summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/old/66633-0.txt
diff options
context:
space:
mode:
Diffstat (limited to 'old/66633-0.txt')
-rw-r--r--old/66633-0.txt2986
1 files changed, 0 insertions, 2986 deletions
diff --git a/old/66633-0.txt b/old/66633-0.txt
deleted file mode 100644
index a0c51cc..0000000
--- a/old/66633-0.txt
+++ /dev/null
@@ -1,2986 +0,0 @@
-The Project Gutenberg eBook of Lord Lister No. 6: De dubbelganger van den
-bankdirecteur, by Kurt Matull
-
-This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
-most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
-whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
-of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at
-www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you
-will have to check the laws of the country where you are located before
-using this eBook.
-
-Title: Lord Lister No. 6: De dubbelganger van den bankdirecteur
-
-Author: Kurt Matull
- Theo Blakensee
-
-Release Date: October 30, 2021 [eBook #66633]
-
-Language: Dutch
-
-Character set encoding: UTF-8
-
-Produced by: The Online Distributed Proofreading Team at
- https://www.pgdp.net/ for Project Gutenberg
-
-*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK LORD LISTER NO. 6: DE DUBBELGANGER
-VAN DEN BANKDIRECTEUR ***
-
-
-
- LORD LISTER
- GENAAMD RAFFLES
- DE GROOTE ONBEKENDE.
-
- NO. 6 DE DUBBELGANGER VAN DEN BANKDIRECTEUR.
-
-
-
-
-
-
-
-
-DE DUBBELGANGER VAN DEN BANKDIRECTEUR.
-
-
-EERSTE HOOFDSTUK.
-
-LORD LISTER, DE MENSCHENVRIEND.
-
-
-Lord Lister leunde behagelijk achterover met over elkaar geslagen
-beenen in een makkelijken fauteuil van rood leer.
-
-Zijn slanke, witte vingers speelden met een zilveren sigarettendoos.
-
-Tegenover hem zat zijn vriend Charly Brand met voorovergebogen
-bovenlijf, de ellebogen op de knieën.
-
-„En bevalt het je nu goed hier in de eenzaamheid?” vroeg Charly.
-
-Lord Lister bedwong een opkomend lachje.
-
-„Wel, natuurlijk! ’t Is hier heel mooi!”
-
-„Heb je prettige buren, Edward?”
-
-„Ik heb mij nog niet den tijd gegeven, visites af te steken,” was het
-antwoord van den lord, terwijl hij luid geeuwde en opstond uit zijn
-stoel.
-
-Langzaam liep hij naar het venster toe, waarvoor kostbare kanten
-gordijnen hingen, terwijl draperiën van wijnrood fluweel het àl te
-schelle licht wat temperden.
-
-„Ik zou graag willen weten, wien dat parvenu-achtige huis aan den
-overkant toebehoort,” merkte lord Lister op na een pauze en hij wees
-naar het huis aan den overkant.
-
-Charly Brand kwam naast zijn vriend staan.
-
-„Dat huis daar met dien smakeloozen gevel? Dat zal wel het eigendom
-zijn van den een of anderen rijk geworden slager. Misschien ook behoort
-het een bankier!”
-
-„Je vergist je. De eigenaar is een oude lord, maar hij ziet er uit als
-een veehandelaar. Hij schijnt zwaar aan jicht te lijden. Iederen morgen
-rijdt hij naar Hyde-Park.”
-
-„Heb je dat allemaal van hier uit gezien?”
-
-„Dat allemaal, Charly—en nog veel meer.”
-
-„Bijvoorbeeld?”
-
-Brand brandde van nieuwsgierigheid.
-
-„Bijvoorbeeld heb ik nog opgemerkt, dat mijn asthmatische, rheumatische
-buurman een heele mooie, jonge vrouw heeft.”
-
-„Zoo!”
-
-Charly’s nieuwsgierigheid veranderde in belangstelling.
-
-„Ben je al— — —”, hij hield op, „— — —daar— —daar— —is ze dat?” vroeg
-hij eensklaps.
-
-Aan het tegenoverliggende venster verscheen een gestalte, in het wit
-gekleed, met lichtblond haar.
-
-De beide heren zagen duidelijk, dat zij opgewonden door de kamer liep
-en als in vertwijfeling de handen wrong.
-
-„Daar is ze”, sprak lord Lister, „wat zou haar schelen?”
-
-„Natuurlijk ruzie met haar man! Ze zal wel niet bijzonder gelukkig
-zijn!”
-
-„Dat is te begrijpen!”
-
-Daar kwam het blonde hoofd weer van achter de gordijnen te voorschijn.
-
-Een paar groote, bedroefde oogen keken den tuin in en langs het hek,
-dat het huis van den straatweg afsloot.
-
-„Als een gevangen vogel in een vergulde kooi,” vergeleek Charly.
-
-De witte gestalte ging in een leunstoel aan het venster zitten en
-verborg snikkend het gelaat in beide handen.
-
-Lord Lister keerde zich van het venster af en keek zijn vriend ernstig
-aan.
-
-„Een arme, lijdende vrouw—te midden van de weelderigste pracht, kon ik
-haar maar helpen!”
-
-„Dat is altijd jouw eerste gedachte!” sprak Charly, „Jij bent een
-menschenvriend van het zuiverste water, Edward! Overigens is het
-denkbeeld waarlijk nog niet zoo onuitvoerbaar. Jij kunt heel
-gemakkelijk als nieuwe buurman een bezoek afsteken en dan het terrein
-gaan verkennen.
-
-„’t Blijft natuurlijk nog een andere vraag of je kunt helpen!”
-
-„Ik kan het probeeren. Maar ik ben bang, dat men mij niet zal kunnen
-ontvangen. Een uitvlucht is makkelijk te vinden. De lord heeft drukke
-zaken—mevrouw heeft hoofdpijn, enzoovoorts!”
-
-Zijn vriend haalde de schouders op.
-
-„Ja, daarmee moet je natuurlijk rekening houden, Edward!”
-
-Een oogenblik aarzelde lord Lister.
-
-Hij keek nog eens naar de slanke gestalte aan den overkant.
-
-Toen stapte hij met resoluut gebaar zijn slaapkamer binnen.
-
-Hij was in elegant visite-toilet, toen hij weer te voorschijn kwam.
-
-Voor den spiegel strikte hij zijn das en uit een grooten flacon
-besprenkelde hij zich met een eigenaardig riekend parfum.
-
-Hij keek in den spiegel—en was tevreden. In zijn knoopsgat stak hij een
-prachtige orchidee, toen nam hij zijn handschoenen en sloeg er zijn
-vriend luchtigjes mee op den schouder.
-
-„Tot straks, Carlo mio!”
-
-„Jij bent een man van de daad, Edward!”
-
-Lord Lister verdween.
-
-Even daarna schelde Raffles aan het huis aan de overzijde aan.
-
-Een bediende in livrei opende en boog diep. Lord Lister gaf hem zijn
-kaartje. Hij volgde den livreibediende niet door het park, maar sloeg
-een zijweg in. Langs donkere dennen kwam hij over een smalle, witte
-brug van berkenhout die over een beek lag. Achter een boschje hoorde
-hij zeer luid snikken.
-
-Met een paar stappen was lord Lister op die plek en boog de takken uit
-elkaar. Op een steenen bank zat daar lady Daisy Montgomery, die den
-vreemdeling aanzag met een bleek, beschreid gelaat.
-
-„Vergeef mij mijn onbescheidenheid,” smeekte hij, zich voorstellend en
-hij vertelde, dat hij als buurman een bezoek kwam brengen.
-
-De blonde schoonheid trachtte zich te beheerschen, terwijl de lord haar
-vertelde dat hij het verrukkelijke park wat nader wilde bekijken en
-toen verdwaald was.
-
-Zij poogde te spreken, doch snikken belette haar voort te gaan en
-wanhopig zonk zij op de bank terug.
-
-„Mevrouw,” sprak de bezoeker geheel verward, „kan ik u misschien met
-iets van dienst zijn?”
-
-„Ja, help mij!” klonk het toen met wanhopigen schrei, „bevrijd mij van
-die duivel in menschengedaante!”
-
-Toen, plotseling opschrikkend, vervolgde zij:
-
-„Maar wat moet ge wel van mij denken. Ge kent mij niet eens!”
-
-Met zwakke, aarzelende stem vertelde zij hem haar lijdensgeschiedenis
-van heel haar ongelukkig huwelijk.
-
-Het was het oude lied—het oude leed.
-
-Een jonge, schoone, geestelijk hoogstaande vrouw was gekoppeld aan een
-ouden man, een man van laag gehalte, die, toen hij begreep, dat hij
-nooit haar liefde zou winnen, haar kwelde op alle mogelijke manieren.
-
-De maat van haar lijden was vol—en waar het hart van vol is, loopt de
-mond van over.
-
-Zij had zich voor haar familie opgeofferd.
-
-Haar vader, van ouden adel, was totaal geruïneerd. Hij had juist haar
-man een bezoek gebracht en dit had aanleiding gegeven tot een nieuwe
-scène.
-
-Lord Lister vroeg niet naar de reden van dit bezoek, toen lady
-Montgomery zweeg.
-
-„En is er niets, dat eenige vreugde brengt in uw treurig leven?”
-
-„Als mijn ouders slechts onafhankelijk van hem waren of als het hun
-slechts mogelijk was, weer in het bezit van hun kostbare
-familiejuweelen te geraken—”
-
-Het geluid van stemmen deed haar ophouden.
-
-„Het spijt mij, dat ik het niet met u eens ben, baron Bassing”, hoorde
-men iemand zeggen op hoonenden toon, „het is u zeker hetzelfde, op
-welke wijze ik de vordering heb ontvangen, een feit is het, dat zij
-bestaat. Een feit is het ook, dat ik totnogtoe geen cent heb
-teruggekregen. Ge hebt mij wel een onderpand gegeven, maar wat zijt ge
-nu verder van plan te doen?”
-
-Rillend verborg Daisy het gelaat in de handen.
-
-„Mijn man”, stamelde zij, „en mijn arme vader.”
-
-„Laat ons gaan, opdat wij geen ongewenschte toehoorders worden,” stelde
-lord Lister voor.
-
-Maar zij maakte een ontkennend handgebaar en tegelijkertijd klonk een
-zachte, welluidende stem.
-
-„Ge vergeet, Montgomery, dat mijn dochter Daisy, toen zij uw aanzoek
-aannam, de voorwaarde maakte— —”
-
-Een spotlach belette den baron verder te gaan.
-
-„De voorwaarde stelde—neen maar, die is goed! Dat lijkt op afpersing,
-baron! Ik heb destijds die vrouwengril ingewilligd. Natuurlijk denk ik
-er geen oogenblik aan, dat belangrijke ding uit handen te geven.”
-
-Een gloeiende blos kleurde het gelaat der schoone vrouw.
-
-Haar man vervolgde:
-
-„Ik geef u nogmaals een termijn, baron! Als ge dan uw verplichtingen
-weer niet nakomt, zijn de juweelen mijn eigendom geworden—”
-
-Men hoorde een heftige tegenspraak—toen waren de beide heeren
-voorbijgegaan.
-
-„Is het speelschuld?” vroeg lord Lister fluisterend.
-
-„Ja,” antwoordde Daisy en na een pauze vervolgde zij:
-
-„Ik heb mij opgeofferd, maar het offer bracht ik te vergeefs”.
-
-Met vlammende oogen richtte zij zich op.
-
-Haar schoonheid had op dat oogenblik iets duivelsch en in stomme
-bewondering volgden lord Listers oogen de lijnen van haar slanke
-gestalte met den gouden haartooi.
-
-„Het water steeg mijn vader tot de lippen, toen hij zijn hooge
-speelschuld moest betalen en om zich te redden, nam hij de hulp aan van
-Montgomery, die aanbood hem te helpen doch dit deed tegen ongelooflijke
-woekerwinsten.
-
-„Terwijl die geschiedenis zich afspeelde, kwam Montgomery natuurlijk
-druk bij ons aan huis. Den meesten tijd bracht hij dan door in de
-studeerkamer van mijn vader. Ook werd hij bij ons aan tafel genoodigd
-en dan legde hij tegenover mij steeds een dwaze galanterie aan den dag.
-
-„Ik nam natuurlijk die beleefdheid van den ouden heer heel nuchter op,
-totdat ik op zekeren dag moest ervaren, dat het bittere ernst was.
-
-„Op zekeren dag zocht hij mij in het park en toen maakte hij het mij
-zóó lastig, dat ik hem ruw terugwees.
-
-„Tandenknarsend ging hij heen en ik verkeerde in de veronderstelling,
-dat ik nu voorgoed van hem af was.
-
-„Maar de mensch wikt— — —
-
-„Intusschen scheen het, alsof de oude glans en praal weer terugkeerde
-in ons huis. Mijn ouders herleefden, mijn broer Guinny kon de
-officiersuniform blijven dragen, schulden werden gedelgd en nieuwe
-inkoopen gedaan.
-
-„Maar het geluk gaat op wieken en op zekeren dag was het weer
-weggevlogen.
