschuldigend bij. - -»Dat is waar,” stemde de resident lachend toe. »De hand dan maar -Louise, omdat je nog niet aan me gewoon bent! Later zal die blooheid -wel slijten.” - -Louise sloeg de oogen neder en reikte den resident haar hand, die hij -gretig aannam en aan zijn lippen bracht. Louise had het wel willen -uitschreeuwen van pijn. Nog nooit had iemand haar zoo ruw een hand -gegeven. - -»Resident!” riep zij zacht. - -»Stevens, als je blieft, mijn schoone Louise.” - -»A propos, Stevens blijf je déjeuneeren van daag?” - -»Het spijt mij verduiveld,” antwoordde de resident, met een blik op -Louise, »maar ik heb den overste mijn woord gegeven en daar kan ik -moeilijk af.” - -»Dat spijt mij ook, maar dan kom je toch van avond?” - -»Helaas, neen. Voor van avond heb ik reeds vier dagen geleden een -invitatie bij mijn vriend Van Bliesten aangenomen.” - -»Resident?” vroeg Louise zacht, na verscheidene vergeefsche pogingen -gedaan te hebben om haar hand uit de zijne los te wringen. - -»Maar morgenavond zijt gij dan toch vrij, dat weet ik, en daarom hebben -wij eenige menschen gevraagd....” - -»God in den hemel! Alweer een feest!” riep de resident, op eens -Louise’s hand loslatende. »Gij zult toch geen omslag maken, hoop ik? Ik -had, om je de waarheid te zeggen, veel liever een avond en famille bij -je doorgebracht.” - -»Resident,” begon Louise weder, »Mama wacht mij, u neemt niet -kwalijk....” en met een neiging was zij verdwenen eer de resident nog -tijd tot antwoorden had. - -Marie volgde uit louter verwondering haar voorbeeld en liep haar na. - -»Louise! Och, Louise!” riep zij geheel buiten adem, »wacht toch even op -mij!” - -Maar Louise snelde voort tot in haar kamer, dáar wierp zij zich op de -sofa, wachtte lachend Marie af en vroeg haar kalm: »Nu, wat zeg je van -die eerste ontmoeting in ons engagement?” - -»Niets,” antwoordde Marie, haar vriendin scherp aanziende, »ik zeg -niets, om niet te veel te zeggen.” - -»O! geneer je niet, ge kunt gerust alles zeggen wat u goed dunkt; het -kan zóo slecht niet wezen of ik kan er tegen, dit weet gij van ouds.” - -»Ja, maar gij zijt nu niet meer zooals gij vroeger waart... Ik moet u -guluit bekennen dat ik u van daag niet meer ken—en dat spijt mij, -Louise.... Van klein af hebben wij als zusters met elkander omgegaan, -nooit heb ik een enkele gedachte voor u verborgen gehouden, ook gij -zijt altijd oprecht en openhartig in uw vriendschap geweest.... en nu -is het mij op eens alsof wij elkander geheel vreemd zijn geworden.... -Hoe komt dat Louise?” - -Louise trok even de schouders op terwijl zij Marie met verbazing bleef -aanstaren. - -»Hoe kunt gij dat alles zoo uitleggen?” vroeg zij zacht. »Ik gevoel dat -gij gelijk hebt, maar ik had het nooit kunnen zeggen. Ik weet niet wat -ik sedert eergisteren heb. Maar wacht even, ik zal de deur sluiten, dan -kan niemand ons beluisteren. Zoo, nu zijn wij vrij.” - -»Marie!... weet jij wat liefde is?” - -»Ik heb er dikwijls over gelezen, en er Henri over hooren spreken, maar -meer weet ik er niet van.” - -»Ik ook niet.” - -»Wat bliefje?” - -»Hm?” - -»Wat zegt gij daar?” - -»Ik?—Ik weet niets—niets.” - -»Weet gij niet wat liefde is, Louise? En waarom hebt gij u dan -geëngageerd?—Waarom wilt gij de vrouw van den resident worden, indien -gij hem niet lief hebt? Gij, die altijd zeidet: »Ik trouw nooit, als ik -geen man vind dien ik lief kan hebben meer dan alle roem en eer, meer -dan alle schatten der aarde, meer dan mijn ouders, bloedverwanten, -vrienden, meer dan mij zelve...”” - -»Gekheid!—Zulke liefde bestaat niet... En bestaat zij al, welnu, dan -zal ze zeker niet voor mij zijn weggelegd. Ik ben rijk, de resident -heeft een hooge betrekking—hij zegt veel van mij te houden en ik heb -niets tegen hem—er bestaat dus geen enkele reden waarom wij te zamen -niet gelukkig zouden zijn.” - -»Heeft uw vader u dit gezegd?” vroeg Marie verwijtend, »of hecht gij -inderdaad zóoveel waarde aan den rang en aan de liefde van den -resident, dat gij hem daarvoor uw fortuin en geheel uw leven geven -wilt?—Hebt gij......” - -Louise legde haar hand op den mond harer vriendin. - -»Luister Marie,” sprak zij ernstig, »veroordeel mij niet... Ik zal u -alles zeggen, maar spreek er met niemand over, vooral niet met Henri. -Toen gij eergisterenmorgen den resident gezien hebt, is hij bij Papa -geweest om mij ten huwelijk te vragen, vandaag moest hij antwoord -hebben en overmorgen gaat hij naar zijn residentie terug, veertien -dagen daarna komt hij weer hier, zoo mogelijk, met een maand verlof, -dan kunnen wij, getrouwd zijnde, nog een dag of acht te Batavia -doorbrengen alvorens voor goed naar A. te gaan.” - -»Maar Louise!” riep Marie met wijd opengespalkte oogen. - -»Dit is vlug, niet waar?” vroeg Louise met een zonderlingen lach. -»Welnu, eergisteren kende ik al deze besluiten over mijn toekomst -reeds—en zoo even heb ik den resident voor het eerst gesproken. Alles -is dus buiten mij om gegaan. Begrijpt gij nu waarom ik, ook zonder -liefde, de vrouw van den Resident zal worden?” - -»Uw ouders dwingen u!” - -»Dwingen is het woord niet. Maar aangezien mijn ouders reden schijnen -te hebben om bijzonder op dit huwelijk gesteld te zijn en ik eigenlijk -geen reden heb om er tegen te wezen, zoo....” - -»Maar mijn beste Louise, zoo gij later eens meer van een ander gingt -houden dan van den resident..... Alle dingen zijn mogelijk——wie weet -welke mannen gij nog in uw leven ontmoeten zult en hoe....” - -»Ja, dáar heb ik ook reeds aan gedacht,” antwoordde Louise met een -bedenkelijk hoofdknikje, »maar indien de resident goed voor mij is, -waarom zou ik dan meer van een ander gaan houden?” - -»Ik weet het niet.... Henri spreekt altijd van liefde als over iets dat -u zoo maar aan komt waaien, zonder dat gij het zelf helpen kunt.... en -mij dunkt ik voel dat zoo iets mogelijk is.” - -»O! spreek mij niet van gevoelen. Ik weet niet wat ik tegenwoordig -gevoel. Mijn hoofd gloeit tusschenbeide alsof er vuur in zit. En mijn -hart? Mijn arm hart bonst alsof het uit elkaar zal springen. Dan heb ik -koorts, dan beef ik, dan is het alsof mijn spieren tintelen, alsof het -bloed in mijn aderen kookt, dan ben ik zoo sterk, zoo woedend dat ik, -geloof ik, den resident verscheuren zou indien ik hem....” - -»Mijn God! Louise!” - -»Het is niets: een oogenblik later ben ik weer kalm en dan eindigt -alles in een tranenvloed.... Ik ben zeer veranderd niet waar?” -vervolgde zij, haar vriendin met een weemoedigen lach de hand reikende. -»Maar ik kan het niet helpen, Marie—ik lijd er zelve het meest -onder—geloof mij!” - -»O! Ik geloof u, lieve, beste Louise,” riep Marie, zich weenend in hare -armen werpende. »Ach kon ik iets voor u doen! kon ik...” - -»Neen, Marie, gij kunt niets voor mij doen. Gij kunt niet beletten dat -mijn karakter verandert, evenmin als ik er zelve iets tegen doen kan. -Ik heb nooit tot de kalmsten behoord,” vervolgde zij met een glimlach, -»ik ben nu wat meer opgewonden dan naar gewoonte: dat is al, het heeft -niets te beteekenen, volstrekt niets. Ik kan mij beheerschen, als het -noodig is.—Kom, ween nu toch niet. Ik ben immers gelukkig—en ik zal nog -gelukkiger worden.—Njonja resident! Met een gouden pajong [22] toeren! -Ik zal de eerste dame van A. zijn. Alle hooggeplaatste personen zullen, -te A. komende, bij mij logeeren! Ik zal alles hebben wat ik slechts -verlangen kan! De fraaiste rijtuigen, de beste paarden! O, gij weet -niet hoeveel ik van paarden houd! En apen, katten, honden, vogels! -Koeien wil ik ook houden! En schapen! En geiten moet ik hebben! O, -jonge geitjes! Kijk, dat zijn engeltjes! Nu, de resident mag wel -oppassen dat ik zijn geheele residentie niet in een menagerie -herschep.” - -Marie lachte door haar tranen heen, toch begreep zij wel dat Louise zoo -gelukkig niet was als zij wel schijnen wilde. - -Eenige oogenblikken nog bleven de beide meisjes zwijgen, toen stelde -Louise voor om naar de pondopo terug te keeren en mevrouw Van Amerongen -verder te gaan helpen aan de toebereidselen voor het feest. - -Marie bleef den ganschen dag stil en afgetrokken. Zij deed al wat er te -doen was als in een droom en handelde omdat er gehandeld moest worden, -zonder zelve recht te weten hoe. Al haar gedachten waren met Louise -bezig. Zij verstond de vriendin harer kindschheid niet meer, en toch -wilde zij weten wat er in die half gesloten ziel omging. Zij gevoelde -dat er iets aan het geluk van Louise ontbrak en kon niet uitvinden wat. -Louise zou, wel is waar, in het huwelijk treden met een man dien zij -geen eigenlijke liefde toedroeg, maar die man beminde haar en zij had -niets tegen hem, terwijl haar ouders dit huwelijk verlangden, wat kon -zij dus beter doen dan haar hand te schenken aan hem, die haar een goed -standpunt in de maatschappij en een gelukkig, zorgeloos leven -beloofde?—Marie vond dat Louise goed handelde, en het speet haar dat -zij dit erkennen moest. - -Louise scheen niets van de afgetrokkenheid harer vriendin te bemerken; -zij wijdde haar aandacht geheel aan de gebakken die aan haar zorg waren -toevertrouwd en was, als zij een oogenblik niets te doen had, vroolijk -en spraakzaam als altijd. Zij spotte met alles, sprak als mevrouw D., -liep als mijnheer G., danste als de jonge Z. en dreef haar -uitgelatenheid zelfs zoo ver dat zij groette als de resident. Hij had -het eens moeten zien, de groote Heer, hoe zijn stijve buiging van dien -zekeren avond in een bespottelijk daglicht werd gesteld. Hij had Louise -eens moeten zien, zooals zij dáar stond met een taartenschotel voor -hoed in de hand, het lichaam in tweeën gebogen, het hoofd zooveel -mogelijk omhoog en de armen naar achteren, terwijl zij lachend vroeg: -»Wie heeft mij zóo gegroet, Marie?” En toen Marie niet dadelijk -antwoordde, greep zij haar bij de hand, kneep haar zoo hard zij kon en -vervolgde: »De hand dan maar Louise, omdat je nog niet aan me gewoon -bent. Later zal die blooheid wel slijten!” - -»Foei, Louise!” riep Marie, »gij spot ook met alles en ontziet -niemand.” - -»Let op morgenavond,” vervolgde Louise weder, »dan moet hij het bal met -mij openen, daar zit geen lieve moeder op! Of hij dansen kan of niet, -de eerste dans moet ik van hem hebben! En of hij vóor of achterover -buigt, dat kan mij niet schelen, maar dansen zal hij! En galoppeeren -nog al! Ik zal wel zorgen dat wij met een heerlijk vliegenden galop -beginnen. En dan zult gij eens zien hoe trotsch ik u allen aan den arm -van mijn resident voorbij zal zweven, in mijn nieuw satijnen kleed! O -ja, ’t is waar ook, gij hebt mijn nieuw kleedje nog niet eens gezien. -Kom maar mee, de meiden zitten er drok aan te naaien.—Hier in de -kleedkamer van mama. Nu, ga maar binnen, geneer je niet.—Kijk! Wel wat -zeg je er van? Mooi hè? Het wit satijnen kleed alleen kost honderd twee -en dertig gulden, wat de tulle kost weet ik niet. Hier heb je de -bouquet voor de berthe, dit is om den rok mee te garneeren en hier heb -je mijn hartelijk geliefd coiffuurtje! Neen, maar kijk dan toch! Gij -staart zoolang op hetzelfde! Kijk dan toch hier, mijn heerlijke krans -rozenknopjes met dauwdroppen er op, is het niet beelderig?” - -»Beelderig,” herhaalde Marie, en verstomd over het toilet harer -vriendin, vervolgde zij aarzelend: - -»Maar, Louise, wit satijn met tulle?....” - -»Het is wat oud voor mij, wilt gij zeggen, niet waar? Dat vond mama ook -toen papa het gisteren te huis zond, maar nu ik geëngageerd ben, ziet -gij—dat veroudert....” - -»Dat veroudert?” - -»Zeker.” - -»Het is waar. Gij zijt nu niet meer de vijftienjarige Louise van -Amerongen, maar de aanstaande echtgenoote van een resident,” antwoordde -Marie bitter. - -»En voor de aanstaande echtgenoote van een resident is niets te oud, -niet waar?” vroeg Louise lachend. »Mijn eerste aankoop in mijn huwelijk -zal dan ook een zwart fluweelen kleed zijn, met een langen sleep om met -gepaste statigheid den Gouverneur-Generaal te ontvangen, wanneer Zijn -Excellentie over eenige maanden bij mij te A. logeeren komt!” - - - - - - - - -TWAALFDE HOOFDSTUK - -HET VERLOVINGSFEEST - - -Den volgenden avond werd het bal door Louise van Amerongen en den -resident Stevens van Langendijk met een vliegenden galop geopend. De -resident vreesde wel eenigszins zijn waardigheid te compromiteeren door -dat onzinnig in de rondte springen, maar hij was te Samarang weinig -bekend en kon zich dus deze kleine uitspatting als de verloofde van -Samarangs roos bij deze bijzondere gelegenheid wel veroorlooven. Men -kon het hem aanzien dat hij de beste danser van het bal wilde zijn, hij -danste zonder ophouden voort, van de eerste noot der muziek af, tot den -laatste toe, en toen hij eindelijk genoodzaakt werd op te houden, waren -zijn eerste woorden: »Kijk nu, wij waren juist zoo goed aan den gang!” - -Dat was een stap nader tot den vrede. - -»Hij danst heerlijk!” fluisterde Louise eenige oogenblikken later Marie -in het oor. »Ik hoop dat hij nog om een dans zal komen; ik heb nog -nooit zoo’n goeden cavalier gehad.” - -Den volgenden dans, een quadrille, deed Louise met Henri van den Berg. -De resident en mevrouw Van Amerongen stonden tegenover hen. Henri had -gaarne wat verder uit de buurt harer moeder gestaan, ten einde van -Louise zelve te vernemen hoe zij over haar engagement en over haar -aanstaanden echtgenoot dacht, nu echter durfde hij naar niets te vragen -en Louise zeide niets. - -Toen eindelijk de dans geëindigd was en hij haar naar haar plaats terug -had geleid, vroeg hij aarzelend: »Zoo gij nog geen cavalier voor het -souper hebt aangenomen Louise, mag ik dan het genoegen hebben van u aan -tafel te brengen?” - -Louise bedacht zich een oogenblik eer zij antwoordde. - -»Ja Henri, zooals gij weet ben ik sedert gisteren met resident Stevens -van Langendijk geëngageerd, zoo hij mij dus voor het souper komt -opeischen, kan ik uw vriendelijk aanbod niet aannemen, maar brengt hij -mama of een andere dame aan tafel dan wil ik gaarne uw buurvrouw zijn, -om nog eens over den ouden tijd te praten.” - -»Dus zijt gij dan toch werkelijk geëngageerd, Louise?” - -»Stellig, feliciteer mij maar.” - -»Van harte, kind, van ganscher harte! God geve dat gij gelukkig moogt -zijn, en dat gij in den resident moogt vinden, al wat gij u verhevens -en idealisch gedroomd hebt in uw leven!” - -»Dank je Henri.” - -Er lag iets droevigs in dat: »Dank je Henri” en in de wijze waarop zij -hem bij deze woorden de hand reikte. Ook Henri gevoelde dat zij niet -gelukkig was, maar evenals Marie dacht hij te vergeefs op een middel, -om haar hare vorige onbezorgde vroolijkheid weer te geven en haar van -een engagement te ontslaan, dat haar reeds nu ongelukkig scheen te -maken. Toch vroeg hij maar niets, daar hij wel wist dat Louise de -persoon niet was om te klagen en onnoodige confidences te doen. Hij -kende haar fieren, sterken geest beter dan iemand anders, hij wist -hoeveel fijn gevoel, hoeveel kracht, hoeveel geestdrift, dat schijnbaar -loszinnig, oppervlakkig kind bezat. Hij had Louise van klein af gekend -en bestudeerd en, daar hij vele jaren ouder was dan zij, had hij -gelegenheid gehad, om de geringste schakeeringen harer ziel, met het -geduld en de volharding eener innige genegenheid op te merken en te -doorgronden. Hij verstond dat weinig begrepen karakter, en hij beminde -schier afgodisch die krachtige, edele, poëtische vrouw met haar -onbezorgd, wispelturig, spelend kinderhart. - -Aan het souper zat Louise naast den resident, die haar aan tafel had -gebracht, en Henri aan het lagere einde der zaal, van waar hij haar -onafgebroken gadesloeg. - -Mijnheer Van Amerongen stond op, tikte tegen zijn glas en verzocht het -woord. Toen stelde hij zijn gasten voor, om op het geluk van zijn -dochter en op dat van zijn aanstaanden schoonzoon, resident Stevens van -Langendijk, hunne glazen te ledigen. - -Een luid »hoerah!” begroette zijn woorden, en werd door de muzikanten -met het »Wien Neerlandsch bloed” besloten. - -Daarop stond de resident op en beantwoordde naar behooren den toast -zijns aanstaanden schoonvaders. Nogmaals deed een vreugdekreet zich -hooren, weder klonk de krachtige muziek, en alles keerde terug tot de -gewone gonzende feestvreugde. - -Klokslag twee ving de dans weer aan, om voort te duren tot aan den -morgen. De opkomende zon vernietigde het armoedig licht der lampen door -haar trotsche gouden stralen en maakte een einde aan het kwijnend -feest, dat weder voor geruimen tijd stof zou opleveren voor de -belangrijke gesprekken van Samarangs groote wereld. - - - - - - - - -DERTIENDE HOOFDSTUK - -HET EERSTE GESPREK ZONDER GETUIGEN. - - -De heugelijke dag was eindelijk aangebroken, waarop Louise van -Amerongen en resident Stevens van Langendijk de eerste gelofte af -zouden leggen van levenslange gehechtheid en trouw. Het geheele huis -was groen gemaakt en met bloemen versierd, alle jongens en meiden -hadden hun beste kleeren aan, en mijnheer en mevrouw Van Amerongen, de -resident en eenige goede vrienden waren reeds in de binnengalerij -vereenigd. Louise alleen ontbrak nog. Zij was bezig de laatste hand aan -haar toilet te leggen, en toen zij gereed was riep zij Alima en Rosa -bij zich en zeide zacht: - -»Op mijn tienden verjaardag wilde mijne moeder mij een geschenk van -waarde geven, en zij gaf mij u. Gedurende zes jaar hebt gij beide mij -geholpen en verzorgd zooals mijne moeder dit van u verwacht had, daar -ben ik u dankbaar voor. Weldra zal ik het ouderlijk huis verlaten en -dan zal uw taak wat mij betreft volbracht zijn. Maar ik wil niet -vertrekken zonder u een klein blijk mijner erkentelijkheid te geven.... -Ziehier wat geld voor uw aanstaande huishouding.... en zie hier uw -vrijbrief.....” - -Louise’s stem en hand beefden toen zij haar oudste gezellinnen aldus -haar afscheid gaf. - -Rosa weende, terwijl zij het geld aannam en den vrijbrief op den grond -liet vallen. - -Alima kruiste de armen over de borst en sloeg de oogen neder. - -»Alima, zie hier uw vrijbrief,” herhaalde Louise nauw hoorbaar. - -»Ampon! [23] nonna!” riep de jonge slavin, zich aan haar voeten -werpende. »Wat heeft Alima misdaan dat zij de nonna niet langer dienen -mag?” - -»Gij hebt mij goed gediend, Alima, gij zijt altijd trouw en eerlijk -geweest en ik heb mij nooit over u te beklagen gehad, daarom wilde ik u -gelukkig zien....” - -»Ampon, nonna!” herhaalde Alima luid snikkend. - -Ook Louise weende, maar zij trachtte haar tranen te verbergen en liet -den vrijbrief vóor de knieën van Alima vallen. - -»De nonna zal niet boos zijn.... en Alima niet van ondankbaarheid -verdenken!” riep de jonge slavin het papier oprapende. »Alima is niet -geboren om vrij te zijn—Alima zou ongelukkig wezen alleen in die groote -wereld, indien zij aan niemand toebehoorde!” Toen scheurde zij haar -vrijbrief in stukken en vervolgde zachter: »Ook de nonna zou haar -missen in die verre, vreemde stad, waar niets haar het huis harer -moeder herinneren zal!” - -Toen Louise eenige oogenblikken later de galerij binnentrad, waar de -resident haar, met van bewondering vonkelende oogen tegemoet kwam, was -zij zoo onbewegelijk, zoo gevoelloos schoon, zouden wij bijna zeggen, -dat zelfs de resident zich als terug gestooten gevoelde. Een kouden -blik om zich heen werpende en achteloos de hand reikende aan hen die -haar omringden, was haar eerste vraag: »Waarom zijn Marie en Henri van -den Berg niet hier?” - -De resident greep haar hand en bracht die hartstochtelijk aan zijn -lippen. - -»Schoone, bekoorlijke Louise!” sprak hij zacht. - -Het meisje scheen hem noch te hooren, noch te zien, zij sloeg geen acht -op hem, maar herhaalde nogmaals: »Waar blijven Henri en Marie dan -toch?” - -Te vergeefs trachtte de resident haar aandacht tot zich te trekken en -haar »aan het spreken te krijgen”. Niets mocht hem baten. Het jonge -meisje wierp zich met een zucht op een leuningstoel neder en staarde -naar de deur, alsof daarbuiten alles was wat haar ziel kon boeien. - -Gelukkig voor hem had de resident te veel eigenliefde en te weinig -wantrouwen om aan jaloezie onderhevig te zijn, anders zou hij -ongetwijfeld geleden hebben onder Louise’s afgetrokkenheid. - -Mevrouw Van Amerongen, hoogst verlegen over de houding harer dochter, -zond ongemerkt een der jongens naar Van den Berg, om de juffrouw te -smeeken toch zoo spoedig mogelijk te komen. - -Een paar minuten later rolde een rijtuig het hek in, en traden mijnheer -Van den Berg, Marie en Henri binnen. - -Louise sprong op als door een elektrieken schok geraakt, liep den ouden -heer schier omver en wierp zich in de armen harer vriendin. - -»Eindelijk!” riep zij met een glimlach, zoo droevig, zoo lijdend, dat -hij Henri deed verbleeken en tranen in Marie’s zachte oogen riep. - -»Kom, nu kan ik teekenen,” vervolgde zij met een doffe, vaste stem. »Nu -heb ik al mijn vrienden om mij heen. Zoo gij wilt, resident?” - -De plechtigheid nam een aanvang en, toen zij statig en wel volbracht -was, had er een prachtig déjeuner plaats waarop het natuurlijk niet aan -toasten op het geluk van bruid en bruidegom ontbrak. - -Mijnheer en mevrouw Van Amerongen schenen recht gelukkig en -verheerlijkt met den hooggeplaatsten schoonzoon, dien zij met -onvermoeiden trots prôneerden. De meeste gasten waren stil, maar de -resident was uitgelaten vroolijk en de jonge bruid bleef afgetrokken en -zwijgend alsof zij zich geheel vreemd gevoelde aan hetgeen om haar heen -voorviel. Slechts nu en dan, wanneer zij haastig een blik op Henri of -Marie wierp, kwam er een sombere gloed in haar donker oog of een lichte -blos op haar bleeke wangen. - -Toen het déjeuner geëindigd was, brak er eindelijk een oogenblik van -vrijheid aan, waarin elk zijn weg ging en sprak met wien hem goed -dunkte. Ook Louise wilde van dat oogenblik gebruik maken en den -resident zacht op den arm tikkende, verzocht zij hem haar naar de -achtergalerij te volgen, waar zij ongestoord te zamen spreken konden. - -De resident was eenigszins verwonderd over deze avance, zooals hij het -noemde, en volgde haar nieuwsgierig. - -»Daar ik nu uw bruid ben,” begon zij, »zoo zal het mij mogelijk vergund -zijn u eindelijk een oogenblik zonder getuigen te spreken.” - -De resident begreep niet recht; maar, ook zonder te begrijpen, sloeg -hij zijn arm om de slanke leest zijner schoone bruid en drukte hij een -vurigen kus op haar ijskoud voorhoofd. Louise onderging zijn liefkozing -met een kalmte en een onverschilligheid alsof zij er sedert jaren aan -gewoon was geweest, en toch was dit de eerste kus haars verloofden. Hij -had heden eenig recht op haar verkregen, dit gevoelde zij, en daarom -liet zij nu toe, hetgeen zij hem tot dusver halsstarrig geweigerd had. - -»Stevens,” hernam zij weder, het was de eerste maal dat zij hem anders -noemde dan »resident,” en het kostte haar blijkbaar moeite den man, die -over een paar weken haar echtgenoot zou zijn, bij zijn naam te noemen. -»Stevens, binnen korten tijd zal ik uw vrouw zijn en nog nooit hebt gij -mij gevraagd of ik het wezen wilde.” - -De resident zette groote oogen op, maar glimlachte, als dacht hij bij -zichzelve: »Wat doet uw wil ter zake, kind?” - -»Ik heb u mijn hand toegezegd,” vervolgde zij, »omdat mijne moeder het -verlangde en mijn vader het mij beval.” - -Zij wachtte even, als om den resident tijd tot antwoorden te geven, -maar toen zij zag dat hij zwijgen bleef, hernam zij met meer vastheid: - -»Ik moet natuurlijk mijn ouders gehoorzamen, en daar ik niemand -bijzondere genegenheid toedraag, is het mij om het even aan wien mijn -ouders mij afstaan.” - -»Liefste, liefste Louise!” riep de resident opgetogen. »Nog nooit hebt -ge iemand lief gehad, zegt gij?” - -»Niemand, zelfs u niet, resident.” - -»Dat zal later wel komen als wij eenmaal getrouwd zullen zijn.” - -»Ik hoop het, voor u en voor mij,” antwoordde Louise kalm. »En mocht -het anders wezen, dan zal de resident zich herinneren dat zijn vrouw -hem gedwongen haar hand geschonken heeft.” - -»Maar ik zal alles doen om u gelukkig te maken, om u het leven te -veraangenamen, Louise, en wij zullen het minder aangename van vroeger -vergeten, niet waar?” - -Louise zeide niets. De resident vatte haar hand in de zijne en vroeg -met eenige onrust: - -»Haat gij mij, Louise?” - -»Gij zijt mij onverschillig.” - -Een lange stilte volgde. - -»Gij weet nu, wat ik meende dat gij vóor ons huwelijk weten moest,” -zeide zij eindelijk, »handel verder met mij naar goedvinden.” - -Er lag een wanhoop in haar onderwerping en een kracht in haar zwakheid, -die den resident onwillekeurig deden huiveren, doch weder viel zijn oog -op haar schoon en kalm gelaat en alles werd vergeten in een kus. - -Louise liet zich deze tweede liefkozing welgevallen als de eerste en -beantwoordde haar met de woorden: - -»Zoo gij er niets tegen hebt, resident, zullen wij naar het gezelschap -terugkeeren.” - - - - - - - - -VEERTIENDE HOOFDSTUK - -HOE BRUID EN BRUIDEGOM OVER ELKANDER DENKEN - - -Nauwlijks was de resident dien avond vertrokken of Louise begaf zich -naar haar kamer, ontkleedde zich schielijk, zond haar slavinnen weg en -wierp zich op haar geliefkoosden rotangstoel neder, om ongestoord te -kunnen nadenken over hetgeen er dien dag voorgevallen was. Twee malen -sprong zij op, liep met haastige schreden de kamer op en neer en ging -weder zitten. - -»Neen,” dacht zij bij zichzelve, »de resident moet zelf weten wat hem -te doen staat. Geeft hij mij mijn woord niet uit eigen beweging terug, -dan zal ik er hem ook niet meer om vragen. Hij weet dat hij er mij een -dienst door zou bewijzen, doet hij het dus niet dan toont hij genoeg -dat hij meer om zijn eigen trots geeft dan om mij.... Morgen -diner—overmorgen bal—na overmorgen thé dansant in de societeit, daarna -een bal bij den resident en een bij Van den Berg en dan nog kleine -partijen zonder ophouden in het verschiet....” - -Zij gaapte als een mensch van zestig jaar op het denkbeeld van al die -vermakelijkheden. - -»Maar hij zal het niet doen... welnu, dan word ik zijn vrouw... wat kan -het mij schelen?—Hij of een ander... hij is ten minste goedig, een -ander zou er mogelijk nog kwaad bij zijn. Hij trouwt mij omdat hij mij -mooi vindt, en ik hem omdat mijn ouders het hebben willen. Wij staan -dus gelijk—wij houden niet van elkander en hebben elkaar dus niets te -verwijten.... Maar, mijn hemel, waarom trouwen wij dan?—Ik moet, ik zal -hem nog eens spreken, mogelijk.... Neen, ik wil niet.” - -»Ik zal residentsvrouw worden en dan zal ik vrij zijn. Ik zal mijn -huishouden geheel naar mijn zin inrichten en hem het leven zoo -aangenaam mogelijk maken.—Hij zal goed voor mij zijn. En eigenlijk—wat -kan ik meer begeeren?... Ik ben nu bijna zestien jaar oud en nog nooit -heb ik voor iemand een liefde gevoeld zooals men die in boeken -beschreven leest. Daar zal ik niet vatbaar voor wezen.... Henri?.... O! -foei, Henri! Neen, dat zou al te gek zijn. Ik houd heel veel van Henri, -maar toch niet meer dan van Marie. Neen, hetgeen men liefde noemt moet -nog iets anders wezen.... En de resident?—Hij zegt mij lief te -hebben..... Zou dat mogelijk wezen? Maar indien hij mij waarachtig lief -had dan moest hij mij meer beminnen dan zichzelven, dunkt mij.... O! ik -geloof niet dat ik voor eenig offer terug zou deinzen indien het ’t -geluk gold van iemand dien ik waarachtig lief had.... Hij zal het niet -doen..... en toch trouwt hij mij uit liefde....” - -Zij lachte afgetrokken. »Och, zulke roman-liefdes bestaan mogelijk niet -eens. Ik heb er ook nooit van gehoord in het werkelijke leven....” - -Zij stond op, nam een boek uit haar kast, sloeg het open bij een vouw -en las: - - - »Osez me l’arracher! Demandez-lui s’il m’aime, - Dit-elle; le voilà pour répondre lui-même. - Parle, Jocelyn, dis s’il est vrai que ton coeur - A trahi ton ami, ton amante, ta soeur! - Dis-leur si de ce sein où Dieu m’avait jetée, - Sur la pierre à leurs pieds tu m’as précipitée? - Dis-leur si cet amour, notre vie en ce lieu, - Tu l’aurais renié, même à la voix de Dieu! - Un Dieu! S’il était vrai, si je doutais encore, - Je le détesterais, autant que je t’adore!” - - -Met een treurigen glimlach sloeg Louise het boek dicht, maar een tweede -vouw ziende, opende zij het weder om verder te lezen: - - - »Je me repens de tout, hors de l’avoir aimé! - Et si devant ce Dieu mon amour est coupable, - Que dans l’éternité sa vengeance m’accable! - Je ne puis m’arracher du coeur, même aujourd’hui, - Le seul être ici-bas qui m’ait fait croire en lui; - Et dans mes yeux mourants son image est si belle, - Que je ne comprends pas le ciel même sans elle. - Oh! s’il était là, lui! Si Dieu me le rendait! - Même à travers la mort, oh! s’il me regardait! - Si cette heure à ma vie eut été réservée, - Si j’entendais sa voix, je me croirais sauvée: - Sa voix m’adoucirait jusqu’au lit du tombeau! [24] - - -»O neen! zulke liefde kan niet bestaan!” sprak zij met tranen in de -oogen. »En toch.... indien zij eens bestond?” - -Zij had zonder het te bemerken eenige bladzijden omgeslagen, en -toevallig viel haar oog op de woorden: - - - »J’ai trahi par faiblesse, ou bien par dévoûment, - Mon enfant, mon amour, mon bonheur, mon serment.” - - -Zij las niet verder. Zij wierp het boek weg en sprak met een nog -treuriger lach dan zoo even: »Ik hoop dat ook dit overdreven zal -wezen!” - -Toen begaf zij zich ter ruste, doch sliep bijna niet dien nacht, en -toen den volgenden morgen de eerste zonnestralen in haar kamer drongen, -gevoelde zij zulk een behoefte aan ruimte en lucht dat zij zich zonder -hulp harer slavinnen aankleedde en den tuin invloog. - - - -Ook de resident had dien nacht geen rust kunnen vinden. Hij had, ’s -avonds thuis komende, zijn jongen de deur uitgeschopt, omdat hij, als -altijd, onder de tafel lag te slapen, omdat het nachtlampje niet meer -licht gaf dan naar gewoonte, omdat de laarzen, die hij aanhad, hem -knelden, omdat het warmer was in zijn kamer dan in de open lucht, en om -nog vele andere redenen meer, die slechts in de verhitte verbeelding -van driftige menschen zonden van onschuldigen worden. - -Nu liep hij met rassche schreden zijn kamer op en neer, dan bleef hij -voor het geopende venster staan en hief zijn oogen naar omhoog, zonder -iets van den prachtigen sterrenhemel te zien die zich over Samarang -uitstrekte; nu eens wierp hij zich moedeloos op een bank, een oogenblik -later sprong hij weder op, balde de vuisten, verschoof eenige stoelen, -verplaatste het nachtlichtje, de gindie [25] met water, zijn cassette, -in éen woord al wat hij vinden kon, wierp de jalousiën dicht wanneer ze -open waren, of opende ze wanneer hij ze een oogenblik te voren gesloten -had, stampvoette, lachte, geeuwde, sprak overluid, was nu eens hoogst -gelukkig dan weer diep rampzalig, dacht aan alles en toch aan niets.... -Zóo werd het eindelijk dag en de resident zag met verbazing de zon in -zijn kamer schijnen. - -»Wat duivel is dat?” sprak hij bij zichzelven, »heb ik mij gisteren -niet uitgekleed? Ik zou mij schamen voor mijn jongen als hij ’t zag!” - -Hij ontkleedde zich zoo goed en zoo kwaad als hij het zonder hulp van -Siedin doen kon, stak een sigaar op, wierp zich te bed en floot. - -Siedin trad binnen. »Wat verlangt toewan resident?” - -»Hoe laat is het?” - -Hij had een halve minuut geleden nog op zijn horloge gezien. - -»Bij zessen, mijnheer.” - -»Leg mijn kleeren gereed, ik wil uitgaan—dadelijk.” - -Siedin was buiten zichzelven van verbazing, maar vertrok geen spier en -gehoorzaamde stilzwijgend. - -Toen de resident eindelijk weer in de kleeren was, sprak hij haastig: - -»Haal mij een kop koffie en een stuk brood, en zoek mij een gezadeld -paard.” - -Siedin antwoordde kalm: »Saja toewan”, maar wist volstrekt niet waar -hij een gezadeld paard van daan zou kunnen halen, daar de ongelukkige, -magere dieren van het logement, volgens zijn oordeel niet geschapen -waren om een resident te dragen. - -Het ontbijt verscheen spoedig genoeg, maar de resident had al ruim een -kwartieruurs gelaarsd en gespoord op de stoep gestaan, eer zijn -gezadeld paard kwam opdagen. - -»Monjet! [26] Waar heb je zoolang gezeten?” vroeg hij rood van -ongeduld. - -»Ik heb het rijpaard van toewan secretaris....” - -»Stommeling!” bromde de resident opstijgende; hij gaf het paard de -sporen en reed weg. - -»Oentoeng! Toewan resident kloewar [27]!” dacht Siedin bij zichzelven -en recht gelukkig dat hij vrij af had, begaf hij zich naar zijns -meesters kamer en lei zich in diens plaats ter ruste. - -De resident reed in gedachten verzonken den Bodjongschen weg op. - -»Neen,” sprak hij bij zichzelven, »neen, niets daarvan.... Wat raakt -het haar?—Zij is een kind, een aardig poppetje; maar daarom behoeft zij -nog niet alles te weten. En buitendien, wat zou het baten, of zij het -al dan niet wist; dat zou niets aan de zaak veranderen. - -»Het is, geloof ik, een koppig ding, zoo onderworpen als zij zich -voordoet.... Nu, en die onderwerping! Zij wil wel zóo, anders zou ze -ook zoo gehoorzaam niet wezen.... Een mooi kopje! Een lief figuurtje! -Maar gisteren was zij toch verduiveld bij de hand.... En een tongetje, -zoo scherp.... zoo rad.... - -»Maar mogelijk—Ha! daar begin ik weer! Daar ben ik nu den ganschen -nacht reeds over bezig geweest, alsof haar woorden iets te beteekenen -konden hebben! Louise is een kind—en een bedorven kind nog al, zij -heeft zich gekrenkt gevoeld door mijn wijze van handelen, dat is al. -Had ik haar een week of wat het hof gemaakt, alvorens mij tot haar -ouders te wenden, dan zou het nufje zeer vereerd geweest zijn. Nu is de -jonge dame beleedigd....—Ik hoor haar nog: »Stevens, binnen korten tijd -zal ik uw vrouw zijn en nog nooit hebt gij gevraagd of ik het wezen -wilde.” Dat waren harde woorden voor mij.... mogelijk ware het beter -indien.... neen, neen! Wat drommel, waar denk ik toch aan! Louise zal -mijn vrouw worden—en zij zal mij liefhebben ook, anders.... - -»»Ik hoop het voor u en voor mij,” gaf zij mij gisteren ten antwoord, -toen ik haar van liefde in ons huwelijk sprak; »maar mocht het anders -wezen, dan zal de resident zich herinneren dat zijn vrouw hem gedwongen -haar hand geschonken heeft.” Verduiveld! die woorden deden mij toch -aan. Het was mij, alsof zij een vloek over mijn toekomst uitsprak! Het -was een oud mensch dat sprak, geen zestienjarig meisje meer. Die -kalmte, die vaste, ik zou bijna zeggen, die dreigende wijze van -spreken.... Als man van eer moest ik haar haar woord terug geven.... En -haar de vrouw van een ander zien worden! Nooit. Alsof een ander haar -meer lief kon hebben, dan ik? Alsof.... Gekheid! Non sense! daar komt -niets van in!—Het mankeert er nog maar aan dat resident Stevens van -Langendijk daarvoor hier gekomen zou zijn! Wat zouden zij mij uitlachen -als ik zonder vrouw te A. terugkwam!—Ik—een man van rang, van vermogen, -bedankt door een wispelturig kind! En dat nogal nadat de geheele wereld -geweten heeft dat zij mijn bruid geweest is! Wat zou men daar wel van -zeggen.... Neen, neen; dat gaat niet. Alles is goed en wel, maar ik -moet niet ridicuul gaan worden op mijn ouden dag!” Zoo dacht de -resident nog een groot uur voort en toen hij eindelijk vermoeid en warm -te huis kwam, was hij nog niets verder gevorderd dan toen hij uitreed. -Alles was verwarring in zijn hoofd zoowel als in zijn hart. - -Hij was verliefd op Louise, zij was zijn bruid, zij moest zijn vrouw -worden. Wel zeide zijn geweten hem dat hij verkeerd handelde, maar zijn -hoogmoed, zijn ijdelheid, zijn eigenliefde, ja zelfs zijn achting voor -zichzelven gedoogden niet dat hij zijn wil zou doen buigen voor die van -een afhankelijk kind. - - - - - - - - -VIJFTIENDE HOOFDSTUK - -HET OFFER AAN EERZUCHT GEBRACHT - - -Wij vinden Louise van Amerongen weder in een prachtig wit zijden -bruidskleed; een lichte kanten sluier is smaakvol om het schoone hoofd -geplooid, en omzweeft als een dunne wolk de fijne, ranke gestalte. -Kostbare paarlsnoeren kronkelen om den blanken hals en armen, en een -fraaie krans van oranjebloesems en witte rozen ligt op een stoel aan -haar zijde. Haar gelaat is bleek, haar oogen schitteren en haar handen -zijn wit en koud. Overigens is zij kalm en geen woord, geen beweging -verraadt wat er in haar ziel omgaat. - -De resident treedt met een glimlach om de lippen de voorgalerij binnen -en beeft licht terwijl hij de hand zijner bruid in de zijne vat. - -»Zal zij mij gelukkig maken?” vroeg hij zichzelven met eenige -twijfeling af, en toen hij zijn oog vragend op zijn schoone Louise -vestigde, ging hem een koude rilling door de leden, terwijl hij -zichzelven verzekerde dat haar buitengewone schoonheid ruimschoots -vergoeden zou hetgeen zij aan verstand of hart ontbreken mocht. - -»Zal het mij mogelijk zijn dien man gelukkig te maken?” waren ter -zelfder tijd de gedachten der bruid, en toen zij haar donker oog -onzeker over de menigte liet weiden, trof haar de zachte, treurige -uitdrukking van Henri’s edel gelaat en ook haar ging een koude rilling -door de leden, terwijl zij haar blikken nedersloeg en zichzelve -ontkende immer iets om haren neef gegeven te hebben. - -Arm meisje! Hoevelen handelen als gij, en werpen zich met een bloedend -hart in de armen van een man die haar onverschillig is! Hoevelen -brengen, als gij, aan een fortuin, aan een rang het geluk van gansch -haar leven ten offer en verloochenen, vergeten, versmaden zichzelven en -anderen voor een denkbeeldige grootheid, die haar waarde verliest -zoodra men gevoelt haar bereikt te hebben! - -En gij, dwaze man! gij die de menschen kent en voor wien de wereld niet -nieuw meer is, gij die geen jeugd, geen onervarenheid, geen plichtbesef -ter uwer verontschuldiging kunt bijbrengen, hoe kunt gij u aan een -woesten hartstocht overgeven waartegen uw verstand u waarschuwt en -geheel uw ziel zich verzet? Hoe kunt gij, die alles gezien, gekend, -genoten hebt, wien niets onthouden is geworden, zelfs niet de rampen -die kracht geven en de teleurstellingen die tot nadenken brengen, hoe -durft gij thans op een gelukkige toekomst hopen? - -Toch zijn er velen als gij, die op een gevorderden leeftijd een jonge -bruid naar het echtaltaar voeren zonder een oogenblik aan het geluk der -aanstaande levensgezellin gedacht te hebben. Die haar uit eigenliefde, -hoogmoed of pronkzucht, het jawoord als afpersen en haar van haar -ouders afbedelen of koopen om het nietig genot te hebben van der wereld -toe te roepen: »Zij, die de mijne is geworden, was te goed voor allen, -de grootsten waren te gering voor haar en de rijksten te arm; maar zij -heeft mij haar leven en haar toekomst toevertrouwd, mij heeft zij haar -jeugd en haar schoonheid geschonken.” - -Het leven is een leerschool, heeft men meer dan eens gezegd, en toch, -hoevelen hollen dat leven door, zonder omzien, zonder nadenken, zonder -vergelijken, zonder berekenen; verblind door al wat schittert, -medegesleept door al wat kracht heeft, voortgestuwd door al wat buiten -hen is. Zij zien alles en begrijpen niets, gevoelen alles en kennen -niets, ondervinden alles en doorgronden niets. Uitgelaten vroolijk in -voorspoed, zijn zij hopeloos in droefheid en verwoed over de geringste -teleurstelling. Niets is blijvend voor hen; wat zij heden liefhebben, -versmaden zij morgen; wat zij gisteren deugd noemden, is heden misdaad -voor hen. Zij leven geheel voor het oogenblik, gevoelen zonder -herinnering en handelen zonder aan een toekomst te denken. Vandaar dan -ook dat men er zoo velen ziet die in de werkelijkheid grijs geworden -zijn om hun leven in een illusie te eindigen. - -In de kerk knielde de jonge bruid aan Stevens zijde neder, zijn oogen -zochten de haren, de haren bleven onafgebroken neergeslagen. En toen de -plechtigheid geëindigd was en zij op zijn arm geleund de kerk verliet, -verried een hoog rood een onbestemd gevoel van schaamte en berouw dat -zich onwillekeurig van haar meester maakte. - -De resident gevoelde iets dergelijks, maar begreep het niet. Zijn oog -viel op het bekoorlijke schepsel dat hem toebehoorde, en half bevend -fluisterde hij haar in het oor: - -»O Louise, mijn engel! Thans zijt gij de mijne voor eeuwig!” - -Nu eerst gevoelde het meisje, welk een vreeselijke band er tusschen -haar en dien man gelegd was geworden. Nu verstond zij eerst recht die -ijselijke woorden, die een oogenblik te voren nog bloote klanken voor -haar geweest zouden zijn. - -Arme, arme Louise! De groote stap is thans gedaan. Mor niet tegen -hetgeen geschied is, maar draag zorg voor de toekomst; wend de -verblindheid uws echtgenoots ten uwen voordeele aan: hij beminde u tot -heden zooals hartstocht, zooals begeerte alleen bemint, maar temper, -wijzig die liefde, leid haar met verstand opdat zij een bron van geluk -moge worden, voor u en voor den man wiens toekomst ook de uwe wezen -moet. Ontzie uw echtgenoot daar waar gij niet met hem overeen zult -stemmen, acht hem, zoo niet om zijnentwille dan uit achting voor u -zelve, en bemin hem, zoo niet met uw hart, dan toch met uw geweten; -want gij hebt hem gansch uw leven beloofd en zijt hem dus medewerking -en genegenheid verschuldigd. Leef, ja leef geheel voor hem, jonge, -schoone, rijke vrouw, en hij zal door uw deugden leeren u lief te -hebben, te achten en te eerbiedigen zooals hij nog nimmer een vrouw -vóor u lief gehad, geacht en geëerbiedigd heeft. - - - - - - - - -TWEEDE DEEL - -HOE ZIJ WERD - - - Nous autres femmes nous ne demandons qu’à admirer et qu’à servir. - Le sentiment de notre infériorité ne nous blesse pas, il nous - charme au contraire. Ne vous étonnez donc pas si vous trouvez si - peu de soumission chez les femmes c’est qu’il y a fort peu d’hommes - dignes de la soumettre. - - Éternité! - - Quel droit avons-nous pauvres petits êtres, ignorants et - impuissants, de faire une promesse pour l’éternité?—Demain ne nous - appartient pas, comme l’éternité nous échappera! - - - Lettre à M. Alexandre Dumas, fils, au - sujet de son livre L’Homme-Femme, par - Mlle Oristorio di Frama, Cantatrice. - - - - - - - - -TWEEDE DEEL - -HOE ZIJ WERD - - -ZESTIENDE HOOFDSTUK - -TE HUIS - - -Tegen vijf uur des namiddags reed een gemakkelijk reisrijtuig met zes -paarden bespannen en door een eerewacht te paard omringd, de groote -laan in, die naar het residentiehuis te A. geleidde. De loopers -draafden naast de paarden, de wacht kwam in het geweer, alle bedienden -vlogen naar buiten en resident Stevens van Langendijk heette zijn jonge -vrouw welkom in haar nieuwe woning. - -»Zorg voor de goederen,” riep hij de oppassers toe. En zijn vrouw bij -de hand vattende, geleidde hij haar de stoep op en het huis rond dat -voortaan het hare zou wezen. - -»Wel, wat zeg je, mijn kind? Is het hier nu zoo kwaad?” - -Louise wierp verwonderde blikken om zich heen en antwoordde zacht: - -»Integendeel, ik vind dat gij prachtig ingericht zijt!” - -»Niet waar? Ik ben ingericht zooals het behoort, rijk en net.” - -»Zeer net.... dit is juist hetgeen mij frappeert.... een -jongeheerenhuishouden....” - -»Aha! ondeugend ding! Denkt gij zóo over het jongeheerenhuishouden.... -Wacht, dan zullen wij u nog iets anders laten zien.” - -Toen bracht hij haar naar de slaapkamer, waar alles smaak, gemak en -weelde ademde. - -»Zie hier je linnenkasten, lieve.” - -»O, hoe netjes! Wie heeft dat alles zoo keurig geschikt?” - -»Wel de meiden, Poes.” - -»En hier deze deur?” - -»Die komt in je kleedkamer uit, je heiligdom, waar je zoo vrij als een -vogel zult wezen.” - -Hij stiet de deur open en Louise trad binnen. - -Zij zeide niets. - -»Nu?” vroeg de resident. - -»Prachtig.” - -Op eens wierp zij zich in zijn armen. - -»Wat heb je? Waarom huil je?” - -»Ik weet het niet,” snikte zij afgebroken. »Gij zijt zoo goed voor -mij.” - -»En huil je daarom?” vroeg hij met een lach. »Kom kind, droog die -tranen af en geef mij een zoen. Zóo, goed zoo. Nu, dáar staat je -koffer, maak je nu eens mooi van avond, want er zal zeker wel de een of -ander komen om mijn mooi, lief vrouwtje te zien.” - -Hij drukte haar nog eens hartstochtelijk in zijn armen en toen verliet -hij haar, opdat zij zich ongestoord zou kunnen verkleeden. - -Doch nauwlijks was zij alleen of zij sloot de deur harer kamer, wierp -zich op een rood fluweelen causeuse neder en weende bitter. Haar hart -was zóo vol dat het haar goed deed eindelijk een oogenblik te hebben -waarin zij haar tranen vrij kon laten vloeien. - -De kamer waarin zij zich bevond was ruim en smaakvol gemeubeld. Alles -was er in harmonie en zóo geschikt dat men niets had kunnen wegnemen of -verplaatsen zonder het geheel een minder bekoorlijk aanzien te geven. - -Een meubel slechts scheen misplaatst in het vroolijke, smaakvolle -vertrek, omdat het te groot, te donker was, te veel in het oog viel, -zouden wij kunnen zeggen. Het was een mahoniehouten hangkast, waarvan -een der deuren wijd open stond, terwijl de andere gedurig kraakte alsof -er iemand tegen aanleunde. - -Dit gekraak trof eindelijk Louise’s oor. Zij herinnerde zich waarom zij -hier gekomen was, wischte haar tranen af en stond op om zich te -kleeden. - -Onverschillig opende zij een houten kistje, wierp er eenige gouden -armbanden en een lange snoer bloedkoralen uit, trok daarna een licht -grijs zijden kleed bij éen mouw van onder uit haar koffer en klapte in -de handen om Alima te roepen. - -Tien minuten later was zij gereed. - -»Hoe laat is het?” - -»Zes uur, mevrouw.” - -»Goed. Gij kunt heengaan.” - -Alima vertrok. - -Toen kwamen de tranen weder, en weer sloot zij snel de deur opdat -niemand ze zien zou. - -Maar, terwijl zij aan den eenen kant van de kamer stond met het gelaat -naar de deur gekeerd, vonkelde er een donker oog om de deur der -hangkast heen.... Een tweede oog, een fijnbesneden neus met beweegbare -neusvleugels, een half geopende mond met vast opeengeklemde tanden, een -lange uitgerekte hals volgden. Een jonge vrouw, bruin, slank, vlug, -levendig, hartstochtelijk, vlood als een hinde uit de kast langs den -muur, om de tafel, achter de rood fluweelen causeuse. Daar blijft zij -een oogenblik onbewegelijk zitten, met de eene hand op de borst gedrukt -als om de lucht terug te dringen die in een luide kreet dreigt uit te -barsten, met de andere krampachtig om het gevest van een kris geslagen, -dien zij in de plooien harer kabaai zoekt te verbergen. - -Zij ziet Louise voor zich staan. Met éen blik meet zij den afstand -tusschen haar kris en het hart der jonge vrouw, en een lach vol haat -geeft voor een oogenblik een afschuwelijke uitdrukking van wreedheid en -wraak aan haar anders buitengewoon schoon gelaat. - -Langzaam rijst zij op—sluipt zij voort—heft zij haar kris omhoog.... -»Tjilakka!” [28] gilt zij op eens, en weenend zinkt zij aan Louise’s -voeten neder, terwijl zij haar kris naar het andere einde der kamer -werpt. - -Louise ontstelt hevig, maar terstond haar schrik verbergende, vraagt -zij kalm en trotsch, op een schier bevelenden toon: - -»Wie zijt gij? En wat doet gij hier?” - -»Tjilakka!” herhaalt de jonge vrouw nog eens, en na een oogenblik -zwijgens, waarin de beide vrouwen elkander met een onverklaarbare -belangstelling, ja bijna sympathie beschouwen, vervolgt zij in -vreeselijke wanhoop: - -»Mina is genoeg gewroken!—Njonja resident zal ook niet gelukkig zijn! -Maar toewan Allah zal rechtvaardig wezen!” - -»Wie zijt gij?” vraagt Louise weder, deze keer zacht en medelijdend. - -»Wie ik ben.—Wie—ik—ben?” herhaalt de jonge vrouw met bitterheid. »En -dat vraagt gij mij Hier? hier, in mijn eigen huis, in mijn eigen kamer? -Onder het dak van hem, dien ik tien jaar lang gediend heb als mijn -meester, dien ik lief heb gehad als den vader van mijn kinderen.... -voor wien ik gezorgd heb als voor mijn eigen broeder, voor wien ik -gewerkt heb als voor mijn eigen vader!—Maar hij heeft mij -verstooten—verstooten voor u, verstooten omdat ik arm ben.... omdat ik -hem niets dan liefde geven kan—niets dan dat! En dat was niet genoeg -voor hem.... Hij wilde geld hebben—geld voor zich alleen—niet eens voor -zijn kinderen! Want die heeft hij verstooten als mij!—Hij was -vertrokken naar Samarang, om papieren te halen; want Mina zou zijn -vrouw worden en haar kinderen zouden Stevens heeten.... En toen de -kinderen vroolijk waren en Mina gelukkig was en vertrouwde op hem.... -toen kwam er een vreemde om te zeggen dat de resident getrouwd was!.... -Hij bracht geld voor de kinderen en een bevel voor Mina om zich te -verbergen in de bovenlanden, opdat njonja resident niet weten zou dat -er ooit een Mina bestaan had.... - -»Maar de kinderen speelden met het geld en Mina geloofde niet aan het -bevel.... Toen werden de kinderen heimelijk weggevoerd, Mina werd -verjaagd uit het huis dat haar lief was.... En njonja resident kwam.... - -»Mina zat verscholen in het bloembed vóor het huis—zij zag njonja -resident het rijtuig uitstappen en leunen op den arm van haren -Heer.—Mina sloop het huis in, door de achtergalerij, in haar eigen -kamer. Zij had een kris gekocht voor het geld van haar kinderen.... -Maar zij zag tranen in de oogen van njonja resident en zij had kassian -[29] met haar!” - -Louise had zich lang goed gehouden, nu echter begaf haar de -zelfbeheersching en half bewusteloos zonk zij op een stoel neder. - -De inlandsche vrouw stond op, schonk een glas water in en bood het -Louise aan, die het met een blik vol wantrouwen van zich stiet. - -De oogen der jonge vrouw schoten vol tranen. - -»Drink gerust, njonja resident,” sprak zij zacht. »Gij hebt niets van -Mina te vreezen—het is water uit uw eigen gindie.” [30] - -En na een oogenblik wachtens vervolgde zij krachtiger: - -»Dáar ligt mijn kris—gij kunt mij aangeven als gij wilt. En de -oppassers die mij voorheen als hun meesteres gehoorzaamden en -eerbiedigden, zullen mij aangrijpen en wegvoeren, en de resident zal de -moeder zijner kinderen als moordenares ter dood brengen!” - -Louise snikte overluid. - -»Arm, ongelukkig schepsel!” sprak zij zacht, terwijl zij de handen der -verstooten vrouw in de haren nam en met kussen overdekte. »Kan ik iets -voor u doen? O! zeg mij wat?” - -»Niets, njonja resident.” - -»Niets? Maar voor uw kinderen dan?” - -»Niets mevrouw.” - -»Neem dit voor uw kinderen. Ik heb op het oogenblik niets anders hier. -Maar later, als mijn goed gekomen zal zijn, kom dan terug en ik zal u -alles geven wat gij voor uw kinderen noodig kunt hebben.” - -Mina legde de gouden armbanden, welke Louise afgedaan had om ze haar te -geven, op de tafel neder, toen nam zij de diamanten knoopjes uit de -mouwen harer kabaya en de soebings uit haar ooren, deed de gouden -pendieng af die om haar lendenen gegespt was en nam de brillanten -haarpennen uit haar kondeh. - -»Dit alles heb ik van toewan resident gekregen,” sprak zij nauw -hoorbaar, »en ik heb het gedragen zoolang ik voor toewan resident leven -mocht....” - -Zij kon niet verder spreken. - -Louise sloeg haar arm om Mina’s hals en fluisterde vleiend: - -»En indien njonja resident u vriendelijk verzocht die kleinodiën te -blijven dragen en ze als bruidschat uwer kinderen te beschouwen?” - -»Njonja resident is goed,” sprak de jonge vrouw medelijdend. »Maar Mina -heeft leeren werken en zal geen gebrek lijden zoolang Toewan Allah haar -de gezondheid niet ontnemen zal.” - -Er werd aan de deur geklopt. - -»Wie is daar?” vroeg Louise zonder te openen. - -»Ik mevrouw,” antwoordde een onbekende stem. »Toewan resident laat -vragen of njonja voor wil komen; er zijn gasten.” - -»Terstond!” en zich tot Mina wendende vervolgde zij gejaagd: »Waar zult -gij nu blijven? Gij kunt de kamer niet uitkomen, zonder gezien te -worden.—En ik wil niet dat iemand hier in huis iets van het -voorgevallene vernemen zal.” - -Mina antwoordde niet. Droevig zag zij de kamer rond, die zoolang de -hare was geweest. Haar oog bleef even op de hangkast rusten, doch zij -had den moed niet om te vragen of zij in haar vorigen schuilhoek terug -mocht keeren, totdat er een gunstig oogenblik komen zou om in de -duisternis den tuin in te sluipen. - -»Blijf hier!” sprak Louise, na zich een oogenblik bedacht te hebben. -»Ik zal Alima roepen en haar zeggen dat zij vóor de deur gaat zitten en -niemand binnenlaat.