diff options
Diffstat (limited to 'old/66633-0.txt')
| -rw-r--r-- | old/66633-0.txt | 2986 |
1 files changed, 0 insertions, 2986 deletions
diff --git a/old/66633-0.txt b/old/66633-0.txt deleted file mode 100644 index a0c51cc..0000000 --- a/old/66633-0.txt +++ /dev/null @@ -1,2986 +0,0 @@ -The Project Gutenberg eBook of Lord Lister No. 6: De dubbelganger van den -bankdirecteur, by Kurt Matull - -This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and -most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions -whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms -of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at -www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you -will have to check the laws of the country where you are located before -using this eBook. - -Title: Lord Lister No. 6: De dubbelganger van den bankdirecteur - -Author: Kurt Matull - Theo Blakensee - -Release Date: October 30, 2021 [eBook #66633] - -Language: Dutch - -Character set encoding: UTF-8 - -Produced by: The Online Distributed Proofreading Team at - https://www.pgdp.net/ for Project Gutenberg - -*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK LORD LISTER NO. 6: DE DUBBELGANGER -VAN DEN BANKDIRECTEUR *** - - - - LORD LISTER - GENAAMD RAFFLES - DE GROOTE ONBEKENDE. - - NO. 6 DE DUBBELGANGER VAN DEN BANKDIRECTEUR. - - - - - - - - -DE DUBBELGANGER VAN DEN BANKDIRECTEUR. - - -EERSTE HOOFDSTUK. - -LORD LISTER, DE MENSCHENVRIEND. - - -Lord Lister leunde behagelijk achterover met over elkaar geslagen -beenen in een makkelijken fauteuil van rood leer. - -Zijn slanke, witte vingers speelden met een zilveren sigarettendoos. - -Tegenover hem zat zijn vriend Charly Brand met voorovergebogen -bovenlijf, de ellebogen op de knieën. - -„En bevalt het je nu goed hier in de eenzaamheid?” vroeg Charly. - -Lord Lister bedwong een opkomend lachje. - -„Wel, natuurlijk! ’t Is hier heel mooi!” - -„Heb je prettige buren, Edward?” - -„Ik heb mij nog niet den tijd gegeven, visites af te steken,” was het -antwoord van den lord, terwijl hij luid geeuwde en opstond uit zijn -stoel. - -Langzaam liep hij naar het venster toe, waarvoor kostbare kanten -gordijnen hingen, terwijl draperiën van wijnrood fluweel het àl te -schelle licht wat temperden. - -„Ik zou graag willen weten, wien dat parvenu-achtige huis aan den -overkant toebehoort,” merkte lord Lister op na een pauze en hij wees -naar het huis aan den overkant. - -Charly Brand kwam naast zijn vriend staan. - -„Dat huis daar met dien smakeloozen gevel? Dat zal wel het eigendom -zijn van den een of anderen rijk geworden slager. Misschien ook behoort -het een bankier!” - -„Je vergist je. De eigenaar is een oude lord, maar hij ziet er uit als -een veehandelaar. Hij schijnt zwaar aan jicht te lijden. Iederen morgen -rijdt hij naar Hyde-Park.” - -„Heb je dat allemaal van hier uit gezien?” - -„Dat allemaal, Charly—en nog veel meer.” - -„Bijvoorbeeld?” - -Brand brandde van nieuwsgierigheid. - -„Bijvoorbeeld heb ik nog opgemerkt, dat mijn asthmatische, rheumatische -buurman een heele mooie, jonge vrouw heeft.” - -„Zoo!” - -Charly’s nieuwsgierigheid veranderde in belangstelling. - -„Ben je al— — —”, hij hield op, „— — —daar— —daar— —is ze dat?” vroeg -hij eensklaps. - -Aan het tegenoverliggende venster verscheen een gestalte, in het wit -gekleed, met lichtblond haar. - -De beide heren zagen duidelijk, dat zij opgewonden door de kamer liep -en als in vertwijfeling de handen wrong. - -„Daar is ze”, sprak lord Lister, „wat zou haar schelen?” - -„Natuurlijk ruzie met haar man! Ze zal wel niet bijzonder gelukkig -zijn!” - -„Dat is te begrijpen!” - -Daar kwam het blonde hoofd weer van achter de gordijnen te voorschijn. - -Een paar groote, bedroefde oogen keken den tuin in en langs het hek, -dat het huis van den straatweg afsloot. - -„Als een gevangen vogel in een vergulde kooi,” vergeleek Charly. - -De witte gestalte ging in een leunstoel aan het venster zitten en -verborg snikkend het gelaat in beide handen. - -Lord Lister keerde zich van het venster af en keek zijn vriend ernstig -aan. - -„Een arme, lijdende vrouw—te midden van de weelderigste pracht, kon ik -haar maar helpen!” - -„Dat is altijd jouw eerste gedachte!” sprak Charly, „Jij bent een -menschenvriend van het zuiverste water, Edward! Overigens is het -denkbeeld waarlijk nog niet zoo onuitvoerbaar. Jij kunt heel -gemakkelijk als nieuwe buurman een bezoek afsteken en dan het terrein -gaan verkennen. - -„’t Blijft natuurlijk nog een andere vraag of je kunt helpen!” - -„Ik kan het probeeren. Maar ik ben bang, dat men mij niet zal kunnen -ontvangen. Een uitvlucht is makkelijk te vinden. De lord heeft drukke -zaken—mevrouw heeft hoofdpijn, enzoovoorts!” - -Zijn vriend haalde de schouders op. - -„Ja, daarmee moet je natuurlijk rekening houden, Edward!” - -Een oogenblik aarzelde lord Lister. - -Hij keek nog eens naar de slanke gestalte aan den overkant. - -Toen stapte hij met resoluut gebaar zijn slaapkamer binnen. - -Hij was in elegant visite-toilet, toen hij weer te voorschijn kwam. - -Voor den spiegel strikte hij zijn das en uit een grooten flacon -besprenkelde hij zich met een eigenaardig riekend parfum. - -Hij keek in den spiegel—en was tevreden. In zijn knoopsgat stak hij een -prachtige orchidee, toen nam hij zijn handschoenen en sloeg er zijn -vriend luchtigjes mee op den schouder. - -„Tot straks, Carlo mio!” - -„Jij bent een man van de daad, Edward!” - -Lord Lister verdween. - -Even daarna schelde Raffles aan het huis aan de overzijde aan. - -Een bediende in livrei opende en boog diep. Lord Lister gaf hem zijn -kaartje. Hij volgde den livreibediende niet door het park, maar sloeg -een zijweg in. Langs donkere dennen kwam hij over een smalle, witte -brug van berkenhout die over een beek lag. Achter een boschje hoorde -hij zeer luid snikken. - -Met een paar stappen was lord Lister op die plek en boog de takken uit -elkaar. Op een steenen bank zat daar lady Daisy Montgomery, die den -vreemdeling aanzag met een bleek, beschreid gelaat. - -„Vergeef mij mijn onbescheidenheid,” smeekte hij, zich voorstellend en -hij vertelde, dat hij als buurman een bezoek kwam brengen. - -De blonde schoonheid trachtte zich te beheerschen, terwijl de lord haar -vertelde dat hij het verrukkelijke park wat nader wilde bekijken en -toen verdwaald was. - -Zij poogde te spreken, doch snikken belette haar voort te gaan en -wanhopig zonk zij op de bank terug. - -„Mevrouw,” sprak de bezoeker geheel verward, „kan ik u misschien met -iets van dienst zijn?” - -„Ja, help mij!” klonk het toen met wanhopigen schrei, „bevrijd mij van -die duivel in menschengedaante!” - -Toen, plotseling opschrikkend, vervolgde zij: - -„Maar wat moet ge wel van mij denken. Ge kent mij niet eens!” - -Met zwakke, aarzelende stem vertelde zij hem haar lijdensgeschiedenis -van heel haar ongelukkig huwelijk. - -Het was het oude lied—het oude leed. - -Een jonge, schoone, geestelijk hoogstaande vrouw was gekoppeld aan een -ouden man, een man van laag gehalte, die, toen hij begreep, dat hij -nooit haar liefde zou winnen, haar kwelde op alle mogelijke manieren. - -De maat van haar lijden was vol—en waar het hart van vol is, loopt de -mond van over. - -Zij had zich voor haar familie opgeofferd. - -Haar vader, van ouden adel, was totaal geruïneerd. Hij had juist haar -man een bezoek gebracht en dit had aanleiding gegeven tot een nieuwe -scène. - -Lord Lister vroeg niet naar de reden van dit bezoek, toen lady -Montgomery zweeg. - -„En is er niets, dat eenige vreugde brengt in uw treurig leven?” - -„Als mijn ouders slechts onafhankelijk van hem waren of als het hun -slechts mogelijk was, weer in het bezit van hun kostbare -familiejuweelen te geraken—” - -Het geluid van stemmen deed haar ophouden. - -„Het spijt mij, dat ik het niet met u eens ben, baron Bassing”, hoorde -men iemand zeggen op hoonenden toon, „het is u zeker hetzelfde, op -welke wijze ik de vordering heb ontvangen, een feit is het, dat zij -bestaat. Een feit is het ook, dat ik totnogtoe geen cent heb -teruggekregen. Ge hebt mij wel een onderpand gegeven, maar wat zijt ge -nu verder van plan te doen?” - -Rillend verborg Daisy het gelaat in de handen. - -„Mijn man”, stamelde zij, „en mijn arme vader.” - -„Laat ons gaan, opdat wij geen ongewenschte toehoorders worden,” stelde -lord Lister voor. - -Maar zij maakte een ontkennend handgebaar en tegelijkertijd klonk een -zachte, welluidende stem. - -„Ge vergeet, Montgomery, dat mijn dochter Daisy, toen zij uw aanzoek -aannam, de voorwaarde maakte— —” - -Een spotlach belette den baron verder te gaan. - -„De voorwaarde stelde—neen maar, die is goed! Dat lijkt op afpersing, -baron! Ik heb destijds die vrouwengril ingewilligd. Natuurlijk denk ik -er geen oogenblik aan, dat belangrijke ding uit handen te geven.” - -Een gloeiende blos kleurde het gelaat der schoone vrouw. - -Haar man vervolgde: - -„Ik geef u nogmaals een termijn, baron! Als ge dan uw verplichtingen -weer niet nakomt, zijn de juweelen mijn eigendom geworden—” - -Men hoorde een heftige tegenspraak—toen waren de beide heeren -voorbijgegaan. - -„Is het speelschuld?” vroeg lord Lister fluisterend. - -„Ja,” antwoordde Daisy en na een pauze vervolgde zij: - -„Ik heb mij opgeofferd, maar het offer bracht ik te vergeefs”. - -Met vlammende oogen richtte zij zich op. - -Haar schoonheid had op dat oogenblik iets duivelsch en in stomme -bewondering volgden lord Listers oogen de lijnen van haar slanke -gestalte met den gouden haartooi. - -„Het water steeg mijn vader tot de lippen, toen hij zijn hooge -speelschuld moest betalen en om zich te redden, nam hij de hulp aan van -Montgomery, die aanbood hem te helpen doch dit deed tegen ongelooflijke -woekerwinsten. - -„Terwijl die geschiedenis zich afspeelde, kwam Montgomery natuurlijk -druk bij ons aan huis. Den meesten tijd bracht hij dan door in de -studeerkamer van mijn vader. Ook werd hij bij ons aan tafel genoodigd -en dan legde hij tegenover mij steeds een dwaze galanterie aan den dag. - -„Ik nam natuurlijk die beleefdheid van den ouden heer heel nuchter op, -totdat ik op zekeren dag moest ervaren, dat het bittere ernst was. - -„Op zekeren dag zocht hij mij in het park en toen maakte hij het mij -zóó lastig, dat ik hem ruw terugwees. - -„Tandenknarsend ging hij heen en ik verkeerde in de veronderstelling, -dat ik nu voorgoed van hem af was. - -„Maar de mensch wikt— — — - -„Intusschen scheen het, alsof de oude glans en praal weer terugkeerde -in ons huis. Mijn ouders herleefden, mijn broer Guinny kon de -officiersuniform blijven dragen, schulden werden gedelgd en nieuwe -inkoopen gedaan. - -„Maar het geluk gaat op wieken en op zekeren dag was het weer -weggevlogen. - -„Montgomery had verscheiden wissels van mijn vader opgekocht en bood -deze nu aan op een tijd, toen onze financiën door beursspeculaties er -allesbehalve gunstig voorstonden. Om de maat vol te meten kwam op -zekeren avond mijn broer Guinny bleek en verstoord thuis en biechtte, -dat hij duizend pond sterling had verspeeld. Hij smeekte vader, hem -niet ongelukkig te maken en hem de som te verstrekken. - -„Zijn schuldenaar was—sir Montgomery! - -„O, hoe haat ik dien satan in menschengedaante, die de macht van het -geld zoo schandelijk misbruikt! - -„Maar luister verder! - -„Mijn vader zette allen trots op zij en deelde Montgomery den juisten -stand van zaken mee. Hij luisterde met over elkaar geslagen armen. - -„Toen vroeg hij een onderpand voor het geleende kapitaal en met -bloedend hart gaf mijn vader hem de kostbare familiejuweelen. - -„Laat ik kort zijn! - -„De speelschulden van mijn broeder noodzaakten vader opnieuw aan te -kloppen bij den schurk. - -„Tegen zijn verwachting werd hij terstond geholpen! Maar toen kwam het -vreeselijke! Montgomery stelde een verschrikkelijke voorwaarde!” - -Door smart overweldigd zweeg lady