summaryrefslogtreecommitdiff
diff options
context:
space:
mode:
-rw-r--r--.gitattributes4
-rw-r--r--LICENSE.txt11
-rw-r--r--README.md2
-rw-r--r--old/66778-0.txt12519
-rw-r--r--old/66778-0.zipbin202611 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/66778-h.zipbin281736 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/66778-h/66778-h.htm12240
-rw-r--r--old/66778-h/images/new-cover.jpgbin51816 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/66778-h/images/titlepage.pngbin5241 -> 0 bytes
9 files changed, 17 insertions, 24759 deletions
diff --git a/.gitattributes b/.gitattributes
new file mode 100644
index 0000000..d7b82bc
--- /dev/null
+++ b/.gitattributes
@@ -0,0 +1,4 @@
+*.txt text eol=lf
+*.htm text eol=lf
+*.html text eol=lf
+*.md text eol=lf
diff --git a/LICENSE.txt b/LICENSE.txt
new file mode 100644
index 0000000..6312041
--- /dev/null
+++ b/LICENSE.txt
@@ -0,0 +1,11 @@
+This eBook, including all associated images, markup, improvements,
+metadata, and any other content or labor, has been confirmed to be
+in the PUBLIC DOMAIN IN THE UNITED STATES.
+
+Procedures for determining public domain status are described in
+the "Copyright How-To" at https://www.gutenberg.org.
+
+No investigation has been made concerning possible copyrights in
+jurisdictions other than the United States. Anyone seeking to utilize
+this eBook outside of the United States should confirm copyright
+status under the laws that apply to them.
diff --git a/README.md b/README.md
new file mode 100644
index 0000000..1d57cb1
--- /dev/null
+++ b/README.md
@@ -0,0 +1,2 @@
+Project Gutenberg (https://www.gutenberg.org) public repository for
+eBook #66778 (https://www.gutenberg.org/ebooks/66778)
diff --git a/old/66778-0.txt b/old/66778-0.txt
deleted file mode 100644
index a56285f..0000000
--- a/old/66778-0.txt
+++ /dev/null
@@ -1,12519 +0,0 @@
-The Project Gutenberg eBook of Een huwelijk in Indië, by Mina (Wilhelmina
-Jacoba Paulina Rudolphine) Kruseman
-
-This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
-most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
-whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
-of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at
-www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you
-will have to check the laws of the country where you are located before
-using this eBook.
-
-Title: Een huwelijk in Indië
-
-Author: Mina (Wilhelmina Jacoba Paulina Rudolphine) Kruseman
-
-Release Date: November 20, 2021 [eBook #66778]
-
-Language: Dutch
-
-Character set encoding: UTF-8
-
-Produced by: Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading
- Team at https://www.pgdp.net/ for Project Gutenberg (This book
- was produced from scanned images of public domain material
- from the Google Books project.)
-
-*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK EEN HUWELIJK IN INDIË ***
-
-
-
- EEN
- HUWELIJK IN INDIË
-
- DOOR
- MINA KRUSEMAN
- (Stella Oristorio di Frama, Cantatrice)
-
-
- ’S GRAVENHAGE
- MARTINUS NIJHOFF
- 1873
-
-
-
-
-
-
-
-
- J’ai commencé ma vie par aimer.
- Puis j’ai souffert.
- Puis j’ai haï.
- Puis j’ai méprisé—Et même j’ai ri.—
- Maintenant je pardonne.
-
- Si je puis vivre quelques années encore, c’est probable que je
- finirai par où j’ai commencé et qu’au lieu de l’instinct, ce
- sera l’intelligence alors, qui aura compris le grand mot de la
- nature
-
- Amour.
-
-
-
-
-
-
-
-
-Dit is geen boek vol kennis en geleerdheid, geen poëtische fictie, rijk
-aan stoute droomen en onwaarschijnlijkheden, geen verhaal, geen roman,
-geen novelle zelfs; maar alles en niets; want ’t is een droeve kreet
-uit het werkelijke leven, een zwakke kopie van de fantastische
-realiteit, een greep uit de natuur weêrgegeven vrij en grillig als de
-waarheid.
-
-
-New-York 1871–1872. M. K.
-
-
-
-
-
-
-
-
-INHOUD
-
-
-EERSTE DEEL
-
-HOE ZIJ WAS
-
- Hoofdstuk. Bladz.
-
- I. Hoe Lina opgevoed werd 1
- II. Het eerste voorgevoel 19
- III. De gouvernante 22
- IV. Meesteres en leerling 35
- V. Een brief van huis 41
- VI. Louise van Amerongen 44
- VII. Een bal 52
- VIII. Het bezoek van den resident 60
- IX. De huwelijksaanvraag 63
- X. Vader en dochter 73
- XI. Het jawoord 70
- XII. Het verlovingsfeest 91
- XIII. Het eerste gesprek zonder getuigen 94
- XIV. Hoe bruid en bruidegom over elkander denken 100
- XV. Het offer aan eerzucht gebracht 108
-
-
-TWEEDE DEEL
-
-WAT ZIJ WERD
-
- XVI. Te huis 113
- XVII. Wie bij Louise waken komt 122
- XVIII. De kinderen van Mina 129
- XIX. De eerste receptie 136
- XX. Een nieuw gevoel 153
- XXI. Sympathie 157
- XXII. Eenige bladzijden uit het leven van een dokter 169
- XXIII. Hoe het kwaad ontstaat 195
- XXIV. Gevoelen en begrijpen 201
- XXV. Plannen 209
- XXVI. Plicht 213
- XXVII. Dood 220
- XXVIII. Mevrouw Joly 225
- XXIX. De gouverneur-generaal 227
- XXX. Vrijdag avond. Werner 229
- XXXI. Het tijgergevecht 235
- XXXII. Felicita. De jachtpartij 246
- XXXIII. Krankzinnig 269
- XXXIV. Het bezoek der ouders 280
- XXXV. De vlucht 293
-
-
-DERDE DEEL
-
-HOE ZIJ HAD KUNNEN ZIJN
-
- XXXVI. Speranza 302
- XXXVII. Lawson 311
- XXXVIII. Geluk 321
- XXXIX. Recht 324
- XL. Lina’s huwelijk 326
- XLI. Haat en minachting. Moederliefde 336
- XLII. August van Langendijk 355
- XLIII. Oude kennissen 360
- XLIV. In het Haagsche Bosch 365
- XLV. Academie vrienden 369
- XLVI. Lina’s tusschenkomst 373
- XLVII. De laatste brieven 375
-
-
-
-
-
-
-
-
-EERSTE DEEL
-
-HOE ZIJ WAS
-
-
- LA FEMME AU XIXe SIÈCLE.
-
- Un piège lui est tendu à chaque pas qu’elle fait seule.
-
- Une insulte l’attend au bout de chaque réussite.
-
- Et l’intérêt seul lui tresse sa couronne de gloire, qu’il lui pose
- sur la tête avec un rire de mépris.
-
- Le travail l’abaisse,
- Le talent la déshonore,
- L’indépendance la dégrade.
-
- Il faut qu’elle ne soit rien pour être quelque chose. Ou bien
- qu’elle tombe, pour avoir le droit de monter.
-
- Lettre à M. Alexandre Dumas, fils, au
- sujet de son livre L’Homme-Femme, par
- Mlle Oristorio di Frama, Cantatrice.
-
-
-
-
-
-
-
-
-EERSTE DEEL
-
-HOE ZIJ WAS
-
-
-EERSTE HOOFDSTUK
-
-HOE LINA OPGEVOED WERD
-
-
-Mijnheer Van Wageningen was eenige jaren geleden als ritmeester
-gepensioneerd geworden. Niet lang daarna had hij zijn vrouw verloren,
-een lief, flink, praktisch mensch, dat hem een ware steun, een hulp,
-een troost in zijn, anders zwaar beproefd, leven geweest was, en hem
-steeds had lief gehad met haar geheele hart en verstand.
-
-Na den dood zijner vrouw was Van Wageningen van het tooneel der wereld
-verdwenen. Zijn vrienden hadden hem even gemist, zijn kennissen hadden
-zijn spoor verloren, en zijn bloedverwanten wisten niets meer van hem
-dan dat hij zich ergens in Gelderland, in een afgelegen dorpje, een
-huisje had gekocht, waar hij afgezonderd en zuinig van zijn klein
-inkomen leefde, en zich geheel toewijdde aan de opvoeding van zijn twee
-kinderen, die hij aan geen vreemde zorgen toevertrouwde.
-
-Wat zijn zoontje betrof, had de man gelijk. Maar zijn dochtertje, een
-aardig, vlug, verstandig ding van nog geen elf jaar, werd in het geheel
-niet opgevoed zooals de mode of de gewoonte wilde dat een meisje van
-haren stand opgevoed zou worden.
-
-Lina was een goed, gevoelig, hartelijk kind, maar zóo rondborstig,
-oprecht en vrij, dat zij de schrik was van allen die haar kenden.
-
-»Later zal zij leeren zwijgen, laat zij eerst maar leeren oordeelen,”
-was de leus van den vader, en bij het minst wat er voorviel, waren de
-eerste woorden van den ritmeester: »Lina, mijn kind, wat zeg je
-daarvan?”
-
-Hierdoor had Lina dan ook zulk een zuiver en vlug oordeel verkregen en
-zoo goed geleerd haar gedachten gemakkelijk en helder mee te deelen,
-dat de kinderen van het dorp haar te geleerd, de dames (er waren er
-twee) haar te wijsneuzig en de heeren haar te brutaal vonden, om zich
-met haar in te laten; zoodat het arme kind bijna altijd met haar vader
-alleen was, en tot tijdverdrijf of uitspanning, in de uren dat zij
-niets beters te doen had, van hem schermen en exerceeren leerde,
-evenals haar jonger broertje, om wat gezonde beweging te maken.
-
-De notaris had den ritmeester eens om zijn schermmeesterschap bespot,
-in het koffiehuis waar zij ’s Woensdagsavonds hun whistclub hadden,
-maar de ritmeester had hem kalm laten uitlachen en hem toen al
-mêleerende geantwoord:
-
-»Die nooit in verlegenheid wil geraken, moet alles kennen; zóover
-brengen wij het niet, dat is waar, maar we moeten toch trachten het zoo
-ver mogelijk te brengen. Ik wou jou wel eens naar Afrika of Amerika
-zenden, geheel alleen, zooals je daar vóor me staat, en je als je
-schaduw volgen, om te zien hoe je ’t maken zoudt. Ik geloof dat ik
-interessante kluchten beleven zou. En dat ik je nog wel eens zou hooren
-zeggen: »had ik ook maar schermen en exerceeren geleerd! En zoo veel
-andere dingen meer, die ik versmaad en bespot heb, omdat ik ze niet
-kende.”—Docter ’t is aan u.”
-
-Eens kocht de ritmeester een veulen van een boer. Lina had het zien
-mishandelen door twee lompe boerenjongens, die het sloegen en met
-stokken prikten om het te doen steigeren. Met gloeiende wangen en
-vonkelende oogen was zij binnen komen stuiven in de kamer van den
-ritmeester. »Och Paatje!—Pa lief, kom toch!—Ik kan het niet aanzien!—Ze
-mishandelen een veulen omdat ze ’t leelijk en koppig noemen, die
-affreuse boeren!—Koop het Paatje! Och koop het toch.—Bij ons zal het
-arme dier gelukkig wezen!”—De ritmeester was met haar mee gegaan, had
-het veulen gezien en het, tot verbazing van den boer, gekocht.
-
-»Wat mag die daar mee doen?” had de verkooper bij zichzelven gezegd,
-»drie keer heb ik het naar de paardenmarkt gebracht en drie keer ben ik
-er weer mee thuis gekomen, omdat ik het niet kwijt kon raken. Wat mag
-de ritmeester er mee doen?” Hij telde met welgevallen het geld dat hij
-pas ontvangen had (’t was meer dan hij op de markt had durven vragen)
-en lachte, sous cape over zijn eigen slimheid. »De ritmeester beet
-gehad!”
-
-Bij den ritmeester in huis werd ook gelachen, het was er feest, ter
-eere van het veulen, dat gras uit kinderhanden at en wortelen en
-klontjes suiker.... Welk een geluk!
-
-Eenigen tijd daarna ging Lina haar veulen een bezoek brengen in een
-nieuwe wei; de vorige eigenaar had het in zijn wei niet langer willen
-houden. Zij moest een boerderij langs, waar een groote hond voor een
-hok aan een ketting lag; ’s nachts liep hij los, dan moest hij op de
-bleek passen.
-
-»Pas op, de hond zal je bijten!” riep een boer.
-
-Lina lachte, zag het groote bruine dier flink in de oogen met haar
-open, goedhartigen blik en lei haar hand op zijn kop.
-
-Hektor kwispelde met zijn staart, drong zich dicht aan haar zijde en
-lekte haar kleine hand.
-
-»Ziet gij wel dat de kennis gauw gemaakt is? Wij weten wel dat wij van
-elkander houden.” En, den hond een zoen op zijn kop gevende, vloog zij
-de wei in om haar veulen te bezoeken.
-
-De hond oogde haar na, zoolang hij kon. Dankbaarheid, vreugde, liefde,
-droefheid, trouw—wat lag er al niet in dien hondenblik!
-
-De boer ook oogde haar na, dom en wel, met open mond en half gesloten
-oogen. »Ze zal er nog eens tegen aanloopen” mompelde hij half overluid
-en keerde tot zijn ploeg terug.—Was hij geen boer geweest dan had hij
-»excentrique” gezegd. Doch het was maar een boer. De hond zou zoo iets
-nooit gezegd hebben.
-
-»Randa!” klonk een kinderstem door de wei. Een veulen, dat bij een
-beekje stond te grazen, spitste de ooren en zag om.
-
-»Hier mijn Randa, kom je mee?”
-
-In een oogwenk was hij naar haar toegesneld, en met zijn hoofd op haar
-schouder, haar armen om zijn hals, stapte Lina met Randa het houten
-brugje over, de wei uit. Toen zij de boerderij voorbijging, zag zij nog
-even om naar den hond.
-
-»Adieu Hektor! adieu!”
-
-En Hektor wurgde zich half aan zijn zware ketting om haar weer te zien
-en na te oogen en den hem eigenaardigen vriendschapsgroet te zenden,
-dien hij anders slechts voor zijn meesters over had.
-
-De boer zag om, hij dacht dat een zijner kinderen met zijn boterhammen
-kwam, het was Lina maar.
-
-»Zwijg!” riep hij van verre, hij wierp den hond met een steen en
-hervatte zijn werk.
-
-Toen het veulen groot en sterk genoeg was om bereden te worden,
-dresseerde de ritmeester het zelf en gaf hij het aan Lina cadeau, die
-er den volgenden dag het dorp op door draafde.
-
-»Schande!” riepen de dames. »Van Wageningen is een ongehoorde
-waaghals!” En zij haalden hare kinderen naar binnen, die op de stoep
-speelden en licht door het slechte voorbeeld bedorven konden worden.
-
-Eenige dagen later leerde Lina schieten met de buks. En toen zag men op
-eens het huis van den ritmeester gesloten.
-
-»God weet wat hij nu weer uit heeft gevoerd!” riepen de vrome
-menschlievende dames; vroom en menschlievend waren zij, want zij
-vergaten nooit te bidden en stuivertjes te geven voor de te bekeeren
-Chineesjes in Afrika en Indiaantjes aan de Noordpool.
-
-»Wat hij uit heeft gevoerd? Ik denk dat Lina den een of ander overreden
-heeft.”
-
-»Of doodgeschoten!”
-
-»Ja, doodgeschoten! ’t Is best mogelijk.”
-
-»O zeker.”
-
-En den volgenden morgen twijfelde niemand in het heele dorp er meer aan
-dat Lina iemand doodgeschoten had. Men wist zelfs het uur waarop en de
-plek waar het feit had plaats gehad; den naam van den armen vermoorde
-was men vergeten, maar die zou wel in de courant komen, wanneer de
-justitie zich met de zaak bemoeien zou.
-
-Veertien dagen later werd het huis van den ritmeester weer geopend, en
-zag men Lina weer rijden en schieten, alsof er niets gebeurd was.
-
-Niemand scheen zich het droevig voorval meer te herinneren, althans
-niemand sprak er meer over als Lina, die het ten laatste ook gehoord
-had en er braaf om lachte.
-
-Zoo waren er nog een paar jaren verloopen, toen de ritmeester zijn
-dochter eens in den tuin riep en haar vriendelijk zeide:
-
-»Lina, kindlief, ik moet eens een ernstig woordje met je spreken. Je
-bent nu oud en wijs genoeg om zelve te oordeelen, en daar het je eigen
-toekomst geldt, wil ik ook dat je zelve zult beslissen.”
-
-Lina ging naast haren vader op de tuinbank zitten en wachtte geduldig
-op hetgeen er volgen zou.
-
-»Wij zijn niet rijk, dit weet ge, kind,” hernam de ritmeester; »maar
-gelukkig zijn wij niet arm ook, daar wij genoeg hebben en het u en den
-kleinen Eduard, zoolang ik leef, aan niets behoeft te ontbreken. Maar
-kom ik vandaag of morgen te sterven, dan houdt mijn pensioen op, en dan
-zal uw inkomen zóo gering wezen, dat gij er niet van leven kunt. Wat
-wilt ge dan beginnen?”
-
-»Dan zal ik werken,” antwoordde Lina vast besloten.
-
-»Uw oom en tante te Utrecht, bij wie wij een paar jaar geleden veertien
-dagen doorbrachten, hebben mij verzocht u te zeggen, dat gij bij hun
-leven nooit voor de toekomst bezorgd behoefdet te wezen, daar gij hun
-huis steeds als dat uwer ouders beschouwen kondet. Na hun dood zijt gij
-en Eduard hun eenige erfgenamen.”
-
-Er blonken groote tranen in Lina’s oogen. »Oom en tante zijn wel goed
-voor ons, maar ik zou toch noch liever weinig verdienen dan veel
-krijgen,” zeide zij.
-
-»Goed kind! Dus bij oom en tante wilt gij niet wezen. Maar wat wilt gij
-dan? Wilt gij gouvernante worden? huishoudster? katechiseerjuffrouw?”
-
-»Wat kan ik nog meer worden?” vroeg zij, alsof de opgenoemde
-betrekkingen haar niet bijzonder toelachten.
-
-»Naaister of juffrouw van gezelschap, anders schiet er ook al niet veel
-meer voor de vrouwen over tegenwoordig. Tenzij gij millionair waart,
-dan zouden alle carrières voor je openstaan, die je slechts bekoren
-konden. Nu moet gij een keuze doen uit die welke weinig kosten om ze te
-leeren, en toch een geschikt bestaanmiddel aanbieden. Om het ver in
-muziek of schilderen te brengen, daarvoor zijt gij reeds te oud. En een
-kruk moogt gij niet worden. Doe wat je wilt, maar doe het goed. Ik heb
-meer achting voor een schaarslijper die zijn vak verstaat dan voor een
-halfmislukt geleerde.”
-
-»Ja, waren de kinderen maar niet altijd zoo bang voor mij, dan zou ik
-gaarne gouvernante willen worden.”
-
-»Goed, gouvernante dus. Maar een gouvernante moet kunde hebben, en, wat
-meer zegt, zij moet menschenkennis bezitten. Zij moet weten wat er in
-de wereld omgaat. Zij moet het goede kennen om het uit te oefenen en
-het kwaad om het tegen te gaan. Zij moet karakterkunde en
-fisionomiekunde bezitten, om bij den eersten oogopslag te zien wie zij
-vóor heeft, en hoe zij met de menschen om moet gaan. Daarbij moet zij
-een karakter hebben, vast en onwrikbaar, want zij moet doen wat recht
-en billijk is, en geheel leven voor het welzijn van hare medemenschen.
-De kinderen, wier verstandelijke, wier geestelijke opvoeding geheel aan
-hare zorgen wordt toevertrouwd, zijn haar vreemd, zij moet ze leeren
-kennen en liefhebben, als of het de haren waren. Zij moet een goed
-humeur, een edel hart, een sterken geest, een helder oordeel hebben,
-wil zij dien heilzamen invloed op hare leerlingen uitoefenen dien zij
-alleen door eigen voorbeeld verkrijgen kan. Als ik vrouw was, zou bij
-mijn leven, nooit een kind van mij in handen van een vreemde komen.”
-
-Lina liet haar hoofd op den schouder van haar vader vallen en vroeg
-zacht: »Paatje, hoe zou ik aan menschenkennis kunnen komen, ik die geen
-menschen ken?”
-
-»Logisch! Zeer logisch, kind. Maar nu gij gouvernante worden wilt, zal
-ik u in de gelegenheid stellen te leeren al wat gij daarvoor kennen
-moet.”
-
-Een maand later woonde ritmeester Van Wageningen met zijn kinderen in
-Parijs, waar Lina alle soorten van meesters en meesteressen had in
-vreemde talen en schoone kunsten.
-
-»Hier zijn wij bij de oppervlakkigheid,” had de ritmeester gezegd, »en
-aangezien de oppervlakkigheid een hoofdrol in de wereld speelt, zoo
-zijn wij hier goed.” Het daarbij houdende, dwaalde hij met zijn
-dochtertje geheel Parijs door. Het kind moest alles zien van de
-Catacombes af, tot het vondelingenhuis en Bicètre toe.
-
-Eens terwijl zij in een restaurant aan tafel zaten, kwam er een dame op
-krukken binnen. Zij was alleen. Een oogenblik bleef zij in de deur
-staan om naar een plaats te zien.—Haar oog viel op Lina die haar
-aankeek.
-
-»Mooi!” dacht de eene.
-
-»Lief,” zei de andere.
-
-En de lieve kwam naast de mooie zitten.
-
-Het duurde niet lang of een gesprek werd aangeknoopt. De nieuw gekomene
-was jong en, zonder juist een schoonheid te zijn, bekoorlijk. Zij had
-dat zachte, dat lijdende, dat goedhartige over zich, wat wij gewoon
-zijn sympathiek te noemen. En wanneer zij sprak kwam er tusschenbeide
-zulk een gloed in hare donkere oogen, speelde er zulk een fijne lach om
-hare dunne lippen, dat Lina haar tout simplement een »beauté” noemde.
-
-Gedurende eenige dagen bleef de kennismaking bij samen eten en samen
-praten. De beauté was elken dag op hetzelfde uur in den restaurant
-gekomen, op eens bleef zij weg.
-
-»Ze is zeker ziek,” zeide Lina. »Als ik wist waar zij woonde ging ik
-haar opzoeken.”
-
-»Waar zij woont? Wel dat zal een van de garçons mogelijk wel weten.”
-
-Alle garçons wisten het.
-
-»Mlle Salvita? Rue Lafayette No....” riepen zij van alle kanten.
-
-De ritmeester reed er dadelijk met zijn dochtertje heen.
-
-Zij vonden de deur van Mlle Salvita’s kamer open, en zagen het jonge
-meisje voor haar piano zitten, het hoofd in de handen gezonken, bitter
-weenende.
-
-De ritmeester wilde aankloppen, maar Lina was reeds binnen, en lag in
-de armen harer nieuwe vriendin.
-
-»Quel ange d’enfant vous êtes! Et vous aussi, mon cher monsieur, comme
-vous êtes bon!”
-
-»Je vous ai cru malade,” zeide Lina.
-
-»Et je le suis en effet. Voilà ma maladie.” Zij wees met de hand op de
-muziek die vóor haar lag. »J’aime le chant, je l’aime passionnément et
-mon amour me tue!”
-
-Lina begreep niet recht, de ritmeester begreep ook niet.
-
-»Il y a six mois,” vervolgde zij, »j’étais chanteuse dramatique à
-l’opéra. Que de peines, que de souffrances, que de misères pour en
-arriver là!—Et comme j’étais heureuse alors!—Le succès coûte cher,
-toujours et partout—une de mes camarades, jalouse de mes triomphes, me
-fit tomber un soir, en jetant des pelures de pommes dans un escalier
-que je devais descendre rapidement. Depuis lors toute ma vie n’a été
-que souffrances. Ma jambe, cassée d’abord, puis mal remise, mal
-soignée, fut enfin amputée.—Adieu théâtre!—Adieu rêves de gloire et de
-bonheur!—”
-
-Zij snikte overluid en bleef een oogenblik met het hoofd op de piano
-rusten. Toen lachte zij door haar tranen heen en vroeg zacht:
-
-»Chantez vous Mademoiselle?”
-
-»Non madame, je touche un peu du piano, c’est tout.”
-
-»Voyons, si elle a de la voix?”
-
-En of Lina wilde of niet, zij moest de noten aangeven.
-
-»Quelle voix splendide! Venez me voir tous les jours, je vous
-apprendrai le chant. Ne dites pas non, car je suis triste et
-malheureuse, je suis seule au monde, c’est une oeuvre de charité que je
-vous demande.”
-
-Zóo leerde Lina zingen in Parijs.—En toen de familie Van Wageningen zes
-maanden later naar het vaderland terug was gekeerd en zich in de
-hofstad gevestigd had, werd Mlle Salvita gepresenteerd als de
-gouvernante van Lina.
-
-De ritmeester werd weder van krankzinnigheid beschuldigd.
-
-»Waarom menschen?” vroeg hij lachend, toen de critique, na geheel den
-Haag doorloopen te hebben, ook hem ten laatste het men zegt in het oor
-kwam fluisteren.
-
-»Waarom menschen? Omdat ik anders handel dan gij gedaan zoudt hebben?
-Wel, daar moest je me des te meer om achten! Maar je begrijpt me niet.
-Tant pis pour vous!”
-
-»Eene actrice!” gilt de wereld.
-
-»Een mensch,” antwoordt de ritmeester. »En een mensch dat goed is, dat
-verstandig is, en dat geleden heeft.”
-
-»Eene actrice!” galmt de echo noch.
-
-En de ritmeester hoort dien nagalm en lacht hem uit,
-
-»De opvoeding mijner kinderen ligt mij het naast aan het hart,” zei Van
-Wageningen eens, toen men hem naar de gezondheid zijner schijfschietende
-dochter vroeg. »De helft van den dag besteedt zij aan hare studies, de
-andere helft is aan lichaamsoefeningen en uitspanningen gewijd, de
-avonden brengt zij in theaters, concerten of gezelschappen door—studie
-naar het leven—menschenkennis! altijd menschenkennis op den
-voorgrond.—Alle standen moet zij doorworstelen, en daar zij met den
-boer begonnen is, zoo moet zij met den Koning eindigen. Wat zij leeren
-kan dat moet zij leeren, van schijfschieten en zwemmen af, tot kooken,
-deklameeren en borduren toe. Zóo alleen kunnen wij vrouwen, zóo alleen
-kunnen wij moeders krijgen.
-
-»Uw boeren koebeesten, uw middelstandsche werkezels, uw deftige
-onbekwaamheden en uw adellijke modepoppen bevallen mij niet.
-Leeghoofden, zelfonbewustheden, die met moeite het leven doorkruipen,
-omdat gij haar het gaan belet.”
-
-Mogelijk had de man gelijk, maar zeker had hij het niet moeten zeggen,
-daar hij niemand tot zijn denkwijze overhaalde, en hij uitgelachen werd
-door zijn vrienden, die hem doorgaans de gouvernante en zijn dochter de
-ritmeester noemden.
-
-Eens, het zal zoo wat twee jaar later geweest zijn, kwam Lina aan haar
-vader zeggen dat zij gereed was haar examen voor hoofdonderwijzeres af
-te leggen. »Ik ben nu al achttien jaar,” voegde zij er ernstig bij, »en
-het wordt dus hoog tijd dat ik voor mij zelve ga zorgen.”
-
-»Goed kind,” was het antwoord, »ga, en vertrouw op God, die al wat goed
-is zegent.”
-
-Lina ging, deed haar examen en kwam er met glans door.
-
-Een der examinatoren, een gemoedelijk, oud mannetje, had haar vóor het
-examen gevraagd of zij niet bang was. »Neen,” had zij lachend
-geantwoord. »Ik weet wel dat ik er goed door zal komen.”
-
-»Kleine, pedante wijsneus!” dacht de oude examinator bij zichzelven,
-»hoe jonger hoe verwaander, is het tegenwoordig!”
-
-Maar Lina was er inderdaad goed doorgekomen, en toen moest de oude
-erkennen dat er meer waarheid en meer eenvoud in hare kalmte gelegen
-had, dan in den angst en onrust der overige geëxamineerden, die bijna
-allen bleek en bevend aan de groene tafel verschenen waren en geen van
-allen zoo goed voldaan hadden als zij.
-
-Noch dienzelfden winter werd Lina voorgesteld aan het hof. Ook daar
-bleef zij niet lang onopgemerkt. Zij was grooter dan gewoon en had een
-meer dan gewone vrouwelijke schoonheid. Men had gepraat over hare
-excentriciteit en gelachen over haar origineele opvoeding en men had
-daarbij niet gedacht aan frissche jeugd, gezondheid, schoonheid.
-Sympathique! dat was het eenige woord dat door de bonte menigte gonsde;
-toen eindelijk het wezen zelf verscheen, waarvan reeds zoovele
-karikaturen in het licht gegeven waren. En of het vreemd is of niet,
-dit was zeker niet tegen te spreken, dat de eenvoudige, kalme Lina meer
-gefêteerd werd, dan menig hooger geplaatst meisje, dat het zeker meer
-verwacht had dan zij.
-
-Toen de winter half ten einde was, hield er een prachtig rijtuig stil
-vóor het huis, waar Van Wageningen op kamers woonde, en een oogenblik
-later trad graaf Henri d’Artonges het woonvertrek des ritmeesters
-binnen, om hem de hand zijner dochter te vragen voor zijn eenigen zoon.
-
-De ritmeester stond op en belde.
-
-»Antje,” zeide hij, »verzoek juffrouw Lina even hier te komen.”
-
-En zich tot den graaf wendende, vervolgde hij:
-
-»Mijnheer d’Artonges, ik ben gewoon mijn dochter in al haar handelingen
-vrij te laten. Zij kent uwen zoon; acht zij hem en deelt zij zijn
-liefde, dan zal het mij gelukkig maken onze kinderen eenmaal vereenigd
-te zien.”
-
-Een oogenblik later trad Lina binnen. Mijnheer d’Artonges herhaalde
-zijn aanzoek, er bij voegende dat hij de toestemming haars vaders reeds
-verkregen had.
-
-Lina had hem vrij verwonderd aangehoord. Toen stond zij op, reikte hem
-de hand en sprak zacht:
-
-»Neen, wij zouden elkander niet gelukkig maken—onze karakters loopen te
-veel uiteen.” Zij wachtte een oogenblik en vervolgde toen, met tranen
-in de oogen:
-
-»O! denk daarom niet dat ik hem niet hoog acht, of dat ik hem niet
-dankbaar ben voor het vertrouwen dat hij in mij stelt! Neen, ik ken
-hem, en ik weet hoe goed hij is—maar ik kan zijn liefde niet
-beantwoorden zooals zij verdient beantwoord te worden, daar ik meer
-bewondering dan sympathie voor hem gevoel.”
-
-Mijnheer d’Artonges deed nog eenige pogingen om Lina tot andere
-inzichten te brengen, maar toen hij overtuigd was dat haar besluit vast
-stond, vertrok hij, na haar herhaaldelijk zijn diep leedwezen verzekerd
-te hebben, dat zij zijn schoondochter niet worden zou.
-
-»Gij hebt goed gehandeld mijn kind,” zeide de ritmeester, zoodra hij
-zich met zijn dochter alleen bevond. »Het geld brengt veel geluk aan in
-de wereld, maar het hart kan koud blijven en de ziel onvoldaan te
-midden der grootste rijkdommen,—en gij gevoelt niets voor den jongen
-d’Artonges, nietwaar?”
-
-»Niets,” antwoordde Lina met een licht hoofdschudden.
-
-Een oogenblik bleven vader en dochter zwijgen, toen zag Lina hem
-uitvorschend aan met hare groote heldere oogen, en vroeg zij zacht:
-
-»Papa, is Herman Wagner nog niet bij u geweest?”
-
-De beurt van uitvorschend aanzien kwam aan den ritmeester.
-
-»Neen,” zeide hij verwonderd, »maar indien er eenig verband in den loop
-uwer gedachten bestaat, dan zou ik geneigd zijn te vragen: Gevoelt gij
-ook meer voor hem dan voor den jongen d’Artonges?”
-
-»Ja,” antwoordde Lina nauw hoorbaar, zich half weenend half lachend in
-de armen haars vaders werpende.
-
-De ritmeester trok haar zacht naar de canapé en ging naast haar zitten.
-
-»Lief kind,” begon hij, na een oogenblik, »ik geloof dat Wagner een
-beste, brave, oppassende jongen is. Ik billijk je keuze dus ten volle.
-Maar Wagner is luitenant en bezit niet veel meer dan zijn traktement.
-Hebt gij er dus op gerekend dat er nog menig jaartje zal moeten
-verloopen, eer er aan een huwelijk gedacht zal kunnen worden?”
-
-»Ja,” antwoordde Lina weder.
-
-»Weet Wagner dat ook gij geheel ontbloot zijt van fortuin?”
-
-»Ik heb het hem gezegd, lang vóor dat hij mij zijn liefde verklaarde,
-en ...”
-
-»En?—wat verder?”
-
-»Gisteren toen wij wandelden en gij met zijn broeder ons eenige
-schreden vooruit waart, heeft hij mij gevraagd of ik genoeg van hem
-hield om te wachten tot hij kapitein zou zijn. Ik heb »ja” gezegd, en
-nu is hij van plan over te gaan bij het leger in Indië, in de plaats
-van éen zijner vrienden, die liever in Europa wilde blijven en hem
-dezen ruil had voorgesteld.—En nu had ik van mijn kant ook een plan
-gemaakt—dat gij zult goedkeuren, niet waar?”—voegde zij er vleiend bij.
-»Want het zou uw Lina gelukkig maken!”
-
-»Spreek kind, en wanneer het tot de mogelijkheden behoort, zal ik u
-helpen om het plan ten uitvoer te brengen. Want goed is het zeker,
-anders zoudt gij het niet gemaakt hebben.”
-
-Lina schoof wat dichter naar den ritmeester toe, greep zijn beide
-handen in de haren, zag hem aan alsof zij in het diepst zijner ziel
-wilde lezen en zeide zacht:
-
-»Mevrouw Van Hoorn zoekt een gouvernante voor een fatsoenlijke, brave
-familie in Indië..... zoudt gij het ondankbaar van mij vinden, indien
-ik u verlaten ging?”
-
-De ritmeester bedacht zich een oogenblik. »Neen,” zeide hij, »van
-ondankbaarheid kan hier nooit sprake wezen, daar wij een jaar of drie
-geleden immers reeds overeengekomen zijn dat gij, wat ouder geworden,
-een betrekking als gouvernante zoeken zoudt.—Gisteren dacht ik nog aan
-Indië—en ik vond u te jong om u zoo geheel alleen de wijde wereld in te
-zenden. Maar de vrouw, die waarachtig lief heeft, is ouder dan hare
-jaren en sterk door hare liefde; de deugd is haar een behoefte, want
-zij is haar steun en hare belooning tevens. Ga dus, mijn kind! ga,
-betracht uw plicht en wees gelukkig!”
-
-Drie maanden later werden er groote koffers uit het huis van den
-ritmeester gedragen en verzonden naar het schip Antonia dat te
-Rotterdam in lading lag voor Java.
-
-En acht dagen daarna werd Lina van Wageningen naar boord gebracht door
-haren vader, Wagner, en Richard haar broeder.
-
-Toen zij weder t’huis gekomen waren, reikte Mlle Salvita den ritmeester
-zwijgend de hand. Zij begreep wat er in het hart van den armen vader
-omging en zij vond geen woord van troost voor den braven,
-zelf-opofferenden man, die in de wereld alleen stond en niets dan spot
-of onverschilligheid in vreemde oogen las.
-
-»Zij heeft gelijk dat zij ver weg gaat,” sprak hij nauw hoorbaar, »want
-in haar eigen land had ze nooit een conditie gevonden.—»Excentrique!”
-heeft haar dorpje gezegd en »excentrique” heeft de hofstad nagegalmd.
-»Excentrique” gilt de wereld al verder en verder, en de kring, gevormd
-door een droppel in een waterplas, wordt dagelijks grooter en
-grooter!—Domme wereld die een lof tot een schimpnaam maakt, zonder te
-begrijpen dat het toch een lof blijft.—Niet gewoon is buitengewoon dus
-meer dan gewoon.—God zegene alle excentrieke menschen! O! mocht het
-hedendaagsch gewoon vernietigd en het excentrieke gewoon worden. Welk
-een reuzenstap zou dan de menschheid op het gebied van vooruitgang
-gedaan hebben!”
-
-
-
-
-
-
-
-
-TWEEDE HOOFDSTUK
-
-HET EERSTE VOORGEVOEL
-
-
-Zij zat aan den voet van een ouden weringinboom in het mollige gras te
-spelen. Een jonge poedel dartelde vroolijk om haar heen, duizende
-bloemen geurden aan haar voeten en veelkleurige vlinders omdartelden
-het vriendelijke kinderkopje, terwijl de vogels het bosch van hun
-liefelijke tonen deden weergalmen en de eenzaamheid die toovermacht
-uitoefende, welke tot zelfs op het gemoed van het onnadenkend zorgeloos
-kind inwerkt en een zweem van overpeinzing doet geboren worden in de
-ziel die nog nimmer heeft gevoeld door nadenken, of nagedacht over
-hetgeen zij gevoelde.
-
-Vreemd voorwaar is het oogenblik van ontwaken, wanneer men zóo ontwaken
-kan; maar groot, maar heilig is dat oogenblik voor de toekomst, en
-machtig werkt het op het jeugdig hart, dat in de vrije, rijke natuur
-het eerst met zichzelf bekend is geworden. En later, wanneer de wereld
-zich met hare schijntooneelen somber aan het menschenoog vertoond
-heeft; wanneer teleurstelling en bedrog elke illusie, elk ideaal, ja,
-somtijds zelfs elken wensch vernietigd hebben; wanneer vrees de plaats
-van hoop, en mistrouwen die van menschenliefde heeft ingenomen; wanneer
-het denkbeeld van geluk door een spotlach wordt verdreven; wanneer
-deugd en godsdienst als bittere schimpwoorden, in de dichtste plooien
-van het versteende hart teruggedrongen worden, en smart of haat de
-eenige tonen opwekken die nog weerklank vinden in de droeve, kranke
-ziel,—o, dan is het goed een gelukkige kindschheid gehad te hebben! Dan
-is het heilzaam een blik in het verledene te kunnen werpen en dáar de
-heldere, klare dagen weer te vinden, die ons in het tegenwoordige
-ontbreken; dáar de deugden in ons zelve aan te treffen, die wij thans
-in onze medemenschen ontkennen willen: dáar te herleven, terwijl het
-tegenwoordige ons dreigt te dooden.
-
-Maar hieraan dacht de kleine Melatie niet. Zij was nog in den aanvang
-des levens en haar aandacht was niet op het verledene gevestigd. Het
-was de toekomst die zij gevoelde, het was het menschelijk instinkt, dat
-in het kind ontwaakte.
-
-Zij had gezongen en gespeeld en versjes opgezegd voor haar getrouwen
-poedel. Maar plotseling nam het spel een einde, de lieve kinderstem
-bleef zwijgen en het »Zou ik niet mijn moeder eeren” werd door een
-tranenvloed gesmoord.
-
-»O! maatje! maatje!” snikte zij luid, »zal Mela altijd bij u
-blijven?—O! sterf toch niet!—sterf nooit—of neem uw kleine Mela mee!”
-
-Zij weende lang en staarde treurig vóor zich.... Maar poedel kwam,
-lekte ’t lieve kind de kleine natte handjes, sprong tegen ’t rood
-geschreid gezichtje op en ging weer lustig aan het stoeien.
-
-Weg met Van Alphen! Weg met de tranen! Weg met elke gedachte die niet
-recht vroolijk was!
-
-Dáar sprong zij op. Weer plukten de kleine handjes de geurigste
-bloemen, weer speelde een gulle lach om het bevend onderlipje, weer
-blonk een straal van hoop in ’t nog betraande oog. En vlug trippelden
-de voetjes weer voort over ’t mollige frissche gras.
-
-Gelukkig de jaren der kindsheid, waarin een traan in een lach, waarin
-een zucht in een vreugdekreet kan wegsmelten! Gelukkig de mensch die
-zulk een kindsheid gehad heeft en die zich haar ten nutte heeft gemaakt
-om in zijn hart de dankbaarheid jegens zijn Schepper aan te kweeken
-zooveel in zijn vermogen was. Gelukkig de sterveling die zich ook in de
-jaren van ondervinding en smart in zijn jeugd kan spiegelen en nooit de
-gelijkenis verliest, die tusschen het beeld van het kind en dat van den
-mensch bestaan kan en bestaan zal, zoolang de ziel haar oorspronkelijke
-reinheid behouden heeft, en het verstand ontwikkeld is geworden, zonder
-dat het hart door deze ontwikkeling verwaarloosd is of gedood.
-
-
-
-
-
-
-
-
-DERDE HOOFDSTUK
-
-DE GOUVERNANTE
-
-
-De kleine Melatie was nog geen zeven jaar oud toen haar moeder haar op
-een morgen een fleschje eau de Cologne en een stukje zeep gaf om in de
-kamer van de »juffrouw” te brengen.
-
-Trotsch op de gewichtige taak welke zij volbracht had, kwam zij een
-oogenblik later terug en zei ernstig:
-
-»De juffrouw zal tevreden zijn over Melatie, want Melatie heeft hard
-gewerkt vandaag.”
-
-»Zoo? Wat heb je dan gedaan?”
-
-»Ik heb bloemen geplukt voor de juffrouw en ze in haar bed gestrooid.”
-
-»En als de juffrouw nu eens niet hield van bloemen in haar bed? Want
-daar zijn de menschen in Holland niet aan gewoon?”
-
-»Zal ik ze weer weghalen, moesje?” vroeg het arme kind teleurgesteld,
-maar terstond weer vroolijk lachende, vervolgde zij vleiend: »Mag ik
-met papa meegaan, om de juffrouw uit de stad te halen?”
-
-»Ja, dat moogt ge, maar laat Sarina je eerst netjes aankleeden en
-gedraag je dan verstandig, anders krijgt de juffrouw nog berouw van
-hier gekomen te zijn en al hare familie en vrienden verlaten te hebben,
-alleen voor het geluk van de kleine Melatie.”
-
-Het goede kind beloofde dat zij zoet zou wezen en de nieuwe gouvernante
-heel lief zou vinden, en reed toen, netjes aangekleed, met mijnheer
-Oristorio di Frama, naar A., om Lina van Wageningen, de nieuwe
-gouvernante, af te halen.
-
-Lina was nog niet bij de familie Joly aangekomen, bij wie mijnheer di
-Frama haar rendez-vous gegeven had.
-
-Na geruimen tijd al pratende gewacht te hebben kwam er eindelijk een
-reisrijtuig met koffers beladen het hek inrollen. Mevrouw Joly, haar
-vijf meisjes, waarvan het oudste veertien jaren telde, mijnheer
-Oristorio, de kleine Melatie, allen snelden naar voren om de jonge
-gouvernante te verwelkomen, die niet wist welke hand zij het eerst zou
-vatten, welke vraag zij het eerst moest beantwoorden.
-
-»Dag jufje!” klonk eindelijk een kinderstemmetje tusschen al die
-drukte. »Dag jufje! Krijgt Melatie geen zoentje van je?”
-
-Lina zag het arme kind de handjes naar haar uitstrekken en haar bij
-haar japon grijpen om niet door de groote menschen verdrongen te
-worden.
-
-»Kom hier mijn zoete, lieve Melatie!” sprak zij met tranen in de oogen,
-en het kind in hare armen sluitende, drukte zij het tegen haar hart,
-overlaadde het met kussen en vervolgde zachter:
-
-»O zulk een ontvangst had ik nooit durven verwachten! Wat zijt gij
-allen goed voor mij!”
-
-Spoedig vertrokken mijnheer Oristorio, Lina en de kleine Melatie naar
-Felicita, alwaar mevrouw di Frama met ongeduld de jonge gouvernante
-wachtte, die zij zonder eenige plichtplegingen omhelsde en bij de hand
-naar haar kamer geleidde.
-
-»Wij zijn allen gelukkig u in ons midden te zien,” sprak zij goedig.
-»Zoo gij u in de eenzaamheid kunt schikken, geloof ik dat gij hier
-tevreden zult wezen, en hoop ik dat gij uw ouderlijk huis niet te veel
-zult missen in een familie die gij geheel als de uwe beschouwen kunt.”
-
-»O! dat gevoel ik!” antwoordde Lina aangedaan. »Gij zult allen goed en
-lief voor mij zijn, daar twijfel ik niet aan! Mijn vurigste wensch is,
-mij die goedheid waardig te maken en voor dat lieve kind te wezen....”
-
-Zij kon niet verder spreken en borst in een luid snikken uit.
-
-Mevrouw di Frama leidde haar zacht naar een rotanbank waarop zij naast
-haar plaats nam, en liet haar ongestoord uit weenen.
-
-Toen zij tot bedaren was gekomen, sprak zij met haar over haar reis,
-haar aankomst te Batavia, haar kortstondig verblijf in Java’s
-hoofdstad. Zoo werden de tranen, al pratende, weggewischt, en toen de
-huisgenooten een half uur later aan het diner vereenigd waren, klonken
-de gesprekken zóo ongedwongen en vertrouwelijk dat niemand
-verondersteld zou hebben dat zich een nieuweling in dien kleinen
-vriendenkring bevond.
-
-»Och! er zijn geen vreemdelingen,” zeide Lina lachend, »voor mij ten
-minste bestaan ze niet!”
-
-»Voor mij ook niet!” riep mijnheer Oristorio, »dat zijn wij alweer
-éens. Dien ik niet dadelijk ken, ken ik nooit!”
-
-»En dien ik niet dadelijk ken, verlang ik niet te kennen ook,” gaf Lina
-ten antwoord. »Ik heb reeds zooveel tegen sympathie en antipathie
-gestreden en ik heb er mij nog nooit goed bij bevonden. Daarom ben ik
-nu ook tot de conclusie gekomen, dat wij wijs zouden doen indien wij
-dat onverklaarbaar, waarschuwend instinkt, in plaats van het tegen te
-werken en langzamerhand te vernietigen, liever met zorg aankweekten en
-zuiver hielden.....”
-
-»Hetzelfde wat ik altijd zeg! Niet waar Julie?” vervolgde mijnheer di
-Frama, zich tot zijn vrouw wendende, »Heb ik niet altijd gezegd, de
-mensch weet meer dan hij zelf weet, maar zijn hoogmoed gaat zóo ver,
-dat hij alles weten wil en per slot van rekening door zijn waanwijsheid
-zijn weten verleert. Bleven wij toch maar eenvoudig waar, ongekunsteld
-oorspronk....”
-
-»Toewan Werner,” kondigde een der jongens aan, en op hetzelfde
-oogenblik trad een jong mensch de achtergalerij binnen.
-
-»Onze huisvriend,” zeide de gastheer, »onze gouvernante,” vervolgde
-hij, Werner een stoel aanbiedende tusschen zijn vrouw en Lina.
-
-De nieuw gekomene was een slank jongman, met golvend blond haar en
-groote blauwe oogen, een hoog voorhoofd, een fraaien neus en fijne
-welgevormde lippen, nauwlijks overschaduwd door de kleine blonde
-knevels. Bij den eersten aanblik was men geneigd hem vroolijk te
-noemen; maar, sloeg men hem aandachtig gade, dan vond men meer
-geestdrift en meer denken in die beweegbare trekken, dan eigenlijke
-vroolijkheid. Buitendien teekende zijn geheele persoon kalme
-vastberadenheid, zachtheid en kracht. Hij had iets hoogs, iets
-vorstelijks over zich, dat vreemd overeenkwam met zijn jeugd, daar hij
-nauwlijks eenentwintig jaren bereikt kon hebben. Toch was er harmonie
-in zijn voorkomen en, zooals mijnheer di Frama gewoonlijk zeide:
-»charme.”
-
-»Juffrouw Van Wageningen, is dat een vreemdeling?” vroeg mijnheer
-Oristorio, op Werner wijzende.
-
-»Neen mijnheer, dat is een kennis.”
-
-»Op weg om een vriend te worden, hoop ik? Hij speelt viool en zingt,
-soms declameert hij ook, maar daar is hij karig mee, zeker omdat hij
-zijn auditorium niet op de hoogte van zijn talent acht. Maar nu het
-publiek met een artiste vermeerderd en dus verbeterd is, sedert de
-komst van de juffrouw, zal hij zich zeker minder laten bidden en
-ons....”
-
-»Neen mijnheer di Frama, dat moogt gij niet zeggen! De juffrouw zou nog
-gaan denken dat ik talent had en ik kan toch werkelijk niets.”
-
-»Kom, kom, geen valsche schaamte, als je blieft. Gij hebt meer talent
-in uw kleinen pink, dan er in geheel A. te vinden is.”
-
-»Och! neen, geloof dat niet juffrouw,” hernam Werner levendig. »Ik ben
-maar een arme verwaarloosde jongen die eigenlijk niets goed, grondig
-geleerd heb.—Ik heb vroeg mijn ouders verloren, en mijn voogden lieten
-zich nooit veel aan mij gelegen liggen. Toen zij mij vroegen wat ik
-worden wilde, zeide ik »zeeman”, omdat ik eens met een mijner vrienden
-een dag te Scheveningen doorbracht, en het gezicht van de zee mij zoo
-had getroffen dat het dweepen met de golven en de kleine vaartuigen mij
-drie dagen van mijn werk hield en mij veel straf bezorgde. Op mijn
-zestiende jaar deed ik mijn eerste reis als adelborst en daarna werd ik
-voor vijf jaren naar Indië gezonden. De zee beviel mij, maar het
-zeemansleven had ik mij gansch anders voorgesteld, en ik was zoo
-gelukkig hier iemand te vinden die er mij van verloste. Het was te
-Samarang. Ik stond in de sociëteit met een paar officieren te praten,
-toen een man van middelbaren leeftijd, bruin, verbrand, met een
-donkeren oogopslag en een forsche stem, mij plotseling op den schouder
-klopte met de vraag: »Wel jonker, hoe bevalt je het zeemansleven?”
-
-»Slecht, mijnheer.”
-
-»Dat dacht ik wel. En als je ook nog geen berouw hadt over de keuze van
-je vak, dan zou ik je zeggen dat je het weldra krijgen zoudt. Je liefde
-of liever je bewondering voor de zee heeft je het scheepsleven over het
-hoofd doen zien, niet waar? En nu je eenmaal in het schuitje bent, vaar
-je voort, omdat je geen kans ziet er weer uit te komen.”
-
-»Juist mijnheer,” antwoordde ik lachend, eenigszins verwonderd over den
-familjaren, kortafgebeten en toch goedhartigen toon van den
-vreemdeling.
-
-»Heeren, je permiteert me?” vervolgde hij, de officieren groetende en
-mij zonder complimenten bij den arm de galerij uitvoerende.
-
-»Luister jonker, je bevalt me. Ik heb op mijn fabriek iemand noodig die
-vlijtig en eerlijk is, en meer gezond verstand en oordeel heeft, dan
-vernuft en geleerdheid. Ik geloof dat ik in u gevonden heb wat ik zoek;
-een bruikbaar mensch. Wil je de zeedienst vaarwel zeggen en bij mij
-komen, dan kun je beginnen met ondergeschikt werkzaam te zijn, en later
-kun je administrateur worden. Of je eenmaal deelhebber of eigenaar zult
-worden, dit zal geheel van je zelven afhangen. Om te beginnen kun je
-rekenen op een inkomen van tweehonderd ’s maands, vrij woning, vrij
-brandstof enz. enz.— —Neem je mijn aanbod aan?”
-
-»Dat weet ik niet, mijnheer.”
-
-»Je bent voorzichtig. Dat bevalt me ook. Máar waarom weifel je? Heb je
-ouders wier toestemming je denkt noodig te hebben?—Dan zal ik wachten
-tot je die verkregen hebt.—Of denk je dat épauletten meer waarde aan
-een mensch geven dan een pen of een schop? Dan vergis je je. Of is je
-traktement niet hoog genoeg? Dan zal ik het.....”
-
-»O! neen mijnheer, niets van dat alles! Mijn eenige vrees is dat ik
-niet berekend ben voor de betrekking die gij mij zoo loyaal aanbiedt.”
-
-»Daar ben je vrij wat beter voor berekend dan voor de betrekking, die
-je thans vervult.—Maar ik dring je niet. Ik wil zelfs volstrekt niet
-dat je met overijling over je levenslot beschikken zult. Hier heb je
-mijn kaartje—wacht heb je ook even een potlood voor me?—Zóo—en hier heb
-je het adres van mijn vriend bij wien ik logeer.—Als je iets besloten
-hebt, kom mij dan zien; je kunt informaties naar me inwinnen bij wie je
-wilt—heel Samarang kent me—au revoir!”
-
-Hij had mijn hand gegrepen en was verdwenen, eer ik nog recht tot
-bezinning gekomen was.
-
-Wat bewoog dien man om dus te handelen? Ik begreep er niets van. Maar
-er lag zóo iets goedigs, opens en vertrouwelijks in zijn donkere oogen,
-dat ik nog dienzelfden avond naar Bodjong reed, om hem te zeggen dat ik
-mijn ontslag had ingediend.
-
-»En welke informaties heb je van me ingewonnen?”
-
-»Geen, mijnheer.” Ik was trotsch dát te kunnen zeggen.
-
-»Geen? Dat is onvoorzichtig jonker, want je kent me niet, je weet niet
-wie ik ben en waartoe ik in staat ben.”
-
-»Ik weet niets, mijnheer, dat is waar. Maar ik ken hier niemand en ik
-heb dus geen reden om iemand anders meer te vertrouwen dan u, de eenige
-persoon die mij werkelijk belangstelling betoond heeft.”
-
-»Daar heb je gelijk in, en ik hoop je later ook te toonen dat ik je
-vertrouwen waardig ben.”
-
-»Zóo kwam ik hier op de fabriek van den heer Van Romberg terecht, waar
-ik nu als administrateur een gelukkig, kalm, werkzaam leven lijd.
-Mijnheer Van Romberg is eenige maanden geleden, tot herstel van
-gezondheid, naar Europa vertrokken, en nog dagelijks mis ik den
-hartelijken, vertrouwlijken omgang van den braven man, dien ik
-langzamerhand als een vader heb leeren hoogachten en liefhebben.”
-
-»En dien je weldra in zijn zaken zult opvolgen,” ging mijnheer
-Oristorio voort. »Zeg nu alles maar, want deelhebber is hij reeds
-sedert eenigen tijd, en als de zaken zóo blijven voortgaan, als ze tot
-dus ver gegaan zijn, dan kan hij over twee, drie jaar de fabriek vrij
-hebben, en voor zijn eigen rekening de zaken voortzetten.”
-
-»En mijnheer Van Romberg?” vroeg Werner angstig.
-
-»Van Romberg zal niet terugkomen. Hij is naar Europa vertrokken
-hoofdzakelijk omdat hij het heimwee naar zijn oude moeder had en omdat
-hij zijn vaderland terug wilde zien, zijn gezondheid was eigenlijk pas
-de derde reden.”
-
-»Maar mijnheer, dat heeft hij mij nooit gezegd!”
-
-»Dat weet ik wel, maar hij heeft het mij geschreven. Wacht, ik zal u
-zijn brief laten lezen. Julie, waar is hij? Wij hebben hem gisteren in
-de pianokamer gelaten, niet waar?—Siedin, tjobak liat apa tr’ada satoe
-soerat di atas piano?” [1]
-
-Siedin kwam met den brief terug, waaruit mijnheer di Frama het volgende
-voorlas:
-
-»Ik ben rijk genoeg. Waarom zou ik nog langer in den vreemde blijven,
-terwijl mijn oude moeder gelukkig is mij bij zich te hebben? En terwijl
-ik zelf hier alles gevonden heb wat ik met billijkheid verlangen kan?
-Intusschen regretteer ik nog ons heerlijk Indië, maar men kan niet
-overal te gelijk zijn, en nu ik kiezen moet, hier blijven of
-terugkeeren, heb ik maar besloten, een einde aan alle quaesties te
-maken, door hier te blijven. Met de volgende mail schrijf ik aan
-Werner. Zonder hem had ik zoo spoedig mijn zaken niet verlaten, want ik
-heb hart voor mijn land en hart voor mijn volk, dat ik zoo maar niet
-aan den eersten den besten had willen overgeven, voor een miserable
-hand vol banknoten.—Wat Werner betreft, zijn eenig gebrek is dat hij
-zóo jong is (maar dat zal wel beteren), overigens is hij geheel de man,
-berekend voor het besturen eener groote possessie. Hij is werkzaam en
-stipt, goedhartig en ferm, meegaande en plichtlievend; en Goddank,
-heeft hij enthousiasme en poëzie genoeg om zich in de eenzaamheid niet
-dood te kniezen. Als ik in mijn riet niets dan suiker had gezien en in
-mijn suiker niets dan geld, dan was ik krankzinnig geworden, lang vóor
-dat ik rijk was geweest!—En zóo is het met hem ook gesteld.—Het eenige
-wat ik hem toewensch, is een lieve, verstandige, brave vrouw, die met
-hem denken en gevoelen kan—maar—waar hij die vinden zal?—Of hij haar
-zelfs ooit zal vinden?—Er zijn naturen in de wereld, die geschapen
-schijnen om alleen te staan. Zijn ze te goed, te hoog, te fier, te
-rein?—Wat zijn ze?.... Ik weet het niet. Maar ik weet wel dat ze hier
-op aarde ronddoolen om gelukkig te maken en niet om gelukkig te zijn.
-Ik houd Werner voor éen van die lichtzuilen in de duisternis. De
-menschheid heeft mooi golven en woelen, bruisen en opstuiven tegen den
-rotsklomp die tot voetstuk dient, de zuil staat vast en kalm, en het
-licht blijft schijnen en waarschuwen en goed doen, tegen alle
-mishandeling in.—Ik ken nog iemand die tot de lichtzuilen behoort; ik
-bedoel onzen armen dokter, die ook als een dwaalster alleen het leven
-doorgaat, troost en verlichting brengt, waar hij komt, en voor
-zichzelven geen geluk kan vinden. Arme Heisterman! Ik wou dat hij hier
-was, om mijne moeder te troosten, als zij haar aanvallen van rhumatisme
-krijgt, waaraan de dokters beweeren dat niets gedaan kan worden. Arme
-menschheid die zoo veel moet lijden, omdat ze zoo weinig weet! Enfin,
-dáar zijn wij dan ook maar menschen voor, enz. enz.”
-
-»Gij ziet dus,” vervolgde mijnheer Oristorio den brief dichtvouwende,
-»dat Van Romberg geen plan heeft om terug te komen.”
-
-»Dat spijt mij. Niets kan mij de vriendschap vergoeden van den edelen
-man, die mij heeft voortgeholpen, onderwezen, aangemoedigd alsof ik
-zijn eigen zoon geweest was.”
-
-»Gij hadt hem liever zien terugkomen, dan uwe positie te verbeteren
-door zijn afwezigheid?”
-
-»O zeker!” riep Werner, ter sluiks een traan wegpinkend. »Ik geef niet
-om geld,” vervolgde hij, Lina aanziende, »daar ben ik waarschijnlijk
-nog te jong voor. Dat zal de juffrouw wel begrijpen.”
-
-»Ja dat begrijp ik volkomen. Ik gevoel ook niets voor geld.”
-
-»Chut! gij spreekt als kinderen, die niet weten wat er in de wereld
-omgaat. Geld is de groote spil, waarom alle gelukken en gelukjes
-draaien, vervolgd, verdrongen, beknepen door hoop, teleurstelling en
-intrigue. Zonder geld is er geen geluk mogelijk.”
-
-»En alle ongelukken zijn mogelijk met geld, niet waar?” riep Werner
-lachend.
-
-»Bijna allen... ja...”
-
-»Och! geluk is zoo denkbeeldig!” zei Lina. »Zoo als de eene mensch
-geschapen schijnt om onder alle omstandigheden gelukkig te wezen, zoo
-schijnt de andere voorbeschikt tot altijddurend zuchten en klagen.”
-
-»Ja, dat zien wij aan Heisterman, die zijn gansche leven door met
-ongelukken en soesahs te kampen heeft gehad en altijd even opgeruimd en
-tevreden is.”
-
-»O! ho! dat is niet altijd zóo geweest!” riep een vreemde stem.
-»Heisterman heeft ook droefheid en wanhoop gekend..... Pardon....
-Mejuffrouw!...”
-
-De dokter zag nu eerst dat er een vreemde dame aan tafel zat, die hem
-met groote, vragende oogen aanstaarde en naar zijn woorden luisterde
-met een nieuwsgierigen lach, waardoor hij geheel van zijn stuk raakte.
-
-»Ga voort, Heisterman, ga voort, geneer je niet. Juffrouw Van
-Wageningen kent je al sedert een uur en is dus waarschijnlijk blij je
-te zien.”
-
-»Ja, dat ben ik,” antwoordde Lina, »zelfs zijt gij niet vroeg genoeg
-gekomen naar mijn zin, daar ik reeds tijd gehad heb naar uw
-kennismaking te verlangen.”
-
-De dokter bleef haar zwijgend aanstaren en nam werktuigelijk aan hare
-zijde plaats.
-
-»Juffrouw Van Wageningen!” sprak hij half overluid—en haar steeds
-aanziende herhaalde hij nog zachter:
-
-»Juffrouw Van Wageningen!—Ritmeester Van Wageningen——zijn
-dochter?——Lina?—”
-
-»Ja dokter.”
-
-Hij bedekte zijn gelaat met beide handen en bleef een oogenblik in
-gepeins verloren zitten.
-
-»Waar blijft de tijd!” riep hij eindelijk, het hoofd weer opheffende.
-
-»Vergeef mij,” vervolgde hij zachter, »ik moet u wel krankzinnig
-toeschijnen.—Mogelijk ben ik het ook—want ik leef met de dooden alsof
-ze levend waren—en dikwijls met de levenden alsof zij dood waren.”
-
-»Dat schijnen ze ook wel, al zijn ze ’t niet!” antwoordde Lina lachend.
-
-Verrast staarde hij haar weder aan.
-
-»Zóo had ze moeten zijn!” dacht bij overluid. En als hadden zijn eigen
-woorden hem verschrikt, zóo sprong hij van zijn stoel op, greep zijn
-hoed, vatte Lina’s hand....
-
-»Tot weerziens—ik moet weg—ik heb geen tijd—tot morgen—au revoir!”
-
-En weg was de dokter.
-
-»Wat heeft hij?”
-
-»Wat is hij raar van avond!”
-
-»Welk een vreemde man!”
-
-»Waar moet hij heen?” riepen allen tegelijk, en niemand begreep iets
-van het zonderling gedrag van den dokter, dan Lina misschien, die den
-ganschen avond stil en afgetrokken bleef en groote sympathie gevoelde
-voor den vreemden man, met wien zij medelijden had.
-
-
-
-
-
-
-
-
-VIERDE HOOFDSTUK
-
-MEESTERES EN LEERLING
-
-
-»Hu! juf een spin!” riep Melatie, en zij liep hard de kamer uit om een
-bezem te halen, waarmee zij de spin wilde dooden. Maar toen zij terug
-kwam, met den bezem in de hand, stond Lina haar in de geopende deur af
-te wachten.
-
-»Waarom wilt gij dat arme diertje dooden?” vroeg zij zacht.
-
-»O! omdat het zoo leelijk is!”
-
-»En omdat gij ook leelijk zijt, zou men u dus ook moeten dooden?”
-
-»Maar jufje! Ik ben toch geen spin!”
-
-»Neen, gij zijt geen spin, maar gij zijt toch ook zeer leelijk, en wat
-hebt gij dan vóor boven die spin?”
-
-»Wel dat ik veel verstandiger ben dan zij, en dat ik kan lezen en
-schrijven en naaien—en dat kan die domme spin toch niet!”
-
-»Neen dàt kan zij niet, maar daarentegen kan zij iets anders dat gij
-niet zoudt kunnen, al wildet gij ook nog zoo gaarne.”
-
-»Och! juf! En wat is dat?”
-
-»Hebt gij ooit een spin haar webje zien maken?”
-
-»Zoo’n vuil, leelijk spinneweb?”
-
-»Ik vind het niet vuil en niet leelijk, Melatie. Hebt gij het wel ooit
-van nabij beschouwd?”
-
-»O! neen, lieve juf!”
-
-»En waarom spreekt gij er dan met zulk een minachting over? Kom eens
-even hier—maar zet eerst je bezem weer buiten de kamer, dan zal ik je
-eens laten zien wat die domme spin kan maken, en hoe zij zelfs de
-menschen nog van dienst kan wezen. Ziet gij dat leelijke spinrag hier
-wel aan den zolder hangen?”
-
-»Ja, jufje, dat had de baboe al lang moeten weghalen—maar zij heeft het
-vergeten.”
-
-»Kom nu eens mee in den tuin, dan zal ik je nog een spinrag laten zien,
-en dat zult ge voorzeker zoo leelijk niet vinden.”
-
-Melatie ging wel met haar gouvernante mede, maar zij lachte er toch om,
-dat zij naar den tuin moest loopen om een webje te bewonderen.
-
-»Welnu?” vroeg Lina, haar een spin wijzende, die midden in haar net
-zat, »hoe vindt gij nu dat webje?”
-
-»Och, juflief! Ik zie er niets bijzonders aan, ik vind het heel
-gewoon.”
-
-»Maar gij vindt mogelijk alles gewoon wat gij dagelijks ziet?—Neen,
-mijn lieve Mela, zóo oppervlakkig moogt gij niet oordeelen. Alles is
-waard met aandacht bezichtigd te worden en elk schepsel vooral, dat gij
-dagelijks om u heen ziet leven, verdient uw opmerkzaamheid ten volle.
-Gij hebt reeds dikwijls het garen gezien, waarmede gij dagelijks naait,
-niet waar?”
-
-»Ja, juf.”
-
-»Hoe vindt gij dat? fijn of grof?”
-
-»Fijn, heel fijn, jufje.”
-
-»Net zoo fijn als de draden van dit webje?”
-
-»Neen!—O! neen—lang niet zóo fijn!”
-
-»Kent gij dan een anderen draad, die zóo fijn is als deze?”
-
-»Zóo fijn als deze?—Neen jufje.”
-
-»Ziet gij nu wel dat die leelijke spin nog zoo dom niet is als gij wel
-zoudt denken, en dat de draden die zij kan maken vrij wat fijner en
-fraaier zijn, dan die welke door menschenhanden gemaakt worden?”
-
-»Ja, zoo’n draadje! Maar wat heeft men nu nog aan zoo’n draadje?”
-
-»Wat men er aan heeft? Dat zal ik u zeggen. Zooals gij ziet, bestaat
-een web uit een menigte rondloopende draadjes, die weer door
-dwarsdraadjes, evenals aaneengeschakelde laddertjes aan elkander
-verbonden zijn. Elk dezer fijne draadjes nu, dat gij slechts als éen
-geheel kunt onderscheiden, bestaat weer uit zoovele, veel dunnere en
-fijnere draadjes, dat gij die, indien men ze eens uitgespreid vóor u op
-tafel kon leggen, zelfs met geen mogelijkheid zoudt kunnen tellen.”
-
-»Hé jufje, en daar zie ik niets van!”
-
-»Ja, mijn kind, gij kunt niet alles zien wat bestaat; er is nog zóoveel
-in de natuur waarvan gij u geen denkbeeld kunt vormen, maar daarom
-juist moet gij niets onopgemerkt laten voorbijgaan, en moet gij nooit
-iets met minachting behandelen, of met onverschilligheid beschouwen,
-omdat gij het niet kent of omdat gij het niet begrijpen kunt.—Maar weet
-gij mij nu ook te zeggen, lieve Mela, waarom die spin dat kunstig
-weefsel maakt en waarmede zij de menschen van dienst kan wezen?”
-
-»Neen jufje.”
-
-»Zooals gij nu dat net dáarvoor u ziet, dient het hoofdzakelijk tot het
-vangen van vliegen en andere insekten, waarmede de spin zich voeden
-moet, terwijl zij de menschen alzoo tevens van een werkelijke plaag
-bevrijdt. Later, wanneer zij haar eieren gelegd heeft, waaruit weder
-andere spinnetjes te voorschijn moeten komen, spint zij ook die
-eiertjes geheel in een webje, om ze op deze wijze te behoeden tegen de
-aanvallen van weer en wind, waardoor zij anders beschadigd of geheel
-vernield zouden worden. En wat zegt gij nu wel van die leelijke, domme
-spin, Melatie? Wilt gij haar nu nog met uw bezem dooden, omdat gij haar
-zoo leelijk vindt? Ziet gij nu nog niets bijzonders aan dat webje?
-Vindt gij die dunne, fijne draadjes nu nog zóo gewoon?”
-
-»Neen, neen, jufje! Nu vind ik ze mooi, en nu vind ik de spin zelve ook
-niet half zoo dom meer als vroeger. En nu ik weet dat zij van vliegen
-en andere nare beesten moet leven, verzeker ik u dat ik nooit meer een
-enkele spin zal plagen of dooden, want ik heb een vreeselijken hekel
-aan vliegen!”
-
-»En toch moogt gij ook zelfs geen vliegje verachten: dit hebt gij aan
-de spin gezien. Elk diertje, hoe klein en hoe gering het u ook moge
-toeschijnen, bestaat omdat het moet bestaan, omdat de goede God het een
-leven gaf en een werkkring op onze aarde aanwees, waarvoor het berekend
-en geschapen is. Ziet gij dus later mogelijk nog eens een diertje dat
-gij leelijk vindt, of waarvan gij om de een of andere reden een afkeer
-hebt, ontzie het dan, lieve Mela, spaar het en bescherm het, omdat het
-een schepsel is dat door denzelfden Schepper gemaakt is die u het leven
-gaf en die nog dagelijks voor u en voor uw ouders zorgt, zooals Hij ook
-verlangt dat Zijn schepselen onderling voor elkander leven zullen en
-voor elkander zullen zorg dragen.”
-
-»Altijd, jufje?”
-
-»Ja zeker, altijd.”
-
-»En de menschen schieten elkander dood, met groote geweren, zooals
-mijnheer Werner heeft.”
-
-»Dat mogen zij niet doen.”
-
-»Een mooie officier met dikke [2] épauletten en een grooten sabel heeft
-zelf aan Mama verteld, dat hij acht menschen in éen uur dood gemaakt
-had, en dat zeide hij, dat zoo goed was.”
-
-»Neen Mela, dat is niet goed; maar de menschen weten niet wat goed is
-en daarom handelen zij verkeerd. Al wat eenig leed veroorzaakt, is
-kwaad, en al wat beter of gelukkig maakt is goed,—vergeet dat nooit, en
-als gij het een of ander doen wilt, waarvan gij niet weet of het goed
-of kwaad is, vraag dan u zelve dit: »Maak ik iets of iemand beter? Wie
-maak ik gelukkig?”—En zoo gij niets beter maakt of niemand gelukkig,
-doe het dan niet, want dan is het kwaad.”
-
-Melatie sloeg de oogen neer en zag twee kippen vechten om een muis.
-
-»Jufje!” riep zij zenuwachtig, »red die arme muis!”
-
-Maar de muis was verdwenen en de kippen stapten voort, kalm en tevreden
-evenals de mooie officier, die dapperheid en heldenmoed met een
-doodenregister staafde. Men kon het ze aanzien, die fiere kippen, dat
-ze een nuttig werk verricht hadden, een gevaarlijken vijand verslagen
-en de aarde van een ondier verlost hadden. Wat zou er van de wereld
-geworden zijn, als die kippen er niet geweest waren?
-
-»Arm muisje!” riep Mela. »’t Was zoo vlug en zoo vroolijk daareven! Hu!
-Foei! leelijke, stoute kippen! Ik hoop dat je ’t eerst geslacht zult
-worden!”
-
-Zóo eet de een den ander op, en toch vinden allen dat opeten verkeerd,
-als ’t een ander is die eet....
-
-Lina gevoelde grooten lust tot lachen, maar hield zich goed voor haar
-leerling en plukte een hand vol gras voor een geitje, om een andere
-wending aan het gesprek te geven dat wat al te scabreux begon te
-worden. Melatie volgde haar voorbeeld en kwam met haar schortje vol
-gras aanloopen om jufje te helpen.
-
-
-
-
-
-
-
-
-VIJFDE HOOFDSTUK
-
-EEN BRIEF VAN HUIS
-
-
- Mejufvrouw L. Van Wageningen. Adres:
- den WelEd. Heer Oristorio, enz., enz.
-
- Liefste Lina!
-
-Wel mijn kind, wat waren wij gelukkig toen wij heden morgen de tijding
-ontvingen van uw goede aankomst in Oost-Indië! Richard is den ganschen
-dag zóo wild geweest van vreugde dat er geen huis met hem te houden
-was, Ella Salvita was te opgewonden om te ontbijten, zelfs om mij
-suiker in mijn thee te geven, nu ik beken je ronduit dat ik het niet
-bemerkt had vóor dat zij zelve het zag, en mij lachend verweet dat ik
-even ongeduldig en zenuwachtig was als zij! Je oude poes begreep niets
-van de consternatie, maar Bijoux scheen je ganschen brief met ons te
-lezen, en deelde in de vreugde alsof hij tot de familie behoorde.
-Mietje alleen kwam vrij nuchter uit den hoek met haar: »Och! heetje! Is
-de juffer nou in dat verre land! Wel, wel, ’t is wat te zeggen!” En dan
-beweren de geleerden dat Mietje meer ziel heeft dan Bijoux. ’t Is
-mogelijk, maar ik geloof het niet. En indien het zóo is, welnu dan acht
-ik er den hond des te hooger om, daar hij beter gebruik van de zijne
-maakt dan zij van de hare.
-
-En nu heb ik je wat nieuws mee te deelen, namelijk dat ik je wijzen
-raad gevolgd en Ella ten huwelijk gevraagd heb. Zij was in deze
-omstandigheid weer eenvoudig groot, zooals zij in alle anderen geweest
-is.—»Neen,” was haar eerste woord. »Ik ben de vrouw niet die geluk in
-een familie brengen kan.”—»Wie kan die vrouw zijn, indien gij haar niet
-zijt?” vroeg ik haar. »Waar is verstand en ziel en wil vereenigd als in
-u? Waar liefde tot een hoogeren graad van volmaaktheid opgevoerd dan in
-de zelfverloochenende grootheid die de grondtrek van uw karakter
-uitmaakt.”
-
-Zij zag mij aan, met haar groote dankbare oogen en schudde weemoedig
-het hoofd, terwijl zij zacht en ferm zeide: »Neen, ritmeester, gij hebt
-kinderen, voor wie gij den heiligen moedernaam zuiver en onbevlekt
-bewaren moet..... Een actrice vernedert de kinderen die haar »moeder”
-noemen, verlaagt hem die onder zijn naam de minachting tracht te
-verbergen, die aan den hare verbonden is.... Spreek nooit meer van een
-huwelijk. Laat mij bij u blijven en gelukkig zijn en bekommer u niet
-verder over een leven dat, God geve het, niet lang meer duren zal.”
-
-Zij glimlachte, en verliet de kamer met een kalmte die ieder ander dan
-mij, had doen denken dat zij ongevoelig was.
-
-Ik oogde haar na toen zij den gang doorging, den trap op, in hare
-kamer.... en toen alles stil was, volgde ik haar.
-
-Ik vond haar op de sofa, met het gelaat in de handen, bitter
-schreiende. Ik had de deur zóo zacht geopend dat zij mij niet had
-hooren inkomen en dat ik naast haar zat eer zij het wist. »Ella,” sprak
-ik nauw hoorbaar. »Kom, wisch die tranen weg en laat ons openhartig
-samen spreken.” Zij zag mij een oogenblik ontsteld aan, liet toen het
-hoofd op mijn schouder zinken en snikte zenuwachtig zonder een woord te
-kunnen uiten. Toen zij eindelijk tot bedaren was gekomen en haar hoofd
-half lachend op had gericht met de woorden: »Laat ons nu over iets
-anders spreken,” gaf ik haar uw brief van de Kaap de Goede Hoop, en
-liet ik haar zelve lezen wat gij omtrent een huwelijk tusschen haar en
-mij geschreven hadt.
-
-Toen zij gelezen had, gaf zij mij met bevende hand den brief terug.
-
-»Verlangt gij liefde, ritmeester?” vroeg zij aarzelend.
-
-»Neen. Ik verlang van u niet meer dan een jonge vrouw kan geven aan een
-man van mijn leeftijd: achting, welwillendheid, vriendschap.—” Zij
-zeide niets, opende een schrijfportefeuille, kreeg er een paar oude
-brieven uit en overhandigde mij die met de woorden: »Hier is mijn
-liefde.—De vrouw aan wie deze brieven gericht waren is dood, haar
-zuster zond ze mij terug, toen zij gestorven was, en als de weemoedige
-herinnering aan lang vervlogen gouden droomen, heb ik ze bewaard, niet
-denkende dat zij mij ooit te pas zouden komen.—Lees ze en verscheur ze
-dan—mijn verleden is dáar.—Later zullen wij over de toekomst spreken.”
-
-Ik was gereed de brieven terstond te verscheuren en zeide haar dat ik
-haar verleden als het mijne aannam, zonder onderzoek en zonder twijfel;
-maar zij smeekte mij zoo dringend aan haar verzoek te voldoen, dat ik
-gehoorzaamde en haar niet weerzag vóor etenstijd.
-
-Wanneer gij deze letteren ontvangt, zal Ella mijne vrouw zijn, en dan
-mijn kind zult gij een moeder hebben, op wie gij trotsch kunt
-wezen.........
-
-
-
-
-
-
-
-
-ZESDE HOOFDSTUK
-
-LOUISE VAN AMERONGEN
-
-
-Het was in het midden van den goeden moesson. De zon wierp hare stralen
-loodrecht op de huizen, waarvan de daken gloeiden en de witgekalkte
-muren verblindend schitterden, terwijl de jalousieën zorgvuldig
-gesloten waren en niemand zich meer in de galerijen bevond. Ook de
-straten waren bijna geheel verlaten, slechts nu en dan deed zich nog
-het rateltje van den Klontong [3] hooren, of het gekraak van het
-bamboezen juk van den koeli [4] die, gebogen onder zijn zwaren last,
-zijn weg vervolgen moest, terwijl alles rust en uitputting ademde.
-Zelfs de vrouwen in de warongs [5] sliepen bij hare nassie [6] of
-kwee-kwee, [7] en de wisselaarsters op de hoeken der straten hadden
-slechts eenige duiten vóor zich liggen om des te rustiger onder den
-half gescheurden pajong [8] op de kleine gevlochten tikar [9] te kunnen
-voortdommelen, gedurende de weinige uren dat de groote warmte alles,
-tot zelfs het geld, bijna vergeten deed.
-
-’t Is nog te vroeg, maar wacht even, en wij zullen met de ondergaande
-zon in deze schijnbaar uitgestorven stad het lachend Samarang
-herkennen. Dan zullen wij alle huizen geopend zien, alle wegen bezocht
-vinden, dan.... maar wacht nog even, het is nauwlijks drie uur geslagen
-en de europeesche bevolking is nog grootendeels in rust.
-
-In den tuin, vóor een smaakvolle villa aan den Bodjongschen weg loopt
-een jonge slavin, in haar kort wit baadjoe en rood geruiten sarong, die
-met een gouden band om het middel wordt vastgehouden, onophoudelijk van
-het eene bloembed naar het andere. Zij knipt de schoonste knoppen af,
-plukt de geurigste rozen, maar schudt nog steeds ontevreden het hoofd,
-alsof zij hetgeen zij zocht, niet vinden kon. Eindelijk keert zij
-schoorvoetend naar huis terug.
-
-»Wat zal Nonna [10] boos zijn. Geen enkele witte roos van daag!” denkt
-zij bij zichzelve en nauw hoorbaar sluipt zij een groote kamer binnen,
-waar zij de bloemen in een blauw glazen kommetje op een smaakvolle
-toilettafel plaatst.
-
-»Hoe laat Alima?” roept een zachte stem uit het groote ledikant,
-waarvan de dunne neteldoeksche gordijnen langzaam door een fijn wit
-handje op zijde worden geschoven.
-
-»Bij vieren, Nonna.”
-
-»Bij vieren! gauw de thee! Mijn hemel! Hoe kom ik nog klaar! Gooi de
-jalousieën open! Roep Rosa! Kap mij! Raap mijn boek op! Geef mijn
-kousen! Laat zien de bloemen! Gauw! Gauw! Ik heb haast! Rosa! Rosa!”
-
-Alima raapte dood bedaard, eerst het boek op, dat hare jeugdige
-meesteres in haar drift uit bed had laten vallen, schoof toen een
-grooten rotangstoel voor den toiletspiegel en opende eindelijk de
-jalousieën, om daarna achtereenvolgens alle verdere bevelen ten uitvoer
-te brengen, terwijl Louise van Amerongen met haar boek op den grooten
-stoel neerviel en Eugène Sue’s »Orgueil” half liggend vervolgde, zooals
-zij die een uur te voren half slapend begonnen was.
-
-Toch was Louise niet lui, noch heerschzuchtig, noch wispelturig, maar
-zij was verwend. Zij was de eenige dochter van een schatrijken koopman,
-de oogappel, de afgod, de geheele toekomst harer ouders, die haar lief
-hadden en bedierven met een verblindheid welke alle perken te buiten
-ging. Tusschenbeide had het mevrouw Van Amerongen wel eens gehinderd
-dat hare dochter zoo langzaam in hare bewegingen, zoo kortaf in hare
-antwoorden, wezen kon; maar mevrouw Van Amerongen was een Europeesche
-vrouw, terwijl haar dochter geboren en opgevoed was in Indië, waar
-onverschilligheid en opvliegendheid elkander steeds de eerste plaats in
-het hart der meeste vrouwen betwisten; zij begreep dus dat zij hier met
-een kwaal te worstelen had, waarvan haar kind niet dan met de grootste
-moeite te genezen zou zijn. Buitendien was Louise rijk en bevallig
-genoeg dat men haar zulke kleine gebreken vergeven kon. Heeft niet
-ieder mensch het een of ander in gewoonte of manieren dat wel anders
-wezen mocht? En verder werd er niet aan de verbetering van de oogappel
-gedacht.
-
-Louise was nauwelijks vijftien jaar oud, maar zij was groot voor haar
-leeftijd en geheel ontwikkeld; daarbij was zij schoon met haar fluweel
-zwarte oogen, haar golvend haar en hare schitterend witte tanden, haar
-slanke leest en haar kleine welgevormde handen en voeten. Ook was er
-iets vreemds, iets aantrekkelijks in hare bevallige ronde bewegingen,
-in haar statigen langzamen gang, terwijl haar fiere houding, gevoegd
-bij haar zachte welluidende stem, aan haar geheele persoon iets
-boeiends en meesleepends gaven.
-
-En het hart?—Het hart was goed en sloeg voor al wat groot en edel is.
-Ook het hoofd was goed, maar ’t was niet goed bestuurd geworden, en
-hierdoor werd dáar waar het scherpe oordeel van het kind tekort schoot,
-helaas! maar al te dikwijls de koude rede van den
-»gedésillusionneerden” mensch geloofd.
-
-Alima kwam eindelijk terug met een kopje koude thee en een paar
-schoteltjes kwee-kwee. Rosa, een meisje van een jaar of dertien, volgde
-haar, plaatste zich zwijgend tegen den muur en wachtte.
-
-»Waarop wacht gij?” vroeg Louise.
-
-»Ik ben bij nonna Van den Berg geweest, nonna.”
-
-»En?”
-
-»Nonna Van den Berg zal tegen half zes te paard hier zijn.”
-
-»Goed.”
-
-»Toewan ketjil [11] laat vragen of hij de nonnas vergezellen mag?”
-
-»Hm—m,” toestemmend geluid.
-
-»Moet ik antwoord zenden, nonna?”
-
-»Neen, kap mij.”
-
-Rosa maakte een zestal breede vlechten van het weelderige, zwarte haar
-en schikte ze in sierlijke lussen om het fraaie kopje harer meesteres.
-
-»Alima, krijg mijn amazone uit de kast, en al wat ik verder noodig heb,
-leg alles op bed bij elkaar.”
-
-De slavin liep eenige keeren de kamer op en neer, haalde hier het
-rijkleed, daar den hoed, ginds de handschoenen en plaatste zich, toen
-alles gereed lag, naast Rosa, achter den stoel harer meesteres om op
-nieuwe bevelen te wachten.
-
-Louise echter was geheel in l’Orgueil verdiept, en hoorde of zag niets
-van hetgeen er om haar henen voor viel.
-
-De pendule sloeg weer éen, daar werd zij wakker.
-
-»Ja! Allah! half vijf!”
-
-L’Orgueil ging op den grond, de koekjes moesten
-
- weg, de thee stortte over het blad, alles ging het onderste boven om
- nonna spoedig in de kleeren te helpen... Eindelijk was zij gereed, en
- met een lichten blos van het reppen, trad zij in haar sierlijk
- rijkleed den hoogen stoep af, onderaan welken Henri van den Berg, de
- broeder harer vriendin, gereed stond om haar bij het te paard stijgen
- behulpzaam te zijn.
-
-»Waar blijft Marie?” vroeg zij lachend.
-
-»Zij zal volgen met papa en met Willem Nieland, dien wij juist tegen
-kwamen toen wij het hek uit reden.” En hij zag haar aan alsof hij voor
-haar antwoord vreesde.
-
-»Wij zullen hen te gemoet gaan,” sprak het meisje spotachtig. Henri
-boog zwijgend en reikte haar de hand tot opstijgen.
-
-Wat was de jonge lachende Louise schoon, toen hare donkere oogen van
-hoop en leven schitterden en hare slanke buigzame gestalte zoo sierlijk
-uitkwam op den fieren Arabischen Isabel die, trotsch op zijn schoonen
-last, het edel hoofd nog hooger ophief en in vollen galop het hek
-uitvloog.
-
-Louise’s ouders oogden haar na en konden den glimlach niet bedwingen,
-die zoo duidelijk zeide hoe zij hun eenig kind bewonderden en
-liefhadden, met al den trots hunner ziel.
-
-»Henri verraadt zich toch gedurig,” sprak mijnheer Van Amerongen.
-
-»Louise houdt zich goed,” antwoordde mevrouw.
-
-»Zij zal het niet opmerken.”
-
-»O, haar ontgaat niets!”
-
-»Henri is een beste, brave jongen, maar toch voor Louise...”
-
-»O, Louise kan wel betere partijen doen.”
-
-»Dat geloof ik!”
-
-
-
-»Louise ik begrijp u niet!” sprak Henri.
-
-»Dat verlang ik ook niet.”
-
-»Maar... Kom, antwoord mij eens wat duidelijker... Zeg mij, bid ik
-u...”
-
-»Éens Henri, maar éens vooral, hoor! Ik houd niet van herhalen, dat
-weet gij. Gij wilt weten of ik u lief heb, niet waar?”
-
-»Ja,” antwoordde hij nauw hoorbaar.
-
-»Welnu, ik heb er velen lief als u.”
-
-»En acht gij mij?” vroeg hij verder.
-
-»Meer dan alle anderen te zamen.”
-
-»En toch...”
-
-»Uw vrouw, nooit, dat weet gij.”
-
-»Maar Louise!”
-
-»Geen woord meer.”
-
-»Maar welke toekomst droomt gij u dan? Wat verlangt gij...”
-
-»Ik denk aan geen toekomst en ik verlang niets. Niets dan vrij te
-blijven en mijn rechten op mij zelve te behouden.”
-
-»Altijd?”
-
-Louise wendde lachend het hoofd van hem af.
-
-»Zijn die rechten op u zelve u zoo dierbaar, dat gij ze levenslang
-zoudt wenschen te behouden?”
-
-»Oude jonge juffrouw!” riep het meisje als verschrikt, en zij lachte
-zóo hartelijk dat Henri onwillekeurig met haar mede deed. »Neen, neen,
-dat nooit!”
-
-»Wat dan?”
-
-»Niets.”
-
-»Louise, Louise, waar...”
-
-»Ik ben jong en gelukkig Henri, waarom...”
-
-»Gij hebt gelijk. Gij zijt jong en gelukkig! Geniet! Geniet zoo lang
-het u mogelijk zal zijn; blijf vroolijk en onbezorgd voortleven in de
-weelde en in de liefde die u omringen en droom u een toekomst zóo
-schoon en zóo heerlijk als uw fantastische verbeelding ze u slechts
-voor kan spiegelen.”
-
-»En in de werkelijkheid?”
-
-»Zult gij mogelijk een beter man gelukkig kunnen maken, een edeler
-mensch uw liefde kunnen schenken dan ik ben.”
-
-»Neen, dat nooit!”
-
-Die woorden waren haar ontvallen, want nauwlijks had zij ze gesproken
-of een hoog rood steeg haar tot aan het voorhoofd, en, zich snel
-voorover buigende, liet zij haar paard den vrijen teugel en rende zij
-voort tot dat zij mijnheer Van den Berg met Marie en Willem Nieland
-ontmoette.
-
-
-
-
-
-
-
-
-ZEVENDE HOOFDSTUK
-
-EEN BAL
-
-
-In de dagen der verpachting telde Samarang de meeste feesten. De
-resident, de kolonel, nog een paar hooggeplaatste personen en eenige
-rijke partikulieren waren er op gesteld de vreemde residenten
-beleefdheden te bewijzen en hadden dus reeds van te voren met elkander
-overlegd, over welke dagen ieder van hen te beschikken zou hebben.
-
-Wat al vreugde voor de jonge meisjes, die weder haar balkleederen in
-gereedheid konden brengen en menigen vroolijken avond in het
-vooruitzicht hadden. Maar welk een vreugde voor Louise van Amerongen
-vooral, die weder zou schitteren en uitblinken boven allen en reeds
-vooraf verzekerd kon wezen van nieuwe en onafgebroken triomfen!
-
-Wat was zij schoon toen zij ’t open rijtuig uitsprong en het helder
-licht der dammers haar vriendelijk gelaat bescheen! Toen het vol orkest
-haar met de groote trom aan ’t hoofd, begroette, en zij lachend haar
-net geganteerde hand aan Albert van den Hove reikte, om op zijn arm
-geleund de lange galerijen van het residentiegebouw te doorloopen,
-eerst haar opwachting bij de gastvrouw te maken en vervolgens haar
-plaats in te nemen aan het lagere einde der zaal, waar zij terstond
-door een aantal heeren omringd werd, die elkander verdrongen voor een
-dans, een lach, een blik van de »Roos van Samarang”.
-
-Wat was zij schoon toen ze eindelijk drong door den dichten drom van
-aanbidders die haar den weg versperde, en licht en vlug de wals begon,
-welke zij volhield, van den eenen danser naar den anderen overgaande,
-tot dat de muziek verstomd was en het laatste paar van vermoeidheid
-uitgeput tot staan was gekomen.
-
-Hoe velen hadden haar opgemerkt, hoe velen hadden haar nageoogd en door
-hoe velen was zij weder bewonderd of benijd geworden?
-
-Zij wist het niet; maar het kon haar ook niet schelen. Zij die gewoon
-was opgemerkt te worden, zag niet meer dat zij nageoogd, bewonderd en
-benijd werd. Het wufte kind van het oogenblik bleef koud voor de
-lofuitingen der wereld, terwijl haar hart schier hoorbaar klopte en
-haar oogen schitterden van geluk bij het denken aan een tweede wals!
-
-Lach maar kind! De ware wijsheid is geluk. De wereld biedt tranen
-genoeg en zorgen in overvloed aan den rijpen leeftijd; lach gij maar
-voort zoolang gij lachen kunt. De vroolijkheid is het schoonste sieraad
-der jeugd. Geniet zoolang gij slechts kunt, dans voort, en volg de
-inspraak van uw hart, zoolang die uit kinderlijken eenvoud en
-oprechtheid voortspruit; wees wispelturig zelfs, als gij wilt... de
-wispelturigheid op uw jaren is geen gebrek, wanneer zij met
-goedhartigheid gepaard gaat.
-
-»Neen, ik blijf zitten,” zei ze.
-
-»Maar Louise, gij die nooit wilt blijven zitten!”
-
-»Al zou het dan ook enkel voor de variatie wezen.”
-
-»Een quadrille is toch niet vermoeiend, die kunt gij even goed mee doen
-als...”
-
-»Vermoeiend! En wie spreekt daarvan? Ik ben nooit vermoeid!”
-
-»Nu, kom dan mede?”
-
-»Neen.”
-
-»Maar Louise!”
-
-»Neen.”
-
-»Gij zijt al zeer kort af, van avond.”
-
-»Ik ben ook heel boos op u.”
-
-»Op mij?”
-
-»Ja.”
-
-»Maar waarom dan? Wat heb ik u gedaan?”
-
-»Mij? O! mij niets. Mij kunt gij niets doen! Maar mijn vriendin hebt
-gij beleedigd en dat vergeef ik u niet licht.”
-
-»O ho! Uw vriendin? Die zwarte Mathilde, met wie ik niet dansen wil
-omdat zij te klein en te mager en te leelijk is.... Nu, dit kunt gij
-mij toch niet kwalijk nemen, hé?”
-
-»Hoor eens Willem, zij mag zoo leelijk zijn als gij wilt, dat kan ze
-niet helpen, het arme schaap, maar ze is goed en dat is genoeg.”
-
-»Maar dat is niet genoeg voor mij, om voor mijn plezier met haar te
-dansen.”
-
-»Dat behoeft ook niet, dans maar, en ik zal u niet vragen of gij het
-voor uw plezier gedaan hebt.”
-
-»Neen,” riep Willem, op zijn beurt kort af en naar de leelijke Mathilde
-omziende, ten einde een lach te verbergen.
-
-»Wilt gij niet?”
-
-»Neen.”
-
-»Goed.”
-
-Willem bleef nog eenige oogenblikken zwijgend staan wachten, terwijl
-Louise met haar waaier speelde.
-
-»De dans begint.”
-
-»Goed.”
-
-»Bedenkt gij u niet?”
-
-»Neen.”
-
-»Dan blijf ik hier bij u zitten.”
-
-»Hm.”
-
-»Gij zult toch wel met mij willen spreken, hoop ik?”
-
-»Neen.”
-
-»Ook niet, wanneer ik met Mathilde gedanst zal hebben?”
-
-»O! dan wil ik alles!”
-
-»Dan krijg ik een dans?”
-
-»Drie, als gij wilt!”
-
-»Goed, maar ik zal ook niet behoeven te vragen of gij ze »voor uw
-plezier” zult doen.”
-
-Een gulle, ongedwongen lach was Louises eenig antwoord.
-
-
-
-»Wie is zij, die ik daar zoo spotachtig zie lachen, schoon oud en jong
-in de quadrille staat en zij alleen is blijven zitten?”
-
-»Waar?.... Het is de Roos van Samarang, geloof ik! Juist zij is het!
-Welke tinka (caprice) is dat nu weer?”
-
-»Tinka?—Zou men haar gevraagd hebben, denkt gij?”
-
-»Haar gevraagd? Wel, wel resident, nu toont gij dat gij vreemdeling
-zijt! Kent gij Louise van Amerongen nog niet?”
-
-»Is zij Louise van Amerongen? De kleine coquette die alle luitenants
-het hoofd op hol brengt?—Een aardig kopje! Ik zou mij waarachtig
-weleens aan haar willen laten voorstellen.”
-
-»Nu, kom maar mede.”
-
-»Ja, maar is het niet wat gek, hè? een resident... Dàt zal haar geheel
-ongenaakbaar maken.”
-
-»Ta, ta, ta, wat al gebluf! Kom maar mee, van dien kant hebt gij niets
-te vreezen.”
-
-»Juffrouw Van Amerongen, mag ik de eer hebben u resident Stevens van
-Langendijk voor te stellen!”
-
-Louise boog even, bood de heeren een stoel aan, en zweeg, den resident
-vragend aanziende, om hem te kennen te geven dat hij aan het woord
-was.—Dit is een gewoonte, vrij algemeen op Java, waar een dame bijna
-nooit het eerst het woord tot een heer zal richten.
-
-»Wat hebt gij daar een lief toiletje aan, juffrouw Van Amerongen.”
-
-Louise, met een beleefd lachje: »vindt u?”
-
-»O ja, en dat beelderige coiffuurtje! Zoodra gij de zaal binnen kwaamt,
-hebt gij mij getroffen.”
-
-»Ja?”
-
-De resident kuchte eens.
-
-»Ik heb zooveel over u hooren spreken,” begon hij weder, »dat ik
-mijnheer Vrede terstond verzocht heb mij aan u te presenteeren, maar
-gij zijt den ganschen avond zóo geëntoureerd geweest, dat wij geen
-gelegenheid vinden konden om tot u door te dringen.”
-
-»Hm!” met een lachje.
-
-Hij kuchte weder.
-
-»Verduiveld, hoe bête!” dacht hij bij zichzelven, zonder te letten op
-de groote nonsense die hij zelf met zooveel emphase voordroeg.
-
-»Woont gij reeds lang in dat prachtige huis aan den Bodjongschen weg,
-juffrouw Van Amerongen?”
-
-»Sedert drie jaar pas.”
-
-»Gij gaat zeer veel uit, niet waar?”
-
-»Ja, er wordt hier nog al eens gedanst.”
-
-»En gij houdt niet van dansen, hè?”
-
-»Ik? O, dol!”
-
-»En gij zijt nu blijven zitten?”
-
-»Dezen keer—ja.”
-
-»Bij preferen... bij verkiezing natuurlijk, want...”
-
-»Ja, resident.”
-
-Zóo spraken zij nog eenige minuten, tot dat de quadrille geëindigd was.
-Toen werd Louise weder van alle kanten door bewonderaars omringd,
-terwijl de resident met zijn vriend naar zijn speeltafeltje terugkeerde
-en, recht voldaan over zich zelven, een lange redevoering hield over de
-domheid, nietigheid en kleingeestigheid der vrouwen: »Zij zijn toch
-allen gelijk, of men er éen ziet of honderd, er zit nooit iets bij.”
-
-En wat antwoordde Louise, toen haar cavalier haar half lachend, half
-verwijtend vroeg, »hoe de ongehuwde resident haar bevallen was?”
-
-»Och, goed!”
-
-»Dat meent gij niet.”
-
-»Waarom?”
-
-»Omdat gij het zóo niet zeggen zoudt, indien gij het meendet.”
-
-»Maar wat wilt gij dan dat ik antwoorden zal, wanneer gij mij naar
-iemand vraagt dien ik zoo even voor het eerst gezien heb?”
-
-»Wel zeg mij hoe gij hem vindt, aangenaam of onaangenaam, aardig of
-niet, verstandig of...”
-
-»O neen, over zijn verstand althans kan ik niet oordeelen!”
-
-»En waarom niet?”
-
-»Omdat men een heer eenige malen met andere heeren ongestoord moet
-hebben hooren spreken, om te weten of er wat bij zit of niet; met ons
-dames zijn alle heeren dom.”
-
-»O! dat zal ik mijn vriend terug vertellen!”
-
-»De resident is uw vriend?”
-
-»Ja juffrouw.”
-
-»Goed.”
-
-»Ik mag dus?”
-
-»Och! waarom niet; het kan mij niet schelen.”
-
-En zij danste weder voort, en sprak en lachte en was gelukkig als te
-voren, zonder verder aan den resident te denken.
-
-Nu kent gij Louise van Amerongen, wier schoonheid aller oogen boeide,
-wier coquetterie aller tongen in beweging bracht. Coquetterie! ’t Arme
-kind wist niet eens wat dat uitheemsche woord beteekende! Dat behoefde
-ook niet. Zij was jong en schoon en rijk, en daarbij was zij vrij in
-hare bewegingen en ongedwongen in haar gesprekken: wat is er meer
-noodig om een vrouw coquette te noemen?
-
-Louise, het vroolijke, zorgelooze kind, kende haren bijnaam en lachte
-er om, terwijl zij onschuldig met de harten harer aanbidders speelde en
-hare nijdige vriendinnen over haar wangunst bespotte.
-
-O, vrouwen! zoo gij wist hoe gij uzelve benadeelt door al dat noodeloos
-geschimp, door dat geringschatten van al wat uw sfeer te boven gaat!
-Zoo gij wist hoe bespottelijk gij uw eigen nietigheid tentoonstelt,
-door de meerderheid van anderen onzinnig te ontkennen, gij zoudt
-zwijgen, geloof ik, al ware het ook slechts uit eigenbelang... Maar
-neen, gij zoudt niets, zoolang gij uw arme ziel niet gereinigd hadt van
-de duizende, kleine, lage hartstochten die in onkunde hun oorsprong
-hebben en als égoïsme, haat en afgunst het leven verpesten van uzelve
-zoowel, als van de onschuldige wezens die het ongeluk hebben van door u
-opgemerkt te worden.
-
-
-
-
-
-
-
-
-ACHTSTE HOOFDSTUK
-
-HET BEZOEK VAN DEN RESIDENT
-
-
-Den dag na het bal was Louise weder alleen in haar kamer. Ditmaal sliep
-zij niet; zij lag in een dun wit morgengewaad op een rustbank
-uitgestrekt en speelde met de donkere lokken die langs haar schouders
-golfden en in dikke krullen tot op den vloer neder hingen. Hare oogen
-staarden gedachteloos en haar lippen waren stijf op elkander geperst,
-terwijl haar boek nog ongeopend naast haar lag. Plotseling sprong zij
-uit hare half droomende, half wakende houding op, een koortsachtige
-flikkering schitterde in haar somber oog en een diepe zucht ontsnapte
-den geprangden boezem.
-
-Toen wierp zij zich weder in de kussens en wachtte kalm en geduldig tot
-dat Alima met de thee kwam om haar, als naar gewoonte, te wekken en te
-helpen kleeden.
-
-»Is het zoo goed, nonna?” vroeg de jonge slavin, toen het weelderige
-haar gevlochten en opgemaakt was. »Vindt nonna de bloemen frisch
-genoeg?”
-
-»Bloemen! O neen, geen bloemen vandaag!”
-
-Alima wierp de met zooveel zorg geschikte rozen ter zijde.
-
-»Is het nu naar uw zin, nonna?”
-
-»Hm—m.”
-
-En zonder zelfs een blik in den spiegel te werpen, stond Louise op en
-liet zij Alima ongestoord haar toilet voltooien alsof het haar niet
-schelen kon hoe zij er uit zou zien.
-
-Voor dien avond had resident Stevens van Langendijk belet laten vragen
-bij mijnheer en mevrouw Van Amerongen, en Louise, die deze eer
-verbazend vervelend vond, had een rijtuig laten inspannen om Marie van
-den Berg te halen, met wie zij den ganschen avond half fluisterend zat
-te praten om den resident niet in zijn gesprekken te stooren, die nu,
-met opzet, in het geheel niet dom of onbeduidend waren.
-
-»Zij is verduiveld mooi!” dacht de resident bij zichzelven, terwijl hij
-zich uitsloofde om de aandacht van het jonge meisje op de een of andere
-wijze tot zich te trekken. »Zij zou wel goed voldoen in het groote
-residentiehuis—aan het hoofd van de tafel—naast den Gouverneur-Generaal
-bij voorbeeld—als mijn vrouw: Louise Stevens van Langendijk—dat klinkt
-nog zoo slecht niet. En een meisje met fortuin... Enfin, daar kunnen
-wij altijd nog wel toe komen.—Eén woord en ik heb haar!”
-
-»Wat is hij leelijk!” waren bijna op hetzelfde oogenblik Louise’s
-gedachten. »Zoo’n rood gezicht—en zulke grasgroene oogen, met zulk
-lichtgeel haar! Net boeloe jagong!—Ik kan mij best begrijpen dat hij
-niet getrouwd is.—Wie zou ook zoo’n man willen hebben!”
-
-Eindelijk sloeg het elf uur en ging de resident naar huis. Ieder kreeg
-een handje, Louise alleen werd met een stijve buiging afgescheept.
-
-»Niet beleefd!” fluisterde zij Marie lachend in het oor, terwijl zij
-het hoofd van hem afwendde en zich, zonder verder over hem te spreken,
-ter ruste begaf, tevreden over hare opzettelijke onverschilligheid en
-hoogst voldaan over de halve onbeleefdheid van den resident.
-
-Vreemd vrouwelijk instinkt! Louise was gelukkig over den weinig
-gunstigen indruk dien zij op den resident scheen gemaakt te hebben, en
-toch beving haar een soort van huivering wanneer zij aan die koude,
-stijve buiging dacht.
-
-En waarom?
-
-Zij wist het niet. Zij kon zich geen rekenschap geven van het vreemd
-gevoel waarmede zij te worstelen had, telkens wanneer zij zijn naam
-slechts hoorde. Toch had zij eigenlijk niets tegen den resident, en kon
-zij geen enkele reden vinden om hem minder genegen te wezen dan iederen
-anderen vreemdeling, met wien de omstandigheden haar in kennis
-brachten.
-
-»Ik ben bang voor dien man!” dacht zij bij zichzelve, en hoewel zij
-zich moeite gaf hem te vergeten of haar kinderachtigen afkeer van hem
-te overwinnen, toch was haar laatste gedachte telkens weder:
-
-»Ik ben bang voor hem!”
-
-
-
-
-
-
-
-
-NEGENDE HOOFDSTUK
-
-DE HUWELIJKSAANVRAAG
-
-
-»Is nonna Louise t’huis?” vroeg Marie van den Berg, den volgenden
-morgen reeds om half negen uit haar palankijn [12] stappende.
-
-»De nonna is in hare kamer, nonna.”
-
-»Goed. Gij kunt heengaan, Drono. Mijnheer Van Amerongen zal mij van
-avond wel naar huis laten brengen.”
-
-Drono reed weg en Marie begaf zich naar Louise’s kamer, waar zij haar
-vriendin met loshangend haar, op een matje op den vloer vond zitten,
-bezig met een kleinen zwarten aap in de kleeren harer pop te steken.
-
-»Wat doe je daar?” vroeg zij lachend. »Ja, kassian! Arm Keesje! Wacht,
-ik zal je helpen, hier, hier is een speld.”
-
-»Dank je. Och, Marie, je neemt niet kwalijk dat ik niet opsta....”
-
-»Ik kom bij je zitten. Wel mijn goed best Keesje! Hoe gaat het? Wat
-ziet hij er uit, het stumpertje. Hier is zijn kleedje. Gedécolleteerd
-nog al! En wat een mager, zwart, ruig halsje, zal daar uitkomen!”
-
-»En die zevenmijls handjes en voetjes!”
-
-»O! Wat is Keesje nu mooi! Ja, kassian! Wat houdt hij zich stil! Wat is
-hij deftig! Wat loopt hij trotsch! Net de vrouw van Pieter Papelaya!
-hè?”
-
-»Ja, ja, precies Kakamia Papelaya! maar toch zóo leelijk niet!”
-
-En Kees kreeg op elke wang een zoen en een pisang [13] tot belooning.
-
-De meisjes hadden dolle pret, en nauwlijks was de pisang op, of zij
-grepen Keesje ieder bij een poot en begonnen een wandeling door de
-achtergalerij.
-
-»Wij moesten eigenlijk een wagentje hebben,” begon Marie, »dan konden
-wij den tuin met hem rondrijden.”
-
-»Een wagentje? Ja—wacht—wilt gij hem even vasthouden dan zal ik den
-ouden mandewagen gaan zoeken, die moet hier of daar in de bijgebouwen
-staan, geloof ik. De kinderen van den koetsier hebben er laatst mee
-gespeeld.—Ha! daar zie ik Rosa! Rosa, haal den mandewagen!”
-
-»De mandewagen Nonna? Daar zijn de voorwielen af.”
-
-»Dat is niets, haal hem maar.”
-
-Een oogenblik later kwam Rosa met een ouden mandewagen aangeloopen,
-dien zij zeer voorzichtig aan den vóorkant ophield om hem niet verder
-te vernielen.
-
-»Wel zóo gaat het goed!” riep Marie, verrukt over de twee achterwielen,
-die nog vastzaten en ronddraaiden. »Als gij ons nu een kussen kunt
-geven, dan zult gij Keesje eens deftig in zijn equipage zien zitten.”
-
-Rosa bracht een gehaakt canapé-kussen uit Louise’s kamer, Keesje werd
-er op gezet en zoo nam de toer een aanvang.—Kees liet zich de pret
-geduldig welgevallen, zoo lang hij bijna geen beweging gevoelde, maar
-toen de meisjes, dat langzaam loopen moede, het op een draven begonnen
-te zetten zonder aan het ontbreken van de voorwielen te denken, toen
-werd de arme Kees zoodanig heen en weer geschokt dat hij uit pure
-wanhoop den wagen uitsprong en wegvlood zoo goed en zoo kwaad als zijn
-wijde kousjes en zijn sleepjapon het hem veroorloofden.
-
-»Kees is weg!” riep Louise, half uitgeput op den hoek van een
-schelpenpad staan blijvende.
-
-De beide meisjes tuurden den tuin door en zagen eindelijk het schelmpje
-met groote moeite de stoep der achtergalerij opstrompelen.
-
-»Daar is hij! Pak hem!” riepen beiden, en zij renden den tuin door, de
-stoep op, de achtergalerij in, de binnengalerij door, naar voren...
-
-»Goeden morgen, dames!” klonk het op eens. Marie was reeds verdwenen,
-maar Louise die niets gezien had vóor het te laat was, stond onthutst
-en blozend tegenover den resident Stevens van Langendijk.
-
-»Ik had niet durven hopen het genoegen te hebben van mejuffrouw Van
-Amerongen al zóo vroeg in den morgen te ontmoeten.”
-
-De resident sprak zóo ernstig dat Louise het waagde haar groote zwarte
-oogen naar hem op te heffen.
-
-»Het is toevallig,” sprak zij nauw hoorbaar; toen wierp zij een blik in
-den tuin vóor het huis. Daar sprong iets wits in een mangaboom rond,
-terwijl er zeer zacht in de binnengalerij gehoest werd. Louise bloosde
-weder en sloeg de oogen neer terwijl zij zich boog om den resident een
-stoel aan te bieden, en een lach aan zijn stijven blik te onttrekken.
-
-»Neem plaats, resident... zoo gij een oogenblik wilt wachten, zal ik
-papa....”
-
-»Gaarne, zeer gaarne, ik heb een dringend verzoek aan uw vader te
-doen.”
-
-Louise verdween. Mijnheer Van Amerongen kwam zelf vóor om den resident
-te verzoeken hem naar zijn kamer te volgen.
-
-»Mijnheer Van Amerongen,” dus begon de resident de deur achter zich
-dicht trekkende, »ik ben smoorlijk verliefd op uw dochter en, om geen
-onnoodige woorden te verspillen, zal ik je maar dadelijk vertellen dat
-gij mij hier ziet om u haar hand te vragen.”
-
-»Resident!” riep mijnheer Van Amerongen verbaasd, »mijn dochter? Maar
-mijn dochter is nog...”
-
-»Zoo jong, wilt gij zeggen. Wel mijn vriend, dat is geen gebrek! Ik
-houd niets van oude vrouwen, en als dit dus uw eenige zwarigheid is,
-verontrust u dan niet, ik beloof u, dat ik voor haar een echtgenoot en
-een vader tevens wezen zal.”
-
-Mijnheer Van Amerongen kon geen antwoord vinden, hij stotterde iets van
-»onverwacht geluk” en »eer”, maar verder kwam hij niet.
-
-»Het is zóo dus gedécideerd,” hernam de resident, op een toon die geen
-tegenspraak duldde. »Gij zult mijn voorspraak bij uw dochter wezen en
-ik zal over een paar dagen terugkomen om uw antwoord te vernemen.”
-
-»Goed resident... zeer goed,” stemde de vereerde vader toe, recht
-verheugd dat de resident zichzelven geantwoord had.
-
-»Maar resident...” vroeg hij aarzelend toen mijnheer Stevens de kamer
-reeds bijna verlaten had, »twee dagen, ik geef u in bedenking...
-dat...”
-
-»Ja, man! Ik weet wel dat men bij gelegenheden als deze, doorgaans bij
-acht of veertien dagen zweert, maar wij hebben vandaag Maandag en
-Vrijdag moet ik weer in mijn residentie zijn, wat kan ik daaraan doen?”
-
-De resident lachte zeer vriendelijk, reikte mijnheer Van Amerongen de
-hand en stapte in zijn rijtuig.
-
-»Tot Woensdag dus!”
-
-»Tot Woensdag resident.”
-
-Het rijtuig rolde weg. Koortsachtig vlug spoedde mijnheer Van Amerongen
-zich naar de kamer zijner vrouw.
-
-»Nieuws! Groot nieuws Henriette,” riep hij, half buiten adem
-binnenstuivende. »Louise, onze Louise,——residentsvrouw!—Stevens van
-Langendijk, hier geweest!——Louise gevraagd!”
-
-Hij stikte haast in de blijde boodschap. Henriette begreep maar half.
-»Wat bedoelt gij?” vroeg zij zacht, terwijl haar hart bonsde alsof het
-van elkaar zou springen.
-
-»Louise!—Resident Stevens van Langendijk heeft Louise ten huwelijk
-gevraagd!”
-
-Mevrouw antwoordde niets. Zij wierp zich in zijn armen en zag hem, door
-haar tranen heen, zoo verheugd, zoo dankbaar aan, alsof het zijn schuld
-was dat een resident verliefd op hun dochter was geworden.
-
-»Waar is Louise?”
-
-»In den tuin, met Marie.”
-
-Mijnheer Van Amerongen klapte in de handen, floot, riep Drono, Saït,
-Bonsoe, Siedin, en maakte zooveel lawaai dat de jongens uit alle hoeken
-van het huis gelijktijdig de kamer kwamen binnenstormen.
-
-»Nonna Louise?”
-
-Allen zwegen.
-
-»Ik weet niet waar de nonna is,” antwoordde eindelijk de moedigste van
-allen.
-
-»Zoek haar en zeg haar dat ik de nonna oogenblikkelijk wensch te
-spreken.”
-
-De woordjes wij en ons worden op Java zelden gebezigd, doorgaans hoort
-men echtgenooten spreken van mijn huis, mijn wagen, mijn kind, alsof zij
-ieder afzonderlijke huizen, wagens en kinderen hadden.
-
-Louise en Marie zaten onder een grooten boom achter in den tuin te
-spelen met het aangekleede Keesje, dat alle moeite deed om een doekoe
-machtig te worden, welke vrucht de meisjes aan een koord door het gras
-trokken.
-
-Zij ontstelden niet weinig op het gezicht van den zwerm bedienden die
-in allerijl op haar af kwam.
-
-»Wat moet gij?” vroeg Louise opspringende. »Is er een ongeluk
-gebeurd?—Spreek!”
-
-»Neen, niets nonna. Mijnheer wenscht de nonna oogenblikkelijk te
-spreken.”
-
-»Is het anders niet,” riep zij lachend, en, haar zakdoek boven haar
-hoofd houdende bij wijze van parasol, liep zij zoo hard als zij kon
-naar binnen.
-
-Mijnheer Van Amerongen ving haar in zijn armen op.
-
-»Goed, lief, gelukkig kind!” riep hij met tranen in de oogen. Ook
-mevrouw omhelsde haar, drukte haar aan haar hart en riep: »Goede,
-lieve, beste Louise!”
-
-En Louise, verstomd over dezen plotselingen aanval van ouderliefde,
-sloeg angstig haar oogen neder en was bang zonder zelve te weten
-waarvoor.
-
-»Maar begrijpt gij het dan niet?” vroeg mijnheer Van Amerongen
-eindelijk, toen de eerste uitboezemingen van geluk voorbij waren.
-
-»Ik begrijp niets—volstrekt niets,” antwoordde Louise half fluisterend.
-
-»En gij zelve hebt hem ontvangen, zoo even....”
-
-»Wie? Wie heb ik ontvangen?”
-
-»Maar den resident!”
-
-»O! den resident! Ja, dien ben ik toevallig tegen het lijf geloopen
-toen ik den aap nazat,” antwoordde het meisje meer gerustgesteld.
-
-»Toevallig?—En wat heeft hij u al zoo verteld, klein ding?—Ja, dal zult
-gij ons niet zeggen, hè? Hij houdt maar wat veel van u die
-resident....”
-
-»De resident?” herhaalde Louise, weder geheel tot haar vorige verbazing
-terugkeerende. »Ik heb haast niet met hem gesproken—ik heb hem een
-stoel aangeboden—dat is al—toen ben ik u gaan roepen. Ik was niet
-gekleed—ik schaamde mij dood, om met loshangend haar....”
-
-»Kom, kom, allemaal gekheid, als gij zijn vrouw zult zijn, zal hij u
-nog wel eens meer met loshangend haar zien....”
-
-»Ik!” riep Louise, geheel buiten zichzelven van verwondering.
-
-»Ja, gij! gij, mijne Louise, gij mevrouw Stevens van Langendijk! Gij,
-de vrouw van den resident van A. Gij de eerste dame van de plaats, zoo
-jong als gij zijt. De rijkste, de schoonste, de eerste van allen! Hadt
-gij u ooit een dergelijk geluk durven droomen?”
-
-Louise antwoordde niet.
-
-Mevrouw Van Amerongen vatte haar zacht bij de hand en trok haar naast
-zich op een bank.
-
-»Wat hebt ge Louise?” vroeg zij vriendelijk.
-
-»Ik wil de vrouw van den resident niet worden!” riep het meisje met een
-koortsgloed op de wangen en een flikkering van toorn in de oogen. »Ik
-ben bang voor dien man!” vervolgde zij zachter, zich weenend in de
-armen harer moeder werpende.
-
-Een diepe stilte volgde.
-
-Mijnheer Van Amerongen gaf zijn vrouw een wenk, dien deze met een
-toestemmend hoofdknikje beantwoordde en daarop verliet hij de kamer.
-
-»Kom Louise,” hernam mevrouw, zoodra zij zich met haar dochter alleen
-bevond, »kom kind, gedraag u nu eens als een verstandig meisje en droog
-die tranen af. Zeg mij nu kalm wat u op het hart ligt, uw vader is weg
-en voor mij behoeft gij toch geen geheimen te hebben. Gij weet wel dat
-uw ouders niets dan uw geluk verlangen, en wanneer gij een gegronde
-reden hebt om den resident uw hand te weigeren, dan zullen wij u immers
-ook niet dwingen tot een huwelijk dat u ongelukkig zou maken.”
-
-»O ongelukkig maakt het mij zeker... en hem er bij!” riep Louise
-hartstochtelijk, terwijl zij van de bank op en naar het venster vloog.
-Haar moeder volgde haar.
-
-»Hebt gij iets tegen den resident?” vroeg zij zacht.
-
-»Heeft mijn vader u ten huwelijk gevraagd, evenals de resident mij?”
-
-»Hoe meent gij dat, mijn kind?”
-
-»Ha, ik zie het al! Gij zoudt hem bedankt hebben, zoo hij zich buiten
-uw voorkennis tot uw ouders had gewend,... u als koopwaar had
-behandeld. Als een paard verkocht—weggegeven als een hond, zonder...”
-
-»Louise, Louise, bedaar toch mijn kind.—Gij moet niet vergeten dat uw
-ouders eenvoudige burgerlieden waren, terwijl de resident een man van
-de wereld is, en dat men in de groote wereld de toestemming der ouders
-hebben moet, eer men een meisje met zijn liefde bekend mag maken.”
-
-Louise zag haar moeder zwijgend aan.
-
-»Hebt gij anders niets tegen den resident?”
-
-»Ik weet niet wat ik tegen hem heb,” antwoordde het meisje somber,
-»maar ik weet wel dat ik zijn vrouw niet worden wil.”
-
-»Wil ik u zeggen wat gij tegen hem hebt, Louise? Gij zijt verwend, gij
-zijt bedorven door al die loszinnige jonge heertjes, die u steeds met
-hun complimenten en hofmakerijen vervolgen en u van liefde en
-huwelijken spreken, alsof gij geen ouders in de wereld hadt....”
-
-Louise glimlachte, maar weerstond den blik harer moeder, en antwoordde
-kalm: »En wat hebben zij er bij gewonnen, denkt gij? Niets, dan dat ik
-mij door hen op mijn wenken laat bedienen,—verder sla ik geen acht op
-hen.”
-
-Mevrouw Van Amerongen was heimelijk recht gelukkig over de bekentenis
-harer dochter. Toch riep zij: »Foei Louise! En omdat gij zooveel mannen
-aangetroffen hebt, die laag genoeg waren om zich als uw knechts te
-laten gebruiken, daarom weigert gij de hand van den eerste, den eenigen
-man die zijn eigenwaarde gevoelt en de uwe eerbiedigt; die u niet
-alleen lief heeft, maar ook genoeg acht, om zich jegens u geheel te
-gedragen zooals de man zich in de groote wereld jegens een vrouw van
-aanzien gedragen moet?”
-
-Louise bloosde licht. »Mogelijk heb ik den resident niet goed
-beoordeeld,” zeide zij; »maar ook, al was hij de beste, de volmaaktste
-man op aarde, dan nog zou ik bang voor hem wezen, dan nog zou ik zeggen
-dat ik nooit zijn vrouw wil worden!”
-
-»Wat zijt gij toch nog kinderachtig!”
-
-»Veel te kinderachtig voor een residentsvrouw,” antwoordde Louise, die
-gevoelde dat zij veld begon te winnen.
-
-»Nu, ga maar weder spelen, ik zal aan uw vader zeggen, dat hij nog wat
-geduld met u hebben moet, dat gij nog wat wachten wilt. Bedenk u
-intusschen goed: als gij mijn raad op wildet volgen, zoudt gij den
-resident zoo spoedig mogelijk aannemen, en niet het geluk van geheel uw
-leven verwerpen in een vlaag van opgewondenheid en drift, waarover gij
-later berouw zult hebben.”
-
-Louise ging schoorvoetend heen.
-
-»Laat Marie van het voorgevallene niets weten,” riep mevrouw haar na,
-»en bedenk u goed!”
-
-
-
-
-
-
-
-
-TIENDE HOOFDSTUK
-
-VADER EN DOCHTER
-
-
-Den volgenden morgen, dadelijk na het ontbijt, moest Louise mijnheer
-Van Amerongen naar zijn kamer volgen.
-
-»Ik hoop dat gij u bedacht hebt, mijn dochter,” begon hij op een hoogst
-plechtigen toon, »en dat gij u heden wat minder dwaas en kinderachtig
-zult aanstellen dan gij gisteren gedaan hebt. Gij moet doordrongen
-wezen van het denkbeeld dat uw ouders u innig lief hebben, en dat zij
-dus niets van u verlangen dat strijdig met uw belangen en met uw plicht
-zou wezen. Ook moet gij weten dat de eerste plicht van kinderen jegens
-hun ouders, gehoorzaamheid is, en dat er geen grooter zonde denkbaar is
-dan die van ondankbaarheid jegens de personen die de Voorzienigheid
-zelve als leidslieden aan uw zijde heeft geplaatst. Gij zijt nu, dunkt
-mij, oud en wijs genoeg om dit zelve te beseffen.”
-
-Mijnheer Van Amerongen zweeg een oogenblik, maar Louise zeide niets.
-
-»Deze punten dus afgehandeld zijnde,” hernam hij, »verzoek ik u, ook
-namens uw moeder, den resident zonder verder tegenstreven uw hand te
-schenken en hem morgen, als uw aanstaanden echtgenoot, vriendelijk en
-hartelijk te ontvangen.”
-
-Weer wachtte hij. Louise bleef nog altijd zwijgen.
-
-»En wilt gij dit niet,” vervolgde hij gestreng, haar stilzwijgen als
-tegenspraak opvattende, »moet ik u, hetgeen ik niet hoop, als een
-onwaardige dochter leeren kennen, voor wie de dierbaarste wenschen
-harer ouders niets beteekenen, moet ik u de goede, verstandige
-raadgevingen uwer moeder met onverschilligheid in den wind zien slaan,
-en de schoonste droomen uws vaders met ondank en tinkas [14] zien
-beantwoorden, welnu dan zal ik genoodzaakt zijn om mijn toevlucht tot
-het uiterste te nemen, en u geen gehoorzaamheid meer te vragen, maar te
-gebieden.”
-
-Nauwlijks had mijnheer Van Amerongen deze laatste woorden uitgesproken
-of Louise sloeg haar vonkelende, zwarte oogen met een vreemde
-uitdrukking van smart en kracht naar hem op.
-
-»Ik zal gehoorzamen,” sprak zij besloten, en na eenige oogenblikken
-zwijgens, vervolgde zij met vuur:
-
-»Onthoud het wel, vader, dat gij het geweest zijt die dit huwelijk
-gewild hebt... En zal die man zich eenmaal ongelukkig gevoelen, wijt
-het dan niet aan mij maar aan u zelven.”
-
-»Schaam u Louise! Wat heeft die man u misdaan? Hij biedt u zijn hand en
-zijn leven aan, en daarvoor belooft gij hem ongelukkig...”
-
-Louise’s oogen schoten vol tranen, en, haar vader verontwaardigd in de
-reden vallende, hernam zij:
-
-»Ik zal hem niet opzettelijk ongelukkig maken... maar...”
-
-»Maar?”
-
-»Ik weet het niet!” Zij boog het hoofd, en zweeg.
-
-»Weet gij het niet?.... Kom, geef mij maar een zoen en zeg aan uw
-moeder dat wij overmorgen feest zullen vieren. Hier hebt gij eenige
-invitatiebriefjes; vraag verder zelve wie gij vragen wilt, en gedraag u
-voortaan als een verstandig mensch.”
-
-Voor het eerst van haar leven nam Louise de invitatiebriefjes haars
-vaders met onverschilligheid aan. Zij begreep zelve niet, hoe zij op
-eens zóo veranderd was.
-
-»Wat heb ik toch?” dacht zij bij zichzelve. »Iedereen is goed en lief
-voor mij, en toch zou ik den ganschen dag wel kunnen schreien.—Nog
-nooit heb ik mij verveeld en nu verveelt mij alles... zelfs....” haar
-oog viel op de briefjes welke zij pas weer als een blijk van liefde
-ontvangen had. Zij beschuldigde zich zelve van wispelturigheid en
-ondankbaarheid, wischte beschaamd haar tranen af en begaf zich zoo
-vroolijk mogelijk naar haar moeder om deze met de heugelijke tijding
-van het op handen zijnde feest bekend te maken.
-
-Het arme kind gevoelde diep, maar had geen begrip van hetgeen zij
-gevoelde. Zij had haar ouders gehoorzaamheid beloofd, en, ofschoon zij
-dit als haar plicht beschouwde, zoo gevoelde zij toch dat zij anders
-had moeten handelen dan zij gedaan had. Maar hoe?... Zij dacht er den
-ganschen dag en den halven nacht over na, maar toen den volgenden
-morgen de zon weer vroolijk in haar kamer scheen en de gelukkige
-vogelen hun vrijheidslied ten hemel zonden, was zij nog even ver als
-van te voren—zij wist het niet!
-
-
-
-
-
-
-
-
-ELFDE HOOFDSTUK
-
-HET JAWOORD
-
-
-Wie een jaar of twintig geleden op Java geweest is, zal zich herinneren
-hoe onbeschrijfelijk druk een huisvrouw het had, wanneer zij menschen
-verwachtte. [15] Nergens was een kok, nergens een banketbakker te
-vinden, bij wien zij voor geld of goede woorden een diner, souper of
-collation bestellen kon. Op de blikjes, de ingelegde vruchten en eenige
-soorten van gebakken na, moest alles, van de soep af tot het geringste
-geleitje toe, in huis vervaardigd worden, en daar kokkie en toekan
-passar [16] cum suis wel een gewonen daagschen pot [17] konden kooken,
-maar weinig of geen verstand hadden van de uitheemsche gerechten, die
-bij feesten verlangd werden, zoo kwam de grootste zorg en moeite op
-Mevrouw en, zoo zij ze had, op haar vriendinnen neder. Daarbij kwamen
-nog de kleedjes [18] der geheele familie (en dit zegt wat wanneer er
-veel dochters zijn), die door mevrouw geknipt en geregen en daarna door
-de meiden genaaid moesten worden. En het naloopen der bedienden, die
-gelukkig zijn wanneer zij in een hoek »gedjonkokt” (gehurkt) op hun
-gemak een pruimpje sirie kunnen kauwen. En het rangschikken der
-plaatsen, het gereedzetten van het dessert, het schikken der bloemen en
-duizend andere kleinigheden meer, die de oppervlakkige beschouwer niet
-telt, maar waar het arme hoofd der huisvrouw dikwijls letterlijk van
-omliep!
-
-Het was dus Woensdagmorgen, en de klok had nog geen acht geslagen, toen
-de halve pandopo [19] reeds vol stond met hooge aarden komforen,
-waarbij inlandsche vrouwen zaten te kiepas-kiepas [20] om het vuur aan
-te houden.
-
-Mevrouw Van Amerongen was aan het kneeden van deeg, en Louise en Marie
-stonden gekookte agar-agar door een doekje te zeven.
-
-»Ben je niet blij?” fluisterde Marie.
-
-»Hm—m.”
-
-»Een resident!”
-
-»Moet de agar-agar bij de rum, mama?” vroeg Louise.
-
-»Ja kind—neen, wacht even, geef mij—ik zal dat doen.”
-
-»Wat doe je morgen aan?”
-
-»Hm—dat weet ik niet.”
-
-»Ja, Allah! hoor haar toch eens, mevrouw! Zij weet niet wat zij morgen
-aan zal doen!”
-
-»Zwijg toch Marie! Ik dacht aan wat anders.—Ik heb een wit kleedje van
-papa gekregen.”
-
-Mevrouw Van Amerongen had ook aan iets anders gedacht, haar deeg had
-haar verhinderd het gesprek der meisjes te hooren.
-
-»Tule of tarlatan?”
-
-»Satijn.”
-
-»Satijn!!! Mijn hemel hoe mooi!”
-
-»Geef mij nu de agar-agar,” riep mevrouw.
-
-»Komen de muzikanten, Louise?”
-
-»Ik weet het niet.”
-
-»Ja, tobat! Nu wordt het toch al te erg! Weet gij niet of er morgen
-gedanst zal worden?”
-
-»Neen, ik heb het vergeten te vragen.”
-
-»Maar Louise?” vroeg Marie, met een schalksch lachje, »is het de
-resident die u zoo vergeetachtig maakt?”
-
-Louise wierp een lepel op den grond en raapte dien weer op.
-
-»Wilt gij dansen, ga dan maar zelve naar papa, om het te vragen,” zeide
-zij, een bord met boter opnemende en het een eind verder weer neer
-zettende.
-
-Marie sloeg haar vriendin opmerkzaam gade. »Wat heeft zij toch?” dacht
-zij bij zichzelve, »zij is zóo strak, zoo afgetrokken, zoo
-onverschillig.... Aha! zou dat het zijn? Wacht.... Louise!” fluisterde
-zij zacht, »kan de resident niet dansen? En moogt gij het daarom ook
-niet doen? Moet gij nu reeds deftig wezen?”
-
-Louise zag verontwaardigd op, zij gevoelde zich gekrenkt door Marie’s
-veronderstellingen.
-
-»Wat!” zeide zij, »de resident! Gij weet immers dat hij mij nog niet
-eens gesproken heeft. En buitendien, zoolang ik zijn vrouw niet ben,
-ben ik vrij, en heeft hij niets over mij te zeggen!”
-
-»Chut! chut! Louise! Wat zijn dat voor woorden?” riep mevrouw Van
-Amerongen op eens. Louise had niet aan de tegenwoordigheid harer moeder
-gedacht, maar nu deze toch eenmaal haar woorden gehoord had, gaf zij
-zich de moeite niet van ze weder in te trekken.
-
-»Waar spraakt gij over?” vroeg mevrouw Van Amerongen al kneedende.
-
-»Och! over de partij van morgen. Marie dacht dat de resident niet
-dansen kon, en het mij daarom ook niet toe zou staan.”
-
-»Hoe komt gij daar aan?”
-
-Louise schoof het bord met boter nog wat verder weg en zei: »Marie
-vroeg of er gedanst zou worden.”
-
-»Dit zal geheel van u afhangen. Zoo gij de muzikanten hebben wilt, moet
-gij maar zelve aan papa vragen of hij ze bestelt.”
-
-»Willen wij het samen gaan vragen?” fluisterde Marie, die in haar hart
-reeds danste.
-
-»Het is mij wel.... als gij het woord doet.”
-
-»O! dat heb ik er gaarne voor over.”
-
-»Spreek toch niet meer over den resident, wat ik je bidden mag, Marie,”
-begon Louise zoodra zij zich aan het oog harer moeder onttrokken had.
-»Papa en mama zijn zoo verschrikkelijk met hem ingenomen....”
-
-»En gij?”
-
-»O! ik ook... natuurlijk,” antwoordde zij koel, »maar ik heb hem pas
-twee keer gezien.”
-
-»Ja? Is het geen gek gevoel om met zoo’n wild vreemden man geëngageerd
-te zijn?—Mij dunkt, ik zou in uw plaats niet weten hoe ik mij houden
-moest tegenover hem.”
-
-»Ik geloof dat ik dat ook niet weet. Och! Als ik maar niet alleen met
-hem behoef te wezen, dan kan het mij niet schelen. Hier is papa, gij
-doet het woord hoor,—ik wil niet om de muzikanten vragen.”
-
-Marie deed het woord en mijnheer Van Amerongen beloofde dat er gedanst
-zou worden. Uit dankbaarheid vloog Marie hem om den hals en liet Louise
-zich een zoen welgevallen, juist op het oogenblik dat een der jongens
-[21] binnentrad met de woorden:
-
-»Toewan resident.”
-
-De meisjes wilden vluchten, maar mijnheer Van Amerongen greep zijn
-dochter bij den arm en beval haar te blijven. Marie was de deur reeds
-uit, toen een wanhopige blik van Louise haar zóo dringend smeekte om
-terug te keeren, dat zij zich weder aan haar zijde plaatste.
-
-Mijnheer Van Amerongen, die den resident eenige schreden tegemoet was
-gegaan, kwam hand in hand met hem terug. »Mijn dochter,” zeide hij met
-een onderdanig lachje, »bevond zich juist hier toen gij u liet
-aandienen, en daar zij zich gelukkig acht u in persoon mede te deelen
-hoezeer zij zich vereerd....”
-
-»Het is dus geklonken?” viel de resident hem in de rede, een
-hartstochtelijken blik op Louise werpende.
-
-»Het is geklonken! mijn waarde aanstaande schoonzoon!”
-
-De resident wilde zijn arm om Louise’s hals slaan en de verloving
-terstond met een kus beginnen, doch Louise trok zich terug en boog
-onder den arm van den resident door.
-
-»Hoe is het?—Vriend of vijand?—Hoe staan de zaken eigenlijk?”
-
-»Goed, uitmuntend!” riep mijnheer Van Amerongen, na zijn dochter een
-woedenden blik toegeworpen te hebben. »Louise is wat bloode—dat zal er
-later wel uitgaan. Ze is ook nog zoo jong,” voegde hij er
-verontschuldigend bij.
-
-»Dat is waar,” stemde de resident lachend toe. »De hand dan maar
-Louise, omdat je nog niet aan me gewoon bent! Later zal die blooheid
-wel slijten.”
-
-Louise sloeg de oogen neder en reikte den resident haar hand, die hij
-gretig aannam en aan zijn lippen bracht. Louise had het wel willen
-uitschreeuwen van pijn. Nog nooit had iemand haar zoo ruw een hand
-gegeven.
-
-»Resident!” riep zij zacht.
-
-»Stevens, als je blieft, mijn schoone Louise.”
-
-»A propos, Stevens blijf je déjeuneeren van daag?”
-
-»Het spijt mij verduiveld,” antwoordde de resident, met een blik op
-Louise, »maar ik heb den overste mijn woord gegeven en daar kan ik
-moeilijk af.”
-
-»Dat spijt mij ook, maar dan kom je toch van avond?”
-
-»Helaas, neen. Voor van avond heb ik reeds vier dagen geleden een
-invitatie bij mijn vriend Van Bliesten aangenomen.”
-
-»Resident?” vroeg Louise zacht, na verscheidene vergeefsche pogingen
-gedaan te hebben om haar hand uit de zijne los te wringen.
-
-»Maar morgenavond zijt gij dan toch vrij, dat weet ik, en daarom hebben
-wij eenige menschen gevraagd....”
-
-»God in den hemel! Alweer een feest!” riep de resident, op eens
-Louise’s hand loslatende. »Gij zult toch geen omslag maken, hoop ik? Ik
-had, om je de waarheid te zeggen, veel liever een avond en famille bij
-je doorgebracht.”
-
-»Resident,” begon Louise weder, »Mama wacht mij, u neemt niet
-kwalijk....” en met een neiging was zij verdwenen eer de resident nog
-tijd tot antwoorden had.
-
-Marie volgde uit louter verwondering haar voorbeeld en liep haar na.
-
-»Louise! Och, Louise!” riep zij geheel buiten adem, »wacht toch even op
-mij!”
-
-Maar Louise snelde voort tot in haar kamer, dáar wierp zij zich op de
-sofa, wachtte lachend Marie af en vroeg haar kalm: »Nu, wat zeg je van
-die eerste ontmoeting in ons engagement?”
-
-»Niets,” antwoordde Marie, haar vriendin scherp aanziende, »ik zeg
-niets, om niet te veel te zeggen.”
-
-»O! geneer je niet, ge kunt gerust alles zeggen wat u goed dunkt; het
-kan zóo slecht niet wezen of ik kan er tegen, dit weet gij van ouds.”
-
-»Ja, maar gij zijt nu niet meer zooals gij vroeger waart... Ik moet u
-guluit bekennen dat ik u van daag niet meer ken—en dat spijt mij,
-Louise.... Van klein af hebben wij als zusters met elkander omgegaan,
-nooit heb ik een enkele gedachte voor u verborgen gehouden, ook gij
-zijt altijd oprecht en openhartig in uw vriendschap geweest.... en nu
-is het mij op eens alsof wij elkander geheel vreemd zijn geworden....
-Hoe komt dat Louise?”
-
-Louise trok even de schouders op terwijl zij Marie met verbazing bleef
-aanstaren.
-
-»Hoe kunt gij dat alles zoo uitleggen?” vroeg zij zacht. »Ik gevoel dat
-gij gelijk hebt, maar ik had het nooit kunnen zeggen. Ik weet niet wat
-ik sedert eergisteren heb. Maar wacht even, ik zal de deur sluiten, dan
-kan niemand ons beluisteren. Zoo, nu zijn wij vrij.”
-
-»Marie!... weet jij wat liefde is?”
-
-»Ik heb er dikwijls over gelezen, en er Henri over hooren spreken, maar
-meer weet ik er niet van.”
-
-»Ik ook niet.”
-
-»Wat bliefje?”
-
-»Hm?”
-
-»Wat zegt gij daar?”
-
-»Ik?—Ik weet niets—niets.”
-
-»Weet gij niet wat liefde is, Louise? En waarom hebt gij u dan
-geëngageerd?—Waarom wilt gij de vrouw van den resident worden, indien
-gij hem niet lief hebt? Gij, die altijd zeidet: »Ik trouw nooit, als ik
-geen man vind dien ik lief kan hebben meer dan alle roem en eer, meer
-dan alle schatten der aarde, meer dan mijn ouders, bloedverwanten,
-vrienden, meer dan mij zelve...””
-
-»Gekheid!—Zulke liefde bestaat niet... En bestaat zij al, welnu, dan
-zal ze zeker niet voor mij zijn weggelegd. Ik ben rijk, de resident
-heeft een hooge betrekking—hij zegt veel van mij te houden en ik heb
-niets tegen hem—er bestaat dus geen enkele reden waarom wij te zamen
-niet gelukkig zouden zijn.”
-
-»Heeft uw vader u dit gezegd?” vroeg Marie verwijtend, »of hecht gij
-inderdaad zóoveel waarde aan den rang en aan de liefde van den
-resident, dat gij hem daarvoor uw fortuin en geheel uw leven geven
-wilt?—Hebt gij......”
-
-Louise legde haar hand op den mond harer vriendin.
-
-»Luister Marie,” sprak zij ernstig, »veroordeel mij niet... Ik zal u
-alles zeggen, maar spreek er met niemand over, vooral niet met Henri.
-Toen gij eergisterenmorgen den resident gezien hebt, is hij bij Papa
-geweest om mij ten huwelijk te vragen, vandaag moest hij antwoord
-hebben en overmorgen gaat hij naar zijn residentie terug, veertien
-dagen daarna komt hij weer hier, zoo mogelijk, met een maand verlof,
-dan kunnen wij, getrouwd zijnde, nog een dag of acht te Batavia
-doorbrengen alvorens voor goed naar A. te gaan.”
-
-»Maar Louise!” riep Marie met wijd opengespalkte oogen.
-
-»Dit is vlug, niet waar?” vroeg Louise met een zonderlingen lach.
-»Welnu, eergisteren kende ik al deze besluiten over mijn toekomst
-reeds—en zoo even heb ik den resident voor het eerst gesproken. Alles
-is dus buiten mij om gegaan. Begrijpt gij nu waarom ik, ook zonder
-liefde, de vrouw van den Resident zal worden?”
-
-»Uw ouders dwingen u!”
-
-»Dwingen is het woord niet. Maar aangezien mijn ouders reden schijnen
-te hebben om bijzonder op dit huwelijk gesteld te zijn en ik eigenlijk
-geen reden heb om er tegen te wezen, zoo....”
-
-»Maar mijn beste Louise, zoo gij later eens meer van een ander gingt
-houden dan van den resident..... Alle dingen zijn mogelijk——wie weet
-welke mannen gij nog in uw leven ontmoeten zult en hoe....”
-
-»Ja, dáar heb ik ook reeds aan gedacht,” antwoordde Louise met een
-bedenkelijk hoofdknikje, »maar indien de resident goed voor mij is,
-waarom zou ik dan meer van een ander gaan houden?”
-
-»Ik weet het niet.... Henri spreekt altijd van liefde als over iets dat
-u zoo maar aan komt waaien, zonder dat gij het zelf helpen kunt.... en
-mij dunkt ik voel dat zoo iets mogelijk is.”
-
-»O! spreek mij niet van gevoelen. Ik weet niet wat ik tegenwoordig
-gevoel. Mijn hoofd gloeit tusschenbeide alsof er vuur in zit. En mijn
-hart? Mijn arm hart bonst alsof het uit elkaar zal springen. Dan heb ik
-koorts, dan beef ik, dan is het alsof mijn spieren tintelen, alsof het
-bloed in mijn aderen kookt, dan ben ik zoo sterk, zoo woedend dat ik,
-geloof ik, den resident verscheuren zou indien ik hem....”
-
-»Mijn God! Louise!”
-
-»Het is niets: een oogenblik later ben ik weer kalm en dan eindigt
-alles in een tranenvloed.... Ik ben zeer veranderd niet waar?”
-vervolgde zij, haar vriendin met een weemoedigen lach de hand reikende.
-»Maar ik kan het niet helpen, Marie—ik lijd er zelve het meest
-onder—geloof mij!”
-
-»O! Ik geloof u, lieve, beste Louise,” riep Marie, zich weenend in hare
-armen werpende. »Ach kon ik iets voor u doen! kon ik...”
-
-»Neen, Marie, gij kunt niets voor mij doen. Gij kunt niet beletten dat
-mijn karakter verandert, evenmin als ik er zelve iets tegen doen kan.
-Ik heb nooit tot de kalmsten behoord,” vervolgde zij met een glimlach,
-»ik ben nu wat meer opgewonden dan naar gewoonte: dat is al, het heeft
-niets te beteekenen, volstrekt niets. Ik kan mij beheerschen, als het
-noodig is.—Kom, ween nu toch niet. Ik ben immers gelukkig—en ik zal nog
-gelukkiger worden.—Njonja resident! Met een gouden pajong [22] toeren!
-Ik zal de eerste dame van A. zijn. Alle hooggeplaatste personen zullen,
-te A. komende, bij mij logeeren! Ik zal alles hebben wat ik slechts
-verlangen kan! De fraaiste rijtuigen, de beste paarden! O, gij weet
-niet hoeveel ik van paarden houd! En apen, katten, honden, vogels!
-Koeien wil ik ook houden! En schapen! En geiten moet ik hebben! O,
-jonge geitjes! Kijk, dat zijn engeltjes! Nu, de resident mag wel
-oppassen dat ik zijn geheele residentie niet in een menagerie
-herschep.”
-
-Marie lachte door haar tranen heen, toch begreep zij wel dat Louise zoo
-gelukkig niet was als zij wel schijnen wilde.
-
-Eenige oogenblikken nog bleven de beide meisjes zwijgen, toen stelde
-Louise voor om naar de pondopo terug te keeren en mevrouw Van Amerongen
-verder te gaan helpen aan de toebereidselen voor het feest.
-
-Marie bleef den ganschen dag stil en afgetrokken. Zij deed al wat er te
-doen was als in een droom en handelde omdat er gehandeld moest worden,
-zonder zelve recht te weten hoe. Al haar gedachten waren met Louise
-bezig. Zij verstond de vriendin harer kindschheid niet meer, en toch
-wilde zij weten wat er in die half gesloten ziel omging. Zij gevoelde
-dat er iets aan het geluk van Louise ontbrak en kon niet uitvinden wat.
-Louise zou, wel is waar, in het huwelijk treden met een man dien zij
-geen eigenlijke liefde toedroeg, maar die man beminde haar en zij had
-niets tegen hem, terwijl haar ouders dit huwelijk verlangden, wat kon
-zij dus beter doen dan haar hand te schenken aan hem, die haar een goed
-standpunt in de maatschappij en een gelukkig, zorgeloos leven
-beloofde?—Marie vond dat Louise goed handelde, en het speet haar dat
-zij dit erkennen moest.
-
-Louise scheen niets van de afgetrokkenheid harer vriendin te bemerken;
-zij wijdde haar aandacht geheel aan de gebakken die aan haar zorg waren
-toevertrouwd en was, als zij een oogenblik niets te doen had, vroolijk
-en spraakzaam als altijd. Zij spotte met alles, sprak als mevrouw D.,
-liep als mijnheer G., danste als de jonge Z. en dreef haar
-uitgelatenheid zelfs zoo ver dat zij groette als de resident. Hij had
-het eens moeten zien, de groote Heer, hoe zijn stijve buiging van dien
-zekeren avond in een bespottelijk daglicht werd gesteld. Hij had Louise
-eens moeten zien, zooals zij dáar stond met een taartenschotel voor
-hoed in de hand, het lichaam in tweeën gebogen, het hoofd zooveel
-mogelijk omhoog en de armen naar achteren, terwijl zij lachend vroeg:
-»Wie heeft mij zóo gegroet, Marie?” En toen Marie niet dadelijk
-antwoordde, greep zij haar bij de hand, kneep haar zoo hard zij kon en
-vervolgde: »De hand dan maar Louise, omdat je nog niet aan me gewoon
-bent. Later zal die blooheid wel slijten!”
-
-»Foei, Louise!” riep Marie, »gij spot ook met alles en ontziet
-niemand.”
-
-»Let op morgenavond,” vervolgde Louise weder, »dan moet hij het bal met
-mij openen, daar zit geen lieve moeder op! Of hij dansen kan of niet,
-de eerste dans moet ik van hem hebben! En of hij vóor of achterover
-buigt, dat kan mij niet schelen, maar dansen zal hij! En galoppeeren
-nog al! Ik zal wel zorgen dat wij met een heerlijk vliegenden galop
-beginnen. En dan zult gij eens zien hoe trotsch ik u allen aan den arm
-van mijn resident voorbij zal zweven, in mijn nieuw satijnen kleed! O
-ja, ’t is waar ook, gij hebt mijn nieuw kleedje nog niet eens gezien.
-Kom maar mee, de meiden zitten er drok aan te naaien.—Hier in de
-kleedkamer van mama. Nu, ga maar binnen, geneer je niet.—Kijk! Wel wat
-zeg je er van? Mooi hè? Het wit satijnen kleed alleen kost honderd twee
-en dertig gulden, wat de tulle kost weet ik niet. Hier heb je de
-bouquet voor de berthe, dit is om den rok mee te garneeren en hier heb
-je mijn hartelijk geliefd coiffuurtje! Neen, maar kijk dan toch! Gij
-staart zoolang op hetzelfde! Kijk dan toch hier, mijn heerlijke krans
-rozenknopjes met dauwdroppen er op, is het niet beelderig?”
-
-»Beelderig,” herhaalde Marie, en verstomd over het toilet harer
-vriendin, vervolgde zij aarzelend:
-
-»Maar, Louise, wit satijn met tulle?....”
-
-»Het is wat oud voor mij, wilt gij zeggen, niet waar? Dat vond mama ook
-toen papa het gisteren te huis zond, maar nu ik geëngageerd ben, ziet
-gij—dat veroudert....”
-
-»Dat veroudert?”
-
-»Zeker.”
-
-»Het is waar. Gij zijt nu niet meer de vijftienjarige Louise van
-Amerongen, maar de aanstaande echtgenoote van een resident,” antwoordde
-Marie bitter.
-
-»En voor de aanstaande echtgenoote van een resident is niets te oud,
-niet waar?” vroeg Louise lachend. »Mijn eerste aankoop in mijn huwelijk
-zal dan ook een zwart fluweelen kleed zijn, met een langen sleep om met
-gepaste statigheid den Gouverneur-Generaal te ontvangen, wanneer Zijn
-Excellentie over eenige maanden bij mij te A. logeeren komt!”
-
-
-
-
-
-
-
-
-TWAALFDE HOOFDSTUK
-
-HET VERLOVINGSFEEST
-
-
-Den volgenden avond werd het bal door Louise van Amerongen en den
-resident Stevens van Langendijk met een vliegenden galop geopend. De
-resident vreesde wel eenigszins zijn waardigheid te compromiteeren door
-dat onzinnig in de rondte springen, maar hij was te Samarang weinig
-bekend en kon zich dus deze kleine uitspatting als de verloofde van
-Samarangs roos bij deze bijzondere gelegenheid wel veroorlooven. Men
-kon het hem aanzien dat hij de beste danser van het bal wilde zijn, hij
-danste zonder ophouden voort, van de eerste noot der muziek af, tot den
-laatste toe, en toen hij eindelijk genoodzaakt werd op te houden, waren
-zijn eerste woorden: »Kijk nu, wij waren juist zoo goed aan den gang!”
-
-Dat was een stap nader tot den vrede.
-
-»Hij danst heerlijk!” fluisterde Louise eenige oogenblikken later Marie
-in het oor. »Ik hoop dat hij nog om een dans zal komen; ik heb nog
-nooit zoo’n goeden cavalier gehad.”
-
-Den volgenden dans, een quadrille, deed Louise met Henri van den Berg.
-De resident en mevrouw Van Amerongen stonden tegenover hen. Henri had
-gaarne wat verder uit de buurt harer moeder gestaan, ten einde van
-Louise zelve te vernemen hoe zij over haar engagement en over haar
-aanstaanden echtgenoot dacht, nu echter durfde hij naar niets te vragen
-en Louise zeide niets.
-
-Toen eindelijk de dans geëindigd was en hij haar naar haar plaats terug
-had geleid, vroeg hij aarzelend: »Zoo gij nog geen cavalier voor het
-souper hebt aangenomen Louise, mag ik dan het genoegen hebben van u aan
-tafel te brengen?”
-
-Louise bedacht zich een oogenblik eer zij antwoordde.
-
-»Ja Henri, zooals gij weet ben ik sedert gisteren met resident Stevens
-van Langendijk geëngageerd, zoo hij mij dus voor het souper komt
-opeischen, kan ik uw vriendelijk aanbod niet aannemen, maar brengt hij
-mama of een andere dame aan tafel dan wil ik gaarne uw buurvrouw zijn,
-om nog eens over den ouden tijd te praten.”
-
-»Dus zijt gij dan toch werkelijk geëngageerd, Louise?”
-
-»Stellig, feliciteer mij maar.”
-
-»Van harte, kind, van ganscher harte! God geve dat gij gelukkig moogt
-zijn, en dat gij in den resident moogt vinden, al wat gij u verhevens
-en idealisch gedroomd hebt in uw leven!”
-
-»Dank je Henri.”
-
-Er lag iets droevigs in dat: »Dank je Henri” en in de wijze waarop zij
-hem bij deze woorden de hand reikte. Ook Henri gevoelde dat zij niet
-gelukkig was, maar evenals Marie dacht hij te vergeefs op een middel,
-om haar hare vorige onbezorgde vroolijkheid weer te geven en haar van
-een engagement te ontslaan, dat haar reeds nu ongelukkig scheen te
-maken. Toch vroeg hij maar niets, daar hij wel wist dat Louise de
-persoon niet was om te klagen en onnoodige confidences te doen. Hij
-kende haar fieren, sterken geest beter dan iemand anders, hij wist
-hoeveel fijn gevoel, hoeveel kracht, hoeveel geestdrift, dat schijnbaar
-loszinnig, oppervlakkig kind bezat. Hij had Louise van klein af gekend
-en bestudeerd en, daar hij vele jaren ouder was dan zij, had hij
-gelegenheid gehad, om de geringste schakeeringen harer ziel, met het
-geduld en de volharding eener innige genegenheid op te merken en te
-doorgronden. Hij verstond dat weinig begrepen karakter, en hij beminde
-schier afgodisch die krachtige, edele, poëtische vrouw met haar
-onbezorgd, wispelturig, spelend kinderhart.
-
-Aan het souper zat Louise naast den resident, die haar aan tafel had
-gebracht, en Henri aan het lagere einde der zaal, van waar hij haar
-onafgebroken gadesloeg.
-
-Mijnheer Van Amerongen stond op, tikte tegen zijn glas en verzocht het
-woord. Toen stelde hij zijn gasten voor, om op het geluk van zijn
-dochter en op dat van zijn aanstaanden schoonzoon, resident Stevens van
-Langendijk, hunne glazen te ledigen.
-
-Een luid »hoerah!” begroette zijn woorden, en werd door de muzikanten
-met het »Wien Neerlandsch bloed” besloten.
-
-Daarop stond de resident op en beantwoordde naar behooren den toast
-zijns aanstaanden schoonvaders. Nogmaals deed een vreugdekreet zich
-hooren, weder klonk de krachtige muziek, en alles keerde terug tot de
-gewone gonzende feestvreugde.
-
-Klokslag twee ving de dans weer aan, om voort te duren tot aan den
-morgen. De opkomende zon vernietigde het armoedig licht der lampen door
-haar trotsche gouden stralen en maakte een einde aan het kwijnend
-feest, dat weder voor geruimen tijd stof zou opleveren voor de
-belangrijke gesprekken van Samarangs groote wereld.
-
-
-
-
-
-
-
-
-DERTIENDE HOOFDSTUK
-
-HET EERSTE GESPREK ZONDER GETUIGEN.
-
-
-De heugelijke dag was eindelijk aangebroken, waarop Louise van
-Amerongen en resident Stevens van Langendijk de eerste gelofte af
-zouden leggen van levenslange gehechtheid en trouw. Het geheele huis
-was groen gemaakt en met bloemen versierd, alle jongens en meiden
-hadden hun beste kleeren aan, en mijnheer en mevrouw Van Amerongen, de
-resident en eenige goede vrienden waren reeds in de binnengalerij
-vereenigd. Louise alleen ontbrak nog. Zij was bezig de laatste hand aan
-haar toilet te leggen, en toen zij gereed was riep zij Alima en Rosa
-bij zich en zeide zacht:
-
-»Op mijn tienden verjaardag wilde mijne moeder mij een geschenk van
-waarde geven, en zij gaf mij u. Gedurende zes jaar hebt gij beide mij
-geholpen en verzorgd zooals mijne moeder dit van u verwacht had, daar
-ben ik u dankbaar voor. Weldra zal ik het ouderlijk huis verlaten en
-dan zal uw taak wat mij betreft volbracht zijn. Maar ik wil niet
-vertrekken zonder u een klein blijk mijner erkentelijkheid te geven....
-Ziehier wat geld voor uw aanstaande huishouding.... en zie hier uw
-vrijbrief.....”
-
-Louise’s stem en hand beefden toen zij haar oudste gezellinnen aldus
-haar afscheid gaf.
-
-Rosa weende, terwijl zij het geld aannam en den vrijbrief op den grond
-liet vallen.
-
-Alima kruiste de armen over de borst en sloeg de oogen neder.
-
-»Alima, zie hier uw vrijbrief,” herhaalde Louise nauw hoorbaar.
-
-»Ampon! [23] nonna!” riep de jonge slavin, zich aan haar voeten
-werpende. »Wat heeft Alima misdaan dat zij de nonna niet langer dienen
-mag?”
-
-»Gij hebt mij goed gediend, Alima, gij zijt altijd trouw en eerlijk
-geweest en ik heb mij nooit over u te beklagen gehad, daarom wilde ik u
-gelukkig zien....”
-
-»Ampon, nonna!” herhaalde Alima luid snikkend.
-
-Ook Louise weende, maar zij trachtte haar tranen te verbergen en liet
-den vrijbrief vóor de knieën van Alima vallen.
-
-»De nonna zal niet boos zijn.... en Alima niet van ondankbaarheid
-verdenken!” riep de jonge slavin het papier oprapende. »Alima is niet
-geboren om vrij te zijn—Alima zou ongelukkig wezen alleen in die groote
-wereld, indien zij aan niemand toebehoorde!” Toen scheurde zij haar
-vrijbrief in stukken en vervolgde zachter: »Ook de nonna zou haar
-missen in die verre, vreemde stad, waar niets haar het huis harer
-moeder herinneren zal!”
-
-Toen Louise eenige oogenblikken later de galerij binnentrad, waar de
-resident haar, met van bewondering vonkelende oogen tegemoet kwam, was
-zij zoo onbewegelijk, zoo gevoelloos schoon, zouden wij bijna zeggen,
-dat zelfs de resident zich als terug gestooten gevoelde. Een kouden
-blik om zich heen werpende en achteloos de hand reikende aan hen die
-haar omringden, was haar eerste vraag: »Waarom zijn Marie en Henri van
-den Berg niet hier?”
-
-De resident greep haar hand en bracht die hartstochtelijk aan zijn
-lippen.
-
-»Schoone, bekoorlijke Louise!” sprak hij zacht.
-
-Het meisje scheen hem noch te hooren, noch te zien, zij sloeg geen acht
-op hem, maar herhaalde nogmaals: »Waar blijven Henri en Marie dan
-toch?”
-
-Te vergeefs trachtte de resident haar aandacht tot zich te trekken en
-haar »aan het spreken te krijgen”. Niets mocht hem baten. Het jonge
-meisje wierp zich met een zucht op een leuningstoel neder en staarde
-naar de deur, alsof daarbuiten alles was wat haar ziel kon boeien.
-
-Gelukkig voor hem had de resident te veel eigenliefde en te weinig
-wantrouwen om aan jaloezie onderhevig te zijn, anders zou hij
-ongetwijfeld geleden hebben onder Louise’s afgetrokkenheid.
-
-Mevrouw Van Amerongen, hoogst verlegen over de houding harer dochter,
-zond ongemerkt een der jongens naar Van den Berg, om de juffrouw te
-smeeken toch zoo spoedig mogelijk te komen.
-
-Een paar minuten later rolde een rijtuig het hek in, en traden mijnheer
-Van den Berg, Marie en Henri binnen.
-
-Louise sprong op als door een elektrieken schok geraakt, liep den ouden
-heer schier omver en wierp zich in de armen harer vriendin.
-
-»Eindelijk!” riep zij met een glimlach, zoo droevig, zoo lijdend, dat
-hij Henri deed verbleeken en tranen in Marie’s zachte oogen riep.
-
-»Kom, nu kan ik teekenen,” vervolgde zij met een doffe, vaste stem. »Nu
-heb ik al mijn vrienden om mij heen. Zoo gij wilt, resident?”
-
-De plechtigheid nam een aanvang en, toen zij statig en wel volbracht
-was, had er een prachtig déjeuner plaats waarop het natuurlijk niet aan
-toasten op het geluk van bruid en bruidegom ontbrak.
-
-Mijnheer en mevrouw Van Amerongen schenen recht gelukkig en
-verheerlijkt met den hooggeplaatsten schoonzoon, dien zij met
-onvermoeiden trots prôneerden. De meeste gasten waren stil, maar de
-resident was uitgelaten vroolijk en de jonge bruid bleef afgetrokken en
-zwijgend alsof zij zich geheel vreemd gevoelde aan hetgeen om haar heen
-voorviel. Slechts nu en dan, wanneer zij haastig een blik op Henri of
-Marie wierp, kwam er een sombere gloed in haar donker oog of een lichte
-blos op haar bleeke wangen.
-
-Toen het déjeuner geëindigd was, brak er eindelijk een oogenblik van
-vrijheid aan, waarin elk zijn weg ging en sprak met wien hem goed
-dunkte. Ook Louise wilde van dat oogenblik gebruik maken en den
-resident zacht op den arm tikkende, verzocht zij hem haar naar de
-achtergalerij te volgen, waar zij ongestoord te zamen spreken konden.
-
-De resident was eenigszins verwonderd over deze avance, zooals hij het
-noemde, en volgde haar nieuwsgierig.
-
-»Daar ik nu uw bruid ben,” begon zij, »zoo zal het mij mogelijk vergund
-zijn u eindelijk een oogenblik zonder getuigen te spreken.”
-
-De resident begreep niet recht; maar, ook zonder te begrijpen, sloeg
-hij zijn arm om de slanke leest zijner schoone bruid en drukte hij een
-vurigen kus op haar ijskoud voorhoofd. Louise onderging zijn liefkozing
-met een kalmte en een onverschilligheid alsof zij er sedert jaren aan
-gewoon was geweest, en toch was dit de eerste kus haars verloofden. Hij
-had heden eenig recht op haar verkregen, dit gevoelde zij, en daarom
-liet zij nu toe, hetgeen zij hem tot dusver halsstarrig geweigerd had.
-
-»Stevens,” hernam zij weder, het was de eerste maal dat zij hem anders
-noemde dan »resident,” en het kostte haar blijkbaar moeite den man, die
-over een paar weken haar echtgenoot zou zijn, bij zijn naam te noemen.
-»Stevens, binnen korten tijd zal ik uw vrouw zijn en nog nooit hebt gij
-mij gevraagd of ik het wezen wilde.”
-
-De resident zette groote oogen op, maar glimlachte, als dacht hij bij
-zichzelve: »Wat doet uw wil ter zake, kind?”
-
-»Ik heb u mijn hand toegezegd,” vervolgde zij, »omdat mijne moeder het
-verlangde en mijn vader het mij beval.”
-
-Zij wachtte even, als om den resident tijd tot antwoorden te geven,
-maar toen zij zag dat hij zwijgen bleef, hernam zij met meer vastheid:
-
-»Ik moet natuurlijk mijn ouders gehoorzamen, en daar ik niemand
-bijzondere genegenheid toedraag, is het mij om het even aan wien mijn
-ouders mij afstaan.”
-
-»Liefste, liefste Louise!” riep de resident opgetogen. »Nog nooit hebt
-ge iemand lief gehad, zegt gij?”
-
-»Niemand, zelfs u niet, resident.”
-
-»Dat zal later wel komen als wij eenmaal getrouwd zullen zijn.”
-
-»Ik hoop het, voor u en voor mij,” antwoordde Louise kalm. »En mocht
-het anders wezen, dan zal de resident zich herinneren dat zijn vrouw
-hem gedwongen haar hand geschonken heeft.”
-
-»Maar ik zal alles doen om u gelukkig te maken, om u het leven te
-veraangenamen, Louise, en wij zullen het minder aangename van vroeger
-vergeten, niet waar?”
-
-Louise zeide niets. De resident vatte haar hand in de zijne en vroeg
-met eenige onrust:
-
-»Haat gij mij, Louise?”
-
-»Gij zijt mij onverschillig.”
-
-Een lange stilte volgde.
-
-»Gij weet nu, wat ik meende dat gij vóor ons huwelijk weten moest,”
-zeide zij eindelijk, »handel verder met mij naar goedvinden.”
-
-Er lag een wanhoop in haar onderwerping en een kracht in haar zwakheid,
-die den resident onwillekeurig deden huiveren, doch weder viel zijn oog
-op haar schoon en kalm gelaat en alles werd vergeten in een kus.
-
-Louise liet zich deze tweede liefkozing welgevallen als de eerste en
-beantwoordde haar met de woorden:
-
-»Zoo gij er niets tegen hebt, resident, zullen wij naar het gezelschap
-terugkeeren.”
-
-
-
-
-
-
-
-
-VEERTIENDE HOOFDSTUK
-
-HOE BRUID EN BRUIDEGOM OVER ELKANDER DENKEN
-
-
-Nauwlijks was de resident dien avond vertrokken of Louise begaf zich
-naar haar kamer, ontkleedde zich schielijk, zond haar slavinnen weg en
-wierp zich op haar geliefkoosden rotangstoel neder, om ongestoord te
-kunnen nadenken over hetgeen er dien dag voorgevallen was. Twee malen
-sprong zij op, liep met haastige schreden de kamer op en neer en ging
-weder zitten.
-
-»Neen,” dacht zij bij zichzelve, »de resident moet zelf weten wat hem
-te doen staat. Geeft hij mij mijn woord niet uit eigen beweging terug,
-dan zal ik er hem ook niet meer om vragen. Hij weet dat hij er mij een
-dienst door zou bewijzen, doet hij het dus niet dan toont hij genoeg
-dat hij meer om zijn eigen trots geeft dan om mij.... Morgen
-diner—overmorgen bal—na overmorgen thé dansant in de societeit, daarna
-een bal bij den resident en een bij Van den Berg en dan nog kleine
-partijen zonder ophouden in het verschiet....”
-
-Zij gaapte als een mensch van zestig jaar op het denkbeeld van al die
-vermakelijkheden.
-
-»Maar hij zal het niet doen... welnu, dan word ik zijn vrouw... wat kan
-het mij schelen?—Hij of een ander... hij is ten minste goedig, een
-ander zou er mogelijk nog kwaad bij zijn. Hij trouwt mij omdat hij mij
-mooi vindt, en ik hem omdat mijn ouders het hebben willen. Wij staan
-dus gelijk—wij houden niet van elkander en hebben elkaar dus niets te
-verwijten.... Maar, mijn hemel, waarom trouwen wij dan?—Ik moet, ik zal
-hem nog eens spreken, mogelijk.... Neen, ik wil niet.”
-
-»Ik zal residentsvrouw worden en dan zal ik vrij zijn. Ik zal mijn
-huishouden geheel naar mijn zin inrichten en hem het leven zoo
-aangenaam mogelijk maken.—Hij zal goed voor mij zijn. En eigenlijk—wat
-kan ik meer begeeren?... Ik ben nu bijna zestien jaar oud en nog nooit
-heb ik voor iemand een liefde gevoeld zooals men die in boeken
-beschreven leest. Daar zal ik niet vatbaar voor wezen.... Henri?.... O!
-foei, Henri! Neen, dat zou al te gek zijn. Ik houd heel veel van Henri,
-maar toch niet meer dan van Marie. Neen, hetgeen men liefde noemt moet
-nog iets anders wezen.... En de resident?—Hij zegt mij lief te
-hebben..... Zou dat mogelijk wezen? Maar indien hij mij waarachtig lief
-had dan moest hij mij meer beminnen dan zichzelven, dunkt mij.... O! ik
-geloof niet dat ik voor eenig offer terug zou deinzen indien het ’t
-geluk gold van iemand dien ik waarachtig lief had.... Hij zal het niet
-doen..... en toch trouwt hij mij uit liefde....”
-
-Zij lachte afgetrokken. »Och, zulke roman-liefdes bestaan mogelijk niet
-eens. Ik heb er ook nooit van gehoord in het werkelijke leven....”
-
-Zij stond op, nam een boek uit haar kast, sloeg het open bij een vouw
-en las:
-
-
- »Osez me l’arracher! Demandez-lui s’il m’aime,
- Dit-elle; le voilà pour répondre lui-même.
- Parle, Jocelyn, dis s’il est vrai que ton coeur
- A trahi ton ami, ton amante, ta soeur!
- Dis-leur si de ce sein où Dieu m’avait jetée,
- Sur la pierre à leurs pieds tu m’as précipitée?
- Dis-leur si cet amour, notre vie en ce lieu,
- Tu l’aurais renié, même à la voix de Dieu!
- Un Dieu! S’il était vrai, si je doutais encore,
- Je le détesterais, autant que je t’adore!”
-
-
-Met een treurigen glimlach sloeg Louise het boek dicht, maar een tweede
-vouw ziende, opende zij het weder om verder te lezen:
-
-
- »Je me repens de tout, hors de l’avoir aimé!
- Et si devant ce Dieu mon amour est coupable,
- Que dans l’éternité sa vengeance m’accable!
- Je ne puis m’arracher du coeur, même aujourd’hui,
- Le seul être ici-bas qui m’ait fait croire en lui;
- Et dans mes yeux mourants son image est si belle,
- Que je ne comprends pas le ciel même sans elle.
- Oh! s’il était là, lui! Si Dieu me le rendait!
- Même à travers la mort, oh! s’il me regardait!
- Si cette heure à ma vie eut été réservée,
- Si j’entendais sa voix, je me croirais sauvée:
- Sa voix m’adoucirait jusqu’au lit du tombeau! [24]
-
-
-»O neen! zulke liefde kan niet bestaan!” sprak zij met tranen in de
-oogen. »En toch.... indien zij eens bestond?”
-
-Zij had zonder het te bemerken eenige bladzijden omgeslagen, en
-toevallig viel haar oog op de woorden:
-
-
- »J’ai trahi par faiblesse, ou bien par dévoûment,
- Mon enfant, mon amour, mon bonheur, mon serment.”
-
-
-Zij las niet verder. Zij wierp het boek weg en sprak met een nog
-treuriger lach dan zoo even: »Ik hoop dat ook dit overdreven zal
-wezen!”
-
-Toen begaf zij zich ter ruste, doch sliep bijna niet dien nacht, en
-toen den volgenden morgen de eerste zonnestralen in haar kamer drongen,
-gevoelde zij zulk een behoefte aan ruimte en lucht dat zij zich zonder
-hulp harer slavinnen aankleedde en den tuin invloog.
-
-
-
-Ook de resident had dien nacht geen rust kunnen vinden. Hij had, ’s
-avonds thuis komende, zijn jongen de deur uitgeschopt, omdat hij, als
-altijd, onder de tafel lag te slapen, omdat het nachtlampje niet meer
-licht gaf dan naar gewoonte, omdat de laarzen, die hij aanhad, hem
-knelden, omdat het warmer was in zijn kamer dan in de open lucht, en om
-nog vele andere redenen meer, die slechts in de verhitte verbeelding
-van driftige menschen zonden van onschuldigen worden.
-
-Nu liep hij met rassche schreden zijn kamer op en neer, dan bleef hij
-voor het geopende venster staan en hief zijn oogen naar omhoog, zonder
-iets van den prachtigen sterrenhemel te zien die zich over Samarang
-uitstrekte; nu eens wierp hij zich moedeloos op een bank, een oogenblik
-later sprong hij weder op, balde de vuisten, verschoof eenige stoelen,
-verplaatste het nachtlichtje, de gindie [25] met water, zijn cassette,
-in éen woord al wat hij vinden kon, wierp de jalousiën dicht wanneer ze
-open waren, of opende ze wanneer hij ze een oogenblik te voren gesloten
-had, stampvoette, lachte, geeuwde, sprak overluid, was nu eens hoogst
-gelukkig dan weer diep rampzalig, dacht aan alles en toch aan niets....
-Zóo werd het eindelijk dag en de resident zag met verbazing de zon in
-zijn kamer schijnen.
-
-»Wat duivel is dat?” sprak hij bij zichzelven, »heb ik mij gisteren
-niet uitgekleed? Ik zou mij schamen voor mijn jongen als hij ’t zag!”
-
-Hij ontkleedde zich zoo goed en zoo kwaad als hij het zonder hulp van
-Siedin doen kon, stak een sigaar op, wierp zich te bed en floot.
-
-Siedin trad binnen. »Wat verlangt toewan resident?”
-
-»Hoe laat is het?”
-
-Hij had een halve minuut geleden nog op zijn horloge gezien.
-
-»Bij zessen, mijnheer.”
-
-»Leg mijn kleeren gereed, ik wil uitgaan—dadelijk.”
-
-Siedin was buiten zichzelven van verbazing, maar vertrok geen spier en
-gehoorzaamde stilzwijgend.
-
-Toen de resident eindelijk weer in de kleeren was, sprak hij haastig:
-
-»Haal mij een kop koffie en een stuk brood, en zoek mij een gezadeld
-paard.”