—Vrees niets, ga op de banko (causeuse) liggen, -wanneer gij vermoeid zijt, en slaap gerust.” - -Mina dankte haar met een weemoedigen lach en Louise verscheen in de -voorgalerij, schoon en koud als een marmeren beeld. - -De resident stelde haar den dokter en den adsistent-resident voor. -»Mijne huisvrienden,” zeide hij en Louise reikte de beide heeren de -hand. - -Eerst was zij stil en afgetrokken, maar weldra kwam er glans in haar -oogen, gloed op haar wangen, geest in haar woorden. En toen de twee -heeren dien avond laat naar huis gingen, waren zij opgetogen van -bewondering over de onvergelijkelijk schoone residentsvrouw, wier -lieftalligheid en geest haar schoonheid evenaarde. - -Ook de resident was uitgelaten van vroolijkheid en zóo trotsch op zijn -bekoorlijke Louise, dat hij haar opgewondenheid voor vreugde hield en -haar overspanning voor geluk, haar volmaakt tevreden achtende met haar -gloeiend hoofd en haar verbrijzeld hart. - -Louise had zich intusschen zoozeer vermoeid, dat zij om half twaalf in -haar kleedkamer terugkeerende, nauwelijks meer loopen kon en zich om -zoo te zeggen niets meer herinnerde noch van de heeren die zij -gesproken had, noch van hetgeen er dien avond voorgevallen was. - -Mina, altijd Mina, niets dan Mina! - -»Ik heb den ganschen avond aan u gedacht!” waren haar eerste woorden, -toen zij Mina weerzag. »Eer ik naar de andere kamer ga, moet gij mij -een belofte doen, want morgen vind ik u hier niet meer misschien.” - -»Wat verlangt njonja resident van mij?” - -»Beloof mij, dat gij u, indien gij iets noodig zult hebben, nooit tot -een ander zult wenden dan tot mij.” - -»En wanneer njonja resident iets noodig zal hebben?.... Alle menschen -kunnen ongelukkig worden....” - -»Dan zal ik hulp zoeken bij u.” - -»Ik beloof het, njonja.” - -En nogmaals drukte Louise een hartelijken kus op het koude voorhoofd -der verstooten vrouw, die zich weder in de kast verborg toen Alima haar -meesteres ontkleeden kwam, en eerst in het holle van den nacht haar -schuilhoek verliet, om als een dievegge het huis uit te sluipen dat -eenmaal het hare was geweest. - - - - - - - - -ZEVENTIENDE HOOFDSTUK - -WIE BIJ LOUISE WAKEN KOMT - - -»Nauwlijks veertien dagen gehuwd en nu reeds krank, reeds stervende! O -God! heb medelijden met mij! Spaar haar! Red haar! O, mijn Vader -hergeef mij mijn schoone Louise!” - -En luid snikkend stond Stevens aan het ziekbed zijner echtgenoote, wier -laatste uur nabij scheen en wier zachte, afgebroken ademhaling hem -reeds meer dan eens aan haar leven had doen twijfelen. - -»Louise hoort gij mij? Kent gij mij nog?—Weet gij.... O! God, zij -sterft!—Zij sterft....” - -Een diepe stilte volgde. Stevens lag geknield ter aarde en de jonge -vrouw scheen deze wereld voor een betere verlaten te hebben. Haar oogen -waren gesloten, haar lippen strak en blauw en haar handen koud als -marmer. Stevens klemde haar dunne vingers krachtig in de zijnen en -drukte ze vurig aan zijn hart, terwijl zijn gloeiende lippen zich aan -het ijskoude voorhoofd vastklemden, en zijn betraande oogen met den -gloed der wanhoop vonkelden. - -»Louise! Louise!” weergalmde de forsche stem in het stille sombere -vertrek, »Louise zijt gij ongelukkig geweest? Hebt gij reden gehad u -over mij te beklagen? Hebt gij mij gevreesd? of gehaat?.... Ja, gehaat! -Gehaat heeft zij mij, omdat ik haar lief had en omdat zij beefde voor -een liefde, die te krachtig was, om door een zwakke vrouw, als zij, -begrepen te worden.... Louise! Louise! O, herstel!.... Leef! Haat mij! -Veracht mij! Regeer mij! Maar verlaat mij niet!.... O! alles, alles wil -ik, alles zal ik voor u doen, alles.... Maar gij sterft! Gij wilt niet -blijven? Gij zijt te schoon voor deze wereld! Te goed voor mij!” - -Hij snikte overluid, een vloed van tranen stroomde langs de bleeke -handen der stervende en een scherpe kreet van wanhoop ontsnapte den -beknelden boezem des residents. - -Een uur later. - -»August!....” fluisterden de koude lippen der kranke. »August!—O -kom.... Ik sterf.... Koud!.... Koud!” - -Stevens drukte haar al dichter tot zich, maar sprak niet. Het was hem -niet mogelijk in deze oogenblikken van spanning en smart een enkel -woord te uiten. Hij beefde voor den toestand waarin hij zich bevond en -huiverde voor dien welke volgen zou. - -»Louise,” vroeg hij ten laatste. »Mijn kind, ik ben bij u, wat verlangt -gij?” - -»Red mij!” - -»Gij zijt gered!—Niet waar, gij zijt weer beter? Gij wilt mij immers -zóo spoedig niet verlaten?” - -»O! dáar.—Dáar zijn zij!——Red mij!—Red mij dan toch!——Gij zijt gezond -en sterk——vlucht met mij!” - -En zij sloeg haar armen krampachtig om zijn hals, terwijl zij zich met -een kracht, als die eener waanzinnige, van haar leger ophief. - -»Dáar!—Dáar ginds!” vervolgde zij angstig omziende. »Kijk dan -toch!—Daar staat hij.——O! mijn kind!—Het is het mijne, Henri!” - -Stevens sidderde op het hooren van dien naam, toch antwoordde hij: - -»Henri zal u geen kwaad doen, Louise.... en een kind? Daar is geen -kind!” - -»O God! Het valt.... dáar—dáar.... ’t Is dood!” - -En met een rauwen gil zonk de jonge vrouw aan August’s voeten neder. -Wanhopig knielde hij aan haar zijde, ondersteunde haar brandend hoofd -met de eene hand en trok met de andere een kussen uit het bed om op -haar verstijfde voeten te leggen. - -Lang nog zwegen beiden. Louise scheen uitgeput van vermoeidheid en -Stevens durfde zich nauwlijks bewegen, uit angst haar een rust te -ontrooven, die mogelijk heilzaam voor haar wezen kon. - -Toen zij eindelijk haar zwakke oogen weder ophief, trok zij haastig -haar hand uit de zijne terug. - -»Moordenaar!” sprak zij nauw hoorbaar, en, terwijl zij het hoofd met -moeite van hem afwendde, trachtte zij zich los te wikkelen uit den -sterken arm die haar omklemd hield. - -Toen haar pogingen mislukten, greep zij Stevens hand stijf tusschen -haar dunne vingers en zich naar hem toekeerende, om hem strak in de -oogen te zien, riep zij koortsachtig: - -»Mijn kind is dood! Dat weet gij—maar alles weet gij nog niet.... ik -heb nog lang niet alles gezegd.... Ik heb het vermoord!—Weet gij het? -Begrijpt gij wat ik meen? Ik, zijn moeder, heb het levend verbrand -omdat het zijn kind was!—Een kind van den vreemdeling! Van hem aan wien -ik toebehoor.—Van hem die mij gekocht heeft om mijn lichaam, om dat -lichaam dat dáar voor hem ligt, verminkt, aan stukken gesneden, over de -heele wereld verspreid! Maar mijn hoofd is weg, dat heb ik meegenomen -en weggegeven en hij zal het nooit weerzien, want dat heeft hij niet -willen betalen—dat gold niet mee, ofschoon het toch goed was, mijn arm, -arm hoofd!....” - -»Maar nog iets heeft hij niet gekregen—Chut! weet gij wat?—mijn -hart!—dat heb ik begraven, eer ik met hem meeging—niemand weet -waar.—Maar ik weet het—en ik kan het opgraven wanneer ik het noodig zal -hebben.—Maar, chut!—Stil!—Zeg het hem niet, want dan zou hij het willen -hebben, omdat het van goud is—omdat het gelukkig kan maken.—En hij -krijgt het niet.... Nooit.... nooit! Al wordt hij ook duizend jaar -oud!” - -»Louise! mijn lieve Louise! Ach, mijn God! red haar uit dezen -vreeselijken toestand!” - -»Die stem!—Henri! Hebt gij haar gehoord?—Herkent gij haar?—Het is de -zijne.—De vreemdeling!—Hu! daar is hij!” - -En zich met een rauwen kreet uit Stevens armen losrukkende, vlood zij -naar het andere einde der kamer, en zonk dáar voor dood op een matje -neder. - - - -Het is nacht. Alles rust in het groote residentiegebouw. Louise, door -zwakte en vermoeidheid uitgeput, is van een flauwte in een zachte -sluimering overgegaan. De resident ligt in een der logeerkamers te -ronken alsof hij de gelukkigste man der wereld was. Ook Alima, de -getrouwe Alima, is, na drie nachten niet van het leger harer meesteres -geweken te zijn, bezweken voor de eischen der natuur, en slaapt gerust -op haar gevlochten matje met een gevouwen kaïn [31] tot hoofdkussen. - -Toch is er iemand die waakt over de arme, verlatene Louise. - -Het is Mina. - -Zij zit gehurkt achter het ledekant, verborgen in de plooien der witte -neteldoeksche gordijnen, te wachten, te hopen op het oogenblik waarop -zij van nut zal kunnen zijn. - -Niemand weet dat zij zich hier bevindt, zelfs Louise niet. - -Het was ver weg, in de dessah geweest, dat de menschen haar verteld -hadden, dat njonja resident stervende was. - -»Kassian!” had zij gezegd, en tegen het vallen van den avond had zij -haar kinderen verlaten en was zij naar A. gegaan »om te helpen.” - -Louise ontwaakt. Zij vraagt om drinken. Alima hoort het niet. Zij -slaapt. Maar Mina is dáar. Zij luistert en zij waakt, zij helpt en -verzorgt de jonge vrouw alsof zij haar zuster was, den ganschen nacht -door tot aan den morgen.... Nog altijd blijft Alima slapen. - -Plotseling wordt de deur geopend en treedt Stevens binnen. Mina staat -naast het ledikant met een lepel medicijnen in de hand. De resident -dringt haar ter zijde, zonder acht op haar te slaan. Hij buigt zich -over Louise heen, drukt haar een kus op het voorhoofd en vraagt bijna -zacht: - -»Hebt gij goed geslapen, Poesje?” - -De jonge vrouw is te zwak om te antwoorden. - -»Hoe heeft mevrouw het van nacht gemaakt?” vraagt hij de meid die naast -hem staat. - -»Goed.—Maar njonja resident heeft behoefte aan stilte en rust.... en de -harde stem van toewan hindert haar.” - -De resident springt drie voet achteruit: - -»Gij!” - -Hij grijpt Mina bij den arm en sleurt haar mede naar het venster, dat -hij wijd open gooit om te zien of zijn gehoor hem ook misleid kan -hebben. - -Mina glimlacht even in het heldere licht dat op haar valt, en dat haar -holle oogen, haar ingevallen wangen, haar vermagerde gestalte -beschijnt, als om den resident het scherpste verwijt te doen, dat hem -in deze kamer, en op dit oogenblik met mogelijkheid gedaan kon worden. - -Toch twijfelt hij nog. - -»Mina!—Hier, bij Louise!—Niet mogelijk!” - -Hij siddert, verbleekt, staart haar aan alsof hij een spookverschijning -ziet, bevoelt haar, trekt haar naar zich toe, stoot haar terug. - -»Mina!” roept hij op eens, hijgend van kwaadheid en angst. - -»Mina!” antwoordt de jonge vrouw kalm, hem uittartend in de oogen -ziende. - -»Hoe komt gij hier, en wat doet gij hier?” vraagt hij, tandenknarsend -van woede. - -»Mina komt ongeluk brengen over het huis, dat vervloekt is geworden -door de vrouw die gij bedrogen hebt, door de kinderen die gij -verstooten hebt.” - -»Gij hebt haar vermoord, vergiftigd!” roept hij bijna gillend, en, -geheel buiten zichzelven van woede, grijpt hij Mina bij de keel, sleurt -haar naar de binnengalerij, werpt haar neder, slaat, stompt, schopt, -trapt haar, totdat zij levenloos voor de deur van Louise’s kamer liggen -blijft. - -»Oppas!” schreeuwt hij, een ander voorwerp zoekend om zijn drift op te -koelen dan die gevoellooze massa, die den spot schijnt te drijven met -zijn machtelooze woede. »Oppas! Wie uwer heeft die vrouw in huis -gelaten?” - -Niemand antwoordt. - -»Hier, zeg ik, neem op, breng weg, en zorg dat zij verdwijnt. De duivel -hale je, indien zij ooit weer onder mijn oogen komt!” - - - - - - - - -ACHTTIENDE HOOFDSTUK - -DE KINDEREN VAN MINA - - -Acht dagen later zat Louise voor het eerst op haar rotangstoel bij het -open venster te lezen. Of neen, eigenlijk las zij niet. Haar -uitgeteerde vingers speelden met de bladen van een boek, en haar oogen -dwaalden rond van een bloem naar een kind of van een kind naar een -bloem, zonder dat zij zelve wist wat zij zag. Reeds een groot half uur -had zij zóo gezeten; haar vingers hielden op met bladeren, haar oogen -bleven neergeslagen.... - -Plotseling stond zij op, en, met wankelende schreden naar de deur -gaande, klapte zij in de handen om Alima te roepen, die een oogenblik -later binnentrad. - -»Alima, doe de deur eens dicht,” sprak zij zacht, »ik heb u een geheim -te openbaren dat niemand weten mag—zelfs de resident niet.” - -Alima sloot de deur en wachtte. - -»Hebt gij nooit,” begon Louise, »van een vrouw gehoord, die Mina heet, -en die vóor mijn komst hier, bij toewan resident geweest moet zijn?” - -»Neen, njonja.” - -»Die vrouw moet kinderen hebben, twee of drie: dat zijn de kinderen van -den resident.” - -»Alima kent die kinderen niet, mevrouw.” - -»Ik ken ze ook niet, maar zij zijn door mijn komst ongelukkig geworden. -Ik heb hun moeder beloofd dat ik voor hen zorgen zou, wanneer zij mijn -hulp ooit noodig zouden hebben.” - -»Wil njonja dat Alima die kinderen zal opzoeken?” - -»Neen, maar ik wil dat die vrouw en die kinderen nooit weggezonden -zullen worden, wanneer zij hier zullen komen om mij te spreken.” - -»Er zijn eenige dagen geleden een paar kinderen hier geweest. Zij -vroegen naar njonja, maar de resident heeft ze weg laten jagen door de -Oppas.” - -»Gij moet mij morgen weten te zeggen wie die kinderen waren, Alima. Ik -wil het weten, hoor? Hoe zij heeten, waar zij wonen, en waarom zij hier -zijn geweest.” - -»Goed mevrouw.” - - - -Den volgenden morgen werd er zacht aan de deur van Louise’s kamer -geklopt. - -»Binnen.” - -Het was Alima. - -»Njonja moet niet kwalijk nemen,” begon de jonge slavin, »dat Alima -ongeroepen komt, maar Alima heeft gevraagd naar de kinderen die gekomen -waren om njonja resident te zien, en de Oppas hebben haar gezegd dat -het de kinderen van Mina waren.” - -»En wat verlangden zij?” - -»Dat wilden zij aan niemand zeggen dan aan njonja zelve.” - -»Waar wonen zij?” - -»Zeven paal van hier, in het gebergte, den weg op naar B.” - -»Goed. Zie hier twintig gulden. Gij zult een man huren op wien gij -vertrouwen kunt, gij zult hem zenden naar de woning van Mina, en gij -zult hem zeggen dat hij zorgt dat de kinderen hier zijn tegen het -vallen van den avond. Dan zult gij ze hier in mijn kamer brengen en -zorgen dat niemand ze ziet.” - -»Goed mevrouw.” - -Dien avond tegen half zeven bracht Alima twee kleine jongens in -Louise’s kamer. - -»Heeft njonja nog iets te bevelen?” - -»Niets. Het is goed zoo.” - -Alima ging heen. - -Louise zag de beide jongens aan, zooals deze haar aanzagen, met groote, -nieuwsgierige, welwillende oogen; toen reikte zij beiden de hand en -plaatste ze naast zich, den een op de bank, den ander op een -rotangstoeltje. - -»Zijt gij vermoeid van de reis?” was haar eerste vraag. - -»Neen mevrouw,” antwoordden beiden te gelijk. »Wij zijn te paard tot A. -gekomen en toen hebben wij geloopen om niet herkend te worden,” voegde -de oudste er bij. - -»Wij zijn achter door de heg in den tuin geslopen,” vervolgde de -jongste, »omdat wij bang waren dat....” - -Een blik van den ander deed hem zwijgen. - -»Dat?” vroeg Louise aanmoedigend. - -»Dat papa ons zien zou,” antwoordde het kind gerustgesteld. - -En Louise bloosde even als de beide kinderen over deze laatste woorden. - -»Houdt gij van snoepen?” vroeg zij opstaande. »Hier heb ik wat manissan -en kwee-kwee voor u.” - -Geen van beiden antwoordde, maar zij lachten en stonden op om de -bordjes aan te nemen, die Louise voor hen gereed had gemaakt. - -Toen zij aan het eten waren, begon de jonge vrouw zich wat meer op haar -gemak te gevoelen, en eindelijk moed te krijgen om te vragen naar -hetgeen haar op het hart lag, naar Mina. - -»Hoe gaat het uw moeder....” - -De beide kinderen zagen haar zóo verbaasd aan, dat de woorden haar op -de lippen bestierven. Een oogenblik later hernam zij aarzelend: - -»Heeft uw moeder u niets gezegd?—Heeft zij u geen boodschap gegeven -voor mij?” - -»Moeder is weg gegaan, naar huis gegaan, en niet terug gekomen,” zei de -kleinste. - -»Dood,” fluisterde de grootste Louise in het oor. - -»Dood!” herhaalde zij verbleekend. »En sedert wanneer is zij dood?” - -»Zij heeft een week geleden onze dessah verlaten, om naar huis terug te -keeren; toen heeft papa haar geslagen. Willem weet niet waarom, en den -volgenden dag werd zij in de dessah terug gebracht door mannen die haar -droegen in een joeli, omdat zij niet meer loopen kon. Den dag daarna, -tegen het ondergaan der zon zijn zij weer gekomen om haar weg te halen, -en te brengen naar den doodenberg, waar zij haar begraven hebben, met -fakkellicht. Ik heb het zelf gezien, want ik ben mee geweest. Ik liep -heel achter aan, ver weg, achterom de boomen, want zij hadden mij -opgesloten, met August, omdat ik niet zien mocht waar zij heengingen.” - -Het kind zweeg even om adem te halen, hij was vermoeid van al dat -fluisteren, en toch had hij niet gewild dat August, die geheel verdiept -in zijn manissan was, iets hooren zou van hetgeen hij zeide. - -»Mama heeft ons iets gezegd,” vervolgde hij overluid, »toen zij -terugkwam van huis, maar August is het vergeten en ik heb het niet aan -de Oppas durven zeggen.” - -»Neen, ik weet het nog!” riep het kleintje, al etende. - -»Nu zeg het dan?” - -»Mama heeft gezegd, dat hier een andere mama gekomen was, die voor -August zorgen zou, als mijn mama niet terug zou komen.... En dat die -andere mama heel lief voor August wezen zou, en voor Willem ook—veel -liever dan papa.” - -»Papa zal ook goed voor u wezen,” zeide Louise, met tranen in de oogen, -en, de beide kinderen omhelzende, vervolgde zij levendiger: »Ik ben die -andere mama, van wie uw moeder u gesproken heeft, en ik zal lief voor u -zijn, zoo lief als uw moeder u gezegd heeft dat ik voor u wezen zou. Ik -beloof het u.” - -Op dat oogenblik werd de deur geopend en trad Stevens binnen. - -De kinderen sprongen verschrikt op. Louise werd nog bleeker dan zij -reeds was, en de resident bleef onbewegelijk op dezelfde plaats staan. -Hij geloofde niet aan hetgeen hij zag. »Mina’s kinderen met Louise aan -tafel!” - -Toch zag hij ze, en zijn verbazing was zoo groot, dat hij geen pas kon -doen, geen woord kon uiten. - -»Ga papa een zoen geven,” fluisterde Louise zacht, en de kinderen -slopen schoorvoetend naar hem toe en boden hem hunne gezichtjes tot -kussen aan. - -Stevens omhelsde ze stug weg, en liep hen voorbij om zijn vrouw de hand -te geven. - -»Hoe komen die kinderen hier?” vroeg hij wrevelig. - -»Hunne moeder is gestorven,” antwoordde Louise zacht. »Kassian! arme -kinderen! Mag ik hun moeder zijn?” - -Stevens gevoelde zich vernederd door die eenvoudige woorden, en toch -trokken zij hem aan. Zonder een woord te spreken greep hij de beide -jongens bij de hand en wierp ze in Louise’s armen. - -Van dat oogenblik af kwam er iets anders in de verhouding van den -resident tegenover zijn vrouw. Louise wist meer van zijn vorige -levenswijze af, dan zij hem bekennen wilde, dit gevoelde hij, maar wat -wist zij? Hoe diep was hij gezonken in de achting der vrouw, over wier -lippen hij nog nimmer een klacht of een verwijt had hooren komen. Meer -dan eens was hij op het punt geweest van het haar te vragen, maar -wanneer die donkere oogen hem dan zoo kalm, zoo ernstig, zoo -vastberaden aanzagen, begaf hem de moed en bleef hij zwijgen, -onwillekeurig buigend voor dat groote sterke karakter dat hij -bewonderde en dat hem nijdig maakte omdat hij het niet doorgronden kon. - -Ook die kinderen van Mina, altijd om en bij Louise, die zij lief -hadden, waren hem een doorn in ’t oog. En de genegenheid die zij hen -voor hun vader inprentte, o! dat was de grootste bespotting die zijn -vrouw hem kon aandoen. - -Louise van haar kant, gevoelde zich zoo ver boven den resident -verheven, dat zij het beneden zich achtte, den armen man nog kleiner te -maken dan hij reeds was. Daarom zweeg zij over al wat niet meer -hersteld kon worden, en verborg zij zijne gebreken, zelfs die welke -haar het meest griefden, zooveel zij vermocht. - - - - - - - - -NEGENTIENDE HOOFDSTUK - -DE EERSTE RECEPTIE - - -Eenige dagen later bevond Louise zich in den grooten lommerrijken tuin; -het was bijna avond en, terwijl de halve stad aan het wandelen en -toeren was, zat zij alleen onder een ouden Weringinboom te spelen met -de kinderen van Mina. - -Wat waren die kleinen gelukkig! En wat was Louise vroolijk te midden -van die vliegers en knikkers, terwijl die lachende kinderstemmen haar -hare eigene jeugd herinnerden en haar in zachten weemoed terug voerden -naar de onbewolkte dagen harer kindsheid, waarin zij, evenals Willem en -August, met haar geheele ziel aan de vlucht van een vlieger hing, of -met een schaterlach haar grootste leed vergat in ’t rollen van een -bonten knikker. - -De resident is zoo pas van een rit te paard teruggekeerd, en loopt, -door een oppasser gevolgd, de lange lanen door om zijn vrouw te zoeken. -Louise hoort hem naderen, maar blijft afgetrokken op een knikker -staren, totdat hij naast haar staat. - -»Wel,” vraagt hij, half lachend, half wrevelig, »hoe gaat het?” - -Langzaam heft zij het hoofd naar hem op, en hem de hand reikend zegt -zij zacht: - -»Gij zijt niet lang uitgebleven, dunkt mij.” - -»Niet lang? Wel kind, ik ben meer dan twee uur aan het dwalen geweest, -en noem je dat niet lang? Maar wat zie ik? Ben je nog niet gekleed? En -ik dacht dat wij van avond receptie zouden hebben?” - -»Juist daarom ben ik niet gekleed. Ik heb nog voor gebakken moeten -zorgen, en toen was ik zoo vermoeid dat ik hier wat rust ben komen -zoeken, met plan om mij na het eten te kleeden.” - -»Na het eten? Dat is veel te laat!” - -»Neen, stellig niet, ik heb zooveel tijd niet noodig voor mijn toilet.” - -»Maar ik verlang dat gij mooi zult zijn, Louise, en gij zoudt mij -pleizier doen met u terstond naar uw kamer te begeven en u aan te -kleeden, ten einde in tijds gereed te zijn om de honneurs van uw huis -waar te nemen.” - -Louise stond zwijgend op en begaf zich met wankelende schreden naar -haar kamer, waar zij half uitgeput op een stoel neerzeeg en Alima beval -haar te kappen. - -»Taroe banjak kembang di saya poenja ramboet [32],” zeide zij met de -ellebogen op de tafel geleund en het hoofd in de beide handen rustende, -en »sedijak saga poenja kleed njang paling bagoes [33], Alima.” - -De jonge meid sloeg dadelijk de handen aan het werk, en na haar -meesteres met witte rozen gekapt te hebben, opende zij de deur van de -hangkast om er een geschikte japon uit te krijgen. Mevrouw had gezegd: -»Mijn fraaiste kleed”, het oog der meid viel op haar witte bruidskleed, -en zonder zich een oogenblik te bedenken, nam zij dàt en wierp het haar -meesteres over het hoofd. - -»De resident stuurt de groeten aan mevrouw en laat vragen of mevrouw -aan tafel wil komen,” kwam een der oppassers zeggen. - -»Zijt gij gereed, Alima?” vroeg Louise, die, tegen de deurpost geleund, -zich met een grooten, vederen waaier wat koelte zocht te verschaffen. - -»Saaya njonja.” - -En zonder zelfs éen blik in den spiegel geworpen te hebben, verscheen -Louise aan tafel. - -»Zoo, goed zoo! Zoo mag ik het zien!” riep de resident, haar met -welgevallen beschouwende. »Wel kind, je kunt niet te mooi zijn van -avond. Je eerste receptie! Je entrée in onze wereld, om zoo te zeggen. -Je moet van avond de heele stad verliefd op je maken, oud en jong, arm -en rijk. Jongens, jongens wat zullen zij mij mijn vrouwtje benijden!” - -Louise zag nu eerst wat zij aan had. - -»Mijn hemel, mijn bruidskleed.... Hoe kan die meid zoo dwaas zijn! Ik -in het wit! Ik moet er dunkt mij uitzien als een geest.” - -»Volstrekt niet, volstrekt niet, gij ziet er uit om te stelen.” - -»O neen! Laat mij na het eten wat anders gaan aandoen. Ik ben nu te -bleek en te mager voor dit toilet!” - -»Integendeel, ik verlang dat gij zoo blijven zult. Die zware zijde -staat rijk, zij doet uw dun middeltje betooverend uitkomen, en die -dikke ronde plooien hebben zulk een heerlijken gloed bij het lamplicht, -dat ik niet weet welk toilet u meer zou kunnen flatteeren dan dit.” - -Louise antwoordde niet, zij zette zich in haar bruidsgewaad aan tafel -en bleef dien avond zoo. - -Al wat eenigszins in de termen viel van bij den resident ontvangen te -kunnen worden, verscheen dien avond op de receptie. Men had te A. -zooveel van Louise’s buitengewone schoonheid gehoord, en de -adsistent-resident en de dokter hadden zooveel ophef over haar -vroolijkheid en haar bevalligheid gemaakt, dat er bijna niemand in A. -gevonden kon worden die niet om de een of andere reden verlangend was, -persoonlijk kennis te maken met de jonge residentsvrouw. - -Maar de arme Louise was niet meer, wat zij eenmaal geweest was. Geen -wonder dus dat de hooggespannen verwachting werd teleurgesteld. Men had -Louise beschreven als een lief, vriendelijk, lachend kind, wier gansch -uiterlijk leven, geest en spotlust teekende, en zij die dáar met -statigen ernst haar gasten verbeidde, geleek niets naar die -beschrijving. - -Louise was slank en buigzaam van gestalte, haar houding was fier en -haar gang statig, daarbij waren haar bewegingen langzaam, terwijl haar -oogopslag rustig was, en de lijdende treurige uitdrukking van haar -gelaat iets onbeschrijfelijk zachts en innemends gaf aan haar geheele -persoonlijkheid. - -Toch was zij bij den eersten aanblik menigeen tegengevallen, die te -vergeefs naar vroolijkheid gezocht had in die diepliggende oogen of -naar spotlust in dien fijn besneden mond. Maar nauwelijks had zij -eenige woorden gesproken, of haar lieve zachte stem, haar droeve lach -vooral, deden haar terstond de harten winnen zelfs van hen wier oogen -zij het minst had kunnen bevredigen. - -De resident geleidde een dame van meer dan middelbaren leeftijd binnen. -»Mevrouw Joly,” zeide hij, haar aan zijn vrouw voorstellende, »de -adsistent-resident, haar echtgenoot, is u bekend, Louise.” - -Mevrouw Joly nam naast Louise plaats en zat haar van ter zijde op te -nemen. - -Daarop volgden een vijftal café-au-lait-kleurige schoonen, de jonge -dames Joly, haar dochters, die allen in het wit gekleed waren met -donkerroode bloemen in het gitzwarte haar, zóo keurig opgemaakt, zoo -glad, zoo glimmend, dat het aan vernis deed denken. - -»Mooi, ja?” vroeg Antje de jongste der gezusters, zoodra zij met haar -vijven op een rijtje hadden plaats genomen. - -»Hek!” antwoordde de oudste, Lotje, die de g niet uit kon spreken als -het noodig was. - -»Niet lief,” zeide Fietje, de derde. - -»Hek”, herhaalde de oudste weer. »Net precies as bruid zoo mooi, en zij -hebruik sleep net as hoeverneursvrouw. Hek!” - -»Mag ik u mevrouw Oristorio di Frama voorstellen, Louise,” ging de -resident weer voort. »Uw onbekende vriendin, die gedurende uw -ongesteldheid zooveel belang in u gesteld heeft en die gij zoozeer -verlangdet persoonlijk te leeren kennen.” - -Louise bleef midden in haar neiging steken, hief haar groote oogen naar -de nieuw gekomene op en reikte haar de hand. - -»O mevrouw, wat zijt gij goed voor mij geweest!” riep zij met een dier -glimlachen pijnlijk om aan te zien, »zoo ik nogmaals mijn moeder missen -zal, wilt gij dan weder haar plaats bij haar arme Louise innemen?” - -Mevrouw Oristorio beantwoordde haar woorden met een handdruk, terwijl -de resident mejufvrouw Lina van Wageningen en mijnheer George Werner, -een landheer of planter uit den omtrek, aan zijn vrouw voorstelde. - -Zij neigde even voor Werner, zonder acht op hem te slaan, en reikte -Lina de hand met de woorden: - -»Ik heb reeds zooveel over u hooren spreken, juffrouw Van Wageningen, -dat het mij bijzonder aangenaam is u hedenavond hier te zien.” - -De jonge gouvernante ging aan Werner’s arm naar het lagere einde der -zaal, terwijl Louise langzamerhand door de voornaamste dames der stad -omringd werd, met wie zij weldra in gesprek gewikkeld was over de -prijzen van rijst en olie, en het aantal en den ouderdom van alle -mogelijke lieve kleinen der haar onbekende gasten—onderwerpen die haar, -gul uit gezegd, in het minst niet schelen konden. - -»Een lief vrouwtje dunkt mij,” zeide Lina tegen haar cavalier, »en -beelderig mooi.” - -»Een vrouwtje dat diep gevoelt,” antwoordde Werner met een zucht. - -Lina zweeg een oogenblik. - -»Denkt gij dat er vanavond gedanst zal worden?” vroeg zij, van -onderwerp veranderende. - -»Gedanst? Ja, ja, er wordt gedanst, maar de muzikanten zullen eerst -tegen negen uur komen, omdat de resident er op gesteld is dat het van -avond geen bal zal heeten.” - -»Zou mevrouw Stevens dansen?” - -»Ik denk het wel, alle dames dansen hier, tot de oude mevrouw Joly toe, -die ik laatst nog met haar vijf dochters in dezelfde quadrille zag -staan.” - -»Louise, mag ik het genoegen hebben je overste Van Ellenburg voor te -stellen, die de eerste wals met je wenscht te doen?” - -Louise antwoordde den resident met een wenk op de oude mevrouw Joly die -naast haar zat en stotterde iets van »ter nauwernood -hersteld—excuseeren—vermoeid.” - -De resident wierp haar een blik toe die de woorden op haar lippen deed -besterven en antwoordde voor haar, dat zij »volgaarne het vriendelijk -aanbod aannam.” - -De resident en de overste hadden als civile en militaire autoriteiten, -naar gewoonte weder eens met elkaar overhoop gelegen. Natuurlijk over -een kleinigheid, een aanmatiging van de eene zijde en een onheusche -weigering van de andere. Eerst sedert een paar dagen waren zij weder -met elkander verzoend; daarom moest Louise, die niets van de zaken des -residents behoefde af te weten, en ook inderdaad niets wist, haar -eerste wals aan den overste geven. Zóo zouden de menschen kunnen zien -dat de quaestie uit de wereld was. - -De overste vond zijn jonge danseuse allerbekoorlijkst. Daarom -presenteerde hij haar drie keer eau de Cologne en vroeg hij haar zes -keer of zij ook vermoeid was. Toen was de dans geëindigd. - -Had de overste kunnen handelen naar de inspraak van zijn hart, dan zou -hij terstond naar de whisttafel van den resident gesneld zijn, om zijn -ouden vijand eens ter dege »af te rossen”, want: »Is dat een vrouwtje -voor zoo’n kerel! Een engel van zachtheid en onderwerping voor zoo’n -brut als hij!” - -De overste was zoo verontwaardigd in zijn bewondering van Louise, dat -hij in een vlaag van afgunst en wanhoop zijn sabel vroeg en ... naar -huis stapte. - -Louise danste intusschen onafgebroken voort. Zij had een enkelen galop -overgeslagen omdat zij bijna niet meer voort kon van vermoeidheid. Maar -toen was de resident van zijn speeltafeltje opgestaan en had haar -verzocht om zich terstond weder in de vreugde te mengen daar iedereen -haar »gracieuse wijze van dansen bewonderde”. »O Louise!” vervolgde -hij, »gij weet niet hoe trotsch ik van avond op u ben! Alle menschen -zijn opgetogen over de schoonheid van mijn vrouwtje!” - -Louise bloosde, trok haar hand uit die van den resident en voegde zich -bij een groepje dames. - -De resident lachte van welgevallen over den indruk dien zijne woorden -op zijn vrouw schenen gemaakt te hebben. - -»Zij kon haar blijdschap ternauwernood verbergen,” dacht hij bij -zichzelven, »men kan toch alles van een vrouw gedaan krijgen, indien -men haar ijdelheid slechts weet te vleien!” - -En Louise? - -Zij had zich gekrenkt gevoeld door de woorden van den resident. Zij was -zwak en vermoeid en toch moest zij dansen, toch moest zij zich nog meer -vermoeien, omdat haar echtgenoot verlangde dat zijn vrouw bewonderd zou -worden. - -»Besta ik dan enkel om bewonderd te worden?” vroeg zij zichzelve met -bitterheid af, en toen rees er voor haar geest een chaos van -denkbeelden die haar deden huiveren van angst en afgrijzen. Op dat -oogenblik vroeg Werner haar voor een wals. - -»Een wals? .... Een wals?.... O gaarne!” riep zij verward, en zij wierp -zich met een soort van dankbaarheid in zijn armen, om in de verdooving -van den dans elke gedachte te vergeten. - -Werner meende wanhoop te zien in de koortsachtige wijze waarop de jonge -vrouw zich aan hem overgaf. »Zij is niet gelukkig,” dacht hij bij -zichzelven, en toen, een oogenblik later, zijn oog op Louise’s -verbleekt gelaat, op haar hijgenden boezem rusten bleef, gevoelde hij -zulk een diep medelijden met haar, dat hij plotseling ophield met -dansen en haar in de grootste verwarring vroeg: - -»Mijn God, wat deert u mevrouw?” - -Zij zag hem met verbazing aan. »Niets mijnheer,” antwoordde zij zacht: -»Ik ben volkomen wel.” - -»O neen, gij lijdt!—Gij lijdt vreeselijk! ... Maar mogelijk wilt gij -het niet bekennen, uit beleefdheid voor uw gasten?—O! mevrouw, vergeef -mij, gij zult mij mogelijk indiscreet vinden, maar .....” - -»Maar?” herhaalde Louise. - -»Gij zijt slechts sedert kort van een zware ziekte hersteld, mogelijk -vermoeit u die drukte om u heen en verlangt gij naar rust. Wilt gij mij -veroorloven uw gasten te verzoeken zich wat vroeger huiswaarts te -begeven, dan men hier gewoon is? De partijen eindigen hier meestal niet -vóor drie uur in den morgen.” - -»O! neen, neen. Ik dank u voor uw goedheid, maar ik ben hier nog te -weinig bekend om nu reeds tegen een aangenomen gebruik te zondigen.” - -»Men zal u gaarne die zonde vergeven, indien zij u van nut kan wezen,” -antwoordde Werner dringend. - -»Och neen, laat mij geen vreugdeverstoordster wezen! Drie uurtjes toch -zijn spoedig om, en morgen zal ik tijd genoeg tot rusten hebben. Maar -wilt gij mij een genoegen doen, mijnheer Werner? Wilt gij u een kleine -opoffering voor mij getroosten?” - -»Voor u? Alles mevrouw!” - -»Laat ons dan liever wat rondwandelen, dan dansen, ik word zoo duizelig -door het walsen.” - -»Wilt gij ook liever gaan zitten, mevrouw?” - -»O neen, zitten niet!—Loopen of dansen!” - -Er was zoo iets wilds in den toon waarop zij dit zeide, dat Werner het -gesprek plotseling afbrak en haar schijnbaar onverschillig vroeg: »Zijt -gij hier reeds met het land bekend, mevrouw?” - -»Neen, ik ben nog niet verder dan den tuin geweest, en die bevalt mij -bijzonder.” - -»Maar het land is hier prachtig! De omstreken van A. troffen mij zoo -toen ik pas hier kwam, dat ik de eerste veertien dagen letterlijk geen -oogenblik in huis geweest ben. Dagen achtereen dwaalde ik te voet of te -paard in de bosschen en het gebergte rond, en nu nog, ofschoon ik hier -al bijna tien jaar woon, nu nog geniet ik, als ik nu en dan eens mijn -werkzaamheden ontvluchten kan, om mij in het beschouwen der rijke, -grootsche natuurtooneelen te verlustigen die zich in duizend nieuwe -vormen aan het bewonderend oog ontrollen! Zoo gij altijd in de -benedenlanden geweest zijt, zult gij hier zeker menig genotvol uurtje -opgetogen van dankbaarheid in de vrije natuur doorbrengen, waarin gij -ondervinden zult, welk een onuitsprekelijk geluk het is zich als geheel -alleen op aarde te kunnen beschouwen, alleen met die heerlijke natuur, -die ons onze tegenwoordige nietigheid en onze toekomstige volmaaktheid -gevoelen doet. Zulke oogenblikken zijn heilzaam voor alle menschen; -want is men droefgeestig of ongelukkig dan geven zij kracht en troost -aan het zwakke half gebroken hart, en heeft men geluk en fortuin, dan -doen zij de dartele, oppervlakkige ziel ontwaken, brengen haar tot -nadenken en leeren haar waardeeren zelfs dat wat zij eerst slechts....” - -»Dat heb ik ondervonden!” riep Louise, hem plotseling in de rede -vallende. »Ik geloof dat ik gestorven zou zijn, indien ik hier geen -grooten lommerrijken tuin gevonden had, waarin ik vrij kon wezen! Vrij, -zooals ik heel mijn leven geweest was!” - -Zij gevoelde dat zij te veel gezegd had, en wilde haar woorden -verbeteren door er bij te voegen: - -»Want hoe gelukkig men ook is, toch zijn er oogenblikken waarin niets -ons een volkomen vrijheid vergoeden kan, en die oogenblikken heeft men -alleen wanneer men hetgeen men de »wereld” noemt vergeet.” - -Het was Werner als duizelde hij, toen hij deze woorden der -zestienjarige Louise hoorde. Zulk een kalme, sombere onderwerping als -er in ieder van haar woorden en blikken lag, zulk een diep lijden als -haar geheele persoon verraadde, deden hem huiveren voor de toekomst der -jonge, schoone, gevoelvolle vrouw, verbonden aan een man wiens geheele -leven, voor zoover het hem bekend was, een aaneenschakeling van -pronkzucht, eigenwaan en toomelooze drift geweest was. - -»Kent gij hier reeds eenige families?” vroeg hij, weder van onderwerp -veranderende. - -»Neen, niemand dan den dokter,” antwoordde Louise met een glimlach. »Ik -ben van avond meer vreemdelinge in mijn eigen huis dan ik nog ooit in -dat van een ander geweest ben.” - -»Kent gij de familie Oristorio di Frama nog niet? Zelfs niet bij naam?” - -»Ik heb haar heden avond voor het eerst gezien; maar mevrouw is -gedurende mijn ongesteldheid zoo allerliefst voor mij geweest, dat ik -waarlijk niet weet, hoe ik haar mijn dank zal kunnen betuigen.” - -»Door haar lief te hebben, mevrouw, en dat zult gij zeker, want mevrouw -Oristorio di Frama is een dier zeldzame vrouwen, die alles in zich -vereenigen, deugd, schoonheid, poëzie, kennis, geest, alles in éen -woord wat den mensch aan een volmaakt geluk hier op aarde zou kunnen -doen gelooven. Ook mijnheer di Frama is waarlijk een goed mensch. Kalm -maar ferm, verstandig, menschlievend en joviaal. Hij heeft de goede -hoedanigheden van den Italiaan behouden en de gebreken van zijn natie -tegen het nadenken en de vastberadenheid van de onze verwisseld. En hun -dochtertje, de dertienjarige Melatie, is het vroolijkste, het -aanvalligste kind dat men zich denken kan. Verbeeld u mevrouw, een -meisje van dertien jaar dat vijf talen spreekt, het maleisch niet -medegerekend: hollandsch, fransch, engelsch, duitsch, en italiaansch. -En dat hier in Indië!” - -»Mijn hemel, welk een wonderkind! Hoe heeft zij dat alles hier kunnen -leeren?” - -»O zeer gemakkelijk. Mijnheer Oristorio di Frama, een Italiaan van -geboorte, spreekt met vrouw en kind altoos zijne moedertaal en met zijn -kennissen fransch of maleisch, daar hij de medeklinkers van het -hollandsch nooit goed heeft kunnen leeren uitspreken. Mevrouw di Frama -is een engelsche dame, maar heeft jaren lang met haar ouders in -Nederland gewoond, waar zij gedeeltelijk haar opvoeding genoten heeft. -Toen zij het ongeluk had, haar beide ouders te verliezen, kwam zij als -gouvernante bij een familie te Batavia, bij wie zij gebleven is tot -haar huwelijk. Zij nu spreekt nooit anders dan hollandsch of engelsch -met Melatie, terwijl juffrouw Van Wageningen zich met haar -hoofdzakelijk op de duitsche taal heeft toegelegd.” - -»En juffrouw Van Wageningen,” vroeg Louise nieuwsgierig, »weet gij ook -iets bijzonders van haar?” - -»Ja zeker, mevrouw! Lina van Wageningen is hier in het begin als een -ware curiositeit beschouwd geworden omdat zij excerceeren en schermen -kon als de beste militair.” - -»O ho!” riep Louise lachend, geen woorden vindende om haar verbazing -uit te drukken. - -»Daarbij komt nog,” vervolgde Werner, »dat zij voorzeker de beste -amazone van Indië is en de eenige vrouw die hier in het land -gymnastische oefeningen tot eene kunst verheven heeft.” - -»Dat mooie jonge meisje! O gij moet mij nog veel van haar vertellen, -mijnheer Werner, want Lina van Wageningen is maanden lang een charme -van me geweest zonder dat ik haar persoonlijk kende.” - -»Hoe dat, mevrouw?” - -»Papa had naar Holland geschreven om een gouvernante voor mij en was -met juffrouw Van Wageningen in correspondentie geraakt. Mij beviel zij -in hare brieven bijzonder, ik hield zelfs zóo idolaat van mijn -onbekende gouvernante dat ik ongelukkig was als de mail geen tijding -van haar bracht. Maar mama had iets tegen haar: ik geloof dat het de -schuld van een mijner tantes in Holland was, die haar trotsch genoemd -had en coquette. Enfin ik weet niet wat er de reden van geweest is, -maar ik weet wel dat ik een andere gouvernante gekregen heb, een -leelijk, onaangenaam oud mensch, dat ik letterlijk weggekibbeld heb, en -dat juffrouw Lina, mijn charme, Samarang doorgetrokken is zonder zelfs -bij ons aan te komen. Papa wist dat zij in de stad was en twee dagen -bij de Langens, kennissen van ons, logeeren zou, maar hij heeft er mij -niets van gezegd vóor dat zij weer vertrokken was. Hij wist ook wel dat -ik anders niet te houden zou geweest zijn, dat ik mijn jufje had moeten -zien, en haar éens ten minste de hand drukken eer ze verder zou gaan.” - -»’t Is jammer genoeg dat zij uw gouvernante niet geworden is, want haar -zoudt gij zeker niet weggekibbeld hebben. Gij zoudt in haar niet alleen -een bekwame leermeesteres hebben gevonden, maar ook zeker een trouwe -vriendin.” - -»Dat dacht ik ook, ofschoon ik wel wat bang was voor zoo iets -buitengewoon knaps.” - -»O neen, mevrouw, wanneer gij haar kennen leert, zult gij zien dat Lina -van Wageningen niet iemand is om bang voor te wezen. Zij is de goedheid -en de eenvoud zelve en heeft het zachtste, liefste, meegaandste -karakter dat men zich denken kan. En talent! O, gij zult haar hooren -zingen hoop ik. Heerlijk! verrukkelijk! Met een gevoel dat de diepste -snaren der ziel doet trillen. Ik heb menigen avond bij de familie -Oristorio di Frama doorgebracht, waarop ik volmaakt gelukkig was en -gevoelde dat ik beter werd in die atmosfeer van deugd, beschaving en -schoonheidsgevoel. Het is alsof die uitmuntende menschen het verward -gegons der wereld ontvlucht zijn, om op Felicità, zoo heet de fabriek, -dat ensemble eener volmaakte familie samen te stellen, zooals men ze, -vooral in Indië, maar hoogst zeldzaam aantreft.” - -»Hoe?” vroeg Louise op eens, »galoppeert men?” - -Werner begreep eerst de vraag niet, en wist toen niet recht wat hij -zag. »Het schijnt zoo,” antwoordde hij eindelijk. »Ik geloof wezenlijk -dat men een nieuwen dans begonnen is.” - -Het was de derde reeds, sedert hij zijn wandeling met Louise te midden -der dansende paren aangevangen had. - -»Het is alsof ik van avond bestemd ben om indiscreet te wezen,” -vervolgde hij. »Ik heb zoozeer misbruik van uwe goedheid gemaakt, dat -ik nauwlijks op vergeving durf hopen. Maar ik heb ook in het geheel aan -geen dansen meer gedacht!” - -»Ik ook niet!” liet Louise zich ontvallen, maar zich terstond weer -herstellende, voegde zij er schielijk bij: »Wie zou ook geen dans -vergeten voor een familie Oristorio di Frama!” - -Naar haar plaats terugkeerende, hoorde zij een cavalier tegen zijn dame -zeggen: »Het is half drie geslagen.” - -En het speet haar dat het zoo laat was. - -Nog éen quadrille slechts zou er gedanst worden, een monster-quadrille, -waarin zoo mogelijk het gansche bal vereenigd zou zijn. Louise danste -met den resident, tegenover hen stond Werner met Lina van Wageningen, -omdat mijnheer Joly, de vis-à-vis van den resident, plotseling met -zware hoofdpijn van het bal verdwenen was en er niemand anders meer -overbleef dan Werner, die met Lina zat te praten omdat hij geen -vis-à-vis had kunnen vinden. - -Louise vond het heel aardig dat zij Lina eens van nabij bekijken kon, -maar het hinderde haar dat Werner tegenover haar stond. Waarom? Dit -wist zij zelve niet. Het was haar als schaamde zij zich voor hem. En -waarover? Ook dit wist zij niet. - -De resident was weer uitgelaten vroolijk en onbeschrijfelijk -luidruchtig. Hij gaf zelf de figuren op, moedigde de muzikanten aan, -riep elk oogenblik »en galop!” en was zoo opgewonden en druk dat zijn -vroolijkheid aanstekelijk werd en de gansche quadrille eindelijk -lachend in het honderd liep. Toen riep hij nog eens: »en galop! En -galop voor finale!” en die galop was zoo wild en woest, dat de meeste -paren zich zoo schielijk mogelijk terugtrokken en, onder daverend -handgeklap, den resident en zijn vrouw eenparig de zegepraal toekenden, -toen zij eindelijk, hijgend en afgemat, het laatst van allen naar hun -plaatsen terugkeerden. - - - - - - - - -TWINTIGSTE HOOFDSTUK - -EEN NIEUW GEVOEL - - -Den volgenden morgen was de resident reeds sedert eenige uren op zijn -bureau en nog had Louise haar kamer niet verlaten. Zij was vermoeid en -had behoefte aan rust, en de resident had bevolen dat men haar rust -eerbiedigen zou. - -De dienstboden spraken geen woord en slopen als schimmen door het huis, -omdat mevrouw sliep. En mevrouw zat intusschen in kaïn kabaya, met -loshangend haar, op een rotangstoel door de half geopende jalousiën in -den tuin te staren. Zij keek naar het lustig springen der vogels op de -dunne takjes der tamarindeboomen, en volgde met een glimlach de snelle -bewegingen der kleine, fijne blaadjes, terwijl zij dacht aan het bal -van gisteren.... - -Aan het bal?—Neen, eigenlijk niet zoozeer aan die golvende, verwarde, -bonte menschenmassa, aan dat schuivend, sleepend, gonzend, zingend en -trommelend geraas, als wel aan het eenige dat zij in dien chaos -opgemerkt had. - -Werner! - -Werner was een zonderlinge verschijning voor haar geweest. Zij zag hem -nog. Zij hoorde hem, verstond hem, bewonderde hem. Het was of hij den -afstand tusschen den resident en haar nog grooter had gemaakt, en alsof -er geheel geen afstand bestond tusschen Werner en haar. - -Ziedaar voor het gevoel. - -Voor het verstand was Werner niet anders als een ander, niets meer dan -een vreemdeling. Iemand dien men toevallig ontmoet, met wien men danst -en spreekt, dien men goed vindt en..... vergeet! - -Verstand en hart waren nog niet tot elkander gekomen, daarom begreep -het eene niet wat het andere gevoelde. - -Louise zag de bladeren bewegen, glimlachte en besefte niets. - -Zij kende Werner niet, en toch was het haar alsof hij sedert jaren -reeds een vriend van haar geweest was. Die man moest weten wat er in -hare ziel omging: dat gevoelde zij. - -»Die man weet niets!” riep het kalm berekenend verstand. - -»Die man is edelmoedig en groot en niet in staat iemands vertrouwen te -misbruiken. Hij is beter dan de beste mannen die gij tot dusver ontmoet -hebt, en volmaakter dan allen die gij ooit ontmoeten zult!” klopte weer -het hart. - -»Zij die zich het beste voordoen, zijn dikwijls de slechtsten,” hernam -het hoofd. - -En Louise glimlachte voort, met Werners naam op de lippen, en besefte -nauwlijks welke haar gedachten waren. - -Plotseling sprong zij op: zij had in de binnengalerij de voetstappen -van den resident gehoord. In verwarring snelde zij naar de deur, doch -even verward keerde zij weer naar haar plaats terug, blozende en -verwonderd over haar eigen ontsteltenis. - -De resident trad nauw hoorbaar de kamer binnen, om zijn vrouw niet in -haar slaap te storen, maar toen hij haar klaar wakker naar zich toe zag -komen, ving hij haar luid lachend in zijn armen en plaatste haar naast -zich op de rustbank, terwijl hij vriendelijk vroeg: - -»Nu, hoe gaat het, Poes? Zijt gij eindelijk uitgerust van de -vermoeienissen van gisteren? Weet gij wel hoe laat het is? Bij half -twaalf! Verbeeld je!” - -»Bij half twaalf?” - -»Ja, bij half twaalf. Gij hebt zoo wat een uur of acht aan éen stuk -doorgeslapen! Wat zegt gij daarvan?” - -»Dat het mij zeker goed zal doen!” - -»Komt gij straks aan tafel? Of wilt gij liever wat eten in uw kamer -hebben? Dan behoeft gij u niet te kleeden, want de secretaris blijft -van daag.” - -»O! ja, stuur mij als je blieft maar wat eten hier, en excuseer mij bij -den secretaris, die toch zeker liever met u alleen zal zijn.” - -»Neen, neen! Daar ben je van de wijs! Metman blijft juist, op hoop van -je te zien. Hij is smoorlijk verliefd op je. Hij vindt je zóo mooi dat -hij den ganschen morgen bij mij op het bureau gezeten heeft zonder een -oogenblik op te houden uw éloges te maken!” - -»Dat waren de uwen ook.” - -»Natuurlijk.” - -»Maar wie is Metman ook weer? Ik kan mij in het geheel niet herinneren -wien gij mij gisteren als den secretaris voorgesteld hebt.” - -»Wel, zoo’n klein, zwart kereltje, met levendige oogen en....” - -»O ik weet het. Net een muisje dat men half verdronken bij zijn oortjes -uit het water heeft gehaald!” - -»Die is unique! Ik zie er hem in! Wacht dat zal hem leeren verliefd -zijn op de vrouw van een ander! Ja, zóo zijn de vrouwen, zoo spreken -zij over de arme drommels die zich de moeite geven van haar éloges te -maken! - -»A propos, Louise, ik heb mijnheer Oristorio di Frama gisteren beloofd, -dat wij hem morgen een bezoek op Felicità zouden brengen; ik heb reeds -een span paarden vooruit gezonden, en den koetsier gezegd dat hij -morgen ochtend vóor zessen gereed zou zijn om af te rijden. Zorg dus -dat gij op uw tijd klaar zijt, dan zullen wij eens een prettig -uitstapje maken.” - -De resident drukte nog even Louise’s hand in de zijne en keerde naar -zijn bureau terug. - -Louise’s hart klopte schier hoorbaar. Zij zou naar de familie Oristorio -gaan! En dat reeds morgen! Verscheidene dagen mogelijk, zou zij te -zamen zijn met de vrienden van Werner! - -Zij wist zelve niet wat zij gevoelde en waarom zij op eens zoo gelukkig -was. Voor het eerst sedert haar komst te A. speelde er een hoopvolle -lach om haar lippen en daalde er een ongekende vreugde in haar hart. - -Toen dacht zij aan het kleed dat zij aan zou doen, aan het kapsel dat -haar het beste stond, aan de kleuren die haar het meest flatteerden, -aan alles, in éen woord, dat haar gisteren nog volkomen onverschillig -was en nu haar hart deed bonzen met een onstuimigheid, waarvan zij zich -geen rekenschap kon geven. - - - - - - - - -EENENTWINTIGSTE HOOFDSTUK - -SYMPATHIE - - -Het was bij tienen toen de resident en mevrouw Stevens van Langendijk -den volgenden morgen op Felicità aankwamen, waar mijnheer en mevrouw -Oristorio di Frama in de voorgalerij gereed stonden om hen te -ontvangen. - -Louise was opgetogen van bewondering over de heerlijke gezichten, die -zich op reis onophoudelijk voor haar oog ontrold hadden. Zij sprong het -eerst het rijtuig uit, reikte mijnheer Oristorio de hand, vloog mevrouw -om den hals en vroeg terstond naar Lina en Melatie. - -»De meisjes zullen dadelijk te huis komen, hoop ik,” antwoordde mevrouw -di Frama, Louise bij de hand naar binnen geleidende. »Zij zijn even -uitgegaan om bloemen te plukken, daar Melatie beweerde dat gij te jong -waart om een kamer te betrekken die niet behoorlijk met bloemen -versierd was.” - -»Zij heeft gelijk, en weet mogelijk bij ondervinding, dat bloemen -vrienden zijn, die wij altijd blij zijn weer te vinden, omdat ze ons -vriendelijk welkom heeten, waar wij ze ook op onzen weg ontmoeten!” - -Lina trad binnen, gevolgd door Melatie, die, op Werners arm geleund, -een vreemde bloem bewonderde, welke beiden vasthielden. - -»Kijk mama....” - -Zij zag mevrouw Stevens, zweeg, trok haar hand uit Werners arm terug en -liet de bloem los, die ook Werner vallen liet. - -Louise stond op om de nieuwgekomenen te groeten, reikte hun de hand, -maar sprak geen woord en kon haar oogen niet afwenden van de jonge, -gelukkige Melatie, wier buitengewone schoonheid schier een onaangenamen -indruk op haar maakte. Nog nooit had zij iemand iets benijd en nu -benijdde zij dat vroolijk, lachend kind haar open oog en haar -verstandig voorhoofd! Zij schaamde zich het onbestemd gevoel van -wangunst, dat zich plotseling van haar meester had gemaakt, en wilde -het overwinnen door Melatie nader te leeren kennen. Zij trok het meisje -naar zich toe, vroeg haar hoe oud zij was, of zij van uitgaan hield, of -zij gaarne naar A. ging enz. enz. en eindigde zelfs met haar te -logeeren te vragen. »Als gij er lust in hebt en uw ouders er niets -tegen hebben, kunt gij morgen avond met ons meegaan.” - -»Als ik lust heb?” herhaalde Melatie opgetogen. »O ik zou dol gaarne -met u meegaan mevrouw, maar ik ben nog nooit alleen uit logeeren -geweest.” - -»Welnu, dan zal het voor het eerst wezen, indien uw mama u ten minste -aan mijn zorgen toevertrouwen wil. Ik beloof dat ik goed op u passen -zal en dat wij u zelven weder te huis zullen brengen om zeker te zijn -dat gij goed terecht komt.” - -Melatie wierp een smeekenden blik op haar moeder, daarna op haar vader, -eindelijk op haar gouvernante, en vloog toen met een kreet van vreugde -mevrouw Stevens om den hals. - -»Ik mag! ik mag! Lieve mevrouw, wat maakt gij mij gelukkig!” riep zij -met zulk een geestdrift, dat Louise haar in de armen sloot en -plotseling die krachtige sympathie, die hartelijke genegenheid voor -haar gevoelde, welke slechts door de innige overeenstemming van -verwantschapte zielen ontstaan kan. - -Van dat oogenblik af waren mevrouw Stevens en Melatie onafscheidelijk. -Telkens zaten zij te zamen te fluisteren of wierpen zij elkander -blikken van verstandhouding toe, door die vriendinnen van éen -oogenblik, verstaan en beantwoord alsof zij haar leven lang bij -elkander waren geweest en nimmer nog een andere taal dan die samen -gesproken hadden. - -Melatie, die in een atmosfeer van sympathie en liefde te huis behoorde, -begreep terstond de aantrekkingskracht die mevrouw Stevens voor haar -had, en gaf zich geheel aan de inspraak van haar hart over, met den -eenvoud en de oprechtheid, zoo eigen aan haar ongekunstelde vrije -natuur. Louise daarentegen begreep niets, en zij verwonderde zich over -de zonderlinge gevoelens, die Werner en Melatie sedert een paar dagen -bij haar hadden opgewekt. Nog nooit was zij zoo opgeruimd en gelukkig -geweest als op dit oogenblik, en toch lag er iets dat aan weemoed -grensde, in het vriendelijk oog der jonge vrouw, terwijl er iets dat -naar medelijden geleek, uit den half weerhouden lach van het jonge -meisje sprak. - -Wat waren zij samen gelukkig! Zij speelden piano, zongen duo’s die -wegstierven in een schaterlach, vlogen op het heetst van den dag den -tuin in om lelies te plukken aan den waterkant, kleedden zich toen in -dezelfde kamer aan en lachten om den resident, die in de voorgalerij -zat te pruttelen over de onbezonnen wildheid zijner vrouw. - -Zóo vloog de dag voorbij tot dat