-
-„Montgomery had verscheiden wissels van mijn vader opgekocht en bood
-deze nu aan op een tijd, toen onze financiën door beursspeculaties er
-allesbehalve gunstig voorstonden. Om de maat vol te meten kwam op
-zekeren avond mijn broer Guinny bleek en verstoord thuis en biechtte,
-dat hij duizend pond sterling had verspeeld. Hij smeekte vader, hem
-niet ongelukkig te maken en hem de som te verstrekken.
-
-„Zijn schuldenaar was—sir Montgomery!
-
-„O, hoe haat ik dien satan in menschengedaante, die de macht van het
-geld zoo schandelijk misbruikt!
-
-„Maar luister verder!
-
-„Mijn vader zette allen trots op zij en deelde Montgomery den juisten
-stand van zaken mee. Hij luisterde met over elkaar geslagen armen.
-
-„Toen vroeg hij een onderpand voor het geleende kapitaal en met
-bloedend hart gaf mijn vader hem de kostbare familiejuweelen.
-
-„Laat ik kort zijn!
-
-„De speelschulden van mijn broeder noodzaakten vader opnieuw aan te
-kloppen bij den schurk.
-
-„Tegen zijn verwachting werd hij terstond geholpen! Maar toen kwam het
-vreeselijke! Montgomery stelde een verschrikkelijke voorwaarde!”
-
-Door smart overweldigd zweeg lady Montgomery.
-
-Lord Lister greep haar smalle koude hand.
-
-„Ik weet nu alles, madame”, sprak hij op weeken toon, „hij vroeg u tot
-vrouw. Nietwaar?”
-
-Zij knikte droevig en een traan viel van haar lange wimpers.
-
-„God alleen weet, hoe ik geleden heb, voordat ik daartoe besloot,”
-fluisterde zij onder tranen, „dag en nacht heb ik gestreden, totdat ik
-toevallig in een aangrenzende kamer achter de portiêre er getuige van
-was, dat mijn vader de hand aan zich zelf wilde slaan.
-
-„Met één sprong was ik hem terzijde en ontrukte hem de revolver.
-
-„Deze beslissing werkte beslissend over mijn leven. Zonder mij nog een
-oogenblik verder te bedenken, nam ik het aanzoek aan, doch
-tegelijkertijd stelde ik de voorwaarde, dat de kostbare familiejuweelen
-weer aan mijn ouders zouden worden teruggegeven. De lord beloofde dit
-na het huwelijk te zullen doen.
-
-„Hij heeft zijn woord niet gehouden.”
-
-„Bewaart hij die juweelen zelf?” vroeg Lord Lister.
-
-„Ja,” antwoordde Daisy, „hij verbergt ze, alsof ze zijn eigendom waren,
-in een brand- en inbraakvrije kluis.”
-
-„Ik ga nu heen, madame,” sprak Lord Lister, „ge kunt steeds op mijn
-hulp rekenen.”
-
-„Daar komt mijn man terug,” viel ze hem in de rede. „Ik ga mijn armen
-vader opzoeken.”
-
-Met deze woorden verdween zij in het park, terwijl lord Lister den
-grondbezitter te gemoet ging, die het visitekaartje van den bezoeker in
-de hand hield.
-
-„Ik zoek u al geruimen tijd, lord, maar ik zie dat mijn echtgenoote u
-gezelschap heeft gehouden.”
-
-„Ja, die eer is mij te beurt gevallen. Ik had het genoegen—”
-
-Lord Montgomery viel hem in de rede.
-
-„Wij hadden eigenlijk al kennis met elkaar gemaakt, voordat gij mij een
-bezoek bracht,—al was het ook slechts op een afstand. Ik heb u reeds
-herhaalde malen bewonderd, als gij op uw prachtigen goudvos wegreedt.
-Maar laat ons in huis gaan,” liet hij er op volgen.
-
-De heeren gingen met elkaar naar binnen, en namen plaats in
-gemakkelijke fauteuils.
-
-„Gevoelde mijn vrouw zich niet al te wel?”
-
-„Neen, uw vrouw scheen zware hoofdpijn te hebben.”
-
-„Allemaal kuren, niets dan kuren. ’t Heeft natuurlijk weer geen zier te
-beteekenen,” sprak de liefhebbende echtgenoot.
-
-Lord Lister keek de kamer eens rond.
-
-Deze was met zware eikenhouten meubels gestoffeerd. Op een tafeltje,
-dat met parelmoer was ingelegd, stond een kostbaar kistje van gedreven
-zilver.
-
-Lord Lister bekeek het met belangstelling.
-
-„Bewaart ge uw schatten daarin?” vroeg hij langs zijn neus weg.
-
-„De hemel beware mij, dat zou immers onverantwoordelijk zijn,”
-antwoordde Montgomery, „die bewaar ik in een brand- en inbraakvrije
-kluis, hier onder deze kamer, in een getralied gewelf”.
-
-De heeren praatten nog geruimen tijd over de jacht en andere vermaken,
-tot lord Lister opstond om heen te gaan.
-
-„Dit wilde ik u nog zeggen,” sprak de gastheer, „vandaag over een week
-geven wij onze eerste groote partij.
-
-„De uitnodigingskaarten zijn nog niet verzonden,—maar ik hoop toch, dat
-wij op uw tegenwoordigheid mogen rekenen?”
-
-De oogen van Raffles schitterden even.
-
-Hij nam de uitnoodiging gaarne aan.
-
-De heeren wisselden nog eenige beleefdheden, en toen stond Raffles op.
-
-„Ik mag dus op u rekenen?”
-
-„Met veel genoegen.”
-
-Een bediende opende de deur, en terwijl hij zich verwijderde, zag lord
-Lister achter in het park de lichte japon der beklagenswaardige vrouw,
-naast een voornaam uitzienden heer, met witte haren.
-
-Charly Brand wachtte zijn vriend met gespannen belangstelling.
-
-Bij zijn thuiskomst liep hij naar hem toe, en keek hem nieuwsgierig
-aan.
-
-„Je komt laat Edward! Heb je wat nieuws gehoord daar aan den overkant?”
-
-„Ja, dat heb ik.”
-
-„Wat is het! Houd mij niet te lang in spanning?”
-
-Raffles dacht er niet aan, iets te vertellen.
-
-„Ik moet nu weg, Charly. Ga je een eindje met me mee?” — — — — — —
-
-
-
-
-
-
-
-
-TWEEDE HOOFDSTUK.
-
-IN HET HOL VAN DEN CYCLOOP.
-
-
-In het donkerste Londen, aan het eind van een duistere, morsige
-zijstraat, staat een oud, vervallen huis.
-
-Door de vensters, waarvoor geen gordijnen hangen, kijken dikwijls
-woeste, ruwe gezichten, als schelle hulpkreten door de straat snerpen.
-
-Dan luisteren die woestaards om te spieden of iets van hun gading is,
-en even later verdwijnen de gelaatstrekken weer.
-
-Iederen nacht vallen er slachtoffers in deze straat, maar nooit komt
-iemand de bedreigden te hulp, die in een donkeren hoek worden gelokt en
-dan worden uitgeschud en vermoord.
-
-Ontelbare boeven hebben hier hun schuilplaatsen in de vele kroegen. Ook
-in het oude huis op den hoek, voert een oude vervallen wenteltrap naar
-een kelderwoning, waar een kroeg wordt gehouden.
-
-Een goedgekleede jongeman was juist de trappen afgedaald.
-
-Beneden gekomen klopte hij drie keer aan.
-
-Onmiddellijk werd een grendel terzijde geschoven.
-
-Een luid hallo! begroette den binnentredende, die de pet van het blonde
-hoofd nam.
-
-„Alle drommels, oude jongen, slaap je? Zeg Cycloop, geef nu gauw een
-whisky!”
-
-De eenoogige herbergier haastte zich te brengen wat hem gevraagd werd,
-terwijl allen, die in de kroeg aanwezig waren in een kring zich
-schaarden om den blonden jongen.
-
-Nu verscheen de Cycloop met de gevulde glazen.
-
-Uit een ruw, onverschillig gelaat staarde een grijs-groen oog met
-bloederige randen uit de holte. De gladgeschoren vierkante kop stond op
-een langen hals. Zijn gestalte was hoog en stevig. Allen stootten aan.
-
-„Dat is een goede dag, kerels,” riep een klein mager mannetje uit.
-„Eerst heeft Zwarte Samuel een rondje gegeven, en nu zet Blonde Jimmy
-de kroon op het werk. Lang leven Blonde Jim en Zwarte Sam!”
-
-Ze stootten nogmaals aan.
-
-„Vertel eens op kerel, hoe ben je aan de duiten gekomen? Heb je ergens
-een lade gelicht?”
-
-De anderen brulden van pret.
-
-„Pas op,” riep Jim, „hou je bek, of ik sla er op.”
-
-„Ga zitten, Jimmy,” suste de Cycloop, „en vertel ons de geschiedenis
-van je mazzematten. Of wil je die bron net zoo geheim houden als Zwarte
-Sam?”
-
-„Ja, ik zal het jullie vertellen.” En Jim sprong op de massief
-eikenhouten tafel.
-
-„Ik zat dan weer eens voor den zooveelsten keer in nieuwe moeilijkheid
-en keek voortdurend te vergeefs uit naar een goed zaakje.
-
-„Ik ging wat bungelen voor de Washington-Street. En terwijl ik in de
-winkelvensters mijn mooie beeltenis sta te bewonderen, krijg ik
-plotseling een fijn idee. En nauwelijks is dat idee in mijn kop, of ik
-moest het ook uitvoeren, want het jeukte in al mijn vingers.
-
-„Vroolijk zwaaide ik mijn wandelstokje en neuriede een wijsje, terwijl
-ik een kleinen winkel binnentrad.
-
-„Met voorbedachten rade had ik geen groote zaak uitgekozen, omdat ik
-liefst zoo weinig mogelijk toeschouwers wenschte. Ik had mij er van
-overtuigd, dat binnen in den winkel slechts één persoon zich bevond,
-een jongen, met een gezicht vol zomersproeten en melkboerenhondenhaar.
-
-„Dus ging ik binnen.”
-
-„Wat verlangt mijnheer?”
-
-Met deze woorden kwam de sproetige naar voren.
-
-Lachend zette ik mijn cylinder op de toonbank. „Doe dien vol stroop,”
-beval ik.
-
-Hij keek me verbluft aan, en scheen aan mijn verstand te twijfelen.
-
-„Gauw een beetje,” zei ik, „het gaat om een weddenschap. Hier vlak bij,
-in Waterloo-Hotel! Gauw wat, ik heb geen tijd.”
-
-De sproetige grijnsde over zijn geheele gezicht.
-
-„Maar meneer, die mooie zijden hoed!”
-
-„Dat komt er niet op aan,” zei ik, „de weddenschap brengt me heel wat
-meer op.”
-
-Hij grijnsde met een mond, die tot zijn ooren wegtrok en begon achter
-de toonbank den hoed met de kleverige stof te vullen.
-
-„Wat kost het?” vroeg ik.
-
-„Precies een schilling”, antwoordde hij.
-
-Ik legde een banknoot van een pond op de toonbank, die ik even tevoren
-een dame had gerold.
-
-Langzaam trok hij de geldla open om mij terug te geven, maar in
-hetzelfde oogenblik greep ik den hoed vol stroop en stolpte hem dien
-krachtig over het hoofd!
-
-Ik verzeker jullie, jongens, dat het een allemachtig lollig gezicht
-was.
-
-Fluks haalde ik het geld uit de la, greep de pet van den jongen, die
-aan een spijker hing en maakte mij uit de voeten.
-
-De kerel kon niet schreeuwen, zijn mond was hem dichtgekleefd met een
-lekker zoet pleistertje en zien kon hij ook niets, want voor zijn oogen
-was het stikdonkere nacht!”
-
-De luisteraars hadden af en toe den verteller onderbroken door luid
-gelach, waaraan dit keer schier geen eind scheen te komen.
-
-„Hallo! Daar achter zit nog iemand!” riep Jimmy en inderdaad zat daar
-op een bank in elkaar gedoken, een eenzame gestalte.
-
-„Zeg, Heinrich, zit je te spinnen?” brulde een pokdalige kerel, en een
-tweede voegde erbij:
-
-„Zeg, Heinrich, met de gebeten wangen, treur je nog altijd om rooie
-Sien? Die komt toch niet terug!”
-
-„Kom, drink eens leeg”, moedigde Jim hem aan, terwijl hij hem bij den
-arm greep.
-
-Een somber, verstoord gezicht, op een der wangen een vreemd litteeken,
-als veroorzaakt door een menschenbeet, keek op.
-
-„Wat is er met rooie Sien?” vroeg Jim.
-
-„Die is er vandoor gegaan,” antwoordde een der anderen met ruwen lach,
-maar Charles, een monteur, verklaarde:
-
-„Sien was Heinrichs liefje. Kort geleden hebben ze samen juweelen
-gestolen. Iederen dag hadden ze ruzie om de verdeeling van den buit,
-totdat rooie Sien een paar dagen geleden plotseling verdwenen is— —”
-
-In hetzelfde oogenblik had een der kerels een gummistok opgenomen, die
-op tafel lag.