Montgomery. - -Lord Lister greep haar smalle koude hand. - -„Ik weet nu alles, madame”, sprak hij op weeken toon, „hij vroeg u tot -vrouw. Nietwaar?” - -Zij knikte droevig en een traan viel van haar lange wimpers. - -„God alleen weet, hoe ik geleden heb, voordat ik daartoe besloot,” -fluisterde zij onder tranen, „dag en nacht heb ik gestreden, totdat ik -toevallig in een aangrenzende kamer achter de portiêre er getuige van -was, dat mijn vader de hand aan zich zelf wilde slaan. - -„Met één sprong was ik hem terzijde en ontrukte hem de revolver. - -„Deze beslissing werkte beslissend over mijn leven. Zonder mij nog een -oogenblik verder te bedenken, nam ik het aanzoek aan, doch -tegelijkertijd stelde ik de voorwaarde, dat de kostbare familiejuweelen -weer aan mijn ouders zouden worden teruggegeven. De lord beloofde dit -na het huwelijk te zullen doen. - -„Hij heeft zijn woord niet gehouden.” - -„Bewaart hij die juweelen zelf?” vroeg Lord Lister. - -„Ja,” antwoordde Daisy, „hij verbergt ze, alsof ze zijn eigendom waren, -in een brand- en inbraakvrije kluis.” - -„Ik ga nu heen, madame,” sprak Lord Lister, „ge kunt steeds op mijn -hulp rekenen.” - -„Daar komt mijn man terug,” viel ze hem in de rede. „Ik ga mijn armen -vader opzoeken.” - -Met deze woorden verdween zij in het park, terwijl lord Lister den -grondbezitter te gemoet ging, die het visitekaartje van den bezoeker in -de hand hield. - -„Ik zoek u al geruimen tijd, lord, maar ik zie dat mijn echtgenoote u -gezelschap heeft gehouden.” - -„Ja, die eer is mij te beurt gevallen. Ik had het genoegen—” - -Lord Montgomery viel hem in de rede. - -„Wij hadden eigenlijk al kennis met elkaar gemaakt, voordat gij mij een -bezoek bracht,—al was het ook slechts op een afstand. Ik heb u reeds -herhaalde malen bewonderd, als gij op uw prachtigen goudvos wegreedt. -Maar laat ons in huis gaan,” liet hij er op volgen. - -De heeren gingen met elkaar naar binnen, en namen plaats in -gemakkelijke fauteuils. - -„Gevoelde mijn vrouw zich niet al te wel?” - -„Neen, uw vrouw scheen zware hoofdpijn te hebben.” - -„Allemaal kuren, niets dan kuren. ’t Heeft natuurlijk weer geen zier te -beteekenen,” sprak de liefhebbende echtgenoot. - -Lord Lister keek de kamer eens rond. - -Deze was met zware eikenhouten meubels gestoffeerd. Op een tafeltje, -dat met parelmoer was ingelegd, stond een kostbaar kistje van gedreven -zilver. - -Lord Lister bekeek het met belangstelling. - -„Bewaart ge uw schatten daarin?” vroeg hij langs zijn neus weg. - -„De hemel beware mij, dat zou immers onverantwoordelijk zijn,” -antwoordde Montgomery, „die bewaar ik in een brand- en inbraakvrije -kluis, hier onder deze kamer, in een getralied gewelf”. - -De heeren praatten nog geruimen tijd over de jacht en andere vermaken, -tot lord Lister opstond om heen te gaan. - -„Dit wilde ik u nog zeggen,” sprak de gastheer, „vandaag over een week -geven wij onze eerste groote partij. - -„De uitnodigingskaarten zijn nog niet verzonden,—maar ik hoop toch, dat -wij op uw tegenwoordigheid mogen rekenen?” - -De oogen van Raffles schitterden even. - -Hij nam de uitnoodiging gaarne aan. - -De heeren wisselden nog eenige beleefdheden, en toen stond Raffles op. - -„Ik mag dus op u rekenen?” - -„Met veel genoegen.” - -Een bediende opende de deur, en terwijl hij zich verwijderde, zag lord -Lister achter in het park de lichte japon der beklagenswaardige vrouw, -naast een voornaam uitzienden heer, met witte haren. - -Charly Brand wachtte zijn vriend met gespannen belangstelling. - -Bij zijn thuiskomst liep hij naar hem toe, en keek hem nieuwsgierig -aan. - -„Je komt laat Edward! Heb je wat nieuws gehoord daar aan den overkant?” - -„Ja, dat heb ik.” - -„Wat is het! Houd mij niet te lang in spanning?” - -Raffles dacht er niet aan, iets te vertellen. - -„Ik moet nu weg, Charly. Ga je een eindje met me mee?” — — — — — — - - - - - - - - -TWEEDE HOOFDSTUK. - -IN HET HOL VAN DEN CYCLOOP. - - -In het donkerste Londen, aan het eind van een duistere, morsige -zijstraat, staat een oud, vervallen huis. - -Door de vensters, waarvoor geen gordijnen hangen, kijken dikwijls -woeste, ruwe gezichten, als schelle hulpkreten door de straat snerpen. - -Dan luisteren die woestaards om te spieden of iets van hun gading is, -en even later verdwijnen de gelaatstrekken weer. - -Iederen nacht vallen er slachtoffers in deze straat, maar nooit komt -iemand de bedreigden te hulp, die in een donkeren hoek worden gelokt en -dan worden uitgeschud en vermoord. - -Ontelbare boeven hebben hier hun schuilplaatsen in de vele kroegen. Ook -in het oude huis op den hoek, voert een oude vervallen wenteltrap naar -een kelderwoning, waar een kroeg wordt gehouden. - -Een goedgekleede jongeman was juist de trappen afgedaald. - -Beneden gekomen klopte hij drie keer aan. - -Onmiddellijk werd een grendel terzijde geschoven. - -Een luid hallo! begroette den binnentredende, die de pet van het blonde -hoofd nam. - -„Alle drommels, oude jongen, slaap je? Zeg Cycloop, geef nu gauw een -whisky!” - -De eenoogige herbergier haastte zich te brengen wat hem gevraagd werd, -terwijl allen, die in de kroeg aanwezig waren in een kring zich -schaarden om den blonden jongen. - -Nu verscheen de Cycloop met de gevulde glazen. - -Uit een ruw, onverschillig gelaat staarde een grijs-groen oog met -bloederige randen uit de holte. De gladgeschoren vierkante kop stond op -een langen hals. Zijn gestalte was hoog en stevig. Allen stootten aan. - -„Dat is een goede dag, kerels,” riep een klein mager mannetje uit. -„Eerst heeft Zwarte Samuel een rondje gegeven, en nu zet Blonde Jimmy -de kroon op het werk. Lang leven Blonde Jim en Zwarte Sam!” - -Ze stootten nogmaals aan. - -„Vertel eens op kerel, hoe ben je aan de duiten gekomen? Heb je ergens -een lade gelicht?” - -De anderen brulden van pret. - -„Pas op,” riep Jim, „hou je bek, of ik sla er op.” - -„Ga zitten, Jimmy,” suste de Cycloop, „en vertel ons de geschiedenis -van je mazzematten. Of wil je die bron net zoo geheim houden als Zwarte -Sam?” - -„Ja, ik zal het jullie vertellen.” En Jim sprong op de massief -eikenhouten tafel. - -„Ik zat dan weer eens voor den zooveelsten keer in nieuwe moeilijkheid -en keek voortdurend te vergeefs uit naar een goed zaakje. - -„Ik ging wat bungelen voor de Washington-Street. En terwijl ik in de -winkelvensters mijn mooie beeltenis sta te bewonderen, krijg ik -plotseling een fijn idee. En nauwelijks is dat idee in mijn kop, of ik -moest het ook uitvoeren, want het jeukte in al mijn vingers. - -„Vroolijk zwaaide ik mijn wandelstokje en neuriede een wijsje, terwijl -ik een kleinen winkel binnentrad. - -„Met voorbedachten rade had ik geen groote zaak uitgekozen, omdat ik -liefst zoo weinig mogelijk toeschouwers wenschte. Ik had mij er van -overtuigd, dat binnen in den winkel slechts één persoon zich bevond, -een jongen, met een gezicht vol zomersproeten en melkboerenhondenhaar. - -„Dus ging ik binnen.” - -„Wat verlangt mijnheer?” - -Met deze woorden kwam de sproetige naar voren. - -Lachend zette ik mijn cylinder op de toonbank. „Doe dien vol stroop,” -beval ik. - -Hij keek me verbluft aan, en scheen aan mijn verstand te twijfelen. - -„Gauw een beetje,” zei ik, „het gaat om een weddenschap. Hier vlak bij, -in Waterloo-Hotel! Gauw wat, ik heb geen tijd.” - -De sproetige grijnsde over zijn geheele gezicht. - -„Maar meneer, die mooie zijden hoed!” - -„Dat komt er niet op aan,” zei ik, „de weddenschap brengt me heel wat -meer op.” - -Hij grijnsde met een mond, die tot zijn ooren wegtrok en begon achter -de toonbank den hoed met de kleverige stof te vullen. - -„Wat kost het?” vroeg ik. - -„Precies een schilling”, antwoordde hij. - -Ik legde een banknoot van een pond op de toonbank, die ik even tevoren -een dame had gerold. - -Langzaam trok hij de geldla open om mij terug te geven, maar in -hetzelfde oogenblik greep ik den hoed vol stroop en stolpte hem dien -krachtig over het hoofd! - -Ik verzeker jullie, jongens, dat het een allemachtig lollig gezicht -was. - -Fluks haalde ik het geld uit de la, greep de pet van den jongen, die -aan een spijker hing en maakte mij uit de voeten. - -De kerel kon niet schreeuwen, zijn mond was hem dichtgekleefd met een -lekker zoet pleistertje en zien kon hij ook niets, want voor zijn oogen -was het stikdonkere nacht!” - -De luisteraars hadden af en toe den verteller onderbroken door luid -gelach, waaraan dit keer schier geen eind scheen te komen. - -„Hallo! Daar achter zit nog iemand!” riep Jimmy en inderdaad zat daar -op een bank in elkaar gedoken, een eenzame gestalte. - -„Zeg, Heinrich, zit je te spinnen?” brulde een pokdalige kerel, en een -tweede voegde erbij: - -„Zeg, Heinrich, met de gebeten wangen, treur je nog altijd om rooie -Sien? Die komt toch niet terug!” - -„Kom, drink eens leeg”, moedigde Jim hem aan, terwijl hij hem bij den -arm greep. - -Een somber, verstoord gezicht, op een der wangen een vreemd litteeken, -als veroorzaakt door een menschenbeet, keek op. - -„Wat is er met rooie Sien?” vroeg Jim. - -„Die is er vandoor gegaan,” antwoordde een der anderen met ruwen lach, -maar Charles, een monteur, verklaarde: - -„Sien was Heinrichs liefje. Kort geleden hebben ze samen juweelen -gestolen. Iederen dag hadden ze ruzie om de verdeeling van den buit, -totdat rooie Sien een paar dagen geleden plotseling verdwenen is— —” - -In hetzelfde oogenblik had een der kerels een gummistok opgenomen, die -op tafel lag. - -Hij hield het gevaarlijke wapen als een fluit voor den mond, en terwijl -hij op smachtenden toon een bekend wijsje floot, begon Zwarte Sam te -zingen: - - - „Ach, waar is zijn liefje gebleven, - Ach waar is zijn brave vrouw, - Lief Sientje heeft snood hem verlaten, - Zij bleef hem niet langer trouw!” - - -En de heele bende viel in koor in: - - - „Lief Sientje heeft snood hem verlaten - Zij bleef hem niet langer trouw!” - - -„Ellendelingen!” brulde de geplaagde, terwijl hij, de vuisten gebald, -opsprong. - -De toornader op zijn voorhoofd was hoog gezwollen, de verglaasde oogen -schenen uit het hoofd te zullen vallen. Een dierlijke woede sprak er -uit zijn trekken. - -Hij vloog op Zwarte Sam af en greep hem in de keel. - -„Halt!” donderde plotseling een doordringende mannenstem. - -Verschrikt stoven allen uit elkander. - -„De groote onbekende!” werd gefluisterd. - -Hoog opgericht stond daar een slanke mannengestalte in elegant pak, het -gelaat verborgen achter een zwart masker. - -Weelderig donker haar kwam onder zijn cylinder vandaan. Zijn slanke -gestalte gaf hem iets vorstelijks. - -Zonder een enkel woord te spreken, keek hij dreigend van den een naar -den ander, toen verdween hij. - -De cycloop schonk aan het buffet verschillende dranken in en volgde -toen den vreemdeling. - -De anderen spraken slechts fluisterend. - -Heinrich met de gebeten wang was al weer vergeten. - -Daar kraakte de deur opnieuw. - -„Jim en Jack, ga naar binnen”, meldde de cycloop. - -Het tweetal haastte zich, aan dit bevel gehoor te geven. - -Zij gingen de deur uit en kwamen in een donkere gang, waar zij vlak -achter elkander loopend, voorzichtig voortschoven. - -Matrozen-Jack scheen den weg beter te kennen dan Jim. Hij bracht den -kameraad zwijgend door een doolhof van gangen. - -„Zie je, Jack,” viel Jim eensklaps in, „’t is toch een groote eer voor -ons, dat de chef juist ons liet roepen.” - -„Hou je bek,” snauwde Jack. - -Zij hielden stil voor een deur. - -Jack klopte drie keer. - -„Binnen”, klonk een metalen geluid. - -Zij openden de deur en betraden een elegant gemeubelde kamer. - -Op een tafel stonden de dranken, door den cycloop ingeschonken, voorts -een nog onaangeroerd ontbijt, een flesch wijn en een kistje sigaren. - -John Raffles, de gemaskerde, zat in een leunstoel. - -„Goeden avond,” sprak hij. - -Voor hem op tafel lagen klinkende, nieuwe inbrekerswerktuigen en in een -hoek naast de