tegen half zes des namiddags de -deftigheid hersteld werd door een wandeling, waaraan alle huisgenooten -deel namen. - -Mijnheer en mevrouw Oristorio riepen Melatie ter zijde om haar onder -het oog te brengen dat haar vrijpostigheid de grenzen der -welvoegelijkheid te buiten begon te gaan. »Vergeet niet,” dus eindigde -haar moeder, »vergeet niet dat mevrouw Stevens de vrouw is van den -resident van A.” - -Maar Melatie die een oogenblikje sip gekeken had, zag vragend om naar -haar nieuwe vriendin en fluisterde haar moeder zacht in ’t oor: »Zij -houdt veel meer van mij dan van den resident, mama, en ik houd ook veel -meer van haar dan van hem.” - -Een veelbeteekenend »chut!” van vader en moeder tegelijk, deed Melatie -gelukkig nog in tijds zwijgen, daar de resident hand in hand met zijn -vrouw kwam aanloopen om lachend aan mevrouw Oristorio te vragen, of zij -ooit een kinderachtiger residentsvrouw gezien had dan Louise was? - -»Nog nooit,” antwoordde de gastvrouw vriendelijk, »maar ik heb ook nog -nooit een residentsvrouw van de jaren van mevrouw Stevens -ontmoet,—evenmin als een resident van uw leeftijd.” - -Melatie had intusschen Werner in een der tamarindelanen ontdekt. Met -een kreet van vreugde snelde zij hem te gemoet, vatte hem bij de hand -en vertelde hem, geheel buiten adem door het loopen, dat mevrouw -Stevens haar vriendin geworden was. »O, zij is zoo lief,” fluisterde -zij lachend. »Zoo vroolijk en zoo goed! Zij heeft mij beloofd van avond -quatre-mains met mij te spelen, en dan zal jufje zeker zingen. Gij -blijft bij ons, niet waar, mijnheer Werner?” - -»Ja, uwe ouders hadden mij verzocht een paar dagen langer te blijven; -maar ik moet morgen naar de fabriek terug, waar mijn bezigheden mij -wachten. Heden avond kan ik dus nog van uw aller talenten genieten.” - -Daarna werd het gesprek algemeen en wandelde het gezelschap tot een -kleine hoogte voort, welke men beklom om van dáar een blik te werpen -over de omliggende vlakten en dessahs. - -De resident klapte in de handen van bewondering toen hij, het eerst -boven gekomen, zijn oog liet weiden over het prachtige landschap dat -aan zijn voeten lag. - -»Jongens! jongens! Wat is dat hier toch een rijk land!” riep hij -uitgelaten. »Kom gauw kijken, Louise! Hier, zie eens even die -rijstvelden. Dáar dat riviertje dat tusschen al die dessahs -doorkronkelt! Die hooge bosschen daar ginder! Die bergen op den -achtergrond! Mijn God! mijn God! Het verwondert mij niet dat jelui, -landheeren, hier allen fortuin maakt. ’t Zou wel vreemd zijn, als het -anders was. Dom geluk!” - -Louise wierp een blik in de richting door den resident aangewezen. - -»Mooi, hè?” vroeg hij, zijn arm om haar middel slaande. - -»Hm—m!” antwoordde zij afgetrokken. Toen wikkelde zij zich uit zijn arm -los en begaf zich naar de andere zijde der hoogte, van waar men de zon -in volle pracht zag ondergaan, achter een der schoonste landschappen -die men zich denken kan. Dáar bleef zij staan, als vastgenageld aan den -grond, met vonkelende oogen, half geopenden mond en saamgevouwen -handen, opgetogen, verrukt, meegesleept, zich badend in zielsgenot. - -Zóo zag Werner haar en de bewondering die hij voor haar gevoelde, moet -geleken hebben naar die welke zij voor de natuur gevoelde. - -Naar gelang de wolken haar gouden randen verloren en de laatste -zonnestralen wegzonken achter het uitgestrekt gebergte, verminderde ook -Louise’s opgetogenheid. Langzamerhand verloren haar oogen hun glans, -sloten haar lippen zich, boog zij het schoone hoofd neder. Haar armen -hingen machteloos, groote tranen trilden aan de lange zwarte pinkers en -een diepe zucht ontsnapte den geprangden boezem. - -»Ha! ha! ha!” klonk de schelle stem van den resident. »Is dat nu uw -manier van bewonderen? Ik lach als ik iets zie dat mij bevalt, en gij -huilt er om!” - -Louise begreep niet recht. Zij sloeg haar groote, donkere oogen treurig -op, wierp een teleurgestelden blik om zich heen en bleef zwijgen. - -»Kom, kom, weg met die tranen! En nu vroolijk en welgemoed naar huis -terug, niet waar mevrouw di Frama?” - -Dit zeggende greep hij Louise bij de hand en trok haar mede den berg -af. - -Louise lachte even, maar dat lachje was zoo diep weemoedig, dat het -Werner als een droeve klacht in de ziel drong en hem haastig het hoofd -van haar deed afwenden. - -Louise echter had den traan gezien dien hij voor haar verbergen wilde -en ook zij wendde haastig het hoofd van hem af. Met een soort van -afschuw trok zij plotseling haar hand uit die van den resident terug; -maar met de eigenaardige scherpzinnigheid der vrouw, bijna op hetzelfde -oogenblik gevoelende dat zij verkeerd handelde, volgde zij de eerste -gedachte die zich aan haar verwarden geest voordeed en riep lachend: - -»Wie van ons beiden het eerst beneden is, Mela!” - -Eer iemand nog begrepen had wat er gebeuren moest, was zij reeds met -het jonge meisje in het kreupelhout verdwenen, en een oogenblik later -vond men haar weer aan den voet van den berg, de beide handen vol -klimop, waarmede zij bezig was Melatie op te sieren. Zij bloosde licht -toen zij Werner het eerst van het slingerpad zag afkomen, maar zich -spoedig herstellende, wierp zij de klimop om Melatie’s hals, liep toen -haastig den resident tegemoet en legde haar hand op zijn arm, hem -lachend vergiffenis vragende voor de onstuimigheid waarmee zij hem -verlaten had. »De gelegenheid was al te schoon,” riep zij spottend, »ik -kon den lust geen weerstand bieden om nog eens even kind te wezen. Toe, -vergeef het mij maar?” - -Hij vergaf het haar en allen vergaven het haar en men werd weer even -spraakzaam en vroolijk als van te voren. - -Werner alleen bleef stil en afgetrokken. Hij liep met Lina achter aan -en deed zijn best om het gesprek gaande te houden, dat grootendeels -door Lina alleen gevoerd werd, terwijl hij zich hield alsof hij -aandachtig luisterde naar de woorden welke hij maar half verstond. Zij -hadden het over planten en bloemen gehad, zij hadden het schoone -landschap en de opkomende maan bewonderd, zij hadden gefilosofeerd over -het menschelijke leven en gezweefd in de hooge sferen van kunst en -poëzie, en toen zij eindelijk te huis kwamen en verblind werden door -het schitterend licht der lampen, was Werner verwonderd zich niet meer -op den berg te bevinden, waar hij nog altijd een schoone vrouw in -verrukking dacht te zien. - -Het souper en het theeuurtje waren vroolijker dan ooit. Louise vooral -was uitgelaten en haar vreugde was aanstekelijk, want een ongekend -gevoel van geluk doortintelde haar boezem. Haar hart, haar gansche -ziel, sprak uit haar kinderlijken lach, uit den blos harer wangen, uit -den gloed die haar groote oogen nog schooner maakte. De resident scheen -betooverd door zijn bekoorlijke Louise, die hij nog slechts éenmaal, op -zeker bal waar hij haar voor de eerste maal ontmoet had, zóo gezien had -als zij nu was, vroolijk, goedig, ongedwongen, in éen woord gelukkig! -Ook mijnheer en mevrouw di Frama, Lina van Wageningen en Melatie -deelden in Louise’s vreugde en gevoelden zich aangetrokken en -meegesleept door een geluk dat zoo duidelijk uit elk woord, uit elken -blik, uit elke beweging sprak. Zelfs Werner vergat zijn »schoone vrouw -in verrukking” voor de lachende Louise, wier eigenaardige wijze van -verhalen, fijnheid van opmerking en gevatheid in het antwoorden, hem -tusschenbeide tranen deden lachen. - -Nog nooit had men op Felicità zulk een genoegelijken avond -doorgebracht; allen waren even opgeruimd en tevreden geweest, niemand -had er aan gedacht dat het reeds bij twaalven was. Toch moest Lina nog -zingen, had Melatie nog niet gedeclameerd, was de quatre-mains van -Louise en Melatie nog niet aan de beurt geweest en had de viool van -Werner nog geen toon doen hooren. Maar het was nu veel te laat geworden -om al die goede plannen ten uitvoer te brengen, welke men in den -vooravond gemaakt had; daarom werd er besloten dat Lina nog eens even -zou zingen en dat het overige gedeelte van het programma tot morgen zou -worden uitgesteld. - -Werner accompagneerde Lina op de piano en Melatie sloeg de bladen om. -De resident had om een »vroolijk deuntje” gevraagd en het was een -vroolijk deuntje dat zij gezongen had, maar nauwlijks waren de laatste -tonen met een daverend applaudissement begroet geworden, of Werner -greep een stuk muziek van de piano en verzocht Lina het te zingen. - -Reeds bij de eerste tonen verdween de lach van Louise’s gelaat, de -resident zweeg en mijnheer en mevrouw di Frama zagen elkander aan, met -een onmiskenbare uitdrukking van bewondering en welbehagen. - -Het was het groote air uit de Freischütz, dat Werner uitgekozen had, en -dat Lina met een kalmte, met een eenvoud aanhief, die Louise de tranen -in de oogen riep. Nog zelden had Louise goede muziek gehoord en nooit -was die goed uitgevoerd geworden te Samarang, waar men in het geheel -geen opera en slechts een paar weinig beteekenende concerten in de -laatste jaren gehad had. Geen wonder dat de zuivere, krachtvolle stem, -die de jonge gouvernante, met zooveel kunst en smaak wist te leiden, -een diepen indruk op Louise maakte. Medegesleept door haar gevoel hing -zij met haar gansche ziel aan de ongekende heerlijke tonen, die haar -betooverden, verrukten en tot een soort van extase opvoerden, waaruit -men te vergeefs poogde haar in de werkelijkheid terug te brengen. Zij -lachte door haar tranen heen, hijgde, beefde en antwoordde zóo -koortsachtig, zóo gejaagd, zóo verward op alle vragen, dat de resident -haar met zijn gewone onbegrijpelijkheid uitlachte, en verwijtingen -deed, die zij niet scheen te verstaan. - -Lina begreep terstond wat er in de fijngevoelige ziel der jonge vrouw -omging, en vreezende voor een overspanning, die haar diep geschokt -zenuwgestel niet langer scheen te kunnen dragen, gaf zij Werner een -wenk en begon een dier melodieuse, weemoedige liederen te zingen, die -in Duitschland alleen te huis schijnen te behooren. - -Louise lachte eerst, maar langzamerhand werd die lach kalmer, -droeviger, totdat hij eindelijk in een luid snikken wegstierf. - -Toen greep Lina een dier nietsbeduidende, brilliante fransche -opéra-comique aria’s, geschreven voor een stem en niet voor een ziel, -en zong die met een vlugheid, lichtheid, stoutheid, die haar kunst op -eens met die van een clown of acrobaat gelijk stelde. - -Louise volgde dien ongekenden »wonderzang” met de verbazing van een -kind, en klapte schaterend in de handen, toen de laatste noten als door -een vogelenkeel waren uitgestoten. »Bravo! Goed zoo, juffrouw Van -Wageningen. Mijn hemel welk een stortregen van nootjes hebt gij daar in -een oogenblik op ons neergeworpen,” riep zij hartelijk lachend. - -Lina lachte ook, zij had haar doel bereikt. En toen de huisgenooten een -oogenblik later scheidden, om zich ter rust te begeven, reikten Lina en -mevrouw Stevens elkander met een wederzijdsch gevoel van genegenheid en -dankbaarheid de hand. - -Den volgenden morgen vertrok Werner. En vreemd, Louise vond niets meer -zóo mooi, zóo bekoorlijk, zóo aantrekkelijk als gisteren. Maar het -regende ook en mogelijk scheen daarom alles grijs en donker. Dien avond -vielen alle musicale en andere plannen in duigen door een bezoek van -dokter Heisterman. - -»Een goede, vervelende man,” dacht Louise, toen zij den eenvoudigen -filantroop zag binnenstappen. - -»Een slachtoffer van schoonheid en fortuin,” dacht de dokter, het jonge -vrouwtje met zijn scherpen blik doorgrondende. - -Het gesprek liep over allerlei onverschillige onderwerpen, totdat -Melatie op eens vroeg: »Dokter, hebt gij wel eens Zanoni gelezen, van -Bulwer?” - -»Ja, lange jaren geleden,” antwoordde de dokter somber. -»Viola!—Juffrouw Van Wageningen, hebt gij ooit iemand gekend die Viola -heette?” - -»Een mijner nichten moet zoo geheeten hebben, maar ik heb haar nooit -gekend.” - -»Blond—slank—schoon als de dag en goed als een engel!” Hij zweeg een -oogenblik en vervolgde toen zachter: - -»Was het uw vader niet die innig veel van haar hield?” - -»Ja. Maar zij is jong gestorven. Zij hield van een ander....” - -»Die ander ben ik. O veracht mij niet, want ik heb veel geleden!” - -Lina’s verbaasde oogen bleven den dokter aanstaren alsof zij het -verledene op zijn gelaat wilde lezen. »Gij dokter?” vroeg zij -eindelijk. »O! dat hadt gij mij niet moeten zeggen....” - -De dokter greep hare hand en fluisterde: »Ik zal u alles schrijven.... -Gij gelijkt haar naar het uiterlijke, gij moet haar ook gelijken in uw -binnenste!” - -Toen stond hij op, nam afscheid en ging heen. - -Een dag later ontving Lina den beloofden brief. - - - - - - - - -TWEEENTWINTIGSTE HOOFDSTUK - -EENIGE BLADZIJDEN UIT HET LEVEN VAN DEN DOKTER - - -Ik heb eens een hond gehad; een leelijk mager dier, met steile ooren en -een wonderlijken staart, dat geen enkel kunstje doen kon, verbazend -veel at en tegen mijn beste vrienden blafte. - -Toch hield ik van het domme dier en noemde het, wanneer ik in een goed -humeur was, »mijn lieve engel met een staart.” - -Wanneer mijn vrienden dat hoorden, lachten zij mij uit en dachten, -geloof ik, dat er een van de vijf bij mij aan het dwalen was. -Tusschenbeiden vond ik zelf iets overdrevens in mijn bewondering van al -wat leelijk was, en dan schopte ik Seraf de deur uit, om hem te toonen -dat niets hem het recht gaf de eerste plaats in mijn hart te bekleeden. -Maar verliet ik éen uur, twee uur, drie uur later mijn kamer, dan waren -het altijd Serafs’ trouwe oogen die mij het eerst weer tegenlachten, -en, uit medelijden of bewondering, mijn lieveling werd weer in genade -aangenomen in het heiligdom waaruit ik hem verstooten had. - -Ik heb vele menschen met mooie oogen gekend, enkelen zelfs met lieve -oogen, nooit heb ik iemand met zulke goede, trouwe oogen gezien, als -mijn zielsvriend Seraf had. Daar lag iets in dat mij wonderlijk maakte, -iets dat ik nooit in andere oogen weergevonden heb. Weet gij wat? Neen, -gij kunt het niet weten, want ik weet het zelf niet. Toch wil ik -trachten, u een denkbeeld te geven van den invloed van die oogen op -mijn dwazen geest. - -Eens was ik op een Zondagmorgen, door een stortregen naar de kerk -geweest, op hoop van onder het zingen een blik van Julia op te vangen, -of bij het uitgaan een handdruk van Mathilde te krijgen. Noch Julia -noch Mathilde had mij opgemerkt. Natuurlijk was ik buiten mij zelven -van kwaadheid. Een parapluie die droop, een jas die droop, een broek -die droop, een paar laarzen dat »tjiek” zei bij elken pas dien ik deed, -niets dan een paar drooge schouders en een drooge hoed, waarvan ik den -rand gedeukt had tusschen duim en voorsten vinger. De sleutel van de -voordeur vergeten! Gescheld! De bel kapot getrokken! Geklopt, getrapt, -gestompt, tegen die beroerde deur, die doof scheen! Dat was genoeg om -den zachtsten mensch der wereld uit zijn vel te doen springen.... Dát -deed ik niet eens.... maar ik nam mij voor.... - -De deur ging open! - -Met een tienmijlsvaart stoof ik den gang door, mijn kamer in; de -parapluie op tafel, de bijbel in de prullenmand, mijn hoed, mijn -laarzen, mijn jas, mijn handschoenen, alles danste de kamer door. - -Een noodkreet! Seraf huppelde jankend weg en sprong op de vensterbank, -vanwaar zijn lieve oogen mij vriendelijk tegenlachten, terwijl hij een -zijner vierkante pooten omhoog hield, en zijn wonderlijke staart de -gordijnen heen en weder wuifde. - -Dadelijk was ik bedaard. - -Waarom weet ik niet, maar ik geloof dat ik mij schaamde omdat Seraf mij -zóo goedig aankeek. - -Bij mijn binnenkomst was hij mij verblijd te gemoet gesneld; hij had -mij geliefkoosd, gelekt, alle beleefdheden aangedaan, die een meester -met mogelijkheid van zijn hond verlangen kan, en tot eenigen dank had -ik hem een laars tegen een zijner pooten gesmeten!—Het domme dier was -gekwetst, het had pijn, toch bleef het nog vriendelijk zwaaien met zijn -staart en keek het mij zoo smeekend aan met zijn goede, trouwe oogen, -dat gij of een ander, zonder iets van mijn rampzaligen kerkgang af te -weten, gedacht zoudt hebben, dat hij de beleediger en ik de gekwetste -geweest was. - -Dat zult gij mogelijk een laagheid van hem vinden? Ik niet. Wij hadden -beiden tegenspoeden gehad, ik twee kleintjes en hij éen groote. Ik had -geraasd en getierd als een dwaas, hij was zichzelven gelijk gebleven en -had zijn vriend vergeven. - -Waarachtig, ik schaamde mij voor mijn hond, want ik gevoelde mijn -minderheid.... - -Eerst wilde ik het niet erkennen. Een mensch is trotsch. Ik vischte -mijn bijbel uit de prullemand, raapte mijn kleeren bij elkaar.... later -heb ik het toch erkend! - -Ik ben eens geëngageerd geweest: zes weken lang! Viola heette mijn -meisje. Zij was een wees, jong en schoon en natuurlijk een engel. Veel -geest had zij niet naar het scheen, maar wel veel geld en vele -aanbidders. Mij had zij uitverkoren boven allen, omdat zij mij liefhad -en haar geheele ziel behoorde aan haren »goeden genius” (dat was ik). - -Nooit in mijn leven heb ik zooveel van iemand gehouden? Viola! Viola! -Altijd Viola! Overal Viola! Meer dan veertien dagen lang was ik -letterlijk suf van geluk! Ik kon niet lezen, niet werken, niet denken, -niet spreken zelfs, als het niet over Viola was. Ik vergat alles, mijn -Seraf, mijn studies, mijn vrienden, mijn zieken, alles, alles!—Liep ik -de stad door, dan zag ik Viola overal, op de pleinen, in de straten, in -de huizen, op den kerktoren, in de sneeuwvlokken die neerdaalden. -Overal, overal, elk paard, elk kind, elk muschje, zag ik door de -golvende lokken van Viola heen! - -Nooit van mijn leven ben ik zoo gauw van een liefde genezen geweest. Ik -geloof dat ze uitgeput was. Ik had te veel aan Viola gedacht, te veel -naar haar gezien, te veel over haar gesproken.... Zij verveelde mij. - -Mijn engagement woog mij zwaar op het hart, het moest verbroken worden; -ik kon Viola niet meer uitstaan! Ik berispte haar over alles; bespotte -haar wanneer zij mij haar »goeden genius” noemde, vergat haar -invitaties, verscheurde haar brieven, beantwoordde ze een dag te laat, -of verloor ze in haar bijzijn. - -Niets hielp. Viola bleef altijd zacht en goedig. Wel werd zij stiller -en bleeker en verloor zij haar gullen lach; eens zelfs geloof ik dat -haar oogen vochtig waren, maar zij zeide niets, klaagde nooit, deed mij -geen enkel verwijt. - -Dat was iets onverdragelijks! - -De eene helft van den dag liep ik mij suf te denken op honderde kleine -grieven en hatelijkheden, die ik haar de andere helft van den dag zou -aandoen. Zij verdroeg alles, bleef zwijgen en scheen mijn bedoeling -niet te begrijpen. - -Die domheid maakte mij wanhopig! En eindelijk, een kloek besluit -nemende, greep ik papier en pen en zette mij tot schrijven neder. - - - »Hartelijk geliefde Viola!” - - -Wat de gewoonte doet! En ik ging haar zeggen dat mijn liefde voor haar -versleten was!... Weg met dat briefje! Een ander: - - - »Beste Viola!” - -»Mijn liefde voor u is in de laatste dagen zoo zeer verflauwd, zoo -zeer....” - - -Nonsens! Dat klonk immers niet! Maar wat dan? Wat dan?.... Wacht.... - - - »Viola!” - -»Er kan, er mag geen liefde meer bestaan tusschen ons. Vraag mij naar -niets, want het is mij niet mogelijk u iets meer te zeggen.—God geve -ons kracht om dezen zwaren slag met onderwerping te dragen.” - -»Uw goede Genius,” had ik bijna gezet, maar ik bedacht mij nog in tijds -en zette eenvoudig - - »Dr. E. Heisterman.” - - -Ik las nog eens: - - - »Viola! - -»Er kan, er mag geen liefde meer bestaan tusschen ons. Vraag mij naar -niets, want het is mij niet mogelijk u iets meer te zeggen. God geve -ons kracht om dezen zwaren slag met onderwerping te dragen!” - - »Dr. E. Heisterman.” - - -Dat had ik knap gedaan! Ik begreep zelf niet hoe ik het zóo verzonnen -had!—Een engagement te verbreken zonder uw meisje te beleedigen, zonder -haar te zeggen dat gij geen liefde meer voor haar hebt, zonder haar -zelfs het recht te geven, u rekenschap van uw handelingen te vragen. Ik -beken het ronduit, ik was verstomd over mijn eigen vindingrijkheid! En -ik was zoo trotsch over mijn kort en bondig epistel, dat ik zonder -handschoenen, zonder stok, zonder hoed zelfs, op mijn pantoffels de -deur uitvloog om het naar den post te brengen. - -Voor het eerst zag ik Seraf dien avond weer. Het was mij alsof ik het -goede dier in geen zes weken gezien had.... Ik vond hem nog magerder, -nog leelijker geworden,—nog vriendelijker als het kon. - -Had ik hem inderdaad niet gezien in al dien tijd?—Maar hij was toch in -huis geweest.... Wie had hem dan verzorgd, gevoed, gestreeld, zooals ik -gewoon was te doen?—Niemand?—Dat kon niet zijn!—Ik zelf misschien, nu -en dan eens, machinaal, uit pure gewoonte zonder zelf te weten wat ik -deed. - -Mijn geheugen kwam mij eindelijk te hulp en bevestigde mij in die -meening. - -Arme Seraf! - -Dien avond gaf ik hem een extra kluifje, toen had hij mij niets meer te -verwijten. - -Den volgenden morgen ontving ik eenige kleine geschenken terug, die ik -Viola gedurende de zes weken van ons engagement gegeven had. Er was een -muziekboek bij, waaruit wij samen gezongen hadden..... een portretje -van mij, waarop zij aan de achterzijde geschreven had: »Mijn goede -Genius E. H.,” en een pakje brieven van mij, dat ik verbrand heb zonder -er een van na te willen lezen. - -Geen lettertje van haar! - -Eén dag, twee, drie dagen waren verloopen, en nog geen briefje van -Viola?—Dat had ik niet verwacht. Ik had niet gedacht dat zij zou lang -zonder mij had kunnen leven. Ik had een smeekschrift verwacht, of een -brief met harde woorden. Maar niets, in het geheel niets. Daar had ik -niet op gerekend! Dat was waarachtig een teleurstelling voor me! Ik was -beroerd, ik verveelde mij! Den vierden dag reeds sloeg ik Seraf, omdat -ik kwaad was op Viola, toen ging ik naar een bal en danste tot den -morgen. - -Een mijner vrienden vroeg mij naar »mijn meisje”. Ik had den moed niet -hem te zeggen door welk meesterstuk ik een eind aan mijn engagement -gemaakt had. - -»Wèl, heel wèl,” gaf ik hem stotterend ten antwoord. »Ik heb haar -sedert gisteren niet gezien.” - -Het was de vierde dag reeds na mijn briefje. - -Een mensch doet dikwijls iets wat bij van daag goed vindt, maar morgen -niet bekennen wil! - -Zóo verliep de eene dag na den andere, zonder mij eenige tijding van -Viola te brengen. - -Eerst had ik alle concerten, comedies en partijen nagejaagd; ik was -zelfs verder gegaan en had geluk gezocht overal waar verstrooiing, -verdooving, vergeten, te vinden was. Doch nergens had ik voldoening -gevonden en mijn vrienden hadden zoo den spot gedreven met mijn -vervlogen liefde voor Viola, dat ik geëindigd was met naar mijne kamer -terug te keeren en mij, even als ik gedurende de zes weken van mijn -engagement gedaan had, geheel van de buitenwereld af te zonderen. - -In die dagen kwam een oud-oom mij bezoeken. - -Hij feliciteerde mij met mijn engagement en verzocht mij dringend om -hem, zoo spoedig mogelijk, aan Viola voor te stellen, van wie hij, door -mijn brieven, zoo veel goeds en liefs gehoord had. - -Ik had hem twee maanden geleden het laatst geschreven. - -»Mijn engagement is af,” zei ik kregel, Seraf een schop gevend, omdat -ik mijn oud-oom niet schoppen kon. - -»Af!” - -De goede man stikte haast in dat woordje. - -»Ja,—oom—af!” - -Toen moest ik een predicatie slikken van meer dan een half uur lang, -die daarop neerkwam dat ik een ezel zijn moest om een engagement met -een schatrijk meisje, dat mooi en goed was en mij lief had boven alles, -te verbreken zonder reden! - -»Zonder reden!” - -Ik dacht dat het mijn oud-oom in zijn hoofd scheelde. - -»Gij hadt er het recht niet meer toe.” - -»Het recht!” - -Ik proponeerde mijn oud-oom een wandelingetje buiten de stad, om hem -wat tot bedaren te brengen. - -Seraf moest thuis blijven omdat hij gaarne mee wilde. - -Die wandeling was vrij vervelend. - -Oom zeide niets. Ik neuriede een deuntje en sloeg met mijn stok elk -voorwerp dat ik voorbij liep; eens onder anderen, een kind dat ik met -een cent tot zwijgen moest brengen omdat het »Vader!” en »Moeder!” -gilde. - -Viola! - -Mijne knieën knikten—het bloed stolde mij in de aderen—mijn hart hield -op te kloppen. - -Viola!... De laan inkomende, voor ons, vijftig, veertig schreden van -ons af,—mager, bleek, gebogen, leunend op den arm van haar -gezelschapsjuffrouw. - -Zij zag op. Hare oogen ontmoetten de mijnen. Ook hare knieën knikten, -ook haar stolde het bloed in de aderen, ook haar hart moet een -oogenblik opgehouden hebben te kloppen.—Ik zag het. Zij beefde en -verbleekte nog meer. Doch zij herstelde zich, hief het hoofd op en zag -mij aan alsof zij in het diepst van mijn ziel wilde lezen. - -Er lag zoo iets lijdends en toch zoo iets onbeschrijfelijk fiers en -edels in dien blik, dat ik mijn oogen neersloeg en, met de hand aan den -rand van mijn hoed, bleef staan, zonder de kracht te hebben haar te -groeten. - -Zij was voorbij. - -Dien avond bekende ik mijn oom dat hij gelijk had, dat ons engagement -nooit verbroken had moeten worden. - -Ik smeekte hem mijn voorspraak bij Viola te wezen, haar te zeggen wat -hij wilde, maar niet te rusten vóor zij mij vergeven zoude hebben. - -Hij ging. Het was op een Maandag morgen. Ik zie hem nog, met zijn -dikken stok en zijn wijden overjas. Seraf en ik stonden voor het raam -hem na te oogen. - -Hij bleef een uur uit, op de minuut af. Dat is het langste uur van mijn -leven geweest. - -Ik lachte toen ik hem eindelijk terug zag komen, over het smalle gele -brugje tegenover mijn huis. - -Hij lachte niet. - -Ik snelde hem te gemoet. - -Hij duwde mij naar binnen. Hij had een briefje in de hand, geschreven -door Viola! Ik greep er naar, maar hij trok het terug, stapte mijn -kamer binnen, wierp zich neder op mijn eenige fauteuil en plaatste, -langzaam als oude menschen, zijn stok tusschen zijn beenen, zijn hoed -er op, zijn handschoenen daarop.... Ik greep de heele pyramide en wierp -haar op tafel. - -»Eduard,” begon hij, »ik geloof dat gij een gevaarlijk spel gespeeld -hebt met de eenige vrouw, die u mogelijk ooit oprecht heeft -liefgehad....” - -»Dat briefje, oom!—In Gods naam, geef mij dat briefje!” - -»Nog niet. Luister eerst. Viola is ongesteld—zij lag te bed toen ik mij -liet aandienen. Zij is opgestaan op het hooren van uw naam en beneden -gekomen om mij te woord te staan. Ik heb haar gezegd wat ik wist en -haar gesmeekt u uw dwaling te vergeven, u verontschuldigende zooveel in -mijn vermogen was. Zij heeft mij aangehoord ten einde toe, en toen ik -zweeg, heeft zij mij de hand gereikt, met de woorden: »Gij zijt goed, -mijnheer Van Ranzen. Ik dank u voor hetgeen gij voor mij gedaan hebt. -Maar ik heb te veel van Eduard gehouden om nu nog gelukkig met hem te -kunnen zijn. Hij heeft zelf ons engagement verbroken,—laat het zóo -blijven, het is goed zóo.” Ik kon haar geen ongelijk geven. Toch vroeg -ik haar nog: »Maar indien gij zóoveel van hem gehouden hebt, gevoelt ge -nu dan niets meer voor hem?”—»Niets dan angst,” antwoordde zij zacht. -»Ik begrijp hem niet meer, ik versta hem niet meer, ik ken hem niet -meer, hij is mij vreemd geworden.” Ik stond op om heen te gaan. »Neen, -nog niet,” vroeg zij smeekend, mij naar mijn stoel terugwijzend. »Gij -hebt nog wel een oogenblikje tijd, niet waar?—Ik wil hem -schrijven—zelve—dan kan hij niet meer twijfelen.” Zie hier hetgeen zij, -in mijn bijzijn, voor u geschreven heeft.” - -Ik wierp mij met een kreet op het briefje, scheurde het mijn oud-oom -uit de hand, en had weer hoop zoodra ik het schrift mijner Viola -herkende. - -Zij had te veel van mij gehouden, zij moest mij vergeven, indien ik het -wilde. - -Zie hier wat ik las: - - - »Waarde Heisterman!” - - -Ik had simpeltjes »Viola” gezet, dat begin was beter dan het mijne. - - - »Waarde Heisterman! - -»Er ligt een geheim of een onwaarheid tusschen ons, misschien een -misdaad. Ik heb u liefgehad zoolang ik u vertrouwde, maar mijn -vertrouwen is weg, en uwe liefde is niets meer voor mij. - - Viola.” - - -En het was Viola, Viola zelve, die mij zulk een briefje schreef! Ik kon -mijn oogen niet gelooven! Ik herlas het, bekeek het, betastte het, -herlas het weder. Eindelijk geloofde ik. Toen zonk ik luid snikkend op -een stoel, terwijl het briefje uit mijn handen gleed. Seraf hapte er -naar en zette er een poot op, maar mijn oud-oom nam het hem af en -vroeg: - -»Mag ik?” - -Ik knikte toestemmend. - -Hij las het en gaf het mij weder, zeggende: - -»Dat meisje heeft gelijk. Zij is ook veel te goed voor u.” - -Hij wendde het hoofd van mij af, greep zijn hoed, vergat zijn stok, en -liep met zijn handschoenen in de hand, de deur uit.—Toen hij het raam -voorbij kwam, meende ik een traan in zijn rechteroog te zien. - -Mijn oud-oom was een braaf, rechtschapen man, een van die zeldzame -menschen, die met opgeheven hoofd en vasten tred het leven doorstappen, -van de wieg tot het graf, zonder ooit te wijken of te buigen, brekende -al wat den rechten weg verspert, vertrappende al wat kruipt of naar -beneden trekt; een van die bijzondere menschen voor wien een booswicht -beeft, voor wien een braaf mensch zijn minderheid erkent. - -Geen wonder dus dat zijn woorden mij geweldig hinderden. Terstond na -zijn vertrek gevoelde ik dat hij gelijk had. Viola was te goed voor mij! -Maar juist omdat zij te goed voor mij was, en omdat zij mijn liefde -versmaadde, had de hare waarde voor mij verkregen, en zwoer ik bij mij -zelven dat zij eenmaal de mijne zou zijn!—Vroeg of laat zou Viola mij -toebehooren! Nooit zou een ander eenig recht verkrijgen op de vrouw, -die mij eenmaal uit liefde alleen, haar gansche leven beloofd had! - -Vroeger had ik haar om mijnentwille liefgehad, omdat ik iets -aangenaams, iets streelends vond in het denkbeeld van over iemand te -heerschen, die mij als een vriend, een beschermer, een voorbeeld, een -volmaaktheid beschouwde, en zelve als het ware niet leefde, niet -bestond dan door haar grenzenlooze liefde voor mij. - -Nu gevoelde ik dat Viola zich aan mijn heerschappij onttrokken had, dat -zij zich boven mij verheven achtte, dat zij mij haar liefde niet meer -schenken wilde. En het was om harentwille dat ik haar lief begon te -krijgen! - -Viola, goedig, zacht, aanhalig, vriendelijk, eenvoudig, de Viola van -vroeger, voor wie ik een afgod was geweest, had ik als mijn eigendom -beschouwd, als een bezitting, waarop geen ander ooit eenige aanspraak -zou kunnen maken. - -De fiere, onbuigzame Viola van thans, was vrij. Zij gevoelde haar -onafhankelijkheid, en verkoos die boven alles, zelfs boven den man, -dien zij eenmaal zoo innig, zoo waarachtig lief had gehad. - -Welk een triumf voor mij, dien trots, dien hoogmoed, te doen buigen -voor mijn wil! - - - -Mijn eerste bezoek den volgenden morgen was bij Viola. - -Ik kreeg belet. - -Ik plaatste mij onder een boom tegenover hare woning en bleef daar -staan, vijf uren lang, met het oog op het venster van haar kamer -gericht. - -Ik had gehoopt dat zij uit zou gaan; maar zij vertoonde zich niet. - -Tegen drie uur begon het te regenen, en ging ik naar huis. - -Den volgenden dag herhaalde ik mijn poging. Ik kreeg weer belet en -bleef eenige uren onder den bewusten boom staan, zonder iets van Viola -te bespeuren. - -Veertien dagen waren er op die wijze voorbij gegaan, toen ik eens, om -drie uur naar huis terug keerende,—ik was altijd op het uur van mijn -eerste regenbui naar huis gegaan—achter mij hoorde hoesten. - -Ik zag om en herkende Viola! - -Zij kwam uit een zijstraat en leunde op den arm van haar -gezelschapsjuffrouw. Zij was nog bleeker, nog magerder dan de laatste -maal dat ik haar gezien had. Hare oogen waren grooter geworden, haar -lippen smaller, haar houding gebogener, haar gang langzamer, zij -hoestte..... - -Zij had mij niet gezien. Eerst toen zij naast mij was gekomen, zag zij -mij, bloosde even, wendde het hoofd van mij af en vervolgde haar weg -naar huis. - -Veertien dagen lang had ik gehoopt haar te zien, had ik slechts éen -wensch gehad: haar te spreken! Nu eindelijk zag ik haar, vóor mij, -naast mij..... En ik zei niets.... geen woord.... Ik zag haar de stoep -opgaan, aanschellen, binnentreden.... - -De deur sloeg dicht. - -Van dien dag af staakte ik mijn pogingen om door haar ontvangen te -worden en ging ik eerst tegen het vallen van den avond onder den boom -tegenover het venster staan. - -Dan zag ik licht door de reten van de luiken schijnen. Maar het licht -verdween elken avond wat vroeger.... totdat eindelijk alles duister -bleef. - -Zou Viola ongesteld wezen, zwaar ziek, stervende mogelijk? - -Ik schelde aan. - -De gezelschapsjuffrouw deed mij open. - -»Viola wacht u. Ga binnen.” - -Mijn God, welk een geluk! Ik had wel aan de voeten van de juffrouw neer -willen zinken om haar te danken voor die woorden. Maar Viola wachtte -mij. Zij vergaf mij dus, zij zou de mijne zijn, zij behoorde mij reeds -toe! - -En, zonder naar de juffrouw om te zien, stapte ik haar voorbij om bezit -te nemen van mijn eigendom. - -Viola! - -Het was mij alsof de aarde onder mijn voeten wegzonk en de hemel over -mijn hoofd in donkere golven voortrolde. - -Viola in die diepte! - -Viola op die golven! - -Een oogenblik was alles duister. - -»Dank je Eduard!” - -Die bekende lieve stem, die zachte handdruk riepen mij in de -werkelijkheid terug. - -Viola lag op een zwart fluweelen canapé, haar oogen rustten op de -mijnen, haar lippen lachten. - -Mijn God, welk een blik en welk een lach waren dat! - -Wat ik op dat oogenblik gevoelde, weet ik niet: het was mij alsof er -niets meer bestond, niets dan mijn eigen ziel en die leed geweldig!... -Hoe ik geknield naast de canapé ben gekomen, weet ik ook niet. Ik -herinner mij niets meer van dat bezoek dan dat Viola’s stem mij in de -ooren klonk en dat ik woorden gehoord heb die mij altijd bijgebleven -zijn. - -»Verwondert het u dat ik sterf, Eduard?... Maar gij wist immers dat ik -zonder u niet leven kon... - -»Uwe liefde was mij een levensbehoefte geworden... dit weet gij.... En -toch hebt gij mij uwe liefde ontnomen.... - -»Toen uw oom mij spreken kwam, had ik bloed opgegeven.... De dokter had -mij gezegd dat ik genezen kon, indien ik naar Italië of het Zuiden van -Frankrijk wilde gaan.... Maar ik was hier te gelukkig geweest... ik kon -mijn stadje niet verlaten. Ik gevoelde toch dat ik sterven moest. En ik -wilde sterven waar ik u had liefgehad...” - -Wat ik haar gezegd heb weet ik niet, maar zij antwoordde: - -»Neen Eduard, gij zijt jong, gij zijt gezond en sterk, het leven moet -nog lang voor u zijn. Uwe toekomst kan nog zóo schoon, nog zóo gelukkig -wezen! En wat kunt gij nog veel goed doen, nog veel nut stichten in de -wereld.... - -»Vergeet mij niet, Eduard!.... En wanneer gij weer een vrouw zult zien, -die gij schoon vinden, die gij lief hebben zult, denk dan nog eens aan -de arme Viola, en beloof haar uw liefde niet, wanneer gij haar later te -leur zoudt kunnen stellen....” - -Verder herinner ik mij van dien avond niets meer, dan dat ik, t’huis -komende, Seraf bij ongeluk op zijn staart trapte en hem toen met tranen -in de oogen een zoen gaf. - -Nog nooit had ik zooveel van Viola gehouden. - -Arme Viola! - -Tweemalen ging ik haar nog bezoeken. Zij had mij alles vergeven. Toen -ik de derde maal kwam, stond zij geheel gekleed in het midden van de -kamer. - -O, dien dag vergeet ik nooit! - -Ik zie haar nog, met haar licht blauw gewaad, met haar goudblonde -lokken en haar lieven zachten lach. - -»Eduard!” riep zij, zoodra zij mij zag. »O, mijn God, wat maakt gij mij -gelukkig! .... Ik vreesde dat gij niet komen zoudt.... niet -dadelijk.... en morgen....” - -»Ik verwachtte u, zoo als gij ziet,” viel zij zich zelve in de rede, -mij op de blauwe japon wijzende, die ik haar vroeger het liefst zag aan -hebben. Toen kwam zij mij eenige schreden te gemoet, wierp zich op eens -in mijne armen, zag mij aan met een hemelschen blik, klemde zich vast -om mijn hals en zeide fluisterend: - -»Ik sterf, Eduard!” - -Dien nacht heb ik gewaakt bij het lijk van mijn arme Viola. - -Drie dagen was ik radeloos. Toen haalde ik mijn balkleeren uit de kast -en reed in een galakoets naar ’t kerkhof, om bij de ter aardebestelling -van Viola’s stoffelijk overschot tegenwoordig te zijn. - -We waren met ons vieren. De dominé bij wien zij aangenomen was, de -dokter die haar gedurende haar ziekte behandeld had, haar neef Van -Wageningen en ik. - -Ik had Van Wageningen eens ontmoet. Het was eenige maanden geleden -geweest, bij Viola aan huis, toen ons engagement pas publiek was -geworden. Hij was opzettelijk in de stad gekomen om haar geluk te -wenschen, en toen ik aan hem voorgesteld werd, had hij mij de hand -gereikt met de woorden: - -»Mijnheer Heisterman, gij zijt gelukkiger geweest dan ik. Zij heeft u -boven mij verkozen, God geve dat gij haar keuze rechtvaardigen zult.” - -Hij had toen een zeer gunstigen indruk op mij gemaakt, zoo zelfs dat ik -over Viola’s smaak, alle eigenliefde op zij gesteld, eenigszins -verwonderd was geweest. - -Wij zagen elkander een oogenblik zwijgend aan; toen kwam hij naar mij -toe, reikte mij de hand, over Viola’s doodkist heen, en zei met een -doffe halfgesmoorde stem: - -»Ik had haar moordenaar een eeuwigen haat toegedacht, maar zij heeft -hem vergeven.... Geen vijanden moeten het zijn die de laatste eer -bewijzen aan haar, die niets dan liefde kende.” - -Ik weet niet wat mij op dat oogenblik bezielde. Ik verloor op eens alle -zelfbeheersching, beefde, waggelde, zag niets meer en zonk ter aarde. - -Toen ik weder tot mij zelve kwam, lag ik in mijn eigen kamer, in mijn -bed. Van Wageningen zat naast mij over een courant te staren. - -Van toen af is hij mijn vriend geweest. - -Ik had Seraf, dacht mij, in lang niet gezien. - -Ik riep hem.—Hij kwam niet. Mijn vriend ging hem zoeken. Hij vond hem -niet. Ik vroeg mijn oppasser of hij ook wist waar Seraf gebleven was. -Hij wist het niet. - -Niemand, die in al die dagen aan mijn armen Seraf gedacht had! Ik zond -mijn oppasser uit om hem te zoeken en beloofde hem een goede fooi, -wanneer hij mij mijn getrouwen vriend terug zou brengen. De oppasser -hield niet van Seraf, omdat mijn kleeren meestal vol lange witte -hondenharen zaten. - -De gordijnen van mijn bed bewogen aan den kant van den muur. - -»Wat is dat?” - -Van Wageningen sprong op om het te onderzoeken. - -»Seraf!” - -Seraf kroop over den vloer langs den muur, tot bij den stoel waarop -mijn vriend gezeten had. Dáar bleef hij een oogenblik onbewegelijk -liggen. Toen richtte hij zich met moeite op en wilde met zijn -voorpooten tegen het ledikant opstaan, zoo als hij gewoon was dit elken -morgen te doen om mij te wekken. Maar zijne pooten gleden uit, en, -zwaar als lood, zonk het arme dier op den vloer. - -Ik sprong dadelijk uit mijn bed en ging op mijn knieën naast hem -liggen. - -Goede Seraf! Hij kreunde van vreugde, kwispelde met zijn staart, lekte -mij de handen en wierp mij een van die lange, diepe, gevoelvolle -blikken toe, zoo als hij alleen ze bezat. - -Ik streelde hem, nam hem op, verwarmde hem in mijn armen, lei hem in -bed.... Hij drukte zich krampachtig aan mij vast, kroop al dichter en -dichter tegen mij aan, verborg zijn kopje in de plooien van mijn mouw, -kreunde, zuchtte, richtte zich op, lekte mijn hand, zag mij aan, rekte -zich uit en stierf. - -Ik herinner mij niet, ooit zoo geweend te hebben als dien dag. - -De oppasser kwam de kamer in. - -»Ik heb den hond niet gevonden, meneer!” - -Ik verstond hem niet. - -Mijn vriend gaf den man een wenk om heen te gaan. - -»Wat is er?—Wie is daar?” vroeg ik plotseling. - -»Ik, meneer.” - -»Wie zijt gij?—Wat moet gij?” - -»Seraf....” - -»Zoo, zijt gij het! Wat heeft die hond gescheeld?” vroeg ik bevend van -toorn, den oppasser verdenkende van hem vergiftigd te hebben. - -»Ik weet het niet, meneer. Hij heeft immers al sedert een dag of drie -niets willen eten of drinken. Het heeft mij wel verwonderd dat meneer, -die zoo veel van hem hield en hem den heelen dag bij zich op de kamer -had, zag dat hij ziek was, en hem niets gaf om hem beter te maken....” - -Het was dus mijn schuld dat ook Seraf gestorven was! - -Een vreeselijke mélancholie overviel mij. Ik werd zwaar ziek. Mijn -vriend verliet mij geen oogenblik. - -In die ziekte heb ik een visioen gehad, een droom zou een ander zeggen, -ik noem het liever een visioen. - -Ik was op den top van een berg en de grond waarop ik stond bewoog, was -glibberig en rookte. Zware donkere wolken rolden met een spookachtig -dof gedruis door elkander en duwden mij voort met een kracht waaraan ik -geen weerstand kon bieden. Eerst ploften zij mij in een peillooze -diepte, waarin ik duizelend ronddwarrelde als een stofje in een -zonnestraal, totdat ik stuitte tegen een hoogte, die ik beklimmen -moest. Daarna voerden zij mij mee in haar eindelooze vlucht en dreven -met mij door een duistere, koude en vochtige ruimte, totdat zij -plotseling met een vreeselijk geweld uiteen vlogen en mij nederwierpen -op de aarde, die gedurende eenigen tijd voor mij had opgehouden te -bestaan. Toen bevond ik mij weer op den top van den berg, aan den voet -waarvan een onafzienbare vlakte lag, die in damp en rook verdween -zoodra ik haar bereiken ging.... Alles was koude, duisternis, beweging, -gedruis, onzekerheid, verwarring.... - -Daarop volgde een allerzonderlingste toestand. Ik hield op te denken, -te weten, te beseffen; mijn lichaam scheen dood en mijn geest -vernietigd. Doch mijn ziel bleef voortbestaan, zij alleen gevoelde nog -en gevoelde enkel om te lijden, om vreeselijke, onbeschrijfelijke -smarten te doorstaan. Het was alsof ik dubbel bestond. Mijn éene ik zag -ik voor mij liggen, koud, stijf, onbewegelijk, dood.... En mijn andere -ik moest voort blijven leven met bewustzijn, herinnering en voorgevoel. -Ik zag het, ik wist het en weende van droefheid over het leven dat mijn -eerste ik verspild had; ik sidderde van angst voor het lot dat mijn -tweede ik te wachten stond.... Krankzinnigen moeten weleens zoo iets -gevoelen. Zulke smarten, zulke angsten vooral, zijn voor een gezond -mensch nauwelijks denkbaar. - -Op eens was alle gevoel van smart en lijden voorbij. Een rust, een -kalmte, een soort van gelukzaligheid, nergens bij te vergelijken, -volgde. - -Een kleine lichtende hand zweefde mij voorbij. Aan die hand kwam een -arm, aan dien arm een lichaam, op dat lichaam een hoofd. - -Viola, de stervende Viola, met haar dankbaren lach en haar hemelschen -blik, zweefde als een lichtende engel door de dichte duisternis, die -mij omringde, naderde mij en reikte mij de hand. Die hand was koud als -die eener doode. - -»Volg mij!” sprak zij zacht. - -Ik volgde. - -De duisternis verminderde, het geraas hield op, de ruimte kwam tot -rust, een doodsche stilte heerschte om ons heen. Ontelbare hooge, -breede, lichtende trappen en lange zonnige gangen omringden ons van -alle kanten. - -Viola’s hand rustte nog in de mijne, doch zij zelve was geheel -onzichtbaar voor mij geworden, haar heldere, doorschijnende gedaante -was met het licht inéengesmolten. - -Wij zweefden de hooge trappen op en af, en ik zag reeds een menigte -gangen als gouden bogen onder en achter ons liggen, toen een lichtende -deur ons belette verder te gaan. Viola wenkte dat ik mij achter haar -zou plaatsen. De deur ging open. Een onvergelijkelijk schoone muziek -trof mijn oor. - -Wij bevonden ons ergens waar het heldere licht mij verblindde en iets -mij als bedwelmde. - -Langzamerhand kreeg ik het gebruik van mijn zintuigen weder. Mijn -gehoor was zelfs fijner geworden dan het ooit geweest was. Doch ik zag -dof en als door een nevel heen, en mijn verstand duizelde, mijn -denkbeelden waren verward. - -Eerst zag ik niets, ik hoorde slechts; daarna was het mij alsof mij -iets ontnomen werd; toen kreeg ik iets anders daarvoor in plaats. Het -licht werd langzamerhand doorschijnend, mijn ziel zag er doorheen en -herkende Viola weder. Zij stond naast mij, zag mij aan en wees met de -hand naar de ruimte, die vóor ons lag. - -Daar onderscheidde ik toen ontelbare ietsen, die door elkander -wemelden, wezens van verschillende soort, zonderlinge gedaanten, -onbeschrijfelijke vormen, vreemde schepselen zonder tal of naam, die -zich bewogen, voort snelden, samensmolten en eindelijk wegstierven in -het alles omvattend licht, waarvan ook zij een deel schenen uit te -maken. - -Dáar zweefden de eeuwen die voorbij waren en de dagen die nog komen -moesten, in een harmonisch geheel verbonden volgens de groote wetten -der volmaaktheid voort, terwijl een zee van licht een betooverende -pracht en rijkdom ten toon spreidde die zingend door een eindelooze -ruimte van geluk en leven golfde. - -Viola trad een schrede terug. Ik volgde haar. De groote deur sloeg -dicht. - -»Gij hebt genoeg gezien,” sprak zij zacht. - -Toen kwamen de millioenen trappen weder, en de eindelooze gangen, die -geen andere scheidsmuren hadden dan hunne doorschijnende gouden strepen -van minder helder licht. - -Alles was eindelijk verdwenen. - -»Het leven moet nog lang voor u zijn. Uwe toekomst kan nog zoo schoon, -nog zoo gelukkig wezen! En wat kunt gij nog veel goed doen, nog veel -nut stichten in de wereld!” - -Zoo klonk mij Viola’s stem als een hemelsche muziek nog na. - -»O Eduard! heb medelijden!” - -Dàt waren hare laatste woorden. - -Mijn oog viel op de groene saaien bedgordijnen, dwaalde van daar naar -de zes houten stoelen, die onbewegelijk op hun vierkante pooten -stonden, rustten een oogenblik op de vrouwenportretten die de wanden -van mijn kamer versierden, en staarde verder voort, zonder iets meer te -zien van hetgeen mij omringde. - -Een maand later was ik hersteld. - -Wat was toen alles anders geworden! Het scheen mij alsof de geheele -wereld veranderd was in die eene maand, die mij een eeuwigheid geleek. -De menschen vond ik jonger geworden, zorgeloozer, onnadenkender, de -wereld ruimer en het leven korter.... - -Ik alleen was oud geworden. - -»O Eduard! heb medelijden!” hoorde ik weer zingen in de ruimte. - -Toen nam ik een kloek besluit. Ik pakte mijn koffer, nam afscheid van -mijn eenigen vriend—uw vader—en vertrok naar Indië, met de herinnering -aan een slecht besteede jeugd en aan twee dierbare dooden van wie ik -Liefde had geleerd. - - - - - - - - -DRIEENTWINTIGSTE HOOFDSTUK - -HOE HET KWAAD ONTSTAAT - - -Een morgenbezoek was een vreemde vertooning te A. Louise zag dan ook -vrij verwonderd op, toen men haar, het was op een Woensdagmorgen, tegen -half elf, mevrouw Joly kwam aandienen. - -»Laat mevrouw plaats nemen, ik kom dadelijk,” en tot zichzelve -sprekende, voegde zij er zacht bij: »Zeker voor iemand die arm of -ongelukkig is, en zelf niet durft komen om hulp te vragen.” - -Zij zette schielijk haar werkmandje ter zijde en verscheen een -oogenblik later in kaïn kabaya met loshangend haar in de binnengalerij, -waar mevrouw Joly haar met ongeduld zat te wachten. - -Louise had van het eerste oogenblik af dat zij mevrouw Joly gezien had, -een instinctmatigen afkeer van deze dame gevoeld, zonder zich te kunnen -verklaren, waarom. De resident, die haar sedert jaren kende, noemde -haar een goed, dom mensch, maar hoe Louise ook naar deze eigenschappen -gezocht had, zij had ze nooit in mevrouw Joly kunnen vinden, wier -grijnslach, volgens haar, meer geslepenheid dan domheid verried, en -wier goedheid zich doorgaans oploste in jeremiaden over ongelukkigen, -waarvan men later niets meer hoorde, en die slechts een oogenblik -schenen bestaan te hebben, om mevrouw Joly in de gelegenheid te stellen -van charitable te schijnen en »kassian!” te roepen. - -Na de gebruikelijke plichtplegingen, en na eenige woorden gewisseld te -hebben welke voor geen der beide dames eenige waarde hadden, vroeg -mevrouw Joly, geheimzinnig omkijkende: - -»Kan niemand ons hier hooren, mevrouw?” - -»De bedienden mogelijk, anders niemand; waarom?” - -»De bedienden! Het is juist over uwe bedienden dat ik u spreken -wilde.... Er zijn praatjes in omloop—u betreffende—beneden alle -kritiek!—En gij begrijpt, uw bedienden....” - -»Neen, ik begrijp niets.” - -»Gij ziet mijnheer Werner veel, niet waar?” - -»Ja, zeer veel.” - -»Een lief mensch?” - -»Heel lief.” - -»De resident is ’s avonds veel op zijn kantoor tegenwoordig?” - -»Ja, nog al veel.” - -»Is hij niet jaloersch?” - -»Jaloersch?” - -»Ja, van u, van Werner enfin.” - -»Van mij? Van Werner?—Neen, daar heeft hij geen reden toe!” - -»Dat zegt de wereld niet.... Geloof mij, lieve mevrouw, wees wat -voorzichtig met de bedienden, want gij weet niet hoe de praatjes in de -wereld komen.” - -»Hm!” kwam Louise lachend en zij trok de schouders op, alsof zij zeggen -wilde, »wat kunnen mij de praatjes schelen.” - -Mevrouw Joly zweeg een oogenblik, daarna nam het gesprek een andere -wending, en toen het half twaalf sloeg stond zij op, om te vertrekken. - -Louise begeleidde haar tot in de voorgalerij. »Mijn beste groeten aan -de meisjes!” riep zij, klaar om naar binnen terug te keeren, maar -mevrouw Joly stak nog even het hoofd buiten het portier van het rijtuig -en riep haar van verre toe: - -»Zult gij er aan denken? Gij weet wat ik bedoel.—Mijnheer Werner is -voorzeker een charmant mensch, maar de resident is veel ouder dan -gij—en de wereld is kwaadsprekend.—Geloof mij, vertrouw de bedienden -niet. Adieu!” - -Het rijtuig was weggerold eer Louise mevrouw Joly’s bedoeling recht -begrepen had. En toen zij begon te begrijpen, zag zij een klerk met -eenige vellen papier in de hand vóor de deur van het kantoor van den -resident staan en twee oppassers op de hurken zitten bij een pilaar. - -Een blos van verontwaardiging overtoog haar gelaat. Maar de blos -verdween, en kalm en rustig stapte zij den klerk en de oppassers -voorbij om naar haar kamer terug te keeren. - -»Ik zal haar rekenschap van die woorden vragen. Zij zal ze intrekken, -want zij heeft mij beleedigd en verlaagd in de oogen van de personen -die haar gehoord hebben. Ellendige intrigante!—Werner!... Ik zal het -Stevens zeggen—ik zal.... Neen, ik zal niets. Wat kan het mij schelen -wat een mevrouw Joly vertelt! Laat de menschen praten wat zij willen! -Ik acht mij te ver boven die nietigheden verheven om er mij mede in te -laten.” - -Dit waren haar eenige gedachten over mevrouw Joly’s bezoek, en een paar -uur later herinnerde zij zich nauwlijks nog dat zij dien morgen een -bezoek gehad had. - -Dien avond kwam Werner. Tegen negen uur ging de resident naar zijn -kantoor om eenige stukken in te zien en liet hij zijn vrouw met Werner -alleen. - -Louise was teruggetrokken. Ook Werner was stil. De twee oppassers, die -’s morgens bij den pilaar gezeten hadden, gevoelden zich te veel in die -lange voorgalerij, en slopen de stoep af, om zich in de schaduw te -verbergen en niemand tot last te zijn. - -Eenige dagen later kwam de adsistent-resident, de heer Joly, den -resident bezoeken. Zij waren met hun beiden alleen en hij bleef langer -dan naar gewoonte. - -Dien avond kwam Werner weder. - -Er lagen stapels brieven en pakketten op het kantoor, maar de resident -stak de eene sigaar na de andere op en verliet de galerij niet. - -Werner was spraakzaam, Louise vroolijk en de beide oppassers zaten -rechtop in het volle licht der lampen. - -Meer dan eens had Louise dien avond Stevens oogen ontmoet, en er een -uitdrukking van toorn, haat of wantrouwen in gelezen. Maar de fiere -reine vrouw had zich verzet tegen een onverdiend verwijt en stouter dan -ooit had zij haar rustigen blik om zich heen geworpen en het hoofd -omhoog geheven. - -»Gij hadt van avond op meer geluk gehoopt, niet waar?” waren de eerste -woorden van den resident, zoodra hij zich met zijn vrouw alleen bevond. - -»Hoe meent gij dat,” vroeg zij verbleekend. - -»Ik meen het, zooals gij het verstaat!—Maar de gulden tête-à-tête-eeuw -is voorbij!—Als gij niet weet hoe gij u te gedragen hebt, dan zal ik het -voor u weten. En om te beginnen: geen Werner meer over den vloer als ik -op het kantoor ben!” - -»Wat zegt gij daar?” - -»Dat gij meer om Werner geeft dan om mij!—Begrijpt gij nu wat ik meen?” - -Louise’s oogen vonkelden van verontwaardiging, haar wangen gloeiden, -haar lippen trilden om de schitterend witte tanden en het was als werd -zij grooter onder de beschuldiging die haar verpletteren moest. - -»Gij liegt!” riep zij op eens. »En gij gelooft zelf niet aan een -misstap dien gij voor onmogelijk houdt!—Ik heb u nimmer lief gehad, dit -weet gij, maar bedriegen zal ik u nooit, dit weet gij ook!