-
-Hij hield het gevaarlijke wapen als een fluit voor den mond, en terwijl
-hij op smachtenden toon een bekend wijsje floot, begon Zwarte Sam te
-zingen:
-
-
- „Ach, waar is zijn liefje gebleven,
- Ach waar is zijn brave vrouw,
- Lief Sientje heeft snood hem verlaten,
- Zij bleef hem niet langer trouw!”
-
-
-En de heele bende viel in koor in:
-
-
- „Lief Sientje heeft snood hem verlaten
- Zij bleef hem niet langer trouw!”
-
-
-„Ellendelingen!” brulde de geplaagde, terwijl hij, de vuisten gebald,
-opsprong.
-
-De toornader op zijn voorhoofd was hoog gezwollen, de verglaasde oogen
-schenen uit het hoofd te zullen vallen. Een dierlijke woede sprak er
-uit zijn trekken.
-
-Hij vloog op Zwarte Sam af en greep hem in de keel.
-
-„Halt!” donderde plotseling een doordringende mannenstem.
-
-Verschrikt stoven allen uit elkander.
-
-„De groote onbekende!” werd gefluisterd.
-
-Hoog opgericht stond daar een slanke mannengestalte in elegant pak, het
-gelaat verborgen achter een zwart masker.
-
-Weelderig donker haar kwam onder zijn cylinder vandaan. Zijn slanke
-gestalte gaf hem iets vorstelijks.
-
-Zonder een enkel woord te spreken, keek hij dreigend van den een naar
-den ander, toen verdween hij.
-
-De cycloop schonk aan het buffet verschillende dranken in en volgde
-toen den vreemdeling.
-
-De anderen spraken slechts fluisterend.
-
-Heinrich met de gebeten wang was al weer vergeten.
-
-Daar kraakte de deur opnieuw.
-
-„Jim en Jack, ga naar binnen”, meldde de cycloop.
-
-Het tweetal haastte zich, aan dit bevel gehoor te geven.
-
-Zij gingen de deur uit en kwamen in een donkere gang, waar zij vlak
-achter elkander loopend, voorzichtig voortschoven.
-
-Matrozen-Jack scheen den weg beter te kennen dan Jim. Hij bracht den
-kameraad zwijgend door een doolhof van gangen.
-
-„Zie je, Jack,” viel Jim eensklaps in, „’t is toch een groote eer voor
-ons, dat de chef juist ons liet roepen.”
-
-„Hou je bek,” snauwde Jack.
-
-Zij hielden stil voor een deur.
-
-Jack klopte drie keer.
-
-„Binnen”, klonk een metalen geluid.
-
-Zij openden de deur en betraden een elegant gemeubelde kamer.
-
-Op een tafel stonden de dranken, door den cycloop ingeschonken, voorts
-een nog onaangeroerd ontbijt, een flesch wijn en een kistje sigaren.
-
-John Raffles, de gemaskerde, zat in een leunstoel.
-
-„Goeden avond,” sprak hij.
-
-Voor hem op tafel lagen klinkende, nieuwe inbrekerswerktuigen en in een
-hoek naast de kachel stond een groote, geopende koffer, waarin een
-zuurstofapparaat van de nieuwste vinding zich bevond.
-
-„Gaat zitten,” zei Raffles met een uitnoodigende handbeweging.
-
-Hij schoof het kistje sigaren naar het tweetal toe, dat zich bediende
-en dankend boog.
-
-Eerst toen het tweetal rookend was, begon de meesterdief te spreken.
-
-„Ik heb een grootsch plan,” begon hij, „waarbij ik een paar van jelui
-noodig heb.
-
-„Hoe staat het met jullie instrumenten?”
-
-Matrozen-Jack grijnsde.
-
-Toen keek hij met begeerigen blik naar het werktuig, dat op tafel lag.
-
-„Bij de laatste inbraak heb ik al mijn beste spulletjes er bij
-ingeschoten, chef!”
-
-John Raffles nam een paar van de stalen voorwerpen en overhandigde ze
-den verheugden Jack.
-
-Ook Jim werd van het noodige voorzien.
-
-„En nu kunnen we overgaan tot de orde van den dag,” merkte hij op, „de
-plaats voor jullie werk is het huis van lord Montgomery. ’t Is te doen
-om kostbare familiejuweelen!
-
-„De kast, die geopend moet worden, is van het allernieuwste systeem.
-Zij staat in het gewelf, dat in het sousterrain is gelegen. Morgen is
-er een groote partij, de nachtelijke uren tusschen elf en één is de
-beste tijd om den slag te slaan.”
-
-Hij stond op en grendelde de deur.
-
-Op fluistertoon ging hij toen verder.
-
-Geruimen tijd later gingen de bezoekers weg, en door de donkere gangen
-bereikten zij al spoedig hun kameraden weer.
-
-De handen op den rug, liep de groote onbekende de kamer op en neer.
-
-Voor den koffer bleef hij toen staan en keek naar den inhoud.
-
-„Wij zullen de familie Bassing weer in het bezit stellen van haar
-eigendommen, oude vrek”, mompelde hij tusschen zijn witte tanden.
-
-Zijn oogen fonkelden achter het zwarte masker, zijn borst zwoegde.
-
-Een zilveren pendule sloeg het middernachtelijk uur.
-
-De kaarsen in de zilveren kandelaars flikkerden en wierpen onzeker
-lichtschijnsel op het schoone, zwart gemaskerde gelaat.
-
-Buiten huilde de storm en de kleine keldervensters klapperden achter de
-kostbare gordijnen.
-
-Raffles was naar de schrijftafel gegaan en ging er voor zitten.
-
-Uit een ivoren kistje nam hij papier en enveloppen. Het was fijn,
-sterk—zwart papier. Links boven in den hoek waren twee, in goud
-uitgevoerde inbrekerswerktuigen als initialen door elkaar geslingerd en
-daaronder het gouden monogram J. C. R.
-
-In den schedel van een doodshoofd die voor inktkoker diende, doopte hij
-een pen en met rooden inkt schreef hij op den zwarten ondergrond.
-
-Daarna zegelde hij den brief en drukte op den knop van een electrische
-schel.
-
-De Cycloop verscheen op den drempel.
-
-„Post dezen brief!” beval Raffles op korten toon, „en laat Jim en Jack
-weer boven komen om proeven te nemen met het termit-apparaat.”
-
-Een oogenblik later verscheen het tweetal opnieuw.
-
-Een pantserplaat werd tegen den muur gezet en ijzeren, met zuurstof
-gevulde flesschen klaar gemaakt.
-
-Een gummislang werd met den inhoud der flesschen in verbinding gebracht
-en het uiteinde aan een blaas bevestigd. Uit de zuurstof kwam een
-sterke, sissende vlam te voorschijn. Een gedeelte van de pantserplaat
-werd nu bestreken met termit, een smeltmiddel en de vlam op deze plaats
-gericht.
-
-Spookachtig klonk het sissen der vlam en het boren der
-inbrekerswerktuigen door de stilte van den nacht.
-
-„Moeten wij de ijzeren flesschen ook meenemen?” vroeg Jim den
-meesterdief op fluistertoon.
-
-„Neen”, antwoordde deze kalm, „wij nemen alleen breekijzers, boren en
-schroeven mee.”
-
-Er viel iets op den grond.
-
-Uit den broekzak van Matrozen-Jack was bij het bukken een gummistok
-gegleden.
-
-„Wat is dat?” vroeg Raffles. „Maak jij van zulke instrumenten gebruik,
-ouwe jongen? Pas op, Jack, wees voorzichtig! Doe geen dingetjes, die
-niet geoorloofd zijn in mijn dienst, want dan heb ik je niet meer
-noodig! Een laffe moordenaar behoort niet bij mijn mannen! Een
-menschenleven is ons heilig!”
-
-De morgen daagde reeds, toen de mannen heengingen— —
-
-
-
-
-
-
-
-
-DERDE HOOFDSTUK.
-
-DE RHAPSODIE VAN LISZT.
-
-
-„Wel, lord Hoensbrook”—onder dezen titel was John C. Raffles
-geïntroduceerd—„wat ge daar vertelt van naastenliefde en humaniteit
-zijn dwaze droomen van een idealist!”
-
-Het was Montgomery’s vette stem, die deze woorden sprak, „dat zijn
-dingen, die niet meer thuis hooren in de huidige samenleving. Onze
-wereld is modern, menschenliefde is uit den booze. Gij zijt nog jong,
-gij kent de menschen nog niet! Ik voor mij ben het principe toegedaan
-om niet te veel te kijken naar links en naar rechts. Ik zorg voor mij
-zelven!”
-
-En lord Montgomery streek eens langs zijn kalen schedel.
-
-„Maar ik weet, lord Hoensbrook,” vervolgde de oude, „dat uwe
-levensprincipes heel andere zijn. Hoe komt dat zoo?”
-
-„Omdat ik vind, dat egoïsme steeds berust op een minderwaardig
-karakter!”
-
-„Zóó, meent ge dat? Laat ons daarover maar niet strijden. Ik zie, dat
-men aanstalten maakt om aan tafel te gaan en eerlijk gezegd, geef ik
-meer om truffels, oesters en champagne dan om de heele moderne
-wereldhervorming!”
-
-Raffles deed zich alle geweld aan om hoffelijk te blijven.
-
-„Ge moet niet al te zeer gesteld zijn op lekkere beetjes, lord
-Montgomery,” schertste hij. „Een aardig gezegde luidt:
-
-
- „Verwen je buik niet al te zeer,
- Hij is een ondankbare gast,
- Als ge ’t lekkerste hem geeft
- Is hij u ’t meest tot last!”
-
-
-„Dat is waar, dat is volkomen waar—en ’t is heel aardig ook,” lachte
-lord Montgomery op kirrenden toon.
-
-Zij voegden zich bij de andere gasten.
-
-Alle kamers waren helder verlicht.
-
-Geluidloos liepen de bedienden af en aan.
-
-Alle gasten schenen aanwezig te zijn.
-
-Montgomery gaf alleen dergelijke feesten, omdat zijn mooie, jonge vrouw
-erop aandrong. Gastvrijheid behoorde nu eenmaal niet tot zijn deugden.
-
-Vele dames waren aanwezig, doch de schoonste van alle was verreweg lady
-Daisy.
-
-Haar lang, slepend gewaad van zeegroene zijde was geborduurd met
-zilveren waterlelies. Haar schoone, weemoedige oogen zochten lord
-Lister.
-
-Hij was de aangebeden lieveling der vrouwen en ook hedenavond weer was
-hij het middelpunt der dames.
-
-Na het diner ging het gezelschap naar de muziekzaal, waar een heerlijke
-Bechstein-vleugel tot spelen noodde.
-
-Lord Lister was naar den rooksalon gegaan, waar hij een Havanna opstak.
-
-Daarna betrad hij het balkon. Haastig keek hij rond en boog zich toen
-voorover.
-
-Van buiten af klonken, op meesterlijken toon gefloten, de eerste maten
-van de bekende Hongaarsche Rhapsodie van Liszt.
-
-In de schaduw tegen een palm geleund luisterde hij en toen de tonen
-ophielden, floot hij klaar en duidelijk de melodie verder.
-
-Daarna ging hij naar de muziekzaal terug, waar op levendigen toon werd
-gedebatteerd over Sonaten van Beethoven en Wagneriaansche muziek.
-
-Een oogenblik luisterde hij zwijgend, daarop wendde hij zich tot een
-der hem omringende dames.
-
-„Zult gij ons niet eens het genoegen verschaffen, lady Mountleroy, om
-iets voor ons te spelen?”
-
-„O”, lachte de dame, „ik speel afschuwelijk!”
-
-„Vischt ge naar complimentjes, madame?” vroeg hij, zich vooroverbuigend
-en de dame in de oogen kijkend.
-
-„Neen, o, neen, ik haat vleierij, lord — —”
-
-„Lord Hoensbrook!” smeekten thans wel twintig stemmen. „Speelt gij eens
-iets voor ons!”
-
-Lachend liet Raffles zich naar den vleugel dringen.
-
-Ook de heeren waren nu naderbijgekomen.
-
-Zachtjes preludeerde Hoensbrook.
-
-— — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — —
-— — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — —
-— — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — —
-
-„Maar dat is ongelooflijk, dat is om dol te worden!”
-
-„Ja, die brutaliteit gaat toch te ver!”
-
-Met deze woorden traden eenige heeren nog binnen.
-
-„Welke brutaliteit?” vroeg een der gasten.
-
-„Weet ge het nog niet?” vroeg Montgomery.
-
-„Neen!”
-
-„Ik heb vanmorgen den zwarten brief gekregen”.
-
-Hoensbrook preludeerde verder.
-
-Hij verstond ieder woord, hoewel de heeren zachtjes spraken.
-
-„De zwarte brief? Wat is dat? Ik heb wel eens van een blauwbrief
-gehoord—” zei een jong officier.
-
-„Met een zwarten brief”, verklaarde de gastheer, „kondigt de beruchte
-inbreker John Raffles telkens zijn bezoek aan.”
-
-„Maar dat is interessant, en gij— —”
-
-„Sst, zachtjes! Anders worden de dames ongerust! Ja, hij heeft mij zijn
-bezoek aangekondigd. Natuurlijk heb ik dadelijk een detective besteld
-om mijn brandkast te bewaken. Voor vandaag nu alles op de been is,
-achtte ik zooiets niet noodig. Maar voorzichtigheid hindert nooit, ik
-heb twee bedienden de wacht laten houden in het portaal!”