-
-Siedin antwoordde kalm: »Saja toewan”, maar wist volstrekt niet waar
-hij een gezadeld paard van daan zou kunnen halen, daar de ongelukkige,
-magere dieren van het logement, volgens zijn oordeel niet geschapen
-waren om een resident te dragen.
-
-Het ontbijt verscheen spoedig genoeg, maar de resident had al ruim een
-kwartieruurs gelaarsd en gespoord op de stoep gestaan, eer zijn
-gezadeld paard kwam opdagen.
-
-»Monjet! [26] Waar heb je zoolang gezeten?” vroeg hij rood van
-ongeduld.
-
-»Ik heb het rijpaard van toewan secretaris....”
-
-»Stommeling!” bromde de resident opstijgende; hij gaf het paard de
-sporen en reed weg.
-
-»Oentoeng! Toewan resident kloewar [27]!” dacht Siedin bij zichzelven
-en recht gelukkig dat hij vrij af had, begaf hij zich naar zijns
-meesters kamer en lei zich in diens plaats ter ruste.
-
-De resident reed in gedachten verzonken den Bodjongschen weg op.
-
-»Neen,” sprak hij bij zichzelven, »neen, niets daarvan.... Wat raakt
-het haar?—Zij is een kind, een aardig poppetje; maar daarom behoeft zij
-nog niet alles te weten. En buitendien, wat zou het baten, of zij het
-al dan niet wist; dat zou niets aan de zaak veranderen.
-
-»Het is, geloof ik, een koppig ding, zoo onderworpen als zij zich
-voordoet.... Nu, en die onderwerping! Zij wil wel zóo, anders zou ze
-ook zoo gehoorzaam niet wezen.... Een mooi kopje! Een lief figuurtje!
-Maar gisteren was zij toch verduiveld bij de hand.... En een tongetje,
-zoo scherp.... zoo rad....
-
-»Maar mogelijk—Ha! daar begin ik weer! Daar ben ik nu den ganschen
-nacht reeds over bezig geweest, alsof haar woorden iets te beteekenen
-konden hebben! Louise is een kind—en een bedorven kind nog al, zij
-heeft zich gekrenkt gevoeld door mijn wijze van handelen, dat is al.
-Had ik haar een week of wat het hof gemaakt, alvorens mij tot haar
-ouders te wenden, dan zou het nufje zeer vereerd geweest zijn. Nu is de
-jonge dame beleedigd....—Ik hoor haar nog: »Stevens, binnen korten tijd
-zal ik uw vrouw zijn en nog nooit hebt gij gevraagd of ik het wezen
-wilde.” Dat waren harde woorden voor mij.... mogelijk ware het beter
-indien.... neen, neen! Wat drommel, waar denk ik toch aan! Louise zal
-mijn vrouw worden—en zij zal mij liefhebben ook, anders....
-
-»»Ik hoop het voor u en voor mij,” gaf zij mij gisteren ten antwoord,
-toen ik haar van liefde in ons huwelijk sprak; »maar mocht het anders
-wezen, dan zal de resident zich herinneren dat zijn vrouw hem gedwongen
-haar hand geschonken heeft.” Verduiveld! die woorden deden mij toch
-aan. Het was mij, alsof zij een vloek over mijn toekomst uitsprak! Het
-was een oud mensch dat sprak, geen zestienjarig meisje meer. Die
-kalmte, die vaste, ik zou bijna zeggen, die dreigende wijze van
-spreken.... Als man van eer moest ik haar haar woord terug geven.... En
-haar de vrouw van een ander zien worden! Nooit. Alsof een ander haar
-meer lief kon hebben, dan ik? Alsof.... Gekheid! Non sense! daar komt
-niets van in!—Het mankeert er nog maar aan dat resident Stevens van
-Langendijk daarvoor hier gekomen zou zijn! Wat zouden zij mij uitlachen
-als ik zonder vrouw te A. terugkwam!—Ik—een man van rang, van vermogen,
-bedankt door een wispelturig kind! En dat nogal nadat de geheele wereld
-geweten heeft dat zij mijn bruid geweest is! Wat zou men daar wel van
-zeggen.... Neen, neen; dat gaat niet. Alles is goed en wel, maar ik
-moet niet ridicuul gaan worden op mijn ouden dag!” Zoo dacht de
-resident nog een groot uur voort en toen hij eindelijk vermoeid en warm
-te huis kwam, was hij nog niets verder gevorderd dan toen hij uitreed.
-Alles was verwarring in zijn hoofd zoowel als in zijn hart.
-
-Hij was verliefd op Louise, zij was zijn bruid, zij moest zijn vrouw
-worden. Wel zeide zijn geweten hem dat hij verkeerd handelde, maar zijn
-hoogmoed, zijn ijdelheid, zijn eigenliefde, ja zelfs zijn achting voor
-zichzelven gedoogden niet dat hij zijn wil zou doen buigen voor die van
-een afhankelijk kind.
-
-
-
-
-
-
-
-
-VIJFTIENDE HOOFDSTUK
-
-HET OFFER AAN EERZUCHT GEBRACHT
-
-
-Wij vinden Louise van Amerongen weder in een prachtig wit zijden
-bruidskleed; een lichte kanten sluier is smaakvol om het schoone hoofd
-geplooid, en omzweeft als een dunne wolk de fijne, ranke gestalte.
-Kostbare paarlsnoeren kronkelen om den blanken hals en armen, en een
-fraaie krans van oranjebloesems en witte rozen ligt op een stoel aan
-haar zijde. Haar gelaat is bleek, haar oogen schitteren en haar handen
-zijn wit en koud. Overigens is zij kalm en geen woord, geen beweging
-verraadt wat er in haar ziel omgaat.
-
-De resident treedt met een glimlach om de lippen de voorgalerij binnen
-en beeft licht terwijl hij de hand zijner bruid in de zijne vat.
-
-»Zal zij mij gelukkig maken?” vroeg hij zichzelven met eenige
-twijfeling af, en toen hij zijn oog vragend op zijn schoone Louise
-vestigde, ging hem een koude rilling door de leden, terwijl hij
-zichzelven verzekerde dat haar buitengewone schoonheid ruimschoots
-vergoeden zou hetgeen zij aan verstand of hart ontbreken mocht.
-
-»Zal het mij mogelijk zijn dien man gelukkig te maken?” waren ter
-zelfder tijd de gedachten der bruid, en toen zij haar donker oog
-onzeker over de menigte liet weiden, trof haar de zachte, treurige
-uitdrukking van Henri’s edel gelaat en ook haar ging een koude rilling
-door de leden, terwijl zij haar blikken nedersloeg en zichzelve
-ontkende immer iets om haren neef gegeven te hebben.
-
-Arm meisje! Hoevelen handelen als gij, en werpen zich met een bloedend
-hart in de armen van een man die haar onverschillig is! Hoevelen
-brengen, als gij, aan een fortuin, aan een rang het geluk van gansch
-haar leven ten offer en verloochenen, vergeten, versmaden zichzelven en
-anderen voor een denkbeeldige grootheid, die haar waarde verliest
-zoodra men gevoelt haar bereikt te hebben!
-
-En gij, dwaze man! gij die de menschen kent en voor wien de wereld niet
-nieuw meer is, gij die geen jeugd, geen onervarenheid, geen plichtbesef
-ter uwer verontschuldiging kunt bijbrengen, hoe kunt gij u aan een
-woesten hartstocht overgeven waartegen uw verstand u waarschuwt en
-geheel uw ziel zich verzet? Hoe kunt gij, die alles gezien, gekend,
-genoten hebt, wien niets onthouden is geworden, zelfs niet de rampen
-die kracht geven en de teleurstellingen die tot nadenken brengen, hoe
-durft gij thans op een gelukkige toekomst hopen?
-
-Toch zijn er velen als gij, die op een gevorderden leeftijd een jonge
-bruid naar het echtaltaar voeren zonder een oogenblik aan het geluk der
-aanstaande levensgezellin gedacht te hebben. Die haar uit eigenliefde,
-hoogmoed of pronkzucht, het jawoord als afpersen en haar van haar
-ouders afbedelen of koopen om het nietig genot te hebben van der wereld
-toe te roepen: »Zij, die de mijne is geworden, was te goed voor allen,
-de grootsten waren te gering voor haar en de rijksten te arm; maar zij
-heeft mij haar leven en haar toekomst toevertrouwd, mij heeft zij haar
-jeugd en haar schoonheid geschonken.”
-
-Het leven is een leerschool, heeft men meer dan eens gezegd, en toch,
-hoevelen hollen dat leven door, zonder omzien, zonder nadenken, zonder
-vergelijken, zonder berekenen; verblind door al wat schittert,
-medegesleept door al wat kracht heeft, voortgestuwd door al wat buiten
-hen is. Zij zien alles en begrijpen niets, gevoelen alles en kennen
-niets, ondervinden alles en doorgronden niets. Uitgelaten vroolijk in
-voorspoed, zijn zij hopeloos in droefheid en verwoed over de geringste
-teleurstelling. Niets is blijvend voor hen; wat zij heden liefhebben,
-versmaden zij morgen; wat zij gisteren deugd noemden, is heden misdaad
-voor hen. Zij leven geheel voor het oogenblik, gevoelen zonder
-herinnering en handelen zonder aan een toekomst te denken. Vandaar dan
-ook dat men er zoo velen ziet die in de werkelijkheid grijs geworden
-zijn om hun leven in een illusie te eindigen.
-
-In de kerk knielde de jonge bruid aan Stevens zijde neder, zijn oogen
-zochten de haren, de haren bleven onafgebroken neergeslagen. En toen de
-plechtigheid geëindigd was en zij op zijn arm geleund de kerk verliet,
-verried een hoog rood een onbestemd gevoel van schaamte en berouw dat
-zich onwillekeurig van haar meester maakte.
-
-De resident gevoelde iets dergelijks, maar begreep het niet. Zijn oog
-viel op het bekoorlijke schepsel dat hem toebehoorde, en half bevend
-fluisterde hij haar in het oor:
-
-»O Louise, mijn engel! Thans zijt gij de mijne voor eeuwig!”
-
-Nu eerst gevoelde het meisje, welk een vreeselijke band er tusschen
-haar en dien man gelegd was geworden. Nu verstond zij eerst recht die
-ijselijke woorden, die een oogenblik te voren nog bloote klanken voor
-haar geweest zouden zijn.
-
-Arme, arme Louise! De groote stap is thans gedaan. Mor niet tegen
-hetgeen geschied is, maar draag zorg voor de toekomst; wend de
-verblindheid uws echtgenoots ten uwen voordeele aan: hij beminde u tot
-heden zooals hartstocht, zooals begeerte alleen bemint, maar temper,
-wijzig die liefde, leid haar met verstand opdat zij een bron van geluk
-moge worden, voor u en voor den man wiens toekomst ook de uwe wezen
-moet. Ontzie uw echtgenoot daar waar gij niet met hem overeen zult
-stemmen, acht hem, zoo niet om zijnentwille dan uit achting voor u
-zelve, en bemin hem, zoo niet met uw hart, dan toch met uw geweten;
-want gij hebt hem gansch uw leven beloofd en zijt hem dus medewerking
-en genegenheid verschuldigd. Leef, ja leef geheel voor hem, jonge,
-schoone, rijke vrouw, en hij zal door uw deugden leeren u lief te
-hebben, te achten en te eerbiedigen zooals hij nog nimmer een vrouw
-vóor u lief gehad, geacht en geëerbiedigd heeft.
-
-
-
-
-
-
-
-
-TWEEDE DEEL
-
-HOE ZIJ WERD
-
-
- Nous autres femmes nous ne demandons qu’à admirer et qu’à servir.
- Le sentiment de notre infériorité ne nous blesse pas, il nous
- charme au contraire. Ne vous étonnez donc pas si vous trouvez si
- peu de soumission chez les femmes c’est qu’il y a fort peu d’hommes
- dignes de la soumettre.
-
- Éternité!
-
- Quel droit avons-nous pauvres petits êtres, ignorants et
- impuissants, de faire une promesse pour l’éternité?—Demain ne nous
- appartient pas, comme l’éternité nous échappera!
-
-
- Lettre à M. Alexandre Dumas, fils, au
- sujet de son livre L’Homme-Femme, par
- Mlle Oristorio di Frama, Cantatrice.
-
-
-
-
-
-
-
-
-TWEEDE DEEL
-
-HOE ZIJ WERD
-
-
-ZESTIENDE HOOFDSTUK
-
-TE HUIS
-
-
-Tegen vijf uur des namiddags reed een gemakkelijk reisrijtuig met zes
-paarden bespannen en door een eerewacht te paard omringd, de groote
-laan in, die naar het residentiehuis te A. geleidde. De loopers
-draafden naast de paarden, de wacht kwam in het geweer, alle bedienden
-vlogen naar buiten en resident Stevens van Langendijk heette zijn jonge
-vrouw welkom in haar nieuwe woning.
-
-»Zorg voor de goederen,” riep hij de oppassers toe. En zijn vrouw bij
-de hand vattende, geleidde hij haar de stoep op en het huis rond dat
-voortaan het hare zou wezen.
-
-»Wel, wat zeg je, mijn kind? Is het hier nu zoo kwaad?”
-
-Louise wierp verwonderde blikken om zich heen en antwoordde zacht:
-
-»Integendeel, ik vind dat gij prachtig ingericht zijt!”
-
-»Niet waar? Ik ben ingericht zooals het behoort, rijk en net.”
-
-»Zeer net.... dit is juist hetgeen mij frappeert.... een
-jongeheerenhuishouden....”
-
-»Aha! ondeugend ding! Denkt gij zóo over het jongeheerenhuishouden....
-Wacht, dan zullen wij u nog iets anders laten zien.”
-
-Toen bracht hij haar naar de slaapkamer, waar alles smaak, gemak en
-weelde ademde.
-
-»Zie hier je linnenkasten, lieve.”
-
-»O, hoe netjes! Wie heeft dat alles zoo keurig geschikt?”
-
-»Wel de meiden, Poes.”
-
-»En hier deze deur?”
-
-»Die komt in je kleedkamer uit, je heiligdom, waar je zoo vrij als een
-vogel zult wezen.”
-
-Hij stiet de deur open en Louise trad binnen.
-
-Zij zeide niets.
-
-»Nu?” vroeg de resident.
-
-»Prachtig.”
-
-Op eens wierp zij zich in zijn armen.
-
-»Wat heb je? Waarom huil je?”
-
-»Ik weet het niet,” snikte zij afgebroken. »Gij zijt zoo goed voor
-mij.”
-
-»En huil je daarom?” vroeg hij met een lach. »Kom kind, droog die
-tranen af en geef mij een zoen. Zóo, goed zoo. Nu, dáar staat je
-koffer, maak je nu eens mooi van avond, want er zal zeker wel de een of
-ander komen om mijn mooi, lief vrouwtje te zien.”
-
-Hij drukte haar nog eens hartstochtelijk in zijn armen en toen verliet
-hij haar, opdat zij zich ongestoord zou kunnen verkleeden.
-
-Doch nauwlijks was zij alleen of zij sloot de deur harer kamer, wierp
-zich op een rood fluweelen causeuse neder en weende bitter. Haar hart
-was zóo vol dat het haar goed deed eindelijk een oogenblik te hebben
-waarin zij haar tranen vrij kon laten vloeien.
-
-De kamer waarin zij zich bevond was ruim en smaakvol gemeubeld. Alles
-was er in harmonie en zóo geschikt dat men niets had kunnen wegnemen of
-verplaatsen zonder het geheel een minder bekoorlijk aanzien te geven.
-
-Een meubel slechts scheen misplaatst in het vroolijke, smaakvolle
-vertrek, omdat het te groot, te donker was, te veel in het oog viel,
-zouden wij kunnen zeggen. Het was een mahoniehouten hangkast, waarvan
-een der deuren wijd open stond, terwijl de andere gedurig kraakte alsof
-er iemand tegen aanleunde.
-
-Dit gekraak trof eindelijk Louise’s oor. Zij herinnerde zich waarom zij
-hier gekomen was, wischte haar tranen af en stond op om zich te
-kleeden.
-
-Onverschillig opende zij een houten kistje, wierp er eenige gouden
-armbanden en een lange snoer bloedkoralen uit, trok daarna een licht
-grijs zijden kleed bij éen mouw van onder uit haar koffer en klapte in
-de handen om Alima te roepen.
-
-Tien minuten later was zij gereed.
-
-»Hoe laat is het?”
-
-»Zes uur, mevrouw.”
-
-»Goed. Gij kunt heengaan.”
-
-Alima vertrok.
-
-Toen kwamen de tranen weder, en weer sloot zij snel de deur opdat
-niemand ze zien zou.
-
-Maar, terwijl zij aan den eenen kant van de kamer stond met het gelaat
-naar de deur gekeerd, vonkelde er een donker oog om de deur der
-hangkast heen.... Een tweede oog, een fijnbesneden neus met beweegbare
-neusvleugels, een half geopende mond met vast opeengeklemde tanden, een
-lange uitgerekte hals volgden. Een jonge vrouw, bruin, slank, vlug,
-levendig, hartstochtelijk, vlood als een hinde uit de kast langs den
-muur, om de tafel, achter de rood fluweelen causeuse. Daar blijft zij
-een oogenblik onbewegelijk zitten, met de eene hand op de borst gedrukt
-als om de lucht terug te dringen die in een luide kreet dreigt uit te
-barsten, met de andere krampachtig om het gevest van een kris geslagen,
-dien zij in de plooien harer kabaai zoekt te verbergen.
-
-Zij ziet Louise voor zich staan. Met éen blik meet zij den afstand
-tusschen haar kris en het hart der jonge vrouw, en een lach vol haat
-geeft voor een oogenblik een afschuwelijke uitdrukking van wreedheid en
-wraak aan haar anders buitengewoon schoon gelaat.
-
-Langzaam rijst zij op—sluipt zij voort—heft zij haar kris omhoog....
-»Tjilakka!” [28] gilt zij op eens, en weenend zinkt zij aan Louise’s
-voeten neder, terwijl zij haar kris naar het andere einde der kamer
-werpt.
-
-Louise ontstelt hevig, maar terstond haar schrik verbergende, vraagt
-zij kalm en trotsch, op een schier bevelenden toon:
-
-»Wie zijt gij? En wat doet gij hier?”
-
-»Tjilakka!” herhaalt de jonge vrouw nog eens, en na een oogenblik
-zwijgens, waarin de beide vrouwen elkander met een onverklaarbare
-belangstelling, ja bijna sympathie beschouwen, vervolgt zij in
-vreeselijke wanhoop:
-
-»Mina is genoeg gewroken!—Njonja resident zal ook niet gelukkig zijn!
-Maar toewan Allah zal rechtvaardig wezen!”
-
-»Wie zijt gij?” vraagt Louise weder, deze keer zacht en medelijdend.
-
-»Wie ik ben.—Wie—ik—ben?” herhaalt de jonge vrouw met bitterheid. »En
-dat vraagt gij mij Hier? hier, in mijn eigen huis, in mijn eigen kamer?
-Onder het dak van hem, dien ik tien jaar lang gediend heb als mijn
-meester, dien ik lief heb gehad als den vader van mijn kinderen....
-voor wien ik gezorgd heb als voor mijn eigen broeder, voor wien ik
-gewerkt heb als voor mijn eigen vader!—Maar hij heeft mij
-verstooten—verstooten voor u, verstooten omdat ik arm ben.... omdat ik
-hem niets dan liefde geven kan—niets dan dat! En dat was niet genoeg
-voor hem.... Hij wilde geld hebben—geld voor zich alleen—niet eens voor
-zijn kinderen! Want die heeft hij verstooten als mij!—Hij was
-vertrokken naar Samarang, om papieren te halen; want Mina zou zijn
-vrouw worden en haar kinderen zouden Stevens heeten.... En toen de
-kinderen vroolijk waren en Mina gelukkig was en vertrouwde op hem....
-toen kwam er een vreemde om te zeggen dat de resident getrouwd was!....
-Hij bracht geld voor de kinderen en een bevel voor Mina om zich te
-verbergen in de bovenlanden, opdat njonja resident niet weten zou dat
-er ooit een Mina bestaan had....
-
-»Maar de kinderen speelden met het geld en Mina geloofde niet aan het
-bevel.... Toen werden de kinderen heimelijk weggevoerd, Mina werd
-verjaagd uit het huis dat haar lief was.... En njonja resident kwam....
-
-»Mina zat verscholen in het bloembed vóor het huis—zij zag njonja
-resident het rijtuig uitstappen en leunen op den arm van haren
-Heer.—Mina sloop het huis in, door de achtergalerij, in haar eigen
-kamer. Zij had een kris gekocht voor het geld van haar kinderen....
-Maar zij zag tranen in de oogen van njonja resident en zij had kassian
-[29] met haar!”
-
-Louise had zich lang goed gehouden, nu echter begaf haar de
-zelfbeheersching en half bewusteloos zonk zij op een stoel neder.
-
-De inlandsche vrouw stond op, schonk een glas water in en bood het
-Louise aan, die het met een blik vol wantrouwen van zich stiet.
-
-De oogen der jonge vrouw schoten vol tranen.
-
-»Drink gerust, njonja resident,” sprak zij zacht. »Gij hebt niets van
-Mina te vreezen—het is water uit uw eigen gindie.” [30]
-
-En na een oogenblik wachtens vervolgde zij krachtiger:
-
-»Dáar ligt mijn kris—gij kunt mij aangeven als gij wilt. En de
-oppassers die mij voorheen als hun meesteres gehoorzaamden en
-eerbiedigden, zullen mij aangrijpen en wegvoeren, en de resident zal de
-moeder zijner kinderen als moordenares ter dood brengen!”
-
-Louise snikte overluid.
-
-»Arm, ongelukkig schepsel!” sprak zij zacht, terwijl zij de handen der
-verstooten vrouw in de haren nam en met kussen overdekte. »Kan ik iets
-voor u doen? O! zeg mij wat?”
-
-»Niets, njonja resident.”
-
-»Niets? Maar voor uw kinderen dan?”
-
-»Niets mevrouw.”
-
-»Neem dit voor uw kinderen. Ik heb op het oogenblik niets anders hier.
-Maar later, als mijn goed gekomen zal zijn, kom dan terug en ik zal u
-alles geven wat gij voor uw kinderen noodig kunt hebben.”
-
-Mina legde de gouden armbanden, welke Louise afgedaan had om ze haar te
-geven, op de tafel neder, toen nam zij de diamanten knoopjes uit de
-mouwen harer kabaya en de soebings uit haar ooren, deed de gouden
-pendieng af die om haar lendenen gegespt was en nam de brillanten
-haarpennen uit haar kondeh.
-
-»Dit alles heb ik van toewan resident gekregen,” sprak zij nauw
-hoorbaar, »en ik heb het gedragen zoolang ik voor toewan resident leven
-mocht....”
-
-Zij kon niet verder spreken.
-
-Louise sloeg haar arm om Mina’s hals en fluisterde vleiend:
-
-»En indien njonja resident u vriendelijk verzocht die kleinodiën te
-blijven dragen en ze als bruidschat uwer kinderen te beschouwen?”
-
-»Njonja resident is goed,” sprak de jonge vrouw medelijdend. »Maar Mina
-heeft leeren werken en zal geen gebrek lijden zoolang Toewan Allah haar
-de gezondheid niet ontnemen zal.”
-
-Er werd aan de deur geklopt.
-
-»Wie is daar?” vroeg Louise zonder te openen.
-
-»Ik mevrouw,” antwoordde een onbekende stem. »Toewan resident laat
-vragen of njonja voor wil komen; er zijn gasten.”
-
-»Terstond!” en zich tot Mina wendende vervolgde zij gejaagd: »Waar zult
-gij nu blijven? Gij kunt de kamer niet uitkomen, zonder gezien te
-worden.—En ik wil niet dat iemand hier in huis iets van het
-voorgevallene vernemen zal.”
-
-Mina antwoordde niet. Droevig zag zij de kamer rond, die zoolang de
-hare was geweest. Haar oog bleef even op de hangkast rusten, doch zij
-had den moed niet om te vragen of zij in haar vorigen schuilhoek terug
-mocht keeren, totdat er een gunstig oogenblik komen zou om in de
-duisternis den tuin in te sluipen.
-
-»Blijf hier!” sprak Louise, na zich een oogenblik bedacht te hebben.
-»Ik zal Alima roepen en haar zeggen dat zij vóor de deur gaat zitten en
-niemand binnenlaat.—Vrees niets, ga op de banko (causeuse) liggen,
-wanneer gij vermoeid zijt, en slaap gerust.”
-
-Mina dankte haar met een weemoedigen lach en Louise verscheen in de
-voorgalerij, schoon en koud als een marmeren beeld.
-
-De resident stelde haar den dokter en den adsistent-resident voor.
-»Mijne huisvrienden,” zeide hij en Louise reikte de beide heeren de
-hand.
-
-Eerst was zij stil en afgetrokken, maar weldra kwam er glans in haar
-oogen, gloed op haar wangen, geest in haar woorden. En toen de twee
-heeren dien avond laat naar huis gingen, waren zij opgetogen van
-bewondering over de onvergelijkelijk schoone residentsvrouw, wier
-lieftalligheid en geest haar schoonheid evenaarde.
-
-Ook de resident was uitgelaten van vroolijkheid en zóo trotsch op zijn
-bekoorlijke Louise, dat hij haar opgewondenheid voor vreugde hield en
-haar overspanning voor geluk, haar volmaakt tevreden achtende met haar
-gloeiend hoofd en haar verbrijzeld hart.
-
-Louise had zich intusschen zoozeer vermoeid, dat zij om half twaalf in
-haar kleedkamer terugkeerende, nauwelijks meer loopen kon en zich om
-zoo te zeggen niets meer herinnerde noch van de heeren die zij
-gesproken had, noch van hetgeen er dien avond voorgevallen was.
-
-Mina, altijd Mina, niets dan Mina!
-
-»Ik heb den ganschen avond aan u gedacht!” waren haar eerste woorden,
-toen zij Mina weerzag. »Eer ik naar de andere kamer ga, moet gij mij
-een belofte doen, want morgen vind ik u hier niet meer misschien.”
-
-»Wat verlangt njonja resident van mij?”
-
-»Beloof mij, dat gij u, indien gij iets noodig zult hebben, nooit tot
-een ander zult wenden dan tot mij.”
-
-»En wanneer njonja resident iets noodig zal hebben?.... Alle menschen
-kunnen ongelukkig worden....”
-
-»Dan zal ik hulp zoeken bij u.”
-
-»Ik beloof het, njonja.”
-
-En nogmaals drukte Louise een hartelijken kus op het koude voorhoofd
-der verstooten vrouw, die zich weder in de kast verborg toen Alima haar
-meesteres ontkleeden kwam, en eerst in het holle van den nacht haar
-schuilhoek verliet, om als een dievegge het huis uit te sluipen dat
-eenmaal het hare was geweest.
-
-
-
-
-
-
-
-
-ZEVENTIENDE HOOFDSTUK
-
-WIE BIJ LOUISE WAKEN KOMT
-
-
-»Nauwlijks veertien dagen gehuwd en nu reeds krank, reeds stervende! O
-God! heb medelijden met mij! Spaar haar! Red haar! O, mijn Vader
-hergeef mij mijn schoone Louise!”
-
-En luid snikkend stond Stevens aan het ziekbed zijner echtgenoote, wier
-laatste uur nabij scheen en wier zachte, afgebroken ademhaling hem
-reeds meer dan eens aan haar leven had doen twijfelen.
-
-»Louise hoort gij mij? Kent gij mij nog?—Weet gij.... O! God, zij
-sterft!—Zij sterft....”
-
-Een diepe stilte volgde. Stevens lag geknield ter aarde en de jonge
-vrouw scheen deze wereld voor een betere verlaten te hebben. Haar oogen
-waren gesloten, haar lippen strak en blauw en haar handen koud als
-marmer. Stevens klemde haar dunne vingers krachtig in de zijnen en
-drukte ze vurig aan zijn hart, terwijl zijn gloeiende lippen zich aan
-het ijskoude voorhoofd vastklemden, en zijn betraande oogen met den
-gloed der wanhoop vonkelden.
-
-»Louise! Louise!” weergalmde de forsche stem in het stille sombere
-vertrek, »Louise zijt gij ongelukkig geweest? Hebt gij reden gehad u
-over mij te beklagen? Hebt gij mij gevreesd? of gehaat?.... Ja, gehaat!
-Gehaat heeft zij mij, omdat ik haar lief had en omdat zij beefde voor
-een liefde, die te krachtig was, om door een zwakke vrouw, als zij,
-begrepen te worden.... Louise! Louise! O, herstel!.... Leef! Haat mij!
-Veracht mij! Regeer mij! Maar verlaat mij niet!.... O! alles, alles wil
-ik, alles zal ik voor u doen, alles.... Maar gij sterft! Gij wilt niet
-blijven? Gij zijt te schoon voor deze wereld! Te goed voor mij!”
-
-Hij snikte overluid, een vloed van tranen stroomde langs de bleeke
-handen der stervende en een scherpe kreet van wanhoop ontsnapte den
-beknelden boezem des residents.
-
-Een uur later.
-
-»August!....” fluisterden de koude lippen der kranke. »August!—O
-kom.... Ik sterf.... Koud!.... Koud!”
-
-Stevens drukte haar al dichter tot zich, maar sprak niet. Het was hem
-niet mogelijk in deze oogenblikken van spanning en smart een enkel
-woord te uiten. Hij beefde voor den toestand waarin hij zich bevond en
-huiverde voor dien welke volgen zou.
-
-»Louise,” vroeg hij ten laatste. »Mijn kind, ik ben bij u, wat verlangt
-gij?”
-
-»Red mij!”
-
-»Gij zijt gered!—Niet waar, gij zijt weer beter? Gij wilt mij immers
-zóo spoedig niet verlaten?”
-
-»O! dáar.—Dáar zijn zij!——Red mij!—Red mij dan toch!——Gij zijt gezond
-en sterk——vlucht met mij!”
-
-En zij sloeg haar armen krampachtig om zijn hals, terwijl zij zich met
-een kracht, als die eener waanzinnige, van haar leger ophief.
-
-»Dáar!—Dáar ginds!” vervolgde zij angstig omziende. »Kijk dan
-toch!—Daar staat hij.——O! mijn kind!—Het is het mijne, Henri!”
-
-Stevens sidderde op het hooren van dien naam, toch antwoordde hij:
-
-»Henri zal u geen kwaad doen, Louise.... en een kind? Daar is geen
-kind!”
-
-»O God! Het valt.... dáar—dáar.... ’t Is dood!”
-
-En met een rauwen gil zonk de jonge vrouw aan August’s voeten neder.
-Wanhopig knielde hij aan haar zijde, ondersteunde haar brandend hoofd
-met de eene hand en trok met de andere een kussen uit het bed om op
-haar verstijfde voeten te leggen.
-
-Lang nog zwegen beiden. Louise scheen uitgeput van vermoeidheid en
-Stevens durfde zich nauwlijks bewegen, uit angst haar een rust te
-ontrooven, die mogelijk heilzaam voor haar wezen kon.
-
-Toen zij eindelijk haar zwakke oogen weder ophief, trok zij haastig
-haar hand uit de zijne terug.
-
-»Moordenaar!” sprak zij nauw hoorbaar, en, terwijl zij het hoofd met
-moeite van hem afwendde, trachtte zij zich los te wikkelen uit den
-sterken arm die haar omklemd hield.
-
-Toen haar pogingen mislukten, greep zij Stevens hand stijf tusschen
-haar dunne vingers en zich naar hem toekeerende, om hem strak in de
-oogen te zien, riep zij koortsachtig:
-
-»Mijn kind is dood! Dat weet gij—maar alles weet gij nog niet.... ik
-heb nog lang niet alles gezegd.... Ik heb het vermoord!—Weet gij het?
-Begrijpt gij wat ik meen? Ik, zijn moeder, heb het levend verbrand
-omdat het zijn kind was!—Een kind van den vreemdeling! Van hem aan wien
-ik toebehoor.—Van hem die mij gekocht heeft om mijn lichaam, om dat
-lichaam dat dáar voor hem ligt, verminkt, aan stukken gesneden, over de
-heele wereld verspreid! Maar mijn hoofd is weg, dat heb ik meegenomen
-en weggegeven en hij zal het nooit weerzien, want dat heeft hij niet
-willen betalen—dat gold niet mee, ofschoon het toch goed was, mijn arm,
-arm hoofd!....”
-
-»Maar nog iets heeft hij niet gekregen—Chut! weet gij wat?—mijn
-hart!—dat heb ik begraven, eer ik met hem meeging—niemand weet
-waar.—Maar ik weet het—en ik kan het opgraven wanneer ik het noodig zal
-hebben.—Maar, chut!—Stil!—Zeg het hem niet, want dan zou hij het willen
-hebben, omdat het van goud is—omdat het gelukkig kan maken.—En hij
-krijgt het niet.... Nooit.... nooit! Al wordt hij ook duizend jaar
-oud!”
-
-»Louise! mijn lieve Louise! Ach, mijn God! red haar uit dezen
-vreeselijken toestand!”
-
-»Die stem!—Henri! Hebt gij haar gehoord?—Herkent gij haar?—Het is de
-zijne.—De vreemdeling!—Hu! daar is hij!”
-
-En zich met een rauwen kreet uit Stevens armen losrukkende, vlood zij
-naar het andere einde der kamer, en zonk dáar voor dood op een matje
-neder.
-
-
-
-Het is nacht. Alles rust in het groote residentiegebouw. Louise, door
-zwakte en vermoeidheid uitgeput, is van een flauwte in een zachte
-sluimering overgegaan. De resident ligt in een der logeerkamers te
-ronken alsof hij de gelukkigste man der wereld was. Ook Alima, de
-getrouwe Alima, is, na drie nachten niet van het leger harer meesteres
-geweken te zijn, bezweken voor de eischen der natuur, en slaapt gerust
-op haar gevlochten matje met een gevouwen kaïn [31] tot hoofdkussen.
-
-Toch is er iemand die waakt over de arme, verlatene Louise.
-
-Het is Mina.
-
-Zij zit gehurkt achter het ledekant, verborgen in de plooien der witte
-neteldoeksche gordijnen, te wachten, te hopen op het oogenblik waarop
-zij van nut zal kunnen zijn.
-
-Niemand weet dat zij zich hier bevindt, zelfs Louise niet.
-
-Het was ver weg, in de dessah geweest, dat de menschen haar verteld
-hadden, dat njonja resident stervende was.
-
-»Kassian!” had zij gezegd, en tegen het vallen van den avond had zij
-haar kinderen verlaten en was zij naar A. gegaan »om te helpen.”
-
-Louise ontwaakt. Zij vraagt om drinken. Alima hoort het niet. Zij
-slaapt. Maar Mina is dáar. Zij luistert en zij waakt, zij helpt en
-verzorgt de jonge vrouw alsof zij haar zuster was, den ganschen nacht
-door tot aan den morgen.... Nog altijd blijft Alima slapen.
-
-Plotseling wordt de deur geopend en treedt Stevens binnen. Mina staat
-naast het ledikant met een lepel medicijnen in de hand. De resident
-dringt haar ter zijde, zonder acht op haar te slaan. Hij buigt zich
-over Louise heen, drukt haar een kus op het voorhoofd en vraagt bijna
-zacht:
-
-»Hebt gij goed geslapen, Poesje?”
-
-De jonge vrouw is te zwak om te antwoorden.
-
-»Hoe heeft mevrouw het van nacht gemaakt?” vraagt hij de meid die naast
-hem staat.
-
-»Goed.—Maar njonja resident heeft behoefte aan stilte en rust.... en de
-harde stem van toewan hindert haar.”
-
-De resident springt drie voet achteruit:
-
-»Gij!”
-
-Hij grijpt Mina bij den arm en sleurt haar mede naar het venster, dat
-hij wijd open gooit om te zien of zijn gehoor hem ook misleid kan
-hebben.
-
-Mina glimlacht even in het heldere licht dat op haar valt, en dat haar
-holle oogen, haar ingevallen wangen, haar vermagerde gestalte
-beschijnt, als om den resident het scherpste verwijt te doen, dat hem
-in deze kamer, en op dit oogenblik met mogelijkheid gedaan kon worden.
-
-Toch twijfelt hij nog.
-
-»Mina!—Hier, bij Louise!—Niet mogelijk!”
-
-Hij siddert, verbleekt, staart haar aan alsof hij een spookverschijning
-ziet, bevoelt haar, trekt haar naar zich toe, stoot haar terug.
-
-»Mina!” roept hij op eens, hijgend van kwaadheid en angst.
-
-»Mina!” antwoordt de jonge vrouw kalm, hem uittartend in de oogen
-ziende.
-
-»Hoe komt gij hier, en wat doet gij hier?” vraagt hij, tandenknarsend
-van woede.
-
-»Mina komt ongeluk brengen over het huis, dat vervloekt is geworden
-door de vrouw die gij bedrogen hebt, door de kinderen die gij
-verstooten hebt.”
-
-»Gij hebt haar vermoord, vergiftigd!” roept hij bijna gillend, en,
-geheel buiten zichzelven van woede, grijpt hij Mina bij de keel, sleurt
-haar naar de binnengalerij, werpt haar neder, slaat, stompt, schopt,
-trapt haar, totdat zij levenloos voor de deur van Louise’s kamer liggen
-blijft.
-
-»Oppas!” schreeuwt hij, een ander voorwerp zoekend om zijn drift op te
-koelen dan die gevoellooze massa, die den spot schijnt te drijven met
-zijn machtelooze woede. »Oppas! Wie uwer heeft die vrouw in huis
-gelaten?”
-
-Niemand antwoordt.
-
-»Hier, zeg ik, neem op, breng weg, en zorg dat zij verdwijnt. De duivel
-hale je, indien zij ooit weer onder mijn oogen komt!”
-
-
-
-
-
-
-
-
-ACHTTIENDE HOOFDSTUK
-
-DE KINDEREN VAN MINA
-
-
-Acht dagen later zat Louise voor het eerst op haar rotangstoel bij het
-open venster te lezen. Of neen, eigenlijk las zij niet. Haar
-uitgeteerde vingers speelden met de bladen van een boek, en haar oogen
-dwaalden rond van een bloem naar een kind of van een kind naar een
-bloem, zonder dat zij zelve wist wat zij zag. Reeds een groot half uur
-had zij zóo gezeten; haar vingers hielden op met bladeren, haar oogen
-bleven neergeslagen....
-
-Plotseling stond zij op, en, met wankelende schreden naar de deur
-gaande, klapte zij in de handen om Alima te roepen, die een oogenblik
-later binnentrad.
-
-»Alima, doe de deur eens dicht,” sprak zij zacht, »ik heb u een geheim
-te openbaren dat niemand weten mag—zelfs de resident niet.”
-
-Alima sloot de deur en wachtte.
-
-»Hebt gij nooit,” begon Louise, »van een vrouw gehoord, die Mina heet,
-en die vóor mijn komst hier, bij toewan resident geweest moet zijn?”
-
-»Neen, njonja.”
-
-»Die vrouw moet kinderen hebben, twee of drie: dat zijn de kinderen van
-den resident.”
-
-»Alima kent die kinderen niet, mevrouw.”
-
-»Ik ken ze ook niet, maar zij zijn door mijn komst ongelukkig geworden.
-Ik heb hun moeder beloofd dat ik voor hen zorgen zou, wanneer zij mijn
-hulp ooit noodig zouden hebben.”
-
-»Wil njonja dat Alima die kinderen zal opzoeken?”
-
-»Neen, maar ik wil dat die vrouw en die kinderen nooit weggezonden
-zullen worden, wanneer zij hier zullen komen om mij te spreken.”
-
-»Er zijn eenige dagen geleden een paar kinderen hier geweest. Zij
-vroegen naar njonja, maar de resident heeft ze weg laten jagen door de
-Oppas.”
-
-»Gij moet mij morgen weten te zeggen wie die kinderen waren, Alima. Ik
-wil het weten, hoor? Hoe zij heeten, waar zij wonen, en waarom zij hier
-zijn geweest.”
-
-»Goed mevrouw.”
-
-
-
-Den volgenden morgen werd er zacht aan de deur van Louise’s kamer
-geklopt.
-
-»Binnen.”
-
-Het was Alima.
-
-»Njonja moet niet kwalijk nemen,” begon de jonge slavin, »dat Alima
-ongeroepen komt, maar Alima heeft gevraagd naar de kinderen die gekomen
-waren om njonja resident te zien, en de Oppas hebben haar gezegd dat
-het de kinderen van Mina waren.”
-
-»En wat verlangden zij?”
-
-»Dat wilden zij aan niemand zeggen dan aan njonja zelve.”
-
-»Waar wonen zij?”
-
-»Zeven paal van hier, in het gebergte, den weg op naar B.”
-
-»Goed. Zie hier twintig gulden. Gij zult een man huren op wien gij
-vertrouwen kunt, gij zult hem zenden naar de woning van Mina, en gij
-zult hem zeggen dat hij zorgt dat de kinderen hier zijn tegen het
-vallen van den avond. Dan zult gij ze hier in mijn kamer brengen en
-zorgen dat niemand ze ziet.”
-
-»Goed mevrouw.”
-
-Dien avond tegen half zeven bracht Alima twee kleine jongens in
-Louise’s kamer.
-
-»Heeft njonja nog iets te bevelen?”
-
-»Niets. Het is goed zoo.”
-
-Alima ging heen.
-
-Louise zag de beide jongens aan, zooals deze haar aanzagen, met groote,
-nieuwsgierige, welwillende oogen; toen reikte zij beiden de hand en
-plaatste ze naast zich, den een op de bank, den ander op een
-rotangstoeltje.
-
-»Zijt gij vermoeid van de reis?” was haar eerste vraag.
-
-»Neen mevrouw,” antwoordden beiden te gelijk. »Wij zijn te paard tot A.
-gekomen en toen hebben wij geloopen om niet herkend te worden,” voegde
-de oudste er bij.
-
-»Wij zijn achter door de heg in den tuin geslopen,” vervolgde de
-jongste, »omdat wij bang waren dat....”
-
-Een blik van den ander deed hem zwijgen.
-
-»Dat?” vroeg Louise aanmoedigend.
-
-»Dat papa ons zien zou,” antwoordde het kind gerustgesteld.
-
-En Louise bloosde even als de beide kinderen over deze laatste woorden.
-
-»Houdt gij van snoepen?” vroeg zij opstaande. »Hier heb ik wat manissan
-en kwee-kwee voor u.”
-
-Geen van beiden antwoordde, maar zij lachten en stonden op om de
-bordjes aan te nemen, die Louise voor hen gereed had gemaakt.
-
-Toen zij aan het eten waren, begon de jonge vrouw zich wat meer op haar
-gemak te gevoelen, en eindelijk moed te krijgen om te vragen naar
-hetgeen haar op het hart lag, naar Mina.
-
-»Hoe gaat het uw moeder....”
-
-De beide kinderen zagen haar zóo verbaasd aan, dat de woorden haar op
-de lippen bestierven. Een oogenblik later hernam zij aarzelend:
-
-»Heeft uw moeder u niets gezegd?—Heeft zij u geen boodschap gegeven
-voor mij?”
-
-»Moeder is weg gegaan, naar huis gegaan, en niet terug gekomen,” zei de
-kleinste.
-
-»Dood,” fluisterde de grootste Louise in het oor.
-
-»Dood!” herhaalde zij verbleekend. »En sedert wanneer is zij dood?”
-
-»Zij heeft een week geleden onze dessah verlaten, om naar huis terug te
-keeren; toen heeft papa haar geslagen. Willem weet niet waarom, en den
-volgenden dag werd zij in de dessah terug gebracht door mannen die haar
-droegen in een joeli, omdat zij niet meer loopen kon. Den dag daarna,
-tegen het ondergaan der zon zijn zij weer gekomen om haar weg te halen,
-en te brengen naar den doodenberg, waar zij haar begraven hebben, met
-fakkellicht. Ik heb het zelf gezien, want ik ben mee geweest. Ik liep
-heel achter aan, ver weg, achterom de boomen, want zij hadden mij
-opgesloten, met August, omdat ik niet zien mocht waar zij heengingen.”
-
-Het kind zweeg even om adem te halen, hij was vermoeid van al dat
-fluisteren, en toch had hij niet gewild dat August, die geheel verdiept
-in zijn manissan was, iets hooren zou van hetgeen hij zeide.
-
-»Mama heeft ons iets gezegd,” vervolgde hij overluid, »toen zij
-terugkwam van huis, maar August is het vergeten en ik heb het niet aan
-de Oppas durven zeggen.”
-
-»Neen, ik weet het nog!” riep het kleintje, al etende.
-
-»Nu zeg het dan?”
-
-»Mama heeft gezegd, dat hier een andere mama gekomen was, die voor
-August zorgen zou, als mijn mama niet terug zou komen.... En dat die
-andere mama heel lief voor August wezen zou, en voor Willem ook—veel
-liever dan papa.”
-
-»Papa zal ook goed voor u wezen,” zeide Louise, met tranen in de oogen,
-en, de beide kinderen omhelzende, vervolgde zij levendiger: »Ik ben die
-andere mama, van wie uw moeder u gesproken heeft, en ik zal lief voor u
-zijn, zoo lief als uw moeder u gezegd heeft dat ik voor u wezen zou. Ik
-beloof het u.”
-
-Op dat oogenblik werd de deur geopend en trad Stevens binnen.
-
-De kinderen sprongen verschrikt op. Louise werd nog bleeker dan zij
-reeds was, en de resident bleef onbewegelijk op dezelfde plaats staan.
-Hij geloofde niet aan hetgeen hij zag. »Mina’s kinderen met Louise aan
-tafel!”
-
-Toch zag hij ze, en zijn verbazing was zoo groot, dat hij geen pas kon
-doen, geen woord kon uiten.
-
-»Ga papa een zoen geven,” fluisterde Louise zacht, en de kinderen
-slopen schoorvoetend naar hem toe en boden hem hunne gezichtjes tot
-kussen aan.
-
-Stevens omhelsde ze stug weg, en liep hen voorbij om zijn vrouw de hand
-te geven.
-
-»Hoe komen die kinderen hier?” vroeg hij wrevelig.
-
-»Hunne moeder is gestorven,” antwoordde Louise zacht. »Kassian! arme
-kinderen! Mag ik hun moeder zijn?”
-
-Stevens gevoelde zich vernederd door die eenvoudige woorden, en toch
-trokken zij hem aan. Zonder een woord te spreken greep hij de beide
-jongens bij de hand en wierp ze in Louise’s armen.
-
-Van dat oogenblik af kwam er iets anders in de verhouding van den
-resident tegenover zijn vrouw. Louise wist meer van zijn vorige
-levenswijze af, dan zij hem bekennen wilde, dit gevoelde hij, maar wat
-wist zij? Hoe diep was hij gezonken in de achting der vrouw, over wier
-lippen hij nog nimmer een klacht of een verwijt had hooren komen. Meer
-dan eens was hij op het punt geweest van het haar te vragen, maar
-wanneer die donkere oogen hem dan zoo kalm, zoo ernstig, zoo
-vastberaden aanzagen, begaf hem de moed en bleef hij zwijgen,
-onwillekeurig buigend voor dat groote sterke karakter dat hij
-bewonderde en dat hem nijdig maakte omdat hij het niet doorgronden kon.
-
-Ook die kinderen van Mina, altijd om en bij Louise, die zij lief
-hadden, waren hem een doorn in ’t oog. En de genegenheid die zij hen
-voor hun vader inprentte, o! dat was de grootste bespotting die zijn
-vrouw hem kon aandoen.
-
-Louise van haar kant, gevoelde zich zoo ver boven den resident
-verheven, dat zij het beneden zich achtte, den armen man nog kleiner te
-maken dan hij reeds was. Daarom zweeg zij over al wat niet meer
-hersteld kon worden, en verborg zij zijne gebreken, zelfs die welke
-haar het meest griefden, zooveel zij vermocht.
-
-
-
-
-
-
-
-
-NEGENTIENDE HOOFDSTUK
-
-DE EERSTE RECEPTIE
-
-
-Eenige dagen later bevond Louise zich in den grooten lommerrijken tuin;
-het was bijna avond en, terwijl de halve stad aan het wandelen en
-toeren was, zat zij alleen onder een ouden Weringinboom te spelen met
-de kinderen van Mina.
-
-Wat waren die kleinen gelukkig! En wat was Louise vroolijk te midden
-van die vliegers en knikkers, terwijl die lachende kinderstemmen haar
-hare eigene jeugd herinnerden en haar in zachten weemoed terug voerden
-naar de onbewolkte dagen harer kindsheid, waarin zij, evenals Willem en
-August, met haar geheele ziel aan de vlucht van een vlieger hing, of
-met een schaterlach haar grootste leed vergat in ’t rollen van een
-bonten knikker.
-
-De resident is zoo pas van een rit te paard teruggekeerd, en loopt,
-door een oppasser gevolgd, de lange lanen door om zijn vrouw te zoeken.
-Louise hoort hem naderen, maar blijft afgetrokken op een knikker
-staren, totdat hij naast haar staat.
-
-»Wel,” vraagt hij, half lachend, half wrevelig, »hoe gaat het?”
-
-Langzaam heft zij het hoofd naar hem op, en hem de hand reikend zegt
-zij zacht:
-
-»Gij zijt niet lang uitgebleven, dunkt mij.”
-
-»Niet lang? Wel kind, ik ben meer dan twee uur aan het dwalen geweest,
-en noem je dat niet lang? Maar wat zie ik? Ben je nog niet gekleed? En
-ik dacht dat wij van avond receptie zouden hebben?”
-
-»Juist daarom ben ik niet gekleed. Ik heb nog voor gebakken moeten
-zorgen, en toen was ik zoo vermoeid dat ik hier wat rust ben komen
-zoeken, met plan om mij na het eten te kleeden.”
-
-»Na het eten? Dat is veel te laat!”
-
-»Neen, stellig niet, ik heb zooveel tijd niet noodig voor mijn toilet.”
-
-»Maar ik verlang dat gij mooi zult zijn, Louise, en gij zoudt mij
-pleizier doen met u terstond naar uw kamer te begeven en u aan te
-kleeden, ten einde in tijds gereed te zijn om de honneurs van uw huis
-waar te nemen.”
-
-Louise stond zwijgend op en begaf zich met wankelende schreden naar
-haar kamer, waar zij half uitgeput op een stoel neerzeeg en Alima beval
-haar te kappen.
-
-»Taroe banjak kembang di saya poenja ramboet [32],” zeide zij met de
-ellebogen op de tafel geleund en het hoofd in de beide handen rustende,
-en »sedijak saga poenja kleed njang paling bagoes [33], Alima.”
-
-De jonge meid sloeg dadelijk de handen aan het werk, en na haar
-meesteres met witte rozen gekapt te hebben, opende zij de deur van de
-hangkast om er een geschikte japon uit te krijgen. Mevrouw had gezegd:
-»Mijn fraaiste kleed”, het oog der meid viel op haar witte bruidskleed,
-en zonder zich een oogenblik te bedenken, nam zij dàt en wierp het haar
-meesteres over het hoofd.
-
-»De resident stuurt de groeten aan mevrouw en laat vragen of mevrouw
-aan tafel wil komen,” kwam een der oppassers zeggen.
-
-»Zijt gij gereed, Alima?” vroeg Louise, die, tegen de deurpost geleund,
-zich met een grooten, vederen waaier wat koelte zocht te verschaffen.
-
-»Saaya njonja.”
-
-En zonder zelfs éen blik in den spiegel geworpen te hebben, verscheen
-Louise aan tafel.
-
-»Zoo, goed zoo! Zoo mag ik het zien!” riep de resident, haar met
-welgevallen beschouwende. »Wel kind, je kunt niet te mooi zijn van
-avond. Je eerste receptie! Je entrée in onze wereld, om zoo te zeggen.
-Je moet van avond de heele stad verliefd op je maken, oud en jong, arm
-en rijk. Jongens, jongens wat zullen zij mij mijn vrouwtje benijden!”
-
-Louise zag nu eerst wat zij aan had.
-
-»Mijn hemel, mijn bruidskleed.... Hoe kan die meid zoo dwaas zijn! Ik
-in het wit! Ik moet er dunkt mij uitzien als een geest.”
-
-»Volstrekt niet, volstrekt niet, gij ziet er uit om te stelen.”
-
-»O neen! Laat mij na het eten wat anders gaan aandoen. Ik ben nu te
-bleek en te mager voor dit toilet!”
-
-»Integendeel, ik verlang dat gij zoo blijven zult. Die zware zijde
-staat rijk, zij doet uw dun middeltje betooverend uitkomen, en die
-dikke ronde plooien hebben zulk een heerlijken gloed bij het lamplicht,
-dat ik niet weet welk toilet u meer zou kunnen flatteeren dan dit.”
-
-Louise antwoordde niet, zij zette zich in haar bruidsgewaad aan tafel
-en bleef dien avond zoo.
-
-Al wat eenigszins in de termen viel van bij den resident ontvangen te
-kunnen worden, verscheen dien avond op de receptie. Men had te A.
-zooveel van Louise’s buitengewone schoonheid gehoord, en de
-adsistent-resident en de dokter hadden zooveel ophef over haar
-vroolijkheid en haar bevalligheid gemaakt, dat er bijna niemand in A.
-gevonden kon worden die niet om de een of andere reden verlangend was,
-persoonlijk kennis te maken met de jonge residentsvrouw.
-
-Maar de arme Louise was niet meer, wat zij eenmaal geweest was. Geen
-wonder dus dat de hooggespannen verwachting werd teleurgesteld. Men had
-Louise beschreven als een lief, vriendelijk, lachend kind, wier gansch
-uiterlijk leven, geest en spotlust teekende, en zij die dáar met
-statigen ernst haar gasten verbeidde, geleek niets naar die
-beschrijving.
-
-Louise was slank en buigzaam van gestalte, haar houding was fier en
-haar gang statig, daarbij waren haar bewegingen langzaam, terwijl haar
-oogopslag rustig was, en de lijdende treurige uitdrukking van haar
-gelaat iets onbeschrijfelijk zachts en innemends gaf aan haar geheele
-persoonlijkheid.
-
-Toch was zij bij den eersten aanblik menigeen tegengevallen, die te
-vergeefs naar vroolijkheid gezocht had in die diepliggende oogen of
-naar spotlust in dien fijn besneden mond. Maar nauwelijks had zij
-eenige woorden gesproken, of haar lieve zachte stem, haar droeve lach
-vooral, deden haar terstond de harten winnen zelfs van hen wier oogen
-zij het minst had kunnen bevredigen.
-
-De resident geleidde een dame van meer dan middelbaren leeftijd binnen.
-»Mevrouw Joly,” zeide hij, haar aan zijn vrouw voorstellende, »de
-adsistent-resident, haar echtgenoot, is u bekend, Louise.”
-
-Mevrouw Joly nam naast Louise plaats en zat haar van ter zijde op te
-nemen.
-
-Daarop volgden een vijftal café-au-lait-kleurige schoonen, de jonge
-dames Joly, haar dochters, die allen in het wit gekleed waren met
-donkerroode bloemen in het gitzwarte haar, zóo keurig opgemaakt, zoo
-glad, zoo glimmend, dat het aan vernis deed denken.
-
-»Mooi, ja?” vroeg Antje de jongste der gezusters, zoodra zij met haar
-vijven op een rijtje hadden plaats genomen.
-
-»Hek!” antwoordde de oudste, Lotje, die de g niet uit kon spreken als
-het noodig was.
-
-»Niet lief,” zeide Fietje, de derde.
-
-»Hek”, herhaalde de oudste weer. »Net precies as bruid zoo mooi, en zij
-hebruik sleep net as hoeverneursvrouw. Hek!”
-
-»Mag ik u mevrouw Oristorio di Frama voorstellen, Louise,” ging de
-resident weer voort. »Uw onbekende vriendin, die gedurende uw
-ongesteldheid zooveel belang in u gesteld heeft en die gij zoozeer
-verlangdet persoonlijk te leeren kennen.”
-
-Louise bleef midden in haar neiging steken, hief haar groote oogen naar
-de nieuw gekomene op en reikte haar de hand.
-
-»O mevrouw, wat zijt gij goed voor mij geweest!” riep zij met een dier
-glimlachen pijnlijk om aan te zien, »zoo ik nogmaals mijn moeder missen
-zal, wilt gij dan weder haar plaats bij haar arme Louise innemen?”
-
-Mevrouw Oristorio beantwoordde haar woorden met een handdruk, terwijl
-de resident mejufvrouw Lina van Wageningen en mijnheer George Werner,
-een landheer of planter uit den omtrek, aan zijn vrouw voorstelde.
-
-Zij neigde even voor Werner, zonder acht op hem te slaan, en reikte
-Lina de hand met de woorden:
-
-»Ik heb reeds zooveel over u hooren spreken, juffrouw Van Wageningen,
-dat het mij bijzonder aangenaam is u hedenavond hier te zien.”
-
-De jonge gouvernante ging aan Werner’s arm naar het lagere einde der
-zaal, terwijl Louise langzamerhand door de voornaamste dames der stad
-omringd werd, met wie zij weldra in gesprek gewikkeld was over de
-prijzen van rijst en olie, en het aantal en den ouderdom van alle
-mogelijke lieve kleinen der haar onbekende gasten—onderwerpen die haar,
-gul uit gezegd, in het minst niet schelen konden.
-
-»Een lief vrouwtje dunkt mij,” zeide Lina tegen haar cavalier, »en
-beelderig mooi.”
-
-»Een vrouwtje dat diep gevoelt,” antwoordde Werner met een zucht.
-
-Lina zweeg een oogenblik.
-
-»Denkt gij dat er vanavond gedanst zal worden?” vroeg zij, van
-onderwerp veranderende.
-
-»Gedanst? Ja, ja, er wordt gedanst, maar de muzikanten zullen eerst
-tegen negen uur komen, omdat de resident er op gesteld is dat het van
-avond geen bal zal heeten.”
-
-»Zou mevrouw Stevens dansen?”
-
-»Ik denk het wel, alle dames dansen hier, tot de oude mevrouw Joly toe,
-die ik laatst nog met haar vijf dochters in dezelfde quadrille zag
-staan.”
-
-»Louise, mag ik het genoegen hebben je overste Van Ellenburg voor te
-stellen, die de eerste wals met je wenscht te doen?”
-
-Louise antwoordde den resident met een wenk op de oude mevrouw Joly die
-naast haar zat en stotterde iets van »ter nauwernood
-hersteld—excuseeren—vermoeid.”
-
-De resident wierp haar een blik toe die de woorden op haar lippen deed
-besterven en antwoordde voor haar, dat zij »volgaarne het vriendelijk
-aanbod aannam.”
-
-De resident en de overste hadden als civile en militaire autoriteiten,
-naar gewoonte weder eens met elkaar overhoop gelegen. Natuurlijk over
-een kleinigheid, een aanmatiging van de eene zijde en een onheusche
-weigering van de andere. Eerst sedert een paar dagen waren zij weder
-met elkander verzoend; daarom moest Louise, die niets van de zaken des
-residents behoefde af te weten, en ook inderdaad niets wist, haar
-eerste wals aan den overste geven. Zóo zouden de menschen kunnen zien
-dat de quaestie uit de wereld was.
-
-De overste vond zijn jonge danseuse allerbekoorlijkst. Daarom
-presenteerde hij haar drie keer eau de Cologne en vroeg hij haar zes
-keer of zij ook vermoeid was. Toen was de dans geëindigd.
-
-Had de overste kunnen handelen naar de inspraak van zijn hart, dan zou
-hij terstond naar de whisttafel van den resident gesneld zijn, om zijn
-ouden vijand eens ter dege »af te rossen”, want: »Is dat een vrouwtje
-voor zoo’n kerel! Een engel van zachtheid en onderwerping voor zoo’n
-brut als hij!”
-
-De overste was zoo verontwaardigd in zijn bewondering van Louise, dat
-hij in een vlaag van afgunst en wanhoop zijn sabel vroeg en ... naar
-huis stapte.
-
-Louise danste intusschen onafgebroken voort. Zij had een enkelen galop
-overgeslagen omdat zij bijna niet meer voort kon van vermoeidheid. Maar
-toen was de resident van zijn speeltafeltje opgestaan en had haar
-verzocht om zich terstond weder in de vreugde te mengen daar iedereen
-haar »gracieuse wijze van dansen bewonderde”. »O Louise!” vervolgde
-hij, »gij weet niet hoe trotsch ik van avond op u ben! Alle menschen
-zijn opgetogen over de schoonheid van mijn vrouwtje!”
-
-Louise bloosde, trok haar hand uit die van den resident en voegde zich
-bij een groepje dames.
-
-De resident lachte van welgevallen over den indruk dien zijne woorden
-op zijn vrouw schenen gemaakt te hebben.
-
-»Zij kon haar blijdschap ternauwernood verbergen,” dacht hij bij
-zichzelven, »men kan toch alles van een vrouw gedaan krijgen, indien
-men haar ijdelheid slechts weet te vleien!”
-
-En Louise?
-
-Zij had zich gekrenkt gevoeld door de woorden van den resident. Zij was
-zwak en vermoeid en toch moest zij dansen, toch moest zij zich nog meer
-vermoeien, omdat haar echtgenoot verlangde dat zijn vrouw bewonderd zou
-worden.
-
-»Besta ik dan enkel om bewonderd te worden?” vroeg zij zichzelve met
-bitterheid af, en toen rees er voor haar geest een chaos van
-denkbeelden die haar deden huiveren van angst en afgrijzen. Op dat
-oogenblik vroeg Werner haar voor een wals.
-
-»Een wals? .... Een wals?.... O gaarne!” riep zij verward, en zij wierp
-zich met een soort van dankbaarheid in zijn armen, om in de verdooving
-van den dans elke gedachte te vergeten.
-
-Werner meende wanhoop te zien in de koortsachtige wijze waarop de jonge
-vrouw zich aan hem overgaf. »Zij is niet gelukkig,” dacht hij bij
-zichzelven, en toen, een oogenblik later, zijn oog op Louise’s
-verbleekt gelaat, op haar hijgenden boezem rusten bleef, gevoelde hij
-zulk een diep medelijden met haar, dat hij plotseling ophield met
-dansen en haar in de grootste verwarring vroeg:
-
-»Mijn God, wat deert u mevrouw?”
-
-Zij zag hem met verbazing aan. »Niets mijnheer,” antwoordde zij zacht:
-»Ik ben volkomen wel.”
-
-»O neen, gij lijdt!—Gij lijdt vreeselijk! ... Maar mogelijk wilt gij
-het niet bekennen, uit beleefdheid voor uw gasten?—O! mevrouw, vergeef
-mij, gij zult mij mogelijk indiscreet vinden, maar .....”
-
-»Maar?” herhaalde Louise.
-
-»Gij zijt slechts sedert kort van een zware ziekte hersteld, mogelijk
-vermoeit u die drukte om u heen en verlangt gij naar rust. Wilt gij mij
-veroorloven uw gasten te verzoeken zich wat vroeger huiswaarts te
-begeven, dan men hier gewoon is? De partijen eindigen hier meestal niet
-vóor drie uur in den morgen.”
-
-»O! neen, neen. Ik dank u voor uw goedheid, maar ik ben hier nog te
-weinig bekend om nu reeds tegen een aangenomen gebruik te zondigen.”
-
-»Men zal u gaarne die zonde vergeven, indien zij u van nut kan wezen,”
-antwoordde Werner dringend.
-
-»Och neen, laat mij geen vreugdeverstoordster wezen! Drie uurtjes toch
-zijn spoedig om, en morgen zal ik tijd genoeg tot rusten hebben. Maar
-wilt gij mij een genoegen doen, mijnheer Werner? Wilt gij u een kleine
-opoffering voor mij getroosten?”
-
-»Voor u? Alles mevrouw!”
-
-»Laat ons dan liever wat rondwandelen, dan dansen, ik word zoo duizelig
-door het walsen.”
-
-»Wilt gij ook liever gaan zitten, mevrouw?”
-
-»O neen, zitten niet!—Loopen of dansen!”
-
-Er was zoo iets wilds in den toon waarop zij dit zeide, dat Werner het
-gesprek plotseling afbrak en haar schijnbaar onverschillig vroeg: »Zijt
-gij hier reeds met het land bekend, mevrouw?”
-
-»Neen, ik ben nog niet verder dan den tuin geweest, en die bevalt mij
-bijzonder.”
-
-»Maar het land is hier prachtig! De omstreken van A. troffen mij zoo
-toen ik pas hier kwam, dat ik de eerste veertien dagen letterlijk geen
-oogenblik in huis geweest ben. Dagen achtereen dwaalde ik te voet of te
-paard in de bosschen en het gebergte rond, en nu nog, ofschoon ik hier
-al bijna tien jaar woon, nu nog geniet ik, als ik nu en dan eens mijn
-werkzaamheden ontvluchten kan, om mij in het beschouwen der rijke,
-grootsche natuurtooneelen te verlustigen die zich in duizend nieuwe
-vormen aan het bewonderend oog ontrollen! Zoo gij altijd in de
-benedenlanden geweest zijt, zult gij hier zeker menig genotvol uurtje
-opgetogen van dankbaarheid in de vrije natuur doorbrengen, waarin gij
-ondervinden zult, welk een onuitsprekelijk geluk het is zich als geheel
-alleen op aarde te kunnen beschouwen, alleen met die heerlijke natuur,
-die ons onze tegenwoordige nietigheid en onze toekomstige volmaaktheid
-gevoelen doet. Zulke oogenblikken zijn heilzaam voor alle menschen;
-want is men droefgeestig of ongelukkig dan geven zij kracht en troost
-aan het zwakke half gebroken hart, en heeft men geluk en fortuin, dan
-doen zij de dartele, oppervlakkige ziel ontwaken, brengen haar tot
-nadenken en leeren haar waardeeren zelfs dat wat zij eerst slechts....”
-
-»Dat heb ik ondervonden!” riep Louise, hem plotseling in de rede
-vallende. »Ik geloof dat ik gestorven zou zijn, indien ik hier geen
-grooten lommerrijken tuin gevonden had, waarin ik vrij kon wezen! Vrij,
-zooals ik heel mijn leven geweest was!”
-
-Zij gevoelde dat zij te veel gezegd had, en wilde haar woorden
-verbeteren door er bij te voegen:
-
-»Want hoe gelukkig men ook is, toch zijn er oogenblikken waarin niets
-ons een volkomen vrijheid vergoeden kan, en die oogenblikken heeft men
-alleen wanneer men hetgeen men de »wereld” noemt vergeet.”
-
-Het was Werner als duizelde hij, toen hij deze woorden der
-zestienjarige Louise hoorde. Zulk een kalme, sombere onderwerping als
-er in ieder van haar woorden en blikken lag, zulk een diep lijden als
-haar geheele persoon verraadde, deden hem huiveren voor de toekomst der
-jonge, schoone, gevoelvolle vrouw, verbonden aan een man wiens geheele
-leven, voor zoover het hem bekend was, een aaneenschakeling van
-pronkzucht, eigenwaan en toomelooze drift geweest was.
-
-»Kent gij hier reeds eenige families?” vroeg hij, weder van onderwerp
-veranderende.
-
-»Neen, niemand dan den dokter,” antwoordde Louise met een glimlach. »Ik
-ben van avond meer vreemdelinge in mijn eigen huis dan ik nog ooit in
-dat van een ander geweest ben.”
-
-»Kent gij de familie Oristorio di Frama nog niet? Zelfs niet bij naam?”
-
-»Ik heb haar heden avond voor het eerst gezien; maar mevrouw is
-gedurende mijn ongesteldheid zoo allerliefst voor mij geweest, dat ik
-waarlijk niet weet, hoe ik haar mijn dank zal kunnen betuigen.”
-
-»Door haar lief te hebben, mevrouw, en dat zult gij zeker, want mevrouw
-Oristorio di Frama is een dier zeldzame vrouwen, die alles in zich
-vereenigen, deugd, schoonheid, poëzie, kennis, geest, alles in éen
-woord wat den mensch aan een volmaakt geluk hier op aarde zou kunnen
-doen gelooven. Ook mijnheer di Frama is waarlijk een goed mensch. Kalm
-maar ferm, verstandig, menschlievend en joviaal. Hij heeft de goede
-hoedanigheden van den Italiaan behouden en de gebreken van zijn natie
-tegen het nadenken en de vastberadenheid van de onze verwisseld. En hun
-dochtertje, de dertienjarige Melatie, is het vroolijkste, het
-aanvalligste kind dat men zich denken kan. Verbeeld u mevrouw, een
-meisje van dertien jaar dat vijf talen spreekt, het maleisch niet
-medegerekend: hollandsch, fransch, engelsch, duitsch, en italiaansch.
-En dat hier in Indië!”
-
-»Mijn hemel, welk een wonderkind! Hoe heeft zij dat alles hier kunnen
-leeren?”
-
-»O zeer gemakkelijk. Mijnheer Oristorio di Frama, een Italiaan van
-geboorte, spreekt met vrouw en kind altoos zijne moedertaal en met zijn
-kennissen fransch of maleisch, daar hij de medeklinkers van het
-hollandsch nooit goed heeft kunnen leeren uitspreken. Mevrouw di Frama
-is een engelsche dame, maar heeft jaren lang met haar ouders in
-Nederland gewoond, waar zij gedeeltelijk haar opvoeding genoten heeft.
-Toen zij het ongeluk had, haar beide ouders te verliezen, kwam zij als
-gouvernante bij een familie te Batavia, bij wie zij gebleven is tot
-haar huwelijk. Zij nu spreekt nooit anders dan hollandsch of engelsch
-met Melatie, terwijl juffrouw Van Wageningen zich met haar
-hoofdzakelijk op de duitsche taal heeft toegelegd.”
-
-»En juffrouw Van Wageningen,” vroeg Louise nieuwsgierig, »weet gij ook
-iets bijzonders van haar?”
-
-»Ja zeker, mevrouw! Lina van Wageningen is hier in het begin als een
-ware curiositeit beschouwd geworden omdat zij excerceeren en schermen
-kon als de beste militair.”
-
-»O ho!” riep Louise lachend, geen woorden vindende om haar verbazing
-uit te drukken.
-
-»Daarbij komt nog,” vervolgde Werner, »dat zij voorzeker de beste
-amazone van Indië is en de eenige vrouw die hier in het land
-gymnastische oefeningen tot eene kunst verheven heeft.”
-
-»Dat mooie jonge meisje! O gij moet mij nog veel van haar vertellen,
-mijnheer Werner, want Lina van Wageningen is maanden lang een charme
-van me geweest zonder dat ik haar persoonlijk kende.”
-
-»Hoe dat, mevrouw?”
-
-»Papa had naar Holland geschreven om een gouvernante voor mij en was
-met juffrouw Van Wageningen in correspondentie geraakt. Mij beviel zij
-in hare brieven bijzonder, ik hield zelfs zóo idolaat van mijn
-onbekende gouvernante dat ik ongelukkig was als de mail geen tijding
-van haar bracht. Maar mama had iets tegen haar: ik geloof dat het de
-schuld van een mijner tantes in Holland was, die haar trotsch genoemd
-had en coquette. Enfin ik weet niet wat er de reden van geweest is,
-maar ik weet wel dat ik een andere gouvernante gekregen heb, een
-leelijk, onaangenaam oud mensch, dat ik letterlijk weggekibbeld heb, en
-dat juffrouw Lina, mijn charme, Samarang doorgetrokken is zonder zelfs
-bij ons aan te komen. Papa wist dat zij in de stad was en twee dagen
-bij de Langens, kennissen van ons, logeeren zou, maar hij heeft er mij
-niets van gezegd vóor dat zij weer vertrokken was. Hij wist ook wel dat
-ik anders niet te houden zou geweest zijn, dat ik mijn jufje had moeten
-zien, en haar éens ten minste de hand drukken eer ze verder zou gaan.”
-
-»’t Is jammer genoeg dat zij uw gouvernante niet geworden is, want haar
-zoudt gij zeker niet weggekibbeld hebben. Gij zoudt in haar niet alleen
-een bekwame leermeesteres hebben gevonden, maar ook zeker een trouwe
-vriendin.”
-
-»Dat dacht ik ook, ofschoon ik wel wat bang was voor zoo iets
-buitengewoon knaps.”
-
-»O neen, mevrouw, wanneer gij haar kennen leert, zult gij zien dat Lina
-van Wageningen niet iemand is om bang voor te wezen. Zij is de goedheid
-en de eenvoud zelve en heeft het zachtste, liefste, meegaandste
-karakter dat men zich denken kan. En talent! O, gij zult haar hooren
-zingen hoop ik. Heerlijk! verrukkelijk! Met een gevoel dat de diepste
-snaren der ziel doet trillen. Ik heb menigen avond bij de familie
-Oristorio di Frama doorgebracht, waarop ik volmaakt gelukkig was en
-gevoelde dat ik beter werd in die atmosfeer van deugd, beschaving en
-schoonheidsgevoel. Het is alsof die uitmuntende menschen het verward
-gegons der wereld ontvlucht zijn, om op Felicità, zoo heet de fabriek,
-dat ensemble eener volmaakte familie samen te stellen, zooals men ze,
-vooral in Indië, maar hoogst zeldzaam aantreft.”
-
-»Hoe?” vroeg Louise op eens, »galoppeert men?”
-
-Werner begreep eerst de vraag niet, en wist toen niet recht wat hij
-zag. »Het schijnt zoo,” antwoordde hij eindelijk. »Ik geloof wezenlijk
-dat men een nieuwen dans begonnen is.”
-
-Het was de derde reeds, sedert hij zijn wandeling met Louise te midden
-der dansende paren aangevangen had.
-
-»Het is alsof ik van avond bestemd ben om indiscreet te wezen,”
-vervolgde hij. »Ik heb zoozeer misbruik van uwe goedheid gemaakt, dat
-ik nauwlijks op vergeving durf hopen. Maar ik heb ook in het geheel aan
-geen dansen meer gedacht!”
-
-»Ik ook niet!” liet Louise zich ontvallen, maar zich terstond weer
-herstellende, voegde zij er schielijk bij: »Wie zou ook geen dans
-vergeten voor een familie Oristorio di Frama!”
-
-Naar haar plaats terugkeerende, hoorde zij een cavalier tegen zijn dame
-zeggen: »Het is half drie geslagen.”
-
-En het speet haar dat het zoo laat was.
-
-Nog éen quadrille slechts zou er gedanst worden, een monster-quadrille,
-waarin zoo mogelijk het gansche bal vereenigd zou zijn. Louise danste
-met den resident, tegenover hen stond Werner met Lina van Wageningen,
-omdat mijnheer Joly, de vis-à-vis van den resident, plotseling met
-zware hoofdpijn van het bal verdwenen was en er niemand anders meer
-overbleef dan Werner, die met Lina zat te praten omdat hij geen
-vis-à-vis had kunnen vinden.
-
-Louise vond het heel aardig dat zij Lina eens van nabij bekijken kon,
-maar het hinderde haar dat Werner tegenover haar stond. Waarom? Dit
-wist zij zelve niet. Het was haar als schaamde zij zich voor hem. En
-waarover? Ook dit wist zij niet.
-
-De resident was weer uitgelaten vroolijk en onbeschrijfelijk
-luidruchtig. Hij gaf zelf de figuren op, moedigde de muzikanten aan,
-riep elk oogenblik »en galop!” en was zoo opgewonden en druk dat zijn
-vroolijkheid aanstekelijk werd en de gansche quadrille eindelijk
-lachend in het honderd liep. Toen riep hij nog eens: »en galop! En
-galop voor finale!” en die galop was zoo wild en woest, dat de meeste
-paren zich zoo schielijk mogelijk terugtrokken en, onder daverend
-handgeklap, den resident en zijn vrouw eenparig de zegepraal toekenden,
-toen zij eindelijk, hijgend en afgemat, het laatst van allen naar hun
-plaatsen terugkeerden.
-
-
-
-
-
-
-
-
-TWINTIGSTE HOOFDSTUK
-
-EEN NIEUW GEVOEL
-
-
-Den volgenden morgen was de resident reeds sedert eenige uren op zijn
-bureau en nog had Louise haar kamer niet verlaten. Zij was vermoeid en
-had behoefte aan rust, en de resident had bevolen dat men haar rust
-eerbiedigen zou.
-
-De dienstboden spraken geen woord en slopen als schimmen door het huis,
-omdat mevrouw sliep. En mevrouw zat intusschen in kaïn kabaya, met
-loshangend haar, op een rotangstoel door de half geopende jalousiën in
-den tuin te staren. Zij keek naar het lustig springen der vogels op de
-dunne takjes der tamarindeboomen, en volgde met een glimlach de snelle
-bewegingen der kleine, fijne blaadjes, terwijl zij dacht aan het bal
-van gisteren....
-
-Aan het bal?—Neen, eigenlijk niet zoozeer aan die golvende, verwarde,
-bonte menschenmassa, aan dat schuivend, sleepend, gonzend, zingend en
-trommelend geraas, als wel aan het eenige dat zij in dien chaos
-opgemerkt had.
-
-Werner!
-
-Werner was een zonderlinge verschijning voor haar geweest. Zij zag hem
-nog. Zij hoorde hem, verstond hem, bewonderde hem. Het was of hij den
-afstand tusschen den resident en haar nog grooter had gemaakt, en alsof
-er geheel geen afstand bestond tusschen Werner en haar.
-
-Ziedaar voor het gevoel.
-
-Voor het verstand was Werner niet anders als een ander, niets meer dan
-een vreemdeling. Iemand dien men toevallig ontmoet, met wien men danst
-en spreekt, dien men goed vindt en..... vergeet!
-
-Verstand en hart waren nog niet tot elkander gekomen, daarom begreep
-het eene niet wat het andere gevoelde.
-
-Louise zag de bladeren bewegen, glimlachte en besefte niets.
-
-Zij kende Werner niet, en toch was het haar alsof hij sedert jaren
-reeds een vriend van haar geweest was. Die man moest weten wat er in
-hare ziel omging: dat gevoelde zij.
-
-»Die man weet niets!” riep het kalm berekenend verstand.
-
-»Die man is edelmoedig en groot en niet in staat iemands vertrouwen te
-misbruiken. Hij is beter dan de beste mannen die gij tot dusver ontmoet
-hebt, en volmaakter dan allen die gij ooit ontmoeten zult!” klopte weer
-het hart.
-
-»Zij die zich het beste voordoen, zijn dikwijls de slechtsten,” hernam
-het hoofd.
-
-En Louise glimlachte voort, met Werners naam op de lippen, en besefte
-nauwlijks welke haar gedachten waren.
-
-Plotseling sprong zij op: zij had in de binnengalerij de voetstappen
-van den resident gehoord. In verwarring snelde zij naar de deur, doch
-even verward keerde zij weer naar haar plaats terug, blozende en
-verwonderd over haar eigen ontsteltenis.
-
-De resident trad nauw hoorbaar de kamer binnen, om zijn vrouw niet in
-haar slaap te storen, maar toen hij haar klaar wakker naar zich toe zag
-komen, ving hij haar luid lachend in zijn armen en plaatste haar naast
-zich op de rustbank, terwijl hij vriendelijk vroeg:
-
-»Nu, hoe gaat het, Poes? Zijt gij eindelijk uitgerust van de
-vermoeienissen van gisteren? Weet gij wel hoe laat het is? Bij half
-twaalf! Verbeeld je!”
-
-»Bij half twaalf?”
-
-»Ja, bij half twaalf. Gij hebt zoo wat een uur of acht aan éen stuk
-doorgeslapen! Wat zegt gij daarvan?”
-
-»Dat het mij zeker goed zal doen!”
-
-»Komt gij straks aan tafel? Of wilt gij liever wat eten in uw kamer
-hebben? Dan behoeft gij u niet te kleeden, want de secretaris blijft
-van daag.”
-
-»O! ja, stuur mij als je blieft maar wat eten hier, en excuseer mij bij
-den secretaris, die toch zeker liever met u alleen zal zijn.”
-
-»Neen, neen! Daar ben je van de wijs! Metman blijft juist, op hoop van
-je te zien. Hij is smoorlijk verliefd op je. Hij vindt je zóo mooi dat
-hij den ganschen morgen bij mij op het bureau gezeten heeft zonder een
-oogenblik op te houden uw éloges te maken!”
-
-»Dat waren de uwen ook.”
-
-»Natuurlijk.”
-
-»Maar wie is Metman ook weer? Ik kan mij in het geheel niet herinneren
-wien gij mij gisteren als den secretaris voorgesteld hebt.”
-
-»Wel, zoo’n klein, zwart kereltje, met levendige oogen en....”
-
-»O ik weet het. Net een muisje dat men half verdronken bij zijn oortjes
-uit het water heeft gehaald!”
-
-»Die is unique! Ik zie er hem in! Wacht dat zal hem leeren verliefd
-zijn op de vrouw van een ander! Ja, zóo zijn de vrouwen, zoo spreken
-zij over de arme drommels die zich de moeite geven van haar éloges te
-maken!
-
-»A propos, Louise, ik heb mijnheer Oristorio di Frama gisteren beloofd,
-dat wij hem morgen een bezoek op Felicità zouden brengen; ik heb reeds
-een span paarden vooruit gezonden, en den koetsier gezegd dat hij
-morgen ochtend vóor zessen gereed zou zijn om af te rijden. Zorg dus
-dat gij op uw tijd klaar zijt, dan zullen wij eens een prettig
-uitstapje maken.”
-
-De resident drukte nog even Louise’s hand in de zijne en keerde naar
-zijn bureau terug.
-
-Louise’s hart klopte schier hoorbaar. Zij zou naar de familie Oristorio
-gaan! En dat reeds morgen! Verscheidene dagen mogelijk, zou zij te
-zamen zijn met de vrienden van Werner!
-
-Zij wist zelve niet wat zij gevoelde en waarom zij op eens zoo gelukkig
-was. Voor het eerst sedert haar komst te A. speelde er een hoopvolle
-lach om haar lippen en daalde er een ongekende vreugde in haar hart.
-
-Toen dacht zij aan het kleed dat zij aan zou doen, aan het kapsel dat
-haar het beste stond, aan de kleuren die haar het meest flatteerden,
-aan alles, in éen woord, dat haar gisteren nog volkomen onverschillig
-was en nu haar hart deed bonzen met een onstuimigheid, waarvan zij zich
-geen rekenschap kon geven.
-
-
-
-
-
-
-
-
-EENENTWINTIGSTE HOOFDSTUK
-
-SYMPATHIE
-
-
-Het was bij tienen toen de resident en mevrouw Stevens van Langendijk
-den volgenden morgen op Felicità aankwamen, waar mijnheer en mevrouw
-Oristorio di Frama in de voorgalerij gereed stonden om hen te
-ontvangen.
-
-Louise was opgetogen van bewondering over de heerlijke gezichten, die
-zich op reis onophoudelijk voor haar oog ontrold hadden. Zij sprong het
-eerst het rijtuig uit, reikte mijnheer Oristorio de hand, vloog mevrouw
-om den hals en vroeg terstond naar Lina en Melatie.
-
-»De meisjes zullen dadelijk te huis komen, hoop ik,” antwoordde mevrouw
-di Frama, Louise bij de hand naar binnen geleidende. »Zij zijn even
-uitgegaan om bloemen te plukken, daar Melatie beweerde dat gij te jong
-waart om een kamer te betrekken die niet behoorlijk met bloemen
-versierd was.”
-
-»Zij heeft gelijk, en weet mogelijk bij ondervinding, dat bloemen
-vrienden zijn, die wij altijd blij zijn weer te vinden, omdat ze ons
-vriendelijk welkom heeten, waar wij ze ook op onzen weg ontmoeten!”
-
-Lina trad binnen, gevolgd door Melatie, die, op Werners arm geleund,
-een vreemde bloem bewonderde, welke beiden vasthielden.
-
-»Kijk mama....”
-
-Zij zag mevrouw Stevens, zweeg, trok haar hand uit Werners arm terug en
-liet de bloem los, die ook Werner vallen liet.
-
-Louise stond op om de nieuwgekomenen te groeten, reikte hun de hand,
-maar sprak geen woord en kon haar oogen niet afwenden van de jonge,
-gelukkige Melatie, wier buitengewone schoonheid schier een onaangenamen
-indruk op haar maakte. Nog nooit had zij iemand iets benijd en nu
-benijdde zij dat vroolijk, lachend kind haar open oog en haar
-verstandig voorhoofd! Zij schaamde zich het onbestemd gevoel van
-wangunst, dat zich plotseling van haar meester had gemaakt, en wilde
-het overwinnen door Melatie nader te leeren kennen. Zij trok het meisje
-naar zich toe, vroeg haar hoe oud zij was, of zij van uitgaan hield, of
-zij gaarne naar A. ging enz. enz. en eindigde zelfs met haar te
-logeeren te vragen. »Als gij er lust in hebt en uw ouders er niets
-tegen hebben, kunt gij morgen avond met ons meegaan.”
-
-»Als ik lust heb?” herhaalde Melatie opgetogen. »O ik zou dol gaarne
-met u meegaan mevrouw, maar ik ben nog nooit alleen uit logeeren
-geweest.”
-
-»Welnu, dan zal het voor het eerst wezen, indien uw mama u ten minste
-aan mijn zorgen toevertrouwen wil. Ik beloof dat ik goed op u passen
-zal en dat wij u zelven weder te huis zullen brengen om zeker te zijn
-dat gij goed terecht komt.”
-
-Melatie wierp een smeekenden blik op haar moeder, daarna op haar vader,
-eindelijk op haar gouvernante, en vloog toen met een kreet van vreugde
-mevrouw Stevens om den hals.
-
-»Ik mag! ik mag! Lieve mevrouw, wat maakt gij mij gelukkig!” riep zij
-met zulk een geestdrift, dat Louise haar in de armen sloot en
-plotseling die krachtige sympathie, die hartelijke genegenheid voor
-haar gevoelde, welke slechts door de innige overeenstemming van
-verwantschapte zielen ontstaan kan.
-
-Van dat oogenblik af waren mevrouw Stevens en Melatie onafscheidelijk.
-Telkens zaten zij te zamen te fluisteren of wierpen zij elkander
-blikken van verstandhouding toe, door die vriendinnen van éen
-oogenblik, verstaan en beantwoord alsof zij haar leven lang bij
-elkander waren geweest en nimmer nog een andere taal dan die samen
-gesproken hadden.
-
-Melatie, die in een atmosfeer van sympathie en liefde te huis behoorde,
-begreep terstond de aantrekkingskracht die mevrouw Stevens voor haar
-had, en gaf zich geheel aan de inspraak van haar hart over, met den
-eenvoud en de oprechtheid, zoo eigen aan haar ongekunstelde vrije
-natuur. Louise daarentegen begreep niets, en zij verwonderde zich over
-de zonderlinge gevoelens, die Werner en Melatie sedert een paar dagen
-bij haar hadden opgewekt. Nog nooit was zij zoo opgeruimd en gelukkig
-geweest als op dit oogenblik, en toch lag er iets dat aan weemoed
-grensde, in het vriendelijk oog der jonge vrouw, terwijl er iets dat
-naar medelijden geleek, uit den half weerhouden lach van het jonge
-meisje sprak.
-
-Wat waren zij samen gelukkig! Zij speelden piano, zongen duo’s die
-wegstierven in een schaterlach, vlogen op het heetst van den dag den
-tuin in om lelies te plukken aan den waterkant, kleedden zich toen in
-dezelfde kamer aan en lachten om den resident, die in de voorgalerij
-zat te pruttelen over de onbezonnen wildheid zijner vrouw.
-
-Zóo vloog de dag voorbij tot dat tegen half zes des namiddags de
-deftigheid hersteld werd door een wandeling, waaraan alle huisgenooten
-deel namen.
-
-Mijnheer en mevrouw Oristorio riepen Melatie ter zijde om haar onder
-het oog te brengen dat haar vrijpostigheid de grenzen der
-welvoegelijkheid te buiten begon te gaan. »Vergeet niet,” dus eindigde
-haar moeder, »vergeet niet dat mevrouw Stevens de vrouw is van den
-resident van A.”
-
-Maar Melatie die een oogenblikje sip gekeken had, zag vragend om naar
-haar nieuwe vriendin en fluisterde haar moeder zacht in ’t oor: »Zij
-houdt veel meer van mij dan van den resident, mama, en ik houd ook veel
-meer van haar dan van hem.”
-
-Een veelbeteekenend »chut!” van vader en moeder tegelijk, deed Melatie
-gelukkig nog in tijds zwijgen, daar de resident hand in hand met zijn
-vrouw kwam aanloopen om lachend aan mevrouw Oristorio te vragen, of zij
-ooit een kinderachtiger residentsvrouw gezien had dan Louise was?
-
-»Nog nooit,” antwoordde de gastvrouw vriendelijk, »maar ik heb ook nog
-nooit een residentsvrouw van de jaren van mevrouw Stevens
-ontmoet,—evenmin als een resident van uw leeftijd.”
-
-Melatie had intusschen Werner in een der tamarindelanen ontdekt. Met
-een kreet van vreugde snelde zij hem te gemoet, vatte hem bij de hand
-en vertelde hem, geheel buiten adem door het loopen, dat mevrouw
-Stevens haar vriendin geworden was. »O, zij is zoo lief,” fluisterde
-zij lachend. »Zoo vroolijk en zoo goed! Zij heeft mij beloofd van avond
-quatre-mains met mij te spelen, en dan zal jufje zeker zingen. Gij
-blijft bij ons, niet waar, mijnheer Werner?”
-
-»Ja, uwe ouders hadden mij verzocht een paar dagen langer te blijven;
-maar ik moet morgen naar de fabriek terug, waar mijn bezigheden mij
-wachten. Heden avond kan ik dus nog van uw aller talenten genieten.”
-
-Daarna werd het gesprek algemeen en wandelde het gezelschap tot een
-kleine hoogte voort, welke men beklom om van dáar een blik te werpen
-over de omliggende vlakten en dessahs.
-
-De resident klapte in de handen van bewondering toen hij, het eerst
-boven gekomen, zijn oog liet weiden over het prachtige landschap dat
-aan zijn voeten lag.
-
-»Jongens! jongens! Wat is dat hier toch een rijk land!” riep hij
-uitgelaten. »Kom gauw kijken, Louise! Hier, zie eens even die
-rijstvelden. Dáar dat riviertje dat tusschen al die dessahs
-doorkronkelt! Die hooge bosschen daar ginder! Die bergen op den
-achtergrond! Mijn God! mijn God! Het verwondert mij niet dat jelui,
-landheeren, hier allen fortuin maakt. ’t Zou wel vreemd zijn, als het
-anders was. Dom geluk!”
-
-Louise wierp een blik in de richting door den resident aangewezen.
-
-»Mooi, hè?” vroeg hij, zijn arm om haar middel slaande.
-
-»Hm—m!” antwoordde zij afgetrokken. Toen wikkelde zij zich uit zijn arm
-los en begaf zich naar de andere zijde der hoogte, van waar men de zon
-in volle pracht zag ondergaan, achter een der schoonste landschappen
-die men zich denken kan. Dáar bleef zij staan, als vastgenageld aan den
-grond, met vonkelende oogen, half geopenden mond en saamgevouwen
-handen, opgetogen, verrukt, meegesleept, zich badend in zielsgenot.
-
-Zóo zag Werner haar en de bewondering die hij voor haar gevoelde, moet
-geleken hebben naar die welke zij voor de natuur gevoelde.
-
-Naar gelang de wolken haar gouden randen verloren en de laatste
-zonnestralen wegzonken achter het uitgestrekt gebergte, verminderde ook
-Louise’s opgetogenheid. Langzamerhand verloren haar oogen hun glans,
-sloten haar lippen zich, boog zij het schoone hoofd neder. Haar armen
-hingen machteloos, groote tranen trilden aan de lange zwarte pinkers en
-een diepe zucht ontsnapte den geprangden boezem.
-
-»Ha! ha! ha!” klonk de schelle stem van den resident. »Is dat nu uw
-manier van bewonderen? Ik lach als ik iets zie dat mij bevalt, en gij
-huilt er om!”
-
-Louise begreep niet recht. Zij sloeg haar groote, donkere oogen treurig
-op, wierp een teleurgestelden blik om zich heen en bleef zwijgen.
-
-»Kom, kom, weg met die tranen! En nu vroolijk en welgemoed naar huis
-terug, niet waar mevrouw di Frama?”
-
-Dit zeggende greep hij Louise bij de hand en trok haar mede den berg
-af.
-
-Louise lachte even, maar dat lachje was zoo diep weemoedig, dat het
-Werner als een droeve klacht in de ziel drong en hem haastig het hoofd
-van haar deed afwenden.
-
-Louise echter had den traan gezien dien hij voor haar verbergen wilde
-en ook zij wendde haastig het hoofd van hem af. Met een soort van
-afschuw trok zij plotseling haar hand uit die van den resident terug;
-maar met de eigenaardige scherpzinnigheid der vrouw, bijna op hetzelfde
-oogenblik gevoelende dat zij verkeerd handelde, volgde zij de eerste
-gedachte die zich aan haar verwarden geest voordeed en riep lachend:
-
-»Wie van ons beiden het eerst beneden is, Mela!”
-
-Eer iemand nog begrepen had wat er gebeuren moest, was zij reeds met
-het jonge meisje in het kreupelhout verdwenen, en een oogenblik later
-vond men haar weer aan den voet van den berg, de beide handen vol
-klimop, waarmede zij bezig was Melatie op te sieren. Zij bloosde licht
-toen zij Werner het eerst van het slingerpad zag afkomen, maar zich
-spoedig herstellende, wierp zij de klimop om Melatie’s hals, liep toen
-haastig den resident tegemoet en legde haar hand op zijn arm, hem
-lachend vergiffenis vragende voor de onstuimigheid waarmee zij hem
-verlaten had. »De gelegenheid was al te schoon,” riep zij spottend, »ik
-kon den lust geen weerstand bieden om nog eens even kind te wezen. Toe,
-vergeef het mij maar?”
-
-Hij vergaf het haar en allen vergaven het haar en men werd weer even
-spraakzaam en vroolijk als van te voren.
-
-Werner alleen bleef stil en afgetrokken. Hij liep met Lina achter aan
-en deed zijn best om het gesprek gaande te houden, dat grootendeels
-door Lina alleen gevoerd werd, terwijl hij zich hield alsof hij
-aandachtig luisterde naar de woorden welke hij maar half verstond. Zij
-hadden het over planten en bloemen gehad, zij hadden het schoone
-landschap en de opkomende maan bewonderd, zij hadden gefilosofeerd over
-het menschelijke leven en gezweefd in de hooge sferen van kunst en
-poëzie, en toen zij eindelijk te huis kwamen en verblind werden door
-het schitterend licht der lampen, was Werner verwonderd zich niet meer
-op den berg te bevinden, waar hij nog altijd een schoone vrouw in
-verrukking dacht te zien.
-
-Het souper en het theeuurtje waren vroolijker dan ooit. Louise vooral
-was uitgelaten en haar vreugde was aanstekelijk, want een ongekend
-gevoel van geluk doortintelde haar boezem. Haar hart, haar gansche
-ziel, sprak uit haar kinderlijken lach, uit den blos harer wangen, uit
-den gloed die haar groote oogen nog schooner maakte. De resident scheen
-betooverd door zijn bekoorlijke Louise, die hij nog slechts éenmaal, op
-zeker bal waar hij haar voor de eerste maal ontmoet had, zóo gezien had
-als zij nu was, vroolijk, goedig, ongedwongen, in éen woord gelukkig!
-Ook mijnheer en mevrouw di Frama, Lina van Wageningen en Melatie
-deelden in Louise’s vreugde en gevoelden zich aangetrokken en
-meegesleept door een geluk dat zoo duidelijk uit elk woord, uit elken
-blik, uit elke beweging sprak. Zelfs Werner vergat zijn »schoone vrouw
-in verrukking” voor de lachende Louise, wier eigenaardige wijze van
-verhalen, fijnheid van opmerking en gevatheid in het antwoorden, hem
-tusschenbeide tranen deden lachen.
-
-Nog nooit had men op Felicità zulk een genoegelijken avond
-doorgebracht; allen waren even opgeruimd en tevreden geweest, niemand
-had er aan gedacht dat het reeds bij twaalven was. Toch moest Lina nog
-zingen, had Melatie nog niet gedeclameerd, was de quatre-mains van
-Louise en Melatie nog niet aan de beurt geweest en had de viool van
-Werner nog geen toon doen hooren. Maar het was nu veel te laat geworden
-om al die goede plannen ten uitvoer te brengen, welke men in den
-vooravond gemaakt had; daarom werd er besloten dat Lina nog eens even
-zou zingen en dat het overige gedeelte van het programma tot morgen zou
-worden uitgesteld.
-
-Werner accompagneerde Lina op de piano en Melatie sloeg de bladen om.
-De resident had om een »vroolijk deuntje” gevraagd en het was een
-vroolijk deuntje dat zij gezongen had, maar nauwlijks waren de laatste
-tonen met een daverend applaudissement begroet geworden, of Werner
-greep een stuk muziek van de piano en verzocht Lina het te zingen.
-
-Reeds bij de eerste tonen verdween de lach van Louise’s gelaat, de
-resident zweeg en mijnheer en mevrouw di Frama zagen elkander aan, met
-een onmiskenbare uitdrukking van bewondering en welbehagen.
-
-Het was het groote air uit de Freischütz, dat Werner uitgekozen had, en
-dat Lina met een kalmte, met een eenvoud aanhief, die Louise de tranen
-in de oogen riep. Nog zelden had Louise goede muziek gehoord en nooit
-was die goed uitgevoerd geworden te Samarang, waar men in het geheel
-geen opera en slechts een paar weinig beteekenende concerten in de
-laatste jaren gehad had. Geen wonder dat de zuivere, krachtvolle stem,
-die de jonge gouvernante, met zooveel kunst en smaak wist te leiden,
-een diepen indruk op Louise maakte. Medegesleept door haar gevoel hing
-zij met haar gansche ziel aan de ongekende heerlijke tonen, die haar
-betooverden, verrukten en tot een soort van extase opvoerden, waaruit
-men te vergeefs poogde haar in de werkelijkheid terug te brengen. Zij
-lachte door haar tranen heen, hijgde, beefde en antwoordde zóo
-koortsachtig, zóo gejaagd, zóo verward op alle vragen, dat de resident
-haar met zijn gewone onbegrijpelijkheid uitlachte, en verwijtingen
-deed, die zij niet scheen te verstaan.
-
-Lina begreep terstond wat er in de fijngevoelige ziel der jonge vrouw
-omging, en vreezende voor een overspanning, die haar diep geschokt
-zenuwgestel niet langer scheen te kunnen dragen, gaf zij Werner een
-wenk en begon een dier melodieuse, weemoedige liederen te zingen, die
-in Duitschland alleen te huis schijnen te behooren.
-
-Louise lachte eerst, maar langzamerhand werd die lach kalmer,
-droeviger, totdat hij eindelijk in een luid snikken wegstierf.
-
-Toen greep Lina een dier nietsbeduidende, brilliante fransche
-opéra-comique aria’s, geschreven voor een stem en niet voor een ziel,
-en zong die met een vlugheid, lichtheid, stoutheid, die haar kunst op
-eens met die van een clown of acrobaat gelijk stelde.
-
-Louise volgde dien ongekenden »wonderzang” met de verbazing van een
-kind, en klapte schaterend in de handen, toen de laatste noten als door
-een vogelenkeel waren uitgestoten. »Bravo! Goed zoo, juffrouw Van
-Wageningen. Mijn hemel welk een stortregen van nootjes hebt gij daar in
-een oogenblik op ons neergeworpen,” riep zij hartelijk lachend.
-
-Lina lachte ook, zij had haar doel bereikt. En toen de huisgenooten een
-oogenblik later scheidden, om zich ter rust te begeven, reikten Lina en
-mevrouw Stevens elkander met een wederzijdsch gevoel van genegenheid en
-dankbaarheid de hand.
-
-Den volgenden morgen vertrok Werner. En vreemd, Louise vond niets meer
-zóo mooi, zóo bekoorlijk, zóo aantrekkelijk als gisteren. Maar het
-regende ook en mogelijk scheen daarom alles grijs en donker. Dien avond
-vielen alle musicale en andere plannen in duigen door een bezoek van
-dokter Heisterman.
-
-»Een goede, vervelende man,” dacht Louise, toen zij den eenvoudigen
-filantroop zag binnenstappen.
-
-»Een slachtoffer van schoonheid en fortuin,” dacht de dokter, het jonge
-vrouwtje met zijn scherpen blik doorgrondende.
-
-Het gesprek liep over allerlei onverschillige onderwerpen, totdat
-Melatie op eens vroeg: »Dokter, hebt gij wel eens Zanoni gelezen, van
-Bulwer?”
-
-»Ja, lange jaren geleden,” antwoordde de dokter somber.
-»Viola!—Juffrouw Van Wageningen, hebt gij ooit iemand gekend die Viola
-heette?”
-
-»Een mijner nichten moet zoo geheeten hebben, maar ik heb haar nooit
-gekend.”
-
-»Blond—slank—schoon als de dag en goed als een engel!” Hij zweeg een
-oogenblik en vervolgde toen zachter:
-
-»Was het uw vader niet die innig veel van haar hield?”
-
-»Ja. Maar zij is jong gestorven. Zij hield van een ander....”
-
-»Die ander ben ik. O veracht mij niet, want ik heb veel geleden!”
-
-Lina’s verbaasde oogen bleven den dokter aanstaren alsof zij het
-verledene op zijn gelaat wilde lezen. »Gij dokter?” vroeg zij
-eindelijk. »O! dat hadt gij mij niet moeten zeggen....”
-
-De dokter greep hare hand en fluisterde: »Ik zal u alles schrijven....
-Gij gelijkt haar naar het uiterlijke, gij moet haar ook gelijken in uw
-binnenste!”
-
-Toen stond hij op, nam afscheid en ging heen.
-
-Een dag later ontving Lina den beloofden brief.
-
-
-
-
-
-
-
-
-TWEEENTWINTIGSTE HOOFDSTUK
-
-EENIGE BLADZIJDEN UIT HET LEVEN VAN DEN DOKTER
-
-
-Ik heb eens een hond gehad; een leelijk mager dier, met steile ooren en
-een wonderlijken staart, dat geen enkel kunstje doen kon, verbazend
-veel at en tegen mijn beste vrienden blafte.
-
-Toch hield ik van het domme dier en noemde het, wanneer ik in een goed
-humeur was, »mijn lieve engel met een staart.”
-
-Wanneer mijn vrienden dat hoorden, lachten zij mij uit en dachten,
-geloof ik, dat er een van de vijf bij mij aan het dwalen was.
-Tusschenbeiden vond ik zelf iets overdrevens in mijn bewondering van al
-wat leelijk was, en dan schopte ik Seraf de deur uit, om hem te toonen
-dat niets hem het recht gaf de eerste plaats in mijn hart te bekleeden.
-Maar verliet ik éen uur, twee uur, drie uur later mijn kamer, dan waren
-het altijd Serafs’ trouwe oogen die mij het eerst weer tegenlachten,
-en, uit medelijden of bewondering, mijn lieveling werd weer in genade
-aangenomen in het heiligdom waaruit ik hem verstooten had.
-
-Ik heb vele menschen met mooie oogen gekend, enkelen zelfs met lieve
-oogen, nooit heb ik iemand met zulke goede, trouwe oogen gezien, als
-mijn zielsvriend Seraf had. Daar lag iets in dat mij wonderlijk maakte,
-iets dat ik nooit in andere oogen weergevonden heb. Weet gij wat? Neen,
-gij kunt het niet weten, want ik weet het zelf niet. Toch wil ik
-trachten, u een denkbeeld te geven van den invloed van die oogen op
-mijn dwazen geest.
-
-Eens was ik op een Zondagmorgen, door een stortregen naar de kerk
-geweest, op hoop van onder het zingen een blik van Julia op te vangen,
-of bij het uitgaan een handdruk van Mathilde te krijgen. Noch Julia
-noch Mathilde had mij opgemerkt. Natuurlijk was ik buiten mij zelven
-van kwaadheid. Een parapluie die droop, een jas die droop, een broek
-die droop, een paar laarzen dat »tjiek” zei bij elken pas dien ik deed,
-niets dan een paar drooge schouders en een drooge hoed, waarvan ik den
-rand gedeukt had tusschen duim en voorsten vinger. De sleutel van de
-voordeur vergeten! Gescheld! De bel kapot getrokken! Geklopt, getrapt,
-gestompt, tegen die beroerde deur, die doof scheen! Dat was genoeg om
-den zachtsten mensch der wereld uit zijn vel te doen springen.... Dát
-deed ik niet eens.... maar ik nam mij voor....
-
-De deur ging open!
-
-Met een tienmijlsvaart stoof ik den gang door, mijn kamer in; de
-parapluie op tafel, de bijbel in de prullenmand, mijn hoed, mijn
-laarzen, mijn jas, mijn handschoenen, alles danste de kamer door.
-
-Een noodkreet! Seraf huppelde jankend weg en sprong op de vensterbank,
-vanwaar zijn lieve oogen mij vriendelijk tegenlachten, terwijl hij een
-zijner vierkante pooten omhoog hield, en zijn wonderlijke staart de
-gordijnen heen en weder wuifde.
-
-Dadelijk was ik bedaard.
-
-Waarom weet ik niet, maar ik geloof dat ik mij schaamde omdat Seraf mij
-zóo goedig aankeek.
-
-Bij mijn binnenkomst was hij mij verblijd te gemoet gesneld; hij had
-mij geliefkoosd, gelekt, alle beleefdheden aangedaan, die een meester
-met mogelijkheid van zijn hond verlangen kan, en tot eenigen dank had
-ik hem een laars tegen een zijner pooten gesmeten!—Het domme dier was
-gekwetst, het had pijn, toch bleef het nog vriendelijk zwaaien met zijn
-staart en keek het mij zoo smeekend aan met zijn goede, trouwe oogen,
-dat gij of een ander, zonder iets van mijn rampzaligen kerkgang af te
-weten, gedacht zoudt hebben, dat hij de beleediger en ik de gekwetste
-geweest was.
-
-Dat zult gij mogelijk een laagheid van hem vinden? Ik niet. Wij hadden
-beiden tegenspoeden gehad, ik twee kleintjes en hij éen groote. Ik had
-geraasd en getierd als een dwaas, hij was zichzelven gelijk gebleven en
-had zijn vriend vergeven.
-
-Waarachtig, ik schaamde mij voor mijn hond, want ik gevoelde mijn
-minderheid....
-
-Eerst wilde ik het niet erkennen. Een mensch is trotsch. Ik vischte
-mijn bijbel uit de prullemand, raapte mijn kleeren bij elkaar.... later
-heb ik het toch erkend!
-
-Ik ben eens geëngageerd geweest: zes weken lang! Viola heette mijn
-meisje. Zij was een wees, jong en schoon en natuurlijk een engel. Veel
-geest had zij niet naar het scheen, maar wel veel geld en vele
-aanbidders. Mij had zij uitverkoren boven allen, omdat zij mij liefhad
-en haar geheele ziel behoorde aan haren »goeden genius” (dat was ik).
-
-Nooit in mijn leven heb ik zooveel van iemand gehouden? Viola! Viola!
-Altijd Viola! Overal Viola! Meer dan veertien dagen lang was ik
-letterlijk suf van geluk! Ik kon niet lezen, niet werken, niet denken,
-niet spreken zelfs, als het niet over Viola was. Ik vergat alles, mijn
-Seraf, mijn studies, mijn vrienden, mijn zieken, alles, alles!—Liep ik
-de stad door, dan zag ik Viola overal, op de pleinen, in de straten, in
-de huizen, op den kerktoren, in de sneeuwvlokken die neerdaalden.
-Overal, overal, elk paard, elk kind, elk muschje, zag ik door de
-golvende lokken van Viola heen!
-
-Nooit van mijn leven ben ik zoo gauw van een liefde genezen geweest. Ik
-geloof dat ze uitgeput was. Ik had te veel aan Viola gedacht, te veel
-naar haar gezien, te veel over haar gesproken.... Zij verveelde mij.
-
-Mijn engagement woog mij zwaar op het hart, het moest verbroken worden;
-ik kon Viola niet meer uitstaan! Ik berispte haar over alles; bespotte
-haar wanneer zij mij haar »goeden genius” noemde, vergat haar
-invitaties, verscheurde haar brieven, beantwoordde ze een dag te laat,
-of verloor ze in haar bijzijn.
-
-Niets hielp. Viola bleef altijd zacht en goedig. Wel werd zij stiller
-en bleeker en verloor zij haar gullen lach; eens zelfs geloof ik dat
-haar oogen vochtig waren, maar zij zeide niets, klaagde nooit, deed mij
-geen enkel verwijt.
-
-Dat was iets onverdragelijks!
-
-De eene helft van den dag liep ik mij suf te denken op honderde kleine
-grieven en hatelijkheden, die ik haar de andere helft van den dag zou
-aandoen. Zij verdroeg alles, bleef zwijgen en scheen mijn bedoeling
-niet te begrijpen.
-
-Die domheid maakte mij wanhopig! En eindelijk, een kloek besluit
-nemende, greep ik papier en pen en zette mij tot schrijven neder.
-
-
- »Hartelijk geliefde Viola!”
-
-
-Wat de gewoonte doet! En ik ging haar zeggen dat mijn liefde voor haar
-versleten was!... Weg met dat briefje! Een ander:
-
-
- »Beste Viola!”
-
-»Mijn liefde voor u is in de laatste dagen zoo zeer verflauwd, zoo
-zeer....”
-
-
-Nonsens! Dat klonk immers niet! Maar wat dan? Wat dan?.... Wacht....
-
-
- »Viola!”
-
-»Er kan, er mag geen liefde meer bestaan tusschen ons. Vraag mij naar
-niets, want het is mij niet mogelijk u iets meer te zeggen.—God geve
-ons kracht om dezen zwaren slag met onderwerping te dragen.”
-
-»Uw goede Genius,” had ik bijna gezet, maar ik bedacht mij nog in tijds
-en zette eenvoudig
-
- »Dr. E. Heisterman.”
-
-
-Ik las nog eens:
-
-
- »Viola!
-
-»Er kan, er mag geen liefde meer bestaan tusschen ons. Vraag mij naar
-niets, want het is mij niet mogelijk u iets meer te zeggen. God geve
-ons kracht om dezen zwaren slag met onderwerping te dragen!”
-
- »Dr. E. Heisterman.”
-
-
-Dat had ik knap gedaan! Ik begreep zelf niet hoe ik het zóo verzonnen
-had!—Een engagement te verbreken zonder uw meisje te beleedigen, zonder
-haar te zeggen dat gij geen liefde meer voor haar hebt, zonder haar
-zelfs het recht te geven, u rekenschap van uw handelingen te vragen. Ik
-beken het ronduit, ik was verstomd over mijn eigen vindingrijkheid! En
-ik was zoo trotsch over mijn kort en bondig epistel, dat ik zonder
-handschoenen, zonder stok, zonder hoed zelfs, op mijn pantoffels de
-deur uitvloog om het naar den post te brengen.
-
-Voor het eerst zag ik Seraf dien avond weer. Het was mij alsof ik het
-goede dier in geen zes weken gezien had.... Ik vond hem nog magerder,
-nog leelijker geworden,—nog vriendelijker als het kon.
-
-Had ik hem inderdaad niet gezien in al dien tijd?—Maar hij was toch in
-huis geweest.... Wie had hem dan verzorgd, gevoed, gestreeld, zooals ik
-gewoon was te doen?—Niemand?—Dat kon niet zijn!—Ik zelf misschien, nu
-en dan eens, machinaal, uit pure gewoonte zonder zelf te weten wat ik
-deed.
-
-Mijn geheugen kwam mij eindelijk te hulp en bevestigde mij in die
-meening.
-
-Arme Seraf!
-
-Dien avond gaf ik hem een extra kluifje, toen had hij mij niets meer te
-verwijten.
-
-Den volgenden morgen ontving ik eenige kleine geschenken terug, die ik
-Viola gedurende de zes weken van ons engagement gegeven had. Er was een
-muziekboek bij, waaruit wij samen gezongen hadden..... een portretje
-van mij, waarop zij aan de achterzijde geschreven had: »Mijn goede
-Genius E. H.,” en een pakje brieven van mij, dat ik verbrand heb zonder
-er een van na te willen lezen.
-
-Geen lettertje van haar!
-
-Eén dag, twee, drie dagen waren verloopen, en nog geen briefje van
-Viola?—Dat had ik niet verwacht. Ik had niet gedacht dat zij zou lang
-zonder mij had kunnen leven. Ik had een smeekschrift verwacht, of een
-brief met harde woorden. Maar niets, in het geheel niets. Daar had ik
-niet op gerekend! Dat was waarachtig een teleurstelling voor me! Ik was
-beroerd, ik verveelde mij! Den vierden dag reeds sloeg ik Seraf, omdat
-ik kwaad was op Viola, toen ging ik naar een bal en danste tot den
-morgen.
-
-Een mijner vrienden vroeg mij naar »mijn meisje”. Ik had den moed niet
-hem te zeggen door welk meesterstuk ik een eind aan mijn engagement
-gemaakt had.
-
-»Wèl, heel wèl,” gaf ik hem stotterend ten antwoord. »Ik heb haar
-sedert gisteren niet gezien.”
-
-Het was de vierde dag reeds na mijn briefje.
-
-Een mensch doet dikwijls iets wat bij van daag goed vindt, maar morgen
-niet bekennen wil!
-
-Zóo verliep de eene dag na den andere, zonder mij eenige tijding van
-Viola te brengen.
-
-Eerst had ik alle concerten, comedies en partijen nagejaagd; ik was
-zelfs verder gegaan en had geluk gezocht overal waar verstrooiing,
-verdooving, vergeten, te vinden was. Doch nergens had ik voldoening
-gevonden en mijn vrienden hadden zoo den spot gedreven met mijn
-vervlogen liefde voor Viola, dat ik geëindigd was met naar mijne kamer
-terug te keeren en mij, even als ik gedurende de zes weken van mijn
-engagement gedaan had, geheel van de buitenwereld af te zonderen.
-
-In die dagen kwam een oud-oom mij bezoeken.
-
-Hij feliciteerde mij met mijn engagement en verzocht mij dringend om
-hem, zoo spoedig mogelijk, aan Viola voor te stellen, van wie hij, door
-mijn brieven, zoo veel goeds en liefs gehoord had.
-
-Ik had hem twee maanden geleden het laatst geschreven.
-
-»Mijn engagement is af,” zei ik kregel, Seraf een schop gevend, omdat
-ik mijn oud-oom niet schoppen kon.
-
-»Af!”
-
-De goede man stikte haast in dat woordje.
-
-»Ja,—oom—af!”
-
-Toen moest ik een predicatie slikken van meer dan een half uur lang,
-die daarop neerkwam dat ik een ezel zijn moest om een engagement met
-een schatrijk meisje, dat mooi en goed was en mij lief had boven alles,
-te verbreken zonder reden!
-
-»Zonder reden!”
-
-Ik dacht dat het mijn oud-oom in zijn hoofd scheelde.
-
-»Gij hadt er het recht niet meer toe.”
-
-»Het recht!”
-
-Ik proponeerde mijn oud-oom een wandelingetje buiten de stad, om hem
-wat tot bedaren te brengen.
-
-Seraf moest thuis blijven omdat hij gaarne mee wilde.
-
-Die wandeling was vrij vervelend.
-
-Oom zeide niets. Ik neuriede een deuntje en sloeg met mijn stok elk
-voorwerp dat ik voorbij liep; eens onder anderen, een kind dat ik met
-een cent tot zwijgen moest brengen omdat het »Vader!” en »Moeder!”
-gilde.
-
-Viola!
-
-Mijne knieën knikten—het bloed stolde mij in de aderen—mijn hart hield
-op te kloppen.
-
-Viola!... De laan inkomende, voor ons, vijftig, veertig schreden van
-ons af,—mager, bleek, gebogen, leunend op den arm van haar
-gezelschapsjuffrouw.
-
-Zij zag op. Hare oogen ontmoetten de mijnen. Ook hare knieën knikten,
-ook haar stolde het bloed in de aderen, ook haar hart moet een
-oogenblik opgehouden hebben te kloppen.—Ik zag het. Zij beefde en
-verbleekte nog meer. Doch zij herstelde zich, hief het hoofd op en zag
-mij aan alsof zij in het diepst van mijn ziel wilde lezen.
-
-Er lag zoo iets lijdends en toch zoo iets onbeschrijfelijk fiers en
-edels in dien blik, dat ik mijn oogen neersloeg en, met de hand aan den
-rand van mijn hoed, bleef staan, zonder de kracht te hebben haar te
-groeten.
-
-Zij was voorbij.
-
-Dien avond bekende ik mijn oom dat hij gelijk had, dat ons engagement
-nooit verbroken had moeten worden.
-
-Ik smeekte hem mijn voorspraak bij Viola te wezen, haar te zeggen wat
-hij wilde, maar niet te rusten vóor zij mij vergeven zoude hebben.
-
-Hij ging. Het was op een Maandag morgen. Ik zie hem nog, met zijn
-dikken stok en zijn wijden overjas. Seraf en ik stonden voor het raam
-hem na te oogen.
-
-Hij bleef een uur uit, op de minuut af. Dat is het langste uur van mijn
-leven geweest.
-
-Ik lachte toen ik hem eindelijk terug zag komen, over het smalle gele
-brugje tegenover mijn huis.
-
-Hij lachte niet.
-
-Ik snelde hem te gemoet.
-
-Hij duwde mij naar binnen. Hij had een briefje in de hand, geschreven
-door Viola! Ik greep er naar, maar hij trok het terug, stapte mijn
-kamer binnen, wierp zich neder op mijn eenige fauteuil en plaatste,
-langzaam als oude menschen, zijn stok tusschen zijn beenen, zijn hoed
-er op, zijn handschoenen daarop.... Ik greep de heele pyramide en wierp
-haar op tafel.
-
-»Eduard,” begon hij, »ik geloof dat gij een gevaarlijk spel gespeeld
-hebt met de eenige vrouw, die u mogelijk ooit oprecht heeft
-liefgehad....”
-
-»Dat briefje, oom!—In Gods naam, geef mij dat briefje!”
-
-»Nog niet. Luister eerst. Viola is ongesteld—zij lag te bed toen ik mij
-liet aandienen. Zij is opgestaan op het hooren van uw naam en beneden
-gekomen om mij te woord te staan. Ik heb haar gezegd wat ik wist en
-haar gesmeekt u uw dwaling te vergeven, u verontschuldigende zooveel in
-mijn vermogen was. Zij heeft mij aangehoord ten einde toe, en toen ik
-zweeg, heeft zij mij de hand gereikt, met de woorden: »Gij zijt goed,
-mijnheer Van Ranzen. Ik dank u voor hetgeen gij voor mij gedaan hebt.
-Maar ik heb te veel van Eduard gehouden om nu nog gelukkig met hem te
-kunnen zijn. Hij heeft zelf ons engagement verbroken,—laat het zóo
-blijven, het is goed zóo.” Ik kon haar geen ongelijk geven. Toch vroeg
-ik haar nog: »Maar indien gij zóoveel van hem gehouden hebt, gevoelt ge
-nu dan niets meer voor hem?”—»Niets dan angst,” antwoordde zij zacht.
-»Ik begrijp hem niet meer, ik versta hem niet meer, ik ken hem niet
-meer, hij is mij vreemd geworden.” Ik stond op om heen te gaan. »Neen,
-nog niet,” vroeg zij smeekend, mij naar mijn stoel terugwijzend. »Gij
-hebt nog wel een oogenblikje tijd, niet waar?—Ik wil hem
-schrijven—zelve—dan kan hij niet meer twijfelen.” Zie hier hetgeen zij,
-in mijn bijzijn, voor u geschreven heeft.”
-
-Ik wierp mij met een kreet op het briefje, scheurde het mijn oud-oom
-uit de hand, en had weer hoop zoodra ik het schrift mijner Viola
-herkende.
-
-Zij had te veel van mij gehouden, zij moest mij vergeven, indien ik het
-wilde.
-
-Zie hier wat ik las:
-
-
- »Waarde Heisterman!”
-
-
-Ik had simpeltjes »Viola” gezet, dat begin was beter dan het mijne.
-
-
- »Waarde Heisterman!
-
-»Er ligt een geheim of een onwaarheid tusschen ons, misschien een
-misdaad. Ik heb u liefgehad zoolang ik u vertrouwde, maar mijn
-vertrouwen is weg, en uwe liefde is niets meer voor mij.
-
- Viola.”
-
-
-En het was Viola, Viola zelve, die mij zulk een briefje schreef! Ik kon
-mijn oogen niet gelooven! Ik herlas het, bekeek het, betastte het,
-herlas het weder. Eindelijk geloofde ik. Toen zonk ik luid snikkend op
-een stoel, terwijl het briefje uit mijn handen gleed. Seraf hapte er
-naar en zette er een poot op, maar mijn oud-oom nam het hem af en
-vroeg:
-
-»Mag ik?”
-
-Ik knikte toestemmend.
-
-Hij las het en gaf het mij weder, zeggende:
-
-»Dat meisje heeft gelijk. Zij is ook veel te goed voor u.”
-
-Hij wendde het hoofd van mij af, greep zijn hoed, vergat zijn stok, en
-liep met zijn handschoenen in de hand, de deur uit.—Toen hij het raam
-voorbij kwam, meende ik een traan in zijn rechteroog te zien.
-
-Mijn oud-oom was een braaf, rechtschapen man, een van die zeldzame
-menschen, die met opgeheven hoofd en vasten tred het leven doorstappen,
-van de wieg tot het graf, zonder ooit te wijken of te buigen, brekende
-al wat den rechten weg verspert, vertrappende al wat kruipt of naar
-beneden trekt; een van die bijzondere menschen voor wien een booswicht
-beeft, voor wien een braaf mensch zijn minderheid erkent.
-
-Geen wonder dus dat zijn woorden mij geweldig hinderden. Terstond na
-zijn vertrek gevoelde ik dat hij gelijk had. Viola was te goed voor mij!
-Maar juist omdat zij te goed voor mij was, en omdat zij mijn liefde
-versmaadde, had de hare waarde voor mij verkregen, en zwoer ik bij mij
-zelven dat zij eenmaal de mijne zou zijn!—Vroeg of laat zou Viola mij
-toebehooren! Nooit zou een ander eenig recht verkrijgen op de vrouw,
-die mij eenmaal uit liefde alleen, haar gansche leven beloofd had!
-
-Vroeger had ik haar om mijnentwille liefgehad, omdat ik iets
-aangenaams, iets streelends vond in het denkbeeld van over iemand te
-heerschen, die mij als een vriend, een beschermer, een voorbeeld, een
-volmaaktheid beschouwde, en zelve als het ware niet leefde, niet
-bestond dan door haar grenzenlooze liefde voor mij.
-
-Nu gevoelde ik dat Viola zich aan mijn heerschappij onttrokken had, dat
-zij zich boven mij verheven achtte, dat zij mij haar liefde niet meer
-schenken wilde. En het was om harentwille dat ik haar lief begon te
-krijgen!
-
-Viola, goedig, zacht, aanhalig, vriendelijk, eenvoudig, de Viola van
-vroeger, voor wie ik een afgod was geweest, had ik als mijn eigendom
-beschouwd, als een bezitting, waarop geen ander ooit eenige aanspraak
-zou kunnen maken.
-
-De fiere, onbuigzame Viola van thans, was vrij. Zij gevoelde haar
-onafhankelijkheid, en verkoos die boven alles, zelfs boven den man,
-dien zij eenmaal zoo innig, zoo waarachtig lief had gehad.
-
-Welk een triumf voor mij, dien trots, dien hoogmoed, te doen buigen
-voor mijn wil!
-
-
-
-Mijn eerste bezoek den volgenden morgen was bij Viola.
-
-Ik kreeg belet.
-
-Ik plaatste mij onder een boom tegenover hare woning en bleef daar
-staan, vijf uren lang, met het oog op het venster van haar kamer
-gericht.
-
-Ik had gehoopt dat zij uit zou gaan; maar zij vertoonde zich niet.
-
-Tegen drie uur begon het te regenen, en ging ik naar huis.
-
-Den volgenden dag herhaalde ik mijn poging. Ik kreeg weer belet en
-bleef eenige uren onder den bewusten boom staan, zonder iets van Viola
-te bespeuren.
-
-Veertien dagen waren er op die wijze voorbij gegaan, toen ik eens, om
-drie uur naar huis terug keerende,—ik was altijd op het uur van mijn
-eerste regenbui naar huis gegaan—achter mij hoorde hoesten.
-
-Ik zag om en herkende Viola!
-
-Zij kwam uit een zijstraat en leunde op den arm van haar
-gezelschapsjuffrouw. Zij was nog bleeker, nog magerder dan de laatste
-maal dat ik haar gezien had. Hare oogen waren grooter geworden, haar
-lippen smaller, haar houding gebogener, haar gang langzamer, zij
-hoestte.....
-
-Zij had mij niet gezien. Eerst toen zij naast mij was gekomen, zag zij
-mij, bloosde even, wendde het hoofd van mij af en vervolgde haar weg
-naar huis.
-
-Veertien dagen lang had ik gehoopt haar te zien, had ik slechts éen
-wensch gehad: haar te spreken! Nu eindelijk zag ik haar, vóor mij,
-naast mij..... En ik zei niets.... geen woord.... Ik zag haar de stoep
-opgaan, aanschellen, binnentreden....
-
-De deur sloeg dicht.
-
-Van dien dag af staakte ik mijn pogingen om door haar ontvangen te
-worden en ging ik eerst tegen het vallen van den avond onder den boom
-tegenover het venster staan.
-
-Dan zag ik licht door de reten van de luiken schijnen. Maar het licht
-verdween elken avond wat vroeger.... totdat eindelijk alles duister
-bleef.
-
-Zou Viola ongesteld wezen, zwaar ziek, stervende mogelijk?
-
-Ik schelde aan.
-
-De gezelschapsjuffrouw deed mij open.
-
-»Viola wacht u. Ga binnen.”
-
-Mijn God, welk een geluk! Ik had wel aan de voeten van de juffrouw neer
-willen zinken om haar te danken voor die woorden. Maar Viola wachtte
-mij. Zij vergaf mij dus, zij zou de mijne zijn, zij behoorde mij reeds
-toe!
-
-En, zonder naar de juffrouw om te zien, stapte ik haar voorbij om bezit
-te nemen van mijn eigendom.
-
-Viola!
-
-Het was mij alsof de aarde onder mijn voeten wegzonk en de hemel over
-mijn hoofd in donkere golven voortrolde.
-
-Viola in die diepte!
-
-Viola op die golven!
-
-Een oogenblik was alles duister.
-
-»Dank je Eduard!”
-
-Die bekende lieve stem, die zachte handdruk riepen mij in de
-werkelijkheid terug.
-
-Viola lag op een zwart fluweelen canapé, haar oogen rustten op de
-mijnen, haar lippen lachten.
-
-Mijn God, welk een blik en welk een lach waren dat!
-
-Wat ik op dat oogenblik gevoelde, weet ik niet: het was mij alsof er
-niets meer bestond, niets dan mijn eigen ziel en die leed geweldig!...
-Hoe ik geknield naast de canapé ben gekomen, weet ik ook niet. Ik
-herinner mij niets meer van dat bezoek dan dat Viola’s stem mij in de
-ooren klonk en dat ik woorden gehoord heb die mij altijd bijgebleven
-zijn.
-
-»Verwondert het u dat ik sterf, Eduard?... Maar gij wist immers dat ik
-zonder u niet leven kon...
-
-»Uwe liefde was mij een levensbehoefte geworden... dit weet gij.... En
-toch hebt gij mij uwe liefde ontnomen....
-
-»Toen uw oom mij spreken kwam, had ik bloed opgegeven.... De dokter had
-mij gezegd dat ik genezen kon, indien ik naar Italië of het Zuiden van
-Frankrijk wilde gaan.... Maar ik was hier te gelukkig geweest... ik kon
-mijn stadje niet verlaten. Ik gevoelde toch dat ik sterven moest. En ik
-wilde sterven waar ik u had liefgehad...”
-
-Wat ik haar gezegd heb weet ik niet, maar zij antwoordde:
-
-»Neen Eduard, gij zijt jong, gij zijt gezond en sterk, het leven moet
-nog lang voor u zijn. Uwe toekomst kan nog zóo schoon, nog zóo gelukkig
-wezen! En wat kunt gij nog veel goed doen, nog veel nut stichten in de
-wereld....
-
-»Vergeet mij niet, Eduard!.... En wanneer gij weer een vrouw zult zien,
-die gij schoon vinden, die gij lief hebben zult, denk dan nog eens aan
-de arme Viola, en beloof haar uw liefde niet, wanneer gij haar later te
-leur zoudt kunnen stellen....”
-
-Verder herinner ik mij van dien avond niets meer, dan dat ik, t’huis
-komende, Seraf bij ongeluk op zijn staart trapte en hem toen met tranen
-in de oogen een zoen gaf.
-
-Nog nooit had ik zooveel van Viola gehouden.
-
-Arme Viola!
-
-Tweemalen ging ik haar nog bezoeken. Zij had mij alles vergeven. Toen
-ik de derde maal kwam, stond zij geheel gekleed in het midden van de
-kamer.
-
-O, dien dag vergeet ik nooit!
-
-Ik zie haar nog, met haar licht blauw gewaad, met haar goudblonde
-lokken en haar lieven zachten lach.
-
-»Eduard!” riep zij, zoodra zij mij zag. »O, mijn God, wat maakt gij mij
-gelukkig! .... Ik vreesde dat gij niet komen zoudt.... niet
-dadelijk.... en morgen....”
-
-»Ik verwachtte u, zoo als gij ziet,” viel zij zich zelve in de rede,
-mij op de blauwe japon wijzende, die ik haar vroeger het liefst zag aan
-hebben. Toen kwam zij mij eenige schreden te gemoet, wierp zich op eens
-in mijne armen, zag mij aan met een hemelschen blik, klemde zich vast
-om mijn hals en zeide fluisterend:
-
-»Ik sterf, Eduard!”
-
-Dien nacht heb ik gewaakt bij het lijk van mijn arme Viola.
-
-Drie dagen was ik radeloos. Toen haalde ik mijn balkleeren uit de kast
-en reed in een galakoets naar ’t kerkhof, om bij de ter aardebestelling
-van Viola’s stoffelijk overschot tegenwoordig te zijn.
-
-We waren met ons vieren. De dominé bij wien zij aangenomen was, de
-dokter die haar gedurende haar ziekte behandeld had, haar neef Van
-Wageningen en ik.
-
-Ik had Van Wageningen eens ontmoet. Het was eenige maanden geleden
-geweest, bij Viola aan huis, toen ons engagement pas publiek was
-geworden. Hij was opzettelijk in de stad gekomen om haar geluk te
-wenschen, en toen ik aan hem voorgesteld werd, had hij mij de hand
-gereikt met de woorden:
-
-»Mijnheer Heisterman, gij zijt gelukkiger geweest dan ik. Zij heeft u
-boven mij verkozen, God geve dat gij haar keuze rechtvaardigen zult.”
-
-Hij had toen een zeer gunstigen indruk op mij gemaakt, zoo zelfs dat ik
-over Viola’s smaak, alle eigenliefde op zij gesteld, eenigszins
-verwonderd was geweest.
-
-Wij zagen elkander een oogenblik zwijgend aan; toen kwam hij naar mij
-toe, reikte mij de hand, over Viola’s doodkist heen, en zei met een
-doffe halfgesmoorde stem:
-
-»Ik had haar moordenaar een eeuwigen haat toegedacht, maar zij heeft
-hem vergeven.... Geen vijanden moeten het zijn die de laatste eer
-bewijzen aan haar, die niets dan liefde kende.”
-
-Ik weet niet wat mij op dat oogenblik bezielde. Ik verloor op eens alle
-zelfbeheersching, beefde, waggelde, zag niets meer en zonk ter aarde.
-
-Toen ik weder tot mij zelve kwam, lag ik in mijn eigen kamer, in mijn
-bed. Van Wageningen zat naast mij over een courant te staren.
-
-Van toen af is hij mijn vriend geweest.
-
-Ik had Seraf, dacht mij, in lang niet gezien.
-
-Ik riep hem.—Hij kwam niet. Mijn vriend ging hem zoeken. Hij vond hem
-niet. Ik vroeg mijn oppasser of hij ook wist waar Seraf gebleven was.
-Hij wist het niet.
-
-Niemand, die in al die dagen aan mijn armen Seraf gedacht had! Ik zond
-mijn oppasser uit om hem te zoeken en beloofde hem een goede fooi,
-wanneer hij mij mijn getrouwen vriend terug zou brengen. De oppasser
-hield niet van Seraf, omdat mijn kleeren meestal vol lange witte
-hondenharen zaten.
-
-De gordijnen van mijn bed bewogen aan den kant van den muur.
-
-»Wat is dat?”
-
-Van Wageningen sprong op om het te onderzoeken.
-
-»Seraf!”
-
-Seraf kroop over den vloer langs den muur, tot bij den stoel waarop
-mijn vriend gezeten had. Dáar bleef hij een oogenblik onbewegelijk
-liggen. Toen richtte hij zich met moeite op en wilde met zijn
-voorpooten tegen het ledikant opstaan, zoo als hij gewoon was dit elken
-morgen te doen om mij te wekken. Maar zijne pooten gleden uit, en,
-zwaar als lood, zonk het arme dier op den vloer.
-
-Ik sprong dadelijk uit mijn bed en ging op mijn knieën naast hem
-liggen.
-
-Goede Seraf! Hij kreunde van vreugde, kwispelde met zijn staart, lekte
-mij de handen en wierp mij een van die lange, diepe, gevoelvolle
-blikken toe, zoo als hij alleen ze bezat.
-
-Ik streelde hem, nam hem op, verwarmde hem in mijn armen, lei hem in
-bed.... Hij drukte zich krampachtig aan mij vast, kroop al dichter en
-dichter tegen mij aan, verborg zijn kopje in de plooien van mijn mouw,
-kreunde, zuchtte, richtte zich op, lekte mijn hand, zag mij aan, rekte
-zich uit en stierf.
-
-Ik herinner mij niet, ooit zoo geweend te hebben als dien dag.
-
-De oppasser kwam de kamer in.
-
-»Ik heb den hond niet gevonden, meneer!”
-
-Ik verstond hem niet.
-
-Mijn vriend gaf den man een wenk om heen te gaan.
-
-»Wat is er?—Wie is daar?” vroeg ik plotseling.
-
-»Ik, meneer.”
-
-»Wie zijt gij?—Wat moet gij?”
-
-»Seraf....”
-
-»Zoo, zijt gij het! Wat heeft die hond gescheeld?” vroeg ik bevend van
-toorn, den oppasser verdenkende van hem vergiftigd te hebben.
-
-»Ik weet het niet, meneer. Hij heeft immers al sedert een dag of drie
-niets willen eten of drinken. Het heeft mij wel verwonderd dat meneer,
-die zoo veel van hem hield en hem den heelen dag bij zich op de kamer
-had, zag dat hij ziek was, en hem niets gaf om hem beter te maken....”
-
-Het was dus mijn schuld dat ook Seraf gestorven was!
-
-Een vreeselijke mélancholie overviel mij. Ik werd zwaar ziek. Mijn
-vriend verliet mij geen oogenblik.
-
-In die ziekte heb ik een visioen gehad, een droom zou een ander zeggen,
-ik noem het liever een visioen.
-
-Ik was op den top van een berg en de grond waarop ik stond bewoog, was
-glibberig en rookte. Zware donkere wolken rolden met een spookachtig
-dof gedruis door elkander en duwden mij voort met een kracht waaraan ik
-geen weerstand kon bieden. Eerst ploften zij mij in een peillooze
-diepte, waarin ik duizelend ronddwarrelde als een stofje in een
-zonnestraal, totdat ik stuitte tegen een hoogte, die ik beklimmen
-moest. Daarna voerden zij mij mee in haar eindelooze vlucht en dreven
-met mij door een duistere, koude en vochtige ruimte, totdat zij
-plotseling met een vreeselijk geweld uiteen vlogen en mij nederwierpen
-op de aarde, die gedurende eenigen tijd voor mij had opgehouden te
-bestaan. Toen bevond ik mij weer op den top van den berg, aan den voet
-waarvan een onafzienbare vlakte lag, die in damp en rook verdween
-zoodra ik haar bereiken ging.... Alles was koude, duisternis, beweging,
-gedruis, onzekerheid, verwarring....
-
-Daarop volgde een allerzonderlingste toestand. Ik hield op te denken,
-te weten, te beseffen; mijn lichaam scheen dood en mijn geest
-vernietigd. Doch mijn ziel bleef voortbestaan, zij alleen gevoelde nog
-en gevoelde enkel om te lijden, om vreeselijke, onbeschrijfelijke
-smarten te doorstaan. Het was alsof ik dubbel bestond. Mijn éene ik zag
-ik voor mij liggen, koud, stijf, onbewegelijk, dood.... En mijn andere
-ik moest voort blijven leven met bewustzijn, herinnering en voorgevoel.
-Ik zag het, ik wist het en weende van droefheid over het leven dat mijn
-eerste ik verspild had; ik sidderde van angst voor het lot dat mijn
-tweede ik te wachten stond.... Krankzinnigen moeten weleens zoo iets
-gevoelen. Zulke smarten, zulke angsten vooral, zijn voor een gezond
-mensch nauwelijks denkbaar.
-
-Op eens was alle gevoel van smart en lijden voorbij. Een rust, een
-kalmte, een soort van gelukzaligheid, nergens bij te vergelijken,
-volgde.
-
-Een kleine lichtende hand zweefde mij voorbij. Aan die hand kwam een
-arm, aan dien arm een lichaam, op dat lichaam een hoofd.
-
-Viola, de stervende Viola, met haar dankbaren lach en haar hemelschen
-blik, zweefde als een lichtende engel door de dichte duisternis, die
-mij omringde, naderde mij en reikte mij de hand. Die hand was koud als
-die eener doode.
-
-»Volg mij!” sprak zij zacht.
-
-Ik volgde.
-
-De duisternis verminderde, het geraas hield op, de ruimte kwam tot
-rust, een doodsche stilte heerschte om ons heen. Ontelbare hooge,
-breede, lichtende trappen en lange zonnige gangen omringden ons van
-alle kanten.
-
-Viola’s hand rustte nog in de mijne, doch zij zelve was geheel
-onzichtbaar voor mij geworden, haar heldere, doorschijnende gedaante
-was met het licht inéengesmolten.
-
-Wij zweefden de hooge trappen op en af, en ik zag reeds een menigte
-gangen als gouden bogen onder en achter ons liggen, toen een lichtende
-deur ons belette verder te gaan. Viola wenkte dat ik mij achter haar
-zou plaatsen. De deur ging open. Een onvergelijkelijk schoone muziek
-trof mijn oor.
-
-Wij bevonden ons ergens waar het heldere licht mij verblindde en iets
-mij als bedwelmde.
-
-Langzamerhand kreeg ik het gebruik van mijn zintuigen weder. Mijn
-gehoor was zelfs fijner geworden dan het ooit geweest was. Doch ik zag
-dof en als door een nevel heen, en mijn verstand duizelde, mijn
-denkbeelden waren verward.
-
-Eerst zag ik niets, ik hoorde slechts; daarna was het mij alsof mij
-iets ontnomen werd; toen kreeg ik iets anders daarvoor in plaats. Het
-licht werd langzamerhand doorschijnend, mijn ziel zag er doorheen en
-herkende Viola weder. Zij stond naast mij, zag mij aan en wees met de
-hand naar de ruimte, die vóor ons lag.
-
-Daar onderscheidde ik toen ontelbare ietsen, die door elkander
-wemelden, wezens van verschillende soort, zonderlinge gedaanten,
-onbeschrijfelijke vormen, vreemde schepselen zonder tal of naam, die
-zich bewogen, voort snelden, samensmolten en eindelijk wegstierven in
-het alles omvattend licht, waarvan ook zij een deel schenen uit te
-maken.
-
-Dáar zweefden de eeuwen die voorbij waren en de dagen die nog komen
-moesten, in een harmonisch geheel verbonden volgens de groote wetten
-der volmaaktheid voort, terwijl een zee van licht een betooverende
-pracht en rijkdom ten toon spreidde die zingend door een eindelooze
-ruimte van geluk en leven golfde.
-
-Viola trad een schrede terug. Ik volgde haar. De groote deur sloeg
-dicht.
-
-»Gij hebt genoeg gezien,” sprak zij zacht.
-
-Toen kwamen de millioenen trappen weder, en de eindelooze gangen, die
-geen andere scheidsmuren hadden dan hunne doorschijnende gouden strepen
-van minder helder licht.
-
-Alles was eindelijk verdwenen.
-
-»Het leven moet nog lang voor u zijn. Uwe toekomst kan nog zoo schoon,
-nog zoo gelukkig wezen! En wat kunt gij nog veel goed doen, nog veel
-nut stichten in de wereld!”
-
-Zoo klonk mij Viola’s stem als een hemelsche muziek nog na.
-
-»O Eduard! heb medelijden!”
-
-Dàt waren hare laatste woorden.
-
-Mijn oog viel op de groene saaien bedgordijnen, dwaalde van daar naar
-de zes houten stoelen, die onbewegelijk op hun vierkante pooten
-stonden, rustten een oogenblik op de vrouwenportretten die de wanden
-van mijn kamer versierden, en staarde verder voort, zonder iets meer te
-zien van hetgeen mij omringde.
-
-Een maand later was ik hersteld.
-
-Wat was toen alles anders geworden! Het scheen mij alsof de geheele
-wereld veranderd was in die eene maand, die mij een eeuwigheid geleek.
-De menschen vond ik jonger geworden, zorgeloozer, onnadenkender, de
-wereld ruimer en het leven korter....
-
-Ik alleen was oud geworden.
-
-»O Eduard! heb medelijden!” hoorde ik weer zingen in de ruimte.
-
-Toen nam ik een kloek besluit. Ik pakte mijn koffer, nam afscheid van
-mijn eenigen vriend—uw vader—en vertrok naar Indië, met de herinnering
-aan een slecht besteede jeugd en aan twee dierbare dooden van wie ik
-Liefde had geleerd.
-
-
-
-
-
-
-
-
-DRIEENTWINTIGSTE HOOFDSTUK
-
-HOE HET KWAAD ONTSTAAT
-
-
-Een morgenbezoek was een vreemde vertooning te A. Louise zag dan ook
-vrij verwonderd op, toen men haar, het was op een Woensdagmorgen, tegen
-half elf, mevrouw Joly kwam aandienen.
-
-»Laat mevrouw plaats nemen, ik kom dadelijk,” en tot zichzelve
-sprekende, voegde zij er zacht bij: »Zeker voor iemand die arm of
-ongelukkig is, en zelf niet durft komen om hulp te vragen.”
-
-Zij zette schielijk haar werkmandje ter zijde en verscheen een
-oogenblik later in kaïn kabaya met loshangend haar in de binnengalerij,
-waar mevrouw Joly haar met ongeduld zat te wachten.
-
-Louise had van het eerste oogenblik af dat zij mevrouw Joly gezien had,
-een instinctmatigen afkeer van deze dame gevoeld, zonder zich te kunnen
-verklaren, waarom. De resident, die haar sedert jaren kende, noemde
-haar een goed, dom mensch, maar hoe Louise ook naar deze eigenschappen
-gezocht had, zij had ze nooit in mevrouw Joly kunnen vinden, wier
-grijnslach, volgens haar, meer geslepenheid dan domheid verried, en
-wier goedheid zich doorgaans oploste in jeremiaden over ongelukkigen,
-waarvan men later niets meer hoorde, en die slechts een oogenblik
-schenen bestaan te hebben, om mevrouw Joly in de gelegenheid te stellen
-van charitable te schijnen en »kassian!” te roepen.
-
-Na de gebruikelijke plichtplegingen, en na eenige woorden gewisseld te
-hebben welke voor geen der beide dames eenige waarde hadden, vroeg
-mevrouw Joly, geheimzinnig omkijkende:
-
-»Kan niemand ons hier hooren, mevrouw?”
-
-»De bedienden mogelijk, anders niemand; waarom?”
-
-»De bedienden! Het is juist over uwe bedienden dat ik u spreken
-wilde.... Er zijn praatjes in omloop—u betreffende—beneden alle
-kritiek!—En gij begrijpt, uw bedienden....”
-
-»Neen, ik begrijp niets.”
-
-»Gij ziet mijnheer Werner veel, niet waar?”
-
-»Ja, zeer veel.”
-
-»Een lief mensch?”
-
-»Heel lief.”
-
-»De resident is ’s avonds veel op zijn kantoor tegenwoordig?”
-
-»Ja, nog al veel.”
-
-»Is hij niet jaloersch?”
-
-»Jaloersch?”
-
-»Ja, van u, van Werner enfin.”
-
-»Van mij? Van Werner?—Neen, daar heeft hij geen reden toe!”
-
-»Dat zegt de wereld niet.... Geloof mij, lieve mevrouw, wees wat
-voorzichtig met de bedienden, want gij weet niet hoe de praatjes in de
-wereld komen.”
-
-»Hm!” kwam Louise lachend en zij trok de schouders op, alsof zij zeggen
-wilde, »wat kunnen mij de praatjes schelen.”
-
-Mevrouw Joly zweeg een oogenblik, daarna nam het gesprek een andere
-wending, en toen het half twaalf sloeg stond zij op, om te vertrekken.
-
-Louise begeleidde haar tot in de voorgalerij. »Mijn beste groeten aan
-de meisjes!” riep zij, klaar om naar binnen terug te keeren, maar
-mevrouw Joly stak nog even het hoofd buiten het portier van het rijtuig
-en riep haar van verre toe:
-
-»Zult gij er aan denken? Gij weet wat ik bedoel.—Mijnheer Werner is
-voorzeker een charmant mensch, maar de resident is veel ouder dan
-gij—en de wereld is kwaadsprekend.—Geloof mij, vertrouw de bedienden
-niet. Adieu!”
-
-Het rijtuig was weggerold eer Louise mevrouw Joly’s bedoeling recht
-begrepen had. En toen zij begon te begrijpen, zag zij een klerk met
-eenige vellen papier in de hand vóor de deur van het kantoor van den
-resident staan en twee oppassers op de hurken zitten bij een pilaar.
-
-Een blos van verontwaardiging overtoog haar gelaat. Maar de blos
-verdween, en kalm en rustig stapte zij den klerk en de oppassers
-voorbij om naar haar kamer terug te keeren.
-
-»Ik zal haar rekenschap van die woorden vragen. Zij zal ze intrekken,
-want zij heeft mij beleedigd en verlaagd in de oogen van de personen
-die haar gehoord hebben. Ellendige intrigante!—Werner!... Ik zal het
-Stevens zeggen—ik zal.... Neen, ik zal niets. Wat kan het mij schelen
-wat een mevrouw Joly vertelt! Laat de menschen praten wat zij willen!
-Ik acht mij te ver boven die nietigheden verheven om er mij mede in te
-laten.”
-
-Dit waren haar eenige gedachten over mevrouw Joly’s bezoek, en een paar
-uur later herinnerde zij zich nauwlijks nog dat zij dien morgen een
-bezoek gehad had.
-
-Dien avond kwam Werner. Tegen negen uur ging de resident naar zijn
-kantoor om eenige stukken in te zien en liet hij zijn vrouw met Werner
-alleen.
-
-Louise was teruggetrokken. Ook Werner was stil. De twee oppassers, die
-’s morgens bij den pilaar gezeten hadden, gevoelden zich te veel in die
-lange voorgalerij, en slopen de stoep af, om zich in de schaduw te
-verbergen en niemand tot last te zijn.
-
-Eenige dagen later kwam de adsistent-resident, de heer Joly, den
-resident bezoeken. Zij waren met hun beiden alleen en hij bleef langer
-dan naar gewoonte.
-
-Dien avond kwam Werner weder.
-
-Er lagen stapels brieven en pakketten op het kantoor, maar de resident
-stak de eene sigaar na de andere op en verliet de galerij niet.
-
-Werner was spraakzaam, Louise vroolijk en de beide oppassers zaten
-rechtop in het volle licht der lampen.
-
-Meer dan eens had Louise dien avond Stevens oogen ontmoet, en er een
-uitdrukking van toorn, haat of wantrouwen in gelezen. Maar de fiere
-reine vrouw had zich verzet tegen een onverdiend verwijt en stouter dan
-ooit had zij haar rustigen blik om zich heen geworpen en het hoofd
-omhoog geheven.
-
-»Gij hadt van avond op meer geluk gehoopt, niet waar?” waren de eerste
-woorden van den resident, zoodra hij zich met zijn vrouw alleen bevond.
-
-»Hoe meent gij dat,” vroeg zij verbleekend.
-
-»Ik meen het, zooals gij het verstaat!—Maar de gulden tête-à-tête-eeuw
-is voorbij!—Als gij niet weet hoe gij u te gedragen hebt, dan zal ik het
-voor u weten. En om te beginnen: geen Werner meer over den vloer als ik
-op het kantoor ben!”
-
-»Wat zegt gij daar?”
-
-»Dat gij meer om Werner geeft dan om mij!—Begrijpt gij nu wat ik meen?”
-
-Louise’s oogen vonkelden van verontwaardiging, haar wangen gloeiden,
-haar lippen trilden om de schitterend witte tanden en het was als werd
-zij grooter onder de beschuldiging die haar verpletteren moest.
-
-»Gij liegt!” riep zij op eens. »En gij gelooft zelf niet aan een
-misstap dien gij voor onmogelijk houdt!—Ik heb u nimmer lief gehad, dit
-weet gij, maar bedriegen zal ik u nooit, dit weet gij ook!—Het zou mij
-niet mogelijk wezen van iemand te houden wiens liefde ik voor bedrog
-moest koopen....
-
-»Verontrust u dus niet, resident,” vervolgde zij met een trotschen
-glimlach, »als ik ooit een schepsel vinden zal dat ik lief zal hebben,
-dan zult gij de eerste wezen die het weten zult, want mijn keuze zal
-goed wezen en voorzeker op iemand vallen, die groot en edel genoeg zal
-zijn om genoemd te kunnen worden.”
-
-»Louise!” gilde de resident dreigend. Maar toch bewonderde hij de vrouw
-die hij verachten wilde en trok hij de hand terug die hij tot haar had
-durven opheffen.
-
-Louise antwoordde niet. Zij zag die groote, ruwe hand van boven haar
-hoofd verdwijnen zooals zij een oogenblik te voren verschenen was, en
-zonder verder acht op den resident te slaan begaf zij zich naar hare
-kleedkamer, waarvan zij de deur achter zich dichtsloot, om zich
-ongestoord aan haar gevoel te kunnen overgeven.
-
-Duizende gedachten, vragen, gissingen, herinneringen, doorvlogen haren
-geest, maar allen smolten weg in een vloed van tranen, die haar oogen
-ten laatste zoozeer verduisterde, dat zij niets meer zag dan een
-menigte dunne wolken die zich om haar heenpakten, al zwaarder en
-zwaarder werden, een groote, ruwe hand omzweefden, grijs werden—zwart
-werden....
-
-
-
-Een haan kraaide onder het venster.—Louise ontwaakte verschrikt. Zij
-lag op een matje, vóor een bank. Het was vijf uur in den morgen, haar
-oogen waren roodgeschreid.
-
-Toch wist zij niets.
-
-
-
-Maar wij weten dat mevrouw Stevens van Langendijk een slavin had, die
-Alima heette en haar benijd werd door de meeste dames van A. En wij
-weten ook dat Werner rijk was, en dat mevrouw Joly vijf dochters had.
-
-
-
-
-
-
-
-
-VIERENTWINTIGSTE HOOFDSTUK
-
-GEVOELEN EN BEGRIJPEN
-
-
-Na dien dag werd de naam van Werner noch door Louise noch door den
-resident meer genoemd, totdat Willem eens den ongelukkigen inval had
-van aan tafel te vragen:
-
-»Hè mama, wat is mijnheer Werner er in lang niet geweest!”
-
-»Toevallig,” antwoordde Louise, maar eer zij verder spreken kon was de
-resident van zijn plaats opgestaan en had hij het kind een klap om de
-ooren gegeven en bij een arm de achtergalerij uitgeslingerd, zoodat het
-met het hoofd op den grond in den tuin was neergestort.
-
-»Dat zal u leeren te vragen naar hetgeen u niet raakt!” riep hij, rood
-van woede naar zijn plaats terugkeerende.
-
-Het kind weende niet, schreeuwde niet, zeide geen woord, maar kwam
-bedaard de stoep weder op. Nog altijd met zijn lepel in de hand, een
-buil op zijn voorhoofd, een scheur in zijn kieltje, plaatste hij zich
-tegen een pilaar vlak bij de tafel, en staarde mevrouw Stevens aan,
-alsof hij zeggen wilde:
-
-»Verdedig mij!—Het is uw plicht.”
-
-Louise was bleek en bevend van haar stoel opgesprongen, maar toen zij
-het kind daar zóo trotsch, zoo onbewegelijk tegenover zijn vader staan
-zag, was het haar alsof zij zijne moeder zag. Die sombere blik, die
-gebiedende houding, die koude, onverschrokken uitdrukking van het
-gelaat, alles bracht haar de schoone fiere Mina voor den geest, en het
-was haar niet mogelijk een enkelen pas te doen.
-
-»Schaam u!” schreeuwde de resident, bijna stikkende in een hap drooge
-rijst.
-
-»Neen,” antwoordde het kind hem met vlammende blikken aanziende.
-
-»Slaag te krijgen in tegenwoordigheid der bedienden!” ging zijn vader
-schimpend voort.
-
-»Omdat ik te klein ben om mij te verdedigen, slaat gij mij; gij hebt
-mijn moeder ook geslagen—gij zoudt den gouverneur-generaal niet slaan!”
-
-Gelukkig was Louise het kind terstond ter hulp gesneld en met hem naar
-haar kamer gevlucht, daar er bijna op hetzelfde oogenblik een regen van
-messen, lepels, vorken, glazen, borden, flesschen, op de plek
-neerstortte waar de kleine Willem gestaan had.
-
-»Waarom zegt gij zulke dingen ook?” vroeg Louise met tranen in de
-oogen, zoodra zij zich met het kind in veiligheid bevond. »Gij weet
-immers dat uw vader driftig is, ontzie hem dan toch en spreek hem niet
-tegen. Indien hij u zonder reden straft handelt hij verkeerd, maar
-indien gij uw vader niet eerbiedigt, doet gij mij verdriet aan,
-Willem.”
-
-Het kind zag haar een oogenblik aan alsof het haar woorden niet recht
-begreep. Toen drongen er groote tranen in zijn oogen, wierp hij zich
-luid snikkend in haar armen en bedekte hij haar gelaat met kussen.
-
-»Ik zal het nooit weer doen!” riep hij afgebroken. »Ik beloof het u.”
-
-En van dat oogenblik af kon Louise door zachtheid alles gedaan krijgen
-van het trotsche, onbuigzame kind, dat nog nooit voor een hard woord
-bevreesd was geweest, of voor een pak slagen terug was gedeinsd.
-
-»Slaan is goed,” zeggen sommige menschen, en zij deelen zooveel klappen
-uit als zij slechts kunnen, zonder gevaar te loopen van er eenigen
-terug te krijgen. Vraagt gij hun waarvoor het goed is, dan geven zij u
-ten antwoord: »voor alles”. En verzoekt gij hen, u een enkelen persoon
-op te noemen, die door slaag goed geworden is, dan kunt gij bijna zeker
-wezen altijd te hooren: »Ik zelf. Ik verzeker u dat ik menigen oorveeg
-gekregen heb, die mij goed heeft gedaan.”
-
-»Van wie?” vraagt gij verder, indien gij er den moed toe hebt.
-
-»Van mijn vader, van....”
-
-»Genoeg. Om bij uw vader te blijven. Hebt gij uw vader ooit lief gehad,
-geacht, vertrouwd vooral, zooals gij wenschen zoudt dat uwe kinderen u
-liefhebben, u achten, u vertrouwen zouden?”
-
-De meesten zullen u op deze vraag het antwoord schuldig blijven.
-Enkelen zullen »Neen” zeggen; niet éen zal »Ja” antwoorden. Waarom?
-Omdat een kind, boven alles, behoefte heeft aan liefde. Het gevoelt
-zijn zwakheid, zijn afhankelijkheid, zijn hulpeloosheid, zonder zelf te
-weten wat het gevoelt. Het zoekt instinctmatig een steun, een leidsman,
-een beschermer. Zijn ouders zijn natuurlijk degenen van wie hij dien
-steun, die leiding, die bescherming verwacht, en hij is gereed hun
-daarvoor zijn bewondering, zijn gehoorzaamheid, zijn dankbaarheid, zijn
-vertrouwen, zijn gansche ziel te schenken.
-
-Sla hem nu.... Sla hem, wanneer hij u niet begrijpt, omdat gij u niet
-begrijpelijk voor hem maken kunt.
-
-Sla hem, omdat hij kwaad doet, dat voor hem geen kwaad kan wezen.
-
-Sla hem, omdat hij op een ongelukkig oogenblik iets zegt, waarover gij
-een oogenblik te voren gelachen zoudt hebben.
-
-Sla hem, omdat hij een les niet kent die niet voor zijn verstand
-berekend is. Omdat hij op zijn beurt, een jonger broertje of zusje
-slaat, zooals papa hem gisteren sloeg. Omdat hij schuld bekent wanneer
-hij iets misdreven heeft. Omdat hij liegt uit angst van slaag te
-krijgen. Omdat.... Ja, om nog honderde dergelijke redenen meer, die
-voor het arme kind even zooveel raadselen zijn, even zooveel grieven
-worden zullen. En verwonder u, als gij kunt, wanneer uw kind later
-beven zal op het hooren uwer voetstappen, of lachen zal om uw
-gestrengste kastijdingen, of koud zal blijven voor uw dringendste
-beden.
-
-Beklaag u, als gij durft, wanneer Emma, uwe dochter, eenmaal het
-zachtste, fijngevoeligste, aanvalligste kind der wereld, tot een
-laaghartige, kruipende vleister zal zijn opgegroeid; of Ada met haar
-open oog, haar reine ziel, haar sterken geest en haar uitmuntend hart,
-een raadsel voor allen zal geworden zijn; wanneer uw oudste zoon, een
-geestige, flinke jongen, niettegenstaande zijn buitengewoon verstand,
-zijn groote, fiere, edele ziel, zijn oprecht en eerlijk hart en de
-duizende roemrijke daden zijner kindschheid, als een gewoon mensch het
-leven door zal zwoegen; of Léonard, uw Benjamin, de lieveling zijner
-moeder, omdat hij vroolijk, goedig, volgzaam, toegevend, medelijdend en
-dienstvaardig was, een vriendelijk, zacht, openhartig kind, dat niemand
-ooit met opzet eenig leed zou hebben aangedaan, zich door anderen heeft
-laten medeslepen, van eene zwakheid in een laagheid is vervallen, van
-lafaard huichelaar geworden is om weldra van huichelaar bedrieger te
-worden, nog eenige graden lager te dalen, al dieper en dieper te zinken
-en God weet hoe zijn ongelukkig leven te eindigen.
-
-Ja, beklaag u over dat alles, wanneer gij uwe groote kinderen bij de
-kleinen vergelijken zult. Betreur al het goede dat verloren is gegaan,
-en ween over het kwaad dat daaruit voortgekomen is... Maar wees vóor
-alle dingen oprecht, en beken dat gij het zelf geweest zijt die van uwe
-kinderen gemaakt hebt wat er van geworden is.
-
-Beken dat gij door zachtheid, van Emma iéts bijna idealisch liefs, van
-Ada iets buitengewoon groots en edels hadt kunnen maken. Dat uw oudste
-zoon bestemd scheen om een boven zijn tijd verheven mensch te worden,
-en uw goede Léonard geroepen was om geheel voor het nut en het welzijn
-der menschheid te leven, waaraan zijn liefdevol hart met zooveel
-zelfopoffering en blijdschap elk uur van zijn bestaan zou hebben
-toegewijd.
-
-Beken het, dat uwe dochters als troostende, beschermende, reddende
-engelen, in hare huisgezinnen dat geluk hadden kunnen brengen, wat
-slechts zoo zelden op aarde gevonden wordt. En dat uwe zonen de
-menschheid een pas verder hadden moeten brengen op den onafzienbaren
-weg van vooruitgang, die voor hen open lag.
-
-Beken dat alles en verbloem het voor niemand, vooral niet voor uwe
-kinderen, die u de hardste les gegeven hebben welke een vader krijgen
-kan. Beken hun dat gij uit onwetendheid, of onnadenkendheid verkeerd
-gehandeld hebt, opdat zij zich in uw voorbeeld spiegelen en niet, ook
-op hunne beurt, met de beste bedoelingen der wereld, hunne kinderen met
-slaag zullen groot brengen, en er al het goede van verwachten zullen,
-hetwelk zij zelven bezig zijn er uit te slaan.
-
-
-
-Toevallig of liever ongelukkig, kwam Werner op den avond van den dag
-die reeds zoo noodlottig begonnen was, mijnheer en mevrouw Stevens een
-bezoek brengen.
-
-De resident was onverdragelijk gehumeurd. Niets was goed. De thee
-deugde niet; alle vliegende mieren hadden het op zijn kopje, alle
-muskieten op zijn hoofd voorzien. De kinderen waren te wild en werden
-weg gezonden, de wijn smaakte naar de kurk; de lampen gaven geen licht;
-de manilla sigaren waren bokjes; Napoleon zou binnen zes maanden
-vermoord of weggejaagd zijn; de suiker zou goedkooper worden en Werner
-zou stellig veertig duizend gulden minder maken dan het vorige jaar,
-enz. enz.
-
-»Zeg, weet je ook een goede gelegenheid om de jongens naar Holland te
-zenden?” vroeg de resident op eens, tusschen een paar rookwolken door.
-
-»De jongens? Uwe jongens, resident?” vroeg Werner onzeker.
-
-Louise’s oogen konden alleen vragen.
-
-»Ja, mijne jongens. Verwondert je dat zoo?—Je lijkt mijn vrouw wel, die
-je zeker ’t wachtwoord van verbazing gegeven heeft.”
-
-»Ik wist niet dat u plan had...”
-
-»Ik ook niet, maar het verveelt me, dat eeuwig gezeur met die kinderen.
-Sedert Willem ziek geweest is, speelt hij hier de eerste viool in huis.
-Het is belachelijk! Daar moet een einde aan komen, en zoodra ik een
-goede gelegenheid kan vinden moeten de kinderen weg, zoo spoedig
-mogelijk, dadelijk!”
-
-»Maar Stevens....”
-
-»Uiterlijk over eene maand, maak er uwe rekening maar naar...”
-
-»Over éene maand! En dat zegt gij mij zóo? Maar gij meent het niet. De
-kinderen zijn nog zóo klein, zij hebben nog zóo veel hulp, nog zoo veel
-zorg noodig, zij....”
-
-»Die zullen zij daar vinden, even goed als hier.”
-
-Louise zeide niets meer. Zij sloeg de oogen neer en weende.
-
-»Huil je nu? Dat is waarachtig wel de moeite waard! Eigen moeders
-zenden haar kinderen wel naar Europa zonder lawaai! En jij stelt je
-daarvoor zoo aan, ofschoon de jongens je van de verste verte niet
-raken?”
-
-Hij lachte, zijn ouden scherpen schaterlach, die nergens weerklank
-vond.
-
-Te vergeefs had Werner reeds eenige malen beproefd het gesprek een meer
-onderhoudende, wij zouden bijna zeggen, een meer goedkeurende wending
-te geven. De resident bleef volhouden, en behaalde zulk een
-luisterrijke overwinning op zijn gast, dat hij den geheelen avond
-alleen aan het woord bleef, alles afkeurende, beschimpende,
-veroordeelende, zonder eenige tegenspraak te ontmoeten.
-
-Louise bleef stil en teruggetrokkener dan ooit. Werner was anders als
-gewoonlijk.
-
-Wat duurde die avond lang!
-
-Eindelijk sloeg het elf uur en stond Werner op om heen te gaan. Als
-altijd reikte Louise hem de hand, als altijd ook raakte hij die
-nauwelijks met de toppen zijner vingers aan. Toch lag in die lichte
-aanraking iets dat Louise deed opzien. Hare oogen ontmoetten de zijnen.
-Op dat oogenblik gevoelde zij voor het eerst dat Werner haar lief had,
-zoo als Werner gevoelde dat zijne liefde beantwoord werd.
-
-
-
-
-
-
-
-
-VIJFENTWINTIGSTE HOOFDSTUK
-
-PLANNEN
-
-
-Zeven meiden aan het werk! Kieltjes, buisjes, broekjes, zakdoeken,
-sokjes, alles lag verspreid over den planken vloer der boven
-voorgalerij en, te midden dier bekende voorwerpen, een vol stuk flanel,
-eenige ellen grijs en donkerbruin laken, wollen kousen, dikke gebreide
-kinderborstrokken, handschoenen, cache-nez, enz. enz.; men wist geen
-raad van de warmte als men al dat wollen goed aanzag in een hitte van
-drie en negentig graden.
-
-Arme kinderen! Zij zullen spoedig hunne drie en negentig graden missen
-en terug wenschen als ze in al dat wollengoed gepakt, met bevroren
-gezichtjes en verstijfde handjes denken zullen aan hun zonnig
-moederland, en aan de wijde katoenen hansop waarin ze vrij en luchtig
-rond konden springen, als apen in het woud.
-
-Arme Louise! Zij wist niet veel meer dan de kinderen van hetgeen hun te
-wachten stond in het heerlijke Nederland, dat haar doorgaans
-voorgeschilderd werd als de bakermat van roode kool en aardbeziën, van
-sneeuwballen, schaatsenrijden, tulpen, hyacinthen, nachtegalen,
-seringen, jasmijnen en kersen... Dat was het kinder-Nederland van den
-resident, de herinneringsdroom van de meeste Hollanders. Maar het
-wezenlijke Vaderland?... het koude, dampige, donkere plekje grond, met
-zijn waterschat, zijn handelsgeest, zijn bevrozen geniën, zijn....
-
-Louise wist niet meer dan de kinderen. Toch drong haar fijn vrouwelijk
-instinkt vrij ver door in de schemering der ongekende werkelijkheid.
-Zij gevoelde koude en ontbering voor de arme kleinen, in dat verre land
-waar niemand ze kende, niemand ze lief had, niemand belang had bij hun
-geluk.
-
-»’t Is wreed,” had zij tegen den resident gezegd, »die schepseltjes in
-handen van menschen te stellen, die niets met hen gemeen hebben.”
-
-»Zij moeten leeren”, had hij barsch geantwoord, »en wanneer een jongen
-wat mishandeld wordt, leert hij het best.”
-
-»Maar ze zijn nog te jong om te leeren, en welk nut kan de mishandeling
-alleen dan hebben?”
-
-»’t Is altijd goed voor jongens onder vreemden te zijn.”
-
-»Maar die vreemden zullen u geld kosten en hen ongelukkig maken. Is dat
-het doel dat gij beoogt?”
-
-»Provisionneel beoog ik geen ander doel dan ze ver van hier te hebben.
-Hollanders moeten het worden en geen liplappen—nuttige leden der
-maatschappij en geen leegloopers, denkende en handelende wezens en geen
-domme, lamme kleurlingen, die onbruikbaar zijn voor alles.
-
-»Kleurlingen zijn het,” antwoordde Louise kalm »dat kunnen die kinderen
-niet helpen, maar dat is geen reden waarom zij hier in het land dom en
-lam zouden opgroeien, en dat Nederland Phenixen van ze maken zal. Ook
-ben ik niet tegen een Europeesche opvoeding, maar wel tegen het
-wegzenden van kinderen die zoo jong zijn, dat ze volkomen hulpeloos
-overgeleverd worden aan menschen, die volstrekt geen reden hebben om
-goed voor hen te wezen.”
-
-»Gij hadt ook geen reden om goed voor hen te zijn, en zijt het toch
-geweest—te goed zelfs.”
-
-»Had ik geen reden, resident?... Of weet gij de reden niet, misschien?”
-
-Er lag zulk een scherp verwijt in haar donkeren blik, toen zij hem deze
-woorden toevoegde, dat de resident zijne oogen voor de haren nedersloeg
-en de kamer verliet met een kort en bondig:
-
-»Alles goed en wel, maar hoe het ook zij, aanstaanden Woensdag
-vertrekken de kinderen naar Europa.”
-
-Zij zeide niets meer. Zij oogde hem na, en er sprak een haat uit dien
-blik, dien hij gevoeld moet hebben, ook zonder hem te zien.
-
-»En dat zijn zijne eigen kinderen. Wat is een mannenhart toch een
-ellendig ding! Bevelend, koud en wispelturig in het dagelijksche leven,
-en wanneer het lief heet te hebben, onstuimig, woest, baatzuchtig,
-wreed, zonder eenig ander doel dan eigenbelang en trots. O, mannen! ’t
-zijn ellendelingen!”
-
-Een blond, slank beeld rees op voor haren geest... Blozend bracht zij
-een onwillekeurige gedachte tot zwijgen.
-
-»Ook hij misschien... ik ken hem niet..... O neen, hij niet!”
-
-
-
-Zij knipte wollen kieltjes en flanellen borstrokjes, pakte kistjes vol
-dun goed en kistjes vol wintergoed, nummerde de kistjes, het hoogste
-nummer voor het laatste, dat was het dikste wollengoed.
-
-»September.... het zal Januari zijn als zij in Holland aankomen....
-Kassian!”
-
-Een flesch suikergoed in het eene kistje, eene doos speelgoed in het
-andere—hier en daar een pak goelalie, dáar een zak vol katjang.
-
-»Njonja, sinjo Willem sakiet.” [34]
-
-»Wat? Is Willem ziek?”
-
-Zij vond het kind met een heete koorts in bed. Zij gaf het terstond een
-dosis kasterolie, bracht haar werk in de ziekekamer en zond een
-oppasser te paard naar de stad om den dokter te halen.
-
-De resident kwam even in de kamer om te zien wat er gaande was, en
-beweerde dat kinderen zoo dikwijls het een of ander mankeerden, dat men
-zich over zoo’n koortsje niet ongerust behoefde te maken.
-
-»Maar ziek als hij is, kan er geen spraak van vertrekken wezen” zeide
-Louise half smeekend.
-
-»Geen spraak van vertrekken! Wel poes, het is pas Maandag van daag; eer
-het Woensdag is, zijn wij allen dat koortsje vergeten! Ik zie wel dat
-je niet aan kinderen gewoon bent, anders zou je zooveel lawaai niet
-maken over zoo’n onnoozel koortsje.”
-
-
-
-
-
-
-
-
-ZESENTWINTIGSTE HOOFDSTUK
-
-PLICHT
-
-
-Het was lang Woensdag geweest, en nog altijd was de kleine Willem ziek.
-
-De resident was naar de societeit gegaan en Louise zat alleen in de
-kinderkamer bij het bedje van den armen jongen, die, half bewusteloos,
-half slapend lag te worstelen tegen een aanhoudende koorts.
-
-»Toewan Werner!” klonk een stem en, eer Louise een woord kon zeggen,
-had Siedin den jongen landheer binnen gelaten, die gekomen was om zich
-naar den toestand van het kind te informeeren.
-
-»Hoe gaat het mevrouw?” waren zijn eerste woorden. »Ik heb inderdaad
-meer medelijden met u dan met den kleine, die weinig of geen bewustheid
-van zijn lijden schijnt te hebben.”
-
-Hij legde zijn hand op Willems hoofd dat gloeide, en zette zich op een
-stoel, dien Siedin voor hem aangeschoven had.
-
-»Hij is, God dank! wat kalmer van daag,” zeide Louise, »gisteren was ik
-bang dat wij het arme kind verliezen zouden.”
-
-»Wat zegt de dokter?” vroeg Werner.
-
-»De dokter weet zelf niet wat het worden zal, van middag vreesde hij
-voor mazelen of roodvonk; pokken mogelijk.”
-
-Werner verbleekte.
-
-»O! dan moet gij voorzichtig wezen mevrouw! Pokken is een vreeselijke
-ziekte!”
-
-»God geve dat wij onzen Willem behouden, de kinderen zijn niet
-gevaccineerd, dat is verzuimd geworden.”
-
-»Voor u zelve bedoel ik dat gij voorzichtig wezen moet, niets is
-aanstekelijker dan pokken.”
-
-»O! ik ben niet bang, dat weet gij wel. Ik ben zulk een fataliste dat
-ik niet geloof aan ontwijken of overerven. Wat mijn lot moet zijn, zal
-mij overkomen, hoe ik ook worstel en hoe ik ook strijd; en wat mijn lot
-niet wezen mag, dat zullen geld noch goede woorden, noch gebeden, noch
-bedreigingen mij kunnen aanbrengen.”