—Het zou mij -niet mogelijk wezen van iemand te houden wiens liefde ik voor bedrog -moest koopen.... - -»Verontrust u dus niet, resident,” vervolgde zij met een trotschen -glimlach, »als ik ooit een schepsel vinden zal dat ik lief zal hebben, -dan zult gij de eerste wezen die het weten zult, want mijn keuze zal -goed wezen en voorzeker op iemand vallen, die groot en edel genoeg zal -zijn om genoemd te kunnen worden.” - -»Louise!” gilde de resident dreigend. Maar toch bewonderde hij de vrouw -die hij verachten wilde en trok hij de hand terug die hij tot haar had -durven opheffen. - -Louise antwoordde niet. Zij zag die groote, ruwe hand van boven haar -hoofd verdwijnen zooals zij een oogenblik te voren verschenen was, en -zonder verder acht op den resident te slaan begaf zij zich naar hare -kleedkamer, waarvan zij de deur achter zich dichtsloot, om zich -ongestoord aan haar gevoel te kunnen overgeven. - -Duizende gedachten, vragen, gissingen, herinneringen, doorvlogen haren -geest, maar allen smolten weg in een vloed van tranen, die haar oogen -ten laatste zoozeer verduisterde, dat zij niets meer zag dan een -menigte dunne wolken die zich om haar heenpakten, al zwaarder en -zwaarder werden, een groote, ruwe hand omzweefden, grijs werden—zwart -werden.... - - - -Een haan kraaide onder het venster.—Louise ontwaakte verschrikt. Zij -lag op een matje, vóor een bank. Het was vijf uur in den morgen, haar -oogen waren roodgeschreid. - -Toch wist zij niets. - - - -Maar wij weten dat mevrouw Stevens van Langendijk een slavin had, die -Alima heette en haar benijd werd door de meeste dames van A. En wij -weten ook dat Werner rijk was, en dat mevrouw Joly vijf dochters had. - - - - - - - - -VIERENTWINTIGSTE HOOFDSTUK - -GEVOELEN EN BEGRIJPEN - - -Na dien dag werd de naam van Werner noch door Louise noch door den -resident meer genoemd, totdat Willem eens den ongelukkigen inval had -van aan tafel te vragen: - -»Hè mama, wat is mijnheer Werner er in lang niet geweest!” - -»Toevallig,” antwoordde Louise, maar eer zij verder spreken kon was de -resident van zijn plaats opgestaan en had hij het kind een klap om de -ooren gegeven en bij een arm de achtergalerij uitgeslingerd, zoodat het -met het hoofd op den grond in den tuin was neergestort. - -»Dat zal u leeren te vragen naar hetgeen u niet raakt!” riep hij, rood -van woede naar zijn plaats terugkeerende. - -Het kind weende niet, schreeuwde niet, zeide geen woord, maar kwam -bedaard de stoep weder op. Nog altijd met zijn lepel in de hand, een -buil op zijn voorhoofd, een scheur in zijn kieltje, plaatste hij zich -tegen een pilaar vlak bij de tafel, en staarde mevrouw Stevens aan, -alsof hij zeggen wilde: - -»Verdedig mij!—Het is uw plicht.” - -Louise was bleek en bevend van haar stoel opgesprongen, maar toen zij -het kind daar zóo trotsch, zoo onbewegelijk tegenover zijn vader staan -zag, was het haar alsof zij zijne moeder zag. Die sombere blik, die -gebiedende houding, die koude, onverschrokken uitdrukking van het -gelaat, alles bracht haar de schoone fiere Mina voor den geest, en het -was haar niet mogelijk een enkelen pas te doen. - -»Schaam u!” schreeuwde de resident, bijna stikkende in een hap drooge -rijst. - -»Neen,” antwoordde het kind hem met vlammende blikken aanziende. - -»Slaag te krijgen in tegenwoordigheid der bedienden!” ging zijn vader -schimpend voort. - -»Omdat ik te klein ben om mij te verdedigen, slaat gij mij; gij hebt -mijn moeder ook geslagen—gij zoudt den gouverneur-generaal niet slaan!” - -Gelukkig was Louise het kind terstond ter hulp gesneld en met hem naar -haar kamer gevlucht, daar er bijna op hetzelfde oogenblik een regen van -messen, lepels, vorken, glazen, borden, flesschen, op de plek -neerstortte waar de kleine Willem gestaan had. - -»Waarom zegt gij zulke dingen ook?” vroeg Louise met tranen in de -oogen, zoodra zij zich met het kind in veiligheid bevond. »Gij weet -immers dat uw vader driftig is, ontzie hem dan toch en spreek hem niet -tegen. Indien hij u zonder reden straft handelt hij verkeerd, maar -indien gij uw vader niet eerbiedigt, doet gij mij verdriet aan, -Willem.” - -Het kind zag haar een oogenblik aan alsof het haar woorden niet recht -begreep. Toen drongen er groote tranen in zijn oogen, wierp hij zich -luid snikkend in haar armen en bedekte hij haar gelaat met kussen. - -»Ik zal het nooit weer doen!” riep hij afgebroken. »Ik beloof het u.” - -En van dat oogenblik af kon Louise door zachtheid alles gedaan krijgen -van het trotsche, onbuigzame kind, dat nog nooit voor een hard woord -bevreesd was geweest, of voor een pak slagen terug was gedeinsd. - -»Slaan is goed,” zeggen sommige menschen, en zij deelen zooveel klappen -uit als zij slechts kunnen, zonder gevaar te loopen van er eenigen -terug te krijgen. Vraagt gij hun waarvoor het goed is, dan geven zij u -ten antwoord: »voor alles”. En verzoekt gij hen, u een enkelen persoon -op te noemen, die door slaag goed geworden is, dan kunt gij bijna zeker -wezen altijd te hooren: »Ik zelf. Ik verzeker u dat ik menigen oorveeg -gekregen heb, die mij goed heeft gedaan.” - -»Van wie?” vraagt gij verder, indien gij er den moed toe hebt. - -»Van mijn vader, van....” - -»Genoeg. Om bij uw vader te blijven. Hebt gij uw vader ooit lief gehad, -geacht, vertrouwd vooral, zooals gij wenschen zoudt dat uwe kinderen u -liefhebben, u achten, u vertrouwen zouden?” - -De meesten zullen u op deze vraag het antwoord schuldig blijven. -Enkelen zullen »Neen” zeggen; niet éen zal »Ja” antwoorden. Waarom? -Omdat een kind, boven alles, behoefte heeft aan liefde. Het gevoelt -zijn zwakheid, zijn afhankelijkheid, zijn hulpeloosheid, zonder zelf te -weten wat het gevoelt. Het zoekt instinctmatig een steun, een leidsman, -een beschermer. Zijn ouders zijn natuurlijk degenen van wie hij dien -steun, die leiding, die bescherming verwacht, en hij is gereed hun -daarvoor zijn bewondering, zijn gehoorzaamheid, zijn dankbaarheid, zijn -vertrouwen, zijn gansche ziel te schenken. - -Sla hem nu.... Sla hem, wanneer hij u niet begrijpt, omdat gij u niet -begrijpelijk voor hem maken kunt. - -Sla hem, omdat hij kwaad doet, dat voor hem geen kwaad kan wezen. - -Sla hem, omdat hij op een ongelukkig oogenblik iets zegt, waarover gij -een oogenblik te voren gelachen zoudt hebben. - -Sla hem, omdat hij een les niet kent die niet voor zijn verstand -berekend is. Omdat hij op zijn beurt, een jonger broertje of zusje -slaat, zooals papa hem gisteren sloeg. Omdat hij schuld bekent wanneer -hij iets misdreven heeft. Omdat hij liegt uit angst van slaag te -krijgen. Omdat.... Ja, om nog honderde dergelijke redenen meer, die -voor het arme kind even zooveel raadselen zijn, even zooveel grieven -worden zullen. En verwonder u, als gij kunt, wanneer uw kind later -beven zal op het hooren uwer voetstappen, of lachen zal om uw -gestrengste kastijdingen, of koud zal blijven voor uw dringendste -beden. - -Beklaag u, als gij durft, wanneer Emma, uwe dochter, eenmaal het -zachtste, fijngevoeligste, aanvalligste kind der wereld, tot een -laaghartige, kruipende vleister zal zijn opgegroeid; of Ada met haar -open oog, haar reine ziel, haar sterken geest en haar uitmuntend hart, -een raadsel voor allen zal geworden zijn; wanneer uw oudste zoon, een -geestige, flinke jongen, niettegenstaande zijn buitengewoon verstand, -zijn groote, fiere, edele ziel, zijn oprecht en eerlijk hart en de -duizende roemrijke daden zijner kindschheid, als een gewoon mensch het -leven door zal zwoegen; of Léonard, uw Benjamin, de lieveling zijner -moeder, omdat hij vroolijk, goedig, volgzaam, toegevend, medelijdend en -dienstvaardig was, een vriendelijk, zacht, openhartig kind, dat niemand -ooit met opzet eenig leed zou hebben aangedaan, zich door anderen heeft -laten medeslepen, van eene zwakheid in een laagheid is vervallen, van -lafaard huichelaar geworden is om weldra van huichelaar bedrieger te -worden, nog eenige graden lager te dalen, al dieper en dieper te zinken -en God weet hoe zijn ongelukkig leven te eindigen. - -Ja, beklaag u over dat alles, wanneer gij uwe groote kinderen bij de -kleinen vergelijken zult. Betreur al het goede dat verloren is gegaan, -en ween over het kwaad dat daaruit voortgekomen is... Maar wees vóor -alle dingen oprecht, en beken dat gij het zelf geweest zijt die van uwe -kinderen gemaakt hebt wat er van geworden is. - -Beken dat gij door zachtheid, van Emma iéts bijna idealisch liefs, van -Ada iets buitengewoon groots en edels hadt kunnen maken. Dat uw oudste -zoon bestemd scheen om een boven zijn tijd verheven mensch te worden, -en uw goede Léonard geroepen was om geheel voor het nut en het welzijn -der menschheid te leven, waaraan zijn liefdevol hart met zooveel -zelfopoffering en blijdschap elk uur van zijn bestaan zou hebben -toegewijd. - -Beken het, dat uwe dochters als troostende, beschermende, reddende -engelen, in hare huisgezinnen dat geluk hadden kunnen brengen, wat -slechts zoo zelden op aarde gevonden wordt. En dat uwe zonen de -menschheid een pas verder hadden moeten brengen op den onafzienbaren -weg van vooruitgang, die voor hen open lag. - -Beken dat alles en verbloem het voor niemand, vooral niet voor uwe -kinderen, die u de hardste les gegeven hebben welke een vader krijgen -kan. Beken hun dat gij uit onwetendheid, of onnadenkendheid verkeerd -gehandeld hebt, opdat zij zich in uw voorbeeld spiegelen en niet, ook -op hunne beurt, met de beste bedoelingen der wereld, hunne kinderen met -slaag zullen groot brengen, en er al het goede van verwachten zullen, -hetwelk zij zelven bezig zijn er uit te slaan. - - - -Toevallig of liever ongelukkig, kwam Werner op den avond van den dag -die reeds zoo noodlottig begonnen was, mijnheer en mevrouw Stevens een -bezoek brengen. - -De resident was onverdragelijk gehumeurd. Niets was goed. De thee -deugde niet; alle vliegende mieren hadden het op zijn kopje, alle -muskieten op zijn hoofd voorzien. De kinderen waren te wild en werden -weg gezonden, de wijn smaakte naar de kurk; de lampen gaven geen licht; -de manilla sigaren waren bokjes; Napoleon zou binnen zes maanden -vermoord of weggejaagd zijn; de suiker zou goedkooper worden en Werner -zou stellig veertig duizend gulden minder maken dan het vorige jaar, -enz. enz. - -»Zeg, weet je ook een goede gelegenheid om de jongens naar Holland te -zenden?” vroeg de resident op eens, tusschen een paar rookwolken door. - -»De jongens? Uwe jongens, resident?” vroeg Werner onzeker. - -Louise’s oogen konden alleen vragen. - -»Ja, mijne jongens. Verwondert je dat zoo?—Je lijkt mijn vrouw wel, die -je zeker ’t wachtwoord van verbazing gegeven heeft.” - -»Ik wist niet dat u plan had...” - -»Ik ook niet, maar het verveelt me, dat eeuwig gezeur met die kinderen. -Sedert Willem ziek geweest is, speelt hij hier de eerste viool in huis. -Het is belachelijk! Daar moet een einde aan komen, en zoodra ik een -goede gelegenheid kan vinden moeten de kinderen weg, zoo spoedig -mogelijk, dadelijk!” - -»Maar Stevens....” - -»Uiterlijk over eene maand, maak er uwe rekening maar naar...” - -»Over éene maand! En dat zegt gij mij zóo? Maar gij meent het niet. De -kinderen zijn nog zóo klein, zij hebben nog zóo veel hulp, nog zoo veel -zorg noodig, zij....” - -»Die zullen zij daar vinden, even goed als hier.” - -Louise zeide niets meer. Zij sloeg de oogen neer en weende. - -»Huil je nu? Dat is waarachtig wel de moeite waard! Eigen moeders -zenden haar kinderen wel naar Europa zonder lawaai! En jij stelt je -daarvoor zoo aan, ofschoon de jongens je van de verste verte niet -raken?” - -Hij lachte, zijn ouden scherpen schaterlach, die nergens weerklank -vond. - -Te vergeefs had Werner reeds eenige malen beproefd het gesprek een meer -onderhoudende, wij zouden bijna zeggen, een meer goedkeurende wending -te geven. De resident bleef volhouden, en behaalde zulk een -luisterrijke overwinning op zijn gast, dat hij den geheelen avond -alleen aan het woord bleef, alles afkeurende, beschimpende, -veroordeelende, zonder eenige tegenspraak te ontmoeten. - -Louise bleef stil en teruggetrokkener dan ooit. Werner was anders als -gewoonlijk. - -Wat duurde die avond lang! - -Eindelijk sloeg het elf uur en stond Werner op om heen te gaan. Als -altijd reikte Louise hem de hand, als altijd ook raakte hij die -nauwelijks met de toppen zijner vingers aan. Toch lag in die lichte -aanraking iets dat Louise deed opzien. Hare oogen ontmoetten de zijnen. -Op dat oogenblik gevoelde zij voor het eerst dat Werner haar lief had, -zoo als Werner gevoelde dat zijne liefde beantwoord werd. - - - - - - - - -VIJFENTWINTIGSTE HOOFDSTUK - -PLANNEN - - -Zeven meiden aan het werk! Kieltjes, buisjes, broekjes, zakdoeken, -sokjes, alles lag verspreid over den planken vloer der boven -voorgalerij en, te midden dier bekende voorwerpen, een vol stuk flanel, -eenige ellen grijs en donkerbruin laken, wollen kousen, dikke gebreide -kinderborstrokken, handschoenen, cache-nez, enz. enz.; men wist geen -raad van de warmte als men al dat wollen goed aanzag in een hitte van -drie en negentig graden. - -Arme kinderen! Zij zullen spoedig hunne drie en negentig graden missen -en terug wenschen als ze in al dat wollengoed gepakt, met bevroren -gezichtjes en verstijfde handjes denken zullen aan hun zonnig -moederland, en aan de wijde katoenen hansop waarin ze vrij en luchtig -rond konden springen, als apen in het woud. - -Arme Louise! Zij wist niet veel meer dan de kinderen van hetgeen hun te -wachten stond in het heerlijke Nederland, dat haar doorgaans -voorgeschilderd werd als de bakermat van roode kool en aardbeziën, van -sneeuwballen, schaatsenrijden, tulpen, hyacinthen, nachtegalen, -seringen, jasmijnen en kersen... Dat was het kinder-Nederland van den -resident, de herinneringsdroom van de meeste Hollanders. Maar het -wezenlijke Vaderland?... het koude, dampige, donkere plekje grond, met -zijn waterschat, zijn handelsgeest, zijn bevrozen geniën, zijn.... - -Louise wist niet meer dan de kinderen. Toch drong haar fijn vrouwelijk -instinkt vrij ver door in de schemering der ongekende werkelijkheid. -Zij gevoelde koude en ontbering voor de arme kleinen, in dat verre land -waar niemand ze kende, niemand ze lief had, niemand belang had bij hun -geluk. - -»’t Is wreed,” had zij tegen den resident gezegd, »die schepseltjes in -handen van menschen te stellen, die niets met hen gemeen hebben.” - -»Zij moeten leeren”, had hij barsch geantwoord, »en wanneer een jongen -wat mishandeld wordt, leert hij het best.” - -»Maar ze zijn nog te jong om te leeren, en welk nut kan de mishandeling -alleen dan hebben?” - -»’t Is altijd goed voor jongens onder vreemden te zijn.” - -»Maar die vreemden zullen u geld kosten en hen ongelukkig maken. Is dat -het doel dat gij beoogt?” - -»Provisionneel beoog ik geen ander doel dan ze ver van hier te hebben. -Hollanders moeten het worden en geen liplappen—nuttige leden der -maatschappij en geen leegloopers, denkende en handelende wezens en geen -domme, lamme kleurlingen, die onbruikbaar zijn voor alles. - -»Kleurlingen zijn het,” antwoordde Louise kalm »dat kunnen die kinderen -niet helpen, maar dat is geen reden waarom zij hier in het land dom en -lam zouden opgroeien, en dat Nederland Phenixen van ze maken zal. Ook -ben ik niet tegen een Europeesche opvoeding, maar wel tegen het -wegzenden van kinderen die zoo jong zijn, dat ze volkomen hulpeloos -overgeleverd worden aan menschen, die volstrekt geen reden hebben om -goed voor hen te wezen.” - -»Gij hadt ook geen reden om goed voor hen te zijn, en zijt het toch -geweest—te goed zelfs.” - -»Had ik geen reden, resident?... Of weet gij de reden niet, misschien?” - -Er lag zulk een scherp verwijt in haar donkeren blik, toen zij hem deze -woorden toevoegde, dat de resident zijne oogen voor de haren nedersloeg -en de kamer verliet met een kort en bondig: - -»Alles goed en wel, maar hoe het ook zij, aanstaanden Woensdag -vertrekken de kinderen naar Europa.” - -Zij zeide niets meer. Zij oogde hem na, en er sprak een haat uit dien -blik, dien hij gevoeld moet hebben, ook zonder hem te zien. - -»En dat zijn zijne eigen kinderen. Wat is een mannenhart toch een -ellendig ding! Bevelend, koud en wispelturig in het dagelijksche leven, -en wanneer het lief heet te hebben, onstuimig, woest, baatzuchtig, -wreed, zonder eenig ander doel dan eigenbelang en trots. O, mannen! ’t -zijn ellendelingen!” - -Een blond, slank beeld rees op voor haren geest... Blozend bracht zij -een onwillekeurige gedachte tot zwijgen. - -»Ook hij misschien... ik ken hem niet..... O neen, hij niet!” - - - -Zij knipte wollen kieltjes en flanellen borstrokjes, pakte kistjes vol -dun goed en kistjes vol wintergoed, nummerde de kistjes, het hoogste -nummer voor het laatste, dat was het dikste wollengoed. - -»September.... het zal Januari zijn als zij in Holland aankomen.... -Kassian!” - -Een flesch suikergoed in het eene kistje, eene doos speelgoed in het -andere—hier en daar een pak goelalie, dáar een zak vol katjang. - -»Njonja, sinjo Willem sakiet.” [34] - -»Wat? Is Willem ziek?” - -Zij vond het kind met een heete koorts in bed. Zij gaf het terstond een -dosis kasterolie, bracht haar werk in de ziekekamer en zond een -oppasser te paard naar de stad om den dokter te halen. - -De resident kwam even in de kamer om te zien wat er gaande was, en -beweerde dat kinderen zoo dikwijls het een of ander mankeerden, dat men -zich over zoo’n koortsje niet ongerust behoefde te maken. - -»Maar ziek als hij is, kan er geen spraak van vertrekken wezen” zeide -Louise half smeekend. - -»Geen spraak van vertrekken! Wel poes, het is pas Maandag van daag; eer -het Woensdag is, zijn wij allen dat koortsje vergeten! Ik zie wel dat -je niet aan kinderen gewoon bent, anders zou je zooveel lawaai niet -maken over zoo’n onnoozel koortsje.” - - - - - - - - -ZESENTWINTIGSTE HOOFDSTUK - -PLICHT - - -Het was lang Woensdag geweest, en nog altijd was de kleine Willem ziek. - -De resident was naar de societeit gegaan en Louise zat alleen in de -kinderkamer bij het bedje van den armen jongen, die, half bewusteloos, -half slapend lag te worstelen tegen een aanhoudende koorts. - -»Toewan Werner!” klonk een stem en, eer Louise een woord kon zeggen, -had Siedin den jongen landheer binnen gelaten, die gekomen was om zich -naar den toestand van het kind te informeeren. - -»Hoe gaat het mevrouw?” waren zijn eerste woorden. »Ik heb inderdaad -meer medelijden met u dan met den kleine, die weinig of geen bewustheid -van zijn lijden schijnt te hebben.” - -Hij legde zijn hand op Willems hoofd dat gloeide, en zette zich op een -stoel, dien Siedin voor hem aangeschoven had. - -»Hij is, God dank! wat kalmer van daag,” zeide Louise, »gisteren was ik -bang dat wij het arme kind verliezen zouden.” - -»Wat zegt de dokter?” vroeg Werner. - -»De dokter weet zelf niet wat het worden zal, van middag vreesde hij -voor mazelen of roodvonk; pokken mogelijk.” - -Werner verbleekte. - -»O! dan moet gij voorzichtig wezen mevrouw! Pokken is een vreeselijke -ziekte!” - -»God geve dat wij onzen Willem behouden, de kinderen zijn niet -gevaccineerd, dat is verzuimd geworden.” - -»Voor u zelve bedoel ik dat gij voorzichtig wezen moet, niets is -aanstekelijker dan pokken.” - -»O! ik ben niet bang, dat weet gij wel. Ik ben zulk een fataliste dat -ik niet geloof aan ontwijken of overerven. Wat mijn lot moet zijn, zal -mij overkomen, hoe ik ook worstel en hoe ik ook strijd; en wat mijn lot -niet wezen mag, dat zullen geld noch goede woorden, noch gebeden, noch -bedreigingen mij kunnen aanbrengen.” - -»Een heerlijke overtuiging voor wie goed is, maar waar zouden wij -heengaan indien dit het geloof der slechten was? Wanneer gij worstelt en -strijdt en het loopt u tegen, dan zegt gij onderworpen en gelaten: »Het -moest zóo zijn,” en zwijgend gaat gij verder op den rechten weg. Maar -indien een moordenaar, een dief, een booswicht van uw gevoelen was en -voor elke misdaad het excuus in fataliteit kon vinden, waar zou dan -zijn moorden en zijn stelen ophouden?” - -»Dáar waar het nu ophoudt,” antwoordde Louise lachend, »daar waar dood -of omstandigheden perk stellen aan den menschelijken wil.” - -»Ik dacht niet dat gij zóo ver gevorderd waart in de leer der -prédestinatie.... Maar ik ben blij dat gij het zijt. Welk een kalmte -geeft dat gevoel van afhankelijkheid niet waar?” - -»Kalmte?—Neen, het doet mij tusschenbeide kooken! In sommige opzichten -geeft het mij moed, maar in anderen maakt het mij zóo kwaad, dat ik een -doodstrijd zou kunnen voeren tegen het lot. En toch houd ik alle andere -gelooven voor nonsense, daar men elk oogenblik ondervindt dat onze wil -gebonden is en onze vrijheid geketend.” - -»En dat gevoel is u onaangenaam?” - -»Zeker is het! Vrij wil ik wezen—onafhankelijk van alles!” - -»Neen, mij geeft het kalmte en troost, dat sterk gevoel van zwakheid. -Het heeft mij beter gemaakt en het heeft mij geleerd gelukkig te zijn, -in de meeste omstandigheden waarin andere menschen zich rampzalig -zouden gevoelen. Zie dat kind daar, ’t is zonder wil, afhankelijk en -zwak; geef het kracht, en wil, en vrijheid, zou het wijzer handelen dan -het nu doet? Zou het beter wezen zonder steun en hulp, zonder raad en -onderricht, zonder toezicht dat waakt en gebiedt en gehoorzaamd wil -worden? En zijn wij meer dan dat kind? Hebben wij meer verstand, meer -kennis van onze bestemming? Neen, niet veel meer, voorwaar! In onze -eigen oogen zijn wij wonderwat! Zoo is de poes in de keuken en de haan -in den tuin ook. Maar wat nietige, onbeduidende schepselen zijn wij in -het oneindig groote heelal, dat in de eeuwigheid voortstreeft, volgens -de volmaakt wijze wetten der Almacht, die schept en doodt, vereenigt en -ontbindt, en in stand houdt door verwoesting zelve?—Wat...” - -Louise’s groote verwonderde oogen brachten hem op eens tot zwijgen. - -»Ik heb dat alles gevoeld!” sprak zij zacht. »Ik had het nooit kunnen -zeggen!.... Mijnheer Werner ik wilde u een vraag doen—een dwaze vraag -voorzeker... mag ik?” - -»Zeker moogt gij.” - -»Gelooft gij aan bidden?” - -»Neen.—Ik bid nooit. Indien gij bidden bedoelt in den zin dien de -menschen er aan hechten. Smeeken om hetgeen niet wezen mag is -nutteloos, onmogelijk is het, te staken hetgeen gebeuren moet.” - -»En danken dan?” - -»O danken ligt schier in elken slag van het hart, in elke beweging der -ziel: elk zuiver gevoel is een dankzegging! Wat is bewondering, wat is -liefde, wat is vertrouwen, wat is illusie zelfs? Ligt er geen onbepaald -gevoel van dankbaarheid op den grond van al deze gewaarwordingen? Is er -niet in elk genot een toon van dankbaarheid? Brengt elk geluk niet een -dankbede met zich zooals de schuldelooze lach der vreugde schier een -dankzegging is?” - -Hij zweeg. Louise zat hem aan te staren, zooals Maria Magdalena Jezus -aangestaard moet hebben. - -»Spreek,” smeekte zij zacht. »O spreek!” - -En na een oogenblik zwijgen vervolgde zij: - -»Wat is er veel dat ik weten wilde—veel waarover ik dikwijls denk—veel -waarnaar ik vraag en waarop niemand mij antwoorden wil of kan; en -wanneer zij mij antwoorden begrijp ik ze niet.” - -»Vraag mij,” zei Werner aanmoedigend. »Ik heb ook lang gezocht en -geraden eer ik iets begrijpen kon—en wat begrijp ik nog? Niets, niets -dan dat ik onwetend ben—onwetend, afhankelijk, onbeduidend en -noodzakelijk.—Wij bestaan omdat wij moeten bestaan, want was ons -bestaan geen noodzakelijkheid dan zouden wij nooit bestaan hebben. Maar -waarom bestaan wij? Wie weet waarvoor wij bestaan? Wie?—Wij hebben niet -gevraagd om geschapen te worden en toch zijn wij geschapen. Wij zijn op -deze aarde gekomen buiten onzen wil, buiten ons weten leven wij hier, -en tegen onzen zin waarschijnlijk zullen wij weder heengaan en plaats -maken voor anderen, wier raadselachtig bestaan aan het onze gelijk zal -wezen. En wat zullen wij zijn? Waar zullen wij zijn, wanneer wij van -hier verdwenen zullen wezen? Wie weet het?—Laat ons nederig bekennen: -wij niet. Wij weten niets. Wij kunnen gissen en droomen en dwalen.... -maar weten?—Wie weet wat morgen wezen zal? Morgen, een dag van onze -aarde, begonnen van daag, en gisteren, en vroeger.... en toch onzeker, -toch onbekend! Maak plannen en berekeningen, neem uwe maatregelen, -verzeker uwe toekomst... een enkele bliksemstraal en er is geen morgen -meer voor u—geen morgen zooals gij berekend hadt, toen gij de -fondamenten laagt van het denkbeeldig paleis uwer grootheid, dat in een -gouden horizont oprees, om door een vuurstraal vernietigd te worden.” - -»Gelooft gij dan niet aan een volgend leven? Weet gij niet....” - -»Gelooven?—Ik geloof niets. Ik wacht.—Weten? Ik weet niets. Ik -gehoorzaam.—Ik ben als de was in de hand van den boetseerder—geschikt -tot wat hij van mij maken wil, maar machteloos uit mijzelven.” - -»En maakt u dat gevoel niet ongelukkig?” - -»Neen, het maakt mij beter. Ik heb door deze overtuiging mijner -afhankelijkheid, mijner machteloosheid, mijner nietigheid geleerd, dat -niets in de wereld groot is uit zichzelven, niets klein door eigen -toedoen, dat al wat bestaat, is, omdat het wezen moet, en dat het dus -ongerijmd, onverstandig, ongodsdienstig is om wie of wat het ook zij te -verachten om de rol die het hier op aarde te vervullen heeft, om de -plaats die God zelf het aanwees in het volmaakt harmonisch geheel, dat -wij schepping noemen.” - -»Veracht gij niets?” - -»Niets.” - -»Niemand?” - -»Niemand.” - -»Zelfs den misdadiger niet?” - -»Zelfs hem niet. Hij zou niet misdadig kunnen zijn, indien God het niet -gewild had.” - -»O Werner! Wat zijt gij groot en goed!” riep de jonge vrouw met tranen -in de oogen. »Waren alle menschen als gij, welk een gelukkig leven zou -het onze kunnen wezen!” - -»Niet het mijne.... waarschijnlijk!” - -»Waarom het uwe niet?” - -»God schiep een ziel, verdeelde haar in tweeën en zond haar naar de -aarde. Zoolang die ziel verdeeld zal blijven, is er geen geluk mogelijk -voor haar...” - -Louise glimlachte en vroeg zacht: »Hoe meent gij dat?” - -»Hoe ik het meen? Indien die ziel verdeeld werd tusschen een man en -eene vrouw, dan moeten die man en die vrouw vereenigd wezen om gelukkig -te zijn. En waar is de zusterziel der mijne? Waar is de vrouw die met -mij denken, die met mij gevoelen kan, die weet wat lijden is... en -medelijden... en grenzenlooze liefde? De vrouw die, even als ik, de -natuur haar rechter noemt en de wereld haar beul! Die godsdienst vindt -waar liefde is, en liefde beschouwt als het zuiverste uitvloeisel der -goddelijke volmaaktheid, het eenig volmaakt goede dat bestaat op aarde, -het eenige dat vooruitgang is, verbetering, verhooging, naderen tot de -hoogste wijsheid... Waar is die vrouw?... Kent gij haar, Louise?” - -Zij trok hare hand uit de zijne terug en zeide »Neen”, terwijl zij -opstond om Willems kussens op te schudden. - -»O! waarvoor dat wereldsch neen? uw ja was goddelijk geweest. Uw neen -is koud en trotsch en wreed!... ’t Heet deugd, niet waar, dat doodend -woord? Wat is deugd? En waar is deugd? Gij zult het mogelijk eenmaal -weten, wanneer het te laat zal zijn!” - -»Mijnheer Werner, ga heen, ik smeek u, verlaat mij. De resident kan elk -oogenblik te huis komen; het is laat, en ik wil niet dat hij u hier in -de kinderkamer vinden zal.” - -»Vrees niets mevrouw, mijne liefde is te heilig, dan dat zij u ooit in -eenig opzicht zou kunnen schaden.” - -Hij vertrok, en Louise bleef alleen in de groote sombere kinderkamer. -Zij hoorde zijn stap in de binnengalerij, in de voorgalerij, de stoep -af—alles was stil. - -»Mijn God! Wat heb ik hem lief, dien man!” En niet in staat zich langer -te bedwingen, verborg zij het gelaat in de handen en liet zij haar -tranen den vrijen loop. - - - - - - - - -ZEVENENTWINTIGSTE HOOFDSTUK - -DOOD - - -Geen zorg, geen geleerdheid, geen gebed had geholpen. De dood had »ja” -gezegd en geen menschelijk »neen” had tegenstand kunnen bieden. - -Het lijkje lag stijf en koud in het, met bloemen versierde, ledekantje. -Vrienden hadden het bezocht uit belangstelling, vreemden uit -nieuwsgierigheid, de dag was druk en woelig geweest en de avond -eindelijk bracht rust. - -De resident was uitgegaan met den dokter, de dienstboden hadden bevel -ontvangen niemand meer toe te laten, en Louise zat alleen in de -kinderkamer te staren op het lijkje, te denken aan hetgeen Werner haar -eenige dagen geleden geantwoord had, toen zij over bidden spraken. - -Plotseling werd zij uit haar sombere mijmeringen gewekt door den -hoefslag van een paard. Het was alsof de grond onder hare voeten -wegzonk en alle voorwerpen om haar heen ronddraaiden. - -Bijna op hetzelfde oogenblik werd de deur geopend en trad Werner -binnen. - -Met een half gesmoorden gil vloog zij hem tegemoet. Hij ving haar op in -zijn armen, drukte haar hartstochtelijk aan zijn borst, en liet haar -ongestoord uitweenen met haar vermoeid hoofd tegen zijn schouder -geleund. - -Hoe lang duurde dat oogenblik van grenzenlooze smart en geluk? Geen van -beiden wist het. Zij stonden daar zwijgend en lijdend, angstig wachtend -op het wreed bevel van ’t lot dat nogmaals scheiden zeggen zou. - -Louise was de eerste die kracht had zich los te wikkelen uit de -troostende armen die haar omklemd hielden. Zij wilde spreken, maar kon -geen woorden vinden. - -Hij hield hare hand in de zijne, zag haar aan met een dier diepe -gevoelvolle blikken welke haar deden duizelen van geluk en onbestemde -hoop, en zeide zacht, nauw hoorbaar: - -»Toch is er nog geluk, Louise... mijn troost, mijn hulp, mijn toekomst! -O! versmaadt dat alles niet—verstoot mij nooit... Mijn liefde voor u -kent eigenbelang noch trots. Ze kent bewondering, medelijden, -zelfverloochening enkel. Ze kan u kracht en rust en moed geven en -mij.... O kind! Ze is de ziel van mijn bestaan....” - -Hij trok haar dichter naar zich toe, en zijn weemoedige glimlach drong -haar als een bede in de ziel, die haar schier machteloos in zijn armen -deed terug zinken. - -Zij weende niet meer, haar hand rustte kalm in de zijne, haar duizelend -hoofd had rust gevonden op de sterke breede borst. - -Voor het eerst gevoelde zij de betoovering van zwakte tegenover -kracht... en half droomend, half wakend, gelukkig, weemoedig, schier -gedachtenloos, leefde zij voort, zonder angst, zonder wil en zonder -hoop. - -»O mocht ik sterven!” waren haar eerste woorden, »George...” - -Het schuiven van een stoel in de binnengalerij deed haar met -koortsachtige wildheid uit haar half droomenden toestand opspringen. - -»Ga heen! Ga heen!” riep zij woest. »De resident zal u dooden indien -hij u hier vindt met.... mij alleen!” - -»En met het lijkje van zijn kind,” vervolgde Werner zacht, de deur -openende om te zien wie er in de binnengalerij was. - -»Het is niets. Een der oppassers, die half slapend tegen een stoel is -aangeloopen en zich nu onder de tafel heeft gelegd.” - -»Ga heen!” antwoordde Louise koud. »Die oppasser is een betaalde -spion—laat hem niet onderstellen hetgeen niet is. De menschen -beschuldigen reeds vlug genoeg waar het waarheid geldt; geef hun ten -minste geen reden om te beschuldigen zonder grond. Liefde is de eerste -aanklacht der wereld, en ik heb geen liefde... voor wie het ook zijn -moge!” - -Zij had vlug en koortsachtig gesproken en Werner had haar aangestaard -met een verbazing grenzende aan ongeloof. - -»Gij hebt geen liefde?”... vroeg hij verward. »Geen vriendschap? Geen -sympathie? Geen medelijden zelfs?” - -»Niets.” - -»En zoo even?...” - -»O! zoo even was ik zwak, ziek, vermoeid, uitgeput van het weenen en -waken... Rust is al wat ik verlang...” - -»God geve u rust!... En kracht om de liefde te dooden die gij mij -onthouden wilt... Wat mij betreft, geheel mijne ziel behoort u. Ik heb -geworsteld en gestreden, als gij—ik kan niet meer. Gij zijt het licht -van mijn leven, de hoop mijner toekomst, de kracht van mijn bestaan... -Wilt gij niets meer voor mij wezen?” - -Louise boog het hoofd en zeide bijna fluisterend: - -»Niets.” - -»Ik vergeef u dat woord,” antwoordde Werner met gebroken stem. »Gij -kunt nog wreed zijn... ik niet meer... vaarwel!” - -Half radeloos bleef de jonge vrouw alleen, zij wilde hem volgen, terug -roepen... - -»Neen, zóo is het goed... Goed?... Goed te liegen, te bedriegen, te -folteren, te dooden misschien!.... George!” - -Zij opende het venster, maar buiten evenals binnen was alles kalm en -stil, rustig als het lijkje dat vóór haar lag. - -»O kind, wat benijd ik u!” sprak zij half overluid. »Mocht ik dood zijn -als gij!... gestorven in zijne armen... zoo even... O mijn God! waarom -hebt gij mij het geluk leeren kennen enkel om het mij te ontnemen! -Waarom moet ik liefhebben wat ik haat, en waarom moet ik haten wat mijn -gansche ziel vereert?... Moeten?...... En indien ik het eens anders -wilde?....... O mijn God! geef mij kracht om vol te houden en den -rechten weg te blijven gaan!.... - -»De resident!” - - - - - - - - -ACHTENTWINTIGSTE HOOFDSTUK - -MEVROUW JOLY - - -»Mijnheer Werner, mijn Lotje zegt dat u doodelijk verliefd is op -mevrouw Stevens.” - -»Ik mevrouw! Welk een idee!” - -»O niet Lotje alleen! De menschen zeggen mooier dingen dan dat! Wil ik -u vertellen wat?” - -»Och mevrouw, geloof de menschen toch niet! De menschen weten zelven -niet wat ze zeggen.” - -»Wel, ik weet niet: de menschen zien soms meer dan u denkt. Ik zal het -niet zeggen tegen den resident, maar anderen mogelijk wel. Ik weet, ja, -dat u met mevrouw Stevens is geweest toen het kind ziek was. Kassian! -En toen Wilmpje dood was weer... Heel A. weet dat—en nu spreken zij -kwaad van mevrouw Stevens met u.” - -»Geheel ten onrechte, mevrouw, geloof mij. Ik verzeker u, op mijn woord -van eer, dat geen vrouw ooit heiliger voor mij wezen kan dan mevrouw -Stevens van Langendijk.” - -»Ja, jij bent altijd zoo hoog in jou spreken!” riep mevrouw Joly, met -een vergevensgezind lachje. »Ik heb altijd gedacht dat je een goeje man -voor mijn Lotje zoudt wezen—maar niet als je verliefd bent op mevrouw -Stevens. Mijn Lotje is trotsch, dan wil ze je niet hebben.” - -Werner was een oogenblik als iemand die een slag op zijn hoofd krijgt -en in de eerste drie minuten niet weet wat hem overkomt. - -»Lotje?” herhaalde hij stamelend—»maar Lotje houdt niet van mij” -vervolgde hij zachter. - -»Lotje! Ja, Allah! Lotje zal zoo’n goeje vrouw voor je zijn, als je -niet meer aan mevrouw Stevens zult denken, ja. Want ze is kwaad over -dàt. Gisteren sprak zij er nog met Joly over. »Mevrouw Stevens is -gemeen,” zeide zij, »kassian voor den resident.—Vertel hem, pa, dan kan -hij Werner de deur uitjagen.” Zóo boos was ze—maar ze houdt van jou!” - -Werners bloed kookte. Hij had mevrouw Joly met Lotje en de geheele -familie Joly kunnen verbrijzelen in dat oogenblik.—Maar het gold -Louise! Hij kon zijn bleekheid niet verbergen, maar wel de -verontwaardiging verloochenen, die te rein was om bespot te worden door -de oogen die hem gadesloegen. - -En hij kon ook—ja, hij moest Louise’s goeden naam redden, die door zijn -toedoen werd bedreigd... - -»En waarom heeft juffrouw Lotje me nooit getoond, dat ze van mij -hield?” vroeg hij met een vreemden lach. »Indien zij mij belooft dat -zij niet jaloersch meer van mevrouw Stevens zal wezen, of van wie het -ook zijn moge, ben ik gereed haar door een huwelijk te bewijzen dat -haar gissingen ongegrond zijn geweest.” - -»Jij wilt met Lotje trouwen. Soengoeang [35]?” - -»Zeer zeker. Indien zij ten minste mijne vrouw worden wil.” - -Mevrouw Joly verliet de kamer en kwam een oogenblik later met hare -dochter terug. - -»Hier is jou Lotje, ja! Kassian, zij is beschaamd voor je!” - -Lotje zeide »hm—m,” en »ja” op elke vraag die men haar deed. En toen -Werner een half uur later het huis verliet, dat hij vrij was -binnengetreden, had hij, om Louise’s wil, om haar voor lasterlijken -achterklap te sparen, zijn toekomst verbonden aan die van de oudste -juffrouw Joly. - - - - - - - - -NEGENENTWINTIGSTE HOOFDSTUK - -DE GOUVERNEUR-GENERAAL - - -Willem dood—August vertrokken—en Werner had zij niet meer gezien sinds -den sterfdag van het kind. - -Wat was alles leeg en duister om haar heen. Eenzaam, verlaten, miskend, -gevoelde de jonge vrouw zich te midden der schitterende weelde die haar -omringde. Welken troost kon de zieldoodende hartstocht des residents -haar geven? Welk geluk lag er voor haar in de gevoellooze beleefdheid -harer bekenden, in de slaafsche onderdanigheid harer -dienstboden?—Niets—niets. Waar ze zocht, waar ze vroeg—de geest vond -niets, het hart vond niets. - -»O Werner!” - - - -Ook de Oristorio’s schenen haar vergeten te hebben.... Mevrouw die zoo -goed voor haar geweest was. Melatie met haar trouwen, edelen blik.... -Haar verbeelding voerde haar terug naar de zonnige dagen van vroeger en -bittere tranen vloeiden langs haar verbleekte wangen. - -Zij morde niet meer. Zij had het waarom lang genoeg gevraagd: nooit was -het beantwoord geworden. Zij had gebogen onder de ijzeren hand der -noodzakelijkheid, zij had de bevelende stem van het noodlot gehoorzaamd -en besloten het leven te ondergaan, hoe het ook wezen mocht. - - - -De resident trad binnen met een brief in de hand. - -»De volgende week zal de Gouverneur-Generaal hier wezen,” zeide hij. -»Op zijne inspectiereis wil hij drie dagen te A. vertoeven. Zorg dus -dat alles gereed zij voor de ontvangst. Hier is de brief. De -Gouverneur, zijn adjudanten, secretaris, kok, dienstboden, weet ik al -wat! Het best dat wij doen kunnen, is dat wij hun het gansche huis maar -afstaan en ons zelven, voor die drie dagen, in de bijgebouwen behelpen; -dat geeft nog de minste soesah. Donderdagmorgen komen zij, dus diner -dien dag en ’s avonds receptie. Vrijdagmorgen inspectie, parade, nog -zoo iets, en ’s avonds bal in de sociëteit. Zaterdagmorgen -tijgergevecht en ’s avonds thé-dansant in de residentie, zoo als het -veertien dagen geleden trouwens reeds bepaald was.” - -»Goed”, antwoordde Louise en zij begon de voorbereidselen te maken voor -de vorstelijke ontvangst. - -Wat was die ontvangst cérémonieus! Het was alsof elke steen, elke -zandkorrel gemerkt was en of dezelfde merken onder de voetzolen der -aanwezigen stonden en elke voetzool het merk dekken moest dat gelijk -was aan het hare! Geen eigen wil, geen leven, geen vrijheid,—het was -een mécanique receptie. Iedereen stond waar hij staan moest, keek -zooals hij kijken moest, sprak zooals hij spreken moest, bewoog zich -zoo als hij zich bewegen moest. De Gouverneur-Generaal had alle reden -om tevreden te wezen over de luisterrijke ontvangst. Dat was hij dan -ook, de arme man! Hij was blij toen hij ’s avonds eindelijk in bed lag! - - - - - - - - -DERTIGSTE HOOFDSTUK - -VRIJDAG AVOND. WERNER - - -Bekoorlijker dan ooit trad Louise de balzaal binnen. Haar rood -fluweelen kleed golfde in dikke mollige plooien over de wit marmeren -steenen der voorgalerij; een straal van hoop blonk in hare zachte -donkere oogen, een hemelsche lach verhelderde haar kalm bleek gelaat. -Werner stond bij een pilaar; hij zag haar het rijtuig uitstappen, de -stoep opkomen aan den arm van den Gouverneur-Generaal, de geheele -voorgalerij doorloopen en plaats nemen naast mevrouw Joly. Bleek, -bevend, met een koortsgloed in de oogen, blikte hij haar na. Wat was -zij schoon! Zij wist het, zij gevoelde het, dit kon men haar aanzien, -zij verstond het gegons van bewondering dat haar als het ruischen van -den wind omzweefde. Toch was zij niet behaagziek of coquette. Er lag -zelfs een zekere eenvoud in de wijze waarop zij hare bevalligheid ten -toon spreidde en waarop zij de hulde aannam die men haar brengen kwam -als iets waarop zij recht had. - -»Werner?” vroeg elke slag van haar hart, maar Werner die haar had -nageoogd tot een zwerm heeren zich tusschen haar en hem geplaatst en -haar aan zijn oog onttrokken had, was naar zijn pilaar teruggekeerd, en -stond dáar bij de stoep als wachtte hij iemand die nog komen moest. - -Het eene rijtuig voor, het andere na daagde op met zijn vroolijk -getooide vracht en verloor zich weder in de dichte duisternis van den -nacht, zonder dat Werner een enkel oogenblik zijn post verliet. - -Mevrouw di Frama werd door een der ceremoniemeesters binnengeleid, Lina -volgde aan den arm van een jong officier en Melatie stond beneden aan -de stoep te lachen om drie heeren die haar hun arm aanboden en geen van -drieën afstand van haar wilden doen. - -Werner zag hare verlegenheid, doch, in plaats van haar te hulp te -snellen, zooals hij in elk ander oogenblik gedaan zou hebben, trad hij -eenige schreden terug om zich achter den pilaar te verbergen. Juist -door deze beweging trok hij hare aandacht tot zich: het plotseling -verdwijnen van een lange schaduw deed haar opzien; zij herkende Werner -in de persoon die half achter den pilaar verscholen stond, en, zonder -zich een oogenblik te bedenken, deed zij een kleinen sprong ter zijde, -ontsnapte aan hare drie bewonderaars, trippelde de stoep op, greep -Werner bij zijn arm en riep lachend: »Neen, neen, mijnheer Werner, zóó -gemakkelijk zult gij Melatie niet ontkomen. Toe”, vervolgde zij op een -geheel anderen toon, »breng mij bij jufje, als je blieft, mama zal niet -weten waar ik blijf!” - -Werner glimlachte afgetrokken en voldeed aan haar verzoek. - -»Even naar Louise... naar mevrouw Stevens, hè? - -»Neen...” - -»Wilt gij niet?” vroeg zij verwonderd? - -»Wat?... Mevrouw Stevens aanspreken? O stellig wil ik... ik dacht aan -iets anders...” - -»Aan wat dacht gij dan?” - -»Aan uwe drie heeren misschien,” antwoordde Werner, zich herstellende. - -»En ik was ze reeds vergeten!” - -Louise reikte Melatie de hand en deed haar een tiental vragen die -elkander zoo schielijk opvolgden dat het goede kind er geen enkele van -beantwoorden kon. - -Weder hield er een rijtuig stil voor de hooge breede stoep. - -Het waren de jonge dames Joly die binnen traden. Werner ging met -Melatie eenige schreden ter zijde om haar voorbij te laten, en -beantwoordde een somberen blik van juffrouw Lotje met een diepe -onderdanige buiging. - -»Jij altijd met mevrouw Stevens, ja?” voegde zij hem in het voorbijgaan -toe. »Ik wil jou spreken, straks.” - -Een oogenblik later bevond Melatie zich bij Lina en zat Werner naast -Lotje, met wie hij in een zeer weinig geanimeerd gesprek gewikkeld -bleef, totdat de dans begon. - -Louise danste niet mede, zij had even rond gewandeld aan den arm van -den Gouverneur-Generaal en was gaan zitten, terwijl haar cavalier zich -naar de speeltafel begeven had. - -»Mijn Lotje is geëngageerd!” schreeuwde mevrouw Joly haar in het oor. - -»Ja?” antwoordde Louise die niets gehoord had dan het gebons van de -groote trom, maar toch aan mevrouw Joly’s gezicht gezien had, dat zij -antwoorden moest. - -»Met Werner,” hernam mevrouw Joly. - -»Ja?” - -»Een goede partij!” met een hoofdknikje. - -Louise met een lachje, haar na doende: »Zeker.” - -Mevrouw Joly’s lange oogen gingen al wijder en wijder open. - -Louise blikte de dansende paren na, benijdde Lotje, die op Werner’s arm -geleund haar als een pop op wielen voorbij kwam draaien en lachte bij -zich zelve om den zonderlingen inval van mevrouw Joly, die discoureeren -wilde op een oogenblik dat hooren en zien verging door het geraas der -muziek en het gewoel der bonte menigte die als een stormwind voorbij -golfde. - -Toen de dans geëindigd was, stond mevrouw Joly even op om hare dochter -te wenken, die, aan Werners arm, terstond naar haar moeder toekwam. - -»Mevrouw Stevens weet het, ik heb haar al uw geheimen verteld.” - -Werner werd zóo bleek, dat Louise Lotje’s hand plotseling los liet, en -hem met zulk een onbeschrijfelijken angst aanstaarde, dat mevrouw Joly -in het midden van haar volzin steken bleef. - -Werner herstelde zich het eerst. »Mejuffrouw Lotje, mijne -aanstaande...” sprak hij half fluisterend. - -Louise ruimer adem halende: - -»Ah! is dat het geheim! Ik feliciteer u, juffrouw Lotje... en ik hoop -dat gij gelukkig... tezamen zult wezen...” - -»Dank u, mevrouw,” antwoordde Lotje en, Werner éen dier donkere blikken -toewerpende die hem eene toekomst vol onaangenaamheden beloofden, trok -zij hem mede naar het andere einde der zaal, waar zij te midden harer -zusters plaats nam en verder deed alsof er geen Werner in de wereld -was. - -Den tweeden dans deed Louise mede. Pratend, lachend, met een frisch -rood op hare wangen en een flikkering van geluk in de opgewonden oogen. - -Wat ging er om in de ziel der jonge vrouw, toen zij dáar zoo onbezonnen -vroolijk in de rondte zweefde? - -Wij weten het niet. Zij wist het zelve niet. - -Toen de avond half ten einde was gespoed, werden de speeltafeltjes -weggeruimd en maakte men zich gereed tot soupeeren. - -Louise stond tegen een der geopende vensters geleund, die in de -binnengalerij uitkwamen en speelde achteloos met haar waaier, terwijl -hare oogen over de menigte dwaalden en hare gedachten rondzwierven van -het eene voorwerp naar het andere zonder eenig rustpunt te kunnen -vinden. - -»Louise—Mevrouw Stevens!” fluisterde eene zachte welbekende stem. »Ik -moet u spreken, alleen... een oogenblik slechts... mag ik morgen -komen?... zult gij mij ontvangen?...” - -»Later.