diff options
| author | nfenwick <nfenwick@pglaf.org> | 2025-01-22 17:44:14 -0800 |
|---|---|---|
| committer | nfenwick <nfenwick@pglaf.org> | 2025-01-22 17:44:14 -0800 |
| commit | 41c54c2dd96bfd8559a93c527f90ff5c94c1e6f3 (patch) | |
| tree | 3231221f39dc7091a43b147698d881f8da4b0a5a | |
| parent | 00f80c80168630babb383b42d795cf5de66bdc5a (diff) | |
| -rw-r--r-- | .gitattributes | 4 | ||||
| -rw-r--r-- | LICENSE.txt | 11 | ||||
| -rw-r--r-- | README.md | 2 | ||||
| -rw-r--r-- | old/66223-0.txt | 12230 | ||||
| -rw-r--r-- | old/66223-0.zip | bin | 281143 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/66223-h.zip | bin | 354237 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/66223-h/66223-h.htm | 11650 | ||||
| -rw-r--r-- | old/66223-h/images/new-cover.jpg | bin | 41766 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/66223-h/images/titlepage.png | bin | 5270 -> 0 bytes |
9 files changed, 17 insertions, 23880 deletions
diff --git a/.gitattributes b/.gitattributes new file mode 100644 index 0000000..d7b82bc --- /dev/null +++ b/.gitattributes @@ -0,0 +1,4 @@ +*.txt text eol=lf +*.htm text eol=lf +*.html text eol=lf +*.md text eol=lf diff --git a/LICENSE.txt b/LICENSE.txt new file mode 100644 index 0000000..6312041 --- /dev/null +++ b/LICENSE.txt @@ -0,0 +1,11 @@ +This eBook, including all associated images, markup, improvements, +metadata, and any other content or labor, has been confirmed to be +in the PUBLIC DOMAIN IN THE UNITED STATES. + +Procedures for determining public domain status are described in +the "Copyright How-To" at https://www.gutenberg.org. + +No investigation has been made concerning possible copyrights in +jurisdictions other than the United States. Anyone seeking to utilize +this eBook outside of the United States should confirm copyright +status under the laws that apply to them. diff --git a/README.md b/README.md new file mode 100644 index 0000000..5fe02ee --- /dev/null +++ b/README.md @@ -0,0 +1,2 @@ +Project Gutenberg (https://www.gutenberg.org) public repository for +eBook #66223 (https://www.gutenberg.org/ebooks/66223) diff --git a/old/66223-0.txt b/old/66223-0.txt deleted file mode 100644 index 7f84024..0000000 --- a/old/66223-0.txt +++ /dev/null @@ -1,12230 +0,0 @@ -The Project Gutenberg eBook of Waarheid en droomen, by Johannes Petrus -Hasebroek - -This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and -most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions -whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms -of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at -www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you -will have to check the laws of the country where you are located before -using this eBook. - -Title: Waarheid en droomen - -Author: Johannes Petrus Hasebroek - -Release Date: September 5, 2021 [eBook #66223] - -Language: Dutch - -Character set encoding: UTF-8 - -Produced by: Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading - Team at https://www.pgdp.net/ for Project Gutenberg (This book - was produced from scanned images of public domain material - from the Google Books project.) - -*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK WAARHEID EN DROOMEN *** - - - - WAARHEID EN DROOMEN, - - DOOR - JONATHAN. - - - Vijfde, opnieuw vermeerderde druk. - - - LEIDEN, - E. J. BRILL. - 1872. - - - - - - - - - Οὑτος μὲν πανάριστος, ὅς αὑτῷ πάντα νοήσει. - - HESIODUS. - - - - - - - - -VOORBERICHT. - - -Gelijk ieder boek, dat het licht ziet, hebben ook de hierna volgende -bladen, die bij dezen den lezer op nieuw worden aangeboden, hunne eigen -geschiedenis. - -Onopzettelijker en met minder bepaald plan om als een afzonderlijk, -zelfstandig, deftig boek, op eigen beenen, de wereld der openbaarheid -in te treden, is wel zelden eenige letter-arbeid zijne wandeling onder -de menschen begonnen. Het was een tweetal vrienden, die, tot mijne en -veler vreugde, nog thans de eer en de trots der vaderlandsche -letterkunde zijn, welke tot het ontstaan van de eerste hier voorkomende -Schets aanleiding gaven. Het was eenigszins als bij wijze van een -dichterlijk spel, dat die bladzijden ten papiere werden gebracht, om -het bloemenkorfje van de bekoorlijke, helaas, te vroeg gestorven -Tesselschade te helpen vullen en versieren. Dat de verzamelaar van dien -bloemruiker het eenvoudige bloemeke uit de hand des vriends niet -afwees, liet zich verstaan en verklaren. Maar dat het groote Publiek -gunstig genoeg geluimd was, niet alleen om deze geringe veldbloem -welwillend aan en op te nemen, maar haar ook een blijvende plaats in -zijn kamertuin te geven, was meer, oneindig meer, dan men zich had -beloofd. Was het wonder, dat men, ziende welk een onthaal die soort van -gewas vond, er meer opzettelijk werk van begon te maken en met dat doel -een kleine kweekerij werd aangelegd? - -Met de voorspoedig ontluikende spruiten van dien hof werden nu van tijd -tot tijd ook andere bloemkorven voorzien. Niet alleen de kunst-keurige -Tesselschade, ook de klassieke Gids, de Gids, zooals De Génestet zingt: - - - in lang vervlogen dagen, - Eer in zijn hart, verflauwd voor Letteren en Kunst, - Hebreeuwsch en politiek, ach, stegen in de gunst, - - -ook het toen nog zoo populaire en veelgelezen Leeskabinet, ook de eens -zoo bloeiende, maar spoedig uitgebloeide Nederlandsche Maatschappij van -schoone kunsten hadden voor haar een plaatsje over. Zoo ontstond van -lieverlede eene gansche verzameling, die, hoewel altoos niet groot, -toch na eenigen tijd groot genoeg geworden was, om voor zich in den -Nederlandschen letterhof een eigen plek te vragen. Onder den algemeenen -titel van Waarheid en droomen door Jonathan, kwam in 1840 de eerste -uitgave der bijeenvergaderde Schetsen in het licht. - -De opname was zoo ongedacht gunstig, dat nog in hetzelfde jaar een -tweede oplage noodig werd. In 1846 volgde een derde, in 1856 een vierde -uitgave, en nu, in 1872, verschijnt bij dezen een vijfde, weder op -nieuw vermeerderde druk. - -Vermeerderd—waarom? - -Ik zal eerlijk opbiechten. Ik voor mij zou daartoe uit eigen beweging -wel niet gekomen zijn. Maar in die dagen was de oorspronkelijke -uitgever van de Jonathaniana, mijn wakkere, bekwame en achtenswaardige -vriend Pieter François Bohn nog in het land der levenden. Hij verraste -mij met de aankondiging, dat een nieuwe oplage van de Waarheid en -Droomen noodig was geworden, en dat ook werkelijk bij hem het plan -bestond om daartoe eerlang over te gaan. Maar hij voegde bij die -mededeeling, zonder er juist een voorwaarde van te maken, toch een -dringenden wensch, dat er aan de oorspronkelijke verzameling althans -een enkele nieuwe Schets mocht worden toegevoegd, die daaraan als een -zeker waas en geur van verschheid en frischheid geven zou. Had ik -recht, of onrecht, voor dien aandrang te bezwijken? Ik weet het niet. -Misschien had ik beter gedaan, ook hier den bekenden rechtsregel te -gedenken: Non bis in idem. Misschien was het al te laat in ’t jaar -geworden, om nog op een groen Sint-Jans-lot te hopen. Misschien doet de -oude man beter, om met zijn roestig geworden stem het liedje van -vroeger dagen niet nog eens op nieuw te willen opneuriën... Wat baat -het alles? Ik was, ondanks dit alles, zwak genoeg toe te geven. De -nieuwe Schets werd geschreven, en onder het opschrift: Een -afscheidsbezoek in 1871 aan de overige verzameling toegevoegd. - -En zoo geef ik hierbij den geheelen bundel, gelijk hij nu is ingericht, -den goedgunstigen lezer over. Ik doe het echter met een gemengd gevoel. -Het is als zag ik een rouwrand om den titel. Er bestaat een populair -rijmpje: - - - Het boompje groot; - De planter dood. - - -Dit komt mij nu als van zelf voor den geest, bij den blik op deze -afgedrukte bladen, wier oorspronkelijke uitgever ook dit deel zijns -werks met zooveel wakkerheid aanvatte, maar het niet ten einde brengen -mocht. Hij heeft zelfs de nieuwe Schets, tot wier vervaardiging hij den -stoot gaf, niet eens gezien! Een memento meer bij zoovele anderen, -waarvan de volgende bladen spreken. Ik betreur dit overlijden, niet zoo -zeer om het boek, dat nu toch op zijn tijd behoorlijk in de wereld -komt, als om den Vriend, met wien mij een langdurig verkeer op de -hartelijkste wijze verbond. Aan zijn hand verscheen ik, met mijn Rijm -en Onrijm beide, het eerst voor het groot Publiek; toen, en later, -dankte ik aan hem menigen nuttigen wenk, die getuigde van zijn helder -hoofd, gezond hart en goeden smaak.—Ik werp dus, in deze eenvoudige -mededeeling, een bloem van hulde en erkentenis op zijn pasgesloten -graf. Ik weet, dat ik, zoo doende, niet alleen voor mij zei ven, maar -ook uit naam van meer anderen spreke, die erkennen zullen, aan de -medewerking van den bekwamen en ijverigen Uitgever hunner werken geen -mindere verplichting te hebben, dan ik gevoel hem schuldig te zijn—en -te willen blijven. - -En nu ik eens den voet op dit gebied der herinnering gezet heb, hoevele -liefelijke beelden uit het verleden verrijzen daarbij voor mijnen -geest! - -Een mensch kan twee levens leven: een historisch, reëel, en een -literarisch leven—een leven, ook hier, van Waarheid en van Droomen, als -gij wilt. Het eerste is zeker in menig opzicht het belangrijkste, het -ware, het eigenlijke leven; maar ook het tweede heeft, naast en in het -eerste, zijne eigen beteekenis en waardij. Maar nu, met het oog daarop, -kan Jonathan niet dan met groote dankbaarheid erkennen, dat, terwijl -zijn werkelijk leven, als ieder weefsel der Schikgodinnen, zijn -gemengde witte en zwarte draden gehad heeft, de webbe van zijn -letterkundig leven schier niet dan enkel witte draden bevat. Hoeveel -vrienden heeft hij op zijne omwandeling, nu reeds aanvankelijk onder -een tweede geslacht, gevonden en behouden! En daarentegen, hoe weinig -harde beoordeeling of behandeling heeft hij... ja, heeft hij daarvan -ooit wel iets ondervonden? Hij kan het zich niet herinneren. Kon hij -aan deze Schetsen een verhaal van zijne ervaringen op dit punt -toevoegen!... maar dat behoort in het Geheime Dagboek, dat niet onder -vreemde oogen komt. Waartoe dan de vermelding? Alleen uit een gevoel -van dankbaarheid jegens de zachte lucht, die zijn zwak en teer gewas -tot nu toe in ’t leven heeft gehouden, en het nu weer, als eene -vernieuwing des levens, een nieuwen bloeitijd gunt. Moge ook later die -lucht even zacht blijven. De heerlijke Juli-zon van dit jaar, -schijnende over het bekoorlijke Dal aan de oevers van de Vesdre, nabij -de wellen der Warme-Bron, [1] waar ik deze regelen nederschrijve, -schijnt mij daarvoor een goed en veelbelovend voorteeken te wezen. Moge -dit voorteeken niet liegen. In die hoop, ga dan, mijn bloemeke, en -bloei, en geur, zoolang uw zomerdag duurt, en breng met dezen uwen geur -aan allen, die u welkom heeten en in liefde ontvangen, den heilwensen -van uwen kweeker over in het ouderwetsche, maar hartelijk gemeende -woord, dat ik zoo vaak als een devies op een breekbare gave der -erkentenis en der liefde las: Wandel op rozen en—vergeet mij niet! - - - Juli 1872. - - JONATHAN. - - - - - - - - -DE HAARLEMSCHE COURANT. - - -„Hebt gij den brievenpost reeds gehoord?” - -Dit is driemaal ’s weeks mijn eerste vraag, als ik den voet buiten mijn -slaapkamer zet, om te gaan ontbijten. - -En waarom, meent gij? - -Omdat ik belangrijke handelsberichten verwacht?—Gij vergist u. Ik heb -met geen koopman ter wereld iets uitstaande, als gij den makelaar, die -mijne weinige effecten, rara folia, beheert, en den Amsterdamschen -tabakskooper, die mij maandelijks mijn varinas zendt, uitzondert. - -Omdat ik een brief van teederen aard te gemoet zie?—Nog minder. Ik ben -een oud vrijer, en heb in die soort van correspondentie niets meer te -verwachten, sedert ik het kleine bundeltje, dat ik vroeger op mijn hart -droeg, met een rozerood lint omwonden en met een hieroglyphisch cachet -verzegeld, in een verborgen lade van mijn secretaire sloot. - -Omdat ik naar een brief met zwarte randen uitkijk, die mij de -testamentaire dispositie van een rijken oudoom berichten moet?—Gelukkig -niet. Ik heb het voorrecht, den laatsten, wiens overlijden mij voordeel -kon aanbrengen, te hebben zien sterven. Nu ben ik verlost van dat -onaangenaam gevoel van kwade begeerlijkheid, dat het gezicht van een -gegoeden en ongehuwden bloedverwant altijd in mij opwekte; een gevoel, -niet ongelijk aan den zelfstrijd van den arme, die er niet buiten kan, -zijn gemest ooilam met beluste oogen aan te zien. - -Ik zie wel, ge zult het niet raden. Welnu! die vraag ontstaat uit -ongeduldig verlangen naar de Haarlemsche Courant. - -Naar de Haarlemsche Courant? - -Ja, lezer! maar niet geheel om dezelfde reden, waarom gij er denkelijk -naar verlangt. Mij dunkt, ik zie u, zoo als gij haar vrij onverschillig -in de hand neemt, eerst de advertentiën doorloopt, en tot de tegen u -overzittende dame het woord richt: „Mevrouw A. heeft eene dochter. Jack -is ridder geworden. De advokaat B. is dood,” enz. De advertentiën -doorgelezen hebbende, gaat gij, achterwaarts opklimmende, tot het -staatkundige nieuws over, zoekt bij voorkeur de opgave van brand, -stormen en landziekten op, en eindigt met een vluchtigen blik op de -verschillende aankondigingen te werpen. Eindelijk legt ge geeuwende het -blad uit de handen, en reikt het uwe vrouw of zuster toe, met het -vonnis: - -„Heden niets nieuws.” - -Geheel anders gaat het bij mij toe. Als mijn getrouwe huiszorg mij -verzekerd heeft, dat het blad van Enschedé met den post is aangekomen, -treed ik met een genoegelijk gezicht in de ontbijtkamer. De courant, -zoo als zij, nog nat van de pers, en door geene ongewijde aanraking -gekreukt, naast mijn bord op tafel ligt, lacht mij reeds bij het -binnenkomen toe. Ik sla er echter geen hand aan, voordat ik eerst de -thee gezet heb; zelfs ligt in dat uitstel voor mij een soort van -weelde, zoodat ik mij wel wacht, mij bij dit werk te overhaasten. -Eindelijk ben ik met mijn toestel gereed. Na mijn eerste geurige kopje -met langzame teugen te hebben opgeslurpt, vat ik met eerbiedige vingers -de belangrijke bladen aan. Strauss zegt ergens, dat er iets -karakteristieks lag in de wijze, waarop zijn vader den Bijbel na het -lezen toesloeg; mij dunkt, die mij de Haarlemsche Courant ziet -openvouwen, moet insgelijks iets bemerken van de hooge ingenomenheid, -die ik voor haar gevoel. Daar ligt nu de breede vlakte wellustig voor -mij uitgespreid. Ik begin—met het begin. Zelfs het opschrift trekt -somwijlen mijne aandacht. - -Opregte ***dagsche Haarlemsche Courant. Welk een oude, deftige naam! -Het blad krijgt er het voorkomen van een klassiek gedenkstuk door, als -ware het een nieuwe livraison van eene altijd doorloopende historische -en statistische encyclopedie. Dan denk ik er aan, hoe vele jaren het -nieuws van den dag zich onder dezen vorm bij onze voorouders heeft -aangemeld, en ik heb eerbied voor dien trek van gehechtheid aan het -oude, zoo hemelsbreed verschillende van de veranderziekte der overige -natiën, bij wie het eene journaal het andere verdringt, naarmate de -verschillende partijen rijzen of dalen. Niet aldus bij ons. In de -Haarlemsche Courant is reeds de dood mijns vaders en van den vader -mijns vaders op gelijke wijze aangekondigd geworden. Zij bevat de -gansche geschiedenis van mijn geslacht; zij zou voor mij het eerste -blad uit mijn folio Statenbijbel kunnen vervangen, waarin wij van ouder -tot ouder gewoon zijn onze donkere en heldere dagen aan te teekenen. -Waarlijk, er is iets plechtigs in de onafgewisselde eentoonigheid van -dit nieuwspapier. Ieder dag levert daaraan zijn vast contingent van -bulletins, geboortecedels en sterflijsten. Een louter staatkundig blad -moge somtijds gebrek aan stoffe hebben, de Haarlemsche Courant nooit. -Zij vervolgt altijd even zeker, even kort en treffend de geschiedenis, -door de hand van den eersten Historiograaf aangevangen: „Ende Adam -gewan Seth, ende hy stierf; ende Seth gewan Enos, ende hy stierf.” En -als ik aan de geslachten denk, welke deze bode des doods, even koel als -de dood zelf, heeft zien voorbijgaan, dan zoekt mijn oog naar het -plaatsje, dat ik welhaast in het zwart register zal innemen; dan vraag -ik mijzelven af, wie bij mijn overlijden de lijkklacht zal aanheffen; -met welk gevoel mijne bekenden het blad uit de hand zullen leggen, -waarin mijn naam voor de jongste maal voorkomt, en welke geschiedenis -de Courant—of, dat hetzelfde is, de hand Gods van mijn geslacht zal -schrijven, tot den dag toe, dat er niemand meer over is, om het -doodsbericht van mijnen laatsten naneef te onderteekenen, dan de -onverschillige executeur. Zie, zulke gedachten verwekt somwijlen bij -mij het gezicht van dat onveranderlijk opschrift: Opregte Haarlemsche -Courant. - -Ik ga voort, en neem kennis van de historische en politieke berichten, -die mij worden medegedeeld: even als ieder ander, heb ik hier mijne -artikelen, waarop bij voorkeur mijn oog valt. Curiositeiten liggen -geheel buiten den kring van mijnen smaak. Ook sla ik altijd de -eeuwigdurende twisten der wetgevende kamers over. Om er rond voor uit -te komen, die nietigheden zijn mij te nietig. Ik houd mij liever bij -grooter gebeurtenissen en personen op; daaronder voel ik mijn hart -opgeheven; daarbij denk ik: „Waerom woeden de Heydenen, ende bedencken -de volckeren ydelheyt? De koninghen der aerde stellen sich op, ende de -vorsten beraetslaghen te samen teghen den Heere ende teghen sijnen -Gesalfden, seggende: Laet ons hare banden verscheuren ende hare touwen -van ons werpen. Die in den Hemel woont, sal lachen; de Heere sal ze -bespotten.”—O, wie met een vroom oog leest, kan in de Haarlemsche -Courant een vervolg op de boeken der heilige Profeten vinden. Of -schrijft zij niet, even als de oirkonden des O. T., de geschiedenis der -Voorzienigheid? Leert zij niet tastbaar: „De volckeren sijn geacht als -een druppel van eenen eemer en als een stofken van de weeghschale. Des -Konincx herte is in de hant des Heeren als waterbeken: hy neyght het -tot al dat hy wil.”—En als gij hier tusschen de puinhoopen van -vervallen grootheid, en daar in de schaduw van nieuwgebouwde muren -wandelt, herkent gij daar den vinger Gods niet in, die, sedert de -tijden van Babels torenbouw, niet opgehouden heeft trotsche hoogten te -vernederen en lage vlakten te verheffen? Ja, al zoudt gij mij van -zonderlingheid verdenken, ik moet er voor uitkomen, dat die onedele en -platte stijl, waarin de courantier zijne berichten schrijft, en die -zulk een treffend contrast vormt met het indrukwekkende en leerzame van -den inhoud, voor mij zijne grillige bekoorlijkheid heeft. Dit is ook -een soort van schat in aarden vaten: een profetie, gepredikt door een, -die zwaar van mond en zwaar van tong is; een pijl, door den Syriër in -zijne eenvoudigheid geschoten. In allen gevalle verkies ik de verzwegen -lessen van de Haarlemmer nieuwsberichten verre boven menige -verhandeling „over de wegen der Voorzienigheid in deze of gene -omwenteling.” Hier hebt gij de waarheid in hare eenvoudige gedaante, -zonder dat zij de moeite neemt te zeggen: „Hier ben ik!” Hier hebt ge -een prediker van Gods Voorzienigheid, even ongedwongen, en daarom even -onwedersprekelijk, als de gebanvloekte steen van Babels puinhoopen, -waarop gij in geheimzinnige letteren leest: חיה יהוה (Jehovah leeft). - -Ik kan u niet alles mededeelen, wat ik al bij die politieke berichten -denk en gevoel. Dit evenwel zal ik u niet behoeven te zeggen, dat mijn -oog, moede van het dwalen over de wereldkaart, altijd weder met liefde -op dat kleine plekje valt, waarop beide, de Haarlemsche Courant en haar -lezer, geboren werden. Het is waar, op dit punt zijn de berichten -altijd het karigst en onbelangrijkst. Maar weet ik dan niet, dat juist -dit een zegen op zichzelven is, daar het met de natiën gaat als met -bijzondere personen, die er te beter om varen, hoe minder men van hen -spreekt. Felix qui bene latuit. O mijn lievelingsplekje in mijn -lievelings-dagblad! blijf nog lang zoo klein van omvang, zoo arm van -inhoud; des te beter zult gij een eigen hoekje in de nieuwspapieren -bewaren, dat men u eens zoo wreed ontnomen heeft. - -Zoo nader ik tot de huwelijksberichten. Een leelijk artikel voor een -oud vrijer. Het is of mijn gezicht altijd eenigszins betrekt, als ik -dat tergende getrouwd—getrouwd—getrouwd—onder de oogen krijg. Ach, daar -was eens een vooruitzicht, lezer, dat gij er ook eene advertentie zoudt -hebben aangetroffen: - - - Getrouwd: - Jonathan *** - en - Betsy *** - - -Maar nu heeft schrijver dezes al zijn hoop gevestigd op eenen anderen -staat, waar geen register van den burgerlijken stand en geene -Haarlemsche Courant meer zijn, waarvan hij gelooft: „In de opstandinghe -en nemen sy niet ten houwelicke, noch en worden niet ten houwelicke -uytgegheven, maer sy sijn als Engelen Godts in den hemel.” Vraag mij -niet hoe die advertentie mislukte; het zij u genoeg, dat ik zoo ver -gekomen ben, om nimmer met tegenzin in de geboorteberichten te lezen: - -Heden beviel van eene dochter Betsy ***, geliefde echtgenoote -van—van—een ander dan Jonathan. - -Integendeel, de dag, als het nieuwspapier zulk een bericht inhoudt, is -voor mij een feestdag. Dan laat ik mijne oude dienstmaagd, hoe vreemd -zij mij ook aanzie, altijd een kopje kandeel voor mij gereed maken, en -’s avonds gedenk ik een mensch meer in mijn gebed. - -Overigens ben ik echter altijd een weinig gevoelig, als ik aan dat -hatelijke punt van voltrokken huwelijken kom, en de drommel weet hoe -het komt, dat ik dan meermalen de Courant moet neêrleggen, om mijn -brilleglas af te vegen. Dan denk ik soms bij mij zelven: „Wat staat dat -hier kort en koel: getrouwd, en dat van eene plechtigheid, waarbij -zoovele hartstochten in het spel zijn! Hoe menig heeft hier in dat -woord zijne aardsche zaligheid uitgesproken! maar ook van hoe vele -jammervolle geschiedenissen staan hier de eerste letteren.” Dan hecht -ik in mijne gedachten aan dien enkelen draad een lang zwart weefsel van -ongeluk en lijden, tot ik, met een lach over mijne onnoozelheid, de -hand in het rag mijner verbeelding sla. Somtijds roep ik mij ook het -liefelijke beeld der bruiden voor den geest; dan zie ik ze, die -aanvallige schepselen, die alle schoon zijn door de schoonheid des -genoegens, en alle rijk door den rijkdom des geluks. Evenwel vergeet ik -nooit haar onderling lot te vergelijken, dat zich vooral in den tijd -eener feestviering zoo scherp afteekent. Hier zie ik er eene in een wit -neteldoeksch kleedje, met een bloemtakje op de borst, door weinige -hartelijke vrienden omgeven. Maar ginds verplaats ik mij in een -vergulde zaal, - - - Met gouden luchters aan de wanden, - Waarop de bijen offers branden, - - -alles schitterende van pracht, weelde en genot. Daar zie ik de bruid, -opgetooid als een Madonnabeeld, met kleederen, stijfstaande van goud en -juweelen, als eene vorstin gevierd en gehuldigd, door een stoet van -hovelingen omringd. Daar zingen geen gasten een vroolijk bruiloftslied, -maar schimpende muzikanten blazen met onwillige lippen de fanfare der -zegenwensching. Daar straalt op geen enkel gelaat ingenomenheid met het -geluk der bruid: men legt er zijne belangstelling aan den dag door -dansen. Dansen—altijd dansen. Foei! in spijt van natuurlijke traagheid -en gezond verstand, in spijt van Byron’s Waltz en Hugo’s Fantômes, zich -den Vampyr des bals in de armen te werpen! Een vrouw, die danst, is -leelijk. De gratie van houding en standen betwist ik niet; maar op het -gelaat verwekt die gelijkmatige trippeling der voeten eene onnoozele of -eene wellustige uitdrukking. Eene bruid vooral moet niet dansen. Zij is -eene vorstin; zij poseert in de dagen harer feestvreugde; zij moet zich -niet overgeven, zij moet kiesch zijn. In den dans verzuimt de bruid -(waarover zij anders zoo wel te waken weet) hare hartstochten te -verbergen. Zij heet de gesluierde, nupta, en zal zij zich nu door de -woestheid harer bewegingen half naakt dansen? Foei, dat dwarrelende -stof op den blanken oranjebloesem! Foei, die wellustige kreuken in het -gewijde bruidskleed! Foei, die gevierde Heilige in de armen eens -vreemden! Tot de vrouwen toe, die niet dansen, zijn van den -trippelduivel bezeten. Haar oog volgt de rijen; haar hoofd huppelt de -maat der muziek na, en de voeten bewegen zich krampachtig naar den -klank der luchtige walsnoten. Bij andere volken behandelde men den -eerdienst als een dans; bij ons den dans als een eerdienst. -l’Alternative ne nous flatte guère. - -Maar als ik bemerk dat ik bitter word, stap ik dadelijk over op de -geboorteberichten. Gij zoudt u vergissen, als gij meent, dat een oud -vrijer die overslaat. Neen, ik heb zoogoed als iemand vader-ingewanden, -ofschoon de dooplijst er mij niet voor heeft te boek staan. Vooreerst -heb ik eene algemeene kinderliefde; maar daarenboven zijn er, die een -bijzonder recht op mijn hart hebben; kinderkens, die vader en moeder -zeggen tot hen, die mijn hart broeder en zuster noemt; kinderkens, van -wie ik weet dat ze in de vreeze des Heeren zullen worden opgevoed, en -alzoo, indien God er zijn zegen toe geeft, kinderen blijven zullen. O, -en als ik dan bedenk, dat een Engel een wederpaar houdt van dat -register van namen, dat ik voor mij heb, en dat ik het begin lees van -eene geschiedenis, die geene eeuwen zullen zien eindigen, dan mijmer -ik: „Wat is de mensche, dat ghy zijner gedenckt; ende hebt een weynigh -hem minder gemaackt als de Engelen, ende hem met eere ende heerlyckheyt -gekroont.” - -Wij zijn tot de dooden genaderd. Daar gekomen, overvalt mij altijd eene -kleine huivering; het is alsof ik een kerkhof binnentreed; hetwelk ik -nooit doen kan, zonder onwillekeurig den hoed af te nemen. En is het -dan geen kerkhof, die doodenlijst der Haarlemsche Courant? Immers -wandelen wij er als tusschen graven; de onderlinge afdeelingen zijn -even zoo vele wijspalen, de berichten even zoo vele opschriften. En -evenmin als ik op een kerkhof eenen grafsteen ongelezen kan laten, sla -ik hier een enkel bericht over. Het is waar, dan schud ik soms het -hoofd over de menschelijke dwaasheid, die zelfs onder den floersen -lamfer de narrenbellen niet verbergen kan: maar meestal lees ik met -warme belangstelling de uitdrukking der smart van bedroefde -betrekkingen; zelfs heb ik, in navolging der bezoekers van -Père-la-Chaise, eene verzameling van belangrijke doodsadvertentiën -bijeengebracht, die ik zou uitgeven, indien niet de smart, die haar in -de pen gaf, mij te heilig was, om hare klachten tot letterkundige -bijdragen te vernederen. Ja, om niets te verzwijgen, het is misschien -kinderachtig, maar daar zijn doodsaankondigingen, die mij tranen uit de -oogen lokten, en, hetgeen nog sterker is, mij aan den mij gansch -onbekenden ontslapene als aan een vriend deden denken. Zie, ik ken haar -niet; maar toch is mij de nagedachtenis eenigermate lief van die -jeugdige vrouw, waarvan de bedroefde echtgenoot onlangs berichtte: „Zij -laat mij de herinnering na der zachtste en edelste hoedanigheden, -geheiligd door het geloof aan Hem, wiens dood nu haar leven is.” - -Ik voor mij nogtans, uit vrees van nog na mijn dood om het bericht van -mijn dood te worden uitgelachen, heb het aan mijne bloedverwanten niet -durven overlaten mij uit te luiden; ik heb beschreven, dat mijn -overlijden in den eenvoudigen vorm van: - -Heden overleed de Heer Jonathan *** in den ouderdom van *** jaren moet -bericht worden, met een volstrekt verbod er bij, om te bepalen, dat -door de nabestaanden geen rouw zal gedragen worden. Foei! ik word -altijd boos, als ik die hatelijke woorden lees. Noem het vrij -bijgeloof, ik heb dien krippen weduwsluier, ik heb die donkere -kleederen lief. Het is zoo natuurlijk, als de vader zijn doodskleed -aantrekt, dat ook de kinderen het gewaad van den vorigen dag ter zijde -leggen. Wij zijn van den zak en de assche der Israëlieten toch reeds -ver genoeg afgeweken. De mode had immers overvloedig uitzonderingen -gemaakt, om het eentonige zwart behagelijk af te wisselen! Maar nu -begint zelfs het laatste uiterlijk teeken van rouw te verdwijnen. Ik -zou ongelijk hebben daarover te klagen, indien in onze dagen de -inwendige droefheid geene uiterlijke symbolen meer behoefde, om te -worden levendig gehouden. Maar hoe weinigen zijn er, die met den -Oosterschen dichter van een geliefden doode vragen mogen: „Zou hij een -ander graf hebben dan dit hart?” Voor de overigen dan veroordeel ik -het, dat men reeds in het gezicht van het lijk zich het vergeten -gemakkelijk begint te maken. „Ga vrij naar het bal, Mejufvrouw! Gij -draagt immers geene rouwkleeding. En wie weet zoo juist, of de tijd, -voor de rouwdracht over eenen vader bestemd, nog niet voorbij is?” -Neen, die mijne kleine bezitting verdeelen, zullen ook zwart moeten -dragen, of, ik waarschuw hen, mijne schim zal hen alle nachten in een -donker lijkkleed komen ontrusten, totdat ze een gewaad aantrekken, -waarvoor ze nog erger terugbeven. - -By het doorloopen der doodsadvertentiën schiet mij somtijds nog eene -andere gedachte te binnen—eene gedachte, niet aan de dooden, die hier -vermeld staan, maar aan degenen, wier naam ik hier niet vinde—aan de -arme dooden—of liever, aan de doode armen. Hun overlijden gaat, even -als hun geboren worden en sterven, onopgemerkt voorbij. Men stopt ze in -eene greenenhouten kist, draagt ze, alsof—de Hemel vergeve het -mij!—alsof hun overschot een kreng ware, waarvan men het gezicht aan -anderen behoort te sparen, langs achterstraten naar een afgelegen -bolwerk, en ontzegt hun ten slotte een plaatsje in de Haarlemsche -Courant. En natuurlijk! er is immers toch niemand, die in hun leven of -sterven belang stelt. O armoede! armoede! ik heb een open hart voor uw -lijden; alles, wat mij u herinnert, wekt een pijnlijk gevoel in mij op. -Als ik u ergens aantref, bloos ik over u, en waar ik u niet zie, vraag -ik: „Waarom niet hier?” Voorwaar, de dichters zijn ellendige -leugenaars, die iedere menschelijke smart, en dus ook de jammeren der -armoede, bij hun idealisch lijden dragelijk noemen. Zij beschilderen -zich met de wonden en litteekens, die de arme onder zijne lompen -verbergt. Want zie! aan de ellende der behoefte is alle poëzie vreemd. -De armoede bedroeft niet alleen, maar verlaagt; zij schokt niet, maar -knaagt; zij wekt geen beklag, maar verachting; zij is geene wonde, maar -een kanker; zij sloopt niet, maar vermagert; zij laat het niet, even -als iedere smart, bij enkele alsemteugen, maar verbittert voor altijd -den smaak; zij is te ondragelijker, naar mate zij zorgvuldiger moet -ontveinsd worden; zij maakt den vader- en moederzegen tot vader- en -moedersmart; zij rust als een vloek op de woning, waarin gastvrijheid -en mededeelzaamheid balling zijn; zij verkort de genoegens der -vriendschap, en vergalt het genot der liefde; zij onttooit voor haar -slachtoffer de schoone aarde, waarop voor hem geen lente of zomer -aanbreekt, als die voor hem geen bloemen of vruchten voortbrengt, maar -waarop in zijn oog altijd winter, dorheid en onvruchtbaarheid -heerschen; ja, zij verengt voor hem het aardrijk, en doet het inkrimpen -tot het plekje, waar binnen hem de behoefte bant; zij boeit hem aan -zijne woning, zonder hem er het verblijf te veraangenamen; zij brandt -in de hitte des zomers, huilt in het loeien van den storm, en snerpt in -de koude des winters; zij doorweekt zijn brood met tranen, en schudt -zijn leger hard; zij leert hem iedere bede veronachtzamen, om die ééne: -„Geef ons heden ons dagelijksch brood!” Zij maakt hem wars van de -aarde, zonder hem van het aardsche af te trekken; zij maakt iederen dag -den anderen gelijk, en lost alle wenschen en hartstochten in den -enkelen zucht der begeerlijkheid op; zij is de algeheele vervulling van -den vloek des Heeren: „In het sweet uwes aenschijns sult ghy uw brood -eten.” - -Rust zacht, arme broeders en zusters, gestorven zonder een plaatsje op -het doodenregister te erlangen! Ziet, dit is de laatste vernedering, u -aangedaan. Drie voeten onder de aarde bestaat er geen verschil tusschen -fatsoenlijk en onfatsoenlijk meer, en al ligt uwe kist ongedrukt door -een steen, zoo als die, welke ginds, op den lijkheuvel van den -hooggeborene, naam en blazoen ten toon draagt, de Engel der opstanding -is geen heraldicus. In zeker opzicht wordt ieder adelijke met zijne -wapenen begraven; onder de doodsadvertentie van elk edelman zou men, -even als in de stamboeken bij het uitsterven des geslachts, een uurglas -en zeisen kunnen teekenen. De dood casseert allen; hij verbreekt den -degen boven het graf des krijgsmans, den schepter boven het mausoleum -des vorsten, het wapenbord boven het cenotaphe van den baron, en boven -uw zandhoop den bedelstaf. Rust dan zacht, arme broeders en zusters, -gestorven zonder een plaatsje in de Haarlemsche Courant te erlangen! - -Ik ben ondanks mijzelven te ernstig geworden voor de mededeeling mijner -gewaarwordingen, onder het lezen der verschillende aankondigingen; -misschien vertel ik u daarvan een en ander bij eene volgende -gelegenheid. Voor ’s hands is het mij genoeg, als ik u slechts heb -overtuigd, dat ik voor mij voldoende reden heb, om iederen dinsdag, -donderdag en zaterdag morgen, terstond na mijn ochtendgroet, mijne -dienstmaagd te vragen: „Hebt gij den brievenpost reeds gehoord?” - - - - - - - - -DE HAARLEMSCHE COURANT. - -Vervolg. - - -Willen wij de Haarlemsche Courant nog eens opnemen en haar met elkander -ten einde lezen? - -Wij zijn gekomen tot de gemengde berichten. - -Welk een gewoel is hier! het is of wij in het drukste van de markt -komen. Hollanders, Franschen, Duitschers, Zwitsers loopen er dooreen. -De een komt er om te koopen, de ander om te verkoopen; de een om te -huren, de ander om te verhuren. Het is een geraas, dat men nauwelijks -hooren kan. Hier is iemand, die u zijn waar zoekt op te dringen; maar -dadelijk is er een ander naast hem, die hem op zij duwt en u nog -goedkooper bedienen wil; inmiddels steekt een derde zijn hoofd tusschen -beide door en belooft u nog beter te helpen. Ik denk er wel eens bij -aan het versje van Huygens: - - - Ick handelde met Klaes op twee, dry koppel honden; - Hy sei, daer wasser nooit geen betere gevonden - Dan ’t eerste en tweede paer, en zwoer my by gans bloed, - Het derde was op ’t minst wel sevenmaal zoo goed. - - -Gij kunt geen voet verzetten, of men roept u aan. Sommigen houden u -zelfs bij uw kleed met hun: „Lees hier!” loterij-Joden loopen u met hun -briefjes achterna; kwakzalvers maken u doof met hun geschreeuw; als gij -hun gelooft is iedere zieke een gek, die zijn kwaal niet langer behoeft -te houden, dan hij zelf wil; in hun hand hebben zij eindelijk de -panacé, waarnaar men sedert zoo vele eeuwen gezocht heeft. Nauwelijks -zijt gij hun ontkomen, of daar valt u een kiezen-trekker op het lijf, -die van zijn breekijzer spreekt als of het een kolombijntje is, zoo -zacht zal het u in den mond zijn! Intusschen trekt ginds een troep -paardrijders of koordedansers rond, en werpt u zoo veel mooie Grieksche -en Latijnsche namen naar ’t hoofd, dat het u geel en groen voor de -oogen wordt. Ge kunt nauwelijks hooren wat die omroeper daar te zeggen -heeft, die na een poos op zijn bekken geraasd te hebben, als of het het -aes Dodonaeum ware, de eerlijke vinders oproept om hun eerlijkheid met -een „genereuse belooning” te laten betalen. Ge zijt blijde als ge u uit -het gedrang gered hebt en eindelijk op de stoep van een boekwinkel kunt -uitblazen, waar ge de nieuwste boeken en platen voor de glazen -uitgestald ziet. - -Wonderlijke wereld! denk ik wel eens. Welk een zee van behoeften! Welk -een stroom van genietingen! En daar plaats ik dan in mijn verbeelding -de huishouding van den eersten mensch naast; een loofhut voor woning, -de boom die er zich over welfde voor voorraadschuur, de rivier die er -langs vloeide voor laafbron—ziedaar alles! Vader Adam! hoe zijn uwe -kinderen veranderd! Ge zoudt ze nauwelijks als uw geslacht herkennen in -hun weelderige woningen, in hun prachtige gewaden, in hun verfijnde -manieren. Als ze naast den Mensch-aap voor u stonden, zoudt ge waarlijk -twijfelen, wie van beide uw nakomeling was. Als men voor u de -Haarlemsche Courant in uw eerste-menschen-taal (de lezer ziet dat ik -mij zediglijk van alle linguïstische gissingen onthoud) kon vertolken, -hoe weinig zoudt gij er van begrijpen! Misschien zoudt gij er u over -bedroeven. - -Ook ik dacht wel eens, dat het leven te ernstig was voor al het spel -dat men er van maakt; altijd troffen mij die doodberichten tusschen dat -gewoel der volken aan den aanvang, en dat gewoel der menschen aan het -einde van mijn Haarlemmer. Ik heb het wel eens vergeleken bij een -begrafenis, die over de markt trekt. Wonderlijk is het, hoe weinig de -omstanders zich daarvan aantrekken. Men gaat op zij om de kist niet -voor zijn hoofd te krijgen, maar dadelijk sluit zich de hoop weêr, even -snel en ongevoelig als de lucht waardoor een pijl vliegt. Even zoo is -er iets treffends in het gezicht van al die aanplakbiljetten, loopende -over koopen en verkoopen, tijdkortingen en ontspanningen, gemakken en -genoegens, aan de zwarte poort van het algemeene kerkhof. Vinniger -satire heeft nooit de hand van een hekeldichter geschreven. Ja, de Dood -is de grootste satiricus; men kan geen genot smaken; of hij heeft er -zijn schimpscheut op. Misschien is hij daarom zoo algemeen gehaat. En -toch de hand op het hart! Zeg mij, als gij die lijst achter de -Haarlemsche Courant overziet, met al die eeuwig terugkeerende -advertentiën, en die eentonige afwisseling van andere schouwspelers op -hetzelfde tooneel, valt het u dan nooit in, dat de wereld toch al te -ijdel en het leven al te nietig is, om het er op den duur in te kunnen -uithouden? Ik voor mij denk daarbij met Young: Hier altoos te leven? -wat hatelijk denkbeeld! En waarom zouden wij hier altoos leven? om met -moeielijke schreden in onze vorige voetstappen te treden? om het -scheprad des levens gedurig te doen omgaan en niets nieuws meer op te -halen? om iederen ellendigen dag den vorigen te doen bespotten? om te -zien hetgeen wij gezien hebben? om dezelfde oude bekwijlde vertelling -te hooren, tot dat wij die in ’t geheel niet meer hooren? om het -gesmaakte weder te smaken, en wel hetgeen bij ieder wederkeer minder -smaak heeft? om telkens onder ons verhemelte een ander wijngewas door -te gieten? om—ohe! jam satis est! Lieve Hemel! als dat altijd zoo -blijven moest, als ik altijd de Haarlemsche Courant moest blijven -doorlezen, en nooit iets anders zien of hooren dan hetgeen ik reeds -gezien of gehoord heb, dan zou ik kunnen wenschen, dat men mijn naam -nooit onder de geboorteberichten gelezen had; en het is genoeg mij dit -schrikbeeld voor te stellen, om mij met liefde naar het plekje te doen -zien, dat mijn dood vermelden zal, en daarin mijn vrienden te kennen -geven, dat ik nu al de ijdelheden, die mij zoo verveeld en vermoeid -hebben, te boven ben en mij reeds op een plaats bevind, waar het leven -zijn harlekijnspak heeft afgelegd. - -En evenwel—maak uit het gezegde niet op, dat ik daarom als een dolende -Ridder tegen de wezenlijke wereld te veld trek, en begeeren zou dat -ieder mensch zich in zijn eigen kluis opsloot, om daar boven zijn -geopend graf bittere wortels te kauwen. Het tegendeel is waar. De -Fransche revolutie heeft geen vuriger kloosterbestormers opgeleverd, -dan ik ben. Daarom alleen zou ik een Christino zijn, ofschoon anders -mijn natuurlijke voorliefde voor Pretendenten mij tot een Carlist zou -kunnen maken. Eere dus aan die raderen van handel en nijverheid, die -het werktuig der menschelijke maatschappij in beweging brengen, waarin -de zee, bestemd om een middel van scheiding te zijn, als een drijvend -molenwater bruist! eere aan die broederschap der gezellige samenleving, -die bruggen over stroomen en sporen over bergen slaat en de moeder is - - - Van sooveel kostelycks soo konstelyck verwrocht, - Van sooveel heerlyckheyts tot sooveel nuts gebrocht. - - -Indedaad zou het er bij de tegenwoordige overbevolking treurig uitzien, -indien men zich wederzijds tot het volstrekt noodige wilde bepalen. -Waar zouden duizende monden brood vinden? Maar toch zou ik aan den -anderen kant wel eens willen weten, waar het op deze wijze voortgaande -heen moet? Zullen de kunstbehoeften nog gestadig vermeerderd worden? -Zal de weelde nog altijd blijven toenemen? Zullen er altijd weêr nieuwe -takken van handel en nijverheid worden uitgevonden? Ik ben geen -voorstander der zielsverhuizing, en hoop, als ik eens de aarde wel en -goed zal verlaten hebben, er niet weêr te komen, maar erkennen moet ik -het toch, dat ik wel eens de Haarlemmer Courant van 1939 zou willen -zien: niet om de politieke berichten, want die kan ik mij verbeelden: -„het is zoo even vrede geworden en het zal zoo straks weêr oorlog -zijn”; nog minder om de geboorte-, huwelijks- en doods-advertentiën, -want daarin zal nog minder verandering komen; maar om de -aankondigingen, waarmeê het blad eindigt. Dat zal een rommel wezen! Mij -dunkt, ik zie daar de aankondiging reeds, om de menschen even als een -ledeman gansch en al uit elkander te nemen en weêr in elkaâr te zetten; -dan zal men, vermoed ik, ook de kruiden wel weêr ontdekt hebben, -waarmeê Medea haar vader verjongde; dan zullen de Dames wel zoo bont -als wapenschilden en de Heeren zoo fantastisch gekleed gaan als de -Wildemannen, die ze vasthouden; dan zal de vogel struis wel op de kruk -en de olifant op de koord geleerd zijn; dan zijn er zeker theaters waar -de apen voor menschen en de menschen voor apen spelen; dan ... de rest -vindt gij in de Opregte Dingsdagsche Haarlemsche Courant van 1 April Ao -1939. - -Ik wenschte wel, dat er geen bankroeten meer waren; want dat is voor -een zwaarmoedig Courantlezer, zooals ik ben, een leelijk artikel. Het -zet mij altijd tusschen twee schroeven, die mijn menschlievend hart -even veel pijn doen: de smart namelijk dat de menschen zoo slecht of -zoo ongelukkig zijn. En zoudt gij het gelooven? Over het eerste punt -stap ik nog het gemakkelijkst heen. Ik kan mij tegen slechte menschen -nooit zoo boos maken, als ik, volgens sommigen, wel moest; misschien -omdat ik zelf weinig slechte menschen ontmoet heb. Onder mijn bekenden -zijn er, die mij dit zeer kwalijk nemen, en meenen dat ik daardoor de -deugd te kort doe. Het kan zijn, maar ik kan er nog maar niet toe -komen, om van het beetje deugd, dat ik het mijne mag noemen, een steen -te maken om daarmeê mijn naasten te gooien. Ik denk altijd, zoo iemand -zal toch wel gehekeld en geroskamd worden, al hou ik mijn rust. Dan kan -ik op een anderen tijd weêr wat vooruitkomen, als een ander -achterblijft, b. v. bij gelegenheid van rampen en tegenspoeden. Zoo -moet ik bekennen dat ik veel meer medelijden gevoel met een -ongelukkigen bankroetier, dan gramschap tegen een moedwilligen schelm. -Bij dat enkele woord „Faillissement” staat er somtijds eene geheele -aandoenlijke geschiedenis voor mijn geest. Ik zie den vervolgden -huisvader die te midden van zijn verarmd gezin het voorkomen heeft van -een gebroken zuil, die er over schijnt te treuren, dat zij de lijst, -die verminkt aan haar voeten ligt, niet langer heeft kunnen -ondersteunen; ik zie hem nog meer ter neêrgebogen onder den last der -schande, die op zijn onschuldig hoofd drukt, dan onder den toch reeds -zwaren slag van het verlies zijns vermogens, even als de vader van -Effie Deans, niet anders uitroepende dan: Ikabod! Ikabod! weg is de -eere! Ik zie hem door zijne getrouwe gade, door zijne teedere kinderen -omringd, die hem in zijn ongeluk dubbel hebben lief gekregen en hem -omklemmen als het klimop een omgestorten stam. En als den donkeren -achtergrond van dit aandoenlijk tooneel zie ik vervolging op -rechterlijk gezag, vervolging op eigen gelegenheid, onbarmhartige -bejegening, nijpende armoede en een gebedeld graf, waarop weezen in het -bonte kleed der liefdadigheid treuren. En ik wenschte dat de -verbeelding van menig crediteur hetzelfde zag, eer hij dat harde woord -„Faillissement” laat drukken. - -Naar een geheel ander tooneel roept mij het artikel Erfhuizen. Dit -verplaatst mij op eens te midden van die chaos van verwarring, die een -geveilde boedel oplevert. Gelukkig die zich uit zulk een huis weet te -redden, zonder een blauwen scheen te hebben opgedaan. Want als of een -aardbeving de moeite genomen had van de goederen te schikken, zoo ligt -daar alles op en onder elkander. Niets is op zijn plaats gebleven. -Meubelen, die bij het leven der eigenaars even als boomen op hun eigen -plekje stonden vastgegroeid, zijn nu meêdoogenloos mobiel verklaard en -gedwongen den grooten stroom te volgen. Een menigte van voorwerpen -zweeft even als verstrooide vogels buiten hun natuurlijk verblijf om. -Het witte linnen heeft de zware eiken planken verlaten, waar het zoo -vreedzaam lag te sluimeren, en is verwonderd gedurende zoo veel dagen -achtereen de zon te zien, die het anders bijna nooit aanschouwde. De -vernederde ledikanten-hemel, die eerst uit de hoogte op alles neêrzag, -sleept nu met zijn staart in het stof, als een nieuw bewijs dat -hoogmoed voor den val komt. Schilderijen, die nooit geleerd hebben op -haar rug te liggen, worden nu gedwongen die houding aan te nemen. De -verschrikte kanarievogel schreeuwt van angst in den hoek op den grond, -waarheen men hem verbannen heeft; en de schichtige poes vliegt, als een -levend symbolum van de verwarring die hier heerscht, van den eenen kant -van het huis naar den anderen. Het is een treurig gezicht! De lares en -penates omgeworpen! de huiselijke haard verstoord! het vreedzaam stof -der ruste opgejaagd; de stilte van het penetrale verbroken! de gordijn -van het binnenste heiligdom verscheurd! de Heidenen in den tempel -binnengelaten! het is een treurig gezicht, vooral voor den vriend des -overledenen; hem overvalt een huivering, indien hij moed heeft het huis -binnen te treden. Is dit de woning zijns vriends? hij herkent haar niet -meer: maar ja, die meubelen zijn wel dezelfde van vroeger. Dat is wel -de haard, waaraan hij zoo menigen vriendschappelijken avond gesleten -heeft. Ginds staat de zetel, die in zijn oogen meer is dan een troon, -want hij was de zetel van een braaf man. Hier staat de feestelijke -bokaal, dien hij zoo menigmaal op de huwelijks- en vadervreugde van den -verscheidene geledigd heeft. In het verschiet hangen de -familieportretten, waaraan zich zoo menige lieve herinnering verbindt. -O, er is iets aandoenlijks en hards beide in zulk een schouwspel! Het -doet pijn, als men een vreemde zoo ziet roeren in de reliquiën, door de -liefde geheiligd. Het is of men doodgravers met de beenderen van zijn -voorouders zag gooien. Mij dunkt, indien ik het voorkomen kon, zou ik -trachten mijn testament zoo in te richten, dat mijn verlaten nest beter -geëerbiedigd werd. Mij althans zou de gedachte onverdragelijk zijn, van -mijn kleine bezitting aldus aan de ergerlijke nieuwsgierigheid der -menigte prijs te geven. „Ei, ei, en zat Jonathan nu op zoo’n stoel? -wel, wel, is dat nu ’s mans boekenkast? ei, zie daar hebt gij de -huisklok ook, waar hij in zijn boekje—hoe heet het ook?—van spreekt! en -ginds hangt zeker het portretje, waarover hij dat malle stukje -geschreven heeft! ei zie, dat zal de piano van Editha zijn!” Ik kan -koud worden als ik er aan denk. Bij de gedachte alleen gaat mij een -gril over ’t lijf, als of er iemand over mijn graf liep. Neen, mijn -armoedje, gij zult voor uwe trouwe diensten beter beloond worden, dan -met de beschimping van den grooten hoop, dien gij even als uw bezitter -altijd gehaat en gevloden hebt. Ik zal u in mijn testament bij mijn -neef en vermoedelijken erfgenaam als op een hofje bestellen, waar gij, -hoop ik, in stilte aan den houtwurm en de mot uw eerlijken dood sterven -zult. Want reeds dit vooruitzicht is mij maar half aangenaam. Ik heb -sommige mijner meubelen zelfs te lief om ze aan mijn neef te gunnen. -Als het niet te Indiaansch klonk voor een Hollander, zou ik wel -wenschen met hen verbrand te worden, en stervende mijn asch met de -hunne te vermengen. Over het algemeen heb ik een groot zwak voor alle -oude voorwerpen, waaraan zich oude herinneringen hechten. Ik ben het -daaromtrent eens met mijn vriend Jean Paul, als hij zegt: Eer het heden -nacht wierd, heb ik alle papiersnippers, die van dit boek vielen, -bijeenverzameld;—ik heb te gelijk alle brieven dier vrienden, die mij -geen nieuwe meer kunnen schrijven, even als stukken van een bij deze -wereldinstantie gesloten proces, weggelegd. Zoo iets moest de mensch -zorgvuldig doen, en alle bloemen der vreugde, niettegenstaande hare -verdorring, in een herbarium vastplakken. Hij moest niet eens zijne -oude rokken, jassen en mantels weggeven of verkoopen, maar weghangen -moest hij ze, als hauwen zijner uitgepelde uren, als poppenbekleedsels -van daaruit gevlogene vreugde, als erfenis ab intestato van gestorvene -jaren, die aan de herinnering opkomt.—Het is maar jammer, dat men niet -altijd meester is zijn plan geheel uit te voeren. Althans mij is het -wel eens gebeurd, dat juist als ik een ouden jas had afgelegd en in -mijn reliquiën-kast weggehangen, een arme duivel kwam en mij om -bedekking zijner naaktheid bad. En ik moet bekennen, dat ik in zulke -gevallen geen humorist genoeg was om het er voor te houden, dat de -herinnering mijner vreugde beter was dan de verwarming van een -ongelukkige, die in ’t geheel geen vreugde had, noch te herdenken, noch -te wachten. Maar de Joden hebben nooit met mijne uitgevallen veêren -gepronkt. - -Uit dat zelfde beginsel zal ik doen wat ik kan, om mijn dierbaarste -overblijfsels uit de handen van de nablijvenden te houden. Ik ben het, -even weinig als mijn vriend Hildebrand, met den Engelschman eens, die -wilde „dat er ten algemeenen nutte knoopen van zijn gebeente en snaren -van zijn ingewanden zouden gedraaid worden.” - -Ik weet wel dat dit alles kinderachtig, kleingeestig, kleinhartig, en -wat ge meer wilt, is. Maar ik geef mij ook voor geen sterken geest uit. -Er is in mijn huis maar één wijsgeer, en dat is mijn hond Dolly, die -„par droit de naissance” een weinig Cynicus is. Ik voor mij slacht den -ouden Chremes; - - - Homo sum, humani nihil alienum a me puto. - - -Uit dien hoofde is dan ook mijn testament recht Malabaarsch in twee -deelen verdeeld. Het eerste deel loopt over hetgeen verbrand moet -worden; het tweede over hetgeen in stand moet blijven—en de Hemel make -er mijn erfgenaam gelukkig meê! - -Tot het eerste behoort... maar het zou wezen of ik aan de goede trouw -van mijn Notaris twijfelde, als ik dit bekend ging maken. Genoeg, als -gij de advertentie van mijn dood in de Courant gelezen hebt, zoek op -het andere blad maar niet naar de veiling van mijn boedel. - -Maar reeds zijt ge mij vooruitgeloopen, en wijst met uw vinger op het -artikel; Een jonge Dame van fatsoenlijken huize enz. Gij hebt gelijk. -Dat is een artikel waarbij ieder gevoelig hart een poosje stil staat. -O, het is zeldzaam, dat die weinige letters geen gansche geschiedenis -van een wreed lijden bevatten. Mij althans stellen ze dadelijk een -bewegelijk beeld voor den geest. Een jonge dame—dus in den bloeitijd -des levens, waarin het hart den Armida-tuin der poëzie bewoont en zich -met idealen voedt; dus in dien tijd, waarin het harder is dan ooit, -wanneer de koude des levens den stroom der verbeelding doet bevriezen, -zoodat hij in plaats van den hemel te weêrspiegelen tot een looden lijk -wordt; van fatsoenlijke huize—dus geboren en opgevoed in de lauwe -atmosfeer der welvaart; gewoon aan gemakken der weelde, aan genoegens -der gezelligheid, en wat het ergste is; door dit alles verfijnd, week -en gevoelig gemaakt; biedt zich aan—tot het bewijzen van diensten, die -zij gewoon was te ontvangen, tot het geven van onderwijs in de talen en -talenten, die men haar zelve tot den prijs van groote kosten heeft doen -aanleeren; zij vergenoegt zich met een klein salaris, op voorwaarde -eener goede behandeling—ziedaar den laatsten, misschien den bittersten -trek van allen. Daarin vertoont zich nog een spoor van haar fijner -gevoel. Geen gemeene dienstbode pleegt zulk een afspraak te -maken,—ofschoon de Hemel weet of het overbodig zijn zou! Zij verkeert -in behoefte, dit blijkt uit haar aanbod, maar evenwel liever armoede -dan hardheid! Men wreke het recht dat men koopt liever op haar gewaad, -dan op haar hart! Wilt gij hooren hoe een vrouw haar lot beschrijft? -Gij zult er de vrouw in herkennen. Van alle degenen, zegt Mistress -Hall, die door de wankele schaal van het geluk gedoemd zijn, om het -eigen brood te verdienen, hebben er geene meer aanspraak op medelijden -dan gouvernantes. De dienstbode heeft, als haar werk gedaan is, een -paar uren over, die haar alleen toebehooren. Hare eerzucht strekt zich -niet verder uit dan haren kring. Maar de gouvernante heeft geen -bepaalden kring.—Zij wordt beschouwd als deels tot de gezelschapskamer -te behooren;—vaak wordt zij uit de laatste verdreven, en met walging -verlaat zij zelve de eerste. Tusschen een dubbel bestaan worstelt zij; -zij is een soort van tweeslachtig wezen, dat tot twee verschillende -toestanden behoort; zij moet als eene fatsoenlijke vrouw voor den dag -komen; en krijgt nauwelijks kameniersloon. Zij moet kundig en beschaafd -zijn, en toch hare kunde en beschaafdheid voor zich houden tot zij er -naar gevraagd wordt, ja zelfs beleedigingen moet zij vaak verdragen, -als of zij er het gevoel voor miste. De Hemel sta haar bij, die op een -gouvernantesplaats uitgaan want van de aarde kunnen zij weinig -ondersteuning verwachten. Boekdeelen zou men kunnen vullen met het -lijden eener gouvernante. - -Zie, dit en zoo veel meer rijst mij voor de verbeelding, zoodra ik mij -een dier beklagenswaardige schepselen vertegenwoordig, waarvan iedere -verschijndag van de Haarlemsche Courant er eenige in veiling brengt. -Zeker, ik ben er verre af van ongevoelig te wezen voor het ongeluk van -diegenen uit mijn geslacht, die tot dezelfde opoffering geroepen -worden; bovenal heb ik sympathie voor de smart dier jonge Zwitsers, -die, door de stem van plicht of behoefte gedrongen, van hun hooge -sneeuwbergen afdalen, om in de laagte hun onderhoud te zoeken, maar met -het gevoel van den arend, die de vallei haat welke hem voedt, en alleen -boven te huis is; doch dit neemt niet weg, dat ik hen vergeet wanneer -ik ze in de nabijheid van een vrouwelijke lotgenoot geplaatst zie. O, -het is waar, te dienen is de bestemming der vrouw; te dienen is zelfs -haar geluk, indien zij waarlijk vrouw is; maar zóó te dienen, de -vreemde moeder, die haar diensten koopt; het vreemde kind, dat geleerd -wordt haar te gehoorzamen, niet haar lief te hebben; misschien den zoon -des huizes, wiens zijde zij als bruid versierd zou hebben—zie, dat is -hard! dit doet het oog schemeren, alleen van het aan te zien. - -Evenwel, ik erken dat er uitzonderingen zijn; ik weet dat zij er zijn. -Ik ken gezinnen, waarin de vreemde weeze als een dochter ontvangen is; -waarin de van haar zusters gescheidene nieuwe zusters gevonden heeft: -waarin vriendschap en liefde de geslagen wonden geheeld zouden -hebben,—indien zulke wonden zich ooit heelen lieten. Ook is het -hartverheffend voor mij, als ik hier of daar het verwachte slachtoffer -zulk een ontvangst bereid zie. Zoo weet ik niet wie zij is, en toch -denk ik met achting en genegenheid aan die oude Dame, die voor eenigen -tijd in de Haarlemsche Courant aanzoek om een Juffrouw van gezelschap -deed, en er bijvoegde: „liefst een jong meisje, wanneer zij niet vreest -zich in het gezelschap van een oude vrouw te zeer te vervelen.” Mij -dunkt als ik zulk een meisje geweest ware, ik zou mij op dit zeggen af -aan haar verbonden hebben, al had ik niets meer van haar geweten. - -Wat mij evenwel het meest grieft, is het denkbeeld, dat bij de -toeneming der weelde het getal dezer ongelukkigen niet verminderen zal. -Ik durf er niet aan denken, hoe het daarmeê in de Haarlemmer van 1939 -zal uitzien. Gelukkig dat ik er dan niets van merken zal, als de -gouvernantes met haar kinderen komen om op mijn graf boterbloempjes te -plukken. - -Ik kan mijn Courant niet op zij leggen zonder nog met een woord van de -Boekaankondigingen gesproken te hebben. Boekaankondigingen—van onder, -Mijne heeren! vreeselijk! vreeselijk! Het is of het hier, zoo als ik -eens in de opera zag, papier uit den hemel sneeuwt. Waar komen ze allen -van daan? Maar wat vraag ik nog, als ik slechts aan de duizend en één -schrijvers denk, wier pennen ik zeker ben dat ik, even als de mijne, -als het maar eens recht stil was, over het papier zou kunnen hooren -krassen. Waar blijven ze allen? dat raadsel is spoedig opgelost; het -antwoord staat er, even als bij de logogryphen in de kinderboekjes, -vlak onder—in die menigvuldige aankondigingen van Boekverkoopingen, die -het meeste, dat onder den weidschen titel van meesterwerk in de wereld -gekomen is, onder den zedigen titel van scheurpapier er weêr uithelpen, - - - in vicum vendentem thus et odores, - Et piper et quidquid chartis amicitur ineptis, - - -zoo als Horatius zegt. Daarom noemt dan ook Mr. Weiland geestig (maar -dit is een pleonasmus) den kaaswinkel den eenigen Hercules, die op den -langen weg tot het werk opgewassen is, om den letterkundigen stal van -Augias op te ruimen.—En toch is het mij wel eens voorgekomen, dat het -voor die nieuwe boeken hard was, zoo met hun voet op hun doodkist te -staan, als een Karthuizer bij zijn geopend graf. Doch wat zal men er -aan doen? Zij moeten hun troost maar in de les der voorafgaande -registers zoeken. Naar mate de bevolking toeneemt, vermeerdert de -sterfte. En leven ze kort, ze kunnen niet zeggen, dat ze roemloos -geleefd hebben. Want immers worden al de mooie woorden van onze taal -bewaard, om hun bij hun intrede in de wereld als een getuigschrift in -hun borst meê te geven. Als gij den Uitgever gelooven wilt, is dit boek -nu eigenlijk wat aan de wereld ontbrak. Mijnheer A. heeft dit gezegd, -Mijnheer B. heeft dat gezegd, maar mijnheer C! alle hoeden omlaag voor -Mijnheer C! Mijnheer C. is zoo volmaakt als het papier, waarop zijn -boek gedrukt is. Het boek van Mijnheer C. is zoo goedkoop, als het -talent van Mijnheer C. onbetaalbaar is. Te vreden kunt ge zijn op de -wereld zonder het boek van Mijnheer C., maar gelukkig niet. Niet om -Mijnheer C.’s wille, niet om des boekverkoopers wille, maar in uw eigen -belang, in het belang der geheele menschheid, koop het boek van -Mijnheer C.! - -Spot maar, Jonathan! het zal u wel opbreken. ’t Is waar ook, daar -vergat ik geheel en al, dat hetgeen ik hier nederschrijve, mede bestemd -is om in het licht te komen, en misschien wel om in de Haarlemsche -Courant te worden aangekondigd. Mijn arm boekje! Hoe bang zal men het u -misschien over dezen uitval maken. Mij dunkt, ik zie u reeds in een -hartige beoordeeling, in de omgekeerde rede behandeld. Het boek van -Jonathan is slecht; dit ontbrak nog maar aan de zoogenaamde -humoristische prullen, waarmeê we overstroomd worden. Hildebrand heeft -dit gezegd, Vlerk heeft dat gezegd, maar Jonathan is nog veel erger. -Alle vuisten op het hoofd van Jonathan, enz. - -Het zij zoo; ik moet het afwachten. Ik kan niets doen dan mijn uitgever -vragen, dat hij bij de Heeren Enschedé een klein onopgemerkt hoekje -voor mij verzoeke, en er dan niets tot aanbeveling bij voege; ja kan -het zijn, er de inhoudsopgave bij late drukken, opdat iedereen te voren -wete wat hij te lezen krijgt. Dit alleen voeg ik er bij; maar hier, -zoodat gij ’t niet ziet dan nadat gij ’t boek gekocht hebt; dat ik -weet, dat nooit een schrijver het beter met zijne lezers meende, dan de -minste der broederen, die deze bladen schreef. - -En nu, waarde Lezer van de Haarlemsche Courant, alles wat goed en -wenschelijk is! Denk soms aan mij, als gij het blad in handen neemt, -dat ik met u doorloopen heb, zoo als ik aan u. De hemel schenke u den -zegen van menig gelukkig geboortebericht, en eerst laat en vredig een -plaatsje onder de doods-advertentiën. - -Judith! breng de Courant weg. - - - - - - - - -HET ALBUM. - - -„Voor niemand t’huis, Judith!” - -Als ik deze order geef, ziet mijn oude huiszorg mij gewoonlijk met een -meesmuilenden glimlach aan. Hoe zij er achter gekomen is, weet ik niet; -maar zij schijnt eenig vermoeden te hebben, om welke reden ik mij aldus -afzonder. Ik heb wel eens beproefd haar van den weg te brengen, door -bij zulk een gelegenheid in mijzelven te mompelen: „Ik heb papieren die -ik moet nazien—ik heb belangrijke brieven te beantwoorden—ik moet een -balans maken”—maar dit baat mij niets. De oude weet heel goed, dat ik -buiten de Haarlemmer Courant nooit eenig papier van gewicht krijg; dat -de brieven die ik ontvang niet veel meer bevatten dan een „God zegene -u!” mij door den een of anderen vriend toegeroepen; en vooral dat mijn -balans zoo eenvoudig is als een bakkers kerfstok. Zij is dus geen dupe -van deze krijgslist, en begrijpt volkomen den verborgen zin van dit -consigne. Ik wil alleen zijn om eens ongestoord—och ja, te mijmeren!—Ik -geloof dat ik wel kan nagaan, hoe zij hierop gekomen is. Ik heb -namelijk volstrekt geen slag om mijn uitwendig voorkomen te -beheerschen. Wat in mijn hart omgaat, verraadt zich dadelijk over mijn -geheele wezen. Als mijn onbevallig figuur en vale kleur geene parodie -op de vergelijking ware, zou ik wel willen zeggen; dat ik naar een -albasten vaas gelijk, waardoor de vlam die er in brandt in rooden gloed -heenschemert. Zoo veel is ten minste zeker, dat ik niets heb van -Mijnheer.... gij kent hem wel, en Mevrouw.... gij weet wel wie ik meen, -die hun gelaat zoo meesterlijk in hun macht hebben, dat het bij hen -veeleer het masker, dan de spiegel der ziel mag heeten. In ’t algemeen -doen de meeste menschen of het geheele leven een bal masqué is, en -hebben voor niets meer zorg, dan niet in hun eigen gedaante gezien en -herkend te worden; zeer aardig en kunstig, dat moet ik zeggen, maar -toch een weinig lastig voor dezulken, die geen grijns hebben kunnen -machtig worden, of, zoo zij al eens een vreemde huik omhangen, haar zoo -linksch dragen, dat zij veel hebben van den struisvogel, die meent dat -zijn vervolgers hem niet zien, wanneer hij zijn kop in den grond -steekt. Tot die minder bevoorrechte wezens behoor ik. Als ik iets zie -of hoor dat mijn bewondering, geestdrift of verontwaardiging gaande -maakt, dadelijk werpt de springbron mijns harten zijn purper omhoog en -overstroomt mijn anders bleek gezicht met een gloeienden blos; verneem -of aanschouw ik daarentegen iets, dat mijn mededoogen of smartgevoel -opwekt, terstond is de wel mijner tranen in beweging gebracht en dringt -haar vocht opwaarts, dat, zoo het al mijn oog niet bereikt, mijn gorgel -beklemt en aan mijn stem het geluid van een vochtige snaar geeft. Van -daar dan ook dat ik, zelfs uren na een hevige gemoedsbeweging, er de -sporen nog van behoud, gelijk de zee, si parva licet componere magnis, -nog nastormt als de orkaan reeds is gaan liggen. Ik kan mij dus nooit -in mijn eenzaamheid aan den stroom mijner aandoeningen overgeven, of -mijn gezicht verraadt het geheim mijner afzondering. Zelfs heb ik geen -baat gevonden bij het middel van een mijner geliefde Bijbelheiligen, -van wien ik lees: Ende Joseph haestede hem, want sijn ingewant ontstack -tegen sijnen broeder ende hij socht te weenen; ende hy ging in eene -kamer, ende weende aldaer. Daer na wiesch hy syn aengesichte, ende quam -uyt; ende hy bedwong hemselven.—Meermalen heb ik beproefd mijn -gloeiende wangen af te koelen, en den helschitterenden straal in mijn -oogen te dooven: vergeefs! mijn hart laat zich door geen sourdine -dwingen. Licht bewogen en omhoog gevoerd als een pluim, moet ik ook -zachtkens als een pluim weêr naar beneden en in rust zinken. - -Deze zwakheid maakt dikwijls de spotzucht van mijn Editha gaande. -Vruchteloos is het, dat ik met een gezicht zoo onnoozel als ik kan -binnenkom, en met een stem, zoo gemaakt onverschillig als mij maar -mogelijk is, over onverschillige dingen spreek; zij heeft mij alleen -aan te zien om met een spottenden lach uit te roepen: „Jonathan heeft -weêr geesten gezien!” In mijn Editha nu is dit niets vreemds; zij ziet -den bodem van donkerder waters, dan waartoe ik behoor; maar dat ik mij -voor Judith niet vermommen kan, zie, dat is wat heel erg. Want dat zij -zoo veelbeteekenend lacht, als ik haar met het eenvoudigste gelaat der -wereld zeg: „Voor niemand t’huis, Judith!” komt nergens anders uit -voort, dan omdat zij dadelijk begrijpt, wat ik met die afzondering -voorheb. - -Maar wel beschouwd, wat doet het er toe? Indien het een ondeugd in mij -is, waarover ik het nog niet recht met mij zelven eens ben, week en -gevoelig te zijn, waarom zou ik mij beter voordoen, dan ik ben? en -indien het een deugd is, wat recht heb ik dan, daar ik zoo veel -ondeugden onbedekt ten toon draag, mij over het weinigje deugd te -schamen, waarop ik mij verheffen mag? Kom, dus maar weêr met moed het -spotziek lachje van mijn goede oude getrotseerd! - -„Voor niemand t’huis, Judith!” - -Maar wat nu Judith niet weet, het is wat ik na dit voorspel in mijn -kamer uitvoer. Zij moge mijn gelaat zien glinsteren, als ik van den -berg terugkeer; zij weet niet wat op de hoogte is omgegaan. Ook is dit -verschillend. Somtijds bedekt de wolk der afzondering geheimenissen, -die een verborgenheid tusschen mij en mijn geweten blijven moeten. Op -andere tijden evenwel zoek ik de eenzaamheid om redenen, waarvan ik -geen geheim behoef te maken. Zulk eene bij voorbeeld is de beschouwing -van mijn Album. - -„De beschouwing van uw Album?” - -„Ja, Mejufvrouw! waarom niet?—ik weet wat UEd. zeggen wil: als ik mijn -Album nooit dan in mijn eenzaamheid voor den dag mocht halen, zou ik er -zoo’n ding niet op na willen houden—UEd. heeft volkomen gelijk. Want -ziet UEd., uw album en het mijne hebben juist zooveel van elkander, als -die prachtige gouden collier, dien UEd. om den hals heeft, en dit haren -koordje aan mijn horlogie. Uw Album is een voorwerp van weelde, bijna -zoo elegant als uw balwaaier. Heerlijk steekt het glanzige porselein -van den koker tegen de sieraden van gepolijst staal af, waarmeê het -belegd is; zie, men kan er zich in spiegelen. Zou ik durven wagen, het -eens in te zien?” - -„Waarom niet, Mijnheer? het is er voor.” - -„Allerliefst! van wie is deze teekening?” - -„Och, wees zoo goed en zie eens op den rug, wat naam er op staat; ik -weet het waarlijk zelve niet. Het is van eene Dame, die ik maar eens -ontmoet heb.” - -„Ei zoo? maar wat is dit? Een vers van den Dichter *** Kent UEd. hem -bijzonder.” - -„Pardonneer, ik heb hem nooit gesproken. Een mijner vriendinnen heeft -hem voor mij om een handschrift gevraagd.” - -„Zoo, ik dacht ook al: ik heb dit vers meer van hem gelezen. Ik heb het -nog in twee of drie Dames-Albums aangetroffen. Maar wat zie ik? -Geducht! Welk een verzameling! Er zijn er wel honderd, geloof ik.” - -„Ja, ik ben druk aan ’t bijeengaren: dat is nu mijn stokpaardje. Mag ik -u een blaadje aanbieden?” - -„Verschoon mij! ik schrijf nooit in—Albums.” - -Mijn simpel boekske! hoe staat gij bij dit prachtwerk achter! men zou -nooit zeggen, dat gij van dezelfde familie waart. Zie het er eens -deftig uitzien! Een zwart lederen band is zijn omslag, met een -eenvoudig opschrift: - - - PIAE. MEMORIAE. PARENTUM. AMICORUM. - - S. - - -Die band houdt de weinige bladen, die het bevat, bijeen. Ik ben geen -minnaar van den gewonen Album-vorm, tweehonderd losse bladen in een -koker. Bij mij heeft altijd de regel gegolden, dien ik van anderen dan -van de Franschen wenschte te ontleenen: Les amis de mes amis sont mes -amis. Dien ik zoo lief had, dat ik hem zijn naam op dezen gedenksteen -der vriendschap liet griffelen, mocht vrijelijk weten, wie buiten hem -mij lief hadden, en hoe zij mij hunne liefde betuigden. Vriendschap is -voor mij als de kelk van een roos, die de bladeren, welke zij draagt, -niet alleen aan zich, maar ook aan elkander verbindt; voor velen heeft -zij meer van den vlinder, die de eene bloem na de andere kust, zonder -ander onderling verband, dan dat hij ze allen beurtelings zijn hof -maakt. Mijn armen vormen één band om al mijn vrienden; mijn Album vat -hun aller namen in één. - -Maar juist daarom wordt mijn vriendenrol nooit tot een tentoonstelling -gebezigd. Ik ben te jaloersch van de stemmen van liefde en vriendschap, -die daarin klinken, om die aan het oor van onverschilligen prijs te -geven. Ik heb te veel eerbied voor de uitdrukking der heiligste -gevoelens, daarin uitgeboezemd, om die in het gesnater der dwaasheid te -mengen. Ook zou mijn lezer er niets van zien, indien ik niet hoopte, -dat de toon van vereering, waarmede hij mij over mijn boekske hoort -spreken, hem beletten zal, het met de lichtzinnigheid van een gewoon -Albumbeschouwer te bejegenen. En nog meer blijkt de prijs, dien ik op -deze verzameling stel, uit de wijze, waarop ik er zelf mede omga. Het -is namelijk lang mijn gewoonte niet, haar telkens in de hand te nemen. -Ik doe dit niet, dan bij zeldzame gelegenheden; en alsdan ook niet ter -loops, met de onachtzaamheid, waarmede ik een tijdschrift inzie; maar -met een zekere plechtigheid, die ik mij toeschijn aan de gedachtenis -der dierbaren, die daarin tot mij spreken, verschuldigd te zijn. Ja, -dit gaat zoo verre, dat ik, gelijk de lezer reeds weet, mij nooit dat -genoegen schenk, zonder mijn eenzaamheid voor stoornis te beveiligen, -door het uitzetten van een schildwacht: - -„Voor niemand t’huis, Judith.” - -Lach niet! Hoor ten minste eerst mijn verdediging. Mijn Album, mijne -vrienden! is voor mij een symbolum van het Verledene! geheimzinnige -naam van een geheimzinnig wezen! Hoe zal ik den vorm beschrijven, -waaronder het zich aan mij voordoet? Het heeft voor mijn verbeelding -het voorkomen van een diep en donker gewelf, dat alleen van tijd tot -tijd door een flauwen, bleeken lichtstraal daarin vallende verlicht -wordt; vervuld met schaduwachtige gestalten, die door elkander zweven, -en nu eens duidelijker voorkomen, dan zich weêr in den mist die den -achtergrond bedekt verbergen, al naarmate het grillige schijnsel, dat -als een bliksemstraal door het verwulf schiet, zijn licht naar dezen of -genen hoek werpt. Maar er is iets pijnlijks en duizelachtigs in dat -staren in een onbepaald verschiet en naar schemerende gedaanten. -Ongelijk aangenamer is het dus, zich met een lamp in dit schimmenrijk -te begeven, de gestalte op te zoeken die men begeert te vinden, haar -uit dien grafnevel te ontwikkelen en los te maken, haar naar voren in -een helderder dag te brengen, en zich alzoo met haar te onderhouden. -Daartoe nu dient mij mijn Album. Als ik dat maar aanzie, staat het -Verledene, door zichtbare gedaanten vertegenwoordigd, voor mij. Als ik -dat open, klinken lang verdoofde stemmen mij onderscheidenlijk te -gemoet. - -Het is dus een plechtig oogenblik, als ik dit gedenkstuk ontdek. Het is -voor mij een soort van geestenbezweering; een oproeping als die van -Saul aan de waarzeggende vrouwe van Endor: Doet my opkomen, dien ick -tot u seggen sal.—Ik stel mij alsdan in aanraking met wezens, die ver -van mij, of hoog boven mij zijn. Ik daag hen bij hunne namen op, dwing -hen met mij te spreken, spreek op mijn beurt tot hen en verkeer met hen -als voorheen. Waarlijk, wij houden ons al te vreemd van de -geestenwereld. Zeker is het goed, dat wij waarzeggers en -horoskooptrekkers van onze kennissen weren; het is goed dat wij onze -kinderen naar de fantasmagorische voorstellingen van Bamberg brengen en -hun inprenten, dat het alles maar klinkklare begoocheling is; het is -goed dat wij Stilling’s Geestenwereld niet meer gebruiken, dan om -elkander op een stormigen avond bang te maken; maar evenwel zijn wij -misschien wel wat heel vrijgeestig op dit punt. Dood is dood! zegt men -met den polichinel in de poppenkast, en gaat even als hij op de kist -zitten, om den gevangene er in te houden. Het is jammer! de geesten, -vooral als we ze zelven uit eigen beweging oproepen, zijn zulke -indrukwekkende verschijningen! Zij brengen ons zulke belangrijke -tijdingen uit het onbekende land! zij voeren zulke wijze lessen in den -mond, die wij van de levenden niet hooren! Nu eens vertoonen zij zich -als een vriendelijke jongelingsgestalte, met lichtstof bekleed, met een -krans van sterren op het amberriekend haar en den paradijspalm in de -hand, ons toeroepende: - - - ’t Ware leven is omhoog. - - -Dan weêr hebben zij het ernstige voorkomen van den Profeet te Gilboa, -en schijnen met dreigend gelaat uit het graf op te komen om ons te -waarschuwen: Morgen sult ghy by my syn. In een ander gezicht dragen zij -het verheerlijkt beeld van een geliefden vader of dierbare moeder, die -de laatste bede der stervende lippen komt herhalen, en ons de nakoming -onzer jongste gelofte afvleien. In een nieuw visioen zien wij een -dierbare gestalte voor den troon des Eeuwigen gebogen, en hooren haar -onzen naam noemen.... O, het is iets heerlijks, aldus naar boven te -zien, aldaar zijn geliefden te aanschouwen, en zoo door dezelfde -koorden dier liefde, die hier op aarde onzen hemel schiep, zich van de -aarde ten hemel te voelen opvoeren.. Hoe kan het zijn, dat men -zichzelven dit genot zoo zelden schenkt? Hoe kan het zijn, dat men -alleen oogen en ooren heeft voor de menschelijke gedaanten, die ons -omringen, terwijl een krans van engelen, even als aan een beschilderd -gewelf, boven ons hoofd zweeft en gereed is op den eersten wenk tot ons -neêr te dalen. Zoo ook het grijs verledene! Ik heb er allen eerbied -voor. Ik heb ontzag voor Vader Homerus en Grootvader Herodotus, voor -wijlen Cicero en Seneca zaliger. Ik bewonder groote Geschiedkundigen, -wier geheugen is als het papier sans fin van onze dagen, door een -monnik uit de middeleeuwen beschreven. Ik vind het schoon, zoo te huis -te zijn in de lanen der Attische Academie, dat men er een bestek van -zou kunnen teekenen, en in de boschjes van Tusculanum, als in zijn -eigen theetuintje. Ik vind het verwonderlijk, dat men zoo gemeenzaam is -met Quinctilianus als met zijn Rector, en met Aristoteles als met zijn -Professor. Maar wanneer aan die herinneringen, van het gestorvene Rome -of begraven Athene eigene jonge herinneringen worden opgeofferd; -wanneer men voor die dooden van het voorgeslacht zijn eigen dooden -vergeet, en met Sulpicius langer rouw draagt over Tullia, dan met zijn -vrouw over zijn eigen kind; wanneer men, om in het klassieke Elysium -zoo gemeenzaam te zijn en daar alle menschen bij den voornaam te -noemen, een vreemdeling wordt in de plaats, waarheen men hoopt dat zijn -geliefden gegaan zijn, wier naam en beeld men uit het geheugen laat -verdwijnen, zonder ze vast te houden; dan vrees ik dat men in de -geestenwereld dezelfde fout begaat, als velen in de menschenwereld, van -goede aan adelijke bekenden op te offeren. Waarlijk, het is niet goed, -aldus alle gemeenschap met onze dooden af te snijden, en ze, even als -de hovelingen den gestorven koning, in het gezicht van hun graf te -verloochenen. Ik althans heb mij zelven die vrijheid nooit gegeven; ik -weet niet waarom ik zou ophouden zoon te zijn, omdat mijn vader aan de -andere zijde is, en niet verder naar zijne vermaningen luisteren. Ik -weet niet, waarom ik mijn oor zou sluiten voor de geestenstemmen van -hen, wier woorden mij vroeger eerwaardig of dierbaar waren. Van daar -dat ik mijn Album niet als een gesloten boek, bij de doodcedels der -gestorvenen die er in spreken, weggeborgen heb, maar het beschouw als -een altijd geldend testament, waarin ze mij hun wil bekend maken met -dien aandoenlijken nadruk, dien iedere stem voor ons heeft, welke ons -van over een graf toeklinkt. - -Daar ligt het boek voor mij open. - -Het eerste blad is een gedachtenis van mijns vaders moeder. Toen ik -mijn Album begon aan te leggen, was het mij een behoefte, het vóór alle -anderen aan deze vrouw aan te bieden. Ik wist dat nooit iemand mij -liever kon hebben, dan zij. Ik wist dat niemand mij een hartelijker, -beter en liever wensch doen zou—en niemand ook met meer kans om -verhoord te worden! Zij was een dier zeldzame wezens, wier zachte -vroomheid ik weet niet wat aantrekkelijks heeft. Ik heb opgemerkt, dat -de godsvrucht, ofschoon zij het sieraad van alle leeftijden is, evenwel -aan den ouderdom het natuurlijkst staat; aan jonge menschen deelt zij -somtijds iets gedwongens en stroefs, aan den middelbaren leeftijd iets -strengs en hards mede; maar bij oude menschen is zij in volkomen -harmonie met hun geheele wezen en bestaan: de vroomheid lacht uit het -rimpelig gelaat van den grijze, en juicht in zijn gebroken stem. Het is -iets vreemds, maar voor mijn gevoel heeft de vrome oude iets jeugdigs -aan zich, dat in wonderlijke tegenspraak is met het verval van zijn -lichaams- en zielskrachten. Ik heb het wel eens vergeleken met het -slaan van de vleugelen des vlinders, op het oogenblik dat de pop zal -doorbreken; het kon mij bij hen wezen, als zag ik in den aardschen -mensch die wegstierf, den hemelschen mensch die zich vormde: - - - Als brak een scheemring van den gloor, - Die eens hun lichaam zal doorgloeien, - - -reeds nu door den kranken bouwval heen. Hoe het zij, mijn grootmoeder -bezat voor mij een groote aantrekkelijkheid, en zoo, dat ik niet weet, -of ik haar meer vereerde of lief had. Ik vroeg haar dus, mijn -gedenkboek der liefde en vriendschap in te wijden. Zij deed het op hare -wijze: zij nam haar ouden Staten-Bijbel, sloeg dien open en schreef -daaruit met bevende hand op het eerste witte blad: - -Matthei X. 37. Die vader of moeder liefheeft boven my, en is myns niet -weerdigh; en die sone ofte dochter lief heeft boven my, en is myns niet -weerdigh. - -Een schoone spreuk aan den ingang van zulk een boekske. Zij wist, hoe -dikwijls het een altaar is voor aardsche afgoden gesticht. Daarom -schreef zij er met haren vromen vinger den naam des Allerhoogsten -boven. Het was het D. O. M. boven de eerezuilen, voor onze gestorvenen -opgericht. Hoe dikwijls is mij deze spreuk waarschuwend voor den geest -gekomen. Nooit nam ik mijn Album in handen, om mij met het beeld mijner -geliefden bezig te houden, of een blik op dit Bijbelwoord geworpen -heiligde mijne gewaarwordingen. Bovenal is het mij ten aanzien van een -der volgende namen van veel dienst geweest. - -Het volgende blad is van mijn vader. Hij was een man van een -ingetrokken, strengen geest. Als hij in dien tijd geleefd had, zou men -hem voor een Christen gehouden hebben, die uit de Stoa was uitgegaan. -Dit was evenwel meer het gevolg van zijn manieren, dan van zijn -denkwijze. Er sliep in zijn hart een schat van liefde, dien zijn -uiterlijk scheen te verloochenen. Hij was als een fontein, die haar -verfrisschend water in marmer bevat. Het was iets schoons, als die -harde steen op eenmaal milde en malsche stralen opwierp! Ik kwam met -mijn Album op zijn kamer; hij zag het met een ernstigen blik in. Toen -hij de spreuk van zijn moeder zag, glimlachte hij, maar terstond daarop -stond zijn oog weêr strak en donker. Hij nam een pen op en schreef - - - IN LIBRO ALBO FILII. - - NOMEN - - SIT - - OMEN. - - -In het witte boek van mijn zoon. Deze naam zij een voorteeken! - -Hierop gaf hij mij het boek terug, leide zijn hand zegenend op mijn -hoofd, en wenkte mij te vertrekken. - -Nomen sit omen! Dat was een zware last van verantwoording, vader! dien -gij op den hals van uwen zoon laaddet. Maar zeker, zoo iemand recht had -zulk een verplichting op te leggen, gij waart het. Ik wil er u ook niet -van beschuldigen, indien ik de witte smettelooze bladen van mijn boek -nu niet met zooveel gerustheid kan aanzien, als ik anders zou gedaan -hebben; integendeel, ik dank u voor deze strenge les. De herinnering -daaraan heeft zeker uitgewerkt, dat mijn levensboek hier en daar toch -een vlek minder heeft, en ettelijke vlekken bevat, die door mijne -tranen bijna zijn uitgewischt. En dit erken ik, zoo lang gij leefdet, -hebt gij mij trouw met raad en daad geholpen, om zijn bladen wit en -zuiver te houden. Zegen dus over uw assche! De Heer geve, dat gij u -eens niet over uw kind zult te schamen hebben, als „de boecken geopend -zullen worden.” - -Het blad dat nu volgt is van de hand mijner lieve moeder. Maria heette -zij, en beantwoorde geheel aan het beeld, dat die naam onwillekeurig -voor den geest roept. Zij was geheel en al het kontrast van mijn vader. -Mildheid, weekheid, aandoenlijkheid—die woorden schenen voor haar te -zijn uitgevonden. Zij spreidde haar zachtheid, bedekkende en lenigende, -over de strengheid mijns vaders, als sneeuw over een bevrozen grond. -Van haar heb ik dien weemoed, die mij eigen is. Ik kan met den Dichter -zeggen. - - - Maar zalig is ’t, zoo soms een zachte smarte, - Iets weeklijks, dat de linkerborst doorwoelt, - Iets vochtigs, in ’t vertederd oog gevoeld, - Herinnert aan mijn Moeders teder harte. - - -Ik heb echter wel eens getwijfeld, of zij mij niet al te veel van haar -gevoeligheid heeft overgedaan: en tien tegen één, lezer! dat gij dit -ook reeds meermalen gedacht hebt. Het zij; ik wil er niet over klagen -of morren, al ware ’t alleen, omdat het een geschenk van mijn lieve -moeder is. - -Toen ik bij haar kwam met het verzoek om haar naam in mijn Album te -schrijven, nam zij het boek, en beloofde aan mijn bede te voldoen. -Eenige dagen later riep zij mij tot zich, en gaf het mij met een -halflachend, halfschreiend oog weder. Het blad door haar ingevuld -bevatte een teekening; want zij teekende uitmuntend. Het was een -Bijbelsche voorstelling van Matth. XIX. 18: - -Doe wierden kinderkens tot hem gebracht, opdat hy de handen haer soude -opleggen ende bidden. - -Tusschen de moeder op den voorgrond en haar was een zweem van -gelijkenis. Aan den voet van het tafereel stond in plaats van het -gewone fecit of delineavit, Amen! en daaronder haar naam. Het stuk -voerde geen datum. En indedaad, welken dag zou het hebben aangenomen? -Want wèl was haar moederliefde - - - Een lang gebed van ’t kraambed tot de dood. - - -Ziedaar mijn moeder geheel! geen les, geen vermaning; niets dan een -bede. Nooit zie ik dit blaadje, of de woorden zweven mij op de lippen: -Sancta Maria, ora pro nobis. - -Nu volgen de Albumbladen mijner overige betrekkingen en vrienden. -Ofschoon mij niet allen even dierbaar, is er toch geen handschrift bij, -dat mij niet zeer lief is. Over het algemeen is de inhoud in den geest -van de eerste bladen. Het schijnt dat de kleur der vroomheid, door mijn -grootmoeder en ouders aan het boekske gegeven, onwillekeurig op de -latere bijdragen haren invloed heeft uitgeoefend. Zoo verbindt mijn -Album niet alleen één band, maar ook één geest. - -Om een enkel woord te noemen, een mijner vrienden heeft op het hem -toegewezen blad een antieken wachttoren geteekend, en daaronder het -Hebreeuwsche woord: המּצפה geplaatst met de aanwijzing: Genesis XXXI. -49, waar ik lees, dat Jacob na den vreedzamen afloop zijner ontmoeting -met Laban een hoop steenen maakte, en daarop met den man at: waarna hij -dien steenhoop den naam gaf van Mizpa, welk woord een wachttoren -beteekent „omdat hy seyde, dat de Heere opzicht neme tusschen my en -tusschen u, wanneer wy d’een van d’ander sullen verborgen zijn.” Welk -een schoon en veelbeteekenend zinnebeeld! Mijn vriend wenscht mij niets -uit zich zelven; hij bidt alleen, dat de Heer het oog waakzaam over mij -geopend houde, als het oog van zijne liefde mij niet zal kunnen -gadeslaan. Is het niet als een altoosdurend gebed voor mij opgezonden? -O, nooit zie ik dit blad aan, of mijn oog richt zich onwillekeurig naar -boven, en het is of ik uit de hoogte des Heeren oog beschermend op mij -zie rusten.... - -Het blad, dat daarop volgt.... ziet gij, dat heeft een los Album voor, -men kan er de bladen uitnemen en op zij leggen. Had ik dat ook met dit -blad kunnen doen! Maar neen, het is zoo beter. Het bevatte -oorspronkelijk een teekening, een portret; men ziet er de sporen nog -van. Het was het afbeeldsel van den liefsten vriend mijner jeugd, een -jong mensch vol beminnelijke en bevallige hoedanigheden. Toen ik hem om -een bijdrage voor mijn Album verzocht, liet hij door een beroemd -teekenaar zijn beeltenis crayonneeren, en hechtte die op het voor hem -bestemde blad, met het onderschrift van zijn hand: semper idem. Semper -idem! een wreede logen! een bittere spot! Geen mensch op de wereld -heeft mij het honderdste gedeelte van het leed berokkend, dat mij van -deze eenmaal geliefde hand werd aangedaan. Et tu, Brute! - -Hij ontroofde mij.... maar heb ik hem niet vergeven? Evenwel, het deed -mij pijn, zijn gelaat hier telkens terug te vinden, te midden van hen -die mij het liefst hadden, en wier trouw op de proef gebleken was. Ik -kon die valsche trekken niet aanzien met het onderschrift: semper idem. -Daarom deed ik met dit portret, wat de Edelen met het afbeeldsel van de -apostaten huns Stambooms doen; ik nam het weg, door het van het blad, -dat het vasthield, af te lichten, zoodat er niets dan de enkele naam -overbleef om aan te toonen, wie het is, die hier van deze zijn plaats -is uitgevallen. Mij dacht, deze wraak was billijk, of liever het was -geen wraak—het diende mij alleen om hem en mij-zelven de bitterheid te -besparen, die zijn aanblik noodzakelijk in mij moest opwekken. Waartoe -zou hij nog langer zijn plaats onder mijn overige trouwe vrienden -behouden hebben? hij had zelf zijn naam van mijn Stamboek uitgewischt; -hij had met eigen hand den steen onzes verbonds omgeworpen, en het -handschrift onzer vriendschap verscheurd. Menige traan is op dit -donkere blaadje gevallen. Misschien had ik den innemenden jongeling al -te lief. En is dit niet de eerste spreuk in mijn boekske: Wie vader of -dochter lief heeft boven my en is myns niet weerdigh; ende wie soon -ofte dochter lief heeft boven my, en is myns niet weerdigh. - -Ik bevoorrechte, dat ik slechts een enkelen uit den kring mijner -vrienden heb zien wegvallen. De overigen zijn mij allen trouw gebleven, -en hebben hun handteekening met hun leven bezegeld. Niemand hunner -heeft den zegen van mij teruggenomen, dien zijn mond over mij had -uitgesproken. Wat meer is, ik ben er zeker van, dat wie op deze bladen -voor mij gebeden heeft, nog heden—beneden of boven—voor mij bidt. Ja, -ook boven! Reeds zijn er verscheidene, van wie de hand verstijfd is, -waarmede zij hier hun namen nederschreven. Gij leest het op den rug in -de woorden defunctus, met opgave van den dag huns overlijdens. Ik kan -hun namen niet aanzien zonder droevig te worden; ik heb ze allen zoo -zeer lief gehad; ik had ze zoo gaarne bij mij gehouden. En toch, ik -benij ze hun geluk zoo weinig. O, hoe veel verschilt het gevoel, -waarmede ik hun naam lees, bij dat, waarmede ik het portret van mijn -ontrouwen vriend aanzie.... neen! zij zijn niet voor mij verloren; het -verbond met hen is niet verbroken: integendeel, de dood heeft het -bevestigd, de dood is het zegel der trouw. Deze kunnen mij niet meer -ontvallen; ik kan hun geen ontrouw meer aandoen. Men beschuldigt den -dood dikwijls van scheiding te maken tusschen geliefden.... ten -onrechte! de dood vereenigt voor altijd wat voor een tijd vereenigd -was: alleen het leven scheidt.... - -Zie ik u daar, mijn ongeluks-blad? Het bevat niets dan eene enkele vlok -haar, van het schoonste blond, met een draad van rozekleurige zij aan -het papier gehecht. Geen naam, geen onderschrift, niets dan een -datum.—Hierover geen woord, geen klacht, niets dan een zucht! - -Buitendien zijn er nog enkele bladen, zonder een bepaalde inscriptie te -bevatten: met een enkelen naam geteekend, waarbij dan het een of ander -souvenir gevonden wordt; een verdorde bloem—een wilgen- of -cypressenblad—en wat nog geringer is dan dit; kleine nietswaardige -relieken, maar mij dierbaar om der herinneringen wil, die er zich aan -verbinden. De verbeelding is met zoo weinig te vreden! Voor mij is het -genoeg enkele dier voorwerpen alleen te zien, om een geheel verleden -voor mij te doen oprijzen. Van daar dat ik zelden op éénen avond met de -beschouwing van mijn Album gereed kom, maar meestal een tweede bevel -moet uitvaardigen: - -„Voor niemand t’huis, Judith.” - -Voor ditmaal zullen wij echter het boek sluiten. Daar ligt zij, de -geschiedenis mijns harten, door de eigen hand mijner geliefden -geschreven. O, ik kan haar niet aanzien, zonder een oog van -onuitsprekelijke liefde op haar te vestigen. Niet alle menschen zijn -zoo rijk aan onverdiende genegenheid, als de bezitter dezer -vriendenrol. Indien de liefde der menschen, naar het zeggen van den -ouden Dichter, zich in zegen des Heeren verkeert, gezegend dan o mijne -tente, waarop die dauw rijk en mild „als Hermons dauw op de berghen -Zions” is neêrgedaald. - -En nu, wat zal er van u worden, mijn lief Album! Zal ik u in de hand -mijns erfgenaams laten, om misschien nog tot een tentoonstelling voor -mijn achter-kleinnichten te dienen? Neen, wees gerust, mijn oud, trouw -Codex amicitiæ! Uw plaats is reeds aangewezen in de lade met het -opschrift: de inhoud dezes na mijn dood ongeopend te verbranden. Gij -zult uw meester niet overleven, maar als een vereerster van Brama, hem -langs den weg des vuurs in den dood volgen. Uw stof zal verstrooid -worden, en de vier winden zullen de zuchten verwaaien, in uw boezem -uitgestort! - -Maar wij, mijn vrienden, wat zal er van ons worden? Neen, ons stof moge -uiteen stuiven, vergaan zal het niet. Eens zullen wij uit onze graven -verrijzen, en met een nieuw lichaam bekleed elkander wedervinden in „de -algemeyne Vergaderinge ende de Gemeynte der eerst-gheborenen die in de -Hemelen opgeschreven zijn, ende de geesten der volmaeckte -rechtveerdige.” - -Verrukkelijk denkbeeld! Allen weêr te zien, die ik hier heb lief gehad: -met al die beminnelijke hoedanigheden, waarom ik ze lief had, ja die -alle nog eindeloos verhoogd, gezuiverd, verfijnd en veredeld! O mijn -Album, als ik bedenk, dat misschien.... de Engel des levens register -houdt van de namen in u bevat, en die alle geschreven heeft in het boek -des levens, dan ontvallen uw bladen aan mijn bevende handen.... „mijne -nieren verlangen seer in mijnen schoot!” - - - - - - - - -DE HUISKLOK. - - -——————ZEVEN—ACHT—NEGEN—TIEN—ELF—TWAALF! - - -Ik dank u, goede vriend, voor uwe herinnering. - -Men zegt, dat Koning Philippus van Macedonië er een slaaf op nahield om -hem toe te roepen: Gedenk dat gij een sterveling zijt!—Ik geloof -evenwel niet; dat hij door hem zoo goed is bediend geworden, als ik -door mijn huisklok. Vooreerst verbeeld ik mij, dat de moreele klapwaker -zijn plicht wel eens zal vergeten hebben; maar al haperde het niet aan -hem, ik denk dat de groote Koning wel eens in een bui zal geweest zijn, -om den boetprediker zijn wrevelig: Houd den mond! toe te roepen. Doch -mijn vriend in gindschen hoek is altijd op zijn post; en al komen er -oogenblikken, dat ik bang ben voor zijn stem, zoodat ik hem wel zou -willen bidden zulk een uur zwijgend over te springen, de smeekende blik -van mijn oog stuit op zijn eiken borst af, en hij galmt met -onomkoopbare gestrengheid zijn Memento uit. - -Nu, hij ontvangt daarvoor in mijn huis ook al de achting en eer, die -aan een getrouw dienaar toekomt. Ja, ik weet niet, of hij zelfs geen -hooger titel dan dien van een dienstknecht dragen moet. Want tot op -zekere hoogte is hij de meester van ons allen. Reeds in den vroegen -morgen begint hij met den baas over mij spelen. Dan laat hij zijn -wekker afloopen en roept mij met een forsche stem toe: Ontwaeck gy, die -slaept en sta op uyt den dooden! Ik moet bekennen, dat ik mij soms wel -eens aan zijn heerschappij zoek te onttrekken, en doe of ik hem niet -gehoord heb. Maar vergeefs! dan is het of hij mij met zijn -onophoudelijk getik (en hij heeft een toon zoo helder als glas) gedurig -bij den arm heen en weder trekt; en zoo dit niet helpt, dan volgt er al -spoedig een duchtiger vermaning in een nieuwen klokslag, waarin ik zoo -duidelijk een strengen toon van berisping meen te hooren, dat ik op -hetzelfde oogenblik naast mijn bed sta, en mij niet weêrhouden kan mijn -beleedigden vriend vergeving te vragen. En ben ik nu eens door hem tot -mijn plicht gebracht, dan klinkt al spoedig de reveille door ’t geheele -huis, en de werkzaamheden vangen aan. En meen niet, dat zijn gebied -zich niet verder dan over het eerste morgenuur uitstrekt. Neen, hij -heeft den geheelen dag bij alles de eerste stem. Ik ben namelijk -geheel, wat men spottend noemt: een man van de klok. Menschen die hun -leven bij jaren berekenen (sommigen dwingen mij zelfs te denken, dat -zij het bij eeuwen doen), hebben tijd in overvloed. Wat hebben zij naar -hun klok te vragen? het is veel, als zij een oogenblikje stilzwijgen, -om hem op den avond van 31 December zijn twaalf slagen te hooren slaan. -Maar ik, die bij minuten, en zelfs zoo veel mogelijk bij sekonden tel, -ben zeer karig op mijn kleinen schat, en geef niet gaarne voor eenige -bezigheid meer tijd uit, dan zij waard is. Van daar heb ik in mijn huis -minder te zeggen dan mijn klok. Daar is het nooit: Hoe laat wilt -gij....? hoe laat verkiest gij....? dit spreekt van zelve. Men hoort er -alleen: hoe laat heeft de klok het? Als hij het uur van tweeën -aankondigt, is het voor mij even zoo goed of de hofmeester komt -aanzeggen: le diner est servi. Dan begeef ik mij naar de huishoûkamer, -en ben zeker er mijn Editha voor een gedekte tafel te vinden zitten. -Zoo gaat het den ganschen dag door; niemand gaat uit zonder hem verlof -te vragen: niemand durft een oogenblik langer uitblijven, dan hij heeft -toegestaan. Men overtreedt liever mijn geboden, dan de zijne. ’s Avonds -is hij het weder, die den aftocht regelt. Als hij met zijn elf slagen -den taptoe slaat, leg ik mijn pijp neêr, al brandt zij nog, en Editha -haar breiwerk, al is het niet in ’t gelijk gebreid; terwijl op ’t -zelfde oogenblik mijn getrouwe Judith de nachtfakkels binnenbrengt. - -Het is waar, dan houdt zijn opperheerschappij op. Want meermalen -gebeurt het, dat ik mijn licht uitdoovende, het raam van Editha’s -kamer, die zich tegenover de mijne bevindt, nog verlicht zie; en nog -gewoner is het, dat het lang, zeer lang na elf uur is, eer ik hem voor -’t laatst hoor: maar al maak ik hierdoor inbreuk op zijn dagordening, -hij verliest daardoor niets van zijn gezag; integendeel, als ik de -laatste uren des daags in eenzame mijmering op mijne kamer doorbreng, -behoudt hij wel degelijk een stem in den loop mijner overdenkingen, ja -is dikwijls de hoofdpersoon met wien ik mij bezig houd. - -Dit heeft dan plaats, als ik mij in mijn ouderwetschen leuningstoel met -hoogen rug en lage zitting vlak tegenover hem nedervlij, en mijn oogen -met afgetrokken strakheid op hem vestig: dan weet hij wel dat zijn uur -gekomen is, om zich met mij te onderhouden. O, het is ongeloofelijk, -hoe veel mij dan zijn eentoonig getik zegt. Het verplaatst mij in den -lang verloopen tijd, wiens gang hij op dezelfde wijze bijgehouden en -aangeduid heeft. Evenwel hij herinnert mij daaraan geheel anders dan -het gelui van de groote stadsklok. Deze zegt mij niets dan het -eenvoudige, sombere Fuit. Maar deze klok is mijn klok; deze spreekt van -mijn tijd en wat mij daarin gebeurd is; deze is mijn vertrouwde, die -met mij over geheimen kan spreken, waar de groote bombam niets van -weet. Hij kan mij zoo duidelijk en indrukwekkend zijn: weet gij nog -wel? toeroepen, dat gij mij bespotten zoudt, indien ge zaagt hoe deze -stem een glimlach op mijn gezicht kan wekken, of mij in tranen doen -smelten. - -Zoo gaat het mij bij voorbeeld, als zijn getik mij toeroept: Herinnert -gij u den tijd van uws vaders sterven nog?—Want deze klok, die nu den -zoon nog zulke goede diensten bewijst, was reeds de lieveling des -vaders, en is mij daardoor dubbel dierbaar; hij had dus ook zijn vaste -plaats op de slaapkamer des geliefden mans. Hierdoor werd deze, toen -hij ziek werd, niet van zijn ouden vriend gescheiden: dit was hem o! -zoo aangenaam. Uren lang kon hij naar het gelijkmatig geluid van den -secondenslag liggen luisteren, en wat daarbij in hem omging, bleek mij -uit enkele afgebroken woorden, waarin het voorgevoel van zijn naderend -sterven sprak; menigen nacht heb ik aan zijn leger doorgebracht, mij -met niets anders bezig houdende dan met naar de beweging van het -uurwerk te hooren. Ik kan niet zeggen, hoe treurig ik daaronder werd. -Als men op het punt staat een geliefden vader te verliezen, doet het -pijn de voortsluipende voetzolen van den tijd zoo duidelijk te hooren -kraken; en nog harder viel het mij, als de kranke na lange onrust in -een korten sluimer geschoten was, hem bij het slaan van het bepaalde -uur te moeten wakker maken, om de bittere geneesmiddelen in te nemen. -Soms kon ik mij niet meer weêrhouden te wenschen, dat de lijder zijn -klok voor het laatst mogt gehoord hebben. Dit gebeurde eindelijk, maar -op eene wonderlijke wijze. De stervende had naar gewoonte oog en oor -naar de klok gericht; op eens—de verwarring der droefheid had ons doen -vergeten het uurwerk op te winden—stond hij stil; dit was, geloof ik, -in het geheele leven mijns vaders nooit gebeurd. Dit scheen zijn -aandacht te trekken. Hij richtte zich op en zeide: ik dank u, trouwe -vriend, voor uwe waarschuwing. Jonathan! houd die klok in eere; ik heb -geen beter vriend in de wereld gehad. Eerst heeft hij mij leeren -sterven, en nu vergeet hij zelfs niet mij te zeggen, dat mijn uurtje -gekomen is: nu dan, dat „mijne ziele u zeghene eer ick sterve!” en -toen.... - -Weken verliepen na mijns vaders dood, maar ik had den moed niet de klok -weêr aan den gang te brengen, ofschoon hij gezegd had; houd hem in -eere!—Evenwel vond ik hem op zekeren tijd t’huiskomende weêr loopende; -ik weet nog niet, wien ik voor deze gevoelige kieschheid danken moet. -Maar sedert heeft hij nooit weêr stil gestaan; en als ik nu ’s avonds -alleen in mijn kamer zit, en hem zie en hoor, dan is het mij alsof ik -weêr aan het bed mijns vaders geknield lig. - -Op een anderen tijd vraagt hij mij weêr: Weet gij nog wel!... en -daarbij is het of ik den schalk over mijn dwaasheid zie lachen. Dan -doet hij mij denken, aan den tijd, toen Betsy nog aan geen ander -behoorde. Want al kan ik nu nog zoo verstandig en deftig spreken, toen -was ik evenwel zoo goed als iemand uwer, mijne jonge vrienden, niets -meer en beter dan een verliefde gek. Ik leefde in een voortdurende -roes, wist dikwijls niet of het zaterdag of maandag was, en vroeg naar -tijd noch uur. Maar was het een dag, waarop ik Betsy ’s avonds hoopte -te ontmoeten, dan was ik weder van de klok niet weg te krijgen, dan -begon ik ’s morgens ten zes ure reeds uit te zien of het niet haast -zeven ure in den avond zijn zou. De koele klok! hoe heeft hij mij dan -wel gehinderd met zijn uitgehaald getik, terwijl mijn gejaagde pols in -dien tijd zijn haastigen slag wel drie en viermaal herhaalde; het was -of de dag nooit eindigen zou. Had het toch ten laatste zes ure -geslagen, klom mijn onrust ten top, ieder oogenblik stond ik voor hem; -bemerkte ik eindelijk, dat de tijd mij zoo nog langer viel, bedacht ik -om iets bij de hand te nemen. Ik zou b. v. den tuin driemaal -rondwandelen, en dan zou het wel halfzeven zijn. Ik deed het, kwam -terug, en de klok wees—anderhalve minuut later, zoo vliegend had de -drift mij door den tuin gejaagd! Eindelijk was het toch vijf minuten -voor den tijd: ik kon vertrekken. Maar als ik dan met een laatsten blik -afscheid van hem nam, hoe vreemd was ik daarbij te moede? een -wonderlijk gevoel van gejaagdheid beklemde mij! ik hoorde mijn hart -bonzen met slagen, die het geluid van den slinger verdoofden; ik was -buiten mijzelven. Als ik daaraan denk, moet ik nog blozen over mijn -eigen dwaasheid, en ik durf mijn klok haast niet aanzien, zoo duidelijk -meen ik op zijn spottend gelaat te lezen: Weet gij nog wel?.... - -Ja, goede vriend! ik weet het nog zeer wel—al te wel! nog op dezen -oogenblik is het mij, of ik dien tijd weer overleef. En hoe kan het -anders? Want hoe vele malen gij sedert uwe dagronde volbracht hebt, -Betsy’s beeld heeft voor mij niets aan liefelijkheid verloren. Gij weet -of ik haar getrouw was. Getuig, of ik sedert dien zaligen tijd ooit -meer zoo voor u gestaan heb. Nooit daarna heb ik u weder van spoed of -traagheid beschuldigd; maar mijn pols sloeg altijd zoo regelmatig of -hij naar u geregeld ware. Neen! ik heb nooit eene andere liefgehad. - -Zie, zoo kan ik over elk voorval in mijn leven met mijn huisklok -spreken. Hij kent mijn geheele geschiedenis; ja zelfs de geschiedenis -van mijn innerlijk Ik is hem niet onbekend. Want het is mijn -standvastige gewoonte, als ik ’s avonds op mijn kamer kom, nog eenige -oogenblikken van mijn nachtrust af te nemen, om, kon het zijn, daardoor -de rust van mijn allerlangsten nacht te bevorderen. Hiertoe houd ik -geen dagboek, het papier is er mij te onbescheiden toe, of liever.... -er zijn dingen die men zelfs aan het papier niet zeggen kan! neen, ik -neem daarbij niemand in mijn vertrouwen, dan mijn klok. Als ik hem maar -aanzie, dan heb ik dadelijk de hoofdstukken die ik achtereenvolgens te -behandelen heb voor mijn geest. VI–VII, eerste hoofdstuk. VII–VIII, -tweede hoofdstuk. VIII–IX, derde hoofdstuk, en zoo voort tot XI ure des -avonds toe. Dan overdenk ik wat ik in ieder uur gedaan heb, en maak -daarnaar de som van baat en schade op. Gebeurt het nu dat er een getal -is, dat mij ontevreden aanziet, dan tracht ik het tusschen dit en zijn -buurman zoo wat te middelen, zoodat de goede het voor den kwade -goedmaakt. Evenwel het is er verre af dat mij dit altijd gelukken zou. -Dikwijls ben ik met mijn tijd reeds aan XII, als ik met mijn goede -werken nog aan VI ben. O, dan kan ik mijn klok niet met een gerust hart -aanzien, maar sta diep vernederd voor mijn ontevreden schuldeischer. -Nog erger is het als het gebrek niet alleen negatief, maar -uitdrukkelijk positief is; dan kan het mij tegenover mijn klok zeer -bang worden. Meermalen stond ik alsdan in hevige gemoedsbeweging op om -mij voor mijn rechter te plaatsen; dan kon ik hem biddend aanzien om -mij gelegenheid tot herstel te geven. O ware de dag van heden niet voor -mij aangebroken!—Tik—tik.—Kon ik hem nog eens weder -beginnen!—Tik—tik.—Kon ik ten minste dit booze uur daaruit -wegnemen!—Tik—tik.—Ik zou lust gehad hebben met schendende hand zijn -uurwijzer eenige nommers achterwaarts te drijven; maar dat -onverbiddelijk, altijd voortdurend, dreigend getik scheen mijn -tegenstand te bespotten. God vergeve het mij, dat ik wel eens getracht -heb mijn geweten het zwijgen op te leggen, door andere beelden voor -mijn geest te roepen; doch dan was de klok met zijn onverdoofbare stem -mijn goede engel. Deze liet mij niet toe tot rust te komen, en al -stortte mijn geest zich tot over de ooren in den stroom der Lethe, ook -daar vervolgde hem het getik, dat hem belette in te sluimeren. O, mijn -goede vriend, als ik dit zoo bedenk, dan klopt mijn hart van -dankbaarheid voor uwe onkreukbare getrouwheid, en geen koning kan zijn -biechtvader in grootere eere houden, dan ik u in mijn binnenste -toedraag. - -Somtijds echter, ach; waarom slechts somtijds! waren mijn klok en ik -zeer goed met elkander in hun schik. Het was dan, als er tegen enkele -kwade eens recht veel goede oogenblikken over stonden; dan kon ik met -een waar genoegen, naar het beloop van den uurcirkel, de afgelegde -dagronde nagaan; en als ik daarop eens een zeer goed uur beleefd had, -dan kon het mij wezen, of er een lichtstraal op dat cijfer viel, ja of -de geheele wijzerplaat, even als de klok op de Rotterdamsche beurs bij -avond, geïllumineerd was. - -Maar nu meent UEerw. misschien op het gezegde af, dat ik een Pelagiaan -ben, en de leer der goede werken overdrijf. Laat ik UEerw. tot uwe -geruststelling mogen zeggen, dat ik liever mijn dierbare klok met eigen -hand zou stuk slaan, dan toe te laten, dat hij mij een enkelen dag deed -vergeten, dat zelfs in de beste onder onze uren een ledig vak -openblijft, dat geen deugd eens menschen kan aanvullen. Neen, als onze -klok zulk een leer leerde, zou mijn vader op zijn sterfbed niet gezegd -hebben; Jonathan! houd die klok in eere; ik heb geen trouwer vriend in -de wereld gehad! - -Wat staat hij daar deftig, recht zoo als een klok zijn moet. Ik heb een -voorliefde voor zijn eenkleurige donkerheid en zijn antieke vormen; ik -vind ze met zijn bestemming in de gelukkigste harmonie. Ik zie niet -gaarne een aanspreker in het wit; en even zoo weinig zou het mij -aanstaan, als de aanspreker van mijn doode uren een bont kermispak -droeg. Onlangs was mijn horlogemaker hier en merkte op dat de houtworm -in de kast was. Laat mij u eens een nieuw kastje in de plaats maken, -zeide hij, dan zal het zulk een lief klokje zijn dat gij het niet meer -kennen zult; het zal u tegenblinken van rood en goud.—Ongelukkige! ik -had moeite mij in te houden. Mijn goede oude! wou men u in een -hansworstenpak steken? het zal zoo lang ik leef niet gebeuren. - -Ik wou dat iedereen er zoo over dacht, maar het scheelt, helaas, veel. -Wat vindt men in de plaats van de staande en hangende klokken onzer -vaderen? rijke pendules van brons, verguld en albast, met fraai gegoten -figuren voorzien en heerlijke bloemen versierd. Ik moet bekennen dat ik -dien opschik voor een klok wel wat heel mooi vind; er is zooveel aan de -kast te zien, dat men er niet aan denkt op het uurbord te letten. Men -kan immers secretaire en trumeau wel met sieradiën bedekken, al zijn -het juist geen prachtige klokkenkasten. Maar neen! nu eisch ik ook wat -al te veel. De kunst, die in onze dagen op zulk een vroeger ongekende -hoogte staat, moet toch aanmoediging hebben, en het zou immers ook niet -staan, een gemoderniseerd vertrek door een oude hangklok te ontsieren. -Welnu, laat het dan zoo zijn: weelderige beelden rondom het uurwerk, en -bloemen boven de wijzerplaat. Maar dan zou ik toch wel wenschen, dat -men de deftige oudvaderlandsche klokken, in plaats van ze naar de -vliering of naar den uitdragers-winkel te verbannen, hun oude plaats in -het eenvoudiger slaapvertrek liet behouden. Want daar beneden..., gij -zult het mij toegeven, al meent men het nog zoo goed, gaat de achting -voor den tijd een weinigje verloren. Als men den ernstigen klokslag -door een deuntje hoort voorafgaan; is de indruk er van voor een goed -gedeelte weggenomen. Als men pas: Schep vreugde in het leven! heeft -hooren spelen, heeft het: Gedenk te sterven! zoo geen val. Even weinig -kunt gij het aan uw horloge overlaten, u bij wijlen aan de gewichtige -taak van ieder uur te herinneren. Want evenmin als men door een kind -wil worden terecht gezet, wil men zich door zulk een klein, heel klein -horlogetje tot ernst laten vermanen; ieder ziet immers dat het niet -meer dan een speelpop is, die men er alleen om de pracht op nahoudt, -zoodat het werk alleen om de kast, en dikwijls beide alleen om de -cachetten gedragen worden. Of zou gindsche Dame dat rijk geëmailleerde -sieraad aan dien gouden collier om den hals dragen, om zich daardoor te -laten herinneren: hora ruit? Gij gelooft het zelf niet; zulk een -ornamentje kan tot niets dienen, dan op zijn hoogst om zijn bezitster -te zeggen, dat het nog te vroeg is om naar het concert te gaan, of dat -zij nog juist den tijd heeft om een bouquet in haar ceintuur te steken, -eer haar cavalier haar voor het bal komt afhalen. Foei! van zulke -uurwerkjes wil de deftige erentfeste Tijd niets weten; hij maakt ze -openlijk voor contrefaçons uit, en zet alleen zijn naam en zegel op -deftige klokken, zoo als er hier een voor mij staat. Dus, zoo als -gezegd is, ik blijf er op staan, dat ieder zich zulk een ouderwetsche -huisklok aanschaffe, die het kostuum van zijn ambt draagt, en dus ook -alleen het recht heeft zijn ambt bij ons uit te oefenen. - -Het is waar, dat men een somberen gast in huis haalt. Zoo kan ik -bijvoorbeeld mijn klok nooit aanzien, of dadelijk valt mijn oog op de -spreuk, die hij voert: Una ex his hora mortis. Een van deze is uw -doodsuur. Zeker noch zeer vriendelijk, noch zeer beleefd; maar ik kan -er met mijn voorbeeld voor instaan, dat men daaraan gewent. Toen ik een -knaap was, kon ik het met de klok niet eens worden. Nadat mijn vader -mij de Latijnsche spreuk uitgelegd, en mij daarbij een ernstig woord -had toegesproken, kon ik hem geen goed oog meer geven; ik was bang voor -hem geworden. Als ik ’s avonds alleen met hem in de kamer was, -verbeeldde ik mij somtijds dat vriend Hein in eigen mageren persoon in -de klokkenkast zat, en met zijn ontvleesde knokkels het uurwerk in -beweging bracht, zoodat ik opstond en met bevende hand de kast -opensloot, om mij te overtuigen dat er niets dan de onnoozele slinger -in bewoog; maar dit is nu anders geworden. Niet dat de klok voor mij -een ander aanzien heeft, want ik geloof nu nog veel vaster dan te -voren, dat vriend Hein waarlijk in de klok zit en het rad draait; maar -het verschil zit in mijn oog en hart. Ik ben voor den mageren man zoo -bang niet meer, en ik zie dus ook zijn klokkenhuis geheel anders aan -dan vroeger. Het is met den Dood als met meer personen die in een kwaad -geruchte staan; hij is zoo boos niet als hij er uitziet; het komt er -slechts op aan of men de moeite neemt van nabij kennis met hem te -maken, en alzoo achter zijn goede hoedanigheden te komen. Sedert -verscheiden jaren dat ik vertrouwelijk met hem omga, ben ik op zulk een -goeden voet met hem geraakt, dat ik niet meer buiten hem kan; en daarom -is hij nu ook zoo dankbaar, dat hij beloofd heeft mij zachtjes in zijn -armen te zullen dragen, als ik niet meer zal kunnen gaan. Zie, dat -heeft zelfs niemand onder mijn vrienden mij beloofd. Zou ik dan boos -worden als hij somtijds eens aan mijn arm stoot, om mij aan zich te -herinneren, of mij door zijn trouwen bode laat vragen, of ik nog wel -eens aan hem denk? Foei, dat zou slecht zijn! Mijn klok kan getuigen -dat het tegendeel waar is; dikwijls als hij slaat en mijn blik daarbij -opziende op het opschrift valt: Una ex his hora mortis! kan ik met -nalaten hem met een vriendelijke stem te beantwoorden: Una ex his hora -vitae! en als ik somwijlen mijn oogen eenigen tijd heb gesloten -gehouden, om met mijn verbeelding in een andere wereld te dwalen, en ze -daarna opendoe.... het is wonderlijk.... dan kan het mij zijn, of mijn -klok geheel van gedaante veranderd is! dan is het of zijn bruin -omkleedsel op eens in een gewaad wit als sneeuw is overgegaan, en zijn -ouderwetsche kap lijkt een glanzend hoofd, en het is of hij mij met de -hand wenkt.... - -Zeker zoudt gij dit van mijn oude klok niet gewacht hebben. Maar gelijk -ik zeide, hiertoe komt men niet op eens; gij moet beginnen waar ik meê -begonnen ben, met uw afkeer en vrees voor hem te overwinnen. Waarlijk, -het is niet goed, hem geheel te veronachtzamen; hij is als een houten -hand op onzen levensweg, die het opschrift draagt: Naar het Graf. Nu is -het immers niet verstandig, zulk een wegwijzer over ’t hoofd te zien; -want hoe weten wij anders, waar wij heen gaan? Ja, kon het ons helpen, -het oog van die hand af te wenden, om ook niet aan te komen, waar ze -heen wijst, nu dan mochten wij er voorbij jagen dat de vonken uit de -steenen vlogen; doch de weg is immers niet om den wegwijzer, maar wel -de wegwijzer om den weg. Wat baat het dan te doen of men niets merkt: - - - Wij zijn wat doof aan ’t linkeroor, - Dat keeren wij hem toe; - Voorzeker, krijgt hij geen gehoor, - Hij wordt het kloppen moe. - - -Daar het toch altijd eindigen moet als in ’t versje: - - - En wip! daar is de man! - - -Het is jammer, dat sommige verstandige menschen op dit punt zoo -onverstandig zijn. Ik ken goede rekenmeesters, wier ijzeren kist van de -slimheid hunner berekeningen getuigt, die deze eenvoudige som van -drieën maar niet leeren kunnen: - - - 1 : O = 1 : X. - - -Dat is, volgens eene opgave die men in Willem Bartjes niet vindt: - -Een uur staat tot de eeuwigheid, gelijk een goede of kwade daad tot de -gevraagde. - -Het was deze cijferkunst, die Mozes reeds doceerde, toen hij zijn volk -leerde, hunne dagen „also te tellen dat sy een wijs herte bekomen” -mochten. Ja, tijden en eeuwen mogen veranderen, maar zoo lang er -menschen op aarde leven, wier bestemming in de eeuwigheid ligt, blijft -de tijd het kleinood des levens, de ware steen der wijzen, die slijk -tot goud kan maken. Als ik een klokkenmaker was, zou ik in plaats van -al die vergulde krullen mijn uurwerk in den ring van een slang sluiten, -die de staart in den bek houdt. Het symbolum der eeuwigheid rondom het -symbolum des tijds, dat zou, dunkt mij, van tijd tot tijd ernstige -gedachten geven. Het is een groote dwaling, dat sommige menschen het er -voor schijnen te houden, dat hun klok een perpetuum mobile is, dat -nooit zal blijven stilstaan: zóó is het niet: het perpetuum mobile is -boven, en onze klok kan ons alleen helpen om het te vinden. Foei, -dezelfden, die zich schamen zouden het kapitaal van hun vermogen aan te -raken, verspillen van hun beter kapitaal hoofdsom en renten te gelijk. -Het komt altemaal van het verkeerd gebruik der klokken. - -Ik zou denzulken wel eens een verschijning toewenschen als die van den -H. Johannes: „Ende de Engel, dien ik sagh staan op de zee en op de -aarde, hief sijne hand op nae den Hemel, ende hy swoer by Dien die -leeft in alle eeuwigheid, dat daar geen tijd meer en sal sijn!” of een -droom, gelijk Père Bridaine in een visioen zijner vervoering had; de -man, die de eeuwigheid een klok noemde, waarvan de slinger in de stilte -der graven onophoudelijk herhaalt: Altijd—nooit! nooit!—altijd!—een -droom, zeg ik, gelijk hij had, toen hij een der rampzalige -tijdverkwisters hoorde roepen: hoe laat is het? waarop een zijner -lotgenooten antwoordt: de eeuwigheid.