-
-»Een heerlijke overtuiging voor wie goed is, maar waar zouden wij
-heengaan indien dit het geloof der slechten was? Wanneer gij worstelt en
-strijdt en het loopt u tegen, dan zegt gij onderworpen en gelaten: »Het
-moest zóo zijn,” en zwijgend gaat gij verder op den rechten weg. Maar
-indien een moordenaar, een dief, een booswicht van uw gevoelen was en
-voor elke misdaad het excuus in fataliteit kon vinden, waar zou dan
-zijn moorden en zijn stelen ophouden?”
-
-»Dáar waar het nu ophoudt,” antwoordde Louise lachend, »daar waar dood
-of omstandigheden perk stellen aan den menschelijken wil.”
-
-»Ik dacht niet dat gij zóo ver gevorderd waart in de leer der
-prédestinatie.... Maar ik ben blij dat gij het zijt. Welk een kalmte
-geeft dat gevoel van afhankelijkheid niet waar?”
-
-»Kalmte?—Neen, het doet mij tusschenbeide kooken! In sommige opzichten
-geeft het mij moed, maar in anderen maakt het mij zóo kwaad, dat ik een
-doodstrijd zou kunnen voeren tegen het lot. En toch houd ik alle andere
-gelooven voor nonsense, daar men elk oogenblik ondervindt dat onze wil
-gebonden is en onze vrijheid geketend.”
-
-»En dat gevoel is u onaangenaam?”
-
-»Zeker is het! Vrij wil ik wezen—onafhankelijk van alles!”
-
-»Neen, mij geeft het kalmte en troost, dat sterk gevoel van zwakheid.
-Het heeft mij beter gemaakt en het heeft mij geleerd gelukkig te zijn,
-in de meeste omstandigheden waarin andere menschen zich rampzalig
-zouden gevoelen. Zie dat kind daar, ’t is zonder wil, afhankelijk en
-zwak; geef het kracht, en wil, en vrijheid, zou het wijzer handelen dan
-het nu doet? Zou het beter wezen zonder steun en hulp, zonder raad en
-onderricht, zonder toezicht dat waakt en gebiedt en gehoorzaamd wil
-worden? En zijn wij meer dan dat kind? Hebben wij meer verstand, meer
-kennis van onze bestemming? Neen, niet veel meer, voorwaar! In onze
-eigen oogen zijn wij wonderwat! Zoo is de poes in de keuken en de haan
-in den tuin ook. Maar wat nietige, onbeduidende schepselen zijn wij in
-het oneindig groote heelal, dat in de eeuwigheid voortstreeft, volgens
-de volmaakt wijze wetten der Almacht, die schept en doodt, vereenigt en
-ontbindt, en in stand houdt door verwoesting zelve?—Wat...”
-
-Louise’s groote verwonderde oogen brachten hem op eens tot zwijgen.
-
-»Ik heb dat alles gevoeld!” sprak zij zacht. »Ik had het nooit kunnen
-zeggen!.... Mijnheer Werner ik wilde u een vraag doen—een dwaze vraag
-voorzeker... mag ik?”
-
-»Zeker moogt gij.”
-
-»Gelooft gij aan bidden?”
-
-»Neen.—Ik bid nooit. Indien gij bidden bedoelt in den zin dien de
-menschen er aan hechten. Smeeken om hetgeen niet wezen mag is
-nutteloos, onmogelijk is het, te staken hetgeen gebeuren moet.”
-
-»En danken dan?”
-
-»O danken ligt schier in elken slag van het hart, in elke beweging der
-ziel: elk zuiver gevoel is een dankzegging! Wat is bewondering, wat is
-liefde, wat is vertrouwen, wat is illusie zelfs? Ligt er geen onbepaald
-gevoel van dankbaarheid op den grond van al deze gewaarwordingen? Is er
-niet in elk genot een toon van dankbaarheid? Brengt elk geluk niet een
-dankbede met zich zooals de schuldelooze lach der vreugde schier een
-dankzegging is?”
-
-Hij zweeg. Louise zat hem aan te staren, zooals Maria Magdalena Jezus
-aangestaard moet hebben.
-
-»Spreek,” smeekte zij zacht. »O spreek!”
-
-En na een oogenblik zwijgen vervolgde zij:
-
-»Wat is er veel dat ik weten wilde—veel waarover ik dikwijls denk—veel
-waarnaar ik vraag en waarop niemand mij antwoorden wil of kan; en
-wanneer zij mij antwoorden begrijp ik ze niet.”
-
-»Vraag mij,” zei Werner aanmoedigend. »Ik heb ook lang gezocht en
-geraden eer ik iets begrijpen kon—en wat begrijp ik nog? Niets, niets
-dan dat ik onwetend ben—onwetend, afhankelijk, onbeduidend en
-noodzakelijk.—Wij bestaan omdat wij moeten bestaan, want was ons
-bestaan geen noodzakelijkheid dan zouden wij nooit bestaan hebben. Maar
-waarom bestaan wij? Wie weet waarvoor wij bestaan? Wie?—Wij hebben niet
-gevraagd om geschapen te worden en toch zijn wij geschapen. Wij zijn op
-deze aarde gekomen buiten onzen wil, buiten ons weten leven wij hier,
-en tegen onzen zin waarschijnlijk zullen wij weder heengaan en plaats
-maken voor anderen, wier raadselachtig bestaan aan het onze gelijk zal
-wezen. En wat zullen wij zijn? Waar zullen wij zijn, wanneer wij van
-hier verdwenen zullen wezen? Wie weet het?—Laat ons nederig bekennen:
-wij niet. Wij weten niets. Wij kunnen gissen en droomen en dwalen....
-maar weten?—Wie weet wat morgen wezen zal? Morgen, een dag van onze
-aarde, begonnen van daag, en gisteren, en vroeger.... en toch onzeker,
-toch onbekend! Maak plannen en berekeningen, neem uwe maatregelen,
-verzeker uwe toekomst... een enkele bliksemstraal en er is geen morgen
-meer voor u—geen morgen zooals gij berekend hadt, toen gij de
-fondamenten laagt van het denkbeeldig paleis uwer grootheid, dat in een
-gouden horizont oprees, om door een vuurstraal vernietigd te worden.”
-
-»Gelooft gij dan niet aan een volgend leven? Weet gij niet....”
-
-»Gelooven?—Ik geloof niets. Ik wacht.—Weten? Ik weet niets. Ik
-gehoorzaam.—Ik ben als de was in de hand van den boetseerder—geschikt
-tot wat hij van mij maken wil, maar machteloos uit mijzelven.”
-
-»En maakt u dat gevoel niet ongelukkig?”
-
-»Neen, het maakt mij beter. Ik heb door deze overtuiging mijner
-afhankelijkheid, mijner machteloosheid, mijner nietigheid geleerd, dat
-niets in de wereld groot is uit zichzelven, niets klein door eigen
-toedoen, dat al wat bestaat, is, omdat het wezen moet, en dat het dus
-ongerijmd, onverstandig, ongodsdienstig is om wie of wat het ook zij te
-verachten om de rol die het hier op aarde te vervullen heeft, om de
-plaats die God zelf het aanwees in het volmaakt harmonisch geheel, dat
-wij schepping noemen.”
-
-»Veracht gij niets?”
-
-»Niets.”
-
-»Niemand?”
-
-»Niemand.”
-
-»Zelfs den misdadiger niet?”
-
-»Zelfs hem niet. Hij zou niet misdadig kunnen zijn, indien God het niet
-gewild had.”
-
-»O Werner! Wat zijt gij groot en goed!” riep de jonge vrouw met tranen
-in de oogen. »Waren alle menschen als gij, welk een gelukkig leven zou
-het onze kunnen wezen!”
-
-»Niet het mijne.... waarschijnlijk!”
-
-»Waarom het uwe niet?”
-
-»God schiep een ziel, verdeelde haar in tweeën en zond haar naar de
-aarde. Zoolang die ziel verdeeld zal blijven, is er geen geluk mogelijk
-voor haar...”
-
-Louise glimlachte en vroeg zacht: »Hoe meent gij dat?”
-
-»Hoe ik het meen? Indien die ziel verdeeld werd tusschen een man en
-eene vrouw, dan moeten die man en die vrouw vereenigd wezen om gelukkig
-te zijn. En waar is de zusterziel der mijne? Waar is de vrouw die met
-mij denken, die met mij gevoelen kan, die weet wat lijden is... en
-medelijden... en grenzenlooze liefde? De vrouw die, even als ik, de
-natuur haar rechter noemt en de wereld haar beul! Die godsdienst vindt
-waar liefde is, en liefde beschouwt als het zuiverste uitvloeisel der
-goddelijke volmaaktheid, het eenig volmaakt goede dat bestaat op aarde,
-het eenige dat vooruitgang is, verbetering, verhooging, naderen tot de
-hoogste wijsheid... Waar is die vrouw?... Kent gij haar, Louise?”
-
-Zij trok hare hand uit de zijne terug en zeide »Neen”, terwijl zij
-opstond om Willems kussens op te schudden.
-
-»O! waarvoor dat wereldsch neen? uw ja was goddelijk geweest. Uw neen
-is koud en trotsch en wreed!... ’t Heet deugd, niet waar, dat doodend
-woord? Wat is deugd? En waar is deugd? Gij zult het mogelijk eenmaal
-weten, wanneer het te laat zal zijn!”
-
-»Mijnheer Werner, ga heen, ik smeek u, verlaat mij. De resident kan elk
-oogenblik te huis komen; het is laat, en ik wil niet dat hij u hier in
-de kinderkamer vinden zal.”
-
-»Vrees niets mevrouw, mijne liefde is te heilig, dan dat zij u ooit in
-eenig opzicht zou kunnen schaden.”
-
-Hij vertrok, en Louise bleef alleen in de groote sombere kinderkamer.
-Zij hoorde zijn stap in de binnengalerij, in de voorgalerij, de stoep
-af—alles was stil.
-
-»Mijn God! Wat heb ik hem lief, dien man!” En niet in staat zich langer
-te bedwingen, verborg zij het gelaat in de handen en liet zij haar
-tranen den vrijen loop.
-
-
-
-
-
-
-
-
-ZEVENENTWINTIGSTE HOOFDSTUK
-
-DOOD
-
-
-Geen zorg, geen geleerdheid, geen gebed had geholpen. De dood had »ja”
-gezegd en geen menschelijk »neen” had tegenstand kunnen bieden.
-
-Het lijkje lag stijf en koud in het, met bloemen versierde, ledekantje.
-Vrienden hadden het bezocht uit belangstelling, vreemden uit
-nieuwsgierigheid, de dag was druk en woelig geweest en de avond
-eindelijk bracht rust.
-
-De resident was uitgegaan met den dokter, de dienstboden hadden bevel
-ontvangen niemand meer toe te laten, en Louise zat alleen in de
-kinderkamer te staren op het lijkje, te denken aan hetgeen Werner haar
-eenige dagen geleden geantwoord had, toen zij over bidden spraken.
-
-Plotseling werd zij uit haar sombere mijmeringen gewekt door den
-hoefslag van een paard. Het was alsof de grond onder hare voeten
-wegzonk en alle voorwerpen om haar heen ronddraaiden.
-
-Bijna op hetzelfde oogenblik werd de deur geopend en trad Werner
-binnen.
-
-Met een half gesmoorden gil vloog zij hem tegemoet. Hij ving haar op in
-zijn armen, drukte haar hartstochtelijk aan zijn borst, en liet haar
-ongestoord uitweenen met haar vermoeid hoofd tegen zijn schouder
-geleund.
-
-Hoe lang duurde dat oogenblik van grenzenlooze smart en geluk? Geen van
-beiden wist het. Zij stonden daar zwijgend en lijdend, angstig wachtend
-op het wreed bevel van ’t lot dat nogmaals scheiden zeggen zou.
-
-Louise was de eerste die kracht had zich los te wikkelen uit de
-troostende armen die haar omklemd hielden. Zij wilde spreken, maar kon
-geen woorden vinden.
-
-Hij hield hare hand in de zijne, zag haar aan met een dier diepe
-gevoelvolle blikken welke haar deden duizelen van geluk en onbestemde
-hoop, en zeide zacht, nauw hoorbaar:
-
-»Toch is er nog geluk, Louise... mijn troost, mijn hulp, mijn toekomst!
-O! versmaadt dat alles niet—verstoot mij nooit... Mijn liefde voor u
-kent eigenbelang noch trots. Ze kent bewondering, medelijden,
-zelfverloochening enkel. Ze kan u kracht en rust en moed geven en
-mij.... O kind! Ze is de ziel van mijn bestaan....”
-
-Hij trok haar dichter naar zich toe, en zijn weemoedige glimlach drong
-haar als een bede in de ziel, die haar schier machteloos in zijn armen
-deed terug zinken.
-
-Zij weende niet meer, haar hand rustte kalm in de zijne, haar duizelend
-hoofd had rust gevonden op de sterke breede borst.
-
-Voor het eerst gevoelde zij de betoovering van zwakte tegenover
-kracht... en half droomend, half wakend, gelukkig, weemoedig, schier
-gedachtenloos, leefde zij voort, zonder angst, zonder wil en zonder
-hoop.
-
-»O mocht ik sterven!” waren haar eerste woorden, »George...”
-
-Het schuiven van een stoel in de binnengalerij deed haar met
-koortsachtige wildheid uit haar half droomenden toestand opspringen.
-
-»Ga heen! Ga heen!” riep zij woest. »De resident zal u dooden indien
-hij u hier vindt met.... mij alleen!”
-
-»En met het lijkje van zijn kind,” vervolgde Werner zacht, de deur
-openende om te zien wie er in de binnengalerij was.
-
-»Het is niets. Een der oppassers, die half slapend tegen een stoel is
-aangeloopen en zich nu onder de tafel heeft gelegd.”
-
-»Ga heen!” antwoordde Louise koud. »Die oppasser is een betaalde
-spion—laat hem niet onderstellen hetgeen niet is. De menschen
-beschuldigen reeds vlug genoeg waar het waarheid geldt; geef hun ten
-minste geen reden om te beschuldigen zonder grond. Liefde is de eerste
-aanklacht der wereld, en ik heb geen liefde... voor wie het ook zijn
-moge!”
-
-Zij had vlug en koortsachtig gesproken en Werner had haar aangestaard
-met een verbazing grenzende aan ongeloof.
-
-»Gij hebt geen liefde?”... vroeg hij verward. »Geen vriendschap? Geen
-sympathie? Geen medelijden zelfs?”
-
-»Niets.”
-
-»En zoo even?...”
-
-»O! zoo even was ik zwak, ziek, vermoeid, uitgeput van het weenen en
-waken... Rust is al wat ik verlang...”
-
-»God geve u rust!... En kracht om de liefde te dooden die gij mij
-onthouden wilt... Wat mij betreft, geheel mijne ziel behoort u. Ik heb
-geworsteld en gestreden, als gij—ik kan niet meer. Gij zijt het licht
-van mijn leven, de hoop mijner toekomst, de kracht van mijn bestaan...
-Wilt gij niets meer voor mij wezen?”
-
-Louise boog het hoofd en zeide bijna fluisterend:
-
-»Niets.”
-
-»Ik vergeef u dat woord,” antwoordde Werner met gebroken stem. »Gij
-kunt nog wreed zijn... ik niet meer... vaarwel!”
-
-Half radeloos bleef de jonge vrouw alleen, zij wilde hem volgen, terug
-roepen...
-
-»Neen, zóo is het goed... Goed?... Goed te liegen, te bedriegen, te
-folteren, te dooden misschien!.... George!”
-
-Zij opende het venster, maar buiten evenals binnen was alles kalm en
-stil, rustig als het lijkje dat vóór haar lag.
-
-»O kind, wat benijd ik u!” sprak zij half overluid. »Mocht ik dood zijn
-als gij!... gestorven in zijne armen... zoo even... O mijn God! waarom
-hebt gij mij het geluk leeren kennen enkel om het mij te ontnemen!
-Waarom moet ik liefhebben wat ik haat, en waarom moet ik haten wat mijn
-gansche ziel vereert?... Moeten?...... En indien ik het eens anders
-wilde?....... O mijn God! geef mij kracht om vol te houden en den
-rechten weg te blijven gaan!....
-
-»De resident!”
-
-
-
-
-
-
-
-
-ACHTENTWINTIGSTE HOOFDSTUK
-
-MEVROUW JOLY
-
-
-»Mijnheer Werner, mijn Lotje zegt dat u doodelijk verliefd is op
-mevrouw Stevens.”
-
-»Ik mevrouw! Welk een idee!”
-
-»O niet Lotje alleen! De menschen zeggen mooier dingen dan dat! Wil ik
-u vertellen wat?”
-
-»Och mevrouw, geloof de menschen toch niet! De menschen weten zelven
-niet wat ze zeggen.”
-
-»Wel, ik weet niet: de menschen zien soms meer dan u denkt. Ik zal het
-niet zeggen tegen den resident, maar anderen mogelijk wel. Ik weet, ja,
-dat u met mevrouw Stevens is geweest toen het kind ziek was. Kassian!
-En toen Wilmpje dood was weer... Heel A. weet dat—en nu spreken zij
-kwaad van mevrouw Stevens met u.”
-
-»Geheel ten onrechte, mevrouw, geloof mij. Ik verzeker u, op mijn woord
-van eer, dat geen vrouw ooit heiliger voor mij wezen kan dan mevrouw
-Stevens van Langendijk.”
-
-»Ja, jij bent altijd zoo hoog in jou spreken!” riep mevrouw Joly, met
-een vergevensgezind lachje. »Ik heb altijd gedacht dat je een goeje man
-voor mijn Lotje zoudt wezen—maar niet als je verliefd bent op mevrouw
-Stevens. Mijn Lotje is trotsch, dan wil ze je niet hebben.”
-
-Werner was een oogenblik als iemand die een slag op zijn hoofd krijgt
-en in de eerste drie minuten niet weet wat hem overkomt.
-
-»Lotje?” herhaalde hij stamelend—»maar Lotje houdt niet van mij”
-vervolgde hij zachter.
-
-»Lotje! Ja, Allah! Lotje zal zoo’n goeje vrouw voor je zijn, als je
-niet meer aan mevrouw Stevens zult denken, ja. Want ze is kwaad over
-dàt. Gisteren sprak zij er nog met Joly over. »Mevrouw Stevens is
-gemeen,” zeide zij, »kassian voor den resident.—Vertel hem, pa, dan kan
-hij Werner de deur uitjagen.” Zóo boos was ze—maar ze houdt van jou!”
-
-Werners bloed kookte. Hij had mevrouw Joly met Lotje en de geheele
-familie Joly kunnen verbrijzelen in dat oogenblik.—Maar het gold
-Louise! Hij kon zijn bleekheid niet verbergen, maar wel de
-verontwaardiging verloochenen, die te rein was om bespot te worden door
-de oogen die hem gadesloegen.
-
-En hij kon ook—ja, hij moest Louise’s goeden naam redden, die door zijn
-toedoen werd bedreigd...
-
-»En waarom heeft juffrouw Lotje me nooit getoond, dat ze van mij
-hield?” vroeg hij met een vreemden lach. »Indien zij mij belooft dat
-zij niet jaloersch meer van mevrouw Stevens zal wezen, of van wie het
-ook zijn moge, ben ik gereed haar door een huwelijk te bewijzen dat
-haar gissingen ongegrond zijn geweest.”
-
-»Jij wilt met Lotje trouwen. Soengoeang [35]?”
-
-»Zeer zeker. Indien zij ten minste mijne vrouw worden wil.”
-
-Mevrouw Joly verliet de kamer en kwam een oogenblik later met hare
-dochter terug.
-
-»Hier is jou Lotje, ja! Kassian, zij is beschaamd voor je!”
-
-Lotje zeide »hm—m,” en »ja” op elke vraag die men haar deed. En toen
-Werner een half uur later het huis verliet, dat hij vrij was
-binnengetreden, had hij, om Louise’s wil, om haar voor lasterlijken
-achterklap te sparen, zijn toekomst verbonden aan die van de oudste
-juffrouw Joly.
-
-
-
-
-
-
-
-
-NEGENENTWINTIGSTE HOOFDSTUK
-
-DE GOUVERNEUR-GENERAAL
-
-
-Willem dood—August vertrokken—en Werner had zij niet meer gezien sinds
-den sterfdag van het kind.
-
-Wat was alles leeg en duister om haar heen. Eenzaam, verlaten, miskend,
-gevoelde de jonge vrouw zich te midden der schitterende weelde die haar
-omringde. Welken troost kon de zieldoodende hartstocht des residents
-haar geven? Welk geluk lag er voor haar in de gevoellooze beleefdheid
-harer bekenden, in de slaafsche onderdanigheid harer
-dienstboden?—Niets—niets. Waar ze zocht, waar ze vroeg—de geest vond
-niets, het hart vond niets.
-
-»O Werner!”
-
-
-
-Ook de Oristorio’s schenen haar vergeten te hebben.... Mevrouw die zoo
-goed voor haar geweest was. Melatie met haar trouwen, edelen blik....
-Haar verbeelding voerde haar terug naar de zonnige dagen van vroeger en
-bittere tranen vloeiden langs haar verbleekte wangen.
-
-Zij morde niet meer. Zij had het waarom lang genoeg gevraagd: nooit was
-het beantwoord geworden. Zij had gebogen onder de ijzeren hand der
-noodzakelijkheid, zij had de bevelende stem van het noodlot gehoorzaamd
-en besloten het leven te ondergaan, hoe het ook wezen mocht.
-
-
-
-De resident trad binnen met een brief in de hand.
-
-»De volgende week zal de Gouverneur-Generaal hier wezen,” zeide hij.
-»Op zijne inspectiereis wil hij drie dagen te A. vertoeven. Zorg dus
-dat alles gereed zij voor de ontvangst. Hier is de brief. De
-Gouverneur, zijn adjudanten, secretaris, kok, dienstboden, weet ik al
-wat! Het best dat wij doen kunnen, is dat wij hun het gansche huis maar
-afstaan en ons zelven, voor die drie dagen, in de bijgebouwen behelpen;
-dat geeft nog de minste soesah. Donderdagmorgen komen zij, dus diner
-dien dag en ’s avonds receptie. Vrijdagmorgen inspectie, parade, nog
-zoo iets, en ’s avonds bal in de sociëteit. Zaterdagmorgen
-tijgergevecht en ’s avonds thé-dansant in de residentie, zoo als het
-veertien dagen geleden trouwens reeds bepaald was.”
-
-»Goed”, antwoordde Louise en zij begon de voorbereidselen te maken voor
-de vorstelijke ontvangst.
-
-Wat was die ontvangst cérémonieus! Het was alsof elke steen, elke
-zandkorrel gemerkt was en of dezelfde merken onder de voetzolen der
-aanwezigen stonden en elke voetzool het merk dekken moest dat gelijk
-was aan het hare! Geen eigen wil, geen leven, geen vrijheid,—het was
-een mécanique receptie. Iedereen stond waar hij staan moest, keek
-zooals hij kijken moest, sprak zooals hij spreken moest, bewoog zich
-zoo als hij zich bewegen moest. De Gouverneur-Generaal had alle reden
-om tevreden te wezen over de luisterrijke ontvangst. Dat was hij dan
-ook, de arme man! Hij was blij toen hij ’s avonds eindelijk in bed lag!
-
-
-
-
-
-
-
-
-DERTIGSTE HOOFDSTUK
-
-VRIJDAG AVOND. WERNER
-
-
-Bekoorlijker dan ooit trad Louise de balzaal binnen. Haar rood
-fluweelen kleed golfde in dikke mollige plooien over de wit marmeren
-steenen der voorgalerij; een straal van hoop blonk in hare zachte
-donkere oogen, een hemelsche lach verhelderde haar kalm bleek gelaat.
-Werner stond bij een pilaar; hij zag haar het rijtuig uitstappen, de
-stoep opkomen aan den arm van den Gouverneur-Generaal, de geheele
-voorgalerij doorloopen en plaats nemen naast mevrouw Joly. Bleek,
-bevend, met een koortsgloed in de oogen, blikte hij haar na. Wat was
-zij schoon! Zij wist het, zij gevoelde het, dit kon men haar aanzien,
-zij verstond het gegons van bewondering dat haar als het ruischen van
-den wind omzweefde. Toch was zij niet behaagziek of coquette. Er lag
-zelfs een zekere eenvoud in de wijze waarop zij hare bevalligheid ten
-toon spreidde en waarop zij de hulde aannam die men haar brengen kwam
-als iets waarop zij recht had.
-
-»Werner?” vroeg elke slag van haar hart, maar Werner die haar had
-nageoogd tot een zwerm heeren zich tusschen haar en hem geplaatst en
-haar aan zijn oog onttrokken had, was naar zijn pilaar teruggekeerd, en
-stond dáar bij de stoep als wachtte hij iemand die nog komen moest.
-
-Het eene rijtuig voor, het andere na daagde op met zijn vroolijk
-getooide vracht en verloor zich weder in de dichte duisternis van den
-nacht, zonder dat Werner een enkel oogenblik zijn post verliet.
-
-Mevrouw di Frama werd door een der ceremoniemeesters binnengeleid, Lina
-volgde aan den arm van een jong officier en Melatie stond beneden aan
-de stoep te lachen om drie heeren die haar hun arm aanboden en geen van
-drieën afstand van haar wilden doen.
-
-Werner zag hare verlegenheid, doch, in plaats van haar te hulp te
-snellen, zooals hij in elk ander oogenblik gedaan zou hebben, trad hij
-eenige schreden terug om zich achter den pilaar te verbergen. Juist
-door deze beweging trok hij hare aandacht tot zich: het plotseling
-verdwijnen van een lange schaduw deed haar opzien; zij herkende Werner
-in de persoon die half achter den pilaar verscholen stond, en, zonder
-zich een oogenblik te bedenken, deed zij een kleinen sprong ter zijde,
-ontsnapte aan hare drie bewonderaars, trippelde de stoep op, greep
-Werner bij zijn arm en riep lachend: »Neen, neen, mijnheer Werner, zóó
-gemakkelijk zult gij Melatie niet ontkomen. Toe”, vervolgde zij op een
-geheel anderen toon, »breng mij bij jufje, als je blieft, mama zal niet
-weten waar ik blijf!”
-
-Werner glimlachte afgetrokken en voldeed aan haar verzoek.
-
-»Even naar Louise... naar mevrouw Stevens, hè?
-
-»Neen...”
-
-»Wilt gij niet?” vroeg zij verwonderd?
-
-»Wat?... Mevrouw Stevens aanspreken? O stellig wil ik... ik dacht aan
-iets anders...”
-
-»Aan wat dacht gij dan?”
-
-»Aan uwe drie heeren misschien,” antwoordde Werner, zich herstellende.
-
-»En ik was ze reeds vergeten!”
-
-Louise reikte Melatie de hand en deed haar een tiental vragen die
-elkander zoo schielijk opvolgden dat het goede kind er geen enkele van
-beantwoorden kon.
-
-Weder hield er een rijtuig stil voor de hooge breede stoep.
-
-Het waren de jonge dames Joly die binnen traden. Werner ging met
-Melatie eenige schreden ter zijde om haar voorbij te laten, en
-beantwoordde een somberen blik van juffrouw Lotje met een diepe
-onderdanige buiging.
-
-»Jij altijd met mevrouw Stevens, ja?” voegde zij hem in het voorbijgaan
-toe. »Ik wil jou spreken, straks.”
-
-Een oogenblik later bevond Melatie zich bij Lina en zat Werner naast
-Lotje, met wie hij in een zeer weinig geanimeerd gesprek gewikkeld
-bleef, totdat de dans begon.
-
-Louise danste niet mede, zij had even rond gewandeld aan den arm van
-den Gouverneur-Generaal en was gaan zitten, terwijl haar cavalier zich
-naar de speeltafel begeven had.
-
-»Mijn Lotje is geëngageerd!” schreeuwde mevrouw Joly haar in het oor.
-
-»Ja?” antwoordde Louise die niets gehoord had dan het gebons van de
-groote trom, maar toch aan mevrouw Joly’s gezicht gezien had, dat zij
-antwoorden moest.
-
-»Met Werner,” hernam mevrouw Joly.
-
-»Ja?”
-
-»Een goede partij!” met een hoofdknikje.
-
-Louise met een lachje, haar na doende: »Zeker.”
-
-Mevrouw Joly’s lange oogen gingen al wijder en wijder open.
-
-Louise blikte de dansende paren na, benijdde Lotje, die op Werner’s arm
-geleund haar als een pop op wielen voorbij kwam draaien en lachte bij
-zich zelve om den zonderlingen inval van mevrouw Joly, die discoureeren
-wilde op een oogenblik dat hooren en zien verging door het geraas der
-muziek en het gewoel der bonte menigte die als een stormwind voorbij
-golfde.
-
-Toen de dans geëindigd was, stond mevrouw Joly even op om hare dochter
-te wenken, die, aan Werners arm, terstond naar haar moeder toekwam.
-
-»Mevrouw Stevens weet het, ik heb haar al uw geheimen verteld.”
-
-Werner werd zóo bleek, dat Louise Lotje’s hand plotseling los liet, en
-hem met zulk een onbeschrijfelijken angst aanstaarde, dat mevrouw Joly
-in het midden van haar volzin steken bleef.
-
-Werner herstelde zich het eerst. »Mejuffrouw Lotje, mijne
-aanstaande...” sprak hij half fluisterend.
-
-Louise ruimer adem halende:
-
-»Ah! is dat het geheim! Ik feliciteer u, juffrouw Lotje... en ik hoop
-dat gij gelukkig... tezamen zult wezen...”
-
-»Dank u, mevrouw,” antwoordde Lotje en, Werner éen dier donkere blikken
-toewerpende die hem eene toekomst vol onaangenaamheden beloofden, trok
-zij hem mede naar het andere einde der zaal, waar zij te midden harer
-zusters plaats nam en verder deed alsof er geen Werner in de wereld
-was.
-
-Den tweeden dans deed Louise mede. Pratend, lachend, met een frisch
-rood op hare wangen en een flikkering van geluk in de opgewonden oogen.
-
-Wat ging er om in de ziel der jonge vrouw, toen zij dáar zoo onbezonnen
-vroolijk in de rondte zweefde?
-
-Wij weten het niet. Zij wist het zelve niet.
-
-Toen de avond half ten einde was gespoed, werden de speeltafeltjes
-weggeruimd en maakte men zich gereed tot soupeeren.
-
-Louise stond tegen een der geopende vensters geleund, die in de
-binnengalerij uitkwamen en speelde achteloos met haar waaier, terwijl
-hare oogen over de menigte dwaalden en hare gedachten rondzwierven van
-het eene voorwerp naar het andere zonder eenig rustpunt te kunnen
-vinden.
-
-»Louise—Mevrouw Stevens!” fluisterde eene zachte welbekende stem. »Ik
-moet u spreken, alleen... een oogenblik slechts... mag ik morgen
-komen?... zult gij mij ontvangen?...”
-
-»Later.—Wanneer mijnheer en mevrouw Werner hunne opwachting bij den
-resident willen maken, zal mevrouw Stevens gereed zijn hare gasten te
-ontvangen.”
-
-»Louise!”
-
-»Gij kent geene Louise meer.”
-
-De Gouverneur-Generaal kwam zijne dame halen, om haar aan tafel te
-brengen, en Louise ging met hem mede, kalm en lachend alsof Werner
-niets voor haar was.
-
-Na het souper duurde het bal nog eenigen tijd voort. Maar er was iets
-doodsch in de vreugde gekomen, daar Louise ongesteld geworden was en
-het feest verlaten had, gevolgd door den Gouverneur-Generaal en door
-den resident, die beide gelukkig waren dat zij eindelijk tot rust
-konden komen, na al de plichtmatige eervolle genoegens van den dag.
-
-De familie Oristorio was een der eersten geweest die het goede
-voorbeeld gevolgd hadden. En Lotje Joly die niet meer dansen wilde, zat
-in een hoek te pruilen, met Werner aan hare zijde, die, geheel in
-gedachten verzonken, nauwelijks wist dat hij naast Lotje zat.
-
-
-
-
-
-
-
-
-EENENDERTIGSTE HOOFDSTUK
-
-HET TIJGERGEVECHT
-
-
-Louise kon dien nacht geen rust vinden. Haar hoofd gloeide, zij had de
-koorts, zij was opgewonden en gejaagd en kon zich nauwelijks verklaren
-wat zij gevoelde.
-
-Zoodra de dageraad aanbrak stond zij op, kleedde zich haastig en vlood
-den tuin in, om in de vrije natuur, den troost te zoeken die haar
-overal elders ontbrak.
-
-Het was de morgen van een dier gloeiend heete goede moessons dagen,
-waarop alles brandt en schittert en de gansche natuur aan een
-monsteroven denken doet. Maar die morgen was schoon met zijn
-verkwikkend ochtendkoeltje en zijn miljoenen dauwdroppen op de pas
-ontloken bloemen en de veelsoortige groene bladeren met hunne altijd
-verschillende tinten; met zijn liefelijk vogelengezang en zijn zachte
-zonnestralen, die als lachende sylphiden schalksch door de zwevende
-wolken speelden en het aardrijk met hun gouden vinger wakker wenkten.
-
-Louise’s rood fluweelen muiltjes met hun zilveren draakjes en gouden
-vlinders, werden voortgejaagd, van het grintpad op het mollig grasveld,
-van het grasveld naar het rozenperk, van daar weer verder langs
-volières en vischvijvers tot zij eindelijk bij een hertenkamp tot staan
-kwamen.
-
-Terstond huppelde er een jonge kandjil naar Louise toe. Wat was dat
-beestje vlug en dartel! Wat sprong het sierlijk rond op zijn dunne
-fijne pootjes. En wat richtte het zijn vriendelijk kopje smeekend,
-liefkoozend tot zijn meesteres omhoog, die uit gewoonte alleen, hare
-hand door het hekje stak om het lieve diertje langs den fraai gebogen
-hals te streelen, zonder zich zelve rekenschap te geven van hetgeen zij
-deed. Eenige gewone kidams volgden het voorbeeld van den kleinen kidam
-en kwamen statig aangeloopen met hun zachte sprekende oogen en hun
-trotsche hoornen, haar verwonderd aanziende, als of zij haar rekenschap
-vragen wilden van haar buitengewoon vroeg morgenbezoek.
-
-Arme Louise! zij was zoo zeer met zich zelven vervuld, dat er
-verscheiden minuten verliepen eer zij hare geliefkoosde hertjes zag.
-Toen noemde zij ze éen voor éen bij hunne namen, streelde ze, gaf ze
-gras uit haar hand te eten en vervolgde weder haar weg, zonder zelve te
-weten waarheen.
-
-Toch was het groen zóo frisch, toch waren de bloemen zóo geurig, toch
-was de eerste morgenkreet dier ontwakende natuur zóo schoon, zóo
-grootsch, liefelijk en hoopvol tevens.
-
-Wat zag zij bleek en wat gevoelde zij zich zwak en uitgeput, moedeloos,
-gebroken!...
-
-»O Werner!... Waarom een leugen?... Ik vroeg uwe liefde niet...
-Waarom?... Waarom haar de liefde gegeven die gij mij beloofdet?
-Waarom?”
-
-
-
-Zij glimlachte treurig en plukte een bloem.
-
-»Maar ’t is goed zóo... heel goed... Arme Werner! Met Lotje kan hij
-niet gelukkig zijn!... Kassian!...”
-
-Een uur later verschenen de resident en zijn gast in de achtergalerij,
-waar zij Louise bezig vonden met bloemen in een paar chineesche vazen
-te schikken.
-
-Het gesprek aan de ontbijttafel liep natuurlijk over het bal van den
-vorigen avond en de vermakelijkheden van den dag die nauwelijks
-aangebroken was.
-
-»Gij hebt u goed gehouden, mevrouw,” sprak de Gouverneur-Generaal,
-Louise een dier blikken toewerpende die het bloed naar het voorhoofd
-doen stijgen of de oogen neer doen slaan. »Ik had niet verwacht dat
-gij, na de vermoeienissen van gisterenavond, heden morgen reeds met het
-kraaien van den haan present zoudt wezen, en met ons ontbijten zoudt
-zoo als gij gisterenmiddag beloofd had te zullen doen.”
-
-»Ik wilde uwe exellentie vóor wezen en daarvoor moet men vlug zijn,
-niet waar?” antwoordde Louise eenigzins verward.
-
-»Zeer vlug, mevrouw, daar ik de gewoonte heb van door te werken, en van
-nooit te slapen, wanneer het tijd van waken is. Heb ik iets te doen dan
-doe ik het dadelijk, en ben ik ergens aan begonnen dan rust ik niet
-voordat mijn werk gedaan is.”
-
-»Hetgeen zeker zeer aangenaam voor uwe onderhoorigen is! Arme menschen
-die stellig ook niet altijd even voortvarend en krachtvol zullen wezen
-als hun chef!”
-
-»Die niet geschikt is voor zijn betrekking is ongeschikt en moet er
-uit. Wij kunnen hier in Neerlandsch Indië geen jonge juffvrouwen
-gebruiken, vooral niet in de gelederen.”
-
-»Ook niet als zij zóo voortvarend en zoo dapper zijn als ik?”
-
-»Voortvarend zijt gij, dit moet ik u ter eere nageven! Maar dapper?...
-daar zullen wij aanstonds over oordeelen.”
-
-»Bij het tijgergevecht? O dáar zal ik niet heen gaan! Niet waar
-Stevens, dáar behoef ik niet bij te zijn?”
-
-»Niet bij te zijn? Maar mevrouwtje lief! Voor u die nooit iets
-dergelijks gezien hebt, moet het toch heel aardig wezen, zoo iets echt
-indiesch eens bij te wonen.”
-
-»Aardig! Noemt uwe exellentie dat aardig? Twee arme dieren elkander op
-de wreedste wijze te zien verscheuren, is dat aardig?... Neen ik houd
-te veel van dieren om naar zoo iets afschuwelijks te gaan kijken!”
-
-»Houdt gij van tijgers, mevrouw?” vroeg de Gouverneur-Generaal, haar
-sans-gêne uitlachende.
-
-»Als ik ze niet lief heb als mijn hond of mijn rijpaard, dan bewonder
-ik ze toch even als al wat leeft. Het leven is voor mij iets zóo
-schoons, geheimzinnigs, volmaakts, bewonderenswaardigs, dat ik, indien
-ik iemand was die iets te zeggen had in de wereld, verbieden zou dat
-men buiten noodzakelijkheid welk dier ook om het leven bracht. Zoo zou
-ik het martelen van dieren ook straffen met boeten, gevangenis en
-verbeurdverklaring van het mishandelde dier...”
-
-»Hei, hei, mevrouwtje! waar zouden wij heengaan met zoo veel
-dierenliefde! En waar zouden wij met al dat levend gedierte blijven,
-indien er zoo veel bijkwam en zoo weinig afging! En hoe zoudt gij het
-zelve maken? Kom, verbeeld u eens dat het avond is en dat wij met ons
-drieën in de voorgalerij zitten, te Samarang bijvoorbeeld, en dat er
-eenige duizende muskieten met hun liefelijk gezang om onze ooren
-vliegen, en ons steken zooveel in hun vermogen is, u vooral op uw
-zachte, blanke hals en armen. Zoudt gij daar niet half dol onder worden
-en zoudt gij ze niet met plezier tusschen duim en voorste vinger
-doodknijpen, die lieve muskietjes, indien gij ze slechts krijgen
-kondet?”
-
-»Och neen, dat doet ze niet!” riep de resident met een schaterlach.
-»Weet uw exellentie wat ze doet als de muskieten haar hinderen? Dan
-slaat ze een shawl om haar hals en een doek om haar hoofd en dan zit ze
-uit al haar macht te waaien om hare lievelingen van zich af te houden!
-Ha! ha! ha! en als ik er een dood sla, noemt zij mij wreedaard!”
-
-De Gouverneur-Generaal lachte nog harder dan de resident.
-
-»Ik maak er mij een fête van om uwe vrouw straks bij ons tijgergevecht
-te zien,” riep hij spottend, »wat zal zij zich aanstellen!...”
-
-»Wanneer ik gaan moet, zal ik gaan, en dan zal ik mij niet meer
-aanstellen dan uw exellentie of de resident, die in zulke
-afschuwelijkheden behagen kunt scheppen.”
-
-Dit zeggende wierp zij den Gouverneur-Generaal zulk een ernstigen,
-trotschen, minachtenden blik toe, dat het gesprek voor een oogenblik
-afgebroken werd en toen over allerhande onderwerpen liep, maar niet
-meer over tijgergevechten.
-
-Na het ontbijt begaf Louise zich naar haar kamer, die zij niet meer
-verliet vóordat een der oppassers haar zeggen kwam, dat het rijtuig
-voor was en de heeren haar wachtten.
-
-In een wit neteldoeksch morgengewaad, een paar diamanten pennen in de
-kondeh en een paar gouden slangen om de polsen verscheen zij in de
-voorgalerij, kalm en statig als gewoonlijk.
-
-De Gouverneur-Generaal kwam haar eenige schreden te gemoet, bood haar
-zijn arm en geleidde haar naar het rijtuig zonder een woord te zeggen;
-de resident volgde.
-
-»Louise,” vroeg hij half fluisterend, »waarom hebt gij u niet
-behoorlijk gekleed? Een baadje is geen dracht voor een residentsvrouw
-bij een gelegenheid als deze.”
-
-»Van heden af zal het dracht worden, resident.”
-
-Gedurende den toer naar de regent’s woning werden slechts eenige
-onbeduidende volzinnen tusschen Louise en de beide heeren gewisseld.
-
-Een groote, feestelijk versierde pandopo, in het midden waarvan zich
-twee reusachtige kooien, of liever twee omheinde, afgesloten
-strijdperken bevonden, verbeidde de nieuwsgierige, opgewonden
-liefhebbers van het tijgergevecht.
-
-De eereplaatsen vooraan, om zoo te zeggen tegen de omheining aan, waren
-voor den Toewan Bezar, den resident en mevrouw Stevens bestemd, met hun
-gevolg van hooggeplaatste beambten, officieren en adjudanten. Louise
-kwam tot haar ergernis alweder, als naar gewoonte, naast mevrouw Joly
-terecht.
-
-Een groote witte, of liever rooskleurige buffel stond in een hoek van
-het strijdperk kalm en langzaam wat gras te eten, nu eens vragend
-opziende naar de zonderlinge menschenmassa die hem omringde, dan weer
-al kauwend eenige schreden vooruitdoende en nieuwsgierig snuffelende
-aan het gesloten hok van den tijger.
-
-Toen dit eenige oogenblikken geduurd had en de buffel tot zijn gras was
-terug gekeerd, vanwaar hij, met den kop naar het hok van den tijger,
-zijn vijand in het oog kon houden, werd de schuif aan de voorzijde van
-het hok weg geschoven, terwijl aan de achterzijde eenige Javanen den
-tijger door brandende fakkels noodzaakten te voorschijn te komen. Met
-een donderend gebrul sprong het schoone dier het strijdperk in. Het was
-een koningstijger van de grootste soort, slank en krachtig, met
-vonkelende oogen, den muil half geopend.
-
-De buffel zag hem aan, bleef staan en wachtte.
-
-De tijger, als had hij bewustzijn van de bewondering der toeschouwers,
-kneep de oogen half dicht, liet den staart hangen en deed langzaam
-eenige passen ter zijde. Toen bleef ook hij staan, blikte trotsch maar
-kalm om zich heen, vouwde de achterpooten samen en vleide zich neer,
-met den kop op de half ingetrokken voorpooten alsof hij slapen ging.
-Een lichte beweging der ooren, een onregelmatig openen der neusvleugels
-en een sluiksche blik op den buffel verrieden echter een oogenblik
-later dat hij zich gereed maakte tot den aanval en gereed was zich te
-verdedigen wanneer die aanval van zijn vijand komen mocht.
-
-Op eens richtte hij den kop op, keek den buffel aan en deed met een
-vreeselijk gebrul zijn sprong.
-
-De buffel wachtte hem onbewegelijk af, ving hem op zijn horens en
-kwakte hem met zulk eene kracht ter aarde dat hij geheel bebloed voor
-dood bleef liggen.
-
-De buffel naderde hem voorzichtig, bezag hem, berook hem, wendde den
-kop van hem af en deed een pas ter zijde. Dat oogenblik nam de tijger
-waar om zich weder op te richten, en met onbegrijpelijke vlugheid op
-den nek van den buffel te springen met den klauw van zijn rechter
-voorpoot even boven het rechter oog en zijn linker voorpoot op den kop
-van het arme dier, dat hartverscheurend loeide en met den doodsangst op
-het gezicht en den tong uit den bek van het eene einde van het
-strijdperk naar het andere vlood zonder zich van zijn vijand te kunnen
-ontdoen. Eindelijk toch gelukte het hem den tijger tegen een bamboezen
-stijl aan te drukken en met zoo veel kracht heen en weer te wrijven dat
-het dier, na een wanhopige worsteling, waarin hij den kop en den hals
-van den buffel geheel met zijn nagels doorploegd had, machteloos ter
-aarde plofte, terwijl de buffel zelf een oogenblik duizelend
-voortwaggelde en toen, afgemat van vermoeidheid, verzwakt en uitgeput,
-tegen de omheining van het hok bleef aanleunen, bevend op zijn
-wijduitstaande pooten en somber nederstarend op de stroomen bloed die
-uit zijn gapende wonden vloeiden.
-
-De tijger lag aan den anderen kant van het hok te brullen, te blazen,
-te kermen, te zuchten. Men geve een naam naar goedvinden aan die
-kreeten van wanhoop, smart, angst en woede, in geen woorden te
-beschrijven. Het schoone dier lag met den kop achterover in de aarde te
-rollen, zijn rechterzijde was geheel opengereten door de horens van den
-buffel, terwijl zijn tong nog droop van het bloed zijns vijands en zijn
-klauwen glommen van het lillend vleesch dat aan de nagels hing. Een
-paar minuten verliepen alzoo, toen kwam men met een gloeienden bout den
-tijger tot een nieuwen aanval dringen.
-
-Woedend vloog het dier weder op, en geen ander schepsel ziende waarop
-hij zich wreken kon over de hem op nieuw aangedane foltering, sprong
-hij nogmaals op den buffel toe, die hem echter als de eerste maal op de
-horens ving, weg wierp en toen vervolgde alsof hij zijn dood besloten
-had. De tijger kromp van pijn ineen, sloop kermend langs de omheining
-voort en dook angstig blazend in een hoek weg, zoodra de buffel een
-oogenblik bleef staan. Terstond werd hij weder door zijn onzichtbaren
-vijand gemarteld, die den bout in de opene wonden drukte. Met een kreet
-vloog hij weg, en toen had er een dier bloedige, wanhopige worstelingen
-plaats, in felheid alleen overtroffen door den onverzadelijken
-bloeddorst en de wreedheid der menschen die zulke ijselijkheden kunnen
-in het leven roepen als een schouwspel, een vermaak, een feest dat de
-oogen boeit en het hart voldoening geeft.
-
-De tijger wilde den buffel van achteren bespringen en sloop om hem
-heen. De buffel die ongelukkigerwijze zijn hoek verlaten had en zich in
-het midden van het strijdperk bevond, kon met zijn log lichaam de
-vlugge wendingen van zijn vijand niet volgen en werd op eens van ter
-zijde besprongen. De tijger hing hem langs den rug en had zijn klauwen
-zoo krampachtig in de dikke huid vastgeslagen dat het den buffel, eerst
-na verscheidene vergeefsche pogingen gelukte den tijger met de horens
-van zich af te scheuren.
-
-Uitgeput rolde de verzwakte tijger tegen de omheining aan, na in de
-worsteling zijn vijand de beide linker pooten stuk geslagen te hebben.
-Bijna tegelijkertijd stort ook de buffel eenige schreden verder in een
-hoek neder. Dadelijk siste er weer een gloeiend ijzer in de gapende
-wonden van den tijger; het arme dier slaakte een kreet als een zucht,
-en kroop op den buik een halven voet vooruit, maar de bout ging ook een
-halven voet vooruit en siste op nieuw in het warme bloed. Nog een kreet
-en een pas... en weer de bout en nog een pas... De tijger lag met zijn
-kop bijna tegen den buffel aan. Nog eens de bout... de buffel boog den
-kop, de tijger zag hem aan, wilde terug, voelde den bout, spande zijn
-laatste krachten in, sprong op en wierp zich nog eenmaal op den
-weerloozen buffel... Doch hij nam den sprong te kort, wondde den buffel
-aan het voorhoofd, scheurde hem met den linker achterpoot het
-rechteroog uit den kop, bleef toen een oogenblik op de kromme horens
-rusten, werd er weer afgeworpen en zonk dood naast zijn stervenden
-vijand neder, die met een kroon van bloed en ingewanden versierd, dit
-met alle overwinnaars gemeen had, dat elke zegepraal op het slagveld
-behaald, een vernedering voor beide partijen is.
-
-
-
-
-
-
-
-
-TWEEENDERTIGSTE HOOFDSTUK
-
-FELICITA. DE JACHTPARTIJ
-
-
-Het was reeds over éenen en nog waren de heeren niet van de jacht
-teruggekeerd... Toch hadden zij beloofd dat ze tegen etenstijd te huis
-zouden wezen. En reeds van twaalf uur af hadden de dames zitten
-wachten.
-
-»Ik begin mij werkelijk ongerust te maken,” zeide mevrouw Oristorio di
-Frama.
-
-»Zijn hier tijgers of wilde zwijnen in de bosschen?” vroeg Louise
-zacht.
-
-»Ja, zij zijn er, maar ik geloof niet dat het in het plan der heeren
-lag om zoo ver van huis te gaan. Zij wilden eenige duiven schieten hier
-in den omtrek, en ik geloof dat het vermaak eigenlijk meer in een
-rijtoer dan wel in een jachtpartij bestaan zou.”
-
-»En indien ze eens een tijger of een wild zwijn ontmoet hadden?” vroeg
-Louise weer.
-
-»Nu, zij zijn met hun vijven en de jongens, en zij zijn allen goed
-gewapend.”
-
-»Ik weet het niet—maar ik ben niet gerust. Gelooft gij aan voorgevoel,
-mevrouw?”
-
-»Als het uitgekomen is, ja,” antwoordde mevrouw Oristorio lachend,
-»maar vóor dien tijd niet.”
-
-»Gelooft gij niet dat er oogenblikken in het leven zijn waarin de ziel
-meer gevoelt dan het lichaam weten kan?”
-
-»Ja zeker!” riep Melatie die Louise met groote oogen aangestaard had,
-zoo lang zij sprak. »Zeker mevrouw! Toen de kleine Karcilla van den
-dispens-jongen [36] gestorven is, heb ik het geweten, niet waar mama?
-Wij hadden drie dagen lang met het arme stakkertje getobd en toen ik
-eindelijk zóo gerust sliep dat ik niet meer aan het kind dacht, hoorde
-ik op eens naast mij zeggen: »Kassian! Karcilla mati [37]!” Het was
-midden in den nacht, ik sprong dadelijk op en liep naar de kamer van
-mama om te vertellen wat ik gehoord had. Mama zeide dat het een droom
-geweest was en dat ik maar weer naar bed moest gaan. Maar ik was zoo
-naar over die woorden dat ik geen rust kon vinden en niet tevreden was
-voordat mama met mij mede ging naar de bijgebouwen om te zien hoe het
-met Karcilla was. De moeder zat in de geopende deur te huilen en zeide
-dadelijk dat het kind nog geen half uur geleden gestorven was.”
-
-»Nu ja, dat is zoo, maar gij waart zoo zenuwachtig en opgewonden door
-het aanhoudend verzorgen van het arme schepseltje, dat uw geest er
-nacht en dag mede bezig was en gij waarschijnlijk ook het zelfde geroep
-gehoord zoudt hebben indien het kind genezen was...”
-
-»O neen, dat geloof ik niet!” riep Louise. »Ik weet wel wat Melatie
-bedoelt, ik ken dat gevoel!”
-
-»Niet waar, mevrouw,” vroeg Melatie, »zulke dingen zijn geen droomen?”
-
-»Ik geloof althans aan zulke vreemde verschijnselen. Ja, mevrouw
-Oristorio, lach mij maar uit! Gij vindt mij bijgeloovig, niet waar? En
-mogelijk ben ik het ook. Maar twee keeren in mijn leven is mij iets
-zonderlings gebeurd dat de ongeloovigste geloovig zou gemaakt hebben,
-en nu ik weer zoo iets zonderlings gevoel, nu ben ik bang, ik beken het
-ronduit!”
-
-»Maar wat gevoelt gij dan?” vroeg mevrouw Oristorio half lachend, half
-ernstig.
-
-»Ik weet het niet. Ik ben angstig, gejaagd, onrustig, en zoo even, den
-trap af komende, verbeeldde ik mij een schot te hooren. Ik moest mij
-aan de leuning vast houden om niet te vallen, zoo had dat geluid mij
-verschrikt. Het was alsof de lucht vuurrood zag om mij heen, het bloed
-stolde mij in de aderen, een felle steek in de zijde belette mij adem
-te halen.... daarop hoorde ik »Louise” zeggen, zoo zacht, zoo zacht...”
-
-Zij zag een oogenblik naar beneden als hoorde zij het nog, toen keek
-zij schuchter om zich heen en poogde te lachen, terwijl zij vervolgde:
-
-»Maar het is alles slechts verbeelding, dat weet ik wel, en ik ben
-dwaas om zulke dingen te vertellen! Kom, juffrouw Lina vertel ons wat
-anders, vóordat ik uitgelachen word... Als je blieft!”
-
-Lina, die tot dusverre gezwegen had, deed haar best om het gesprek een
-andere wending te geven, maar wat zij ook verzon, de vroolijkheid kwam
-niet terug in den kleinen vriendinnenkring.
-
-Melatie zat op een voetenbankje naast mevrouw Stevens en leunde met
-haar hoofd tegen Louise’s schouder. Mevrouw Oristorio was afgetrokken
-en Louise zeide niets. Zij was bleeker dan te voren en er lag iets
-angstigs in haar blikken, die zij tusschenbeide op de zware boomen in
-den tuin vestigde, als wilde zij door groen en afstand heen zien.
-
-»Daar!” riep zij op eens, van haar stoel opspringende met een
-woestheid, die de arme Melatie bijna van haar bankje deed tuimelen:
-»Daar zijn ze! God dank!”
-
-De heeren kwamen langzaam en statig het voorplein op rijden, gevolgd
-door een stoet oppassers en bedienden te paard die wapens, mandjes enz.
-te verzorgen hadden. De dames waren hen te gemoet gesneld en Louise en
-Melatie stonden op den ondersten trap van de stoep te lachen van
-vreugde en ongeduld, toen Louise plotseling verbleekte, hare vriendin
-bij de hand greep en nauw hoorbaar zeide... »Werner...”
-
-Melatie zag haar vader aan en riep van verre: »Waar is mijnheer Werner,
-papa?”
-
-»Hij komt, hij komt,” antwoordde de landeigenaar met iets zonderlings
-in zijn stem, en nader gekomen, stapten de heeren af, en beklommen de
-stoep, onder een stilzwijgen dat Louise verstijven deed.
-
-»Werner?...” vroeg zij weer, hare groote, zwarte oogen met een
-onbeschrijfelijke uitdrukking op den resident vestigende en zonder een
-enkele beweging te maken.
-
-»Werner is genoodzaakt geweest ons zoo even te verlaten, mevrouw. Men
-kwam hem halen—er was iets op zijn fabriek gebeurd, waar hij bij moest
-zijn—hij komt hier dineeren,” antwoordde de secretaris.
-
-»Stevens! waar is Werner?” herhaalde Louise nogmaals, alsof de
-secretaris in het geheel niet gesproken had. En als in een droom de
-stoep opkomende, naderde zij den resident, legde hare hand op zijn arm,
-zag hem strak in de glasgroene oogen en vroeg zacht en met nadruk:
-
-»Wat hebt gij met Werner gedaan?”
-
-De vier heeren stonden als verpletterd. De resident greep zich aan de
-leuning van een stoel vast, om niet neer te storten en mijnheer
-Oristorio verbleekte zoo dat Melatie hem bij de hand vatte en met
-doodsangst op het gelaat naar de residentsvrouw staren bleef.
-
-»Zeg het...” vroeg Louise verder.
-
-Niemand antwoordde.
-
-»O! ik word krankzinnig als gij langer zwijgen blijft!”
-
-En het gelaat in de beide handen verbergende, wierp zij het hoofd tegen
-den witgepleisterden pilaar aan, waarbij zij onbewegelijk staan bleef.
-
-Mevrouw Oristorio en Lina schoten dadelijk toe, voerden haar zacht met
-zich mede en plaatsten haar op een stoel dien de heeren voor haar
-aangeschoven hadden.
-
-Zij was geheel verstijfd en koud, hare witte handen waren krampachtig
-ineen gevouwen, hare lippen waren saamgeperst, haar gelaat was
-doodsbleek. Geruimen tijd duurde het eer zij weder tot zich zelve kwam.
-Toen zij eindelijk de donkere oogen opsloeg en langzamerhand de
-personen herkend had die haar omringden, fluisterde zij mevrouw
-Oristorio zacht toe:
-
-»Och laat mij even alleen met Stevens!... Ik bid het u.”
-
-Ongemerkt wilde het gezelschap zich uit de voorgalerij verwijderen. De
-resident was blijven zitten; maar toen hij bemerkte dat hij de eenige
-was, stond hij ook op en wilde het voorbeeld der overigen volgen.
-
-»August!” riep Louise zacht, hem met de hand terug wenkende »Blijf nog
-even.”
-
-Hij kwam terug, legde zijn hand op haar voorhoofd en vroeg hoe zij het
-maakte.
-
-»Goed... Ik ben niet ziek... Ik ben verdrietig.”
-
-»Kom, kom, niet zulke gekke kuren, hoor, wat moeten de menschen wel van
-je denken?... Ik...”
-
-»August,” viel zij hem in de rede, »wij zijn alleen, zeg mij nu wat er
-met Werner gebeurd is.”
-
-»Dat kan ik je niet zeggen. Ik zal je iemand anders zenden.” En
-nauwelijks had hij dit gesproken of hij was uit de galerij verdwenen.
-
-Wal er in de oogenblikken die volgden, in de geschokte ziel der arme
-Louise omging is met geen woorden te beschrijven. Zij had reeds zooveel
-geleden in den laatsten tijd, zooveel gezwegen en zooveel vergeven, dat
-het haar was alsof de slag die haar nu treffen zou haar dooden moest.
-
-Mijnheer en mevrouw di Frama kwamen eindelijk naar voren om met haar te
-spreken.
-
-»Luister mevrouw,” begon de landheer, »gij zijt volkomen voorbereid op
-de treurige tijding, niet waar?”
-
-Louise knikte toestemmend.
-
-»Welnu, stel u dan het ergste voor wat onzen braven vriend Werner
-betreft. Er is... er is op de jacht een ongeluk gebeurd, waarvan hij
-het noodlottig slachtoffer werd... Niemand is schuldig,” vervolgde hij
-snel, toen hij zag met welk een vreeselijken blik Louise opsprong om
-hem in de rede te vallen. »Niemand, geloof mij, mevrouw. Het geweer van
-den resident is, zonder dat iemand weet hoe, afgegaan op het oogenblik
-dat hij omkeek om met een zijner bedienden te spreken, en de kogel trof
-Werner in de zijde.”
-
-»Dood!” fluisterde Louise, met zulk een wanhoop in haar stoel
-terugzinkende, dat zij de woorden op mijnheer di Frama’s lippen deed
-besterven.
-
-»Neen... nog niet.”
-
-»Nog niet...” herhaalde zij nauw hoorbaar... »En niemand bij hem!...”
-Zij verborg het gelaat in de handen en liet het hoofd op mevrouw di
-Frama’s schouder zinken.
-
-»De dokter is bij hem. En Lawson, zijn neef, de administrateur zijner
-fabriek, dien wij terstond deden waarschuwen, is oogenblikkelijk
-hierheen gekomen, om bij het verbinden behulpzaam te zijn.”
-
-»Hierheen!... Hierheen, zegt ge?... Hij is hier! O mijn God! wat zijt
-gij goed!”
-
-Zij lachte, vouwde de handen en wilde opstaan.... Zij kon niet; haar
-knieën knikten, haar hoofd duizelde en bewusteloos zonk zij in haar
-stoel terug.
-
-
-
-Bijna op hetzelfde oogenblik wordt in den ruimen koepel aan het eind
-der kanarilaan, bij den vijver, een groote baleh-baleh met buitengewone
-omzichtigheid binnen gedragen. De dokter loopt aan de eene zijde,
-William Lawson aan de andere, verscheidene bedienden volgen. Het is
-Werner die zwaar gewond, bijna stervende op dien baleh-baleh ligt, en
-geen enkel teeken van leven meer geeft. Zijn oogen zijn gesloten en
-zijn verbleekt gelaat verraadt niets dan lijden en uitputting.
-
-De dokter en de administrateur zien elkander een oogenblik
-veelbeteekenend aan, daarna wordt een der bedienden naar het
-hoofdgebouw gezonden en eenige minuten later treden mijnheer en mevrouw
-di Frama en Lina van Wageningen den koepel binnen. Mijnheer wordt
-dadelijk door den dokter aangesproken, mevrouw en Lina zien zwijgend
-naar den stervende. Lawson nadert haar langzaam en vraagt zacht, zeer
-zacht, waar de resident zich bevindt, er nog zachter bijvoegende: »zijn
-plaats was hier... want zijn schuld is hier...”
-
-Lina grijpt zijn hand en ziet hem zóo smeekend aan, dat hij zwijgen
-blijft.
-
-»Wat kunnen wij voor hem doen?” vraagt mevrouw di Frama.
-
-»Niets. De dokter durft niet te extirpeeren, hij vreest dat de dood
-zich dan niet lang zal laten wachten. O, resident van Langendijk!...”
-
-»Ik weet het niet...” zegt de dokter, met den landheer sprekende. »Is
-de kogel niet te ver gegaan, dan is er hoop op herstel... ofschoon ik
-vrees... de long is geraakt... De kogel is tusschen de ribben door
-gegleden... aan geen extirpeeren te denken... bloedstelpen.... en
-wachten.... Een leelijke geschiedenis, mijnheer...”
-
-»Een ongeluk, dokter, een droevig geval.”
-
-»Kunnen wij u in eenig opzicht van dienst wezen, dokter?” vraagt
-mevrouw di Frama.
-
-»Dank je mevrouw; er is nog niets te doen. Wij moeten wachten...
-wachten ... maar mocht er eenige verandering komen hetzij ten goede,
-hetzij ten kwade, dan zal ik zonder aarzelen van uw vriendelijk aanbod
-gebruik maken.”
-
-Daarna werd besloten dat de dames naar huis terug zouden keeren en dat
-mijnheer Oristorio en Lawson met den dokter zouden waken.
-
-»Wij zullen om beurten waken,” zeide de dokter met een bedenkelijk
-hoofdschudden. »De patiënt eischt voor het oogenblik niets dan
-toezicht. Mocht er beterschap komen dan zullen wij later de krachten
-noodig hebben die wij nu niet verspillen mogen.”
-
-»Wil ik u een matras zenden, dokter, voor de twee heeren die rusten
-kunnen?”
-
-»Als je blieft mevrouw.”
-
-»Och dokter, wat ik je bidden mag, kan je niet een oogenblik meegaan om
-naar mevrouw Stevens te zien? Wij hebben zoo even letterlijk geen raad
-met haar geweten. Zij is nu wat kalmer, maar wij vreezen dat die kalmte
-niet van langen duur zal wezen.”
-
-»Arm vrouwtje!”
-
-
-
-Louise lag in de achtergalerij op een rustbank uitgestrekt, Melatie zat
-aan haar voeten. Zij weende, en lachte door haar tranen heen, terwijl
-het meisje haar vleiend eenige woorden toevoegde, die niemand hoorde
-dan zij.
-
-»Beloof je ’t me, Melatie?”
-
-»Ik beloof het u mevrouw.”
-
-»Wat er ook gebeuren moge, je zult me helpen, niet waar.”
-
-»Stellig mevrouw, reken op me.”
-
-»Stevens kwam mij zeggen dat hij dood was.”
-
-»Niet waar, mevrouw—hij leeft—ik weet zeker dat hij leeft. Ik heb het
-den jongen gevraagd die mama kwam roepen... Chut!... Ik hoor wat...” en
-snel opspringende vloog zij de binnengalerij in om te zien wien zij had
-hooren loopen.
-
-»Het is mama, met de juffrouw en den dokter,” riep zij vroolijk en,
-Louise’s hand grijpende fluisterde zij haastig: »Vraag naar niets. Ik
-zal alles weten en ik zal u alles naar waarheid mededeelen!”
-
-Louise glimlachte en reikte den dokter de hand met een kalmte die hem
-verbaasde.
-
-»Beter, veel beter dan ik verwacht had,” zeide hij, »wat zenuwachtig,
-maar...”
-
-Hij zweeg een oogenblik en zag haar uitvorschend aan met zijn
-schranderen, scherpzienden blik, waarvoor het jonge vrouwtje hare
-donkere oogen nedersloeg.
-
-»Er broeit iets op den bodem dier krachtige ziel,” dacht hij bij zich
-zelven, en opstaande om heen te gaan, reikte hij haar nogmaals de hand,
-met de woorden: »Tot van avond, mevrouw; ik kom tegen acht uur terug;
-houd goeden moed, en ga zóo voort.”
-
-Louise zag hem aan, alsof zij vragen wilde: »Wat bedoelt gij, dokter?”
-maar zij zeide niets en de dokter verdween.
-
-»Een lief vrouwtje!” sprak hij als tot zich zelven, zoodra hij zich met
-mevrouw di Frama alleen in de binnengalerij bevond.
-
-»Een kind,” beweert de resident.
-
-»Dan toch een kind met een helder hoofd en een edel hart! Ik ken maar
-weinig vrouwen van wie men zóoveel zeggen kan.”
-
-»Ik ook dokter!”
-
-Een oogenblik liepen beiden zwijgend voort.
-
-»Dokter”, begon mevrouw Oristorio weder, »vindt gij haar niet
-onbegrijpelijk kalm, na die vreeselijke wanhoop van zoo even?”
-
-»Kalm? Neen dat is geen kalmte, dat is
-wilskracht—geestdrift—overspanning. Wee als de reactie komt!”
-
-»Zij vraagt naar niets meer.”
-
-»Dan weet zij alles.”
-
-»Neen, de resident heeft haar gezegd dat hij overleden was, en van dat
-oogenblik af is ze kalmer geworden.”
-
-»Vreemd... zeer vreemd.”
-
-De dokter spoedde zich naar zijn patiënt terug en mevrouw di Frama
-begaf zich naar Louise, met wie zij geruimen tijd bleef praten over
-alles, behalve over den ongelukkigen Werner.
-
-Toen het avondeten opgebracht werd, verliet Louise de achtergalerij.
-Zij had geen honger, zij wilde niets gebruiken, zij was uitgeput van
-vermoeidheid en verlangde naar rust. Terwijl de huisgenooten zich dus
-aan tafel zetten, werd Louise naar haar kamer geleid door Melatie die
-haar bij het ontkleeden behulpzaam zoude wezen.
-
-»Vertel mij nu gauw waar hij is? Kan ik hem zien? Hoe, en wanneer?”
-
-»Wacht, laat ik u even een doek omslaan, het is buiten frisch, en als
-gij waken wilt, moogt gij niet ziek worden. Hij is in den grooten
-koepel aan het einde der kanarielaan. De dokter alleen is bij hem, de
-andere heeren zijn aan tafel; ik geloof dat wij een goed oogenblik
-gekozen hebben.”
-
-»Kom dan!”
-
-En zonder verder een woord samen te spreken snelden de beide dames
-gearmd den tuin door naar den koepel, waar de gewonde lag.
-
-»Dank je, Mela, dank je! Keer nu gauw naar huis terug en ga aan tafel
-alsof er niets gebeurd was. Ik wil niet dat ze u beschuldigen zullen
-van mijn heimelijke vlucht. Dank je!...”
-
-En na Melatie een hartelijken zoen op het voorhoofd gedrukt te hebben,
-sloop Louise den koepel binnen, waar zij, zonder acht op den dokter te
-slaan, op den baleh-baleh plaats nam, haar hand op Werners voorhoofd
-legde en hem in de half gesloten oogen zag, met zulk een grenzenlooze
-droefheid, met zulk een onuitsprekelijke liefde, dat de dokter als
-verlamd op zijn stoel bleef zitten zonder een woord te kunnen uiten.
-
-Lang bleef zij zoo staren op het doodsbleeke gelaat van den jongeling;
-eindelijk hief zij langzaam het hoofd op en vroeg zij zacht en
-onderworpen: »Dokter, moet hij sterven?”
-
-»Neen, mevrouw, er is nog hoop op herstel, maar....”
-
-»Zeg alles, dokter.”
-
-»Wij moeten ons geen illusies maken. Zijn toestand is hoogst
-gevaarlijk, de minste aandoening...”
-
-Hij zag Louise scherp aan. Zij verstond zijn blik en antwoordde zonder
-aarzelen:
-
-»Zeg zulke dingen niet op mij, dokter. Het is hier een stervende dien
-wij te verplegen hebben.... Laat geen ellendige cancans de rust van dit
-vertrek ontheiligen.”
-
-De dokter beet zich op de lippen en zweeg. Louise sloeg de oogen neer
-en bleef onbewegelijk op den baleh-baleh zitten.
-
-Nooit was de jonge vrouw zoo schoon geweest als thans, nu het heldere
-licht der maan door de hooge vensters op haar viel. Nooit had er
-zóoveel lijden, zóoveel onderwerping, zóoveel vastberadenheid uit die
-kalme trekken gesproken als op dit oogenblik. Er was iets
-indrukwekkends in die rustige droefheid, iets dat aantrok en zwijgen
-deed, iets dat medelijden inboezemde, dat bewondering opwekte, dat
-eerbied eischte. De dokter gevoelde het.
-
-»Die vrouw is onschuldig,” dacht hij bij zich zelven, »wat de wereld er
-ook van zeggen moge.” En vreemd, er vlood hem een beeld voor den geest
-dat niets gemeen had met hetgeen hem omringde. Een jong meisje met
-helderblauwe oogen en goudblonde lokken... »Zoo kunnen vrouwen alleen
-liefhebben!” sprak hij half overluid; »mijn God welk een schat van
-liefde hebt gij in het reine hart der vrouw gestort!”
-
-Louise zag op. Zij meende dat de dokter sprak, maar de dokter hield de
-oogen zóo strak op de roode vloersteenen gevestigd, dat ook zij weer in
-haar vorig stilzwijgen verviel, zonder acht op iets anders te geven dan
-op den lijder die naast haar lag en wiens geringste ademhaling zij
-gadesloeg met een geduld dat aan wanhoop grensde.
-
-»Dezelfde zachtheid,” dacht hij verder, »dezelfde droefheid, dezelfde
-onderwerping en ook dezelfde kracht... zieleleven... zielelijden... en
-zieletriomf! Viola! Arme miskende Viola!”
-
-Louise zag weer op, maar de dokter staarde nog steeds op dezelfde roode
-steenen.
-
-»O! de vrouw die groot is, mag voorwaar het schoonste, het edelste, het
-volmaaktste gewrocht der goddelijke schepping genoemd worden! Waar
-anders vinden wij die trouw, die vastberadenheid, die kracht, die fiere
-deugd, die zelfopofferende liefde, die alles vergevende zachtheid...
-die onuitputtelijke...”
-
-»Wat blieft u, dokter?”
-
-»Mevrouw?”
-
-»Ik meende dat gij iets zeidet?”
-
-»Ik? Vergeving mevrouw... Ik was in gedachten... Heb ik iets gezegd?”
-
-»Ik meende het.”
-
-De dokter antwoordde niet, en Louise vroeg niet verder.
-
-Geruimen tijd bleef alles stil en rustig in den grooten koepel. Toen
-kwam een der jongens een lamp brengen en vragen hoe het met den toewan
-ging.
-
-»Hetzelfde,” antwoordde de dokter, en weer begon de stilte met haar
-eigenaardig gegons van krekelgezang en bladergeritsel.
-
-»Hierheen,” zeide een stem die nader kwam, en bijna op hetzelfde
-oogenblik traden Stevens en de secretaris binnen.
-
-De dokter ontstelde hevig en de secretaris niet minder, terwijl de
-resident als door den bliksem getroffen tegenover zijn vrouw bleef
-staan, leunende tegen den deurpost die hem belet had neer te storten.
-Louise alleen had geen de minste aandoening verraden; kalm als te voren
-had zij haar groote donkere oogen op haar echtgenoot gevestigd en hem
-bijna fluisterend toegevoegd:
-
-»Kassian!... hij sterft... blijf je bij hem van nacht?...”
-
-Stevens’ verontwaardiging had haar hoogste toppunt bereikt. Hij
-stotterde, beefde, balde de vuisten, maar kon geen woord uiten. Zijn
-aangezicht was rood als vermiljoen, zijn oogen traanden, als touwen
-lagen de opgezwollen aren over het saamgetrokken voorhoofd, hij wilde
-spreken, loopen, handelen,—te vergeefs, hij wankelde en zeeg op een
-stoel neer met een kreet die aan brullen denken deed.
-
-»Hier?” riep hij eindelijk, zich met moeite aan de leuning van zijn
-stoel vastklemmende, »wat doe jij hier?”
-
-Louise zag hem onverschrokken, half verwijtend aan, maar zeide niets.
-
-De resident was als verpletterd.—Welke macht had die vrouw, dat zij hem
-beletten kon haar te dooden, te verbrijzelen in een oogenblik als dit?
-
-Vuur in zijn hoofd, vlammen voor zijn oogen, trommelslagen aan zijn
-ooren, kanonschoten in zijn hart!... Alles kookte, gonsde, suisde,
-brandde om hem heen...
-
-Een kleine hand, een zachte stem brachten plotseling rust en koelte in
-die verwarde hitte.
-
-»Luister August, laat u niet door uw drift vervoeren in oogenblikken
-van angst en droefheid waarin wij elkander allen noodig hebben. Er zijn
-ongelukken genoeg gebeurd... er moet hier gehandeld en geholpen worden
-zonder haat en zonder wrok.”
-
-»Naar huis! Naar huis terug!” dat was al wat hij zeggen kon, en de daad
-bij het woord voegende, greep hij zijn vrouw bij de schouders en stiet
-haar van zich af, met een kracht die haar tegen den deurpost gedood zou
-hebben, als de dokter en de secretaris niet tusschenbeiden waren
-gekomen om haar uit zijn handen te redden.
-
-»Naar huis, gebied ik u!” gilde hij met een schier onmenschelijke stem,
-juist op het oogenblik dat mijnheer Oristorio en Lawson terugkwamen om
-den dokter af te lossen, die naar het hoofdgebouw zou gaan om te eten.
-
-Louise had zich intusschen een weinig hersteld en stond in haar wit
-morgengewaad, met haar loshangend haar, en haar doodsbleek gelaat naast
-den baleh-baleh, als ware zij de Gerechtigheid die vonnissen kwam en
-nog even toefde op de plaats der misdaad alvorens het woord schuldig
-uit te spreken.
-
-»Ik ga geen pas van hier,” sprak zij vastberaden en met nadruk, terwijl
-zij haar somber oog met buitengewone kracht op Stevens vestigde: »Mijne
-plaats is hier, aan de sponde van hem die door uw toedoen ongelukkig is
-geworden,” en na een oogenblik zwijgens voegde zij er zachter bij,
-terwijl zij naast den baleh-baleh neerknielde en hare hand op het hoofd
-van den stervende lei:
-
-»Zoo lang hij leeft—en zoo lang hij niet buiten gevaar zal wezen, wijk
-ik niet van hier.”
-
-»Dat zullen wij eens zien!”
-
-En weder sprong hij op Louise toe, met een woede die voor het ergste
-deed vreezen.
-
-»Halt resident!” In een oogenblik was hij door de vier heeren omsingeld
-die hem toespraken, beschuldigden, geruststelden, laakten, goedkeurden
-en ten laatste meevoerden naar het hoofdgebouw.
-
-Lawson was de eerste die in den koepel terugkwam. Hij kende Louise
-niet, hij had haar nooit te voren gezien en in de verwarring van zoo
-even had hij niets begrepen van de betrekking waarin zij tot de overige
-personen stond. Eerst in den tuin was het hem uit het spreken der
-heeren duidelijk geworden dat die idealisch schoone vrouw, welke hem in
-de eerste oogenblikken een hemelsche verschijning had toegeschenen,
-mevrouw Stevens van Langendijk was.
-
-Schoorvoetend komt hij den koepel binnen. Louise ziet hem aan en lacht.
-Zij ligt nog geknield naast den baleh-baleh en wenkt hem om nader te
-komen.
-
-»Hij slaapt!” fluistert zij zacht, de blonde lokken van Werner’s
-voorhoofd wegstrijkende. »Wat slaapt hij zacht! Wat is hij gelukkig!”
-
-Lawson wil zich over hem heen buigen, maar Louise houdt hem terug.
-»Niet zóo dicht bij... hij slaapt,” en opstaande, vat zij Lawson bij de
-hand en voert hem mede naar het andere einde van den koepel.
-
-»Gij zijt zijn vriend, niet waar?” vraagt zij de oogen neerslaande.
-
-»Ja, mevrouw, wij hebben elkander lange jaren gekend en...”
-
-»Ook ik,” valt zij hem nauw hoorbaar in de rede, »ook ik heb die
-groote, edele ziel gekend... en verstaan!... Ik heb meer dan eens in
-dat fiere, warme hart gelezen; op de wieken van die alles omvattende
-verbeelding door de eeuwige ruimte der natuur gezweefd... Maar ik ben
-een vrouw, niets dan een rampzalige vrouw, met een hoofd dat niet
-denken, met een hart dat niet gevoelen mag... O! ware ik een man
-geweest! Welk een heerlijk reine vriendschap had dan mijn leven aan het
-zijne kunnen hechten. Met welk een onuitsprekelijk geluk had ik dan
-dien krachtigen geest van nabij kunnen leeren kennen, die heerlijke
-ziel naar waarde leeren schatten! Wat had ik goed en braaf kunnen wezen
-aan de zijde van dien man! O, zulk een voorbeeld maakt grooter, maakt
-beter, brengt nader tot de volmaaktheid... Ik zou het gevolgd hebben,
-dat gevoel ik, en dáar waar ik niet meer had kunnen volgen, dáar zou ik
-bewonderd hebben, bewonderd en gebeden en den Schepper gedankt voor de
-grootheid aan dien mensch geschonken!”
-
-Zij had met geestdrift en vuur gesproken, een lichte blos gloeide op
-haar wang, een fiere lach omzweefde de fijne lippen, een dweepende
-uitdrukking van dankbaarheid en vereering verleende aan de omhoog
-geslagen oogen een zachtheid, een helderheid, een reinheid die Lawson
-in verrukking deden uitroepen:
-
-»Idealisch schoon! Welk een heerlijke extase!”
-
-Hij was als betooverd door Louise’s meesleepende opgewondenheid en wist
-zelf niet dat hij gesproken had.
-
-De jonge vrouw had hem een oogenblik verwonderd aangezien, als verstond
-zij zijne woorden niet, toen had zij de oogen neergeslagen en het hoofd
-gebogen en zacht, bijna fluisterend herhaald:
-
-»Maar ik ben eene vrouw... niets dan een rampzalige vrouw, met een
-hoofd dat niet denken... met een hart dat niet gevoelen mag!... Toch
-was ik ook geschapen om te denken, om te gevoelen, om gelukkig te
-wezen... God heeft eenmaal bevolen »denk!” Maar de menschen hebben
-»neen” gezegd en, in plaats van denken, hebben ze ons gehoorzamen en
-volgen geleerd... en het hoofd is vergeten geworden.... Zoo was Gods
-tweede bevel »gevoel!” Maar de wereld heeft weder »neen” gezegd en, in
-plaats van gevoelen, heeft zij ons zwijgen en veinzen geleerd... En het
-hart is verloren geraakt!... »Zijt gelukkig!” dat was Gods laatste
-bevel. En daarop heeft de menschheid geantwoord met een schaterlach,
-»ja, zijt gelukkig als gij kunt!...”
-
-»Zonder hoofd en zonder hart! Niets om te behouden en niets om weg te
-schenken... Niets om gelukkig te zijn en niets om gelukkig te maken!
-Leegte in de eenzaamheid... en eenzaamheid in het gewoel der wereld!...
-Chaos, waar de geest ook zoekt! Chaos, wat de ziel ook vraagt!....
-Schoonheid, rijkdom, jeugd en weelde! Een danspas en een schaterlach!
-En verder? Nijd en afgunst, haat, bespotting! Aanbidding, wantrouwen,
-miskenning en verachting!... En dan geen hoofd dat strijden kan! Geen
-hart dat troost kan geven!... Chaos! Chaos! O, mijn God!”
-
-Zij zweeg en zonk uitgeput op den baleh-baleh neder, dien zij al
-sprekende genaderd was.
-
-»Wat slaapt hij zacht? Wat is hij gelukkig!” En weer de blonde lokken
-wegstrijkende legt zij hare hand op Werners voorhoofd en ziet zij hem
-aan met die grenzenlooze liefde welke den dokter zoo even aan een
-andere vrouw deed denken... Een jonge, schoone maagd, met goudblond
-haar, en hemelreine oogen, staande gestorven, met een gelukkigen lach,
-in een helderblauw gewaad....
-
-»Hoe gaat het hem?”
-
-Het was de dokter, die van tafel terugkwam.
-
-Louise wenkte hem met de hand om stil te zijn en naderbij te komen en
-lachend naar hem opziende sprak zij zacht en rustig:
-
-»Hij is dood... reeds sedert jaren dood!... Ik alleen heb het geweten,
-maar ik wilde het aan niemand zeggen dan aan u, omdat gij het toch
-zoudt zien!...”
-
-De pijnlijke, de afschuwelijke stilte welke op deze woorden volgde,
-zeide meer dan een der aanwezige personen in staat geweest zou zijn
-door woorden uit te drukken.
-
-Een schelle, wilde lach weerklonk in den hoogen koepel, en golfde langs
-het heldere water van den vijver, door den tuin, tot zelfs in de
-voorgalerij van het hoofdgebouw. Vlug als een hinde sprong Louise op
-den baleh-baleh en, in de eene hand de lamp houdende, terwijl zij met
-de andere het hoofd van den doode ondersteunde vroeg zij met een
-triomfantelijken lach:
-
-»Welnu, dokter, heb ik geen waarheid gesproken?”
-
-»Volkomen waarheid, mevrouw.”
-
-Daarop zag hij Lawson aan.
-
-Groote tranen biggelden langs de wangen van den jongen administrateur.
-Louise zag ze. Langzaam klom ze van den baleh-baleh af, zette de lamp
-ter zijde en legde haar hand op zijn schouder.
-
-»Ben je bedroefd?” vroeg zij medelijdend. »Hij is ook je vriend
-geweest, niet waar? Mijn vriend heeft hij nooit mogen wezen, want ik ben
-een vrouw, een rampzalige vrouw, en de wereld had »neen” gezegd... Toch
-had ik nooit mijn hart aan iemand anders geschonken, nooit dat van een
-ander verlangd of aangenomen....
-
-»Eens heeft hij mij van liefde gesproken, éens, bij het ziekbed van den
-kleinen Willem, op een avond dat wij alleen waren, en dat ik geweend
-had over het heengaan van de kinderen.... de kinderen van Mina, de
-mooie, trouwe, ongelukkige Mina! Zij is dood. Toch was ook zij
-geschapen om gelukkig te wezen. Met een schat van liefde en gezond
-verstand had de Schepper haar bedeeld, maar de menschen hadden »neen”
-gezegd, en nadat zij schoon gevonden en aangebeden was geworden, heeft
-zij smaad en verachting gekend...
-
-»Zij is dood... evenals hij die dáar voor ons ligt, en die ook een
-gelukkiger leven verdiend had dan hij gehad heeft... Wat hadden wij te
-zamen gelukkig kunnen wezen! Nog eens heeft hij mij van liefde
-gesproken, nog eens, toen wij alleen waren met het lijkje van een
-kind... en toen heb ik »neen” gezegd, »neen” als de wereld, »neen” als
-de menschen, die mij hadden leeren zwijgen en veinzen! Die leugen heeft
-hij mij vergeven, niet waar? Hij weet nu dat het de wereld was die
-sprak, de menschen die den resident tusschen hem en mij geplaatst
-hadden... Maar nu is er niemand meer tusschen ons... hij is dood! En de
-dooden behooren ons, meer dan degenen die nog leven!
-
-»Chut!... Voetstappen!... De resident misschien!... Komt binnen heeren!
-Goede tijding!...” En met woeste vlugheid mijnheer Oristorio en den
-resident tegemoet snellende, vatte zij beiden bij de hand en riep met
-een schaterlach:
-
-»Dood! Hij is dood, de mooie, jonge, krachtvolle Werner! Dood!
-Getroffen door een kogel van den resident!... Vloek, mijn God! Vloek
-over het hoofd van den moordenaar!”
-
-Zij lachte weder, en vloog den tuin in waar men haar bewusteloos, aan
-den voet van een mangaboom wedervond.
-
-
-
-
-
-
-
-
-DRIEENDERTIGSTE HOOFDSTUK
-
-KRANKZINNIG
-
-
-Den volgenden morgen was alles droefheid en verwarring in het gisteren
-nog zoo vroolijke buitenverblijf der Oristorio’s.
-
-Louise was niet aan het ontbijt verschenen, ook mevrouw di Frama had
-men nog niet gezien. De resident had brood en thee in zijn kamer doen
-brengen, en de overige huisgenooten, waaronder ook Lawson en de dokter,
-zaten zwijgend om de groote tafel in de achtergalerij. Melatie was de
-eerste die de stilte verbrak met de woorden:
-
-»Ik wilde haar zoo gaarne zien, papa.”
-
-»Niet mogelijk, kind, zij is zoo vreeselijk opgewonden, dat het niet
-anders dan nadeelig voor u zou kunnen zijn, haar op dit oogenblik te
-bezoeken.”
-
-»Toch zou het mogelijk goed voor haar wezen, daar...”
-
-»Welnu? Wat wildet gij zeggen?”
-
-»Och! ik weet het niet.—Paatje, toe, laat mij even gaan? Even slechts.
-Ik beloof dat ik niet zal schrikken, dat ik niet akelig zal worden—mag
-ik?”
-
-»Ja, kon het een goede uitwerking op de patiënte hebben, dan zou ik
-zeggen: Ga, kind, en breng er het uwe toe bij om eenige klaarheid te
-geven aan dien verwarden geest—maar ik vrees dat hier tijd en
-verandering van omgeving alleen als geneesmiddelen kunnen aangewend
-worden; ik vrees zelfs dat het weerzien van iederen persoon die
-eenigszins in de noodlottige gebeurtenis van gisteren betrokken is
-geweest, haar een nieuwen schok zal geven, die in een vlaag van
-razernij of wanhoop los zal breken. Ik kan mij echter vergissen, want
-van den raadselachtigen toestand waarin zij thans verkeert, is niets
-met zekerheid te zeggen.”
-
-»O! mocht ik maar gaan! Ik gevoel dat ik haar zou kunnen troosten! Wij
-begrijpen elkaar zóo goed! Toe, mag ik, dokterlief? zeg maar »ja”. Gij
-zult er geen berouw van krijgen.”
-
-»Nu, ja dan. Maar ik ga met u mede, want maakt het u zenuwachtig dan
-moet gij weg.”
-
-»Was de resident maar weg!” antwoordde zij fluisterend, terwijl zij
-hare hand op zijn arm legde en met hem naar de logeerkamer ging.
-
-»Ja, was de resident maar liever...”
-
-»In Werners plaats gestorven, niet waar?—Ik heb hetzelfde gedacht, maar
-ik durfde het niet zeggen!”
-
-»Ik heb het toch niet gezegd?”
-
-Louise stond naast den stoel van den resident. Zij lachte overluid en
-noemde hem »moordenaar”, juist op het oogenblik toen Melatie
-binnentrad.—Zoodra zij den dokter zag, riep zij hem tot getuige:
-
-»Niet waar, dokter, je bent het immers met me eens, de eerlooze
-machthebber haat al wat hij bewonderen moet, doodt al wat hij
-benijdt.—Alsof hij zelf daardoor rijzen kon!—Nog lager gevallen! Nog
-dieper gezonken! En dat is grootheid? Wat de wereld grootheid noemt!
-Dáar ligt een ziel, een geweten, een geheel bestaan van zelfopoffering
-en verdienste.... dood, verlaten, op een ouden baleh-baleh! En hier zit
-een moordenaar in het volle licht van den dag... Trotsch en krachtig,
-alvermogend... gesteunpilaard door ridderorden en een grooten gouden
-pajong! Dáar de eenzaamheid, de stilte, de dood alleen, die ’t lijk
-bewaakt. Hier rijkdom en weelde, hoogmoed die zich zelven kroont.
-Dáar—maar wacht... een zucht, een traan, een lach, een bede...
-stil!—Luister—stil—stil—luister....
-
-»Mina komt ongeluk brengen over het huis, dat gevloekt is geworden door
-de vrouw die gij bedrogen hebt, door de kinderen die gij verstooten
-hebt!...”
-
-»Louise!” riep de resident, plotseling opspringende. »Louise, wat zegt
-gij dáar!”
-
-»De waarheid, toewan bezar! (groote heer) de zuivere waarheid! Die
-waarheid is een vrouw en die vrouw heet Mina... Ze is dood—maar voor u
-toch leeft ze nog,—en zal ze blijven leven... even lang als gij!—Voor
-mij ook blijft ze leven... Wat was ze schoon! Arme Mina! Ha! daar is
-zij!...”
-
-Haar oog was op Melatie gevallen, die zij bij de hand vatte en mede
-voerde, naar den stoel van den resident.
-
-»Hier is ze, Mina!” vervolgde zij half weenend, half triomfant. »De
-mooie, jonge, edele Mina! Mina die geen schatten vroeg, voor wie de
-grootheid geen waarde had.... Want Mina had geen liefde voor geld, en
-zoo had ze ook geen achting voor de ridderorden en geen eerbied voor
-den grooten gouden pajong,—want ze had te vergeefsch naar een hart
-gezocht onder al die bonte linten, en ze had nooit een hoofd gezien
-onder dien verblindend schoonen pajong.
-
-»Liefde, achting, waarheid, dat was al wat zij verlangde. En het was te
-veel—het was meer dan gij bezat, dus ook meer dan gij geven kondet...
-Maar dat hebt gij nooit bekend—dáar waart gij te trotsch toe... Gij
-wildet niet weten hoe arm gij waart—en daarom beloofdet gij woorden, en
-gaaft gij geld.—Geld, aan Mina!... Zij heeft voor het geld een kris
-gekocht.—Een kris om een vrouw te dooden—maar ze heeft haar niet
-gedood.—Kassian! zij leeft nog, het arme schepsel... Ze is
-»krankzinnig” zeggen ze... Toen was zij niet krankzinnig, toen was ze
-jong en schoon en aangebeden... Ziek is ze daarna geweest—zóo ziek dat
-de menschen dachten dat ze dood was—maar ze kon niet sterven—ze mocht
-niet sterven, zij moest eerst nog iets hooren, nog iets weten—en zij
-heeft het gehoord.—Zij weet het, resident!
-
-»Gij weet niet wat, niet waar? Gij kunt het niet gissen?—Wacht, ik zal
-het u zeggen.—Mina had gewaakt bij de jonge, zieke vrouw, zij had haar
-geholpen en verzorgd—toen alle grooten sliepen.—Zij had den resident
-geantwoord, toen...”
-
-»Louise! Ik smeek u, om Godswil, zwijg!”
-
-De resident liep hijgend, zuchtend, weenend, met zulke
-hartverscheurende gebaren in de rondte, dat de dokter hem bij den arm
-greep en uit de kamer voerde, Melatie een wenk gevende, om haar te doen
-begrijpen dat hij terstond terug zou komen, uit vrees van haar met
-Louise alleen te laten.
-
-Nauwelijks waren de heeren de kamer uit of Louise vloog naar de deur,
-sloot haar en verborg den sleutel onder de kussens, in bed.
-
-»Alleen!” riep zij met een vreugdekreet, die de ramen trillen deed.
-»Alleen met Mina die goed is, en alles van de arme Louise weten
-mag.—Maar waar zijt gij al dien tijd geweest?—Waarom heb ik u in zóo
-lang niet gezien?—De menschen hebben mij gezegd dat gij gestorven
-waart, maar de dooden kunnen niet terugkomen... niet waar?—O! konden
-zij dat, wat zou ik dan gelukkig wezen!”
-
-Zij zweeg en scheen op antwoord te wachten. Maar Melatie sloeg haar arm
-om Louise’s hals en zeide niets, zij wist niet wat zij antwoorden
-moest.
-
-»Arme Mina!” hernam de jonge vrouw, het meisje medelijdend aanziende.
-»Arme Mina! En ik wilde u niet binnenlaten toen gij naar uwe kamer
-terugkeerdet, er uwe kinderen dacht te vinden en den man dien gij lief
-hadt misschien?... Zij zijn naar Holland, uwe kinderen... weet gij
-het?—Hun vader heeft ze weg gezonden—tegen mijn zin, want ik wist wel
-dat gij zoudt terugkomen om ze te zien—uwe kinderen, die gij nooit
-vergeten zoudt, zelfs niet al waart ge ook werkelijk gestorven!... Arme
-Mina! Gij hebt een’ vloek geworpen op het huis van den resident en uwe
-kinderen zijn getroffen geworden, even als de vrouw die uwe plaats
-heeft ingenomen... maar de man dien uw vloek moest treffen, is gespaard
-gebleven, en spot met het ongeluk dat wijkt voor zijn schaterlach!”
-
-Melatie begreep niet veel van hetgeen zij hoorde, en bleef zwijgen.
-
-»Neen... zóo was het niet...” vervolgde Louise, zich, als met moeite,
-herinnerende wat er gebeurd was. »Willempje is gestorven... en daarna
-heeft hij August alleen weg gezonden ondanks al mijn smeeken... Ik heb
-voor uwe kinderen gedaan wat ik kon... geloof mij, Mina. Ik kon niet
-meer. Ik had geen recht op uw kinderen, zeide hij, en daarop zijn beide
-mij ontnomen geworden. Ik heb minder getreurd over Willem dan over
-August, want Willem was dood en August zou mishandeld worden... Ik wist
-het wel... Daarom zend ik hem geld en allerhande kleinigheden van hier,
-zoo dikwijls ik maar kan, opdat de menschen weten zullen dat iemand hem
-toch lief heeft en dat iemand over hem waakt... En alles zend ik hem
-uit naam van zijn vader, want mij zouden de menschen niet tellen. Ik
-heb geen recht, zoo als ze dat heeten... Zijn vader alleen heeft
-recht!... Zelfs recht om te dooden! Vloek! Vloek! Eeuwige vloek, mijn
-God! over den man der fortuin!...”
-
-Louise’s oogen vonkelden van toorn en haat, en er was iets zóo
-krachtigs in het opgeheven hoofd, iets zóo dreigends in de bevende
-lippen, iets zóo besloten in de saamgevouwen handen, dat Melatie
-onwillekeurig terug deinsde, en haar op eenigen afstand aan bleef
-staren, niet wetende of zij hare vriendin bewonderen, beklagen of
-ontwijken moest.
-
-Doch, plotseling bedarende, en Melatie de hand reikende met eene
-uitdrukking van medelijden, droefheid en onderwerping, alsof zij berouw
-had over hare drift van zoo even, vroeg zij zacht, bijna smeekend:
-
-»Herinnert gij u nog, dat gij mij eenmaal beloofd hebt, dat gij mij
-helpen zoudt, indien gij mij van dienst zoudt kunnen wezen. Het was op
-een’ avond... in de residentie... Ik had geweend... en gij hadt den
-moed niet gehad mij te dooden... Er lagen gouden armbanden vóor ons,
-haarpennen en oorknoppen. Eene kris op den vloer bij het venster...
-Herinnert gij het u nog?”
-
-Melatie knikte toestemmend. Zij wist van niets.
-
-»Welnu, luister dan, gij kunt mij nu een dienst bewijzen, die niemand
-anders mij bewijzen zou. Maar op u heb ik gerekend. Gij hebt zelve
-zóoveel geleden, dat gij medelijden hebben zult met de arme Louise, en
-haar niet hard beoordeelen zult, zooals de menschen doen.... De
-menschen, die niet weten wat lijden is, omdat ze niet weten wat liefde
-is... Arme menschen! Als ze dat alles wisten zouden ze beter wezen,
-maar ze weten niets en daarom zijn ze zoo boos voor anderen die weten.
-Het is armoede die boosheid, anders niet... Daarom vergeef ik hun ook
-alles—alles—maar ik wil ze niet meer zien, ik wil ze niet meer
-kennen... Ik zal ze helpen waar ik kan, altijd en overal; maar zonder
-ze te zien! Zij mogen niet meer bij mij komen, vriendelijk en wel, om
-mij te bespieden, te verraden, te belasteren, te bespotten. Dat alles
-is maar armoede, ik weet het wel, maar ik wil die armoede niet meer
-zien, ze is leelijk, en ze doet mij leed. ’t Is Werner die mij geleerd
-heeft dat slechtheid armoede is, ik wist dat niet, en ik haatte de
-menschen, die hij beklagen kon! Ik haat ze nog tusschenbeide, maar dat
-is als ik niet aan Werner denk... Chut!... Dáar klopt iemand aan de
-deur... Laat maar kloppen, ik heb den sleutel begraven—niemand kan ons
-storen...”
-
-»Weet gij wie daar klopt?”
-
-»Neen.”
-
-»Het is de dokter, die ook weet wat lijden en wat liefde is, en dien
-gij niet verstooten moogt, na hetgeen hij voor Werner gedaan heeft...”
-
-»Voor Werner...” herhaalde de jonge vrouw, met neergeslagen oogen, en,
-langzaam het ledekant naderende, zocht zij den sleutel en opende zelve
-de deur voor den dokter. Toen sloot zij de deur weer zorgvuldig dicht,
-en, na zich verzekerd te hebben dat niemand het zag, verborg zij den
-sleutel op eene andere plaats. Daarop legde zij hare hand op den
-schouder van den dokter en vroeg zij hem half lachend, of hij den
-resident ver weg had gebracht?
-
-»Zóo ver dat hij niet meer zal komen voor dat gij zelve hem terug zult
-roepen.”
-
-»Ik?—Ik hem terug roepen!—Nooit!—O! dokter, wat zijn de menschen toch
-wreed! Het huwelijk moest verboden zijn wanneer de vrouw geen liefde
-voor den man heeft en het moest ontbonden worden wanneer hij hare
-liefde verloren heeft! Ontbonden!—Vrij!—Verlost van den resident! O de
-liefde van dien man is mij een gruwel! Ik zou hem minder haten, geloof
-ik, indien hij mij minder lief had!”
-
-»Haten, Mevrouw? Moogt gij iemand haten?”
-
-»Zóo leert men haten, dokter. Welk recht heeft die man op mij? Ik was
-een kind toen de menschen mij bevolen zijne vrouw te worden. Ik kende
-niets dan gehoorzaamheid, en ik heb gehoorzaamd; op onwetendheid was
-mijn handelen gegrond, en op die handeling heeft de wet het zegel harer
-onfeilbaarheid gedrukt, het wreede »levenslang” bevolen, dat verbeterd
-werd door de kerk, die »eeuwig” zeide.—Eeuwig!—Mijn God! help mij! Die
-eeuwigheid maakt mij krankzinnig!...”
-
-Zij verborg het gelaat een oogenblik in de handen, hief toen het hoofd
-weder op en zeide fier en langzaam:
-
-»En indien ik nu eens die gelofte, dat gebod, die wetten en die kerk
-verachtte?... Indien ik dat alles eens wreed, dom en onzedelijk noemde:
-in strijd met godsdienst en natuur; in strijd met gezond verstand en
-geweten?... Indien ik op grond van dat alles eens naar de gerechtzaal
-ging en scheiding vroeg van den resident Stevens van Langendijk?... Wat
-zouden de wetten dan zeggen?”
-
-De dokter en Melatie wisselden een vluchtigen blik, maar zwegen.
-
-»Gij antwoordt niet,” vervolgde Louise, »omdat gij mij geen leed wilt
-aandoen; maar, ik ken het antwoord even goed als gij. De wet zou
-slapend op hare volmaaktheid steunen en mij verder verwijzen naar de
-zielendoodende kerkelijke eeuwigheid! Daarom zal ik ook naar geen
-gerechtzalen gaan... Toch,—later mogelijk... want de vrouw die schuldig
-is alleen kan hare vrijheid terug krijgen.—Zij, die onschuldig zijn,
-moeten lijden en zwijgen. Wij zijn ook te trotsch om te klagen.
-Medelijden is een vernederende aalmoes, versmaad door haar, die rijk
-zijn omdat zij een krachtige ziel en een zuiver geweten hebben!—Maar
-spreken, dat kunnen wij—lachend vertellen wat wij lijden, hoe wij
-lijden en waardoor wij lijden... En dan kunnen wij verachten—en—zóo
-handelen als ik van morgen met den resident gehandeld heb!... Zeg,
-dokter, wilt gij mij een genoegen doen?”
-
-»Gaarne Mevrouw.”
-
-»Blijf dan even hier staan, ik wilde Mina een oogenblik alleen
-spreken.” En Melatie mede voerende naar de andere zijde der kamer,
-vroeg zij nauw hoorbaar:
-
-»Waar wordt Werner begraven?”
-
-»Te Speranza; op zijn eigen land.”
-
-»Ik moet zijn graf zien, eer ik naar A. terugkeer—zal je met mij
-meegaan?...”
-
-Melatie wierp een wanhopigen blik op den dokter en antwoordde
-toestemmend:
-
-»Morgen ochtend, in de vroegte, als de anderen nog slapen, niet waar?
-O, ik wil zien waar het graf van George is!—Ik moet het weten, want...
-Dokter, waar kijk je naar?...” En met een’ woesten sprong naar het
-venster snellende, waarbij de dokter stond, zag zij van verre, door de
-takken der boomen heen, den lijkstoet die het hek uitging.
-
-Bleek en hijgend staarde zij in de donkere laan; haar somber oog tuurde
-door de groene bladeren zoo lang daar achter iets bewoog, en toen
-eindelijk alles stil was, boog zij langzaam het schoone hoofd en rolden
-er groote tranen langs de krijtwitte wangen.
-
-»Ik heb hem zoo innig liefgehad,” sprak zij zacht, »en hij heeft het
-nooit geweten.—Dokter, ik dank je voor al wat gij voor mijn Werner
-gedaan hebt.”
-
-Zij reikte hem de hand en zag hem aan met hare zachte, droevige oogen
-als of zij hem met dien blik zeggen wilde, hetgeen zij in geen woorden
-uit kon drukken.
-
-Toen zonk zij opeen sofa neer, en bleef daar zitten, bleek en zwijgend
-tot laat in den avond, geen lach, geen traan, geen uitdrukking van
-toorn of haat had leven gegeven aan de ziellooze trekken die uren lang
-onbewegelijk gebleven waren. Te vergeefs had men alle middelen in het
-werk gesteld om hare aandacht te trekken, of haar belang in te boezemen
-voor hetgeen haar omringde—niets had geholpen, de stem van den resident
-had haar koud gelaten, even als het schoone lied van Lina, en de
-bittere tranen der arme Melatie, die haar eindelijk ontkleedde en als
-een kind naar bed bracht, zonder een enkel woord over hare lippen te
-kunnen krijgen, of zelfs aan eenig teeken te kunnen zien dat zij haar
-herkende.
-
-Acht dagen bleef zij zóo half bewusteloos voort leven, toen keerde de
-resident met haar naar A. terug, waar mijnheer en mevrouw Van Amerongen
-den zelfden dag zouden aankomen, om eenigen tijd bij hun kind door te
-brengen en te beproeven haar door eene nieuwe omgeving de oude te doen
-vergeten.
-
-
-
-
-
-
-
-
-VIERENDERTIGSTE HOOFDSTUK
-
-HET BEZOEK DER OUDERS
-
-
- „Je me repens de tout, hors de l’avoir aimé
- Et, si devant ce Dien mon amour est coupable,
- Que dans l’éternité sa vengeance m’accable!
- Je ne puis m’arracher du coeur, même aujourd’hui,
- Le seul être ici-bas qui m’aît fait croire en Lui;
- — — — — — — son image est si belle,
- Que je ne comprends pas le ciel même sans elle.
- Oh! s’il était là, lui! Si Dieu me le rendait!
- Même à travers la mort, oh! s’il me regardait!
- Si cette heure à ma vie eût été réservée,
- Si j’entendais sa voix je me croirais sauvée:
- Sa voix m’adoucirait jusqu’au lit du tombeau!”
-
- A. de Lamartine, Jocelyn.
-
-
-In het lichtblauw satijn gekleed, stond Louise te spelen met de
-weelderige lokken van haar loshangend haar, en te lachen naar omhoog,
-als zag zij daar iemand dien zij welkom heette.
-
-Haar vader trad binnen.
-
-Zij zag hem niet, en vervolgde haar spel als te voren, nu eens omziende
-naar de golvende plooien van haar langen sleep, dan weder lachende
-tegen den grooten spiegel welke hare bekoorlijke gestalte ten voeten
-uit wedergaf, of smeekend opziende naar den een of anderen hoek der
-kamer, waar een idealische verschijning hare gansche ziel scheen heen
-te trekken.
-
-»George!” riep zij op eens, en, in den grootsten angst hare armen
-uitstrekkende als wilde zij iemand terug houden die haar verlaten ging,
-vervolgde zij nauw hoorbaar: »O, blijf!... blijf... Nog even slechts!
-Mijn George! O! ik bid u, verlaat mij niet... Gij weet het immers, de
-wereld is ledig voor mij... is niets meer zonder u...”
-
-Zij zweeg, verbleekte, trok de armen terug, bedekte het gelaat met de
-handen, en zonk als machteloos op een stoel neder.
-
-Mijnheer Van Amerongen naderde haar langzaam, legde zijn hand op haar
-schouder, en riep haar zacht bij haar naam.
-
-Louise bleef onbewegelijk zitten.
-
-»Kindlief!” sprak hij vleiend.
-
-Geen antwoord.
-
-»Louise, uwe moeder is hier, om u te bezoeken. Stevens heeft haar te
-logeeren gevraagd, om u pleizier te doen.—Wilt gij uwe moeder niet
-zien?”
-
-Nog altijd hetzelfde zwijgen.
-
-Mijnheer Van Amerongen vatte hare beide handen in de zijnen, trok ze
-van haar gelaat af en zag haar met een glimlach aan.
-
-Louise liet hem begaan, maar zeide niets en staarde voor zich neder,
-zonder acht op hem te geven.
-
-Ten einde raad, wilde hij de kamer weer verlaten, toen hem plotseling
-een gedachte inviel.
-
-Hij kwam terug, plaatste zich achter den stoel zijner dochter en
-fluisterde zacht:
-
-»George zal terug komen!”
-
-Zij bewoog zich niet, doch hare oogen blikten ter zijde, als luisterde
-zij.
-
-»Gij zult hem weerzien, Louise.”
-
-»Wanneer?” vroeg zij zacht, zoo zacht dat het woord een zucht geleek.
-
-»Later.”
-
-»Later!” herhaalde zij met een vreeselijke lach, toen sloeg zij de
-oogen neer en boog het hoofd met zulk een onbeschrijfelijke uitdrukking
-van droefheid en onderwerping dat het hart haars vaders van smart
-ineenkromp.
-
-»Louise!” hernam hij nogmaals, »Louise, George heeft beloofd terug te
-zullen komen zoodra gij weer vroolijk en opgeruimd zult wezen. Hij
-bemint u slechts zooals gij vroeger waart, jong en schoon, en vroolijk
-bovenal.”
-
-»Vroolijk? O! laat hem komen, en ik zal weer vroolijk zijn! Vroolijk en
-gelukkig, zooals ik bij hem alleen kan wezen... Mijn George! Mijn
-hartelijk geliefde George!... En ik heb hem verstooten toen hij daar
-voor mij stond... verstooten toen hij mij zijn liefde bood, toen hij
-mij de mijne vroeg, mijn liefde die mijn steun, mijn leidsvrouw, mijn
-alles geweest was gedurende de laatste eeuwen die ik doorkropen had...
-O, George, kom weer! Vergeef uwe arme Louise een laagheid, vergeef haar
-een misdaad die zij gepleegd heeft uit plichtbesef! Zij heeft uwe
-liefde versmaad, zij heeft u de hare verborgen... Zij heeft u
-misleid... Mijn George, u misleid, omdat de menschen die misleiding
-deugd noemden. De menschen! Alsof er menschen bestaan mochten...”
-
-Zij zweeg een oogenblik, lachte en vervolgde toen met wanhopige
-bitterheid:
-
-»Deugd!—Wat is deugd?—Waar is deugd?—Deugd!—Een woord—een
-klank—niets!—Een schim, die duizende gedaanten heeft, duizende
-gebreken, duizende belachelijkheden! Een iets dat bestaat, en dat toch
-niet bestaat—dat niets is dan trots en dwang en tegenstrijdigheid...
-egoïsme dat beveelt en domheid die gehoorzaamt, berekening die in stand
-houdt door overmacht!... Deugd is een spooksel dat door
-geheimzinnigheid bekoort, aantrekt door vreemdheid en meesleept door
-onbereikbaarheid, den spot drijft met de onzinnige aanbidding zijner
-bewonderaars! Een gezichtsbedrog dat allen najagen en dat niemand
-bereikt, een gewrocht onzer eigene verbeelding, dat ons het leven
-ondragelijk maakt en ons den dood beschouwen doet als een belooning
-voor ons lijden!... Zekerheid voor het ongeluk, voor het tegenwoordige
-dat ons behoort, en onzekerheid voor het geluk, dat wij moedwillig naar
-de toekomst verwijzen... de toekomst die geen sterveling kent!... Alsof
-wij weten konden wat ons na dit leven wacht!... Mijn God! welk een
-verward bestaan! Leven voor eene toekomst die geheel denkbeeldig is! En
-daarvoor ongelukkig zijn! Daarvoor strijden, zwoegen, jaren lang!...
-
-»Deugd! Ha! Waarom hebt gij mij dat woord geleerd? Gij die er eene
-beteekenis aan hecht die raadsel is voor mij? Gij, mijne moeder, die
-mij daarvoor de liefde, de hulp, de achting der menschen beloofdet!....
-Ja, de menschen! De menschen die ik recht over mijne handelingen toe
-heb gekend, die ik eene plaats in mijne ziel heb ingeruimd, die ik
-geacht heb en vertrouwd, beschermd, getroost, geholpen waar het mij
-mogelijk was... die menschen hebben mij bedrogen, belasterd, ongelukkig
-gemaakt... ja, zelfs veracht!—Zij hebben mij veracht!—veracht, omdat ik
-aan hun deugden geloofde, terwijl zij met mijne vriendschap speelden,
-misbruik van mijn vertrouwen maakten en mijne weldaden met ondank
-beloonden.... En toen zij mij alles ontnomen hadden, alles, mijne
-menschenliefde, mijn vertrouwen, mijn geluk en mijne rust, toen zij mij
-niets meer gelaten hadden dan angst en twijfel, toen ik mij zelve
-vreemd was geworden, en mijne gedachten, mijne gevoelens, mijne daden
-zelfs raadselen voor mij geworden waren—toen hebben zij gespot met de
-teleurgestelde hoop van het kind, gelachen om de wanhoop die mijn hart
-verteerde, om de leegte die mijn ziel omzweefde, gejuicht over de
-zwakte van het lichaam dat gebroken scheen—van het hoofd....
-»Krankzinnig!” was hun feestkreet, en de nagalm klonk mij als eene
-openbaring in de ooren!—Ja, krankzinnig misschien.... Ben ik nu
-krankzinnig?—Ik heb zóoveel geleden, zóoveel gezwegen, zóoveel
-verborgen... Wat heb ik lief gehad! En wat haat ik nu! Wat veracht ik
-de menschen!... Neen, om Werner’s wille vergeef ik hen... Lacht maar,
-lacht maar, menschen... Bespot vrij uw slachtoffers, spreekt uw leven
-lang van deugd en zoekt uw geluk in het leed dat uwe naasten doodt—er
-zal eenmaal een tijd komen...
-
-»Maar de deugd is mij vreemd—mogelijk hebt gij het recht om mij te
-verachten... gij die begrijpt wat duister is voor mij...
-
-»Neen, dat recht hebt gij niet! Gij kunt het niet hebben!—En indien gij
-het hadt, dan nog zou ik het u betwisten, zoo lang het mij mogelijk zou
-zijn....
-
-»George! George! Hoort gij het? Hoort gij dat uwe Louise vrij is?—Dat
-er geen deugd meer bestaat—en dat de wereld dood is voor haar? Kom, o
-kom terug, mijn innig geliefde George! Kom, opdat uwe Louise den
-menschen toone wat deugd is voor haar! Hoe groot, hoe edel, hoe heilig
-de liefde is die zij u toedraagt, en hoe trotsch zij ze met voeten
-treedt, die wetten van menschen die zij haat en veracht omdat zij
-bevelen wat slecht is en berispen hetgeen God zelf wil!”
-
-Haar oog viel op haren vader, en plotseling bleef zij zwijgend
-tegenover hem staan. Gedurende eenige oogenblikken zag zij hem strak
-aan, toen wierp zij het hoofd achterover, kruiste de armen over de
-borst en vroeg op trotschen, schier dreigenden toon:
-
-»Wie zijt gij?—En wat doet gij hier?”
-
-Mijnheer Van Amerongen wilde antwoorden, doch eer hij een woord kon
-uitbrengen, vervolgde zij heftiger:
-
-»Ik ken u niet.—Vertrek!”
-
-»Gij kent mij niet, Louise?... Uw vader?... Van Amerongen?...”
-
-»Van Amerongen... Van Amerongen...” herhaalde de jonge vrouw verward,
-»van Amerongen... Ik ken hem niet.—Vertrek!... Neen—wacht—ik ken hem
-toch... Ik heb meer dan duizend jaar geleden dien naam wel eens
-gehoord, geloof ik... van Amerongen... van Amerongen... Een koopman,
-niet waar?—Een geldman, een rekenaar?—Een man zonder deugd, zonder
-hart, zonder eer?... Ik ken hem niet.—Vertrek!...”
-
-»Maar die man is uw vader, Louise! Herken dan toch dien armen,
-ongelukkigen vader die u verzorgd heeft toen gij klein waart en voor u
-gewerkt heeft zijn leven lang!—Die u lief heeft...”
-
-Hij wilde hare hand vatten, doch nauwelijks had hij die met de toppen
-zijner vingers aangeraakt, of Louise sprong terug met eene flikkering
-van afschuw in de oogen.
-
-»Ha!—Ik ken u!” gilde zij luid. »Ik ken u ellendeling! Mijn vader?—Ja,
-die waart gij eenmaal maar die zijt gij nu niet meer!—Moordenaar!
-Moordenaar van het kind dat u lief had, dat u eerde, u vertrouwde....
-Gij hebt hare ziel gedood, haar hoofd gekrenkt, haar hart gebroken...
-Maar het lichaam dat gij haar behouden liet, dat lichaam haat u,
-veracht u, vervloekt u voor eeuwig!”
-
-De jonge vrouw bedaarde plotseling. De duivelsche lach, welke voor een
-oogenblik haar schoon gelaat ontsierd had, maakte plaats voor eene
-zachte uitdrukding van grenzenlooze droefheid, toen sprak zij somber en
-bedaard:
-
-»Gij hebt mij mijn George ontnomen... mijn George, dien ik lief had als
-het licht van den dag... Vertrek, vreemdeling.—Ik ken u niet...”
-
-Zij wees met de hand naar de deur, wierp hem een blik vol verachting
-toe en wendde zich van hem af.
-
-Mijnheer Van Amerongen vertrok. Een oogenblik later trad mevrouw de
-kamer binnen.
-
-Louise stond met den rug naar de deur gekeerd en sprak overluid:
-
-»Ik heb hem vervloekt, dien man uit mijn kindschheid!—En die vloek zal
-zwaar drukken op de schouders van den grijsaard!... De rijke man is
-trotsch geweest—maar het grijze hoofd zal buigen, en het koude hart zal
-lijden onder den vloek die dooden zal!...”
-
-Mevrouw Van Amerongen verbleekte; toch trad zij nader.
-
-»Louise,” sprak zij zacht, haren arm om den hals harer dochter slaande.
-»Hoe gaat het u, mijn kind? Wat ben ik blijde u weer te zien! Stevens
-had mij geschreven dat gij ongesteld waart, maar gij zijt weer beter,
-niet waar? Gij...”
-
-Louise staarde hare moeder aan, zoo als zij eenige oogenblikken te
-voren haren vader had aangestaard; toen wikkelde zij zich los uit hare
-armen, wierp haar een blik toe, zóo koud en zóo trotsch als die
-sprekende oogen er ooit een geworpen hadden, en sprak zacht:
-
-»Wat kan het u schelen hoe ik het maak?... Uw kind is residentsvrouw
-thans!—Wat doet de rest ter zake?... De menschen zeggen dat ik
-krankzinnig ben, omdat ik hen haat!—Zijt gij dus gekomen om te zien of
-de menschen waarheid spreken, keer dan terug tot hen die u gezonden
-hebben, en zeg hun dat Louise slechts éene ziel bezit en dat die éene
-hem behoort dien zij lief heeft boven alles!... Het lichaam moogt gij
-vrij krankzinnig noemen, indien dat woord de menschen gelukkig kan
-maken!...”
-
-»Maar gij zijt niet krankzinnig, Louise, mijn kind! De menschen hebben
-onwaarheid gesproken en gij zult ze daarvan overtuigen, niet waar?—Gij
-zult met mij mede gaan naar Samarang, waar gij Marie van den Berg weer
-zult vinden en Henri, die u wachten.”
-
-»Marie?... Henri?... Ken ik die menschen?... Ik ben ze vergeten, geloof
-ik... Mijn leven is zóo lang geweest!—Maar ik heb toch eenmaal een
-schoonen droom gehad waarin die namen voorkwamen, dunkt mij... Een tuin
-met zwaar geboomte en bloeiende heesters... gouden zonlichten, die
-dansten over een schelpenpad... lieve bloemen, die geurden en
-schitterden met kristallen dauwdroppelen... Een paard, een arabische
-isabel, schoon en vurig, trappelend van ongeduld aan de hand van een
-jong meisje... een kind, met een lachend hart en een lachend oog...
-Marie aan hare zijde... Henri tegenover haar...
-
-»Wie zijt gij?” viel zij op eens zich zelve in de rede, hare moeder bij
-den arm vattende en haar scherp in de oogen ziende. »Wie geeft u het
-recht mij te volgen, wanneer ik neerdaal in de dagen die voorbij
-zijn?—Het is met mijne geliefde afgestorvenen alleen dat ik gelukkig
-wezen kan... En er is te weinig geluk op aarde dan dat het u vergund
-zou wezen, een uwer medemenschen het zijne moedwillig te ontnemen.
-
-»Ik wensch alleen te zijn. Alleen, met George, die mij wacht... met
-George aan wien ik toebehoor.—Hij is gekomen om mij iets te zeggen dat
-ik weten moet.—Maar hij kan niet spreken zoolang dáar eene vreemde
-tusschen ons staat... Verstaat gij mij niet?—Hoort gij ook niet wat hij
-u zegt?... »Dat Gods vloek op hen zal rusten, die van deugd en
-godsdienst spreken en niet weten wat liefde is... omdat zij hunne
-harten met goud beslagen en hunne gewetens bedolven hebben onder het
-geld, dat zij door een laagheid, een toeval, of een misdaad verkregen
-hebben!”
-
-»Louise! Mijn arme Louise!—Bedaar toch, mijn kind.—Zeg mij al wat u op
-het hart ligt, maar zeg het mij kalm. Vrees niets: met uwe moeder toch
-kunt gij openhartig spreken...”
-
-»Mijne moeder?—Zijt gij mijne moeder?—Gij?—Het is mogelijk.—Maar wilt
-gij daarom dat ik openhartig met u spreken zal?—Wacht, wacht even... en
-ik zal u zeggen, wat gij weten moogt...
-
-»Hier, hier, ziet gij dit?” vervolgde zij, een zak koperen duiten uit
-de lade harer kast te voorschijn halende: »Hier hebt gij het loon van
-uw leven” En een hand vol recepissen over den vloer strooiende, vroeg
-zij lachend: »Gij hebt immers altijd naar rijkdommen verlangd? Daarvoor
-hebt gij eerst u zelve en later uw kind verkocht. Daarvoor hebt gij
-gekropen aan de voeten uwer medemenschen, gewroet in het slijk der
-aarde, geklopt aan de poorten der hel.—Geniet nu van het loon uws
-levens, indien gij nog genieten kunt!... Zie hier geld!... Geld in
-overvloed! Geld genoeg om u een gouden doos te koopen, een doos zóo
-groot, zóo sterk dat gij haar als een huis bewonen kunt!—En wees
-gelukkig, als gij kunt, wanneer uw lichaam rusten zal op een leger van
-goud, en uwe oogen een gouden horizon ontmoeten zullen, waar zij zich
-ook wenden!—Wees gelukkig als gij kunt, wanneer uw hart verstijven zal
-van koude en het bloed, gestold in uwe aderen, niet meer vloeien zal
-langs die schoone wanden van goud! En als dan eindelijk uw gouddorst
-bevredigd zal wezen, en uw nooit voldane ziel iets anders zal
-verlangen—iets beters, iets dat gij vroeger niet hebt willen kennen,
-maar waarnaar gij vragen zult zoodra gij weten zult, dat gij het niet
-verkrijgen kunt, zelfs niet voor het goud van uw heelal...”
-
-Zij zag tranen langs de wangen harer moeder biggelen. Terstond hield
-zij op met spreken. De verontwaardiging, de minachting, de haat, welke
-onder het spreken in elke harer bewegingen hadden doorgestraald, waren
-plotseling verdwenen. Een gelukkige glimlach verhelderde haar schoon
-gelaat en met een diep gevoel van medelijden en liefde riep zij op
-eens:
-
-»Vergeef haar, George!—Zie hoe zij lijdt! Heb medelijden met mijn arme
-moeder!”
-
-Bijna op hetzelfde oogenblik verbleekte zij, met een luiden gil vlood
-zij weg, en sidderend kromp zij ineen in den donkersten hoek der kamer.
-
-Een oogenblik later rees zij weder op. Hare houding was gebogen, haar
-somber oog glansloos.
-
-»Ook hij!” sprak zij zacht. Toen begaf zij zich met wankelende schreden
-naar haar stoel, en, met de armen over de leuning gekruist en de oogen
-nedergeslagen, vervolgde zij:
-
-»Ook hij,—mijn George, mijn vriend, mijn leidsman, mijn meester—mij
-verlaten! verstooten!.... vergeten!... Mag er dan niets meer bestaan
-voor de arme ongelukkige Louise?... niets... niets...”
-
-Mevrouw Van Amerongen sloot haar kind in de armen, drukte een kus op
-het brandend voorhoofd en zeide troostend:
-
-»Ik ben bij u, Louise, uwe moeder die u lief heeft, en die alles voor u
-doen zal, alles... Zeg maar wat gij verlangt en...”
-
-»Wat ik verlang?... Wat... ik... verlang?” herhaalde zij somber, »niets
-meer... niets...”
-
-Eenige oogenblikken bleef zij zwijgend nadenken, toen hernam zij
-levendiger:
-
-»Toch heeft hij mij lief gehad... Innig, waarachtig lief gehad! Hij
-zelf heeft het mij gezegd... dáar... dáar mijne hand in de zijne...
-Zijn lach, zijn blik, zijn stem... liefde!... liefde!... alles liefde!
-En die liefde is dood? Dood voor eeuwig? Louise is niets meer voor
-hem?... Help mij, mijn God! O, help mij begrijpen... Indien een mensch
-begrijpen mag...”
-
-Zij boog het hoofd en bleef geruimen tijd, als wezenloos, aan de zijde
-harer moeder staan.
-
-»Neen, nooit heeft hij Lotje lief gehad,” sprak zij fluisterend... »hij
-heeft mij alles geschreven... alles in dat briefje, dat ik verbrand
-heb... verbrand... Het eenige briefje van George... En nu heb ik niets
-meer van hem... niets... niets... Chut! Hij spreekt...”
-
-Zij hief hare oogen op, luisterde, bloosde, lachte, verbleekte weder,
-boog het hoofd en weende.
-
-Plotseling sprong zij uit hare verslagenheid op, wierp het hoofd
-achterover, sloeg een krachtigen blik naar omhoog en sprak luid en
-ernstig:
-
-»Ja George. Ik zweer het u, mijn liefde, mijn toekomst behooren a. Geen
-menschelijke macht zal de kracht hebben ons ooit weer te scheiden.
-Vertrouw op mij, en ons geluk staat vast. Ik zweer het u.—Tot
-weerziens, George...”
-
-En zich lachend tot hare moeder wendende, vervolgde zij: »Gij hoort
-het, hem alleen behoor ik, wat de menschen ook zeggen mogen.”
-
-
-
-
-
-
-
-
-VIJFENDERTIGSTE HOOFDSTUK
-
-DE VLUCHT
-
-
-Het was avond. In een der logeerkamers van het residentiegebouw lag
-Louise geknield voor een grooten toiletspiegel. Zij had het rood
-fluweelen kleed aan, dat zij gemaakt had voor het Gouverneur-Generaal’s
-bal, waarop zij Werner weer zou zien. Zij had zich opgesierd met
-paarlen en diamanten, gouden slangen en melatiekransen. Haar weelderig
-zwart haar golfde in dikke lokken langs den blooten hals en de armen en
-smolt op den vloer ineen met de mollige plooien van het rood fluweel.
-Zij lachte terwijl zij het schoone hoofd omhoog hief en het licht der
-kaarsen hare donkere oogen bescheen, waarin nog tranen blonken.
-
-»George,” sprak zij zacht, »uwe Louise is gereed u te volgen; maar
-chut, laat de resident het niet weten, want hij zou op onze receptie
-willen komen, bij ons huwelijk tegenwoordig willen zijn, en dat mag
-niet wezen. Gij hebt immers ook niets van zijn huwelijk af geweten? Zijn
-huwelijk met Louise van Amerongen. Nu heet ze geen Van Amerongen meer,
-zij heeft lang Stevens geheeten, maar dat was de naam van den man die
-haar gekocht had, en zij wil niets mee nemen van den man dien zij
-verlaten gaat, niets, vooral zijn naam niet. Die leelijke groote naam,
-die aan grasgroene oogen doet denken, en aan een schelle stem. Werner
-wil zij voortaan heeten, Louise Werner. Dien naam zal ze nooit
-verloochenen, want zij heeft hem zelve gekozen. Hier is mijn
-bruidssluier, maar de oranjebloesems kan ik niet vinden—waar zijn ze
-dan toch?—Mijn bruidskleed is in de andere kamer—’t is geen zware zij,
-geen satijn, geen fluweel, maar eenvoudige witte tule, zoo rein en zoo
-helder als de liefde uwer bruid. »Mysterie” ruischten de zware plooien
-van het dikke zijden kleed, dat eenmaal een residentsbruid tooide; en
-mysterie was hare liefde, die sliep en wachtte op u. Waar zijn die
-oranjebloesems dan toch?—Een tweede huwelijk? O neen, geen tweede
-huwelijk.—Nooit een tweede huwelijk. Ik ben nooit getrouwd geweest.
-Nooit. Dat vorig huwelijk was een spel, een vertooning, een drama
-waarin ik een rol vervuld heb, een droeve rol, maar daar was geen
-waarheid in, o neen, niets waars. Nu ga ik trouwen—en dit huwelijk is
-waar—voor eeuwig waar.—Maar ik kan de oranjebloesems niet vinden...”
-
-Zij hoorde geritsel achter zich, en zag om. Het waren de voetstappen
-van den resident en van hare ouders, die zij gehoord had. Men had haar
-naar de logeerkamer zien gaan, en daar zij buitengewoon lang weg was
-gebleven, kwam men zien wat zij deed.
-
-»Altijd diezelfde menschen!” dacht zij bij zich zelve, en met een half
-weerhouden lach zich den bruidssluier over het hoofd werpende, vlood
-zij weg naar een andere kamer.
-
-»Volg haar!” smeekte de resident.
-
-Louise hoorde dat zij vervolgd werd en vluchtte van de eene kamer naar
-de andere, alle galerijen door, tot dat zij in hare kleedkamer kwam.
-Dáar bleef zij plotseling staan, wendde zich om, wierp haar sluier af
-en vroeg met eene verontwaardiging die alle beschrijving te boven ging.
-
-»Wie durft mij te volgen, als ik u verbied de eenige kamer binnen te
-komen die de mijne is?”
-
-»Niemand,” antwoordde mevrouw Van Amerongen, die reeds in de geopende
-deur stond, en snel trad zij terug.
-
-Louise bedaarde oogenblikkelijk, zij zag haar moeder met verbazing aan,
-ging haar lachend te gemoet en reikte haar de hand met de woorden:
-
-»Kom binnen, ik was vergeten dat gij komen moest... Nu herinner ik het
-mij.—Gij zijt mijn gewezen moeder, niet waar?—En gij mijn vader? En gij
-resident Stevens van Langendijk, mijn echtgenoot van vroeger?—Komt
-binnen, komt binnen, wij moeten spreken over de op handen zijnde
-scheiding, die Werner aangevraagd heeft voor de vrouw die de zijne moet
-worden... Gaat zitten en laat ons alles in der minne schikken... Ik zal
-geen moeilijkheden maken, resident.—Ik vraag mijn vrijheid, anders
-niets—indien uw kind het mijne was, zou ik dat ook vragen, maar op uw
-kind heb ik geen recht, evenmin als op uw naam, dien gij voortaan
-alleen behouden kunt.—Wanneer wilt gij teekenen, resident?—Dit zal de
-tweede keer zijn, dat wij te zamen zullen teekenen... de laatste keer,
-niet waar?...”
-
-»Ja, de laatste keer! De eerste is de laatste geweest!” antwoordde de
-resident half knorrig half medelijdend. »Eens getrouwd, blijft
-getrouwd...”
-
-Louise sprong op hem toe, wis een leeuwin op haar prooi en, hem de
-beide handen op de schouders leggende, zag zij hem strak in de oogen,
-alsof zij in zijne ziel lezen en hem tevens in de gelegenheid stellen
-wilde een blik in de hare te werpen.
-
-»Eens getrouwd, blijft getrouwd!” herhaalde zij schamper—»maar nooit
-getrouwd?...”
-
-Zij trok de handen terug, zag naar omhoog als luisterde zij, en borst
-op eens in een luid lachen, uit.
-
-»Ja, ja,” riep zij in de handen klappende van vreugde en weder op den
-resident toetredend, hernam zij spottend en heftig:
-
-»Wat zal het nageslacht lachen over onze huwelijken van thans!...
-Slavernij zal men ze noemen! Willekeurige slavernij, gegrond op
-bijgeloof en domheid, op overlevering en ouden sleur! De
-kloostergelofte, verbasterd en verdraaid in de wereld overgebracht!
-Levenslange kloosteropsluiting, hu!—Levenslange gevangenis,
-vreeselijk!—Levenslange ballingschap, ijselijk!—Levenslang huwelijk, ’t
-is crimineel! ’t is onverantwoordelijk! ’t is de grootste zonde die de
-wetten plegen kunnen, want het is de moeder van alle andere zonden!
-Moet daarom een meisje onwetend gehouden worden? Hebt gij het recht,
-menschen, ouders, voogden, bloedverwanten, vrienden, wie gij ook zijn
-moogt, hebt gij het recht ons in domheid groot te brengen, ons
-vertrouwen in te boezemen en gehoorzaamheid en dankbaarheid te leeren,
-om ons daarna, van onze argeloosheid en van ons niets weten misbruik
-makende, aan ketenen te leggen die anderen voor ons smeden en die wij
-niet meer verbreken kunnen?—Zonde! zonde! groote zonde!—De vrouw die
-handelt moet weten wat zij doet, en beneemt gij haar het weten, dan kan
-hare handeling ook nooit geldig wezen. Al staat ’t ook in een boek vol
-wetten en al galmt gij ’t ook door de ruimte uwer tempels.—Die domme
-letters weten niet wat ze zeggen, en die golvende klanken sterven weg
-zonder weerklank in de toekomst te vinden!
-
-Eens wist ik niet, toen heb ik »ja” gezegd.—Nu weet ik, en nu zeg ik
-»neen.”
-
-Maar hij is uw echtgenoot.
-
-Neen!
-
-Hij heeft recht op u.
-
-Neen!
-
-Echtscheiding is zonde.
-
-Neen!—Vrijheid eisch ik.
-
-Maar de wet gedoogt het scheiden slechts, terwijl de kerk het laakt en
-de maatschappij het veracht.
-
-De wet is slecht, de kerk is dom, en de maatschappij is schijnheilig!
-Coalitie die zwakheid verraadt!
-
-Vrijheid eisch ik...
-
-Niemand antwoordt?—Niemand spreekt mij tegen?
-
-Resident Stevens van Langendijk, waar zit gij?—Kom hier, groote heer.
-
-Toen ik u beloofde uwe vrouw te zullen worden, heb ik u dit gezegd:
-
-»Stevens, binnen korten tijd zal ik uwe vrouw zijn en nog nooit hebt
-gij mij gevraagd of ik het wezen wilde.”
-
-Herinnert gij ’t u nog?—’t Is lang geleden dat die harde woorden
-gesproken werden—maar juist omdat ze hard waren, zijn ze mij bij
-gebleven.—Het steenen monument leeft langer dan de menschen, die
-wegsterven. En die woorden zijn in steen uitgehouwen, want ze staan
-geschreven in mijn hart dat versteend werd door u!
-
-»Liefste! liefste Louise,” durfdet gij daarna vragen. »Nog nooit hebt
-gij iemand lief gehad, zegt gij?”
-
-»Niemand—zelfs u niet, resident.”
-
-»Dat zal later wel komen, wanneer wij eenmaal getrouwd zullen zijn.”
-
-»Ik hoop het, voor u en voor mij, en mocht het anders wezen, dan zal de
-resident zich herinneren dat zijne vrouw hem gedwongen hare hand heeft
-geschonken.”
-
-En in plaats van mij, zoo als gij behoordet te doen, mijn vrijheid weer
-te geven, hebt gij de vervulling van eene belofte gewild, die een kind
-in haar onnoozele onwetendheid, op last harer ouders gedaan had...
-
-Toen hebben wij beiden verkeerd gehandeld, resident.—Gij wetend, ik
-onbewust.
-
-Sedert zijn de omstandigheden veranderd en de karakters ook.
-
-Het kind is mensch geworden en de vrouw, die weet, eischt hare
-vrijheid.
-
-Hebben wij eenmaal een fout begaan, dan is het onze plicht, als
-redelijke wezens, die zoo spoedig en zoo goed mogelijk te herstellen.
-
-Ik kondig u dus bij deze aan, dat ik de door mij begane fout herstellen
-ga, en, van dit oogenblik af, ophoud uwe vrouw te zijn.”
-
-Het eenige antwoord van den resident was een schaterlach. Hij vond die
-grootsche vrijheidsdroomen zeer grappig in een vrouw, die zoo
-afhankelijk was als de zijne.
-
-»Lacht gij daarom?” vroeg Louise verwonderd, »dat doet mij pleizier.
-Hoe minder gij tegen onze scheiding zijt, hoe aangenamer het mij is.
-Gij zult dus wel de goedheid willen hebben, zelf de aanvraag te doen.
-Gij kunt mij beschuldigen van al wat u goed dunkt, moord en doodslag,
-echtbreuk of krankzinnigheid, diefstal zelfs, hoe gemeen of het is. Ik
-beloof u dat ik »ja” en »amen” zeggen zal op elke misdaad die gij mij
-ten laste zult leggen, onder voorwaarde altijd dat zij mij mijne
-vrijheid weder geeft. En hiermede wensch ik u goeden nacht, resident,
-slaap wel, goeden nacht, getuigen!” Toen zij bij de deur was, keerde
-zij zich nog even om, met de woorden:
-
-»Ik vergat u nog te zeggen dat gij mijne huwelijksgift behouden kunt...
-als losgeld... of als loon voor uwe scheidingsaanvraag! Slaap wel,
-resident.”
-
-Zij wikkelde zich geheel in het witte tule kleed dat op een stoel lag,
-wierp zich den kanten sluier over het hoofd en verliet de kamer met een
-afscheidsgroet.
-
-Toen zij zich alleen in hare slaapkamer bevond hoorde men haar lachen
-als een kind dat een guitenstreek heeft uitgevoerd. Daarna was alles
-stil.
-
-Een rijtuig rolde de laan door—het hek uit—de straat op.
-
-En weer was alles stil.
-
-De resident verbleekte, sprong op en opende de deur der slaapkamer.
-
-Niemand.
-
-»Louise... Louise!...”
-
-Alles bleef stil.
-
-»Siedin, Ketjil, Alima, Bonsoe, sap’ada, sap’ada, Di sini, lekas!”
-
-Uit alle hoeken, van onder alle tafels kwamen jongens en meiden te
-voorschijn, slaapdronken en verschrikt, met onbewegelijke gezichten.
-
-»Manna njonja?” [38]
-
-Geen antwoord.
-
-»Bodok, Malas!” [39] Alima bij den arm grijpende en haar onzacht heen
-en weer schuddende: »Di manna njonja pigi?” [40]
-
-»S’taauw toewan.” [41]
-
-»Pigi per setan!” [42] en met een schop tuimelde Alima de kamer uit.
-
-Daarop volgde een vloed van scheldwoorden, oorvegen, vloeken en
-bevelen, waar niemand minder uit wijs kon worden dan de resident zelf,
-en eindelijk werd de scène besloten met den uittocht van een half
-dozijn oppassers te paard die, meer dan half slapende, njonja resident
-zoeken gingen. Het was toen omstreeks middernacht.
-
-Klokslag zes reden zij met hun zessen het hek weer in.
-
-Njonja resident was niet te vinden geweest.
-
-Daarop reed de resident zelf uit. Ketjil ging mee, en de gouden pajong
-ook.
-
-Malbrouck s’en va-t-en guerre.
-
-
-
-
-
-
-
-
-DERDE DEEL
-
-HOE ZIJ HAD KUNNEN ZIJN
-
-
- Vous n’avez connu que les femmes heureuses ou méchantes peut-être?
- Celles qui n’ont pas besoin de valoir grand’ chose et celles qui
- réellement ne valent rien. Tachez de connaître celles qui aiment et
- qui souffrent, celles qui pardonnent surtout; et peut-être qu’alors
- vous aussi vous les désireriez libres, dans l’intérêt même de cet
- honneur national qui se perd par la décadence de la femme; par
- cette ignorance, par cette servitude, par cette bassesse, par cette
- hypocrisie forcée, ordonnées par les lois, sanctifiées par l’église
- et glorifiées par cette grande puissance morale:
-
-
- l’opinion publique!
-
-
- Lettre à M. Alexandre Dumas, fils, au
- sujet de son livre L’Homme-Femme par
- Mlle Oristorio di Frama, Cantatrice.
-
-
-
-
-
-
-
-
-DERDE DEEL
-
-HOE ZIJ HAD KUNNEN ZIJN
-
-
-ZESENDERTIGSTE HOOFDSTUK
-
-SPERANZA
-
-
-Speranza was een der schoonste landgoederen in het A.sche. Niet alleen
-waren de grond beter en de ligging voordeeliger dan van de meeste
-omliggende landen, maar kunst en smaak hadden natuur zóo ruimschoots
-geholpen, dat het woonhuis met het park als een meesterstuk van
-Europeesche verfijning en Indische weelde beschouwd kon worden. Niets
-was er veranderd sedert den dood van Werner. Een graftombe meer aan het
-einde eener kanarielaan, half verscholen onder bloeiende heesters, dat
-was al.
-
-Het was een prachtige heldere sterrennacht. De maan wierp haar vol
-licht over de weelderige plantenmassa en spiegelde zich vrij in het
-zacht stroomende water van een grooten vischvijver, omringd door de
-zeldzaamste gewassen, waarvan de met bloemen beladen takken sierlijk
-heen en weer wiegelden in het kristal heldere water.
-
-Alles was stil, schoon, rijk aan leven; geen vogel, geen vlinder scheen
-meer te waken in die kalme, rustige natuur, maar het water murmelde
-zacht zijn melodieusen levenszang, terwijl de bladeren hun
-geheimzinnige poëziën ontboezemden, onverstaan wegstervend in de ruimte
-die ze verslindt.
-
-Vlug als een sylphide sprong een vrouwelijke gedaante uit het donkere
-kreupelhout te voorschijn. Op eens beschenen door het heldere maanlicht
-en gestuit in hare vlucht door den schoonen waterplas aan hare voeten,
-stond zij als betooverd stil. Met de hand voor de oogen dook zij in de
-schaduw terug, als vreesde zij het licht. Toen golfde een lach, als die
-van een kind, over het kabbelende water en langzaam, met gevouwen
-handen uit haar schuilhoek terugkomende, wierp zij nieuwsgierige
-blikken om zich heen, verwonderd, vragend, opgetogen, dankend... zij
-knielde neder en scheen te bidden.
-
-Ja, zij bad in die betooverende eenzaamheid. Hare ziel was zóo vol: zij
-kon niet meer denken, maar zij kon gevoelen, bewonderen, genieten,
-gelukkig zijn, en den Schepper danken, wiens grootsche almacht haar uit
-hare nietigheid ophief lot het besef van eene volmaaktheid die haar
-duizelen deed.
-
-Het was zes uur in den morgen en nog lag zij daar, met het hoofd op een
-rotsklomp, de handen gevouwen, de oogen gesloten. De zon wierp vroolijk
-haar nieuwen levensschat over de ontwakende aarde, de vogelen hieven
-dartel hun duizendvoudig orchest weer aan, de bloemen zagen op, de
-insekten herleefden...
-
-De jonge vrouw alleen scheen gevoelloos voor den gouden gloed die haar
-uitgeputte leden koesterde, en bleef dood ondanks de krachtige stem der
-natuur die leven vroeg.
-
-»Hier mijnheer,” sprak een kinderstem, »aan dezen kant bij de sedap
-malam. [43]”
-
-Lawson volgde den kleinen javaanschen jongen die hem den weg wees en
-vond de jonge vrouw op de aangeduide plaats.
-
-»Goed, ga heen, en zeg het niemand,” sprak hij gejaagd, zich zacht over
-haar heen buigende en hare handen in de zijnen vattende.
-
-»Mevrouw!... Liefste mevrouw. Mijn God, zij is dood! Louise!...”
-
-Haar naam deed haar huiveren, zij bewoog even, doch ontwaakte niet.
-
-Hij richtte haar op van den harden steen, sloot haar in zijn armen,
-verwarmde haar tegen zijn borst, zeide haar al wat geruststelling,
-liefde, troost kan zeggen...
-
-»Werner!” sprak zij zacht, »o laat mij sterven... nu...” en zich
-dichter tegen hem aandringende, verborg zij het gelaat aan zijn
-schouder en verviel weder in hare vorige gevoelloosheid.
-
-Ten einde raad richtte Lawson haar op van den dampigen, harden grond en
-droeg haar in zijne armen naar huis, waar hij haar te bed leidde en als
-een getrouwe hond aan hare voeten zitten bleef tot zij ontwaken zou.
-
-Wat had hij die vrouw bewonderd toen hij haar de eerste maal gezien had
-als de genius der wraak aan Werner’s sponde! Wat had hij haar beklaagd
-als het onbeschermde slachtoffer van den ruwen, zedeloozen resident!
-Wat had hij haar lief, zwak, zacht, verlaten, vol vertrouwen, zoo als
-zij daar voor hem lag; hulpeloos en zwijgend, met den hoopvollen lach
-eener fictie om de lippen, met de marmeren bleekheid des doods over
-hare trekken verspreid.
-
-Zwijgend zat hij het levenlooze schepsel aan te staren, terwijl tranen
-van medelijden langs zijn wangen biggelden.
-
-»Wat heeft dat kind gedaan om zóo ongelukkig te moeten wezen?... Wie
-heeft recht op haar?... Hij is haar echtgenoot... En wat doet dat
-af?... Ik zweer het, die vrouw zal heilig voor mij wezen... Uit mijn
-huis? Neen, nooit zonder haar eigen toestemming...”
-
-»Toewan dokter.”
-
-»Ah!”
-
-Lawson sprong op, verliet de kamer, sloot de deur achter zich dicht,
-stak de sleutel in zijn zak en ging met Heisterman in een ander
-vertrek.
-
-»Luister dokter,” begon hij ernstig, »beloof je me, op je woord van
-eer, dat je zwijgen zult, wat je ook zien moogt? Dat geen consideraties
-hoegenaamd, noch voor personen, noch voor gevolgen, je een enkel woord,
-een enkel teeken zullen afpersen over hetgeen je hier zult zien?”
-
-»Indien het geen misdaad geldt.”
-
-»Misdaad of niet, ik weet niet in hoever onze denkbeelden daaromtrent
-overeenstemmen, maar ik weet wel dat je hier onder de gevraagde belofte
-helpen kunt, of dat je anders onverrichter zake naar huis terug kunt
-keeren, zonder dat je ooit zult weten waarvoor je hier geroepen bent
-geworden.”
-
-»Ik beloof te zullen zwijgen,” antwoordde de dokter besloten.
-
-»Goed, kom in.”
-
-De goede man kon het niet helpen, dat een kreet van verwondering hem
-ontsnapte op het zien van mevrouw Stevens van Langendijk in Werner’s
-slaapkamer op Speranza.
-
-Hij wilde spreken, vragen, meer weten, maar Lawson wees hem op de zieke
-en kwam hem vóor met de woorden: »Ik weet niets. Zóo heb ik haar twee
-uur geleden bij den vijver gevonden.”
-
-Meer dan drie uren verliepen er nog, eer eenig teeken van leven in
-Louise te krijgen was, en toen scheen zij zóo zwak en uitgeput, dat zij
-van hare flauwte in een slaap overging, die vijf dagen en nachten bijna
-zonder ophouden voortduurde.
-
-Lawson achtte haar verloren, maar de dokter verklaarde dat het de
-laatste worsteling tusschen een sterken geest en een geknakt lichaam
-was, waaruit de patiënte waarschijnlijk krachtig herrijzen zou, indien
-men alles maar aan de natuur alleen wilde overlaten. Hij had gelijk: de
-gezonde jeugd zegepraalde over de gebrokene ziel en, ofschoon zeer
-langzaam, begonnen de verloren krachten toch weder te keeren.
-
-Gedurende de eerste dagen in een half droomenden toestand, sprak zij
-slechts weinig en zóo zacht dat men haar nauwelijks verstaan kon. Als
-een kind dat zijne zwakheid gevoelt, gehoorzaamde zij zonder
-tegenspraak. Lawson en de dokter waakten om beurten, en geen oogenblik
-hadden zij haar nog durven verlaten sedert den dag harer geheimzinnige
-verschijning op Speranza.
-
-Eindelijk na een dag of acht te zwak te zijn geweest om met eigen wil
-te kunnen handelen, scheen zij zich, op een Zondagmorgen veel beter te
-gevoelen.
-
-»Dokter!” vroeg zij, zoodra Heisterman het bed naderde. »Mag ik van
-daag niet een half uurtje opzitten?”
-
-»Zeker, indien gij er u sterk genoeg toe gevoelt.”
-
-»O, van daag ben ik sterk! Waar is George?”
-
-De dokter wist niet dadelijk wat te antwoorden: »Lawson meent gij?”
-vroeg hij aarzelend.
-
-»Hm—m!” zei ze lachend, en, het hoofd van hem afwendende, verviel zij
-weder in haar vorig stilzwijgen.
-
-»Wij zullen haar nooit genezen zien!” sprak hij treurig, toen Lawson
-eenige oogenblikken later binnentrad. »Het is Werner, altijd Werner
-nog!—Hare hopelooze liefde doodt haar.”
-
-Lawson naderde het bed, legde zijne hand op haar schouder en vroeg
-bijna fluisterend:
-
-»Louise hebt gij naar mij gevraagd?”
-
-»George?...”
-
-»Welnu, hier ben ik.—Gij hebt niets meer te vreezen, geloof mij, wees
-gerust en vertrouw op mij. Gij zijt volmaakt veilig hier op Speranza,
-niemand zal u meer vervolgen of u eenig leed aandoen... Wij zijn hier
-alleen—ver van de wereld—alleen met God en zijne natuur...”
-
-Krampachtig greep zij zijne hand tusschen hare vermagerde vingers.
-
-»Wie is die man, dáar, George?” vroeg zij fluisterend.
-
-»Het is de dokter.—Heisterman.”
-
-»Zoo even kende hij u niet.—Hij noemde u anders—geen George, zoo als
-ik.—Zend hem weg... toe... hij wil u niet kennen.”
-
-»Zeker kent hij mij.—Hij heeft u niet verstaan misschien.—Dokter, ken
-je me niet?...”
-
-»Zeker ken ik u.”
-
-»Wie ben ik dan? Noem mijn naam.”
-
-»George Werner,” antwoordde de dokter, Lawson’s bedoeling begrijpende.
-
-»Weet hij alles?” vroeg Louise verder.
-
-»Alles,” antwoordde Lawson, »maar vrees niets, hij zal het niemand
-zeggen.”
-
-»Ook den resident niet?”
-
-»Ook hem niet.”
-
-»Chut!—Gij weet dat hij gezworen heeft u te dooden wanneer hij ons te
-zamen zou vinden?—George-lief zult gij mij niet naar hem
-terugzenden?—Nooit?—Zult gij de arme Louise nooit verstooten?... Hoe de
-menschen haar ook verachten zullen?”
-
-»Nooit! Nooit! Ik zweer het u.”
-
-»Dank je engel!... O! Ik wist wel dat de menschen mij bedriegen wilden,
-toen zij zeiden dat ze u begraven hadden, op uw eigen land, in den
-tuin, aan het eind eener laan, bij een stroomend water met bloemen
-omzoomd... Ik wilde het zien, uw graf, zelve zien, vóor het te
-gelooven... en ik heb den tuin gevonden, en de laan,—en het water,—en
-de bloemen, maar niet het graf... Want daar is geen graf!” vervolgde
-zij, met een pijnlijken lach Lawson in de oogen starende. »Niet waar,
-George, gij kunt, gij wilt niet sterven nu Louise bij u is—voor
-altijd—voor eeuwig?”
-
-»Neen.”
-
-»Gij weet nu dat ik sterven moet, indien gij mij verlaat, of
-krankzinnig worden, zooals de menschen het noemen, omdat zij niet weten
-dat de ziel de dooden kan volgen, terwijl het lichaam leven blijft.—O
-George, dat is een vreeselijk gevoel! Ik ken het. Ik heb het gevoeld
-toen zij mij gelooven deden dat gij mij verlaten hadt. Toch wist ik dat
-ik u weer zou zien... gij hadt het mij immers beloofd? Maar waarom zijt
-gij in al dien tijd niet bij mij geweest? Ik vroeg dagelijks elk uur,
-elk oogenblik naar u, en »dood” was al wat de wreede menschen
-antwoordden! Zullen ze nu ook »dood” zeggen, als de resident naar
-Louise zal vragen? O, dat hoop ik!” En met een lach in de kussens terug
-zinkende, met Lawson’s hand in de hare en hare oogen op de zijnen
-gevestigd, viel zij weder in slaap, kalm en gelukkig zoo als zij in
-lang niet geslapen had.
-
-Zwijgend en vragend zagen de dokter en Lawson elkander aan. Lawson was
-de eerste die de stilte verbrak.
-
-»Misdaad,” zeide hij, »ziet gij hier een misdaad in de toekomst,
-dokter?”
-
-»Ik zie niets dan ongeluk. Geen fouten, maar gevolgen van verkeerde
-handelingen en misdaden.”
-
-Zij reikten elkander de hand, en bleven geruimen tijd zwijgen, terwijl
-de jonge vrouw aan hunne zijde sliep.
-
-Langzaam, zeer langzaam was Louise’s herstelling geweest, die zij
-grootendeels aan Lawson te danken had, in wien zij Werner meende te
-zien.
-
-De resident had te vergeefs alle pogingen in het werk gesteld om zijn
-vrouw terug te vinden. Vrienden en bekenden waren ondervraagd geworden
-en hadden op hun beurt getracht iets naders omtrent Louise te weten te
-komen; alles te vergeefs. De dokter was de eerste geweest die van
-zelfmoord gesproken had, en dit denkbeeld, het waarschijnlijkste van
-al, was ten laatste algemeen voor waarheid aangenomen.
-
-Louise’s dood had weinig of geen verandering in het leven van den
-resident te weeg gebracht. Hij had den laatsten tijd zóo veel met haar
-te tobben gehad, dat hij bijna gelukkig was toen er eindelijk een einde
-aan de soesah kwam. Wanneer hij zich de jonge, schoone, levendige
-Louise van vroeger herinnerde, had hij soms oogenblikken van wanhoop en
-vertwijfeling, die zich oplosten in een luid snikken en zuchten,
-hartbrekend om aan te hooren, maar juist door de overdreven heftigheid
-ver van gevaarlijk waren voor den oppervlakkigen man, die door een
-enkele gedachte aan Louise’s opgewondenheid en krankzinnigheid als bij
-tooverslag weer tot bedaren kwam en vrede kreeg met het verdwijnen van
-de oproerige vrouw, die hij toch niet langer regeeren kon.
-
-
-
-
-
-
-
-
-ZEVENENDERTIGSTE HOOFDSTUK
-
-LAWSON
-
-
- „J’ai trahi par faiblesse, on bien par dévoûment
- Mon enfant, mon amour, mon bonheur, mon serment.”
-
- A. de Lamartine, Jocelyn.
-
-
-Zes maanden was Louise gelukkig geweest. Zes volle maanden geluk voor
-die gefolterde ziel, dat was eene eeuwigheid geweest! Eene eeuwigheid
-van liefde, kalmte en hoop had zij doorleefd in die schoone, rijke
-eenzaamheid, waar alles Werner riep. Maar zij waren voorbij en het was
-een vluchtig oogenblik slechts dat in de verte glansde als de avondstar
-in het nachtelijk duister.
-
-Het was een dier frissche, heldere morgens, zooals men ze enkel in het
-gebergte kent. Louise wandelde, op Lawson’s arm geleund, den
-weelderigen, smaakvollen tuin door en zag om zich heen met dien
-afgetrokken, zachten lach, het kenmerk van schier volmaakt geluk. Beide
-genoten in stilte van het tegenwoordige met eene gretigheid, die een
-onbestemd gevoel van vrees voor de toekomst verried.
-
-Louise verbrak het zwijgen. Zij voerde haar vriend naar een ijzeren
-bankje, waarop beide plaats namen, legde haar hoofd op zijn schouder en
-vroeg zacht, zijne hand in de hare vattende:
-
-»George!—Wat zal de toekomst wezen?—De onze?—De zijne?”
-
-Lawson sloeg zijn arm om haar heen, drukte haar aan zijn hart en
-beantwoordde hare vraag met een kus.
-
-Lang zwegen beiden weer.
-
-Louise’s hoofd zonk lager, haar oogen staarden naar den grond en groote
-tranen hingen aan de lange wimpers.
-
-»George—niet waar?” vroeg zij fluisterend. »George zullen wij hem
-noemen? En ook de wereld zal hem George heeten—omdat het geen Werner
-wezen mag... Ach! waarom moet dat kind verstooten worden?... Waarom
-miskend?... en veracht misschien!...”
-
-»Chut, Louise, spreek niet zóo, mijn engel! Ons kind zal niet
-verstooten worden, niet miskend, veel minder nog veracht.—Wij zullen
-het zelf verzorgen en onderwijzen en groot brengen tot eere van ons
-land en...”
-
-»Zonder naam...” viel Louise hem in de rede.
-
-»Er zijn er meer geweest zonder naam, die groot geweest zijn en
-uitgemunt hebben boven allen.”
-
-»Maar hij zal zijn vader haten en zijne moeder verachten... dat zullen
-de menschen hem leeren, en dat zal mij dooden, George! Gij die beter
-zijt dan allen, grooter dan de grootsten, edeler dan de edelsten,—o,
-waarom moet ik over uw kind weenen?... Indien het zijn kind geweest
-ware, zou de wereld mij geacht hebben, gevleid, benijd misschien!... En
-toch, zijn kind ware schande geweest! Het uwe, God weet het, is glorie!”
-
-Na een oogenblik zwijgens, vervolgde zij angstig:
-
-»George, zoudt ook gij mij kunnen verachten?...”
-
-»Nooit—nooit, mijn innig geliefde Louise!...”
-
-»Maar ik ben uwe vrouw niet... Later misschien... O, beloof mij dat gij
-mij dooden zult, nooit verstooten! God weet het, dat ik niet slecht
-ben... Ik kan ’t niet helpen dat ik leef, zoo kan ik niet helpen dat ik
-u lief heb ook.—Misdaad noemt de wereld mijne liefde; misdaad moest zij
-dan ook mijn leven noemen! Misdaad, wat van God alleen komt?—O!
-menschen, waarom maakt gij wetten, strijdig met die van God?—Nietige,
-armzalige schepselen, welk recht hebt gij, in uw zwakke
-afhankelijkheid, om uwe onkunde hooger te stellen dan de volmaakte
-wijsheid, van Gods krachtige natuur?
-
-»George, vergeeft gij mij den twijfel die zich tusschenbeide van mij
-meester maakt, en mij onrechtvaardig oordeelen doet zelfs over u, dien
-ik liefheb boven alles?... O, ik moest minder lief hebben, om minder te
-lijden!—Maar gij hebt medelijden met uw arme Louise, niet waar?... En,
-evenals God, vergeeft gij haar alles, omdat gij alles weet?”
-
-Lawson sloot haar in zijne armen, drukte een hartstochtelijken kus op
-hare bevende lippen en geleidde haar onder een vloed van troostwoorden
-naar huis terug, daar het te warm begon te worden om langer in den tuin
-te blijven.
-
-Een half uur later reed hij te paard uit om het werk op zijn landgoed
-na te gaan, en bleef de jonge vrouw alleen.
-
-Zij was in lang zóo opgewonden niet geweest als dezen morgen. Sedert
-hare herstelling was zij gelukkig geweest zonder nadenken, zonder vrees
-voor de toekomst althans. Zij had zich geheel aan hare liefde
-overgegeven, die zoo ruimschoots door Lawson beantwoord was geworden,
-dat zij alles vergeten had in het ongekend geluk dat haar als
-betooverde en gevoelloos maakte voor hetgeen daar buiten lag.
-
-Gisteren echter was er iets zonderlings gebeurd. Lawson had naar een
-voorwerp gevraagd dat niemand vinden kon. Alle bedienden hadden er naar
-gezocht, doch te vergeefs, eindelijk had een der jongens gevraagd om
-den sleutel van »de kamer van Toewan bezar”. Lawson was doodsbleek
-geworden, had den ouden Drono bij den arm gevat, was met hem naar het
-onbewoonde bovenhuis gegaan en was teruggekomen met het lang gewenschte
-voorwerp. Dien avond had Drono Louise zijn ontslag gevraagd en
-hedenmorgen was hij vertrokken.
-
-Dit alles was zoo bijzonder niet, en toch hadden de eenvoudige woorden
-»Toewan bezar” een indruk op haar gemaakt, dien zij zich niet verklaren
-kon.
-
-»Wie was Toewan bezar?—Wie kon het zijn in Werner’s huis?—Wie anders
-dan hij zelf?”
-
-Zij wist niet wat zij gevoelde, maar het was haar als werd zij naar
-boven geroepen. Eenige uren worstelde zij nog tegen een »caprice” zoo
-als zij het noemde, maar ten laatste den strijd moede, gaf zij aan de
-verleiding toe en ging naar boven.
-
-»Naar boven?—Maar wat moet ik daar doen?...” sprak zij lachend tot zich
-zelve, op den trap stil staande en gereed om terug te keeren.
-
-»Ga verder,” fluisterde weer de geheimzinnige stem, »dáar boven is de
-oplossing.”
-
-»De oplossing? Ik weet zelfs niet van wat!”
-
-Zij ging.
-
-Het bovenhuis was evenzoo ingericht als het benedenhuis. Een
-voorgalerij, een binnengalerij, een achtergalerij en zes kamers welke
-allen in de binnengalerij uitkwamen. Ledige kamers, ongemeubelde
-galerijen, stof op de vloeren, zwaluwen op de riggels der pilaren, een
-gekko ergens in het dak verscholen... Louise huiverde. Zij trad de
-eerste kamer binnen.—Niets.—De tweede. Een gebroken rotang stoel,
-eenige planken van een ledekant, een paar oude manden, dat was al.—De
-derde.—Niets.—De vierde.—Niets.—De vijfde... Werner!
-
-Werner als vroeger, jong en schoon, met zijn fieren blik en zijn
-zachten, droeven lach!... Werner, zóo als zij hem het eerst gezien had,
-’s avonds, omringd van bloemen, lichten, muziek...
-
-Sprakeloos staart zij hem aan,—ademloos leunt zij tegen den post der
-deur, de bevende handen smeekend naar hem uitgestrekt... Zij heeft geen
-moed om verder te gaan, geen kracht om terug te keeren...
-
-»George!”
-
-Hijgend blijft zij wachten...
-
-Een woord—een wenk... iets...
-
-Neen, niets.—De stof daalt langzaam neer op den vloer; de verontruste
-zwaluwen keeren terug naar haar nesten; alles zwijgt.
-
-»George!...” roept zij weder.
-
-Stilte.
-
-»George! George! George!” gilt zij half radeloos, en de echo gilt haar
-na.
-
-»O George! Vergeving!—Vergeving!”
-
-En zich, luid snikkend, aan zijne voeten werpende, grijpt zij zijn
-hand... koud—stijf—glad—het is geen hand—bevend deinst zij terug,
-kruipt weg aan het andere einde der kamer, staart hem aan, door hare
-tranen heen... Maar het is George niet.
-
-Het is zijn portret!
-
-Zijn portret?—Maar het gelijkt hem niet... En toch hoe sprekend gelijkt
-het!—En George dan? George die leeft, die niet op het portret
-gelijkt—George dien zij lief heeft, de vader van haar kind?... Maar
-deze man is George, zijn blik, zijn lach... Zij heeft hem dood
-gezien... Neen, hij was niet dood... Zij heeft hem verstooten bij de
-wieg van haar kind—neen, niet haar kind, haar kind is het zijne... Wat
-heeft zij hem lief gehad! Maar hij gelijkt niet op het portret... en
-toch dat portret, wat gelijkt het sprekend!...
-
-»Mijn God! Wat gevoel ik toch?—Mijn arm, arm hoofd, kan het dan niets
-meer begrijpen?...”
-
-»Louise!” klonk een stem door het huis: het was de zijne, van hem die
-leefde, want die van het portret bleef stom... Hoe zacht, hoe dof, en
-toch hoe doordringend was die eenmaal geweest!... De stem van een
-portret?...
-
-Lawson trad binnen.
-
-»Louise, mijn kind, waar zit je toch?—Mijn God, wat ben ik ongerust
-over je geweest! Kom, ga mee naar beneden, het eten staat klaar?...”
-
-Lawson trachtte kalm te spreken, maar zijne bleekheid verried hem.
-
-Louise’s donker oog dwaalde van hem naar het portret, en van het
-portret naar hem.
-
-»Die man!” fluistert zij zacht, zich dichter en dichter naar hem toe
-dringende. »O George!... Vloek over mij!”
-
-Zij snikte zóo zenuwachtig dat Lawson te vergeefs alle pogingen
-aanwendde om haar tot bedaren te brengen. Woorden noch liefkozingen
-mochten baten, en de gansche dag ging voorbij zonder dat zij een enkel
-verstaanbaar woord kon uiten.
-
-Tegen den avond scheen zij kalmer te worden, hare tranen hielden op te
-vloeien, zij beefde niet meer, zij vlood niet meer van de eene kamer
-naar de andere om zich aan Lawson’s oog te onttrekken. Hare bleekheid
-alleen getuigde van de onrust die in hare ziel nog voortleefde.
-
-»George,” vroeg zij op eens, »George, wilt gij medelijden met uwe arme
-Louise hebben, en haar de waarheid bekennen—de zuivere eenige
-waarheid?—Die twijfel doet mij zoo schrikkelijk lijden! Beloof het mij?
-Och, beloof het mij,—om de wille van ons kind,” fluisterde zij zachter,
-»dat gij niets voor mij verborgen zult houden, niets—niets.—Ik ben
-immers ook oprecht met u geweest, altijd—sedert... sedert...”
-
-Zij sloeg de oogen neer als schaamde zij zich en vervolgde droevig:
-
-»Maar ik heb geen recht meer van spreken... ik eisch ook niets, ik
-wensch slechts... Ik bid u, ik smeek u om waar te zijn met uw arme
-Louise... uit medelijden... of uit liefde, George!”
-
-Lawson zag haar rustig aan met zijn groote, sprekende oogen, greep hare
-beide handen in de zijnen en vroeg haar kalm en ernstig!
-
-»Herinnert gij u éen oogenblik, Louise, waarin ik u bedrogen heb?—Heb
-ik u ooit een onwaarheid gezegd?—Hebt gij mij ooit op een leugen
-betrapt?”
-
-»Nooit.”
-
-Zij liet het hoofd op zijn schouder zinken en glimlachte als dien
-morgen.
-
-»Dat portret!...” sprak zij zacht.
-
-»Dat portret is lang geleden gemaakt.—Verwondert het u dat de man den
-jongeling ontgroeid is?—Hebt gij mij minder lief, Louise, omdat ik
-minder op dat portret gelijk?...”
-
-Louise antwoordde niet—zij staarde hem aan, met bewondering, eerbied,
-schier met aanbidding.
-
-Plotseling schoten hare oogen vol tranen, met geestdrift bracht zij
-zijne hand aan hare lippen en overdekte die met kussen.
-
-»Wat zijt gij oneindig goed!” riep zij met vuur. »O mocht ik sterven
-voor u!—Lijden, al wat uw deel moest zijn!—George, dat alleen is
-geluk!”
-
-»Neen, geluk is kalmte, rust, tevredenheid.—Een lach van u, een
-frissche, heldere, vroolijke kinderlach, dat is geluk!—Mijn geluk,
-Louise.”
-
-Zij trachtte te lachen, voor hem—maar zóo diep weemoedig was dat lachje
-dat het tranen in zijne oogen riep.
-
-Het geluk was voorbij. Zes maanden had het geduurd. Zes maanden lang
-had geen macht op aarde zich tusschen hem en haar kunnen dringen. Één
-blik op een portret en alles was voorbij. Louise gevoelde het, Lawson
-gevoelde het ook. Geen van beiden begreep het, en geen van beiden zou
-het bekend hebben, indien zij het begrepen hadden.
-
-Den volgenden morgen, zoodra Lawson als naar gewoonte uitgereden was,
-spoedde Louise zich weer naar boven.
-
-»George!—De andere George!—Neen, dezelfde.—De jongste, de schoonste, de
-beste.—Neen, beter dan hij was, had hij nooit kunnen zijn!—De George
-harer droomen!...”
-
-Wat klopte haar hart! De deur was dicht, zij had de macht niet die te
-openen, het was haar alsof zij eene misdaad ging plegen.—Eene misdaad?
-En het was George dien zij weer ging zien!...
-
-Trotsch hief zij het hoofd op, een fiere lach speelde om den fijn
-besneden mond, zonder aarzelen opende zij de deur en trad binnen...
-
-Niets!
-
-Bewegingloos bleef zij staan, verwonderd, teleurgesteld, diep
-rampzalig.
-
-Snel als een bliksemstraal vloog haar een kwade gedachte door het
-brein.
-
-»Jaloersch van hem!” Zij lachte, en er was iets wilds in dien lach,
-iets dat aan misdaad denken deed.
-
-Een tranenvloed volgde, en alles werd vergeten in een grenzenlooze
-droefheid, een melancholie zonder bewustzijn, een onzeker gevoel van
-eenzaamheid, van verlatenheid, een onverklaarbaren dorst naar lijden,
-naar sterven...
-
-Eenige maanden leefde zij voort als in een droom, lijdelijk,
-gehoorzaam, onderworpen als een kind. Soms zocht zij nog naar het
-portret, nooit vond zij het. Lawson had haar lief als vroeger, zoo
-mogelijk nog meer. Zij wist niet of zij hem lief mocht
-hebben.—»Sterven!” was haar bede. »O neen, nog niet!” smeekte zij dan
-een oogenblik later. »Mijn kind! Het zijne! O God, laat mij leven voor
-het kind van mijn George! Is het het zijne wel? Vloek over hem! Vloek
-over de vrouw die hem bedrogen heeft! Heb ik hem bedrogen?—Hem? Mijn
-George? Niet mogelijk!—O God! laat mij sterven!”
-
-
-
-
-
-
-
-
-ACHTENDERTIGSTE HOOFDSTUK
-
-GELUK
-
-
-Toen haar kind geboren was, werd zij kalmer. Zij vroeg niet meer naar
-het verledene en sprak niet meer van sterven. Haar kleine George was
-alles voor haar. Wat had zij dat onnoozele schepseltje lief! Zij
-verzorgde het, vertroetelde het, sprak er tegen, alsof het haar
-begrijpen kon, wilde niet dat iemand anders het helpen zou; Lawson werd
-Werner genoemd, omdat de kleine George moest heeten, en twee Georges
-verwarring geven zou.
-
-Wat was zij trotsch op Werner’s kind! Wat was het mooi! Hoe geleek het
-op George!
-
-Meer dan eens had Lawson haar met tranen in de oogen gadegeslagen, als
-zij zich alleen waande met haar lieven kleinen engel. Wat sprak zij
-zacht, wanneer zij hem smeekte goed te zijn, en edel en groot als zijn
-vader! En tusschen dat fluisteren in klonk het: »O mijn God laat mij
-leven tot dat hij mij verstaan zal hebben!”
-
-Verder gingen hare wenschen niet, maar zóo ver gingen allen.
-
-Zoo vlogen nog drie gelukkige jaren voorbij, waarin Lawson voor haar
-leefde en zij voor den kleinen George.
-
-Haar bede scheen verhoord te zijn, want liefde was al wat het kind van
-zijne moeder geleerd had. Dat woord alleen had het verstaan en riep het
-haar toe in elke heldendaad van het spelend kinderleven.
-
-Wat was Lawson trotsch op zijn zoon! En op de vrouw die hij de zijne
-noemde! Wat zou hij gegeven hebben, om de wereld zijn schat te toonen,
-en te schitteren met het geluk dat heel de toekomst voor hem vulde!
-
-»O neen, geen menschen!” smeekte Louise angstig. »De wereld geeft geen
-geluk, zij ontneemt het slechts!”
-
-»Maar voor den kleinen George?...”
-
-»Is George niet goed?” vroeg zij fier, zich plotseling in hare
-moederliefde gekrenkt voelende. »Kent gij een ander kind van zijn
-leeftijd dat beter is dan hij? Goedhartiger, verstandiger,
-edelmoediger, handiger?”
-
-»Dat zeg ik niet, maar onder vreemden...”
-
-»Nooit onder vreemden, zoolang hij eene moeder heeft! Vreemden kunnen
-hem geleerder maken, sluwer, voornamer; beter nooit!... O Werner,”
-vervolgde zij smeekend, hem beide armen om den hals slaande, »minacht
-mij niet omdat ik slechts een vrouw ben! Voor de wereld ben ik een
-onwetend schepsel, zonder verstand, zonder kracht, zonder gevoel, maar
-voor mijn kind—o voor mijn kind kan ik alles wezen!”
-
-
-
-
-
-
-
-
-NEGENENDERTIGSTE HOOFDSTUK
-
-RECHT
-
-
-Een doodsche stilte heerschte in het groote prachtige landhuis. Lawson
-lag bleek en koud op het sterfbed uitgestrekt. Louise stond aan zijne
-zijde, zwijgend en onderworpen zoo als zij eenmaal naast den
-baleh-baleh van Werner gestaan had. Dokter Heisterman wendde te
-vergeefs alle pogingen aan, om haar naar hare kamer terug te doen
-keeren, sprak van besmetting, van plicht, zij bleef onbewegelijk staan
-en antwoordde kalm:
-
-»Aanstonds zal hij mij verlaten, dokter... Laat mij....”
-
-»Denk aan uw kind, mevrouw.”
-
-»Ik kan niet... Ik kan nu slechts aan den vader denken.”
-
-De dokter zweeg. Als altijd gaf hij toe aan de jonge vrouw.
-
-Het duurde niet lang of er kwamen vreemden in huis en het lijk werd
-weggedragen.