-
-Hoensbrook lachte even.
-
-„Lord Hoensbrook,” vroeg een dame, wie het preludeeren te lang duurde,
-„wat zult ge straks gaan spelen?”
-
-„Wilt ge een rhapsodie van Liszt?” vroeg hij.
-
-„Dolgraag!”
-
-Allen stemden mee in.
-
-En plotseling speelde Hoensbrook met sterken aanslag.
-
-Meesterlijk vertolkte hij de woeste, bruisende melodie, de schoone
-muziek, die alles overstemde en die iedereen dwong tot ademloos
-luisteren.
-
-Hij werd met loftuitingen overladen.
-
-Een dame nam zijn plaats in om een lied van Mendelssohn te zingen.
-
-Onderwijl verliet Hoensbrook stil de kamer.
-
-
-
-
-
-
-
-
-VIERDE HOOFDSTUK.
-
-EEN BRUTALE INBRAAK.
-
-
-Vlug snelde Raffles de kamers door en vloog toen de trap af.
-
-Hij ontmoette geen sterveling, en zoo kwam hij in het gewelf, waar de
-brandkast stond met de juweelen.
-
-Uit zijn zak haalde hij een looper te voorschijn en onhoorbaar wist hij
-zich toegang te verschaffen tot de kluis.
-
-Daar zag hij twee donkere gedaanten, die bezig waren,
-inbrekerswerktuigen gereed te leggen.
-
-Toen Raffles binnenkwam, keken Jack en Jim doodelijk verschrikt op.
-
-Zij maakten zich al klaar om den onwelkomen gast te lijf te gaan.
-
-Maar Raffles floot zachtjes.
-
-„O, chef”, stamelde Jack, „ik dacht, dat we gesnapt waren!”
-
-„Heb jullie gedaan, zooals ik gezegd heb?”
-
-„Ja, meester! Wij hebben, toen gij dat woeste stuk op de piano’s
-speeldet, de ijzeren tralies doorgevijld. Toen ging verder alles goed”.
-
-Raffles lachte.
-
-Hij keek naar de doorgevijlde tralies, die netjes weer op hun plaats
-waren gezet.
-
-Daar ontdekte hij plotseling de roerloos uitgestrekte gestalte van den
-detective.
-
-„Wat is dat?” vroeg hij op korten toon.
-
-Jack keek om.
-
-„Wat is dat? Spreek op!”
-
-„Chloroform, chef!”
-
-„Dan komt de man gauw weer bij”.
-
-„Niet zoo heel gauw!”
-
-„Waarom niet?”
-
-„Ik heb hem op z’n kop getimmerd!”
-
-„Waarmee?”
-
-„Met den zandzak!”
-
-„Had dat niet anders gekund?”
-
-Raffles keek verstoord.
-
-„Onmogelijk, chef!” antwoordde Jack. „Ik dacht, dat de chef tevreden
-zou zijn over ons werk.
-
-„Toen wij de tralies hadden doorgevijld, kropen we door het venster.
-
-„In hetzelfde oogenblik echter sprong een kerel naar ons toe.
-
-„Ik hield hem toen dadelijk een spons met chloroform onder den neus,
-waarna hij bewusteloos neerviel.
-
-„Om zeker te zijn van onze zaak, heb ik hem nog even op den kop getikt.
-
-„Maar er zal hem geen kwaad geschieden, chef!”
-
-„Kom, jongens, dan aan ’t werk”, sprak Raffles, die zijn rok uitdeed en
-deze voor het venster hing, opdat alles ongestoord kon geschieden.
-
-Jack onderzocht de ijzeren brandkast en Jim bracht het termitapparaat
-in orde, terwijl Raffles een gasvlam ontstak.
-
-„De gummislang”, beval hij.
-
-Jim reikte deze aan.
-
-Jack had de goede plaats al gevonden, waar het ijzer het gemakkelijkst
-kan worden afgesmolten.
-
-„Vooruit!”
-
-Raffles oogen schitterden.
-
-Nu was hij, de meesterdief, de gentleman-inbreker weer in zijn element.
-
-Hij deelde bevelen uit, hij nam de gummislang en liet de vlam suizen
-langs de door Jack aangewezen, niet termit bestreken plek.
-
-Geluidloos arbeidde hij voort, niets werd vernomen dan het sissen der
-vlam.
-
-Aan de deur luisterde Jim en Jack volgde met de grootste belangstelling
-het werk van den meesterdief.
-
-In het park ruischten de boomen in de avondkoelte, een hond blafte.
-
-Van boven af klonk het gedempte gezang door in Raffles’ ooren, maar
-overigens was alles rustig.
-
-Plotseling werden stemmen vernomen.
-
-In een oogenblik had Raffles het gas uitgedraaid en in volslagen
-duisternis stonden de drie mannen ademloos te luisteren.
-
-„Die oude kerel is toch wel benauwd voor zijn kostbaarheden”, klonk de
-stem van een bediende, „wij moeten hier staan smachten om de dieven af
-te weren, in plaats dat we in de keuken ons kunnen te goed doen aan
-gebraad en wijnresten.”
-
-„Kom, James, laat ons maar naar de keuken gaan”, zei de ander, „geen
-sterveling zal er iets van merken!”
-
-„Wel, natuurlijk! Er gebeurt niets!”
-
-„Ga je mee?”
-
-„Ja!”
-
-De mannen trokken af.
-
-Het licht ontvlamde weer. De gasvlam lekte met begeerige tong langs het
-metaal, als wilde zij met geweld in het ijzer dringen.
-
-Het drietal werkte zwijgend voort.
-
-„Nu zullen we niet meer gestoord worden”, fluisterde Jack met een
-grijns.
-
-Raffles antwoordde niet.
-
-Hij was veel te druk aan het werk. De staalplaat werd hoe langer hoe
-dunner.
-
-Buiten blafte nog steeds de hond.
-
-„Die schijnt lont te hebben geroken”, fluisterde Jim.
-
-„Niet benauwd worden”, lachte Raffles, „ben je bang voor de
-gevangenis?”
-
-Jim werd rood.
-
-Hij voelde zich gekrenkt in zijn inbrekerseer.
-
-„Er kan wel eens een agent buiten staan en dan zou het jammer zijn van
-al de moeite”, verontschuldigde hij zich.
-
-„Gauw het breekijzer, Jack”, beval Raffles.
-
-In het ijzer vertoonde zich nu een groot gat.
-
-Jack reikte het breekijzer over.
-
-„Nu voorzichtig!”
-
-Raffles nam het werktuig.
-
-Een ruk—een kort gekraak—de kast was open!
-
-Kalm onderzocht Raffles den inhoud.
-
-Aan baar geld was er niet al te veel, ongeveer 500 pond.
-
-In een hoek echter stond een groot étui van lila fluweel.
-
-Raffles opende het. Daar lagen de juweelen van Daisy’s familie.
-
-Voorzichtig sloot hij het étui.
-
-Daarna nam hij een handvol banknoten en verdeelde ze onder zijn bende
-helpers, die onder stormachtige dankbetuigingen het loon aanvaardden.
-
-Het etui liet Raffles in zijn borstzak glijden.
-
-„Zorgt nu, dat je hier heelhuids vandaan komt,” zei hij tot Jim en
-Jack.
-
-Hij zelf deed zijn rok weer aan, opende behoedzaam de deur en kwam zoo
-ongezien weer in de veranda, waar hij in een leunstoel ging zitten als
-om eens volop te genieten van den heerlijken zomernacht.
-
-Hij keek den straatweg op.
-
-Twee donkere gedaanten verlieten zoo juist het park en verdwenen snel.
-
-„Zoo, lord Hoensbrook, zit ge hier te dwepen in den maneschijn, terwijl
-de dames naar u uitzien en verlangen?”
-
-Een jong grondeigenaar sprak hem aldus aan. „En weet ge al dat er voor
-de dames een waarzegster komt?”
-
-„Ja, dat weet ik, lady Montgomery sprak er mij eenige dagen geleden
-over!”
-
-„’t Is natuurlijk een kolossale onzin, zoo’n waarzeggerij, vindt ge ook
-niet, lord Hoensbrook?”
-
-„Och, de waarzeggerij van tegenwoordig is al niet veel anders dan die
-van het orakel van Delphi. Zoo’n beetje kijk hebben in de toekomst,”
-antwoordde de gevraagde.
-
-
-
-
-
-
-
-
-VIJFDE HOOFDSTUK.
-
-DE HEKS VAN SUFFEX.
-
-
-Jack en Jim snelden voort.
-
-Toen zij, een eind achter het station, aan een kruisweg kwamen, namen
-zij afscheid van elkander en Jim ging in een droge sloot op den loer
-liggen.
-
-Geen geluid werd gehoord.
-
-Hij keek op zijn horloge. Het was kwart voor twaalf.
-
-Daar kwam iemand langs de sloot, het was een oude vrouw.
-
-Bliksemsnel sprong Jim op.
-
-De oude deinsde verschrikt achteruit.
-
-„Hallo! Oude heks, waar ga je naar toe?”
-
-„Naar het kasteel, ik moet den mooien dames de toekomst voorspellen.”
-
-In een oogenblik had Jim de oude gebonden en in de sloot gesleurd.
-
-„Hou je bek, ouwe, of ik vel je neer. Geef mij dadelijk je
-bovenkleeren!”
-
-Bevend aan alle leden ontdeed de vrouw zich van haar bonten halsdoek,
-jak en rok. Daarna knoopte zij ook haar hoofddoek af.
-
-Jim nam alles op en begon zich te verkleeden.
-
-Den hoofddoek trok hij diep in de oogen, daarna haalde hij een doosje
-okerextract voor den dag en wreef zijn gelaat daarmee in, zoodat hij
-niet meer van een oud zigeunerwijf was te onderscheiden.
-
-Hij legde de oude vrouw gebonden neer en wierp zijn jas over haar heen.
-
-„Ziezoo, ouwe draak, nu zul je tenminste niet bevriezen,” hoonde hij,
-„over een poosje krijg je je lompen terug!”
-
-Hij ging den weg, dien hij gekomen was en een poosje later stond hij
-voor het huis van Montgomery, dat de oude als „het kasteel” had
-aangeduid.
-
-Op de veranda zag hij twee heeren staan.
-
-In de een herkende hij terstond Raffles en ook deze had hem opgemerkt.
-
-Een lachje speelde om lord Listers schoon gevormden mond.
-
-„Het wordt koel,” sprak de jonge grondeigenaar, „laat ons naar binnen
-gaan, voordat wij verkouden worden.”
-
-„Verkouden? Het is hier zoo verrukkelijk mooi in dezen heerlijken
-zomernacht.”
-
-Daar sloeg de torenklok met metalen slag het middernachtelijk uur.
-
-„Hu! Het spookuur!” lachte Raffles.
-
-„Nu zullen wij een grap beleven, als de oude Zigeunerin komt,” zei de
-ander.
-
-Geluid van stemmen drong tot hen door.
-
-„Zij schijnt er al te zijn, lord Hoensbrook! Gaat ge mee?”
-
-„Maar natuurlijk!”
-
-Arm in arm traden de heeren den salon binnen.
-
-Daar wachtte hun een alleraardigste aanblik.
-
-De lichten der gaskronen waren neergedraaid en in de zaal heerschte een
-schemerachtig licht, dat sprookjesachtig mooi werd, doordat de volle
-maan haar stralen liet vallen door de hooge vensters.
-
-In een grooten kring waren de stoelen geschaard, waarop de gasten
-hadden plaats genomen.
-
-De dames fluisterden en babbelden met elkander en keken evenals de
-heeren, in gespannen verwachting naar de deur.
-
-„Is het een heusche Zigeunerin?” vroeg een dame aan lady Montgomery.
-
-„Men heeft het mij verteld,” antwoordde deze, „ik heb haar niet
-gezien.”
-
-Er werd op de deur geklopt.
-
-„Binnen! Binnen!” klonk het uit een dozijn kelen tegelijk.
-
-Een vrouw trad binnen, gekleed in bonte doeken.
-
-Een oogenblik keek zij de zaal rond, toen naderde zij langzaam.
-
-Gespannen stilte ontstond.
-
-„Schoone dames! Trotsche heeren! Zladwiga, de heks van Suffex, brengt u
-den nachtelijken groet!” sprak zij.
-
-„Goeden avond! Goeden avond!” klonk het vroolijk terug.
-
-De dames waren, dol nieuwsgierig, opgestaan.
-
-Zij verdrongen zich om de bonte gedaante.
-
-Allen strekten haar de hand toe.
-
-De zotste dingen werden verteld. Een dame, die al zes jaar getrouwd en
-moeder van drie kinderen was, moest hooren, dat zij spoedig zou
-vereenigd worden met den man harer keuze, en toen men de Zigeunerin
-vertelde, dat de dame al lang getrouwd was, maakte zij er zich met een
-grapje af.
-
-„En wat is mijn noodlot?” klonk de sonore stem van Raffles, die ook bij
-de groep was komen staan.
-
-„Laat uw hand zien!” beval de Zigeunerin.