—Maar neen, waartoe zouden -verschijningen of droomen dienen? Heeft dan mijn Meester mij niet -geleerd, dat wie Mozes en de Profeten niet hooren, al ware het dat er -iemand uit de dooden opstond, zich niet zullen laten gezeggen? En -indedaad! ieder die in de school des Bijbels is opgevoed, en een klok -aan zijn muur heeft, heeft in die klok een vermaner, gelijk de -geheimzinnige hand bij Belsazar, die aan den wand het dreigende: mene, -tellen, schreef. En indien zijn oogen dat cijferschrift niet verstaan, -het hapert niet aan de kunde, maar aan den wil dezer uitleggers. - -Jonathan! Jonathan! wat draaft gij u zelven weêr voorbij! En als ik wel -zie, zijt gij weêr aan ’t veroordeelen van anderen ook. Och ja! die -Farizeeuwsche zuurdeesem: o God! ick dancke u, dat ick niet en ben -gelijk de andere menschen! wil maar niet ophouden te gisten. Och, met -al mijn wijsheid over mijn klok, mocht ik mij wel wat meer door hem -laten herinneren, dat het „den menschen geset is eenmael te sterven en -daerna ’t oordeel,”—en „Met welck oordeel ghij oordeelt, sult ghij -geoordeeld worden.” - -En zoo kom ik tot mijn klok terug, en zie hem scherp aan, als om hem te -vragen: wanneer zijn wijzer het uurtje zal aanwijzen, waarop voor mij -„geen tijd meer en sijn sal.” Vergeefs zoek ik het plekje op het -wijzerbord: hij geeft geen ander antwoord dan het onzekere: Una ex his -hora mortis. Nu, mijn vriend! zoo is het ook wel! Ga gij maar voort -mijn leermeester en vermaner te zijn, dan zal ik niet licht moede -worden mijn leven bij uren te tellen. Ik weet toch dat ge woord zult -houden met uwe Una ex his. Een van deze! - -Wat is dat? het is of er een nevel op mijn oogen zinkt. Zou het wezen -omdat.... ja, laat ik het bekennen. Toen ik daar zoo aan mijn laatste -uurtje dacht, viel het mij in, hoe ik dan liggen zou op de eigen peluw, -waarop mijn vader is ingesluimerd, en met mijn oog even als hij naar -mijn geliefde klok gericht. Maar wie zal er dan aan mijn leger zitten -om de sekonden te tellen, die ik nog te leven heb? Wie zal mij op het -bestemde uur mijn geneesmiddelen ingeven? Wien zal ik de zorg voor mijn -klok overdragen: Houd die klok in eere!... - -„In de opstandinghe en nemen sy niet ten houwelicke, noch en worden -niet ten houwelicke uitgegheven, maar sy sijn als de Engelen Godts in -den hemel!” - -Een—twee! Goeden nacht! - - - - - - - - -MUZIEK. - - -Ik weet niet, van waar ik de onbeschaamdheid haal, om een hoofdstuk -over Muziek te schrijven. Maar de lust bekruipt er mij toe. Ik wil ten -minste beproeven, hoe ver ik het breng. Mislukt het mij, dan blijft die -mislukking een geheim tusschen mijn papier en mij. En breng ik het -gelukkig ten einde, dan is dit een blijk, dat mijn onbeschaamdheid een -goed voorteeken geweest is. En immers ben ik de eerste niet, die over -een onderwerp schrijft, waarvan hij niets verstaat? - -Ja, het harde woord moet er uit: ik versta niets van de muziek. -Beleefde menschen hebben mij wel eens verzekerd, dat het jammer is, -omdat ik er zoo veel natuurlijk gevoel voor heb: ja die overbeleefd -wilden zijn, hebben mij indertijd wel gevleid, dat ik geen kwade stem -had; maar het is ongelukkig, het kwam bij mij altijd op een verkeerd -oogenblik aan den dag, waartoe ik aanleg had of niet. Twee jaren had ik -reeds met het Italiaansche boekhouden vertobt, toen men zag, dat ik -niet veel beter voor een koopman deugde dan de Hottentot, die niet -verder rekent, dan zijn tien vingers. En omgekeerd, was de geschikte -tijd om mij muziek te laten leeren voorbij, toen men bemerkte dat er in -mij misschien een Meijerbeer of Paganini stak. Het is nu te laat. Ik -moet mij nu vergenoegen met mijn stem roemloos in het gezelschapskoor -te mengen, als men aan het nagerecht het voorvaderlijke: - - - Hoe zoet is ’t waar de vriendschap woont! - - -of het geliefkoosde: - - - ’t Welvaren van dezen huize, - - -aanheft. Editha beweert wel, dat ze mij soms in mijn eenzaamheid uit de -volle borst een solo-partij heeft hooren aanstemmen! maar de lezer zal -mij genoegen doen met haar niet te gelooven; hij weet, welke spotters -de vrouwen zijn. - -Zoodat, ik versta niets van de muziek. Was het nu bij mij: onbekend -maakt onbemind; kon ik van mijn kant de muziek laten rusten, gelijk zij -het mijn talent heeft gedaan, dan waren wij gemakkelijk te scheiden -geweest, en had ik onder anderen dit hoofdstuk over de muziek niet -geschreven; maar hinc illae lacrymae! bij ongeluk ben ik juist een dol -liefhebber van deze heerlijke kunst! Ja, wel mag ik zeggen, een dol -liefhebber; want ik aanbid haar onder alle gedaanten: in het -staatsiekleed op de muziekfeesten, in het koorkleed in de kerken, in -het feestkleed op de concerten, in het tooneelkleed in de opera, in het -militaire kleed op de parades, in het danskleed op het bal, in het -burgerkleed langs de straten, ja in het bijna-geen-kleed der armoede, -die met een draaiorgel loopt. Alle vormen waarvan zij zich bedient, -zijn mij lief: het statige oratorium en de luchtige wals-maat; de -prachtige symphonie en de eenvoudige aria; de rijke gevarieerde opera -en het altijd wederkeerende orgeldeuntje; ik bemin duetten, terzetten, -quartetten, quintetten, sextetten—als zij er zijn, hetgeen ik niet -weet. Alle instrumenten zijn mij aangenaam, van koper of hout, met of -zonder snaren, geblazen of gestreken, getokkeld of geroerd; ik hou -zonder onderscheid van de schetterende trompet en het piepende -flageoletje; van den brommenden bas en de snerpende vioolsnaar; van de -toeterende trombône en de klagende dwarsfluit; van de donderende pauk -en den tjingelenden triangel. Ik ben verzot op alle stijlen en -methodes; Italiaansch, Duitsch of Fransch, klassisch of romantisch, -oud- of nieuwerwetsch, ik ben overal uw man. - -Waarschijnlijk komt dit daaruit voort, dat mijn hart muzikaal is. Het -zit bij mij niet alleen in de ooren, zoo als bij sommige kenners, wier -gehoorzenuwen meer met hun maag, dan met hun ziel in verband staan. O, -ik kan mij er dikwijls aan ergeren, wanneer ik de bezoldigde dienaars -van Polyhymnia, onder de uitvoering van een heerlijke muziek, daarvan -niet meer zie gevoelen, dan de instrumenten die zij behandelen. Vast in -de maat, ze zijn het verwonderlijk: met den bril op den neus en den -strijkstok in de hand, zitten zij te tellen als metrometers; nauwelijks -is hun tijd om te spelen gekomen, of wip! gaat de viool naar de kin, en -kras! gaat de stok over de snaar! laat er rondom hen gebeuren wat wil, -zij vertrekken er geen oor naar, en blijven geheel noteblad; maar hun -gewaarwordingen daaronder! leest ze op hun dommelige, levenlooze, -houten aangezichten! zij voelen niets van de verrukkende harmonie, die -om hen ruischt; zij blijven koud als steen te midden van dien -vuurvloed, die van rondom hen op het sidderende gehoor nederbruist; hun -nuchter hoofd bemerkt niets van de bedwelming, die zich van hun snaren -op de opgewonden menigte stort. Ja wat meer is! zij zelven werken mede -tot de betoovering, die u overmeestert: ook hun snaar giet zijn melodie -in den stroom, wiens geweld u medesleept; ook hun spel is een schalm in -de magische keten die u onzichtbaar omslingert; maar de ongelukkigen! -zij zijn daarbij slechts doode werktuigen: hun invloed op u is die van -doove hamers, die onder de hand des kunstenaars de snaren der piano -treffen; gelijk de windharp, die geen aandoening heeft van het koeltje, -waaronder haar zangerig hout zucht; zij zijn eenigermate gelijk aan -„die werklieden vreemd aan Israël, die de bouwstoffen bijeenbrachten -voor den prachtigen tempel, waarin het hun nooit vergund zou zijn -binnen te treden.” O, ik beken het met schaamte en spijt, dat ik een -oningewijde in het heiligdom der harmonische kunst ben; ik kom er voor -uit, dat ik van deze Levieten hares altaars het eenvoudigste onderricht -in haar geheimen zou moeten ontvangen. Maar toch! ik sta in mijn oogen -hooger dan zij, ik, die de harp in het hart draag, welke zij op hun -knechtslivrei voeren. Vergeeft het mij, Heeren muziekmeesters en -dilettanti! maar als ik na een heerlijke muziek u de gehoorde -compositie hoor ontleden, alsof het een thema ter analyse ware, terwijl -de opgevangene melodie in mijn hart, als een weêrklinkend gewelf, -zuiver en helder nagalmt, en het met welluidendheid vervult, dan verhef -ik er mij op, dat ik tot uw kunst in nader en inniger betrekking sta, -dan gij zelven; en terwijl ik uw medelijdende vraag: - -Mijnheer is geen kenner? met een zedige buiging beantwoord, beschouw ik -u met het gevoel, waarmede de moedige reiziger den gids aanziet, die -hem in het wonderoord der Zwitsersche Alpen weet te zeggen: - -Dit is nu de St. Bernard, en die spits daar is de Montblanc, en die -punt ginds is de Jungfrau. - -Nog eens, bij mij zit de virtuositeit in het bloed; mijn ooren zijn -niet dan de geleiders van mijn hart, en dat springt op, als het maar -een enkele noot hoort, gelijk een hert dat de stem van zijn moeder -verneemt! dit vraagt niet eerst: Wat hoor ik? Is het in mijn methode, -wat ik hoor? Is het van mijn componist, wat ik hoor? Is het mijn -instrument, dat ik hoor? Wordt het goed uitgevoerd, wat ik hoor? en zoo -al voort totdat—er niets meer te hooren is. In dien tusschentijd heeft -mijn hart reeds ruim en rijk genoten; het heeft de maat nagehuppeld, en -met de noten meê in het rond gesprongen; het heeft voor een uur -opgeruimdheid en vroolijkheid opgedaan, en herhaalt het liedje dat het -gehoord heeft nog wel tienmaal in zichzelve. - -Waarom ziet Mijnheer zoo knorrig? - -Heet dat muziek maken? muziek-verknoeien is het! - -Tra la la la—tra la la la. - -Dan liever in het geheel geen muziek, dan haar zoo te hooren -mishandelen. - -Maar wie is Mijnheer dan? - -Ik ben een musicus. - -Ha, ik niet. Vaarwel Mijnheer! leve de muziek! Tra la la la—tra la la -la. - -Ja, leve de muziek! Ik heb behagen in alles wat maar zingt en klingt; -melomanie is mijn zesde zintuig, ofschoon, gelijk ik zeide, in zijn -natuurlijken toestand, zonder ontwikkeling of verfijning door de kunst; -zij is mij dan ook aangeboren. Naar het zeggen van mijn moeder, was ik -in der tijd een ondeugend en lastig wicht; maar gelukkig bezat zij in -haar schoone stem een machtig toovermiddel, waaraan het bijna altijd -gelukte den boozen Demon in mij te bezweren. Zette ik mijn keel op tot -een gillende dissonant, dadelijk beproefde zij die in haar heerlijke -sopraantonen op te lossen, en eere zij aan mijn jeugdigen smaak, dat ik -haar liever scheen te hooren dan mij zelven; want gewoonlijk hield ik -dadelijk op om geen noot te verliezen, en eindigde met haar door mijn -tranen toe te lachen, als Astyanax dichterlijker gedachtenis. De lieve -moeder! Vooral was het hare gewoonte, mij des avonds zingende in slaap -te sussen. Uren lang kon zij aldus aan mijn wiegje doorbrengen. Daarbij -had zij een gevaarlijken vijand in haar gezang zelf; want ik was er -veel te verliefd op, om er niet zoo lang mogelijk naar te luisteren. -Zoo lag ik dan dikwijls een geruimen tijd tegen den slaap, die mij -allengs overmeesterde, te kampen, tot dat mijn moeder eindelijk -triomfeerde: zachtkens streek de rust met haar liefelijk ruischende -vleugelen mijn luikende oogleden toe, en met een genoeglijk lachje om -den mond sluimerde ik in. - -Naar mijn moeder mij vertelde, was er evenwel geen lied, waarvoor ik -gevoeliger scheen te zijn, dan het avondlied der Hernhutters: - - - Laat mij slapend op U wachten, - O dan slaap ik zoo gerust. - - -Ik geloof het gaarne; geen lied zong zij beter. Het is dan ook bijna -het eenige van hare wiegezangen, waarvan mij een diepe indruk is -bijgebleven. Nog kan ik het niet hooren, of er trilt in mijn hart een -akkoord uit mijn vroegste kindschheid. Nog kan ik het niet hooren, of -ik denk aan mijn lieve moeder, en—het toen nog onschuldige wicht. O -gezegend het kind, dat zulke herinneringen heeft! hoe teêr ze zijn, ze -zijn dikwijls sterker tegen de verzoeking, dan de stemmen van rede en -deugd. Bij mij althans, welke booze gedachten zich ook in mijn -binnenste mochten verheffen, ik geloof niet dat ze het zouden kunnen -uithouden tegen een zachte stem, die in zulke oogenblikken zong: - - - Laat mij slapend op U wachten! - - -Opgroeiende verloochende zich deze zucht voor muziek in mij niet, en, -gelijk ge ziet, zij is mij nog bijgebleven; zij is in mij iets -natuurlijks. Ik heb de muziek lief uit instinkt, niet als een kunst, -maar zoo als ik den blauwen hemel, de lekkere zon, de zachte maan, de -heerlijke sterren, het donkere bosch en het groene veld lief heb. Ik -vraag mij geen reden van deze liefde; ik laat er mij niet op voorstaan, -noch zoek er meê te pralen. Ik noem het een gave van God, en ben er als -zoodanig dankbaar voor. - -En zou ik niet? Göthe spreekt ergens van menschen, die een gebrek in de -oogen hebben, waardoor alles voor hen een rozeroode kleur heeft, de -beklagenswaardigen! Wat genieten zij van die duizendmaalduizend -schakeeringen van kleuren en tinten, die in de natuur ons oog -verrukken? Maar mij dunkt dat menschen, die volstrekt geen gehoor voor -de muziek bezitten, weinig minder te beklagen zijn. Want ook voor hen -gaat immers een gedeelte van het schoone van Gods schepping verloren? -Zij hooren niets van al die welluidende stemmen, die overal klinken, en -den Schepper prijzen, dat er te gelijk de schepselen door gestreeld en -verheugd worden. O, het eerste vogelengezang in de lente! als het -bosch, dat zoo lang stil en zwijgende was, weêr voor het eerst leven en -geluid herkrijgt. Als de vogelkens hun stem schijnen te beproeven en -allengs voller en ruimer uit de borst beginnen te zingen. Als -langzamerhand al mijn lieve oude kennissen, met haar bekende stemmetjes -mij haar welkom toeroepen. Als eindelijk mijn uitverkorene, de -nachtegaal, voor de eerste maal mijn oor verrukt... o hoe baadt dan -mijn ziel in genot! hoe zwemt zij in de zee van melodie, die uit de -hoogte op mij nederstroomt! Zie op! voor het oog is alles nog winter. -Het geboomte heeft nog zijn eentonig Decemberbruin; het groen slaapt -nog in de zich ontwikkelenden bot; de rijp kraakt onder uwe voeten; een -scherpe Noord-oostenwind blaast u in het gezicht, en bederft u het -genot van de reeds koesterende voorjaarszon. Maar hoor toe! Voor het -oor is de lente daar! zij is daar in de muziek, die even als andere -vreugde, ook de vreugde der lente voorgaat; zij is daar in die duizende -voorjaarsboden, die de komst van het schoone saizoen uitroepen, -arkduiven die de belofte van een groenende aarde in den vriendelijken -mond dragen; zij is daar in het lied van de Koningin der lente, die -haar levenwekkende stem over ’t land doet hooren, die de „bloemen -openfluit” en de bladeren uit hun zwachtels lokt. Gelukkig de vriend -der muziek; hij heeft een lentemaand meer in het jaar! - -En komt gij in den kring der gezellige samenleving, hoe veel genot gaat -ook daar voor het harde oor verloren. Het is toch in onze prozaïsche -wereld nog iets poëtisch, en onder haar vele dissonanten nog iets -melodisch, dat er zoo veel muziek in gehoord wordt. Laat het zijn, dat -daaraan voor twee derden de ijdelheid en de mode deel hebben: ik -vergeet dat, zoodra de eerste toon mij tegenklinkt. Wat menschen als ik -daaraan te danken hebben, is ongelooflijk; menig vervelend bezoek, -menige taaie avond is mij door het maken van muziek verkort en -veraangenaamd. Maar foei! wat spreek ik alleen van hare negatieve -verdiensten, als of zij geen andere rechten op mijn hart had? Maar laat -het zich dan onder woorden brengen, welk genot ik dikwijls aan haar -betoovering verschuldigd was? - -Immers staat mijn hart altijd voor haar invloed open, en wacht slechts -op haar komst, gelijk de marmeren kom van een fontein op de stralen des -dolfijns: een enkele noot, en mijn hart zet zijn deuren wagenwijd open. -Hoe kan ik dan met een luisterziek oor aan de heerlijke klanken hangen! -hoe met een van wellust bevenden voet den stroom der muziek in al zijn -kronkelingen volgen, gelijk een knaap den schoonen vogel, dien hij -hoopt te verrassen! Hoe kan ik mijn hart op de deining der melodie -laten heen en weder wiegelen, gelijk een zwaan op de rimpeling van het -kabbelende water! hoe mij op de vleugelen des stijgenden geluids laten -opheffen, of op het dons der dalende akkoorden nederzinken! hoe kan ik -mij in den Feeëndans der luchtige noten laten meêslepen, of door de -klacht der andante tot tranen bewegen! Van dat de eerste toon in mijn -ooren klinkt, ben ik mijns-zelven niet meer: ik ben het eigendom van -den componist, die mijn hart met volkomen willekeur beheerscht; hij -heeft mij in zijn hand, hij kan van mij maken wat hij wil, ik ben de -zijne door het recht van verovering. - -Evenwel het gebeurt soms, dat hierop een uitzondering plaats heeft. Het -is dan als mijn hart te vol raakt, om meer te kunnen toehooren. Er zijn -oogenblikken, dat de muziek, in plaats van mij met haar adem te -streelen, het meir mijns harten beroert, en een sterke aandoening in -mij wakker roept; dan is het mij niet mogelijk, langer aan haar klanken -geboeid te blijven; dan word ik doof voor haar taal, en luister alleen -naar de stem, die uit mijn binnenste oprijst; dan verlies ik mij in een -diep verleden, of zie vooruit in een schemerende toekomst; dan verzink -ik in dien toestand, dien de Dichter beschrijft: - - - Het is een onbestemd „gevoelen,” - Een toestand donker en verward.— - Wij voelen zóó, als op ’t concert - De tonen op iets treurigs doelen: - Een algemeen besef van smart;— - Waarbij we, zonder orde of reden, - In toekomst dwalen en verleden. - - -Ziet gij, wanneer zulke gedachten mij aangrijpen, ben ik voor de -toespraak der muziek verloren: voor haar toespraak, maar evenwel -geenszins voor haar invloed. Want die mijmeringen zijn alleen onder -haar invloed geboren, en leven alleen in den dampkring van haar -melodie. Laat de muziek ophouden, en zij zullen wegvluchten als -schuwgemaakte vogels! Laat de muziek voortduren, en zij zullen haren -sylphendans voortzetten, en zich gedurig helderder en levendiger voor -mijn geest vertoonen. Ook wordt haar voorkomen door de macht der muziek -beheerscht. Gedurende de allegro zullen zij een licht, een vroolijk -aanzien hebben; met de andante zal haar gelaat betrekken en haar gang -sleepender worden; en als deze eindelijk in de adagio overgaat, zal er -een floers van somberheid op haar dalen, als op een landschap, dat de -zon op eens ophoudt te beschijnen. Zoo ontvangen zij, even als het -corps de ballet, in alles de wet van het orkest. - -En hierbij denk ik vooral aan de oogenblikken, onder het gehoor van -Editha gesleten. Het is namelijk haar standvastige gewoonte, des -namiddags in het uur, waarin anderen zich het genoegen geven van, zoo -als zij het met een euphemisme noemen, stil te zitten, de piano te -openen, en een poosje te spelen. Nu speelt Editha zeer wel; ten minste -naar mijn smaak, omdat er in haar spel meer uitdrukking dan kunst is. -En dit stille uurtje is mij het liefste van den geheelen dag. O, hoe -kan dan mijn geest zich op de wolken der zwevende melodie inschepen, en -zich daarop omhoog laten voeren! Heerlijke luchtreis, die ik dan doe, -waarbij al de luchtreizen van Green niets zijn. Kon ik u beschrijven, -wat dan mijn verrukt oog niet al aanschouwt! Welke lusthoven de gouden -tooversleutel der harmonie voor mij opent! Welke paleizen de stem der -muziek, als een andere Amphion, voor mij doet oprijzen! Welke gezichten -mij vervoeren, welke geuren mij tegenwalmen, welke hemelsche tonen mij -toeklinken! Gelukkig voorwaar, dat deze luchtkasteelen voor u -ontoegankelijk zijn, Mijnheeren Ontvangers en Rijksschatters! kondt gij -er bijkomen, arme Jonathan, hoe zoudt gij moeten bloeden! Op welke -sommen zou u de grondbelasting te staan komen van een terrein, waarbij -uw aardsche hut niet veel meer is dan een notendop; met welke schatten -zoudt ge het bezit van een mobilair moeten boeten, bij hetwelk goud, -als het geringste der metalen, de plaats van hout en steen vervult. Ik -kan er van sidderen, als ik denk, dat iemand hunner zijn brakken neus -in deze kostbaarheden steken mocht. Maar geen nood! Ieder mensch heeft -boven zijn armoedje, dat door den maatstok der wet wordt nagemeten, een -ruime plek aan den hemel, waar zijne verbeelding een luchtpaleis mag -stichten, zoo prachtig als hij wil, zonder dat men hem daar kan komen -lastig vallen. En waar ook verschil bestaan moge, hier niet. Want de -weinige spannen gronds, die den bedelaar toebehooren, hebben even -zoowel den onmetelijken hemel tot gewelf, als het uitgestrekte domein -des Vorsten. Daarheen dan onze toevlucht genomen, mijne vrienden! die, -even als ik, uw aardsche heerlijkheden met weinige passen beschrijden -kunt. Wij zullen ons daarboven wreken! Wij zullen er een luchtkasteel -bouwen, zoo heerlijk, dat de geheele schatkist, om wier wil we zoo -geplaagd worden, niet in staat zou zijn er een enkelen vleugel van te -betalen. Wij zullen er een pleasure-ground bij aanleggen, waarin al de -Ontvangers (en dat’s veel gezegd) des noods zouden kunnen verdwalen! En -wij zullen het genoegen smaken van onze kwelgeesten bij den neus te -hebben, die terwijl zij onzen nederigen inboedel taxeeren, van onze -bezittingen in de maan niets vermoeden zullen. Ik voor mij althans hoor -hen nooit een prijs op de piano van Editha stellen, zonder in mij -zelven te glimlachen: *** guldens! Zij is voor mij het tiendubbel -waard; in die kast is voor mij het wenschhoedje van Fortunatus -verborgen! Daarin schuilen de papieren van eigendom van mijn goederen -in het bovenland. Maar gij zult er niets van te zien krijgen.—En -nauwlijks heb ik de deur achter hen gesloten, of ik kom met een -vroolijk gezicht weêr binnen: kom aan, Editha! nu nog eens een liedje: - - - L’or n’est qu’une chimère. - - -Maar nog dierbaarder is mij de herinnering aan die oogenblikken, waarin -de muziek de uitwerking had van den storm der hartstochten in mij te -doen bedaren, oogenblikken waarin het mij ging als Saul; Ende ’t -geschiedde als de geest Godes over Saul was, so nam David de harpe, -ende hy speelde met syne hant: dat was Saul eene verademinge, ende het -wert beter met hem, ende de boose geest weeck van hem.—O, het is een -zalig gevoel in een tijd, wanneer de drift, als een storm uit zijn -krocht losgebroken, de kalmte der ziel beroert; wanneer alles, wat er -kwaads en ondeugends op den bodem des harten slaapt, opgist, en het -hoofd door zijn dampen bedwelmt; wanneer de onreinheid, die den grond -onzes gemoeds bedekt, door onvoorzichtigheid in beweging gebracht, -opborrelt, en deszelfs helderheid troebel maakt; het is een zalig -gevoel, wanneer men zich in zulk een tijd de kracht voelt ontbreken om -die woeling te gebieden: Zijt stille!—dat er zich dan een macht van -buiten opdoet, die de verbroken rust en klaarheid herstelt. Zulk een -macht nu is voor mij die der muziek. Dikwijls, als onreine gedachten -mijne verbeelding dreigden te besmetten; als de hartstocht mijn gemoed -in oproer bracht; als een weêrbarstige ontevredenheid zich van mijn -ziel meester had gemaakt; was het genoeg, dat de muziek haar liefelijke -stem liet hooren, om den kwaden geest, die mij verzocht, uit te bannen. -Niet dikwijls gebeurde het, als zij zich ter rechter tijd gelden deed, -dat mijn drift zich tegen haar tooverkracht bleef verzetten. Bij de -eerste tonen reeds werd het oproer in zijn vaart gestuit; langzamerhand -liet het zich met zachten tegenstand terugdringen, zoo als men een -blaffenden bandhond streelend in zijn hok lokt; terwijl de muziek de -muitende driften bedwong, riep zij de sluimerende betere -gewaarwordingen wakker; vandaar een korte strijd, die eindelijk in de -zegepraal van het goede beginsel eindigde, terwijl het kwade als een -neêrgeslagen droesem op den donkeren bodem terugzonk. Gelukkig -oogenblik, wanneer alsdan een zacht rood van schaamte de wangen -kleurde, welke vroeger de hartstocht in vollen gloed had gezet, en een -verkwikkende traan het brandend oog bevochtigde. Alsdan werd de -wonderspreuk des Dichters aan mij bewaarheid: - - - Alles heeft zich-zelf verloren. - ’t Honderdhoofdig Helgedrocht - Ligt ontketend in zijn krocht, - Met ter neêr gestreken ooren, - Vastgeboeid door ’t maatgeluid. - - -En wat wonder? Immers was ik altijd, licht ontvlamd als ik ben, de -speelbal van snel afwisselende aandoeningen, en even ras „in gloed -gevlogen,” als tot zachtere gemoedsaandoeningen terug te brengen. Mijn -moeder vooral verstond meesterlijk de kunst om in zulk een onrust rust -te gebieden. Zij deed dit niet door mij, als een hollend paard, in den -teugel te vallen; zij deed het door den leniger, maar sterker drang der -overreding! „Jonathan! Jonathan!” Er was in den toon, waarmede zij dien -naam uitsprak, iets zoo krachtig en teeders te gelijk, dat ik er niet -aan kon weêrstaan. Welnu, in de stem der muziek is voor mij iets -dergelijks; als zij mij hare zachte klanken tegenwalmt, is het of ik -nog de stem van mijn nu zalige moeder hoor; „Jonathan! Jonathan!” En -gepaard met deze herinnering, vallen mij op het eerste geluid de wapens -uit de handen. Heerlijke muziek, zeker zijt gij een broeder-engel van -mijnen Genius! - -Ook weet ik van oogenblikken, waarin zich aan mij een andere -verzekering des Dichters bevestigde: - - - Dan vergeet zich in ’t verrukken, - Zelf Prometheus arendsbeet, - Tantalus versmachtend leed, - Bij ’t vervoerend vingerdrukken. - - -Waar is de mensch, wien het hier wel niet eens bang was? Ik althans -behoor tot hen, die aan het bestaan van Prometheus en Tantalus -gelooven. Ik ken die pijn, die het hart eet en het bloed drinkt; ik ken -dat onverzadigd verlangen, dat den mensch naar de gouden -paradijsappelen doet hongeren, die altijd even ver van zijn lippen -verwijderd blijven; maar ik ken ook dat zich vergeten van arendsbeet en -versmachting, - - - Bij ’t vervoerend vingerdrukken. - - -De muziek spreekt bovenal de taal der vertroosting! haar gestrook - - - Is waarlijk van fluweel. - - -Haar vriendelijke stem vloeit als balsem in het verscheurde hart: ik -weet niet, of het waar is, wat sommigen beweerd hebben, dat muziek de -kracht heeft van sommige zielskrankten te genezen; maar ik weet wel, -dat zij in staat is het lijden van alle zielskrankten te verzachten en -te lenigen. En is zij niet een bode der hope, die van betere tijden -spreekt? Dikwijls als bittere teleurstellingen mij hadden ter aarde -geworpen, richtte zij mij aan haar hand op, en nam mij aan haar zachte -borst; dan dauwden er woorden van liefde en troost van haar zoete -lippen; dan ademde zij mij nieuwen moed in ’t hart; dan goot zij mijn -boezem vol van nieuwen levenslust en nieuwe levenskracht; dan spande -haar opwekkende invloed mijn spieren en zenuwen tot dapperen wederstand -tegen den druk, die op mij woog; dan klonk haar stem voor mij als een -wapenkreet, die mij ten strijd daagde; dan ging haar moed-inboezemend -geluid mij voor op den weg der overwinning; dan hergaf zij mij aan mij -zelven. - -Nog plechtiger herinneringen verrijzen voor mijn geest. - -Stemme des orgels! Stemme der muziek in het huis des Heeren! Hoe de -gewaarwordingen te beschrijven, die gij zoo dikwijls in mij verwektet? - -Ik weet het, de Godsdienst heeft meerder rechten op de welluidendste -der kunsten, dan deze haar in onze eenvoudige heiligdommen betaalt. De -storm der Hervorming heeft in haar geweldige, schoon heilzame -omkeering, onder meer, dat wij hadden willen gespaard zien, ook de -snaren van de heilige harp Davids verbroken, die Gode zoo -welgevalliglijk placht te klinken. Het zij! wij weten, dat het een -hachelijk oogenblik was, toen het niet de keuze tusschen een eerdienst -met of zonder muziek, toen het de keuze tusschen een hulde des harten -en der lippen en een hulde der muziektuigen gold; toen er beslist moest -worden, of de zanger zou zingen, of zijne luite. Doch des te hooger -eere en dank aan hen, die het pleit des orgels voor de rechtbank der -Hervorming hebben verdedigd en gewonnen. Nu hebben wij ten minste een -enkel harmonisch voertuig voor onze heilige inboezemingen behouden; en, -wij erkennen het dankbaar, het geschiktste en waardigste, om dien -gewijden last ten Hemel te voeren! Er is in den klank des orgels iets -statigs en majestueus, dat wonderlijk overeenkomt met de plaats en het -doel, waartoe het zich laat hooren. Ik zou haast zeggen: het orgel is -een beeld van den Godsdienst zelven, dien wij belijden. Zoo woont hij -in ons hart, onzichtbaar en verborgen, even als het geluid in het -speeltuig. Geen bonte pronk of valsche schittering tooien hem, maar een -deftig, plechtig en eerbiedwekkend uiterlijk. Hij vermengt zich niet -onder de ijdelheden der aarde, noch paart zijn stem aan den luchtiger -toon der wereld; altijd blijft hij waardig, achtbaar en zijn hooge -bestemming indachtig. Zich gedurende de zes ongewijde dagen in -zichzelve terugtrekkende, verheft hij ten zevenden, ten dage des -Heeren, zijn jubelende stem, en roept dan luide zijn verrukkingen uit! -Maar ook dan nog handhaaft hij zich als de bode eener heilige -blijdschap, en laat in den klank van zijn zich naar buiten openbarende -vreugde, altijd den grondtoon van een statigen ernst klinken.—Vol en -breed vervult de galm van het speeltuig het heiligdom, en doordringt -het met een welluidende huivering; langzaam, gelijk de geur des offers -met de lucht samenvloeit, vereenigt hij zich met de stem der menigte; -en daarmede ineengesmolten heft hij zich met een kalme gelijkmatige -duivenvlucht omhoog, dringt door wolken en uitspansel, en stort zich -uit voor het oor van Hem, die den adem geeft. O, het is verwonderlijk, -hoe machtig dit geluid is op hem, die er gevoel voor heeft, om hem te -stemmen en tot een waardige aanbidding voor te bereiden. Hoe dikwijls -kwam ik verstrooid en afgetrokken in het heiligdom; maar het orgel -klonk! het orgel, dat ons in zijn indrukwekkend geklank opriep: Lovet -den Heere met de harpe. Psalmzinget Hem met de luyte.—Als een geest der -bezieling woei die welluidende adem mij aan; helder weêrklonk die stem, -die den tempel doorgalmde, in den tempel mijns harten. En nauwelijks -droeg de eerste golf van melodie den eersten toon des gezangs naar -boven, of reeds mengde zich mijn stem, eerbiedig en vroom, in het -duizendstemmig lied der gemeente, en klom zwak en bevende, maar uit het -volle hart, tot den Heer! En hoe zou ik al de verplichtingen kunnen -opnoemen, die mijn stichting en zielsverheffing aan u heeft, muziek des -gewijden orgels? Of kende ik de oogenblikken niet, waarin mijn -overstelpt hart zijn dank niet hoog genoeg ten hemel heffen kon, maar -zich gelukkig voelde, dien op uw breeder en sterker schacht te mogen -nederleggen, om dien te brengen tot waar mijn stem niet reikt; -oogenblikken van bezwaardheid en droefenis, waarin met uw opbeurende -galmen van boven licht en troost in mijn donkere ziel vloeide; -oogenblikken, waarin uw majestueus geluid mij een huivering van eerbied -op de leden stortte, en mij den Allerhoogste voor den geest stelde, als -was het dat „suyzen van een sachte stilte” waarin de Heer zich aan zijn -dienaars openbaart; oogenblikken, waarin uw donderende toon, -ontzagverwekkend als de klaterende wolk van Horeb, op mij nederdaalde -en mij met den schrik des Heeren sloeg, of waarin ik in een rollend -gebulder de bazuine des laatsten oordeels meende te hooren; -oogenblikken waarin uw machtige stem voor mij de wolken deed scheuren, -en mij, onder uw zegevierend jubelen, den hemel opende, waaruit mij -reeds het lied der tienduizendmaal tienduizenden scheen toe te klinken! -O zeker, al waart gij voor mij de eenige tolk der harmonie, die door al -het geschapene ruischt, orgel des heiligen bedehuizes! toch zou ik met -Schiller aan uw kunst den palm reiken! - - - Aber die Seele spricht nur Polyhymnia aus. - - -Ja, durfde ik, ik zou verder willen gaan en zeggen: Muziek is de taal -des hemels! - -„Muziek de taal des hemels!” - -Kent gij la dernière pensée musicale van Weber? Laat haar u anders -eerst eens voorspelen. - -Begrijpt gij mij nu? - -Ik ken geen muziekstuk, dat mijn gedachten beter uitdrukt. Hoort gij -het niet, dat er in deze heerlijke andante een stem is, die van een -betere wereld spreekt? Dat weemoedig-zwevende, dat biddend-klagende, -dat smachtend-verlangende, dat opwaarts-strevende,—in één woord, dat -gevoel van heimwee, dat in deze noten ademt, wijst het u niet als met -de hand naar den hemel? O, zóó zou ik wenschen te sterven met zulke -gedachten, met zulk een gevoel, met zulke verwachtingen! Welnu, dit -karakter der muziek is het, wat haar voor mij zoo aantrekkelijk maakt! -Wat zijn zij zeldzaam, de stemmen, die ons aan ons vaderland daarboven -herinneren! en wanneer ze zich al laten hooren, hoe zelden hebben zij -den waren toon, die het hart toespreekt, en met waarachtig verlangen -vervult! Maar voor mij is de muziek zulk een roepstem, en wel een stem, -zoo liefelijk, zoo uitlokkend als eenige, een stem als van een moeder, -die haar kind tot zich roept. Ja, ik begrijp dat heimwee van den -Zwitser, als het lied zijner bergen, het klagende ranz des vaches in -zijn ooren klinkt. Ik geloof dat dit geluid de snaren zijner ziel kan -spannen, dat ze breken. Immers weet ik wat ik gevoel, als de muziek mij -als een stem uit de hoogte toeruischt, en mij met reikhalzende begeerte -naar de bergen mijns hemelschen vaderlands doordringt. Dan doorstroomt -een nameloos gevoel mijn boezem; dan vervult zich mijn hart, en zet -zich uit, en zwoegt als om zich ruimte te maken, gelijk een vogel in -zijn kouw; dan rijzen zucht op zucht uit dien beklemden kerker op, en -stijgen daarheen, waar het hart ze niet volgen kan, dat ze treurig -naziet als een gevangen duif, die haar jongen ziet opvliegen. Dan -verheft zich mijn hoofd, dan glinstert mijn oog, dan openen zich -onwillekeurig mijn armen, dan zucht ik bezwaard zijnde om ontbonden te -worden. Zou het misschien daarom zijn dat Luther de muziek de eerste -der menschelijke kunsten noemde, en haar de naaste aan de -godgeleerdheid plaatste? - -De eerste der menschelijke kunsten, zeide ik. Maar.... ik weet niet.... -ik durf niet gissen.... ik vrees vermetel te wezen.... en waarom niet? -Een groot man heeft van den aanstaanden geluksstaat der zaligen gezegd: -„Geeft u onbeschroomdelijk toe in kinderlijke droomen en -voorstellingen! Alleenlijk, laten het geen opgeblazen, wijsgeerige, -maar laten het kinderlijke droomen zijn!”—Welnu, tot die kinderlijke -droomen van mijn verbeelding behoort ook, dat de vreugde, uit het genot -der muziek geschept, mede tot het geluk der zaligen behooren zal. Ik -weet wel: „de lofzangen der hemelingen zullen toch geen Jeruzalemsche -tempel-muziek wezen!” Even weinig durf ik raden, hoe dan anders zich -mijn mijmeringen verwezenlijken zullen. Maar ik laat mij daarom het -denkbeeld niet ontnemen, dat daar een stemme des gezangs en geklanks -zal gehoord worden in den hemel, gelijk er een stemme des lieds en der -speeltuigen gehoord wordt op aarde. Niet alleen om den wil der fijne, -zuivere, geestelijke en bijna bovenaardsche weelde, waarin de stroom -der harmonie het gevoelig hart doet baden; maar omdat ik mij zóó, en -zóó alleen verbeelden kan, hoe het van hemelzaligheid overvloeiend hart -zich, in gemeenschap met zijn medegezaligden, in dankbaarheid en -vreugde voor den Vader der Lichten zal uitstorten. „Gloeit het vuur der -dankbaarheid,” zoo leze ik, „diep in mijn binnenste, verliest u dan in -de plechtige lofgezangen, die voor het aangezicht van God worden -uitgeboezemd!” Laat ik er mij dan in verliezen! Beklage of belache mij -wie wil; ik laat anderen gaarne hunnen hemel, indien men mij slechts -toelaat mij mijnen hemel te scheppen, zoo als hij voor mij meest -aantrekkelijk, meest uitlokkend, meest hemelsch is! O, dat stemmen der -gouden citers! dat aanheffen van een nieuw en nooit gezongen lied! dat -mengen der stem in het koor van al wat in den hemel leeft! dat -uitstorten van zijn hart in den adem der Godsverheerlijking!.... Indien -gij een droom zijt, hoe schoon zijt gij! En indien meer!.... - -Kom, Editha! speel de dernière pensée musicale van Weber nog eens voor -mij! - - - - - - - - -RUITEN TROEF. - - -Onder andere schoone en nuttige kundigheden, mis ik ook het talent van -kaartspelen. Ik weet niet waardoor het komt, maar ik heb het nooit -kunnen leeren. En dit is te onbegrijpelijker, omdat het mij anders niet -aan het noodige geduld ontbreekt. Op het ganzenbord bijvoorbeeld ben ik -een heele held. Uren lang kan ik, met een lief kind op mijn schoot, mij -aan dat spel toewijden, zonder ooit moede te worden van het -onophoudelijk heen en weêr trekken van den Put naar den Dood, en van -den Dood weêr naar den Put. Maar met de kaartenbladen der groote -menschen kan ik maar niet klaar komen; misschien ligt het aan de -zwakheid van mijn geheugen. Eischt de wet van het spel niet, dat men -zal nagaan, wat ieder zijner medespelers in de hand heeft? Waarlijk, -dit is te veel geëischt van een man, die altijd zoo veel met zich -zelven te doen heeft, dat hij nauwelijks ooit een oogenblik tijd kan -vinden, om zich over eens anders zaken te bekommeren. Aan de -whisttafel, evenmin als elders, bemoei ik mij gaarne met het spel van -anderen. Men heeft mij wel gezegd, dat ik daardoor altijd verliezen -moet, omdat anderen er wel achter weten te komen, wat ik in de hand -heb;—ik moet het overgeven. Om mijn domheid in dit opzicht te -rechtvaardigen, heb ik er een stelling op uitgevonden, waarmeê ik mij -zoo goed mogelijk troost: goede spelers worden geboren, en niet -gemaakt. - -Gebeurt het dus somtijds, dat ik tegen mijn gewoonte in een gezelschap -verdwaald ben, waar gespeeld wordt, krijg ik gewoonlijk van de -gastvrouw een plaatsje bij de jongelui, aan de zoogenaamde -allegaâr-tafel. Daar gaat het met het kleuren nog zoo wat heen; te -meer, omdat ik altijd spoedig dood ben, en dan gelegenheid heb, het -veel vermakelijker spel van de verliefde dartelheid der jonge paren aan -te zien. Dat gezicht is voor mijn smaak wel eens zoo aanlokkelijk, als -dat van gindsch hombre-tafeltje, waar de partijen een gezicht zetten, -of zij om malkaârs leven dobbelen. Hier doet zich mijn schilder-oog -recht te goed. Zie had ik mijn potlood, ik zou dien schalken jongen met -zijn donkere kijkers willen uitteekenen, zoo als hij zijn hoofd -stoeiend over den blanken schouder van zijn bekoorlijke buurvrouw -heensteekt, om quasi te zien, wat kaarten zij heeft, maar dat hij, dom -genoeg, in haar lachende oogen schijnt te willen lezen. De linksche -jongen! hij gelijkt mij, hij zal nooit goed leeren spelen! en welk een -aardig tegenstuk zou gindsch sentimenteel paartje opleveren, dat den -schijn aanneemt van elkanders kaarten te ruilen, maar eigenlijk alleen -van die mine gebruik maakt om verliefde handdrukjes te wisselen; met -dat gevolg, dat zij beide eindigen met drie verschillende kleuren in -den hand te krijgen. Wat doet het er toe? daar het hoogroode blosje, -dat te gelijk beider wangen bedekt wel degelijk van de zelfde echte -hartenkleur is! Ei, voor zulk een tooneeltje geef ik van ganscher harte -het zeldzaam genoegen van een vole annoncée te zien spelen. - -Maar als ik nu bij ongeluk in een kring geraakt ben, waar alleen met -scherpe wapenen gestreden wordt, zonder dat er een hoekje voor zulk een -onschuldige schermpartij is afgezonderd, dan moet ik mij getroosten, -als een ledig aanschouwer door de zaal te dwalen, en mij beurtelings -bij de verschillende tafeltjes te plaatsen. Het is waar, dat dit niet -altijd even aangenaam is. Want mijn eigenliefde krijgt bij zulk een -gelegenheid altijd geweldige stooten. Meestal heb ik alsdan moeten -ondervinden, dat op zulk een oogenblik de minste kaart meer aandacht -trekt, dan ik. Aanmerkingen, die verdienden gedrukt te worden, heb ik -door den uitroep van: spadille! hooren overschreeuwen. Ik geloof dat -zulke ervaringen krachtig hebben meêgeholpen, om mij nederig te houden. -Ten minste sedert eenigen tijd is mijn aanmatiging om tusschen de -phrasen van het spel nog mijn phrase te willen plaatsen voorbij. Ik -waag mij niet meer in het gedrang, maar blijf eerbiedig op een afstand. -Gewoonlijk plaats ik mijn stoel in de nabijheid van het een of ander -tafeltje, ver genoeg van het tooneel des gevechts verwijderd om niemand -te hinderen, en toch niet zoo ver, of ik kan het voorkomen hebben van -naar het spel te zien. En dan komt mijn gelukkige gaaf, van met open -oogen te kunnen droomen, mij weder heerlijk te stade. Aldus heb ik aan -de whist- en quadrille-tafel menig schoon uurtje gesleten. - -Zoo was ik onlangs bij een mijner goede vrienden op een verjaarfeest -genoodigd; hij kwam mij zelf vragen, omdat hij voor een weigering -vreesde. Want daar zijn Chef, wien hij welstaanshalve niet voorbij kon -gaan, een liefhebber was van „een kaartje te leggen,” moest er in den -vooravond gespeeld worden. Wat zou ik doen? hij stond er op, dat ik -komen zou, en ik bederf niet gaarne iemands vreugde. Ook ben ik er bang -voor, iemand, dien ik lief heb, te verstoren. Als men aan vrouw of kind -iets weigert, hangen ze u vijf minuten daarna toch weêr aan ’t lijf: -maar als men een vriend boos maakt, blijft hij wel eens boos. Kort en -goed, ik nam het aan. - -Ik kwam vrij laat. De tenten waren reeds opgeslagen, het terrein -verdeeld, de strijders geschaard, en de zwaarden getrokken. Wat wonder, -dat bijna niemand mij merkte? Nadat ik de gastvrouw begroet en mijn -vriend de hand gedrukt had, begon ik naar een plaatsje uit te zien, -waar ik het gevecht zou kunnen—vergeten. Wacht.... ja.... daarheen! ik -had een heerlijk hoekje gevonden, in de nabijheid van een -hombre-tafeltje, waar ik, half tusschen de meubelgordijnen verscholen, -mij onopgemerkt aan mijn gepeinzen kon overgeven. Nadat ik het -gezelschap, in welks nabijheid in mijn banier plantte, links en rechts -gegroet had, begon ik, om op mijn verhaal te komen, met mijn buurman op -te nemen. Zij waren drie in getal, twee Heeren en een Dame. Om een -bijzondere reden, die in de verdeeling van het spel haar grond had, was -de echtgenoot der Dame een van haar beide partners. Het was een leelijk -man, met een geschonden aangezicht en lichtgrijze oogen, die door een -schildpadden bril keken. Hij was prachtig, maar slordig gekleed; hij -sprak weinig, en deed bijna niets dan om de geestigheden van zijn -medespeler lachen. Deze was het levend beeld der gezondheid. Hij moest -vroeger een schoon man geweest zijn; maar het vet, die gezworen vijand -van alle schoonheid, had de fijnheid zijner trekken en vormen bedorven. -Hij was nu een dikke Apollo, gelijk onze oude schilders er teekenen. -Evenwel, hoe diep zijn hart ook in zijn vleezige borst begraven was, de -geest scheen door het vleesch nog niet geheel ten onder gebracht. -Onophoudelijk vloeiden er Attische zetten van zijn lippen, die zijn -vriend deden schateren, en ook de Dame een goedkeurend glimlachje -afdwongen. De dame—ik had de beleefdheid wel mogen hebben van met haar -te beginnen—was een vrouw van ruim dertig jaren; evenwel mogt zij nog -met het volste recht een schoonheid heeten. Ofschoon een kanten nevel -haar haar verborg, zag men aan de vlecht, die daaronder te voorschijn -kwam, welk een onrecht zij daarmede aan de bewonderaars van „levend -goud” deed. Haar oogen waren van het verrukkelijkste blauw, en haar -huid van een verblindende blankheid. Echter vond ik haar niet -onwederstaanbaar; zij had iets onverschilligs, iets prozaïsch in haar -wijze van spreken en doen, dat met haar blond-blauw voorkomen in -openlijken strijd was. Zij dronk met haar fijne beeldig besneden lippen -haar glaasje bisschop met een genoegen, met een sybaritisch -welgevallen, dat mij wanhopig maakte; en toen zij haar parelwitte -tanden met Epicurische graagte in een roomtaartje zette, moest ik mij -van ergernis omkeeren. - -Evenwel, men gewent aan alles: zoo ook ik op dien oogenblik. Nog geen -half uur was er verloopen, of ik zag tafeltje noch spelers meer, en zat -reeds hoog en droog in de luchtballon mijner droomerijen. Daar dreef ik -op de genade des toevals door de lucht, zonder iets te bemerken van -alles wat op de aarde aan mijn voeten voorviel. Het zij mij vergund, u -een staaltje van mijn overdenkingen te geven. - -Onder andere beelden zag ik de sylphengestalte van Alwine Stanley, een -der liefelijkste verschijningen, die ooit mijn oog verrukten. Zij was -blank als een engel, en, zoo haar haar niet zoo wit was als sneeuw, het -scheen toch sneeuw, door de zon verguld; ook droeg zij altijd een wit -kleed, en had daarbij iets in de oogen, dat de begoocheling volkomen -maakte. Maar zij was teêr, ongeloofelijk teêr! haar middel was zoo -tenger, dat men vreesde, als zij zich boog, moest zij knakken als een -bieze, tot dat men zich overtuigd had, dat het golvende van haar -bewegingen die vrees overbodig maakte; want dan toonde zich haar -lichaam weêr zoo buigzaam en veêrkrachtig, dat het uit enkel zenuwen en -spieren scheen te bestaan, en den stokkerigen gast dien wij daaronder -herbergen te missen. Haar hals was dun als die van Anna Boleyn, maar -veel gereeder dan deze om te buigen; want bij het minste tochtje, dat -langs haar ging liet zij het hoofd hangen. Haar geheele voorkomen had -een etherischen zweem, en deed aan de teederste van Shakespeare’s -scheppingen, aan Ariel, denken. Wie haar zag, vond de aarde te hard en -den wind te scherp voor haar; wie haar toesprak, verzachtte -onwillekeurig den toon zijner stem; zij was als Sir Walter’s Maiden of -the mist, men durfde haar niet aanroeren, uit vrees van haar in een -nevel te zien oplossen. - -Was het vreemd, dat zij vele bewonderaars had? Vreemd was het evenwel, -dat er niemand aan scheen te denken om naar haar hand te staan. Dit was -het gevolg van haar Engelen-natuur; het gevoel van ontzag, dat zij -inboezemde, maakte, dat men het denkbeeld om haar te bezitten als iets -ongerijmds verwierp. In de droomen des jongelings kwam zij voor als de -toovergodin, die zijn liefde beschermt, nooit als de schoone Prinses, -naar wier gunst hij stond. Zij had honderd aanbidders, maar geen -enkelen minnaar. - -Dit bleef echter niet altijd zoo. Eindelijk was er een, die het waagde -een vermetel oog op haar te slaan. Maar zoo in iemand, in hem was die -stoutmoedigheid te dulden. Hij heette Alfred; maar ik noemde hem -Alcibiades, zoo herinnerde hij mij dien bevalligste der Grieken. Want, -dat de Olympische lauwer aan zijn antieken kop ontbrak, en marmer noch -metaal den heerlijken vorm zijner gestalte vermenigvuldigde, was aan -den tijd te wijten, waarin hij geboren was; wat bleef hem thans over, -dan zijn moed in in het oefenperk der gymnastie en het speelveld der -schermkunst te doen schitteren? Maar miste hij de gelegenheid om een -bloedige kroon te winnen, te schooner sierde hem de krans van de -kunsten des vredes. Hij was dichter, zonder evenwel de luit te -hanteren; maar de scheppende kracht eener weelderige fantasie woonde in -zijn borst, en stortte zich in den kunsteloozen vorm eener wegsleepende -welsprekendheid uit. Niets echter onderscheidde hem meer, dan zijn -hartstocht voor de muziek; zelf was hij een uitstekend kunstenaar, doch -verborg dit talent met meisjesachtige schaamachtigheid. Maar ’s nachts, -onder begunstiging der duisternis, doolde hij, met de guitar om zijn -hals geslingerd, naar de woning van Alwine; en wie hem dan in -romanesque melodiën aan zijn gevoel lucht hoorde geven, waarbij zijn -tenorstem met den langen adem eens nachtegaals door de lucht trilde, -terwijl zijn schilderachtige houding, door het schijnsel der maan -verlicht, aan een Grieksch standbeeld deed denken, vergaf het aan de -hemelsche Diana, achter dien wit-gazen nevel verscholen, dat zij met -welgevallen op dezen Actaeon nederzag. - -De gelieven beminden elkander, gelijk zulke zielen beminnen moeten, -hartstochtelijk; maar een breede klove scheidde hen. De witte gestalte -van Alwine boog voor de hostie; het trotsche hoofd van Alfred boog -alleen voor Hem, dien „de Hemelen niet en begrijpen.” Het meisje, wier -liefde op de rots van onbepaald geloof in den Beminde gegrond was, was -gereed voor hem het outer te verlaten en naast hem neêr te knielen; -maar haar vader, die voor den Roomschen herdersstaf sidderde, verbond -aan het verlaten haars heiligdoms de verbanning uit zijn huis en hart; -er zweefde een onheilspellend woord op zijn lippen. Om haar wanhopig te -maken, kwam hier het aanzoek van een geloofsgenoot bij, een man die -haar begreep noch verdiende; een van die menschen, die met dezelfde -onverschilligheid hun voet in ongerepte sneeuw als in drassige klei -drukken. De vader, voor de verleiding van den schoonen Hugenoot -vreezende, was harder voor haar dan zij verdiende: ongenadig als een -stormwind drukte hij op broze riet, zoodat het krookte, en spoedig -geheel scheen te zullen breken. Nog herinner ik mij, welk algemeen -mededogen de kwijnende Alwine opwekte; menig oog, dat haar aanzag, -vulde zich met tranen, en ieders verbeelding zag haar reeds aan den -voet des altaars, met den witten maagdenkrans op het haar, en de -brandende waslichten rondom haar.... Ja, zal ik het bekennen? in de -verwachting van haar aanstaanden dood, bezong ik haar uiteinde reeds in -een gedicht, waarin onder anderen de volgende smachtende regels -voorkwamen: - - - Beklaag Alwine, in ’s levens bloei vergaan! - Hoe greep de smart haar teedre broosheid aan! - Nog is zij schoon, maar aaklig schoon! en de oogen - Beweenen haar, die haar bewondren mogen. - Was ze eenmaal bleek als lentebloesem, thans - Week ’t leven uit de witheid van dien glans. - Een doode schijnt ze, als balsemde heur asem - Haar zielloos schoon met eigen amberwasem. - Soms dringt een traan zich aan haar oogen op, - Maar ’t is ondanks haar wil, zoo als de knop, - Gebroken op zijn steel en halfgebogen, - Den dauw vergiet, waarmeê hij is betogen. - En vreemd! zoo weinig dooft dat nat hun vonk, - Dat nooit haar blik van helder tintling blonk! - Ook wreken zich de kwellingen haars harten - Niet op haar leest in folterende smarten, - Maar, met den dolk in ’t hart, zegt ze Arria, - Met vriendlijk oog: het is niet pijnlijk! na. - Zij draagt haar leed als waar ’t in onbewustheid, - En liegt het weg in ’t lachje van gerustheid - Op ’t smal gelaat, zoo al geen bleeker rood - Den worm verraadt, die ’t veege bloempje doodt! - Soms ziet men haar doorschijnende elpen vingeren - Zich bevend om de zilvren snaren slingeren; - Maar, trillend door d’onvasten greep, heeft ’t lied, - De harp ontlokt, den rechten toonklank niet. - De lip is bleek, die vroeger plach te blozen, - Maar, witte roos, behield den geur der rozen. - Haar stem is zacht, maar vriendlijk zacht en zoet. - Zij sleept zich voort met weigerenden voet, - En toont, wanneer zij op uw arm mag leunen, - Hoe noodig ’t is haar zwakheid te ondersteunen. - De slaap ontwijkt ze, als vreest ze een enkel uur - Te ontrooven aan zoo kort een levensduur! - Ja, zelfs de Dood laat zich door haar verzachten, - En schijnt bij ’t henensmelten van haar krachten, - Te waken, dat geen al te ruwe slag - Zoo schoon een leest te deerlijk schenden mag! - Zoo zal zij ook, wanneer zij ’t hoofd laat hangen, - Zacht sluimren, door zijn harden arm omvangen, - En wie haar ziet, doen denken, aan haar rust: - Een moeder heeft haar zoo in slaap gekust.... - - -„Ruiten-troef!” riep de Dame aan het hombre-tafeltje, met een stem zoo -luid, dat ik wakker schrikte en uit mijn droom ontwaakte. -„Ruiten-troef!” riep zij, en daarbij keerde zij het spel kaarten, dat -zij gemengd had, om, waardoor het bleek, dat Ruiten de favoriet-kaart -voor het volgende spel waren. - -Zelden echter was ik zoo boos op de oorzaak, die mij in mijn mijmering -stoorde, als nu! Het was ook een val! van een romanesque doode op -Ruiten-troef.... denkt gij? neen, veel erger! Want—en verplaats u in -mijn stemming—want de engelachtige Alwine was—och ja, de Dame die voor -mij zat en Ruiten-troef had geroepen! de dikke Apollo was Alfred! en de -leelijke man met zijn schildpadden bril de door Alwine’s vader -beschermde minnaar! - -Alwine had lang tegenstand geboden, lang geleden en gestreden; maar -eindelijk had de wil haars vaders, door de verschrikkingen van het -bedreigde exorcismus ondersteund, haar toestemming afgedwongen. Toen ik -haar in den echt had zien inzegenen, kwam ik verontwaardigd te huis, en -zette een nieuw gedicht op het touw, dat dus begon: - - - ’k Heb u gezien, de oranje door de haren, - En om den hals ’t juweelen snoer gezwierd; - De blanke leest met blank satijn gesierd, - Omgeven door de u huldigende scharen. - Ik zag u, met die bleekte op ’t zacht gezicht, - Die weêmoed op de wang der bruid verwekte, - Aanvalliger, dan toen de blos ze dekte, - Die vreemd moet zijn aan d’ochtend, die u licht. - - Die kwijning van uw heerlijk blauwende oogen— - Die flauwe lach, die wegsterft in een zucht— - Dat rustloos hart, dat zwoegend hijgt naar lucht— - Die fletsheid, die uw wangen houdt betogen— - Die matheid in ’t door druk bezwaard gestel— - Die trage gang der eertijds vlugge schreden, - Nog aarzlende op ’t hun vreemde pad te treden— - Verraden ons uw kommer al te wèl. - - En gij hebt recht! des Bruigoms vuurge blikken— - Het ongeduld, dat uit zijn trekken licht— - De hartstocht, die zich schetst op zijn gezicht, - Zoodat zijn drift uw schuchterheid doet schrikken— - Zijn vlammend oog, gekluisterd aan uw leest— - Zijn wild gebaar, dat, waagt het u te omvatten, - Zich nauwlijks kan weêrhouden uit te spatten— - Verzeekren u geenszins, dat ge ijdel vreest! - - O daar is slechts een stonde in mannendriften, - Een leven lang in ’s mans hartstochtloosheid: - Dezelfde hand, die thans uw schoonheid vleit, - Kan uw verval verbittren en vergiften! - Verganklijk zijn de bloemen van den lust, - Gelijk aan die slechts ééne dagbeurt bloeien: - De morgen wil ze met zijn dauw besproeien, - Maar vindt ze door den nachtwind dor gekust. - - De Weelde is als een Vampyr, die zijn lippen - Met jeugdig bloed van maagdlijke offers drenkt, - Maar die den drank, dien ’t zingenot hem schenkt, - In éénen teug een gorgel in doet glippen; - Hij wil voor zich slechts ’t eerste waas der druif; - Den most des wijns; het maagdlijk rood der rozen; - En werpt van zich de bruid, door hem gekozen, - Gelijk de bruid haar feestelijke huif! - - -en zoo voort. Deze Philippica bleef echter zonder uitwerking, en -verhinderde evenmin, dat Alwine voortaan een anderen naam voerde, als -dat Alfred uit wanhoop op reis ging. Na twee jaren afzijns kwam hij, -uitstekend welvarende naar lichaam en geest, terug, en trouwde kort -daarop een gezonde Hollandsche vrouw. Dit huwelijk bracht Alwine’s -sentimentaliteit den laatsten slag toe. Uit wraak over haar -teleurgestelde droomen, wierp zij zich daarop in de armen der meest -positieve wezenlijkheid, en werd eene getrouwe lezeres der „Opregte -Geldersche keukenmeid.” Ja, haar keuken werd zoo beroemd, dat de -Epicurische Alfred de begeerte niet weêrstaan kon om aan haar diner’s -deel te nemen, en verlof verzocht en verkreeg haar zijn vrouw te -presenteeren. Op dezen oogenblik bevonden ze zich te zamen ten huize -mijns vriends; het toeval plaatste Alwine’s echtgenoot, die aan het -biljart op de Societeit allen naijver afgezworen en een verbond van -vriendschap met Alfred gesloten had, met zijn vrouw en vriend aan -dezelfde tafel. Van daar de aanleiding, die mij in het Elysium mijner -herinneringen verplaatste, toen ik daaruit zoo onvriendelijk -teruggeroepen werd. Ik kon ze haast met geen goed oog aanzien! Welk een -schoonen roman hadden ze mij bedorven! hoe diep waren zij gevallen! Die -blanke leest der dertig-jarige vrouw, waarin ik nog enkele sporen van -het vroegere nevelachtige wezen terugvond, wat was zij nu, dan de -doodkist, waarin Alwine haar dichterlijken geest begraven had? En wat -was er van mijn Alcibiades geworden? een vleeschklomp, die nog slechts -in het klassisch zout zijner geestige invallen een schaduw vertoonde -van het genie, dat vroeger alleen de eenzaamheid in zijn vertrouwen -nam. Dezelfde man, die eens, als een andere Paganini, uit jaloerschheid -op zijn kunst, de toonen van zijn speeltuig aan iedereen buiten -zichzelven misgunde, zong nu aan elk souper „op verzoek der Dames” een -aria van Grisar, en kende, als men hem om een proef van zijn talent op -de piano verzocht, waarlijk niets dan een Strauszertje! er scheelde -weinig aan, of ik nam het hun beide kwalijk, dat zij de onbeschaamdheid -hadden van—te leven. Maar ook! in zijn verbeelding aan den rand eens -grafs te staan, met de woorden van Hölty’s elegie voor den geest: - - - Sterbeglocken hallen, - Und die Grabgesänge heben an; - Schwarzbeflorte Trauerleute wallen, - Und die Todtenkrone weht voran. - - -En dan—door de heldin van dat visioen wakker geroepen te worden met den -kreet: Ruiten-troef! - -Ruiten-troef! O hoe dikwijls ben ik, op gelijke wijze, uit den hemel -mijner schoone droomen bij mijn beenen op de aarde teruggetrokken! hoe -vele soortgelijke bittere teleurstellingen heb ik ondervonden. - -Ik verneem, dat een van de liefste vrienden, dien ik aan de Hoogeschool -gehad heb, zich in de stad bevindt; dadelijk vat ik het voornemen op -hem te gaan opzoeken. Het vooruitzicht van hem te ontmoeten is genoeg -om mij in een andere wereld te verplaatsen. Ik daag alle herinneringen -van vroeger tijd voor mijn geest: hoe lief wij elkander hadden; hoe wij -onze boeken en onze geheimen deelden; hoe wij malkaâr in gevoel van -bewondering voor de natuur niets toegaven; hoe wij dikwijls onzen -doornstaf opnamen, en naar een nabijgelegen bouwval wandelden, om daar -Matthisson te lezen en den rondwarenden schimmen den schuimenden -berkemeier toe te brengen; hoe wij met elkander van geluk en liefde -dweepten en in onze verbeelding aan het eind der aarde onze hutjes van -klei naast elkander optrokken... in zulk een stemming kom ik bij hem; -maar hoe vind ik hem terug? Als een schaduw van zichzelven. De -financieele speculatiën, waarin hij gewikkeld is, hebben van hem een -cijfermeester gemaakt, wiens wereld door de muren van de beurs,—neen, -dit is nog te ruim—door de pilaren van den effectenhoek begrensd wordt. -Begin ik met een verteederend: Henri, herinnert gij u nog? wijst hij -mij terug met een onvriendelijk: Laat ons van die gekheid zwijgen! kom -ik op onze droomen, hij spreekt van zijn kansen: wijs ik hem op onze -arme, maar gelukkige jeugd, hij wijst mij op een rijken, gemakkelijken -ouderdom: herinner ik hem aan den berkemeier, hij roept om een glaasje -kinabitter: hij breekt den cirkel mijner bezweering, even als Alwine, -door haar Ruiten-troef! - -Of ik zal een vrouw ontmoeten, die ik vroeger als een Gratie gekend en -bewonderd heb, en die, ofschoon ik haar sedert jaren niet heb -weêrgezien, nog in mijn herinnering leeft. Zeker, het is dwaas van mij, -die toch ook de oude spring-in-’t-veld niet meer ben, welken zij aan de -Akademie gekend heeft, dat ik een teleurgesteld gezicht zet, wanneer ik -de jonge bevallige als een deftige matrone weêrvind. Maar dit zou ik -nog kunnen overstappen, had de tijd slechts de kas van het speeltuig -misvormd; maar helaas! hij heeft ook den klank bedorven. Na de gewone -plichtplegingen van het alledaagsch gesprek waag ik het, haar aan -vroegere dagen te herinneren. Ik roer een der teederste snaren aan.—Zij -tjingelt als een vochtig koord.—Ik beproef het met een andere.—Zij is -ontspannen.—Weêr een andere.—Zij knarst als roestig ijzer.—Nog een -laatste!—Geheel gesprongen!—Alles Ruiten-troef. - -Of ik zal een dichter bezoeken. Welk een vooruitzicht! Ik stel hem mij -voor, gelijk ik wenschen zou hem te vinden: in het oog van den adelaar -zijn hoogeren rang verradende; een verheven voorhoofd waardig, naar de -uitdrukking van Moore, „het paleis” van zulk een ziel te zijn; een -eerbiedwekkend voorkomen als van een hooger geest, die voor een wijle -het kleed eens menschen draagt; en bovenal een stem, welke haar recht -handhaaft om het Verledene en de Toekomst voor zich te dagen. Ik vind -hem.... ik durf niet voortgaan.... wij hebben zoo weinig dichters, die -men verlangt te zien.... gij zoudt denken dat een portret -schilderde.... ach, ik kan immers de geheele geschiedenis van mijn -teleurstelling in één woord uitdrukken: Ruiten-troef! - -Zoo gaat het mij keer op keer. Een mensch met een gevoelig hart is een -ongelukkig wezen op deze ongevoelige aarde. Ik loop even als Diogenes -met een lampje, om naar de menschen te zoeken, die ik vroeger gekend -heb; ik vind geheel andere wezens in de plaats. Het is of ik reeds -gestorven ben en op de aarde terugkom; zoo weinig herken ik in het -geslacht, dat mij omringt, het geslacht, waarmeê ik ben opgegroeid. -Ieder ander is groot, is wijs, is rijk, is oud geworden; ik alleen ben -nog altijd dezelfde kinderlijke, dwaze, arme Jonathan van voorheen! - -Als ik dit zoo aanzie, ben ik wel eens ongerust geworden, dat ik in een -andere wereld even zulk een vreemdeling zijn zou als in de -tegenwoordige. Die gedachte viel mij zeer bang; maar zij vond toch niet -lang ingang bij mij. Neen, dacht ik, dat kan de beteekenis niet zijn -van des Apostels vertroostende belofte: Doe ick een kindt was, sprack -ik als een kindt, was ick gesint als een kindt, overleyde ik als een -kindt: maar wanneer ick een man gheworden ben, so hebbe ick te niete -gedaen ’t gene eens kindts was.—Mannen zullen wij worden; en daaraan -voel ik zoo zeer behoefte als iemand. Veel hetgeen des kinds Jonathans -is moet uit den weg, eer hij een man wezen zal. Maar wij zullen toch -ook geen mannen zijn, zoo als zij, die zich hier boven mij verheffen, -en meenen zooveel hooger te staan dan ik, omdat mijn geheugen een -spiegel, en het hunne een doofpot is. Als ik in tegendeel een -Engelschen Dichter gelooven mag, dat „het een gevaarlijke tijd is, -waarin de jeugd zich van ons verwijdert, als wij vergeten dat de ziel -haar jonkheid moet bewaren door een geheele lange eeuwigheid:” dan -zouden de beelden, die ik met zoo veel getrouwheid vasthoud, nog wel -eens, aan den anderen kant, veredeld en geheiligd, als -engelen-gestalten kunnen opstaan. Plaagt en kwelt mij dan zoo veel gij -wilt, mijn koelbloedige vrienden, met uw ijskoud Ruiten-troef! gij zult -mij evenmin veranderen, als ik u. Wij zullen elkander hier in liefde -verdragen en voorthelpen, en gezamenlijk biddende uitzien naar den -tijd, waarin onze tweede jeugd zal aanvangen, die door geen veroudering -van hoofd of hart meer zal worden opgevolgd! - - - - - - - - -HET SCHAAP. - - -Ik wenschte, dat ik voor een oogenblik de pen van Yorick had! - -„Zulke gekken zijn er meer!” zult ge zeggen. - -Om u te dienen. Maar die wensch welt echter bij deze bijzondere -gelegenheid niet uit de onzuivere bron, waaruit gij haar misschien, in -de vaardigheid van uw geest, reeds hebt afgeleid. Gij schreeft hem -misschien aan iets menschelijks toe, en ik had er iets dierlijks bij op -’t oog. - -De zegen van alle ezels over Yorick! Wel mocht men op zijn graf, naast -een schreiend genietje met bolle wangen, een mager grauwtje plaatsen, -dat met gebukten hoofde eenige wilgenbladen uit den bek op zijn -lijksteen laat vallen; en naast zijn titel van φιλάνθρωπος dien van -φιλόνος schrijven. Men moet ezel zijn, om te kunnen gevoelen, wat dit -geslacht aan hem verplicht is. Menige koning, die onder marmer slaapt -en er zijn Hofdichter op nahield, heeft geen lijkrede gehad, gelijk de -doode ezel op den weg van Nampont; en nooit is een maaltijd, zelfs niet -een Instituut van kunsten en wetenschappen, meer door welsprekendheid -of poëzie verheerlijkt, dan de maaltijd van artisjokken van den ezel op -de straat van Lyon.—Als men mij recht verstaan wilde, zou ik zeggen, er -was iets van den ezel in Yorick! zijn week hart stond open voor alle -smart, maar de langoor had daarop de eerste rechten. De arme Maria van -Moulins en de Gevangene uit zijn visioen te Parijs zelve lokten geen -klaarder droppels uit zijn zacht oog. Zijn mededoogen had niets van de -rhetorische verontwaardiging van Buffon, waaraan niemand gelooft; hij -versierde zijn held met geen deugden, waarvan niemand iets bemerkt; hij -had deernis met hem—als met een ezel, een leelijk, ongelukkig, -verschopt dier, dat men nog hatelijker heeft zoeken te maken door het -te vergelijken met menschen, met wie het, des bewust, alle verwantschap -vol afkeer en verachting verloochenen zou. Ik ten minste kan, sedert ik -het eerst over Sterne’s gunsteling schreide, geen lotgenoot van hem -zien, of ik voel iets wonderlijks bij mij opkomen, dat onmiddelijk de -telegraaf tusschen mijn hart en oog in beweging brengt, en als ik -gelegenheid vind, ga ik een oogenblik naar hem toe, en streel hem den -ruwen hals en raap een koolstronk voor hem op, die buiten zijn bereik -ligt, en zie hem bij zijn vertrek zoo lang na als ik kan, en ga daarop -even als hij met gebogen hoofd en sleependen gang, verder. - -Ik wenschte, dat ik voor een oogenblik de pen van Yorick had! - -Dan zou ik zien, wat ik voor het schaap doen kon. - -Ik weet wel, dat geen elegie het lot van eenig beest verandert, en dat, -uitgezonderd bij wijsgeeren en Poëten (zie den ouden Shandy), geen -lijden wordt weggeredeneerd of weggedicht. Maar wie weet toch, of niet -hier en daar een enkele goede ziel, die de goede ziel van Yorick lief -had, om zijnentwil, zijn grauwtje een paar slagen minder en een paar -handen gras meer gegeven heeft? en al ware het zoo niet; hetgeen ik -echter zonder deugdelijk bewijs niet zoo spoedig gelooven zal; dan is -het toch iets, dat het arme dier sedert, bij tusschenpoozen, een -deelnemend oog op zijn weg ontmoet, en een zachte hand op zijn harden -bast voelt. Beklagen, hoe gebrekkig dan ook, blijft toch altijd nog het -beste surrogaat voor helpen. En wij zelven, hoe dikwijls moeten wij het -ook, in onze beproevingen, met een vijfvoetig vers, in plaats van een -vijfvoetige hulp doen! - -Maar de pen van Yorick is hier niet meer, en blinkt naast de lier van -Saffo aan den hemel! duizend ganzen vielen sedert uit de lucht, en -duizend schachten werden versneden, maar de gans, die haar vleugelen -aan Sterne leende, liet geen kuikens na. En al fluistert men elkander -toe, dat de kracht van zijn pen grootendeels in het geheim schuilde, -dat hij zijn eigen tranen voor inkt gebruikte, men kan het hem maar zoo -niet meer nadoen. Bij hem vergeleken, is het altemaal ezelen-gebalk. - -Zoodat gij geen reden hebt, veel van de pogingen uws pleitbezorgers te -verwachten, mijn waarde kliënt voor de rechtbank der menschelijkheid, -arm, ongelukkig schaap! Maar gij zijt zoo nederig en zoo goed, dat ik -zeker ben, dat gij het minste, dat ik voor u doen kan, met uw eigen -vriendelijk oog zult aanzien; en al ware het, dat mijn pleidooi maar -het lot van een enkele uit uw verdrukt ras verbeterde, dat ware, (om in -den stijl der voorredenaars te spreken), voor mijn lammerlievend hart -voldoening genoeg. - -Het is ellendig—nooit kan ik mijn oog opslaan, of ik heb datzelfde -ongelukkige schouwspel voor mij! - -Aan de rechter- en linkerzijde van mijn tuin, waarop ik uit mijn kamer -het gezicht heb, grenst een strookje lands. Het eene is een hoek bouw- -en het ander een hoek grasland; nu vind ik altijd op een van beide -hetzelfde schaap weder. Het gezicht van dat beest breekt mij het hart. -Het is een oud, vuil, leelijk dier, met lang hair over de oogen, en een -kop, waaraan al het fijne en spichtige van een schapen-physionomie -ontbreekt. Haar voor- en achterpooten zijn met touwen aan elkaâr -gebonden, zoodat zij allererbarmelijkst hinkt. Wanneer gij daarvan de -reden vraagt, zal men u zeggen, dat het is om haar het verlaten van -haar afgeperkte weide te beletten. Lieve Hemel! dat is goed voor jonge, -dartele lammeren, die de wereld zien willen en den ganschen dag met hun -neus over het bolwerk liggen, waarachter zij ingesloten zijn; die van -speelziekte en joligheid niet weten wat ze doen zullen, en telkens het -verboden bastion zoeken te bespringen om den vijandelijken grond -stormenderhand te veroveren. Maar mijn tam, lam en stram schaap! op -mijn woord, al ontneemt men ze haar voetboeien, zij zal geen enkelen -onbezonnen of wilden stap doen. Ziet gij het niet, dat het beest der -wereld lang is afgestorven en niet dan een rustigen ouderdom verlangt? -Den ganschen dag strompelt zij junctis pedibus over het grondje heen en -weder om haar voedsel te zoeken, of ligt, met den breeden kop op het -gras uitgestrekt, te slapen zonder naar iets buiten haar om te zien. -Niets is in staat haar uit die vadzigheid te wekken. Zelfs geen -ongewoon geluid van den horen der diligence, of de zweep des -postiljons, of de trommel van voorbijtrekkende soldaten, maakt haar -belangstelling meer gaande. Zij is als een grijsaard, die, in zijn -leuningstoel gezeten, van alles zegt: Ik heb dat meer gezien.—Alleen -als het blae! blae! van voorbijgaande lotgenooten haar oor treft, heft -zij het matte hoofd even van den grond omhoog, om ze met een -onbeschrijfelijke uitdrukking aan te zien, als maakte zij in der haast -een vergelijking, wie van hen de ellendigste ware; in welk geval de -billijkheid mij noodzaakt te erkennen, dat zij meermalen den troost -gehad heeft van te zien, dat er meer zulke ongelukkigen waren als zij. -Ik vind het dus hard, dat het beest, dat, even als sommige gevangenen -bij het verwoesten der Bastille, haar kerker niet zou kunnen verlaten, -al werd er haar de vrijheid toe gegeven; uit kracht van een eerwaardige -overlevering, niet met ongebonden pooten zal mogen sterven. Voor alle -soorten van schepsels, van de tweevoetige tot de duizendbeenen toe, is -gewoonte en etiquette een lastig ding! - -Maar goed! het dier is het mogelijk reeds vergeten, wat het is haar -voeten tot haar gebruik te hebben; misschien zou zij met den Prisoner -of Chillon zeggen: - - - It was at length the same to me, - Fetter’d or fetterless to be. - - -En er is veel kans ook, dat zij, al vielen ook haar boeien af, daarom -niet minder kreupel zou loopen. Was nu haar gevangenis maar wat beter! -een schaap is voor geen reiziger rondom de wereld in de wieg gelegd, en -zou zich nog wel met een klein hoekje kunnen te vreden stellen, als dat -slechts niet al te mager is. Maar hieraan is het juist, dat het hapert. -Nauwelijks hebben de koeien het kaalgegeten, strookleurige land -verlaten om op haar winterstallen het ingemaakte groen te gaan eten, of -het schaap wordt in het bezit van het ontruimde terrein gesteld. Met -een vroolijk oog groet zij haar nieuw verblijf, en begint dadelijk met -de gelegenheid van den grond te verkennen.—Zie haar troosteloozen blik! -een vluchtig rondzien is voldoende om haar de verzekering te geven, dat -het hier physisch onmogelijk is ooit genoeg te eten. De koeien hebben -haar de moeite van te kiezen bespaard, en met de volkomenste -onpartijdigheid alle plekken even naakt gelaten. Eerst laat zij zich -nog een oogenblik door valsche hoop misleiden; door den afstand -bedrogen, schijnt haar gindsche streek toe toch nog een groenen schijn -te hebben. Vol verwachting strompelt zij er zoo vlug mogelijk heen; -helaas! zij blijkt het slachtoffer van een fallacia optica geweest te -zijn, en, met treurige verwondering over haar teleurstelling, ziet zij -op en naar de plaats terug, die zij verlaten heeft. Ei zie, nu schijnt -deze haar weêr meer bewassen toe.... eenige pijnlijke stappen, en zij -is er, om praktisch te leeren inzien, hoe veel de schijn van het wezen -verschilt. Vol lustelooze graagte trekt zij met lange tanden aan het -korte maal. Zoo brengt zij een geheelen langen winter door, en deelt -haar voedsel met een ouden versleten knol, die sedert eenige jaren zijn -plaats in den stal aan een paar jonger opvolgers moet overlaten. Wordt -het evenwel te koud, dan wordt het paard nog wel eens voor een korten -tijd in huis gehaald; alleen het schaap wordt met onvermurwbare -standvastigheid, die een betere zaak waardig was, aan de ongenade des -weders overgelaten. Het hart, door haar vacht verwarmd, is door niets -te bewegen, om wederkeerig iets voor haar verwarming te doen; -integendeel, als haar meester in den kouden nacht haar klagende stem -hoort, haalt hij de dekens, uit haar wol geweven, over het hoofd, om -niet in zijn koesterende rust gestoord te worden! Zoo brengt dan het -dier (ik bedoel het schaap) menigen langen nacht door met van koude te -bibberen, zonder in slaap te kunnen komen. Menigmaal zag ik, ’s morgens -opkomende, haar vacht onder een last van sneeuw begraven, zoodat ik -niet onderscheiden kon, wat wol en wat sneeuw was. En mij dacht, dat -moest een koude maaltijd zijn, zijn voedsel aldus uit de sneeuw te -moeten opgraven; een wat heel groot kontrast met onze verwarmde borden -en tafelkomforen. Och, och! een voet twee drie gronds in de schuur voor -de verkleumde! een handvol hooi voor de verhongerde! Steek het hoofd -even buiten het bevroren raam, en gij zult barmhartiger zijn. - -Ik ken menschen, die hunne tranen niet kunnen weêrhouden, als een -begaafde mond hun het bewegelijk tafereel teekent van den armen man uit -de schrift, die „gansch niet en hadde, dan een eenigh kleyn oy-lam, dat -hy gekocht hadde, ende hadde ’t gevoedt dat het groot geworden was by -hem, ende by sijne kinderen te gelijck; het at van syne bete, ende -dronck van sijnen beker, ende sliep in sijnen schoot, ende het was hem, -als eene dochter;” terwijl zij voor zich voor niets zorgvuldiger waken, -dan dat geen landheer zich omtrent hen aan zulk een roof zou kunnen -schuldig maken. Wat Nathan wel tot dezulken zou gezegd hebben? - -En op die winterweide, waar ik u bracht, heeft soms een tooneel plaats, -waarvan het goed is, dat het door den nacht bedekt wordt. Het schaap is -moeder geworden: onder een barren hemel, op een hard bevrozen grond, in -een felle jachtsneeuw is het moeder geworden. Het jonggeboren lam ligt -aan haar voeten, onder dien barren hemel, op dien harden grond, in die -kille sneeuw. Maar toch heeft de moeder een enkel gelukkig oogenblik, -als zij den bibberenden zuigeling met haar eigen lichaam dekt en -beschermt, en zijn eersten dorst met melk laaft, die men haar nog niet -ontneemt! Doch—wat is haar op eens? van waar slaat zij zulk een -onrustigen blik naar boven? zij heeft een roofvogel in het gezicht, die -zijn noodlottige kringen rondom haar beschrijft, en al lager en lager -nederdaalt. Daar schiet hij op het jong neder, en slaat met zijn -scherpen bek in het teeder oog. Vergeefsch is de tegenstand der moeder: -een schaap heeft immers niets om tegenstand te bieden? Gelukt het haar -al, haar vervolger voor een oogenblik te verdrijven, gedurig herhaalt -hij zijn moorddadige aanvallen; en als de trage morgen aanlicht, staren -twee ledige oogholten het moederschaap treurig aan! Bij uw eerste -vadervreugde, bij uw eerste moedersmart, is er dan niemand om zich over -het jonggeboren lam te ontfermen? - -Maar het wordt lente! de jonge spruitjes beginnen het hoofd uit den -grond te heffen, en spreiden als een groenen sluier over de gele -stengels van het dorre land. Hoe gretig doet het schaap zich aan dien -ongewonen kost te goed! Gras in de scheut—het is een dubbele weelde! -met openstaande neusgaten en krullende lippen wroet zij die lekkernij -uit de grond.... daar wordt het hek, dat den geheelen winter gesloten -is gebleven, geopend; de boerenknecht slaat de ongelukkige een touw om -den hals, en sleept haar uit het weilandje naar het stukje bouwgrond er -naast. Dat is hard! daarbij komt het lijden van Tantalus, wiens smaak -ten minste niet door het proeven van de vruchten getergd was, niet in -vergelijking. En wat vindt zij nu in haar nieuwe voorraadschuur? niets -dan drooge stoppels van het vroeger afgemaaide graan; stroo, zoo als -het door den winter geprepareerd is. Mismoedig ziet zij dit maar al te -bekende en gehate voedsel aan, en terwijl zij over deze verandering -treurt, daar ziet zij de loeiende koeien wel doorvoed uit den stal -komen, om zich aan haar disch te plaatsen en de groene eerstelingen te -oogsten, waaraan zij alleen de lippen gezet heeft. Dat is het -hatelijkste; den geheelen zomer door heeft zij op tien schreden -afstands, door een laag dijkje gescheiden, een malsch, welig grasland -voor zich; zij staart op het beloofde land, zonder het te mogen -intreden; zij riekt de vleeschpotten van Egypte, zonder er den mond aan -te mogen slaan; en zij moet het geduldig aanzien, dat die groote, -vette, lompe koe, die haar van daar verjaagd heeft, met haar mollige, -kwabbige pooten tot aan de enkels toe door het hooge gras baadt, en -oververzadigd zich met haar gevulden buik op het heerlijke voedsel -uitstrekt. - -Ziedaar het gewone lot van het schaap in de streek, waar ik den zomer -doorbreng. - -O, dat ik voor een oogenblik de pen van Yorick had! - -Beken het, Mejufvrouw! zoo iets had UEd. zeker niet gedacht. Een -lammetje is toch zulk een lief diertje; en het heeft zulk een mooi wit -velletje, en zulke nette, kleine pootjes, dat men zou er jaloersch van -worden. „Och Mama, ik zou wel zoo’n lammetje willen hebben; dan zou ik -het een blauw lint om den hals binden, dat zou champêtre staan!” Ook -wordt bij u alles wat lief is bij dit dier vergeleken. Gij zelve, -immers, gij zijt zoo zacht als een lam! en uw poezele huid is zoo -mollig als wol! en uw gouden haar is zoo dik en dicht als een -schapenvacht! en, als gij een romantischen Dichter in de familie hebt, -vergelijkt hij misschien, met een uitdrukking uit het Hooglied, uw -tanden met „een kudde schapen, die gheschoren zijn, die uyt de -waschstede opkomen.” Allerliefst! als het arme dier, waarvan gij zoo -veel hebt, maar wat meer van u had! - -In waarheid het schaap behoort tot die ongelukkigen, wier geluk alleen -op het papier bestaat, en vermeerdert dus de dubbelzinnige klasse van -lamgeschoten invaliden, arme dichters, teringachtige meisjes, kale -Edelen, mishandelde geniën enz. Gij kunt geen rozenkleurig boekje -opendoen, of het wemelt er van schapen en lammeren. Is het een -prentenboekje, gij vindt er allerliefste plaatjes in, met kinderen, wie -zulk een diertje als een schoothond achteraan huppelt; het is veel, zoo -een enkele aan den zijden band van een lint gehoorzamen moet. Zijn het -verzen, des te erger! Sla het eerste blad het beste op, en tien tegen -één, dat daar reeds een beldragende hamel, als voorganger van een heele -kudde die straks staat te volgen, vooruittrekt. Het lam is het beeld -bij uitnemendheid! Beurtelings worden de vergelijkingen aan zijn kleur, -aan zijn vacht, aan zijn aard, of aan zijn bestemming ontleend. Zooals -men in de wezenlijke wereld alles, wat aan de koe is, van de horens af -tot de pooten toe tot verschillende einden gebruiken kan, zoo is er ook -aan het lam niets, of het komt in de dichterlijke wereld te pas. Men -kan geen lief meisje teekenen, of geen aandoenlijk geval verhalen, of -geen beminlijk karakter schilderen,—men kan bijna niets dichten of -verdichten, of het schaap komt er bij! Neem menigen dichter zijn heerde -af, en zie hoe hij zelf daar staan zal als een geschoren schaap. - -Zoo is het dier in alle salons en op alle partijen in effigie -tegenwoordig; op de schilderijen aan den muur, op de tapisseriewerken -op den grond, in de complimenten der Heeren aan de Dames, in den -sentimenteele uitboezemingen der Dames tegen de Heeren, in de verzen, -die in den vooravond worden gedeclameerd of aan tafel voorgelezen: tout -y est moutonné, zoo als een Franschman van de nieuwe school zou -zeggen—maar van dit alles bemerkt mijn schaap op hare kale weide niets. -De dichter gaat haar voorbij, terwijl hij juist met den vinger aan den -neus loopt bedenken, hoe hij zijn meisje, die op den eersten Paaschdag -jarig is, het geestigst met een paaschlammetje zal vergelijken, zonder -een oog te slaan op het beest, dat hij in zijn verbeelding zoo sierlijk -opsmukt en bekranst. De jonge Dame, die zich met een lam aan haar -voeten, onder een Arcadischen treur-esch en miniature heeft laten -uitschilderen, weet van een wandeling te huis komende niet, dat zij -mijn ongelukkig dier ontmoet heeft. De schilder, die denkt over een -nieuw landschap met schaapjes gestoffeerd, zit, met den rug naar mijn -vriendin, een krommen knotwilg te teekenen, dien hij in zijn schets -hoopt te brengen, maar heeft geen blik over voor het hoofdvoorwerp van -zijn tafereel, omdat hij in de voorstelling daarvan niet mis kan -tasten. Zoo wekt het arme dier enkel en alleen in het ideale -belangstelling op, en staat in dit opzicht nog beneden zijn mededingers -naar de eerste plaats op papier en paneel, de zwanen en duifjes. - -En al is het, dat een enkele uitverkorene een tijd lang aan den ban -ontkomt, waaronder haar geslacht rust, hoe onstandvastig is de gunst, -die haar bewezen wordt! Laat eens aan een enkel melkwit of fraaigevlekt -lammetje het voorrecht te beurt vallen van tot speelkameraad van het -dochtertje des huizes verheven te worden; wat duurt die vreugde kort! -In den beginne heeft het een allerbenijdenswaardigst lot; het voedt -zich met vette klaver en wordt met room gedrenkt; het wordt met linten -opgetooid en met bloemen bekranst; het wordt door zijden handen -gestreeld en door poezelige armpjes omhelsd; maar laat het grooter, -laat het een schaap worden, dan heeft al die weelde een einde. Dan is -het „Rose” of welke andere beeldigen naam het dragen moge, „wordt -leelijk en vuil. Jan! als gij zaterdag naar de stad gaat, moest gij -haar ter markt brengen.” Daar staat nu Rose op de markt onder andere -gemeene, burgerlijke schapen; daar wordt zij onder andere slachtoffers -aan het mes van den slager verkocht; daar krijgt zij het noodlottige -looden teeken in het oor, dat zoo menige adelijke mond gekust heeft; en -den hals, die met roode linten placht gesierd te worden, verwt de -bloedige krans des doods! Waarom? ik vraag u waarom? Waarom is gindsche -mopshond beter, die ook sedert lang zijne jonge en mooie dagen gehad -heeft, maar die nu nog als een bedorven gunsteling in zijn vet smoort, -en bij schoon weder door den palfrenier in de zon gedragen moet worden, -dewijl hij te dik is, om er zelf heen te kruipen? Waarom ziet men nooit -een oud schaap even zoo het genadebrood eten? Of waar is de wet der -natuur, dat een lam niet leelijk mag worden, zonder van zijn -voorrechten te vervallen? Verbeeld u eens, Mejonkvrouw! dat men met u -denzelfden regel volgde. Gij hebt gelijk, van het hoofd met een -grilling om te keeren. - -Daar hangt nu Rose aan den noodlottigen haak, ten prooi aan de tanden -van liefhebbers van schapenbouten en lamskoteletten. En zelfs in den -dood blijft de strijd tusschen haar idealisch en wezenlijk lot bestaan. -Een geslacht lam! Wat wordt daarvan niet al schoons gezegd! Hoe veel -tranen doet dat beeld niet vergieten! Verbeeld u een elegie op den dood -van een jong meisje, zonder de vergelijking van een jeugdig offerlam, -met bloemen om den hals onder een ontijdig zwaard gevallen. Verbeeld u -een treurspel van de eene of andere vermoorde Onnoozelheid, waarin het -weerloos gedoode schaap ontbreekt. Verbeeld u een pleidooi voor de eene -of andere kindermoorderes, waarin het niet als een ongerijmde aanklacht -wordt behandeld, dat een vrouw zoo wreed zou zijn van een zooglam als -in de melk der moeder te smoren. Verbeeld u een vers op Kain of zijns -gelijken, waarin niet deze of dergelijke regels voorkomen: - - - Zal hij nu ook verrotten, als dat schaap, - Dat, afgedwaald, in ’t bosch mij tegenkwam, - Dat ik zoo wreed verwurgde?—Ja, dat schaap, - Dat stervend schaap had mij, bijna, ontroerd!.... - - -En ga nu eens een achterbuurt rond, en zie wat er van dat aandoenlijk -voorwerp wordt? Ach, niet genoeg van in haar leven veracht te zijn -geweest, volgt haar vernedering haar in den dood. Is haar vleesch niet -bij voorkeur het voedsel van den arme? Wordt het niet in den regel met -zorg van de tafels der grooten geweerd? wordt het niet nog lager -geplaatst, dan het spek van het leelijk en morsig zwijn? Acht zelfs de -huismoeder geen verontschuldiging noodig, als zij u niets dan een stuk -schapenvleesch heeft aan te bieden? Zoo drukt de vloek zelfs op haar -ongelukkig lijk. En die het leven van een verongelijkte leidde, mist -het voorrecht van ten minste bij haar sterven, als een gekroonde na -haar dood, „in de dankbare maag van een keurigen Epicurist een kostbaar -graf te vinden.” - -O, dat ik voor een oogenblik de pen van Yorick had! - -En toch, zoo eenig dier, om zijn beminnelijke hoedanigheden, een ander -lot verdiende, het is het schaap. Witheid kleedt en zachtheid dekt het; -maar wat zijn deze bij de blankheid en zachtheid van zijn aard en -zeden? Er is in het schaap iets onnoozels, iets weerloos, waarvan gij -in de gansche natuur te vergeefs een wedergade zoeken zult. Ik kan soms -een geruimen tijd besteden met een bezoek aan mijn oude buurvrouw te -geven. Ik wenschte dat gij haar dan zaagt, hoe ze mij vriendelijk te -gemoet komt en haar wolligen kop onder mijn hand steekt, die zij wel -weet dat haar streelen zal; en hoe zij haar lekt, wanneer ik voor haar -eenige blaren van den elzentak pluk, die voor haar bereik te hoog -hangt. Dan is zij zoo vergenoegd en te vreden, en ziet mij met zulk een -vriendelijk oog aan. Nooit vind ik bij haar, de misdeelde en vertrapte, -een blijk van wrevel of murmurering. Nooit hoor ik haar, gelijk de -ongeduldige koe, haar stem tot een klacht verheffen. En wanneer mijn -Dolly mij soms te vlug is en haar blaffende najaagt, dan is er in haar -geduldig voortstrompelen, zonder zelfs een verwijtend oog naar haar -onedelmoedigen vijand te wenden, zulk een onderworpen lijdzaamheid, dat -mijn hart er van wordt aangedaan. Voorbeeldig dier! denk ik dan wel -eens: ik mocht nog wel bij u ter schole gaan! hoe veel zijt gij mij in -gelatenheid en berusting vooruit. Gij die nooit den hals om wendt naar -den stok, die u drijft; die nooit de verzenen slaat tegen de prikkels, -die u treffen; die zelfs nooit klaagt onder de hardheid welke u wordt -aangedaan; maar die—bewegelijk—zelfs de hand lekt, die u keelt! Hoe -beschaamd sta ik niet bij u, ik redelijke, onsterfelijke mensch, die -weet, Wiens stok mij drijft, Wiens prikkels mij slaan, Wiens hardheid -mij treft, Wiens hand mij wondt.... kom, oude, laat mij u streelen! gij -zijt dikwijls beter dan ik! - -Nog altijd graast mijn schaap geduldig den kalen akker af, en bemerkt -niets van de overdenkingen, waarvan zij tot voorwerp strekt. Als ik -oprecht zal zijn, zij schijnt zich mijn redenen niet zeer aan te -trekken. En zij heeft gelijk ook. Want wat helpen haar al mijn -praatjes, meer dan de onvruchtbare ingenomenheid harer overige -kunstbewonderaars? Welnu! ik wil haar toonen, dat een goede buurman -beter is dan een verre vriend. Ik wil naar haar meester gaan, om te -zien of hij mij haar voor een prijsje wil overlaten. Dan kan zij -voortaan haar laatste gras uit de kreb eten. Welaan, oude! dat zullen -wij hebben. En als gij dan uw matten kop nederlegt om hem niet meer op -te heffen, dan zal ik van uw vacht een slaapmuts laten weven. - -Mij dunkt, dat zal zacht rusten zijn! - - - - - - - - -SINT-NICOLAAS. - - -Een oud vrijer heeft weinig feestdagen in zijn leven. Hij is een -gedwongen egoïst, die zich zelven tot het middelpunt van al zijn -vreugde en leed maakt. Hij mist de zaligheid zich van nabij in het -geluk van anderen te verlustigen. - -Het is waar, hij kan zich in de woning eens vriends dringen, en zich in -den feestvierenden kring mengen; maar dit is een gebedelde vreugde, en -vreugde is zoo weinig geschikt om een aalmoes te zijn! Ook heb ik mijn -stoute schoenen wel eens aangetrokken, en aan de deur van een juichend -gezin aangeklopt; maar ik heb er mij vaak kwalijk bij bevonden. -Somtijds trok men een zuur gezicht tegen de onwelkome champignon, die -zich een deel van de sappen kwam toeëigenen, waarop alleen de -natuurlijke takken recht hadden; maar al was het dat men mij niet -onvriendelijk ontving, ik schoot er op den langen duur toch over. Als -het groote oogenblik van gelukwensching en omhelzing gekomen was, stond -ik van verre, eenzaam, vergeten, veronachtzaamd. Het was veel, als men -zich ter loops verschoonde: „Vergeef mij mijne onbeleefdheid, Neef! -maar dit is een feest voor mijn kinderen. Die zijn van daag de -hoofdpersoon.” Men vloog juichende op, viel elkander om den hals, drong -in vroolijk en bont gewoel dooreen, terwijl men tranen stortte en -lachte te gelijk, even als op een Aprilsdag. Bij dit alles moest ik -zorgen uit het gedrang te blijven. De kinderen, die bij mijn komst en -vertrek gelast werden mij een kus te geven, rekenden zich nu vrij van -het betalen dier schatting; ik maakte in mijn eigen oogen de figuur van -den armen Pierrot, zoo als hij met zijn ziekelijken glimlach voor eenen -wèlvoorzienen disch staat te watertanden. Eindelijk komt men tot rust. -Neef wordt weêr een lid van het gezelschap. Het bittere oogenblik is -voorbij. Neen, Jonathan! eerst nog een onvriendelijke houw voor u. -„Zie, Neefje! dat zijn genoegens, die men toch maar alleen in het -huwelijk smaakt. Gevoelt ge daarbij geen berouw van ongetrouwd gebleven -te zijn?” Bij zulk een uitval loopt mij een rilling langs de leden; het -is heldenmoed, die mij dan de zuchten, die mijn keel benauwen, onder -een gesmoord lachje doet wegkuchen. - -Neen! een oud vrijer behoort te huis te blijven. De zuiverder en edeler -genoegens van huiselijke vreugde zijn voor hem een verboden toonbrood. -Hij moet zich, zoo goed hij kan, met zijn eigen feesten trachten te -behelpen. Het komt er slechts op aan, of hij kinderlijken zin genoeg -heeft, om zich van kleinigheden een feest te maken. Het eerste -uitvliegen van zijn duiven in de lente, het uitbroeden van zijn kiekens -door zijn klokhen, het eerste geneurie van zijn jongen kanarievogel, -moet hen tot surrogaat dienen voor een jongen die naar school gaat, -voor een meisje dat begint te leeren loopen, voor een kind dat voor het -eerst den vadernaam stamelt. Iederen dag, waarop het verjaart, dat hem -een buitengewone zegen te beurt viel, moet hij plechtig vieren. Hij -moet zijner vrienden dikwijls feestelijk gedenken. Het beste middel -evenwel is.... - -Gisteren stond ik uit mijn raam te kijken. Het was de dag vóór St. -Nicolaas. Op straat heerschte er een ongewone drokte. De banketwinkels -waren fraai versierd; dienstboden liepen met beladen korven af en aan. -Vaders en moeders drentelden langs de straat met hun kleinen, die zich -aan het gezicht van al die blinkende lekkernijen niet verzadigen -konden: het droeg alles de kleur van ongemaakte vroolijkheid, welke een -kinderfeest kenmerkt. - -Deze aanblik was voor mij een zoet-bittere herinnering. O! ik kan ze -mij nog zoo goed verbeelden, die eerste December-dagen, door mij als -kind in nieuwsgierige afwachting doorgebracht; en als dan eindelijk de -avond gekomen was, waarop een vermomde Invalide, onze oude huisknecht, -de rol van den weldadigen Heilige vervulde, hoe zwom ik in kinderlijke -weelde! Ik was in dien tijd eene kleine vrijgeest. Ik had mij met vrij -wat neuswijsheid in het bezit van het groote geheim gesteld, en -loochende, met de vrijmoedigheid van een Balthazar Bekker, de -mogelijkheid van bovennatuurlijke verschijningen. Maar toch was er iets -verstandigs in het weinige misbruik, dat ik van deze ontdekking maakte. -Ik hield haar voor mij, zonder mijn broeders en zusters van het -genoegen hunner illusie te berooven; en zelfs voor mij zelven liet ik -mij door mijn ketterij het genoegen van den avond niet ontnemen: ik -wist het beter, maar maakte mij wijs, dat ik het voor dien avond niet -wist. Ik was als Napoleon, die aan geen geesten geloofde, en er toch -bang voor was. O! dat ik altijd met mijne andere illusies even zacht en -barmhartig hadde opgesprongen! - -De nacht werd slapeloos en in vreugdevolle droomen doorgebracht. -Eindelijk brak de morgen aan; de vaderlijke roepstem vergaderde ons -allen in het beste vertrek. Daar stond hij ten toon gesteld, die schat -van glinsterend banket! een armelijke trofée, maar opgebouwd met van -liefde bevende handen; een gebrekkige toerichting, maar met van vreugde -schitterende oogen aangestaard! Ik heb sedert andere feesten gevierd; -ik heb aangezeten in de zalen, door vendelpracht, lichtkransen en -bloemfestoenen opgeluisterd; ik heb mijn tong met kostbare lekkernijen -en nog kostbaarder wijnen gestreeld; maar het genoegen van mijn -klatergouden Decemberdag heb ik nergens weêr gevonden. - -Deze en dergelijke denkbeelden dwaalden door mijn hoofd, terwijl ik het -gewoel op straat aanzag; maar zoo dit gevoel het midden tusschen -vreugde en droefheid hield, welhaast overmeesterden mij somberder -gedachten. Mij arme, dacht ik, ziedaar al weder voor mij een feestdag -minder dan voor anderen. Mijn aanstaande erfgenaam zendt mij mijn -naamcijfer in lettergebak; ik geef aan enkele lieve kleinen een -geschenkje;—ziedaar alles! maar ik zit heden en morgen den ganschen dag -alleen, ik heb geen voorsmaak van het genot van iemand, die mijn lief -is, te verrassen. - -Vroeger had ik altijd op dezen dag een vroolijk uur; het was als ik den -Engelschen almanak, in rooskleurig papier gewikkeld, aan zijn adres -verzond. Mijn boekverkooper heeft mij sedert altijd de volgende -jaargangen van het boekske gezonden; ik heb hem laten begaan; ginds -liggen zij onaangeroerd; ik heb er nooit een enkelen van ingezien. - -Nog altijd trokken de kleinen in triomf langs de straat. Hoe benijdde -ik de vaders, die hen rondleidden! Met hoe veel liefde hadden velen -sedert weken hunne spaarpenning weggelegd, om heden met geen leêge -handen voor hunne kinderen te verschijnen; maar wat zou daarentegen die -spaarpenning ook rijke woekerwinst geven, als de wichtjes in hun -vreugde hun ouders zouden om den hals vliegen en het geheele huis met -hun gejuich vervullen: als deze met tranen van weelde de verrukking met -hun kroost zouden gadeslaan;—o! kinderen zijn dankbare beweldadigden; -zij weten van geen halve voldoening; zij weten van geen kiesche -verzwijging. Hun genot is volkomen; hun vreugde ongetemperd; hun -dankzegging ongemaakt hartelijk. - -Nu en dan zag ik een jong mensch met het voorkomen van vroolijke -opgewondenheid voorbijgaan. Zeker zijn er wel bij geweest, die den dag -van heden bestemd hadden, om aan het voorwerp hunner verborgene liefde -een geschenk in handen te spelen. Hoe zullen deze met een kloppend hart -de teedere depêche hebben gereed gemaakt, en met hun gedachten -vergezeld! Met hoe veel ongeduld zullen zij naar het oogenblik verlangd -hebben om hun schoone te ontmoeten, ten einde misschien in hare oogen -te lezen, of haar de kiesche hulde niet mishaagd hebbe. Ik moet er voor -uitkomen, de beschroomdheid eener eerste liefde heeft voor mij iets -aantrekkelijks. O, het moge schoon staan, wanneer de forsche, krachtige -man, met trotsche vrijmoedigheid, voor de gansche wereld de kleur -zijner schoone ten toon draagt; wanneer hij straks met heerschzuchtige -vrijmacht zijn hand op de vrouw zijner keuze legt, en der zwakke duive -niets overblijft, dan onder zijn breede vleugelen te vluchten; ik heb -altijd een vóórliefde gehad voor die innemende schuchterheid, welke den -onbedorven jongeling voor het voorwerp van zijn eerbied als een meisje -blozen, en haar met huiverend ontzag naderen doet. Ik wenschte dus van -ganscher harte aan alle zwijgende verliefden een gelukkig -Sint-Nicolaasfeest. En werkelijk zag ik in mijn verbeelding, hoe menige -aanvallige de sierlijke surprise met blijde verrassing ontving, en zoo -ras zij kon, uit aller oogen wegstal, om in de eenzaamheid zich -onbespied in de beschouwing er van te verlustigen. Het is een zoet -oogenblik, waarop het eerste liefdepand gewisseld wordt! een oogenblik, -hetwelk ik wenschte dat ieder eenmaal smaken mocht. Maar helaas! wat -zullen er heden weder vele ongelukkige zusteren dier gelukkigen zijn, -die vruchteloos naar eenig blijk van hulde of liefde zullen uitzien; -jonge dochteren, door de Natuur stiefmoederlijk bedeeld, of die het nog -grooter onrecht hebben van arm te zijn; beklagenswaardige Cendrillons -in het groote drama der lotbeschikkingen! Cendrillons aan wier voet -misschien het enge, broze glazen schoeisel eener strenge deugd past, -maar die de bevooroordeelde partijdigheid van alle mededinging -uitsluit. Ik beklaag die lieve schepselen, die de bevoorrechte kinderen -der schoonheid en des geluks met bewijzen van bewondering en hulde zien -overladen, terwijl niemand haar zelfs de aalmoes van een -vriendschappelijk aandenken in den schoot werpt. Zij zien den dag -zonder vreugde voorbijgaan; zij moeten misschien het harde woord eener -onmoederlijke moeder verduwen; en terwijl haar zusteren door schoone -droomen worden in slaap gewiegd, vertrouwen zij aan haar vochtig -hoofdkussen haar echt vrouwelijk, en en toch meest alzoo wreed miskend -lijden. - -Het was avond geworden; de lampions waren aangestoken; de koetsen -rolden; de stad raakte in beweging. Ik deed mijn mantel om en ging uit. -Er heerschte op straat een vroolijke drukte; treinen van kinderen -trokken juichend voorbij; ik trad in een winkel; het was een lust die -kleine oogjes zoo begeerig te zien rondkijken; die kleine handjes zoo -gretig te zien uitstrekken; de kleinen bevonden zich hier in een waar -Luilekkerland: de wanden, de tafels, de grond, alles was suiker en -gebak. Ik geloof niet, dat men ooit in lateren leeftijd zijn stoutste -droomen van verre zoo verwezenlijkt ziet, als een kind de zijne in een -banketwinkel op Sint-Nicolaasdag. Wie zou dan met een onverschillig oog -het op een zoo gebrekkige aarde zoo zeldzame, schouwspel eener -onvermengde en volkomene vreugde—al is het dan maar een -kindervreugde—kunnen aanzien? - -Het huis verlatende, zag ik de stoep door een partij arme wichtjes -belegerd. Mijn hart brak er van; zij stonden bij een felle koude, in -lompen gekleed, op de steenen te bibberen. Maar toch konden zij van het -aanlokkelijk gezicht niet scheiden; met kinderachtige nieuwsgierigheid -gaapten zij al die heerlijkheid aan. En, wat mij het meeste trof was, -dat er in hun toon geen zweem van spijt of ontevredenheid was. Zij -zagen kinderen van hunnen leeftijd binnengaan en met volle handen -terugkeeren; geen gemor kwam over hun lippen. Veeleer heerschte er -onder hen een blijde ingenomenheid, alsof zij wel degelijk deelgenooten -van de feestvreugde waren. Zie, zóó waren zij het reeds gewoon -geworden, de kinderen der rijken als andere wezens te beschouwen. Zij -hadden er geen denkbeeld van, dat slechts een hard toeval hen van -gelijke rechten beroofd had; het was hun reeds eigen, alleen met het -oog te genieten. Die natuurlijke zelfverloochening der armen heeft iets -aandoenlijks. Als er een feest in de stad is, heet het bij hen: „Laat -ons de illuminatie gaan zien,” zooals wij zeggen: „Laat inspannen.” Zij -houden het voor een voorrecht, bij een gastmaal door de vensters te -turen, en dáár van onverzadigden lust te verteren. Zij laten zich door -de gewapende macht terugdrijven, of wijken voor de paarden der rijken, -zonder zich met een enkel woord te beklagen. - -Ik kon deze denkbeelden niet bij mij houden. Het werd mij op de breede -verlichte straten te eng. Ik ging, zoo snel ik kon, naar mijn kamer, en -keerde, met eenen nieuwen last beladen, vandaar terug. - -Toen spoedde ik mij, zoo ras ik konde, naar een der schamelste -achterbuurten. Overal rust: geen enkel lichtje! geen schijn van -feestviering! Zoo gaat het! het feest van St. Nicolaas is een feest der -armen, maar de rijken vieren het. Hier en daar zag ik de deuren -openstaan; het eenige, dat de onvermogenden uit de gouden eeuw van -Saturnus behouden hebben. Ik hoorde een kind om brood schreien—om -brood! het wicht zag mij niet—de vrouw was met haar kind bezig—ik was -in een oogenblik weg. In een andere hut zag ik een moeder, uitgeteerd -van gebrek, een half naakt schepseltje zogen; de wind snerpte -onbarmhartig door de reten: zachtjes ging de deur open—er viel iets -klinkends op den grond—terwijl de vrouw bukte, verdween de schaduw van -den wand. Een oud moedertje zat bij een ellendig nachtpitje te spinnen; -het gansche huis scheen verlaten: zeker was het overige gezin naar het -feest gaan.... zien; zij was te suf om te hooren,—maar toen zij weêr -naar haar vlas greep, zal zij toch vreemd hebben opgezien. - -Ik keerde ledig op mijn kamer terug. - -Lieve menschen! weet gij wel, wie Sint Nicolaas was? Het was een vrome -Heilige, die veel weldeed. Hij verdient ten hoogste met een -gedachtenisfeest vereerd te worden. Maar de wijze van vereering zou ik -nog wel eenigszins anders wenschen. Mij dunkt, het ligt in de rede, dat -men het feest van een Barmhartige met barmhartigheid viert. Onthaalt -uwe kleinen: ik heb er niets tegen; maar vergeet daarom de kleine -beschermelingen van den vromen Sint niet. Als gij het meel en de olie -eens armen vermeerderd hebt, zal er voor hen nog wel iets overblijven. -Ja, ik zou wel willen, dat uwe kinderen zelve de rol van -bescherm-engelen vervulden; indien gij uwe aalmoezen in hunne hand -gaaft, zoo hadden zij te gelijk vergoeding voor hun gemis. En wat zou -het schoon zijn, als men in de wijken der armoede zou moeten denken, -dat de goede Nicolaas onsterfelijk is!.... - -Lieve menschen! ik wensch u allen een echten Sint-Nicolaas-dag! - - - - - - - - -HET LEGAAT. - - -Mijn arme vriend Rob, hij is dood! - -De goede jongen! Of hij stervend nog tegen den dood zal gelachen -hebben, gelijk hij altijd zeide, dat hij doen zou? Zeker, vriend Hein! -gij zijt een ijzegrim, als gij er niets van gevoeld hebt, toen gij -dezen eerlijken, trouwen knaap den hals braakt. Zulk graan krijgt gij -zelden onder uw zeis. Mijn arme vriend Rob, hij is dood! - -Grooter snaak dan hij liep er niet. Gelijk sommige menschen veel hebben -van een gestolden traan, was zijn voorkomen een onophoudelijke -glimlach. Hij ging de wereld door als een vroolijk kind, schertsende en -grappenmakende: reeds toen ik met hem school ging, was hij de vreugde -van al de jongens. Als zij Rob maar zagen, begonnen zij reeds te -lachen; zelfs de meester kon het niet tegen hem uithouden, maar schoof -van vroolijkheid zijn pruik op één oor, als hij recht aan den gang was. -Ofschoon hij de eene dwaasheid na de andere uitvoerde, geloof ik niet, -dat hij ooit iemand ernstig boos gemaakt heeft. Hij was als Arlequin; -ieder kreeg slaag van hem; maar het was een houten zwaard, dat hij -zwaaide! en een zwaard daarenboven, dat als een tooverstaf, de macht -had om slapenden wakker en treurenden vroolijk te maken. En toch, toen -hij de school verliet, schreiden allen; ofschoon hij allerlei -bokkesprongen maakte om zich zelven en de anderen op te vroolijken. Zoo -was hij altijd. Hij kon geen tranen zien, of hij moest ze wegschertsen. -Ik ben zeker, dat hij zijn ziekenoppasser meermalen aan ’t lachen -gemaakt heeft. Arme Rob! Nu moet hij ze laten uitweenen. - -O, ik had hem zoo lief! zoodra wij elkander op de school ontmoetten, -werden wij vrienden. Hoe, begreep niemand. Want ofschoon ik toen nog -zoo bleek en strak niet zag als nu, was ik toch lang geen blozende -lachebek gelijk hij. Maar ik geloof, dat hij al dadelijk aan mij zag, -dat ik het rechte wild voor hen was. Want hij was geen van die -grappenmakers, die alleen aardig zijn onder huns gelijken: hoe -treuriger hoe liever; des te meer eer was er aan te behalen. Of laat ik -liever zeggen, zijn goed hart gebood hem het eerst dezulken op te -zoeken, die hij begreep dat aan een opgeruimd woord de meeste behoefte -hadden. Hij beschouwde het vervroolijken van anderen als een soort van -bestemming voor hem. Geen aanleg hebbende om te weenen met de -weenenden, zocht hij weenenden met zich blij te maken. Daarbij ging hij -evenwel niet zoo te werk, dat hij zijn narrebellen aan ieder rouwfloers -bond. Als bij instinkt wist hij te raden, waar zijn luim op de smart -schipbreuk zou lijden; en dan kon hij tot zichzelven, als tot een -speelschen hond, die tegen iedereen opspringt, zeggen: „Stil, Rob! stil -jongen!” en dan was Rob zoo stil als een muis! of zoo hij sprak, het -was met een enkel woord van diep gevoel, zoo als men nooit van zijn -dartele lippen zou verwacht hebben. Is het niet vreemd? terwijl niemand -mij beter aan ’t lachen kon maken, schreide ik om niemand eerder, dan -om Rob! - -Maar ik heb niet dikwijls om hem geschreid. Duizendmaal meer heb ik om -hem gelachen. Nauwelijks ging de school uit, of hij pakte mij onder den -arm; dan volgde de eene kwinkslag op den anderen, zoodat ik dikwijls, -als ik thuis kwam, niet tot mijzelven kon komen; en toch was hij zoo -zacht voor den weemoed, waartoe ik reeds als knaap en jongeling neigde. -Dit kwam daaruit voort, dat hij er zelf niet vrij van was. De -grondtonen onzer ziel klonken gelijk, maar wij droegen ons leed anders. -Terwijl ik in mijn kooi zat te kirren als een tortel, met een lang -uitgehaald: koe-ke-roe-oe!—zat hij, ofschoon even zoo goed gevangen als -ik, tegenover mij in zijn kevie te zingen als een kanarievogel. Met -iedere smart, die ik hem als een harde noot te kraken gaf, sprong hij -om als Jocko: krak-krak! had hij haar stuk, hij wierp mij de schellen -naar den kop, en peuzelde de zoete kern, die hij er uithaalde, met een -vergenoegd gezicht op. Men zegt van Rubbens (als ik wel heb), dat men -nooit vier of vijf schreefjes zoo plaatsen kon, of hij maakte er een -menschengezicht van. Welnu, zoo kwam hem geen smartelijke trek voor of, -kriskras! had hij hem in een glimlach veranderd, zonder iets -uitgewischt te hebben. O, het is niet moeielijk, dissonnanten te -overschreeuwen: dat kan ieder; maar ze op te lossen, dat is de kunst! -en dat kon mijn vriend Rob. - -Hij had geen gelukkig lot in de wereld. Een arme moeder, waarvoor hij -te zorgen had, bij geringe verdiensten. Maar dit maakte hem nooit -treurig; hij kon zijn droog brood met zulk een goede gratie eten, dat -gij aan zijn gezicht zoudt gezegd hebben dat hij een reeboutje kloof. -„Vroolijkheid, jongen!” kon hij wel tegen mij zeggen, „is de beste -kruiddoos.” Daarbij kwam, dat hij een voorgevoel had, dat hij niet oud -zou worden. Dus moest hij zorgen in de voorbaat te zijn, om zijn moeder -niet hulpeloos achter te laten. „Gij zult het wel zien,” zeide hij, -„Rob loopt niet lang. De zwarte man mag hem niet lijden. Ik maak het -hier de menschen veel te pleizierig. Nu laat hem komen! ik zal hem in -zijn gezicht uitlachen, of mijn naam is geen Rob!” - -„Daar hebben we ’t al!” schreef hij onlangs. „Jonathan, ik lig er voor; -de magere man heeft mijn vet al beet, en zal nu aan de beenders gaan. -Kom mij nog eens zien, als gij kunt. Ik wil den Dood al mijn vrienden -presenteeren; dan kan hij van nijd vergaan, dat hij er zoo veel niet -heeft.” - -P.S. „Kom gauw, want hij wacht niet.” - -Ik kwam. Daar lag hij, de arme Rob! bleek als de dood, en mager als een -geraamte. - -„Welkom!” juichte hij met een gebroken stem tegen. „Neem mij niet -kwalijk, dat ik u zoo familiaar in mijn beendernegligé ontvang, mijn -vleeschrok [2] is bij den snijder om te vermaken.” Zoo schertste hij -voort met woorden vol diepen zin en aandoenlijken luim. - -„Schrei zoo niet!” zeide hij, terwijl ik in tranen stikte. „Gij maakt -mijn vleugels nat, en ik zal straks niet kunnen vliegen.—Goeden nacht!” -riep hij mij na, toen ik mij in stomme smart van zijn leger losrukte. -„Wat vroolijker gezicht, als ik u weêrzie, hoor!” - -Gister morgen kreeg ik de tijding van zijn dood. Hij had tot zijn -jongste oogenblikken zijn bewustheid en dezelfde stemming van geest -behouden. „Alles klaar!” was zijn laatste woord. Wat zullen er toen -veel tranen op het vroolijkste gezicht der wereld gestort zijn. Alas, -poor Rob! - -Wie zal ons nu troosten? Het ongelukkigste is, dat Rob alleen voor zulk -een ramp raad had geweten. Ja, dat is het ergste; nooit is men -troosteloozer dan bij den dood van hen, die ons het best hadden kunnen -troosten. Als niets mij bemoedigen kon, had Rob altijd nog een paar -woorden achter de hand. Maar nu hij dood is.... ik zal naar zijn graf -gaan, en zien of ik daar baat kan vinden; de vrome ziel kon zelf op een -graf zoo vroolijk lachen. „Onder het lamfer,” placht hij te zeggen, -„behoort een gezicht van Jean qui pleure et Jean qui rit. Voor ieder, -die gaat en die blijft, de helft.” Ach, ik zal het nooit leeren. - -Te gelijk met zijn doodbericht ontving ik het legaat, mij door hem -gemaakt. Het zijn de brieven, die ik hem op onderscheidene tijden -geschreven heb. Deze heeft hij in een groot pak gesloten, en zijn -moeder verzocht ze mij na zijn dood terug te zenden. - -Fragmenten van een afgebroken correspondentie, later voort te zetten. -Zoo luidt het opschrift, dat hij er met eigen hand op geplaatst heeft. -Ziedaar Rob geheel! nooit was er vroolijker godsvrucht, dan de zijne. -Hij sprak van den hemel, zooals een kind er van spreekt, als of het -alleen een hoogere verdieping van onze tegenwoordige woning was. Hij -had niets van sommige menschen, die nooit het woord dood of eeuwigheid -in den mond nemen, zonder eerst een benauwd gezicht te zetten, een -hangenden lip te trekken, en hun stem zoo diep als zij kunnen uit hun -onderbuik te doen opkomen. Dezulken spreken van den hemel met een -gelaat, dat men er bang van wordt. Niet aldus mijn vriend Rob. Midden -in zijn grappigste scherts kon hij op eens aan zijn woorden een -luimig-verheven wending geven, die u in het hart greep; maar in -hetzelfde oogenblik was hij, als een eekhorentje, dat langs een hoogen -boom op en neder klautert, reeds weder beneden, en sprong u om de -beenen. Met den dood was hij zoo familiaar als met zijn eigen geraamte. -Hij kon sermoenen tegen hem houden, dat u de tranen over de wangen -liepen. Dat noemde hij zijn gymnastische oefeningen om langs zijn -ribben naar boven te leeren klimmen. „Och,” zei hij, „het geheele leven -is niets dan een groote mastklimmerij; boven hangen de prijzen: beneden -staan wij jongens te gapen. Het komt maar op het durven aan; één goede -zet, en men is er! drommels, als de paal maar zoo glad niet was!”—Maar -gij zijt er nu toch, goede Rob! en uw prijs zal niet van de minste -wezen. - -Ik dacht gister het lijkfeest van mijn vriend niet beter te kunnen -vieren, dan door den ganschen dag aan het lezen van zijn -Correspondentie te wijden. Ik rangschikte al de brieven, over en weêr -geschreven, bij elkander, en had dus bijna de geheele geschiedenis voor -mij. Dat was een aandoenlijke lektuur. Nooit had ik ROB zoo lief als -gister; nooit voelde ik zijn waarde beter; hij won zeer bij de proef, -die anders zoo hachelijk is, van op eens in zijn geheel gezien te -worden. De meeste menschen, aldus opgezet, zouden al een vrij -wonderlijk misgewas vormen. Bij menigeen zou het eene been het andere -verloochenen, en de eene arm de anderen parodieeren. Geheel anders bij -Rob! Zijn geheele zedelijke gestalte was fiksch en frisch uit de -kluiten gewassen, en droeg alles op de rechte plaats. Niets versteld of -bedorven door ontijdige rijpheid of tragen groei, maar een geregelde en -gelijkmatige ontwikkeling van kind tot knaap, van knaap tot jongeling, -van jongeling tot man. Zijn hart had alle graden doorgeloopen, even als -een soldaat van verdienste bij de armée. Van daar was zijn gansche -morele constitutie zoo gezond; zijn leven had niets van een verknoeide -teekening, waarin de gom-elastiek beurt gehouden heeft met het -zwart-krijt, en waaraan meer tijd is zoek gebracht met uitwisschen, dan -met teekenen. Wat er stond, dat stond er, en dat stond er goed. Bij hem -schreide de dag van heden niet over den dag van gister, noch verzamelde -dampen voor den dag van morgen; maar de maandag gaf de hand aan den -zondag, en de dinsdag aan den maandag. Toen ik dat zoo zag, werd ik -bewogen bij de gedachte aan zijn afsterven. Het is jammer, weêrgaloos -jammer, dat de Dood dit drama gestoord en de gordijn heeft doen vallen -eer het was afgespeeld; er moesten nog zulke treffende passages komen. -Mijn goede Rob! ik had u nog zoo gaarne eens als père noble gezien! en, -indien ik het had mogen beleven, welk een beminnelijke vertooning zoudt -gij als grijskop gemaakt hebben! Mij dunkt, ik zie u met een krans van -jeugdige vroolijkheid om het rimpelig hoofd; met een vergenoegd lachje -op de dorre wang, als een zonnestraal op herfstloover; met een schat -van wijsheid verrijkt, als een honingkorf in den winter. Ja, een -honingkorf! dat zoudt ge geweest zijn. Uw ondervinding zou niet, als -bij zoo velen, zoete druiven in zure eek veranderd, maar uit de bloemen -op uw levensweg enkel zoetheid gepuurd hebben: Gij hadt altijd een -afkeer van menschen wier ervaring het zure opschrift winazijnmakerij -aan het hoofd droeg. Gij, integendeel, zoudt uw vreugd genoten hebben -als een Epicurist zijn wijn; hoe ouder, hoe beter. Ik vooral, Rob, ik -had u zoo noodig gehad. Gij hadt voor mij de zware slippen van den -rouwmantel, dien rijper leeftijd den menschen telkens om de schouderen -hangt, (oude menschen zijn ongequalificeerde noodigers ter begrafenis) -moeten ophouden. Gij hadt, als de komiek in de stukken van Kotzebue, -met uw onschuldige scherts mijn treurige tooneelen moeten opvroolijken. -Gij hadt mij moeten leeren, van mijn oudemans-stokje een zotskolf te -snijden, om die den Dood als een duivelbannend teeken voor te houden. -Heracliet en Democriet—zoo zouden wij oudjes arm in arm het laatste -eindje van onzen weg gegaan zijn, en malkaâr zachtjes de grafhelling -hebben afgeholpen. Maar gij hebt mij leelijk laten zitten, met zoo hals -over kop—daar gaat hij!—in de diepte te springen. Nu sta ik er alleen -voor; en of ik nu, met onzen vriend uit Bayreuth, den Dood al toeroep: -„Schud maar toe, schud maar toe! dan kom ik bij mijn braven Rob!” het -baat niet.—Jongen Rob! dat is een leelijke streek van u, zoo maar -zonder waarschuwen heen te gaan, en mij met den boel te laten zitten. -Daar zal iets over moeten vallen, als ik u weêrzie! - -Maar wat beschuldig ik u, eerlijke knaap! als of gij er schuld aan -hadt? Neen, in u viel het nooit, uw vrienden in verlegenheid achter te -laten; had het aan u gelegen, gij, goede ziel, gij hadt ons allen wel -laten voorgaan, en gaarne de moeite genomen om, als de laatste van -allen, de deur te sluiten. Maar de dood riep u op: en avant seul; en -met onwillige kooten volgdet gij en danstet uw pas seul, terwijl gij -ons op onze plaats moest achterlaten. En nu ben ik zeker, dat gij den -dood nog wel eens een goed oog geeft om ons ook te komen halen. Trouwe -vriend, die ge zijt! - -Wat liggen ze daar koel, die uitboezemingen van twee warme harten. Op -het oog zou men het even goed voor rekeningen kunnen aanzien.—En zijn -het in zekeren zin geen rekeningen? rekeningen van hetgeen het hart aan -de wereld, de verbeelding aan de wezenlijkheid betaald heeft? of liggen -daar niet zoo veel gedachten, gewaarwordingen, wenschen en begeerten, -die sedert als verouderd hebben moeten worden weggedaan, om, tot duren -prijs, door andere te worden vervangen? En kon men er niet een zulke of -dergelijke nota van maken? - -Een ouderwetsch kleed van UEd. nieuwmodisch en pasklaar gemaakt. - -Een groote optica-spiegel tot een scheerspiegeltje verkleind. - -Van een oude gedamasceerde kling een pennemes gemaakt. - -UEdelens zevenmijlslaarzen tot pantoffels versneden. - -De glazen uit UEd. teleskoop verslepen en in een bril gezet. - -UEd. nationale vlag tot een vlaggendoek voor UEd. lendenen vermaakt. - -Een gewezen vrijheidsboom van UEd. voor een mangelrol in orde gebracht. - -Van een metalen standbeeldje een keukenvijzel gegoten. - -Op onderscheidene tijden duiven uit UEd. vlucht geplukt en gelardeerd. - -Is het zoo niet? Ik kan het niet zonder droefheid aanzien. Anders geeft -mij het gezicht van gekwiteerde rekeningen genoegen; het is voor mij -altijd een vroolijk uur, als ik in het begin van de maand Januari mijn -physiologische schuldvorderingen, die koningen van verschrikking, zoo -als Bellamy ze noemde, als tamgemaakte kwitanties aan een koord rijg, -en nu zeggen kan, dat ik ten minste van dezen kant mijn rekening met -het afgeloopen jaar gesloten heb. Maar deze psychologische -kwijtbrieven, waarin het bewijs berust, wat ik al in den loop van -verleden jaren aan de firma van publiek, mode, etiquette, kortom aan -dien geheelen Jodenhoek betaald heb, doen mijn oog minder aangenaam -aan. Het is wel goed, dat ze betaald zijn: het zij verre van mij te -zeggen, dat ik insolvent had willen blijven; maar zij hebben mij -evenwel veel gekost. Ik schijn hier de tering niet zoo wel naar de -nering gezet te hebben, als ik in ’t burgerlijke leven gewoon ben. Hier -en daar zijn kleine posten, waarvoor ik ongehoord veel betaald heb; en -nu en dan viel mij zelfs de rekening zoo uit de gis, dat ik er nog krom -om liggen moet. Dat deed mijn vriend Rob beter; hij wist altijd voor -alles den juisten tijd, en slaagde er in, zich er bijna geheel zonder -schade door te redden. Had hij naar zijn berekening zijn -uitvliegduifjes lang genoeg gehad, dan was het met een vroolijk -gezicht: „Komaan, jongens! de pan wacht!”