—Wanneer mijnheer en mevrouw Werner hunne opwachting bij den -resident willen maken, zal mevrouw Stevens gereed zijn hare gasten te -ontvangen.” - -»Louise!” - -»Gij kent geene Louise meer.” - -De Gouverneur-Generaal kwam zijne dame halen, om haar aan tafel te -brengen, en Louise ging met hem mede, kalm en lachend alsof Werner -niets voor haar was. - -Na het souper duurde het bal nog eenigen tijd voort. Maar er was iets -doodsch in de vreugde gekomen, daar Louise ongesteld geworden was en -het feest verlaten had, gevolgd door den Gouverneur-Generaal en door -den resident, die beide gelukkig waren dat zij eindelijk tot rust -konden komen, na al de plichtmatige eervolle genoegens van den dag. - -De familie Oristorio was een der eersten geweest die het goede -voorbeeld gevolgd hadden. En Lotje Joly die niet meer dansen wilde, zat -in een hoek te pruilen, met Werner aan hare zijde, die, geheel in -gedachten verzonken, nauwelijks wist dat hij naast Lotje zat. - - - - - - - - -EENENDERTIGSTE HOOFDSTUK - -HET TIJGERGEVECHT - - -Louise kon dien nacht geen rust vinden. Haar hoofd gloeide, zij had de -koorts, zij was opgewonden en gejaagd en kon zich nauwelijks verklaren -wat zij gevoelde. - -Zoodra de dageraad aanbrak stond zij op, kleedde zich haastig en vlood -den tuin in, om in de vrije natuur, den troost te zoeken die haar -overal elders ontbrak. - -Het was de morgen van een dier gloeiend heete goede moessons dagen, -waarop alles brandt en schittert en de gansche natuur aan een -monsteroven denken doet. Maar die morgen was schoon met zijn -verkwikkend ochtendkoeltje en zijn miljoenen dauwdroppen op de pas -ontloken bloemen en de veelsoortige groene bladeren met hunne altijd -verschillende tinten; met zijn liefelijk vogelengezang en zijn zachte -zonnestralen, die als lachende sylphiden schalksch door de zwevende -wolken speelden en het aardrijk met hun gouden vinger wakker wenkten. - -Louise’s rood fluweelen muiltjes met hun zilveren draakjes en gouden -vlinders, werden voortgejaagd, van het grintpad op het mollig grasveld, -van het grasveld naar het rozenperk, van daar weer verder langs -volières en vischvijvers tot zij eindelijk bij een hertenkamp tot staan -kwamen. - -Terstond huppelde er een jonge kandjil naar Louise toe. Wat was dat -beestje vlug en dartel! Wat sprong het sierlijk rond op zijn dunne -fijne pootjes. En wat richtte het zijn vriendelijk kopje smeekend, -liefkoozend tot zijn meesteres omhoog, die uit gewoonte alleen, hare -hand door het hekje stak om het lieve diertje langs den fraai gebogen -hals te streelen, zonder zich zelve rekenschap te geven van hetgeen zij -deed. Eenige gewone kidams volgden het voorbeeld van den kleinen kidam -en kwamen statig aangeloopen met hun zachte sprekende oogen en hun -trotsche hoornen, haar verwonderd aanziende, als of zij haar rekenschap -vragen wilden van haar buitengewoon vroeg morgenbezoek. - -Arme Louise! zij was zoo zeer met zich zelven vervuld, dat er -verscheiden minuten verliepen eer zij hare geliefkoosde hertjes zag. -Toen noemde zij ze éen voor éen bij hunne namen, streelde ze, gaf ze -gras uit haar hand te eten en vervolgde weder haar weg, zonder zelve te -weten waarheen. - -Toch was het groen zóo frisch, toch waren de bloemen zóo geurig, toch -was de eerste morgenkreet dier ontwakende natuur zóo schoon, zóo -grootsch, liefelijk en hoopvol tevens. - -Wat zag zij bleek en wat gevoelde zij zich zwak en uitgeput, moedeloos, -gebroken!... - -»O Werner!... Waarom een leugen?... Ik vroeg uwe liefde niet... -Waarom?... Waarom haar de liefde gegeven die gij mij beloofdet? -Waarom?” - - - -Zij glimlachte treurig en plukte een bloem. - -»Maar ’t is goed zóo... heel goed... Arme Werner! Met Lotje kan hij -niet gelukkig zijn!... Kassian!...” - -Een uur later verschenen de resident en zijn gast in de achtergalerij, -waar zij Louise bezig vonden met bloemen in een paar chineesche vazen -te schikken. - -Het gesprek aan de ontbijttafel liep natuurlijk over het bal van den -vorigen avond en de vermakelijkheden van den dag die nauwelijks -aangebroken was. - -»Gij hebt u goed gehouden, mevrouw,” sprak de Gouverneur-Generaal, -Louise een dier blikken toewerpende die het bloed naar het voorhoofd -doen stijgen of de oogen neer doen slaan. »Ik had niet verwacht dat -gij, na de vermoeienissen van gisterenavond, heden morgen reeds met het -kraaien van den haan present zoudt wezen, en met ons ontbijten zoudt -zoo als gij gisterenmiddag beloofd had te zullen doen.” - -»Ik wilde uwe exellentie vóor wezen en daarvoor moet men vlug zijn, -niet waar?” antwoordde Louise eenigzins verward. - -»Zeer vlug, mevrouw, daar ik de gewoonte heb van door te werken, en van -nooit te slapen, wanneer het tijd van waken is. Heb ik iets te doen dan -doe ik het dadelijk, en ben ik ergens aan begonnen dan rust ik niet -voordat mijn werk gedaan is.” - -»Hetgeen zeker zeer aangenaam voor uwe onderhoorigen is! Arme menschen -die stellig ook niet altijd even voortvarend en krachtvol zullen wezen -als hun chef!” - -»Die niet geschikt is voor zijn betrekking is ongeschikt en moet er -uit. Wij kunnen hier in Neerlandsch Indië geen jonge juffvrouwen -gebruiken, vooral niet in de gelederen.” - -»Ook niet als zij zóo voortvarend en zoo dapper zijn als ik?” - -»Voortvarend zijt gij, dit moet ik u ter eere nageven! Maar dapper?... -daar zullen wij aanstonds over oordeelen.” - -»Bij het tijgergevecht? O dáar zal ik niet heen gaan! Niet waar -Stevens, dáar behoef ik niet bij te zijn?” - -»Niet bij te zijn? Maar mevrouwtje lief! Voor u die nooit iets -dergelijks gezien hebt, moet het toch heel aardig wezen, zoo iets echt -indiesch eens bij te wonen.” - -»Aardig! Noemt uwe exellentie dat aardig? Twee arme dieren elkander op -de wreedste wijze te zien verscheuren, is dat aardig?... Neen ik houd -te veel van dieren om naar zoo iets afschuwelijks te gaan kijken!” - -»Houdt gij van tijgers, mevrouw?” vroeg de Gouverneur-Generaal, haar -sans-gêne uitlachende. - -»Als ik ze niet lief heb als mijn hond of mijn rijpaard, dan bewonder -ik ze toch even als al wat leeft. Het leven is voor mij iets zóo -schoons, geheimzinnigs, volmaakts, bewonderenswaardigs, dat ik, indien -ik iemand was die iets te zeggen had in de wereld, verbieden zou dat -men buiten noodzakelijkheid welk dier ook om het leven bracht. Zoo zou -ik het martelen van dieren ook straffen met boeten, gevangenis en -verbeurdverklaring van het mishandelde dier...” - -»Hei, hei, mevrouwtje! waar zouden wij heengaan met zoo veel -dierenliefde! En waar zouden wij met al dat levend gedierte blijven, -indien er zoo veel bijkwam en zoo weinig afging! En hoe zoudt gij het -zelve maken? Kom, verbeeld u eens dat het avond is en dat wij met ons -drieën in de voorgalerij zitten, te Samarang bijvoorbeeld, en dat er -eenige duizende muskieten met hun liefelijk gezang om onze ooren -vliegen, en ons steken zooveel in hun vermogen is, u vooral op uw -zachte, blanke hals en armen. Zoudt gij daar niet half dol onder worden -en zoudt gij ze niet met plezier tusschen duim en voorste vinger -doodknijpen, die lieve muskietjes, indien gij ze slechts krijgen -kondet?” - -»Och neen, dat doet ze niet!” riep de resident met een schaterlach. -»Weet uw exellentie wat ze doet als de muskieten haar hinderen? Dan -slaat ze een shawl om haar hals en een doek om haar hoofd en dan zit ze -uit al haar macht te waaien om hare lievelingen van zich af te houden! -Ha! ha! ha! en als ik er een dood sla, noemt zij mij wreedaard!” - -De Gouverneur-Generaal lachte nog harder dan de resident. - -»Ik maak er mij een fête van om uwe vrouw straks bij ons tijgergevecht -te zien,” riep hij spottend, »wat zal zij zich aanstellen!...” - -»Wanneer ik gaan moet, zal ik gaan, en dan zal ik mij niet meer -aanstellen dan uw exellentie of de resident, die in zulke -afschuwelijkheden behagen kunt scheppen.” - -Dit zeggende wierp zij den Gouverneur-Generaal zulk een ernstigen, -trotschen, minachtenden blik toe, dat het gesprek voor een oogenblik -afgebroken werd en toen over allerhande onderwerpen liep, maar niet -meer over tijgergevechten. - -Na het ontbijt begaf Louise zich naar haar kamer, die zij niet meer -verliet vóordat een der oppassers haar zeggen kwam, dat het rijtuig -voor was en de heeren haar wachtten. - -In een wit neteldoeksch morgengewaad, een paar diamanten pennen in de -kondeh en een paar gouden slangen om de polsen verscheen zij in de -voorgalerij, kalm en statig als gewoonlijk. - -De Gouverneur-Generaal kwam haar eenige schreden te gemoet, bood haar -zijn arm en geleidde haar naar het rijtuig zonder een woord te zeggen; -de resident volgde. - -»Louise,” vroeg hij half fluisterend, »waarom hebt gij u niet -behoorlijk gekleed? Een baadje is geen dracht voor een residentsvrouw -bij een gelegenheid als deze.” - -»Van heden af zal het dracht worden, resident.” - -Gedurende den toer naar de regent’s woning werden slechts eenige -onbeduidende volzinnen tusschen Louise en de beide heeren gewisseld. - -Een groote, feestelijk versierde pandopo, in het midden waarvan zich -twee reusachtige kooien, of liever twee omheinde, afgesloten -strijdperken bevonden, verbeidde de nieuwsgierige, opgewonden -liefhebbers van het tijgergevecht. - -De eereplaatsen vooraan, om zoo te zeggen tegen de omheining aan, waren -voor den Toewan Bezar, den resident en mevrouw Stevens bestemd, met hun -gevolg van hooggeplaatste beambten, officieren en adjudanten. Louise -kwam tot haar ergernis alweder, als naar gewoonte, naast mevrouw Joly -terecht. - -Een groote witte, of liever rooskleurige buffel stond in een hoek van -het strijdperk kalm en langzaam wat gras te eten, nu eens vragend -opziende naar de zonderlinge menschenmassa die hem omringde, dan weer -al kauwend eenige schreden vooruitdoende en nieuwsgierig snuffelende -aan het gesloten hok van den tijger. - -Toen dit eenige oogenblikken geduurd had en de buffel tot zijn gras was -terug gekeerd, vanwaar hij, met den kop naar het hok van den tijger, -zijn vijand in het oog kon houden, werd de schuif aan de voorzijde van -het hok weg geschoven, terwijl aan de achterzijde eenige Javanen den -tijger door brandende fakkels noodzaakten te voorschijn te komen. Met -een donderend gebrul sprong het schoone dier het strijdperk in. Het was -een koningstijger van de grootste soort, slank en krachtig, met -vonkelende oogen, den muil half geopend. - -De buffel zag hem aan, bleef staan en wachtte. - -De tijger, als had hij bewustzijn van de bewondering der toeschouwers, -kneep de oogen half dicht, liet den staart hangen en deed langzaam -eenige passen ter zijde. Toen bleef ook hij staan, blikte trotsch maar -kalm om zich heen, vouwde de achterpooten samen en vleide zich neer, -met den kop op de half ingetrokken voorpooten alsof hij slapen ging. -Een lichte beweging der ooren, een onregelmatig openen der neusvleugels -en een sluiksche blik op den buffel verrieden echter een oogenblik -later dat hij zich gereed maakte tot den aanval en gereed was zich te -verdedigen wanneer die aanval van zijn vijand komen mocht. - -Op eens richtte hij den kop op, keek den buffel aan en deed met een -vreeselijk gebrul zijn sprong. - -De buffel wachtte hem onbewegelijk af, ving hem op zijn horens en -kwakte hem met zulk eene kracht ter aarde dat hij geheel bebloed voor -dood bleef liggen. - -De buffel naderde hem voorzichtig, bezag hem, berook hem, wendde den -kop van hem af en deed een pas ter zijde. Dat oogenblik nam de tijger -waar om zich weder op te richten, en met onbegrijpelijke vlugheid op -den nek van den buffel te springen met den klauw van zijn rechter -voorpoot even boven het rechter oog en zijn linker voorpoot op den kop -van het arme dier, dat hartverscheurend loeide en met den doodsangst op -het gezicht en den tong uit den bek van het eene einde van het -strijdperk naar het andere vlood zonder zich van zijn vijand te kunnen -ontdoen. Eindelijk toch gelukte het hem den tijger tegen een bamboezen -stijl aan te drukken en met zoo veel kracht heen en weer te wrijven dat -het dier, na een wanhopige worsteling, waarin hij den kop en den hals -van den buffel geheel met zijn nagels doorploegd had, machteloos ter -aarde plofte, terwijl de buffel zelf een oogenblik duizelend -voortwaggelde en toen, afgemat van vermoeidheid, verzwakt en uitgeput, -tegen de omheining van het hok bleef aanleunen, bevend op zijn -wijduitstaande pooten en somber nederstarend op de stroomen bloed die -uit zijn gapende wonden vloeiden. - -De tijger lag aan den anderen kant van het hok te brullen, te blazen, -te kermen, te zuchten. Men geve een naam naar goedvinden aan die -kreeten van wanhoop, smart, angst en woede, in geen woorden te -beschrijven. Het schoone dier lag met den kop achterover in de aarde te -rollen, zijn rechterzijde was geheel opengereten door de horens van den -buffel, terwijl zijn tong nog droop van het bloed zijns vijands en zijn -klauwen glommen van het lillend vleesch dat aan de nagels hing. Een -paar minuten verliepen alzoo, toen kwam men met een gloeienden bout den -tijger tot een nieuwen aanval dringen. - -Woedend vloog het dier weder op, en geen ander schepsel ziende waarop -hij zich wreken kon over de hem op nieuw aangedane foltering, sprong -hij nogmaals op den buffel toe, die hem echter als de eerste maal op de -horens ving, weg wierp en toen vervolgde alsof hij zijn dood besloten -had. De tijger kromp van pijn ineen, sloop kermend langs de omheining -voort en dook angstig blazend in een hoek weg, zoodra de buffel een -oogenblik bleef staan. Terstond werd hij weder door zijn onzichtbaren -vijand gemarteld, die den bout in de opene wonden drukte. Met een kreet -vloog hij weg, en toen had er een dier bloedige, wanhopige worstelingen -plaats, in felheid alleen overtroffen door den onverzadelijken -bloeddorst en de wreedheid der menschen die zulke ijselijkheden kunnen -in het leven roepen als een schouwspel, een vermaak, een feest dat de -oogen boeit en het hart voldoening geeft. - -De tijger wilde den buffel van achteren bespringen en sloop om hem -heen. De buffel die ongelukkigerwijze zijn hoek verlaten had en zich in -het midden van het strijdperk bevond, kon met zijn log lichaam de -vlugge wendingen van zijn vijand niet volgen en werd op eens van ter -zijde besprongen. De tijger hing hem langs den rug en had zijn klauwen -zoo krampachtig in de dikke huid vastgeslagen dat het den buffel, eerst -na verscheidene vergeefsche pogingen gelukte den tijger met de horens -van zich af te scheuren. - -Uitgeput rolde de verzwakte tijger tegen de omheining aan, na in de -worsteling zijn vijand de beide linker pooten stuk geslagen te hebben. -Bijna tegelijkertijd stort ook de buffel eenige schreden verder in een -hoek neder. Dadelijk siste er weer een gloeiend ijzer in de gapende -wonden van den tijger; het arme dier slaakte een kreet als een zucht, -en kroop op den buik een halven voet vooruit, maar de bout ging ook een -halven voet vooruit en siste op nieuw in het warme bloed. Nog een kreet -en een pas... en weer de bout en nog een pas... De tijger lag met zijn -kop bijna tegen den buffel aan. Nog eens de bout... de buffel boog den -kop, de tijger zag hem aan, wilde terug, voelde den bout, spande zijn -laatste krachten in, sprong op en wierp zich nog eenmaal op den -weerloozen buffel... Doch hij nam den sprong te kort, wondde den buffel -aan het voorhoofd, scheurde hem met den linker achterpoot het -rechteroog uit den kop, bleef toen een oogenblik op de kromme horens -rusten, werd er weer afgeworpen en zonk dood naast zijn stervenden -vijand neder, die met een kroon van bloed en ingewanden versierd, dit -met alle overwinnaars gemeen had, dat elke zegepraal op het slagveld -behaald, een vernedering voor beide partijen is. - - - - - - - - -TWEEENDERTIGSTE HOOFDSTUK - -FELICITA. DE JACHTPARTIJ - - -Het was reeds over éenen en nog waren de heeren niet van de jacht -teruggekeerd... Toch hadden zij beloofd dat ze tegen etenstijd te huis -zouden wezen. En reeds van twaalf uur af hadden de dames zitten -wachten. - -»Ik begin mij werkelijk ongerust te maken,” zeide mevrouw Oristorio di -Frama. - -»Zijn hier tijgers of wilde zwijnen in de bosschen?” vroeg Louise -zacht. - -»Ja, zij zijn er, maar ik geloof niet dat het in het plan der heeren -lag om zoo ver van huis te gaan. Zij wilden eenige duiven schieten hier -in den omtrek, en ik geloof dat het vermaak eigenlijk meer in een -rijtoer dan wel in een jachtpartij bestaan zou.” - -»En indien ze eens een tijger of een wild zwijn ontmoet hadden?” vroeg -Louise weer. - -»Nu, zij zijn met hun vijven en de jongens, en zij zijn allen goed -gewapend.” - -»Ik weet het niet—maar ik ben niet gerust. Gelooft gij aan voorgevoel, -mevrouw?” - -»Als het uitgekomen is, ja,” antwoordde mevrouw Oristorio lachend, -»maar vóor dien tijd niet.” - -»Gelooft gij niet dat er oogenblikken in het leven zijn waarin de ziel -meer gevoelt dan het lichaam weten kan?” - -»Ja zeker!” riep Melatie die Louise met groote oogen aangestaard had, -zoo lang zij sprak. »Zeker mevrouw! Toen de kleine Karcilla van den -dispens-jongen [36] gestorven is, heb ik het geweten, niet waar mama? -Wij hadden drie dagen lang met het arme stakkertje getobd en toen ik -eindelijk zóo gerust sliep dat ik niet meer aan het kind dacht, hoorde -ik op eens naast mij zeggen: »Kassian! Karcilla mati [37]!” Het was -midden in den nacht, ik sprong dadelijk op en liep naar de kamer van -mama om te vertellen wat ik gehoord had. Mama zeide dat het een droom -geweest was en dat ik maar weer naar bed moest gaan. Maar ik was zoo -naar over die woorden dat ik geen rust kon vinden en niet tevreden was -voordat mama met mij mede ging naar de bijgebouwen om te zien hoe het -met Karcilla was. De moeder zat in de geopende deur te huilen en zeide -dadelijk dat het kind nog geen half uur geleden gestorven was.” - -»Nu ja, dat is zoo, maar gij waart zoo zenuwachtig en opgewonden door -het aanhoudend verzorgen van het arme schepseltje, dat uw geest er -nacht en dag mede bezig was en gij waarschijnlijk ook het zelfde geroep -gehoord zoudt hebben indien het kind genezen was...” - -»O neen, dat geloof ik niet!” riep Louise. »Ik weet wel wat Melatie -bedoelt, ik ken dat gevoel!” - -»Niet waar, mevrouw,” vroeg Melatie, »zulke dingen zijn geen droomen?” - -»Ik geloof althans aan zulke vreemde verschijnselen. Ja, mevrouw -Oristorio, lach mij maar uit! Gij vindt mij bijgeloovig, niet waar? En -mogelijk ben ik het ook. Maar twee keeren in mijn leven is mij iets -zonderlings gebeurd dat de ongeloovigste geloovig zou gemaakt hebben, -en nu ik weer zoo iets zonderlings gevoel, nu ben ik bang, ik beken het -ronduit!” - -»Maar wat gevoelt gij dan?” vroeg mevrouw Oristorio half lachend, half -ernstig. - -»Ik weet het niet. Ik ben angstig, gejaagd, onrustig, en zoo even, den -trap af komende, verbeeldde ik mij een schot te hooren. Ik moest mij -aan de leuning vast houden om niet te vallen, zoo had dat geluid mij -verschrikt. Het was alsof de lucht vuurrood zag om mij heen, het bloed -stolde mij in de aderen, een felle steek in de zijde belette mij adem -te halen.... daarop hoorde ik »Louise” zeggen, zoo zacht, zoo zacht...” - -Zij zag een oogenblik naar beneden als hoorde zij het nog, toen keek -zij schuchter om zich heen en poogde te lachen, terwijl zij vervolgde: - -»Maar het is alles slechts verbeelding, dat weet ik wel, en ik ben -dwaas om zulke dingen te vertellen! Kom, juffrouw Lina vertel ons wat -anders, vóordat ik uitgelachen word... Als je blieft!” - -Lina, die tot dusverre gezwegen had, deed haar best om het gesprek een -andere wending te geven, maar wat zij ook verzon, de vroolijkheid kwam -niet terug in den kleinen vriendinnenkring. - -Melatie zat op een voetenbankje naast mevrouw Stevens en leunde met -haar hoofd tegen Louise’s schouder. Mevrouw Oristorio was afgetrokken -en Louise zeide niets. Zij was bleeker dan te voren en er lag iets -angstigs in haar blikken, die zij tusschenbeide op de zware boomen in -den tuin vestigde, als wilde zij door groen en afstand heen zien. - -»Daar!” riep zij op eens, van haar stoel opspringende met een -woestheid, die de arme Melatie bijna van haar bankje deed tuimelen: -»Daar zijn ze! God dank!” - -De heeren kwamen langzaam en statig het voorplein op rijden, gevolgd -door een stoet oppassers en bedienden te paard die wapens, mandjes enz. -te verzorgen hadden. De dames waren hen te gemoet gesneld en Louise en -Melatie stonden op den ondersten trap van de stoep te lachen van -vreugde en ongeduld, toen Louise plotseling verbleekte, hare vriendin -bij de hand greep en nauw hoorbaar zeide... »Werner...” - -Melatie zag haar vader aan en riep van verre: »Waar is mijnheer Werner, -papa?” - -»Hij komt, hij komt,” antwoordde de landeigenaar met iets zonderlings -in zijn stem, en nader gekomen, stapten de heeren af, en beklommen de -stoep, onder een stilzwijgen dat Louise verstijven deed. - -»Werner?...” vroeg zij weer, hare groote, zwarte oogen met een -onbeschrijfelijke uitdrukking op den resident vestigende en zonder een -enkele beweging te maken. - -»Werner is genoodzaakt geweest ons zoo even te verlaten, mevrouw. Men -kwam hem halen—er was iets op zijn fabriek gebeurd, waar hij bij moest -zijn—hij komt hier dineeren,” antwoordde de secretaris. - -»Stevens! waar is Werner?” herhaalde Louise nogmaals, alsof de -secretaris in het geheel niet gesproken had. En als in een droom de -stoep opkomende, naderde zij den resident, legde hare hand op zijn arm, -zag hem strak in de glasgroene oogen en vroeg zacht en met nadruk: - -»Wat hebt gij met Werner gedaan?” - -De vier heeren stonden als verpletterd. De resident greep zich aan de -leuning van een stoel vast, om niet neer te storten en mijnheer -Oristorio verbleekte zoo dat Melatie hem bij de hand vatte en met -doodsangst op het gelaat naar de residentsvrouw staren bleef. - -»Zeg het...” vroeg Louise verder. - -Niemand antwoordde. - -»O! ik word krankzinnig als gij langer zwijgen blijft!” - -En het gelaat in de beide handen verbergende, wierp zij het hoofd tegen -den witgepleisterden pilaar aan, waarbij zij onbewegelijk staan bleef. - -Mevrouw Oristorio en Lina schoten dadelijk toe, voerden haar zacht met -zich mede en plaatsten haar op een stoel dien de heeren voor haar -aangeschoven hadden. - -Zij was geheel verstijfd en koud, hare witte handen waren krampachtig -ineen gevouwen, hare lippen waren saamgeperst, haar gelaat was -doodsbleek. Geruimen tijd duurde het eer zij weder tot zich zelve kwam. -Toen zij eindelijk de donkere oogen opsloeg en langzamerhand de -personen herkend had die haar omringden, fluisterde zij mevrouw -Oristorio zacht toe: - -»Och laat mij even alleen met Stevens!... Ik bid het u.” - -Ongemerkt wilde het gezelschap zich uit de voorgalerij verwijderen. De -resident was blijven zitten; maar toen hij bemerkte dat hij de eenige -was, stond hij ook op en wilde het voorbeeld der overigen volgen. - -»August!” riep Louise zacht, hem met de hand terug wenkende »Blijf nog -even.” - -Hij kwam terug, legde zijn hand op haar voorhoofd en vroeg hoe zij het -maakte. - -»Goed... Ik ben niet ziek... Ik ben verdrietig.” - -»Kom, kom, niet zulke gekke kuren, hoor, wat moeten de menschen wel van -je denken?... Ik...” - -»August,” viel zij hem in de rede, »wij zijn alleen, zeg mij nu wat er -met Werner gebeurd is.” - -»Dat kan ik je niet zeggen. Ik zal je iemand anders zenden.” En -nauwelijks had hij dit gesproken of hij was uit de galerij verdwenen. - -Wal er in de oogenblikken die volgden, in de geschokte ziel der arme -Louise omging is met geen woorden te beschrijven. Zij had reeds zooveel -geleden in den laatsten tijd, zooveel gezwegen en zooveel vergeven, dat -het haar was alsof de slag die haar nu treffen zou haar dooden moest. - -Mijnheer en mevrouw di Frama kwamen eindelijk naar voren om met haar te -spreken. - -»Luister mevrouw,” begon de landheer, »gij zijt volkomen voorbereid op -de treurige tijding, niet waar?” - -Louise knikte toestemmend. - -»Welnu, stel u dan het ergste voor wat onzen braven vriend Werner -betreft. Er is... er is op de jacht een ongeluk gebeurd, waarvan hij -het noodlottig slachtoffer werd... Niemand is schuldig,” vervolgde hij -snel, toen hij zag met welk een vreeselijken blik Louise opsprong om -hem in de rede te vallen. »Niemand, geloof mij, mevrouw. Het geweer van -den resident is, zonder dat iemand weet hoe, afgegaan op het oogenblik -dat hij omkeek om met een zijner bedienden te spreken, en de kogel trof -Werner in de zijde.” - -»Dood!” fluisterde Louise, met zulk een wanhoop in haar stoel -terugzinkende, dat zij de woorden op mijnheer di Frama’s lippen deed -besterven. - -»Neen... nog niet.” - -»Nog niet...” herhaalde zij nauw hoorbaar... »En niemand bij hem!...” -Zij verborg het gelaat in de handen en liet het hoofd op mevrouw di -Frama’s schouder zinken. - -»De dokter is bij hem. En Lawson, zijn neef, de administrateur zijner -fabriek, dien wij terstond deden waarschuwen, is oogenblikkelijk -hierheen gekomen, om bij het verbinden behulpzaam te zijn.” - -»Hierheen!... Hierheen, zegt ge?... Hij is hier! O mijn God! wat zijt -gij goed!” - -Zij lachte, vouwde de handen en wilde opstaan.... Zij kon niet; haar -knieën knikten, haar hoofd duizelde en bewusteloos zonk zij in haar -stoel terug. - - - -Bijna op hetzelfde oogenblik wordt in den ruimen koepel aan het eind -der kanarilaan, bij den vijver, een groote baleh-baleh met buitengewone -omzichtigheid binnen gedragen. De dokter loopt aan de eene zijde, -William Lawson aan de andere, verscheidene bedienden volgen. Het is -Werner die zwaar gewond, bijna stervende op dien baleh-baleh ligt, en -geen enkel teeken van leven meer geeft. Zijn oogen zijn gesloten en -zijn verbleekt gelaat verraadt niets dan lijden en uitputting. - -De dokter en de administrateur zien elkander een oogenblik -veelbeteekenend aan, daarna wordt een der bedienden naar het -hoofdgebouw gezonden en eenige minuten later treden mijnheer en mevrouw -di Frama en Lina van Wageningen den koepel binnen. Mijnheer wordt -dadelijk door den dokter aangesproken, mevrouw en Lina zien zwijgend -naar den stervende. Lawson nadert haar langzaam en vraagt zacht, zeer -zacht, waar de resident zich bevindt, er nog zachter bijvoegende: »zijn -plaats was hier... want zijn schuld is hier...” - -Lina grijpt zijn hand en ziet hem zóo smeekend aan, dat hij zwijgen -blijft. - -»Wat kunnen wij voor hem doen?” vraagt mevrouw di Frama. - -»Niets. De dokter durft niet te extirpeeren, hij vreest dat de dood -zich dan niet lang zal laten wachten. O, resident van Langendijk!...” - -»Ik weet het niet...” zegt de dokter, met den landheer sprekende. »Is -de kogel niet te ver gegaan, dan is er hoop op herstel... ofschoon ik -vrees... de long is geraakt... De kogel is tusschen de ribben door -gegleden... aan geen extirpeeren te denken... bloedstelpen.... en -wachten.... Een leelijke geschiedenis, mijnheer...” - -»Een ongeluk, dokter, een droevig geval.” - -»Kunnen wij u in eenig opzicht van dienst wezen, dokter?” vraagt -mevrouw di Frama. - -»Dank je mevrouw; er is nog niets te doen. Wij moeten wachten... -wachten ... maar mocht er eenige verandering komen hetzij ten goede, -hetzij ten kwade, dan zal ik zonder aarzelen van uw vriendelijk aanbod -gebruik maken.” - -Daarna werd besloten dat de dames naar huis terug zouden keeren en dat -mijnheer Oristorio en Lawson met den dokter zouden waken. - -»Wij zullen om beurten waken,” zeide de dokter met een bedenkelijk -hoofdschudden. »De patiënt eischt voor het oogenblik niets dan -toezicht. Mocht er beterschap komen dan zullen wij later de krachten -noodig hebben die wij nu niet verspillen mogen.” - -»Wil ik u een matras zenden, dokter, voor de twee heeren die rusten -kunnen?” - -»Als je blieft mevrouw.” - -»Och dokter, wat ik je bidden mag, kan je niet een oogenblik meegaan om -naar mevrouw Stevens te zien? Wij hebben zoo even letterlijk geen raad -met haar geweten. Zij is nu wat kalmer, maar wij vreezen dat die kalmte -niet van langen duur zal wezen.” - -»Arm vrouwtje!” - - - -Louise lag in de achtergalerij op een rustbank uitgestrekt, Melatie zat -aan haar voeten. Zij weende, en lachte door haar tranen heen, terwijl -het meisje haar vleiend eenige woorden toevoegde, die niemand hoorde -dan zij. - -»Beloof je ’t me, Melatie?” - -»Ik beloof het u mevrouw.” - -»Wat er ook gebeuren moge, je zult me helpen, niet waar.” - -»Stellig mevrouw, reken op me.” - -»Stevens kwam mij zeggen dat hij dood was.” - -»Niet waar, mevrouw—hij leeft—ik weet zeker dat hij leeft. Ik heb het -den jongen gevraagd die mama kwam roepen... Chut!... Ik hoor wat...” en -snel opspringende vloog zij de binnengalerij in om te zien wien zij had -hooren loopen. - -»Het is mama, met de juffrouw en den dokter,” riep zij vroolijk en, -Louise’s hand grijpende fluisterde zij haastig: »Vraag naar niets. Ik -zal alles weten en ik zal u alles naar waarheid mededeelen!” - -Louise glimlachte en reikte den dokter de hand met een kalmte die hem -verbaasde. - -»Beter, veel beter dan ik verwacht had,” zeide hij, »wat zenuwachtig, -maar...” - -Hij zweeg een oogenblik en zag haar uitvorschend aan met zijn -schranderen, scherpzienden blik, waarvoor het jonge vrouwtje hare -donkere oogen nedersloeg. - -»Er broeit iets op den bodem dier krachtige ziel,” dacht hij bij zich -zelven, en opstaande om heen te gaan, reikte hij haar nogmaals de hand, -met de woorden: »Tot van avond, mevrouw; ik kom tegen acht uur terug; -houd goeden moed, en ga zóo voort.” - -Louise zag hem aan, alsof zij vragen wilde: »Wat bedoelt gij, dokter?” -maar zij zeide niets en de dokter verdween. - -»Een lief vrouwtje!” sprak hij als tot zich zelven, zoodra hij zich met -mevrouw di Frama alleen in de binnengalerij bevond. - -»Een kind,” beweert de resident. - -»Dan toch een kind met een helder hoofd en een edel hart! Ik ken maar -weinig vrouwen van wie men zóoveel zeggen kan.” - -»Ik ook dokter!” - -Een oogenblik liepen beiden zwijgend voort. - -»Dokter”, begon mevrouw Oristorio weder, »vindt gij haar niet -onbegrijpelijk kalm, na die vreeselijke wanhoop van zoo even?” - -»Kalm? Neen dat is geen kalmte, dat is -wilskracht—geestdrift—overspanning. Wee als de reactie komt!” - -»Zij vraagt naar niets meer.” - -»Dan weet zij alles.” - -»Neen, de resident heeft haar gezegd dat hij overleden was, en van dat -oogenblik af is ze kalmer geworden.” - -»Vreemd... zeer vreemd.” - -De dokter spoedde zich naar zijn patiënt terug en mevrouw di Frama -begaf zich naar Louise, met wie zij geruimen tijd bleef praten over -alles, behalve over den ongelukkigen Werner. - -Toen het avondeten opgebracht werd, verliet Louise de achtergalerij. -Zij had geen honger, zij wilde niets gebruiken, zij was uitgeput van -vermoeidheid en verlangde naar rust. Terwijl de huisgenooten zich dus -aan tafel zetten, werd Louise naar haar kamer geleid door Melatie die -haar bij het ontkleeden behulpzaam zoude wezen. - -»Vertel mij nu gauw waar hij is? Kan ik hem zien? Hoe, en wanneer?” - -»Wacht, laat ik u even een doek omslaan, het is buiten frisch, en als -gij waken wilt, moogt gij niet ziek worden. Hij is in den grooten -koepel aan het einde der kanarielaan. De dokter alleen is bij hem, de -andere heeren zijn aan tafel; ik geloof dat wij een goed oogenblik -gekozen hebben.” - -»Kom dan!” - -En zonder verder een woord samen te spreken snelden de beide dames -gearmd den tuin door naar den koepel, waar de gewonde lag. - -»Dank je, Mela, dank je! Keer nu gauw naar huis terug en ga aan tafel -alsof er niets gebeurd was. Ik wil niet dat ze u beschuldigen zullen -van mijn heimelijke vlucht. Dank je!...” - -En na Melatie een hartelijken zoen op het voorhoofd gedrukt te hebben, -sloop Louise den koepel binnen, waar zij, zonder acht op den dokter te -slaan, op den baleh-baleh plaats nam, haar hand op Werners voorhoofd -legde en hem in de half gesloten oogen zag, met zulk een grenzenlooze -droefheid, met zulk een onuitsprekelijke liefde, dat de dokter als -verlamd op zijn stoel bleef zitten zonder een woord te kunnen uiten. - -Lang bleef zij zoo staren op het doodsbleeke gelaat van den jongeling; -eindelijk hief zij langzaam het hoofd op en vroeg zij zacht en -onderworpen: »Dokter, moet hij sterven?” - -»Neen, mevrouw, er is nog hoop op herstel, maar....” - -»Zeg alles, dokter.” - -»Wij moeten ons geen illusies maken. Zijn toestand is hoogst -gevaarlijk, de minste aandoening...” - -Hij zag Louise scherp aan. Zij verstond zijn blik en antwoordde zonder -aarzelen: - -»Zeg zulke dingen niet op mij, dokter. Het is hier een stervende dien -wij te verplegen hebben.... Laat geen ellendige cancans de rust van dit -vertrek ontheiligen.” - -De dokter beet zich op de lippen en zweeg. Louise sloeg de oogen neer -en bleef onbewegelijk op den baleh-baleh zitten. - -Nooit was de jonge vrouw zoo schoon geweest als thans, nu het heldere -licht der maan door de hooge vensters op haar viel. Nooit had er -zóoveel lijden, zóoveel onderwerping, zóoveel vastberadenheid uit die -kalme trekken gesproken als op dit oogenblik. Er was iets -indrukwekkends in die rustige droefheid, iets dat aantrok en zwijgen -deed, iets dat medelijden inboezemde, dat bewondering opwekte, dat -eerbied eischte. De dokter gevoelde het. - -»Die vrouw is onschuldig,” dacht hij bij zich zelven, »wat de wereld er -ook van zeggen moge.” En vreemd, er vlood hem een beeld voor den geest -dat niets gemeen had met hetgeen hem omringde. Een jong meisje met -helderblauwe oogen en goudblonde lokken... »Zoo kunnen vrouwen alleen -liefhebben!” sprak hij half overluid; »mijn God welk een schat van -liefde hebt gij in het reine hart der vrouw gestort!” - -Louise zag op. Zij meende dat de dokter sprak, maar de dokter hield de -oogen zóo strak op de roode vloersteenen gevestigd, dat ook zij weer in -haar vorig stilzwijgen verviel, zonder acht op iets anders te geven dan -op den lijder die naast haar lag en wiens geringste ademhaling zij -gadesloeg met een geduld dat aan wanhoop grensde. - -»Dezelfde zachtheid,” dacht hij verder, »dezelfde droefheid, dezelfde -onderwerping en ook dezelfde kracht... zieleleven... zielelijden... en -zieletriomf! Viola! Arme miskende Viola!” - -Louise zag weer op, maar de dokter staarde nog steeds op dezelfde roode -steenen. - -»O! de vrouw die groot is, mag voorwaar het schoonste, het edelste, het -volmaaktste gewrocht der goddelijke schepping genoemd worden! Waar -anders vinden wij die trouw, die vastberadenheid, die kracht, die fiere -deugd, die zelfopofferende liefde, die alles vergevende zachtheid... -die onuitputtelijke...” - -»Wat blieft u, dokter?” - -»Mevrouw?” - -»Ik meende dat gij iets zeidet?” - -»Ik? Vergeving mevrouw... Ik was in gedachten... Heb ik iets gezegd?” - -»Ik meende het.” - -De dokter antwoordde niet, en Louise vroeg niet verder. - -Geruimen tijd bleef alles stil en rustig in den grooten koepel. Toen -kwam een der jongens een lamp brengen en vragen hoe het met den toewan -ging. - -»Hetzelfde,” antwoordde de dokter, en weer begon de stilte met haar -eigenaardig gegons van krekelgezang en bladergeritsel. - -»Hierheen,” zeide een stem die nader kwam, en bijna op hetzelfde -oogenblik traden Stevens en de secretaris binnen. - -De dokter ontstelde hevig en de secretaris niet minder, terwijl de -resident als door den bliksem getroffen tegenover zijn vrouw bleef -staan, leunende tegen den deurpost die hem belet had neer te storten. -Louise alleen had geen de minste aandoening verraden; kalm als te voren -had zij haar groote donkere oogen op haar echtgenoot gevestigd en hem -bijna fluisterend toegevoegd: - -»Kassian!... hij sterft... blijf je bij hem van nacht?...” - -Stevens’ verontwaardiging had haar hoogste toppunt bereikt. Hij -stotterde, beefde, balde de vuisten, maar kon geen woord uiten. Zijn -aangezicht was rood als vermiljoen, zijn oogen traanden, als touwen -lagen de opgezwollen aren over het saamgetrokken voorhoofd, hij wilde -spreken, loopen, handelen,—te vergeefs, hij wankelde en zeeg op een -stoel neer met een kreet die aan brullen denken deed. - -»Hier?” riep hij eindelijk, zich met moeite aan de leuning van zijn -stoel vastklemmende, »wat doe jij hier?” - -Louise zag hem onverschrokken, half verwijtend aan, maar zeide niets. - -De resident was als verpletterd.—Welke macht had die vrouw, dat zij hem -beletten kon haar te dooden, te verbrijzelen in een oogenblik als dit? - -Vuur in zijn hoofd, vlammen voor zijn oogen, trommelslagen aan zijn -ooren, kanonschoten in zijn hart!... Alles kookte, gonsde, suisde, -brandde om hem heen... - -Een kleine hand, een zachte stem brachten plotseling rust en koelte in -die verwarde hitte. - -»Luister August, laat u niet door uw drift vervoeren in oogenblikken -van angst en droefheid waarin wij elkander allen noodig hebben. Er zijn -ongelukken genoeg gebeurd... er moet hier gehandeld en geholpen worden -zonder haat en zonder wrok.” - -»Naar huis! Naar huis terug!” dat was al wat hij zeggen kon, en de daad -bij het woord voegende, greep hij zijn vrouw bij de schouders en stiet -haar van zich af, met een kracht die haar tegen den deurpost gedood zou -hebben, als de dokter en de secretaris niet tusschenbeiden waren -gekomen om haar uit zijn handen te redden. - -»Naar huis, gebied ik u!” gilde hij met een schier onmenschelijke stem, -juist op het oogenblik dat mijnheer Oristorio en Lawson terugkwamen om -den dokter af te lossen, die naar het hoofdgebouw zou gaan om te eten. - -Louise had zich intusschen een weinig hersteld en stond in haar wit -morgengewaad, met haar loshangend haar, en haar doodsbleek gelaat naast -den baleh-baleh, als ware zij de Gerechtigheid die vonnissen kwam en -nog even toefde op de plaats der misdaad alvorens het woord schuldig -uit te spreken. - -»Ik ga geen pas van hier,” sprak zij vastberaden en met nadruk, terwijl -zij haar somber oog met buitengewone kracht op Stevens vestigde: »Mijne -plaats is hier, aan de sponde van hem die door uw toedoen ongelukkig is -geworden,” en na een oogenblik zwijgens voegde zij er zachter bij, -terwijl zij naast den baleh-baleh neerknielde en hare hand op het hoofd -van den stervende lei: - -»Zoo lang hij leeft—en zoo lang hij niet buiten gevaar zal wezen, wijk -ik niet van hier.” - -»Dat zullen wij eens zien!” - -En weder sprong hij op Louise toe, met een woede die voor het ergste -deed vreezen. - -»Halt resident!” In een oogenblik was hij door de vier heeren omsingeld -die hem toespraken, beschuldigden, geruststelden, laakten, goedkeurden -en ten laatste meevoerden naar het hoofdgebouw. - -Lawson was de eerste die in den koepel terugkwam. Hij kende Louise -niet, hij had haar nooit te voren gezien en in de verwarring van zoo -even had hij niets begrepen van de betrekking waarin zij tot de overige -personen stond. Eerst in den tuin was het hem uit het spreken der -heeren duidelijk geworden dat die idealisch schoone vrouw, welke hem in -de eerste oogenblikken een hemelsche verschijning had toegeschenen, -mevrouw Stevens van Langendijk was. - -Schoorvoetend komt hij den koepel binnen. Louise ziet hem aan en lacht. -Zij ligt nog geknield naast den baleh-baleh en wenkt hem om nader te -komen. - -»Hij slaapt!” fluistert zij zacht, de blonde lokken van Werner’s -voorhoofd wegstrijkende. »Wat slaapt hij zacht! Wat is hij gelukkig!” - -Lawson wil zich over hem heen buigen, maar Louise houdt hem terug. -»Niet zóo dicht bij... hij slaapt,” en opstaande, vat zij Lawson bij de -hand en voert hem mede naar het andere einde van den koepel. - -»Gij zijt zijn vriend, niet waar?” vraagt zij de oogen neerslaande. - -»Ja, mevrouw, wij hebben elkander lange jaren gekend en...” - -»Ook ik,” valt zij hem nauw hoorbaar in de rede, »ook ik heb die -groote, edele ziel gekend... en verstaan!... Ik heb meer dan eens in -dat fiere, warme hart gelezen; op de wieken van die alles omvattende -verbeelding door de eeuwige ruimte der natuur gezweefd... Maar ik ben -een vrouw, niets dan een rampzalige vrouw, met een hoofd dat niet -denken, met een hart dat niet gevoelen mag... O! ware ik een man -geweest! Welk een heerlijk reine vriendschap had dan mijn leven aan het -zijne kunnen hechten. Met welk een onuitsprekelijk geluk had ik dan -dien krachtigen geest van nabij kunnen leeren kennen, die heerlijke -ziel naar waarde leeren schatten! Wat had ik goed en braaf kunnen wezen -aan de zijde van dien man! O, zulk een voorbeeld maakt grooter, maakt -beter, brengt nader tot de volmaaktheid... Ik zou het gevolgd hebben, -dat gevoel ik, en dáar waar ik niet meer had kunnen volgen, dáar zou ik -bewonderd hebben, bewonderd en gebeden en den Schepper gedankt voor de -grootheid aan dien mensch geschonken!” - -Zij had met geestdrift en vuur gesproken, een lichte blos gloeide op -haar wang, een fiere lach omzweefde de fijne lippen, een dweepende -uitdrukking van dankbaarheid en vereering verleende aan de omhoog -geslagen oogen een zachtheid, een helderheid, een reinheid die Lawson -in verrukking deden uitroepen: - -»Idealisch schoon! Welk een heerlijke extase!” - -Hij was als betooverd door Louise’s meesleepende opgewondenheid en wist -zelf niet dat hij gesproken had. - -De jonge vrouw had hem een oogenblik verwonderd aangezien, als verstond -zij zijne woorden niet, toen had zij de oogen neergeslagen en het hoofd -gebogen en zacht, bijna fluisterend herhaald: - -»Maar ik ben eene vrouw... niets dan een rampzalige vrouw, met een -hoofd dat niet denken... met een hart dat niet gevoelen mag!... Toch -was ik ook geschapen om te denken, om te gevoelen, om gelukkig te -wezen... God heeft eenmaal bevolen »denk!” Maar de menschen hebben -»neen” gezegd en, in plaats van denken, hebben ze ons gehoorzamen en -volgen geleerd... en het hoofd is vergeten geworden.... Zoo was Gods -tweede bevel »gevoel!” Maar de wereld heeft weder »neen” gezegd en, in -plaats van gevoelen, heeft zij ons zwijgen en veinzen geleerd... En het -hart is verloren geraakt!... »Zijt gelukkig!” dat was Gods laatste -bevel. En daarop heeft de menschheid geantwoord met een schaterlach, -»ja, zijt gelukkig als gij kunt!...” - -»Zonder hoofd en zonder hart! Niets om te behouden en niets om weg te -schenken... Niets om gelukkig te zijn en niets om gelukkig te maken! -Leegte in de eenzaamheid... en eenzaamheid in het gewoel der wereld!... -Chaos, waar de geest ook zoekt! Chaos, wat de ziel ook vraagt!.... -Schoonheid, rijkdom, jeugd en weelde! Een danspas en een schaterlach! -En verder? Nijd en afgunst, haat, bespotting! Aanbidding, wantrouwen, -miskenning en verachting!... En dan geen hoofd dat strijden kan! Geen -hart dat troost kan geven!... Chaos! Chaos! O, mijn God!” - -Zij zweeg en zonk uitgeput op den baleh-baleh neder, dien zij al -sprekende genaderd was. - -»Wat slaapt hij zacht? Wat is hij gelukkig!” En weer de blonde lokken -wegstrijkende legt zij hare hand op Werners voorhoofd en ziet zij hem -aan met die grenzenlooze liefde welke den dokter zoo even aan een -andere vrouw deed denken... Een jonge, schoone maagd, met goudblond -haar, en hemelreine oogen, staande gestorven, met een gelukkigen lach, -in een helderblauw gewaad.... - -»Hoe gaat het hem?” - -Het was de dokter, die van tafel terugkwam. - -Louise wenkte hem met de hand om stil te zijn en naderbij te komen en -lachend naar hem opziende sprak zij zacht en rustig: - -»Hij is dood... reeds sedert jaren dood!... Ik alleen heb het geweten, -maar ik wilde het aan niemand zeggen dan aan u, omdat gij het toch -zoudt zien!...” - -De pijnlijke, de afschuwelijke stilte welke op deze woorden volgde, -zeide meer dan een der aanwezige personen in staat geweest zou zijn -door woorden uit te drukken. - -Een schelle, wilde lach weerklonk in den hoogen koepel, en golfde langs -het heldere water van den vijver, door den tuin, tot zelfs in de -voorgalerij van het hoofdgebouw. Vlug als een hinde sprong Louise op -den baleh-baleh en, in de eene hand de lamp houdende, terwijl zij met -de andere het hoofd van den doode ondersteunde vroeg zij met een -triomfantelijken lach: - -»Welnu, dokter, heb ik geen waarheid gesproken?” - -»Volkomen waarheid, mevrouw.” - -Daarop zag hij Lawson aan. - -Groote tranen biggelden langs de wangen van den jongen administrateur. -Louise zag ze. Langzaam klom ze van den baleh-baleh af, zette de lamp -ter zijde en legde haar hand op zijn schouder. - -»Ben je bedroefd?” vroeg zij medelijdend. »Hij is ook je vriend -geweest, niet waar? Mijn vriend heeft hij nooit mogen wezen, want ik ben -een vrouw, een rampzalige vrouw, en de wereld had »neen” gezegd... Toch -had ik nooit mijn hart aan iemand anders geschonken, nooit dat van een -ander verlangd of aangenomen.... - -»Eens heeft hij mij van liefde gesproken, éens, bij het ziekbed van den -kleinen Willem, op een avond dat wij alleen waren, en dat ik geweend -had over het heengaan van de kinderen.... de kinderen van Mina, de -mooie, trouwe, ongelukkige Mina! Zij is dood. Toch was ook zij -geschapen om gelukkig te wezen. Met een schat van liefde en gezond -verstand had de Schepper haar bedeeld, maar de menschen hadden »neen” -gezegd, en nadat zij schoon gevonden en aangebeden was geworden, heeft -zij smaad en verachting gekend... - -»Zij is dood... evenals hij die dáar voor ons ligt, en die ook een -gelukkiger leven verdiend had dan hij gehad heeft... Wat hadden wij te -zamen gelukkig kunnen wezen! Nog eens heeft hij mij van liefde -gesproken, nog eens, toen wij alleen waren met het lijkje van een -kind... en toen heb ik »neen” gezegd, »neen” als de wereld, »neen” als -de menschen, die mij hadden leeren zwijgen en veinzen! Die leugen heeft -hij mij vergeven, niet waar? Hij weet nu dat het de wereld was die -sprak, de menschen die den resident tusschen hem en mij geplaatst -hadden... Maar nu is er niemand meer tusschen ons... hij is dood! En de -dooden behooren ons, meer dan degenen die nog leven! - -»Chut!... Voetstappen!... De resident misschien!... Komt binnen heeren! -Goede tijding!...” En met woeste vlugheid mijnheer Oristorio en den -resident tegemoet snellende, vatte zij beiden bij de hand en riep met -een schaterlach: - -»Dood! Hij is dood, de mooie, jonge, krachtvolle Werner! Dood! -Getroffen door een kogel van den resident!... Vloek, mijn God! Vloek -over het hoofd van den moordenaar!” - -Zij lachte weder, en vloog den tuin in waar men haar bewusteloos, aan -den voet van een mangaboom wedervond. - - - - - - - - -DRIEENDERTIGSTE HOOFDSTUK - -KRANKZINNIG - - -Den volgenden morgen was alles droefheid en verwarring in het gisteren -nog zoo vroolijke buitenverblijf der Oristorio’s. - -Louise was niet aan het ontbijt verschenen, ook mevrouw di Frama had -men nog niet gezien. De resident had brood en thee in zijn kamer doen -brengen, en de overige huisgenooten, waaronder ook Lawson en de dokter, -zaten zwijgend om de groote tafel in de achtergalerij. Melatie was de -eerste die de stilte verbrak met de woorden: - -»Ik wilde haar zoo gaarne zien, papa.” - -»Niet mogelijk, kind, zij is zoo vreeselijk opgewonden, dat het niet -anders dan nadeelig voor u zou kunnen zijn, haar op dit oogenblik te -bezoeken.” - -»Toch zou het mogelijk goed voor haar wezen, daar...” - -»Welnu? Wat wildet gij zeggen?” - -»Och! ik weet het niet.—Paatje, toe, laat mij even gaan? Even slechts. -Ik beloof dat ik niet zal schrikken, dat ik niet akelig zal worden—mag -ik?” - -»Ja, kon het een goede uitwerking op de patiënte hebben, dan zou ik -zeggen: Ga, kind, en breng er het uwe toe bij om eenige klaarheid te -geven aan dien verwarden geest—maar ik vrees dat hier tijd en -verandering van omgeving alleen als geneesmiddelen kunnen aangewend -worden; ik vrees zelfs dat het weerzien van iederen persoon die -eenigszins in de noodlottige gebeurtenis van gisteren betrokken is -geweest, haar een nieuwen schok zal geven, die in een vlaag van -razernij of wanhoop los zal breken. Ik kan mij echter vergissen, want -van den raadselachtigen toestand waarin zij thans verkeert, is niets -met zekerheid te zeggen.” - -»O! mocht ik maar gaan! Ik gevoel dat ik haar zou kunnen troosten! Wij -begrijpen elkaar zóo goed! Toe, mag ik, dokterlief? zeg maar »ja”. Gij -zult er geen berouw van krijgen.” - -»Nu, ja dan. Maar ik ga met u mede, want maakt het u zenuwachtig dan -moet gij weg.” - -»Was de resident maar weg!” antwoordde zij fluisterend, terwijl zij -hare hand op zijn arm legde en met hem naar de logeerkamer ging. - -»Ja, was de resident maar liever...” - -»In Werners plaats gestorven, niet waar?—Ik heb hetzelfde gedacht, maar -ik durfde het niet zeggen!” - -»Ik heb het toch niet gezegd?” - -Louise stond naast den stoel van den resident. Zij lachte overluid en -noemde hem »moordenaar”, juist op het oogenblik toen Melatie -binnentrad.—Zoodra zij den dokter zag, riep zij hem tot getuige: - -»Niet waar, dokter, je bent het immers met me eens, de eerlooze -machthebber haat al wat hij bewonderen moet, doodt al wat hij -benijdt.—Alsof hij zelf daardoor rijzen kon!—Nog lager gevallen! Nog -dieper gezonken! En dat is grootheid? Wat de wereld grootheid noemt! -Dáar ligt een ziel, een geweten, een geheel bestaan van zelfopoffering -en verdienste.... dood, verlaten, op een ouden baleh-baleh! En hier zit -een moordenaar in het volle licht van den dag... Trotsch en krachtig, -alvermogend... gesteunpilaard door ridderorden en een grooten gouden -pajong! Dáar de eenzaamheid, de stilte, de dood alleen, die ’t lijk -bewaakt. Hier rijkdom en weelde, hoogmoed die zich zelven kroont. -Dáar—maar wacht... een zucht, een traan, een lach, een bede... -stil!—Luister—stil—stil—luister.... - -»Mina komt ongeluk brengen over het huis, dat gevloekt is geworden door -de vrouw die gij bedrogen hebt, door de kinderen die gij verstooten -hebt!...” - -»Louise!” riep de resident, plotseling opspringende. »Louise, wat zegt -gij dáar!” - -»De waarheid, toewan bezar! (groote heer) de zuivere waarheid! Die -waarheid is een vrouw en die vrouw heet Mina... Ze is dood—maar voor u -toch leeft ze nog,—en zal ze blijven leven... even lang als gij!—Voor -mij ook blijft ze leven... Wat was ze schoon! Arme Mina! Ha! daar is -zij!...” - -Haar oog was op Melatie gevallen, die zij bij de hand vatte en mede -voerde, naar den stoel van den resident. - -»Hier is ze, Mina!” vervolgde zij half weenend, half triomfant. »De -mooie, jonge, edele Mina! Mina die geen schatten vroeg, voor wie de -grootheid geen waarde had.... Want Mina had geen liefde voor geld, en -zoo had ze ook geen achting voor de ridderorden en geen eerbied voor -den grooten gouden pajong,—want ze had te vergeefsch naar een hart -gezocht onder al die bonte linten, en ze had nooit een hoofd gezien -onder dien verblindend schoonen pajong. - -»Liefde, achting, waarheid, dat was al wat zij verlangde. En het was te -veel—het was meer dan gij bezat, dus ook meer dan gij geven kondet... -Maar dat hebt gij nooit bekend—dáar waart gij te trotsch toe... Gij -wildet niet weten hoe arm gij waart—en daarom beloofdet gij woorden, en -gaaft gij geld.—Geld, aan Mina!... Zij heeft voor het geld een kris -gekocht.—Een kris om een vrouw te dooden—maar ze heeft haar niet -gedood.—Kassian! zij leeft nog, het arme schepsel... Ze is -»krankzinnig” zeggen ze... Toen was zij niet krankzinnig, toen was ze -jong en schoon en aangebeden... Ziek is ze daarna geweest—zóo ziek dat -de menschen dachten dat ze dood was—maar ze kon niet sterven—ze mocht -niet sterven, zij moest eerst nog iets hooren, nog iets weten—en zij -heeft het gehoord.—Zij weet het, resident! - -»Gij weet niet wat, niet waar? Gij kunt het niet gissen?—Wacht, ik zal -het u zeggen.—Mina had gewaakt bij de jonge, zieke vrouw, zij had haar -geholpen en verzorgd—toen alle grooten sliepen.—Zij had den resident -geantwoord, toen...” - -»Louise! Ik smeek u, om Godswil, zwijg!” - -De resident liep hijgend, zuchtend, weenend, met zulke -hartverscheurende gebaren in de rondte, dat de dokter hem bij den arm -greep en uit de kamer voerde, Melatie een wenk gevende, om haar te doen -begrijpen dat hij terstond terug zou komen, uit vrees van haar met -Louise alleen te laten. - -Nauwelijks waren de heeren de kamer uit of Louise vloog naar de deur, -sloot haar en verborg den sleutel onder de kussens, in bed. - -»Alleen!” riep zij met een vreugdekreet, die de ramen trillen deed. -»Alleen met Mina die goed is, en alles van de arme Louise weten -mag.—Maar waar zijt gij al dien tijd geweest?—Waarom heb ik u in zóo -lang niet gezien?—De menschen hebben mij gezegd dat gij gestorven -waart, maar de dooden kunnen niet terugkomen... niet waar?—O! konden -zij dat, wat zou ik dan gelukkig wezen!” - -Zij zweeg en scheen op antwoord te wachten. Maar Melatie sloeg haar arm -om Louise’s hals en zeide niets, zij wist niet wat zij antwoorden -moest. - -»Arme Mina!” hernam de jonge vrouw, het meisje medelijdend aanziende. -»Arme Mina! En ik wilde u niet binnenlaten toen gij naar uwe kamer -terugkeerdet, er uwe kinderen dacht te vinden en den man dien gij lief -hadt misschien?... Zij zijn naar Holland, uwe kinderen... weet gij -het?—Hun vader heeft ze weg gezonden—tegen mijn zin, want ik wist wel -dat gij zoudt terugkomen om ze te zien—uwe kinderen, die gij nooit -vergeten zoudt, zelfs niet al waart ge ook werkelijk gestorven!... Arme -Mina! Gij hebt een’ vloek geworpen op het huis van den resident en uwe -kinderen zijn getroffen geworden, even als de vrouw die uwe plaats -heeft ingenomen... maar de man dien uw vloek moest treffen, is gespaard -gebleven, en spot met het ongeluk dat wijkt voor zijn schaterlach!” - -Melatie begreep niet veel van hetgeen zij hoorde, en bleef zwijgen. - -»Neen... zóo was het niet...” vervolgde Louise, zich, als met moeite, -herinnerende wat er gebeurd was. »Willempje is gestorven... en daarna -heeft hij August alleen weg gezonden ondanks al mijn smeeken... Ik heb -voor uwe kinderen gedaan wat ik kon... geloof mij, Mina. Ik kon niet -meer. Ik had geen recht op uw kinderen, zeide hij, en daarop zijn beide -mij ontnomen geworden. Ik heb minder getreurd over Willem dan over -August, want Willem was dood en August zou mishandeld worden... Ik wist -het wel... Daarom zend ik hem geld en allerhande kleinigheden van hier, -zoo dikwijls ik maar kan, opdat de menschen weten zullen dat iemand hem -toch lief heeft en dat iemand over hem waakt... En alles zend ik hem -uit naam van zijn vader, want mij zouden de menschen niet tellen. Ik -heb geen recht, zoo als ze dat heeten... Zijn vader alleen heeft -recht!... Zelfs recht om te dooden! Vloek! Vloek! Eeuwige vloek, mijn -God! over den man der fortuin!...” - -Louise’s oogen vonkelden van toorn en haat, en er was iets zóo -krachtigs in het opgeheven hoofd, iets zóo dreigends in de bevende -lippen, iets zóo besloten in de saamgevouwen handen, dat Melatie -onwillekeurig terug deinsde, en haar op eenigen afstand aan bleef -staren, niet wetende of zij hare vriendin bewonderen, beklagen of -ontwijken moest. - -Doch, plotseling bedarende, en Melatie de hand reikende met eene -uitdrukking van medelijden, droefheid en onderwerping, alsof zij berouw -had over hare drift van zoo even, vroeg zij zacht, bijna smeekend: - -»Herinnert gij u nog, dat gij mij eenmaal beloofd hebt, dat gij mij -helpen zoudt, indien gij mij van dienst zoudt kunnen wezen. Het was op -een’ avond... in de residentie... Ik had geweend... en gij hadt den -moed niet gehad mij te dooden... Er lagen gouden armbanden vóor ons, -haarpennen en oorknoppen. Eene kris op den vloer bij het venster... -Herinnert gij het u nog?” - -Melatie knikte toestemmend. Zij wist van niets. - -»Welnu, luister dan, gij kunt mij nu een dienst bewijzen, die niemand -anders mij bewijzen zou. Maar op u heb ik gerekend. Gij hebt zelve -zóoveel geleden, dat gij medelijden hebben zult met de arme Louise, en -haar niet hard beoordeelen zult, zooals de menschen doen.... De -menschen, die niet weten wat lijden is, omdat ze niet weten wat liefde -is... Arme menschen! Als ze dat alles wisten zouden ze beter wezen, -maar ze weten niets en daarom zijn ze zoo boos voor anderen die weten. -Het is armoede die boosheid, anders niet... Daarom vergeef ik hun ook -alles—alles—maar ik wil ze niet meer zien, ik wil ze niet meer -kennen... Ik zal ze helpen waar ik kan, altijd en overal; maar zonder -ze te zien! Zij mogen niet meer bij mij komen, vriendelijk en wel, om -mij te bespieden, te verraden, te belasteren, te bespotten. Dat alles -is maar armoede, ik weet het wel, maar ik wil die armoede niet meer -zien, ze is leelijk, en ze doet mij leed. ’t Is Werner die mij geleerd -heeft dat slechtheid armoede is, ik wist dat niet, en ik haatte de -menschen, die hij beklagen kon! Ik haat ze nog tusschenbeide, maar dat -is als ik niet aan Werner denk... Chut!... Dáar klopt iemand aan de -deur... Laat maar kloppen, ik heb den sleutel begraven—niemand kan ons -storen...” - -»Weet gij wie daar klopt?” - -»Neen.” - -»Het is de dokter, die ook weet wat lijden en wat liefde is, en dien -gij niet verstooten moogt, na hetgeen hij voor Werner gedaan heeft...” - -»Voor Werner...” herhaalde de jonge vrouw, met neergeslagen oogen, en, -langzaam het ledekant naderende, zocht zij den sleutel en opende zelve -de deur voor den dokter. Toen sloot zij de deur weer zorgvuldig dicht, -en, na zich verzekerd te hebben dat niemand het zag, verborg zij den -sleutel op eene andere plaats. Daarop legde zij hare hand op den -schouder van den dokter en vroeg zij hem half lachend, of hij den -resident ver weg had gebracht? - -»Zóo ver dat hij niet meer zal komen voor dat gij zelve hem terug zult -roepen.” - -»Ik?—Ik hem terug roepen!—Nooit!—O! dokter, wat zijn de menschen toch -wreed! Het huwelijk moest verboden zijn wanneer de vrouw geen liefde -voor den man heeft en het moest ontbonden worden wanneer hij hare -liefde verloren heeft! Ontbonden!—Vrij!—Verlost van den resident! O de -liefde van dien man is mij een gruwel! Ik zou hem minder haten, geloof -ik, indien hij mij minder lief had!” - -»Haten, Mevrouw? Moogt gij iemand haten?” - -»Zóo leert men haten, dokter. Welk recht heeft die man op mij? Ik was -een kind toen de menschen mij bevolen zijne vrouw te worden. Ik kende -niets dan gehoorzaamheid, en ik heb gehoorzaamd; op onwetendheid was -mijn handelen gegrond, en op die handeling heeft de wet het zegel harer -onfeilbaarheid gedrukt, het wreede »levenslang” bevolen, dat verbeterd -werd door de kerk, die »eeuwig” zeide.—Eeuwig!—Mijn God! help mij! Die -eeuwigheid maakt mij krankzinnig!...” - -Zij verborg het gelaat een oogenblik in de handen, hief toen het hoofd -weder op en zeide fier en langzaam: - -»En indien ik nu eens die gelofte, dat gebod, die wetten en die kerk -verachtte?... Indien ik dat alles eens wreed, dom en onzedelijk noemde: -in strijd met godsdienst en natuur; in strijd met gezond verstand en -geweten?... Indien ik op grond van dat alles eens naar de gerechtzaal -ging en scheiding vroeg van den resident Stevens van Langendijk?... Wat -zouden de wetten dan zeggen?” - -De dokter en Melatie wisselden een vluchtigen blik, maar zwegen. - -»Gij antwoordt niet,” vervolgde Louise, »omdat gij mij geen leed wilt -aandoen; maar, ik ken het antwoord even goed als gij. De wet zou -slapend op hare volmaaktheid steunen en mij verder verwijzen naar de -zielendoodende kerkelijke eeuwigheid! Daarom zal ik ook naar geen -gerechtzalen gaan... Toch,—later mogelijk... want de vrouw die schuldig -is alleen kan hare vrijheid terug krijgen.—Zij, die onschuldig zijn, -moeten lijden en zwijgen. Wij zijn ook te trotsch om te klagen. -Medelijden is een vernederende aalmoes, versmaad door haar, die rijk -zijn omdat zij een krachtige ziel en een zuiver geweten hebben!—Maar -spreken, dat kunnen wij—lachend vertellen wat wij lijden, hoe wij -lijden en waardoor wij lijden... En dan kunnen wij verachten—en—zóo -handelen als ik van morgen met den resident gehandeld heb!... Zeg, -dokter, wilt gij mij een genoegen doen?” - -»Gaarne Mevrouw.” - -»Blijf dan even hier staan, ik wilde Mina een oogenblik alleen -spreken.” En Melatie mede voerende naar de andere zijde der kamer, -vroeg zij nauw hoorbaar: - -»Waar wordt Werner begraven?” - -»Te Speranza; op zijn eigen land.” - -»Ik moet zijn graf zien, eer ik naar A. terugkeer—zal je met mij -meegaan?...” - -Melatie wierp een wanhopigen blik op den dokter en antwoordde -toestemmend: - -»Morgen ochtend, in de vroegte, als de anderen nog slapen, niet waar? -O, ik wil zien waar het graf van George is!