-
-Een oogenblik bekeek zij de fijne, blanke rechterhand van Raffles.
-
-Toen sprak zij op plechtigen toon, nadat zij drie keer een kruis had
-geslagen:
-
-„Je zult een rijk man worden!”
-
-„Dat is hij al,” klonk een stem uit het gezelschap.
-
-De pseudo-zigeunerin liet zich echter niet storen.
-
-Zij sloot de oogen en sprak toen:
-
-
- „Wat zie ik?
- Er bloeit een blauwe bloem,
- Een bloem van het geluk.
- Zij bloeit voor u!
- Voor u, schoone man!
- Een engel met blonde lokken,
- Een engel lief en rein,
- Zal de uwe zijn!”
-
-
-Allen verdrongen zich nu om haar.
-
-„Zeg eens, heks, welk lot wacht mij?” vroeg de vette stem van
-Montgomery.
-
-De heks nam ook zijn hand.
-
-„O, wat zie ik?” riep zij plotseling uit, „arme, oude man.”
-
-
- „Bedek je aangezicht!
- Je toekomst in de doodkist ligt.
- De wind huilt en blaast,
- De storm woedt en raast,
- Zilveren maneschijn.
- Kijkt in kast,
- Leeg is de kast,
- Weg de gouden last.
- Arme, oude heer,
- Je bezit geen juweelen meer!”
-
-
-„Wat is dat?” brulde Montgomery.
-
-„Maar lord Montgomery, je gelooft die nonsens toch niet?” vroeg een
-oude generaal.
-
-„Maar de brief! De zwarte brief! Dat is een wonderlijke samenloop van
-omstandigheden!”
-
-Er volgde luid geschreeuw.
-
-De heeren lachten om de dwaasheid en vonden het een kostelijke grap.
-
-De dames lieten kleine gilletjes hooren en het slot was, dat men in
-optocht naar de kluis ging in het keldergewelf.
-
-Vol spanning wachtten allen op de dingen, die komen zouden.
-
-Eindelijk was de ijzeren deur bereikt.
-
-Montgomery zocht in zijn zak naar den sleutel.
-
-Hij was zenuwachtig geworden en vertrok krampachtig zijn gezicht.
-
-Eindelijk vond hij den sleutel en stak dien in het slot.
-
-Hij werd krijtbleek.
-
-„Alle duivels! De sleutel past niet meer!”
-
-„Ge ziet spoken!” kalmeerde een oud-militair, „ge windt u op voor
-niets!”
-
-„Mag ik het misschien eens probeeren?” vroeg lord Hoensbrook op
-hoffelijken toon.
-
-Montgomery trad achteruit.
-
-Met ingehouden adem, inwendig schuddend van lachen, probeerde hij den
-sleutel om te draaien—tevergeefs.
-
-„Dat is heel wonderlijk”, fluisterden de gasten.
-
-„’t Is onmogelijk!” sprak een jong officier. „Laat mij het eens
-probeeren!”
-
-Hij deed het.
-
-Oók zonder resultaat.
-
-„Misschien is de deur niet eens gesloten, duw er eens tegen”, ried de
-jonge grondbezitter.
-
-De luitenant deed het.
-
-„Krak!”
-
-Daar vloog de deur al open.
-
-Allen drongen binnen.
-
-„Licht!” schreeuwde Montgomery, buiten zichzelf.
-
-Dat werd gebracht en het bescheen het lijkbleeke gelaat van den
-detective, die nog altijd uitgestrekt op den grond lag.
-
-De dames gilden nu verschrikkelijk.
-
-Sommigen vielen flauw.
-
-Lady Daisy, met marmerbleek gelaat, trad de kluis binnen en tastte
-rond.
-
-„De juweelen!” stamelde zij, „groote God! Ze zijn verdwenen!”
-
-Haar oogen sloten zich en zij zou zijn neergezonken als lord Hoensbrook
-haar niet ondersteund had.
-
-„Bestolen! Bestolen!” brulde de lord. „Ik ben bestolen! Schandelijk
-beroofd! De juweelen, die hier geborgen waren, vertegenwoordigden
-alleen al de waarde van een half millioen!”
-
-Bijna huilend van woede, als een gewond dier, vloog de oude lord van
-den eenen kant naar den andere.
-
-„Ellendelingen!” schreeuwde hij tegen de bedienden, die met kaarsen het
-heele geval hadden bijgelicht. „Ellendelingen, zoo hebt jullie dus je
-plicht gedaan!”
-
-In zijn razende woede trok hij hun de kandelabres uit de hand en
-slingerde ze hen naar het hoofd.
-
-Gelukkig voor de beide mannen, misten de zware bronzen voorwerpen hun
-doel.
-
-Zij vlogen rakelings langs hen heen en vielen kletterend op den grond
-neer.
-
-„Steek het gas aan!” beval de lord.
-
-Al de gasten hadden, in wijden kring geschaard, het geheele tooneel
-aangezien.
-
-Een der heeren trachtte nu de vensters te sluiten.
-
-Plotseling boog hij zich voorover en riep:
-
-„De dieven zijn door het raam gekomen, dames en heeren. Kijk eens hier,
-de tralies zijn doorgevijld!”
-
-Allen gingen thans naar de keldervensters toe om zich te overtuigen van
-deze brutale daad.
-
-Terwijl het bovenbeschrevene voorviel in het keldergewelf van het
-prachtige huis, rende Jim in de kleeren van de oude zigeunervrouw naar
-de droge sloot.
-
-De geknevelde vrouw lag daar nog in dezelfde houding.
-
-Met een enkelen sprong was hij in de sloot.
-
-„Het spelletje is uit, moedertje,” sprak de inbreker, terwijl hij de
-vrouw los bond.
-
-„Ziezoo, trek nou je kleeren weer aan, hier heb je ook een hartig
-slokje en daar nog een kleinigheid voor je moeite!”
-
-Jim haalde zijn beurs te voorschijn en gaf de oude een banknoot van
-tien dollar. Daarna rende hij weg.
-
-Hoofdschuddend keek de oude vrouw hem na, toen bekeek zij den banknoot
-en ging naar haar armelijke woning.
-
-In het groote heerenhuis werd intusschen over niets anders gesproken
-dan over deze brutale inbraak.
-
-Ieder had er zijn meening over, zooals het steeds in dergelijke
-gevallen gaat, en eenigen van het gezelschap waren er van overtuigd,
-dat de oude heks meer van het geval wist.
-
-
-
-
-
-
-
-
-ZESDE HOOFDSTUK.
-
-EEN GEHEIMZINNIGE ZENDING.
-
-
-De volgende morgen brak aan en over het groote heerenhuis bleef de
-geheimzinnige sluier hangen van de misdaad, die den vorigen dag was
-gepleegd.
-
-In de eetzaal brandde een knappend vuurtje, dat, hoewel het nog slechts
-in den nazomer was, toch bijzonder aangenaam aandeed.
-
-Om de groote eikenhouten tafel hadden zich de gasten verzameld, die een
-slapeloozen nacht hadden doorgebracht, wakend met den gastheer, om de
-inbrekers, zoo dezen mochten opdagen, terstond te arresteeren.
-
-De meeste gasten hadden terstond haar huis willen gaan, toen de
-vreeselijke geschiedenis aan het licht was gekomen, doch lady Daisy had
-met tranen in de oogen gesmeekt, dat men niet zou heengaan.
-
-Zoo waren de gasten gebleven.
-
-Men sprak over niets anders dan over den geheimzinnigen diefstal.
-
-Lord Montgomery had terstond de politie van al het gebeurde in kennis
-gesteld en met de grootste voorkomendheid had lord Hoensbrook zijn hulp
-aangeboden en zelfs per telefoon met den politie-commissaris
-onderhandeld.
-
-Na het ontbijt verspreidden de gasten zich, de meesten gingen naar hun
-kamer, de anderen gingen naar de bibliotheek of rooksalon.
-
-Met beschreide oogen was lady Daisy naar haar boudoir gegaan.
-
-Toen zij later op den dag zich naar de bibliotheek had begeven, liep
-lord Lister juist door de gang.
-
-Toen de schoone vrouw een wijle in de bibliotheek had vertoefd, trad
-ook hij er binnen.
-
-Verschrikt stond zij op van de chaise-longue.
-
-„Pardon, mylady, ik stoor u toch niet? Ik zocht slechts wat lectuur!”
-
-„Gij stoort mij in bet geheel niet, lord Hoensbrook!”
-
-Zij drukte de handen tegen de slapen.
-
-„Gevoelt ge u niet wel, mylady?”
-
-Hij vroeg dit op zijn vriendelijksten toon.
-
-„Neen, ik gevoel mij in het geheel niet wel, mijn hoofd brandt en mijn
-polsen kloppen vreeselijk!”
-
-„Dat is een natuurlijk gevolg van de gebeurtenissen van dezen nacht,
-mylady.”
-
-„Ik heb zulk een vreeselijk medelijden met mijn ouders. Sinds zoovele
-geslachten zijn die juweelen in onze familie bewaard gebleven. Zij
-zullen dat verlies niet te boven komen!”
-
-„Gij staat mij toch toe, dat ik blijf rooken, mylady?” vroeg lord
-Hoensbrook.
-
-Zij knikte ten teeken van instemming.
-
-Toen sprak zij:
-
-„Lord Hoensbrook, ik heb u mijn volle vertrouwen geschonken en ik hoop,
-dat gij daar tegenover uw vertrouwen zult stellen!
-
-„Mijn hoofd is vol gedachten en het middelpunt daarvan zijt—gij!”
-
-„Dat is al te veel eer, mylady!”
-
-John Raffles boog met een ietwat spottend lachje.
-
-„En mag ik vragen, van welken aard deze gedachten wel zijn?”
-
-Zij dacht een oogenblik na, toen sprak zij op haastigen toon:
-
-„Neen, dat kan ik u niet zeggen!”
-
-Lord Lister stond tegen een hooge boekenkast geleund, terwijl dit
-gesprek gevoerd werd.
-
-Met een wonderlijken blik keek hij neer op het blonde hoofd, dat daar
-voor hem gebogen was.
-
-„Dat moeten wel vreeselijke gedachten zijn, mylady, die men niet uit
-durft spreken!”
-
-„O, lord Hoensbrook, ik ben waarlijk niet in een stemming om te
-schertsen, laat mij nu alleen!”
-
-„Niet vóórdat gij mij hebt verklaard, welke gedachten gij koesterdet!”
-
-Zij boog het hoofd.
-
-In gespannen aandacht wachtte hij op eenig antwoord.
-
-Eenige minuten gingen voorbij, toen werd plotseling op de deur geklopt.
-
-Raffles greep een boek, terwijl lady Daisy de deur opende.
-
-„Een brief, mylady”, sprak de dienaar en hij overhandigde haar een
-verzegeld schrijven.
-
-„Van mijn ouders”, fluisterde zij. „Ach, zij weten nog nergens van!”
-
-Raffles keek haar van terzijde aan, terwijl zij den brief opende.
-
-Een zwarte enveloppe met een gouden monogram viel er uit.
-
-Daisy werd bleek tot aan haar lippen.
-
-„Groote God”, fluisterde zij, „een brief, zooals mijn man er een
-ontving!
-
-„Maar ik wil eerst lezen wat zij mij schrijven.
-
-„Zij hebben de juweelen!” schreeuwde zij plotseling uit en in hetzelfde
-oogenblik voelde zij, dat een hand op haar mond werd gelegd.
-
-„Wat beteekent dat, lord?” stamelde zij op bevenden toon.
-
-Een oogenblik keken zij elkander aan.
-
-Maar toen ook scheen lady Daisy alles te hebben begrepen.
-
-Zij overhandigde Raffles beide brieven.
-
-„Lees deze brieven”, sprak ze, „lees ze overluid, want de letters
-dansen mij voor de oogen!”
-
-Raffles ging tegenover haar zitten.
-
-„Lees eerst den zwarten brief”, verzocht de schoone vrouw.
-
-„Zooals ge wenscht, mylady!”
-
-Hij begon te lezen.
-
-
- „Mylord!
-
- Een menschenvriend zendt u hierbij uw eigendom met het vriendelijke
- verzoek om geen nasporingen te doen en over het geheele geval het
- diepste stilzwijgen te bewaren.
-
- JOHN C. RAFFLES.”
-
-
-„Verder!” steunde Daisy, het gelaat in de handen verbergend.
-
-Raffles nam nu den tweeden brief.
-
-Hij las:
-
-
- „Lief kind!
-
- Wij hopen, dat je ons spoedig komt bezoeken. Een gebeurtenis, die
- mijn geheele zenuwgestel heeft geschokt, doet mij de kamer houden.
-
- Wij ontvangen door tusschenkomst van den bekenden inbreker Raffles
- de familiejuweelen, die je echtgenoot zoo langen tijd
- wederrechtelijk in zijn bezit heeft gehad.
-
- Nog waren wij niet over de eerste vreugde heen, toen ik plotseling
- tot de ontzettende ontdekking kwam, dat de kostbaarste steenen uit
- de sieraden waren gebroken en door prachtig geslepen glasscherven
- waren vervangen.”
-
-
-„Hel en duivel!” schreeuwde Raffles en hij vernielde het papier
-tusschen zijn vingers.