—en in een oogenblik had hij -ze den kop omgedraaid, en zat ze op te peuzelen zonder er iets van te -weten. Ik daarentegen hield de mijnen over den tijd, zoodat ze taai -werden, en als ze dan eindelijk op tafel kwamen, at ik ze met tranen in -het oog, en zag aan mij bevestigd, wat men zegt, dat duivengebraad -zwaarmoedig maakt. Bemerkte hij, dat men hem vreemd begon aan te zien, -omdat hij te lang met een rond buis liep, eer iemand er om dacht, had -hij er een paar panden aan gezet, die hem deftig over de kuiten hingen. -Op iedere auctie deed hij wat van zijn oudheden, en kocht daarvoor wat -nieuws in de plaats, zoodat hij altijd in zijn doen bleef. Met één -woord, hij wist zijn slag waar te nemen, en altijd ter rechter ure te -verkoopen. Rob, Rob! dat gij heengegaan zijt, zonder mij die kunst te -leeren. - -En ben ik dat nu? Met dat gevoel, waarmede een volwassene voor het -portret staat, dat men van hem als kind gemaakt heeft, doorlas ik mijn -eigen brieven, die mij het portret van mijn zedelijk Ik voorhielden. -Immers, gelijkender kon ik mijzelven niet zien; hier zag ik mij niet in -een teekening door anderen gemaakt, maar, even als bij de Daguerrotype, -door de natuur zelve gemaald. Zoo verre iets, dat het wezen zelve niet -is, van het wezen een denkbeeld geven kan, vond ik hier mijzelven -terug. Wonderlijk, wonderlijk, hoe menigmaal was ik zonder mijn eigen -beeld te herkennen! het was goed, dat mijn eigen hand daarop het -onvervreemdbare zegel geplaatst had, anders zou ik het ruiterlijk voor -een contrefaçon hebben uitgemaakt. Maar ik kon mij niet bedriegen; het -moest zoo zijn. Daar zag ik dan, even als in een bewegelijk panorama, -mijn gansche inwendige leven achtereenvolgens voor mijn oog -voorbijgaan. Daar zag ik den knaap nog eens den vlieger oplaten en met -den bal slaan: den jongeling nog eens droomen dichten en gedichten -droomen; den jonkman aan de voeten van Betsy zitten en van de voeten -van Betsy losscheuren; den man den strijd met het werkelijk leven -aanvangen, beurtelings overwonnen worden en overwinnen. En op ieder -tooneel vond ik, even als bij onze oude schilders, één zelfde geliefde -figuur weder: de figuur van Rob. Hij was bij alles tegenwoordig; zijn -snakerig gezicht stak overal door de een of andere opening: zijn stem -klonk door alle zuchten en tranen heen: - - - Du courage! Du courage! - Les amis sont toujours là! - - -De goede Rob! Ik heb nooit geweten, dat hij zoo zacht en week was. Maar -als ik nu zie, hoe hij onder alle omstandigheden met mij heeft -omgesprongen, vind ik daarin een gevoeligheid van ziel, die mij treft. -Nergens een hard oor of een hard hart; maar overal een Jobs-geduld om -mijn klachten aan te hooren, en een Jobs-gemoed om in mijn smart te -deelen. Het is waar; hij gaf mij daarin nooit toe, noch kwam op den -slijkhoop naast mij zitten, om de tweede partij van mijn Ach! en Wee! -te zingen. Maar hij viel er ook niet met een onbarmhartig Ai! en Foei! -tusschen. Hij versnelde de maat alleen een weinig, en zette het motief, -dat hij trouw behield, eenvoudig wat luchtiger om. Eer ik er om dacht, -had hij het sleepende maestoso in een deftig moderato veranderd. Van -waar had de jongen dat verstand? ik weet het niet; maar nu, van -achteren beschouwd, kan ik het niet dan met verwondering zien, hoe veel -oordeel en levenswijsheid hij daarbij heeft aan den dag gelegd. O, -nooit kan ik het genoeg erkennen, wat hij voor mij geweest is; de -natuur had hem naast mij geplaatst, om, als een koperen naast een -dunner snaar, mijn toon te steunen en te versterken. Als hij er niet -geweest was, die toon ware lang valsch en ontstemd geworden, en de -speler had mij als een onbruikbaar vod kunnen wegwerpen. Nu kan ik het -des noods zonder u stellen, mijn trouwe bas, mijn tweelingsbroeder ROB. - -Is dat alles één mensch? Zoo vroeg ik verwonderd, wanneer ik soms een -van mijn eerste naast een van mijn laatste brieven leide; ik had moeite -het mij te overreden. Maar een oog op de verschillende trappen -geslagen, die ik langs was geklommen, benam mij welhaast mijn -bevreemding. Hoe langzaam en regelmatig is die overgang! niet ongelijk -aan de beweging van onze aarde, die in vierentwintig uren toch ook een -geheele wenteling om de spil maakt, zonder dat wij er evenwel iets van -bemerken. Het is zonderling en treffend, die ontwikkeling na te gaan. -Men lacht zoo dikwijls met dat spreekwoord: Een mensch verandert om de -zeven jaar. Maar, naar mijn inzien, ligt er een ware en diepe les in. -Wie er om spotte, ik neem het als thesis over en ben bereid die publice -et solemniter te verdedigen. - -Willen wij een proef nemen? - -1–7. Het kind in de kinderkamer. - -7–14. Gij zult erkennen, dat de jongen op de speelplaats een geheel -ander wezen is. Ik ten minste zie kans u, na zeven jaar, het eene kind -voor het andere in de hand te stoppen. - -14–21. Waar vindt gij nu den knaap in den jongeling? den woeligen, -dartelen schalk in den peinzenden, verliefden Dichter? - -21–28. Hier hebt gij den overgang uit het dichterlijke in het -wezenlijke leven: de eerste en heiligste verbintenis, de eerste -vadervreugde. Wat dunkt u? de jongeling, met zijn armen uitgestrekt om -de wereld aan zijn boezem te drukken, en de echtgenoot en vader, die -niet weet hoe hij zijn armen eng genoeg om vrouw en kind klemmen -zal,—zijn dat geen twee verschillende wezens? - -28–35. Nu worden zeker de overgangen minder scherp, maar evenwel -blijven ze voor het fijne oog toch nog merkbaar genoeg. Nu maakt zich -de eerzucht meester van het hart, waarin tot dusverre bijna alleen de -liefde heerschte; de huiselijke kring wordt te nauw: men breidt zich -naar buiten uit; men wil meê de hand aan ’t roer hebben. NB. De zon, -die bij hare daging rozerood was, begint gedurig meer naar het -goudkleurige te trekken. - -35–41. Zij is heel en al geel! de hebzucht is bij de eerzucht gekomen. -Men heeft een grooten staat te voeren; men heeft zoons te plaatsen, -dochters uit te huwelijken; men begeert zich door zijn kinderen, en -zijn kinderen door zich te verheffen. - -42–49. Men heeft de gewenschte hoogte bereikt en geniet de gemaakte -veroveringen. Men is buiten geëerd door het publiek, en binnen gelukkig -in zijn betrekkingen. Men krijgt een onderkin en staat als peter over -zijn kleinkinderen. - -49–56. Men vangt aan zich terug te trekken. Men ziet zijn vrienden -sterven en begint naar rust te verlangen. Men bedankt voor alle -lastposten en houdt alleen de winstgevende aan. - -56–63. Men ziet in ’t geheel geen menschen meer; men wandelt veel en -gaat trouw te kerk; men wordt hypochonder en neemt een lijfmedicus aan. - -63–70. Men begint zich gereed te maken voor de afreis. De rekening -courant wordt opgemaakt, de overbodige lading over boord geworpen en -stichtelijke artikels ingenomen. - -70–77. Men sterft, natuurlijk als men niet eer gestorven is. - -Ziedaar in eenige groote trekken de voornaamste nuances opgegeven, die -toch kennelijk genoeg van elkander onderscheiden zijn. En niemand -meene, dat ik hem met deze beschrijving heb willen veroordeelen. Geen -gedachte is verder van mij. Integendeel, zóó of zóó omtrent moet het -gaan, indien alles wel zal gaan. Zóó moet men, als de zon, -achtervolgens de verschillende teekens van zijn aardschen dierenriem -doorloopen, en nu eens, in het teeken van Leeuw en Ram, zijn -jongelingskracht in tegenstand tegen de wereld oefenen; dan in het -teeken van Maagd en Waterman, zijn minneleed beschreien; dan, in het -teeken van Weegschaal en Schutter, mannelijk oordeel met mannelijke -vaardigheid leeren paren, om ten laatste, in het teeken van Kreeft en -Visschen gekomen, zijn vaart te vertragen, en zachtkens een weg ten -einde te brengen, dien men met zoo veel vuur en geestdrift is -opgestreefd. - -Dat is de orde en de wet der natuur, en ongelukkig, die haar wil -omkeeren; hij wordt voor zichzelven even ellendig als nutteloos voor -anderen. Er is een tijd van bloei, een tijd van dracht en een tijd van -verval; die tijdperken moeten elkander vervangen, zonder op malkaârs -grondgebied te treden. Ik wil kleur in de lente, geur in den zomer, en -vrucht in het najaar. Eerst groen en wit, dan blauw en rood, dan geel -en bruin. Zoo was het bij Rob. Hij was altijd gelijk met de -verschillende saizoenen: als men dacht, nu moet er haast dit of dat -komen, dan kwam het ook. Hij was geen broeiplant, die zijn roode -vruchten tusschen de sneeuw droeg, en even weinig een ziekelijke -nablijver, die met zijn zure vruchten aankwam, als men hem al vergeten -had; hij was een gezonde klant, die zoo precies op zijn tijd paste als -de zon zelve. Ik moet bekennen, dat hij mijn traagheid wel eens heeft -moeten voortduwen: „Toe dan, Jonathan! maak voort, jongen! waar blijf -je dan?” en dan kwam hij als een morele Don Antonio Magino met zijn -weêrtafel, en wees mij: „heden zonneschijn en mooi weer” of als een -Tuinmans-Almanak: „heden deze of die vrucht!” en als die dan zoo -spoedig niet uit den dop wou vallen, dan draaide hij mij een weinigje -in de zon en was niet tevreden, eer ik mijn contingent geleverd had. -Mijn goede Rob! Wie zal nu het oog over mij houden? - -Gij maakt daarom uit het gezegde toch niet op, dat Rob een zoogenaamd -solide mensch was, die op zijn valhoed reeds met de kroon der zeven -Grieksche wijzen liep, uit zijn tafelstoel les gaf over de -differentiaal-rekening, en bij zijn opgeworpen bal de nuttigheid van -laag gooien en dikwijls vangen betoogde. Gij zoudt u bedriegen. -Daarvoor was hij veel te veel in de natuur. Neen, hij geloofde wel -degelijk, even als ik, dat er een jeugd aan den mannelijken leeftijd, -een tijdperk van bloei aan dat van vruchtbaarheid moet vooraf gaan. Ik -zet het u, van die vroegrijpe menschen een mensch te maken als mijn -Rob! Er moet in den jongen mensch wat overvloed van leven zijn. Als de -kunstenaar een beeld wil gaan houwen, dan neemt hij geen blok, dat -juist zoo groot is als het beeld, dat hij maken wil, maar hij neemt een -vierkanten klomp, waar de ruwe kanten nog aan zitten. Daar zit dan het -beeld, dat er uit moet komen, wel in, maar eerst moet de buitenste -schors wegvallen. Ha! hoe er dan onder zijn krachtigen beitel de -stukken afvliegen! hoe het beeld overal het marmer pijnlijk van het -lijf wordt gescheurd! het zucht onder de ruwe slagen van zijn -formeerder! maar let op! daar beginnen de houwen reeds af te nemen; -telkens valt het wapen zachter neder; heerlijk komt het beeld uit zijn -ruw omkleedsel te voorschijn! Nu worden nog de laatste scherpe hoeken -en kanten afgeslepen, geëffend en gerond, de proportiën gedeeld en de -lijnen gebogen. Daar staat nu de koningsgestalte, glad als ijs en zacht -als satijn! Dat is beeldhouwen! dat is menschen-formeren! - -Wilt gij hooren wat er de Wijze van Bayreuth van zegt? - -Gij lieden wilt derhalve reeds bij den aanvang datgene krachteloos te -velde doen trekken, hetwelk door den tijd en de wereld buitendien toch -genoeg wordt ontzenuwd? Wat is al de winst, die de jongeling uit het -vermijden van eenige mispassen en verkeerde inzagen trekt, gerekend -tegen het ontzettend verlies, hierin gelegen, dat hij, zonder het -heilige vuur der jeugd, zonder vleugels, zonder groote plannen, met één -woord, zoo naakt het enge leven inkruipt als de meeste het uitkruipen? -Hoe kan zonder den idealengloed der jeugd het leven tot rijpheid komen, -of de wijnstok zonder den gloed der oogstmaand? Het schoonste, hetwelk -door de menschen verricht werd, al ware het ook in hun koude -jaarsaizoen, was nimmer iets anders, dan de slechts laat opkomende -zaadkorrel, die door den boom des levens in het paradijs was -voortgebracht. Of zaagt gijlieden nooit, hoe een mensch door eenig -goddelijk beeld uit zijn jeugd, het geheele leven door, bestuurd en -geleid werd?—En wat toch wilt gij in de plaats geven van dit leidende -wagengestarnte?—wat anders dan den broodwagen der schrandere eigenbaat? - -Touchez là, mon ami! Dat is naar mijn hart gesproken. Zoo mag ik het -hooren van iemand, wiens wijsgeerige geest hem boven de verdenking -verheft, waaronder ik lig, van somtijds met molentjes te loopen. Sterk -door uwe goedkeuring verhef ik mij dus moedig tegen het kwaadwillig oog -van zoo velen, die mij, om deze kruisvaart tegen den kunst-ouderdom, -dien men den kinderen, even als de koepokken, wil inenten, voor een -Socratischen jeugdbederver houden. En zoo dacht ook mijn vriend Rob, -die mede een vriend van u was. Hij had een ingeroesten haat tegen de -gepoeierde kinderknikkers en gewapende kinderdijtjes van vóór vijftig -jaren! een jong mensch, die niet hooger zag dan zijn hoofd en niet -verder reikte dan zijn armen, was hem een walg. Hij verlangde daarom -niet, dat men juist tegen de maan stond te grijnen, en nooit dan met -een natten neus naar de sterren keek. Zijn jongelings-geestdrift -openbaarde zich geheel anders; zij ademde dienzelfden geest van losheid -en vroolijkheid, die zijn geheel wezen kenmerkte. Hij kon in zijn -dartele buien met de maan omspringen, als droeg hij ze, even als de -tooneelspeler in Shakespeare’s Midsummernights-dream, lantarensgewijze -onder den arm en met de sterren leven als de Koningin der Nacht in de -Tooverfluit, die ze als pailletten op haar zwarte japon draagt. Maar in -die scherts lag daarom niettemin het geloof aan een hoogere wereld en -het gevoel van behoefte daaraan. Als hij over de vele woningen, die de -groote stad, welke wij Heelal noemen, vervullen, met zulk een -gemeenzame vertrouwelijkheid sprak, en dan, met zijn geest door al die -geheimzinnige lichtpaden dwalende, liep raden, waar hij zijn huis -vinden moest....! maar ik zie er van af om er u eenig denkbeeld van te -geven: gij hadt hem zelven moeten hooren! Zijn uitvallen waren van die, -die men alleen met een gesternden hemel boven zich herhalen kan. Vraag -er mij eens naar, als wij ooit samen op zulk een tooneel staan. Genoeg, -dat het hem aan geen sentimentaliteit ontbrak. Er lag in zijn -Zomernachts-droomen, onder den schertsenden toon waarin hij ze -voordroeg, een diepe en verheven zin van heimwee en godvrucht, of, zoo -als hij liefst zeide, omdat dit woord den geheelen geest van zijn -vroomheid uitdrukte, Godzaligheid! Het gebeurde somtijds, dat ik -daarbij geen lichten glimlach van mijn lippen weren kon, maar nooit, -dat niet de tranen des innigsten gevoels zich naar mijn oog drongen! -Geen woorden kunnen uitspreken, wat wij ontwaarden, als wij na zulk een -hemelwandeling elkaâr de hand drukten.—Hoe zult gij nu wandelen, Rob! - -Vraagt ge dus, of ik alles, wat ik daar geschreven voor mij vind, nog -met baat en schade op mijn tegenwoordige rekening zou willen overnemen, -de goede Hemel beware mij! dat ware de paarden achter den wagen -gespannen. Maar vraagt ge aan den anderen kant, of ik met hoogmoed en -medelijden op die uitboezemingen van jeugdig gevoel en overvloeiend -leven neêrzie, ook dit ontken ik volstrektelijk. De mensch had beter -kunnen zijn, maar wat den weg betreft, dien hij gevolgd is, ben ik nog -zoo ontevreden niet. Het is waar, dat er menige uitbarsting van dwaas -jongelingsgevoel onder doorloopt. Te droes, hoe zoudt gij lachen, als -ik die oude doos eens opendekte. Wat zou er al niet voor den dag komen! -Welk een menigte van werelden en zonnestelsels! welk een drom van -engelen en aartsengelen! welk een stoet van droombeelden in volle -kostuum, met een zon op de borst, een halve maan op den tulband en een -borduursel van sterren rondom den mantel! Welk een rommel van zangen, -geuren, klanken, en wat verder zou worden te voorschijn gebracht! En -toch schitterden er soms door dien verwarden hoop vonken van nuchter -oordeel. Van dien aard zijn bij voorbeeld de volgende losse spreuken, -die ik nog niet terugneem. - - - -Het is een schoon geloof, dat de Egyptenaars hunne graven met pyramiden -deed dekken: geloof aan de Toekomst. Maar schooner nog is het geloof -der Christenen, die hun grafheuvels met een houten kruis versieren: -geloof aan de Onsterfelijkheid. Even zoo was er iets treffends in de -gewoonte der eersten om hunne lijken te balsemen; maar dat wij ze niet -balsemen, is treffender, wetende dat de Engel der opstanding uit -verderf onverderfelijkheid scheppen zal. - - - -Geven en ontvangen is als de regen. Dezelfde regen, die frischheid aan -de aarde geeft, geeft helderheid aan den hemel. - - - -Als de vrucht zich gaat zetten, valt de bloesem af. Zoo ook met ons. -Wij beginnen geen vrucht te dragen, eer de bloesems der jeugd -verstrooid zijn. - - - -Voor sommige menschen is het leven een vastland, geheel aarde; dat zijn -de aardsgezinden. Voor anderen een eiland, geheel zee, buiten verband -met iets rondom of boven zich; dat zijn de egoïsten. Voor anderen een -landtong tusschen den oceaan van twee eeuwigheden; dat zijn de -ongeloovigen. Voor sommigen eindelijk een Bethel, door een ladder met -den hemel verbonden; dat zijn de vromen. - - - -Men begeert zich met het geluk als met een gouden keten te versieren, -en bedenkt niet, dat het slechts een gulden ader is, die door den -zandgrond onzes levens loopt: het geluk is geen kleed, door anderen -vervaardigd, dat men slechts heeft om te slaan; het is een zijden huis, -als dat der wormen, uit onzen eigen boezem uitgesponnen. - - - -Betrekkingen zijn voor den mensch op aarde, wat de aardkluit, die met -de bloem verplant wordt, voor deze is; zij doen hem vergeten, dat hij -hier niet te huis behoort. - - - -Die een leven vol weldaden achter zich laat, vindt, even als klein -Duimpje in de fabel, teruggaande, het spoor der uitgestrooide -broodkruimen verdwenen. Alleen de beleedigingen blijven, even als de -steentjes van den houthakkersknaap, getrouw liggen. - - - -De mensch wordt dikwijls wijs ten nadeele van zijn geloof. Het was een -schoone onkunde, die den schepeling naar den hemel deed opzien, om er -de star te zoeken, die zijn tocht regelde; nu heeft men het kompas, met -andere woorden, men heeft den hemel niet meer noodig. - - - -Onlangs zag ik een kind, dat gedurig beproefde een ladder met de handen -rechtop te plaatsen om er vervolgens op te klimmen. Natuurlijk sloeg de -ladder telkens tegen den grond. „Jantje!” zei de vader, „gij moest dat -laten! Ziet gij niet, dat gij u zelven niet houden kunt?” en daarop -ging hij bedaardelijk voort met mij te betoogen, dat in zaken van -godsdienst de rede volkomen voldoende was. - - - -Iemand, die louter godgeleerde is, ziet den hemel achter, de vrome vóór -zich; de eerste ziet het kruis alleen in den Bijbel, de laatste, even -als Konstanstijn, in de wolken. De vrome staat tot den godgeleerde als -een inboorling, die de taal des lands van kindsbeen af gesproken heeft -tot een vreemde, die haar spraakkunstig heeft moeten aanleeren. Nu kan -de vreemde de gronden van zulk een taal wel beter kennen, maar de -inboorling verstaat en spreekt haar toch beter. - - - -Het leven is als de hooge bergen: slechts aan den voet groeien bloemen. - - - -Hartstocht is zwakheid; daarom bemint de vrouw meer dan de man. - - - -De kritiek handelt met de geniën, even als de oude Schrijver van het -Scheppingsverhaal met de hemelbollen; zij meent, dat de werelden des -dichters om haar geschapen zijn. - - - -Zucht naar meerdere volkomenheid; ziedaar de ware behaagzucht. - - - -De verborgenheden Gods zijn even als de vlekken in den Melkweg; de -gewone mensch ziet ze voor vlekken aan, en de sterrekundige vindt er -bij onderzoek nieuwe wereldstelsels in. - - - -Schoonheid is voor den man een feest-, voor de vrouw een -bruiloftskleed. - - - -Ware liefde ontleent, even als de moederliefde, kracht uit smart. - - - -Sommige menschen schijnen geboren om gelukkig te wezen: ze zien slechts -licht en helderheid voor zich, en wanneer er als soms donkerheid op hen -daalt, sluiten zij er de oogen voor, zoo als sommige bloemen zich ’s -avonds sluiten, en eerst weêr opengaan als de morgen daagt. - - - -Trouw is het geheugen van een beminnend hart. - - - -De ware proefsteen der menschelijke deugd is de toetssteen, die zijn -graf bedekt. - - - -De aardsgezinde is als regen, die één wordt met den grond, waarop hij -neêrzijgt; de betere mensch verkeert op aarde als de sneeuw, die waar -zij valt, den grond verzilvert. - - - -De schrijver kieze zich een geheel volk ten voorwerp zijner -bemoeiingen, doch wachte zijn geluk alleen van zijn huiselijken kring. -Maar daarom heeft dan ook zijn gezin een gewichtige taak te vervullen: -van wege de goeden heeft het in last hem de liefde te bewijzen, die zij -hem niet bewijzen kunnen; van wege de kwaden heeft het de zending, hem -de bitterheid te vergoeden, die zij hem aandoen. Wee hem, als ook deze -steun hem ontvalt: de Dertigen buiten, en Xantippe in huis! - - - -Rampen zijn den vrome even als hagelsteenen, die dreigend neervallen, -maar die de aarde als heilzaam vocht in haar schoot opneemt. - - - -Voor sommigen is de kruisberg een goudmijn: dat zijn de priesters. Voor -anderen is hij de Helicon; dat zijn de geleerden. Voor anderen is hij -de berg des Heeren: dat zijn de vromen. Voor anderen eindelijk is hij -niets dan een berg: dat zijn de ongeloovigen. - - - -Ziet gij? deze losse gedachten, en nog veel meer andere van denzelfden -aard, kan ik thans nog overnemen, zonder dat ik ze in mijn -tegenwoordigen leeftijd en op mijn tegenwoordig standpunt behoef te -verloochenen. Maar ik beken, dat daartegen menige bladzijde overstaat, -die ik voor geen lief ding onder het oog van mijn deftigen lezer zou -durven brengen. Ja, zal ik het bekennen! toen ik daar die brieven zoo -zat te doorbladeren, verheugde ik mij, dat ze, door de kiesche -beschikking van Rob, in mijne, en niet in een anders handen geraakt -waren. - -En toen kwam ’t mij op eens met schrik in de gedachte, dat Rob niet de -eenige is, die zulke brieven van mij ontvangen heeft. Wel, wel, dacht -ik, indien het nu een van mijn vroegere Correspondenten eens inviel, al -mijn brieven nog eens in te zien, hoe zal hij om de droomerijen van den -kinderachtigen Jonathan lachen! Hij is in staat mij in alle deftigheid -voor een dwaas uit te maken. Wilt gij het gelooven? Dit denkbeeld greep -mij met zulk een siddering aan, dat ik terstond op een middel begon te -denken om hem tot betere gedachten omtrent mij te brengen. En waar vond -ik dit eindelijk? In een Circulaire aan al de vrienden, die ik hier -plaatsen zal, hopende dat zij hun aldus onder de oogen mogen komen. - -(Met uw verlof, waarde Lezer, die niet tot dit getal behoort!) - - - Mijnheer en Vriend! - - Daar de correspondentie, die ik vroeger de eer had met u te houden, - sedert is afgebroken, ben ik zoo vrij mij langs dezen weg tot u te - wenden. Het zou namelijk kunnen gebeuren, dat UEd. mijn brieven van - vroegeren tijd—bijv. bij gelegenheid van het beplakken van een - nieuw te behangen kamer, of dergelijke—nog eens onder de oogen - kreeg. In dat geval zou ik reden hebben, mij voor UEd. te schamen. - Want ik meen wel te weten, dat er in die brieven meer dwaasheden - gevonden worden, dan met uw verstand en soliditeit strooken. Maar - met uw verlof zou ik gaarne zien, dat UEd. daarnaar ook mijn - verstand en soliditeit niet beoordeelde. Want, als het niet te - onbescheiden is mijzelven te prijzen, mag ik wel zeggen, dat ik een - geheel ander mensch geworden ben, en ofschoon niet volkomen zoo - degelijk als UEd., toch strevende om UEd. daarin meer en meer nabij - te komen. UEd. gelieve alleen te weten, dat ik tegenwoordig voor - mijn correspondentie even zoowel mijn liassen heb met opschriften - als: Rekeningen, kwitantiën, brieven, enz. als UEd. in uw kantoor. - Zoodat UEd. ziet dat ik nu een bedaard en deftig burger ben. Indien - UEd. dus de goedheid wilde hebben, die bewuste brieven eens voor - goed te verbranden? Doch al mocht UEd. daarin (uit zuinigheid) - bezwaar vinden, hoop ik nogtans, dat UEd. na de gegeven inlichting, - mij omtrent het bewuste artikel van uw oordeel over mijn verstand - wel te wille zal willen zijn. In welke verwachting ik de eer heb - met de meeste achting te zijn, - - Mijnheer en vriend, - UEd. gehoorzame Dienaar en Vriend - Jonathan, - - -Zie zoo! Dat zou Rob nog goed doen, als hij het las! De arme Rob, hij -zal het niet lezen! en hij zal het niet zien ook, hoe ik langzamerhand -al verstandiger en verstandiger zal worden, zoodat ik eindelijk op den -stroom der wereldsche dingen zal drijven als een pluim, hop-hop, van -boven naar beneden, zoo als het de golven belieft. Dat zal het toppunt -van mijn glorie zijn—en van de zijne ook. Want als ik ooit zoo ver kom, -moet ik zeggen dat er hem de grootste eer van toekomt. Wat zal hij dan -verwonderd opkijken, als hij mij weêr ziet! Hij zal zijn eigen Jonathan -niet meer kennen.—Wat heb ik gezegd, Rob? Neen, de menigte moge van mij -zeggen: „Wat is Mijnheer Jonathan veranderd! hij is nu de ordelijkste -man, die men zien kan!—” maar voor u, mijn vriend, verander ik niet. Is -het niet zoo? Boven is een jong hart geen contrabande? - -Geen antwoord! - -Anders kreeg ik altijd antwoord. - -Foei mij!... goed dat Robert het niet ziet. Fragmenten van een -afgebroken correspondentie, later voort te zetten,—luidt het zoo niet? -Welnu wat tob ik dan? Lig daar, mijn legaat! Gij zoudt mij week maken. -Ik wil aan ’t werk. „Jongen,” zei Rob mij wel eens: „Wat zijn de -menschen toch dwaas. Zij roepen om den hemel, en loopen er zoo hard van -daan als zij kunnen. Wilt gij er heen, maak dan, dat gij hier beneden -gedaan krijgt. Vandaag klaar, morgen t’huis; dat gaat vast! Er is geen -accurater beurtman, dan de Snelheid, Kapitein Mors.—Welaan dan! aan ’t -werk. Zoo hoop ik welhaast mijn goeden vriend na te kunnen zeggen: -Alles klaar! en dan—dan is er een einde aan mijn klacht: - -„Mijn goede vriend Rob, hij is dood!” - - - - - - - - -DE STAMBOOM. - - -Niet waar, dat zoudt ge niet gedacht hebben, dat Jonathan er ook een -stamboom op nahoudt? - -En hoe meent ge wel dat hij er uitziet? - -Denkt gij misschien aan een groote perkamenten kaart met cirkels en -lijnen, waaraan de namen der respectieve leden van de familie zijn -opgehangen, die, zich van boven naar beneden uitbreidende, het -hartroerende figuur van een omgekeerde peer opleveren? - -Of verbeeldt gij u mogelijk een enorme schilderij, met wapens bemaald, -waarop het aandoenlijk is te zien, hoe het wilde zwijn zich met het -hert, en de sperwer zich met de duif verdraagt? Als ware het een -voorspel van die gouden eeuw, door de profeten geschilderd: - - - Het Lam zal met den Wolf verkeeren als gespeel: - De Luipaard naast het kalf zich vleien in ’t gareel: - De Leeuw zal zich op ’t stroo aan ’s Rundiers kreb vergasten: - Geen Beer, geen Tijger taalt om ’t Geitjen aan te tasten. - - -Of hebt gij misschien een dik wapenboek voor den geest, waarin al de -Edelen achtereenvolgens op een rij staan geschaard, even als in een -kabinet van Natuurlijke historie, mannetje en wijfje naast elkander, -ieder op zijn plaats en in zijn orde? - -In elk geval misgeraden! - -Neen, wanneer gij mij ooit de eer doet van mij een bezoek te brengen, -zult gij in een hoek van onzen huishoudkamer een ouderwetschen -standaard op drie voeten zien staan, met een schuins staand blad, -waarop gij een boek in folio in zwart lederen band met koperen sloten -zult zien liggen—daarin zult gij mijn Stamboom vinden. - -Maar dat is een Bijbel! voert gij mij tegen. Gij zijt er! dat is het -ook. Welnu, in dien band, vóór den Bijbel, vindt gij een blad door -verschillende handen beschreven: dat zijn mijn familiepapieren! - -Dat ziet er niet best uit, niet waar? Gij hebt gelijk. Ik ben niets dan -een simpele roturier. Geen heraut heeft ooit een schelling aan mijn -geslacht verdiend. Ik moet mij met den troost van alle laaggeborenen -behelpen, dat ik in Adam, den algemeenen Stamvader der menschen, van -den oudsten adel ter wereld ben. Verder kan ik het niet brengen. Ik zou -er mijn hals niet onder durven verwedden, of ik uit Joodsch of -Heidensch bloed gesproten ben; of mijn voorvaderen onder het Romeinsche -juk zijn doorgegaan of den Romeinschen adelaar gedragen hebben; of zij -bij de tornooien tot degenen behoord hebben, die den hals braken, of -die halzen zagen breken; of zij sporen droegen, sporen aangespten, of -sporen vervaardigden; of de groote Potentaten ze met hun zwaard op de -schouders of op den rug sloegen, dat zulk een groot verschil maakt. -Kortom, ik weet er niets hoegenaamd van, en, als dit niet uit de lex -non scripta der natuur volgde, zou ik zelfs niet eens kunnen bewijzen, -dat ik ooit verre voorvaders gehad had. - -Denk evenwel niet, dat mij dit niet spijt. Ik vind het een Cynisme, -grooter dan van iemand op deze wereld gevergd wordt, er volstrekt -onverschillig voor te wezen, welken naam men draagt. Het is wel zoo, -dat men er thans niet veel aan heeft, of uw voorvaderen, op het steken -van hun trompet, honderd man in het zadel riepen, daar de naneef toch -genoodzaakt is zijn vijf jaren bij de nationale militie uit te dienen, -of anders een remplaçant te geven: en even waar is het, dat een -burgerman niets voelt van de groeven, waarmede het juk der Edelen den -hals van zijn voorouders geknaagd heeft. Ook is het ontegenzeggelijk -dat, sedert ruwe handen de adelijke wapenschilden onder een dik vernis -van revolutionnaire kleuren gelegd hebben, de beleedigde verwen niet -meer zoo helder en frisch willen worden, als zij voorheen waren. Maar -dit toegegeven, zie ik niet, waarom het nog niet altijd begeerlijk zou -zijn, de herinnering van vroeger grootheid aan zijn naam te verbinden. -Waarlijk, in onze dagen, die zoo plat zijn als ons land, en zoo -romanesk als onze duinen, is het nog iets dichterlijks, zich bij zijn -wapenbord in tijden van groenende Riddereer en blozende -Riddergalanterie te droomen. In onze dagen van gelijkheid, nu alle -hoeden uit hetzelfde stuk vilt worden gesneden, is het nog iets, dat -den boezem doet zwellen, den glanzenden helmkap aan te zien, die op den -naam, dien gij voert, als een kroon van eere drukte! In onze dagen van -industriëlen wedstrijd en commerciële worsteling, is het nog iets -schoons, bij het openvallen van de bloedige bladen onzer oude historie, -op een blinkend blad te kunnen wijzen en zeggen: Deze was mijn -grootvader!—En waarom het niet erkend, dat zulke herinneringen meer dan -een poëtische speling, dat zij in onze eeuw van nuttigheid, ook nog -nuttig kunnen zijn om in hem, bij wien ze opkomen, adelijke gevoelens -op te wekken? Of gelooft gij niet, dat de eikenkrans, die den naam der -Dedels en Fagels onzer dagen omringt, te fleuriger blinkt, omdat hij -gewassen is aan een edelen stam, die honderden jaren telt? - -Zoo zij het dan verre van mij, als een onzinnige Jacobijn, op de -teekenen van verjaarde grootheid te spuwen, en over alle gekroonde -helmen de roode muts te willen trekken. Mijn liefde voor antiquiteiten -moet u het tegendeel gewaarborgd hebben. Maar dit gaat echter niet zoo -ver, dat ik mij mijns deftigen burgerlijken geslachts schamen, of -daaraan ergeren zou: dat ik de asch mijner vaderen in het graf nog zou -willen beschimpen, omdat zij niet in een familiekelder rust; en dat ik -op hun zark niet zou willen neêrknielen, omdat er niet dan hun -eenvoudige naam op staat uitgebeiteld. - -Ik moet mijzelven beter recht doen: ik ben op mijn geslacht zoo -trotsch, dat ik het niet met het geslacht van eenigen Baroen op de -wereld zou willen ruilen: want mijn stamboom is van de edelste, die men -zien kan! - -Laat ik mij verklaren. - -Het eerste blad van mijn bijbel is mijn stamboom. Ziedaar het sprekend -wapen van mijn geslacht! - -Mijn voorouderen vormen een rij van vromen. Oud-Hollandsche godvrucht -was als erfelijk in hun stam. Zij waren waardige zonen van die vaderen, -die de uitdrukking van geloof en vertrouwen op God tot de leus hunner -vendelen en den stempel hunner munten maakten. Van dat de eerste, wiens -naam voor ons is bewaard gebleven, dezen Bijbel tot een stamregister -inwijdde met het opschrift: Soli deo gloria! totdat mijn vader den naam -van zijn zoon op dit blad schreef, waren het, met weinig -uitzonderingen, enkel braven, die hier geboekt staan. Het scheen of -hunne inschrijving op zulk een gewijden stamboom hen, van de geboorte -af aan, tot vereering des Bijbels heiligde. Gelijk sommige Edelen door -hun adelbrief tot de verdediging van een klooster of gewijd gesticht -verplicht werden, zoo was het of zij door deze inlijving tot de -handhaving en bescherming van het Hoogwaardige voorbestemd waren, dat -hun naam ontving. En was het vreemd, wanneer de moeders, even als -Hanna, bij haar gebed om den zegen des huwelijks, de hand op dezen -Bijbel legden en beloofden: Soo gy myner gedenckt ende uwer -dienstmaeght niet en vergeet, maar gheeft uwer dienstmaeght een -mannelick zaet: So sal ik dat den Heere geven alle de daghen syns -levens;—was het vreemd, dat de zoon der verhooring door haar in de -dienst van Hem werd opgevoed, van wien zij hem ontvangen hadden? -Wanneer de vaders, even als Hamilcar, den jeugdigen knaap bij het outer -des Heiligen Woords brachten, en hem daarbij den eed van -onverzoenlijken haat tegen de vijanden des Hemelschen vaderlands, en -van een onuitbluschbare liefde voor dien gezegenden grond op de lippen -legden; was het vreemd dat de jongeling, der eeden zijner kindsheid -gedachtig, leefde en stierf in het gevoel, dat hem reeds zoo vroeg was -ingeboezemd? Of was het misschien, dat de bede des rechtvaardigen, die -veel vermag, het licht des Allerhoogsten op het hoofd des kinds deed -nederdalen? Ik weet het niet. Genoeg, dat de deugd des vaders met zijn -bloed op den zoon overging, en daardoor een stam van edelen gevormd -werd, waarop het niet te hoogmoedig is trotsch te zijn. - -Of wat dunkt u? Zou de hooggeborene alleen recht hebben van op zijn -afkomst te roemen? en zou geen stamboom waarde hebben, die niet door -den Raad van adel erkend is? Ik kan het niet toegeven. Indien wij -onsterfelijke menschen zijn—en dat zijn wij immers, Hoogwelgeboren -Heeren?—dan moet het ten minste niet minder groot zijn te kunnen -zeggen: ik ben de telg van een vroom geslacht! dan: Ik ben de loot van -een adelijken stam! Of hoe? indien het zoo veel zegt, uit een stamvader -te zijn afgedaald, die door een aangestelden koning edel verklaard is, -zou het dan niets zeggen, tot den adel te behooren, die door den Koning -der koningen, den Koning van eeuwigheid tot eeuwigheid, erkend wordt? -Indien men het zoo hoog schat den krans op zijn wapen te zien drukken, -die een Vorst in het uur der zegepraal daarop geplaatst heeft, zou het -dan niets beteekenen, of de kroon eens hoogeren triomfs door zijn -geslacht is weggedragen? Is het dan alles, zijn familienaam geboekt te -zien op registers, die vergaan kunnen, en niets, te weten, dat de naam, -dien men draagt, geen vreemde klank is voor het oor des Engels, die -„het boeck des levens des lams” houdt! En wanneer men er zich bij de -menschen op laat voorstaan: hebt eerbied voor mij om mijner vaderen -wille! zou men het onverschillig achten, dat men zich bij den -Allerhoogste op zijn vrome vaderen beroepen kan, en met Salomo alle -dingen bidden „om uwes knechts, mijnes Vaders wille?” Voorwaar om dit -te beweren, moet men een uil of een ezel in zijn wapen voeren. Of zegt, -is er dan niets dan het verledene? is er dan ook geen toekomst? en wat -zeggen dan uw vijf-, zes-, zevenhonderd jaren achterwaarts, tegen de -even zoo vele millioenen jaren voorwaarts, als er levens en bloeiens -aan het geslacht des vromen, boven het geslacht des edelen als -zoodanig, zijn toegezegd? O, het is iets schoons: de vrome Edelman! de -palm des Hemels boven den lauwer der aarde! de man, die met den voet -aan de menschen en met het hoofd aan den Heer raakt! de Edele, die als -gelijke de eene hand aan koningen, en de andere aan Engelen reikt! de -gelukkige, wiens naam de verloopen eeuwen aan de nimmer eindigende -eeuwigheid overleveren! Maar wie tot een stam behoort, bij welken de -deugd alleen in de wapenleus woont; die in het ridderlijk kleed een -slavenhart omdraagt; die van zijn wapenbord een dekschild van zijn -schande maakt; die het kruis des Ridders van de schouderen scheurt om -het met de Riddersporen aan flarden te rijten—hem zij gezegd, dat hij -behoort tot een stam die zal uitsterven. Wèl mag hij de oudheid van -zijn geslacht verheffen, als hij bedenkt, dat het zijn leeftijd in -weinig eeuwen zal hebben afgeleefd. O, wanneer alle graven zullen -openspringen; marmeren graven en zandgraven; graven met ridderwapens en -graven zonder titel; graven met een kroon en graven met een kruis -gedekt; hoe vreemd zullen ze opzien, die daaruit verrijzen zullen, -nadat de volgende eeuwen des aardrijks er over zijn heen gevloden! Als -zoo menige Edele vinden zal, dat de tijd zijn wapenschild gebroken, en -het oordel zijn naam van de lijst der Edelen heeft uitgeschrapt; als -zoo menige onedele zien zal, dat de eeuwigheid zijn naam bewaard, en de -vergelding zijn naam geadeld heeft; als het vonnis des eeuwigen levens -of des eeuwigen doods zal worden uitgesproken! - -Zoo wil ik dan mijn stamboom met geen anderen ruilen. Hij is voor mij, -even zoo goed als voor den Edelman, een stem van vermaning om mijn -vaderen in hun graf door de navolging hunner deugden te vereeren. En o! -hoe luid die stem tot mij spreekt. Wanneer ik dit blad opsla, en mijn -oog over al die namen dwaalt, bij de menschen vergeten, maar bekend bij -God, dan is het mij of ik mij door een wolk van getuigen omringd zie, -die mij opwekken en aanvuren om de loopbane te loopen, die mij is -voorgesteld. Welk een achtbare kring van toeschouwers! Nooit streed de -kampvechter in het Olympisch worstelperk, waar zich de bloem van -Griekenland vereenigde, voor het oog van een edeler schare! En dan dat -gezicht van al die leuzen der zege boven hunne namen opgehangen: In den -Heer ontslapen—In vrede heengegaan—Tot zijn vaderen verzameld—hoe -blinken ze mij in de oogen! O, zoo men het wel eens betreurd heeft, dat -de krans der overwinning, die den Christenstrijder bij het bereiken van -den eindpaal wordt toegewezen, hem eerst op het hoofd geplaatst wordt, -als hij de tente der ruste is binnengegaan, waarvoor het -ondoordringbaar gordijn des doods hangt, dan is het toch iets, zoo vele -namen te zien, waaraan de hand der achterblijvenden, met volle -vertrouwen op de goedertierenheid des „Rechtveerdigen Rechters”, den -lauwer der overwinning gehecht heeft. En wanneer dan deze namen, met -zulk een hemelsche glorie omschenen, op ons hoofd zijn afgedaald, zou -men zich dan niet aangespoord gevoelen om rein te houden, wat men -zuiver ontving, en, zoo veel men kan, in zijn deugd, als in een -helderen waterspiegel, de ster te weêrkaatsen, waarvan de wedergade aan -den hemel blinkt? - -Van wedergade gesproken, het is een weêrgaloos lastig ding, dat ik zoo -verslingerd schijn te wezen op vergelijkingen. Dat komt van die -ongeregelde verbeelding! Eens voor altijd vraag ik er hierbij -verschooning voor. En als ik een verzoek doen mocht, zou ik wel willen -vragen, dat de Recensenten, bij hun aanmerkingen, vooral tegen dit -gebrek mogen te veld trekken; want het lijkt wel, dat mijn eigen -overtuiging niet bij machte is mij van dit zwak af te brengen. En het -is mijn spreuk: die niet hooren wil moet voelen. Dit in parenthesi, zoo -als mijn Rector placht te zeggen. - -Zie hem daar liggen, mijn ouden, deftigen Staten-Bijbel! O, ik zie hem -zoo gaarne in dit kleed! Dat folio-formaat, die zware donkere omslag, -die groote koperen sloten, hebben voor mijn gevoel iets eigenaardigs. -Ik vind het zoo goed, dat men het den Bijbel terstond kan aanzien, dat -het geen gewoon boek is. Gij gevoelt dus, dat ik met al die -miniatuur-uitgaafjes niet veel op heb. Ik moet bekennen, aardig zijn -ze, hondjes van Bijbeltjes, gelijk ik wel eens heb hooren zeggen, en -gemakkelijk ook. Ik heb Engelsche diamond editions gezien, waarvan men -er vijftig te gelijk in den rokzak kon steken. Maar toch willen ze mij -niet recht bevallen. Ik weet wel, Mejufvrouw! het doet er niets toe, of -UEd. met een 8° of 32° naar de kerk gaat, als uw mooie oogen de letters -maar lezen kunnen. En als UEd. iets van den zang verstaat, komt het er -niet op aan, al zijn in uw klein gezangboekje bij de meeste coupletten -de muzieknoten weggelaten. Maar toch, er is voor mijn gevoel in die -dwergjes van Bijbels iets ergerlijks. Het is voor mij—vergeef mij—of -men den Bijbel wil wegsteken. Zie, ik vind er iets eerwaardigs in, als -ik op den dag des Heeren een Dame van den ouderwetschen stempel naar -Gods huis zie opgaan met een grooten Bijbel met sloten in de hand, die -zij, even als een soldaat zijn geweer, fier tegen den linker boezem -draagt. Men ziet het haar ten minste aan, dat zij naar Gods huis gaat, -en eerbied genoeg heeft voor Zijn woord om het openlijk ten toon te -dragen. Maar UEd. drentelt daarheen, zonder dat men merken kan of UEd. -gaat bidden of rijden. En als UEd. uit de kerk een visite bij uw -vriendin Angelique gaat maken, moet uw Bijbeltje al juist te gelijk met -uw flacon uit uw zakdoek vallen, of niemand zou weten, dat UEd. den -zondag gevierd had. Nog eens; ik weet wel, dat men den schat des -Evangelies zoo wel in een schildpadden, als in een bordpapieren vat kan -bewaren; ik weet wel, dat het Onze Vader, met calligraphische kunst op -den omtrek van een stuivertje geschreven, even zoo wel het -allervolmaaktste gebed is als het onze Vader in de Groote kerk, met -vingerlange Gothische letters, op het houten schild tegenover uw bank -geschilderd. Maar toch, zoo lang ik niet zie, dat UEd. uw mantille over -de agrafe haalt, die uw collier sluit, of uw versierde vingers in -onopengewerkte handschoenen verbergt, zal ik er tegen blijven morren, -dat gij u met een Bijbeltje behelpt, dat uw naaste buurvrouw nauwelijks -zien kan. - -Ja, ware het, dat men er zulke kleine Bijbeltjes op nahield, om er een -vademecum van te maken en ze overal bij de hand te hebben; ware het, -dat men nu ook den inhoud niet alleen gemakkelijker in de hand, maar -ook beter in het hoofd hield dan onze vaderen; dan mocht ik er vrede -meê hebben. Maar wees oprecht en antwoord: is het wel zoo? is het niet -veeleer waar, dat het schijnt als of met den Bijbel ook de hersens -gekrompen zijn? Want zie, al was hun Bijbel nog zoo groot en -omslachtig, onze voorouders schenen er niet tegen op te zien hem in het -hoofd te brengen; zoodat velen hunner in een hooger zin dan de oude -wijsgeer zeggen konden: Omnia mea mecum porto. Maar bij vele onzer -tegenwoordige jonge menschen, al kunnen zij hun Bijbel omtrent -wegblazen, er schijnt maar geen aanleeren aan te zijn. Hoor den Dominé -den tekst eens aflezen, en let dan eens op, hoeveel dametjes in dat -kleine, kleine boekje niet eens den weg weten, maar in die korte -paadjes nog verdwalen. O, ik heb wel eens gevreesd dat die Bibliola het -symbolum van een leelijk ding waren: van een soort van -miniatuur-godsdienst, naar de mode dezer dagen verknipt en versneden, -die men overal met zich kan nemen, zonder dat zij ooit hindert; ja, -waarvan men niets merken zou, als zij niet tusschen beide, bij het een -of ander ongelukje, uit haar schuilhoek te voorschijn kwam. Maar foei, -ik wil mij liever gewennen, tegen zulke zwaarmoedige gedachten op mijn -hoede te wezen; ik geloof dat zij Hem, wiens zaak ik er door meen voor -te staan, meer oneer, dan eere aandoen. Indedaad! als ik maar alleen -aan de dagen terug denk, toen slechts weinige vergankelijke bladen de -woorden des eeuwigens levens bewaarden.—broze planken met den schat der -wereld bezwaard!—dan vind ik mijzelven kleinhartig en ondankbaar, dat -ik, om de uitwendige inkorting van het wetboek, terstond aan een -inperking van het rijk denk, door van kleine bijbels tot kleine -Christenen, en van kleine Christenen tot een klein Christendom te -besluiten! - -Zie mij daar mooi van den tekst afgedwaald. Nu, ik sta ook op geen -katheder, en heb mijn verdeeling niet van te voren opgegeven. Als het -waar is, wat Bilderdijk zegt, dat in elken schrijfstijl de overgangen -het moeielijkst zijn, ik zal zoo vrij zijn over die moeilijkheden heen -te springen, door geen overgang in het geheel te maken. - -Om dan weêr tot mijn register terug te keeren; hoeveel en velerlei -gewaarwordingen rijzen er bij mij op, als ik het aanzie. Ziedaar de -geschiedenis van geheele geslachten in een klein bestek saamgevat. Wat -er buiten dat met hen gebeurde, is nauwlijks der vermelding waardig. -Hier vind ik de aanteekening van hun intrede in de wereld, van de -vader- en moedervreugde door hen gesmaakt, van de vader- en moedersmart -door hen geleden, en van de wijze huns ontslapens. Alles saamgenomen, -niet veel meer dan het bericht des ouden Geschiedschrijvers: Henoch dan -wandelde met Godt, en Godt nam hem wech. Maar waarom meer? Voor hen, op -wie naderhand deze Bijbel zou overgaan, was dit weinige genoeg. Want -dit alleen was van voortdurend belang; het overige rust met hun stof -onder hunne zerken. - -Op welk een waardige wijze heeft mijn Oudvader dit register ingewijd en -geopend! Solo deo gloria staat met groote letters bovenaan. Daaronder -vindt gij de woorden van Josua: Aengaende my en de myn huys, wy sullen -den Heere dienen. Vervolgens zijn naam. - -Aengaende my ende myn huys, wy sullen den Heere dienen. Welk een -plechtige verbintenis voor hem en de zijnen! Zeker stelde hij zich -daarbij zijn nakomelingschap voor den geest, in wiens handen deze -Bijbel komen zou. Zij zouden het daar lezen, wat hun Stamvader voor hen -aan den Heer had toegezegd. Aan hen was het nakomen dier verbintenis -opgedragen. Zij moesten nu weten, of zij dezen altaar der getuigenis -wilden omwerpen, of daarop den eed huns vaders herhalen! Zij moesten -het weten, of zij de assche des mans door hun afval in zijn graf -ontrusten, of door hun getrouwheid daarop een eerzuil stichten wilden. -Hij had het zijne gedaan. Hij liet het overige aan hun verantwoording -over. O, wie weet, hoe menigeen, die de handen reeds tot het kwade had -uitgestrekt, ze gebonden heeft gevoeld door die gelofte: Aengaende my -ende myn huys, wy zullen den Heere dienen? - -Hoe het zij, niet alleen het onderschrift bij den naam des mans -geplaatst: in den Heere ontslapen; maar zoo vele andere soortgelijke -onderschriften, bij de namen zijner afstammelingen gevoegd, bewijzen -dat dit woord niet ter aarde gevallen is. En de vrome man kan met -vroolijk vertrouwen met zijn talrijke nakomelingschap, zich voor het -aangezicht des Allerhoogsten scharen en op hen wijzen: Aangaande mij en -mijn huis, wij hebben gezocht u te dienen! - -Maar al klinken die getuigenissen nog zoo vriendelijk en uitlokkend: In -vrede heen gegaan—Zalig verscheiden—In hope ontslapen; het is toch ook -aandoenlijk te bedenken, hoe veel smart er in deze woorden ligt -opgesloten. O, hoe menige traan zal daarop gevallen zijn! Mijn oude -Bijbel! Indien alle Bijbels veel smarte zien, en de vertrouwden van -veel lijden zijn, gij vooral zijt de getuige van veel rouw geweest. Hoe -menig verscheurd vaderhart zal, over u heengebogen, zijn jammer hebben -uitgekreten, terwijl de hand het woord des doods onder den naam van een -geliefd kind schreef! hoe menige bedroefde wees zal de pen aan de -vingers hebben voelen ontvallen, die op dit blad het bitterste -oogenblik zijns levens aanteekenden! hoe menig treurende echtgenoot zal -als met zijn hartebloed die wreede letteren geschreven hebben, waarmede -hij hier de grootste ramp zijns levens boekte! O, gij zijt als een -geliefd grafteeken, lauw van zuchten, en nat van tranen! - -Treffend is het te zien, hoe verschillend zich de smart hier heeft -uitgedrukt; want de meesten hebben bij hunne eenvoudige berichten uit -hun leven een enkel woord uit hun hart gevoegd. Bij het eene lees ik -kalme berusting: De Heere heeft gegeven, ende de Heere heeft genomen, -de naem des Heeren zij gelooft. Bij den anderen meer dan berusting, -dankbare goedkeuring van Gods beschikking: Nu laat gij, Heere, uwen -dienstknecht gaen in vrede, na uw woort. Bij sommigen weder diepe -droefheid: Ick zal rouwbedryvende tot mynen sone in ’t graf nederdalen. -Bij anderen eindelijk hartstochtelijke smart: Och dat ick, ick, voor u -ghestorven ware, Absalon, myn sone, myn sone! - -Maar o, hoe hartverheffend daarbij te bedenken: voor die allen heeft -deze Bijbel troost gehad. Dat vertrouwen van hun smart aan zijn bladen, -het was als het vluchten van een kind tot zijn moeder, om in haar -boezem zijn leed uit te storten. Neen, die Bijbel nam die wreede -letters niet aan, even als de grafsteen, waarop het harde en kille -woord dood nog harder en kouder schijnt; maar hij nam ze in zijn weeke -borst op, om ze met zachte en warme woorden van troost te beantwoorden. -Niemand ging ledig van hier; voor iedereen had hij een bemoediging naar -zijn behoefte; voor den eenen viel dit, voor den anderen dat zijner -bladen open, maar voor ieder juist hetgeen hem meest noodig was. Het -was of een Engel naast hen stond en de bladen opsloeg! O! als ik dat -bedenk, valt mijn oog met onuitsprekelijke liefde op u, Hemelsch woord -der vertroosting! Nu, dan wil ik u ook als zoodanig in eere houden. En, -ontvang mijn gelofte! als er kwade dagen komen, gij zult de eerste -zijn, tot wien ik mijne toevlucht neem. Ik zal tot u komen en u -toeroepen: Gij hebt den vader vertroost: vertroost ook den zoon! - -Maar als met zoo veel roode letters onder de zwarte, hoe vele vroolijke -berichten staan hier niet opgeteekend! Ik kan ze nauwelijks tellen! -hoeveel zalige huwelijksvereenigingen! hoe veel van God afgebeden -kinderen! hoe veel vroolijke en heugelijke feestdagen! - -Zalige huwelijksvereenigingen! O, mij dunkt, ik zie den bruidegom, -zooals hij uit het heiligdom des Heeren weêrgekeerd, zijn blozende -bruid terstond naar dezen Bijbel voert, om haar in het familieregister -op te teekenen. Ik zie ze daar beide staan met die wolk van ernst, half -als een weggeslagen sluier over het blosje der vreugde gespreid; met -dat drijvende oog, beurtelings opgeheven en op elkander geslagen; met -die mengeling van vroolijkheid en weemoed in hun geheele houding. Met -vingers tintelende van ongeduld schrijft de gelukkige man hun beider -namen naast elkander, onder de namen zijner ouderen. Zie, men kan het -de letters nog aanzien, hoe zijn hand daarbij gebeefd heeft! straks -werpt hij de pen van zich, en slaat zijn armen om de geliefde vrouw, -die hij alsnu plechtig onder de bescherming van zijn huisgoden heeft -geplaatst. En nu, nu zie ik ze beide de kniën bij den Bijbel -nederbuigen, en zich daar voornemen: - - - Niet waar? Wy zullen op ons pad - Gedurig samen nederknielen, - En brengen ’t offer onzer zielen, - Wien onze kindschheid vroeg aanbad; - Wij zullen samen, alle dagen, - Dat boek ontsluiten van den Heer, - Ons laven aan zijn liefdeleer, - En om zijn Hemelsch manna vragen. - Wy zullen, Dierbaarste! iedre smart, - Die bittre tranen vergt of zuchten, - Bij ’s Heeren troostrijk woord ontvluchten; - En, met den Bijbel aan ons hart, - Ten laatste ook den Dood niet duchten, - Wiens prikkel weggenomen werd. - - -Dat was toch treffender en stichtelijker, dunkt mij, dan de gewoonte -van heden om zoo spoedig mogelijk met den ontvangen huwelijkszegen op -den loop te gaan. Foei, ik kan mij met die leelijke mode nog maar niet -verzoenen. Nauwelijks zijn de handen van het bruidspaar ineen gelegd, -of de reiskoets eischt ze op. Ter nauwernood wordt aan de bruid de tijd -gelaten om, aan de voeten van haar ouders gezonken, hun zegen over haar -hoofd af te smeeken. O, hoe wordt de arme het vertrek uit het ouderlijk -huis verzwaard. Zij mag van zooveel dierbare herinneringen niet eens -plechtig afscheid nemen. Zij heeft nog zooveel geliefde plekjes te -begroeten, nog zooveel geliefde voorwerpen vaarwel te zeggen.... -Mevrouw, het rijtuig wacht!—Zij heeft behoefte, nog eens bij haar -maagdelijk leger, waarvoor ze zoo dikwijls nederknielde, de kniën te -buigen om haar lot aan den Leidsman harer kindsheid aan te bevelen.... -Zijt gij gereed?—Zij moet een lieven broeder, een trouwe zuster -verlaten, en heeft hun nog zooveel te zeggen.... Komt gij haast?—Daar -in de verte staan hare speelnooten, de vriendinnen harer jeugd, die zij -nog geen enkel woord heeft kunnen toespreken.... Kom dan toch!—Alles -achter haar, alles rondom haar roept haar toe: Blijf! Maar de stem -haars bruidegoms, nu haar meester, gebiedt haar: Ga! en zij brengt de -liefde des kinds aan de liefde der bruid ten offer! een voorteeken van -de bestemming die haar wacht. O, ik weet het, zij doet het, zij doet -het gaarne; zij heeft den man, die haar opeischt, lief, liever dan de -betrekkingen, die haar willen terughouden. Het is voor haar niet alleen -een plicht, het is voor haar een geluk, wat haar is opgelegd: vader en -moeder te verlaten om alleen haren man aan te hangen; zij is er ook -verre af zijn recht te betwisten. Maar ik vraag alleen voor haar: is -het vriendelijk, dat recht terstond zoo hard te doen gelden? - -En al ware het, Mijnheer! dat uw bruid uw verkiezing deelde, ik blijf -zeggen, dat het een ongelukkige gewoonte is! - -Een kat, die een stuk vleesch van tafel gestolen heeft, en met haar -buit in den bek over de daken vliegt, tot zij een veilig hoekje vindt, -waar zij in vrede haar roof genieten kan: ziedaar, met uw verlof, het -bevallige beeld van den hedendaagschen bruidegom. Vroeger schaakten de -minnaars hun liefje vóór het huwelijk; het heeft er veel van, of zij ze -nu na het huwelijk schaken. Niemand die de jonggetrouwden, hals over -kop, als twee gekoppelde doggen, zonder stilstaan of omzien, den -huwelijksweg ziet ophollen, zou, naar ’t uiterlijk te oordeelen, kunnen -gelooven, dat hun verbindtenis waarlijk „met goedkeuring van -wederzijdsche ouders” gesloten is. Is het wonder dat de liefde van -menig echtpaar het zoo kort uithoudt, daar zij begint met zich buiten -adem te loopen? In waarheid, men doet veeleer, of het huwelijksgeluk -een schat is, door den Draak van den Drachenfelz of den Berggeest van -het Zevengebergte bewaakt, uit wiens klauwen men het moet gaan halen, -dan of het een gouden kleinood ware, dat, even als in de -kindersprookjes, in den grond onder den huiselijken haard verborgen -ligt, en door den ooievaar, die op het dak nestelt, bewaard wordt. O, -ik weet wel, dat de eerste oogenblikken, waarin twee gelieven elkander -voor het eerst geheel de hunne noemen, altijd overgelukkig zijn. Maar -gij zult mij toch vergunnen het er voor te houden, dat er voor dat -geluk een beter tooneel is, dan een reiskales op den straatweg. „Zoo -zijt gij dan geheel de mijne! Ik ken geen grenzen voor mijn -geluk!”—„Een tolhek, Mijnheer!”—„Ik gevoel mijzelven niet! Ik weet niet -waar ik ben!”—„Halfweg! hier krijgen de paarden water.”—„Een hemel van -... hots hots—(hier is het gelukkige paar op een opgebroken straatweg,) -van zaligheid ... hots-hots ... druk ik in u ... hots-hots ... aan mijn -... hots-hots ... hart!” Was het dan niet beter, stilletjes te huis te -blijven, en daar, in de vredige schaduw der ouderlijke liefde en onder -het stralend licht der ouderlijke vreugde, de eerstelingen van een -geluk te genieten, dat, zoo het een waarachtig geluk zijn zal, een stil -geluk zal moeten wezen? - -En al ware de huwelijksreize van de zijde van het jonge paar goed te -maken, van den kant der nablijvende betrekkingen zal er zich altijd een -stem tegen blijven verheffen. Waarlijk, de jonggehuwden vergrijpen zich -hoogelijk aan den zoeten plicht van anderen in zijn vreugde te laten -deelen. Begrijpen zij dan niet, hoe zalig het voor hun vader zou -geweest zijn, hun verliefde dronkenschap te bespieden? welk een -verrukking hun moeder in den aanblik hunner wederzijdsche teederheid -zou geschept hebben? Weten ze dan niet, welk een aangenaam, vroolijk -hartverheffend schouwspel voor ieder goed hart het gezicht van een -gelukkig bruidspaar is? Waarlijk, wat zij ons nu ontnemen, kunnen zij -ons nimmer teruggeven. Het huwelijksheil moge verder ongestoord blijven -ja zelfs toenemen, het vertoont zich nooit meer zoo zichtbaar en -liefelijk naar buiten! het is het openspringen van den knop des genots, -waarvan zij ons het gezicht ontrooven. Zie, hoe treurig wij -achterblijven. De laatste kus is gegeven, de laatste handdruk -gewisseld, het laatste vaarwel toegeroepen, de wuivende zakdoek -verdwenen, het geluid van het hen wegvoerende rijtuig gestorven.... wij -keeren naar binnen terug. Hoe treurig is het daar! Zijn dat zoete -vreugdetranen, feestvierende moeder, die u langs de wangen biggelen? -Neen! die tranen zijn bitter: er is smart in, de diepste smart, die des -afscheids.—Is dat een blijde glimlach, jubelende vader, die u om de -lippen speelt? Neen! het is een pijnlijke lach: er is droefheid in, de -droefheid des vaarwels.—En wij allen—wat staan wij vreemd en stijf -tegenover elkander! Overal missen wij de bruid. Sedert zij vertrokken -is, is alles van aanzien veranderd. Het groen langs de wanden schreeuwt -nu tegen ons aan; de bloemen, langs den grond voor het bruidspaar -uitgestrooid, springen ons voor het hoofd. Eindelijk komt men tot -zitten. Het is nu toch een feest; men moet het vieren. Nu ja, men viert -het ook. Men schikt zich rondom de tafel: men eet, men drinkt, men -praat, men lacht. Maar er blijft toch iets schrikkelijk ledigs over. -Bij iederen feestdronk volgen honderd zuchten de geliefde -vluchtelingen. Men staat eigenlijk in den geest veel meer achter op den -reiswagen, dan men achter de tafel zit. Ieder oogenblik breekt er een -het gesprek af: Nu zijn ze reeds hier!—Nu zijn ze daar!—Nu zullen zij -er haast wezen!—Nu zijn zij er!—Foei, het is een treurig vieren van het -blijdste feest ter wereld!—Jonge menschen! ik wensch u in uw huwelijk -zooveel vreugde als ooit door een echtpaar gesmaakt is. Maar ik zeg, -dat het kwalijk van u gedaan is, uw vreugde te beginnen met de onze te -bederven! - -Doch ik wil mij niet boos maken. Daarom wend ik het oog liever naar de -Geboorteberichten, waarvan ik zoo menige blijde aankondiging voor mij -heb. - -Vader- en moedervreugde! hoe dikwijls spraakt gij uw blijdschap in de -woorden uit, die ze hier vereeuwigen? Wie zou al het geluk kunnen -beseffen, dat daarin is uitgedrukt? Zoo iemand, zeker alleen een vader -of moeder zelve, Jonathan niet. Maar toch heb ik gevoel voor het -gevoel, dat ik niet ken, en, indien gij het mij wilt toestaan, vaders -en moeders! ik deel sympathetisch in uw geluk. Neen, ik weet niet wat -het is: zijn aanzijn verdubbeld te zien, in zijn evenbeeld te herleven, -zijn hart als in een anderen boezem te voelen kloppen, en zijn bloed in -eens anders polsen jagen; ja, een schaduw te ontwaren van het genot des -Volzaligen, die genoemd wordt: Alvader! Maar ik kan toch bevroeden, wat -het is, een lief, onnoozel schepsel te hebben, waaraan men met het -geheele hart hangt; dat u met de zoetste namen noemt; dat aan uw boezem -spelende, daarvan alle zorgen verjaagt, zooals het u dwingt alles van -uw schoot te zetten; dat uw eenzaamheid vervult en uw huis -vervroolijkt; dat aan uw verouderend hart een jonge liefde, en aan uw -stervende eerzucht een nieuw doel geeft; dat u schemerend doet -gevoelen, waarom het de naam van hetzelfde wezen is: Volzalige, -zaligmaker! Zoo zijn het dan voor mij geen doode letters, waarin ik de -uitstorting des vaderlijken gevoels in de ure des vaderzegens leze. En -wie zou ook koel kunnen blijven bij de gedachte aan zoo vele -gelukkigen, als dit blad met blijde vadertranen doorweekt hebben? Of -spreekt niet de stemme huns gejuichs nog in de vroolijke uitboezemingen -der dankbaarheid aan God, op dit papier uitgestort? Hier is het een -vader, die zijn zoon Godgeschenk noemt, want, voegt hij er bij, ik heb -hem van den Heer gekregen.—Daar is het een ander die terstond van zijn -dierbaar recht gebruik maakt, om voor zijn kind te bidden: Och dat -Ismael mochte leven voor uw aangesichte!—Ginds is het weder een ander, -die, in de vreugde zijns harten, van zijn vreugde een altaar der -getuigenis maakt om in de volgende donkere dagen ter bemoediging aan te -zien.—Ja, ik vond er trekken in, die een verhevenheid ademen, welke het -hart roert en opheft. Neem eens den zonderlingen, maar stouten inval -van den vader, die met een hard trillende van aandoening schrijft: - -Dankbaar erken ik heden van God ter leen ontvangen te hebben mijn -lieven zoon Johannes, mij bereid erkennende hem op elken oogenblik -weder af te staan. - -Met het terstond daarop volgende: - -Hier ben ick! - -van Abraham.—Neem eens de berusting eens beroofden echtgenoots, die -zijn kind duur heeft moeten koopen,—al te duur, zegt Borger,—en den -Zoon der smarte, Ben-Oni, met den Aartsvader Ben-Jamin noemt: Zoon der -rechterhand, want hij zal mij sterken.—Neem eens dien trek, die den -wijsgeer schetst, en toch ook den bekommerden vader niet verloochent, -dien ge bij mijn naam vindt: Beter is de dagh des doods, dan de dagh -dat yemand geboren wordt.—O, het zijn slechts korte woorden, die ge -hier aantreft, maar woorden vol zin en beteekenis, die een geheel -karakter, een geheel leven schetsen. En indien het waar is wat men -zegt, dat er sommige oogenblikken in het menschelijk leven zijn, -waaruit men den mensch geheel kan leeren kennen, dan zijn die korte -opschriften uit de gewichtigste uren des levens even als zoovele -familieportretten van de verschillende leden des geslachts, schoon in -die verscheidenheid allen denzelfden familietrek bewarende, en dezelfde -leus voerende: Soli deo gloria. - -En weet ge wat mede het voorrecht van zulk een Stamboom is? De -naamgeving krijgt er eenige beduidenis door. Ik moet er toch voor -uitkomen, dat het mij aan het hart gaat, dat zulk een treffend gebruik -tot zulk een nietige ceremonie geworden is. Indedaad, dat deden de -Hebreeuwen beter. Zij gaven hunnen kinderen een naam naar de hope, die -zij van hen koesterden, naar de deugd, tot wier beoefening zij ze -bovenal verplichten wilden. Zoo was het met Petrus: Ghy zyt Simon, ghy -sult genaemt worden Cephas!—Vergat gij het, Simon, in den nacht, toen -de Rots der gemeente voor het vuur der verzoeking versmolt? Dan dacht -gij er toch aan, toen gij, van uwen val opgestaan, het houten kruis uw -arduinen moed ten grondslag gaaft!—Gewis bij hen was de naam hun -gegeven - - - Een stem der leeringe, en een woord - Van wijsheid, op hun pad gehoord, - En nooit verachtloosd of vergeten; - Een andere inspraak van ’t geweten, - Een licht dat voor hun voeten gloort. - - -Bij ons! ik mag er niet aan denken. Wie denkt er aan, vader of peter, -wanneer hij zijn naam op den jonggeborene overdraagt, wat die naam -beteekent? En toch hebben de meeste van onze namen zulke schoone -beteekenissen! te schooner, wanneer zij tevens door geliefde Heiligen -gevoerd zijn! Verbeeld u eens, dat men alle Johannessen den plicht -inscherpte om het zacht en beminnelijk beeld des Apostels te dragen, -wiens naam ze voeren. Verbeeldt u, dat men alle Maria’s dien stillen, -vromen geest zocht in te boezemen, dien men onwillekeurig aan dien naam -verbindt. Mijn lieve moeder althans heeft mij wel degelijk bij mijn -Jonathans-naam een Jonathans-hart zoeken te geven; en indien het haar -niet beter gelukt is, wijt de schuld alleen aan mijn wederstrevigheid. -Maar het is zoo, dan moesten ook die nare en leelijke verminkingen en -verkortingen uit den weg. Foei, hoe ik er mij aan ergeren kan! Gij -lacht, als uw knecht den een of anderen vreemden naam mishandelt, en -gij zelf, gij misvormt den schoonen zinrijken naam van uw eigen kind -tot een leêgen, dooden klank. Waar zijt gij, onze Abrahams en -Rebecca’s, onze Johannessen en Magdalena’s, onze Petrussen en Maria’s? -Ik herken u niet in onze Brammetjes en Pietjes, Jantjes en Mietjes. - - - Pour que ton nom sonnât plus doux dans la maison, - D’un nom mélodieux nous l’avions baptisée. - - -In ernst, ik zou er boos om kunnen worden; en met Tollens willen -uitvaren: - - - Neen, dien achtbren naam mij nooit - Tot een beuzelklank verplooid! - - -Immers ontneemt gij aan uw namen alle kracht. O, Met welk een nadruk -kon mijn moeder mij toeroepen: Jonathan! Jonathan!—er lag een diepe zin -van waarschuwing in dien uitroep. Maar als ik mij nu verbeeld, dat zij -mij vermaand hadde: Joontje! Joontje! of Tannetje! Tannetje! zeker ik -geloof niet, dat die stem mij tot nu toe zou zijn bijgebleven. Maar -niet aldus in mijn geslacht. Menige uitdrukking op mijn register toont, -dat men er nog iets bij dacht, als men een kind bij den Christelijken -doop zijn Christelijken naam gaf. - -Mijn eerwaardige Stamboom? Zeker hadt gij verdiend langer in het -geslacht te blijven, welks naam gij voert, dan nu, helaas! het geval -zal zijn. Gij hadt nog met menigen telg uit onzen stam kunnen -vermeerderd worden. Maar het zal zoo niet wezen. De man, die voor u -staat is de laatste van zijn naam. In en met hem zult ook gij -uitsterven. Zeg mij, zijn er bitterder tranen, dan dit gevoel mij op -uwe bladen doet vergieten? ik geloof het niet. Anders zijn er al zeer -bittere tranen. Bereid u dus tot een spoedige rust. Nog één naam—gij -zult nooit een koeler hand op uw bladen gevoeld hebben—en alles is -voorbij!—Mijn erfgenaam heeft niets dan den dag van mijn overlijden in -te vullen. Mijn grafschrift heb ik zelve reeds bij mijn naam gevoegd: - -Beter de dagh des doodts, dan de dagh dat yemand geboren wordt! - - - - - - - - -HET PORTRET. - - -Ja, ik ben ook geportretteerd. - -Wees evenwel niet te haastig, met dadelijk aan een prachtig -schilderstuk van Hodges of Kruseman te denken. Van waar zou mij zulk -een aanmatiging komen? Immers, wat heeft de schoone kunst met mijn -onbeduidende figuur uitstaande? Ik sta er voor in, dat het op de wereld -nooit aan stalen van mijn soort ontbreken zal. Ik gevoel mij dus -volstrekt niet aan de nakomelingschap verplicht, haar een afbeelding -van mijn wezen na te laten. Hierbij komt, dat ik te veel eerbied voor -de kunst heb, om mij haar ten voorwerp op te dringen. Als ik mijn hoofd -ginds even buiten ’t raam steek en den hemel en de aarde aanzie, zie ik -wel duizend voorwerpen, die schilderachtiger zijn dan ik. Waarom zou -ik, horzel in Gods bloemengaarde, dan niet even als zij willen voorbij -gaan, zonder in beeltenis te blijven bestaan? Integendeel gaat mijn -nederige schroom hierin zoo ver, dat ik, als ik ’s zomers buiten -wandel, er bijna een gewetenszaak van maak, te dicht bij het spiegelend -water te komen, omdat het mij aan het hart gaat, als ik het op eens, in -plaats van Gods blauwen hemel en zijn lieve boomen, mijn lange magere -gestalte zie terugkaatsen. En al was ik mooier, of had ik ten minste -zulk een voorkomen als de liefhebbers van de schilderkunst, per -euphemismum, een veelbeduidenden kop noemen, eilieve! voor wien op de -wereld zou ik mij laten uitschilderen? Voor de kunstkenners misschien, -om na vijfentwintig jaren op den catalogus van hun kabinet voor te -komen onder de vereerende rubriek: - -No. 98. Een mansportret door **** en dan de naam van den bekenden -schilder des onbekenden. - -Of wel om, indien ik mij door een kladder liet afbeelden, nog eens in -effigie op een boelhuis te worden geveild: - -No. 25. Een manspersoon.—Één gulden en vijftig cents.—Niemand?—Nu, voeg -er dan deze Jufvrouw nog maar bij.—Nu, twee gulden. Wie twee gulden? -Totdat zich iemand mijner ontfermt, en mij nog na mijn dood met wie -weet welke eerzame maagd paart, om gezamenlijk als scherm voor een -tochtgat te dienen, of tot bedekking van een vuile plek op ’t behangsel -gebruikt te worden. - -Neen, iemand als ik, wiens stil sterfbed van niemands snikken -weêrgalmen zal, en wiens eenzame doodspeluw niet bevochtigd zal worden -dan door mijn eigen doodzweet, moet het er voor houden, dat de menschen -genoeg gedaan hebben, wanneer ze tot aan zijn dood toe zijn gezicht -verdragen hebben, zonder er hen nog na zijn overlijden meê te -vervolgen. Laat hem, die weet, dat er, bij het verdwijnen van ’t -origineel, naar de kopij nog menig betraand kindergezichtje zal opzien, -laat hem zijn beeldtenis in ieder vertrek aan den wand hangen. Mij -dunkt, zulk een aanzien moet de koude asch nog in het graf verwarmen. -Maar wie vooruit berekenen kan, dat zijn portret voor de nablijvenden -niets zijn zal dan doek en verf, en zich met de eer, die men deze -respective artikelen bewijst, zal moeten vergenoegen, neme liever zijn -beeld meê in ’t graf, dan aldus zichzelven te overleven. - -Ik heb mij dus niet laten portretteeren. Maar gelijk ik u begon te -zeggen, men heeft het voor mij gedaan. - -Ik was negen jaren oud, toen er een Italiaansch miniatuurschilder bij -ons kwam, die aanbood mijn ouders voor een prijsje uit te schilderen. -Geen van beide gevoelde hiertoe lust, maar in plaats daarvan, wist mijn -moeder aan vader de vergunning af te vleien, dat de man mijn -konterfeitsel maken mocht. Volgens haar getuigenis, trof de kunstenaar -mijn gelijkenis uitstekend wèl. Sedert hing het altijd op de kamer der -lieve vrouw, tusschen de silhouetten harer ouders. Na haar dood kwam -het in mijn bezit, en nu heeft het zijn vaste plaats aan den muur -tegenover mij, dicht bij mijn huisklok, zoodat ik niet op kan zien, -zonder dat mijn oog er op valt. - -Zoo ook nu. Al zoudt gij er mij om uitlachen, ik moet er recht aan -doen: het is een lief portretje. Zoowel als ik er straks voor uitkwam, -dat ik nu verre ben van een behagelijk uiterlijk te hebben, moet gij -mij vergunnen te zeggen, dat ik geen onbevallig kind moet geweest zijn. -Er rust zulk een helder waas van gezondheid op het gezichtje; er ligt -zulk een glans van onschuld over het open voorhoofd; er schittert zulk -een „blijde vonk van kindervreugd en geest” in de lachende oogen; er -schuilt zulk een lieve trek van schalkheid in de kuiltjes op de beide -wangen; en bovenal heeft het geheel zulk een voorkomen van kinderlijke -onnoozelheid, dat ik niet nalaten kan er meê ingenomen te zijn. Ik zie -het nooit, of ik denk aan mijn vriend Elia: „Ik stem alles, wat gij ten -laste van den man Elia opsomt, toe; maar het kind Elia, dat ander IK -daar op den achtergrond, dien knaap moet gij mij vergunnen te mogen -liefhebben.” - -Uren lang kan ik dit beeld aanzien, en mij daarbij in een gelukkig -verleden verplaatsen. - -Mijn geheugen is op dit punt zeer wakker. Het is waar, dat ik van de -herinneringen uit mijn kindsheid geen aaneengeschakeld geheel maken -kan. Nu en dan zijn er groote gapingen in, even als op een schilderij, -waarop sommige plekken zijn uitgewischt. Maar daarentegen liggen ook -andere partijen in een helder licht voor mij, zoodat het is of ik ze -nog zie. En de gedachte daaraan is voldoende, om mij op mijn kindsheid -als een hoogstgelukkigen tijd te doen terugzien. Neen, ik kan mij -hieromtrent niet met Jean Paul vereenigen, als hij de genoegens van het -kinderleven „geurlooze vergeetmijnietjes” noemt. Laat de blijdschap van -den zuigeling zoo heeten, die zelf geen vreugde heeft van de lachjes, -waardoor hij anderen verblijdt, en bij wien het gevoel van vermaak en -leed, als ik mij zoo mag uitdrukken, op het gezichtje afwisselt, zonder -bijkans het zieltje aan te doen. Maar als het kind een klein mensch -geworden is en weet begint te krijgen van genoegen of smart, dan is -kindervreugde wel waarlijk vreugde. Zeg dan niet, het heeft geen genot, -omdat het zich van zijn genot geen reden geeft. Maar geven wij er ons -dan altijd reden van? Gaan wij bij ieder genoegen neêrzitten om het te -ontleden? Als wij in het voorjaar in de open lucht komen, en het -lentewindje kust ons met zijn lauwen adem, terwijl de verkwikkelijke -zon ons streelt als de warme hand van een Odaliske, zoodat wij -daaronder „uitzetten en knoppen” van weelde en lust, zeggen wij dan -altijd tot ons zelven: Dit is nu, omdat de wind Z. Z. W. is, en de zon -op ** graden Fahrenheit staat. Of nemen wij de moeite van uit te -rekenen: omdat de zon werkt op deze spier en de wind op die zenuw, en -de spier weêr op de zenuw en de zenuw op de spier, daarom word ik dit -aangenaam gevoel gewaar?—Geven wij ons niet veeleer gedachte- en -bewusteloos toe aan het genot, dat ons tegenkomt en drukken, even als -de bloemen en vlinders, onze tevredenheid uit door de aanraking van den -koesterenden straal met een siddering van wellust te ontvangen, en den -zoelen balsem van het koeltje met open mond in te drinken? Ik voor mij -althans heb meermalen ondervonden, dat het dwaas is, met het genoegen -den wijshoofd te spelen. Wanneer ik een enkelen keer onderzoeken wou: -Waarom gevoel ik mij nu zoo wel? heb ik bemerkt, dat ons genot veel -heeft van het spel der spiegeling van een stroom, dat ophoudt, zoodra -men er aan raakt; en sedert heb ik mij gewend mijn handen t’huis te -houden en van het genoegen tot mijzelven te zeggen: Ik ben er -genoegelijk door, dus het zal wel genoegen zijn. - -Waarom zou dan ook de kindsheid geen blijde tijd mogen heeten? Hé, -Cornelis, en Willem, en Ferdinand, of wij pleizier hadden, wanneer wij, -menschen van vier voet, den vlieger, die tweemaal onze grootte had, -vierhonderd voeten hoog boven ons zagen, in de trotsche bewustheid van -den luchtreus in onze kleine knuisten te klemmen! Of het prettig was, -bij den u bekenden houtzaagmolen over de vlottenden balken te springen -met onophoudelijk gevaar van het getal der drijvende blokken met één te -vermeerderen! Of wij er vreugd van hadden, als, op onze -kinderpartijtjes, de grappige Caspar met zijn tooverlantaren kwam en -ons met het leelijke Goliathshoofd en zijn verschrikkelijk: boe! boe! -te gelijk lachen en rillen deed? Of het heerlijk was, den degen van Oom -den Burgerkapitein achter ons aan te slepen, en over de panden van zijn -afgedankten uniformrok te struikelen? Wanneer wij toen reeds in dat -geluk niet zoo gelukkig geweest waren, zou er ons zulk een diepe indruk -niet van zijn bijgebleven. Zeg mij, kleine knaap, die mij van dat doek -zoo vriendelijk toelacht, waart gij niet recht vergenoegd, toen gij -daar aan den schoot van uw moeder zat, terwijl de zwarte man u -uitteekende, en uw moeder onuitputtelijk was in allerlei grappige -verhalen, opdat gij er op de teekening recht vroolijk en beminnelijk -mocht uitzien? Immers ja; want de tevredenheid glinstert uit uw oogen, -en de blos, dien het genoegen op uw wangen ontstak, klom even zoo wel -uit uw klein hart naar boven, als het niet bij toeval is, dat thans dit -vale bleek hièr dat kleurtje dáár vervangen heeft. - -Dikwijls stond ik voor dat portret met een gevoel van benijding, dat -misschien menig uwer dwaas zal heeten. Het was, wanneer het mij -somtijds recht bang was, en ik behoefte had mijn oog op iets vroolijks -te vestigen; hoe kon mij dan het onderscheid tusschen het kind en den -man treffen! Dat gladde voorhoofdje, hoeveel rimpels heeft het -gekregen! dat vonkelend oog, welk een doffe nevel heeft den straal der -vreugde daarin uitgebluscht! die bloeiende wangen, hoe heeft de hitte -van den dag ze doen verdorren! dat lachend mondje, welk een diepe groef -heeft de smart er in gedrukt! Ik had moeite te gelooven, dat ik er ooit -zoo had uitgezien, en dan dacht ik weêr, dat wie er zoo had uitgezien -nooit zóó kon worden als ik nu!—Doch eindelijk verzoende mij die -aanblik met mijn ongeluk. En zijt gij dan geen kind geweest? vroeg ik -mijzelven. Een vroolijk, onschuldig, gelukkig kind? hebt gij niet met -de bloemen gebloeid en met de vlinders gedarteld? hebt gij u niet -moêgespeeld en wakker geslapen? hebt ge geen tijd gehad, dat alle -kommer om en voor u besloten werd in het hart, waaraan ge rusttet, en -dat ieder zijn eigen smart onder een lachje voor u verborg? Waarover -beklaagt gij u dan! Twintig jaren, kinder- en knapen- en -jongelingsvreugde, is het te veel, dat ge daarvoor in het leed des mans -een evenredige rente betaalt! O, als God het naakte wicht hulpeloos op -den kouden, harden grond nederlegde, en aldus aan de genade van het -toeval overliet; als het kind, van den dag zijner geboorte af aan, even -als het winterklokje dat uit de sneeuw opschiet, door barre winden en -scherpe hagelsteenen geteisterd werd; als de opwassende knaap zich, -gelijk een verdrukte scheut, naar boven moest werken; met één woord: -als er aan het leven een jeugd ontbrak,—dan zouden wij kunnen klagen, -dat ons onrecht gedaan was. Maar zoo is het immers niet? Voor de -intrede des menschen in de wereld is alles door de zachte hand der -liefde gereed gemaakt. Vaderarmen ontvangen, moederarmen koesteren het; - - - Haar liefde dekt het schaap nog zonder wol; - Haar teêrheid voedt het lam nog zonder weide. - - -Dan heeft het kind voor niets te zorgen, terwijl alles voor het kind -zorgt. Dan wordt de scherpe wind gebalsemd en de stekende zonnestraal -mat gemaakt; dan plaatsen zich anderen vrijwillig voor den snijdenden -tocht en onder de vallende sneeuw; dan wordt het plantje gedekt, -begoten, naar de zon gekeerd, ondersteund en opgehouden. Dan worden -alle tranen opgevangen, alle zuchten weggekust. Dan wordt ieder plek -tot een speelplaats gemaakt, ieder voorwerp tot speelgoed, en iedere -volwassene buigt zich om meê te spelen. Dan wordt voor het kind de -doorn van iederen stengel gebroken, de honing uit iedere bloem -vergaârd, het sap uit iedere vrucht gedrukt. Dan slingeren de menschen -hunne armen in elkander, om rondom het kind als ware het een Eden af te -perken, waarin het storelooze paradijsgenoegens smaakt. - -Maar wat zouden wij dan willen? Dat dit altijd zoo voortduurde? De -hemel beware ons! Wat zou er van zulke vertroetelingen worden? -Ellendige kasplantjes, die geen tiende van hun natuurlijken groei en -sterkte zouden bereiken, saplooze bladeren, weinige bloesems en niet -een enkele vrucht dragen. Neen, niet alzoo! Wij zijn kinderen opdat wij -mannen zouden worden, maar worden geen mannen, opdat wij kinderen -zouden blijven. Zijn wij zoo ver gekomen, dat wij onder het glas van -daan en in de open lucht kunnen, dan is het ook niet meer dan billijk, -dat wij met de anderen wind en koû leeren deelen. Wordt het ons -daaronder al eens bang, denken wij dan terug aan de twintig jaren dat -wij gespaard zijn geworden, aan de twintig jaren van vooruitgenoten -vergoeding, aan de twintig jaren van toerusting, die weinig vrucht -hebben gedragen, indien zij ons voor geen twintig jaren strijdens -hebben voorbereid! - -Zie, zulke gedachten pleegt het gezicht van het kind bij den man op te -wekken. En dan, in plaats van mij te verdiepen in het lijden, dat mij -drukt, verlies ik mij in de herinnering van het genoegen, dat ik -gesmaakt heb. Dan denk ik, hoe de verschooning, mij in de eerste vaag -des levens bewezen, gediend heeft om mij tot het uitstaan der -tegenwoordige beproeving te harden; dan denk ik, hoe het mij zou gegaan -zijn, indien dit leed, even als een vroege vorst, in mijn kindsheid -gevallen ware: dan denk ik, hoe ver de rampen des mans er van af zijn -tegen de vreugde van den kinderlijken leeftijd op te wegen; en onder -deze beschouwing groeit mijn moed aan; de sterke man vindt kracht in -den aanblik van het zwakke kind; de smart des volwassenen vertroost -zich met het lachje van den knaap; en mijn gevoel lost zich op in de -dankbare uitboezeming: Ja, ik ben waarlijk dezelfde; die knaap en deze -man! Was ik die knaap niet geweest, ik ware deze man niet geworden; en -was het niet om deze man te worden, ik zou die knaap niet geweest zijn. - -En wanneer ik alsdan het kind aanzie, en het mij voorstel in al zijn -onkunde en onbewustheid van zijn hoogere bestemming; de aarde aanziende -of zij altijd beneden hem, en den hemel, of hij altijd boven hem zou -blijven;—en daarbij te gelijk denk aan hetgeen er van hem worden moet: -een kind van God, een blinde voor de wereld, een doode voor de zonde, -een dagelijksch offer van zich zelven, een burger des hemels op aarde, -en eens een lotgenoot des Hoogzaligen;—dan verliest mijn oog zich in -die gaping tusschen dat wichtje vóór—en den zalige boven mij; en het -wordt mij duidelijk, dat de school, waar zulk een opvoeding voltooid -moet worden, een school van werkzame oefening en strenge tucht moet -zijn. En bij die overtuiging wordt het mij zoo helder, dat dat kind -dien speelschen lach om den mond en dien blijden straal in het oog -verliezen moest, dat ik niets natuurlijker vinde, dan dat de man, voor -het portret tredende, zich zelven niet meer herkent en er hem -ongelukkig om rekenen zou, indien het anders ware. - -Ongelukkig, indien het anders ware! O, op hoe velerlei beschikkingen in -mijn lot kan ik dit toepassen. Zeker, als ik op dit kind zie, voel ik -mij overstelpt van dankbaarheid bij de gedachte aan zoo vele leidingen -Gods, als gestrekt hebben om het te bewaren van immer geheel uit den -staat des kinds uit te vallen. Al denk ik alleen aan de lieve moeder, -van wie deze beeltenis afkomstig is. De lieve moeder! Nooit werd die -naam met meer recht door een vrouw gedragen, nooit haar met meer liefde -door een kind gegeven. Niet alleen omdat zij de weldoenster mijner -kindsheid was, die van haar armen mijn wieg, en van haar boezem mijn -peluw maakte; die mij ’s avonds met haar liederen in slaap zong, en mij -’s morgens met haar omhelzingen weêr wakker kuste; wier bijzijn in den -vollen zin des woords mijn leven, wier schoot mijn hemel was. Maar veel -meer, omdat zij evenzeer de geleigeest van mijn onnoozelheid, als de -beschermengel van mijn zwakheid was. Niet alleen met de melk harer -borsten, ook met de melk haars harten, met al wat er ooit zachtst, -mildst en teederst in een vrouwenziel was, voedde zij mij op. Zoo -boezemde zij mij reeds vroeg het gevoel eener groote liefde in; indien -mijn hart geen bekrompen hart is, maar in zijn genegenheid meerderen -omvat, dan mijn armen omvademen kunnen, ik dank het haar, die mij als -van mijn geboorte dien geest van liefde heeft ingeademd. O, het is zoo -gelukkig, als de moeder begint met het geheele hart des kinds in te -nemen. Dan is er reeds dadelijk een plaats vervuld, waar zich anders al -spoedig het gevoel van eigenbaat indringt. Maar is eens de kiem der -liefde in het weeke gemoed gevallen, dan groeit die met het wicht op, -slaat haar vezels in zijn zenuwen en voedt zich met zijn bloed. Dan zet -zij zich uit naarmate de borst ruimer wordt, en ofschoon het -opschietend onkruid haar begint te drukken, zij blijft in het hart -geworteld. Zalig dus, wie als kind van zijn moeder liefde leert: hij -leert spelende, wat de eerste plichten zijn zullen; hij neemt als een -lust op, wat hij later als een last zal moeten dragen; hij wordt door -de liefde tot ééne voor de liefde tot allen gevormd; en de armen, die -nu nu den boezem omklemmen welke hem voedt, worden gewend om eens een -ruimeren kring te omvatten, zooals het klimop, dat begint met zich om -de scheut te slingeren, zich later van zelve met den zich uitzettenden -stam uitbreidt. O, toenmaals wist ik niet beter, of ik had mijn moeder -lief als mijn moeder en zij mij als haar kind; maar toen ik later -gevoelde, dat wij hier niet enkel moeder en kind geweest waren, maar -dat haar liefde te gelijk tot opleiding voor den mensch, tot vorming -voor den Christen gediend had, toen zag ik eerst recht in, welk een -geschenk van Gods vaderliefde deze moederliefde voor mij geweest is! - -Ik kan van dit onderwerp nog niet scheiden. Wie een lieve moeder te -gedenken heeft, zal er mij niet hard over vallen. - -Toen de doos van Pandora openging, stroomden daaruit allerlei rampen, -maar de hoop bleef op den bodem liggen. Toen het hart der menschen zich -voor de zonde opende, verlieten allerlei deugden het menschelijk hart, -maar het geweten bleef op den grond achter. Maar dit geweten, hoeveel -hangt er van af, hoe het behandeld wordt? - -Hier is het een koppige goudvink, die op het eene oogenblik tot geen -zingen te krijgen is, en dan weêr op eens zoo begint door te slaan, dat -men niet weet, hoe hem tot stilte te brengen. Daar is het een lijster, -die alleen helder fluit, als het slecht weêr is. Daar is het een -kwaadaardige uil, die het licht schuwt, maar den ganschen nacht zit te -krassen dat men niet slapen kan. Daar is het een haan, die, even als -voor Petrus, niet kraait, dan als het te laat is. Daar eindelijk is het -een nachtegaal, welken men hoort zoodra men in den eenzaamheid en in -het donker komt, en wiens gezang den nacht vervroolijkt. - -Behoort het geweten dan tot geen vast ras van vogels? Zeker wel. -Oorspronkelijk behooren alle species er van tot het -nachtegalen-geslacht. Maar de verschillende wijze van opkweeking en -behandeling is de oorzaak van die ontaarding en verbastering. Gij ziet -dus van hoeveel belang het is voor het uwe te zorgen, eer gij van uw -nachtegaal een uil maakt. - -Mijn lieve moeder was een uitmuntende opvoedster van het mijne. Zij -liet het niet enkel aan de natuur over het te leeren zingen, maar hielp -het een weinig op den weg, zoo als men de kanaries met een -kanarieorgeltje, of de eksters met voorpraten doet. Van daar verhief -het zijn stemmetje al vroeg: toen ik nog maar een kind was, kon het ’s -avonds, als ik in mijn bedje kwam, reeds neuriën en kneuteren dat het -een aard had. - -Gelukkige die ik was! Hoe vele zijn er, die nooit zoo diep zouden -gevallen zijn, indien men, even als mijn moeder, hun geweten meer als -een afzonderlijke faculteit van de ziel had aangemerkt, die mede kon en -moest ontwikkeld worden; indien men hen als kind een vreemde taal -minder had laten leeren, en hen in plaats daarvan geleerd had de stem -in den boezem beter te verstaan.—Toen mijn geweten nog onmondig was, -nam mijn moeder de voogdij er over op zich. Voor niets was zij -ongeruster, dan dat het zijn natuurlijke teederheid verliezen zou. -Wetende dat het, als een speeltuig, helderder klinkt, naarmate het -reiner wordt gehouden, was zij er altijd op uit om voor zijn zuiverheid -te waken. Het moest, dacht zij, even als een windharp, zelfs al ging er -maar een tochtje over, trillen en geluid van zich geven. Later gewende -zij mij, de zorg er voor allengskens over te nemen. Ook had het toen -reeds een vastheid en sterkte van stem gekregen, die maakte dat ik het -niet licht meer van de wijs had kunnen brengen, al had ik gewild. - -En toch, dankbaar erken ik, hoe veel ik ook toen nog aan haar verplicht -bleef. Dikwijls was haar tusschenkomst machtiger, indien al niet om mij -van het kwade terug te houden, dan toch om mij tot het goede aan te -sporen, dan de stem van mijn conscientie zelve. Dit was vooral dan het -geval, wanneer eenige overtreding mij met mijn geweten overhoop had -geholpen. Om de waarheid te zeggen, dan was die rechter mij meestal te -streng; althans hij schrikte mij evenzeer af, als hij mij uitlokte om -de hand ter verzoening te reiken. Dit ging veel beter door hare -tusschenkomst. Zij was, even als Gods woord, veel zachter dan mijn -conscientie. Zij maakte mij de belijdenis zoo gemakkelijk; zij was zoo -liefderijk in haar bestraffing; zij schonk zulk een volkomen -vergiffenis! Nooit stroomden mijn tranen lichter dan aan haar boezem, -en nooit werden zij eerder afgedroogd. En hoe zij zulk een oogenblik -wist te heiligen door, naar Borgers uitdrukking, den boetvaardige op te -beuren, maar op te beuren tot God in den hemel; hoe zij, als ze mij -vergiffenis geschonken had, mij aan de voeten des hemelschen Vaders -voerde, opdat ik die vergiffenis ook van Hem zou afsmeeken! Hoe zij -aldus van de weekheid mijns harten gebruik maakte om er het teeken des -kruises dieper in te drukken! O, gij kleine knaap, indien de zonde van -dit voorhoofdje het zegel des doops nooit geheel heeft kunnen -wegwisschen, en, hoop ik, het verder ongeschonden zal moeten laten, -dank er haar voor, die het eens onder de vonte hief! - -Ja, daarheen droeg zij mij, maar niet gelijk zoo velen, uit -gehoorzaamheid aan een maatschappelijke wet, omtrent gelijkstaande met -de inschrijving des jonggeborenen op de registers van den Burgerlijken -stand. Niet alleen haar hoofd, haar geheele hart boog zich op de vrage -of zij beloofde, „dit kind, als het tot sijn verstand sou gekomen zijn, -in de voorseyde leer na haer vermogen te onderwijsen.” Aan niemand -stond zij de zoete taak af, mij het eerst den heiligen Vadernaam te -leeren stamelen. Weet gij wat dit zegt? Ik voor mij ken onder alle -zegeningen, waarmede God de wieg eens kinds omringen kan, geen -grootere, dan een vrome moeder. Moeders zijn de ware kinder-apostelen! -Niet alleen, omdat haar stem lichter en dieper in het hart van haar -kroost dringt; maar, ook, omdat vrouwelijk geloof en kinderlijk geloof -zulk een nauwe verwantschap met elkander hebben. Op den zinnelijken -knaap werkt het gemoedelijke, dat in den godsdienst der vrouwen den -boventoon voert, veel sterker en gelukkiger, dan het meer -verstandelijke, dat het heerschende kenmerk van de overtuiging des mans -uitmaakt. Zoo ging het mij althans bij mijn moeder. Zeker is het beeld -van den Heiligste onder de menschenkinderen altijd allerbeminnelijkst, -welke (vrome) hand het ook schetse: niet anders dan alle -Christusbeelden hetzelfde karakter van grootheid en liefderijkheid -ademen. Maar zooals evenwel de Christus van Rafael hemelscher is, dan -de Hemelsche op de tafereelen van Correggio of Da Vinci, vond ik den -Zaligmaker nooit beminnelijker, dan in de voorstelling van mijn lieve -moeder. Nooit heb ik hem beter—hoe zal ik zeggen?—gezien, nooit stond -hij mij aanschouwelijker voor oogen, dan zooals zij hem mij deed -aanschouwen. Gelijk een portret naar het leven gemaald verschilt van de -afbeelding op een doode genomen, verschilde haar teekening van den -Eenige van die van anderen. Men kon zien, dat haar hart het penseel -bestuurde. Die verheven gedachte van haar lievelings-Apostel: Die niet -lief en heeft, die en heeft Godt niet gekent: God is liefde! Liefde is -als het orgaan, waardoor men God leert kennen en -aanschouwen!—bevestigde zich in haar ten aanzien van zijn beeld op -aarde. In zooverre dit van een gebrekkig menschenhart kan gezegd -worden, gold het van haar; haar liefdevol hart begreep hem! Van daar -putte zij, als zij den Heiland schilderde, niet enkel uit haar -geheugen, maar veeleer kwam zijn beeld allengskens, als een hostie uit -haar heiligdom, uit het binnenste haars harten te voorschijn. Van daar -dan ook, dat dit beeld zich diep in mijn ziel drukte—en, hoop ik, -onuitwischbaar! - -Even zoo ging het mij met haar voorstelling van het toekomende leven. -Allen verwachten wij éénen hemel; maar welk een onderscheid! Indien -ieder het denkbeeld dat hij van zijn hemel vormt, aanschouwelijk kon -maken, gij zoudt nooit gelooven, dat zij hadden voorgehad dezelfde -plaats te malen. De hemel van sommigen is somber en eenzaam; die van -anderen gebrekkig en onvolmaakt; deze schildert zich hem geheel aardsch -en zinnelijk, gene schept hem zich weder zoo bovenzinnelijk, dat hij -geen hemel voor menschen blijft. De hemel van mijn moeder was eerst -recht hemelsch! alles wat haar rijke verbeelding heerlijks, wat haar -vrome ziel reins, wat haar geloovig hart zaligs bevatte, vond zich in -de voorstelling daarvan terug. Bij haar geen onoverzienbare afstand, -die hem van de aarde scheidde; geen ondoordringbaar wolkfloers, dat hem -voor het oog verborg! Voor haar geest smolt hemel en aarde, even als -voor haar oog aan den gezichteinder, liefelijk en harmonisch ineen. En -dan dat voorkomen, waarmede zij er van sprak!—Ziet gij, ik heb allen -eerbied voor de keurige plaatsbeschrijving door menigen Eerwaarde van -het het hemelsch Jeruzalem op den kansel gegeven. Maar wanneer ik hem -daarbij onophoudelijk voor zich—zeker op de kaart van het heerlijk -gewest—zie staren, of uiterlijk zijn oog op de hoorders beneden hem zie -vestigen, zonder dat zijn blik zich ooit met een uitdrukking van -ingenomenheid of verlangen naar boven richt: hij vergeve het mij, dat -daarbij mijn gedachten niet hooger klimmen dan de vinger, dien hij -telkens opsteekt om de bedoelde streek aan te wijzen, en dat ik van het -tafereel door hem gemaald niets zie, dan den schilder. Hoe geheel -anders ging het mij onder het gehoor van dien vromen grijsaard, dien -menigeen uit deze teekening duidelijk genoeg herkennen zal, die nooit -van den hemel gewaagde dan met de uitdrukking van een zoo vroolijke -verrukking en van een zoo vertrouwelijke gemeenzaamheid, dat de meest -aardschgezinde er door geroerd werd. Op zijn gezicht, door den straal -eener hoogere vervoering verlicht, zag men als het ware den hemel -weêrkaatst, dien hij u schilderde, en beter dan de lofzang der Engelen, -waarvan hij meldde, noodigde u zijn stem, waarin het levendigst -voorgevoel klonk, naar de gewesten, waarin zijn ziel reeds scheen te -zweven!—Evenzoo ging het mij onder de gesprekken mijner moeder. Het is -waar, zij kende geen enkel dogmatisch bewijs voor de onsterfelijkheid, -en zou aan zoovele wijsgeerige hemelbestormers niets dan een -onbeschermd hart hebben kunnen tegenstellen. Maar zij geloofde aan den -hemel! en met een levend geloof, dat het onzienlijke niet droomt, maar -ziet; dat de hope niet hoopt, maar dadelijk geniet. Van daar was er in -haar voorstelling van den aanstaanden gelukstaat iets wegslepends, iets -aanstekends, dat te gelijk overtuigde en meêvoerde! en ik vond in haar -de spreuk van den vromen man, van wien ik straks sprak, bevestigd: dat -een godsdienstig mensch meer leert van geloof en godzaligheid, dan het -beste boek, dat er over geschreven kan worden.—Zeker, God heeft ze -lief, die hij door zulke liefelijke boden tot zich laat noodigen! - -En toch moet gij hieruit niet besluiten, dat zij in haar vromen ijver -zou vergeten hebben, dat ik zoowel tot een burger der aarde, als tot -een hemelburger moest gevormd worden. Ook in dit opzicht kon mijn -opvoeding in geen betere handen gevallen zijn. Niet dat ik hiermede aan -de verdiensten mijns vaders wil te kort doen. Mijn vader was -ongetwijfeld een groot en eerbiedwaardig man; nooit was er deugdzamer -hart of godvruchtiger gemoed; maar toch zou ik, van achteren beschouwd, -niet gewenscht hebben, dat het werk mijner opvoeding aan hem alleen -ware overgelaten geweest. Hij was er te koud en te steng toe. Groote -ongelukken, in zijn jeugd geleden, hadden hem ontijdig vroeg uit het -paradijs zijner idealen verdreven. Sedert had hij zichzelven beloofd, -er nooit weder een oog heen te wenden. Deze belofte hield hij trouw. -Hij bouwde zijn verwachtingen alleen op den vasten bodem der aarde, -nooit op de drijvende wolken des hemels. Hij beschouwde het leven enkel -van zijn praktische zijde: en wat er nog dichterlijks in zijn ziel -sluimerde, behoorde geheel aan een hope, die, ofschoon hooger dan de -wolken, vaster staat dan de rotsen. Zeker, ik verheug er mij over, dat -mijn vader zulk een man was. Hij hardde en smeedde het staal, dat mijn -moeder in het vuur des gevoels warm en week had gemaakt. Met zulk een -teêr hart als het mijne, wat ware er van mij geworden, als hij nu en -dan niet eens een raam van de trekkas, waarin zich mijn geest -verbroeide, geopend had. Indien zijn killer adem er niet van tijd tot -tijd als een voorbereidend nachtvorstje was overgegaan, hoe zou het -werkelijk leven als een doodende koude op mijn verwend gemoed gevallen -zijn. Doch ook aan den anderen kant, hoe zou het mij gegaan zijn, -indien ik alleen aan zijn leiding ware toevertrouwd geweest, indien -hij, in de eerste vaag mijns levens, op de beelden mijner fantasie, als -Don Quichot op de marionnetten, aangevallen ware: indien hij terstond -mijn witte vleugelen, evenals haar dat te lang is, had afgeknot, en mij -zoo gekortwiekt de wereld had ingejaagd! Neen, dan ware ik zeker niet -de mensch geworden, dien hij meende van mij te zullen maken. Hij zou -gezien hebben, dat hij zich in zijn rekening bedrogen had, door een -zomer te willen hebben zonder lente, en in den herfst over zijn dwaling -getreurd hebben. Doch hiervoor was gelukkiglijk geen vrees. Immers mijn -moeder stond aan de andere zijde naast mij: zij was het, die met -teedere bezorgdheid over de jeugd mijns harten waakte, en als een -wachtengel voor mijn paradijs stond. Wetende hoe zalig het is, als men -in zijn binnenste een wijkplaats heeft, onder wier lommer men zich -verschuilen kan, als het u daar buiten in de wereld te heet wordt, -vreesde zij voor niets meer, dan dat dat toevluchtsoord, even als bij -mijn vader, in een woestenij verkeeren mocht. Daarom daalde zij met mij -in het Elysium mijner droomen af, en doolde er met mij in rond, zeker -wel met het gevoel van een Cicerone, wien zijn wandeling verveelt, -omdat hij die reeds zoo dikwijls gedaan heeft. Maar evenwel, zij -getroostte zich dit gaarne, en staarde met mij naar de sterren aan -mijnen hemel, als of zij ze nimmer meer gezien had. Ik ben verzekerd, -dat gij, zonder misschien de grootheid van dit offer te gevoelen, er de -waarde van erkennen zult. Althans ik erken die dankbaar. Daardoor toch -is de invloed, die mijns vaders positieve richting van geest op mij -uitoefende, nuttig voor mij geweest zonder mij te schaden. Zij heeft de -veêr bedwongen, maar niet verlamd; zij heeft de snaar ontspannen, maar -niet gebroken. Ik draag nu mijn dichterlijkheid, niet als een pauw zijn -staart, die driemaal grooter is dan hij zelf, maar als een eerzame duif -haar vleugels, die zij uit kan slaan als zij wil gaan vliegen, maar die -zij onder ’t loopen zoo netjes langs haar lijf plooit, dat niemand ze -merkt.—De lezer wordt verzocht hierbij niet met het hoofd te schudden -of te lachen. Ik weet wel, dat ik in zijn gezelschap altijd vliegende -gezien word; maar dat komt juist uit: want als ik mij aan ’t schrijven -zet, is het een teeken, dat ik wil gaan vliegen. Kom over een uur, als -dit artikel af is, en gij zult zeggen, dat gij nooit bedaarder man op -twee beenen hebt zien loopen, dan den vogel zonder veêren, dien ge nu -in de lucht ziet. - -Maar, zooals ik zeide: eerst nog een oogenblik geduld! gij kunt het mij -niet ten kwade duiden, dat het mij moeilijker valt dan u, van mijn -portret te scheiden. - -Mijn portret! Laat ik het nu nog eens mogen zeggen: het is een lief, -onnoozel kinderkopje; te meer, daar ik u even oprecht bekennen zal, -dat, zoo ooit een gezicht bedrogen heeft, het dit geweest is. Neen, -lieve knaap! gij zijt niet geworden, wat gij beloofdet. Zooals ik u -daar voor mij zie, niet die kinderlijke onschuld op het gelaat, zou een -Engel u voor zijn broeder kunnen houden. Men ziet het dat open -voorhoofdje aan, dat er nog nooit een blos van schaamte op gestegen is; -men kan het aan die wangen, frisch en fleurig als een pas opengaande -roos, zien, dat er nog nooit een bijtende traan van boete langs is -gevloten; het spreekt uit dat vonkelend oog, dat het zich tot nu toe -nimmer heeft behoeven neêr te slaan; onbezoedelde reinheid ligt als een -ongerept waas over het geheele wezen verspreid. Mijn oogen dwalen af, -en slaan een blik in den spiegel er naast. Goede God! Wat is er van dit -kind geworden! Als een vergiftigende adem heeft de zonde zijn voorkomen -verkleurd en ontsteld. Een wind gelijk, die een effen stroom beroert, -zoo hebben de stormen der ziel de gladde vlakte van dat klare voorhoofd -in rimpelen opgejaagd; de heldere blos is verdronken in de tranen, die -hem hebben overstroomd; de oogen hebben hun schitterenden straal -verloren en lichten nu met het beneveld schijnsel van het lemmet eener -lamp, waarin de olie troebel geworden is. Gelijk men in Arabië op het -eerste gezicht de woestijn herkent, waar langs de verzengende simoun -gewaaid heeft, zoo kan men het mijn geheel voorkomen aanzien: Hier is -de zonde langs gegaan! Bedroevende aanblik, die mijn bleeke wangen met -purper van schaamte kleurt, en mijn hoofd als een geknakte bieze op den -schouder doet zinken. - -En was het daarom, dat God mij zoo onnoozel deed geboren worden? En was -het daarom, dat eens mijn ziel onbezoedeld in mijn onbevlekt lichaam -woonde, als helder water in even helder kristal; - - - Blank lijfjen zonder smet, blank zieltjen zonder zonde, - Gepaard in dubble maagdlijkheid. - - -En was het daarom, dat mijn ouders zich als wachtengelen tusschen mij -en de wereld plaatsten, om mijn zuiverheid te bewaken? En was het -daarom, dat er zoo veel zorg besteed werd om mij tegen de besmetting -des kwaads te wapenen? Hoe weinig heb ik aan de mij geschonken -voorrechten beantwoord!—Kind, kind! lach mij zoo niet aan! Gij hebt -geen erger vijand, dan den man die voor u staat. Hij heeft een doodslag -aan u begaan! Hij heeft uwe onnoozelheid vermoord! Uwe onnoozelheid, -die zoo teêr, zoo zacht, zoo aanminnig, zoo bevallig, die een wellust -van menschen en engelen was! Maar hem kon zij niet bewegen! -Onmeêdoogend heeft hij haar gedood. Hoe zij hem ook aanschreide, hoe -zij hem ook tegenkreet, hij heeft haar opgeofferd. Niet op eens, maar -langzaam, zonder dat men iets van het aangedane geweld bemerkte. Maar -toch zoo zeker, dat zij nu wel geheel gestorven is, en in zijn lichaam -rust als een doode in het graf. Kind, lach mij zoo niet aan! - -Helaas! dat is ons aller lot op aarde. Men zou het kunnen vergelijken -met het lot van de sneeuw. Vlekkeloos valt zij uit den hemel, wordt op -de aarde bezoedeld, zinkt dan weg in den grond, en vergaat zoo -geheel.... ten zij, ten zij! het zonlicht enkele heldere droppels uit -het slijk omhoog trekt. Zoo ook wij! sneeuw in de wieg, worden wij -slijk op de aarde, en verzinken eindelijk als dras in den grond. Maar -het zonlicht van Gods genade ontwikkelt uit het bezoedelde nat een -enkelen klaren drop, dien het ten hemel opneemt. - -Is dit zoo? lach mij dan vrij aan, mijn kind! Wij zullen weder vrienden -worden. - -Neen, het is te weinig, dat de mensch alleen over zijn verloren -onschuld weenen zou. Beween een marmeren beeld, dat gebroken is, het is -voor altijd weg; maar beween geen gestorvene, die weder kan worden -opgewekt. Nog eens stel ik mij voor mijn portret. In navolging van den -Heer, stel ik een kindeke voor mij en wijze er mijzelven op: Indien ghy -u niet en verandert ende wort gelyck de kinderkens, so en sult ghy in -het Coninghryke der hemelen geensins ingaan. - -Ja, ziedaar mijn voorbeeld! Zoo was ik, zoo moet ik weder worden. Zoo -was ik uit de natuur, zoo moet ik ook uit eigen keuze en vrijen wil -weder worden. Het afgelegde gevoel van afhankelijkheid, de verloren -eenvoudigheid des geloofs, de verleerde gewilligheid der onderwerping, -de verkrachte onbedorvenheid der onschuld, dat alles moet weder -aangeleerd of aangenomen worden. De wijsheid, in de beproeving -verkregen, moet mij bijblijven; maar de besmetting, in de beproeving -opgedaan, moet worden afgelegd. De wonderspreuk des Apostels moet aan -mij worden vervuld: Volwassen in ’t verstandt—kinderen in de boosheydt! - -Het is droevig, dat zoo velen dit niet begrijpen of begrijpen willen. -Zij rouwen over hun verloren onschuld, ja, maar als wanhopenden. Zij -zitten er bij neder; zij vertreuren hun tijd en hun krachten; indien -zij ze met hun zuchten konden opwekken, zij zou herrijzen! maar te -vergeefs. Geen tranen wisschen een bevlekt geweten schoon; geen snikken -roepen een gestorven onschuld wakker. Er moet opgestaan, er moet -gehandeld, er moet geleden, er moet gestreden worden. Met het beeld -eens kinds voor het oog, moet men naar gelijkheid met het kind streven. -O, ik denk, dat het dit is, dat mij kinderen zoo recht dierbaar maakt; -in ieder van hen zie ik een voorbeeld en leermeester. Daarbij denk ik -altijd aan Luther, die, toen zijn kinderen eens onder elkander -krakeelden en spoedig daarna zich weder verzoenden, zeide: Lieve Heere -God! Hoe aangenaam zijn u toch zulk een kinderlijk leven en zulke -spelen! Ja, al hun zonden zijn niets dan vergeving der zonden. - -Ziet gij, met dit oog beschouw ik de kinderen, die mij omringen. Als ik -zie, hoe het knaapje aan den schoot der moeder staat, en naar haar -vertellingen luistert, en, wanneer hem daarin iets ongeloofelijks -treft, met vertrouwen tot haar opziet en vraagt: „Is dat zoo, moê?” dan -schame ik mij over mijn vermetelheid, dat ik dikwijls zoo traag was om -te gelooven, wat mij in de mededeelingen mijns hemelschen Vaders -onwaarschijnlijk voorkwam, en ik vermane mij zelven: So wie het -Coninghrijke Godts niet en ontfangt gelyck een kindeken, die en sal -hetzelve geensins ingaan.—Wanneer ik zie, hoe het kind, dat -ongehoorzaam geweest is, op het enkele gezicht van de smart, die hij -zijn vader daardoor veroorzaakt, in tranen van berouw uitbarst, hem in -de armen vliegt en snikkend uitroept: „Vader, vergeef mij! ik zal het -niet weêr doen!” dan voel ik mij vernederd door de gedachte, hoe -dikwijls ik dagen op dagen over mijn overtredingen tegen mijn -goddelijken Vader liet heengaan, zonder tot het afleggen eener -ootmoedige belijdenis te kunnen of te willen komen.—Ja, zelfs die -belofte: „Ik zal het niet weêr doen!” hoe beschuldigde zij mij, dat ik -zoo vaak om de Goddelijke vergiffenis had durven bidden, zonder mij te -hebben verbonden door de gelofte om mij voortaan voor de geboete zonden -te wachten.—Wanneer ik zie, hoe gemakkelijk en gaarne het afhankelijke -kind van zijn ouderen afhangt, en met volkomen gerustheid en vertrouwen -van hunne liefde en zorg de voldoening zijner behoefte verwacht, dan -bloze ik over mijn gedurige bekommeringen tegen den volgenden dag, en -bestraf mijzelven, dat „ick myne ziele niet en hebbe geset ende stille -gehouden, ghelyck een gespeent kindt bij syne moeder!”—Eindelijk, -wanneer ik zie, hoe het kind zich in het midden der booze wereld -bevindt, zonder nog iets van hare boosheid te hebben aangenomen, daarin -verkeerende als een witte duif in haar bezoedeld hok, dan jammer ik -over mijn vatbaarheid voor alle besmetting, en neem mij voor „een kindt -in de boosheydt” te worden. - -Moeielijk, maar ook schoon en heerlijk werk! Zeker dit kan ik mij van -Luther niet begrijpen, hoe hij zeggen kon, dat hij in den kinderlijken -leeftijd had willen gestorven zijn, en daarvoor gaarne alle eer -overgegeven, die hij in de wereld had.—Neen, vader Luther, daarin kan -ik het met u niet ééns zijn. Zeker geloof ik wel, dat er ook boven een -school is, waar de lieve Engelen, of hoe de goede geesten anders heeten -mogen, de taak der ouders en leermeesters bij de vroeg opgeroepen -kinderkens op zich nemen, en het Christenkind tot een Christen vormen. -Maar daarom zou ik nog niet durven zeggen, dat het beter was, een -leerling der hemelsche dan der aardsche school te zijn. Mij dunkt, -boven kan de strijd zoo zwaar, en daarom de kroon zoo schoon niet -wezen. En zeker, van alle menschen hadt Gij wel het minste reden om -zulk een wensch te doen. Gij, die tegen het booze strijdende als een -held, echter dien heldenmoed onder de karaktertrekken eens kinds -verborgt, kinderlijkste der mannen en mannelijkste der kinderen! Ook -verbeeld ik mij, dat gij nu, met den krans der Christenstrijders om het -hoofd en het witte kleed van Gods kinderen om de leden, het niet anders -wenschen zult dan het geweest is. Ik voor mij wensch niets beters, dan -u van verre te volgen, en, indien ik eenige eer in de wereld had, ik -zou die daarvoor gaarne willen geven. - -En spreek gij nu eens, kind-Jonathan! en zeg, hoe het met den -man-Jonathan staat? Begint gij u zelven reeds in hem te herkennen? -Vindt gij allengskens in hem die trekken van nederigheid en liefde, van -gehoorzaamheid en zuiverheid weder, die u eigen waren? O, ik wilde, dat -ik die vraag met meer vrijmoedigheid doen durfde. Neen, het is nog niet -in orde, niet waar? Hiér niet—en dáár niet—en dáár niet!—Ik schaam mij -over deze belijdenis. Maar ga gij slechts voort mij te leeren; dan zal -ik wel verder komen. Even als Garrick, die voor een portret staande, -zijn gezicht zoo plooien kon tot hij er op geleek, wil ik met het oog -op u het gelaat mijner ziele zoolang plooien, tot het uw gelijkenis -draagt. Zoo hoop ik gereed te zijn, eer de Heer roept. Hij zal geduld -met mij hebben, en mij niet van de school roepen, eer mijn opvoeding -voltooid is, hoop ik. - -En nu neem ik afscheid van u, schoon het mij moeite kost. Zeker, gij -biedt een liefelijken aanblik aan. De kindsheid heeft haar eigen -schoonheid; onschuld ligt als een hemelsche sluier over het aardsche -beeld. Ook daarin is veel veranderd. Gij herkent mij zoo weinig als ik -u. Maar ook dit zal weêr veranderen. Als eerst de ziel slechts -wedergeboren en tot kinderlijke reinheid terug gebracht is, zal het -lichaam wel volgen. Welk een vooruitzicht! Een nieuwe ziel in een nieuw -lichaam! Beide, als de phenix, uit haar asch herboren; beide met -onvergankelijke jeugd getooid! Lieve jongen! hoe gaare zou ik u eens in -beeltenis aanschouwen, hoe gij er dan wel zult uitzien!.... Maar foei! -ik zie, dat ik eerst nog wel van u leeren mag, mijn tijd geduldig af te -wachten! - - - - - - - - -DE BIBLIOTHEEK. - - -** graden Fahrenheit—dat is de rechte hoogte! - -Ach lezer! ik ben op het punt om u een leelijk zwak te bekennen. - -Ik ben.... ik durf het haast niet zeggen.... ik bid u, als gij in een -kwade luim zijt, lees dan dit artikel niet! het mocht u voor altijd een -tegenzin tegen mij inboezemen. Maar, als gij eens in een buitengewoon -vergenoegde bui zijt, zoodat gij alles zoudt kunnen hooren zonder boos -te worden, en in staat zoudt zijn uw ergsten vijand te vergeven, sla -dan deze bladzijde op en heb medelijden met het slachtoffer der -vreemdste vergissing, waaraan zich de natuur ooit schuldig maakte. - -Welnu! ik ben een onzinnig liefhebber van vuur! - -Neen, versta mij niet verkeerd, door aan de belijdenis van mijn -physiologische zwakheid een psychologischen draai te geven. Ik spreek -niet van dicht-, oorlogs- of godsdienstvuur. Ik bedoel vuur in den -eenvoudigsten, minst overdrachtelijken zin des woords, kortom vuur, zoo -als op den keukenhaard en in de kachel brandt! Was ik een filosoof, ik -zou zeggen: het vuur nu, dat ik bedoel, is die warmtestof, welke door -de ontbranding van hout, turf, steenkolen of andere ontvlambare stoffen -wordt voortgebracht. - -Ik beken het, het is leelijk. Als redelijk wezen moest men zich boven -zulk een zinnelijke gehechtheid aan de elementen (of hoe de dingen -heeten, sedert het geen elementen meer zijn) weten te verheffen. Men -moest zich van de aarde en het aardsche meer weten los te maken. Men -moest omtrent de verschillende temperaturen dezelfde onverschilligheid -leeren koesteren, die een rondtrekkende vogel daarvoor aan den dag -legt, die zich aan de Ceylonsche rozijnen zat eet, en den dorst, -daardoor verwekt, met sneeuw van den St. Bernard verslaat. UEd. en zeer -Gel. heeft gelijk. Ik zal meer toegeven. Zich aldus aan koû of warmte -te laten gelegen liggen, is afstand doen van een onzer eerste -menschelijke privilegiën, van namelijk over de geheele aarde te huis te -zijn, en den contrôleur onzes lichaams naar het klimaat, waarin wij ons -bevinden, te regelen. Maar UEd. en zeerGel. is Philosophiae Doctor, en -ik niet, en dat scheelt veel. Ik word er ambts- noch eershalve toe -geroepen, een impermeable van ongevoeligheid om mijn gevoelige leden te -slaan, en, om het nu eens kort en lomp te zeggen: ik heb een -natuurlijken afkeer tegen al wat Stoïcijn heet. Ik word er niet voor -betaald, zulk een lastige en moeielijke rol te spelen; ik heb mij bij -den regisseur van het groote wereldtooneel voor het karakter van -overgevoelige geëngageerd,—en ik mag bevriezen, eer ik dat engagement -breek! Ik wil pleizierig vinden, wat mij pleizier doet, en onaangenaam -wat mij niet bevalt. Ik wil zelfs nu en dan sybariet zijn, en tegen een -gekreukeld rozenblad morren en als gij mij het recht daartoe betwist, -zal ik zoo vrij zijn u te zeggen, dat—UEd. een Philosophiae Doctor is. - -Zoodat, ik hou dol van vuur; en niet zoo, dat ik alleen een vijand van -koû ben. Neen! ik ben evenzeer een vijand van een gematigde -temperatuur; ik hou van heet, positief heet. Overal waar ik kom, ben ik -een geducht mededinger voor hond of kat, die gaarne de eerste stralen -van de koesterende kamerzon voor zich nemen; en reeds dikwijls zijn -daardoor de zachtste deelen van mijn onderstuk in gevaar geweest van -kennis te maken met de hardste ledematen van mijn tegenpartij. Wie mij -lief heeft werpt, als hij mij ziet aankomen, nog in de vlucht een -extra-blokje op het vuur. En meer dan een dame van mijn kennis, die mij -om die onzindelijke passie niet lijden mag, neemt altijd juist een -nieuw kooltje uit den haard in haar test, als ik binnenkom. Mijn -gehardheid tegen een groote hitte is zelfs een natuurkundige -zeldzaamheid, waaromtrent ik het niet eens ben, of ik die -salamanderachtigheid van mijn huid aan een grillige speling der natuur, -of aan een hardnekkige oefening moet toeschrijven. Dit is nu zeker iets -zeer bijzonders, zeer bizars en zeer onaangenaams. Maar mag ik zoo vrij -zijn te vragen, wat mijn lezer doet, als hem in de constructie van zijn -lichaam het een of ander niet bevalt? Tot mij te zeggen, wees dan zoo -koûelijk niet! is of men een kreupele gebood: maar loop dan toch zoo -niet hinken! gebruik uw beide beenen toch!—Wat baat het immers, of ik -het al verfoeilijk verwaand en aanmatigend vinde, voor mij, brandnetel -in Gods hof, de broeikaswarmte van den edelen ananas te eischen? Ik kan -er niet tegen: de natuur is sterker dan ik. Nooit beging zij grooter -misslag, dan toen zij mij, wiens lichaam de onbeschaamdste -vuuraanbidder is die er leeft, in een land deed geboren worden waar men -van de zon der fireworshippers—leest. Iederen dag, dat ik mij weêr in -de ruime lucht begeef en mij daar zoo veel mogelijk in het brandpunt -van onze bleeke dagmaan [3] plaats, met het gevoel van een wrange -October-druif, wier kleurloos gezicht de natuur stilzwijgend verwijt, -dat zij haar te veel zuur voor zoo weinig gloed, of te weinig gloed -voor zoo veel zuur gegeven heeft, vernieuw ik met haar den ouden twist. -Indien ik een gissing durfde wagen, zou ik zeggen: ik behoor hier niet! -ik ben hier een exotische plant.—Ik heb mij wel eens laten vertellen -van zekere steenen, die bij een onweder uit de lucht komen vallen, -waarvan men verhaald heeft, dat zij van de algemeene verwarring -daarboven gebruik maken om van de een of andere planeet op aarde te -komen rollen. Welnu—ik ben zulk een onweêrssteen. Ik ben door een -noodlottige vergissing van de een of andere warmer star op aarde -verdwaald geraakt. Wie weet! misschien ben ik oorspronkelijk wel „een -Zoon der zon” in de meest eigenlijke beteekenis. Hoe het zij, het is -droevig, en ik noem het onmenschelijk, wanneer men het mij ten kwade -duidt, dat ik, die in het zomerhalfjaar zoo veel van mijn competente -portie van warmtestof te kort kome, dat deficit zoek te vergoeden door -in het winterhalfjaar mijn schâ zooveel mogelijk in te halen. - -In den winter— - - - Dan zomert het binnen bij beukstam en veen, - - -zingt de Dichter: goed, maar met dit gelukkig onderscheid, dat dan -ieder zijn eigen Hore kan zijn, en den zonnewagen zoo dicht bij zijn -gestarnte rollen als hij verkiest. Dan wordt men door geen tyrannieke -wetten van aantrekkings- of afstuitingskracht gedwongen, zijn corpus -altijd op denzelfden eerbiedigen afstand van vijfentwintig jaren -(kanonskogelmaat) van het verwarmend middelpunt te houden. Zalige tijd! -Dan heb ik niet naar boven te zien, om mij te beklagen, dat de hond in -den dierenriem noch niet dol van hitte, en de kreeft noch niet rood -gekookt is door het vuur dat onder hem gestookt wordt. Dan maak ik met -mijn thermometer mijn eigen zodiac, en schep naar verkiezing een -Oostersche, ja, een Keerkringswarmte. - -Lach mij uit, zoo gij wilt; naast mijn haard gezeten trotseer ik u, en -daag u uit mijn genoegen door uwe spotternij te bederven. O, mijn -redelijke en zedelijke lezer, in de stemming van algemeene -menschenliefde, waarin mijn tegenwoordig lekkere atmosfeer mij brengt, -kan ik niet nalaten u tegen wil en dank een wensch op te dringen: het -is, dat gij ook in den wereld iets stoffelijks zoo lief moogt hebben, -als ik mijn vuurtje! Rijkdom, liefde, roem, macht, het is alles -bedriegelijk en aan verandering onderworpen; maar iets materieels als -een vlammende haard deelt in die wisselvalligheid niet. Altijd is hij -heet, even heet, en even gereed mij te verwarmen. Ontrouw grieft hem -niet. Na een geheelen zomer in donkere eenzaamheid gekwijnd te hebben, -is in het najaar een blozende glimlach zijn eerste welkomst. -Verkwisting put hem niet uit, want al heeft hij den vorigen dag stapels -hout verslonden, een oogenblik, en hij brandt weêr met dezelfde -geestdrift. Zijn schoonheid is onvergankelijk; want al teisterden hem -de jaren, zijn wang blijft rood, zijn oog vonkelen, zijn geheele -houding is vol vuur en leven! En wat niet minder zegt, terwijl van den -anderen kant de vatbaarheid voor de meeste der overige genoegens met -den leeftijd vermindert, de vatbaarheid om zich te verwarmen neemt met -de jaren eer toe dan af. Hoe ouder men wordt, hoe meer onze rechten op -een sterke dosis warmte erkend en geëerbiedigd worden; en, wanneer ik -aan sommige volken denk, die de weelde zoo ver drijven van na hun dood -niet weg te slinken, maar weg te knappen, dan moet ik zeggen—dat die -een zeer warm uiteinde hebben. - -Intusschen verzoek ik mijn haastigen lezer, zijn vlug oordeel over de -mogelijke gevolgen van zulk een hartstocht nog een oogenblik op te -schorten. Zoo protesteer ik er volstrekt tegen,—en verzoek dat mij van -dit protest acte verleend worde,—dat ik aan deze warmteliefde mijn -winterplichten of eenigen anderen plicht hoegenaamd zou opofferen. Ook -heb ik daartoe geen verzoeking. Want ik bid u instantelijk, mijn -vuurzucht niet te verwarren met de lafhartige vrees voor koude, die -sommige menschen bezielt. Ik kan u zeggen, dat ik „van haar en van hen” -een vinnigen afkeer heb. Ik zeg met de liefhebbers: kou is gezond! dat -spiert de spieren en spant de zenuwen; dat verstaalt het bloed, als het -metaal de minerale wateren; dat verfrischt den adem, zoo als het de -lucht doet; dat verhardt den mensch met den grond, waarop hij gaat. -Alles waar! Ook mag ik gaarne een helderen kouden winterdag, wanneer u -van de lippen van het blonde Noorden „gezondheid tegenvlot.” En een -schoone winternacht, wanneer de sterren zoo koud en klaar aan den hemel -tintelen, als de juweelen op het sneeuwbed aan uw voeten—willen wij -pariëren, wien van ons beide de klapperman daarin het eerst buiten zal -aantreffen? Gij gevoelt dus, dat ik om een kouden tocht geen zieken -vriend of armen buurman onbezocht zal laten. Herinner u mijn St. -Nicolaas-wandeling maar! Ja, ik durf meer zeggen. Toen de Koning zijn -trouwe onderdanen opriep, om hem den dienst van hun arm te leenen, -verliet ik mijn kamer, waar ik juist mijn kachel had laten zetten, -zonder omzien, en trok met een warm hart den vijandelijken winter -tegen. En ofschoon de Novembermaand van 1830 al een zeer barre maand -was, met de hand op het hart kan ik zeggen, dat ik geen oogenblik om -mijn vuurtje gezucht heb. Herinnert gij, die met mijn vuurpassie spot, -u den nacht van 24 op 25 November nog? Gij herinnert hem u wel, mijn -vrienden! die hem met mij in een stroohut doorbracht, waarin de kegels -aan de sparren hingen, die ons verwarmden, en de soep aan den rand van -den emmer bevroor, waaruit wij het maal onzes bescheidenen deels -moesten opdiepen! terwijl wij van tijd tot tijd verzocht werden, op den -omloop van een nabij gelegen molen, gedurende een paar uur proef te -gaan nemen, hoeveel de koude op dien hoogeren stand die van ons -Laplandsch verblijf beneden nog te boven ging. Wie uwer, die ik hier -met name zou kunnen noemen, herinnert zich uit dien nacht iets van een -wapenbroeder, die tegen de koude morde of het geweer niet recht in de -verkleumde armen droeg? - -Verschoon mij, vriendelijke lezer! Ik moest mijzelven daar in ’t -voorbijgaan eens prijzen. Gij die reeds zoo veel van mij weet, moet -toch ook weten, dat ik, met al mijn overgevoelige theoriën, een -praktisch liefhebber van mijn vaderland ben. En daarenboven, -Mijneheeren! is de aanhaling in casu van toepassing, daar er mijn -kliënt ten hoogsten aan gelegen ligt, niet voor een kleumschen luiaard -of vertroeteld wittebroodskind te worden gehouden. - -Het is waar ook, ik zou u iets van mijn Bibliotheek verhalen. Maar ik -kon niet zoo lomp op mijn onderwerp vallen, zonder eerst mijn hulde en -dank gebracht te hebben aan mijn warmen vriend en buurman, die mij in -zulk een aangename stemming van geest brengt, dat ik den lust niet kan -wederstaan, een schoon velletje papier en een nieuw versneden pen te -nemen, om aan mijn genoegen schrijvende lucht te geven. Besteedt menig -Dichter een goed deel van zijn vers aan de oproeping van de Muze, die -hem bezielen moet, dan mag ik wel een gedeelte van mijn opstel aan mijn -kachel wijden, die de bezielende geest van mijn schrijflust is. -Calescimus illo! En indien gij een menschlievend mensch zijt, die -gaarne in eens anders vreugde deelt, dan moet het u goed doen, zoo -dadelijk aan het hoofd van deze schets, de uitboezeming van een -tevreden en dankbaar hart te vinden. - -En hoe kan het anders? hier zit ik op mijn aangename comfortable kamer. -Mijn trouwe huisklok staat voor mij, en telt voor mij de gelukkige -oogenblikken, die ik beleef, terwijl mijn hart zoo rustig in mijn -boezem spint als de poes, die op de warme kruk? bij het vuur ligt. -Editha en Judith blijven als vaste starren ieder in haar sfeer, zonder, -zoo als wel eens gebeurt, als onrustige kometen door het huis te -zwerven. De hagel kletst tegen de ruiten en op den hemel van de -koetsen, die mijn huis voorbij rollen om hun opgeschikte vracht naar de -komedie te brengen, waar voor de zevende maal Raton door Bertram bij -den neus, en het publiek door den bureaulist bij de beurs zal genomen -worden. Het is iets ongeloofelijk rustigs in zijn huisjapon te zitten, -als anderen zich de moeite geven hun beste pak naar een tentoonstelling -te dragen. Mijn kachel—doch daarvan heb ik reeds gesproken. Maar -waarvan ik nog niet gesproken heb, is mijn Bibliotheek! - -Van den oudsten tijd af zijn gordijnen iets geheimzinnigs, waarvan de -reden veel gemakkelijker te vinden is, dan lucus a non lucendo. Reeds -als een een kleine jongen stond ik met glinsterende oogen naar de bonte -hoes te loeren, die de causa movens der marionetten voor mij verborg. -Wat ouder geworden, stond ik met de dezelfde nieuwsgierige verbeiding -voor het doek, waarop der kunsten God aan ’t Y, veel te lang voor mijn -ongeduld, verdiensten en deugd alleen bekroonde. Als jongeling hadden -weêr schoone gestalten, wier schaduwen zich in schemerende omtrekken op -een nijdige gordijn teekenden, voor mij haar eigenaardige -aantrekkelijkheid. Maar nooit rustte mijn oog met grooter verwachting -op eenig voorhangsel, dan op het dikke groene kleed, dat ginds mijn -boeken in hun plankenwoning van de buitenwereld scheidt. En toch, nooit -vond mijn verwachting volkomener vervulling. Anders—laat men er u voor -waarschuwen, mijn jonge vrienden!