kachel stond een groote, geopende koffer, waarin een -zuurstofapparaat van de nieuwste vinding zich bevond. - -„Gaat zitten,” zei Raffles met een uitnoodigende handbeweging. - -Hij schoof het kistje sigaren naar het tweetal toe, dat zich bediende -en dankend boog. - -Eerst toen het tweetal rookend was, begon de meesterdief te spreken. - -„Ik heb een grootsch plan,” begon hij, „waarbij ik een paar van jelui -noodig heb. - -„Hoe staat het met jullie instrumenten?” - -Matrozen-Jack grijnsde. - -Toen keek hij met begeerigen blik naar het werktuig, dat op tafel lag. - -„Bij de laatste inbraak heb ik al mijn beste spulletjes er bij -ingeschoten, chef!” - -John Raffles nam een paar van de stalen voorwerpen en overhandigde ze -den verheugden Jack. - -Ook Jim werd van het noodige voorzien. - -„En nu kunnen we overgaan tot de orde van den dag,” merkte hij op, „de -plaats voor jullie werk is het huis van lord Montgomery. ’t Is te doen -om kostbare familiejuweelen! - -„De kast, die geopend moet worden, is van het allernieuwste systeem. -Zij staat in het gewelf, dat in het sousterrain is gelegen. Morgen is -er een groote partij, de nachtelijke uren tusschen elf en één is de -beste tijd om den slag te slaan.” - -Hij stond op en grendelde de deur. - -Op fluistertoon ging hij toen verder. - -Geruimen tijd later gingen de bezoekers weg, en door de donkere gangen -bereikten zij al spoedig hun kameraden weer. - -De handen op den rug, liep de groote onbekende de kamer op en neer. - -Voor den koffer bleef hij toen staan en keek naar den inhoud. - -„Wij zullen de familie Bassing weer in het bezit stellen van haar -eigendommen, oude vrek”, mompelde hij tusschen zijn witte tanden. - -Zijn oogen fonkelden achter het zwarte masker, zijn borst zwoegde. - -Een zilveren pendule sloeg het middernachtelijk uur. - -De kaarsen in de zilveren kandelaars flikkerden en wierpen onzeker -lichtschijnsel op het schoone, zwart gemaskerde gelaat. - -Buiten huilde de storm en de kleine keldervensters klapperden achter de -kostbare gordijnen. - -Raffles was naar de schrijftafel gegaan en ging er voor zitten. - -Uit een ivoren kistje nam hij papier en enveloppen. Het was fijn, -sterk—zwart papier. Links boven in den hoek waren twee, in goud -uitgevoerde inbrekerswerktuigen als initialen door elkaar geslingerd en -daaronder het gouden monogram J. C. R. - -In den schedel van een doodshoofd die voor inktkoker diende, doopte hij -een pen en met rooden inkt schreef hij op den zwarten ondergrond. - -Daarna zegelde hij den brief en drukte op den knop van een electrische -schel. - -De Cycloop verscheen op den drempel. - -„Post dezen brief!” beval Raffles op korten toon, „en laat Jim en Jack -weer boven komen om proeven te nemen met het termit-apparaat.” - -Een oogenblik later verscheen het tweetal opnieuw. - -Een pantserplaat werd tegen den muur gezet en ijzeren, met zuurstof -gevulde flesschen klaar gemaakt. - -Een gummislang werd met den inhoud der flesschen in verbinding gebracht -en het uiteinde aan een blaas bevestigd. Uit de zuurstof kwam een -sterke, sissende vlam te voorschijn. Een gedeelte van de pantserplaat -werd nu bestreken met termit, een smeltmiddel en de vlam op deze plaats -gericht. - -Spookachtig klonk het sissen der vlam en het boren der -inbrekerswerktuigen door de stilte van den nacht. - -„Moeten wij de ijzeren flesschen ook meenemen?” vroeg Jim den -meesterdief op fluistertoon. - -„Neen”, antwoordde deze kalm, „wij nemen alleen breekijzers, boren en -schroeven mee.” - -Er viel iets op den grond. - -Uit den broekzak van Matrozen-Jack was bij het bukken een gummistok -gegleden. - -„Wat is dat?” vroeg Raffles. „Maak jij van zulke instrumenten gebruik, -ouwe jongen? Pas op, Jack, wees voorzichtig! Doe geen dingetjes, die -niet geoorloofd zijn in mijn dienst, want dan heb ik je niet meer -noodig! Een laffe moordenaar behoort niet bij mijn mannen! Een -menschenleven is ons heilig!” - -De morgen daagde reeds, toen de mannen heengingen— — - - - - - - - - -DERDE HOOFDSTUK. - -DE RHAPSODIE VAN LISZT. - - -„Wel, lord Hoensbrook”—onder dezen titel was John C. Raffles -geïntroduceerd—„wat ge daar vertelt van naastenliefde en humaniteit -zijn dwaze droomen van een idealist!” - -Het was Montgomery’s vette stem, die deze woorden sprak, „dat zijn -dingen, die niet meer thuis hooren in de huidige samenleving. Onze -wereld is modern, menschenliefde is uit den booze. Gij zijt nog jong, -gij kent de menschen nog niet! Ik voor mij ben het principe toegedaan -om niet te veel te kijken naar links en naar rechts. Ik zorg voor mij -zelven!” - -En lord Montgomery streek eens langs zijn kalen schedel. - -„Maar ik weet, lord Hoensbrook,” vervolgde de oude, „dat uwe -levensprincipes heel andere zijn. Hoe komt dat zoo?” - -„Omdat ik vind, dat egoïsme steeds berust op een minderwaardig -karakter!” - -„Zóó, meent ge dat? Laat ons daarover maar niet strijden. Ik zie, dat -men aanstalten maakt om aan tafel te gaan en eerlijk gezegd, geef ik -meer om truffels, oesters en champagne dan om de heele moderne -wereldhervorming!” - -Raffles deed zich alle geweld aan om hoffelijk te blijven. - -„Ge moet niet al te zeer gesteld zijn op lekkere beetjes, lord -Montgomery,” schertste hij. „Een aardig gezegde luidt: - - - „Verwen je buik niet al te zeer, - Hij is een ondankbare gast, - Als ge ’t lekkerste hem geeft - Is hij u ’t meest tot last!” - - -„Dat is waar, dat is volkomen waar—en ’t is heel aardig ook,” lachte -lord Montgomery op kirrenden toon. - -Zij voegden zich bij de andere gasten. - -Alle kamers waren helder verlicht. - -Geluidloos liepen de bedienden af en aan. - -Alle gasten schenen aanwezig te zijn. - -Montgomery gaf alleen dergelijke feesten, omdat zijn mooie, jonge vrouw -erop aandrong. Gastvrijheid behoorde nu eenmaal niet tot zijn deugden. - -Vele dames waren aanwezig, doch de schoonste van alle was verreweg lady -Daisy. - -Haar lang, slepend gewaad van zeegroene zijde was geborduurd met -zilveren waterlelies. Haar schoone, weemoedige oogen zochten lord -Lister. - -Hij was de aangebeden lieveling der vrouwen en ook hedenavond weer was -hij het middelpunt der dames. - -Na het diner ging het gezelschap naar de muziekzaal, waar een heerlijke -Bechstein-vleugel tot spelen noodde. - -Lord Lister was naar den rooksalon gegaan, waar hij een Havanna opstak. - -Daarna betrad hij het balkon. Haastig keek hij rond en boog zich toen -voorover. - -Van buiten af klonken, op meesterlijken toon gefloten, de eerste maten -van de bekende Hongaarsche Rhapsodie van Liszt. - -In de schaduw tegen een palm geleund luisterde hij en toen de tonen -ophielden, floot hij klaar en duidelijk de melodie verder. - -Daarna ging hij naar de muziekzaal terug, waar op levendigen toon werd -gedebatteerd over Sonaten van Beethoven en Wagneriaansche muziek. - -Een oogenblik luisterde hij zwijgend, daarop wendde hij zich tot een -der hem omringende dames. - -„Zult gij ons niet eens het genoegen verschaffen, lady Mountleroy, om -iets voor ons te spelen?” - -„O”, lachte de dame, „ik speel afschuwelijk!” - -„Vischt ge naar complimentjes, madame?” vroeg hij, zich vooroverbuigend -en de dame in de oogen kijkend. - -„Neen, o, neen, ik haat vleierij, lord — —” - -„Lord Hoensbrook!” smeekten thans wel twintig stemmen. „Speelt gij eens -iets voor ons!” - -Lachend liet Raffles zich naar den vleugel dringen. - -Ook de heeren waren nu naderbijgekomen. - -Zachtjes preludeerde Hoensbrook. - -— — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — -— — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — -— — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — - -„Maar dat is ongelooflijk, dat is om dol te worden!” - -„Ja, die brutaliteit gaat toch te ver!” - -Met deze woorden traden eenige heeren nog binnen. - -„Welke brutaliteit?” vroeg een der gasten. - -„Weet ge het nog niet?” vroeg Montgomery. - -„Neen!” - -„Ik heb vanmorgen den zwarten brief gekregen”. - -Hoensbrook preludeerde verder. - -Hij verstond ieder woord, hoewel de heeren zachtjes spraken. - -„De zwarte brief? Wat is dat? Ik heb wel eens van een blauwbrief -gehoord—” zei een jong officier. - -„Met een zwarten brief”, verklaarde de gastheer, „kondigt de beruchte -inbreker John Raffles telkens zijn bezoek aan.” - -„Maar dat is interessant, en gij— —” - -„Sst, zachtjes! Anders worden de dames ongerust! Ja, hij heeft mij zijn -bezoek aangekondigd. Natuurlijk heb ik dadelijk een detective besteld -om mijn brandkast te bewaken. Voor vandaag nu alles op de been is, -achtte ik zooiets niet noodig. Maar voorzichtigheid hindert nooit, ik -heb twee bedienden de wacht laten houden in het portaal!” - -Hoensbrook lachte even. - -„Lord Hoensbrook,” vroeg een dame, wie het preludeeren te lang duurde, -„wat zult ge straks gaan spelen?” - -„Wilt ge een rhapsodie van Liszt?” vroeg hij. - -„Dolgraag!” - -Allen stemden mee in. - -En plotseling speelde Hoensbrook met sterken aanslag. - -Meesterlijk vertolkte hij de woeste, bruisende melodie, de schoone -muziek, die alles overstemde en die iedereen dwong tot ademloos -luisteren. - -Hij werd met loftuitingen overladen. - -Een dame nam zijn plaats in om een lied van Mendelssohn te zingen. - -Onderwijl verliet Hoensbrook stil de kamer. - - - - - - - - -VIERDE HOOFDSTUK. - -EEN BRUTALE INBRAAK. - - -Vlug snelde Raffles de kamers door en vloog toen de trap af. - -Hij ontmoette geen sterveling, en zoo kwam hij in het gewelf, waar de -brandkast stond met de juweelen. - -Uit zijn zak haalde hij een looper te voorschijn en onhoorbaar wist hij -zich toegang te verschaffen tot de kluis. - -Daar zag hij twee donkere gedaanten, die bezig waren, -inbrekerswerktuigen gereed te leggen. - -Toen Raffles binnenkwam, keken Jack en Jim doodelijk verschrikt op. - -Zij maakten zich al klaar om den onwelkomen gast te lijf te gaan. - -Maar Raffles floot zachtjes. - -„O, chef”, stamelde Jack, „ik dacht, dat we gesnapt waren!” - -„Heb jullie gedaan, zooals ik gezegd heb?” - -„Ja, meester! Wij hebben, toen gij dat woeste stuk op de piano’s -speeldet, de ijzeren tralies doorgevijld. Toen ging verder alles goed”. - -Raffles lachte. - -Hij keek naar de doorgevijlde tralies, die netjes weer op hun plaats -waren gezet. - -Daar ontdekte hij plotseling de roerloos uitgestrekte gestalte van den -detective. - -„Wat is dat?” vroeg hij op korten toon. - -Jack keek om. - -„Wat is dat? Spreek op!” - -„Chloroform, chef!” - -„Dan komt de man gauw weer bij”. - -„Niet zoo heel gauw!” - -„Waarom niet?” - -„Ik heb hem op z’n kop getimmerd!” - -„Waarmee?” - -„Met den zandzak!” - -„Had dat niet anders gekund?” - -Raffles keek verstoord. - -„Onmogelijk, chef!” antwoordde Jack. „Ik dacht, dat de chef tevreden -zou zijn over ons werk. - -„Toen wij de tralies hadden doorgevijld, kropen we door het venster. - -„In hetzelfde oogenblik echter sprong een kerel naar ons toe. - -„Ik hield hem toen dadelijk een spons met chloroform onder den neus, -waarna hij bewusteloos neerviel. - -„Om zeker te zijn van onze zaak, heb ik hem nog even op den kop getikt. - -„Maar er zal hem geen kwaad geschieden, chef!” - -„Kom, jongens, dan aan ’t werk”, sprak Raffles, die zijn rok uitdeed en -deze voor het venster hing, opdat alles ongestoord kon geschieden. - -Jack onderzocht de ijzeren brandkast en Jim bracht het termitapparaat -in orde, terwijl Raffles een gasvlam ontstak. - -„De gummislang”, beval hij. - -Jim reikte deze aan. - -Jack had de goede plaats al gevonden, waar het ijzer het gemakkelijkst -kan worden afgesmolten. - -„Vooruit!” - -Raffles oogen schitterden. - -Nu was hij, de meesterdief, de gentleman-inbreker weer in zijn element. - -Hij deelde bevelen uit, hij nam de gummislang en liet de vlam suizen -langs de door Jack aangewezen, niet termit bestreken plek. - -Geluidloos arbeidde hij voort, niets werd vernomen dan het sissen der -vlam. - -Aan de deur luisterde Jim en