-
-Schreiend zonk Daisy op den divan neer.
-
-Plotseling richtte zij zich op en met wildvlammende oogen riep zij uit:
-
-„Luister, lord Hoensbrook, thans wil ik u vertellen, welke vreeselijke
-gedachten zich heden van mij meester maakten, gedachten, waarvan,
-zooals ik zeide, gij het middelpunt zijt.
-
-„Luister, lord Hoensbrook, ik verdenk u er van, dat gij op de een of
-andere wijze met dien Raffles in verbinding staat.
-
-„Hij heeft dien diefstal niet uitgevoerd, maar gij!”
-
-„Wilt gij zeggen, mylady, dat ik een gemeene dief ben, een
-aartsbedrieger en een juweelenvervalscher?”
-
-„Denkt ge, mylady, dat ik de kostbaarheden heb gestolen om in
-dienzelfden nacht nog de steenen te vervalsen en mij te verrijken ten
-koste van uw familie?
-
-„Wildet gij mij dat vertellen?
-
-„Waren dàt de gedachten, die door uw brein speelden en waarvan ik het
-middelpunt was?”
-
-De toornader zwol op het voorhoofd van den meester-dief.
-
-De schoone vrouw beefde.
-
-„Vergeef mij, mylord”, smeekte zij.
-
-Hij vervolgde:
-
-„Neen, lady Montgomery, als er juweelen vervalscht zijn, dan heeft een
-ander die vervalsching op zijn geweten. Wil ik u zijn naam noemen?”
-
-„Zeker!”
-
-„Lord Montgomery, uw echtgenoot!”
-
-Toen sprak zij.
-
-„Mijn God! Eenige weken geleden heeft hij, zooals hij zeide, de
-juweelen naar een juwelier gestuurd om ze te laten repareeren, zooals
-hij zeide!”
-
-„Dat zal dan het tijdstip zijn, waarin de vervalsching werd
-uitgevoerd!”
-
-„Zoo’n ellendeling”, riep zij uit.
-
-„Weet gij het adres van den juwelier?” vroeg Raffles.
-
-Daisy noemde het.
-
-„Dan zal ik verder handelen. Maak u niet ongerust, mylady, gij behoeft
-niets te vreezen!”
-
-„Eén ding is mij nog niet duidelijk”, sprak de schoone vrouw.
-
-„En dat is?”
-
-„Wat dien Raffles wel tot dezen diefstal kan hebben gedreven!”
-
-„Louter menschenliefde”.
-
-Lady Daisy keek op.
-
-Seconden lang staarde zij Raffles aan, toen plotseling riep zij uit:
-
-„Gij zijt— —”
-
-„John Raffles”, voltooide hij.
-
-Bewusteloos zonk zij op den divan neer.
-
-— — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — —
-— — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — —
-
-Een uur later zat Raffles in de muziekzaal aan den Bechsteinvleugel.
-
-Sombere tonen van een klagelijke Beethoven-sonate ruischten omhoog; de
-gasten kwamen alle luisteren.
-
-Na de sonate kwam een vroolijke marsch, toen volgde een fuga van Bach.
-
-Montgomery trad binnen en stelde een slanken heer voor.
-
-„Inspecteur Baxter van de recherche.”
-
-Lady Daisy bloosde.
-
-„Een oogenblikje”, wendde zij zich tot haar echtgenoot.
-
-Deze volgde haar.
-
-Zij traden haar boudoir binnen.
-
-„Wat verlang je?”
-
-„Ik wou je alleen zeggen, dat ik even naar mijn ouders ga. Ik kreeg een
-brief, dat vader ongesteld is”.
-
-„Wil je nu gaan, terwijl wij gasten hebben?”
-
-„Ik heb mij bij hen reeds verontschuldigd!”
-
-„Dat vind ik toch héél vreemd!”
-
-„Heelemaal niet!”
-
-„En moet ik daarvoor meegaan?”
-
-„Ja. Die Baxter is mij onsympathiek.”
-
-„Hè, dat begrijp ik niet. Mij is hij héél sympathiek!
-
-„Hij heeft mij doen begrijpen, dat slechts iemand uit mijn allernaaste
-omgeving den diefstal kan hebben gepleegd. Begrijp je, iemand, die mijn
-volle vertrouwen bezit!”
-
-Zij werd lijkbleek.
-
-„En weet je wat zoo wonderlijk is? Dat jij een paar dagen voor den
-diefstal telkens hebt aangedrongen om de juweelen te mogen hebben. Zie
-je, dat is mij héél onsympathiek!”
-
-Toorn belette haar te spreken.
-
-Schandelijk.
-
-Zoo’n vermoeden!
-
-Zij had het hem in het gelaat willen slingeren, dat hij een bedrieger
-was, maar om der wille van Raffles mocht zij dat niet doen.
-
-Zij ging naar hem toe en sprak op verachtelijken toon:
-
-„Schurk!”
-
-„Slang!” schold hij terug.
-
-„Nu heb ik zekerheid! En ik zal je niet sparen ook. In geldelijke
-aangelegenheden houdt alle vriendschap op!”
-
-Hij ging terug naar de kamer, waar de detective wachtte.
-
-Deze beweerde nogmaals, dat alleen iemand, die het vertrouwen bezat van
-den heer des huizes, dezen diefstal kon hebben gepleegd.
-
-„En wie verdenkt ge?”
-
-„Ja, mylord, het is mijn beroep, maar— —”
-
-„Spreek vrij uit!”
-
-„Ik verdenk uw echtgenoote!”
-
-Montgomery schrikte nu toch.
-
-„Maar hoe verklaart ge dan het verdwijnen der banknoten?”
-
-„Zij heeft een handlanger gehad, wien zij natuurlijk betalen moest!”
-
-„Maar die brief van Raffles?”
-
-„Dat is haar handlanger.”
-
-„Wij zullen nog eens naar de kluis gaan”, stelde Montgomery voor.
-
-En zij gingen.
-
-Lustige, vroolijke wijsjes klonken uit de muziekzaal.
-
-In een aanval van woede balde Montgomery de vuisten en een vloek
-ontsnapte zijn lippen.
-
-— — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — —
-— — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — —
-
-In Montgomery’s studeerkamer liep Baxter met groote stappen heen en
-weer, terwijl de lord met somber gelaat aan zijn schrijftafel zat.
-
-Zij schenen juist een langdurig gesprek te hebben gevoerd.
-
-„Stel u eens voor, mylord, dat uw vrouw geen aandeel had in de misdaad.
-Hoe zou Raffles dan te weten zijn gekomen dat u de juweelen in bezit
-had?”
-
-„Mogelijk van den juwelier die er een reparatie aan moest verrichten!”
-
-Er werd op de deur geklopt.
-
-„Binnen”, riep de lord.
-
-Een bediende schoof een dertienjarigen jongen binnen, die in zijn eene
-hand z’n pet, in de andere een brief droeg.
-
-„Mister Baxter?” vroeg hij.
-
-„Dat ben ik”, antwoordde de detective.
-
-De jongen gaf hem nu den brief.
-
-„Mister Baxter. Persoonlijk. Kruier niet betaald”, stond erop.
-
-„Ha, belangrijke berichten!”
-
-Hij gaf den jongen een geldstukje.
-
-„Hier, kereltje! Moet je op antwoord wachten?”
-
-„Neen!”
-
-De jongen vertrok.
-
-Haastig maakte de detective den brief open.
-
-Er viel een zwarte brief uit.
-
-Baxter las het schrijven.
-
-Zijn gelaat werd hoe langer hoe rooder. Met een vloek gooide hij toen
-het papier weg.
-
-„Mag ik lezen?” vroeg de lord.
-
-„Zeker”, knarste Baxter.
-
-„Waarde Heer Baxter!” las de lord.
-
-„Door een toeval vernam ik, dat ge er bijzonder op gesteld zijt, mij te
-leeren kennen. Ik kan niet beweren dat die belangstelling wederkeerig
-is, maar ik wil u graag een genoegen doen. Om vijf uur hedenmiddag
-wacht ik u in café Waterloo, Waterloostreet.
-
-Tot spoedig dus. Met duizend groeten,
-
- JOHN C. RAFFLES.”
-
-„Een verregaande brutaliteit!” mompelde de lord, „denkt ge aan deze
-uitnoodiging gehoor te geven?”
-
-„Natuurlijk! Ik hoop den kerel te pakken!”
-
-Hij haalde zijn horloge te voorschijn.
-
-„Over tien minuten vertrekt de trein!”
-
-„Maar dan zijt ge toch veel te vroeg, mister Baxter!”
-
-„Ik heb nog andere dingen te doen!”
-
-En razend van woede liep Baxter het huis uit.
-
-
-
-
-
-
-
-
-ZEVENDE HOOFDSTUK.
-
-EEN TRUC DIE GELUKTE.
-
-
-De juwelier Herman Violensteen zat in zijn leunstoel voor het venster
-in een kamer, die achter den winkel was gelegen en bekeek door zijn
-loupe een groot aantal kostbare steenen en ouderwetsche sieraden,
-vervaardigd van dukatengoud.
-
-Hij lachte tevreden en zijn perkamenten gezicht vertrok tot een grijns.
-
-Hij berekende, dat hij met deze voorwerpen mooie zaakjes zou kunnen
-maken met een zoet winstje.
-
-Daar ging de winkelschel.
-
-Haastig liep de juwelier naar voren.
-
-Daar stond een slanke heer met zwarten baard en hoofdhaar.
-
-In zijn hand hield hij een ebbenhouten stok met gouden knop.
-
-„Ik zou graag losse juweelen willen koopen!” sprak hij.
-
-„Heel graag, heel graag”, boog de winkelier.
-
-Al spoedig lag een groote voorraad schitterende steenen voor den
-voornamen kooper, die een lorgnet opzette om de steenen beter te kunnen
-taxeeren.
-
-Uit de kamer had de juwelier nu ook de steenen gehaald, die hij even te
-voren met zoo groote vreugde had bekeken.
-
-De kooper, die een hooggeplaatst officier in civiel scheen te zijn,
-bekeek die steenen met de meeste aandacht. Hij scheen moeilijk keus te
-kunnen maken, hoestte eens, waarbij hij zijn zijden zakdoek voor den
-mond hield en, besluiteloos den stok tegen de lippen wrijvend, zette
-hij dezen daarop naast zich en vroeg om andere steenen te zien.
-
-Een tweede kooper trad binnen.
-
-Het was een jonge, vroolijke student.
-
-Ook hij zette zijn wandelstok tegen de toonbank.
-
-De winkelier vroeg, wat hij verlangde.
-
-„Ik zou graag eenvoudige ringen willen zien om een klein meisje cadeau
-te geven!”
-
-Hij koos een eenvoudig ringetje en haalde een tamelijk oude
-portemonnaie voor den dag.
-
-„Wat kost die ring?”
-
-„Tien shilling!”
-
-De vroolijke student trok een verlegen gezicht.
-
-„Kan het niet voor zes shilling?”
-
-„Voor zes?”
-
-„Och ja, ik heb mijn maandelijksche toelage nog niet ontvangen!”
-
-„Wacht dan, tot je die gekregen hebt!” snauwde Violensteen.
-
-„Neen, neen, dat gaat niet, ik heb dien ring nu noodig. Kom, geef hem
-voor zes!”
-
-De koopman aarzelde een oogenblik.
-
-Toen nam hij het geld.
-
-De ander greep zijn stok en ging heen, zonder een blik op den voorname
-te hebben geslagen.
-
-„Ge hebt niet, wat ik zoek”, sprak deze nu, „doe verder geen moeite!”
-
-Een lange schaduw viel plotseling over de toonbank.
-
-Zij was afkomstig van een langen, mageren heer, die op straat stond en
-door het venster naar binnen keek.
-
-Het was niemand anders dan de inspecteur van politie.
-
-„Ik kom wel terug”, zei de kooper, nam zijn stok en ging heen.
-
-Hij had nog maar weinig schreden afgelegd, toen de juwelier naar buiten
-rende.
-
-„Ik ben bestolen!” riep hij uit.
-
-In een oogenblik had Baxter den eleganten heer ingehaald.
-
-„Mijnheer”, hijgde de inspecteur, „in naam der wet neem ik u gevangen!”
-
-„Ge zijt stapelgek in naam der wet”, antwoordde de vreemde.
-
-De inspecteur riep een cab aan.
-
-„Wat wilt ge eigenlijk van mij?” vroeg de elegante heer.
-
-„Dat zult ge wel zien”, antwoordde Baxter, „ge gaat eerst met mij naar
-het politiebureau.”
-
-„Mij goed,” antwoordde de heer, die doodbedaard in de cab ging zitten.
-„Je snijdt je leelijk in de vingers, vriend, maar ik wil, om jou een
-genoegen te doen, dit tochtje wel meemaken”.
-
-„Gij zijt—Raffles”, sprak eensklaps de politie-inspecteur.
-
-„Wat???”
-
-„Gij zijt Raffles!”
-
-„Wat bedoel je, man!”
-
-„Raffles, de groote inbreker!”
-
-„Ik?”
-
-„Ja, zeker! Gij zijt John Raffles”.
-
-„En gij zijt John Ezel!” antwoordde de ander.