—zijn gordijnen niet veel te -vertrouwen. Meestal zijn het bedriegelijke sluiers, die de hebzucht of -de ijdelheid over de nietigheid der aardsche dingen spreidt. Althans -sedert ik mij menigmalen, achter het doek getreden, den prijs -beklaagde, dien ik er vóór staande betaald had, heb ik een besluit -genomen, voortaan alle overdekte geheimen geheim te laten, en mij met -het ontdekte en bekende te behelpen. Maar dit moet ik tot eere van mijn -Bibliotheek zeggen, zij is een uitzondering op den regel. Achter haar -nederige gordijn liggen schatten verborgen, waarvan gij op het aanzien -van verre geen vermoeden zoudt hebben. Met welk een begeerlijke hand ik -haar ook immer opsloeg, altijd liet ik haar met nog grooter voldoening -vallen, als ik den Auteur, dien ik aan haar schaduw onttrokken had, -weêr aan haar bescherming toevertrouwde. Ja, mijn eenvoudige voorhang! -Gij bedekt voor mij een geheele schoone wereld van gezichten en -droomen! Gij bewaart voor mij den ingang tot het Heilige der -wetenschap, tot het Allerheiligste der hoogste kennis! Gij overspreidt -als een wolk het Elysium, waarin de Wijzen en Edelen van alle tijden -voor mij herleven, en mij met hunne godenstemmen toespreken! - -Dat klinkt wat opgewonden, niet waar? Maar mijn Bibliotheek is ook -zóóveel voor mij! - -„Menschen”, schrijft een vaderlandsch Humorist, „die genoodzaakt zijn -de ruime wereld door te trekken met even weinig deelneming, als een -vogel door de lucht vliegt, of als Mr. Sharp in zijn reiskoets Italië -doorrolde, heeft de Hemel deswegens vertroost, door hen te plaatsen in -hunne studeerkamer, in eene maatschappij van boeken, en de macht -verleend om rondom zich een papieren wereld te scheppen, waarvan zij de -onafhankelijkste wetgevers zijn.” - -Zou de man gelijk hebben? Ten minste ik heb het daaraan toegeschreven, -dat mijn kleine boekverzameling zulk een ruimte in mijn hart en in mijn -leven vervult. - -Ziet ge, niet alle menschen, die ’s avonds na gedaan dagwerk t’huis -komen, komen op dezelfde wijze t’huis. Er is bijvoorbeeld een -Tehuiskomst, door mijn lievelingsdichter beschreven: - - - Goeden avond, hartig wijf, - Mijn geluk en lust! - Dat mij vurig prangt aan ’t lijf, - En mij welkom kust. - Goeden avond!— - Eerst nu ’t wiegkleed opgedekt - Van het speelziek wicht, - Dat de handjes tot mij strekt, - Reeds met de oogjes digt. - Eerst mijn kussen omgedeeld. - Tusschen al mijn kroost, - Dat mij hand en wangen streelt, - En mij kust en koost. - - -Dat is weêr anders, dan wanneer men ’s avonds in zijn woning -terugkeerende niets te vragen heeft, dan: Judith! is mijn kamer in -orde?—Nauwelijks heeft de oude Ja gezegd, of vijf minuten later sta ik -voor de gordijn—van mijn boekenkast. Dat zijn mijn lievelingen, mijn -speelpopjes, mijn kinderen! Die moeten door hun onthaal mij de moeite -van mijn dagelijkschen arbeid beloonen. Die moeten door hun gesnap mij -den langen avond korten. Die moeten door hun lachjes mijn rimpels -verdrijven. Die moeten mij van liefde en geluk spreken!—Brr! het -mislukt hun wel eens. Gij zoudt mij soms wel eens vinden, met de hand -waaraan het geopend boek ontzonken is onder het hoofd, en in diep -gepeins verloren, terwijl mijn papieren kroost vruchteloos de handen -naar mij uitstrekt en mijn aandacht zoekt te trekken. Maar dat zijn -maar enkele donkere buien, die straks weêr afdrijven. Over ’t algemeen -heb ik mij over mijn Bibliotheek, noch zij zich over mij te beklagen. -Veeleer heeft zij alle reden van roemen; want—wat zoo hatelijk voor een -boekvertrek is—nooit dringen er dartele gasten binnen, om van mijn -folianten een vesting te bouwen, die zij daarna met mijn duodecimo’s -beschieten. En evenmin heeft zich ooit een van mijn boeken te beklagen, -dat er onder het lezen op eens een vriendelijke gestalte achter mij -staat, die met een zachte hand mijn peinzend voorhoofd streelt, hetgeen -zoo licht een geheele stoornis in de lektuur veroorzaakt.—Neen, als ik -eens haar drempel ben overgetreden, sum totus in illo. Dan ben ik enkel -boek: dan verdiep ik mij welhaast zoo geheel in de wereld, waarin zij -mij inleidt, dat ik de wereld buiten mij vergeet. Inderdaad, na een -Bibliothekaris geloof ik niet, dat een Bibliotheek een beter meester -hebben kan, dan mij. - -Nu ik moet haar de getuigenis geven, het is bij haar: liefde voor -liefde. Ik zou vruchteloos beproeven u een denkbeeld te geven van het -genoegen, dat ik haar te danken heb. - -Zoo is het bijvoorbeeld heerlijk reizen, dat ik doe. Ik begin met mijn -reispak aan te trekken. Dit bestaat uit een blauwdamasten kamerjapon -met driekleurige sjerp, fluweelen kalotje en saaietten pantoffels, door -de hand van Editha gewerkt. Daarna neem ik plaats op mijn voertuig. Een -hooge stoel met breeden rug, lage zitting en bekleede armen. Na mij -alzoo in postuur te hebben gezet, geef ik het teeken van vertrek.... -het boek valt open.... en binnen vijf minuten rij of zeil of stoom ik -dat het een aard heeft. Ha! hoe het er over heen gaat! De -zevenmijlslaarzen uit de fabel loop ik wel tienmaal voorbij. Indien -iemand tegen mij zou kunnen reizen, moesten het de heksen van den -Bloksberg op haar bezemstelen zijn. Belangrijke tochten, die ik alzoo -doe! De hoogste hoogte van den Montblanc wordt door mij betreden, tot -in de diepste laagte van den Vesuvius daal ik af; nu wasch ik mijn -handen op den Chimboraço in de wolken, dan zoek ik in een duikersklok -op den bodem der zee de schatten, waarvan de Peri’s zingen. Nu nader ik -tot aan de „schatkameren der sneeuw en de schatkameren des hagels;” dan -zwerf ik door de diepten, waar het zout groeit en het ijzer geboren -wordt; nu zie ik de aarde à vol d’oiseau, dan à vue de taupe. Vreemde -en gevaarlijke uitspanningen, die ik mij daarbij veroorloof! Ik hengel -met den harpoen naar walvisschen, zet olifantsknippen uit, jaag op -arenden en klipgeiten, ga uit tijgeren met tijgerstrikken, botaniseer -aloë’s en kokosnoten, en antiquariseer pyramides en andere -kleinigheden. Dit niet alleen. Door het aanzien van mijn reisgenooten, -zie ik veel meer dan de gewone reiziger. Ik dring met onzen Van Braam -in de audiëntiezaal van den Keizer van China; Lamartine opent mij den -toegang tot de Koningin van Palmyra; Byron leidt mij in bij Ali van -Janina; zelfs ontsluit Lady Montague mij den harem des Sultans. En dat -alles zonder eenige vermoeienis of hinder! De slapelooze zon der -Morgenlanden moge met „ongebogen stralen” op mijn hoofd branden, de -Noordpool mij met haar kouden adem in het gezicht blazen, ik blijf er -kalm onder. Ik ben getuige van de vreeselijkste stormen, hoor de -verschrikkelijke monsters brullen, adem de verpestendste dampen in, -drink sneeuw aan de bron en gluur door de tralies van den grooten -aard-oven, zonder er het minste kwaad van te hebben. Het is wonderlijk! -Er bestaat tusschen mij en mijn reisgenoot een zonderlinge graad van -sympathie. Ik zou haar willen vergelijken met die van Meleager voor -zijn houten dubbelganger, wiens brand hem mede verteerde; maar met dit -onderscheid, dat het vuur, hetwelk den ander verschroeit, mij niets dan -een pleizierige warmte veroorzaakt. De schokken, die zijn zenuwen -dreigen te verscheuren, kittelen de mijne op een aangename wijze; de -angsten, die zijn gestel uit elkander schudden, veroorzaken het mijne -een genoegelijke huivering; het verschrikkelijke en medelijdenswaardige -van zijn toestand wordt voor mijn gevoel in een zoete voluptas tragica -gedistilleerd. Gelukkige kamerreizigers! Zij laten de reizigers rondom -de wereld de kastanjes uit het vuur halen, waaraan zij zich te goed -doen. - -Maar niet alleen voert mijn Bibliotheek mij door de aarde zoo als zij -is en haar bewoners zoo als zij zijn; maar zij voert mij ook naar een -aarde zoo als er geen is, en bewoners zooals er niet zijn. In haar -schoot berust het houten zwaard van Arlequin, dat u met een tooverslag -uit de wezenlijke wereld naar een wereld van verbeelding verplaatst. -Zij verstaat de kunst om den draak van den tuin der Hespriden te -verschalken; de Gelukkige Vallei is voor haar niet verborgen; de hal -van Eblis weigert haar geen toegang; het eiland van Prospero daagt voor -haar uit de zee; het paleis van Mahomed ontsluit zijn gouden poorten; -de Cherub van Eden draagt voor haar geen vlammend zwaard; ja, de -Engelen ontzeggen haar niet een enkelen blik in hun zalige verblijven -te werpen. Dat is iets heerlijks! O, het is op aarde wel schoon en -goed, en zij is, zoowel als eenig ander deel der schepping, een tooneel -van Gods almacht en liefde: de vrome Camphuijzen heeft gelijk: - - - Och, waren alle menschen wijs, - En deden daarbij wel, - Deze aarde ware een paradijs. - - -Maar toch is het een wellust voor iemand, wiens verbeelding verder -reikt dan zijn oog, zich somwijlen met zijn geest in een volmaakter -schepping te verplaatsen, waarvan het onvolmaakte der oude aarde is -afgescheiden, de borst, door de nevelen van onzen dampkring beklemd, in -een zuiverder aether te verruimen en te verkwikken, en zich in een -eeuwige lente over de winters der aarde te troosten. Toch is het een -wellust voor iemand, wiens verwachting verder reikt dan zijn gezicht, -zich de nieuwe aarde te droomen, „nederdalende uyt den hemel, als een -bruyt die haren manne verciert is;” of als Mozes in verrukking de -woning in de lucht te aanschouwen, die men later in wezen hoopt te -zien. Gelukkig alzoo voor hem, die dit verlangen in zich voelt -ontwaken, dat hij Dichters en Zangers gereed vindt om hem op zulk een -luchtreis te geleiden. Gelukkig wie Dante en Tasso, Shakespeare en -Moore, Vondel en Bilderdijk, Klopstock en Schiller kan oproepen, om hem -op de vleugelen van hun rijker verbeelding en stouter genie tot die -hoogte op te heffen. O, wie ook, zwaar van hoofd en zwaar van hart, -door zijn ongeloof de bezwering dier Toovenaars moge verbreken; wie -zich door hen moge laten omhoog voeren, als de schildpad door den arend -in de fabel; ik niet alzoo. Ik geef mij gaarne en gewillig aan hunne -leiding over: ik zie hunne gezichten, ik droom hunne droomen, ik smaak -hunne wellusten. Mijn nederige cel! Niemand zou vermoeden, welke -betoovering dikwijls voor uw bewoner uw eenvoudig verblijf in een -heerlijk lustoord veranderde. Niemand zou kunnen denken, dat die lompe -gordijn visioenen verbergt, waarbij al wat er ooit schitterends van -achter een tooneelgordijn te voorschijn kwam, poppenspel is. Niemand -zou gelooven, dat die kleine trap, die mij naar de bovenverdieping van -mijn Bibliotheek voert, dikwijls een Jacobsladder is, die mij helpt om -ten hemel op te klimmen. Heerlijke poëzij! Hoe wèl voegt gij op een -aarde, die een verloren paradijs beweent en een herwonnen paradijs -verwacht! - -Maar niet alleen voert mijn Bibliotheek den huiszittende naar andere -gewesten, maar zij brengt ook den eenzame onder andere menschen. En -welke menschen! Onder de wijssten, de edelsten, de grootsten, de -welsprekendsten van alle tijden. Hier staan zij allen op een rij -geschaard, gereed om op den eersten wenk tot mij te komen en zich met -mij te onderhouden. Ja, wat meer is, om mij als met den room van hun -geest, den bloesem huns harten en het merg van hun vernuft te voeden. -Gelukkige uren, die ik, onwaardige, in den kring dezer voortreffelijken -doorbreng. En welk een verrukkelijke afwisseling bieden zij mij aan! Nu -is het mij, of ik mij op de markt van Athene bevinde, en de donders van -Demosthenes tegen den Dwingeland hoor losbarsten; dan verteedere ik mij -onder het gehoor van Tullius over den schuldig-onschuldigen Ligarius; -straks voel ik mijn hart breken over het ellendig schouwspel van de in -het stof wentelende Hecuba; wil ik mijn smart daarover verzetten, ik -ontspan mij met de snakerijen van den groot sprekenden Thraso; elders -wederom meng ik mij onder de feestvierende schare, die het Olympisch -worstelperk omringt, maar de hoogste kroon toekent aan den zanger, die -de kroon des overwinnaars verheerlijkt; of begeer ik zachter tooneelen, -ik ben getuige van de onschuldige dartelheid van Nausikaä, de -ondeugende schalkheid van Eunika, of sta als rechter over de zangen van -Menalcas en Damoetas. Op andere tijden daarentegen verlaat ik den -klassieken bodem, om mij met mijn geest in later dagen te verplaatsen. -Dan vergezel ik Dante op zijn geheimzinnige tochten; dan laat ik mij -door Racine in de schoone wereld overbrengen, die zijn maagdelijk reine -verbeelding zich opende; dan dool ik aan de zijde van Schotland’s -Meistreel langs de schilderachtige bouwvallen, door het genie des -dichters met een tooverachtigen gloed bestraald; dan zie ik met -bewondering in Göthe’s Ifigenia den geest van een jong leven in een -beeld der oudheid geblazen. Maar bovenal dan verrukken mij de heerlijke -scheppingen der vaderlandsche kunst. Dan adem ik, luisterziek over -Hoofts luite heengebogen, de balsemluchten van Florence; dan hoor ik, -aan Vondels lippen geboeid, hemelsche stemmen in den aardschen -kerstnacht klinken; dan roepen de zangen der Van Harens, als een -droomgezicht, schooner dagen voor mij terug; dan vermeide ik mij met -Bilderdijk in den aanblik van het jeugdige aardrijk; dan beluister ik -Tollens onder zijn kinderen in de uitboezeming van het zuiverste -menschengevoel, dat ooit een menschenhart deed kloppen. Eileive, vraag -mij dus niet, of ik tot eenige, en tot welke school ik behoore. Vergun -mij geen school te kiezen, maar een eclecticus te blijven. Waar ik het -schoone vinde, al is het onder het stof der oudste oudheid, al is het -onder het waas der nieuwste nieuwheid, laat mij toe het schoon te -vinden. In mijn Bibliotheek heerscht een algemeene vrede, gelijk die -van 1815. Aristoteles verbroedert zich met Shakespeare, Socrates met -Mirabeau, Horatius met Victor Hugo, Quinctilianus met Jean Paul. Kan -het anders of het schouwspel dier onderlinge verdraagzaamheid moet ook -mij tot onpartijdigheid stemmen? - -Gij zoudt lachen, mijn deftige lezer, indien ge mij somwijlen zaagt, -terwijl ik mij in de beschouwing en genieting dezer heerlijke schatten -verdiepe. O, het hart kan mij daaronder zoo hoog slaan! Zoo kan ik het -met geen woorden beschrijven, wat ik gevoel, wanneer ik zoo dikwijls -bij mijn schrijver menige gedachte, menige gewaarwording uit mijn ziel -gestolen vinde, als hadden zij achter mij gestaan of in mijn hart -gelezen. Bovenal wanneer ik die gedachte of gewaarwording duidelijker -zie uitgesproken, dan ze in mijne ziel schemerde. Wanneer ik een -lievelingsdenkbeeld, lang weifelend bij mij omgedragen, en beurtelings -aangenomen of verworpen, door een vreemd en groot gezag bevestigd -vinde, dat aarzelende hope in vast geloof verandert! Wanneer ik in de -droomen van anderen mijne droomen herkenne, maar helderder gedaagd, -aanschouwelijker gemaald en schooner gekleurd! Wanneer ik door den mond -van anderen het voor mij onuitsprekelijke hoor uitgesproken en alleen -zeggen kan: Anch’ io!—O, het is heerlijk! En al is het, dat er geen -dadelijke overeenkomst van gedachten tusschen mij en mijn Auteur -bestaat, welk een aangename gewaarwording evenwel, zich aan de voeten -dier groote geesten neder te zetten en den honing der wijsheid van hun -lippen op te vangen. Voorzeker, het is een nietig mensch, die het geen -wellust vindt, grooter zielen aan te treffen dan de zijne; klaarder -spiegels, waarin het verheven-goddelijke en schoon-menschelijke -helderder afschijnt; teederder snaartuigen, die door het -hemelsch-majestueuse en het aardsch-bevallige lichter en welluidender -geroerd worden; zuiverder wierookvazen, die voor het eeuwig-heerlijke -en het tijdelijk-beminnelijke met reiner vlammen branden. O, wanneer ik -alsdan in zulke groote zielen lezende, daarin minder dan in de mijne -het beeld des Scheppers verdonkerd en uitgewischt vinde, hoe verheft -zich mijn geest bij de gedachte: „Wy syn Godts geslachte!” Hoe hoog -klopt mijn hart over mijn verwantschap met die toonbeelden van -menschen-adel! Ja, dan versterkt zich niet alleen mijn hope op een -ander leven, maar het krijgt tevens voor mij als ware het een -herkenbare gedaante. Was het dat ik mijzelven wel eens in moedeloosheid -afvroeg, hoe ik eenmaal aan het ideaal zou beantwoorden, dat zich mijn -geest van den verheerlijkten mensch vormde, het was of ik bij hen -daarvan reeds eenige trekken ontwaarde. Wanneer een Bossuet, zoo met -recht de adelaar van Meaux genoemd, wiens arendsoog een blik op de -ongeschapen zon kon werpen zonder duizelig te worden, mij tot voor den -troon des Eeuwigen voerde. Wanneer Fenelon, zoo treffend de zwaan van -Kamerijk geheeten, in de uitboezemingen zijner engelzachte ziel woorden -scheen gevonden te hebben voor de onuitsprekelijke teederheid der -hoogste liefde. Wanneer onze Chrysostomus, wiens naam eerbied op mijn -lippen terughoudt, maar door ieder in het hart genoemd wordt, het -aanbiddelijk geheim van de vriendschap des Eeuwigen voor zijn -menschenkind voor zich scheen te hebben opgelost, en in zijn -Aartsvaderlijke tafereelen mij in den Schepper van hemel en aarde den -God, wat zeg ik, den Vriend van Abraham aanschouwen en beminnen deed. -Wanneer een Klopstock in zijn Messias de verhevenheid van den Ziener -van Patmos met den liefde-ademenden geest van den Zebedeus-zoon scheen -te vereenigen, en met onnavolgbare kunst het majestueuse van den Zone -Gods met het beminnelijke des Menschenzoons tot een enkel harmonisch -beeld ineensmolt. Dan scheen het mij in zulke oogenblikken, of door die -menschen het hemelsche nader tot mij kwam. Mij dacht, van de leere die -zij predikten omtrent de onlosmakelijke verwantschap tusschen God en -den mensch, waren zij niet minder bewijzen, dan getuigen. In hunnen -boezem droegen zij het onderpand eens hoogeren levens om; in hen zag ik -den eersten schalm van die keten van volmaaktheid, die,—duizelende -gedachte!—bij den troon des Oneindigen eindigt!.... O, noem het -overdrijving, noem het dweperij, zoo ge wilt, ik zal er niets anders op -antwoorden dan met den wensch, dat gij ten minste eenmaal dat gevoel -kennen moogt, als ik! - -Evenwel niet alleen van het goddelijke in den mensch, ook van het -menschelijke in hem laat ik mij door mijn lievelings-schrijvers -verhalen. Het is mij zoo wèl en goed, als door zulk een beschouwing het -geloof aan menschenwaarde en menschendeugd,—dat daar buiten wel eens -een schok krijgt,—op nieuw in mij versterkt wordt. Als ik zie dat er -nog zijn, wier hart den indruk van den vinger des Scheppers behield; in -wier bloed „de melk bleef”, waarmede een vrouwenborst hen voedde; wier -tranen nog vreemde smart beschreien en wier handen nog vreemde tranen -drogen kunnen. En waarom het ontkend, dat ik daarbij niet vrij van -partijdigheid ben omtrent die halflachende, halfschreiende -Aprilskinderen, die mijn verstandiger lezer met spotachtig -schouderophalen Humoristen noemt? Kan ik het helpen, dat op het klavier -van mijn hart die snaren het eerst en zuiverst klinken, die door hun -vingers worden aangeslagen? O, Yorick! Yorick! hoe meesterlijk verstaat -gij de kunst om de toetsen van mijn ziel te bespelen. Verrukkelijke -uren, die ik achter u op uw klein paardje gezeten, en met u over bergen -en dalen, door steden en gehuchten zwervende doorbreng. Wat gaat het -mij aan, of gij mij al langs onophoudelijke kronkelpaden voert, en -telkens uw eigen weg schijnt vergeten te zijn; gij kent toch den weg -door het menschelijk gemoed uitmuntend, en, waar gij ook henen dwalen -moogt, in dien doolhof verdoolt gij nooit. Wat vraag ik er naar, of uw -rede dikwijls naar een pijl gelijkt, die door den wind opgenomen, -vademen ver van het doel slingert? Gij weet toch het kortste pad naar -mijn hart, en uw doel om dat te roeren bereikt gij altijd. Wat kreun ik -mij er aan, of hier en daar een enkel woord uw radde lippen ontvalt, -dat een voorzichtiger man zou hebben binnen gehouden? Juist dat -uitpakken van uw geheele mars met al wat er goeds en kwaads in u is, -met de argeloosheid van een kind, dat zijn geheele hart voor ons -omkeert en leêgstort, juist die naïve oprechtheid is het, wat mij in u -zoo zeer behaagt. Gij bedelt ook niet om onze bewondering en vergoding; -gij vertoont u aan ons als een gemeenzaam vriend met al uw grootere en -kleinere zwakheden, maar ook zoo, dat wij u als een vriend moeten -liefhebben. En wie ook laag op u nederzie, met al uw gebreken zijt gij -een heerlijk man, op wiens menschelijke verwantschap ik trotsch ben. En -het is voor mij altijd een verrukkelijk genot, als het uurtje gekomen -is: - - - Kom, bij ’t vuur de koude ontweken, - - Zal vriend Yorick voor ons preken. - - -Vriend Yorick! helaas, een vriend naar den geest. Een vriend, nooit -door mij gezien of gekend! Een vriend—ik hoop het—later door mij te -zien en te kennen! met zoo vele anderen, met wie mij hier reeds de -gemeenschap der ziele verbond, ofschoon het mij nimmer te beurte viel -hun aangezicht te aanschouwen. Heerlijke gedachte! Als al die groote -geesten, die hier in het afgietsel hunner schriften voor mij -vertegenwoordigd werden, mij niet meer als schemerende schimmen, maar -als levende gedaanten omringen zullen. O God, hoe zalig moet het in uw -hemel en onder hemelingen zijn, als het ons hier op aarde en onder de -aardsche menschen dikwijls reeds zoo wèl kan wezen! - -Maar, gelukkige die ik ben! Niet alle vrienden dáár in mijn boekenkast -dragen dien naam in een zoo onbepaalden zin. Er zijn er verscheidene -onder, die het niet beneden zich geacht hebben, Jonathan een nederig -plaatsje in hun vriendschap te schenken. Dat is een voorrecht, waarvoor -ik de hand, die ons bij elkander bracht, dankbaar zegene. Het is toch -iets eigenaardigs, het werk van een vriend te lezen of te genieten. -Daarvoor gaat het hart nog geheel anders open dan voor de stem, die wij -nooit levende hoorden. Bij het openen van hun schriften is het alsof -zij tegenover ons plaats namen. Onder het lezen is het alsof hun stem -ons toeklinkt, en, wat het voornaamste is, te gelijk met het gevoel van -bewondering dringt zich het gevoel der liefde diep in onze zielen. O, -het is zoo gelukkig, met de hand op een bladzijde, waarop een groot -talent schittert of een schoon gevoel spreekt, te kunnen zeggen: Deze -is mijn vriend! en daaronder te ontwaren, wat Tollens in zijn -heerlijken rouwzang op Borger zoo wèl uitdrukt: - - - Zoo heb ik hem gekend en ’t hart aan hem gesloten, - Het onwaardeerbaar hart met zulk een geest verzaamd, - En mij op de eer verhoogd, met zelfgevoel genoten, - Dat zich zoo rein een ziel niet mijner heeft geschaamd. - - -Mijne vrienden! die weet, dat uwe werken een plaatsje in mijn -Bibliotheek, en gij zelven een plaatsje in mijn hart hebt; ik dank u -voor dat gelukkig gevoel. Weest verzekerd, dat ik ten uwen opzichte -mijn naam niet verloochenen, maar voor u een Jonathan zijn zal, die -zijn grooteren vriend zoowel hulde als liefde wist toe te dragen, en de -kroon op zijn hoofd eeren kon zonder haar te benijden. Moge uw -vriendschap, die mijn kroon is, mij blijven versieren en gelukkig -maken! uw genie staat u borg voor de mijne, mij bevele een liefhebbend -harte aan! - -En nu, mijn Bibliotheek! nu zult gij welhaast nog met een nieuw boek -vermeerderd worden—ik durf het nauwlijks zeggen—van mij zelven. -Welnu?... Zullen de overige schrijvers, die ge bevat, mijn heeren en -meesters, mij geen zedig plaatsje in hun midden weigeren? Zullen zij -mij niet hard afwijzen en als een onwelkomen indringer uit hun kring -verstooten? Ik weet niet, of de verontschuldiging, die ik voor mijn -vermetelheid in de uitgave van dit boekske heb in te brengen, bij hen -voor een verontschuldiging gelden zal. Er waren er, die meenden, dat de -uitdrukking van een warm godsdienstig gevoel, in een vorm die niet al -te streng of somber was, hier of daar verwarmend in een hart kon -vallen, dat niet te preekachtig gestemd was. Het was misschien dwaas, -dat ik aan die inblazing gehoor gaf.... toch was het, geloof ik, geen -ijdelheid, die mij daartoe verleidde! Als ik mijzelven hierin -vertrouwen mag, was het, denk ik, meer de hoop, dat ik, die mijn -eenzaam leven niet zoo nuttig voor mijn medemenschen maken kan, als -ik.... gewenscht had, daardoor toch nog eenig nut stichten mocht. Kan -ik dit langs dezen weg niet doen, dan zal men wijs en billijk handelen -met mij streng af te wijzen. Ik mag den weg voor anderen niet -belemmeren. Viel het evenwel naar mijn stoutste verwachting anders -uit.... lieve lezer! mijn hart zal u innig danken voor de enkele -bloemen, die gij daardoor zult gestrooid hebben op het anders niet al -te bloemrijke pad van Jonathan! - - - - - - - - -OUDE VRIJSTERS. - - -Ik kan zeer galant zijn. - -Ik bid u, lach niet! Het is waar, dat mijn ouderwetsche figuur met mijn -zwart weduwnaarskleed, dat zoo onveranderlijk is als het kostuum van -een standbeeld, mij niet tot den geschikten persoon maakt om naar de -gunst van vrouwen te dingen. Maar eilieve! wie zegt u ook, dat ik een -van die overjaarde petit-maitres ben, die van hun leeftijd een -schandelijken vrijbrief maken om zich met saterachtige onbeschaamdheid -bij lieve meisjes in te dringen? Zie mij aan en zeg, of ik tot zulk een -wanvoegelijkheid in staat ben? Even weinig behoor ik tot een ander -soort van wezens, die, met een altijd groene jeugd in het hart, niet -bemerken willen, dat de Tijd, die onverbiddelijke Censor, hen reeds -lang van de lijst der jonge Heeren geschrapt heeft, en zich dus niet -dan met geweld van de plaats laten dringen, die aan hun jeugdiger -mededingers toekomt. Voor zulk een bespottelijkheid heb ik mijn reeds -niet meer éénkleurige haren weten te behoeden: of liever—want wie kan -zeggen, dat hij zichzelven behoed heeft?—daarvoor heeft mij de gestalte -bewaard, waaraan mijn getrouw hart niet ophoudt zijn hof te maken. Als -ik ooit een vrouw met meer dan gewoon welgevallen aanzag, was het -altijd, omdat zij een zweem van de oogen, een enkelen toon van de stem, -of eenigen anderen trek van overeenkomst met Betsy had. En indien ik, -door deze gelijkenis aangetrokken, aan zulk een liefelijke verschijning -buitengewone oplettendheid bewees, het was altijd met een gevoel, dat -niet minder haar dan mijzelven vereerde. - -Dit recht moest ik mijzelven doen. En toch blijf ik er bij, dat ik zeer -galant kan zijn. - -Als gij in een gemengd gezelschap komt, waar ik mij bevinde, zoek mij -dan niet in den kring der Heeren, die rondom den haard staan te praten -met een voorkomen van ernst en gewicht, of het de Rostra van Rome zelve -waren; zoek mij noch minder in den vroolijken schitterenden kring, -waarin de gevierde Schoonheid hare onderdanen rondom haren troon -vergadert; zoek mij ook niet bij de goede huismoeders, die gij met -bijeengestoken hoofden en gesmoorde stem over andere goede huismoeders -hoort babbelen; zoek mij op een eenzaam plekje, in een donkeren hoek, -op een tochtig plaatsje, ver van de kachel en de punch. Daar zult gij -mij in een hoffelijke houding zien staan, al mijne oplettendheid en -beleefdheid toewijdende aan—een oude Vrijster! - -Een oude Vrijster! De oude Vrijsters mogen u het spotachtig gezicht -vergeven, dat ge bij deze woorden trekt. En al zoudt gij er u nog -uitbundiger meê vermaken, het zal u niet gelukken mij van daar weg te -spotten. Ik heb daarvoor menig schrootvuur van geestige en bittere -aanmerkingen moeten uitstaan, maar nu is men met deze gril bekend en -laat mij in rust. Er is slechts één paar meê bedorven, denkt men. - -Maar nu gelooft gij, dat ik een zonderling ben, een bizarren smaak heb -en alle oude jufvrouwen de liefste schepsels ter wereld vinde. Gij -vergist u. Ik voor mij heb ze op zichzelve niet liever, ja niet eens -zoo lief, als anderen van haar geslacht. Ik spreek, bij voorbeeld, veel -liever met een moeder. Als ik mij tot deze wende en haar dadelijk met -belangstelling naar hare lievelingen vrage—o, dan is voor mij een bron -van zielverheffend genot geopend. Als ik dan bij deze vraag het -moederlijk oog van hoogmoed zie glinsteren, en het gelaat een lachende -uitdrukking van geluk aannemen, dan worde ik van een onverschillig, -welhaast een deelnemend toehoorder. Niet, omdat de kinderen, waarvan -zij spreekt, mij zoo bijzonder ter harte gaan; zij zijn niet beter of -slechter dan andere kinderen; maar, omdat de moeder mij boeit en -wegsleept. Het is zoo schoon, als bij zulk een gesprek het zuiverste en -edelste gevoel des menschen, de zichzelf vergetende en opofferende -liefde, uit het binnenste heiligdom des harten te voorschijn treedt; -als het verheven symbolum van den verhevensten godsdienst, de pelikaan -met de bloedige borst, voor mijn oog gestalte en wezen verkrijgt; als -de mensch met al zijn egoïsme en kleinheid meer en meer naar den -achtergrond wijkt, en de Engel in hem hoorbaar met zijne vleugelen -klapwiekt; o, uren zou ik kunnen staan luisteren naar dien nooit -opgedroogden vloed van moederlijke welsprekendheid! En wist gij eens, -welk een liefde ik aan zulke gesprekken verschuldigd ben! Want de -vrouwen, die het in mijn oogen lezen, hoeveel belang ik in zulk een -verhaal van de kinderkamer stelle, weten mij dank voor de deelneming, -waarmede ik haar aanhoore. En dan is het zoo aangenaam tot een oud -vrijer te spreken, die er nooit een lofrede op zijn eigen kinderen -tegenover plaatst, en haar Pietjes behendigheid in de schaduw stelt -door van de nog veel grooter vlugheid van zijn Jantje te spreken. Zie, -het moge aanmatigend klinken, maar waarlijk, als ik in sommige kringen -binnentreed, weet ik reeds vooraf, welke oogen mij vriendelijk zullen -toeblinken en uitnoodigen om te komen vernemen, hoeveel woorden het -jongste kind nu reeds meer spreekt, dan bij onze laatste ontmoeting. - -En niet alleen de moeders, ook onder de jonge meisjes zijn er, die ik -boven het gezelschap harer oudere zusteren verkieze. Het zijn zulke -aanvallige schepselen! Ik heb een vriend, die vroeger een schoon -buitengoed had, dat hij door verval zijner zaken heeft moeten wegdoen; -maar nu gaat hij alle avonden langs die plaats wandelen op hetzelfde -uur, waarop hij vroeger het goed zelf rondging, ziet nog eens dezelfde -boomen, dezelfde vijvers, dezelfde geliefde plekjes, die eens de zijne -waren, en komt daarop zoo vergenoegd te huis, of hij nog eigenaar van -die schoone bezitting ware. Jonge menschen zijn voor mij, wat zijn -buitenplaats voor mijn vriend is. Ik heb mijn jeugd aan hen moeten -afstaan, maar, om dit verlies zoo veel mogelijk te vergoeden, zoek ik -hun omgang. En als ik hen dan hoor spreken van hunne schoone droomen, -zooals mijn dorre verbeelding er niet meer droomt, en hen gevoelens -hoor uitboezemen, zoo als mijn verkoelend hart er geen meer huisvest, -dan is het mij of ik op eens weêr als als een jongeling droome en -gevoele. Dan knik ik bij ieder woord toestemmend met mijn hoofd, speel -de gansche Opera féerie van mijn jeugd nog eens over, en scheide niet -van de bezitters van mijn verloren Eden dan met het gevoel: „Hoe jong -en gelukkig ben ik geweest!” Zie, daarom heb ik jonge menschen en -vooral jonge vrouwen, waarin de natuur nog ongemaakter spreekt, lief. -Meer dan eens heb ik in zulk een gesprek een hart zich allengskens voor -mij zien openen en ontsluiten, al de aderen zien liggen, waaruit de -heldere wellen van menschelijk geluk zoo mild voortspringen, al de -zilveren stemmen hooren klinken, die de harmonie des levens scheppen, -en de Voorzienigheid bewonderd in het schoonste zijner werken op -aarde—een onschuldig vrouwenhart! - -Oude vrijsters op zichzelve zijn mij dus niet liever dan hare zusteren; -maar zij zijn verlatener, en hebben daardoor aanspraak op mij. Het kan -mij leed doen, als ik in een gezelschap verschijne, haar terstond aan -de onachtzaamheid te herkennen, waarmeê men haar behandelt, al herkende -ik haar anders niet aan de eigenaardigheden van haar voorkomen. De -Mevrouwen nemen een voorname houding jegens haar aan; de jonge Dames -sluiten ze als invaliden uit haren kring; de Heeren, indien zij van -pijp en glas scheiden kunnen, vervoegen zich bij voorkeur tot de -fauteuils, of, als zij jonger zijn, tot de minderjarige schoonen; aan -de oude Jufvrouwen worden alleen de kruimelkens van den -gezelschapsdisch toegeworpen. - -Als ik dit zoo zie, doet mijn hart zeer. Ik ga dus moeders en dochters -voorbij, en vervoeg mij dadelijk bij mijn vrouwelijke lotgenoot. Mij -dunkt, dat is haar goed recht. Bilderdijk heeft in zijn dichtstuk Oude -Vrijsters, naar alle billijkheid, deze arme miskenden op hare plaats en -in hare eer gesteld, om al het vuur zijner verontwaardiging te richten -tegen die vieux garçons, die door hun ongeregeld leven de orde der -maatschappij verbreken en de oorzaak zijn, dat zooveel onschuldige -schepsels onder het vrouwelijk lijden van een aanzijn zonder huwelijks- -en moedervreugde gebukt gaan. En inderdaad! ik heb wel eens gezucht -onder het denkbeeld, dat ieder oud vrijer den verlaten toestand van een -zijner medeschepselen voor zijn rekening had. Ik heb gezucht als ik -dacht, dat er ook door mijn schuld eene eenzame meer was, dan er -behoefde te zijn. Ik hoop, dat mijn onbekende schuldeischeres mij niet -te hard moge vallen. Ik wage het, haar daarom te smeeken. - - - „Lieve Jufvrouw X! - - „Ik kenne u niet, en gij mij ook niet. Maar ik ben toch uw - schuldenaar. Want ik had u mijn hand en hart moeten aanbieden. - Vergeef mij, dat ik de vrijheid nam het niet te doen. Uw kieschheid - waarborgt mij, dat gij mijn hand zonder mijn hart niet zoudt hebben - aangenomen. En over mijn hart was ik, onder vier oogen gezegd, geen - meester meer. Had ik u gekend, het zou misschien anders geweest - zijn. Maar ik heb een andere vóór u gekend. En schoon deze thans - een anderen naam dan den mijnen draagt, ik kan haar nog niet - vergeten. Ik ben dus tot mijn groote schande met mijn 4* jaren nog - niet beter dan een onmondige, en zonder over mijn hand te kunnen - beschikken. - - „Heb mededoogen met mijne insolventie, en geef mij, bidde ik u, - kwitantie van deze kwade schuld. Geloof mij voorts met de gevoelens - der diepste achting - - „Uw onderdanigen Dienaar - Jonathan.” - - -Ziedaar een zwaren last van mijn hart gewenteld! En nu ik aldus met -mijn partij mijn rekening gesloten heb, hope ik dat gij allen, -Mejufvrouwen! mij mijn schijnbare ongevoeligheid voor uw bevalligheden, -talenten en deugden vergeven zult. Het moge mij onmogelijk zijn, uit u -allen ééne te kiezen, ik heb daarom u allen gezamenlijk te liever. - -Ja, ik heb oude vrijsters lief! Misschien is het ook, omdat ik in haar -iets anders, iets meer dan een oude vrijster zie. Het is waar, nu is -vaak haar voorkomen onbeduidend, haar kleed eenvoudig, hare manieren -zonder bevalligheid: maar ziet gij, die bedaagde maagd is een jong -meisje geweest; iets, dat ik zoo onedelmoedig niet ben te vergeten. Als -ik bij een bouwval sta, zie ik altijd meer dan een ander; terwijl de -anderen van den eenen grooten steen op den ander springen, de kranke -muren van hun blaauwe klimop-bloempjes berooven, holen en kelders van -hun gejuil doen weêrgalmen, hun hoofd schertsende door de schietgaten -steken en den eerwaardigen oude—foei!—bespotten, sta ik mijmerende aan -den voet van de ruïne; ik trek in mijn verbeelding de muren weêr op, -overdek de openliggende vertrekken met gewelven, bedek de naakte muren -met beschotten, vul de ledige, verlaten ruimte met menschen, hoor -stemmen galmen, bekers klinken, en ben in een andere wereld -overgebracht. Dat is mijn eerlijkheid. Mij dunkt, daarop heeft een -bouwval recht. Wij zouden ook niet gaarne beoordeeld worden naar het -karkas, dat men over eenige jaren bij het opruimen van ons graf in het -knekelhuis weg zal werpen. Zoo is het ook meer meetkundig, dan -menschelijk-gevoelig, den omvang en grootheid van een ruïne alleen met -het lichamelijk oog af te meten.—Om op den tekst terug te komen: ik zie -nooit een oude vrijster, of ik herstel den bouwval nog eens naar mijn -smaak. Ik doe voor haar, wat de actrice voor zichzelve doet. Ik plaats -haar op een afstand, kleur hare fletse wangen rood en hare -verschietende wenkbrauwen zwart, laat van haar hoofd lange zijden -krullen afhangen, verberg het verval harer gestalte en houding, en -plaats haar in een kring van jonge menschen, waaronder een of meer -harer aanbidders. Ben ik hiermede gereed, begin ik mijn roman dan.... -maar neen! gij zoudt mij, droomer, uitlachen, indien ik voortging. -Genoeg! ik geef aan ieder een bloeiende, gelukkige jeugd, even rijk aan -liefde als ik hoop dat de jeugd van uw dochter zijn moge, en zoek voor -de reden, waarom die liefde nooit met den krans van oranjebloesem is -bekroond geworden, een aanleiding zoo aandoenlijk, dat zij er dadelijk -in mijn oogen hoogst interessant door wordt. Zeker schrijver zegt van -een nonnenklooster: „Wie de geschiedenis van al deze gebroken harten -kon te weten komen, zou menig verhaal vol zuchten en tranen te verhalen -hebben.” Een dergelijk denkbeeld wekt bij mij het gezicht van een oude -vrijster op. Haar eenvormig voorkomen is als een zerk, waarop niets -anders te lezen is, dan het altijd wederkeerende: hic jacet. Maar wat -er in den doode, daaronder begraven, is omgegaan, gevoeld, geleden en -gestreden, daarvan zegt de koude steen en het rustige voorhoofd niets; -maar dat zegt mij mijn warm hart. En als het mij dan invalt, hoe velen -er zijn onder haar, die het slachtoffer van mannelijke ontrouw en -mannelijke ondeugd zijn; onnoozele lammeren, opgeofferd door de hand, -die zij lekten; verlaten echtgenooten, maar die bij geen menschelijke -rechtbank tegen hare echtscheiding hebben kunnen opkomen; treurende -weduwen, maar die de wet niet als zulke erkent, en de deernis niet als -zulke bejegent; dan breekt mijn week gemoed. Gelooft mij, Mijneheeren, -die tot het onderhoud van wees- en weêuwengestichten contribueert, ook -bij de oude vrijsters hebben wij een onrecht der fortuin weder goed te -maken, en te meer, omdat het hier menschen,—omdat het hier mannen zijn, -die den dood het werk hebben uit de hand genomen. Samaritanen, ook deze -gewonden hebben recht op uw olie en wijn! - -Hier ziet de oude vrijster die dit leest met bevreemding op en vraagt, -of zij dan niets is, dan in zooverre zij iets geweest is. Stel u -gerust: het is verre van mij, u dat onrecht te doen. Er mogen er -enkelen zijn, op wie deze beschuldiging past; groote kinderen, die van -haar speelgoed niet scheiden willen, en zich krampachtig vastklemmen -aan een verleden, dat voor haar en voor ons gestorven is; of wel -verschaalde bekers, die uit ergernis van onaangeroerd gebleven te zijn -zuur en wrang zijn geworden; of wel geleerde Muzen, die het al te veel -doen gevoelen, dat Minerva een gewapende godin is; of wel ... St! st! -Jonathan, van waar zoo hard? Over het algemeen ken ik geen trek, die de -oude vrijsters meer karakteriseert, dan zelfopoffering! Het is een -groote en moeielijke les, waardig de hoofdinhoud van de tweede Tafel -der goddelijke Wet te zijn: „Gy sult uwen naesten liefhebben als u -selven.” Evenwel, deze les is niet voor allen even moeielijk. De -getrouwe huismoeder, wier geheele bestaan zich in dat des geliefden -Mans heeft opgelost, en voor wie het nog meer geluk dan plicht is alles -te verlaten om hem te volgen; voor wie de kinderkamer het beste -vertrek, de feestzaal des huizes is; die geen behoefte gevoelt, zich -buiten het paradijs van haren huiselijken kring te begeven; heeft tot -de nakoming van dat gebod ongelijk minder zelfverloochening noodig dan -de oude vrijster, die geen eigen plaats in den grond beslaat, maar zich -als een rank om den naastbijzijnden stam slingeren, of als een -muurplant in de steenen eener aangrenzende woning hechten moet. Zij is -uit den aard van haren toestand zichzelve de naaste; zij moet als een -soeur de charité de voorwerpen gaan opzoeken, aan wie zij liefde -bewijzen wil; zij is in gevaar van, als „de Priester en de Levijt” in -de gelijkenis, tegenover de hulpbehoevenden voorbij te gaan, indien zij -zich de les niet herinnert: „Gaat henen en doet gy des gelycx.” Maar -indien zij zich deze les herinnert en daarnaar handelt; indien zij een -voorwerp gevonden heeft, waarop zij hare liefde vestigen kan; indien -zij al de kracht van hare in één punt saamgedrongen genegenheid op een -uitverkoren hoofd vereenigt;—o, dan is het iets roerends, iets -verhevens te zien, tot welk een hoogte de zelfvergeting en -zelfverloochening in den mensch stijgen kan. Dan dient de zwak- en -buigbaarheid der rank alleen om den geliefden boom te vaster, te -getrouwer, te inniger te kunnen omklemmen, dan wordt haar groen de -bedekking van zijn gebreken, haar gebloemte de versiering van zijn -stam; dan wordt deze omhelzing haar leven, en beide, zijn val of haar -verwijdering, haar dood; dan wordt hare liefde, zoo als de Dichter -schrijft: - - - Ze is groot en schoon en door zichzelve levend, - Ze is zacht en sterk en reklijk en toegevend, - Volhardt het meest, schoon vaak het minst ontzien; - Een Engel is ze, ons achtloos hoofd omzwevend. - - -Een Engel! Onze schoone, liefelijke Godsdienst heeft de bestemming, de -menschen tot Engelen, vooral tot Engelen van liefde te vormen. Dikwijls -heb ik er om getreurd, hoe weinigen deze bedoeling begrepen of wilden -begrijpen, en dan wel eens getwijfeld aan de verzekering van den -grijzen Apostel: „Ende sijne geboden en sijn niet swaer.” Maar dan -waren meermalen oude vrijsters mijne apologeten. Ik riep ze mij voor -den geest, zoo als ik er kende, ware discipelinnen van de leer der -liefde, echte zusteren van den Man van liefde en smarte, die „niet en -is gekomen om gedient te worden, maer om te dienen,” en die om -onzentwil „is arm geworden, daer hij rijck was;” wezens, in wie de -zelfzucht schijnt gestorven te zijn; in wier mond het woord IK, anders -de radix van alle andere woorden, een vreemde klank geworden is; die -het zooverre gebracht hebben, dat het haar niet zwaar meer valt, „so -wie haer op de rechterwange slaet, hem oock de andere toe te keeren,” -en „so iemant haer rock neemt, hem oock den mantel te laten,” en „so -wie haer dwingt een mijle te gaan, met hem twee mijlen te gaan;” goede -geniussen, door God in zijn gunst geschonken aan degenen, die hij lief -heeft. En wanneer ik mij deze vertegenwoordigde, dan werd ik schaamrood -over den twijfel van mijn verstand en—mijn hart. Dan zag ik met -verdubbelden eerbied en liefde naar het goddelijke boek, dat tevens het -menschelijkste aller boeken is, dat niets dan een liefhebbend hart -eischt om begrepen en gehoorzaamd te worden; dan beloofde ik mijzelven, -dat oude vrijsters mijn leermeesteressen in het gebod der liefde zijn -zouden. - -Terwijl ik dit schrijve, vloeien er tranen van dankbare erkentenis op -mijn papier, mijn goede, lieve Editha! - -Maar er zijn onder mijne heldinnen niet alleen Marthaas, „die haer -bekommeren ende ontrusten over vele dingen,” er zijn ook Mariaas onder, -die „het eene dingh, dat noodigh is, het goede deel, hebben -uytgekozen.” Zij zijn Johannessen onder de vrouwen, en rusten altijd -aan den goddelijken boezem haars Meesters. Zij hebben de aarde -vergeten; zij hebben geen oog dan voor het licht van haar leven, geen -hart dan voor den Vriend harer ziele; zij maken zich van haren eenzamen -en verlaten toestand een kluizenaarshut, een nonnencel, waarin zij der -wereld afsterven, om alleen voor den hemel te leven. Zij sluiten zich -hier op aarde aan dien blinkenden stoet van Engelen aan, „die niet -bevleckt en zijn: want zij zijn maeghden. Deze zijn ’t, die het Lam -volgen, waer het oock henen gaet.” Zij zijn het, die zich „toebereyden, -om haer als een reyne maeght eenen manne voor te stellen, namelick -Christo.” Zij zijn het, wier geheel aanzijn op aarde de uitdrukking is -geworden van dat schoone lied van Lodensteyn; - - - „Hoog, omhoog, het hart naar boven! - Hier beneden is het niet.” - - -Al kon ik, ik zou u niet in hare eenzaamheid mogen binnenleiden, om u -getuigen van het verborgen leven harer vroomheid te maken; maar ik mag -u wel aanbevelen, als gij den drempel van zulk een heiligdom -overschrijdt, het met eerbied te doen. O, ik heb een afkeer van -kloosters, omdat ik een afkeer van Farizeeuwsche ceremoniedienst en -slaafachtige Esseensche gerechtigheid heb: maar, waar ik in eenig -Bethanie op mijn weg de woning van zulk een Heilige aantref, zwaai ik -het wierookvat mijner vereering hoog in de lucht! - -Ik weet wel, dat zulk een gewijde liefde dikwijls geofferd wordt op het -altaar eens harten, door een onheiligen hartstocht gebroken; ik weet -wel, dat de wierook, daarop geurende, niet altijd zoo onvermengd en -zuiver was, als nu; ik weet wel, dat de Heer aardsche banden heeft -moeten verbreken, eer hij dit hart tot het zijne maakte; ik weet wel, -dat hij somtijds zelfs duivelen heeft moeten uitwerpen, eer hij de -„Rabbouni” dezer Magdalenaas werd; maar ik weet ook, dat onze -barmhartige Meester van zwakke menschen geen Engelendeugd eischt; ik -weet ook, dat hij even weinig als wij, bij het inzamelen eener edele -vrucht, naar den wilden stam vraagt, waarop zij geënt is; ik weet ook, -dat hij tot een zondaresse, die zijn voeten met hare tranen baadde en -met haar lokken afdroogde, gezegd heeft: „Uw gheloove heeft u behouden, -gaet henen in vrede;” ik weet ook, dat Petrus een boeteling en Paulus -een van verre gekomen bekeerling was; ik weet ook, „datter blijdschap -is in den Hemel over eenen sondaer, die hem bekeert, meer dan over -negen-en-negentigh rechtveerdige, die de bekeeringe niet van nooden en -hebben!”.... - -En laat mij nu aan mijzelven over, om nog eenigen tijd te mijmeren. - - - - - - - - -EEN AFSCHEIDSBEZOEK IN 1871 [4]. - - -Het is dus beslist.—Jonathan! Of gij wilt of niet, gij moet er aan -gelooven. Men laat u geen rust. Gij moet de wijde, wijde wereld nog -eens weder in! Nog meer! gij moet uwe stem nog eens op nieuw laten -hooren. Het is een vaderplicht, zegt men, dien gij aan uw papieren kind -schuldig zijt, en waaraan gij u niet onttrekken kunt... - -—Welnu! laat het dan zoo zijn! hier ben ik! - -Mijne heeren en dames!—(Ouderwetsch, niet waar? Of sedert mijn laatste -optreding de emancipatie der vrouwen—die arme, witte slavinnen van ons -koude Noorden!—niet aan de orde gekomen was, die een eenigszins galant -spreker verplicht met de Dames te beginnen!... Ik kan het niet helpen. -Ik vrees, dat ik op sommige punten tot de onverbeterlijken behoor, en -geef mij als vroeger gelijk ik ben.)—Derhalve nog eenmaal: Mijne heeren -en dames! Ik begin—met voor u een diepe buiging te maken, die een -uitdrukking mijner dankbaarheid moet zijn. - -Uit mijn jeugd herinner ik mij nog flauw, hoe ik, als ik eens een -enkele maal in de komedie kwam, er meermalen getuige van was, dat de -akteur, die, naar het oordeel van het publiek, zijn rol wèl had -afgespeeld, bij het einde van het stuk „teruggeroepen” werd, en dan met -vele strijkaadjes een plechtige buiging maakte! als blijk van -erkentenis voor de bewezen onderscheiding. Ook mij valt nu van wege het -achtbaar Publiek een soortgelijke eer te beurt. Het vriendelijk -onthaal, aan mijn boekje geschonken, dat een nieuwe uitgaaf noodig -maakt, is een soort van terugroeping. Zou ik daarvoor ongevoelig zijn? -Neen, ik buig mij zoo diep ter aarde als mijn stramme rug het eenigzins -toelaat, en als ik kon, zou ik u, mijn lezer! die thans met dit blad in -de hand zit, als vertegenwoordiger van al mijn tegenwoordige en -toekomende lezers, uit de verte erkentelijk de hand drukken. - -In allen ernst, ik heb reden tot erkentenis. Zie, dat had de „Meester -Droomer,” die Waarheid en Droomen schreef, nu wel niet gedroomd. Nog -heugt het hem, hoe het hem te moede was, toen hij zijn eersteling de -wereld inzond. Hij, zulk een nieuweling, die maar wat in een -huiselijken leuningstoel had zitten mijmeren en peinzen, en wat hem -daarbij in den geest was gekomen, in allen eenvoud had neêrgepend, rijp -en groen, wijs en dwaas, allegro en andante, major en minor, alles -dooreen, en die bij dien inval de nog grooter stoutheid had om zijn -salmagundi, zijn olla-podrida aan dien grooten heer—dien grootste van -alle heeren—het groot Publiek aan te bieden.... is het wonder dat de -bloed beefde en dat hij bij dat waagstuk het voorkomen had—om met -koning Filippus te spreken, toen hem eens een smeekeling al bevend een -rekest overgaf—van een bedelaar, die een penning aan een olifant geeft? -Verbeeld u, dat de olifant dien penning vertrapt en den schenker er van -met zijn vier groote pooten vertrapt of—zooals ik meen dat het -officiële kunstwoord luidt—vernietigd had! Hoe duur zou ik, arme hals, -dan mijne stoutheid hebben geboet! En kon het anders? De olifant en ik! -Dat was toch ook waarlijk, als er oneenigheid kwam, geen portuur! Dan -had het feit kunnen gebeuren, waarvan de bekende Dichter-Schoolmeester -spreekt, dat - - - —zoölogiesche Jonathans wel eens aan ’t sneuvelen raken. - - -Maar neen, neen! het viel gansch anders uit. De groote olifant was zoo -grootmoedig, zoo nederbuigend, zoo goed! Hij nam uit mijn hand den -penning met zijn slurf, bekeek hem van alle kanten, legde hem daarop, -zooals men dat wel eens meer in een diergaarde zien kan, in het -daarvoor bestemde bakje ter bewaring en keek den gever van den penning, -in plaats van hem te verscheuren, met zijn groote, bruine, goedige -oogen zoo vriendelijk aan, dat het hart er mij van overliep. Die -edelmoedige olifant! Kon hij mij nobeler behandeld hebben? - -Ik ben dan ook van top tot teen enkel verrassing en genoegen, enkel -erkentenis en dankbaarheid. En dat te meer, omdat de vriendschap -tusschen den olifant en mij, door dit klein geschenk ontstaan, sedert -even bestendig heeft voortgeduurd en nu reeds de proef van bijkans het -derde eener eeuw gelukkig heeft doorgestaan. - -Waarlijk, dit komt niet alle dagen voor. Ziet gij, ik wil het wel -erkennen. Op één ding had ik, toen ik mij voor de eerste maal in het -openbaar presenteerde, wel een weinigje gerekend. Er bestond toen—bij -al de onbeduidendheid mijner geringe gaven—tusschen mij en een deel -althans mijner lezers één punt van aanraking. Ik was min of meer een -kind van mijn tijd. Die tijd nu had zijn eigenaardige fysionomie. -Misschien was het wel een weinig een Janus-aangezicht, een hoofd met -twee tronies, dat hij droeg. Maar één van die tronies dan toch had -tamelijk hetzelfde uitzicht als ik. Er lag iets van den fantast, den -droomer, den mijmeraar in zijne trekken. Chateaubriand’s René en Byrons -Harold waren nog niet uit de mode; Lamartine mediteerde en harmonieerde -uit al zijn macht en Victor Hugo botaniseerde feuilles d’ Automne met -volle handen; de mindere goden volgden, als het gaat, van zelf, en, om -in den toon van den tijd te vallen, hadden ook de vroolijksten van -nature q. q. hun „Zwarten tijd.” In die dagen trad Jonathan in het -karakter van Penseroso op. Is het wonder, dat hij niet alleen -binnengelaten, maar ook heusch nog al wèl onthaald werd? Hij was immers -met een goed deel zijner tijdgenooten een vogel van gelijke veêren, en -zong zooals hij, maar ook zij, gebekt waren? Het was maar natuurlijk, -dat het koor hem inhaalde: - - - Dignus, dignus est intrare - In nostro docto corpore. - - -Maar, ziet gij, dat is sedert vrij wat anders geworden. Welke gezichten -Janus nu heeft, durf ik niet bepalen, om niet met de toongevers over -hoop te raken; maar dit weet ik, dat hij zijn Yoricks-gelaat bepaald -kwijt is. Als hij mij nu aanziet—nu, daarvoor kan ik wel ruiterlijk -uitkomen—keert hij mij een volle realiteits-tronie toe. De „hartstocht -der werkelijkheid” bezielt hem tot fanatisch-wordens toe. Arme -Jonathan! Dat lijkt u niet. Zulk een mensch, zulk een positivist der -positivisten is uw man niet, evenmin als gij de zijne. Pak dus, hoe eer -hoe beter, uwe biezen. Procul hinc abite, profani. Gij zijt een -antiquiteit, een reliek, een mummie. Naar de zaal der Etrurische of -Egyptische oudheden, naar de collectie van werktuigen uit het -vóórhistorische steenen en bronzen tijdvak met u!.... - -En toch! en toch!.. - -Misschien staat de zaak nog niet zoo volkomen wanhopig. Op den bijval -van het gros valt niet meer te rekenen. De dubbele deuren zijn en -blijven gesloten. Misschien echter is er nog een achterpoortje. -Misschien is er hier of daar nog een enkele vriend verborgen, die mij -door een spleet er van binnen laat. Ja, misschien heb ik in stilte nog -meer vrienden, dan ik zelf wel weet, of mij onderwinden zou te hopen. - -Ziet gij, men kan wel, o ja! als een recht geaard kind van het achtste -tiental jaren der negentiende eeuw, een man der realiteit, zelfs in de -tweede macht, zijn... Werkelijkheid hier! Werkelijkheid daar! -Werkelijkheid overal! maar dat neemt toch niet weg, dat men, qua -mensch, onder het koude harnas van de wetenschap en den ijzeren -maliënkolder van het empirisme, in de linkerborst iets zachts, iets -weeks, iets menschelijks heeft, dat zich niet te best beschrijven laat, -maar dat ieder, ook zondere verdere beschrijving, na dezen wenk genoeg -herkent: iets, waarvan Chateaubriand zoo schoon zeide, dat men het -heeft van God of van zijne moeder. De mannen van het Heden mogen nu, -als de bekende dokter van Molière, die het hart aan de rechterzijde van -den mensch plaatste en bij een protest daartegen uitriep: Nous avons -changé tout cela! zij mogen nu het hart hebben zoeken te verplaatsen, -of, zoo dat niet ging, het dan toch inwendig hebben zoeken te verstalen -of te versteenen; een mensch kan, zelfs in 1871, maar niet alles wat -hij wil. In een van de geestigste kleine stukken van Scribe beveelt de -Oostersche Vorst, de Pacha, al zijn hovelingen op een zekeren dag -vroolijk te zijn, aangezien de Vorst vroolijk is, en al wie nu niet -terstond vroolijk wordt, dien zal zonder genade het hoofd op kommando -voor de voeten worden gelegd!—maar daarmeê is de vroolijkheid nog niet -dadelijk present, en zal zich misschien ook verder nog wel wat laten -wachten. Welnu, zoo is het met de realiteits-passie. De Romeinsche -blijspeldichter heeft in een bekend woord geleerd: - - - ’k Ben een mensch, en deel in alles wat - eens menschen is als ’t mijn. - - -En waarlijk, als zoodanig, als mensch, leeft en trilt er bij ons, -tusschen alle spieren van onze volle werkelijkheidskracht, toch ook -hier en daar een enkele zenuw van poëtisch gevoel. Wij hebben staal in -ons bloed, veel staal, erg veel staal—maar toch ook een dropje of wat -melk. En die melk doet soms, als het staal goed gewerkt en tijdelijk -uitgewerkt heeft, wel eens voor een oogenblik haar verzachtenden, -verzoetenden, malsch- en weekmakenden invloed gevoelen. O ik weet het, -Jonathan is maar een sober citerspeler op dat verhevenste, dat meest -hemelsche van alle instrumenten op aarde, het snarentuig van het -menschelijk hart. Maar toch is het hem soms wellicht een enkele maal -gelukt, met zijn ongeoefenden vinger, bij het beproeven van zijn -eenvoudig deuntje: - - - Al de eendjes zwemmen in het water, - - -of wat nog eenvoudiger is dan dit, een liedje uit de verre kindsheid, -uit de leer- of speelkamer, een enkele snaar bij enkele harten zoo te -raken, dat zij antwoord, dat zij geluid, harmonisch geluid gaf—welnu! -om dien enkelen toon is er sympathie tusschen luit en luitenspeler! en -daaraan alleen dan ook wijt hij het dank, dat men hem niet reeds lang -als een miserabelen straatmuzikant, als een ondragelijken liereman of -orgeldraaier van de deur heeft weggejaagd,.... wat zeg ik? dat men hem -soms heeft laten binnenkomen, in het kantoor bij mijnheer den reeder, -in de werkplaats bij mijnheer den fabrikant, zoowel als in het salon -bij de mevrouwen en jonkvrouwen, met de boeken van de hoogere -burgerschool op den schoot en de handwerkjes voor Arbeid-adelt in de -handen, en hem gezegd heeft: Kom aan, zoon van de citer! wij maken een -kleine pause. Maak het niet te lang! maak het niet te zoet! maak het -niet te treurig! Maar terwijl ons werk een poosje rust, ga uw gang! -laat hooren, welke aria gij op uw speeldoos hebt. Stem uw speeltuig, en -zing uw lied! - -Gij ziet, waarop ik reken, waarop ik speculeer. Ik zoek mijn bondgenoot -in het hart, dat, minder dan de geest, de kleur van den omringenden -atmosfeer, blauw of grauw, bloedrood of scharlaken, naar het valt, -aanneemt en minder onderhevig is aan variatiën van de mode dan hij. De -mode! Ik heb daar een leelijk woord genoemd. Want, ach! uit de mode en -buiten model, dat is Jonathan gansch en al, van top tot teen! -Verouderd, mijnheer! totaal verouderd! van het jaar nul! - -Ik weet het, mevrouw! en is het wonder? - -Het is nu meer dan dertig jaar geleden, dat ik als auteur mijn intreê -in de wereld deed. Denk eens, meer dan dertig jaar! bijna tweemaal de -leeftijd van uw lieve oudste dochter daar naast u, die reeds met den -jonkman, die daar ginds het venster voorbijgaat, teedere blikken -wisselt. Het is een eeuw! Hoe zou het mogelijk zijn, dat in dien tijd -niet het een en ander, buiten mij of aan mij, verouderd zou zijn? Ik -weet het ook wèl. De heeren dragen in mijn boekje geen knevel en de -dames geen chignon. Van de muziek van Offenbach geen spraak en Mijnheer -en Mevrouw Bebé—totaal onbekend. De naaimachines nog in het hoofd van -den uitvinder, en het Roode kruis nog achter den horizont. Ik kan het -niet helpen, Hildebrand is gelukkig genoeg geweest, de onderaardsche -Schietblaasbalg in een visioen voor uit te zien en te voorspellen; maar -ik, kortzichtige, ik heb zulk een fortuintje niet gehad. Ach, ik ben, -om met Bilderdijk te spreken, maar een „Jasper ouderwetsch,” en zal -het, vrees ik, blijven. Al draag ik geen pruik, wat erger is, ik ben -zelf een pruik, een pruik der pruiken. Ik was het reeds zooveel jaar -geleden—hoe zou het er nu beter op geworden zijn?—„Alzoo niet modern? -niet modieus? niet naar ’t model? weg met u!” - - - En ook de bezem en de bijl - Verheffen samen hun kritiek: - „Uw speeltuig is van d’ouden stijl - En geeft gantsch nutlooze muziek!” - - Aan spaanders moet het! en op ’t vuur! - Dan dient het toch nog ergens toe! - En gij, onbruikbare nabuur! - Op straat! Wij zijn de wildzang moê! - - „Het hakmes geeft den waren toon; - De bezem is de levenskern - Van ’t huis, en houdt den drempel schoon: - Dat’s zuiver praktiesch, en—modern!” - - -Bravo! Maar, wat volgt er? - - - Alleen het kinderlijk gemoed - Zucht, daar ’t een stillen traan vergoot: - „Gij, schoone zwerfster, wees gegroet! - Treê binnen! zing! en—deel ons brood!” - - -Het al te prijzende bijvoegsel: „schoone”! bij de Zwerfster zullen we -daar laten. Maar verder, op den spreker, en met name op den naam, -waaronder hij wordt opgevoerd op het „kinderlijk gemoed” leg ik de -hand. Zulk een gemoed, zie, dat vindt men nog wel hier en daar; dat -vindt men aan alle plaatsen; onder een pruik en onder een Brutuskop; -achter een chinesche kamerjapon en onder een jurk naar het model van la -Gracieuse van Januari 1872 in paulo post futuro. Er zit in sommige -oogen, zwarte en blauwe, oude en jonge, achter een bril en achter een -binocle, zoo’n zekere elektrieke vonk, die uit het hart komt, en waar -die vonk haar werking doet, zie! daar is de telegraaf aan ’t werk—’t is -slag en weêrslag—vraag en antwoord—de communicatie is daar! - -1840–1871. Inderdaad! het is een heele sprong. Een sprong om haast den -hals bij te breken. Maar toch ook tusschen die jaren was er eenige -gelijkheid. Zoo hebben wij ook in 1871 lente gehad, al kwam ze wat laat -en was ze wat koud. Wij hebben lente gehad; een heusche lente, zoo goed -als 1840 maar durfde denken. De seringen geurden, de tulpen bloeiden, -de hyacinten zonden uit haar blauwe en roosverwige wierookkelken haar -geuren omhoog, de nachtegalen zongen, de leeuwerikken kwinkeleerden, -en, onder den bloeienden Meiboom en tusschen het slaan van de -nachtegalen zat Romeo met Julia in het priëel, en spraken ze samen -teederen liefdekout—precies zooals in 1840. Zulke dingen veranderen, -zulke dingen verouderen niet. Ik las ergens van een graf, waarin men, -vele eeuwen geleden, oude Celten begraven had, te gelijk met zaden van -granen en bloemen, die, bij het openen van hun tomben, in de lijkkist -gevonden werden. Men zaaide die zaden—en zie! terstond ontkiemden -groeiden en bloeiden ze, na een rust van meer dan twee duizend jaar, -tusschen het stof van graven en doodsbeenders. Elders las ik van een -stuk geurend hout, dat men in de diepte vond, mede eenige duizenden -jaren oud, en toen men het op het vuur wierp ... zie! daar ging de damp -als een wierookwolk naar boven, en die damp rook, alsof de boom pas was -gegroeid en uit den zomer-adem van 1870 of 1871 zijn versche geuren -ingedronken had. Zoo is het in de wereld der planten; zou het in de -wereld van die denkende planten, ces roseaux pensants, waarvan Pascal -spreekt, anders zijn? Neen! neen! spreek den mensch, mits hij waarlijk -mensch en kompleet mensch zij, spreek hem aan met een woord uit het -woordenboek des echten menschengevoels: spreek hem van poezij en kunst, -van vriendschap en liefde, van geloof en hoop, en hij zal weêrklank -geven, in 1840 in 1871, in 1971, in 2071 en al de jaarhonderden die -volgen, zoolang de Darwin’s-theorie geen omgekeerden loop neemt en de -mensch een mensch-aap, de Johannes of Maria een broeder-Jocko of een -zuster-Gorilla wordt. Reken daarop gerust, oude liereman en, in die -bewustheid, grijp uw strijkstok, tokkel uw snaren, en speel uw lied! - -Nu, waarlijk! dat is een buiging naar de mode, als met een sleepjapon, -die nog op den trap is, als de draagster reeds lang bezig is haar -kompliment voor de gastvrouw te maken—welk een staart! Als we zoo -voortgaan zouden, kwamen we met ons artikeltje in geen halven dag -klaar. Maar daarvan is geen nood. Ik geef u in bedenking, om van -stonden aan alle komplimenten af te breken, en het gordijn wêer achter -den uitgekomen acteur (of auteur) te laten vallen. Wat meer is, ik stel -u voor met hem op reis te gaan. - -Waarheen?.... Het zal u spoedig blijken. - - - -Toen ik beloofd had, een nieuwen druk van mijn Schetsenboek te helpen -bezorgen, nam ik het natuurlijk wêer eens opzettelijk in handen. Niet -om te zien, of er niet wat aan te verbeteren viel. Daarvan kon in geen -geval de rede zijn. Het boek moest blijven wat het is. Gij zult ook een -kinderportret van u niet nemen om het door een schilder in een zwarten -rok te laten steken, in de hoop, dat het dan beter op u in uw -tegenwoordige gestalte en voorkomen gelijken zal. Bij de afbeelding van -den jongen behoort een jongenskiel; men noemt dat thans: „het beeld in -de lijst van zijnen tijd.” Maar al wil men een oud boek niet -moderniseren, dit belet niet dat, als men voor het publiek verschijnen -zal, men zich toch even voor den spiegel plaatst en een oog over zijn -toilet laat gaan om er het stof af te schuieren, en een vlek of smet te -doen verdwijnen, die er bij ongeluk op gekomen of op gebleven is. Zoo -las ik mijn eigen boek nog eens door, alsof ik, in plaats van -schrijver, een gewoon lezer ware.... Zonderlinge gewaarwording! waarbij -haar te vergelijken? - -Het was mij vreemd te moede. Hoe dan wel ongeveer? Ik zou zeggen: -Omtrent zooals iemand zich gestemd zou gevoelen, die na een langdurig -afzijn in zijn eigen huis wederkeert. Verbeeld u bijvoorbeeld een -Landjonker, die op een kasteel is grootgebracht, en daar al de liefste -herinneringen van zijn kindsheid heeft liggen; daar kind, knaap en -jongeling is geweest. Maar later heeft hij dat Buiten verlaten; hij is -buitenslands gaan reizen. Hij heeft een goed deel van zijn leven in een -anderen streek der wereld doorgebracht. Na een geruimen tijd echter -roepen buitengewone omstandigheden hem in het vaderland terug, en bij -die gelegenheid bezoekt hij ook zijn oude ouderlijke en voorouderlijke -woning. Hij vindt het alles zooals het hij gelaten heeft; men heeft -alleen de kamers schoongehouden en de meubels nu en dan wat opgewreven; -maar anders alles geheel het oude! Wonderlijk gevoel. Zie, hoe hij, het -huis ingegaan, het geheele gebouw doorloopt, van voren naar achter, van -boven naar beneden, van den zolder tot den kelder. Eindelijk keert hij -op zijn vroegere dagelijksche woonkamer terug, zet zich daar neer in -zijn eigen leuningstoel, legt de hand onder het hoofd, en peinst, -peinst, peinst..... - -Zoo Jonathan met zijn eigen boek in handen. Ook hem is het als keert -hij, na een betrekkelijk lang afzijn, in het oude huis terug. Waar hij -sedert geweest is, wat hij intusschen gedaan, maar ook wat hij gedacht -en gevoeld, genoten en geleden heeft,—dat alles wordt hier niet -beschreven. Het is in den Jonathan nooit om een biografie, maar eer om -een prosopografie, vooral inwendig, om een afdruk van indrukken te doen -geweest. Maar genoeg, Jonathan, wie hij overigens vroeger was en nu -zijn moge, hij is thans voor het oogenblik weêr thuis. De tijd, waarin -we nu leven is er recht geschikt voor. Terwijl deze regelen ten papiere -komen, leven wij in den Advent. Kerstmis nu lokt als van zelf uit tot -een bezoek naar huis. Rondom den kerstboom verzamelen zich gemakkelijk -en gaarne al de hier en ginds verspreide leden van een familie, en als -men dan bij de lichtjes van dien boom de oude lieve gezichten uit zijn -kindsheid en jeugd terugziet, is het alsof men zelf weer kind wordt met -de andere kinderen meê. Iets dergelijks gaat ook mij nu door het hart. -Bij het weerzien van de oude woning met al hare lieve herinneringen -wordt Jonathan wel geen kind,—zulk een halsbrekenden sprong zal hij wel -niet doen—maar hij gaat toch in zijn verbeelding een geheel tijdvak van -meer dan dertig jaren terug. - - - Somtijds in mijn dier gezin, - ’s Avonds aan mijn haard, - Haal ik weer de droomen in, - Reeds zoo vaak verjaard. - - Dertig jaren dring ik door, - Drijf ik uit mijn oog, - En herroep den tijd er voor, - Die zoo ver vervloog. - - -dus zingt hij Tollens na. Zie hem, hoe gelukkig hij zich in die -herinnering, in die verjonging voelt. Hij doet even als de straks -beschreven Landjonker; hij loopt het oude huis op en neêr, van kamer -tot kamer, en terwijl hij de oude lievelingsplekken bezoekt, is het hem -of hij het oude, daar eens doorleefde, leven nog eens overleeft. -Eindelijk komt hij weêr in zijn bekende eigen lieve woon- en -boekenkamer te land. Zie, daar ginds staat ook de oude fauteuil, waarin -hij zoo dikwijls nederzat; wel wat verkleurd en wormstekig geworden, -maar toch nog altijd even zacht en gemakkelijk als altijd. Zoo strekt -die hem dan ook als van ouds de beide armen uitnoodigend en uitlokkend -tegen. Hij valt er in en.... daar zit waarlijk de oude Pythia weêr op -haren drievoet... de heilige dampen stijgen op uit den grond... daaruit -vormen zich weêr beelden en gestalten.... de Droomer droomt als in de -dagen van ouds!.... - - - ’k Herroep u hier een droomgezicht; ik zag ’t...... - In slaap misschien!—wat iemand sluimrend ziet - Kan menig jaar omvatten, en geheel - Een leeftijd samenpersen in één uur. [5] - - -Laat ons rondzien. Ja, wel voel ik mij hier thuis, alsof ik niet weg -geweest ware. In mijn verbeelding zie ik al de bekende en geliefde -voorwerpen weêr, die mij hier vroeger plachten te omringen, en niet -zooals ze sedert geworden zijn, maar zooals ze toen waren. Eerst zien -ze mij een tijd lang zwijgend aan, gelijk ik hen, maar straks!.... -hoort! hoort! daar beginnen ze te spreken, even als ginds mijn -huisklok, die zijn lied speelt wanneer hij heel of half slag zal gaan -slaan. Wat ze mij zeggen,—laat ik beproeven, in hoeverre ik het in -woorden weêr kan geven. Dat zal dan als een gesprek met de Dooden zijn! - -Daar ligt waarlijk nog een exemplaar van de oude Haarlemmer-Courant uit -den jare 1840. Welkom, oude vriend! Zien wij elkaâr nog eens terug? Ik -ben toch ook blijde, dat, voor hoeveel dooden gij sedert ook het -klokkentouw getrokken hebt, gij zelf nog leeft. Met een artikel over u -in de hand, ben ik het eerst voor het publiek gekomen; een kramer zou -zeggen: Enschedé heeft mij handgeld als auteur gegeven; dit maakt, dat -er tusschen mij en die firma een oude relatie bestaat. En daarom -verheug ik er mij in, dat de Haarlemmer nog steeds bestaat. Och, er -zijn sedert zooveel andere dingen verdwenen, of met verdwijning -bedreigd. Denk maar aan Jan Laurensz Koster, van wien het nu schijnt te -blijken, dat hij geen Jan Laurensz, en geen Koster, en, wat het ergste -is, dat hij geen uitvinder van de boekdrukkunst is; de Duitsche -Guttemberg, die door ons, hem ten behoeve, zoo dikwijls voor al wat -leelijk is uitgemaakt, en dien wij het half gestolen octrooi zoo vinnig -uit de handen hebben gescheurd, zal nu ten slotte nog met al zijne en -onze glorie op dit punt gaan strijken. Ten minste, er zijn geleerden, -die zeggen, dat er voor Koster zulk een onttrooning en ontkrooning, -niet minder erg dan die van Napoleon te Sedan, onvermijdelijk op handen -is. Welk een val! Denk nu eens aan 1824 en het Kostersfeest; denk aan -de schoone redevoering van Van der Palm en het enthusiastische vers van -Tollens: - - - Neen, vreemden, neen, verhit op Neerlands loof, - En die u ’t hoofd wilt met haar roem beladen! - Grijpt, tast niet naar die lauwerbladen: - Gevreesd, gevaarlijk is de roof, - Die zijn bezitter kan verraden! - De drukkunst, uw bejaagde buit, - Brengt gruwlen en geheimen uit. - - -Zoo bralden we in ’24; en nu keert zich in ’70 dat wapen zoo akelig -tegen onszelven, en staat het geschreven, dat Koster vroeg of laat, als -zijn beeld niet van hooger hand wordt gesloopt, zelf van schaamte in -den grond zal verzinken, of in elk geval in arren moede de Symbolische -A, die hij in de hand heeft, zal opeten of het een Haarlemsche roode -letter ware.... het is om bij te weenen. Maar staat Koster, naar het -schijnt, op zijn laatste beenen, de Haarlemmer-Courant staat pal. Hij -is in die verloopen dertig jaren grooter geworden, en geleerder -geworden, en ijveriger geworden: hij doet nu zijn boodschap niet meer -drie-, maar zesmaal per week, en hij heeft nu soms geleerde -opmerkingen, alsof hij nu en dan in het fundatiehuis van Teyler ter -studie ging en er physische experimenten maakte.... waarlijk, men moet -wel erg zwartgallig zijn om te beweren dat in de wereld alles, alles -achteruit zou gaan. De Haarlemmer, de oude liefde van alle oude -vrijsters en van alle andere nieuwsgierigen, die gaarne op de hoogte -van het kraam- en trouw- en sterfnieuws blijven—de Haarlemmer gaat -bepaald vooruit! - -Kon ik nu eens een blik laten gaan over al de veranderingen, die ook in -zijnen inhoud hebben plaats gegrepen! Ook daarin zou ongetwijfeld de -vooruitgang niet minder merkbaar zijn. Vroeger had men alleen -advertentiën, waarin het gelukkige paar bekend maakte, dat zij gehuwd -waren; maar nu komt een mijnheer, die lust tot trouwen heeft, en vraagt -een jufvrouw of des noods een mevrouw, die weduwe werd, liefst wat -jong, en wat mooi, en wat rijk, en wat rijk aan beminnelijke -hoedanigheden, bv. vrouwelijke kieschheid en maagdelijke schuchterheid, -die een dame zoo goed staat! Welk een schoone verhouding. Nu heeft men -de Duitsche en Fransche trouwkantoren niet noodig; men hoeft niet op -een schoone uit te gaan en een blauwen scheen te wagen; neen, men -blijft t’huis; men laat ze in effigie bij zich komen; als men niet naar -het stadhuis moest gaan om voor den ambtenaar van den burgerlijken -stand zelf zijn naam te teekenen, men zou kunnen trouwen in zijn -leuningstoel. Nog comfortabler is het, dat een enkele maal de -trouwlustige dames zichzelve aanbieden. Ik heb wel eens hooren zeggen -dat, als de Dames kiezen konden in plaats van de Heeren, het veel beter -in de huwelijkswereld toe zou gaan.... we zijn er nog niet, maar we -zijn toch op weg. Help kijken, als de emancipatie doorgaat.... - -De kindertjes worden geboren zooals vroeger, volgens den Haarlemmer. -Daarin schijnt minder verandering te komen. Alleen heb ik opgemerkt, -dat het bijvoegsel „mijn lieve echtgenoot” langzamerhand min of meer -uit de mode raakt; niet het „lieve” op zich zelf, maar het „lieve” in -de courant. Sterven doen de menschen ook nog als vóór dertig jaren. -Halloway en Malz, de oude Arabische-Revalenta- en de nieuwe -Amerikaansche-Condurango-kweekers hebben daarin nog geen doortastende -verandering teweeggebracht. Ook de duizend en een koude, heete en lauwe -bronnen, met hare levensstroomen hebben het lieve leven zelf nog uit de -aarde niet kunnen ophalen; het kruid tegen den dood schijnt nog altijd -op onze arme planeet niet te willen wassen. De Haarlemmer verandert nog -al eens van formaat, en is ook wel eens een tijd lang kleiner van stuk -geweest dan vroeger, maar de doodenlijst op bladzijde 3 is altijd even -groot gebleven; die heb ik nooit, als de krant zelf, tot drie kwart van -het formaat verkleind gezien! - -De overige advertenties wijzen ook al niet onbepaald verbetering en -vooruitgang aan. Daar zijn nog altijd hoofdonderwijzers, die maar geen -hulponderwijzer krijgen kunnen, en hulponderwijzers, die het voor zulk -een kleintje niet kunnen doen. Daar zijn nog altijd—mijn oud -zwak—gouvernantes en gezelschapsjufvrouwen, die voor o! zoo weinig -loon, soms in ’t geheel geen loon, o! zooveel diensten, met o! zulk een -vriendelijk, pijnlijk-vriendelijk gezicht, voor allerlei mevrouwen -Waters verrichten willen, die, als de bekende lieve Dame uit den -Nickleby van Dickens, om hare delicate constitutie, zulk een -bliksem-afleider van haar booze luim allernoodzakelijkst behoeven om er -niet in te stikken. - -En wat nu de politieke berichten aangaat, ook daar staat de thermometer -al zoo, na enkele afwisselende op- en neêrwaartsche bewegingen, gedurig -op hetzelfde punt. Het is daarmee als met het slechte weêr in -Schotland, volgens een bekende spotprent: - -—Regent het hier altijd, jongetje?— - -—Neen, Sir! soms sneeuwt het ook. - -De keizer van het Blauwe land (ik neem de verschillende kleuren van de -landkaart, om niet personeel te wezen) heeft de koning van het Groene -land bezocht; ze hebben elkander op de hand beloofd om samen vrede te -houden. Na het rooken van dien vredepijp heeft de Blauwe en passant op -de werf te *** eenige nieuwe oorlogsschepen besteld en de Groene in de -gieterij te *** een partij allerbeste getrokken kanonnen laten -aanmaken.... waarom? Wel natuurlijk, om als pleizierjacht te dienen en -vreugdeschoten te lossen, als zij elkaâr weêr zulk een vredelievend -vriendenbezoek komen geven!—De vorst van het Roode land ligt over hoop -met zijne ministers, en de ministers met de Kamer, en de Kamer met het -volk, en het volk weer met den Vorst. Ze twisten voornamelijk over de -financiën, over het uitschrijven van belastingen op de lucifers en van -een hoofdgeld op honden en katten.—De President van het Zwarte land wil -graag keizer worden, maar het roode volk wil den President wegjagen en -een Commune stichten, waarvan de tijger uit den Jardin des plantes -koning en de salamander uit de fabel eerste minister zijn zal!... Ach! -ach! en zoo gaat het altijd voort; en intusschen worden jaar op jaar -een steeds grooter aantal courant-artikelen met bloed geschreven. Was -het in den laatsten tijd niet soms, of de drukkerij van den Haarlemmer -voor politiek nieuws roode, in plaats van zwarte letters gebruikte? En -toch zitten de mannen van het Vredeverbond trouw op den wachttoren, -waarop de witte vlag waait; maar op de vraag: Wachter! wat is er van -den nacht? is het antwoord nog gedurig: De morgen is gekomen, en nog is -het nacht. Waarlijk, ook met den steeds vooruitgaanden Haarlemmer in de -hand, is het toch soms moeielijk, aan den gestadigen vooruitgang van -den menschheid in ’t groot te blijven gelooven. Wel geloof ik nog -steeds daaraan, omdat ik aan eene hoogere Macht geloof, die het -scheepje van de menschheid over den grooten oceaan voert, en die niet -alleen over het roer en de zeilen, maar ook over den stroom te gebieden -heeft, zoodat het vaartuig ten slotte, dwars door stormen en onweders -heen, den koers inslaan moet, dien zijn vinger het vóórtrekt... maar -het is misschien omdat mijn oogen slecht beginnen te worden met de -jaren, ik zie van de voorwaartsche beweging soms niet veel, en indien -ik durfde, zou ik een enkele maal haast willen vragen: De stuurman is -immers wel aan boord? - - - Daar kwam verandring in ’t gezicht mijns drooms. - - -En ligt gij daar ook nog, mijn eigen lief Album, met uw handschriften- -en portretten-verzameling van den ouden tijd? O wat ziet gij er uit! -Niet van buiten; daarvoor heeft men trouw genoeg gezorgd; maar van -binnen! Hoe zijn uwe beelden verkleurd, uwe teekeningen verflauwd, uwe -manuscripten tot onleesbaar wordens toe bleek en geel geworden! En, -ach! wat het ergste is, niet alleen hebben de beelden hier vóór mij van -den tijd geleden, maar ook hier, in het binnenste, zijn ze, althans -voor een deel, niet meer zoo helder en frisch van kleur en omtrek als -voorheen. De dichter heeft het wèl gezegd: - - - Les morts durent bien peu; laissons-les sous la pierre! - Hélas! dans le cercueil ils tombent en poussière - Moins vite qu’en nos coeurs. - - -Willen wij oprecht zijn, laat ons het erkennen: we zijn vergeetachtige, -ondankbare en liefdelooze schepsels. Nu ja, het is waar; we kunnen met -de dooden niet leven, dat is vaak genoeg gezegd; maar dat rechtvaardigt -de toepassing van den egoïstischen regel niet: Uit het oog, uit het -hart! De ouden waren gewoon hunne lijken te verbranden om hunne asch in -een lijkbus altijd nabij zich te kunnen hebben; de Chinezen leggen hun -begraafplaatsen aan in hunne tuinen om telkens de graven der hunnen te -kunnen bezoeken; ik zeg niet, dat ik een genootschap zou willen -stichten met het doel om dit gebruik, zoo mogelijk, bij ons ingevoerd -te krijgen: misschien kreeg ik het met de een of andere -Gezondheids-commissie te kwaad, en daar blijf ik maar liever buiten. -Maar toch, het denkbeeld, dat daarin en daarachter ligt, lacht mij wel -aan. Waarlijk wij moesten niet zoo gereed zijn om onze dooden, die ons -eenmaal afgestorven zijn, nog eens te laten sterven. Non bis in idem, -zeggen de juristen. - -Zoo sprekende bemerk ik, dat ik aan het einde van mijn boekje gekomen -ben, hetwelk ik bezig ben te doorbladeren. Mijn boekje.... namelijk -zooals het was, toen ik mijn daaraan gewijd artikel besloot. Als de -verzameling in dien band sedert trouw was bijgehouden—o! hoe groot zou -dan het getal namen niet zijn, waarachter ik het bekende teeken † zou -vinden. Geen wonder. Dertig jaren. Het is een geheele menschenleeftijd: -zegt men niet, dat drie menschenleeftijden een eeuw vullen? In zulk een -tijdperk nu, hoeveel dooden! Inderdaad, het leven is als een reis met -den spoortrein. Men gaat van het station op het punt van vertrek af: -het rijtuig zit vol. Het zijn de vrienden, die men meêbracht, of men -maakt met de overigen kennis op reis. Maar telkens, te midden van het -gesprek, daar klinkt het fluitje... de deur gaat open.... een der -reizigers stijgt uit.... een ander komt in zijn plaats. Zoo verandert -gaandeweg de helft, drie kwart van het personeel, en, als gij bij de -aankomst op de plaats der bestemming rondziet, is het mogelijk? Is dit -het gansche overschot van het reisgezelschap, waarmede gij uw tocht -begont? En, ziet gij, naderbij beschouwd, het beeld gelijkt maar half. -Want de passagier die het rijtuig verlaat, gaat gezond en frisch, en -met een lachend gelaat, en met een: tot wederziens! op de lippen, van u -weg, maar die andere passagier, die op den reisweg des levens u voor -goed verlaat, gaat heen in een lang wit kleed, even wit als zijn lang -en bleek gelaat,—of hij gaat eigenlijk niet, maar hij wordt gedragen, -en het: vaarwel! of het: tot wederziens! zoo hij het nog zou willen -stamelen, is onder het spreken bestorven op de witte lippen. En die -eerste passagier, als hij gaat, neemt ten hoogste genomen bij zijn -vertrek een deel van uw gezelschap, een stuk van uw conversatie, een -zoetigheid uit den trommel van uw reisgenoegen meê. Maar de reiziger, -op wien ginds de zwarte Omnibus, (ja wel, Omnibus!) wacht, neemt, -weggaande, een stuk van u zelven mede, een stuk van uw leven, een stuk -van uw hart, een stuk van uw hemel op aarde. We sterven alle dagen. Als -men oud wordt, sterft men lid voor lid. In de oogen, die gaan -schemeren, in de ooren, die zich sluiten, in de beenen, die beginnen te -waggelen, in de handen, die onvast en bevend worden, en, het ergste! in -het hart, dat koud wordt. Maar er is nog een andere, een nog bitterder -dood, dien wij sterven in de onzen. Als een gewond soldaat op het -slagveld zijn been ziet begraven, dat moet hard zijn; maar als men zijn -hart, althans het beste deel van zijn hart, in het hoogste voorwerp van -zijns harten liefde begraaft, dat is eindeloos erger. Dan zou men bijna -wenschen, het voorbeeld der Malabaarsche weduwe te kunnen volgen, en er -zich zelven levend bij te begraven... - -Ben ik bezig te klagen? Daarvoor beware mij de goede God! Er is geen -reden voor. Hoe rijk toch moet men niet zijn, om zooveel te kunnen -verliezen, en hoe dankbaar behooren wij den grooten Vader der menschen -te zijn, die ons zoo rijk aan liefde heeft gemaakt. Liefde is ten -slotte toch de grootste schat op aarde; het meest goddelijke in den -mensch. „Godt is liefde!” heeft de boezemdiscipel van den Menschenzoon -gezegd. Ik heb mij zelven wel eens een raadsel opgegeven, waarvan ik na -jaren zoekens de oplossing nog niet gevonden heb, en waarschijnlijk ook -wel nooit vinden zal: het is de vraag: wat zaliger is, lief te hebben -of geliefd te zijn? Maar wat is dat een heerlijk raadsel, en, bij al -hare leemten en ellenden, welk een heerlijke aarde is het, waarop men -elkaâr zulk een raadsel opgeven kan. Ik wil dus dankbaar zijn voor -alles, wat ik gehad heb, al heb ik het sedert ook voor een deel weêr -verloren: de Heere heeft gegeven, de Heere heeft genomen, de naem des -Heeren zij gelooft! Één ding weten we: wij zijn maar op reis: en -zoovelen wij in de rechte richting reizen, gaan wij naar het groote -centraal-station, waarop alle lijnen van de aarde uitloopen. Daar komen -eens al de reizigers saam om niet weêr te scheiden. Daar zijn geen -Albums meer met verwelkte bloemen of afgesneden haarlokken; daar -heerscht een eeuwige lente, daar bloeit een eeuwige jeugd, daar—om met -Van Haren te spreken—daar sterft de dood! - -Als nu Editha hier was, zou ik zeggen: Editha! speel de Dernière pensée -musicale van Weber,—of nog beter, speel de schoone zangwijs van den -twee en veertigsten Psalm eens voor mij! - - - - - - - - -EEN AFSCHEIDSBEZOEK. - -Vervolg. - - -Nog eens— - - - Daar kwam verandring in ’t gezicht mijns drooms. - - -Editha—zeide ik straks—speel een lied! Zoo ze hier was, ze zou het -kunnen; want waarlijk, daar, tegen den wand, staat haar piano, die mij -zoo vaak voor huiselijke harp heeft gediend. En zeker, ze zou willen -ook; want wanneer heeft de vriendelijke mij ooit iets geweigerd, waarop -mijn hart gesteld was, indien zij het mij toestaan kon? De lieve -zuster! die mij zoo vaak het woord op de lippen heeft gebracht: - - - O zusterliefde is de edelste van allen; - Daar mengt zich drift, noch teedre hartstocht in. - - -Ik mag het met blijdschap erkennen: als ik het Album met zijn vele -namen van vroeger en later ontslapenen aanzie, en daarbij de namen -voege, die in dit Album zouden behooren, al staan zij er niet in, omdat -ik op het laatste blad het cetera desunt lees,—Godlof, Editha is nog in -het land der levenden. Dàt stuk van mijn leven althans, dàt stuk van -mijn hart is mij nog niet afgevorderd. Dit is voor het minst een -troost. Want, ziet gij, na den moederschoot, die u het leven gaf, en -den vaderschoot, waarop gij het eerst met verrukking ontvangen en met -een welkomskus onthaald zijt geworden, is er geen dierbaarder plekje -voor u, dan de heilige grond, waarop gij, aan hun voet, met uw eerste -speelnootjes hebt gespeeld: na hun beeld geen liever gestalte, dan dat -zwarte jongenskopje of dat blonde meisjeskrulhoofd, waaraan gij met de -eerste streelingen van uw kleine vingers en de eerste kussen van uw -eigen kleinen mond u in het eerste liefdebetoon geoefend hebt. Kinderen -hebben altijd kinderen lief en zijn bij voorkeur met kinderen samen; -maar dàt kind, of dèze kinderen!... ze hebben een eigen plaats in uw -hart. Zijn ze niet als knoppen met u op denzelfden stam gegroeid? -Hebben ze niet uit de lieve moederaarde denzelfden malschen zoeten dauw -gedronken? Hebben ze den zonnestraal, die van den hemel op u en hen -scheen, niet broederlijk en zusterlijk met u gedeeld? Het zou wel -vreemd zijn, als de bloeddroppels in de aderen van het kind dáár naast -u niets voelden van de bloeddroppels in uwe aderen hier, daar ze toch -uit ééne moederbron zijn gevloeid. Wel kan het zijn, en zal het -waarschijnlijk zoo wezen, dat de verschillende sprankels uit die bron -later ieder hun eigen weg gaan. Jonathan rechts, Editha links... maar -al raken ze uit elkander, ze raken daarom niet van elkander af. Ze zijn -twee helften van een schelp; ook als ze gescheiden zijn, roepen ze om -elkander, en als ze weer samenkomen, zie! zie! ze passen op elkaâr -alsof ze nooit van elkander geweest waren. Het is één stem in twee -harten, de oudste stem van allen: de stem des bloeds. - -Zoo was het ons in lang verloopen dagen, waarvan de luite zong: - - - Gij zijt mijn zuster. ’t Zacht geluid - Der snaar, die in uw boezem trilde, - Drong straks van uit de loofhut uit, - Waarin gij ’t eerst zoo gaarn besluiten wilde. - ’k Huwde aan uw zang mijn eigen lied, - En ’t kwam welhaast aan honderden ter ooren, - Die naar den wildzang wilden hooren, - Geneuried op mijn pijp van riet, - Hoe Jonathan geen grooter schat - Op aarde dan Editha had. - - -Zoo bleef het ook later, na het uur van scheiding. Voorwaar, die -scheiding was bitter, al was de reden zoet, maar die scheiding heeft -niets gebroken. Het is toch met den band der liefde, als met den -telegraafdraad. Hij is zoo lang, zoo lang, zoo lang... als de geheele -wereld: hij doet des noods de reis rondom de wereld zonder te breken. -Niet waar, Editha? dat hebben ook wij gevoeld; dat hebben ook wij -ervaren. Wij hebben elkander nog lief. Anders dan vroeger? Voorzeker. -Maar minder dan voorheen? Ik zou zeggen, nog meer. Naarmate de -gelederen dunner worden, sluiten de overblijvenden zich dichter aaneen. -Ik heb wel eens kanonniers zien exerceren: als dan de bevelhebber van -het stuk kommandeert: No. 1 No. 4 No. 6 ontbreekt! treden die nommers -uit, maar dan reiken ook terstond de anderen dubbel ijverig elkaâr de -hand om de ledige plaatsen aan te vullen, en komen ze zoo altijd -dichter bij elkaâr. Doen nu de soldaten zóó, bij dat leelijke werk van -kanonnenladen, dat op het hart en het leven van hunne evennaasten -doelt, zou dan de broederlijke liefde, bij haar werk, dat een werk des -levens is, minder doen? Zouden de laatste Nommers elkander nog niet -meer en liever helpen en steunen, naarmate er andere „Nommers -ontbreken?” O voorzeker. Als vader en moeder niet meer zijn, zoeken de -kinderen hun beeld op elkanders gelaat en in elkanders stem, en zoo -goed het gaat, al gaat het niet volkomen, ze zoeken den weêrschijn van -de uitgebluschte, neen! naar elders overgebrachte vlam in elkanders -liefde terug te vinden. En daarom, Editha, geef mij de hand. Wij -blijven elkander trouw, zoolang de lieve God ons samenlaat. Wij willen -broeder en zuster blijven tot den einde: tot dat wij de een den ander -goeden nacht kussen in de tweede wieg, gelijk wij het zoo vaak in de -eerste wieg hebben gedaan. - -En nu, uw piano! Ja, ik herken ze, het is nog het oude instrument: de -oude Broadwood, waarop gij zoo vaak de reeds genoemde Dernière pensée -en zoo menig ander lied voor mij hebt gespeeld. Ik weet wel, die -liederen zijn uit de mode; men heeft nu andere muziek: of ze ook beter -is? Ik heb het openlijk en rond verklaard: ik ben geen kenner; het zou -mij dus allerminst passen, een oordeel te spreken. Maar er zijn knapper -luî op dit punt, die ik wel eens in twijfel heb hooren trekken, of we, -ook in dit opzicht, wel op den weg van vooruitgang zijn. Ze zeiden, -maar ik zeg het niet, de verantwoording blijft voor hen—de kooi, waarin -de zangvogel zit, zou nu mooier zijn, kostelijker van stof en fraaier -van vorm, maar de zangvogel zou er niet op verbeterd wezen. Mij heugt, -hoe ik Andersen met eigen mond eens een sprookje van hem hoorde lezen -van een Oostersch hof, waar men eerst een nachtegaal had, die voor den -koning zong, en later een mechanischen kunstvogel, die geleerde liedjes -speelde, maar hoe toch ten slotte... doch, het is waar, dat was in het -Oosten, en wij wonen in een kouder klimaat: dat past dus niet op ons. -Wij hebben dus geen recht om te vragen, of de muziek der Toekomst van -Wagner het bijvoorbeeld van Weber met zijn: Einsam bin ich nicht -alleine, of zijn: Dernière pensée wint? Ik stel mijn lezers voor, de -beslissing van die vraag aan de Toekomst over te laten. Dan mogen -mijnentwege de toekomstige Patti’s en Jenny Linds boven Wagners graf -den triomfzang van de Polyhymnia der nieuwe kunst-eeuw uitvoeren! - -Één ding echter staat vast. Mocht ook de zangvogel in onze dagen minder -rijk aan melodiën zijn, dan wel eens vroeger, omdat hij min of meer in -den ruitijd is, geheel zwijgen, en nog meer, sterven zal hij niet. En -gelukkig, dat het zoo is. Wij kunnen de schoone kunst van Jubal op onze -arme, koude aarde met hare dissonanten niet missen. Die ons de -uitvinding gaf, zal het ons aan de noodige hulpmiddelen tot haar -gebruik wel nooit geheel laten ontbreken. Er is een stem, die in den -mensch met Jenny Linds beroemd lied roept: Ich musz nun einmal singen! -Luther wees aan de muziek, na de theologie, de eerste plaats onder de -aan den mensch verleende goddelijke gaven toe. En dit moeten wij -erkennen: Is in den laatsten tijd onze muziek niet beter geworden, wij -zelven werden muzikaler dan voorheen. Sancta Cecilia is nu een der -eerste santinnen van onzen almanak: zij geeft onder haren naam feesten -in de Hoofdstad, waar het hart der kenners van verdaagt. Jonge heeren -en dames neuriën en musiceeren uit den treuren; de liedertafels trekken -met hunne banieren en medailles triumferende het land rond; zelfs den -kinderen op de school wordt, naar een woord van Luther, de wijsheid -ingezongen: er zijn enthusiasten, die van de heerschende melomanie de -hervorming des volks verwachten. En hoe kan het anders? Als er zooveel -harmonie is in de lucht, die we indrinken, dan moet immers ons -binnenste, dat daarmede geheel vervuld wordt, zeker wel gansch en al -harmonisch worden!... - -Hm! Hm! het kan zijn. Maar of ik er voor’shands veel van merk? zie, dat -is een andere vraag. Tot nu toe althans heb ik niet kunnen vinden, dat -de geblazen en gestreken harmonie tot liefelijke akkoorden en muzikale -samenstemming in de gedachten en gevoelens der verschillende -menschenkinderen heeft geleid. In dit opzicht heeft het diereningewand -tot nu toe te vergeefs voor ons gezongen. Ik heb niet gehoord, dat de -mooie Grenadier-concerten van Dunkler in het Haagsche bosch belet -hebben, dat er onder de vaders des Volks op het Binnenhof nog al eens -gekibbeld wordt. En ik weet niet, of het aan de Cecilia-feesten van -Verhulst in het Amsterdamsche Volks-paleis wel al gelukt is, om al de -geleerde hoofden in het Trippenhuis op de zittingen der Koninklijke -Akademie onder één hoed te brengen. Als ik met een zachte stem die -bescheiden opmerking maak, heeft men mij wel eens te gemoet gevoerd, -dat dan toch in elk geval de muziek, even als het orgel in de kerk, ons -de goede dienst bewijst om de dissonanten, die het niet verhinderen of -oplossen kan, te helpen dekken; en dat wil ik gaarne toegeven. Het is -dan maar te hopen, dat de dissonanten hunne stemmen niet al te luid -verheffen, zoodat ze de muziek, die ze moet helpen verdooven, -overschreeuwen. Wie weet, wat de muziek der Toekomst doen zal? -Misschien zal aan haar hand de klankladder van Ut re mi fa sol de -hemelladder worden, langs welke de mensch tot het bereiken van zijne -bestemming langzaam wordt opgevoerd. Ik heb ergens gelezen, dat er -menschen zijn, die naar een algemeene taal voor de gansche menschheid -hebben gezocht, en daartoe de hulp van de viool hebben willen -gebruiken: tot dusverre is dit niet gelukt. De taalverwarring, die van -Babels toren dagteekent, duurt nog altijd voort: vraagt het de -discipelen van de Burgerscholen maar, die nog altijd met zulk een -inspanning zitten te zwoegen om de vreemde talen, die ze aanleeren -moeten, onder de knie te krijgen! O welk een vreugde zou de uitvinding -en invoering der algemeene taal onder de jeugdige kielendragers en -kort-gejurkten verwekken! Welnu, misschien gaan wij er heen. Orfeus -bouwde steden op de klanken van de citer; misschien is er een Orfeus -der Toekomst aanstaande, die door zijn Paganini-viool de verdeelde, -elkander kwalijk verstaande, met elkaâr twistende en kijvende -menschheid in een groot concert van broederlijke en zusterlijke stemmen -verandert en herschept. Men moet niet wanhopen.... piano wil zeggen -zachtjes! en daarvan komt de derivatie pianissimo! - - - -En wederom: - - - Daar kwam verandring in ’t gezicht mijns drooms. - - -—Een—twee—drie—vier—vijf—zes—zeven—ACHT! Daar slaat waarlijk mijn oude -Huisklok acht uren. Welkom kameraad!—We hebben elkander in lang niet -gezien. Ik heb u in lang niet gehoord. Toch weet gij, of ik u lief heb -gehad. Nog meer ik heb gemaakt dat ook anderen u lief kregen; ik heb -zelfs eens een bezoek van een vriend gehad, die mij kwam vertellen, dat -hij u een jongeren broêr gegeven had. Hij had een ouderwetsche klok -gekocht, en die laten opmaken precies als gij, tot uw eigen opschrift -toe: Una ex his hora mortis. Zoo zoudt gij op het laatst nog haast -oktrooi moeten gaan vragen, en in den oprechten Haarlemmer een -advertentie bij wijze van Waarschuwing tegen Namaak moeten plaatsen. Nu -laat u namaken wie wil, als men dan ook de lessen maar navolgt, die gij -zoo gereed en gewillig zijt aan uwe aandachtige en indachtige hoorders -te geven. En dat hebt ge zeker ook blijven doen, al was ik daar niet om -ze van u te ontvangen. Hoeveel tijd is er voorbijgegaan, sedert ik ze -hier op dezen zelfden stoel van u ontving! Hoeveel malen hebt gij -twaalf geslagen, twaalf uren op den dag en twaalf uren in den nacht, -sedert ik, op het punt staande om van hier te gaan, uw wijzer vroeg, of -het nog geen tijd was, en toen gij ja! zeidet, u een laatst Vaarwel -toeriep. En sedert zijt gij daar altijd blijven staan, terwijl ik hier -en daar rondzwierf, en mij met een plaatsvervanger van u zoo goed -mogelijk behielp. En sedert zijt gij altijd even gelijkmatig unisono -blijven voorttikken: tik-tak! tik-tak! tik-tak! terwijl intusschen mijn -hart menigmaal zoo onrustig sloeg en joeg. Ach, mijn goede Huisklok, -zoo ik u dat vertellen kon! In Dertig jaar kan er door een -menschenhart, welks ketting en veer niet van hard, stug metaal is, wat -worden afgeleden, afgestreden, en afgebeden, waarvan een Huisklok aan -den wand, en zelfs een zakuurwerk op de linkerborst, dat toch zoo dicht -bij de levens- en gevoelsbron tikt, niets vermoedt. Maar ik zal ook -niet pogen u dat te vertellen. Gij zoudt mij toch niet begrijpen. Hoe -wild het ook daar buiten storme, bij u gaan de scheepjes van de -geschilderde mechaniek op uw wijzerplaat altijd even kalm en effen heen -en weêr. Als de horlogiemaker maar op het opwinden, en nu en dan op het -schoonmaken past, raakt gij nooit van de wijs of uit de maat. Dertig -jaren zijn in dit opzicht voor u als één dag. - -Dertig jaar. Mocht ik nu maar kunnen zeggen: Dertig jaar ouder—Dertig -jaar wijzer—Dertig jaar beter. Dertig jaar dichter bij het graf—Dertig -jaar dichter bij het doel. Maar, ach, mijn waarde tijdmeter, ik moet -het met schaamte bekennen: Ik ben een vergetel hoorder, een traag -discipel van u geweest. Ik heb er niet genoeg aan gedacht: Una ex his. -De kleine wijzer van den Levenstijd heeft wel altijd trouw de ronde -gedaan, maar de groote wijzer van den Plicht heeft de hare wel eens -vergeten: hij stond wel eens stil, en haperde, terwijl zijn kleiner -broeder altijd even trouw voortliep. Bij zulk een hapering kan men niet -zeggen, dat een horlogie gelijk loopt! Ik ben geen wellust van het -menschengeslacht, als wijlen Titus, maar dit toch heb ik met hem -gemeen, dat ik ook nog al eens aan den avond van een dag heb -uitgeroepen: ik heb een dag verloren. Als ik van u een kerfstok wilde -maken om zulke kwade dagen op te teekenen, zou uw lange kast veel te -kort zijn. Zie, dat is een leelijk gebrek. Wij waarderen den -kostelijken tijd niet genoeg. Wij laten de met goudkorrels bezwangerde -rivier, den rijken Pactolus, langs ons heenvloeien, en bukken ons -menigmaal niet eens om de goudkorrels op te zamelen, die de stroom met -zich wegvoert. De Britsche denker had wel gelijk, die sprak: „Wij -gelijken aan beelden van marmer in de tuinen, waarvan men fonteinen -maakt. Uit hun lippen vloeit een helder water, dat voort- en doorloopt -zonder ooit stil te staan, en het marmer is daar, lijdelijk, koud en -geenerlei poging doende om den altijd doorgaanden stroomval tegen te -houden.” Ach, ook ik zelf ben maar al te zeer zulk een bewegingloos -beeld op de fontein des Tijds geweest, en zoo al de droppels, die -zonder vrucht voor mij en anderen daarheen gevloeid zijn, in ééne kom -samen vergaderd werden, welk een bassin zou daarmede worden gevuld! En -zoo al die droppelen, die nu zoo eentoonig voortkletteren, een kenbare -stem kregen om te verhalen wat ik in den loop dezes tijds gedaan en -niet gedaan heb,—dan zou ik wenschen, dat die fontein de Lethe ware, en -dat ik in haar water de vergetelheid van al dit lang verleden drinken -kon. Maar, maar, het zal zoo niet zijn. Geen droppel vloeit naar -beneden, die niet weêr zal opkomen, als een water-ader, die hier van de -bergen stroomt, om ginds in het dal uit den grond weer op te komen en -op te springen. Laat het zijn! Reeds vroeger, als ik u aanzag en, -rekening met u hield, spraken wij samen van het groote Middel om het -Tekort in eens menschen leven te helpen dekken. Gij hebt dertig malen -gedurende mijn afwezen die zekere Drie slagen op zekeren Goeden dag -geslagen, die herinnerden aan het groote Consummatum est, dat der -wereld den triomf van de wereldverzoenende liefde over de zonde en den -dood verkondigde, en daarom mijn lieve Klok, tik voort! tik voort! Wij -gaan den eenigen, eeuwigen goeden Vrijdag tegen, waarop niet alleen al -wat te kort is zal worden aangevuld, maar ook al wat ten deele is zal -worden volmaakt. Al gaan de dobberende scheepjes op uw wijzerplaat, -niet voort, ze brengen ons toch naar die haven—de Goedereê, de Schoone -haven van het eeuwig T’huis! - -En andermaal— - - - Daar kwam verandring in ’t gezicht mijns drooms. - - -Ik zie de wanden van mijn studeercel rond, en ik vind daar, als -vroeger, de ettelijke planken met boeken waarom in der tijd Judith mijn -eenvoudig kamertje wel wat pompeus met den naam van Bibliotheek -versierde. Daar staan ze, achter den groenen voorhang, die ze als een -sanctum van den voorhof van mijn kamer scheidt. Als ik ze nu aanzie, -het is niet zonder een onwillekeurig gevoel van weemoed. Op een -schilderijen-tentoonstelling hangt men boven het werk van een in den -jongsten tijd ontslapen schilder een inmortellen-krans. Maar inderdaad, -indien ik boven al de boeken der Auteurs, die in het laatste Derdendeel -der eeuw gestorven zijn, inmortellen kransen wilde ophangen, mijn -boekenkas zou zelf iets van een bloemen-tentoonstelling krijgen. - -—Welnu, wat kwaad? Als de ééne Auteur sterft, komt een ander in de -plaats. Om uw eigen beeld te gebruiken: Men roepe maar: „No. 1 -ontbreekt!”.... - -—Meent gij dat? Ik wenschte, dat het waar ware. Maar reeds toen ik een -jongen was, die „Bröder tot mijn pijn en Weijtingh voor mijn straf” -kreeg, moest ik leeren: Consules fiunt quotanis— - - - Consuls krijgt men alle jaren en Proconsuls ook er bij; - Maar de Koning en de Dichter komt niet alle jaar als zij. - - -De dichters groeien niet als de spinazie in de lente of de bloemkool in -den zomer, waarvan in den regel de oogst tamelijk wel te gelukken -pleegt: in den hof der letterkunde heeft men nog al eens jaren van -misgewas. Welke vruchtbare tijden heb ik in dit opzicht beleefd. Welk -een tijdvak, waarin men in één jaar (1832) drie dichters als Göthe, -Walter Scott en Bilderdijk verliezen kon! Toen had men er nog eentje -voor ’t breken. Zulk een slag zou de groote Maaier nu met den besten -wil niet kunnen slaan. Les rois s’en vont: dat geldt ook van de -koningen der poezij. Eerst hadden we de koningen, toen de prinsen en -nu—exceptis excipiendis,—zijn wij aan de grootvorsten, ja misschien nu -en dan een kleinvorstje, of, dat op hetzelfde neêrkomt, een grootvorst -van Luxemburg, het landje van ééne stad, er bij. Toen de koning van -Frankrijk na den dood van Turenne acht maarschalken in diens plaats -benoemde, zeide men: De koning heeft zijn goudstuk tegen zilvergeld -verwisseld. Dit geldt ook in onzen tijd, in den regel, van de munt, die -op de poëtische pers geslagen wordt.... In vredes naam, als het niet -anders kan! als dan het zilver maar echt zilver blijft, en geen -Russisch zilver wordt! - -Toch is het een gebrek, dat gevoeld wordt. Aardappelennood valt zeker -moeielijker te dragen, dan dichternood; maar een nood is het toch. Het -is smartelijk, als men de jaren beleefd heeft, dat er bijna ieder nieuw -jaar een nieuw groot dichter bij de overigen kwam, dat men nu den eenen -dichttroon na de anderen ziet ledig worden, zonder dat er legitieme -opvolgers zijn om ze te vervullen, naar den regel: Le roi est mort! -Vive le roi!—Jean Paul verhaalt een anekdote, die hier te pas komt. De -Prins Van Esterhazy had zijn geheele muziekkapel, en Haydn als -kapelmeester afgedankt. Dien ten gevolge componeerde deze een -muziekstuk, waarin elk muzikant, de een na den ander, een solo speelde -en aan het einde er van den blaker op zijn muziek-lessenaar uitdoofde -en wegging. Zoo verdween het eene lichtje en het eene instrument na het -andere, en eindelijk bleef het orkest geheel stom. Ik heb aan dat -verhaal wel eens gedacht, toen ik Bilderdijk, en na Bilderdijk Loots, -en na Loots Staring, en na Staring Tollens, en na Tollens Da Costa, en -na Da Costa Van Lennep zag aftreden, en voor de meesten te vergeefs -naar een plaatsbekleeder, en dat vooral onder de jongeren, zocht. Toch -willen we niet ondankbaar worden: stom is ons orkest gelukkig nog niet; -er klinken nog eerste violen, al zijn ze schaarsch. Mocht het nu gaan -als bij Haydn te Weenen, waar de Prins berouw kreeg van zijn besluit en -de afgedankte kapel weêr aanstelde. Toen kwamen, in de omgekeerde orde, -al de lichtjes en al de muziek-instrumenten één voor één weer terug.... - - - Va-t-en voir s’ils viennent, Jean, - Va-t-en voir s’ils viennent! - - -Het is waar, men heeft één troost: denzelfden troost, dien men mij ook -op het punt der muziek aanbood; dat schijnt op dit gebied „de troost -der armen” (de bekende balsem) te zijn. Groote dichters heeft men nu -minder dan vroeger, maar daar staat één voordeel tegenover. De poezij -is in onze dagen meer gemeengoed geworden. De taal, de stijl der goede -Auteurs, ook over andere, soms de meest afgetrokken onderwerpen, is -dichterlijker geworden, Humboldts Kosmos is, ook literarisch, een -meesterstuk: dat zag men vroeger zoo niet. Zelfs over den goeden -conversatie-toon ligt een meer poëtisch waas dan voorheen.—Ik wil het -niet geheel ontkennen. Maar de troost is schraal. De honderdduizend -boterbloempjes in het gras voldoen mij niet, wanneer ik, als -bloemen-liefhebber, eens een schoone camelia of azalia of puike -stamroos zou willen hebben. Ik geef vijfhonderd tjilpende musschen voor -een enkelen nachtegaal. - -Zelfs dat de poezij voor sommigen min of meer een artikel van mode -geworden is, kan mij niet geheel voldoen. Twee dingen, lieve jufvrouw, -ik weet het, zijn in onze dagen voor een modieuse Dame onmisbaar: een -Album met visite-portretten en een Poezijboek, vooral een Poezijboek, -roodfluweel, met verguld slot en verguld op sneê! En dan van binnen tal -van Versjes, met lange dunne letters van Engelsch model met bleeke inkt -half leesbaar geschreven, sentimenteel tot in het schrift! En de -inhoud: luttel Hollandsch, maar Fransch, en Duitsch, en Engelsch, -vooral Engelsch, dat lieve Engelsch! En als men er dan een handschrift -van een heuschen dichter, van „mijn dichter” bij krijgen kan, dat -verhoogt de waarde van zulk een verzameling ontzaggelijk: dat is of men -zijn kleed of hoed onmiddelijk uit de eerste hand, uit Parijs, kreeg. - -Ik moet erkennen: het is vleiend voor de betrokken poëten; maar of er -nu de poezij zelf, of de geest en geestdrift voor poezij in den boezem -des volks bij die Album-manie veel wint,—ik zou het niet durven -verzekeren. En zie, dat is toch noodig. Ik gaf het reeds vroeger te -kennen: Poezij beantwoordt aan een ingeschapen trek en behoefte in de -natuur van den normalen mensch. Laat de bekende mathematicus bij het -zien opvoeren der Fedra van Racine vragen: wat dat bewijst? Uw vraag, o -wijsgeer! bewijst dat gij een cijferbord zijt, waarbij het stuk krijt -in het bakje, bij gebrek van beter, de plaats van hart vervult. Het -meerendeel der menschen is anders gemaakt. De mensch leeft niet alleen -van brood; zoo kan ook een ziel niet alleen van proza leven. Ik heb een -harp in mijn keel; als die bespeeld wordt, komt er een geluid, dat men -in de wandeling de Stem heet. Maar ik heb ook een harp in mijn boezem; -als die getokkeld wordt, komt er ook een geluid, en dat heet men -Poezij. Nu kan ik de harp daarbinnen wel tot zwijgen doemen.... o ja! -evengoed, als ik eens in een Trappisten-klooster een menigte monnikken -zag, die niet alleen schoon linnen en warme spijs, maar ook de vox -humana op de lijst der objets de luxe hadden gebracht, waarvan ze zich, -ten genoegen van de engelen en den hemel, liever passeerden. Maar, ziet -gij, als ik zoo handel, doe ik mijn aanleg en natuur te kort, en zulk -een verminking blijft dan ook niet ongewroken. De mensch, die de Poezij -als een overtolligheid afschaft, is als iemand die een vogel kortwiekt. -Och ja, uw uitvlieg-duif blijft nu wel op de binnenplaats, mijn lieve -kleine vriend! en hij leeft alleen van de duivenboonen die gij hem -geeft, en geen nijdig buurman kan nu uw mooi exemplaar in zijn kooi -opvangen: maar—nu is ook uw duif geen uitvliegduif meer, dan titulair, -en de prachtige vogel, dien God geschapen heeft om meê de blauwe lucht -te doorstreven en te doorzweven, te bevolken en te bezielen, is een -arme invalide op zwart zaad geworden, waarop de dikgepropte doffer van -uw buurman, als hij triomfeerend den hemel doorklieft, met deernis of -verachting neerziet. We kunnen alles wat in ons met den hoogeren, -beteren, etherischen mensch in verband staat wel afdanken en op -pensioen zetten; dat kunstje wordt helaas! in onzen tijd genoeg geleerd -en geoefend; maar men noeme zich dan ook geen kompleet mensch meer. Die -halben und die ganzen, zei iemand in onzen tijd. Ja, als er minder -„halve” menschen waren! Dan.... - -Maar ik hoor nog een excuus, voor en door de kinderen onzes tijds -ingebracht.—De tijd deugt er niet voor. Het is in onze dagen te druk, -te woelig, te volhandig! Er wordt te veel in het bosch geschoten: -daarom kunnen de nachtegalen niet zingen. - -—Ei zoo? Dus; de meest poëtische tijden zijn die, waarin de tempel van -Janus gesloten is? de tijden, waarin de menschheid, als de wijn, die -belegen moet zijn, in de vaten op den droesem rust? de tijden, waarin -de Jansalies het roer in handen hebben en al de kippen op stok zijn? -Dit had ik niet gedacht. Ik blijf ook nog wel een weinig twijfelen. De -historie althans schijnt er anders over te denken. Er is een eeuw -geweest, die men, evenals men de eeuw van Saturnus de gouden, zoo deze -„de groote eeuw” noemde; welke was die eeuw? Het was de eeuw in -Frankrijk, waarin de Zonnekoning regeerde; waarin Turenne, en Condé, en -andere reuzen der krijgskunst meer, veldslag op veldslag wonnen, en -Colbert den handel van zijn volk, met de zich steeds vermeerderende -zeilen der schepen, steeds nieuwe vleugelen aanbond. Maar zie dat -was—toevallig? ook dezelfde eeuw, waarin Corneille en Racine zongen, -Boileau de wetten op den zangberg gaf, Pascal zijn gulden wijsheid tot -goudstukken vermuntte, en Bossuet en Bourdaloue stemmen uit de hoogte -deden hooren, die het kolossale paleis van Versailles op zijn -grondslagen deden daveren.—Had de Vrijheidskrijg van 1813 zijnen Körner -niet? Van waar dan, dat men in den jongsten oorlog te vergeefs naar den -Tyrteus uitzag, die bij zulk een voorbeeldeloozen kamp niet scheen te -mogen ontbreken? De driehonderd Lieder der Schutz und der Trutz toch, -waarmeê de Germanen elkander zoo goed mogelijk hebben opgewonden, -kunnen even weinig voor een Ilias van dezen krijg gelden, als de houten -theater-ballen, waarmeê Victor Hugo voor zijne Franschen den -oorlogsdonder zocht na te maken. Het is gelukkig voor de Duitschers, -dat de Krupp-kanonnen krachtiger taal spreken; anders zouden Sedan en -Metz, Straatsburg en Parijs niet gevallen zijn! - -Men vergunne mij dit elegietje op den Chute des feuilles van den -laurierboom der schoonste kunst. Misschien is het wel een weinig een -oratio pro domo; misschien pleit ik min of meer voor een familiebelang; -ik geloof werkelijk, dat ik een verren neef onder de dichters heb. Maar -ik geloof toch ook, dat er bij mij nog iets anders, iets beters bij -komt. Ik geloof waarlijk, dat de menschheid behoefte aan poëzij, en wel -aan waarachtige, verhevene, groote poëzij heeft. Thorwaldsen heeft eens -een basrelief gemaakt met het opschrift A genio lumen. Het vertoont een -vrouw, die bij een altaar zit, en die een uil en een lier aan de voeten -heeft: een voorstelling van het genie. Alle eerbied nu voor den uil, -die als de vogel van Minerva de Wetenschap moet voorstellen. Ik weet, -dat we zonder uilen niet kunnen. Maar als ik u verzoeken mag, als gij u -zoo bukt om den uil te streelen, trap dan bij vergissing de lier niet -stuk! Hoe zou ik anders kunnen zeggen: Waak op, gij harp en luit! -Victor Hugo! eens te recht Victor, Overwinnaar, geheeten! Ik bid u, -laat nu de Travailleurs de la mer eens een weinig op hun eigen hand -travailleeren, en grijp gij de gouden citer—gij zit toch nu niet meer -aan de wateren Babels, aan de oevers van den stroom eener droevige -ballingschap—grijp de citer, en zing ons een gouden lied, als in uw -gulden tijd. Laat ons nog eens hooren: Ce qu’on entend sur la montagne. -Laat ons nog eens hooren, hoe uw prachtige Klok - - - Chante l’amour au coeur et le blasphême au front! - - -En! opdat dit geschiede, genius der kunst! giet olie in de albasten -vaas, die de Muze u voorhoudt... A genio lumen. - -Nogmaals— - - - Daar kwam verandring in ’t gezicht mijns drooms. - - -Ei zoo.... Gij daar ook nog, mijn portret? Beeld mijner kindsheid, -miniatuur-exemplaar van den tegenwoordigen Jonathan! O zeker, u ziende, -gedenk ik aan de dagen van ouds. Toen ik vroeger evenzoo voor u stond, -en u mijn kleine meditatie wijdde, was er tusschen u en den toenmaligen -Jonathan reeds verschil genoeg. Dat verschil is sedert nog grooter -geworden. Een leeuwerik onder de zangeressen uit den vreemde, (schoon -tamelijk in de buurt; het is eene Vlaamsche, die niet voor niet Rosalie -Loveling heet), heeft het gevoel, uit het gezicht van zulk een -gedaante-verandering geboren, aardig uitgedrukt: - - - In grootmoeders kamer, daar hangt het beeld - Uit hare kinderjaren: - Een lachend mondje, peerlenoog, - En bruine kroezelharen. - - De kinderen stonden en staarden ’t aan, - En ’t een zeî aan het ander: - „Och, waar’ dat schoone kindje hier, - Wij speelden met malkander.” - - En de oude in haar leunstoel met bril en toer, - Keek op bij deze rede: - „Wie zou dat schoone kindje zijn?.... - Gij speelt er altijd mede.” - - -Inderdaad, de vergissing der kinderen is verschoonlijk: het onderscheid -is ook zoo erg groot! En laat dat zoo zijn! Oud te worden, is geen -kwaad, als maar niet alles aan ons en in ons te gelijk mede oud wordt. -En dat is niet noodig. De dichter Tegner heeft ergens gezegd, dat de -ouderdom sneeuw strooit, niet alleen in het haar, maar ook in het hart. -Zou dat regel zijn? Als er sneeuw op een vulkanischen grond valt, smelt -ze: dat kan de Etna leeren. Misschien is het, omdat mijn hart wat warm -van temperatuur is uitgevallen, dat ik van de sneeuw in het binnenste -nog niet veel merk. Schleiermacher is de eenige niet, die zich zelven -beloofde, dat hij, oud wordende, jong zou blijven,—en woord hield. Er -zijn dwergen, die dezen reus dit hebben nagedaan, door ’s mans -zevenmijlslaarzen aan hun kleine voeten te doen. - -Ja, er is een middel—ik sprak er reeds vroeger van—om ouderdom en jeugd -in één zelfden mensch te vereenigen, zooals de oranjeboom aan één stam -het groene blad, den zilveren bloesem en de gouden vrucht draagt. Een -dichter zong er van: - - - Eenmaal wordt het kind een man, - Die veel trefflijks wil en kan; - Eenmaal wordt de man een kind, - Zwak zooals men kindren vindt! - Waart gij lang een kind van God, - Grijsaard-Kind! dan heil uw lot! - - -Grijsaard-Kind. Een eigenaardige combinatie, die mij denken doet aan de -bekende Kind-Vrouw uit den David Copperfield van Dickens. Nu, wat het -grijsaard-worden aangaat, daaraan heeft het bij mij niet ontbroken. Een -groene grijsheid—zegt men—een spar onder de sneeuw;—ik verzeker u, dat -er sneeuw op de bladen ligt! Maar nu de andere helft: het Kind in den -Grijsaard, Jonathan, hoe staat het daarmeê? - -Hoort eens, lieve menschen, ik zit hier niet in den biechtstoel. Daar -zijn dingen, die men liefst alleen, of nog beter onder vier oogen -afdoet. Maar die andere twee oogen, die ik daarbij tegenover mij -wensch, zijn de uwe niet. Intusschen, dit kan en mag en wil ik u wel -zeggen: het Grijzen is makkelijker en voorspoediger gegaan, dan het -Kind worden. Het is daarmeê als met het op- en afklimmen van een berg. -Het afklimmen gaat rad genoeg ja, het gaat van zelf; maar het -opstijgen! En Kind, in den besten en hoogsten zin Kind te worden, is -eene opstijging, erger dan tegen den Montblanc. En geen wonder! Het -gaat ook naar een Montblanc, den Witten berg der volmaakte en -vlekkelooze heiligheid, op welks top, even als het licht van den zon in -den morgen op den Zwitzerschen berg, het groote eeuwige Licht, waarin -gansch geen duisternis is, woont. Nu, ziet gij, zulk een bergreis gaat -met groote moeite en inspanning gepaard. Het heeft wel iets van den -gang van sommige bedevaartreizigers naar Jeruzalem, die soms, bij wijze -van vrijwillige zelfmarteling, telkens na twee stappen voorwaarts weer -éénen achterwaarts deden. Of wilt gij een nationaal beeld? Denkt aan -den tijd, toen gij als kinderen tegen de een of andere duin op zoudt -klimmen, en gedurig met het zand, dat gij pas en met moeite bestegen -hadt, naar beneden kruidet! Ach, als gij zondag een goeden stap -voorwaarts hebt gedaan, komt maandag, en dinsdag alles bederven, en ’s -woensdags daarop is het, of het weer de vorige zaterdag ware. Waarlijk, -er is volharding en moed toe noodig om den strijd niet op te geven. - -Toch willen wij dit met Gods hulp niet doen. Daarvoor voelen wij ons te -sterk in de belofte: Hij heeft ons macht gegeven, kinderen Godts te -worden.