Jack volgde met de grootste belangstelling -het werk van den meesterdief. - -In het park ruischten de boomen in de avondkoelte, een hond blafte. - -Van boven af klonk het gedempte gezang door in Raffles’ ooren, maar -overigens was alles rustig. - -Plotseling werden stemmen vernomen. - -In een oogenblik had Raffles het gas uitgedraaid en in volslagen -duisternis stonden de drie mannen ademloos te luisteren. - -„Die oude kerel is toch wel benauwd voor zijn kostbaarheden”, klonk de -stem van een bediende, „wij moeten hier staan smachten om de dieven af -te weren, in plaats dat we in de keuken ons kunnen te goed doen aan -gebraad en wijnresten.” - -„Kom, James, laat ons maar naar de keuken gaan”, zei de ander, „geen -sterveling zal er iets van merken!” - -„Wel, natuurlijk! Er gebeurt niets!” - -„Ga je mee?” - -„Ja!” - -De mannen trokken af. - -Het licht ontvlamde weer. De gasvlam lekte met begeerige tong langs het -metaal, als wilde zij met geweld in het ijzer dringen. - -Het drietal werkte zwijgend voort. - -„Nu zullen we niet meer gestoord worden”, fluisterde Jack met een -grijns. - -Raffles antwoordde niet. - -Hij was veel te druk aan het werk. De staalplaat werd hoe langer hoe -dunner. - -Buiten blafte nog steeds de hond. - -„Die schijnt lont te hebben geroken”, fluisterde Jim. - -„Niet benauwd worden”, lachte Raffles, „ben je bang voor de -gevangenis?” - -Jim werd rood. - -Hij voelde zich gekrenkt in zijn inbrekerseer. - -„Er kan wel eens een agent buiten staan en dan zou het jammer zijn van -al de moeite”, verontschuldigde hij zich. - -„Gauw het breekijzer, Jack”, beval Raffles. - -In het ijzer vertoonde zich nu een groot gat. - -Jack reikte het breekijzer over. - -„Nu voorzichtig!” - -Raffles nam het werktuig. - -Een ruk—een kort gekraak—de kast was open! - -Kalm onderzocht Raffles den inhoud. - -Aan baar geld was er niet al te veel, ongeveer 500 pond. - -In een hoek echter stond een groot étui van lila fluweel. - -Raffles opende het. Daar lagen de juweelen van Daisy’s familie. - -Voorzichtig sloot hij het étui. - -Daarna nam hij een handvol banknoten en verdeelde ze onder zijn bende -helpers, die onder stormachtige dankbetuigingen het loon aanvaardden. - -Het etui liet Raffles in zijn borstzak glijden. - -„Zorgt nu, dat je hier heelhuids vandaan komt,” zei hij tot Jim en -Jack. - -Hij zelf deed zijn rok weer aan, opende behoedzaam de deur en kwam zoo -ongezien weer in de veranda, waar hij in een leunstoel ging zitten als -om eens volop te genieten van den heerlijken zomernacht. - -Hij keek den straatweg op. - -Twee donkere gedaanten verlieten zoo juist het park en verdwenen snel. - -„Zoo, lord Hoensbrook, zit ge hier te dwepen in den maneschijn, terwijl -de dames naar u uitzien en verlangen?” - -Een jong grondeigenaar sprak hem aldus aan. „En weet ge al dat er voor -de dames een waarzegster komt?” - -„Ja, dat weet ik, lady Montgomery sprak er mij eenige dagen geleden -over!” - -„’t Is natuurlijk een kolossale onzin, zoo’n waarzeggerij, vindt ge ook -niet, lord Hoensbrook?” - -„Och, de waarzeggerij van tegenwoordig is al niet veel anders dan die -van het orakel van Delphi. Zoo’n beetje kijk hebben in de toekomst,” -antwoordde de gevraagde. - - - - - - - - -VIJFDE HOOFDSTUK. - -DE HEKS VAN SUFFEX. - - -Jack en Jim snelden voort. - -Toen zij, een eind achter het station, aan een kruisweg kwamen, namen -zij afscheid van elkander en Jim ging in een droge sloot op den loer -liggen. - -Geen geluid werd gehoord. - -Hij keek op zijn horloge. Het was kwart voor twaalf. - -Daar kwam iemand langs de sloot, het was een oude vrouw. - -Bliksemsnel sprong Jim op. - -De oude deinsde verschrikt achteruit. - -„Hallo! Oude heks, waar ga je naar toe?” - -„Naar het kasteel, ik moet den mooien dames de toekomst voorspellen.” - -In een oogenblik had Jim de oude gebonden en in de sloot gesleurd. - -„Hou je bek, ouwe, of ik vel je neer. Geef mij dadelijk je -bovenkleeren!” - -Bevend aan alle leden ontdeed de vrouw zich van haar bonten halsdoek, -jak en rok. Daarna knoopte zij ook haar hoofddoek af. - -Jim nam alles op en begon zich te verkleeden. - -Den hoofddoek trok hij diep in de oogen, daarna haalde hij een doosje -okerextract voor den dag en wreef zijn gelaat daarmee in, zoodat hij -niet meer van een oud zigeunerwijf was te onderscheiden. - -Hij legde de oude vrouw gebonden neer en wierp zijn jas over haar heen. - -„Ziezoo, ouwe draak, nu zul je tenminste niet bevriezen,” hoonde hij, -„over een poosje krijg je je lompen terug!” - -Hij ging den weg, dien hij gekomen was en een poosje later stond hij -voor het huis van Montgomery, dat de oude als „het kasteel” had -aangeduid. - -Op de veranda zag hij twee heeren staan. - -In de een herkende hij terstond Raffles en ook deze had hem opgemerkt. - -Een lachje speelde om lord Listers schoon gevormden mond. - -„Het wordt koel,” sprak de jonge grondeigenaar, „laat ons naar binnen -gaan, voordat wij verkouden worden.” - -„Verkouden? Het is hier zoo verrukkelijk mooi in dezen heerlijken -zomernacht.” - -Daar sloeg de torenklok met metalen slag het middernachtelijk uur. - -„Hu! Het spookuur!” lachte Raffles. - -„Nu zullen wij een grap beleven, als de oude Zigeunerin komt,” zei de -ander. - -Geluid van stemmen drong tot hen door. - -„Zij schijnt er al te zijn, lord Hoensbrook! Gaat ge mee?” - -„Maar natuurlijk!” - -Arm in arm traden de heeren den salon binnen. - -Daar wachtte hun een alleraardigste aanblik. - -De lichten der gaskronen waren neergedraaid en in de zaal heerschte een -schemerachtig licht, dat sprookjesachtig mooi werd, doordat de volle -maan haar stralen liet vallen door de hooge vensters. - -In een grooten kring waren de stoelen geschaard, waarop de gasten -hadden plaats genomen. - -De dames fluisterden en babbelden met elkander en keken evenals de -heeren, in gespannen verwachting naar de deur. - -„Is het een heusche Zigeunerin?” vroeg een dame aan lady Montgomery. - -„Men heeft het mij verteld,” antwoordde deze, „ik heb haar niet -gezien.” - -Er werd op de deur geklopt. - -„Binnen! Binnen!” klonk het uit een dozijn kelen tegelijk. - -Een vrouw trad binnen, gekleed in bonte doeken. - -Een oogenblik keek zij de zaal rond, toen naderde zij langzaam. - -Gespannen stilte ontstond. - -„Schoone dames! Trotsche heeren! Zladwiga, de heks van Suffex, brengt u -den nachtelijken groet!” sprak zij. - -„Goeden avond! Goeden avond!” klonk het vroolijk terug. - -De dames waren, dol nieuwsgierig, opgestaan. - -Zij verdrongen zich om de bonte gedaante. - -Allen strekten haar de hand toe. - -De zotste dingen werden verteld. Een dame, die al zes jaar getrouwd en -moeder van drie kinderen was, moest hooren, dat zij spoedig zou -vereenigd worden met den man harer keuze, en toen men de Zigeunerin -vertelde, dat de dame al lang getrouwd was, maakte zij er zich met een -grapje af. - -„En wat is mijn noodlot?” klonk de sonore stem van Raffles, die ook bij -de groep was komen staan. - -„Laat uw hand zien!” beval de Zigeunerin. - -Een oogenblik bekeek zij de fijne, blanke rechterhand van Raffles. - -Toen sprak zij op plechtigen toon, nadat zij drie keer een kruis had -geslagen: - -„Je zult een rijk man worden!” - -„Dat is hij al,” klonk een stem uit het gezelschap. - -De pseudo-zigeunerin liet zich echter niet storen. - -Zij sloot de oogen en sprak toen: - - - „Wat zie ik? - Er bloeit een blauwe bloem, - Een bloem van het geluk. - Zij bloeit voor u! - Voor u, schoone man! - Een engel met blonde lokken, - Een engel lief en rein, - Zal de uwe zijn!” - - -Allen verdrongen zich nu om haar. - -„Zeg eens, heks, welk lot wacht mij?” vroeg de vette stem van -Montgomery. - -De heks nam ook zijn hand. - -„O, wat zie ik?” riep zij plotseling uit, „arme, oude man.” - - - „Bedek je aangezicht! - Je toekomst in de doodkist ligt. - De wind huilt en blaast, - De storm woedt en raast, - Zilveren maneschijn. - Kijkt in kast, - Leeg is de kast, - Weg de gouden last. - Arme, oude heer, - Je bezit geen juweelen meer!” - - -„Wat is dat?” brulde Montgomery. - -„Maar lord Montgomery, je gelooft die nonsens toch niet?” vroeg een -oude generaal. - -„Maar de brief! De zwarte brief! Dat is een wonderlijke samenloop van -omstandigheden!” - -Er volgde luid geschreeuw. - -De heeren lachten om de dwaasheid en vonden het een kostelijke grap. - -De dames lieten kleine gilletjes hooren en het slot was, dat men in -optocht naar de kluis ging in het keldergewelf. - -Vol spanning wachtten allen op de dingen, die komen zouden. - -Eindelijk was de ijzeren deur bereikt. - -Montgomery zocht in zijn zak naar den sleutel. - -Hij was zenuwachtig geworden en vertrok krampachtig zijn gezicht. - -Eindelijk vond hij den sleutel en stak dien in het slot. - -Hij werd krijtbleek. - -„Alle duivels! De sleutel past niet meer!” - -„Ge ziet spoken!” kalmeerde een oud-militair, „ge windt u op voor -niets!” - -„Mag ik het misschien eens probeeren?” vroeg lord Hoensbrook op -hoffelijken toon. - -Montgomery trad achteruit. - -Met ingehouden adem, inwendig schuddend van lachen, probeerde hij den -sleutel om te draaien—tevergeefs. - -„Dat is heel wonderlijk”, fluisterden de gasten. - -„’t Is onmogelijk!” sprak een jong officier. „Laat mij het eens -probeeren!” - -Hij deed het. - -Oók zonder resultaat. - -„Misschien is de deur niet eens gesloten, duw er eens tegen”, ried de -jonge grondbezitter. - -De luitenant deed het. - -„Krak!” - -Daar vloog de deur al open. - -Allen drongen binnen. - -„Licht!” schreeuwde Montgomery, buiten zichzelf. - -Dat werd gebracht en het bescheen het lijkbleeke gelaat van den -detective, die nog altijd uitgestrekt op den grond lag. - -De dames gilden nu verschrikkelijk. - -Sommigen vielen flauw. - -Lady Daisy, met marmerbleek gelaat, trad de kluis binnen en tastte -rond. - -„De juweelen!” stamelde zij, „groote God! Ze zijn verdwenen!” - -Haar oogen sloten zich en zij zou zijn neergezonken als lord Hoensbrook -haar niet ondersteund had. - -„Bestolen! Bestolen!” brulde de lord. „Ik ben bestolen! Schandelijk -beroofd! De juweelen, die hier geborgen waren, vertegenwoordigden -alleen al de waarde van een half millioen!” - -Bijna huilend van woede, als een gewond dier, vloog de oude lord van -den eenen kant naar den andere. - -„Ellendelingen!” schreeuwde hij tegen de bedienden, die met kaarsen het -heele geval hadden bijgelicht. „Ellendelingen, zoo hebt jullie dus je -plicht gedaan!” - -In zijn razende woede trok hij hun de kandelabres uit de hand en -slingerde ze hen naar het hoofd. - -Gelukkig voor de beide mannen, misten de zware bronzen voorwerpen hun -doel. - -Zij vlogen rakelings langs hen heen en vielen kletterend op den grond -neer. - -„Steek het gas aan!” beval de lord. - -Al de gasten hadden, in wijden kring geschaard, het geheele tooneel -aangezien. - -Een der heeren trachtte nu de vensters te sluiten. - -Plotseling boog hij zich voorover en riep: - -„De dieven zijn door het raam gekomen, dames en heeren. Kijk eens hier, -de tralies zijn doorgevijld!” - -Allen gingen thans naar de keldervensters toe om zich te overtuigen van -deze brutale daad. - -Terwijl het bovenbeschrevene voorviel in het keldergewelf van het -prachtige huis, rende Jim in de kleeren van de oude zigeunervrouw naar -de droge sloot. - -De geknevelde vrouw lag daar nog in dezelfde houding. - -Met een enkelen sprong was hij in de sloot. - -„Het spelletje is uit, moedertje,” sprak de inbreker, terwijl hij de -vrouw los bond. - -„Ziezoo, trek nou je kleeren weer aan, hier heb je ook een hartig -slokje en daar nog een kleinigheid voor je moeite!” - -Jim haalde zijn beurs te voorschijn en gaf de oude een banknoot van -tien dollar. Daarna rende hij weg. - -Hoofdschuddend keek de oude vrouw hem na, toen bekeek zij den banknoot -en ging naar haar armelijke woning. - -In het groote heerenhuis werd intusschen over niets anders gesproken -dan over deze brutale