—Ik moet het weten, want... -Dokter, waar kijk je naar?...” En met een’ woesten sprong naar het -venster snellende, waarbij de dokter stond, zag zij van verre, door de -takken der boomen heen, den lijkstoet die het hek uitging. - -Bleek en hijgend staarde zij in de donkere laan; haar somber oog tuurde -door de groene bladeren zoo lang daar achter iets bewoog, en toen -eindelijk alles stil was, boog zij langzaam het schoone hoofd en rolden -er groote tranen langs de krijtwitte wangen. - -»Ik heb hem zoo innig liefgehad,” sprak zij zacht, »en hij heeft het -nooit geweten.—Dokter, ik dank je voor al wat gij voor mijn Werner -gedaan hebt.” - -Zij reikte hem de hand en zag hem aan met hare zachte, droevige oogen -als of zij hem met dien blik zeggen wilde, hetgeen zij in geen woorden -uit kon drukken. - -Toen zonk zij opeen sofa neer, en bleef daar zitten, bleek en zwijgend -tot laat in den avond, geen lach, geen traan, geen uitdrukking van -toorn of haat had leven gegeven aan de ziellooze trekken die uren lang -onbewegelijk gebleven waren. Te vergeefs had men alle middelen in het -werk gesteld om hare aandacht te trekken, of haar belang in te boezemen -voor hetgeen haar omringde—niets had geholpen, de stem van den resident -had haar koud gelaten, even als het schoone lied van Lina, en de -bittere tranen der arme Melatie, die haar eindelijk ontkleedde en als -een kind naar bed bracht, zonder een enkel woord over hare lippen te -kunnen krijgen, of zelfs aan eenig teeken te kunnen zien dat zij haar -herkende. - -Acht dagen bleef zij zóo half bewusteloos voort leven, toen keerde de -resident met haar naar A. terug, waar mijnheer en mevrouw Van Amerongen -den zelfden dag zouden aankomen, om eenigen tijd bij hun kind door te -brengen en te beproeven haar door eene nieuwe omgeving de oude te doen -vergeten. - - - - - - - - -VIERENDERTIGSTE HOOFDSTUK - -HET BEZOEK DER OUDERS - - - „Je me repens de tout, hors de l’avoir aimé - Et, si devant ce Dien mon amour est coupable, - Que dans l’éternité sa vengeance m’accable! - Je ne puis m’arracher du coeur, même aujourd’hui, - Le seul être ici-bas qui m’aît fait croire en Lui; - — — — — — — son image est si belle, - Que je ne comprends pas le ciel même sans elle. - Oh! s’il était là, lui! Si Dieu me le rendait! - Même à travers la mort, oh! s’il me regardait! - Si cette heure à ma vie eût été réservée, - Si j’entendais sa voix je me croirais sauvée: - Sa voix m’adoucirait jusqu’au lit du tombeau!” - - A. de Lamartine, Jocelyn. - - -In het lichtblauw satijn gekleed, stond Louise te spelen met de -weelderige lokken van haar loshangend haar, en te lachen naar omhoog, -als zag zij daar iemand dien zij welkom heette. - -Haar vader trad binnen. - -Zij zag hem niet, en vervolgde haar spel als te voren, nu eens omziende -naar de golvende plooien van haar langen sleep, dan weder lachende -tegen den grooten spiegel welke hare bekoorlijke gestalte ten voeten -uit wedergaf, of smeekend opziende naar den een of anderen hoek der -kamer, waar een idealische verschijning hare gansche ziel scheen heen -te trekken. - -»George!” riep zij op eens, en, in den grootsten angst hare armen -uitstrekkende als wilde zij iemand terug houden die haar verlaten ging, -vervolgde zij nauw hoorbaar: »O, blijf!... blijf... Nog even slechts! -Mijn George! O! ik bid u, verlaat mij niet... Gij weet het immers, de -wereld is ledig voor mij... is niets meer zonder u...” - -Zij zweeg, verbleekte, trok de armen terug, bedekte het gelaat met de -handen, en zonk als machteloos op een stoel neder. - -Mijnheer Van Amerongen naderde haar langzaam, legde zijn hand op haar -schouder, en riep haar zacht bij haar naam. - -Louise bleef onbewegelijk zitten. - -»Kindlief!” sprak hij vleiend. - -Geen antwoord. - -»Louise, uwe moeder is hier, om u te bezoeken. Stevens heeft haar te -logeeren gevraagd, om u pleizier te doen.—Wilt gij uwe moeder niet -zien?” - -Nog altijd hetzelfde zwijgen. - -Mijnheer Van Amerongen vatte hare beide handen in de zijnen, trok ze -van haar gelaat af en zag haar met een glimlach aan. - -Louise liet hem begaan, maar zeide niets en staarde voor zich neder, -zonder acht op hem te geven. - -Ten einde raad, wilde hij de kamer weer verlaten, toen hem plotseling -een gedachte inviel. - -Hij kwam terug, plaatste zich achter den stoel zijner dochter en -fluisterde zacht: - -»George zal terug komen!” - -Zij bewoog zich niet, doch hare oogen blikten ter zijde, als luisterde -zij. - -»Gij zult hem weerzien, Louise.” - -»Wanneer?” vroeg zij zacht, zoo zacht dat het woord een zucht geleek. - -»Later.” - -»Later!” herhaalde zij met een vreeselijke lach, toen sloeg zij de -oogen neer en boog het hoofd met zulk een onbeschrijfelijke uitdrukking -van droefheid en onderwerping dat het hart haars vaders van smart -ineenkromp. - -»Louise!” hernam hij nogmaals, »Louise, George heeft beloofd terug te -zullen komen zoodra gij weer vroolijk en opgeruimd zult wezen. Hij -bemint u slechts zooals gij vroeger waart, jong en schoon, en vroolijk -bovenal.” - -»Vroolijk? O! laat hem komen, en ik zal weer vroolijk zijn! Vroolijk en -gelukkig, zooals ik bij hem alleen kan wezen... Mijn George! Mijn -hartelijk geliefde George!... En ik heb hem verstooten toen hij daar -voor mij stond... verstooten toen hij mij zijn liefde bood, toen hij -mij de mijne vroeg, mijn liefde die mijn steun, mijn leidsvrouw, mijn -alles geweest was gedurende de laatste eeuwen die ik doorkropen had... -O, George, kom weer! Vergeef uwe arme Louise een laagheid, vergeef haar -een misdaad die zij gepleegd heeft uit plichtbesef! Zij heeft uwe -liefde versmaad, zij heeft u de hare verborgen... Zij heeft u -misleid... Mijn George, u misleid, omdat de menschen die misleiding -deugd noemden. De menschen! Alsof er menschen bestaan mochten...” - -Zij zweeg een oogenblik, lachte en vervolgde toen met wanhopige -bitterheid: - -»Deugd!—Wat is deugd?—Waar is deugd?—Deugd!—Een woord—een -klank—niets!—Een schim, die duizende gedaanten heeft, duizende -gebreken, duizende belachelijkheden! Een iets dat bestaat, en dat toch -niet bestaat—dat niets is dan trots en dwang en tegenstrijdigheid... -egoïsme dat beveelt en domheid die gehoorzaamt, berekening die in stand -houdt door overmacht!... Deugd is een spooksel dat door -geheimzinnigheid bekoort, aantrekt door vreemdheid en meesleept door -onbereikbaarheid, den spot drijft met de onzinnige aanbidding zijner -bewonderaars! Een gezichtsbedrog dat allen najagen en dat niemand -bereikt, een gewrocht onzer eigene verbeelding, dat ons het leven -ondragelijk maakt en ons den dood beschouwen doet als een belooning -voor ons lijden!... Zekerheid voor het ongeluk, voor het tegenwoordige -dat ons behoort, en onzekerheid voor het geluk, dat wij moedwillig naar -de toekomst verwijzen... de toekomst die geen sterveling kent!... Alsof -wij weten konden wat ons na dit leven wacht!... Mijn God! welk een -verward bestaan! Leven voor eene toekomst die geheel denkbeeldig is! En -daarvoor ongelukkig zijn! Daarvoor strijden, zwoegen, jaren lang!... - -»Deugd! Ha! Waarom hebt gij mij dat woord geleerd? Gij die er eene -beteekenis aan hecht die raadsel is voor mij? Gij, mijne moeder, die -mij daarvoor de liefde, de hulp, de achting der menschen beloofdet!.... -Ja, de menschen! De menschen die ik recht over mijne handelingen toe -heb gekend, die ik eene plaats in mijne ziel heb ingeruimd, die ik -geacht heb en vertrouwd, beschermd, getroost, geholpen waar het mij -mogelijk was... die menschen hebben mij bedrogen, belasterd, ongelukkig -gemaakt... ja, zelfs veracht!—Zij hebben mij veracht!—veracht, omdat ik -aan hun deugden geloofde, terwijl zij met mijne vriendschap speelden, -misbruik van mijn vertrouwen maakten en mijne weldaden met ondank -beloonden.... En toen zij mij alles ontnomen hadden, alles, mijne -menschenliefde, mijn vertrouwen, mijn geluk en mijne rust, toen zij mij -niets meer gelaten hadden dan angst en twijfel, toen ik mij zelve -vreemd was geworden, en mijne gedachten, mijne gevoelens, mijne daden -zelfs raadselen voor mij geworden waren—toen hebben zij gespot met de -teleurgestelde hoop van het kind, gelachen om de wanhoop die mijn hart -verteerde, om de leegte die mijn ziel omzweefde, gejuicht over de -zwakte van het lichaam dat gebroken scheen—van het hoofd.... -»Krankzinnig!” was hun feestkreet, en de nagalm klonk mij als eene -openbaring in de ooren!—Ja, krankzinnig misschien.... Ben ik nu -krankzinnig?—Ik heb zóoveel geleden, zóoveel gezwegen, zóoveel -verborgen... Wat heb ik lief gehad! En wat haat ik nu! Wat veracht ik -de menschen!... Neen, om Werner’s wille vergeef ik hen... Lacht maar, -lacht maar, menschen... Bespot vrij uw slachtoffers, spreekt uw leven -lang van deugd en zoekt uw geluk in het leed dat uwe naasten doodt—er -zal eenmaal een tijd komen... - -»Maar de deugd is mij vreemd—mogelijk hebt gij het recht om mij te -verachten... gij die begrijpt wat duister is voor mij... - -»Neen, dat recht hebt gij niet! Gij kunt het niet hebben!—En indien gij -het hadt, dan nog zou ik het u betwisten, zoo lang het mij mogelijk zou -zijn.... - -»George! George! Hoort gij het? Hoort gij dat uwe Louise vrij is?—Dat -er geen deugd meer bestaat—en dat de wereld dood is voor haar? Kom, o -kom terug, mijn innig geliefde George! Kom, opdat uwe Louise den -menschen toone wat deugd is voor haar! Hoe groot, hoe edel, hoe heilig -de liefde is die zij u toedraagt, en hoe trotsch zij ze met voeten -treedt, die wetten van menschen die zij haat en veracht omdat zij -bevelen wat slecht is en berispen hetgeen God zelf wil!” - -Haar oog viel op haren vader, en plotseling bleef zij zwijgend -tegenover hem staan. Gedurende eenige oogenblikken zag zij hem strak -aan, toen wierp zij het hoofd achterover, kruiste de armen over de -borst en vroeg op trotschen, schier dreigenden toon: - -»Wie zijt gij?—En wat doet gij hier?” - -Mijnheer Van Amerongen wilde antwoorden, doch eer hij een woord kon -uitbrengen, vervolgde zij heftiger: - -»Ik ken u niet.—Vertrek!” - -»Gij kent mij niet, Louise?... Uw vader?... Van Amerongen?...” - -»Van Amerongen... Van Amerongen...” herhaalde de jonge vrouw verward, -»van Amerongen... Ik ken hem niet.—Vertrek!... Neen—wacht—ik ken hem -toch... Ik heb meer dan duizend jaar geleden dien naam wel eens -gehoord, geloof ik... van Amerongen... van Amerongen... Een koopman, -niet waar?—Een geldman, een rekenaar?—Een man zonder deugd, zonder -hart, zonder eer?... Ik ken hem niet.—Vertrek!...” - -»Maar die man is uw vader, Louise! Herken dan toch dien armen, -ongelukkigen vader die u verzorgd heeft toen gij klein waart en voor u -gewerkt heeft zijn leven lang!—Die u lief heeft...” - -Hij wilde hare hand vatten, doch nauwelijks had hij die met de toppen -zijner vingers aangeraakt, of Louise sprong terug met eene flikkering -van afschuw in de oogen. - -»Ha!—Ik ken u!” gilde zij luid. »Ik ken u ellendeling! Mijn vader?—Ja, -die waart gij eenmaal maar die zijt gij nu niet meer!—Moordenaar! -Moordenaar van het kind dat u lief had, dat u eerde, u vertrouwde.... -Gij hebt hare ziel gedood, haar hoofd gekrenkt, haar hart gebroken... -Maar het lichaam dat gij haar behouden liet, dat lichaam haat u, -veracht u, vervloekt u voor eeuwig!” - -De jonge vrouw bedaarde plotseling. De duivelsche lach, welke voor een -oogenblik haar schoon gelaat ontsierd had, maakte plaats voor eene -zachte uitdrukding van grenzenlooze droefheid, toen sprak zij somber en -bedaard: - -»Gij hebt mij mijn George ontnomen... mijn George, dien ik lief had als -het licht van den dag... Vertrek, vreemdeling.—Ik ken u niet...” - -Zij wees met de hand naar de deur, wierp hem een blik vol verachting -toe en wendde zich van hem af. - -Mijnheer Van Amerongen vertrok. Een oogenblik later trad mevrouw de -kamer binnen. - -Louise stond met den rug naar de deur gekeerd en sprak overluid: - -»Ik heb hem vervloekt, dien man uit mijn kindschheid!—En die vloek zal -zwaar drukken op de schouders van den grijsaard!... De rijke man is -trotsch geweest—maar het grijze hoofd zal buigen, en het koude hart zal -lijden onder den vloek die dooden zal!...” - -Mevrouw Van Amerongen verbleekte; toch trad zij nader. - -»Louise,” sprak zij zacht, haren arm om den hals harer dochter slaande. -»Hoe gaat het u, mijn kind? Wat ben ik blijde u weer te zien! Stevens -had mij geschreven dat gij ongesteld waart, maar gij zijt weer beter, -niet waar? Gij...” - -Louise staarde hare moeder aan, zoo als zij eenige oogenblikken te -voren haren vader had aangestaard; toen wikkelde zij zich los uit hare -armen, wierp haar een blik toe, zóo koud en zóo trotsch als die -sprekende oogen er ooit een geworpen hadden, en sprak zacht: - -»Wat kan het u schelen hoe ik het maak?... Uw kind is residentsvrouw -thans!—Wat doet de rest ter zake?... De menschen zeggen dat ik -krankzinnig ben, omdat ik hen haat!—Zijt gij dus gekomen om te zien of -de menschen waarheid spreken, keer dan terug tot hen die u gezonden -hebben, en zeg hun dat Louise slechts éene ziel bezit en dat die éene -hem behoort dien zij lief heeft boven alles!... Het lichaam moogt gij -vrij krankzinnig noemen, indien dat woord de menschen gelukkig kan -maken!...” - -»Maar gij zijt niet krankzinnig, Louise, mijn kind! De menschen hebben -onwaarheid gesproken en gij zult ze daarvan overtuigen, niet waar?—Gij -zult met mij mede gaan naar Samarang, waar gij Marie van den Berg weer -zult vinden en Henri, die u wachten.” - -»Marie?... Henri?... Ken ik die menschen?... Ik ben ze vergeten, geloof -ik... Mijn leven is zóo lang geweest!—Maar ik heb toch eenmaal een -schoonen droom gehad waarin die namen voorkwamen, dunkt mij... Een tuin -met zwaar geboomte en bloeiende heesters... gouden zonlichten, die -dansten over een schelpenpad... lieve bloemen, die geurden en -schitterden met kristallen dauwdroppelen... Een paard, een arabische -isabel, schoon en vurig, trappelend van ongeduld aan de hand van een -jong meisje... een kind, met een lachend hart en een lachend oog... -Marie aan hare zijde... Henri tegenover haar... - -»Wie zijt gij?” viel zij op eens zich zelve in de rede, hare moeder bij -den arm vattende en haar scherp in de oogen ziende. »Wie geeft u het -recht mij te volgen, wanneer ik neerdaal in de dagen die voorbij -zijn?—Het is met mijne geliefde afgestorvenen alleen dat ik gelukkig -wezen kan... En er is te weinig geluk op aarde dan dat het u vergund -zou wezen, een uwer medemenschen het zijne moedwillig te ontnemen. - -»Ik wensch alleen te zijn. Alleen, met George, die mij wacht... met -George aan wien ik toebehoor.—Hij is gekomen om mij iets te zeggen dat -ik weten moet.—Maar hij kan niet spreken zoolang dáar eene vreemde -tusschen ons staat... Verstaat gij mij niet?—Hoort gij ook niet wat hij -u zegt?... »Dat Gods vloek op hen zal rusten, die van deugd en -godsdienst spreken en niet weten wat liefde is... omdat zij hunne -harten met goud beslagen en hunne gewetens bedolven hebben onder het -geld, dat zij door een laagheid, een toeval, of een misdaad verkregen -hebben!” - -»Louise! Mijn arme Louise!—Bedaar toch, mijn kind.—Zeg mij al wat u op -het hart ligt, maar zeg het mij kalm. Vrees niets: met uwe moeder toch -kunt gij openhartig spreken...” - -»Mijne moeder?—Zijt gij mijne moeder?—Gij?—Het is mogelijk.—Maar wilt -gij daarom dat ik openhartig met u spreken zal?—Wacht, wacht even... en -ik zal u zeggen, wat gij weten moogt... - -»Hier, hier, ziet gij dit?” vervolgde zij, een zak koperen duiten uit -de lade harer kast te voorschijn halende: »Hier hebt gij het loon van -uw leven” En een hand vol recepissen over den vloer strooiende, vroeg -zij lachend: »Gij hebt immers altijd naar rijkdommen verlangd? Daarvoor -hebt gij eerst u zelve en later uw kind verkocht. Daarvoor hebt gij -gekropen aan de voeten uwer medemenschen, gewroet in het slijk der -aarde, geklopt aan de poorten der hel.—Geniet nu van het loon uws -levens, indien gij nog genieten kunt!... Zie hier geld!... Geld in -overvloed! Geld genoeg om u een gouden doos te koopen, een doos zóo -groot, zóo sterk dat gij haar als een huis bewonen kunt!—En wees -gelukkig, als gij kunt, wanneer uw lichaam rusten zal op een leger van -goud, en uwe oogen een gouden horizon ontmoeten zullen, waar zij zich -ook wenden!—Wees gelukkig als gij kunt, wanneer uw hart verstijven zal -van koude en het bloed, gestold in uwe aderen, niet meer vloeien zal -langs die schoone wanden van goud! En als dan eindelijk uw gouddorst -bevredigd zal wezen, en uw nooit voldane ziel iets anders zal -verlangen—iets beters, iets dat gij vroeger niet hebt willen kennen, -maar waarnaar gij vragen zult zoodra gij weten zult, dat gij het niet -verkrijgen kunt, zelfs niet voor het goud van uw heelal...” - -Zij zag tranen langs de wangen harer moeder biggelen. Terstond hield -zij op met spreken. De verontwaardiging, de minachting, de haat, welke -onder het spreken in elke harer bewegingen hadden doorgestraald, waren -plotseling verdwenen. Een gelukkige glimlach verhelderde haar schoon -gelaat en met een diep gevoel van medelijden en liefde riep zij op -eens: - -»Vergeef haar, George!—Zie hoe zij lijdt! Heb medelijden met mijn arme -moeder!” - -Bijna op hetzelfde oogenblik verbleekte zij, met een luiden gil vlood -zij weg, en sidderend kromp zij ineen in den donkersten hoek der kamer. - -Een oogenblik later rees zij weder op. Hare houding was gebogen, haar -somber oog glansloos. - -»Ook hij!” sprak zij zacht. Toen begaf zij zich met wankelende schreden -naar haar stoel, en, met de armen over de leuning gekruist en de oogen -nedergeslagen, vervolgde zij: - -»Ook hij,—mijn George, mijn vriend, mijn leidsman, mijn meester—mij -verlaten! verstooten!.... vergeten!... Mag er dan niets meer bestaan -voor de arme ongelukkige Louise?... niets... niets...” - -Mevrouw Van Amerongen sloot haar kind in de armen, drukte een kus op -het brandend voorhoofd en zeide troostend: - -»Ik ben bij u, Louise, uwe moeder die u lief heeft, en die alles voor u -doen zal, alles... Zeg maar wat gij verlangt en...” - -»Wat ik verlang?... Wat... ik... verlang?” herhaalde zij somber, »niets -meer... niets...” - -Eenige oogenblikken bleef zij zwijgend nadenken, toen hernam zij -levendiger: - -»Toch heeft hij mij lief gehad... Innig, waarachtig lief gehad! Hij -zelf heeft het mij gezegd... dáar... dáar mijne hand in de zijne... -Zijn lach, zijn blik, zijn stem... liefde!... liefde!... alles liefde! -En die liefde is dood? Dood voor eeuwig? Louise is niets meer voor -hem?... Help mij, mijn God! O, help mij begrijpen... Indien een mensch -begrijpen mag...” - -Zij boog het hoofd en bleef geruimen tijd, als wezenloos, aan de zijde -harer moeder staan. - -»Neen, nooit heeft hij Lotje lief gehad,” sprak zij fluisterend... »hij -heeft mij alles geschreven... alles in dat briefje, dat ik verbrand -heb... verbrand... Het eenige briefje van George... En nu heb ik niets -meer van hem... niets... niets... Chut! Hij spreekt...” - -Zij hief hare oogen op, luisterde, bloosde, lachte, verbleekte weder, -boog het hoofd en weende. - -Plotseling sprong zij uit hare verslagenheid op, wierp het hoofd -achterover, sloeg een krachtigen blik naar omhoog en sprak luid en -ernstig: - -»Ja George. Ik zweer het u, mijn liefde, mijn toekomst behooren a. Geen -menschelijke macht zal de kracht hebben ons ooit weer te scheiden. -Vertrouw op mij, en ons geluk staat vast. Ik zweer het u.—Tot -weerziens, George...” - -En zich lachend tot hare moeder wendende, vervolgde zij: »Gij hoort -het, hem alleen behoor ik, wat de menschen ook zeggen mogen.” - - - - - - - - -VIJFENDERTIGSTE HOOFDSTUK - -DE VLUCHT - - -Het was avond. In een der logeerkamers van het residentiegebouw lag -Louise geknield voor een grooten toiletspiegel. Zij had het rood -fluweelen kleed aan, dat zij gemaakt had voor het Gouverneur-Generaal’s -bal, waarop zij Werner weer zou zien. Zij had zich opgesierd met -paarlen en diamanten, gouden slangen en melatiekransen. Haar weelderig -zwart haar golfde in dikke lokken langs den blooten hals en de armen en -smolt op den vloer ineen met de mollige plooien van het rood fluweel. -Zij lachte terwijl zij het schoone hoofd omhoog hief en het licht der -kaarsen hare donkere oogen bescheen, waarin nog tranen blonken. - -»George,” sprak zij zacht, »uwe Louise is gereed u te volgen; maar -chut, laat de resident het niet weten, want hij zou op onze receptie -willen komen, bij ons huwelijk tegenwoordig willen zijn, en dat mag -niet wezen. Gij hebt immers ook niets van zijn huwelijk af geweten? Zijn -huwelijk met Louise van Amerongen. Nu heet ze geen Van Amerongen meer, -zij heeft lang Stevens geheeten, maar dat was de naam van den man die -haar gekocht had, en zij wil niets mee nemen van den man dien zij -verlaten gaat, niets, vooral zijn naam niet. Die leelijke groote naam, -die aan grasgroene oogen doet denken, en aan een schelle stem. Werner -wil zij voortaan heeten, Louise Werner. Dien naam zal ze nooit -verloochenen, want zij heeft hem zelve gekozen. Hier is mijn -bruidssluier, maar de oranjebloesems kan ik niet vinden—waar zijn ze -dan toch?—Mijn bruidskleed is in de andere kamer—’t is geen zware zij, -geen satijn, geen fluweel, maar eenvoudige witte tule, zoo rein en zoo -helder als de liefde uwer bruid. »Mysterie” ruischten de zware plooien -van het dikke zijden kleed, dat eenmaal een residentsbruid tooide; en -mysterie was hare liefde, die sliep en wachtte op u. Waar zijn die -oranjebloesems dan toch?—Een tweede huwelijk? O neen, geen tweede -huwelijk.—Nooit een tweede huwelijk. Ik ben nooit getrouwd geweest. -Nooit. Dat vorig huwelijk was een spel, een vertooning, een drama -waarin ik een rol vervuld heb, een droeve rol, maar daar was geen -waarheid in, o neen, niets waars. Nu ga ik trouwen—en dit huwelijk is -waar—voor eeuwig waar.—Maar ik kan de oranjebloesems niet vinden...” - -Zij hoorde geritsel achter zich, en zag om. Het waren de voetstappen -van den resident en van hare ouders, die zij gehoord had. Men had haar -naar de logeerkamer zien gaan, en daar zij buitengewoon lang weg was -gebleven, kwam men zien wat zij deed. - -»Altijd diezelfde menschen!” dacht zij bij zich zelve, en met een half -weerhouden lach zich den bruidssluier over het hoofd werpende, vlood -zij weg naar een andere kamer. - -»Volg haar!” smeekte de resident. - -Louise hoorde dat zij vervolgd werd en vluchtte van de eene kamer naar -de andere, alle galerijen door, tot dat zij in hare kleedkamer kwam. -Dáar bleef zij plotseling staan, wendde zich om, wierp haar sluier af -en vroeg met eene verontwaardiging die alle beschrijving te boven ging. - -»Wie durft mij te volgen, als ik u verbied de eenige kamer binnen te -komen die de mijne is?” - -»Niemand,” antwoordde mevrouw Van Amerongen, die reeds in de geopende -deur stond, en snel trad zij terug. - -Louise bedaarde oogenblikkelijk, zij zag haar moeder met verbazing aan, -ging haar lachend te gemoet en reikte haar de hand met de woorden: - -»Kom binnen, ik was vergeten dat gij komen moest... Nu herinner ik het -mij.—Gij zijt mijn gewezen moeder, niet waar?—En gij mijn vader? En gij -resident Stevens van Langendijk, mijn echtgenoot van vroeger?—Komt -binnen, komt binnen, wij moeten spreken over de op handen zijnde -scheiding, die Werner aangevraagd heeft voor de vrouw die de zijne moet -worden... Gaat zitten en laat ons alles in der minne schikken... Ik zal -geen moeilijkheden maken, resident.—Ik vraag mijn vrijheid, anders -niets—indien uw kind het mijne was, zou ik dat ook vragen, maar op uw -kind heb ik geen recht, evenmin als op uw naam, dien gij voortaan -alleen behouden kunt.—Wanneer wilt gij teekenen, resident?—Dit zal de -tweede keer zijn, dat wij te zamen zullen teekenen... de laatste keer, -niet waar?...” - -»Ja, de laatste keer! De eerste is de laatste geweest!” antwoordde de -resident half knorrig half medelijdend. »Eens getrouwd, blijft -getrouwd...” - -Louise sprong op hem toe, wis een leeuwin op haar prooi en, hem de -beide handen op de schouders leggende, zag zij hem strak in de oogen, -alsof zij in zijne ziel lezen en hem tevens in de gelegenheid stellen -wilde een blik in de hare te werpen. - -»Eens getrouwd, blijft getrouwd!” herhaalde zij schamper—»maar nooit -getrouwd?...” - -Zij trok de handen terug, zag naar omhoog als luisterde zij, en borst -op eens in een luid lachen, uit. - -»Ja, ja,” riep zij in de handen klappende van vreugde en weder op den -resident toetredend, hernam zij spottend en heftig: - -»Wat zal het nageslacht lachen over onze huwelijken van thans!... -Slavernij zal men ze noemen! Willekeurige slavernij, gegrond op -bijgeloof en domheid, op overlevering en ouden sleur! De -kloostergelofte, verbasterd en verdraaid in de wereld overgebracht! -Levenslange kloosteropsluiting, hu!—Levenslange gevangenis, -vreeselijk!—Levenslange ballingschap, ijselijk!—Levenslang huwelijk, ’t -is crimineel! ’t is onverantwoordelijk! ’t is de grootste zonde die de -wetten plegen kunnen, want het is de moeder van alle andere zonden! -Moet daarom een meisje onwetend gehouden worden? Hebt gij het recht, -menschen, ouders, voogden, bloedverwanten, vrienden, wie gij ook zijn -moogt, hebt gij het recht ons in domheid groot te brengen, ons -vertrouwen in te boezemen en gehoorzaamheid en dankbaarheid te leeren, -om ons daarna, van onze argeloosheid en van ons niets weten misbruik -makende, aan ketenen te leggen die anderen voor ons smeden en die wij -niet meer verbreken kunnen?—Zonde! zonde! groote zonde!—De vrouw die -handelt moet weten wat zij doet, en beneemt gij haar het weten, dan kan -hare handeling ook nooit geldig wezen. Al staat ’t ook in een boek vol -wetten en al galmt gij ’t ook door de ruimte uwer tempels.—Die domme -letters weten niet wat ze zeggen, en die golvende klanken sterven weg -zonder weerklank in de toekomst te vinden! - -Eens wist ik niet, toen heb ik »ja” gezegd.—Nu weet ik, en nu zeg ik -»neen.” - -Maar hij is uw echtgenoot. - -Neen! - -Hij heeft recht op u. - -Neen! - -Echtscheiding is zonde. - -Neen!—Vrijheid eisch ik. - -Maar de wet gedoogt het scheiden slechts, terwijl de kerk het laakt en -de maatschappij het veracht. - -De wet is slecht, de kerk is dom, en de maatschappij is schijnheilig! -Coalitie die zwakheid verraadt! - -Vrijheid eisch ik... - -Niemand antwoordt?—Niemand spreekt mij tegen? - -Resident Stevens van Langendijk, waar zit gij?—Kom hier, groote heer. - -Toen ik u beloofde uwe vrouw te zullen worden, heb ik u dit gezegd: - -»Stevens, binnen korten tijd zal ik uwe vrouw zijn en nog nooit hebt -gij mij gevraagd of ik het wezen wilde.” - -Herinnert gij ’t u nog?—’t Is lang geleden dat die harde woorden -gesproken werden—maar juist omdat ze hard waren, zijn ze mij bij -gebleven.—Het steenen monument leeft langer dan de menschen, die -wegsterven. En die woorden zijn in steen uitgehouwen, want ze staan -geschreven in mijn hart dat versteend werd door u! - -»Liefste! liefste Louise,” durfdet gij daarna vragen. »Nog nooit hebt -gij iemand lief gehad, zegt gij?” - -»Niemand—zelfs u niet, resident.” - -»Dat zal later wel komen, wanneer wij eenmaal getrouwd zullen zijn.” - -»Ik hoop het, voor u en voor mij, en mocht het anders wezen, dan zal de -resident zich herinneren dat zijne vrouw hem gedwongen hare hand heeft -geschonken.” - -En in plaats van mij, zoo als gij behoordet te doen, mijn vrijheid weer -te geven, hebt gij de vervulling van eene belofte gewild, die een kind -in haar onnoozele onwetendheid, op last harer ouders gedaan had... - -Toen hebben wij beiden verkeerd gehandeld, resident.—Gij wetend, ik -onbewust. - -Sedert zijn de omstandigheden veranderd en de karakters ook. - -Het kind is mensch geworden en de vrouw, die weet, eischt hare -vrijheid. - -Hebben wij eenmaal een fout begaan, dan is het onze plicht, als -redelijke wezens, die zoo spoedig en zoo goed mogelijk te herstellen. - -Ik kondig u dus bij deze aan, dat ik de door mij begane fout herstellen -ga, en, van dit oogenblik af, ophoud uwe vrouw te zijn.” - -Het eenige antwoord van den resident was een schaterlach. Hij vond die -grootsche vrijheidsdroomen zeer grappig in een vrouw, die zoo -afhankelijk was als de zijne. - -»Lacht gij daarom?” vroeg Louise verwonderd, »dat doet mij pleizier. -Hoe minder gij tegen onze scheiding zijt, hoe aangenamer het mij is. -Gij zult dus wel de goedheid willen hebben, zelf de aanvraag te doen. -Gij kunt mij beschuldigen van al wat u goed dunkt, moord en doodslag, -echtbreuk of krankzinnigheid, diefstal zelfs, hoe gemeen of het is. Ik -beloof u dat ik »ja” en »amen” zeggen zal op elke misdaad die gij mij -ten laste zult leggen, onder voorwaarde altijd dat zij mij mijne -vrijheid weder geeft. En hiermede wensch ik u goeden nacht, resident, -slaap wel, goeden nacht, getuigen!” Toen zij bij de deur was, keerde -zij zich nog even om, met de woorden: - -»Ik vergat u nog te zeggen dat gij mijne huwelijksgift behouden kunt... -als losgeld... of als loon voor uwe scheidingsaanvraag! Slaap wel, -resident.” - -Zij wikkelde zich geheel in het witte tule kleed dat op een stoel lag, -wierp zich den kanten sluier over het hoofd en verliet de kamer met een -afscheidsgroet. - -Toen zij zich alleen in hare slaapkamer bevond hoorde men haar lachen -als een kind dat een guitenstreek heeft uitgevoerd. Daarna was alles -stil. - -Een rijtuig rolde de laan door—het hek uit—de straat op. - -En weer was alles stil. - -De resident verbleekte, sprong op en opende de deur der slaapkamer. - -Niemand. - -»Louise... Louise!...” - -Alles bleef stil. - -»Siedin, Ketjil, Alima, Bonsoe, sap’ada, sap’ada, Di sini, lekas!” - -Uit alle hoeken, van onder alle tafels kwamen jongens en meiden te -voorschijn, slaapdronken en verschrikt, met onbewegelijke gezichten. - -»Manna njonja?” [38] - -Geen antwoord. - -»Bodok, Malas!” [39] Alima bij den arm grijpende en haar onzacht heen -en weer schuddende: »Di manna njonja pigi?” [40] - -»S’taauw toewan.” [41] - -»Pigi per setan!” [42] en met een schop tuimelde Alima de kamer uit. - -Daarop volgde een vloed van scheldwoorden, oorvegen, vloeken en -bevelen, waar niemand minder uit wijs kon worden dan de resident zelf, -en eindelijk werd de scène besloten met den uittocht van een half -dozijn oppassers te paard die, meer dan half slapende, njonja resident -zoeken gingen. Het was toen omstreeks middernacht. - -Klokslag zes reden zij met hun zessen het hek weer in. - -Njonja resident was niet te vinden geweest. - -Daarop reed de resident zelf uit. Ketjil ging mee, en de gouden pajong -ook. - -Malbrouck s’en va-t-en guerre. - - - - - - - - -DERDE DEEL - -HOE ZIJ HAD KUNNEN ZIJN - - - Vous n’avez connu que les femmes heureuses ou méchantes peut-être? - Celles qui n’ont pas besoin de valoir grand’ chose et celles qui - réellement ne valent rien. Tachez de connaître celles qui aiment et - qui souffrent, celles qui pardonnent surtout; et peut-être qu’alors - vous aussi vous les désireriez libres, dans l’intérêt même de cet - honneur national qui se perd par la décadence de la femme; par - cette ignorance, par cette servitude, par cette bassesse, par cette - hypocrisie forcée, ordonnées par les lois, sanctifiées par l’église - et glorifiées par cette grande puissance morale: - - - l’opinion publique! - - - Lettre à M. Alexandre Dumas, fils, au - sujet de son livre L’Homme-Femme par - Mlle Oristorio di Frama, Cantatrice. - - - - - - - - -DERDE DEEL - -HOE ZIJ HAD KUNNEN ZIJN - - -ZESENDERTIGSTE HOOFDSTUK - -SPERANZA - - -Speranza was een der schoonste landgoederen in het A.sche. Niet alleen -waren de grond beter en de ligging voordeeliger dan van de meeste -omliggende landen, maar kunst en smaak hadden natuur zóo ruimschoots -geholpen, dat het woonhuis met het park als een meesterstuk van -Europeesche verfijning en Indische weelde beschouwd kon worden. Niets -was er veranderd sedert den dood van Werner. Een graftombe meer aan het -einde eener kanarielaan, half verscholen onder bloeiende heesters, dat -was al. - -Het was een prachtige heldere sterrennacht. De maan wierp haar vol -licht over de weelderige plantenmassa en spiegelde zich vrij in het -zacht stroomende water van een grooten vischvijver, omringd door de -zeldzaamste gewassen, waarvan de met bloemen beladen takken sierlijk -heen en weer wiegelden in het kristal heldere water. - -Alles was stil, schoon, rijk aan leven; geen vogel, geen vlinder scheen -meer te waken in die kalme, rustige natuur, maar het water murmelde -zacht zijn melodieusen levenszang, terwijl de bladeren hun -geheimzinnige poëziën ontboezemden, onverstaan wegstervend in de ruimte -die ze verslindt. - -Vlug als een sylphide sprong een vrouwelijke gedaante uit het donkere -kreupelhout te voorschijn. Op eens beschenen door het heldere maanlicht -en gestuit in hare vlucht door den schoonen waterplas aan hare voeten, -stond zij als betooverd stil. Met de hand voor de oogen dook zij in de -schaduw terug, als vreesde zij het licht. Toen golfde een lach, als die -van een kind, over het kabbelende water en langzaam, met gevouwen -handen uit haar schuilhoek terugkomende, wierp zij nieuwsgierige -blikken om zich heen, verwonderd, vragend, opgetogen, dankend... zij -knielde neder en scheen te bidden. - -Ja, zij bad in die betooverende eenzaamheid. Hare ziel was zóo vol: zij -kon niet meer denken, maar zij kon gevoelen, bewonderen, genieten, -gelukkig zijn, en den Schepper danken, wiens grootsche almacht haar uit -hare nietigheid ophief lot het besef van eene volmaaktheid die haar -duizelen deed. - -Het was zes uur in den morgen en nog lag zij daar, met het hoofd op een -rotsklomp, de handen gevouwen, de oogen gesloten. De zon wierp vroolijk -haar nieuwen levensschat over de ontwakende aarde, de vogelen hieven -dartel hun duizendvoudig orchest weer aan, de bloemen zagen op, de -insekten herleefden... - -De jonge vrouw alleen scheen gevoelloos voor den gouden gloed die haar -uitgeputte leden koesterde, en bleef dood ondanks de krachtige stem der -natuur die leven vroeg. - -»Hier mijnheer,” sprak een kinderstem, »aan dezen kant bij de sedap -malam. [43]” - -Lawson volgde den kleinen javaanschen jongen die hem den weg wees en -vond de jonge vrouw op de aangeduide plaats. - -»Goed, ga heen, en zeg het niemand,” sprak hij gejaagd, zich zacht over -haar heen buigende en hare handen in de zijnen vattende. - -»Mevrouw!... Liefste mevrouw. Mijn God, zij is dood! Louise!...” - -Haar naam deed haar huiveren, zij bewoog even, doch ontwaakte niet. - -Hij richtte haar op van den harden steen, sloot haar in zijn armen, -verwarmde haar tegen zijn borst, zeide haar al wat geruststelling, -liefde, troost kan zeggen... - -»Werner!” sprak zij zacht, »o laat mij sterven... nu...” en zich -dichter tegen hem aandringende, verborg zij het gelaat aan zijn -schouder en verviel weder in hare vorige gevoelloosheid. - -Ten einde raad richtte Lawson haar op van den dampigen, harden grond en -droeg haar in zijne armen naar huis, waar hij haar te bed leidde en als -een getrouwe hond aan hare voeten zitten bleef tot zij ontwaken zou. - -Wat had hij die vrouw bewonderd toen hij haar de eerste maal gezien had -als de genius der wraak aan Werner’s sponde! Wat had hij haar beklaagd -als het onbeschermde slachtoffer van den ruwen, zedeloozen resident! -Wat had hij haar lief, zwak, zacht, verlaten, vol vertrouwen, zoo als -zij daar voor hem lag; hulpeloos en zwijgend, met den hoopvollen lach -eener fictie om de lippen, met de marmeren bleekheid des doods over -hare trekken verspreid. - -Zwijgend zat hij het levenlooze schepsel aan te staren, terwijl tranen -van medelijden langs zijn wangen biggelden. - -»Wat heeft dat kind gedaan om zóo ongelukkig te moeten wezen?... Wie -heeft recht op haar?... Hij is haar echtgenoot... En wat doet dat -af?... Ik zweer het, die vrouw zal heilig voor mij wezen... Uit mijn -huis? Neen, nooit zonder haar eigen toestemming...” - -»Toewan dokter.” - -»Ah!” - -Lawson sprong op, verliet de kamer, sloot de deur achter zich dicht, -stak de sleutel in zijn zak en ging met Heisterman in een ander -vertrek. - -»Luister dokter,” begon hij ernstig, »beloof je me, op je woord van -eer, dat je zwijgen zult, wat je ook zien moogt? Dat geen consideraties -hoegenaamd, noch voor personen, noch voor gevolgen, je een enkel woord, -een enkel teeken zullen afpersen over hetgeen je hier zult zien?” - -»Indien het geen misdaad geldt.” - -»Misdaad of niet, ik weet niet in hoever onze denkbeelden daaromtrent -overeenstemmen, maar ik weet wel dat je hier onder de gevraagde belofte -helpen kunt, of dat je anders onverrichter zake naar huis terug kunt -keeren, zonder dat je ooit zult weten waarvoor je hier geroepen bent -geworden.” - -»Ik beloof te zullen zwijgen,” antwoordde de dokter besloten. - -»Goed, kom in.” - -De goede man kon het niet helpen, dat een kreet van verwondering hem -ontsnapte op het zien van mevrouw Stevens van Langendijk in Werner’s -slaapkamer op Speranza. - -Hij wilde spreken, vragen, meer weten, maar Lawson wees hem op de zieke -en kwam hem vóor met de woorden: »Ik weet niets. Zóo heb ik haar twee -uur geleden bij den vijver gevonden.” - -Meer dan drie uren verliepen er nog, eer eenig teeken van leven in -Louise te krijgen was, en toen scheen zij zóo zwak en uitgeput, dat zij -van hare flauwte in een slaap overging, die vijf dagen en nachten bijna -zonder ophouden voortduurde. - -Lawson achtte haar verloren, maar de dokter verklaarde dat het de -laatste worsteling tusschen een sterken geest en een geknakt lichaam -was, waaruit de patiënte waarschijnlijk krachtig herrijzen zou, indien -men alles maar aan de natuur alleen wilde overlaten. Hij had gelijk: de -gezonde jeugd zegepraalde over de gebrokene ziel en, ofschoon zeer -langzaam, begonnen de verloren krachten toch weder te keeren. - -Gedurende de eerste dagen in een half droomenden toestand, sprak zij -slechts weinig en zóo zacht dat men haar nauwelijks verstaan kon. Als -een kind dat zijne zwakheid gevoelt, gehoorzaamde zij zonder -tegenspraak. Lawson en de dokter waakten om beurten, en geen oogenblik -hadden zij haar nog durven verlaten sedert den dag harer geheimzinnige -verschijning op Speranza. - -Eindelijk na een dag of acht te zwak te zijn geweest om met eigen wil -te kunnen handelen, scheen zij zich, op een Zondagmorgen veel beter te -gevoelen. - -»Dokter!” vroeg zij, zoodra Heisterman het bed naderde. »Mag ik van -daag niet een half uurtje opzitten?” - -»Zeker, indien gij er u sterk genoeg toe gevoelt.” - -»O, van daag ben ik sterk! Waar is George?” - -De dokter wist niet dadelijk wat te antwoorden: »Lawson meent gij?” -vroeg hij aarzelend. - -»Hm—m!” zei ze lachend, en, het hoofd van hem afwendende, verviel zij -weder in haar vorig stilzwijgen. - -»Wij zullen haar nooit genezen zien!” sprak hij treurig, toen Lawson -eenige oogenblikken later binnentrad. »Het is Werner, altijd Werner -nog!—Hare hopelooze liefde doodt haar.” - -Lawson naderde het bed, legde zijne hand op haar schouder en vroeg -bijna fluisterend: - -»Louise hebt gij naar mij gevraagd?” - -»George?...” - -»Welnu, hier ben ik.—Gij hebt niets meer te vreezen, geloof mij, wees -gerust en vertrouw op mij. Gij zijt volmaakt veilig hier op Speranza, -niemand zal u meer vervolgen of u eenig leed aandoen... Wij zijn hier -alleen—ver van de wereld—alleen met God en zijne natuur...” - -Krampachtig greep zij zijne hand tusschen hare vermagerde vingers. - -»Wie is die man, dáar, George?” vroeg zij fluisterend. - -»Het is de dokter.—Heisterman.” - -»Zoo even kende hij u niet.—Hij noemde u anders—geen George, zoo als -ik.—Zend hem weg... toe... hij wil u niet kennen.” - -»Zeker kent hij mij.—Hij heeft u niet verstaan misschien.—Dokter, ken -je me niet?...” - -»Zeker ken ik u.” - -»Wie ben ik dan? Noem mijn naam.” - -»George Werner,” antwoordde de dokter, Lawson’s bedoeling begrijpende. - -»Weet hij alles?” vroeg Louise verder. - -»Alles,” antwoordde Lawson, »maar vrees niets, hij zal het niemand -zeggen.” - -»Ook den resident niet?” - -»Ook hem niet.” - -»Chut!—Gij weet dat hij gezworen heeft u te dooden wanneer hij ons te -zamen zou vinden?—George-lief zult gij mij niet naar hem -terugzenden?—Nooit?—Zult gij de arme Louise nooit verstooten?... Hoe de -menschen haar ook verachten zullen?” - -»Nooit! Nooit! Ik zweer het u.” - -»Dank je engel!... O! Ik wist wel dat de menschen mij bedriegen wilden, -toen zij zeiden dat ze u begraven hadden, op uw eigen land, in den -tuin, aan het eind eener laan, bij een stroomend water met bloemen -omzoomd... Ik wilde het zien, uw graf, zelve zien, vóor het te -gelooven... en ik heb den tuin gevonden, en de laan,—en het water,—en -de bloemen, maar niet het graf... Want daar is geen graf!” vervolgde -zij, met een pijnlijken lach Lawson in de oogen starende. »Niet waar, -George, gij kunt, gij wilt niet sterven nu Louise bij u is—voor -altijd—voor eeuwig?” - -»Neen.” - -»Gij weet nu dat ik sterven moet, indien gij mij verlaat, of -krankzinnig worden, zooals de menschen het noemen, omdat zij niet weten -dat de ziel de dooden kan volgen, terwijl het lichaam leven blijft.—O -George, dat is een vreeselijk gevoel! Ik ken het. Ik heb het gevoeld -toen zij mij gelooven deden dat gij mij verlaten hadt. Toch wist ik dat -ik u weer zou zien... gij hadt het mij immers beloofd? Maar waarom zijt -gij in al dien tijd niet bij mij geweest? Ik vroeg dagelijks elk uur, -elk oogenblik naar u, en »dood” was al wat de wreede menschen -antwoordden! Zullen ze nu ook »dood” zeggen, als de resident naar -Louise zal vragen? O, dat hoop ik!” En met een lach in de kussens terug -zinkende, met Lawson’s hand in de hare en hare oogen op de zijnen -gevestigd, viel zij weder in slaap, kalm en gelukkig zoo als zij in -lang niet geslapen had. - -Zwijgend en vragend zagen de dokter en Lawson elkander aan. Lawson was -de eerste die de stilte verbrak. - -»Misdaad,” zeide hij, »ziet gij hier een misdaad in de toekomst, -dokter?” - -»Ik zie niets dan ongeluk. Geen fouten, maar gevolgen van verkeerde -handelingen en misdaden.” - -Zij reikten elkander de hand, en bleven geruimen tijd zwijgen, terwijl -de jonge vrouw aan hunne zijde sliep. - -Langzaam, zeer langzaam was Louise’s herstelling geweest, die zij -grootendeels aan Lawson te danken had, in wien zij Werner meende te -zien. - -De resident had te vergeefs alle pogingen in het werk gesteld om zijn -vrouw terug te vinden. Vrienden en bekenden waren ondervraagd geworden -en hadden op hun beurt getracht iets naders omtrent Louise te weten te -komen; alles te vergeefs. De dokter was de eerste geweest die van -zelfmoord gesproken had, en dit denkbeeld, het waarschijnlijkste van -al, was ten laatste algemeen voor waarheid aangenomen. - -Louise’s dood had weinig of geen verandering in het leven van den -resident te weeg gebracht. Hij had den laatsten tijd zóo veel met haar -te tobben gehad, dat hij bijna gelukkig was toen er eindelijk een einde -aan de soesah kwam. Wanneer hij zich de jonge, schoone, levendige -Louise van vroeger herinnerde, had hij soms oogenblikken van wanhoop en -vertwijfeling, die zich oplosten in een luid snikken en zuchten, -hartbrekend om aan te hooren, maar juist door de overdreven heftigheid -ver van gevaarlijk waren voor den oppervlakkigen man, die door een -enkele gedachte aan Louise’s opgewondenheid en krankzinnigheid als bij -tooverslag weer tot bedaren kwam en vrede kreeg met het verdwijnen van -de oproerige vrouw, die hij toch niet langer regeeren kon. - - - - - - - - -ZEVENENDERTIGSTE HOOFDSTUK - -LAWSON - - - „J’ai trahi par faiblesse, on bien par dévoûment - Mon enfant, mon amour, mon bonheur, mon serment.” - - A. de Lamartine, Jocelyn. - - -Zes maanden was Louise gelukkig geweest. Zes volle maanden geluk voor -die gefolterde ziel, dat was eene eeuwigheid geweest! Eene eeuwigheid -van liefde, kalmte en hoop had zij doorleefd in die schoone, rijke -eenzaamheid, waar alles Werner riep. Maar zij waren voorbij en het was -een vluchtig oogenblik slechts dat in de verte glansde als de avondstar -in het nachtelijk duister. - -Het was een dier frissche, heldere morgens, zooals men ze enkel in het -gebergte kent. Louise wandelde, op Lawson’s arm geleund, den -weelderigen, smaakvollen tuin door en zag om zich heen met dien -afgetrokken, zachten lach, het kenmerk van schier volmaakt geluk. Beide -genoten in stilte van het tegenwoordige met eene gretigheid, die een -onbestemd gevoel van vrees voor de toekomst verried. - -Louise verbrak het zwijgen. Zij voerde haar vriend naar een ijzeren -bankje, waarop beide plaats namen, legde haar hoofd op zijn schouder en -vroeg zacht, zijne hand in de hare vattende: - -»George!—Wat zal de toekomst wezen?—De onze?—De zijne?” - -Lawson sloeg zijn arm om haar heen, drukte haar aan zijn hart en -beantwoordde hare vraag met een kus. - -Lang zwegen beiden weer. - -Louise’s hoofd zonk lager, haar oogen staarden naar den grond en groote -tranen hingen aan de lange wimpers. - -»George—niet waar?” vroeg zij fluisterend. »George zullen wij hem -noemen? En ook de wereld zal hem George heeten—omdat het geen Werner -wezen mag... Ach! waarom moet dat kind verstooten worden?... Waarom -miskend?... en veracht misschien!...” - -»Chut, Louise, spreek niet zóo, mijn engel! Ons kind zal niet -verstooten worden, niet miskend, veel minder nog veracht.—Wij zullen -het zelf verzorgen en onderwijzen en groot brengen tot eere van ons -land en...” - -»Zonder naam...” viel Louise hem in de rede. - -»Er zijn er meer geweest zonder naam, die groot geweest zijn en -uitgemunt hebben boven allen.” - -»Maar hij zal zijn vader haten en zijne moeder verachten... dat zullen -de menschen hem leeren, en dat zal mij dooden, George! Gij die beter -zijt dan allen, grooter dan de grootsten, edeler dan de edelsten,—o, -waarom moet ik over uw kind weenen?... Indien het zijn kind geweest -ware, zou de wereld mij geacht hebben, gevleid, benijd misschien!... En -toch, zijn kind ware schande geweest! Het uwe, God weet het, is glorie!” - -Na een oogenblik zwijgens, vervolgde zij angstig: - -»George, zoudt ook gij mij kunnen verachten?...” - -»Nooit—nooit, mijn innig geliefde Louise!...” - -»Maar ik ben uwe vrouw niet... Later misschien... O, beloof mij dat gij -mij dooden zult, nooit verstooten! God weet het, dat ik niet slecht -ben... Ik kan ’t niet helpen dat ik leef, zoo kan ik niet helpen dat ik -u lief heb ook.—Misdaad noemt de wereld mijne liefde; misdaad moest zij -dan ook mijn leven noemen! Misdaad, wat van God alleen komt?—O! -menschen, waarom maakt gij wetten, strijdig met die van God?—Nietige, -armzalige schepselen, welk recht hebt gij, in uw zwakke -afhankelijkheid, om uwe onkunde hooger te stellen dan de volmaakte -wijsheid, van Gods krachtige natuur? - -»George, vergeeft gij mij den twijfel die zich tusschenbeide van mij -meester maakt, en mij onrechtvaardig oordeelen doet zelfs over u, dien -ik liefheb boven alles?... O, ik moest minder lief hebben, om minder te -lijden!—Maar gij hebt medelijden met uw arme Louise, niet waar?... En, -evenals God, vergeeft gij haar alles, omdat gij alles weet?” - -Lawson sloot haar in zijne armen, drukte een hartstochtelijken kus op -hare bevende lippen en geleidde haar onder een vloed van troostwoorden -naar huis terug, daar het te warm begon te worden om langer in den tuin -te blijven. - -Een half uur later reed hij te paard uit om het werk op zijn landgoed -na te gaan, en bleef de jonge vrouw alleen. - -Zij was in lang zóo opgewonden niet geweest als dezen morgen. Sedert -hare herstelling was zij gelukkig geweest zonder nadenken, zonder vrees -voor de toekomst althans. Zij had zich geheel aan hare liefde -overgegeven, die zoo ruimschoots door Lawson beantwoord was geworden, -dat zij alles vergeten had in het ongekend geluk dat haar als -betooverde en gevoelloos maakte voor hetgeen daar buiten lag. - -Gisteren echter was er iets zonderlings gebeurd. Lawson had naar een -voorwerp gevraagd dat niemand vinden kon. Alle bedienden hadden er naar -gezocht, doch te vergeefs, eindelijk had een der jongens gevraagd om -den sleutel van »de kamer van Toewan bezar”. Lawson was doodsbleek -geworden, had den ouden Drono bij den arm gevat, was met hem naar het -onbewoonde bovenhuis gegaan en was teruggekomen met het lang gewenschte -voorwerp. Dien avond had Drono Louise zijn ontslag gevraagd en -hedenmorgen was hij vertrokken. - -Dit alles was zoo bijzonder niet, en toch hadden de eenvoudige woorden -»Toewan bezar” een indruk op haar gemaakt, dien zij zich niet verklaren -kon. - -»Wie was Toewan bezar?—Wie kon het zijn in Werner’s huis?—Wie anders -dan hij zelf?” - -Zij wist niet wat zij gevoelde, maar het was haar als werd zij naar -boven geroepen. Eenige uren worstelde zij nog tegen een »caprice” zoo -als zij het noemde, maar ten laatste den strijd moede, gaf zij aan de -verleiding toe en ging naar boven. - -»Naar boven?—Maar wat moet ik daar doen?...” sprak zij lachend tot zich -zelve, op den trap stil staande en gereed om terug te keeren. - -»Ga verder,” fluisterde weer de geheimzinnige stem, »dáar boven is de -oplossing.” - -»De oplossing? Ik weet zelfs niet van wat!” - -Zij ging. - -Het bovenhuis was evenzoo ingericht als het benedenhuis. Een -voorgalerij, een binnengalerij, een achtergalerij en zes kamers welke -allen in de binnengalerij uitkwamen. Ledige kamers, ongemeubelde -galerijen, stof op de vloeren, zwaluwen op de riggels der pilaren, een -gekko ergens in het dak verscholen... Louise huiverde. Zij trad de -eerste kamer binnen.—Niets.—De tweede. Een gebroken rotang stoel, -eenige planken van een ledekant, een paar oude manden, dat was al.—De -derde.—Niets.—De vierde.—Niets.—De vijfde... Werner! - -Werner als vroeger, jong en schoon, met zijn fieren blik en zijn -zachten, droeven lach!... Werner, zóo als zij hem het eerst gezien had, -’s avonds, omringd van bloemen, lichten, muziek... - -Sprakeloos staart zij hem aan,—ademloos leunt zij tegen den post der -deur, de bevende handen smeekend naar hem uitgestrekt... Zij heeft geen -moed om verder te gaan, geen kracht om terug te keeren... - -»George!” - -Hijgend blijft zij wachten... - -Een woord—een wenk... iets... - -Neen, niets.—De stof daalt langzaam neer op den vloer; de verontruste -zwaluwen keeren terug naar haar nesten; alles zwijgt. - -»George!...” roept zij weder. - -Stilte. - -»George! George! George!” gilt zij half radeloos, en de echo gilt haar -na. - -»O George! Vergeving!—Vergeving!” - -En zich, luid snikkend, aan zijne voeten werpende, grijpt zij zijn -hand... koud—stijf—glad—het is geen hand—bevend deinst zij terug, -kruipt weg aan het andere einde der kamer, staart hem aan, door hare -tranen heen... Maar het is George niet. - -Het is zijn portret! - -Zijn portret?—Maar het gelijkt hem niet... En toch hoe sprekend gelijkt -het!—En George dan? George die leeft, die niet op het portret -gelijkt—George dien zij lief heeft, de vader van haar kind?... Maar -deze man is George, zijn blik, zijn lach... Zij heeft hem dood -gezien... Neen, hij was niet dood... Zij heeft hem verstooten bij de -wieg van haar kind—neen, niet haar kind, haar kind is het zijne... Wat -heeft zij hem lief gehad! Maar hij gelijkt niet op het portret... en -toch dat portret, wat gelijkt het sprekend!... - -»Mijn God! Wat gevoel ik toch?—Mijn arm, arm hoofd, kan het dan niets -meer begrijpen?...” - -»Louise!” klonk een stem door het huis: het was de zijne, van hem die -leefde, want die van het portret bleef stom... Hoe zacht, hoe dof, en -toch hoe doordringend was die eenmaal geweest!... De stem van een -portret?... - -Lawson trad binnen. - -»Louise, mijn kind, waar zit je toch?—Mijn God, wat ben ik ongerust -over je geweest! Kom, ga mee naar beneden, het eten staat klaar?...” - -Lawson trachtte kalm te spreken, maar zijne bleekheid verried hem. - -Louise’s donker oog dwaalde van hem naar het portret, en van het -portret naar hem. - -»Die man!” fluistert zij zacht, zich dichter en dichter naar hem toe -dringende. »O George!... Vloek over mij!” - -Zij snikte zóo zenuwachtig dat Lawson te vergeefs alle pogingen -aanwendde om haar tot bedaren te brengen. Woorden noch liefkozingen -mochten baten, en de gansche dag ging voorbij zonder dat zij een enkel -verstaanbaar woord kon uiten. - -Tegen den avond scheen zij kalmer te worden, hare tranen hielden op te -vloeien, zij beefde niet meer, zij vlood niet meer van de eene kamer -naar de andere om zich aan Lawson’s oog te onttrekken. Hare bleekheid -alleen getuigde van de onrust die in hare ziel nog voortleefde. - -»George,” vroeg zij op eens, »George, wilt gij medelijden met uwe arme -Louise hebben, en haar de waarheid bekennen—de zuivere eenige -waarheid?