—Kinderrang bij kinderzin. Het is beloofd. Het zal geschieden. -Het kan geschieden. Het is mogelijk, al is het ook moeielijk, al is het -ook wonderbaar. Van wonderen gesproken,—de klassieke dichter Ovidius -heeft een heel boek vol geschreven, waarin hij van niets dan van -metamorfosen verhaalt. Menschen worden boomen, vogels, en wat niet al -meer. Maar als ik van die mirakelen lees, blijf ik er koud bij: het -zijn immers maar fabelen? Het is alles mythologie. Maar als de Heilige -schrift van mannen en vrouwen, ja, zelfs van ouden van dagen spreekt, -die kinderen worden—zie, zoo waar God leeft, dat is geen fabel, geen -mythe, dat is een feit! Zoo waar ik leef, ik weet dat het een feit is; -ik heb het gezien. - -Een schoon gezicht—om hetwelk te aanschouwen de engelen gaarne den -hemel verlaten—die gedaante-verandering van den volwassen mensch, die -een kind wordt! En zooveel te schooner, naarmate het zielsgelaaat van -dien mensch door de werking der zonde meer verdorven, meer verouderd en -leelijker gemaakt was. Als men u toen gevraagd had: kan die akelige -Kains-tronie nog weer een lief, onnoozel Abelsgezicht worden, zooals -deze er uitzag, toen hij nog levend en blozend als een kind op zijn -moeders schoot lag, of ook, toen hij in zijn tweeden en laatsten slaap, -met een lachje op het gelaat, door zijn moeder in de armen genomen werd -om tot de groote rust gebed te worden? dan zoudt gij geneigd zijn -geweest uit te roepen: Onmogelijk! En gij zoudt recht hebben gesproken: -dat is ook onmogelijk—althans bij de menschen is het onmogelijk. Adam -kan het niet, en Eva kan het niet, en Abel zelf uit zich zelven kan het -ook niet; er is geen enkel Adamskind, die het kan! Maar wat bij de -menschen onmogelijk is, is mogelijk bij God,—als God het wil, en dìt -wil God. Hij wil, dat menschen zalig worden, en tot die zaligheid voert -geene andere weg, dan door de tweede kindsheid heen, die wij het -kindschap Gods noemen. Om het wonder dier herschepping te -bewerkstelligen, beschikt hij over goddelijke krachten en gaven. Is het -vreemd? Men verhaalt van Rubbens, dat hij, met een penseelstreek of -wat, een schreiende in een lachende tronie op zijn paneel veranderen -kon; zou de hand, die Rubbens dit schildergenie in den boezem gaf, niet -iets dergelijks bij zijn maaksel vermogen? God heeft uit een handvol -klei eenen mensch gebootst; zou hij nu den misvormden, verbasterden en -ontaarden mensch niet weer tot een nieuwen en reinen mensch kunnen -hervormen? Het is zoo: de bewerking is nog zwaarder. Want de doode klei -was lijdelijk in de hand des Pottebakkers; maar de levende aardmensch, -in wien de klei van beneden vaak over den geest van boven heerscht, is -weêrstrevig en weêrspannig, en maakt den grooten kunstenaar soms moeite -genoeg. Maar toch, als er eens een begin met het groote werk is -gemaakt, o! het gaat. Het gaat langzaam, maar het gaat. Het gaat -moeielijk, maar het gaat. Hier een vlek weggewischt, daar een rimpel -weggestreken, elders een lach of een blosje aangebracht—het gaat. Zie, -het wordt reeds een geheel ander voorkomen. Het hangend hoofd heft zich -op, en het matte oog begint te glinsteren, en het ruwe vel wordt glad, -en het onrustig jagende hart wordt stil, stil—zegt de Psalmist—als een -kind bij zijn moeder.... en dat is niet de eenige kindertrek! Het -kinderlijke komt gedurig meer boven, en uit, en door.... Ik las ergens -van een volksgeloof, volgens ’t welke een mensch, als hij gestorven is, -het gelaat van zijn vroegere kindsheid weêr aanneemt... dat is een -legende. Maar dat Christenen, hoe ouder ze worden, temeer op kinderen -beginnen te gelijken, ja, telkens meer kind zijn.... dat is geen -legende. Dat is een feit. Ik heb het gezien en ik zie het aan mij -zelven, helpe God! Met zijne hulp zie ik het eens in zijn gansche -volheid en volkomenheid. - -Wanneer? - -Ik zie er mijn portret op aan, maar ik krijg geen antwoord. Mijn moeder -heeft mij bij mijn geboorte den horoskoop niet laten trekken. Er is dus -zelfs niet naar geraden, hoe oud ik wel worden zou. Nu, in zekeren zin -is dat ook onverschillig. Het aardsche leven is altoos een korte -ketting, waaraan het op een schalm of wat meer of minder niet aankomt, -daar zij toch bestemd is spoedig te breken. Anders is het gelegen met -het hemelsche leven, de keten die nooit breekt. Dat is als de keten van -den telegraaf, die onder rivieren en stroomen door, en zoo ook door de -Jordaan des doods heenloopt, en den Nebo aan deze zijde aan de kust van -de Palmstad aan den anderen kant verbindt. O wat het zijn moet, op dien -anderen oever te komen, en dan het strand te kussen, en daarna -opgerezen in den kristallen stroom zijn eigen beeld te zien, en -zichzelven zoo weinig te herkennen, als ik mij nu in dit -kinderportretje herken.... welk een verwachting! Toen men in der tijd -dit kindje wel eens vroeg: hoe groot zult ge worden? hief het wicht de -kleine armpjes omhoog, zoo hoog hij kon, maar altijd veel te laag.... -het kleine schepsel! het kon niet hooger. Maar vraag nu het kind van -God eens: Hoe groot zult gij worden? Lieve menschen! dat kan hij u nog -minder toonen: want dat is zóó groot, zóó groot, dat men gaat duizelen, -alleen van het zich te verbeelden. Bedenk dat er geschreven staat: ze -sullen Hem gelijck wesen. - -En dat alles, het ligt nu vóór ons, recht vóór ons, dicht vóór ons—wie -weet, hoe dicht? Zonderling, dat die gedachte ons niet meer verblijdt. -Ik weet nog, hoe het mij te moede was, toen ik het eerst den Montblanc -zou gaan zien.... ik was de wereld te rijk! en ik heb hem gezien en -uitgeroepen: schoon, schooner, veel schooner, dan ik mij had verbeeld! -Maar nu dien anderen Montblanc te zien, en niet alleen te zien, maar -ook te bestijgen, en niet alleen te bestijgen, maar ook blijvend te -bewonen. Gelukkiger dan De Saussure en zijne navolgers, die na een kort -verblijf op de hoogte weer naar beneden moesten in het Dal, in den -herberg, en bij de morsige wateren van de Arve, die door de -Chamounix-vallei stroomt. Nog eens, hoe kan het zijn, dat het ons zoo -koel laat? Nu zou ik toch haast weêr zeggen, dat de sneeuw niet alleen -op het haar ligt. Wat er aan te doen? Nog eens een blik op den -Kind-Grijsaard des dichters, met zijn schoon verleden en nog schooner -toekomst: - - - Ik ken twee schoone dalen, - Waarop ik blik met stille vreugd: - Het eene vol bloesem en stralen, - Is ’t groene veld der jeugd. - - Het eene is doorgetogen! - En schemert reeds in ’t wijd verleên: - Toch wendt er de Grijsaard zijn oogen - Met dank’bre blijdschap heen. - - Het tweede ligt daarboven! - Dáár storm, nog sneeuw, noch winterwee! - Maar eeuwige gaarden en hoven, - Aan kristallijnen zee. - - Wel tintelen en bloeien - De bloemen uit mijn jeugd nog schoon. - Maar die uit den Hemelhof gloeien - Wel driemaal dubbel schoon! - - -Kind! kind! welke gezichten! welke uitzichten! O dat het nu ook waar -worde: - - - „Wie zou dat schoone kindje zijn? - Gij speelt er altijd mede!” - - -Ten laatsten maal— - - - Er kwam verandring in ’t gezicht mijn drooms. - - -Nog eens hervat ik mijn Reize door mijn kamer, ik sla mijn oogen her- -en derwaarts in ’t rond. Zoo valt mijn oog op wat ik mijn Stamboom -noemde: op mijn erentfesten Bijbel op zijn ouderwetschen lezenaar. Mijn -stamboom; als behelzende op zijn eerste bladzijde de volglijst mijner -Voorouders, mijn Genesis X, waaraan, door de hand der mijnen, een en -andermaal een soortgelijke aanteekening, als in dat kapittel zoo -menigmaal voorkomt is toegevoegd: „Deze en die werd geboren, gewon -kinderen, en stierf.” Hier zie ik ze weer: de namen van mijne vaderen, -van den eersten, dien we kennen, tot mijn eigen lieven vader en moeder -toe, en onderaan het open plaatsje voor Jonathan ... dat nog open is. -Tot hoe lang? ... neen, dat willen we niet andermaal gaan vragen. Één -ding is zeker. Ik vergeleek mijn stamboom met Genesis X; maar dat geldt -allerminst van de getallen. Die zijn voor het minst gedecimeerd. In die -dagen was zeven, achthonderd jaar een gewone leeftijd. Mozes hield er -reeds een andere rekening op na: Aangaende de dagen onser jaren, daarin -zijn seventig jaer, of zoo wij seer sterk zijn, tachtentig -jaer—Jonathan, hoort gij het? - -Laat het zoo wezen. Jonathan worde ouder en ouder, zoodat het witte -graan om den zeis roept, de oogstdag zal welkom zijn. En wel beschouwd, -wat doet het er ook toe, of de namen op het schutblad van den Bijbel -een jaar of wat meer of minder achter zich tellen, als de Bijbel zelf, -waaraan ze als vastgehecht en waarmeê ze verbonden zijn, maar jong, -maar eeuwig jong is en blijft! - -En dat blijft hij! - -Zie, daar ligt hij voor mij. Wij zien elkander na lange scheiding weêr. -Hoe zien wij elkander? Hij vindt mij vrij wat veranderd: de Tijd -schreef in rimpelen zijn voortgangen op mijn voorhoofd aan; ja ze -staan, als op iederen van mijn gelaatstrekken, op elke van mijn -lichaamsleden te lezen! Hoe geheel anders met hem. Hij altijd dezelfde. -Ook uitwendig, in den sterken juchtlederen band, de soliede koperen -sloten, het stevige, degelijke, deugdelijke ouderwetsche papier met den -kloeken zwarten letter, en de platen van Luyken, bijna even duurzaam -als het koper waarin ze eens gegraveerd zijn. Maar ook inwendig, in den -inhoud. Ook daarvan geldt ten volle: „Niet verouderd!” - -Welk een verschil tusschen hem en mij! - -Ik las onlangs een bijzonderheid uit het leven van Alexander van -Humboldt, die mij trof. Toen hij als jongeling met zijn vriend Bonpland -in Zuid-Amerika reisde, zag hij een boom, Saman del Guere—meen -ik—geheeten: een waren reuzenboom, in al zijn pracht, macht en kracht. -Zestig jaren daarna, in 1858, bracht hem een reiziger, die uit die -streken kwam, een gelijkende fotografie van dien boom mede. Dat gezicht -deed hem aan. Naar de teekening te oordeelen, was die boom nog volmaakt -dezelfde als in 1798. De stam even hoog, vast en recht; de kroon even -breed en rijk; de takken even overvloedig, weelderig en schilderachtig -naar alle zijden uitgebreid; de bladeren even rijk frisch en groen; de -bloemen- en vruchtenschat even kleurig en welig. Toen werd Alexander -bedroefd. „Die boom nog geheel onveranderd, terwijl Bonpland lang dood -is, en ik een oud man aan den rand van ’t graf! Wat is er nu van die -vlucht van jeugdig enthusiasme, die mij en mijn reisgenoot toenmaals -bezielde, en ons met onze gedachten en plannen hoog boven de hooge -kruin van dien reuzenboom, ja, van de hemelhooge bergen daarachter en -rondom, opstijgen deed!...” Maar genoeg, gij hebt mij reeds begrepen. -Wat Alexander voelde tegenover de afbeelding van zijnen langlevenden -boom, gevoelt de verouderde Jonathan, staande tegenover zijnen altijd -jongen Bijbel. Alleen maar, de aard van de daardoor opgewekte -gewaarwording verschilt. Humboldt werd droevig, ik gevoel mij gelukkig -en blijde. Geen wonder: de jeugd van zijnen boom kon zich aan hem niet -meêdeelen: maar de onveranderlijkheid van onzen Bijbel waarborgt ons -onze onsterfelijkheid, onze eeuwige geestelijke jeugd. Daarom roemen -wij: Alle vleesch is als gras, en alle heerlickheyt des menschen als -een bloeme des gras. Het gras is verdorret en sijne bloeme is -afgevallen: maar het woordt des Heeren blijft in der eeuwigheid. - -Ja, het Woord blijft. Jaarhonderden en jaarduizenden zijn dáár, om het -te staven; ook het laatste jaarhonderd is daarvan een getuige te meer. -Dat tijdvak toch is voor mijnen Bijbel niet al te goed geweest. -Vreeselijke stormen en orkanen, o gij, woudkoning in den vreemde, gij -machtige saman-boom! zullen in den loop van die zestig jaren, van 1798 -tot 1858, over uw kruin zijn heengevaren; ontzettende onweders zullen -uw stam hebben bedreigd, en misschien ook wel vreeselijke aardbevingen -uwe wortelen hebben geschokt en geschud; maar gij zijt staande -gebleven, altijd jong, altijd sterk, altijd groen, altijd vruchtbaar! -Welnu, niet anders deze Bijbel! Ook over hem heeft een Pinksterstorm, -gelijk wij er een in 1860 beleefden, die de grootste en sterkste eiken -ontwortelde en nederwierp, wat zeg ik? onderscheiden zulke -Pinksterstormen zijn over zijn hoofd heengegaan, en hebben getracht hem -te knakken of neêr te slaan; maar het is niet gelukt. Hij heeft geen -blad verloren, geen bloesem laten vallen, geen vrucht afgeschud.... hij -staat daar altijd even krachtig en bloeiend, en als gij hem nadert, -reeds van verre waait u uit zijne bladeren een geur des levens te -gemoet!... - -Men zou zeggen: maar wie heeft dan zulke stormen en onweders tegen dit -beste der Boeken verwekt? Kan het zijn? Hebben dat de menschen gedaan? -En waarom? Wat dan, o mijn Bijbel, wat hebt gij den menschen gedaan, -dat velen uit hen u zoo gram konden zijn, en u zoo gaarne zouden -verbrand, verscheurd, of voor het minst verminkt hebben, zoo ze hadden -gekonnen? - -Wat gij den menschen gedaan hebt? Dat is spoedig gezegd. Gij hebt ook -in het jongst-verloopen tijdvak, ook in de laatste zestig jaren hebt -gij duizenden, en tien- en honderdduizenden onder de menschen geleerd, -gij hebt ze gesticht, gij hebt ze getroost, gij hebt ze gesterkt: gij -hebt wonden gebalsemd, gij hebt rimpels glad gestreken, gij hebt tranen -gedroogd. Toen er ten vorige jare oorlog was, was het als een hemelsche -verschijning, als er in de hospitalen, waar de gewonden lagen, een -broeder of een zuster van het Roode Kruis kwam, met een zachte hand, en -een zacht verband, en een verzachtenden balsem in de vingers, en vooral -met een zachte stem, die opbeuring en vertroosting sprak tot de -verslagenen naar het lichaam en de verslagenen naar den geest. Maar wat -die barmhartige Samaritanen onder de menschen in zwakheid hebben -beproefd, dat hebt gij, o hemelsche Samaritaan des goddelijken Woords! -in kracht beoefend en volbracht. Gij hebt in het groote hospitaal des -menschelijken levens, waar de zichtbare, maar vooral de onzichtbare -wonden niet te tellen zijn, gij hebt daar al wat krank, en zwak, en -lijdende, en geknakt en gebroken was geheeld en gesteund; gij zijt dien -mannen van krankheid en smart, dien kinderen der zonde en des doods, -een engel der vertroosting en des levens geweest: gij hebt u dien -Benoni’s een Benjamin, een zoon der Rechterhand getoond! O hoe zal men -er u ooit genoeg voor danken? hoe zal men er u voor begroeten en -zegenen: Gezegend gij die komt in den naam des Heeren!... Maar neen! -neen! Alzoo, o mijn Bijbel! is het u van velen niet gegaan. Veeleer het -tegendeel. Iemand heeft een verhaal aangaande u geschreven: De -geschiedenis van het Boek. Maar indien men die geschiedenis raadpleegt, -dan ziet men dat weinige lijders in deze negentiende eeuw moeielijker -dagen hebben beleefd, dan gij; ja, zoo moeielijk, dat het ons soms -wonder dunkt, dat gij er het leven afgebracht hebt; hoeveel meer, dat -aan u de belofte ten volle vervuld is: Geen been van hem sal verbroken -worden. - -Inderdaad! het is een zware strijd, die in onze dagen op het groote -slagveld des geestes gestreden wordt. Op een van de heerlijke zes -fresco’s van Kaulbach in het nieuwe museum te Berlijn, voorstellende -zes hoofdtijdperken uit de Algemeene geschiedenis der menschheid, heeft -de schilder de zegepraal des Christendoms over het Heidendom afgebeeld. -Het tafereel geeft u een blik te slaan op het slagveld van den slag, in -de velden van Catalonië tusschen Theodorik en Attila geleverd. Het is -een geniale greep! Beneden ziet men het slagveld zelf met zijne -gewonden en dooden. Maar niet alleen beneden, ook daarboven is er -strijd. Uitgaande van de legende, dat men nog dagen daarna -krijgsgerucht in de lucht zou hebben gehoord, ontleent de schilder -daaraan een schoone dichterlijke gedachte. De geesten zetten daarboven -in de lucht den strijd voort, dien de lichamen der verslagenen beneden -hebben moeten opgeven. Welnu, een dergelijke geestenslag heeft ook in -onzen tijd plaats. Wie ooren heeft om te hooren, hoort het geklikklak -der zwaarden in de lucht. Wat zal de uitkomst zijn? Dat vraagt niemand -die gelooft. Wij zijn als Eliza. Wij zien en hooren de legers van onzen -grooten Bondgenoot in de lucht, en roemen als hij: Wie met ons is is -meer, dan die tegen ons zijn. Wij zijn vóór het einde van den slag der -victorie zeker. Toen de Fransch-Duitsche oorlog van 1870 begon, riepen -de Franschen; naar Berlijn! de Duitschers; naar Parijs! Dat was bij den -een grootspraak, bij den ander anticipatie, bij beiden overmoed. De een -had Parijs wel niet kunnen, de ander heeft Berlijn niet mogen zien. -Maar als wij in den grooten geestenslag tusschen licht en duisternis, -tusschen de wereld en het geloof dat de wereld overwint, bij voorraad -en voorbaat uitroepen: Naar Jeruzalem! Naar het Nieuw Jeruzalem! dan -weten wij, dat wij er komen zullen. Hij, die niet liegen kan, de -Waarachtige en Almachtige heeft het gezegd. Het bulletin is reeds -geschreven: het is in de Apocalyps geboekt. - -Dit neemt evenwel niet weg, dat voor een hart, dat dezen strijd -aanziet, dat aan dezen strijd deelneemt, de dagen boos en hachelijk -genoeg zijn. Een man, die recht van medespreken heeft; daar hij jaren -opperstuurman op het schip van staat in Frankrijk was, en dat schip -door menigen storm gelukkig heenvoerde, totdat ook hem het roer in de -handen brak; de groote en edele strijder Guizot heeft er van gezegd: -„Mijn ziel is te gelijk van vertrouwen en onrust, van hoop en vrees -vervuld. Ten goede en ten kwade is de krisis, welke de beschaafde -wereld doorgaat, oneindig sterker, dan onze vaderen hebben voorzien; -sterker dan wij zelven het denken, wij, die er reeds de meest -verschillende uitwerkselen van ondervinden. Verheven waarheden, -uitnemende beginselen zijn innig samengemengd met denkbeelden, die -volkomen valsch en verderfelijk zijn. Een schoone arbeid van -vooruitgang en een afschuwelijk werk van verwoesting volgen elkander in -de geesten en in de samenleving op. Nooit heeft de menschheid in zulk -een mate tusschen hemel en afgrond gezweefd.” De schilderij is niet -bemoedigend, en toch, we willen den moed niet opgeven. Ook daarom niet, -omdat we op den eind-uitslag gerust zijn. Maar ook niet om deze reden, -dat hoe dreigend zulk een strijd zijn moge, er nog iets erger is dan -dat, en dat is: een volkomen rust.... namelijk de rust van het kerkhof, -de rust des doods. En die was er vroeger, eer deze strijd ontbrandde. -Die was er in de zoogenaamde vredejaren, toen de kwade stoffen -stillekens werden opgehoopt, die de lucht zoo elektriek gemaakt hebben, -dat nu het bliksemlicht niet van den hemel is. Vraag een wakker -kapitein, die op de Oost vaart: Wat hebt gij liever: storm, of -langdurige windstilte? Hij zal het eerste kiezen. Met storm komt men, -al is het dan dan stormende, toch nog voort: met eene windstilte gaat -tijd, geld, lust, geduld, moed, alles verloren.—En ziet gij, er was -vroeger op de Galilesche zee der kerk windstilte. Het zeil van het -scheepke des Heeren hing los langs den mast; er was geen adem op het -water, geen gang in het schip; alles doodstroom; men kon niet varen; -men kon niet voort. Later begon de wind op te steken..... het woei.... -het woei hard.... het woei harder.... het waait nu erg hard.... het -waait soms een stoker... om het even! Beter zoo, dan in ’t geheel niet. -We weten nu voor het minst, dat we leven, we weten waarom we leven, we -weten ook waarvoor we strijden, en met Gods hulp, we zullen er ons -doorslaan, en de haven halen! - -Als nu maar alle man zijn plicht doet! Nelson zeide voor den slag van -Trafalgar: Engeland verwacht dat ieder man zijn plicht doen zal. En zij -deden hun plicht, en overwonnen. Zoo ook wij. Elk zijn plicht: van den -admiraal tot den matroos; van den opperstuurman tot den koksjongen; van -den kolonel der marine-soldaten tot den pijper, die den slagmarsch -blaast. Alle man zijn plicht. En dat is niet: hard geroepen! luid -geschreeuwd! Maar: trouw gewerkt! ijverig gearbeid! en moet het -wezen—en het moet soms zijn—moedig en dapper gestreden! Ach, dat het -daaraan zoo dikwijls ontbreekt! Jonathan, gij ziet hier toch niet -bezijden? Zie vóór u! of liever: Zie op u! En nog het allerliefst: Zie -in u, en spreek uw peccavi! - -Och ja, peccavi! Als ik naar binnen zie, dan sta ik hier voor mijn -Bijbel, die mijn stamboom, den stamboom ook mijner vrome vaderen bevat, -als een arm zondaar. En dat niet enkel, omdat ik misschien soms wel -eens wat traag, of achterlijk, of lafhartig was in den strijd,—daar -zijn er, die mij den Jonathansgeest op dit gebied als de zwaarste -mijner zonden aanrekenen—maar ook, en vooral, omdat ik, naar mijn eigen -inzicht en gevoel, niet trouw genoeg heb gewaakt en gewerkt. Dat is -toch nog altijd de weg, die de uitnemendste is. De vorsten en ridders -der hervorming droegen in der tijd op hun kleed het woord gestikt -V.D.M.I.A. Verbum divinum manet in aeternum. Dat voorbeeld moeten we -volgen. Of nog liever: we moeten dat woord niet alleen dragen op ons -kleed, maar op ons lichaam, op onze ziel, op ons verstand, op onzen -geheelen uit- en inwendigen mensch. We moeten niet alleen een levenden -Bijbel hebben, maar ook een levende Bijbel zijn: een boek, waarin de -Heilige Geest niet met inkt, maar met vuur, zijne geboden schrijft, om -tot een brief van introductie en recommandatie voor zijn Evangelie bij -anderen te strekken. Mocht ik die les leeren aan den voet van het -Woord, waarvoor ik sta. Het is de les, waarin men nooit volleerd is. -Zelfs invaliden moeten in dezen strijd zich nog blijven oefenen, als -jonge conscrits. Laat dat zijn. Als de dood ons maar bij het vaandel, -op onzen post vindt. Als we maar met Bossuet, in het schoone slot van -zijne lijkrede op Condé, ons door onze witte haren indachtig laten -maken aan de rekenschap, die wij eerlang hebben af te leggen, en aan de -vervulling onzer taak tot den einde toewijden les restes d’une voix qui -tombe et d’un ardeur qui s’éteint. - - - -Negen—tien.—Mijn klok spreekt. Hij zegt, dat het tijd is om te -eindigen. En dat kan ik ook doen: mijn taak is af. Ik heb mijn Laatste -woord aan den lezer gesproken. Dit woord is als een enveloppe om een -brief, dien men nu, met een allerlaatsten groet op de keerzijde van den -omslag, definitief verzendt. Moge de brief goed aankomen, en met een -vriendelijk gezicht worden ontvangen. Ik heb geen reden er aan te -twijfelen. Ik zeide het reeds vroeger: het groot publiek is van ouds -goed, en meer dan goed voor Jonathan geweest. Ik had die goedheid -vroeger niet verdiend, en weet niet, waardoor ik haar nu zou hebben -verbeurd. Ik wil er het beste van hopen. - -En zoo leg ik hier niet, zonder een gevoel van zachten weemoed de pen -neder. - -Ik zie nog eens voor het laatst het tijdvak over, dat deze vijfde -uitgave van de eerste scheidt. Waar zijn nu velen van de lezers, die -mij het eerst door hun goedkeuring en toejuiching verblijdden en -bemoedigden? ze zijn niet meer. Ze zijn uit dit land van Droomen in het -vaderland der eeuwige Waarheid overgegaan, en aanschouwen daar de -vervulling van menige schoone verwachting, waarover wij ons samen, al -schrijvende en lezende, in de voorgaande bladzijden hebben verheugd. -Daarentegen is een ander geslacht opgestaan, en omringt in zijn -jeugdige gestalte den steeds ouder en ouder wordenden vader van dit -papieren kind. Zal ik bij de kinderen iets terugvinden van de -welwillendheid, die ik van hunne ouders, en misschien grootouders, -genoot? Ik mag er althans niet op rekenen. - - - Andre tijd, andere oogen, een andere kreet, - En de tijd is nabij, die mijn schijnsel vergeet! - - -Ook voor den flauwsten nagalm van vroeger ondervonden waardeering -wensch ik dankbaar te zijn. - -En nu eindelijk nog een handdruk aan de vrienden onder mijne -tijdgenooten, die nog in leven zijn. Dit kringetje is klein geworden, -maar het is, Goddank, toch nog niet geheel gebroken: het is nog een -kringetje: tres faciunt collegium. Hen moge de oude bekende stem nog -eens, van uit deze bladen, van mijnentwege groeten. Een Requiescat voor -de dooden: een hartelijk Salve voor de jeugd; maar dan ook een trouwe -handslag met een hartelijk: Semper idem! voor de vrienden! De dichter -heeft gevraagd: - - - Maar de mannen, in wier hairen - Wij een grijzen vlok ontwaren, - Daar zij zich in ’t hoekjen scharen, - Waar zij uit de drukte zijn, - Prijzen luide d’Ouden Wijn, - Geurig, keurig, uitgelezen.... - Zou ’t met vriendschap ook zoo wezen? - - -De vraag wordt aan allen, dus ook aan mij gedaan; en dan roept alles -wat in mij is daarop luid en vroolijk uit: Ja, Dichter! zoo is het! Zoo -is het! Zoo blijve het! Zoo worde het steeds meer en meer! - -En nu gaan wij, eer de nacht valt, het oude huis, waaraan wij in den -geest samen een Afscheidsbezoek brachten, verlaten. Ik schuif den -leunstoel terzijde, ik sluit de boekenkast dicht, ik sla een laatsten -blik op den uurwijzer van mijn Huisklok, ik wuif een groet toe aan het -Kinderportret aan den wand, ik richt ten slotte een dankbare zegenbede -aan den ouden Huisbijbel—en thans den trap af, de deur gesloten, de -sleutel uit de deur.... heil zij dezen huize! Waarschijnlijk kom ik -hier niet weêr. Andere stemmen roepen elders heen. De weg leidt -voorwaarts.... - - - Voerman! rij in Godsnaam voort! - - - - - - - - - VERSPREIDE STUKKEN - VAN - JONATHAN. - - -GEKROONDE VROUWEN. - -(26 October 1837.) - - -Welk een drukte! Wat gewoel! Er komt van daag geen einde aan het rijden -en rossen. De diligences hebben meer bijwagens, dan anders passagiers. -De veerschuiten zijn tot zinkens toe vol geladen. De wegen wemelen van -voetgangers. Het is of de aarde op ééns in een hellende richting -geraakt is, waardoor al wat beweegbaar is met geweld naar éénen kant -gedreven wordt. De stad is half verlaten. - - - ’t Kinderschool is leêg geloopen; - De Invalied komt aangekropen; - ’t Grootje hinkt van ’t spinnewiel. - - -Ik zou mij niet op straat durven vertoonen. Men zou het mij nooit -vergeven, dat ik heden mijn paar gezonde beenen tot iets anders -gebruikte, dan om den grooten stroom te volgen. Ik ben toch reeds -meermalen voor een wijsneus uitgemaakt. „Hé,” zeide men met open mond -en mij van het hoofd tot de voeten opnemende: „zoo kort bij den Haag te -wonen, en dan te verzuimen om de Koningin te zien begraven!” - -Ziedaar mijn misdaad! ik wilde de Koningin niet zien begraven. Verdenk -daarom mijn Koningsgezindheid niet; zij werd nooit verdacht. En als gij -mij op den morgen van heden gezien hadt, gij zoudt u met mijne -weigering hebben verzoend. Ik had mij voor dezen dag van alle -dienstwerk ontslagen. Het was voor mij een heilige dag, de dag van -Sancta Wilhelmina. Ik ging evenwel niet ter kerke: mijne kamer diende -mij tot huiskapel, waar ik in den geest een lijkmisse ter eere van de -afgestorvene vierde. De onophoudelijk luidende kerkklok ondersteunde -mijne illusie: - - - Von dem Dome - Schwer und bang - Tönt die Glocke - Grabgesang. - - -Ik kan u den inhoud van het Miserere mijns geestes niet mededeelen. Zóó -veel kan ik er van zeggen, dat mijne mijmering in geen opzicht leek -naar het vers, door uw neef, uw broeder of uw vriend op den dood der -Vorstin gemaakt. Het was in den rechten zin des woords een mijmering, -eene fantasie, een visioen. Allerlei beelden dwarrelden bont en grillig -voor mijne oogen heen; ik volgde in mijne gedachten den trein van het -paleis, de woning der macht en der eere, naar het graf, de woning der -vernedering. Ik zag de kist in het graf plaatsen zes voeten lang en -drie voeten breed, meer niet, en dacht aan het woord van Juvenalis: -Mors sola fatetur quantula sint hominum corpuscula, zóó klein kwam mij -dit hoekje voor, dat nu volstond voor haar, die voorheen paleizen tot -woning, een geheel heir tot dienaren en een gansch volk tot eerewacht -op haren weg gehad had. Ik zag den trein de kerk verlaten, en bleef -alleen achter. Toen daagde ik in mijn geest, zoo als de Egyptenaren -deden, geheel het volk op, om over de Doode recht te spreken. Nog bleef -ik alleen. De menschen brachten geene beschuldiging tegen haar in. En -toen ik haar mij voor een andere vierschaar vertegenwoordigde, toen zag -ik haar gevolgd door al hare goede werken, die haar „bij hare afreize -uit deze wereld vergezelden, omringden en omstuwden, als een drom van -hemelsche Serafijnen, en haar juichende binnenleidden in de eeuwige -tabernakelen.” - -Zoo peinsde en droomde ik al voort. Toen ik mijn lief kamerke verliet, -zal het omstreeks den tijd geweest zijn, dat de heraut bekend maakte, -dat de begrafenis van de Koningin was afgeloopen. Ik was over mij -zelven voldaan. Ik had naar mijn inzien het begrafenisfeest der -Koningin beter gevierd, dan menigeen, die geen slip van de staatsie -onopgemerkt had laten voorbijgaan. Want, (en nu kom ik op den grond -mijner weigering om naar den Haag te gaan,) ik zag er tegen op, om mij -in de drokte van het volksgewoel te begeven. Reeds vroeger was ik -meermalen geërgerd geworden door den toon, waarmede men over de sombere -plechtigheid sprak: kinderachtig (ik wil er geen anderen naam aan -geven) was de ingenomenheid van sommigen met de beloofde vertooning. -Men sprak er over als over een publiek amusement. En ik denk, dat wie -de menigte op de naar den Haag loopende wegen opmerkzaam heeft gade -geslagen, wel verwonderd heeft moeten vragen: zijn dit pelgrims naar -het graf der geliefde Koningin? Neen, dan hadden de bedevaartgangers -van het heilige graf, wier voorkomen, ja, zelfs wier kleeding in -overeenstemming was met het ernstig doel van hunnen tocht, dezen beter -de passende houding van een pelgrim kunnen leeren en hen doen blozen -over de gejaagdheid, over de verwachting, over het genoegen zelf, dat -op veler aangezicht te lezen was! En daar mijn gevoel een -kruidje-roer-mij-niet is en voor elke onvoorzichtige aanraking -schuchter terugkrimpt, mocht ik het niet in zulke een hinderlijk -gedrang wagen; het kan weinig tegen zulke stooten, als waaraan ik te -midden van zoo veel ergernissen zou hebben bloot gestaan. Ik had mij -zeker boos gemaakt over de weinige sympathie, die ik in den aanblik -mijner medegenoodigden ter begrafenis zou hebben opgemerkt. Ik had mij -bij het gezicht van den trein beklaagd, dat ik zulk een indrukwekkend -schouwspel niet onder gelukkiger omstandigheden had kunnen genieten. Ik -had geknord tegen de onderkaak van mijn achterman, die mijn hoofd tot -een rustpunt nam, of tegen den arm van mijn naaste, die op mijn -schouder als eene vensterbank leunde, en mij zelven wel honderdmaal van -dáár en op mijne kamer gewenscht; in één woord, ik had het genoegen van -anderen bedorven en mijn eigene stemming door anderen laten bederven. -En daar ik dit alles voorzag, wie moet mij niet toestemmen, dat ik de -wijsste partij koos met te huis te blijven? - -De doodklok luidde nog altijd voort, en bepaalde voortdurend mijne -gedachte bij de plechtigheid van den dag. - -Tot welk een ongewone drukte geeft de dood der Vorstin aanleiding! Welk -een scherp kontrast van het stil en verborgen leven der vrome Vrouw, -met het gewoel dat zich om hare kist verdringt! Ik twijfel er niet aan, -of zij zelve, indien zij recht van kiezen gehad had, hadde verkozen, in -den avond, zonder andere getuigen dan hare betrekkingen, zonder andere -rouwdracht dan die waarin zich het deelnemend hart kleedt, zonder -anderen lijksleep dan dien der dankbare beweldadigden, te worden -bijgezet. - -Maar eene koningin heeft geene keuze. Zij is de slavin van haren stand. -Hofdwang benauwt het wicht reeds in de purperen windselen: hofdwang -klemt den dartelenden voet van het kind in den looden schoen der -etiquette: hofdwang leidt het wederstrevend slachtoffer naar het -geschuwde bruidsbed: hofdwang eindelijk ontrukt het heilig overschot -der gestorvene aan de armen harer betrekkingen, om het als een mummie -voor onverschillige oogen ten toon te stellen, of als een heiligenbeeld -in processie onder het gapende volk rond te dragen. - -Voor een vrouw, die geheel vrouw is, moet er iets kwetsends in wezen, -al de verplichtingen der tiara te vervullen. - -Arme onnoozele, die op éénmaal uit het vertrek uwer moeder wordt -opgeroepen, om den troon eens vreemdelings te deelen! Terwijl gij tot -nu toe in half kloosterachtige afzondering versmachttet, wordt gij op -ééns aan de vrije, koude lucht blootgesteld. Duizenden verdringen zich -op uwen weg, om u te bespieden; onbeleefde Courantiers kijken u de -woorden uit den mond, om die verdraaid aan het groote publiek weder te -vertellen: glurende schilders betrappen het blosje op uwe wangen, om te -weten, hoeveel karmijn zij voor uw portret noodig hebben; het gemeen -mompelt onder elkander, alsof gij geene ooren hadt, het vonnis zijner -voorbarigheid over uw voorkomen uit; hovelingen snuffelen als -speurhonden om u heen en fluisteren, met het oog op u geslagen, -elkander in de ooren. Eindelijk bereikt gij de plaats uwer bestemming. -Dit is nu uw echtgenoot, uwe Hoogheid! Die Heer dáár is Z. M. uw -schoonvader. Mag ik de eer hebben, u aan mevrouw uwe koninklijke -schoonmoeder voor te stellen? De eerste kus wordt ten aanschouwen van -honderdduizenden gewisseld; handgeklap vergezelt, evenals in de -komedie, de vaderlijke omhelzing. Nu kunt gij in de eenzaamheid een -weinig tot bedaren komen? Neen! gij moet op het balcon aan het volk -worden voorgesteld. Daar staat gij aan ontelbare onbeschaamde blikken -bloot; het volk applaudisseert bij den aanblik uwer schoonheid—lieve -Hemel! is het niet of het uw Schepper wilde toejuichen?—Gij moogt het -tooneel verlaten. Meen evenwel niet, dat gij daarom vrij zijt. Men -wacht u aan tafel. Daar zijt gij wederom de hoofdschotel. Men eet niet, -men drinkt niet, men doet niets dan u begluren en u beluisteren. Gij -komt niet tot u zelve dan in de armen van den man, die u zijne vrouw -noemt. Arme onnoozele! uw feestdag was een bange dag. - -Eindelijk is aan de wetten der etiquette voldaan. De nieuw aangekomene -heeft de spitsroeden der openbare beoordeeling doorgeloopen. Men laat -haar in hare vertrekken met rust. Zij heeft den tijd zich met haar te -huis bekend te maken. Nu is het ergste geleden!—Misschien—zeer -misschien. Weet gij wel, hoeveel kansen zij tegen heeft? De man, aan -wien men haar heeft opgedrongen, kan harer onwaardig zijn. Zij heeft -hem moeten nemen. Maar al verdient hij haar: zal het verkeer der -wittebroodsweken de zoete gemeenzaamheid te weeg brengen, die anders -uit de langzaam toenemende vertrouwelijkheid van een verloofd paar -ontstaat? Of zal niet de betrekking der gehuwden levenslang den schok -gevoelen, die hen, als ik het zoo zeggen mag, tegen elkander geworpen -heeft? Hare moeder moet weder van haar weg. Zal hare schoonmoeder haar -dit verlies eenigermate vergoeden? Zij had onder hare hofjuffers een -vriendin—wel geene halsvriendin, die hebben Vorstinnen niet—maar toch -een lieve bekende gevonden. Aan wie zal zij nu haar vertrouwen -schenken? Zal zij in dit vreemd klimaat aarden? Zal zij hare lippen aan -de ongewone taal kunnen gewennen? Zal zij zich met de zeden haars volks -kunnen verzoenen? - -Altemaal vragen, die haar niet eens gevraagd worden. Het heeft in de -Hofcourant gestaan: zij is met den vorst getrouwd; ergo, zij heeft hem -lief. Zij is zijn landgenoot geworden: zij heeft zijne taal en zijne -zeden aangenomen: zij heeft haar hart genaturaliseerd. - -Noem mij niet zonderling, als ik zeg: de koninklijke eere is alleen -voor mannen geschikt. Dat staan op eene hooge, uitstekende plaats, dat -dragen van een zware kroon en een klaterend kleed, dat bekleeden van -een middelpunt van dienaars, dat treden door laag gebogen rijen, dat -ten doel staan aan de algemeene opmerking, dat openbare leven, als van -den Opperpriester te Rome, met nacht en dag openstaande deuren, dat -wonen in een altijd geurenden dampkring van wierook:—dat alles vervult -de borst des mans met edelen hoogmoed en doet hem den troon zelf om -zijn purper beminnen. Maar de zachte, ingetogene, kuische en vrome -vrouw, wier wereld is aan den boezem harer moeder, of aan het hart -haars echtgenoots; wier oog den sluier en wier hart de eenzaamheid lief -heeft; die schuw is voor lof en siddert voor afkeuring—kan zij gelukkig -zijn, geplaatst in een kring, waar zij boven de overigen opgeheven en -tot een voorwerp van algemeene aandacht gesteld wordt? Kan het haar, -indien zij haar kinderlijk, vrouwelijk hart behouden heeft, genoegen -doen, vrouwen, die hare moeder konden zijn, voor haar te zien uit den -weg gaan; mannen, die in de dienst des Staats vergrijsd zijn, voor haar -te zien buigen? Moet het haar niet hinderen, door den dwang der -etiquette verplicht te zijn, de haar natuurlijke voorkomendheid en -hulpvaardigheid te onderdrukken? En wee haar, indien zij een eenigzins -verheven, dichterlijken geest bezit, die behoefte heeft zich mede te -deelen, uit te breiden, over te gieten. Want hare Dame van kleedkamer -leest alleen den hofalmanak en het modejournaal: want hare -grootmeesteres kent geene andere wereld dan de hemisphaera van de -vertrekken der Koningin: want hare staatsdames hebben allen zielen van -klei en harten van steen. Daar ginds, in de verte, bespeurt zij wel de -groote mannen, die zij bewondert, de schoone geesten, die zij lief -heeft en met wie zij sympathiseert; maar de diadeem der genie wordt -niet erkend aan den ingang der zalen, waar boven de gouden kroon -praalt. Al wat het wetboek van den hofdwang duldt, is: dat ieder nieuw -voortbrengsel der schoone letterkunde haar op best papier gedrukt en in -een vergulden band worde aangeboden. De ongelukkige! zij moet alle -groote gewaarwordingen in hare borst opsluiten; zij moet, binnen haren -vergulden kerker gebannen, in zich zelve verteren: zij is aan het dier -in de fabel gelijk, dat, door de vlam ingesloten, den angel tegen zijn -eigen borst richt. - -En wanneer zij de hoflucht verlaat, is het beter? Voorzeker niet: -overal dezelfden nasleep. De Koningin vertrekt naar haar buitengoed, om -een luchtje te scheppen. De Koningin gaat een luchtje scheppen, -herhalen honderd couranten. Het hof, de residentie, het gansche land -spreekt over een luchtje, dat de Koningin gaat scheppen! Eene -ongelukkige paraphrase voorzeker van hare beklemde zucht naar Gods -vrije natuur. Eindelijk is zij op haar lustslot aangekomen. Het weder -is schoon, de natuur in bloei, het bosch verrukkelijk. Maar wie geniet -daar iets van, door een drom van gonzende muggen ingesloten? En de -Vorstin is altijd van gonzende muggen omringd. Het water van de vijvers -is zoo helder en frisch: spiegelde het slechts geene hofrokken weder! -de vogels zongen zoo lief: maar zij hebben de vlucht genomen voor de -hovelingen, die eene aria uit de nieuwe Opera neuriën. De menschelijke -echoos: „Ja, uwe Majesteit!—Neen, uwe Majesteit!” maken, dat men de -echoos in het bosch niet hooren kan. De Koningin komt in de hofstad -weder, zonder een enkel uur van vrij en zuiver genot van de natuur te -hebben gesmaakt. - -De Koningin zal den schouwburg bezoeken. Te harer eere is het er eens -zoo vol en tweemaal zoo warm als anders. Zij komt de zaal binnen; -handgeklap. Zij gaat zitten; al de lorgnetten zijn in beweging. De -Dames ontleden haar toilet van stuk tot stuk. De Heeren ontzien zich -niet, haar onbeschaamd aan te staren. Ware het eene andere Dame, haar -cavalier zou verplicht zijn het voor haar op te nemen. Maar de -Koningin, hoewel een vrouw, is geene vrouw als iedere andere; men -behoeft voor haar de gewone beleefdheden niet in acht te nemen. Het -stuk begint; eene menigte van aanschouwers blijft, met den rug naar het -tooneel gekeerd, het koninklijk gezin aangapen. Voor hen wordt de -representatie van den avond in de hofloge gegeven; de Koningin gevoelt -zich in den lastigen toestand van eene actrice, die debuteert; zoo -wordt zij in al hare bewegingen bespied. Lacht zij, men zegt: zie, zij -lacht! Welt er een traan van natuurlijk gevoel zachtkens in haar oog, -zij moet hem met geweld onderdrukken om niet bespot te worden. De -acteurs zijn gedwongener en spelen slechter dan anders. Dit is ook ten -deele het gevolg van het verbod om te applaudiseeren. Het is jammer; -een beschaafd publiek, dat zijne bewondering in luide goedkeuring te -kennen geeft, is zulk een schoon, éénig schouwspel! Maar waar het -koninklijk gezin zich vertoont, is alle enthusiasme contrabande, -behalve die zich in de nationale liederen lucht geeft. Het hof heeft -ook zijne claque. Eindelijk is de vervelende avond om, de menigte -schaart zich in de corridors, om den stoet te zien vertrekken. Met -gapenden mond en groote oogen staart men den glinsterenden sleep aan, -en wie weet, hoe velen bij dat gezicht niet kunnen nalaten te zuchten: -De benijdenswaardigen! - -En nu zwijg ik nog van diplomatieke audienties. Nu zwijg ik nog van een -wandeling door het bosch van de hofstad en toertjes door de gewesten -des Lands. Nu zwijg ik nog van verre reizen naar buitenlandsche hoven, -om de kinderen te bezoeken, die de staatkunde aan het hart der moeder -ontrukt en door zeeën van haar gescheiden heeft. En wat is dit alles -nog, bij het deelen van de zorgen des bestuurs? Bij den plicht, om de -groeven te verzachten, die de scherpe rand der kroon in het voorhoofd -haars gemaals achterlaat? Om den vermoeiden en belasten den dienst te -bewijzen van Aäron en Hur aan Mozes, daar zij de tegen Amalek opgeheven -hand, toen zij te zwaar werd, ondersteunen? Om haar teedere schouders -te laten kneuzen door het tillen van een last, die zelfs den sterken -man nederbuigt? - -o Gouden vertrekken der Koningin! indien uwe wanden spreken konden, -welk een Ilias van lijden zouden zij te verhalen hebben! - -En gelukkig nog de Vorstin, die niets dan de gemalin des Konings -behoeft te zijn, in vergelijking van haar, die geroepen wordt, om den -zetel alleen te bekleeden. Arme bloem van Kent! Hoe dubbel zwaar moet -de driekroon der Eilanden op uwe fijne slapen drukken! Welke een -jammerlijke misgreep weder door de politiek tegen de natuur begaan, om -een zoet, achttienjarig kind op den hoogen troon te heffen! Zoo jong, -en reeds zoo hoog geplaatst! Gij doet mij denken aan die ellendige -schepseltjes, over wie ik soms mijn hart heb voelen breken, die, vijf -of zes jaren oud, gedwongen worden op de halsbrekende hoogte van een -koord kunsten voor het publiek te verrichten. Wat springt men -meêdoogenloos met u om! Wat heeft men u nog onlangs de straten van -Londen langs en door het gewoel eener joelende menigte gesleept! En dat -eene jonge beschroomde, die, bij de uitgelatenheid van ’s volks -geestdrift in Drurylane, zelfs de sporen van angstvalligheid niet -verbergen kon. O, hoe wel versta ik, wat men bericht, dat gij de -opgewondenheid van den grooten hoop, bij uwe verschijning, -onverschillig hebt blijven aanzien. Wat de borst van een jongeling hoog -had doen zwellen, moest op u noodzakelijk een onaangenamen indruk maken -en uwe schuchterheid beangstigen. En toen gij daarna vernomen hebt, dat -uw feestelijke optocht voor enkelen uwer goede onderdanen doodelijk -geweest is (plectuntur Achivi!) en dat het bloed van een jong wicht de -wielen van uwen zegenwagen bespat heeft, hoe beklaag ik u over den -rouw, die daarbij uw hart zal hebben vervuld, onnoozele duive, Koningin -Victoria! - -Nog nauwelijks droeg de jonge wees het rouwkleed over haren -koninklijken oom, of reeds twistte het Parlement, wie bij haren dood -moest opvolgen. De erfenis eener achttienjarige te verdeelen.... zie, -dat is toch onvriendelijk vroeg! Of zouden misschien de Ministers Harer -Majesteit de zwarte verbeelding van Byron hebben, die zich ergens -beklaagt, dat hij geen jong meisje zien kon, zonder haar in zijne -fantasie tot een geraamte te ontleden? Zeker althans is het, dat de -Courantiers te haren opzichte het lastig gebrek van la vieille fille -hebben, om haar met geweld aan een jongen partner te willen koppelen. -Terecht schreef daarover iemand: „Arme Koningin, wier zoetste geheim -elke Dagbladschrijver raden, overbrieven, uittrompetten wil, hoe brengt -gij ons uwe doorluchtige voorgangster, Elisabeth, te binnen”! - -En ware zij nog als Elisabeth! ik wil nog niet eens zeggen, ware zij -eene vrouw als deze, die onder hare kanten muts mannelijke hersenen -verborg en onder het zijden corset een mannelijk hart omdroeg! Maar -vergelijk eens den staatkundigen toestand van het toenmalig Engeland -met het tegenwoordig Groot-Brittanje. Gelooft gij niet met mij, dat het -toen veeleer dan nu de tijd was, om eene Koninginne-Maagd aan het hoofd -van den staat te hebben? De schepter der Monarchij laat zich des noods -nog door eene vrouwenhand voeren. Eenheid van wil vereenvoudigt de -regeering: onbeperkte ruimte van middelen maakt het heerschen -gemakkelijk. Maar bovenal, welke eene eeuw, de eeuw van Elisabeth! -vergelijk het ridderlijk Engeland, dat zich niet schaamde voor de -voeten eener edele jonkvrouw te knielen, bij het plebejisch en oproerig -Engeland onzer dagen. Vergelijk dien galanten hofstoet van Staatsraden -en Ministers bij den ongeregelden hoop der vertegenwoordigende kamers! -Vergelijk de kleine moeielijkheden, door de twisten tusschen den -hoofschen Leicester en den hooghartigen Burleigh ontstaan, met de -noodzakelijkheid, om zich op genade aan een brutalen, dweepzieken -O’Connel over te geven! Vergelijk eindelijk het volk dier dagen, als -een éénig man onder de monarchale banier geschaard, bij de veelkeurige -bende, die zich nu in allerlei partijen verdeelt. En beken, dat men -eene Amazone moet zijn om het wederspannig ros met zijden teugels en -zijden handen te kunnen breidelen. - -En wat ik boven zeide, dat de Koningin zich door hare betrekkingen -meermalen in haar vrouwelijk gevoel gekwetst moet vinden, hoe veel -toepasselijker is dit nog op de regeerende Vorstin! Waar zal ik -beginnen, om de tegenstrijdigheden op te noemen, die zich tusschen de -plichten van haren stand en de eigenaardigheden van haar karakter -moeten opdoen? Neem eens de verheffing door de Engelsche Koningin van -den Edel-Achtbaren Lord Mayor en de Sheriffs tot Ridders. Wie gevoelt -er het onnatuurlijke en stuitende niet van? Welk een verschil met den -tijd, toen de bloedige hand des Vorsten zelven den moedigen schildknaap -de gouden spoor aan den hiel bond! Koninginnen der schoonheid te wezen -en den krans op het hoofd van edele mannen te drukken, ziedaar eene -vrouwelijke taak. Maar om voor zich den man te doen knielen, om -hem—even als Blount in Kenilworth met een geleend zwaard—door -onhandigheid misschien over de ooren te houwen, ziedaar eene -onvrouwelijke exercitie. Neen! wanneer er volstrekt tusschen twee -kwaden moet gekozen worden, dan liever het vrouwelijke lijden in het -paleis van Buckingham dan het spelen der mannelijke rol in Guild-Hall. -Dan liever de tranen, door de koninklijke Lijderes vergoten, dan de -feestdronk op den Souverein Victoria! - -Met liefde keert mijn blik van zijne lange omzwerving naar uw stil graf -terug, Wilhelmina van Pruissen! ik verheug mij in de ruste, die hier uw -afgemat hoofd en afgefolterd lichaam vinden mocht. Want op wien ook, op -u zal de kroon in het graf niet zwaarder drukken, dan zij op de levende -woog. U is er een bange last meê van het hoofd gevallen. Het dankbare -volk misgunt u die ruste niet. Het verheugt er zich voor u in, dat de -hemel, en niet langer de aarde, u onder de Gekroonden telt! - - - - - - - - -DE KONING KOMT. - -(3 Augustus 1842.) - - -De Koning komt! Zie, dien man reik ik als burger de broederhand niet, -wien bij deze tijding het hart niet een paar slagen sneller klopt dan -te voren. Trouwens, ik voor mij geloof niet, dat er veel zulke harten -zijn. De eerbied voor het koningschap is in ons, onderdanen van den -Koning der koningen, van wiens Majesteit het koningschap in iederen -vorm slechts een afschaduwing is, iets natuurlijks,—iets -instinktmatigs, had ik haast gezegd. De hermelijnen mantel moet wel in -eene wolfshuid, de gouden kroon in een ijzeren, en de schepter in een -dorenstaf veranderd zijn, eer die eerbied voor de verachting en afkeer -plaats maakt, die het wettig loon van tirannen is. - -Er bestaat buiten dit geweldig, misschien nog een zachter kunstmiddel -om dit gevoel ten onder te brengen; het is de theorie, die in de vorige -eeuw door Marat en Robespierre geleerd, en door hen met proeven op -Lodewijk XVI en Maria Antoinette bloediger gedachtenisse gestaafd is. -In die school, waarin men begint met den Koning des hemels te -onttroonen, en Hem alle gezag en invloed op de verheffing van de -koningen der aarde te ontnemen, komt men, langs een zeer natuurlijken -weg van gevolgen, tot de leer, dat een koning eigenlijk geen koning is, -maar een onderdaan; een onderdaan zijner onderdanen; een knecht der -knechten, wiens eigenlijke plaats aan de punt van den staart des volks -is; ten gevolge waarvan dan ook, met de strengste consequentie, in de -gouden eeuw dier theorie, de geheele maatschappelijke ladder onderst -boven gezet en op haar hoofd geplaatst werd, zoodat de koning achter -den adel, de adel achter den middelstand, de middelstand achter het -gemeen, en het gemeen van het gemeen op den zetel geraakte, die de -guillotine tot voetstuk had. Die koorts is sedert, den Hemel zij dank! -na vele aderlatingen en een gestreng dieet, onder de homoeöpathische -behandeling van den Korsikaanschen Wonderdokter, wel gelukkig afgegaan: -maar er is toch in het groote lichaam nog zekere koortsachtige neiging -overgebleven, die bij de minste irritatie met eene wederinstorting -bedreigt. En het zijn deze heimelijke sluipkoortsjes, die zich hier en -daar openbaren in de Jakobijnsche manier, waarop men de vorsten weêr -begint te beschouwen en te behandelen. Eene wijze van beschouwing, die -dan ook onder anderen aan den dag komt in de bekoorlijke nonchalance, -waarmede de ultra-constitutioneele wijsgeer het bericht ontvangt, dat -„de Koning komt.” Merk op, hoe hij bij die aankondiging den hals in den -nek werpt, u met een spotachtig lachje aanziet, en een gezicht zet, zoo -onverschillig, dat het bijkans veelbeteekenend wordt van -onverschilligheid, waarop dan voor ieder die het zien wil te lezen -staat, dat hem het heele bericht niet meer aangaat, dan of de haan van -zijn buurman op zijn erf gekomen was, wiens roode kam en vurige sporen -in zijn oog evenveel waard zijn als de erfelijke koningskroon en de -verworven riddersporen van alle Majesteiten der wereld. Maar zoo als ik -zeide, die wijsheid is geen natuurlijke, maar eene verkregene en -aangeleerde, die in plaats van uit het hart naar het hoofd te komen, -met kunst- en vliegwerk uit het hoofd naar het hart gepompt is, en -daaraan niet zonder tegenstand opgedrongen. Het spreekt dus van zelf, -dat eenvoudige menschen, als waaronder ik hier buiten verkeer, daarvan -niets verstaan, en alzoo nog omtrent hetzelfde voelen, wat onderdanen -van ouds af voor koningen van ouds af gevoeld hebben, te weten: achting -voor het koningschap, eerbied voor de koninklijke waardigheid, en, als -hij haar niet moedwillig verbeurt, liefde voor den persoon des konings. - -Dat bleek bij ons op een treffende wijze, nadat wij eindelijk het zeker -bericht ontvangen hadden: de Koning komt!—Van dat oogenblik af klopte -aller hart en glinsterde aller gelaat van vroolijke verwachting. Men -sprak elkander niet, zonder van het heugelijk nieuws te gewagen. Ieder -maakte aanstalten om den vorst op de feestelijkste wijze te ontvangen. -De arme bosschen moesten twee maanden te vroeg hun groen afstaan, -Ommeêdoogend hakten mes en schaar in sparren- en eikenboomen. Bloemen -en wat naar bloemen geleek werd zonder deernis afgeplukt. De -lijsterbessen verloren er al hare trossen bij; want lijsterbessen -tusschen eikenbladeren, wat kan men schooner hebben? Er bleef geen -besje over om meê te lijsteren: van daar zeker, dat ik dit jaar nog -geen lijster geproefd heb.—Nu aan het kransenmaken: de een al zwieriger -dan de andere. Men durfde in al die dagen niemand de hand geven van den -boomharst, die er aan kleefde van al de taxies, gelijk men bij ons de -sparren verkiest te noemen. Ik heb er gezien, vijftig voet lang, waarin -de bloemen met zulk eene mathematische evenredigheid waren verdeeld, -even als de ringen op eene slangenhuid, dat ik den vervaardiger verdenk -van er den duimstok bij gebruikt te hebben. En vlaggen? Die konden, -ontboden ze van elders; wien dit te kostbaar was, maakte ze zelf van -gekleurd papier, oranje, blanje, bleu, vast aaneengeplakt, zoodat ze -bij ieder tochtje rinkelden als het klatergoud in eene haringkroon. De -ijverigsten richtten bogen op met eene kroon er in, want dat is -boerenstijl: zonder kroon geen bruiloft: bruiloft is het feest der -feesten; dus geen feest zonder kroon. En tusschen de kroonen -opschriften op een half vel papier, beschreven door den ondermeester -van het dorp, in alle soorten van letterformaat, groot, middelslag en -klein, met lettertrekken er rondom, die de Koning van zijn rijtuig moet -kunnen zien! Zoo waren dagen achtereen aller handen—en dat zegt hier, -aller harten—met des Vorsten komst bezig. Toen ik in den avond vóór den -grooten dag in het donker te huis kwam, zag ik hier en daar nog een -enkel dwaallicht zweven; eene kaars of lantaren van den een of anderen -dorpeling, die, eer hij ging slapen, zich het genot nog eens gunnen -moest om het door hem gebouwde Babel met zijne hangende tuinen te -bewonderen, en te zien, welk effect zijne decoratie bij donker voor -uilen en bietebauwen maakte. - -Onder zulke tooneelen en onder zulke menschen werd ik den anderen -morgen wakker. Was het wonder, dat het mijne eerste gedachte bij het -ontwaken was: de Koning komt?—Ook ik had mijne stulp op het zwierigst -en tierigst opgetooid. Een keurige taxies-krans slingerde zich als eene -reusachtige slang, met schilderachtige en veelkleurige bochten, van den -ijzeren arm aan het dakvenster, langs het geheele huis, tot op den -grond naar beneden. Editha had er hare kleine handen met honderd -„eerlijke wonden” aan bezeerd, en er een extraknikje van Z. M. aan -verdiend. Daarboven ontrolde zich van een fraai geschilderden en -vergulden vlaggestok een vlag, eene vlag veel te lang voor mijne lage -stulp, en daarom nog verscheidene ellen vluchts gekort, die een mijner -vrienden mij uit Amsterdam, van ik weet niet welk aanzienlijk college -bezorgd had. Maar wat nog meer zegt, mijn hart vlagde met een langen -wimpel van vroolijkheid en geestdrift, die door het minste windje hoog -omhoog gevoerd werd. In die stemming kon ik het niet lang binnen -uithouden. Nadat ik dus mijn feestpak had aangetrokken, trad ik naar -buiten, om nu het geheel der versiering nog eens op te nemen. Het was -een schoon gezicht! Overal waren de menschen bezig om het mooie nog -mooier te maken, door eene gele dalia, die tegenover een witte zat, met -eene dito te vervangen, een oranjelintje, dat losgeraakt was, vast te -strikken, en dergelijke gewichtige verbeteringen meer. Ik sprak nu met -den een, dan met den ander, en zeide elk op zijne beurt iets vleiends -over zijn goeden smaak, die in deze of gene bijzonderheid vooral -schitterend aan den dag kwam. Daaronder glommen de gezichten van -zelfbehagen, en klom de geestdrift al hooger en hooger. Intusschen -renden de rijtuigen met menschen beladen als in wedloop naar de stad, -om daar getuige van den Intocht te zijn; en ieder blik van -opmerkzaamheid en goedkeuring, naar de bogen en kransen geworpen, werd -met gretigheid opgevangen en door een glinsterend oog weêrspiegeld. - -Onder zulke waarnemingen, die mijn hart vervulden met dankbaarheid aan -God, die zijne menschenkinderen zooveel onschuldige vreugde schenkt en -gunt, en het in liefde tot mijn dorpsgenooten, mijn volk, mijn land, -mijn koning, tot alle menschen, verwijdde, wandelde ik den weg vóór -mijn huis op en neder. Zoo dwaalde ik langzaam af, totdat ik mij geheel -buiten de kom van het dorp in de eenzaamheid bevond. Deze was mij nu -niet onaangenaam: er was in de vreugde van mijn hart ook iets, dat zich -liever niet voor anderen uitstortte; en gelijk ik altijd tracht mij -reden van mijne gewaarwordingen te geven, zoo poogde ik dat ook nu te -doen. Zoo kwam ik op de aanleiding van het feest: de Koning komt. -Altijd zou mij die komst belangrijk en aangenaam geweest zijn, maar -heden bovenal. Het was de derde Augustus. De derde Augustus, -gedenkwaardige en roemrijke dag in de jaarboeken van ons vaderland, -inzonderheid voor ons geslacht. Op dien dag was het, dat voor elf jaren -Willem, Prins van Oranje, op last van den Koning zijn vader, aan het -hoofd van een getrouw leger, den eersten voet op Belgischen bodem -zette. Die geheele veldtocht met al wat hem was voorafgegaan en -gevolgd, verrees op eenmaal voor mijn geest. En als de hoofdpersoon op -die schilderij,—hoe kon het anders?—hij, die toenmaals Prins van Oranje -genaamd werd. Zie! wat ik bij die herinnering gevoelde, kan niemand -beseffen dan hij, die met mij de wapens in dien veldtocht droeg. Wie -Willem II niet als veldheer gezien heeft, heeft hem slechts ten halve -gezien. Niemand verdenke dezen uitroep van grootspraak: ik beroep mij -met vrijmoedigheid op de bezadigdsten onder mijne wapenbroeders. Kon ik -er u een denkbeeld van geven! Maar hij laat zich niet beschrijven, de -aanblik van den vorstelijken Held, gelijk hij zich aan het hoofd zijner -dapperen vertoonde. Nog zie ik hem met het aanbreken van den dag tot -ons komen, op het schoone ros gezeten, dat zijn meester niet lang meer -dragen zou, maar bij zijne verminking vóór Leuven hem een dier schoone -woorden in den mond geven, die de geschiedenis van de lippen der -dapperen opzamelt, om er het nageslacht mede te ontvonken. Nog zie ik -hem, met den lagen hoed en de vallende pluim op het hoofd, die door den -bijzonderen en bij den vijand bekenden vorm wel den kogels den weg -wees, die op zijne edele borst gericht werden, maar tevens, als de -beroemde pluim van Hendrik den Vierde, den zijnen tot wegwijzer op den -weg der eer verstrekte. Nog zie ik hem met het prachtige zwaard aan de -zijde, door de hand der Keizersdochter aan de heup van den vorstelijken -echtgenoot gegord, opdat hij het haar, gelijk hij ook gedaan heeft! -smetteloos, maar met frissche lauweren omsnoerd, terugbrengen en voor -de voeten leggen mocht. Maar vooral nog zie ik hem met die rustige -houding, die rust inboezemde ook aan de bekommerdste, moed aan de -versaagdste gemoederen, met dien helderen oogopslag, die van de -vroolijkste geestdrift glinsterde, en met die geheel onbeschrijfelijke -uitdrukking van strijdlust, die mij aan het krijgsros van Hiob denken -deed: „Heerlijk dampt zijn gesnuif! Met zijn hoef graaft hij den grond -op, en dartel in zijn overmoed, gaat hij het wapentuig te gemoet. Hij -lacht met de vrees, en ontzet zich niet en deinst niet terug voor het -zwaard. Rondom hem ratelt de pijlkoker, de bliksem van spies en lans. -Onrustig trappelt hij den grond, en kan niet stilstaan op ’t geluid der -trompet. Luider klinkt de trompet, hij briescht haar tegen, en riekt -den strijd van verre; des veldheers donderwoord en ’t krijgsgeschrei!” -Nog zie ik hem, zoo als deze verschijning telkens bij zijne komst een -luid hoezee uit den mond zijner getrouwen deed opgaan, waaraan hij door -een wenk met de hand zedig, maar te vergeefs, het zwijgen zocht op te -leggen. - -Ja, ik herhaal nog eens: wie Willem II niet als Veldheer en in het veld -gezien heeft, heeft hem slechts ten halve gezien.—En in die gestalte -trad zijn beeld heden met de levendigste kleuren voor mijn geest. -Anderen zouden hunnen Koning aanschouwen—maar ik zou mijn ouden -Veldheer zien; mijn Veldheer! wiens vaan ik gevolgd, wiens wachtwoord -ik gesproken, wiens „Voorwaarts!” ik gehoorzaamd heb; mijn Veldheer, -die mij in den strijd en uit den strijd geleid heeft, en aan wien ik -het, onder God, te danken heb, dat ik op het veld van eer mijn jong -leven niet gelaten, maar daaruit een luttel schoone herinneringen voor -mijn ouden dag medegebracht heb; mijn Veldheer, van wiens lauweren een -zedige schaduw op mijn hoofd was afgedaald! Hoog klopte mijn hart onder -het gedenkkruis, dat ter eere van den dag mijn knoopsgat versierde; het -kruis van metaal, dat de hand van den Vorst ten aandenken aan hem en -den onder hem gevoerden strijd op mijne borst hechtte, terwijl hij het -wederkeerig als een aandenken aan mij en aan al de overigen, die met -mij zijn vederbos gevolgd waren, op zijn eigen boezem hing. Hem zou ik -wederzien, na elf jaren scheidens; wederzien, nu niet meer als -Veldheer, maar als het Hoofd des geheelen volks, maar als Koning. „Leve -Willem II!” riep ik, en zou mijn hoed wel in lucht hebben kunnen -gooien. „Leve Willem II”; de oude Prins van Oranje, gelijk hem het -vaderlandsch hart nog zoo gaarne noemt! Leve Willem II, de Held van -Hasselt en Leuven! Leve Willem II, voorheen mijn Veldmaarschalk en -opperbevelhebber, en nu mijn Koning en Heer!” - -Zoo juichende verdiepte ik mij al meer en meer in het verledene. Was -het wonder, dat uit die diepte allengskens ook somberder beelden voor -mijnen geest verrezen? Ja, het was, als had ik door dien eenen blik in -de wereld, die achter mij lag, die geheele wereld voor mij geopend, en -als moest ik daarin nog eens op al mijne schreden teruggaan. Al wat -sedert dien blijden derden Augustus tot op dezen derden Augustusdag -gebeurd was, kwam mij achtereenvolgens voor de verbeelding. Eerst de -verstoring van onze heirvaart naar Brussel, door de wapenen van den (nu -ook reeds zoo jammerlijk ten grave gesleepten) Hertog Van Orleans, als -schild van het bedreigde België, vreedzaam, maar ernstig gestuit. -Vervolgens de terugkeering op den weg der onderhandeling, den hier wel -langen weg! Van daar het noodlottig stelsel der volharding, geboren uit -dien eigen geest van standvastigheid, die bij alle groote mannen, en -zoo ook bij Willem I, het snoer om den bundel hunner deugden en de -moeder aller groote daden is, maar die, even als elke andere deugd, in -het gevaar van VERharding hare eigenaardige schaduw met zich voert! Het -stelsel der volharding, na de aftreding van diens Hoofd, met -onedelmoedige partijdigheid, door al de vroegere voorstanders alleen -aan hem geweten en op hem gewroken, alsof het ook niet jaren lang het -stelsel des geheelen volks—met schaarsche uitzondering!—geweest ware, -zelfs toen de rookende puinen der citadel en het lauwe bloed der -vestinghelden er tegen scheen te roepen! Het stelsel der volharding, -eene dwaling misschien van Willem I en zijn volk, maar altoos eene -Nederlandsche dwaling; de dwaling van een volk, welks taaie -standvastigheid de grondslag van het gebouw hunner grootheid werd, dat -daarop rust, als zijne hoofdstad op hare palen; de dwaling van een -volk, dat de schoone dwaasheid had van niet van zijn tijd te wezen, dat -is, van in eene eeuw van diplomatie (men vergunne mij dit diplomatieke -woord) nog aan eerlijkheid, aan goede trouw, aan de heiligheid van een -eed, in den naam der Heilige Drieëenheid gezworen, te gelooven; de -dwaling van een volk, welks leuze het was van ouds af, om liever den -vaderlandschen grond terug te geven aan de baren, waaraan dijken en -dammen het ontwoekerd hadden, dan van vreemde oogen de wet te wachten. -Welnu! Nederland, die voorvaderlijke leus getrouw, heeft pal gestaan; -het heeft het hoofd geboden aan koninklijke en keizerlijke willekeur, -die geen hooger recht erkenden, dan dat van het voltrokken feit; het -heeft pal gestaan voor zijn recht, toen het voorwerp des geschils lang -opgehouden had een voorwerp van begeerte te zijn; het heeft pal gestaan -voor zijn Vorst, wiens dwaling het uit liefde deelde, toen andere -volken, uit oproerigen haat, op de goede daden hunner vorsten spuwden; -het heeft pal gestaan, gelijk een groot volk doet, als het eens den -Rubicon overschreden heeft, met opoffering van alles wat een volk -dierbaars en kostbaars heeft; het heeft, in een oneigenlijken zin, -zijne dammen doorgestoken, en zijn grond aan de wateren prijs gegeven. -Nu ligt het daar, het is zoo, half overspoeld en bedolven, en door den -stroom doorweekt; het ligt daar onder eene zee van schuld begraven, -waaronder het graan van ’s lands welvaart in den akker verkwijnt; het -ligt daar, als zijn zinnebeeld op de Zeeuwsche munt, met het -onderschrift: Luctor et emergo. Maar het ligt daar, als die Zeeuwsche -leeuw, door het water omgeven, maar door het water niet overwonnen. Het -kan zonder zelfverwijt op zijne overstroomde gronden zien: en zeggen: -„Mijn vijand was sterker, maar niet beter dan ik!” - -En daarom, mannen broeders! geen onedelmoedig Wee over het hoofd van -den Man, die in deze, als in alle lotwisselingen, sedert meer dan -vijfentwintig jaar aan ons hoofd stond, ons vertegenwoordigde, en trouw -alle goed en alle kwaad, alle verhooging en alle vernedering, alle -verdienste en alle schuld met ons heeft gedeeld! Geen Wee over het -hoofd van den Man, die, misschien! naar verhevener bedoeling, in onze -oogen van de hoogte vallen moest, waarop onze armen hem verheven -hadden, om ons te doen zien, hoe dwaas onze vroegere menschenvergoding -was, en hoe kwaad! Geen Wee over het hoofd van den Man, die de schuld, -indien er schuld was, boette met het roer van het schip te verlaten, -dat hij niet voor alle klippen had vermogen te beschermen! Geen Wee -over het hoofd van den Man, die van vijfentwintig jaren leeds, om onzer -vaderen schuld geleden, en van vijfentwintig jaren arbeids, aan hunner -kinderen heil besteed, de verlangde rust zoekt in eene vrijwillige -ballingschap, en wien wij niet te hard mogen vallen, omdat hij die -gezocht heeft bij vreemden, nadat wij maar al te duidelijk getoond -hebben, dat hij die in de armen der zijnen te vergeefs zou hebben -gezocht! Geen Wee over ’t hoofd van den Man, die, in den strijd en de -dienst voor ons land vergrijsd, en van den troon afgestegen, niets van -ons vraagt dan een weinig aandenken voor het goede, dat hij gedaan -heeft, een weinig vergetelheid voor het kwaad, dat hij tegen zijn wil -mocht gedaan hebben, en een weinig liefde voor het goede, dat hij heeft -willen doen! - -Neen! de goeden en edelen in den lande spreken over u geen Wee, Willem -I, Stam- en naamgenoot van den Vader des Vaderlands, voor wien wij -bezig zijn een gedenkteeken onzer hulde en liefde te stichten. Rondom -uwe asch vergaderd,—want immers zijt gij als Koning voor ons -gestorven?—rondom uwe asch vergaderd, als eenmaal Egypte rondom de asch -zijner koningen, wagen zij het niet, daarover vloek te spreken, -gedachtig aan uwe, en aan hunne eigene, menschelijke zwak- en -gebrekkigheid. Ja, met herinnering daaraan spreken zij, voor hunne -menschelijke vierschaar, u vrij, en laten uwe asch de eere der -gestorvenen wedervaren! Wat meer is, hun bede rijst voor u omhoog tot -Hem, door wiens gratie gij u Koning noemdet, die eenmaal, in den -grooten dag der verantwoording van koningen en volken, u gratie -verleenen moge, Koning der Nederlanden, Willem de Eerste! - -Waar ben ik? Geheel en al van mijn onderwerp afgedwaald, naar ik zie. -Want het was niet Willem I, dien ik heden aanschouwen zou, maar Willem -II; de nieuwe Koning, met wien Nederland een nieuw tijdperk is -ingetreden. En toch, laten wij het niet verbloemen, niet zoo nieuw, of -het draagt de litteekenen van het oude; niet zoo nieuw, of zijn eerste -taak is om de wonden te heelen, die het uit het oude heeft meegebracht. -Laten wij het erkennen: zelden aanvaardde een vorst onder ongunstiger -omstandigheden de kroon van een vrij volk, dan de eerste der -Nederlandsche Kroonprinsen. Het was eene zware kroon, die kroon, die -van het grijze hoofd van Willem I op den heldenschedel van zijn zoon -nederdaalde. En wel mag u die kroon veel zwaarder gevallen zijn, mijn -Vorst, en veel zwaarder de schepter, dien gij uit zijne hand overnaamt, -dan de gevederde veldheershoed en de omlauwerde maarschalksstaf, dien -gij zoo licht en vroolijk droegt. Wel mag het u veel moeielijker zijn -gebleken, een volk te bestieren, dat van zijn Vorst zoo veel te eischen -heeft, en zoo licht te veel eischen kan, dan het u was, uwe dapperen -aan te voeren, die zoo gehoorzaam aan uw lippen hingen, zoo gedwee op -uw wenken vlogen, en naar krijgsmanswijs geen wil kenden, dan den uwe! -Wel mag het u eens veel gemakkelijker hebben toegeschenen, toen gij, na -dagen van mistrouwen en onzekerheid, onder geen al te gunstige -verwachting den veldheersstaf opnaamt, in weinige dagen de weifelende -gunst des volks, als ware het met een slag van het zwaard, te -heroveren, dan nu aan al de gunstige verwachtingen te voldoen, die -geboren werden, toen gij, in de Nieuwe Kerk der hoofdstad, de -rechterhand ophieft, en met de linker op de grondwet zwoert: „Zoo -waarlijk helpe mij God Almachtig!”—Willem II, Koning der Nederlanden! -Hebt gij aan die verwachtingen voldaan?—De vraag is stout: het antwoord -zou nog stouter zijn. Het verleden heeft ons wijs gemaakt: wij hebben -geleerd, hoe voorbarig het is, vorsten goed of kwaad te spreken, eer de -toekomst, die de mond is der Voorzienigheid, ons wèl of wee bevestigd -heeft. Zooveel mogen wij zeggen, dat wij van u het goede verwachten, -omdat wij zeker zijn, dat gij het goede bedoelt. „Ik heb slechts één -hartstocht, dien van bij mijn volk bemind te zijn!” Dat woord van uwe -lippen, uit de binnenkameren uws paleizes tot het oor van den schrijver -dezer regelen doorgedrongen, heeft geloof gevonden in zijn hart, en wie -het met hem gelooft, ziet de toekomst met vertrouwen te gemoet. En -eigenlijk steunt dat vertrouwen niet eens op dit, of op eenig ander -menschenwoord, maar op het woord van den God van Nederland:—zoo noemen -wij, zonder erg of trots, de Hemelmacht, die zich van ouds af aan -Nederland in onderscheidende liefde en gunst heeft geopenbaard;—den God -van Nederland, die belooft, dat hij niet varen laat de werken zijner -handen. Want zie! indien daar iets het werk zijner handen is, het is -het land, dat hij tot een land gemaakt heeft, Nederland! het is het -land, dat hij als het ware tweemaal geschapen heeft, daar hij het, even -als eenmaal geheel de aarde, later op nieuw uit de wateren heeft -opgetogen en bewoonbaar gemaakt. Het is het land, door hem langs -allerlei wonderbare wegen en leiding uit eene aanslibbing van rivieren -en zeeën, gelijk een keizerlijke mond verachtend sprak, tot de -meesteres van rivieren en zeeën verheven. Het is het land, door hem -onder de vleugelen van allerlei vorsten, koningen en keizers -gekoesterd, totdat het sterk genoeg geworden was om op eigen wieken te -drijven. Het is het land, straks van de ketenen bevrijd, waarmede zijne -voedsterheeren het in zijne vlucht zochten te weêrhouden: bevrijd, dat -wil zeggen, vrijgevochten, opdat het zijne krachten beproeven mocht en -oefenen, en even goed en vroom worden, als sterk en groot. Het is het -land, met de Nassau’s gezegend, met Hem aan het hoofd, op wien keizer -Karel leunde, toen hij deze gewesten aan Philips overdroeg, weinig -vermoedende, dat de arm, die hem nu steunde, zich eens zou uitstrekken -om deze gewesten met zijn zwaard tegen Spanje te dekken. Het is het -land, met schaarsche en schuinsche stralen door de geschapen zon -belonkt, maar met den helderen warmsten gloed van het ongeschapen licht -bestraald. Het is het land, tot op dezen dag, ondanks Engelands -naijver, ondanks Frankrijks veroveringszucht, en wat meer zegt, ondanks -eigen dwaasheid en schuld, in stand gehouden, ten levenden gedenksteen -van de macht en trouw van Hem, die Nederland tot zijnen Verbonds-God -koos, toen het op zijne munten aan het beeld der vrijheid Gods woord -ten steun gaf, met de spreuk: „Hac nitimur, hanc tuemur”: op dien God, -de leus onzer vendelen en stempelen, bouw ik, en al wat in Nederland -Gode geeft wat Godes is zijn vertrouwen voor Nederlands toekomst. Ach, -ware het slechts, dat het volk.... maar neen, hier geen klaaglied, -schoon het er misschien de plaats voor ware: want het is heden een -blijde dag! De Koning komt! de koning, ons door den Koning der koningen -geschonken om het werktuig Zijns welbehagens over ons te zijn. Leve -Willem II! Hoezee! - -Leve Willem II! Hoezee! Zoo klonk het gejuich, dat in de verte opging. -De koning kwam. Ik haastte mij om hem te gemoet te gaan. Al de -dorpelingen liepen toe. Daar was hij! Lache er om wie wil, ik gevoelde -mij bij zijn aanblik getroffen. O, de liefde voor Oranje is bij den -waren Nederlander nog iets meer dan een woord. Wie de geschiedenis des -Vaderlands gelezen heeft,—bij Bilderdijk of Wagenaar, het doet er niet -toe,—wie haar gelezen heeft en gezien, hoe de dynastie van Oranje als -eene ader van leven, welvaart en bloei door die geschiedenis henen -stroomt, zegenende als zij vloeit, dorheid nalatende als zij opdroogt -of afgeleid wordt, en wederom zegen met zich voerende als zij -terugkeert,—en daarin het beeld van Hem, die ons haar schonk en wien -zij ons vertegenwoordigt,—die vraagt niet aan een ander, of het -verstandig, of het constitutioneel, of het negentiendeneeuwsch is, den -zoon der Oranjes tegen te juichen. Het is, gelijk een onzer Dichters -het treffend genoemd heeft, het is de stem van het bloed in ’s lands -kinderen, dat ’s lands Vader tegenroept. Laat anderen er tegen -verhandelen, eer ik er over gedacht had, had mijn bloed zijn loop -tweemalen versneld, mijn hart twee slagen in één geklopt, mijn hand den -hoed wuivend in de hoogte geheven, en riep mijn mond met de menigte -mede: „Leve Willem II! Hoezee!” - -En Willem II? Hij was ouder geworden. Zijne edele gestalte was meer -gebogen, dan toen ik haar voor de muren van Leuven onder de lauweren -der overwinning aanschouwde; de verloopen jaren hadden hun strijd en -hun leed in rimpelen op zijn voorhoofd aangeschreven. Maar nog altijd -zweefde over zijn voorkomen de adel van eenen Vorst; nog altijd drukte -zijn gelaat de gelijkenis van een Oranje uit; nog altijd zweefde om -zijne lippen de vriendelijke glimlach van een geslacht, welks -gemeenzaamheid dieper grond heeft dan de populariteit van een -burgerkoning. Ik herhaal u niet, wat bij de begroeting van den Vorst -voorviel: het ontleende zijne grootste belangrijkheid van de gezindheid -der aanwezigen, van het jubelend hart der menigte en den dankbaren blik -van den Koning. En toch was het, alsof de Vorst op mijne gepeinzen -antwoordde, toen hij na de opgeruimde herinnering aan den veldtocht, -dien het gezicht van het metalen kruis hem voor den geest riep, op -eens, als schoot er eene wolk voor dat licht, op veelbeteekenenden toon -uitviel: „Wat is dat lang geleden!”—Lang geleden, had ik willen zeggen, -lang geleden, mijn Vorst! maar niet zoo lang, of nog klopt bij die -herinnering uwen ouden wapenbroeder het hart; lang geleden, maar niet -zoo lang, of nog heeft de liefde van velen hunner de moeielijke jaren -overleefd, die tusschen dien en dezen derden Augustus in liggen; lang -geleden, maar moge het nog lang en zeer lang zijn, eer de gedachtenis -daaraan ophoudt uw koninklijk hart te doen kloppen! Leve Willem -II!—maar eerbied, en misschien ook nog eene andere gewaarwording, sloot -den mond. Nog eenige woorden van hulde en trouw van de eene zijde, van -dankzegging en welbehagen van de andere—en daar reed hij heen. De -Koning was gekomen. Daar reed hij heen, en liet ons na? Eenige -vervallen bogen en kransen, eenige verlepte en verdorde bloemen en -blâren, eenige woorden met den wind weggewaaid, eenige kreten in de -lucht verstorven!—Neen, wie zoo spreken mag, ik niet. Daar reed hij -heen, zeg ik, en liet ons na: de herinnering eener liefelijke en -wel-aangename verschijning, de verlevendiging van het beeld eens -Vorsten, aan wiens aanblik zich de schoonste vaderlandsche -herinneringen van het levend geslacht verbinden; de verwarming onzer -liefde voor den Koning, dien niemand, wien Neêrlandsch bloed door de -aadren vloeit, met het schoone lied van onzen Volksdichter, van het -Vaderland vermag te scheiden; de aanvuring onzer dagelijksche gebeden, -voor hem op te zenden; en eindelijk de gedachtenis onzer eenvoudige en -onschuldige vreugde, en onzer vreugde vóór en ná die vreugde, die mij -nu nog het hart warm maakt, terwijl ik deze regelen schrijve. O, wie -nooit de waarde eener herinnering geschat heeft, dan voor zoo ver die -zich op de hand liet wegen, roeme niet iets in de linkerborst te -dragen, dat een hart heet. - -Daar reed hij heen! Onze juichtoonen, onze vivats, onze gelukwenschen -volgden hem. „Vaarwel, o Koning!” riep ik hem in mijn geest achterna. -„Vaarwel! Voleindig uw zege- en liefdetocht door de gewesten van uw -goed en getrouw volk in zege en liefde! Wandel op de bloemen, die de -burgerij, door de hand der onschuldigsten en lieftalligsten uit haar -midden, u voor de voeten strooit! En wanneer gij in uw verheven woning -teruggekeerd zijt, en daar de koningszorg u met vernieuwde zwaarte op -de schouders valt, moge dan de geur dier bloemen u als eene herinnering -omzweven, en u eenige vergoeding schenken voor de doornen, die op het -hooge pad der koningen gezaaid zijn!”—Wèl den vorst, wiens pad een -dorenpad is! Het pad zijns volks is een pad van bloemen! En ook hem -bereidt hooger hand uit die doornen een kroon, schooner dan de -keizerskroon van het Heilige Roomsche rijk! Leve Willem II! - -Zoo sprak ik; maar weinig dacht ik, dat mijn wensch reeds zoo spoedig -verhoord zou worden; want terwijl ik deze regelen nederschrijf, geniet -alreeds onze Koning een van die blijde dagen, die de zorgen der vorsten -helpen vergoeden. Juist heden kondigt mijn geliefde Haarlemmer op -aanstaanden Zaterdag de voltrekking van het hooge huwelijk tusschen -Karel Alexander Augustus Johannes, Erf-Groothertog van Saxen-Weimar, en -Wilhelmina Maria Sophia Louisa, Prinses der Nederlanden aan. -Saxen-Weimar en Nederland—de vereeniging dier namen klinkt niet vreemd, -vooral niet in het oor van een oud soldaat, die ze eenmaal op het veld -van eer door dezelfde glorie omschitterd zag, toen de ridderlijke -Hertog, die de hoogmoed en de wellust van ons leger is, de sleutels van -Leuven voor den voet van zijn koninklijken krijgsbroeder nederleide: -Willem van Oranje en Bernhard van Saxen-Weimar, een Vorst zulk een -Veldheer, een Veldheer zulk een Vorst, twee vrienden elkander -waard!—Maar nog liefelijker dan deze vereeniging is de vereeniging van -jeugdigen Vorstenadel en bloeiende Vorstinnenschoonheid, waarvan die -echt den knoop legt. Duitschland, sedert het ons zijnen Nassau schonk, -pleegt sedert lang ons zijne Vorstendochters voor de onze uit te -wisselen. Eene schoone ruiling, waaraan wij ook uw bezit te danken -hebben gehad, Wilhelmina de Gezegende!—Nu zendt het ons weder een -edelen Duitschen jongeling, gelijk de faam hem prijst, om van de -verhevene Paulowna het evenbeeld der moederlijke deugden tot deelgenoot -van zijn voorvaderlijken troon te vragen. Nederland geeft niet alleen -door den mond zijner vertegenwoordigers, maar ook met zijn hart, zijne -goedkeuring en zegen tot dien echt, en deelt in uwe blijdschap, Vader -Willem en Moeder Anna!—O, wat zorgen en smarten het koninklijk paleis -omsluite, het omsluit toch ook eene vreugde, die het met alle lagere -daken gemeen heeft: de hoogste, de reinste, de zoetste vreugde, naar -men mij zegt: vader- en moedervreugde. Vader- en moedervreugde! door -den Vader der menschen aan de eerste menschen geschonken, als de -vergoeding voor hun verloren paradijs, en sedert de vergoeding voor de -verloren paradijzen van alle Adamskinderen. Gewis, er wordt veel leeds -verborgen onder ieder gewaad, van het met hermelijn bekleede purper af -tot aan het met lompen bedekte bedelkleed toe: maar onder alle soort -van gewaad kloppen ouderharten, en met dat ouderhart is de arme zoo -rijk als de koning, en de koning zoo rijk als de arme, die het -gelukshemd uit de fabel draagt. Ik heb vroeger het lot der Gekroonde -Vrouwen betreurd, en bij het graf van Wilhelmina het lijden der hoven -geschetst: maar nu, bij Sophia’s bruidskrans wil ik het geluk verheffen -van de Vrouw, die in de huiselijke schaduw van een aartsvaderlijk hof, -onder het oog van liefhebbende ouders, aan de hand van den erfgenaam -eener kroon, die te klein van omvang is om zeer zwaar te zijn, de -bruidskroon op het maagdelijk hoofd ontvangt. Daarom, al is het, dat -mij, den nederigsten van Zijner Majesteits onderdanen, die geen lid van -eenige orde ben, dan die der zestigduizenden van Hasselt, de toegang -tot de feestzaal ontzegd is, en dat ik mijn oog aan het gezicht van het -bevallig bruidspaar niet verklaren zal, zoo wil ik toch met mijn -onfeilbaren looper de hooge deuren voor mij ontsluiten, om getuige van -de feestvreugde te zijn: ik bedoel mijne Verbeelding, die met -vleêrmuisvleugelen over de hoofden van schildwachten en kamerdienaars -en kamerheeren-ceremoniemeesters heenvliegt! Ik wil mij te half één -uren bij het schouwspel vertegenwoordigen, als de hand der -Czarendochter en Vorstinnenmoeder de kroon op het hoofd der bloeiende -bruid plaatst. Ik wil mij onder het gehoor verplaatsen van den -welsprekenden man, die, zelf een vorst onder de redenaars, met -bewonderenswaardige kunst de wijsheid des Hemels in de taal der hoven -kleedt, en bij iedere koninklijke vreugde en bij iedere koninklijke -smart, als vertegenwoordiger van der Koningen Heer, het heiligend kruis -op de omfloerste of omkranste kroon plaatst. En als eindelijk de -honderd en één kanonschoten het Amen op de voltrekking des huwelijks -verkonden, zal ik met een glas ouden madera, die ik voor zulke -gelegenheden bewaar, een hartelijken feestdronk instellen, en wie zijn -koning lief heeft, drinke mede: Leve het Vorstelijke paar! Leve het -Koninklijk Gezin! Leve de Koning! - - - - - - - - -DE KONING GAAT TEN GRAVE. - -(Maart 1849.) - - -„Mijne broeders! God alleen is groot!” Aldus luidde het woord, bijna -anderhalve eeuw geleden door een beroemden hofprediker bij het graf van -den grooten koning van een groot land en volk gesproken. „Mijne -broeders! God alleen is groot!” - -Ik wist het van het oogenblik af, dat ik geleerd heb, dat alle koningen -der aarde, ook de grootste onder de grooten, niet alleen vleesch van -mijn vleesch en been van mijn been, maar ook stof van mijn stof en asch -van mijn asch zijn, en dat ook voor hen de ure komt, waarin zij, die -zoo vele duizenden en tienduizenden onder zich gehad hebben, tot elk -van wie zij zeggen konden: „Ga!” en hij ging, „kom!” en hij kwam, op -hunne beurt moeten gehoorzamen aan de stem van Hem, die alleen te -spreken heeft: „Keer weder, gij menschenkind!” en hij keert weder. Maar -wat ik reeds vroeger wist, heb ik nooit krachtiger gevoeld, dan in de -laatste tijden, die wij hebben doorleefd. - -Ruim anderhalf jaar is het geleden, dat ik in de Champs Elysées te -Parijs wandelde. Plotseling ging eene stofwolk op: eene cavalcade kwam -aan. Ik zag, en zie—het was een koning. Het was Lodewijk Filips, de -koning der Franschen. Het was—zonderling spel der omstandigheden—de -zoon van Philippe Égalité, bezitter van den troon van Lodewijk Capet. -Daar snelde hij heen, van zijn koninklijk lustslot van Neuilly naar -zijn koninklijk paleis der Tuilerien, in al de pracht en heerlijkheid -eens konings, in zijn met acht paarden bespannen rijtuig, te midden van -den hem omringenden gouden hof- en scharlaken ruiterstoet en den bonten -stoet des volks, dat zich bewonderend of juichend op zijn weg schaarde. -Daar snelde hij heen, de erfgenaam der Carolingen, der Capets, der -Valois, der Bourbons, der Napoleons; daar snelde hij heen, de vorst, -wiens voet op de leliën trad, die voor de Bourbons ontloken,—om wiens -hoofd de adelaars zweefden, wier vleugelen Napoleon hadden gedragen. -Daar snelde hij heen, de eigenaar van Frankrijks schoonste paleizen en -prachtigste lusthuizen, de heer en meester in het paleis te -Versailles;—het schoonste, dat menschenhanden voor een koning hebben -gebouwd, gelijk St. Pieter het schoonste is, dat menschenhanden hebben -gebouwd voor Hem, die niet in tempelen woont;—het paleis van -Versailles, waar alles schijnt uit te roepen: „Ziedaar het Babel, dat -men u, o koning, gebouwd heeft! O koning! wie van de koningen der aarde -kan tegen u geschat worden? Wie is als gij?”.... Drie maanden -verliepen, en de groote koning was een balling, die, even als de vóór -hem verdreven Bourbon en Napoleon, om zijns levens wil vluchten moest -uit het land, waar zesendertig millioenen onderdanen aan zijn oog -hadden gehangen en aan zijne stem hadden gehoorzaamd. - -Ruim een jaar later was ik te Tilburg. Ik bezocht daar het nieuwe -koninklijke paleis. Het is waar, het verschil tusschen Versailles en -Tilburg is zoo groot niet, als het verschil tusschen het paleis van -Versailles en het paleis van Tilburg is. Desniettemin, ook het paleis -van Tilburg draagt meer dan één ondubbelzinnig kenmerk van zijne -bestemming. Al ware het alleen in den eigenaardigen bouwstijl, dien -Willem II bij voorkeur beminde, bijna alsof hij eene dankbare -herinnering aan zijne in Engeland doorgebrachte kinderjaren moest zijn! -Maar wat meer is, wat aan het paleis van Tilburg als koninklijke -woonstede moge ontbreken, het werd voor mijn gevoel meer dan aangevuld -door de vertegenwoordiging van den Koning, die hier wonen zou. Hem toch -vond mijne verbeelding in al deze gangen en zalen, onder de kleinste -bijzonderheden, naar het door hem gemaakte bestek daargesteld, weder; -hem zag ik in al de grootheid van zijn koningsluister, in al de -waardigheid van zijn koninklijken persoon; hem, den lieveling niet -alleen van het door hem beweldadigd en verheerlijkt Tilburg, maar den -wellust van een geheel volk, dat hem met het hart beminde; hem, die -zonder de grootste van Europa’s koningen te wezen, in dit opzicht een -der gelukkigste van hare monarchen kon worden genoemd.... Drie weken -verliepen, en koning Willem II was een lijk, dat onder de tranen der -hem liefhebbende bevolking naar zijne laatste rustplaats werd heen -gevoerd! - -Waarlijk, mijne vrienden! de Fransche hofprediker had recht. In -gindschen doorluchtigen val, in dezen doorluchtigen dood heb ik het -gezien, dat hij naar waarheid sprak: „God is groot! hoe grooter de -koningen en grooten der aarde bij hun leven zijn geweest, des te -verhevener is het getuigenis, dat zij bij hunnen val aan de alles te -boven gaande grootheid Gods geven. God blijkt alsdan te zijn die Hij -is, en de mensch is niets meer van dat alles wat hij dacht te wezen.” - -Wie had het gedacht? Lodewijk filips, de groote koning, viel; Willem -II, de zooveel minder groote en machtige koning, bleef op den troon -gezeteld, ja, zat daarop na des eersten val nog vaster dan ooit. Gelijk -de dichter terecht zeide, wij konden juichen: - - - „Stort elders oproer en verraad - De vorsten van hun wankle troonen, - Hoe bleef de trouw van d’ onderzaat - Hier ’s vorsten liefde en trouw beloonen!” - - -Maar helaas! - - - „Wat oproer noch verraad vermocht, - Dat heeft de magt des doods gewrocht!” - - -Koning Willem II is niet meer! O, hoe daverde die rouwkreet scheller en -feller dan de klokkenklepels, die straks te zijner eer alom begonnen te -kleppen, door den lande heen! De ijzeren tongen, die van stad tot stad -en van dorp tot dorp het elkander toegalmden, hieven gezamelijk in de -hoogte eene klacht op, die echter verre overstemd werd door het geklag, -waarmede zoo vele stemmen beneden het elkander toesnikten: „De Koning -is gestorven! Willem II is niet meer!” - -Willem II is niet meer! Die rouwgalm klonk ook in de plaats mijner -woning, klonk ook in mijn huis, klonk ook in mijn hart. Wat Oranje voor -mij is, wat Koning Willem II voor mij was, wat elke vorst uit het huis -van Oranje—indien ik (wat God verhoede! ooit op nieuw een vorst uit dat -huis den troon moest zien beklimmen,) immer voor mij wezen zal, ik heb -het meermalen kenbaar gemaakt; ik heb er bepaalder van doen blijken ook -in die nederige veldbloem, die ik vóór acht jaren, ter begroeting van -Willem II, op den weg van zijn eersten eeretocht als koning door de -provinciën van zijn land en de harten van zijne landgenooten heb -gestrooid: „De Koning komt!” Ach! hoe weinig dacht ik toen, dat na zoo -luttel jaren elders dezelfde stem, maar op geheel andere wijze, mijne -ooren treffen zou: „De Koning komt!” maar—om voor altijd heen te gaan: -„De Koning gaat ten grave!” - -De Koning kwam om ten grave te gaan. Dit te weten, deed de begeerte in -mij ontwaken om op zijn laatste pad een cipressenblad te strooien, -gelijk ik bij zijn eersten tocht als Koning een enkel rozenblad op zijn -weg geworpen had. De gelegenheid daartoe bood zich gereedelijk aan. Op -den weg van Tilburg, de plaats van zijn dood, naar Geertruidenberg, de -plaats der inscheping van zijn overschot naar Rotterdam, om van daar -verder naar zijne laatste rustplaats te worden vervoerd, moest hij -langs een niet ver afgelegen heide gaan. Hem van die heide af ten grave -zien voeren, dit denkbeeld trok mij aan. Aan het gedrang eener -opgehoopte volksmenigte in deze of gene stad zou ik mij te nauwernood -hebben gewaagd: het contrast tusschen het luidruchtig gewoel der -toeschouwers en de stille plechtigheid van het schouwspel zou mij te -stuitend zijn geweest. Maar onder Gods vrijen hemel, in de stille -natuur, op eene eenzame heide te midden van weinigen die gevoelden als -ik, kwam mij de gedachte om getuige van den laatsten gang des Konings -te wezen niet alleen dragelijk, maar zelfs aanlokkelijk voor. Had ik -den Koning niet zien komen? Ik wilde hem nu ook zien gaan. - -Het was dinsdag morgen. De klok sloeg vijf uur. Ik reed naar buiten. -Het rijtuig bracht mij op omstreeks een half uur van de plaats mijner -bestemming. Daar stapte ik het rijtuig uit. Het overige van den weg -legde ik wandelende af. - -Het was schoon weder. De morgen was frisch, zelfs koud, maar tamelijk -helder. Was de lucht hier en daar licht bewolkt, de zon brak toch -telkens koesterend door de wolken heen. Zoo zongen dan ook de vogelkens -een vroolijk morgenlied. Boven allen klonk de stem van den leeuwerik -uit. Of het aan mijne stemming te wijten was, dat ik zulks meer dan -anders opmerkte, ik weet het niet; maar zelden heb ik meer leeuwerikken -gehoord. Van alle zijden opstijgende, zongen zij het lied, dat hun God -hen leert: het lied der lente, het lied van de wederopstanding der -natuur, dien spiegel van de wederopstanding der dooden. Er was iets -contrasteerends, en toch ook weder iets harmonisch in dat vogelengezang -op dezen morgenstond. O, hoe verschilde dit contrast van het contrast -met den woelenden en joelenden volkshoop, dien ik ontvlood! Het was een -contrast, gelijk alleen de natuur er ons biedt, waar de wet van den -cirkel heerscht, die de uitersten elkaâr ontmoeten en omhelzen doet! - -Onder dit vogelengezang en al de geluiden der ontwakende menschen- en -dierenwereld wandelde ik, met tusschenpoozen van rust, in stille -gepeinzen daarheen. Op eens wordt die stilte afgebroken. Hoor! het is -een klokkentoon! - - - „Klagend klinkt heur traag geluid - Ten bemosten toren uit, - Waar de streng in wordt getrokken; - Zuchtend is heur klank en dof, - Als een toon van rouw en smarte, - En zij valt hem zwaar op ’t harte, - Wien zij de ooren trof.” - - -Het is de kerkklok van het naburig Oosterhout, die zich laat hooren: -het is ter eere van den Doode, dat zij met grove basstem haar somber -uitvaartlied begint. Bij dat geluid werd mijn geest al meer en meer in -den geest der plechtigheid van dezen dag verplaatst en gestemd. Ik -wandelde verder voort. Hoor! een nieuw geluid! het is gebulder van het -kanon, dat aan de andere zijde gromt. Het is het geschut, dat te -Tilburg het teeken tot den uittocht van den lijkstoet geeft. Dat schot, -het bracht mij als door een tooverslag op het tooneel des rouws over. -Ik zag het sterfhuis; ik hoorde de kreten der koninklijke weduwe; ik -vernam de snikken der treurende menigte; ik stemde in den toon van -smart, dien de lijkmuziek bij het zich in beweging zetten van den -zwarten stoet deed klinken. - -En intusschen zongen de leeuwerikken altijd hun vroolijk morgenlied. - - - -Nog ten minste twee uren moesten verloopen, eer het lijk op de plaats -kon zijn, waar ik mij bevond. Dien tusschentijd maakte ik mij ten -nutte, door in mijn geest voor mij te laten heengaan al de beelden, die -de gelegenheid van dit uur, als zoovele schimmen van het verledene, -voor mij als uit den grond deed opkomen. En wel mag ik als uit den -grond zeggen! Of welke was de grond, op welken ik mij bevond? Een -heidegrond, die eertijds een legerkamp was geweest; de heide van Rijen, -die de landlieden uit den omtrek nog heden het kamp van Rijen noemen. -Het is hetzelfde kamp, waar, in de gedenkwaardige zomerdagen van 1831 -en later, een deel der mobiele armée gelegerd lag, en waar alzoo door -de legeroefeningen en spiegelgevechten de zege werd voorbereid, die -later in de gevechten voor Hasselt en Leuven werd behaald. Zonderlinge -afwisseling! eerst eene stille, verlatene heide—daarna een woelig -legerkamp—straks weder eene stille, verlatene heide. Welk een verschil -tusschen de stilte, die hier thans regeert, en het gewoel, dat hier -vroeger heerschte! Hier, op ditzelfde veld, waar nu bijna geen teeken -van leven werd bespeurd, hadden binnen een klein bestek duizenden—en -welke duizenden!—geleefd. Luidruchtige soldatenliederen hadden er -geklonken, fiere krijgsmuziek was er gehoord, ja, psalmen Davids waren -er aangeheven; want ook hier in dit kamp had men het vierde gebod, dat -in het legerkamp aan den voet van Sinaï gegeven werd, heilig gehouden. -Ook hier had op elken eersten dag der week de stem des Evangelies aan -de zonen van den krijg Vrede door het bloed des kruises verkondigd. Ook -hier, uit dezen tempel der natuur, waren, bij het geluid van horen en -trompet, even als vroeger, bij de begeleiding van Schoschannim en -Neginoth, duizenden zangstemmen opgegaan tot den Koning der schepping -en der menschen: - - - Zijn naam moet eeuwige eer ontvangen; - Men loov’ hem vroeg en spâ! - - -Hier vond ik er een, die zich herinnerde, het aandenken aan de -overwinning van Waterloo op deze eigenaardige wijze te hebben gevierd; -een ander dacht aan de wapenschouwing, die het uitspreken van het -„Voorwaarts!” voorafging. Maar wie kon aan iets van dit alles denken of -er van spreken, zonder te gedenken aan hem, die van dit alles het -bezielend middelpunt uitmaakte? hem, het hoofd, den held, den lieveling -van geheel het Nederlandsche leger, den Prins van Oranje, den -overwinnaar van Quatrebras, den mede-overwinnaar van Waterloo! Ja, wat -zich op dat groot en schitterend tooneel in die dagen al grootsch en -schitterends vertoond hebbe, het schitterendste bleef immer de altijd -groenende lauwerkrans van den Prins-Veldheer, die zelfs toen door de -nog in al den glans der populariteit blinkende koningskroon van Willem -I niet overschaduwd werd. En die prinselijke krijgsheld zelf! O, hoe -lief had hij op zijn beurt dit leger, hoe lief was hem dit legerkamp, -hoe lief was hem geheel het krijgsmansleven, dat hij in en om dit kamp -mocht leiden! Vraagt men, waar het geheim dier betoovering schuilde, -die voor den overleden Koning haren glans over Tilburg scheen uit te -breiden? Ik aarzel niet te antwoorden: het was de herinnering aan de -jaren van ’s Prinsen krijgsmansleven, aldaar en daaromtrent gevoerd. -Wij weten het immers allen: hoevele koninklijke en menschelijke deugden -onze Koning ook in zich vereenigen mocht, boven alles was hij -krijgsman, krijgsman in zijn hart. Dat onbezorgde, vrije, van allen -drang en dwang der hof-etikette, van alle streken en treken der -hof-diplomatie vrije soldatenleven was een leven naar zijn lust. -Ziedaar de eenige reden, waarom, geloof ik, onze Koning noch in zijn -prachtig paleis te Brussel, noch in zijn nieuw Gothisch prachtgebouw te -s’ Hage, zich ooit zoo zeer te huis gevoeld heeft, als onder de -veldtent in het kamp van Rijen, als in de eenvoudige woning, die te -Tilburg aan den Prins-Veldmaarschalk hare herbergzaamheid aanbood. -Tilburg en zijn omtrek was voor hem eene altijd dierbare herinnering -aan jaren zonder zorg of kommer; van daar bleef het hem een Sans-souci -in de jaren der zorgen; van daar werd het eindelijk de plaats zijner -ruste in de ure, die aan zijne zorgen op aarde een einde heeft gemaakt. - -Ach, welk eene verandering! Met welk eene verwachting van de genezende -werking van Tilburgs lucht en invloed, was hij pas kort geleden dezen -weg langs gereden, en nu klonk hier het gebulder van het kanon, dat de -nadering van zijne lijkkoets langs dezen zelfden weg aankondigde. - -En intusschen zongen de leeuwerikken altijd hun vroolijk morgenlied. - - - -Ik sloeg een blik op het tijdvak, dat het veldbed van Rijens legerkamp -van het sterfbed binnen Tilburgs muren scheidt. Ik dacht aan de dagen -van den veldtocht, van - - - „den strijd, die minder dagen - Dan verwonnen steden telt.” - - -Ik gedacht aan de geestdrift des volks na de overwinningen, te Hasselt -en Leuven behaald. Ik gedacht aan de moeitevolle tijden, die die -roemvolle dagen hebben opgevolgd. Ik gedacht aan de zwaarwichtige ure, -toen met de kroon en koningsmantel van Willem I de last der regeering -op de schouders van Willem II was overgegaan. Ik gedacht aan hetgeen ik -toen met het oog op des Konings eed ten dage der kroning, en de -verwachtingen, daardoor verwekt, heb gevraagd: „Zoo waarlijk helpe mij -God almachtig!”—Willem II! Koning der Nederlanden! hebt gij aan die -verwachtingen voldaan? - -Ja, ja! durf ik daarop thans antwoorden: Gij hebt het gedaan, o mijn -koning! zoo waarlijk helpe ons God! Willem II heeft dit vertrouwen niet -beschaamd: Willem II is een goed Koning geweest. Hebben wij hem als -Veldheer bewonderd en met hand en mond toegejuicht, als Koning hebben -wij hem liefgehad en in ons hart gedragen. Aan het gejuich, dat rondom -hem opging toen, hij den eersten eeretocht als Koning door zijne -provinciën deed, beantwoorden heden de tranen, die op den doortocht van -zijn lijk door zijne provinciën worden geschreid. En kon het anders -wezen? Liefde is liefde’s wetsteen. Nu! de geheele regeering des -Konings heeft het zegel gedrukt op dat woord uit zijn mond: „Ik heb -slechts éénen hartstocht, dien om bij mijn volk bemind te zijn.” Des -Konings ministers hebben eene gelukkige uitdrukking gebruikt, toen zij -spraken: „Diepe rouw overdekke het Vaderland bij het afsterven van een -vorst, die zijn volk boven alles liefhad.” Dit getuigenis is de -eikenkrans, dien zijn volk naast den lauwerkrans der koninklijke weduwe -op zijne lijkkoets leggen moet. Men vrage niet, of Koning Willem II -zijn volk heeft kunnen bevrijden van al den druk, dien het verledene -met zich bracht; helaas, zulke zegepralen zijn bezwaarlijker en worden -trager behaald dan die, welke hij te Quatre-bras en Waterloo bevocht: -maar dit erkennen wij: hij heeft de geslagene wonde zooveel mogelijk -zoeken te heelen, en daaraan meermalen eigen rechten en eigen schatten -ten offer gebracht. Hij toonde het in alles, dat, indien hij eens het -bloed uit zijne aderen voor Nederland gestort had, hij er andermaal -zijn bloed veil voor zou hebben, om Nederland zoo gelukkig te zien als -hij het wenschte te maken. Kan een koning schooner getuigenis in het -graf met zich nemen? Ik sprak straks van Versailles: ik deed opmerken, -welk een verschil er tusschen Versailles en Tilburg, tusschen beiderlei -paleizen en tusschen beiderlei koningen bestond. En toch, zie beiderlei -koningen bij hun uiteinde! O, hoe verre gaat dan Willem de Goede -Lodewijk den Groote te boven! Bij het lijk des eenen de minachting der -grooten, de haat des volks, de vijandschap van geheel het buitenland, -en op den achtergrond het schavot van Lodewijk XVI, als slachtoffer -vooral ook van den grootvaderlijken hoogmoed en weelde geslacht. Bij -het lijk des anderen de hulde van geheel het koninklijk geslacht en -hofgezin, de achting van den vreemdeling en bovenal de liefde van den -landzaat, als van drie millioen kinderen bij het lijk des algemeenen -Vaders; de liefde van den landzaat als de beste erfgave op het hoofd -van zoon en kleinzoon overgebracht. - -Altijd rondwandelende, knoopte ik nu met dezen, dan met dien der -landbewoners uit den omtrek een gesprek aan. Het had niets -opmerkelijks, dat aller monden met de plechtigheid van den dag waren -vervuld; maar wat opmerking verdiende, het was de liefde, die uit aller -mond op de meest overvloeiende wijze sprak. Overal zamelde ik trekken -op, te onbeduidend om hier mede te deelen, maar die eene geheele wereld -van goedhartigheid en liefde in het hart des ontslapen Konings -ontdekten; trekken in den geest van dien trek, die ons ergens is -medegedeeld, hoe de Koning nog, weinige dagen vóór zijn dood, voor zijn -paleis in den Haag gezien werd, terwijl hij zich een geruimen tijd met -drie arme kindertjes onderhield. Ja, tot de armen, tot de kleinen, tot -de geringen zich neder te buigen, was een van die beminnelijke -karaktertrekken, die meest kenmerkend waren in den betreurden vorst. -Die nederbuiging was in hem meer, dan eene berekende en afgesproken -minzaamheid van vormen, die men zoo vaak bij vorsten vindt; hier was -zij iets beters; zij stond in verband met dat kinderlijke in hem, dat -hij ook onder het krijgsharnas en den koningsmantel had weten te -behouden. Spraken krijgsmansgrootheid en koningsadel uit de plooien van -dien mantel, dien hij op zoo ridderlijk fiere wijze droeg, een hart vol -liefde sprak uit de plooien van dien mond, waarmede men te recht gezegd -heeft dat „hij alle harten tot zich wist te trekken”. Indien hij in -meer dan één opzicht aan Hendrik IV deed denken, dien Frankrijk tot op -dezen dag le bon Henri noemt, dit geldt bovenal ook van de weêrgalooze -populariteit, die hij zich had weten te verwerven. Zelden heeft een -vorst beter het geheim verstaan om de waardigheid des konings met de -minzaamheid van den mensch en den menschenvriend te vereenigen: van -daar, dat hij de Koning van bijna even vele harten als zielen was. -Welke koning droeg ooit met meer recht den naam van beschermheer der -kunsten? Welke koning had ooit meer aanspraak op den titel van -weldoener der armen? Ik begrijp het mij, hoe een kunstenaar het eerste -sein voor de oprichting van zijn standbeeld gaf; maar ik moet het er -bijvoegen, indien men de tranen der beweldadigden in eene urn -vergaderen en die als eene lijkbus op zijn overschot plaatsen kon, dat -dit hem een nog schooner gedenkteeken zou zijn. O, ik weet niet, of ik -niet te stout spreke; maar mij dunkt, Willem II heeft in zijn korte -levensdagen een groot werk volbracht. Hij ontving eene kroon met -doornen bezet; ontveinzen wij het niet, te recht of ten onrechte, de -liefde des volks voor zijn Koning, de populariteit van Oranje in -Nederland had geleden, toen Willem II Koning werd. Een vreemdeling, die -vaak in onze zaken scherper ziet dan wij zelven, heeft den toenmaligen -staat van Nederland naar waarheid geschetst. „In de zestiende eeuw -heeft de volharding van Willem den Zwijger Holland gered, in de -negentiende heeft die van Willem I het land in groot gevaar gebracht. -Dertig jaren oud beklom hij den troon, gedragen door al de wenschen, -omringd door al de zegenwenschen zijner onderdanen. Het gansche land -gaf zich met liefde en vertrouwen aan hem over, en in het hart van den -rijke, zoowel als in het gemoed van den eenvoudigen dorpeling, wekte -zijn naam niets dan een gevoel van hoop en vereering op. Twee dwalingen -hebben hem die voorbeeldelooze populariteit doen verliezen.... Maar -welk een rust heerscht er in dat land! Welk eene edele onderwerping! -Welk eene standvastigheid! Toen Willem I de kroon nederlegde, hoorde -men onder het publiek niet eene enkele beschuldiging tegen de -verschillende daden van zijne regeering,—hoorde men niet eene enkele -klacht Iedereen heeft bij zichzelven de redenen van dit besluit -begrepen, en het stilzwijgen bewaard. Zelfs vertoonde zich in de -bewijzen van liefde en vertrouwen, den nieuwen Koning betoond, eene -zekere terughouding, die vol welvoegelijkheid was, alsof het volk -vreesde, dat de openbaring van eene te groote geestdrift voor den zoon -den schijn zou kunnen hebben van eene veroordeeling voor den vader te -wezen”. Maar nu! was de toestand van Nederland zoodanig, als hier door -een onpartijdig aanschouwer en opmerker wordt gezegd, welke bezwaren -ontmoette dan Willem II niet van stonde aan op zijn pad! Welk een -verschil tusschen de stemming des volks bij de troonsbeklimming van den -souvereinen vorst en de kroning van Nederlands tweeden koning!—Wel nu, -had Willem I het voorrecht niet gehad, de liefde des volks tot den -einde toe in dezelfde mate te behouden, Willem II heeft, als de -schoonste zijner veroveringen, den verloren grond herwonnen. Hij heeft -tot en op den naam van Oranje wederom al die liefde weten terug te -brengen, die daaraan van ouds onafscheidelijk verbonden was. Hij heeft -alzoo aan het nationale middelpunt van onzen staat, dat niet is la -charte constitutionelle, als vroeger in Frankrijk, maar dat is: de stam -der Nassaus met de spreuk Je maintiendrai, zijne aantrekkende en -bezielende werking teruggegeven. Hij heeft het koningschap in Nederland -op nieuw weten te bevestigen op die rots, die in deze dagen alleen -vaststaat, liefde tot den Koning, door de in vleeschen tafelen des -harten gegronde overtuiging, dat „zijn Koning hem van God gegeven -is!”—Koning der Nederlanden, vroeg ik straks: hebt gij aan die -verwachtingen uws volks ten uwen opzichte voldaan? En ik antwoord -nogmaals: Ja, gij hebt daaraan voldaan; want gij hebt de taak van een -Oranje volbracht! Gij zijt op nieuw het plechtanker geworden van het -hulkje, dat zich aan u vertrouwde. Daarom is de dag van uwen dood een -dag van rouw voor geheel Nederland; daarom is de dag van uwe uitvaart -een dag van droefenis voor alle Nederlanders; daarom gaat nu van -Tilburg een lijkstoet uit, die met andere tranen wordt overdekt dan de -kunst des zilverwerkers over het zwarte kleed van uwe lijkkoets heeft -uitgestrooid; daarom klinkt, van Tilburg tot aan de boorden van de -Lauwerszee, eene stem, die doodklokgalmen en uitvaartsalvo’s verdooft, -en die ook in mijn hart boven die allen weêrklinkt. - -En intusschen zongen de leeuwerikken steeds hun vroolijk morgenlied. - - - -Een dikke stofwolk doet zich in de verte op. Tusschen het stof wemelt -een roode gloed. Het zijn de kleine witte en roode vanen aan de speren -der lansruiters. De trein genaakt. - -O, hoe stil en bijna onopgemerkt naderde hij hier! Op het punt, waar ik -mij bevond, waren slechts zeer enkele menschen. Ook vóór den trein -bevond zich bijna niemand. Recht zooals ik het had gewenscht en -gehoopt. Des te ongemengder en dieper was de indruk, dien de optocht op -mij maakte. Vooraan enkele ruiters, om den trein te openen; daarna eene -afdeeling lanciers, voorafgegaan door den majoor Coets van Baggen, die -te Waterloo aan de zijde des ontslapenen streed, en die het voorrecht -had hem bij een nog zwaarder strijd zijnen zetel tot een laatste ruste -te mogen aanbieden. Daarna het muziekcorps der lanciers, met hunne in -floers gewikkelde muziekinstrumenten, die zich, eenige honderde -voetstappen verder, in eene schoone andante klagende lieten hooren. -Eene eenvoudige koets met twee paarden volgde, en onmiddelijk daarna, -door vier paarden getrokken, de lijkwagen, waarin het kostbaar -overschot was bevat. Het was een indrukwekkend gezicht. De hemel van -den wagen was van somber zwart met rein zilver afgezet, en verhief zich -in een spits, die door een zilveren kroon gedekt werd: ik dacht aan het -schoone woord van Bossuet aangaande de toerichtingen, „die tot aan de -wolken de doorluchtige bewijzen verheffen van—ons niet”. Onder den -hemel, op het zwarte dekkleed, dat de kist omsloot, lag een kussen met -de gouden kroon, en naast de gouden kroon eene groene lauwerkrans, door -de hand der koninklijke weduwe gevlochten. Frisch, als waren zij pas -geplukt, waren die lauweren om het hoofd van den ontslapen held nog -niet verdord. Maar dat die kroon met geen enkelen traan van uwe -onderdanen door uwe schuld bepareld was, al was zij dikwijls voor u een -doornenkroon geweest, dat strekt u tot grooter eer, dan alle lauweren u -konden aanbrengen, o mijn Koning! Tegenover de kroon lagen de -epauletten, waarschijnlijk met de gekruiste veldmaarschalkstaven -versierd, het eereteeken van den rang, dien de held op het slagveld -verwierf, en waarop de Koning uit dien hoofde bleef prijs stellen. Ter -wederzijden lagen de degens. Ginds de degen, die, na in Spanje den -troon des overweldigers mede te hebben ondermijnd, daaraan bij Brussel -den laatsten slag toebracht. Want zonder Quatre-Bras geen Waterloo, en -zonder Waterloo geen St. Helena! Hier de degen, die den -Noord-Nederlandschen helden andermaal den weg naar Brussel opende, en -die in Brussel het bulletin van Belgiës onderwerping zou hebben -geteekend, indien geen Fransch leger, overmachtig en overmoedig, zich -tusschen Leuven en Brussel had gesteld: de degen, dien ook ik op den -IJzeren Berg als een starre der zegepraal tusschen de wolken van den -kruitdamp hebben zien blinken, en die ook mij als een starre naar het -veld der overwinning en van daar wederom huiswaarts heeft geleid! -Ziedaar alles wat ik zag; maar wat ik zag, kon mij niet beletten meer -te zien dan dat. Het belette mij niet in den geest het lijkkleed van -die kist te nemen, de kist te openen, en een blik op den daarin -rustenden doode te slaan. Welk een aandoenlijk gezicht trof mij daar! -Dat hoofd, dat zich zoo fier placht op te heffen, roerloos ter -nedergezonken; dat sprekend oog vol geest en vuur verdoofd! Nog altijd -diezelfde lach om den mond; maar die lach als in marmer gegoten, -roerloos, koud en kil. Die borst, met de welverdiende eereteekenen -versierd; maar het hart in die borst levenloos, verstijfd en stil. Het -geheel een beeld des doods; van dien dood, „die den geest der vorsten -als rijpe drijven afsnijdt;” van dien dood, die koningen en bedelaars -gelijk maakt, en den eersten recht geeft den laatsten met de woorden -bij Jesaja toe te roepen: Zoo zijt gij dan ons gelijk geworden! Ach, -wat was er nu van dien Koning overgebleven, die over zoovele millioenen -had geheerscht! wiens schepter zich, behalve hier over de oevers der -Zuiderzee, in een ander werelddeel over de eilanden eens onmetelijken -oceaans had uitgestrekt! Een ziellooze stofklomp, die welhaast een wolk -van stof zou zijn, als die stofwolk, die door de hoeven zijner paarden -werd opgejaagd. „Mijne broeders! God alleen is groot!” - -Zoo was dan nu, na zes-en-vijftig jaren strijds, dat hoofd op weg om -zijn laatste peluw te gaan zoeken. Ach, ach! hoeveel stormen hadden -gedurende dat tijdvak niet al over dat hoofd gewaaid! Pas had het twee -jaren beleefd, toen het reeds in de - - - „kinderlijke wieg moest hobblen op de baren, - Uit huis en hof geschopt door dolle woestaardij.” - - -Die eerste storm was opgevolgd door het driedubbel geweld, waarmede -Napoleon hier den burger in zijn volk vertrad, daar den vorst in zijn -voorvaderlijk erfgoed beroofde, elders den krijgsman in zijn leven -bedreigde. Straks op een hulk wedergekeerd uit datzelfde Engeland, waar -hij op een hulk was heengegaan, schitterde wel om dat hoofd de kroon -van den vorst met den krans des overwinnaars omvlochten, maar ook toen -ervoer de vorst, hoeveel zwaarder het is, die kroon dan dezen krans te -dragen, en nog eens zag Engeland hem onder den last eener zware -beproeving gebogen terug. Wel joeg de zegepraal van Leuven die nevelen -weder uiteen, en daalde straks met den diadeem van Willem I de liefde -van een geheel volk op dien schedel neder; maar toen wachtte den Koning -eene nog bitterder ervaring: de ervaring hoe centenaarszwaar ook de -kleinste kroon kan wegen op het sterkste hoofd, en werd hem dit woord -van de lippen gedwongen, dat uit zijn mond tot mij gebracht werd: het -woord, waarbij hij verklaarde, dat men de uitdrukking „zoo gelukkig als -een koning te zijn”, in onze dagen liever omkeeren mocht. Als ter -voorbereiding voor het naderend einde kwam daarbij het lijden eener -geschokte gezondheid, het lijden van een leven, dat op die wijze „een -dagelijksche dood” werd, een leven als onder het zwaard van Damocles. -Ai mij, daar breekt de brooze draad, waaraan dat zwaard was -opgehangen.... daar valt dat zwaard neder... het treft dat dierbare -hoofd.... dat hoofd, nimmer gewoon te bukken, heft zich nog eenige -malen tot de worsteling op... vergeefs.... het wordt gedwongen te -buigen.... het buigt zich voor den laatsten slag... het zinkt voor -altijd op de koude borst.... Koning Willem II is niet meer! - -Nu dan, het ruste zacht, dat edel helden- en koningshoofd! Het ruste -zacht op het rustbed, dat de liefde het in de laatste woning heeft -gespreid. Het ruste zacht in de schaduw der dankbare nagedachtenis, die -het graf der Nassaus, als een altijd geurende wierookwolk omzweeft. -Geene aanklagt, geene verwensching, geene stemme der beschuldiging of -der veroordeeling zal die ruste storen; immers, het weenen en snikken -des volks rondom het graf stoort zulk een ruste niet? - -Slaap dan zacht, o Koning! Slaap zacht, in het hart uws volks beter dan -in alle oostersche specerijen ingebalsemd, en voor een spoedig vergaan -bewaard! Slaap zacht onder de lauweren, die eene zachte hand voor uwe -lijkkist vlocht, en moge ook de nooit gedroogde traan van Haar, aan wie -die hand behoort, zoowel als de rouw van het u teederlievend kroost, -dien slaap niet storen! Slaap zacht, en neem bij zoovele anderen ook -uit mijn hart dezen mannelijken traan als een offer der dankbaarheid en -der liefde mede. - -En boven mij zongen de leeuwerikken altijd hun vroolijk morgenlied. - - - -De trein was voorbijgetogen. Ik zag haar na. Daar ging zij heen, eerst -naar Oosterhout, dan naar Geertruidenberg, dan naar Rotterdam, dan naar -Delft, dan naar het graf. Rondom dat graf zouden al de dierbaarste -betrekkingen des Konings zich vereenigen, om het de laatste eer te -bewijzen. Mij dunkt, ik zag ze daar staan, en in hun midden zag ik den -jeugdigen man, die thans Willem III heet. - -Willem III! Nog herinner ik mij als een aandenken uit de schoone jaren -van voorheen, hoe ik meermalen, langs de straten mijner vaderstad -gaande, een open rijtuig opmerkte, waarin zich twee jongelingen in -gezelschap van een opperofficier bevonden. Het waren de twee oudste -kleinzonen des toenmaligen Konings, Prins Willem en Prins Alexander, -die destijds kweekelingen der alma mater Leidensis waren. Waarlijk, men -had minder dichter moeten zijn, dan ik het toenmaals was, om niet wel -eens bij het gezicht dier twee jongelingen een blik in de toekomst te -wagen, en voor hen hun jongelingsdroom te droomen. Wat is er van dien -droom geworden? Ga naar het praalgraf der Nassaus te Delft, en vraag -den bewaker van dat graf, wat er van dien droom voor Prins Alexander -werd? Hij stierf op een vreemde kust, verre van zijn Vaderland, verre -van het hart zijns vaders en den boezem zijner moeder. Des te -dankbaarder zijn wij voor Prins Willem, dat zijn levensdroom zich -aanvankelijk heeft vervuld. Hij heeft de kroon verkregen, die hem voor -de oogen zweefde. Wat zal die kroon hem zijn? Ziedaar eene vraag, -waarop niemand op aarde antwoord geeft. Wat zal hij dier kroone wezen? -Ziedaar eene vraag, waarop evenzeer het antwoord blijft ontbreken. En -toch willen wij de beantwoording van die vraag door de toekomst -vooruitloopen, en het in hope zeggen: hij zal dier kroon een waardige, -een zijns vaders en onzes volks waardige kroonvoerder zijn! De -omstàndigheden, waaronder hij het gebied ontvangt, zijn al te -aandoenlijk, de tijden, waarin hij leeft, al te zwaarwichtig, om niet -op zijn hart te doen wegen de grootheid der verantwoording, die thans -op hem rust. De dood en begrafenis zijns vaders heeft hem toegeroepen: -Zie, hoe lief men hem had! Zie, hoe lief ons volk goede koningen heeft! -Zou dit hem niet dringen om een goed Koning voor zijn volk te wezen? -Eene zijner eerste regeeringsdaden is geweest, zijn volk met zich ten -gebede op te roepen. Is dat niet reeds een goed begin, dat aan Salomo -te Gibeon denken doet? Of zouden zoo vele gebeden, met de tranen onzes -volks over den ontslapen Koning, en, wat meer zegt, met het bloed van -den Koning der koningen, bij wiens kruis wij heden in den geest staan, -en op wiens kruis wij onze gebeden nederleggen, als besproeid, ledig -tot ons kunnen wederkeeren? Eindelijk,—o hoe gaarne neem ik dit als een -voorteeken aan!