-
-Toen verschenen de mannen van de wet en andere vreemden en
-nieuwsgierigen. Het testament werd geopend. Lawson’s papieren werden
-doorsnuffeld. De vrouw werd gevonden met haar kind. Zij werd zijn
-maîtresse genoemd en het kind werd onecht verklaard. De wet had in
-alles voorzien. Zij kon gaan vanwaar zij gekomen was en medenemen
-hetgeen haar toebehoorde—haar kind. Het testament dateerde van meer dan
-zes jaar herwaarts en sprak niet van haar. Dus geen geld, noch voor
-haar, noch voor haar kind...
-
-En wie was die vrouw?—De wet zou het uitvinden, zij vond alles uit.
-
-Aan resident Stevens van Langendijk werd gemeld, dat men zijn vrouw
-gevonden had. Hij eischte haar op, ontkende het kind, vroeg een
-wettelijke echtscheiding en verkreeg haar op grond van »slecht gedrag
-zijner vrouw.” De wereld beklaagde hem en gaf hem gelijk.—Twee maanden
-later trouwde hij met eene schatrijke weduwe, waarvan de menschen veel
-geweten hadden, dat niet goed was, maar die zóo groot geleefd had dat
-niemand het had willen weten. Eerbied en achting omringden het
-gelukkige echtpaar totdat de resident nog een rang verhoogd werd en,
-tot groot leedwezen van het publiek, A. verliet om als Raad van Indië
-naar Batavia te vertrekken.
-
-
-
-En Louise en haar kind? De resident had haar naar hare ouders
-teruggezonden. Dat was al wat hij voor haar doen kon.
-
-En hare ouders hadden haar het kind ontnomen en het naar Holland op
-school gestuurd, om het te onttrekken aan den zondigen invloed der
-moeder.
-
-Wat had zij geworsteld, gestreden, gebeden om haar kind!
-
-»Mijn God! Het is mijn kind, het mijne alleen!”
-
-Dit ontkende de wet. Hare ouders hadden haar krankzinnig genoemd,
-zooals haar echtgenoot haar eerloos had verklaard. En de wet ontnam
-haar het kind. Dat was recht.
-
-Arme menschheid, die evenmin voor de wet berekend zijt als de wet voor
-u! Wat is het leven, zooals het tegenwoordig in zulke gevallen begrepen
-wordt? Een belachelijke opstand tegen de eischen der natuur. Een
-onzinnige worsteling tegen de groote wetten der volmaaktheid. Een
-godslasterend drama, gespeeld onder het karikatuur masker van
-godsdienst, wetenschap en vrijheid!
-
-
-
-
-
-
-
-
-VEERTIGSTE HOOFDSTUK
-
-LINA’S HUWELIJK
-
-
-En wat was er te Felicita voorgevallen, gedurende de jaren van geluk en
-wanhoop, die Louise’s levensdroom zoo frisch gekleurd, zoo plotseling
-vernietigd hadden? Och, eigenlijk niets bijzonders. Een huwelijk had er
-plaats gehad, anders niet. Lina van Wageningen was met Herman Wagner
-getrouwd en met hem naar Solo vertrokken, waar hij in garnizoen lag.
-
-Reeds eerder had hun huwelijk voltrokken moeten worden, maar eene
-expeditie naar Bali had alle plannen in duigen doen vallen, en eerst
-nadat Wagner gewond en gedecoreerd terug was gekeerd van den
-luisterrijken heldentocht, had men het vredesverbond kunnen sluiten dat
-zoo lang had moeten achterstaan voor plicht en dienst.
-
-Roemrijk noemde de brave militair die zegepraal. »Noodzakelijk”
-antwoordde Lina, en zij wierp haar armen om zijn hals, terwijl zij
-zachter fluisterde:
-
-»Ik weet niet of ik u nog meer lief zou kunnen hebben dan nu, en
-toch... toch had ik u geen deel aan dien strijd willen zien nemen...
-die zachte hand had nooit moeten dooden—dat eerekruis had niet met
-bloed bezoedeld moeten zijn...”
-
-»Lientje, Lientje, wat zou er van onze koloniën terecht komen, indien
-het gouvernement zoo tegen oorlog was als gij...”
-
-»Och, noem het dan een eisch van den tijd, dat stelselmatig moorden,
-maar spreek niet van dapperheid en heldenmoed... dat is ’t niet... ’t
-Hindert mij, dat schoone kruis... ik zag u liever zonder, Herman.”
-
-»Hadt gij mij liever een lafaard gekend?”
-
-»O neen, neen, maar het spijt mij dat gij militair zijt... Waarom
-gevoel ik dit eerst nu zoo sterk? Waart gij niet gedecoreerd geworden,
-dan had ik het minder gevoeld, geloof ik... Gewond alleen had ik u
-beklaagd, als een slachtoffer van dwang en plicht beschouwd, maar nu,
-dat eerekruis, daar ligt voor mij een bespotting in.”
-
-»Lina!”
-
-»O, misken mij niet! Er is niets persoonlijks in hetgeen ik daar
-zeg.—Maar ik heb u zoo lief dat ik u boven de mannen van onzen tijd
-verheven wilde zien. Dat kruis stelt u met duizenden gelijk—duizenden
-die eer en deugd zien in brandstichten en in moorden. Dat kruis spreekt
-van rampen, van lijden... ’t is de bekrooning van een wanbegrip.—Och!
-Herman, ik ben maar een vrouw en ik zie in den oorlog niets roemrijks.”
-
-»Toch is hij noodzakelijk, liefste.”
-
-»Ik weet het... maar een oorlog moest geen gloriedaad, hij moest een
-schandvlek in de geschiedenis eener natie wezen. Geen zegelied vol
-hoogmoed en trots, dat klinkt als een lofzang te midden van dooden,
-geen monument tot vereering van verwoesting, geen ridderkruis tot
-instandhouding van smart. Wij moeten de wereld wel nemen zoo als zij
-is, maar wij moesten ten minste niet roemen op oneer, en zwakheid niet
-verheffen tot deugd. Ik laak u niet om hetgeen gij gedaan hebt, maar ik
-wilde dat gij het niet hadt behoeven te doen. Er zijn plichten waarover
-men zich schamen moest... zóo alleen kunnen zij ophouden plichten te
-zijn.”
-
-»Je bent een engel, Lientje,” riep Wagner met een kus, »maar je bent
-een idealenmaakstertje.”
-
-»En denk je niet dat mijne idealen eenmaal verwezenlijkt zullen worden?
-Dat er eindelijk een tijd zal komen, waarin het oorlogvoeren niet meer
-mogelijk zal wezen?”
-
-»Nooit, nooit, mijn kind. Zoo lang er...”
-
-»Neen, geen zoo lang.. ik zeg ook zoo lang. Zoo lang nationaliteit en
-vaderlandsliefde deugden zullen heeten, zal er natuurlijk oorlog wezen,
-want die deugden voeden zich met afgunst en haat... De égoïst doet
-niets voor zijne familie—familiezwak strekt zich niet uit tot
-stadgenooten—stadgenooten geven niets om
-provincie-belangen—provincie-belangen strijden tegen de welvaart van
-het rijk—en de welvaart van het rijk verzet zich tegen den vooruitgang
-der wereld!... Arme, bekrompen gehechtheid, aan de bezitting van een
-oogenblik! En daarbij staan wij stil, terwijl het heelal voor ons open
-ligt! Daarvoor leven wij, terwijl de wereld ons hare ruimte biedt en
-wij de oneindigheid voor ons hebben!—Waarom heeft de menschheid niet
-reeds lang geleden begrepen, dat vijandschap door liefde geëindigd kon
-worden even goed als door oorlog? Christenen, noemen de beschaafde
-volkeren zich, en juichend houden zij het kruis in eere, dat zij
-veranderd en verbeterd hebben en nu in den vorm van donderende kogels
-in een bloedstroom door de wereld jagen! Vermeerderen moeten die
-kogels, verbreeden moet die bloedstroom, tot dat hij eindelijk zóo diep
-zal geworden zijn dat de laatste kogel er in verzinken zal!... Door
-moorden alleen kan het moorden gestuit worden, door verwoesten alleen
-de verwoesting gestaakt! O, Herman! Waarom niet door liefde?...”
-
-»Omdat de menschen niet zoo wijs zijn als mijn Lientje, dat over de
-toekomst spreekt alsof de menschheid slechts éen schepsel ware, éen
-wezen met een engelenhart en een Christuskop, dat niets verlangt dan
-geluk en weet dat door verbetering alleen dat doel te bereiken is.—Och,
-kind, laat ons onze ideale toekomstdroomen tot ons huwelijksleven
-bepalen en verliezen wij ons niet in machtelooze bespiegelingen over de
-aanstaande grootheid der wereld, welke ach! zoo wreed teleurgesteld
-worden in de werkelijkheid die wij niet besturen kunnen.”
-
-»O! denk niet dat ik mijn geluk niet waardeer! Gij weet het beter dan
-allen, hoe dankbaar ik ben voor uw behouden terugkomst uit den
-oorlog!—Maar het is zoo hard, wanneer men zelf gelukkig is, te zien hoe
-vreesselijk anderen lijden, hoe diep rampzalig velen zijn, die, even
-als wij, gelukkig hadden kunnen wezen, indien zij niet door
-afhankelijkheid of door een verkeerd begrip van plicht in het verderf
-waren gestort... En dan denk ik aan de toekomst, Herman... aan de
-toekomst onzer kinderen... Ja, lach maar, bespot mij maar om dat echt
-vrouwelijk instinkt. Ik kan het niet helpen. Ik heb ze lief, onze arme
-kinderen... Zelfs eer ze nog bestaan... en ik kan het mij voorstellen
-hoe dierbaar zij mij wezen zouden, indien ze daar aan onze voeten
-speelden, gezond en vroolijk, met lachende lippen en vonkelende
-oogen... en later, wanneer zij krachtig ontwikkeld, met niets dan
-liefde in het hart, enthousiasme in de ziel en overdreven grootheid in
-het vrij en stout verstand de wereld in zouden treden, groot en fier
-als reuzen, gereed om te torschen wat te zwaar is voor allen, en op hun
-schouders te verheffen wat miskend wordt door de wereld... Verpletterd
-en vernietigd zouden zij worden, verbrijzeld en met voeten getreden.
-Gehoond, versmaad, overweldigd en vermoord... mogelijk ook zouden ze
-zwak zijn en vallen, buigen, meegaan, zich zelf verloochenen, zwichten
-voor de overmacht en groot zijn in de oogen der wereld met een hart dat
-berouw kent en een hoofd dat niet meer denken durft.. O Herman! is het
-daarvoor dat wij kinderen in het leven roepen?—dat wij ze met liefde en
-met zorg opvoeden? dat wij ze verstandig en edel trachten te maken?...
-Tusschenbeiden ben ik bang... hoop ik bijna dat wij alleen zullen
-blijven... en toch... O het moet vreeselijk zijn zóo veel lief te
-hebben om zóo veel verloren te zien gaan...”
-
-»Maar kind, wat heb je zwarte gedachten van daag! Je zoudt mij haast
-doen denken dat je berouw hebt over ons huwelijk eer het nog voltrokken
-is... Wou je...”
-
-Lina glimlachte, en zag hem zoo liefdevol aan, terwijl zij haar
-vriendelijk kopje aan zijn breeden borst vleide, dat Wagner haar een
-vurigen kus op de zachte lippen drukte en geen woorden vond om zijn
-volzin te voltooien.
-
-»Berouw?” sprak ze fluisterend, »ik zou sterven indien ik u verliezen
-moest... O Herman! mijn geluk is zoo groot, dat ik het weer wilde
-vinden in de toekomst onzer kinderen... en de toekomst beantwoordt
-mijne warme, zonnige liefdedroomen met een schellen oorlogskreet,
-gesmoord in een dof en somber floers van rouw...”
-
-Zij zweeg even, en wischte zich een traan uit het oog, welken zij voor
-Wagner verbergen wilde; plotseling hief zij den bezielden blik naar hem
-op en het schoone hoofd met fiere kracht omhoog heffende vervolgde zij:
-
-»Een ding heb ik nooit begrepen...”
-
-»Wel?” vroeg Wagner, haar levendig gezichtje met bewondering aanziende.
-
-»Ik heb nooit begrepen dat de vrouwen zoo lang gezwegen hebben—en
-toegestemd, zelfs aangemoedigd, en meegewerkt in dat groote
-wereld-proces hetwelk men oorlog noemt... Onze kinderen, we moesten ze
-te lief hebben om ze te laten vermoorden... te lief vooral om ze beulen
-en boosdoeners te zien worden... Wij vrouwen, we moesten in massa
-opkomen tegen het verminken onzer geliefden, tegen het verbrijzelen van
-de kern van het volk.—Onze godsdienst ten minste moest vrede wezen en
-onze liefde moest zich niet besluiten binnen den grens van een land,
-zich niet onderwerpen aan de willekeurige overheersching van eene
-baatzuchtige politiek. Wij moesten geen vijanden, maar menschen
-erkennen; geen rijkjes, maar de gansche wereld lief hebben. Wij, die
-zelve moeders zijn, wij moesten het geluk van andere moeders
-eerbiedigen en geen glorie zien in den diepen rouw harer verbrijzelde
-zielen, geen grootheid zoeken in het vermoorden harer dierbaarste
-betrekkingen, in het verijdelen harer edelste toekomstdroomen..... Maar
-ik ben dwaas, ik gevoel het... De tijd is nog ver, waarin het recht der
-Staten even als dat der menschen gehandhaafd zal worden door verstand
-en kennis, en wij moeten lijden en worstelen tot dat wij door strijden
-en verwoesten, door uitputting en smart tot de overtuiging komen
-zullen, dat liefde alleen tot grootheid leidt en kennis tot geluk. Maar
-waarom moeten wij daartoe komen door zwakte? Door kracht zou het
-grootheid wezen, door ellende is het slechts noodzakelijkheid.”
-
-»Maar kind, zie je dan zoo veel slechts in de toekomst? Geloof je dan
-niet aan den vooruitgang der menschheid? Zie je dan niet dat er iets
-grootsch geboren wordt schier uit elken oorlog?”
-
-»Ja, zeker. Haat en wraak. Haat schudt de slapende volken wakker en
-wraak dringt ze tot den arbeid om anderen te verpletteren. Dat zie ik,
-anders niet. Afgunst, misdaad en lijden... Neen, die vooruitgang wordt
-te duur betaald.”
-
-Melatie trad binnen met een oranjekrans in de eene hand en een tule
-sluier in de andere.
-
-»Kijk jufje, kijk! zoo pas ontvangen! De bloemen zijn van leer! Even
-zien hoe het staat!” En Lina den krans op het hoofd werpende, trok zij
-haar met zich naar den spiegel, en wikkelde zij haar in de dunne zijden
-tule die als een doorschijnende wolk het frissche, jonge kopje
-omzweefde.
-
-»Mooi, hè?” vroeg zij lachend, Wagner in den spiegel toeknikkende. »Ik
-zou haast willen trouwen om ook eens zoo mooi te wezen!”
-
-»En na het mooi zijn?”
-
-»O! dan liep ik weg! Jufje, zie je er nu niet tegen op om zoo voor
-altijd te trouwen?...”
-
-»Waarom vraag je mij dat niet?” riep Wagner, haar bij de schouders naar
-zich toe draaiende. »Kleine nuf, kom jij me bruidje mooi maken om haar
-tegen me op te stoken?”
-
-»Dat kan ik niet, kapitein, geloof me, ik kan het niet. Niet waar,
-jufje? Ik heb het genoeg geprobeerd, maar altijd zonder gevolg.”
-
-»En zóo zal het blijven,” riep Lina lachend. »Niet waar, Herman, wij
-zijn gereed alle lief en leed met elkander te deelen en samen
-ongelukkig te zijn indien wij niet gelukkig wezen kunnen.”
-
-»Jufje! jufje! En dat nadat je zoo geijverd hebt voor divorce!”
-
-»Ja, dat heb ik, en dat hoop ik te blijven doen, maar niet ten behoeve
-van huwelijken als het onze.—Niet waar, Herman, voor ons behoeven in
-dat opzicht geen wetten te bestaan?”
-
-»Neen liefste, wij zijn noch afhankelijk, noch onwetend genoeg om die
-noodig te hebben!”
-
-»En... indien...?”
-
-Lina begon hartelijk te lachen.
-
-»Ja, indien wij op zullen houden elkander lief te hebben dan... nu, wat
-dan?”
-
-»Dan zeggen wij elkander adieu!... En...”
-
-»En dan houden wij op getrouwd te zijn, zonder elkander te haten of het
-leven te verbitteren!”
-
-»En zonder te vergeten hoe gelukkig wij eenmaal te samen geweest zijn!”
-
-Hij sloot bij deze woorden zijn bruidje zoo onstuimig in zijn armen,
-dat de oranjekrans hem op den neus viel en hij de nieuwe frissche tule
-in duizend grillige plooien onder zijn arm samen vouwde.
-
-»Dàt waren onze eerste engagementsgeloften!” vervolgde hij vroolijk,
-Melatie de hand reikende, »maar zult er de verwezenlijking nooit van
-beleven, denk ik...”
-
-»Neen nooit,” herhaalde Lina, en zich uit Wagner’s armen loswikkelende,
-fluisterde zij haar ernstig in het oor:
-
-»God geve, kind, dat je eenmaal zoo gelukkig zult wezen als ik!
-
-»Wat ik dáar zeg, moogt gij niet weten, Herman, want het zou uw
-vertrouwen op de toekomst aan het wankelen brengen!—En al te
-wantrouwend mogen wij toch ook niet wezen.”
-
-Den volgenden dag werd het huwelijk voltrokken. Toen was het feest op
-het schoone landgoed, waar gamelangspel, en toping en wayang een
-grooten dag maakten van den 10n Maart, dien de gelukkige bevolking van
-Felicita zich nog vele jaren met genoegen herinneren zou.
-
-In het heerenhuis ook was het feest. Maar het was een feest met
-weemoed, want dáar was scheiden het eindwoord der vreugde en werd het
-huwelijksgeluk verkregen door het breken van een vriendenkring.
-
-Allen gevoelden het en allen brachten zij lachend het offer, met een
-kus op de lippen, een traan in het oog.
-
-
-
-
-
-
-
-
-EENENVEERTIGSTE HOOFDSTUK
-
-HAAT EN MINACHTING. MOEDERLIEFDE.
-
-Acht jaren later
-
-
-Wat was zij veranderd, de mooie, gevierde Louise! Waar waren de gulle
-lach, de levendige blik, de sierlijke bewegingen gebleven? Wat was er
-geworden van den krachtigen, fieren geest die zoo lang geworsteld had
-tegen omstandigheden en overmacht? Van het liefdevolle hart dat zich
-met zooveel zelfopoffering had vastgeklemd aan al wat goed en edel was?
-
-Arme Louise! Haat was al wat de wereld haar geleerd had. Ja, zij had
-gehaat met al de kracht, met al de grootheid harer ziel! Gehaat zóo als
-fijngevoeligheid alleen kan haten, met kennis en met takt. Gehaat met
-een lach, gehaat met een aalmoes, gehaat met een dankbede zelfs! Wat
-had zij de menschen doen lijden, zij die wist wat lijden was! Wat had
-zij ze gegriefd, zij die zelve zoo menigmaal gegriefd was geworden! Wat
-had zij ze veracht, zij die zelve zoo veel verachting gekend had!
-
-Dit had geduurd zoolang hare ouders geleefd hadden.
-
-Haar kind, niets dan haar kind had zij lief op aarde. En hare ouders
-hadden haar dat kind ontnomen!—O! dat was eene misdaad waarvoor zij
-geen vergeving had.
-
-Maar hare ouders waren gestorven. Alleen, rijk, en vrij om te gaan waar
-zij wilde, besloot zij, terstond na den dood harer moeder, haar kind te
-gaan opzoeken en het terug te vragen, te halen of te stelen, alle
-middelen waren goed indien zij het slechts terugkreeg.
-
-Vrij was zij eindelijk, geheel vrij, want haar onder curateele stelling
-was opgeheven. Wat zou zij van die vrijheid genieten en die aanwenden
-tot nut van haar kind! Haar kind dat zij eindelijk weer zou zien! »Mijn
-God! Welk geluk gaat er boven dat van onafhankelijk te wezen!”
-
-In deze stemming vertrok zij met de landmail naar Europa, het huis
-harer ouders met meubels, rijtuigen, paarden, enz. aan vreemden
-overlatende, om het voor haar te verkoopen en haar van het geld, dat
-het zou opbrengen te zenden »wat hun goed zou dunken”.
-
-»Stelen doen ze toch”, dacht zij bij zich zelve, »ik mag hun zoo wel
-toonen dat ik het begrijp en dat ik er genoegen mee neem.”
-
-Maar eenmaal aan boord der stoomboot, alleen te midden van een menigte
-menschen onder wie zij niemand kende, afhankelijk van stoom, wind en
-golven, zoowel als van de vreemdelingen die haar omringden, gevoelde
-Louise zich zonderling teleurgesteld in hare illusies over vrijheid en
-onafhankelijkheid. Zij had gehoopt alleen te zullen zijn, en zij was
-nooit alleen zelfs niet in hare hut. Zij moest die hut deelen met eene
-jonge engelsche vrouw die van China kwam en drie maanden te Batavia
-geweest was om een broeder te bezoeken, dien zij nooit weer dacht te
-zien. Op dek was zij omringd door half zieke, of slapende menschen, die
-haar aankeken uit verveling zonder het minste belang in haar te
-stellen. Somwijlen ook door een groep vroolijk lachende meisjes, waarom
-een zwerm heeren zich bewoog, die haar het hof maakten tot
-tijdverdrijf, of door eenige oude luidjes, die lazen of in zee staarden
-of lachten om de grappen van de jeugd.
-
-Alleen was zij geen oogenblik, maar eenzaam was zij overal.
-
-Te fier om terug gestooten te willen worden, sprak zij tegen niemand,
-en niemand sprak tegen haar. Toch kon zij niet onopgemerkt blijven met
-hare schoone, beweeglijke trekken en majestueuse gestalte. Hare sombere
-teruggetrokkenheid zelve deed haar in het oog vallen, en, eer zij er
-iets van begrepen had, was de algemeene aandacht op haar gevestigd.
-
-Men begon met haar een bankje aan te bieden, een krukje of een boek,
-soms ook een glas seltserwater of wijn.
-
-Altijd het zelfde antwoord: »Ik dank u,” met een lachje dat aantrok en
-terugstiet, dat nieuwsgierig maakte vooral.
-
-»Wie kon zij wezen?—Van waar kwam zij?—En waar ging zij heen? Waarom
-was zulk eene schoone vrouw alleen? Welk verdriet kon haar zoo
-menschenschuw gemaakt hebben? enz. enz.”
-
-Men verzon van alles, en maakte van haar leven zeer »intéressante
-romans”, maar niemand kwam de waarheid nabij en niemand kwam iets meer
-te weten, dan dat zij van Amerongen heette en te Batavia aan boord
-gekomen was.
-
-Eindelijk herinnerde iemand zich vroeger, lange jaren geleden, eens een
-»cronique scandaleuse” van een zekere juffrouw Van Amerongen gehoord te
-hebben. Eene geraffineerde coquette, die een brilliant huwelijk gedaan
-had, en een »amant” had gehad, die door haar echtgenoot doodgeschoten
-was.—Daarna was ze weer weggeloopen met een ander, en eindelijk had zij
-het zóo bont gemaakt dat haar man genoodzaakt geweest was zich van haar
-te laten divorceeren, daar er reeds allerhande kinderen in het spel
-gekomen waren ook. Een poos had men getracht haar voor gek te laten
-doorgaan, maar dat kon geen stand houden, en eindelijk was zij van het
-tooneel der wereld verdwenen met een amant die haar mee naar Rusland
-had genomen.
-
-»Heel intéressant!” vond men die levensbeschrijving. Louise werd er een
-oogenblik op aangezien, maar dat verhaal was alte romanesque. Deze
-vrouw was niet coquette genoeg, ook was zij te jong, te ernstig, te
-comme il faut om zulk eene rol gespeeld te hebben. Toch bleef er iets
-van het nieuws hangen in de publieke opinie en bracht het verhaal een
-zichtbare verandering te weeg in de wijze waarop de passagiers haar
-behandelden. Zij gevoelde het, zij begreep het niet. De dames
-verwijderden zich al meer en meer van haar en de heeren naderden,
-vooral als de dames het niet zagen. Wat hielden de jonge meisjes haar
-in het oog (die onschuldjes!) Wat lachten de oudjes met afgunstige
-minachting bij elke beleefdheid haar door een der heeren betoond! En
-wat behandelden de heeren haar anders dan zij de overige dames
-deden!...
-
-»O menschen! Wat zijt gij toch slecht! En indien ik ’t wilde, wat zoudt
-ge boeten voor uw mépris! Maar wat kunnen mij de menschen schelen? Dom
-en slecht—laat ze gelukkig zijn met dien schat!”
-
-Zoo dacht zij bij zich zelve, maar zij zeide het in haar blikken, in
-haar zwijgen, in haar weemoedig lachen zelfs, zonder het te willen of
-te weten.
-
-Intusschen was men nieuwsgierig geworden en wilde men haar verleden
-kennen. Er werd beraadslaagd en overlegd, en eindelijk besloten dat de
-heeren het raadsel zouden oplossen, n’importe hoe.
-
-Een Franschman, Leroux, een koopman, die zijn fortuin met zijden
-japonnen en hammen had gemaakt, zou haar het hof maken en zoo noodig
-zelfs ten huwelijk vragen. Von Hochtenstein, een half geruïneerde
-baron, zou het zelfde doen. De overige heeren zouden haar behandelen
-met den grootsten eerbied en onderdanigheid, tot dat een paar der
-oudsten door toespelingen zouden uitgevonden hebben of zij de persoon
-in quaestie was of niet. Men vermoedde, men giste, men ging
-weddingschappen aan... het was een ingewikkelde intrigue die men om de
-arme vrouw gesponnen had, een goed beraamd plan, dat onmogelijk
-mislukken kon!
-
-Leroux begon.
-
-Zwijgend werden zijne complimenten aangehoord, zwijgend zijne attenties
-ontvangen.
-
-»Que le diable l’emporte!” had hij reeds meer dan eens gezegd. »Elle
-m’intrigue cette femme, j’y perds mon latin!”
-
-Niet zonder gevaar was echter de rol die de dikke Leroux beloofd had te
-zullen vervullen. Hij had de overwinning gemakkelijk geacht.
-
-»La résistance m’agace!” waren zijn laatste woorden geweest.
-
-Daarop kwam Von Hochtenstein wat nader. Hetgeen de koopman niet
-vermocht zou de baron wel gedaan krijgen. Geslepen, vleiend, onderdanig
-tot kruipens toe was hij een uitmuntende tegenstelling van den
-spiritueelen, ongegeneerden Franschman, wiens opvoeding even vrij en
-gul was geweest als die van den ongelukkigen baron slaafsch en zuinig.
-
-Louise had geen onaangenamer wezen aan boord opgemerkt dan dien
-uitgedroogden Duitscher. Gelukkig kende zij geen Duitsch! Maar hij kon
-Fransch... Had zij maar geen Fransch gesproken, dan zou zij geen
-Fransch gekend hebben ook.
-
-Von Hochtenstein was nederig genoeg om een refus voor onmogelijk te
-houden en, zonder veel tijd te verliezen, verklaarde hij haar dus zijne
-liefde en bood hij haar zijn hand en zijn baronnentiteltje aan.
-
-»Qu’en ferais-je?” antwoordde Louise onverschillig, en opstaande begaf
-zij zich naar beneden zonder verder acht op den armen man te slaan,
-dien zij stom van verbazing achterliet.
-
-Dadelijk kwam Leroux op hem afschieten.
-
-»Eh bien, baron, vous voilà tout penaud!... Et le succès?...”
-
-»Un refus.”
-
-»Un refus! Qu’a-t-elle dit?”
-
-»Qu’en ferais-je?”
-
-»Ha! ha! ha!” Niemand was gelukkiger dan Leroux, wiens schaterlach als
-musikale ballen over de golven rolde, en het geheele complot om hem
-heen riep. »Qu’en ferais-je! Elle a raison, parbleu!”
-
-Tien minuten later wisten alle passagiers dat Von Hochtenstein een
-blauwtje had geloopen en Leroux maakte er zich een fête van zelf te
-vertellen dat hij even weinig chance gehad had als de voorname
-Duitscher.
-
-Deze gebeurtenissen brachten Louise nog meer en évidence, en zoo als
-het overal en altijd in de wereld gaat, zoo ging het ook hier. Wanneer
-éen man eene vrouw openlijk hulde betoont, doen alle mannen het. Een
-schatrijke amsterdamsche bankier, het grootelot, zoo als men hem
-noemde, die de oogappel van alle moeders en dochters was, begon de
-trotsche schoone intéressant te vinden, en, aangetrokken door hare
-onverschilligheid, deed hij wat hij kon om hare liefde te winnen.
-
-Hij vond het bespottelijk voor een man van zijn stempel om een blauwtje
-te loopen en had zich dus stellig voorgenomen te wachten op hare
-avances eer hij verder zou gaan. Maar de avances kwamen niet. Zwijgend
-en koud verscheen de jonge vrouw elken morgen op dek en verstandig en
-teruggetrokken bleven hare gesprekken steeds binnen de perken van
-gewone beleefdheid.
-
-De arme man zag zich dus genoodzaakt om, indien hij avances verlangde,
-ze zelf te doen. Dàt was eene vreeselijke condescendance! Het kostte
-hem blijkbaar moeite dien eersten pas te doen. Maar, zij was zoo
-schoon!—zoo fier!—en het zou zulk een triumf wezen die vrouw te
-bezitten!—Ook begon men Frankrijk reeds te naderen. Indien hij zich
-niet haastte...
-
-»Ik ben bekend als een der rijkste partikulieren van ons land,” begon
-hij.
-
-»Ik weet het.”
-
-»Ho, ho, dan kan ik verder gaan,” dacht hij bij zich zelven, »eene
-vrouw die informaties inwint, is reeds half verloren!...”
-
-»Waar denkt gij u in Nederland te vestigen?” vroeg hij.
-
-»Ik weet het niet.”
-
-»Ik ben verplicht naar Amsterdam terug te keeren, voor mijn zaken...”
-hij wachtte even. Zij antwoordde niet.
-
-»Zoudt gij er iets tegen hebben om in Amsterdam te wonen?” hernam hij.
-
-»Ik ken Amsterdam niet. Ik ben nooit in Europa geweest.”
-
-»En gij zijt geheel alleen in de wereld?”
-
-»Geheel alleen.”
-
-»Even als ik? Wel mevrouwtje, ik geloof dat wij bij elkaar moesten
-blijven, dan konden wij te zamen gelukkig zijn!...”
-
-Louise zag hem even aan met hare groote donkere oogen, en die gestrenge
-blik deed hem zijn volzin eindigen geheel anders dan hij het zelf
-verwacht had.
-
-»Indien gij mijne vrouw ten minste worden wilt?”
-
-»Ik?—En waarom zou ik trouwen?”
-
-»Wel,—wel om gelukkig te wezen.”
-
-»Vrijheid alleen is geluk.”
-
-»En liefde...”
-
-»Uwe liefde?”
-
-Hij knikte toestemmend, zonder te durven antwoorden.
-
-»Uwe liefde is hoogmoed, anders niet.”
-
-»Neen, ze is sympathie, warme zuivere sympathie!...”
-
-»Voor wie?—Voor eene vrouw die gij niet kent?”
-
-»Maar die ik bewonder, ook zonder haar te kennen!”
-
-»Omdat anderen haar bewonderen, niet waar?...”
-
-»Neen, omdat ik haar gadegeslagen en goedgekeurd heb.”
-
-»Gedurende een armzalige zes weken!—En heeft die vrouw geen verleden
-gehad?—Kent gij dat verleden?—Neemt gij het als het uwe aan, hoe het
-ook geweest moge zijn?—Zonder onderzoek, zonder aarzeling, met vol
-vertrouwen in de toekomst?...”
-
-De bankier zette groote oogen op. Hij dacht aan de »cancans” en wist
-zoo gauw niet wat te antwoorden.
-
-»En indien die vrouw gevallen was,—door de wereld veracht en verstooten
-was geworden... zoudt gij haar ophelpen en staande houden in de
-toekomst die gij met haar deelen wilt?—Zoudt gij haar verdedigen ten
-koste van uw fortuin, van uwen naam, van uwe eer?—Zoudt gij haar lief
-hebben om hetgeen zij wezen zou, zonder haar ooit te laken om hetgeen
-zij geweest was?—Zoudt gij...”
-
-»Maar, mevrouw...” stotterde de bankier, al meer en meer terug
-krabbelende, en niet wetende, hoe hij zich ten schielijkste uit
-Louise’s handen redden zou. »Maar mevrouw, een man heeft het recht het
-leven zijner vrouw te kennen...”
-
-»Dàt recht heeft hij—ofschoon zij het zelden met hem deelt...”
-
-En zacht en langzaam vervolgde zij.
-
-»Ik heb u geleerd wat liefde is.—Biedt nu eene andere den trots aan,
-die voor mij geen waarde heeft; maar noem het nooit meer liefde, hè!”
-
-Zij lachte haar zonderlingen lach, die aantrok en terug stiet en
-verwijderde zich zonder den bankier éen woord meer toe te voegen.
-
-»Engel of Duivel!” mompelde »het groote lot”, haar naoogende. »Gij
-moogt wezen wat gij wilt, maar de mijne zult gij worden!”
-
-»Nooit,” had zij gezegd, en »nooit” was het, ofschoon hij jaren lang
-bleef aanhouden en, alles wetende, alles vergevende, telkens terug kwam
-om haar zijne hand en zijn vermogen aan te bieden.
-
-Haar kind, dat was haar droom en haar leven! Zij zou haar George weder
-zien! Den kleinen engel, dien men haar ontnomen had! Haar kind dat zij
-zoo onuitsprekelijk lief had, voor hetwelk zij zoo oneindig veel had
-geleden! Haar George zou haar volgen naar hare woning, daar zou zij hem
-weer liefhebben en verzorgen, zelve onderwijzen en goed leeren
-zijn!—Ook hij zou haar beminnen als vroeger!—Hij zou op Werner
-gelijken—en zijn lach zou de zonnige dagen van weleer terug roepen en
-overbrengen in eene toekomst vol liefde en troost.
-
-
-
-Den 28sten December, ’s middags om vijf uur, kwam zij in den Haag aan.
-Zij liet hare koffers aan het station staan, nam eene vigilante en reed
-dadelijk naar de school waar George was, zonder acht op haar dunne
-indische kleeding te slaan of zelfs aan koude of vermoeidheid te
-denken.
-
-»George! George!...”
-
-O wat ging alles langzaam! Dat reizen eerst, die booten, die
-spoortreinen! Nu die armoedige vigilante!... Eindelijk!
-
-»Is dit het huis?”
-
-»Ja mevrouw.”
-
-Zij vloog het rijtuig uit en schelde. Met hare dunne, stoffen
-schoentjes stond zij tot over de enkels in de sneeuw—zij voelde het
-niet!—Nog eens gescheld. »Doet niemand dan open?” een derde, een
-vierde, een vijfde keer, geluid ten laatste... daar werd de deur bij de
-buren geopend.
-
-»Is het voor den schoolmeester?...” vroeg een poppig meisje met een
-kornetje op.
-
-»Ja, ja, voor den schoolmeester...”
-
-»Och, heetje! die is juist verhuisd. Die woont nou op de Bierkaa, ziet
-u—daar heeft hij een huis gekocht. Ik weet niet precies waar, maar het
-is op de Bierkaa.”
-
-»Naar de Bierkaa, dan!”
-
-»Zonder te weten waar we wezen moeten en dat in zoo’n beest van een
-weer!” riep de koetsier ongeduldig.
-
-»Rij maar, rij maar, ik zal alles betalen.”
-
-»En waar moet ik stilhouden?”
-
-»Schel maar aan alle huizen; wij zullen eindelijk wel terecht komen.”
-
-»Ja, ja, je bent een mooie madam om terecht te komen, jij, met je
-stroohoed en je dansschoenen aan.”
-
-»In Gods naam, rij toch op!”
-
-»Eerst mijn geld, als je blieft, het is van avond geen weer om voor
-niets naar schoolmeesters te zoeken.”
-
-Zij wierp een goudstuk in de groote ruwe hand en, hoewel hij niet recht
-wist hoeveel het waard was, zoo stelde de koetsier er zich voor het
-oogenblik toch mee tevreden,—klaar om aanstonds meer te vragen.
-
-Daar waren zij op de Bierkade.
-
-»Rechts moet je zijn.”
-
-»Neen, links,” riep een ander.
-
-»Hier woont een schoolmeester, sedert twintig jaar.”
-
-»Je bent te ver, koetsier, dáar bij de brug!”
-
-Welk een eeuwigheid!
-
-»Hier!” riep Louise en zij sprong het rijtuig uit voor een huis waar
-geen gordijnen hingen en geen licht brandde in den gang.
-
-»Woont hier mr. D., de schoolmeester?”
-
-»Ja, juffer.”
-
-»Is de jongeheer George t’huis? Kan ik hem zien? Waar is hij?” Louise
-was den gang reeds in.
-
-»De jongeheeren zijn allen met vacantie naar huis. De kerst-vacantie
-weet u, en...”
-
-»Waar kan ik hem vinden?”
-
-»Wie, juffer?”
-
-»Wel George! Waar is George heen?”
-
-»Ik zal eens gaan hooren.”
-
-Wat duurde dat hooren lang!
-
-»De jongeheer is naar Leiden.”
-
-»Bij wie? Waar?”
-
-»O! dat weet ik niet.”
-
-»Weet niemand het?”
-
-»Ja wel, de juffrouw.”
-
-»Vraag dan de juffrouw.”
-
-»Dat mensch lijkt wel gek!” was de conclusie van de meid, die geheel
-overeenkwam met die van den koetsier.
-
-Zij kwam terug met een papiertje waarop een paar namen stonden, dàt was
-George’s adres in Leiden.
-
-»Naar het station terug, koetsier!...”
-
-»Gaat er nog een trein naar Leiden?”
-
-»Ja, over...”
-
-»Een kaartje dan.”
-
-En verder ging zij weer in hare koortsachtige gejaagdheid.
-
-Het was reeds laat toen zij te Leiden aankwam. Wat had ze ook lang in
-dat station moeten wachten!... Hoe lang? Zij wist het niet.
-
-Het huis was gauw genoeg gevonden; maar de jonge heeren waren naar bed.
-
-»Naar een hôtel dan.”
-
-»Naar welk, juffer?” vroeg de koetsier.
-
-»Het grootste.”
-
-Hij bracht haar naar het kleinste, maar gevoelde toch iets als schaamte
-toen zij hem betaald had.
-
-»Wil mevrouw naar een beter hôtel gaan dan dit?” vroeg hij aarzelend,
-»dan zal ik mevrouw...”
-
-»’t Is goed zoo. Wat kan het mij schelen waar ik ben! Voor een enkelen
-nacht.”
-
-En welk een nacht!
-
-Nu was zij dan eindelijk in de nabijheid van haar kind! In dezelfde
-stad met haar geliefden George!... O, had zij hem slechts even
-gezien... Een enkel oogenblik... Van verre desnoods... Morgen! Komt
-morgen dan nooit? ’t Was of de klok stilstond en haar horloge ook—en de
-zon ook—of scheen de zon niet in Leiden? En dan de klepperman met zijn:
-»Eén heeft de klok!”
-
-»Eén?—Niet mogelijk!”
-
-Maar alles zei éen. Zij moest dus weer berusten en gelooven dat het éen
-moest zijn.
-
-Hoe dikwijls had zij zich reeds te bed geworpen, hoe dikwijls was zij
-weer opgesprongen! Wat was zij vermoeid, en toch kon zij niet slapen.
-Zij had de koorts, zij weende, zij lachte. O kon zij haar kind slechts
-wederzien!
-
-De hagel kletterde tegen de ramen. Die nacht scheen eeuwig voort te
-duren. Wat was het donker en koud. Waar bleef de zon dan toch?
-
-»Vijf heeft de klok.”
-
-Zij kon niet meer. Hare oogen vielen dicht en half bevrozen sliep zij
-in met een traan op de wang en een lach om de lippen: een kinderbeeld
-in ’t ver verschiet....
-
-Wat werd zij somber wakker. Ze had vier uren lang gerust. Wat had ze
-gedroomd, dat haar zoo kon doen schreien? Zij wist het niet. Het was
-iets van schande, van haat geweest, iets van spottend lachen ook, dacht
-ze.
-
-De hagel had opgehouden, de lucht was helder, de winterzon wierp
-vroolijk haar morgenlicht in de groote donkere kamer, waarom had zij nu
-den moed niet om zich aan te kleeden en uit te gaan en haar kind te
-zien?
-
-»O, mijn God, bespaar mij die droefheid.”
-
-Zij weende bitter en verborg het hoofd in de handen.
-
-Toen zij wat tot bedaren was gekomen, stond zij op en schelde om het
-ontbijt.
-
-Gisteren had zij aan geen eten gedacht, zij had nu ook geen honger: zij
-zocht een reden om te dralen.
-
-»Reeds half tien... En ik heb gezegd dat ik vóor twaalven terug zou
-komen... Wat vliegt die tijd voorbij... En indien hij mij verachtte?
-Niet meer kennen wilde?... Verstootte?... Hij is nu twaalf jaar oud,
-mijn brieven heeft hij nooit ontvangen, men heeft ze onderschept, dit
-weet ik... De menschen zijn zoo wreed! zoo wraakzuchtig! zoo slecht!
-
-
-
-»O God! geef mij kracht om in het belang van mijn kind alleen te
-handelen!...”
-
-Een oogenblik bleef zij als gedachteloos voor zich staren, toen richtte
-zij zich op, kalm en vastberaden, als in de dagen harer grootheid, en
-sprak bijna overluid.
-
-»Neen, Werner.—Indien het den geesten van afgestorvenen vergund is,
-onzichtbare getuigen te wezen van het leven dergenen die zij eenmaal op
-aarde hebben lief gehad, dan zult gij weten dat gij vertrouwen kunt op
-de vrouw aan wie gij uwen lieveling hebt nagelaten.—Nooit zal zwakheid
-of eigenbelang mij den eed doen verbreken, dien ik in uwe stervende
-handen heb afgelegd. De toekomst van uw kind zal heilig voor mij wezen,
-dit zweer ik u.”
-
-Zij schelde, vroeg een rijtuig en reed naar haren zoon.
-
-
-
-»Je tante misschien?”
-
-»Ik heb geen tantes.”
-
-»Nu, je moeder dan.”
-
-»Ik heb geen moeder!” was het antwoord, dat gepaard ging met een klap
-die klonk in den gang. »Dat zal je leeren om van mijn moeder te
-spreken.”
-
-Er volgde eenig gestommel, een worsteling waarschijnlijk; en toen ging
-de deur open en kwam er een jongen binnen met roode wangen, vonkelende
-oogen, dikke blonde lokken die hem tot op de schouders hingen en die
-hij met een ongeduldig hoofdschudden naar achteren wierp.
-
-»Ik ben George.” sprak hij hijgend.
-
-»Ik zie het...” antwoordde Louise nauw hoorbaar. Zij kon niet verder
-spreken. Zij greep hem bij de hand, trok hem naar zich toe en gaf hem
-een kus op de wang, dien de jongen onwillekeurig met zijn mouw
-afveegde.
-
-»Vele jaren geleden heb ik uwe ouders gekend,” begon Louise na eenige
-aarzeling, en zij wachtte even, moed scheppende om verder te spreken.
-
-De jongen lachte onverschillig en spotachtig alsof hij zeggen wilde:
-»Dan hebt gij meer gekend dan ik!”
-
-»Uw vader,” vervolgde zij »wiens oogappel gij waart, uwe moeder...”
-
-»Spreek mij nooit van mijn moeder, mevrouw! Ik heb het mensch nooit
-gekend, ze is dood en begraven, dus, laat haar rusten als je blieft.”
-
-»Maar zij heeft u gekend...” antwoordde Louise, voortgaande tegen alle
-terugstooting in, »en zij heeft u lief gehad zoo als weinige moeders
-mogelijk lief kunnen hebben...”
-
-»’t Is mogelijk!” riep George, klaar om een deuntje te fluiten. »Ik ken
-haar niet!”
-
-»Uwe grootmoeder, mevrouw Van Amerongen, is een paar maanden geleden
-gestorven; dit weet gij, niet waar?”
-
-»Ja,” antwoordde George ernstiger, en haar met meer belangstelling
-aanziende vervolgde hij: »Hebt gij grootmama ook gekend?”
-
-»Ja... zeer goed.”
-
-»Arme grootmoeder! Ik ken haar niet anders dan uit hare brieven, maar
-ik had wat gegeven om haar persoonlijk te leeren kennen! Zij is altijd
-zoo goed voor mij geweest.”
-
-Er kwam een vreeselijke gloed in Louise’s donkere oogen, een doodelijke
-bleekheid overtoog haar schoon gelaat; zij sprong op, maar zich bijna
-terstond herstellend, beet zij zich op de lippen en zweeg.
-
-De jongen vond iets spookachtigs in dat bleeke mensch met haar groote
-zwarte oogen.
-
-»Hebt gij grootpapa ook gekend?” vroeg hij stotterend, omdat hij
-eigenlijk niet wist hoe hij zich houden moest tegenover dat
-vreemdsoortige mensch.
-
-»Ja... zeer goed.”
-
-Beide zwegen een oogenblik.
-
-Louise hervatte aarzelend:
-
-»Ik heb het een en ander voor u mee gebracht dat... dat grootmama mij
-voor u gegeven had... hier is het...”
-
-Met hoe veel zorg had zij het pas in Parijs voor hem gekocht!
-
-Met een soort van godsdienstige vereering opende George het doosje dat
-Louise hem ter hand stelde.
-
-Een gouden horloge!—Een ketting!—Een paar gouden manchetknoopen!—De
-tranen schoten hem in de oogen toen hij dien rijkdom bezag. Zwijgend
-drukte hij zijne moeder de hand, hij kon zóo gauw geen woorden vinden.
-
-Wat deed het haar goed, te midden van al hare droefheid, althans te
-zien dat haar kind onbedorven was gebleven, dankbaar en fier zoo als
-zij eenmaal den vader had lief gehad. Wat zag zij hem aan met hare
-groote vragende oogen, als of zij in het diepst zijner ziel wilde
-dringen om er zoo mogelijk éen woord van vergeving, van troost, voor
-zijne arme moeder te vinden!—éen blik van sympathie... O, dat alleen
-was reeds geluk geweest!—Maar niets—volstrekt niets... Welk een schat
-van liefde moest haar George bezitten! En niets voor haar?... Welk een
-eerbied voor de nagedachtenis zijner grootmoeder! En voor haar?...
-
-Zij stond op, sloot hem in hare armen, drukte een laatsten kus op het
-voorhoofd van haar kind en verliet hem weenend, zich haastig in haar
-rijtuig werpende om naar haar logement terug te keeren.
-
-Ook die droom was dus geëindigd.
-
-»O God! Ik dank u voor mijn kind. Gij hebt mijn vurigste bede
-verhoord.—Ik mag niet meer vragen...”
-
-
-
-
-
-
-
-
-TWEEENVEERTIGSTE HOOFDSTUK
-
-AUGUST VAN LANGENDIJK
-
-
-Toen het zomer was geworden, en vele Nederlandsche families, verlangend
-naar buitenlucht en zonneschijn, na de koude, droeve wintermaanden,
-tusschen de muren bij de kachels doorgebracht, haar intrek genomen
-hadden in het schoon gelegen hôtel Belle-vue bij Arnhem, waar alles
-rust, gezelligheid en comfort ademde, kwam er op een dinsdagmorgen van
-het spoorwegstation een jonge vrouw die twee kamers verlangde »bij de
-maand”. Het hôtel was vol, men had geen plaats meer, geen twee kamers
-althans...
-
-»Geef er mij dan een.”
-
-»Wij hebben er geen voor het oogenblik.”
-
-»Geen enkele kamer meer? Geen zolderkamertje? Geen hokje? Niets enfin,
-waar ik logeeren kan, totdat er een paar kamers open zullen komen?—Ik
-zal met alles tevreden zijn, geef mij wat gij wilt—maar zend mij naar
-geen ander hôtel, want hier moet ik wezen!”
-
-Zij kreeg een kamertje ergens boven, heel hoog, en verhuisde eenige
-dagen later naar beneden, waar toen een paar groote kamers waren
-opengekomen.
-
-Die vrouw was buitengewoon schoon en zij was alleen. Zij scheen rijk te
-wezen. Brieven ontving zij niet en niemand kende haar. Ook zij kende
-niemand en vermeed elke gelegenheid om kennissen te maken. Zij was in
-het zwart gekleed, altijd, doch niet in den rouw, en had iets sombers,
-iets droefgeestigs over zich, dat geheel in overeenstemming was met
-hare zware donkere kleeding. Men had haar mooi gevonden en
-onverdragelijk, coquette, stijf, trotsch, excentrique. Zij was
-ongelukkig, dat was al. Zij was daar met een doel, naar het scheen,
-want dagelijks vroeg zij naar de vreemdelingen die er gekomen waren,
-en, wanneer zij de namen vernomen had, liep zij met een
-onverschilligheid heen, die veel van teleurstelling had.
-
-Drie weken was zij er reeds geweest en nog altijd bleef zij als den
-eersten dag zwijgend, koud, teruggetrokken, beleefd jegens allen,
-vriendelijk tegen niemand, haar tijd doorbrengende met lezen, of met
-het maken van handwerken, of somwijlen ook met half droomend naar het
-schoone landschap te staren, dat zich in volle zomerpracht voor haar
-ontrolde.
-
-Hare menschenschuwheid, die slecht overeenkwam met hare gemakkelijke
-hoffelijke manieren, deed haar terstond in het oog vallen, en trok al
-spoedig de algemeene aandacht zoo zeer, dat zij het onderwerp der
-meeste gesprekken werd en men schier het onmogelijke deed om met haar
-in kennis te komen, of het een of ander betreffende haar verleden uit
-te vorschen.
-
-Eens op een avond toen zij, als naar gewoonte, alleen zat thee te
-drinken op het terras, kwamen er nieuwe logés, die zij met ongewone
-belangstelling gadesloeg. Het waren drie personen, een oude grijze heer
-met een rood gezicht, zijn echtgenoote, een zware vrouw met zwart haar
-en kleine, schitterende oogjes, en hun zoon, een jong mensch van een
-jaar of achttien, negentien. Zij scheen die menschen te kennen,
-ofschoon de nieuwaangekomenen beweerden haar nooit gezien te hebben.
-
-Drie dagen lang hield zij de vreemdelingen in het oog met een geduld en
-een oplettendheid welke niemand begreep, en toen eindelijk den derden
-dag, tegen het vallen van den avond, de oude lui uitgegaan waren en de
-zoon alleen onder de verandah zijn cigaartje zat te rooken, naderde zij
-langzaam zijn tafeltje en zeide met eenige aarzeling:
-
-»Vergeef mij mijnheer, maar indien ik mij niet vergis, moet gij August
-Stevens van Langendijk zijn, zoon van den oud-raad van Indië Van
-Langendijk—student aan de academie te Leiden...”
-
-»Dat ben ik, mevrouw,” antwoordde de jongeling opspringende, »mag ik u
-vragen... kent gij mij?”
-
-»Ik heb u gekend—en ik zou u gaarne weer willen kennen... Kan ik u niet
-een oogenblik alleen spreken, ergens waar niemand ons zien kan, niemand
-ons hooren kan vooral?”
-
-»Boven, in onze kamers,” antwoordde August goedig.
-
-»Ik volg u.”
-
-Zij gingen.
-
-Van Langendijk bood zijne vreemde bezoekster heel beleefd een stoel aan
-en bleef tegenover haar staan, ongeduldig wachtende op hetgeen er
-volgen zou.
-
-Zij haalde een pakje brieven uit haar zak en lei het vóor zich op
-tafel.
-
-»Hier heb ik schrift, dat gij mogelijk herkennen zult,” sprak zij
-zacht, en een oud papier uitzoekende, dat geel zag en beschreven was
-met groote onregelmatige letters, bood zij het August aan met de
-woorden: »Kent gij die kinderhand?”
-
-Hij bezag het aandachtig.
-
-»Het is van mij,” zei hij lachend. Maar plotseling verdween de lach van
-zijn gelaat en op zijn beurt de vreemdelinge uitvorschend aanziende,
-reikte hij haar op eens beide handen met de woorden:
-
-»Zijt gij die vrouw?—Mijne moeder?”
-
-Louise wierp zich zwijgend in de armen van haar stiefkind, haar tranen
-beletten haar te antwoorden.
-
-»Wat heb ik dikwijls aan u gedacht, over u gesproken, naar u gevraagd!”
-riep August. »Gij die over mij gewaakt hebt en mij beschermd hebt door
-alle omstandigheden heen. O mijne moeder, wat ben ik gelukkig u
-eindelijk weer te vinden!... ’t Is waar, ik had u niet herkend; ik was
-ook zoo jong toen ik u verliet... ik herinnerde mij niet meer hoe gij
-er uit zaagt, maar ik weet hoe goed gij voor mij geweest zijt en dat
-vergeet ik nooit.”
-
-»Dank je kind...”
-
-Beide zwegen eenige oogenblikken, toen hernam Louise zachter, zich uit
-zijn armen loswikkelende:
-
-»Luister August, gij zijt nu geen kind meer, en ik wil dus met u
-spreken als met een man, een vriend. Ik kan uw vader niet weder zien,
-hij heeft mij gelukkig niet herkend, maar ook, al had hij mij herkend,
-dan nog zou ik niet van hier vertrokken zijn vóor u gesproken te
-hebben... Ik wist dat gij elken zomer met uwe ouders hier kwaamt,
-daarom ben ik ook gekomen...” Zij wachtte even en hernam toen nog
-zachter: »Mijn verleden is u bekend, niet waar?—Gij weet dat ik een
-kind heb?”
-
-»George.—Ik ken hem.”
-
-»Ik weet het.—Maar George kent zijne moeder niet en wil haar niet
-kennen. Hij heeft haar vervloekt!”
-
-»Niet mogelijk!... Maar dan...”
-
-»O, beschuldig hem niet! Ik heb hem vergeven. Maar ik had voor hem
-willen zorgen, over hem willen waken, zelve zijne opvoeding willen
-bestieren... Hij veracht mij, hij heeft mij verstooten; en machteloos
-moet ik mijn kind aan vreemden overlaten, die mogelijk liefdeloos zijn,
-hardvochtig en wreed, onverstandig, baatzuchtig, onverschillig. O
-August, beloof mij dat gij over mijn arm kind zult waken!—Tracht zijn
-vertrouwen te winnen, en help hem, steun hem, troost hem waar gij
-kunt... Zeg mij wat hij noodig zal hebben, en geef het hem voor mij,
-maar laat hem nooit weten dat het van zijn moeder komt, want hij zou te
-trotsch wezen om het van haar aan te nemen. Bovendien, zijn moeder is
-dood, dat hebben de menschen hem gezegd, laat haar dood voor hem
-blijven.”
-
-Ook August’s oogen schoten vol tranen. Wat verstond zijn eerlijk hart
-die droeve woorden goed, ofschoon ze niet op hem sloegen.
-
-»Ik beloof het u,” sprak hij vastberaden, haar de hand reikende, »wat
-ik voor hem doen kan, zal ik voor hem doen. Ik beloof u dat ik voor hem
-zorgen zal als voor mijn eigen broeder.—Toch kan ik nooit zóo veel voor
-hem doen als gij voor mij hebt gedaan!”
-
-»Gij kunt meer, veel meer; want wat gij voor hem doet, dat doet gij ook
-voor mij.”
-
-Zij drukte een kus op het voorhoofd van den jongeling, gaf hem haar
-adres op in den Haag, en verzocht hem dringend, niets van het
-voorgevallene aan wie ook mee te deelen.
-
-Den volgenden morgen verliet zij Arnhem.
-
-
-
-
-
-
-
-
-DRIEENVEERTIGSTE HOOFDSTUK
-
-OUDE KENNISSEN
-
-Eenige jaren later
-
-
-Eene vrouw van meer dan middelbaren leeftijd, ligt half droomend op een
-rood fluweelen sofa uitgestrekt. De zon werpt haar gouden licht
-vroolijk door de ramen met bloemen versierd, en doet de weelde van het
-vorstelijk gemeubeld vertrek uitkomen. Wij bevinden ons in een van die
-groote statige ouderwetsche huizen op den Vijverberg in den Haag, die
-hun roem bij eeuwen tellen en niet voornemens schijnen om in deze eeuw
-nog afstand van hun voorrang te doen.
-
-In de vrouw die dit huis bewoont vinden wij Ella Salvita, mevrouw Van
-Wageningen, weder.
-
-Zij is nog schoon, ja, meer dan schoon zouden wij bijna zeggen, zij is
-aantrekkelijk, bekoorlijk. Niet dat zij krachtig, vroolijk, levendig is
-zoo als zij vroeger was, met een lachend oog en een hart vol
-geestdrift, maar ze is kalm, zacht, vastberaden, liefdevol, groot en
-edel met zelfbewustheid. Zij heeft veel verdriet gehad in haar leven;
-zij heeft geworsteld tegen domheid en bijgeloof, gestreden tegen
-gewoonte en vooroordeel; zij heeft armoede en ontbering gekend,
-medelijden en verachting, spot, haat, miskenning, smaad. Zij heeft
-alles vergeven, en nu zij rijk en onafhankelijk is, ofschoon niet
-gelukkig, tracht zij anderen de moeielijkheden te besparen die haar het
-meest gegriefd en gefolterd hebben.
-
-Zij schijnt iemand te wachten, want bij elk geritsel dat zij hoort,
-ziet zij naar de deur alsof daar buiten iemand wezen moest met wien
-haar geheele ziel vervuld was.
-
-Eindelijk werd er zacht geklopt en een oogenblik later trad een jong
-mensch binnen. Slank, welgevormd, fijngemanierd, bruin van tint met
-donkere oogen en gitzwart haar had hij veel van een Italiaan of een
-Spanjaard; hij reikte Ella de net geganteerde hand en schoof een
-tabouret aan, waarop hij naast de sofa plaats nam.
-
-»Hoe gaat het mevrouw?” vraagt hij met teedere belangstelling, »is de
-koorts wat minder van daag?”
-
-»Dank je August, ik ben veel beter. Als het zóo voort gaat, hoop ik
-over eenige dagen sterk genoeg te zijn om weder uit te gaan en met u
-een bezoek aan uw moeder te brengen.”
-
-»Denkt gij?” vroeg de jongman twijfelend, ofschoon de glans zijner
-oogen zeide: »Ik hoop het!”
-
-»O zeker, ik ben niet ziek meer, ik ben alleen zwak, en zwakte is een
-kinderkwaal, die men spoedig genoeg ontgroeit.”
-
-August drukte hare hand en zag haar treurig aan, zonder een woord te
-uiten.
-
-Na eenige minuten zwijgens brak mevrouw Van Wageningen de stilte weder
-af met de vraag:
-
-»Wanneer hebt gij haar het laatst gezien?”
-
-»Een maand geleden.”
-
-»En uw vader?”
-
-»Van daag. Hij was zeer zwak, bijna stervende en hij weet dat hij niet
-genezen kan; toch wil hij van geen vergeven hooren—hij zegt zelfs dat
-hij mij voor de helft onterven zal, indien ik weer een voet bij haar in
-huis zet. En hij is stervende, mevrouw! ’t Is vreeselijk!”
-
-Weer zwegen beiden geruimen tijd.
-
-»En hoe maakt George het aan de akademie?”
-
-»O! het gaat met George heel goed, ’t is een knappe jongen—maar
-verschrikkelijk trotsch! Hij gaat gebukt onder het geheim zijner
-geboorte; de gansche wereld ziet er hem op aan, beweert hij, en zijn
-moeder is hem een afschuw, ofschoon hij zich de arme vrouw volstrekt
-niet meer herinnert.”
-
-»Weet hij dat gij haar kent?”
-
-»Neen mevrouw, ik heb haar beloofd dat ik het hem nooit zou zeggen.”
-
-»Arme vrouw!”
-
-»En ze is zoo goed voor hem, zoo onuitputtelijk goed! Ik begrijp niet
-hoe zij ’t vol kan houden... En nu ze weet dat hij ’s Zaterdags in den
-Haag komt en tot Maandag blijft, staat zij uren lang door de jalousieën
-te turen in de hoop van hem even in het voorbijgaan te zien, zonder
-zelve gezien te worden.—Ik kan het niet helpen, mevrouw, en het is
-zeker slecht van mij, maar er zijn oogenblikken waarin ik dien jongen
-niet uit kan staan, om zijn onverdragelijken kinderachtigen trots dien
-hij zelf »grootheid van ziel” durft noemen!—Ik vind meer grootheid van
-ziel in zijne moeder dan in hem. Wat de menschen er ook van zeggen
-mogen, voor mij is die vrouw een Engel op aarde! Een schier
-bovenmenschelijk wezen, al heeft zij dan ook een misstap gedaan,
-waarvoor de menschen denken dat zij haar, haar leven lang verachten
-mogen!”
-
-»En dat een misstap dien zij gedaan heeft, toen zij krankzinnig was van
-verontwaardiging en droefheid! Och! de wereld is zoo onrechtvaardig en
-wreed!”
-
-»Ten opzichte van haar vooral. Niemand kent haar hier, zij gaat om zoo
-te zeggen nooit uit, ze is niemand tot last en doet goed waar ze kan,
-en toch is iedereen gereed haar te bespotten of te verachten! ’t Maakt
-mij tusschenbeide razend als ik de menschen over haar hoor spreken!
-Oude, uitgedroogde tooverheksen, tusschen een breikous en een
-statenbijbel, en jonge gelukkig gehuwde vrouwen met een half dozijn
-gezonde, bloeiende kinderen om zich heen! Zij moesten zich schamen de
-godvruchtige créaturen om een medemensch zoo te vonnissen! Ik heb
-eergisteren nog een uitval gedaan... Mevrouwtje lief ik kon het niet
-helpen, zie er mij s.v.p. niet zoo verwijtend om aan!... Het was bij de
-familie B. in Leiden. Er waren een tiental getrouwde vrouwen en
-oude-jonge-jufvrouwen bij elkaar en het gesprek liep, half fluisterend,
-over een jong kindermeisje dat zich in de gracht verdronken had, omdat
-zij op het punt was van moeder te worden... Zonder een enkel woord van
-medelijden of sympathie, werd het arme schepsel door die volmaakte
-kerkeleden gevonnist en zeer liefdevol rechtstreeks naar de hel
-gezonden. Eene van de oude vrijsters wierp een blik op mij, die blik
-deed mij koken en zonder mij een oogenblik te bedenken, liet ik mij
-ontvallen: »Menigeen veroordeelt, die nooit in zulke verleiding geweest
-is, en die den moed niet zou hebben er zooals dit meisje voor te boeten
-met haar leven!” Er volgde een doodsche stilte eerst veel later
-verbroken door een fluisterend gesprek der vrome dames, waar het mij,
-God dank, vergund was buiten te blijven.”
-
-»Dat zullen die dames u niet licht vergeven!”
-
-»Dat hoop ik! Dan zullen zij ten minste zorg dragen in mijn bijzijn wat
-meer égards voor ongelukkigen te hebben.”
-
-»Och, August! Dáar moet gij u zóo boos niet over maken; geloof mij,
-onwetendheid alleen is hard—verstand is goedig. Domheid is haat,
-afgunst, wreedheid, en kennis medelijden, liefde, vergeving.”
-
-»En gij hebt recht van spreken mevrouw! Was de wereld u gelijk dan
-zouden wij geen reden van klagen hebben!”
-
-Een oud man, grijs en gebogen, met een goedigen lach, opende de deur en
-vroeg zacht:
-
-»Wie is daar bij je, Ella?”
-
-»August van Langendijk,” antwoordde de jongman dadelijk opspringende,
-en den grijsaard te gemoet snellende, om hem naar een fauteuil te
-geleiden.
-
-Ritmeester van Wageningen was blind...
-
-
-
-
-
-
-
-
-VIERENVEERTIGSTE HOOFDSTUK
-
-IN HET HAAGSCHE BOSCH
-
-
-Woensdag avond. Alles stroomt naar het haagsche bosch. De muziek der
-grenadiers doet hare mélodieuse tonen over den vijver golven, en vult
-de lange donkere lanen met haar schoone volle harmoniën. Met stilte
-luistert het publiek naar een fantaisie op de Juive, alles ademt rust
-en genot, men gevoelt het, hier zijn alleen diegenen gekomen die
-gelukkig zijn, of slechts vermoeid, of die hunne zorgen te huis konden
-laten.
-
-Aan een tafeltje rechts van de tent zit een dikke oost-indische kolonel
-met zijne vrouw en kinderen. Zij zijn pas in het land gekomen schijnt
-het, want die geheele familie, vader, moeder en vijf kinderen, ziet er
-nog zoo vreemd uit, met die verbrande gezichten en eenigszins
-zonderlinge kleeding. Niet dat ze anders gekleed zijn dan het overige
-publiek, of dat ze er ouderwetsch of arm uitzien, neen, maar onhandig.
-Die mooie, gezonde vrouw schijnt niet geschapen voor een hoed met
-keelbanden; die groote strik onder haar kin hindert haar, zij maakt
-haar los en werpt de linten naar achteren, maar die linten hooren dáar
-niet, en eer zij er aan denkt vliegen zij haar weer om den hals. Ook
-die kinderen tobben vreeselijk met hun hoeden, het jongste meisje
-vooral: dat schepseltje ziet geregeld scheel ter eere van haar mooie
-witte veer! En de handschoenen dan. Die kleine handjes zijn gemaakt om
-vrij te zijn, die vlugge vingertjes voelen zich niet op hunne plaats in
-de mooie, nieuwe glacé handschoentjes die knijpen en trekken en
-gevoelloos maken... Wacht maar kinderen! Eenige jaartjes nog, en uw
-geheel bestaan zal zóo gepakt worden in een handschoentje dat knijpt en
-trekt en gevoelloos maakt!
-
-Maar dat was het niet waaraan zij dachten met hare ronde gezichtjes en
-vriendelijk lachende oogen. Zij hadden oude kennissen gezien, een jong
-mensch met golvende, blonde lokken en een ander met zwarte goedige
-oogen. Emma, de oudste, had gebloosd voor dien zwarte, en de kleintjes
-lachten haar uit, omdat ze meer van den blonde hielden, die
-tusschenbeide krijgertje met haar speelde.
-
-»George!” riep de kleine Lieze, maar George hoorde haar niet en liep
-haar voorbij om naar de familie Wagner te zoeken, die vóor hem zat.
-
-»Wat is hij mooi!” riep Anna, die even twaalf telde. »Hoe kan Emma toch
-zoo dwaas wezen om meer van August te houden, zoo’n domme liplap!...”
-
-Emma voelde zich vreeselijk beleedigd door die »speech” harer zuster,
-maar zeide niets. Ook zij had August gezien—ergens in de foule—zij was
-er niet zeker van, want zij durfde niet omkijken, wacht, straks, als
-niemand het ziet...
-
-»Wel van Langendijk, hoe gaat het, mijn vriend?”
-
-Dáar was hij! Haar vader gaf hem de hand, liet een van de kleine
-jongens voor hem opstaan en bood hem een cigaar aan.—Daar kwam ook
-George aangesneld.
-
-»Eindelijk!” riep hij half buiten adem, »wat heb ik rondgedwaald om u
-te zoeken!”
-
-»Je bent te driftig,” zeide August kalm, »ik kom het hek pas binnen et
-me voici installé...”
-
-»Je hebt meer geluk dan ik, dat is al,” antwoordde George eenigszins
-scherp.
-
-»Een cigaar?” vroeg de kolonel, zijn oudste zoontje opjagende, en
-George was ook »geïnstalleerd”.
-
-»Ik heb je nog bij je mouw getrokken,” fluisterde Lieze hem in, »heb je
-’t niet gevoeld?”
-
-»Neen, wanneer?”
-
-»Wel daar even, toen je hier voor den derden keer voorbij kwaamt...”
-
-»Ik heb niets gevoeld.”
-
-»Foei!...”
-
-»Welk nieuws?” vroeg de kolonel.
-
-»Geen!” antwoordde George.
-
-»Wat? Geen?” riep August, »is het geen nieuws dat je zoo glorieus door
-je examen bent gekomen?”
-
-»Ben je? Wel, ik feliciteer je man!”
-
-»Van harte geluk!” riep Lina, en al de kinderen voegden hun
-gelukwenschen bij die der ouders, welke George ontving als of hij ze
-zijn gansche leven door ontvangen had, terwijl August innig in de
-algemeene vreugde deelde.
-
-Emma zag het, en gevoelde niets voor de knapheid van George, dien zij
-»naar” vond.
-
-»Zóo ver heb ik het nooit kunnen brengen!” riep August met eenvoudige
-goedigheid.
-
-»Ik hoop het verder te brengen,” antwoordde George trotsch.
-
-August zag hem even aan.
-
-»Dàt hoop ik ook,” sprak hij lachend, »want je bent een man van studie
-en van kunde en die hebben wij noodig in ons land.”
-
-»Denk je?” vroeg George op een toon, waarin lag: »Het doet er niet veel
-toe wat je denkt.”
-
-August voelde zich gekrenkt, maar hij vergaf den knappen George zijne
-bitterheid, hij wist wel waar zij uit voort sproot.
-
-De mooie Emma had hem hare toekomst beloofd, en, ofschoon George niets
-wist, toch vermoedde hij iets dergelijks, daar het jonge meisje den
-»dommen liplap” steeds de voorkeur gaf boven den knappen, blonden
-student en zich volstrekt geen geweld aan deed om hare »belachelijke
-admiratie” voor den »kleurling” te verbergen.
-
-
-
-
-
-
-
-
-VIJFENVEERTIGSTE HOOFDSTUK
-
-ACADEMIE-VRIENDEN
-
-
-Niets was grappiger dan de zonderlinge vriendschap, die er tusschen van
-Langendijk en George bestond. August eenige jaren ouder dan George,
-behandelde zijn jongen vriend met een soort van beschermende
-bewondering die deze onverdragelijk vond, daar hij er van overtuigd was
-dat hij meer verstand in zijn pink had dan die domme liplap in zijn
-geheele hoofd. Maar was hij ziek of verdrietig, gevoelde hij zich
-ongelukkig over het een of ander waaraan niets te veranderen viel, had
-hij geld noodig of hulp, dan was het altijd weer de domme liplap die
-voor hem deed hetgeen geen ander voor hem gedaan zou hebben.
-
-»Het helpt je niet,” had hij hem eens gezegd, toen George,
-teleurgesteld in zijne studies, alles verzon om hem onaangenaam te
-wezen. »Het helpt je niet, of je me al mishandelen wilt of beleedigen.
-Ik heb beloofd dat ik je helpen zou overal en altijd, en dat zal ik
-doen, of je me lief hebt of haat...”
-
-»Wat is dat?” had George driftig opspringende gevraagd.
-
-»Niets,” had de ander geantwoord, zóo dom en goedig dat George er hem
-wel een klap voor had willen geven.
-
-August wist het geheim van George’s geboorte en hij was het geweest die
-het hem had medegedeeld.
-
-Wat hadden zij dikwijls over dat onderwerp gekibbeld! Wat had George in
-zijne wijsheid niet gegeven om Stevens van Langendijk te heeten! En hoe
-gaarne had de domme August hem den grooten naam afgestaan waaraan hij
-geen waarde hechtte!
-
-»Is het niet het zelfde of je Piet of Dirk heet?” had hij hem in zijn
-onnoozelen eenvoud gevraagd. »Wat doet de naam ter zake? Een jongen als
-jij, wel, die maakt zich een naam! Ik wou dat ik George heette en dat
-ik zóo knap was als jij, dan had ik den naam van mijn vader niet noodig
-om mij staande te houden in de publieke opinie.”
-
-»Je bent ondankbaar, en je weet niet wat je zegt! Indien je zóoveel
-geleden had als ik...”
-
-»Ik!” riep August met een gullen lach, »ik geloof dat ik evenveel
-geleden heb onder den trots van mijn vader als jij onder je eigen
-trots! Ambtenaar eerste klasse voor Indië moest ik worden, omdat mijn
-vader een resident in mij zag, een raad van Indië, een
-Gouverneur-Generaal, weet ik al wat! Och, arm!... Ik!... Ziet gij, zulk
-een toekomst droomt gij u voor u zelven, en droomde hij zich voor mij!
-Het eenige onderscheid is, dat uw droom op wetenschap en studie gegrond
-is en eenmaal verwezenlijkt kan worden, terwijl de zijne slechts een
-illusie was, die in de domheid van zijn zoon verloren is gegaan.”
-
-George kon het niet helpen, met al zijn superioriteit en al zijn trots,
-al zijn afgunst en ongeduld, dat hij toch voor August een sympathie
-gevoelde die hij zich niet verklaren kon, en die hij zich in ’t publiek
-zelfs soms schaamde, ofschoon dan de naam, Van Langendijk, tot apologie
-kon strekken.
-
-Eenmaal had August een vreeselijke vraag gedaan:
-
-»Herinnert gij u in het geheel uw moeder niet meer?”
-
-George was opgevlogen alsof hij hem vermoorden wilde.
-
-»Neen, God dank niet!” had hij toen woedend geantwoord. »Dat mensch is
-dood—en het is haar geluk!”
-
-»Toch zou het uw geluk geweest zijn, indien zij geleefd had,” ging
-August voort, tegen alle drift en ongeduld van zijn vriend in. »Ik heb
-haar gekend. Wat was zij zacht, en goed, en lief—edelmoedig en
-zelfopofferend!...”
-
-»En mooi vooral, niet waar?” viel George hem sarkastisch in de rede.
-»Luister, August, indien gij eenige waarde aan mijn vriendschap hecht,
-spreek mij dan nooit meer van mijn moeder!—Ze is dood, gelukkig!—Leefde
-zij nog, dan ging ik haar opzoeken, eens slechts, éens, om haar zelf te
-zeggen dat ik haar haat, veracht, vervloek voor eeuwig!”
-
-»Schaam u, George!”
-
-»Geen woord meer over dit onderwerp,” gebood George bevend van toorn,
-en zijn pet grijpende vlood hij de straat op zonder zelf te weten
-waarheen.
-
-Na dien tijd had August hem nooit meer over zijne moeder gesproken,
-maar nu hij op een meer intiemen voet bij de familie Wagner aan huis
-begon te komen, had hij Lina in den arm genomen en haar verzocht een
-laatste poging te wagen, om George met zijn moeder te verzoenen.
-
-Lina had de moeielijke taak aanvaard, en dien zekeren Woensdagavond in
-het bosch had zij George verzocht den volgenden morgen bij haar te
-komen, daar zij hem iets mee te deelen had, dat van het grootste belang
-voor hem was.
-
-
-
-
-
-
-
-
-ZESENVEERTIGSTE HOOFDSTUK
-
-LINA’S TUSSCHENKOMST
-
-
-George kwam den volgenden morgen, trotsch en geleerd als altijd, zonder
-in het minst te gissen welke de reden kon zijn van Lina’s vreemde
-uitnoodiging.
-
-»Emma mogelijk!” had hij binnentredende gedacht en het hoofd achterover
-werpende had hij zijn vermetele gedachte beantwoord met een vast
-besloten: »neen, geen Emma’s voor mij. Zulke dwaasheden zijn goed voor
-August... Een kundig man moet vrij blijven, anders breekt hij zijn
-carrière.”
-
-Toch hield hij van Emma zooveel als zijn zelfzuchtige ziel van iemand
-houden kon; te weinig om een enkelen gloriedroom aan zijn liefde op te
-offeren, genoeg om August elken blik van sympathie te benijden waarmede
-het meisje onwillekeurig nu eens een goed woord dan weer een kleinen
-dienst van zijn vriend beloonde.
-
-»Mijnheer George,” begon Lina zoodra zij zich met den jongeling alleen
-bevond, »vermoedt gij waarom ik u dit onderhoud gevraagd heb?”
-
-»Volstrekt niet mevrouw.”
-
-»Het geldt uw moeder.”
-
-»Mijne moeder!—Ik heb geen moeder!—Ik zou zelfs bijna zeggen: ik heb
-nooit eene moeder gehad!”
-
-»Dan zoudt gij onwaarheid spreken, want ofschoon gij u mogelijk de
-zelfopofferende gehechtheid der liefdevolle vrouw die uwe moeder is,
-niet meer herinnert, zoo heeft die toch bestaan, en... zoo bestaat die
-nog.”
-
-»Nog!” riep George opspringende, »leeft mijn moeder nog? O, zeg mij,
-mevrouw, waar ik die gehate vrouw kan vinden, opdat ik haar zelf zeggen
-kan hoe diep ik haar veracht!”
-
-»Is dat al wat gij haar zeggen zoudt?”
-
-»Dat is al.”
-
-»Geen woord van medelijden, geen woord van sympathie of troost zoudt
-gij in uw hart kunnen vinden voor de ongelukkige vrouw, die zoo
-oneindig liefheeft gehad en zoo vreeselijk heeft geleden?”
-
-»Niets dan haat—eeuwige haat.”
-
-»Gij zijt uwer moeder onwaardig, George. Mogelijk zal er eenmaal een
-dag komen dat de ondervinding u zal geleerd hebben hoe onvolmaakt
-verstand is in vergelijking van gemoed, kom dien dag terug, dan zal ik
-u de vrouw leeren kennen, die uw moeder is. Nu zijt gij voor dat geluk
-nog niet rijp. Maar draal niet te lang, want uwe wreedheid doodt haar.”
-
-»Zij weet dus dat ik haar veracht?”
-
-»Zij weet alles... Luister, George, uw verachting is onrechtvaardig;
-indien uw verstand u dit niet leert, laat uw hart het u zeggen...”
-
-En na hem het geheele leven zijner moeder medegedeeld te hebben,
-besloot Lina met hem aan te raden om met August over het voorgevallene
-te spreken.
-
-»Hij is uw vriend en hij kent uw moeder, indien iemand in uw belang zal
-handelen is hij het, vraag hem om raad.”
-
-George lachte om dat vrouwenoordeel, greep zijn hoed en vertrok,
-trotsch op zijn vast karakter dat hem onwankelbaar had doen volharden
-op den eenmaal ingeslagen weg en hem had doen volhouden tegen alle
-verleiding van verwondering en nieuwsgierigheid in.
-
-
-
-
-
-
-
-
-ZEVENENVEERTIGSTE HOOFDSTUK
-
-DE LAATSTE BRIEVEN
-
-
- Au lieu de l’instinct c’est l’intelligence
- qui a compris le grand mot de la Nature
-
- Amour.
-
-
- »George!
-
-»Het is met een stervende hand dat uwe moeder de laatste woorden
-schrijft, die zij haar kind had willen toespreken—indien hij ze van
-hare lippen had willen aanhooren.
-
-»Haat, verachting, vloek, niets anders hadt gij over voor de vrouw die
-u het leven gaf.
-
-»Laat dezen brief verzegeld blijven totdat gij geleerd zult hebben een
-zachter oordeel te vellen over het ongeluk dat u onbekend is.—Uwe
-moeder wil niet, dat gij met een blik van toorn of verwijt hare woorden
-lezen zult.”
-
-Dat opschrift beviel hem,—hij vond het curieus en, met een minachtend
-lachje nam hij zijn mes en sneed hij de enveloppe open.
-
-»Geen vergeving, maar sympathie, maar medelijden eisch ik, eer gij
-verder zult lezen.”
-
-Dat stond buiten op den brief, die nogmaals verzegeld was.
-
-Wat had zij hem goed gekend! Zij had het dus geweten dat hij bij hare
-eerste woorden niet stil gestaan zou hebben! Dat hij ze gelezen zou
-hebben met de oogen slechts, en dat hij verder zou gegaan zijn zonder
-zelfs aan gehoorzamen te denken.
-
-Een oogenblik hield hij den brief geduldig tusschen zijne vingers,
-bezag het opschrift dat hem aantrok, de kleine magere letters die hij
-kinderachtig vond, het groote zegel dat hem nijdig maakte. Toen greep
-hij weer zijn mes en opende ook den tweeden omslag.
-
-»Nu, ja, ik vergeef je!” mompelde hij half tusschen de tanden. »Ik
-vergeef je, want ik wil zien wat je daar geschreven heb... En al vergaf
-ik je ook niet, dan toch opende ik je brief; het is in allen geval mij
-dat het geldt, en geen ander.”
-
-»Dus haat gij uw moeder niet meer?—veracht gij de vrouw niet meer die
-gij nimmer gekend hebt? vervloekt gij niet meer het ongelukkige
-schepsel dat uw vloek gedood heeft? Heb dank, George, voor dat eerste
-blijk van rechtvaardigheid.”
-
-»Rechtvaardigheid!” Hij hield een oogenblik op met lezen, herlas dien
-volzin nog eens.—»Ja, rechtvaardigheid,—dat staat er!” Hij las verder.
-
-»De wet had schuldig gezegd.
-
-»En de wereld heeft gelachen, gespot, veracht, gejuicht en aangeklaagd,
-vervloekt!
-
-»De zoon had moeten zwijgen en vergeven, of liefhebben en troosten.
-
-»Maar de wet had ook den zoon aangeklaagd, en de menschen hebben het
-kind verstooten, om de schuld der wereld.”
-
-»Wat—is—dat?” riep George, zich op eens in een geheel andere atmosfeer
-bevindende dan die waarin hij gewoon was zich met zijne
-academievrienden te bewegen. »Om de schuld der wereld? Der moeder, wil
-ze zeggen!” Hij vervolgde.
-
-»De wereld, wier recht in kracht bestaat, en wier kracht op berekening
-gegrond is, heeft hare geleerdheid in een wetboek uitgestort, en dat
-wetboek als een eeuwig werkende guillotine in Gods volmaakte natuur
-geplaatst, om te vermoorden al wat oorspronkelijk goed of groot zou
-zijn.”
-
-»Hei! hei!” riep de jonge advocaat, opspringende. Toch was het een
-andere lach dan die van zoo even, die zijn welgevormde lippen opende.
-Hij las weer verder.
-
-»Ziel,” had de godheid gezegd.
-
-»Masker” het wetboek geantwoord.
-
-»Vrijheid.”
-
-»Neen, slavernij.”
-
-»Waarheid.”
-
-»Neen, bedrog.”
-
-»Leven.”
-
-»Neen, dood.”
-
-»En dood is het geweest, eeuwen en eeuwen lang! Dood volgens de wet,
-zoo als het dood volgens de wereld was.
-
-»Dood voor de ziel, dat heette plicht.—Dat werd later in beschaving en
-distinctie veranderd.—Valschheid was de rechte naam!
-
-»Dood voor het lichaam, dat werd glorie genoemd, martelaarschap en
-heldenmoed.—Slavernij was de verborgen naam!
-
-»Dood voor het hart, dat heette deugd en reinheid, onschuld,
-heiligheid.—Huichelarij had het moeten heeten, of onwetendheid, of
-zielloosheid!
-
-»Dood voor het verstand, dat werd geleerdheid genoemd, of godsdienst,
-braafheid, eenvoud. Goddeloosheid had het moeten zijn. Maar dood bleef
-het altijd!
-
-»Dood,” hadden de menschen met bloedige letters op de eerste bladzijde
-van hun wetboek moeten schrijven, dan hadden zij op de laatste
-»waarheid” kunnen zetten met donkere letters van rouw!
-
-»Maar zij hebben »bescherming” tot hun opschrift gekozen en »kracht”
-tot hun rechter, en nu wordt onderwerping deugd genoemd, terwijl de
-misdaad wettig kan zijn en de sluwheid met succès wordt bekroond.
-
-»Natuur is buiten de wet en bij gevolg »schuldig.””
-
-George lachte niet meer, hij staarde op den brief zijner moeder met
-eene belangstelling die aan bewondering grensde. Het speet hem dat hij
-die vrouw niet gekend had, zij had hem mogelijk van nut kunnen zijn.
-
-»Eene vrouw!”
-
-Daar kwam dat hatelijke lachje weder, waarvoor Emma hem niet uit kon
-staan.
-
-Hij sloeg het blaadje om en wilde verder lezen—er was niet meer.
-
-»Wat is dat? Niets meer?...”
-
-Teleurgesteld las hij den ganschen brief nog eens over.
-
-En geen woord voor hem?—Geen woord van liefde?—Geen woord om hem
-vergeving te vragen voor het leed dat zij hem berokkend had? Voor de
-levenslange schande, die door hare schuld zou rusten op het kind zonder
-naam?—Welk eene vrouw! Het was niet zóo dat August hem zijne moeder
-beschreven had. »Zacht, en goed, en lief, edelmoedig en
-zelfopofferend... Neen, eene soort van bas-bleu moest zij geweest
-zijn!...” Het speet hem toch dat hij haar niet gekend had... In het
-geheel geen doetje, zoo als hij zich had voorgesteld.
-
-Wat gaf die brief te denken! Maar ook niets meer dan dat. Gevoel zat er
-niet in, liefde voor geen cent—een geest van opstand,—opstand tegen de
-noodzakelijkheid. Dat was haar gansche leven immers ook geweest! Arm
-mensch!
-
-George stond op om den brief in zijn secretaire te sluiten, op het
-zelfde oogenblik werd de deur geopend en trad August binnen.
-
-»Zóo, ben jij ’t! Ga zitten, hier is een brief van mijn moeder, wil je
-lezen?”
-
-August zette groote oogen op, hij wist niet wat hij hoorde, zonder te
-antwoorden nam hij den brief aan en las.
-
-George plaatste zich voor zijne schrijftafel en deed als of hij
-schreef, eigenlijk hield hij zijn vriend in het oog.
-
-Toen August den brief gelezen had, vouwde hij hem zorgvuldig dicht en
-gaf hij hem aan George terug zonder een enkel woord te zeggen.
-
-»Nu?”
-
-»Wat?” vroeg August met zulk een gebroken stem, dat George er hem op
-aanzag. »Huil je?”
-
-»Die vrouw was een engel, heb ik je altijd gezegd!...”
-
-»Een mooi soort van engel!” riep George met een gemaakten lach.
-
-August greep zijn hoed en verdween.
-
-Daar stond hij weer alleen in het midden van zijn kamer met den
-geopenden brief zijner moeder vóor zich.
-
-»August is gek!” dacht hij bij zich zelven. »Ik begrijp de verblindheid
-van dien jongen niet! Mijne moeder is een engel, dat was ze en dat moet
-ze eeuwig blijven... hij heeft dat zoo gedecreteerd en zóo is het dus.”
-
-Hij lachte en greep den brief om hem in de secretaire te werpen.
-
-»Wat?—Twee?” riep hij op eens. »Wat is dat voor een brief?”
-
-»Om aan mijn zoon George te overhandigen, wanneer hij mijn eersten
-brief gelezen zal hebben.
-
-»Ook van mijne moeder! En verzegeld!—Dien heeft August zeker
-gebracht!—Met koortsachtige zenuwachtigheid opende hij den tweeden
-brief.
-
-»Innig, innig geliefde George! Gedurende ruim vierentwintig jaar zijt
-gij de oogappel uwer moeder geweest, het doel van haar leven, de hoop
-harer toekomst. Ongezien, onbemind, ongekend heeft zij over haar kind
-gewaakt, dat zij beschermd heeft, verzorgd en geraden van verre, en
-door vreemden...
-
-»Grootheid zag zij in dat kind,—kracht, geleerdheid en fortuin.—Liefde
-had zij in hem willen vinden.
-
-»Bewondering voor wat boven hem is.
-
-»Bescherming voor wat hij beneden zich acht.
-
-»Hulp voor zwakken.
-
-»Vergeving voor verdoolden.
-
-»En troost voor ongelukkigen.
-
-»Sympathie voor al wat leeft en dus bestemd tot lijden is.
-
-»Want grootheid zonder liefde is tirannie.
-
-»Kracht zonder liefde is wreedheid.
-
-»Geleerdheid zonder liefde is onverstand.
-
-»En fortuin zonder liefde leidt tot gierigheid of tot verspilzucht.”
-
-George liet den brief op tafel vallen en staarde vóor zich, zonder te
-weten waaraan hij dacht.
-
-»Dat is waar...” mompelde hij eindelijk, »waarom heb ik die vrouw niet
-gekend?”
-
-»Omdat gij geene liefde hadt...” las hij verder; hij las dat schijnbare
-antwoord op zijne vraag nog eens.
-
-»Omdat gij geene liefde hadt, hebt gij verstooten wat eenvoudig goed
-was, en toch dat alleen is waar en groot.
-
-»Omdat gij geene liefde hadt, hebt gij de eenige vrouw veracht wier
-liefde belangeloos was, wier raadgevingen heilig voor u hadden moeten
-zijn.
-
-»Uwe moeder, de eenige persoon op aarde, aan wie de natuur zelve u
-toevertrouwd had, hebt gij geweigerd te kennen.
-
-»Zoek geen verontschuldiging in de opinie der wereld—voor elke andere
-vrouw zoudt gij kracht gehad hebben die opinie te trotseeren.
-
-»Zoek haar ook niet in onwetendheid.
-
-»Gij wist dat uw moeder leefde, dat zij u lief had en dat zij leed
-onder uwe miskenning, die haar dooden moest.
-
-»Gij wist het, niet waar?
-
-»Welnu, uw weten heeft haar gedood.
-
-»Gingen uw haat, uw wraak, uw berekening zóo ver?
-
-»Uw moeder vergeeft u alles, kind!
-
-»Ik ken geen haat en geen wraak, ik ken niets meer dan medelijden.
-
-»Liefde was de schoonste schat die de godheid mij bij mijne geboorte
-gaf. Liefde had mijn gansch bestaan moeten zijn.
-
-»Liefde voor de leidslieden die de natuur over mijne kindschheid
-gesteld had. Liefde voor den man wiens ziel de zusterziel der mijne
-was. Liefde voor het kind dat recht op mijne toekomst had. En liefde
-voor de menschheid wier rampen mij lijden deden.
-
-»Liefde!
-
-»Niemand begreep mijne liefde... ik begreep haar zelve niet.
-
-»Liefde is een droom,” hadden mijne ouders mij geleerd. »Eene
-gewoonte,” had de man der fortuin mij gezegd. »Een plicht of een
-zonde!” riep de wereld mij toe, met haar wetboek in de hand en den
-zegen der kerk tot staving harer onfeilbaarheid!
-
-»Toch was liefde het bevel der natuur. En worstelend, ongelukkig,
-rampzalig, krankzinnig zelfs, heb ik lief gehad, om miskend te worden,
-gefolterd, versmaad, bespot, veracht en eindelijk gedood.
-
-»Was het daarvoor dat God liefde schiep en medelijden?
-
-»Uw moeder vergeeft u, George. Gij zijt aan haar gelijk, mijn zoon,
-want ook zij had het leven niet begrepen. Ook zij heeft gehaat en
-veracht, en gelachen in spijt der liefde die haar ziel verteerde. Zij
-had niet leeren strijden, dus moest zij wel bezwijken. Maar de dood
-kwam nader, en eenzaam, verstooten en verlaten heeft zij het leven
-begrepen dat ten einde spoedde, en haren Schepper gedankt voor het
-eenige geschenk dat der volmaaktheid nadert: Liefde.
-
-»Leef gelukkig, mijn kind, uwe moeder zegent u en smeekt u, lief te
-hebben.
-
-»Wees niet hard voor de menschheid die lijdt, want haar lijden is
-onwetendheid.
-
-»Beschuldig niet, maar troost en help, en bescherm en stel uw eer in de
-kracht van vergeven en van rechtvaardig goed te wezen. Die zwakheid
-alleen is grootheid, is wijsheid, is geluk.
-
-»Vaarwel, mijn kind, mijn innig geliefde George! God schenke u liefde:
-dit is de laatste zegen dien mijn stervende lippen Hem smeeken over u
-uit te storten.
-
-»Vaarwel!
-
- »Uwe moeder.”
-
-
-George zag de laatste woorden niet meer, zijn tranen verblindden hem.
-Dit waren de eerste tranen van medelijden sedert de jaren zijner
-kindschheid.
-
-»August heeft gelijk!” sprak hij afgebroken. »Mijne moeder was een
-engel... Waarom heb ik die ongelukkige vrouw miskend!
-
-
-
-»De menschen hebben haar krankzinnig genoemd, omdat zij veel begreep en
-weinig wist.”
-
-
-
-
-
-
-
-
-AANTEEKENINGEN
-
-
-[1] Siedin, ga eens zien of er geen brief op de piano ligt.
-
-[2] Indië, twintig jaar geleden.
-
-[3] Chineesche marschkramer.
-
-[4] Lastdrager.
-
-[5] Een klein dak van bladeren op vier bamboezen stijltjes.
-
-[6] Gekookte rijst; ongekookte noemt men bras, en in de halmen heet zij
-paddie.
-
-[7] Snoeperijen, gebak.
-
-[8] Groote en-cas van bladeren of geolied papier.
-
-[9] Matje.
-
-[10] Juffrouw.
-
-[11] Jonge mijnheer.
-
-[12] Een langwerpig, vierkant rijtuig, aan alle kanten van glazen
-raampjes en jalousiën voorzien.
-
-[13] Banana, vrucht.
-
-[14] Grillen, kuren.
-
-[15] Men lette er op dat wij hier het Java van een twintig jaren
-geleden bedoelen, niet het eenvoudige, gastvrije »tempo doloe” noch
-het, oppervlakkig schitterende, tegenwoordige. Wij bedoelen die rijke,
-bloeiende, gemakkelijke Europeesche maatschappij op Java, die thans
-worstelend bezwijkt onder de vergulde kroon der weelde en den ijzeren
-schepter der welvoegelijkheid.
-
-[16] De vrouw die naar de markt gaat om inkoopen te doen.
-
-[17] De »daagsche pot” bestaat uit rijst (de hoofdschotel), kerrie,
-sajor (gekookte groenten), drie tot zeven vleeschsoorten en
-sambal-sambal.
-
-[18] Een Indische dame noemt haar japon nooit anders dan »mijn kleed”,
-ook al is dat kleed van grof nanking of katoen.
-
-[19] Een groot vierkant dak, met atap (een lange grassoort) gedekt, op
-houten of bamboezen stijlen.
-
-[20] Waaien, met groote grove waaiers van gevlochten matwerk,
-opzettelijk tot dit einde vervaardigd en in alle keukens te vinden.
-
-[21] Jongen staat gelijk met het fransch »garçon”. Al is de man ook
-honderd jaar oud, zoolang hij bediende is, blijft hij een jongen, zelfs
-voor het kleinste kind.
-
-[22] Verguld zonnescherm; onderscheidingsteeken voor residenten.
-
-[23] Vergeving!
-
-[24] Jocelyn, par de Lamartine.
-
-[25] Aarden waterkruik.
-
-[26] Aap!
-
-[27] Woordelijk vertaald: »Winst, mijnheer de resident is uit.”
-
-[28] Ongelukkig, rampzalig.
-
-[29] Medelijden.
-
-[30] Aarden waterkruik.
-
-[31] Indische rok.
-
-[32] Doe veel bloemen in mijn haar.
-
-[33] Leg mijn fraaiste kleed gereed.
-
-[34] Mevrouw, de jongeheer Willem is ziek.
-
-[35] Wezenlijk.
-
-[36] Dispens: provisie-kamer.
-
-[37] Mati: dood,
-
-[38] Waar is mevrouw?
-
-[39] Domoor, luiaard!
-
-[40] Waar is mevrouw heen gegaan?
-
-[41] Ik weet het niet mijnheer.
-
-[42] Loop naar den duivel!
-
-[43] Bloem.
-
-
-
-
-*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK EEN HUWELIJK IN INDIË ***
-
-Updated editions will replace the previous one--the old editions will
-be renamed.
-
-Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright
-law means that no one owns a United States copyright in these works,
-so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the
-United States without permission and without paying copyright
-royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part
-of this license, apply to copying and distributing Project
-Gutenberg-tm electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG-tm
-concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark,
-and may not be used if you charge for an eBook, except by following
-the terms of the trademark license, including paying royalties for use
-of the Project Gutenberg trademark. If you do not charge anything for
-copies of this eBook, complying with the trademark license is very
-easy. You may use this eBook for nearly any purpose such as creation
-of derivative works, reports, performances and research. Project
-Gutenberg eBooks may be modified and printed and given away--you may
-do practically ANYTHING in the United States with eBooks not protected
-by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the trademark
-license, especially commercial redistribution.
-
-START: FULL LICENSE
-
-THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
-PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
-
-To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
-distribution of electronic works, by using or distributing this work
-(or any other work associated in any way with the phrase "Project
-Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full
-Project Gutenberg-tm License available with this file or online at
-www.gutenberg.org/license.
-
-Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project
-Gutenberg-tm electronic works
-
-1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
-electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
-and accept all the terms of this license and intellectual property
-(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
-the terms of this agreement, you must cease using and return or
-destroy all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your
-possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a
-Project Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound
-by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the
-person or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph
-1.E.8.
-
-1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
-used on or associated in any way with an electronic work by people who
-agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
-things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
-even without complying with the full terms of this agreement. See
-paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
-Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this
-agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm
-electronic works. See paragraph 1.E below.
-
-1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the
-Foundation" or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection
-of Project Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual
-works in the collection are in the public domain in the United
-States. If an individual work is unprotected by copyright law in the
-United States and you are located in the United States, we do not
-claim a right to prevent you from copying, distributing, performing,
-displaying or creating derivative works based on the work as long as
-all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope
-that you will support the Project Gutenberg-tm mission of promoting
-free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg-tm
-works in compliance with the terms of this agreement for keeping the
-Project Gutenberg-tm name associated with the work. You can easily
-comply with the terms of this agreement by keeping this work in the
-same format with its attached full Project Gutenberg-tm License when
-you share it without charge with others.
-
-1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
-what you can do with this work. Copyright laws in most countries are
-in a constant state of change. If you are outside the United States,
-check the laws of your country in addition to the terms of this
-agreement before downloading, copying, displaying, performing,
-distributing or creating derivative works based on this work or any
-other Project Gutenberg-tm work. The Foundation makes no
-representations concerning the copyright status of any work in any
-country other than the United States.
-
-1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
-
-1.E.1. The following sentence, with active links to, or other
-immediate access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear
-prominently whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work
-on which the phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the
-phrase "Project Gutenberg" is associated) is accessed, displayed,
-performed, viewed, copied or distributed:
-
- This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
- most other parts of the world at no cost and with almost no
- restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it
- under the terms of the Project Gutenberg License included with this
- eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the
- United States, you will have to check the laws of the country where
- you are located before using this eBook.
-
-1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is
-derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not
-contain a notice indicating that it is posted with permission of the
-copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in
-the United States without paying any fees or charges. If you are
-redistributing or providing access to a work with the phrase "Project
-Gutenberg" associated with or appearing on the work, you must comply
-either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or
-obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg-tm
-trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9.
-
-1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
-with the permission of the copyright holder, your use and distribution
-must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any
-additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms
-will be linked to the Project Gutenberg-tm License for all works
-posted with the permission of the copyright holder found at the
-beginning of this work.
-
-1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
-License terms from this work, or any files containing a part of this
-work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
-
-1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
-electronic work, or any part of this electronic work, without
-prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
-active links or immediate access to the full terms of the Project
-Gutenberg-tm License.
-
-1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
-compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including
-any word processing or hypertext form. However, if you provide access
-to or distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format
-other than "Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official
-version posted on the official Project Gutenberg-tm website
-(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense
-to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means
-of obtaining a copy upon request, of the work in its original "Plain
-Vanilla ASCII" or other form. Any alternate format must include the
-full Project Gutenberg-tm License as specified in paragraph 1.E.1.
-
-1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
-performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
-unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
-
-1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
-access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works
-provided that:
-
-* You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
- the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
- you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed
- to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he has
- agreed to donate royalties under this paragraph to the Project
- Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid
- within 60 days following each date on which you prepare (or are
- legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty
- payments should be clearly marked as such and sent to the Project
- Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in
- Section 4, "Information about donations to the Project Gutenberg
- Literary Archive Foundation."
-
-* You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
- you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
- does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
- License. You must require such a user to return or destroy all
- copies of the works possessed in a physical medium and discontinue
- all use of and all access to other copies of Project Gutenberg-tm
- works.
-
-* You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of
- any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
- electronic work is discovered and reported to you within 90 days of
- receipt of the work.
-
-* You comply with all other terms of this agreement for free
- distribution of Project Gutenberg-tm works.
-
-1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project
-Gutenberg-tm electronic work or group of works on different terms than
-are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing
-from the Project Gutenberg Literary Archive Foundation, the manager of
-the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the Foundation as set
-forth in Section 3 below.
-
-1.F.
-
-1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
-effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
-works not protected by U.S. copyright law in creating the Project
-Gutenberg-tm collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm
-electronic works, and the medium on which they may be stored, may
-contain "Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate
-or corrupt data, transcription errors, a copyright or other
-intellectual property infringement, a defective or damaged disk or
-other medium, a computer virus, or computer codes that damage or
-cannot be read by your equipment.
-
-1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
-of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
-Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
-Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
-liability to you for damages, costs and expenses, including legal
-fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
-LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
-PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
-TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
-LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
-INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
-DAMAGE.
-
-1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
-defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
-receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
-written explanation to the person you received the work from. If you
-received the work on a physical medium, you must return the medium
-with your written explanation. The person or entity that provided you
-with the defective work may elect to provide a replacement copy in
-lieu of a refund. If you received the work electronically, the person
-or entity providing it to you may choose to give you a second
-opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If
-the second copy is also defective, you may demand a refund in writing
-without further opportunities to fix the problem.
-
-1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
-in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO
-OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT
-LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
-
-1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
-warranties or the exclusion or limitation of certain types of
-damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement
-violates the law of the state applicable to this agreement, the
-agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or
-limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or
-unenforceability of any provision of this agreement shall not void the
-remaining provisions.
-
-1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
-trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
-providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in
-accordance with this agreement, and any volunteers associated with the
-production, promotion and distribution of Project Gutenberg-tm
-electronic works, harmless from all liability, costs and expenses,
-including legal fees, that arise directly or indirectly from any of
-the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this
-or any Project Gutenberg-tm work, (b) alteration, modification, or
-additions or deletions to any Project Gutenberg-tm work, and (c) any
-Defect you cause.
-
-Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
-
-Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
-electronic works in formats readable by the widest variety of
-computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It
-exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations
-from people in all walks of life.
-
-Volunteers and financial support to provide volunteers with the
-assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's
-goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
-remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
-and permanent future for Project Gutenberg-tm and future
-generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see
-Sections 3 and 4 and the Foundation information page at
-www.gutenberg.org
-
-Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation
-
-The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non-profit
-501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
-state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
-Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
-number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by
-U.S. federal laws and your state's laws.
-
-The Foundation's business office is located at 809 North 1500 West,
-Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up
-to date contact information can be found at the Foundation's website
-and official page at www.gutenberg.org/contact
-
-Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
-Literary Archive Foundation
-
-Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without
-widespread public support and donations to carry out its mission of
-increasing the number of public domain and licensed works that can be
-freely distributed in machine-readable form accessible by the widest
-array of equipment including outdated equipment. Many small donations
-($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
-status with the IRS.
-
-The Foundation is committed to complying with the laws regulating
-charities and charitable donations in all 50 states of the United
-States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
-considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
-with these requirements. We do not solicit donations in locations
-where we have not received written confirmation of compliance. To SEND
-DONATIONS or determine the status of compliance for any particular
-state visit www.gutenberg.org/donate
-
-While we cannot and do not solicit contributions from states where we
-have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
-against accepting unsolicited donations from donors in such states who
-approach us with offers to donate.
-
-International donations are gratefully accepted, but we cannot make
-any statements concerning tax treatment of donations received from
-outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
-
-Please check the Project Gutenberg web pages for current donation
-methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
-ways including checks, online payments and credit card donations. To
-donate, please visit: www.gutenberg.org/donate
-
-Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic works
-
-Professor Michael S. Hart was the originator of the Project
-Gutenberg-tm concept of a library of electronic works that could be
-freely shared with anyone. For forty years, he produced and
-distributed Project Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of
-volunteer support.
-
-Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
-editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in
-the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not
-necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper
-edition.
-
-Most people start at our website which has the main PG search
-facility: www.gutenberg.org
-
-This website includes information about Project Gutenberg-tm,
-including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
-subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
diff --git a/old/66778-0.zip b/old/66778-0.zip
deleted file mode 100644
index 2f8bec0..0000000
--- a/old/66778-0.zip
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/66778-h.zip b/old/66778-h.zip
deleted file mode 100644
index dc66b8c..0000000
--- a/old/66778-h.zip
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/66778-h/66778-h.htm b/old/66778-h/66778-h.htm
deleted file mode 100644
index 9438fa4..0000000
--- a/old/66778-h/66778-h.htm
+++ /dev/null
@@ -1,12240 +0,0 @@
-<!DOCTYPE html
-PUBLIC "-//W3C//DTD HTML 4.01 Transitional//EN" "http://www.w3.org/TR/html4/loose.dtd">
-<!-- This HTML file has been automatically generated from an XML source on 2021-11-19T22:33:46Z using SAXON HE 9.9.1.8 . -->
-<html lang="nl">
-<head>
-<meta http-equiv="Content-Type" content="text/html; charset=utf-8">
-<title>Een huwelijk in Indië</title>
-<meta name="generator" content="tei2html.xsl, see https://github.com/jhellingman/tei2html">
-<meta name="author" content="Mina Kruseman (1839–1922)">
-<link rel="coverpage" href="images/new-cover.jpg">
-<link rel="schema.DC" href="http://dublincore.org/documents/1998/09/dces/">
-<meta name="DC.Creator" content="Mina Kruseman (1839–1922)">
-<meta name="DC.Title" content="Een huwelijk in Indië">
-<meta name="DC.Language" content="nl-1900">
-<meta name="DC.Format" content="text/html">
-<meta name="DC.Publisher" content="Project Gutenberg">
-<style type="text/css"> /* <![CDATA[ */
-html {
-line-height: 1.3;
-}
-body {
-margin: 0;
-}
-main {
-display: block;
-}
-h1 {
-font-size: 2em;
-margin: 0.67em 0;
-}
-hr {
-height: 0;
-overflow: visible;
-}
-pre {
-font-family: monospace, monospace;
-font-size: 1em;
-}
-a {
-background-color: transparent;
-}
-abbr[title] {
-border-bottom: none;
-text-decoration: underline;
-text-decoration: underline dotted;
-}
-b, strong {
-font-weight: bolder;
-}
-code, kbd, samp {
-font-family: monospace, monospace;
-font-size: 1em;
-}
-small {
-font-size: 80%;
-}
-sub, sup {
-font-size: 67%;
-line-height: 0;
-position: relative;
-vertical-align: baseline;
-}
-sub {
-bottom: -0.25em;
-}
-sup {
-top: -0.5em;
-}
-img {
-border-style: none;
-}
-body {
-font-family: serif;
-font-size: 100%;
-text-align: left;
-margin-top: 2.4em;
-}
-div.front, div.body {
-margin-bottom: 7.2em;
-}
-div.back {
-margin-bottom: 2.4em;
-}
-.div0 {
-margin-top: 7.2em;
-margin-bottom: 7.2em;
-}
-.div1 {
-margin-top: 5.6em;
-margin-bottom: 5.6em;
-}
-.div2 {
-margin-top: 4.8em;
-margin-bottom: 4.8em;
-}
-.div3 {
-margin-top: 3.6em;
-margin-bottom: 3.6em;
-}
-.div4 {
-margin-top: 2.4em;
-margin-bottom: 2.4em;
-}
-.div5, .div6, .div7 {
-margin-top: 1.44em;
-margin-bottom: 1.44em;
-}
-.div0:last-child, .div1:last-child, .div2:last-child, .div3:last-child,
-.div4:last-child, .div5:last-child, .div6:last-child, .div7:last-child {
-margin-bottom: 0;
-}
-blockquote div.front, blockquote div.body, blockquote div.back {
-margin-top: 0;
-margin-bottom: 0;
-}
-.divBody .div1:first-child, .divBody .div2:first-child, .divBody .div3:first-child, .divBody .div4:first-child,
-.divBody .div5:first-child, .divBody .div6:first-child, .divBody .div7:first-child {
-margin-top: 0;
-}
-h1, h2, h3, h4, h5, h6, .h1, .h2, .h3, .h4, .h5, .h6 {
-clear: both;
-font-style: normal;
-text-transform: none;
-}
-h3, .h3 {
-font-size: 1.2em;
-}
-h3.label {
-font-size: 1em;
-margin-bottom: 0;
-}
-h4, .h4 {
-font-size: 1em;
-}
-.alignleft {
-text-align: left;
-}
-.alignright {
-text-align: right;
-}
-.alignblock {
-text-align: justify;
-}
-p.tb, hr.tb, .par.tb {
-margin: 1.6em auto;
-text-align: center;
-}
-p.argument, p.note, p.tocArgument, .par.argument, .par.note, .par.tocArgument {
-font-size: 0.9em;
-text-indent: 0;
-}
-p.argument, p.tocArgument, .par.argument, .par.tocArgument {
-margin: 1.58em 10%;
-}
-td.tocDivNum {
-vertical-align: top;
-}
-td.tocPageNum {
-vertical-align: bottom;
-}
-.opener, .address {
-margin-top: 1.6em;
-margin-bottom: 1.6em;
-}
-.addrline {
-margin-top: 0;
-margin-bottom: 0;
-}
-.dateline {
-margin-top: 1.6em;
-margin-bottom: 1.6em;
-text-align: right;
-}
-.salute {
-margin-top: 1.6em;
-margin-left: 3.58em;
-text-indent: -2em;
-}
-.signed {
-margin-top: 1.6em;
-margin-left: 3.58em;
-text-indent: -2em;
-}
-.epigraph {
-font-size: 0.9em;
-width: 60%;
-margin-left: auto;
-}
-.epigraph span.bibl {
-display: block;
-text-align: right;
-}
-.trailer {
-clear: both;
-margin-top: 3.6em;
-}
-span.abbr, abbr {
-white-space: nowrap;
-}
-span.parnum {
-font-weight: bold;
-}
-span.corr, span.gap {
-border-bottom: 1px dotted red;
-}
-span.num, span.trans, span.trans {
-border-bottom: 1px dotted gray;
-}
-span.measure {
-border-bottom: 1px dotted green;
-}
-.ex {
-letter-spacing: 0.2em;
-}
-.sc {
-font-variant: small-caps;
-}
-.asc {
-font-variant: small-caps;
-text-transform: lowercase;
-}
-.uc {
-text-transform: uppercase;
-}
-.tt {
-font-family: monospace;
-}
-.underline {
-text-decoration: underline;
-}
-.overline, .overtilde {
-text-decoration: overline;
-}
-.rm {
-font-style: normal;
-}
-.red {
-color: red;
-}
-hr {
-clear: both;
-border: none;
-border-bottom: 1px solid black;
-width: 45%;
-margin-left: auto;
-margin-right: auto;
-margin-top: 1em;
-text-align: center;
-}
-hr.dotted {
-border-bottom: 2px dotted black;
-}
-hr.dashed {
-border-bottom: 2px dashed black;
-}
-.aligncenter {
-text-align: center;
-}
-h1, h2, .h1, .h2 {
-font-size: 1.44em;
-line-height: 1.5;
-}
-h1.label, h2.label {
-font-size: 1.2em;
-margin-bottom: 0;
-}
-h5, h6 {
-font-size: 1em;
-font-style: italic;
-}
-p, .par {
-text-indent: 0;
-}
-p.firstlinecaps:first-line, .par.firstlinecaps:first-line {
-text-transform: uppercase;
-}
-.hangq {
-text-indent: -0.32em;
-}
-.hangqq {
-text-indent: -0.42em;
-}
-.hangqqq {
-text-indent: -0.84em;
-}
-p.dropcap:first-letter, .par.dropcap:first-letter {
-float: left;
-clear: left;
-margin: 0 0.05em 0 0;
-padding: 0;
-line-height: 0.8;
-font-size: 420%;
-vertical-align: super;
-}
-blockquote, p.quote, div.blockquote, div.argument, .par.quote {
-font-size: 0.9em;
-margin: 1.58em 5%;
-}
-.pageNum a, a.noteRef:hover, a.pseudoNoteRef:hover, a.hidden:hover, a.hidden {
-text-decoration: none;
-}
-.advertisement, .advertisements {
-background-color: #FFFEE0;
-border: black 1px dotted;
-color: #000;
-margin: 2em 5%;
-padding: 1em;
-}
-.footnotes .body, .footnotes .div1 {
-padding: 0;
-}
-.fnarrow {
-color: #AAAAAA;
-font-weight: bold;
-text-decoration: none;
-}
-.fnarrow:hover, .fnreturn:hover {
-color: #660000;
-}
-.fnreturn {
-color: #AAAAAA;
-font-size: 80%;
-font-weight: bold;
-text-decoration: none;
-vertical-align: 0.25em;
-}
-a {
-text-decoration: none;
-}
-a:hover {
-text-decoration: underline;
-background-color: #e9f5ff;
-}
-a.noteRef, a.pseudoNoteRef {
-font-size: 67%;
-line-height: 0;
-position: relative;
-vertical-align: baseline;
-top: -0.5em;
-text-decoration: none;
-margin-left: 0.1em;
-}
-.displayfootnote {
-display: none;
-}
-div.footnotes {
-font-size: 80%;
-margin-top: 1em;
-padding: 0;
-}
-hr.fnsep {
-margin-left: 0;
-margin-right: 0;
-text-align: left;
-width: 25%;
-}
-p.footnote, .par.footnote {
-margin-bottom: 0.5em;
-margin-top: 0.5em;
-}
-p.footnote .fnlabel, .par.footnote .fnlabel {
-float: left;
-min-width: 1.0em;
-margin-left: -0.1em;
-padding-top: 0.9em;
-padding-right: 0.4em;
-}
-.apparatusnote {
-text-decoration: none;
-}
-.apparatusnote:target, .fndiv:target {
-background-color: #eaf3ff;
-}
-table.tocList {
-width: 100%;
-margin-left: auto;
-margin-right: auto;
-border-width: 0;
-border-collapse: collapse;
-}
-td.tocPageNum, td.tocDivNum {
-text-align: right;
-min-width: 10%;
-border-width: 0;
-white-space: nowrap;
-}
-td.tocDivNum {
-padding-left: 0;
-padding-right: 0.5em;
-}
-td.tocPageNum {
-padding-left: 0.5em;
-padding-right: 0;
-}
-td.tocDivTitle {
-width: auto;
-}
-p.tocPart, .par.tocPart {
-margin: 1.58em 0;
-font-variant: small-caps;
-}
-p.tocChapter, .par.tocChapter {
-margin: 1.58em 0;
-}
-p.tocSection, .par.tocSection {
-margin: 0.7em 5%;
-}
-table.tocList td {
-vertical-align: top;
-}
-table.tocList td.tocPageNum {
-vertical-align: bottom;
-}
-table.inner {
-display: inline-table;
-border-collapse: collapse;
-width: 100%;
-}
-td.itemNum {
-text-align: right;
-min-width: 5%;
-padding-right: 0.8em;
-}
-td.innerContainer {
-padding: 0;
-margin: 0;
-}
-.index {
-font-size: 80%;
-}
-.index p {
-text-indent: -1em;
-margin-left: 1em;
-}
-.indexToc {
-text-align: center;
-}
-.transcriberNote {
-background-color: #DDE;
-border: black 1px dotted;
-color: #000;
-font-family: sans-serif;
-font-size: 80%;
-margin: 2em 5%;
-padding: 1em;
-}
-.missingTarget {
-text-decoration: line-through;
-color: red;
-}
-.correctionTable {
-width: 75%;
-}
-.width20 {
-width: 20%;
-}
-.width40 {
-width: 40%;
-}
-p.smallprint, li.smallprint, .par.smallprint {
-color: #666666;
-font-size: 80%;
-}
-span.musictime {
-vertical-align: middle;
-display: inline-block;
-text-align: center;
-}
-span.musictime, span.musictime span.top, span.musictime span.bottom {
-padding: 1px 0.5px;
-font-size: xx-small;
-font-weight: bold;
-line-height: 0.7em;
-}
-span.musictime span.bottom {
-display: block;
-}
-ul {
-list-style-type: none;
-}
-.splitListTable {
-margin-left: 0;
-}
-.numberedItem {
-text-indent: -3em;
-margin-left: 3em;
-}
-.numberedItem .itemNumber {
-float: left;
-position: relative;
-left: -3.5em;
-width: 3em;
-display: inline-block;
-text-align: right;
-}
-.itemGroupTable {
-border-collapse: collapse;
-margin-left: 0;
-}
-.itemGroupTable td {
-padding: 0;
-margin: 0;
-vertical-align: middle;
-}
-.itemGroupBrace {
-padding: 0 0.5em !important;
-}
-.titlePage {
-border: #DDDDDD 2px solid;
-margin: 3em 0 7em 0;
-padding: 5em 10% 6em 10%;
-text-align: center;
-}
-.titlePage .docTitle {
-line-height: 1.7;
-margin: 2em 0 2em 0;
-font-weight: bold;
-}
-.titlePage .docTitle .mainTitle {
-font-size: 1.8em;
-}
-.titlePage .docTitle .subTitle, .titlePage .docTitle .seriesTitle,
-.titlePage .docTitle .volumeTitle {
-font-size: 1.44em;
-}
-.titlePage .byline {
-margin: 2em 0 2em 0;
-font-size: 1.2em;
-line-height: 1.5;
-}
-.titlePage .byline .docAuthor {
-font-size: 1.2em;
-font-weight: bold;
-}
-.titlePage .figure {
-margin: 2em auto;
-}
-.titlePage .docImprint {
-margin: 4em 0 0 0;
-font-size: 1.2em;
-line-height: 1.5;
-}
-.titlePage .docImprint .docDate {
-font-size: 1.2em;
-font-weight: bold;
-}
-div.figure {
-text-align: center;
-}
-.figure {
-margin-left: auto;
-margin-right: auto;
-}
-.floatLeft {
-float: left;
-margin: 10px 10px 10px 0;
-}
-.floatRight {
-float: right;
-margin: 10px 0 10px 10px;
-}
-p.figureHead, .par.figureHead {
-font-size: 100%;
-text-align: center;
-}
-.figAnnotation {
-font-size: 80%;
-position: relative;
-margin: 0 auto;
-}
-.figTopLeft, .figBottomLeft {
-float: left;
-}
-.figTopRight, .figBottomRight {
-float: right;
-}
-.figure p, .figure .par {
-font-size: 80%;
-margin-top: 0;
-text-align: center;
-}
-img {
-border-width: 0;
-}
-td.galleryFigure {
-text-align: center;
-vertical-align: middle;
-}
-td.galleryCaption {
-text-align: center;
-vertical-align: top;
-}
-.lgouter {
-margin-left: auto;
-margin-right: auto;
-display: table;
-}
-.lg {
-text-align: left;
-padding: .5em 0 .5em 0;
-}
-.lg h4, .lgouter h4 {
-font-weight: normal;
-}
-.lg .lineNum, .sp .lineNum, .lgouter .lineNum {
-color: #777;
-font-size: 90%;
-left: 16%;
-margin: 0;
-position: absolute;
-text-align: center;
-text-indent: 0;
-top: auto;
-width: 1.75em;
-}
-p.line, .par.line {
-margin: 0 0 0 0;
-}
-span.hemistich {
-visibility: hidden;
-}
-.verseNum {
-font-weight: bold;
-}
-.speaker {
-font-weight: bold;
-margin-bottom: 0.4em;
-}
-.sp .line {
-margin: 0 10%;
-text-align: left;
-}
-.castlist, .castitem {
-list-style-type: none;
-}
-.castGroupTable {
-border-collapse: collapse;
-margin-left: 0;
-}
-.castGroupTable td {
-padding: 0;
-margin: 0;
-vertical-align: middle;
-}
-.castGroupBrace {
-padding: 0 0.5em !important;
-}
-body {
-padding: 1.58em 16%;
-}
-.pageNum {
-display: inline;
-font-size: 70%;
-font-style: normal;
-margin: 0;
-padding: 0;
-position: absolute;
-right: 1%;
-text-align: right;
-letter-spacing: normal;
-}
-.marginnote {
-font-size: 0.8em;
-height: 0;
-left: 1%;
-position: absolute;
-text-indent: 0;
-width: 14%;
-text-align: left;
-}
-.right-marginnote {
-font-size: 0.8em;
-height: 0;
-right: 3%;
-position: absolute;
-text-indent: 0;
-text-align: right;
-width: 11%
-}
-.cut-in-left-note {
-font-size: 0.8em;
-left: 1%;
-float: left;
-text-indent: 0;
-width: 14%;
-text-align: left;
-padding: 0.8em 0.8em 0.8em 0;
-}
-.cut-in-right-note {
-font-size: 0.8em;
-left: 1%;
-float: right;
-text-indent: 0;
-width: 14%;
-text-align: right;
-padding: 0.8em 0 0.8em 0.8em;
-}
-span.tocPageNum, span.flushright {
-position: absolute;
-right: 16%;
-top: auto;
-text-indent: 0;
-}
-.pglink::after {
-content: "\0000A0\01F4D8";
-font-size: 80%;
-font-style: normal;
-font-weight: normal;
-}
-.catlink::after {
-content: "\0000A0\01F4C7";
-font-size: 80%;
-font-style: normal;
-font-weight: normal;
-}
-.exlink::after, .wplink::after, .biblink::after, .qurlink::after, .seclink::after {
-content: "\0000A0\002197\00FE0F";
-color: blue;
-font-size: 80%;
-font-style: normal;
-font-weight: normal;
-}
-.pglink:hover {
-background-color: #DCFFDC;
-}
-.catlink:hover {
-background-color: #FFFFDC;
-}
-.exlink:hover, .wplink:hover, .biblink:hover, .qurlink:hover, .seclin:hover {
-background-color: #FFDCDC;
-}
-body {
-background: #FFFFFF;
-font-family: serif;
-}
-body, a.hidden {
-color: black;
-}
-h1, h2, .h1, .h2 {
-text-align: center;
-font-variant: small-caps;
-font-weight: normal;
-}
-p.byline {
-text-align: center;
-font-style: italic;
-margin-bottom: 2em;
-}
-.div2 p.byline, .div3 p.byline, .div4 p.byline, .div5 p.byline, .div6 p.byline, .div7 p.byline {
-text-align: left;
-}
-.figureHead, .noteRef, .pseudoNoteRef, .marginnote, .right-marginnote, p.legend, .verseNum {
-color: #660000;
-}
-.rightnote, .pageNum, .lineNum, .pageNum a {
-color: #AAAAAA;
-}
-a.hidden:hover, a.noteRef:hover, a.pseudoNoteRef:hover {
-color: red;
-}
-h1, h2, h3, h4, h5, h6 {
-font-weight: normal;
-}
-table {
-margin-left: auto;
-margin-right: auto;
-}
-.tablecaption {
-text-align: center;
-}
-.arab { font-family: Scheherazade, serif; }
-.aran { font-family: 'Awami Nastaliq', serif; }
-.grek { font-family: 'Charis SIL', serif; }
-.hebr { font-family: Shlomo, 'Ezra SIL', serif; }
-.syrc { font-family: 'Serto Jerusalem', serif; }
-/* CSS rules generated from rendition elements in TEI file */
-.superlabel {
-font-size: 1.2em;
-}
-/* CSS rules generated from @rend attributes in TEI file */
-.cover-imagewidth {
-width:480px;
-}
-.xd31e94 {
-text-align:center; font-size:large;
-}
-.titlepage-imagewidth {
-width:445px;
-}
-.xd31e137 {
-text-align:center; font-size:small;
-}
-.xd31e157 {
-font-size:small;
-}
-.xd31e682 {
-padding-left:30%;
-}
-.xd31e2506 {
-text-align:center;
-}
-.xd31e4983 {
-text-align:right;
-}
-.xd31e7103 {
-text-align:center; font-size:larger;
-}
-@media handheld {
-}
-/* ]]> */ </style>
-</head>
-<body>
-
-<div style='text-align:center; font-size:1.2em; font-weight:bold'>The Project Gutenberg eBook of Een huwelijk in Indië, by Mina (Wilhelmina Jacoba Paulina Rudolphine) Kruseman</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
-most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
-whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
-of the Project Gutenberg License included with this eBook or online
-at <a href="https://www.gutenberg.org">www.gutenberg.org</a>. If you
-are not located in the United States, you will have to check the laws of the
-country where you are located before using this eBook.
-</div>
-
-<p style='display:block; margin-top:1em; margin-bottom:1em; margin-left:2em; text-indent:-2em'>Title: Een huwelijk in Indië</p>
-
-<div style='display:block; margin-top:1em; margin-bottom:1em; margin-left:2em; text-indent:-2em'>Author: Mina (Wilhelmina Jacoba Paulina Rudolphine) Kruseman</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>Release Date: November 20, 2021 [eBook #66778]</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>Language: Dutch</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>Character set encoding: UTF-8</div>
-
-<div style='display:block; margin-left:2em; text-indent:-2em'>Produced by: Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading Team at https://www.pgdp.net/ for Project Gutenberg (This book was produced from scanned images of public domain material from the Google Books project.)</div>
-
-<div style='margin-top:2em; margin-bottom:4em'>*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK EEN HUWELIJK IN INDIË ***</div>
-<div class="front">
-<div class="div1 cover"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody">
-<p class="first"></p>
-<div class="figure cover-imagewidth"><img src="images/new-cover.jpg" alt="Nieuw ontworpen voorkant." width="480" height="720"></div><p>
-</p>
-</div>
-</div>
-<div class="div1 frenchtitle"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody">
-<p class="first xd31e94">EEN HUWELIJK IN INDIË
-</p>
-</div>
-</div>
-<div class="div1 titlepage"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody">
-<p class="first"></p>
-<div class="figure titlepage-imagewidth"><img src="images/titlepage.png" alt="Oorspronkelijke titelpagina." width="445" height="720"></div><p>
-</p>
-</div>
-</div>
-<div class="titlePage">
-<div class="docTitle">
-<div class="mainTitle">EEN<br>
-HUWELIJK IN INDIË</div>
-</div>
-<div class="byline">DOOR<br>
-<span class="docAuthor">MINA KRUSEMAN</span><br>
-(<i lang="it">Stella Oristorio di Frama, Cantatrice</i>)
-</div>
-<div class="docImprint">’S GRAVENHAGE<br>
-MARTINUS NIJHOFF<br>
-<span class="docDate">1873</span></div>
-</div>
-<p></p>
-<div lang="fr" class="div1 epigraph"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<div class="lgouter">
-<p class="line">J’ai commencé ma vie par aimer.
-</p>
-<p class="line">Puis j’ai souffert.
-</p>
-<p class="line">Puis j’ai haï.
-</p>
-<p class="line">Puis j’ai méprisé—Et même j’ai ri.—
-</p>
-<p class="line">Maintenant je pardonne.
-</p>
-</div>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Si je puis vivre quelques années encore, c’est probable que je finirai par où j’ai
-commencé et qu’au lieu de l’instinct, ce sera l’intelligence alors, qui aura compris
-le grand mot de la nature
-</p>
-<p class="xd31e94">Amour.
-</p>
-</div>
-</div>
-<div class="div1 imprint"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody">
-<p class="first xd31e137">Gedrukt bij <span class="asc">C.&nbsp;A. VAN REYN</span> te ’s Gravenhage.
-</p>
-</div>
-</div>
-<div class="div1 preface"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody">
-<p class="first">Dit is geen boek vol kennis en geleerdheid, geen poëtische fictie, rijk aan stoute
-droomen en onwaarschijnlijkheden, geen verhaal, geen roman, geen novelle zelfs; maar
-alles en niets; want ’t is een droeve kreet uit het werkelijke leven, een zwakke kopie
-van de fantastische realiteit, een greep uit de natuur weêrgegeven vrij en grillig
-als de waarheid.
-</p>
-<p class="signed"><span class="sc">New-York</span> 1871–1872. M. K.
-</p>
-</div>
-</div>
-<div id="toc" class="div1 contents"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="main">INHOUD</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first tocLabel">EERSTE DEEL
-</p>
-<p class="tocChapter">HOE ZIJ WAS
-</p>
-<table class="tocList">
-<tr>
-<td class="tocDivNum">Hoofdstuk.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"> </td>
-<td class="tocPageNum">Bladz.</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum"></td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"></td>
-<td class="tocPageNum"></td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">I.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <span class="sc"><a href="#ch1" id="xd31e169">Hoe Lina opgevoed werd</a></span> </td>
-<td class="tocPageNum">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">II.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <span class="sc"><a href="#ch2" id="xd31e179">Het eerste voorgevoel</a></span> </td>
-<td class="tocPageNum">19</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">III.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <span class="sc"><a href="#ch3" id="xd31e189">De gouvernante</a></span> </td>
-<td class="tocPageNum">22</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">IV.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <span class="sc"><a href="#ch4" id="xd31e199">Meesteres en leerling</a></span> </td>
-<td class="tocPageNum">35</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">V.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <span class="sc"><a href="#ch5" id="xd31e209">Een brief van huis</a></span> </td>
-<td class="tocPageNum">41</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">VI.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <span class="sc"><a href="#ch6" id="xd31e219">Louise van Amerongen</a></span> </td>
-<td class="tocPageNum">44</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">VII.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <span class="sc"><a href="#ch7" id="xd31e229">Een bal</a></span> </td>
-<td class="tocPageNum">52</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">VIII.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <span class="sc"><a href="#ch8" id="xd31e239">Het bezoek van den resident</a></span> </td>
-<td class="tocPageNum">60</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">IX.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <span class="sc"><a href="#ch9" id="xd31e249">De huwelijksaanvraag</a></span> </td>
-<td class="tocPageNum">63</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">X.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <span class="sc"><a href="#ch10" id="xd31e260">Vader en dochter</a></span> </td>
-<td class="tocPageNum">73</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">XI.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <span class="sc"><a href="#ch11" id="xd31e270">Het jawoord</a></span> </td>
-<td class="tocPageNum">70</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">XII.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <span class="sc"><a href="#ch12" id="xd31e280">Het verlovingsfeest</a></span> </td>
-<td class="tocPageNum">91</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">XIII.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <span class="sc"><a href="#ch13" id="xd31e290">Het eerste gesprek zonder getuigen</a></span> </td>
-<td class="tocPageNum">94</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">XIV.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <span class="sc"><a href="#ch14" id="xd31e300">Hoe bruid en bruidegom over elkander denken</a></span> </td>
-<td class="tocPageNum">100</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">XV.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <span class="sc"><a href="#ch15" id="xd31e310">Het offer aan eerzucht gebracht</a></span> </td>
-<td class="tocPageNum">108</td>
-</tr>
-</table><p>
-</p>
-<p class="tocLabel">TWEEDE DEEL
-</p>
-<p class="tocChapter">WAT ZIJ WERD
-</p>
-<table class="tocList">
-<tr>
-<td class="tocDivNum">XVI.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <span class="sc"><a href="#ch16" id="xd31e326">Te huis</a></span> </td>
-<td class="tocPageNum">113</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">XVII.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <span class="sc"><a href="#ch17" id="xd31e336">Wie bij Louise waken komt</a></span> </td>
-<td class="tocPageNum">122</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">XVIII.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <span class="sc"><a href="#ch18" id="xd31e346">De kinderen van Mina</a></span> </td>
-<td class="tocPageNum">129</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">XIX.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <span class="sc"><a href="#ch19" id="xd31e356">De eerste receptie</a></span> </td>
-<td class="tocPageNum">136</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">XX.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <span class="sc"><a href="#ch20" id="xd31e366">Een nieuw gevoel</a></span> </td>
-<td class="tocPageNum">153</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">XXI.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <span class="sc"><a href="#ch21" id="xd31e377">Sympathie</a></span> </td>
-<td class="tocPageNum">157</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">XXII.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <span class="sc"><a href="#ch22" id="xd31e387">Eenige bladzijden uit het leven van een dokter</a></span> </td>
-<td class="tocPageNum">169</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">XXIII.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <span class="sc"><a href="#ch23" id="xd31e397">Hoe het kwaad ontstaat</a></span> </td>
-<td class="tocPageNum">195</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">XXIV.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <span class="sc"><a href="#ch24" id="xd31e407">Gevoelen en begrijpen</a></span> </td>
-<td class="tocPageNum">201</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">XXV.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <span class="sc"><a href="#ch25" id="xd31e417">Plannen</a></span> </td>
-<td class="tocPageNum">209</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">XXVI.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <span class="sc"><a href="#ch26" id="xd31e427">Plicht</a></span> </td>
-<td class="tocPageNum">213</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">XXVII.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <span class="sc"><a href="#ch27" id="xd31e438">Dood</a></span> </td>
-<td class="tocPageNum">220</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">XXVIII.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <span class="sc"><a href="#ch28" id="xd31e448">Mevrouw Joly</a></span> </td>
-<td class="tocPageNum">225</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">XXIX.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <span class="sc"><a href="#ch29" id="xd31e458">De gouverneur-generaal</a></span> </td>
-<td class="tocPageNum">227</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">XXX.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <span class="sc"><a href="#ch30" id="xd31e468">Vrijdag avond. Werner</a></span> </td>
-<td class="tocPageNum">229</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">XXXI.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <span class="sc"><a href="#ch31" id="xd31e478">Het tijgergevecht</a></span> </td>
-<td class="tocPageNum">235</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">XXXII.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <span class="sc"><a href="#ch32" id="xd31e488">Felicita. De jachtpartij</a></span> </td>
-<td class="tocPageNum">246</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">XXXIII.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <span class="sc"><a href="#ch33" id="xd31e498">Krankzinnig</a></span> </td>
-<td class="tocPageNum">269</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">XXXIV.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <span class="sc"><a href="#ch34" id="xd31e508">Het bezoek der ouders</a></span> </td>
-<td class="tocPageNum">280</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">XXXV.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <span class="sc"><a href="#ch35" id="xd31e518">De vlucht</a></span> </td>
-<td class="tocPageNum">293</td>
-</tr>
-</table><p>
-</p>
-<p class="tocLabel">DERDE DEEL
-</p>
-<p class="tocChapter">HOE ZIJ HAD KUNNEN ZIJN
-</p>
-<table class="tocList">
-<tr>
-<td class="tocDivNum">XXXVI.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <span class="sc"><a href="#ch36" id="xd31e534">Speranza</a></span> </td>
-<td class="tocPageNum">302</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">XXXVII.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <span class="sc"><a href="#ch37" id="xd31e544">Lawson</a></span> </td>
-<td class="tocPageNum">311</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">XXXVIII.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <span class="sc"><a href="#ch38" id="xd31e554">Geluk</a></span> </td>
-<td class="tocPageNum">321</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">XXXIX.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <span class="sc"><a href="#ch39" id="xd31e564">Recht</a></span> </td>
-<td class="tocPageNum">324</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">XL.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <span class="sc"><a href="#ch40" id="xd31e574">Lina’s huwelijk</a></span> </td>
-<td class="tocPageNum">326</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">XLI.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <span class="sc"><a href="#ch41" id="xd31e584">Haat en minachting. Moederliefde</a></span> </td>
-<td class="tocPageNum">336</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">XLII.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <span class="sc"><a href="#ch42" id="xd31e594">August van Langendijk</a></span> </td>
-<td class="tocPageNum">355</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">XLIII.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <span class="sc"><a href="#ch43" id="xd31e604">Oude kennissen</a></span> </td>
-<td class="tocPageNum">360</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">XLIV.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <span class="sc"><a href="#ch44" id="xd31e614">In het Haagsche Bosch</a></span> </td>
-<td class="tocPageNum">365</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">XLV.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <span class="sc"><a href="#ch45" id="xd31e624">Academie vrienden</a></span> </td>
-<td class="tocPageNum">369</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">XLVI.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <span class="sc"><a href="#ch46" id="xd31e634">Lina’s tusschenkomst</a></span> </td>
-<td class="tocPageNum">373</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">XLVII.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <span class="sc"><a href="#ch47" id="xd31e645">De laatste brieven</a></span> </td>
-<td class="tocPageNum">375</td>
-</tr>
-</table><p>
-</p>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div class="body">
-<div class="div0 part">
-<h2 class="label">EERSTE DEEL</h2>
-<h2 class="main">HOE ZIJ WAS</h2>
-<p></p>
-<div lang="fr" class="div1 prologue"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="main">La femme au XIX<sup>e</sup> siècle.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Un piège lui est tendu à chaque pas qu’elle fait <span class="ex">seule</span>.
-</p>
-<p>Une insulte l’attend au bout de chaque réussite.
-</p>
-<p>Et l’intérêt seul lui tresse sa couronne de gloire, qu’il lui pose sur la tête avec
-un rire de mépris.
-</p>
-<ul>
-<li>Le travail l’abaisse,
-</li>
-<li>Le talent la déshonore,
-</li>
-<li>L’indépendance la dégrade.
-</li>
-</ul><p>
-</p>
-<p>Il faut qu’elle ne soit <span class="ex">rien</span> pour être quelque chose. Ou bien qu’elle tombe, pour avoir le droit de monter.
-</p>
-<p class="xd31e682">Lettre à M. Alexandre Dumas, fils, au sujet de son livre <span class="ex">L’Homme-Femme</span>, par Mlle Oristorio di Frama, Cantatrice.
-<span class="pageNum" id="pb1">[<a href="#pb1">1</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch1" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e169">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="superlabel">EERSTE DEEL</h2>
-<h2 class="super">HOE ZIJ WAS</h2>
-<h2 class="label">EERSTE HOOFDSTUK</h2>
-<h2 class="main">HOE LINA OPGEVOED WERD</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Mijnheer Van Wageningen was eenige jaren geleden als ritmeester gepensioneerd geworden.
-Niet lang daarna had hij zijn vrouw verloren, een lief, flink, praktisch mensch, dat
-hem een ware steun, een hulp, een troost in zijn, anders zwaar beproefd, leven geweest
-was, en hem steeds had lief gehad met haar geheele hart en verstand.
-</p>
-<p>Na den dood zijner vrouw was Van Wageningen van het tooneel der wereld verdwenen.
-Zijn vrienden hadden hem even gemist, zijn kennissen hadden zijn spoor verloren, en
-zijn bloedverwanten wisten niets meer van hem dan dat hij zich ergens in Gelderland,
-in een afgelegen dorpje, een huisje had gekocht, waar hij afgezonderd en zuinig van
-zijn klein inkomen leefde, en zich geheel toewijdde aan de opvoeding van zijn twee
-<span class="pageNum" id="pb2">[<a href="#pb2">2</a>]</span>kinderen, die hij aan geen vreemde zorgen toevertrouwde.
-</p>
-<p>Wat zijn zoontje betrof, had de man gelijk. Maar zijn dochtertje, een aardig, vlug,
-verstandig ding van nog geen elf jaar, werd in het geheel niet opgevoed zooals de
-mode of de gewoonte wilde dat een meisje van haren stand opgevoed zou worden.
-</p>
-<p>Lina was een goed, gevoelig, hartelijk kind, maar zóo rondborstig, oprecht en vrij,
-dat zij de schrik was van allen die haar kenden.
-</p>
-<p>»Later zal zij leeren zwijgen, laat zij eerst maar leeren oordeelen,” was de leus
-van den vader, en bij het minst wat er voorviel, waren de eerste woorden van den ritmeester:
-»Lina, mijn kind, wat zeg je daarvan?”
-</p>
-<p>Hierdoor had Lina dan ook zulk een zuiver en vlug oordeel verkregen en zoo goed geleerd
-haar gedachten gemakkelijk en helder mee te deelen, dat de kinderen van het dorp haar
-te geleerd, de dames (er waren er twee) haar te wijsneuzig en de heeren haar te brutaal
-vonden, om zich met haar in te laten; zoodat het arme kind bijna altijd met haar vader
-alleen was, en tot tijdverdrijf of uitspanning, in de uren dat zij niets beters te
-doen had, van hem schermen en exerceeren leerde, evenals haar jonger broertje, om
-wat gezonde beweging te maken.
-</p>
-<p>De notaris had den ritmeester eens om zijn schermmeesterschap bespot, in het koffiehuis
-waar zij ’s Woensdagsavonds hun whistclub hadden, maar de ritmeester <span class="pageNum" id="pb3">[<a href="#pb3">3</a>]</span>had hem kalm laten uitlachen en hem toen al <span class="ex">mêleerende</span> geantwoord:
-</p>
-<p>»Die nooit in verlegenheid wil geraken, moet alles kennen; zóover brengen wij het
-niet, dat is waar, maar we moeten toch trachten het zoo ver mogelijk te brengen. Ik
-wou jou wel eens naar Afrika of Amerika zenden, geheel alleen, zooals je daar vóor
-me staat, en je als je schaduw volgen, om te zien hoe je ’t maken zoudt. Ik geloof
-dat ik interessante kluchten beleven zou. En dat ik je nog wel eens zou hooren zeggen:
-»had ik ook maar schermen en exerceeren geleerd! En zoo veel andere dingen meer, die
-ik versmaad en bespot heb, omdat ik ze niet kende.”—Docter ’t is aan u.”
-</p>
-<p>Eens kocht de ritmeester een veulen van een boer. Lina had het zien mishandelen door
-twee lompe boerenjongens, die het sloegen en met stokken prikten om het te doen steigeren.
-Met gloeiende wangen en vonkelende oogen was zij binnen komen stuiven in de kamer
-van den ritmeester. »Och Paatje!—Pa lief, kom toch!—Ik kan het niet aanzien!—Ze mishandelen
-een veulen omdat ze ’t leelijk en koppig noemen, die affreuse boeren!—Koop het Paatje!
-Och koop het toch.—Bij ons zal het arme dier gelukkig wezen!”—De ritmeester was met
-haar mee gegaan, had het veulen gezien en het, tot verbazing van den boer, gekocht.
-</p>
-<p>»Wat mag die daar mee doen?” had de verkooper bij zichzelven gezegd, »drie keer heb
-ik het naar de paardenmarkt gebracht en drie keer ben ik er weer <span class="pageNum" id="pb4">[<a href="#pb4">4</a>]</span>mee thuis gekomen, omdat ik <span class="corr" id="xd31e719" title="Bron: bet">het</span> niet kwijt kon raken. Wat mag de ritmeester er mee doen?” Hij telde met welgevallen
-het geld dat hij pas ontvangen had (’t was meer dan hij op de markt had durven vragen)
-en lachte, <span class="ex" lang="fr">sous cape</span> over zijn eigen <span class="ex">slimheid</span>. »De ritmeester beet gehad!”
-</p>
-<p>Bij den ritmeester in huis werd ook gelachen, het was er feest, ter eere van het veulen,
-dat gras uit kinderhanden at en wortelen en klontjes suiker.… Welk een geluk!
-</p>
-<p>Eenigen tijd daarna ging Lina haar veulen een bezoek brengen in een nieuwe wei; de
-vorige eigenaar had het in zijn wei niet langer willen houden. Zij moest een boerderij
-langs, waar een groote hond voor een hok aan een ketting lag; ’s nachts liep hij los,
-dan moest hij op de bleek passen.
-</p>
-<p>»Pas op, de hond zal je bijten!” riep een boer.
-</p>
-<p>Lina lachte, zag het groote bruine dier flink in de oogen met haar open, goedhartigen
-blik en lei haar hand op zijn kop.
-</p>
-<p>Hektor kwispelde met zijn staart, drong zich dicht aan haar zijde en lekte haar kleine
-hand.
-</p>
-<p>»Ziet gij wel dat de kennis gauw gemaakt is? Wij weten wel dat wij van elkander houden.”
-En, den hond een zoen op zijn kop gevende, vloog zij de wei in om haar veulen te bezoeken.
-</p>
-<p>De hond oogde haar na, zoolang hij kon. Dankbaarheid, vreugde, liefde, droefheid,
-trouw—wat lag er al niet in dien hondenblik!
-<span class="pageNum" id="pb5">[<a href="#pb5">5</a>]</span></p>
-<p>De boer ook oogde haar na, dom en wel, met open mond en half gesloten oogen. »Ze zal
-er nog eens tegen aanloopen” mompelde hij half overluid en keerde tot zijn ploeg terug.—Was
-hij geen boer geweest dan had hij »<span class="ex">excentrique</span>” gezegd. Doch het was maar een boer. De hond zou zoo iets nooit gezegd hebben.
-</p>
-<p>»Randa!” klonk een kinderstem door de wei. Een veulen, dat bij een beekje stond te
-grazen, spitste de ooren en zag om.
-</p>
-<p>»Hier mijn Randa, kom je mee?”
-</p>
-<p>In een oogwenk was hij naar haar toegesneld, en met zijn hoofd op haar schouder, haar
-armen om zijn hals, stapte Lina met Randa het houten brugje over, de wei uit. Toen
-zij de boerderij voorbijging, zag zij nog <span class="corr" id="xd31e747" title="Bron: evenom">even om</span> naar den hond.
-</p>
-<p>»Adieu Hektor! adieu!”
-</p>
-<p>En Hektor wurgde zich half aan zijn zware ketting om haar weer te zien en na te oogen
-en den hem eigenaardigen vriendschapsgroet te zenden, dien hij anders slechts voor
-zijn meesters over had.
-</p>
-<p>De boer zag om, hij dacht dat een zijner kinderen met zijn boterhammen kwam, het was
-Lina maar.
-</p>
-<p>»Zwijg!” riep hij van verre, hij wierp den hond met een steen en hervatte zijn werk.
-</p>
-<p>Toen het veulen groot en sterk genoeg was om bereden te worden, dresseerde de ritmeester
-het zelf en gaf hij het aan Lina cadeau, die er den volgenden dag het dorp op door
-draafde.
-<span class="pageNum" id="pb6">[<a href="#pb6">6</a>]</span></p>
-<p>»Schande!” riepen <span class="ex">de dames</span>. »Van Wageningen is een ongehoorde waaghals!” En zij haalden hare kinderen naar binnen,
-die op de stoep speelden en licht door het slechte voorbeeld bedorven konden worden.
-</p>
-<p>Eenige dagen later leerde Lina schieten met de buks. En toen zag men op eens het huis
-van den ritmeester gesloten.
-</p>
-<p>»God weet wat hij nu weer uit heeft gevoerd!” riepen de vrome menschlievende dames;
-vroom en menschlievend waren zij, want zij vergaten nooit te bidden en stuivertjes
-te geven voor de te bekeeren Chineesjes in Afrika en Indiaantjes aan de Noordpool.
-</p>
-<p>»Wat hij uit heeft gevoerd? Ik denk dat Lina den een of ander overreden heeft.”
-</p>
-<p>»Of doodgeschoten!”
-</p>
-<p>»Ja, doodgeschoten! ’t Is best mogelijk.”
-</p>
-<p>»O zeker.”
-</p>
-<p>En den volgenden morgen twijfelde niemand in het heele dorp er meer aan dat Lina iemand
-doodgeschoten had. Men wist zelfs het uur waarop en de plek waar het feit had plaats
-gehad; den naam van den armen vermoorde was men vergeten, maar die zou wel in de courant
-komen, wanneer de justitie zich met de zaak bemoeien zou.
-</p>
-<p>Veertien dagen later werd het huis van den ritmeester weer geopend, en zag men Lina
-weer rijden en schieten, alsof er niets gebeurd was.
-</p>
-<p>Niemand scheen zich het droevig voorval meer te herinneren, althans niemand sprak
-er meer over als <span class="pageNum" id="pb7">[<a href="#pb7">7</a>]</span>Lina, die het ten laatste ook gehoord had en er braaf om lachte.
-</p>
-<p>Zoo waren er nog een paar jaren verloopen, toen de ritmeester zijn dochter eens in
-den tuin riep en haar vriendelijk zeide:
-</p>
-<p>»Lina, kindlief, ik moet eens een ernstig woordje met je spreken. Je bent nu oud en
-wijs genoeg om zelve te oordeelen, en daar het je eigen toekomst geldt, wil ik ook
-dat je zelve zult beslissen.”
-</p>
-<p>Lina ging naast haren vader op de tuinbank zitten en wachtte geduldig op hetgeen er
-volgen zou.
-</p>
-<p>»Wij zijn niet rijk, dit weet ge, kind,” hernam de ritmeester; »maar gelukkig zijn
-wij niet arm ook, daar wij genoeg hebben en het u en den kleinen Eduard, zoolang ik
-leef, aan niets behoeft te ontbreken. Maar kom ik vandaag of morgen te sterven, dan
-houdt mijn pensioen op, en dan zal uw inkomen zóo gering wezen, dat gij er niet van
-leven kunt. Wat wilt ge dan beginnen?”
-</p>
-<p>»Dan zal ik werken,” antwoordde Lina vast besloten.
-</p>
-<p>»Uw oom en tante te Utrecht, bij wie wij een paar jaar geleden veertien dagen doorbrachten,
-hebben mij verzocht u te zeggen, dat gij bij hun leven nooit voor de toekomst bezorgd
-behoefdet te wezen, daar gij hun huis steeds als dat uwer ouders beschouwen kondet.
-Na hun dood zijt gij en Eduard hun eenige erfgenamen.”
-</p>
-<p>Er blonken groote tranen in Lina’s oogen. »Oom en tante zijn wel goed voor ons, maar
-ik zou toch noch <span class="pageNum" id="pb8">[<a href="#pb8">8</a>]</span>liever weinig verdienen dan veel krijgen,” zeide zij.
-</p>
-<p>»Goed kind! Dus bij oom en tante wilt gij niet wezen. Maar wat wilt gij dan? Wilt
-gij gouvernante worden? huishoudster? katechiseerjuffrouw?”
-</p>
-<p>»Wat kan ik nog meer worden?” vroeg zij, alsof de opgenoemde betrekkingen haar niet
-bijzonder toelachten.
-</p>
-<p>»Naaister of juffrouw van gezelschap, anders schiet er ook al niet veel meer voor
-de vrouwen over tegenwoordig. Tenzij gij millionair waart, dan zouden alle carrières
-voor je openstaan, die je slechts bekoren konden. Nu moet gij een keuze doen uit die
-welke weinig kosten om ze te leeren, en toch een geschikt bestaanmiddel aanbieden.
-Om het ver in muziek of schilderen te brengen, daarvoor zijt gij reeds te oud. En
-een kruk moogt gij niet worden. Doe wat je wilt, maar doe het goed. Ik heb meer achting
-voor een schaarslijper die zijn vak verstaat dan voor een halfmislukt geleerde.”
-</p>
-<p>»Ja, waren de kinderen maar niet altijd zoo bang voor mij, dan zou ik gaarne gouvernante
-willen worden.”
-</p>
-<p>»Goed, gouvernante dus. Maar een gouvernante moet kunde hebben, en, wat meer zegt,
-zij moet menschenkennis bezitten. Zij moet weten wat er in de wereld omgaat. Zij moet
-het goede kennen om het uit te oefenen en het kwaad om het tegen te gaan. Zij moet
-karakterkunde en fisionomiekunde bezitten, om bij den eersten oogopslag te zien wie
-zij vóor heeft, en hoe zij met de menschen om moet gaan. Daarbij moet zij een karakter
-hebben, vast en onwrikbaar, want zij moet doen wat recht en billijk is, en geheel
-leven voor het welzijn van hare <span class="pageNum" id="pb9">[<a href="#pb9">9</a>]</span>medemenschen. De kinderen, wier verstandelijke, wier geestelijke opvoeding geheel
-aan hare zorgen wordt toevertrouwd, zijn haar vreemd, zij moet ze leeren kennen en
-liefhebben, als of het de haren waren. Zij moet een goed humeur, een edel hart, een
-sterken geest, een helder oordeel hebben, wil zij dien heilzamen invloed op hare leerlingen
-uitoefenen dien zij alleen door eigen voorbeeld verkrijgen kan. Als ik vrouw was,
-zou bij mijn leven, nooit een kind van mij in handen van een vreemde komen.”
-</p>
-<p>Lina liet haar hoofd op den schouder van haar vader vallen en vroeg zacht: »Paatje,
-hoe zou ik aan menschenkennis kunnen komen, ik die geen menschen ken?”
-</p>
-<p>»Logisch! Zeer logisch, kind. Maar nu gij gouvernante worden wilt, zal ik u in de
-gelegenheid stellen te leeren al wat gij daarvoor kennen moet.”
-</p>
-<p>Een maand later woonde ritmeester Van Wageningen met zijn kinderen in Parijs, waar
-Lina alle soorten van meesters en meesteressen had in vreemde talen en schoone kunsten.
-</p>
-<p>»Hier zijn wij bij de oppervlakkigheid,” had de ritmeester gezegd, »en aangezien de
-oppervlakkigheid een hoofdrol in de wereld speelt, zoo zijn wij hier goed.” Het daarbij
-houdende, dwaalde hij met zijn dochtertje geheel Parijs door. Het kind moest alles
-zien van de Catacombes af, tot het vondelingenhuis en Bicètre toe.
-</p>
-<p>Eens terwijl zij in een restaurant aan tafel zaten, kwam <span class="pageNum" id="pb10">[<a href="#pb10">10</a>]</span>er een dame op krukken binnen. Zij was alleen. Een oogenblik bleef zij in de deur
-staan om naar een plaats te zien.—Haar oog viel op Lina die haar aankeek.
-</p>
-<p>»Mooi!” dacht de eene.
-</p>
-<p>»Lief,” zei de andere.
-</p>
-<p>En de lieve kwam naast de mooie zitten.
-</p>
-<p>Het duurde niet lang of een gesprek werd aangeknoopt. De nieuw gekomene was jong en,
-zonder juist een schoonheid te zijn, bekoorlijk. Zij had dat zachte, dat lijdende,
-dat goedhartige over zich, wat wij gewoon zijn <span class="ex">sympathiek</span> te noemen. En wanneer zij sprak kwam er tusschenbeide zulk een gloed in hare donkere
-oogen, speelde er zulk een fijne lach om hare dunne lippen, dat Lina haar <span class="ex" lang="fr">tout simplement</span> een »<span lang="fr">beauté</span>” noemde.
-</p>
-<p>Gedurende eenige dagen bleef de kennismaking bij samen eten en samen praten. De <span class="ex" lang="fr">beauté</span> was elken dag op hetzelfde uur in den restaurant gekomen, op eens bleef zij weg.
-</p>
-<p>»Ze is zeker ziek,” zeide Lina. »Als ik wist waar zij woonde ging ik haar opzoeken.”
-</p>
-<p>»Waar zij woont? Wel dat zal een van de garçons mogelijk wel weten.”
-</p>
-<p>Alle garçons wisten het.
-</p>
-<p>»<span lang="fr">M<sup>lle</sup> Salvita? Rue Lafayette No.…</span>” riepen zij van alle kanten.
-</p>
-<p>De ritmeester reed er dadelijk met zijn dochtertje heen.
-</p>
-<p>Zij vonden de deur van M<sup>lle</sup> Salvita’s kamer open, <span class="pageNum" id="pb11">[<a href="#pb11">11</a>]</span>en zagen het jonge meisje voor haar piano zitten, het hoofd in de handen gezonken,
-bitter weenende.
-</p>
-<p>De ritmeester wilde aankloppen, maar Lina was reeds binnen, en lag in de armen harer
-nieuwe vriendin.
-</p>
-<p lang="fr">»Quel ange d’enfant vous êtes! Et vous aussi, mon cher monsieur, comme vous êtes bon!”
-</p>
-<p>»<span lang="fr">Je vous ai cru malade</span>,” zeide Lina.
-</p>
-<p>»<span lang="fr">Et je le suis en effet. Voilà ma maladie.</span>” Zij wees met de hand op de muziek die vóor haar lag. »<span lang="fr">J’aime le chant, je l’aime passionnément et mon amour me tue!</span>”
-</p>
-<p>Lina begreep niet recht, de ritmeester begreep ook niet.
-</p>
-<p>»<span lang="fr">Il y a six mois,</span>” vervolgde zij, »<span lang="fr">j’étais chanteuse dramatique à l’opéra. Que de peines, que de souffrances, que de
-misères pour en arriver là!—Et comme j’étais heureuse alors!—Le succès coûte cher,
-toujours et partout—une de mes camarades, jalouse de mes triomphes, me fit tomber
-un soir, en jetant des pelures de pommes dans un escalier que je devais descendre
-rapidement. Depuis lors toute ma vie n’a été que souffrances. Ma jambe, cassée d’abord,
-puis mal remise, mal soignée, fut enfin amputée.—Adieu théâtre!—Adieu rêves de gloire
-et de bonheur!—</span>”
-</p>
-<p>Zij snikte overluid en bleef een oogenblik met het hoofd op de piano rusten. Toen
-lachte zij door haar tranen heen en vroeg zacht:
-</p>
-<p lang="fr">»Chantez vous Mademoiselle?”
-<span class="pageNum" id="pb12">[<a href="#pb12">12</a>]</span></p>
-<p lang="fr">»Non madame, je touche un peu du piano, c’est tout.”
-</p>
-<p lang="fr">»Voyons, si elle a de la voix?”
-</p>
-<p>En of Lina wilde of niet, zij moest de noten aangeven.
-</p>
-<p lang="fr">»Quelle voix splendide! Venez me voir tous les jours, je vous apprendrai le chant.
-Ne dites pas non, car je suis triste et malheureuse, je suis seule au monde, c’est
-une oeuvre de charité que je vous demande.”
-</p>
-<p>Zóo leerde Lina zingen in Parijs.—En toen de familie Van Wageningen zes maanden later
-naar het vaderland terug was gekeerd en zich in de hofstad gevestigd had, werd M<sup>lle</sup> Salvita gepresenteerd als de gouvernante van Lina.
-</p>
-<p>De ritmeester werd weder van krankzinnigheid beschuldigd.
-</p>
-<p>»Waarom menschen?” vroeg hij lachend, toen de <span class="ex" lang="fr">critique</span>, na geheel den Haag doorloopen te hebben, ook hem ten laatste het <span class="ex">men zegt</span> in het oor kwam fluisteren.
-</p>
-<p>»Waarom menschen? Omdat ik anders handel dan gij gedaan zoudt hebben? Wel, daar moest
-je me des te meer om achten! Maar je begrijpt me niet. <span lang="fr">Tant pis pour vous</span>!”
-</p>
-<p>»Eene actrice!” gilt de wereld.
-</p>
-<p>»Een mensch,” antwoordt de ritmeester. »En een mensch dat goed is, dat verstandig
-is, en dat geleden heeft.”
-</p>
-<p>»Eene actrice!” galmt de echo noch.
-</p>
-<p>En de ritmeester hoort dien nagalm en lacht hem uit,
-<span class="pageNum" id="pb13">[<a href="#pb13">13</a>]</span></p>
-<p>»De opvoeding mijner kinderen ligt mij het naast aan het hart,” zei Van Wageningen
-eens, toen men hem naar de gezondheid zijner <span class="ex">schijfschietende dochter</span> vroeg. »De helft van den dag besteedt zij aan hare studies, de andere helft is aan
-lichaamsoefeningen en uitspanningen gewijd, de avonden brengt zij in theaters, concerten
-of gezelschappen door—studie naar het leven—menschenkennis! altijd menschenkennis
-op den voorgrond.—Alle standen moet zij doorworstelen, en daar zij met den boer begonnen
-is, zoo moet zij met den Koning eindigen. Wat zij leeren <span class="ex">kan</span> dat <span class="ex">moet</span> zij leeren, van schijfschieten en zwemmen af, tot kooken, deklameeren en borduren
-toe. Zóo alleen kunnen wij <span class="ex">vrouwen</span>, zóo alleen kunnen wij <span class="ex">moeders</span> krijgen.
-</p>
-<p>»Uw boeren koebeesten, uw middelstandsche werkezels, uw deftige onbekwaamheden en
-uw adellijke modepoppen bevallen mij niet. Leeghoofden, zelfonbewustheden, die met
-moeite het leven doorkruipen, omdat gij haar het gaan belet.”
-</p>
-<p>Mogelijk had de man gelijk, maar zeker had hij het niet moeten zeggen, daar hij niemand
-tot zijn denkwijze overhaalde, en hij uitgelachen werd door zijn <span class="ex">vrienden</span>, die hem doorgaans de <span class="ex">gouvernante</span> en zijn dochter <span class="ex">de ritmeester</span> noemden.
-</p>
-<p>Eens, het zal zoo wat twee jaar later geweest zijn, kwam Lina aan haar vader zeggen
-dat zij gereed was haar examen voor hoofdonderwijzeres af te leggen. »Ik ben nu al
-achttien jaar,” voegde zij er ernstig bij, »en het wordt dus hoog tijd dat ik voor
-mij zelve ga zorgen.”
-<span class="pageNum" id="pb14">[<a href="#pb14">14</a>]</span></p>
-<p>»Goed kind,” was het antwoord, »ga, en vertrouw op God, die al wat goed is zegent.”
-</p>
-<p>Lina ging, deed haar examen en kwam er met glans door.
-</p>
-<p>Een der examinatoren, een gemoedelijk, oud mannetje, had haar vóor het examen gevraagd
-of zij niet bang was. »Neen,” had zij lachend geantwoord. »Ik weet wel dat ik er goed
-door zal komen.”
-</p>
-<p>»Kleine, pedante wijsneus!” dacht de oude examinator bij zichzelven, »hoe jonger hoe
-verwaander, is het tegenwoordig!”
-</p>
-<p>Maar Lina was er inderdaad goed doorgekomen, en toen moest de oude erkennen dat er
-meer waarheid en meer eenvoud in hare kalmte gelegen had, dan in den angst en onrust
-der overige geëxamineerden, die bijna allen bleek en bevend aan de groene tafel verschenen
-waren en geen van allen zoo goed voldaan hadden als zij.
-</p>
-<p>Noch dienzelfden winter werd Lina voorgesteld aan het hof. Ook daar bleef zij niet
-lang onopgemerkt. Zij was grooter dan gewoon en had een meer dan gewone <span class="ex">vrouwelijke</span> schoonheid. <span class="ex">Men</span> had gepraat over hare <span class="ex">excentriciteit</span> en gelachen over haar <span class="ex">origineele</span> opvoeding en men had daarbij niet gedacht aan frissche jeugd, gezondheid, schoonheid.
-<span class="ex" lang="fr">Sympathique!</span> dat was het eenige woord dat door de bonte menigte gonsde; toen eindelijk het wezen
-zelf verscheen, waarvan reeds zoovele karikaturen in het licht gegeven waren. En of
-het vreemd is of niet, dit was zeker niet tegen te spreken, dat de eenvoudige, kalme
-Lina meer <span class="ex">gefêteerd werd</span>, dan <span class="pageNum" id="pb15">[<a href="#pb15">15</a>]</span>menig hooger geplaatst meisje, dat het zeker meer verwacht had dan zij.
-</p>
-<p>Toen de winter half ten einde was, hield er een prachtig rijtuig stil vóor het huis,
-waar Van Wageningen op kamers woonde, en een oogenblik later trad graaf Henri d’Artonges
-het woonvertrek des ritmeesters binnen, om hem de hand zijner dochter te vragen voor
-zijn eenigen zoon.
-</p>
-<p>De ritmeester stond op en belde.
-</p>
-<p>»Antje,” zeide hij, »verzoek juffrouw Lina even hier te komen.”
-</p>
-<p>En zich tot den graaf wendende, vervolgde hij<span class="corr" id="xd31e971" title="Bron: .">:</span>
-</p>
-<p>»Mijnheer d’Artonges, ik ben gewoon mijn dochter in al haar handelingen vrij te laten.
-Zij kent uwen zoon; acht zij hem en deelt zij zijn liefde, dan zal het mij gelukkig
-maken onze kinderen eenmaal vereenigd te zien.”
-</p>
-<p>Een oogenblik later trad Lina binnen. Mijnheer d’Artonges herhaalde zijn aanzoek,
-er bij voegende dat hij de toestemming haars vaders reeds verkregen had.
-</p>
-<p>Lina had hem vrij verwonderd aangehoord. Toen stond zij op, reikte hem de hand en
-sprak zacht:
-</p>
-<p>»Neen, wij zouden elkander niet gelukkig maken—onze karakters loopen te veel uiteen.”
-Zij wachtte een oogenblik en vervolgde toen, met tranen in de oogen:
-</p>
-<p>»O! denk daarom niet dat ik hem niet hoog acht, of dat ik hem niet dankbaar ben voor
-het vertrouwen dat hij in mij stelt! Neen, ik ken hem, en ik weet hoe goed hij is—maar
-ik kan zijn liefde niet beantwoorden <span class="pageNum" id="pb16">[<a href="#pb16">16</a>]</span>zooals zij verdient beantwoord te worden, daar ik meer bewondering dan sympathie voor
-hem gevoel.”
-</p>
-<p>Mijnheer d’Artonges deed nog eenige pogingen om Lina tot andere inzichten te brengen,
-maar toen hij overtuigd was dat haar besluit vast stond, vertrok hij, na haar herhaaldelijk
-zijn diep leedwezen verzekerd te hebben, dat zij zijn schoondochter niet worden zou.
-</p>
-<p>»Gij hebt goed gehandeld mijn kind,” zeide de ritmeester, zoodra hij zich met zijn
-dochter alleen bevond. »Het geld brengt veel geluk aan in de wereld, maar het hart
-kan koud blijven en de ziel onvoldaan te midden der grootste rijkdommen,—en gij gevoelt
-niets voor den jongen d’Artonges, nietwaar?”
-</p>
-<p>»Niets,” antwoordde Lina met een licht hoofdschudden.
-</p>
-<p>Een oogenblik bleven vader en dochter zwijgen, toen zag Lina hem uitvorschend aan
-met hare groote heldere oogen, en vroeg zij zacht:
-</p>
-<p>»Papa, is Herman Wagner nog niet bij u geweest?”
-</p>
-<p>De beurt van uitvorschend aanzien kwam aan den ritmeester.
-</p>
-<p>»Neen,” zeide hij verwonderd, »maar indien er eenig verband in den loop uwer gedachten
-bestaat, dan zou ik geneigd zijn te vragen: Gevoelt gij ook meer voor <span class="ex">hem</span> dan voor den jongen d’Artonges?”
-</p>
-<p>»Ja,” antwoordde Lina nauw hoorbaar, zich half weenend half lachend in de armen haars
-vaders werpende.
-<span class="pageNum" id="pb17">[<a href="#pb17">17</a>]</span></p>
-<p>De ritmeester trok haar zacht naar de canapé en ging naast haar zitten.
-</p>
-<p>»Lief kind,” begon hij, na een oogenblik, »ik geloof dat Wagner een beste, brave,
-oppassende jongen is. Ik billijk je keuze dus ten volle. Maar Wagner is luitenant
-en bezit niet veel meer dan zijn traktement. Hebt gij er dus op gerekend dat er nog
-menig jaartje zal moeten verloopen, eer er aan een huwelijk gedacht zal kunnen worden?”
-</p>
-<p>»Ja,” antwoordde Lina weder.
-</p>
-<p>»Weet Wagner dat ook gij geheel ontbloot zijt van fortuin?”
-</p>
-<p>»Ik heb het hem gezegd, lang vóor dat hij mij zijn liefde verklaarde, en …”
-</p>
-<p>»En?—wat verder?”
-</p>
-<p>»Gisteren toen wij wandelden en gij met zijn broeder ons eenige schreden vooruit waart,
-heeft hij mij gevraagd of ik genoeg van hem hield om te wachten tot hij kapitein zou
-zijn. Ik heb »ja” gezegd, en nu is hij van plan over te gaan bij het leger in Indië,
-in de plaats van éen zijner vrienden, die liever in Europa wilde blijven en hem dezen
-ruil had voorgesteld.—En nu had ik van mijn kant ook een plan gemaakt—dat gij zult
-goedkeuren, niet waar?”—voegde zij er vleiend bij. »Want het zou uw Lina gelukkig
-maken!”
-</p>
-<p>»Spreek kind, en wanneer het tot de mogelijkheden behoort, zal ik u helpen om het
-plan ten uitvoer te brengen. Want goed is het zeker, anders zoudt gij het niet gemaakt
-hebben.”
-<span class="pageNum" id="pb18">[<a href="#pb18">18</a>]</span></p>
-<p>Lina schoof wat dichter naar den ritmeester toe, greep zijn beide handen in de haren,
-zag hem aan alsof zij in het diepst zijner ziel wilde lezen en zeide zacht:
-</p>
-<p>»Mevrouw Van Hoorn zoekt een gouvernante voor een fatsoenlijke, brave familie in Indië.….
-zoudt gij het ondankbaar van mij vinden, indien ik u verlaten ging?”
-</p>
-<p>De ritmeester bedacht zich een oogenblik. »Neen,” zeide hij, »van ondankbaarheid kan
-hier nooit sprake wezen, daar wij een jaar of drie geleden immers reeds overeengekomen
-zijn dat gij, wat ouder geworden, een betrekking als gouvernante zoeken zoudt.—Gisteren
-dacht ik nog aan Indië—en ik vond u te jong om u zoo geheel alleen de wijde wereld
-in te zenden. Maar de vrouw, die waarachtig lief heeft, is ouder dan hare jaren en
-sterk door hare liefde; de deugd is haar een behoefte, want zij is haar steun en hare
-belooning tevens. Ga dus, mijn kind! ga, betracht uw plicht en wees gelukkig!”
-</p>
-<p>Drie maanden later werden er groote koffers uit het huis van den ritmeester gedragen
-en verzonden naar het schip <span class="ex">Antonia</span> dat te Rotterdam in lading lag voor Java.
-</p>
-<p>En acht dagen daarna werd Lina <span class="corr" title="Bron: Van">van</span> Wageningen naar boord gebracht door haren vader, Wagner<span class="corr" id="xd31e1021" title="Niet in bron">,</span> en Richard haar broeder.
-</p>
-<p>Toen zij weder t’huis gekomen waren, reikte M<sup>lle</sup> Salvita den ritmeester zwijgend de hand. Zij begreep wat er in het hart van den armen
-vader omging en zij vond geen woord van troost voor den braven, zelf-opofferenden
-<span class="pageNum" id="pb19">[<a href="#pb19">19</a>]</span>man, die in de wereld alleen stond en niets dan spot of onverschilligheid in vreemde
-oogen las.
-</p>
-<p>»Zij heeft gelijk dat zij ver weg gaat,” sprak hij nauw hoorbaar, »want in haar eigen
-land had ze nooit een conditie gevonden.—»<span class="ex">Excentrique!</span>” heeft haar dorpje gezegd en »excentrique” heeft de hofstad nagegalmd. »Excentrique”
-gilt de wereld al verder en verder, en de kring, gevormd door een droppel in een waterplas,
-wordt dagelijks grooter en grooter!—Domme wereld die een lof tot een schimpnaam maakt,
-zonder te begrijpen dat het toch een lof blijft.—<span class="ex">Niet</span> gewoon is buitengewoon dus <span class="ex">meer</span> dan gewoon.—God zegene alle excentrieke menschen! O! mocht het hedendaagsch gewoon
-vernietigd en het excentrieke gewoon worden. Welk een reuzenstap zou dan de menschheid
-op het gebied van vooruitgang gedaan hebben!”
-</p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch2" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e179">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="label">TWEEDE HOOFDSTUK</h2>
-<h2 class="main">HET EERSTE VOORGEVOEL</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Zij zat aan den voet van een ouden weringinboom in het mollige gras te spelen. Een
-jonge poedel dartelde vroolijk om haar heen, duizende bloemen geurden aan haar voeten
-en veelkleurige vlinders omdartelden het vriendelijke kinderkopje, terwijl de vogels
-het bosch van hun liefelijke tonen deden weergalmen en de eenzaamheid <span class="pageNum" id="pb20">[<a href="#pb20">20</a>]</span>die toovermacht uitoefende, welke tot zelfs op het gemoed van het onnadenkend zorgeloos
-kind inwerkt en een zweem van overpeinzing doet geboren worden in de ziel die nog
-nimmer heeft gevoeld door nadenken, of nagedacht over hetgeen zij gevoelde.
-</p>
-<p>Vreemd voorwaar is het oogenblik van ontwaken, wanneer men zóo ontwaken kan; maar
-groot, maar heilig is dat oogenblik voor de toekomst, en machtig werkt het op het
-jeugdig hart, dat in de vrije, rijke natuur het eerst met zichzelf bekend is geworden.
-En later, wanneer de wereld zich met hare schijntooneelen somber aan het menschenoog
-vertoond heeft; wanneer teleurstelling en bedrog elke illusie, elk ideaal, ja, somtijds
-zelfs elken wensch vernietigd hebben; wanneer vrees de plaats van hoop, en mistrouwen
-die van menschenliefde heeft ingenomen; wanneer het denkbeeld van geluk door een spotlach
-wordt verdreven; wanneer deugd en godsdienst als bittere schimpwoorden, in de dichtste
-plooien van het versteende hart teruggedrongen worden, en smart of haat de eenige
-tonen opwekken die nog weerklank vinden in de droeve, kranke ziel,—o, dan is het goed
-een gelukkige kindschheid gehad te hebben! Dan is het heilzaam een blik in het verledene
-te kunnen werpen en dáar de heldere, klare dagen weer te vinden, die ons in het tegenwoordige
-ontbreken; dáar de deugden in ons zelve aan te treffen, die wij thans in onze medemenschen
-ontkennen willen: dáar te herleven, terwijl het tegenwoordige ons dreigt te dooden.