—Die twijfel doet mij zoo schrikkelijk lijden! Beloof het mij? -Och, beloof het mij,—om de wille van ons kind,” fluisterde zij zachter, -»dat gij niets voor mij verborgen zult houden, niets—niets.—Ik ben -immers ook oprecht met u geweest, altijd—sedert... sedert...” - -Zij sloeg de oogen neer als schaamde zij zich en vervolgde droevig: - -»Maar ik heb geen recht meer van spreken... ik eisch ook niets, ik -wensch slechts... Ik bid u, ik smeek u om waar te zijn met uw arme -Louise... uit medelijden... of uit liefde, George!” - -Lawson zag haar rustig aan met zijn groote, sprekende oogen, greep hare -beide handen in de zijnen en vroeg haar kalm en ernstig! - -»Herinnert gij u éen oogenblik, Louise, waarin ik u bedrogen heb?—Heb -ik u ooit een onwaarheid gezegd?—Hebt gij mij ooit op een leugen -betrapt?” - -»Nooit.” - -Zij liet het hoofd op zijn schouder zinken en glimlachte als dien -morgen. - -»Dat portret!...” sprak zij zacht. - -»Dat portret is lang geleden gemaakt.—Verwondert het u dat de man den -jongeling ontgroeid is?—Hebt gij mij minder lief, Louise, omdat ik -minder op dat portret gelijk?...” - -Louise antwoordde niet—zij staarde hem aan, met bewondering, eerbied, -schier met aanbidding. - -Plotseling schoten hare oogen vol tranen, met geestdrift bracht zij -zijne hand aan hare lippen en overdekte die met kussen. - -»Wat zijt gij oneindig goed!” riep zij met vuur. »O mocht ik sterven -voor u!—Lijden, al wat uw deel moest zijn!—George, dat alleen is -geluk!” - -»Neen, geluk is kalmte, rust, tevredenheid.—Een lach van u, een -frissche, heldere, vroolijke kinderlach, dat is geluk!—Mijn geluk, -Louise.” - -Zij trachtte te lachen, voor hem—maar zóo diep weemoedig was dat lachje -dat het tranen in zijne oogen riep. - -Het geluk was voorbij. Zes maanden had het geduurd. Zes maanden lang -had geen macht op aarde zich tusschen hem en haar kunnen dringen. Één -blik op een portret en alles was voorbij. Louise gevoelde het, Lawson -gevoelde het ook. Geen van beiden begreep het, en geen van beiden zou -het bekend hebben, indien zij het begrepen hadden. - -Den volgenden morgen, zoodra Lawson als naar gewoonte uitgereden was, -spoedde Louise zich weer naar boven. - -»George!—De andere George!—Neen, dezelfde.—De jongste, de schoonste, de -beste.—Neen, beter dan hij was, had hij nooit kunnen zijn!—De George -harer droomen!...” - -Wat klopte haar hart! De deur was dicht, zij had de macht niet die te -openen, het was haar alsof zij eene misdaad ging plegen.—Eene misdaad? -En het was George dien zij weer ging zien!... - -Trotsch hief zij het hoofd op, een fiere lach speelde om den fijn -besneden mond, zonder aarzelen opende zij de deur en trad binnen... - -Niets! - -Bewegingloos bleef zij staan, verwonderd, teleurgesteld, diep -rampzalig. - -Snel als een bliksemstraal vloog haar een kwade gedachte door het -brein. - -»Jaloersch van hem!” Zij lachte, en er was iets wilds in dien lach, -iets dat aan misdaad denken deed. - -Een tranenvloed volgde, en alles werd vergeten in een grenzenlooze -droefheid, een melancholie zonder bewustzijn, een onzeker gevoel van -eenzaamheid, van verlatenheid, een onverklaarbaren dorst naar lijden, -naar sterven... - -Eenige maanden leefde zij voort als in een droom, lijdelijk, -gehoorzaam, onderworpen als een kind. Soms zocht zij nog naar het -portret, nooit vond zij het. Lawson had haar lief als vroeger, zoo -mogelijk nog meer. Zij wist niet of zij hem lief mocht -hebben.—»Sterven!” was haar bede. »O neen, nog niet!” smeekte zij dan -een oogenblik later. »Mijn kind! Het zijne! O God, laat mij leven voor -het kind van mijn George! Is het het zijne wel? Vloek over hem! Vloek -over de vrouw die hem bedrogen heeft! Heb ik hem bedrogen?—Hem? Mijn -George? Niet mogelijk!—O God! laat mij sterven!” - - - - - - - - -ACHTENDERTIGSTE HOOFDSTUK - -GELUK - - -Toen haar kind geboren was, werd zij kalmer. Zij vroeg niet meer naar -het verledene en sprak niet meer van sterven. Haar kleine George was -alles voor haar. Wat had zij dat onnoozele schepseltje lief! Zij -verzorgde het, vertroetelde het, sprak er tegen, alsof het haar -begrijpen kon, wilde niet dat iemand anders het helpen zou; Lawson werd -Werner genoemd, omdat de kleine George moest heeten, en twee Georges -verwarring geven zou. - -Wat was zij trotsch op Werner’s kind! Wat was het mooi! Hoe geleek het -op George! - -Meer dan eens had Lawson haar met tranen in de oogen gadegeslagen, als -zij zich alleen waande met haar lieven kleinen engel. Wat sprak zij -zacht, wanneer zij hem smeekte goed te zijn, en edel en groot als zijn -vader! En tusschen dat fluisteren in klonk het: »O mijn God laat mij -leven tot dat hij mij verstaan zal hebben!” - -Verder gingen hare wenschen niet, maar zóo ver gingen allen. - -Zoo vlogen nog drie gelukkige jaren voorbij, waarin Lawson voor haar -leefde en zij voor den kleinen George. - -Haar bede scheen verhoord te zijn, want liefde was al wat het kind van -zijne moeder geleerd had. Dat woord alleen had het verstaan en riep het -haar toe in elke heldendaad van het spelend kinderleven. - -Wat was Lawson trotsch op zijn zoon! En op de vrouw die hij de zijne -noemde! Wat zou hij gegeven hebben, om de wereld zijn schat te toonen, -en te schitteren met het geluk dat heel de toekomst voor hem vulde! - -»O neen, geen menschen!” smeekte Louise angstig. »De wereld geeft geen -geluk, zij ontneemt het slechts!” - -»Maar voor den kleinen George?...” - -»Is George niet goed?” vroeg zij fier, zich plotseling in hare -moederliefde gekrenkt voelende. »Kent gij een ander kind van zijn -leeftijd dat beter is dan hij? Goedhartiger, verstandiger, -edelmoediger, handiger?” - -»Dat zeg ik niet, maar onder vreemden...” - -»Nooit onder vreemden, zoolang hij eene moeder heeft! Vreemden kunnen -hem geleerder maken, sluwer, voornamer; beter nooit!... O Werner,” -vervolgde zij smeekend, hem beide armen om den hals slaande, »minacht -mij niet omdat ik slechts een vrouw ben! Voor de wereld ben ik een -onwetend schepsel, zonder verstand, zonder kracht, zonder gevoel, maar -voor mijn kind—o voor mijn kind kan ik alles wezen!” - - - - - - - - -NEGENENDERTIGSTE HOOFDSTUK - -RECHT - - -Een doodsche stilte heerschte in het groote prachtige landhuis. Lawson -lag bleek en koud op het sterfbed uitgestrekt. Louise stond aan zijne -zijde, zwijgend en onderworpen zoo als zij eenmaal naast den -baleh-baleh van Werner gestaan had. Dokter Heisterman wendde te -vergeefs alle pogingen aan, om haar naar hare kamer terug te doen -keeren, sprak van besmetting, van plicht, zij bleef onbewegelijk staan -en antwoordde kalm: - -»Aanstonds zal hij mij verlaten, dokter... Laat mij....” - -»Denk aan uw kind, mevrouw.” - -»Ik kan niet... Ik kan nu slechts aan den vader denken.” - -De dokter zweeg. Als altijd gaf hij toe aan de jonge vrouw. - -Het duurde niet lang of er kwamen vreemden in huis en het lijk werd -weggedragen. - -Toen verschenen de mannen van de wet en andere vreemden en -nieuwsgierigen. Het testament werd geopend. Lawson’s papieren werden -doorsnuffeld. De vrouw werd gevonden met haar kind. Zij werd zijn -maîtresse genoemd en het kind werd onecht verklaard. De wet had in -alles voorzien. Zij kon gaan vanwaar zij gekomen was en medenemen -hetgeen haar toebehoorde—haar kind. Het testament dateerde van meer dan -zes jaar herwaarts en sprak niet van haar. Dus geen geld, noch voor -haar, noch voor haar kind... - -En wie was die vrouw?—De wet zou het uitvinden, zij vond alles uit. - -Aan resident Stevens van Langendijk werd gemeld, dat men zijn vrouw -gevonden had. Hij eischte haar op, ontkende het kind, vroeg een -wettelijke echtscheiding en verkreeg haar op grond van »slecht gedrag -zijner vrouw.” De wereld beklaagde hem en gaf hem gelijk.—Twee maanden -later trouwde hij met eene schatrijke weduwe, waarvan de menschen veel -geweten hadden, dat niet goed was, maar die zóo groot geleefd had dat -niemand het had willen weten. Eerbied en achting omringden het -gelukkige echtpaar totdat de resident nog een rang verhoogd werd en, -tot groot leedwezen van het publiek, A. verliet om als Raad van Indië -naar Batavia te vertrekken. - - - -En Louise en haar kind? De resident had haar naar hare ouders -teruggezonden. Dat was al wat hij voor haar doen kon. - -En hare ouders hadden haar het kind ontnomen en het naar Holland op -school gestuurd, om het te onttrekken aan den zondigen invloed der -moeder. - -Wat had zij geworsteld, gestreden, gebeden om haar kind! - -»Mijn God! Het is mijn kind, het mijne alleen!” - -Dit ontkende de wet. Hare ouders hadden haar krankzinnig genoemd, -zooals haar echtgenoot haar eerloos had verklaard. En de wet ontnam -haar het kind. Dat was recht. - -Arme menschheid, die evenmin voor de wet berekend zijt als de wet voor -u! Wat is het leven, zooals het tegenwoordig in zulke gevallen begrepen -wordt? Een belachelijke opstand tegen de eischen der natuur. Een -onzinnige worsteling tegen de groote wetten der volmaaktheid. Een -godslasterend drama, gespeeld onder het karikatuur masker van -godsdienst, wetenschap en vrijheid! - - - - - - - - -VEERTIGSTE HOOFDSTUK - -LINA’S HUWELIJK - - -En wat was er te Felicita voorgevallen, gedurende de jaren van geluk en -wanhoop, die Louise’s levensdroom zoo frisch gekleurd, zoo plotseling -vernietigd hadden? Och, eigenlijk niets bijzonders. Een huwelijk had er -plaats gehad, anders niet. Lina van Wageningen was met Herman Wagner -getrouwd en met hem naar Solo vertrokken, waar hij in garnizoen lag. - -Reeds eerder had hun huwelijk voltrokken moeten worden, maar eene -expeditie naar Bali had alle plannen in duigen doen vallen, en eerst -nadat Wagner gewond en gedecoreerd terug was gekeerd van den -luisterrijken heldentocht, had men het vredesverbond kunnen sluiten dat -zoo lang had moeten achterstaan voor plicht en dienst. - -Roemrijk noemde de brave militair die zegepraal. »Noodzakelijk” -antwoordde Lina, en zij wierp haar armen om zijn hals, terwijl zij -zachter fluisterde: - -»Ik weet niet of ik u nog meer lief zou kunnen hebben dan nu, en -toch... toch had ik u geen deel aan dien strijd willen zien nemen... -die zachte hand had nooit moeten dooden—dat eerekruis had niet met -bloed bezoedeld moeten zijn...” - -»Lientje, Lientje, wat zou er van onze koloniën terecht komen, indien -het gouvernement zoo tegen oorlog was als gij...” - -»Och, noem het dan een eisch van den tijd, dat stelselmatig moorden, -maar spreek niet van dapperheid en heldenmoed... dat is ’t niet... ’t -Hindert mij, dat schoone kruis... ik zag u liever zonder, Herman.” - -»Hadt gij mij liever een lafaard gekend?” - -»O neen, neen, maar het spijt mij dat gij militair zijt... Waarom -gevoel ik dit eerst nu zoo sterk? Waart gij niet gedecoreerd geworden, -dan had ik het minder gevoeld, geloof ik... Gewond alleen had ik u -beklaagd, als een slachtoffer van dwang en plicht beschouwd, maar nu, -dat eerekruis, daar ligt voor mij een bespotting in.” - -»Lina!” - -»O, misken mij niet! Er is niets persoonlijks in hetgeen ik daar -zeg.—Maar ik heb u zoo lief dat ik u boven de mannen van onzen tijd -verheven wilde zien. Dat kruis stelt u met duizenden gelijk—duizenden -die eer en deugd zien in brandstichten en in moorden. Dat kruis spreekt -van rampen, van lijden... ’t is de bekrooning van een wanbegrip.—Och! -Herman, ik ben maar een vrouw en ik zie in den oorlog niets roemrijks.” - -»Toch is hij noodzakelijk, liefste.” - -»Ik weet het... maar een oorlog moest geen gloriedaad, hij moest een -schandvlek in de geschiedenis eener natie wezen. Geen zegelied vol -hoogmoed en trots, dat klinkt als een lofzang te midden van dooden, -geen monument tot vereering van verwoesting, geen ridderkruis tot -instandhouding van smart. Wij moeten de wereld wel nemen zoo als zij -is, maar wij moesten ten minste niet roemen op oneer, en zwakheid niet -verheffen tot deugd. Ik laak u niet om hetgeen gij gedaan hebt, maar ik -wilde dat gij het niet hadt behoeven te doen. Er zijn plichten waarover -men zich schamen moest... zóo alleen kunnen zij ophouden plichten te -zijn.” - -»Je bent een engel, Lientje,” riep Wagner met een kus, »maar je bent -een idealenmaakstertje.” - -»En denk je niet dat mijne idealen eenmaal verwezenlijkt zullen worden? -Dat er eindelijk een tijd zal komen, waarin het oorlogvoeren niet meer -mogelijk zal wezen?” - -»Nooit, nooit, mijn kind. Zoo lang er...” - -»Neen, geen zoo lang.. ik zeg ook zoo lang. Zoo lang nationaliteit en -vaderlandsliefde deugden zullen heeten, zal er natuurlijk oorlog wezen, -want die deugden voeden zich met afgunst en haat... De égoïst doet -niets voor zijne familie—familiezwak strekt zich niet uit tot -stadgenooten—stadgenooten geven niets om -provincie-belangen—provincie-belangen strijden tegen de welvaart van -het rijk—en de welvaart van het rijk verzet zich tegen den vooruitgang -der wereld!... Arme, bekrompen gehechtheid, aan de bezitting van een -oogenblik! En daarbij staan wij stil, terwijl het heelal voor ons open -ligt! Daarvoor leven wij, terwijl de wereld ons hare ruimte biedt en -wij de oneindigheid voor ons hebben!—Waarom heeft de menschheid niet -reeds lang geleden begrepen, dat vijandschap door liefde geëindigd kon -worden even goed als door oorlog? Christenen, noemen de beschaafde -volkeren zich, en juichend houden zij het kruis in eere, dat zij -veranderd en verbeterd hebben en nu in den vorm van donderende kogels -in een bloedstroom door de wereld jagen! Vermeerderen moeten die -kogels, verbreeden moet die bloedstroom, tot dat hij eindelijk zóo diep -zal geworden zijn dat de laatste kogel er in verzinken zal!... Door -moorden alleen kan het moorden gestuit worden, door verwoesten alleen -de verwoesting gestaakt! O, Herman! Waarom niet door liefde?...” - -»Omdat de menschen niet zoo wijs zijn als mijn Lientje, dat over de -toekomst spreekt alsof de menschheid slechts éen schepsel ware, éen -wezen met een engelenhart en een Christuskop, dat niets verlangt dan -geluk en weet dat door verbetering alleen dat doel te bereiken is.—Och, -kind, laat ons onze ideale toekomstdroomen tot ons huwelijksleven -bepalen en verliezen wij ons niet in machtelooze bespiegelingen over de -aanstaande grootheid der wereld, welke ach! zoo wreed teleurgesteld -worden in de werkelijkheid die wij niet besturen kunnen.” - -»O! denk niet dat ik mijn geluk niet waardeer! Gij weet het beter dan -allen, hoe dankbaar ik ben voor uw behouden terugkomst uit den -oorlog!—Maar het is zoo hard, wanneer men zelf gelukkig is, te zien hoe -vreesselijk anderen lijden, hoe diep rampzalig velen zijn, die, even -als wij, gelukkig hadden kunnen wezen, indien zij niet door -afhankelijkheid of door een verkeerd begrip van plicht in het verderf -waren gestort... En dan denk ik aan de toekomst, Herman... aan de -toekomst onzer kinderen... Ja, lach maar, bespot mij maar om dat echt -vrouwelijk instinkt. Ik kan het niet helpen. Ik heb ze lief, onze arme -kinderen... Zelfs eer ze nog bestaan... en ik kan het mij voorstellen -hoe dierbaar zij mij wezen zouden, indien ze daar aan onze voeten -speelden, gezond en vroolijk, met lachende lippen en vonkelende -oogen... en later, wanneer zij krachtig ontwikkeld, met niets dan -liefde in het hart, enthousiasme in de ziel en overdreven grootheid in -het vrij en stout verstand de wereld in zouden treden, groot en fier -als reuzen, gereed om te torschen wat te zwaar is voor allen, en op hun -schouders te verheffen wat miskend wordt door de wereld... Verpletterd -en vernietigd zouden zij worden, verbrijzeld en met voeten getreden. -Gehoond, versmaad, overweldigd en vermoord... mogelijk ook zouden ze -zwak zijn en vallen, buigen, meegaan, zich zelf verloochenen, zwichten -voor de overmacht en groot zijn in de oogen der wereld met een hart dat -berouw kent en een hoofd dat niet meer denken durft.. O Herman! is het -daarvoor dat wij kinderen in het leven roepen?—dat wij ze met liefde en -met zorg opvoeden? dat wij ze verstandig en edel trachten te maken?... -Tusschenbeiden ben ik bang... hoop ik bijna dat wij alleen zullen -blijven... en toch... O het moet vreeselijk zijn zóo veel lief te -hebben om zóo veel verloren te zien gaan...” - -»Maar kind, wat heb je zwarte gedachten van daag! Je zoudt mij haast -doen denken dat je berouw hebt over ons huwelijk eer het nog voltrokken -is... Wou je...” - -Lina glimlachte, en zag hem zoo liefdevol aan, terwijl zij haar -vriendelijk kopje aan zijn breeden borst vleide, dat Wagner haar een -vurigen kus op de zachte lippen drukte en geen woorden vond om zijn -volzin te voltooien. - -»Berouw?” sprak ze fluisterend, »ik zou sterven indien ik u verliezen -moest... O Herman! mijn geluk is zoo groot, dat ik het weer wilde -vinden in de toekomst onzer kinderen... en de toekomst beantwoordt -mijne warme, zonnige liefdedroomen met een schellen oorlogskreet, -gesmoord in een dof en somber floers van rouw...” - -Zij zweeg even, en wischte zich een traan uit het oog, welken zij voor -Wagner verbergen wilde; plotseling hief zij den bezielden blik naar hem -op en het schoone hoofd met fiere kracht omhoog heffende vervolgde zij: - -»Een ding heb ik nooit begrepen...” - -»Wel?” vroeg Wagner, haar levendig gezichtje met bewondering aanziende. - -»Ik heb nooit begrepen dat de vrouwen zoo lang gezwegen hebben—en -toegestemd, zelfs aangemoedigd, en meegewerkt in dat groote -wereld-proces hetwelk men oorlog noemt... Onze kinderen, we moesten ze -te lief hebben om ze te laten vermoorden... te lief vooral om ze beulen -en boosdoeners te zien worden... Wij vrouwen, we moesten in massa -opkomen tegen het verminken onzer geliefden, tegen het verbrijzelen van -de kern van het volk.—Onze godsdienst ten minste moest vrede wezen en -onze liefde moest zich niet besluiten binnen den grens van een land, -zich niet onderwerpen aan de willekeurige overheersching van eene -baatzuchtige politiek. Wij moesten geen vijanden, maar menschen -erkennen; geen rijkjes, maar de gansche wereld lief hebben. Wij, die -zelve moeders zijn, wij moesten het geluk van andere moeders -eerbiedigen en geen glorie zien in den diepen rouw harer verbrijzelde -zielen, geen grootheid zoeken in het vermoorden harer dierbaarste -betrekkingen, in het verijdelen harer edelste toekomstdroomen..... Maar -ik ben dwaas, ik gevoel het... De tijd is nog ver, waarin het recht der -Staten even als dat der menschen gehandhaafd zal worden door verstand -en kennis, en wij moeten lijden en worstelen tot dat wij door strijden -en verwoesten, door uitputting en smart tot de overtuiging komen -zullen, dat liefde alleen tot grootheid leidt en kennis tot geluk. Maar -waarom moeten wij daartoe komen door zwakte? Door kracht zou het -grootheid wezen, door ellende is het slechts noodzakelijkheid.” - -»Maar kind, zie je dan zoo veel slechts in de toekomst? Geloof je dan -niet aan den vooruitgang der menschheid? Zie je dan niet dat er iets -grootsch geboren wordt schier uit elken oorlog?” - -»Ja, zeker. Haat en wraak. Haat schudt de slapende volken wakker en -wraak dringt ze tot den arbeid om anderen te verpletteren. Dat zie ik, -anders niet. Afgunst, misdaad en lijden... Neen, die vooruitgang wordt -te duur betaald.” - -Melatie trad binnen met een oranjekrans in de eene hand en een tule -sluier in de andere. - -»Kijk jufje, kijk! zoo pas ontvangen! De bloemen zijn van leer! Even -zien hoe het staat!” En Lina den krans op het hoofd werpende, trok zij -haar met zich naar den spiegel, en wikkelde zij haar in de dunne zijden -tule die als een doorschijnende wolk het frissche, jonge kopje -omzweefde. - -»Mooi, hè?” vroeg zij lachend, Wagner in den spiegel toeknikkende. »Ik -zou haast willen trouwen om ook eens zoo mooi te wezen!” - -»En na het mooi zijn?” - -»O! dan liep ik weg! Jufje, zie je er nu niet tegen op om zoo voor -altijd te trouwen?...” - -»Waarom vraag je mij dat niet?” riep Wagner, haar bij de schouders naar -zich toe draaiende. »Kleine nuf, kom jij me bruidje mooi maken om haar -tegen me op te stoken?” - -»Dat kan ik niet, kapitein, geloof me, ik kan het niet. Niet waar, -jufje? Ik heb het genoeg geprobeerd, maar altijd zonder gevolg.” - -»En zóo zal het blijven,” riep Lina lachend. »Niet waar, Herman, wij -zijn gereed alle lief en leed met elkander te deelen en samen -ongelukkig te zijn indien wij niet gelukkig wezen kunnen.” - -»Jufje! jufje! En dat nadat je zoo geijverd hebt voor divorce!” - -»Ja, dat heb ik, en dat hoop ik te blijven doen, maar niet ten behoeve -van huwelijken als het onze.—Niet waar, Herman, voor ons behoeven in -dat opzicht geen wetten te bestaan?” - -»Neen liefste, wij zijn noch afhankelijk, noch onwetend genoeg om die -noodig te hebben!” - -»En... indien...?” - -Lina begon hartelijk te lachen. - -»Ja, indien wij op zullen houden elkander lief te hebben dan... nu, wat -dan?” - -»Dan zeggen wij elkander adieu!... En...” - -»En dan houden wij op getrouwd te zijn, zonder elkander te haten of het -leven te verbitteren!” - -»En zonder te vergeten hoe gelukkig wij eenmaal te samen geweest zijn!” - -Hij sloot bij deze woorden zijn bruidje zoo onstuimig in zijn armen, -dat de oranjekrans hem op den neus viel en hij de nieuwe frissche tule -in duizend grillige plooien onder zijn arm samen vouwde. - -»Dàt waren onze eerste engagementsgeloften!” vervolgde hij vroolijk, -Melatie de hand reikende, »maar zult er de verwezenlijking nooit van -beleven, denk ik...” - -»Neen nooit,” herhaalde Lina, en zich uit Wagner’s armen loswikkelende, -fluisterde zij haar ernstig in het oor: - -»God geve, kind, dat je eenmaal zoo gelukkig zult wezen als ik! - -»Wat ik dáar zeg, moogt gij niet weten, Herman, want het zou uw -vertrouwen op de toekomst aan het wankelen brengen!—En al te -wantrouwend mogen wij toch ook niet wezen.” - -Den volgenden dag werd het huwelijk voltrokken. Toen was het feest op -het schoone landgoed, waar gamelangspel, en toping en wayang een -grooten dag maakten van den 10n Maart, dien de gelukkige bevolking van -Felicita zich nog vele jaren met genoegen herinneren zou. - -In het heerenhuis ook was het feest. Maar het was een feest met -weemoed, want dáar was scheiden het eindwoord der vreugde en werd het -huwelijksgeluk verkregen door het breken van een vriendenkring. - -Allen gevoelden het en allen brachten zij lachend het offer, met een -kus op de lippen, een traan in het oog. - - - - - - - - -EENENVEERTIGSTE HOOFDSTUK - -HAAT EN MINACHTING. MOEDERLIEFDE. - -Acht jaren later - - -Wat was zij veranderd, de mooie, gevierde Louise! Waar waren de gulle -lach, de levendige blik, de sierlijke bewegingen gebleven? Wat was er -geworden van den krachtigen, fieren geest die zoo lang geworsteld had -tegen omstandigheden en overmacht? Van het liefdevolle hart dat zich -met zooveel zelfopoffering had vastgeklemd aan al wat goed en edel was? - -Arme Louise! Haat was al wat de wereld haar geleerd had. Ja, zij had -gehaat met al de kracht, met al de grootheid harer ziel! Gehaat zóo als -fijngevoeligheid alleen kan haten, met kennis en met takt. Gehaat met -een lach, gehaat met een aalmoes, gehaat met een dankbede zelfs! Wat -had zij de menschen doen lijden, zij die wist wat lijden was! Wat had -zij ze gegriefd, zij die zelve zoo menigmaal gegriefd was geworden! Wat -had zij ze veracht, zij die zelve zoo veel verachting gekend had! - -Dit had geduurd zoolang hare ouders geleefd hadden. - -Haar kind, niets dan haar kind had zij lief op aarde. En hare ouders -hadden haar dat kind ontnomen!—O! dat was eene misdaad waarvoor zij -geen vergeving had. - -Maar hare ouders waren gestorven. Alleen, rijk, en vrij om te gaan waar -zij wilde, besloot zij, terstond na den dood harer moeder, haar kind te -gaan opzoeken en het terug te vragen, te halen of te stelen, alle -middelen waren goed indien zij het slechts terugkreeg. - -Vrij was zij eindelijk, geheel vrij, want haar onder curateele stelling -was opgeheven. Wat zou zij van die vrijheid genieten en die aanwenden -tot nut van haar kind! Haar kind dat zij eindelijk weer zou zien! »Mijn -God! Welk geluk gaat er boven dat van onafhankelijk te wezen!” - -In deze stemming vertrok zij met de landmail naar Europa, het huis -harer ouders met meubels, rijtuigen, paarden, enz. aan vreemden -overlatende, om het voor haar te verkoopen en haar van het geld, dat -het zou opbrengen te zenden »wat hun goed zou dunken”. - -»Stelen doen ze toch”, dacht zij bij zich zelve, »ik mag hun zoo wel -toonen dat ik het begrijp en dat ik er genoegen mee neem.” - -Maar eenmaal aan boord der stoomboot, alleen te midden van een menigte -menschen onder wie zij niemand kende, afhankelijk van stoom, wind en -golven, zoowel als van de vreemdelingen die haar omringden, gevoelde -Louise zich zonderling teleurgesteld in hare illusies over vrijheid en -onafhankelijkheid. Zij had gehoopt alleen te zullen zijn, en zij was -nooit alleen zelfs niet in hare hut. Zij moest die hut deelen met eene -jonge engelsche vrouw die van China kwam en drie maanden te Batavia -geweest was om een broeder te bezoeken, dien zij nooit weer dacht te -zien. Op dek was zij omringd door half zieke, of slapende menschen, die -haar aankeken uit verveling zonder het minste belang in haar te -stellen. Somwijlen ook door een groep vroolijk lachende meisjes, waarom -een zwerm heeren zich bewoog, die haar het hof maakten tot -tijdverdrijf, of door eenige oude luidjes, die lazen of in zee staarden -of lachten om de grappen van de jeugd. - -Alleen was zij geen oogenblik, maar eenzaam was zij overal. - -Te fier om terug gestooten te willen worden, sprak zij tegen niemand, -en niemand sprak tegen haar. Toch kon zij niet onopgemerkt blijven met -hare schoone, beweeglijke trekken en majestueuse gestalte. Hare sombere -teruggetrokkenheid zelve deed haar in het oog vallen, en, eer zij er -iets van begrepen had, was de algemeene aandacht op haar gevestigd. - -Men begon met haar een bankje aan te bieden, een krukje of een boek, -soms ook een glas seltserwater of wijn. - -Altijd het zelfde antwoord: »Ik dank u,” met een lachje dat aantrok en -terugstiet, dat nieuwsgierig maakte vooral. - -»Wie kon zij wezen?—Van waar kwam zij?—En waar ging zij heen? Waarom -was zulk eene schoone vrouw alleen? Welk verdriet kon haar zoo -menschenschuw gemaakt hebben? enz. enz.” - -Men verzon van alles, en maakte van haar leven zeer »intéressante -romans”, maar niemand kwam de waarheid nabij en niemand kwam iets meer -te weten, dan dat zij van Amerongen heette en te Batavia aan boord -gekomen was. - -Eindelijk herinnerde iemand zich vroeger, lange jaren geleden, eens een -»cronique scandaleuse” van een zekere juffrouw Van Amerongen gehoord te -hebben. Eene geraffineerde coquette, die een brilliant huwelijk gedaan -had, en een »amant” had gehad, die door haar echtgenoot doodgeschoten -was.—Daarna was ze weer weggeloopen met een ander, en eindelijk had zij -het zóo bont gemaakt dat haar man genoodzaakt geweest was zich van haar -te laten divorceeren, daar er reeds allerhande kinderen in het spel -gekomen waren ook. Een poos had men getracht haar voor gek te laten -doorgaan, maar dat kon geen stand houden, en eindelijk was zij van het -tooneel der wereld verdwenen met een amant die haar mee naar Rusland -had genomen. - -»Heel intéressant!” vond men die levensbeschrijving. Louise werd er een -oogenblik op aangezien, maar dat verhaal was alte romanesque. Deze -vrouw was niet coquette genoeg, ook was zij te jong, te ernstig, te -comme il faut om zulk eene rol gespeeld te hebben. Toch bleef er iets -van het nieuws hangen in de publieke opinie en bracht het verhaal een -zichtbare verandering te weeg in de wijze waarop de passagiers haar -behandelden. Zij gevoelde het, zij begreep het niet. De dames -verwijderden zich al meer en meer van haar en de heeren naderden, -vooral als de dames het niet zagen. Wat hielden de jonge meisjes haar -in het oog (die onschuldjes!) Wat lachten de oudjes met afgunstige -minachting bij elke beleefdheid haar door een der heeren betoond! En -wat behandelden de heeren haar anders dan zij de overige dames -deden!... - -»O menschen! Wat zijt gij toch slecht! En indien ik ’t wilde, wat zoudt -ge boeten voor uw mépris! Maar wat kunnen mij de menschen schelen? Dom -en slecht—laat ze gelukkig zijn met dien schat!” - -Zoo dacht zij bij zich zelve, maar zij zeide het in haar blikken, in -haar zwijgen, in haar weemoedig lachen zelfs, zonder het te willen of -te weten. - -Intusschen was men nieuwsgierig geworden en wilde men haar verleden -kennen. Er werd beraadslaagd en overlegd, en eindelijk besloten dat de -heeren het raadsel zouden oplossen, n’importe hoe. - -Een Franschman, Leroux, een koopman, die zijn fortuin met zijden -japonnen en hammen had gemaakt, zou haar het hof maken en zoo noodig -zelfs ten huwelijk vragen. Von Hochtenstein, een half geruïneerde -baron, zou het zelfde doen. De overige heeren zouden haar behandelen -met den grootsten eerbied en onderdanigheid, tot dat een paar der -oudsten door toespelingen zouden uitgevonden hebben of zij de persoon -in quaestie was of niet. Men vermoedde, men giste, men ging -weddingschappen aan... het was een ingewikkelde intrigue die men om de -arme vrouw gesponnen had, een goed beraamd plan, dat onmogelijk -mislukken kon! - -Leroux begon. - -Zwijgend werden zijne complimenten aangehoord, zwijgend zijne attenties -ontvangen. - -»Que le diable l’emporte!” had hij reeds meer dan eens gezegd. »Elle -m’intrigue cette femme, j’y perds mon latin!” - -Niet zonder gevaar was echter de rol die de dikke Leroux beloofd had te -zullen vervullen. Hij had de overwinning gemakkelijk geacht. - -»La résistance m’agace!” waren zijn laatste woorden geweest. - -Daarop kwam Von Hochtenstein wat nader. Hetgeen de koopman niet -vermocht zou de baron wel gedaan krijgen. Geslepen, vleiend, onderdanig -tot kruipens toe was hij een uitmuntende tegenstelling van den -spiritueelen, ongegeneerden Franschman, wiens opvoeding even vrij en -gul was geweest als die van den ongelukkigen baron slaafsch en zuinig. - -Louise had geen onaangenamer wezen aan boord opgemerkt dan dien -uitgedroogden Duitscher. Gelukkig kende zij geen Duitsch! Maar hij kon -Fransch... Had zij maar geen Fransch gesproken, dan zou zij geen -Fransch gekend hebben ook. - -Von Hochtenstein was nederig genoeg om een refus voor onmogelijk te -houden en, zonder veel tijd te verliezen, verklaarde hij haar dus zijne -liefde en bood hij haar zijn hand en zijn baronnentiteltje aan. - -»Qu’en ferais-je?” antwoordde Louise onverschillig, en opstaande begaf -zij zich naar beneden zonder verder acht op den armen man te slaan, -dien zij stom van verbazing achterliet. - -Dadelijk kwam Leroux op hem afschieten. - -»Eh bien, baron, vous voilà tout penaud!... Et le succès?...” - -»Un refus.” - -»Un refus! Qu’a-t-elle dit?” - -»Qu’en ferais-je?” - -»Ha! ha! ha!” Niemand was gelukkiger dan Leroux, wiens schaterlach als -musikale ballen over de golven rolde, en het geheele complot om hem -heen riep. »Qu’en ferais-je! Elle a raison, parbleu!” - -Tien minuten later wisten alle passagiers dat Von Hochtenstein een -blauwtje had geloopen en Leroux maakte er zich een fête van zelf te -vertellen dat hij even weinig chance gehad had als de voorname -Duitscher. - -Deze gebeurtenissen brachten Louise nog meer en évidence, en zoo als -het overal en altijd in de wereld gaat, zoo ging het ook hier. Wanneer -éen man eene vrouw openlijk hulde betoont, doen alle mannen het. Een -schatrijke amsterdamsche bankier, het grootelot, zoo als men hem -noemde, die de oogappel van alle moeders en dochters was, begon de -trotsche schoone intéressant te vinden, en, aangetrokken door hare -onverschilligheid, deed hij wat hij kon om hare liefde te winnen. - -Hij vond het bespottelijk voor een man van zijn stempel om een blauwtje -te loopen en had zich dus stellig voorgenomen te wachten op hare -avances eer hij verder zou gaan. Maar de avances kwamen niet. Zwijgend -en koud verscheen de jonge vrouw elken morgen op dek en verstandig en -teruggetrokken bleven hare gesprekken steeds binnen de perken van -gewone beleefdheid. - -De arme man zag zich dus genoodzaakt om, indien hij avances verlangde, -ze zelf te doen. Dàt was eene vreeselijke condescendance! Het kostte -hem blijkbaar moeite dien eersten pas te doen. Maar, zij was zoo -schoon!—zoo fier!—en het zou zulk een triumf wezen die vrouw te -bezitten!—Ook begon men Frankrijk reeds te naderen. Indien hij zich -niet haastte... - -»Ik ben bekend als een der rijkste partikulieren van ons land,” begon -hij. - -»Ik weet het.” - -»Ho, ho, dan kan ik verder gaan,” dacht hij bij zich zelven, »eene -vrouw die informaties inwint, is reeds half verloren!...” - -»Waar denkt gij u in Nederland te vestigen?” vroeg hij. - -»Ik weet het niet.” - -»Ik ben verplicht naar Amsterdam terug te keeren, voor mijn zaken...” -hij wachtte even. Zij antwoordde niet. - -»Zoudt gij er iets tegen hebben om in Amsterdam te wonen?” hernam hij. - -»Ik ken Amsterdam niet. Ik ben nooit in Europa geweest.” - -»En gij zijt geheel alleen in de wereld?” - -»Geheel alleen.” - -»Even als ik? Wel mevrouwtje, ik geloof dat wij bij elkaar moesten -blijven, dan konden wij te zamen gelukkig zijn!...” - -Louise zag hem even aan met hare groote donkere oogen, en die gestrenge -blik deed hem zijn volzin eindigen geheel anders dan hij het zelf -verwacht had. - -»Indien gij mijne vrouw ten minste worden wilt?” - -»Ik?—En waarom zou ik trouwen?” - -»Wel,—wel om gelukkig te wezen.” - -»Vrijheid alleen is geluk.” - -»En liefde...” - -»Uwe liefde?” - -Hij knikte toestemmend, zonder te durven antwoorden. - -»Uwe liefde is hoogmoed, anders niet.” - -»Neen, ze is sympathie, warme zuivere sympathie!...” - -»Voor wie?—Voor eene vrouw die gij niet kent?” - -»Maar die ik bewonder, ook zonder haar te kennen!” - -»Omdat anderen haar bewonderen, niet waar?...” - -»Neen, omdat ik haar gadegeslagen en goedgekeurd heb.” - -»Gedurende een armzalige zes weken!—En heeft die vrouw geen verleden -gehad?—Kent gij dat verleden?—Neemt gij het als het uwe aan, hoe het -ook geweest moge zijn?—Zonder onderzoek, zonder aarzeling, met vol -vertrouwen in de toekomst?...” - -De bankier zette groote oogen op. Hij dacht aan de »cancans” en wist -zoo gauw niet wat te antwoorden. - -»En indien die vrouw gevallen was,—door de wereld veracht en verstooten -was geworden... zoudt gij haar ophelpen en staande houden in de -toekomst die gij met haar deelen wilt?—Zoudt gij haar verdedigen ten -koste van uw fortuin, van uwen naam, van uwe eer?—Zoudt gij haar lief -hebben om hetgeen zij wezen zou, zonder haar ooit te laken om hetgeen -zij geweest was?—Zoudt gij...” - -»Maar, mevrouw...” stotterde de bankier, al meer en meer terug -krabbelende, en niet wetende, hoe hij zich ten schielijkste uit -Louise’s handen redden zou. »Maar mevrouw, een man heeft het recht het -leven zijner vrouw te kennen...” - -»Dàt recht heeft hij—ofschoon zij het zelden met hem deelt...” - -En zacht en langzaam vervolgde zij. - -»Ik heb u geleerd wat liefde is.—Biedt nu eene andere den trots aan, -die voor mij geen waarde heeft; maar noem het nooit meer liefde, hè!” - -Zij lachte haar zonderlingen lach, die aantrok en terug stiet en -verwijderde zich zonder den bankier éen woord meer toe te voegen. - -»Engel of Duivel!” mompelde »het groote lot”, haar naoogende. »Gij -moogt wezen wat gij wilt, maar de mijne zult gij worden!” - -»Nooit,” had zij gezegd, en »nooit” was het, ofschoon hij jaren lang -bleef aanhouden en, alles wetende, alles vergevende, telkens terug kwam -om haar zijne hand en zijn vermogen aan te bieden. - -Haar kind, dat was haar droom en haar leven! Zij zou haar George weder -zien! Den kleinen engel, dien men haar ontnomen had! Haar kind dat zij -zoo onuitsprekelijk lief had, voor hetwelk zij zoo oneindig veel had -geleden! Haar George zou haar volgen naar hare woning, daar zou zij hem -weer liefhebben en verzorgen, zelve onderwijzen en goed leeren -zijn!—Ook hij zou haar beminnen als vroeger!—Hij zou op Werner -gelijken—en zijn lach zou de zonnige dagen van weleer terug roepen en -overbrengen in eene toekomst vol liefde en troost. - - - -Den 28sten December, ’s middags om vijf uur, kwam zij in den Haag aan. -Zij liet hare koffers aan het station staan, nam eene vigilante en reed -dadelijk naar de school waar George was, zonder acht op haar dunne -indische kleeding te slaan of zelfs aan koude of vermoeidheid te -denken. - -»George! George!...” - -O wat ging alles langzaam! Dat reizen eerst, die booten, die -spoortreinen! Nu die armoedige vigilante!... Eindelijk! - -»Is dit het huis?” - -»Ja mevrouw.” - -Zij vloog het rijtuig uit en schelde. Met hare dunne, stoffen -schoentjes stond zij tot over de enkels in de sneeuw—zij voelde het -niet!—Nog eens gescheld. »Doet niemand dan open?” een derde, een -vierde, een vijfde keer, geluid ten laatste... daar werd de deur bij de -buren geopend. - -»Is het voor den schoolmeester?...” vroeg een poppig meisje met een -kornetje op. - -»Ja, ja, voor den schoolmeester...” - -»Och, heetje! die is juist verhuisd. Die woont nou op de Bierkaa, ziet -u—daar heeft hij een huis gekocht. Ik weet niet precies waar, maar het -is op de Bierkaa.” - -»Naar de Bierkaa, dan!” - -»Zonder te weten waar we wezen moeten en dat in zoo’n beest van een -weer!” riep de koetsier ongeduldig. - -»Rij maar, rij maar, ik zal alles betalen.” - -»En waar moet ik stilhouden?” - -»Schel maar aan alle huizen; wij zullen eindelijk wel terecht komen.” - -»Ja, ja, je bent een mooie madam om terecht te komen, jij, met je -stroohoed en je dansschoenen aan.” - -»In Gods naam, rij toch op!” - -»Eerst mijn geld, als je blieft, het is van avond geen weer om voor -niets naar schoolmeesters te zoeken.” - -Zij wierp een goudstuk in de groote ruwe hand en, hoewel hij niet recht -wist hoeveel het waard was, zoo stelde de koetsier er zich voor het -oogenblik toch mee tevreden,—klaar om aanstonds meer te vragen. - -Daar waren zij op de Bierkade. - -»Rechts moet je zijn.” - -»Neen, links,” riep een ander. - -»Hier woont een schoolmeester, sedert twintig jaar.” - -»Je bent te ver, koetsier, dáar bij de brug!” - -Welk een eeuwigheid! - -»Hier!” riep Louise en zij sprong het rijtuig uit voor een huis waar -geen gordijnen hingen en geen licht brandde in den gang. - -»Woont hier mr. D., de schoolmeester?” - -»Ja, juffer.” - -»Is de jongeheer George t’huis? Kan ik hem zien? Waar is hij?” Louise -was den gang reeds in. - -»De jongeheeren zijn allen met vacantie naar huis. De kerst-vacantie -weet u, en...” - -»Waar kan ik hem vinden?” - -»Wie, juffer?” - -»Wel George! Waar is George heen?” - -»Ik zal eens gaan hooren.” - -Wat duurde dat hooren lang! - -»De jongeheer is naar Leiden.” - -»Bij wie? Waar?” - -»O! dat weet ik niet.” - -»Weet niemand het?” - -»Ja wel, de juffrouw.” - -»Vraag dan de juffrouw.” - -»Dat mensch lijkt wel gek!” was de conclusie van de meid, die geheel -overeenkwam met die van den koetsier. - -Zij kwam terug met een papiertje waarop een paar namen stonden, dàt was -George’s adres in Leiden. - -»Naar het station terug, koetsier!...” - -»Gaat er nog een trein naar Leiden?” - -»Ja, over...” - -»Een kaartje dan.” - -En verder ging zij weer in hare koortsachtige gejaagdheid. - -Het was reeds laat toen zij te Leiden aankwam. Wat had ze ook lang in -dat station moeten wachten!... Hoe lang? Zij wist het niet. - -Het huis was gauw genoeg gevonden; maar de jonge heeren waren naar bed. - -»Naar een hôtel dan.” - -»Naar welk, juffer?” vroeg de koetsier. - -»Het grootste.” - -Hij bracht haar naar het kleinste, maar gevoelde toch iets als schaamte -toen zij hem betaald had. - -»Wil mevrouw naar een beter hôtel gaan dan dit?” vroeg hij aarzelend, -»dan zal ik mevrouw...” - -»’t Is goed zoo. Wat kan het mij schelen waar ik ben! Voor een enkelen -nacht.” - -En welk een nacht! - -Nu was zij dan eindelijk in de nabijheid van haar kind! In dezelfde -stad met haar geliefden George!... O, had zij hem slechts even -gezien... Een enkel oogenblik... Van verre desnoods... Morgen! Komt -morgen dan nooit? ’t Was of de klok stilstond en haar horloge ook—en de -zon ook—of scheen de zon niet in Leiden? En dan de klepperman met zijn: -»Eén heeft de klok!” - -»Eén?—Niet mogelijk!” - -Maar alles zei éen. Zij moest dus weer berusten en gelooven dat het éen -moest zijn. - -Hoe dikwijls had zij zich reeds te bed geworpen, hoe dikwijls was zij -weer opgesprongen! Wat was zij vermoeid, en toch kon zij niet slapen. -Zij had de koorts, zij weende, zij lachte. O kon zij haar kind slechts -wederzien! - -De hagel kletterde tegen de ramen. Die nacht scheen eeuwig voort te -duren. Wat was het donker en koud. Waar bleef de zon dan toch? - -»Vijf heeft de klok.” - -Zij kon niet meer. Hare oogen vielen dicht en half bevrozen sliep zij -in met een traan op de wang en een lach om de lippen: een kinderbeeld -in ’t ver verschiet.... - -Wat werd zij somber wakker. Ze had vier uren lang gerust. Wat had ze -gedroomd, dat haar zoo kon doen schreien? Zij wist het niet. Het was -iets van schande, van haat geweest, iets van spottend lachen ook, dacht -ze. - -De hagel had opgehouden, de lucht was helder, de winterzon wierp -vroolijk haar morgenlicht in de groote donkere kamer, waarom had zij nu -den moed niet om zich aan te kleeden en uit te gaan en haar kind te -zien? - -»O, mijn God, bespaar mij die droefheid.” - -Zij weende bitter en verborg het hoofd in de handen. - -Toen zij wat tot bedaren was gekomen, stond zij op en schelde om het -ontbijt. - -Gisteren had zij aan geen eten gedacht, zij had nu ook geen honger: zij -zocht een reden om te dralen. - -»Reeds half tien... En ik heb gezegd dat ik vóor twaalven terug zou -komen... Wat vliegt die tijd voorbij... En indien hij mij verachtte? -Niet meer kennen wilde?... Verstootte?... Hij is nu twaalf jaar oud, -mijn brieven heeft hij nooit ontvangen, men heeft ze onderschept, dit -weet ik... De menschen zijn zoo wreed! zoo wraakzuchtig! zoo slecht! - - - -»O God! geef mij kracht om in het belang van mijn kind alleen te -handelen!...” - -Een oogenblik bleef zij als gedachteloos voor zich staren, toen richtte -zij zich op, kalm en vastberaden, als in de dagen harer grootheid, en -sprak bijna overluid. - -»Neen, Werner.—Indien het den geesten van afgestorvenen vergund is, -onzichtbare getuigen te wezen van het leven dergenen die zij eenmaal op -aarde hebben lief gehad, dan zult gij weten dat gij vertrouwen kunt op -de vrouw aan wie gij uwen lieveling hebt nagelaten.—Nooit zal zwakheid -of eigenbelang mij den eed doen verbreken, dien ik in uwe stervende -handen heb afgelegd. De toekomst van uw kind zal heilig voor mij wezen, -dit zweer ik u.” - -Zij schelde, vroeg een rijtuig en reed naar haren zoon. - - - -»Je tante misschien?” - -»Ik heb geen tantes.” - -»Nu, je moeder dan.” - -»Ik heb geen moeder!” was het antwoord, dat gepaard ging met een klap -die klonk in den gang. »Dat zal je leeren om van mijn moeder te -spreken.” - -Er volgde eenig gestommel, een worsteling waarschijnlijk; en toen ging -de deur open en kwam er een jongen binnen met roode wangen, vonkelende -oogen, dikke blonde lokken die hem tot op de schouders hingen en die -hij met een ongeduldig hoofdschudden naar achteren wierp. - -»Ik ben George.” sprak hij hijgend. - -»Ik zie het...” antwoordde Louise nauw hoorbaar. Zij kon niet verder -spreken. Zij greep hem bij de hand, trok hem naar zich toe en gaf hem -een kus op de wang, dien de jongen onwillekeurig met zijn mouw -afveegde. - -»Vele jaren geleden heb ik uwe ouders gekend,” begon Louise na eenige -aarzeling, en zij wachtte even, moed scheppende om verder te spreken. - -De jongen lachte onverschillig en spotachtig alsof hij zeggen wilde: -»Dan hebt gij meer gekend dan ik!” - -»Uw vader,” vervolgde zij »wiens oogappel gij waart, uwe moeder...” - -»Spreek mij nooit van mijn moeder, mevrouw! Ik heb het mensch nooit -gekend, ze is dood en begraven, dus, laat haar rusten als je blieft.” - -»Maar zij heeft u gekend...” antwoordde Louise, voortgaande tegen alle -terugstooting in, »en zij heeft u lief gehad zoo als weinige moeders -mogelijk lief kunnen hebben...” - -»’t Is mogelijk!” riep George, klaar om een deuntje te fluiten. »Ik ken -haar niet!” - -»Uwe grootmoeder, mevrouw Van Amerongen, is een paar maanden geleden -gestorven; dit weet gij, niet waar?” - -»Ja,” antwoordde George ernstiger, en haar met meer belangstelling -aanziende vervolgde hij: »Hebt gij grootmama ook gekend?” - -»Ja... zeer goed.” - -»Arme grootmoeder! Ik ken haar niet anders dan uit hare brieven, maar -ik had wat gegeven om haar persoonlijk te leeren kennen! Zij is altijd -zoo goed voor mij geweest.” - -Er kwam een vreeselijke gloed in Louise’s donkere oogen, een doodelijke -bleekheid overtoog haar schoon gelaat; zij sprong op, maar zich bijna -terstond herstellend, beet zij zich op de lippen en zweeg. - -De jongen vond iets spookachtigs in dat bleeke mensch met haar groote -zwarte oogen. - -»Hebt gij grootpapa ook gekend?” vroeg hij stotterend, omdat hij -eigenlijk niet wist hoe hij zich houden moest tegenover dat -vreemdsoortige mensch. - -»Ja... zeer goed.” - -Beide zwegen een oogenblik. - -Louise hervatte aarzelend: - -»Ik heb het een en ander voor u mee gebracht dat... dat grootmama mij -voor u gegeven had... hier is het...” - -Met hoe veel zorg had zij het pas in Parijs voor hem gekocht! - -Met een soort van godsdienstige vereering opende George het doosje dat -Louise hem ter hand stelde. - -Een gouden horloge!—Een ketting!—Een paar gouden manchetknoopen!—De -tranen schoten hem in de oogen toen hij dien rijkdom bezag. Zwijgend -drukte hij zijne moeder de hand, hij kon zóo gauw geen woorden vinden. - -Wat deed het haar goed, te midden van al hare droefheid, althans te -zien dat haar kind onbedorven was gebleven, dankbaar en fier zoo als -zij eenmaal den vader had lief gehad. Wat zag zij hem aan met hare -groote vragende oogen, als of zij in het diepst zijner ziel wilde -dringen om er zoo mogelijk éen woord van vergeving, van troost, voor -zijne arme moeder te vinden!—éen blik van sympathie... O, dat alleen -was reeds geluk geweest!—Maar niets—volstrekt niets... Welk een schat -van liefde moest haar George bezitten! En niets voor haar?... Welk een -eerbied voor de nagedachtenis zijner grootmoeder! En voor haar?... - -Zij stond op, sloot hem in hare armen, drukte een laatsten kus op het -voorhoofd van haar kind en verliet hem weenend, zich haastig in haar -rijtuig werpende om naar haar logement terug te keeren. - -Ook die droom was dus geëindigd. - -»O God! Ik dank u voor mijn kind. Gij hebt mijn vurigste bede -verhoord.—Ik mag niet meer vragen...” - - - - - - - - -TWEEENVEERTIGSTE HOOFDSTUK - -AUGUST VAN LANGENDIJK - - -Toen het zomer was geworden, en vele Nederlandsche families, verlangend -naar buitenlucht en zonneschijn, na de koude, droeve wintermaanden, -tusschen de muren bij de kachels doorgebracht, haar intrek genomen -hadden in het schoon gelegen hôtel Belle-vue bij Arnhem, waar alles -rust, gezelligheid en comfort ademde, kwam er op een dinsdagmorgen van -het spoorwegstation een jonge vrouw die twee kamers verlangde »bij de -maand”. Het hôtel was vol, men had geen plaats meer, geen twee kamers -althans... - -»Geef er mij dan een.” - -»Wij hebben er geen voor het oogenblik.” - -»Geen enkele kamer meer? Geen zolderkamertje? Geen hokje? Niets enfin, -waar ik logeeren kan, totdat er een paar kamers open zullen komen?—Ik -zal met alles tevreden zijn, geef mij wat gij wilt—maar zend mij naar -geen ander hôtel, want hier moet ik wezen!” - -Zij kreeg een kamertje ergens boven, heel hoog, en verhuisde eenige -dagen later naar beneden, waar toen een paar groote kamers waren -opengekomen. - -Die vrouw was buitengewoon schoon en zij was alleen. Zij scheen rijk te -wezen. Brieven ontving zij niet en niemand kende haar. Ook zij kende -niemand en vermeed elke gelegenheid om kennissen te maken. Zij was in -het zwart gekleed, altijd, doch niet in den rouw, en had iets sombers, -iets droefgeestigs over zich, dat geheel in overeenstemming was met -hare zware donkere kleeding. Men had haar mooi gevonden en -onverdragelijk, coquette, stijf, trotsch, excentrique. Zij was -ongelukkig, dat was al. Zij was daar met een doel, naar het scheen, -want dagelijks vroeg zij naar de vreemdelingen die er gekomen waren, -en, wanneer zij de namen vernomen had, liep zij met een -onverschilligheid heen, die veel van teleurstelling had. - -Drie weken was zij er reeds geweest en nog altijd bleef zij als den -eersten dag zwijgend, koud, teruggetrokken, beleefd jegens allen, -vriendelijk tegen niemand, haar tijd doorbrengende met lezen, of met -het maken van handwerken, of somwijlen ook met half droomend naar het -schoone landschap te staren, dat zich in volle zomerpracht voor haar -ontrolde. - -Hare menschenschuwheid, die slecht overeenkwam met hare gemakkelijke -hoffelijke manieren, deed haar terstond in het oog vallen, en trok al -spoedig de algemeene aandacht zoo zeer, dat zij het onderwerp der -meeste gesprekken werd en men schier het onmogelijke deed om met haar -in kennis te komen, of het een of ander betreffende haar verleden uit -te vorschen. - -Eens op een avond toen zij, als naar gewoonte, alleen zat thee te -drinken op het terras, kwamen er nieuwe logés, die zij met ongewone -belangstelling gadesloeg. Het waren drie personen, een oude grijze heer -met een rood gezicht, zijn echtgenoote, een zware vrouw met zwart haar -en kleine, schitterende oogjes, en hun zoon, een jong mensch van een -jaar of achttien, negentien. Zij scheen die menschen te kennen, -ofschoon de nieuwaangekomenen beweerden haar nooit gezien te hebben. - -Drie dagen lang hield zij de vreemdelingen in het oog met een geduld en -een oplettendheid welke niemand begreep, en toen eindelijk den derden -dag, tegen het vallen van den avond, de oude lui uitgegaan waren en de -zoon alleen onder de verandah zijn cigaartje zat te rooken, naderde zij -langzaam zijn tafeltje en zeide met eenige aarzeling: - -»Vergeef mij mijnheer, maar indien ik mij niet vergis, moet gij August -Stevens van Langendijk zijn, zoon van den oud-raad van Indië Van -Langendijk—student aan de academie te Leiden...” - -»Dat ben ik, mevrouw,” antwoordde de jongeling opspringende, »mag ik u -vragen... kent gij mij?” - -»Ik heb u gekend—en ik zou u gaarne weer willen kennen... Kan ik u niet -een oogenblik alleen spreken, ergens waar niemand ons zien kan, niemand -ons hooren kan vooral?” - -»Boven, in onze kamers,” antwoordde August goedig. - -»Ik volg u.” - -Zij gingen. - -Van Langendijk bood zijne vreemde bezoekster heel beleefd een stoel aan -en bleef tegenover haar staan, ongeduldig wachtende op hetgeen er -volgen zou. - -Zij haalde een pakje brieven uit haar zak en lei het vóor zich op -tafel. - -»Hier heb ik schrift, dat gij mogelijk herkennen zult,” sprak zij -zacht, en een oud papier uitzoekende, dat geel zag en beschreven was -met groote onregelmatige letters, bood zij het August aan met de -woorden: »Kent gij die kinderhand?” - -Hij bezag het aandachtig. - -»Het is van mij,” zei hij lachend. Maar plotseling verdween de lach van -zijn gelaat en op zijn beurt de vreemdelinge uitvorschend aanziende, -reikte hij haar op eens beide handen met de woorden: - -»Zijt gij die vrouw?—Mijne moeder?” - -Louise wierp zich zwijgend in de armen van haar stiefkind, haar tranen -beletten haar te antwoorden. - -»Wat heb ik dikwijls aan u gedacht, over u gesproken, naar u gevraagd!” -riep August. »Gij die over mij gewaakt hebt en mij beschermd hebt door -alle omstandigheden heen. O mijne moeder, wat ben ik gelukkig u -eindelijk weer te vinden!... ’t Is waar, ik had u niet herkend; ik was -ook zoo jong toen ik u verliet... ik herinnerde mij niet meer hoe gij -er uit zaagt, maar ik weet hoe goed gij voor mij geweest zijt en dat -vergeet ik nooit.” - -»Dank je kind...” - -Beide zwegen eenige oogenblikken, toen hernam Louise zachter, zich uit -zijn armen loswikkelende: - -»Luister August, gij zijt nu geen kind meer, en ik wil dus met u -spreken als met een man, een vriend. Ik kan uw vader niet weder zien, -hij heeft mij gelukkig niet herkend, maar ook, al had hij mij herkend, -dan nog zou ik niet van hier vertrokken zijn vóor u gesproken te -hebben... Ik wist dat gij elken zomer met uwe ouders hier kwaamt, -daarom ben ik ook gekomen...” Zij wachtte even en hernam toen nog -zachter: »Mijn verleden is u bekend, niet waar?