—hij heet Willem III. Accipio omen. Willem III! Welk een -naam is de uwe! Misschien hebt gij er zelf aan gedacht, toen gij daar -te Londen in Westminster-Abbey bij het graf van uw doorluchtigen -naamgenoot stondt; er aan gedacht, toen gij thans nog overal -Groot-Brittanje van den naam van Willem III vervuld zaagt; er aan -gedacht, toen men u in Engeland zoo menige hulde, aan uwen naam -verschuldigd, daarom te liever bracht, omdat gij ook een naam- en -stamgenoot van Willem III waart. Willem III! wij bidden het van God, -maar wij vragen het ook u, beschaam die schoone verwachting niet! Wees -voor Nederland als Koning, wat Willem III als Stadhouder voor Nederland -is geweest. Heeft Willem III voor de republiek het werk bekroond, door -de wijsheid van den Zwijger begonnen, door de dapperheid van Maurits en -Frederik Hendrik bevestigd, bevestig gij alzoo voor het koningschap het -werk, dat Koning Willem II tot dusverre voortgezet heeft. Daartoe zij -uw oog voortdurend op onzer vaderen God, op onzer kinderen Vader -gevestigd, met wien de groote Zwijger (immers ook voor al zijne zonen?) -een plechtig verbond heeft gemaakt. Biddende zijt gij begonnen; o, -mocht gij biddende voortgaan, opdat wij samen dankende mogen eindigen. -Christus te volgen, zoo waagde ik het reeds vroeger, met een woord uit -den ouden tijd eenmaal tot een uwer vaderen gesproken, u toe te -spreken, „Christus te volgen is den menschen vóór henen te gaan, en die -op dat pad de voorste is, is de eerste aller menschen, Gode het naaste -en alleen een rechtschapen prins.” Amen! zeg ik thans met dubbelen -nadruk op dat woord,—en al het volk zegge Amen!—en gij, o God der -vaderen! doe gij om en door Jezus Christus zoo en zoo daartoe! - -Een beroemd schrijver heeft onlangs een bezield tafereel opgehangen van -de omstandigheden, waaronder Willem III Stadhouder der Unie werd. -Onwillekeurig vergeleek ik den heeten strijd op leven en dood, waarvan -die verheffing de uitkomst was, met de woorden der ministeriële -proclamatie: Het heeft den Almachtige behaagd Willem II tot zich te -roepen.—Willem III is Koning der Nederlanden. - -Ziedaar, zeide ik bij mij zelven, den zegen van het erfelijk -koningschap. Elders worstelingen, die den vrede des lands in gevaar -brengen; elders, gelijk thans nog in Frankrijk, ook bij het behoud des -vredes, het gevaar om aan het hoofd des volks een man te zien, wiens -persoon niet alleen, maar wiens naam alreede voor velen een voorwerp -van dubbelzinnige herinneringen is; hier daarentegen de stille overgang -van de kroon des eenen Nassaus op het hoofd des anderen, en wat het -schoonste is, de overgang van de liefde, die op des eenen hoofd rustte, -althans bij aanvang, ook op des anderen hoofd. Nederland! moogt gij het -nooit vergeten, welk een voorrecht ons God tot op dezen dag in het -behoud van een erfelijk en wezenlijk koningschap liet, en eeuwig blijve -van onzen grond geweerd de invloed der voorstanders dier valschelijk -genaamde vrijheid, die Karel naar Holyrood, Lodewijk Filips naar -Claremont en Lodewijk XVI naar het schavot op de Place de Louis XV -bracht. Maar ook gij, o Koning! moogt gij nooit vergeten, met hoeveel -vertrouwen en liefde uw volk u tegenkwam van den dag aan, dat het in -den weg van God uw volk werd. En nooit ontga uw hart het aandenken aan -die schoone ure, waarin het op nieuw bleek, dat de liefde van Nederland -voor Oranje te recht genaamd is „de stem van het bloed van ’s lands -kinderen, dat ’s lands vaderen tegenroept.” Ja, zij is eene stemme des -bloeds, die stem! want zij is geboren uit het bloed, dat de Vader des -Vaderlands voor Nederland vergoot, terwijl hij stervende met dat bloed, -als met een onoplosbaar cement, Nederland en Oranje tot één verbond! -Welaan dan, bij het graf van dien Vader des Vaderlands ons verbond -vernieuwd! O Koning! wees gij ons een koning gelijk wij verwachten; en -wij zullen u een volk zijn gelijk gij hoopt. Willem I! Vader der -Nassaus! Vader des Vaderlands! wees gij getuige van dat verbond, bij -het open graf van dezen uwen naneef gesloten! Eer wij het verbreken, -verdorre onze hand! Eer wij het verloochenen, verstomme onze tong! Eer -wij er ontrouw aan worden, verstijve ons hart!—En nu! De koning is -gestorven. Zijn assche ruste in vrede! De Koning leve! Zijne regeering -zij gezegend! Ja, zijne regeering, ze zij, o God! gelijk aan die lente, -die gij weder over de aarde doet aanbreken; en het lied der vogelen, -dat dezen feestdag der lente viert, moge het de voorbode, gelijk van -een nieuw leven voor de aarde, zoo ook van een nieuw leven vol vrede en -voorspoed voor Nederland zijn! Mocht het zoo wezen.... o dan is de -laatste strijd tusschen het gindsche klokgeklep en dit vogelengezang -opgelost, en zingt dan, gij leeuwerikken! zingt luide uw vroolijk -morgenlied! - - - - - - - - -TWEE MONUMENTEN. - -(1676–1841). - - -Op den 25sten Augustus 1841 werd te Vlissingen een standbeeld ontbloot -en ingewijd. Deze plechtigheid werd met schitterende feesten gevierd. -Kanonnen bulderden; vlaggen en wimpels zwierden; een statelijke optocht -ging om; eene welsprekende feestrede werd uitgesproken; eene kunstrijke -cantate werd gezongen; kunstelooze zeemansliederen werden aangeheven: -merkwaardige gedenkstukken werden ten toon gesteld; maaltijden werden -gehouden; feestlichten werden ontstoken; volksspelen werden gegeven; -handen wuifden; monden jubelden; oogen blonken; harten gloeiden. -Vlissingen was eene groote feestzaal, waarnaar geheel het vaderland het -belangstellend oog gericht hield. - -Het was het feest der inwijding van het standbeeld van Michiel -Adriaansz. de Ruiter, Hertog, Ridder enz., Luitenant Admiraal Generaal -van Holland en Westfriesland. - -In diezelfde dagen kwam uit de werkplaats, waaruit het beeld van De -Ruiter was voortgekomen, een ander gedenkteeken in stilte te Alkmaar -aan. Van daar werd het door het verbaasde duin naar Egmonds zeekust -vervoerd. Daar werd het op het wachtend voetstuk geheven, dat rondom -den nieuwen lichttoren oprijst. Toen zag men den Nederlandschen leeuw, -met den klauw om het kanon geklemd, het hoofd opsteken in den zeewind, -dien het met verrukking in de rookende neusgaten ving. - -Het was het gedenkteeken ter eere van Jan Carel Josephus van Speyk, -Ridder der Militaire Willemsorde, Luitenant ter Zee. - -Dit toevallig samentreffen moest ieder, die het vernam, opmerkelijk -voorkomen. En wellicht ware er stof uit te putten voor eene -vergelijking, welke het niet aan sprekende kontrasten ontbreken zou. -Beide helden, uit geringen stam gesproten, en beide door koninklijken -ridderslag geadeld; beide op zee groot geworden, en beide aldaar op het -bed van eer gestorven; beide in hun leven met een groenen krans van -eere gekroond, en beide in hun dood in een geurige lijkwâ van glorie -gewikkeld; ja, om de overeenkomst te volmaken, beide in hun graf door -den weêrglans van eene koningskroon bestraald. De Amsterdamsche -weesjongen, die zijn eersten sluimer in eene armenkrib sluimerde, sliep -zijn jongsten slaap, totdat hem eene eigen sponde gespreid was, in het -vorstelijk graf der Nassau’s, aan de zijde van den grooten Zwijger; de -Vlissingsche schipperszoon zag terzelfde plaatse, waar hij voor een -stuiver daags in de lijnbaan gezwoegd had, onder duizend edele hoofden, -waarop hij van zijn voetstuk nederzag, een gekroonden schedel ontbloot! -En toch, niet treffender de overeenkomst die beide vereenigt, dan het -verschil dat beide scheidt. Welk een afstand toch tusschen den -Luitenant-Admiraal Generaal en den Luitenant ter zee,—tusschen het -Opperhoofd van ’s Lands vloot en den Bevelhebber van eene -kanonneerboot,—tusschen den negenenzestigjarigen held, die in de -schaduw zijner lauweren, in vijftien groote zeeslagen gewonnen, ten -grave daalde, en den negenentwintigjarigen jongeling, die in het winnen -van zijn eersten lauwer bezweek,—tusschen den „Schrik des oceaans” en -den Dappere, wiens zegevierende uitgang alleen den Schelde-oever deed -beven! - -Deze en dergelijke trekken hadden niet kunnen missen ieder, die van de -gelijktijdige oprichting der beide gedenkteekenen kennis droeg, te -treffen. Maar ik voor mij verliet ze welhaast, om twee geheel andere -beelden voor mijnen geest te zien verrijzen: het Nederland van De -Ruiter en het Nederland van van Speyk: het Nederland van 1676 en het -Nederland van 1841. - -Het Nederland van De Ruiter en het Nederland van Van Speyk. Ik bid u, -daarin iets anders en iets meer te zien, dan een ijdel spel met twee -namen. Helaas! er ligt eene droevige waarheid in dat spel. De -verhouding tusschen De Ruiter en Van Speyk is maar al te zeer de schaal -der verhouding, die tusschen beider Nederland bestaat: de Admiraalsvlag -van 1676 tot den bootswimpel van 1831 gekrompen—ziet daar het beeld van -ons vaderland bij den dood van De Ruiter en den dood van Van Speyk! - -Wat dunkt u? indien dat metalen beeld op zijn voetstuk zoowel leven kon -aannemen, als het te leven schijnt;—indien het den ijzeren blik op de -zee kon vestigen, die aan zijne voeten breekt;—indien het over die zee -zijne geliefde Statenvlag kon volgen;—o, hoe het wenschen zou, nooit op -die hoogte gestegen te zijn! hoe het verlangen zou, wederom rustig -neder te liggen op de tombe, waar het in de schaduw van zijne eigene en -’s Lands glorie zoo gelukkig sliep! hoe het den Pygmalion, die het in -het leven riep, bidden zou, wederom steen te mogen worden; levenloos en -ongevoelig steen! Of hoe, meent gij, zou het onzen De Ruiter te moede -zijn, als hij die schoone vloot, grootendeels onder zijn oog en hand -verrezen, tot een handvol booten versmolten zag! als hij aanschouwen -moest, hoe de vlag, die hij had doen eerbiedigen met siddering, nu -gedoogd wordt met edelmoedigheid! als hij het moest aanzien, hoe de -cirkel, door den boeg zijner schepen over de wereldzee getrokken, nu -bijna geheel door de sporen van andere bodems is uitgewischt! Indien -hij er getuige van geweest ware, wat meent gij, zou de held van -Soulsbay gevoeld hebben, wanneer hij de vaderlandsche schepen in de -vaderlandsche havens gekerkerd had gezien, aldaar opgesloten, ik zeg -niet door de duurgekochte overwinning, maar door het enkele bevelwoord -van diezelfde Engelsche en Fransche vloten, waarvan hij meermalen de -zee had schoongevaagd, als Harpertzen’s beroemde bezem! Mij dunkt, ik -hoor den mond, die eenmaal op het gezicht van den schrik, door de -enkele verschijning van zijn Admiraalschip de Zeven Provinciën verwekt, -zoo vroolijk braveerde, dat woord treurig herroepen: „De vijand heeft -geen eerbied meer voor de Zeven Provinciën!” - -Daarom, schoon eere doende aan de dankbaarheid van het nageslacht, dat -in De Ruiter den schepper van zijn blinkendsten roem en weligste -welvaart vereert, om uwentwil verheugt het mij, dat de kunst, schoon -zij uit ijzer goden scheppe, niet vermag u uit uw ijzeren slaap op te -wekken; dat gij slechts een beeld zijt, heldengestalte van Michiel -Adriaanszoon de Ruiter! - -En toch! zie, het is alsof dat andere gedenkteeken,—het is alsof de -leeuw van Egmond mij verwijt onrechtvaardig te zijn, en, om den wille -van het Nederland van De Ruiter, het Nederland van Van Speyk te kort te -doen. Ik hoop niet, dat verwijt verdiend te hebben. Het is de plicht -van een kind, zijn moeder lief te hebben, al is zij oud en zwak -geworden. Verre zij het van mij, ten gevalle van den roem van het -verledene, de rechten van het tegenwoordige te verkorten, en de levende -Polyxena te willen opofferen aan de schim van den dooden Achilles. Ik -erken met allen, die het mij toevoeren: ook de jongste tijd had zijne -heldere dagen. De jaren 1830 en 1831 waren een schoon oogenblik in onze -geschiedenis, de schoonste tijdperken onzer vaderen waardig, en dat -niet verdiend had, wegens de ongelukkige uitkomst, door hen zelve, die -er eene werkzame rol in vervulden, verkleind, ja, bespot te worden. Nog -behoeft het geslacht, dat aan den voet van De Ruiter’s standbeeld -vergaderd was, niet voor zijne schim te blozen. De helden van Hasselt -en Leuven, de verdedigers van Antwerpen’s citadel, de dapperen van -Algiers en Palembang, met den held aan het hoofd, die zich eene kroon -van lauweren won, eer hij de juweelen kroon erfde, zijn niet onwaardig -onder de oogen van den grooten Vlissinger te verschijnen. Ja, de -grootmoedige vlootvoogd, die iedere dappere daad wist te waardeeren, -ziet met een oog van welgevallen, niet ver van de prachtige tombe, -waaronder hij slaapt, die nederige zuil verrijzen voor den jongen -zeeman, die in zijn schoonen dood het beginsel huldigde, waarvan hij -zelf het offer werd,—van het leven minder te achten dan de eere van ’s -Lands vlag. - -En nogtans vergeve men het eenen Nederlander, die de daden der Vaderen -niet vergeten kan, dat hij in het Nederland van 1841 het Nederland van -1676 niet herkent, en niet herkennen zou, al ware sedert het vuur niet -weder uitgedoofd, dat in 1831 zoo helder ontbrandde; al had de uitkomst -niet bewezen, dat het slechts een schoone droom was, dien de dichter -dweepte: - - - Holland is twee eeuwen jonger, - Dan het was vóór vijftig jaar. - - -En nu, wat zal het namaals zijn? Hoe zal het Nederland van anderhalve -eeuw later zich voordoen? Zal het aan dat van 1841, of van 1676 -gelijken? Voorspelt ons de oprichting van De Ruiter’s beeld, dat met -hem het tijdperk van roem en voorspoed, hetwelk met hem ten grave ging, -wederom zal opstaan? Mag ik een voorteeken zien in den helderen -zonneschijn, die, op het oogenblik van het ontblooten des -gedenkteekens, den regen verving, die tot dusverre het feest had -verduisterd? O, hoe gaarne zou ik daarop het accipio omen zeggen! Hoe -gaarne zou ik in den heldendood van Van Speyk—de wedergade van den dood -van Claessens, die de wapenfeiten onzer vaderlandsche helden opent—den -dageraad van eenen nieuwen morgen begroeten! hoeveel liever dan den -avond, die den dag in denzelfden purpergloed ziet ondergaan, waaruit -hij is opgerezen! Doch ik durf mij aan die zoete hoop niet toegeven; ik -zie niet wat er mij recht toe laat. Moet ik de klagers onder ons -gelooven, dan ligt de schuld aan.... ja, aan wie niet al? Aan Oranje -voornamelijk, wiens lot het schijnt te zijn, ten aanzien van ons -zeewezen het voorwerp van een eeuwigdurend wantrouwen te zijn, dat -nimmer gerechtvaardigd werd. Alsof de geschiedenis niet anders leerde; -ja, alsof de jeugdige Prins-Kapitein, die, aan de zijde zijns -Koninklijken Vaders, aan den voet van De Ruiter’s standbeeld verscheen, -niet bewees, dat Koning Willem II een echt nakomeling van de -Kapiteinen-Generaal en Admiralen der Vereenigde Nederlanden is! -Overigens onderneem ik niet, over de billijkheid van wederzijdsche -grieven of klachten te oordeelen. Maar wat ik weet of zie, het is dat -de geest van de zeventiende eeuw, de geest van De Ruiter, van ons volk -geweken is; het is dat de veroverde vendelen van den Tiendaagschen -Veldtogt den sluimer niet verbergen kunnen, waarin de Nederlandsche -Leeuw verzonken is; het is dat zijn weder-inslapen na zijn kort -ontwaken, nog droeviger dan of hij in het geheel niet ontwaakt ware, -bewijst, dat zijn slaap eene slaapziekte geworden is. Vergeefs geklaagd -en gejammerd; vergeefs verweten en beschuldigd; vergeefs gehoond en -geschimpt. De kracht der Zeven Provinciën huisde niet in het hout, -waaruit de vloot gebouwd werd; hare geestdrift niet in de zeilen, die -ze bevleugelden; hare dapperheid niet in het ijzer, dat ze beschermde. -Neen! die kracht, die geestdrift, die dapperheid huisde in den geest -van de ijzeren menschen, welke die houten vloot bemanden,—of, nog -liever in den geest van het geheele volk, waaruit de bemanning -voortkwam. Wat was in dien tijd een verloren schip, een verstrooid -eskader, eene vernielde vloot zelfs? Weinige dagen—het wonder is -gezien—weinige dagen waren genoegzaam om een handvol wrakken in eene -geduchte zeemacht te herscheppen. Wat waren in dien tijd tien helden, -in éénen slag gesneuveld? Op dezelfde plaats, waar de een viel, stond -een ander op, en met de vlag scheen de kunde en dapperheid van de -Vice-Admiraal of Schout-bij-Nacht op den Kapitein over te gaan. De -Ruiter mocht bij het lijk van Marten Harpertzen Tromp uitroepen: „Ware -ik vóór u gestorven!” hij wist niet, wat hij zeide; de kweekeling was -bestemd den meester te overtreffen.—Vergeefs alzoo, vergeefs het in -budgetten of reglementen, vergeefs het in geld of manschappen, vergeefs -het in schepen of scheepsvolk gezocht;—de natie moet herboren worden, -zoo onze zeemacht herrijzen zal. Want de zeemacht is de zenuw van den -Staat, die met het lichaam der natie leeft of sterft. - -Maar hoe zal die wedergeboorte plaats grijpen? Wie zal een nieuwen -geest in ons volk doen varen? Wie zal het krachtelooze lichaam tot een -verjongd leven opwekken? - -Een ieder beantwoorde deze vraag, gelijk hij best kan. Mijn antwoord -zal door menigeen met schouderophalen, door sommigen met spot -beantwoord worden.—Het zij zoo! Ik heb geen beter te geven. - -Michiel adriaanszoon de ruiter! Het Vaderland, in bedevaart rondom uw -standbeeld vergaderd, komt tot u om u raad te vragen, gelijk de oude -volken het orakel van den god, wiens tempel en beeld zij bezochten. -Welaan, wij vragen: - -Welk is het geheim van uwe en uwer tijdgenooten grootheid, waardoor ook -wij wederom tot vorigen roem en bloei kunnen geraken? - -Zal hij antwoorden? Hij doe het dan met dat woord, dat, bij den slag -van Schoonefeld gesproken, als zijne altoosdurende leuze beroemd werd: - -„Niet op onse maght, maar op Gods almaghtigen arm.” - -Wilt gij eene proeve nemen? Doet gelijk ik gedaan heb in de dagen van -het De-Ruiters-feest: leest—neen, weest gerust, geen verhandelingen, -geen vertoogen, geen verzen; maar leest eenvoudig Het Leven en Bedrijf -van den Heere Michiel de Ruyter, beschreven door Gerardt brandt. Hoort -daar den held zelven spreken! En hem niet alleen, hoort ook ’s Lands -Staten! hoort het geheele volk! Hoort den toon van vroomheid—maar neen! -het woord vroomheid was toen nog één met dapperheid—hoort den toon van -godsvrucht, waarop het geheele verkeer van den held met zijn volk, van -den Staat met zijn dienaar, van de Overheid met hare onderdanen gestemd -is. Waant daaronder, even als ik, in eene andere wereld te leven, eene -andere taal te hooren, een ander volk te leeren kennen. En vraagt dan -nog, of het orakel geantwoord heeft! - -Neen, ik heb mij bedrogen, en bid, mijn woord terug te mogen nemen. Ook -niet in den geest der natie woont de kracht eens volks; het woont in de -gunst en hulp van den Heer der heirscharen, die den geest der natiën -verheft, en zij worden machtig, die den geest der volken wegneemt, en -zij vallen. Men ijvere zoo veel men wil tegen de benaming van God van -Nederland: wij willen om geen namen twisten. Maar wat wij ons niet -laten ontnemen, het is het geloof aan een natuurlijk en noodzakelijk -verband tusschen de dienst en den zegen van den God van hemel en aarde. -Al leerde ik dit niet uit den bijbel, ik zou het uit de geschiedenis -des Vaderlands leeren. - -Eere dus aan allen, die in deze dagen verlangden, dat men de Ruiter een -beter gedenkteeken dan van metaal en steen zou oprichten in den -verjongden bloei van ’s Lands zeemacht! Eere aan de bedoeling, die de -stoffelijke middelen daartoe zocht aan te wijzen! Maar wij voor ons, -die geene geschiedenis verstaan, dan gelijk Bossuet haar schrijft, als -de geschiedenis der Voorzienigheid,—wij voeren eene andere leuze; het -is die, welke onze provincie op hare munten voert: Deus fortitudo et -spes nostra. God onze sterkte en onze hope! - - - - - - - - -NEDERLANDSCHE TYPEN. - - -I. - -DE ZEEUWSCHE ARBEIDER. - - -Alle menschen moeten arbeiden. Ongelukkig zij, die in den grooten -bijenkorf, welken wij wereld noemen, niets uitvoeren, dan als luie -hommels op den honig te teren, die door de nijvere werkbijen wordt -zaamgebragt. De billijkheid vordert echter te erkennen, dat in den aard -van dit arbeiden eenig verschil is. Om een voorbeeld bij te brengen, -hebt gij, geëerde lezer, die met deze eerste schets uit de -beeldengalerij der door mij u voor te stellen landgenooten in de hand -mijn opstel zit te lezen, het op dit oogenblik veel gemakkelijker dan -ik, toen ik dit opstel schreef; en wederom had ik toen heel wat lichter -taak dan hij, wiens persoonsbeschrijving ik het genoegen heb u aan te -bieden. Hij toch behoort tot die klasse van wezens, die men gewoon is, -in onderscheiding van andere arbeidzame menschen, bij uitnemendheid met -den naam van Arbeider te noemen. Een schoone eretitel, dien ik u -uitnoodig wat hooger te plaatsen, dan hij gewoonlijk op onze ranglijst -voorkomt, waar hij al te verre achter de honoraire kamerheeren, de -staatsraden in buitengewone dienst, de professoren titulair-honorair, -en de aspirant-surnumerair-ambtenaars staat. Het is zoo, het voorkomen -van onzen klant is niet van de schitterendste. De ronde hoed met -breeden achteropgetoomden rand op de ongekamde en ongescheiden haren, -zet aan het onbeduidend gezicht niet veel uitdrukking bij. Het -openhangend blaauwlakensch wambuis met liggende kraag en kort lijf, -valt vrij slordig om de ongefatsoeneerde leest. De wijde korte broek -van manchester, met een bevallige onachtzaamheid aan de knie -losgelaten, zou een vreemdeling nieuwe stof geven tot de spotternijen, -waaraan wij arme dutchmen op het punt van dit kleedingstuk ten prijs -staan. En ofschoon de beenen, met gladde kousen bekleed en in -gestreepte slopkousen gestoken, het zwierigste gedeelte van zijne -uitrusting uitmaken, leeft de man op zulk een grooten voet en is op -zulk een lompe leest geschoeid, dat ook zijn voetstuk in de -veroordeeling van het geheele standbeeld moet deelen. Maar welk is ook -het opschrift, dat op dat voetstuk te lezen staat? Het drukt in groote -letters het woord: Arbeider! uit. Arbeider! dat spreekt uit het geheele -voorkomen en de houding van dezen plompen kinkel; dat spreekt uit dat -sterkgespierd gelaat met de forsche jukbeenderen, hetwelk in zijn -stompheid ijver en volharding uitdrukt; dat spreekt uit die vierkante -schouders, die zelfs in dezen ingetrokken stand stierenkracht verraden; -dat spreekt uit die geheele stroeve gestalte, die uit hout schijnt -gehouwen te zijn. De klant staat nu in rust te kijken: maar als hij -eens die handen uit de zakken haalt en aan ’t werk slaat, ha, hoe het -er over zal gaan! Dan zal datzelfde lichaam, dat nu niets dan een logge -klomp schijnt te wezen, een veerkracht en buigzaamheid ontwikkelen, -waarvan wij met al onze gymnastische oefeningen geen denkbeeld hebben. -Men moet geen eend op het land, en geen arbeider op de wandeling zien. - -Ik bespreek evenwel voor den borst uwe achting niet alleen op zijn -titel als Arbeider, schoon hij er meê zou kunnen volstaan. Ik eisch die -vooral op grond van zijn karakter en zeden. Het blijkt wel, dat -arbeiden onze bestemming is, daar het den mensch zoowel naar lichaam -als naar ziel zoo gezond maakt. Zie dezen man; hij mist vijf en -zeventig van de honderd ondeugden, waaraan wij schuldig staan. Op dat -ronde gelaat staan eerlijkheid en trouw te lezen. Onder dat lomp stuk -vilt broeit geen vonk van eerzucht. Schoon het woord Arbeider den zin -heeft van Arbeider voor een ander, op eens anders land en voor eens -anders voordeel! weet hij niet wat het is, iemand te benijden. Zijn -wenschen strekken juist zoo ver als zijne stulp, dertig voet in ’t -vierkant. Achter dat grove wambuis klopt een grof bewerktuigd, maar -gezond hart met warm bloed en gelijke rustige slagen. Schoon de -weggestoken vuist een geducht wapen is, is het een eerlijk wapen, dat -nooit dan in een billijken strijd getrokken wordt. Die groote lompe -voeten zullen geen worm vertreden, als zij het mijden kunnen. Het -geheele ronde voorkomen van den flinkert is een verpersoonlijking van -het spreekwoord van zijn land; goed rond, goed Zeeuwsch. - -Welnu, wat dunkt u? Zou onze held, indien hij slechts eenigzins aan de -gegeven karakterschets gelijkt,—en tot bevestiging daarvan, durf ik mij -op ieder, die den nijveren Zeeuwschen en den geheelen vaderlandschen -arbeidersstand eenigzins van nabij kent, beroepen—zou hij dan niet -verdienen, een sport of wat hooger in onze schatting te staan, dan de -ladder der maatschappelijke inrichting hem aanwijst? Laat het zijn, dat -hij tot de voeten van het maatschappelijk lichaam behoort, het zijn -toch de voeten, die het lichaam dragen. Hebben wij, beschaafden, de eer -van daarin de plaats der fijnere zenuwen te vervullen, vergeten wij -niet, dat de spieren het in beweging brengen. Zijn wij er trotsch op, -dat wij als kleurige klaprozen en gesternde korenbloemen tusschen het -graan in staan, houden wij onder het oog, dat het de eenvoudige -eenkleurige halm is, die het gezegend voedsel onzes dagelijkschen -onderhouds bevat. Er is meer! In den nederigen boeren- en -arbeidersstand, van de besmetting van vreemde zeden vrijgebleven, wordt -het degelijk oud-vaderlandsch karakter nog bewaard. Daar worden de -voorouderlijke zeden nog in stand gehouden. Daar prijkt vader Cats noch -naast den eerwaardigen huisbijbel. Daarheen moeten wij onze toevlucht -nemen, om de plaatselijke eigenaardigheden van ons taaleigen op te -sporen. En dat ook de aloude dapperheid, die aan de De Ruiters, -Evertsens en Bankerts, als vlootvoogden uit deze zelfde streken, mannen -leverde om hunne groote daden mede uit te voeren, nog niet onder hen is -uitgestorven; bleek het niet treffend in den laatsten veldtocht, toen -onze plattelandsschutterijen, door hunne kloeke onversaagdheid, den -vijand zulk eenen schrik wisten in te boezemen, dat onze vreedzame -Zeeuwsche en Friesche boeren voor krijgshaftige Pruissen werden -uitgemaakt? Indedaad indien men den meer en meer afslijtenden stempel -van ons volkskarakter naar de oude munt vernieuwen wilde, zou men, even -als tot gaafbewaarde legpenningen, tot den nederigen boeren- en -arbeidersstand zijne toevlucht moeten nemen. - -Doch het behoort onder de voorrechten van dezen stand, dat hij van -zulke wenschen en zorgen niets weet. Onze arbeider althans leidt zijn -eentoonig en onafgewisseld leven met onveranderde tevredenheid. Schoon -wij hem niet kunnen aanzien zonder een onwillekeurig gevoel van -medelijden over zijn zwaren arbeid en armoedig bestaan in ons te voelen -opkomen, verzeker ik u, dat hij ons daarvoor niet bedanken, maar van al -ons beklag niets begrijpen zou. En waarlijk er is geen reden toe. De -man heeft alles wat hij wenscht. Zijn klok staat aan den hemel: hij -gaat met de zon te werk en te bed. Zijn tanden zijn hard genoeg voor -het hardste roggebrood, en zijn vochten weten niets van het schadelijke -van een onmatig gebruik van spek. Zijn harde matras schijnt met -slaapbollen gevuld. Hij heeft alle dagen een lekker gastmaal: -aardappelen, door zijn eigen hand geteeld, met een heerlijke saus -overgoten, die honger heet, en een groot feest: rust na arbeid. Buiten -deze dagelijksche feesten heeft hij nog des zondags de wandelingen naar -het nabijgelegen stadje, dat gij over ’t water ziet, met een aardig -boerinnetje aan zijn zijde. En als het kermis is en hij met zijne -uitverkorene voor de vedel staat, dan zou hij niet willen gelooven, dat -het mogelijk is grooter pret in de wereld te smaken. En misschien is -het ook niet mogelijk! Zoo leeft dan de arbeider jaar in jaar uit, even -gelukkig en tevreden, en zou ons uitlachen, als hij wist, dat wij -zooveel moeite nemen om hem te beschrijven [6]. - - - - - - - - -II. - -DE ROTTERDAMSCHE SLEPER. - - -Al wie te Rotterdam bekend is, weet dat er geen nijverder, arbeidzamer -en onvermoeider menschen te vinden zijn, dan die tot de klasse van het -sjouwersvolk aldaar behooren. Te Rotterdam is alles met een geest van -bezigheid en drokte bezield; de geheele stad is een nest van nijvere -mieren, een korf van rustelooze werkbijen; het is of de pols van die -stad eenige slagen sneller klopt, dan die van alle andere Hollandsche -steden. Maar van al wat, om met vader Vondel te spreken, daar - - - Zorgt en waakt en slaaft en ploegt en zwoegt en zweet, - - -is zeker de sleper de eigenaardigste uitdrukking. - -De Rotterdamsche sleper is van den voerman der Amsterdamsche -sleepkoetsjes hemelsbreed onderscheiden. Zijn slede bestaat uit niets -anders dan uit twee balken met ijzeren beugels aan elkaar verbonden: -een voertuig, dat door zijn eenvoudigheid van samenstelling aan de -gouden eeuw zou doen denken, als sleper en paard niet zoo duidelijk in -de ijzeren t’huis hoorden. Zijn passagiers zijn dan ook alles behalve -stijve neepjesmutsen en jichtige bloemkoolpruiken, maar vaten tabak, -balen katoen, kisten thee en dergelijke, die tegen een stootje kunnen. -Zoo verschilt ook bij beide het middel om de baan voor de slede -glibberig te maken, want daarin komen zij overeen, dat ze, in een -onfiguurlijken zin, graag een gladde baan voor zich hebben. In plaats -van den onoogelijken vetlap van den Amsterdamschen sledevoerder, heeft -de Rotterdamsche sleper vóór op zijn slede een gevuld watervaatje, dat -uit de daarin geboorde gaatjes, even als een dolfijn uit zijn -neusgaten, onophoudelijk water opspuit. Jammer maar, dat die springende -waterwerken aardiger zijn om te zien, dan aangenaam in de gevolgen die -zij nalaten. Doch daarnaar ziet de sleper niet om. Want zijn leus is de -spreuk der voormalige Unie-orde: Doe wel en—zie niet om. - -Zie hem, daar hij met slede en paard door het dichtst gewoel -heendringt; men zou hem bijna voor een automaat houden, met zulk een -afgemeten kalmte vervolgt hij, door alles heen en onder alles door, -zijn weg. Zijn oog wordt door niets van zijn last en lastdier -afgetrokken: zijn voet wordt door niets opgehouden: zijn hand laat den -teugel geen oogenblik glippen. Komt hem een rijtuig tegen, hij wijkt -met een zwaai ter zijde: staat hem een voetganger in den weg, hij -schuift hem zonder op- of omzien aan een kant: scherp en op een haar -mijdt hij al de hinderpalen, die hij op zijn weg ontmoet: het spoor van -het watervat op zijn slede vormt een reusachtige slang, die zich in -allerlei bochten door het dichtst gedrang slingert zonder vertrapt te -worden. Als gij op het gezicht af meenen zoudt, dat het onmogelijk ware -door de volksmassa heen te breken, en in zijn plaats moedeloos zoudt -blijven staan, waagt hij zich met kalmen moed, even als een held op het -slagveld, in het dichtst van het gewoel. Langzaam maar zeker gaat hij -voort, tot dat hij de plaats van zijn bestemming bereikt heeft. Een -leerzaam beeld! Ik noodig u uit, er eens op na te denken. - -De stille, werkzame gang nu, dien gij den sleper langs de straat ziet -gaan, kenmerkt den geheelen man in zijn gang op den weg des levens. -IJver, eerlijkheid en trouw maken de grondtrekken van zijn karakter -uit. In den vroegen morgen, als in de hoogte alles nog rust, rijst hij -van zijn strooleger en haalt zijn Rosinant van stal. Zeker is het geen -fraaie vertooning, als beide tot hun morgenrid uittrekken. Het arme -dier is oud en mager: zijn hals is naar de aarde gekromd: zijn manen en -staart zijn door baldadige handen deerlijk geplunderd: zijn beenen zijn -vol spatten en gallen: zijn borst ligt aan beide zijden open. Niet veel -aanzienlijker is het voorkomen van zijn meester. Ook zijn rug is door -den zwaren arbeid kromgebogen: zijn sterk geteekende gelaatstrekken -zijn met diepe voren van zorg en kommer doorgroefd: zijn kleed draagt -de sporen van schamelheid: en al is zijn linnen voorschoot wit en -helder, het gebrek kijkt door zijn gelapten elleboog. Aldus uitgerust, -begeven zij zich samen aan hun dagwerk. Dat werk is eerlijk tusschen -beide verdeeld. Terwijl de meester het vat uit het schip op de slede -laadt, of van de slede in het pakhuis sjouwt, rust Rosinant: terwijl -Rosinant de vracht trekt, heeft de meester de lichter taak van de -teugels te houden. Er heerscht dan ook tusschen hen een vertrouwelijke -gemeenzaamheid, als zelden tusschen mensch en dier plaats heeft. Meen -niet, dat het aan die vriendschap kwaad doet, dat gij den meester -onophoudelijk de zweep gebruiken ziet. Want zonder dat zou Rosinant -niet begrijpen, dat hij voort moest: hij is op dit punt even als een -doove, voor wien schreeuwen praten is: slaag te krijgen is hem even zoo -gewoon en natuurlijk, als geleid en gestuurd te worden. Indien een lid -van de Londensche Maatschappij tegen het mishandelen van dieren er zich -uit barmhartigheid meê moeien wilde, zou hij in staat zijn, even als de -vrouw in het verhaal, koel te vragen: „Waar moeit gij u mede? Als ik nu -geslagen wil zijn?”—De hand, die de zweep voert, heeft dan ook met het -hart van den sleper niets gemeens. Want dat klopt van vriendschap voor -den deelgenoot zijner ellende, voor den bezorger van nooddruft, voor -zijn eenigen vriend en weldoener op de wereld. Hij deelt met hem het -stroo, waar hij op slaapt, het brood dat hij eet: hij deelt met hem -zelfs zijn vermaken en uitspanningen. Daarvan is mij eens een klucht -verteld, die ik geef, zoo als ze mij is meêgedeeld. - -Een sleper had eens een buitengewoon voordeelige week gehad, zoodat hij -dacht voor deze maal ’s zondags een kleine uitspanning te mogen nemen. -Hij besloot dus met zijn vrouw en kinderen aan de Zwet een kruik bier -te gaan drinken. - -„Maar dan gaan we met rijtuig,” zei de vrouw, „en huren een knappen -wagen met een paard.” - -„Een wagen,” hervatte de sleper, „dat kan gaan: maar geen paard; -niemand zal ons trekken dan bruintje! Of denkt gij dat ik ondankbaar -genoeg zou zijn om hem, die alles verdiend heeft, bij het verteren der -verdienste, t’huis te laten?” - -In goeden ernst, een sleper en zijn paard zijn twee natuurlijke -vrienden, door den sterksten band, dien der gewoonte en behoefte, aan -elkander verbonden. Die band wordt dan ook alleen door den dood -geslaakt. Of het paard valt voor de slede neêr, of de sleper wordt -achter de slede weggerukt. Dan vinden beide rust onder de aarde, waarop -zij zoo lang gezwoegd hebben. Dan hebben zij den zwaarsten van alle -lasten, den last des levens, t’huis gebracht! - - - - - - - - -III. - -DE STRAATJONGEN. - - -Geen woord is er in de taal, dat den persoon, dien het moet aanduiden, -beter schildert dan het woord: straatjongen. Want indedaad is dit soort -van wezens één met de straat, waarnaar zij heeten, en, indien ik het -gelooven mocht, gaarne zou ik mij laten wijs maken, dat zij, even als -de menschen van Deucalion en Pyrrha, uit de steenen zelve geboren zijn. -Dit is zeker: plaveit een straat, terstond groeien er de straatjongens -van zelf op. Waar zij van daan komen, is onverklaarbaar. Van ’s morgens -vroeg, dat de klapperluî naar huis gaan, en de bakkers hun deur openen, -tot ’s avonds laat, als de taptoe slaat en de herbergen sluiten, -belegeren zij de straten, als vliegen de boterton. Zelfs zou ik in -verzoeking kunnen komen te denken, dat zij, even als de straathonden, -van de opbrengst der straat leven, zoo getrouw vindt men ze op alle -uren van den dag op hun post zonder ze ooit te missen. Een andere -geheimzinnige hoedanigheid bezitten zij in een soort van halve -alwetendheid omtrent al wat er in de stad gebeurt. Het is wonderlijk. -Op het ééne oogenblik zijn de straten en de straatjongens in rust; even -als een geordend leger schijnen zij hun benden evenredig door de stad -verdeeld en alle posten behoorlijk bezet te hebben; maar ziet! daar -komt een oploop, een kleine nietsbeduidende oploop, aan den uitersten -uithoek der stad, en, eer gij omziet, is er een gansch heir van -straatjongens bijeen; de policie is er gauw bij, heel gauw: maar de -straatjongens altijd nog veel gauwer. Zij schijnen onder elkander een -soort van electrische telegraaf te hebben, waarmede ze malkaâr op de -hoogte houden van al wat er omgaat. Nu moet ik erkennen, dat dan ook -hunne voorzorgen met het grootste beleid genomen zijn. Op alle -belangrijke punten hebben zij hunne gecommitteerden. Buiten de poorten -der stad, aan alle schuitenveren staan er op de wacht: in de poorten -zelve wedijveren zij met de kommiezen in nieuwsgierigheid en -beleefdheid: binnen de poorten is er geen bureau van diligences, of zij -staan er naast de verversch-paarden de aankomst van den nieuwen wagen -te verbeiden. Voor het stadhuis, voor de hoofdwacht, voor het -gevangenhuis, voor de komedie, voor alle publieke gebouwen in één woord -worden zij vertegenwoordigd. Zij spreiden zich over de stad uit als een -groot spinneweb, waaraan geen vlieg ontkomen kan. Hierbij komt nog, dat -zij in hun weetgierige onderzoekingen door een groote vrijmoedigheid -geholpen worden. Zien zij iets dat hun aandacht trekt, of hetwelk zij -vermoeden dat belangrijk worden kan, terstond nemen zij de vrijheid er -zich bij te voegen en den draad te volgen tot aan het kluwen. Achter -ieder rijtuig, dat in de stad komt, kiezen zij zich een plaatsje: elken -vreemdeling, waaraan zij iets bijzonders zien, geven zij zich de moeite -van te volgen: ja, met alle reizigers beginnen zij een praatje: „heeft -mijnheer wat te dragen? wil ik mijnheer den weg wijzen? waar moet -mijnheer wezen?”—Maar van daar dan ook, dat zij van al wat er gebeurt -honderdmaal beter onderricht zijn dan de openbare nieuwsbladen en de -geheime policie: van daar dat er niets in de stad plaats kan hebben, of -zij nemen er deel aan. Bij alle parades inspecteeren zij mede: met alle -wachten trekken zij op: alle taptoe’s accompagneeren zij met hun -klompen: bij alle plechtige receptiën gaan zij met de boden vóór het -stadsbestuur uit: alle volksoploopen vereeren zij met hunne -tegenwoordigheid: iederen dief die opgebracht wordt strekken zij tot -eerewacht: ja, zelfs de dooden bewijzen zij de laatste eere en -vertiendubbelen als ongenoodigden den stoet der noodigers en -genoodigden ter begrafenis. Iedere Janklaassen-kast, iedere paillas, -iedere goochelaar, iedere koordedanser, iedere kunstenmaker, kortom -alles wat, naar den trant der ouden, zijn vertooningen in de open lucht -geeft kan op hun bijzijn en belangstelling rekenen: op het hooren van -een enkel trompetgetoet, van een enkelen trommelslag, snellen zij als -een eenig man aan en verhoogen door hun gewoel en gejoel de algemeene -levendigheid en vreugde. - -Vraag mij niet, hoe de straatjongen gekleed is. Vraag mij liever, hoe -hij niet gekleed is. Alle stoffaadjes, alle kostumen, alle modes treft -gij bij hem aan. Van het afgedragen ronde buisje van den jongenheer van -den burgemeester tot den versleten kuitendekker van den president van -’t oudenmannenhuis, van het fijne kasimiren vest tot den ongeschoren -duffel, van de engelsch-leêren pantalon tot den pikbroek vindt gij om -zijn lijf hangen. Hij heeft slechts één zwak, niets van het geen hij -aan heeft moet heel zijn. Een echte straatjongen moet even zoo als de -straat, waarop hij leeft, vol gaten wezen. Ja, het schijnt, of hij -zelfs naijverig is om de kleur van de straat te dragen; want een vuil -grijs in zijn geliefkoosd verfje. Voor al wat tot versiering dient, -heeft hij weinig over; maar zoo hij voor iets gevoelig is, het is voor -het een of andere militair onderscheidingsteeken, vooral is hij dol op -een oude politiemuts, of een koperen uniformknoop met het nommer van de -afdeeling. Zijn klompen, die hem in geval van nood tot knods, of ook -wel tot werptuig dienen, laten gewoonlijk onder het loopen zijn naakten -voetzool zien, tot dat zij, geheel uit elkander vallende, in een -schuitje hervormd worden. - -Doch waren de straatjongens maar enkel slordig, als ze er ook niet -ondeugend bij waren! Doch ondeugendheid behoort tot het karakter van -een straatjongen, gelijk moed tot het karakter van een soldaat. Zij -zijn de kaboutermannetjes en kwelduivels van de openbare wegen. Alles -wekt hun spotzucht op: alles verleidt hen tot kwaaddoen: zij kunnen kip -noch kraai met rust laten. De meiden trekken zij de muts af: de -kinderen loopen zij omver: de kreupelen en mismaakten apen zij na: de -honden trekken zij bij de ooren: de paarden dunnen zij de staart: het -slachtvee verbitteren zij hun jongste oogenblik: zij steken hun vingers -in de emmers der melkmeiden: zij likken met hun tong aan de suikervaten -der kruideniers: en, als de appelenvrouw omziet, halen zij haar den -mooisten belle-fleur van den hoop weg en loopen er mede heen. Nog erger -maken zij het in den winter. Veel vroeger bij de hand dan de mannen van -de zandschop, haasten zij zich aan alle bruggen en sluizen een -sullebaantje klaar te hebben, eer hun die pret belet wordt, en hebben -vervolgens een ondeugend genoegen, als zij daarover groot en klein, -jeugd en ouderdom, bedaard en driftig, deugd en ondeugd zien vallen. Of -ze leveren elkander een sneeuwballengevecht, maar dat alleen voor de -leus dient om, als bij ongeluk, de vreedzame voorbijgangers te -bepoeieren. Zoo zijn de straatjongens in waarheid straatplagen. - -En toch is met dit alles de straatjongen niet wezenlijk kwaadaardig. Er -is bij hem, even als bij kleine honden met wie hij het rijk deelt, in -zijn keffen en bijten meer dartelheid, dan boos opzet. Nooit ziet men -een straatjongen zakkenrollen, of stelen, of met steenen werpen, of -zich aan dergelijke laagheden schuldig maken. Integendeel kenmerkt hij -zich onder zijn kameraden, bij geschillen als anderzins, door een geest -van dapperheid en edelmoedigheid. Het woord portuur is van zijn -maaksel. Menige knaap, die zijn straatjongenstijd behoorlijk heeft -uitgediend, wordt naderhand een knap burger. Ja, laat het ons bekennen. -Wij allen zijn min of meer straatjongens geweest. Er is iets van den -straatjongen in iederen knaap, die een „Hollandsche jongen” is. Houden -wij dat in gedachten, dan voelen wij meer medelijden dan onwil bij het -zien van den straatjongen. - - - - - - - - -IV. - -HET MELKMEISJE. - - -Meestal, wanneer gij des morgens vóór dag en vóór dauw de stad verlaat -en naar buiten gaat, zult gij op uwen weg iemand ontmoeten, die u met -een vriendelijke stem: Goeden morgen! wenscht. - -Die iemand is een meisje, en dat meisje is een melkmeisje. - -Onwillekeurig blijft uw oog op het lieve kind rusten. Ja, zoo gij niet -al te grootsch of al te stijf zijt, knoopt gij een praatje met haar -aan, tot aan het hek van de wei, waar zij wezen moet. - -Gedurende dien tijd hebt ge overvloedige gelegenheid haar op te nemen. - -Wat ziet zij er frisch uit, niet waar? Als melk en bloed, een rechte -Galathea, zoo als de Ouden haars gelijken schilderachtig noemden. Dat -komt omdat de tocht, dien zij doet, haar zoo ongewoon niet is als u. -Zoo vroeg als gij nu, is zij elken morgen op de been en in de lucht, en -dankt aan de rozen van den dageraad het blosje, dat op hare wangen -bloeit. Het is waar, Aurora heeft wel eens op fijner paneel -geschilderd: haar huid is zoo eêl niet als die van uwe lelies uit de -stad; maar het zou haar ook niet lijken, zulk een wassen pop te wezen. -Eilieve, til eens even aan haar juk! Wat dunkt u? Tien tegen één, dat -gij ’t haar zoo vlug niet nadraagt. Het zou haar dus slecht te pas -komen, zoo zij niet wat grover en sterker dan uw steedsch -kraakporselein ware. Zoo moet gij er u ook niet aan ergeren, al zijn -haar handen wat ruw of rood van kleur. Kijk liever eens naar de koperen -emmers. Of ze blinken, niet waar? Welnu; dat hebben die handen zoo -blank geschuurd. Erger u dan nog, dat ze niet witter zien! Maar wat bij -het melkmeisje zoo blank is, als bij de blankste van haar geslacht, het -is het gemoed, dat in dat grove omkleedsel schuilt. Dat is zoo blank -als de zuivel, waarnaar zij heet. Zie haar aan! onschuld en reinheid -blinken uit de heldere duivenoogen. Schoon verre van de idealische -herderin van Theocritus of Geszner te zijn, heeft zij echter op het -land en onder hare kudden iets van den eenvoud en de onnoozelheid der -gouden herderseeuw behouden. - -Zonder begrip of vermoeden te hebben van hetgeen wij over haar spreken, -is de deern intusschen aan de bestemde weide gekomen. Dat hebt gij -reeds kunnen merken aan het geblaat van haar koetjes, die haar met -vollen uier staan te verbeiden, om hoe eer hoe beter van haar last -bevrijd te worden. Zij komen haar te gemoeten vrijen om de eerste te -zijn. Maar neen! zij heeft haar lieveling.—ja waarlijk, Mejufvrouw!—zij -heeft haar lieveling onder die groote, leelijke beesten; haar -uitverkorene, haar zwart- of wit- bont, haar Brunon of Nera; deze komt -dus eerst aan de beurt, en krijgt misschien nog een kleine -versnapering, een lekker stukje lijnkoek of een nap vol warme melk toe. - -Doch wij hebben geen tijd te blijven staan totdat zij geheel afgemelkt -heeft. - -Maar let op! terwijl gij eenige uren later door de stad gaat, daar ziet -gij haar op eens weêr. Zij is nu bezig de melk rond te brengen, die gij -haar in den vroegen morgen hebt zien inzamelen. Met denzelfden vluggen, -luchtigen tred stapt zij door de drokke straten. Gij kunt aan haar -houding niet eens merken, of haar emmers vol of ledig zijn. Zelfs heeft -zij een bijzonderen slag om met haar breed juk door de menigte te -glippen, zonder met de slingerende emmers iemand te raken. - -Zoo stapt zij de eene stoep af, de andere op. Het ongelukkigste voor -haar is, dat zij onder het harde verband ligt om overal aan de huizen -twee, drie en viermaal te schellen, dat is met andere woorden aan de -meiden te zeggen: „het is de melkmeid maar! gij kunt dus twee, drie, of -viermaal zoo lang wachten als anders! dat is: zeer lang.” Maar dat -oponthoud schijnt haar zoo boos niet te maken als het u en mij zou -doen. Want, zie! als de meid eindelijk komt, heeft zij een lachje voor -haar gereed, waarmede zij bij ’t overnemen van de kan vraagt: - -„Hoeveel, vrijster?” - -Daarop duikelt haar nap eenige malen in het blanke nat, waartegen de -roode hand helder afsteekt, waarmede zij vervolgens de kan, netjes -afgewischt, met een handigen zwaai weder overgeeft. - -Na die beweging raakt die hand van zelf in de zijde, en nu? Ja, nu moet -er een oogenblikje—een kort oogenblikje maar—voor een praatje af. - -Het zou onbescheiden zijn, dat praatje te beluisteren. Maar dit -verzeker ik u, dat ik voor u en voor mij wilde, dat er nooit -onstichtelijker praatjes aan onze deuren gehouden werden. - -Een twee, drie! met gelijkmatige tempo’s, even als een soldaat zijn -geweer, heeft intusschen het melkmeisje haar emmer dicht geslagen, het -hengsel aangehaakt, en haar juk weder opgepakt, en vervolgt met een -vroolijk gezicht en een luchtigen tred haren weg. Dat gezicht behoudt -zij onder alle weêr en wind. De zon, al schijnt zij wat fel, hindert -haar niet: de koude, al blaast zij wat scherp, is niet in staat het -lachje om haar mond te bevriezen: de regen—maar foei! zij zeggen, dat -ze juist daarvan het meest houden zou, en er met opzet het deksel van -haar emmers voor openzetten! Doch dat wil ik niet gelooven. Zoo gaat -dan het lieve kind onder zoo veel woelens en zorgens onbezorgd en -onbekommerd daar heen. Ja, haar rust zou geheel ongestoord blijven, -zonder den overlast van de jonge honden, die van haar melk snoepen, van -de jonge knapen, die de vingers in haar emmer steken, en de jonge -heeren, die haar in ’t voorbijgaan onder de kin strijken. - -Meen evenwel niet, dat haar leven, hoe rustig ook, altijd even -eentoonig is. Dat kunt gij nu en dan op den zondag eens anders zien. -Dan ziet gij haar weder in de stad, maar nu zoo mooi, zoo mooi en -zwierig gekleed, dat gij haar bijkans niet herkennen zoudt. Onder het -eigenaardige boerinnenhoedje blinkt het gouden ijzer om de glimmende -wangen: het roode jak valt laag over een blauw damasten rok, van voren -bedekt door een zwartzijden boezelaar: de voet, met sneeuwwitte kousjes -bekleed, steekt in fluweelen schoenen. Om den hals spant een snoer van -monsterachtige bloedkralen, waarmede de groote boot in den gouden -vingerring spreekt. Maar het mooiste van alles heeft zij aan haar -zijde—in een vrijer, een helderen, frisschen boerenknaap, insgelijks op -zijn zondags opgedirkt, met kort lakensch wambuis, fluweelen broek en -groote zilveren schoengespen. Deze is de Thirsis, die het hart van deze -Galathea heeft weten te vermurwen. Met paschen zal het tot een huwelijk -komen. Dan koopt Teunis een knappe boerderij: Maartje, nu vrouw -geworden, verlaat het juk voor de karn, en houdt op haar beurt -melkmeisjes. - - - - - - - - -V. - -DE HARINGKOOPER. - - -Heden is de eerste haringjager aangekomen, aan boord hebbende zóó- of -zóóveel vaten haring. - -Wanneer deze advertentie in de couranten gelezen wordt, is het feest in -het vaderland van Willem Beukelszoon. Dan heft men daar het haringlied -van een vaderlandsch Dichter aan: - - - Triomf! de vreugde stijg’ ten top! - Hijsch, Holland, vlag en wimpel op, - En laat den jubelkreet nu daav’ren langs het strand. - Daar komt de kiel met goud belaân; - Zij brengt ons d’ eersten haring aan; - ’t Is feest in Nederland. - - -Daar haalt men braveerend het oude spreekwoord uit den hoek: - - - Haring in ’t land, - Zieken aan kant. - - -Dan smakken in het zelfde oogenblik honderdduizend smulgrage lippen als -visschen naar ’t water. - -Maar nergens is het grooter feest, dan in het huis van den haringkooper -zelven. Voor hem begint een nieuw leven. Hoe doodsch was het sedert -maanden in zijn winkel. Het haringvat stond achteloos en vergeten in -een hoek. Er was bijna geen vraag naar. De voorgrond werd door -citroenen en chinaasappelen ingenomen. De gerookte riviervorst bezette -den troon der gezouten zeekoninkjes. Met wat verlangen zag dus de -haringkooper naar de aankomst van zijn handelsartikelen uit. Hij is de -uitgezeilde haringvloot met zijne gedachten gevolgd, als een koning het -uitgezonden oorlogs-eskader: hij heeft naar weêr en wind uitgezien en -alle kansen berekend: hij heeft het bericht van elke vangst in een -memorieboekje aangeteekend: hij heeft zich de aankomst van den jager -door eene estafette laten berichten. Eindelijk komt de verwachte schat! -Neen, de haringkooper kan de vreugde, die hem vervult, niet in zijn -huis besluiten: de geheele stad moet getuige van zijn blijdschap zijn. -Daar wordt de kroon, die reeds lang te voren klaar gemaakt, met frisch -groen en goud bekranst, en van binnen met een nieuw opgeschilderde -houten haring versierd was, naar buiten gebracht en opgehangen. Zie, -hoe zij in de zon glimt en blinkt. Hoor, hoe zij door den wind bewogen, -ratelt en klatert. Het is of zij ons met al die gouden tongetjes -toeroept: Nieuwe haring! Nieuwe haring! - -Wat heerscht er nu bij den haringkooper een beweging en drokte! Op de -advertentie in de couranten geplaatst: „Nieuwe groene haring te bekomen -bij Van der Zout,” komen van alle kanten brieven en boodschappen aan. -Hij weet nauwelijks hoe al de liefhebbers te helpen. De eerstelingen -worden, half in het geheim, aan de beste vrienden (klanten) -toegestoken. Voor de kleinigheid van een daalder hebben zij ’t genot -van ’t eerste vischje. Maar welhaast stroomt de haringvloed met -onbekrompen ruimte. Dan gelijkt de winkel van Van der Zout op een -pakhuis. Het versche zeebanket wordt, in dozijnen en halve dozijnen -verdeeld, in grooter en kleiner vaatjes gekuipt. Onder die bezigheid -komt de eene smulpaap voor, de andere na, eens hooren. „wat hij kost,” -om naar gelang daarvan bestellingen te doen. De nieuwe haringtijd is -het Sinterklaasfeest der groote menschen. Hij is ook daarin aan het -kinderfeest gelijk, dat hij de tijd van allerlei verrassingen is. Papa, -die weet, dat moeder veel van een versch haringje houdt, loopt, van de -societeit naar huis gaande, even bij Van der Zout aan en fluistert hem -iets in het oor, waarop hij lachende ja! knikt. Een oogenblik later -komt een jonge klerk binnen, en geeft den naam van zijn patroon op, met -verzoek om aan dat adres een half dozijntje te bezorgen. Intusschen -staat eene dame met ongeduld te wachten en roept, zoodra zij aan de -beurt komt, met een vleiend stemmetje: „Van der Zout! zes aan de -kostschool, je weet wel.” En terwijl zij de deur uitgaat, wordt zij -tegen het lijf geloopen door een langen jongen heer, die gewichtige -geheimen met Van der Zout schijnt te hebben, daar hij, na eenigen tijd -zacht met hem gesproken te hebben, met een blos op het gezicht -heengaat, nog wel twee, driemalen herhalende: „je weet niet van wien ze -komen, hoor!” waarop deze met een goedhartigen lach antwoordt: „neen, -mijnheer! ik weet niets!”—Zie, zoo wordt dit zoute vischje in de hand -der vriendschap, der dankbaarheid en der liefde een zoet geschenk, dat -voor menigeen zijn hoogsten smaak ontleent van het gevoel, dat het -schonk. En indien Van der Zout in den nieuwen haringtijd klappen mocht, -zou het ons blijken, dat de menschen, nog zoo gierig, liefdeloos en -ondankbaar niet zijn, als sommige zoute haringen onder de menschen ons -wel zouden willen wijs maken. - -Kon ik nu ook zeggen, dat zij ongelijk hebben, die beweren, dat met den -achteruitgang der haringvisscherij ook eene der mildste bronnen van ’s -lands welvaart is opgedroogd. Maar, helaas! dat kan ik niet. De dagen -zijn voorbij, toen het gebed „voor de groote visscherij,” een openbaar -nationaal volksgebed was. Laten wij ons troosten met andere bronnen van -voorspoed, die, als ter vergoeding, zooveel rijker vlieten. Vangt men -minder haringen in de Noordzee, de zilveren vischjes in de Indische zee -gevangen, zijn nog welkomer. Gods zegen is aan geen tak van handel of -nijverheid gebonden! - -Intusschen verloopt ook met het naderen van den herfst het tij van den -haringkooper. De haring verhuist van den disch der rijken naar de tafel -der armen. Rondventers, die het nu niet meer versch banket in de -schamele buurten rondbrengen, zijn zijne voornaamste klanten. De kroon -wordt weder in huis gehaald en naar den zolder gebracht. De zalm komt -weêr op den troon. Van der zout verkoopt weer zure citroenen en zoete -chinaasappelen. Zoo gaat het in de wereld. Gelukkig wie den vloed zoo -wèl heeft waargenomen, dat hij de ebbe kan afwachten. - -Men kan dezen regel echter overdrijven. Het spijt mij te moeten zeggen, -dat sommige haringkoopers dat ook schijnen te weten. Ik heb mij eens -laten influisteren, dat tot de geheimen van het vak een zeker kunstje -behoort om oude haringen van het vorige jaar als nieuw op te maken. En -had ik het nog maar alleen van hooren zeggen! Maar ik ben zeker, dat de -haringlievende lezer mijne treurige ervaring wel eens gedeeld heeft. Ik -althans heb mij meermalen aan een mootje haring verslikt, dat mij voor -nieuw werd aangeboden, maar dat even weinig wist, wat er in het laatste -jaar in de diepte der Noordzee gebeurd was, als ik. Zeker is het een -verleidelijk kunstje. Bij de komst van den nieuwen haring loopen de -aanvragen over de hand: de voorraad raakt op: de nood dringt: een greep -in het vat: een kleine handigheid—en de verjongingskuur is geschied. -Maar mijn maag komt in den naam van alle kiesche magen tegen zulk eene -industrie op. Ik weet niet of er in het strafwetboek tegen voorzien is, -zoo als tegen het zemelbrood en dergelijke. Maar dit weet ik, dat zulke -bedriegerijen zich zelve straffen. Eerlijk duurt het langst, is een -spreuk uit den tijd toen de haringhandel in zijn fleur was. En die -spreuk zal wel waar blijven, zoolang de baren der zee zout zijn en alle -jaren haar nieuwe schatting leveren aan den eerlijken haringkooper! - - - - - - - - -VI. - -DE SCHAATSENRIJDER. - - -Hoe een duimbreed ijzer iemand veranderen kan! - -Geen volk ter wereld is ongevoeliger voor den zedelijken invloed van -het schoeisel op den geheelen mensch, dan de Nederlander. Trek den -Nederlander dansschoenen aan; gesp hem sporen aan de hielen; rust hem -uit met jachtstevels; schoei hem met de treurspellaars of den -blijspelmuil; gij verandert daarmede de man niet. Hij wordt daarom nog -geen ware danser, ruiter, jager of komediant. Hij blijft een -Nederlander, die danst, rijdt, jaagt of komedie speelt. Maar geef den -Nederlander een paar schaatsen onder de voeten—en hij is geen -Nederlander meer. Hij is schaatsenrijder, zoo geheel schaatsenrijder, -als ooit een Spanjaard danser, een Engelschman ruiter, of een -Franschman komediant was. Hij is een man-schaats—un homme patin, zouden -de Franschen zeggen—geworden. De laarzen van zevenmijlen, die van klein -Duimpje een Gerrit Langbeen maakten, veranderden den houthakkersknaap -niet meer, dan de schaats den Nederlander, die haar aandoet. Het -schijnt eene betoovering, eene spokerij, eene gedaanteverwisseling, als -uit de metamorfosen van Ovidius. - -Nauwelijks raakt de geheele natuur in rust, nauwelijks trekt de aarde -zich het wollen sneeuwdek over neus en ooren, nauwelijks legt de stroom -zich in zijn bed te slapen, of de Nederlander wordt wakker, de -Nederlander ontdooit, de Nederlander verandert in de omgekeerde orde -van temperament. Hij brandt en kookt, als de Hekla onder de sneeuw. -Eindelijk is het tijd! Het is waar, het ijs is nog zwak en nauwelijks -twee guldens dik: men spreekt zelfs van gevaar. Maar daar vraagt de -schaatsenrijder niet naar. Anders is de Nederlander de voorzichtigste -der menschen: hij zal zich tienmaal bedenken, eer hij op een schommel, -vijftigmaal eer hij in een bootje, honderdmaal eer hij in een -stoomrijtuig stapt. Maar op het ijs is hij een waaghals. Daar -ontwikkelt hij een moed en vermetelheid, die een gemzenjager zouden -doen beven. Daar lijkt hij „de logge eend” een meeuw, die met haar -vleugelen langs het water scheert. - -Mij dunkt, men kan het een schaatsenrijder aanzien, waar hij heengaat. -Niet alleen aan zijne uitrusting, aan den toegeknoopten duffel, aan de -roode bouffante om den hals, aan het groen geschilderde haakje op den -schouder, aan de gladgewreven schaatsen in de hand: maar aan zijn -geheele voorkomen, aan den blos op zijn gezicht, aan den glans van -zijne oogen, aan zijn luchtigen gang, aan het vuur en ongeduld, die uit -zijne geheele houding spreken. Zoo komt hij aan de baan. Met van koude -en drift bevende vingers worden de schaatsen aangebonden. Hij is klaar. -Een—twee! drie—vier! vijf—zes! Daar drijft hij heen, als een vogel op -zijn wieken. Even vlug, even licht, even vroolijk. Hij heeft al het -gemakkelijke van gedragen te worden, met al het aangename van zich -zelven te dragen. Zijn gevoel is eene benijdenswaardige mengeling van -bewustheid van kracht en genot van beweging. Zoo lang hij de schaatsen -onder de voeten heeft, is een schaatsenrijder de gelukkigste der -menschen. - -Maar het is den mensch niet genoeg, gelukkig te wezen. Ook op het ijs -niet. De schaatsenrijder haakt ook naar bewondering. Van daar dat hij -spoedig niet meer alleen rijdt om te rijden. Hij wil ook kunstig -rijden. Hij moet leeren beentje-over te slaan. Hij moet ten minste, als -een arend, aan beide zijden drie ellen vlucht hebben. Hij moet zijn -meisjes naam in ’t ijs kunnen snijden. Na eenigen tijd in die school -geoefend te zijn, en niet zonder van tijd tot tijd duur leergeld -betaald te hebben, is hij eindelijk de bol van de baan. Welk een -weelde! Niemand die hem kan bijhouden. Niemand vooral, die in -zwierigheid van rijden met hem kan wedijveren. Hij beschrijft met zijn -schaatsen de golvende lijn der schoonheid. Even als een danseres in het -cirque, geeft hij zich beurtelings schilderachtig aan beide zijden -over, en beweegt zich met de bevallige krommingen der zwaan. Ieder -bewondert hem. De heeren benijden hem. De dames zien hem met -welgevallen na. Overal waar hij komt, gaat er een gemompel van -toejuiching rondom hem op. - -Maar niet ieder begeert die toejuiching. Sommigen kiezen stiller -genoegens. De liefde op het ijs is een liedje van Tollens, maar het is -te gelijk een Hollandsch spreekwoord. Nergens is de vrijerij bij ons -meer t’huis dan op ’t ijs. Wat wonder? Nergens elders geeft de -gelegenheid meer recht tot onschuldige vrijheden. De minnaar en het -meisje vormen een paar: zij rijden hand aan hand: misschien draaien zij -hier of daar een eenzame vliet in en bevinden zich alleen. Als men even -rusten zal, moet hij haar met zijn arm tegenhouden: als zij valt, vangt -hij haar aan zijn borst op: hij moet de schaatsen aan het kleine voetje -aan- en afbinden. Op het ijs is alles zonder erg. De luchtigheid der -beweging schijnt zich aan de harten mede te deelen. Men vraagt en -vergunt, wat men op het land niet zou durven nemen of geven. Wat elders -de jeugd op het dansperk onder de groene boomen vindt, vindt de jeugd -hier op het ijs. Bij ons is het ijs, als Hooft zou zeggen, de sullebaan -der liefde. - -Anderen evenwel doen aan het ijs weder andere eischen. Zij maken het -tot een strijdperk. De kastelein kondigt eene hardrijderij aan -Hardrijderijen zijn voor ons, wat de hardrennerijen te Epsom voor -Engeland zijn. De meesters bieden zich tot den kamp aan. De overigen -komen als toeschouwers. De baan wordt gemeten en afgepaald. De strijd -begint. Vogelvlug ijlen de wedijverende paren langs de baan. Met -ingehouden adem volgen hen duizend hoofden. Hoe lang de kamp duurt, hoe -hard de koude nijpt, hoe fel de honger prangt, de deelneming verflauwt -niet. Eindelijk is de laatste rid gedaan, het vaantje waait, de vlag -klappert, de muziek klinkt, het hoera gaat op, en de geheele menigte -stroomt toe om den prijs te zien uitreiken. Somtijds nemen ook -Atalante’s deel aan dezen strijd, waarin zij gouden appelen rapen, in -plaats van ze te strooien. Misschien is het om dit verschil, dat die -vrouwenkamp mij niet bevallen wil. Wie zou het afkeuren, dat een meisje -op net ijs mede een zedig schaatsje slaat? Maar in de renbaan, om het -hardst, om het wildst... dit gaat al te ver buiten ons volkskarakter. - -Zeker zou ik nu in staat zijn, tegenover dit tafereel een akelig -tegenstuk van de nadeelen en gevaren van het ijsvermaak op te hangen. -Gij verstaat mij. Reeds ziet gij in uwe verbeelding gebroken armen, -bloedige neuzen, blauwe oogen, natte pakken en ontvelde voeten dooreen -wemelen: misschien ook wel in het verschiet een bleeke gedaante; koud -als het ijs, waaruit zij werd opgetogen—een bevrozen bloem!... Maar ik -wil de moeders, die dit lezen geen angst aanjagen, en de jongens, die -er bij staan, geen ondienst doen. Ik voor mij hoop, dat er in Nederland -schaatsenrijders zijn mogen, zoo lang er in Nederland ijs zijn zal. Het -is een gezonde, eigenaardige en nationale uitspanning. En wanneer dan -de vreemdelingen schimpen, dat wij niet weten wat een fiksche beweging -is, brengen wij hen op het ijs en laten hen staroogen op onze -schaatsenrijders. - - - - - - - - -VII. - -DE SCHOORSTEENVEGER. - - -Indien gij uw kort begrip van de aardrijkskunde opslaat, dan vindt gij -in ’t hoofdstuk Italië, onder het opschrift Voortbrengselen: - -Granen, rijst, wijn, honing, olie, zijde, citroenen, amandelen, -oranjeappelen en—schoorsteenvegers. - -Arme schoorsteenveger! Hoe ongelukkig staat zijn verachte naam onder al -die heerlijkheden;—zijn zwarte gestalte tusschen die sneeuwwitte -bloesems en die goudgele zijde;—zijn rookerig pak tusschen die -welriekende bloemen en geurige vruchten;—zijn nikkersgedaante tusschen -die schatten van het paradijs der aarde. - -Arme schoorsteenveger! Onder Savoye’s heerlijken hemel stond zijn wieg. -Italië’s zon ontstak het vuur in de zwarte kolen, die onder zijn -voorhoofd glinsteren, en de frissche blos, dien het roet niet geheel -kan doen verdwijnen, is door de stralen van den zuiderhemel op zijn -gelaat geschilderd. Geuren waren de eerste lucht, welke hij als kind -inademde, bloemen het bed, waarop hij sluimerde, abrikozen en perziken, -vijgen en druiven het eerste voedsel, dat hij smaakte. Hij wist niet, -dat er een Noorden bestond; hij vermoedde nauwelijks, wat koude, wat -vuur, wat rook was. - -Arme schoorsteenveger! De armoede van den vader stiet den twaalfjarigen -Leonard ter deur uit. Men hing hem een oude mandoline om den hals, -zette er een marmot op, gaf hem een stuk brood in den zak, en wees hem -den weg naar het Noorden. Schreiende ging het jongske op weg. Men moest -hem van zijne ouders losscheuren; men moest hem met geweld -voortdrijven; het was als voorzag hij, wat hem te wachten stond.—Nooit -had Leonard gedacht, dat er landen waren, zoo karig door de natuur -bedeeld, als het vlakke moerassige landje, waar hij eindelijk van zijn -lange reis uitrustte. Met iederen dag was hij treuriger geworden. Want -met iederen dag dat hij verder trok, vond hij het minder schoon dan in -zijn vaderland, en iederen dag werd tevens het verlangen naar dat -vaderland sterker. Als hij zijn marmotje niet gehad had, zou hij van -heimwee gestorven zijn.—Zijn vader had hem een brief aan een ouden -vriend medegegeven, die in Holland het bedrijf van schoorsteenveger -uitoefende. Op zekeren avond stond hij voor huis waar een bordje -uitstak, met het opschrift: Gebroeders Leoni, Italiaansche -schoorsteenvegers en rookverdrijvers. Voor de deur lagen eenige zwarte -garden, wier onaangenaame reuk Leonard het hoofd onwillekeurig deed -afwenden. De deur werd geopend. De jongste der Leoni’s ontving hem -vriendelijk. Hij werd in huis opgenomen. Onder het avondeten werd er in -het Italiaansch over Italië gesproken. Men sprak in zijn moedertaal -over zijn vaderland. Leonard was bijna weder gelukkig. ’s Nachts -droomde hij van Italië en het ouderlijke huis. - -Arme schoorsteenveger! Den anderen morgen werden hem zijn lompen -uitgetrokken, en hij in een grof linnen kleed gestoken met een lossen -kap over ’t hoofd. Toen hij zich in den spiegel bezag, had hij in zijn -eigen oogen veel van een monnik uit zijn vaderland. Ook zag hij er in -het nieuwe pak alleraardigst uit: en een ieder die hem op straat, aan -de zijde van den oudsten Leoni, op zijn eerste proef zag uitgaan, kon -de oogen nauwelijks van hem afhouden. Al de meisjes knikten tegen den -jongen helderen schoorsteenveger.—Maar die vreugd duurde kort. Weinige -oogenblikken daarna stond hij met zijn meester onder een schoorsteen, -waarin hij bijna niet zien kon zonder duizelig te worden, zoo hoog was -de donkere nauwe koker, waardoor ter nauwernood een flauwe straal licht -viel, even als een omgekeerde diepe put. Lang duurde het, eer hij zijn -meester begreep. Hij moest met zijn nieuwe pakje den vuilen schoorsteen -in. Had hij daarvoor leeren klimmen als een eekhorentje? Maar de -meester was onverbiddelijk. Toen hij beneden kwam, was hij even vuil -als de schoorsteen zelf. Bij het naar huis gaan zag niemand hem meer -aan. Nog erger! De jongens bespotteden hem en riepen hem een -gekscherend: boe! boe! na; de meisjes gingen, zooveel zij konden, voor -hem uit den weg, en de kinderen begonnen te huilen, als zij hem zagen. -Hij had ook wel willen huilen.—Het is waar, ’s middags kreeg hij goed -eten, beter dan hij in langen tijd gehad had: maar het smaakte hem -bijna niet van de rooklucht, die hij nog altijd in den neus had. Alles, -wat hij in den mond stak, smaakte naar roet. En dit verwonderde hem -niet meer, toen hij bemerkte, dat hij zeker in den schoorsteen zijn -kapje had laten afvallen, want zijn mooi zwart haar zat vol van een dik -en vetachtig roet, zoodat hij het half moest afsnijden. Het was jammer -van de mooie lokken, waar ieder zoo’n zin in gehad had. - -Arme schoorsteenveger! Wel gewende hij langzamerhand aan de guurheid -van het land, even als aan de lasten zijner betrekking. Maar toch kon -hij zijn vaderland niet vergeten. Dikwijls, wanneer hij zijn dagwerk -had afgedaan, kroop hij naar de vliering, kreeg daar zijn mandoline en -marmot, die zijn meester hem vergund had te behouden, en speelde nog -eens een Savoyaardsch deuntje. En dan werd het hem zoo wonderlijk wèl -en wee om het hart, dat de kop van zijn diertje nat werd van tranen. -Ook hield hij van niemand in het geheele land half zooveel als van zijn -marmot. Hij spaarde voor haar de lekkerste beetjes uit zijn mond. Het -was nu voor hem zijn geheele gezin, zijn vaderland, zijn wereld!—Als -het maar altijd winter gebleven ware! Doch daar werd het lente. Een -Noordsche lente. Maar toch, de ontwakende natuur en zijn eigen gestel -zeide hem, dat het lente werd, lente in zijn vaderland. Dan bruiste hem -het Italiaansche bloed heftig door de aderen. Dan werd het hem in -Holland te eng, als een gevangen vogel, die, tegen den verhuistijd van -zijn geslacht, met den kop tegen de tralies stoot. Dan droomde hij -elken nacht van Savoye, en voelde de lauwe zuiderzon, en zag de -bloeiende amandeltakken, en dronk den geur der oranjebloesems, en -hoorde het gegons der bijen, en ontwaakte op het gezang van den -nachtegaal.... Maar neen! het was de nachtegaal niet, het was de -meester, die hem kwam roepen om op te staan: want het was voorjaar! er -was veel werk aan den winkel. Er moesten met het schoonmaken veel -schoorsteenen geveegd worden. Daarom moest hij vroeg aan den gang. „De -lente was de beste tijd voor schoorsteenvegers!” zeide zijn meester. - -Arme schoorsteenveger! Zoo duurt het met hem reeds jaren achtereen. -Maar toch heeft het dus ’t langste met hem geduurd. Hij heeft door -oppassendheid en spaarzaamheid een klein sommetje bijeengegaard. Nog -drie jaren, dan is de som rond. Dan verlaat hij Holland en keert naar -Savoye terug. Dan koopt hij daar een kleinen wijnberg en een huisje. En -als buurmans Jansje dan nog zoo mooi en lief is als toen hij wegging, -dan maakt hij haar zijn vrouw. En in hare armen vergeet hij voor altoos -het leed van den armen schoorsteenveger! - - - - - - - - -VIII. - -DE HOFJES-JUFVROUW. - - -Onder de echt-Hollandsche figuren behoort zeker ook die, welke wij -hierboven hebben zoeken aan te duiden onder den naam van -Hofjesjufvrouw. Wij bedoelen daarmede eene bewoonster van de vele -gestichten van dien aard, in ons land aanwezig, welke van de -waarachtige weldadigheid onzer natie zulk een treffend getuigenis -afleggen, waaraan men de benaming van hof of hofje geeft. Zulke -gestichten zijn een soort van kloosters; met dit onderscheid, dat de -personen die er in wonen niet in activo, maar in passivo zusters van -barmhartigheid, en geene uitdeelsters, maar voorwerpen van weldadigheid -zijn. Ook zij ontvluchten overigens achter de hooge muren de wereld, -welke zij moede zijn geworden. Veelal zijn het gewezen -keukenprinsessen, die met de medaille van vijftigjarige dienst, -(gedurende welke zij bijna altijd in ’t vuur geweest zijn,) -gepasporteerd en met een plaatsje in zulk een vrouwelijk invalidenhuis -begiftigd worden. Daar ziet zich nu de Hofjesjufvrouw op een oogenblik -uit het drukste gewoel der wereld in een kloosterachtige afzondering -overgebracht. Geheele dagen, ja, weken achtereen, ziet zij door de reet -van haar gordijntje niets anders, dan de cellen van hare buurvrouwen en -de leeuwrikkenzode, met een kransje van palm omgeven en met -goudsbloemen en citroenkruid beplant, die zij met fierheid haar tuin -heet. Ook hoort zij van de wereld niet veel meer, dan zij er van ziet. -De ongewoonte van menschen te zien maakt haar gaandeweg menschenschuw, -zoodat zij gedurig zeldzamer haar steenen kooi verlaat. Het moge zoo -zijn, dat zij bij het lezen van de Haarlemmer Courant—die een maand na -den tijd het hofje met dreigende nieuwstijdingen beroert, die al lang -in wind of water vergaan zijn—bij het doorloopen der advertentiën, -onder uitroepen als deze: „Wel, wel, is die ook al dood? Jongens, -jongens, wat krijgt die vrouw een kinderen! Kijk, kijk, dat bruidje heb -ik nog als kind op mijn armen gedragen!” het moge zoo zijn, dat zij -alsdan soms den lust in zich voelt opkomen, om de menschen in kwestie -te bezoeken: maar even zeker is het, dat zij even weinig naar het -sterfhuis, naar de kraamvrouw of naar het bruidje gaat, als ware zij -inderdaad door kloostermuren van haar gescheiden geweest. - -Maar wat Eldorado, wat tooverpaleis is het dan, dat haar de geheele -wereld vergeten en verachten doet? Laat ons het eens opnemen. - -Het huisje van de hofjesjufvrouw,—dat het bewijs oplevert dat atomen -kunnen verdeeld worden,—is in twee vertrekjes gescheiden, in een van -welke zij slaapt, terwijl het andere haar woonvertrek uitmaakt. Een -beschot, tusschen dat vertrekje en de deur geplaatst, vormt een nauw -gangetje, dat met eenzijdige voorkeur voor pijpenstelen en dunne -menschen is aangelegd. Daar zit ze op een houten vlonder, (de ramen -zijn doorgaans hoog en de bewoonster nieuwsgierig,) en beheerscht van -die hoogte het geheele hofjesplein met hare blikken. Fijne matjes, zoo -glad geboend dat men er op loopen moet als op een stijfgespannen koord, -dekken de verhevenheid, waarop zij woont. Op de tafel, waaraan zij zit, -vindt men onder anderen in den regel: een zwart segrijnen bijbel met -zilveren sloten, en met een zilveren bril tusschen de bladeren -ingestoken, (de knijpbril staat op den neus); een melkkannetje met -hyacinten, seringen, of ook ’s winters zevenjaarsbloempjes, en bij -ontstentenis daarvan, gele of witte papierbloemen; een snuifdoos; een -trommeltje met kokinjes; een breikous van zwart sajet enz. Aan het -schot, tegenover de bewoonster, hangen eenige schilderijen, vooral -Dominees met krulpruiken, tooneelen uit de H. S. als een verloren zoon -in modern kostuum en anderen; soms ook een mislukt heeren- of -damesportret, dat haar als een erfstuk, ter gedachtenis aan haar ouden -meester of meesteres, geschonken is, wier beeld haar dankbaar geheugen -in het monster, dat voor haar oogen hangt, best herkent. Achter de -hofjesjufvrouw staat een kastje van mahonyhout met glazen deuren. Op de -planken van dit prachtmeubel, dat voor haar een etagère vervangt, staat -menig artikel, dat de fraaiste nieuwmodische etagère versieren zou, als -daar zijn: lange lijzen, koppen met de zes merken, roode -Lilliput-potjes, gezwegen nog van de borden van den spinnekop en de -schalen van de krab. Naast dit kastje staat een ijzeren pot, waarop zij -elken middag haar sober maal kookt, en waaraan zij zich ’s winters -verwarmt totdat er aan haar koud bloed geen ontdooien meer is. Op deze -wijze leeft de hofjesjufvrouw het gansche jaar in dezelfde afzondering -en stilte voort, die slechts eenmaal ’s jaars door een dag van drukte -en gewoel wordt afgebroken: het is de dag, als zij de kinderen uit het -huis van haar vorige dienst ten eten genood heeft. Dan worden de -geplooide gordijntjes opengeschoven; dan wordt de dikke poes naar de -vliering verbannen; dan ruimt de bijbel zijn plaats op tafel voor -dobbelsteenen, pachtpenningen en lottospel; dan brandt in huis het vuur -en sist de pan; dan knarst buiten de pomp en klinken de schellen op het -gansche hofje; dan wordt de palm rondom de tuintjes vertreden en de -balsaminen in de bedden geknakt; dan wordt tegen alle ruiten getikt en -over alle onderdeuren geknord; alles tot dat de avond valt en de kleine -hoop, met een komfoor en poffertjespan, om een grooten pot met -melkbeslag vergaderd wordt om poffertjes te bakken, bij welk feest de -arme gastvrouw een droevig slachtoffer van de speelschheid harer gasten -is, terwijl de naweeën eerst recht beginnen, als de knapen naar huis -zijn en alle buren hare klachten komen inbrengen tegen de stoute -bengels, die zij op ’t hof gehaald heeft. - -En toch schijnt ze nog te leven voor dien eenen dag; en toch spaart ze -daar alles voor, en heeft er alles voor ten goede; en toch zal zij dien -blijven vieren, tot dat zij de steenen trappen afgedragen wordt. - -Zoo hebben dan deze hofjes-jufvrouwen, ondanks haar weinig bekoorlijk -en veelzins belachelijk voorkomen, toch hare eigenaardige deugden, die -haar iets belangrijks, en zelfs bij wijlen iets verhevens geven. Het -hofje is een doos met oude ongangbare potstukken, maar van echt -gehalte. In deze gebroken vaten ligt een schat van verknochtheid en -trouw aan hen, wie ze vroeger hebben toebehoord, helaas! die gedurig -zeldzamer wordt. Misschien is het een zwartgallige inval, maar ik -vrees, dat onze dienstboden niet meer zoo vele hofjes met oude trouwe -zielen zullen kunnen vullen als ik gekend heb. O tijden! o zeden! moet -dan het bederf uwer nieuwigheden zelfs de hofjes, die wijkplaatsen des -ouderdoms, aantasten? Doch ik wil mij aan die treurige denkbeelden niet -overgeven. Voor als nog zijn er op deze musea van antiquiteiten een -menigte van zulke gebroken standbeelden der godin Fides. Daarheen neem -ik mijn toevlucht, wanneer de wuftheid en ondankbaarheid der jonge -wereld mij bedroeft, en verkwik mij aan die levende toonbeelden eener -trouw, als die—de hofdames vergeven mij de vergelijking—van den ouden -Fidel, die van zijn hartstocht voor hazen- en patrijzenbouten, als -laatste en eenige liefde, de verkleefdheid aan zijn meester heeft -overgehouden. Ik denk, dat op dit oogenblik menigeen met verteedering -aan de liefde denkt, hem als kind door zulke oude getrouwen om zijner -ouderen wil bewezen, en tevens met schaamte om de jongensachtige -ruwheid, waarmede hij die liefde heeft betaald. Nu, de goede oudjes -hebben het ons vergeven, en zijn met goede wenschen en beden voor ons -op de lippen ter ruste gegaan naar dat andere hof, waar de trouw van -hen, die er hun intrek nemen, nog betere belooning vindt. - - - - - - - - -IX. - -DE VISCHVROUW. - - -Als wij de legende gelooven zullen, waren er oudtijds zeemeerminnen. -Hooren wij daarentegen de natuuronderzoekers, dan is haar geheele -bestaan een fabel. Maar nu komen de wijsgeeren tusschen beide, en -vragen: waar komt die fabel dan van daan? want, en dat moet ik hun -toegeven, men noemt geen vrouw meermin, of daar is een staartje aan. Ik -waag het allerzedigst een oplossing van dit belangrijk vraagstuk te -beproeven. Zou de geheele verdichting der zeewijven ook uit een -bijgeloovige vereering van de Vischvrouw kunnen ontstaan zijn? - -Lach zoo spotachtig niet, Mevrouw! Wees liever zoo goed mij te volgen. -Wij willen de vischvrouw een bezoek geven. - -Zie, ginds tegen het duin aan, als een schelpvisch tegen de rots, hangt -haar woning. Het schijnt ook zelve bijna een schelp, die daar door den -vloed is neêrgeworpen om door de ebbe weêr meêgenomen te worden; zoo -nietig komen die stulpen op het breede strand voor. Evenwel in die -schelp woont een mensch; wat zeg ik, eene geheele verzameling van -menschen. Laat ons binnengaan!—Men zal ter vischvangst uitgaan. De -netten zijn gereed, de knapzak is voorzien, de visschers zullen -vertrekken. Vader met zijn oudsten zoon als knecht en den derde van de -acht, die zoo lang gesmeekt heeft, tot dat moeder hem vergund heeft meê -te gaan. Verwondert gij u over de teederheid van het afscheid van deze -„lompe” menschen? Verwonder u liever over hun blijmoedigheid!—Want, mag -ik u verzoeken? Zie eens even naar buiten. Ziet gij die pink dáár, -gereed om zee te bouwen? Een ijzig gezicht, niet waar? Van hier -beschouwd, lijkt zij betrekkelijk niet grooter dan de notendop, dien -wij als kinderen in de theekom lieten varen. Welnu, die dop zal haar -drie kostbaarste schatten laden. Nog eenige oogenblikken en hij dobbert -met hen op den diepen oceaan, waarvan een enkele golf tien zulke -scheepjes vult. Verbeeld u, Mevrouw, dat Mijnheer uw gemaal en de jonge -Heer de student en.... foei! ik doe u schrikken. Wees gerust! het geldt -deze vischvrouw maar! Doch beken echter, dat er achter dit grove jak -een hart moet kloppen, waaruit men tien harten van uw romanheldinnen -kneeden zou? - -Eenige uren later. Hebt ge moed? Het is zeker noodweêr. Het stormt een -orkaan. De bliksem zwaait onophoudelijk zijn blauwen fakkel over de -zwarte golven. De donder buldert tegen den wind in met hortende slagen, -alsof zijn stem telkens door den storm gesmoord werd. Onder dezen -strijd der elementen kookt en schuimt de zee als een ziedende ketel op -een onderaardsch vuur, en spat haar water tot in de hut. Die hut zelve -is een tooneel van verwarring en angst. De zes kinderen, die t’huis -gebleven zijn, loopen half naakt en schreiend door elkander. De oudsten -slaan bevend de lucht gade en staren dan weêr op de zee, als om bij het -licht van den bliksem iets te onderscheiden. De jongsten schuilen aan -moeders schoot en gillen om vader. Door dit rumoer heen klinken de -noodschoten van een strandend schip, en de kreten van het zeevolk, dat -bezig is een boot ter redding uit te zetten.—Gij beeft, Mevrouw! Mag ik -u wat eau de cologne geven? Verman u een weinig. Zie onze -visschersvrouw! zij heeft drie beminde panden op zee. Zij weet, dat de -boot te zwak is om zulk een orkaan te weerstaan. En toch blijft zij -bedaard en kalm. Zij schijnt den storm, die buiten woedt, niet te -bespeuren, en heeft alleen oogen voor de onrust, die binnen heerscht. -Merk op, met hoe veel zielkracht zij haar oudste kinderen zoekt te -bemoedigen, haar jongste te sussen. Het gelukt haar eindelijk. Maar -waar gaat zij heen? Wat doet zij in gindschen hoek? Zie, zij bidt!—Daar -komt zij weder. Welk een stille berusting op haar gelaat. Zij slaat een -schichtigen blik naar buiten, maar heft hem terstond weder naar boven, -en begint zingende haar jongste lieveling in slaap te wiegen. Welk een -treffend gezicht! Is het niet als een standbeeld van de Rust in het hol -van den Storm? - -Den volgenden morgen. Het ergst is gebeurd. De boot is aan strand -gekomen,—maar ledig. Alleen haar oudste zoon heeft zich met zwemmen -gered. Willen wij de vischvrouw een rouwbezoek gaan brengen?—Zij is -niet te huis. Daar is niemand dan haar kinderen, die om brood schreien. -Zij zal op het strand zijn. Ja, daar is zij, bij den afslag. Daar koopt -zij haar mand vol visch, dien haar man had moeten t’huis brengen. Met -dien mand op den rug draaft zij naar den stad. Zie eens, hoe bleek zij -ziet en hoe rood haar oogen zijn. Maar haar opgericht hoofd draagt de -ben, en haar naakte voeten loopen in denzelfden draf als altoos. -Moederliefde overwint den storm in haar binnenste, even als gister den -storm buiten. Zoo draaft zij, halfdood van vermoeidheid en uitputting, -de stad op en neder. Huis aan huis biedt zij haar visch te koop. Niet -noodig! is het refrein, hier en daar afgewisseld met een snauw: hoe -veel geld? Het is te veel. Dan wordt er gedongen en beknibbeld, en -somtijds zelfs de arme met hardheid weggezonden, opdat Mijnheer en -Mevrouw hun eerst gerecht toch zoo goedkoop mogelijk op tafel zullen -hebben, terwijl haar zes kinderen van honger versmachten. En toch is -zij te fier om te klagen of te bedelen. Die schande zal zij haren man -in het graf nooit aandoen. Zij zal liever werken totdat zij er bij -neêrvalt, eer zij de hand tot een aalmoes uitstrekt. - -Eindelijk is haar vracht verkocht, en keert zij naar het dorp terug. Nu -verzorgt en voedt zij de ongelukkige weezen. Terwijl de kinderen eten, -gaat zij met haar oudsten jongen naar het strand, om met hem over de -herstelling van de gestrande boot te spreken. Want hij moet hoe eer hoe -beter er weder op uit. Zij heeft nog geen schrik van het element, dat -haar pas een man en een kind kost. Zij heeft ook nog geen afkeer van -het leven, dat haar zoo zwaar valt. In een romance zou men haar laten -verlangen om bij haar lievelingen in den schoot der blauwe baren te -rusten. Maar daaraan denkt zij niet. Zij voelt den last des levens op -haar drukken als een taak. Wat dus anderen werkeloos zou doen -nederzitten, spant en prikkelt hare werkzaamheid. Ware het mogelijk, -zij zou er zelve op uitgaan. Maar daar dit niet kan, moet haar zoon de -plaats van zijn vader vervullen. Zij zal hem den tweede tot hulp -medegeven. Wacht hen hetzelfde lot.... het zij zoo! het staat in hooger -hand! zij zal hen zien vertrekken, zonder een traan te laten. Mij -dunkt, gij ziet haar met bewondering aan. Gij hebt van zoo iets -heldhaftigs geen denkbeeld. Gij vindt het boven het vrouwelijke, ja, -boven ’t menschelijke.... Pas op, Mevrouw! anders maakt gij er nog een -zeewijf van. - -Ik weet niet of ik u overtuigd heb. Het is altoos slechts een gissing, -die ik voor beter geef. Maar indien ik niet eenige meerdere -ingenomenheid met de Vischvrouw bij u heb opgewekt, dan eer gij dit -opstel in handen naamt, dan heb ik tijd en inkt verloren. - - - - - - - - -X. - -DE ROTTERDAMSCHE ZAKKENDRAGER. - - -Lezer! Indien gij slechts half zooveel eerbied hebt voor nijvere -arbeidzaamheid als de schrijver van deze schets, dan verzoek ik een -oogenblik uwe belangstelling. - -Inderdaad! in de geheele menschelijke maatschappij ken ik geen stand, -die zoo sprekend het denkbeeld van noeste vlijt uitdrukt en als het -ware verpersoonlijkt als die, waartoe de Rotterdamsche Zakkendrager -behoort. In de dierenwereld zijn het de mieren, die bovenal den roem -der arbeidzaamheid wegdragen. De zakkendragers nu zijn de mieren der -maatschappij.—Wie heeft ze nooit gadegeslagen, die nijvere diertjes, -hoe zij op de plaats waar zich hun nest bevindt een grimmelend leger -vormen, dat onophoudelijk heen en weder trekt en door elkander zwiert, -zonder elkander te belemmeren, terwijl zij de zwaarste lasten torsen? -Welnu, hetzelfde schouwspel, in het menschelijke overgebracht, leveren -dagelijks de Rotterdamsche straten in de werkzaamheid der -zakkendragers. - -Het hoofdkwartier van dit nijvere leger is het zoogenaamd -zakkendragershuisje. Daar is het getal en de zwaarte der lasten bekend, -die elken dag moeten worden getorst. De verdeeling geschiedt bij het -lot. Een eerlijk soort van dobbelspel. Terwijl elders de aanzienlijke -speler aan een roekeloozen worp het vermogen van vrouw en kinderen -waagt, dobbelen deze kerels om den last, waarmede zij hun brood -verdienen. Schieten er manschappen over, dan worden de hoogste nommers -ontslagen, over welke teleurstelling zij zich gewoonlijk in de kroeg -zoeken te troosten. - -Nadat het groote leger in kompagniën en sectiën verdeeld is, begeven -zich de onderscheidene koppels ieder naar de hun aangewezene plaats. -Daar gekomen wordt het werk nader onder hen verdeeld. Ondersteld, zij -zullen turf opdragen. Dan krijgt ieder zijn post. Sommigen staan bij de -schuit en stapelen de manden. Anderen dragen ze aan. Anderen winden ze -op, of brengen ze naar boven. Anderen eindelijk schikken de turven op -den zolder. Bij dit alles nu heerscht een regelmatigheid die mij dit -werk dikwijls met verbazing heeft doen gadeslaan. De acht, tien of -twaalf menschen zijn niet meer zoovele menschen. Het zijn -onderscheidene leden van één lichaam. Het zijn raderen van ééne -machine. Nauwelijks is het sein gegeven, of het levend werktuig raakt -in beweging. Geen raderen, door stoom bewogen, draaien geregelder in -denzelfden kring rond en grijpen juister in elkander, dan de dragers -elkander de hand leenen. Op den weg, dien zij hebben af te leggen, doen -zij nooit een pas meer of minder, komen zij nooit een sekonde te vroeg -of te laat. Bij het overgeven en overnemen van de vracht wisselen zij -geen woord, geen wenk, geen blik zelfs. Ook is hun geheele denkkracht -in hun werk als verzwolgen. Geen automaten kunnen werktuigelijker -arbeiden. Maar daarom bezit ook hun arbeid den regelmatigen en zekeren -gang van een uurwerk. O, dacht ik wel eens bij dit gezicht, wanneer wij -menschen in de wereld even goed onze plaats wisten te kiezen en te -bewaren, en elkander even gedienstig en trouw de hand reikten, welk een -schoon werktuig zou het nu dikwijls verward zamenstel der maatschappij -zijn, en hoe schoon en heerlijk vooral het werk, dat daardoor zou -worden tot stand gebracht. - -Het werk is volbracht. Het rad is afgeloopen. Het werktuig staat stil. -Op eens komt er weêr leven in deze houten automaten. Het gelaat, -waarvan het zweet met den arm wordt afgeveegd, ontspant en ontrimpelt -zich en glimt van de voldoening van wel volbrachten arbeid. Men -schertst met de meid, wier zolder men van turf heeft voorzien, die met -een milden teug schiedammer de dorstige harten komt laven. Het verdiend -loon wordt ontvangen en verdeeld. Men gaat uiteen. - -Meen echter niet, dat dit werktuigelijke den zakkendragers ook buiten -hun werk bijblijft. Gij zoudt hun grootelijks te kort doen. -Boerenkinkels mogen ook buiten het veld iets van het dommekrachtige -behouden, dat hun op het veld eigen is, bij de wakkere Zakkendragers is -dit anders. Nauwelijks is de arbeid van hun schouders, of zij zijn -zulke vroolijke en flinke kerels als gezonde arbeid ooit gemaakt heeft. -En geen wonder. Zij hebben eene ruime en eerlijke broodwinning. Zij -behooren zeker slechts tot de klasse der sjouwerlieden, maar zijn -echter boven deze verheven. Zij behoeven niet op werk te wachten of er -om te bedelen, gelijk deze, maar vinden iederen morgen hun taak en last -gereed. Daarbij vormen zij onderling een gesloten college, een soort -van gild. Nu zijn de patenten, en de algemeene vrijheid, gelijkheid en -broederschap, waarvan deze het uitvloeisel zijn, wel eene heerlijke -uitvinding: maar niemand zal mij echter tegenspreken, dat daardoor het -eigenaardige, het afgeronde en gemunte, in één woord het typische van -de verschillende standen in ons vaderland wel iets geleden heeft. O -bakkers met uw witte slaapmutsen! O slagers met uw lange messen! O -timmerbazen met uw gele voorschoten! Waar zijt gij gebleven? Neen, wij -hebben geen rechte bakkers, slagers of timmerbazen meer. Wij hebben -lieden, die bakken, slachten, en timmeren: maar het bakkersvoorkomen, -de bakkersgeest, het bakkershart, dit alles is met de witte slaapmuts -verdwenen. Eere daarom den Zakkendragers, die nog iets van het -genootschappelijke en federative hebben behouden, dat vroeger den -grondslag van onze staats- en maatschappelijke huishouding uitmaakte. -Zij vormen een soort van broederschap, die hen met een zweem van esprit -de corps bezielt, dien zij ook door het dragen van een ordeteeken -zoeken aan den dag te leggen. Men heeft hen alleen te zien loopen, -gelijk zij naar werk gaan of daarvan terugkeeren, met den linnen zak -bevallig over het hoofd geslagen, om in hen den Zakkendrager te -herkennen. Wat hun echter noch meer wichtigheid bijzet, is het gevoel, -dat zij min of meer tot de stadsambtenaars behooren, en dus als verre -planeten in de zonnebaan der burgemeesters-kamer wentelen. Zij zijn dan -ook het college, dat bij hooge gelegenheden de lagere standen -vertegenwoordigt; zij hebben het privilege om de paarden van ’s Konings -koets te spannen en den kostelijksten aller lasten te trekken. Het -gebeurt hun dan ook niet zelden, dat het koninklijk oog, met -voorbijgang van anderen, die zich verbeelden hooger te staan, op hen -afdaalt. Zoo wierp het feest, op den laatsten oudenjaarsavond door Z. -M. aan de Haagsche turf- en zakkendragers gegeven, op al hun -ambtgenooten een weerschijn van eer en aanzien, dat hen den zak nog -fierder dan anders over het hoofd doet dragen. Men zegt dan ook, dat op -dien avond menig Zakkendrager zoolang op Willem II heeft geklonken, -totdat het actief van zijn naam in passief was overgegaan. - -Doch laat ik niet lasteren. Wel is waar zijn de Zakkendragers -vooralsnog geen leden van het Matigheidsgenootschap, en ik vrees of zij -het ooit zullen worden. Maar even weinig plegen zij dronkaards te -wezen. Zij zijn te bang om den zak, waaruit zij leven, te verliezen. -Overigens zijn zij, als meest allen, die zwaren arbeid verrichten, -kloek van voorkomen, trouw van hart en braaf van inborst. Het gaat hun -als veeltijds: hoe zwaarder last op de schouders, des te lichter last -op het hart! - - - - - - - - -XI. - -DE GROENVROUW VAN ROTTERDAM. - - -Koopsteden zijn paradijzen, wat de kunst, maar woestijnen, wat de -natuur betreft. De menschengroei, die er plaats heeft, schijnt er den -plantengroei te verstikken. Kom bij voorbeeld te Rotterdam. Hoe dor, -hoe bar, hoe winterachtig ziet alles er uit. Zelfs midden in den zomer! -Alles hout en steen, steen en hout. Men zou denken, dat de menschen er, -even als de oude toovenaars, steenen aten. Maar neen, zie ginds! Daar -meen ik toch iets groens te ontdekken. Inderdaad, het is zoo. Daar is -de groenmarkt. Dat is eene oase in de woestijn. Met welk een wellust -rust het oog, van het flikkeren der zonnige straatsteenen vermoeid, op -dezen groenen grond uit! Laat ons er een oogenblik van genieten. - -Wij treden nader. Daar prijkt in haar groentenkraam, even als eene -afbeelding van Ceres of Pomona in eene medaillon harer attributen, de -groenvrouw. - -Wij vinden haar bezig met het opmaken van haar loofhut. Dat werk is -belangrijker dan het schijnt. Laat de groenvrouw geene schilderes van -stillevens zijn, zij moet toch iets van de kunst van ordonnantie -verstaan. Wacht u vooral te denken, dat deze bevallige schikking de -vrucht van een blind of linksch toeval is. Integendeel. Mejufvrouw uwe -dochter besteedt niet meer kunst om de bloemen in uwe vazen te -schakeeren, dan de groenvrouw om haar kraam op te maken. Het is dus wel -degelijk met opzet, dat die blanke bloemenkoolen zoo sprekend op dien -rooden grond van peen (Rotterdamsche stijl) uitkomen, dat die harde -komkommers zoo smakelijk tegen de malsche kroppen afsteken, en dat het -geurige boonenkruid zoo verlokkend over de zilveren boonen ligt -uitgespreid. - -Is de kraam klaar, dan zit de groenvrouw, even groen en frisch als haar -waar, tusschen haar schepping neder. Een helder gezicht lacht, even als -de witte bloem tusschen de koolblaren, uit haar groenteprieel al de -voorbijgangers tegen. Maar gij moet haar zien als er klanten komen. Dan -is zij geheel beweging en drukte. Zij weet juist wat de „jufvrouw”, de -„vrijster,” of het „vrouwtje” hebben moet. Gister heeft men van deze, -eergisteren van die groente gehad: nu moet men hiervan nemen. Even rad -als haar tong, gaan hare handen. In een oogenblik zijn de wortelen -gekortwiekt, de koolen uitgekleed, de spinazie opgetast, de radijzen -geschoren. Over den prijs wordt nauwelijks gesproken. Er is geen -vreedzamer beurs dan die der tuinvruchten. De lieve natuur is zoo mild -met haar gaven, dat men voor een betrekkelijk kleinen prijs een geheele -moeskraam ledig koopt. Daarenboven regelt de vruchtbaarheid of -onvruchtbaarheid van het weder den marktprijs van den dag. Intusschen -moet het niet ontkend worden, dat de groenvrouw wel eene schrale lente -mag. Als de groenten te gauw aankomen, zit er te weinig winst op. Ach -ja! tot tusschen de groene aardvruchten,—die treffende herinneringen -aan de gouden eeuw, waarin men niets anders at,—is het egoïsmus -doorgedrongen. - -Indien ge voldaan zijt, zullen we verder gaan. Want er zijn nog andere -species van het genus groenvrouw. Ziet gij gindsche deern, met dat juk -op den schouder, waaraan twee groote manden slingeren? Dat is ook een -groenvrouw. Die brengt haar waar aan de huizen. Want de markt is voor -den burgerstand. De rijken laten de markt bij zich aan huis komen. In -die manden vindt gij dus de bloem van den moeshof. Zoo veel mogelijk is -ook de eigenares eene bloem onder de groenvrouwen. Want daar zij in de -groote wereld verkeert, heeft zij meer wereldkennis en wereldtoon -noodig, dan op de burgerlijke markt te pas komt. Niet altoos evenwel is -haar taak even teeder en zwaar. Soms heeft zij alleen met de jonge -juffers te doen, die „de week” hebben, of in de proefschool zijn om te -leeren huishouden. Dan is zij spoedig klaar. Want wat weten die van -groenten? Dalen evenwel de mama’s met haar twintig- en dertigjarige -ondervinding en haar sedert aangeleerde huishoudelijkheid naar beneden, -dan moet er heel wat gevleid en gelogen worden, eer de gevraagde prijs -verkregen is. Niets beter dan met keukenmeiden van de kennis of van de -familie te doen te hebben. Die hebben zoo veel te vertellen en te -vragen, dat er geen tijd voor loven of dingen overblijft. - -Willen wij de groenvrouw nog verder nagaan, dan moeten wij ze naar hare -woning volgen. Daar komen we eerst bij de groenvrouw primera suerte. -Daar vindt ge een waar luilekkerland, met dit kleine onderscheid, dat -de lekkernijen er u alles behalve van zelve in den mond vliegen. Daar -vindt ge in den winter versche kroppen onder stolpen; daar doen u in -het voorjaar de eerste bakvruchten, snijboontjes, worteltjes en -porselein watertanden; daar vindt men den geheelen zomer, wat de -moeshof edelst en keurigst oplevert. Waar nu al die schatten van daan -komen, is een geheim. Sommigen denken, dat de groenvrouw ze, even als -in Riket met de kuif, uit den grond laat opkomen. Anderen spreken van -eene geheime betrekking met zekere tuinlieden van buitenplaatsen, die -de groenten, welke zij overhebben, voor een prijsje aan haar overdoen. -Er zijn zelfs, die mompelen, dat mijnheer zelf vennoot in die anonyme -compagnieschap zijn zou. Wie zal het uitmaken? Men weet niet, dat een -groenvrouw ooit geklapt heeft. - -Om de woningen der mindere groenvrouwen te vinden, moeten wij naar de -achterbuurten. Daar is evenwel het groenste van de groenvrouw af. Want -daar liggen in een bedompt winkeltje de groenten, die niet verkocht -zijn, te verleppen en te vergaan. Zijn ze geheel en al verdroogd, dan -zinken ze nog een stap lager in den pot, en eindelijk in de magen van -de groenvrouw en hare familie: want wacht u voor de dwaling, dat een -groenvrouw ooit iets eet, dat naar versche groente lijkt. Zij leeft als -een konijn, geheel van afval. - -Zal er echter aan de teekening van de groenvrouw niets ontbreken, dan -moet moet ik u haar ook in den ruitijd toonen! O, dat de groenvrouw, -als de witte beer, den geheele winter mocht doorslapen! Dan alleen zou -zij de smart ontgaan van de beken van haar bestaan gedurende -verscheidene maanden uitgedroogd te zien. Wat toch blijft haar in den -winter over? Aardappelen, aardappelen, niets dan aardappelen. Komen er -nog aardakers bij, dan is het mooi. Zij blijft dus in haar hokje -verscholen. Geen groenvrouwen op de groenmarkt, geen groenmeisjes op de -straat.—Maar wacht! daar beginnen de boomen te knoppen; de nachtegalen -komen terug; de narcissen gaan bloeien. Nu breken ook de groenvrouwen -weder uit den knop, en versieren de Rotterdamsche straten. - - - - - - - - -XII. - -DE DORPSSCHOOLMEESTER. - - -Wie heeft hem nimmer ontmoet, den man, dien ge nog niet ontwijfelbaar -herkennen zoudt aan den versleten zwarten rok, den vuilen witten das, -de zilveren ringetjes in de ooren, de lange pijp in den mond en de -nagelkerven op den linkerduim, maar dien ge dadelijk weet t’huis te -brengen, zoodra gij hem maar twee woorden hebt hooren spreken. - -„Heeft MIJNheer mensCHen? Dan zal er mogelIJK voor MIJ verhinderING -weZEN!” - -„Wat mij betreft, niet, meester!” hebt gij geantwoord, eer gij er om -denkt. - -Gij hebt het geraden. Er zijn plus minus drie millioen menschen, die -Hollandsen spreken: maar DAT Hollandsch is het schibboleth van den -dorpsschoolmeester. Daaraan herkent gij hem even zeker, als de mannen -van Gilead die van Efraim aan de uitspraak van de schin. O, het zou hem -niet van het hart kunnen, de taal te verminken, te mishandelen en te -villen, gelijk gij en ik doen: iedere letter heeft rechten op zijn hart -en tong: hij moet ze u allemaal voorspellen: men spelt immers niet om -te spreken, maar spreekt om te spellen! - -Deze verbazende juistheid van uitspraak is echter niet de eenige -eigenaardigheid, waaraan ge den dorpsschoolmeester uit zijn wijze van -spreken herkent. Hij is niet minder nauwkeurig en uitgezocht in de -keuze zijner woorden, die allen op het woordenlijstje van Siegenbeek -moeten voorkomen, hetwelk hem voor een soort van index dient. Want van -onduitsche uitdrukkingen heeft hij een walg, en waar ze hem -onvermijdelijk in den weg komen, neemt hij de vrijheid ze in der haast -een hollandsch pak aan te trekken, waarin gij ze echter dikwijls niet -herkent. Voeg hierbij een toon van spreken, die door de afgepastheid en -deftigheid het midden houdt tusschen cijferen en preken, en gij zult u -niet verwonderen, dat de man zich zoo spoedig aan u verried: het is de -dorpsschoolmeester! - -In het heilige klaverblad, dat over ieder dorp zijn beschermende -schaduw uitbreidt, van Burgemeester, Dominé en Schoolmeester, staat de -laatste in het midden en dus—althans in zijn eigen oogen—bovenaan. Hij -heeft dan ook verre weg het deftigste voorkomen van de drie. Men zegt -van de beroemde tragédienne Clairon, dat zij in haar huis dezelfde -koninklijke houding aannam, die zij op het tooneel had, om er de -hebbelijkheid niet van te verliezen. Zoo schijnt ook de meester, uit -vrees van den toon van gezag, die hem in de school past, kwijt te -raken, dien buiten de school aan te houden. In zijn mouw verscholen, -draagt hij de plak uit de school overal met zich. Zijn geheele gesprek -is onderwijzend. Hij is de Morning-herald van de boeren, en deelt hun -het nieuws mede, dat hij dagelijks uit de Staats-Courant put, welke hij -van den Burgemeester te lezen krijgt. In die mededeeling vlecht hij op -eene ongemaakte wijze eenige geographische en historische -bijzonderheden, die op het gezicht zijner toehoorders een stillen -glimlach van verbazing en bewondering wekken. Bij de gesprekken over -weêr en wind hangt hij den natuurkundige uit, voor zoover het handboek -der volksnatuurkunde hem in staat stelt. Somtijds stijgt hij een toon -hooger en waagt zich aan bespiegelen van de wonderen der -schepping—volgens den katechismus van Martinet. Zijn politiek bewaart -hij voor den Burgemeester, met wien hij over de gebeurtenissen van -Europa handelt—alles naar aanleiding van de Staats-Courant. Dit dagblad -drukt zoowel den geest als den vorm zijner denkbeelden uit. Hij is zoo -oranjegezind als de koninklijke vlag, en is door eene zonderlinge, maar -gewone tegenspraak, tegelijk de vinnigste aanhanger van Wagenaar, dien -men zien kan. Hij heeft dus een afkeer, neen, dit is te zacht—een -afschuw van Bilderdijk, die voor hem met zijn politische, literarische -en godsdienstige gevoelens een driehoofdige Cerberus is. Zonder ooit -iets van hem gelezen te hebben, bestrijdt hij hem waar hij kan en mag, -met alle wapenen. Nauwelijks had hij vernomen, dat hij de stoutheid had -den „moord” van Oldenbarneveld voor te spreken, of hij hield in ’t Nut -een verhandeling over den Palamedes van Vondel, die de zaak op eens en -voor altoos heeft uitgemaakt. Met den Dominé handelt hij over het -onderwijs. Hij vergoodt de wet van 1806, waarnaar volgens zijn zeggen -eenmaal het onderwijs in de geheele wereld zal zijn ingericht. -Siegenbeek, Prinsen en Anslijn zijn zijne afgoden, wier naam -onophoudelijk op zijn eerbiedige lippen zweeft, vooral de eerste! Zijne -spelling houdt hij voor een meesterstuk van menschelijke vinding en -voor de schepping van een nieuwe taal. Wee hem als Dominé het waagt de -Bilderdijksche spelling met een enkel woord te verdedigen: dan zou hij -bijna vloeken. Over het algemeen houdt hij het er voor, dat Dominé hem -niet al te gunstig is. Dat schrijft hij aan zijn opleiding op de -kweekschool toe, waardoor hij Dominé te knap geworden is. Was het niet -eens gebeurd, dat Dominé niet recht wist, of Neustadt, waarop het -gesprek viel bij gelegenheid van een nieuwen aankoop van koning Willem -Frederik, in Saksen-Weimar, Saksen-Gotha, Saksen-Meiningen, -Saksen-Coburg of Saksen-Hildburghausen lag? Hij had er hem opzettelijk -eens op getoetst, maar hij had zich voor den man moeten schamen. Voor -het oog der menschen evenwel is hij Dominé’s andere Ik, en zendt hem -bij elke feestelijke gelegenheid een vers, waarin hij al de -dichterlijke vrijheden in één regel neemt: wat al te liberaal voor -zoo’n conservatief man! Want—dit spreekt van zelf—hij doet een weinig -„aan de dichtkunde.” Zelfs geeft hij daarin zijn zoon volgens vaste -regelen en met behulp van Witsen Geijsbeek’s Rijmwoordenboek les. Hij -treedt dan ook van tijd tot tijd in de vergadering van ’t Nut met een -dichterlijke bijdrage op. Hij volgt echter geen bepaalde dichtschool. -Vóór het jaar dertig werkte hij meestal in den trant van Tollens; na -dertig nam hij de manier van Helmers aan, en nu helt hij weder meer -over naar Feith. Heeft hij geen tijd om zelfs iets te maken, dan werkt -hij het een of ander uitgegeven stuk naar de behoefte van zijn gehoor -om. Zoo behandelde hij onlangs de geschiedenis van een klein schandaal -in het dorp in de Bedrogen maagd, dat hij naar het Gevallen meisje van -Tollens gefatsoeneerd had. Nergens echter schittert zijn talent met -meer glans, dan in de kerk. In het voorlezen steekt hij Dominé naar de -kroon. Niemand is vlugger dan hij in het verkleeden van de oude -vertaling: zonder haperen heeft hij al de haer’s en hun’s in dezelve’s -en denzelven’s veranderd. Want dezelve is na dewelke zijn -lievelingswoord, Hij heeft dan ook van die taak een groot denkbeeld. -Hij spreekt altijd van de groote opkomst, het groot gehoor, dat wij -hebben. Eens, ja.. eens heeft hij de eer gehad om voor Van der Palm -voor te lezen. Dat was een werk! Hij heeft er nooit zoo in gezeten. Hij -dacht niet, dat hij het volbracht zou hebben, schoon ieder hem een -kompliment maakte, toen hij uit de kerk kwam. Hem dacht echter, dat de -Professor in het Hollandsch zoo zuiver niet was, als hij meende. Eens -onder anderen meende hij hem op de uitspraak van menSCHEN als menSEN -betrapt te hebben: maar de man begon toen ook al oud te worden.... - -Maar foei, de kleine ruimte aanziende, die mij nog overschiet, bemerk -ik, dat het meer dan tijd is, om den waardigen man van een anderen kant -te teekenen. Want hoe vreemd het luide, onder die belachelijke vormen -verbergt hij het beste hart van de wereld. Hij is in zijn vak een knap -man, en zelfs in het wijsgeerige gedeelte er van geen vreemdeling. Hij -heeft een goede leermethode, waardoor hij bekwame discipelen vormt. Hij -is even bemind bij de kinderen, als geacht bij de ouders. Hij is een -voorbeeldig huisvader, die nacht en dag zwoegt om zijn talrijk gezin te -onderhouden. Zelf een man van zedelijke en godsdienstige beginselen, -zoekt hij die ook aan de jeugd in te prenten. Hij heeft dus geen enkele -groote ondeugd, al heeft hij al de gebreken van zijn stand. -Nieuwenhuizen en de Wet van 1806 hebben hem innerlijk geheel -ontbolsterd. Nu moet er nog slechts een andere Nieuwenhuizen opstaan, -om hem ook uitwendig den zotskap van het hoofd te nemen. Wie weet, als -hij deze schets leest.... - - - - - - - - -INHOUD. - - - De Haarlemsche Courant. Bladz. 1. - De Haarlemsche Courant. (vervolg.) 9. - Het Album. 18. - De Huisklok. 29. - Muziek. 38. - Ruiten troef. 50. - Het Schaap. 60. - Sint-Nicolaas. 69. - Het Legaat. 74. - De Stamboom. 89. - Het Portret. 103. - De Bibliotheek. 118. - Oude Vrijsters. 132. - Een afscheidsbezoek in 1871. 140. - Een Afscheidsbezoek. (vervolg.). 153. - - Verspreide stukken van Jonathan. - - Gekroonde Vrouwen. (26 October 1837.) 177. - De Koning komt. (3 Augustus 1842.). 185. - De Koning gaat ten grave. (Maart 1849.). 197. - Twee Monumenten. (1676–1841). 211. - - Nederlandsche typen. - - I. De Zeeuwsche arbeider. 217. - II. De Rotterdamsche sleper. 220. - III. De Straatjongen. 223. - IV. Het Melkmeisje. 226. - V. De Haringkooper. 229. - VI. De Schaatsenrijder. 232. - VII. De Schoorsteenveger. 235. - VIII. De Hofjes-jufvrouw. 238. - IX. De Vischvrouw. 241. - X. De Rotterdamsche Zakkendrager. 244. - XI. De Groenvrouw van Rotterdam. 247. - XII. De Dorpsschoolmeester. 