-</p>
-<p>Maar hieraan dacht de kleine Melatie niet. Zij was nog <span class="pageNum" id="pb21">[<a href="#pb21">21</a>]</span>in den aanvang des levens en haar aandacht was niet op het verledene gevestigd. Het
-was de toekomst die zij gevoelde, het was het menschelijk instinkt, dat in het kind
-ontwaakte.
-</p>
-<p>Zij had gezongen en gespeeld en versjes opgezegd voor haar getrouwen poedel. Maar
-plotseling nam het spel een einde, de lieve kinderstem bleef zwijgen en het »Zou ik
-niet mijn moeder eeren” werd door een tranenvloed gesmoord.
-</p>
-<p>»O! maatje! maatje!” snikte zij luid, »zal Mela altijd bij u blijven?—O! sterf toch
-niet!—sterf nooit—of neem uw kleine Mela mee!”
-</p>
-<p>Zij weende lang en staarde treurig vóor zich.… Maar poedel kwam, lekte ’t lieve kind
-de kleine natte handjes, sprong tegen ’t rood geschreid gezichtje op en ging weer
-lustig aan het stoeien.
-</p>
-<p>Weg met Van Alphen! Weg met de tranen! Weg met elke gedachte die niet recht vroolijk
-was!
-</p>
-<p>Dáar sprong zij op. Weer plukten de kleine handjes de geurigste bloemen, weer speelde
-een gulle lach om het bevend onderlipje, weer blonk een straal van hoop in ’t nog
-betraande oog. En vlug trippelden de voetjes weer voort over ’t mollige frissche gras.
-</p>
-<p>Gelukkig de jaren der kindsheid, waarin een traan in een lach, waarin een zucht in
-een vreugdekreet kan wegsmelten! Gelukkig de mensch die zulk een kindsheid gehad heeft
-en die zich haar ten nutte heeft gemaakt om in zijn hart de dankbaarheid jegens zijn
-Schepper aan te kweeken zooveel in zijn vermogen was. Gelukkig de sterveling die zich
-ook in de jaren van ondervinding en smart <span class="pageNum" id="pb22">[<a href="#pb22">22</a>]</span>in zijn jeugd kan spiegelen en nooit de gelijkenis verliest, die tusschen het beeld
-van het kind en dat van den mensch bestaan kan en bestaan zal, zoolang de ziel haar
-oorspronkelijke reinheid behouden heeft, en het verstand ontwikkeld is geworden, zonder
-dat het hart door deze ontwikkeling verwaarloosd is of gedood.
-</p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch3" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e189">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="label">DERDE HOOFDSTUK</h2>
-<h2 class="main">DE GOUVERNANTE</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">De kleine Melatie was nog geen zeven jaar oud toen haar moeder haar op een morgen
-een fleschje eau de Cologne en een stukje zeep gaf om in de kamer van de »juffrouw”
-te brengen.
-</p>
-<p>Trotsch op de gewichtige taak welke zij volbracht had, kwam zij een oogenblik later
-terug en zei ernstig:
-</p>
-<p>»De juffrouw zal tevreden zijn over Melatie, want Melatie heeft hard gewerkt vandaag.”
-</p>
-<p>»Zoo? Wat heb je dan gedaan?”
-</p>
-<p>»Ik heb bloemen geplukt voor de juffrouw en ze in haar bed gestrooid.”
-</p>
-<p>»En als de juffrouw nu eens niet hield van bloemen in haar bed? Want daar zijn de
-menschen in Holland niet aan gewoon?”
-</p>
-<p>»Zal ik ze weer weghalen, moesje?” vroeg het arme kind teleurgesteld, maar terstond
-weer vroolijk lachende, <span class="pageNum" id="pb23">[<a href="#pb23">23</a>]</span>vervolgde zij vleiend: »Mag ik met papa meegaan, om de juffrouw uit de stad te halen?”
-</p>
-<p>»Ja, dat moogt ge, maar laat Sarina je eerst netjes aankleeden en gedraag je dan verstandig,
-anders krijgt de juffrouw nog berouw van hier gekomen te zijn en al hare familie en
-vrienden verlaten te hebben, alleen voor het geluk van de kleine Melatie.”
-</p>
-<p>Het goede kind beloofde dat zij zoet zou wezen en de nieuwe gouvernante heel lief
-zou vinden, en reed toen, netjes aangekleed, met mijnheer Oristorio di Frama, naar
-A., om Lina <span class="corr" title="Bron: Van">van</span> Wageningen, de nieuwe gouvernante, af te halen.
-</p>
-<p>Lina was nog niet bij de familie <span class="corr" id="xd31e1086" title="Bron: Joli">Joly</span> aangekomen, bij wie mijnheer di Frama haar rendez-vous gegeven had.
-</p>
-<p>Na geruimen tijd al pratende gewacht te hebben kwam er eindelijk een reisrijtuig met
-koffers beladen het hek inrollen. Mevrouw <span class="corr" id="xd31e1091" title="Bron: Joli">Joly</span>, haar vijf meisjes, waarvan het oudste veertien jaren telde, mijnheer Oristorio,
-de kleine Melatie, allen snelden naar voren om de jonge gouvernante te verwelkomen,
-die niet wist welke hand zij het eerst zou vatten, welke vraag zij het eerst moest
-beantwoorden.
-</p>
-<p>»Dag jufje!” klonk eindelijk een kinderstemmetje tusschen al die drukte. »Dag jufje!
-Krijgt Melatie geen zoentje van je?”
-</p>
-<p>Lina zag het arme kind de handjes naar haar uitstrekken en haar bij haar japon grijpen
-om niet door de groote menschen verdrongen te worden.
-</p>
-<p>»Kom hier mijn zoete, lieve Melatie!” sprak zij met <span class="pageNum" id="pb24">[<a href="#pb24">24</a>]</span>tranen in de oogen, en het kind in hare armen sluitende, drukte zij het tegen haar
-hart, overlaadde het met kussen en vervolgde zachter:
-</p>
-<p>»O zulk een ontvangst had ik nooit durven verwachten! Wat zijt gij allen goed voor
-mij!”
-</p>
-<p>Spoedig vertrokken mijnheer Oristorio, Lina en de kleine Melatie naar Felicita, alwaar
-mevrouw di Frama met ongeduld de jonge gouvernante wachtte, die zij zonder eenige
-plichtplegingen omhelsde en bij de hand naar haar kamer geleidde.
-</p>
-<p>»Wij zijn allen gelukkig u in ons midden te zien,” sprak zij goedig. »Zoo gij u in
-de eenzaamheid kunt schikken, geloof ik dat gij hier tevreden zult wezen, en hoop
-ik dat gij uw ouderlijk huis niet te veel zult missen in een familie die gij geheel
-als de uwe beschouwen kunt.”
-</p>
-<p>»O! dat gevoel ik!” antwoordde Lina aangedaan. »Gij zult allen goed en lief voor mij
-zijn, daar twijfel ik niet aan! Mijn vurigste wensch is, mij die goedheid waardig
-te maken en voor dat lieve kind te wezen.…”
-</p>
-<p>Zij kon niet verder spreken en borst in een luid snikken uit.
-</p>
-<p>Mevrouw di Frama leidde haar zacht naar een rotanbank waarop zij naast haar plaats
-nam, en liet haar ongestoord uit weenen.
-</p>
-<p>Toen zij tot bedaren was gekomen, sprak zij met haar over haar reis, haar aankomst
-te Batavia, haar kortstondig verblijf in Java’s hoofdstad. Zoo werden de tranen, al
-pratende, weggewischt, en toen de huisgenooten <span class="pageNum" id="pb25">[<a href="#pb25">25</a>]</span>een half uur later aan het diner vereenigd waren, klonken de gesprekken zóo ongedwongen
-en vertrouwelijk dat niemand verondersteld zou hebben dat zich een nieuweling in dien
-kleinen vriendenkring bevond.
-</p>
-<p>»Och! er zijn geen vreemdelingen,” zeide Lina lachend, »voor mij ten minste bestaan
-ze niet!”
-</p>
-<p>»Voor mij ook niet!” riep mijnheer Oristorio, »dat zijn wij alweer éens. Dien ik niet
-dadelijk ken, ken ik nooit!”
-</p>
-<p>»En dien ik niet dadelijk ken, verlang ik niet te kennen ook,” gaf Lina ten antwoord.
-»Ik heb reeds zooveel tegen sympathie en antipathie gestreden en ik heb er mij nog
-nooit goed bij bevonden. Daarom ben ik nu ook tot de conclusie gekomen, dat wij wijs
-zouden doen indien wij dat onverklaarbaar, waarschuwend instinkt, in plaats van het
-tegen te werken en langzamerhand te vernietigen, liever met zorg aankweekten en zuiver
-hielden.….”
-</p>
-<p>»Hetzelfde wat ik altijd zeg! Niet waar Julie?” vervolgde mijnheer di Frama, zich
-tot zijn vrouw wendende, »Heb ik niet altijd gezegd, de mensch weet meer dan hij zelf
-weet, maar zijn hoogmoed gaat zóo ver, dat hij alles weten wil en per slot van rekening
-door zijn waanwijsheid zijn weten verleert. Bleven wij toch maar eenvoudig waar, ongekunsteld
-oorspronk.…”
-</p>
-<p>»Toewan Werner,” kondigde een der jongens aan, en op hetzelfde oogenblik trad een
-jong mensch de achtergalerij binnen.
-</p>
-<p>»Onze huisvriend,” zeide de gastheer, »onze gouvernante,” <span class="pageNum" id="pb26">[<a href="#pb26">26</a>]</span>vervolgde hij, Werner een stoel aanbiedende tusschen zijn vrouw en Lina.
-</p>
-<p>De nieuw gekomene was een slank jongman, met golvend blond haar en groote blauwe oogen,
-een hoog voorhoofd, een fraaien neus en fijne welgevormde lippen, nauwlijks overschaduwd
-door de kleine blonde knevels. Bij den eersten aanblik was men geneigd hem vroolijk
-te noemen; maar, sloeg men hem aandachtig gade, dan vond men meer geestdrift en meer
-denken in die beweegbare trekken, dan eigenlijke vroolijkheid. Buitendien teekende
-zijn geheele persoon kalme vastberadenheid, zachtheid en kracht. Hij had iets hoogs,
-iets vorstelijks over zich, dat vreemd overeenkwam met zijn jeugd, daar hij nauwlijks
-eenentwintig jaren bereikt kon hebben. Toch was er harmonie in zijn voorkomen en,
-zooals mijnheer di Frama gewoonlijk zeide: »charme.”
-</p>
-<p>»Juffrouw Van Wageningen, is dat een vreemdeling?” vroeg mijnheer Oristorio, op Werner
-wijzende.
-</p>
-<p>»Neen mijnheer, dat is een kennis.”
-</p>
-<p>»Op weg om een vriend te worden, hoop ik? Hij speelt viool en zingt, soms declameert
-hij ook, maar daar is hij karig mee, zeker omdat hij zijn auditorium niet op de hoogte
-van zijn talent acht. Maar nu het publiek met een artiste vermeerderd en dus verbeterd
-is, sedert de komst van de juffrouw, zal hij zich zeker minder laten bidden en ons.…”
-</p>
-<p>»Neen mijnheer di Frama, dat moogt gij niet zeggen! De juffrouw zou nog gaan denken
-dat ik talent had en ik <span class="corr" id="xd31e1127" title="Bron: ken">kan</span> toch werkelijk niets.”
-<span class="pageNum" id="pb27">[<a href="#pb27">27</a>]</span></p>
-<p>»Kom, kom, geen valsche schaamte, als je blieft. Gij hebt meer talent in uw kleinen
-pink, dan er in geheel A. te vinden is.”
-</p>
-<p>»Och! neen, geloof dat niet juffrouw,” hernam Werner levendig. »Ik ben maar een arme
-verwaarloosde jongen die eigenlijk niets goed, grondig geleerd heb.—Ik heb vroeg mijn
-ouders verloren, en mijn voogden lieten zich nooit veel aan mij gelegen liggen. Toen
-zij mij vroegen wat ik worden wilde, zeide ik »zeeman”, omdat ik eens met een mijner
-vrienden een dag te Scheveningen doorbracht, en het gezicht van de zee mij zoo had
-getroffen dat het dweepen met de golven en de kleine vaartuigen mij drie dagen van
-mijn werk hield en mij veel straf bezorgde. Op mijn zestiende jaar deed ik mijn eerste
-reis als adelborst en daarna werd ik voor vijf jaren naar Indië gezonden. De zee beviel
-mij, maar het zeemansleven had ik mij gansch anders voorgesteld, en ik was zoo gelukkig
-hier iemand te vinden die er mij van verloste. Het was te Samarang. Ik stond in de
-sociëteit met een paar officieren te praten, toen een man van middelbaren leeftijd,
-bruin, verbrand, met een donkeren oogopslag en een forsche stem, mij plotseling op
-den schouder klopte met de vraag: »Wel jonker, hoe bevalt je het zeemansleven?”
-</p>
-<p>»Slecht, mijnheer.”
-</p>
-<p>»Dat dacht ik wel. En als je ook nog geen berouw hadt over de keuze van je vak, dan
-zou ik je zeggen dat je het weldra krijgen zoudt. Je liefde of liever je bewondering
-voor de zee heeft je het scheepsleven over het hoofd doen zien, niet waar? En nu je
-eenmaal in het schuitje bent, <span class="pageNum" id="pb28">[<a href="#pb28">28</a>]</span>vaar je voort, omdat je geen kans ziet er weer uit te komen.”
-</p>
-<p>»Juist mijnheer,” antwoordde ik lachend, eenigszins verwonderd over den familjaren,
-kortafgebeten en toch goedhartigen toon van den vreemdeling.
-</p>
-<p>»Heeren, je permiteert me?” vervolgde hij, de officieren groetende en mij zonder complimenten
-bij den arm de galerij uitvoerende.
-</p>
-<p>»Luister jonker, je bevalt me. Ik heb op mijn fabriek iemand noodig die vlijtig en
-eerlijk is, en meer gezond verstand en oordeel heeft, dan vernuft en geleerdheid.
-Ik geloof dat ik in u gevonden heb wat ik zoek; een bruikbaar mensch. Wil je de zeedienst
-vaarwel zeggen en bij mij komen, dan kun je beginnen met ondergeschikt werkzaam te
-zijn, en later kun je administrateur worden. Of je eenmaal deelhebber of eigenaar
-zult worden, dit zal geheel van je zelven afhangen. Om te beginnen kun je rekenen
-op een inkomen van tweehonderd ’s maands, vrij woning, vrij brandstof enz. enz.— —Neem
-je mijn aanbod aan?”
-</p>
-<p>»Dat weet ik niet, mijnheer.”
-</p>
-<p>»Je bent voorzichtig. Dat bevalt me ook. Máar waarom weifel je? Heb je ouders wier
-toestemming je denkt noodig te hebben?—Dan zal ik wachten tot je die verkregen hebt.—Of
-denk je dat épauletten meer waarde aan een mensch geven dan een pen of een schop?
-Dan vergis je je. Of is je traktement niet hoog genoeg? Dan zal ik het.….”
-</p>
-<p>»O! neen mijnheer, niets van dat alles! Mijn eenige vrees is dat ik niet berekend
-ben voor de betrekking die gij mij zoo loyaal aanbiedt.”
-<span class="pageNum" id="pb29">[<a href="#pb29">29</a>]</span></p>
-<p>»Daar ben je vrij wat beter voor berekend dan voor de betrekking, die je thans vervult.—Maar
-ik dring je niet. Ik wil zelfs volstrekt niet dat je met overijling over je levenslot
-beschikken zult. Hier heb je mijn kaartje—wacht heb je ook even een potlood voor me?—Zóo—en
-hier heb je het adres van mijn vriend bij wien ik logeer.—Als je iets besloten hebt,
-kom mij dan zien; je kunt informaties naar me inwinnen bij wie je wilt—heel Samarang
-kent me—<span lang="fr">au revoir!</span>”
-</p>
-<p>Hij had mijn hand gegrepen en was verdwenen, eer ik nog recht tot bezinning gekomen
-was.
-</p>
-<p>Wat bewoog dien man om dus te handelen? Ik begreep er niets van. Maar er lag zóo iets
-goedigs, opens en vertrouwelijks in zijn donkere oogen, dat ik nog dienzelfden avond
-naar Bodjong reed, om hem te zeggen dat ik mijn ontslag had ingediend.
-</p>
-<p>»En welke informaties heb je van me ingewonnen?”
-</p>
-<p>»Geen, mijnheer.” Ik was trotsch dát te kunnen zeggen.
-</p>
-<p>»Geen? Dat is onvoorzichtig jonker, want je kent me niet, je weet niet wie ik ben
-en waartoe ik in staat ben.”
-</p>
-<p>»Ik weet niets, mijnheer, dat is waar. Maar ik ken hier niemand en ik heb dus geen
-reden om iemand anders meer te vertrouwen dan u, de eenige persoon die mij werkelijk
-belangstelling betoond heeft.”
-</p>
-<p>»Daar heb je gelijk in, en ik hoop je later ook te toonen dat ik je vertrouwen waardig
-ben.”
-</p>
-<p><span class="corr" id="xd31e1160" title="Niet in bron">»</span>Zóo kwam ik hier op de fabriek van den heer Van Romberg terecht, waar ik nu als administrateur
-een <span class="pageNum" id="pb30">[<a href="#pb30">30</a>]</span>gelukkig, kalm, werkzaam leven lijd. Mijnheer Van Romberg is eenige maanden geleden,
-tot herstel van gezondheid, naar Europa vertrokken, en nog dagelijks mis ik den hartelijken,
-vertrouwlijken omgang van den braven man, dien ik langzamerhand als een vader heb
-leeren hoogachten en liefhebben.”
-</p>
-<p>»En dien je weldra in zijn zaken zult opvolgen,” ging mijnheer Oristorio voort. »Zeg
-nu alles maar, want deelhebber is hij reeds sedert eenigen tijd, en als de zaken zóo
-blijven voortgaan, als ze tot dus ver gegaan zijn, dan kan hij over twee, drie jaar
-de fabriek vrij hebben, en voor zijn eigen rekening de zaken voortzetten.”
-</p>
-<p>»En mijnheer Van Romberg?” vroeg Werner angstig.
-</p>
-<p>»Van Romberg zal niet terugkomen. Hij is naar Europa vertrokken hoofdzakelijk omdat
-hij het heimwee naar zijn oude moeder had en omdat hij zijn vaderland terug wilde
-zien, zijn gezondheid was eigenlijk pas de derde reden.”
-</p>
-<p>»Maar mijnheer, dat heeft hij mij nooit gezegd!”
-</p>
-<p>»Dat weet ik wel, maar hij heeft het mij geschreven. Wacht, ik zal u zijn brief laten
-lezen. Julie, waar is hij? Wij hebben hem gisteren in de pianokamer gelaten, niet
-waar?—<span lang="ms">Siedin, tjobak liat apa tr’ada satoe soerat di atas piano?</span>”<a class="noteRef" id="xd31e1174src" href="#xd31e1174">1</a>
-</p>
-<p>Siedin kwam met den brief terug, waaruit mijnheer di Frama het volgende voorlas:
-<span class="pageNum" id="pb31">[<a href="#pb31">31</a>]</span></p>
-<p>»Ik ben rijk genoeg. Waarom zou ik nog langer in den vreemde blijven, terwijl mijn
-oude moeder gelukkig is mij bij zich te hebben? En terwijl ik zelf hier alles gevonden
-heb wat ik met billijkheid verlangen kan? Intusschen regretteer ik nog ons heerlijk
-Indië, maar men kan niet overal te gelijk zijn, en nu ik kiezen moet, hier blijven
-of terugkeeren, heb ik maar besloten, een einde aan alle quaesties te maken, door
-hier te blijven. Met de volgende mail schrijf ik aan Werner. Zonder hem had ik zoo
-spoedig mijn zaken niet verlaten, want ik heb hart voor mijn land en hart voor mijn
-volk, dat ik zoo maar niet aan den eersten den besten had willen overgeven, voor een
-miserable hand vol banknoten.—Wat Werner betreft, zijn eenig gebrek is dat hij zóo
-jong is (maar dat zal wel beteren), overigens is hij geheel de man, berekend voor
-het besturen eener groote possessie. Hij is werkzaam en stipt, goedhartig en ferm,
-meegaande en plichtlievend; en Goddank, heeft hij enthousiasme en poëzie genoeg om
-zich in de eenzaamheid niet dood te kniezen. Als ik in mijn riet niets dan suiker
-had gezien en in mijn suiker niets dan geld, dan was ik krankzinnig geworden, lang
-vóor dat ik rijk was geweest!—En zóo is het met hem ook gesteld.—Het eenige wat ik
-hem toewensch, is een lieve, verstandige, brave vrouw, die met hem denken en gevoelen
-kan—maar—waar hij die vinden zal?—Of hij haar zelfs ooit zal vinden?—Er zijn naturen
-in de wereld, die geschapen schijnen om alleen te staan. Zijn ze te goed, te hoog,
-te fier, te rein?—Wat zijn ze?.… Ik weet <span class="pageNum" id="pb32">[<a href="#pb32">32</a>]</span>het niet. Maar ik weet wel dat ze hier op aarde ronddoolen om gelukkig te maken en
-niet om gelukkig te zijn. Ik houd Werner voor éen van die lichtzuilen in de duisternis.
-De menschheid heeft mooi golven en woelen, bruisen en opstuiven tegen den rotsklomp
-die tot voetstuk dient, de zuil staat vast en kalm, en het licht blijft schijnen en
-waarschuwen en goed doen, tegen alle mishandeling in.—Ik ken nog iemand die tot de
-lichtzuilen behoort; ik bedoel onzen armen dokter, die ook als een dwaalster alleen
-het leven doorgaat, troost en verlichting brengt, waar hij komt, en voor zichzelven
-geen geluk kan vinden. Arme Heisterman! Ik wou dat hij hier was, om mijne moeder te
-troosten, als zij haar aanvallen van rhumatisme krijgt, waaraan de dokters beweeren
-dat niets gedaan kan worden. Arme menschheid die zoo <span class="ex">veel</span> moet lijden, omdat ze zoo <span class="ex">weinig</span> weet! Enfin, dáar zijn wij dan ook maar menschen voor, enz. enz.”
-</p>
-<p>»Gij ziet dus,” vervolgde mijnheer Oristorio den brief dichtvouwende, »dat Van Romberg
-geen plan heeft om terug te komen.”
-</p>
-<p>»Dat spijt mij. Niets kan mij de vriendschap vergoeden van den edelen man, die mij
-heeft voortgeholpen, onderwezen, aangemoedigd alsof ik zijn eigen zoon geweest was.”
-</p>
-<p>»Gij hadt hem liever zien terugkomen, dan uwe positie te verbeteren door zijn afwezigheid?”
-</p>
-<p>»O zeker!” riep Werner, ter sluiks een traan wegpinkend. »Ik geef niet om geld,” vervolgde
-hij, Lina aanziende, <span class="pageNum" id="pb33">[<a href="#pb33">33</a>]</span>»daar ben ik waarschijnlijk nog te jong voor. Dat zal de juffrouw wel begrijpen.”
-</p>
-<p>»Ja dat begrijp ik volkomen. Ik gevoel ook niets voor geld.”
-</p>
-<p>»Chut! gij spreekt als kinderen, die niet weten wat er in de wereld omgaat. Geld is
-de groote spil, waarom alle gelukken en gelukjes draaien, vervolgd, verdrongen, beknepen
-door hoop, teleurstelling en intrigue. Zonder geld is er geen geluk mogelijk.”
-</p>
-<p>»En alle ongelukken zijn mogelijk met geld, niet waar?” riep Werner lachend.
-</p>
-<p>»Bijna allen … ja …”
-</p>
-<p>»Och! geluk is zoo denkbeeldig!” zei Lina. »Zoo als de eene mensch geschapen schijnt
-om onder alle omstandigheden gelukkig te wezen, zoo schijnt de andere voorbeschikt
-tot altijddurend zuchten en klagen.”
-</p>
-<p>»Ja, dat zien wij aan Heisterman, die zijn gansche leven door met ongelukken en soesahs
-te kampen heeft gehad en altijd even opgeruimd en tevreden is.”
-</p>
-<p>»O! ho! dat is niet altijd zóo geweest!” riep een vreemde stem. »Heisterman heeft
-ook droefheid en wanhoop gekend.…. Pardon.… Mejuffrouw!…”
-</p>
-<p>De dokter zag nu eerst dat er een vreemde dame aan tafel zat, die hem met groote,
-vragende oogen aanstaarde en naar zijn woorden luisterde met een nieuwsgierigen lach,
-waardoor hij geheel van zijn stuk raakte.
-</p>
-<p>»Ga voort, Heisterman, ga voort, geneer je niet. Juffrouw Van Wageningen kent je al
-sedert een uur en is dus waarschijnlijk blij je te zien.”
-<span class="pageNum" id="pb34">[<a href="#pb34">34</a>]</span></p>
-<p>»Ja, dat ben ik,” antwoordde Lina, »zelfs zijt gij niet vroeg genoeg gekomen naar
-mijn zin, daar ik reeds tijd gehad heb naar uw kennismaking te verlangen.”
-</p>
-<p>De dokter bleef haar zwijgend aanstaren en nam werktuigelijk aan hare zijde plaats.
-</p>
-<p>»Juffrouw Van Wageningen!” sprak hij half overluid—en haar steeds aanziende herhaalde
-hij nog zachter:
-</p>
-<p>»Juffrouw Van Wageningen!—Ritmeester Van Wageningen——zijn dochter?——Lina?—”
-</p>
-<p>»Ja dokter.”
-</p>
-<p>Hij bedekte zijn gelaat met beide handen en bleef een oogenblik in gepeins verloren
-zitten.
-</p>
-<p>»Waar blijft de tijd!” riep hij eindelijk, het hoofd weer opheffende.
-</p>
-<p>»Vergeef mij,” vervolgde hij zachter, »ik moet u wel krankzinnig toeschijnen.—Mogelijk
-ben ik het ook—want ik leef met de dooden alsof ze levend waren—en dikwijls met de
-levenden alsof zij dood waren.”
-</p>
-<p>»Dat schijnen ze ook wel, al zijn ze ’t niet!” antwoordde Lina lachend.
-</p>
-<p>Verrast staarde hij haar weder aan.
-</p>
-<p>»Zóo had ze moeten zijn!” dacht bij overluid. En als hadden zijn eigen woorden hem
-verschrikt, zóo sprong hij van zijn stoel op, greep zijn hoed, vatte Lina’s hand.…
-</p>
-<p>»Tot weerziens—ik moet weg—ik heb geen tijd—tot morgen—<span lang="fr">au revoir!</span>”
-</p>
-<p>En weg was de dokter.
-</p>
-<p>»Wat heeft hij?”
-</p>
-<p>»Wat is hij raar van avond!”
-<span class="pageNum" id="pb35">[<a href="#pb35">35</a>]</span></p>
-<p>»Welk een vreemde man!”
-</p>
-<p>»Waar moet hij heen?” riepen allen tegelijk, en niemand begreep iets van het zonderling
-gedrag van den dokter, dan Lina misschien, die den ganschen avond stil en afgetrokken
-bleef en groote sympathie gevoelde voor den vreemden man, met wien zij <span class="ex">medelijden</span> had.
-</p>
-</div>
-<div class="footnotes">
-<hr class="fnsep">
-<div class="footnote-body">
-<div class="fndiv" id="xd31e1174">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e1174src">1</a></span> Siedin, ga eens zien of er geen brief op de piano ligt.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e1174src" title="Ga terug naar noot 1 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div id="ch4" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e199">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="label">VIERDE HOOFDSTUK</h2>
-<h2 class="main">MEESTERES EN LEERLING</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">»Hu! juf een spin!” riep Melatie, en zij liep hard de kamer uit om een bezem te halen,
-waarmee zij de spin wilde dooden. Maar toen zij terug kwam, met den bezem in de hand,
-stond Lina haar in de geopende deur af te wachten.
-</p>
-<p>»Waarom wilt gij dat arme diertje dooden?” vroeg zij zacht.
-</p>
-<p>»O! omdat het zoo leelijk is!”
-</p>
-<p>»En omdat gij ook leelijk zijt, zou men u dus ook moeten dooden?”
-</p>
-<p>»Maar jufje! Ik ben toch geen spin!”
-</p>
-<p>»Neen, gij zijt geen spin, maar gij zijt toch ook zeer leelijk, en wat hebt gij dan
-vóor boven die spin?”
-</p>
-<p>»Wel dat ik veel verstandiger ben dan zij, en dat ik kan lezen en schrijven en naaien—en
-dat kan die domme spin toch niet!”
-<span class="pageNum" id="pb36">[<a href="#pb36">36</a>]</span></p>
-<p>»Neen dàt kan zij niet, maar daarentegen kan zij iets anders dat gij niet zoudt kunnen,
-al wildet gij ook nog zoo gaarne.”
-</p>
-<p>»Och! juf! En wat is dat?”
-</p>
-<p>»Hebt gij ooit een spin haar webje zien maken?”
-</p>
-<p>»Zoo’n vuil, leelijk spinneweb?”
-</p>
-<p>»Ik vind het niet vuil en niet leelijk, Melatie. Hebt gij het wel ooit van nabij beschouwd?”
-</p>
-<p>»O! neen, lieve juf!”
-</p>
-<p>»En waarom spreekt gij er dan met zulk een minachting over? Kom eens even hier—maar
-zet eerst je bezem weer buiten de kamer, dan zal ik je eens laten zien wat die domme
-spin kan maken, en hoe zij zelfs de menschen nog van dienst kan wezen. Ziet gij dat
-leelijke spinrag hier wel aan den zolder hangen?”
-</p>
-<p>»Ja, jufje, dat had de baboe al lang moeten weghalen—maar zij heeft het vergeten.”
-</p>
-<p>»Kom nu eens mee in den tuin, dan zal ik je nog een spinrag laten zien, en dat zult
-ge voorzeker zoo leelijk niet vinden.”
-</p>
-<p>Melatie ging wel met haar gouvernante mede, maar zij lachte er toch om, dat zij naar
-den tuin moest loopen om een webje te bewonderen.
-</p>
-<p>»Welnu?” vroeg Lina, haar een spin wijzende, die midden in haar net zat, »hoe vindt
-gij nu dat webje?”
-</p>
-<p>»Och, juflief! Ik zie er niets bijzonders aan, ik vind het heel gewoon.”
-</p>
-<p>»Maar gij vindt mogelijk alles gewoon wat gij dagelijks ziet?—Neen, mijn lieve Mela,
-zóo oppervlakkig <span class="pageNum" id="pb37">[<a href="#pb37">37</a>]</span>moogt gij niet oordeelen. Alles is waard met aandacht bezichtigd te worden en elk
-schepsel vooral, dat gij dagelijks om u heen ziet leven, verdient uw opmerkzaamheid
-ten volle. Gij hebt reeds dikwijls het garen gezien, waarmede gij dagelijks naait,
-niet waar?”
-</p>
-<p>»Ja, juf.”
-</p>
-<p>»Hoe vindt gij dat? fijn of grof?”
-</p>
-<p>»Fijn, heel fijn, jufje.”
-</p>
-<p>»Net zoo fijn als de draden van dit webje?”
-</p>
-<p>»Neen!—O! neen—lang niet zóo fijn!”
-</p>
-<p>»Kent gij dan een anderen draad, die zóo fijn is als deze?”
-</p>
-<p>»Zóo fijn als deze?—Neen jufje.”
-</p>
-<p>»Ziet gij nu wel dat die leelijke spin nog zoo dom niet is als gij wel zoudt denken,
-en dat de draden die zij kan maken vrij wat fijner en fraaier zijn, dan die welke
-door menschenhanden gemaakt worden?”
-</p>
-<p>»Ja, zoo’n draadje! Maar wat heeft men nu nog aan zoo’n draadje?”
-</p>
-<p>»Wat men er aan heeft? Dat zal ik u zeggen. Zooals gij ziet, bestaat een web uit een
-menigte rondloopende draadjes, die weer door dwarsdraadjes, evenals aaneengeschakelde
-laddertjes aan elkander verbonden zijn. Elk dezer fijne draadjes nu, dat gij slechts
-als éen geheel kunt onderscheiden, bestaat weer uit zoovele, veel dunnere en fijnere
-draadjes, dat gij die, indien men ze eens uitgespreid vóor u op tafel kon leggen,
-zelfs met geen mogelijkheid zoudt kunnen tellen.”
-</p>
-<p>»Hé jufje, en daar zie ik niets van!”
-<span class="pageNum" id="pb38">[<a href="#pb38">38</a>]</span></p>
-<p>»Ja, mijn kind, gij kunt niet alles zien wat bestaat; er is nog zóoveel in de natuur
-waarvan gij u geen denkbeeld kunt vormen, maar daarom juist moet gij niets onopgemerkt
-laten voorbijgaan, en moet gij nooit iets met minachting behandelen, of met onverschilligheid
-beschouwen, omdat gij het niet kent of omdat gij het niet begrijpen kunt.—Maar weet
-gij mij nu ook te zeggen, lieve Mela, waarom die spin dat kunstig weefsel maakt en
-waarmede zij de menschen van dienst kan wezen?”
-</p>
-<p>»Neen jufje.”
-</p>
-<p>»Zooals gij nu dat net dáarvoor u ziet, dient het hoofdzakelijk tot het vangen van
-vliegen en andere insekten, waarmede de spin zich voeden moet, terwijl zij de menschen
-alzoo tevens van een werkelijke plaag bevrijdt. Later, wanneer zij haar eieren gelegd
-heeft, waaruit weder andere spinnetjes te voorschijn moeten komen, spint zij ook die
-eiertjes geheel in een webje, om ze op deze wijze te behoeden tegen de aanvallen van
-weer en wind, waardoor zij anders beschadigd of geheel vernield zouden worden. En
-wat zegt gij nu wel van die leelijke, domme spin, Melatie? Wilt gij haar nu nog met
-uw bezem dooden, omdat gij haar zoo leelijk vindt? Ziet gij nu nog niets bijzonders
-aan dat webje? Vindt gij die dunne, fijne draadjes nu nog zóo gewoon?”
-</p>
-<p>»Neen, neen, jufje! Nu vind ik ze mooi, en nu vind ik de spin zelve ook niet half
-zoo dom meer als vroeger. En nu ik weet dat zij van vliegen en andere nare beesten
-moet leven, verzeker ik u dat ik nooit meer een enkele spin zal <span class="pageNum" id="pb39">[<a href="#pb39">39</a>]</span>plagen of dooden, want ik heb een vreeselijken hekel aan vliegen!”
-</p>
-<p>»En toch moogt gij ook zelfs geen vliegje verachten: dit hebt gij aan de spin gezien.
-Elk diertje, hoe klein en hoe gering het u ook moge toeschijnen, bestaat omdat het
-moet bestaan, omdat de goede God het een leven gaf en een werkkring op onze aarde
-aanwees, waarvoor het berekend en geschapen is. Ziet gij dus later mogelijk nog eens
-een diertje dat gij leelijk vindt, of waarvan gij om de een of andere reden een afkeer
-hebt, ontzie het dan, lieve Mela, spaar het en bescherm het, omdat het een schepsel
-is dat door denzelfden Schepper gemaakt is die u het leven gaf en die nog dagelijks
-voor u en voor uw ouders zorgt, zooals Hij ook verlangt dat Zijn schepselen onderling
-voor elkander leven zullen en voor elkander zullen zorg dragen.”
-</p>
-<p>»Altijd, jufje?”
-</p>
-<p>»Ja zeker, altijd.”
-</p>
-<p>»En de menschen schieten elkander dood, met groote geweren, zooals mijnheer Werner
-heeft.”
-</p>
-<p>»Dat mogen zij niet doen.”
-</p>
-<p>»Een mooie officier met dikke<a class="noteRef" id="xd31e1297src" href="#xd31e1297">1</a> épauletten en een grooten sabel heeft zelf aan Mama verteld, dat hij acht menschen
-in éen uur dood gemaakt had, en dat zeide hij, dat zoo goed was.”
-</p>
-<p>»Neen Mela, dat is niet goed; maar de menschen weten niet wat goed is en daarom handelen
-zij verkeerd. Al wat eenig leed veroorzaakt, is kwaad, en al wat beter of gelukkig
-<span class="pageNum" id="pb40">[<a href="#pb40">40</a>]</span>maakt is goed,—vergeet dat nooit, en als gij het een of ander doen wilt, waarvan gij
-niet weet of het goed of kwaad is, vraag dan u zelve dit: »Maak ik iets of iemand
-beter? Wie maak ik gelukkig?”—En zoo gij niets beter maakt of niemand gelukkig, doe
-het dan niet, want dan is het kwaad.”
-</p>
-<p>Melatie sloeg de oogen neer en zag twee kippen vechten om een muis.
-</p>
-<p>»Jufje!” riep zij zenuwachtig, »red die arme muis!”
-</p>
-<p>Maar de muis was verdwenen en de kippen stapten voort, kalm en tevreden evenals de
-mooie officier, die dapperheid en heldenmoed met een doodenregister staafde. Men kon
-het ze aanzien, die fiere kippen, dat ze een nuttig werk verricht hadden, een gevaarlijken
-vijand verslagen en de aarde van een ondier verlost hadden. Wat zou er van de wereld
-geworden zijn, als die kippen er niet geweest waren?
-</p>
-<p>»Arm muisje!” riep Mela. »’t Was zoo vlug en zoo vroolijk daareven! Hu! Foei! leelijke,
-stoute kippen! Ik hoop dat je ’t eerst geslacht zult worden!”
-</p>
-<p>Zóo eet de een den ander op, en toch vinden allen dat opeten verkeerd, als ’t een
-ander is die eet.…
-</p>
-<p>Lina gevoelde grooten lust tot lachen, maar hield zich goed voor haar leerling en
-plukte een hand vol gras voor een geitje, om een andere wending aan het gesprek te
-geven dat wat al te <span class="ex" lang="fr">scabreux</span> begon te worden. Melatie volgde haar voorbeeld en kwam met haar schortje vol gras
-aanloopen om jufje te helpen.
-<span class="pageNum" id="pb41">[<a href="#pb41">41</a>]</span></p>
-</div>
-<div class="footnotes">
-<hr class="fnsep">
-<div class="footnote-body">
-<div class="fndiv" id="xd31e1297">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e1297src">1</a></span> Indië, twintig jaar geleden.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e1297src" title="Ga terug naar noot 1 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div id="ch5" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e209">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="label">VIJFDE HOOFDSTUK</h2>
-<h2 class="main">EEN BRIEF VAN HUIS</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first address">Mejufvrouw L. Van Wageningen. Adres:<br>
-den WelEd. Heer Oristorio, enz., enz.
-</p>
-<p class="salute"><span class="ex">Liefste Lina!</span>
-</p>
-<p>Wel mijn kind, wat waren wij gelukkig toen wij heden morgen de tijding ontvingen van
-uw goede aankomst in Oost-Indië! Richard is den ganschen dag zóo wild geweest van
-vreugde dat er geen huis met hem te houden was, Ella Salvita was te opgewonden om
-te ontbijten, zelfs om mij suiker in mijn thee te geven, nu ik beken je ronduit dat
-ik het niet bemerkt had vóor dat zij zelve het zag, en mij lachend verweet dat ik
-even ongeduldig en zenuwachtig was als zij! Je oude poes begreep niets van de consternatie,
-maar Bijoux scheen je ganschen brief met ons te lezen, en deelde in de vreugde alsof
-hij tot de familie behoorde. Mietje alleen kwam vrij nuchter uit den hoek met haar:
-»Och! heetje! Is de juffer nou in dat verre land! Wel, wel, ’t is wat te zeggen!”
-En dan beweren de geleerden dat Mietje meer ziel heeft dan Bijoux. ’t Is mogelijk,
-maar ik geloof het niet. En indien het zóo is, welnu dan acht ik er den hond des te
-hooger om, daar hij beter gebruik van de zijne maakt dan zij van de hare.
-</p>
-<p>En nu heb ik je wat nieuws mee te deelen, namelijk dat ik je wijzen raad gevolgd en
-Ella ten huwelijk gevraagd heb. Zij was in deze omstandigheid weer eenvoudig <span class="pageNum" id="pb42">[<a href="#pb42">42</a>]</span>groot, zooals zij in alle anderen geweest is.—»Neen,” was haar eerste woord. »Ik ben
-de vrouw niet die geluk in een familie brengen kan.”—»Wie kan die vrouw zijn, indien
-gij haar niet zijt?” vroeg ik haar. »Waar is verstand en ziel en wil vereenigd als
-in u? Waar liefde tot een hoogeren graad van volmaaktheid opgevoerd dan in de zelfverloochenende
-grootheid die de grondtrek van uw karakter uitmaakt.”
-</p>
-<p>Zij zag mij aan, met haar groote dankbare oogen en schudde weemoedig het hoofd, terwijl
-zij zacht en ferm zeide: »Neen, ritmeester, gij hebt kinderen, voor wie gij den heiligen
-moedernaam zuiver en onbevlekt bewaren moet.…. Een actrice vernedert de kinderen die
-haar »moeder” noemen, verlaagt <span class="ex">hem</span> die onder zijn naam de minachting tracht te verbergen, die aan den hare verbonden
-is.… Spreek nooit meer van een huwelijk. Laat mij bij u blijven en gelukkig zijn en
-bekommer u niet verder over een leven dat, God geve het, niet lang meer duren zal.”
-</p>
-<p>Zij glimlachte, en verliet de kamer met een kalmte die ieder ander dan mij, had doen
-denken dat zij ongevoelig was.
-</p>
-<p>Ik oogde haar na toen zij den gang doorging, den trap op, in hare kamer.… en toen
-alles stil was, volgde ik haar.
-</p>
-<p>Ik vond haar op de sofa, met het gelaat in de handen, bitter schreiende. Ik had de
-deur zóo zacht geopend dat zij mij niet had hooren inkomen en dat ik naast haar zat
-eer zij het wist. »Ella,” sprak ik nauw hoorbaar. »Kom, <span class="pageNum" id="pb43">[<a href="#pb43">43</a>]</span>wisch die tranen weg en laat ons openhartig samen spreken.” Zij zag mij een oogenblik
-ontsteld aan, liet toen het hoofd op mijn schouder zinken en snikte zenuwachtig zonder
-een woord te kunnen uiten. Toen zij eindelijk tot bedaren was gekomen en haar hoofd
-half lachend op had gericht met de woorden: »Laat ons nu over iets anders spreken,”
-gaf ik haar uw brief van de Kaap de Goede Hoop, en liet ik haar zelve lezen wat gij
-omtrent een huwelijk tusschen haar en mij geschreven hadt.
-</p>
-<p>Toen zij gelezen had, gaf zij mij met bevende hand den brief terug.
-</p>
-<p>»Verlangt gij <span class="ex">liefde</span>, ritmeester?” vroeg zij aarzelend.
-</p>
-<p>»Neen. Ik verlang van u niet meer dan een jonge vrouw kan geven aan een man van mijn
-leeftijd: achting, welwillendheid, vriendschap.—” Zij zeide niets, opende een schrijfportefeuille,
-kreeg er een paar oude brieven uit en overhandigde mij die met de woorden: »Hier is
-mijn <span class="ex">liefde</span>.—De vrouw aan wie deze brieven gericht waren is dood, haar zuster zond ze mij terug,
-toen zij gestorven was, en als de weemoedige herinnering aan lang vervlogen gouden
-droomen, heb ik ze bewaard, niet denkende dat zij mij ooit te pas zouden komen.—Lees
-ze en verscheur ze dan—mijn verleden is dáar.—Later zullen wij over de toekomst spreken.”
-</p>
-<p>Ik was gereed de brieven terstond te verscheuren en zeide haar dat ik haar verleden
-als het mijne aannam, zonder onderzoek en zonder twijfel; maar zij smeekte mij zoo
-dringend aan haar verzoek te voldoen, dat ik gehoorzaamde en haar niet weerzag vóor
-etenstijd.
-<span class="pageNum" id="pb44">[<a href="#pb44">44</a>]</span></p>
-<p>Wanneer gij deze letteren ontvangt, zal Ella mijne vrouw zijn, en dan mijn kind zult
-gij een moeder hebben, op wie gij trotsch kunt wezen.….….
-</p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch6" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e219">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="label">ZESDE HOOFDSTUK</h2>
-<h2 class="main">LOUISE VAN AMERONGEN</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Het was in het midden van den goeden moesson. De zon wierp hare stralen loodrecht
-op de huizen, waarvan de daken gloeiden en de witgekalkte muren verblindend schitterden,
-terwijl de jalousieën zorgvuldig gesloten waren en niemand zich meer in de galerijen
-bevond. Ook de straten waren bijna geheel verlaten, slechts nu en dan deed zich nog
-het rateltje van den <span class="ex">Klontong</span><a class="noteRef" id="xd31e1368src" href="#xd31e1368">1</a> hooren, of het gekraak van het bamboezen juk van den <span class="ex">koeli</span><a class="noteRef" id="xd31e1373src" href="#xd31e1373">2</a> die, gebogen onder zijn zwaren last, zijn weg vervolgen moest, terwijl alles rust
-en uitputting ademde. Zelfs de vrouwen in de <span class="ex">warongs</span><a class="noteRef" id="xd31e1378src" href="#xd31e1378">3</a> sliepen bij hare <span class="ex">nassie</span><a class="noteRef" id="xd31e1384src" href="#xd31e1384">4</a> of <span class="ex">kwee-kwee</span>,<a class="noteRef" id="xd31e1393src" href="#xd31e1393">5</a> en de wisselaarsters op de hoeken der straten hadden slechts eenige duiten vóor <span class="pageNum" id="pb45">[<a href="#pb45">45</a>]</span>zich liggen om des te rustiger onder den half gescheurden <span class="ex">pajong</span><a class="noteRef" id="xd31e1400src" href="#xd31e1400">6</a> op de kleine gevlochten <span class="ex">tikar</span><a class="noteRef" id="xd31e1409src" href="#xd31e1409">7</a> te kunnen voortdommelen, gedurende de weinige uren dat de groote warmte alles, tot
-zelfs het geld, bijna vergeten deed.
-</p>
-<p>’t Is nog te vroeg, maar wacht even, en wij zullen met de ondergaande zon in deze
-schijnbaar uitgestorven stad het lachend Samarang herkennen. Dan zullen wij alle huizen
-geopend zien, alle wegen bezocht vinden, dan.… maar wacht nog even, het is nauwlijks
-drie uur geslagen en de europeesche bevolking is nog grootendeels in rust.
-</p>
-<p>In den tuin, vóor een smaakvolle villa aan den <span class="corr" id="xd31e1415" title="Bron: bodjongschen">Bodjongschen</span> weg loopt een jonge slavin, in haar kort wit baadjoe en rood geruiten sarong, die
-met een gouden band om het middel wordt vastgehouden, onophoudelijk van het eene bloembed
-naar het andere. Zij knipt de schoonste knoppen af, plukt de geurigste rozen, maar
-schudt nog steeds ontevreden het hoofd, alsof zij hetgeen zij zocht, niet vinden kon.
-Eindelijk keert zij schoorvoetend naar huis terug.
-</p>
-<p>»Wat zal Nonna<a class="noteRef" id="xd31e1420src" href="#xd31e1420">8</a> boos zijn. Geen enkele witte roos van daag!” denkt zij bij zichzelve en nauw hoorbaar
-sluipt zij een groote kamer binnen, waar zij de bloemen in een blauw glazen kommetje
-op een smaakvolle toilettafel plaatst.
-</p>
-<p>»Hoe laat Alima?” roept een zachte stem uit het <span class="pageNum" id="pb46">[<a href="#pb46">46</a>]</span>groote ledikant, waarvan de dunne neteldoeksche gordijnen langzaam door een fijn wit
-handje op zijde worden geschoven.
-</p>
-<p>»Bij vieren, Nonna.”
-</p>
-<p>»Bij vieren! gauw de thee! Mijn hemel! Hoe kom ik nog klaar! Gooi de jalousieën open!
-Roep Rosa! Kap mij! Raap mijn boek op! Geef mijn kousen! Laat zien de bloemen! Gauw!
-Gauw! Ik heb haast! Rosa! Rosa!”
-</p>
-<p>Alima raapte dood bedaard, eerst het boek op, dat hare jeugdige meesteres in haar
-drift uit bed had laten vallen, schoof toen een grooten rotangstoel voor den toiletspiegel
-en opende eindelijk de jalousieën, om daarna achtereenvolgens alle verdere bevelen
-ten uitvoer te brengen, terwijl Louise <span class="corr" title="Bron: Van">van</span> Amerongen met haar boek op den grooten stoel neerviel en Eugène Sue’s »Orgueil” half
-liggend vervolgde, zooals zij die een uur te voren half slapend begonnen was.
-</p>
-<p>Toch was Louise niet lui, noch heerschzuchtig, noch wispelturig, maar zij was verwend.
-Zij was de eenige dochter van een schatrijken koopman, de oogappel, de afgod, de geheele
-toekomst harer ouders, die haar lief hadden en bedierven met een verblindheid welke
-alle perken te buiten ging. Tusschenbeide had het mevrouw Van Amerongen wel eens gehinderd
-dat hare dochter zoo langzaam in hare bewegingen, zoo kortaf in hare antwoorden, wezen
-kon; maar mevrouw Van Amerongen was een <span class="corr" id="xd31e1436" title="Bron: europesche">Europeesche</span> vrouw, terwijl haar dochter geboren en opgevoed was in Indië, waar onverschilligheid
-en opvliegendheid elkander steeds de eerste plaats in het hart der meeste vrouwen
-<span class="pageNum" id="pb47">[<a href="#pb47">47</a>]</span>betwisten; zij begreep dus dat zij hier met een kwaal te worstelen had, waarvan haar
-kind niet dan met de grootste moeite te genezen zou zijn. Buitendien was <span class="corr" id="xd31e1441" title="Bron: Louize">Louise</span> rijk en bevallig genoeg dat men haar zulke kleine gebreken vergeven kon. Heeft niet
-ieder mensch het een of ander in gewoonte of manieren dat wel anders wezen mocht?
-En verder werd er niet aan de verbetering van de oogappel gedacht.
-</p>
-<p>Louise was nauwelijks vijftien jaar oud, maar zij was groot voor haar leeftijd en
-geheel ontwikkeld; daarbij was zij schoon met haar fluweel zwarte oogen, haar golvend
-haar en hare schitterend witte tanden, haar slanke leest en haar kleine welgevormde
-handen en voeten. Ook was er iets vreemds, iets aantrekkelijks in hare bevallige ronde
-bewegingen, in haar statigen langzamen gang, terwijl haar fiere houding, gevoegd bij
-haar zachte welluidende stem, aan haar geheele persoon iets boeiends en meesleepends
-gaven.
-</p>
-<p>En het hart?—Het hart was goed en sloeg voor al wat groot en edel is. Ook het hoofd
-was goed, maar ’t was niet goed bestuurd geworden, en hierdoor werd dáar waar het
-scherpe oordeel van het <span class="ex">kind</span> tekort schoot, helaas! maar al te dikwijls de koude rede van den »gedésillusionneerden”
-mensch geloofd.
-</p>
-<p>Alima kwam eindelijk terug met een kopje koude thee en een paar schoteltjes kwee-kwee.
-Rosa, een meisje van een jaar of dertien, volgde haar, plaatste zich zwijgend tegen
-den muur en wachtte.
-</p>
-<p>»Waarop wacht gij?” vroeg Louise.
-<span class="pageNum" id="pb48">[<a href="#pb48">48</a>]</span></p>
-<p>»Ik ben bij nonna Van den Berg geweest, nonna.”
-</p>
-<p>»En?”
-</p>
-<p>»Nonna Van den Berg zal tegen half zes te paard hier zijn.”
-</p>
-<p>»Goed.”
-</p>
-<p>»Toewan ketjil<a class="noteRef" id="xd31e1461src" href="#xd31e1461">9</a> laat vragen of hij de nonnas vergezellen mag?”
-</p>
-<p>»Hm—m,” toestemmend geluid.
-</p>
-<p>»Moet ik antwoord zenden, nonna?”
-</p>
-<p>»Neen, kap mij.”
-</p>
-<p>Rosa maakte een zestal breede vlechten van het weelderige, zwarte haar en schikte
-ze in sierlijke lussen om het fraaie kopje harer meesteres.
-</p>
-<p>»Alima, krijg mijn amazone uit de kast, en al wat ik verder noodig heb, leg alles
-op bed bij elkaar.”
-</p>
-<p>De slavin liep eenige keeren de kamer op en neer, haalde hier het rijkleed, daar den
-hoed, ginds de handschoenen en plaatste zich, toen alles gereed lag, naast Rosa, achter
-den stoel harer meesteres om op nieuwe bevelen te wachten.
-</p>
-<p>Louise echter was geheel in <span class="ex">l’Orgueil</span> verdiept, en hoorde of zag niets van hetgeen er om haar henen voor viel.
-</p>
-<p>De pendule sloeg weer éen, daar werd zij wakker.
-</p>
-<p>»Ja! Allah! half vijf!”
-</p>
-<p><span class="ex">L’Orgueil</span> ging op den grond, de koekjes moesten
-</p>
-<p> <span class="pageNum" id="pb49">[<a href="#pb49">49</a>]</span>weg, de thee stortte over het blad, alles ging het onderste boven om nonna spoedig
-in de kleeren te helpen … Eindelijk was zij gereed, en met een lichten blos van het
-reppen, trad zij in haar sierlijk rijkleed den hoogen stoep af, onderaan welken Henri
-<span class="corr" title="Bron: Van">van</span> den Berg, de broeder harer vriendin, gereed stond om haar bij het te paard stijgen
-behulpzaam te zijn.
-</p>
-<p>»Waar blijft Marie?” vroeg zij lachend.
-</p>
-<p>»Zij zal volgen met papa en met Willem Nieland, dien wij juist tegen kwamen toen wij
-het hek uit reden.” En hij zag haar aan alsof hij voor haar antwoord vreesde.
-</p>
-<p>»Wij zullen hen te gemoet gaan,” sprak het meisje spotachtig. Henri boog zwijgend
-en reikte haar de hand tot opstijgen.
-</p>
-<p>Wat was de jonge lachende Louise schoon, toen hare donkere oogen van hoop en leven
-schitterden en hare slanke buigzame gestalte zoo sierlijk uitkwam op den fieren Arabischen
-Isabel die, trotsch op zijn schoonen last, het edel hoofd nog hooger ophief en in
-vollen galop het hek uitvloog.
-</p>
-<p>Louise’s ouders oogden haar na en konden den glimlach niet bedwingen, die zoo duidelijk
-zeide hoe zij hun eenig kind bewonderden en liefhadden, met al den trots hunner ziel.
-</p>
-<p>»Henri verraadt zich toch gedurig,” sprak mijnheer Van Amerongen.
-</p>
-<p>»Louise houdt zich goed,” antwoordde mevrouw.
-</p>
-<p>»Zij zal het niet opmerken.”
-</p>
-<p>»O, haar ontgaat niets!”
-<span class="pageNum" id="pb50">[<a href="#pb50">50</a>]</span></p>
-<p>»Henri is een beste, brave jongen, maar toch voor Louise …”
-</p>
-<p>»O, Louise kan wel betere partijen doen.”
-</p>
-<p>»Dat geloof ik!”
-</p>
-<hr class="tb"><p>
-</p>
-<p>»Louise ik begrijp u niet!” sprak Henri.
-</p>
-<p>»Dat verlang ik ook niet.”
-</p>
-<p>»Maar … Kom, antwoord mij eens wat duidelijker … Zeg mij, bid ik u …”
-</p>
-<p>»Éens Henri, maar éens vooral, hoor! Ik houd niet van herhalen, dat weet gij. Gij
-wilt weten of ik u lief heb, niet waar?”
-</p>
-<p>»Ja,” antwoordde hij nauw hoorbaar.
-</p>
-<p>»Welnu, ik heb er velen lief als u.”
-</p>
-<p>»En acht gij mij?” vroeg hij verder.
-</p>
-<p>»Meer dan alle anderen te zamen.”
-</p>
-<p>»En toch …”
-</p>
-<p>»Uw vrouw, nooit, dat weet gij.”
-</p>
-<p>»Maar Louise!”
-</p>
-<p>»Geen woord meer.”
-</p>
-<p>»Maar welke toekomst droomt gij u dan? Wat verlangt gij …”
-</p>
-<p>»Ik denk aan geen toekomst en ik verlang niets. Niets dan vrij te blijven en mijn
-rechten op mij zelve te behouden.”
-</p>
-<p>»Altijd?”
-</p>
-<p>Louise wendde lachend het hoofd van hem af.
-</p>
-<p>»Zijn die rechten op u zelve u zoo dierbaar, dat gij ze levenslang zoudt wenschen
-te behouden?”
-<span class="pageNum" id="pb51">[<a href="#pb51">51</a>]</span></p>
-<p>»Oude jonge juffrouw!” riep het meisje als verschrikt, en zij lachte zóo hartelijk
-dat Henri onwillekeurig met haar mede deed. »Neen, neen, dat nooit!”
-</p>
-<p>»Wat dan?”
-</p>
-<p>»Niets.”
-</p>
-<p>»Louise, Louise, waar …”
-</p>
-<p>»Ik ben jong en gelukkig Henri, waarom …”
-</p>
-<p>»Gij hebt gelijk. Gij zijt jong en gelukkig! Geniet! Geniet zoo lang het u mogelijk
-zal zijn; blijf vroolijk en onbezorgd voortleven in de weelde en in de liefde die
-u omringen en droom u een toekomst zóo schoon en zóo heerlijk als uw fantastische
-verbeelding ze u slechts voor kan spiegelen.”
-</p>
-<p>»En in de werkelijkheid?”
-</p>
-<p>»Zult gij mogelijk een beter man gelukkig kunnen maken, een edeler mensch uw liefde
-kunnen schenken dan ik ben.”
-</p>
-<p>»Neen, dat nooit!”
-</p>
-<p>Die woorden waren haar ontvallen, want nauwlijks had zij ze gesproken of een hoog
-rood steeg haar tot aan het voorhoofd, en, zich snel voorover buigende, liet zij haar
-paard den vrijen teugel en rende zij voort tot dat zij mijnheer Van den Berg met Marie
-en Willem Nieland ontmoette.
-<span class="pageNum" id="pb52">[<a href="#pb52">52</a>]</span></p>
-</div>
-<div class="footnotes">
-<hr class="fnsep">
-<div class="footnote-body">
-<div class="fndiv" id="xd31e1368">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e1368src">1</a></span> Chineesche marschkramer.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e1368src" title="Ga terug naar noot 1 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e1373">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e1373src">2</a></span> Lastdrager.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e1373src" title="Ga terug naar noot 2 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e1378">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e1378src">3</a></span> Een klein dak van bladeren op vier bamboezen stijltjes.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e1378src" title="Ga terug naar noot 3 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e1384">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e1384src">4</a></span> Gekookte rijst; ongekookte noemt men <span class="ex">bras</span>, en in de halmen heet zij paddie.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e1384src" title="Ga terug naar noot 4 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e1393">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e1393src">5</a></span> Snoeperijen, gebak.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e1393src" title="Ga terug naar noot 5 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e1400">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e1400src">6</a></span> Groote <span class="ex">en-cas</span> van bladeren of geolied papier.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e1400src" title="Ga terug naar noot 6 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e1409">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e1409src">7</a></span> Matje.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e1409src" title="Ga terug naar noot 7 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e1420">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e1420src">8</a></span> Juffrouw.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e1420src" title="Ga terug naar noot 8 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e1461">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e1461src">9</a></span> Jonge mijnheer.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e1461src" title="Ga terug naar noot 9 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div id="ch7" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e229">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="label">ZEVENDE HOOFDSTUK</h2>
-<h2 class="main">EEN BAL</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">In de dagen der verpachting telde Samarang de meeste feesten. De resident, de kolonel,
-nog een paar hooggeplaatste personen en eenige rijke partikulieren waren er op gesteld
-de vreemde residenten beleefdheden te bewijzen en hadden dus reeds van te voren met
-elkander overlegd, over welke dagen ieder van hen te beschikken zou hebben.
-</p>
-<p>Wat al vreugde voor de jonge meisjes, die weder haar balkleederen in gereedheid konden
-brengen en menigen vroolijken avond in het vooruitzicht hadden. Maar welk een vreugde
-voor Louise <span class="corr" title="Bron: Van">van</span> Amerongen vooral, die weder zou schitteren en uitblinken boven allen en reeds vooraf
-verzekerd kon wezen van nieuwe en onafgebroken triomfen!
-</p>
-<p><span id="xd31e1552"></span>Wat was zij schoon toen zij ’t open rijtuig uitsprong en het helder licht der dammers
-haar vriendelijk gelaat bescheen! Toen het vol orkest haar met de groote trom aan
-’t hoofd, begroette, en zij lachend haar net geganteerde hand aan Albert <span class="corr" title="Bron: Van">van</span> den Hove reikte, om op zijn arm geleund de lange galerijen van het residentiegebouw
-te doorloopen, eerst haar opwachting bij de gastvrouw te maken en vervolgens haar
-plaats in te nemen aan het lagere einde der zaal, waar zij terstond door een aantal
-heeren omringd werd, die elkander verdrongen voor een <span class="pageNum" id="pb53">[<a href="#pb53">53</a>]</span>dans, een lach, een blik van de »Roos van Samarang”.
-</p>
-<p>Wat was zij schoon toen ze eindelijk drong door den dichten drom van aanbidders die
-haar den weg versperde, en licht en vlug de wals begon, welke zij volhield, van den
-eenen danser naar den anderen overgaande, tot dat de muziek verstomd was en het laatste
-paar van vermoeidheid uitgeput tot staan was gekomen.
-</p>
-<p>Hoe velen hadden haar opgemerkt, hoe velen hadden haar nageoogd en door hoe velen
-was zij weder bewonderd of benijd geworden?
-</p>
-<p>Zij wist het niet; maar het kon haar ook niet schelen. Zij die gewoon was opgemerkt
-te worden, zag niet meer dat zij nageoogd, bewonderd en benijd werd. Het wufte kind
-van het oogenblik bleef koud voor de lofuitingen der wereld, terwijl haar hart schier
-hoorbaar klopte en haar oogen schitterden van geluk bij het denken aan een tweede
-wals!
-</p>
-<p>Lach maar kind! De ware wijsheid is geluk. De wereld biedt tranen genoeg en zorgen
-in overvloed aan den rijpen leeftijd; lach gij maar voort zoolang gij lachen kunt.
-De vroolijkheid is het schoonste sieraad der jeugd. Geniet zoolang gij slechts kunt,
-dans voort, en volg de inspraak van uw hart, zoolang die uit kinderlijken eenvoud
-en oprechtheid voortspruit; wees wispelturig zelfs, als gij wilt … de wispelturigheid
-op uw jaren is geen gebrek, wanneer zij met goedhartigheid gepaard gaat.
-</p>
-<p>»Neen, ik blijf zitten,” zei ze.
-</p>
-<p>»Maar Louise, gij die nooit wilt blijven zitten!”
-</p>
-<p>»Al zou het dan ook enkel voor de variatie wezen.”
-<span class="pageNum" id="pb54">[<a href="#pb54">54</a>]</span></p>
-<p>»Een quadrille is toch niet vermoeiend, die kunt gij even goed mee doen als …”
-</p>
-<p>»Vermoeiend! En wie spreekt daarvan? Ik ben nooit vermoeid!”
-</p>
-<p>»Nu, kom dan mede?”
-</p>
-<p>»Neen.”
-</p>
-<p>»Maar Louise!”
-</p>
-<p>»Neen.”
-</p>
-<p>»Gij zijt al zeer kort af, van avond.”
-</p>
-<p>»Ik ben ook heel boos op u.”
-</p>
-<p>»Op mij?”
-</p>
-<p>»Ja.”
-</p>
-<p>»Maar waarom dan? Wat heb ik u gedaan?”
-</p>
-<p>»Mij? O! mij niets. Mij kunt gij niets doen! Maar mijn vriendin hebt gij beleedigd
-en dat vergeef ik u niet licht.”
-</p>
-<p>»O ho! <span class="ex">Uw vriendin?</span> Die zwarte Mathilde, met wie ik niet dansen wil omdat zij te klein en te mager en
-te leelijk is.… Nu, dit kunt gij mij toch niet kwalijk nemen, hé?”
-</p>
-<p>»Hoor eens Willem, zij mag zoo leelijk zijn als gij wilt, dat kan ze niet helpen,
-het arme schaap, maar ze is goed en dat is genoeg.”
-</p>
-<p>»Maar dat is niet genoeg voor mij, om voor mijn plezier met haar te dansen.”
-</p>
-<p>»Dat behoeft ook niet, dans maar, en ik zal u niet vragen of gij het voor uw plezier
-gedaan hebt.”
-</p>
-<p>»Neen,” riep Willem, op zijn beurt kort af en naar de leelijke Mathilde omziende,
-ten einde een lach te verbergen.
-<span class="pageNum" id="pb55">[<a href="#pb55">55</a>]</span></p>
-<p>»Wilt gij niet?”
-</p>
-<p>»Neen.”
-</p>
-<p>»Goed.”
-</p>
-<p>Willem bleef nog eenige oogenblikken zwijgend staan wachten, terwijl Louise met haar
-waaier speelde.
-</p>
-<p>»De dans begint.”
-</p>
-<p>»Goed.”
-</p>
-<p>»Bedenkt gij u niet?”
-</p>
-<p>»Neen.”
-</p>
-<p>»Dan blijf ik hier bij u zitten.”
-</p>
-<p>»Hm.”
-</p>
-<p>»Gij zult toch wel met mij willen spreken, hoop ik?”
-</p>
-<p>»Neen.”
-</p>
-<p>»Ook niet, wanneer ik met Mathilde gedanst zal hebben?”
-</p>
-<p>»O! dan wil ik alles!”
-</p>
-<p>»Dan krijg ik een dans?”
-</p>
-<p>»Drie, als gij wilt!”
-</p>
-<p>»Goed, maar ik zal ook niet behoeven te vragen of gij ze »voor uw plezier” zult doen.”
-</p>
-<p>Een gulle, ongedwongen lach was Louises eenig antwoord.
-</p>
-<hr class="tb"><p>
-</p>
-<p>»Wie is zij, die ik daar zoo spotachtig zie lachen, schoon oud en jong in de quadrille
-staat en zij alleen is blijven zitten?”
-</p>
-<p>»Waar?.… Het is de Roos van Samarang, geloof ik! Juist zij is het! Welke tinka (caprice)
-is dat nu weer?”
-</p>
-<p>»Tinka?—Zou men haar gevraagd hebben, denkt gij?”
-<span class="pageNum" id="pb56">[<a href="#pb56">56</a>]</span></p>
-<p>»Haar gevraagd? Wel, wel resident, nu toont gij dat gij vreemdeling zijt! Kent gij
-Louise <span class="corr" title="Bron: Van">van</span> Amerongen nog niet?”
-</p>
-<p>»Is zij Louise <span class="corr" title="Bron: Van">van</span> Amerongen? De kleine coquette die alle luitenants het hoofd op hol brengt?—Een aardig
-kopje! Ik zou mij waarachtig weleens aan haar willen laten voorstellen.”
-</p>
-<p>»Nu, kom maar mede.”
-</p>
-<p>»Ja, maar is het niet wat gek, hè? een resident … Dàt zal haar geheel ongenaakbaar
-maken.”
-</p>
-<p>»Ta, ta, ta, wat al gebluf! Kom maar mee, van dien kant hebt gij niets te vreezen.”
-</p>
-<p>»Juffrouw Van Amerongen, mag ik de eer hebben u resident Stevens van Langendijk voor
-te stellen!”
-</p>
-<p>Louise boog even, bood de heeren een stoel aan, en zweeg, den resident vragend aanziende,
-om hem te kennen te geven dat hij aan het woord was.—Dit is een gewoonte, vrij algemeen
-op Java, waar een dame bijna nooit het eerst het woord tot een heer zal richten.
-</p>
-<p>»Wat hebt gij daar een lief toiletje aan, juffrouw Van Amerongen.”
-</p>
-<p>Louise, met een beleefd lachje: »vindt u?”
-</p>
-<p>»O ja, en dat beelderige coiffuurtje! Zoodra gij de zaal binnen kwaamt, hebt gij mij
-getroffen.”
-</p>
-<p>»Ja?”
-</p>
-<p>De resident kuchte eens.
-</p>
-<p>»Ik heb zooveel over u hooren spreken,” begon hij weder, »dat ik mijnheer Vrede terstond
-verzocht heb mij aan u te presenteeren, maar gij zijt den ganschen avond <span class="pageNum" id="pb57">[<a href="#pb57">57</a>]</span>zóo geëntoureerd geweest, dat wij geen gelegenheid vinden konden om tot u door te
-dringen.”
-</p>
-<p>»Hm!” met een lachje.
-</p>
-<p>Hij kuchte weder.
-</p>
-<p>»Verduiveld, hoe bête!” dacht hij bij zichzelven, zonder te letten op de groote nonsense
-die hij zelf met zooveel emphase voordroeg.
-</p>
-<p>»Woont gij reeds lang in dat prachtige huis aan den <span class="corr" id="xd31e1652" title="Bron: Bodjonschen">Bodjongschen</span> weg, juffrouw Van Amerongen?”
-</p>
-<p>»Sedert drie jaar pas.”
-</p>
-<p>»Gij gaat zeer veel uit, niet waar?”
-</p>
-<p>»Ja, er wordt hier nog al eens gedanst.”
-</p>
-<p>»En gij houdt niet van dansen, hè?”
-</p>
-<p>»Ik? O, dol!”
-</p>
-<p>»En gij zijt nu blijven zitten?”
-</p>
-<p>»Dezen keer—ja.”
-</p>
-<p>»Bij preferen … bij verkiezing natuurlijk, want …”
-</p>
-<p>»Ja, resident.”
-</p>
-<p>Zóo spraken zij nog eenige minuten, tot dat de quadrille geëindigd was. Toen werd
-Louise weder van alle kanten door bewonderaars omringd, terwijl de resident met zijn
-vriend naar zijn speeltafeltje terugkeerde en, recht voldaan over zich zelven, een
-lange redevoering hield over de domheid, nietigheid en kleingeestigheid der vrouwen:
-»Zij zijn toch allen gelijk, of men er éen ziet of honderd, er zit nooit iets bij.”
-</p>
-<p>En wat antwoordde Louise, toen haar cavalier haar half lachend, half verwijtend vroeg,
-»hoe de ongehuwde resident haar bevallen was?”
-<span class="pageNum" id="pb58">[<a href="#pb58">58</a>]</span></p>
-<p>»Och, goed!”
-</p>
-<p>»Dat meent gij niet.”
-</p>
-<p>»Waarom?”
-</p>
-<p>»Omdat gij het zóo niet zeggen zoudt, indien gij het meendet.”
-</p>
-<p>»Maar wat wilt gij dan dat ik antwoorden zal, wanneer gij mij naar iemand vraagt dien
-ik zoo even voor het eerst gezien heb?”
-</p>
-<p>»Wel zeg mij hoe gij hem vindt, aangenaam of onaangenaam, aardig of niet, verstandig
-of …”
-</p>
-<p>»O neen, over zijn verstand althans kan ik niet oordeelen!”
-</p>
-<p>»En waarom niet?”
-</p>
-<p>»Omdat men een heer eenige malen met andere heeren ongestoord moet hebben hooren spreken,
-om te weten of er wat bij zit of niet; met ons dames zijn alle heeren dom.”
-</p>
-<p>»O! dat zal ik mijn vriend terug vertellen!”
-</p>
-<p>»De resident is uw vriend?”
-</p>
-<p>»Ja juffrouw.”
-</p>
-<p>»Goed.”
-</p>
-<p>»Ik mag dus?”
-</p>
-<p>»Och! waarom niet; het kan mij niet schelen.”
-</p>
-<p>En zij danste weder voort, en sprak en lachte en was gelukkig als te voren, zonder
-verder aan den resident te denken.
-</p>
-<p>Nu kent gij Louise <span class="corr" title="Bron: Van">van</span> Amerongen, wier schoonheid aller oogen boeide, wier coquetterie aller tongen in beweging
-bracht. Coquetterie! ’t Arme kind wist niet eens <span class="pageNum" id="pb59">[<a href="#pb59">59</a>]</span>wat dat uitheemsche woord beteekende! Dat behoefde ook niet. Zij was jong en schoon
-en rijk, en daarbij was zij vrij in hare bewegingen en ongedwongen in haar gesprekken:
-wat is er meer noodig om een vrouw <span class="ex">coquette</span> te noemen?
-</p>
-<p>Louise, het vroolijke, zorgelooze kind, kende haren bijnaam en lachte er om, terwijl
-zij onschuldig met de harten harer aanbidders speelde en hare nijdige <span class="ex">vriendinnen</span> over haar wangunst bespotte.
-</p>
-<p>O, vrouwen! zoo gij wist hoe gij uzelve benadeelt door al dat noodeloos geschimp,
-door dat geringschatten van al wat uw sfeer te boven gaat! Zoo gij wist hoe bespottelijk
-gij uw eigen nietigheid tentoonstelt, door de meerderheid van anderen onzinnig te
-ontkennen, gij zoudt zwijgen, geloof ik, al ware het ook slechts uit eigenbelang …
-Maar neen, gij zoudt niets, zoolang gij uw arme ziel niet gereinigd hadt van de duizende,
-kleine, lage hartstochten die in <span class="ex">onkunde</span> hun oorsprong hebben en als égoïsme, haat en afgunst het leven verpesten van uzelve
-zoowel, als van de onschuldige wezens die het ongeluk hebben van door u opgemerkt
-te worden.
-<span class="pageNum" id="pb60">[<a href="#pb60">60</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch8" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e239">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="label">ACHTSTE HOOFDSTUK</h2>
-<h2 class="main">HET BEZOEK VAN DEN RESIDENT</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Den dag na het bal was Louise weder alleen in haar kamer. Ditmaal sliep zij niet;
-zij lag in een dun wit morgengewaad op een rustbank uitgestrekt en speelde met de
-donkere lokken die langs haar schouders golfden en in dikke krullen tot op den vloer
-neder hingen. Hare oogen staarden gedachteloos en haar lippen waren stijf op elkander
-geperst, terwijl haar boek nog ongeopend naast haar lag. Plotseling sprong zij uit
-hare half droomende, half wakende houding op, een koortsachtige flikkering schitterde
-in haar somber oog en een diepe zucht ontsnapte den geprangden boezem.
-</p>
-<p>Toen wierp zij zich weder in de kussens en wachtte kalm en geduldig tot dat Alima
-met de thee kwam om haar, als naar gewoonte, te wekken en te helpen kleeden.
-</p>
-<p>»Is het zoo goed, nonna?” vroeg de jonge slavin, toen het weelderige haar gevlochten
-en opgemaakt was. »Vindt nonna de bloemen frisch genoeg?”
-</p>
-<p>»Bloemen! O neen, geen bloemen vandaag!”
-</p>
-<p>Alima wierp de met zooveel zorg geschikte rozen ter zijde.
-</p>
-<p>»Is het nu naar uw zin, nonna?”
-</p>
-<p>»Hm—m.”
-</p>
-<p>En zonder zelfs een blik in den spiegel te werpen, stond Louise op en liet zij Alima
-ongestoord haar toilet voltooien <span class="pageNum" id="pb61">[<a href="#pb61">61</a>]</span>alsof het haar niet schelen kon hoe zij er uit zou zien.
-</p>
-<p>Voor dien avond had resident Stevens van Langendijk belet laten vragen bij mijnheer
-en mevrouw Van Amerongen, en Louise, die deze eer verbazend vervelend vond, had een
-rijtuig laten inspannen om Marie <span class="corr" title="Bron: Van">van</span> den Berg te halen, met wie zij den ganschen avond half fluisterend zat te praten
-om den resident niet in zijn gesprekken te stooren, die nu, <span class="ex">met opzet</span>, in het geheel niet dom of onbeduidend waren.
-</p>
-<p>»Zij is verduiveld mooi!” dacht de resident bij zichzelven, terwijl hij zich uitsloofde
-om de aandacht van het jonge meisje op de een of andere wijze tot zich te trekken.
-»Zij zou wel goed voldoen in het groote residentiehuis—aan het hoofd van de tafel—naast
-den Gouverneur-Generaal bij voorbeeld—als mijn vrouw: Louise Stevens van Langendijk—dat
-klinkt nog zoo slecht niet. En een meisje met fortuin … Enfin, daar kunnen wij altijd
-nog wel toe komen.—Eén woord en ik heb haar!”
-</p>
-<p>»Wat is hij leelijk!” waren bijna op hetzelfde oogenblik Louise’s gedachten. »Zoo’n
-rood gezicht—en zulke grasgroene oogen, met zulk lichtgeel haar! Net <span lang="ms">boeloe jagong</span>!—Ik kan mij best begrijpen dat hij niet getrouwd is.—Wie zou ook zoo’n man willen
-hebben!”
-</p>
-<p>Eindelijk sloeg het elf uur en ging de resident naar huis. Ieder kreeg een handje,
-Louise alleen werd met een stijve buiging afgescheept.
-</p>
-<p>»Niet beleefd!” fluisterde zij Marie lachend in het oor, <span class="pageNum" id="pb62">[<a href="#pb62">62</a>]</span>terwijl zij het hoofd van hem afwendde en zich, zonder verder over hem te spreken,
-ter ruste begaf, tevreden over hare opzettelijke onverschilligheid en hoogst voldaan
-over de halve onbeleefdheid van den resident.
-</p>
-<p>Vreemd vrouwelijk instinkt! Louise was gelukkig over den weinig gunstigen indruk dien
-zij op den resident scheen gemaakt te hebben, en toch beving haar een soort van huivering
-wanneer zij aan die koude, stijve buiging dacht.
-</p>
-<p>En waarom?
-</p>
-<p>Zij wist het niet. Zij kon zich geen rekenschap geven van het vreemd gevoel waarmede
-zij te worstelen had, telkens wanneer zij zijn naam slechts hoorde. Toch had zij eigenlijk
-niets tegen den resident, en kon zij geen enkele reden vinden om hem minder genegen
-te wezen dan iederen anderen vreemdeling, met wien de omstandigheden haar in kennis
-brachten.
-</p>
-<p>»Ik ben bang voor dien man!” dacht zij bij zichzelve, en hoewel zij zich moeite gaf
-hem te vergeten of haar kinderachtigen afkeer van hem te overwinnen, toch was haar
-laatste gedachte telkens weder:
-</p>
-<p>»Ik ben bang voor hem!”
-<span class="pageNum" id="pb63">[<a href="#pb63">63</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch9" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e249">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="label">NEGENDE HOOFDSTUK</h2>
-<h2 class="main">DE HUWELIJKSAANVRAAG</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">»Is nonna Louise t’huis?” vroeg Marie <span class="corr" title="Bron: Van">van</span> den Berg, den volgenden morgen reeds om half negen uit haar palankijn<a class="noteRef" id="xd31e1759src" href="#xd31e1759">1</a> stappende.
-</p>
-<p>»De nonna is in hare kamer, nonna.”
-</p>
-<p>»Goed. Gij kunt heengaan, Drono. Mijnheer Van Amerongen zal mij van avond wel naar
-huis laten brengen.”
-</p>
-<p>Drono reed weg en Marie begaf zich naar Louise’s kamer, waar zij haar vriendin met
-loshangend haar, op een matje op den vloer vond zitten, bezig met een kleinen zwarten
-aap in de kleeren harer pop te steken.
-</p>
-<p>»Wat doe je daar?” vroeg zij lachend. »Ja, kassian! Arm Keesje! Wacht, ik zal je helpen,
-hier, hier is een speld.”
-</p>
-<p>»Dank je. Och, Marie, je neemt niet kwalijk dat ik niet opsta.…”
-</p>
-<p>»Ik kom bij je zitten. Wel mijn goed best Keesje! <span class="corr" id="xd31e1769" title="Bron: hoe">Hoe</span> gaat het? Wat ziet hij er uit, het stumpertje. Hier is zijn kleedje. Gedécolleteerd
-nog al! En wat een mager, zwart, ruig halsje, zal daar uitkomen!”
-</p>
-<p>»En die zevenmijls handjes en voetjes!”
-</p>
-<p>»O! Wat is Keesje nu mooi! Ja, kassian! Wat houdt <span class="pageNum" id="pb64">[<a href="#pb64">64</a>]</span>hij zich stil! Wat is hij deftig! Wat loopt hij trotsch! Net de vrouw van Pieter Papelaya!
-hè?”
-</p>
-<p>»Ja, ja, precies Kakamia <span class="corr" id="xd31e1780" title="Bron: Papalaya">Papelaya</span>! maar toch zóo leelijk niet!”
-</p>
-<p>En Kees kreeg op elke wang een zoen en een pisang<a class="noteRef" id="xd31e1785src" href="#xd31e1785">2</a> tot belooning.
-</p>
-<p>De meisjes hadden dolle pret, en nauwlijks was de pisang op, of zij grepen Keesje
-ieder bij een poot en begonnen een wandeling door de achtergalerij.
-</p>
-<p>»Wij moesten eigenlijk een wagentje hebben,” begon Marie, »dan konden wij den tuin
-met hem rondrijden.”
-</p>
-<p>»Een wagentje? Ja—wacht—wilt gij hem even vasthouden dan zal ik den ouden mandewagen
-gaan zoeken, die moet hier of daar in de bijgebouwen staan, geloof ik. De kinderen
-van den koetsier hebben er laatst mee gespeeld.—Ha! daar zie ik Rosa! Rosa, haal den
-mandewagen!”
-</p>
-<p>»De mandewagen Nonna? Daar zijn de voorwielen af.”
-</p>
-<p>»Dat is niets, haal hem maar.”
-</p>
-<p>Een oogenblik later kwam Rosa met een ouden mandewagen aangeloopen, dien zij zeer
-voorzichtig aan den vóorkant ophield om hem niet verder te vernielen.
-</p>
-<p>»Wel zóo gaat het goed!” riep Marie, verrukt over de twee achterwielen, die nog vastzaten
-en ronddraaiden. »Als gij ons nu een kussen kunt geven, dan zult gij Keesje eens deftig
-in zijn equipage zien zitten.”
-</p>
-<p>Rosa bracht een gehaakt canapé-kussen uit Louise’s <span class="pageNum" id="pb65">[<a href="#pb65">65</a>]</span>kamer, Keesje werd er op gezet en zoo nam de toer een aanvang.—Kees liet zich de pret
-geduldig welgevallen, zoo lang hij bijna geen beweging gevoelde, maar toen de meisjes,
-dat langzaam loopen moede, het op een draven begonnen te zetten zonder aan het ontbreken
-van de voorwielen te denken, toen werd de arme Kees zoodanig heen en weer geschokt
-dat hij uit pure wanhoop den wagen uitsprong en wegvlood zoo goed en zoo kwaad als
-zijn wijde kousjes en zijn sleepjapon het hem veroorloofden.
-</p>
-<p>»Kees is weg!” riep Louise, half uitgeput op den hoek van een schelpenpad staan blijvende.
-</p>
-<p>De beide meisjes tuurden den tuin door en zagen eindelijk het schelmpje met groote
-moeite de stoep der achtergalerij opstrompelen.
-</p>
-<p>»Daar is hij! Pak hem!” riepen beiden, en zij renden den tuin door, de stoep op, de
-achtergalerij in, de binnengalerij door, naar voren …
-</p>
-<p>»Goeden morgen, dames!” klonk het op eens. Marie was reeds verdwenen, maar Louise
-die niets gezien had vóor het te laat was, stond onthutst en blozend tegenover den
-resident Stevens van Langendijk.
-</p>
-<p>»Ik had niet durven hopen het genoegen te hebben van mejuffrouw Van Amerongen al zóo
-vroeg in den morgen te ontmoeten.”
-</p>
-<p>De resident sprak zóo ernstig dat Louise het waagde haar groote zwarte oogen naar
-hem op te heffen.
-</p>
-<p>»Het is toevallig,” sprak zij nauw hoorbaar; toen wierp zij een blik in den tuin vóor
-het huis. Daar sprong iets wits in een mangaboom rond, terwijl er zeer zacht in de
-<span class="pageNum" id="pb66">[<a href="#pb66">66</a>]</span>binnengalerij gehoest werd. Louise bloosde weder en sloeg de oogen neer terwijl zij
-zich boog om den resident een stoel aan te bieden, en een lach aan zijn stijven blik
-te onttrekken.
-</p>
-<p>»Neem plaats, resident … zoo gij een oogenblik wilt wachten, zal ik papa.…”
-</p>
-<p>»Gaarne, zeer gaarne, ik heb een dringend verzoek aan uw vader te doen.”
-</p>
-<p>Louise verdween. Mijnheer Van Amerongen kwam zelf vóor om den resident te verzoeken
-hem naar zijn kamer te volgen.
-</p>
-<p>»Mijnheer Van Amerongen,” dus begon de resident de deur achter zich dicht trekkende,
-»ik ben smoorlijk verliefd op uw dochter en, om geen onnoodige woorden te verspillen,
-zal ik je maar dadelijk vertellen dat gij mij hier ziet om u haar hand te vragen.”
-</p>
-<p>»Resident!” riep mijnheer Van Amerongen verbaasd, »mijn dochter? Maar mijn dochter
-is nog …”
-</p>
-<p>»Zoo jong, wilt gij zeggen. Wel mijn vriend, dat is geen gebrek! Ik houd niets van
-oude vrouwen, en als dit dus uw eenige zwarigheid is, verontrust u dan niet, ik beloof
-u, dat ik voor haar een echtgenoot en een vader tevens wezen zal.”
-</p>
-<p>Mijnheer Van Amerongen kon geen antwoord vinden, hij stotterde iets van »onverwacht
-geluk” en »eer”, maar verder kwam hij niet.
-</p>
-<p>»Het is zóo dus gedécideerd,” hernam de resident, op een toon die geen tegenspraak
-duldde. »Gij zult mijn voorspraak bij uw dochter wezen en ik zal over <span class="pageNum" id="pb67">[<a href="#pb67">67</a>]</span>een paar dagen terugkomen om uw antwoord te vernemen.”
-</p>
-<p>»Goed resident … zeer goed,” stemde de vereerde vader toe, recht verheugd dat de resident
-zichzelven geantwoord had.
-</p>
-<p>»Maar resident …” vroeg hij aarzelend toen mijnheer Stevens de kamer reeds bijna verlaten
-had, »twee dagen, ik geef u in bedenking … dat …”
-</p>
-<p>»Ja, man! Ik weet wel dat men bij gelegenheden als deze, doorgaans bij acht of veertien
-dagen zweert, maar wij hebben vandaag Maandag en Vrijdag moet ik weer in mijn residentie
-zijn, wat kan ik daaraan doen?”
-</p>
-<p>De resident lachte zeer vriendelijk, reikte mijnheer Van Amerongen de hand en stapte
-in zijn rijtuig.
-</p>
-<p>»Tot Woensdag dus!”
-</p>
-<p>»Tot Woensdag resident.”
-</p>
-<p>Het rijtuig rolde weg. Koortsachtig vlug spoedde mijnheer Van Amerongen zich naar
-de kamer zijner vrouw.
-</p>
-<p>»Nieuws! Groot nieuws Henriette,” riep hij, half buiten adem binnenstuivende. »Louise,
-onze Louise,——residentsvrouw!—Stevens van Langendijk, hier geweest!——Louise gevraagd!”
-</p>
-<p>Hij stikte haast in de blijde boodschap. Henriette begreep maar half. »Wat bedoelt
-gij?” vroeg zij zacht, terwijl haar hart bonsde alsof het van elkaar zou springen.
-</p>
-<p>»Louise!—Resident Stevens van Langendijk heeft Louise ten huwelijk gevraagd!”
-</p>
-<p>Mevrouw antwoordde niets. Zij wierp zich in zijn <span class="pageNum" id="pb68">[<a href="#pb68">68</a>]</span>armen en zag hem, door haar tranen heen, zoo verheugd, zoo dankbaar aan, alsof het
-<span class="ex">zijn</span> schuld was dat een resident verliefd op hun dochter was geworden.
-</p>
-<p>»Waar is Louise?”
-</p>
-<p>»In den tuin, met Marie.”
-</p>
-<p>Mijnheer Van Amerongen klapte in de handen, floot, riep Drono, Saït, Bonsoe, Siedin,
-en maakte zooveel lawaai dat de jongens uit alle hoeken van het huis gelijktijdig
-de kamer kwamen binnenstormen.
-</p>
-<p>»Nonna Louise?”
-</p>
-<p>Allen zwegen.
-</p>
-<p>»Ik weet niet waar de nonna is,” antwoordde eindelijk de moedigste van allen.
-</p>
-<p>»Zoek haar en zeg haar dat ik de nonna oogenblikkelijk wensch te spreken.”
-</p>
-<p>De woordjes <span class="ex">wij</span> en <span class="ex">ons</span> worden op Java zelden gebezigd, doorgaans hoort men echtgenooten spreken van <span class="ex">mijn</span> huis, <span class="ex">mijn</span> wagen, <span class="ex">mijn</span> kind, alsof zij ieder afzonderlijke huizen, wagens en kinderen hadden.
-</p>
-<p>Louise en Marie zaten onder een grooten boom achter in den tuin te spelen met het
-aangekleede Keesje, dat alle moeite deed om een doekoe machtig te worden, welke vrucht
-de meisjes aan een koord door het gras trokken.
-</p>
-<p>Zij ontstelden niet weinig op het gezicht van den zwerm bedienden die in allerijl
-op haar af kwam.
-</p>
-<p>»Wat moet gij?” vroeg Louise opspringende. »Is er een ongeluk gebeurd?—Spreek!”
-<span class="pageNum" id="pb69">[<a href="#pb69">69</a>]</span></p>
-<p>»Neen, niets nonna. Mijnheer wenscht de nonna oogenblikkelijk te spreken.”
-</p>
-<p>»Is het anders niet,” riep zij lachend, en, haar zakdoek boven haar hoofd houdende
-bij wijze van parasol, liep zij zoo hard als zij kon naar binnen.
-</p>
-<p>Mijnheer Van Amerongen ving haar in zijn armen op.
-</p>
-<p>»Goed, lief, gelukkig kind!” riep hij met tranen in de oogen. Ook mevrouw omhelsde
-haar, drukte haar aan haar hart en riep: »Goede, lieve, beste Louise!”
-</p>
-<p>En Louise, verstomd over dezen plotselingen aanval van ouderliefde, sloeg angstig
-haar oogen neder en was bang zonder zelve te weten waarvoor.
-</p>
-<p>»Maar begrijpt gij het dan niet?” vroeg mijnheer Van Amerongen eindelijk, toen de
-eerste uitboezemingen van geluk voorbij waren.
-</p>
-<p>»Ik begrijp niets—volstrekt niets,” antwoordde Louise half fluisterend.
-</p>
-<p>»En gij zelve hebt hem ontvangen, zoo even.…”
-</p>
-<p>»Wie? Wie heb ik ontvangen?”
-</p>
-<p>»Maar den resident!”
-</p>
-<p>»O! den resident! Ja, dien ben ik toevallig tegen het lijf geloopen toen ik den aap
-nazat,” antwoordde het meisje meer gerustgesteld.
-</p>
-<p>»Toevallig?—En wat heeft hij u al zoo verteld, klein ding?—Ja, dal zult gij ons niet
-zeggen, hè? Hij houdt maar wat veel van u die resident.…”
-</p>
-<p>»De resident?” herhaalde Louise, weder geheel tot haar vorige verbazing terugkeerende.
-»Ik heb haast niet met hem gesproken—ik heb hem een stoel aangeboden—<span class="pageNum" id="pb70">[<a href="#pb70">70</a>]</span>dat is al—toen ben ik u gaan roepen. Ik was niet gekleed—ik schaamde mij dood, om
-met loshangend haar.…”
-</p>
-<p>»Kom, kom, allemaal gekheid, als gij zijn vrouw zult zijn, zal hij u nog wel eens
-meer met loshangend haar zien.…”
-</p>
-<p>»Ik!” riep Louise, geheel buiten zichzelven van verwondering.
-</p>
-<p>»Ja, gij! gij, mijne Louise, gij mevrouw Stevens van Langendijk! Gij, de vrouw van
-den resident van A. Gij de eerste dame van de plaats, zoo jong als gij zijt. De rijkste,
-de schoonste, de eerste van allen! Hadt gij u ooit een dergelijk geluk durven droomen?”
-</p>
-<p>Louise antwoordde niet.
-</p>
-<p>Mevrouw Van Amerongen vatte haar zacht bij de hand en trok haar naast zich op een
-bank.
-</p>
-<p>»Wat hebt ge Louise?” vroeg zij vriendelijk.
-</p>
-<p>»Ik wil de vrouw van den resident niet worden!” riep het meisje met een koortsgloed
-op de wangen en een flikkering van toorn in de oogen. »Ik ben bang voor dien man!”
-vervolgde zij zachter, zich weenend in de armen harer moeder werpende.
-</p>
-<p>Een diepe stilte volgde.
-</p>
-<p>Mijnheer Van Amerongen gaf zijn vrouw een wenk, dien deze met een toestemmend hoofdknikje
-beantwoordde en daarop verliet hij de kamer.
-</p>
-<p>»Kom Louise,” hernam mevrouw, zoodra zij zich met haar dochter alleen bevond, »kom
-kind, gedraag u nu eens als een verstandig meisje en droog die tranen af. <span class="pageNum" id="pb71">[<a href="#pb71">71</a>]</span>Zeg mij nu kalm wat u op het hart ligt, uw vader is weg en voor mij behoeft gij toch
-geen geheimen te hebben. Gij weet wel dat uw ouders niets dan uw geluk verlangen,
-en wanneer gij een gegronde reden hebt om den resident uw hand te weigeren, dan zullen
-wij u immers ook niet dwingen tot een huwelijk dat u ongelukkig zou maken.”
-</p>
-<p>»O ongelukkig maakt het mij zeker … en hem er bij!” riep Louise hartstochtelijk, terwijl
-zij van de bank op en naar het venster vloog. Haar moeder volgde haar.
-</p>
-<p>»Hebt gij iets tegen den resident?” vroeg zij zacht.
-</p>
-<p>»Heeft mijn vader u ten huwelijk gevraagd, evenals de resident mij?”
-</p>
-<p>»Hoe meent gij dat, mijn kind?”
-</p>
-<p>»Ha, ik zie het al! Gij zoudt hem bedankt hebben, zoo hij zich buiten uw voorkennis
-tot uw ouders had gewend,… u als koopwaar had behandeld. Als een paard verkocht—weggegeven
-als een hond, zonder …”
-</p>
-<p>»Louise, Louise, bedaar toch mijn kind.—Gij moet niet vergeten dat uw ouders eenvoudige
-burgerlieden waren, terwijl de resident een man van de wereld is, en dat men in de
-groote wereld de toestemming der ouders hebben moet, eer men een meisje met zijn liefde
-bekend mag maken.”
-</p>
-<p>Louise zag haar moeder zwijgend aan.
-</p>
-<p>»Hebt gij anders niets tegen den resident?”
-</p>
-<p>»Ik weet niet <span class="ex">wat</span> ik tegen hem heb,” antwoordde het meisje somber, »maar ik weet wel dat ik zijn vrouw
-niet worden wil.”
-<span class="pageNum" id="pb72">[<a href="#pb72">72</a>]</span></p>
-<p>»Wil <span class="ex">ik</span> u zeggen wat gij tegen hem hebt, Louise? Gij zijt verwend, gij zijt bedorven door
-al die loszinnige jonge heertjes, die u steeds met hun complimenten en hofmakerijen
-vervolgen en u van liefde en huwelijken spreken, alsof gij geen ouders in de wereld
-hadt.…”
-</p>
-<p>Louise glimlachte, maar weerstond den blik harer moeder, en antwoordde kalm: »En wat
-hebben zij er bij gewonnen, denkt gij? Niets, dan dat ik mij door hen op mijn wenken
-laat bedienen,—verder sla ik geen acht op hen.”
-</p>
-<p>Mevrouw Van Amerongen was heimelijk recht gelukkig over de bekentenis harer dochter.
-Toch riep zij: »Foei Louise! En omdat gij zooveel mannen aangetroffen hebt, die laag
-genoeg waren om zich als uw knechts te laten gebruiken, daarom weigert gij de hand
-van den eerste, den eenigen man die zijn eigenwaarde gevoelt en de uwe eerbiedigt;
-die u niet alleen lief heeft, maar ook genoeg acht, om zich jegens u geheel te gedragen
-zooals de man zich in de groote wereld jegens een vrouw van aanzien gedragen moet?”
-</p>
-<p>Louise bloosde licht. »Mogelijk heb ik den resident niet goed beoordeeld,” zeide zij;
-»maar ook, al was hij de beste, de volmaaktste man op aarde, dan nog zou ik bang voor
-hem wezen, dan nog zou ik zeggen dat ik nooit zijn vrouw wil worden!”
-</p>
-<p>»Wat zijt gij toch nog kinderachtig!”
-</p>
-<p>»Veel te kinderachtig voor een residentsvrouw,” antwoordde Louise, die gevoelde dat
-zij veld begon te winnen.
-</p>
-<p>»Nu, ga maar weder spelen, ik zal aan uw vader zeggen, <span class="pageNum" id="pb73">[<a href="#pb73">73</a>]</span>dat hij nog wat geduld met u hebben moet, dat gij nog wat wachten wilt. Bedenk u intusschen
-goed: als gij mijn raad op wildet volgen, zoudt gij den resident zoo spoedig mogelijk
-aannemen, en niet het geluk van geheel uw leven verwerpen in een vlaag van opgewondenheid
-en drift, waarover gij later berouw zult hebben.”
-</p>
-<p>Louise ging schoorvoetend heen.
-</p>
-<p>»Laat Marie van het voorgevallene niets weten,” riep mevrouw haar na, »en bedenk u
-goed!”
-</p>
-</div>
-<div class="footnotes">
-<hr class="fnsep">
-<div class="footnote-body">
-<div class="fndiv" id="xd31e1759">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e1759src">1</a></span> Een langwerpig, vierkant rijtuig, aan alle kanten van glazen raampjes en jalousiën
-voorzien.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e1759src" title="Ga terug naar noot 1 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e1785">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e1785src">2</a></span> Banana, vrucht.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e1785src" title="Ga terug naar noot 2 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div id="ch10" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e260">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="label">TIENDE HOOFDSTUK</h2>
-<h2 class="main">VADER EN DOCHTER</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Den volgenden morgen, dadelijk na het ontbijt, moest Louise mijnheer Van Amerongen
-naar zijn kamer volgen.
-</p>
-<p>»Ik hoop dat gij u bedacht hebt, mijn dochter,” begon hij op een hoogst plechtigen
-toon, »en dat gij u heden wat minder dwaas en kinderachtig zult aanstellen dan gij
-gisteren gedaan hebt. Gij moet doordrongen wezen van het denkbeeld dat uw ouders u
-innig lief hebben, en dat zij dus niets van u verlangen dat strijdig met uw belangen
-en met uw plicht zou wezen. Ook moet gij weten dat de eerste plicht van kinderen jegens
-hun ouders, gehoorzaamheid is, en dat er geen grooter zonde denkbaar is dan die van
-ondankbaarheid jegens de personen die de Voorzienigheid zelve als leidslieden aan
-uw zijde heeft <span class="pageNum" id="pb74">[<a href="#pb74">74</a>]</span>geplaatst. Gij zijt nu, dunkt mij, oud en wijs genoeg om dit zelve te beseffen.”
-</p>
-<p>Mijnheer Van Amerongen zweeg een oogenblik, maar Louise zeide niets.
-</p>
-<p>»Deze punten dus afgehandeld zijnde,” hernam hij, »verzoek ik u, ook namens uw moeder,
-den resident zonder verder tegenstreven uw hand te schenken en hem morgen, als uw
-aanstaanden echtgenoot, vriendelijk en hartelijk te ontvangen.”
-</p>
-<p>Weer wachtte hij. Louise bleef nog altijd zwijgen.
-</p>
-<p>»En wilt gij dit niet,” vervolgde hij gestreng, haar stilzwijgen als tegenspraak opvattende,
-»moet ik u, hetgeen ik niet hoop, als een onwaardige dochter leeren kennen, voor wie
-de dierbaarste wenschen harer ouders niets beteekenen, moet ik u de goede, verstandige
-raadgevingen uwer moeder met onverschilligheid in den wind zien slaan, en de schoonste
-droomen uws vaders met ondank en tinkas<a class="noteRef" id="xd31e1946src" href="#xd31e1946">1</a> zien beantwoorden, welnu dan zal ik genoodzaakt zijn om mijn toevlucht tot het uiterste
-te nemen, en u geen gehoorzaamheid meer te vragen, maar te gebieden.”
-</p>
-<p>Nauwlijks had mijnheer Van Amerongen deze laatste woorden uitgesproken of Louise sloeg
-haar vonkelende, zwarte oogen met een vreemde uitdrukking van smart en kracht naar
-hem op.
-</p>
-<p>»Ik zal gehoorzamen,” sprak zij besloten, en na eenige oogenblikken zwijgens, vervolgde
-zij met vuur:
-</p>
-<p>»Onthoud het wel, vader, dat <span class="ex">gij</span> het geweest <span class="pageNum" id="pb75">[<a href="#pb75">75</a>]</span>zijt die dit huwelijk gewild hebt … En zal die man zich eenmaal ongelukkig gevoelen,
-wijt het dan niet aan mij maar aan u zelven.”
-</p>
-<p>»Schaam u Louise! Wat heeft die man u misdaan? Hij biedt u zijn hand en zijn leven
-aan, en daarvoor belooft gij hem ongelukkig …”
-</p>
-<p>Louise’s oogen schoten vol tranen, en, haar vader verontwaardigd in de reden vallende,
-hernam zij:
-</p>
-<p>»Ik zal hem niet opzettelijk ongelukkig maken … maar …”
-</p>
-<p>»Maar?”
-</p>
-<p>»Ik weet het niet!” Zij boog het hoofd, en zweeg.
-</p>
-<p>»Weet gij het niet?.… Kom, geef mij maar een zoen en zeg aan uw moeder dat wij overmorgen
-feest zullen vieren.<span id="xd31e1966"></span> Hier hebt gij eenige invitatiebriefjes; vraag verder zelve wie gij vragen wilt, en
-gedraag u voortaan als een verstandig mensch.”
-</p>
-<p>Voor het eerst van haar leven nam Louise de invitatiebriefjes haars vaders met onverschilligheid
-aan. Zij begreep zelve niet, hoe zij op eens zóo veranderd was.
-</p>
-<p>»Wat heb ik toch?” dacht zij bij zichzelve. »Iedereen is goed en lief voor mij, en
-toch zou ik den ganschen dag wel kunnen schreien.—Nog nooit heb ik mij verveeld en
-nu verveelt mij alles … zelfs.…” haar oog viel op de briefjes welke zij pas weer als
-een blijk van liefde ontvangen had. Zij beschuldigde zich zelve van wispelturigheid
-en ondankbaarheid, wischte beschaamd haar tranen af en begaf zich zoo vroolijk mogelijk
-naar haar moeder <span class="pageNum" id="pb76">[<a href="#pb76">76</a>]</span>om deze met de heugelijke tijding van het op handen zijnde feest bekend te maken.
-</p>
-<p>Het arme kind gevoelde diep, maar had geen begrip van hetgeen zij gevoelde. Zij had
-haar ouders gehoorzaamheid beloofd, en, ofschoon zij dit als haar plicht beschouwde,
-zoo gevoelde zij toch dat zij <span class="ex">anders</span> had moeten handelen dan zij gedaan had. Maar hoe?… Zij dacht er den ganschen dag
-en den halven nacht over na, maar toen den volgenden morgen de zon weer vroolijk in
-haar kamer scheen en de gelukkige vogelen hun vrijheidslied ten hemel zonden, was
-zij nog even ver als van te voren—zij wist het niet!
-</p>
-</div>
-<div class="footnotes">
-<hr class="fnsep">
-<div class="footnote-body">
-<div class="fndiv" id="xd31e1946">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e1946src">1</a></span> Grillen, kuren.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e1946src" title="Ga terug naar noot 1 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div id="ch11" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e270">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="label">ELFDE HOOFDSTUK</h2>
-<h2 class="main">HET JAWOORD</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Wie een jaar of twintig geleden op Java geweest is, zal zich herinneren hoe onbeschrijfelijk
-druk een huisvrouw het had, wanneer zij menschen verwachtte.<a class="noteRef" id="xd31e1984src" href="#xd31e1984">1</a> Nergens was een kok, nergens een banketbakker te <span class="pageNum" id="pb77">[<a href="#pb77">77</a>]</span>vinden, bij wien zij voor geld of goede woorden een diner, souper of <span class="ex">collation</span> bestellen kon. Op de <span class="ex">blikjes</span>, de ingelegde vruchten en eenige soorten van gebakken na, moest alles, van de soep
-af tot het geringste geleitje toe, in huis vervaardigd worden, en daar kokkie en toekan
-passar<a class="noteRef" id="xd31e1998src" href="#xd31e1998">2</a> cum suis wel een gewonen daagschen pot<a class="noteRef" id="xd31e2002src" href="#xd31e2002">3</a> konden kooken, maar weinig of geen verstand hadden van de uitheemsche gerechten,
-die bij feesten verlangd werden, zoo kwam de grootste zorg en moeite op <span class="ex">Mevrouw</span> en, zoo zij ze had, op haar vriendinnen neder. Daarbij kwamen nog de kleedjes<a class="noteRef" id="xd31e2008src" href="#xd31e2008">4</a> der geheele familie (en dit zegt wat wanneer er veel dochters zijn), die door mevrouw
-geknipt en geregen en daarna door de meiden genaaid moesten worden. En het naloopen
-der bedienden, die gelukkig zijn wanneer zij in een hoek »gedjonkokt” (gehurkt) op
-hun gemak een pruimpje sirie kunnen kauwen. En het rangschikken der plaatsen, het
-gereedzetten van het dessert, het schikken der bloemen en duizend andere kleinigheden
-meer, die de oppervlakkige beschouwer niet telt, maar waar het arme hoofd der huisvrouw
-dikwijls letterlijk van omliep!
-</p>
-<p>Het was dus Woensdagmorgen, en de klok had nog <span class="pageNum" id="pb78">[<a href="#pb78">78</a>]</span>geen acht geslagen, toen de halve pandopo<a class="noteRef" id="xd31e2015src" href="#xd31e2015">5</a> reeds vol stond met hooge aarden komforen, waarbij inlandsche vrouwen zaten te kiepas-kiepas<a class="noteRef" id="xd31e2018src" href="#xd31e2018">6</a> om het vuur aan te houden.
-</p>
-<p>Mevrouw Van Amerongen was aan het kneeden van deeg, en Louise en Marie stonden gekookte
-agar-agar door een doekje te zeven.
-</p>
-<p>»Ben je niet blij?” fluisterde Marie.
-</p>
-<p>»Hm—m.”
-</p>
-<p>»Een resident!”
-</p>
-<p>»Moet de agar-agar bij de rum, mama?” vroeg Louise.
-</p>
-<p>»Ja kind—neen, wacht even, geef mij—ik zal dat doen.”
-</p>
-<p>»Wat doe je morgen aan?”
-</p>
-<p>»Hm—dat weet ik niet.”
-</p>
-<p>»Ja, Allah! hoor haar toch eens, mevrouw! Zij weet niet wat zij morgen aan zal doen!”
-</p>
-<p>»Zwijg toch Marie! Ik dacht aan wat anders.—Ik heb een wit kleedje van papa gekregen.”
-</p>
-<p>Mevrouw Van Amerongen had ook aan iets anders gedacht, haar deeg had haar verhinderd
-het gesprek der meisjes te hooren.
-</p>
-<p>»Tule of tarlatan?”
-</p>
-<p>»Satijn.”
-</p>
-<p>»Satijn!!! Mijn hemel hoe mooi!”
-<span class="pageNum" id="pb79">[<a href="#pb79">79</a>]</span></p>
-<p>»Geef mij nu de agar-agar,” riep mevrouw.
-</p>
-<p>»Komen de muzikanten, Louise?”
-</p>
-<p>»Ik weet het niet.”
-</p>
-<p>»Ja, tobat! Nu wordt het toch al te erg! Weet gij niet of er morgen gedanst zal worden?”
-</p>
-<p>»Neen, ik heb het vergeten te vragen.”
-</p>
-<p>»Maar Louise?” vroeg Marie, met een schalksch lachje, »is het de resident die u zoo
-vergeetachtig maakt?”
-</p>
-<p>Louise wierp een lepel op den grond en raapte dien weer op.
-</p>
-<p>»Wilt gij dansen, ga dan maar zelve naar papa, om het te vragen,” zeide zij, een bord
-met boter opnemende en het een eind verder weer neer zettende.
-</p>
-<p>Marie sloeg haar vriendin opmerkzaam gade. »Wat heeft zij toch?” dacht zij bij zichzelve,
-»zij is zóo strak, zoo afgetrokken, zoo onverschillig.… Aha! zou dat het zijn? Wacht.…
-Louise!” fluisterde zij zacht, »kan de resident niet dansen? En moogt gij het daarom
-ook niet doen? Moet gij nu reeds deftig wezen?”
-</p>
-<p>Louise zag verontwaardigd op, zij gevoelde zich gekrenkt door Marie’s veronderstellingen.
-</p>
-<p>»Wat!” zeide zij, »de resident! Gij weet immers dat hij mij nog niet eens gesproken
-heeft. En buitendien, zoolang ik zijn vrouw niet ben, ben ik vrij, en heeft hij niets
-over mij te zeggen!”
-</p>
-<p>»Chut! chut! Louise! Wat zijn dat voor woorden?” riep mevrouw Van Amerongen op eens.
-Louise had niet aan de tegenwoordigheid harer moeder gedacht, maar nu deze toch eenmaal
-haar woorden gehoord had, <span class="pageNum" id="pb80">[<a href="#pb80">80</a>]</span>gaf zij zich de moeite niet van ze weder in te trekken.
-</p>
-<p>»Waar spraakt gij over?” vroeg mevrouw Van Amerongen al kneedende.
-</p>
-<p>»Och! over de partij van morgen. Marie dacht dat de resident niet dansen kon, en het
-mij daarom ook niet toe zou staan.”
-</p>
-<p>»Hoe komt gij daar aan?”
-</p>
-<p>Louise schoof het bord met boter nog wat verder weg en zei: »Marie vroeg of er gedanst
-zou worden.”
-</p>
-<p>»Dit zal geheel van u afhangen. Zoo gij de muzikanten hebben wilt, moet gij maar zelve
-aan papa vragen of hij ze bestelt.”
-</p>
-<p>»Willen wij het samen gaan vragen?” fluisterde Marie, die in haar hart reeds danste.
-</p>
-<p>»Het is mij wel.… als gij het woord doet.”
-</p>
-<p>»O! dat heb ik er gaarne voor over.”
-</p>
-<p>»Spreek toch niet meer over den resident, wat ik je bidden mag, Marie,” begon Louise
-zoodra zij zich aan het oog harer moeder onttrokken had. »Papa en mama zijn zoo verschrikkelijk
-met hem ingenomen.…”
-</p>
-<p>»En gij?”
-</p>
-<p>»O! ik ook … natuurlijk,” antwoordde zij koel, »maar ik heb hem pas twee keer gezien.”
-</p>
-<p>»Ja? Is het geen gek gevoel om met zoo’n wild vreemden man geëngageerd te zijn?—Mij
-dunkt, ik zou in uw plaats niet weten hoe ik mij houden moest tegenover hem.”
-</p>
-<p>»Ik geloof dat ik dat ook niet weet. Och! Als ik maar niet alleen met hem behoef te
-wezen, dan kan het mij <span class="pageNum" id="pb81">[<a href="#pb81">81</a>]</span>niet schelen. Hier is papa, gij doet het woord hoor,—ik wil niet om de <span class="corr" id="xd31e2071" title="Bron: muziekanten">muzikanten</span> vragen.”
-</p>
-<p>Marie deed het woord en mijnheer Van Amerongen beloofde dat er gedanst zou worden.
-Uit dankbaarheid vloog Marie hem om den hals en liet Louise zich een zoen welgevallen,
-juist op het oogenblik dat een der jongens<a class="noteRef" id="xd31e2076src" href="#xd31e2076">7</a> binnentrad met de woorden:
-</p>
-<p>»Toewan resident.”
-</p>
-<p>De meisjes wilden vluchten, maar mijnheer Van Amerongen greep zijn dochter bij den
-arm en beval haar te blijven. Marie was de deur reeds uit, toen een wanhopige blik
-van Louise haar zóo dringend smeekte om terug te keeren, dat zij zich weder aan haar
-zijde plaatste.
-</p>
-<p>Mijnheer Van Amerongen, die den resident eenige schreden tegemoet was gegaan, kwam
-hand in hand met hem terug. »Mijn dochter,” zeide hij met een onderdanig lachje, »bevond
-zich juist hier toen gij u liet aandienen, en daar zij zich gelukkig acht u in persoon
-mede te deelen hoezeer zij zich vereerd.…”
-</p>
-<p>»Het is dus geklonken?” viel de resident hem in de rede, een hartstochtelijken blik
-op Louise werpende.
-</p>
-<p>»Het is geklonken! mijn waarde aanstaande schoonzoon!”
-</p>
-<p>De resident wilde zijn arm om Louise’s hals slaan en de verloving terstond met een
-kus beginnen, doch <span class="pageNum" id="pb82">[<a href="#pb82">82</a>]</span>Louise trok zich terug en boog onder den arm van den resident door.
-</p>
-<p>»Hoe is het?—Vriend of vijand?—Hoe staan de zaken eigenlijk?”
-</p>
-<p>»Goed, uitmuntend!” riep mijnheer Van Amerongen, na zijn dochter een woedenden blik
-toegeworpen te hebben. »Louise is wat bloode—dat zal er later wel uitgaan. Ze is ook
-nog zoo jong,” voegde hij er verontschuldigend bij.
-</p>
-<p>»Dat is waar,” stemde de resident lachend toe. »De hand dan maar Louise, omdat je
-nog niet aan me gewoon bent! Later zal die blooheid wel slijten.”
-</p>
-<p>Louise sloeg de oogen neder en reikte den resident haar hand, die hij gretig aannam
-en aan zijn lippen bracht. Louise had het wel willen uitschreeuwen van pijn. Nog nooit
-had iemand haar zoo ruw een hand gegeven.
-</p>
-<p>»Resident!” riep zij zacht.
-</p>
-<p>»Stevens, als je blieft, mijn schoone Louise.”
-</p>
-<p>»A propos, Stevens blijf je déjeuneeren van daag?”
-</p>
-<p>»Het spijt mij verduiveld,” antwoordde de resident, met een blik op Louise, »maar
-ik heb den overste mijn woord gegeven en daar kan ik moeilijk af.”
-</p>
-<p>»Dat spijt mij ook, maar dan kom je toch van avond?”
-</p>
-<p>»Helaas, neen. Voor van avond heb ik reeds vier dagen geleden een invitatie bij mijn
-vriend Van Bliesten aangenomen.”
-</p>
-<p>»Resident?” vroeg Louise zacht, na verscheidene <span class="pageNum" id="pb83">[<a href="#pb83">83</a>]</span>vergeefsche pogingen gedaan te hebben om haar hand uit de zijne los te wringen.
-</p>
-<p>»Maar morgenavond zijt gij dan toch vrij, dat weet ik, en daarom hebben wij eenige
-menschen gevraagd.…”
-</p>
-<p>»God in den hemel! Alweer een feest!” riep de resident, op eens Louise’s hand loslatende.
-»Gij zult toch geen omslag maken, hoop ik? Ik had, om je de waarheid te zeggen, veel
-liever een avond <span class="ex">en famille</span> bij je doorgebracht.”
-</p>
-<p>»Resident,” begon Louise weder, »Mama wacht mij, u neemt niet kwalijk.…” en met een
-neiging was zij verdwenen eer de resident nog tijd tot antwoorden had.
-</p>
-<p>Marie volgde uit louter verwondering haar voorbeeld en liep haar na.
-</p>
-<p>»Louise! Och, Louise!” riep zij geheel buiten adem, »wacht toch even op mij!”
-</p>
-<p>Maar Louise snelde voort tot in haar kamer, dáar wierp zij zich op de sofa, wachtte
-lachend Marie af en vroeg haar kalm: »Nu, wat zeg je van die eerste ontmoeting in
-ons engagement?”
-</p>
-<p>»Niets,” antwoordde Marie, haar vriendin scherp aanziende, »ik zeg niets, om niet
-te veel te zeggen.”
-</p>
-<p>»O! geneer je niet, ge kunt gerust alles zeggen wat u goed dunkt; het kan zóo slecht
-niet wezen of ik kan er tegen, dit weet gij van ouds.”
-</p>
-<p>»Ja, maar gij zijt nu niet meer zooals gij vroeger waart … Ik moet u guluit bekennen
-dat ik u van daag niet meer ken—en dat spijt mij, Louise.… Van <span class="pageNum" id="pb84">[<a href="#pb84">84</a>]</span>klein af hebben wij als zusters met elkander omgegaan, nooit heb ik een enkele gedachte
-voor u verborgen gehouden, ook gij zijt altijd oprecht en openhartig in uw vriendschap
-geweest.… en nu is het mij op eens alsof wij elkander geheel vreemd zijn geworden.…
-Hoe komt dat Louise?”
-</p>
-<p>Louise trok even de schouders op terwijl zij Marie met verbazing bleef aanstaren.
-</p>
-<p>»Hoe kunt gij dat alles zoo uitleggen?” vroeg zij zacht. »Ik gevoel dat gij gelijk
-hebt, maar ik had het nooit kunnen zeggen. Ik weet niet wat ik sedert eergisteren
-heb. Maar wacht even, ik zal de deur sluiten, dan kan niemand ons beluisteren. Zoo,
-nu zijn wij vrij.”
-</p>
-<p>»Marie!… weet jij wat liefde is?”
-</p>
-<p>»Ik heb er dikwijls over gelezen, en er Henri over hooren spreken, maar meer weet
-ik er niet van.”
-</p>
-<p>»Ik ook niet.”
-</p>
-<p>»Wat bliefje?”
-</p>
-<p>»Hm?”
-</p>
-<p>»Wat zegt gij daar?”
-</p>
-<p>»Ik?—Ik weet niets—niets.”
-</p>
-<p>»Weet <span class="ex">gij</span> niet wat liefde is, Louise? En waarom hebt gij u dan geëngageerd?—Waarom wilt gij
-de vrouw van den resident worden, indien gij hem niet lief hebt? Gij, die altijd zeidet:
-»Ik trouw nooit, als ik geen man vind dien ik lief kan hebben meer dan alle roem en
-eer, meer dan alle schatten der aarde, meer dan mijn ouders, bloedverwanten, vrienden,
-meer dan mij zelve …””
-<span class="pageNum" id="pb85">[<a href="#pb85">85</a>]</span></p>
-<p>»Gekheid!—Zulke liefde bestaat niet … En bestaat zij al, welnu, dan zal ze zeker niet
-voor mij zijn weggelegd. Ik ben rijk, de resident heeft een hooge betrekking—hij zegt
-veel van mij te houden en ik heb niets tegen hem—er bestaat dus geen enkele reden
-waarom wij te zamen niet gelukkig zouden zijn.”
-</p>
-<p>»Heeft uw vader u dit gezegd?” vroeg Marie verwijtend, »of hecht gij inderdaad zóoveel
-waarde aan den rang en aan de liefde van den resident, dat gij hem daarvoor uw fortuin
-en geheel uw leven geven wilt?—Hebt gij.…..”
-</p>
-<p>Louise legde haar hand op den mond harer vriendin.
-</p>
-<p>»Luister Marie,” sprak zij ernstig, »veroordeel mij niet … Ik zal u alles zeggen,
-maar spreek er met niemand over, vooral niet met Henri. Toen gij eergisterenmorgen
-den resident gezien hebt, is hij bij Papa geweest om mij ten huwelijk te vragen, vandaag
-moest hij antwoord hebben en overmorgen gaat hij naar zijn residentie terug, veertien
-dagen daarna komt hij weer hier, zoo mogelijk, met een maand verlof, dan kunnen wij,
-getrouwd zijnde, nog een dag of acht te Batavia doorbrengen alvorens voor goed naar
-A. te gaan.”
-</p>
-<p>»Maar Louise!” riep Marie met wijd opengespalkte oogen.
-</p>
-<p>»Dit is vlug, niet waar?” vroeg Louise met een zonderlingen lach. »Welnu, eergisteren
-kende ik al deze besluiten over mijn toekomst reeds—en zoo even heb ik den resident
-voor het eerst gesproken. Alles is dus buiten mij om gegaan. Begrijpt gij nu waarom
-<span class="pageNum" id="pb86">[<a href="#pb86">86</a>]</span>ik, ook zonder liefde, de vrouw van den Resident zal worden?”
-</p>
-<p>»Uw ouders dwingen u!”
-</p>
-<p>»Dwingen is het woord niet. Maar aangezien mijn ouders reden schijnen te hebben om
-bijzonder op dit huwelijk gesteld te zijn en ik eigenlijk geen reden heb om er tegen
-te wezen, zoo.…”
-</p>
-<p>»Maar mijn beste Louise, zoo gij later eens meer van een ander gingt houden dan van
-den resident.…. Alle dingen zijn mogelijk——wie weet welke mannen gij nog in uw leven
-ontmoeten zult en hoe.…”
-</p>
-<p>»Ja, dáar heb ik ook reeds aan gedacht,” antwoordde Louise met een bedenkelijk hoofdknikje,
-»maar indien de resident goed voor mij is, waarom zou ik dan meer van een ander gaan
-houden?”
-</p>
-<p>»Ik weet het niet.… Henri spreekt altijd van liefde als over iets dat u zoo maar aan
-komt waaien, zonder dat gij het zelf helpen kunt.… en mij dunkt ik voel dat zoo iets
-mogelijk is.”
-</p>
-<p>»O! spreek mij niet van gevoelen. Ik weet niet wat ik tegenwoordig gevoel. Mijn hoofd
-gloeit tusschenbeide alsof er vuur in zit. En mijn hart? Mijn arm hart bonst alsof
-het uit elkaar zal springen. Dan heb ik koorts, dan beef ik, dan is het alsof mijn
-spieren tintelen, alsof het bloed in mijn aderen kookt, dan ben ik zoo sterk, zoo
-woedend dat ik, geloof ik, den resident verscheuren zou indien ik hem.…”
-</p>
-<p>»Mijn God! Louise!”
-</p>
-<p>»Het is niets: een oogenblik later ben ik weer kalm en <span class="pageNum" id="pb87">[<a href="#pb87">87</a>]</span>dan eindigt alles in een tranenvloed.… Ik ben zeer veranderd niet waar?” vervolgde
-zij, haar vriendin met een weemoedigen lach de hand reikende. »Maar ik kan het niet
-helpen, Marie—ik lijd er zelve het meest onder—geloof mij!”
-</p>
-<p>»O! Ik geloof u, lieve, beste Louise,” riep Marie, zich weenend in hare armen werpende.
-»Ach kon ik iets voor u doen! kon ik …”
-</p>
-<p>»Neen, Marie, gij kunt niets voor mij doen. Gij kunt niet beletten dat mijn karakter
-verandert, evenmin als ik er zelve iets tegen doen kan. Ik heb nooit tot de kalmsten
-behoord,” vervolgde zij met een glimlach, »ik ben nu wat meer opgewonden dan naar
-gewoonte: dat is al, het heeft niets te beteekenen, volstrekt niets. Ik kan mij beheerschen,
-als het noodig is.—Kom, ween nu toch niet. Ik ben immers gelukkig—en ik zal nog gelukkiger
-worden.—Njonja resident! Met een gouden pajong<a class="noteRef" id="xd31e2161src" href="#xd31e2161">8</a> toeren! Ik zal de eerste dame van A. zijn. Alle hooggeplaatste personen zullen, te
-A. komende, bij mij logeeren! Ik zal alles hebben wat ik slechts verlangen kan! De
-fraaiste rijtuigen, de beste paarden! O, gij weet niet hoeveel ik van paarden houd!
-En apen, katten, honden, vogels! Koeien wil ik ook houden! En schapen! En geiten moet
-ik hebben! O, jonge geitjes! Kijk, dat zijn engeltjes! Nu, de resident mag wel oppassen
-dat ik zijn geheele residentie niet in een menagerie herschep.”
-</p>
-<p>Marie lachte door haar tranen heen, toch begreep zij <span class="pageNum" id="pb88">[<a href="#pb88">88</a>]</span>wel dat Louise zoo gelukkig niet was als zij wel schijnen wilde.
-</p>
-<p>Eenige oogenblikken nog bleven de beide meisjes zwijgen, toen stelde Louise voor om
-naar de pondopo terug te keeren en mevrouw Van Amerongen verder te gaan helpen aan
-de toebereidselen voor het feest.
-</p>
-<p>Marie bleef den ganschen dag stil en afgetrokken. Zij deed al wat er te doen was als
-in een droom en handelde omdat er gehandeld moest worden, zonder zelve recht te weten
-hoe. Al haar gedachten waren met Louise bezig. Zij verstond de vriendin harer kindschheid
-niet meer, en toch wilde zij weten wat er in die half gesloten ziel omging<span class="corr" id="xd31e2171" title="Niet in bron">.</span> Zij gevoelde dat er iets aan het geluk van Louise ontbrak en kon niet uitvinden wat.
-Louise zou, wel is waar, in het huwelijk treden met een man dien zij geen eigenlijke
-liefde toedroeg, maar die man beminde haar en zij had niets tegen hem, terwijl haar
-ouders dit huwelijk verlangden, wat kon zij dus beter doen dan haar hand te schenken
-aan hem, die haar een goed standpunt in de maatschappij en een gelukkig, zorgeloos
-leven beloofde?—Marie vond dat Louise goed handelde, en het speet haar dat zij dit
-erkennen moest.
-</p>
-<p>Louise scheen niets van de afgetrokkenheid harer vriendin te bemerken; zij wijdde
-haar aandacht geheel aan de gebakken die aan haar zorg waren toevertrouwd en was,
-als zij een oogenblik niets te doen had, vroolijk en spraakzaam als altijd. Zij spotte
-met alles, sprak als mevrouw D., liep als mijnheer G., danste <span class="pageNum" id="pb89">[<a href="#pb89">89</a>]</span>als de jonge Z. en dreef haar uitgelatenheid zelfs zoo ver dat zij groette als de
-resident. Hij had het eens moeten zien, de groote Heer, hoe zijn stijve buiging van
-dien zekeren avond in een bespottelijk daglicht werd gesteld. Hij had Louise eens
-moeten zien, zooals zij dáar stond met een taartenschotel voor hoed in de hand, het
-lichaam in tweeën gebogen, het hoofd zooveel mogelijk omhoog en de armen naar achteren,
-terwijl zij lachend vroeg: »Wie heeft mij zóo gegroet, Marie?” En toen Marie niet
-dadelijk antwoordde, greep zij haar bij de hand, kneep haar zoo hard zij kon en vervolgde:
-»De hand dan maar Louise, omdat je nog niet aan me gewoon bent. Later zal die blooheid
-wel slijten!”
-</p>
-<p>»Foei, Louise!” riep Marie, »gij spot ook met alles en ontziet niemand.”
-</p>
-<p>»Let op morgenavond,” vervolgde Louise weder, »dan moet hij het bal met mij openen,
-daar zit geen lieve moeder op! Of hij dansen kan of niet, de eerste dans moet ik van
-hem hebben! En of hij vóor of achterover buigt, dat kan mij niet schelen, maar dansen
-zal hij! En galoppeeren nog al! Ik zal wel zorgen dat wij met een heerlijk vliegenden
-galop beginnen. En dan zult gij eens zien hoe trotsch ik u allen aan den arm van mijn
-resident voorbij zal zweven, in mijn nieuw satijnen kleed! O ja, ’t is waar ook, gij
-hebt mijn nieuw kleedje nog niet eens gezien. Kom maar mee, de meiden zitten er drok
-aan te naaien.—Hier in de kleedkamer van mama. Nu, ga maar binnen, geneer je niet.—Kijk!
-Wel wat zeg je er van? Mooi hè? Het wit satijnen kleed <span class="pageNum" id="pb90">[<a href="#pb90">90</a>]</span>alleen kost honderd twee en dertig gulden, wat de tulle kost weet ik niet. Hier heb
-je de bouquet voor de berthe, dit is om den rok mee te garneeren en hier heb je mijn
-hartelijk geliefd coiffuurtje! Neen, maar kijk dan toch! Gij staart zoolang op hetzelfde!
-Kijk dan toch hier, mijn heerlijke krans rozenknopjes met dauwdroppen er op, is het
-niet beelderig?”
-</p>
-<p>»Beelderig,” herhaalde Marie, en verstomd over het toilet harer vriendin, vervolgde
-zij aarzelend:
-</p>
-<p>»Maar, Louise, wit satijn met tulle?.…”
-</p>
-<p>»Het is wat oud voor mij, wilt gij zeggen, niet waar? Dat vond mama ook toen papa
-het gisteren te huis zond, maar nu ik geëngageerd ben, ziet gij—dat veroudert.…”
-</p>
-<p>»Dat veroudert?”
-</p>
-<p>»Zeker.”
-</p>
-<p>»Het is waar. Gij zijt nu niet meer de vijftienjarige Louise <span class="corr" title="Bron: Van">van</span> Amerongen, maar de aanstaande echtgenoote van een resident,” antwoordde Marie bitter.
-</p>
-<p>»En voor de aanstaande echtgenoote van een resident is niets te oud, niet waar?” vroeg
-Louise lachend. »Mijn eerste aankoop in mijn huwelijk zal dan ook een zwart fluweelen
-kleed zijn, met een langen sleep om met gepaste statigheid den Gouverneur-Generaal
-te ontvangen, wanneer Zijn Excellentie over eenige maanden bij mij te A. logeeren
-komt!”
-<span class="pageNum" id="pb91">[<a href="#pb91">91</a>]</span></p>
-</div>
-<div class="footnotes">
-<hr class="fnsep">
-<div class="footnote-body">
-<div class="fndiv" id="xd31e1984">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e1984src">1</a></span> Men lette er op dat wij hier het Java van een twintig jaren geleden bedoelen, niet
-het eenvoudige, gastvrije »tempo doloe” noch het, oppervlakkig schitterende, tegenwoordige.
-Wij bedoelen die rijke, bloeiende, <span class="ex">gemakkelijke</span> Europeesche maatschappij op Java, die thans worstelend bezwijkt onder de vergulde
-kroon der weelde en den ijzeren schepter der welvoegelijkheid.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e1984src" title="Ga terug naar noot 1 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e1998">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e1998src">2</a></span> De vrouw die naar de markt gaat om inkoopen te doen.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e1998src" title="Ga terug naar noot 2 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e2002">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e2002src">3</a></span> De »daagsche pot” bestaat uit rijst (de hoofdschotel), kerrie, sajor (gekookte groenten),
-drie tot zeven vleeschsoorten en sambal-sambal.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e2002src" title="Ga terug naar noot 3 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e2008">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e2008src">4</a></span> Een Indische dame noemt haar japon nooit anders dan »mijn kleed”, ook al is dat kleed
-van grof nanking of katoen.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e2008src" title="Ga terug naar noot 4 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e2015">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e2015src">5</a></span> Een groot vierkant dak, met atap (een lange grassoort) gedekt, op houten of bamboezen
-stijlen.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e2015src" title="Ga terug naar noot 5 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e2018">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e2018src">6</a></span> Waaien, met groote grove waaiers van gevlochten matwerk, opzettelijk tot dit einde
-vervaardigd en in alle keukens te vinden.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e2018src" title="Ga terug naar noot 6 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e2076">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e2076src">7</a></span> Jongen staat gelijk met het fransch »garçon”. Al is de man ook honderd jaar oud, zoolang
-hij bediende is, blijft hij een jongen, zelfs voor het kleinste kind.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e2076src" title="Ga terug naar noot 7 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e2161">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e2161src">8</a></span> Verguld zonnescherm; onderscheidingsteeken voor residenten.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e2161src" title="Ga terug naar noot 8 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div id="ch12" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e280">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="label">TWAALFDE HOOFDSTUK</h2>
-<h2 class="main">HET VERLOVINGSFEEST</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Den volgenden avond werd het bal door Louise <span class="corr" title="Bron: Van">van</span> Amerongen en den resident Stevens van Langendijk met een vliegenden galop geopend.
-De resident vreesde wel eenigszins zijn waardigheid te <span class="ex">compromiteeren</span> door dat onzinnig in de rondte springen, maar hij was te Samarang weinig bekend en
-kon zich dus deze kleine uitspatting als de verloofde van Samarangs roos bij deze
-bijzondere gelegenheid wel veroorlooven. Men kon het hem aanzien dat hij de beste
-danser van het bal wilde zijn, hij danste zonder ophouden voort, van de eerste noot
-der muziek af, tot den laatste toe, en toen hij eindelijk genoodzaakt werd op te houden,
-waren zijn eerste woorden: »Kijk nu, wij waren juist zoo goed aan den gang!”
-</p>
-<p>Dat was een stap nader tot den vrede.
-</p>
-<p>»Hij danst heerlijk!” fluisterde Louise eenige oogenblikken later Marie in het oor.
-»Ik hoop dat hij nog om een dans zal komen; ik heb nog nooit zoo’n goeden cavalier
-gehad.”
-</p>
-<p>Den volgenden dans, een quadrille, deed Louise met Henri <span class="corr" title="Bron: Van">van</span> den Berg. De resident en mevrouw Van Amerongen stonden tegenover hen. Henri had gaarne
-wat verder uit de buurt harer moeder gestaan, ten einde van Louise zelve te vernemen
-hoe zij over haar engagement en over haar aanstaanden echtgenoot dacht, nu <span class="pageNum" id="pb92">[<a href="#pb92">92</a>]</span>echter durfde hij naar niets te vragen en Louise zeide niets.
-</p>
-<p>Toen eindelijk de dans geëindigd was en hij haar naar haar plaats terug had geleid,
-vroeg hij aarzelend: »Zoo gij nog geen cavalier voor het souper hebt aangenomen Louise,
-mag ik dan het genoegen hebben van u aan tafel te brengen?”
-</p>
-<p>Louise bedacht zich een oogenblik eer zij antwoordde.
-</p>
-<p>»Ja Henri, zooals gij weet ben ik sedert gisteren met resident Stevens van Langendijk
-geëngageerd, zoo hij mij dus voor het souper komt opeischen, kan ik uw vriendelijk
-aanbod niet aannemen, maar brengt hij mama of een andere dame aan tafel dan wil ik
-gaarne uw buurvrouw zijn, om nog eens over den ouden tijd te praten.”
-</p>
-<p>»Dus zijt gij dan toch werkelijk geëngageerd, Louise?”
-</p>
-<p>»Stellig, feliciteer mij maar.”
-</p>
-<p>»Van harte, kind, van ganscher harte! God geve dat gij gelukkig moogt zijn, en dat
-gij in den resident moogt vinden, al wat gij u verhevens en idealisch gedroomd hebt
-in uw leven!”
-</p>
-<p>»Dank je Henri.”
-</p>
-<p>Er lag iets droevigs in dat: »Dank je Henri” en in de wijze waarop zij hem bij deze
-woorden de hand reikte. Ook Henri gevoelde dat zij niet gelukkig was, maar evenals
-Marie dacht hij te vergeefs op een middel, om haar hare vorige onbezorgde vroolijkheid
-weer te geven en haar van een engagement te ontslaan, dat haar reeds nu ongelukkig
-scheen te maken. Toch vroeg <span class="pageNum" id="pb93">[<a href="#pb93">93</a>]</span>hij maar niets, daar hij wel wist dat Louise de persoon niet was om te klagen en onnoodige
-<span class="ex">confidences</span> te doen. Hij kende haar fieren, sterken geest beter dan iemand anders, <span class="ex">hij</span> wist hoeveel fijn gevoel, hoeveel kracht, hoeveel geestdrift, dat schijnbaar loszinnig,
-oppervlakkig kind bezat. Hij had Louise van klein af gekend en bestudeerd en, daar
-hij vele jaren ouder was dan zij, had hij gelegenheid gehad, om de geringste schakeeringen
-harer ziel, met het geduld en de volharding eener innige genegenheid op te merken
-en te doorgronden. <span class="ex">Hij</span> verstond dat weinig begrepen karakter, en hij beminde schier afgodisch die krachtige,
-edele, poëtische vrouw met haar onbezorgd, wispelturig, spelend kinderhart.
-</p>
-<p>Aan het souper zat Louise naast den resident, die haar aan tafel had gebracht, en
-Henri aan het lagere einde der zaal, van waar hij haar onafgebroken gadesloeg.
-</p>
-<p>Mijnheer Van Amerongen stond op, tikte tegen zijn glas en verzocht het woord. Toen
-stelde hij zijn gasten voor, om op het geluk van zijn dochter en op dat van zijn aanstaanden
-schoonzoon, resident Stevens van Langendijk, hunne glazen te ledigen.
-</p>
-<p>Een luid »hoerah!” begroette zijn woorden, en werd door de muzikanten met het »Wien
-Neerlandsch bloed” besloten.
-</p>
-<p>Daarop stond de resident op en beantwoordde naar behooren den toast zijns aanstaanden
-schoonvaders. Nogmaals deed een vreugdekreet zich hooren, weder klonk <span class="pageNum" id="pb94">[<a href="#pb94">94</a>]</span>de krachtige muziek, en alles keerde terug tot de gewone gonzende feestvreugde.
-</p>
-<p>Klokslag twee ving de dans weer aan, om voort te duren tot aan den morgen. De opkomende
-zon vernietigde het armoedig licht der lampen door haar trotsche gouden stralen en
-maakte een einde aan het kwijnend feest, dat weder voor geruimen tijd stof zou opleveren
-voor de belangrijke gesprekken van Samarangs groote wereld.
-</p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch13" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e290">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="label">DERTIENDE HOOFDSTUK</h2>
-<h2 class="main">HET EERSTE GESPREK ZONDER GETUIGEN.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">De heugelijke dag was eindelijk aangebroken, waarop Louise <span class="corr" title="Bron: Van">van</span> Amerongen en resident Stevens van Langendijk de eerste gelofte af zouden leggen van
-levenslange gehechtheid en trouw. Het geheele huis was groen gemaakt en met bloemen
-versierd, alle jongens en meiden hadden hun beste kleeren aan, en mijnheer en mevrouw
-Van Amerongen, de resident en eenige goede vrienden waren reeds in de binnengalerij
-vereenigd. Louise alleen ontbrak nog. Zij was bezig de laatste hand aan haar toilet
-te leggen, en toen zij gereed was riep zij Alima en Rosa bij zich en zeide zacht:
-</p>
-<p>»Op mijn tienden verjaardag wilde mijne moeder mij een geschenk van waarde geven,
-en zij gaf mij u. Gedurende zes jaar hebt gij beide mij geholpen en verzorgd <span class="pageNum" id="pb95">[<a href="#pb95">95</a>]</span>zooals mijne moeder dit van u verwacht had, daar ben ik u dankbaar voor. Weldra zal
-ik het ouderlijk huis verlaten en dan zal uw taak wat mij betreft volbracht zijn.
-Maar ik wil niet vertrekken zonder u een klein blijk mijner erkentelijkheid te geven.…
-Ziehier wat geld voor uw aanstaande huishouding.… en zie hier uw vrijbrief.….”
-</p>
-<p>Louise’s stem en hand beefden toen zij haar oudste gezellinnen aldus haar afscheid
-gaf.
-</p>
-<p>Rosa weende, terwijl zij het geld aannam en den vrijbrief op den grond liet vallen.
-</p>
-<p>Alima kruiste de armen over de borst en sloeg de oogen neder.
-</p>
-<p>»Alima, zie hier uw vrijbrief,” herhaalde Louise nauw hoorbaar.
-</p>
-<p>»Ampon!<a class="noteRef" id="xd31e2265src" href="#xd31e2265">1</a> nonna!” riep de jonge slavin, zich aan haar voeten werpende. »Wat heeft Alima misdaan
-dat zij de nonna niet langer dienen mag?”
-</p>
-<p>»Gij hebt mij goed gediend, Alima, gij zijt altijd trouw en eerlijk geweest en ik
-heb mij nooit over u te beklagen gehad, daarom wilde ik u gelukkig zien.…”
-</p>
-<p>»Ampon, nonna!” herhaalde Alima luid snikkend.
-</p>
-<p>Ook Louise weende, maar zij trachtte haar tranen te verbergen en liet den vrijbrief
-vóor de knieën van Alima vallen.
-</p>
-<p>»De nonna zal niet boos zijn.… en Alima niet van ondankbaarheid verdenken!” riep de
-jonge slavin het <span class="pageNum" id="pb96">[<a href="#pb96">96</a>]</span>papier oprapende. »Alima is niet geboren om vrij te zijn—Alima zou ongelukkig wezen
-alleen in die groote wereld, indien zij aan niemand toebehoorde!” Toen scheurde zij
-haar vrijbrief in stukken en vervolgde zachter: »Ook de nonna zou haar missen in die
-verre, vreemde stad, waar niets haar het huis harer moeder herinneren zal!”
-</p>
-<p>Toen Louise eenige oogenblikken later de galerij binnentrad, waar de resident haar,
-met van bewondering vonkelende oogen tegemoet kwam, was zij zoo onbewegelijk, zoo
-gevoelloos schoon, zouden wij bijna zeggen, dat zelfs de resident zich als terug gestooten
-gevoelde. Een kouden blik om zich heen werpende en achteloos de hand reikende aan
-hen die haar omringden, was haar eerste vraag: »Waarom zijn Marie en Henri <span class="corr" title="Bron: Van">van</span> den Berg niet hier?”
-</p>
-<p>De resident greep haar hand en bracht die hartstochtelijk aan zijn lippen.
-</p>
-<p>»Schoone, bekoorlijke Louise!” sprak hij zacht.
-</p>
-<p>Het meisje scheen hem noch te hooren, noch te zien, zij sloeg geen acht op hem, maar
-herhaalde nogmaals: »Waar blijven Henri en Marie dan toch?”
-</p>
-<p>Te vergeefs trachtte de resident haar aandacht tot zich te trekken en haar »aan het
-spreken te krijgen”. Niets mocht hem baten. Het jonge meisje wierp zich met een zucht
-op een leuningstoel neder en staarde naar de deur, alsof daarbuiten alles was wat
-haar ziel kon boeien.
-</p>
-<p>Gelukkig voor hem had de resident te veel eigenliefde <span class="pageNum" id="pb97">[<a href="#pb97">97</a>]</span>en te weinig wantrouwen om aan jaloezie onderhevig te zijn, anders zou hij ongetwijfeld
-geleden hebben onder Louise’s afgetrokkenheid.
-</p>
-<p>Mevrouw Van Amerongen, hoogst verlegen over de houding harer dochter, zond ongemerkt
-een der jongens naar Van den Berg, om de juffrouw te smeeken toch zoo spoedig mogelijk
-te komen.
-</p>
-<p>Een paar minuten later rolde een rijtuig het hek in, en traden mijnheer Van den Berg,
-Marie en Henri binnen.
-</p>
-<p>Louise sprong op als door een elektrieken schok geraakt, liep den ouden heer schier
-omver en wierp zich in de armen harer vriendin.
-</p>
-<p>»Eindelijk!” riep zij met een glimlach, zoo droevig, zoo lijdend, dat hij Henri deed
-verbleeken en tranen in Marie’s zachte oogen riep.
-</p>
-<p>»Kom, nu kan ik teekenen,” vervolgde zij met een doffe, vaste stem. »Nu heb ik al
-mijn vrienden om mij heen. Zoo gij wilt, resident?”
-</p>
-<p>De plechtigheid nam een aanvang en, toen zij statig en wel volbracht was, had er een
-prachtig déjeuner plaats waarop het natuurlijk niet aan toasten op het geluk van bruid
-en bruidegom ontbrak.
-</p>
-<p>Mijnheer en mevrouw Van Amerongen schenen recht gelukkig en verheerlijkt met den hooggeplaatsten
-schoonzoon, dien zij met onvermoeiden trots <span class="ex">prôneerden</span>. De meeste gasten waren stil, maar de resident was uitgelaten vroolijk en de jonge
-bruid bleef afgetrokken en zwijgend alsof zij zich geheel vreemd gevoelde aan hetgeen
-om haar heen voorviel. Slechts nu en dan, <span class="pageNum" id="pb98">[<a href="#pb98">98</a>]</span>wanneer zij haastig een blik op Henri of Marie wierp, kwam er een sombere gloed in
-haar donker oog of een lichte blos op haar bleeke wangen.
-</p>
-<p>Toen het déjeuner geëindigd was, brak er eindelijk een oogenblik van vrijheid aan,
-waarin elk zijn weg ging en sprak met wien hem goed dunkte. Ook Louise wilde van dat
-oogenblik gebruik maken en den resident zacht op den arm tikkende, verzocht zij hem
-haar naar de achtergalerij te volgen, waar zij ongestoord te zamen spreken konden.
-</p>
-<p>De resident was eenigszins verwonderd over deze <span class="ex">avance</span>, zooals hij het noemde, en volgde haar nieuwsgierig.
-</p>
-<p>»Daar ik nu uw bruid ben,” begon zij, »zoo zal het mij mogelijk vergund zijn u eindelijk
-een oogenblik zonder getuigen te spreken.”
-</p>
-<p>De resident begreep niet recht; maar, ook zonder te begrijpen, sloeg hij zijn arm
-om de slanke leest zijner schoone bruid en drukte hij een vurigen kus op haar ijskoud
-voorhoofd. Louise onderging zijn liefkozing met een kalmte en een onverschilligheid
-alsof zij er sedert jaren aan gewoon was geweest, en toch was dit de eerste kus haars
-verloofden. Hij had heden eenig recht op haar verkregen, dit gevoelde zij, en daarom
-liet zij nu toe, hetgeen zij hem tot dusver <span class="corr" id="xd31e2312" title="Bron: halstarrig">halsstarrig</span> geweigerd had.
-</p>
-<p>»Stevens,” hernam zij weder, het was de eerste maal dat zij hem anders noemde dan
-»resident,” en het kostte haar blijkbaar moeite den man, die over een paar weken haar
-echtgenoot zou zijn, bij zijn naam <span class="pageNum" id="pb99">[<a href="#pb99">99</a>]</span>te noemen. »Stevens, binnen korten tijd zal ik uw vrouw zijn en nog nooit hebt gij
-mij gevraagd of ik het wezen wilde.”
-</p>
-<p>De resident zette groote oogen op, maar glimlachte, als dacht hij bij zichzelve: »Wat
-doet uw wil ter zake, kind?”
-</p>
-<p>»Ik heb u mijn hand toegezegd,” vervolgde zij, »omdat mijne moeder het verlangde en
-mijn vader het mij beval.”
-</p>
-<p>Zij wachtte even, als om den resident tijd tot antwoorden te geven, maar toen zij
-zag dat hij zwijgen bleef, hernam zij met meer vastheid:
-</p>
-<p>»Ik moet natuurlijk mijn ouders gehoorzamen, en daar ik niemand bijzondere genegenheid
-toedraag, is het mij om het even aan wien mijn ouders mij afstaan.”
-</p>
-<p>»Liefste, liefste Louise!” riep de resident opgetogen. »Nog nooit hebt ge iemand lief
-gehad, zegt gij?”
-</p>
-<p>»Niemand, zelfs u niet, resident.”
-</p>
-<p>»Dat zal later wel komen als wij eenmaal getrouwd zullen zijn.”
-</p>
-<p>»Ik hoop het, voor u en voor mij,” antwoordde Louise kalm. »En mocht het anders wezen,
-dan zal de resident zich herinneren dat zijn vrouw hem gedwongen haar hand geschonken
-heeft.”
-</p>
-<p>»Maar ik zal alles doen om u gelukkig te maken, om u het leven te veraangenamen, Louise,
-en wij zullen het minder aangename van vroeger vergeten, niet waar?”
-</p>
-<p>Louise zeide niets. De resident vatte haar hand in de zijne en vroeg met eenige onrust:
-<span class="pageNum" id="pb100">[<a href="#pb100">100</a>]</span></p>
-<p>»Haat gij mij, Louise?”
-</p>
-<p>»Gij zijt mij onverschillig.”
-</p>
-<p>Een lange stilte volgde.
-</p>
-<p>»Gij weet nu, wat ik meende dat gij vóor ons huwelijk weten moest,” zeide zij eindelijk,
-»handel verder met mij naar goedvinden.”
-</p>
-<p>Er lag een wanhoop in haar onderwerping en een kracht in haar zwakheid, die den resident
-onwillekeurig deden huiveren, doch weder viel zijn oog op haar schoon en kalm gelaat
-en alles werd vergeten in een kus.
-</p>
-<p>Louise liet zich deze tweede liefkozing welgevallen als de eerste en beantwoordde
-haar met de woorden:
-</p>
-<p>»Zoo gij er niets tegen hebt, resident, zullen wij naar het gezelschap terugkeeren.”
-</p>
-</div>
-<div class="footnotes">
-<hr class="fnsep">
-<div class="footnote-body">
-<div class="fndiv" id="xd31e2265">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e2265src">1</a></span> Vergeving!&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e2265src" title="Ga terug naar noot 1 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div id="ch14" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e300">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="label">VEERTIENDE HOOFDSTUK</h2>
-<h2 class="main">HOE BRUID EN BRUIDEGOM OVER ELKANDER DENKEN</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Nauwlijks was de resident dien avond vertrokken of Louise begaf zich naar haar kamer,
-ontkleedde zich schielijk, zond haar slavinnen weg en wierp zich op haar geliefkoosden
-rotangstoel neder, om ongestoord te kunnen nadenken over hetgeen er dien dag voorgevallen
-was. Twee malen sprong zij op, liep met haastige schreden de kamer op en neer en ging
-weder zitten.
-</p>
-<p>»Neen,” dacht zij bij zichzelve, »de resident moet zelf weten wat hem te doen staat.
-Geeft hij mij mijn <span class="pageNum" id="pb101">[<a href="#pb101">101</a>]</span>woord niet uit eigen beweging terug, dan zal ik er hem ook niet meer om vragen. Hij
-weet dat hij er mij een dienst door zou bewijzen, doet hij het dus niet dan toont
-hij genoeg dat hij meer om zijn eigen trots geeft dan om mij.… Morgen diner—overmorgen
-bal—na overmorgen thé dansant in de societeit, daarna een bal bij den resident en
-een bij Van den Berg en dan nog kleine partijen zonder ophouden in het verschiet.…”
-</p>
-<p>Zij gaapte als een mensch van zestig jaar op het denkbeeld van al die vermakelijkheden.
-</p>
-<p>»Maar hij zal het niet doen … welnu, dan word ik zijn vrouw … wat kan het mij schelen?—Hij
-of een ander … hij is ten minste goedig, een ander zou er mogelijk nog kwaad bij zijn.
-Hij trouwt mij omdat hij mij mooi vindt, en ik hem omdat mijn ouders het hebben willen.
-Wij staan dus gelijk—wij houden niet van elkander en hebben elkaar dus niets te verwijten.…
-Maar, mijn hemel, waarom trouwen wij dan?—Ik moet, ik zal hem nog eens spreken, mogelijk.…
-Neen, ik wil niet.”
-</p>
-<p>»Ik zal residentsvrouw worden en dan zal ik vrij zijn. Ik zal mijn huishouden geheel
-naar mijn zin inrichten en hem het leven zoo aangenaam mogelijk maken.—Hij zal goed
-voor mij zijn. En eigenlijk—wat kan ik meer begeeren?… Ik ben nu bijna zestien jaar
-oud en nog nooit heb ik voor iemand een liefde gevoeld zooals men die in boeken beschreven
-leest. Daar zal ik niet vatbaar voor wezen.… Henri?.… O! foei, Henri! Neen, dat zou
-al te gek zijn. Ik houd heel veel <span class="pageNum" id="pb102">[<a href="#pb102">102</a>]</span>van Henri, maar toch niet meer dan van Marie. Neen, hetgeen men liefde noemt moet
-nog iets anders wezen.… En de resident?—Hij zegt mij lief te hebben.…. Zou dat mogelijk
-wezen? Maar indien hij mij waarachtig lief had dan moest hij mij meer beminnen dan
-zichzelven, dunkt mij.… O! ik geloof niet dat ik voor eenig offer terug zou deinzen
-indien het ’t geluk gold van iemand dien ik waarachtig lief had.… Hij zal het niet
-doen.…. en toch trouwt hij mij uit liefde.…”
-</p>
-<p>Zij lachte afgetrokken. »Och, zulke roman-liefdes bestaan mogelijk niet eens. Ik heb
-er ook nooit van gehoord in het werkelijke leven.…”
-</p>
-<p>Zij stond op, nam een boek uit haar kast, sloeg het open bij een vouw en las:
-</p>
-<div lang="fr" class="lgouter">
-<p class="line">»Osez me l’arracher! Demandez-lui s’il m’aime,
-</p>
-<p class="line">Dit-elle; le voilà pour répondre lui-même.
-</p>
-<p class="line">Parle, Jocelyn, dis s’il est vrai que ton coeur
-</p>
-<p class="line">A trahi ton ami, ton amante, ta soeur!
-</p>
-<p class="line">Dis-leur si de ce sein où Dieu m’avait jetée,
-</p>
-<p class="line">Sur la pierre à leurs pieds tu m’as précipitée?
-</p>
-<p class="line">Dis-leur si cet amour, notre vie en ce lieu,
-</p>
-<p class="line">Tu l’aurais renié, même à la voix de Dieu!
-</p>
-<p class="line">Un Dieu! S’il était vrai, si je doutais encore,
-</p>
-<p class="line">Je le détesterais, autant que je t’adore!”</p>
-</div>
-<p class="first">Met een treurigen glimlach sloeg Louise het boek dicht, maar een tweede vouw ziende,
-opende zij het weder om verder te lezen:
-<span class="pageNum" id="pb103">[<a href="#pb103">103</a>]</span></p>
-<div lang="fr" class="lgouter">
-<p class="line">»Je me repens de tout, hors de l’avoir aimé!
-</p>
-<p class="line">Et si devant ce Dieu mon amour est coupable,
-</p>
-<p class="line">Que dans l’éternité sa vengeance m’accable!
-</p>
-<p class="line">Je ne puis m’arracher du coeur, même aujourd’hui,
-</p>
-<p class="line">Le seul être ici-bas qui m’ait fait croire en lui;
-</p>
-<p class="line">Et dans mes yeux mourants son image est si belle,
-</p>
-<p class="line">Que je ne comprends pas le ciel même sans elle.
-</p>
-<p class="line">Oh! s’il était là, lui! Si Dieu me le rendait!
-</p>
-<p class="line">Même à travers la mort, oh! s’il me regardait!
-</p>
-<p class="line">Si cette heure à ma vie eut été réservée,
-</p>
-<p class="line">Si j’entendais sa voix, je me croirais sauvée:
-</p>
-<p class="line">Sa voix m’adoucirait jusqu’au lit du tombeau!<a class="noteRef" id="xd31e2387src" href="#xd31e2387">1</a></p>
-</div>
-<p class="first">»O neen! zulke liefde kan niet bestaan!” sprak zij met tranen in de oogen. »En toch.…
-indien zij eens bestond?”
-</p>
-<p>Zij had zonder het te bemerken eenige bladzijden omgeslagen, en toevallig viel haar
-oog op de woorden:
-</p>
-<div lang="fr" class="lgouter">
-<p class="line">»J’ai trahi par faiblesse, ou bien par dévoûment,
-</p>
-<p class="line">Mon enfant, mon amour, mon bonheur, mon serment.”</p>
-</div>
-<p class="first">Zij las niet verder. Zij wierp het boek weg en sprak met een nog treuriger lach dan
-zoo even: »Ik hoop dat ook dit overdreven zal wezen!”
-</p>
-<p>Toen begaf zij zich ter ruste, doch sliep bijna niet dien nacht, en toen den volgenden
-morgen de eerste zonnestralen in haar kamer drongen, gevoelde zij zulk een behoefte
-aan ruimte en lucht dat zij zich <span class="pageNum" id="pb104">[<a href="#pb104">104</a>]</span>zonder hulp harer slavinnen aankleedde en den tuin invloog.
-</p>
-<hr class="tb"><p>
-</p>
-<p>Ook de resident had dien nacht geen rust kunnen vinden. Hij had, ’s avonds thuis komende,
-zijn jongen de deur uitgeschopt, omdat hij, als altijd, onder de tafel lag te slapen,
-omdat het nachtlampje niet meer licht gaf dan naar gewoonte, omdat de laarzen, die
-hij aanhad, hem knelden, omdat het warmer was in zijn kamer dan in de open lucht,
-en om nog vele andere redenen meer, die slechts in de verhitte verbeelding van driftige
-menschen zonden van onschuldigen worden.
-</p>
-<p>Nu liep hij met rassche schreden zijn kamer op en neer, dan bleef hij voor het geopende
-venster staan en hief zijn oogen naar omhoog, zonder iets van den prachtigen sterrenhemel
-te zien die zich over Samarang uitstrekte; nu eens wierp hij zich moedeloos op een
-bank, een oogenblik later sprong hij weder op, <span class="corr" id="xd31e2404" title="Bron: baldde">balde</span> de vuisten, verschoof eenige stoelen, verplaatste het nachtlichtje, de gindie<a class="noteRef" id="xd31e2407src" href="#xd31e2407">2</a> met water, zijn cassette, in éen woord al wat hij vinden kon, wierp de jalousiën
-dicht wanneer ze open waren, of opende ze wanneer hij ze een oogenblik te voren gesloten
-had, stampvoette, lachte, geeuwde, sprak overluid, was nu eens hoogst gelukkig dan
-weer diep rampzalig, dacht aan alles en toch aan niets.… Zóo werd het eindelijk <span class="pageNum" id="pb105">[<a href="#pb105">105</a>]</span>dag en de resident zag met verbazing de zon in zijn kamer schijnen.
-</p>
-<p>»Wat duivel is dat?” sprak hij bij zichzelven, »heb ik mij gisteren niet uitgekleed?
-Ik zou mij schamen voor mijn jongen als hij ’t zag!”
-</p>
-<p>Hij ontkleedde zich zoo goed en zoo kwaad als hij het zonder hulp van Siedin doen
-kon, stak een sigaar op, wierp zich te bed en floot.
-</p>
-<p>Siedin trad binnen. »Wat verlangt toewan resident?”
-</p>
-<p>»Hoe laat is het?”
-</p>
-<p>Hij had een halve minuut geleden nog op zijn horloge gezien.
-</p>
-<p>»Bij zessen, mijnheer.”
-</p>
-<p>»Leg mijn kleeren gereed, ik wil uitgaan—dadelijk.”
-</p>
-<p>Siedin was buiten zichzelven van verbazing, maar vertrok geen spier en gehoorzaamde
-stilzwijgend.
-</p>
-<p>Toen de resident eindelijk weer in de kleeren was, sprak hij haastig:
-</p>
-<p>»Haal mij een kop koffie en een stuk brood, en zoek mij een gezadeld paard.”
-</p>
-<p>Siedin antwoordde kalm: »Saja toewan”, maar wist volstrekt niet waar hij een gezadeld
-paard van daan zou kunnen halen, daar de ongelukkige, magere dieren van het logement,
-volgens zijn oordeel niet geschapen waren om een resident te dragen.
-</p>
-<p>Het ontbijt verscheen spoedig genoeg, maar de resident had al ruim een kwartieruurs
-gelaarsd en gespoord op de stoep gestaan, eer zijn gezadeld paard kwam opdagen.
-<span class="pageNum" id="pb106">[<a href="#pb106">106</a>]</span></p>
-<p>»Monjet!<a class="noteRef" id="xd31e2429src" href="#xd31e2429">3</a> Waar heb je zoolang gezeten?” vroeg hij rood van ongeduld.
-</p>
-<p>»Ik heb het rijpaard van toewan secretaris.…”
-</p>
-<p>»Stommeling!” bromde de resident opstijgende; hij gaf het paard de sporen en reed
-weg.
-</p>
-<p>»<span lang="ms">Oentoeng! Toewan resident kloewar</span><a class="noteRef" id="xd31e2439src" href="#xd31e2439">4</a>!” dacht Siedin bij zichzelven en recht gelukkig dat hij vrij af had, begaf hij zich
-naar zijns meesters kamer en lei zich in diens plaats ter ruste.
-</p>
-<p>De resident reed in gedachten verzonken den Bodjongschen weg op.
-</p>
-<p>»Neen,” sprak hij bij zichzelven, »neen, niets daarvan.… Wat raakt het haar?—Zij is
-een kind, een aardig poppetje; maar daarom behoeft zij nog niet alles te weten. En
-buitendien, wat zou het baten, of zij het al dan niet wist; dat zou niets aan de zaak
-veranderen.
-</p>
-<p>»Het is, geloof ik, een koppig ding, zoo onderworpen als zij zich voordoet.… Nu, en
-die onderwerping! Zij wil wel zóo, anders zou ze ook zoo gehoorzaam niet wezen.… Een
-mooi kopje! Een lief figuurtje! Maar gisteren was zij toch verduiveld bij de hand.…
-En een tongetje, zoo scherp.… zoo rad.…
-</p>
-<p>»Maar mogelijk—Ha! daar begin ik weer! Daar ben ik nu den ganschen nacht reeds over
-bezig geweest, alsof haar woorden iets te beteekenen konden hebben! Louise is een
-kind—en een bedorven kind nog al, zij heeft zich <span class="pageNum" id="pb107">[<a href="#pb107">107</a>]</span>gekrenkt gevoeld door mijn wijze van handelen, dat is al. Had ik haar een week of
-wat het hof gemaakt, alvorens mij tot haar ouders te wenden, dan zou het nufje zeer
-vereerd geweest zijn. Nu is de jonge dame beleedigd.…—Ik hoor haar nog: »Stevens,
-binnen korten tijd zal ik uw vrouw zijn en nog nooit hebt gij gevraagd of ik het wezen
-wilde.” Dat waren harde woorden voor mij.… mogelijk ware het beter indien.… neen,
-neen! Wat drommel, waar denk ik toch aan! Louise zal mijn vrouw worden—en zij zal
-mij liefhebben ook, anders.…
-</p>
-<p>»»Ik hoop het voor u en voor mij,” gaf zij mij gisteren ten antwoord, toen ik haar
-van liefde in ons huwelijk sprak; »maar mocht het anders wezen, dan zal de resident
-zich herinneren dat zijn vrouw hem gedwongen haar hand geschonken heeft.” Verduiveld!
-die woorden deden mij toch aan. Het was mij, alsof zij een vloek over mijn toekomst
-uitsprak! Het was een oud mensch dat sprak, geen zestienjarig meisje meer. Die kalmte,
-die vaste, ik zou bijna zeggen, die dreigende wijze van spreken.… Als man van eer
-moest ik haar haar woord terug geven.… En haar de vrouw van een ander zien worden!
-Nooit. Alsof een ander haar meer lief kon hebben, dan ik? Alsof.… Gekheid! Non sense!
-daar komt niets van in!—Het mankeert er nog maar aan dat resident Stevens van Langendijk
-daarvoor hier gekomen zou zijn! Wat zouden zij mij uitlachen als ik zonder vrouw te
-A. terugkwam!—Ik—een man van rang, van vermogen, bedankt door een wispelturig kind!
-En dat nogal nadat de geheele wereld geweten heeft dat <span class="pageNum" id="pb108">[<a href="#pb108">108</a>]</span>zij mijn bruid geweest is! Wat zou men daar wel van zeggen.… Neen, neen; dat gaat
-niet. Alles is goed en wel, maar ik moet niet ridicuul gaan worden op mijn ouden dag!”
-Zoo dacht de resident nog een groot uur voort en toen hij eindelijk vermoeid en warm
-te huis kwam, was hij nog niets verder gevorderd dan toen hij uitreed. Alles was verwarring
-in zijn hoofd zoowel als in zijn hart.
-</p>
-<p>Hij was verliefd op Louise, zij was zijn bruid, zij <span class="ex">moest</span> zijn vrouw worden. Wel zeide zijn geweten hem dat hij verkeerd handelde, maar zijn
-hoogmoed, zijn ijdelheid, zijn eigenliefde, ja zelfs zijn achting voor zichzelven
-gedoogden niet dat hij zijn wil zou doen buigen voor die van een afhankelijk kind.
-</p>
-</div>
-<div class="footnotes">
-<hr class="fnsep">
-<div class="footnote-body">
-<div class="fndiv" id="xd31e2387">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e2387src">1</a></span> Jocelyn, par de Lamartine.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e2387src" title="Ga terug naar noot 1 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e2407">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e2407src">2</a></span> Aarden waterkruik.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e2407src" title="Ga terug naar noot 2 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e2429">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e2429src">3</a></span> Aap!&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e2429src" title="Ga terug naar noot 3 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e2439">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e2439src">4</a></span> Woordelijk vertaald: »Winst, mijnheer de resident is uit.”&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e2439src" title="Ga terug naar noot 4 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div id="ch15" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e310">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="label">VIJFTIENDE HOOFDSTUK</h2>
-<h2 class="main">HET OFFER AAN EERZUCHT GEBRACHT</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Wij vinden Louise <span class="corr" title="Bron: Van">van</span> Amerongen weder in een prachtig wit zijden bruidskleed; een lichte kanten sluier
-is smaakvol om het schoone hoofd geplooid, en omzweeft als een dunne wolk de fijne,
-ranke gestalte. Kostbare paarlsnoeren kronkelen om den blanken hals en armen, en een
-fraaie krans van oranjebloesems en witte rozen ligt op een stoel aan haar zijde. Haar
-gelaat is bleek, haar oogen schitteren en haar handen zijn <span class="pageNum" id="pb109">[<a href="#pb109">109</a>]</span>wit en koud. Overigens is zij kalm en geen woord, geen beweging verraadt wat er in
-haar ziel omgaat.
-</p>
-<p>De resident treedt met een glimlach om de lippen de voorgalerij binnen en beeft licht
-terwijl hij de hand zijner bruid in de zijne vat.
-</p>
-<p>»Zal zij mij gelukkig maken?” vroeg hij zichzelven met eenige twijfeling af, en toen
-hij zijn oog vragend op zijn schoone Louise vestigde, ging hem een koude rilling door
-de leden, terwijl hij zichzelven verzekerde dat haar buitengewone schoonheid ruimschoots
-vergoeden zou hetgeen zij aan verstand of hart ontbreken mocht.
-</p>
-<p>»Zal het mij mogelijk zijn dien man gelukkig te maken?” waren ter zelfder tijd de
-gedachten der bruid, en toen zij haar donker oog onzeker over de menigte liet weiden,
-trof haar de zachte, treurige uitdrukking van Henri’s edel gelaat en ook haar ging
-een koude rilling door de leden, terwijl zij haar blikken nedersloeg en zichzelve
-ontkende immer iets om haren neef gegeven te hebben.
-</p>
-<p>Arm meisje! Hoevelen handelen als gij, en werpen zich met een bloedend hart in de
-armen van een man die haar onverschillig is! Hoevelen brengen, als gij, aan een fortuin,
-aan een rang het geluk van gansch haar leven ten offer en verloochenen, vergeten,
-versmaden zichzelven en anderen voor een denkbeeldige grootheid, die haar waarde verliest
-zoodra men gevoelt haar bereikt te hebben!
-</p>
-<p>En gij, dwaze man! gij die de menschen kent en voor wien de wereld niet nieuw meer
-is, gij die geen jeugd, geen onervarenheid, geen plichtbesef ter uwer verontschuldiging
-<span class="pageNum" id="pb110">[<a href="#pb110">110</a>]</span>kunt bijbrengen, hoe kunt gij u aan een woesten hartstocht overgeven waartegen uw
-verstand u waarschuwt en geheel uw ziel zich verzet? Hoe kunt gij, die alles gezien,
-gekend, genoten hebt, wien niets onthouden is geworden, zelfs niet de rampen die kracht
-geven en de teleurstellingen die tot nadenken brengen, hoe durft gij thans op een
-gelukkige toekomst hopen?
-</p>
-<p>Toch zijn er velen als gij, die op een gevorderden leeftijd een jonge bruid naar het
-echtaltaar voeren zonder een oogenblik aan het geluk der aanstaande levensgezellin
-gedacht te hebben. Die haar uit eigenliefde, hoogmoed of pronkzucht, het jawoord als
-afpersen en haar van haar ouders afbedelen of koopen om het nietig genot te hebben
-van der wereld toe te roepen: »Zij, die de mijne is geworden, was te goed voor allen,
-de grootsten waren te gering voor haar en de rijksten te arm; maar zij heeft mij haar
-leven en haar toekomst toevertrouwd, mij heeft zij haar jeugd en haar schoonheid geschonken.”
-</p>
-<p>Het leven is een leerschool, heeft men meer dan eens gezegd, en toch, hoevelen hollen
-dat leven door, zonder omzien, zonder nadenken, zonder vergelijken, zonder berekenen;
-verblind door al wat schittert, medegesleept door al wat kracht heeft, voortgestuwd
-door al wat buiten hen is. Zij zien alles en begrijpen niets, gevoelen alles en kennen
-niets, ondervinden alles en doorgronden niets. Uitgelaten vroolijk in voorspoed, zijn
-zij hopeloos in droefheid en verwoed over de geringste teleurstelling. Niets is blijvend
-voor hen; wat zij heden liefhebben, versmaden zij morgen; wat zij gisteren deugd noemden,
-is heden misdaad voor hen. <span class="pageNum" id="pb111">[<a href="#pb111">111</a>]</span>Zij leven geheel voor het oogenblik, gevoelen zonder herinnering en handelen zonder
-aan een toekomst te denken. Vandaar dan ook dat men er zoo velen ziet die in de werkelijkheid
-grijs geworden zijn om hun leven in een illusie te eindigen.
-</p>
-<p>In de kerk knielde de jonge bruid aan Stevens zijde neder, zijn oogen zochten de haren,
-de haren bleven onafgebroken neergeslagen. En toen de plechtigheid geëindigd was en
-zij op zijn arm geleund de kerk verliet, verried een hoog rood een onbestemd gevoel
-van schaamte en berouw dat zich onwillekeurig van haar meester maakte.
-</p>
-<p>De resident gevoelde iets dergelijks, maar begreep het niet. Zijn oog viel op het
-bekoorlijke schepsel dat hem <span class="ex">toebehoorde</span>, en half bevend fluisterde hij haar in het oor:
-</p>
-<p>»O Louise, mijn engel! Thans zijt gij de mijne voor eeuwig!”
-</p>
-<p>Nu eerst gevoelde het meisje, welk een vreeselijke band er tusschen haar en dien man
-gelegd was geworden. Nu verstond zij eerst recht die ijselijke woorden, die een oogenblik
-te voren nog bloote klanken voor haar geweest zouden zijn.
-</p>
-<p>Arme, arme Louise! De groote stap is thans gedaan. Mor niet tegen hetgeen geschied
-is, maar draag zorg voor de toekomst; wend de verblindheid uws echtgenoots ten uwen
-voordeele aan: hij beminde u tot heden zooals hartstocht, zooals begeerte alleen bemint,
-maar temper, wijzig die liefde, leid haar met verstand opdat zij een bron van geluk
-moge worden, voor u en voor den <span class="pageNum" id="pb112">[<a href="#pb112">112</a>]</span>man wiens toekomst ook de uwe wezen moet. Ontzie uw echtgenoot daar waar gij niet
-met hem overeen zult stemmen, acht hem, zoo niet om zijnentwille dan uit achting voor
-u zelve, en bemin hem, zoo niet met uw hart, dan toch met uw geweten; want gij hebt
-hem gansch uw leven beloofd en zijt hem dus medewerking en genegenheid verschuldigd.
-Leef, ja leef geheel voor hem, jonge, schoone, rijke vrouw, en hij zal door uw deugden
-leeren u lief te hebben, te achten en te eerbiedigen zooals hij nog nimmer een vrouw
-vóor u lief gehad, geacht en geëerbiedigd heeft.