inbraak. - -Ieder had er zijn meening over, zooals het steeds in dergelijke -gevallen gaat, en eenigen van het gezelschap waren er van overtuigd, -dat de oude heks meer van het geval wist. - - - - - - - - -ZESDE HOOFDSTUK. - -EEN GEHEIMZINNIGE ZENDING. - - -De volgende morgen brak aan en over het groote heerenhuis bleef de -geheimzinnige sluier hangen van de misdaad, die den vorigen dag was -gepleegd. - -In de eetzaal brandde een knappend vuurtje, dat, hoewel het nog slechts -in den nazomer was, toch bijzonder aangenaam aandeed. - -Om de groote eikenhouten tafel hadden zich de gasten verzameld, die een -slapeloozen nacht hadden doorgebracht, wakend met den gastheer, om de -inbrekers, zoo dezen mochten opdagen, terstond te arresteeren. - -De meeste gasten hadden terstond haar huis willen gaan, toen de -vreeselijke geschiedenis aan het licht was gekomen, doch lady Daisy had -met tranen in de oogen gesmeekt, dat men niet zou heengaan. - -Zoo waren de gasten gebleven. - -Men sprak over niets anders dan over den geheimzinnigen diefstal. - -Lord Montgomery had terstond de politie van al het gebeurde in kennis -gesteld en met de grootste voorkomendheid had lord Hoensbrook zijn hulp -aangeboden en zelfs per telefoon met den politie-commissaris -onderhandeld. - -Na het ontbijt verspreidden de gasten zich, de meesten gingen naar hun -kamer, de anderen gingen naar de bibliotheek of rooksalon. - -Met beschreide oogen was lady Daisy naar haar boudoir gegaan. - -Toen zij later op den dag zich naar de bibliotheek had begeven, liep -lord Lister juist door de gang. - -Toen de schoone vrouw een wijle in de bibliotheek had vertoefd, trad -ook hij er binnen. - -Verschrikt stond zij op van de chaise-longue. - -„Pardon, mylady, ik stoor u toch niet? Ik zocht slechts wat lectuur!” - -„Gij stoort mij in bet geheel niet, lord Hoensbrook!” - -Zij drukte de handen tegen de slapen. - -„Gevoelt ge u niet wel, mylady?” - -Hij vroeg dit op zijn vriendelijksten toon. - -„Neen, ik gevoel mij in het geheel niet wel, mijn hoofd brandt en mijn -polsen kloppen vreeselijk!” - -„Dat is een natuurlijk gevolg van de gebeurtenissen van dezen nacht, -mylady.” - -„Ik heb zulk een vreeselijk medelijden met mijn ouders. Sinds zoovele -geslachten zijn die juweelen in onze familie bewaard gebleven. Zij -zullen dat verlies niet te boven komen!” - -„Gij staat mij toch toe, dat ik blijf rooken, mylady?” vroeg lord -Hoensbrook. - -Zij knikte ten teeken van instemming. - -Toen sprak zij: - -„Lord Hoensbrook, ik heb u mijn volle vertrouwen geschonken en ik hoop, -dat gij daar tegenover uw vertrouwen zult stellen! - -„Mijn hoofd is vol gedachten en het middelpunt daarvan zijt—gij!” - -„Dat is al te veel eer, mylady!” - -John Raffles boog met een ietwat spottend lachje. - -„En mag ik vragen, van welken aard deze gedachten wel zijn?” - -Zij dacht een oogenblik na, toen sprak zij op haastigen toon: - -„Neen, dat kan ik u niet zeggen!” - -Lord Lister stond tegen een hooge boekenkast geleund, terwijl dit -gesprek gevoerd werd. - -Met een wonderlijken blik keek hij neer op het blonde hoofd, dat daar -voor hem gebogen was. - -„Dat moeten wel vreeselijke gedachten zijn, mylady, die men niet uit -durft spreken!” - -„O, lord Hoensbrook, ik ben waarlijk niet in een stemming om te -schertsen, laat mij nu alleen!” - -„Niet vóórdat gij mij hebt verklaard, welke gedachten gij koesterdet!” - -Zij boog het hoofd. - -In gespannen aandacht wachtte hij op eenig antwoord. - -Eenige minuten gingen voorbij, toen werd plotseling op de deur geklopt. - -Raffles greep een boek, terwijl lady Daisy de deur opende. - -„Een brief, mylady”, sprak de dienaar en hij overhandigde haar een -verzegeld schrijven. - -„Van mijn ouders”, fluisterde zij. „Ach, zij weten nog nergens van!” - -Raffles keek haar van terzijde aan, terwijl zij den brief opende. - -Een zwarte enveloppe met een gouden monogram viel er uit. - -Daisy werd bleek tot aan haar lippen. - -„Groote God”, fluisterde zij, „een brief, zooals mijn man er een -ontving! - -„Maar ik wil eerst lezen wat zij mij schrijven. - -„Zij hebben de juweelen!” schreeuwde zij plotseling uit en in hetzelfde -oogenblik voelde zij, dat een hand op haar mond werd gelegd. - -„Wat beteekent dat, lord?” stamelde zij op bevenden toon. - -Een oogenblik keken zij elkander aan. - -Maar toen ook scheen lady Daisy alles te hebben begrepen. - -Zij overhandigde Raffles beide brieven. - -„Lees deze brieven”, sprak ze, „lees ze overluid, want de letters -dansen mij voor de oogen!” - -Raffles ging tegenover haar zitten. - -„Lees eerst den zwarten brief”, verzocht de schoone vrouw. - -„Zooals ge wenscht, mylady!” - -Hij begon te lezen. - - - „Mylord! - - Een menschenvriend zendt u hierbij uw eigendom met het vriendelijke - verzoek om geen nasporingen te doen en over het geheele geval het - diepste stilzwijgen te bewaren. - - JOHN C. RAFFLES.” - - -„Verder!” steunde Daisy, het gelaat in de handen verbergend. - -Raffles nam nu den tweeden brief. - -Hij las: - - - „Lief kind! - - Wij hopen, dat je ons spoedig komt bezoeken. Een gebeurtenis, die - mijn geheele zenuwgestel heeft geschokt, doet mij de kamer houden. - - Wij ontvangen door tusschenkomst van den bekenden inbreker Raffles - de familiejuweelen, die je echtgenoot zoo langen tijd - wederrechtelijk in zijn bezit heeft gehad. - - Nog waren wij niet over de eerste vreugde heen, toen ik plotseling - tot de ontzettende ontdekking kwam, dat de kostbaarste steenen uit - de sieraden waren gebroken en door prachtig geslepen glasscherven - waren vervangen.” - - -„Hel en duivel!” schreeuwde Raffles en hij vernielde het papier -tusschen zijn vingers. - -Schreiend zonk Daisy op den divan neer. - -Plotseling richtte zij zich op en met wildvlammende oogen riep zij uit: - -„Luister, lord Hoensbrook, thans wil ik u vertellen, welke vreeselijke -gedachten zich heden van mij meester maakten, gedachten, waarvan, -zooals ik zeide, gij het middelpunt zijt. - -„Luister, lord Hoensbrook, ik verdenk u er van, dat gij op de een of -andere wijze met dien Raffles in verbinding staat. - -„Hij heeft dien diefstal niet uitgevoerd, maar gij!” - -„Wilt gij zeggen, mylady, dat ik een gemeene dief ben, een -aartsbedrieger en een juweelenvervalscher?” - -„Denkt ge, mylady, dat ik de kostbaarheden heb gestolen om in -dienzelfden nacht nog de steenen te vervalsen en mij te verrijken ten -koste van uw familie? - -„Wildet gij mij dat vertellen? - -„Waren dàt de gedachten, die door uw brein speelden en waarvan ik het -middelpunt was?” - -De toornader zwol op het voorhoofd van den meester-dief. - -De schoone vrouw beefde. - -„Vergeef mij, mylord”, smeekte zij. - -Hij vervolgde: - -„Neen, lady Montgomery, als er juweelen vervalscht zijn, dan heeft een -ander die vervalsching op zijn geweten. Wil ik u zijn naam noemen?” - -„Zeker!” - -„Lord Montgomery, uw echtgenoot!” - -Toen sprak zij. - -„Mijn God! Eenige weken geleden heeft hij, zooals hij zeide, de -juweelen naar een juwelier gestuurd om ze te laten repareeren, zooals -hij zeide!” - -„Dat zal dan het tijdstip zijn, waarin de vervalsching werd -uitgevoerd!” - -„Zoo’n ellendeling”, riep zij uit. - -„Weet gij het adres van den juwelier?” vroeg Raffles. - -Daisy noemde het. - -„Dan zal ik verder handelen. Maak u niet ongerust, mylady, gij behoeft -niets te vreezen!” - -„Eén ding is mij nog niet duidelijk”, sprak de schoone vrouw. - -„En dat is?” - -„Wat dien Raffles wel tot dezen diefstal kan hebben gedreven!” - -„Louter menschenliefde”. - -Lady Daisy keek op. - -Seconden lang staarde zij Raffles aan, toen plotseling riep zij uit: - -„Gij zijt— —” - -„John Raffles”, voltooide hij. - -Bewusteloos zonk zij op den divan neer. - -— — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — -— — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — - -Een uur later zat Raffles in de muziekzaal aan den Bechsteinvleugel. - -Sombere tonen van een klagelijke Beethoven-sonate ruischten omhoog; de -gasten kwamen alle luisteren. - -Na de sonate kwam een vroolijke marsch, toen volgde een fuga van Bach. - -Montgomery trad binnen en stelde een slanken heer voor. - -„Inspecteur Baxter van de recherche.” - -Lady Daisy bloosde. - -„Een oogenblikje”, wendde zij zich tot haar echtgenoot. - -Deze volgde haar. - -Zij traden haar boudoir binnen. - -„Wat verlang je?” - -„Ik wou je alleen zeggen, dat ik even naar mijn ouders ga. Ik kreeg een -brief, dat vader ongesteld is”. - -„Wil je nu gaan, terwijl wij gasten hebben?” - -„Ik heb mij bij hen reeds verontschuldigd!” - -„Dat vind ik toch héél vreemd!” - -„Heelemaal niet!” - -„En moet ik daarvoor meegaan?” - -„Ja. Die Baxter is mij onsympathiek.” - -„Hè, dat begrijp ik niet. Mij is hij héél sympathiek! - -„Hij heeft mij doen begrijpen, dat slechts iemand uit mijn allernaaste -omgeving den diefstal kan hebben gepleegd. Begrijp je, iemand, die mijn -volle vertrouwen bezit!” - -Zij werd lijkbleek. - -„En weet je wat zoo wonderlijk is? Dat jij een paar dagen voor den -diefstal telkens hebt aangedrongen om de juweelen te mogen hebben. Zie -je, dat is mij héél onsympathiek!” - -Toorn belette haar te spreken. - -Schandelijk. - -Zoo’n vermoeden! - -Zij had het hem in het gelaat willen slingeren, dat hij een bedrieger -was, maar om der wille van Raffles mocht zij dat niet doen. - -Zij ging naar hem toe en sprak op verachtelijken toon: - -„Schurk!” - -„Slang!” schold hij terug. - -„Nu heb ik zekerheid! En ik zal je niet sparen ook. In geldelijke -aangelegenheden houdt alle vriendschap op!” - -Hij ging terug naar de kamer, waar de detective wachtte. - -Deze beweerde nogmaals, dat alleen iemand, die het vertrouwen bezat van -den heer des huizes, dezen diefstal kon hebben gepleegd. - -„En wie verdenkt ge?” - -„Ja, mylord, het is mijn beroep, maar— —” - -„Spreek vrij uit!” - -„Ik verdenk uw echtgenoote!” - -Montgomery schrikte nu toch. - -„Maar hoe verklaart ge dan het verdwijnen der banknoten?” - -„Zij heeft een handlanger gehad, wien zij natuurlijk betalen moest!” - -„Maar die brief van Raffles?” - -„Dat is haar handlanger.” - -„Wij zullen nog eens naar de kluis gaan”, stelde Montgomery voor. - -En zij gingen. - -Lustige, vroolijke wijsjes klonken uit de muziekzaal. - -In een aanval van woede balde Montgomery de vuisten en een vloek -ontsnapte zijn lippen. - -— — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — -— — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — - -In Montgomery’s studeerkamer liep Baxter met groote stappen heen en -weer, terwijl de lord met somber gelaat aan zijn schrijftafel zat. - -Zij schenen juist een langdurig gesprek te hebben gevoerd. - -„Stel u eens voor, mylord, dat uw vrouw geen aandeel had in de misdaad. -Hoe zou Raffles dan te weten zijn gekomen dat u de juweelen in bezit -had?” - -„Mogelijk van den juwelier die er een reparatie aan moest verrichten!” - -Er werd op de deur geklopt. - -„Binnen”, riep de lord. - -Een bediende schoof een dertienjarigen jongen binnen, die in zijn eene -hand z’n pet, in de andere een brief droeg. - -„Mister Baxter?” vroeg hij. - -„Dat ben ik”, antwoordde de detective. - -De jongen gaf hem nu den brief. - -„Mister Baxter. Persoonlijk. Kruier niet betaald”, stond erop. - -„Ha, belangrijke berichten!” - -Hij gaf den jongen een geldstukje. - -„Hier, kereltje! Moet je op antwoord wachten?” - -„Neen!” - -De jongen vertrok. - -Haastig maakte de detective den brief open. - -Er viel een zwarte brief uit. - -Baxter las het schrijven. - -Zijn gelaat werd hoe langer hoe rooder. Met een vloek gooide hij toen -het papier weg. - -„Mag ik lezen?” vroeg de lord. - -„Zeker”, knarste Baxter. - -„Waarde Heer Baxter!” las de lord. - -„Door een toeval vernam ik, dat ge er bijzonder op gesteld zijt, mij te -leeren kennen. Ik kan niet beweren dat die belangstelling wederkeerig -is, maar ik wil u graag een genoegen doen. Om vijf uur hedenmiddag -wacht ik u in café Waterloo, Waterloostreet. - -Tot spoedig dus. Met duizend groeten, - - JOHN C. RAFFLES.” - -„Een verregaande brutaliteit!” mompelde de lord, „denkt ge aan deze -uitnoodiging gehoor te geven?” - -„Natuurlijk! Ik hoop den kerel te pakken!” - -Hij haalde zijn horloge te voorschijn. - -„Over tien minuten vertrekt de trein!” - -„Maar dan zijt ge toch veel te vroeg, mister Baxter!” - -„Ik heb nog andere dingen te doen!” - -En razend van woede liep Baxter het huis uit. - - - - - - - - -ZEVENDE HOOFDSTUK. - -EEN TRUC DIE GELUKTE. - - -De juwelier Herman Violensteen zat in zijn leunstoel voor het venster -in een kamer, die achter den winkel was gelegen en bekeek door zijn -loupe een groot aantal kostbare steenen en ouderwetsche sieraden, -vervaardigd van dukatengoud. - -Hij lachte tevreden en zijn perkamenten gezicht vertrok tot een grijns. - -Hij berekende, dat hij met deze voorwerpen mooie zaakjes zou kunnen -maken met een zoet winstje. - -Daar ging de winkelschel. - -Haastig liep de juwelier naar voren. - -Daar stond een slanke heer met zwarten baard en hoofdhaar. - -In zijn hand hield hij een ebbenhouten stok met gouden knop. - -„Ik zou graag losse juweelen willen koopen!” sprak hij. - -„Heel graag, heel graag”, boog de winkelier. - -Al spoedig lag een groote voorraad schitterende steenen voor den -voornamen kooper, die een lorgnet opzette om de steenen beter te kunnen -taxeeren. - -Uit de kamer had de juwelier nu ook de steenen gehaald, die hij even te -voren met zoo groote vreugde had bekeken. - -De kooper, die een hooggeplaatst officier in civiel scheen te zijn, -bekeek die steenen met de meeste aandacht. Hij scheen moeilijk keus te -kunnen maken, hoestte eens, waarbij hij zijn zijden zakdoek voor den -mond hield en, besluiteloos den stok tegen de lippen wrijvend, zette -hij dezen daarop naast zich en vroeg om andere steenen te zien. - -Een tweede kooper trad binnen. - -Het was een jonge, vroolijke student. - -Ook hij zette zijn wandelstok tegen de toonbank. - -De winkelier vroeg, wat hij verlangde. - -„Ik zou graag eenvoudige ringen willen zien om een klein meisje cadeau -te geven!” - -Hij koos een eenvoudig ringetje en haalde een tamelijk oude -portemonnaie voor den dag. - -„Wat kost die ring?” - -„Tien shilling!” - -De vroolijke student trok een verlegen gezicht. - -„Kan het niet voor zes shilling?” - -„Voor zes?” - -„Och ja, ik heb mijn maandelijksche toelage nog niet ontvangen!” - -„Wacht dan, tot je die gekregen hebt!” snauwde Violensteen. - -„Neen, neen, dat gaat niet, ik heb dien ring nu noodig. Kom, geef hem -voor zes!” - -De koopman aarzelde een oogenblik. - -Toen nam hij het geld. - -De ander greep zijn stok en ging heen, zonder een blik op den voorname -te hebben geslagen. - -„Ge hebt niet, wat ik zoek”, sprak deze nu, „doe verder geen moeite!” - -Een lange schaduw viel plotseling over de toonbank. - -Zij was afkomstig van een langen, mageren heer, die op straat stond en -door het venster naar binnen keek. - -Het was niemand anders dan de inspecteur van politie. - -„Ik kom wel terug”, zei de kooper, nam zijn stok en ging heen. - -Hij had nog maar weinig schreden afgelegd, toen de juwelier naar buiten -rende. - -„Ik ben bestolen!” riep hij uit. - -In een oogenblik had Baxter den eleganten heer ingehaald. - -„Mijnheer”, hijgde de inspecteur, „in naam der wet neem ik u gevangen!” - -„Ge zijt stapelgek in naam der wet”, antwoordde de vreemde. - -De inspecteur riep een cab aan. - -„Wat wilt ge eigenlijk van mij?” vroeg de elegante heer. - -„Dat zult ge wel zien”, antwoordde Baxter, „ge gaat eerst met mij naar -het politiebureau.” - -„Mij goed,” antwoordde de heer, die doodbedaard in de cab ging zitten. -„Je snijdt je leelijk in de vingers, vriend, maar ik wil, om jou een -genoegen te doen, dit tochtje wel meemaken”. - -„Gij zijt—Raffles”, sprak eensklaps de politie-inspecteur. - -„Wat???” - -„Gij zijt Raffles!” - -„Wat bedoel je, man!” - -„Raffles, de groote inbreker!” - -„Ik?” - -„Ja, zeker! Gij zijt John Raffles”. - -„En gij zijt John Ezel!” antwoordde de ander. - -Het tweetal begreep, dat zij op deze manier niet veel verder zouden -komen. - -De tocht werd verder dan ook zwijgend voortgezet. - -Op het politiebureau begon de heer, die zich bekend maakte als een -hooggeplaatst officier van koninklijken bloede, geweldig te razen. - -„Alles zal opgehelderd worden, Uwe Doorluchtigheid”, suste de -commissaris. - -Op zijn uitdrukkelijk verlangen werd de verdachte terstond gevisiteerd. -Men vond echter niets op hem. - -De detective intusschen vingerde aan den stok, als om een verborgen -mechanisme te vinden. - -De eigenaar wendde zich lachend tot den snuffelaar. - -„Die stok schijnt u wel te bevallen! Ge moogt hem houden als -herinnering aan dit voorval”. - -De commissaris en Baxter verontschuldigden zich, toen zij den voornamen -heer lieten heengaan en de commissaris sprak tot Baxter: - -„Dat was een leelijke vergissing van u, inspecteur!” - - - - - - - - -ACHTSTE HOOFDSTUK. - -DE BEDROGEN INSPECTEUR VAN POLITIE. - - -Een uur later werd de deur van het cyclopenhol geopend. - -Een heer van voornaam uiterlijk trad binnen. - -„Gauw, Charly, ik heb geen tijd! Kom mee!” riep hij een student toe, -terwijl de aanwezigen allen eerbiedig opstonden. - -Charly ging haastig mee. - -Het tweetal liep de donkere gangen door. - -„Nu?” - -„Hier is de stok!” - -Charly overhandigde hem een zwaren wandelstok met gouden knop. - -Raffles drukte op een plaatje. - -„Hoe heb je ze er allemaal in gekregen, Edward?” vroeg zijn secretaris -ten hoogste verbaasd. - -„Ik bracht de steenen ongemerkt met den zakdoek naar den mond, bracht -daarna den stok tegen de lippen en spuwde de steenen door de holte naar -binnen”. - -„Kranig gedaan, Edward!” - -„Ben je het anders van me gewend?” - -„Je bent een wonderkerel!” - -Raffles begon de steenen te tellen. - -„Ze zijn er alle!” - -„Kan ik nu gaan, Edward?” vroeg Charly. - -„Eén oogenblikje!” - -Hij schreef een quitantie. - -„Hier, bezorg dit pakje aan zijn adres en laat de quitantie teekenen. -Die breng je daarna naar café Waterloo!” - -„Uitstekend!” - -„Zorg je er goed voor, Charly?” - -„Natuurlijk!” - -„Ik reken er op!” - -„Dat kun je!” - -„Adieu, Charly!” - -„Bonjour!” - -— — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — -— — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — - -Het was stampvol in café Waterloo. - -Elegante heeren, studenten, voorname, prachtig gekleede dames waren er -aanwezig. - -Heel alleen aan een tafeltje zat een lange, magere heer. - -Het was Baxter, inspecteur der recherche. - -Af en toe haalde hij met een zenuwachtig gebaar zijn horloge te -voorschijn. - -Het was zes uur. - -Nu moest hij dus komen, de meesterdief, de geniale inbreker! - -Minuten verliepen. - -Op een fluweelen sofa, achter een berg kranten, zat een schoone, jonge -dame. De detective keek naar haar met de grootste belangstelling. - -Zij droeg een grooten witten hoed met struisveeren op het prachtige -zwarte haar. Een paar levendige oogen schitterden in haar hoofd. - -„Kellner, de „Figaro”!” riep zij. - -„Ah! Een Française,” dacht Baxter en hij overhandigde haar met eenige -hoffelijke woorden het gevraagde, dat voor hem op de tafel lag. - -„Dank u zeer!” - -Het tweetal begon met elkaar te babbelen, honderd uit. - -Alles vergat de detective om zich heen. Alles, tot zelfs de afspraak -met Raffles. - -Wat kon hem nu ook nog die afspraak schelen, wat kon het hem zelfs -schelen, als Raffles hem ditmaal om den tuin had geleid. - -„Ik moet een kamer bestellen in een hotel”, sprak de schoone. - -Baxter was terstond bereid dit voor haar te doen in het naastbijgelegen -hotel. - -Hij ging heen. - -De alleen gelaten schoone krabbelde haastig een paar woorden op een -kaartje en gaf dat aan een kellner. Een jonge man, die al een tijd lang -heen en weer liep en haar met vurig bewonderende blikken had -aangestaard, vroeg zij: - -„Zoek je mij, blondje?” - -„Dat niet!” antwoordde de gevraagde op verlegen toon. - -„Wil je mij naar het station brengen? Ik ben hier niet bekend!” - -Charly, want hij was het, dacht na. - -Wat te doen? - -Hij zou maar meegaan. Later kon hij dan naar het café terug gaan. - -Galant bood hij haar zijn arm. - -Nauwelijks had het tweetal de zaal verlaten of Baxter kwam weer binnen. - -Verschrikt keek hij rond. - -Waar was zijn bekoorlijke schoone gebleven? - -Een kellner kwam naar hem toe en overhandigde hem een briefje. - -Zijn gezicht werd lang en langer, toen hij las: - - - „Liefste schat! - - Kan ik je bekoren? Ben je teleurgesteld of zijn je verwachtingen - beantwoord? Ik dank je in elk geval voor je vriendelijkheid. Je - wijn was heerlijk. Maar, liefste lieveling,—het buskruit heb jij - niet uitgevonden!” - - Op de voorzijde van het visitekaartje stond in groote letters - - JOHN RAFFLES.” - - -— — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — -— — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — - -Maar ook Charly werd in hetzelfde oogenblik ontgoocheld. - -Vol trots, dat hij met zoo’n beeldschoone dame gezien werd, floot hij -een cab aan en liet de schoone vrouw instappen. - -„Liefste?” fluisterde hij vragend. - -„Wat is er, ventje?” - -„Hoe zou je het vinden, als ik je nu eens Londen bij nacht liet zien? -En wat krijg ik dan, engel?” - -„Een paar stevige oorvijgen”, klonk daar plotseling een bekende -mannenstem. - -Charly werd bloedrood. - -„Edward!” fluisterde hij. - -„Geef mij de kwitantie, jij vrouwengek!” - -Charly deed het. - -En verruimd ademhalend, deed Raffles in de cab het nauwsluitende corset -uit, dat zijn lichaam een tijdlang op alleronaangenaamste wijze had -saamgekneld. - -— — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — -— — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — - -Raffles zat in zijn woning aan den vleugel. - -Daar werd plotseling luid gescheld. - -Hij ging zelf opendoen. - -„Lady Montgomery—gij?” - -Zij snelde hem voorbij, vloog de kamer in en viel daar neer op een -stoel. - -„Ik word vervolgd! Meer dan twee uren reeds dwaal ik rond om dien -vervolger te ontloopen, maar hij volgt mij als mijn schaduw!” - -„Maar wat brengt u hier, mylady.” - -„Ik kom uw raad vragen en u danken voor het groote geluk, dat ge mijn -ouders bezorgd hebt!” - -„Ge handelt zéér onvoorzichtig, lady Montgomery, door op deze wijze uw -goeden naam op het spel te zetten!” - -Zij liet het hoofd zinken. - -„Ik moest het u zeggen! Ge hebt mijn familie zoo gelukkig gemaakt!” - -Raffles schudde het hoofd. - -„Weet uw echtgenoot, wat ge doet?” - -„Neen!” - -„Hebt ge hem niets gezegd?” - -„Neen!” - -„En als hij het nu hoort van derden? Wat dan, lady Montgomery?” - -„O, hij is niet thuis! Vóór middernacht komt hij niet terug!” - -„Weet ge dat zeker?” - -„Heel zeker!” - -„Waar is hij heen?” - -„Hij heeft vergadering!” - -„Weet ge ook, mylady, waar het vermogen van uw man bewaard wordt?” - -„Bij de Safe-Deposit Company”, verklaarde zij. - -„Zoo—zoo.” - -John Raffles noteerde een en ander op zijn manchet. - -„En mylady, ge kwaamt mij om raad ook nog vragen. Biecht eens op!” - -„Help mij, mylord”, smeekt zij, „help mij! Ik kan niet langer met mijn -echtgenoot samenleven. Hij heeft mijn geluk verwoest, o, hij heeft mij -zoo diep, diep ongelukkig gemaakt!” - -„Blijf kalm, mylady!” - -„Dat kan ik niet!” - -„Dat moet ge! Dat zijt ge aan u zelf verplicht!” - -„O, mylord—ik— —!” - -Zij snikte hevig. - -Daarop vervolgde zij: - -„Ik—ik moet weg, ver weg!” - -„Maar waar wilt ge heen gaan?” - -Zij zweeg. Een lange pauze ontstond. - -„Wilt ge naar uw ouders teruggaan?” - -„Dat zou misschien het beste zijn!” - -„Dunkt u?” - -„Ja;—daar kan ik uitrusten van al de ellende, van al het groote -verdriet, dat die man mij heeft berokkend.” - -Zij stond op en knoopte haar handschoenen dicht. - -„Ik ben nu al wat kalmer geworden, ik dank u nogmaals, mylord, voor -alles wat ge gedaan hebt!” - -Zij reikte hem haar beide handen. - -„Misschien zien wij elkaar nooit meer, misschien is het een afscheid -voor het leven!” - -„Vaarwel, lady Montgomery”, sprak hij met welluidende stem. „Moge het -geluk u voortaan gunstiger zijn.” - -Zij wisselden een handdruk. - -„Wees in ieder geval voorzichtig, mylady, neem een rijtuig en ga naar -het station!” - -„Waarom?” - -„Uw echtgenoot laat misschien uw gangen nagaan!” - -„Dat doet hij nu al!” - -„Weet ge het zeker?” - -„O, ja!” - -„En wie is de spion?” - -„Inspecteur Baxter!” - -„Dat dacht ik al. Dat is natuurlijk de man, die u ook nu gevolgd -heeft.” - -Zij keek door het venster. - -„Hij is er nu niet. Beneden staat alleen een slanke dame in een -reismantel!” - -„Dat is Baxter, mylady, ge kunt ervan overtuigd zijn!” - -„Wat moet ik nu beginnen?” - -Het arme vrouwtje beefde over haar geheele lichaam. - -„Ik zal u brengen!” sprak Raffles op overtuigenden toon. - -Zij namen plaats in een rijtuig en Baxter volgde hen in een tweede. - -Maar Raffles had zijn gewone koelbloedigheid en vindingrijkheid ook nu -niet verloren. - -Toen hij, vlak bij het station, met lady Daisy uitsteeg, verliet ook -Baxter zijn rijtuig om nu spoedig maatregelen te gaan nemen. - -Raffles echter was hem voor. - -Hij klampte een paar politie-agenten aan: - -„Die dame daar is een verkleede heer. Ik waarschuw jullie maar even, -want hij zal wel niet veel goeds in het schild voeren!” - -En zoo werd de arme Baxter ingerekend. - -Al zijn beweringen baatten hem niet. Hij was gedoemd, den heelen nacht -op een harde brits door te brengen. - - - - - - - - -NEGENDE HOOFDSTUK. - -DE VALSCHE BANKDIRECTEUR. - - -Lord Lister trad zijn studeerkamer binnen, waar Charly Brand aan de -schrijftafel zat. - -„Is er nieuws, Charly?” - -„Niets van beteekenis. We zijn alleen ter jacht genoodigd!” - -„Welke jacht?” - -„Vossenjacht.” - -„Daar geef ik niet om!” - -„En ik had er mij al zoo op verheugd!” - -„Och jij!” - -„Waarom niet, Edward!” - -„Omdat er geen gevaar aan verbonden is!” - -„Ja, jij houdt van gevaar!” - -„Dat doe ik!” - -„A propos, Edward, hoe gaat het met je blonde schoonheid?” - -„Wie bedoel je?” - -„Lady Montgomery”. - -„Je vergeet, kerel, dat die dame getrouwd is. Zij heeft haar man echter -verlaten!” - -„Zóó? En wat denk jij te doen?” - -„Ik? Absoluut niets, Charly! Je vergist je, de dame gaat naar haar -ouders terug. Ik voel op ’t oogenblik veel voor Parijs.” - -„Ik ook! Maar heb je— —?” - -„Kleingeld? Nog niet! Dat is alles!” - -Hij haalde een rolletje goudgeld en een pak banknoten te voorschijn. - -„En nu, Charly, ik ga er vandoor!” - -„Waarheen?” - -„Ik ga naar de bank. Ik heb geld noodig!” - -„Naar welke bank ga je?” - -„Naar de Safe-deposit-Company!” - -„Heb je daar misschien een safe?” - -„Ik niet—maar anderen!” - -— — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — -— — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — - -„Heb je het laatste portret van onzen directeur gezien?” vroeg een der -kassiers aan den procuratiehouder der Safe-box-company. - -„Het portret staat in alle geïllustreerde bladen”, antwoordde de -gevraagde. - -„Is hij nog altijd in Amerika?” - -„Wel neen! Hij is allang op de thuisreis. Elken dag kan hij hier zijn. -Het verbaast mij zelfs, dat hij er nog niet is!” - -Daar werden plotseling schreden vernomen. De deur ging open en op den -drempel verscheen een heer, de reistasch in de hand. - -„De directeur”, fluisterden de beambten. - -Inderdaad geleek de binnentredende sprekend op het portret in de -„Graphic”. - -Hij groette beleefd. - -Twee volontairs namen hem jas, hoed en reistasch af. - -De directeur verlangde het kasboek en het grootboek te zien en vroeg om -de verschillende sleutels van de safe-boxes. - -Men bracht hem oogenblikkelijk alles, wat gevraagd was. - -De directeur begon vol ijver in de boeken te bladeren. - -Hij scheen iets te zoeken. - -„Montgomery nummer 37252”, fluisterde hij. - -Daarna ging hij naar beneden. Een poosje zocht hij, toen opende hij een -zware, ijzeren deur. - -Uit de safe van Montgomery vulde hij toen zijn zakken en juist wilde -hij de Bank verlaten, toen hij plotseling van aangezicht tot aangezicht -kwam te staan met zijn dubbelganger. - -De grootste verwarring ontstond. - -Raffles was de deur uitgegaan, maar de procuratiehouder schreeuwde uit -alle macht: - -„Help! Er is een bedrieger binnengedrongen! Gauw! Help!” - -Alle beambten stoven weg. - -De nieuwe directeur bleef als verbluft staan. - -Op straat schreeuwde een bierknecht: „Mijn automobiel! Mijn auto!” - -„Daar ginds rijdt een bierkar-auto”, riep een jongen, die den knecht -hoorde schreeuwen. „Een heer sprong er op, toen je daar in het café -was!” - -Op die auto zat—Raffles. - -Hij hield een tasch van geel leer op zijn knieën en suizelde er -vandoor. Het was een vaart op leven en dood. - -Maar men achtervolgde hem en zijn voorsprong werd steeds kleiner. - -Daar bereikte hij het station. - -Hij stoof het perron op, waar juist een trein afreed. Het was voor den -handigen jongeman slechts een klein kunstje om op de treeplank te -springen. - -Bij het volgende station stapte hij uit en reed met een anderen trein -naar Parijs. - -Daar gekomen stond op het perron een schoone jonge dame op hem te -wachten. - -„Helene!” klonk een jonge, frissche mannenstem, „heb je mijn telegram -nog tijdig ontvangen?” - -Raffles, krachtig en elegant, stond voor miss Walton en sloot haar -jubelend in zijn armen. - -— — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — -— — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — - -Lord Montgomery echter trok zich de haren uit het hoofd. - -Het vertrek van zijn jonge vrouw betreurde hij minder dan het verlies -van zijn geld. - -„Ik ben geruïneerd!” steunde hij en hij verborg het gelaat in zijn -handen. - -De schemering daalde neer over het aardrijk en hulde ook de gestalte -van lord Montgomery in grijze nevelen. - - - - - -*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK LORD LISTER NO. 6: DE DUBBELGANGER -VAN DEN BANKDIRECTEUR *** - -Updated editions will replace the previous one--the old editions will -be renamed. - -Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright -law means that no one owns a United States copyright in these works, -so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the -United States without permission and without paying copyright -royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part -of this license, apply to copying and distributing Project -Gutenberg-tm electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG-tm -concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark, -and may not be used if you charge for an eBook, except by following -the terms of the trademark license, including paying royalties for use -of the Project Gutenberg trademark. If you do not charge anything for -copies of this eBook, complying with the trademark license is very -easy. You may use this eBook for nearly any purpose such as creation -of derivative works, reports, performances and research. Project -Gutenberg eBooks may be modified and printed and given away--you may -do practically ANYTHING in the United States with eBooks not protected -by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the trademark -license, especially commercial redistribution. - -START: FULL LICENSE - -THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE -PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK - -To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free -distribution of electronic works, by using or distributing this work -(or any other work associated in any way with the phrase "Project -Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full -Project Gutenberg-tm License available with this file or online at -www.gutenberg.org/license. - -Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project -Gutenberg-tm electronic works - -1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm -electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to -and accept all the terms of this license and intellectual property -(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all -the terms of this agreement, you must cease using and return or -destroy all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your -possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a -Project Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound -by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the -person or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph -1.E.8. - -1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be -used on or associated in any way with an electronic work by people who -agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few -things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works -even without complying with the full terms of this agreement. See -paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project -Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this -agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm -electronic works. See paragraph 1.E below. - -1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the -Foundation" or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection -of Project Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual -works in the collection are in the public domain in the United -States. If an individual work is unprotected by copyright law in the -United States and you are located in the United States, we do not -claim a right to prevent you from copying, distributing, performing, -displaying or creating derivative works based on the work as long as -all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope -that you will support the Project Gutenberg-tm mission of promoting -free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg-tm -works in compliance with the terms of this agreement for keeping the -Project Gutenberg-tm name associated with the work. You can easily -comply with the terms of this agreement by keeping this work in the -same format with its attached full Project Gutenberg-tm License when -you share it without charge with others. - -1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern -what you can do with this work. Copyright laws in most countries are -in a constant state of change. If you are outside the United States, -check the laws of your country in addition to the terms of this -agreement before downloading, copying, displaying, performing, -distributing or creating derivative works based on this work or any -other Project Gutenberg-tm work. The Foundation makes no -representations concerning the copyright status of any work in any -country other than the United States. - -1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: - -1.E.1. The following sentence, with active links to, or other -immediate access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear -prominently whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work -on which the phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the -phrase "Project Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, -performed, viewed, copied or distributed: - - This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and - most other parts of the world at no cost and with almost no - restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it - under the terms of the Project Gutenberg License included with this - eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the - United States, you will have to check the laws of the country where - you are located before using this eBook. - -1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is -derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not -contain a notice indicating that it is posted with permission of the -copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in -the United States without paying any fees or charges. If you are -redistributing or providing access to a work with the phrase "Project -Gutenberg" associated with or appearing on the work, you must comply -either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or -obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg-tm -trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9. - -1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted -with the permission of the copyright holder, your use and distribution -must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any -additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms -will be linked to the Project Gutenberg-tm License for all works -posted with the permission of the copyright holder found at the -beginning of this work. - -1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm -License terms from this work, or any files containing a part of this -work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. - -1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this -electronic work, or any part of this electronic work, without -prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with -active links or immediate access to the full terms of the Project -Gutenberg-tm License. - -1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, -compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including -any word processing or hypertext form. However, if you provide access -to or distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format -other than "Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official -version posted on the official Project Gutenberg-tm website -(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense -to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means -of obtaining a copy upon request, of the work in its original "Plain -Vanilla ASCII" or other form. Any alternate format must include the -full Project Gutenberg-tm License as specified in paragraph 1.E.1. - -1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, -performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works -unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. - -1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing -access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works -provided that: - -* You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from - the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method - you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed - to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he has - agreed to donate royalties under this paragraph to the Project - Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid - within 60 days following each date on which you prepare (or are - legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty - payments should be clearly marked as such and sent to the Project - Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in - Section 4, "Information about donations to the Project Gutenberg - Literary Archive Foundation." - -* You provide a full refund of any money paid by a user who notifies - you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he - does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm - License. You must require such a user to return or destroy all - copies of the works possessed in a physical medium and discontinue - all use of and all access to other copies of Project Gutenberg-tm - works. - -* You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of - any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the - electronic work is discovered and reported to you within 90 days of - receipt of the work. - -* You comply with all other terms of this agreement for free - distribution of Project Gutenberg-tm works. - -1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project -Gutenberg-tm electronic work or group of works on different terms than -are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing -from the Project Gutenberg Literary Archive Foundation, the manager of -the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the Foundation as set -forth in Section 3 below. - -1.F. - -1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable -effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread -works not protected by U.S. copyright law in creating the Project -Gutenberg-tm collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm -electronic works, and the medium on which they may be stored, may -contain "Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate -or corrupt data, transcription errors, a copyright or other -intellectual property infringement, a defective or damaged disk or -other medium, a computer virus, or computer codes that damage or -cannot be read by your equipment. - -1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right -of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project -Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project -Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all -liability to you for damages, costs and expenses, including legal -fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT -LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE -PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE -TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE -LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR -INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH -DAMAGE. - -1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a -defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can -receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a -written explanation to the person you received the work from. If you -received the work on a physical medium, you must return the medium -with your written explanation. The person or entity that provided you -with the defective work may elect to provide a replacement copy in -lieu of a refund. If you received the work electronically, the person -or entity providing it to you may choose to give you a second -opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If -the second copy is also defective, you may demand a refund in writing -without further opportunities to fix the problem. - -1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth -in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO -OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT -LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. - -1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied -warranties or the exclusion or limitation of certain types of -damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement -violates the law of the state applicable to this agreement, the -agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or -limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or -unenforceability of any provision of this agreement shall not void the -remaining provisions. - -1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the -trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone -providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in -accordance with this agreement, and any volunteers associated with the -production, promotion and distribution of Project Gutenberg-tm -electronic works, harmless from all liability, costs and expenses, -including legal fees, that arise directly or indirectly from any of -the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this -or any Project Gutenberg-tm work, (b) alteration, modification, or -additions or deletions to any Project Gutenberg-tm work, and (c) any -Defect you cause. - -Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm - -Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of -electronic works in formats readable by the widest variety of -computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It -exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations -from people in all walks of life. - -Volunteers and financial support to provide volunteers with the -assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's -goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will -remain freely available for generations to come. In 2001, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure -and permanent future for Project Gutenberg-tm and future -generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see -Sections 3 and 4 and the Foundation information page at -www.gutenberg.org - -Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation - -The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non-profit -501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the -state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal -Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification -number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by -U.S. federal laws and your state's laws. - -The Foundation's business office is located at 809 North 1500 West, -Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up -to date contact information can be found at the Foundation's website -and official page at www.gutenberg.org/contact - -Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg -Literary Archive Foundation - -Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without -widespread public support and donations to carry out its mission of -increasing the number of public domain and licensed works that can be -freely distributed in machine-readable form accessible by the widest -array of equipment including outdated equipment. Many small donations -($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt -status with the IRS. - -The Foundation is committed to complying with the laws regulating -charities and charitable donations in all 50 states of the United -States. Compliance requirements are not uniform and it takes a -considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up -with these requirements. We do not solicit donations in locations -where we have not received written confirmation of compliance. To SEND -DONATIONS or determine the status of compliance for any particular -state visit www.gutenberg.org/donate - -While we cannot and do not solicit contributions from states where we -have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition -against accepting unsolicited donations from donors in such states who -approach us with offers to donate. - -International donations are gratefully accepted, but we cannot make -any statements concerning tax treatment of donations received from -outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. - -Please check the Project Gutenberg web pages for current donation -methods and addresses. Donations are accepted in a number of other -ways including checks, online payments and credit card donations. To -donate, please visit: www.gutenberg.org/donate - -Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic works - -Professor Michael S. Hart was the originator of the Project -Gutenberg-tm concept of a library of electronic works that could be -freely shared with anyone. For forty years, he produced and -distributed Project Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of -volunteer support. - -Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed -editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in -the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not -necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper -edition. - -Most people start at our website which has the main PG search -facility: www.gutenberg.org - -This website includes information about Project Gutenberg-tm, -including how to make donations to the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to -subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. |