250. - - - - - - - - -SCHRIJFFOUTEN. - - -Als zoodanig verzoekt de Schrijver vergiffenis voor eenige grammatikale -vrijheden, b. v. waar het woordeke klok in de persoonsverbeelding in -het mannelijk, het woord schaap voor het minder gewone ooi in het -vrouwelijk geslacht voorkomt enz. Ook aan drukfouten zal het wel niet -ontbreken. Zoo is het den schrijver bij het nazien ontsnapt, dat op bl. -144 reg. 9 de titel van de welbekende nieuwe Fransche roman van Gustave -Droz: Monsieur, Madame et Bébé verkeerd is opgegeven. Maar hoe -gemakkelijk zal het zijn, deze kleine afwijkingen te vergeven, waar men -zoo veel andere en grooter gebreken te vergeven heeft? De Schrijver -beveelt zich bij voortduring in de edelmoedige welwillendheid zijner -lezers. - - - - - - - - -AANTEEKENINGEN - - -[1] Chaudfontaine. - -[2] Een uitdrukking van Claudius, van wien hij veel hield. - -[3] Waarom niet? Byron zegt wel van de maan: Sun of the sleepless. - -[4] Zie Voorrede. - -[5] De droom, naar Byron door Beets. - -[6] Men herinnere zich, dat deze schets vóór dertig jaren geschreven -werd. Thans zouden enkele trekken wel eens minder kunnen gelijken. - - -*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK WAARHEID EN DROOMEN *** - -Updated editions will replace the previous one--the old editions will -be renamed. - -Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright -law means that no one owns a United States copyright in these works, -so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the -United States without permission and without paying copyright -royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part -of this license, apply to copying and distributing Project -Gutenberg-tm electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG-tm -concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark, -and may not be used if you charge for an eBook, except by following -the terms of the trademark license, including paying royalties for use -of the Project Gutenberg trademark. If you do not charge anything for -copies of this eBook, complying with the trademark license is very -easy. You may use this eBook for nearly any purpose such as creation -of derivative works, reports, performances and research. Project -Gutenberg eBooks may be modified and printed and given away--you may -do practically ANYTHING in the United States with eBooks not protected -by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the trademark -license, especially commercial redistribution. - -START: FULL LICENSE - -THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE -PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK - -To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free -distribution of electronic works, by using or distributing this work -(or any other work associated in any way with the phrase "Project -Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full -Project Gutenberg-tm License available with this file or online at -www.gutenberg.org/license. - -Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project -Gutenberg-tm electronic works - -1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm -electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to -and accept all the terms of this license and intellectual property -(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all -the terms of this agreement, you must cease using and return or -destroy all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your -possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a -Project Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound -by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the -person or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph -1.E.8. - -1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be -used on or associated in any way with an electronic work by people who -agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few -things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works -even without complying with the full terms of this agreement. See -paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project -Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this -agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm -electronic works. See paragraph 1.E below. - -1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the -Foundation" or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection -of Project Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual -works in the collection are in the public domain in the United -States. If an individual work is unprotected by copyright law in the -United States and you are located in the United States, we do not -claim a right to prevent you from copying, distributing, performing, -displaying or creating derivative works based on the work as long as -all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope -that you will support the Project Gutenberg-tm mission of promoting -free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg-tm -works in compliance with the terms of this agreement for keeping the -Project Gutenberg-tm name associated with the work. You can easily -comply with the terms of this agreement by keeping this work in the -same format with its attached full Project Gutenberg-tm License when -you share it without charge with others. - -1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern -what you can do with this work. Copyright laws in most countries are -in a constant state of change. If you are outside the United States, -check the laws of your country in addition to the terms of this -agreement before downloading, copying, displaying, performing, -distributing or creating derivative works based on this work or any -other Project Gutenberg-tm work. The Foundation makes no -representations concerning the copyright status of any work in any -country other than the United States. - -1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: - -1.E.1. The following sentence, with active links to, or other -immediate access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear -prominently whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work -on which the phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the -phrase "Project Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, -performed, viewed, copied or distributed: - - This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and - most other parts of the world at no cost and with almost no - restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it - under the terms of the Project Gutenberg License included with this - eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the - United States, you will have to check the laws of the country where - you are located before using this eBook. - -1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is -derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not -contain a notice indicating that it is posted with permission of the -copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in -the United States without paying any fees or charges. If you are -redistributing or providing access to a work with the phrase "Project -Gutenberg" associated with or appearing on the work, you must comply -either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or -obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg-tm -trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9. - -1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted -with the permission of the copyright holder, your use and distribution -must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any -additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms -will be linked to the Project Gutenberg-tm License for all works -posted with the permission of the copyright holder found at the -beginning of this work. - -1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm -License terms from this work, or any files containing a part of this -work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. - -1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this -electronic work, or any part of this electronic work, without -prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with -active links or immediate access to the full terms of the Project -Gutenberg-tm License. - -1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, -compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including -any word processing or hypertext form. However, if you provide access -to or distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format -other than "Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official -version posted on the official Project Gutenberg-tm website -(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense -to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means -of obtaining a copy upon request, of the work in its original "Plain -Vanilla ASCII" or other form. Any alternate format must include the -full Project Gutenberg-tm License as specified in paragraph 1.E.1. - -1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, -performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works -unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. - -1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing -access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works -provided that: - -* You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from - the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method - you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed - to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he has - agreed to donate royalties under this paragraph to the Project - Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid - within 60 days following each date on which you prepare (or are - legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty - payments should be clearly marked as such and sent to the Project - Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in - Section 4, "Information about donations to the Project Gutenberg - Literary Archive Foundation." - -* You provide a full refund of any money paid by a user who notifies - you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he - does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm - License. You must require such a user to return or destroy all - copies of the works possessed in a physical medium and discontinue - all use of and all access to other copies of Project Gutenberg-tm - works. - -* You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of - any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the - electronic work is discovered and reported to you within 90 days of - receipt of the work. - -* You comply with all other terms of this agreement for free - distribution of Project Gutenberg-tm works. - -1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project -Gutenberg-tm electronic work or group of works on different terms than -are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing -from the Project Gutenberg Literary Archive Foundation, the manager of -the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the Foundation as set -forth in Section 3 below. - -1.F. - -1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable -effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread -works not protected by U.S. copyright law in creating the Project -Gutenberg-tm collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm -electronic works, and the medium on which they may be stored, may -contain "Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate -or corrupt data, transcription errors, a copyright or other -intellectual property infringement, a defective or damaged disk or -other medium, a computer virus, or computer codes that damage or -cannot be read by your equipment. - -1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right -of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project -Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project -Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all -liability to you for damages, costs and expenses, including legal -fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT -LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE -PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE -TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE -LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR -INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH -DAMAGE. - -1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a -defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can -receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a -written explanation to the person you received the work from. If you -received the work on a physical medium, you must return the medium -with your written explanation. The person or entity that provided you -with the defective work may elect to provide a replacement copy in -lieu of a refund. If you received the work electronically, the person -or entity providing it to you may choose to give you a second -opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If -the second copy is also defective, you may demand a refund in writing -without further opportunities to fix the problem. - -1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth -in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO -OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT -LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. - -1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied -warranties or the exclusion or limitation of certain types of -damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement -violates the law of the state applicable to this agreement, the -agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or -limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or -unenforceability of any provision of this agreement shall not void the -remaining provisions. - -1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the -trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone -providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in -accordance with this agreement, and any volunteers associated with the -production, promotion and distribution of Project Gutenberg-tm -electronic works, harmless from all liability, costs and expenses, -including legal fees, that arise directly or indirectly from any of -the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this -or any Project Gutenberg-tm work, (b) alteration, modification, or -additions or deletions to any Project Gutenberg-tm work, and (c) any -Defect you cause. - -Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm - -Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of -electronic works in formats readable by the widest variety of -computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It -exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations -from people in all walks of life. - -Volunteers and financial support to provide volunteers with the -assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's -goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will -remain freely available for generations to come. In 2001, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure -and permanent future for Project Gutenberg-tm and future -generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see -Sections 3 and 4 and the Foundation information page at -www.gutenberg.org - -Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation - -The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non-profit -501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the -state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal -Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification -number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by -U.S. federal laws and your state's laws. - -The Foundation's business office is located at 809 North 1500 West, -Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up -to date contact information can be found at the Foundation's website -and official page at www.gutenberg.org/contact - -Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg -Literary Archive Foundation - -Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without -widespread public support and donations to carry out its mission of -increasing the number of public domain and licensed works that can be -freely distributed in machine-readable form accessible by the widest -array of equipment including outdated equipment. Many small donations -($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt -status with the IRS. - -The Foundation is committed to complying with the laws regulating -charities and charitable donations in all 50 states of the United -States. Compliance requirements are not uniform and it takes a -considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up -with these requirements. We do not solicit donations in locations -where we have not received written confirmation of compliance. To SEND -DONATIONS or determine the status of compliance for any particular -state visit www.gutenberg.org/donate - -While we cannot and do not solicit contributions from states where we -have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition -against accepting unsolicited donations from donors in such states who -approach us with offers to donate. - -International donations are gratefully accepted, but we cannot make -any statements concerning tax treatment of donations received from -outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. - -Please check the Project Gutenberg web pages for current donation -methods and addresses. Donations are accepted in a number of other -ways including checks, online payments and credit card donations. To -donate, please visit: www.gutenberg.org/donate - -Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic works - -Professor Michael S. Hart was the originator of the Project -Gutenberg-tm concept of a library of electronic works that could be -freely shared with anyone. For forty years, he produced and -distributed Project Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of -volunteer support. - -Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed -editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in -the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not -necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper -edition. - -Most people start at our website which has the main PG search -facility: www.gutenberg.org - -This website includes information about Project Gutenberg-tm, -including how to make donations to the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to -subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. diff --git a/old/66223-0.zip b/old/66223-0.zip Binary files differdeleted file mode 100644 index f3cb07b..0000000 --- a/old/66223-0.zip +++ /dev/null diff --git a/old/66223-h.zip b/old/66223-h.zip Binary files differdeleted file mode 100644 index 5212108..0000000 --- a/old/66223-h.zip +++ /dev/null diff --git a/old/66223-h/66223-h.htm b/old/66223-h/66223-h.htm deleted file mode 100644 index de29da2..0000000 --- a/old/66223-h/66223-h.htm +++ /dev/null @@ -1,11650 +0,0 @@ -<!DOCTYPE html -PUBLIC "-//W3C//DTD HTML 4.01 Transitional//EN" "http://www.w3.org/TR/html4/loose.dtd"> -<!-- This HTML file has been automatically generated from an XML source on 2021-09-05T20:16:38Z using SAXON HE 9.9.1.8 . --> -<html lang="nl"> -<head> -<meta http-equiv="Content-Type" content="text/html; charset=utf-8"> -<title>Waarheid en droomen</title> -<meta name="generator" content="tei2html.xsl, see https://github.com/jhellingman/tei2html"> -<meta name="author" content="Johannes Petrus Hasebroek (1812–1896)"> -<link rel="coverpage" href="images/new-cover.jpg"> -<link rel="schema.DC" href="http://dublincore.org/documents/1998/09/dces/"> -<meta name="DC.Creator" content="Johannes Petrus Hasebroek (1812–1896)"> -<meta name="DC.Title" content="Waarheid en droomen"> -<meta name="DC.Language" content="nl-1900"> -<meta name="DC.Format" content="text/html"> -<meta name="DC.Publisher" content="Project Gutenberg"> -<meta name="DC:Subject" content="#####"> -<style type="text/css"> /* <![CDATA[ */ -html { -line-height: 1.3; -} -body { -margin: 0; -} -main { -display: block; -} -h1 { -font-size: 2em; -margin: 0.67em 0; -} -hr { -height: 0; -overflow: visible; -} -pre { -font-family: monospace, monospace; -font-size: 1em; -} -a { -background-color: transparent; -} -abbr[title] { -border-bottom: none; -text-decoration: underline; -text-decoration: underline dotted; -} -b, strong { -font-weight: bolder; -} -code, kbd, samp { -font-family: monospace, monospace; -font-size: 1em; -} -small { -font-size: 80%; -} -sub, sup { -font-size: 67%; -line-height: 0; -position: relative; -vertical-align: baseline; -} -sub { -bottom: -0.25em; -} -sup { -top: -0.5em; -} -img { -border-style: none; -} -body { -font-family: serif; -font-size: 100%; -text-align: left; -margin-top: 2.4em; -} -div.front, div.body { -margin-bottom: 7.2em; -} -div.back { -margin-bottom: 2.4em; -} -.div0 { -margin-top: 7.2em; -margin-bottom: 7.2em; -} -.div1 { -margin-top: 5.6em; -margin-bottom: 5.6em; -} -.div2 { -margin-top: 4.8em; -margin-bottom: 4.8em; -} -.div3 { -margin-top: 3.6em; -margin-bottom: 3.6em; -} -.div4 { -margin-top: 2.4em; -margin-bottom: 2.4em; -} -.div5, .div6, .div7 { -margin-top: 1.44em; -margin-bottom: 1.44em; -} -.div0:last-child, .div1:last-child, .div2:last-child, .div3:last-child, -.div4:last-child, .div5:last-child, .div6:last-child, .div7:last-child { -margin-bottom: 0; -} -blockquote div.front, blockquote div.body, blockquote div.back { -margin-top: 0; -margin-bottom: 0; -} -.divBody .div1:first-child, .divBody .div2:first-child, .divBody .div3:first-child, .divBody .div4:first-child, -.divBody .div5:first-child, .divBody .div6:first-child, .divBody .div7:first-child { -margin-top: 0; -} -h1, h2, h3, h4, h5, h6, .h1, .h2, .h3, .h4, .h5, .h6 { -clear: both; -font-style: normal; -text-transform: none; -} -h3, .h3 { -font-size: 1.2em; -} -h3.label { -font-size: 1em; -margin-bottom: 0; -} -h4, .h4 { -font-size: 1em; -} -.alignleft { -text-align: left; -} -.alignright { -text-align: right; -} -.alignblock { -text-align: justify; -} -p.tb, hr.tb, .par.tb { -margin: 1.6em auto; -text-align: center; -} -p.argument, p.note, p.tocArgument, .par.argument, .par.note, .par.tocArgument { -font-size: 0.9em; -text-indent: 0; -} -p.argument, p.tocArgument, .par.argument, .par.tocArgument { -margin: 1.58em 10%; -} -td.tocDivNum { -vertical-align: top; -} -td.tocPageNum { -vertical-align: bottom; -} -.opener, .address { -margin-top: 1.6em; -margin-bottom: 1.6em; -} -.addrline { -margin-top: 0; -margin-bottom: 0; -} -.dateline { -margin-top: 1.6em; -margin-bottom: 1.6em; -text-align: right; -} -.salute { -margin-top: 1.6em; -margin-left: 3.58em; -text-indent: -2em; -} -.signed { -margin-top: 1.6em; -margin-left: 3.58em; -text-indent: -2em; -} -.epigraph { -font-size: 0.9em; -width: 60%; -margin-left: auto; -} -.epigraph span.bibl { -display: block; -text-align: right; -} -.trailer { -clear: both; -margin-top: 3.6em; -} -span.abbr, abbr { -white-space: nowrap; -} -span.parnum { -font-weight: bold; -} -span.corr, span.gap { -border-bottom: 1px dotted red; -} -span.num, span.trans, span.trans { -border-bottom: 1px dotted gray; -} -span.measure { -border-bottom: 1px dotted green; -} -.ex { -letter-spacing: 0.2em; -} -.sc { -font-variant: small-caps; -} -.asc { -font-variant: small-caps; -text-transform: lowercase; -} -.uc { -text-transform: uppercase; -} -.tt { -font-family: monospace; -} -.underline { -text-decoration: underline; -} -.overline, .overtilde { -text-decoration: overline; -} -.rm { -font-style: normal; -} -.red { -color: red; -} -hr { -clear: both; -border: none; -border-bottom: 1px solid black; -width: 45%; -margin-left: auto; -margin-right: auto; -margin-top: 1em; -text-align: center; -} -hr.dotted { -border-bottom: 2px dotted black; -} -hr.dashed { -border-bottom: 2px dashed black; -} -.aligncenter { -text-align: center; -} -h1, h2, .h1, .h2 { -font-size: 1.44em; -line-height: 1.5; -} -h1.label, h2.label { -font-size: 1.2em; -margin-bottom: 0; -} -h5, h6 { -font-size: 1em; -font-style: italic; -} -p, .par { -text-indent: 0; -} -p.firstlinecaps:first-line, .par.firstlinecaps:first-line { -text-transform: uppercase; -} -.hangq { -text-indent: -0.32em; -} -.hangqq { -text-indent: -0.42em; -} -.hangqqq { -text-indent: -0.84em; -} -p.dropcap:first-letter, .par.dropcap:first-letter { -float: left; -clear: left; -margin: 0 0.05em 0 0; -padding: 0; -line-height: 0.8; -font-size: 420%; -vertical-align: super; -} -blockquote, p.quote, div.blockquote, div.argument, .par.quote { -font-size: 0.9em; -margin: 1.58em 5%; -} -.pageNum a, a.noteRef:hover, a.pseudoNoteRef:hover, a.hidden:hover, a.hidden { -text-decoration: none; -} -.advertisement, .advertisements { -background-color: #FFFEE0; -border: black 1px dotted; -color: #000; -margin: 2em 5%; -padding: 1em; -} -.footnotes .body, .footnotes .div1 { -padding: 0; -} -.fnarrow { -color: #AAAAAA; -font-weight: bold; -text-decoration: none; -} -.fnarrow:hover, .fnreturn:hover { -color: #660000; -} -.fnreturn { -color: #AAAAAA; -font-size: 80%; -font-weight: bold; -text-decoration: none; -vertical-align: 0.25em; -} -a { -text-decoration: none; -} -a:hover { -text-decoration: underline; -background-color: #e9f5ff; -} -a.noteRef, a.pseudoNoteRef { -font-size: 67%; -line-height: 0; -position: relative; -vertical-align: baseline; -top: -0.5em; -text-decoration: none; -margin-left: 0.1em; -} -.displayfootnote { -display: none; -} -div.footnotes { -font-size: 80%; -margin-top: 1em; -padding: 0; -} -hr.fnsep { -margin-left: 0; -margin-right: 0; -text-align: left; -width: 25%; -} -p.footnote, .par.footnote { -margin-bottom: 0.5em; -margin-top: 0.5em; -} -p.footnote .fnlabel, .par.footnote .fnlabel { -float: left; -min-width: 1.0em; -margin-left: -0.1em; -padding-top: 0.9em; -padding-right: 0.4em; -} -.apparatusnote { -text-decoration: none; -} -table.tocList { -width: 100%; -margin-left: auto; -margin-right: auto; -border-width: 0; -border-collapse: collapse; -} -td.tocPageNum, td.tocDivNum { -text-align: right; -min-width: 10%; -border-width: 0; -white-space: nowrap; -} -td.tocDivNum { -padding-left: 0; -padding-right: 0.5em; -} -td.tocPageNum { -padding-left: 0.5em; -padding-right: 0; -} -td.tocDivTitle { -width: auto; -} -p.tocPart, .par.tocPart { -margin: 1.58em 0; -font-variant: small-caps; -} -p.tocChapter, .par.tocChapter { -margin: 1.58em 0; -} -p.tocSection, .par.tocSection { -margin: 0.7em 5%; -} -table.tocList td { -vertical-align: top; -} -table.tocList td.tocPageNum { -vertical-align: bottom; -} -table.inner { -display: inline-table; -border-collapse: collapse; -width: 100%; -} -td.itemNum { -text-align: right; -min-width: 5%; -padding-right: 0.8em; -} -td.innerContainer { -padding: 0; -margin: 0; -} -.index { -font-size: 80%; -} -.index p { -text-indent: -1em; -margin-left: 1em; -} -.indexToc { -text-align: center; -} -.transcriberNote { -background-color: #DDE; -border: black 1px dotted; -color: #000; -font-family: sans-serif; -font-size: 80%; -margin: 2em 5%; -padding: 1em; -} -.missingTarget { -text-decoration: line-through; -color: red; -} -.correctionTable { -width: 75%; -} -.width20 { -width: 20%; -} -.width40 { -width: 40%; -} -p.smallprint, li.smallprint, .par.smallprint { -color: #666666; -font-size: 80%; -} -span.musictime { -vertical-align: middle; -display: inline-block; -text-align: center; -} -span.musictime, span.musictime span.top, span.musictime span.bottom { -padding: 1px 0.5px; -font-size: xx-small; -font-weight: bold; -line-height: 0.7em; -} -span.musictime span.bottom { -display: block; -} -ul { -list-style-type: none; -} -.splitListTable { -margin-left: 0; -} -.numberedItem { -text-indent: -3em; -margin-left: 3em; -} -.numberedItem .itemNumber { -float: left; -position: relative; -left: -3.5em; -width: 3em; -display: inline-block; -text-align: right; -} -.itemGroupTable { -border-collapse: collapse; -margin-left: 0; -} -.itemGroupTable td { -padding: 0; -margin: 0; -vertical-align: middle; -} -.itemGroupBrace { -padding: 0 0.5em !important; -} -.titlePage { -border: #DDDDDD 2px solid; -margin: 3em 0 7em 0; -padding: 5em 10% 6em 10%; -text-align: center; -} -.titlePage .docTitle { -line-height: 1.7; -margin: 2em 0 2em 0; -font-weight: bold; -} -.titlePage .docTitle .mainTitle { -font-size: 1.8em; -} -.titlePage .docTitle .subTitle, .titlePage .docTitle .seriesTitle, -.titlePage .docTitle .volumeTitle { -font-size: 1.44em; -} -.titlePage .byline { -margin: 2em 0 2em 0; -font-size: 1.2em; -line-height: 1.5; -} -.titlePage .byline .docAuthor { -font-size: 1.2em; -font-weight: bold; -} -.titlePage .figure { -margin: 2em auto; -} -.titlePage .docImprint { -margin: 4em 0 0 0; -font-size: 1.2em; -line-height: 1.5; -} -.titlePage .docImprint .docDate { -font-size: 1.2em; -font-weight: bold; -} -div.figure { -text-align: center; -} -.figure { -margin-left: auto; -margin-right: auto; -} -.floatLeft { -float: left; -margin: 10px 10px 10px 0; -} -.floatRight { -float: right; -margin: 10px 0 10px 10px; -} -p.figureHead, .par.figureHead { -font-size: 100%; -text-align: center; -} -.figAnnotation { -font-size: 80%; -position: relative; -margin: 0 auto; -} -.figTopLeft, .figBottomLeft { -float: left; -} -.figTopRight, .figBottomRight { -float: right; -} -.figure p, .figure .par { -font-size: 80%; -margin-top: 0; -text-align: center; -} -img { -border-width: 0; -} -td.galleryFigure { -text-align: center; -vertical-align: middle; -} -td.galleryCaption { -text-align: center; -vertical-align: top; -} -.lgouter { -margin-left: auto; -margin-right: auto; -display: table; -} -.lg { -text-align: left; -padding: .5em 0 .5em 0; -} -.lg h4, .lgouter h4 { -font-weight: normal; -} -.lg .lineNum, .sp .lineNum, .lgouter .lineNum { -color: #777; -font-size: 90%; -left: 16%; -margin: 0; -position: absolute; -text-align: center; -text-indent: 0; -top: auto; -width: 1.75em; -} -p.line, .par.line { -margin: 0 0 0 0; -} -span.hemistich { -visibility: hidden; -} -.verseNum { -font-weight: bold; -} -.speaker { -font-weight: bold; -margin-bottom: 0.4em; -} -.sp .line { -margin: 0 10%; -text-align: left; -} -.castlist, .castitem { -list-style-type: none; -} -.castGroupTable { -border-collapse: collapse; -margin-left: 0; -} -.castGroupTable td { -padding: 0; -margin: 0; -vertical-align: middle; -} -.castGroupBrace { -padding: 0 0.5em !important; -} -body { -padding: 1.58em 16%; -} -.pageNum { -display: inline; -font-size: 70%; -font-style: normal; -margin: 0; -padding: 0; -position: absolute; -right: 1%; -text-align: right; -} -.marginnote { -font-size: 0.8em; -height: 0; -left: 1%; -position: absolute; -text-indent: 0; -width: 14%; -text-align: left; -} -.right-marginnote { -font-size: 0.8em; -height: 0; -right: 3%; -position: absolute; -text-indent: 0; -text-align: right; -width: 11% -} -.cut-in-left-note { -font-size: 0.8em; -left: 1%; -float: left; -text-indent: 0; -width: 14%; -text-align: left; -padding: 0.8em 0.8em 0.8em 0; -} -.cut-in-right-note { -font-size: 0.8em; -left: 1%; -float: right; -text-indent: 0; -width: 14%; -text-align: right; -padding: 0.8em 0 0.8em 0.8em; -} -span.tocPageNum, span.flushright { -position: absolute; -right: 16%; -top: auto; -text-indent: 0; -} -.pglink::after { -content: "\0000A0\01F4D8"; -font-size: 80%; -font-style: normal; -font-weight: normal; -} -.catlink::after { -content: "\0000A0\01F4C7"; -font-size: 80%; -font-style: normal; -font-weight: normal; -} -.exlink::after, .wplink::after, .biblink::after, .qurlink::after, .seclink::after { -content: "\0000A0\002197\00FE0F"; -color: blue; -font-size: 80%; -font-style: normal; -font-weight: normal; -} -.pglink:hover { -background-color: #DCFFDC; -} -.catlink:hover { -background-color: #FFFFDC; -} -.exlink:hover, .wplink:hover, .biblink:hover, .qurlink:hover { -background-color: #FFDCDC; -} -body { -background: #FFFFFF; -font-family: serif; -} -body, a.hidden { -color: black; -} -h1, h2, .h1, .h2 { -text-align: center; -font-variant: small-caps; -font-weight: normal; -} -p.byline { -text-align: center; -font-style: italic; -margin-bottom: 2em; -} -.div2 p.byline, .div3 p.byline, .div4 p.byline, .div5 p.byline, .div6 p.byline, .div7 p.byline { -text-align: left; -} -.figureHead, .noteRef, .pseudoNoteRef, .marginnote, .right-marginnote, p.legend, .verseNum { -color: #660000; -} -.rightnote, .pageNum, .lineNum, .pageNum a { -color: #AAAAAA; -} -a.hidden:hover, a.noteRef:hover, a.pseudoNoteRef:hover { -color: red; -} -h1, h2, h3, h4, h5, h6 { -font-weight: normal; -} -table { -margin-left: auto; -margin-right: auto; -} -.tablecaption { -text-align: center; -} -.arab { font-family: Scheherazade, serif; } -.aran { font-family: 'Awami Nastaliq', serif; } -.grek { font-family: 'Charis SIL', serif; } -.hebr { font-family: Shlomo, 'Ezra SIL', serif; } -.syrc { font-family: 'Serto Jerusalem', serif; } -/* CSS rules generated from @rend attributes in TEI file */ -.cover-imagewidth { -width:480px; -} -.xd31e102 { -text-align:center; font-size:large; -} -.titlepage-imagewidth { -width:475px; -} -.xd31e144 { -text-align:right; -} -.xd31e168 { -text-indent:10em; -} -.xd31e331 { -text-align:center; -} -.xd31e490 { -text-indent:2em; -} -.xd31e601 { -text-indent:4em; -} -.xd31e1875 { -text-indent:8em; -} -.xd31e6673 { -text-indent:6em; -} -@media handheld { -} -/* ]]> */ </style> -</head> -<body> - -<div style='text-align:center; font-size:1.2em; font-weight:bold'>The Project Gutenberg eBook of Waarheid en droomen, by Johannes Petrus Hasebroek</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and -most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions -whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms -of the Project Gutenberg License included with this eBook or online -at <a href="https://www.gutenberg.org">www.gutenberg.org</a>. If you -are not located in the United States, you will have to check the laws of the -country where you are located before using this eBook. -</div> - -<p style='display:block; margin-top:1em; margin-bottom:1em; margin-left:2em; text-indent:-2em'>Title: Waarheid en droomen</p> - -<div style='display:block; margin-top:1em; margin-bottom:1em; margin-left:2em; text-indent:-2em'>Author: Johannes Petrus Hasebroek</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'>Release Date: September 5, 2021 [eBook #66223]</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'>Language: Dutch</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'>Character set encoding: UTF-8</div> - -<div style='display:block; margin-left:2em; text-indent:-2em'>Produced by: Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading Team at https://www.pgdp.net/ for Project Gutenberg (This book was produced from scanned images of public domain material from the Google Books project.)</div> - -<div style='margin-top:2em; margin-bottom:4em'>*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK WAARHEID EN DROOMEN ***</div> -<div class="front"> -<div class="div1 cover"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody"> -<p class="first"></p> -<div class="figure cover-imagewidth"><img src="images/new-cover.jpg" alt="Nieuw ontworpen voorkant." width="480" height="720"></div><p> -</p> -</div> -</div> -<div class="div1 frenchtitle"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody"> -<p class="first xd31e102">WAARHEID EN DROOMEN. -</p> -</div> -</div> -<div class="div1 titlepage"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody"> -<p class="first"></p> -<div class="figure titlepage-imagewidth"><img src="images/titlepage.png" alt="Oorspronkelijke titelpagina." width="475" height="720"></div><p> -</p> -</div> -</div> -<div class="titlePage"> -<div class="docTitle"> -<div class="mainTitle">WAARHEID EN DROOMEN,</div> -</div> -<div class="byline">DOOR -<br><span class="docAuthor">JONATHAN.</span> </div> -<div class="byline"> -</div> -<div class="docImprint">Vijfde, <span class="corr" id="xd31e123" title="Bron: op nieuw">opnieuw</span> vermeerderde druk. -<br>LEIDEN, <br>E. J. BRILL. <br><span class="docDate">1872.</span> </div> -</div> -<p></p> -<div class="div1 epigraph"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody"> -<p class="first"><span class="trans" title="Houtos men panaristos, hos hautō panta noēsei."><span lang="grc" class="grek">Οὑτος μὲν πανάριστος, ὅς αὑτῷ πάντα νοήσει.</span></span> -</p> -<p class="xd31e144">HESIODUS. -<span class="pageNum" id="pb.v">[<a href="#pb.v">V</a>]</span> </p> -</div> -</div> -<div class="div1 preface"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="main">VOORBERICHT.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Gelijk ieder boek, dat het licht ziet, hebben ook de hierna volgende bladen, die bij -dezen den lezer op nieuw worden aangeboden, hunne eigen geschiedenis. -</p> -<p>Onopzettelijker en met minder bepaald plan om als een afzonderlijk, zelfstandig, deftig -boek, op eigen beenen, de wereld der openbaarheid in te treden, is wel zelden eenige -letter-arbeid zijne wandeling onder de menschen begonnen. Het was een tweetal vrienden, -die, tot mijne en veler vreugde, nog thans de eer en de trots der vaderlandsche letterkunde -zijn, welke tot het ontstaan van de eerste hier voorkomende Schets aanleiding gaven. -Het was eenigszins als bij wijze van een dichterlijk spel, dat die bladzijden ten -papiere werden gebracht, om het bloemenkorfje van de bekoorlijke, helaas, te vroeg -gestorven <i>Tesselschade</i> te helpen vullen en versieren. Dat de verzamelaar van dien bloemruiker het eenvoudige -bloemeke uit de hand des vriends niet afwees, liet zich verstaan en verklaren. Maar -dat het groote Publiek gunstig genoeg geluimd was, niet alleen om deze geringe veldbloem -welwillend aan en op te nemen, maar haar ook een blijvende plaats in zijn kamertuin -te geven, was meer, oneindig meer, dan men zich had beloofd. Was het wonder, dat men, -ziende welk een onthaal die soort van gewas vond, er meer opzettelijk werk van begon -te maken en met dat doel een kleine kweekerij werd aangelegd? -</p> -<p>Met de voorspoedig ontluikende spruiten van dien hof werden nu van tijd tot tijd ook -andere bloemkorven voorzien. Niet alleen de kunst-keurige <i>Tesselschade</i>, ook de klassieke <i>Gids</i>, de <i>Gids</i>, zooals <span class="sc">De Génestet</span> zingt: -<span class="pageNum" id="pb.vi">[<a href="#pb.vi">VI</a>]</span></p> -<div class="lgouter"> -<p class="line xd31e168">in lang vervlogen dagen, </p> -<p class="line">Eer in zijn hart, verflauwd voor Letteren en Kunst, </p> -<p class="line">Hebreeuwsch en politiek, ach, stegen in de gunst, </p> -</div> -<p class="first">ook het toen nog zoo populaire en veelgelezen <i>Leeskabinet</i>, ook de eens zoo bloeiende, maar spoedig uitgebloeide <i>Nederlandsche Maatschappij van schoone kunsten</i> hadden voor haar een plaatsje over. Zoo ontstond van lieverlede eene gansche verzameling, -die, hoewel altoos niet groot, toch na eenigen tijd groot genoeg geworden was, om -voor zich in den Nederlandschen letterhof een eigen plek te vragen. Onder den algemeenen -titel van <i>Waarheid en droomen</i> door <span class="sc">Jonathan</span>, kwam in 1840 de eerste uitgave der bijeenvergaderde Schetsen in het licht. -</p> -<p>De opname was zoo ongedacht gunstig, dat nog in hetzelfde jaar een tweede oplage noodig -werd. In 1846 volgde een derde, in 1856 een vierde uitgave, en nu, in 1872, verschijnt -bij dezen een vijfde, weder op nieuw vermeerderde druk. -</p> -<p>Vermeerderd—waarom? -</p> -<p>Ik zal eerlijk opbiechten. Ik voor mij zou daartoe uit eigen beweging wel niet gekomen -zijn. Maar in die dagen was de oorspronkelijke uitgever van de Jonathaniana, mijn -wakkere, bekwame en achtenswaardige vriend <span class="sc">Pieter François Bohn</span> nog in het land der levenden. Hij verraste mij met de aankondiging, dat een nieuwe -oplage van de Waarheid en Droomen noodig was geworden, en dat ook werkelijk bij hem -het plan bestond om daartoe eerlang over te gaan. Maar hij voegde bij die mededeeling, -zonder er juist een voorwaarde van te maken, toch een dringenden wensch, dat er aan -de oorspronkelijke verzameling althans een enkele nieuwe Schets mocht worden toegevoegd, -die daaraan als een zeker waas en geur van verschheid en frischheid geven zou. Had -ik recht, of onrecht, voor dien aandrang te bezwijken? Ik weet het niet. Misschien -had ik beter gedaan, ook hier den bekenden rechtsregel te gedenken: <i lang="la">Non bis in idem</i>. Misschien was het al te laat in ’t jaar geworden, om nog op een groen Sint-Jans-lot -te hopen. Misschien doet de oude man beter, om met zijn roestig geworden stem het -liedje van vroeger dagen niet nog eens op nieuw te willen opneuriën … Wat baat het -alles? Ik was, ondanks dit alles, zwak genoeg toe te geven. De nieuwe Schets werd -geschreven, en onder <span class="pageNum" id="pb.vii">[<a href="#pb.vii">VII</a>]</span>het opschrift: <i>Een afscheidsbezoek in 1871</i> aan de overige verzameling toegevoegd. -</p> -<p>En zoo geef ik hierbij den geheelen bundel, gelijk hij nu is ingericht, den goedgunstigen -lezer over. Ik doe het echter met een gemengd gevoel. Het is als zag ik een rouwrand -om den titel. Er bestaat een populair rijmpje: -</p> -<div class="lgouter"> -<p class="line">Het boompje groot; </p> -<p class="line">De planter dood. </p> -</div> -<p class="first">Dit komt mij nu als van zelf voor den geest, bij den blik op deze afgedrukte bladen, -wier oorspronkelijke uitgever ook dit deel zijns werks met zooveel wakkerheid aanvatte, -maar het niet ten einde brengen mocht. Hij heeft zelfs de nieuwe Schets, tot wier -vervaardiging hij den stoot gaf, niet eens gezien! Een <i>memento</i> meer bij zoovele anderen, waarvan de volgende bladen spreken. Ik betreur dit overlijden, -niet zoo zeer om het boek, dat nu toch op zijn tijd behoorlijk in de wereld komt, -als om den Vriend, met wien mij een langdurig verkeer op de hartelijkste wijze verbond. -Aan zijn hand verscheen ik, met mijn Rijm en Onrijm beide, het eerst voor het groot -Publiek; toen, en later, dankte ik aan hem menigen nuttigen wenk, die getuigde van -zijn helder hoofd, gezond hart en goeden smaak.—Ik werp dus, in deze eenvoudige mededeeling, -een bloem van hulde en erkentenis op zijn pasgesloten graf. Ik weet, dat ik, zoo doende, -niet alleen voor mij zei ven, maar ook uit naam van meer anderen spreke, die erkennen -zullen, aan de medewerking van den bekwamen en ijverigen Uitgever hunner werken geen -mindere verplichting te hebben, dan ik gevoel hem schuldig te zijn—en te willen blijven. -</p> -<p>En nu ik eens den voet op dit gebied der herinnering gezet heb, hoevele liefelijke -beelden uit het verleden verrijzen daarbij voor mijnen geest! -</p> -<p>Een mensch kan twee levens leven: een historisch, reëel, en een literarisch leven—een -leven, ook hier, van <i>Waarheid</i> en van <i>Droomen</i>, als gij wilt. Het eerste is zeker in menig opzicht het belangrijkste, het ware, -het eigenlijke leven; maar ook het tweede heeft, naast en in het eerste, zijne eigen -beteekenis en waardij. Maar nu, met het <span class="pageNum" id="pb.viii">[<a href="#pb.viii">VIII</a>]</span>oog daarop, kan <span class="sc">Jonathan</span> niet dan met groote dankbaarheid erkennen, dat, terwijl zijn werkelijk leven, als -ieder weefsel der Schikgodinnen, zijn gemengde witte en zwarte draden gehad heeft, -de webbe van zijn letterkundig leven schier niet dan enkel witte draden bevat. Hoeveel -vrienden heeft hij op zijne omwandeling, nu reeds aanvankelijk onder een tweede geslacht, -gevonden en behouden! En daarentegen, hoe weinig harde beoordeeling of behandeling -heeft hij … ja, heeft hij daarvan ooit wel iets ondervonden? Hij kan het zich niet -herinneren. Kon hij aan deze Schetsen een verhaal van zijne ervaringen op dit punt -toevoegen!… maar dat behoort in het Geheime Dagboek, dat niet onder vreemde oogen -komt. Waartoe dan de vermelding? Alleen uit een gevoel van dankbaarheid jegens de -zachte lucht, die zijn zwak en teer gewas tot nu toe in ’t leven heeft gehouden, en -het nu weer, als eene vernieuwing des levens, een nieuwen bloeitijd gunt. Moge ook -later die lucht even zacht blijven. De heerlijke Juli-zon van dit jaar, schijnende -over het bekoorlijke Dal aan de oevers van de Vesdre, nabij de wellen der <i>Warme-Bron</i>,<a class="noteRef" id="xd31e221src" href="#xd31e221">1</a> waar ik deze regelen nederschrijve, schijnt mij daarvoor een goed en veelbelovend -voorteeken te wezen. Moge dit voorteeken niet liegen. In die hoop, ga dan, mijn bloemeke, -en bloei, en geur, zoolang uw zomerdag duurt, en breng met dezen uwen geur aan allen, -die u welkom heeten en in liefde ontvangen, den heilwensen van uwen kweeker over in -het ouderwetsche, maar hartelijk gemeende woord, dat ik zoo vaak als een devies op -een breekbare gave der erkentenis en der liefde las: Wandel op rozen en—vergeet mij -niet! -</p> -<p class="dateline">Juli 1872. -</p> -<p class="signed">JONATHAN. -<span class="pageNum" id="pb1">[<a href="#pb1">1</a>]</span> </p> -</div> -<div class="footnotes"> -<hr class="fnsep"> -<div class="footnote-body"> -<div id="xd31e221"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e221src">1</a></span> Chaudfontaine. <a class="fnarrow" href="#xd31e221src" title="Ga terug naar noot 1 in tekst.">↑</a></p> -</div> -</div> -</div> -</div> -</div> -<div class="body"> -<div id="ch1" class="div1 story"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e7130">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="main">DE HAARLEMSCHE COURANT.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">„Hebt gij den brievenpost reeds gehoord?” -</p> -<p>Dit is driemaal ’s weeks mijn eerste vraag, als ik den voet buiten mijn slaapkamer -zet, om te gaan ontbijten. -</p> -<p>En waarom, meent gij? -</p> -<p>Omdat ik belangrijke handelsberichten verwacht?—Gij vergist u. Ik heb met geen koopman -ter wereld iets uitstaande, als gij den makelaar, die mijne weinige effecten, <i lang="la">rara folia</i>, beheert, en den Amsterdamschen tabakskooper, die mij maandelijks mijn varinas zendt, -uitzondert. -</p> -<p>Omdat ik een brief van teederen aard te gemoet zie?—Nog minder. Ik ben een oud vrijer, -en heb in die soort van correspondentie niets meer te verwachten, sedert ik het kleine -bundeltje, dat ik vroeger op mijn hart droeg, met een rozerood lint omwonden en met -een hieroglyphisch cachet verzegeld, in een verborgen lade van mijn secretaire sloot. -</p> -<p>Omdat ik naar een brief met zwarte randen uitkijk, die mij de testamentaire dispositie -van een rijken oudoom berichten moet?—Gelukkig niet. Ik heb het voorrecht, den laatsten, -wiens overlijden mij voordeel kon aanbrengen, te hebben zien sterven. Nu ben ik verlost -van dat onaangenaam gevoel van kwade begeerlijkheid, dat het gezicht van een gegoeden -en ongehuwden bloedverwant altijd in mij opwekte; een gevoel, niet ongelijk aan den -zelfstrijd van den arme, die er niet buiten kan, zijn gemest ooilam met beluste oogen -aan te zien. -</p> -<p>Ik zie wel, ge zult het niet raden. Welnu! die vraag ontstaat uit ongeduldig verlangen -naar de Haarlemsche Courant. -</p> -<p>Naar de Haarlemsche Courant? -</p> -<p>Ja, lezer! maar niet geheel om dezelfde reden, waarom gij er denkelijk naar verlangt. -Mij dunkt, ik zie u, zoo als gij haar vrij onverschillig in de hand neemt, eerst de -advertentiën doorloopt, en tot de tegen u <span class="pageNum" id="pb2">[<a href="#pb2">2</a>]</span>overzittende dame het woord richt: „Mevrouw A. heeft eene dochter. <span class="sc">Jack</span> is ridder geworden. De advokaat B. is dood,” enz. De advertentiën doorgelezen hebbende, -gaat gij, achterwaarts opklimmende, tot het staatkundige nieuws over, zoekt bij voorkeur -de opgave van brand, stormen en landziekten op, en eindigt met een vluchtigen blik -op de verschillende aankondigingen te werpen. Eindelijk legt ge geeuwende het blad -uit de handen, en reikt het uwe vrouw of zuster toe, met het vonnis: -</p> -<p>„Heden niets nieuws.” -</p> -<p>Geheel anders gaat het bij mij toe. Als mijn getrouwe huiszorg mij verzekerd heeft, -dat het blad van <span class="sc">Enschedé</span> met den post is aangekomen, treed ik met een genoegelijk gezicht in de ontbijtkamer. -De courant, zoo als zij, nog nat van de pers, en door geene ongewijde aanraking gekreukt, -naast mijn bord op tafel ligt, lacht mij reeds bij het binnenkomen toe. Ik sla er -echter geen hand aan, voordat ik eerst de thee gezet heb; zelfs ligt in dat uitstel -voor mij een soort van weelde, zoodat ik mij wel wacht, mij bij dit werk te overhaasten. -Eindelijk ben ik met mijn toestel gereed. Na mijn eerste geurige kopje met langzame -teugen te hebben opgeslurpt, vat ik met eerbiedige vingers de belangrijke bladen aan. -<span class="sc">Strauss</span> zegt ergens, dat er iets karakteristieks lag in de wijze, waarop zijn vader den Bijbel -na het lezen toesloeg; mij dunkt, die mij de Haarlemsche Courant ziet openvouwen, -moet insgelijks iets bemerken van de hooge ingenomenheid, die ik voor haar gevoel. -Daar ligt nu de breede vlakte wellustig voor mij uitgespreid. Ik begin—met het begin. -Zelfs het opschrift trekt somwijlen mijne aandacht. -</p> -<p><i>Opregte</i> ***<i>dagsche Haarlemsche Courant</i>. Welk een oude, deftige naam! Het blad krijgt er het voorkomen van een klassiek gedenkstuk -door, als ware het een nieuwe <i lang="fr">livraison</i> van eene altijd doorloopende historische en statistische encyclopedie. Dan denk ik -er aan, hoe vele jaren het nieuws van den dag zich onder dezen vorm bij onze voorouders -heeft aangemeld, en ik heb eerbied voor dien trek van gehechtheid aan het oude, zoo -hemelsbreed verschillende van de veranderziekte der overige natiën, bij wie het eene -journaal het andere verdringt, naarmate de verschillende partijen rijzen of dalen. -Niet aldus bij ons. In de Haarlemsche Courant is reeds de dood mijns vaders en van -den vader mijns vaders op gelijke wijze aangekondigd geworden. Zij bevat de gansche -geschiedenis van mijn geslacht; zij zou voor mij het eerste blad uit mijn <span class="corr" id="xd31e270" title="Bron: folioStatenbijbel">folio Statenbijbel</span> kunnen vervangen, waarin wij van ouder tot ouder gewoon zijn onze donkere en heldere -dagen aan te teekenen. Waarlijk, er is iets plechtigs in de onafgewisselde eentoonigheid -van dit nieuwspapier. Ieder dag levert daaraan zijn vast contingent van bulletins, -geboortecedels en sterflijsten. Een louter staatkundig blad moge somtijds gebrek aan -stoffe hebben, de Haarlemsche Courant nooit. Zij vervolgt altijd even zeker, even -kort en treffend de geschiedenis, door de hand van den eersten Historiograaf aangevangen: -„Ende <span class="sc">Adam</span> gewan <span class="sc">Seth</span>, ende hy stierf; ende <span class="sc">Seth</span> gewan <span class="sc">Enos</span>, ende hy stierf.” En als ik aan de geslachten denk, welke deze bode des doods, <span class="pageNum" id="pb3">[<a href="#pb3">3</a>]</span>even koel als de dood zelf, heeft zien voorbijgaan, dan zoekt mijn oog naar het plaatsje, -dat ik welhaast in het zwart register zal innemen; dan vraag ik mijzelven af, wie -bij mijn overlijden de lijkklacht zal aanheffen; met welk gevoel mijne bekenden het -blad uit de hand zullen leggen, waarin mijn naam voor de jongste maal voorkomt, en -welke geschiedenis de Courant—of, dat hetzelfde is, de hand Gods van mijn geslacht -zal schrijven, tot den dag toe, dat er niemand meer over is, om het doodsbericht van -mijnen laatsten naneef te onderteekenen, dan de onverschillige executeur. Zie, zulke -gedachten verwekt somwijlen bij mij het gezicht van dat onveranderlijk opschrift: -<i>Opregte Haarlemsche Courant</i>. -</p> -<p>Ik ga voort, en neem kennis van de historische en politieke berichten, die mij worden -medegedeeld: even als ieder ander, heb ik hier mijne artikelen, waarop bij voorkeur -mijn oog valt. Curiositeiten liggen geheel buiten den kring van mijnen smaak. Ook -sla ik altijd de eeuwigdurende twisten der wetgevende kamers over. Om er rond voor -uit te komen, die nietigheden zijn mij te nietig. Ik houd mij liever bij grooter gebeurtenissen -en personen op; daaronder voel ik mijn hart opgeheven; daarbij denk ik: „<span lang="nl">Waerom woeden de Heydenen, ende bedencken de volckeren ydelheyt? De koninghen der -aerde stellen sich op, ende de vorsten beraetslaghen te samen teghen den <span class="sc">Heere</span> ende teghen sijnen Gesalfden, seggende: Laet ons hare banden verscheuren ende hare -touwen van ons werpen. Die in den Hemel woont, sal lachen; de Heere sal ze bespotten.</span>”—O, wie met een vroom oog leest, kan in de Haarlemsche Courant een vervolg op de -boeken der heilige Profeten vinden. Of schrijft zij niet, even als de oirkonden des -O. T., de geschiedenis der Voorzienigheid? Leert zij niet tastbaar: „<span lang="nl">De volckeren sijn geacht als een druppel van eenen eemer en als een stofken van de -weeghschale. Des Konincx herte is in de hant des Heeren als waterbeken: hy neyght -het tot al dat hy wil.</span>”—En als gij <i>hier</i> tusschen de puinhoopen van vervallen grootheid, en <i>daar</i> in de schaduw van nieuwgebouwde muren wandelt, herkent gij daar den vinger Gods niet -in, die, sedert de tijden van <i>Babels</i> torenbouw, niet <span class="corr" id="xd31e308" title="Bron: opghouden">opgehouden</span> heeft trotsche hoogten te vernederen en lage vlakten te verheffen? Ja, al zoudt gij -mij van zonderlingheid verdenken, ik moet er voor uitkomen, dat die onedele en platte -stijl, waarin de courantier zijne berichten schrijft, en die zulk een treffend contrast -vormt met het indrukwekkende en leerzame van den inhoud, voor mij zijne grillige bekoorlijkheid -heeft. Dit is ook een soort van schat in aarden vaten: een profetie, gepredikt door -een, die zwaar van mond en zwaar van tong is; een pijl, door den Syriër in zijne eenvoudigheid -geschoten. In allen gevalle verkies ik de verzwegen lessen van de Haarlemmer nieuwsberichten -verre boven menige verhandeling „over de wegen der Voorzienigheid in deze of gene -omwenteling.” Hier hebt gij de waarheid in hare eenvoudige gedaante, zonder dat zij -de moeite neemt te zeggen: „Hier ben ik!” Hier hebt ge een prediker van Gods Voorzienigheid, -even ongedwongen, en daarom even onwedersprekelijk, als de gebanvloekte steen van -Babels puinhoopen, <span class="pageNum" id="pb4">[<a href="#pb4">4</a>]</span>waarop gij in geheimzinnige letteren leest: <span lang="he" class="hebr">חיה יהוה</span> (<span class="sc">Jehovah leeft</span>). -</p> -<p>Ik kan u niet alles mededeelen, wat ik al bij die politieke berichten denk en gevoel. -Dit evenwel zal ik u niet behoeven te zeggen, dat mijn oog, moede van het dwalen over -de wereldkaart, altijd weder met liefde op dat kleine plekje valt, waarop beide, de -Haarlemsche Courant en haar lezer, geboren werden. Het is waar, op dit punt zijn de -berichten altijd het karigst en onbelangrijkst. Maar weet ik dan niet, dat juist dit -een zegen op zichzelven is, daar het met de natiën gaat als met bijzondere personen, -die er te beter om varen, hoe minder men van hen spreekt. <i lang="la">Felix qui bene latuit.</i> O mijn lievelingsplekje in mijn lievelings-dagblad! blijf nog lang zoo klein van -omvang, zoo arm van inhoud; des te beter zult gij een eigen hoekje in de nieuwspapieren -bewaren, dat men u eens zoo wreed ontnomen heeft. -</p> -<p>Zoo nader ik tot de huwelijksberichten. Een leelijk artikel voor een oud vrijer. Het -is of mijn gezicht altijd eenigszins betrekt, als ik dat tergende <i>getrouwd—getrouwd—getrouwd</i>—onder de oogen krijg. Ach, daar was eens een vooruitzicht, lezer, dat gij er ook -eene advertentie zoudt hebben aangetroffen: -</p> -<p><i>Getrouwd</i>: -</p> -<p class="xd31e331"><span class="sc">Jonathan</span> *** -</p> -<p class="xd31e331"><i>en</i> -</p> -<p class="xd31e331"><span class="sc">Betsy</span> *** -</p> -<p>Maar nu heeft schrijver dezes al zijn hoop gevestigd op eenen anderen staat, waar -geen register van den burgerlijken stand en geene Haarlemsche Courant meer zijn, waarvan -hij gelooft: „<span lang="nl">In de opstandinghe en nemen sy niet ten houwelicke, noch en worden niet ten houwelicke -uytgegheven, maer sy sijn als Engelen Godts in den hemel.</span>” Vraag mij niet hoe die advertentie mislukte; het zij u genoeg, dat ik zoo ver gekomen -ben, om nimmer met tegenzin in de geboorteberichten te lezen: -</p> -<p><i>Heden beviel van eene dochter</i> <span class="sc">Betsy</span> ***, <i>geliefde echtgenoote van</i>—van—een ander dan <span class="sc">Jonathan</span>. -</p> -<p>Integendeel, de dag, als het nieuwspapier zulk een bericht inhoudt, is voor mij een -feestdag. Dan laat ik mijne oude dienstmaagd, hoe vreemd zij mij ook aanzie, altijd -een kopje kandeel voor mij gereed maken, en ’s avonds gedenk ik een mensch meer in -mijn gebed. -</p> -<p>Overigens ben ik echter altijd een weinig gevoelig, als ik aan dat hatelijke punt -van voltrokken huwelijken kom, en de drommel weet hoe het komt, dat ik dan meermalen -de Courant moet neêrleggen, om mijn brilleglas af te vegen. Dan denk ik soms bij mij -zelven: „Wat staat dat hier kort en koel: <i>getrouwd</i>, en dat van eene plechtigheid, waarbij zoovele hartstochten in het spel zijn! Hoe -menig heeft hier in dat woord zijne aardsche zaligheid uitgesproken! maar ook van -hoe vele jammervolle geschiedenissen staan hier de eerste letteren.” Dan <span class="pageNum" id="pb5">[<a href="#pb5">5</a>]</span>hecht ik in mijne gedachten aan dien enkelen draad een lang zwart weefsel van ongeluk -en lijden, tot ik, met een lach over mijne onnoozelheid, de hand in het rag mijner -verbeelding sla. Somtijds roep ik mij ook het liefelijke beeld der bruiden voor den -geest; dan zie ik ze, die aanvallige schepselen, die alle schoon zijn door de schoonheid -des genoegens, en alle rijk door den rijkdom des geluks. Evenwel vergeet ik nooit -haar onderling lot te vergelijken, dat zich vooral in den tijd eener feestviering -zoo scherp afteekent. Hier zie ik er eene in een wit neteldoeksch kleedje, met een -bloemtakje op de borst, door weinige hartelijke vrienden omgeven. Maar ginds verplaats -ik mij in een vergulde zaal, -</p> -<div class="lgouter"> -<p class="line">Met gouden luchters aan de wanden, </p> -<p class="line">Waarop de bijen offers branden, </p> -</div> -<p class="first">alles schitterende van pracht, weelde en genot. Daar zie ik de bruid, opgetooid als -een Madonnabeeld, met kleederen, stijfstaande van goud en juweelen, als eene vorstin -gevierd en gehuldigd, door een stoet van hovelingen omringd. Daar zingen geen gasten -een vroolijk bruiloftslied, maar schimpende muzikanten blazen met onwillige lippen -de fanfare der zegenwensching. Daar straalt op geen enkel gelaat ingenomenheid met -het geluk der bruid: men legt er zijne belangstelling aan den dag door dansen. Dansen—altijd -dansen. Foei! in spijt van natuurlijke traagheid en gezond verstand, in spijt van -<span class="sc">Byron</span>’s <i>Waltz</i> en <span class="sc">Hugo</span>’s <i lang="fr">Fantômes</i>, zich den Vampyr des bals in de armen te werpen! Een vrouw, die danst, is leelijk. -De gratie van houding en standen betwist ik niet; maar op het gelaat verwekt die gelijkmatige -trippeling der voeten eene onnoozele of eene wellustige uitdrukking. Eene bruid vooral -moet niet dansen. Zij is eene vorstin; zij poseert in de dagen harer feestvreugde; -zij moet zich niet overgeven, zij moet kiesch zijn. In den dans verzuimt de bruid -(waarover zij anders zoo wel te waken weet) hare hartstochten te verbergen. Zij heet -de gesluierde, <i>nupta</i>, en zal zij zich nu door de woestheid harer bewegingen half naakt dansen? Foei, dat -dwarrelende stof op den blanken oranjebloesem! Foei, die wellustige kreuken in het -gewijde bruidskleed! Foei, die gevierde Heilige in de armen eens vreemden! Tot de -vrouwen toe, die niet dansen, zijn van den trippelduivel bezeten. Haar oog volgt de -rijen; haar hoofd huppelt de maat der muziek na, en de voeten bewegen zich krampachtig -naar den klank der luchtige walsnoten. Bij andere volken behandelde men den eerdienst -als een dans; bij ons den dans als een eerdienst. <i lang="fr">l’Alternative ne nous flatte guère</i>. -</p> -<p>Maar als ik bemerk dat ik bitter word, stap ik dadelijk over op de geboorteberichten. -Gij zoudt u vergissen, als gij meent, dat een oud vrijer die overslaat. Neen, ik heb -zoogoed als iemand vader-ingewanden, ofschoon de dooplijst er mij niet voor heeft -te boek <span class="corr" id="xd31e390" title="Bron: staau">staan</span>. Vooreerst heb ik eene algemeene kinderliefde; maar daarenboven zijn er, die een -bijzonder recht op mijn hart hebben; kinderkens, die vader en <span class="pageNum" id="pb6">[<a href="#pb6">6</a>]</span>moeder zeggen tot hen, die mijn hart broeder en zuster noemt; kinderkens, van wie -ik weet dat ze in de vreeze des Heeren zullen worden opgevoed, en alzoo, indien God -er zijn zegen toe geeft, kinderen <i>blijven</i> zullen. O, en als ik dan bedenk, dat een Engel een wederpaar houdt van dat register -van namen, dat ik voor mij heb, en dat ik het begin lees van eene geschiedenis, die -geene eeuwen zullen zien eindigen, dan mijmer ik: „<span lang="nl">Wat is de mensche, dat ghy zijner gedenckt; ende hebt een weynigh hem minder gemaackt -als de Engelen, ende hem met eere ende heerlyckheyt gekroont.</span>” -</p> -<p>Wij zijn tot de dooden genaderd. Daar gekomen, overvalt mij altijd eene kleine huivering; -het is alsof ik een kerkhof binnentreed; hetwelk ik nooit doen kan, zonder onwillekeurig -den hoed af te nemen. En is het dan geen kerkhof, die doodenlijst der Haarlemsche -Courant? Immers wandelen wij er als tusschen graven; de onderlinge afdeelingen zijn -even zoo vele wijspalen, de berichten even zoo vele opschriften. En evenmin als ik -op een kerkhof eenen grafsteen ongelezen kan laten, sla ik hier een enkel bericht -over. Het is waar, dan schud ik soms het hoofd over de menschelijke dwaasheid, die -zelfs onder den floersen lamfer de narrenbellen niet verbergen kan: maar meestal lees -ik met warme belangstelling de uitdrukking der smart van bedroefde betrekkingen; zelfs -heb ik, in navolging der bezoekers van <i lang="fr">Père-la-Chaise</i>, eene verzameling van belangrijke doodsadvertentiën bijeengebracht, die ik zou uitgeven, -indien niet de smart, die haar in de pen gaf, mij te heilig was, om hare klachten -tot letterkundige bijdragen te vernederen. Ja, om niets te verzwijgen, het is misschien -kinderachtig, maar daar zijn doodsaankondigingen, die mij tranen uit de oogen lokten, -en, hetgeen nog sterker is, mij aan den mij gansch onbekenden ontslapene als aan een -vriend deden denken. Zie, ik ken haar niet; maar toch is mij de nagedachtenis eenigermate -lief van die jeugdige vrouw, waarvan de bedroefde echtgenoot onlangs berichtte: „Zij -laat mij de herinnering na der zachtste en edelste hoedanigheden, geheiligd door het -geloof aan Hem, wiens dood nu haar leven is.” -</p> -<p>Ik voor mij nogtans, uit vrees van nog na mijn dood om het bericht van mijn dood te -worden uitgelachen, heb het aan mijne bloedverwanten niet durven overlaten mij uit -te luiden; ik heb beschreven, dat mijn overlijden in den eenvoudigen vorm van: -</p> -<p><i>Heden overleed de Heer</i> <span class="sc">Jonathan</span> <i>*** in den ouderdom van *** jaren</i> moet bericht worden, met een volstrekt verbod er bij, om te bepalen, dat door de -nabestaanden geen rouw zal gedragen worden. Foei! ik word altijd boos, als ik die -hatelijke woorden lees. Noem het vrij bijgeloof, ik heb dien krippen weduwsluier, -ik heb die donkere kleederen lief. Het is zoo natuurlijk, als de vader zijn doodskleed -aantrekt, dat ook de kinderen het gewaad van den vorigen dag ter zijde leggen. Wij -zijn van den zak en de assche der Israëlieten toch reeds ver genoeg afgeweken. De -mode had immers overvloedig uitzonderingen gemaakt, om het eentonige zwart behagelijk -af te wisselen! Maar nu begint <span class="pageNum" id="pb7">[<a href="#pb7">7</a>]</span>zelfs het laatste uiterlijk teeken van rouw te verdwijnen. Ik zou ongelijk hebben -daarover te klagen, indien in onze dagen de inwendige droefheid geene uiterlijke symbolen -meer behoefde, om te worden levendig gehouden. Maar hoe weinigen zijn er, die met -den Oosterschen dichter van een geliefden doode vragen mogen: „Zou hij een ander graf -hebben dan dit hart?” Voor de overigen dan veroordeel ik het, dat men reeds in het -gezicht van het lijk zich het vergeten gemakkelijk begint te maken. „Ga vrij naar -het bal, Mejufvrouw! Gij draagt immers geene rouwkleeding. En wie weet zoo juist, -of de tijd, voor de rouwdracht over eenen vader bestemd, nog niet voorbij is?” Neen, -die mijne kleine bezitting verdeelen, zullen ook zwart moeten dragen, of, ik waarschuw -hen, mijne schim zal hen alle nachten in een donker lijkkleed komen ontrusten, totdat -ze een gewaad aantrekken, waarvoor ze nog erger terugbeven. -</p> -<p>By het doorloopen der doodsadvertentiën schiet mij somtijds nog eene andere gedachte -te binnen—eene gedachte, niet aan de dooden<span class="corr" id="xd31e418" title="Bron: .">,</span> die hier vermeld staan, maar aan degenen, wier naam ik hier niet vinde—aan de arme -dooden—of liever, aan de doode armen. Hun overlijden gaat, even als hun geboren worden -en sterven, onopgemerkt voorbij. Men stopt ze in eene greenenhouten kist, draagt ze, -alsof—de Hemel vergeve het mij!—alsof hun overschot een kreng ware, waarvan men het -gezicht aan anderen behoort te sparen, langs achterstraten naar een afgelegen bolwerk, -en ontzegt hun ten slotte een plaatsje in de Haarlemsche Courant. En natuurlijk! er -is immers toch niemand, die in hun leven of sterven belang stelt. O armoede! armoede! -ik heb een open hart voor uw lijden; alles, wat mij u herinnert, wekt een pijnlijk -gevoel in mij op. Als ik u ergens aantref, bloos ik over u, en waar ik u niet zie, -vraag ik: „Waarom niet hier?” Voorwaar, de dichters zijn ellendige leugenaars, die -iedere menschelijke smart, en dus ook de jammeren der armoede, bij hun idealisch lijden -dragelijk noemen. Zij beschilderen zich met de wonden en litteekens, die de arme onder -zijne lompen verbergt. Want zie! aan de ellende der behoefte is alle poëzie vreemd. -De armoede bedroeft niet alleen, maar verlaagt; zij schokt niet, maar knaagt; zij -wekt geen beklag, maar verachting; zij is geene wonde, maar een kanker; zij sloopt -niet, maar vermagert; zij laat het niet, even als iedere smart, bij enkele alsemteugen, -maar verbittert voor altijd den smaak; zij is te ondragelijker, naar mate zij zorgvuldiger -moet ontveinsd worden; zij maakt den vader- en moederzegen tot vader- en moedersmart; -zij rust als een vloek op de woning, waarin gastvrijheid en mededeelzaamheid balling -zijn; zij verkort de genoegens der vriendschap, en vergalt het genot der liefde; zij -onttooit voor haar slachtoffer de schoone aarde, waarop voor hem geen lente of zomer -aanbreekt, als die voor hem geen bloemen of vruchten voortbrengt, maar waarop in zijn -oog altijd winter, dorheid en onvruchtbaarheid heerschen; ja, zij verengt voor hem -het aardrijk, en doet het inkrimpen tot het plekje, waar <span class="pageNum" id="pb8">[<a href="#pb8">8</a>]</span>binnen hem de behoefte bant; zij boeit hem aan zijne woning, zonder hem er het verblijf -te veraangenamen; zij brandt in de hitte des zomers, huilt in het loeien van den storm, -en snerpt in de koude des winters; zij doorweekt zijn brood met tranen, en schudt -zijn leger hard; zij leert hem iedere bede veronachtzamen, om die ééne: „Geef ons -heden ons dagelijksch brood!” Zij maakt hem wars van de aarde, zonder hem van het -aardsche af te trekken; zij maakt iederen dag den anderen gelijk, en lost alle wenschen -en hartstochten in den enkelen zucht der begeerlijkheid op; zij is de algeheele vervulling -van den vloek des Heeren: „<span lang="nl">In het sweet uwes aenschijns sult ghy uw brood eten.</span>” -</p> -<p>Rust zacht, arme broeders en zusters, gestorven zonder een plaatsje op het doodenregister -te erlangen! Ziet, dit is de laatste vernedering, u aangedaan. Drie voeten onder de -aarde bestaat er geen verschil tusschen fatsoenlijk en onfatsoenlijk meer, en al ligt -uwe kist ongedrukt door een steen, zoo als die, welke ginds, op den lijkheuvel van -den hooggeborene, naam en blazoen ten toon draagt, de Engel der opstanding is geen -<i>heraldicus</i>. In zeker opzicht wordt ieder adelijke met zijne wapenen begraven; onder de doodsadvertentie -van elk edelman zou men, even als in de stamboeken bij het uitsterven des geslachts, -een uurglas en zeisen kunnen teekenen. De dood casseert allen; hij verbreekt den degen -boven het graf des krijgsmans, den schepter boven het mausoleum des vorsten, het wapenbord -boven het cenotaphe van den baron, en boven uw zandhoop den bedelstaf. Rust dan zacht, -arme broeders en zusters, gestorven zonder een plaatsje in de Haarlemsche Courant -te erlangen! -</p> -<p>Ik ben ondanks mijzelven te ernstig geworden voor de mededeeling mijner gewaarwordingen, -onder het lezen der verschillende aankondigingen; misschien vertel ik u daarvan een -en ander bij eene volgende gelegenheid. Voor ’s hands is het mij genoeg, als ik u -slechts heb overtuigd, dat ik voor mij voldoende reden heb, om iederen dinsdag, donderdag -en zaterdag morgen, terstond na mijn ochtendgroet, mijne dienstmaagd te vragen: „Hebt -gij den brievenpost reeds gehoord?” -<span class="pageNum" id="pb9">[<a href="#pb9">9</a>]</span> </p> -</div> -</div> -<div id="ch2" class="div1 story"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e7137">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="main">DE HAARLEMSCHE COURANT.</h2> -<h2 class="sub">Vervolg.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Willen wij de Haarlemsche Courant nog eens opnemen en haar met elkander ten einde -lezen? -</p> -<p>Wij zijn gekomen tot de gemengde berichten. -</p> -<p>Welk een gewoel is hier! het is of wij in het drukste van de markt komen. Hollanders, -Franschen, Duitschers, Zwitsers loopen er dooreen. De een komt er om te koopen, de -ander om te verkoopen; de een om te huren, de ander om te verhuren. Het is een geraas, -dat men <span class="corr" id="xd31e442" title="Bron: nauwelijke">nauwelijks</span> hooren kan. Hier is iemand, die u zijn waar zoekt op te dringen; maar dadelijk is -er een ander naast hem, die hem op zij duwt en u nog goedkooper bedienen wil; inmiddels -steekt een derde zijn hoofd tusschen beide door en belooft u nog beter te helpen. -Ik denk er wel eens bij aan het versje van <span class="sc">Huygens</span>: -</p> -<div lang="nl" class="lgouter"> -<p class="line">Ick handelde met Klaes op twee, dry koppel honden; </p> -<p class="line">Hy sei, daer wasser nooit geen betere gevonden </p> -<p class="line">Dan ’t eerste en tweede paer, en zwoer my by gans bloed, </p> -<p class="line">Het derde was op ’t minst wel sevenmaal zoo goed. </p> -</div> -<p class="first">Gij kunt geen voet verzetten, of men roept u aan. Sommigen houden u zelfs bij uw kleed -met hun: „Lees hier!” loterij-Joden loopen u met hun briefjes achterna; kwakzalvers -maken u doof met hun geschreeuw; als gij hun gelooft is iedere zieke een gek, die -zijn kwaal niet langer behoeft te houden, dan hij zelf wil; in hun hand hebben zij -eindelijk de <i>panacé</i>, waarnaar men sedert zoo vele eeuwen gezocht heeft. Nauwelijks zijt gij hun ontkomen, -of daar valt u een kiezen-trekker op het lijf, die van zijn breekijzer spreekt als -of het een kolombijntje is, zoo zacht zal het u in den mond zijn! Intusschen trekt -ginds een troep paardrijders of koordedansers rond, en werpt u zoo veel mooie Grieksche -en Latijnsche namen naar ’t hoofd, dat het u geel en groen voor de oogen wordt. Ge -kunt nauwelijks hooren wat die omroeper daar te zeggen heeft, die na een poos op zijn -bekken geraasd te hebben, als of het het <i lang="la">aes Dodonaeum</i> ware, de eerlijke vinders oproept om hun eerlijkheid met een „genereuse belooning” -te laten betalen. Ge zijt blijde als ge u uit het gedrang gered hebt en eindelijk -op de stoep van een boekwinkel kunt uitblazen, waar ge de nieuwste boeken en platen -voor de glazen uitgestald ziet. -</p> -<p>Wonderlijke wereld! denk ik wel eens. Welk een zee van behoeften! <span class="pageNum" id="pb10">[<a href="#pb10">10</a>]</span>Welk een stroom van genietingen! En daar plaats ik dan in mijn verbeelding de huishouding -van den eersten mensch naast; een loofhut voor woning, de boom die er zich over welfde -voor voorraadschuur, de rivier die er langs vloeide voor laafbron—ziedaar alles! Vader -<span class="sc">Adam</span>! hoe <span class="corr" id="xd31e467" title="Bron: zijne">zijn</span> uwe kinderen veranderd! Ge zoudt ze nauwelijks als uw geslacht herkennen in hun weelderige -woningen, in hun prachtige gewaden, in hun verfijnde manieren. Als ze naast den Mensch-aap -voor u stonden, zoudt ge waarlijk twijfelen, wie van beide uw nakomeling was. Als -men voor u de Haarlemsche Courant in uw eerste-menschen-taal (de lezer ziet dat ik -mij zediglijk van alle <i>linguïstische</i> gissingen onthoud) kon vertolken, hoe weinig zoudt gij er van begrijpen! Misschien -zoudt gij er u over bedroeven. -</p> -<p>Ook ik dacht wel eens, dat het leven te ernstig was voor al het spel dat men er van -maakt; altijd troffen mij die doodberichten tusschen dat gewoel der volken aan den -aanvang, en dat gewoel der menschen aan het einde van mijn Haarlemmer. Ik heb het -wel eens vergeleken bij een begrafenis, die over de markt trekt. Wonderlijk is het, -hoe weinig de omstanders zich daarvan aantrekken. Men gaat op zij om de kist niet -voor zijn hoofd te krijgen, maar dadelijk sluit zich de hoop weêr, even snel en ongevoelig -als de lucht waardoor een pijl vliegt. Even zoo is er iets treffends in het gezicht -van al die aanplakbiljetten, loopende over koopen en verkoopen, tijdkortingen en ontspanningen, -gemakken en genoegens, aan de zwarte poort van het algemeene kerkhof. Vinniger satire -heeft nooit de hand van een hekeldichter geschreven. Ja, de Dood is de grootste satiricus; -men kan geen genot smaken; of hij heeft er zijn schimpscheut op. Misschien is hij -daarom zoo algemeen gehaat. En toch de hand op het hart! Zeg mij, als gij die lijst -achter de Haarlemsche Courant overziet, met al die eeuwig terugkeerende advertentiën, -en die eentonige afwisseling van andere schouwspelers op hetzelfde tooneel, valt het -u dan nooit in, dat de wereld toch al te ijdel en het leven al te nietig is, om het -er op den duur in te kunnen uithouden? Ik voor mij denk daarbij met <span class="sc">Young</span>: Hier altoos te leven? wat hatelijk denkbeeld! En waarom zouden wij hier altoos leven? -om met moeielijke schreden in onze vorige voetstappen te treden? om het scheprad des -levens gedurig te doen omgaan en niets nieuws meer op te halen? om iederen ellendigen -dag den vorigen te doen bespotten? om te zien hetgeen wij gezien hebben? om dezelfde -oude bekwijlde vertelling te hooren, tot dat wij die in ’t geheel niet meer hooren? -om het gesmaakte weder te smaken, en wel hetgeen bij ieder wederkeer minder smaak -heeft? om telkens onder ons verhemelte een ander wijngewas door te gieten? om—<i lang="la">ohe! jam satis est!</i> Lieve Hemel! als dat altijd zoo blijven moest, als ik altijd de Haarlemsche Courant -moest blijven doorlezen, en nooit iets anders zien of hooren dan hetgeen ik reeds -gezien of gehoord heb, dan zou ik kunnen wenschen, dat men mijn naam nooit onder de -geboorteberichten gelezen had; en het is genoeg <span class="pageNum" id="pb11">[<a href="#pb11">11</a>]</span>mij dit schrikbeeld voor te stellen, om mij met liefde naar het plekje te doen zien, -dat mijn dood vermelden zal, en daarin mijn vrienden te kennen geven, dat ik nu al -de ijdelheden, die mij zoo verveeld en vermoeid hebben, te boven ben en mij reeds -op een plaats bevind, waar het leven zijn harlekijnspak heeft afgelegd. -</p> -<p>En evenwel—maak uit het gezegde niet op, dat ik daarom als een dolende Ridder tegen -de wezenlijke wereld te veld trek, en begeeren zou dat ieder mensch zich in zijn eigen -kluis opsloot, om daar boven zijn geopend graf bittere wortels te kauwen. Het tegendeel -is waar. De Fransche revolutie heeft geen vuriger kloosterbestormers opgeleverd, dan -ik ben. Daarom alleen zou ik een <i>Christino</i> zijn, ofschoon anders mijn natuurlijke voorliefde voor Pretendenten mij tot een <i>Carlist</i> zou kunnen maken. Eere dus aan die raderen van handel en nijverheid, die het werktuig -der menschelijke maatschappij in beweging brengen, waarin de zee, bestemd om een middel -van scheiding te zijn, als een drijvend molenwater bruist! eere aan die broederschap -der gezellige samenleving, die bruggen over stroomen en sporen over bergen slaat en -de moeder is -</p> -<div lang="nl" class="lgouter"> -<p class="line">Van sooveel kostelycks soo konstelyck verwrocht, </p> -<p class="line xd31e490">Van sooveel heerlyckheyts tot sooveel nuts gebrocht. </p> -</div> -<p class="first">Indedaad zou het er bij de tegenwoordige overbevolking treurig uitzien, indien men -zich wederzijds tot het volstrekt noodige wilde bepalen. Waar zouden duizende monden -brood vinden? Maar toch zou ik aan den anderen kant wel eens willen weten, waar het -op deze wijze voortgaande heen moet? Zullen de kunstbehoeften nog gestadig vermeerderd -worden? Zal de weelde nog altijd blijven toenemen? Zullen er altijd weêr nieuwe takken -van handel en nijverheid worden uitgevonden? Ik ben geen voorstander der zielsverhuizing, -en hoop, als ik eens de aarde wel en goed zal verlaten hebben, er niet weêr te komen, -maar erkennen moet ik het toch, dat ik wel eens de Haarlemmer Courant van 1939 zou -willen zien: niet om de politieke berichten, want die kan ik mij verbeelden: „het -is zoo even vrede geworden en het zal zoo straks weêr oorlog zijn<span class="corr" id="xd31e495" title="Niet in bron">”</span>; nog minder om de geboorte-, huwelijks- en doods-advertentiën, want daarin zal nog -minder verandering komen; maar om de aankondigingen, waarmeê het blad eindigt. Dat -zal een rommel wezen! Mij dunkt, ik zie daar de aankondiging reeds, om de menschen -even als een ledeman gansch en al uit elkander te nemen en weêr in elkaâr te zetten; -dan zal men, vermoed ik, ook de kruiden wel weêr ontdekt hebben, waarmeê <span class="sc">Medea</span> haar vader verjongde; dan zullen de Dames wel zoo bont als wapenschilden en de Heeren -zoo fantastisch gekleed gaan als de Wildemannen, die ze vasthouden; dan zal de vogel -struis wel op de kruk en de olifant op de koord geleerd zijn; dan zijn er zeker theaters -waar de apen voor menschen en de menschen voor apen spelen; dan … de rest vindt gij -in de Opregte Dingsdagsche Haarlemsche Courant van 1 April A<sup>o</sup> 1939. -<span class="pageNum" id="pb12">[<a href="#pb12">12</a>]</span></p> -<p>Ik wenschte wel, dat er geen bankroeten meer waren; want dat is voor een zwaarmoedig -Courantlezer, zooals ik ben, een leelijk artikel. Het zet mij altijd tusschen twee -schroeven, die mijn menschlievend hart even veel pijn doen: de smart namelijk dat -de menschen zoo slecht of zoo ongelukkig zijn. En zoudt gij het gelooven? Over het -eerste punt stap ik nog het gemakkelijkst heen. Ik kan mij tegen slechte menschen -nooit zoo boos maken, als ik, volgens sommigen, wel moest; misschien omdat ik zelf -weinig slechte menschen ontmoet heb. Onder mijn bekenden zijn er, die mij dit zeer -kwalijk nemen, en meenen dat ik daardoor de deugd te kort doe. Het kan zijn, maar -ik kan er nog maar niet toe komen, om van het beetje deugd, dat ik het mijne mag noemen, -een steen te maken om daarmeê mijn naasten te gooien. Ik denk altijd, zoo iemand zal -toch wel gehekeld en geroskamd worden, al hou ik mijn rust. Dan kan ik op een anderen -tijd weêr wat vooruitkomen, als een ander achterblijft, b. v. bij gelegenheid van -rampen en tegenspoeden. Zoo moet ik bekennen dat ik veel meer medelijden gevoel met -een ongelukkigen bankroetier, dan gramschap tegen een moedwilligen schelm. Bij dat -enkele woord „<i>Faillissement</i>” staat er somtijds eene geheele aandoenlijke geschiedenis voor mijn geest. Ik zie -den vervolgden huisvader die te midden van zijn verarmd gezin het voorkomen heeft -van een gebroken zuil, die er over schijnt te treuren, dat zij de lijst, die verminkt -aan haar voeten ligt, niet langer heeft kunnen ondersteunen; ik zie hem nog meer ter -neêrgebogen onder den last der schande, die op zijn onschuldig hoofd drukt, dan onder -den toch reeds zwaren slag van het verlies zijns vermogens, even als de vader van -<span class="sc">Effie Deans</span>, niet anders uitroepende dan: Ikabod! Ikabod! weg is de eere! Ik zie hem door zijne -getrouwe gade, door zijne teedere kinderen omringd, die hem in zijn ongeluk dubbel -hebben lief gekregen en hem omklemmen als het klimop een omgestorten stam. En als -den donkeren achtergrond van dit aandoenlijk tooneel zie ik vervolging op rechterlijk -gezag, vervolging op eigen gelegenheid, onbarmhartige bejegening, nijpende armoede -en een gebedeld graf, waarop weezen in het bonte kleed der liefdadigheid treuren. -En ik wenschte dat de verbeelding van menig crediteur hetzelfde zag, eer hij dat harde -woord „<i>Faillissement</i>” laat drukken. -</p> -<p>Naar een geheel ander tooneel roept mij het artikel Erfhuizen. Dit verplaatst mij -op eens te midden van die <i>chaos</i> van verwarring, die een geveilde boedel oplevert. Gelukkig die zich uit zulk een -huis weet te redden, zonder een blauwen scheen te hebben opgedaan. Want als of een -aardbeving de moeite genomen had van de goederen te schikken, zoo ligt daar alles -op en onder elkander. Niets is op zijn plaats gebleven. Meubelen, die bij het leven -der eigenaars even als boomen op hun eigen plekje stonden vastgegroeid, zijn nu meêdoogenloos -mobiel verklaard en gedwongen den grooten stroom te volgen. Een menigte van voorwerpen -zweeft even als verstrooide vogels buiten hun natuurlijk verblijf om. Het witte linnen -heeft de zware eiken planken verlaten, waar het zoo vreedzaam lag te <span class="pageNum" id="pb13">[<a href="#pb13">13</a>]</span>sluimeren, en is verwonderd gedurende zoo veel dagen achtereen de zon te zien, die -het anders bijna nooit aanschouwde. De vernederde ledikanten-hemel, die eerst uit -de hoogte op alles neêrzag, sleept nu met zijn staart in het stof, als een nieuw bewijs -dat hoogmoed voor den val komt. Schilderijen, die nooit geleerd hebben op haar rug -te liggen, worden nu gedwongen die houding aan te nemen. De verschrikte kanarievogel -schreeuwt van angst in den hoek op den grond, waarheen men hem verbannen heeft; en -de schichtige poes vliegt, als een levend <i>symbolum</i> van de verwarring die hier heerscht, van den eenen kant van het huis naar den anderen. -Het is een treurig gezicht! De <i>lares</i> en <i>penates</i> omgeworpen! de huiselijke haard verstoord! het vreedzaam stof der ruste opgejaagd; -de stilte van het <i>penetrale</i> verbroken! de gordijn van het binnenste heiligdom verscheurd! de Heidenen in den -tempel binnengelaten! het is een treurig gezicht, vooral voor den vriend des overledenen; -hem overvalt een huivering, indien hij moed heeft het huis binnen te treden. Is dit -de woning zijns vriends? hij herkent haar niet meer: maar ja, die meubelen zijn wel -dezelfde van vroeger. Dat is wel de haard, waaraan hij zoo menigen vriendschappelijken -avond gesleten heeft. Ginds staat de zetel, die in zijn oogen meer is dan een troon, -want hij was de zetel van een braaf man. Hier staat de feestelijke bokaal, dien hij -zoo menigmaal op de huwelijks- en vadervreugde van den verscheidene geledigd heeft. -In het verschiet hangen de familieportretten, waaraan zich zoo menige lieve herinnering -verbindt. O, er is iets aandoenlijks en hards beide in zulk een schouwspel! Het doet -pijn, als men een vreemde zoo ziet roeren in de reliquiën, door de liefde geheiligd. -Het is of men doodgravers met de beenderen van zijn voorouders zag gooien. Mij dunkt, -indien ik het voorkomen kon, zou ik trachten mijn testament zoo in te richten, dat -mijn verlaten nest beter geëerbiedigd werd. Mij althans zou de gedachte onverdragelijk -zijn, van mijn kleine bezitting aldus aan de ergerlijke nieuwsgierigheid der menigte -prijs te geven. „Ei, ei, en zat <span class="sc">Jonathan</span> nu op zoo’n stoel? wel, wel, is dat nu ’s mans boekenkast? ei, zie daar hebt gij -de huisklok ook, waar hij in zijn boekje—hoe heet het ook?—van spreekt! en ginds hangt -zeker het portretje, waarover hij dat malle stukje geschreven heeft! ei zie, dat zal -de piano van <span class="sc">Editha</span> zijn!” Ik kan koud worden als ik er aan denk. Bij de gedachte alleen gaat mij een -gril over ’t lijf, als of er iemand over mijn graf liep. Neen, mijn armoedje, gij -zult voor uwe trouwe diensten beter beloond worden, dan met de beschimping van den -grooten hoop, dien gij even als <span class="corr" id="xd31e534" title="Bron: u">uw</span> bezitter altijd gehaat en gevloden hebt. Ik zal u in mijn testament bij mijn neef -en vermoedelijken erfgenaam als op een hofje bestellen, waar gij, hoop ik, in stilte -aan den houtwurm en de mot uw eerlijken dood sterven zult. Want reeds dit vooruitzicht -is mij maar half aangenaam. Ik heb sommige mijner meubelen zelfs te lief om ze aan -mijn neef te gunnen. Als het niet te Indiaansch klonk voor een Hollander, zou ik wel -wenschen met hen verbrand te worden, en stervende mijn asch met de <span class="pageNum" id="pb14">[<a href="#pb14">14</a>]</span>hunne te vermengen. Over het algemeen heb ik een groot zwak voor alle oude voorwerpen, -waaraan zich oude herinneringen hechten. Ik ben het daaromtrent eens met mijn vriend -<span class="sc">Jean Paul</span>, als hij zegt: Eer het heden nacht wierd, heb ik alle papiersnippers, die van dit -boek vielen, bijeenverzameld;—ik heb te gelijk alle brieven dier vrienden, die mij -geen nieuwe meer kunnen schrijven, even als stukken van een bij deze wereldinstantie -gesloten proces, weggelegd. Zoo iets moest de mensch zorgvuldig doen, en alle bloemen -der vreugde, niettegenstaande hare verdorring, in een herbarium vastplakken. Hij moest -niet eens zijne oude rokken, jassen en mantels weggeven of verkoopen, maar weghangen -moest hij ze, als hauwen zijner uitgepelde uren, als poppenbekleedsels van daaruit -gevlogene vreugde, als erfenis <i lang="la">ab intestato</i> van gestorvene jaren, die aan de herinnering opkomt.—Het is maar jammer, dat men -niet altijd meester is zijn plan geheel uit te voeren. Althans mij is het wel eens -gebeurd, dat juist als ik een ouden jas had afgelegd en in mijn reliquiën-kast weggehangen, -een arme duivel kwam en mij om bedekking zijner naaktheid bad. En ik moet bekennen, -dat ik in zulke gevallen geen humorist genoeg was om het er voor te houden, dat de -herinnering mijner vreugde beter was dan de verwarming van een ongelukkige, die in -’t geheel geen vreugde had, noch te herdenken, noch te wachten. Maar de Joden hebben -nooit met mijne uitgevallen veêren gepronkt. -</p> -<p>Uit dat zelfde beginsel zal ik doen wat ik kan, om mijn dierbaarste overblijfsels -uit de handen van de nablijvenden te houden. Ik ben het, even weinig als mijn vriend -<span class="sc">Hildebrand</span>, met den Engelschman eens, die wilde „dat er ten algemeenen nutte knoopen van zijn -gebeente en snaren van zijn ingewanden zouden gedraaid worden.” -</p> -<p>Ik weet wel dat dit alles kinderachtig, kleingeestig, kleinhartig, en wat ge meer -wilt, is. Maar ik geef mij ook voor geen sterken geest uit. Er is in mijn huis maar -één wijsgeer, en dat is mijn hond Dolly, die „<i lang="fr">par droit de <span class="corr" id="xd31e555" title="Bron: naissauce">naissance</span></i>” een weinig Cynicus is. Ik voor mij slacht den ouden Chremes; -</p> -<div class="lgouter"> -<p class="line"><i lang="la">Homo sum, humani nihil alienum a me puto.</i> </p> -</div> -<p class="first">Uit dien hoofde is dan ook mijn testament recht Malabaarsch in twee deelen verdeeld. -Het eerste deel loopt over hetgeen verbrand moet worden; het tweede over hetgeen in -stand moet blijven—en de Hemel make er mijn erfgenaam gelukkig meê! -</p> -<p>Tot het eerste behoort … maar het zou wezen of ik aan de goede trouw van mijn Notaris -twijfelde, als ik dit bekend ging maken. Genoeg, als gij de <i>advertentie</i> van mijn dood in de Courant gelezen hebt, zoek op het andere blad maar niet naar -de veiling van mijn boedel. -</p> -<p>Maar reeds zijt ge mij vooruitgeloopen, en wijst met uw vinger op het artikel; Een -jonge Dame van fatsoenlijken huize enz. Gij hebt gelijk. Dat is een artikel waarbij -ieder gevoelig hart een poosje stil staat. O, het is zeldzaam, dat die weinige letters -geen gansche geschiedenis <span class="pageNum" id="pb15">[<a href="#pb15">15</a>]</span>van een wreed lijden bevatten. Mij althans stellen ze dadelijk een bewegelijk beeld -voor den geest. Een jonge dame—dus in den bloeitijd des levens, waarin het hart den -Armida-tuin der poëzie bewoont en zich met idealen voedt; dus in dien tijd, waarin -het harder is dan ooit, wanneer de koude des levens den stroom der verbeelding doet -bevriezen, zoodat hij in plaats van den hemel te weêrspiegelen tot een looden lijk -wordt; van fatsoenlijke huize—dus geboren en opgevoed in de lauwe atmosfeer der welvaart; -gewoon aan gemakken der weelde, aan genoegens der gezelligheid, en wat het ergste -is; door dit alles verfijnd, week en gevoelig gemaakt; biedt zich aan—tot het bewijzen -van diensten, die zij gewoon was te ontvangen, tot het geven van onderwijs in de talen -en talenten, die men haar zelve tot den prijs van groote kosten heeft doen aanleeren; -zij vergenoegt zich met een klein salaris, op voorwaarde eener goede <span class="corr" id="xd31e572" title="Bron: behandelang">behandeling</span>—ziedaar den laatsten, misschien den bittersten trek van allen. Daarin vertoont zich -nog een spoor van haar fijner gevoel. Geen gemeene dienstbode pleegt zulk een afspraak -te maken,—ofschoon de Hemel weet of het overbodig zijn zou! Zij verkeert in behoefte, -dit blijkt uit haar aanbod, maar evenwel liever armoede dan hardheid! Men wreke het -recht dat men koopt liever op haar gewaad, dan op haar hart! Wilt gij hooren hoe een -vrouw haar lot beschrijft? Gij zult er de vrouw in herkennen. Van alle degenen, zegt -Mistress<span id="xd31e575"></span> <span class="sc">Hall</span>, die door de wankele schaal van het geluk gedoemd zijn, om het eigen brood te verdienen, -hebben er geene meer aanspraak op medelijden dan <i>gouvernantes</i>. De dienstbode heeft, als haar werk gedaan is, een paar uren over, die haar alleen -toebehooren. Hare eerzucht strekt zich niet verder uit dan haren kring. Maar de gouvernante -heeft geen bepaalden kring.—Zij wordt beschouwd als deels tot de gezelschapskamer -te behooren;—vaak wordt zij uit de laatste verdreven, en met walging verlaat zij zelve -de eerste. Tusschen een dubbel bestaan worstelt zij; zij is een soort van tweeslachtig -wezen, dat tot twee verschillende toestanden behoort; zij moet als eene fatsoenlijke -vrouw voor den dag komen; en krijgt nauwelijks kameniersloon. Zij moet kundig en beschaafd -zijn, en toch hare kunde en beschaafdheid voor zich houden tot zij er naar gevraagd -wordt, ja zelfs beleedigingen moet zij vaak verdragen, als of zij er het gevoel voor -miste. De Hemel sta haar bij, die op een gouvernantesplaats<span id="xd31e583"></span> uitgaan want van de aarde kunnen zij weinig ondersteuning verwachten. Boekdeelen -zou men kunnen vullen met het lijden eener <span class="corr" id="xd31e585" title="Bron: gouvernantes">gouvernante</span>. -</p> -<p>Zie, dit en zoo veel meer rijst mij voor de verbeelding, zoodra ik mij een dier beklagenswaardige -schepselen vertegenwoordig, waarvan iedere verschijndag van de Haarlemsche Courant -er eenige in veiling brengt. Zeker, ik ben er verre af van ongevoelig te wezen voor -het ongeluk van diegenen uit mijn geslacht, die tot dezelfde opoffering geroepen worden; -bovenal heb ik sympathie voor de smart dier jonge Zwitsers, die, door de stem van -plicht of behoefte gedrongen, van hun hooge sneeuwbergen afdalen, om in de laagte -hun onderhoud te zoeken, maar <span class="pageNum" id="pb16">[<a href="#pb16">16</a>]</span>met het gevoel van den arend, die de vallei haat welke hem voedt, en alleen boven -te huis is; doch dit neemt niet weg, dat ik hen vergeet wanneer ik ze in de nabijheid -van een vrouwelijke lotgenoot geplaatst zie. O, het is waar, te dienen is de bestemming -der vrouw; te dienen is zelfs haar geluk, indien zij waarlijk vrouw is; maar zóó te -dienen, de vreemde moeder, die haar diensten koopt; het vreemde kind, dat geleerd -wordt haar te gehoorzamen, niet haar lief te hebben; misschien den zoon des huizes, -wiens zijde zij als bruid versierd zou hebben—zie, dat is hard! dit doet het oog schemeren, -alleen van het aan te zien. -</p> -<p>Evenwel, ik erken dat er uitzonderingen zijn; ik weet dat zij er zijn. Ik ken gezinnen, -waarin de vreemde weeze als een dochter ontvangen is; waarin de van haar zusters gescheidene -nieuwe zusters gevonden heeft: waarin vriendschap en liefde de geslagen wonden geheeld -zouden hebben,—indien zulke wonden zich ooit heelen lieten. Ook is het hartverheffend -voor mij, als ik hier of daar het verwachte slachtoffer zulk een ontvangst bereid -zie. Zoo weet ik niet wie zij is, en toch denk ik met achting en genegenheid aan die -oude Dame, die voor eenigen tijd in de Haarlemsche Courant aanzoek om een Juffrouw -van gezelschap deed, en er bijvoegde: „liefst een jong meisje, wanneer zij niet vreest -zich in het gezelschap van een oude vrouw te zeer te vervelen.” Mij dunkt als ik zulk -een meisje geweest ware, ik zou mij op dit zeggen af aan haar verbonden hebben, al -had ik niets meer van haar geweten. -</p> -<p>Wat mij evenwel het meest grieft, is het denkbeeld, dat bij de toeneming der weelde -het getal dezer ongelukkigen niet verminderen zal. Ik durf er niet aan denken, hoe -het daarmeê in de Haarlemmer van 1939 zal uitzien. Gelukkig dat ik er dan niets van -merken zal, als de gouvernantes met haar kinderen komen om op mijn graf boterbloempjes -te plukken. -</p> -<p>Ik kan mijn Courant niet op zij leggen zonder nog met een woord van de Boekaankondigingen -gesproken te hebben. Boekaankondigingen—van onder, Mijne heeren! vreeselijk! vreeselijk! -Het is of het hier, zoo als ik eens in de opera zag, papier uit den hemel sneeuwt. -Waar komen ze allen van daan? Maar wat vraag ik nog, als ik slechts aan de duizend -en één schrijvers denk, wier pennen ik zeker ben dat ik, even als de mijne, als het -maar eens recht stil was, over het papier zou kunnen hooren krassen. Waar blijven -ze allen? dat raadsel is spoedig opgelost; het antwoord staat er, even als bij de -logogryphen in de kinderboekjes, vlak onder—in die menigvuldige aankondigingen van -Boekverkoopingen, die het meeste, dat onder den weidschen titel van meesterwerk in -de wereld gekomen is, onder den zedigen titel van scheurpapier <span class="corr" id="xd31e597" title="Bron: en">er</span> weêr uithelpen, -</p> -<div lang="la" class="lgouter"> -<p class="line xd31e601"><i>in vicum vendentem thus et odores,</i> </p> -<p class="line"><i>Et piper et quidquid chartis amicitur ineptis</i>, </p> -</div> -<p class="first">zoo als <span class="sc">Horatius</span> zegt. Daarom noemt dan ook Mr. <span class="sc">Weiland</span> geestig <span class="pageNum" id="pb17">[<a href="#pb17">17</a>]</span>(maar dit is een pleonasmus) den kaaswinkel den eenigen Hercules, die op den langen -weg tot het werk opgewassen is, om den letterkundigen stal van <span class="sc">Augias</span> op te ruimen.—En toch is het mij wel eens voorgekomen, dat het voor die nieuwe boeken -hard was, zoo met hun voet op hun doodkist te staan, als een Karthuizer bij zijn geopend -graf. Doch wat zal men er aan doen? Zij moeten hun troost maar in de les der voorafgaande -registers zoeken. Naar mate de bevolking toeneemt, vermeerdert de sterfte. En leven -ze kort, ze kunnen niet zeggen, dat ze roemloos geleefd hebben. Want immers worden -al de mooie woorden van onze taal bewaard, om hun bij hun intrede in de wereld als -een getuigschrift in hun borst meê te geven. Als gij den Uitgever gelooven wilt, is -dit boek nu eigenlijk wat aan de wereld ontbrak. Mijnheer A. heeft dit gezegd, Mijnheer -B. heeft dat gezegd, maar mijnheer C! alle hoeden omlaag voor Mijnheer C! Mijnheer -C. is zoo volmaakt als het papier, waarop zijn boek gedrukt is. Het boek van Mijnheer -C. is zoo goedkoop, als het talent van Mijnheer C. onbetaalbaar is. Te vreden kunt -ge zijn op de wereld zonder het boek van Mijnheer C., maar gelukkig niet. Niet om -Mijnheer C.’s wille, niet om des boekverkoopers wille, maar in uw eigen belang, in -het belang der geheele menschheid, koop het boek van Mijnheer C<span class="corr" id="xd31e620" title="Niet in bron">.</span>! -</p> -<p>Spot maar, <span class="sc">Jonathan</span>! het zal u wel opbreken. ’t Is waar ook, daar vergat ik geheel en al, dat hetgeen -ik hier nederschrijve, mede bestemd is om in het licht te komen, en misschien wel -om in de Haarlemsche Courant te worden aangekondigd. Mijn arm boekje! Hoe bang zal -men het u misschien over dezen uitval maken. Mij dunkt, ik zie u reeds in een hartige -beoordeeling, in de omgekeerde rede behandeld. Het boek van <span class="sc">Jonathan</span> is slecht; dit ontbrak nog maar aan de zoogenaamde humoristische prullen, waarmeê -we overstroomd worden. <span class="sc">Hildebrand</span> heeft dit gezegd, <span class="sc">Vlerk</span> heeft dat gezegd, maar <span class="sc">Jonathan</span> is nog veel erger. Alle vuisten op het hoofd van <span class="sc">Jonathan</span>, enz. -</p> -<p>Het zij zoo; ik moet het afwachten. Ik kan niets doen dan mijn uitgever vragen, dat -hij bij de Heeren <span class="sc">Enschedé</span> een klein onopgemerkt hoekje voor mij verzoeke, en er dan niets tot aanbeveling bij -voege; ja kan het zijn, er de inhoudsopgave bij late drukken, opdat iedereen te voren -wete wat hij te lezen krijgt. Dit alleen voeg ik er bij; maar hier, zoodat gij ’t -niet ziet dan nadat gij ’t boek gekocht hebt; dat ik weet, dat nooit een schrijver -het beter met zijne lezers meende, dan de minste der broederen, die deze bladen schreef. -</p> -<p>En nu, waarde Lezer van de Haarlemsche Courant, alles wat goed en wenschelijk is! -Denk soms aan mij, als gij het blad in handen neemt, dat ik met u doorloopen heb, -zoo als ik aan u. De hemel schenke u den zegen van menig gelukkig geboortebericht, -en eerst laat en vredig een plaatsje onder de doods-<i>advertentiën</i>. -</p> -<p><span class="sc">Judith!</span> breng de Courant weg. -<span class="pageNum" id="pb18">[<a href="#pb18">18</a>]</span> </p> -</div> -</div> -<div id="ch3" class="div1 story"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e7146">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="main">HET ALBUM.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">„Voor niemand t’huis, <span class="sc">Judith</span>!<span class="corr" id="xd31e665" title="Niet in bron">”</span> -</p> -<p>Als ik deze order geef, ziet mijn oude huiszorg mij gewoonlijk met een meesmuilenden -glimlach aan. Hoe zij er achter gekomen is, weet ik niet; maar zij schijnt eenig vermoeden -te hebben, om welke reden ik mij aldus afzonder. Ik heb wel eens beproefd haar van -den weg te brengen, door bij zulk een gelegenheid in mijzelven te mompelen: „Ik heb -papieren die ik moet nazien—ik heb belangrijke brieven te beantwoorden—ik moet een -balans maken<span class="corr" id="xd31e669" title="Niet in bron">”</span>—maar dit baat mij niets. De oude weet heel goed, dat ik buiten de Haarlemmer Courant -nooit eenig papier van gewicht krijg; dat de brieven die ik ontvang niet veel meer -bevatten dan een „God zegene u!<span class="corr" id="xd31e671" title="Niet in bron">”</span> mij door den een of anderen vriend toegeroepen; en vooral dat mijn balans zoo eenvoudig -is als een bakkers kerfstok. Zij is dus geen <i>dupe</i> van deze <span class="corr" id="xd31e675" title="Bron: krijglist">krijgslist</span>, en begrijpt volkomen den verborgen zin van dit <i>consigne</i>. Ik wil alleen zijn om eens ongestoord—och ja, te mijmeren!—Ik geloof dat ik wel -kan nagaan, hoe zij hierop gekomen is. Ik heb namelijk volstrekt geen slag om mijn -uitwendig voorkomen te beheerschen. Wat in mijn hart omgaat, verraadt zich dadelijk -over mijn geheele wezen. Als mijn onbevallig figuur en vale kleur geene <i>parodie</i> op de vergelijking ware, zou ik wel willen zeggen; dat ik naar een albasten vaas -gelijk, waardoor de vlam die er in brandt in rooden gloed heenschemert. Zoo veel is -ten minste zeker, dat ik niets heb van Mijnheer.… gij kent hem wel, en Mevrouw.… gij -weet wel wie ik meen, die hun gelaat zoo meesterlijk in hun macht hebben, dat het -bij hen veeleer het masker, dan de spiegel der ziel mag heeten. In ’t algemeen doen -de meeste menschen of het geheele leven een <span lang="fr">bal masqué</span> is, en hebben voor niets meer zorg, dan niet in hun eigen gedaante gezien en herkend -te worden; zeer aardig en kunstig, dat moet ik zeggen, maar toch een weinig lastig -voor dezulken, die geen grijns hebben kunnen machtig worden, of, zoo zij al eens een -vreemde huik omhangen, haar zoo linksch dragen, dat zij veel hebben van den struisvogel, -die meent dat zijn vervolgers hem niet zien, wanneer hij zijn kop in den grond steekt. -Tot die minder bevoorrechte wezens behoor ik. Als ik iets zie of hoor dat mijn bewondering, -<span class="pageNum" id="pb19">[<a href="#pb19">19</a>]</span>geestdrift of verontwaardiging gaande maakt, dadelijk werpt de springbron mijns harten -zijn purper omhoog en overstroomt mijn anders bleek gezicht met een gloeienden blos; -verneem of aanschouw ik daarentegen iets, dat mijn mededoogen of smartgevoel opwekt, -terstond is de wel mijner tranen in beweging gebracht en dringt haar vocht opwaarts, -dat, zoo het al mijn oog niet bereikt, mijn gorgel beklemt en aan mijn stem het geluid -van een vochtige snaar geeft. Van daar dan ook dat ik, zelfs uren na een hevige gemoedsbeweging, -er de sporen nog van behoud, gelijk de zee, <i lang="la">si parva licet componere magnis</i>, nog nastormt als de orkaan reeds is gaan liggen. Ik kan mij dus nooit in mijn eenzaamheid -aan den stroom mijner aandoeningen overgeven, of mijn gezicht verraadt het geheim -mijner afzondering. Zelfs heb ik geen baat gevonden bij het middel van een mijner -geliefde Bijbelheiligen, van wien ik lees: <span lang="nl">Ende <span class="sc">Joseph</span> haestede hem, want sijn ingewant ontstack tegen sijnen broeder ende hij socht te -weenen; ende hy ging in eene kamer, ende weende aldaer. Daer na wiesch hy syn aengesichte, -ende quam uyt; ende hy bedwong hemselven.</span>—Meermalen heb ik beproefd mijn gloeiende wangen af te koelen, en den helschitterenden -straal in mijn oogen te dooven: vergeefs! mijn hart laat zich door geen <i>sourdine</i> dwingen. Licht bewogen en omhoog gevoerd als een pluim, moet ik ook zachtkens als -een pluim weêr naar beneden en in rust zinken. -</p> -<p>Deze zwakheid maakt dikwijls de spotzucht van mijn <span class="sc">Editha</span> gaande. Vruchteloos is het, dat ik met een gezicht zoo onnoozel als ik kan binnenkom, -en met een stem, zoo gemaakt onverschillig als mij maar mogelijk is, over onverschillige -dingen spreek; zij heeft mij alleen aan te zien om met een spottenden lach uit te -roepen: „<span class="sc">Jonathan</span> heeft weêr geesten gezien!” In mijn <span class="sc">Editha</span> nu is dit niets vreemds; zij ziet den bodem van donkerder waters, dan waartoe ik -behoor; maar dat ik mij voor <span class="sc">Judith</span> niet vermommen kan, zie, dat is wat heel erg. Want dat zij zoo veelbeteekenend lacht, -als ik haar met het eenvoudigste gelaat der wereld zeg: „Voor niemand t’huis, <span class="sc">Judith</span>!” komt nergens anders uit voort, dan omdat zij dadelijk begrijpt, wat ik met die -afzondering voorheb. -</p> -<p>Maar wel beschouwd, wat doet het er toe? Indien het een ondeugd in mij is, waarover -ik het nog niet recht met mij zelven eens ben, week en gevoelig te zijn, waarom zou -ik mij beter voordoen, dan ik ben? en indien het een deugd is, wat recht heb ik dan, -daar ik zoo veel ondeugden onbedekt ten toon draag, mij over het weinigje deugd te -schamen, waarop ik mij verheffen mag? Kom, dus maar weêr met moed het spotziek lachje -van mijn goede oude getrotseerd! -</p> -<p>„Voor niemand t’huis, <span class="sc">Judith</span>!<span class="corr" id="xd31e722" title="Niet in bron">”</span> -</p> -<p>Maar wat nu <span class="sc">Judith</span> niet weet, het is wat ik na dit voorspel in mijn kamer uitvoer. Zij moge mijn gelaat -zien glinsteren, als ik van den berg terugkeer; zij weet niet wat op de hoogte is -omgegaan. Ook is dit verschillend. Somtijds bedekt de wolk der afzondering geheimenissen, -die een verborgenheid tusschen mij en mijn geweten blijven moeten. Op andere tijden -evenwel zoek ik de eenzaamheid om redenen, <span class="pageNum" id="pb20">[<a href="#pb20">20</a>]</span>waarvan ik geen geheim behoef te maken. Zulk eene bij voorbeeld is de beschouwing -van mijn <i>Album</i>. -</p> -<p>„De beschouwing van uw <i>Album</i>?” -</p> -<p>„Ja, Mejufvrouw! waarom niet?—ik weet wat UEd. zeggen wil: als ik mijn <i>Album</i> nooit dan in mijn eenzaamheid voor den dag mocht halen, zou ik er zoo’n ding niet -op na willen houden—UEd. heeft volkomen gelijk. Want ziet UEd., uw album en het mijne -hebben juist zooveel van elkander, als die prachtige gouden <i>collier</i>, dien UEd<span class="corr" id="xd31e743" title="Niet in bron">.</span> om den hals heeft, en dit haren koordje aan mijn horlogie. Uw Album is een voorwerp -van weelde, bijna zoo elegant als uw balwaaier. Heerlijk steekt het glanzige porselein -van den koker tegen de sieraden van gepolijst staal af, waarmeê het belegd is; zie, -men kan er zich in spiegelen. Zou ik durven wagen, het eens in te zien?” -</p> -<p>„Waarom niet, Mijnheer? het is er voor.” -</p> -<p>„Allerliefst! van wie is deze teekening?” -</p> -<p>„Och, wees zoo goed en zie eens op den rug, wat naam er op staat; ik weet het waarlijk -zelve niet. Het is van eene Dame, die ik maar eens ontmoet heb.” -</p> -<p>„Ei zoo? maar wat is dit? Een vers van den Dichter *** Kent UEd. hem bijzonder.” -</p> -<p>„Pardonneer, ik heb hem nooit gesproken. Een mijner vriendinnen heeft hem voor mij -om een handschrift gevraagd.” -</p> -<p>„Zoo, ik dacht ook al: ik heb dit vers meer van hem gelezen. Ik heb het nog in twee -of drie Dames-Albums aangetroffen. Maar wat zie ik? Geducht! Welk een verzameling! -Er zijn er wel honderd, geloof ik.” -</p> -<p>„Ja, ik ben druk aan ’t bijeengaren: dat is nu mijn stokpaardje. Mag ik u een blaadje -aanbieden?” -</p> -<p>„Verschoon mij! ik schrijf nooit in—Albums.” -</p> -<p>Mijn simpel boekske! hoe staat gij bij dit prachtwerk achter! men zou nooit zeggen, -dat gij van dezelfde familie waart. Zie het er eens deftig uitzien! Een zwart lederen -band is zijn omslag, met een eenvoudig opschrift: -</p> -<p class="xd31e331">PIAE. MEMORIAE. PARENTUM. AMICORUM. -</p> -<p class="xd31e331">S. -</p> -<p>Die band houdt de weinige bladen, die het bevat, bijeen. Ik ben geen minnaar van den -gewonen Album-vorm, tweehonderd losse bladen in een koker. Bij mij heeft altijd de -regel gegolden, dien ik van anderen dan van de Franschen wenschte te ontleenen: <i lang="fr">Les amis de mes amis sont mes amis.</i> Dien ik zoo lief had, dat ik hem zijn naam op dezen gedenksteen der vriendschap liet -griffelen, mocht vrijelijk weten, wie buiten hem mij lief hadden, en hoe zij mij hunne -liefde betuigden. Vriendschap is voor mij als de kelk van een roos, die de bladeren, -welke zij draagt, niet alleen aan zich, maar ook aan elkander <span class="pageNum" id="pb21">[<a href="#pb21">21</a>]</span>verbindt; voor velen heeft zij meer van den vlinder, die de eene bloem na de andere -kust, zonder ander onderling verband, dan dat hij ze allen beurtelings zijn hof maakt. -Mijn armen vormen één band om al mijn vrienden; mijn Album vat hun aller namen in -één. -</p> -<p>Maar juist daarom wordt mijn vriendenrol nooit tot een tentoonstelling gebezigd. Ik -ben te jaloersch van de stemmen van liefde en vriendschap, die daarin klinken, om -die aan het oor van onverschilligen prijs te geven. Ik heb te veel eerbied voor de -uitdrukking der heiligste gevoelens, daarin uitgeboezemd, om die in het gesnater der -dwaasheid te mengen. Ook zou mijn lezer er niets van zien, indien ik niet hoopte, -dat de toon van vereering, waarmede hij mij over mijn boekske hoort spreken, hem beletten -zal, het met de lichtzinnigheid van een gewoon Albumbeschouwer te bejegenen. En nog -meer blijkt de prijs, dien ik op deze verzameling stel, uit de wijze, waarop ik er -zelf mede omga. Het is namelijk lang mijn gewoonte niet, haar telkens in de hand te -nemen. Ik doe dit niet, dan bij zeldzame gelegenheden; en alsdan ook niet ter loops, -met de onachtzaamheid, waarmede ik een tijdschrift inzie; maar met een zekere plechtigheid, -die ik mij toeschijn aan de gedachtenis der dierbaren, die daarin tot mij spreken, -verschuldigd te zijn. Ja, dit gaat zoo verre, dat ik, gelijk de lezer reeds weet, -mij nooit dat genoegen schenk, zonder mijn eenzaamheid voor stoornis te beveiligen, -door het uitzetten van een schildwacht: -</p> -<p>„Voor niemand t’huis, <span class="sc">Judith</span>.” -</p> -<p>Lach niet! Hoor ten minste eerst mijn verdediging. Mijn Album, mijne vrienden! is -voor mij een symbolum van het Verledene! geheimzinnige naam van een geheimzinnig wezen! -Hoe zal ik den vorm beschrijven, waaronder het zich aan mij voordoet? Het heeft voor -mijn verbeelding het voorkomen van een diep en donker gewelf, dat alleen van tijd -tot tijd door een flauwen, bleeken lichtstraal daarin vallende verlicht wordt; vervuld -met schaduwachtige gestalten, die door elkander zweven, en nu eens duidelijker voorkomen, -dan zich weêr in den mist die den achtergrond bedekt verbergen, al naarmate het grillige -schijnsel, dat als een bliksemstraal door het verwulf schiet, zijn licht naar dezen -of genen hoek werpt. Maar er is iets pijnlijks en duizelachtigs in dat staren in een -onbepaald verschiet en naar schemerende gedaanten. Ongelijk aangenamer is het dus, -zich met een lamp in dit schimmenrijk te begeven, de gestalte op te zoeken die men -begeert te vinden, haar uit dien grafnevel te ontwikkelen en los te maken, haar naar -voren in een helderder dag te brengen, en zich alzoo met haar te onderhouden. Daartoe -nu dient mij mijn Album. Als ik dat maar aanzie, staat het Verledene, door zichtbare -gedaanten vertegenwoordigd, voor mij. Als ik dat open, klinken lang verdoofde stemmen -mij onderscheidenlijk te gemoet. -</p> -<p>Het is dus een plechtig oogenblik, als ik dit gedenkstuk ontdek. Het is voor mij een -soort van geestenbezweering; een oproeping als die van <span class="sc">Saul</span> aan de waarzeggende vrouwe van <i>Endor</i>: <span lang="nl">Doet my opkomen, <span class="pageNum" id="pb22">[<a href="#pb22">22</a>]</span>dien ick tot u seggen sal.</span>—Ik stel mij alsdan in aanraking met wezens, die ver van mij, of hoog boven mij zijn. -Ik daag hen bij hunne namen op, dwing hen met mij te spreken, spreek op mijn beurt -tot hen en verkeer met hen als voorheen. Waarlijk, wij houden ons al te vreemd van -de geestenwereld. Zeker is het goed, dat wij waarzeggers en horoskooptrekkers van -onze kennissen weren; het is goed dat wij onze kinderen naar de fantasmagorische voorstellingen -van <span class="sc">Bamberg</span> brengen en hun inprenten, dat het alles maar klinkklare begoocheling is; het is goed -dat wij <span class="sc">Stilling’s</span> Geestenwereld niet meer gebruiken, dan om elkander op een stormigen avond bang te -maken; maar evenwel zijn wij misschien wel wat heel vrijgeestig op dit punt. Dood -is dood! zegt men met den polichinel in de poppenkast, en gaat even als hij op de -kist zitten, om den gevangene er in te houden. Het is jammer! de geesten, vooral als -we ze zelven uit eigen beweging oproepen, zijn zulke indrukwekkende verschijningen! -Zij brengen ons zulke belangrijke tijdingen uit het onbekende land! zij voeren zulke -wijze lessen in den mond, die wij van de levenden niet hooren! Nu eens vertoonen zij -zich als een vriendelijke jongelingsgestalte, met lichtstof bekleed, met een krans -van sterren op het amberriekend haar en den paradijspalm in de hand, ons toeroepende: -</p> -<div class="lgouter"> -<p class="line">’t Ware leven is omhoog. </p> -</div> -<p class="first">Dan weêr hebben zij het ernstige voorkomen van den Profeet te <i>Gilboa</i>, en schijnen met dreigend gelaat uit het graf op te komen om ons te waarschuwen: -<span lang="nl">Morgen sult ghy by my syn.</span> In een ander gezicht dragen zij het verheerlijkt beeld van een geliefden vader of -dierbare moeder, die de laatste bede der stervende lippen komt herhalen, en ons de -nakoming onzer jongste gelofte afvleien. In een nieuw visioen zien wij een dierbare -gestalte voor den troon des Eeuwigen gebogen, en hooren haar onzen naam noemen.… O, -het is iets heerlijks, aldus naar boven te zien, aldaar zijn geliefden te aanschouwen, -en zoo door dezelfde koorden dier liefde, die hier op aarde onzen hemel schiep, zich -van de aarde ten hemel te voelen opvoeren.. Hoe kan het zijn, dat men zichzelven dit -genot zoo zelden schenkt? Hoe kan het zijn, dat men alleen oogen en ooren heeft voor -de menschelijke gedaanten, die ons omringen, terwijl een krans van engelen, even als -aan een beschilderd gewelf, boven ons hoofd zweeft en gereed is op den eersten wenk -tot ons neêr te dalen. Zoo ook het grijs verledene! Ik heb er allen eerbied voor. -Ik heb ontzag voor Vader <span class="sc">Homerus</span> en Grootvader <span class="sc">Herodotus</span>, voor wijlen <span class="sc">Cicero</span> en <span class="sc">Seneca</span> zaliger. Ik bewonder groote Geschiedkundigen, wier geheugen is als het <i lang="fr">papier sans fin</i> van onze dagen, door een monnik uit de middeleeuwen beschreven. Ik vind het schoon, -zoo te huis te zijn in de lanen der Attische Academie, dat men er een bestek van zou -kunnen teekenen, en in de boschjes van <i>Tusculanum</i>, als in zijn eigen theetuintje. Ik vind het verwonderlijk, dat men zoo gemeenzaam -is met <span class="sc">Quinctilianus</span> als met zijn Rector, en met <span class="sc">Aristoteles</span> <span class="pageNum" id="pb23">[<a href="#pb23">23</a>]</span>als met zijn Professor. Maar wanneer aan die herinneringen, van het gestorvene <i>Rome</i> of begraven <i>Athene</i> eigene jonge herinneringen worden opgeofferd; wanneer men voor die dooden van het -voorgeslacht zijn eigen dooden vergeet, en met <span class="sc">Sulpicius</span> langer rouw draagt over <span class="sc">Tullia</span>, dan met zijn vrouw over zijn eigen kind; wanneer men, om in het klassieke <i>Elysium</i> zoo gemeenzaam te zijn en daar alle menschen bij den voornaam te noemen, een vreemdeling -wordt in de plaats, waarheen men hoopt dat zijn geliefden gegaan zijn, wier naam en -beeld men uit het geheugen laat verdwijnen, zonder ze vast te houden; dan vrees ik -dat men in de geestenwereld dezelfde fout begaat, als velen in de menschenwereld, -van goede aan adelijke bekenden op te offeren. Waarlijk, het is niet goed, aldus alle -gemeenschap met onze dooden af te snijden, en ze, even als de hovelingen den gestorven -koning, in het gezicht van hun graf te verloochenen. Ik althans heb mij zelven die -vrijheid nooit gegeven; ik weet niet waarom ik zou ophouden zoon te zijn, omdat mijn -vader aan de andere zijde is, en niet verder naar zijne vermaningen luisteren. Ik -weet niet, waarom ik mijn oor zou sluiten voor de geestenstemmen van hen, wier woorden -mij vroeger eerwaardig of dierbaar waren. Van daar dat ik mijn Album niet als een -gesloten boek, bij de doodcedels der gestorvenen die er in spreken, weggeborgen heb, -maar het beschouw als een altijd geldend testament, waarin ze mij hun wil bekend maken -met dien aandoenlijken nadruk, dien iedere stem voor ons heeft, welke ons van over -een graf toeklinkt. -</p> -<p>Daar ligt het boek voor mij open. -</p> -<p>Het eerste blad is een gedachtenis van mijns vaders moeder. Toen ik mijn Album begon -aan te leggen, was het mij een behoefte, het vóór alle anderen aan deze vrouw aan -te bieden. Ik wist dat nooit iemand mij liever kon hebben, dan zij. Ik wist dat niemand -mij een hartelijker, beter en liever wensch doen zou—en niemand ook met meer kans -om verhoord te worden! Zij was een dier zeldzame wezens, wier zachte vroomheid ik -weet niet wat aantrekkelijks heeft. Ik heb opgemerkt, dat de godsvrucht, ofschoon -zij het sieraad van alle leeftijden is, evenwel aan den ouderdom het natuurlijkst -staat; aan jonge menschen deelt zij somtijds iets gedwongens en stroefs, aan den middelbaren -leeftijd iets strengs en hards mede; maar bij oude menschen is zij in volkomen harmonie -met hun geheele wezen en bestaan: de vroomheid lacht uit het rimpelig gelaat van den -grijze, en juicht in zijn gebroken stem. Het is iets vreemds, maar voor mijn gevoel -heeft de vrome oude iets jeugdigs aan zich, dat in wonderlijke tegenspraak is met -het verval van zijn lichaams- en zielskrachten. Ik heb het wel eens vergeleken met -het slaan van de vleugelen des vlinders, op het oogenblik dat de pop zal doorbreken; -het kon mij bij hen wezen, als zag ik in den aardschen mensch die wegstierf, den hemelschen -mensch die zich vormde: -</p> -<div class="lgouter"> -<p class="line">Als brak een scheemring van den gloor, </p> -<p class="line">Die eens hun lichaam zal doorgloeien, </p> -</div> -<p><span class="pageNum" id="pb24">[<a href="#pb24">24</a>]</span></p> -<p>reeds nu door den kranken bouwval heen. Hoe het zij, mijn grootmoeder bezat voor mij -een groote aantrekkelijkheid, en zoo, dat ik niet weet, of ik haar meer vereerde of -lief had. Ik vroeg haar dus, mijn gedenkboek der liefde en vriendschap in te wijden. -Zij deed het op hare wijze: zij nam haar ouden Staten-Bijbel, sloeg dien open en schreef -daaruit met bevende hand op het eerste witte blad: -</p> -<p lang="nl"><a class="biblink xd31e39" title="Referentie naar de Bijbel: Matteüs 10:37" href="https://classic.biblegateway.com/passage/?search=mt%2010:37&version=HTB"><i>Matthei</i> X. 37</a>. Die vader of moeder liefheeft boven my, en is myns niet weerdigh; en die sone ofte -dochter lief heeft boven my, en is myns niet weerdigh. -</p> -<p>Een schoone spreuk aan den ingang van zulk een boekske. Zij wist, hoe dikwijls het -een altaar is voor aardsche afgoden gesticht. Daarom schreef zij er met haren vromen -vinger den naam des Allerhoogsten boven. Het was het D. O. M. boven de eerezuilen, -voor onze gestorvenen opgericht. Hoe dikwijls is mij deze spreuk waarschuwend voor -den geest gekomen. Nooit nam ik mijn Album in handen, om mij met het beeld mijner -geliefden bezig te houden, of een blik op dit Bijbelwoord geworpen heiligde mijne -gewaarwordingen. Bovenal is het mij ten aanzien van een der volgende namen van veel -dienst geweest. -</p> -<p>Het volgende blad is van mijn vader. Hij was een man van een ingetrokken, strengen -geest. Als hij in dien tijd geleefd had, zou men hem voor een Christen gehouden hebben, -die uit de <i>Stoa</i> was uitgegaan. Dit was evenwel meer het gevolg van zijn manieren, dan van zijn denkwijze. -Er sliep in zijn hart een schat van liefde, dien zijn uiterlijk scheen te verloochenen. -Hij was als een fontein, die haar verfrisschend water in marmer bevat. Het was iets -schoons, als die harde steen op eenmaal milde en malsche stralen opwierp! Ik kwam -met mijn Album op zijn kamer; hij zag het met een ernstigen blik in. Toen hij de spreuk -van zijn moeder zag, glimlachte hij, maar terstond daarop stond zijn oog weêr strak -en donker. Hij nam een pen op en schreef -</p> -<p lang="la" class="xd31e331">IN LIBRO ALBO FILII. -</p> -<p lang="la" class="xd31e331">NOMEN -</p> -<p lang="la" class="xd31e331">SIT -</p> -<p lang="la" class="xd31e331">OMEN. -</p> -<p>In het <span class="sc">witte boek</span> van mijn zoon. Deze naam zij een voorteeken! -</p> -<p>Hierop gaf hij mij het boek terug, leide zijn hand zegenend op mijn hoofd, en wenkte -mij te vertrekken. -</p> -<p><span class="sc">Nomen sit omen!</span> Dat was een zware last van verantwoording, vader! dien gij op den hals van uwen zoon -laaddet. Maar zeker, zoo iemand recht had zulk een verplichting op te leggen, gij -waart het. Ik wil er u ook niet van beschuldigen, indien ik de witte smettelooze <span class="pageNum" id="pb25">[<a href="#pb25">25</a>]</span>bladen van mijn boek nu niet met zooveel gerustheid kan aanzien, als ik anders zou -gedaan hebben; integendeel, ik dank u voor deze strenge les. De herinnering daaraan -heeft zeker uitgewerkt, dat mijn levensboek hier en daar toch een vlek minder heeft, -en ettelijke vlekken bevat, die door mijne tranen bijna zijn uitgewischt. En dit erken -ik, zoo lang gij leefdet, hebt gij mij trouw met raad en daad geholpen, om zijn bladen -wit en zuiver te houden. Zegen dus over uw assche! De Heer geve, dat gij u eens niet -over uw kind zult te schamen hebben, als „<span lang="nl">de boecken geopend zullen worden.</span>” -</p> -<p>Het blad dat nu volgt is van de hand mijner lieve moeder. <span class="sc">Maria</span> heette zij, en beantwoorde geheel aan het beeld, dat die naam onwillekeurig voor -den geest roept. Zij was geheel en al het kontrast van mijn vader. Mildheid, weekheid, -aandoenlijkheid—die woorden schenen voor haar te zijn uitgevonden. Zij spreidde haar -zachtheid, bedekkende en lenigende, over de strengheid mijns vaders, als sneeuw over -een bevrozen grond. Van haar heb ik dien weemoed, die mij eigen is. Ik kan met den -Dichter zeggen. -</p> -<div class="lgouter"> -<p class="line">Maar zalig is ’t, zoo soms een zachte smarte, </p> -<p class="line">Iets weeklijks, dat de linkerborst doorwoelt, </p> -<p class="line">Iets vochtigs, in ’t vertederd oog gevoeld, </p> -<p class="line">Herinnert aan mijn Moeders teder harte. </p> -</div> -<p class="first">Ik heb echter wel eens getwijfeld, of zij mij niet al te veel van haar gevoeligheid -heeft overgedaan: en tien tegen één, lezer! dat gij dit ook reeds meermalen gedacht -hebt. Het zij; ik wil er niet over klagen of morren, al ware ’t alleen, omdat het -een geschenk van mijn lieve moeder is. -</p> -<p>Toen ik bij haar kwam met het verzoek om haar naam in mijn Album te schrijven, nam -zij het boek, en beloofde aan mijn bede te voldoen. Eenige dagen later riep zij mij -tot zich, en gaf het mij met een halflachend, halfschreiend oog weder. Het blad door -haar ingevuld bevatte een teekening; want zij teekende uitmuntend. Het was een Bijbelsche -voorstelling van <a class="biblink xd31e39" title="Referentie naar de Bijbel: Matteüs 19:18" href="https://classic.biblegateway.com/passage/?search=mt%2019:18&version=HTB"><i>Matth.</i> XIX. 18</a>: -</p> -<p lang="nl">Doe wierden kinderkens tot hem gebracht, opdat hy de handen haer soude opleggen ende -bidden. -</p> -<p>Tusschen de moeder op den voorgrond en haar was een zweem van gelijkenis. Aan den -voet van het tafereel stond in plaats van het gewone <i lang="la">fecit</i> of <i lang="la">delineavit</i>, Amen! en daaronder haar naam. Het stuk voerde geen datum. En indedaad, welken dag -zou het hebben aangenomen? Want wèl was haar moederliefde -</p> -<div class="lgouter"> -<p class="line">Een <i>lang</i> gebed van ’t kraambed tot de dood. </p> -</div> -<p class="first">Ziedaar mijn moeder geheel! geen les, geen vermaning; niets dan een bede. Nooit zie -ik dit blaadje, of de woorden zweven mij op de lippen: <i lang="la">Sancta Maria, ora pro nobis</i>. -</p> -<p>Nu volgen de Albumbladen mijner overige betrekkingen en vrienden. Ofschoon mij niet -allen even dierbaar, is er toch geen handschrift bij, <span class="pageNum" id="pb26">[<a href="#pb26">26</a>]</span>dat mij niet zeer lief is. Over het algemeen is de inhoud in den geest van de eerste -bladen. Het schijnt dat de kleur der vroomheid, door mijn grootmoeder en ouders aan -het boekske gegeven, onwillekeurig op de latere bijdragen haren invloed heeft uitgeoefend. -Zoo verbindt mijn Album niet alleen één band, maar ook één geest. -</p> -<p>Om een enkel woord te noemen, een mijner vrienden heeft op het hem toegewezen blad -een antieken wachttoren geteekend, en daaronder het Hebreeuwsche woord: <span lang="he" class="hebr">המּצפה</span> geplaatst met de aanwijzing: <a class="biblink xd31e39" title="Referentie naar de Bijbel: Genesis 31:49" href="https://classic.biblegateway.com/passage/?search=Gn%2031:49&version=HTB"><i>Genesis</i> XXXI. 49</a><span class="corr" id="xd31e932" title="Bron: .">,</span> waar ik lees, dat <span class="sc">Jacob</span> na den vreedzamen afloop zijner ontmoeting met <span class="sc">Laban</span> een hoop steenen maakte, en daarop met den man at: waarna hij dien steenhoop den -naam gaf van <i>Mizpa</i>, welk woord een <i>wachttoren</i> beteekent „<span lang="nl">omdat hy seyde, dat de <span class="sc">Heere</span> opzicht neme tusschen my en tusschen u, wanneer wy d’een van d’ander sullen verborgen -zijn.