-
-Het tweetal begreep, dat zij op deze manier niet veel verder zouden
-komen.
-
-De tocht werd verder dan ook zwijgend voortgezet.
-
-Op het politiebureau begon de heer, die zich bekend maakte als een
-hooggeplaatst officier van koninklijken bloede, geweldig te razen.
-
-„Alles zal opgehelderd worden, Uwe Doorluchtigheid”, suste de
-commissaris.
-
-Op zijn uitdrukkelijk verlangen werd de verdachte terstond gevisiteerd.
-Men vond echter niets op hem.
-
-De detective intusschen vingerde aan den stok, als om een verborgen
-mechanisme te vinden.
-
-De eigenaar wendde zich lachend tot den snuffelaar.
-
-„Die stok schijnt u wel te bevallen! Ge moogt hem houden als
-herinnering aan dit voorval”.
-
-De commissaris en Baxter verontschuldigden zich, toen zij den voornamen
-heer lieten heengaan en de commissaris sprak tot Baxter:
-
-„Dat was een leelijke vergissing van u, inspecteur!”
-
-
-
-
-
-
-
-
-ACHTSTE HOOFDSTUK.
-
-DE BEDROGEN INSPECTEUR VAN POLITIE.
-
-
-Een uur later werd de deur van het cyclopenhol geopend.
-
-Een heer van voornaam uiterlijk trad binnen.
-
-„Gauw, Charly, ik heb geen tijd! Kom mee!” riep hij een student toe,
-terwijl de aanwezigen allen eerbiedig opstonden.
-
-Charly ging haastig mee.
-
-Het tweetal liep de donkere gangen door.
-
-„Nu?”
-
-„Hier is de stok!”
-
-Charly overhandigde hem een zwaren wandelstok met gouden knop.
-
-Raffles drukte op een plaatje.
-
-„Hoe heb je ze er allemaal in gekregen, Edward?” vroeg zijn secretaris
-ten hoogste verbaasd.
-
-„Ik bracht de steenen ongemerkt met den zakdoek naar den mond, bracht
-daarna den stok tegen de lippen en spuwde de steenen door de holte naar
-binnen”.
-
-„Kranig gedaan, Edward!”
-
-„Ben je het anders van me gewend?”
-
-„Je bent een wonderkerel!”
-
-Raffles begon de steenen te tellen.
-
-„Ze zijn er alle!”
-
-„Kan ik nu gaan, Edward?” vroeg Charly.
-
-„Eén oogenblikje!”
-
-Hij schreef een quitantie.
-
-„Hier, bezorg dit pakje aan zijn adres en laat de quitantie teekenen.
-Die breng je daarna naar café Waterloo!”
-
-„Uitstekend!”
-
-„Zorg je er goed voor, Charly?”
-
-„Natuurlijk!”
-
-„Ik reken er op!”
-
-„Dat kun je!”
-
-„Adieu, Charly!”
-
-„Bonjour!”
-
-— — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — —
-— — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — —
-
-Het was stampvol in café Waterloo.
-
-Elegante heeren, studenten, voorname, prachtig gekleede dames waren er
-aanwezig.
-
-Heel alleen aan een tafeltje zat een lange, magere heer.
-
-Het was Baxter, inspecteur der recherche.
-
-Af en toe haalde hij met een zenuwachtig gebaar zijn horloge te
-voorschijn.
-
-Het was zes uur.
-
-Nu moest hij dus komen, de meesterdief, de geniale inbreker!
-
-Minuten verliepen.
-
-Op een fluweelen sofa, achter een berg kranten, zat een schoone, jonge
-dame. De detective keek naar haar met de grootste belangstelling.
-
-Zij droeg een grooten witten hoed met struisveeren op het prachtige
-zwarte haar. Een paar levendige oogen schitterden in haar hoofd.
-
-„Kellner, de „Figaro”!” riep zij.
-
-„Ah! Een Française,” dacht Baxter en hij overhandigde haar met eenige
-hoffelijke woorden het gevraagde, dat voor hem op de tafel lag.
-
-„Dank u zeer!”
-
-Het tweetal begon met elkaar te babbelen, honderd uit.
-
-Alles vergat de detective om zich heen. Alles, tot zelfs de afspraak
-met Raffles.
-
-Wat kon hem nu ook nog die afspraak schelen, wat kon het hem zelfs
-schelen, als Raffles hem ditmaal om den tuin had geleid.
-
-„Ik moet een kamer bestellen in een hotel”, sprak de schoone.
-
-Baxter was terstond bereid dit voor haar te doen in het naastbijgelegen
-hotel.
-
-Hij ging heen.
-
-De alleen gelaten schoone krabbelde haastig een paar woorden op een
-kaartje en gaf dat aan een kellner. Een jonge man, die al een tijd lang
-heen en weer liep en haar met vurig bewonderende blikken had
-aangestaard, vroeg zij:
-
-„Zoek je mij, blondje?”
-
-„Dat niet!” antwoordde de gevraagde op verlegen toon.
-
-„Wil je mij naar het station brengen? Ik ben hier niet bekend!”
-
-Charly, want hij was het, dacht na.
-
-Wat te doen?
-
-Hij zou maar meegaan. Later kon hij dan naar het café terug gaan.
-
-Galant bood hij haar zijn arm.
-
-Nauwelijks had het tweetal de zaal verlaten of Baxter kwam weer binnen.
-
-Verschrikt keek hij rond.
-
-Waar was zijn bekoorlijke schoone gebleven?
-
-Een kellner kwam naar hem toe en overhandigde hem een briefje.
-
-Zijn gezicht werd lang en langer, toen hij las:
-
-
- „Liefste schat!
-
- Kan ik je bekoren? Ben je teleurgesteld of zijn je verwachtingen
- beantwoord? Ik dank je in elk geval voor je vriendelijkheid. Je
- wijn was heerlijk. Maar, liefste lieveling,—het buskruit heb jij
- niet uitgevonden!”
-
- Op de voorzijde van het visitekaartje stond in groote letters
-
- JOHN RAFFLES.”
-
-
-— — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — —
-— — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — —
-
-Maar ook Charly werd in hetzelfde oogenblik ontgoocheld.
-
-Vol trots, dat hij met zoo’n beeldschoone dame gezien werd, floot hij
-een cab aan en liet de schoone vrouw instappen.
-
-„Liefste?” fluisterde hij vragend.
-
-„Wat is er, ventje?”
-
-„Hoe zou je het vinden, als ik je nu eens Londen bij nacht liet zien?
-En wat krijg ik dan, engel?”
-
-„Een paar stevige oorvijgen”, klonk daar plotseling een bekende
-mannenstem.
-
-Charly werd bloedrood.
-
-„Edward!” fluisterde hij.
-
-„Geef mij de kwitantie, jij vrouwengek!”
-
-Charly deed het.
-
-En verruimd ademhalend, deed Raffles in de cab het nauwsluitende corset
-uit, dat zijn lichaam een tijdlang op alleronaangenaamste wijze had
-saamgekneld.
-
-— — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — —
-— — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — —
-
-Raffles zat in zijn woning aan den vleugel.
-
-Daar werd plotseling luid gescheld.
-
-Hij ging zelf opendoen.
-
-„Lady Montgomery—gij?”
-
-Zij snelde hem voorbij, vloog de kamer in en viel daar neer op een
-stoel.
-
-„Ik word vervolgd! Meer dan twee uren reeds dwaal ik rond om dien
-vervolger te ontloopen, maar hij volgt mij als mijn schaduw!”
-
-„Maar wat brengt u hier, mylady.”
-
-„Ik kom uw raad vragen en u danken voor het groote geluk, dat ge mijn
-ouders bezorgd hebt!”
-
-„Ge handelt zéér onvoorzichtig, lady Montgomery, door op deze wijze uw
-goeden naam op het spel te zetten!”
-
-Zij liet het hoofd zinken.
-
-„Ik moest het u zeggen! Ge hebt mijn familie zoo gelukkig gemaakt!”
-
-Raffles schudde het hoofd.
-
-„Weet uw echtgenoot, wat ge doet?”
-
-„Neen!”
-
-„Hebt ge hem niets gezegd?”
-
-„Neen!”
-
-„En als hij het nu hoort van derden? Wat dan, lady Montgomery?”
-
-„O, hij is niet thuis! Vóór middernacht komt hij niet terug!”
-
-„Weet ge dat zeker?”
-
-„Heel zeker!”
-
-„Waar is hij heen?”
-
-„Hij heeft vergadering!”
-
-„Weet ge ook, mylady, waar het vermogen van uw man bewaard wordt?”
-
-„Bij de Safe-Deposit Company”, verklaarde zij.
-
-„Zoo—zoo.”
-
-John Raffles noteerde een en ander op zijn manchet.
-
-„En mylady, ge kwaamt mij om raad ook nog vragen. Biecht eens op!”
-
-„Help mij, mylord”, smeekt zij, „help mij! Ik kan niet langer met mijn
-echtgenoot samenleven. Hij heeft mijn geluk verwoest, o, hij heeft mij
-zoo diep, diep ongelukkig gemaakt!”
-
-„Blijf kalm, mylady!”
-
-„Dat kan ik niet!”
-
-„Dat moet ge! Dat zijt ge aan u zelf verplicht!”
-
-„O, mylord—ik— —!”
-
-Zij snikte hevig.
-
-Daarop vervolgde zij:
-
-„Ik—ik moet weg, ver weg!”
-
-„Maar waar wilt ge heen gaan?”
-
-Zij zweeg. Een lange pauze ontstond.
-
-„Wilt ge naar uw ouders teruggaan?”
-
-„Dat zou misschien het beste zijn!”
-
-„Dunkt u?”
-
-„Ja;—daar kan ik uitrusten van al de ellende, van al het groote
-verdriet, dat die man mij heeft berokkend.”
-
-Zij stond op en knoopte haar handschoenen dicht.
-
-„Ik ben nu al wat kalmer geworden, ik dank u nogmaals, mylord, voor
-alles wat ge gedaan hebt!”
-
-Zij reikte hem haar beide handen.
-
-„Misschien zien wij elkaar nooit meer, misschien is het een afscheid
-voor het leven!”
-
-„Vaarwel, lady Montgomery”, sprak hij met welluidende stem. „Moge het
-geluk u voortaan gunstiger zijn.”
-
-Zij wisselden een handdruk.
-
-„Wees in ieder geval voorzichtig, mylady, neem een rijtuig en ga naar
-het station!”
-
-„Waarom?”
-
-„Uw echtgenoot laat misschien uw gangen nagaan!”
-
-„Dat doet hij nu al!”
-
-„Weet ge het zeker?”
-
-„O, ja!”
-
-„En wie is de spion?”
-
-„Inspecteur Baxter!”
-
-„Dat dacht ik al. Dat is natuurlijk de man, die u ook nu gevolgd
-heeft.”
-
-Zij keek door het venster.
-
-„Hij is er nu niet. Beneden staat alleen een slanke dame in een
-reismantel!”
-
-„Dat is Baxter, mylady, ge kunt ervan overtuigd zijn!”
-
-„Wat moet ik nu beginnen?”
-
-Het arme vrouwtje beefde over haar geheele lichaam.
-
-„Ik zal u brengen!” sprak Raffles op overtuigenden toon.
-
-Zij namen plaats in een rijtuig en Baxter volgde hen in een tweede.
-
-Maar Raffles had zijn gewone koelbloedigheid en vindingrijkheid ook nu
-niet verloren.
-
-Toen hij, vlak bij het station, met lady Daisy uitsteeg, verliet ook
-Baxter zijn rijtuig om nu spoedig maatregelen te gaan nemen.
-
-Raffles echter was hem voor.
-
-Hij klampte een paar politie-agenten aan:
-
-„Die dame daar is een verkleede heer. Ik waarschuw jullie maar even,
-want hij zal wel niet veel goeds in het schild voeren!”
-
-En zoo werd de arme Baxter ingerekend.
-
-Al zijn beweringen baatten hem niet. Hij was gedoemd, den heelen nacht
-op een harde brits door te brengen.
-
-
-
-
-
-
-
-
-NEGENDE HOOFDSTUK.
-
-DE VALSCHE BANKDIRECTEUR.
-
-
-Lord Lister trad zijn studeerkamer binnen, waar Charly Brand aan de
-schrijftafel zat.
-
-„Is er nieuws, Charly?”
-
-„Niets van beteekenis. We zijn alleen ter jacht genoodigd!”
-
-„Welke jacht?”
-
-„Vossenjacht.”
-
-„Daar geef ik niet om!”
-
-„En ik had er mij al zoo op verheugd!”
-
-„Och jij!”
-
-„Waarom niet, Edward!”
-
-„Omdat er geen gevaar aan verbonden is!”
-
-„Ja, jij houdt van gevaar!”
-
-„Dat doe ik!”
-
-„A propos, Edward, hoe gaat het met je blonde schoonheid?”
-
-„Wie bedoel je?”
-
-„Lady Montgomery”.
-
-„Je vergeet, kerel, dat die dame getrouwd is. Zij heeft haar man echter
-verlaten!”
-
-„Zóó? En wat denk jij te doen?”
-
-„Ik? Absoluut niets, Charly! Je vergist je, de dame gaat naar haar
-ouders terug. Ik voel op ’t oogenblik veel voor Parijs.”