-</p>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div class="div0 part">
-<h2 class="label">TWEEDE DEEL</h2>
-<h2 class="main">HOE ZIJ WERD</h2>
-<p></p>
-<div lang="fr" class="div1 prologue"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody">
-<p class="first">Nous autres femmes nous ne demandons qu’à admirer et qu’à servir. Le sentiment de
-notre infériorité ne nous blesse pas, il nous charme au contraire. Ne vous étonnez
-donc pas si vous trouvez si peu de soumission chez les femmes c’est qu’il y a fort
-peu d’hommes dignes de la soumettre.
-</p>
-<p class="tb">. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .</p><p>
-</p>
-<p class="xd31e2506"><span class="corr" id="xd31e2507" title="Bron: Eternité">Éternité</span>!
-</p>
-<p>Quel droit avons-nous pauvres petits êtres, ignorants et impuissants, de faire une
-promesse pour l’éternité?—Demain ne nous appartient pas, comme l’éternité nous échappera!
-</p>
-<p class="xd31e682">Lettre à M. Alexandre Dumas, fils, au sujet de son livre <span class="ex">L’Homme-Femme</span>, par Mlle Oristorio di Frama, Cantatrice.
-<span class="pageNum" id="pb113">[<a href="#pb113">113</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch16" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e326">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="superlabel">TWEEDE DEEL</h2>
-<h2 class="super">HOE ZIJ WERD</h2>
-<h2 class="label">ZESTIENDE HOOFDSTUK</h2>
-<h2 class="main">TE HUIS</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Tegen vijf uur des namiddags reed een gemakkelijk reisrijtuig met zes paarden bespannen
-en door een eerewacht te paard omringd, de groote laan in, die naar het residentiehuis
-te A. geleidde. De loopers draafden naast de paarden, de wacht kwam in het geweer,
-alle bedienden vlogen naar buiten en resident Stevens van Langendijk heette zijn jonge
-vrouw welkom in haar nieuwe woning.
-</p>
-<p>»Zorg voor de goederen,” riep hij de oppassers toe. En zijn vrouw bij de hand vattende,
-geleidde hij haar de stoep op en het huis rond dat voortaan het hare zou wezen.
-</p>
-<p>»Wel, wat zeg je, mijn kind? Is het hier nu zoo kwaad?”
-</p>
-<p>Louise wierp verwonderde blikken om zich heen en antwoordde zacht:
-</p>
-<p>»Integendeel, ik vind dat gij prachtig ingericht zijt!”
-<span class="pageNum" id="pb114">[<a href="#pb114">114</a>]</span></p>
-<p>»Niet waar? Ik ben ingericht zooals het behoort, rijk en net.”
-</p>
-<p>»Zeer net.… dit is juist hetgeen mij frappeert.… een jongeheerenhuishouden.…”
-</p>
-<p>»Aha! ondeugend ding! Denkt gij zóo over het <span class="corr" id="xd31e2537" title="Bron: jonge heerenhuishouden">jongeheerenhuishouden</span>.… Wacht, dan zullen wij u nog iets anders laten zien.”
-</p>
-<p>Toen bracht hij haar naar de slaapkamer, waar alles smaak, gemak en weelde ademde.
-</p>
-<p>»Zie hier je linnenkasten, lieve.”
-</p>
-<p>»O, hoe netjes! Wie heeft dat alles zoo keurig geschikt?”
-</p>
-<p>»Wel de meiden, Poes.”
-</p>
-<p>»En hier deze deur?”
-</p>
-<p>»Die komt in je kleedkamer uit, je heiligdom, waar je zoo vrij als een vogel zult
-wezen.”
-</p>
-<p>Hij stiet de deur open en Louise trad binnen.
-</p>
-<p>Zij zeide niets.
-</p>
-<p>»Nu?” vroeg de resident.
-</p>
-<p>»Prachtig.”
-</p>
-<p>Op eens wierp zij zich in zijn armen.
-</p>
-<p>»Wat heb je? Waarom huil je?”
-</p>
-<p>»Ik weet het niet,” snikte zij afgebroken. »Gij zijt zoo goed voor mij.”
-</p>
-<p>»En huil je daarom?” vroeg hij met een lach. »Kom kind, droog die tranen af en geef
-mij een zoen. Zóo, goed zoo. Nu, dáar staat je koffer, maak je nu eens mooi van avond,
-want er zal zeker wel de een of ander komen om mijn mooi, lief vrouwtje te zien.”
-<span class="pageNum" id="pb115">[<a href="#pb115">115</a>]</span></p>
-<p>Hij drukte haar nog eens hartstochtelijk in zijn armen en toen verliet hij haar, opdat
-zij zich ongestoord zou kunnen verkleeden.
-</p>
-<p>Doch nauwlijks was zij alleen of zij sloot de deur harer kamer, wierp zich op een
-rood fluweelen causeuse neder en weende bitter. Haar hart was zóo vol dat het haar
-goed deed eindelijk een oogenblik te hebben waarin zij haar tranen vrij kon laten
-vloeien.
-</p>
-<p>De kamer waarin zij zich bevond was ruim en smaakvol gemeubeld. Alles was er in harmonie
-en zóo geschikt dat men niets had kunnen wegnemen of verplaatsen zonder het geheel
-een minder bekoorlijk aanzien te geven.
-</p>
-<p>Een meubel slechts scheen misplaatst in het vroolijke, smaakvolle vertrek, omdat het
-te groot, te donker was, te veel in het oog viel, zouden wij kunnen zeggen. Het was
-een mahoniehouten hangkast, waarvan een der deuren wijd open stond, terwijl de andere
-gedurig kraakte alsof er iemand tegen aanleunde.
-</p>
-<p>Dit gekraak trof eindelijk Louise’s oor. Zij herinnerde zich waarom zij hier gekomen
-was, wischte haar tranen af en stond op om zich te kleeden.
-</p>
-<p>Onverschillig opende zij een houten kistje, wierp er eenige gouden armbanden en een
-lange snoer bloedkoralen uit, trok daarna een licht grijs zijden kleed bij éen mouw
-van onder uit haar koffer en klapte in de handen om Alima te roepen.
-</p>
-<p>Tien minuten later was zij gereed.
-</p>
-<p>»Hoe laat is het?”
-</p>
-<p>»Zes uur, mevrouw.”
-<span class="pageNum" id="pb116">[<a href="#pb116">116</a>]</span></p>
-<p>»Goed. Gij kunt heengaan.”
-</p>
-<p>Alima vertrok.
-</p>
-<p>Toen kwamen de tranen weder, en weer sloot zij snel de deur opdat niemand ze zien
-zou.
-</p>
-<p>Maar, terwijl zij aan den eenen kant van de kamer stond met het gelaat naar de deur
-gekeerd, vonkelde er een donker oog om de deur der hangkast heen.… Een tweede oog,
-een fijnbesneden neus met beweegbare neusvleugels, een half geopende mond met vast
-opeengeklemde tanden, een lange uitgerekte hals volgden. Een jonge vrouw, bruin, slank,
-vlug, levendig, hartstochtelijk, vlood als een hinde uit de kast langs den muur, om
-de tafel, achter de rood fluweelen causeuse. Daar blijft zij een oogenblik onbewegelijk
-zitten, met de eene hand op de borst gedrukt als om de lucht terug te dringen die
-in een luide kreet dreigt uit te barsten, met de andere krampachtig om het gevest
-van een kris geslagen, dien zij in de plooien harer kabaai zoekt te verbergen.
-</p>
-<p>Zij ziet Louise voor zich staan. Met éen blik meet zij den afstand tusschen haar kris
-en het hart der jonge vrouw, en een lach vol haat geeft voor een oogenblik een afschuwelijke
-uitdrukking van wreedheid en wraak aan haar anders buitengewoon schoon gelaat.
-</p>
-<p>Langzaam rijst zij op—sluipt zij voort—heft zij haar kris omhoog.… »Tjilakka!”<a class="noteRef" id="xd31e2576src" href="#xd31e2576">1</a> gilt zij op eens, en weenend zinkt zij aan Louise’s voeten neder, terwijl zij haar
-kris naar het andere einde der kamer werpt.
-<span class="pageNum" id="pb117">[<a href="#pb117">117</a>]</span></p>
-<p>Louise ontstelt hevig, maar terstond haar schrik verbergende, vraagt zij kalm en trotsch,
-op een schier bevelenden toon:
-</p>
-<p>»Wie zijt gij? En wat doet gij hier?”
-</p>
-<p>»Tjilakka!” herhaalt de jonge vrouw nog eens, en na een oogenblik zwijgens, waarin
-de beide vrouwen elkander met een onverklaarbare belangstelling, ja bijna sympathie
-beschouwen, vervolgt zij in vreeselijke wanhoop:
-</p>
-<p>»Mina is genoeg gewroken!—Njonja resident zal ook niet gelukkig zijn! Maar toewan
-Allah zal rechtvaardig wezen!”
-</p>
-<p>»Wie zijt gij?” vraagt Louise weder, deze keer zacht en medelijdend.
-</p>
-<p>»Wie ik ben.—Wie—ik—ben?” herhaalt de jonge vrouw met bitterheid. »En dat vraagt gij
-mij Hier? hier, in mijn eigen huis, in mijn eigen kamer? Onder het dak van hem, dien
-ik tien jaar lang gediend heb als mijn meester, dien ik lief heb gehad als den vader
-van mijn kinderen.… voor wien ik gezorgd heb als voor mijn eigen broeder, voor wien
-ik gewerkt heb als voor mijn eigen vader!—Maar hij heeft mij verstooten—verstooten
-voor u, verstooten omdat ik arm ben.… omdat ik hem niets dan liefde geven kan—niets
-dan dat! En dat was niet genoeg voor hem.… Hij wilde geld hebben—geld voor zich alleen—niet
-eens voor zijn kinderen! Want die heeft hij verstooten als mij!—Hij was vertrokken
-naar Samarang, om papieren te halen; want Mina zou zijn vrouw worden en haar kinderen
-zouden <span class="pageNum" id="pb118">[<a href="#pb118">118</a>]</span>Stevens heeten.… En toen de kinderen vroolijk waren en Mina gelukkig was en vertrouwde
-op hem.… toen kwam er een vreemde om te zeggen dat de resident getrouwd was!.… Hij
-bracht geld voor de kinderen en een bevel voor Mina om zich te verbergen in de bovenlanden,
-opdat njonja resident niet weten zou dat er ooit een Mina bestaan had.…
-</p>
-<p>»Maar de kinderen speelden met het geld en Mina geloofde niet aan het bevel.… Toen
-werden de kinderen heimelijk weggevoerd, Mina werd verjaagd uit het huis dat haar
-lief was.… En njonja resident kwam.…
-</p>
-<p>»Mina zat verscholen in het bloembed vóor het huis—zij zag njonja resident het rijtuig
-uitstappen en leunen op den arm van haren Heer.—Mina sloop het huis in, door de achtergalerij,
-in haar eigen kamer. Zij had een kris gekocht voor het geld van haar kinderen.… Maar
-zij zag tranen in de oogen van njonja resident en zij had kassian<a class="noteRef" id="xd31e2593src" href="#xd31e2593">2</a> met haar!”
-</p>
-<p>Louise had zich lang goed gehouden, nu echter begaf haar de zelfbeheersching en half
-bewusteloos zonk zij op een stoel neder.
-</p>
-<p>De inlandsche vrouw stond op, schonk een glas water in en bood het Louise aan, die
-het met een blik vol wantrouwen van zich stiet.
-</p>
-<p>De oogen der jonge vrouw schoten vol tranen.
-</p>
-<p>»Drink gerust, njonja resident,” sprak zij zacht. »Gij <span class="pageNum" id="pb119">[<a href="#pb119">119</a>]</span>hebt niets van Mina te vreezen—het is water uit uw eigen gindie.”<a class="noteRef" id="xd31e2603src" href="#xd31e2603">3</a>
-</p>
-<p>En na een oogenblik wachtens vervolgde zij krachtiger:
-</p>
-<p>»Dáar ligt mijn kris—gij kunt mij aangeven als gij wilt. En de oppassers die mij voorheen
-als hun meesteres gehoorzaamden en eerbiedigden, zullen mij aangrijpen en wegvoeren,
-en de resident zal de moeder zijner kinderen als moordenares ter dood brengen!”
-</p>
-<p>Louise snikte overluid.
-</p>
-<p>»Arm, ongelukkig schepsel!” sprak zij zacht, terwijl zij de handen der verstooten
-vrouw in de haren nam en met kussen overdekte. »Kan ik iets voor u doen? O! zeg mij
-wat?”
-</p>
-<p>»Niets, njonja resident.”
-</p>
-<p>»Niets? Maar voor uw kinderen dan?”
-</p>
-<p>»Niets mevrouw.”
-</p>
-<p>»Neem dit voor uw kinderen. Ik heb op het oogenblik niets anders hier. Maar later,
-als mijn goed gekomen zal zijn, kom dan terug en ik zal u alles geven wat gij voor
-uw kinderen noodig kunt hebben.”
-</p>
-<p>Mina legde de gouden armbanden, welke Louise afgedaan had om ze haar te geven, op
-de tafel neder, toen nam zij de diamanten knoopjes uit de mouwen harer <span class="corr" id="xd31e2617" title="Bron: kabaaya">kabaya</span> en de soebings uit haar ooren, deed de gouden pendieng af die om haar lendenen gegespt
-was en nam de brillanten haarpennen uit haar kondeh.
-</p>
-<p>»Dit alles heb ik van toewan resident gekregen,” sprak <span class="pageNum" id="pb120">[<a href="#pb120">120</a>]</span>zij nauw hoorbaar, <span class="corr" id="xd31e2624" title="Niet in bron">»</span>en ik heb het gedragen zoolang ik voor toewan resident leven mocht.…”
-</p>
-<p>Zij kon niet verder spreken.
-</p>
-<p>Louise sloeg haar arm om Mina’s hals en fluisterde vleiend:
-</p>
-<p>»En indien njonja resident u vriendelijk verzocht die kleinodiën te blijven dragen
-en ze als bruidschat uwer kinderen te beschouwen?”
-</p>
-<p>»Njonja resident is goed,” sprak de jonge vrouw medelijdend. »Maar Mina heeft leeren
-werken en zal geen gebrek lijden zoolang Toewan Allah haar de gezondheid niet ontnemen
-zal.”
-</p>
-<p>Er werd aan de deur geklopt.
-</p>
-<p>»Wie is daar?” vroeg Louise zonder te openen.
-</p>
-<p>»Ik mevrouw,” antwoordde een onbekende stem. »Toewan resident laat vragen of njonja
-voor wil komen; er zijn gasten.”
-</p>
-<p>»Terstond!” en zich tot Mina wendende vervolgde zij gejaagd: »Waar zult gij nu blijven?
-Gij kunt de kamer niet uitkomen, zonder gezien te worden.—En ik wil niet dat iemand
-hier in huis iets van het voorgevallene vernemen zal.”
-</p>
-<p>Mina antwoordde niet. Droevig zag zij de kamer rond, die zoolang de hare was geweest.
-Haar oog bleef even op de hangkast rusten, doch zij had den moed niet om te vragen
-of zij in haar vorigen schuilhoek terug mocht keeren, totdat er een gunstig oogenblik
-komen zou om in de duisternis den tuin in te sluipen.
-</p>
-<p>»Blijf hier!” sprak Louise, na zich een oogenblik bedacht <span class="pageNum" id="pb121">[<a href="#pb121">121</a>]</span>te hebben. »Ik zal Alima roepen en haar zeggen dat zij vóor de deur gaat zitten en
-niemand binnenlaat.—Vrees niets, ga op de banko (causeuse) liggen, wanneer gij vermoeid
-zijt, en slaap gerust.”
-</p>
-<p>Mina dankte haar met een weemoedigen lach en Louise verscheen in de voorgalerij, schoon
-en koud als een marmeren beeld.
-</p>
-<p>De resident stelde haar den dokter en den adsistent-resident voor. »Mijne huisvrienden<span class="corr" id="xd31e2643" title="Niet in bron">,</span>” zeide hij en Louise reikte de beide heeren de hand.
-</p>
-<p>Eerst was zij stil en afgetrokken, maar weldra kwam er glans in haar oogen, gloed
-op haar wangen, geest in haar woorden. En toen de twee heeren dien avond laat naar
-huis gingen, waren zij opgetogen van bewondering over de onvergelijkelijk schoone
-residentsvrouw, wier lieftalligheid en geest haar schoonheid evenaarde.
-</p>
-<p>Ook de resident was uitgelaten van vroolijkheid en zóo trotsch op zijn bekoorlijke
-Louise, dat hij haar opgewondenheid voor vreugde hield en haar overspanning voor geluk,
-haar volmaakt tevreden achtende met haar gloeiend hoofd en haar verbrijzeld hart.
-</p>
-<p>Louise had zich intusschen zoozeer vermoeid, dat zij om half twaalf in haar kleedkamer
-terugkeerende, nauwelijks meer loopen kon en zich om zoo te zeggen niets meer herinnerde
-noch van de heeren die zij gesproken had, noch van hetgeen er dien avond voorgevallen
-was.
-</p>
-<p>Mina, altijd Mina, niets dan Mina!
-</p>
-<p>»Ik heb den ganschen avond aan u gedacht!” waren haar eerste woorden, toen zij Mina
-weerzag. »Eer ik <span class="pageNum" id="pb122">[<a href="#pb122">122</a>]</span>naar de andere kamer ga, moet gij mij een belofte doen, want morgen vind ik u hier
-niet meer misschien.”
-</p>
-<p>»Wat verlangt njonja resident van mij?”
-</p>
-<p>»Beloof mij, dat gij u, indien gij iets noodig zult hebben, nooit tot een ander zult
-wenden dan tot mij.”
-</p>
-<p>»En wanneer njonja resident iets noodig zal hebben?.… Alle menschen kunnen ongelukkig
-worden.…”
-</p>
-<p>»Dan zal ik hulp zoeken bij u.”
-</p>
-<p>»Ik beloof het, njonja.”
-</p>
-<p>En nogmaals drukte Louise een hartelijken kus op het koude voorhoofd der verstooten
-vrouw, die zich weder in de kast verborg toen Alima haar meesteres ontkleeden kwam,
-en eerst in het holle van den nacht haar schuilhoek verliet, om als een <span class="corr" id="xd31e2661" title="Bron: diefegge">dievegge</span> het huis uit te sluipen dat eenmaal het hare was geweest.
-</p>
-</div>
-<div class="footnotes">
-<hr class="fnsep">
-<div class="footnote-body">
-<div class="fndiv" id="xd31e2576">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e2576src">1</a></span> Ongelukkig, rampzalig.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e2576src" title="Ga terug naar noot 1 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e2593">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e2593src">2</a></span> Medelijden.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e2593src" title="Ga terug naar noot 2 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e2603">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e2603src">3</a></span> Aarden waterkruik.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e2603src" title="Ga terug naar noot 3 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div id="ch17" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e336">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="label">ZEVENTIENDE HOOFDSTUK</h2>
-<h2 class="main">WIE BIJ LOUISE WAKEN KOMT</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">»Nauwlijks veertien dagen gehuwd en nu reeds krank, reeds stervende! O God! heb medelijden
-met mij! Spaar haar! Red haar! O, mijn Vader hergeef mij mijn schoone Louise!”
-</p>
-<p>En luid snikkend stond Stevens aan het ziekbed zijner echtgenoote, wier laatste uur
-nabij scheen en wier zachte, <span class="pageNum" id="pb123">[<a href="#pb123">123</a>]</span>afgebroken ademhaling hem reeds meer dan eens aan haar leven had doen twijfelen.
-</p>
-<p>»Louise hoort gij mij? Kent gij mij nog?—Weet gij.… O! God, zij sterft!—Zij sterft.…”
-</p>
-<p>Een diepe stilte volgde. Stevens lag geknield ter aarde en de jonge vrouw scheen deze
-wereld voor een betere verlaten te hebben. Haar oogen waren gesloten, haar lippen
-strak en blauw en haar handen koud als marmer. Stevens klemde haar dunne vingers krachtig
-in de zijnen en drukte ze vurig aan zijn hart, terwijl zijn gloeiende lippen zich
-aan het ijskoude voorhoofd vastklemden, en zijn betraande oogen met den gloed der
-wanhoop vonkelden.
-</p>
-<p>»Louise! Louise!” weergalmde de forsche stem in het stille sombere vertrek, »Louise
-zijt gij ongelukkig geweest? Hebt gij reden gehad u over mij te beklagen? Hebt gij
-mij gevreesd? of gehaat?.… Ja, gehaat! Gehaat heeft zij mij, omdat ik haar lief had
-en omdat zij beefde voor een liefde, die te krachtig was, om door een zwakke vrouw,
-als zij, begrepen te worden.… Louise! Louise! O, herstel!.… Leef! Haat mij! Veracht
-mij! Regeer mij! Maar verlaat mij niet!.… O! alles, alles wil ik, alles zal ik voor
-u doen, alles.… Maar gij sterft! Gij wilt niet blijven? Gij zijt te schoon voor deze
-wereld! Te goed voor mij!”
-</p>
-<p>Hij snikte overluid, een vloed van tranen stroomde langs de bleeke handen der stervende
-en een scherpe kreet van wanhoop ontsnapte den beknelden boezem des residents.
-<span class="pageNum" id="pb124">[<a href="#pb124">124</a>]</span></p>
-<p>Een uur later.
-</p>
-<p>»August!.…” fluisterden de koude lippen der kranke. »August!—O kom.… Ik sterf.… Koud!.…
-Koud!”
-</p>
-<p>Stevens drukte haar al dichter tot zich, maar sprak niet. Het was hem niet mogelijk
-in deze oogenblikken van spanning en smart een enkel woord te uiten. Hij beefde voor
-den toestand waarin hij zich bevond en huiverde voor dien welke volgen zou.
-</p>
-<p>»Louise,” vroeg hij ten laatste. »Mijn kind, ik ben bij u, wat verlangt gij?”
-</p>
-<p>»Red mij!”
-</p>
-<p>»Gij zijt gered!—Niet waar, gij zijt weer beter? Gij wilt mij immers zóo spoedig niet
-verlaten?”
-</p>
-<p>»O! dáar.—Dáar zijn zij!——Red mij!—Red mij dan toch!——Gij zijt gezond en sterk——vlucht
-met mij!”
-</p>
-<p>En zij sloeg haar armen krampachtig om zijn hals, terwijl zij zich met een kracht,
-als die eener waanzinnige, van haar leger ophief.
-</p>
-<p>»Dáar!—Dáar ginds!” vervolgde zij angstig omziende. »Kijk dan toch!—Daar staat hij.——O!
-mijn kind!—Het is het mijne, Henri!”
-</p>
-<p>Stevens sidderde op het hooren van dien naam, toch antwoordde hij:
-</p>
-<p>»Henri zal u geen kwaad doen, Louise.… en een kind? Daar is geen kind!”
-</p>
-<p>»O God! Het valt.… dáar—dáar.… ’t Is dood!”
-</p>
-<p>En met een rauwen gil zonk de jonge vrouw aan <span class="pageNum" id="pb125">[<a href="#pb125">125</a>]</span>August’s voeten neder. Wanhopig knielde hij aan haar zijde, ondersteunde haar brandend
-hoofd met de eene hand en trok met de andere een kussen uit het bed om op haar verstijfde
-voeten te leggen.
-</p>
-<p>Lang nog zwegen beiden. Louise scheen uitgeput van vermoeidheid en Stevens durfde
-zich nauwlijks bewegen, uit angst haar een rust te ontrooven, die mogelijk heilzaam
-voor haar wezen kon.
-</p>
-<p>Toen zij eindelijk haar zwakke oogen weder ophief, trok zij haastig haar hand uit
-de zijne terug.
-</p>
-<p>»Moordenaar!” sprak zij nauw hoorbaar, en, terwijl zij het hoofd met moeite van hem
-afwendde, trachtte zij zich los te wikkelen uit den sterken arm die haar omklemd hield.
-</p>
-<p>Toen haar pogingen mislukten, greep zij Stevens hand stijf tusschen haar dunne vingers
-en zich naar hem toekeerende, om hem strak in de oogen te zien, riep zij koortsachtig:
-</p>
-<p>»Mijn kind is dood! Dat weet gij—maar alles weet gij nog niet.… ik heb nog lang niet
-alles gezegd.… Ik heb het vermoord!—Weet gij het? Begrijpt gij wat ik meen? Ik, zijn
-moeder, heb het levend verbrand omdat het <span class="ex">zijn</span> kind was!—Een kind van den <span class="ex">vreemdeling</span>! Van hem aan wien ik toebehoor.—Van hem die mij gekocht heeft om mijn lichaam, om
-dat lichaam dat dáar voor hem ligt, verminkt, aan stukken gesneden, over de heele
-wereld verspreid! Maar mijn hoofd is weg, dat heb ik meegenomen en weggegeven en hij
-zal het nooit weerzien, want dat heeft <span class="pageNum" id="pb126">[<a href="#pb126">126</a>]</span>hij niet willen betalen—dat gold niet mee, ofschoon het toch goed was, mijn arm, arm
-hoofd!.…”
-</p>
-<p>»Maar nog iets heeft hij niet gekregen—Chut! weet gij wat?—mijn hart!—dat heb ik begraven,
-eer ik met hem meeging—niemand weet waar.—Maar ik weet het—en ik kan het opgraven
-wanneer ik het noodig zal hebben.—Maar, chut!—Stil!—Zeg het hem niet, want dan zou
-hij het willen hebben, omdat het van goud is—omdat het gelukkig kan maken.—En hij
-krijgt het niet.… Nooit.… nooit! Al wordt hij ook duizend jaar oud!”
-</p>
-<p>»Louise! mijn lieve Louise! Ach, mijn God! red haar uit dezen vreeselijken toestand!”
-</p>
-<p>»Die stem!—Henri! Hebt gij haar gehoord?—Herkent gij haar?—Het is de zijne.—De <span class="ex">vreemdeling</span>!—Hu! daar is hij!”
-</p>
-<p>En zich met een rauwen kreet uit Stevens armen losrukkende, vlood zij naar het andere
-einde der kamer, en zonk dáar voor dood op een matje neder.
-</p>
-<hr class="tb"><p>
-</p>
-<p>Het is nacht. Alles rust in het groote residentiegebouw. Louise, door zwakte en vermoeidheid
-uitgeput, is van een flauwte in een zachte sluimering overgegaan. De resident ligt
-in een der logeerkamers te ronken alsof hij de gelukkigste man der wereld was. Ook
-Alima, de getrouwe Alima, is, na drie nachten niet van het leger harer meesteres geweken
-te zijn, bezweken voor de eischen der natuur, en slaapt gerust op haar gevlochten
-<span class="pageNum" id="pb127">[<a href="#pb127">127</a>]</span>matje met een gevouwen kaïn<a class="noteRef" id="xd31e2726src" href="#xd31e2726">1</a> tot hoofdkussen.
-</p>
-<p>Toch is er iemand die waakt over de arme, verlatene Louise.
-</p>
-<p>Het is Mina.
-</p>
-<p>Zij zit gehurkt achter het ledekant, verborgen in de plooien der witte <span class="corr" id="xd31e2734" title="Bron: nedeldoeksche">neteldoeksche</span> gordijnen, te wachten, te hopen op het oogenblik waarop zij van nut zal kunnen zijn.
-</p>
-<p>Niemand weet dat zij zich hier bevindt, zelfs Louise niet.
-</p>
-<p>Het was ver weg, in de dessah geweest, dat de menschen haar verteld hadden, dat njonja
-resident stervende was.
-</p>
-<p>»Kassian!” had zij gezegd, en tegen het vallen van den avond had zij haar kinderen
-verlaten en was zij naar A. gegaan »om te helpen.”
-</p>
-<p>Louise ontwaakt. Zij vraagt om drinken. Alima hoort het niet. Zij slaapt. Maar Mina
-is dáar. Zij luistert en zij waakt, zij helpt en verzorgt de jonge vrouw alsof zij
-haar zuster was, den ganschen nacht door tot aan den morgen.… Nog altijd blijft Alima
-slapen.
-</p>
-<p>Plotseling wordt de deur geopend en treedt Stevens binnen. Mina staat naast het ledikant
-met een lepel medicijnen in de hand. De resident dringt haar ter zijde, zonder acht
-op haar te slaan. Hij buigt zich over Louise heen, drukt haar een kus op het voorhoofd
-en vraagt <span class="ex">bijna</span> zacht:
-<span class="pageNum" id="pb128">[<a href="#pb128">128</a>]</span></p>
-<p>»Hebt gij goed geslapen, Poesje?”
-</p>
-<p>De jonge vrouw is te zwak om te antwoorden.
-</p>
-<p>»Hoe heeft mevrouw het van nacht gemaakt?” vraagt hij de <span class="ex">meid</span> die naast hem staat.
-</p>
-<p>»Goed.—Maar njonja resident heeft behoefte aan stilte en rust.… en de harde stem van
-toewan hindert haar.”
-</p>
-<p>De resident springt drie voet achteruit:
-</p>
-<p>»Gij!”
-</p>
-<p>Hij grijpt Mina bij den arm en sleurt haar mede naar het venster, dat hij wijd open
-gooit om te zien of zijn gehoor hem ook misleid kan hebben.
-</p>
-<p>Mina glimlacht even in het heldere licht dat op haar valt, en dat haar holle oogen,
-haar ingevallen wangen, haar vermagerde gestalte beschijnt, als om den resident het
-scherpste verwijt te doen, dat hem in deze kamer, en op dit oogenblik met mogelijkheid
-gedaan kon worden.
-</p>
-<p>Toch twijfelt hij nog.
-</p>
-<p>»Mina!—Hier, bij Louise!—Niet mogelijk!”
-</p>
-<p>Hij siddert, verbleekt, staart haar aan alsof hij een spookverschijning ziet, bevoelt
-haar, trekt haar naar zich toe, stoot haar terug.
-</p>
-<p>»Mina!” roept hij op eens, hijgend van kwaadheid en angst.
-</p>
-<p>»Mina!” antwoordt de jonge vrouw kalm, hem uittartend in de oogen ziende.
-</p>
-<p>»Hoe komt gij hier, en wat doet gij hier?” vraagt hij, tandenknarsend van woede.
-<span class="pageNum" id="pb129">[<a href="#pb129">129</a>]</span></p>
-<p>»Mina komt ongeluk brengen over het huis, dat vervloekt is geworden door de vrouw
-die gij bedrogen hebt, door de kinderen die gij verstooten hebt.”
-</p>
-<p>»Gij hebt haar vermoord, vergiftigd!” roept hij bijna gillend, en, geheel buiten zichzelven
-van woede, grijpt hij Mina bij de keel, sleurt haar naar de binnengalerij, werpt haar
-neder, slaat, stompt, schopt, trapt haar, totdat zij levenloos voor de deur van Louise’s
-kamer liggen blijft.
-</p>
-<p>»Oppas!” schreeuwt hij, een ander voorwerp zoekend om zijn drift op te koelen dan
-die gevoellooze massa, die den spot schijnt te drijven met zijn machtelooze woede.
-»Oppas! Wie uwer heeft die vrouw in huis gelaten?”
-</p>
-<p>Niemand antwoordt.
-</p>
-<p>»Hier, zeg ik, neem op, breng weg, en zorg dat zij verdwijnt. De duivel hale je, indien
-zij ooit weer onder mijn oogen komt!”
-</p>
-</div>
-<div class="footnotes">
-<hr class="fnsep">
-<div class="footnote-body">
-<div class="fndiv" id="xd31e2726">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e2726src">1</a></span> Indische rok.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e2726src" title="Ga terug naar noot 1 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div id="ch18" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e346">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="label">ACHTTIENDE HOOFDSTUK</h2>
-<h2 class="main">DE KINDEREN VAN MINA</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Acht dagen later zat Louise voor het eerst op haar rotangstoel bij het open venster
-te lezen. Of neen, eigenlijk las zij niet. Haar uitgeteerde vingers speelden met de
-bladen van een boek, en haar oogen dwaalden <span class="pageNum" id="pb130">[<a href="#pb130">130</a>]</span>rond van een bloem naar een kind of van een kind naar een bloem, zonder dat zij zelve
-wist wat zij zag. Reeds een groot half uur had zij zóo gezeten; haar vingers hielden
-op met bladeren, haar oogen bleven neergeslagen.…
-</p>
-<p>Plotseling stond zij op, en, met wankelende schreden naar de deur gaande, klapte zij
-in de handen om Alima te roepen, die een oogenblik later binnentrad.
-</p>
-<p>»Alima, doe de deur eens dicht,” sprak zij zacht, »ik heb u een geheim te openbaren
-dat niemand weten mag—zelfs de resident niet.”
-</p>
-<p>Alima sloot de deur en wachtte.
-</p>
-<p>»Hebt gij nooit,” begon Louise, »van een vrouw gehoord, die Mina heet, en die vóor
-mijn komst hier, bij toewan resident geweest moet zijn?”
-</p>
-<p>»Neen, njonja.”
-</p>
-<p>»Die vrouw moet kinderen hebben, twee of drie: dat zijn de kinderen van den resident.”
-</p>
-<p>»Alima kent die kinderen niet, mevrouw.”
-</p>
-<p>»Ik ken ze ook niet, maar zij zijn door mijn komst ongelukkig geworden. Ik heb hun
-moeder beloofd dat ik voor hen zorgen zou, wanneer zij mijn hulp ooit noodig zouden
-hebben.”
-</p>
-<p>»Wil njonja dat Alima die kinderen zal opzoeken?”
-</p>
-<p>»Neen, maar ik wil dat die vrouw en die kinderen nooit weggezonden zullen worden,
-wanneer zij hier zullen komen om mij te spreken.”
-</p>
-<p>»Er zijn eenige dagen geleden een paar kinderen hier geweest. Zij vroegen naar njonja,
-maar de resident heeft ze weg laten jagen door de Oppas.”
-<span class="pageNum" id="pb131">[<a href="#pb131">131</a>]</span></p>
-<p>»Gij moet mij morgen weten te zeggen wie die kinderen waren, Alima. Ik wil het weten,
-hoor? Hoe zij heeten, waar zij wonen, en waarom zij hier zijn geweest.”
-</p>
-<p>»Goed mevrouw.”
-</p>
-<hr class="tb"><p>
-</p>
-<p>Den volgenden morgen werd er zacht aan de deur van Louise’s kamer geklopt.
-</p>
-<p>»Binnen.”
-</p>
-<p>Het was Alima.
-</p>
-<p>»Njonja moet niet kwalijk nemen,” begon de jonge slavin, »dat Alima ongeroepen komt,
-maar Alima heeft gevraagd naar de kinderen die gekomen waren om njonja resident te
-zien, en de Oppas hebben haar gezegd dat het de kinderen van Mina waren.”
-</p>
-<p>»En wat verlangden zij?”
-</p>
-<p>»Dat wilden zij aan niemand zeggen dan aan njonja zelve.”
-</p>
-<p>»Waar wonen zij?”
-</p>
-<p>»Zeven paal van hier, in het gebergte, den weg op naar B.”
-</p>
-<p>»Goed. Zie hier twintig gulden. Gij zult een man huren op wien gij vertrouwen kunt,
-gij zult hem zenden naar de woning van Mina, en gij zult hem zeggen dat hij zorgt
-dat de kinderen hier zijn tegen het vallen van den avond. Dan zult gij ze hier in
-mijn kamer brengen en zorgen dat niemand ze ziet.”
-</p>
-<p>»Goed mevrouw.”
-<span class="pageNum" id="pb132">[<a href="#pb132">132</a>]</span></p>
-<p>Dien avond tegen half zeven bracht Alima twee kleine jongens in Louise’s kamer.
-</p>
-<p>»Heeft njonja nog iets te bevelen?”
-</p>
-<p>»Niets. Het is goed zoo.”
-</p>
-<p>Alima ging heen.
-</p>
-<p>Louise zag de beide jongens aan, zooals deze haar aanzagen, met groote, nieuwsgierige,
-welwillende oogen; toen reikte zij beiden de hand en plaatste ze naast zich, den een
-op de bank, den ander op een rotangstoeltje.
-</p>
-<p>»Zijt gij vermoeid van de reis?” was haar eerste vraag.
-</p>
-<p>»Neen mevrouw,” antwoordden beiden te gelijk. »Wij zijn <span class="corr" id="xd31e2822" title="Bron: te te">te</span> paard tot A. gekomen en toen hebben wij geloopen om niet herkend te worden,” voegde
-de oudste er bij.
-</p>
-<p>»Wij zijn achter door de heg in den tuin geslopen,” vervolgde de jongste, »omdat wij
-bang waren dat.…”
-</p>
-<p>Een blik van den ander deed hem zwijgen.
-</p>
-<p>»Dat?” vroeg Louise aanmoedigend.
-</p>
-<p>»Dat papa ons zien zou,” antwoordde het kind gerustgesteld.
-</p>
-<p>En Louise bloosde even als de beide kinderen over deze laatste woorden.
-</p>
-<p>»Houdt gij van snoepen?” vroeg zij opstaande. »Hier heb ik wat manissan en kwee-kwee
-voor u.”
-</p>
-<p>Geen van beiden antwoordde, maar zij lachten en stonden op om de bordjes aan te nemen,
-die Louise voor hen gereed had gemaakt.
-</p>
-<p>Toen zij aan het eten waren, begon de jonge vrouw zich wat meer op haar gemak te gevoelen,
-en eindelijk <span class="pageNum" id="pb133">[<a href="#pb133">133</a>]</span>moed te krijgen om te vragen naar hetgeen haar op het hart lag, naar Mina.
-</p>
-<p>»Hoe gaat het uw moeder.…”
-</p>
-<p>De beide kinderen zagen haar zóo verbaasd aan, dat de woorden haar op de lippen bestierven.
-Een oogenblik later hernam zij aarzelend:
-</p>
-<p>»Heeft uw moeder u niets gezegd?—Heeft zij u geen boodschap gegeven voor mij?”
-</p>
-<p>»Moeder is weg gegaan, naar huis gegaan, en niet terug gekomen,” zei de kleinste.
-</p>
-<p>»Dood,” fluisterde de grootste Louise in het oor.
-</p>
-<p>»Dood!” herhaalde zij verbleekend. »En sedert wanneer is zij dood?”
-</p>
-<p>»Zij heeft een week geleden onze dessah verlaten, om naar huis terug te keeren; toen
-heeft papa haar geslagen. Willem weet niet waarom, en den volgenden dag werd zij in
-de dessah terug gebracht door mannen die haar droegen in een joeli, omdat zij niet
-meer loopen kon. Den dag daarna, tegen het ondergaan der zon zijn zij weer gekomen
-om haar weg te halen, en te brengen naar den doodenberg, waar zij haar begraven hebben,
-met fakkellicht. Ik heb het zelf gezien, want ik ben mee geweest. Ik liep heel achter
-aan, ver weg, achterom de boomen, want zij hadden mij opgesloten, met August, omdat
-ik niet zien mocht waar zij heengingen.”
-</p>
-<p>Het kind zweeg even om adem te halen, hij was vermoeid van al dat fluisteren, en toch
-had hij niet gewild dat August, die geheel verdiept in zijn manissan was, iets hooren
-zou van hetgeen hij zeide.
-<span class="pageNum" id="pb134">[<a href="#pb134">134</a>]</span></p>
-<p>»Mama heeft ons iets gezegd,” vervolgde hij overluid, »toen zij terugkwam van huis,
-maar August is het vergeten en ik heb het niet aan de Oppas durven zeggen.”
-</p>
-<p>»Neen, ik weet het nog!” riep het kleintje, al etende.
-</p>
-<p>»Nu zeg het dan?”
-</p>
-<p>»Mama heeft gezegd, dat hier een andere mama gekomen was, die voor August zorgen zou,
-als mijn mama niet terug zou komen.… En dat die andere mama heel lief voor August
-wezen zou, en voor Willem ook—veel liever dan papa.”
-</p>
-<p>»Papa zal ook goed voor u wezen,” zeide Louise, met tranen in de oogen, en, de beide
-kinderen omhelzende, vervolgde zij levendiger: »Ik ben die andere mama, van wie uw
-moeder u gesproken heeft, en ik zal lief voor u zijn, zoo lief als uw moeder u gezegd
-heeft dat ik voor u wezen zou. Ik beloof het u.”
-</p>
-<p>Op dat oogenblik werd de deur geopend en trad Stevens binnen.
-</p>
-<p>De kinderen sprongen verschrikt op. Louise werd nog bleeker dan zij reeds was, en
-de resident bleef onbewegelijk op dezelfde plaats staan. Hij geloofde niet aan hetgeen
-hij zag. »Mina’s kinderen met Louise aan tafel!”
-</p>
-<p>Toch zag hij ze, en zijn verbazing was zoo groot, dat hij geen pas kon doen, geen
-woord kon uiten.
-</p>
-<p>»Ga papa een zoen geven,” fluisterde Louise zacht, en de kinderen slopen schoorvoetend
-naar hem toe en boden hem hunne gezichtjes tot kussen aan.
-</p>
-<p>Stevens omhelsde ze stug weg, en liep hen voorbij om zijn vrouw de hand te geven.
-<span class="pageNum" id="pb135">[<a href="#pb135">135</a>]</span></p>
-<p>»Hoe komen die kinderen hier?” vroeg hij wrevelig.
-</p>
-<p>»Hunne moeder is gestorven,” antwoordde Louise zacht. »Kassian! arme kinderen! Mag
-ik hun moeder zijn?”
-</p>
-<p>Stevens gevoelde zich vernederd door die eenvoudige woorden, en toch trokken zij hem
-aan. Zonder een woord te spreken greep hij de beide jongens bij de hand en wierp ze
-in Louise’s armen.
-</p>
-<p>Van dat oogenblik af kwam er iets anders in de verhouding van den resident tegenover
-zijn vrouw. Louise wist meer van zijn vorige levenswijze af, dan zij hem bekennen
-wilde, dit gevoelde hij, maar <span class="ex">wat</span> wist zij? Hoe diep was hij gezonken in de achting der vrouw, over wier lippen hij
-nog nimmer een klacht of een verwijt had hooren komen. Meer dan eens was hij op het
-punt geweest van het haar te vragen, maar wanneer die donkere oogen hem dan zoo kalm,
-zoo ernstig, zoo vastberaden aanzagen, begaf hem de moed en bleef hij zwijgen, onwillekeurig
-buigend voor dat groote sterke karakter dat hij bewonderde en dat hem nijdig maakte
-omdat hij het niet doorgronden kon.
-</p>
-<p>Ook die kinderen van Mina, altijd om en bij Louise, die zij lief hadden, waren hem
-een doorn in ’t oog. En de genegenheid die zij hen voor hun vader inprentte, o! dat
-was de grootste bespotting die zijn vrouw hem kon aandoen.
-</p>
-<p>Louise van haar kant, gevoelde zich zoo ver boven den resident verheven, dat zij het
-beneden zich achtte, den armen man nog <span class="ex">kleiner</span> te maken dan hij reeds <span class="pageNum" id="pb136">[<a href="#pb136">136</a>]</span>was. Daarom zweeg zij over al wat niet meer hersteld kon worden, en verborg zij zijne
-gebreken, zelfs die welke haar het meest griefden, zooveel zij vermocht.
-</p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch19" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e356">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="label">NEGENTIENDE HOOFDSTUK</h2>
-<h2 class="main">DE EERSTE RECEPTIE</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Eenige dagen later bevond Louise zich in den grooten lommerrijken tuin; het was bijna
-avond en, terwijl de halve stad aan het wandelen en toeren was, zat zij alleen onder
-een ouden Weringinboom te spelen met de kinderen van Mina.
-</p>
-<p>Wat waren die kleinen gelukkig! En wat was Louise vroolijk te midden van die vliegers
-en knikkers, terwijl die lachende kinderstemmen haar hare eigene jeugd herinnerden
-en haar in zachten weemoed terug voerden naar de onbewolkte dagen harer kindsheid,
-waarin zij, evenals Willem en August, met haar geheele ziel aan de vlucht van een
-vlieger hing, of met een schaterlach haar grootste leed vergat in ’t rollen van een
-bonten knikker.
-</p>
-<p>De resident is zoo pas van een <span class="corr" id="xd31e2885" title="Bron: rid">rit</span> te paard teruggekeerd, en loopt, door een oppasser gevolgd, de lange lanen door om
-zijn vrouw te zoeken. Louise hoort hem naderen, maar blijft afgetrokken op een knikker
-staren, totdat hij naast haar staat.
-<span class="pageNum" id="pb137">[<a href="#pb137">137</a>]</span></p>
-<p>»Wel,” vraagt hij, half lachend, half wrevelig, »hoe gaat het?”
-</p>
-<p>Langzaam heft zij het hoofd naar hem op, en hem de hand reikend zegt zij zacht:
-</p>
-<p>»Gij zijt niet lang uitgebleven, dunkt mij.”
-</p>
-<p>»Niet lang? Wel kind, ik ben meer dan twee uur aan het dwalen geweest, en noem je
-dat niet lang? Maar wat zie ik? Ben je nog niet gekleed? En ik dacht dat wij van avond
-receptie zouden hebben?”
-</p>
-<p>»Juist daarom ben ik niet gekleed. Ik heb nog voor gebakken moeten zorgen, en toen
-was ik zoo vermoeid dat ik hier wat rust ben komen zoeken, met plan om mij na het
-eten te kleeden.”
-</p>
-<p>»Na het eten? Dat is veel te laat!”
-</p>
-<p>»Neen, stellig niet, ik heb zooveel tijd niet noodig voor mijn toilet.”
-</p>
-<p>»Maar ik verlang dat gij mooi zult zijn, Louise, en gij zoudt mij pleizier doen met
-u terstond naar uw kamer te begeven en u aan te kleeden, ten einde in tijds gereed
-te zijn om de honneurs van uw huis waar te nemen.”
-</p>
-<p>Louise stond zwijgend op en begaf zich met wankelende schreden naar haar kamer, waar
-zij half uitgeput op een stoel neerzeeg en Alima beval haar te kappen.
-</p>
-<p>»<span lang="ms">Taroe banjak kembang di saya poenja ramboet</span><a class="noteRef" id="xd31e2903src" href="#xd31e2903">1</a>,” zeide zij met de ellebogen op de tafel geleund en het hoofd in de beide handen
-rustende, en »<span lang="ms">sedijak saga poenja kleed njang paling bagoes</span><a class="noteRef" id="xd31e2908src" href="#xd31e2908">2</a>, Alima.”
-<span class="pageNum" id="pb138">[<a href="#pb138">138</a>]</span></p>
-<p>De jonge meid sloeg dadelijk de handen aan het werk, en na haar meesteres met witte
-rozen gekapt te hebben, opende zij de deur van de hangkast om er een geschikte japon
-uit te krijgen. Mevrouw had gezegd: »Mijn fraaiste kleed”, het oog der meid viel op
-haar witte bruidskleed, en zonder zich een oogenblik te bedenken, nam zij dàt en wierp
-het haar meesteres over het hoofd.
-</p>
-<p>»De resident stuurt de groeten aan mevrouw en laat vragen of mevrouw aan tafel wil
-komen,” kwam een der oppassers zeggen.
-</p>
-<p>»Zijt gij gereed, Alima?” vroeg Louise, die, tegen de deurpost geleund, zich met een
-grooten, vederen waaier wat koelte zocht te verschaffen.
-</p>
-<p>»<span lang="ms">Saaya njonja.</span>”
-</p>
-<p>En zonder zelfs éen blik in den spiegel geworpen te hebben, verscheen Louise aan tafel.
-</p>
-<p>»Zoo, goed zoo! Zoo mag ik het zien!” riep de resident, haar met welgevallen beschouwende.
-»Wel kind, je kunt niet te mooi zijn van avond. Je eerste receptie! Je entrée in onze
-wereld, om zoo te zeggen. Je moet van avond de heele stad verliefd op je maken, oud
-en jong, arm en rijk. Jongens, jongens wat zullen zij mij mijn vrouwtje benijden!”
-</p>
-<p>Louise zag nu eerst wat zij aan had.
-</p>
-<p>»Mijn hemel, mijn bruidskleed.… Hoe kan die meid zoo dwaas zijn! Ik in het wit! Ik
-moet er dunkt mij uitzien als een geest.”
-</p>
-<p>»Volstrekt niet, volstrekt niet, gij ziet er uit om te stelen.”
-<span class="pageNum" id="pb139">[<a href="#pb139">139</a>]</span></p>
-<p>»O neen! Laat mij na het eten wat anders gaan aandoen. Ik ben nu te bleek en te mager
-voor dit toilet!”
-</p>
-<p>»Integendeel, ik verlang dat gij zoo blijven zult. Die zware zijde staat rijk, zij
-doet uw dun middeltje betooverend uitkomen, en die dikke ronde plooien hebben zulk
-een heerlijken gloed bij het lamplicht, dat ik niet weet welk toilet u meer zou kunnen
-flatteeren dan dit.”
-</p>
-<p>Louise antwoordde niet, zij zette zich in haar bruidsgewaad aan tafel en bleef dien
-avond zoo.
-</p>
-<p>Al wat eenigszins in de termen viel van bij den resident ontvangen te kunnen worden,
-verscheen dien avond op de receptie. Men had te A. zooveel van Louise’s buitengewone
-schoonheid gehoord, en de adsistent-resident en de dokter hadden zooveel ophef over
-haar vroolijkheid en haar bevalligheid gemaakt, dat er bijna niemand in A. gevonden
-kon worden die niet om de een of andere reden verlangend was, persoonlijk kennis te
-maken met de jonge residentsvrouw.
-</p>
-<p>Maar de arme Louise was niet meer, wat zij eenmaal geweest was. Geen wonder dus dat
-de hooggespannen verwachting werd teleurgesteld. Men had Louise beschreven als een
-lief, vriendelijk, lachend <span class="ex">kind</span>, wier gansch uiterlijk leven, geest en spotlust teekende, en zij die dáar met statigen
-ernst haar gasten verbeidde, geleek niets naar die beschrijving.
-</p>
-<p>Louise was slank en buigzaam van gestalte, haar houding was fier en haar gang statig,
-daarbij waren haar bewegingen langzaam, terwijl haar oogopslag rustig was, en de lijdende
-treurige uitdrukking van haar gelaat <span class="pageNum" id="pb140">[<a href="#pb140">140</a>]</span>iets onbeschrijfelijk zachts en innemends gaf aan haar geheele persoonlijkheid.
-</p>
-<p>Toch was zij bij den eersten aanblik menigeen tegengevallen, die te vergeefs naar
-vroolijkheid gezocht had in die diepliggende oogen of naar spotlust in dien fijn besneden
-mond. Maar nauwelijks had zij eenige woorden gesproken, of haar lieve zachte stem,
-haar droeve lach vooral, deden haar terstond de harten winnen zelfs van hen wier oogen
-zij het minst had kunnen bevredigen.
-</p>
-<p>De resident geleidde een dame van meer dan middelbaren leeftijd binnen. »Mevrouw Joly,”
-zeide hij, haar aan zijn vrouw voorstellende, »de adsistent-resident, haar echtgenoot,
-is u bekend, Louise.”
-</p>
-<p>Mevrouw Joly nam naast Louise plaats en zat haar van ter zijde op te nemen.
-</p>
-<p>Daarop volgden een vijftal café-au-lait-kleurige schoonen, de jonge dames Joly, haar
-dochters, die allen in het wit gekleed waren met donkerroode bloemen in het gitzwarte
-haar, zóo keurig opgemaakt, zoo glad, zoo glimmend, dat het aan vernis deed denken.
-</p>
-<p>»Mooi, ja?” vroeg Antje de jongste der gezusters, zoodra zij met haar vijven op een
-rijtje hadden plaats genomen.
-</p>
-<p>»Hek!” antwoordde de oudste, Lotje, die de g niet uit kon spreken als het noodig was.
-</p>
-<p>»Niet lief,” zeide Fietje, de derde.
-</p>
-<p>»Hek”, herhaalde de oudste weer. »Net precies as bruid zoo mooi, en zij hebruik sleep
-net as hoeverneursvrouw. Hek!”
-</p>
-<p>»Mag ik u mevrouw Oristorio di Frama voorstellen, <span class="pageNum" id="pb141">[<a href="#pb141">141</a>]</span>Louise,” ging de resident weer voort. »Uw onbekende vriendin, die gedurende uw ongesteldheid
-zooveel belang in u gesteld heeft en die gij zoozeer verlangdet persoonlijk te leeren
-kennen.”
-</p>
-<p>Louise bleef midden in haar neiging steken, hief haar groote oogen naar de nieuw gekomene
-op en reikte haar de hand.
-</p>
-<p>»O mevrouw, wat zijt gij goed voor mij geweest!” riep zij met een dier glimlachen
-pijnlijk om aan te zien, »zoo ik nogmaals mijn moeder missen zal, wilt gij dan weder
-haar plaats bij haar arme Louise innemen?”
-</p>
-<p>Mevrouw Oristorio beantwoordde haar woorden met een handdruk, terwijl de resident
-mejufvrouw Lina <span class="corr" title="Bron: Van">van</span> Wageningen en mijnheer George Werner, een landheer of planter uit den omtrek, aan
-zijn vrouw voorstelde.
-</p>
-<p>Zij neigde even voor Werner, zonder acht op hem te slaan, en reikte Lina de hand met
-de woorden:
-</p>
-<p>»Ik heb reeds zooveel over u hooren spreken, juffrouw Van Wageningen, dat het mij
-bijzonder aangenaam is u hedenavond hier te zien.”
-</p>
-<p>De jonge gouvernante ging aan Werner’s arm naar het lagere einde der zaal, terwijl
-Louise langzamerhand door de voornaamste dames der stad omringd werd, met wie zij
-weldra in gesprek gewikkeld was over de prijzen van rijst en olie, en het aantal en
-den ouderdom van alle mogelijke lieve kleinen der haar onbekende gasten—onderwerpen
-die haar, gul uit gezegd, in het minst niet schelen konden.
-<span class="pageNum" id="pb142">[<a href="#pb142">142</a>]</span></p>
-<p>»Een lief vrouwtje dunkt mij,” zeide Lina tegen haar cavalier, »en beelderig mooi.”
-</p>
-<p>»Een vrouwtje dat diep gevoelt,” antwoordde Werner met een zucht.
-</p>
-<p>Lina zweeg een oogenblik.
-</p>
-<p>»Denkt gij dat er vanavond gedanst zal worden?” vroeg zij, van onderwerp veranderende.
-</p>
-<p>»Gedanst? Ja, ja, er wordt gedanst, maar de muzikanten zullen eerst tegen negen uur
-komen, omdat de resident er op gesteld is dat het van avond geen bal zal heeten.”
-</p>
-<p>»Zou mevrouw Stevens dansen?”
-</p>
-<p>»Ik denk het wel, alle dames dansen hier, tot de oude mevrouw Joly toe, die ik laatst
-nog met haar vijf dochters in dezelfde quadrille zag staan.”
-</p>
-<p>»Louise, mag ik het genoegen hebben je overste Van Ellenburg voor te stellen, die
-de eerste wals met je wenscht te doen?”
-</p>
-<p>Louise antwoordde den resident met een wenk op de oude mevrouw Joly die naast haar
-zat en stotterde iets van »ter nauwernood hersteld—excuseeren—vermoeid.”
-</p>
-<p>De resident wierp haar een blik toe die de woorden op haar lippen deed besterven en
-antwoordde voor haar, dat zij »volgaarne het vriendelijk aanbod aannam.”
-</p>
-<p>De resident en de overste hadden als civile en militaire autoriteiten, naar gewoonte
-weder eens met elkaar overhoop gelegen. Natuurlijk over een kleinigheid, een aanmatiging
-<span class="pageNum" id="pb143">[<a href="#pb143">143</a>]</span>van de eene zijde en een onheusche weigering van de andere. Eerst sedert een paar
-dagen waren zij weder met elkander verzoend; daarom moest Louise, die niets van de
-zaken des residents behoefde af te weten, en ook inderdaad niets wist, haar eerste
-wals aan den overste geven. Zóo zouden de menschen kunnen zien dat de quaestie uit
-de wereld was.
-</p>
-<p>De overste vond zijn jonge danseuse allerbekoorlijkst. Daarom presenteerde hij haar
-drie keer eau de Cologne en vroeg hij haar zes keer of zij ook vermoeid was. Toen
-was de dans geëindigd.
-</p>
-<p>Had de overste kunnen handelen naar de inspraak van zijn hart, dan zou hij terstond
-naar de whisttafel van den resident gesneld zijn, om zijn ouden vijand eens ter dege
-»af te rossen”, want: »Is dat een vrouwtje voor zoo’n kerel! Een engel van zachtheid
-en onderwerping voor zoo’n brut als hij!”
-</p>
-<p>De overste was zoo verontwaardigd in zijn bewondering van Louise, dat hij in een vlaag
-van afgunst en wanhoop zijn sabel vroeg en … naar huis stapte.
-</p>
-<p>Louise danste intusschen onafgebroken voort. Zij had een enkelen galop overgeslagen
-omdat zij bijna niet meer voort kon van vermoeidheid. Maar toen was de resident van
-zijn speeltafeltje opgestaan en had haar <span class="ex">verzocht</span> om zich terstond weder in de vreugde te mengen daar iedereen haar »<span class="ex">gracieuse</span> wijze van dansen bewonderde”. »O Louise!” vervolgde hij, »gij weet niet hoe trotsch
-ik van avond op u ben! Alle menschen zijn opgetogen over de schoonheid van mijn vrouwtje!”
-<span class="pageNum" id="pb144">[<a href="#pb144">144</a>]</span></p>
-<p>Louise bloosde, trok haar hand uit die van den resident en voegde zich bij een groepje
-dames.
-</p>
-<p>De resident lachte van welgevallen over den indruk dien zijne woorden op zijn vrouw
-schenen gemaakt te hebben.
-</p>
-<p>»Zij kon haar blijdschap ternauwernood verbergen,” dacht hij bij zichzelven, »men
-kan toch alles van een vrouw gedaan krijgen, indien men haar ijdelheid slechts weet
-te vleien!”
-</p>
-<p>En Louise?
-</p>
-<p>Zij had zich gekrenkt gevoeld door de woorden van den resident. Zij was zwak en vermoeid
-en toch moest zij dansen, toch moest zij zich nog meer vermoeien, omdat haar echtgenoot
-verlangde dat zijn vrouw bewonderd zou worden.
-</p>
-<p>»Besta ik dan enkel om bewonderd te worden?” vroeg zij zichzelve met bitterheid af,
-en toen rees er voor haar geest een chaos van denkbeelden die haar deden huiveren
-van angst en afgrijzen. Op dat oogenblik vroeg Werner haar voor een wals.
-</p>
-<p>»Een wals? .… Een wals?.… O gaarne!” riep zij verward, en zij wierp zich met een soort
-van dankbaarheid in zijn armen, om in de verdooving van den dans elke gedachte te
-vergeten.
-</p>
-<p>Werner meende wanhoop te zien in de koortsachtige wijze waarop de jonge vrouw zich
-aan hem overgaf. »Zij is niet gelukkig,” dacht hij bij zichzelven, en toen, een oogenblik
-later, zijn oog op Louise’s verbleekt gelaat, op haar hijgenden boezem rusten bleef,
-gevoelde hij <span class="pageNum" id="pb145">[<a href="#pb145">145</a>]</span>zulk een diep medelijden met haar, dat hij plotseling ophield met dansen en haar in
-de grootste verwarring vroeg:
-</p>
-<p>»Mijn God, wat deert u mevrouw?”
-</p>
-<p>Zij zag hem met verbazing aan. »Niets mijnheer,” antwoordde zij zacht: »Ik ben volkomen
-wel.”
-</p>
-<p>»O neen, gij lijdt!—Gij lijdt vreeselijk! … Maar mogelijk wilt gij het niet bekennen,
-uit beleefdheid voor uw gasten?—O! mevrouw, vergeef mij, gij zult mij mogelijk indiscreet
-vinden, maar .….”
-</p>
-<p>»Maar?” herhaalde Louise.
-</p>
-<p>»Gij zijt slechts sedert kort van een zware ziekte hersteld, mogelijk vermoeit u die
-drukte om u heen en verlangt gij naar rust. Wilt gij mij veroorloven uw gasten te
-verzoeken zich wat vroeger huiswaarts te begeven, dan men hier gewoon is? De partijen
-eindigen hier meestal niet vóor drie uur in den morgen.”
-</p>
-<p>»O! neen, neen. Ik dank u voor uw goedheid, maar ik ben hier nog te weinig bekend
-om nu reeds tegen een aangenomen gebruik te zondigen.”
-</p>
-<p>»Men zal u gaarne die zonde vergeven, indien zij u van nut kan wezen,” antwoordde
-Werner dringend.
-</p>
-<p>»Och neen, laat mij geen vreugdeverstoordster wezen! Drie uurtjes toch zijn spoedig
-om, en morgen zal ik tijd genoeg tot rusten hebben. Maar wilt gij mij een genoegen
-doen, mijnheer Werner? Wilt gij u een kleine opoffering voor mij getroosten?”
-</p>
-<p>»Voor u? Alles mevrouw!”
-<span class="pageNum" id="pb146">[<a href="#pb146">146</a>]</span></p>
-<p>»Laat ons dan liever wat rondwandelen, dan dansen, ik word zoo duizelig door het walsen.”
-</p>
-<p>»Wilt gij ook liever gaan zitten, mevrouw?”
-</p>
-<p>»O neen, zitten niet!—Loopen of dansen!”
-</p>
-<p>Er was zoo iets wilds in den toon waarop zij dit zeide, dat Werner het gesprek plotseling
-afbrak en haar schijnbaar onverschillig vroeg: »Zijt gij hier reeds met het land bekend,
-mevrouw?”
-</p>
-<p>»Neen, ik ben nog niet verder dan den tuin geweest, en die bevalt mij bijzonder.”
-</p>
-<p>»Maar het land is hier prachtig! De omstreken van A. troffen mij zoo toen ik pas hier
-kwam, dat ik de eerste veertien dagen letterlijk geen oogenblik in huis geweest ben.
-Dagen achtereen dwaalde ik te voet of te paard in de bosschen en het gebergte rond,
-en nu nog, ofschoon ik hier al bijna tien jaar woon, nu nog geniet ik, als ik nu en
-dan eens mijn werkzaamheden ontvluchten kan, om mij in het beschouwen der rijke, grootsche
-natuurtooneelen te verlustigen die zich in duizend nieuwe vormen aan het bewonderend
-oog ontrollen! Zoo gij altijd in de benedenlanden geweest zijt, zult gij hier zeker
-menig genotvol uurtje opgetogen van dankbaarheid in de vrije natuur doorbrengen, waarin
-gij ondervinden zult, welk een onuitsprekelijk geluk het is zich als geheel alleen
-op aarde te kunnen beschouwen, alleen met die heerlijke natuur, die ons onze tegenwoordige
-nietigheid en onze toekomstige volmaaktheid gevoelen doet. Zulke oogenblikken zijn
-heilzaam voor alle menschen; want is men droefgeestig of ongelukkig dan geven zij
-kracht <span class="pageNum" id="pb147">[<a href="#pb147">147</a>]</span>en troost aan het zwakke half gebroken hart, en heeft men geluk en fortuin, dan doen
-zij de dartele, oppervlakkige ziel ontwaken, brengen haar tot nadenken en leeren haar
-waardeeren zelfs dat wat zij eerst slechts.…”
-</p>
-<p>»Dat heb ik ondervonden!” riep Louise, hem plotseling in de rede vallende. »Ik geloof
-dat ik gestorven zou zijn, indien ik hier geen grooten lommerrijken tuin gevonden
-had, waarin ik vrij kon wezen! Vrij, zooals ik heel mijn leven geweest was!”
-</p>
-<p>Zij gevoelde dat zij te veel gezegd had, en wilde haar woorden verbeteren door er
-bij te voegen:
-</p>
-<p>»Want hoe gelukkig men ook is, toch zijn er oogenblikken waarin niets ons een volkomen
-vrijheid vergoeden kan, en die oogenblikken heeft men alleen wanneer men hetgeen men
-de »wereld” noemt vergeet.”
-</p>
-<p>Het was Werner als duizelde hij, toen hij deze woorden der zestienjarige Louise hoorde.
-Zulk een kalme, sombere onderwerping als er in ieder van haar woorden en blikken lag,
-zulk een diep lijden als haar geheele persoon verraadde, deden hem huiveren voor de
-toekomst der jonge, schoone, gevoelvolle vrouw, verbonden aan een man wiens geheele
-leven, voor zoover het hem bekend was, een aaneenschakeling van pronkzucht, eigenwaan
-en toomelooze drift geweest was.
-</p>
-<p>»Kent gij hier reeds eenige families?” vroeg hij, weder van onderwerp veranderende.
-</p>
-<p>»Neen, niemand dan den dokter,” antwoordde Louise met een glimlach. »Ik ben van avond
-meer vreemdelinge <span class="pageNum" id="pb148">[<a href="#pb148">148</a>]</span>in mijn eigen huis dan ik nog ooit in dat van een ander geweest ben.”
-</p>
-<p>»Kent gij de familie Oristorio di Frama nog niet? Zelfs niet bij naam?”
-</p>
-<p>»Ik heb haar heden avond voor het eerst gezien; maar mevrouw is gedurende mijn ongesteldheid
-zoo allerliefst voor mij geweest, dat ik waarlijk niet weet, hoe ik haar mijn dank
-zal kunnen betuigen.”
-</p>
-<p>»Door haar lief te hebben, mevrouw, en dat zult gij zeker, want mevrouw Oristorio
-di Frama is een dier zeldzame vrouwen, die alles in zich vereenigen, deugd, schoonheid,
-poëzie, kennis, geest, alles in éen woord wat den mensch aan een volmaakt geluk hier
-op aarde zou kunnen doen gelooven. Ook mijnheer di Frama is waarlijk een goed mensch.
-Kalm maar ferm, verstandig, menschlievend en joviaal. Hij heeft de goede hoedanigheden
-van den Italiaan behouden en de gebreken van zijn natie tegen het nadenken en de vastberadenheid
-van de onze verwisseld. En hun dochtertje, de dertienjarige Melatie, is het vroolijkste,
-het aanvalligste kind dat men zich denken kan. Verbeeld u mevrouw, een meisje van
-dertien jaar dat vijf talen spreekt, het maleisch niet medegerekend: hollandsch, fransch,
-engelsch, duitsch, en italiaansch. En dat hier in Indië!”
-</p>
-<p>»Mijn hemel, welk een wonderkind! Hoe heeft zij dat alles hier kunnen leeren?”
-</p>
-<p>»O zeer gemakkelijk. Mijnheer Oristorio di Frama, een Italiaan van geboorte, spreekt
-met vrouw en kind altoos zijne moedertaal en met zijn kennissen fransch <span class="pageNum" id="pb149">[<a href="#pb149">149</a>]</span>of maleisch, daar hij de medeklinkers van het hollandsch nooit goed heeft kunnen leeren
-uitspreken. Mevrouw di Frama is een engelsche dame, maar heeft jaren lang met haar
-ouders in Nederland gewoond, waar zij gedeeltelijk haar opvoeding genoten heeft. Toen
-zij het ongeluk had, haar beide ouders te verliezen, kwam zij als gouvernante bij
-een familie te Batavia, bij wie zij gebleven is tot haar huwelijk. Zij nu spreekt
-nooit anders dan hollandsch of engelsch met Melatie, terwijl juffrouw Van Wageningen
-zich met haar hoofdzakelijk op de duitsche taal heeft toegelegd.”
-</p>
-<p>»En juffrouw Van Wageningen,” vroeg Louise nieuwsgierig, »weet gij ook iets bijzonders
-van haar?”
-</p>
-<p>»Ja zeker, mevrouw! Lina <span class="corr" title="Bron: Van">van</span> Wageningen is hier in het begin als een ware curiositeit beschouwd geworden omdat
-zij excerceeren en schermen kon als de beste militair.”
-</p>
-<p>»O ho!” riep Louise lachend, geen woorden vindende om haar verbazing uit te drukken.
-</p>
-<p>»Daarbij komt nog,” vervolgde Werner, »dat zij voorzeker de beste amazone van Indië
-is en de eenige vrouw die hier in het land gymnastische oefeningen tot eene kunst
-verheven heeft.”
-</p>
-<p>»Dat mooie jonge meisje! O gij moet mij nog veel van haar vertellen, mijnheer Werner,
-want Lina <span class="corr" title="Bron: Van">van</span> Wageningen is maanden lang een charme van me geweest zonder dat ik haar persoonlijk
-kende.”
-</p>
-<p>»Hoe dat, mevrouw?”
-</p>
-<p>»Papa had naar Holland geschreven om een gouvernante <span class="pageNum" id="pb150">[<a href="#pb150">150</a>]</span>voor mij en was met juffrouw Van Wageningen in correspondentie geraakt<span class="corr" id="xd31e3064" title="Niet in bron">.</span> Mij beviel zij in hare brieven bijzonder, ik hield zelfs zóo idolaat van mijn onbekende
-gouvernante dat ik ongelukkig was als de mail geen tijding van haar bracht. Maar mama
-had iets tegen haar: ik geloof dat het de schuld van een mijner tantes in Holland
-was, die haar trotsch genoemd had en coquette. Enfin ik weet niet wat er de reden
-van geweest is, maar ik weet wel dat ik een andere gouvernante gekregen heb, een leelijk,
-onaangenaam oud mensch, dat ik letterlijk weggekibbeld heb, en dat juffrouw Lina,
-mijn charme, Samarang doorgetrokken is zonder zelfs bij ons aan te komen. Papa wist
-dat zij in de stad was en twee dagen bij de Langens, kennissen van ons, logeeren zou,
-maar hij heeft er mij niets van gezegd vóor dat zij weer vertrokken was. Hij wist
-ook wel dat ik anders niet te houden zou geweest zijn, dat ik <span class="ex">mijn jufje</span> had moeten zien, en haar éens ten minste de hand drukken eer ze verder zou gaan.”
-</p>
-<p>»’t Is jammer genoeg dat zij uw gouvernante niet geworden is, want haar zoudt gij
-zeker niet weggekibbeld hebben. Gij zoudt in haar niet alleen een bekwame leermeesteres
-hebben gevonden, maar ook zeker een trouwe vriendin.”
-</p>
-<p>»Dat dacht ik ook, ofschoon ik wel wat bang was voor zoo iets buitengewoon knaps.”
-</p>
-<p>»O neen, mevrouw, wanneer gij haar kennen leert, zult gij zien dat Lina <span class="corr" title="Bron: Van">van</span> Wageningen niet iemand is om bang voor te wezen. Zij is de goedheid en de eenvoud
-zelve en heeft het zachtste, liefste, <span class="pageNum" id="pb151">[<a href="#pb151">151</a>]</span>meegaandste karakter dat men zich denken kan. En talent! O, gij zult haar hooren zingen
-hoop ik. Heerlijk! verrukkelijk! Met een gevoel dat de diepste snaren der ziel doet
-trillen. Ik heb menigen avond bij de familie Oristorio di Frama doorgebracht, waarop
-ik volmaakt gelukkig was en gevoelde dat ik beter werd in die atmosfeer van deugd,
-beschaving en schoonheidsgevoel. Het is alsof die uitmuntende menschen het verward
-gegons der wereld ontvlucht zijn, om op Felicità, zoo heet de fabriek, dat ensemble
-eener volmaakte familie samen te stellen, zooals men ze, vooral in Indië, maar hoogst
-zeldzaam aantreft.”
-</p>
-<p>»Hoe?” vroeg Louise op eens, »galoppeert men?”
-</p>
-<p>Werner begreep eerst de vraag niet, en wist toen niet recht wat hij zag. »Het schijnt
-zoo,” antwoordde hij eindelijk. »Ik geloof wezenlijk dat men een nieuwen dans begonnen
-is.”
-</p>
-<p>Het was de derde reeds, sedert hij zijn wandeling met Louise te midden der dansende
-paren aangevangen had.
-</p>
-<p>»Het is alsof ik van avond bestemd ben om indiscreet te wezen,” vervolgde hij. »Ik
-heb zoozeer misbruik van uwe goedheid gemaakt, dat ik nauwlijks op vergeving durf
-hopen. Maar ik heb ook in het geheel aan geen dansen meer gedacht!”
-</p>
-<p>»Ik ook niet!” liet Louise zich ontvallen, maar zich terstond weer herstellende, voegde
-zij er schielijk bij: »Wie zou ook geen dans vergeten voor een familie Oristorio di
-Frama!”
-</p>
-<p>Naar haar plaats terugkeerende, hoorde zij een cavalier <span class="pageNum" id="pb152">[<a href="#pb152">152</a>]</span>tegen zijn dame zeggen: »Het is half drie geslagen.”
-</p>
-<p>En het speet haar dat het zoo laat was.
-</p>
-<p>Nog éen quadrille slechts zou er gedanst worden, een monster-quadrille, waarin zoo
-mogelijk het gansche bal vereenigd zou zijn. Louise danste met den resident, tegenover
-hen stond Werner met Lina <span class="corr" title="Bron: Van">van</span> Wageningen, omdat mijnheer Joly, de vis-à-vis van den resident, plotseling met zware
-hoofdpijn van het bal verdwenen was en er niemand anders meer overbleef dan Werner,
-die met Lina zat te praten omdat hij geen vis-à-vis had kunnen vinden.
-</p>
-<p>Louise vond het heel aardig dat zij Lina eens van nabij bekijken kon, maar het hinderde
-haar dat Werner tegenover haar stond. Waarom? Dit wist zij zelve niet. Het was haar
-als schaamde zij zich voor hem. En waarover? Ook dit wist zij niet.
-</p>
-<p>De resident was weer uitgelaten vroolijk en onbeschrijfelijk luidruchtig. Hij gaf
-zelf de figuren op, moedigde de muzikanten aan, riep elk oogenblik »<span class="ex">en galop!</span>” en was zoo opgewonden en druk dat zijn vroolijkheid aanstekelijk werd en de gansche
-quadrille eindelijk lachend in het honderd liep. Toen riep hij nog eens: »<span class="ex">en galop! En galop</span> voor finale!” en die galop was zoo wild en woest, dat de meeste paren zich zoo schielijk
-mogelijk terugtrokken en, onder daverend handgeklap, den resident en zijn vrouw eenparig
-de zegepraal toekenden, toen zij eindelijk, hijgend en afgemat, het laatst van allen
-naar hun plaatsen terugkeerden.
-<span class="pageNum" id="pb153">[<a href="#pb153">153</a>]</span></p>
-</div>
-<div class="footnotes">
-<hr class="fnsep">
-<div class="footnote-body">
-<div class="fndiv" id="xd31e2903">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e2903src">1</a></span> Doe veel bloemen in mijn haar.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e2903src" title="Ga terug naar noot 1 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e2908">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e2908src">2</a></span> Leg mijn fraaiste kleed gereed.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e2908src" title="Ga terug naar noot 2 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div id="ch20" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e366">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="label">TWINTIGSTE HOOFDSTUK</h2>
-<h2 class="main">EEN NIEUW GEVOEL</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Den volgenden morgen was de resident reeds sedert eenige uren op zijn bureau en nog
-had Louise haar kamer niet verlaten. Zij was vermoeid en had behoefte aan rust, en
-de resident had bevolen dat men haar rust eerbiedigen zou.
-</p>
-<p>De dienstboden spraken geen woord en slopen als schimmen door het huis, omdat mevrouw
-sliep. En mevrouw zat intusschen in kaïn <span class="corr" id="xd31e3111" title="Bron: kabaaija">kabaya</span>, met loshangend haar, op een rotangstoel door de half geopende jalousiën in den tuin
-te staren. Zij keek naar het lustig springen der vogels op de dunne takjes der tamarindeboomen,
-en volgde met een glimlach de snelle bewegingen der kleine, fijne blaadjes, terwijl
-zij dacht aan het bal van gisteren.…
-</p>
-<p>Aan het bal?—Neen, eigenlijk niet zoozeer aan die golvende, verwarde, bonte menschenmassa,
-aan dat schuivend, sleepend, gonzend, zingend en trommelend geraas, als wel aan het
-eenige dat zij in dien chaos opgemerkt had.
-</p>
-<p>Werner!
-</p>
-<p>Werner was een zonderlinge verschijning voor haar geweest. Zij zag hem nog. Zij hoorde
-hem, verstond hem, bewonderde hem. Het was of hij den afstand tusschen den resident
-en haar nog grooter had gemaakt, <span class="pageNum" id="pb154">[<a href="#pb154">154</a>]</span>en alsof er geheel geen afstand bestond tusschen Werner en haar.
-</p>
-<p>Ziedaar voor het gevoel.
-</p>
-<p>Voor het verstand was Werner niet anders als een ander, niets meer dan een vreemdeling.
-Iemand dien men toevallig ontmoet, met wien men danst en spreekt, dien men goed vindt
-en.…. vergeet!
-</p>
-<p>Verstand en hart waren nog niet tot elkander gekomen, daarom begreep het eene niet
-wat het andere gevoelde.
-</p>
-<p>Louise zag de bladeren bewegen, glimlachte en besefte niets.
-</p>
-<p>Zij kende Werner niet, en toch was het haar alsof hij sedert jaren reeds een vriend
-van haar geweest was. Die man moest weten wat er in hare ziel omging: dat gevoelde
-zij.
-</p>
-<p>»Die man weet niets!” riep het kalm berekenend verstand.
-</p>
-<p>»Die man is edelmoedig en groot en niet in staat iemands vertrouwen te misbruiken.
-Hij is beter dan de beste mannen die gij tot dusver ontmoet hebt, en volmaakter dan
-allen die gij ooit ontmoeten zult!” klopte weer het hart.
-</p>
-<p>»Zij die zich het beste voordoen, zijn dikwijls de slechtsten,” hernam het hoofd.
-</p>
-<p>En Louise glimlachte voort, met Werners naam op de lippen, en besefte nauwlijks welke
-haar gedachten waren.
-</p>
-<p>Plotseling sprong zij op: zij had in de binnengalerij <span class="pageNum" id="pb155">[<a href="#pb155">155</a>]</span><span class="corr" id="xd31e3133" title="Niet in bron">de </span>voetstappen van den resident gehoord. In verwarring snelde zij naar de deur, doch
-even verward keerde zij weer naar haar plaats terug, blozende en verwonderd over haar
-eigen ontsteltenis.
-</p>
-<p>De resident trad nauw hoorbaar de kamer binnen, om zijn vrouw niet in haar slaap te
-storen, maar toen hij haar klaar wakker naar zich toe zag komen, ving hij haar luid
-lachend in zijn armen en plaatste haar naast zich op de rustbank, terwijl hij vriendelijk
-vroeg:
-</p>
-<p>»Nu, hoe gaat het, Poes? Zijt gij eindelijk uitgerust van de vermoeienissen van gisteren?
-Weet gij wel hoe laat het is? Bij half twaalf! Verbeeld je!”
-</p>
-<p>»Bij half twaalf?”
-</p>
-<p>»Ja, bij half twaalf. Gij hebt zoo wat een uur of acht aan éen stuk doorgeslapen!
-Wat zegt gij daarvan?”
-</p>
-<p>»Dat het mij zeker goed zal doen!”
-</p>
-<p>»Komt gij straks aan tafel? Of wilt gij liever wat eten in uw kamer hebben? Dan behoeft
-gij u niet te kleeden, want de secretaris blijft van daag.”
-</p>
-<p>»O! ja, stuur mij als je blieft maar wat eten hier, en excuseer mij bij den secretaris,
-die toch zeker liever met u alleen zal zijn.”
-</p>
-<p>»Neen, neen! Daar ben je van de wijs! Metman blijft juist, op hoop van je te zien.
-Hij is smoorlijk verliefd op je. Hij vindt je zóo mooi dat hij den ganschen morgen
-bij mij op het bureau gezeten heeft zonder een oogenblik op te houden uw éloges te
-maken!”
-</p>
-<p>»Dat waren de uwen ook.”
-<span class="pageNum" id="pb156">[<a href="#pb156">156</a>]</span></p>
-<p>»Natuurlijk.”
-</p>
-<p>»Maar wie is Metman ook weer? Ik kan mij in het geheel niet herinneren wien gij mij
-gisteren als den secretaris voorgesteld hebt.”
-</p>
-<p>»Wel, zoo’n klein, zwart kereltje, met levendige oogen en.…”
-</p>
-<p>»O ik weet het. Net een muisje dat men half verdronken bij zijn oortjes uit het water
-heeft gehaald!”
-</p>
-<p>»Die is unique! Ik zie er hem in! Wacht dat zal hem leeren verliefd zijn op de vrouw
-van een ander! Ja, zóo zijn de vrouwen, zoo spreken zij over de arme drommels die
-zich de moeite geven van haar éloges te maken!
-</p>
-<p>»A propos, Louise, ik heb mijnheer Oristorio di Frama gisteren beloofd, dat wij hem
-morgen een bezoek op Felicità zouden brengen; ik heb reeds een span paarden vooruit
-gezonden, en den koetsier gezegd dat hij morgen ochtend vóor zessen gereed zou zijn
-om af te rijden. Zorg dus dat gij op uw tijd klaar zijt, dan zullen wij eens een prettig
-uitstapje maken.”
-</p>
-<p>De resident drukte nog even Louise’s hand in de zijne en keerde naar zijn bureau terug.
-</p>
-<p>Louise’s hart klopte schier hoorbaar. Zij zou naar de familie Oristorio gaan! En dat
-reeds morgen! Verscheidene dagen mogelijk, zou zij te zamen zijn met de vrienden van
-Werner!
-</p>
-<p>Zij wist zelve niet wat zij gevoelde en waarom zij op eens zoo gelukkig was. Voor
-het eerst sedert haar komst te A. speelde er een hoopvolle lach om haar <span class="pageNum" id="pb157">[<a href="#pb157">157</a>]</span>lippen en daalde er een ongekende vreugde in haar hart.
-</p>
-<p>Toen dacht zij aan het kleed dat zij aan zou doen, aan het kapsel dat haar het beste
-stond, aan de kleuren die haar het meest flatteerden, aan alles, in éen woord, dat
-haar gisteren nog volkomen onverschillig was en nu haar hart deed bonzen met een onstuimigheid,
-waarvan zij zich geen rekenschap kon geven.
-</p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch21" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e377">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="label">EENENTWINTIGSTE HOOFDSTUK</h2>
-<h2 class="main">SYMPATHIE</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Het was bij tienen toen de resident en mevrouw Stevens van Langendijk den volgenden
-morgen op Felicità aankwamen, waar mijnheer en mevrouw Oristorio di Frama in de voorgalerij
-gereed stonden om hen te ontvangen.
-</p>
-<p>Louise was opgetogen van bewondering over de heerlijke gezichten, die zich op reis
-onophoudelijk voor haar oog ontrold hadden. Zij sprong het eerst het rijtuig uit,
-reikte mijnheer Oristorio de hand, vloog mevrouw om den hals en vroeg terstond naar
-Lina en Melatie.
-</p>
-<p>»De meisjes zullen dadelijk te huis komen, hoop ik,” antwoordde mevrouw di Frama,
-Louise bij de hand <span class="pageNum" id="pb158">[<a href="#pb158">158</a>]</span>naar binnen geleidende. »Zij zijn even uitgegaan om bloemen te plukken, daar Melatie
-beweerde dat gij te jong waart om een kamer te betrekken die niet behoorlijk met bloemen
-versierd was.”
-</p>
-<p>»Zij heeft gelijk, en weet mogelijk bij ondervinding, dat bloemen vrienden zijn, die
-wij altijd blij zijn weer te vinden, omdat ze ons vriendelijk welkom heeten, waar
-wij ze ook op onzen weg ontmoeten!”
-</p>
-<p>Lina trad binnen, gevolgd door Melatie, die, op Werners arm geleund, een vreemde bloem
-bewonderde, welke beiden vasthielden.
-</p>
-<p>»Kijk mama.…”
-</p>
-<p>Zij zag mevrouw Stevens, zweeg, trok haar hand uit Werners arm terug en liet de bloem
-los, die ook Werner vallen liet.
-</p>
-<p>Louise stond op om de nieuwgekomenen te groeten, reikte hun de hand, maar sprak geen
-woord en kon haar oogen niet afwenden van de jonge, gelukkige Melatie, wier buitengewone
-schoonheid schier een onaangenamen indruk op haar maakte. Nog nooit had zij iemand
-iets benijd en nu benijdde zij dat vroolijk, lachend kind haar open oog en haar verstandig
-voorhoofd! Zij schaamde zich het onbestemd gevoel van wangunst, dat zich plotseling
-van haar meester had gemaakt, en wilde het overwinnen door Melatie nader te leeren
-kennen. Zij trok het meisje naar zich toe, vroeg haar hoe oud zij was, of zij van
-uitgaan hield, of zij gaarne naar A<span class="corr" id="xd31e3177" title="Niet in bron">.</span> ging enz. enz. en eindigde zelfs met haar te logeeren te vragen. »Als gij er lust
-in hebt <span class="pageNum" id="pb159">[<a href="#pb159">159</a>]</span>en uw ouders er niets tegen hebben, kunt gij morgen avond met ons meegaan.”
-</p>
-<p>»Als ik lust heb?” herhaalde Melatie opgetogen. »O ik zou dol gaarne met u meegaan
-mevrouw, maar ik ben nog nooit alleen uit logeeren geweest.”
-</p>
-<p>»Welnu, dan zal het voor het eerst wezen, indien uw mama u ten minste aan mijn zorgen
-toevertrouwen wil. Ik beloof dat ik goed op u passen zal en dat wij u zelven weder
-te huis zullen brengen om zeker te zijn dat gij goed terecht komt.”
-</p>
-<p>Melatie wierp een smeekenden blik op haar moeder, daarna op haar vader, eindelijk
-op haar gouvernante, en vloog toen met een kreet van vreugde mevrouw Stevens om den
-hals.
-</p>
-<p>»Ik mag! ik mag! Lieve mevrouw, wat maakt gij mij gelukkig!” riep zij met zulk een
-geestdrift, dat Louise haar in de armen sloot en plotseling die krachtige sympathie,
-die hartelijke genegenheid voor haar gevoelde, welke slechts door de innige overeenstemming
-van verwantschapte zielen ontstaan kan.
-</p>
-<p>Van dat oogenblik af waren mevrouw Stevens en Melatie onafscheidelijk. Telkens zaten
-zij te zamen te fluisteren of wierpen zij elkander blikken van verstandhouding toe,
-door die vriendinnen van éen oogenblik, verstaan en beantwoord alsof zij haar leven
-lang bij elkander waren geweest en nimmer nog een andere taal dan die samen gesproken
-hadden.
-</p>
-<p>Melatie, die in een atmosfeer van sympathie en liefde te huis behoorde, begreep terstond
-de aantrekkingskracht <span class="pageNum" id="pb160">[<a href="#pb160">160</a>]</span>die mevrouw Stevens voor haar had, en gaf zich geheel aan de inspraak van haar hart
-over, met den eenvoud en de oprechtheid, zoo eigen aan haar ongekunstelde vrije natuur.
-Louise daarentegen begreep niets, en zij verwonderde zich over de zonderlinge gevoelens,
-die Werner en Melatie sedert een paar dagen bij haar hadden opgewekt. Nog nooit was
-zij zoo opgeruimd en gelukkig geweest als op dit oogenblik, en toch lag er iets dat
-aan weemoed grensde, in het vriendelijk oog der jonge vrouw, terwijl er iets dat naar
-medelijden geleek, uit den half weerhouden lach van het jonge meisje sprak.
-</p>
-<p>Wat waren zij samen gelukkig! Zij speelden piano, zongen duo’s die wegstierven in
-een schaterlach, vlogen op het heetst van den dag den tuin in om lelies te plukken
-aan den waterkant, kleedden zich toen in dezelfde kamer aan en lachten om den resident,
-die in de voorgalerij zat te pruttelen over de onbezonnen wildheid zijner vrouw.
-</p>
-<p>Zóo vloog de dag voorbij tot dat tegen half zes des namiddags de deftigheid hersteld
-werd door een wandeling, waaraan alle huisgenooten deel namen.
-</p>
-<p>Mijnheer en mevrouw Oristorio riepen Melatie ter zijde om haar onder het oog te brengen
-dat haar vrijpostigheid de grenzen der welvoegelijkheid te buiten begon te gaan. »Vergeet
-niet,” dus eindigde haar moeder, »vergeet niet dat mevrouw Stevens de vrouw is van
-den resident van A.”
-</p>
-<p>Maar Melatie die een oogenblikje sip gekeken had, <span class="pageNum" id="pb161">[<a href="#pb161">161</a>]</span>zag vragend om naar haar nieuwe vriendin en fluisterde haar moeder zacht in ’t oor:
-»Zij houdt veel meer van mij dan van den resident, mama, en ik houd ook veel meer
-van haar dan van hem.”
-</p>
-<p>Een veelbeteekenend »chut!” van vader en moeder tegelijk, deed Melatie gelukkig nog
-in tijds zwijgen, daar de resident hand in hand met zijn vrouw kwam aanloopen om lachend
-aan mevrouw Oristorio te vragen, of zij ooit een kinderachtiger residentsvrouw gezien
-had dan Louise was?
-</p>
-<p>»Nog nooit,” antwoordde de gastvrouw vriendelijk, »maar ik heb ook nog nooit een residentsvrouw
-van de jaren van mevrouw Stevens ontmoet,—evenmin als een resident van uw leeftijd.”
-</p>
-<p>Melatie had intusschen Werner in een der tamarindelanen ontdekt. Met een kreet van
-vreugde snelde zij hem te gemoet, vatte hem bij de hand en vertelde hem, geheel buiten
-adem door het loopen, dat mevrouw Stevens haar vriendin geworden was. »O, zij is zoo
-lief,” fluisterde zij lachend. »Zoo vroolijk en zoo goed! Zij heeft mij beloofd van
-avond quatre-mains met mij te spelen, en dan zal jufje zeker zingen. Gij blijft bij
-ons, niet waar, mijnheer Werner?”
-</p>
-<p>»Ja, uwe ouders hadden mij verzocht een paar dagen langer te blijven; maar ik moet
-morgen naar de fabriek terug, waar mijn bezigheden mij wachten. Heden avond kan ik
-dus nog van uw aller talenten genieten.”
-</p>
-<p>Daarna werd het gesprek algemeen en wandelde het gezelschap tot een kleine hoogte
-voort, welke men beklom <span class="pageNum" id="pb162">[<a href="#pb162">162</a>]</span>om van dáar een blik te werpen over de omliggende vlakten en dessahs.
-</p>
-<p>De resident klapte in de handen van bewondering toen hij, het eerst boven gekomen,
-zijn oog liet weiden over het prachtige landschap dat aan zijn voeten lag.
-</p>
-<p>»Jongens! jongens! Wat is dat hier toch een rijk land!” riep hij uitgelaten. »Kom
-gauw kijken, Louise! Hier, zie eens even die rijstvelden. Dáar dat riviertje dat tusschen
-al die dessahs doorkronkelt! Die hooge bosschen daar ginder! Die bergen op den achtergrond!
-Mijn God! mijn God! Het verwondert mij niet dat jelui, landheeren, hier allen fortuin
-maakt. ’t Zou wel vreemd zijn, als het anders was. Dom geluk!”
-</p>
-<p>Louise wierp een blik in de richting door den resident aangewezen.
-</p>
-<p>»Mooi, hè?” vroeg hij, zijn arm om haar middel slaande.
-</p>
-<p>»Hm—m!” antwoordde zij afgetrokken. Toen wikkelde zij zich uit zijn arm los en begaf
-zich naar de andere zijde der hoogte, van waar men de zon in volle pracht zag ondergaan,
-achter een der schoonste landschappen die men zich denken kan. Dáar bleef zij staan,
-als vastgenageld aan den grond, met vonkelende oogen, half geopenden mond en saamgevouwen
-handen, opgetogen, verrukt, meegesleept, zich badend in zielsgenot.
-</p>
-<p>Zóo zag Werner haar en de bewondering die hij voor haar gevoelde, moet geleken hebben
-naar die welke zij voor de natuur gevoelde.
-</p>
-<p>Naar gelang de wolken haar gouden randen verloren <span class="pageNum" id="pb163">[<a href="#pb163">163</a>]</span>en de laatste zonnestralen wegzonken achter het uitgestrekt gebergte, verminderde
-ook Louise’s opgetogenheid. Langzamerhand verloren haar oogen hun glans, sloten haar
-lippen zich, boog zij het schoone hoofd neder. Haar armen hingen machteloos, groote
-tranen trilden aan de lange zwarte pinkers en een diepe zucht ontsnapte den geprangden
-boezem.
-</p>
-<p>»Ha! ha! ha!” klonk de schelle stem van den resident. »Is dat nu uw manier van bewonderen?
-Ik lach als ik iets zie dat mij bevalt, en gij huilt er om!”
-</p>
-<p>Louise begreep niet recht. Zij sloeg haar groote, donkere oogen treurig op, wierp
-een teleurgestelden blik om zich heen en bleef zwijgen.
-</p>
-<p>»Kom, kom, weg met die tranen! En nu vroolijk en welgemoed naar huis terug, niet waar
-mevrouw di Frama?”
-</p>
-<p>Dit zeggende greep hij Louise bij de hand en trok haar mede den berg af.
-</p>
-<p>Louise lachte even, maar dat lachje was zoo diep weemoedig, dat het Werner als een
-droeve klacht in de ziel drong en hem haastig het hoofd van haar deed afwenden.
-</p>
-<p>Louise echter had den traan gezien dien hij voor haar verbergen wilde en ook zij wendde
-haastig het hoofd van hem af. Met een soort van afschuw trok zij plotseling haar hand
-uit die van den resident terug; maar met de eigenaardige scherpzinnigheid der vrouw,
-bijna op hetzelfde oogenblik gevoelende dat zij verkeerd handelde, volgde zij de eerste
-gedachte die zich aan haar verwarden geest voordeed en riep lachend:
-<span class="pageNum" id="pb164">[<a href="#pb164">164</a>]</span></p>
-<p>»Wie van ons beiden het eerst beneden is, Mela!”
-</p>
-<p>Eer iemand nog begrepen had wat er gebeuren moest, was zij reeds met het jonge meisje
-in het kreupelhout verdwenen, en een oogenblik later vond men haar weer aan den voet
-van den berg, de beide handen vol klimop, waarmede zij bezig was Melatie op te sieren.
-Zij bloosde licht toen zij Werner het eerst van het slingerpad zag afkomen, maar zich
-spoedig herstellende, wierp zij de klimop om Melatie’s hals, liep toen haastig den
-resident tegemoet en legde haar hand op zijn arm, hem lachend vergiffenis vragende
-voor de onstuimigheid waarmee zij hem verlaten had. »De gelegenheid was al te schoon,”
-riep zij spottend, »ik kon den lust geen weerstand bieden om nog eens even kind te
-wezen. Toe, vergeef het mij maar?”
-</p>
-<p>Hij vergaf het haar en allen vergaven het haar en men werd weer even spraakzaam en
-vroolijk als van te voren.
-</p>
-<p>Werner alleen bleef stil en afgetrokken. Hij liep met Lina achter aan en deed zijn
-best om het gesprek gaande te houden, dat grootendeels door Lina alleen gevoerd werd,
-terwijl hij zich hield alsof hij aandachtig luisterde naar de woorden welke hij maar
-half verstond. Zij hadden het over planten en bloemen gehad, zij hadden het schoone
-landschap en de opkomende maan bewonderd, zij hadden gefilosofeerd over het menschelijke
-leven en gezweefd in de hooge sferen van kunst en poëzie, en toen zij eindelijk te
-huis kwamen en verblind werden door het schitterend licht der lampen, <span class="pageNum" id="pb165">[<a href="#pb165">165</a>]</span>was Werner verwonderd zich niet meer op den berg te bevinden, waar hij nog altijd
-een schoone vrouw in verrukking dacht te zien.
-</p>
-<p>Het souper en het theeuurtje waren vroolijker dan ooit. Louise vooral was uitgelaten
-en haar vreugde was aanstekelijk, want een ongekend gevoel van geluk doortintelde
-haar boezem. Haar hart, haar gansche ziel, sprak uit haar kinderlijken lach, uit den
-blos harer wangen, uit den gloed die haar groote oogen nog schooner maakte. De resident
-scheen betooverd door zijn bekoorlijke Louise, die hij nog slechts éenmaal, op zeker
-bal waar hij haar voor de eerste maal ontmoet had, zóo gezien had als zij nu was,
-vroolijk, goedig, ongedwongen, in éen woord gelukkig! Ook mijnheer en mevrouw di Frama,
-Lina <span class="corr" title="Bron: Van">van</span> Wageningen en Melatie deelden in Louise’s vreugde en gevoelden zich aangetrokken
-en meegesleept door een geluk dat zoo duidelijk uit elk woord, uit elken blik, uit
-elke beweging sprak. Zelfs Werner vergat zijn »schoone vrouw in verrukking” voor de
-lachende Louise, wier eigenaardige wijze van verhalen, fijnheid van opmerking en gevatheid
-in het antwoorden, hem tusschenbeide tranen deden lachen.
-</p>
-<p>Nog nooit had men op Felicità zulk een genoegelijken avond doorgebracht; allen waren
-even opgeruimd en tevreden geweest, niemand had er aan gedacht dat het reeds bij twaalven
-was. Toch moest Lina nog zingen, had Melatie nog niet gedeclameerd, was de quatre-mains
-van Louise en Melatie nog niet aan de beurt <span class="pageNum" id="pb166">[<a href="#pb166">166</a>]</span>geweest en had de viool van Werner nog geen toon doen hooren. Maar het was nu veel
-te laat geworden om al die goede plannen ten uitvoer te brengen, welke men in den
-vooravond gemaakt had; daarom werd er besloten dat Lina nog eens even zou zingen en
-dat het overige gedeelte van het programma tot morgen zou worden uitgesteld.
-</p>
-<p>Werner accompagneerde Lina op de piano en Melatie sloeg de bladen om. De resident
-had om een »vroolijk deuntje” gevraagd en het was een vroolijk deuntje dat zij gezongen
-had, maar nauwlijks waren de laatste tonen met een daverend applaudissement begroet
-geworden, of Werner greep een stuk muziek van de piano en verzocht Lina het te zingen.
-</p>
-<p>Reeds bij de eerste tonen verdween de lach van Louise’s gelaat, de resident zweeg
-en mijnheer en mevrouw di Frama zagen elkander aan, met een onmiskenbare uitdrukking
-van bewondering en welbehagen.
-</p>
-<p>Het was het groote air uit de Freischütz, dat Werner uitgekozen had, en dat Lina met
-een kalmte, met een eenvoud aanhief, die Louise de tranen in de oogen riep. Nog zelden
-had Louise goede muziek gehoord en nooit was die goed uitgevoerd geworden te Samarang,
-waar men in het geheel geen opera en slechts een paar weinig beteekenende concerten
-in de laatste jaren gehad had. Geen wonder dat de zuivere, krachtvolle stem, die de
-jonge gouvernante, met zooveel kunst en smaak wist te leiden, een diepen indruk op
-Louise maakte. Medegesleept door haar gevoel <span class="pageNum" id="pb167">[<a href="#pb167">167</a>]</span>hing zij met haar gansche ziel aan de ongekende heerlijke tonen, die haar betooverden,
-verrukten en tot een soort van extase opvoerden, waaruit men te vergeefs poogde haar
-in de werkelijkheid terug te brengen. Zij lachte door haar tranen heen, hijgde, beefde
-en antwoordde zóo koortsachtig, zóo gejaagd, zóo verward op alle vragen, dat de resident
-haar met zijn gewone onbegrijpelijkheid uitlachte, en verwijtingen deed, die zij niet
-scheen te verstaan.
-</p>
-<p>Lina begreep terstond wat er in de fijngevoelige ziel der jonge vrouw omging, en vreezende
-voor een overspanning, die haar diep geschokt zenuwgestel niet langer scheen te kunnen
-dragen, gaf zij Werner een wenk en begon een dier melodieuse, weemoedige liederen
-te zingen, die in Duitschland alleen te huis schijnen te behooren.
-</p>
-<p>Louise lachte eerst, maar langzamerhand werd die lach kalmer, droeviger, totdat hij
-eindelijk in een luid snikken wegstierf.
-</p>
-<p>Toen greep Lina een dier nietsbeduidende, brilliante fransche opéra-comique aria’s,
-geschreven voor een stem en niet voor een ziel, en zong die met een vlugheid, lichtheid,
-<span class="ex">stoutheid</span>, die haar kunst op eens met die van een clown of acrobaat gelijk stelde.
-</p>
-<p>Louise volgde dien ongekenden »wonderzang” met de verbazing van een kind, en klapte
-schaterend in de handen, toen de laatste noten als door een vogelenkeel waren uitgestoten.
-»Bravo! Goed zoo, juffrouw Van Wageningen. Mijn hemel welk een stortregen van nootjes
-<span class="pageNum" id="pb168">[<a href="#pb168">168</a>]</span>hebt gij daar in een oogenblik op ons neergeworpen,” riep zij hartelijk lachend.
-</p>
-<p>Lina lachte ook, zij had haar doel bereikt. En toen de huisgenooten een oogenblik
-later scheidden, om zich ter rust te begeven, reikten Lina en mevrouw Stevens elkander
-met een wederzijdsch gevoel van genegenheid en dankbaarheid de hand.
-</p>
-<p>Den volgenden morgen vertrok Werner. En vreemd, Louise vond niets meer zóo mooi, zóo
-bekoorlijk, zóo aantrekkelijk als gisteren. Maar het regende ook en mogelijk scheen
-daarom alles grijs en donker. Dien avond vielen alle musicale en andere plannen in
-duigen door een bezoek van dokter Heisterman.
-</p>
-<p>»Een goede, vervelende man,” dacht Louise, toen zij den eenvoudigen filantroop zag
-binnenstappen.
-</p>
-<p>»Een slachtoffer van schoonheid en fortuin,” dacht de dokter, het jonge vrouwtje met
-zijn scherpen blik doorgrondende.
-</p>
-<p>Het gesprek liep over allerlei onverschillige onderwerpen, totdat Melatie op eens
-vroeg: »Dokter, hebt gij wel eens Zanoni gelezen, van Bulwer?”
-</p>
-<p>»Ja, lange jaren geleden,” antwoordde de dokter somber. »Viola!—Juffrouw Van Wageningen,
-hebt gij ooit iemand gekend die Viola heette?”
-</p>
-<p>»Een mijner nichten moet zoo geheeten hebben, maar ik heb haar nooit gekend.”
-</p>
-<p>»Blond—slank—schoon als de dag en goed als een engel!” Hij zweeg een oogenblik en
-vervolgde toen zachter:
-<span class="pageNum" id="pb169">[<a href="#pb169">169</a>]</span></p>
-<p>»Was het uw vader niet die innig veel van haar hield?”
-</p>
-<p>»Ja. Maar zij is jong gestorven. Zij hield van een ander.…”
-</p>
-<p>»Die ander ben ik. O veracht mij niet, want ik heb veel geleden!”
-</p>
-<p>Lina’s verbaasde oogen bleven den dokter aanstaren alsof zij het verledene op zijn
-gelaat wilde lezen. »Gij dokter?” vroeg zij eindelijk. »O! dat hadt gij mij niet moeten
-zeggen.…”
-</p>
-<p>De dokter greep hare hand en fluisterde: »Ik zal u alles schrijven.… Gij gelijkt haar
-naar het uiterlijke, gij moet haar ook gelijken in uw binnenste!”
-</p>
-<p>Toen stond hij op, nam afscheid en ging heen.
-</p>
-<p>Een dag later ontving Lina den beloofden brief.
-</p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch22" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e387">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="label">TWEEENTWINTIGSTE HOOFDSTUK</h2>
-<h2 class="main">EENIGE BLADZIJDEN UIT HET LEVEN VAN DEN DOKTER</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Ik heb eens een hond gehad; een leelijk mager dier, met steile ooren en een wonderlijken
-staart, dat geen enkel kunstje doen kon, verbazend veel at en tegen mijn beste vrienden
-blafte.
-<span class="pageNum" id="pb170">[<a href="#pb170">170</a>]</span></p>
-<p>Toch hield ik van het domme dier en noemde het, wanneer ik in een goed humeur was,
-»mijn lieve engel met een staart.”
-</p>
-<p>Wanneer mijn vrienden dat hoorden, lachten zij mij uit en dachten, geloof ik, dat
-er een van de vijf bij mij aan het dwalen was. Tusschenbeiden vond ik zelf iets overdrevens
-in mijn bewondering van al wat leelijk was, en dan schopte ik Seraf de deur uit, om
-hem te toonen dat niets hem het recht gaf de eerste plaats in mijn hart te bekleeden.
-Maar verliet ik éen uur, twee uur, drie uur later mijn kamer, dan waren het altijd
-Serafs’ trouwe oogen die mij het eerst weer tegenlachten, en, uit medelijden of bewondering,
-mijn lieveling werd weer in genade aangenomen in het heiligdom waaruit ik hem verstooten
-had.
-</p>
-<p>Ik heb vele menschen met mooie oogen gekend, enkelen zelfs met <span class="ex">lieve</span> oogen, nooit heb ik iemand met zulke goede, trouwe oogen gezien, als mijn zielsvriend
-Seraf had. Daar lag iets in dat mij wonderlijk maakte, iets dat ik nooit in andere
-oogen weergevonden heb. Weet gij wat? Neen, gij kunt het niet weten, want ik weet
-het zelf niet. Toch wil ik trachten, u een denkbeeld te geven van den invloed van
-die oogen op mijn dwazen geest.
-</p>
-<p>Eens was ik op een Zondagmorgen, door een stortregen naar de kerk geweest, op hoop
-van onder het zingen een blik van Julia op te vangen, of bij het uitgaan een handdruk
-van Mathilde te krijgen. Noch Julia noch Mathilde had mij opgemerkt. Natuurlijk was
-ik buiten <span class="pageNum" id="pb171">[<a href="#pb171">171</a>]</span>mij zelven van kwaadheid. Een parapluie die droop, een jas die droop, een broek die
-droop, een paar laarzen dat »tjiek” zei bij elken pas dien ik deed, niets dan een
-paar drooge schouders en een drooge hoed, waarvan ik den rand gedeukt had tusschen
-duim en voorsten vinger. De sleutel van de voordeur vergeten! Gescheld! De bel kapot
-getrokken! Geklopt, getrapt, gestompt, tegen die beroerde deur, die doof scheen! Dat
-was genoeg om den zachtsten mensch der wereld uit zijn vel te doen springen.… Dát
-deed ik niet eens.… maar ik nam mij voor.…
-</p>
-<p>De deur ging open!
-</p>
-<p>Met een tienmijlsvaart stoof ik den gang door, mijn kamer in; de parapluie op tafel,
-de bijbel in de prullenmand, mijn hoed, mijn laarzen, mijn jas, mijn handschoenen,
-alles danste de kamer door.
-</p>
-<p>Een noodkreet! Seraf huppelde jankend weg en sprong op de vensterbank, vanwaar zijn
-lieve oogen mij vriendelijk tegenlachten, terwijl hij een zijner vierkante pooten
-omhoog hield, en zijn wonderlijke staart de gordijnen heen en weder wuifde.
-</p>
-<p>Dadelijk was ik bedaard.
-</p>
-<p>Waarom weet ik niet, maar ik geloof dat ik mij schaamde omdat Seraf mij zóo goedig
-aankeek.
-</p>
-<p>Bij mijn binnenkomst was hij mij verblijd te gemoet gesneld; hij had mij geliefkoosd,
-gelekt, alle beleefdheden aangedaan, die een meester met mogelijkheid van zijn hond
-verlangen kan, en tot eenigen dank had ik hem een laars tegen een zijner pooten gesmeten!—Het
-domme dier <span class="pageNum" id="pb172">[<a href="#pb172">172</a>]</span>was gekwetst, het had pijn, toch bleef het nog vriendelijk zwaaien met zijn staart
-en keek het mij zoo smeekend aan met zijn goede, trouwe oogen, dat gij of een ander,
-zonder iets van mijn rampzaligen kerkgang af te weten, gedacht zoudt hebben, dat hij
-de beleediger en ik de gekwetste geweest was.
-</p>
-<p>Dat zult gij mogelijk een laagheid van hem vinden? Ik niet. Wij hadden beiden tegenspoeden
-gehad, ik twee kleintjes en hij éen groote. Ik had geraasd en getierd als een dwaas,
-hij was zichzelven gelijk gebleven en had zijn vriend vergeven.
-</p>
-<p>Waarachtig, ik schaamde mij voor mijn hond, want ik gevoelde mijn minderheid.…
-</p>
-<p>Eerst wilde ik het niet erkennen. Een mensch is trotsch. Ik vischte mijn bijbel uit
-de prullemand, raapte mijn kleeren bij elkaar.… later heb ik het toch erkend!
-</p>
-<p>Ik ben eens geëngageerd geweest: zes weken lang! Viola heette mijn meisje. Zij was
-een wees, jong en schoon en natuurlijk een engel. Veel geest had zij niet naar het
-scheen, maar wel veel geld en vele aanbidders. Mij had zij uitverkoren boven allen,
-omdat zij mij liefhad en haar geheele ziel behoorde aan haren »goeden genius” (dat
-was ik).
-</p>
-<p>Nooit in mijn leven heb ik zooveel van iemand gehouden? Viola! Viola! Altijd Viola!
-Overal Viola! Meer dan veertien dagen lang was ik letterlijk suf van geluk! Ik kon
-niet lezen, niet werken, niet denken, niet spreken zelfs, als het niet over Viola
-was. Ik vergat alles, mijn Seraf, mijn studies, mijn vrienden, mijn zieken, alles,
-<span class="pageNum" id="pb173">[<a href="#pb173">173</a>]</span>alles!—Liep ik de stad door, dan zag ik Viola overal, op de pleinen, in de straten,
-in de huizen, op den kerktoren, in de sneeuwvlokken die neerdaalden. Overal, overal,
-elk paard, elk kind, elk muschje, zag ik door de golvende lokken van Viola heen!
-</p>
-<p>Nooit van mijn leven ben ik zoo gauw van een liefde genezen geweest. Ik geloof dat
-ze uitgeput was. Ik had te veel aan Viola gedacht, te veel naar haar gezien, te veel
-over haar gesproken.… Zij verveelde mij.
-</p>
-<p>Mijn engagement woog mij zwaar op het hart, het moest verbroken worden; ik kon Viola
-niet meer uitstaan! Ik berispte haar over alles; bespotte haar wanneer zij mij haar
-»goeden genius” noemde, vergat haar invitaties, verscheurde haar brieven, beantwoordde
-ze een dag te laat, of verloor ze in haar bijzijn.
-</p>
-<p>Niets hielp. Viola bleef altijd zacht en goedig. Wel werd zij stiller en bleeker en
-verloor zij haar gullen lach; eens zelfs geloof ik dat haar oogen vochtig waren, maar
-zij zeide niets, klaagde nooit, deed mij geen enkel verwijt.
-</p>
-<p>Dat was iets onverdragelijks!
-</p>
-<p>De eene helft van den dag liep ik mij suf te denken op honderde kleine grieven en
-hatelijkheden, die ik haar de andere helft van den dag zou aandoen. Zij verdroeg alles,
-bleef zwijgen en scheen mijn bedoeling niet te begrijpen.
-</p>
-<p>Die <span class="ex">domheid</span> maakte mij wanhopig! En eindelijk, een kloek besluit nemende, greep ik papier en
-pen en zette mij tot schrijven neder.
-<span class="pageNum" id="pb174">[<a href="#pb174">174</a>]</span></p>
-<p class="salute">»Hartelijk geliefde Viola!”
-</p>
-<p>Wat de gewoonte doet! En ik ging haar zeggen dat mijn liefde voor haar versleten was!…
-Weg met dat briefje! Een ander:
-</p>
-<p class="salute">»Beste Viola!”
-</p>
-<p>»Mijn liefde voor u is in de laatste dagen zoo zeer verflauwd, zoo zeer.…”
-</p>
-<p>Nonsens! Dat klonk immers niet! Maar wat dan? Wat dan?.… Wacht.…
-</p>
-<p class="salute">»Viola!”
-</p>
-<p>»Er kan, er mag geen liefde meer bestaan tusschen ons. Vraag mij naar niets, want
-het is mij niet mogelijk u iets meer te zeggen.—God geve ons kracht om dezen zwaren
-slag met onderwerping te dragen.”
-</p>
-<p>»Uw goede Genius,” had ik bijna gezet, maar ik bedacht mij nog in tijds en zette eenvoudig
-</p>
-<p class="signed">»Dr. <span class="sc">E. Heisterman</span>.”
-</p>
-<p>Ik las nog eens:
-</p>
-<p class="salute">»Viola!
-</p>
-<p>»Er kan, er <span class="ex">mag</span> geen liefde meer bestaan tusschen ons. Vraag mij naar niets, want het is mij niet
-mogelijk u iets meer te zeggen. God geve ons kracht om dezen zwaren slag met onderwerping
-te dragen!”
-</p>
-<p class="signed">»Dr. <span class="sc">E. Heisterman</span>.”
-</p>
-<p>Dat had ik knap gedaan! Ik begreep zelf niet hoe ik het zóo verzonnen had!—Een engagement
-te verbreken zonder uw meisje te beleedigen, zonder haar te zeggen <span class="pageNum" id="pb175">[<a href="#pb175">175</a>]</span>dat gij geen liefde meer voor haar hebt, zonder haar zelfs het recht te geven, u rekenschap
-van uw handelingen te vragen. Ik beken het ronduit, ik was verstomd over mijn eigen
-vindingrijkheid! En ik was zoo trotsch over mijn kort en bondig epistel, dat ik zonder
-handschoenen, zonder stok, zonder hoed zelfs, op mijn pantoffels de deur uitvloog
-om het naar den post te brengen.
-</p>
-<p>Voor het eerst zag ik Seraf dien avond weer. Het was mij alsof ik het goede dier in
-geen zes weken gezien had.… Ik vond hem nog magerder, nog leelijker geworden,—nog
-vriendelijker als het kon.
-</p>
-<p>Had ik hem inderdaad niet gezien in al dien tijd?—Maar hij was toch in huis geweest.…
-Wie had hem dan verzorgd, gevoed, gestreeld, zooals ik gewoon was te doen?—Niemand?—Dat
-kon niet zijn!—Ik zelf misschien, nu en dan eens, machinaal, uit pure gewoonte zonder
-zelf te weten wat ik deed.
-</p>
-<p>Mijn geheugen kwam mij eindelijk te hulp en bevestigde mij in die meening.
-</p>
-<p>Arme Seraf!
-</p>
-<p>Dien avond gaf ik hem een extra kluifje, toen had hij mij niets meer te verwijten.
-</p>
-<p>Den volgenden morgen ontving ik eenige kleine geschenken terug, die ik Viola gedurende
-de zes weken van ons engagement gegeven had. Er was een muziekboek bij, waaruit wij
-samen gezongen hadden.…. een portretje van mij, waarop zij aan de achterzijde geschreven
-had: »Mijn goede Genius E. H.,” en een <span class="pageNum" id="pb176">[<a href="#pb176">176</a>]</span>pakje brieven van mij, dat ik verbrand heb zonder er een van na te willen lezen.
-</p>
-<p>Geen lettertje van haar!
-</p>
-<p>Eén dag, twee, drie dagen waren verloopen, en nog geen briefje van Viola?—Dat had
-ik niet verwacht. Ik had niet gedacht dat zij zou lang zonder mij had kunnen leven.
-Ik had een smeekschrift verwacht, of een brief met harde woorden. Maar niets, in het
-geheel niets. Daar had ik niet op gerekend! Dat was waarachtig een teleurstelling
-voor me! Ik was beroerd, ik verveelde mij! Den vierden dag reeds sloeg ik Seraf, omdat
-ik kwaad was op Viola, toen ging ik naar een bal en danste tot den morgen.
-</p>
-<p>Een mijner vrienden vroeg mij naar »<span class="ex">mijn meisje</span>”. Ik had den moed niet hem te zeggen door welk meesterstuk ik een eind aan mijn engagement
-gemaakt had.
-</p>
-<p>»Wèl, heel wèl,” gaf ik hem stotterend ten antwoord. »Ik heb haar sedert gisteren
-niet gezien.”
-</p>
-<p>Het was de vierde dag reeds na mijn briefje.
-</p>
-<p>Een mensch doet dikwijls iets wat bij van daag goed vindt, maar morgen niet bekennen
-wil!
-</p>
-<p>Zóo verliep de eene dag na den andere, zonder mij eenige tijding van Viola te brengen.
-</p>
-<p>Eerst had ik alle concerten, comedies en partijen nagejaagd; ik was zelfs verder gegaan
-en had geluk gezocht overal waar verstrooiing, verdooving, vergeten, te vinden was.
-Doch nergens had ik voldoening gevonden en mijn vrienden hadden zoo den <span class="pageNum" id="pb177">[<a href="#pb177">177</a>]</span>spot gedreven met mijn vervlogen liefde voor Viola, dat ik geëindigd was met naar
-mijne kamer terug te keeren en mij, even als ik gedurende de zes weken van mijn engagement
-gedaan had, geheel van de buitenwereld af te zonderen.
-</p>
-<p>In die dagen kwam een oud-oom mij bezoeken.
-</p>
-<p>Hij feliciteerde mij met mijn engagement en verzocht mij dringend om hem, zoo spoedig
-mogelijk, aan Viola voor te stellen, van wie hij, door mijn brieven, zoo veel goeds
-en liefs gehoord had.
-</p>
-<p>Ik had hem twee maanden geleden het laatst geschreven.
-</p>
-<p>»Mijn engagement is af,” zei ik kregel, Seraf een schop gevend, omdat ik mijn oud-oom
-niet schoppen kon.
-</p>
-<p>»Af!”
-</p>
-<p>De goede man stikte haast in dat woordje.
-</p>
-<p>»Ja,—oom—af!”
-</p>
-<p>Toen moest ik een predicatie slikken van meer dan een half uur lang, die daarop neerkwam
-dat ik een ezel zijn moest om een engagement met een schatrijk meisje, dat mooi en
-goed was en mij lief had boven alles, te verbreken zonder reden!
-</p>
-<p>»Zonder reden!”
-</p>
-<p>Ik dacht dat het mijn oud-oom in zijn hoofd scheelde.
-</p>
-<p>»Gij hadt er het recht niet meer toe.”
-</p>
-<p>»Het recht!”
-</p>
-<p>Ik proponeerde mijn oud-oom een wandelingetje buiten de stad, om hem wat tot bedaren
-te brengen.
-<span class="pageNum" id="pb178">[<a href="#pb178">178</a>]</span></p>
-<p>Seraf moest thuis blijven omdat hij gaarne mee wilde.
-</p>
-<p>Die wandeling was vrij vervelend.
-</p>
-<p>Oom zeide niets. Ik neuriede een deuntje en sloeg met mijn stok elk voorwerp dat ik
-voorbij liep; eens onder anderen, een kind dat ik met een cent tot zwijgen moest brengen
-omdat het »Vader!” en »Moeder!” gilde.
-</p>
-<p>Viola!
-</p>
-<p>Mijne knieën knikten—het bloed stolde mij in de aderen—mijn hart hield op te kloppen.
-</p>
-<p>Viola!… De laan inkomende, voor ons, vijftig, veertig schreden van ons af,—mager,
-bleek, gebogen, leunend op den arm van haar gezelschapsjuffrouw.
-</p>
-<p>Zij zag op. Hare oogen ontmoetten de mijnen. Ook hare knieën knikten, ook haar stolde
-het bloed in de aderen, ook haar hart moet een oogenblik opgehouden hebben te kloppen.—Ik
-zag het. Zij beefde en verbleekte nog meer. Doch zij herstelde zich, hief het hoofd
-op en zag mij aan alsof zij in het diepst van mijn ziel wilde lezen.
-</p>
-<p>Er lag zoo iets lijdends en toch zoo iets onbeschrijfelijk fiers en edels in dien
-blik, dat ik mijn oogen neersloeg en, met de hand aan den rand van mijn hoed, bleef
-staan, zonder de kracht te hebben haar te groeten.
-</p>
-<p>Zij was voorbij.
-</p>
-<p>Dien avond bekende ik mijn oom dat hij gelijk had, dat ons engagement nooit verbroken
-had moeten worden.
-<span class="pageNum" id="pb179">[<a href="#pb179">179</a>]</span></p>
-<p>Ik smeekte hem mijn voorspraak bij Viola te wezen, haar te zeggen wat hij wilde, maar
-niet te rusten vóor zij mij vergeven zoude hebben.
-</p>
-<p>Hij ging. Het was op een Maandag morgen. Ik zie hem nog, met zijn dikken stok en zijn
-wijden overjas. Seraf en ik stonden voor het raam hem na te oogen.
-</p>
-<p>Hij bleef een uur uit, op de minuut af. Dat is het langste uur van mijn leven geweest.
-</p>
-<p>Ik lachte toen ik hem eindelijk terug zag komen, over het smalle gele brugje tegenover
-mijn huis.
-</p>
-<p>Hij lachte niet.
-</p>
-<p>Ik snelde hem te gemoet.
-</p>
-<p>Hij duwde mij naar binnen. Hij had een briefje in de hand, geschreven door Viola!
-Ik greep er naar, maar hij trok het terug, stapte mijn kamer binnen, wierp zich neder
-op mijn eenige fauteuil en plaatste, langzaam als oude menschen, zijn stok tusschen
-zijn beenen, zijn hoed er op, zijn handschoenen daarop.… Ik greep de heele pyramide
-en wierp haar op tafel.
-</p>
-<p>»Eduard,” begon hij, »ik geloof dat gij een gevaarlijk spel gespeeld hebt met de eenige
-vrouw, die u mogelijk ooit oprecht heeft liefgehad.…”
-</p>
-<p>»Dat briefje, oom!—In Gods naam, geef mij dat briefje!”
-</p>
-<p>»Nog niet. Luister eerst. Viola is ongesteld—zij lag te bed toen ik mij liet aandienen.
-Zij is opgestaan op het hooren van uw naam en beneden gekomen om mij te woord te staan.
-Ik heb haar gezegd wat ik wist en haar gesmeekt u uw dwaling te vergeven, u verontschuldigende
-<span class="pageNum" id="pb180">[<a href="#pb180">180</a>]</span>zooveel in mijn vermogen was. Zij heeft mij aangehoord ten einde toe, en toen ik zweeg,
-heeft zij mij de hand gereikt, met de woorden: »Gij zijt goed, mijnheer Van Ranzen.
-Ik dank u voor hetgeen gij voor mij gedaan hebt. Maar ik heb te veel van Eduard gehouden
-om nu nog gelukkig met hem te kunnen zijn. Hij heeft zelf ons engagement verbroken,—laat
-het zóo blijven, het is goed zóo.” Ik kon haar geen ongelijk geven. Toch vroeg ik
-haar nog: »Maar indien gij zóoveel van hem gehouden hebt, gevoelt ge nu dan niets
-meer voor hem?”—»Niets dan angst,” antwoordde zij zacht. »Ik begrijp hem niet meer,
-ik versta hem niet meer, ik ken hem niet meer, hij is mij vreemd geworden.” Ik stond
-op om heen te gaan. »Neen, nog niet,” vroeg zij smeekend, mij naar mijn stoel terugwijzend.
-»Gij hebt nog wel een oogenblikje tijd, niet waar?—Ik wil hem schrijven—zelve—dan
-kan hij niet meer twijfelen.” Zie hier hetgeen zij, in mijn bijzijn, voor u geschreven
-heeft.”
-</p>
-<p>Ik wierp mij met een kreet op het briefje, scheurde het mijn oud-oom uit de hand,
-en had weer hoop zoodra ik het schrift mijner Viola herkende.
-</p>
-<p>Zij had te veel van mij gehouden, zij <span class="ex">moest</span> mij vergeven, indien ik het wilde.
-</p>
-<p>Zie hier wat ik las:
-</p>
-<p class="salute">»Waarde Heisterman!”
-</p>
-<p>Ik had simpeltjes »Viola” gezet, dat begin was beter dan het mijne.
-<span class="pageNum" id="pb181">[<a href="#pb181">181</a>]</span></p>
-<p class="salute">»Waarde Heisterman!
-</p>
-<p>»Er ligt een geheim of een onwaarheid tusschen ons, misschien een misdaad. Ik heb
-u liefgehad zoolang ik u vertrouwde, maar mijn vertrouwen is weg, en uwe liefde is
-niets meer voor mij.
-</p>
-<p class="signed"><span class="sc">Viola.</span>”
-</p>
-<p>En het was Viola, Viola zelve, die mij zulk een briefje schreef! Ik kon mijn oogen
-niet gelooven! Ik herlas het, bekeek het, betastte het, herlas het weder. Eindelijk
-geloofde ik. Toen zonk ik luid snikkend op een stoel, terwijl het briefje uit mijn
-handen gleed. Seraf hapte er naar en zette er een poot op, maar mijn oud-oom nam het
-hem af en vroeg:
-</p>
-<p>»Mag ik?”
-</p>
-<p>Ik knikte toestemmend.
-</p>
-<p>Hij las het en gaf het mij weder, zeggende:
-</p>
-<p>»Dat meisje heeft gelijk. Zij is ook veel te goed voor u.”
-</p>
-<p>Hij wendde het hoofd van mij af, greep zijn hoed, vergat zijn stok, en liep met zijn
-handschoenen in de hand, de deur uit.—Toen hij het raam voorbij kwam, meende ik een
-traan in zijn rechteroog te zien.
-</p>
-<p>Mijn oud-oom was een braaf, rechtschapen man, een van die zeldzame menschen, die met
-opgeheven hoofd en vasten tred het leven doorstappen, van de wieg tot het graf, zonder
-ooit te wijken of te buigen, brekende al wat den rechten weg verspert, vertrappende
-al wat kruipt of naar beneden trekt; een van die bijzondere menschen voor wien een
-<span class="pageNum" id="pb182">[<a href="#pb182">182</a>]</span>booswicht beeft, voor wien een braaf mensch zijn minderheid erkent.
-</p>
-<p>Geen wonder dus dat zijn woorden mij geweldig hinderden. Terstond na zijn vertrek
-gevoelde ik dat hij gelijk had. <span class="ex">Viola was te goed voor mij!</span> Maar juist <span class="ex">omdat</span> zij te goed voor mij was, en omdat zij mijn liefde versmaadde, had de hare waarde
-voor mij verkregen, en zwoer ik bij mij zelven dat zij eenmaal de mijne zou zijn!—Vroeg
-of laat zou Viola mij toebehooren! Nooit zou een ander eenig recht verkrijgen op de
-vrouw, die mij eenmaal uit liefde alleen, haar gansche leven beloofd had!
-</p>
-<p>Vroeger had ik haar om mijnentwille liefgehad, omdat ik iets aangenaams, iets streelends
-vond in het denkbeeld van over iemand te heerschen, die mij als een vriend, een beschermer,
-een voorbeeld, een volmaaktheid beschouwde, en zelve als het ware niet leefde, niet
-bestond dan door haar grenzenlooze liefde voor mij.
-</p>
-<p>Nu gevoelde ik dat Viola zich aan mijn heerschappij onttrokken had, dat zij zich boven
-mij verheven achtte, dat zij mij haar liefde niet meer schenken <span class="ex">wilde</span>. En het was om harentwille dat ik haar lief begon te krijgen!
-</p>
-<p>Viola, goedig, zacht, aanhalig, vriendelijk, eenvoudig, de Viola van vroeger, voor
-wie ik een afgod was geweest, had ik als mijn eigendom beschouwd, als een bezitting,
-waarop geen ander ooit eenige aanspraak zou kunnen maken.
-</p>
-<p>De fiere, onbuigzame Viola van thans, was vrij. Zij gevoelde haar onafhankelijkheid,
-en verkoos die <span class="pageNum" id="pb183">[<a href="#pb183">183</a>]</span>boven alles, zelfs boven den man, dien zij eenmaal zoo innig, zoo waarachtig lief
-had gehad.
-</p>
-<p>Welk een triumf voor mij, dien trots, dien hoogmoed, te doen buigen voor mijn wil!
-</p>
-<hr class="tb"><p>
-</p>
-<p>Mijn eerste bezoek den volgenden morgen was bij Viola.
-</p>
-<p>Ik kreeg belet.
-</p>
-<p>Ik plaatste mij onder een boom tegenover hare woning en bleef daar staan, vijf uren
-lang, met het oog op het venster van haar kamer gericht.
-</p>
-<p>Ik had gehoopt dat zij uit zou gaan; maar zij vertoonde zich niet.
-</p>
-<p>Tegen drie uur begon het te regenen, en ging ik naar huis.
-</p>
-<p>Den volgenden dag herhaalde ik mijn poging. Ik kreeg weer belet en bleef eenige uren
-onder den bewusten boom staan, zonder iets van Viola te bespeuren.
-</p>
-<p>Veertien dagen waren er op die wijze voorbij gegaan, toen ik eens, om drie uur naar
-huis terug keerende,—ik was altijd op het uur van mijn eerste regenbui naar huis gegaan—achter
-mij hoorde hoesten.
-</p>
-<p>Ik zag om en herkende Viola!
-</p>
-<p>Zij kwam uit een zijstraat en leunde op den arm van haar gezelschapsjuffrouw. Zij
-was nog bleeker, nog magerder dan de laatste maal dat ik haar gezien had. Hare oogen
-waren grooter geworden, haar lippen smaller, haar houding gebogener, haar gang langzamer,
-zij hoestte.….
-</p>
-<p>Zij had mij niet gezien. Eerst toen zij naast mij was <span class="pageNum" id="pb184">[<a href="#pb184">184</a>]</span>gekomen, zag zij mij, bloosde even, wendde het hoofd van mij af en vervolgde haar
-weg naar huis.
-</p>
-<p>Veertien dagen lang had ik gehoopt haar te zien, had ik slechts éen wensch gehad:
-haar te spreken! Nu eindelijk zag ik haar, vóor mij, naast mij.…. En ik zei niets.…
-geen woord.… Ik zag haar de stoep opgaan, aanschellen, binnentreden.…
-</p>
-<p>De deur sloeg dicht.
-</p>
-<p>Van dien dag af staakte ik mijn pogingen om door haar ontvangen te worden en ging
-ik eerst tegen het vallen van den avond onder den boom tegenover het venster staan.
-</p>
-<p>Dan zag ik licht door de reten van de luiken schijnen. Maar het licht verdween elken
-avond wat vroeger.… totdat eindelijk alles duister bleef.
-</p>
-<p>Zou Viola ongesteld wezen, zwaar ziek, stervende mogelijk?
-</p>
-<p>Ik schelde aan.
-</p>
-<p>De gezelschapsjuffrouw deed mij open.
-</p>
-<p>»Viola wacht u. Ga binnen.”
-</p>
-<p>Mijn God, welk een geluk! Ik had wel aan de voeten van de juffrouw neer willen zinken
-om haar te danken voor die woorden. Maar Viola wachtte mij. Zij vergaf mij dus, zij
-zou de mijne zijn, zij behoorde mij reeds toe!
-</p>
-<p>En, zonder naar de juffrouw om te zien, stapte ik haar voorbij om bezit te nemen van
-mijn <span class="ex">eigendom</span>.
-</p>
-<p>Viola!
-</p>
-<p>Het was mij alsof de aarde onder mijn voeten wegzonk <span class="pageNum" id="pb185">[<a href="#pb185">185</a>]</span>en de hemel over mijn hoofd in donkere golven voortrolde.
-</p>
-<p>Viola in die diepte!
-</p>
-<p>Viola op die golven!
-</p>
-<p>Een oogenblik was alles duister.
-</p>
-<p>»Dank je Eduard!”
-</p>
-<p>Die bekende lieve stem, die zachte handdruk riepen mij in de werkelijkheid terug.
-</p>
-<p>Viola lag op een zwart fluweelen canapé, haar oogen rustten op de mijnen, haar lippen
-lachten.
-</p>
-<p>Mijn God, welk een blik en welk een lach waren dat!
-</p>
-<p>Wat ik op dat oogenblik gevoelde, weet ik niet: het was mij alsof er niets meer bestond,
-niets dan mijn eigen ziel en die leed geweldig!… Hoe ik geknield naast de canapé ben
-gekomen, weet ik ook niet. Ik herinner mij niets meer van dat bezoek dan dat Viola’s
-stem mij in de ooren klonk en dat ik woorden gehoord heb die mij altijd bijgebleven
-zijn.
-</p>
-<p>»Verwondert het u dat ik sterf, Eduard?… Maar gij wist immers dat ik zonder u niet
-leven kon …
-</p>
-<p>»Uwe liefde was mij een levensbehoefte geworden … dit weet gij.… En toch hebt gij
-mij uwe liefde ontnomen.…
-</p>
-<p>»Toen uw oom mij spreken kwam, had ik bloed opgegeven.… De dokter had mij gezegd dat
-ik genezen kon, indien ik naar Italië of het Zuiden van Frankrijk wilde gaan.… Maar
-ik was hier te gelukkig geweest … ik kon mijn stadje niet verlaten. Ik gevoelde toch
-dat ik sterven moest. En ik wilde sterven waar ik u had liefgehad …”
-<span class="pageNum" id="pb186">[<a href="#pb186">186</a>]</span></p>
-<p>Wat ik haar gezegd heb weet ik niet, maar zij antwoordde:
-</p>
-<p>»Neen Eduard, gij zijt jong, gij zijt gezond en sterk, het leven moet nog lang voor
-u zijn. Uwe toekomst kan nog zóo schoon, nog zóo gelukkig wezen! En wat kunt gij nog
-veel goed doen, nog veel nut stichten in de wereld.…
-</p>
-<p>»Vergeet mij niet, Eduard!.… En wanneer gij weer een vrouw zult zien, die gij schoon
-vinden, die gij lief hebben zult, denk dan nog eens aan de arme Viola, en beloof haar
-uw liefde niet, wanneer gij haar later te leur zoudt kunnen stellen.…”
-</p>
-<p>Verder herinner ik mij van dien avond niets meer, dan dat ik, t’huis komende, Seraf
-bij ongeluk op zijn staart trapte en hem toen met tranen in de oogen een zoen gaf.
-</p>
-<p>Nog nooit had ik zooveel van Viola gehouden.
-</p>
-<p>Arme Viola!
-</p>
-<p>Tweemalen ging ik haar nog bezoeken. Zij had mij alles vergeven. Toen ik de derde
-maal kwam, stond zij geheel gekleed in het midden van de kamer.
-</p>
-<p>O, dien dag vergeet ik nooit!
-</p>
-<p>Ik zie haar nog, met haar licht blauw gewaad, met haar goudblonde lokken en haar lieven
-zachten lach.
-</p>
-<p>»Eduard!” riep zij, zoodra zij mij zag. »O, mijn God, wat maakt gij mij gelukkig!
-.… Ik vreesde dat gij niet komen zoudt.… niet dadelijk.… en morgen.…”
-</p>
-<p>»Ik verwachtte u, zoo als gij ziet,” viel zij zich zelve in de rede, mij op de blauwe
-japon wijzende, die ik haar <span class="pageNum" id="pb187">[<a href="#pb187">187</a>]</span>vroeger het liefst zag aan hebben. Toen kwam zij mij eenige schreden te gemoet, wierp
-zich op eens in mijne armen, zag mij aan met een hemelschen blik, klemde zich vast
-om mijn hals en zeide fluisterend:
-</p>
-<p>»Ik sterf, Eduard!”
-</p>
-<p>Dien nacht heb ik gewaakt bij het lijk van mijn arme Viola.
-</p>
-<p>Drie dagen was ik radeloos. Toen haalde ik mijn balkleeren uit de kast en reed in
-een galakoets naar ’t kerkhof, om bij de ter aardebestelling van Viola’s stoffelijk
-overschot tegenwoordig te zijn.
-</p>
-<p>We waren met ons vieren. De dominé bij wien zij aangenomen was, de dokter die haar
-gedurende haar ziekte behandeld had, haar neef Van Wageningen en ik.
-</p>
-<p>Ik had Van Wageningen eens ontmoet. Het was eenige maanden geleden geweest, bij Viola
-aan huis, toen ons engagement pas publiek was geworden. Hij was opzettelijk in de
-stad gekomen om haar geluk te wenschen, en toen ik aan hem voorgesteld werd, had hij
-mij de hand gereikt met de woorden:
-</p>
-<p>»Mijnheer Heisterman, gij zijt gelukkiger geweest dan ik. Zij heeft u boven mij verkozen,
-God geve dat gij haar keuze rechtvaardigen zult.”
-</p>
-<p>Hij had toen een zeer gunstigen indruk op mij gemaakt, zoo zelfs dat ik over Viola’s
-smaak, alle eigenliefde op zij gesteld, eenigszins verwonderd was geweest.
-</p>
-<p>Wij zagen elkander een oogenblik zwijgend aan; toen kwam hij naar mij toe, reikte
-mij de hand, over Viola’s doodkist heen, en zei met een doffe halfgesmoorde stem:
-<span class="pageNum" id="pb188">[<a href="#pb188">188</a>]</span></p>
-<p>»Ik had haar moordenaar een eeuwigen haat toegedacht, maar zij heeft hem vergeven.…
-Geen vijanden moeten het zijn die de laatste eer bewijzen aan haar, die niets dan
-liefde kende.”
-</p>
-<p>Ik weet niet wat mij op dat oogenblik bezielde. Ik verloor op eens alle zelfbeheersching,
-beefde, waggelde, zag niets meer en zonk ter aarde.
-</p>
-<p>Toen ik weder tot mij zelve kwam, lag ik in mijn eigen kamer, in mijn bed. Van Wageningen
-zat naast mij over een courant te staren.
-</p>
-<p>Van toen af is hij mijn vriend geweest.
-</p>
-<p>Ik had Seraf, dacht mij, in lang niet gezien.
-</p>
-<p>Ik riep hem.—Hij kwam niet. Mijn vriend ging hem zoeken. Hij vond hem niet. Ik vroeg
-mijn oppasser of hij ook wist waar Seraf gebleven was. Hij wist het niet.
-</p>
-<p>Niemand, die in al die dagen aan mijn armen Seraf gedacht had! Ik zond mijn oppasser
-uit om hem te zoeken en beloofde hem een goede fooi, wanneer hij mij mijn getrouwen
-vriend terug zou brengen. De oppasser hield niet van Seraf, omdat mijn kleeren meestal
-vol lange witte hondenharen zaten.
-</p>
-<p>De gordijnen van mijn bed bewogen aan den kant van den muur.
-</p>
-<p>»Wat is dat?”
-</p>
-<p>Van Wageningen sprong op om het te onderzoeken.
-</p>
-<p>»Seraf!”
-</p>
-<p>Seraf kroop over den vloer langs den muur, tot bij den stoel waarop mijn vriend gezeten
-had. Dáar bleef <span class="pageNum" id="pb189">[<a href="#pb189">189</a>]</span>hij een oogenblik onbewegelijk liggen. Toen richtte hij zich met moeite op en wilde
-met zijn voorpooten tegen het ledikant opstaan, zoo als hij gewoon was dit elken morgen
-te doen om mij te wekken. Maar zijne pooten gleden uit, en, zwaar als lood, zonk het
-arme dier op den vloer.
-</p>
-<p>Ik sprong dadelijk uit mijn bed en ging op mijn knieën naast hem liggen.
-</p>
-<p>Goede Seraf! Hij kreunde van vreugde, kwispelde met zijn staart, lekte mij de handen
-en wierp mij een van die lange, diepe, gevoelvolle blikken toe, zoo als hij alleen
-ze bezat.
-</p>
-<p>Ik streelde hem, nam hem op, verwarmde hem in mijn armen, lei hem in bed.… Hij drukte
-zich krampachtig aan mij vast, kroop al dichter en dichter tegen mij aan, verborg
-zijn kopje in de plooien van mijn mouw, kreunde, zuchtte, richtte zich op, lekte mijn
-hand, zag mij aan, rekte zich uit en stierf.
-</p>
-<p>Ik herinner mij niet, ooit zoo geweend te hebben als dien dag.
-</p>
-<p>De oppasser kwam de kamer in.
-</p>
-<p>»Ik heb den hond niet gevonden, meneer!”
-</p>
-<p>Ik verstond hem niet.
-</p>
-<p>Mijn vriend gaf den man een wenk om heen te gaan.
-</p>
-<p>»Wat is er?—Wie is daar?” vroeg ik plotseling.
-</p>
-<p>»Ik, meneer.”
-</p>
-<p>»Wie zijt gij?—Wat moet gij?”
-</p>
-<p>»Seraf.…”
-</p>
-<p>»Zoo, zijt gij het! Wat heeft die hond gescheeld?” <span class="pageNum" id="pb190">[<a href="#pb190">190</a>]</span>vroeg ik bevend van toorn, den oppasser verdenkende van hem vergiftigd te hebben.
-</p>
-<p>»Ik weet het niet, meneer. Hij heeft immers al sedert een dag of drie niets willen
-eten of drinken. Het heeft mij wel verwonderd dat meneer, die zoo veel van hem hield
-en hem den heelen dag bij zich op de kamer had, zag dat hij ziek was, en hem niets
-gaf om hem beter te maken.…”
-</p>
-<p>Het was dus mijn schuld dat ook Seraf gestorven was!
-</p>
-<p>Een vreeselijke mélancholie overviel mij. Ik werd zwaar ziek. Mijn vriend verliet
-mij geen oogenblik.
-</p>
-<p>In die ziekte heb ik een visioen gehad, een droom zou een ander zeggen, ik noem het
-liever een visioen.
-</p>
-<p>Ik was op den top van een berg en de grond waarop ik stond bewoog, was glibberig en
-rookte. Zware donkere wolken rolden met een spookachtig dof gedruis door elkander
-en duwden mij voort met een kracht waaraan ik geen weerstand kon bieden. Eerst ploften
-zij mij in een peillooze diepte, waarin ik duizelend ronddwarrelde als een stofje
-in een zonnestraal, totdat ik stuitte tegen een hoogte, die ik beklimmen moest. Daarna
-voerden zij mij mee in haar eindelooze vlucht en dreven met mij door een duistere,
-koude en vochtige ruimte, totdat zij plotseling met een vreeselijk geweld uiteen vlogen
-en mij nederwierpen op de aarde, die gedurende eenigen tijd voor mij had opgehouden
-te bestaan. Toen bevond ik mij weer op den top van den berg, aan den voet waarvan
-een onafzienbare vlakte lag, die in damp <span class="pageNum" id="pb191">[<a href="#pb191">191</a>]</span>en rook verdween zoodra ik haar bereiken ging.… Alles was koude, duisternis, beweging,
-gedruis, onzekerheid, verwarring.…
-</p>
-<p>Daarop volgde een allerzonderlingste toestand. Ik hield op te denken, te weten, te
-beseffen; mijn lichaam scheen dood en mijn geest vernietigd. Doch mijn ziel bleef
-voortbestaan, zij alleen gevoelde nog en gevoelde enkel om te lijden, om vreeselijke,
-onbeschrijfelijke smarten te doorstaan. Het was alsof ik dubbel bestond. Mijn éene
-<span class="ex">ik</span> zag ik voor mij liggen, koud, stijf, onbewegelijk, dood.… En mijn andere <span class="ex">ik</span> moest voort blijven leven met bewustzijn, herinnering en voorgevoel. Ik zag het,
-ik wist het en weende van droefheid over het leven dat mijn eerste ik verspild had;
-ik sidderde van angst voor het lot dat mijn tweede ik te wachten stond.… Krankzinnigen
-moeten weleens zoo iets gevoelen. Zulke smarten, zulke angsten vooral, zijn voor een
-gezond mensch nauwelijks denkbaar.
-</p>
-<p>Op eens was alle gevoel van smart en lijden voorbij. Een rust, een kalmte, een soort
-van gelukzaligheid, nergens bij te vergelijken, volgde.
-</p>
-<p>Een kleine lichtende hand zweefde mij voorbij. Aan die hand kwam een arm, aan dien
-arm een lichaam, op dat lichaam een hoofd.
-</p>
-<p>Viola, de stervende Viola, met haar dankbaren lach en haar hemelschen blik, zweefde
-als een lichtende engel door de dichte duisternis, die mij omringde, naderde mij en
-reikte mij de hand. Die hand was koud als die eener doode.
-<span class="pageNum" id="pb192">[<a href="#pb192">192</a>]</span></p>
-<p>»Volg mij!” sprak zij zacht.
-</p>
-<p>Ik volgde.
-</p>
-<p>De duisternis verminderde, het geraas hield op, de ruimte kwam tot rust, een doodsche
-stilte heerschte om ons heen. Ontelbare hooge, breede, lichtende trappen en lange
-zonnige gangen omringden ons van alle kanten.
-</p>
-<p>Viola’s hand rustte nog in de mijne, doch zij zelve was geheel onzichtbaar voor mij
-geworden, haar heldere, doorschijnende gedaante was met het licht inéengesmolten.
-</p>
-<p>Wij zweefden de hooge trappen op en af, en ik zag reeds een menigte gangen als gouden
-bogen onder en achter ons liggen, toen een lichtende deur ons belette verder te gaan.
-Viola wenkte dat ik mij achter haar zou plaatsen. De deur ging open. Een onvergelijkelijk
-schoone muziek trof mijn oor.
-</p>
-<p>Wij bevonden ons <span class="ex">ergens</span> waar het heldere licht mij verblindde en iets mij als bedwelmde.
-</p>
-<p>Langzamerhand kreeg ik het gebruik van mijn zintuigen weder. Mijn gehoor was zelfs
-fijner geworden dan het ooit geweest was. Doch ik zag dof en als door een nevel heen,
-en mijn verstand duizelde, mijn denkbeelden waren verward.
-</p>
-<p>Eerst zag ik niets, ik hoorde slechts; daarna was het mij alsof mij iets ontnomen
-werd; toen kreeg ik <span class="ex">iets anders</span> daarvoor in plaats. Het licht werd langzamerhand doorschijnend, mijn ziel zag er
-doorheen en herkende Viola weder. Zij stond naast mij, zag mij <span class="pageNum" id="pb193">[<a href="#pb193">193</a>]</span>aan en wees met de hand naar de ruimte, die vóor ons lag.
-</p>
-<p>Daar onderscheidde ik toen ontelbare <span class="ex">ietsen</span>, die door elkander wemelden, wezens van verschillende soort, zonderlinge gedaanten,
-onbeschrijfelijke vormen, vreemde schepselen zonder tal of naam, die zich bewogen,
-voort snelden, samensmolten en eindelijk wegstierven in het alles omvattend licht,
-waarvan ook zij een deel schenen uit te maken.
-</p>
-<p>Dáar zweefden de eeuwen die voorbij waren en de dagen die nog komen moesten, in een
-harmonisch geheel verbonden volgens de groote wetten der volmaaktheid voort, terwijl
-een zee van licht een betooverende pracht en rijkdom ten toon spreidde die zingend
-door een eindelooze ruimte van geluk en leven golfde.
-</p>
-<p>Viola trad een schrede terug. Ik volgde haar. De groote deur sloeg dicht.
-</p>
-<p>»Gij hebt genoeg gezien,” sprak zij zacht.
-</p>
-<p>Toen kwamen de millioenen trappen weder, en de eindelooze gangen, die geen andere
-scheidsmuren hadden dan hunne doorschijnende gouden strepen van minder helder licht.
-</p>
-<p>Alles was eindelijk verdwenen.
-</p>
-<p>»Het leven moet nog lang voor u zijn. Uwe toekomst kan nog zoo schoon, nog zoo gelukkig
-wezen! En wat kunt gij nog veel goed doen, nog veel nut stichten in de wereld!”
-</p>
-<p>Zoo klonk mij Viola’s stem als een hemelsche muziek nog na.
-<span class="pageNum" id="pb194">[<a href="#pb194">194</a>]</span></p>
-<p>»O Eduard! heb medelijden!”
-</p>
-<p>Dàt waren hare laatste woorden.
-</p>
-<p>Mijn oog viel op de groene saaien bedgordijnen, dwaalde van daar naar de zes houten
-stoelen, die onbewegelijk op hun vierkante pooten stonden, rustten een oogenblik op
-de vrouwenportretten die de wanden van mijn kamer versierden, en staarde verder voort,
-zonder iets meer te zien van hetgeen mij omringde.
-</p>
-<p>Een maand later was ik hersteld.
-</p>
-<p>Wat was toen alles anders geworden! Het scheen mij alsof de geheele wereld veranderd
-was in die eene maand, die mij een eeuwigheid geleek. De menschen vond ik jonger geworden,
-zorgeloozer, onnadenkender, de wereld ruimer en het leven korter.…
-</p>
-<p>Ik alleen was oud geworden.
-</p>
-<p>»O Eduard! heb medelijden!” hoorde ik weer zingen in de ruimte.
-</p>
-<p>Toen nam ik een kloek besluit. Ik pakte mijn koffer, nam afscheid van mijn eenigen
-vriend—uw vader—en vertrok naar Indië, met de herinnering aan een slecht besteede
-jeugd en aan twee dierbare dooden van wie ik <span class="ex">Liefde</span> had geleerd.
-<span class="pageNum" id="pb195">[<a href="#pb195">195</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch23" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e397">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="label">DRIEENTWINTIGSTE HOOFDSTUK</h2>
-<h2 class="main">HOE HET KWAAD ONTSTAAT</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Een morgenbezoek was een vreemde vertooning te A. Louise zag dan ook vrij verwonderd
-op, toen men haar, het was op een Woensdagmorgen, tegen half elf, mevrouw Joly kwam
-aandienen.
-</p>
-<p>»Laat mevrouw plaats nemen, ik kom dadelijk,” en tot zichzelve sprekende, voegde zij
-er zacht bij: »Zeker voor iemand die arm of ongelukkig is, en zelf niet durft komen
-om hulp te vragen.”
-</p>
-<p>Zij zette schielijk haar werkmandje ter zijde en verscheen een oogenblik later in
-kaïn kabaya met loshangend haar in de binnengalerij, waar mevrouw Joly haar met ongeduld
-zat te wachten.
-</p>
-<p>Louise had van het eerste oogenblik af dat zij mevrouw Joly gezien had, een instinctmatigen
-afkeer van deze dame gevoeld, zonder zich te kunnen verklaren, waarom. De resident,
-die haar sedert jaren kende, noemde haar een <span class="ex">goed, dom mensch</span>, maar hoe Louise ook naar deze eigenschappen gezocht had, zij had ze nooit in mevrouw
-Joly kunnen vinden, wier grijnslach, volgens haar, meer geslepenheid dan domheid verried,
-en wier goedheid zich doorgaans oploste in jeremiaden over ongelukkigen, waarvan men
-later niets meer hoorde, en die slechts een oogenblik schenen bestaan te hebben, om
-mevrouw Joly in de <span class="pageNum" id="pb196">[<a href="#pb196">196</a>]</span>gelegenheid te stellen van <span class="ex">charitable</span> te schijnen en »kassian!” te roepen.
-</p>
-<p>Na de gebruikelijke plichtplegingen, en na eenige woorden gewisseld te hebben welke
-voor geen der beide dames eenige waarde hadden, vroeg mevrouw Joly, geheimzinnig omkijkende:
-</p>
-<p>»Kan niemand ons hier hooren, mevrouw?”
-</p>
-<p>»De bedienden mogelijk, anders niemand; waarom?”
-</p>
-<p>»De bedienden! Het is juist over uwe bedienden dat ik u spreken wilde.… Er zijn praatjes
-in omloop—u betreffende—beneden alle kritiek!—En gij begrijpt, uw bedienden.…”
-</p>
-<p>»Neen, ik begrijp niets.”
-</p>
-<p>»Gij ziet mijnheer Werner veel, niet waar?”
-</p>
-<p>»Ja, zeer veel.”
-</p>
-<p>»Een lief mensch?”
-</p>
-<p>»Heel lief.”
-</p>
-<p>»De resident is ’s avonds veel op zijn kantoor tegenwoordig?”
-</p>
-<p>»Ja, nog al veel.”
-</p>
-<p>»Is hij niet jaloersch?”
-</p>
-<p>»Jaloersch?”
-</p>
-<p>»Ja, van u, van Werner enfin.”
-</p>
-<p>»Van mij? Van Werner?—Neen, daar heeft hij geen reden toe!”
-</p>
-<p>»Dat zegt de wereld niet.… Geloof mij, lieve mevrouw, wees wat voorzichtig met de
-bedienden, want gij weet niet hoe de praatjes in de wereld komen.”
-</p>
-<p>»Hm!” kwam Louise lachend en zij trok de schouders <span class="pageNum" id="pb197">[<a href="#pb197">197</a>]</span>op, alsof zij zeggen wilde, »wat kunnen mij de praatjes schelen.”
-</p>
-<p>Mevrouw Joly zweeg een oogenblik, daarna nam het gesprek een andere wending, en toen
-het half twaalf sloeg stond zij op, om te vertrekken.
-</p>
-<p>Louise begeleidde haar tot in de voorgalerij. »Mijn beste groeten aan de meisjes!”
-riep zij, klaar om naar binnen terug te keeren, maar mevrouw Joly stak nog even het
-hoofd buiten het portier van het rijtuig en riep haar van verre toe:
-</p>
-<p>»Zult gij er aan denken? Gij weet wat ik bedoel.—Mijnheer Werner is voorzeker een
-charmant mensch, maar de resident is veel ouder dan gij—en de wereld is kwaadsprekend.—Geloof
-mij, vertrouw de bedienden niet. Adieu!”
-</p>
-<p>Het rijtuig was weggerold eer Louise mevrouw Joly’s bedoeling recht begrepen had.
-En toen zij begon te begrijpen, zag zij een klerk met eenige vellen papier in de hand
-vóor de deur van het kantoor van den resident staan en twee oppassers op de hurken
-zitten bij een pilaar.
-</p>
-<p>Een blos van verontwaardiging overtoog haar gelaat. Maar de blos verdween, en kalm
-en rustig stapte zij den klerk en de oppassers voorbij om naar haar kamer terug te
-keeren.
-</p>
-<p>»Ik zal haar rekenschap van die woorden vragen. Zij zal ze intrekken, want zij heeft
-mij beleedigd en verlaagd in de oogen van de personen die haar gehoord hebben. Ellendige
-intrigante!—Werner!… Ik zal het Stevens zeggen—ik zal.… Neen, ik zal niets. Wat kan
-het mij schelen <span class="pageNum" id="pb198">[<a href="#pb198">198</a>]</span>wat een mevrouw Joly vertelt! Laat de menschen praten wat zij willen! Ik acht mij
-te ver boven die nietigheden verheven om er mij mede in te laten.”
-</p>
-<p>Dit waren haar eenige gedachten over mevrouw Joly’s bezoek, en een paar uur later
-herinnerde zij zich nauwlijks nog dat zij dien morgen een bezoek gehad had.
-</p>
-<p>Dien avond kwam Werner. Tegen negen uur ging de resident naar zijn kantoor om eenige
-stukken in te zien en liet hij zijn vrouw met Werner alleen.
-</p>
-<p>Louise was teruggetrokken. Ook Werner was stil. De twee oppassers, die ’s morgens
-bij den pilaar gezeten hadden, gevoelden zich <span class="ex">te veel</span> in die lange voorgalerij, en slopen de stoep af, om zich in de schaduw te verbergen
-en niemand tot last te zijn.
-</p>
-<p>Eenige dagen later kwam de adsistent-resident, de heer Joly, den resident bezoeken.
-Zij waren met hun beiden alleen en hij bleef langer dan naar gewoonte.
-</p>
-<p>Dien avond kwam Werner weder.
-</p>
-<p>Er lagen stapels brieven en pakketten op het kantoor, maar de resident stak de eene
-sigaar na de andere op en verliet de galerij niet.
-</p>
-<p>Werner was spraakzaam, Louise vroolijk en de beide oppassers zaten rechtop in het
-volle licht der lampen.
-</p>
-<p>Meer dan eens had Louise dien avond Stevens oogen ontmoet, en er een uitdrukking van
-toorn, haat of wantrouwen in gelezen. Maar de fiere reine vrouw had zich verzet tegen
-een onverdiend verwijt en stouter dan ooit had zij haar rustigen blik om zich heen
-geworpen en het hoofd omhoog geheven.
-<span class="pageNum" id="pb199">[<a href="#pb199">199</a>]</span></p>
-<p>»Gij hadt van avond op meer geluk gehoopt, niet waar?” waren de eerste woorden van
-den resident, zoodra hij zich met zijn vrouw alleen bevond.
-</p>
-<p>»Hoe meent gij dat,” vroeg zij verbleekend.
-</p>
-<p>»Ik meen het, zooals gij het verstaat!—Maar de gulden tête-à-tête-eeuw is voorbij!—Als
-<span class="ex">gij</span> niet weet hoe gij u te gedragen hebt, dan zal <span class="ex">ik</span> het voor u weten. En om te beginnen: geen Werner meer over den vloer als ik op het
-kantoor ben!”
-</p>
-<p>»Wat zegt gij daar?”
-</p>
-<p>»Dat gij meer om Werner geeft dan om mij!—Begrijpt gij nu wat ik meen?”
-</p>
-<p>Louise’s oogen vonkelden van verontwaardiging, haar wangen gloeiden, haar lippen trilden
-om de schitterend witte tanden en het was als werd zij grooter onder de beschuldiging
-die haar verpletteren moest.
-</p>
-<p>»Gij liegt!” riep zij op eens. »En gij gelooft zelf niet aan een misstap dien gij
-voor onmogelijk houdt!—Ik heb u nimmer lief gehad, dit weet gij, maar bedriegen zal
-ik u nooit, dit weet gij ook!—Het zou mij niet mogelijk wezen van iemand te houden
-wiens liefde ik voor bedrog moest koopen.…
-</p>
-<p>»Verontrust u dus niet, resident,” vervolgde zij met een trotschen glimlach, »als
-ik ooit een schepsel vinden zal dat ik lief zal hebben, dan zult gij de eerste wezen
-die het weten zult, want mijn keuze zal goed wezen en voorzeker op iemand vallen,
-die groot en edel genoeg zal zijn om genoemd te kunnen worden.”
-</p>
-<p>»Louise!” gilde de resident dreigend. Maar toch bewonderde <span class="pageNum" id="pb200">[<a href="#pb200">200</a>]</span>hij de vrouw die hij verachten wilde en trok hij de hand terug die hij tot haar had
-durven opheffen.
-</p>
-<p>Louise antwoordde niet. Zij zag die groote, ruwe hand van boven haar hoofd verdwijnen
-zooals zij een oogenblik te voren verschenen was, en zonder verder acht op den resident
-te slaan begaf zij zich naar hare kleedkamer, waarvan zij de deur achter zich dichtsloot,
-om zich ongestoord aan haar gevoel te kunnen overgeven.
-</p>
-<p>Duizende gedachten, vragen, gissingen, herinneringen, doorvlogen haren geest, maar
-allen smolten weg in een vloed van tranen, die haar oogen ten laatste zoozeer verduisterde,
-dat zij niets meer zag dan een menigte dunne wolken die zich om haar heenpakten, al
-zwaarder en zwaarder werden, een groote, ruwe hand omzweefden, grijs werden—zwart
-werden.…
-</p>
-<hr class="tb"><p>
-</p>
-<p>Een haan kraaide onder het venster.—Louise ontwaakte verschrikt. Zij lag op een matje,
-vóor een bank. Het was vijf uur in den morgen, haar oogen waren roodgeschreid.
-</p>
-<p>Toch wist zij niets.
-</p>
-<hr class="tb"><p>
-</p>
-<p>Maar wij weten dat mevrouw Stevens van Langendijk een slavin had, die Alima heette
-en haar benijd werd door de meeste dames van A. En wij weten ook dat Werner rijk was,
-en dat mevrouw Joly vijf dochters had.
-<span class="pageNum" id="pb201">[<a href="#pb201">201</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch24" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e407">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="label">VIERENTWINTIGSTE HOOFDSTUK</h2>
-<h2 class="main">GEVOELEN EN BEGRIJPEN</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Na dien dag werd de naam van Werner noch door Louise noch door den resident meer genoemd,
-totdat Willem eens den ongelukkigen inval had van aan tafel te vragen:
-</p>
-<p>»Hè mama, wat is mijnheer Werner er in lang niet geweest!”
-</p>
-<p>»Toevallig,” antwoordde Louise, maar eer zij verder spreken kon was de resident van
-zijn plaats opgestaan en had hij het kind een klap om de ooren gegeven en bij een
-arm de achtergalerij uitgeslingerd, zoodat het met het hoofd op den grond in den tuin
-was neergestort.
-</p>
-<p>»Dat zal u leeren te vragen naar hetgeen u niet raakt!” riep hij, rood van woede naar
-zijn plaats terugkeerende.
-</p>
-<p>Het kind weende niet, schreeuwde niet, zeide geen woord, maar kwam bedaard de stoep
-weder op. Nog altijd met zijn lepel in de hand, een buil op zijn voorhoofd, een scheur
-in zijn kieltje, plaatste hij zich tegen een pilaar vlak bij de tafel, en staarde
-mevrouw Stevens aan, alsof hij zeggen wilde:
-</p>
-<p>»Verdedig mij!—Het is uw plicht.”
-</p>
-<p>Louise was bleek en bevend van haar stoel opgesprongen, maar toen zij het kind daar
-zóo trotsch, zoo onbewegelijk tegenover zijn vader staan zag, was het haar alsof zij
-zijne moeder zag. Die sombere blik, die gebiedende <span class="pageNum" id="pb202">[<a href="#pb202">202</a>]</span>houding, die koude, onverschrokken uitdrukking van het gelaat, alles bracht haar de
-schoone fiere Mina voor den geest, en het was haar niet mogelijk een enkelen pas te
-doen.
-</p>
-<p>»Schaam u!” schreeuwde de resident, bijna stikkende in een hap drooge rijst.
-</p>
-<p>»Neen,” antwoordde het kind hem met vlammende blikken aanziende.
-</p>
-<p>»Slaag te krijgen in tegenwoordigheid der bedienden!” ging zijn vader schimpend voort.
-</p>
-<p>»Omdat ik te klein ben om mij te verdedigen, slaat gij mij; gij hebt mijn moeder ook
-geslagen—gij zoudt den gouverneur-generaal niet slaan!”
-</p>
-<p>Gelukkig was Louise het kind terstond ter hulp gesneld en met hem naar haar kamer
-gevlucht, daar er bijna op hetzelfde oogenblik een regen van messen, lepels, vorken,
-glazen, borden, flesschen, op de plek neerstortte waar de kleine Willem gestaan had.
-</p>
-<p>»Waarom zegt gij zulke dingen ook?” vroeg Louise met tranen in de oogen, zoodra zij
-zich met het kind in veiligheid bevond. »Gij weet immers dat uw vader driftig is,
-ontzie hem dan toch en spreek hem niet tegen. Indien hij u zonder reden straft handelt
-hij verkeerd, maar indien gij uw vader niet eerbiedigt, doet gij mij verdriet aan,
-Willem.”
-</p>
-<p>Het kind zag haar een oogenblik aan alsof het haar woorden niet recht begreep. Toen
-drongen er groote tranen in zijn oogen, wierp hij zich luid snikkend in haar armen
-en bedekte hij haar gelaat met kussen.
-<span class="pageNum" id="pb203">[<a href="#pb203">203</a>]</span></p>
-<p>»Ik zal het nooit weer doen!” riep hij afgebroken. »Ik beloof het u.”
-</p>
-<p>En van dat oogenblik af kon Louise door zachtheid alles gedaan krijgen van het trotsche,
-onbuigzame kind, dat nog nooit voor een hard woord bevreesd was geweest, of voor een
-pak slagen terug was gedeinsd.
-</p>
-<p>»Slaan is goed,” zeggen sommige menschen, en zij deelen zooveel klappen uit als zij
-slechts kunnen, zonder gevaar te loopen van er eenigen terug te krijgen. Vraagt gij
-hun waarvoor het goed is, dan geven zij u ten antwoord: »voor alles”. En verzoekt
-gij hen, u een enkelen persoon op te noemen, die <span class="ex">door slaag</span> goed geworden is, dan kunt gij bijna zeker wezen altijd te hooren: »Ik zelf. Ik verzeker
-u dat ik menigen oorveeg gekregen heb, die mij goed heeft gedaan.”
-</p>
-<p>»Van wie?” vraagt gij verder, indien gij er den moed toe hebt.
-</p>
-<p>»Van mijn vader, van.…”
-</p>
-<p>»Genoeg. Om bij uw vader te blijven. Hebt gij uw vader ooit lief gehad, geacht, vertrouwd
-vooral, zooals gij wenschen zoudt dat uwe kinderen u liefhebben, u achten, u vertrouwen
-zouden?”
-</p>
-<p>De meesten zullen u op deze vraag het antwoord schuldig blijven. Enkelen zullen »Neen”
-zeggen; niet éen zal »Ja” antwoorden. Waarom? Omdat een kind, boven alles, behoefte
-heeft aan liefde. Het gevoelt zijn zwakheid, zijn afhankelijkheid, zijn hulpeloosheid,
-zonder zelf te weten wat het gevoelt. Het zoekt instinctmatig een steun, een leidsman,
-een beschermer. Zijn ouders <span class="pageNum" id="pb204">[<a href="#pb204">204</a>]</span>zijn natuurlijk degenen van wie hij dien steun, die leiding, die bescherming verwacht,
-en hij is gereed hun daarvoor zijn bewondering, zijn gehoorzaamheid, zijn dankbaarheid,
-zijn vertrouwen, zijn gansche ziel te schenken.
-</p>
-<p>Sla hem nu.… Sla hem, wanneer hij u niet begrijpt, omdat gij u niet begrijpelijk voor
-hem maken kunt.
-</p>
-<p>Sla hem, omdat hij kwaad doet, dat voor hem geen kwaad kan wezen.
-</p>
-<p>Sla hem, omdat hij op een ongelukkig oogenblik iets zegt, waarover gij een oogenblik
-te voren gelachen zoudt hebben.
-</p>
-<p>Sla hem, omdat hij een les niet kent die niet voor zijn verstand berekend is. Omdat
-hij op zijn beurt, een jonger broertje of zusje slaat, zooals papa hem gisteren sloeg.
-Omdat hij schuld bekent wanneer hij iets misdreven heeft. Omdat hij liegt uit angst
-van slaag te krijgen. Omdat.… Ja, om nog honderde dergelijke redenen meer, die voor
-het arme kind even zooveel raadselen zijn, even zooveel grieven worden zullen. En
-verwonder u, als gij kunt, wanneer uw kind later beven zal op het hooren uwer voetstappen,
-of lachen zal om uw gestrengste kastijdingen, of koud zal blijven voor uw dringendste
-beden.
-</p>
-<p>Beklaag u, als gij durft, wanneer Emma, uwe dochter, eenmaal het zachtste, fijngevoeligste,
-aanvalligste kind der wereld, tot een laaghartige, kruipende vleister zal zijn opgegroeid;
-of Ada met haar open oog, haar reine ziel, haar sterken geest en haar uitmuntend hart,
-een raadsel voor allen zal geworden zijn; wanneer uw oudste zoon, <span class="pageNum" id="pb205">[<a href="#pb205">205</a>]</span>een geestige, flinke jongen, niettegenstaande zijn buitengewoon verstand, zijn groote,
-fiere, edele ziel, zijn oprecht en eerlijk hart en de duizende roemrijke daden zijner
-kindschheid, als een <span class="ex">gewoon</span> mensch het leven door zal zwoegen; of Léonard, uw Benjamin, de lieveling zijner moeder,
-omdat hij vroolijk, goedig, volgzaam, toegevend, medelijdend en dienstvaardig was,
-een vriendelijk, zacht, openhartig kind, dat niemand ooit met opzet eenig leed zou
-hebben aangedaan, zich door anderen heeft laten medeslepen, van eene zwakheid in een
-laagheid is vervallen, van lafaard huichelaar geworden is om weldra van huichelaar
-bedrieger te worden, nog eenige graden lager te dalen, al dieper en dieper te zinken
-en God weet hoe zijn ongelukkig leven te eindigen.
-</p>
-<p>Ja, beklaag u over dat alles, wanneer gij uwe <span class="ex">groote</span> kinderen bij de <span class="ex">kleinen</span> vergelijken zult. Betreur al het goede dat verloren is gegaan, en ween over het kwaad
-dat daaruit voortgekomen is … Maar wees vóor alle dingen oprecht, en beken dat gij
-het zelf geweest zijt die van uwe kinderen gemaakt hebt wat er van geworden is.
-</p>
-<p>Beken dat gij door zachtheid, van Emma iéts bijna idealisch liefs, van Ada iets buitengewoon
-groots en edels hadt kunnen maken. Dat uw oudste zoon bestemd scheen om een boven
-zijn tijd verheven mensch te worden, en uw goede Léonard geroepen was om geheel voor
-het nut en het welzijn der menschheid te leven, waaraan zijn liefdevol hart met zooveel
-zelfopoffering en blijdschap <span class="pageNum" id="pb206">[<a href="#pb206">206</a>]</span>elk uur van zijn bestaan zou hebben toegewijd.
-</p>
-<p>Beken het, dat uwe dochters als troostende, beschermende, reddende engelen, in hare
-huisgezinnen dat geluk hadden kunnen brengen, wat slechts zoo zelden op aarde gevonden
-wordt. En dat uwe zonen de menschheid een pas verder hadden moeten brengen op den
-onafzienbaren weg van vooruitgang, die voor hen open <span class="ex"><span class="corr" id="xd31e3820" title="Bron: la">lag</span></span>.
-</p>
-<p>Beken dat alles en verbloem het voor niemand, vooral niet voor uwe kinderen, die u
-de hardste les gegeven hebben welke een vader krijgen kan. Beken hun dat gij uit onwetendheid,
-of onnadenkendheid verkeerd gehandeld hebt, opdat zij zich in uw voorbeeld spiegelen
-en niet, ook op hunne beurt, met de beste bedoelingen der wereld, hunne kinderen met
-slaag zullen groot brengen, en er al het goede van verwachten zullen, hetwelk zij
-zelven bezig zijn er uit te slaan.
-</p>
-<p class="tb">. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .</p><p>
-</p>
-<p>Toevallig of liever ongelukkig, kwam Werner op den avond van den dag die reeds zoo
-noodlottig begonnen was, mijnheer en mevrouw Stevens een bezoek brengen.
-</p>
-<p>De resident was onverdragelijk gehumeurd. Niets was goed. De thee deugde niet; alle
-vliegende mieren hadden het op <span class="ex">zijn</span> kopje, alle muskieten op <span class="ex">zijn</span> hoofd voorzien. De kinderen waren te wild en werden weg gezonden, de wijn smaakte
-naar de kurk; de lampen gaven geen licht; de manilla sigaren waren bokjes; Napoleon
-zou binnen zes maanden vermoord of weggejaagd zijn; de suiker zou goedkooper worden
-en Werner <span class="pageNum" id="pb207">[<a href="#pb207">207</a>]</span>zou stellig veertig duizend gulden minder maken dan het vorige jaar, enz. enz.
-</p>
-<p>»Zeg, weet je ook een goede gelegenheid om de jongens naar Holland te zenden?” vroeg
-de resident op eens, <span class="corr" id="xd31e3841" title="Bron: tnsschen">tusschen</span> een paar rookwolken door.
-</p>
-<p>»De jongens? Uwe jongens, resident?” vroeg Werner onzeker.
-</p>
-<p>Louise’s oogen konden alleen vragen.
-</p>
-<p>»Ja, <span class="ex">mijne</span> jongens. Verwondert je dat zoo?—Je lijkt mijn vrouw wel, die je zeker ’t wachtwoord
-van verbazing gegeven heeft.”
-</p>
-<p>»Ik wist niet dat u plan had …”
-</p>
-<p>»Ik ook niet, maar het verveelt me, dat eeuwig gezeur met die kinderen. Sedert Willem
-ziek geweest is, speelt hij hier de eerste viool in huis. Het is <span class="corr" id="xd31e3854" title="Bron: belagchelijk">belachelijk</span>! Daar moet een einde aan komen, en zoodra ik een goede gelegenheid kan vinden moeten
-de kinderen weg, zoo spoedig mogelijk, dadelijk!”
-</p>
-<p>»Maar Stevens.…”
-</p>
-<p>»Uiterlijk over eene maand, maak er uwe rekening maar naar …”
-</p>
-<p>»Over éene maand! En dat zegt gij mij zóo? Maar gij meent het niet. De kinderen zijn
-nog zóo klein, zij hebben nog zóo veel hulp, nog zoo veel zorg noodig, zij.…”
-</p>
-<p>»Die zullen zij daar vinden, even goed als hier.”
-</p>
-<p>Louise zeide niets meer. Zij sloeg de oogen neer en weende.
-</p>
-<p>»Huil je nu? Dat is waarachtig wel de moeite waard! <span class="pageNum" id="pb208">[<a href="#pb208">208</a>]</span>Eigen moeders zenden haar kinderen wel naar Europa zonder lawaai! En jij stelt je
-daarvoor zoo aan, ofschoon de jongens je van de verste verte niet raken?”
-</p>
-<p>Hij lachte, zijn ouden scherpen schaterlach, die nergens weerklank vond.