—Gij weet dat ik een -kind heb?” - -»George.—Ik ken hem.” - -»Ik weet het.—Maar George kent zijne moeder niet en wil haar niet -kennen. Hij heeft haar vervloekt!” - -»Niet mogelijk!... Maar dan...” - -»O, beschuldig hem niet! Ik heb hem vergeven. Maar ik had voor hem -willen zorgen, over hem willen waken, zelve zijne opvoeding willen -bestieren... Hij veracht mij, hij heeft mij verstooten; en machteloos -moet ik mijn kind aan vreemden overlaten, die mogelijk liefdeloos zijn, -hardvochtig en wreed, onverstandig, baatzuchtig, onverschillig. O -August, beloof mij dat gij over mijn arm kind zult waken!—Tracht zijn -vertrouwen te winnen, en help hem, steun hem, troost hem waar gij -kunt... Zeg mij wat hij noodig zal hebben, en geef het hem voor mij, -maar laat hem nooit weten dat het van zijn moeder komt, want hij zou te -trotsch wezen om het van haar aan te nemen. Bovendien, zijn moeder is -dood, dat hebben de menschen hem gezegd, laat haar dood voor hem -blijven.” - -Ook August’s oogen schoten vol tranen. Wat verstond zijn eerlijk hart -die droeve woorden goed, ofschoon ze niet op hem sloegen. - -»Ik beloof het u,” sprak hij vastberaden, haar de hand reikende, »wat -ik voor hem doen kan, zal ik voor hem doen. Ik beloof u dat ik voor hem -zorgen zal als voor mijn eigen broeder.—Toch kan ik nooit zóo veel voor -hem doen als gij voor mij hebt gedaan!” - -»Gij kunt meer, veel meer; want wat gij voor hem doet, dat doet gij ook -voor mij.” - -Zij drukte een kus op het voorhoofd van den jongeling, gaf hem haar -adres op in den Haag, en verzocht hem dringend, niets van het -voorgevallene aan wie ook mee te deelen. - -Den volgenden morgen verliet zij Arnhem. - - - - - - - - -DRIEENVEERTIGSTE HOOFDSTUK - -OUDE KENNISSEN - -Eenige jaren later - - -Eene vrouw van meer dan middelbaren leeftijd, ligt half droomend op een -rood fluweelen sofa uitgestrekt. De zon werpt haar gouden licht -vroolijk door de ramen met bloemen versierd, en doet de weelde van het -vorstelijk gemeubeld vertrek uitkomen. Wij bevinden ons in een van die -groote statige ouderwetsche huizen op den Vijverberg in den Haag, die -hun roem bij eeuwen tellen en niet voornemens schijnen om in deze eeuw -nog afstand van hun voorrang te doen. - -In de vrouw die dit huis bewoont vinden wij Ella Salvita, mevrouw Van -Wageningen, weder. - -Zij is nog schoon, ja, meer dan schoon zouden wij bijna zeggen, zij is -aantrekkelijk, bekoorlijk. Niet dat zij krachtig, vroolijk, levendig is -zoo als zij vroeger was, met een lachend oog en een hart vol -geestdrift, maar ze is kalm, zacht, vastberaden, liefdevol, groot en -edel met zelfbewustheid. Zij heeft veel verdriet gehad in haar leven; -zij heeft geworsteld tegen domheid en bijgeloof, gestreden tegen -gewoonte en vooroordeel; zij heeft armoede en ontbering gekend, -medelijden en verachting, spot, haat, miskenning, smaad. Zij heeft -alles vergeven, en nu zij rijk en onafhankelijk is, ofschoon niet -gelukkig, tracht zij anderen de moeielijkheden te besparen die haar het -meest gegriefd en gefolterd hebben. - -Zij schijnt iemand te wachten, want bij elk geritsel dat zij hoort, -ziet zij naar de deur alsof daar buiten iemand wezen moest met wien -haar geheele ziel vervuld was. - -Eindelijk werd er zacht geklopt en een oogenblik later trad een jong -mensch binnen. Slank, welgevormd, fijngemanierd, bruin van tint met -donkere oogen en gitzwart haar had hij veel van een Italiaan of een -Spanjaard; hij reikte Ella de net geganteerde hand en schoof een -tabouret aan, waarop hij naast de sofa plaats nam. - -»Hoe gaat het mevrouw?” vraagt hij met teedere belangstelling, »is de -koorts wat minder van daag?” - -»Dank je August, ik ben veel beter. Als het zóo voort gaat, hoop ik -over eenige dagen sterk genoeg te zijn om weder uit te gaan en met u -een bezoek aan uw moeder te brengen.” - -»Denkt gij?” vroeg de jongman twijfelend, ofschoon de glans zijner -oogen zeide: »Ik hoop het!” - -»O zeker, ik ben niet ziek meer, ik ben alleen zwak, en zwakte is een -kinderkwaal, die men spoedig genoeg ontgroeit.” - -August drukte hare hand en zag haar treurig aan, zonder een woord te -uiten. - -Na eenige minuten zwijgens brak mevrouw Van Wageningen de stilte weder -af met de vraag: - -»Wanneer hebt gij haar het laatst gezien?” - -»Een maand geleden.” - -»En uw vader?” - -»Van daag. Hij was zeer zwak, bijna stervende en hij weet dat hij niet -genezen kan; toch wil hij van geen vergeven hooren—hij zegt zelfs dat -hij mij voor de helft onterven zal, indien ik weer een voet bij haar in -huis zet. En hij is stervende, mevrouw! ’t Is vreeselijk!” - -Weer zwegen beiden geruimen tijd. - -»En hoe maakt George het aan de akademie?” - -»O! het gaat met George heel goed, ’t is een knappe jongen—maar -verschrikkelijk trotsch! Hij gaat gebukt onder het geheim zijner -geboorte; de gansche wereld ziet er hem op aan, beweert hij, en zijn -moeder is hem een afschuw, ofschoon hij zich de arme vrouw volstrekt -niet meer herinnert.” - -»Weet hij dat gij haar kent?” - -»Neen mevrouw, ik heb haar beloofd dat ik het hem nooit zou zeggen.” - -»Arme vrouw!” - -»En ze is zoo goed voor hem, zoo onuitputtelijk goed! Ik begrijp niet -hoe zij ’t vol kan houden... En nu ze weet dat hij ’s Zaterdags in den -Haag komt en tot Maandag blijft, staat zij uren lang door de jalousieën -te turen in de hoop van hem even in het voorbijgaan te zien, zonder -zelve gezien te worden.—Ik kan het niet helpen, mevrouw, en het is -zeker slecht van mij, maar er zijn oogenblikken waarin ik dien jongen -niet uit kan staan, om zijn onverdragelijken kinderachtigen trots dien -hij zelf »grootheid van ziel” durft noemen!—Ik vind meer grootheid van -ziel in zijne moeder dan in hem. Wat de menschen er ook van zeggen -mogen, voor mij is die vrouw een Engel op aarde! Een schier -bovenmenschelijk wezen, al heeft zij dan ook een misstap gedaan, -waarvoor de menschen denken dat zij haar, haar leven lang verachten -mogen!” - -»En dat een misstap dien zij gedaan heeft, toen zij krankzinnig was van -verontwaardiging en droefheid! Och! de wereld is zoo onrechtvaardig en -wreed!” - -»Ten opzichte van haar vooral. Niemand kent haar hier, zij gaat om zoo -te zeggen nooit uit, ze is niemand tot last en doet goed waar ze kan, -en toch is iedereen gereed haar te bespotten of te verachten! ’t Maakt -mij tusschenbeide razend als ik de menschen over haar hoor spreken! -Oude, uitgedroogde tooverheksen, tusschen een breikous en een -statenbijbel, en jonge gelukkig gehuwde vrouwen met een half dozijn -gezonde, bloeiende kinderen om zich heen! Zij moesten zich schamen de -godvruchtige créaturen om een medemensch zoo te vonnissen! Ik heb -eergisteren nog een uitval gedaan... Mevrouwtje lief ik kon het niet -helpen, zie er mij s.v.p. niet zoo verwijtend om aan!... Het was bij de -familie B. in Leiden. Er waren een tiental getrouwde vrouwen en -oude-jonge-jufvrouwen bij elkaar en het gesprek liep, half fluisterend, -over een jong kindermeisje dat zich in de gracht verdronken had, omdat -zij op het punt was van moeder te worden... Zonder een enkel woord van -medelijden of sympathie, werd het arme schepsel door die volmaakte -kerkeleden gevonnist en zeer liefdevol rechtstreeks naar de hel -gezonden. Eene van de oude vrijsters wierp een blik op mij, die blik -deed mij koken en zonder mij een oogenblik te bedenken, liet ik mij -ontvallen: »Menigeen veroordeelt, die nooit in zulke verleiding geweest -is, en die den moed niet zou hebben er zooals dit meisje voor te boeten -met haar leven!” Er volgde een doodsche stilte eerst veel later -verbroken door een fluisterend gesprek der vrome dames, waar het mij, -God dank, vergund was buiten te blijven.” - -»Dat zullen die dames u niet licht vergeven!” - -»Dat hoop ik! Dan zullen zij ten minste zorg dragen in mijn bijzijn wat -meer égards voor ongelukkigen te hebben.” - -»Och, August! Dáar moet gij u zóo boos niet over maken; geloof mij, -onwetendheid alleen is hard—verstand is goedig. Domheid is haat, -afgunst, wreedheid, en kennis medelijden, liefde, vergeving.” - -»En gij hebt recht van spreken mevrouw! Was de wereld u gelijk dan -zouden wij geen reden van klagen hebben!” - -Een oud man, grijs en gebogen, met een goedigen lach, opende de deur en -vroeg zacht: - -»Wie is daar bij je, Ella?” - -»August van Langendijk,” antwoordde de jongman dadelijk opspringende, -en den grijsaard te gemoet snellende, om hem naar een fauteuil te -geleiden. - -Ritmeester van Wageningen was blind... - - - - - - - - -VIERENVEERTIGSTE HOOFDSTUK - -IN HET HAAGSCHE BOSCH - - -Woensdag avond. Alles stroomt naar het haagsche bosch. De muziek der -grenadiers doet hare mélodieuse tonen over den vijver golven, en vult -de lange donkere lanen met haar schoone volle harmoniën. Met stilte -luistert het publiek naar een fantaisie op de Juive, alles ademt rust -en genot, men gevoelt het, hier zijn alleen diegenen gekomen die -gelukkig zijn, of slechts vermoeid, of die hunne zorgen te huis konden -laten. - -Aan een tafeltje rechts van de tent zit een dikke oost-indische kolonel -met zijne vrouw en kinderen. Zij zijn pas in het land gekomen schijnt -het, want die geheele familie, vader, moeder en vijf kinderen, ziet er -nog zoo vreemd uit, met die verbrande gezichten en eenigszins -zonderlinge kleeding. Niet dat ze anders gekleed zijn dan het overige -publiek, of dat ze er ouderwetsch of arm uitzien, neen, maar onhandig. -Die mooie, gezonde vrouw schijnt niet geschapen voor een hoed met -keelbanden; die groote strik onder haar kin hindert haar, zij maakt -haar los en werpt de linten naar achteren, maar die linten hooren dáar -niet, en eer zij er aan denkt vliegen zij haar weer om den hals. Ook -die kinderen tobben vreeselijk met hun hoeden, het jongste meisje -vooral: dat schepseltje ziet geregeld scheel ter eere van haar mooie -witte veer! En de handschoenen dan. Die kleine handjes zijn gemaakt om -vrij te zijn, die vlugge vingertjes voelen zich niet op hunne plaats in -de mooie, nieuwe glacé handschoentjes die knijpen en trekken en -gevoelloos maken... Wacht maar kinderen! Eenige jaartjes nog, en uw -geheel bestaan zal zóo gepakt worden in een handschoentje dat knijpt en -trekt en gevoelloos maakt! - -Maar dat was het niet waaraan zij dachten met hare ronde gezichtjes en -vriendelijk lachende oogen. Zij hadden oude kennissen gezien, een jong -mensch met golvende, blonde lokken en een ander met zwarte goedige -oogen. Emma, de oudste, had gebloosd voor dien zwarte, en de kleintjes -lachten haar uit, omdat ze meer van den blonde hielden, die -tusschenbeide krijgertje met haar speelde. - -»George!” riep de kleine Lieze, maar George hoorde haar niet en liep -haar voorbij om naar de familie Wagner te zoeken, die vóor hem zat. - -»Wat is hij mooi!” riep Anna, die even twaalf telde. »Hoe kan Emma toch -zoo dwaas wezen om meer van August te houden, zoo’n domme liplap!...” - -Emma voelde zich vreeselijk beleedigd door die »speech” harer zuster, -maar zeide niets. Ook zij had August gezien—ergens in de foule—zij was -er niet zeker van, want zij durfde niet omkijken, wacht, straks, als -niemand het ziet... - -»Wel van Langendijk, hoe gaat het, mijn vriend?” - -Dáar was hij! Haar vader gaf hem de hand, liet een van de kleine -jongens voor hem opstaan en bood hem een cigaar aan.—Daar kwam ook -George aangesneld. - -»Eindelijk!” riep hij half buiten adem, »wat heb ik rondgedwaald om u -te zoeken!” - -»Je bent te driftig,” zeide August kalm, »ik kom het hek pas binnen et -me voici installé...” - -»Je hebt meer geluk dan ik, dat is al,” antwoordde George eenigszins -scherp. - -»Een cigaar?” vroeg de kolonel, zijn oudste zoontje opjagende, en -George was ook »geïnstalleerd”. - -»Ik heb je nog bij je mouw getrokken,” fluisterde Lieze hem in, »heb je -’t niet gevoeld?” - -»Neen, wanneer?” - -»Wel daar even, toen je hier voor den derden keer voorbij kwaamt...” - -»Ik heb niets gevoeld.” - -»Foei!...” - -»Welk nieuws?” vroeg de kolonel. - -»Geen!” antwoordde George. - -»Wat? Geen?” riep August, »is het geen nieuws dat je zoo glorieus door -je examen bent gekomen?” - -»Ben je? Wel, ik feliciteer je man!” - -»Van harte geluk!” riep Lina, en al de kinderen voegden hun -gelukwenschen bij die der ouders, welke George ontving als of hij ze -zijn gansche leven door ontvangen had, terwijl August innig in de -algemeene vreugde deelde. - -Emma zag het, en gevoelde niets voor de knapheid van George, dien zij -»naar” vond. - -»Zóo ver heb ik het nooit kunnen brengen!” riep August met eenvoudige -goedigheid. - -»Ik hoop het verder te brengen,” antwoordde George trotsch. - -August zag hem even aan. - -»Dàt hoop ik ook,” sprak hij lachend, »want je bent een man van studie -en van kunde en die hebben wij noodig in ons land.” - -»Denk je?” vroeg George op een toon, waarin lag: »Het doet er niet veel -toe wat je denkt.” - -August voelde zich gekrenkt, maar hij vergaf den knappen George zijne -bitterheid, hij wist wel waar zij uit voort sproot. - -De mooie Emma had hem hare toekomst beloofd, en, ofschoon George niets -wist, toch vermoedde hij iets dergelijks, daar het jonge meisje den -»dommen liplap” steeds de voorkeur gaf boven den knappen, blonden -student en zich volstrekt geen geweld aan deed om hare »belachelijke -admiratie” voor den »kleurling” te verbergen. - - - - - - - - -VIJFENVEERTIGSTE HOOFDSTUK - -ACADEMIE-VRIENDEN - - -Niets was grappiger dan de zonderlinge vriendschap, die er tusschen van -Langendijk en George bestond. August eenige jaren ouder dan George, -behandelde zijn jongen vriend met een soort van beschermende -bewondering die deze onverdragelijk vond, daar hij er van overtuigd was -dat hij meer verstand in zijn pink had dan die domme liplap in zijn -geheele hoofd. Maar was hij ziek of verdrietig, gevoelde hij zich -ongelukkig over het een of ander waaraan niets te veranderen viel, had -hij geld noodig of hulp, dan was het altijd weer de domme liplap die -voor hem deed hetgeen geen ander voor hem gedaan zou hebben. - -»Het helpt je niet,” had hij hem eens gezegd, toen George, -teleurgesteld in zijne studies, alles verzon om hem onaangenaam te -wezen. »Het helpt je niet, of je me al mishandelen wilt of beleedigen. -Ik heb beloofd dat ik je helpen zou overal en altijd, en dat zal ik -doen, of je me lief hebt of haat...” - -»Wat is dat?” had George driftig opspringende gevraagd. - -»Niets,” had de ander geantwoord, zóo dom en goedig dat George er hem -wel een klap voor had willen geven. - -August wist het geheim van George’s geboorte en hij was het geweest die -het hem had medegedeeld. - -Wat hadden zij dikwijls over dat onderwerp gekibbeld! Wat had George in -zijne wijsheid niet gegeven om Stevens van Langendijk te heeten! En hoe -gaarne had de domme August hem den grooten naam afgestaan waaraan hij -geen waarde hechtte! - -»Is het niet het zelfde of je Piet of Dirk heet?” had hij hem in zijn -onnoozelen eenvoud gevraagd. »Wat doet de naam ter zake? Een jongen als -jij, wel, die maakt zich een naam! Ik wou dat ik George heette en dat -ik zóo knap was als jij, dan had ik den naam van mijn vader niet noodig -om mij staande te houden in de publieke opinie.” - -»Je bent ondankbaar, en je weet niet wat je zegt! Indien je zóoveel -geleden had als ik...” - -»Ik!” riep August met een gullen lach, »ik geloof dat ik evenveel -geleden heb onder den trots van mijn vader als jij onder je eigen -trots! Ambtenaar eerste klasse voor Indië moest ik worden, omdat mijn -vader een resident in mij zag, een raad van Indië, een -Gouverneur-Generaal, weet ik al wat! Och, arm!... Ik!... Ziet gij, zulk -een toekomst droomt gij u voor u zelven, en droomde hij zich voor mij! -Het eenige onderscheid is, dat uw droom op wetenschap en studie gegrond -is en eenmaal verwezenlijkt kan worden, terwijl de zijne slechts een -illusie was, die in de domheid van zijn zoon verloren is gegaan.” - -George kon het niet helpen, met al zijn superioriteit en al zijn trots, -al zijn afgunst en ongeduld, dat hij toch voor August een sympathie -gevoelde die hij zich niet verklaren kon, en die hij zich in ’t publiek -zelfs soms schaamde, ofschoon dan de naam, Van Langendijk, tot apologie -kon strekken. - -Eenmaal had August een vreeselijke vraag gedaan: - -»Herinnert gij u in het geheel uw moeder niet meer?” - -George was opgevlogen alsof hij hem vermoorden wilde. - -»Neen, God dank niet!” had hij toen woedend geantwoord. »Dat mensch is -dood—en het is haar geluk!” - -»Toch zou het uw geluk geweest zijn, indien zij geleefd had,” ging -August voort, tegen alle drift en ongeduld van zijn vriend in. »Ik heb -haar gekend. Wat was zij zacht, en goed, en lief—edelmoedig en -zelfopofferend!...” - -»En mooi vooral, niet waar?” viel George hem sarkastisch in de rede. -»Luister, August, indien gij eenige waarde aan mijn vriendschap hecht, -spreek mij dan nooit meer van mijn moeder!—Ze is dood, gelukkig!—Leefde -zij nog, dan ging ik haar opzoeken, eens slechts, éens, om haar zelf te -zeggen dat ik haar haat, veracht, vervloek voor eeuwig!” - -»Schaam u, George!” - -»Geen woord meer over dit onderwerp,” gebood George bevend van toorn, -en zijn pet grijpende vlood hij de straat op zonder zelf te weten -waarheen. - -Na dien tijd had August hem nooit meer over zijne moeder gesproken, -maar nu hij op een meer intiemen voet bij de familie Wagner aan huis -begon te komen, had hij Lina in den arm genomen en haar verzocht een -laatste poging te wagen, om George met zijn moeder te verzoenen. - -Lina had de moeielijke taak aanvaard, en dien zekeren Woensdagavond in -het bosch had zij George verzocht den volgenden morgen bij haar te -komen, daar zij hem iets mee te deelen had, dat van het grootste belang -voor hem was. - - - - - - - - -ZESENVEERTIGSTE HOOFDSTUK - -LINA’S TUSSCHENKOMST - - -George kwam den volgenden morgen, trotsch en geleerd als altijd, zonder -in het minst te gissen welke de reden kon zijn van Lina’s vreemde -uitnoodiging. - -»Emma mogelijk!” had hij binnentredende gedacht en het hoofd achterover -werpende had hij zijn vermetele gedachte beantwoord met een vast -besloten: »neen, geen Emma’s voor mij. Zulke dwaasheden zijn goed voor -August... Een kundig man moet vrij blijven, anders breekt hij zijn -carrière.” - -Toch hield hij van Emma zooveel als zijn zelfzuchtige ziel van iemand -houden kon; te weinig om een enkelen gloriedroom aan zijn liefde op te -offeren, genoeg om August elken blik van sympathie te benijden waarmede -het meisje onwillekeurig nu eens een goed woord dan weer een kleinen -dienst van zijn vriend beloonde. - -»Mijnheer George,” begon Lina zoodra zij zich met den jongeling alleen -bevond, »vermoedt gij waarom ik u dit onderhoud gevraagd heb?” - -»Volstrekt niet mevrouw.” - -»Het geldt uw moeder.” - -»Mijne moeder!—Ik heb geen moeder!—Ik zou zelfs bijna zeggen: ik heb -nooit eene moeder gehad!” - -»Dan zoudt gij onwaarheid spreken, want ofschoon gij u mogelijk de -zelfopofferende gehechtheid der liefdevolle vrouw die uwe moeder is, -niet meer herinnert, zoo heeft die toch bestaan, en... zoo bestaat die -nog.” - -»Nog!” riep George opspringende, »leeft mijn moeder nog? O, zeg mij, -mevrouw, waar ik die gehate vrouw kan vinden, opdat ik haar zelf zeggen -kan hoe diep ik haar veracht!” - -»Is dat al wat gij haar zeggen zoudt?” - -»Dat is al.” - -»Geen woord van medelijden, geen woord van sympathie of troost zoudt -gij in uw hart kunnen vinden voor de ongelukkige vrouw, die zoo -oneindig liefheeft gehad en zoo vreeselijk heeft geleden?” - -»Niets dan haat—eeuwige haat.” - -»Gij zijt uwer moeder onwaardig, George. Mogelijk zal er eenmaal een -dag komen dat de ondervinding u zal geleerd hebben hoe onvolmaakt -verstand is in vergelijking van gemoed, kom dien dag terug, dan zal ik -u de vrouw leeren kennen, die uw moeder is. Nu zijt gij voor dat geluk -nog niet rijp. Maar draal niet te lang, want uwe wreedheid doodt haar.” - -»Zij weet dus dat ik haar veracht?” - -»Zij weet alles... Luister, George, uw verachting is onrechtvaardig; -indien uw verstand u dit niet leert, laat uw hart het u zeggen...” - -En na hem het geheele leven zijner moeder medegedeeld te hebben, -besloot Lina met hem aan te raden om met August over het voorgevallene -te spreken. - -»Hij is uw vriend en hij kent uw moeder, indien iemand in uw belang zal -handelen is hij het, vraag hem om raad.” - -George lachte om dat vrouwenoordeel, greep zijn hoed en vertrok, -trotsch op zijn vast karakter dat hem onwankelbaar had doen volharden -op den eenmaal ingeslagen weg en hem had doen volhouden tegen alle -verleiding van verwondering en nieuwsgierigheid in. - - - - - - - - -ZEVENENVEERTIGSTE HOOFDSTUK - -DE LAATSTE BRIEVEN - - - Au lieu de l’instinct c’est l’intelligence - qui a compris le grand mot de la Nature - - Amour. - - - »George! - -»Het is met een stervende hand dat uwe moeder de laatste woorden -schrijft, die zij haar kind had willen toespreken—indien hij ze van -hare lippen had willen aanhooren. - -»Haat, verachting, vloek, niets anders hadt gij over voor de vrouw die -u het leven gaf. - -»Laat dezen brief verzegeld blijven totdat gij geleerd zult hebben een -zachter oordeel te vellen over het ongeluk dat u onbekend is.—Uwe -moeder wil niet, dat gij met een blik van toorn of verwijt hare woorden -lezen zult.” - -Dat opschrift beviel hem,—hij vond het curieus en, met een minachtend -lachje nam hij zijn mes en sneed hij de enveloppe open. - -»Geen vergeving, maar sympathie, maar medelijden eisch ik, eer gij -verder zult lezen.” - -Dat stond buiten op den brief, die nogmaals verzegeld was. - -Wat had zij hem goed gekend! Zij had het dus geweten dat hij bij hare -eerste woorden niet stil gestaan zou hebben! Dat hij ze gelezen zou -hebben met de oogen slechts, en dat hij verder zou gegaan zijn zonder -zelfs aan gehoorzamen te denken. - -Een oogenblik hield hij den brief geduldig tusschen zijne vingers, -bezag het opschrift dat hem aantrok, de kleine magere letters die hij -kinderachtig vond, het groote zegel dat hem nijdig maakte. Toen greep -hij weer zijn mes en opende ook den tweeden omslag. - -»Nu, ja, ik vergeef je!” mompelde hij half tusschen de tanden. »Ik -vergeef je, want ik wil zien wat je daar geschreven heb... En al vergaf -ik je ook niet, dan toch opende ik je brief; het is in allen geval mij -dat het geldt, en geen ander.” - -»Dus haat gij uw moeder niet meer?—veracht gij de vrouw niet meer die -gij nimmer gekend hebt? vervloekt gij niet meer het ongelukkige -schepsel dat uw vloek gedood heeft? Heb dank, George, voor dat eerste -blijk van rechtvaardigheid.” - -»Rechtvaardigheid!” Hij hield een oogenblik op met lezen, herlas dien -volzin nog eens.—»Ja, rechtvaardigheid,—dat staat er!” Hij las verder. - -»De wet had schuldig gezegd. - -»En de wereld heeft gelachen, gespot, veracht, gejuicht en aangeklaagd, -vervloekt! - -»De zoon had moeten zwijgen en vergeven, of liefhebben en troosten. - -»Maar de wet had ook den zoon aangeklaagd, en de menschen hebben het -kind verstooten, om de schuld der wereld.” - -»Wat—is—dat?” riep George, zich op eens in een geheel andere atmosfeer -bevindende dan die waarin hij gewoon was zich met zijne -academievrienden te bewegen. »Om de schuld der wereld? Der moeder, wil -ze zeggen!” Hij vervolgde. - -»De wereld, wier recht in kracht bestaat, en wier kracht op berekening -gegrond is, heeft hare geleerdheid in een wetboek uitgestort, en dat -wetboek als een eeuwig werkende guillotine in Gods volmaakte natuur -geplaatst, om te vermoorden al wat oorspronkelijk goed of groot zou -zijn.” - -»Hei! hei!” riep de jonge advocaat, opspringende. Toch was het een -andere lach dan die van zoo even, die zijn welgevormde lippen opende. -Hij las weer verder. - -»Ziel,” had de godheid gezegd. - -»Masker” het wetboek geantwoord. - -»Vrijheid.” - -»Neen, slavernij.” - -»Waarheid.” - -»Neen, bedrog.” - -»Leven.” - -»Neen, dood.” - -»En dood is het geweest, eeuwen en eeuwen lang! Dood volgens de wet, -zoo als het dood volgens de wereld was. - -»Dood voor de ziel, dat heette plicht.—Dat werd later in beschaving en -distinctie veranderd.—Valschheid was de rechte naam! - -»Dood voor het lichaam, dat werd glorie genoemd, martelaarschap en -heldenmoed.—Slavernij was de verborgen naam! - -»Dood voor het hart, dat heette deugd en reinheid, onschuld, -heiligheid.—Huichelarij had het moeten heeten, of onwetendheid, of -zielloosheid! - -»Dood voor het verstand, dat werd geleerdheid genoemd, of godsdienst, -braafheid, eenvoud. Goddeloosheid had het moeten zijn. Maar dood bleef -het altijd! - -»Dood,” hadden de menschen met bloedige letters op de eerste bladzijde -van hun wetboek moeten schrijven, dan hadden zij op de laatste -»waarheid” kunnen zetten met donkere letters van rouw! - -»Maar zij hebben »bescherming” tot hun opschrift gekozen en »kracht” -tot hun rechter, en nu wordt onderwerping deugd genoemd, terwijl de -misdaad wettig kan zijn en de sluwheid met succès wordt bekroond. - -»Natuur is buiten de wet en bij gevolg »schuldig.”” - -George lachte niet meer, hij staarde op den brief zijner moeder met -eene belangstelling die aan bewondering grensde. Het speet hem dat hij -die vrouw niet gekend had, zij had hem mogelijk van nut kunnen zijn. - -»Eene vrouw!” - -Daar kwam dat hatelijke lachje weder, waarvoor Emma hem niet uit kon -staan. - -Hij sloeg het blaadje om en wilde verder lezen—er was niet meer. - -»Wat is dat? Niets meer?...” - -Teleurgesteld las hij den ganschen brief nog eens over. - -En geen woord voor hem?—Geen woord van liefde?—Geen woord om hem -vergeving te vragen voor het leed dat zij hem berokkend had? Voor de -levenslange schande, die door hare schuld zou rusten op het kind zonder -naam?—Welk eene vrouw! Het was niet zóo dat August hem zijne moeder -beschreven had. »Zacht, en goed, en lief, edelmoedig en -zelfopofferend... Neen, eene soort van bas-bleu moest zij geweest -zijn!...” Het speet hem toch dat hij haar niet gekend had... In het -geheel geen doetje, zoo als hij zich had voorgesteld. - -Wat gaf die brief te denken! Maar ook niets meer dan dat. Gevoel zat er -niet in, liefde voor geen cent—een geest van opstand,—opstand tegen de -noodzakelijkheid. Dat was haar gansche leven immers ook geweest! Arm -mensch! - -George stond op om den brief in zijn secretaire te sluiten, op het -zelfde oogenblik werd de deur geopend en trad August binnen. - -»Zóo, ben jij ’t! Ga zitten, hier is een brief van mijn moeder, wil je -lezen?” - -August zette groote oogen op, hij wist niet wat hij hoorde, zonder te -antwoorden nam hij den brief aan en las. - -George plaatste zich voor zijne schrijftafel en deed als of hij -schreef, eigenlijk hield hij zijn vriend in het oog. - -Toen August den brief gelezen had, vouwde hij hem zorgvuldig dicht en -gaf hij hem aan George terug zonder een enkel woord te zeggen. - -»Nu?” - -»Wat?” vroeg August met zulk een gebroken stem, dat George er hem op -aanzag. »Huil je?” - -»Die vrouw was een engel, heb ik je altijd gezegd!...” - -»Een mooi soort van engel!” riep George met een gemaakten lach. - -August greep zijn hoed en verdween. - -Daar stond hij weer alleen in het midden van zijn kamer met den -geopenden brief zijner moeder vóor zich. - -»August is gek!” dacht hij bij zich zelven. »Ik begrijp de verblindheid -van dien jongen niet! Mijne moeder is een engel, dat was ze en dat moet -ze eeuwig blijven... hij heeft dat zoo gedecreteerd en zóo is het dus.” - -Hij lachte en greep den brief om hem in de secretaire te werpen. - -»Wat?—Twee?” riep hij op eens. »Wat is dat voor een brief?” - -»Om aan mijn zoon George te overhandigen, wanneer hij mijn eersten -brief gelezen zal hebben. - -»Ook van mijne moeder! En verzegeld!—Dien heeft August zeker -gebracht!—Met koortsachtige zenuwachtigheid opende hij den tweeden -brief. - -»Innig, innig geliefde George! Gedurende ruim vierentwintig jaar zijt -gij de oogappel uwer moeder geweest, het doel van haar leven, de hoop -harer toekomst. Ongezien, onbemind, ongekend heeft zij over haar kind -gewaakt, dat zij beschermd heeft, verzorgd en geraden van verre, en -door vreemden... - -»Grootheid zag zij in dat kind,—kracht, geleerdheid en fortuin.—Liefde -had zij in hem willen vinden. - -»Bewondering voor wat boven hem is. - -»Bescherming voor wat hij beneden zich acht. - -»Hulp voor zwakken. - -»Vergeving voor verdoolden. - -»En troost voor ongelukkigen. - -»Sympathie voor al wat leeft en dus bestemd tot lijden is. - -»Want grootheid zonder liefde is tirannie. - -»Kracht zonder liefde is wreedheid. - -»Geleerdheid zonder liefde is onverstand. - -»En fortuin zonder liefde leidt tot gierigheid of tot verspilzucht.” - -George liet den brief op tafel vallen en staarde vóor zich, zonder te -weten waaraan hij dacht. - -»Dat is waar...” mompelde hij eindelijk, »waarom heb ik die vrouw niet -gekend?” - -»Omdat gij geene liefde hadt...” las hij verder; hij las dat schijnbare -antwoord op zijne vraag nog eens. - -»Omdat gij geene liefde hadt, hebt gij verstooten wat eenvoudig goed -was, en toch dat alleen is waar en groot. - -»Omdat gij geene liefde hadt, hebt gij de eenige vrouw veracht wier -liefde belangeloos was, wier raadgevingen heilig voor u hadden moeten -zijn. - -»Uwe moeder, de eenige persoon op aarde, aan wie de natuur zelve u -toevertrouwd had, hebt gij geweigerd te kennen. - -»Zoek geen verontschuldiging in de opinie der wereld—voor elke andere -vrouw zoudt gij kracht gehad hebben die opinie te trotseeren. - -»Zoek haar ook niet in onwetendheid. - -»Gij wist dat uw moeder leefde, dat zij u lief had en dat zij leed -onder uwe miskenning, die haar dooden moest. - -»Gij wist het, niet waar? - -»Welnu, uw weten heeft haar gedood. - -»Gingen uw haat, uw wraak, uw berekening zóo ver? - -»Uw moeder vergeeft u alles, kind! - -»Ik ken geen haat en geen wraak, ik ken niets meer dan medelijden. - -»Liefde was de schoonste schat die de godheid mij bij mijne geboorte -gaf. Liefde had mijn gansch bestaan moeten zijn. - -»Liefde voor de leidslieden die de natuur over mijne kindschheid -gesteld had. Liefde voor den man wiens ziel de zusterziel der mijne -was. Liefde voor het kind dat recht op mijne toekomst had. En liefde -voor de menschheid wier rampen mij lijden deden. - -»Liefde! - -»Niemand begreep mijne liefde... ik begreep haar zelve niet. - -»Liefde is een droom,” hadden mijne ouders mij geleerd. »Eene -gewoonte,” had de man der fortuin mij gezegd. »Een plicht of een -zonde!” riep de wereld mij toe, met haar wetboek in de hand en den -zegen der kerk tot staving harer onfeilbaarheid! - -»Toch was liefde het bevel der natuur. En worstelend, ongelukkig, -rampzalig, krankzinnig zelfs, heb ik lief gehad, om miskend te worden, -gefolterd, versmaad, bespot, veracht en eindelijk gedood. - -»Was het daarvoor dat God liefde schiep en medelijden? - -»Uw moeder vergeeft u, George. Gij zijt aan haar gelijk, mijn zoon, -want ook zij had het leven niet begrepen. Ook zij heeft gehaat en -veracht, en gelachen in spijt der liefde die haar ziel verteerde. Zij -had niet leeren strijden, dus moest zij wel bezwijken. Maar de dood -kwam nader, en eenzaam, verstooten en verlaten heeft zij het leven -begrepen dat ten einde spoedde, en haren Schepper gedankt voor het -eenige geschenk dat der volmaaktheid nadert: Liefde. - -»Leef gelukkig, mijn kind, uwe moeder zegent u en smeekt u, lief te -hebben. - -»Wees niet hard voor de menschheid die lijdt, want haar lijden is -onwetendheid. - -»Beschuldig niet, maar troost en help, en bescherm en stel uw eer in de -kracht van vergeven en van rechtvaardig goed te wezen. Die zwakheid -alleen is grootheid, is wijsheid, is geluk. - -»Vaarwel, mijn kind, mijn innig geliefde George! God schenke u liefde: -dit is de laatste zegen dien mijn stervende lippen Hem smeeken over u -uit te storten. - -»Vaarwel! - - »Uwe moeder.” - - -George zag de laatste woorden niet meer, zijn tranen verblindden hem. -Dit waren de eerste tranen van medelijden sedert de jaren zijner -kindschheid. - -»August heeft gelijk!” sprak hij afgebroken. »Mijne moeder was een -engel... Waarom heb ik die ongelukkige vrouw miskend! - - - -»De menschen hebben haar krankzinnig genoemd, omdat zij veel begreep en -weinig wist.” - - - - - - - - -AANTEEKENINGEN - - -[1] Siedin, ga eens zien of er geen brief op de piano ligt. - -[2] Indië, twintig jaar geleden. - -[3] Chineesche marschkramer. - -[4] Lastdrager. - -[5] Een klein dak van bladeren op vier bamboezen stijltjes. - -[6] Gekookte rijst; ongekookte noemt men bras, en in de halmen heet zij -paddie. - -[7] Snoeperijen, gebak. - -[8] Groote en-cas van bladeren of geolied papier. - -[9] Matje. - -[10] Juffrouw. - -[11] Jonge mijnheer. - -[12] Een langwerpig, vierkant rijtuig, aan alle kanten van glazen -raampjes en jalousiën voorzien. - -[13] Banana, vrucht. - -[14] Grillen, kuren. - -[15] Men lette er op dat wij hier het Java van een twintig jaren -geleden bedoelen, niet het eenvoudige, gastvrije »tempo doloe” noch -het, oppervlakkig schitterende, tegenwoordige. Wij bedoelen die rijke, -bloeiende, gemakkelijke Europeesche maatschappij op Java, die thans -worstelend bezwijkt onder de vergulde kroon der weelde en den ijzeren -schepter der welvoegelijkheid. - -[16] De vrouw die naar de markt gaat om inkoopen te doen. - -[17] De »daagsche pot” bestaat uit rijst (de hoofdschotel), kerrie, -sajor (gekookte groenten), drie tot zeven vleeschsoorten en -sambal-sambal. - -[18] Een Indische dame noemt haar japon nooit anders dan »mijn kleed”, -ook al is dat kleed van grof nanking of katoen. - -[19] Een groot vierkant dak, met atap (een lange grassoort) gedekt, op -houten of bamboezen stijlen. - -[20] Waaien, met groote grove waaiers van gevlochten matwerk, -opzettelijk tot dit einde vervaardigd en in alle keukens te vinden. - -[21] Jongen staat gelijk met het fransch »garçon”. Al is de man ook -honderd jaar oud, zoolang hij bediende is, blijft hij een jongen, zelfs -voor het kleinste kind. - -[22] Verguld zonnescherm; onderscheidingsteeken voor residenten. - -[23] Vergeving! - -[24] Jocelyn, par de Lamartine. - -[25] Aarden waterkruik. - -[26] Aap! - -[27] Woordelijk vertaald: »Winst, mijnheer de resident is uit.” - -[28] Ongelukkig, rampzalig. - -[29] Medelijden. - -[30] Aarden waterkruik. - -[31] Indische rok. - -[32] Doe veel bloemen in mijn haar. - -[33] Leg mijn fraaiste kleed gereed. - -[34] Mevrouw, de jongeheer Willem is ziek. - -[35] Wezenlijk. - -[36] Dispens: provisie-kamer. - -[37] Mati: dood, - -[38] Waar is mevrouw? - -[39] Domoor, luiaard! - -[40] Waar is mevrouw heen gegaan? - -[41] Ik weet het niet mijnheer. - -[42] Loop naar den duivel! - -[43] Bloem. - - - - -*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK EEN HUWELIJK IN INDIË *** - -Updated editions will replace the previous one--the old editions will -be renamed. - -Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright -law means that no one owns a United States copyright in these works, -so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the -United States without permission and without paying copyright -royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part -of this license, apply to copying and distributing Project -Gutenberg-tm electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG-tm -concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark, -and may not be used if you charge for an eBook, except by following -the terms of the trademark license, including paying royalties for use -of the Project Gutenberg trademark. If you do not charge anything for -copies of this eBook, complying with the trademark license is very -easy. You may use this eBook for nearly any purpose such as creation -of derivative works, reports, performances and research. Project -Gutenberg eBooks may be modified and printed and given away--you may -do practically ANYTHING in the United States with eBooks not protected -by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the trademark -license, especially commercial redistribution. - -START: FULL LICENSE - -THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE -PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK - -To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free -distribution of electronic works, by using or distributing this work -(or any other work associated in any way with the phrase "Project -Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full -Project Gutenberg-tm License available with this file or online at -www.gutenberg.org/license. - -Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project -Gutenberg-tm electronic works - -1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm -electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to -and accept all the terms of this license and intellectual property -(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all -the terms of this agreement, you must cease using and return or -destroy all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your -possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a -Project Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound -by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the -person or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph -1.E.8. - -1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be -used on or associated in any way with an electronic work by people who -agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few -things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works -even without complying with the full terms of this agreement. See -paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project -Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this -agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm -electronic works. See paragraph 1.E below. - -1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the -Foundation" or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection -of Project Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual -works in the collection are in the public domain in the United -States. If an individual work is unprotected by copyright law in the -United States and you are located in the United States, we do not -claim a right to prevent you from copying, distributing, performing, -displaying or creating derivative works based on the work as long as -all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope -that you will support the Project Gutenberg-tm mission of promoting -free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg-tm -works in compliance with the terms of this agreement for keeping the -Project Gutenberg-tm name associated with the work. You can easily -comply with the terms of this agreement by keeping this work in the -same format with its attached full Project Gutenberg-tm License when -you share it without charge with others. - -1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern -what you can do with this work. Copyright laws in most countries are -in a constant state of change. If you are outside the United States, -check the laws of your country in addition to the terms of this -agreement before downloading, copying, displaying, performing, -distributing or creating derivative works based on this work or any -other Project Gutenberg-tm work. The Foundation makes no -representations concerning the copyright status of any work in any -country other than the United States. - -1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: - -1.E.1. The following sentence, with active links to, or other -immediate access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear -prominently whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work -on which the phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the -phrase "Project Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, -performed, viewed, copied or distributed: - - This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and - most other parts of the world at no cost and with almost no - restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it - under the terms of the Project Gutenberg License included with this - eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the - United States, you will have to check the laws of the country where - you are located before using this eBook. - -1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is -derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not -contain a notice indicating that it is posted with permission of the -copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in -the United States without paying any fees or charges. If you are -redistributing or providing access to a work with the phrase "Project -Gutenberg" associated with or appearing on the work, you must comply -either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or -obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg-tm -trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9. - -1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted -with the permission of the copyright holder, your use and distribution -must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any -additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms -will be linked to the Project Gutenberg-tm License for all works -posted with the permission of the copyright holder found at the -beginning of this work. - -1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm -License terms from this work, or any files containing a part of this -work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. - -1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this -electronic work, or any part of this electronic work, without -prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with -active links or immediate access to the full terms of the Project -Gutenberg-tm License. - -1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, -compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including -any word processing or hypertext form. However, if you provide access -to or distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format -other than "Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official -version posted on the official Project Gutenberg-tm website -(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense -to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means -of obtaining a copy upon request, of the work in its original "Plain -Vanilla ASCII" or other form. Any alternate format must include the -full Project Gutenberg-tm License as specified in paragraph 1.E.1. - -1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, -performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works -unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. - -1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing -access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works -provided that: - -* You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from - the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method - you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed - to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he has - agreed to donate royalties under this paragraph to the Project - Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid - within 60 days following each date on which you prepare (or are - legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty - payments should be clearly marked as such and sent to the Project - Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in - Section 4, "Information about donations to the Project Gutenberg - Literary Archive Foundation." - -* You provide a full refund of any money paid by a user who notifies - you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he - does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm - License. You must require such a user to return or destroy all - copies of the works possessed in a physical medium and discontinue - all use of and all access to other copies of Project Gutenberg-tm - works. - -* You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of - any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the - electronic work is discovered and reported to you within 90 days of - receipt of the work. - -* You comply with all other terms of this agreement for free - distribution of Project Gutenberg-tm works. - -1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project -Gutenberg-tm electronic work or group of works on different terms than -are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing -from the Project Gutenberg Literary Archive Foundation, the manager of -the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the Foundation as set -forth in Section 3 below. - -1.F. - -1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable -effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread -works not protected by U.S. copyright law in creating the Project -Gutenberg-tm collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm -electronic works, and the medium on which they may be stored, may -contain "Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate -or corrupt data, transcription errors, a copyright or other -intellectual property infringement, a defective or damaged disk or -other medium, a computer virus, or computer codes that damage or -cannot be read by your equipment. - -1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right -of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project -Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project -Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all -liability to you for damages, costs and expenses, including legal -fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT -LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE -PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE -TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE -LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR -INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH -DAMAGE. - -1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a -defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can -receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a -written explanation to the person you received the work from. If you -received the work on a physical medium, you must return the medium -with your written explanation. The person or entity that provided you -with the defective work may elect to provide a replacement copy in -lieu of a refund. If you received the work electronically, the person -or entity providing it to you may choose to give you a second -opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If -the second copy is also defective, you may demand a refund in writing -without further opportunities to fix the problem. - -1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth -in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO -OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT -LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. - -1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied -warranties or the exclusion or limitation of certain types of -damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement -violates the law of the state applicable to this agreement, the -agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or -limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or -unenforceability of any provision of this agreement shall not void the -remaining provisions. - -1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the -trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone -providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in -accordance with this agreement, and any volunteers associated with the -production, promotion and distribution of Project Gutenberg-tm -electronic works, harmless from all liability, costs and expenses, -including legal fees, that arise directly or indirectly from any of -the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this -or any Project Gutenberg-tm work, (b) alteration, modification, or -additions or deletions to any Project Gutenberg-tm work, and (c) any -Defect you cause. - -Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm - -Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of -electronic works in formats readable by the widest variety of -computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It -exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations -from people in all walks of life. - -Volunteers and financial support to provide volunteers with the -assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's -goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will -remain freely available for generations to come. In 2001, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure -and permanent future for Project Gutenberg-tm and future -generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see -Sections 3 and 4 and the Foundation information page at -www.gutenberg.org - -Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation - -The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non-profit -501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the -state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal -Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification -number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by -U.S. federal laws and your state's laws. - -The Foundation's business office is located at 809 North 1500 West, -Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up -to date contact information can be found at the Foundation's website -and official page at www.gutenberg.org/contact - -Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg -Literary Archive Foundation - -Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without -widespread public support and donations to carry out its mission of -increasing the number of public domain and licensed works that can be -freely distributed in machine-readable form accessible by the widest -array of equipment including outdated equipment. Many small donations -($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt -status with the IRS. - -The Foundation is committed to complying with the laws regulating -charities and charitable donations in all 50 states of the United -States. Compliance requirements are not uniform and it takes a -considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up -with these requirements. We do not solicit donations in locations -where we have not received written confirmation of compliance. To SEND -DONATIONS or determine the status of compliance for any particular -state visit www.gutenberg.org/donate - -While we cannot and do not solicit contributions from states where we -have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition -against accepting unsolicited donations from donors in such states who -approach us with offers to donate. - -International donations are gratefully accepted, but we cannot make -any statements concerning tax treatment of donations received from -outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. - -Please check the Project Gutenberg web pages for current donation -methods and addresses. Donations are accepted in a number of other -ways including checks, online payments and credit card donations. To -donate, please visit: www.gutenberg.org/donate - -Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic works - -Professor Michael S. Hart was the originator of the Project -Gutenberg-tm concept of a library of electronic works that could be -freely shared with anyone. For forty years, he produced and -distributed Project Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of -volunteer support. - -Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed -editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in -the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not -necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper -edition. - -Most people start at our website which has the main PG search -facility: www.gutenberg.org - -This website includes information about Project Gutenberg-tm, -including how to make donations to the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to -subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. |