-
-„Ik ook! Maar heb je— —?”
-
-„Kleingeld? Nog niet! Dat is alles!”
-
-Hij haalde een rolletje goudgeld en een pak banknoten te voorschijn.
-
-„En nu, Charly, ik ga er vandoor!”
-
-„Waarheen?”
-
-„Ik ga naar de bank. Ik heb geld noodig!”
-
-„Naar welke bank ga je?”
-
-„Naar de Safe-deposit-Company!”
-
-„Heb je daar misschien een safe?”
-
-„Ik niet—maar anderen!”
-
-— — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — —
-— — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — —
-
-„Heb je het laatste portret van onzen directeur gezien?” vroeg een der
-kassiers aan den procuratiehouder der Safe-box-company.
-
-„Het portret staat in alle geïllustreerde bladen”, antwoordde de
-gevraagde.
-
-„Is hij nog altijd in Amerika?”
-
-„Wel neen! Hij is allang op de thuisreis. Elken dag kan hij hier zijn.
-Het verbaast mij zelfs, dat hij er nog niet is!”
-
-Daar werden plotseling schreden vernomen. De deur ging open en op den
-drempel verscheen een heer, de reistasch in de hand.
-
-„De directeur”, fluisterden de beambten.
-
-Inderdaad geleek de binnentredende sprekend op het portret in de
-„Graphic”.
-
-Hij groette beleefd.
-
-Twee volontairs namen hem jas, hoed en reistasch af.
-
-De directeur verlangde het kasboek en het grootboek te zien en vroeg om
-de verschillende sleutels van de safe-boxes.
-
-Men bracht hem oogenblikkelijk alles, wat gevraagd was.
-
-De directeur begon vol ijver in de boeken te bladeren.
-
-Hij scheen iets te zoeken.
-
-„Montgomery nummer 37252”, fluisterde hij.
-
-Daarna ging hij naar beneden. Een poosje zocht hij, toen opende hij een
-zware, ijzeren deur.
-
-Uit de safe van Montgomery vulde hij toen zijn zakken en juist wilde
-hij de Bank verlaten, toen hij plotseling van aangezicht tot aangezicht
-kwam te staan met zijn dubbelganger.
-
-De grootste verwarring ontstond.
-
-Raffles was de deur uitgegaan, maar de procuratiehouder schreeuwde uit
-alle macht:
-
-„Help! Er is een bedrieger binnengedrongen! Gauw! Help!”
-
-Alle beambten stoven weg.
-
-De nieuwe directeur bleef als verbluft staan.
-
-Op straat schreeuwde een bierknecht: „Mijn automobiel! Mijn auto!”
-
-„Daar ginds rijdt een bierkar-auto”, riep een jongen, die den knecht
-hoorde schreeuwen. „Een heer sprong er op, toen je daar in het café
-was!”
-
-Op die auto zat—Raffles.
-
-Hij hield een tasch van geel leer op zijn knieën en suizelde er
-vandoor. Het was een vaart op leven en dood.
-
-Maar men achtervolgde hem en zijn voorsprong werd steeds kleiner.
-
-Daar bereikte hij het station.
-
-Hij stoof het perron op, waar juist een trein afreed. Het was voor den
-handigen jongeman slechts een klein kunstje om op de treeplank te
-springen.
-
-Bij het volgende station stapte hij uit en reed met een anderen trein
-naar Parijs.
-
-Daar gekomen stond op het perron een schoone jonge dame op hem te
-wachten.
-
-„Helene!” klonk een jonge, frissche mannenstem, „heb je mijn telegram
-nog tijdig ontvangen?”
-
-Raffles, krachtig en elegant, stond voor miss Walton en sloot haar
-jubelend in zijn armen.
-
-— — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — —
-— — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — —
-
-Lord Montgomery echter trok zich de haren uit het hoofd.
-
-Het vertrek van zijn jonge vrouw betreurde hij minder dan het verlies
-van zijn geld.
-
-„Ik ben geruïneerd!” steunde hij en hij verborg het gelaat in zijn
-handen.
-
-De schemering daalde neer over het aardrijk en hulde ook de gestalte
-van lord Montgomery in grijze nevelen.
-
-
-
-
-
-*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK LORD LISTER NO. 6: DE DUBBELGANGER
-VAN DEN BANKDIRECTEUR ***
-
-Updated editions will replace the previous one--the old editions will
-be renamed.
-
-Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright
-law means that no one owns a United States copyright in these works,
-so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the
-United States without permission and without paying copyright
-royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part
-of this license, apply to copying and distributing Project
-Gutenberg-tm electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG-tm
-concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark,
-and may not be used if you charge for an eBook, except by following
-the terms of the trademark license, including paying royalties for use
-of the Project Gutenberg trademark. If you do not charge anything for
-copies of this eBook, complying with the trademark license is very
-easy. You may use this eBook for nearly any purpose such as creation
-of derivative works, reports, performances and research. Project
-Gutenberg eBooks may be modified and printed and given away--you may
-do practically ANYTHING in the United States with eBooks not protected
-by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the trademark
-license, especially commercial redistribution.
-
-START: FULL LICENSE
-
-THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
-PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
-
-To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
-distribution of electronic works, by using or distributing this work
-(or any other work associated in any way with the phrase "Project
-Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full
-Project Gutenberg-tm License available with this file or online at
-www.gutenberg.org/license.
-
-Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project
-Gutenberg-tm electronic works
-
-1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
-electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
-and accept all the terms of this license and intellectual property
-(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
-the terms of this agreement, you must cease using and return or
-destroy all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your
-possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a
-Project Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound
-by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the
-person or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph
-1.E.8.
-
-1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
-used on or associated in any way with an electronic work by people who
-agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
-things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
-even without complying with the full terms of this agreement. See
-paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
-Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this
-agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm
-electronic works. See paragraph 1.E below.
-
-1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the
-Foundation" or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection
-of Project Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual
-works in the collection are in the public domain in the United
-States. If an individual work is unprotected by copyright law in the
-United States and you are located in the United States, we do not
-claim a right to prevent you from copying, distributing, performing,
-displaying or creating derivative works based on the work as long as
-all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope
-that you will support the Project Gutenberg-tm mission of promoting
-free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg-tm
-works in compliance with the terms of this agreement for keeping the
-Project Gutenberg-tm name associated with the work. You can easily
-comply with the terms of this agreement by keeping this work in the
-same format with its attached full Project Gutenberg-tm License when
-you share it without charge with others.
-
-1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
-what you can do with this work. Copyright laws in most countries are
-in a constant state of change. If you are outside the United States,
-check the laws of your country in addition to the terms of this
-agreement before downloading, copying, displaying, performing,
-distributing or creating derivative works based on this work or any
-other Project Gutenberg-tm work. The Foundation makes no
-representations concerning the copyright status of any work in any
-country other than the United States.
-
-1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
-
-1.E.1. The following sentence, with active links to, or other
-immediate access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear
-prominently whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work
-on which the phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the
-phrase "Project Gutenberg" is associated) is accessed, displayed,
-performed, viewed, copied or distributed:
-
- This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
- most other parts of the world at no cost and with almost no
- restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it
- under the terms of the Project Gutenberg License included with this
- eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the
- United States, you will have to check the laws of the country where
- you are located before using this eBook.
-
-1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is
-derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not
-contain a notice indicating that it is posted with permission of the
-copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in
-the United States without paying any fees or charges. If you are
-redistributing or providing access to a work with the phrase "Project
-Gutenberg" associated with or appearing on the work, you must comply
-either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or
-obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg-tm
-trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9.
-
-1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
-with the permission of the copyright holder, your use and distribution
-must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any
-additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms
-will be linked to the Project Gutenberg-tm License for all works
-posted with the permission of the copyright holder found at the
-beginning of this work.
-
-1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
-License terms from this work, or any files containing a part of this
-work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
-
-1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
-electronic work, or any part of this electronic work, without
-prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
-active links or immediate access to the full terms of the Project
-Gutenberg-tm License.
-
-1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
-compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including
-any word processing or hypertext form. However, if you provide access
-to or distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format
-other than "Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official
-version posted on the official Project Gutenberg-tm website
-(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense
-to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means
-of obtaining a copy upon request, of the work in its original "Plain
-Vanilla ASCII" or other form. Any alternate format must include the
-full Project Gutenberg-tm License as specified in paragraph 1.E.1.
-
-1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
-performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
-unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
-
-1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
-access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works
-provided that:
-
-* You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
- the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
- you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed
- to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he has
- agreed to donate royalties under this paragraph to the Project
- Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid
- within 60 days following each date on which you prepare (or are
- legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty
- payments should be clearly marked as such and sent to the Project
- Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in
- Section 4, "Information about donations to the Project Gutenberg
- Literary Archive Foundation."
-
-* You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
- you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
- does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
- License. You must require such a user to return or destroy all
- copies of the works possessed in a physical medium and discontinue
- all use of and all access to other copies of Project Gutenberg-tm
- works.
-
-* You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of
- any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
- electronic work is discovered and reported to you within 90 days of
- receipt of the work.
-
-* You comply with all other terms of this agreement for free
- distribution of Project Gutenberg-tm works.
-
-1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project
-Gutenberg-tm electronic work or group of works on different terms than
-are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing
-from the Project Gutenberg Literary Archive Foundation, the manager of
-the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the Foundation as set
-forth in Section 3 below.
-
-1.F.
-
-1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
-effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
-works not protected by U.S. copyright law in creating the Project
-Gutenberg-tm collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm
-electronic works, and the medium on which they may be stored, may
-contain "Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate
-or corrupt data, transcription errors, a copyright or other
-intellectual property infringement, a defective or damaged disk or
-other medium, a computer virus, or computer codes that damage or
-cannot be read by your equipment.
-
-1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
-of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
-Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
-Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
-liability to you for damages, costs and expenses, including legal
-fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
-LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
-PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
-TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
-LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
-INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
-DAMAGE.
-
-1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
-defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
-receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
-written explanation to the person you received the work from. If you
-received the work on a physical medium, you must return the medium
-with your written explanation. The person or entity that provided you
-with the defective work may elect to provide a replacement copy in
-lieu of a refund. If you received the work electronically, the person
-or entity providing it to you may choose to give you a second
-opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If
-the second copy is also defective, you may demand a refund in writing
-without further opportunities to fix the problem.
-
-1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
-in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO
-OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT
-LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
-
-1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
-warranties or the exclusion or limitation of certain types of
-damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement
-violates the law of the state applicable to this agreement, the
-agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or
-limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or
-unenforceability of any provision of this agreement shall not void the
-remaining provisions.
-
-1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
-trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
-providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in
-accordance with this agreement, and any volunteers associated with the
-production, promotion and distribution of Project Gutenberg-tm
-electronic works, harmless from all liability, costs and expenses,
-including legal fees, that arise directly or indirectly from any of
-the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this
-or any Project Gutenberg-tm work, (b) alteration, modification, or
-additions or deletions to any Project Gutenberg-tm work, and (c) any
-Defect you cause.
-
-Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
-
-Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
-electronic works in formats readable by the widest variety of
-computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It
-exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations
-from people in all walks of life.
-
-Volunteers and financial support to provide volunteers with the
-assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's
-goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
-remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
-and permanent future for Project Gutenberg-tm and future
-generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see
-Sections 3 and 4 and the Foundation information page at
-www.gutenberg.org
-
-Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation
-
-The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non-profit
-501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
-state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
-Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
-number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by
-U.S. federal laws and your state's laws.
-
-The Foundation's business office is located at 809 North 1500 West,
-Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up
-to date contact information can be found at the Foundation's website
-and official page at www.gutenberg.org/contact
-
-Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
-Literary Archive Foundation
-
-Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without
-widespread public support and donations to carry out its mission of
-increasing the number of public domain and licensed works that can be
-freely distributed in machine-readable form accessible by the widest
-array of equipment including outdated equipment. Many small donations
-($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
-status with the IRS.
-
-The Foundation is committed to complying with the laws regulating
-charities and charitable donations in all 50 states of the United
-States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
-considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
-with these requirements. We do not solicit donations in locations
-where we have not received written confirmation of compliance. To SEND
-DONATIONS or determine the status of compliance for any particular
-state visit www.gutenberg.org/donate
-
-While we cannot and do not solicit contributions from states where we
-have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
-against accepting unsolicited donations from donors in such states who
-approach us with offers to donate.
-
-International donations are gratefully accepted, but we cannot make
-any statements concerning tax treatment of donations received from
-outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
-
-Please check the Project Gutenberg web pages for current donation
-methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
-ways including checks, online payments and credit card donations. To
-donate, please visit: www.gutenberg.org/donate
-
-Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic works
-
-Professor Michael S. Hart was the originator of the Project
-Gutenberg-tm concept of a library of electronic works that could be
-freely shared with anyone. For forty years, he produced and
-distributed Project Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of
-volunteer support.
-
-Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
-editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in
-the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not
-necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper
-edition.
-
-Most people start at our website which has the main PG search
-facility: www.gutenberg.org
-
-This website includes information about Project Gutenberg-tm,
-including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
-subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.