-</p>
-<p>Te vergeefs had Werner reeds eenige malen beproefd het gesprek een meer onderhoudende,
-wij zouden bijna zeggen, een meer goedkeurende wending te geven. De resident bleef
-volhouden, en behaalde zulk een luisterrijke overwinning op zijn gast, dat hij den
-geheelen avond alleen aan het woord bleef, alles afkeurende, beschimpende, veroordeelende,
-zonder eenige tegenspraak te ontmoeten.
-</p>
-<p>Louise bleef stil en teruggetrokkener dan ooit. Werner was anders als gewoonlijk.
-</p>
-<p>Wat duurde die avond lang!
-</p>
-<p>Eindelijk sloeg het elf uur en stond Werner op om heen te gaan. Als altijd reikte
-Louise hem de hand, als altijd ook raakte hij die nauwelijks met de toppen zijner
-vingers aan. Toch lag in die lichte aanraking iets dat Louise deed opzien. Hare oogen
-ontmoetten de zijnen. Op dat oogenblik gevoelde zij voor het eerst dat Werner haar
-lief had, zoo als Werner gevoelde dat zijne liefde beantwoord werd.
-<span class="pageNum" id="pb209">[<a href="#pb209">209</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch25" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e417">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="label">VIJFENTWINTIGSTE HOOFDSTUK</h2>
-<h2 class="main">PLANNEN</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Zeven meiden aan het werk! Kieltjes, buisjes, broekjes, zakdoeken, sokjes, alles lag
-verspreid over den planken vloer der boven voorgalerij en, te midden dier bekende
-voorwerpen, een vol stuk flanel, eenige ellen grijs en donkerbruin laken, wollen kousen,
-dikke gebreide kinderborstrokken, handschoenen, cache-nez, enz. enz.; men wist geen
-raad van de warmte als men al dat wollen goed aanzag in een hitte van drie en negentig
-graden.
-</p>
-<p>Arme kinderen! Zij zullen spoedig hunne drie en negentig graden missen en terug wenschen
-als ze in al dat wollengoed gepakt, met bevroren gezichtjes en verstijfde handjes
-denken zullen aan hun zonnig moederland, en aan de wijde katoenen <span class="ex">hansop</span> waarin ze vrij en luchtig rond konden springen, als apen in het woud.
-</p>
-<p>Arme Louise! Zij wist niet veel meer dan de kinderen van hetgeen hun te wachten stond
-in het heerlijke Nederland, dat haar doorgaans voorgeschilderd werd als de bakermat
-van roode kool en aardbeziën, van sneeuwballen, schaatsenrijden, tulpen, hyacinthen,
-nachtegalen, seringen, jasmijnen en kersen … Dat was het kinder-Nederland van den
-resident, de herinneringsdroom <span class="pageNum" id="pb210">[<a href="#pb210">210</a>]</span>van de meeste Hollanders. Maar het wezenlijke Vaderland?<span class="corr" title="Bron: ..">…</span> het koude, dampige, donkere plekje grond, met zijn waterschat, zijn handelsgeest,
-zijn bevrozen geniën, zijn.…
-</p>
-<p>Louise wist niet meer dan de kinderen. Toch drong haar fijn vrouwelijk instinkt vrij
-ver door in de schemering der ongekende werkelijkheid. Zij gevoelde koude en ontbering
-voor de arme kleinen, in dat verre land waar niemand ze kende, niemand ze lief had,
-niemand <span class="ex">belang</span> had bij hun geluk.
-</p>
-<p>»’t Is wreed,” had zij tegen den resident gezegd, »die schepseltjes in handen van
-menschen te stellen, die niets met hen gemeen hebben.”
-</p>
-<p>»Zij moeten <span class="ex">leeren</span>”, had hij barsch geantwoord, »en wanneer een jongen wat mishandeld wordt, leert hij
-het best.”
-</p>
-<p>»Maar ze zijn nog te jong om te leeren, en welk nut kan de mishandeling alleen dan
-hebben?”
-</p>
-<p>»’t Is altijd goed voor jongens onder vreemden te zijn.”
-</p>
-<p>»Maar die vreemden zullen u geld kosten en hen ongelukkig maken. Is dat het doel dat
-gij beoogt?”
-</p>
-<p>»Provisionneel beoog ik geen ander doel dan ze ver van hier te hebben. Hollanders
-moeten het worden en geen liplappen—nuttige leden der maatschappij en geen leegloopers,
-denkende en handelende wezens en geen domme, lamme kleurlingen, die onbruikbaar zijn
-voor alles.
-</p>
-<p>»<span class="ex">Kleurlingen zijn het</span>,” antwoordde Louise kalm <span class="pageNum" id="pb211">[<a href="#pb211">211</a>]</span>»dat kunnen die kinderen niet helpen, maar dat is geen reden waarom zij hier in het
-land dom en lam zouden opgroeien, en dat Nederland Phenixen van ze maken zal. Ook
-ben ik niet tegen een Europeesche opvoeding, maar wel tegen het wegzenden van kinderen
-die zoo jong zijn, dat ze volkomen hulpeloos overgeleverd worden aan menschen, die
-volstrekt geen reden hebben om goed voor hen te wezen.”
-</p>
-<p>»Gij hadt ook geen reden om goed voor hen te zijn, en zijt het toch geweest—<span class="ex">te goed</span> zelfs.”
-</p>
-<p>»Had ik geen reden, resident?… Of weet gij de reden niet, misschien?<span class="corr" id="xd31e3921" title="Niet in bron">”</span>
-</p>
-<p>Er lag zulk een scherp verwijt in haar donkeren blik, toen zij hem deze woorden toevoegde,
-dat de resident zijne oogen voor de haren nedersloeg en de kamer verliet met een kort
-en bondig:
-</p>
-<p>»Alles goed en wel, maar hoe het ook zij, aanstaanden Woensdag vertrekken de kinderen
-naar Europa.”
-</p>
-<p>Zij zeide niets meer. Zij oogde hem na, en er sprak een haat uit dien blik, dien hij
-gevoeld moet hebben, ook zonder hem te zien.
-</p>
-<p>»En dat zijn <span class="ex">zijne eigen</span> kinderen. Wat is een mannenhart toch een ellendig ding! Bevelend, koud en wispelturig
-in het dagelijksche leven, en wanneer het lief heet te hebben, onstuimig, woest, baatzuchtig,
-wreed, zonder eenig ander doel dan eigenbelang en trots. O, mannen! ’t zijn ellendelingen!”
-</p>
-<p>Een blond, slank beeld rees op voor haren geest … <span class="pageNum" id="pb212">[<a href="#pb212">212</a>]</span>Blozend bracht zij een onwillekeurige gedachte tot zwijgen.
-</p>
-<p>»Ook <span class="ex">hij</span> misschien … ik ken hem niet.…. O neen, <span class="ex">hij</span> niet!”
-</p>
-<hr class="tb"><p>
-</p>
-<p>Zij knipte wollen kieltjes en flanellen borstrokjes, pakte kistjes vol dun goed en
-kistjes vol wintergoed, nummerde de kistjes, het hoogste nummer voor het laatste,
-dat was het dikste wollengoed.
-</p>
-<p>»September.… het zal Januari zijn als zij in Holland aankomen.… Kassian!”
-</p>
-<p>Een flesch suikergoed in het eene kistje, eene doos speelgoed in het andere—hier en
-daar een pak goelalie, dáar een zak vol katjang.
-</p>
-<p>»<span lang="ms">Njonja, sinjo Willem sakiet.</span>”<a class="noteRef" id="xd31e3954src" href="#xd31e3954">1</a>
-</p>
-<p>»Wat? Is Willem ziek?”
-</p>
-<p>Zij vond het kind met een heete koorts in bed. Zij gaf het terstond een dosis kasterolie,
-bracht haar werk in de ziekekamer en zond een oppasser te paard naar de stad om den
-dokter te halen.
-</p>
-<p>De resident kwam even in de kamer om te zien wat er gaande was, en beweerde dat kinderen
-zoo dikwijls het een of ander mankeerden, dat men zich over zoo’n koortsje niet ongerust
-behoefde te maken.
-</p>
-<p>»Maar ziek als hij is, kan er geen spraak van vertrekken wezen” zeide Louise half
-smeekend.
-</p>
-<p>»Geen spraak van vertrekken! Wel poes, het is pas <span class="pageNum" id="pb213">[<a href="#pb213">213</a>]</span>Maandag van daag; eer het Woensdag is, zijn wij allen dat koortsje vergeten! Ik zie
-wel dat je niet aan kinderen gewoon bent, anders zou je zooveel lawaai niet maken
-over zoo’n onnoozel koortsje.”
-</p>
-</div>
-<div class="footnotes">
-<hr class="fnsep">
-<div class="footnote-body">
-<div class="fndiv" id="xd31e3954">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e3954src">1</a></span> Mevrouw, de jongeheer Willem is ziek.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e3954src" title="Ga terug naar noot 1 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div id="ch26" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e427">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="label">ZESENTWINTIGSTE HOOFDSTUK</h2>
-<h2 class="main">PLICHT</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Het was lang Woensdag geweest, en nog altijd was de kleine Willem ziek.
-</p>
-<p>De resident was naar de societeit gegaan en Louise zat alleen in de kinderkamer bij
-het bedje van den armen jongen, die, half bewusteloos, half slapend lag te worstelen
-tegen een aanhoudende koorts.
-</p>
-<p>»Toewan Werner!” klonk een stem en, eer Louise een woord kon zeggen, had Siedin den
-jongen landheer binnen gelaten, die gekomen was om zich naar den toestand van het
-kind te informeeren.
-</p>
-<p>»Hoe gaat het mevrouw?” waren zijn eerste woorden. »Ik heb inderdaad meer medelijden
-met u dan met den kleine, die weinig of geen bewustheid van zijn lijden schijnt te
-hebben.”
-</p>
-<p>Hij legde zijn hand op Willems hoofd dat gloeide, en zette zich op een stoel, dien
-Siedin voor hem aangeschoven had.
-<span class="pageNum" id="pb214">[<a href="#pb214">214</a>]</span></p>
-<p>»Hij is, God dank! wat kalmer van daag,” zeide Louise, »gisteren was ik bang dat wij
-het arme kind verliezen zouden.”
-</p>
-<p>»Wat zegt de dokter?” vroeg Werner.
-</p>
-<p>»De dokter weet zelf niet wat het worden zal, van middag vreesde hij voor mazelen
-of roodvonk; pokken mogelijk.”
-</p>
-<p>Werner verbleekte.
-</p>
-<p>»O! dan moet gij voorzichtig wezen mevrouw! Pokken is een vreeselijke ziekte!”
-</p>
-<p>»God geve dat wij onzen Willem behouden, de kinderen zijn niet gevaccineerd, dat is
-verzuimd geworden.”
-</p>
-<p>»Voor u zelve bedoel ik dat gij voorzichtig wezen moet, niets is aanstekelijker dan
-pokken.”
-</p>
-<p>»O! ik ben niet bang, dat weet gij wel. Ik ben zulk een fataliste dat ik niet geloof
-aan ontwijken of overerven. Wat mijn lot moet zijn, zal mij overkomen, hoe ik ook
-worstel en hoe ik ook strijd; en wat mijn lot niet wezen mag, dat zullen geld noch
-goede woorden, noch gebeden, noch bedreigingen mij kunnen aanbrengen.”
-</p>
-<p>»Een heerlijke overtuiging voor wie <span class="ex">goed</span> is, maar waar zouden wij heengaan indien dit het geloof der <span class="ex">slechten</span> was? Wanneer <span class="ex">gij</span> worstelt en strijdt en het loopt u tegen, dan zegt gij onderworpen en gelaten: »Het
-moest zóo zijn,” en zwijgend gaat gij verder op den rechten weg. Maar indien een moordenaar,
-een dief, een booswicht van uw gevoelen was en voor elke misdaad het <span class="ex">excuus</span> in fataliteit kon vinden, waar zou dan zijn moorden en zijn stelen ophouden?”
-<span class="pageNum" id="pb215">[<a href="#pb215">215</a>]</span></p>
-<p>»Dáar waar het nu ophoudt,” antwoordde Louise lachend, »daar waar dood of omstandigheden
-perk stellen aan den menschelijken wil.”
-</p>
-<p>»Ik dacht niet dat gij zóo ver gevorderd waart in de leer der prédestinatie.… Maar
-ik ben blij dat gij het zijt. Welk een kalmte geeft dat gevoel van afhankelijkheid
-niet waar?”
-</p>
-<p>»Kalmte?—Neen, het doet mij tusschenbeide kooken! In sommige opzichten geeft het mij
-moed, maar in anderen maakt het mij zóo kwaad, dat ik een doodstrijd zou kunnen voeren
-tegen het lot. En toch houd ik alle andere gelooven voor nonsense, daar men elk oogenblik
-ondervindt dat onze wil gebonden is en onze vrijheid geketend.”
-</p>
-<p>»En dat gevoel is u onaangenaam?”
-</p>
-<p>»Zeker is het! Vrij wil ik wezen—onafhankelijk van alles!”
-</p>
-<p>»Neen, mij geeft het kalmte en troost, dat sterk gevoel van zwakheid. Het heeft mij
-beter gemaakt en het heeft mij geleerd gelukkig te zijn, in de meeste omstandigheden
-waarin andere menschen zich rampzalig zouden gevoelen. Zie dat kind daar, ’t is zonder
-wil, afhankelijk en zwak; geef het kracht, en wil, en vrijheid, zou het wijzer handelen
-dan het nu doet? Zou het beter wezen zonder steun en hulp, zonder raad en onderricht,
-zonder toezicht dat waakt en gebiedt en gehoorzaamd wil worden? En zijn wij meer dan
-dat kind? Hebben wij meer verstand, meer kennis van onze bestemming? Neen, niet veel
-meer, voorwaar! In onze eigen oogen zijn wij wonderwat! Zoo is de poes in de keuken
-en de haan in den tuin ook. Maar wat <span class="pageNum" id="pb216">[<a href="#pb216">216</a>]</span>nietige, onbeduidende schepselen zijn wij in het oneindig groote heelal, dat in de
-eeuwigheid voortstreeft, volgens de volmaakt wijze wetten der Almacht, die schept
-en doodt, vereenigt en ontbindt, en in stand houdt door verwoesting zelve?—Wat …”
-</p>
-<p>Louise’s groote verwonderde oogen brachten hem op eens tot zwijgen.
-</p>
-<p>»Ik heb dat alles gevoeld!” sprak zij zacht. »Ik had het nooit kunnen zeggen!.… Mijnheer
-Werner ik wilde u een vraag doen—een dwaze vraag voorzeker … mag ik?”
-</p>
-<p>»Zeker moogt gij.”
-</p>
-<p>»Gelooft gij aan bidden?”
-</p>
-<p>»Neen.—Ik bid nooit. Indien gij bidden bedoelt in den zin dien de menschen er aan
-hechten. Smeeken om hetgeen niet wezen mag is nutteloos, onmogelijk is het, te staken
-hetgeen gebeuren moet.”
-</p>
-<p>»En danken dan?”
-</p>
-<p>»O danken ligt schier in elken slag van het hart, in elke beweging der ziel: elk zuiver
-gevoel is een dankzegging! Wat is bewondering, wat is liefde, wat is vertrouwen, wat
-is illusie zelfs? Ligt er geen onbepaald gevoel van dankbaarheid op den grond van
-al deze gewaarwordingen? Is er niet in elk genot een toon van dankbaarheid? Brengt
-elk geluk niet een dankbede met zich zooals de schuldelooze lach der vreugde schier
-een dankzegging is?”
-</p>
-<p>Hij zweeg. Louise zat hem aan te staren, zooals Maria Magdalena Jezus aangestaard
-moet hebben.
-</p>
-<p>»Spreek,” smeekte zij zacht. »O spreek!”
-<span class="pageNum" id="pb217">[<a href="#pb217">217</a>]</span></p>
-<p>En na een oogenblik zwijgen vervolgde zij:
-</p>
-<p>»Wat is er veel dat ik weten wilde—veel waarover ik dikwijls denk—veel waarnaar ik
-vraag en waarop niemand mij antwoorden wil of kan; en wanneer zij mij antwoorden begrijp
-ik ze niet.”
-</p>
-<p>»Vraag mij,” zei Werner aanmoedigend. »Ik heb ook lang gezocht en geraden eer ik iets
-begrijpen kon—en wat begrijp ik nog? Niets, niets dan dat ik onwetend ben—onwetend,
-afhankelijk, onbeduidend en noodzakelijk.—Wij bestaan omdat wij <span class="ex">moeten</span> bestaan, want was ons bestaan geen noodzakelijkheid dan zouden wij nooit bestaan
-hebben. Maar <span class="ex">waarom</span> bestaan wij? Wie weet waarvoor wij bestaan? Wie?—Wij hebben niet gevraagd om geschapen
-te worden en toch zijn wij geschapen. Wij zijn op deze aarde gekomen buiten onzen
-wil, buiten ons weten leven wij hier, en tegen onzen zin waarschijnlijk zullen wij
-weder heengaan en plaats maken voor anderen, wier raadselachtig bestaan aan het onze
-gelijk zal wezen. En <span class="ex">wat</span> zullen wij zijn? Waar zullen wij zijn, wanneer wij van hier verdwenen zullen wezen?
-Wie weet het?—Laat ons nederig bekennen: <span class="ex">wij niet</span>. Wij weten niets. Wij kunnen gissen en droomen en dwalen.… maar weten?—Wie <span class="ex">weet</span> wat morgen wezen zal? Morgen, een dag van onze aarde, begonnen van daag, en gisteren,
-en vroeger.… en toch onzeker, toch onbekend! Maak plannen en berekeningen, neem uwe
-maatregelen, verzeker uwe toekomst … een enkele bliksemstraal en er is geen morgen
-meer voor u—geen morgen zooals gij berekend hadt, toen gij de fondamenten <span class="pageNum" id="pb218">[<a href="#pb218">218</a>]</span>laagt van het denkbeeldig paleis uwer grootheid, dat in een gouden horizont oprees,
-om door een vuurstraal vernietigd te worden.”
-</p>
-<p>»Gelooft gij dan niet aan een volgend leven? Weet gij niet.…”
-</p>
-<p>»Gelooven?—Ik geloof niets. Ik wacht.—Weten? Ik weet niets. Ik gehoorzaam.—Ik ben
-als de was in de hand van den boetseerder—geschikt tot wat <span class="ex">hij</span> van mij maken wil, maar machteloos uit mijzelven.”
-</p>
-<p>»En maakt u dat gevoel niet ongelukkig?”
-</p>
-<p>»Neen, het maakt mij beter. Ik heb door deze overtuiging mijner afhankelijkheid, mijner
-machteloosheid, mijner nietigheid geleerd, dat niets in de wereld groot is uit zichzelven,
-niets klein door eigen toedoen, dat al wat bestaat, is, omdat het wezen moet, en dat
-het dus ongerijmd, onverstandig, <span class="ex">ongodsdienstig</span> is om wie of wat het ook zij te verachten om de rol die het hier op aarde te vervullen
-heeft, om de plaats die God zelf het aanwees in het volmaakt <span class="corr" id="xd31e4056" title="Bron: harmoniesch">harmonisch</span> geheel, dat wij schepping noemen.”
-</p>
-<p>»Veracht gij niets?”
-</p>
-<p>»Niets.”
-</p>
-<p>»Niemand?”
-</p>
-<p>»Niemand.”
-</p>
-<p>»Zelfs den misdadiger niet?”
-</p>
-<p>»Zelfs hem niet. Hij zou niet misdadig kunnen zijn, indien God het niet gewild had.”
-</p>
-<p>»O Werner! Wat zijt gij groot en goed!” riep de jonge vrouw met tranen in de oogen.
-»Waren alle menschen als <span class="pageNum" id="pb219">[<a href="#pb219">219</a>]</span>gij, welk een gelukkig leven zou het onze kunnen wezen!”
-</p>
-<p>»Niet het mijne.… waarschijnlijk!”
-</p>
-<p>»Waarom het uwe niet?”
-</p>
-<p>»God schiep een ziel, verdeelde haar in tweeën en zond haar naar de aarde. Zoolang
-die ziel verdeeld zal blijven, is er geen geluk mogelijk voor haar …”
-</p>
-<p>Louise glimlachte en vroeg zacht: »Hoe meent gij dat?”
-</p>
-<p>»Hoe ik het meen? Indien die ziel verdeeld werd tusschen een man en eene vrouw, dan
-moeten die man en die vrouw vereenigd wezen om gelukkig te zijn. En waar is de zusterziel
-der mijne? Waar is de vrouw die met mij denken, die met mij gevoelen kan, die weet
-wat lijden is … en medelijden … en grenzenlooze liefde? De vrouw die, even als ik,
-de natuur haar rechter noemt en de wereld haar beul! Die godsdienst vindt waar <span class="ex">liefde</span> is, en liefde beschouwt als het zuiverste uitvloeisel der goddelijke volmaaktheid,
-het eenig volmaakt goede dat bestaat op aarde, het eenige dat vooruitgang is, verbetering,
-verhooging, naderen tot de hoogste wijsheid … Waar is die vrouw?… Kent <span class="ex">gij</span> haar, Louise?”
-</p>
-<p>Zij trok hare hand uit de zijne terug en zeide »Neen”, terwijl zij opstond om Willems
-kussens op te schudden.
-</p>
-<p>»O! waarvoor dat wereldsch <span class="ex">neen?</span> uw <span class="ex">ja</span> was goddelijk geweest. Uw <span class="ex">neen</span> is koud en trotsch en wreed!… ’t Heet deugd, niet waar, dat doodend woord? Wat is
-deugd? En waar is deugd? Gij zult <span class="pageNum" id="pb220">[<a href="#pb220">220</a>]</span>het mogelijk eenmaal weten, wanneer het <span class="ex">te laat</span> zal zijn!”
-</p>
-<p>»Mijnheer Werner, ga heen, ik smeek u, verlaat mij. De resident kan elk oogenblik
-te huis komen; het is laat, en ik wil niet dat hij u hier in de kinderkamer vinden
-zal.”
-</p>
-<p>»Vrees niets mevrouw, <span class="ex">mijne</span> liefde is te heilig, dan dat zij u ooit in eenig opzicht zou kunnen schaden.”
-</p>
-<p>Hij vertrok, en Louise bleef alleen in de groote sombere kinderkamer. Zij hoorde zijn
-stap in de binnengalerij, in de voorgalerij, de stoep af—alles was stil.
-</p>
-<p>»Mijn God! Wat heb ik hem lief, dien man!” En niet in staat zich langer te bedwingen,
-verborg zij het gelaat in de handen en liet zij haar tranen den vrijen loop.
-</p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch27" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e438">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="label">ZEVENENTWINTIGSTE HOOFDSTUK</h2>
-<h2 class="main">DOOD</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Geen zorg, geen geleerdheid, geen gebed had geholpen. De dood had »<span class="ex">ja</span>” gezegd en geen menschelijk »neen” had tegenstand kunnen bieden.
-</p>
-<p>Het lijkje lag stijf en koud in het, met bloemen versierde, ledekantje. Vrienden hadden
-het bezocht uit belangstelling, vreemden uit nieuwsgierigheid, de dag <span class="pageNum" id="pb221">[<a href="#pb221">221</a>]</span>was druk en woelig geweest en de avond eindelijk bracht rust.
-</p>
-<p>De resident was uitgegaan met den dokter, de dienstboden hadden bevel ontvangen niemand
-meer toe te laten, en Louise zat alleen in de kinderkamer te staren op het lijkje,
-te denken aan hetgeen Werner haar eenige dagen geleden geantwoord had, toen zij over
-bidden spraken.
-</p>
-<p>Plotseling werd zij uit haar sombere mijmeringen gewekt door den hoefslag van een
-paard. Het was alsof de grond onder hare voeten wegzonk en alle voorwerpen om haar
-heen ronddraaiden.
-</p>
-<p>Bijna op hetzelfde oogenblik werd de deur geopend en trad Werner binnen.
-</p>
-<p>Met een half gesmoorden gil vloog zij hem tegemoet. Hij ving haar op in zijn armen,
-drukte haar hartstochtelijk aan zijn borst, en liet haar ongestoord uitweenen met
-haar vermoeid hoofd tegen zijn schouder geleund.
-</p>
-<p>Hoe lang duurde dat oogenblik van grenzenlooze smart en geluk? Geen van beiden wist
-het. Zij stonden daar zwijgend en lijdend, angstig wachtend op het wreed bevel van
-’t lot dat nogmaals <span class="ex">scheiden</span> zeggen zou.
-</p>
-<p>Louise was de eerste die kracht had zich los te wikkelen uit de troostende armen die
-haar omklemd hielden. Zij wilde spreken, maar kon geen woorden vinden.
-</p>
-<p>Hij hield hare hand in de zijne, zag haar aan met een dier diepe gevoelvolle blikken
-welke haar deden <span class="pageNum" id="pb222">[<a href="#pb222">222</a>]</span>duizelen van geluk en onbestemde hoop, en zeide zacht, nauw hoorbaar:
-</p>
-<p>»Toch is er nog geluk, Louise … mijn troost, mijn hulp, mijn toekomst! O! versmaadt
-dat alles niet—verstoot mij nooit … Mijn liefde voor u kent eigenbelang noch trots.
-Ze kent bewondering, medelijden, zelfverloochening enkel. Ze kan u kracht en rust
-en moed geven en mij.… O kind! Ze is de ziel van mijn bestaan.…”
-</p>
-<p>Hij trok haar dichter naar zich toe, en zijn weemoedige glimlach drong haar als een
-bede in de ziel, die haar schier machteloos in zijn armen deed terug zinken.
-</p>
-<p>Zij weende niet meer, haar hand rustte kalm in de zijne, haar duizelend hoofd had
-rust gevonden op de sterke breede borst.
-</p>
-<p>Voor het eerst gevoelde zij de betoovering van zwakte tegenover kracht … en half droomend,
-half wakend, gelukkig, weemoedig, schier gedachtenloos, leefde zij voort, zonder angst,
-zonder wil en zonder hoop.
-</p>
-<p>»O mocht ik sterven!” waren haar eerste woorden, »George …”
-</p>
-<p>Het schuiven van een stoel in de binnengalerij deed haar met koortsachtige wildheid
-uit haar half droomenden toestand opspringen.
-</p>
-<p>»Ga heen! Ga heen!” riep zij woest. »De resident zal u dooden indien hij u hier vindt
-met.… mij alleen!”
-</p>
-<p>»En met het lijkje van zijn kind,” vervolgde Werner <span class="pageNum" id="pb223">[<a href="#pb223">223</a>]</span>zacht, de deur openende om te zien wie er in de binnengalerij was.
-</p>
-<p>»Het is niets. Een der oppassers, die half slapend tegen een stoel is aangeloopen
-en zich nu onder de tafel heeft gelegd.”
-</p>
-<p>»Ga heen!” antwoordde Louise koud. »Die oppasser is een betaalde spion—laat hem niet
-onderstellen hetgeen niet is. De menschen beschuldigen reeds vlug genoeg waar het
-waarheid geldt; geef hun ten minste geen reden om te beschuldigen zonder grond. Liefde
-is de eerste aanklacht der wereld, en ik heb geen liefde … voor wie het ook zijn moge!”
-</p>
-<p>Zij had vlug en koortsachtig gesproken en Werner had haar aangestaard met een verbazing
-grenzende aan ongeloof.
-</p>
-<p>»Gij hebt geen liefde?”… vroeg hij verward. »Geen vriendschap? Geen sympathie? Geen
-medelijden zelfs?”
-</p>
-<p>»Niets.”
-</p>
-<p>»En zoo even?…”
-</p>
-<p>»O! zoo even was ik zwak, ziek, vermoeid, uitgeput van het weenen en waken … Rust
-is al wat ik verlang …”
-</p>
-<p>»God geve u rust!<span class="corr" title="Bron: ..">…</span> En kracht om de liefde te dooden die gij mij onthouden wilt … Wat mij betreft, geheel
-mijne ziel behoort u. Ik heb geworsteld en gestreden, als gij—ik kan niet meer. Gij
-zijt het licht van mijn leven, de hoop mijner toekomst, de kracht van mijn bestaan …
-Wilt gij niets meer voor mij wezen?”
-<span class="pageNum" id="pb224">[<a href="#pb224">224</a>]</span></p>
-<p>Louise boog het hoofd en zeide bijna fluisterend:
-</p>
-<p>»Niets.”
-</p>
-<p>»Ik vergeef u dat woord,” antwoordde Werner met gebroken stem. »Gij kunt nog wreed
-zijn … ik niet meer … vaarwel!”
-</p>
-<p>Half radeloos bleef de jonge vrouw alleen, zij wilde hem volgen, terug roepen …
-</p>
-<p>»Neen, zóo is het goed … Goed?<span class="corr" title="Bron: ..">…</span> Goed te liegen, te bedriegen, te folteren, te dooden misschien!.… George!”
-</p>
-<p>Zij opende het venster, maar buiten evenals binnen was alles kalm en stil, rustig
-als het lijkje dat vóór haar lag.
-</p>
-<p>»O kind, wat benijd ik u!” sprak zij half overluid. »Mocht ik dood zijn als gij!<span class="corr" title="Bron: ..">…</span> gestorven in <span class="ex">zijne</span> armen<span class="corr" title="Bron: ..">…</span> zoo even … O mijn God! waarom hebt gij mij het geluk leeren kennen enkel om het mij
-te ontnemen! Waarom <span class="ex">moet</span> ik liefhebben wat ik haat, en waarom <span class="ex">moet</span> ik haten wat mijn gansche ziel vereert?… <span class="ex">Moeten?</span>.….. En indien ik het eens anders wilde?.…… O mijn God! geef mij kracht om vol te
-houden en den rechten weg te blijven gaan!.…
-</p>
-<p>»De resident!”
-<span class="pageNum" id="pb225">[<a href="#pb225">225</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch28" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e448">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="label">ACHTENTWINTIGSTE HOOFDSTUK</h2>
-<h2 class="main">MEVROUW JOLY</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">»Mijnheer Werner, mijn Lotje zegt dat u doodelijk verliefd is op mevrouw Stevens.”
-</p>
-<p>»Ik mevrouw! Welk een idee!”
-</p>
-<p>»O niet Lotje alleen! De menschen zeggen mooier dingen dan dat! Wil ik u vertellen
-wat?”
-</p>
-<p>»Och mevrouw, geloof de menschen toch niet! De menschen weten zelven niet wat ze zeggen.”
-</p>
-<p>»Wel, ik weet niet: de menschen zien soms meer dan u denkt. <span class="ex">Ik</span> zal het niet zeggen tegen den resident, maar anderen mogelijk wel. Ik weet, ja, dat
-u met mevrouw Stevens is geweest toen het kind ziek was. Kassian! En toen Wilmpje
-dood was weer … Heel A. weet dat—en nu spreken zij kwaad van mevrouw Stevens met u.”
-</p>
-<p>»Geheel ten onrechte, mevrouw, geloof mij. Ik verzeker u, op mijn woord van eer, dat
-geen vrouw ooit heiliger voor mij wezen kan dan mevrouw Stevens van Langendijk.”
-</p>
-<p>»Ja, jij bent altijd zoo hoog in jou spreken!” riep mevrouw Joly, met een vergevensgezind
-lachje. »Ik heb altijd gedacht dat je een goeje man voor mijn Lotje zoudt wezen—maar
-niet als je verliefd bent op mevrouw Stevens. Mijn Lotje is trotsch, dan wil ze je
-niet hebben.”
-<span class="pageNum" id="pb226">[<a href="#pb226">226</a>]</span></p>
-<p>Werner was een oogenblik als iemand die een slag op zijn hoofd krijgt en in de eerste
-drie minuten niet weet wat hem overkomt.
-</p>
-<p>»Lotje?” herhaalde hij stamelend—»maar Lotje houdt niet van mij” vervolgde hij zachter.
-</p>
-<p>»Lotje! Ja, Allah! Lotje zal zoo’n goeje vrouw voor je zijn, als je niet meer aan
-mevrouw Stevens zult denken, ja. Want ze is kwaad over dàt. Gisteren sprak zij er
-nog met Joly over. »Mevrouw Stevens is gemeen,” zeide zij, »kassian voor den resident.—Vertel
-hem, pa, dan kan hij Werner de deur uitjagen.” Zóo boos was ze—maar ze houdt van jou!”
-</p>
-<p>Werners bloed kookte. Hij had mevrouw Joly met Lotje en de geheele familie Joly kunnen
-verbrijzelen in dat oogenblik.—Maar het gold Louise! Hij kon zijn bleekheid niet verbergen,
-maar wel de verontwaardiging verloochenen, die te rein was om bespot te worden door
-de oogen die hem gadesloegen.
-</p>
-<p>En hij kon ook—ja, hij <span class="ex">moest</span> Louise’s goeden naam redden, die door zijn toedoen werd bedreigd …
-</p>
-<p>»En waarom heeft juffrouw Lotje me nooit getoond, dat ze van mij hield?” vroeg hij
-met een vreemden lach. »Indien zij mij belooft dat zij niet jaloersch meer van mevrouw
-Stevens zal wezen, of van wie het ook zijn moge, ben ik gereed haar door een huwelijk
-te bewijzen dat haar gissingen ongegrond zijn geweest.”
-</p>
-<p>»Jij wilt met Lotje trouwen. Soengoeang<a class="noteRef" id="xd31e4226src" href="#xd31e4226">1</a>?”
-<span class="pageNum" id="pb227">[<a href="#pb227">227</a>]</span></p>
-<p>»Zeer zeker. Indien zij ten minste mijne vrouw worden wil.”
-</p>
-<p>Mevrouw Joly verliet de kamer en kwam een oogenblik later met hare dochter terug.
-</p>
-<p>»Hier is jou Lotje, ja! Kassian, zij is beschaamd voor je!”
-</p>
-<p>Lotje zeide »hm—m,” en »ja” op elke vraag die men haar deed. En toen Werner een half
-uur later het huis verliet, dat hij vrij was binnengetreden, had hij, om Louise’s
-wil, om haar voor lasterlijken achterklap te sparen, zijn toekomst verbonden aan die
-van de oudste juffrouw Joly.
-</p>
-</div>
-<div class="footnotes">
-<hr class="fnsep">
-<div class="footnote-body">
-<div class="fndiv" id="xd31e4226">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e4226src">1</a></span> Wezenlijk.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e4226src" title="Ga terug naar noot 1 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div id="ch29" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e458">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="label">NEGENENTWINTIGSTE HOOFDSTUK</h2>
-<h2 class="main">DE GOUVERNEUR-GENERAAL</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Willem dood—August vertrokken—en Werner had zij niet meer gezien sinds den sterfdag
-van het kind.
-</p>
-<p>Wat was alles leeg en duister om haar heen. Eenzaam, verlaten, miskend, gevoelde de
-jonge vrouw zich te midden der schitterende weelde die haar omringde. Welken troost
-kon de zieldoodende hartstocht des residents haar geven? Welk geluk lag er voor haar
-in de gevoellooze beleefdheid harer bekenden, in de slaafsche onderdanigheid harer
-dienstboden?—Niets—niets. Waar ze zocht, waar ze vroeg—de geest vond niets, het hart
-vond niets.
-</p>
-<p>»O Werner!”
-</p>
-<hr class="tb"><p>
-</p>
-<p>Ook de Oristorio’s schenen haar vergeten te hebben.… <span class="pageNum" id="pb228">[<a href="#pb228">228</a>]</span>Mevrouw die zoo goed voor haar geweest was. Melatie met haar trouwen, edelen blik.…
-Haar verbeelding voerde haar terug naar de zonnige dagen van vroeger en bittere tranen
-vloeiden langs haar verbleekte wangen.
-</p>
-<p>Zij morde niet meer. Zij had het <span class="ex">waarom</span> lang genoeg gevraagd: nooit was het beantwoord geworden. Zij had gebogen onder de
-ijzeren hand der noodzakelijkheid, zij had de bevelende stem van het noodlot gehoorzaamd
-en besloten het leven te <span class="ex">ondergaan</span>, hoe het ook wezen mocht.
-</p>
-<hr class="tb"><p>
-</p>
-<p>De resident trad binnen met een brief in de hand.
-</p>
-<p>»De volgende week zal de Gouverneur-Generaal hier wezen,” zeide hij. »Op zijne inspectiereis
-wil hij drie dagen te A. vertoeven. Zorg dus dat alles gereed zij voor de ontvangst.
-Hier is de brief. De Gouverneur, zijn adjudanten, secretaris, kok, dienstboden, weet
-ik al wat! Het best dat wij doen kunnen, is dat wij hun het gansche huis maar afstaan
-en ons zelven, voor die drie dagen, in de bijgebouwen behelpen; dat geeft nog de minste
-soesah. Donderdagmorgen komen zij, dus diner dien dag en ’s avonds receptie. Vrijdagmorgen
-inspectie, parade, nog zoo iets, en ’s avonds bal in de sociëteit. Zaterdagmorgen
-tijgergevecht en ’s avonds thé-dansant in de residentie, zoo als het veertien dagen
-geleden trouwens reeds bepaald was.”
-</p>
-<p>»Goed”, antwoordde Louise en zij begon de voorbereidselen te maken voor de vorstelijke
-ontvangst.
-<span class="pageNum" id="pb229">[<a href="#pb229">229</a>]</span></p>
-<p>Wat was die ontvangst <span class="ex" lang="fr">cérémonieus</span>! Het was alsof elke steen, elke zandkorrel gemerkt was en of dezelfde merken onder
-de voetzolen der aanwezigen stonden en elke voetzool het merk dekken moest dat gelijk
-was aan het hare! Geen eigen wil, geen leven, geen vrijheid,—het was een <span class="ex" lang="fr">mécanique receptie</span>. Iedereen stond waar hij staan moest, keek zooals hij kijken moest, sprak zooals
-hij spreken moest, bewoog zich zoo als hij zich bewegen moest. De Gouverneur-Generaal
-had alle reden om tevreden te wezen over de luisterrijke ontvangst. Dat was hij dan
-ook, de arme man! Hij was blij toen hij ’s avonds eindelijk in bed lag!
-</p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch30" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e468">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="label">DERTIGSTE HOOFDSTUK</h2>
-<h2 class="main">VRIJDAG AVOND. WERNER</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Bekoorlijker dan ooit trad Louise de balzaal binnen. Haar rood fluweelen kleed golfde
-in dikke mollige plooien over de wit marmeren steenen der voorgalerij; een straal
-van hoop blonk in hare zachte donkere oogen, een hemelsche lach verhelderde haar kalm
-bleek gelaat. Werner stond bij een pilaar; hij zag haar het rijtuig uitstappen, de
-stoep opkomen aan den arm van den Gouverneur-Generaal, de geheele voorgalerij doorloopen
-en plaats nemen naast mevrouw Joly. Bleek, bevend, met een koortsgloed <span class="pageNum" id="pb230">[<a href="#pb230">230</a>]</span>in de oogen, blikte hij haar na. Wat was zij schoon! Zij wist het, zij gevoelde het,
-dit kon men haar aanzien, zij verstond het gegons van bewondering dat haar als het
-ruischen van den wind omzweefde. Toch was zij niet behaagziek of <span class="ex">coquette</span>. Er lag zelfs een zekere eenvoud in de wijze waarop zij hare bevalligheid ten toon
-spreidde en waarop zij de hulde aannam die men haar brengen kwam als iets waarop zij
-recht had.
-</p>
-<p>»Werner?” vroeg elke slag van haar hart, maar Werner die haar had nageoogd tot een
-zwerm heeren zich tusschen haar en hem geplaatst en haar aan zijn oog onttrokken had,
-was naar zijn pilaar teruggekeerd, en stond dáar bij de stoep als wachtte hij iemand
-die nog komen moest.
-</p>
-<p>Het eene rijtuig voor, het andere na daagde op met zijn vroolijk getooide vracht en
-verloor zich weder in de dichte duisternis van den nacht, zonder dat Werner een enkel
-oogenblik zijn post verliet.
-</p>
-<p>Mevrouw di Frama werd door een der ceremoniemeesters binnengeleid, Lina volgde aan
-den arm van een jong officier en Melatie stond beneden aan de stoep te lachen om drie
-heeren die haar hun arm aanboden en geen van drieën afstand van haar wilden doen.
-</p>
-<p>Werner zag hare verlegenheid, doch, in plaats van haar te hulp te snellen, zooals
-hij in elk ander oogenblik gedaan zou hebben, trad hij eenige schreden terug om zich
-achter den pilaar te verbergen. Juist door deze beweging trok hij hare aandacht tot
-zich: het plotseling verdwijnen van een lange schaduw deed haar opzien; zij herkende
-<span class="pageNum" id="pb231">[<a href="#pb231">231</a>]</span>Werner in de persoon die half achter den pilaar verscholen stond, en, zonder zich
-een oogenblik te bedenken, deed zij een kleinen sprong ter zijde, ontsnapte aan hare
-drie bewonderaars, trippelde de stoep op, greep Werner bij zijn arm en riep lachend:
-»Neen, neen, mijnheer Werner, zóó gemakkelijk zult gij Melatie niet ontkomen. Toe”,
-vervolgde zij op een geheel anderen toon, »breng mij bij jufje, als je blieft, mama
-zal niet weten waar ik blijf!”
-</p>
-<p>Werner glimlachte afgetrokken en voldeed aan haar verzoek.
-</p>
-<p>»Even naar Louise … naar mevrouw Stevens, hè?
-</p>
-<p>»Neen …”
-</p>
-<p>»Wilt gij niet?” vroeg zij verwonderd?
-</p>
-<p>»Wat?<span class="corr" title="Bron: ..">…</span> Mevrouw Stevens aanspreken? O stellig wil ik … ik dacht aan iets anders …”
-</p>
-<p>»Aan wat dacht gij dan?”
-</p>
-<p>»Aan uwe drie heeren misschien,” antwoordde Werner, zich herstellende.
-</p>
-<p>»En ik was ze reeds vergeten!”
-</p>
-<p>Louise reikte Melatie de hand en deed haar een tiental vragen die elkander zoo schielijk
-opvolgden dat het goede kind er geen enkele van beantwoorden kon.
-</p>
-<p>Weder hield er een rijtuig stil voor de hooge breede stoep.
-</p>
-<p>Het waren de jonge dames Joly die binnen traden. Werner ging met Melatie eenige schreden
-ter zijde om haar voorbij te laten, en beantwoordde een somberen blik van juffrouw
-Lotje met een diepe onderdanige buiging.
-<span class="pageNum" id="pb232">[<a href="#pb232">232</a>]</span></p>
-<p>»Jij altijd met mevrouw Stevens, ja?” voegde zij hem in het voorbijgaan toe. »Ik wil
-jou spreken, straks.”
-</p>
-<p>Een oogenblik later bevond Melatie zich bij Lina en zat Werner naast Lotje, met wie
-hij in een zeer weinig geanimeerd gesprek gewikkeld bleef, totdat de dans begon.
-</p>
-<p>Louise danste niet mede, zij had even rond gewandeld aan den arm van den Gouverneur-Generaal
-en was gaan zitten, terwijl haar cavalier zich naar de speeltafel begeven had.
-</p>
-<p>»Mijn Lotje is geëngageerd!” schreeuwde mevrouw Joly haar in het oor.
-</p>
-<p>»Ja?” antwoordde Louise die niets gehoord had dan het gebons van de groote trom, maar
-toch aan mevrouw Joly’s gezicht gezien had, dat zij antwoorden moest.
-</p>
-<p>»Met Werner,” hernam mevrouw Joly.
-</p>
-<p>»Ja?”
-</p>
-<p>»Een goede partij!” met een hoofdknikje.
-</p>
-<p>Louise met een lachje, haar na doende: »Zeker.”
-</p>
-<p>Mevrouw Joly’s lange oogen gingen al wijder en wijder open.
-</p>
-<p>Louise blikte de dansende paren na, benijdde Lotje, die op Werner’s arm geleund haar
-als een pop op wielen voorbij kwam draaien en lachte bij zich zelve om den zonderlingen
-inval van mevrouw Joly, die discoureeren wilde op een oogenblik dat hooren en zien
-verging door het geraas der muziek en het gewoel der bonte menigte die als een stormwind
-voorbij golfde.
-</p>
-<p>Toen de dans geëindigd was, stond mevrouw Joly even <span class="pageNum" id="pb233">[<a href="#pb233">233</a>]</span>op om hare dochter te wenken, die, aan Werners arm, terstond naar haar moeder toekwam.
-</p>
-<p>»Mevrouw Stevens weet het, ik heb haar al uw geheimen verteld.”
-</p>
-<p>Werner werd zóo bleek, dat Louise Lotje’s hand plotseling los liet, en hem met zulk
-een onbeschrijfelijken angst aanstaarde, dat mevrouw Joly in het midden van haar volzin
-steken bleef.
-</p>
-<p>Werner herstelde zich het eerst. »Mejuffrouw Lotje, mijne aanstaande …” sprak hij
-half fluisterend.
-</p>
-<p>Louise ruimer adem halende:
-</p>
-<p>»Ah! is dat het geheim! Ik feliciteer u, juffrouw Lotje … en ik hoop dat gij gelukkig …
-<span class="ex">tezamen</span> zult wezen …”
-</p>
-<p>»Dank u, mevrouw,” antwoordde Lotje en, Werner éen dier donkere blikken toewerpende
-die hem eene toekomst vol onaangenaamheden beloofden, trok zij hem mede naar het andere
-einde der zaal, waar zij te midden harer zusters plaats nam en verder deed alsof er
-geen Werner in de wereld was.
-</p>
-<p>Den tweeden dans deed Louise mede. Pratend, lachend, met een frisch rood op hare wangen
-en een flikkering van geluk in de opgewonden oogen.
-</p>
-<p>Wat ging er om in de ziel der jonge vrouw, toen zij dáar zoo onbezonnen vroolijk in
-de rondte zweefde?
-</p>
-<p>Wij weten het niet. Zij wist het zelve niet.
-</p>
-<p>Toen de avond half ten einde was gespoed, werden de <span class="pageNum" id="pb234">[<a href="#pb234">234</a>]</span>speeltafeltjes weggeruimd en maakte men zich gereed tot soupeeren.
-</p>
-<p>Louise stond tegen een der geopende vensters geleund, die in de binnengalerij uitkwamen
-en speelde achteloos met haar waaier, terwijl hare oogen over de menigte dwaalden
-en hare gedachten rondzwierven van het eene voorwerp naar het andere zonder eenig
-rustpunt te kunnen vinden.
-</p>
-<p>»Louise—Mevrouw Stevens!” fluisterde eene zachte welbekende stem. »Ik <span class="ex">moet</span> u spreken, <span class="ex">alleen</span>… een oogenblik slechts … mag ik morgen komen?… zult gij mij ontvangen?…”
-</p>
-<p>»Later.—Wanneer mijnheer en mevrouw Werner hunne opwachting bij den resident willen
-maken, zal mevrouw Stevens gereed zijn hare gasten te ontvangen.”
-</p>
-<p>»Louise!”
-</p>
-<p>»Gij kent geene Louise meer.”
-</p>
-<p>De Gouverneur-Generaal kwam zijne dame halen, om haar aan tafel te brengen, en Louise
-ging met hem mede, kalm en lachend alsof Werner niets voor haar was.
-</p>
-<p>Na het souper duurde het bal nog eenigen tijd voort. Maar er was iets doodsch in de
-vreugde gekomen, daar Louise ongesteld geworden was en het feest verlaten had, gevolgd
-door den Gouverneur-Generaal en door den resident, die beide gelukkig waren dat zij
-eindelijk tot rust konden komen, na al de plichtmatige eervolle genoegens van den
-dag.
-<span class="pageNum" id="pb235">[<a href="#pb235">235</a>]</span></p>
-<p>De familie Oristorio was een der eersten geweest die het goede voorbeeld gevolgd hadden.
-En Lotje Joly die niet meer dansen wilde, zat in een hoek te pruilen, met Werner aan
-hare zijde, die, geheel in gedachten verzonken, nauwelijks wist dat hij naast Lotje
-zat.
-</p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch31" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e478">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="label">EENENDERTIGSTE HOOFDSTUK</h2>
-<h2 class="main">HET TIJGERGEVECHT</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Louise kon dien nacht geen rust vinden. Haar hoofd gloeide, zij had de koorts, zij
-was opgewonden en gejaagd en kon zich nauwelijks verklaren wat zij gevoelde.
-</p>
-<p>Zoodra de dageraad aanbrak stond zij op, kleedde zich haastig en vlood den tuin in,
-om in de vrije natuur, den troost te zoeken die haar overal elders ontbrak.
-</p>
-<p>Het was de morgen van een dier gloeiend heete goede moessons dagen, waarop alles brandt
-en schittert en de gansche natuur aan een monsteroven denken doet. Maar die morgen
-was schoon met zijn verkwikkend ochtendkoeltje en zijn miljoenen dauwdroppen op de
-pas ontloken bloemen en de veelsoortige groene bladeren met hunne altijd verschillende
-tinten; met <span class="pageNum" id="pb236">[<a href="#pb236">236</a>]</span>zijn liefelijk vogelengezang en zijn zachte zonnestralen, die als lachende sylphiden
-schalksch door de zwevende wolken speelden en het aardrijk met hun gouden vinger wakker
-wenkten.
-</p>
-<p>Louise’s rood fluweelen muiltjes met hun zilveren draakjes en gouden vlinders, werden
-voortgejaagd, van het grintpad op het mollig grasveld, van het grasveld naar het rozenperk,
-van daar weer verder langs volières en vischvijvers tot zij eindelijk bij een hertenkamp
-tot staan kwamen.
-</p>
-<p>Terstond huppelde er een jonge kandjil naar Louise toe. Wat was dat beestje vlug en
-dartel! Wat sprong het sierlijk rond op zijn dunne fijne pootjes. En wat richtte het
-zijn vriendelijk kopje smeekend, liefkoozend tot zijn meesteres omhoog, die uit gewoonte
-alleen, hare hand door het hekje stak om het lieve diertje langs den fraai gebogen
-hals te streelen, zonder zich zelve rekenschap te geven van hetgeen zij deed. Eenige
-gewone kidams volgden het voorbeeld van den kleinen kidam en kwamen statig aangeloopen
-met hun zachte sprekende oogen en hun trotsche hoornen, haar verwonderd aanziende,
-als of zij haar rekenschap vragen wilden van haar buitengewoon vroeg morgenbezoek.
-</p>
-<p>Arme Louise! zij was zoo zeer met zich zelven vervuld, dat er verscheiden minuten
-verliepen eer zij hare geliefkoosde hertjes zag. Toen noemde zij ze éen voor éen bij
-hunne namen, streelde ze, gaf ze gras uit haar hand te eten en vervolgde weder <span class="pageNum" id="pb237">[<a href="#pb237">237</a>]</span>haar weg, zonder zelve te weten waarheen.
-</p>
-<p>Toch was het groen zóo frisch, toch waren de bloemen zóo geurig, toch was de eerste
-morgenkreet dier ontwakende natuur zóo schoon, zóo grootsch, liefelijk en hoopvol
-tevens.
-</p>
-<p>Wat zag zij bleek en wat gevoelde zij zich zwak en uitgeput, moedeloos, gebroken!…
-</p>
-<p>»O Werner!… Waarom een leugen?… Ik vroeg uwe liefde niet … Waarom?… Waarom <span class="ex">haar</span> de liefde gegeven die gij mij beloofdet? Waarom?”
-</p>
-<hr class="tb"><p>
-</p>
-<p>Zij glimlachte treurig en plukte een bloem.
-</p>
-<p>»Maar ’t is goed zóo … heel goed … Arme Werner! Met Lotje kan hij niet gelukkig zijn!…
-Kassian!…”
-</p>
-<p>Een uur later verschenen de resident en zijn gast in de achtergalerij, waar zij Louise
-bezig vonden met bloemen in een paar chineesche vazen te schikken.
-</p>
-<p>Het gesprek aan de ontbijttafel liep natuurlijk over het bal van den vorigen avond
-en de vermakelijkheden van den dag die nauwelijks aangebroken was.
-</p>
-<p>»Gij hebt u goed gehouden, mevrouw,” sprak de Gouverneur-Generaal, Louise een dier
-blikken toewerpende die het bloed naar het voorhoofd doen stijgen of de oogen neer
-doen slaan. »Ik had niet verwacht dat gij, na de vermoeienissen van gisterenavond,
-heden morgen reeds met het kraaien van den haan present zoudt wezen, en met ons ontbijten
-zoudt zoo als gij gisterenmiddag beloofd had te zullen doen.”
-</p>
-<p>»Ik wilde uwe exellentie vóor wezen en daarvoor <span class="pageNum" id="pb238">[<a href="#pb238">238</a>]</span>moet men vlug zijn, niet waar?” antwoordde Louise eenigzins verward.
-</p>
-<p>»Zeer vlug, mevrouw, daar ik de gewoonte heb van door te werken, en van nooit te slapen,
-wanneer het tijd van waken is. Heb ik iets te doen dan doe ik het dadelijk, en ben
-ik ergens aan begonnen dan rust ik niet voordat mijn werk gedaan is.”
-</p>
-<p>»Hetgeen zeker zeer aangenaam voor uwe onderhoorigen is! Arme menschen die stellig
-ook niet altijd even voortvarend en krachtvol zullen wezen als hun chef!”
-</p>
-<p>»Die niet geschikt is voor zijn betrekking is ongeschikt en moet er uit. Wij kunnen
-hier in Neerlandsch Indië geen jonge juffvrouwen gebruiken, vooral niet in de gelederen.”
-</p>
-<p>»Ook niet als zij zóo voortvarend en zoo dapper zijn als ik?”
-</p>
-<p>»Voortvarend zijt gij, dit moet ik u ter eere nageven! Maar dapper?… daar zullen wij
-aanstonds over oordeelen.”
-</p>
-<p>»Bij het tijgergevecht? O dáar zal ik niet heen gaan! Niet waar Stevens, dáar behoef
-ik niet bij te zijn?”
-</p>
-<p>»Niet bij te zijn? Maar mevrouwtje lief! Voor u die nooit iets dergelijks gezien hebt,
-moet het toch heel aardig wezen, zoo iets echt indiesch eens bij te wonen.”
-</p>
-<p>»Aardig! Noemt uwe exellentie dat aardig? Twee arme dieren elkander op de wreedste
-wijze te zien verscheuren, is dat aardig?… Neen ik houd te veel <span class="pageNum" id="pb239">[<a href="#pb239">239</a>]</span>van dieren om naar zoo iets afschuwelijks te gaan kijken!”
-</p>
-<p>»Houdt gij van tijgers, mevrouw?” vroeg de Gouverneur-Generaal, haar <span class="ex" lang="fr"><span class="corr" id="xd31e4409" title="Bron: sans gène">sans-gêne</span></span> uitlachende.
-</p>
-<p>»Als ik ze niet lief heb als mijn hond of mijn rijpaard, dan bewonder ik ze toch even
-als al wat leeft. Het leven is voor mij iets zóo schoons, geheimzinnigs, volmaakts,
-bewonderenswaardigs, dat ik, indien ik iemand was die iets te zeggen had in de wereld,
-verbieden zou dat men buiten noodzakelijkheid welk dier ook om het leven bracht. Zoo
-zou ik het martelen van dieren ook straffen met boeten, gevangenis en verbeurdverklaring
-van het mishandelde dier …”
-</p>
-<p>»Hei, hei, mevrouwtje! waar zouden wij heengaan met zoo veel dierenliefde! En waar
-zouden wij met al dat levend gedierte blijven, indien er zoo veel bijkwam en zoo weinig
-afging! En hoe zoudt gij het zelve maken? Kom, verbeeld u eens dat het avond is en
-dat wij met ons drieën in de voorgalerij zitten, te Samarang bijvoorbeeld, en dat
-er eenige duizende muskieten met hun liefelijk gezang om onze ooren vliegen, en ons
-steken zooveel in hun vermogen is, u vooral op uw zachte, blanke hals en armen. Zoudt
-gij daar niet half dol onder worden en zoudt gij ze niet met plezier tusschen duim
-en voorste vinger doodknijpen, die lieve muskietjes, indien gij ze slechts krijgen
-kondet?”
-</p>
-<p>»Och neen, dat doet ze niet!” riep de resident met een schaterlach. »Weet uw exellentie
-wat ze doet als de muskieten haar hinderen? Dan slaat ze een shawl om haar <span class="pageNum" id="pb240">[<a href="#pb240">240</a>]</span>hals en een doek om haar hoofd en dan zit ze uit al haar macht te waaien om hare lievelingen
-van zich af te houden! Ha! ha! ha! en als ik er een dood sla, noemt zij mij wreedaard!”
-</p>
-<p>De Gouverneur-Generaal lachte nog harder dan de resident.
-</p>
-<p>»Ik maak er mij een fête van om uwe vrouw straks bij ons tijgergevecht te zien,” riep
-hij spottend, »wat zal zij zich aanstellen!…”
-</p>
-<p>»Wanneer ik gaan <span class="ex">moet</span>, <span class="ex">zal</span> ik gaan, en dan zal ik mij niet meer aanstellen dan uw exellentie of de resident,
-die in zulke afschuwelijkheden behagen kunt scheppen.”
-</p>
-<p>Dit zeggende wierp zij den Gouverneur-Generaal zulk een ernstigen, trotschen, minachtenden
-blik toe, dat het gesprek voor een oogenblik afgebroken werd en toen over allerhande
-onderwerpen liep, maar niet meer over tijgergevechten.
-</p>
-<p>Na het ontbijt begaf Louise zich naar haar kamer, die zij niet meer verliet vóordat
-een der oppassers haar zeggen kwam, dat het rijtuig voor was en de heeren haar wachtten.
-</p>
-<p>In een wit neteldoeksch morgengewaad, een paar diamanten pennen in de kondeh en een
-paar gouden slangen om de polsen verscheen zij in de voorgalerij, kalm en statig als
-gewoonlijk.
-</p>
-<p>De Gouverneur-Generaal kwam haar eenige schreden te gemoet, bood haar zijn arm en
-geleidde haar naar het rijtuig zonder een woord te zeggen; de resident volgde.
-<span class="pageNum" id="pb241">[<a href="#pb241">241</a>]</span></p>
-<p>»Louise,” vroeg hij half fluisterend, »waarom hebt gij u niet behoorlijk gekleed?
-Een baadje is geen dracht voor een residentsvrouw bij een gelegenheid als deze.”
-</p>
-<p>»Van heden af zal het dracht worden, resident.”
-</p>
-<p>Gedurende den toer naar de regent’s woning werden slechts eenige onbeduidende volzinnen
-tusschen Louise en de beide heeren gewisseld.
-</p>
-<p>Een groote, feestelijk versierde pandopo, in het midden waarvan zich twee reusachtige
-kooien, of liever twee omheinde, afgesloten strijdperken bevonden, verbeidde de nieuwsgierige,
-opgewonden liefhebbers van het tijgergevecht.
-</p>
-<p>De eereplaatsen vooraan, om zoo te zeggen tegen de omheining aan, waren voor den Toewan
-Bezar, den resident en mevrouw Stevens bestemd, met hun gevolg van hooggeplaatste
-beambten, officieren en adjudanten. Louise kwam tot haar ergernis alweder, als naar
-gewoonte, naast mevrouw Joly terecht.
-</p>
-<p>Een groote witte, of liever rooskleurige buffel stond in een hoek van het strijdperk
-kalm en langzaam wat gras te eten, nu eens vragend opziende naar de zonderlinge menschenmassa
-die hem omringde, dan weer al kauwend eenige schreden vooruitdoende en nieuwsgierig
-snuffelende aan het gesloten hok van den tijger.
-</p>
-<p>Toen dit eenige oogenblikken geduurd had en de buffel tot zijn gras was terug gekeerd,
-vanwaar hij, met den kop naar het hok van den tijger, zijn vijand in het oog kon houden,
-werd de schuif aan de voorzijde <span class="pageNum" id="pb242">[<a href="#pb242">242</a>]</span>van het hok weg geschoven, terwijl aan de achterzijde eenige Javanen den tijger door
-brandende fakkels noodzaakten te voorschijn te komen. Met een donderend gebrul sprong
-het schoone dier het strijdperk in. Het was een koningstijger van de grootste soort,
-slank en krachtig, met vonkelende oogen, den muil half geopend.
-</p>
-<p>De buffel zag hem aan, bleef staan en wachtte.
-</p>
-<p>De tijger, als had hij bewustzijn van de bewondering der toeschouwers, kneep de oogen
-half dicht, liet den staart hangen en deed langzaam eenige passen ter zijde. Toen
-bleef ook hij staan, blikte trotsch maar kalm om zich heen, vouwde de achterpooten
-samen en vleide zich neer, met den kop op de half ingetrokken voorpooten alsof hij
-slapen ging. Een lichte beweging der ooren, een onregelmatig openen der neusvleugels
-en een sluiksche blik op den buffel verrieden echter een oogenblik later dat hij zich
-gereed maakte tot den aanval en gereed was zich te verdedigen wanneer die aanval van
-zijn vijand komen mocht.
-</p>
-<p>Op eens richtte hij den kop op, keek den buffel aan en deed met een vreeselijk gebrul
-zijn sprong.
-</p>
-<p>De buffel wachtte hem onbewegelijk af, ving hem op zijn horens en kwakte hem met zulk
-eene kracht ter aarde dat hij geheel bebloed voor dood bleef liggen.
-</p>
-<p>De buffel naderde hem voorzichtig, bezag hem, berook hem, wendde den kop van hem af
-en deed een pas ter zijde. Dat oogenblik nam de tijger waar om zich weder <span class="pageNum" id="pb243">[<a href="#pb243">243</a>]</span>op te richten, en met onbegrijpelijke vlugheid op den nek van den buffel te springen
-met den klauw van zijn rechter voorpoot even boven het rechter oog en zijn linker
-voorpoot op den kop van het arme dier, dat hartverscheurend loeide en met den doodsangst
-op het gezicht en den tong uit den bek van het eene einde van het strijdperk naar
-het andere vlood zonder zich van zijn vijand te kunnen ontdoen. Eindelijk toch gelukte
-het hem den tijger tegen een bamboezen stijl aan te drukken en met zoo veel kracht
-heen en weer te wrijven dat het dier, na een wanhopige worsteling, waarin hij den
-kop en den hals van den buffel geheel met zijn nagels doorploegd had, machteloos ter
-aarde plofte, terwijl de buffel zelf een oogenblik duizelend voortwaggelde en toen,
-afgemat van vermoeidheid, verzwakt en uitgeput, tegen de omheining van het hok bleef
-aanleunen, bevend op zijn wijduitstaande pooten en somber nederstarend op de stroomen
-bloed die uit zijn gapende wonden vloeiden.
-</p>
-<p>De tijger lag aan den anderen kant van het hok te brullen, te blazen, te kermen, te
-zuchten. Men geve een naam naar goedvinden aan die kreeten van wanhoop, smart, angst
-en woede, in geen woorden te beschrijven. Het schoone dier lag met den kop achterover
-in de aarde te rollen, zijn rechterzijde was geheel opengereten door de horens van
-den buffel, terwijl zijn tong nog droop van het bloed zijns vijands en zijn klauwen
-glommen van het lillend vleesch dat aan de nagels hing. Een paar minuten verliepen
-<span class="pageNum" id="pb244">[<a href="#pb244">244</a>]</span>alzoo, toen kwam men met een gloeienden bout den tijger tot een nieuwen aanval dringen.
-</p>
-<p>Woedend vloog het dier weder op, en geen ander schepsel ziende waarop hij zich wreken
-kon over de hem op nieuw aangedane foltering, sprong hij nogmaals op den buffel toe,
-die hem echter als de eerste maal op de horens ving, weg wierp en toen vervolgde alsof
-hij zijn dood besloten had. De tijger kromp van pijn ineen, sloop kermend langs de
-omheining voort en dook angstig blazend in een hoek weg, zoodra de buffel een oogenblik
-bleef staan. Terstond werd hij weder door zijn onzichtbaren vijand gemarteld, die
-den bout in de opene wonden drukte. Met een kreet vloog hij weg, en toen had er een
-dier bloedige, wanhopige worstelingen plaats, in felheid alleen overtroffen door den
-onverzadelijken bloeddorst en de wreedheid der menschen die zulke ijselijkheden kunnen
-in het leven roepen als een schouwspel, een vermaak, een feest dat de oogen boeit
-en het hart voldoening geeft.
-</p>
-<p>De tijger wilde den buffel van achteren bespringen en sloop om hem heen. De buffel
-die ongelukkigerwijze zijn hoek verlaten had en zich in het midden van het strijdperk
-bevond, kon met zijn log lichaam de vlugge wendingen van zijn vijand niet volgen en
-werd op eens van ter zijde besprongen. De tijger hing hem langs den rug en had zijn
-klauwen zoo krampachtig in de dikke huid vastgeslagen dat het den buffel, eerst na
-verscheidene vergeefsche pogingen <span class="pageNum" id="pb245">[<a href="#pb245">245</a>]</span>gelukte den tijger met de horens van zich af te scheuren.
-</p>
-<p>Uitgeput rolde de verzwakte tijger tegen de omheining aan, na in de worsteling zijn
-vijand de beide linker pooten stuk geslagen te hebben. Bijna tegelijkertijd stort
-ook de buffel eenige schreden verder in een hoek neder. Dadelijk siste er weer een
-gloeiend ijzer in de gapende wonden van den tijger; het arme dier slaakte een kreet
-als een zucht, en kroop op den buik een halven voet vooruit, maar de bout ging ook
-een halven voet <span class="corr" id="xd31e4465" title="Bron: voortuit">vooruit</span> en siste op nieuw in het warme bloed. Nog een kreet en een pas … en weer de bout
-en nog een pas … De tijger lag met zijn kop bijna tegen den buffel aan. Nog eens de
-bout … de buffel boog den kop, de tijger zag hem aan, wilde terug, voelde den bout,
-spande zijn laatste krachten in, sprong op en wierp zich nog eenmaal op den weerloozen
-buffel … Doch hij nam den sprong te kort, wondde den buffel aan het voorhoofd, scheurde
-hem met den linker achterpoot het rechteroog uit den kop, bleef toen een oogenblik
-op de kromme horens rusten, werd er weer afgeworpen en zonk dood naast zijn stervenden
-vijand neder, die met een kroon van bloed en ingewanden versierd, dit met alle overwinnaars
-gemeen had, dat elke zegepraal op het slagveld behaald, een vernedering voor beide
-partijen is.
-<span class="pageNum" id="pb246">[<a href="#pb246">246</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch32" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e488">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="label">TWEEENDERTIGSTE HOOFDSTUK</h2>
-<h2 class="main">FELICITA. DE JACHTPARTIJ</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Het was reeds over éenen en nog waren de heeren niet van de jacht teruggekeerd … Toch
-hadden zij beloofd dat ze tegen etenstijd te huis zouden wezen. En reeds van twaalf
-uur af hadden de dames zitten wachten.
-</p>
-<p>»Ik begin mij werkelijk ongerust te maken,” zeide mevrouw Oristorio di Frama.
-</p>
-<p>»Zijn hier tijgers of wilde zwijnen in de bosschen?” vroeg Louise zacht.
-</p>
-<p>»Ja, zij zijn er, maar ik geloof niet dat het in het plan der heeren lag om zoo ver
-van huis te gaan. Zij wilden eenige duiven schieten hier in den omtrek, en ik geloof
-dat het vermaak eigenlijk meer in een rijtoer dan wel in een jachtpartij bestaan zou.”
-</p>
-<p>»En indien ze eens een tijger of een wild zwijn ontmoet hadden?” vroeg Louise weer.
-</p>
-<p>»Nu, zij zijn met hun vijven en de jongens, en zij zijn allen goed gewapend.”
-</p>
-<p>»Ik weet het niet—maar ik ben niet gerust. Gelooft gij aan voorgevoel, mevrouw?”
-</p>
-<p>»Als het uitgekomen is, ja,” antwoordde mevrouw Oristorio lachend, »maar vóor dien
-tijd niet.”
-</p>
-<p>»Gelooft gij niet dat er oogenblikken in het leven <span class="pageNum" id="pb247">[<a href="#pb247">247</a>]</span>zijn waarin de ziel meer gevoelt dan het lichaam weten kan?”
-</p>
-<p>»Ja zeker!” riep Melatie die Louise met groote oogen aangestaard had, zoo lang zij
-sprak. »Zeker mevrouw! Toen de kleine Karcilla van den dispens-jongen<a class="noteRef" id="xd31e4488src" href="#xd31e4488">1</a> gestorven is, heb ik het geweten, niet waar mama? Wij hadden drie dagen lang met
-het arme stakkertje getobd en toen ik eindelijk zóo gerust sliep dat ik niet meer
-aan het kind dacht, hoorde ik op eens naast mij zeggen: »Kassian! Karcilla mati<a class="noteRef" id="xd31e4491src" href="#xd31e4491">2</a>!” Het was midden in den nacht, ik sprong dadelijk op en liep naar de kamer van mama
-om te vertellen wat ik gehoord had. Mama zeide dat het een droom geweest was en dat
-ik maar weer naar bed moest gaan. Maar ik was zoo naar over die woorden dat ik geen
-rust kon vinden en niet tevreden was voordat mama met mij mede ging naar de bijgebouwen
-om te zien hoe het met Karcilla was. De moeder zat in de geopende deur te huilen en
-zeide dadelijk dat het kind nog geen half uur geleden gestorven was.”
-</p>
-<p>»Nu ja, dat is zoo, maar gij waart zoo zenuwachtig en opgewonden door het aanhoudend
-verzorgen van het arme schepseltje, dat uw geest er nacht en dag mede bezig was en
-gij waarschijnlijk ook het zelfde geroep gehoord zoudt hebben indien het kind genezen
-was …”
-<span class="pageNum" id="pb248">[<a href="#pb248">248</a>]</span></p>
-<p>»O neen, dat geloof ik niet!” riep Louise. »Ik weet wel wat Melatie bedoelt, ik ken
-dat gevoel!”
-</p>
-<p>»Niet waar, mevrouw,” vroeg Melatie, »zulke dingen zijn geen droomen?”
-</p>
-<p>»Ik geloof althans aan zulke vreemde verschijnselen. Ja, mevrouw Oristorio, lach mij
-maar uit! Gij vindt mij bijgeloovig, niet waar? En mogelijk ben ik het ook. Maar twee
-keeren in mijn leven is mij iets zonderlings gebeurd dat de ongeloovigste geloovig
-zou gemaakt hebben, en nu ik weer zoo iets zonderlings gevoel, nu ben ik bang, ik
-beken het ronduit!”
-</p>
-<p>»Maar wat gevoelt gij dan?” vroeg mevrouw Oristorio half lachend, half ernstig.
-</p>
-<p>»Ik weet het niet. Ik ben angstig, gejaagd, onrustig, en zoo even, den trap af komende,
-verbeeldde ik mij een schot te hooren. Ik moest mij aan de leuning vast houden om
-niet te vallen, zoo had dat geluid mij verschrikt. Het was alsof de lucht vuurrood
-zag om mij heen, het bloed stolde mij in de aderen, een felle steek in de zijde belette
-mij adem te halen.… daarop hoorde ik »Louise” zeggen, zoo zacht, zoo zacht …”
-</p>
-<p>Zij zag een oogenblik naar beneden als hoorde zij het nog, toen keek zij schuchter
-om zich heen en poogde te lachen, terwijl zij vervolgde:
-</p>
-<p>»Maar het is alles slechts verbeelding, dat weet ik wel, en ik ben dwaas om zulke
-dingen te vertellen! Kom, juffrouw Lina vertel ons wat anders, vóordat ik uitgelachen
-word … Als je blieft!”
-</p>
-<p>Lina, die tot dusverre gezwegen had, deed haar <span class="pageNum" id="pb249">[<a href="#pb249">249</a>]</span>best om het gesprek een andere wending te geven, maar wat zij ook verzon, de vroolijkheid
-kwam niet terug in den kleinen vriendinnenkring.
-</p>
-<p>Melatie zat op een voetenbankje naast mevrouw Stevens en leunde met haar hoofd tegen
-Louise’s schouder. Mevrouw Oristorio was afgetrokken en Louise zeide niets. Zij was
-bleeker dan te voren en er lag iets angstigs in haar blikken, die zij tusschenbeide
-op de zware boomen in den tuin vestigde, als wilde zij door groen en afstand heen
-zien.
-</p>
-<p>»Daar!” riep zij op eens, van haar stoel opspringende met een woestheid, die de arme
-Melatie bijna van haar bankje deed tuimelen: »Daar zijn ze! God dank!”
-</p>
-<p>De heeren kwamen langzaam en statig het voorplein op rijden, gevolgd door een stoet
-oppassers en bedienden te paard die wapens, mandjes enz. te verzorgen hadden. De dames
-waren hen te gemoet gesneld en Louise en Melatie stonden op den ondersten trap van
-de stoep te lachen van vreugde en ongeduld, toen Louise plotseling verbleekte, hare
-vriendin bij de hand greep en nauw hoorbaar zeide … »Werner …”
-</p>
-<p>Melatie zag haar vader aan en riep van verre: »Waar is mijnheer Werner, papa?”
-</p>
-<p>»Hij komt, hij komt,” antwoordde de landeigenaar met iets zonderlings in zijn stem,
-en nader gekomen, stapten de heeren af, en beklommen de stoep, onder een stilzwijgen
-dat Louise verstijven deed.
-</p>
-<p>»Werner?…” vroeg zij weer, hare groote, zwarte <span class="pageNum" id="pb250">[<a href="#pb250">250</a>]</span>oogen met een onbeschrijfelijke uitdrukking op den resident vestigende en zonder een
-enkele beweging te maken.
-</p>
-<p>»Werner is genoodzaakt geweest ons zoo even te verlaten, mevrouw. Men kwam hem halen—er
-was iets op zijn fabriek gebeurd, waar hij bij moest zijn—hij komt hier dineeren,”
-antwoordde de secretaris.
-</p>
-<p>»Stevens! waar is Werner?” herhaalde Louise nogmaals, alsof de secretaris in het geheel
-niet gesproken had. En als in een droom de stoep opkomende, naderde zij den resident,
-legde hare hand op zijn arm, zag hem strak in de glasgroene oogen en vroeg zacht en
-met nadruk:
-</p>
-<p>»Wat hebt gij met Werner gedaan?”
-</p>
-<p>De vier heeren stonden als verpletterd. De resident greep zich aan de leuning van
-een stoel vast, om niet neer te storten en mijnheer Oristorio verbleekte zoo dat Melatie
-hem bij de hand vatte en met doodsangst op het gelaat naar de residentsvrouw staren
-bleef.
-</p>
-<p>»Zeg het …” vroeg Louise verder.
-</p>
-<p>Niemand antwoordde.
-</p>
-<p>»O! ik word krankzinnig als gij langer zwijgen blijft!”
-</p>
-<p>En het gelaat in de beide handen verbergende, wierp zij het hoofd tegen den witgepleisterden
-pilaar aan, waarbij zij onbewegelijk staan bleef.
-</p>
-<p>Mevrouw Oristorio en Lina schoten dadelijk toe, voerden haar zacht met zich mede en
-plaatsten haar <span class="pageNum" id="pb251">[<a href="#pb251">251</a>]</span>op een stoel dien de heeren voor haar aangeschoven hadden.
-</p>
-<p>Zij was geheel verstijfd en koud, hare witte handen waren krampachtig ineen gevouwen,
-hare lippen waren saamgeperst, haar gelaat was doodsbleek. Geruimen tijd duurde het
-eer zij weder tot zich zelve kwam. Toen zij eindelijk de donkere oogen opsloeg en
-langzamerhand de personen herkend had die haar omringden, fluisterde zij mevrouw Oristorio
-zacht toe:
-</p>
-<p>»Och laat mij even alleen met Stevens!… Ik bid het u.”
-</p>
-<p>Ongemerkt wilde het gezelschap zich uit de voorgalerij verwijderen. De resident was
-blijven zitten; maar toen hij bemerkte dat hij de eenige was, stond hij ook op en
-wilde het voorbeeld der overigen volgen.
-</p>
-<p>»August!” riep Louise zacht, hem met de hand terug wenkende »Blijf nog even.”
-</p>
-<p>Hij kwam terug, legde zijn hand op haar voorhoofd en vroeg hoe zij het maakte.
-</p>
-<p>»Goed … Ik ben niet ziek … Ik ben verdrietig.”
-</p>
-<p>»Kom, kom, niet zulke gekke kuren, hoor, wat moeten de menschen wel van je denken?…
-Ik …”
-</p>
-<p>»August,” viel zij hem in de rede, »wij zijn alleen, zeg mij nu wat er met Werner
-gebeurd is.”
-</p>
-<p>»Dat kan ik je niet zeggen. Ik zal je iemand anders zenden.” En nauwelijks had hij
-dit gesproken of hij was uit de galerij verdwenen.
-</p>
-<p>Wal er in de oogenblikken die volgden, in de geschokte <span class="pageNum" id="pb252">[<a href="#pb252">252</a>]</span>ziel der arme Louise omging is met geen woorden te beschrijven. Zij had reeds zooveel
-geleden in den laatsten tijd, zooveel gezwegen en zooveel vergeven, dat het haar was
-alsof de slag die haar nu treffen zou haar dooden moest.
-</p>
-<p>Mijnheer en mevrouw di Frama kwamen eindelijk naar voren om met haar te spreken.
-</p>
-<p>»Luister mevrouw,” begon de landheer, »gij zijt volkomen voorbereid op de treurige
-tijding, niet waar?”
-</p>
-<p>Louise knikte toestemmend.
-</p>
-<p>»Welnu, stel u dan het ergste voor wat onzen braven vriend Werner betreft. Er is …
-er is op de jacht een ongeluk gebeurd, waarvan hij het noodlottig slachtoffer werd …
-Niemand is schuldig,” vervolgde hij snel, toen hij zag met welk een vreeselijken blik
-Louise opsprong om hem in de rede te vallen. »Niemand, geloof mij, mevrouw. Het geweer
-van den resident is, zonder dat iemand weet hoe, afgegaan op het oogenblik dat hij
-omkeek om met een zijner bedienden te spreken, en de kogel trof Werner in de zijde.”
-</p>
-<p>»Dood!” fluisterde Louise, met zulk een wanhoop in haar stoel terugzinkende, dat zij
-de woorden op mijnheer di Frama’s lippen deed besterven.
-</p>
-<p>»Neen … nog niet.”
-</p>
-<p>»Nog niet …” herhaalde zij nauw hoorbaar … »En niemand bij hem!…” Zij verborg het
-gelaat in de handen en liet het hoofd op mevrouw di Frama’s schouder zinken.
-</p>
-<p>»De dokter is bij hem. En Lawson, zijn neef, de administrateur <span class="pageNum" id="pb253">[<a href="#pb253">253</a>]</span>zijner fabriek, dien wij terstond deden waarschuwen, is oogenblikkelijk hierheen gekomen,
-om bij het verbinden behulpzaam te zijn.”
-</p>
-<p>»Hierheen!… Hierheen, zegt ge?… Hij is hier! O mijn God! wat zijt gij goed!”
-</p>
-<p>Zij lachte, vouwde de handen en wilde opstaan.… Zij kon niet; haar knieën knikten,
-haar hoofd duizelde en bewusteloos zonk zij in haar stoel terug.
-</p>
-<p class="tb"></p><p>
-</p>
-<p>Bijna op hetzelfde oogenblik wordt in den ruimen koepel aan het eind der kanarilaan,
-bij den vijver, een groote baleh-baleh met buitengewone omzichtigheid binnen gedragen.
-De dokter loopt aan de eene zijde, William Lawson aan de andere, verscheidene bedienden
-volgen. Het is Werner die zwaar gewond, bijna stervende op dien baleh-baleh ligt,
-en geen enkel teeken van leven meer geeft. Zijn oogen zijn gesloten en zijn verbleekt
-gelaat verraadt niets dan lijden en uitputting.
-</p>
-<p>De dokter en de administrateur zien elkander een oogenblik veelbeteekenend aan, daarna
-wordt een der bedienden naar het hoofdgebouw gezonden en eenige minuten later treden
-mijnheer en mevrouw di Frama en Lina van Wageningen den koepel binnen. Mijnheer wordt
-dadelijk door den dokter aangesproken, mevrouw en Lina zien zwijgend naar den stervende.
-Lawson nadert haar langzaam en vraagt zacht, zeer zacht, waar de resident zich bevindt,
-er nog zachter bijvoegende: »zijn plaats was hier … want zijn schuld is hier …”
-<span class="pageNum" id="pb254">[<a href="#pb254">254</a>]</span></p>
-<p>Lina grijpt zijn hand en ziet hem zóo smeekend aan, dat hij zwijgen blijft.
-</p>
-<p>»Wat kunnen wij voor hem doen?” vraagt mevrouw di Frama.
-</p>
-<p>»Niets. De dokter durft niet te extirpeeren, hij vreest dat de dood zich dan niet
-lang zal laten wachten. O, resident van Langendijk!…”
-</p>
-<p>»Ik weet het niet …” zegt de dokter, met den landheer sprekende. »Is de kogel niet
-te ver gegaan, dan is er hoop op herstel … ofschoon ik vrees … de long is geraakt …
-De kogel is tusschen de ribben door gegleden … aan geen extirpeeren te denken … bloedstelpen.…
-en wachten.… Een leelijke geschiedenis, mijnheer …”
-</p>
-<p>»Een ongeluk, dokter, een droevig geval.”
-</p>
-<p>»Kunnen wij u in eenig opzicht van dienst wezen, dokter?” vraagt mevrouw di Frama.
-</p>
-<p>»Dank je mevrouw; er is nog niets te doen. Wij moeten wachten … wachten … maar mocht
-er eenige verandering komen hetzij ten goede, hetzij ten kwade, dan zal ik zonder
-aarzelen van uw vriendelijk aanbod gebruik maken.”
-</p>
-<p>Daarna werd besloten dat de dames naar huis terug zouden keeren en dat mijnheer Oristorio
-en Lawson met den dokter zouden waken.
-</p>
-<p>»Wij zullen om beurten waken,” zeide de dokter met een bedenkelijk hoofdschudden.
-»De <span class="corr" id="xd31e4577" title="Bron: patient">patiënt</span> eischt voor het oogenblik niets dan toezicht. Mocht er beterschap komen dan zullen
-wij later de krachten <span class="pageNum" id="pb255">[<a href="#pb255">255</a>]</span>noodig hebben die wij nu niet verspillen mogen.”
-</p>
-<p>»Wil ik u een matras zenden, dokter, voor de twee heeren die rusten kunnen?”
-</p>
-<p>»Als je blieft mevrouw.”
-</p>
-<p>»Och dokter, wat ik je bidden mag, kan je niet een oogenblik meegaan om naar mevrouw
-Stevens te zien? Wij hebben zoo even letterlijk geen raad met haar geweten. Zij is
-nu wat kalmer, maar wij vreezen dat die kalmte niet van langen duur zal wezen.”
-</p>
-<p>»Arm vrouwtje!”
-</p>
-<hr class="tb"><p>
-</p>
-<p>Louise lag in de achtergalerij op een rustbank uitgestrekt, Melatie zat aan haar voeten.
-Zij weende, en lachte door haar tranen heen, terwijl het meisje haar vleiend eenige
-woorden toevoegde, die niemand hoorde dan zij.
-</p>
-<p>»Beloof je ’t me, Melatie?”
-</p>
-<p>»Ik beloof het u mevrouw.”
-</p>
-<p>»Wat er ook gebeuren moge, je zult me helpen, niet waar.”
-</p>
-<p>»Stellig mevrouw, reken op me.”
-</p>
-<p>»Stevens kwam mij zeggen dat hij dood was.”
-</p>
-<p>»Niet waar, mevrouw—hij leeft—ik weet zeker dat hij leeft. Ik heb het den jongen gevraagd
-die mama kwam roepen … Chut!<span class="corr" title="Bron: ..">…</span> Ik hoor wat<span class="corr" title="Bron: ..">…</span>” en snel opspringende vloog zij de binnengalerij in om te zien wien zij had hooren
-loopen.
-</p>
-<p>»Het is mama, met de juffrouw en den dokter,” riep zij vroolijk en, Louise’s hand
-grijpende fluisterde zij <span class="pageNum" id="pb256">[<a href="#pb256">256</a>]</span>haastig: »Vraag naar niets. Ik zal alles weten en ik zal u alles naar waarheid mededeelen!”
-</p>
-<p>Louise glimlachte en reikte den dokter de hand met een kalmte die hem verbaasde.
-</p>
-<p>»Beter, veel beter dan ik verwacht had,” zeide hij, »wat zenuwachtig, maar …”
-</p>
-<p>Hij zweeg een oogenblik en zag haar uitvorschend aan met zijn schranderen, scherpzienden
-blik, waarvoor het jonge vrouwtje hare donkere oogen nedersloeg.
-</p>
-<p>»Er broeit iets op den bodem dier krachtige ziel,” dacht hij bij zich zelven, en opstaande
-om heen te gaan, reikte hij haar nogmaals de hand, met de woorden: »Tot van avond,
-mevrouw; ik kom tegen acht uur terug; houd goeden moed, en ga zóo voort.”
-</p>
-<p>Louise zag hem aan, alsof zij vragen wilde: »Wat bedoelt gij, dokter?” maar zij zeide
-niets en de dokter verdween.
-</p>
-<p>»Een lief vrouwtje!” sprak hij als tot zich zelven, zoodra hij zich met mevrouw di
-Frama alleen in de binnengalerij bevond.
-</p>
-<p>»Een <span class="ex">kind</span>,” beweert de resident.
-</p>
-<p>»Dan toch een kind met een helder hoofd en een edel hart! Ik ken maar weinig vrouwen
-van wie men zóoveel zeggen kan.”
-</p>
-<p>»Ik ook dokter!”
-</p>
-<p>Een oogenblik liepen beiden zwijgend voort.
-</p>
-<p>»Dokter”, begon mevrouw Oristorio weder, »vindt gij haar niet onbegrijpelijk kalm,
-na die vreeselijke wanhoop van zoo even?”
-<span class="pageNum" id="pb257">[<a href="#pb257">257</a>]</span></p>
-<p>»Kalm? Neen dat is geen kalmte, dat is wilskracht—geestdrift—overspanning. Wee als
-de reactie komt!”
-</p>
-<p>»Zij vraagt naar niets meer.”
-</p>
-<p>»Dan weet zij alles.”
-</p>
-<p>»Neen, de resident heeft haar gezegd dat hij overleden was, en van dat oogenblik af
-is ze kalmer geworden.”
-</p>
-<p>»Vreemd … zeer vreemd.”
-</p>
-<p>De dokter spoedde zich naar zijn patiënt terug en mevrouw di Frama begaf zich naar
-Louise, met wie zij geruimen tijd bleef praten over alles, behalve over den ongelukkigen
-Werner.
-</p>
-<p>Toen het avondeten opgebracht werd, verliet Louise de achtergalerij. Zij had geen
-honger, zij wilde niets gebruiken, zij was uitgeput van vermoeidheid en verlangde
-naar rust. Terwijl de huisgenooten zich dus aan tafel zetten, werd Louise naar haar
-kamer geleid door Melatie die haar bij het ontkleeden behulpzaam zoude wezen.
-</p>
-<p>»Vertel mij nu gauw waar hij is? Kan ik hem zien? Hoe, en wanneer?”
-</p>
-<p>»Wacht, laat ik u even een doek omslaan, het is buiten frisch, en als gij waken wilt,
-moogt gij niet ziek worden. Hij is in den grooten koepel aan het einde der kanarielaan.
-De dokter alleen is bij hem, de andere heeren zijn aan tafel; ik geloof dat wij een
-goed oogenblik gekozen hebben.”
-</p>
-<p>»Kom dan!”
-</p>
-<p>En zonder verder een woord samen te spreken <span class="pageNum" id="pb258">[<a href="#pb258">258</a>]</span>snelden de beide dames gearmd den tuin door naar den koepel, waar de gewonde lag.
-</p>
-<p>»Dank je, Mela, dank je! Keer nu gauw naar huis terug en ga aan tafel alsof er niets
-gebeurd was. Ik wil niet dat ze u beschuldigen zullen van mijn heimelijke vlucht.
-Dank je!…”
-</p>
-<p>En na Melatie een hartelijken zoen op het voorhoofd gedrukt te hebben, sloop Louise
-den koepel binnen, waar zij, zonder acht op den dokter te slaan, op den baleh-baleh
-plaats nam, haar hand op Werners voorhoofd legde en hem in de half gesloten oogen
-zag, met zulk een grenzenlooze droefheid, met zulk een onuitsprekelijke liefde, dat
-de dokter als verlamd op zijn stoel bleef zitten zonder een woord te kunnen uiten.
-</p>
-<p>Lang bleef zij zoo staren op het doodsbleeke gelaat van den jongeling; eindelijk hief
-zij langzaam het hoofd op en vroeg zij zacht en onderworpen: »Dokter, <span class="ex">moet</span> hij sterven?”
-</p>
-<p>»Neen, mevrouw, er is nog hoop op herstel, maar.…”
-</p>
-<p>»Zeg alles, dokter.”
-</p>
-<p>»Wij moeten ons geen illusies maken. Zijn toestand is hoogst gevaarlijk, de minste
-aandoening …”
-</p>
-<p>Hij zag Louise scherp aan. Zij verstond zijn blik en antwoordde zonder aarzelen:
-</p>
-<p>»Zeg zulke dingen niet op mij, dokter. Het is hier een stervende dien wij te verplegen
-hebben.… Laat geen ellendige <span class="ex">cancans</span> de rust van dit vertrek ontheiligen.”
-<span class="pageNum" id="pb259">[<a href="#pb259">259</a>]</span></p>
-<p>De dokter beet zich op de lippen en zweeg. Louise sloeg de oogen neer en bleef onbewegelijk
-op den baleh-baleh zitten.
-</p>
-<p>Nooit was de jonge vrouw zoo schoon geweest als thans, nu het heldere licht der maan
-door de hooge vensters op haar viel. Nooit had er zóoveel lijden, zóoveel onderwerping,
-zóoveel vastberadenheid uit die kalme trekken gesproken als op dit oogenblik. Er was
-iets indrukwekkends in die rustige droefheid, iets dat aantrok en zwijgen deed, iets
-dat medelijden inboezemde, dat bewondering opwekte, dat eerbied eischte. De dokter
-gevoelde het.
-</p>
-<p>»Die vrouw is onschuldig,” dacht hij bij zich zelven, »wat de wereld er ook van zeggen
-moge.” En vreemd, er vlood hem een beeld voor den geest dat niets gemeen had met hetgeen
-hem omringde. Een jong meisje met helderblauwe oogen en goudblonde lokken … »Zoo kunnen
-vrouwen alleen liefhebben!” sprak hij half overluid; »mijn God welk een schat van
-liefde hebt gij in het reine hart der vrouw gestort!”
-</p>
-<p>Louise zag op. Zij meende dat de dokter sprak, maar de dokter hield de oogen zóo strak
-op de roode vloersteenen gevestigd, dat ook zij weer in haar vorig stilzwijgen verviel,
-zonder acht op iets anders te geven dan op den lijder die naast haar lag en wiens
-geringste ademhaling zij gadesloeg met een geduld dat aan wanhoop grensde.
-</p>
-<p>»Dezelfde zachtheid,” dacht hij verder, »dezelfde droefheid, dezelfde onderwerping
-en ook dezelfde kracht … <span class="pageNum" id="pb260">[<a href="#pb260">260</a>]</span>zieleleven … zielelijden … en zieletriomf! Viola! Arme miskende Viola!”
-</p>
-<p>Louise zag weer op, maar de dokter staarde nog steeds op dezelfde roode steenen.
-</p>
-<p>»O! de vrouw die groot is, mag voorwaar het schoonste, het edelste, het volmaaktste
-gewrocht der goddelijke schepping genoemd worden! Waar anders vinden wij die trouw,
-die vastberadenheid, die kracht, die fiere deugd, die zelfopofferende liefde, die
-alles vergevende zachtheid … die onuitputtelijke …”
-</p>
-<p>»Wat blieft u, dokter?”
-</p>
-<p>»Mevrouw?”
-</p>
-<p>»Ik meende dat gij iets zeidet?”
-</p>
-<p>»Ik? Vergeving mevrouw … Ik was in gedachten<span class="corr" title="Bron: ..">…</span> Heb ik iets gezegd?”
-</p>
-<p>»Ik meende het.”
-</p>
-<p>De dokter antwoordde niet, en Louise vroeg niet verder.
-</p>
-<p>Geruimen tijd bleef alles stil en rustig in den grooten koepel. Toen kwam een der
-jongens een lamp brengen en vragen hoe het met den toewan ging.
-</p>
-<p>»Hetzelfde,” antwoordde de dokter, en weer begon de stilte met haar eigenaardig gegons
-van krekelgezang en bladergeritsel.
-</p>
-<p>»Hierheen,” zeide een stem die nader kwam, en bijna op hetzelfde oogenblik traden
-Stevens en de secretaris binnen.
-</p>
-<p>De dokter ontstelde hevig en de secretaris niet minder, terwijl de resident als door
-den bliksem getroffen tegenover <span class="pageNum" id="pb261">[<a href="#pb261">261</a>]</span>zijn vrouw bleef staan, leunende tegen den deurpost die hem belet had neer te storten.
-Louise alleen had geen de minste aandoening verraden; kalm als te voren had zij haar
-groote donkere oogen op haar echtgenoot gevestigd en hem bijna fluisterend toegevoegd:
-</p>
-<p>»Kassian!… hij sterft … blijf je bij hem van nacht?…”
-</p>
-<p>Stevens’ verontwaardiging had haar hoogste toppunt bereikt. Hij stotterde, beefde,
-balde de vuisten, maar kon geen woord uiten. Zijn aangezicht was rood als vermiljoen,
-zijn oogen traanden, als touwen lagen de opgezwollen aren over het saamgetrokken voorhoofd,
-hij wilde spreken, loopen, handelen,—te vergeefs, hij wankelde en zeeg op een stoel
-neer met een kreet die aan brullen denken deed.
-</p>
-<p>»Hier?” riep hij eindelijk, zich met moeite aan de leuning van zijn stoel vastklemmende,
-»wat doe jij hier?”
-</p>
-<p>Louise zag hem onverschrokken, half verwijtend aan, maar zeide niets.
-</p>
-<p>De resident was als verpletterd.—Welke macht had die vrouw, dat zij hem beletten kon
-haar te dooden, te verbrijzelen in een oogenblik als dit?
-</p>
-<p>Vuur in zijn hoofd, vlammen voor zijn oogen, trommelslagen aan zijn ooren, kanonschoten
-in zijn hart!… Alles kookte, gonsde, suisde, brandde om hem heen …
-</p>
-<p>Een kleine hand, een zachte stem brachten plotseling rust en koelte in die verwarde
-hitte.
-<span class="pageNum" id="pb262">[<a href="#pb262">262</a>]</span></p>
-<p>»Luister August, laat u niet door uw drift vervoeren in oogenblikken van angst en
-droefheid waarin wij elkander allen noodig hebben. Er zijn ongelukken genoeg gebeurd …
-er moet hier gehandeld en geholpen worden zonder haat en zonder wrok.”
-</p>
-<p>»Naar huis! Naar huis terug!” dat was al wat hij zeggen kon, en de daad bij het woord
-voegende, greep hij zijn vrouw bij de schouders en stiet haar van zich af, met een
-kracht die haar tegen den deurpost gedood zou hebben, als de dokter en de secretaris
-niet tusschenbeiden waren gekomen om haar uit zijn handen te redden.
-</p>
-<p>»Naar huis, gebied ik u!” gilde hij met een schier onmenschelijke stem, juist op het
-oogenblik dat mijnheer Oristorio en Lawson terugkwamen om den dokter af te lossen,
-die naar het hoofdgebouw zou gaan om te eten.
-</p>
-<p>Louise had zich intusschen een weinig hersteld en stond in haar wit morgengewaad,
-met haar loshangend haar, en haar doodsbleek gelaat naast den baleh-baleh, als ware
-zij de Gerechtigheid die vonnissen kwam en nog even toefde op de plaats der misdaad
-alvorens het woord <span class="ex">schuldig</span> uit te spreken.
-</p>
-<p>»Ik ga geen pas van hier,” sprak zij vastberaden en met nadruk, terwijl zij haar somber
-oog met buitengewone kracht op Stevens vestigde: »Mijne plaats is hier, aan de sponde
-van hem die door uw toedoen ongelukkig is geworden,” en na een oogenblik zwijgens
-voegde zij er zachter bij, terwijl zij naast den baleh-baleh neerknielde en hare hand
-op het hoofd van den stervende lei:
-<span class="pageNum" id="pb263">[<a href="#pb263">263</a>]</span></p>
-<p>»Zoo lang hij leeft—en zoo lang hij niet buiten gevaar zal wezen, wijk ik niet van
-hier.”
-</p>
-<p>»Dat zullen wij eens zien!”
-</p>
-<p>En weder sprong hij op Louise toe, met een woede die voor het ergste deed vreezen.
-</p>
-<p>»Halt resident!” In een oogenblik was hij door de vier heeren omsingeld die hem toespraken,
-beschuldigden, geruststelden, laakten, goedkeurden en ten laatste meevoerden naar
-het hoofdgebouw.
-</p>
-<p>Lawson was de eerste die in den koepel terugkwam. Hij kende Louise niet, hij had haar
-nooit te voren gezien en in de verwarring van zoo even had hij niets begrepen van
-de betrekking waarin zij tot de overige personen stond. Eerst in den tuin was het
-hem uit het spreken der heeren duidelijk geworden dat die idealisch schoone vrouw,
-welke hem in de eerste oogenblikken een hemelsche verschijning had toegeschenen, mevrouw
-Stevens van Langendijk was.
-</p>
-<p>Schoorvoetend komt hij den koepel binnen. Louise ziet hem aan en lacht. Zij ligt nog
-geknield naast den baleh-baleh en wenkt hem om nader te komen.
-</p>
-<p>»Hij slaapt!” fluistert zij zacht, de blonde lokken van Werner’s voorhoofd wegstrijkende.
-»Wat slaapt hij zacht! Wat is hij gelukkig!”
-</p>
-<p>Lawson wil zich over hem heen buigen, maar Louise houdt hem terug. »Niet zóo dicht
-bij … hij slaapt,” en opstaande, vat zij Lawson bij de hand en voert hem mede naar
-het andere einde van den koepel.
-<span class="pageNum" id="pb264">[<a href="#pb264">264</a>]</span></p>
-<p>»Gij zijt zijn vriend, niet waar?” vraagt zij de oogen neerslaande.
-</p>
-<p>»Ja, mevrouw, wij hebben elkander lange jaren gekend en …”
-</p>
-<p>»Ook ik,” valt zij hem nauw hoorbaar in de rede, »ook ik heb die groote, edele ziel
-gekend<span class="corr" title="Bron: ..">…</span> en verstaan!<span class="corr" title="Bron: ..">…</span> Ik heb meer dan eens in dat fiere, warme hart gelezen; op de wieken van die alles
-omvattende verbeelding door de eeuwige ruimte der natuur gezweefd … Maar ik ben een
-vrouw, niets dan een rampzalige vrouw, met een hoofd dat niet denken, met een hart
-dat niet gevoelen mag … O! ware ik een man geweest! Welk een heerlijk reine vriendschap
-had dan mijn leven aan het zijne kunnen hechten. Met welk een onuitsprekelijk geluk
-had ik dan dien krachtigen geest van nabij kunnen leeren kennen, die heerlijke ziel
-naar waarde leeren schatten! Wat had ik goed en braaf kunnen wezen aan de zijde van
-dien man! O, zulk een voorbeeld maakt grooter, maakt beter, brengt nader tot de volmaaktheid …
-Ik zou het gevolgd hebben, dat gevoel ik, en dáar waar ik niet meer had kunnen volgen,
-dáar zou ik bewonderd hebben, bewonderd en gebeden en den Schepper gedankt voor de
-grootheid aan dien mensch geschonken!”
-</p>
-<p>Zij had met geestdrift en vuur gesproken, een lichte blos gloeide op haar wang, een
-fiere lach omzweefde de fijne lippen, een dweepende uitdrukking van dankbaarheid en
-vereering verleende aan de omhoog geslagen oogen een zachtheid, een helderheid, een
-<span class="pageNum" id="pb265">[<a href="#pb265">265</a>]</span>reinheid die Lawson in verrukking deden uitroepen:
-</p>
-<p>»Idealisch schoon! Welk een heerlijke extase!”
-</p>
-<p>Hij was als betooverd door Louise’s meesleepende opgewondenheid en wist zelf niet
-dat hij gesproken had.
-</p>
-<p>De jonge vrouw had hem een oogenblik verwonderd aangezien, als verstond zij zijne
-woorden niet, toen had zij de oogen neergeslagen en het hoofd gebogen en zacht, bijna
-fluisterend herhaald:
-</p>
-<p>»Maar ik ben eene vrouw … niets dan een rampzalige vrouw, met een hoofd dat niet denken …
-met een hart dat niet gevoelen mag!… Toch was ik ook geschapen om te denken, om te
-gevoelen, om gelukkig te wezen … God heeft eenmaal bevolen »<span class="ex">denk</span>!” Maar de menschen hebben »<span class="ex">neen</span>” gezegd en, in plaats van denken, hebben ze ons <span class="ex">gehoorzamen</span> en <span class="ex">volgen</span> geleerd … en het hoofd is vergeten geworden.… Zoo was Gods tweede bevel »<span class="ex">gevoel</span>!” Maar de wereld heeft weder »<span class="ex">neen</span>” gezegd en, in plaats van gevoelen, heeft zij ons <span class="ex">zwijgen</span> en <span class="ex">veinzen</span> geleerd … En het hart is verloren geraakt!… »<span class="ex">Zijt gelukkig!</span>” dat was Gods laatste bevel. En daarop heeft de menschheid geantwoord met een schaterlach,
-»ja, zijt gelukkig als gij kunt!…”
-</p>
-<p>»Zonder hoofd en zonder hart! Niets om te behouden en niets om weg te schenken … Niets
-om gelukkig te zijn en niets om gelukkig te maken! Leegte in de eenzaamheid … en eenzaamheid
-in het gewoel der <span class="pageNum" id="pb266">[<a href="#pb266">266</a>]</span>wereld!… Chaos, waar de geest ook zoekt! Chaos, wat de ziel ook vraagt!.… Schoonheid,
-rijkdom, jeugd en weelde! Een danspas en een schaterlach! En verder? Nijd en afgunst,
-haat, bespotting! Aanbidding, wantrouwen, miskenning en verachting!… En dan geen hoofd
-dat strijden kan! Geen hart dat troost kan geven!… Chaos! Chaos! O, mijn God!”
-</p>
-<p>Zij zweeg en zonk uitgeput op den baleh-baleh neder, dien zij al sprekende genaderd
-was.
-</p>
-<p>»Wat slaapt hij zacht? Wat is hij gelukkig!” En weer de blonde lokken wegstrijkende
-legt zij hare hand op Werners voorhoofd en ziet zij hem aan met die grenzenlooze liefde
-welke den dokter zoo even aan een andere vrouw deed denken … Een jonge, schoone maagd,
-met goudblond haar, en hemelreine oogen, staande gestorven, met een gelukkigen lach,
-in een helderblauw gewaad.…
-</p>
-<p>»Hoe gaat het hem?”
-</p>
-<p>Het was de dokter, die van tafel terugkwam.
-</p>
-<p>Louise wenkte hem met de hand om stil te zijn en naderbij te komen en lachend naar
-hem opziende sprak zij zacht en rustig:
-</p>
-<p>»Hij is dood … reeds sedert jaren dood!… Ik alleen heb het geweten, maar ik wilde
-het aan niemand zeggen dan aan u, omdat gij het toch zoudt zien!…”
-</p>
-<p>De pijnlijke, de afschuwelijke stilte welke op deze woorden volgde, zeide meer dan
-een der aanwezige personen in staat geweest zou zijn door woorden uit te drukken.
-</p>
-<p>Een schelle, wilde lach weerklonk in den hoogen <span class="pageNum" id="pb267">[<a href="#pb267">267</a>]</span>koepel, en golfde langs het heldere water van den vijver, door den tuin, tot zelfs
-in de voorgalerij van het hoofdgebouw. Vlug als een hinde sprong Louise op den baleh-baleh
-en, in de eene hand de lamp houdende, terwijl zij met de andere het hoofd van den
-doode ondersteunde vroeg zij met een triomfantelijken lach:
-</p>
-<p>»Welnu, dokter, heb ik geen waarheid gesproken?”
-</p>
-<p>»Volkomen waarheid, mevrouw.”
-</p>
-<p>Daarop zag hij Lawson aan.
-</p>
-<p>Groote tranen biggelden langs de wangen van den jongen administrateur. Louise zag
-ze. Langzaam klom ze van den baleh-baleh af, zette de lamp ter zijde en legde haar
-hand op zijn schouder.
-</p>
-<p>»Ben je bedroefd?” vroeg zij medelijdend. »Hij is ook je vriend geweest, niet waar?
-<span class="ex">Mijn</span> vriend heeft hij nooit mogen wezen, want ik ben een vrouw, een rampzalige vrouw,
-en de wereld had »<span class="ex">neen</span>” gezegd … Toch had ik nooit mijn hart aan iemand anders geschonken, nooit dat van
-een ander verlangd of aangenomen.…
-</p>
-<p>»Eens heeft hij mij van liefde gesproken, éens, bij het ziekbed van den kleinen Willem,
-op een avond dat wij alleen waren, en dat ik geweend had over het heengaan van de
-kinderen.… de kinderen van Mina, de mooie, trouwe, ongelukkige Mina! Zij is dood.
-Toch was ook zij geschapen om gelukkig te wezen. Met een schat van liefde en gezond
-verstand had de Schepper haar bedeeld, maar de menschen hadden »<span class="ex">neen</span>” gezegd, en nadat zij schoon gevonden en aangebeden was geworden, heeft zij smaad
-en verachting gekend …
-<span class="pageNum" id="pb268">[<a href="#pb268">268</a>]</span></p>
-<p>»Zij is dood … evenals hij die dáar voor ons ligt, en die ook een gelukkiger leven
-verdiend had dan hij gehad heeft … Wat hadden wij te zamen gelukkig kunnen wezen!
-Nog eens heeft hij mij van liefde gesproken, nog eens, toen wij alleen waren met het
-lijkje van een kind<span class="corr" title="Bron: ..">…</span> en toen heb ik »<span class="ex">neen</span>” gezegd, »<span class="ex">neen</span>” als de wereld, »<span class="ex">neen</span>” als de menschen, die mij hadden leeren zwijgen en veinzen! Die leugen heeft hij
-mij vergeven, niet waar? Hij weet nu dat het de wereld was die sprak, de menschen
-die den resident tusschen hem en mij geplaatst hadden … Maar nu is er niemand meer
-tusschen ons<span class="corr" title="Bron: ..">…</span> hij is dood! En de dooden behooren ons, meer dan degenen die nog leven!
-</p>
-<p>»Chut!<span class="corr" title="Bron: ..">…</span> Voetstappen!<span class="corr" title="Bron: ..">…</span> De resident misschien!<span class="corr" title="Bron: ..">…</span> Komt binnen heeren! Goede tijding!<span class="corr" title="Bron: ..">…</span>” En met woeste vlugheid mijnheer Oristorio en den resident tegemoet snellende, vatte
-zij beiden bij de hand en riep met een schaterlach:
-</p>
-<p>»Dood! Hij is dood, de mooie, jonge, krachtvolle Werner! Dood! Getroffen door een
-kogel van den resident!… Vloek, mijn God! Vloek over het hoofd van den moordenaar!”
-</p>
-<p>Zij lachte weder, en vloog den tuin in waar men haar bewusteloos, aan den voet van
-een mangaboom wedervond.
-<span class="pageNum" id="pb269">[<a href="#pb269">269</a>]</span></p>
-</div>
-<div class="footnotes">
-<hr class="fnsep">
-<div class="footnote-body">
-<div class="fndiv" id="xd31e4488">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e4488src">1</a></span> Dispens: provisie-kamer.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e4488src" title="Ga terug naar noot 1 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e4491">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e4491src">2</a></span> Mati: dood,&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e4491src" title="Ga terug naar noot 2 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div id="ch33" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e498">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="label">DRIEENDERTIGSTE HOOFDSTUK</h2>
-<h2 class="main">KRANKZINNIG</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Den volgenden morgen was alles droefheid en verwarring in het gisteren nog zoo vroolijke
-buitenverblijf der Oristorio’s.
-</p>
-<p>Louise was niet aan het ontbijt verschenen, ook mevrouw di Frama had men nog niet
-gezien. De resident had brood en thee in zijn kamer doen brengen, en de overige huisgenooten,
-waaronder ook Lawson en de dokter, zaten zwijgend om de groote tafel in de achtergalerij.
-Melatie was de eerste die de stilte verbrak met de woorden:
-</p>
-<p>»Ik wilde haar zoo gaarne zien, papa.”
-</p>
-<p>»Niet mogelijk, kind, zij is zoo vreeselijk opgewonden, dat het niet anders dan nadeelig
-voor u zou kunnen zijn, haar op dit oogenblik te bezoeken.”
-</p>
-<p>»Toch zou het mogelijk goed voor haar wezen, daar …”
-</p>
-<p>»Welnu? Wat wildet gij zeggen?”
-</p>
-<p>»Och! ik weet het niet.—Paatje, toe, laat mij even gaan? Even slechts. Ik beloof dat
-ik niet zal schrikken, dat ik niet akelig zal worden—mag ik?”
-</p>
-<p>»Ja, kon het een goede uitwerking op de patiënte hebben, dan zou ik zeggen: Ga, kind,
-en breng er <span class="pageNum" id="pb270">[<a href="#pb270">270</a>]</span>het uwe toe bij om eenige klaarheid te geven aan dien verwarden geest—maar ik vrees
-dat hier tijd en verandering van omgeving alleen als geneesmiddelen kunnen aangewend
-worden; ik vrees zelfs dat het weerzien van iederen persoon die eenigszins in de noodlottige
-gebeurtenis van gisteren betrokken is geweest, haar een nieuwen schok zal geven, die
-in een vlaag van razernij of wanhoop los zal breken. Ik kan mij echter vergissen,
-want van den raadselachtigen toestand waarin zij thans verkeert, is niets met zekerheid
-te zeggen.”
-</p>
-<p>»O! mocht ik maar gaan! Ik gevoel dat ik haar zou kunnen troosten! Wij begrijpen elkaar
-zóo goed! Toe, mag ik, dokterlief? zeg maar »ja”. Gij zult er geen berouw van krijgen.”
-</p>
-<p>»Nu, ja dan. Maar ik ga met u mede, want maakt het u zenuwachtig dan moet gij weg.”
-</p>
-<p>»Was de resident maar weg!” antwoordde zij fluisterend, terwijl zij hare hand op zijn
-arm legde en met hem naar de logeerkamer ging.
-</p>
-<p>»Ja, was de resident maar liever …”
-</p>
-<p>»In Werners plaats gestorven, niet waar?—Ik heb hetzelfde gedacht, maar ik durfde
-het niet zeggen!”
-</p>
-<p>»Ik heb het toch niet gezegd?”
-</p>
-<p>Louise stond naast den stoel van den resident. Zij lachte overluid en noemde hem »<span class="ex">moordenaar</span>”, juist op het oogenblik toen Melatie binnentrad.—Zoodra zij den dokter zag, riep
-zij hem tot getuige:
-<span class="pageNum" id="pb271">[<a href="#pb271">271</a>]</span></p>
-<p>»Niet waar, dokter, je bent het immers met me eens, de eerlooze machthebber haat al
-wat hij bewonderen moet, doodt al wat hij benijdt.—Alsof hij zelf daardoor rijzen
-kon!—Nog lager gevallen! Nog dieper gezonken! En dat is grootheid? Wat de wereld grootheid
-noemt! Dáar ligt een ziel, een geweten, een geheel bestaan van zelfopoffering en verdienste.…
-dood, verlaten, op een ouden baleh-baleh! En hier zit een moordenaar in het volle
-licht van den dag … Trotsch en krachtig, alvermogend … gesteunpilaard door ridderorden
-en een grooten gouden pajong! Dáar de eenzaamheid, de stilte, de dood alleen, die
-’t lijk bewaakt. Hier rijkdom en weelde, hoogmoed die zich zelven kroont. Dáar—maar
-wacht … een zucht, een traan, een lach, een bede … stil!—Luister—stil—stil—luister.…
-</p>
-<p>»Mina komt ongeluk brengen over het huis, dat gevloekt is geworden door de vrouw die
-gij bedrogen hebt, door de kinderen die gij verstooten hebt!…”
-</p>
-<p>»Louise!” riep de resident, plotseling opspringende. »Louise, wat zegt gij dáar!”
-</p>
-<p>»De waarheid, toewan bezar! (groote heer) de zuivere waarheid! Die waarheid is een
-vrouw en die vrouw heet Mina … Ze is dood—maar voor u toch leeft ze nog,—en zal ze
-blijven leven … even lang als gij!—Voor mij ook blijft ze leven … Wat was ze schoon!
-Arme Mina! Ha! daar is zij!…”
-</p>
-<p>Haar oog was op Melatie gevallen, die zij bij de hand <span class="pageNum" id="pb272">[<a href="#pb272">272</a>]</span>vatte en mede voerde, naar den stoel van den resident.
-</p>
-<p>»Hier is ze, Mina!” vervolgde zij half weenend, half triomfant. »De mooie, jonge,
-edele Mina! Mina die geen schatten vroeg, voor wie de grootheid geen waarde had.…
-Want Mina had geen liefde voor geld, en zoo had ze ook geen achting voor de ridderorden
-en geen eerbied voor den grooten gouden pajong,—want ze had te vergeefsch naar een
-hart gezocht onder al die bonte linten, en ze had nooit een hoofd gezien onder dien
-verblindend schoonen pajong.
-</p>
-<p>»Liefde, achting, waarheid, dat was al wat zij verlangde. En het was te veel—het was
-meer dan gij bezat, dus ook meer dan gij geven kondet … Maar dat hebt gij nooit bekend—dáar
-waart gij te trotsch toe … Gij wildet niet weten hoe arm gij waart—en daarom beloofdet
-gij woorden, en gaaft gij geld.—Geld, aan Mina!… Zij heeft voor het geld een kris
-gekocht.—Een kris om een vrouw te dooden—maar ze heeft haar niet gedood.—Kassian!
-zij leeft nog, het arme schepsel … Ze is »<span class="ex">krankzinnig</span>” zeggen ze … Toen was zij niet krankzinnig, toen was ze jong en schoon en aangebeden …
-Ziek is ze daarna geweest—zóo ziek dat de menschen dachten dat ze dood was—maar ze
-kon niet sterven—ze mocht niet sterven, zij moest eerst nog iets hooren, nog iets
-weten—en zij heeft het gehoord.—Zij weet het, resident!
-</p>
-<p>»Gij weet niet wat, niet waar? Gij kunt het niet gissen?—Wacht, ik zal het u zeggen.—Mina
-had gewaakt bij de jonge, zieke vrouw, zij had haar geholpen en verzorgd<span class="pageNum" id="pb273">[<a href="#pb273">273</a>]</span>—toen alle grooten sliepen.—Zij had den resident geantwoord, toen …”
-</p>
-<p>»Louise! Ik smeek u, om Godswil, zwijg!”
-</p>
-<p>De resident liep hijgend, zuchtend, weenend, met zulke hartverscheurende gebaren in
-de rondte, dat de dokter hem bij den arm greep en uit de kamer voerde, Melatie een
-wenk gevende, om haar te doen begrijpen dat hij terstond terug zou komen, uit vrees
-van haar met Louise alleen te laten.
-</p>
-<p>Nauwelijks waren de heeren de kamer uit of <span class="corr" id="xd31e4887" title="Bron: Louies">Louise</span> vloog naar de deur, sloot haar en verborg den sleutel onder de kussens, in bed.
-</p>
-<p>»Alleen!” riep zij met een vreugdekreet, die de ramen trillen deed. »Alleen met Mina
-die goed is, en alles van de arme Louise weten mag.—Maar waar zijt gij al dien tijd
-geweest?—Waarom heb ik u in zóo lang niet gezien?—De menschen hebben mij gezegd dat
-gij gestorven waart, maar de dooden kunnen niet terugkomen … niet waar?—O! konden
-zij dat, wat zou ik dan gelukkig wezen!”
-</p>
-<p>Zij zweeg en scheen op antwoord te wachten. Maar Melatie sloeg haar arm om Louise’s
-hals en zeide niets, zij wist niet wat zij antwoorden moest.
-</p>
-<p>»Arme Mina!” hernam de jonge vrouw, het meisje medelijdend aanziende. »Arme Mina!
-En ik wilde u niet binnenlaten toen gij naar uwe kamer terugkeerdet, er uwe kinderen
-dacht te vinden en den man dien gij lief hadt misschien?… Zij zijn naar Holland, uwe
-kinderen … weet gij het?—Hun vader heeft ze weg <span class="pageNum" id="pb274">[<a href="#pb274">274</a>]</span>gezonden—tegen mijn zin, want ik wist wel dat gij zoudt terugkomen om ze te zien—uwe
-kinderen, die gij nooit vergeten zoudt, zelfs niet al waart ge ook werkelijk gestorven!…
-Arme Mina! Gij hebt een’ vloek geworpen op het huis van den resident en uwe kinderen
-zijn getroffen geworden, even als de vrouw die uwe plaats heeft ingenomen … maar de
-man dien uw vloek moest treffen, is gespaard gebleven, en spot met het ongeluk dat
-wijkt voor zijn schaterlach!”
-</p>
-<p>Melatie begreep niet veel van hetgeen zij hoorde, en bleef zwijgen.
-</p>
-<p>»Neen … zóo was het niet …” vervolgde Louise, zich, als met moeite, herinnerende wat
-er gebeurd was. »Willempje is gestorven … en daarna heeft hij August alleen weg gezonden
-ondanks al mijn smeeken … Ik heb voor uwe kinderen gedaan wat ik kon … geloof mij,
-Mina. Ik kon niet meer. Ik had geen recht op uw kinderen, zeide hij, en daarop zijn
-beide mij ontnomen geworden. Ik heb minder getreurd over Willem dan over August, want
-Willem was dood en August zou mishandeld worden … Ik wist het wel … Daarom zend ik
-hem geld en allerhande kleinigheden van hier, zoo dikwijls ik maar kan, opdat de menschen
-weten zullen dat iemand hem toch lief heeft en dat iemand over hem waakt … En alles
-zend ik hem uit naam van zijn vader, want mij zouden de menschen niet tellen. Ik heb
-geen recht, zoo als ze dat heeten … Zijn vader alleen heeft recht!… Zelfs recht om
-te dooden! Vloek! Vloek! Eeuwige vloek, mijn God! over den man der fortuin!…”
-<span class="pageNum" id="pb275">[<a href="#pb275">275</a>]</span></p>
-<p>Louise’s oogen vonkelden van toorn en haat, en er was iets zóo krachtigs in het opgeheven
-hoofd, iets zóo dreigends in de bevende lippen, iets zóo besloten in de saamgevouwen
-handen, dat Melatie onwillekeurig terug deinsde, en haar op eenigen afstand aan bleef
-staren, niet wetende of zij hare vriendin bewonderen, beklagen of ontwijken moest.
-</p>
-<p>Doch, plotseling bedarende, en Melatie de hand reikende met eene uitdrukking van medelijden,
-droefheid en onderwerping, alsof zij berouw had over hare drift van zoo even, vroeg
-zij zacht, bijna smeekend:
-</p>
-<p>»Herinnert gij u nog, dat gij mij eenmaal beloofd hebt, dat gij mij helpen zoudt,
-indien gij mij van dienst zoudt kunnen wezen. Het was op een’ avond … in de residentie …
-Ik had geweend … en gij hadt den moed niet gehad mij te dooden … Er lagen gouden armbanden
-vóor ons, haarpennen en oorknoppen. Eene kris op den vloer bij het venster … Herinnert
-gij het u nog?”
-</p>
-<p>Melatie knikte toestemmend. Zij wist van niets.
-</p>
-<p>»Welnu, luister dan, gij kunt mij nu een dienst bewijzen, die niemand anders mij bewijzen
-zou. Maar op u heb ik gerekend. Gij hebt zelve zóoveel geleden, dat gij medelijden
-hebben zult met de arme Louise, en haar niet hard beoordeelen zult, zooals de menschen
-doen.… De menschen, die niet weten wat lijden is, omdat ze niet weten wat liefde is …
-Arme menschen! Als ze dat alles wisten zouden ze beter <span class="pageNum" id="pb276">[<a href="#pb276">276</a>]</span>wezen, maar ze weten niets en daarom zijn ze zoo boos voor anderen die weten. Het
-is armoede die boosheid, anders niet … Daarom vergeef ik hun ook alles—alles—maar
-ik wil ze niet meer zien, ik wil ze niet meer kennen … Ik zal ze helpen waar ik kan,
-altijd en overal; maar zonder ze te zien! Zij mogen niet meer bij mij komen, vriendelijk
-en wel, om mij te bespieden, te verraden, te belasteren, te bespotten. Dat alles is
-maar armoede, ik weet het wel, maar ik wil die armoede niet meer zien, ze is leelijk,
-en ze doet mij leed. ’t Is Werner die mij geleerd heeft dat slechtheid armoede is,
-ik wist dat niet, en ik haatte de menschen, die hij beklagen kon! Ik haat ze nog tusschenbeide,
-maar dat is als ik niet aan Werner denk … Chut!… Dáar klopt iemand aan de deur … Laat
-maar kloppen, ik heb den sleutel begraven—niemand kan ons storen …”
-</p>
-<p>»Weet gij wie daar klopt?”
-</p>
-<p>»Neen.”
-</p>
-<p>»Het is de dokter, die ook weet wat lijden en wat liefde is, en dien gij niet verstooten
-moogt, na hetgeen hij voor Werner gedaan heeft …”
-</p>
-<p>»Voor Werner …” herhaalde de jonge vrouw, met neergeslagen oogen, en, langzaam het
-ledekant naderende, zocht zij den sleutel en opende zelve de deur voor den dokter.
-Toen sloot zij de deur weer zorgvuldig dicht, en, na zich verzekerd te hebben dat
-niemand het zag, verborg zij den sleutel op eene andere plaats. Daarop legde zij hare
-hand op den schouder <span class="pageNum" id="pb277">[<a href="#pb277">277</a>]</span>van den dokter en vroeg zij hem half lachend, of hij den resident <span class="ex">ver</span> weg had gebracht?
-</p>
-<p>»Zóo ver dat hij niet meer zal komen voor dat gij zelve hem terug zult roepen.”
-</p>
-<p>»Ik?—Ik hem terug roepen!—Nooit!—O! dokter, wat zijn de menschen toch wreed! Het huwelijk
-moest verboden zijn wanneer de vrouw geen liefde voor den man heeft en het moest ontbonden
-worden wanneer hij hare liefde verloren heeft! Ontbonden!—Vrij!—Verlost van den resident!
-O de liefde van dien man is mij een gruwel! Ik zou hem minder haten, geloof ik, indien
-hij mij minder lief had!”
-</p>
-<p>»Haten, Mevrouw? Moogt gij iemand haten?”
-</p>
-<p>»Zóo leert men haten, dokter. Welk recht heeft die man op mij? Ik was een kind toen
-de menschen mij bevolen zijne vrouw te worden. Ik kende niets dan gehoorzaamheid,
-en ik heb gehoorzaamd; op onwetendheid was mijn handelen gegrond, en op die handeling
-heeft de wet het zegel harer onfeilbaarheid gedrukt, het wreede »<span class="ex">levenslang</span>” bevolen, dat verbeterd werd door de kerk, die »<span class="ex">eeuwig</span>” zeide.—Eeuwig!—Mijn God! help mij! Die <span class="ex">eeuwigheid</span> maakt mij krankzinnig!…”
-</p>
-<p>Zij verborg het gelaat een oogenblik in de handen, hief toen het hoofd weder op en
-zeide fier en langzaam:
-</p>
-<p>»En indien ik nu eens die gelofte, dat gebod, die wetten en die kerk verachtte?… Indien
-ik dat alles eens wreed, dom en onzedelijk noemde: in strijd met godsdienst en natuur;
-in strijd met gezond verstand en geweten?… <span class="pageNum" id="pb278">[<a href="#pb278">278</a>]</span>Indien ik op grond van dat alles eens naar de gerechtzaal ging en scheiding vroeg
-van den resident Stevens van Langendijk?… Wat zouden de wetten dan zeggen?”
-</p>
-<p>De dokter en Melatie wisselden een vluchtigen blik, maar zwegen.
-</p>
-<p>»Gij antwoordt niet,” vervolgde Louise, »omdat gij mij geen leed wilt aandoen; maar,
-ik ken het antwoord even goed als gij. De wet zou slapend op hare volmaaktheid steunen
-en mij verder verwijzen naar de zielendoodende kerkelijke eeuwigheid! Daarom zal ik
-ook naar geen gerechtzalen gaan … Toch,—later mogelijk … want de vrouw die schuldig
-is alleen kan hare vrijheid terug krijgen.—Zij, die onschuldig zijn, moeten lijden
-en zwijgen. Wij zijn ook te trotsch om te klagen. Medelijden is een vernederende aalmoes,
-versmaad door haar, die rijk zijn omdat zij een krachtige ziel en een zuiver geweten
-hebben!—Maar spreken, dat kunnen wij—lachend vertellen wat wij lijden, hoe wij lijden
-en waardoor wij lijden … En dan kunnen wij verachten—en—zóo handelen als ik van morgen
-met den resident gehandeld heb!… Zeg, dokter, wilt gij mij een genoegen doen?”
-</p>
-<p>»Gaarne Mevrouw.”
-</p>
-<p>»Blijf dan even hier staan, ik wilde Mina een oogenblik alleen spreken.” En Melatie
-mede voerende naar de andere zijde der kamer, vroeg zij <span class="corr" id="xd31e4944" title="Bron: naauw">nauw</span> hoorbaar:
-</p>
-<p>»Waar wordt Werner begraven?”
-</p>
-<p>»Te Speranza; op zijn eigen land.”
-</p>
-<p>»Ik moet zijn graf zien, eer ik naar A. terugkeer—zal je met mij meegaan?…”
-<span class="pageNum" id="pb279">[<a href="#pb279">279</a>]</span></p>
-<p>Melatie wierp een wanhopigen blik op den dokter en antwoordde toestemmend:
-</p>
-<p>»Morgen ochtend, in de vroegte, als de anderen nog slapen, niet waar? O, ik wil zien
-waar het graf van George is!—Ik moet het weten, want … Dokter, waar kijk je naar?…”
-En met een’ woesten sprong naar het venster snellende, waarbij de dokter stond, zag
-zij van verre, door de takken der boomen heen, den lijkstoet die het hek uitging.
-</p>
-<p>Bleek en hijgend staarde zij in de donkere laan; haar somber oog tuurde door de groene
-bladeren zoo lang daar achter iets bewoog, en toen eindelijk alles stil was, boog
-zij langzaam het schoone hoofd en rolden er groote tranen langs de krijtwitte wangen.
-</p>
-<p>»Ik heb hem zoo innig liefgehad,” sprak zij zacht, »en hij heeft het nooit geweten.—Dokter,
-ik dank je voor al wat gij voor mijn Werner gedaan hebt.”
-</p>
-<p>Zij reikte hem de hand en zag hem aan met hare zachte, droevige oogen als of zij hem
-met dien blik zeggen wilde, hetgeen zij in geen woorden uit kon drukken.
-</p>
-<p>Toen zonk zij opeen sofa neer, en bleef daar zitten, bleek en zwijgend tot laat in
-den avond, geen lach, geen traan, geen uitdrukking van toorn of haat had leven gegeven
-aan de ziellooze trekken die uren lang onbewegelijk gebleven waren. Te vergeefs had
-men alle middelen in het werk gesteld om hare aandacht te trekken, of haar belang
-in te boezemen voor hetgeen haar omringde—niets had geholpen, de stem van den resident
-had haar koud gelaten, even als het schoone lied van Lina, en de bittere tranen der
-arme Melatie, die haar eindelijk ontkleedde <span class="pageNum" id="pb280">[<a href="#pb280">280</a>]</span>en als een kind naar bed bracht, zonder een enkel woord over hare lippen te kunnen
-krijgen, of zelfs aan eenig teeken te kunnen zien dat zij haar herkende.
-</p>
-<p>Acht dagen bleef zij zóo half bewusteloos voort leven, toen keerde de resident met
-haar naar A. terug, waar mijnheer en mevrouw Van Amerongen den zelfden dag zouden
-aankomen, om eenigen tijd bij hun kind door te brengen en te beproeven haar door eene
-nieuwe omgeving de oude te doen vergeten.
-</p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch34" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e508">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="label">VIERENDERTIGSTE HOOFDSTUK</h2>
-<h2 class="main">HET BEZOEK DER OUDERS</h2>
-<div class="epigraph" lang="fr">
-<div class="lgouter">
-<p class="line">„Je me repens de tout, hors de l’avoir aimé
-</p>
-<p class="line">Et, si devant ce Dien mon amour est coupable,
-</p>
-<p class="line">Que dans l’éternité sa vengeance m’accable!
-</p>
-<p class="line">Je ne puis m’arracher du coeur, même aujourd’hui,
-</p>
-<p class="line">Le seul être ici-bas qui m’aît fait croire en Lui;
-</p>
-<p class="line">— — — — — — son image est si belle,
-</p>
-<p class="line">Que je ne comprends pas le ciel même sans elle.
-</p>
-<p class="line">Oh! s’il était là, lui! Si Dieu me le rendait!
-</p>
-<p class="line">Même à travers la mort, oh! s’il me regardait!
-</p>
-<p class="line">Si cette heure à ma vie eût été réservée,
-</p>
-<p class="line">Si j’entendais sa voix je me croirais sauvée:
-</p>
-<p class="line">Sa voix m’adoucirait jusqu’au lit du tombeau!”
-</p>
-</div>
-<p class="first xd31e4983">A. de Lamartine, <span class="sc">Jocelyn</span>.</p>
-</div>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">In het lichtblauw satijn gekleed, stond Louise te spelen met de weelderige lokken
-van haar loshangend haar, en te lachen naar omhoog, als zag zij daar iemand dien zij
-welkom heette.
-</p>
-<p>Haar vader trad binnen.
-</p>
-<p>Zij zag hem niet, en vervolgde haar spel als te voren, nu eens omziende naar de golvende
-plooien <span class="pageNum" id="pb281">[<a href="#pb281">281</a>]</span>van haar langen sleep, dan weder lachende tegen den grooten spiegel welke hare bekoorlijke
-gestalte ten voeten uit wedergaf, of smeekend opziende naar den een of anderen hoek
-der kamer, waar een idealische verschijning hare gansche ziel scheen heen te trekken.
-</p>
-<p>»George!” riep zij op eens, en, in den grootsten angst hare armen uitstrekkende als
-wilde zij iemand terug houden die haar verlaten ging, vervolgde zij nauw hoorbaar:
-»O, blijf!<span class="corr" title="Bron: ..">…</span> blijf<span class="corr" title="Bron: ..">…</span> Nog even slechts! Mijn George! O! ik bid u, verlaat mij niet<span class="corr" title="Bron: ..">…</span> Gij weet het immers, de wereld is ledig voor mij … is niets meer zonder u …”
-</p>
-<p>Zij zweeg, verbleekte, trok de armen terug, bedekte het gelaat met de handen, en zonk
-als machteloos op een stoel neder.
-</p>
-<p>Mijnheer Van Amerongen naderde haar langzaam, legde zijn hand op haar schouder, en
-riep haar zacht bij haar naam.
-</p>
-<p>Louise bleef onbewegelijk zitten.
-</p>
-<p>»Kindlief!” sprak hij vleiend.
-</p>
-<p>Geen antwoord.
-</p>
-<p>»Louise, uwe moeder is hier, om u te bezoeken. Stevens heeft haar te logeeren gevraagd,
-om u pleizier te doen.—Wilt gij uwe moeder niet zien?”
-</p>
-<p>Nog altijd hetzelfde zwijgen.
-</p>
-<p>Mijnheer Van Amerongen vatte hare beide handen in de zijnen, trok ze van haar gelaat
-af en zag haar met een glimlach aan.
-</p>
-<p>Louise liet hem begaan, maar zeide niets en staarde voor zich neder, zonder acht op
-hem te geven.
-<span class="pageNum" id="pb282">[<a href="#pb282">282</a>]</span></p>
-<p>Ten einde raad, wilde hij de kamer weer verlaten, toen hem plotseling een gedachte
-inviel.
-</p>
-<p>Hij kwam terug, plaatste zich achter den stoel zijner dochter en fluisterde zacht:
-</p>
-<p>»George zal terug komen!”
-</p>
-<p>Zij bewoog zich niet, doch hare oogen blikten ter zijde, als luisterde zij.
-</p>
-<p>»Gij zult hem weerzien, Louise.”
-</p>
-<p>»Wanneer?” vroeg zij zacht, zoo zacht dat het woord een zucht geleek.
-</p>
-<p>»Later.”
-</p>
-<p>»Later!” herhaalde zij met een vreeselijke lach, toen sloeg zij de oogen neer en boog
-het hoofd met zulk een onbeschrijfelijke uitdrukking van droefheid en onderwerping
-dat het hart haars vaders van smart ineenkromp.
-</p>
-<p>»Louise!” hernam hij nogmaals, »Louise, George heeft beloofd terug te zullen komen
-zoodra gij weer vroolijk en opgeruimd zult wezen. Hij bemint u slechts zooals gij
-vroeger waart, jong en schoon, en vroolijk bovenal.”
-</p>
-<p>»Vroolijk? O! laat hem komen, en ik zal weer vroolijk zijn! Vroolijk en gelukkig,
-zooals ik bij hem alleen kan wezen<span class="corr" title="Bron: ..">…</span> Mijn George! Mijn hartelijk geliefde George!<span class="corr" title="Bron: ..">…</span> En ik heb hem verstooten toen hij daar voor mij stond<span class="corr" title="Bron: ..">…</span> verstooten toen hij mij zijn liefde bood, toen hij mij de mijne vroeg, mijn liefde
-die mijn steun, mijn leidsvrouw, mijn alles geweest was gedurende de laatste eeuwen
-die ik doorkropen had … O, George, kom weer! Vergeef uwe arme Louise een laagheid,
-vergeef haar een misdaad die zij gepleegd heeft uit <span class="ex">plichtbesef</span>! Zij heeft uwe <span class="pageNum" id="pb283">[<a href="#pb283">283</a>]</span>liefde versmaad, zij heeft u de hare verborgen<span class="corr" title="Bron: ..">…</span> Zij heeft u misleid … Mijn George, u misleid, omdat de menschen die misleiding <span class="ex">deugd</span> noemden. De menschen! Alsof er menschen bestaan mochten …”
-</p>
-<p>Zij zweeg een oogenblik, lachte en vervolgde toen met wanhopige bitterheid:
-</p>
-<p>»Deugd!—Wat is deugd?—Waar is deugd?—Deugd!—Een woord—een klank—niets!—Een schim,
-die duizende gedaanten heeft, duizende gebreken, duizende belachelijkheden! Een iets
-dat bestaat, en dat toch niet bestaat—dat niets is dan trots en dwang en tegenstrijdigheid …
-egoïsme dat beveelt en domheid die gehoorzaamt, berekening die in stand houdt door
-overmacht!<span class="corr" title="Bron: ..">…</span> Deugd is een spooksel dat door geheimzinnigheid bekoort, aantrekt door vreemdheid
-en meesleept door onbereikbaarheid, den spot drijft met de onzinnige aanbidding zijner
-bewonderaars! Een gezichtsbedrog dat allen najagen en dat niemand bereikt, een gewrocht
-onzer eigene verbeelding, dat ons het leven ondragelijk maakt en ons den dood beschouwen
-doet als een belooning voor ons lijden!<span class="corr" title="Bron: ..">…</span> <span class="ex">Zekerheid</span> voor het ongeluk, voor het tegenwoordige dat ons behoort, en onzekerheid voor het
-geluk, dat wij moedwillig naar de toekomst verwijzen<span class="corr" title="Bron: ..">…</span> de toekomst die geen sterveling kent!<span class="corr" title="Bron: ..">…</span> Alsof wij weten konden wat ons na dit leven wacht!<span class="corr" title="Bron: ..">…</span> Mijn God! welk een verward bestaan! Leven voor eene toekomst die geheel denkbeeldig
-is! En daarvoor ongelukkig zijn! Daarvoor strijden, zwoegen, jaren lang!…
-</p>
-<p>»Deugd! Ha! Waarom hebt gij mij dat woord geleerd? <span class="pageNum" id="pb284">[<a href="#pb284">284</a>]</span>Gij die er eene beteekenis aan hecht die raadsel is voor mij? Gij, mijne moeder, die
-mij daarvoor de liefde, de hulp, de achting der menschen beloofdet!.… Ja, de menschen!
-De menschen die ik recht over mijne handelingen toe heb gekend, die ik eene plaats
-in mijne ziel heb ingeruimd, die ik geacht heb en vertrouwd, beschermd, getroost,
-geholpen waar het mij mogelijk was … die menschen hebben mij bedrogen, belasterd,
-ongelukkig gemaakt … ja, zelfs <span class="ex">veracht</span>!—<span class="ex">Zij</span> hebben <span class="ex">mij</span> veracht!—veracht, omdat ik aan hun deugden geloofde, terwijl zij met mijne vriendschap
-speelden, misbruik van mijn vertrouwen maakten en mijne weldaden met ondank beloonden.…
-En toen zij mij alles ontnomen hadden, alles, mijne menschenliefde, mijn vertrouwen,
-mijn geluk en mijne rust, toen zij mij niets meer gelaten hadden dan angst en twijfel,
-toen ik mij zelve vreemd was geworden, en mijne gedachten, mijne gevoelens, mijne
-daden zelfs raadselen voor mij geworden waren—toen hebben zij gespot met de teleurgestelde
-hoop van het kind, gelachen om de wanhoop die mijn hart verteerde, om de leegte die
-mijn ziel omzweefde, gejuicht over de zwakte van het lichaam dat gebroken scheen—van
-het hoofd.… »Krankzinnig!” was hun feestkreet, en de nagalm klonk mij als eene openbaring
-in de ooren!—Ja, krankzinnig misschien.… Ben ik nu krankzinnig?—Ik heb zóoveel geleden,
-zóoveel gezwegen, zóoveel verborgen … Wat heb ik lief gehad! En wat haat ik nu! Wat
-veracht ik de menschen!… Neen, om Werner’s wille vergeef ik <span class="pageNum" id="pb285">[<a href="#pb285">285</a>]</span>hen … Lacht maar, lacht maar, menschen … Bespot vrij uw slachtoffers, spreekt uw leven
-lang van deugd en zoekt uw geluk in het leed dat uwe naasten doodt—er zal eenmaal
-een tijd komen …
-</p>
-<p>»Maar de deugd is mij vreemd—mogelijk hebt gij het recht om mij te verachten … gij
-die begrijpt wat duister is voor mij …
-</p>
-<p>»Neen, dat recht hebt gij niet! Gij kunt het niet hebben!—En indien gij het hadt,
-dan nog zou ik het u betwisten, zoo lang het mij mogelijk zou zijn.…
-</p>
-<p>»George! George! Hoort gij het? Hoort gij dat uwe Louise vrij is?—Dat er geen deugd
-meer bestaat—en dat de wereld dood is voor haar? Kom, o kom terug, mijn innig geliefde
-George! Kom, opdat uwe Louise den menschen toone wat deugd is voor haar! Hoe groot,
-hoe edel, hoe heilig de liefde is die zij u toedraagt, en hoe trotsch zij ze met voeten
-treedt, die wetten van menschen die zij haat en veracht omdat zij bevelen wat slecht
-is en berispen hetgeen God zelf wil!”
-</p>
-<p>Haar oog viel op haren vader, en plotseling bleef zij zwijgend tegenover hem staan.
-Gedurende eenige oogenblikken zag zij hem strak aan, toen wierp zij het hoofd achterover,
-kruiste de armen over de borst en vroeg op trotschen, schier dreigenden toon:
-</p>
-<p>»Wie zijt gij?—En wat doet gij hier?”
-</p>
-<p>Mijnheer <span class="corr" id="xd31e5095" title="Bron: van">Van</span> Amerongen wilde antwoorden, doch eer hij een woord kon uitbrengen, vervolgde zij
-heftiger:
-</p>
-<p>»Ik ken u niet.—Vertrek!”
-<span class="pageNum" id="pb286">[<a href="#pb286">286</a>]</span></p>
-<p>»Gij kent mij niet, Louise?… Uw vader?… Van Amerongen?…”
-</p>
-<p>»Van Amerongen … Van Amerongen …” herhaalde de jonge vrouw verward, »van Amerongen …
-Ik ken hem niet.—Vertrek!… Neen—wacht—ik ken hem toch … Ik heb meer dan duizend jaar
-geleden dien naam wel eens gehoord, geloof ik … van Amerongen … van Amerongen … Een
-koopman, niet waar?—Een geldman, een rekenaar?—Een man zonder deugd, zonder hart,
-zonder eer?… Ik ken hem niet.—Vertrek!…”
-</p>
-<p>»Maar die man is uw vader, Louise! Herken dan toch dien armen, ongelukkigen vader
-die u verzorgd heeft toen gij klein waart en voor u gewerkt heeft zijn leven lang!—Die
-u lief heeft …”
-</p>
-<p>Hij wilde hare hand vatten, doch nauwelijks had hij die met de toppen zijner vingers
-aangeraakt, of Louise sprong terug met eene flikkering van afschuw in de oogen.
-</p>
-<p>»Ha!—Ik ken u!” gilde zij luid. »Ik ken u ellendeling! Mijn vader?—Ja, die waart gij
-eenmaal maar die zijt gij nu niet meer!—Moordenaar! Moordenaar van het kind dat u
-lief had, dat u eerde, u vertrouwde.… Gij hebt hare ziel gedood, haar hoofd gekrenkt,
-haar hart gebroken … Maar het lichaam dat gij haar behouden liet, dat lichaam haat
-u, veracht u, vervloekt u voor eeuwig!”
-</p>
-<p>De jonge vrouw bedaarde plotseling. De duivelsche lach, welke voor een oogenblik haar
-schoon gelaat ontsierd <span class="pageNum" id="pb287">[<a href="#pb287">287</a>]</span>had, maakte plaats voor eene zachte uitdrukding van grenzenlooze droefheid, toen sprak
-zij somber en bedaard:
-</p>
-<p>»Gij hebt mij mijn George ontnomen … mijn George, dien ik lief had als het licht van
-den dag … Vertrek, vreemdeling.—Ik ken u niet …”
-</p>
-<p>Zij wees met de hand naar de deur, wierp hem een blik vol verachting toe en wendde
-zich van hem af.
-</p>
-<p>Mijnheer <span class="corr" id="xd31e5115" title="Bron: van">Van</span> Amerongen vertrok. Een oogenblik later trad mevrouw de kamer binnen.
-</p>
-<p>Louise stond met den rug naar de deur gekeerd en sprak overluid:
-</p>
-<p>»Ik heb hem vervloekt, dien man uit mijn kindschheid!—En die vloek zal zwaar drukken
-op de schouders van den grijsaard!… De rijke man is trotsch geweest—maar het grijze
-hoofd zal buigen, en het koude hart zal lijden onder den vloek die dooden zal!…”
-</p>
-<p>Mevrouw <span class="corr" id="xd31e5122" title="Bron: van">Van</span> Amerongen verbleekte; toch trad zij nader.
-</p>
-<p>»Louise,” sprak zij zacht, haren arm om den hals harer dochter slaande. »Hoe gaat
-het u, mijn kind? Wat ben ik blijde u weer te zien! Stevens had mij geschreven dat
-gij ongesteld waart, maar gij zijt weer beter, niet waar? Gij …”
-</p>
-<p>Louise staarde hare moeder aan, zoo als zij eenige oogenblikken te voren haren vader
-had aangestaard; toen wikkelde zij zich los uit hare armen, wierp haar een blik toe,
-zóo koud en zóo trotsch als die sprekende oogen er ooit een geworpen hadden, en sprak
-zacht:
-<span class="pageNum" id="pb288">[<a href="#pb288">288</a>]</span></p>
-<p>»Wat kan het u schelen hoe ik het maak?… Uw kind is residentsvrouw thans!—Wat doet
-de rest ter zake?… De menschen zeggen dat ik krankzinnig ben, omdat ik hen haat!—Zijt
-gij dus gekomen om te zien of de menschen waarheid spreken, keer dan terug tot hen
-die u gezonden hebben, en zeg hun dat Louise slechts éene ziel bezit en dat die éene
-hem behoort dien zij lief heeft boven alles!… Het lichaam moogt gij vrij krankzinnig
-noemen, indien dat woord de menschen gelukkig kan maken!…”
-</p>
-<p>»Maar gij zijt niet krankzinnig, Louise, mijn kind! De menschen hebben onwaarheid
-gesproken en gij zult ze daarvan overtuigen, niet waar?—Gij zult met mij mede gaan
-naar Samarang, waar gij Marie van den Berg weer zult vinden en Henri, die u wachten.”
-</p>
-<p>»Marie?… Henri?… Ken ik die menschen?… Ik ben ze vergeten, geloof ik … Mijn leven
-is zóo lang geweest!—Maar ik heb toch eenmaal een schoonen droom gehad waarin die
-namen voorkwamen, dunkt mij … Een tuin met zwaar geboomte en bloeiende heesters …
-gouden zonlichten, die dansten over een schelpenpad … lieve bloemen, die geurden en
-schitterden met kristallen dauwdroppelen … Een paard, een arabische isabel, schoon
-en vurig, trappelend van ongeduld aan de hand van een jong meisje … een kind, met
-een lachend hart en een lachend oog … Marie aan hare zijde … Henri tegenover haar …
-</p>
-<p>»Wie zijt gij?” viel zij op eens zich zelve in de rede, hare moeder bij den arm vattende
-en haar scherp in de oogen ziende. »Wie geeft u het recht mij te volgen, wanneer ik
-neerdaal in de dagen die voorbij zijn?—Het is met <span class="pageNum" id="pb289">[<a href="#pb289">289</a>]</span>mijne geliefde afgestorvenen alleen dat ik gelukkig wezen kan … En er is te weinig
-geluk op aarde dan dat het u vergund zou wezen, een uwer medemenschen het zijne moedwillig
-te ontnemen.
-</p>
-<p>»Ik wensch alleen te zijn. Alleen, met George, die mij wacht … met George aan wien
-ik toebehoor.—Hij is gekomen om mij iets te zeggen dat ik weten moet.—Maar hij kan
-niet spreken zoolang dáar eene vreemde tusschen ons staat … Verstaat gij mij niet?—Hoort
-gij ook niet wat hij u zegt?… »Dat Gods vloek op hen zal rusten, die van deugd en
-godsdienst spreken en niet weten wat liefde is … omdat zij hunne harten met goud beslagen
-en hunne gewetens bedolven hebben onder het geld, dat zij door een laagheid, een toeval,
-of een misdaad verkregen hebben!”
-</p>
-<p>»Louise! Mijn arme Louise!—Bedaar toch, mijn kind.—Zeg mij al wat u op het hart ligt,
-maar zeg het mij kalm. Vrees niets: met uwe moeder toch kunt gij openhartig spreken …”
-</p>
-<p>»Mijne moeder?—Zijt gij mijne moeder?—Gij?—Het is mogelijk.—Maar wilt gij daarom dat
-ik openhartig met u spreken zal?—Wacht, wacht even … en ik zal u zeggen, wat gij weten
-moogt …
-</p>
-<p>»Hier, hier, ziet gij dit?” vervolgde zij, een zak koperen duiten uit de lade harer
-kast te voorschijn halende: »Hier hebt gij het loon van uw leven” En een hand vol
-recepissen over den vloer strooiende, vroeg zij lachend: »Gij hebt immers altijd naar
-rijkdommen <span class="pageNum" id="pb290">[<a href="#pb290">290</a>]</span>verlangd? Daarvoor hebt gij eerst u zelve en later uw kind verkocht. Daarvoor hebt
-gij gekropen aan de voeten uwer medemenschen, gewroet in het slijk der aarde, geklopt
-aan de poorten der hel.—Geniet nu van het loon uws levens, indien gij nog genieten
-kunt!<span class="corr" title="Bron: ..">…</span> Zie hier geld!<span class="corr" title="Bron: ..">…</span> Geld in overvloed! Geld genoeg om u een gouden doos te koopen, een doos zóo groot,
-zóo sterk dat gij haar als een huis bewonen kunt!—En wees gelukkig, als gij kunt,
-wanneer uw lichaam rusten zal op een leger van goud, en uwe oogen een gouden horizon
-ontmoeten zullen, waar zij zich ook wenden!<span id="xd31e5150"></span>—Wees gelukkig als gij kunt, wanneer uw hart verstijven zal van koude en het bloed,
-gestold in uwe aderen, niet meer vloeien zal langs die schoone wanden van goud! En
-als dan eindelijk uw gouddorst bevredigd zal wezen, en uw nooit voldane ziel iets
-anders zal verlangen—iets beters, iets dat gij vroeger niet hebt willen kennen, maar
-waarnaar gij vragen zult zoodra gij weten zult, dat gij het niet verkrijgen kunt,
-zelfs niet voor het goud van uw heelal …”
-</p>
-<p>Zij zag tranen langs de wangen harer moeder biggelen. Terstond hield zij op met spreken.
-De verontwaardiging, de minachting, de haat, welke onder het spreken in elke harer
-bewegingen hadden doorgestraald, waren plotseling verdwenen. Een gelukkige glimlach
-verhelderde haar schoon gelaat en met een diep gevoel van medelijden en liefde riep
-zij op eens:
-</p>
-<p>»Vergeef haar, George!—Zie hoe zij lijdt! Heb medelijden met mijn arme moeder!”
-<span class="pageNum" id="pb291">[<a href="#pb291">291</a>]</span></p>
-<p>Bijna op hetzelfde oogenblik verbleekte zij, met een luiden gil vlood zij weg, en
-sidderend kromp zij ineen in den donkersten hoek der kamer.
-</p>
-<p>Een oogenblik later rees zij weder op. Hare houding was gebogen, haar somber oog glansloos.
-</p>
-<p>»Ook hij!” sprak zij zacht. Toen begaf zij zich met wankelende schreden naar haar
-stoel, en, met de armen over de leuning gekruist en de oogen nedergeslagen, vervolgde
-zij:
-</p>
-<p>»Ook hij,—mijn George, mijn vriend, mijn leidsman, mijn meester—mij verlaten! verstooten!.…
-vergeten!… Mag er dan niets meer bestaan voor de arme ongelukkige Louise?… niets …
-niets …”
-</p>
-<p>Mevrouw Van Amerongen sloot haar kind in de armen, drukte een kus op het brandend
-voorhoofd en zeide troostend:
-</p>
-<p>»Ik ben bij u, Louise, uwe moeder die u lief heeft, en die alles voor u doen zal,
-alles<span class="corr" title="Bron: ..">…</span> Zeg maar wat gij verlangt en …”
-</p>
-<p>»Wat ik verlang?<span class="corr" title="Bron: ..">…</span> Wat<span class="corr" title="Bron: ..">…</span> ik<span class="corr" title="Bron: ..">…</span> verlang?” herhaalde zij somber, »niets meer … niets<span class="corr" title="Bron: ..">…</span>”
-</p>
-<p>Eenige oogenblikken bleef zij zwijgend nadenken, toen hernam zij levendiger:
-</p>
-<p>»Toch heeft hij mij lief gehad<span class="corr" title="Bron: ..">…</span> Innig, waarachtig lief gehad! Hij zelf heeft het mij gezegd<span class="corr" title="Bron: ..">…</span> dáar<span class="corr" title="Bron: ..">…</span> dáar mijne hand in de zijne<span class="corr" title="Bron: ..">…</span> Zijn lach, zijn blik, zijn stem<span class="corr" title="Bron: ..">…</span> liefde!<span class="corr" title="Bron: ..">…</span> liefde!<span class="corr" title="Bron: ..">…</span> alles liefde! En die liefde is dood? Dood voor eeuwig? Louise is niets meer voor
-hem?… Help mij, mijn God! O, help mij begrijpen<span class="corr" title="Bron: ..">…</span> Indien een mensch begrijpen mag …”
-<span class="pageNum" id="pb292">[<a href="#pb292">292</a>]</span></p>
-<p>Zij boog het hoofd en bleef geruimen tijd, als wezenloos, aan de zijde harer moeder
-staan.
-</p>
-<p>»Neen, nooit heeft hij Lotje lief gehad,” sprak zij fluisterend<span class="corr" title="Bron: ..">…</span> »hij heeft mij alles geschreven<span class="corr" title="Bron: ..">…</span> alles in dat briefje, dat ik verbrand heb<span class="corr" title="Bron: ..">…</span> verbrand<span class="corr" title="Bron: ..">…</span> Het eenige briefje van George<span class="corr" title="Bron: ..">…</span> En nu heb ik niets meer van hem<span class="corr" title="Bron: ..">…</span> niets<span class="corr" title="Bron: ..">…</span> niets … Chut! Hij spreekt …”
-</p>
-<p>Zij hief hare oogen op, luisterde, bloosde, lachte, verbleekte weder, boog het hoofd
-en weende.
-</p>
-<p>Plotseling sprong zij uit hare verslagenheid op, wierp het hoofd achterover, sloeg
-een krachtigen blik naar omhoog en sprak luid en ernstig:
-</p>
-<p>»Ja George. Ik zweer het u, mijn liefde, mijn toekomst behooren a. Geen menschelijke
-macht zal de kracht hebben ons ooit weer te scheiden. Vertrouw op mij, en ons geluk
-staat vast. Ik zweer het u.—Tot weerziens, George …”
-</p>
-<p>En zich lachend tot hare moeder wendende, vervolgde zij: »Gij hoort het, <span class="ex">hem</span> alleen behoor ik, wat de menschen ook zeggen mogen.”
-</p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch35" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e518">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="label">VIJFENDERTIGSTE HOOFDSTUK</h2>
-<h2 class="main">DE VLUCHT</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Het was avond. In een der logeerkamers van het residentiegebouw lag Louise geknield
-voor een grooten <span class="pageNum" id="pb293">[<a href="#pb293">293</a>]</span>toiletspiegel. Zij had het rood fluweelen kleed aan, dat zij gemaakt had voor het
-Gouverneur-Generaal’s bal, waarop zij Werner weer zou zien. Zij had zich opgesierd
-met paarlen en diamanten, gouden slangen en melatiekransen. Haar weelderig zwart haar
-golfde in dikke lokken langs den blooten hals en de armen en smolt op den vloer ineen
-met de mollige plooien van het rood fluweel. Zij lachte terwijl zij het schoone hoofd
-omhoog hief en het licht der kaarsen hare donkere oogen bescheen, waarin nog tranen
-blonken.
-</p>
-<p>»George,” sprak zij zacht, »uwe Louise is gereed u te volgen; maar chut, laat de resident
-het niet weten, want hij zou op onze receptie willen komen, bij ons huwelijk tegenwoordig
-willen zijn, en dat mag niet wezen. Gij hebt immers ook niets van <span class="ex">zijn</span> huwelijk af geweten? Zijn huwelijk met Louise <span class="corr" title="Bron: Van">van</span> Amerongen. Nu heet ze geen Van Amerongen meer, zij heeft lang Stevens geheeten, maar
-dat was de naam van den man die haar gekocht had, en zij wil niets mee nemen van den
-man dien zij verlaten gaat, niets, vooral zijn naam niet. Die leelijke groote naam,
-die aan grasgroene oogen doet denken, en aan een schelle stem. Werner wil zij voortaan
-heeten, Louise Werner. Dien naam zal ze nooit verloochenen, want zij heeft hem zelve
-gekozen. Hier is mijn <span class="corr" id="xd31e5259" title="Bron: bruidsluier">bruidssluier</span>, maar de oranjebloesems kan ik niet vinden—waar zijn ze dan toch?—Mijn bruidskleed
-is in de andere kamer—’t is geen zware zij, geen satijn, geen fluweel, maar eenvoudige
-witte tule, zoo rein en zoo helder als <span class="pageNum" id="pb294">[<a href="#pb294">294</a>]</span>de liefde uwer bruid. »<span class="ex">Mysterie</span>” ruischten de zware plooien van het dikke zijden kleed, dat eenmaal een residentsbruid
-tooide; en mysterie was hare liefde, die sliep en wachtte op u. Waar zijn die oranjebloesems
-dan toch?—Een tweede huwelijk? O neen, geen tweede huwelijk.—Nooit een tweede huwelijk.
-Ik ben nooit getrouwd geweest. Nooit. Dat vorig huwelijk was een spel, een vertooning,
-een drama waarin ik een rol vervuld heb, een droeve rol, maar daar was geen waarheid
-in, o neen, niets waars. Nu ga ik trouwen—en dit huwelijk is waar—voor eeuwig waar.—Maar
-ik kan de oranjebloesems niet vinden …”
-</p>
-<p>Zij hoorde geritsel achter zich, en zag om. Het waren de voetstappen van den resident
-en van hare ouders, die zij gehoord had. Men had haar naar de logeerkamer zien gaan,
-en daar zij buitengewoon lang weg was gebleven, kwam men zien wat zij deed.
-</p>
-<p>»Altijd diezelfde menschen!” dacht zij bij zich zelve, en met een half weerhouden
-lach zich den bruidssluier over het hoofd werpende, vlood zij weg naar een andere
-kamer.
-</p>
-<p>»Volg haar!” smeekte de resident.
-</p>
-<p>Louise hoorde dat zij vervolgd werd en vluchtte van de eene kamer naar de andere,
-alle galerijen door, tot dat zij in hare kleedkamer kwam. Dáar bleef zij plotseling
-staan, wendde zich om, wierp haar sluier af en vroeg met eene verontwaardiging die
-alle beschrijving te boven ging.
-<span class="pageNum" id="pb295">[<a href="#pb295">295</a>]</span></p>
-<p>»Wie durft mij te volgen, als ik u verbied de eenige kamer binnen te komen die de
-mijne is?”
-</p>
-<p>»Niemand,” antwoordde mevrouw <span class="corr" id="xd31e5276" title="Bron: van">Van</span> Amerongen, die reeds in de geopende deur stond, en snel trad zij terug.
-</p>
-<p>Louise bedaarde oogenblikkelijk, zij zag haar moeder met verbazing aan, ging haar
-lachend te gemoet en reikte haar de hand met de woorden:
-</p>
-<p>»Kom binnen, ik was vergeten dat gij komen moest … Nu herinner ik het mij.—Gij zijt
-mijn gewezen moeder, niet waar?—En gij mijn vader? En gij resident Stevens van Langendijk,
-mijn echtgenoot van vroeger?—Komt binnen, komt binnen, wij moeten spreken over de
-op handen zijnde scheiding, die Werner aangevraagd heeft voor de vrouw die de zijne
-moet worden … Gaat zitten en laat ons alles in der minne schikken … Ik zal geen moeilijkheden
-maken, resident.—Ik vraag mijn vrijheid, anders niets—indien uw kind het mijne was,
-zou ik dat ook vragen, maar op uw kind heb ik geen recht, evenmin als op uw naam,
-dien gij voortaan alleen behouden kunt.—Wanneer wilt gij teekenen, resident?—Dit zal
-de tweede keer zijn, dat wij te zamen zullen teekenen … de laatste keer, niet waar?<span class="corr" title="Bron: ..">…</span>”
-</p>
-<p>»Ja, de laatste keer! De eerste is de laatste geweest!” antwoordde de resident half
-knorrig half medelijdend. »Eens getrouwd, blijft getrouwd<span class="corr" title="Bron: ..">…</span>”
-</p>
-<p>Louise sprong op hem toe, wis een leeuwin op haar <span class="pageNum" id="pb296">[<a href="#pb296">296</a>]</span>prooi en, hem de beide handen op de schouders leggende, zag zij hem strak in de oogen,
-alsof zij in zijne ziel lezen en hem tevens in de gelegenheid stellen wilde een blik
-in de hare te werpen.
-</p>
-<p>»Eens getrouwd, blijft getrouwd!” herhaalde zij schamper—»maar <span class="ex">nooit</span> getrouwd?…”
-</p>
-<p>Zij trok de handen terug, zag naar omhoog als luisterde zij, en borst op eens in een
-luid lachen, uit.
-</p>
-<p>»Ja, ja,” riep zij in de handen klappende van vreugde en weder op den resident toetredend,
-hernam zij spottend en heftig:
-</p>
-<p>»Wat zal het nageslacht lachen over onze huwelijken van thans!<span class="corr" title="Bron: ..">…</span> Slavernij zal men ze noemen! Willekeurige slavernij, gegrond op bijgeloof en domheid,
-op overlevering en ouden sleur! De kloostergelofte, verbasterd en verdraaid in de
-wereld overgebracht! Levenslange kloosteropsluiting, hu!—Levenslange gevangenis, vreeselijk!—Levenslange
-ballingschap, ijselijk!—Levenslang huwelijk, ’t is crimineel! ’t is onverantwoordelijk!
-’t is de grootste zonde die de wetten plegen kunnen, want het is de moeder van alle
-andere zonden! Moet daarom een meisje onwetend gehouden worden? Hebt gij het recht,
-menschen, ouders, voogden, bloedverwanten, vrienden, wie gij ook zijn moogt, hebt
-gij het recht ons in domheid groot te brengen, ons vertrouwen in te boezemen en gehoorzaamheid
-en dankbaarheid te leeren, om ons daarna, van onze argeloosheid en van ons niets weten
-misbruik makende, aan ketenen te leggen die anderen voor <span class="pageNum" id="pb297">[<a href="#pb297">297</a>]</span>ons smeden en die wij niet meer verbreken kunnen?—Zonde! zonde! groote zonde!—De vrouw
-die handelt moet <span class="ex">weten wat</span> zij doet, en beneemt gij haar het <span class="ex">weten</span>, dan kan hare handeling ook nooit geldig wezen. Al staat ’t ook in een boek vol wetten
-en al galmt gij ’t ook door de ruimte uwer tempels.—Die domme letters weten niet wat
-ze zeggen, en die golvende klanken sterven weg zonder weerklank in de toekomst te
-vinden!
-</p>
-<p>Eens wist ik niet, toen heb ik »<span class="ex">ja</span>” gezegd.—Nu weet ik, en nu zeg ik »<span class="ex">neen</span>.”
-</p>
-<p>Maar hij is uw echtgenoot.
-</p>
-<p>Neen!
-</p>
-<p>Hij heeft recht op u.
-</p>
-<p>Neen!
-</p>
-<p>Echtscheiding is zonde.
-</p>
-<p>Neen!—Vrijheid eisch ik.
-</p>
-<p>Maar de wet <span class="ex">gedoogt</span> het scheiden slechts, terwijl de kerk het laakt en de maatschappij het veracht.
-</p>
-<p>De wet is slecht, de kerk is dom, en de maatschappij is schijnheilig! Coalitie die
-zwakheid verraadt!
-</p>
-<p>Vrijheid eisch ik …
-</p>
-<p>Niemand antwoordt?—Niemand spreekt mij tegen?
-</p>
-<p>Resident Stevens van Langendijk, waar zit gij?—Kom hier, groote heer.
-</p>
-<p>Toen ik u beloofde uwe vrouw te zullen worden, heb ik u dit gezegd:
-</p>
-<p>»Stevens, binnen korten tijd zal ik uwe vrouw zijn en nog nooit hebt gij mij gevraagd
-of ik het wezen wilde.”
-<span class="pageNum" id="pb298">[<a href="#pb298">298</a>]</span></p>
-<p>Herinnert gij ’t u nog?—’t Is lang geleden dat die harde woorden gesproken werden—maar
-juist omdat ze hard waren, zijn ze mij bij gebleven.—Het steenen monument leeft langer
-dan de menschen, die wegsterven. En die woorden zijn in steen uitgehouwen, want ze
-staan geschreven in mijn hart dat versteend werd door u!
-</p>
-<p>»Liefste! liefste Louise,” durfdet gij daarna vragen. »Nog nooit hebt gij iemand lief
-gehad, zegt gij?”
-</p>
-<p>»Niemand—zelfs u niet, resident.”
-</p>
-<p>»Dat zal later wel komen, wanneer wij eenmaal getrouwd zullen zijn.”
-</p>
-<p>»Ik hoop het, voor u en voor mij, en mocht het anders wezen, dan zal de resident zich
-herinneren dat zijne vrouw hem gedwongen hare hand heeft geschonken.”
-</p>
-<p>En in plaats van mij, zoo als gij behoordet te doen, mijn vrijheid weer te geven,
-hebt gij de vervulling van eene belofte gewild, die een kind in haar onnoozele onwetendheid,
-op last harer ouders gedaan had …
-</p>
-<p>Toen hebben wij beiden verkeerd gehandeld, resident.—Gij wetend, ik onbewust.
-</p>
-<p>Sedert zijn de omstandigheden veranderd en de karakters ook.
-</p>
-<p>Het kind is mensch geworden en de vrouw, die <span class="ex">weet</span>, eischt hare vrijheid.
-</p>
-<p>Hebben wij eenmaal een fout begaan, dan is het onze plicht, als redelijke wezens,
-die zoo spoedig en zoo goed mogelijk te herstellen.
-</p>
-<p>Ik kondig u dus bij deze aan, dat ik de door mij <span class="pageNum" id="pb299">[<a href="#pb299">299</a>]</span>begane fout herstellen ga, en, van dit oogenblik af, ophoud uwe vrouw te zijn.”
-</p>
-<p>Het eenige antwoord van den resident was een schaterlach. Hij vond die grootsche vrijheidsdroomen
-zeer grappig in een vrouw, die zoo afhankelijk was als de zijne.
-</p>
-<p>»Lacht gij daarom?” vroeg Louise verwonderd, »dat doet mij pleizier. Hoe minder gij
-tegen onze scheiding zijt, hoe aangenamer het mij is. Gij zult dus wel de goedheid
-willen hebben, zelf de aanvraag te doen. Gij kunt mij beschuldigen van al wat u goed
-dunkt, moord en doodslag, echtbreuk of krankzinnigheid, diefstal zelfs, hoe gemeen
-of het is. Ik beloof u dat ik »<span class="ex">ja</span>” en »<span class="ex">amen</span>” zeggen zal op elke misdaad die gij mij ten laste zult leggen, onder voorwaarde altijd
-dat zij mij mijne vrijheid weder geeft. En hiermede wensch ik u goeden nacht, resident,
-slaap wel, goeden nacht, getuigen!” Toen zij bij de deur was, keerde zij zich nog
-even om, met de woorden:
-</p>
-<p>»Ik vergat u nog te zeggen dat gij mijne huwelijksgift behouden kunt<span class="corr" title="Bron: ..">…</span> als losgeld<span class="corr" title="Bron: ..">…</span> of als loon voor uwe scheidingsaanvraag! Slaap wel, resident.”
-</p>
-<p>Zij wikkelde zich geheel in het witte tule kleed dat op een stoel lag, wierp zich
-den kanten sluier over het hoofd en verliet de kamer met een afscheidsgroet.
-</p>
-<p>Toen zij zich alleen in hare slaapkamer bevond hoorde men haar lachen als een kind
-dat een guitenstreek heeft uitgevoerd. Daarna was alles stil.
-<span class="pageNum" id="pb300">[<a href="#pb300">300</a>]</span></p>
-<p>Een rijtuig rolde de laan door—het hek uit—de straat op.
-</p>
-<p>En weer was alles stil.
-</p>
-<p>De resident verbleekte, sprong op en opende de deur der slaapkamer.
-</p>
-<p>Niemand.
-</p>
-<p>»Louise … Louise!…”
-</p>
-<p>Alles bleef stil.
-</p>
-<p>»Siedin, Ketjil, Alima, Bonsoe, sap’ada, sap’ada, Di sini, lekas!”
-</p>
-<p>Uit alle hoeken, van onder alle tafels kwamen jongens en meiden te voorschijn, slaapdronken
-en verschrikt, met onbewegelijke gezichten.
-</p>
-<p>»<span lang="ms">Manna njonja?</span>”<a class="noteRef" id="xd31e5398src" href="#xd31e5398">1</a>
-</p>
-<p>Geen antwoord.
-</p>
-<p>»<span lang="ms">Bodok, Malas!</span>”<a class="noteRef" id="xd31e5407src" href="#xd31e5407">2</a> Alima bij den arm grijpende en haar onzacht heen en weer schuddende: »<span lang="ms">Di manna njonja pigi?</span>”<a class="noteRef" id="xd31e5413src" href="#xd31e5413">3</a>
-</p>
-<p>»<span lang="ms">S’taauw toewan.</span>”<a class="noteRef" id="xd31e5421src" href="#xd31e5421">4</a>
-</p>
-<p>»<span lang="ms">Pigi per setan!</span>”<a class="noteRef" id="xd31e5429src" href="#xd31e5429">5</a> en met een schop tuimelde Alima de kamer uit.
-</p>
-<p>Daarop volgde een vloed van scheldwoorden, oorvegen, vloeken en bevelen, waar niemand
-minder uit wijs kon worden dan de resident zelf, en eindelijk werd <span class="pageNum" id="pb301">[<a href="#pb301">301</a>]</span>de scène besloten met den uittocht van een half dozijn oppassers te paard die, meer
-dan half slapende, njonja resident zoeken gingen. Het was toen omstreeks middernacht.
-</p>
-<p>Klokslag zes reden zij met hun zessen het hek weer in.
-</p>
-<p>Njonja resident was niet te vinden geweest.
-</p>
-<p>Daarop reed de resident zelf uit. Ketjil ging mee, en de gouden pajong ook.
-</p>
-<p><span class="ex" lang="fr">Malbrouck s’en va-t-en guerre.</span>
-</p>
-</div>
-<div class="footnotes">
-<hr class="fnsep">
-<div class="footnote-body">
-<div class="fndiv" id="xd31e5398">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e5398src">1</a></span> Waar is mevrouw?&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e5398src" title="Ga terug naar noot 1 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e5407">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e5407src">2</a></span> Domoor, luiaard!&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e5407src" title="Ga terug naar noot 2 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e5413">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e5413src">3</a></span> Waar is mevrouw heen gegaan?&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e5413src" title="Ga terug naar noot 3 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e5421">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e5421src">4</a></span> Ik weet het niet mijnheer.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e5421src" title="Ga terug naar noot 4 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e5429">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e5429src">5</a></span> Loop naar den duivel!&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e5429src" title="Ga terug naar noot 5 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-</div>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div class="div0 part">
-<h2 class="label">DERDE DEEL</h2>
-<h2 class="main">HOE ZIJ HAD KUNNEN ZIJN</h2>
-<div lang="fr" class="div1 prologue"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody">
-<p class="first">Vous n’avez connu que les femmes heureuses ou méchantes peut-être? Celles qui n’ont
-pas besoin de valoir grand’ chose et celles qui réellement ne valent rien. Tachez
-de connaître celles qui aiment et qui souffrent, celles qui pardonnent surtout; et
-peut-être qu’alors vous aussi vous les désireriez libres, dans l’intérêt même de cet
-honneur national qui se perd par la décadence de la femme; par cette ignorance, par
-cette servitude, par cette bassesse, par cette hypocrisie forcée, ordonnées par les
-lois, sanctifiées par l’église et glorifiées par cette grande puissance morale:
-</p>
-<p class="xd31e94">l’opinion publique!
-</p>
-<p class="xd31e682">Lettre à M. Alexandre Dumas, fils, au sujet de son livre <span class="ex">L’Homme-Femme</span> par Mlle Oristorio di Frama, Cantatrice.
-<span class="pageNum" id="pb302">[<a href="#pb302">302</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch36" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e534">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="superlabel">DERDE DEEL</h2>
-<h2 class="super">HOE ZIJ HAD KUNNEN ZIJN</h2>
-<h2 class="label">ZESENDERTIGSTE HOOFDSTUK</h2>
-<h2 class="main">SPERANZA</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Speranza was een der schoonste landgoederen in het <abbr title="XX">A.sche</abbr>. Niet alleen waren de grond beter en de ligging voordeeliger dan van de meeste omliggende
-landen, maar kunst en smaak hadden natuur zóo ruimschoots geholpen, dat het woonhuis
-met het park als een meesterstuk van Europeesche verfijning en Indische weelde beschouwd
-kon worden. Niets was er veranderd sedert den dood van Werner. Een graftombe meer
-aan het einde eener kanarielaan, half verscholen onder bloeiende heesters, dat was
-al.
-</p>
-<p>Het was een prachtige heldere sterrennacht. De maan wierp haar vol licht over de weelderige
-plantenmassa en spiegelde zich vrij in het zacht stroomende water van een grooten
-vischvijver, omringd door de zeldzaamste gewassen, waarvan de met bloemen beladen
-<span class="pageNum" id="pb303">[<a href="#pb303">303</a>]</span>takken sierlijk heen en weer wiegelden in het kristal heldere water.
-</p>
-<p>Alles was stil, schoon, rijk aan leven; geen vogel, geen vlinder scheen meer te waken
-in die kalme, rustige natuur, maar het water murmelde zacht zijn melodieusen levenszang,
-terwijl de bladeren hun geheimzinnige poëziën ontboezemden, onverstaan wegstervend
-in de ruimte die ze verslindt.
-</p>
-<p>Vlug als een sylphide sprong een vrouwelijke gedaante uit het donkere kreupelhout
-te voorschijn. Op eens beschenen door het heldere maanlicht en gestuit in hare vlucht
-door den schoonen waterplas aan hare voeten, stond zij als betooverd stil. Met de
-hand voor de oogen dook zij in de schaduw terug, als vreesde zij het licht. Toen golfde
-een lach, als die van een kind, over het kabbelende water en langzaam, met gevouwen
-handen uit haar schuilhoek terugkomende, wierp zij nieuwsgierige blikken om zich heen,
-verwonderd, vragend, opgetogen, dankend … zij knielde neder en scheen te bidden.
-</p>
-<p>Ja, zij bad in die betooverende eenzaamheid. Hare ziel was zóo vol: zij kon niet meer
-denken, maar zij kon gevoelen, bewonderen, genieten, gelukkig zijn, en den Schepper
-danken, wiens grootsche almacht haar uit hare nietigheid ophief lot het besef van
-eene volmaaktheid die haar duizelen deed.
-</p>
-<p>Het was zes uur in den morgen en nog lag zij daar, met het hoofd op een rotsklomp,
-de handen gevouwen, de oogen gesloten. De zon wierp vroolijk <span class="pageNum" id="pb304">[<a href="#pb304">304</a>]</span>haar nieuwen levensschat over de ontwakende aarde, de vogelen hieven dartel hun duizendvoudig
-orchest weer aan, de bloemen zagen op, de insekten herleefden …
-</p>
-<p>De jonge vrouw alleen scheen gevoelloos voor den gouden gloed die haar uitgeputte
-leden koesterde, en bleef dood ondanks de krachtige stem der natuur die leven vroeg.
-</p>
-<p>»Hier mijnheer,” sprak een kinderstem, »aan dezen kant bij de <span lang="ms">sedap malam</span>.<a class="noteRef" id="xd31e5488src" href="#xd31e5488">1</a>”
-</p>
-<p>Lawson volgde den kleinen javaanschen jongen die hem den weg wees en vond de jonge
-vrouw op de aangeduide plaats.
-</p>
-<p>»Goed, ga heen, en zeg het niemand,” sprak hij gejaagd, zich zacht over haar heen
-buigende en hare handen in de zijnen vattende.
-</p>
-<p>»Mevrouw!<span class="corr" title="Bron: ..">…</span> Liefste mevrouw. Mijn God, zij is dood! Louise!<span class="corr" title="Bron: ..">…</span>”
-</p>
-<p>Haar naam deed haar huiveren, zij bewoog even, doch ontwaakte niet.
-</p>
-<p>Hij richtte haar op van den harden steen, sloot haar in zijn armen, verwarmde haar
-tegen zijn borst, zeide haar al wat geruststelling, liefde, troost kan zeggen …
-</p>
-<p>»Werner!” sprak zij zacht, »o laat mij sterven<span class="corr" title="Bron: ..">…</span> nu<span class="corr" title="Bron: ..">…</span>” en zich dichter tegen hem aandringende, verborg zij het gelaat aan zijn schouder
-en verviel weder in hare vorige gevoelloosheid.
-<span class="pageNum" id="pb305">[<a href="#pb305">305</a>]</span></p>
-<p>Ten einde raad richtte Lawson haar op van den dampigen, harden grond en droeg haar
-in zijne armen naar huis, waar hij haar te bed <span class="corr" id="xd31e5514" title="Bron: leide">leidde</span> en als een getrouwe hond aan hare voeten zitten bleef tot zij ontwaken zou.
-</p>
-<p>Wat had hij die vrouw bewonderd toen hij haar de eerste maal gezien had als de genius
-der wraak aan Werner’s sponde! Wat had hij haar beklaagd als het onbeschermde slachtoffer
-van den ruwen, zedeloozen resident! Wat had hij haar lief, zwak, zacht, verlaten,
-vol vertrouwen, zoo als zij daar voor hem lag; hulpeloos en zwijgend, met den hoopvollen
-lach eener fictie om de lippen, met de marmeren bleekheid des doods over hare trekken
-verspreid.
-</p>
-<p>Zwijgend zat hij het levenlooze schepsel aan te staren, terwijl tranen van medelijden
-langs zijn wangen biggelden.
-</p>
-<p>»Wat heeft dat kind gedaan om zóo ongelukkig te moeten wezen?<span class="corr" title="Bron: ..">…</span> Wie heeft recht op haar?<span class="corr" title="Bron: ..">…</span> Hij is haar echtgenoot<span class="corr" title="Bron: ..">…</span> En wat doet dat af?<span class="corr" title="Bron: ..">…</span> Ik zweer het, die vrouw zal heilig voor mij wezen<span class="corr" title="Bron: ..">…</span> Uit mijn huis? Neen, nooit zonder haar eigen toestemming …”
-</p>
-<p>»Toewan dokter.”
-</p>
-<p>»Ah!”
-</p>
-<p>Lawson sprong op, verliet de kamer, sloot de deur achter zich dicht, stak de sleutel
-in zijn zak en ging met Heisterman in een ander vertrek.
-</p>
-<p>»Luister dokter,” begon hij ernstig, »beloof je me, op je woord van eer, dat je zwijgen
-zult, wat je ook zien <span class="pageNum" id="pb306">[<a href="#pb306">306</a>]</span>moogt? Dat geen consideraties hoegenaamd, noch voor personen, noch voor gevolgen,
-je een enkel woord, een enkel teeken zullen afpersen over hetgeen je hier zult zien?”
-</p>
-<p>»Indien het geen misdaad geldt.”
-</p>
-<p>»Misdaad of niet, ik weet niet in hoever onze denkbeelden daaromtrent overeenstemmen,
-maar ik weet wel dat je hier onder de gevraagde belofte helpen kunt, of dat je anders
-onverrichter zake naar huis terug kunt keeren, zonder dat je ooit zult weten waarvoor
-je hier geroepen bent geworden.”
-</p>
-<p>»Ik beloof te zullen zwijgen,” antwoordde de dokter besloten.
-</p>
-<p>»Goed, kom in.”
-</p>
-<p>De goede man kon het niet helpen, dat een kreet van verwondering hem ontsnapte op
-het zien van mevrouw Stevens van Langendijk in Werner’s slaapkamer op Speranza.
-</p>
-<p>Hij wilde spreken, vragen, meer weten, maar Lawson wees hem op de zieke en kwam hem
-vóor met de woorden: »Ik weet niets. Zóo heb ik haar twee uur geleden bij den vijver
-gevonden.”
-</p>
-<p>Meer dan drie uren verliepen er nog, eer eenig teeken van leven in Louise te krijgen
-was, en toen scheen zij zóo zwak en uitgeput, dat zij van hare flauwte in een slaap
-overging, die vijf dagen en nachten bijna zonder ophouden voortduurde.
-</p>
-<p>Lawson achtte haar verloren, maar de dokter verklaarde dat het de laatste worsteling
-tusschen een <span class="pageNum" id="pb307">[<a href="#pb307">307</a>]</span>sterken geest en een geknakt lichaam was, waaruit de <span class="corr" id="xd31e5556" title="Bron: patiente">patiënte</span> waarschijnlijk krachtig<span id="xd31e5559"></span> herrijzen zou, indien men alles maar aan de natuur alleen wilde overlaten. Hij had
-gelijk: de gezonde jeugd zegepraalde over de gebrokene ziel en, ofschoon zeer langzaam,
-begonnen de verloren krachten toch weder te keeren.
-</p>
-<p>Gedurende de eerste dagen in een half droomenden toestand, sprak zij slechts weinig
-en zóo zacht dat men haar nauwelijks verstaan kon. Als een kind dat zijne zwakheid
-gevoelt, gehoorzaamde zij zonder tegenspraak. Lawson en de dokter waakten om beurten,
-en geen oogenblik hadden zij haar nog durven verlaten sedert den dag harer geheimzinnige
-verschijning op Speranza.
-</p>
-<p>Eindelijk na een dag of acht te zwak te zijn geweest om met eigen wil te kunnen handelen,
-scheen zij zich, op een Zondagmorgen veel beter te gevoelen.
-</p>
-<p>»Dokter!” vroeg zij, zoodra Heisterman het bed naderde. »Mag ik van daag niet een
-half uurtje opzitten?”
-</p>
-<p>»Zeker, indien gij er u sterk genoeg toe gevoelt.”
-</p>
-<p>»O, van daag ben ik sterk! Waar is George?”
-</p>
-<p>De dokter wist niet dadelijk wat te antwoorden: »Lawson meent gij?” vroeg hij aarzelend.
-</p>
-<p>»Hm—m!” zei ze lachend, en, het hoofd van hem afwendende, verviel zij weder in haar
-vorig stilzwijgen.
-</p>
-<p>»Wij zullen haar nooit genezen zien!” sprak hij treurig, toen Lawson eenige oogenblikken
-later binnentrad. <span class="pageNum" id="pb308">[<a href="#pb308">308</a>]</span>»Het is Werner, altijd Werner nog!—Hare hopelooze liefde doodt haar.”
-</p>
-<p>Lawson naderde het bed, legde zijne hand op haar schouder en vroeg bijna fluisterend:
-</p>
-<p>»Louise hebt gij naar mij gevraagd?”
-</p>
-<p>»George?…”
-</p>
-<p>»Welnu, hier ben ik.—Gij hebt niets meer te vreezen, geloof mij, wees gerust en vertrouw
-op mij. Gij zijt volmaakt veilig hier op Speranza, niemand zal u meer vervolgen of
-u eenig leed aandoen<span class="corr" title="Bron: ..">…</span> Wij zijn hier alleen—ver van de wereld—alleen met God en zijne natuur<span class="corr" title="Bron: ..">…</span>”
-</p>
-<p>Krampachtig greep zij zijne hand tusschen hare vermagerde vingers.
-</p>
-<p>»Wie is die man, dáar, George?” vroeg zij fluisterend.
-</p>
-<p>»Het is de dokter.—Heisterman.”
-</p>
-<p>»Zoo even kende hij u niet.—Hij noemde u anders—geen George, zoo als ik.—Zend hem
-weg<span class="corr" title="Bron: ..">…</span> toe<span class="corr" title="Bron: ..">…</span> hij wil u niet kennen.”
-</p>
-<p>»Zeker kent hij mij.—Hij heeft u niet verstaan misschien.—Dokter, ken je me niet?<span class="corr" title="Bron: ..">…</span>”
-</p>
-<p>»Zeker ken ik u.”
-</p>
-<p>»Wie ben ik dan? Noem mijn naam.”
-</p>
-<p>»George Werner,” antwoordde de dokter, Lawson’s bedoeling begrijpende.
-</p>
-<p>»Weet hij alles?” vroeg Louise verder.
-</p>
-<p>»Alles,” antwoordde Lawson, »maar vrees niets, hij zal het niemand zeggen.”
-</p>
-<p>»Ook den resident niet?”
-<span class="pageNum" id="pb309">[<a href="#pb309">309</a>]</span></p>
-<p>»Ook hem niet.”
-</p>
-<p>»Chut!—Gij weet dat hij gezworen heeft u te dooden wanneer hij ons te zamen zou vinden?—George-lief
-zult gij mij niet naar <span class="ex">hem</span> terugzenden?—Nooit?—Zult gij de arme Louise nooit verstooten?<span class="corr" title="Bron: ..">…</span> Hoe de menschen haar ook verachten zullen?”
-</p>
-<p>»Nooit! Nooit! Ik zweer het u.”
-</p>
-<p>»Dank je engel!… O! Ik wist wel dat de menschen mij bedriegen wilden, toen zij zeiden
-dat ze u begraven hadden, op uw eigen land, in den tuin, aan het eind eener laan,
-bij een stroomend water met bloemen omzoomd … Ik wilde het zien, uw graf, zelve zien,
-vóor het te gelooven<span class="corr" title="Bron: ..">…</span> en ik heb den tuin gevonden, en de laan,—en het water,—en de bloemen, maar niet het
-graf<span class="corr" title="Bron: ..">…</span> Want daar is geen graf!” vervolgde zij, met een pijnlijken lach Lawson in de oogen
-starende. »Niet waar, George, gij kunt, gij wilt niet sterven nu Louise bij u is—voor
-altijd—voor eeuwig?”
-</p>
-<p>»Neen.”
-</p>
-<p>»Gij weet nu dat ik sterven moet, indien gij mij verlaat, of krankzinnig worden, zooals
-de menschen het noemen, omdat zij niet weten dat de ziel de dooden kan volgen, terwijl
-het lichaam leven blijft.—O George, dat is een vreeselijk gevoel! Ik ken het. Ik heb
-het gevoeld toen zij mij gelooven deden dat gij mij verlaten hadt. Toch wist ik dat
-ik u weer zou zien<span class="corr" title="Bron: ..">…</span> gij hadt het mij immers beloofd? Maar waarom zijt gij in al dien tijd niet bij mij
-geweest? Ik vroeg dagelijks elk <span class="pageNum" id="pb310">[<a href="#pb310">310</a>]</span>uur, elk oogenblik naar u, en »<span class="ex">dood</span>” was al wat de wreede menschen antwoordden! Zullen ze nu ook »<span class="ex">dood</span>” zeggen, als de resident naar Louise zal vragen? O, dat hoop ik!” En met een lach
-in de kussens terug zinkende, met Lawson’s hand in de hare en hare oogen op de zijnen
-gevestigd, viel zij weder in slaap, kalm en gelukkig zoo als zij in lang niet geslapen
-had.
-</p>
-<p>Zwijgend en vragend zagen de dokter en Lawson elkander aan. Lawson was de eerste die
-de stilte verbrak.
-</p>
-<p>»Misdaad,” zeide hij, »ziet gij hier een misdaad in de toekomst, dokter?”
-</p>
-<p>»Ik zie niets dan ongeluk. Geen fouten, maar gevolgen van verkeerde handelingen en
-misdaden.”
-</p>
-<p>Zij reikten elkander de hand, en bleven geruimen tijd zwijgen, terwijl de jonge vrouw
-aan hunne zijde sliep.
-</p>
-<p>Langzaam, zeer langzaam was Louise’s herstelling geweest, die zij grootendeels aan
-Lawson te danken had, in wien zij Werner meende te zien.
-</p>
-<p>De resident had te vergeefs alle pogingen in het werk gesteld om zijn vrouw terug
-te vinden. Vrienden en bekenden waren ondervraagd geworden en hadden op hun beurt
-getracht iets naders omtrent Louise te weten te komen; alles te vergeefs. De dokter
-was de eerste geweest die van zelfmoord gesproken had, en dit denkbeeld, het waarschijnlijkste
-van al, was ten laatste algemeen voor waarheid aangenomen.
-</p>
-<p>Louise’s dood had weinig of geen verandering in het leven van den resident te weeg
-gebracht. Hij had den <span class="pageNum" id="pb311">[<a href="#pb311">311</a>]</span>laatsten tijd zóo veel met haar te tobben gehad, dat hij bijna gelukkig was toen er
-eindelijk een einde aan de <span class="ex">soesah</span> kwam. Wanneer hij zich de jonge, schoone, levendige Louise van vroeger herinnerde,
-had hij soms oogenblikken van wanhoop en vertwijfeling, die zich oplosten in een luid
-snikken en zuchten, hartbrekend om aan te hooren, maar juist door de overdreven heftigheid
-ver van gevaarlijk waren voor den oppervlakkigen man, die door een enkele gedachte
-aan Louise’s opgewondenheid en krankzinnigheid als bij tooverslag weer tot bedaren
-kwam en vrede kreeg met het verdwijnen van de oproerige vrouw, die hij toch niet langer
-regeeren kon.
-</p>
-</div>
-<div class="footnotes">
-<hr class="fnsep">
-<div class="footnote-body">
-<div class="fndiv" id="xd31e5488">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e5488src">1</a></span> Bloem.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e5488src" title="Ga terug naar noot 1 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div id="ch37" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e544">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="label">ZEVENENDERTIGSTE HOOFDSTUK</h2>
-<h2 class="main">LAWSON</h2>
-<div class="epigraph" lang="fr">
-<div class="lgouter">
-<p class="line">„J’ai trahi par faiblesse, on bien par dévoûment
-</p>
-<p class="line">Mon enfant, mon amour, mon bonheur, mon serment.”
-</p>
-</div>
-<p class="first xd31e4983"><span class="sc">A. de Lamartine, <span class="corr" id="xd31e5666" title="Bron: Jocelijn">Jocelyn</span>.</span></p>
-</div>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Zes maanden was Louise gelukkig geweest. Zes volle maanden geluk voor die gefolterde
-ziel, dat was eene eeuwigheid geweest! Eene eeuwigheid van liefde, kalmte en hoop
-had zij doorleefd in die schoone, rijke eenzaamheid, waar alles <span class="ex">Werner</span> riep. Maar zij waren voorbij en het was een vluchtig oogenblik slechts dat in de
-<span class="pageNum" id="pb312">[<a href="#pb312">312</a>]</span>verte glansde als de avondstar in het nachtelijk duister.
-</p>
-<p>Het was een dier frissche, heldere morgens, zooals men ze enkel in het gebergte kent.
-Louise wandelde, op Lawson’s arm geleund, den weelderigen, smaakvollen tuin door en
-zag om zich heen met dien afgetrokken, zachten lach, het kenmerk van schier volmaakt
-geluk. Beide genoten in stilte van het tegenwoordige met eene gretigheid, die een
-onbestemd gevoel van vrees voor de toekomst verried.
-</p>
-<p>Louise verbrak het zwijgen. Zij voerde haar vriend naar een ijzeren bankje, waarop
-beide plaats namen, legde haar hoofd op zijn schouder en vroeg zacht, zijne hand in
-de hare vattende:
-</p>
-<p>»George!—Wat zal de toekomst wezen?—De onze?—De <span class="ex">zijne</span>?”
-</p>
-<p>Lawson sloeg zijn arm om haar heen, drukte haar aan zijn hart en beantwoordde hare
-vraag met een kus.
-</p>
-<p>Lang zwegen beiden weer.
-</p>
-<p>Louise’s hoofd zonk lager, haar oogen staarden naar den grond en groote tranen hingen
-aan de lange wimpers.
-</p>
-<p>»George—niet waar?” vroeg zij fluisterend. »George zullen wij hem noemen? En ook de
-wereld zal hem George heeten—omdat het geen Werner wezen mag<span class="corr" title="Bron: ..">…</span> Ach! waarom moet dat kind verstooten worden?<span class="corr" title="Bron: ..">…</span> Waarom miskend?<span class="corr" title="Bron: ..">…</span> en veracht misschien!<span class="corr" title="Bron: ..">…</span>”
-</p>
-<p>»Chut, Louise, spreek niet zóo, mijn engel! <span class="ex">Ons</span> kind <span class="pageNum" id="pb313">[<a href="#pb313">313</a>]</span>zal niet verstooten worden, niet miskend, veel minder nog veracht.—Wij zullen het
-zelf verzorgen en onderwijzen en groot brengen tot eere van ons land en …”
-</p>
-<p>»Zonder naam …” viel Louise hem in de rede.
-</p>
-<p>»Er zijn er meer geweest zonder naam, die groot geweest zijn en uitgemunt hebben boven
-allen.”
-</p>
-<p>»Maar hij zal zijn vader haten en zijne moeder verachten<span class="corr" title="Bron: ..">…</span> dat zullen de menschen hem leeren, en dat zal mij dooden, George! Gij die beter zijt
-dan allen, grooter dan de grootsten, edeler dan de edelsten,—o, waarom moet ik over
-uw kind weenen?<span class="corr" title="Bron: ..">…</span> Indien het zijn kind geweest ware, zou de wereld mij geacht hebben, gevleid, benijd
-misschien!<span class="corr" title="Bron: ..">…</span> En toch, <span class="ex">zijn</span> kind ware schande geweest! Het uwe, God weet het, is glorie!”
-</p>
-<p>Na een oogenblik zwijgens, vervolgde zij angstig:
-</p>
-<p>»George, zoudt ook gij mij kunnen verachten?<span class="corr" title="Bron: ..">…</span>”
-</p>
-<p>»Nooit—nooit, mijn innig geliefde Louise!<span class="corr" title="Bron: ..">…</span>”
-</p>
-<p>»Maar ik ben uwe vrouw niet<span class="corr" title="Bron: ..">…</span> Later misschien<span class="corr" title="Bron: ..">…</span> O, beloof mij dat gij mij dooden zult, nooit verstooten! God weet het, dat ik niet
-slecht ben<span class="corr" title="Bron: ..">…</span> Ik kan ’t niet helpen dat ik leef, zoo kan ik niet helpen dat ik u lief heb ook.—Misdaad
-noemt de wereld mijne liefde; misdaad moest zij dan ook mijn leven noemen! Misdaad,
-wat van God alleen komt?—O! menschen, waarom maakt gij wetten, strijdig met die van
-God?—Nietige, armzalige schepselen, welk recht hebt gij, in uw zwakke afhankelijkheid,
-om uwe <span class="pageNum" id="pb314">[<a href="#pb314">314</a>]</span>onkunde hooger te stellen dan de volmaakte wijsheid, van Gods krachtige natuur?
-</p>
-<p>»George, vergeeft gij mij den twijfel die zich tusschenbeide van mij meester maakt,
-en mij onrechtvaardig oordeelen doet zelfs over u, dien ik liefheb boven alles?… O,
-ik moest minder lief hebben, om minder te lijden!—Maar gij hebt medelijden met uw
-arme Louise, niet waar?<span class="corr" title="Bron: ..">…</span> En, evenals God, vergeeft gij haar alles, omdat gij alles weet?”
-</p>
-<p>Lawson sloot haar in zijne armen, drukte een hartstochtelijken kus op hare bevende
-lippen en geleidde haar onder een vloed van troostwoorden naar huis terug, daar het
-te warm begon te worden om langer in den tuin te blijven.
-</p>
-<p>Een half uur later reed hij te paard uit om het werk op zijn landgoed na te gaan,
-en bleef de jonge vrouw alleen.
-</p>
-<p>Zij was in lang zóo opgewonden niet geweest als dezen morgen. Sedert hare herstelling
-was zij gelukkig geweest zonder nadenken, zonder vrees voor de toekomst althans. Zij
-had zich geheel aan hare liefde overgegeven, die zoo ruimschoots door Lawson beantwoord
-was geworden, dat zij alles vergeten had in het ongekend geluk dat haar als betooverde
-en gevoelloos maakte voor hetgeen daar buiten lag.
-</p>
-<p>Gisteren echter was er iets zonderlings gebeurd. Lawson had naar een voorwerp gevraagd
-dat niemand vinden kon. Alle bedienden hadden er naar gezocht, doch te vergeefs, eindelijk
-had een der jongens <span class="pageNum" id="pb315">[<a href="#pb315">315</a>]</span>gevraagd om den sleutel van »<span class="ex">de kamer van Toewan bezar</span>”. Lawson was doodsbleek geworden, had den ouden Drono bij den arm gevat, was met
-hem naar het onbewoonde bovenhuis gegaan en was teruggekomen met het lang gewenschte
-voorwerp. Dien avond had Drono Louise zijn ontslag gevraagd en hedenmorgen was hij
-vertrokken.
-</p>
-<p>Dit alles was zoo bijzonder niet, en toch hadden de eenvoudige woorden »<span class="ex">Toewan bezar</span>” een indruk op haar gemaakt, dien zij zich niet verklaren kon.
-</p>
-<p>»Wie was Toewan bezar?—Wie kon het zijn in Werner’s huis?—Wie anders dan hij zelf?”
-</p>
-<p>Zij wist niet wat zij gevoelde, maar het was haar als werd zij naar boven geroepen.
-Eenige uren worstelde zij nog tegen een »<span class="ex">caprice</span>” zoo als zij het noemde, maar ten laatste den strijd moede, gaf zij aan de verleiding
-toe en ging naar boven.
-</p>
-<p>»Naar boven?—Maar wat moet ik daar doen?<span class="corr" title="Bron: ..">…</span>” sprak zij lachend tot zich zelve, op den trap stil staande en gereed om terug te
-keeren.
-</p>
-<p>»Ga verder,” fluisterde weer de geheimzinnige stem, »dáar boven is de oplossing.”
-</p>
-<p>»De oplossing? Ik weet zelfs niet van wat!”
-</p>
-<p>Zij ging.
-</p>
-<p>Het bovenhuis was evenzoo ingericht als het benedenhuis. Een voorgalerij, een binnengalerij,
-een achtergalerij en zes kamers welke allen in de binnengalerij uitkwamen. Ledige
-kamers, ongemeubelde galerijen, stof op de <span class="pageNum" id="pb316">[<a href="#pb316">316</a>]</span>vloeren, zwaluwen op de riggels der pilaren, een gekko ergens in het dak verscholen<span class="corr" title="Bron: ..">…</span> Louise huiverde. Zij trad de eerste kamer binnen.—Niets.—De tweede. Een gebroken
-rotang stoel, eenige planken van een ledekant, een paar oude manden, dat was al.—De
-derde.—Niets.—De vierde.—Niets.—De vijfde … Werner!
-</p>
-<p>Werner als vroeger, jong en schoon, met zijn fieren blik en zijn zachten, droeven
-lach!<span class="corr" title="Bron: ..">…</span> Werner, zóo als zij hem het eerst gezien had, ’s avonds, omringd van bloemen, lichten,
-muziek …
-</p>
-<p>Sprakeloos staart zij hem aan,—ademloos leunt zij tegen den post der deur, de bevende
-handen smeekend naar hem uitgestrekt … Zij heeft geen moed om verder te gaan, geen
-kracht om terug te keeren …
-</p>
-<p>»George!”
-</p>
-<p>Hijgend blijft zij wachten …
-</p>
-<p>Een woord—een wenk<span class="corr" title="Bron: ..">…</span> iets …
-</p>
-<p>Neen, niets.—De stof daalt langzaam neer op den vloer; de verontruste zwaluwen keeren
-terug naar haar nesten; alles zwijgt.
-</p>
-<p>»George!<span class="corr" title="Bron: ..">…</span>” roept zij weder.
-</p>
-<p>Stilte.
-</p>
-<p>»George! George! George!” gilt zij half radeloos, en de echo gilt haar na.
-</p>
-<p>»O George! Vergeving!—Vergeving!”
-</p>
-<p>En zich, luid snikkend, aan zijne voeten werpende, grijpt zij zijn hand<span class="corr" title="Bron: ..">…</span> koud—stijf—glad—het is geen hand—bevend deinst zij terug, kruipt weg aan <span class="pageNum" id="pb317">[<a href="#pb317">317</a>]</span>het andere einde der kamer, staart hem aan, door hare tranen heen … Maar het is George
-niet.
-</p>
-<p>Het is zijn portret!
-</p>
-<p><span class="ex">Zijn</span> portret?—Maar het gelijkt hem niet … En toch hoe sprekend gelijkt het!—En George
-dan? George die leeft, die niet op het portret gelijkt—George dien zij lief heeft,
-de vader van haar kind?… Maar deze man is George, zijn blik, zijn lach … Zij heeft
-hem dood gezien … Neen, hij was niet dood<span class="corr" title="Bron: ..">…</span> Zij heeft hem verstooten bij de wieg van haar kind—neen, niet <span class="ex">haar</span> kind, haar kind is het zijne … Wat heeft zij hem lief gehad! Maar hij gelijkt niet
-op het portret<span class="corr" title="Bron: ..">…</span> en toch dat portret, wat gelijkt het sprekend!…
-</p>
-<p>»Mijn God! Wat gevoel ik toch?—Mijn arm, arm hoofd, kan het dan niets meer begrijpen?<span class="corr" title="Bron: ..">…</span>”
-</p>
-<p>»Louise!” klonk een stem door het huis: het was de zijne, van hem die leefde, want
-die van het portret bleef stom<span class="corr" title="Bron: ..">…</span> Hoe zacht, hoe dof, en toch hoe doordringend was die eenmaal geweest!… De stem van
-een portret?…
-</p>
-<p>Lawson trad binnen.
-</p>
-<p>»Louise, mijn kind, waar zit je toch?—Mijn God, wat ben ik ongerust over je geweest!
-Kom, ga mee naar beneden, het eten staat klaar?<span class="corr" title="Bron: ..">…</span>”
-</p>
-<p>Lawson trachtte kalm te spreken, maar zijne bleekheid verried hem.
-</p>
-<p>Louise’s donker oog dwaalde van hem naar het portret, en van het portret naar hem.
-<span class="pageNum" id="pb318">[<a href="#pb318">318</a>]</span></p>
-<p>»Die man!” fluistert zij zacht, zich dichter en dichter naar hem toe dringende. »O
-George!<span class="corr" title="Bron: ..">…</span> Vloek over mij!”
-</p>
-<p>Zij snikte zóo zenuwachtig dat Lawson te vergeefs alle pogingen aanwendde om haar
-tot bedaren te brengen. Woorden noch liefkozingen mochten baten, en de gansche dag
-ging voorbij zonder dat zij een enkel verstaanbaar woord kon uiten.
-</p>
-<p>Tegen den avond scheen zij kalmer te worden, hare tranen hielden op te vloeien, zij
-beefde niet meer, zij vlood niet meer van de eene kamer naar de andere om zich aan
-Lawson’s oog te onttrekken. Hare bleekheid alleen getuigde van de onrust die in hare
-ziel nog voortleefde.
-</p>
-<p>»George,” vroeg zij op eens, »George, wilt gij medelijden met uwe arme Louise hebben,
-en haar de waarheid bekennen—de zuivere eenige waarheid?—Die twijfel doet mij zoo
-schrikkelijk lijden! Beloof het mij? Och, beloof het mij,—om de wille van ons kind,”
-fluisterde zij zachter, »dat gij niets voor mij verborgen zult houden, niets—niets.—Ik
-ben immers ook oprecht met u geweest, altijd—sedert<span class="corr" title="Bron: ..">…</span> sedert<span class="corr" title="Bron: ..">…</span>”
-</p>
-<p>Zij sloeg de oogen neer als schaamde zij zich en vervolgde droevig:
-</p>
-<p>»Maar ik heb geen recht meer van spreken<span class="corr" title="Bron: ..">…</span> ik eisch ook niets, ik wensch slechts<span class="corr" title="Bron: ..">…</span> Ik bid u, ik smeek u om <span class="ex">waar</span> te zijn met uw arme Louise<span class="corr" title="Bron: ..">…</span> uit medelijden<span class="corr" title="Bron: ..">…</span> of uit liefde, George!”
-</p>
-<p>Lawson zag haar rustig aan met zijn groote, sprekende <span class="pageNum" id="pb319">[<a href="#pb319">319</a>]</span>oogen, greep hare beide handen in de zijnen en vroeg haar kalm en ernstig!
-</p>
-<p>»Herinnert gij u éen oogenblik, Louise, waarin ik u bedrogen heb?—Heb ik u ooit een
-onwaarheid gezegd?—Hebt gij mij ooit op een leugen betrapt?”
-</p>
-<p>»Nooit.”
-</p>
-<p>Zij liet het hoofd op zijn schouder zinken en glimlachte als dien morgen.
-</p>
-<p>»Dat portret!<span class="corr" title="Bron: ..">…</span>” sprak zij zacht.
-</p>
-<p>»Dat portret is lang geleden gemaakt.—Verwondert het u dat de man den jongeling ontgroeid
-is?—Hebt gij mij minder lief, Louise, omdat ik minder op dat portret gelijk?<span class="corr" title="Bron: ..">…</span>”
-</p>
-<p>Louise antwoordde niet—zij staarde hem aan, met bewondering, eerbied, schier met aanbidding.
-</p>
-<p>Plotseling schoten hare oogen vol tranen, met geestdrift bracht zij zijne hand aan
-hare lippen en overdekte die met kussen.
-</p>
-<p>»Wat zijt gij oneindig goed!” riep zij met vuur. »O mocht ik sterven voor u!—Lijden,
-al wat uw deel moest zijn!—George, dat alleen is geluk!”
-</p>
-<p>»Neen, geluk is kalmte, rust, tevredenheid.—Een lach van u, een frissche, heldere,
-vroolijke kinderlach, dat is geluk!—<span class="ex">Mijn</span> geluk, Louise.”
-</p>
-<p>Zij trachtte te lachen, voor <span class="ex">hem</span>—maar zóo diep weemoedig was dat lachje dat het tranen in zijne oogen riep.
-</p>
-<p>Het geluk was voorbij. Zes maanden had het geduurd. <span class="pageNum" id="pb320">[<a href="#pb320">320</a>]</span>Zes maanden lang had geen macht op aarde zich tusschen hem en haar kunnen dringen.
-Één blik op een portret en alles was voorbij. Louise gevoelde het, Lawson gevoelde
-het ook. Geen van beiden begreep het, en geen van beiden zou het bekend hebben, indien
-zij het begrepen hadden.
-</p>
-<p>Den volgenden morgen, zoodra Lawson als naar gewoonte uitgereden was, spoedde Louise
-zich weer naar boven.
-</p>
-<p>»George!—De andere George!—Neen, dezelfde.—De jongste, de schoonste, de beste.—Neen,
-beter dan <span class="ex">hij</span> was, had hij nooit kunnen zijn!—De George harer droomen!<span class="corr" title="Bron: ..">…</span>”
-</p>
-<p>Wat klopte haar hart! De deur was dicht, zij had de macht niet die te openen, het
-was haar alsof zij eene misdaad ging plegen.—Eene misdaad? En het was George dien
-zij weer ging zien!<span class="corr" title="Bron: ..">…</span>
-</p>
-<p>Trotsch hief zij het hoofd op, een fiere lach speelde om den fijn besneden mond, zonder
-aarzelen opende zij de deur en trad binnen …
-</p>
-<p>Niets!
-</p>
-<p>Bewegingloos bleef zij staan, verwonderd, teleurgesteld, diep rampzalig.
-</p>
-<p>Snel als een bliksemstraal vloog haar een kwade gedachte door het brein.
-</p>
-<p>»Jaloersch van <span class="ex">hem</span>!” Zij lachte, en er was iets wilds in dien lach, iets dat aan misdaad denken deed.
-</p>
-<p>Een tranenvloed volgde, en alles werd vergeten in <span class="pageNum" id="pb321">[<a href="#pb321">321</a>]</span>een grenzenlooze droefheid, een melancholie zonder bewustzijn, een onzeker gevoel
-van eenzaamheid, van verlatenheid, een onverklaarbaren dorst naar lijden, naar sterven …
-</p>
-<p>Eenige maanden leefde zij voort als in een droom, lijdelijk, gehoorzaam, onderworpen
-als een kind. Soms zocht zij nog naar het portret, nooit vond zij het. Lawson had
-haar lief als vroeger, zoo mogelijk nog meer. Zij wist niet of zij hem lief mocht
-hebben.—»Sterven!” was haar bede. »O neen, nog niet!” smeekte zij dan een oogenblik
-later. »Mijn kind! Het zijne! O God, laat mij leven voor het kind van mijn George!
-Is het het <span class="ex">zijne</span> wel? Vloek over hem! Vloek over de vrouw die hem bedrogen heeft! Heb <span class="ex">ik</span> hem bedrogen?—<span class="ex">Hem?</span> Mijn George? Niet mogelijk!—O God! laat mij sterven!”
-</p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch38" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e554">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="label">ACHTENDERTIGSTE HOOFDSTUK</h2>
-<h2 class="main">GELUK</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Toen haar kind geboren was, werd zij kalmer. Zij vroeg niet meer naar het verledene
-en sprak niet meer van sterven. Haar kleine George was alles voor haar. Wat had zij
-<span class="pageNum" id="pb322">[<a href="#pb322">322</a>]</span>dat onnoozele schepseltje lief! Zij verzorgde het, vertroetelde het, sprak er tegen,
-alsof het haar begrijpen kon, wilde niet dat iemand anders het helpen zou; Lawson
-werd Werner genoemd, omdat de kleine George moest heeten, en twee Georges verwarring
-geven zou.
-</p>
-<p>Wat was zij trotsch op Werner’s kind! Wat was het mooi! Hoe geleek het op George!
-</p>
-<p>Meer dan eens had Lawson haar met tranen in de oogen gadegeslagen, als zij zich alleen
-waande met haar lieven kleinen engel. Wat sprak zij zacht, wanneer zij hem smeekte
-goed te zijn, en edel en groot als zijn vader! En tusschen dat fluisteren in klonk
-het: »O mijn God laat mij leven tot dat hij mij verstaan zal hebben!”
-</p>
-<p>Verder gingen hare wenschen niet, maar zóo ver gingen allen.
-</p>
-<p>Zoo vlogen nog drie gelukkige jaren voorbij, waarin Lawson voor haar leefde en zij
-voor den kleinen George.
-</p>
-<p>Haar bede scheen verhoord te zijn, want <span class="ex">liefde</span> was al wat het kind van zijne moeder geleerd had. Dat woord alleen had het verstaan
-en riep het haar toe in elke heldendaad van het spelend kinderleven.
-</p>
-<p>Wat was Lawson trotsch op zijn zoon! En op de vrouw die hij de zijne noemde! Wat zou
-hij gegeven hebben, om de wereld zijn schat te toonen, en te schitteren met het geluk
-dat heel de toekomst voor hem vulde!
-<span class="pageNum" id="pb323">[<a href="#pb323">323</a>]</span></p>
-<p>»O neen, geen menschen!” smeekte Louise angstig. »De wereld geeft geen geluk, zij
-ontneemt het slechts!”
-</p>
-<p>»Maar voor den kleinen George?<span class="corr" title="Bron: ..">…</span>”
-</p>
-<p>»Is George niet goed?” vroeg zij fier, zich plotseling in hare moederliefde gekrenkt
-voelende. »Kent gij een ander kind van zijn leeftijd dat beter is dan hij? Goedhartiger,
-verstandiger, edelmoediger, handiger?”
-</p>
-<p>»Dat zeg ik niet, maar onder vreemden …”
-</p>
-<p>»Nooit onder vreemden, zoolang hij eene moeder heeft! Vreemden kunnen hem geleerder
-maken, sluwer, voornamer; beter nooit!<span class="corr" title="Bron: ..">…</span> O Werner,” vervolgde zij smeekend, hem beide armen om den hals slaande, »minacht
-mij niet omdat ik slechts een vrouw ben! Voor de wereld ben ik een onwetend schepsel,
-zonder verstand, zonder kracht, zonder gevoel, maar voor mijn kind—o voor mijn kind
-kan ik <span class="ex">alles</span> wezen!”
-<span class="pageNum" id="pb324">[<a href="#pb324">324</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch39" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e564">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="label">NEGENENDERTIGSTE HOOFDSTUK</h2>
-<h2 class="main">RECHT</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Een doodsche stilte heerschte in het groote prachtige landhuis. Lawson lag bleek en
-koud op het sterfbed uitgestrekt. Louise stond aan zijne zijde, zwijgend en onderworpen
-zoo als zij eenmaal naast den baleh-baleh van Werner gestaan had. Dokter Heisterman
-wendde te vergeefs alle pogingen aan, om haar naar hare kamer terug te doen keeren,
-sprak van besmetting, van plicht, zij bleef onbewegelijk staan en antwoordde kalm:
-</p>
-<p>»Aanstonds zal <span class="ex">hij</span> mij verlaten, dokter … Laat mij.…”
-</p>
-<p>»Denk aan uw kind, mevrouw.”
-</p>
-<p>»Ik kan niet … Ik kan nu slechts aan den vader denken.”
-</p>
-<p>De dokter zweeg. Als altijd gaf hij toe aan de jonge vrouw.
-</p>
-<p>Het duurde niet lang of er kwamen vreemden in huis en het lijk werd weggedragen.
-</p>
-<p>Toen verschenen de mannen van de wet en andere vreemden en nieuwsgierigen. Het testament
-werd geopend. Lawson’s papieren werden doorsnuffeld. De vrouw werd gevonden met haar
-kind. Zij werd zijn <span class="ex">maîtresse</span> genoemd en het kind werd <span class="ex">onecht</span> verklaard. De wet had in alles voorzien. Zij kon gaan vanwaar zij gekomen was en
-medenemen hetgeen haar toebehoorde—haar <span class="pageNum" id="pb325">[<a href="#pb325">325</a>]</span>kind. Het testament dateerde van meer dan zes jaar herwaarts en sprak niet van haar.
-Dus geen geld, noch voor haar, noch voor haar kind …
-</p>
-<p>En wie was die vrouw?—De wet zou het uitvinden, zij vond alles uit.
-</p>
-<p>Aan resident Stevens van Langendijk werd gemeld, dat men zijn vrouw gevonden had.
-Hij eischte haar op, ontkende het kind, vroeg een wettelijke echtscheiding en verkreeg
-haar op grond van »<span class="ex">slecht gedrag</span> zijner vrouw.” De wereld beklaagde hem en gaf hem gelijk.—Twee maanden later trouwde
-hij met eene schatrijke weduwe, waarvan de menschen veel geweten hadden, dat niet
-goed was, maar die zóo groot geleefd had dat niemand het had <span class="ex">willen weten</span>. Eerbied en achting omringden het gelukkige echtpaar totdat de resident nog een rang
-verhoogd werd en, tot groot leedwezen van het publiek, A. verliet om als Raad van
-Indië naar Batavia te vertrekken.
-</p>
-<hr class="tb"><p>
-</p>
-<p>En Louise en haar kind? De resident had haar naar hare ouders teruggezonden. Dat was
-al wat hij voor haar doen kon.
-</p>
-<p>En hare ouders hadden haar het kind ontnomen en het naar Holland op school gestuurd,
-om het te onttrekken aan den zondigen invloed der moeder.
-</p>
-<p>Wat had zij geworsteld, gestreden, gebeden om haar kind!
-</p>
-<p>»Mijn God! Het is <span class="ex">mijn</span> kind, het <span class="ex">mijne</span> alleen!”
-</p>
-<p>Dit ontkende de wet. Hare ouders hadden haar krankzinnig <span class="pageNum" id="pb326">[<a href="#pb326">326</a>]</span>genoemd, zooals haar echtgenoot haar eerloos had verklaard. En de wet ontnam haar
-het kind. Dat was recht.
-</p>
-<p>Arme menschheid, die evenmin voor de wet berekend zijt als de wet voor u! Wat is het
-leven, zooals het tegenwoordig in zulke gevallen begrepen wordt? Een belachelijke
-opstand tegen de eischen der natuur. Een onzinnige worsteling tegen de groote wetten
-der volmaaktheid. Een godslasterend drama, gespeeld onder het karikatuur masker van
-godsdienst, wetenschap en vrijheid!
-</p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch40" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e574">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="label">VEERTIGSTE HOOFDSTUK</h2>
-<h2 class="main">LINA’S HUWELIJK</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">En wat was er te Felicita voorgevallen, gedurende de jaren van geluk en wanhoop, die
-Louise’s levensdroom zoo frisch gekleurd, zoo plotseling vernietigd hadden? Och, eigenlijk
-niets bijzonders. Een huwelijk had er plaats gehad, anders niet. Lina <span class="corr" title="Bron: Van">van</span> Wageningen was met Herman Wagner getrouwd en met hem naar Solo vertrokken, waar hij
-in garnizoen lag.
-</p>
-<p>Reeds eerder had hun huwelijk voltrokken moeten worden, maar eene expeditie naar Bali
-had alle plannen in duigen doen vallen, en eerst nadat Wagner gewond en gedecoreerd
-terug was gekeerd van den luisterrijken <span class="pageNum" id="pb327">[<a href="#pb327">327</a>]</span>heldentocht, had men het vredesverbond kunnen sluiten dat zoo lang had moeten achterstaan
-voor plicht en dienst.
-</p>
-<p><span class="ex">Roemrijk</span> noemde de brave militair die zegepraal. »<span class="ex">Noodzakelijk</span>” antwoordde Lina, en zij wierp haar armen om zijn hals, terwijl zij zachter fluisterde:
-</p>
-<p>»Ik weet niet of ik u nog meer lief zou kunnen hebben dan nu, en toch<span class="corr" title="Bron: ..">…</span> toch had ik u geen deel aan dien strijd willen zien nemen<span class="corr" title="Bron: ..">…</span> die zachte hand had nooit moeten dooden—dat eerekruis had niet met bloed bezoedeld
-moeten zijn<span class="corr" title="Bron: ..">…</span>”
-</p>
-<p>»Lientje, Lientje, wat zou er van onze koloniën terecht komen, indien het gouvernement
-zoo tegen oorlog was als gij<span class="corr" title="Bron: ..">…</span>”
-</p>
-<p>»Och, noem het dan een eisch van den tijd, dat stelselmatig moorden, maar spreek niet
-van dapperheid en heldenmoed<span class="corr" title="Bron: ..">…</span> dat is ’t niet<span class="corr" title="Bron: ..">…</span> ’t Hindert mij, dat schoone kruis<span class="corr" title="Bron: ..">…</span> ik zag u liever zonder, Herman.”
-</p>
-<p>»Hadt gij mij liever een lafaard gekend?”
-</p>
-<p>»O neen, neen, maar het spijt mij dat gij militair zijt<span class="corr" title="Bron: ..">…</span> Waarom gevoel ik dit eerst nu zoo sterk? Waart gij niet gedecoreerd geworden, dan
-had ik het minder gevoeld, geloof ik<span class="corr" title="Bron: ..">…</span> Gewond alleen had ik u beklaagd, als een slachtoffer van dwang en plicht beschouwd,
-maar nu, dat eerekruis, daar ligt voor mij een bespotting in.”
-</p>
-<p>»Lina!”
-</p>
-<p>»O, misken mij niet! Er is niets persoonlijks in hetgeen ik daar zeg.—Maar ik heb
-u zoo lief dat ik u <span class="pageNum" id="pb328">[<a href="#pb328">328</a>]</span>boven de mannen van onzen tijd verheven wilde zien. Dat kruis stelt u met duizenden
-gelijk—duizenden die eer en deugd zien in brandstichten en in moorden. Dat kruis spreekt
-van rampen, van lijden<span class="corr" title="Bron: ..">…</span> ’t is de bekrooning van een wanbegrip.—Och! Herman, ik ben maar een vrouw en ik zie
-in den oorlog niets roemrijks.”
-</p>
-<p>»Toch is hij noodzakelijk, liefste.”
-</p>
-<p>»Ik weet het<span class="corr" title="Bron: ..">…</span> maar een oorlog moest geen gloriedaad, hij moest een schandvlek in de geschiedenis
-eener natie wezen. Geen zegelied vol hoogmoed en trots, dat klinkt als een lofzang
-te midden van dooden, geen monument tot vereering van verwoesting, geen ridderkruis
-tot instandhouding van smart. Wij moeten de wereld wel nemen zoo als zij is, maar
-wij moesten ten minste niet roemen op oneer, en zwakheid niet verheffen tot deugd.
-Ik laak u niet om hetgeen gij gedaan hebt, maar ik wilde dat gij het niet hadt behoeven
-te doen. Er zijn plichten waarover men zich schamen moest<span class="corr" title="Bron: ..">…</span> zóo alleen kunnen zij ophouden plichten te zijn.”
-</p>
-<p>»Je bent een engel, Lientje,” riep Wagner met een kus, »maar je bent een idealenmaakstertje.”
-</p>
-<p>»En denk je niet dat mijne idealen eenmaal verwezenlijkt zullen worden? Dat er eindelijk
-een tijd zal komen, waarin het oorlogvoeren niet meer mogelijk zal wezen?”
-</p>
-<p>»Nooit, nooit, mijn kind. Zoo lang er …”
-</p>
-<p>»Neen, geen <span class="ex">zoo lang</span>.. ik zeg ook <span class="ex">zoo lang</span>. Zoo lang nationaliteit en vaderlandsliefde deugden zullen <span class="pageNum" id="pb329">[<a href="#pb329">329</a>]</span>heeten, zal er natuurlijk oorlog wezen, want die <span class="ex">deugden</span> voeden zich met afgunst en haat<span class="corr" title="Bron: ..">…</span> De égoïst doet niets voor zijne familie—familiezwak strekt zich niet uit tot stadgenooten—stadgenooten
-geven niets om provincie-belangen—provincie-belangen strijden tegen de welvaart van
-het rijk—en de welvaart van het rijk verzet zich tegen den vooruitgang der wereld!<span class="corr" title="Bron: ..">…</span> Arme, bekrompen gehechtheid, aan de bezitting van een oogenblik! En daarbij staan
-wij stil, terwijl het heelal voor ons open ligt! Daarvoor leven wij, terwijl de wereld
-ons hare ruimte biedt en wij de oneindigheid voor ons hebben!—Waarom heeft de menschheid
-niet reeds lang geleden begrepen, dat vijandschap door liefde geëindigd kon worden
-even goed als door oorlog? Christenen, noemen de beschaafde volkeren zich, en juichend
-houden zij het kruis in eere, dat zij veranderd en verbeterd hebben en nu in den vorm
-van donderende kogels in een bloedstroom door de wereld jagen! Vermeerderen moeten
-die kogels, verbreeden moet die bloedstroom, tot dat hij eindelijk zóo diep zal geworden
-zijn dat de laatste kogel er in verzinken zal!… Door moorden alleen kan het moorden
-gestuit worden, door verwoesten alleen de verwoesting gestaakt! O, Herman! Waarom
-niet door liefde?<span class="corr" title="Bron: ..">…</span>”
-</p>
-<p>»Omdat de menschen niet zoo wijs zijn als mijn Lientje, dat over de toekomst spreekt
-alsof de menschheid slechts éen schepsel ware, éen wezen met een engelenhart en een
-Christuskop, dat niets verlangt dan geluk en weet dat door verbetering alleen dat
-doel te bereiken is.—Och, kind, laat ons onze ideale toekomstdroomen tot ons <span class="pageNum" id="pb330">[<a href="#pb330">330</a>]</span>huwelijksleven bepalen en verliezen wij ons niet in machtelooze bespiegelingen over
-de aanstaande grootheid der wereld, welke ach! zoo wreed teleurgesteld worden in de
-werkelijkheid die wij niet besturen kunnen.”
-</p>
-<p>»O! denk niet dat ik mijn geluk niet waardeer! Gij weet het beter dan allen, hoe dankbaar
-ik ben voor uw behouden terugkomst uit den oorlog!—Maar het is zoo hard, wanneer men
-zelf gelukkig is, te zien hoe vreesselijk anderen lijden, hoe diep rampzalig velen
-zijn, die, even als wij, gelukkig hadden kunnen wezen, indien zij niet door afhankelijkheid
-of door een verkeerd begrip van plicht in het verderf waren gestort … En dan denk
-ik aan de toekomst, Herman<span class="corr" title="Bron: ..">…</span> aan de toekomst onzer kinderen … Ja, lach maar, bespot mij maar om dat echt vrouwelijk
-instinkt. Ik kan het niet helpen. Ik heb ze lief, onze arme kinderen<span class="corr" title="Bron: ..">…</span> Zelfs eer ze nog bestaan<span class="corr" title="Bron: ..">…</span> en ik kan het mij voorstellen hoe dierbaar zij mij wezen zouden, indien ze daar aan
-onze voeten speelden, gezond en vroolijk, met lachende lippen en vonkelende oogen …
-en later, wanneer zij krachtig ontwikkeld, met niets dan liefde in het hart, enthousiasme
-in de ziel en overdreven grootheid in het vrij en stout verstand de wereld in zouden
-treden, groot en fier als reuzen, gereed om te torschen wat te zwaar is voor allen,
-en op hun schouders te verheffen wat miskend wordt door de wereld … Verpletterd en
-vernietigd zouden zij worden, verbrijzeld en met voeten getreden. Gehoond, versmaad,
-overweldigd en vermoord<span class="corr" title="Bron: ..">…</span> mogelijk ook zouden ze zwak zijn en vallen, buigen, meegaan, zich zelf verloochenen,
-zwichten voor de overmacht <span class="pageNum" id="pb331">[<a href="#pb331">331</a>]</span>en groot zijn in de oogen der wereld met een hart dat berouw kent en een hoofd dat
-niet meer denken <span class="ex">durft</span>.. O Herman! is het daarvoor dat wij kinderen in het leven roepen?—dat wij ze met
-liefde en met zorg opvoeden? dat wij ze verstandig en edel trachten te maken?<span class="corr" title="Bron: ..">…</span> Tusschenbeiden ben ik bang<span class="corr" title="Bron: ..">…</span> hoop ik bijna dat wij alleen zullen blijven<span class="corr" title="Bron: ..">…</span> en toch<span class="corr" title="Bron: ..">…</span> O het moet vreeselijk zijn zóo veel lief te hebben om zóo veel verloren te zien gaan …”
-</p>
-<p>»Maar kind, wat heb je zwarte gedachten van daag! Je zoudt mij haast doen denken dat
-je berouw hebt over ons huwelijk eer het nog voltrokken is<span class="corr" title="Bron: ..">…</span> Wou je<span class="corr" title="Bron: ..">…</span>”
-</p>
-<p>Lina glimlachte, en zag hem zoo liefdevol aan, terwijl zij haar vriendelijk kopje
-aan zijn breeden borst vleide, dat Wagner haar een vurigen kus op de zachte lippen
-drukte en geen woorden vond om zijn volzin te voltooien.
-</p>
-<p>»Berouw?” sprak ze fluisterend, »ik zou sterven indien ik u verliezen moest<span class="corr" title="Bron: ..">…</span> O Herman! mijn geluk is zoo groot, dat ik het weer wilde vinden in de toekomst onzer
-kinderen … en de toekomst beantwoordt mijne warme, zonnige liefdedroomen met een schellen
-oorlogskreet, gesmoord in een dof en somber floers van rouw …”
-</p>
-<p>Zij zweeg even, en wischte zich een traan uit het oog, welken zij voor Wagner verbergen
-wilde; plotseling hief zij den bezielden blik naar hem op en het schoone hoofd met
-fiere kracht omhoog heffende vervolgde zij:
-</p>
-<p>»Een ding heb ik nooit begrepen<span class="corr" title="Bron: ..">…</span>”
-<span class="pageNum" id="pb332">[<a href="#pb332">332</a>]</span></p>
-<p>»Wel?” vroeg Wagner, haar levendig gezichtje met bewondering aanziende.
-</p>
-<p>»Ik heb nooit begrepen dat de vrouwen zoo lang gezwegen hebben—en toegestemd, zelfs
-aangemoedigd, en meegewerkt in dat groote wereld-proces hetwelk men oorlog noemt<span class="corr" title="Bron: ..">…</span> <span class="ex">Onze kinderen</span>, we moesten ze te lief hebben om ze te laten vermoorden<span class="corr" title="Bron: ..">…</span> te lief vooral om ze beulen en boosdoeners te zien worden<span class="corr" title="Bron: ..">…</span> Wij vrouwen, we moesten in massa opkomen tegen het verminken onzer geliefden, tegen
-het verbrijzelen van de kern van het volk.—<span class="ex">Onze</span> godsdienst ten minste moest vrede wezen en onze liefde moest zich niet besluiten
-binnen den grens van een land, zich niet onderwerpen aan de willekeurige overheersching
-van eene baatzuchtige politiek. <span class="ex">Wij</span> moesten geen vijanden, maar menschen erkennen; geen rijkjes, maar de gansche wereld
-lief hebben. Wij, die zelve moeders zijn, wij moesten het geluk van andere moeders
-eerbiedigen en geen glorie zien in den diepen rouw harer verbrijzelde zielen, geen
-grootheid zoeken in het vermoorden harer dierbaarste betrekkingen, in het verijdelen
-harer edelste toekomstdroomen.…. Maar ik ben dwaas, ik gevoel het<span class="corr" title="Bron: ..">…</span> De tijd is nog ver, waarin het recht der Staten even als dat der menschen gehandhaafd
-zal worden door verstand en kennis, en wij moeten lijden en worstelen tot dat wij
-door strijden en verwoesten, door uitputting en smart tot de overtuiging komen zullen,
-dat liefde alleen tot grootheid leidt en kennis tot geluk. Maar waarom moeten wij
-daartoe komen door zwakte? Door kracht zou het grootheid <span class="pageNum" id="pb333">[<a href="#pb333">333</a>]</span>wezen, door ellende is het slechts noodzakelijkheid.”
-</p>
-<p>»Maar kind, zie je dan zoo veel slechts in de toekomst? Geloof je dan niet aan den
-vooruitgang der menschheid? Zie je dan niet dat er iets grootsch geboren wordt schier
-uit elken oorlog?”
-</p>
-<p>»Ja, zeker. Haat en wraak. Haat schudt de slapende volken wakker en wraak dringt ze
-tot den arbeid om anderen te verpletteren. Dat zie ik, anders niet. Afgunst, misdaad
-en lijden<span class="corr" title="Bron: ..">…</span> Neen, die vooruitgang wordt te duur betaald.”
-</p>
-<p>Melatie trad binnen met een oranjekrans in de eene hand en een tule sluier in de andere.
-</p>
-<p>»Kijk jufje, kijk! zoo pas ontvangen! De bloemen zijn van leer! Even zien hoe het
-staat!” En Lina den krans op het hoofd werpende, trok zij haar met zich naar den spiegel,
-en wikkelde zij haar in de dunne zijden tule die als een doorschijnende wolk het frissche,
-jonge kopje omzweefde.
-</p>
-<p>»Mooi, hè?” vroeg zij lachend, Wagner in den spiegel toeknikkende. »Ik zou haast willen
-trouwen om ook eens zoo mooi te wezen!”
-</p>
-<p>»En na het mooi zijn?”
-</p>
-<p>»O! dan liep ik weg! Jufje, zie je er nu niet tegen op om zoo voor altijd te trouwen?<span class="corr" title="Bron: ..">…</span>”
-</p>
-<p>»Waarom vraag je <span class="ex">mij</span> dat niet?” riep Wagner, haar bij de schouders naar zich toe draaiende. »Kleine nuf,
-kom jij me bruidje mooi maken om haar tegen me op te stoken?”
-</p>
-<p>»Dat kan ik niet, kapitein, geloof me, ik kan het <span class="pageNum" id="pb334">[<a href="#pb334">334</a>]</span>niet. Niet waar, jufje? Ik heb het genoeg geprobeerd, maar altijd zonder gevolg.”
-</p>
-<p>»En zóo zal het blijven,” riep Lina lachend. »Niet waar, Herman, wij zijn gereed alle
-lief en leed met elkander te deelen en samen ongelukkig te zijn indien wij niet gelukkig
-wezen kunnen.”
-</p>
-<p>»Jufje! jufje! En dat nadat je zoo geijverd hebt voor <span class="ex">divorce</span>!”
-</p>
-<p>»Ja, dat heb ik, en dat hoop ik te blijven doen, maar niet ten behoeve van huwelijken
-als het onze.—Niet waar, Herman, voor ons behoeven in dat opzicht geen wetten te bestaan?”
-</p>
-<p>»Neen liefste, wij zijn noch afhankelijk, noch onwetend genoeg om die noodig te hebben!”
-</p>
-<p>»En<span class="corr" title="Bron: ..">…</span> indien<span class="corr" title="Bron: ..">…</span>?”
-</p>
-<p>Lina begon hartelijk te lachen.
-</p>
-<p>»Ja, indien wij op zullen houden elkander lief te hebben dan … nu, wat dan?”
-</p>
-<p>»Dan zeggen wij elkander adieu!<span class="corr" title="Bron: ..">…</span> En<span class="corr" title="Bron: ..">…</span>”
-</p>
-<p>»En dan houden wij op getrouwd te zijn, zonder elkander te haten of het leven te verbitteren!”
-</p>
-<p>»En zonder te vergeten hoe gelukkig wij eenmaal te samen geweest zijn!”
-</p>
-<p>Hij sloot bij deze woorden zijn bruidje zoo onstuimig in zijn armen, dat de oranjekrans
-hem op den neus viel en hij de nieuwe frissche tule in duizend grillige plooien onder
-zijn arm samen vouwde.
-</p>
-<p>»Dàt waren onze eerste engagementsgeloften!” vervolgde <span class="pageNum" id="pb335">[<a href="#pb335">335</a>]</span>hij vroolijk, Melatie de hand reikende, »maar zult er de verwezenlijking nooit van
-beleven, denk ik<span class="corr" title="Bron: ..">…</span>”
-</p>
-<p>»Neen nooit,” herhaalde Lina, en zich uit Wagner’s armen loswikkelende, fluisterde
-zij haar ernstig in het oor:
-</p>
-<p>»God geve, kind, dat je eenmaal zoo gelukkig zult wezen als ik!
-</p>
-<p>»Wat ik dáar zeg, moogt gij niet weten, Herman, want het zou uw vertrouwen op de toekomst
-aan het wankelen brengen!—En al te wantrouwend mogen wij toch ook niet wezen.”
-</p>
-<p>Den volgenden dag werd het huwelijk voltrokken. Toen was het feest op het schoone
-landgoed, waar gamelangspel, en toping en wayang een grooten dag maakten van den 10n
-Maart, dien de gelukkige bevolking van Felicita zich nog vele jaren met genoegen herinneren
-zou.
-</p>
-<p>In het heerenhuis ook was het feest. Maar het was een feest met weemoed, want dáar
-was <span class="ex">scheiden</span> het eindwoord der vreugde en werd het huwelijksgeluk verkregen door het breken van
-een vriendenkring.
-</p>
-<p>Allen gevoelden het en allen brachten zij lachend het offer, met een kus op de lippen,
-een traan in het oog.
-<span class="pageNum" id="pb336">[<a href="#pb336">336</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch41" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e584">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="label">EENENVEERTIGSTE HOOFDSTUK</h2>
-<h2 class="main">HAAT EN MINACHTING. MOEDERLIEFDE.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first xd31e2506">Acht jaren later
-</p>
-<p>Wat was zij veranderd, de mooie, gevierde Louise! Waar waren de gulle lach, de levendige
-blik, de sierlijke bewegingen gebleven? Wat was er geworden van den krachtigen, fieren
-geest die zoo lang geworsteld had tegen omstandigheden en overmacht? Van het liefdevolle
-hart dat zich met zooveel zelfopoffering had vastgeklemd aan al wat goed en edel was?
-</p>
-<p>Arme Louise! <span class="ex">Haat</span> was al wat de wereld haar geleerd had. Ja, zij had gehaat met al de kracht, met al
-de grootheid harer ziel! Gehaat zóo als fijngevoeligheid alleen kan haten, met kennis
-en met takt. Gehaat met een lach, gehaat met een aalmoes, gehaat met een dankbede
-zelfs! Wat had zij de menschen doen lijden, zij die wist wat lijden was! Wat had zij
-ze gegriefd, zij die zelve zoo menigmaal gegriefd was geworden! Wat had zij ze veracht,
-zij die zelve zoo veel verachting gekend had!
-</p>
-<p>Dit had geduurd zoolang hare ouders geleefd hadden.
-</p>
-<p>Haar kind, niets dan haar kind had zij lief op aarde. En hare ouders hadden haar dat
-kind ontnomen!—O! dat was eene misdaad waarvoor zij geen vergeving had.
-</p>
-<p>Maar hare ouders waren gestorven. Alleen, rijk, en vrij om te gaan waar zij wilde,
-besloot zij, terstond na den dood harer moeder, haar kind te gaan opzoeken en het
-<span class="pageNum" id="pb337">[<a href="#pb337">337</a>]</span>terug te vragen, te halen of te stelen, alle middelen waren goed indien zij het slechts
-terugkreeg.
-</p>
-<p>Vrij was zij eindelijk, geheel vrij, want haar onder curateele stelling was opgeheven.
-Wat zou zij van die vrijheid genieten en die aanwenden tot nut van haar kind! Haar
-kind dat zij eindelijk weer zou zien! »Mijn God! Welk geluk gaat er boven dat van
-onafhankelijk te wezen!”
-</p>
-<p>In deze stemming vertrok zij met de landmail naar Europa, het huis harer ouders met
-meubels, rijtuigen, paarden, enz. aan vreemden overlatende, om het voor haar te verkoopen
-en haar van het geld, dat het zou opbrengen te zenden »wat hun goed zou dunken”.
-</p>
-<p>»Stelen doen ze toch”, dacht zij bij zich zelve, »ik mag hun zoo wel toonen dat ik
-het begrijp en dat ik er genoegen mee neem.”
-</p>
-<p>Maar eenmaal aan boord der stoomboot, alleen te midden van een menigte menschen onder
-wie zij niemand kende, afhankelijk van stoom, wind en golven, zoowel als van de vreemdelingen
-die haar omringden, gevoelde Louise zich zonderling teleurgesteld in hare illusies
-over vrijheid en onafhankelijkheid. Zij had gehoopt alleen te zullen zijn, en zij
-was nooit alleen zelfs niet in hare hut. Zij moest die hut deelen met eene jonge engelsche
-vrouw die van China kwam en drie maanden te Batavia geweest was om een broeder te
-bezoeken, dien zij nooit weer dacht te zien. Op dek was zij omringd door half zieke,
-of <span class="pageNum" id="pb338">[<a href="#pb338">338</a>]</span>slapende menschen, die haar aankeken uit verveling zonder het minste belang in haar
-te stellen. Somwijlen ook door een groep vroolijk lachende meisjes, waarom een zwerm
-heeren zich bewoog, die haar het hof maakten tot tijdverdrijf, of door eenige oude
-luidjes, die lazen of in zee staarden of lachten om de grappen van de jeugd.
-</p>
-<p>Alleen was zij geen oogenblik, maar eenzaam was zij overal.
-</p>
-<p>Te fier om terug gestooten te willen worden, sprak zij tegen niemand, en niemand sprak
-tegen haar. Toch kon zij niet onopgemerkt blijven met hare schoone, beweeglijke trekken
-en majestueuse gestalte. Hare sombere teruggetrokkenheid zelve deed haar in het oog
-vallen, en, eer zij er iets van begrepen had, was de algemeene aandacht op haar gevestigd.
-</p>
-<p>Men begon met haar een bankje aan te bieden, een krukje of een boek, soms ook een
-glas seltserwater of wijn.
-</p>
-<p>Altijd het zelfde antwoord: »Ik dank u,” met een lachje dat aantrok en terugstiet,
-dat nieuwsgierig maakte vooral.
-</p>
-<p>»Wie kon zij wezen?—Van waar kwam zij?—En waar ging zij heen? Waarom was zulk eene
-schoone vrouw alleen? Welk verdriet kon haar zoo menschenschuw gemaakt hebben? enz.
-enz.”
-</p>
-<p>Men verzon van alles, en maakte van haar leven zeer »intéressante romans”, maar niemand
-kwam de <span class="pageNum" id="pb339">[<a href="#pb339">339</a>]</span>waarheid nabij en niemand kwam iets meer te weten, dan dat zij van Amerongen heette
-en te Batavia aan boord gekomen was.
-</p>
-<p>Eindelijk herinnerde iemand zich vroeger, lange jaren geleden, eens een »<span class="ex" lang="fr">cronique scandaleuse</span>” van een zekere juffrouw <span class="corr" id="xd31e6352" title="Bron: van">Van</span> Amerongen gehoord te hebben. Eene <span class="corr" id="xd31e6355" title="Bron: gerafineerde">geraffineerde</span> coquette, die een brilliant huwelijk gedaan had, en een »<span class="ex" lang="fr">amant</span>” had gehad, die door haar echtgenoot doodgeschoten was.—Daarna was ze weer weggeloopen
-met een ander, en eindelijk had zij het zóo bont gemaakt dat haar man genoodzaakt
-geweest was zich van haar te laten divorceeren, daar er reeds allerhande kinderen
-in het spel gekomen waren ook. Een poos had men getracht haar voor gek te laten doorgaan,
-maar dat kon geen stand houden, en eindelijk was zij van het tooneel der wereld verdwenen
-met een amant die haar mee naar Rusland had genomen.
-</p>
-<p>»<span class="ex">Heel intéressant!</span>” vond men die levensbeschrijving. Louise werd er een oogenblik op aangezien, maar
-dat verhaal was <span class="ex">alte</span> romanesque. Deze vrouw was niet coquette genoeg, ook was zij te jong, te ernstig,
-te <span class="ex" lang="fr">comme il faut</span> om zulk eene rol gespeeld te hebben. Toch bleef er iets van het nieuws hangen in
-de publieke opinie en bracht het verhaal een zichtbare verandering te weeg in de wijze
-waarop de passagiers haar behandelden. Zij gevoelde het, zij begreep het niet. De
-dames verwijderden zich al meer en meer van haar en de heeren naderden, vooral als
-de dames het niet zagen. Wat hielden de jonge meisjes <span class="pageNum" id="pb340">[<a href="#pb340">340</a>]</span>haar in het oog (die onschuldjes!) Wat lachten de oudjes met afgunstige minachting
-bij elke beleefdheid haar door een der heeren betoond! En wat behandelden de heeren
-haar <span class="ex">anders</span> dan zij de overige dames deden!…
-</p>
-<p>»O menschen! Wat zijt gij toch slecht! En indien ik ’t <span class="ex">wilde</span>, wat zoudt ge boeten voor uw mépris! Maar wat kunnen mij de menschen schelen? Dom
-en slecht—laat ze gelukkig zijn met dien schat!”
-</p>
-<p>Zoo dacht zij bij zich zelve, maar zij zeide het in haar blikken, in haar zwijgen,
-in haar weemoedig lachen zelfs, zonder het te willen of te weten.
-</p>
-<p>Intusschen was men nieuwsgierig geworden en wilde men haar verleden kennen. Er werd
-beraadslaagd en overlegd, en eindelijk besloten dat de heeren het raadsel zouden oplossen,
-<span lang="fr">n’importe</span> hoe.
-</p>
-<p>Een Franschman, Leroux, een koopman, die zijn fortuin met zijden japonnen en hammen
-had gemaakt, zou haar het hof maken en zoo noodig <span class="ex">zelfs</span> ten huwelijk vragen. Von Hochtenstein, een half geruïneerde baron, zou het zelfde
-doen. De overige heeren zouden haar behandelen met den grootsten eerbied en onderdanigheid,
-tot dat een paar der oudsten door toespelingen zouden uitgevonden hebben of zij de
-persoon in quaestie was of niet. Men vermoedde, men giste, men ging weddingschappen
-aan … het was een ingewikkelde intrigue die men om de arme vrouw gesponnen had, een
-goed beraamd plan, dat onmogelijk mislukken kon!
-</p>
-<p>Leroux begon.
-<span class="pageNum" id="pb341">[<a href="#pb341">341</a>]</span></p>
-<p>Zwijgend werden zijne complimenten aangehoord, zwijgend zijne attenties ontvangen.
-</p>
-<p>»<span lang="fr">Que le diable l’emporte!</span>” had hij reeds meer dan eens gezegd. »<span lang="fr">Elle m’intrigue cette femme, j’y perds mon latin!</span>”
-</p>
-<p>Niet zonder gevaar was echter de rol die de dikke Leroux beloofd had te zullen vervullen.
-Hij had de overwinning gemakkelijk geacht.
-</p>
-<p>»<span lang="fr">La résistance m’agace!</span>” waren zijn laatste woorden geweest.
-</p>
-<p>Daarop kwam Von Hochtenstein wat nader. Hetgeen de koopman niet vermocht zou de baron
-wel gedaan krijgen. Geslepen, vleiend, onderdanig tot kruipens toe was hij een uitmuntende
-tegenstelling van den spiritueelen, ongegeneerden Franschman, wiens opvoeding even
-vrij en gul was geweest als die van den ongelukkigen baron slaafsch en zuinig.
-</p>
-<p>Louise had geen onaangenamer wezen aan boord opgemerkt dan dien uitgedroogden Duitscher.
-Gelukkig kende zij geen Duitsch! Maar hij kon Fransch … Had zij maar geen Fransch
-gesproken, dan zou zij geen Fransch gekend hebben ook.
-</p>
-<p>Von Hochtenstein was nederig genoeg om een <span class="ex" lang="fr">refus</span> voor onmogelijk te houden en, zonder veel tijd te verliezen, verklaarde hij haar
-dus zijne liefde en bood hij haar zijn hand en zijn baronnentiteltje aan.
-</p>
-<p>»Qu’en ferais-je?” antwoordde Louise onverschillig, en opstaande begaf zij zich naar
-beneden zonder verder acht op den armen man te slaan, dien zij stom van verbazing
-achterliet.
-<span class="pageNum" id="pb342">[<a href="#pb342">342</a>]</span></p>
-<p>Dadelijk kwam Leroux op hem afschieten.
-</p>
-<p lang="fr">»Eh bien, baron, vous voilà tout penaud!<span class="corr" title="Bron: ..">…</span> Et le succès?<span class="corr" title="Bron: ..">…</span>”
-</p>
-<p lang="fr">»Un refus.”
-</p>
-<p lang="fr">»Un refus! Qu’a-t-elle dit?”
-</p>
-<p lang="fr">»Qu’en ferais-je?”
-</p>
-<p>»Ha! ha! ha!” Niemand was gelukkiger dan Leroux, wiens schaterlach als musikale ballen
-over de golven rolde, en het geheele complot om hem heen riep. »<span lang="fr">Qu’en ferais-je! Elle a raison, parbleu!</span>”
-</p>
-<p>Tien minuten later wisten alle passagiers dat Von Hochtenstein een blauwtje had geloopen
-en Leroux maakte er zich een <span class="ex" lang="fr">fête</span> van zelf te vertellen dat hij even weinig <span class="ex" lang="fr">chance</span> gehad had als de voorname Duitscher.
-</p>
-<p>Deze gebeurtenissen brachten Louise nog meer en <span class="ex" lang="fr">évidence</span>, en zoo als het overal en altijd in de wereld gaat, zoo ging het ook hier. Wanneer
-éen man eene vrouw openlijk hulde betoont, doen alle mannen het. Een schatrijke amsterdamsche
-bankier, <span class="ex">het grootelot</span>, zoo als men hem noemde, die de oogappel van alle moeders en dochters was, begon
-de trotsche schoone <span class="ex">intéressant</span> te vinden, en, aangetrokken door hare onverschilligheid, deed hij wat hij kon om
-hare liefde te winnen.
-</p>
-<p>Hij vond het bespottelijk voor een man van zijn stempel om een blauwtje te loopen
-en had zich dus stellig voorgenomen te wachten op <span class="ex">hare avances</span> eer hij verder zou gaan. Maar de <span class="ex">avances</span> kwamen niet. Zwijgend en koud verscheen de jonge vrouw elken morgen op dek en verstandig
-en teruggetrokken bleven hare <span class="pageNum" id="pb343">[<a href="#pb343">343</a>]</span>gesprekken steeds binnen de perken van gewone beleefdheid.
-</p>
-<p>De arme man zag zich dus genoodzaakt om, indien hij <span class="ex">avances</span> verlangde, ze zelf te doen. Dàt was eene vreeselijke condescendance! Het kostte hem
-blijkbaar moeite dien eersten pas te doen. Maar, zij was zoo schoon!—zoo fier!—en
-het zou zulk een triumf wezen die vrouw te bezitten!—Ook begon men Frankrijk reeds
-te naderen. Indien hij zich niet haastte …
-</p>
-<p>»Ik ben bekend als een der rijkste partikulieren van ons land,” begon hij.
-</p>
-<p>»Ik weet het.”
-</p>
-<p>»Ho, ho, dan kan ik verder gaan,” dacht hij bij zich zelven, »eene vrouw die informaties
-inwint, is reeds half verloren!…”
-</p>
-<p>»Waar denkt gij u in Nederland te vestigen?” vroeg hij.
-</p>
-<p>»Ik weet het niet.”
-</p>
-<p>»Ik ben verplicht naar Amsterdam terug te keeren, voor mijn zaken …” hij wachtte even.
-Zij antwoordde niet.
-</p>
-<p>»Zoudt gij er iets tegen hebben om in Amsterdam te wonen?” hernam hij.
-</p>
-<p>»Ik ken Amsterdam niet. Ik ben nooit in Europa geweest.”
-</p>
-<p>»En gij zijt geheel alleen in de wereld?”
-</p>
-<p>»Geheel alleen.”
-</p>
-<p>»Even als ik? Wel mevrouwtje, ik geloof dat wij <span class="pageNum" id="pb344">[<a href="#pb344">344</a>]</span>bij elkaar moesten blijven, dan konden wij te zamen gelukkig zijn!…”
-</p>
-<p>Louise zag hem even aan met hare groote donkere oogen, en die gestrenge blik deed
-hem zijn volzin eindigen geheel anders dan hij het zelf verwacht had.
-</p>
-<p>»Indien gij mijne vrouw ten minste worden wilt?”
-</p>
-<p>»Ik?—En waarom zou ik trouwen?”
-</p>
-<p>»Wel,—wel om gelukkig te wezen.”
-</p>
-<p>»Vrijheid alleen is geluk.”
-</p>
-<p>»En liefde …”
-</p>
-<p>»<span class="ex">Uwe</span> liefde?”
-</p>
-<p>Hij knikte toestemmend, zonder te durven antwoorden.
-</p>
-<p>»Uwe liefde is hoogmoed, anders niet.”
-</p>
-<p>»Neen, ze is sympathie, warme zuivere sympathie!<span class="corr" title="Bron: ..">…</span>”
-</p>
-<p>»Voor wie?—Voor eene vrouw die gij niet kent?”
-</p>
-<p>»Maar die ik bewonder, ook zonder haar te kennen!”
-</p>
-<p>»Omdat anderen haar bewonderen, niet waar?…”
-</p>
-<p>»Neen, omdat ik haar gadegeslagen en goedgekeurd heb.”
-</p>
-<p>»Gedurende een armzalige zes weken!—En heeft die vrouw geen verleden gehad?—Kent gij
-dat verleden?—Neemt gij het als het uwe aan, hoe het ook geweest moge zijn?—Zonder
-onderzoek, zonder aarzeling, met vol vertrouwen in de toekomst?<span class="corr" title="Bron: ..">…</span>”
-</p>
-<p>De bankier zette groote oogen op. Hij dacht aan de »<span class="ex">cancans</span>” en wist zoo <span class="corr" id="xd31e6526" title="Bron: gaauw">gauw</span> niet wat te antwoorden.
-</p>
-<p>»En indien die vrouw gevallen was,—door de <span class="pageNum" id="pb345">[<a href="#pb345">345</a>]</span>wereld veracht en verstooten was geworden … zoudt gij haar ophelpen en staande houden
-in de toekomst die gij met haar deelen wilt?—Zoudt gij haar verdedigen ten koste van
-uw fortuin, van uwen naam, van uwe eer?—Zoudt gij haar lief hebben om hetgeen zij
-wezen zou, zonder haar ooit te laken om hetgeen zij geweest was?—Zoudt gij …”
-</p>
-<p>»Maar, mevrouw …” stotterde de bankier, al meer en meer terug krabbelende, en niet
-wetende, hoe hij zich ten schielijkste uit Louise’s handen redden zou. »Maar mevrouw,
-een man heeft het recht het leven zijner vrouw te kennen …”
-</p>
-<p>»Dàt recht heeft hij—ofschoon zij het zelden met hem deelt …”
-</p>
-<p>En zacht en langzaam vervolgde zij.
-</p>
-<p>»Ik heb u geleerd wat liefde is.—Biedt nu eene andere den trots aan, die voor mij
-geen waarde heeft; maar noem het nooit meer liefde, hè!”
-</p>
-<p>Zij lachte haar zonderlingen lach, die aantrok en terug stiet en verwijderde zich
-zonder den bankier éen woord meer toe te voegen.
-</p>
-<p>»Engel of Duivel!” mompelde »het groote lot”, haar naoogende. »Gij moogt wezen wat
-gij wilt, maar de <span class="ex">mijne</span> zult gij worden!”
-</p>
-<p>»Nooit,” had zij gezegd, en »nooit” was het, ofschoon hij jaren lang bleef aanhouden
-en, alles wetende, alles vergevende, telkens terug kwam om haar zijne hand en zijn
-vermogen aan te bieden.
-</p>
-<p>Haar kind, dat was haar droom en haar leven! Zij <span class="pageNum" id="pb346">[<a href="#pb346">346</a>]</span>zou haar George weder zien! Den kleinen engel, dien men haar ontnomen had! Haar kind
-dat zij zoo onuitsprekelijk lief had, voor hetwelk zij zoo oneindig veel had geleden!
-<span class="ex">Haar</span> George zou haar volgen naar hare woning, daar zou zij hem weer liefhebben en verzorgen,
-zelve onderwijzen en <span class="ex">goed</span> leeren zijn!—Ook hij zou haar beminnen als vroeger!—Hij zou op Werner gelijken—en
-zijn lach zou de zonnige dagen van weleer terug roepen en overbrengen in eene toekomst
-vol liefde en troost.
-</p>
-<hr class="tb"><p>
-</p>
-<p>Den 28sten December, ’s middags om vijf uur, kwam zij in den Haag aan. Zij liet hare
-koffers aan het station staan, nam eene vigilante en reed dadelijk naar de school
-waar George was, zonder acht op haar dunne indische kleeding te slaan of zelfs aan
-koude of vermoeidheid te denken.
-</p>
-<p>»George! George!…”
-</p>
-<p>O wat ging alles langzaam! Dat reizen eerst, die booten, die spoortreinen! Nu die
-armoedige vigilante!<span class="corr" title="Bron: ..">…</span> Eindelijk!
-</p>
-<p>»Is dit het huis?”
-</p>
-<p>»Ja mevrouw.”
-</p>
-<p>Zij vloog het rijtuig uit en schelde. Met hare dunne, stoffen schoentjes stond zij
-tot over de enkels in de sneeuw—zij voelde het niet!—Nog eens gescheld. »Doet niemand
-dan open?” een derde, een vierde, een vijfde keer, geluid ten laatste … daar werd
-de deur bij de buren geopend.
-<span class="pageNum" id="pb347">[<a href="#pb347">347</a>]</span></p>
-<p>»Is het voor den schoolmeester?<span class="corr" title="Bron: ..">…</span>” vroeg een poppig meisje met een kornetje op.
-</p>
-<p>»Ja, ja, voor den schoolmeester<span class="corr" title="Bron: ..">…</span>”
-</p>
-<p>»Och, heetje! die is juist verhuisd. Die woont nou op de Bierkaa, ziet u—daar heeft
-hij een huis gekocht. Ik weet niet precies waar, maar het is op de Bierkaa.”
-</p>
-<p>»Naar de Bierkaa, dan!”
-</p>
-<p>»Zonder te weten waar we wezen moeten en dat in zoo’n beest van een weer!” riep de
-koetsier ongeduldig.
-</p>
-<p>»Rij maar, rij maar, ik zal alles betalen.”
-</p>
-<p>»En waar moet ik stilhouden?”
-</p>
-<p>»Schel maar aan alle huizen; wij zullen eindelijk wel terecht komen.”
-</p>
-<p>»Ja, ja, je bent een mooie madam om terecht te komen, jij, met je stroohoed en je
-dansschoenen aan.”
-</p>
-<p>»In Gods naam, rij toch op!”
-</p>
-<p>»Eerst mijn geld, als je blieft, het is van avond geen weer om voor niets naar schoolmeesters
-te zoeken.”
-</p>
-<p>Zij wierp een goudstuk in de groote ruwe hand en, hoewel hij niet recht wist hoeveel
-het waard was, zoo stelde de koetsier er zich voor het oogenblik toch mee tevreden,—klaar
-om aanstonds meer te vragen.
-</p>
-<p>Daar waren zij op de Bierkade.
-</p>
-<p>»Rechts moet je zijn.”
-</p>
-<p>»Neen, links,” riep een ander.
-</p>
-<p>»Hier woont een schoolmeester, sedert twintig jaar.”
-</p>
-<p>»Je bent te ver, koetsier, dáar bij de brug!”
-</p>
-<p>Welk een eeuwigheid!
-<span class="pageNum" id="pb348">[<a href="#pb348">348</a>]</span></p>
-<p>»Hier!” riep Louise en zij sprong het rijtuig uit voor een huis waar geen gordijnen
-hingen en geen licht brandde in den gang.
-</p>
-<p>»Woont hier mr. D., de schoolmeester?”
-</p>
-<p>»Ja, juffer.”
-</p>
-<p>»Is de jongeheer George t’huis? Kan ik hem zien? Waar is hij?” Louise was den gang
-reeds in.
-</p>
-<p>»De jongeheeren zijn allen met vacantie naar huis. De kerst-vacantie weet u, en …”
-</p>
-<p>»Waar kan ik hem vinden?”
-</p>
-<p>»Wie, juffer?”
-</p>
-<p>»Wel George! Waar is George heen?”
-</p>
-<p>»Ik zal eens gaan hooren.”
-</p>
-<p>Wat duurde dat hooren lang!
-</p>
-<p>»De jongeheer is naar Leiden.”
-</p>
-<p>»Bij wie? Waar?”
-</p>
-<p>»O! dat weet ik niet.”
-</p>
-<p>»Weet niemand het?”
-</p>
-<p>»Ja wel, de juffrouw.”
-</p>
-<p>»Vraag dan de juffrouw.”
-</p>
-<p>»Dat mensch lijkt wel gek!” was de conclusie van de meid, die geheel overeenkwam met
-die van den koetsier.
-</p>
-<p>Zij kwam terug met een papiertje waarop een paar namen stonden, dàt was George’s adres
-in Leiden.
-</p>
-<p>»Naar het station terug, koetsier!<span class="corr" title="Bron: ..">…</span>”
-</p>
-<p>»Gaat er nog een trein naar Leiden?”
-</p>
-<p>»Ja, over …”
-</p>
-<p>»Een kaartje dan.”
-<span class="pageNum" id="pb349">[<a href="#pb349">349</a>]</span></p>
-<p>En verder ging zij weer in hare koortsachtige gejaagdheid.
-</p>
-<p>Het was reeds laat toen zij te Leiden aankwam. Wat had ze ook lang in dat station
-moeten wachten!… Hoe lang? Zij wist het niet.
-</p>
-<p>Het huis was gauw genoeg gevonden; maar de jonge heeren waren naar bed.
-</p>
-<p>»Naar een hôtel dan.”
-</p>
-<p>»Naar welk, juffer?” vroeg de koetsier.
-</p>
-<p>»Het grootste.”
-</p>
-<p>Hij bracht haar naar het kleinste, maar gevoelde toch iets als schaamte toen zij hem
-betaald had.
-</p>
-<p>»Wil mevrouw naar een beter hôtel gaan dan dit?” vroeg hij aarzelend, »dan zal ik
-mevrouw …”
-</p>
-<p>»’t Is goed zoo. Wat kan het mij schelen waar ik ben! Voor een enkelen nacht.”
-</p>
-<p>En welk een nacht!
-</p>
-<p>Nu was zij dan eindelijk in de nabijheid van haar kind! In dezelfde stad met haar
-geliefden George!<span class="corr" title="Bron: ..">…</span> O, had zij hem slechts even gezien … Een enkel oogenblik<span class="corr" title="Bron: ..">…</span> Van verre desnoods … Morgen! Komt morgen dan nooit? ’t Was of de klok stilstond en
-haar <span class="corr" id="xd31e6648" title="Bron: horlogie">horloge</span> ook—en de zon ook—of scheen de zon niet in Leiden? En dan de klepperman met zijn:
-»Eén heeft de klok!”
-</p>
-<p>»Eén?—Niet mogelijk!”
-</p>
-<p>Maar alles zei éen. Zij moest dus weer berusten en gelooven dat het éen moest zijn.
-</p>
-<p>Hoe dikwijls had zij zich reeds te bed geworpen, hoe dikwijls was zij weer opgesprongen!
-Wat was zij vermoeid, <span class="pageNum" id="pb350">[<a href="#pb350">350</a>]</span>en toch kon zij niet slapen. Zij had de koorts, zij weende, zij lachte. O kon zij
-haar kind slechts wederzien!
-</p>
-<p>De hagel kletterde tegen de ramen. Die nacht scheen eeuwig voort te duren. Wat was
-het donker en koud. Waar bleef de zon dan toch?
-</p>
-<p>»Vijf heeft de klok.”
-</p>
-<p>Zij kon niet meer. Hare oogen vielen dicht en half bevrozen sliep zij in met een traan
-op de wang en een lach om de lippen: een kinderbeeld in ’t ver verschiet.…
-</p>
-<p>Wat werd zij somber wakker. Ze had vier uren lang gerust. Wat had ze gedroomd, dat
-haar zoo kon doen schreien? Zij wist het niet. Het was iets van schande, van haat
-geweest, iets van spottend lachen ook, dacht ze.
-</p>
-<p>De hagel had opgehouden, de lucht was helder, de winterzon wierp vroolijk haar morgenlicht
-in de groote donkere kamer, waarom had zij nu den moed niet om zich aan te kleeden
-en uit te gaan en haar kind te zien?
-</p>
-<p>»O, mijn God, bespaar mij die droefheid.”
-</p>
-<p>Zij weende bitter en verborg het hoofd in de handen.
-</p>
-<p>Toen zij wat tot bedaren was gekomen, stond zij op en schelde om het ontbijt.
-</p>
-<p>Gisteren had zij aan geen eten gedacht, zij had nu ook geen honger: zij zocht een
-reden om te dralen.
-</p>
-<p>»Reeds half tien … En ik heb gezegd dat ik vóor twaalven terug zou komen<span class="corr" title="Bron: ..">…</span> Wat vliegt die tijd voorbij<span class="corr" title="Bron: ..">…</span> En indien hij mij verachtte? Niet meer kennen wilde?<span class="corr" title="Bron: ..">…</span> Verstootte?<span class="corr" title="Bron: ..">…</span> Hij is nu twaalf jaar oud, mijn brieven heeft hij nooit ontvangen, men heeft ze onderschept,
-dit <span class="pageNum" id="pb351">[<a href="#pb351">351</a>]</span>weet ik … De menschen zijn zoo wreed! zoo wraakzuchtig! zoo slecht!
-</p>
-<hr class="tb"><p>
-</p>
-<p>»O God! geef mij kracht om in het belang van mijn kind alleen te handelen!<span class="corr" title="Bron: ..">…</span>”
-</p>
-<p>Een oogenblik bleef zij als gedachteloos voor zich staren, toen richtte zij zich op,
-kalm en vastberaden, als in de dagen harer grootheid, en sprak bijna overluid.
-</p>
-<p>»Neen, Werner.—Indien het den geesten van afgestorvenen vergund is, onzichtbare getuigen
-te wezen van het leven dergenen die zij eenmaal op aarde hebben lief gehad, dan zult
-gij weten dat gij vertrouwen kunt op de vrouw aan wie gij uwen lieveling hebt nagelaten.—Nooit
-zal zwakheid of eigenbelang mij den eed doen verbreken, dien ik in uwe stervende handen
-heb afgelegd. De toekomst van uw kind zal heilig voor mij wezen, dit zweer ik u.”
-</p>
-<p>Zij schelde, vroeg een rijtuig en reed naar haren zoon.
-</p>
-<hr class="tb"><p>
-</p>
-<p>»Je tante misschien?”
-</p>
-<p>»Ik heb geen tantes.”
-</p>
-<p>»Nu, je moeder dan.”
-</p>
-<p>»Ik heb geen moeder!” was het antwoord, dat gepaard ging met een klap die klonk in
-den gang. »Dat zal je leeren om van mijn moeder te spreken.”
-</p>
-<p>Er volgde eenig gestommel, een worsteling waarschijnlijk; en toen ging de deur open
-en kwam er <span class="pageNum" id="pb352">[<a href="#pb352">352</a>]</span>een jongen binnen met roode wangen, vonkelende oogen, dikke blonde lokken die hem
-tot op de schouders hingen en die hij met een ongeduldig hoofdschudden naar achteren
-wierp.
-</p>
-<p>»Ik ben George.” sprak hij hijgend.
-</p>
-<p>»Ik zie het …” antwoordde Louise nauw hoorbaar. Zij kon niet verder spreken. Zij greep
-hem bij de hand, trok hem naar zich toe en gaf hem een kus op de wang, dien de jongen
-onwillekeurig met zijn mouw afveegde.
-</p>
-<p>»Vele jaren geleden heb ik uwe ouders gekend,” begon Louise na eenige aarzeling, en
-zij wachtte even, moed scheppende om verder te spreken.
-</p>
-<p>De jongen lachte onverschillig en spotachtig alsof hij zeggen wilde: »Dan hebt gij
-meer gekend dan ik!”
-</p>
-<p>»Uw vader,” vervolgde zij »wiens oogappel gij waart, uwe moeder …”
-</p>
-<p>»Spreek mij nooit van mijn moeder, mevrouw! Ik heb het mensch nooit gekend, ze is
-dood en begraven, dus, laat haar rusten als je blieft.”
-</p>
-<p>»Maar <span class="ex">zij</span> heeft u gekend …” antwoordde Louise, voortgaande tegen alle terugstooting in, »en
-zij heeft u lief gehad zoo als weinige moeders mogelijk lief kunnen hebben …”
-</p>
-<p>»’t Is mogelijk!” riep George, klaar om een deuntje te fluiten. »Ik ken haar niet!”
-</p>
-<p>»Uwe grootmoeder, mevrouw <span class="corr" id="xd31e6721" title="Bron: van">Van</span> Amerongen, is een paar maanden geleden gestorven; dit weet gij, niet waar?”
-<span class="pageNum" id="pb353">[<a href="#pb353">353</a>]</span></p>
-<p>»Ja,” antwoordde George ernstiger, en haar met meer belangstelling aanziende vervolgde
-hij: »Hebt gij grootmama ook gekend?”
-</p>
-<p>»Ja … zeer goed.”
-</p>
-<p>»Arme grootmoeder! Ik ken haar niet anders dan uit hare brieven, maar ik had wat gegeven
-om haar persoonlijk te leeren kennen! Zij is altijd zoo goed voor mij geweest.”
-</p>
-<p>Er kwam een vreeselijke gloed in Louise’s donkere oogen, een doodelijke bleekheid
-overtoog haar schoon gelaat; zij sprong op, maar zich bijna terstond herstellend,
-beet zij zich op de lippen en zweeg.
-</p>
-<p>De jongen vond iets spookachtigs in dat bleeke mensch met haar groote zwarte oogen.
-</p>
-<p>»Hebt gij grootpapa ook gekend?” vroeg hij stotterend, omdat hij eigenlijk niet wist
-hoe hij zich houden moest tegenover dat vreemdsoortige mensch.
-</p>
-<p>»Ja … zeer goed.”
-</p>
-<p>Beide zwegen een oogenblik.
-</p>
-<p>Louise hervatte aarzelend:
-</p>
-<p>»Ik heb het een en ander voor u mee gebracht dat … dat grootmama mij voor u gegeven
-had … hier is het …”
-</p>
-<p>Met hoe veel zorg had zij het pas in Parijs voor hem gekocht!
-</p>
-<p>Met een soort van godsdienstige vereering opende George het doosje dat Louise hem
-ter hand stelde.
-</p>
-<p>Een gouden <span class="corr" id="xd31e6740" title="Bron: horologie">horloge</span>!—Een ketting!—Een paar gouden manchetknoopen!—De tranen schoten <span class="pageNum" id="pb354">[<a href="#pb354">354</a>]</span>hem in de oogen toen hij dien rijkdom bezag. Zwijgend drukte hij zijne moeder de hand,
-hij kon zóo gauw geen woorden vinden.
-</p>
-<p>Wat deed het haar goed, te midden van al hare droefheid, althans te zien dat haar
-kind onbedorven was gebleven, dankbaar en fier zoo als zij eenmaal den vader had lief
-gehad. Wat zag zij hem aan met hare groote vragende oogen, als of zij in het diepst
-zijner ziel wilde dringen om er zoo mogelijk éen woord van vergeving, van troost,
-voor zijne arme moeder te vinden!—éen blik van sympathie … O, dat alleen was reeds
-geluk geweest!—Maar niets—volstrekt niets … Welk een schat van liefde moest haar George
-bezitten! En niets voor haar?… Welk een eerbied voor de nagedachtenis zijner grootmoeder!
-En voor haar?…
-</p>
-<p>Zij stond op, sloot hem in hare armen, drukte een laatsten kus op het voorhoofd van
-haar kind en verliet hem weenend, zich haastig in haar rijtuig werpende om naar haar
-logement terug te keeren.
-</p>
-<p>Ook die droom was dus geëindigd.
-</p>
-<p>»O God! Ik dank u voor mijn kind. Gij hebt mijn vurigste bede verhoord.—Ik mag niet
-meer vragen …”
-<span class="pageNum" id="pb355">[<a href="#pb355">355</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch42" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e594">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="label">TWEEENVEERTIGSTE HOOFDSTUK</h2>
-<h2 class="main">AUGUST VAN LANGENDIJK</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Toen het zomer was geworden, en vele Nederlandsche families, verlangend naar buitenlucht
-en zonneschijn, na de koude, droeve wintermaanden, tusschen de muren bij de kachels
-doorgebracht, haar intrek genomen hadden in het schoon gelegen hôtel Belle-vue bij
-Arnhem, waar alles rust, gezelligheid en comfort ademde, kwam er op een dinsdagmorgen
-van het spoorwegstation een jonge vrouw die twee kamers verlangde »bij de maand”.
-Het hôtel was vol, men had geen plaats meer, geen twee kamers althans …
-</p>
-<p>»Geef er mij dan een.”
-</p>
-<p>»Wij hebben er geen voor het oogenblik.”
-</p>
-<p>»Geen enkele kamer meer? Geen zolderkamertje? Geen hokje? Niets enfin, waar ik logeeren
-kan, totdat er een paar kamers open zullen komen?—Ik zal met alles tevreden zijn,
-geef mij wat gij wilt—maar zend mij naar geen ander hôtel, want <span class="ex">hier moet</span> ik wezen!”
-</p>
-<p>Zij kreeg een kamertje ergens boven, heel hoog, en verhuisde eenige dagen later naar
-beneden, waar toen een paar groote kamers waren opengekomen.
-</p>
-<p>Die vrouw was buitengewoon schoon en zij was alleen. Zij scheen rijk te wezen. Brieven
-ontving zij niet en niemand kende haar. Ook zij kende niemand en vermeed elke gelegenheid
-om kennissen te maken. Zij <span class="pageNum" id="pb356">[<a href="#pb356">356</a>]</span>was in het zwart gekleed, altijd, doch niet in den rouw, en had iets sombers, iets
-droefgeestigs over zich, dat geheel in overeenstemming was met hare zware donkere
-kleeding. Men had haar mooi gevonden en onverdragelijk, coquette, stijf, trotsch,
-excentrique. Zij was ongelukkig, dat was al. Zij was daar met een doel, naar het scheen,
-want dagelijks vroeg zij naar de vreemdelingen die er gekomen waren, en, wanneer zij
-de namen vernomen had, liep zij met een onverschilligheid heen, die veel van teleurstelling
-had.
-</p>
-<p>Drie weken was zij er reeds geweest en nog altijd bleef zij als den eersten dag zwijgend,
-koud, teruggetrokken, beleefd jegens allen, vriendelijk tegen niemand, haar tijd doorbrengende
-met lezen, of met het maken van handwerken, of somwijlen ook met half droomend naar
-het schoone landschap te staren, dat zich in volle zomerpracht voor haar ontrolde.
-</p>
-<p>Hare menschenschuwheid, die slecht overeenkwam met hare gemakkelijke hoffelijke manieren,
-deed haar terstond in het oog vallen, en trok al spoedig de algemeene aandacht zoo
-zeer, dat zij het onderwerp der meeste gesprekken werd en men schier het onmogelijke
-deed om met haar in kennis te komen, of het een of ander betreffende haar verleden
-uit te vorschen.
-</p>
-<p>Eens op een avond toen zij, als naar gewoonte, alleen zat thee te drinken op het terras,
-kwamen er nieuwe logés, die zij met ongewone belangstelling gadesloeg. Het waren drie
-personen, een oude grijze heer met <span class="pageNum" id="pb357">[<a href="#pb357">357</a>]</span>een rood gezicht, zijn echtgenoote, een zware vrouw met zwart haar en kleine, schitterende
-oogjes, en hun zoon, een jong mensch van een jaar of achttien, negentien. Zij scheen
-die menschen te kennen, ofschoon de nieuwaangekomenen beweerden haar nooit gezien
-te hebben.
-</p>
-<p>Drie dagen lang hield zij de vreemdelingen in het oog met een geduld en een oplettendheid
-welke niemand begreep, en toen eindelijk den derden dag, tegen het vallen van den
-avond, de oude lui uitgegaan waren en de zoon alleen onder de verandah zijn cigaartje
-zat te rooken, naderde zij langzaam zijn tafeltje en zeide met eenige aarzeling:
-</p>
-<p>»Vergeef mij mijnheer, maar indien ik mij niet vergis, moet gij August Stevens van
-Langendijk zijn, zoon van den oud-raad van Indië Van Langendijk—student aan de academie
-te Leiden …”
-</p>
-<p>»Dat ben ik, mevrouw,” antwoordde de jongeling opspringende, »mag ik u vragen … kent
-gij mij?”
-</p>
-<p>»Ik <span class="ex">heb</span> u gekend—en ik zou u gaarne weer willen kennen … Kan ik u niet een oogenblik alleen
-spreken, ergens waar niemand ons zien kan, niemand ons hooren kan vooral?”
-</p>
-<p>»Boven, in onze kamers,” antwoordde August goedig.
-</p>
-<p>»Ik volg u.”
-</p>
-<p>Zij gingen.
-</p>
-<p>Van Langendijk bood zijne vreemde bezoekster heel beleefd een stoel aan en bleef tegenover
-haar staan, ongeduldig wachtende op hetgeen er volgen zou.
-<span class="pageNum" id="pb358">[<a href="#pb358">358</a>]</span></p>
-<p>Zij haalde een pakje brieven uit haar zak en lei het vóor zich op tafel.
-</p>
-<p>»Hier heb ik schrift, dat gij mogelijk herkennen zult,” sprak zij zacht, en een oud
-papier uitzoekende, dat geel zag en beschreven was met groote onregelmatige letters,
-bood zij het August aan met de woorden: »Kent gij die kinderhand?”
-</p>
-<p>Hij bezag het aandachtig.
-</p>
-<p>»Het is van mij,” zei hij lachend. Maar plotseling verdween de lach van zijn gelaat
-en op zijn beurt de vreemdelinge uitvorschend aanziende, reikte hij haar op eens beide
-handen met de woorden:
-</p>
-<p>»Zijt gij die vrouw?—Mijne moeder?”
-</p>
-<p>Louise wierp zich zwijgend in de armen van haar stiefkind, haar tranen beletten haar
-te antwoorden.
-</p>
-<p>»Wat heb ik dikwijls aan u gedacht, over u gesproken, naar u gevraagd!” riep August.
-»Gij die over mij gewaakt hebt en mij beschermd hebt door alle omstandigheden heen.
-O mijne moeder, wat ben ik gelukkig u eindelijk weer te vinden!<span class="corr" title="Bron: ..">…</span> ’t Is waar, ik had u niet herkend; ik was ook zoo jong toen ik u verliet<span class="corr" title="Bron: ..">…</span> ik herinnerde mij niet meer hoe gij er uit zaagt, maar ik weet hoe goed gij voor
-mij geweest zijt en dat vergeet ik nooit.”
-</p>
-<p>»Dank je kind …”
-</p>
-<p>Beide zwegen eenige oogenblikken, toen hernam Louise zachter, zich uit zijn armen
-loswikkelende:
-</p>
-<p>»Luister August, gij zijt nu geen kind meer, en ik wil dus met u spreken als met een
-man, een vriend. Ik kan uw vader niet weder zien, hij heeft mij gelukkig niet herkend,
-<span class="pageNum" id="pb359">[<a href="#pb359">359</a>]</span>maar ook, al had hij mij herkend, dan nog zou ik niet van hier vertrokken zijn vóor
-u gesproken te hebben<span class="corr" title="Bron: ..">…</span> Ik wist dat gij elken zomer met uwe ouders hier kwaamt, daarom ben ik ook gekomen …”
-Zij wachtte even en hernam toen nog zachter: »Mijn verleden is u bekend, niet waar?—Gij
-weet dat ik een kind heb?”
-</p>
-<p>»George.—Ik ken hem.”
-</p>
-<p>»Ik weet het.—Maar George kent zijne moeder niet en wil haar niet kennen. Hij heeft
-haar vervloekt!”
-</p>
-<p>»Niet mogelijk!<span class="corr" title="Bron: ..">…</span> Maar dan<span class="corr" title="Bron: ..">…</span>”
-</p>
-<p>»O, beschuldig hem niet! Ik heb hem vergeven. Maar ik had voor hem willen zorgen,
-over hem willen waken, zelve zijne opvoeding willen bestieren … Hij veracht mij, hij
-heeft mij verstooten; en machteloos moet ik mijn kind aan vreemden overlaten, die
-mogelijk liefdeloos zijn, <span class="corr" id="xd31e6825" title="Bron: hartvochtig">hardvochtig</span> en wreed, onverstandig, baatzuchtig, onverschillig. O August, beloof mij dat gij
-over mijn arm kind zult waken!—Tracht zijn vertrouwen te winnen, en help hem, steun
-hem, troost hem waar gij kunt<span class="corr" title="Bron: ..">…</span> Zeg mij wat hij noodig zal hebben, en geef het hem voor mij, maar laat hem nooit
-weten dat het van zijn moeder komt, want hij zou te trotsch wezen om het van haar
-aan te nemen. Bovendien, zijn moeder is dood, dat hebben de menschen hem gezegd, laat
-haar dood voor hem blijven.”
-</p>
-<p>Ook August’s oogen schoten vol tranen. Wat verstond zijn eerlijk hart die droeve woorden
-goed, ofschoon ze niet op hem sloegen.
-</p>
-<p>»Ik beloof het u,” sprak hij vastberaden, haar de hand reikende, »wat ik voor hem
-doen <span class="ex">kan</span>, zal ik voor hem <span class="pageNum" id="pb360">[<a href="#pb360">360</a>]</span>doen. Ik beloof u dat ik voor hem zorgen zal als voor mijn eigen broeder.—Toch kan
-ik nooit zóo veel voor hem doen als gij voor mij hebt gedaan!”
-</p>
-<p>»Gij kunt meer, veel meer; want wat gij voor hem doet, dat doet gij ook voor mij.”
-</p>
-<p>Zij drukte een kus op het voorhoofd van den jongeling, gaf hem haar adres op in den
-Haag, en verzocht hem dringend, niets van het voorgevallene aan wie ook mee te deelen.
-</p>
-<p>Den volgenden morgen verliet zij Arnhem.
-</p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch43" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e604">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="label">DRIEENVEERTIGSTE HOOFDSTUK</h2>
-<h2 class="main">OUDE KENNISSEN</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first xd31e2506">Eenige jaren later
-</p>
-<p>Eene vrouw van meer dan middelbaren leeftijd, ligt half droomend op een rood fluweelen
-sofa uitgestrekt. De zon werpt haar gouden licht vroolijk door de ramen met bloemen
-versierd, en doet de weelde van het vorstelijk gemeubeld vertrek uitkomen. Wij bevinden
-ons in een van die groote statige ouderwetsche huizen op den Vijverberg in den Haag,
-die hun roem bij eeuwen tellen en niet voornemens schijnen om in deze eeuw nog afstand
-van hun voorrang te doen.
-<span class="pageNum" id="pb361">[<a href="#pb361">361</a>]</span></p>
-<p>In de vrouw die dit huis bewoont vinden wij Ella Salvita, mevrouw Van Wageningen,
-weder.
-</p>
-<p>Zij is nog schoon, ja, meer dan schoon zouden wij bijna zeggen, zij is aantrekkelijk,
-bekoorlijk. Niet dat zij krachtig, vroolijk, levendig is zoo als zij vroeger was,
-met een lachend oog en een hart vol geestdrift, maar ze is kalm, zacht, vastberaden,
-liefdevol, groot en edel met zelfbewustheid. Zij heeft veel verdriet gehad in haar
-leven; zij heeft geworsteld tegen domheid en bijgeloof, gestreden tegen gewoonte en
-vooroordeel; zij heeft armoede en ontbering gekend, medelijden en verachting, spot,
-haat, miskenning, smaad. Zij heeft alles vergeven, en nu zij rijk en onafhankelijk
-is, ofschoon niet gelukkig, tracht zij anderen de moeielijkheden te besparen die haar
-het meest gegriefd en gefolterd hebben.
-</p>
-<p>Zij schijnt iemand te wachten, want bij elk geritsel dat zij hoort, ziet zij naar
-de deur alsof daar buiten iemand wezen moest met wien haar geheele ziel vervuld was.
-</p>
-<p>Eindelijk werd er zacht geklopt en een oogenblik later trad een jong mensch binnen.
-Slank, welgevormd, fijngemanierd, bruin van tint met donkere oogen en gitzwart haar
-had hij veel van een Italiaan of een Spanjaard; hij reikte Ella de net geganteerde
-hand en schoof een tabouret aan, waarop hij naast de sofa plaats nam.
-</p>
-<p>»Hoe gaat het mevrouw?” vraagt hij met teedere belangstelling, »is de koorts wat minder
-van daag?”
-</p>
-<p>»Dank je August, ik ben veel beter. Als het zóo voort gaat, hoop ik over eenige dagen
-sterk genoeg te zijn om <span class="pageNum" id="pb362">[<a href="#pb362">362</a>]</span>weder uit te gaan en met u een bezoek aan uw moeder te brengen.”
-</p>
-<p>»Denkt gij?” vroeg de jongman twijfelend, ofschoon de glans zijner oogen zeide: »Ik
-hoop het!”
-</p>
-<p>»O zeker, ik ben niet ziek meer, ik ben alleen zwak, en zwakte is een kinderkwaal,
-die men spoedig genoeg ontgroeit.”
-</p>
-<p>August drukte hare hand en zag haar treurig aan, zonder een woord te uiten.
-</p>
-<p>Na eenige minuten zwijgens brak mevrouw Van Wageningen de stilte weder af met de vraag:
-</p>
-<p>»Wanneer hebt gij haar het laatst gezien?”
-</p>
-<p>»Een maand geleden.”
-</p>
-<p>»En uw vader?”
-</p>
-<p>»Van daag. Hij was zeer zwak, bijna stervende en hij weet dat hij niet genezen kan;
-toch wil hij van geen vergeven hooren—hij zegt zelfs dat hij mij voor de helft onterven
-zal, indien ik weer een voet bij haar in huis zet. En hij is stervende, mevrouw! ’t
-Is vreeselijk!”
-</p>
-<p>Weer zwegen beiden geruimen tijd.
-</p>
-<p>»En hoe maakt George het aan de akademie?”
-</p>
-<p>»O! het gaat met George heel goed, ’t is een knappe jongen—maar verschrikkelijk trotsch!
-Hij gaat gebukt onder het geheim zijner geboorte; de gansche wereld ziet er hem op
-aan, beweert hij, en zijn moeder is hem een afschuw, ofschoon hij zich de arme vrouw
-volstrekt niet meer herinnert.”
-</p>
-<p>»Weet hij dat gij haar kent?”
-<span class="pageNum" id="pb363">[<a href="#pb363">363</a>]</span></p>
-<p>»Neen mevrouw, ik heb haar beloofd dat ik het hem nooit zou zeggen.”
-</p>
-<p>»Arme vrouw!”
-</p>
-<p>»En ze is zoo goed voor hem, zoo onuitputtelijk goed! Ik begrijp niet hoe zij ’t vol
-kan houden … En nu ze weet dat hij ’s Zaterdags in den Haag komt en tot Maandag blijft,
-staat zij uren lang door de jalousieën te turen in de hoop van hem even in het voorbijgaan
-te zien, zonder zelve gezien te worden.—Ik kan het niet helpen, mevrouw, en het is
-zeker slecht van mij, maar er zijn oogenblikken waarin ik dien jongen niet uit kan
-staan, om zijn onverdragelijken kinderachtigen trots dien hij zelf »<span class="ex">grootheid van ziel</span>” durft noemen!—Ik vind meer grootheid van ziel in zijne moeder dan in hem. Wat de
-menschen er ook van zeggen mogen, voor mij is die vrouw een Engel op aarde! Een schier
-bovenmenschelijk wezen, al heeft zij dan ook een misstap gedaan, waarvoor de menschen
-denken dat zij haar, haar leven lang verachten mogen!”
-</p>
-<p>»En dat een misstap dien zij gedaan heeft, toen zij krankzinnig was van verontwaardiging
-en droefheid! Och! de wereld is zoo onrechtvaardig en wreed!”
-</p>
-<p>»Ten opzichte van haar vooral. Niemand kent haar hier, zij gaat om zoo te zeggen nooit
-uit, ze is niemand tot last en doet goed waar ze kan, en toch is iedereen gereed haar
-te bespotten of te verachten! ’t Maakt mij tusschenbeide razend als ik de menschen
-over haar hoor spreken! Oude, uitgedroogde tooverheksen, tusschen een breikous en
-een statenbijbel, en jonge gelukkig gehuwde <span class="pageNum" id="pb364">[<a href="#pb364">364</a>]</span>vrouwen met een half dozijn gezonde, bloeiende kinderen om zich heen! Zij moesten
-zich schamen de godvruchtige créaturen om een medemensch zoo te vonnissen! Ik heb
-eergisteren nog een uitval gedaan<span class="corr" title="Bron: ..">…</span> Mevrouwtje lief ik kon het niet helpen, zie er mij <abbr title="s’il vous plaît">s.v.p.</abbr> niet zoo verwijtend om aan!… Het was bij de familie B. in Leiden. Er waren een tiental
-getrouwde vrouwen en oude-jonge-jufvrouwen bij elkaar en het gesprek liep, half fluisterend,
-over een jong kindermeisje dat zich in de gracht verdronken had, omdat zij op het
-punt was van moeder te worden … Zonder een enkel woord van medelijden of sympathie,
-werd het arme schepsel door die volmaakte kerkeleden <span class="corr" id="xd31e6895" title="Bron: gevonnisd">gevonnist</span> en zeer liefdevol rechtstreeks naar de hel gezonden. Eene van de oude vrijsters wierp
-een blik op mij, die blik deed mij koken en zonder mij een oogenblik te bedenken,
-liet ik mij ontvallen: »Menigeen veroordeelt, die nooit in zulke verleiding geweest
-is, en die den moed niet zou hebben er zooals dit meisje voor te boeten met haar leven!”
-Er volgde een doodsche stilte eerst veel later verbroken door een fluisterend gesprek
-der vrome dames, waar het mij, God dank, vergund was buiten te blijven.”
-</p>
-<p>»Dat zullen die dames u niet licht vergeven!”
-</p>
-<p>»Dat hoop ik! Dan zullen zij ten minste zorg dragen in mijn bijzijn wat meer égards
-voor ongelukkigen te hebben.”
-</p>
-<p>»Och, August! Dáar moet gij u zóo boos niet over maken; geloof mij, onwetendheid alleen
-is hard—verstand is goedig. Domheid is haat, afgunst, <span class="pageNum" id="pb365">[<a href="#pb365">365</a>]</span>wreedheid, en kennis medelijden, liefde, vergeving.”
-</p>
-<p>»En gij hebt recht van spreken mevrouw! Was de wereld u gelijk dan zouden wij geen
-reden van klagen hebben!”
-</p>
-<p>Een oud man, grijs en gebogen, met een goedigen lach, opende de deur en vroeg zacht:
-</p>
-<p>»Wie is daar bij je, Ella?”
-</p>
-<p>»August van Langendijk,” antwoordde de jongman dadelijk opspringende, en den grijsaard
-te gemoet snellende, om hem naar een fauteuil te geleiden.
-</p>
-<p>Ritmeester van Wageningen was blind …
-</p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch44" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e614">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="label">VIERENVEERTIGSTE HOOFDSTUK</h2>
-<h2 class="main">IN HET HAAGSCHE BOSCH</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Woensdag avond. Alles stroomt naar het haagsche bosch. De muziek der grenadiers doet
-hare mélodieuse tonen over den vijver golven, en vult de lange donkere lanen met haar
-schoone volle harmoniën. Met stilte luistert het publiek naar een fantaisie op de
-Juive, alles ademt rust en genot, men gevoelt het, hier zijn alleen diegenen gekomen
-die gelukkig zijn, of slechts vermoeid, of die hunne zorgen te huis konden laten.
-<span class="pageNum" id="pb366">[<a href="#pb366">366</a>]</span></p>
-<p>Aan een tafeltje rechts van de tent zit een dikke oost-indische kolonel met zijne
-vrouw en kinderen. Zij zijn pas in het land gekomen schijnt het, want die geheele
-familie, vader, moeder en vijf kinderen, ziet er nog zoo vreemd uit, met die verbrande
-gezichten en eenigszins zonderlinge kleeding. Niet dat ze anders gekleed zijn dan
-het overige publiek, of dat ze er ouderwetsch of arm uitzien, neen, maar onhandig.
-Die mooie, gezonde vrouw schijnt niet geschapen voor een hoed met keelbanden; die
-groote strik onder haar kin hindert haar, zij maakt haar los en werpt de linten naar
-achteren, maar die linten hooren dáar niet, en eer zij er aan denkt vliegen zij haar
-weer om den hals. Ook die kinderen tobben vreeselijk met hun hoeden, het jongste meisje
-vooral: dat schepseltje ziet geregeld scheel ter eere van haar mooie witte veer! En
-de handschoenen dan. Die kleine handjes zijn gemaakt om vrij te zijn, die vlugge vingertjes
-voelen zich niet op hunne plaats in de mooie, nieuwe glacé handschoentjes die knijpen
-en trekken en gevoelloos maken … Wacht maar kinderen! Eenige jaartjes nog, en uw geheel
-bestaan zal zóo gepakt worden in een handschoentje dat knijpt en trekt en gevoelloos
-maakt!
-</p>
-<p>Maar dat was het niet waaraan zij dachten met hare ronde gezichtjes en vriendelijk
-lachende oogen. Zij hadden oude kennissen gezien, een jong mensch met golvende, blonde
-lokken en een ander met <span class="pageNum" id="pb367">[<a href="#pb367">367</a>]</span>zwarte goedige oogen. Emma, de oudste, had gebloosd voor dien zwarte, en de kleintjes
-lachten haar uit, omdat ze meer van den blonde hielden, die tusschenbeide krijgertje
-met haar speelde.
-</p>
-<p>»George!” riep de kleine Lieze, maar George hoorde haar niet en liep haar voorbij
-om naar de familie Wagner te zoeken, die vóor hem zat.
-</p>
-<p>»Wat is hij mooi!” riep Anna, die even twaalf telde. »Hoe kan Emma toch zoo dwaas
-wezen om meer van August te houden, zoo’n domme liplap!<span class="corr" title="Bron: ..">…</span>”
-</p>
-<p>Emma voelde zich vreeselijk beleedigd door die »<span class="ex">speech</span>” harer zuster, maar zeide niets. Ook zij had August gezien—ergens in de foule—zij
-was er niet zeker van, want zij durfde niet omkijken, wacht, straks, als niemand het
-ziet …
-</p>
-<p>»Wel van Langendijk, hoe gaat het, mijn vriend?”
-</p>
-<p>Dáar was hij! Haar vader gaf hem de hand, liet een van de kleine jongens voor hem
-opstaan en bood hem een cigaar aan.—Daar kwam ook George aangesneld.
-</p>
-<p>»Eindelijk!” riep hij half buiten adem, »wat heb ik rondgedwaald om u te zoeken!”
-</p>
-<p>»Je bent te driftig,” zeide August kalm, »ik kom het hek pas binnen <span lang="fr">et me voici installé</span><span class="corr" title="Bron: ..">…</span>”
-</p>
-<p>»Je hebt meer geluk dan ik, dat is al,” antwoordde George eenigszins scherp.
-</p>
-<p>»Een cigaar?” vroeg de kolonel, zijn oudste zoontje opjagende, en George was ook »<span class="ex"><span class="corr" id="xd31e6949" title="Bron: geinstalleerd">geïnstalleerd</span></span>”.
-<span class="pageNum" id="pb368">[<a href="#pb368">368</a>]</span></p>
-<p>»Ik heb je nog bij je mouw getrokken,” fluisterde Lieze hem in, »heb je ’t niet gevoeld?”
-</p>
-<p>»Neen, wanneer?”
-</p>
-<p>»Wel daar even, toen je hier voor den derden keer voorbij kwaamt<span class="corr" title="Bron: ..">…</span>”
-</p>
-<p>»Ik heb niets gevoeld.”
-</p>
-<p>»Foei!<span class="corr" title="Bron: ..">…</span>”
-</p>
-<p>»Welk nieuws?” vroeg de kolonel.
-</p>
-<p>»Geen!” antwoordde George.
-</p>
-<p>»Wat? Geen?” riep August, »is het geen nieuws dat je zoo glorieus door je examen bent
-gekomen?”
-</p>
-<p>»Ben je? Wel, ik feliciteer je man!”
-</p>
-<p>»Van harte geluk!” riep Lina, en al de kinderen voegden hun gelukwenschen bij die
-der ouders, welke George ontving als of hij ze zijn gansche leven door ontvangen had,
-terwijl August innig in de algemeene vreugde deelde.
-</p>
-<p>Emma zag het, en gevoelde niets voor de knapheid van George, dien zij »<span class="ex">naar</span>” vond.
-</p>
-<p>»Zóo ver heb ik het nooit kunnen brengen!” riep August met eenvoudige goedigheid.
-</p>
-<p>»<span class="ex">Ik</span> hoop het verder te brengen,” antwoordde George trotsch.
-</p>
-<p>August zag hem even aan.
-</p>
-<p>»Dàt hoop ik ook,” sprak hij lachend, <span class="corr" id="xd31e6986" title="Niet in bron">»</span>want je bent een man van studie en van kunde en die hebben wij noodig in ons land.”
-</p>
-<p>»Denk je?” vroeg George op een toon, waarin lag: »Het doet er niet veel toe wat je
-denkt.”
-<span class="pageNum" id="pb369">[<a href="#pb369">369</a>]</span></p>
-<p>August voelde zich gekrenkt, maar hij vergaf den knappen George zijne bitterheid,
-hij wist wel waar zij uit voort sproot.
-</p>
-<p>De mooie Emma had hem hare toekomst beloofd, en, ofschoon George niets <span class="ex">wist</span>, toch vermoedde hij iets dergelijks, daar het jonge meisje den »<span class="ex">dommen liplap</span>” steeds de voorkeur gaf boven den knappen, blonden student en zich volstrekt geen
-geweld aan deed om hare »<span class="ex">belachelijke admiratie</span>” voor den »<span class="ex">kleurling</span>” te verbergen.
-</p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch45" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e624">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="label">VIJFENVEERTIGSTE HOOFDSTUK</h2>
-<h2 class="main">ACADEMIE-VRIENDEN</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Niets was grappiger dan de zonderlinge vriendschap, die er tusschen van Langendijk
-en George bestond. August eenige jaren ouder dan George, behandelde zijn jongen vriend
-met een soort van beschermende bewondering die deze onverdragelijk vond, daar hij
-er van overtuigd was dat hij meer verstand in zijn pink had dan die domme liplap in
-zijn geheele hoofd. Maar was hij ziek of verdrietig, gevoelde hij zich ongelukkig
-over het een of ander waaraan niets te veranderen viel, had hij geld noodig of hulp,
-dan was het altijd weer de <span class="ex">domme liplap</span> die voor hem <span class="pageNum" id="pb370">[<a href="#pb370">370</a>]</span>deed hetgeen geen ander voor hem gedaan zou hebben.
-</p>
-<p>»Het helpt je niet,” had hij hem eens gezegd, toen George, teleurgesteld in zijne
-studies, alles verzon om hem onaangenaam te wezen. »Het helpt je niet, of je me al
-mishandelen wilt of beleedigen. Ik heb beloofd dat ik je helpen zou overal en altijd,
-en dat zal ik doen, of je me lief hebt of haat …”
-</p>
-<p>»Wat is dat?” had George driftig opspringende gevraagd.
-</p>
-<p>»Niets,” had de ander geantwoord, zóo dom en goedig dat George er hem wel een klap
-voor had willen geven.
-</p>
-<p>August wist het geheim van George’s geboorte en hij was het geweest die het hem had
-medegedeeld.
-</p>
-<p>Wat hadden zij dikwijls over dat onderwerp gekibbeld! Wat had George in zijne wijsheid
-niet gegeven om Stevens van Langendijk te heeten! En hoe gaarne had de domme August
-hem den grooten naam afgestaan waaraan hij geen waarde hechtte!
-</p>
-<p>»Is het niet het zelfde of je Piet of Dirk heet?” had hij hem in zijn onnoozelen eenvoud
-gevraagd. »Wat doet de naam ter zake? Een jongen als jij, wel, die maakt zich een
-naam! Ik wou dat ik George heette en dat ik zóo knap was als jij, dan had ik den naam
-van mijn vader niet noodig om mij staande te houden in de publieke opinie.”
-</p>
-<p>»Je bent ondankbaar, en je weet niet wat je zegt! Indien je zóoveel geleden had als
-ik …”
-<span class="pageNum" id="pb371">[<a href="#pb371">371</a>]</span></p>
-<p>»Ik!” riep August met een gullen lach, »ik geloof dat ik evenveel geleden heb onder
-den trots van mijn vader als jij onder je eigen trots! Ambtenaar eerste klasse voor
-Indië moest ik worden, omdat mijn vader een resident in mij zag, een raad van Indië,
-een Gouverneur-Generaal, weet ik al wat! Och, arm!<span class="corr" title="Bron: ..">…</span> Ik!<span class="corr" title="Bron: ..">…</span> Ziet gij, zulk een toekomst droomt gij u voor u zelven, en droomde hij zich voor
-mij! Het eenige onderscheid is, dat uw droom op wetenschap en studie gegrond is en
-eenmaal verwezenlijkt kan worden, terwijl de zijne slechts een illusie was, die in
-de domheid van zijn zoon verloren is gegaan.”
-</p>
-<p>George kon het niet helpen, met al zijn superioriteit en al zijn trots, al zijn afgunst
-en ongeduld, dat hij toch voor August een sympathie gevoelde die hij zich niet verklaren
-kon, en die hij zich in ’t publiek zelfs soms schaamde, ofschoon dan de naam, Van
-Langendijk, tot apologie kon strekken.
-</p>
-<p>Eenmaal had August een vreeselijke vraag gedaan:
-</p>
-<p>»Herinnert gij u in het geheel uw moeder niet meer?”
-</p>
-<p>George was opgevlogen alsof hij hem vermoorden wilde.
-</p>
-<p>»Neen, God dank niet!” had hij toen woedend geantwoord. »Dat mensch is dood—en het
-is haar geluk!”
-</p>
-<p>»Toch zou het uw geluk geweest zijn, indien zij geleefd had,” ging August voort, tegen
-alle drift en ongeduld van zijn vriend in. »Ik heb haar gekend. Wat was zij zacht,
-en goed, en lief—edelmoedig en zelfopofferend!<span class="corr" title="Bron: ..">…</span>”
-<span class="pageNum" id="pb372">[<a href="#pb372">372</a>]</span></p>
-<p>»En mooi vooral, niet waar?” viel George hem sarkastisch in de rede. »Luister, August,
-indien gij eenige waarde aan mijn vriendschap hecht, spreek mij dan nooit meer van
-mijn moeder!—Ze is dood, gelukkig!—Leefde zij nog, dan ging ik haar opzoeken, eens
-slechts, éens, om haar zelf te zeggen dat ik haar haat, veracht, vervloek voor eeuwig!”
-</p>
-<p>»Schaam u, George!”
-</p>
-<p>»Geen woord meer over dit onderwerp,” gebood George bevend van toorn, en zijn pet
-grijpende vlood hij de straat op zonder zelf te weten waarheen.
-</p>
-<p>Na dien tijd had August hem nooit meer over zijne moeder gesproken, maar nu hij op
-een meer intiemen voet bij de familie Wagner aan huis begon te komen, had hij Lina
-in den arm genomen en haar verzocht een laatste poging te wagen, om George met zijn
-moeder te verzoenen.
-</p>
-<p>Lina had de moeielijke taak aanvaard, en dien zekeren Woensdagavond in het bosch had
-zij George verzocht den volgenden morgen bij haar te komen, daar zij hem iets mee
-te deelen had, dat van het grootste belang voor hem was.
-<span class="pageNum" id="pb373">[<a href="#pb373">373</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch46" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e634">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="label">ZESENVEERTIGSTE HOOFDSTUK</h2>
-<h2 class="main">LINA’S TUSSCHENKOMST</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">George kwam den volgenden morgen, trotsch en geleerd als altijd, zonder in het minst
-te gissen welke de reden kon zijn van Lina’s vreemde uitnoodiging.
-</p>
-<p>»Emma mogelijk!” had hij binnentredende gedacht en het hoofd achterover werpende had
-hij zijn vermetele gedachte beantwoord met een vast besloten: »neen, geen Emma’s voor
-mij. Zulke dwaasheden zijn goed voor August … Een kundig man moet vrij blijven, anders
-breekt hij zijn carrière.”
-</p>
-<p>Toch hield hij van Emma zooveel als zijn zelfzuchtige ziel van iemand houden kon;
-te weinig om een enkelen gloriedroom aan zijn liefde op te offeren, genoeg om August
-elken blik van sympathie te benijden waarmede het meisje onwillekeurig nu eens een
-goed woord dan weer een kleinen dienst van zijn vriend beloonde.
-</p>
-<p>»Mijnheer George,” begon Lina zoodra zij zich met den jongeling alleen bevond, »vermoedt
-gij waarom ik u dit onderhoud gevraagd heb?”
-</p>
-<p>»Volstrekt niet mevrouw.”
-</p>
-<p>»Het geldt uw moeder.”
-</p>
-<p>»Mijne moeder!—Ik heb geen moeder!—Ik zou zelfs bijna zeggen: ik heb nooit eene moeder
-gehad!”
-</p>
-<p>»<span class="corr" id="xd31e7066" title="Bron: Dau">Dan</span> zoudt gij onwaarheid spreken, want ofschoon <span class="pageNum" id="pb374">[<a href="#pb374">374</a>]</span>gij u mogelijk de zelfopofferende gehechtheid der liefdevolle vrouw die uwe moeder
-is, niet meer herinnert, zoo heeft die toch bestaan, en<span class="corr" title="Bron: ..">…</span> zoo bestaat die nog.”
-</p>
-<p>»Nog!” riep George opspringende, »leeft mijn moeder nog? O, zeg mij, mevrouw, waar
-ik die gehate vrouw kan vinden, opdat ik haar zelf zeggen kan hoe diep ik haar veracht!”
-</p>
-<p>»Is dat <span class="ex">al</span> wat gij haar zeggen zoudt?”
-</p>
-<p>»Dat is al.”
-</p>
-<p>»Geen woord van medelijden, geen woord van sympathie of troost zoudt gij in uw hart
-kunnen vinden voor de ongelukkige vrouw, die zoo oneindig liefheeft gehad en zoo vreeselijk
-heeft geleden?”
-</p>
-<p>»Niets dan haat—eeuwige haat.”
-</p>
-<p>»Gij zijt uwer moeder onwaardig, George. Mogelijk zal er eenmaal een dag komen dat
-de ondervinding u zal geleerd hebben hoe onvolmaakt verstand is in vergelijking van
-gemoed, kom dien dag terug, dan zal ik u de vrouw leeren kennen, die uw moeder is.
-Nu zijt gij voor dat geluk nog niet rijp. Maar draal niet te lang, want uwe wreedheid
-doodt haar.”
-</p>
-<p>»Zij weet dus dat ik haar veracht?”
-</p>
-<p>»Zij weet alles … Luister, George, uw verachting is onrechtvaardig; indien uw verstand
-u dit niet leert, laat uw hart het u zeggen …”
-</p>
-<p>En na hem het geheele leven zijner moeder medegedeeld te hebben, besloot Lina met
-hem aan te raden om met August over het voorgevallene te spreken.
-</p>
-<p>»Hij is uw vriend en hij kent uw moeder, indien <span class="pageNum" id="pb375">[<a href="#pb375">375</a>]</span>iemand in uw belang zal handelen is hij het, vraag hem om raad.”
-</p>
-<p>George lachte om dat vrouwenoordeel, greep zijn hoed en vertrok, trotsch op zijn <span class="ex">vast karakter</span> dat hem onwankelbaar had doen volharden op den eenmaal ingeslagen weg en hem had
-doen volhouden tegen alle verleiding van verwondering en nieuwsgierigheid in.
-</p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch47" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e645">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="label">ZEVENENVEERTIGSTE HOOFDSTUK</h2>
-<h2 class="main">DE LAATSTE BRIEVEN</h2>
-<div class="epigraph" lang="fr">
-<p class="first">Au lieu de l’instinct c’est l’intelligence qui a compris le grand mot de la Nature
-</p>
-<p class="xd31e7103">Amour.</p>
-</div>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first salute">»George!
-</p>
-<p>»Het is met een stervende hand dat uwe moeder de laatste woorden schrijft, die zij
-haar kind had willen toespreken—indien hij ze van hare lippen had willen aanhooren.
-</p>
-<p>»Haat, verachting, vloek, niets anders hadt gij over voor de vrouw die u het leven
-gaf.
-</p>
-<p>»Laat dezen brief verzegeld blijven totdat gij geleerd zult hebben een zachter oordeel
-te vellen over het ongeluk dat u onbekend is.—Uwe moeder wil niet, dat gij met een
-blik van toorn of verwijt hare woorden lezen zult.”
-</p>
-<p>Dat opschrift beviel hem,—hij vond het curieus en, <span class="pageNum" id="pb376">[<a href="#pb376">376</a>]</span>met een minachtend lachje nam hij zijn mes en sneed hij de <span class="ex">enveloppe</span> open.
-</p>
-<p>»Geen vergeving, maar sympathie, maar medelijden eisch ik, eer gij verder zult lezen.”
-</p>
-<p>Dat stond buiten op den brief, die nogmaals verzegeld was.
-</p>
-<p>Wat had zij hem goed gekend! Zij had het dus geweten dat hij bij hare eerste woorden
-niet stil gestaan zou hebben! Dat hij ze gelezen zou hebben met de oogen slechts,
-en dat hij verder zou gegaan zijn zonder zelfs aan gehoorzamen te denken.
-</p>
-<p>Een oogenblik hield hij den brief geduldig tusschen zijne vingers, bezag het opschrift
-dat hem aantrok, de kleine magere letters die hij kinderachtig vond, het groote zegel
-dat hem nijdig maakte. Toen greep hij weer zijn mes en opende ook den tweeden omslag.
-</p>
-<p>»Nu, ja, ik vergeef je!” mompelde hij half tusschen de tanden. »Ik vergeef je, want
-ik wil zien wat je daar geschreven heb … En al vergaf ik je ook niet, dan toch opende
-ik je brief; het is in allen geval mij dat het geldt, en geen ander.”
-</p>
-<p>»Dus haat gij uw moeder niet meer?—veracht gij de vrouw niet meer die gij nimmer gekend
-hebt? vervloekt gij niet meer het ongelukkige schepsel dat uw vloek gedood heeft?
-Heb dank, George, voor dat eerste blijk van rechtvaardigheid.”
-</p>
-<p>»Rechtvaardigheid!” Hij hield een oogenblik op met lezen, herlas dien volzin nog eens.—»Ja,
-<span class="ex">rechtvaardigheid</span>,—dat staat er!” Hij las verder.
-<span class="pageNum" id="pb377">[<a href="#pb377">377</a>]</span></p>
-<p>»De wet had schuldig gezegd.
-</p>
-<p>»En de wereld heeft gelachen, gespot, veracht, gejuicht en aangeklaagd, vervloekt!
-</p>
-<p>»De zoon had moeten zwijgen en vergeven, of liefhebben en troosten.
-</p>
-<p>»Maar de wet had ook den zoon aangeklaagd, en de menschen hebben het kind verstooten,
-om de schuld der wereld.”
-</p>
-<p>»Wat—is—dat?” riep George, zich op eens in een geheel andere atmosfeer bevindende
-dan die waarin hij gewoon was zich met zijne academievrienden te bewegen. »Om de schuld
-der <span class="ex">wereld</span>? Der <span class="ex">moeder</span>, wil ze zeggen!” Hij vervolgde.
-</p>
-<p>»De wereld, wier recht in kracht bestaat, en wier kracht op berekening gegrond is,
-heeft hare geleerdheid in een wetboek uitgestort, en dat wetboek als een eeuwig werkende
-guillotine in Gods volmaakte natuur geplaatst, om te vermoorden al wat oorspronkelijk
-goed of groot zou zijn.”
-</p>
-<p>»Hei! hei!” riep de jonge advocaat, opspringende. Toch was het een andere lach dan
-die van zoo even, die zijn welgevormde lippen opende. Hij las weer verder.
-</p>
-<p>»Ziel,” had de godheid gezegd.
-</p>
-<p>»Masker” het wetboek geantwoord.
-</p>
-<p>»Vrijheid.”
-</p>
-<p>»Neen, slavernij.”
-</p>
-<p>»Waarheid.”
-</p>
-<p>»Neen, bedrog.”
-</p>
-<p>»Leven.”
-<span class="pageNum" id="pb378">[<a href="#pb378">378</a>]</span></p>
-<p>»Neen, dood.”
-</p>
-<p>»En <span class="ex">dood</span> is het geweest, eeuwen en eeuwen lang! Dood volgens de wet, zoo als het dood volgens
-de wereld was.
-</p>
-<p>»Dood voor de ziel, dat heette plicht.—Dat werd later in beschaving en distinctie
-veranderd.—Valschheid was de rechte naam!
-</p>
-<p>»Dood voor het lichaam, dat werd glorie genoemd, martelaarschap en heldenmoed.—Slavernij
-was de verborgen naam!
-</p>
-<p>»Dood voor het hart, dat heette deugd en reinheid, onschuld, heiligheid.—Huichelarij
-had het moeten heeten, of onwetendheid, of zielloosheid!
-</p>
-<p>»Dood voor het verstand, dat werd geleerdheid genoemd, of godsdienst, braafheid, eenvoud.
-Goddeloosheid had het moeten zijn. Maar dood bleef het altijd!
-</p>
-<p>»<span class="ex">Dood</span>,” hadden de menschen met bloedige letters op de eerste bladzijde van hun wetboek
-moeten schrijven, dan hadden zij op de laatste »<span class="ex">waarheid</span>” kunnen zetten met donkere letters van rouw!
-</p>
-<p>»Maar zij hebben »<span class="ex">bescherming</span>” tot hun opschrift gekozen en »<span class="ex">kracht</span>” tot hun rechter, en nu wordt onderwerping deugd genoemd, terwijl de misdaad wettig
-kan zijn en de sluwheid met succès wordt bekroond.
-</p>
-<p>»Natuur is buiten de wet en bij gevolg »<span class="ex">schuldig</span>.”<span class="corr" id="xd31e7186" title="Niet in bron">”</span>
-</p>
-<p>George lachte niet meer, hij staarde op den brief zijner moeder met eene belangstelling
-die aan bewondering <span class="pageNum" id="pb379">[<a href="#pb379">379</a>]</span>grensde. Het speet hem dat hij die vrouw niet gekend had, zij had hem mogelijk van
-nut kunnen zijn.
-</p>
-<p>»Eene vrouw!”
-</p>
-<p>Daar kwam dat hatelijke lachje weder, waarvoor Emma hem niet uit kon staan.
-</p>
-<p>Hij sloeg het blaadje om en wilde verder lezen—er was niet meer.
-</p>
-<p>»Wat is dat? Niets meer?<span class="corr" title="Bron: ..">…</span>”
-</p>
-<p>Teleurgesteld las hij den ganschen brief nog eens over.
-</p>
-<p>En geen woord voor hem?—Geen woord van liefde?—Geen woord om hem vergeving te vragen
-voor het leed dat zij hem berokkend had? Voor de levenslange schande, die door hare
-schuld zou rusten op het kind zonder naam?—Welk eene vrouw! Het was niet zóo dat August
-hem zijne moeder beschreven had. »Zacht, en goed, en lief, edelmoedig en zelfopofferend …
-Neen, eene soort van bas-bleu moest zij geweest zijn!…” Het speet hem toch dat hij
-haar niet gekend had … In het geheel geen <span class="ex">doetje</span>, zoo als hij zich had voorgesteld.
-</p>
-<p>Wat gaf die brief te denken! Maar ook niets meer dan dat. Gevoel zat er niet in, liefde
-voor geen cent—een geest van opstand,—opstand tegen de noodzakelijkheid. Dat was haar
-gansche leven immers ook geweest! Arm mensch!
-</p>
-<p>George stond op om den brief in zijn secretaire te sluiten, op het zelfde oogenblik
-werd de deur geopend en trad August binnen.
-</p>
-<p>»Zóo, ben jij ’t! Ga zitten, hier is een brief van mijn moeder, wil je lezen?”
-<span class="pageNum" id="pb380">[<a href="#pb380">380</a>]</span></p>
-<p>August zette groote oogen op, hij wist niet wat hij hoorde, zonder te antwoorden nam
-hij den brief aan en las.
-</p>
-<p>George plaatste zich voor zijne schrijftafel en deed als of hij schreef, eigenlijk
-hield hij zijn vriend in het oog.
-</p>
-<p>Toen August den brief gelezen had, vouwde hij hem zorgvuldig dicht en gaf hij hem
-aan George terug zonder een enkel woord te zeggen.
-</p>
-<p>»Nu?”
-</p>
-<p>»Wat?” vroeg August met zulk een gebroken stem, dat George er hem op aanzag. »Huil
-je?”
-</p>
-<p>»Die vrouw was een engel, heb ik je altijd gezegd!<span class="corr" title="Bron: ..">…</span>”
-</p>
-<p>»Een mooi soort van engel!” riep George met een gemaakten lach.
-</p>
-<p>August greep zijn hoed en verdween.
-</p>
-<p>Daar stond hij weer alleen in het midden van zijn kamer met den geopenden brief zijner
-moeder vóor zich.
-</p>
-<p>»August is gek!” dacht hij bij zich zelven. »Ik begrijp de verblindheid van dien jongen
-niet! Mijne moeder is een engel, dat was ze en dat moet ze eeuwig blijven … <span class="ex">hij</span> heeft dat zoo gedecreteerd en zóo is het dus.”
-</p>
-<p>Hij lachte en greep den brief om hem in de secretaire te werpen.
-</p>
-<p>»Wat?—Twee?” riep hij op eens. »Wat is dat voor een brief?”
-</p>
-<p>»Om aan mijn zoon George te overhandigen, wanneer hij mijn eersten brief gelezen zal
-hebben.
-<span class="pageNum" id="pb381">[<a href="#pb381">381</a>]</span></p>
-<p>»Ook van mijne moeder! En verzegeld!—Dien heeft August zeker gebracht!—Met koortsachtige
-zenuwachtigheid opende hij den tweeden brief.
-</p>
-<p>»Innig, innig geliefde George! Gedurende ruim vierentwintig jaar zijt gij de oogappel
-uwer moeder geweest, het doel van haar leven, de hoop harer toekomst. Ongezien, onbemind,
-ongekend heeft zij over haar kind gewaakt, dat zij beschermd heeft, verzorgd en geraden
-van verre, en door vreemden …
-</p>
-<p>»Grootheid zag zij in dat kind,—kracht, geleerdheid en fortuin.—<span class="ex">Liefde</span> had zij in hem willen vinden.
-</p>
-<p>»Bewondering voor wat boven hem is.
-</p>
-<p>»Bescherming voor wat hij beneden zich acht.
-</p>
-<p>»Hulp voor zwakken.
-</p>
-<p>»Vergeving voor verdoolden.
-</p>
-<p>»En troost voor ongelukkigen.
-</p>
-<p>»Sympathie voor al wat leeft en <span class="ex">dus</span> bestemd tot lijden is.
-</p>
-<p>»Want grootheid zonder liefde is tirannie.
-</p>
-<p>»Kracht zonder liefde is wreedheid.
-</p>
-<p>»Geleerdheid zonder liefde is onverstand.
-</p>
-<p>»En fortuin zonder liefde leidt tot gierigheid of tot verspilzucht.”
-</p>
-<p>George liet den brief op tafel vallen en staarde vóor zich, zonder te weten waaraan
-hij dacht.
-</p>
-<p>»Dat is waar<span class="corr" title="Bron: ..">…</span>” mompelde hij eindelijk, »waarom heb ik die vrouw niet gekend?”
-</p>
-<p>»Omdat gij geene liefde hadt …” las hij verder; hij las dat schijnbare <span class="ex">antwoord</span> op zijne vraag nog eens.
-<span class="pageNum" id="pb382">[<a href="#pb382">382</a>]</span></p>
-<p>»Omdat gij geene liefde hadt, hebt gij verstooten wat <span class="ex">eenvoudig goed</span> was, en toch dat alleen is <span class="ex">waar</span> en <span class="ex">groot</span>.
-</p>
-<p>»Omdat gij geene liefde hadt, hebt gij de eenige vrouw veracht wier liefde belangeloos
-was, wier raadgevingen heilig voor u hadden moeten zijn.
-</p>
-<p>»Uwe moeder, de eenige persoon op aarde, aan wie de natuur zelve u toevertrouwd had,
-hebt gij <span class="ex">geweigerd</span> te kennen.
-</p>
-<p>»Zoek geen verontschuldiging in <span class="ex">de opinie der wereld</span>—voor elke andere vrouw zoudt gij kracht gehad hebben die opinie te trotseeren.
-</p>
-<p>»Zoek haar ook niet in onwetendheid.
-</p>
-<p>»Gij <span class="ex">wist</span> dat uw moeder leefde, dat zij u lief had en dat zij leed onder uwe miskenning, die
-haar dooden moest.
-</p>
-<p>»Gij wist het, niet waar?
-</p>
-<p>»Welnu, uw <span class="ex">weten</span> heeft haar gedood.
-</p>
-<p>»Gingen uw haat, uw wraak, uw berekening zóo ver?
-</p>
-<p>»Uw moeder vergeeft u alles, kind!
-</p>
-<p>»Ik ken geen haat en geen wraak, ik ken niets meer dan medelijden.
-</p>
-<p>»<span class="ex">Liefde</span> was de schoonste schat die de godheid mij bij mijne geboorte gaf. Liefde had mijn
-gansch bestaan moeten zijn.
-</p>
-<p>»Liefde voor de leidslieden die de natuur over mijne kindschheid gesteld had. Liefde
-voor den man wiens ziel de zusterziel der mijne was. Liefde voor het kind dat recht
-op mijne toekomst had. En liefde voor de menschheid wier rampen mij lijden deden.
-<span class="pageNum" id="pb383">[<a href="#pb383">383</a>]</span></p>
-<p>»Liefde!
-</p>
-<p>»Niemand begreep mijne liefde … ik begreep haar zelve niet.
-</p>
-<p>»Liefde is een droom,” hadden mijne ouders mij geleerd. »Eene gewoonte,” had de man
-der fortuin mij gezegd. »Een plicht of een zonde!” riep de wereld mij toe, met haar
-wetboek in de hand en den zegen der kerk tot staving harer onfeilbaarheid!
-</p>
-<p>»Toch was liefde het bevel der natuur. En worstelend, ongelukkig, rampzalig, krankzinnig
-zelfs, heb ik lief gehad, om miskend te worden, gefolterd, versmaad, bespot, veracht
-en eindelijk gedood.
-</p>
-<p>»Was het daarvoor dat God liefde schiep en medelijden?
-</p>
-<p>»Uw moeder vergeeft u, George. Gij zijt aan haar gelijk, mijn zoon, want ook zij had
-het leven niet begrepen. Ook zij heeft gehaat en veracht, en gelachen in spijt der
-liefde die haar ziel verteerde. Zij had niet leeren strijden, dus moest zij wel bezwijken.
-Maar de dood kwam nader, en eenzaam, verstooten en verlaten heeft zij het leven begrepen
-dat ten einde spoedde, en haren Schepper gedankt voor het eenige geschenk dat der
-volmaaktheid nadert: Liefde.
-</p>
-<p>»Leef gelukkig, mijn kind, uwe moeder zegent u en smeekt u, lief te hebben.
-</p>
-<p>»Wees niet hard voor de menschheid die lijdt, want haar lijden is onwetendheid.
-</p>
-<p>»Beschuldig niet, maar troost en help, en bescherm en stel uw eer in de kracht van
-vergeven en van <span class="ex">rechtvaardig goed</span> te wezen. Die zwakheid alleen is grootheid, is wijsheid, is geluk.
-<span class="pageNum" id="pb384">[<a href="#pb384">384</a>]</span></p>
-<p>»Vaarwel, mijn kind, mijn innig geliefde George! God schenke u liefde: dit is de laatste
-zegen dien mijn stervende lippen Hem smeeken over u uit te storten.
-</p>
-<p>»Vaarwel!
-</p>
-<p class="signed">»Uwe moeder.”
-</p>
-<p>George zag de laatste woorden niet meer, zijn tranen verblindden hem. Dit waren de
-eerste tranen van medelijden sedert de jaren zijner kindschheid.
-</p>
-<p>»August heeft gelijk!” sprak hij afgebroken. »Mijne moeder was een engel<span class="corr" title="Bron: ..">…</span> Waarom heb ik die ongelukkige vrouw miskend!
-</p>
-<p class="tb">. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .</p><p>
-</p>
-<p>»De menschen hebben haar krankzinnig genoemd, omdat zij veel begreep en weinig wist.”
-</p>
-</div>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div class="back">
-<div class="transcriberNote">
-<h2 class="main">Colofon</h2>
-<h3 class="main">Beschikbaarheid</h3>
-<p class="first">Dit eBoek is voor kosteloos gebruik door iedereen overal, met vrijwel geen beperkingen
-van welke soort dan ook. U mag het kopiëren, weggeven of hergebruiken onder de voorwaarden
-van de Project Gutenberg Licentie in dit eBoek of on-line op <a class="seclink xd31e39" title="Externe link" href="https://www.gutenberg.org/">www.gutenberg.org</a>.
-</p>
-<p>Dit eBoek is geproduceerd door het on-line gedistribueerd correctieteam op <a class="seclink xd31e39" title="Externe link" href="https://www.pgdp.net/">www.pgdp.net</a>.
-</p>
-<h3 class="main">Metadata</h3>
-<table class="colophonMetadata" summary="Metadata">
-<tr>
-<td><b>Titel:</b></td>
-<td>Een huwelijk in Indië</td>
-<td></td>
-</tr>
-<tr>
-<td><b>Auteur:</b></td>
-<td>Mina Kruseman (1839–1922)</td>
-<td><a href="https://viaf.org/viaf/19812776/" class="seclink">Info</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td><b>Taal:</b></td>
-<td>Nederlands (Spelling De Vries-Te Winkel)</td>
-<td></td>
-</tr>
-<tr>
-<td><b>Oorspronkelijke uitgiftedatum:</b></td>
-<td>1873</td>
-<td></td>
-</tr>
-</table>
-<h3 class="main">Codering</h3>
-<p class="first">Dit boek is weergegeven in oorspronkelijke schrijfwijze. Afgebroken woorden aan het
-einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. Kennelijke zetfouten in het origineel
-zijn verbeterd. Deze verbeteringen zijn aangegeven in de colofon aan het einde van
-dit boek.</p>
-<h3 class="main">Documentgeschiedenis</h3>
-<ul>
-<li>2021-11-19 Begonnen.
-</li>
-</ul>
-<h3 class="main">Externe Referenties</h3>
-<p>Dit Project Gutenberg eBoek bevat externe referenties. Het kan zijn dat deze links
-voor u niet werken.</p>
-<h3 class="main">Verbeteringen</h3>
-<p>De volgende verbeteringen zijn aangebracht in de tekst:</p>
-<table class="correctionTable" summary="Overzicht van verbeteringen aangebracht in de tekst.">
-<tr>
-<th>Bladzijde</th>
-<th>Bron</th>
-<th>Verbetering</th>
-<th>Bewerkingsafstand</th>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e719">4</a></td>
-<td class="width40 bottom">bet</td>
-<td class="width40 bottom">het</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e747">5</a></td>
-<td class="width40 bottom">evenom</td>
-<td class="width40 bottom">even om</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e971">15</a></td>
-<td class="width40 bottom">.</td>
-<td class="width40 bottom">:</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><i title="25 gevallen">Passim.
-</i></td>
-<td class="width40 bottom">Van</td>
-<td class="width40 bottom">van</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1021">18</a>, <a class="pageref" href="#xd31e2643">121</a></td>
-<td class="width40 bottom">
-[<i>Niet in bron</i>]
-</td>
-<td class="width40 bottom">,</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1086">23</a>, <a class="pageref" href="#xd31e1091">23</a></td>
-<td class="width40 bottom">Joli</td>
-<td class="width40 bottom">Joly</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1127">26</a></td>
-<td class="width40 bottom">ken</td>
-<td class="width40 bottom">kan</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1160">29</a>, <a class="pageref" href="#xd31e2624">120</a>, <a class="pageref" href="#xd31e6986">368</a></td>
-<td class="width40 bottom">
-[<i>Niet in bron</i>]
-</td>
-<td class="width40 bottom">»</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1415">45</a></td>
-<td class="width40 bottom">bodjongschen</td>
-<td class="width40 bottom">Bodjongschen</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1436">46</a></td>
-<td class="width40 bottom">europesche</td>
-<td class="width40 bottom">Europeesche</td>
-<td class="bottom">2</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1441">47</a></td>
-<td class="width40 bottom">Louize</td>
-<td class="width40 bottom">Louise</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1552">52</a></td>
-<td class="width40 bottom">»</td>
-<td class="width40 bottom">
-[<i>Verwijderd</i>]
-</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1652">57</a></td>
-<td class="width40 bottom">Bodjonschen</td>
-<td class="width40 bottom">Bodjongschen</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1769">63</a></td>
-<td class="width40 bottom">hoe</td>
-<td class="width40 bottom">Hoe</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1780">64</a></td>
-<td class="width40 bottom">Papalaya</td>
-<td class="width40 bottom">Papelaya</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1966">75</a></td>
-<td class="width40 bottom">”</td>
-<td class="width40 bottom">
-[<i>Verwijderd</i>]
-</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2071">81</a></td>
-<td class="width40 bottom">muziekanten</td>
-<td class="width40 bottom">muzikanten</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2171">88</a>, <a class="pageref" href="#xd31e3064">150</a>, <a class="pageref" href="#xd31e3177">158</a></td>
-<td class="width40 bottom">
-[<i>Niet in bron</i>]
-</td>
-<td class="width40 bottom">.</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2312">98</a></td>
-<td class="width40 bottom">halstarrig</td>
-<td class="width40 bottom">halsstarrig</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2404">104</a></td>
-<td class="width40 bottom">baldde</td>
-<td class="width40 bottom">balde</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2507">n.v.t.</a></td>
-<td class="width40 bottom">Eternité</td>
-<td class="width40 bottom">Éternité</td>
-<td class="bottom">1 / 0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2537">114</a></td>
-<td class="width40 bottom">jonge heerenhuishouden</td>
-<td class="width40 bottom">jongeheerenhuishouden</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2617">119</a></td>
-<td class="width40 bottom">kabaaya</td>
-<td class="width40 bottom">kabaya</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2661">122</a></td>
-<td class="width40 bottom">diefegge</td>
-<td class="width40 bottom">dievegge</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2734">127</a></td>
-<td class="width40 bottom">nedeldoeksche</td>
-<td class="width40 bottom">neteldoeksche</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2822">132</a></td>
-<td class="width40 bottom">te te</td>
-<td class="width40 bottom">te</td>
-<td class="bottom">3</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2885">136</a></td>
-<td class="width40 bottom">rid</td>
-<td class="width40 bottom">rit</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e3111">153</a></td>
-<td class="width40 bottom">kabaaija</td>
-<td class="width40 bottom">kabaya</td>
-<td class="bottom">3</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e3133">155</a></td>
-<td class="width40 bottom">
-[<i>Niet in bron</i>]
-</td>
-<td class="width40 bottom">de </td>
-<td class="bottom">3</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e3820">206</a></td>
-<td class="width40 bottom">la</td>
-<td class="width40 bottom">lag</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e3841">207</a></td>
-<td class="width40 bottom">tnsschen</td>
-<td class="width40 bottom">tusschen</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e3854">207</a></td>
-<td class="width40 bottom">belagchelijk</td>
-<td class="width40 bottom">belachelijk</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><i title="183 gevallen">Passim.
-</i></td>
-<td class="width40 bottom">..</td>
-<td class="width40 bottom">…</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e3921">211</a>, <a class="pageref" href="#xd31e7186">378</a></td>
-<td class="width40 bottom">
-[<i>Niet in bron</i>]
-</td>
-<td class="width40 bottom">”</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e4056">218</a></td>
-<td class="width40 bottom">harmoniesch</td>
-<td class="width40 bottom">harmonisch</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e4409">239</a></td>
-<td class="width40 bottom">sans gène</td>
-<td class="width40 bottom">sans-gêne</td>
-<td class="bottom">2 / 1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e4465">245</a></td>
-<td class="width40 bottom">voortuit</td>
-<td class="width40 bottom">vooruit</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e4577">254</a></td>
-<td class="width40 bottom">patient</td>
-<td class="width40 bottom">patiënt</td>
-<td class="bottom">1 / 0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e4887">273</a></td>
-<td class="width40 bottom">Louies</td>
-<td class="width40 bottom">Louise</td>
-<td class="bottom">2</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e4944">278</a></td>
-<td class="width40 bottom">naauw</td>
-<td class="width40 bottom">nauw</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e5095">285</a>, <a class="pageref" href="#xd31e5115">287</a>, <a class="pageref" href="#xd31e5122">287</a>, <a class="pageref" href="#xd31e5276">295</a>, <a class="pageref" href="#xd31e6352">339</a>, <a class="pageref" href="#xd31e6721">352</a></td>
-<td class="width40 bottom">van</td>
-<td class="width40 bottom">Van</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e5150">290</a></td>
-<td class="width40 bottom">.</td>
-<td class="width40 bottom">
-[<i>Verwijderd</i>]
-</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e5259">293</a></td>
-<td class="width40 bottom">bruidsluier</td>
-<td class="width40 bottom">bruidssluier</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e5514">305</a></td>
-<td class="width40 bottom">leide</td>
-<td class="width40 bottom">leidde</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e5556">307</a></td>
-<td class="width40 bottom">patiente</td>
-<td class="width40 bottom">patiënte</td>
-<td class="bottom">1 / 0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e5559">307</a></td>
-<td class="width40 bottom">,</td>
-<td class="width40 bottom">
-[<i>Verwijderd</i>]
-</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e5666">311</a></td>
-<td class="width40 bottom">Jocelijn</td>
-<td class="width40 bottom">Jocelyn</td>
-<td class="bottom">2</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e6355">339</a></td>
-<td class="width40 bottom">gerafineerde</td>
-<td class="width40 bottom">geraffineerde</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e6526">344</a></td>
-<td class="width40 bottom">gaauw</td>
-<td class="width40 bottom">gauw</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e6648">349</a></td>
-<td class="width40 bottom">horlogie</td>
-<td class="width40 bottom">horloge</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e6740">353</a></td>
-<td class="width40 bottom">horologie</td>
-<td class="width40 bottom">horloge</td>
-<td class="bottom">2</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e6825">359</a></td>
-<td class="width40 bottom">hartvochtig</td>
-<td class="width40 bottom">hardvochtig</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e6895">364</a></td>
-<td class="width40 bottom">gevonnisd</td>
-<td class="width40 bottom">gevonnist</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e6949">367</a></td>
-<td class="width40 bottom">geinstalleerd</td>
-<td class="width40 bottom">geïnstalleerd</td>
-<td class="bottom">1 / 0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e7066">373</a></td>
-<td class="width40 bottom">Dau</td>
-<td class="width40 bottom">Dan</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-</table>
-<h3 class="main">Afkortingen</h3>
-<p>Overzicht van gebruikte afkortingen.</p>
-<table class="abbreviationtable" summary="Overzicht van gebruikte afkortingen.">
-<tr>
-<th>Afkorting</th>
-<th>Uitgeschreven</th>
-</tr>
-<tr>
-<td class="bottom">A.sche</td>
-<td class="bottom">
-[<i>Uitgeschreven vorm niet beschikbaar</i>]
-</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="bottom">s.v.p.</td>
-<td class="bottom">s’il vous plaît</td>
-</tr>
-</table>
-</div>
-</div>
-<div style='display:block; margin-top:4em'>*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK EEN HUWELIJK IN INDIË ***</div>
-<div style='text-align:left'>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-Updated editions will replace the previous one&#8212;the old editions will
-be renamed.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright
-law means that no one owns a United States copyright in these works,
-so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the United
-States without permission and without paying copyright
-royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part
-of this license, apply to copying and distributing Project
-Gutenberg&#8482; electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG&#8482;
-concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark,
-and may not be used if you charge for an eBook, except by following
-the terms of the trademark license, including paying royalties for use
-of the Project Gutenberg trademark. If you do not charge anything for
-copies of this eBook, complying with the trademark license is very
-easy. You may use this eBook for nearly any purpose such as creation
-of derivative works, reports, performances and research. Project
-Gutenberg eBooks may be modified and printed and given away--you may
-do practically ANYTHING in the United States with eBooks not protected
-by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the trademark
-license, especially commercial redistribution.
-</div>
-
-<div style='margin:0.83em 0; font-size:1.1em; text-align:center'>START: FULL LICENSE<br>
-<span style='font-size:smaller'>THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE<br>
-PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK</span>
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-To protect the Project Gutenberg&#8482; mission of promoting the free
-distribution of electronic works, by using or distributing this work
-(or any other work associated in any way with the phrase &#8220;Project
-Gutenberg&#8221;), you agree to comply with all the terms of the Full
-Project Gutenberg&#8482; License available with this file or online at
-www.gutenberg.org/license.
-</div>
-
-<div style='display:block; font-size:1.1em; margin:1em 0; font-weight:bold'>
-Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg&#8482; electronic works
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg&#8482;
-electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
-and accept all the terms of this license and intellectual property
-(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
-the terms of this agreement, you must cease using and return or
-destroy all copies of Project Gutenberg&#8482; electronic works in your
-possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a
-Project Gutenberg&#8482; electronic work and you do not agree to be bound
-by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the person
-or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.B. &#8220;Project Gutenberg&#8221; is a registered trademark. It may only be
-used on or associated in any way with an electronic work by people who
-agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
-things that you can do with most Project Gutenberg&#8482; electronic works
-even without complying with the full terms of this agreement. See
-paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
-Gutenberg&#8482; electronic works if you follow the terms of this
-agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg&#8482;
-electronic works. See paragraph 1.E below.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation (&#8220;the
-Foundation&#8221; or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection
-of Project Gutenberg&#8482; electronic works. Nearly all the individual
-works in the collection are in the public domain in the United
-States. If an individual work is unprotected by copyright law in the
-United States and you are located in the United States, we do not
-claim a right to prevent you from copying, distributing, performing,
-displaying or creating derivative works based on the work as long as
-all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope
-that you will support the Project Gutenberg&#8482; mission of promoting
-free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg&#8482;
-works in compliance with the terms of this agreement for keeping the
-Project Gutenberg&#8482; name associated with the work. You can easily
-comply with the terms of this agreement by keeping this work in the
-same format with its attached full Project Gutenberg&#8482; License when
-you share it without charge with others.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
-what you can do with this work. Copyright laws in most countries are
-in a constant state of change. If you are outside the United States,
-check the laws of your country in addition to the terms of this
-agreement before downloading, copying, displaying, performing,
-distributing or creating derivative works based on this work or any
-other Project Gutenberg&#8482; work. The Foundation makes no
-representations concerning the copyright status of any work in any
-country other than the United States.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.E.1. The following sentence, with active links to, or other
-immediate access to, the full Project Gutenberg&#8482; License must appear
-prominently whenever any copy of a Project Gutenberg&#8482; work (any work
-on which the phrase &#8220;Project Gutenberg&#8221; appears, or with which the
-phrase &#8220;Project Gutenberg&#8221; is associated) is accessed, displayed,
-performed, viewed, copied or distributed:
-</div>
-
-<blockquote>
- <div style='display:block; margin:1em 0'>
- This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and most
- other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
- whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
- of the Project Gutenberg License included with this eBook or online
- at <a href="https://www.gutenberg.org">www.gutenberg.org</a>. If you
- are not located in the United States, you will have to check the laws
- of the country where you are located before using this eBook.
- </div>
-</blockquote>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.E.2. If an individual Project Gutenberg&#8482; electronic work is
-derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not
-contain a notice indicating that it is posted with permission of the
-copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in
-the United States without paying any fees or charges. If you are
-redistributing or providing access to a work with the phrase &#8220;Project
-Gutenberg&#8221; associated with or appearing on the work, you must comply
-either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or
-obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg&#8482;
-trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.E.3. If an individual Project Gutenberg&#8482; electronic work is posted
-with the permission of the copyright holder, your use and distribution
-must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any
-additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms
-will be linked to the Project Gutenberg&#8482; License for all works
-posted with the permission of the copyright holder found at the
-beginning of this work.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg&#8482;
-License terms from this work, or any files containing a part of this
-work or any other work associated with Project Gutenberg&#8482;.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
-electronic work, or any part of this electronic work, without
-prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
-active links or immediate access to the full terms of the Project
-Gutenberg&#8482; License.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
-compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including
-any word processing or hypertext form. However, if you provide access
-to or distribute copies of a Project Gutenberg&#8482; work in a format
-other than &#8220;Plain Vanilla ASCII&#8221; or other format used in the official
-version posted on the official Project Gutenberg&#8482; website
-(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense
-to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means
-of obtaining a copy upon request, of the work in its original &#8220;Plain
-Vanilla ASCII&#8221; or other form. Any alternate format must include the
-full Project Gutenberg&#8482; License as specified in paragraph 1.E.1.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
-performing, copying or distributing any Project Gutenberg&#8482; works
-unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
-access to or distributing Project Gutenberg&#8482; electronic works
-provided that:
-</div>
-
-<div style='margin-left:0.7em;'>
- <div style='text-indent:-0.7em'>
- &#8226; You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
- the use of Project Gutenberg&#8482; works calculated using the method
- you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed
- to the owner of the Project Gutenberg&#8482; trademark, but he has
- agreed to donate royalties under this paragraph to the Project
- Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid
- within 60 days following each date on which you prepare (or are
- legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty
- payments should be clearly marked as such and sent to the Project
- Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in
- Section 4, &#8220;Information about donations to the Project Gutenberg
- Literary Archive Foundation.&#8221;
- </div>
-
- <div style='text-indent:-0.7em'>
- &#8226; You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
- you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
- does not agree to the terms of the full Project Gutenberg&#8482;
- License. You must require such a user to return or destroy all
- copies of the works possessed in a physical medium and discontinue
- all use of and all access to other copies of Project Gutenberg&#8482;
- works.
- </div>
-
- <div style='text-indent:-0.7em'>
- &#8226; You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of
- any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
- electronic work is discovered and reported to you within 90 days of
- receipt of the work.
- </div>
-
- <div style='text-indent:-0.7em'>
- &#8226; You comply with all other terms of this agreement for free
- distribution of Project Gutenberg&#8482; works.
- </div>
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project
-Gutenberg&#8482; electronic work or group of works on different terms than
-are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing
-from the Project Gutenberg Literary Archive Foundation, the manager of
-the Project Gutenberg&#8482; trademark. Contact the Foundation as set
-forth in Section 3 below.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.F.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
-effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
-works not protected by U.S. copyright law in creating the Project
-Gutenberg&#8482; collection. Despite these efforts, Project Gutenberg&#8482;
-electronic works, and the medium on which they may be stored, may
-contain &#8220;Defects,&#8221; such as, but not limited to, incomplete, inaccurate
-or corrupt data, transcription errors, a copyright or other
-intellectual property infringement, a defective or damaged disk or
-other medium, a computer virus, or computer codes that damage or
-cannot be read by your equipment.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the &#8220;Right
-of Replacement or Refund&#8221; described in paragraph 1.F.3, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
-Gutenberg&#8482; trademark, and any other party distributing a Project
-Gutenberg&#8482; electronic work under this agreement, disclaim all
-liability to you for damages, costs and expenses, including legal
-fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
-LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
-PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
-TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
-LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
-INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
-DAMAGE.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
-defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
-receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
-written explanation to the person you received the work from. If you
-received the work on a physical medium, you must return the medium
-with your written explanation. The person or entity that provided you
-with the defective work may elect to provide a replacement copy in
-lieu of a refund. If you received the work electronically, the person
-or entity providing it to you may choose to give you a second
-opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If
-the second copy is also defective, you may demand a refund in writing
-without further opportunities to fix the problem.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
-in paragraph 1.F.3, this work is provided to you &#8216;AS-IS&#8217;, WITH NO
-OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT
-LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
-warranties or the exclusion or limitation of certain types of
-damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement
-violates the law of the state applicable to this agreement, the
-agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or
-limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or
-unenforceability of any provision of this agreement shall not void the
-remaining provisions.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
-trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
-providing copies of Project Gutenberg&#8482; electronic works in
-accordance with this agreement, and any volunteers associated with the
-production, promotion and distribution of Project Gutenberg&#8482;
-electronic works, harmless from all liability, costs and expenses,
-including legal fees, that arise directly or indirectly from any of
-the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this
-or any Project Gutenberg&#8482; work, (b) alteration, modification, or
-additions or deletions to any Project Gutenberg&#8482; work, and (c) any
-Defect you cause.
-</div>
-
-<div style='display:block; font-size:1.1em; margin:1em 0; font-weight:bold'>
-Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg&#8482;
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-Project Gutenberg&#8482; is synonymous with the free distribution of
-electronic works in formats readable by the widest variety of
-computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It
-exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations
-from people in all walks of life.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-Volunteers and financial support to provide volunteers with the
-assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg&#8482;&#8217;s
-goals and ensuring that the Project Gutenberg&#8482; collection will
-remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
-and permanent future for Project Gutenberg&#8482; and future
-generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see
-Sections 3 and 4 and the Foundation information page at www.gutenberg.org.
-</div>
-
-<div style='display:block; font-size:1.1em; margin:1em 0; font-weight:bold'>
-Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non-profit
-501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
-state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
-Revenue Service. The Foundation&#8217;s EIN or federal tax identification
-number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by
-U.S. federal laws and your state&#8217;s laws.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-The Foundation&#8217;s business office is located at 809 North 1500 West,
-Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up
-to date contact information can be found at the Foundation&#8217;s website
-and official page at www.gutenberg.org/contact
-</div>
-
-<div style='display:block; font-size:1.1em; margin:1em 0; font-weight:bold'>
-Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-Project Gutenberg&#8482; depends upon and cannot survive without widespread
-public support and donations to carry out its mission of
-increasing the number of public domain and licensed works that can be
-freely distributed in machine-readable form accessible by the widest
-array of equipment including outdated equipment. Many small donations
-($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
-status with the IRS.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-The Foundation is committed to complying with the laws regulating
-charities and charitable donations in all 50 states of the United
-States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
-considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
-with these requirements. We do not solicit donations in locations
-where we have not received written confirmation of compliance. To SEND
-DONATIONS or determine the status of compliance for any particular state
-visit <a href="https://www.gutenberg.org/donate/">www.gutenberg.org/donate</a>.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-While we cannot and do not solicit contributions from states where we
-have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
-against accepting unsolicited donations from donors in such states who
-approach us with offers to donate.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-International donations are gratefully accepted, but we cannot make
-any statements concerning tax treatment of donations received from
-outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-Please check the Project Gutenberg web pages for current donation
-methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
-ways including checks, online payments and credit card donations. To
-donate, please visit: www.gutenberg.org/donate
-</div>
-
-<div style='display:block; font-size:1.1em; margin:1em 0; font-weight:bold'>
-Section 5. General Information About Project Gutenberg&#8482; electronic works
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-Professor Michael S. Hart was the originator of the Project
-Gutenberg&#8482; concept of a library of electronic works that could be
-freely shared with anyone. For forty years, he produced and
-distributed Project Gutenberg&#8482; eBooks with only a loose network of
-volunteer support.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-Project Gutenberg&#8482; eBooks are often created from several printed
-editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in
-the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not
-necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper
-edition.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-Most people start at our website which has the main PG search
-facility: <a href="https://www.gutenberg.org">www.gutenberg.org</a>.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-This website includes information about Project Gutenberg&#8482;,
-including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
-subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
-</div>
-
-</div>
diff --git a/old/66778-h/images/new-cover.jpg b/old/66778-h/images/new-cover.jpg
deleted file mode 100644
index a784f59..0000000
--- a/old/66778-h/images/new-cover.jpg
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/66778-h/images/titlepage.png b/old/66778-h/images/titlepage.png
deleted file mode 100644
index bb46835..0000000
--- a/old/66778-h/images/titlepage.png
+++ /dev/null
Binary files differ