</span>” Welk een schoon en veelbeteekenend zinnebeeld! Mijn vriend wenscht mij niets uit -zich zelven; hij bidt alleen, dat de Heer het oog waakzaam over mij geopend houde, -als het oog van zijne liefde mij niet zal kunnen gadeslaan. Is het niet als een altoosdurend -gebed voor mij opgezonden? O, nooit zie ik dit blad aan, of mijn oog richt zich onwillekeurig -naar boven, en het is of ik uit de hoogte des Heeren oog beschermend op mij zie rusten.… -</p> -<p>Het blad, dat daarop volgt.… ziet gij, dat heeft een los Album voor, men kan er de -bladen uitnemen en op zij leggen. Had ik dat ook met dit blad kunnen doen! Maar neen, -het is zoo beter. Het bevatte oorspronkelijk een teekening, een portret; men ziet -er de sporen nog van. Het was het afbeeldsel van den liefsten vriend mijner jeugd, -een jong mensch vol beminnelijke en bevallige hoedanigheden. Toen ik hem om een bijdrage -voor mijn Album verzocht, liet hij door een beroemd teekenaar zijn beeltenis <i>crayonneeren</i>, en hechtte die op het voor hem bestemde blad, met het onderschrift van zijn hand: -<i lang="la">semper idem. Semper idem!</i> een wreede logen! een bittere spot! Geen mensch op de wereld heeft mij het honderdste -gedeelte van het leed berokkend, dat mij van deze eenmaal geliefde hand werd aangedaan. -<i lang="la">Et tu, Brute!</i> -</p> -<p>Hij ontroofde mij.… maar heb ik hem niet vergeven? Evenwel, het deed mij pijn, zijn -gelaat hier telkens terug te vinden, te midden van hen die mij het liefst hadden, -en wier trouw op de proef gebleken was. Ik kon die valsche trekken niet aanzien met -het onderschrift: <i lang="la">semper idem.</i> Daarom deed ik met dit portret, wat de Edelen met het afbeeldsel van de <i>apostaten</i> huns Stambooms doen; ik nam het weg, door het van het blad, dat het vasthield, af -te lichten, zoodat er niets dan de enkele naam overbleef om aan te toonen, wie het -is, die hier van deze zijn plaats is uitgevallen. Mij dacht, deze wraak was billijk, -of liever het was geen wraak—het diende mij alleen om hem en mij-zelven de bitterheid -te besparen, die zijn aanblik noodzakelijk in mij moest opwekken. Waartoe zou hij -nog langer zijn plaats onder mijn overige trouwe vrienden behouden hebben? hij had -zelf zijn naam van mijn <span class="pageNum" id="pb27">[<a href="#pb27">27</a>]</span>Stamboek uitgewischt; hij had met eigen hand den steen onzes verbonds omgeworpen, -en het handschrift onzer vriendschap verscheurd. Menige traan is op dit donkere blaadje -gevallen. Misschien had ik den innemenden jongeling al te lief. En is dit niet de -eerste spreuk in mijn boekske: <span lang="nl">Wie vader of dochter lief heeft boven my en is myns niet weerdigh; ende wie soon ofte -dochter lief heeft boven my, en is myns niet weerdigh.</span> -</p> -<p>Ik bevoorrechte, dat ik slechts een enkelen uit den kring mijner vrienden heb zien -wegvallen. De overigen zijn mij allen trouw gebleven, en hebben hun handteekening -met hun leven bezegeld. Niemand hunner heeft den zegen van mij teruggenomen, dien -zijn mond over mij had uitgesproken. Wat meer is, ik ben er zeker van, dat wie op -deze bladen voor mij gebeden heeft, nog heden—beneden of boven—voor mij bidt. Ja, -ook boven! Reeds zijn er verscheidene, van wie de hand verstijfd is, waarmede zij -hier hun namen nederschreven. Gij leest het op den rug in de woorden <i lang="la">defunctus</i>, met opgave van den dag huns overlijdens. Ik kan hun namen niet aanzien zonder droevig -te worden; ik heb ze allen zoo zeer lief gehad; ik had ze zoo gaarne bij mij gehouden. -En toch, ik benij ze hun geluk zoo weinig. O, hoe veel verschilt het gevoel, waarmede -ik hun naam lees, bij dat, waarmede ik het portret van mijn ontrouwen vriend aanzie.… -neen! zij zijn niet voor mij verloren; het verbond met hen is niet verbroken: integendeel, -de dood heeft het bevestigd, de dood is het zegel der trouw. Deze kunnen mij niet -meer ontvallen; ik kan hun geen ontrouw meer aandoen. Men beschuldigt den dood dikwijls -van scheiding te maken tusschen geliefden.… ten onrechte! de dood vereenigt voor altijd -wat voor een tijd vereenigd was: alleen het leven scheidt.… -</p> -<p>Zie ik u daar, mijn ongeluks-blad? Het bevat niets dan eene enkele vlok haar, van -het schoonste blond, met een draad van rozekleurige zij aan het papier gehecht. Geen -naam, geen onderschrift, niets dan een datum.—Hierover geen woord, geen klacht, niets -dan een zucht! -</p> -<p>Buitendien zijn er nog enkele bladen, zonder een bepaalde inscriptie te bevatten: -met een enkelen naam geteekend, waarbij dan het een of ander <i>souvenir</i> gevonden wordt; een verdorde bloem—een wilgen- of cypressenblad—en wat nog geringer -is dan dit; kleine nietswaardige relieken, maar mij dierbaar om der herinneringen -wil, die er zich aan verbinden. De verbeelding is met zoo weinig te vreden! Voor mij -is het genoeg enkele dier voorwerpen alleen te zien, om een geheel verleden voor mij -te doen oprijzen. Van daar dat ik zelden op éénen avond met de beschouwing van mijn -Album gereed kom, maar meestal een tweede bevel moet uitvaardigen: -</p> -<p>„Voor niemand t’huis, <span class="sc">Judith</span>.” -</p> -<p>Voor ditmaal zullen wij echter het boek sluiten. Daar ligt zij, de geschiedenis mijns -harten, door de eigen hand mijner geliefden geschreven. O, ik kan haar niet aanzien, -zonder een oog van onuitsprekelijke liefde op haar te vestigen. Niet alle menschen -zijn zoo rijk aan onverdiende <span class="pageNum" id="pb28">[<a href="#pb28">28</a>]</span>genegenheid, als de bezitter dezer vriendenrol. Indien de liefde der menschen, naar -het zeggen van den ouden Dichter, zich in zegen des Heeren verkeert, gezegend dan -o mijne tente, waarop die dauw rijk en mild „<span lang="nl">als Hermons dauw op de berghen Zions</span>” is neêrgedaald. -</p> -<p>En nu, wat zal er van u worden, mijn lief Album! Zal ik u in de hand mijns erfgenaams -laten, om misschien nog tot een tentoonstelling voor mijn achter-kleinnichten te dienen? -Neen, wees gerust, mijn oud, trouw <i lang="la">Codex amicitiæ</i>! Uw plaats is reeds <span class="corr" id="xd31e1002" title="Bron: aangwezen">aangewezen</span> in de lade met het opschrift: <i>de inhoud dezes na mijn dood ongeopend te verbranden</i>. Gij zult uw meester niet overleven, maar als een vereerster van Brama, hem langs -den weg des vuurs in den dood volgen. Uw stof zal verstrooid worden, en de vier winden -zullen de <span class="corr" id="xd31e1007" title="Bron: zuchteu">zuchten</span> verwaaien, in uw boezem uitgestort! -</p> -<p>Maar wij, mijn vrienden, wat zal er van ons worden? Neen, ons stof moge uiteen stuiven, -vergaan zal het niet. Eens zullen wij uit onze graven verrijzen, en met een nieuw -lichaam bekleed elkander wedervinden in „<span lang="nl">de algemeyne Vergaderinge ende de Gemeynte der eerst-gheborenen die in de Hemelen -opgeschreven zijn, ende de geesten der volmaeckte rechtveerdige.</span>” -</p> -<p>Verrukkelijk denkbeeld! Allen weêr te zien, die ik hier heb lief gehad: met al die -beminnelijke hoedanigheden, waarom ik ze lief had, ja die alle nog eindeloos verhoogd, -gezuiverd, verfijnd en veredeld! O mijn Album, als ik bedenk, dat misschien.… de Engel -des levens register houdt van de namen in u bevat, en die alle geschreven heeft in -het boek des levens, dan ontvallen uw bladen aan mijn bevende handen.… „<span lang="nl">mijne nieren verlangen seer in mijnen schoot!</span>” -<span class="pageNum" id="pb29">[<a href="#pb29">29</a>]</span> </p> -</div> -</div> -<div id="ch4" class="div1 story"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e7153">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="main">DE HUISKLOK.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">——————ZEVEN—ACHT—NEGEN—TIEN—ELF—TWAALF! -</p> -<p>Ik dank u, goede vriend, voor uwe herinnering. -</p> -<p>Men zegt, dat Koning <span class="sc">Philippus</span> van Macedonië er een slaaf op nahield om hem toe te roepen: Gedenk dat gij een sterveling -zijt!—Ik geloof evenwel niet; dat hij door hem zoo goed is bediend geworden, als ik -door mijn huisklok. Vooreerst verbeeld ik mij, dat de moreele klapwaker zijn plicht -wel eens zal vergeten hebben; maar al haperde het niet aan hem, ik denk dat de groote -Koning wel eens in een bui zal geweest zijn, om den boetprediker zijn wrevelig: Houd -den mond! toe te roepen. Doch mijn vriend in gindschen hoek is altijd op zijn post; -en al komen er oogenblikken, dat ik bang ben voor zijn stem, zoodat ik hem wel zou -willen bidden zulk een uur zwijgend over te springen, de smeekende blik van mijn oog -stuit op zijn eiken borst af, en hij galmt met onomkoopbare gestrengheid zijn <i>Memento</i> uit. -</p> -<p>Nu, hij ontvangt daarvoor in mijn huis ook al de achting en eer, die aan een getrouw -dienaar toekomt. Ja, ik weet niet, of hij zelfs geen hooger titel dan dien van een -dienstknecht dragen moet. Want tot op zekere hoogte is hij de meester van ons allen. -Reeds in den vroegen morgen begint hij met den baas over mij spelen. Dan laat hij -zijn wekker afloopen en roept mij met een forsche stem toe: <span lang="nl">Ontwaeck gy, die slaept en sta op uyt den dooden!</span> Ik moet bekennen, dat ik mij soms wel eens aan zijn heerschappij zoek te onttrekken, -en doe of ik hem niet gehoord heb. Maar vergeefs! dan is het of hij mij met zijn onophoudelijk -getik (en hij heeft een toon zoo helder als glas) gedurig bij den arm heen en weder -trekt; en zoo dit niet helpt, dan volgt er al spoedig een duchtiger vermaning in een -nieuwen klokslag, waarin ik zoo duidelijk een strengen toon van berisping meen te -hooren, dat ik op hetzelfde oogenblik naast mijn bed sta, en mij niet weêrhouden kan -mijn beleedigden vriend vergeving te vragen. En ben ik nu eens door hem tot mijn plicht -gebracht, dan klinkt al spoedig de <i>reveille</i> door ’t geheele huis, en de werkzaamheden vangen aan. En meen niet, dat zijn gebied -zich niet verder dan over het eerste morgenuur uitstrekt. Neen, hij heeft den geheelen -dag bij alles de eerste stem. Ik ben namelijk geheel, wat men spottend <span class="pageNum" id="pb30">[<a href="#pb30">30</a>]</span>noemt: een man van de klok. Menschen die hun leven bij jaren berekenen (sommigen dwingen -mij zelfs te denken, dat zij het bij eeuwen doen), hebben tijd in overvloed. Wat hebben -zij naar hun klok te vragen? het is veel, als zij een oogenblikje stilzwijgen, om -hem op den avond van 31 December zijn twaalf slagen te hooren slaan. Maar ik, die -bij minuten, en zelfs zoo veel mogelijk bij sekonden tel, ben zeer karig op mijn kleinen -schat, en geef niet gaarne voor eenige bezigheid meer tijd uit, dan zij waard is. -Van daar heb ik in mijn huis minder te zeggen dan mijn klok. Daar is het nooit: Hoe -laat wilt gij.…? hoe laat verkiest gij.…? dit spreekt van zelve. Men hoort er alleen: -hoe laat heeft de klok het? Als hij het uur van tweeën aankondigt, is het voor mij -even zoo goed of de hofmeester komt aanzeggen: <i lang="fr">le diner est servi</i>. Dan begeef ik mij naar de huishoûkamer, en ben zeker er mijn <span class="sc">Editha</span> voor een gedekte tafel te vinden zitten. Zoo gaat het den ganschen dag door; niemand -gaat uit zonder hem verlof te vragen: niemand durft een oogenblik langer uitblijven, -dan hij heeft toegestaan. Men overtreedt liever mijn geboden, dan de zijne. ’s Avonds -is hij het weder, die den aftocht regelt. Als hij met zijn elf slagen den taptoe slaat, -leg ik mijn pijp neêr, al brandt zij nog, en <span class="sc">Editha</span> haar breiwerk, al is het niet in ’t gelijk gebreid; terwijl op ’t zelfde oogenblik -mijn getrouwe <span class="sc">Judith</span> de nachtfakkels binnenbrengt. -</p> -<p>Het is waar, dan houdt zijn opperheerschappij op. Want meermalen gebeurt het, dat -ik mijn licht uitdoovende, het raam van <span class="sc">Editha</span>’s kamer, die zich tegenover de mijne bevindt, nog verlicht zie; en nog gewoner is -het, dat het lang, zeer lang na elf uur is, eer ik hem voor ’t laatst hoor: maar al -maak ik hierdoor inbreuk op zijn dagordening, hij verliest daardoor niets van zijn -gezag; integendeel, als ik de laatste uren des daags in eenzame mijmering op mijne -kamer doorbreng, behoudt hij wel degelijk een stem in den loop mijner overdenkingen, -ja is dikwijls de hoofdpersoon met wien ik mij bezig houd. -</p> -<p>Dit heeft dan plaats, als ik mij in mijn ouderwetschen leuningstoel met hoogen rug -en lage zitting vlak tegenover hem nedervlij, en mijn oogen met afgetrokken strakheid -op hem vestig: dan weet hij wel dat zijn uur gekomen is, om zich met mij te onderhouden. -O, het is ongeloofelijk, hoe veel mij dan zijn eentoonig getik zegt. Het verplaatst -mij in den lang verloopen tijd, wiens gang hij op dezelfde wijze bijgehouden en aangeduid -heeft. Evenwel hij herinnert mij daaraan geheel anders dan het gelui van de groote -stadsklok. Deze zegt mij niets dan het eenvoudige, sombere <i>Fuit</i>. Maar deze klok is <i>mijn</i> klok; deze spreekt van <i>mijn</i> tijd en wat <i>mij</i> daarin gebeurd is; deze is mijn vertrouwde, die met mij over geheimen kan spreken, -waar de groote bombam niets van weet. Hij kan mij zoo duidelijk en indrukwekkend zijn: -weet gij nog wel? toeroepen, dat gij mij bespotten zoudt, indien ge zaagt hoe deze -stem een glimlach op mijn gezicht kan wekken, of mij in tranen doen smelten. -<span class="pageNum" id="pb31">[<a href="#pb31">31</a>]</span></p> -<p>Zoo gaat het mij bij voorbeeld, als zijn getik mij toeroept: Herinnert gij u den tijd -van uws vaders sterven nog?—Want deze klok, die nu den zoon nog zulke goede diensten -bewijst, was reeds de lieveling des vaders, en <span class="corr" id="xd31e1073" title="Bron: is is">is</span> mij daardoor dubbel dierbaar; hij had dus ook zijn vaste plaats op de slaapkamer -des geliefden mans. Hierdoor werd deze, toen hij ziek werd, niet van zijn ouden vriend -gescheiden: dit was hem o! zoo aangenaam. Uren lang kon hij naar het gelijkmatig geluid -van den secondenslag liggen luisteren, en wat daarbij in hem omging, bleek mij uit -enkele afgebroken woorden, waarin het voorgevoel van zijn naderend sterven sprak; -menigen nacht heb ik aan zijn leger doorgebracht, mij met niets anders bezig houdende -dan met naar de beweging van het uurwerk te hooren. Ik kan niet zeggen, hoe treurig -ik daaronder werd. Als men op het punt staat een geliefden vader te verliezen, doet -het pijn de voortsluipende voetzolen van den tijd zoo duidelijk te hooren kraken; -en nog harder viel het mij, als de kranke na lange onrust in een korten sluimer geschoten -was, hem bij het slaan van het bepaalde uur te moeten wakker maken, om de bittere -geneesmiddelen in te <span class="corr" id="xd31e1076" title="Bron: nemcn">nemen</span>. Soms kon ik mij niet meer weêrhouden te wenschen, dat de lijder zijn klok voor het -laatst mogt gehoord hebben. Dit gebeurde eindelijk, maar op eene wonderlijke wijze. -De stervende had naar gewoonte oog en oor naar de klok gericht; op eens—de verwarring -der droefheid had ons doen vergeten het uurwerk op te winden—stond hij stil; dit was, -geloof ik, in het geheele leven mijns vaders nooit gebeurd. Dit scheen zijn aandacht -te trekken. Hij richtte zich op en zeide: ik dank u, trouwe vriend, voor uwe waarschuwing. -<span class="sc">Jonathan!</span> houd die klok in eere; ik heb geen beter vriend in de wereld gehad. Eerst heeft hij -mij leeren sterven, en nu vergeet hij zelfs niet mij te zeggen, dat mijn uurtje gekomen -is: nu dan, dat „<span lang="nl">mijne ziele u zeghene eer ick sterve!</span>” en toen.… -</p> -<p>Weken verliepen na mijns vaders dood, maar ik had den moed niet de klok weêr aan den -gang te brengen, ofschoon hij gezegd had; houd hem in eere!—Evenwel vond ik hem op -zekeren tijd t’huiskomende weêr loopende; ik weet nog niet, wien ik voor deze gevoelige -kieschheid danken moet. Maar sedert heeft hij nooit weêr stil gestaan; en als ik nu -’s avonds alleen in mijn kamer zit, en hem zie en hoor, dan is het mij alsof ik weêr -aan het bed mijns vaders geknield lig. -</p> -<p>Op een anderen tijd vraagt hij mij weêr: Weet gij nog wel!… en daarbij is het of ik -den schalk over mijn dwaasheid zie lachen. Dan doet hij mij denken, aan den tijd, -toen <span class="sc">Betsy</span> nog aan geen ander behoorde. Want al kan ik nu nog zoo verstandig en deftig spreken, -toen was ik evenwel zoo goed als iemand uwer, mijne jonge vrienden, niets meer en -beter dan een verliefde gek. Ik leefde in een voortdurende roes, wist dikwijls niet -of het zaterdag of maandag was<span class="corr" id="xd31e1091" title="Niet in bron">,</span> en vroeg naar tijd noch uur. Maar was het een dag, waarop ik <span class="sc">Betsy</span> ’s avonds hoopte te ontmoeten, dan was ik weder van de klok niet <span class="pageNum" id="pb32">[<a href="#pb32">32</a>]</span>weg te krijgen, dan begon ik ’s morgens ten zes ure reeds uit te zien of het niet -haast zeven ure in den avond zijn zou. De koele klok! hoe heeft hij mij dan wel gehinderd -met zijn uitgehaald getik, terwijl mijn gejaagde pols in dien tijd zijn haastigen -slag wel drie en viermaal herhaalde; het was of de dag nooit eindigen zou. Had het -toch ten laatste zes ure geslagen, klom mijn onrust ten top, ieder oogenblik stond -ik voor hem; bemerkte ik eindelijk, dat de tijd mij zoo nog langer viel, bedacht ik -om iets bij de hand te nemen. Ik zou b. v. den tuin driemaal rondwandelen, en dan -zou het wel halfzeven zijn. Ik deed het, kwam terug, en de klok wees—anderhalve minuut -later, zoo vliegend had de drift mij door den tuin gejaagd! Eindelijk was het toch -vijf minuten voor den tijd: ik kon vertrekken. Maar als ik dan met een laatsten blik -afscheid van hem nam, hoe vreemd was ik daarbij te moede? een wonderlijk gevoel van -gejaagdheid beklemde mij! ik hoorde mijn hart bonzen met slagen, die het geluid van -den slinger verdoofden; ik was buiten mijzelven. Als ik daaraan denk, moet ik nog -blozen over mijn eigen dwaasheid, en ik durf mijn klok haast niet aanzien, zoo duidelijk -meen ik op zijn spottend gelaat te lezen: Weet gij nog wel?.… -</p> -<p>Ja, goede vriend! ik weet het nog zeer wel—al te wel! nog op dezen oogenblik is het -mij, of ik dien tijd weer overleef. En hoe kan het anders? Want hoe vele malen gij -sedert uwe dagronde volbracht hebt, <span class="sc">Betsy’s</span> beeld heeft voor mij niets aan liefelijkheid verloren. Gij weet of ik haar getrouw -was. Getuig, of ik sedert dien zaligen tijd ooit meer zoo voor u gestaan heb. Nooit -daarna heb ik u weder van spoed of traagheid beschuldigd; maar mijn pols sloeg altijd -zoo regelmatig of hij naar u geregeld ware. Neen! ik heb nooit eene andere liefgehad. -</p> -<p>Zie, zoo kan ik over elk voorval in mijn leven met mijn huisklok spreken. Hij kent -mijn geheele geschiedenis; ja zelfs de geschiedenis van mijn innerlijk Ik is hem niet -onbekend. Want het is mijn standvastige gewoonte, als ik ’s avonds op mijn kamer kom, -nog eenige oogenblikken van mijn nachtrust af te nemen, om, kon het zijn, daardoor -de rust van mijn allerlangsten nacht te bevorderen. Hiertoe houd ik geen dagboek, -het papier is er mij te onbescheiden toe, of liever.… er zijn dingen die men zelfs -aan het papier niet zeggen kan! neen, ik neem daarbij niemand in mijn vertrouwen, -dan mijn klok. Als ik hem maar aanzie, dan heb ik dadelijk de hoofdstukken die ik -achtereenvolgens te behandelen heb voor mijn geest. VI–VII, eerste hoofdstuk. VII–VIII, -tweede hoofdstuk. VIII–IX, derde hoofdstuk, en zoo voort tot XI ure des avonds toe. -Dan overdenk ik wat ik in ieder uur gedaan heb, en maak daarnaar de som van baat en -schade op. Gebeurt het nu dat er een getal is, dat mij ontevreden aanziet, dan tracht -ik het tusschen dit en zijn buurman zoo wat te middelen, zoodat de goede het voor -den kwade goedmaakt. Evenwel het is er verre af dat mij dit altijd gelukken zou. Dikwijls -ben ik met mijn tijd reeds aan XII, als ik met mijn goede werken nog aan VI ben. O, -dan kan ik mijn <span class="pageNum" id="pb33">[<a href="#pb33">33</a>]</span>klok niet met een gerust hart aanzien, maar sta diep vernederd voor mijn ontevreden -schuldeischer. Nog erger is het als het gebrek niet alleen negatief, maar uitdrukkelijk -positief is; dan kan het mij tegenover mijn klok zeer bang worden. Meermalen stond -ik alsdan in hevige gemoedsbeweging op om mij voor mijn rechter te plaatsen; dan kon -ik hem biddend aanzien om mij gelegenheid tot herstel te geven. O ware de dag van -heden niet voor mij aangebroken!—Tik—tik.—Kon ik hem nog eens weder beginnen!—Tik—tik.—Kon -ik ten minste dit booze uur daaruit wegnemen!—Tik—tik.—Ik zou lust gehad hebben met -schendende hand zijn uurwijzer eenige nommers achterwaarts te drijven; maar dat onverbiddelijk, -altijd voortdurend, dreigend getik scheen mijn tegenstand te bespotten. God vergeve -het mij, dat ik wel eens getracht heb mijn geweten het zwijgen op te leggen, door -andere beelden voor mijn geest te roepen; doch dan was de klok met zijn onverdoofbare -stem mijn goede engel. Deze liet mij niet toe tot rust te komen, en al stortte mijn -geest zich tot over de ooren in den stroom der Lethe, ook daar vervolgde hem het getik, -dat hem belette in te sluimeren. O, mijn goede vriend, als ik dit zoo bedenk, dan -klopt mijn hart van dankbaarheid voor uwe onkreukbare getrouwheid, en geen koning -kan zijn biechtvader in grootere eere houden, dan ik u in mijn binnenste toedraag. -</p> -<p>Somtijds echter, ach; waarom slechts somtijds! waren mijn klok en ik zeer goed met -elkander in hun schik. Het was dan, als er tegen enkele kwade eens recht veel goede -oogenblikken over stonden; dan kon ik met een waar genoegen, naar het beloop van den -uurcirkel, de afgelegde dagronde nagaan; en als ik daarop eens een zeer goed uur beleefd -had, dan kon het mij wezen, of er een lichtstraal op dat cijfer viel, ja of de geheele -wijzerplaat, even als de klok op de Rotterdamsche beurs bij avond, <i>geïllumineerd</i> was. -</p> -<p>Maar nu meent UEerw. misschien op het gezegde af, dat ik een Pelagiaan ben, en de -leer der goede werken overdrijf. Laat ik UEerw. tot uwe geruststelling mogen zeggen, -dat ik liever mijn dierbare klok met eigen hand zou stuk slaan, dan toe te laten, -dat hij mij een enkelen dag deed vergeten, dat zelfs in de beste onder onze uren een -ledig vak openblijft, dat geen deugd eens menschen kan aanvullen. Neen, als onze klok -zulk een leer leerde, zou mijn vader op zijn sterfbed niet gezegd hebben; <span class="sc">Jonathan!</span> houd die klok in eere; ik heb geen trouwer vriend in de wereld gehad! -</p> -<p>Wat staat hij daar deftig, recht zoo als een klok zijn moet. Ik heb een voorliefde -voor zijn eenkleurige donkerheid en zijn antieke vormen; ik vind ze met zijn bestemming -in de gelukkigste harmonie. Ik zie niet gaarne een aanspreker in het wit; en even -zoo weinig zou het mij aanstaan, als de aanspreker van mijn doode uren een bont kermispak -droeg. Onlangs was mijn horlogemaker hier en merkte op dat de houtworm in de kast -was. Laat mij u eens een nieuw kastje in de plaats maken, zeide hij, dan zal het zulk -een lief klokje zijn dat gij het niet <span class="pageNum" id="pb34">[<a href="#pb34">34</a>]</span>meer kennen zult; het zal u tegenblinken van rood en goud.—Ongelukkige! ik had moeite -mij in te houden. Mijn goede oude! wou men u in een hansworstenpak steken? het zal -zoo lang ik leef niet gebeuren. -</p> -<p>Ik wou dat iedereen er zoo over dacht, maar het scheelt, helaas, veel. Wat vindt men -in de plaats van de staande en hangende klokken onzer vaderen? rijke pendules van -brons, verguld en albast, met fraai gegoten figuren voorzien en heerlijke bloemen -versierd. Ik moet bekennen dat ik dien opschik voor een klok wel wat heel mooi vind; -er is zooveel aan de kast te zien, dat men er niet aan denkt op het uurbord te letten. -Men kan immers secretaire en trumeau wel met sieradiën bedekken, al zijn het juist -geen prachtige klokkenkasten. Maar neen! nu eisch ik ook wat al te veel. De kunst, -die in onze dagen op zulk een vroeger ongekende hoogte staat, moet toch aanmoediging -hebben, en het zou immers ook niet staan, een gemoderniseerd vertrek door een oude -hangklok te ontsieren. Welnu, laat het dan zoo zijn: weelderige beelden rondom het -uurwerk, en bloemen boven de wijzerplaat. Maar dan zou ik toch wel wenschen, dat men -de deftige oudvaderlandsche klokken, in plaats van ze naar de vliering of naar den -uitdragers-winkel te verbannen, hun oude plaats in het eenvoudiger slaapvertrek liet -behouden. Want daar beneden …, gij zult het mij toegeven, al meent men het nog zoo -goed, gaat de achting voor den tijd een weinigje verloren. Als men den ernstigen klokslag -door een deuntje hoort voorafgaan; is de indruk er van voor een goed gedeelte weggenomen. -Als men pas: Schep vreugde in het leven! heeft hooren spelen, heeft het: Gedenk te -sterven! zoo geen val. Even weinig kunt gij het aan uw horloge overlaten, u bij wijlen -aan de gewichtige taak van ieder uur te herinneren. Want evenmin als men door een -kind wil worden terecht gezet, wil men zich door zulk een klein, heel klein horlogetje -tot ernst laten vermanen; ieder ziet immers dat het niet meer dan een speelpop is, -die men er alleen om de pracht op nahoudt, zoodat het werk alleen om de kast, en dikwijls -beide alleen om de cachetten gedragen worden. Of zou gindsche Dame dat rijk geëmailleerde -sieraad aan dien gouden <i>collier</i> om den hals dragen, om zich daardoor te laten herinneren: <i lang="la">hora ruit?</i> Gij gelooft het zelf niet; zulk een ornamentje kan tot niets dienen, dan op zijn -hoogst om zijn bezitster te zeggen, dat het nog te vroeg is om naar het concert te -gaan, of dat zij nog juist den tijd heeft om een bouquet in haar ceintuur te steken, -eer haar <i>cavalier</i> haar voor het bal komt afhalen. Foei! van zulke uurwerkjes wil de deftige erentfeste -Tijd niets weten; hij maakt ze openlijk voor <i lang="fr">contrefaçons</i> uit, en zet alleen zijn naam en zegel op deftige klokken, zoo als er hier een voor -mij staat. Dus, zoo als gezegd is, ik blijf er op staan, dat ieder zich zulk een ouderwetsche -huisklok aanschaffe, die het kostuum van zijn ambt draagt, en dus ook alleen het recht -heeft zijn ambt bij ons uit te oefenen. -</p> -<p>Het is waar, dat men een somberen gast in huis haalt. Zoo kan ik bijvoorbeeld mijn -klok nooit aanzien, of dadelijk valt mijn oog op <span class="pageNum" id="pb35">[<a href="#pb35">35</a>]</span>de spreuk, die hij voert: <i><span lang="la">Una ex his hora mortis.</span> Een van deze is uw doodsuur.</i> Zeker noch zeer vriendelijk, noch zeer beleefd; maar ik kan er met mijn voorbeeld -voor instaan, dat men daaraan gewent. Toen ik een knaap was, kon ik het met de klok -niet eens worden. Nadat mijn vader mij de Latijnsche spreuk uitgelegd, en mij daarbij -een ernstig woord had toegesproken, kon ik hem geen goed oog meer geven; ik was bang -voor hem geworden. Als ik ’s avonds alleen met hem in de kamer was, verbeeldde ik -mij somtijds dat vriend Hein in eigen mageren persoon in de klokkenkast zat, en met -zijn ontvleesde knokkels het uurwerk in beweging bracht, zoodat ik opstond en met -bevende hand de kast opensloot, om mij te overtuigen dat er niets dan de onnoozele -slinger in bewoog; maar dit is nu anders geworden. Niet dat de klok voor mij een ander -aanzien heeft, want ik geloof nu nog veel vaster dan te voren, dat vriend Hein waarlijk -in de klok zit en het rad draait; maar het verschil zit in mijn oog en hart. Ik ben -voor den mageren man zoo bang niet meer, en ik zie dus ook zijn klokkenhuis geheel -anders aan dan vroeger. Het is met den Dood als met meer personen die in een kwaad -geruchte staan; hij is zoo boos niet als hij er uitziet; het komt er slechts op aan -of men de moeite neemt van nabij kennis met hem te maken, en alzoo achter zijn goede -hoedanigheden te komen. Sedert verscheiden jaren dat ik vertrouwelijk met hem omga, -ben ik op zulk een goeden voet met hem geraakt, dat ik niet meer buiten hem kan; en -daarom is hij nu ook zoo dankbaar, dat hij beloofd heeft mij zachtjes in zijn armen -te zullen dragen, als ik niet meer zal kunnen gaan. Zie, dat heeft zelfs niemand onder -mijn vrienden mij beloofd. Zou ik dan boos worden als hij somtijds eens aan mijn arm -stoot, om mij aan zich te herinneren, of mij door zijn trouwen bode laat vragen, of -ik nog wel eens aan hem denk? Foei, dat zou slecht zijn! Mijn klok kan getuigen dat -het tegendeel waar is; dikwijls als hij slaat en mijn blik daarbij opziende op het -opschrift valt: <i lang="la">Una ex his hora mortis!</i> kan ik met nalaten hem met een vriendelijke stem te beantwoorden: <i lang="la">Una ex his hora vitae!</i> en als ik somwijlen mijn oogen eenigen tijd heb gesloten gehouden, om met mijn verbeelding -in een andere wereld te dwalen, en ze daarna opendoe.… het is wonderlijk.… dan kan -het mij zijn, of mijn klok geheel van gedaante veranderd is! dan is het of zijn bruin -omkleedsel op eens in een gewaad wit als sneeuw is overgegaan, en zijn ouderwetsche -kap lijkt een glanzend hoofd, en het is of hij mij met de hand wenkt.… -</p> -<p>Zeker zoudt gij dit van mijn oude klok niet gewacht hebben. Maar gelijk ik zeide, -hiertoe komt men niet op eens; gij moet beginnen waar ik meê begonnen ben, met uw -afkeer en vrees voor hem te overwinnen. Waarlijk, het is niet goed, hem geheel te -veronachtzamen; hij is als een houten hand op onzen levensweg, die het opschrift draagt: -<i>Naar het Graf</i>. Nu is het immers niet verstandig, zulk een wegwijzer over ’t hoofd te zien; want -hoe weten wij anders, waar <span class="pageNum" id="pb36">[<a href="#pb36">36</a>]</span>wij heen gaan? Ja, kon het ons helpen, het oog van die hand af te wenden, om ook niet -aan te komen, waar ze heen wijst, nu dan mochten wij er voorbij jagen dat de vonken -uit de steenen vlogen; doch de weg is immers niet om den wegwijzer, maar wel de wegwijzer -om den weg. Wat baat het dan te doen of men niets merkt: -</p> -<div class="lgouter"> -<p class="line">Wij zijn wat doof aan ’t linkeroor, </p> -<p class="line xd31e490">Dat keeren wij hem toe; </p> -<p class="line">Voorzeker, krijgt hij geen gehoor, </p> -<p class="line xd31e490">Hij wordt het kloppen moe. </p> -</div> -<p class="first">Daar het toch altijd eindigen moet als in ’t versje: -</p> -<div class="lgouter"> -<p class="line">En wip! daar is de man! </p> -</div> -<p class="first">Het is jammer, dat sommige verstandige menschen op dit punt zoo onverstandig zijn. -Ik ken goede rekenmeesters, wier ijzeren kist van de slimheid hunner berekeningen -getuigt, die deze eenvoudige som van drieën maar niet leeren kunnen: -</p> -<p class="xd31e331">1 : O = 1 : X. -</p> -<p>Dat is, volgens eene opgave die men in <span class="sc">Willem Bartjes</span> niet vindt: -</p> -<p>Een uur staat tot de eeuwigheid, gelijk een goede of kwade daad tot de gevraagde. -</p> -<p>Het was deze cijferkunst, die Mozes reeds doceerde, toen hij zijn volk leerde, hunne -dagen „<span lang="nl">also te tellen dat sy een wijs herte bekomen</span>” mochten. Ja, tijden en eeuwen mogen veranderen, maar zoo lang er menschen op aarde -leven, wier bestemming in de eeuwigheid ligt, blijft de tijd het kleinood des levens, -de ware steen der wijzen, die slijk tot goud kan maken. Als ik een klokkenmaker was, -zou ik in plaats van al die vergulde krullen mijn uurwerk in den ring van een slang -sluiten, die de staart in den bek houdt. Het <i>symbolum</i> der eeuwigheid rondom het <i>symbolum</i> des tijds, dat zou, dunkt mij, van tijd tot tijd ernstige gedachten geven. Het is -een groote dwaling, dat sommige menschen het er voor schijnen te houden, dat hun klok -een <i lang="la">perpetuum mobile</i> is, dat nooit zal blijven stilstaan: zóó is het niet: het <i lang="la">perpetuum mobile</i> is boven, en onze klok kan ons alleen helpen om het te vinden. Foei, dezelfden, die -zich schamen zouden het kapitaal van hun vermogen aan te raken, verspillen van hun -beter kapitaal hoofdsom en renten te gelijk. Het komt altemaal van het verkeerd gebruik -der klokken. -</p> -<p>Ik zou denzulken wel eens een verschijning toewenschen als die van den <span class="sc"><a class="biblink xd31e39" title="Referentie naar de Bijbel: Openbaring van Johannes 10:5-6" href="https://classic.biblegateway.com/passage/?search=re%2010:5-6&version=HTB">H. Johannes</a></span>: „<span lang="nl">Ende de Engel, dien ik sagh staan op de zee en op de aarde, hief sijne hand op nae -den Hemel, ende hy swoer by Dien die leeft in alle eeuwigheid, dat daar geen tijd -meer en sal sijn!</span>” of een droom, gelijk <i>Père</i> <span class="sc">Bridaine</span> in een visioen zijner vervoering had; de man, die de eeuwigheid een klok noemde, -waarvan de slinger in de stilte der graven onophoudelijk herhaalt: Altijd—nooit! nooit!—altijd!—een -droom, zeg ik, gelijk hij had, toen hij een der rampzalige <span class="pageNum" id="pb37">[<a href="#pb37">37</a>]</span>tijdverkwisters hoorde roepen: hoe laat is het? waarop een zijner lotgenooten antwoordt: -de eeuwigheid.—Maar neen, waartoe zouden verschijningen of droomen dienen? Heeft dan -mijn Meester mij niet geleerd, dat wie <span class="sc">Mozes</span> en de Profeten niet hooren, al ware het dat er iemand uit de dooden opstond, zich -niet zullen laten gezeggen? En indedaad! ieder die in de school des Bijbels is opgevoed, -en een klok aan zijn muur heeft, heeft in die klok een vermaner<span class="corr" id="xd31e1209" title="Niet in bron">,</span> gelijk de geheimzinnige hand bij <span class="sc"><a class="biblink xd31e39" title="Referentie naar de Bijbel: Daniël 5:25-28" href="https://classic.biblegateway.com/passage/?search=Dn%205:25-28&version=HTB">Belsazar</a></span>, die aan den wand het dreigende: <span class="sc">mene, tellen</span>, schreef. En indien zijn oogen dat cijferschrift niet verstaan, het hapert niet aan -de kunde, maar aan den wil dezer uitleggers. -</p> -<p><span class="sc">Jonathan! Jonathan</span>! wat draaft gij u zelven weêr voorbij! En als ik wel zie, zijt gij weêr aan ’t veroordeelen -van anderen ook. Och ja! die Farizeeuwsche zuurdeesem: <span lang="nl">o God! ick dancke u, dat ick niet en ben gelijk de andere menschen!</span> wil maar niet ophouden te gisten. Och, met al mijn wijsheid over mijn klok, mocht -ik mij wel wat meer door hem laten herinneren, dat het „<span lang="nl">den menschen geset is eenmael te sterven en daerna ’t oordeel</span>,”—en „<span lang="nl">Met welck oordeel ghij oordeelt, sult ghij geoordeeld worden.</span>” -</p> -<p>En zoo kom ik tot mijn klok terug, en zie hem scherp aan, als om hem te vragen: wanneer -zijn wijzer het uurtje zal aanwijzen, waarop voor mij „<span lang="nl">geen tijd meer en sijn sal</span>.” Vergeefs zoek ik het plekje op het wijzerbord: hij geeft geen ander antwoord dan -het onzekere: <i lang="la">Una ex his hora mortis.</i> Nu, mijn vriend! zoo is het ook wel! Ga gij maar voort mijn leermeester en vermaner -te zijn, dan zal ik niet licht moede worden mijn leven bij uren te tellen. Ik weet -toch dat ge woord zult houden met uwe <i><span lang="la">Una ex his.</span> Een van deze!</i> -</p> -<p>Wat is dat? het is of er een nevel op mijn oogen zinkt. Zou het wezen omdat.… ja, -laat ik het bekennen. Toen ik daar zoo aan mijn laatste uurtje dacht, viel het mij -in, hoe ik dan liggen zou op de eigen peluw, waarop mijn vader is ingesluimerd, en -met mijn oog even als hij naar mijn geliefde klok gericht. Maar wie zal er dan aan -mijn leger zitten om de sekonden te tellen, die ik nog te leven heb? Wie zal mij op -het bestemde uur mijn geneesmiddelen ingeven? Wien zal ik de zorg voor mijn klok overdragen: -Houd die klok in eere!… -</p> -<p lang="nl">„In de opstandinghe en nemen sy niet ten houwelicke, noch en worden niet ten houwelicke -uitgegheven, maar sy sijn als de Engelen Godts in den hemel!” -</p> -<p><span class="sc">Een—twee!</span> Goeden nacht! -<span class="pageNum" id="pb38">[<a href="#pb38">38</a>]</span> </p> -</div> -</div> -<div id="ch5" class="div1 story"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e7160">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="main">MUZIEK.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Ik weet niet, van waar ik de onbeschaamdheid haal, om een hoofdstuk over Muziek te -schrijven. Maar de lust bekruipt er mij toe. Ik wil ten minste beproeven, hoe ver -ik het breng. Mislukt het mij, dan blijft die mislukking een geheim tusschen mijn -papier en mij. En breng ik het gelukkig ten einde, dan is dit een blijk, dat mijn -onbeschaamdheid een goed voorteeken geweest is. En immers ben ik de eerste niet, die -over een onderwerp schrijft, waarvan hij niets verstaat? -</p> -<p>Ja, het harde woord moet er uit: ik versta niets van de muziek. Beleefde menschen -hebben mij wel eens verzekerd, dat het jammer is, omdat ik er zoo veel natuurlijk -gevoel voor heb: ja die overbeleefd wilden zijn, hebben mij indertijd wel gevleid, -dat ik geen kwade stem had; maar het is ongelukkig, het kwam bij mij altijd op een -verkeerd oogenblik aan den dag, waartoe ik aanleg had of niet. Twee jaren had ik reeds -met het Italiaansche boekhouden vertobt, toen men zag, dat ik niet veel beter voor -een koopman deugde dan de Hottentot, die niet verder rekent, dan zijn tien vingers. -En omgekeerd, was de geschikte tijd om mij muziek te laten leeren voorbij, toen men -bemerkte dat er in mij misschien een <span class="sc">Meijerbeer</span> of <span class="sc">Paganini</span> stak. Het is nu te laat. Ik moet mij nu vergenoegen met mijn stem roemloos in het -gezelschapskoor te mengen, als men aan het nagerecht het voorvaderlijke: -</p> -<div class="lgouter"> -<p class="line">Hoe zoet is ’t waar de vriendschap woont! </p> -</div> -<p class="first">of het geliefkoosde: -</p> -<div class="lgouter"> -<p class="line">’t Welvaren van dezen huize, </p> -</div> -<p class="first">aanheft. <span class="sc">Editha</span> beweert wel, dat ze mij soms in mijn eenzaamheid uit de volle borst een solo-partij -heeft hooren aanstemmen! maar de lezer zal mij genoegen doen met haar niet te gelooven; -hij weet, welke spotters de vrouwen zijn. -</p> -<p>Zoodat, ik versta niets van de muziek. Was het nu bij mij: onbekend maakt onbemind; -kon ik van mijn kant de muziek laten rusten, gelijk zij het mijn talent heeft gedaan, -dan waren wij gemakkelijk te scheiden geweest, en had ik onder anderen dit hoofdstuk -over de muziek niet geschreven; maar <i lang="la">hinc illae lacrymae!</i> bij ongeluk ben <span class="pageNum" id="pb39">[<a href="#pb39">39</a>]</span>ik juist een dol liefhebber van deze heerlijke kunst! Ja, wel mag ik zeggen, een dol -liefhebber; want ik aanbid haar onder alle gedaanten: in het staatsiekleed op de muziekfeesten, -in het koorkleed in de kerken, in het feestkleed op de concerten, in het tooneelkleed -in de <i>opera</i>, in het militaire kleed op de parades, in het danskleed op het bal, in het burgerkleed -langs de straten, ja in het bijna-geen-kleed der armoede, die met een draaiorgel loopt. -Alle vormen waarvan zij zich bedient, zijn mij lief: het statige oratorium en de luchtige -wals-maat; de prachtige symphonie en de eenvoudige aria; de rijke gevarieerde opera -en het altijd wederkeerende orgeldeuntje; ik bemin duetten, terzetten, quartetten, -quintetten, sextetten—als zij er zijn, hetgeen ik niet weet. Alle instrumenten zijn -mij aangenaam, van koper of hout, met of zonder snaren, geblazen of gestreken, getokkeld -of geroerd; ik hou zonder onderscheid van de schetterende trompet en het piepende -flageoletje; van den brommenden bas en de snerpende vioolsnaar; van de toeterende -<i>trombône</i> en de klagende dwarsfluit; van de donderende pauk en den tjingelenden triangel. Ik -ben verzot op alle stijlen en methodes; Italiaansch, Duitsch of Fransch, klassisch -of romantisch, oud- of nieuwerwetsch, ik ben overal uw man. -</p> -<p>Waarschijnlijk komt dit daaruit voort, dat mijn hart muzikaal is. Het zit bij mij -niet alleen in de ooren, zoo als bij sommige kenners, wier gehoorzenuwen meer met -hun maag, dan met hun ziel in verband staan. O, ik kan mij er dikwijls aan ergeren, -wanneer ik de bezoldigde dienaars van Polyhymnia, onder de uitvoering van een heerlijke -muziek, daarvan niet meer zie gevoelen, dan de instrumenten die zij behandelen. Vast -in de maat, ze zijn het verwonderlijk: met den bril op den neus en den strijkstok -in de hand, zitten zij te tellen als metrometers; nauwelijks is hun tijd om te spelen -gekomen, of wip! gaat de viool naar de kin, en kras! gaat de stok over de snaar! laat -er rondom hen gebeuren wat wil, zij vertrekken er geen oor naar, en blijven geheel -noteblad; maar hun gewaarwordingen daaronder! leest ze op hun dommelige, levenlooze, -houten aangezichten! zij voelen niets van de verrukkende harmonie, die om hen ruischt; -zij blijven koud als steen te midden van dien vuurvloed, die van rondom hen op het -sidderende gehoor nederbruist; hun nuchter hoofd bemerkt niets van de bedwelming, -die zich van hun snaren op de opgewonden menigte stort. Ja wat meer is! zij zelven -werken mede tot de betoovering, die u overmeestert: ook hun snaar giet zijn melodie -in den stroom, wiens geweld u medesleept; ook hun spel is een schalm in de magische -keten die u onzichtbaar omslingert; maar de ongelukkigen! zij zijn daarbij slechts -doode werktuigen: hun invloed op u is die van doove hamers, die onder de hand des -kunstenaars de snaren der piano treffen; gelijk de windharp, die geen aandoening heeft -van het koeltje, waaronder haar zangerig hout zucht; zij zijn eenigermate gelijk aan -„die werklieden vreemd aan Israël, die de bouwstoffen bijeenbrachten voor den prachtigen -tempel, waarin het hun nooit vergund zou zijn binnen te <span class="pageNum" id="pb40">[<a href="#pb40">40</a>]</span>treden.” O, ik beken het met schaamte en spijt, dat ik een oningewijde in het heiligdom -der harmonische kunst ben; ik kom er voor uit, dat ik van deze Levieten hares altaars -het eenvoudigste onderricht in haar geheimen zou moeten ontvangen. Maar toch! ik sta -in mijn oogen hooger dan zij, ik, die de harp in het hart draag, welke zij op hun -knechtslivrei voeren. Vergeeft het mij, Heeren muziekmeesters en <i>dilettanti</i>! maar als ik na een heerlijke muziek u de gehoorde compositie hoor ontleden, alsof -het een thema ter analyse ware, terwijl de opgevangene melodie in mijn hart, als een -weêrklinkend gewelf, zuiver en helder nagalmt, en het met welluidendheid vervult, -dan verhef ik er mij op, dat ik tot uw kunst in nader en inniger betrekking sta, dan -gij zelven; en terwijl ik uw medelijdende vraag: -</p> -<p>Mijnheer is geen kenner? met een zedige buiging beantwoord, beschouw ik u met het -gevoel, waarmede de moedige reiziger den gids aanziet, die hem in het wonderoord der -Zwitsersche Alpen weet te zeggen: -</p> -<p>Dit is nu de <i>St. Bernard</i>, en die spits daar is de <i lang="fr">Montblanc</i>, en die punt ginds is de <i lang="de">Jungfrau</i>. -</p> -<p>Nog eens, bij mij zit de virtuositeit in het bloed; mijn ooren zijn niet dan de geleiders -van mijn hart, en dat springt op, als het maar een enkele noot hoort, gelijk een hert -dat de stem van zijn moeder verneemt! dit vraagt niet eerst: Wat hoor ik? Is het in -mijn methode, wat ik hoor? Is het van mijn componist, wat ik hoor? Is het mijn instrument, -dat ik hoor? Wordt het goed uitgevoerd, wat ik hoor? en zoo al voort totdat—er niets -meer te hooren is. In dien tusschentijd heeft mijn hart reeds ruim en rijk genoten; -het heeft de maat nagehuppeld, en met de noten meê in het rond gesprongen; het heeft -voor een uur opgeruimdheid en vroolijkheid opgedaan, en herhaalt het liedje dat het -gehoord heeft nog wel tienmaal in zichzelve. -</p> -<p>Waarom ziet Mijnheer zoo knorrig? -</p> -<p>Heet dat muziek maken? muziek-verknoeien is het! -</p> -<p>Tra la la la—tra la la la. -</p> -<p>Dan liever in het geheel geen muziek, dan haar zoo te hooren mishandelen. -</p> -<p>Maar wie is Mijnheer dan? -</p> -<p>Ik ben een musicus. -</p> -<p>Ha, ik niet. Vaarwel Mijnheer! leve de muziek! Tra la la la—tra la la la. -</p> -<p>Ja, leve de muziek! Ik heb behagen in alles wat maar zingt en klingt; melomanie is -mijn zesde zintuig, ofschoon, gelijk ik zeide, in zijn natuurlijken toestand, zonder -ontwikkeling of verfijning door de kunst; zij is mij dan ook aangeboren. Naar het -zeggen van mijn moeder, was ik in der tijd een ondeugend en lastig wicht; maar gelukkig -bezat zij in haar schoone stem een machtig toovermiddel, waaraan het bijna altijd -gelukte den boozen Demon in mij te bezweren. Zette ik mijn keel op tot een gillende -dissonant, dadelijk beproefde <span class="pageNum" id="pb41">[<a href="#pb41">41</a>]</span>zij die in haar heerlijke sopraantonen op te lossen, en eere zij aan mijn jeugdigen -smaak, dat ik haar liever scheen te hooren dan mij zelven; want gewoonlijk hield ik -dadelijk op om geen noot te verliezen, en eindigde met haar door mijn tranen toe te -lachen, als <span class="sc">Astyanax</span> dichterlijker gedachtenis. De lieve moeder! Vooral was het hare gewoonte, mij des -avonds zingende in slaap te sussen. Uren lang kon zij aldus aan mijn wiegje doorbrengen. -Daarbij had zij een gevaarlijken vijand in haar gezang zelf; want ik was er veel te -verliefd op, om er niet zoo lang mogelijk naar te luisteren. Zoo lag ik dan dikwijls -een geruimen tijd tegen den slaap, die mij allengs overmeesterde, te kampen, tot dat -mijn moeder eindelijk triomfeerde: zachtkens streek de rust met haar liefelijk ruischende -vleugelen mijn luikende oogleden toe, en met een genoeglijk lachje om den mond sluimerde -ik in. -</p> -<p>Naar mijn moeder mij vertelde, was er evenwel geen lied, waarvoor ik gevoeliger scheen -te zijn, dan het avondlied der Hernhutters: -</p> -<div class="lgouter"> -<p class="line">Laat mij slapend op U wachten, </p> -<p class="line xd31e490">O dan slaap ik zoo gerust. </p> -</div> -<p class="first">Ik geloof het gaarne; geen lied zong zij beter. Het is dan ook bijna het eenige van -hare wiegezangen, waarvan mij een diepe indruk is bijgebleven. Nog kan ik het niet -hooren, of er trilt in mijn hart een akkoord uit mijn vroegste kindschheid. Nog kan -ik het niet hooren, of ik denk aan mijn lieve moeder, en—het toen nog onschuldige -wicht. O gezegend het kind, dat zulke herinneringen heeft! hoe teêr ze zijn, ze zijn -dikwijls sterker tegen de verzoeking, dan de stemmen van rede en deugd. Bij mij althans, -welke booze gedachten zich ook in mijn binnenste mochten verheffen, ik geloof niet -dat ze het zouden kunnen uithouden tegen een zachte stem, die in zulke oogenblikken -zong: -</p> -<div class="lgouter"> -<p class="line">Laat mij slapend op U wachten! </p> -</div> -<p class="first">Opgroeiende verloochende zich deze zucht voor muziek in mij niet, en, gelijk ge ziet, -zij is mij nog bijgebleven; zij is in mij iets natuurlijks. Ik heb de muziek lief -uit instinkt, niet als een kunst, maar zoo als ik den blauwen hemel, de lekkere zon, -de zachte maan, de heerlijke sterren, het donkere bosch en het groene veld lief heb. -Ik vraag mij geen reden van deze liefde; ik laat er mij niet op voorstaan, noch zoek -er meê te pralen. Ik noem het een gave van God, en ben er als zoodanig dankbaar voor. -</p> -<p>En zou ik niet? <span class="sc">Göthe</span> spreekt ergens van menschen, die een gebrek in de oogen hebben, waardoor alles voor -hen een rozeroode kleur heeft, de beklagenswaardigen! Wat genieten zij van die duizendmaalduizend -schakeeringen van kleuren en tinten, die in de natuur ons oog verrukken? Maar mij -dunkt dat menschen, die volstrekt geen gehoor voor de muziek bezitten, weinig minder -te beklagen zijn. Want ook voor hen gaat immers een gedeelte van het schoone van Gods -schepping <span class="pageNum" id="pb42">[<a href="#pb42">42</a>]</span>verloren? Zij hooren niets van al die welluidende stemmen, die overal klinken, en -den Schepper prijzen, dat er te gelijk de schepselen door gestreeld en verheugd worden. -O, het eerste vogelengezang in de lente! als het bosch, dat zoo lang stil en zwijgende -was, weêr voor het eerst leven en geluid herkrijgt. Als de vogelkens hun stem schijnen -te beproeven en allengs voller en ruimer uit de borst beginnen te zingen. Als langzamerhand -al mijn lieve oude kennissen, met haar bekende stemmetjes mij haar welkom toeroepen. -Als eindelijk mijn uitverkorene, de nachtegaal, voor de eerste maal mijn oor verrukt … -o hoe baadt dan mijn ziel in genot! hoe zwemt zij in de zee van melodie, die uit de -hoogte op mij nederstroomt! Zie op! voor het oog is alles nog winter. Het geboomte -heeft nog zijn eentonig Decemberbruin; het groen slaapt nog in de zich ontwikkelenden -bot; de rijp kraakt onder uwe voeten; een scherpe <span class="corr" id="xd31e1335" title="Bron: Noor-oostenwind">Noord-oostenwind</span> blaast u in het gezicht, en bederft u het genot van de reeds koesterende voorjaarszon. -Maar hoor toe! Voor het oor is de lente daar! zij is daar in de muziek, die even als -andere vreugde, ook de vreugde der lente voorgaat; zij is daar in die duizende voorjaarsboden, -die de komst van het schoone saizoen uitroepen, arkduiven die de belofte van een groenende -aarde in den vriendelijken mond dragen; zij is daar in het lied van de Koningin der -lente, die haar levenwekkende stem over ’t land doet hooren, die de „bloemen openfluit” -en de bladeren uit hun zwachtels lokt. Gelukkig de vriend der muziek; hij heeft een -lentemaand meer in het jaar! -</p> -<p>En komt gij in den kring der gezellige samenleving, hoe veel genot gaat ook daar voor -het harde oor verloren. Het is toch in onze prozaïsche wereld nog iets poëtisch, en -onder haar vele dissonanten nog iets melodisch, dat er zoo veel muziek in gehoord -wordt. Laat het zijn, dat daaraan voor twee derden de ijdelheid en de mode deel hebben: -ik vergeet dat, zoodra de eerste toon mij tegenklinkt. Wat menschen als ik daaraan -te danken hebben, is ongelooflijk; menig vervelend bezoek, menige taaie avond is mij -door het maken van muziek verkort <span class="corr" id="xd31e1340" title="Bron: eu">en</span> veraangenaamd. Maar foei! wat spreek ik alleen van hare negatieve verdiensten, als -of zij geen andere rechten op mijn hart had? Maar laat het zich dan onder woorden -brengen, welk genot ik dikwijls aan haar betoovering verschuldigd was? -</p> -<p>Immers staat mijn hart altijd voor haar invloed open, en wacht slechts op haar komst, -gelijk de marmeren kom van een fontein op de stralen des dolfijns: een enkele noot, -en mijn hart zet zijn deuren wagenwijd open. Hoe kan ik dan met een luisterziek oor -aan de heerlijke klanken hangen! hoe met een van wellust bevenden voet den stroom -der muziek in al zijn kronkelingen volgen, gelijk een knaap den schoonen vogel, dien -hij hoopt te verrassen! Hoe kan ik mijn hart op de deining der melodie laten heen -en weder wiegelen, gelijk een zwaan op de rimpeling van het kabbelende water! hoe -mij op de vleugelen des stijgenden geluids laten opheffen, of op het dons der dalende -akkoorden nederzinken! hoe kan ik mij in den Feeëndans der <span class="pageNum" id="pb43">[<a href="#pb43">43</a>]</span>luchtige noten laten meêslepen, of door de klacht der <i>andante</i> tot tranen bewegen! Van dat de eerste toon in mijn ooren klinkt, ben ik mijns-zelven -niet meer: ik ben het eigendom van den componist, die mijn hart met volkomen willekeur -beheerscht; hij heeft mij in zijn hand, hij kan van mij maken wat hij wil, ik ben -de zijne door het recht van verovering. -</p> -<p>Evenwel het gebeurt soms, dat hierop een uitzondering plaats heeft. Het is dan als -mijn hart te vol raakt, om meer te kunnen toehooren. Er zijn oogenblikken, dat de -muziek, in plaats van mij met haar adem te streelen, het meir mijns harten beroert, -en een sterke aandoening in mij wakker roept; dan is het mij niet mogelijk, langer -aan haar klanken geboeid te blijven; dan word ik doof voor haar taal, en luister alleen -naar de stem, die uit mijn binnenste oprijst; dan verlies ik mij in een diep verleden, -of zie vooruit in een schemerende toekomst; dan verzink ik in dien toestand, dien -de Dichter beschrijft: -</p> -<div class="lgouter"> -<p class="line">Het is een onbestemd „gevoelen,” </p> -<p class="line xd31e490">Een toestand donker en verward.— </p> -<p class="line">Wij voelen zóó, als op ’t concert </p> -<p class="line xd31e490">De tonen op iets treurigs doelen: </p> -<p class="line">Een algemeen besef van smart;— </p> -<p class="line xd31e490">Waarbij we, zonder orde of reden, </p> -<p class="line xd31e490">In toekomst dwalen en verleden. </p> -</div> -<p class="first">Ziet gij, wanneer zulke gedachten mij aangrijpen, ben ik voor de toespraak der muziek -verloren: voor haar toespraak, maar evenwel geenszins voor haar invloed. Want die -mijmeringen zijn alleen onder haar invloed geboren, en leven alleen in den dampkring -van haar melodie. Laat de muziek ophouden, en zij zullen wegvluchten als schuwgemaakte -vogels! Laat de muziek voortduren, en zij zullen haren sylphendans voortzetten, en -zich gedurig helderder en levendiger voor mijn geest vertoonen. Ook wordt haar voorkomen -door de macht der muziek beheerscht. Gedurende de <i>allegro</i> zullen zij een licht, een vroolijk aanzien hebben; met de <i>andante</i> zal haar gelaat betrekken en haar gang sleepender worden; en als deze eindelijk in -de <i>adagio</i> overgaat, zal er een floers van somberheid op haar dalen, als op een landschap, dat -de zon op eens ophoudt te beschijnen. Zoo ontvangen zij, even als het <i lang="fr">corps de ballet</i>, in alles de wet van het <span class="corr" id="xd31e1373" title="Bron: orkost">orkest</span>. -</p> -<p>En hierbij denk ik vooral aan de oogenblikken, onder het gehoor van <span class="sc">Editha</span> gesleten. Het is namelijk haar standvastige gewoonte, des namiddags in het uur, waarin -anderen zich het genoegen geven van, zoo als zij het met een <i>euphemisme</i> noemen, <i>stil te zitten</i>, de piano te openen, en een poosje te spelen. Nu speelt <span class="sc">Editha</span> zeer wel; ten minste naar mijn smaak, omdat er in haar spel meer uitdrukking dan -kunst is. En dit stille uurtje is mij het liefste van den geheelen dag. O, hoe kan -dan mijn geest zich op de wolken der zwevende melodie inschepen, en zich daarop omhoog -laten voeren! Heerlijke luchtreis, die ik dan doe, waarbij al de luchtreizen van <span class="sc">Green</span> niets zijn. Kon ik u beschrijven, <span class="pageNum" id="pb44">[<a href="#pb44">44</a>]</span>wat dan mijn verrukt oog niet al aanschouwt! Welke lusthoven de gouden tooversleutel -der harmonie voor mij opent! Welke paleizen de stem der muziek, als een andere <span class="sc">Amphion</span>, voor mij doet oprijzen! Welke gezichten mij vervoeren, welke geuren mij tegenwalmen, -welke hemelsche tonen mij toeklinken! Gelukkig voorwaar, dat deze luchtkasteelen voor -u ontoegankelijk zijn, Mijnheeren Ontvangers en Rijksschatters! kondt gij er bijkomen, -arme <span class="sc">Jonathan</span>, hoe zoudt gij moeten bloeden! Op welke sommen zou u de grondbelasting te staan komen -van een terrein, waarbij uw aardsche hut niet veel meer is dan een notendop; met welke -schatten zoudt ge het bezit van een mobilair moeten boeten, bij hetwelk goud, als -het geringste der metalen, de plaats van hout en steen vervult. Ik kan er van sidderen, -als ik denk, dat iemand hunner zijn <span class="corr" id="xd31e1400" title="Bron: brakkenneus">brakken neus</span> in deze kostbaarheden steken mocht. Maar geen nood! Ieder mensch heeft boven zijn -armoedje, dat door den maatstok der wet wordt nagemeten, een ruime plek aan den hemel, -waar zijne verbeelding een luchtpaleis mag stichten, zoo prachtig als hij wil, zonder -dat men hem daar kan komen lastig vallen. En waar ook verschil bestaan moge, hier -niet. Want de weinige spannen gronds, die den bedelaar toebehooren, hebben even zoowel -den onmetelijken hemel tot gewelf, als het uitgestrekte domein des Vorsten. Daarheen -dan onze toevlucht genomen, mijne vrienden! die, even als ik, uw aardsche heerlijkheden -met weinige passen beschrijden kunt. Wij zullen ons daarboven wreken! Wij zullen er -een luchtkasteel bouwen, zoo heerlijk, dat de geheele schatkist, om wier wil we zoo -geplaagd worden, niet in staat zou zijn er een enkelen vleugel van te betalen. Wij -zullen er een <i lang="en">pleasure-ground</i> bij aanleggen, waarin al de Ontvangers (en dat’s veel gezegd) des noods zouden kunnen -verdwalen! En wij zullen het genoegen smaken van onze kwelgeesten bij den neus te -hebben, die terwijl zij onzen nederigen inboedel taxeeren, van onze bezittingen in -de maan niets vermoeden zullen. Ik voor mij althans hoor hen nooit een prijs op de -piano van <span class="sc">Editha</span> stellen, zonder in mij zelven te <span class="corr" id="xd31e1410" title="Bron: glimlagchen">glimlachen</span>: *** guldens! Zij is voor mij het tiendubbel waard; in die kast is voor mij het wenschhoedje -van <span class="sc">Fortunatus</span> verborgen! Daarin schuilen de papieren van eigendom van mijn goederen in het bovenland. -Maar gij zult er niets van te zien krijgen.—En nauwlijks heb ik de deur achter hen -gesloten, of ik kom met een vroolijk gezicht weêr binnen: kom aan, <span class="sc">Editha</span>! nu nog eens een liedje: -</p> -<div lang="fr" class="lgouter"> -<p class="line"><i>L’or n’est qu’une chimère.</i> </p> -</div> -<p class="first">Maar nog dierbaarder is mij de herinnering aan die oogenblikken, waarin de muziek -de uitwerking had van den storm der <span class="corr" id="xd31e1426" title="Bron: harstochten">hartstochten</span> in mij te doen bedaren, oogenblikken waarin het mij ging als <span class="sc">Saul</span>; <span lang="nl">Ende ’t geschiedde als de geest Godes over <span class="sc">Saul</span> was, so nam <span class="sc">David</span> de harpe, ende hy speelde met syne hant: dat was <span class="sc">Saul</span> eene <span class="corr" id="xd31e1443" title="Bron: veradedeminge">verademinge</span>, ende het wert beter met hem, ende de boose geest weeck van <span class="pageNum" id="pb45">[<a href="#pb45">45</a>]</span>hem.</span>—O, het is een zalig gevoel in een tijd, wanneer de drift, als een storm uit zijn -krocht losgebroken, de kalmte der ziel beroert; wanneer alles, wat er kwaads en ondeugends -op den bodem des harten slaapt, opgist, en het hoofd door zijn dampen bedwelmt; wanneer -de onreinheid, die den grond onzes gemoeds bedekt, door onvoorzichtigheid in beweging -gebracht, opborrelt, en deszelfs helderheid troebel maakt; het is een zalig gevoel, -wanneer men zich in zulk een tijd de kracht voelt ontbreken om die woeling te gebieden: -Zijt stille!—dat er zich dan een macht van buiten opdoet, die de verbroken rust en -klaarheid herstelt. Zulk een macht nu is voor mij die der muziek. Dikwijls, als onreine -gedachten mijne verbeelding dreigden te besmetten; als de hartstocht mijn gemoed in -oproer bracht; als een weêrbarstige ontevredenheid zich van mijn ziel meester had -gemaakt; was het genoeg, dat de muziek haar liefelijke stem liet hooren, om den kwaden -geest, die mij verzocht, uit te bannen. Niet dikwijls gebeurde het, als zij zich ter -rechter tijd gelden deed, dat mijn drift zich tegen haar tooverkracht bleef verzetten. -Bij de eerste tonen reeds werd het oproer in zijn vaart gestuit; langzamerhand liet -het zich met zachten tegenstand terugdringen, zoo als men een blaffenden bandhond -streelend in zijn hok lokt; terwijl de muziek de muitende driften bedwong, riep zij -de sluimerende betere gewaarwordingen wakker; vandaar een korte strijd, die eindelijk -in de zegepraal van het goede beginsel eindigde, terwijl het kwade als een neêrgeslagen -droesem op den donkeren bodem terugzonk. Gelukkig oogenblik, wanneer alsdan een zacht -rood van schaamte de wangen kleurde, welke vroeger de <span class="corr" id="xd31e1449" title="Bron: harstocht">hartstocht</span> in vollen gloed had gezet, en een verkwikkende traan het brandend oog bevochtigde. -Alsdan werd de wonderspreuk des Dichters aan mij bewaarheid: -</p> -<div class="lgouter"> -<p class="line">Alles heeft zich-zelf verloren. </p> -<p class="line xd31e490">’t Honderdhoofdig Helgedrocht </p> -<p class="line xd31e490">Ligt ontketend in zijn krocht, </p> -<p class="line">Met ter neêr gestreken ooren, </p> -<p class="line">Vastgeboeid door ’t maatgeluid. </p> -</div> -<p class="first">En wat wonder? Immers was ik altijd, licht ontvlamd als ik ben, de speelbal van snel -afwisselende aandoeningen, en even ras „in gloed gevlogen,” als tot zachtere gemoedsaandoeningen -terug te brengen. Mijn moeder vooral verstond meesterlijk de kunst om in zulk een -onrust rust te gebieden. Zij deed dit niet door mij, als een hollend paard, in den -teugel te vallen; zij deed het door den leniger, maar sterker drang der overreding! -<span class="sc">„Jonathan! Jonathan!”</span> Er was in den toon, waarmede zij dien naam uitsprak, iets zoo krachtig en teeders -te gelijk, dat ik er niet aan kon weêrstaan. Welnu, in de stem der muziek is voor -mij iets dergelijks; als zij mij hare zachte klanken tegenwalmt, is het of ik nog -de stem van mijn nu zalige moeder hoor; <span class="sc">„Jonathan! Jonathan!”</span> En gepaard met deze herinnering, vallen mij op het eerste geluid de wapens uit de -handen. Heerlijke muziek, zeker zijt gij een broeder-engel van mijnen Genius! -<span class="pageNum" id="pb46">[<a href="#pb46">46</a>]</span></p> -<p>Ook weet ik van oogenblikken, waarin zich aan mij een andere verzekering des Dichters -bevestigde: -</p> -<div class="lgouter"> -<p class="line">Dan vergeet zich in ’t verrukken, </p> -<p class="line xd31e490">Zelf Prometheus arendsbeet, </p> -<p class="line">Tantalus versmachtend leed, </p> -<p class="line xd31e490">Bij ’t vervoerend vingerdrukken. </p> -</div> -<p class="first">Waar is de mensch, wien het hier wel niet eens bang was? Ik althans behoor tot hen, -die aan het bestaan van <span class="sc">Prometheus</span> en <span class="sc">Tantalus</span> gelooven. Ik ken die pijn, die het hart eet en het bloed drinkt; ik ken dat onverzadigd -verlangen, dat den mensch naar de gouden paradijsappelen doet hongeren, die altijd -even ver van zijn lippen verwijderd blijven; maar ik ken ook dat zich vergeten van -arendsbeet en versmachting, -</p> -<div class="lgouter"> -<p class="line">Bij ’t vervoerend vingerdrukken. </p> -</div> -<p class="first">De muziek spreekt bovenal de taal der vertroosting! haar gestrook -</p> -<div class="lgouter"> -<p class="line">Is waarlijk van fluweel. </p> -</div> -<p class="first">Haar vriendelijke stem vloeit als balsem in het verscheurde hart: ik weet niet, of -het waar is, wat sommigen beweerd hebben, dat muziek de kracht heeft van sommige zielskrankten -te genezen; maar ik weet wel, dat zij in staat is het lijden van alle zielskrankten -te verzachten en te lenigen. En is zij niet een bode der hope, die van betere tijden -spreekt? Dikwijls als bittere teleurstellingen mij hadden ter aarde geworpen, richtte -zij mij aan haar hand op, en nam mij aan haar zachte borst; dan dauwden er woorden -van liefde en troost van haar zoete lippen; dan ademde zij mij nieuwen moed in ’t -hart; dan goot zij mijn boezem vol van nieuwen levenslust en nieuwe levenskracht; -dan spande haar opwekkende invloed mijn spieren en zenuwen tot dapperen wederstand -tegen den druk, die op mij woog; dan klonk haar stem voor mij als een wapenkreet, -die mij ten strijd daagde; dan ging haar moed-inboezemend geluid mij voor op den weg -der overwinning; dan hergaf zij mij aan mij zelven. -</p> -<p>Nog plechtiger herinneringen verrijzen voor mijn geest. -</p> -<p>Stemme des orgels! Stemme der muziek in het huis des Heeren! Hoe de gewaarwordingen -te beschrijven, die gij zoo dikwijls in mij verwektet? -</p> -<p>Ik weet het, de Godsdienst heeft meerder rechten op de welluidendste der kunsten, -dan deze haar in onze eenvoudige heiligdommen betaalt. De storm der Hervorming heeft -in haar geweldige, schoon heilzame omkeering, onder meer, dat wij hadden willen gespaard -zien, ook de snaren van de heilige harp <span class="sc">Davids</span> verbroken, die Gode zoo welgevalliglijk placht te klinken. Het zij! wij weten, dat -het een hachelijk oogenblik was, toen het niet de keuze tusschen een eerdienst met -of zonder muziek, toen het de keuze tusschen een hulde des harten en der lippen en -een hulde der muziektuigen gold; toen er beslist moest <span class="pageNum" id="pb47">[<a href="#pb47">47</a>]</span>worden, of de zanger zou zingen, of zijne luite. Doch des te hooger eere en dank aan -hen, die het pleit des orgels voor de rechtbank der Hervorming hebben verdedigd en -gewonnen. Nu hebben wij ten minste een enkel harmonisch voertuig voor onze heilige -inboezemingen behouden; en, wij erkennen het dankbaar, het geschiktste en waardigste, -om dien gewijden last ten Hemel te voeren! Er is in den klank des orgels iets statigs -en majestueus, dat wonderlijk overeenkomt met de plaats en het doel, waartoe het zich -laat hooren. Ik zou haast zeggen: het orgel is een beeld van den Godsdienst zelven, -dien wij belijden. Zoo woont hij in ons hart, onzichtbaar en verborgen, even als het -geluid in het speeltuig. Geen bonte pronk of valsche schittering tooien hem, maar -een deftig, plechtig en eerbiedwekkend uiterlijk. Hij vermengt zich niet onder de -ijdelheden der aarde, noch paart zijn stem aan den luchtiger toon der wereld; altijd -blijft hij waardig, achtbaar en zijn hooge bestemming indachtig. Zich gedurende de -zes ongewijde dagen in zichzelve terugtrekkende, verheft hij ten zevenden, ten dage -des Heeren, zijn jubelende stem, en roept dan luide zijn verrukkingen uit! Maar ook -dan nog handhaaft hij zich als de bode eener heilige blijdschap, en laat in den klank -van zijn zich naar buiten openbarende vreugde, altijd den grondtoon van een statigen -ernst klinken.—Vol en breed vervult de galm van het speeltuig het heiligdom, en doordringt -het met een welluidende huivering; langzaam, gelijk de geur des offers met de lucht -samenvloeit, vereenigt hij zich met de stem der menigte; en daarmede ineengesmolten -heft hij zich met een kalme gelijkmatige duivenvlucht omhoog, dringt door wolken en -uitspansel, en stort zich uit voor het oor van Hem, die den adem geeft. O, het is -verwonderlijk, hoe machtig dit geluid is op hem, die er gevoel voor heeft, om hem -te stemmen en tot een waardige aanbidding voor te bereiden. Hoe dikwijls kwam ik verstrooid -en afgetrokken in het heiligdom; maar het orgel klonk! het orgel, dat ons in zijn -indrukwekkend geklank opriep: <span lang="nl">Lovet den Heere met de harpe. Psalmzinget Hem met de luyte.</span>—Als een geest der bezieling woei die welluidende adem mij aan; helder weêrklonk die -stem, die den tempel doorgalmde, in den tempel mijns harten. En nauwelijks droeg de -eerste golf van melodie den eersten toon des gezangs naar boven, of reeds mengde zich -mijn stem, eerbiedig en vroom, in het duizendstemmig lied der gemeente, en klom zwak -en bevende, maar uit het volle hart, tot den Heer! En hoe zou ik al de verplichtingen -kunnen opnoemen, die mijn stichting en zielsverheffing aan u heeft, muziek des gewijden -orgels? Of kende ik de oogenblikken niet, waarin mijn overstelpt hart zijn dank niet -hoog genoeg ten hemel heffen kon, maar zich gelukkig voelde, dien op uw breeder en -sterker schacht te mogen nederleggen, om dien te brengen tot waar mijn stem niet reikt; -oogenblikken van bezwaardheid en droefenis, waarin met uw opbeurende galmen van boven -licht en troost in mijn donkere ziel vloeide; oogenblikken, waarin uw majestueus geluid -mij een huivering van eerbied <span class="pageNum" id="pb48">[<a href="#pb48">48</a>]</span>op de leden stortte, en mij den Allerhoogste voor den geest stelde<span class="corr" id="xd31e1506" title="Niet in bron">,</span> als was het dat „<span lang="nl">suyzen van een sachte stilte</span>” waarin de Heer zich aan zijn dienaars openbaart; oogenblikken, waarin uw donderende -toon, ontzagverwekkend als de klaterende wolk van Horeb, op mij nederdaalde en mij -met den schrik des Heeren sloeg, of waarin ik in een rollend gebulder de bazuine des -laatsten oordeels meende te hooren; oogenblikken waarin uw machtige stem voor mij -de wolken deed scheuren, en mij, onder uw zegevierend jubelen, den hemel opende, waaruit -mij reeds het lied der tienduizendmaal tienduizenden scheen toe te klinken! O zeker, -al waart gij voor mij de eenige tolk der harmonie, die door al het geschapene ruischt, -orgel des heiligen bedehuizes! toch zou ik met <span class="sc">Schiller</span> aan uw kunst den palm reiken! -</p> -<div lang="de" class="lgouter"> -<p class="line"><i>Aber die Seele <span class="corr" id="xd31e1519" title="Bron: sprecht">spricht</span> nur Polyhymnia aus.</i> </p> -</div> -<p class="first">Ja, durfde ik, ik zou verder willen gaan en zeggen: Muziek is de taal des hemels! -</p> -<p>„Muziek de taal des hemels!” -</p> -<p>Kent gij <i lang="fr">la dernière pensée musicale</i> van <span class="sc">Weber</span>? Laat haar u anders eerst eens voorspelen. -</p> -<p>Begrijpt gij mij nu? -</p> -<p>Ik ken geen muziekstuk, dat mijn gedachten beter uitdrukt. Hoort gij het niet, dat -er in deze heerlijke <i>andante</i> een stem is, die van een betere wereld spreekt? Dat weemoedig-zwevende, dat biddend-klagende, -dat smachtend-verlangende, dat opwaarts-strevende,—in één woord, dat gevoel van heimwee, -dat in deze noten ademt, wijst het u niet als met de hand naar den hemel? O, zóó zou -ik wenschen te sterven met zulke gedachten, met zulk een gevoel, met zulke verwachtingen! -Welnu, dit karakter der muziek is het, wat haar voor mij zoo aantrekkelijk maakt! -Wat zijn zij zeldzaam, de stemmen, die ons aan ons vaderland daarboven herinneren! -en wanneer ze zich al laten hooren, hoe zelden hebben zij den waren toon, die het -hart toespreekt, en met waarachtig verlangen vervult! Maar voor mij is de muziek zulk -een roepstem, en wel een stem, zoo liefelijk, zoo uitlokkend als eenige, een stem -als van een moeder, die haar kind tot zich roept. Ja, ik begrijp dat heimwee van den -Zwitser, als het lied zijner bergen, het klagende <i lang="fr">ranz des vaches</i> in zijn ooren klinkt. Ik geloof dat dit geluid de snaren zijner ziel kan spannen, -dat ze breken. Immers weet ik wat ik gevoel, als de muziek mij als een stem uit de -hoogte toeruischt, en mij met reikhalzende begeerte naar de bergen mijns hemelschen -vaderlands doordringt. Dan doorstroomt een nameloos gevoel mijn boezem; dan vervult -zich mijn hart, en zet zich uit, en zwoegt als om zich ruimte te maken, gelijk een -vogel in zijn kouw; dan rijzen zucht op zucht uit dien beklemden kerker op, en stijgen -daarheen, waar het hart ze niet volgen kan, dat ze treurig naziet als een gevangen -duif, die haar jongen ziet opvliegen. Dan verheft zich mijn hoofd, dan glinstert mijn -oog, dan openen zich onwillekeurig mijn armen, dan zucht ik bezwaard zijnde om ontbonden -<span class="pageNum" id="pb49">[<a href="#pb49">49</a>]</span>te worden.<span id="xd31e1543"></span> Zou het misschien daarom zijn dat <span class="sc">Luther</span> de muziek de eerste der menschelijke kunsten noemde, en haar de naaste aan de godgeleerdheid -plaatste? -</p> -<p>De eerste der menschelijke kunsten, zeide ik. Maar.… ik weet niet.… ik durf niet gissen.… -ik vrees vermetel te wezen.… en waarom niet? Een groot man heeft van den aanstaanden -<span class="corr" id="xd31e1550" title="Bron: gelukstaat">geluksstaat</span> der zaligen gezegd: „Geeft u onbeschroomdelijk toe in kinderlijke droomen en voorstellingen! -Alleenlijk, laten het geen opgeblazen, wijsgeerige, maar laten het kinderlijke droomen -zijn!”—Welnu, tot die kinderlijke droomen van mijn verbeelding behoort ook, dat de -vreugde, uit het genot der muziek geschept, mede tot het geluk der zaligen behooren -zal. Ik weet wel: „de lofzangen der hemelingen zullen toch geen Jeruzalemsche tempel-muziek -wezen!” Even weinig durf ik raden, hoe dan anders zich mijn mijmeringen verwezenlijken -zullen. Maar ik laat mij daarom het denkbeeld niet ontnemen, dat daar een stemme des -gezangs en geklanks zal gehoord worden in den hemel, gelijk er een stemme des lieds -en der speeltuigen gehoord wordt op aarde. Niet alleen om den wil der fijne, zuivere, -geestelijke en bijna bovenaardsche weelde, waarin de stroom der harmonie het gevoelig -hart doet baden; maar omdat ik mij zóó, en zóó alleen verbeelden kan, hoe het van -hemelzaligheid overvloeiend hart zich, in gemeenschap met zijn medegezaligden, in -dankbaarheid en vreugde voor den Vader der Lichten zal uitstorten. „Gloeit het vuur -der dankbaarheid,” zoo leze ik, „diep in mijn binnenste, verliest u dan in de plechtige -lofgezangen, die voor het aangezicht van God worden uitgeboezemd!” Laat ik er mij -dan in verliezen! Beklage of belache mij wie wil; ik laat anderen gaarne hunnen hemel, -indien men mij slechts toelaat mij mijnen hemel te scheppen, zoo als hij voor mij -meest aantrekkelijk, meest uitlokkend, meest hemelsch is! O, dat stemmen der gouden -citers! dat aanheffen van een nieuw en nooit gezongen lied! dat mengen der stem in -het koor van al wat in den hemel leeft! dat uitstorten van zijn hart in den adem der -Godsverheerlijking!.… Indien gij een droom zijt, hoe schoon zijt gij! En indien meer!.… -</p> -<p>Kom, <span class="sc">Editha</span>! speel de <i lang="fr">dernière pensée musicale</i> van <span class="sc">Weber</span> nog eens voor mij! -<span class="pageNum" id="pb50">[<a href="#pb50">50</a>]</span> </p> -</div> -</div> -<div id="ch6" class="div1 story"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e7167">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="main">RUITEN TROEF.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Onder andere schoone en nuttige kundigheden, mis ik ook het talent van kaartspelen. -Ik weet niet waardoor het komt, maar ik heb het nooit kunnen leeren. En dit is te -onbegrijpelijker, omdat het mij anders niet aan het noodige geduld ontbreekt. Op het -ganzenbord bijvoorbeeld ben ik een heele held. Uren lang kan ik, met een lief kind -op mijn schoot, mij aan dat spel toewijden, zonder ooit moede te worden van het onophoudelijk -heen en weêr trekken van den Put naar den Dood, en van den Dood weêr naar den Put. -Maar met de kaartenbladen der groote menschen kan ik maar niet klaar komen; misschien -ligt het aan de zwakheid van mijn geheugen. Eischt de wet van het spel niet, dat men -zal nagaan, wat ieder zijner medespelers in de hand heeft? Waarlijk, dit is te veel -geëischt van een man, die altijd zoo veel met zich zelven te doen heeft, dat hij nauwelijks -ooit een <span class="corr" id="xd31e1570" title="Bron: ogenblik">oogenblik</span> tijd kan vinden, om zich over eens anders zaken te bekommeren. Aan de <i>whist</i>tafel, evenmin als elders, bemoei ik mij gaarne met het spel van anderen. Men heeft -mij wel gezegd, dat ik daardoor altijd verliezen moet, omdat anderen er wel achter -weten te komen, wat ik in de hand heb;—ik moet het overgeven. Om mijn domheid in dit -opzicht te rechtvaardigen, heb ik er een stelling op uitgevonden, waarmeê ik mij zoo -goed mogelijk troost: goede spelers worden geboren, en niet gemaakt. -</p> -<p>Gebeurt het dus somtijds, dat ik tegen mijn gewoonte in een gezelschap verdwaald ben, -waar gespeeld wordt, krijg ik gewoonlijk van de gastvrouw een plaatsje bij de jongelui, -aan de zoogenaamde <i>allegaâr</i>-tafel. Daar gaat het met het <i>kleuren</i> nog zoo wat heen; te meer, omdat ik altijd spoedig <i>dood</i> ben, en dan gelegenheid heb, het veel vermakelijker spel van de verliefde dartelheid -der jonge paren aan te zien. Dat gezicht is voor mijn smaak wel eens zoo aanlokkelijk, -als dat van gindsch <i>hombre</i>-tafeltje, waar de partijen een gezicht zetten, of zij om malkaârs leven dobbelen. -Hier doet zich mijn schilder-oog recht te goed. Zie had ik mijn potlood, ik zou dien -schalken jongen met zijn donkere kijkers willen uitteekenen, zoo als hij zijn hoofd -stoeiend over den blanken schouder van zijn bekoorlijke buurvrouw <span class="pageNum" id="pb51">[<a href="#pb51">51</a>]</span>heensteekt, om <i>quasi</i> te zien, wat kaarten zij heeft, maar dat hij, dom genoeg, in haar lachende oogen -schijnt te willen lezen. De linksche jongen! hij gelijkt mij, hij zal nooit goed leeren -spelen! en welk een aardig <span class="corr" id="xd31e1590" title="Bron: tegenstnk">tegenstuk</span> zou gindsch sentimenteel paartje opleveren, dat den schijn aanneemt van elkanders -kaarten te ruilen, maar eigenlijk alleen van die mine gebruik maakt om verliefde handdrukjes -te wisselen; met dat gevolg, dat zij beide eindigen met drie verschillende kleuren -in den hand te krijgen. Wat doet het er toe? daar het hoogroode blosje, dat te gelijk -beider wangen bedekt wel degelijk van de zelfde echte <i>hartenkleur</i> is! Ei, voor zulk een tooneeltje geef ik van ganscher harte het zeldzaam genoegen -van een <i lang="fr">vole annoncée</i> te zien spelen. -</p> -<p>Maar als ik nu bij ongeluk in een kring geraakt ben, waar alleen met scherpe wapenen -gestreden wordt, zonder dat er een hoekje voor zulk een onschuldige schermpartij is -afgezonderd, dan moet ik mij getroosten, als een ledig aanschouwer door de zaal te -dwalen, en mij beurtelings bij de verschillende tafeltjes te plaatsen. Het is waar, -dat dit niet altijd even aangenaam is. Want mijn eigenliefde krijgt bij zulk een gelegenheid -altijd geweldige stooten. Meestal heb ik alsdan moeten ondervinden, dat op zulk een -oogenblik de minste kaart meer aandacht trekt, dan ik. Aanmerkingen, die verdienden -gedrukt te worden, heb ik door den uitroep van: <i>spadille!</i> hooren overschreeuwen. Ik geloof dat zulke ervaringen krachtig hebben meêgeholpen, -om mij nederig te houden. Ten minste sedert eenigen tijd is mijn aanmatiging om tusschen -de phrasen van het spel nog mijn phrase te willen plaatsen voorbij. Ik waag mij niet -meer in het gedrang, maar blijf eerbiedig op een afstand. Gewoonlijk plaats ik mijn -stoel in de nabijheid van het een of ander tafeltje, ver genoeg van het tooneel des -gevechts verwijderd om niemand te hinderen, en toch niet zoo ver, of ik kan het voorkomen -<span class="corr" id="xd31e1602" title="Bron: heben">hebben</span> van naar het spel te zien. En dan komt mijn gelukkige gaaf, van met open oogen te -kunnen droomen, mij weder heerlijk te stade. Aldus heb ik aan de <i>whist</i>- en <i>quadrille</i>-tafel menig schoon uurtje gesleten<span class="corr" id="xd31e1609" title="Niet in bron">.</span> -</p> -<p>Zoo was ik onlangs bij een mijner goede vrienden op een verjaarfeest genoodigd; hij -kwam mij zelf vragen, omdat hij voor een weigering vreesde. Want daar zijn <i>Chef</i>, wien hij welstaanshalve niet voorbij kon gaan, een liefhebber was van „een kaartje -te leggen,” moest er in den vooravond gespeeld worden. Wat zou ik doen? hij stond -er op, dat ik komen zou, en ik bederf niet gaarne iemands vreugde. Ook ben ik er bang -voor, iemand, dien ik lief heb, te verstoren. Als men aan vrouw of kind iets weigert, -hangen ze u vijf minuten daarna toch weêr aan ’t lijf: maar als men een vriend boos -maakt, blijft hij wel eens boos. Kort en goed, ik nam het aan. -</p> -<p>Ik kwam vrij laat. De tenten waren reeds opgeslagen, het terrein verdeeld, de strijders -geschaard, en de zwaarden getrokken. Wat wonder, dat bijna niemand mij merkte? Nadat -ik de gastvrouw begroet en mijn vriend de hand gedrukt had, begon ik naar een plaatsje -uit <span class="pageNum" id="pb52">[<a href="#pb52">52</a>]</span>te zien, waar ik het gevecht zou kunnen—vergeten. Wacht.… ja.… daarheen! ik had een -heerlijk hoekje gevonden, in de nabijheid van een <i>hombre</i>-tafeltje, waar ik, half tusschen de meubelgordijnen verscholen, mij onopgemerkt aan -mijn gepeinzen kon overgeven. Nadat ik het gezelschap, in welks nabijheid in mijn -banier plantte, links en rechts gegroet had, begon ik, om op mijn verhaal te komen, -met mijn buurman op te nemen. Zij waren drie in getal, twee Heeren en een Dame. Om -een bijzondere reden, die in de verdeeling van het spel haar grond had, was de echtgenoot -der Dame een van haar beide <i>partners</i>. Het was een leelijk man, met een geschonden aangezicht en lichtgrijze oogen, die -door een schildpadden bril keken. Hij was prachtig, maar slordig gekleed; hij sprak -weinig, en deed bijna niets dan om de geestigheden van zijn medespeler lachen. Deze -was het levend beeld der gezondheid. Hij moest vroeger een schoon man geweest zijn; -maar het vet, die gezworen vijand van alle schoonheid, had de fijnheid zijner trekken -en vormen bedorven. Hij was nu een dikke <span class="sc">Apollo</span>, gelijk onze oude schilders er teekenen. Evenwel, hoe diep zijn hart ook in zijn -vleezige borst begraven was, de geest scheen door het vleesch nog niet geheel ten -onder gebracht. Onophoudelijk vloeiden er Attische zetten van zijn lippen, die zijn -vriend deden schateren, en ook de Dame een goedkeurend glimlachje afdwongen. De dame—ik -had de beleefdheid wel mogen hebben van met haar te beginnen—was een vrouw van ruim -dertig jaren; evenwel mogt zij nog met het volste recht een schoonheid heeten. Ofschoon -een kanten nevel haar haar verborg, zag men aan de vlecht, die daaronder te voorschijn -kwam, welk een onrecht zij daarmede aan de bewonderaars van „levend goud” deed. Haar -oogen waren van het verrukkelijkste blauw, en haar huid van een verblindende blankheid. -Echter vond ik haar niet onwederstaanbaar; zij had iets onverschilligs, iets prozaïsch -in haar wijze van spreken en doen, dat met haar blond-blauw voorkomen in openlijken -strijd was. Zij dronk met haar fijne beeldig besneden lippen haar glaasje bisschop -met een genoegen, met een sybaritisch welgevallen, dat mij wanhopig maakte; en toen -zij haar parelwitte <span class="corr" id="xd31e1626" title="Bron: tanten">tanden</span> met Epicurische graagte in een roomtaartje zette, moest ik mij van ergernis omkeeren. -</p> -<p>Evenwel, men gewent aan alles: zoo ook ik op dien oogenblik. Nog geen half uur was -er verloopen, of ik zag tafeltje noch spelers meer, en zat reeds hoog en droog in -de luchtballon mijner droomerijen. Daar dreef ik op de genade des toevals door de -lucht, zonder iets te bemerken van alles wat op de aarde aan mijn voeten voorviel. -Het zij mij vergund, u een staaltje van mijn overdenkingen te geven. -</p> -<p>Onder andere beelden zag ik de sylphengestalte van <span class="sc">Alwine Stanley</span>, een der liefelijkste verschijningen, die ooit mijn oog verrukten. Zij was blank -als <span class="corr" id="xd31e1635" title="Bron: een een">een</span> engel, en, zoo haar haar niet zoo wit was als sneeuw, het scheen toch sneeuw, door -de zon verguld; ook droeg zij altijd een wit kleed, en had daarbij iets in de oogen, -dat de begoocheling volkomen maakte. Maar zij was teêr, ongeloofelijk teêr! haar middel -was <span class="pageNum" id="pb53">[<a href="#pb53">53</a>]</span>zoo tenger, dat men vreesde, als zij zich boog, moest zij knakken als een bieze, tot -dat men zich overtuigd had, dat het golvende van haar bewegingen die vrees overbodig -maakte; want dan toonde zich haar lichaam weêr zoo buigzaam en veêrkrachtig, dat het -uit enkel zenuwen en spieren scheen te bestaan, en den stokkerigen gast dien wij daaronder -herbergen te missen. Haar hals was dun als die van <span class="sc">Anna Boleyn</span>, maar veel gereeder dan deze om te buigen; want bij het minste tochtje, dat langs -haar ging liet zij het hoofd hangen. Haar geheele voorkomen had een etherischen zweem, -en deed aan de teederste van <span class="sc">Shakespeare’s</span> scheppingen, aan <i>Ariel</i>, denken. Wie haar zag, vond de aarde te hard en den wind te scherp voor haar; wie -haar toesprak<span class="corr" id="xd31e1649" title="Niet in bron">,</span> <span class="corr" id="xd31e1651" title="Bron: verzachte">verzachtte</span> onwillekeurig den toon zijner stem; zij was als Sir <span class="sc">Walter’s</span> <i lang="en">Maiden of the mist</i>, men durfde haar niet aanroeren, uit vrees van haar in een nevel te zien oplossen. -</p> -<p>Was het vreemd, dat zij vele bewonderaars had? Vreemd was het evenwel, dat er niemand -aan scheen te denken om naar haar hand te staan. Dit was het gevolg van haar Engelen-natuur; -het gevoel van ontzag, dat zij inboezemde, maakte, dat men het denkbeeld om haar te -bezitten als iets ongerijmds verwierp. In de droomen des jongelings kwam zij voor -als de toovergodin, die zijn liefde beschermt, nooit als de schoone Prinses, naar -wier gunst hij stond. Zij had honderd aanbidders, maar geen enkelen minnaar. -</p> -<p>Dit bleef echter niet altijd zoo. Eindelijk was er een, die het waagde een vermetel -oog op haar te slaan. Maar zoo in iemand, in hem was die stoutmoedigheid te dulden. -Hij heette <span class="sc">Alfred</span>; maar ik noemde hem <span class="sc">Alcibiades</span>, zoo herinnerde hij mij dien bevalligste der Grieken. Want, dat de Olympische lauwer -aan zijn antieken kop ontbrak, en marmer noch metaal den heerlijken vorm zijner gestalte -vermenigvuldigde, was aan den tijd te wijten, waarin hij geboren was; wat bleef hem -thans over, dan zijn moed in in het oefenperk der gymnastie en het speelveld der schermkunst -te doen schitteren? Maar miste hij de gelegenheid om een bloedige kroon te winnen, -te schooner sierde hem de krans van de kunsten des vredes. Hij was dichter, zonder -evenwel de luit te hanteren; maar de scheppende kracht eener weelderige <i>fantasie</i> woonde in zijn borst, en stortte zich in den kunsteloozen vorm eener wegsleepende -welsprekendheid uit. Niets echter onderscheidde hem meer, <span class="corr" id="xd31e1671" title="Bron: dan zijn dan zijn">dan zijn</span> <span class="corr" id="xd31e1674" title="Bron: harstocht">hartstocht</span> voor de muziek; zelf was hij een uitstekend kunstenaar, doch verborg dit talent met -meisjesachtige schaamachtigheid. Maar ’s nachts, onder begunstiging der duisternis, -doolde hij, met de guitar om zijn hals geslingerd, naar de woning van <span class="sc">Alwine</span>; en wie hem dan in romanesque melodiën aan zijn gevoel lucht hoorde geven, waarbij -zijn tenorstem met den langen adem eens nachtegaals door de lucht trilde, terwijl -zijn schilderachtige houding, door het schijnsel der maan verlicht, aan een Grieksch -standbeeld deed denken, vergaf het aan de hemelsche Diana, achter dien wit-gazen nevel -verscholen, dat zij met welgevallen op dezen Actaeon nederzag. -<span class="pageNum" id="pb54">[<a href="#pb54">54</a>]</span></p> -<p>De gelieven beminden elkander, gelijk zulke zielen beminnen moeten, hartstochtelijk; -maar een breede klove scheidde hen. De witte gestalte van <span class="sc">Alwine</span> boog voor de hostie; het trotsche hoofd van <span class="sc">Alfred</span> boog alleen voor Hem, dien „de Hemelen niet en begrijpen.” Het meisje, wier liefde -op de rots van onbepaald geloof in den Beminde gegrond was, was gereed voor hem het -outer te verlaten en naast hem neêr te knielen; maar haar vader, die voor den Roomschen -herdersstaf sidderde, verbond aan het verlaten haars heiligdoms de verbanning uit -zijn huis en hart; er zweefde een onheilspellend woord op zijn lippen. Om haar wanhopig -te maken, kwam hier het aanzoek van een geloofsgenoot bij, een man die haar begreep -noch verdiende; een van die menschen, die met dezelfde onverschilligheid hun voet -in ongerepte sneeuw als in drassige klei drukken. De vader, voor de verleiding van -den schoonen Hugenoot vreezende, was harder voor haar dan zij verdiende: ongenadig -als een stormwind drukte hij op broze riet, zoodat het krookte, en spoedig geheel -scheen te zullen breken. Nog herinner ik mij, welk algemeen mededogen de kwijnende -<span class="sc">Alwine</span> opwekte; menig oog, dat haar aanzag, vulde zich met tranen, en ieders verbeelding -zag haar reeds aan den voet des altaars, met den witten maagdenkrans op het haar, -en de brandende waslichten rondom haar.… Ja, zal ik het bekennen? in de verwachting -van haar aanstaanden dood, bezong ik haar uiteinde reeds in een gedicht, waarin onder -anderen de volgende smachtende regels voorkwamen: -</p> -<div class="lgouter"> -<p class="line">Beklaag Alwine, in ’s levens bloei vergaan! </p> -<p class="line">Hoe greep de smart haar teedre broosheid aan! </p> -<p class="line">Nog is zij schoon, maar aaklig schoon! en de oogen </p> -<p class="line">Beweenen haar, die haar bewondren mogen. </p> -<p class="line">Was ze eenmaal bleek als lentebloesem, thans </p> -<p class="line">Week ’t leven uit de witheid van dien glans. </p> -<p class="line">Een doode schijnt ze, als balsemde heur asem </p> -<p class="line">Haar zielloos schoon met eigen amberwasem. </p> -<p class="line">Soms dringt een traan zich aan haar oogen op, </p> -<p class="line">Maar ’t is ondanks haar wil, zoo als de knop, </p> -<p class="line">Gebroken op zijn steel en halfgebogen, </p> -<p class="line">Den dauw vergiet, waarmeê hij is betogen. </p> -<p class="line">En vreemd! zoo weinig dooft dat nat hun vonk, </p> -<p class="line">Dat nooit haar blik van helder tintling blonk! </p> -<p class="line">Ook wreken zich de kwellingen haars harten </p> -<p class="line">Niet op haar leest in folterende smarten, </p> -<p class="line">Maar, met den dolk in ’t hart, zegt ze Arria, </p> -<p class="line">Met vriendlijk oog: het is niet pijnlijk! na. </p> -<p class="line">Zij draagt haar leed als waar ’t in onbewustheid, </p> -<p class="line">En liegt het weg in ’t lachje van gerustheid </p> -<p class="line">Op ’t smal gelaat, zoo al geen bleeker rood </p> -<p class="line">Den worm verraadt, die ’t veege bloempje doodt! </p> -<p class="line">Soms ziet men haar doorschijnende elpen vingeren </p> -<p class="line">Zich bevend om de zilvren snaren slingeren; </p> -<p class="line">Maar, trillend door d’onvasten greep, heeft ’t lied, </p> -<p class="line">De harp ontlokt, den rechten toonklank niet. <span class="pageNum" id="pb55">[<a href="#pb55">55</a>]</span></p> -<p class="line">De lip is bleek, die vroeger plach te blozen, </p> -<p class="line">Maar, witte roos, behield den geur der rozen. </p> -<p class="line">Haar stem is zacht, maar vriendlijk zacht en zoet. </p> -<p class="line">Zij sleept zich voort met weigerenden voet, </p> -<p class="line">En toont, wanneer zij op uw arm mag leunen, </p> -<p class="line">Hoe noodig ’t is haar zwakheid te ondersteunen. </p> -<p class="line">De slaap ontwijkt ze, als vreest ze een enkel uur </p> -<p class="line">Te ontrooven aan zoo kort een levensduur! </p> -<p class="line">Ja, zelfs de Dood laat zich door haar verzachten, </p> -<p class="line">En schijnt bij ’t henensmelten van haar krachten, </p> -<p class="line">Te waken, dat geen al te ruwe slag </p> -<p class="line">Zoo schoon een leest te deerlijk schenden mag! </p> -<p class="line">Zoo zal zij ook, wanneer zij ’t hoofd laat hangen, </p> -<p class="line">Zacht sluimren, door zijn harden arm omvangen, </p> -<p class="line">En wie haar ziet, doen denken, aan haar rust: </p> -<p class="line">Een moeder heeft haar zoo in slaap gekust.… </p> -</div> -<p class="first">„Ruiten-troef!” riep de Dame aan het <i>hombre</i>-tafeltje, met een stem zoo luid, dat ik wakker schrikte en uit mijn droom ontwaakte. -„Ruiten-troef!” riep zij, en daarbij keerde zij het spel kaarten, dat zij gemengd -had, om, waardoor het bleek, dat Ruiten de favoriet-kaart voor het volgende spel waren. -</p> -<p>Zelden echter was ik zoo boos op de oorzaak, die mij in mijn mijmering stoorde, als -nu! Het was ook een val! van een romanesque doode op Ruiten-troef.… denkt gij? neen, -veel erger! Want—en verplaats u in mijn stemming—want de engelachtige <span class="sc">Alwine</span> was—och ja, de Dame die voor mij zat en Ruiten-troef had geroepen! de dikke Apollo -was <span class="sc">Alfred</span>! en de leelijke man met zijn schildpadden bril de door <span class="sc">Alwine’s</span> vader beschermde minnaar! -</p> -<p><span class="sc">Alwine</span> had lang tegenstand geboden, lang geleden en gestreden; maar eindelijk had de wil -haars vaders, door de verschrikkingen van het bedreigde <i>exorcismus</i> ondersteund, haar toestemming afgedwongen. Toen ik haar in den echt had zien inzegenen, -kwam ik verontwaardigd te huis, en zette een nieuw gedicht op het touw, dat dus begon: -</p> -<div class="lgouter"> -<div class="lg"> -<p class="line">’k Heb u gezien, de oranje door de haren, </p> -<p class="line xd31e490">En om den hals ’t juweelen snoer gezwierd; </p> -<p class="line xd31e490">De blanke leest met blank satijn gesierd, </p> -<p class="line">Omgeven door de u huldigende scharen. </p> -<p class="line xd31e490">Ik zag u, met die bleekte op ’t zacht gezicht, </p> -<p class="line">Die weêmoed op de wang der bruid verwekte, </p> -<p class="line">Aanvalliger, dan toen de blos ze dekte, </p> -<p class="line xd31e490">Die vreemd moet zijn aan d’ochtend, die u licht. </p> -</div> -<div class="lg"> -<p class="line">Die kwijning van uw heerlijk blauwende oogen— </p> -<p class="line xd31e490">Die flauwe lach, die wegsterft in een zucht— </p> -<p class="line xd31e490">Dat rustloos hart, dat zwoegend hijgt naar lucht— </p> -<p class="line">Die fletsheid, die uw wangen houdt betogen— </p> -<p class="line xd31e490">Die matheid in ’t door druk bezwaard gestel— <span class="pageNum" id="pb56">[<a href="#pb56">56</a>]</span></p> -<p class="line">Die trage gang der eertijds vlugge schreden, </p> -<p class="line">Nog aarzlende op ’t hun vreemde pad te treden— </p> -<p class="line xd31e490">Verraden ons uw kommer al te wèl. </p> -</div> -<div class="lg"> -<p class="line">En gij hebt recht! des Bruigoms vuurge blikken— </p> -<p class="line xd31e490">Het ongeduld, dat uit zijn trekken licht— </p> -<p class="line xd31e490">De hartstocht, die zich schetst op zijn gezicht, </p> -<p class="line">Zoodat zijn drift uw schuchterheid doet schrikken— </p> -<p class="line xd31e490">Zijn vlammend oog, gekluisterd aan uw leest— </p> -<p class="line">Zijn wild gebaar, dat, waagt het u te omvatten, </p> -<p class="line">Zich nauwlijks kan weêrhouden uit te spatten— </p> -<p class="line xd31e490">Verzeekren u geenszins, dat ge ijdel vreest! </p> -</div> -<div class="lg"> -<p class="line">O daar is slechts een stonde in mannendriften, </p> -<p class="line xd31e490">Een leven lang in ’s mans <span class="corr" id="xd31e1808" title="Bron: harstochtloosheid">hartstochtloosheid</span>: </p> -<p class="line xd31e490">Dezelfde hand, die thans uw schoonheid vleit, </p> -<p class="line">Kan uw verval verbittren en vergiften! </p> -<p class="line xd31e490">Verganklijk zijn de bloemen van den lust, </p> -<p class="line">Gelijk aan die slechts ééne dagbeurt bloeien: </p> -<p class="line">De morgen wil ze met zijn dauw besproeien, </p> -<p class="line xd31e490">Maar vindt ze door den nachtwind dor gekust. </p> -</div> -<div class="lg"> -<p class="line">De Weelde is als een Vampyr, die zijn lippen </p> -<p class="line xd31e490">Met jeugdig bloed van maagdlijke offers drenkt, </p> -<p class="line xd31e490">Maar die den drank, dien ’t zingenot hem schenkt, </p> -<p class="line">In éénen teug een gorgel in doet glippen; </p> -<p class="line xd31e490">Hij wil voor zich slechts ’t eerste waas der druif; </p> -<p class="line">Den most des wijns; het maagdlijk rood der rozen; </p> -<p class="line">En werpt van zich de bruid, door hem gekozen, </p> -<p class="line xd31e490">Gelijk de bruid haar feestelijke huif! </p> -</div> -</div> -<p class="first">en zoo voort. Deze Philippica bleef echter zonder uitwerking, en verhinderde evenmin, -dat <span class="sc">Alwine</span> voortaan een anderen naam voerde, als dat <span class="sc">Alfred</span> uit wanhoop op reis ging. Na twee jaren afzijns kwam hij, uitstekend welvarende naar -lichaam en geest, terug, en trouwde kort daarop een gezonde Hollandsche vrouw. Dit -huwelijk bracht <span class="sc">Alwine’s</span> sentimentaliteit den laatsten slag toe. Uit wraak over haar teleurgestelde droomen, -wierp zij zich daarop in de armen der meest positieve wezenlijkheid, en werd eene -getrouwe lezeres der „Opregte Geldersche keukenmeid.” Ja, haar keuken werd zoo beroemd, -dat de Epicurische <span class="sc">Alfred</span> de begeerte niet weêrstaan kon om aan haar <i>diner’s</i> deel te nemen, en verlof verzocht en verkreeg haar zijn vrouw te presenteeren. Op -dezen oogenblik bevonden ze zich te zamen ten huize mijns vriends; het toeval plaatste -<span class="sc">Alwine’s</span> echtgenoot, die aan het biljart op de Societeit allen naijver afgezworen en een verbond -van vriendschap met <span class="sc">Alfred</span> gesloten had, met zijn vrouw en vriend aan dezelfde tafel. Van daar de aanleiding, -die mij in het Elysium mijner herinneringen verplaatste, toen ik daaruit zoo onvriendelijk -teruggeroepen werd. Ik kon ze haast met geen goed oog aanzien! <span class="pageNum" id="pb57">[<a href="#pb57">57</a>]</span>Welk een schoonen roman hadden ze mij bedorven! hoe diep waren zij gevallen! Die blanke -leest der dertig-jarige vrouw, waarin ik nog enkele sporen van het vroegere nevelachtige -wezen terugvond, wat was zij nu, dan de doodkist, waarin <span class="sc">Alwine</span> haar dichterlijken geest begraven had? En wat was er van mijn <span class="sc">Alcibiades</span> geworden? een vleeschklomp, die nog slechts in het klassisch zout zijner geestige -invallen een schaduw vertoonde van het genie, dat vroeger alleen de eenzaamheid in -zijn vertrouwen nam. Dezelfde man, die eens, als een andere <span class="sc">Paganini</span>, uit jaloerschheid op zijn kunst, de toonen van zijn speeltuig aan iedereen buiten -zichzelven misgunde, zong nu aan elk souper „op verzoek der Dames” een aria van <span class="sc">Grisar</span>, en kende, als men hem om een proef van zijn talent op de piano verzocht, waarlijk -niets dan een Strauszertje! er scheelde weinig aan, of ik nam het hun beide kwalijk, -dat zij de onbeschaamdheid hadden van—te leven. Maar ook! in zijn verbeelding aan -den rand eens grafs te staan, met de woorden van <span class="sc">Hölty’s</span> elegie voor den geest: -</p> -<div lang="de" class="lgouter"> -<p class="line xd31e1875"><i>Sterbeglocken hallen,</i> </p> -<p class="line"><i>Und die Grabgesänge heben an;</i> </p> -<p class="line"><i>Schwarzbeflorte Trauerleute wallen,</i> </p> -<p class="line"><i>Und die Todtenkrone weht voran.</i> </p> -</div> -<p class="first">En dan—door de heldin van dat visioen wakker geroepen te worden met den kreet: Ruiten-troef! -</p> -<p>Ruiten-troef! O hoe dikwijls ben ik, op gelijke wijze, uit den hemel mijner schoone -droomen bij mijn beenen op de aarde teruggetrokken! hoe vele soortgelijke bittere -teleurstellingen heb ik ondervonden. -</p> -<p>Ik verneem, dat een van de liefste vrienden, dien ik aan de Hoogeschool gehad heb, -zich in de stad bevindt; dadelijk vat ik het voornemen op hem te gaan opzoeken. Het -vooruitzicht van hem te ontmoeten is genoeg om mij in een andere wereld te verplaatsen. -Ik daag alle herinneringen van vroeger tijd voor mijn geest: hoe lief wij elkander -hadden; hoe wij onze boeken en onze geheimen deelden; hoe wij malkaâr in gevoel van -bewondering voor de natuur niets toegaven; hoe wij dikwijls onzen doornstaf opnamen, -en naar een nabijgelegen bouwval wandelden, om daar <span class="sc">Matthisson</span> te lezen en den rondwarenden schimmen den schuimenden berkemeier toe te brengen; -hoe wij met elkander van geluk en liefde dweepten en in onze verbeelding aan het eind -der aarde onze hutjes van klei naast elkander optrokken … in zulk een stemming kom -ik bij hem; maar hoe vind ik hem terug? Als een schaduw van zichzelven. De financieele -speculatiën, waarin hij gewikkeld is, hebben van hem een cijfermeester gemaakt, wiens -wereld door de muren van de beurs,—neen, dit is nog te ruim—door de pilaren van den -<span class="corr" id="xd31e1894" title="Bron: effektenhoek">effectenhoek</span> begrensd wordt. Begin ik met een verteederend: <span class="sc">Henri</span>, herinnert gij u nog? wijst hij mij terug met een onvriendelijk: Laat ons van die -gekheid zwijgen! kom <span class="pageNum" id="pb58">[<a href="#pb58">58</a>]</span>ik op onze droomen, hij spreekt van zijn kansen: wijs ik hem op onze arme, maar gelukkige -jeugd, hij wijst mij op een rijken, gemakkelijken ouderdom: herinner ik hem aan den -berkemeier, hij roept om een glaasje kinabitter: hij breekt den cirkel mijner bezweering, -even als <span class="sc">Alwine</span>, door haar Ruiten-troef! -</p> -<p>Of ik zal een vrouw ontmoeten, die ik vroeger als een <i>Gratie</i> gekend en bewonderd heb, en die, ofschoon ik haar sedert jaren niet heb weêrgezien, -nog in mijn herinnering leeft. Zeker, het is dwaas van mij, die toch ook de oude spring-in-’t-veld -niet meer ben, welken zij aan de Akademie gekend heeft, dat ik een teleurgesteld gezicht -zet, wanneer ik de jonge bevallige als een deftige <i>matrone</i> weêrvind. Maar dit zou ik nog kunnen overstappen, had <span class="corr" id="xd31e1911" title="Bron: de tijd slechts de tijd slechts">de tijd slechts</span> de kas van het speeltuig misvormd; maar helaas! hij heeft ook den klank bedorven. -Na de gewone plichtplegingen van het alledaagsch gesprek waag ik het, haar aan vroegere -dagen te herinneren. Ik roer een der teederste snaren aan.—Zij tjingelt als een vochtig -koord.—Ik beproef het met een andere.—Zij is ontspannen.—Weêr een andere.—Zij knarst -als roestig ijzer.—Nog een laatste!—Geheel gesprongen!—Alles Ruiten-troef. -</p> -<p>Of ik zal een dichter bezoeken. Welk een vooruitzicht! Ik stel hem mij voor, gelijk -ik wenschen zou hem te vinden: in het oog van den adelaar zijn hoogeren rang verradende; -een verheven voorhoofd waardig, naar de uitdrukking van <span class="sc">Moore</span>, „het paleis” van zulk een ziel te zijn; een eerbiedwekkend voorkomen als van een -hooger geest, die voor een wijle het kleed eens menschen draagt; en bovenal een stem, -welke haar recht handhaaft om het Verledene en de Toekomst voor zich te dagen. Ik -vind hem.… ik durf niet voortgaan.… wij hebben zoo weinig dichters, die men verlangt -te zien.… gij zoudt denken dat een portret schilderde.… ach, ik kan immers de <span class="corr" id="xd31e1920" title="Bron: geheele geheele">geheele</span> geschiedenis van mijn teleurstelling in één woord uitdrukken: Ruiten-troef! -</p> -<p>Zoo gaat het mij keer op keer. Een mensch met een gevoelig hart is een ongelukkig -wezen op deze ongevoelige aarde. Ik loop even als <span class="sc">Diogenes</span> met een lampje, om naar de menschen te zoeken, die ik vroeger gekend heb; ik vind -geheel andere wezens in de plaats. Het is of ik reeds gestorven ben en op de aarde -terugkom; zoo weinig herken ik in het geslacht, dat mij omringt, het geslacht, waarmeê -ik ben opgegroeid. Ieder ander is groot, is wijs, is rijk, is oud geworden; ik alleen -ben nog altijd dezelfde kinderlijke, dwaze, arme <span class="sc">Jonathan</span> van voorheen! -</p> -<p>Als ik dit zoo aanzie, ben ik wel eens ongerust geworden, dat ik in een andere wereld -even zulk een vreemdeling zijn zou als in de tegenwoordige. Die gedachte viel mij -zeer bang; maar zij vond toch niet lang ingang bij mij. Neen, dacht ik, dat kan de -beteekenis niet zijn van des Apostels vertroostende belofte: <span lang="nl">Doe ick een kindt was, sprack ik als een kindt, was ick gesint als een kindt, overleyde -ik <span class="pageNum" id="pb59">[<a href="#pb59">59</a>]</span>als een kindt: maar wanneer ick een man gheworden ben, so hebbe ick te niete gedaen -’t gene eens kindts was.</span>—Mannen zullen wij worden; en daaraan voel ik zoo zeer behoefte als iemand. Veel hetgeen -des kinds <span class="sc">Jonathans</span> is moet uit den weg, eer hij een man wezen zal. Maar wij zullen toch ook geen mannen -zijn, zoo als zij, die zich hier boven mij verheffen, en meenen zooveel hooger te -staan dan ik, omdat mijn geheugen een spiegel, en het hunne een doofpot is. Als ik -in tegendeel een Engelschen Dichter gelooven mag, dat „het een gevaarlijke tijd is, -waarin de jeugd zich van ons verwijdert, als wij vergeten dat de ziel haar jonkheid -moet bewaren door een geheele lange eeuwigheid:” dan zouden de beelden, die ik met -zoo veel getrouwheid vasthoud, nog wel eens, aan den anderen kant, veredeld en geheiligd, -als engelen-gestalten kunnen opstaan. Plaagt en kwelt mij dan zoo veel gij wilt, mijn -koelbloedige vrienden, met uw ijskoud Ruiten-troef! gij zult mij evenmin veranderen, -als ik u. Wij zullen elkander hier in liefde verdragen en voorthelpen, en gezamenlijk -biddende uitzien naar den tijd, waarin onze tweede jeugd zal aanvangen, die door geen -veroudering van hoofd of hart meer zal worden opgevolgd! -<span class="pageNum" id="pb60">[<a href="#pb60">60</a>]</span> </p> -</div> -</div> -<div id="ch7" class="div1 story"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e7174">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="main">HET SCHAAP.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Ik wenschte, dat ik voor een oogenblik de pen van <span class="sc">Yorick</span> had! -</p> -<p>„Zulke gekken zijn er meer!” zult ge zeggen. -</p> -<p>Om u te dienen. Maar die wensch welt echter bij deze bijzondere gelegenheid niet uit -de onzuivere bron, waaruit gij haar misschien, in de vaardigheid van uw geest, reeds -hebt afgeleid. Gij schreeft hem misschien aan iets <i>menschelijks</i> toe, en ik had er iets <i>dierlijks</i> bij op ’t oog. -</p> -<p>De zegen van alle ezels over <span class="sc">Yorick</span>! Wel mocht men op zijn graf, naast een schreiend <i>genietje</i> met bolle wangen, een mager grauwtje plaatsen, dat met gebukten hoofde eenige wilgenbladen -uit den bek op zijn lijksteen laat vallen; en naast zijn titel van <span class="trans" title="philanthrōpos"><span lang="grc" class="grek">φιλάνθρωπος</span></span> dien van <span class="trans" title="philonos"><span lang="grc" class="grek">φιλόνος</span></span> schrijven. Men moet ezel zijn, om te kunnen gevoelen, wat dit geslacht aan hem verplicht -is. Menige koning, die onder marmer slaapt en er zijn Hofdichter op nahield, heeft -geen lijkrede gehad, gelijk de doode ezel op den weg van Nampont; en nooit is een -maaltijd, zelfs niet een Instituut van kunsten en wetenschappen, meer door welsprekendheid -of poëzie verheerlijkt, dan de maaltijd van artisjokken van den ezel op de straat -van <i>Lyon</i>.—Als men mij recht verstaan wilde, zou ik zeggen, er was iets van den ezel in <span class="sc">Yorick</span>! zijn week hart stond open voor alle smart, maar de langoor had daarop de eerste -rechten. De arme <span class="sc">Maria</span> van <i>Moulins</i> en de Gevangene uit zijn visioen te <i>Parijs</i> zelve lokten geen klaarder droppels uit zijn zacht oog. Zijn mededoogen had niets -van de rhetorische verontwaardiging van <span class="sc">Buffon</span>, waaraan niemand gelooft; hij versierde zijn held met geen deugden, waarvan niemand -iets bemerkt; hij had deernis met hem—als met een ezel, een leelijk, ongelukkig, verschopt -dier, dat men nog hatelijker heeft zoeken te maken door het te vergelijken met menschen, -met wie het, des bewust, alle verwantschap vol afkeer en verachting verloochenen zou. -Ik ten minste kan, sedert ik het eerst over <span class="sc">Sterne’s</span> gunsteling schreide, geen lotgenoot van hem zien, of ik voel iets wonderlijks bij -mij opkomen, dat onmiddelijk de telegraaf tusschen mijn hart en<span id="xd31e2000"></span> oog in beweging brengt, en als ik gelegenheid vind, ga ik een oogenblik naar hem -toe, en streel hem den ruwen hals en raap <span class="pageNum" id="pb61">[<a href="#pb61">61</a>]</span>een koolstronk voor hem op, die buiten zijn bereik ligt, en zie hem bij zijn vertrek -zoo lang na als ik kan, en ga daarop even als hij met gebogen hoofd en sleependen -gang, verder. -</p> -<p>Ik wenschte, dat ik voor een oogenblik de pen van <span class="sc">Yorick</span> had! -</p> -<p>Dan zou ik zien, wat ik voor het schaap doen kon. -</p> -<p>Ik weet wel, dat geen <i>elegie</i> het lot van eenig beest verandert, en dat, uitgezonderd bij wijsgeeren en Poëten -(zie den ouden <span class="sc">Shandy</span>), geen lijden wordt weggeredeneerd of weggedicht. Maar wie weet toch, of niet hier -en daar een enkele goede ziel, die de goede ziel van <span class="sc">Yorick</span> lief had, om zijnentwil, zijn grauwtje een paar slagen minder en een paar handen -gras meer gegeven heeft? en al ware het zoo niet; hetgeen ik echter zonder deugdelijk -bewijs niet zoo spoedig gelooven zal; dan is het toch iets, dat het arme dier sedert, -bij tusschenpoozen, een deelnemend oog op zijn weg ontmoet, en een zachte hand op -zijn harden bast voelt. Beklagen, hoe gebrekkig dan ook, blijft toch altijd nog het -beste surrogaat voor helpen. En wij zelven, hoe dikwijls moeten wij het ook, in onze -beproevingen, met een vijfvoetig vers, in plaats van een vijfvoetige hulp doen! -</p> -<p>Maar de pen van <span class="sc">Yorick</span> is hier niet meer, en blinkt naast de lier van <span class="sc">Saffo</span> aan den hemel! duizend ganzen vielen sedert uit de lucht, en duizend schachten werden -versneden, maar de gans, die haar vleugelen aan <span class="sc">Sterne</span> leende, liet geen kuikens na. En al fluistert men elkander toe, dat de kracht van -zijn pen grootendeels in het geheim schuilde, dat hij zijn eigen tranen voor inkt -gebruikte, men kan het hem maar zoo niet meer nadoen. Bij hem vergeleken, is het altemaal -ezelen-gebalk. -</p> -<p>Zoodat gij geen reden hebt, veel van de pogingen uws pleitbezorgers te verwachten, -mijn waarde kliënt voor de rechtbank der menschelijkheid, arm, ongelukkig schaap! -Maar gij zijt zoo nederig en zoo goed, dat ik zeker ben, dat gij het minste, dat ik -voor u doen kan, met uw eigen vriendelijk oog zult aanzien; en al ware het, dat mijn -pleidooi maar het lot van een enkele uit uw verdrukt ras verbeterde, dat ware, (om -in den stijl der voorredenaars te spreken), voor mijn lammerlievend hart voldoening -genoeg. -</p> -<p>Het is ellendig—nooit kan ik mijn oog opslaan, of ik heb datzelfde ongelukkige schouwspel -voor mij! -</p> -<p>Aan de rechter- en linkerzijde van mijn tuin, waarop ik uit mijn kamer het gezicht -heb, grenst een strookje lands. Het eene is een hoek bouw- en het ander een hoek grasland; -nu vind ik altijd op een van beide hetzelfde schaap weder. Het gezicht van dat beest -breekt mij het hart. Het is een oud, vuil, leelijk dier, met lang hair over de oogen, -en een kop, waaraan al het fijne en spichtige van een schapen-<i>physionomie</i> ontbreekt. Haar voor- en achterpooten zijn met touwen aan elkaâr gebonden, zoodat -zij allererbarmelijkst hinkt. Wanneer gij daarvan de reden vraagt, zal men u zeggen, -dat het is om haar het verlaten van haar afgeperkte weide te beletten. Lieve <span class="pageNum" id="pb62">[<a href="#pb62">62</a>]</span>Hemel! dat is goed voor jonge, dartele lammeren, die de wereld zien willen en den -ganschen dag met hun neus over het bolwerk liggen, waarachter zij ingesloten zijn; -die van speelziekte en joligheid niet weten wat ze doen zullen, en telkens het verboden -<i>bastion</i> zoeken te bespringen om den vijandelijken grond stormenderhand te veroveren. Maar -mijn tam, lam en stram schaap! op mijn woord, al ontneemt men ze haar voetboeien, -zij zal geen enkelen onbezonnen of wilden stap doen. Ziet gij het niet, dat het beest -der wereld lang is afgestorven en niet dan een rustigen ouderdom verlangt? Den ganschen -dag strompelt zij <i lang="la">junctis pedibus</i> over het grondje heen en weder om haar voedsel te <i>zoeken</i>, of ligt, met den breeden kop op het gras uitgestrekt, te slapen zonder naar iets -buiten haar om te zien. Niets is in staat haar uit die vadzigheid te wekken. Zelfs -geen ongewoon geluid van den horen der diligence, of de zweep des postiljons, of de -trommel van voorbijtrekkende soldaten, maakt haar belangstelling meer gaande. Zij -is als een grijsaard, die, in zijn leuningstoel gezeten, van alles zegt: Ik heb dat -meer gezien.—Alleen als het <i>blae! blae!</i> van voorbijgaande lotgenooten haar oor treft, heft zij het matte hoofd even van den -grond omhoog, om ze met een onbeschrijfelijke uitdrukking aan te zien, als maakte -zij in der haast een vergelijking, wie van hen de ellendigste ware; in welk geval -de billijkheid mij noodzaakt te erkennen, dat zij meermalen den troost gehad heeft -van te zien, dat er meer zulke ongelukkigen waren als zij. Ik vind het dus hard, dat -het beest<span class="corr" id="xd31e2050" title="Bron: ;">,</span> dat, even als <span class="corr" id="xd31e2053" title="Bron: sommigen">sommige</span> gevangenen bij het verwoesten der Bastille, haar kerker niet zou kunnen verlaten, -al werd er haar de vrijheid toe gegeven; uit kracht van een eerwaardige overlevering, -niet met ongebonden pooten zal mogen sterven. Voor alle soorten van schepsels, van -de tweevoetige tot de duizendbeenen toe, is gewoonte en <i>etiquette</i> een lastig ding! -</p> -<p>Maar goed! het dier is het mogelijk reeds vergeten, wat het is haar voeten tot haar -gebruik te hebben; misschien zou zij met den <i lang="en">Prisoner of Chillon</i> zeggen: -</p> -<div lang="en" class="lgouter"> -<p class="line"><i>It was at length the same to me,</i> </p> -<p class="line"><i>Fetter’d or fetterless to be.</i> </p> -</div> -<p class="first">En er is veel kans ook, dat zij, al vielen ook haar boeien af, daarom niet minder -kreupel zou loopen. Was nu haar gevangenis maar wat beter! een schaap is voor geen -reiziger rondom de wereld in de wieg gelegd, en zou zich nog wel met een klein hoekje -kunnen te vreden stellen, als dat slechts niet al te mager is. Maar hieraan is het -juist, dat het hapert. Nauwelijks hebben de koeien het kaalgegeten, strookleurige -land verlaten om op haar winterstallen het ingemaakte groen te gaan eten, of het schaap -wordt in het bezit van het ontruimde terrein gesteld. Met een vroolijk oog groet zij -haar nieuw verblijf, en begint dadelijk met de gelegenheid van den grond te verkennen.—Zie -haar troosteloozen blik! een vluchtig rondzien is voldoende om <span class="pageNum" id="pb63">[<a href="#pb63">63</a>]</span>haar de verzekering te geven, dat het hier physisch onmogelijk is ooit genoeg te eten. -De koeien hebben haar de moeite van te kiezen bespaard, en met de volkomenste onpartijdigheid -alle plekken even naakt gelaten. Eerst laat zij zich nog een oogenblik door valsche -hoop misleiden; door den afstand bedrogen, schijnt haar gindsche streek toe toch nog -een groenen schijn te hebben. Vol verwachting strompelt zij er zoo vlug mogelijk heen; -helaas! zij blijkt het slachtoffer van een <i lang="la">fallacia optica</i> geweest te zijn, en, met treurige verwondering over haar teleurstelling, ziet zij -op en naar de plaats terug, die zij verlaten heeft. Ei zie, nu schijnt deze haar weêr -meer bewassen toe.… eenige pijnlijke stappen, en zij is er, om praktisch te leeren -inzien, hoe veel de schijn van het wezen verschilt. Vol lustelooze graagte trekt zij -met lange tanden aan het korte maal. Zoo brengt zij een geheelen langen winter door, -en deelt haar voedsel met een ouden versleten knol, die sedert eenige jaren zijn plaats -in den stal aan een paar jonger opvolgers moet overlaten. Wordt het evenwel te koud, -dan wordt het paard nog wel eens voor een korten tijd in huis gehaald; alleen het -schaap wordt met onvermurwbare standvastigheid, die een betere zaak waardig was, aan -de ongenade des weders overgelaten. Het hart, door haar vacht verwarmd, is door niets -te bewegen, om wederkeerig iets voor haar verwarming te doen; integendeel, als haar -meester in den kouden nacht haar klagende stem hoort, haalt hij de dekens, uit haar -wol geweven, over het hoofd, om niet in zijn koesterende rust gestoord te worden! -Zoo brengt dan het dier (ik bedoel het schaap) menigen langen nacht door met van koude -te bibberen, zonder in slaap te kunnen komen. Menigmaal zag ik, ’s morgens opkomende, -haar vacht onder een last van sneeuw begraven, zoodat ik niet onderscheiden kon, wat -wol en wat sneeuw was. En mij dacht, dat moest een koude maaltijd zijn, zijn voedsel -aldus uit de sneeuw te moeten opgraven; een wat heel groot kontrast met onze verwarmde -borden en tafelkomforen. Och, och! een voet twee drie gronds in de schuur voor de -verkleumde! een handvol hooi voor de verhongerde! Steek het hoofd even buiten het -bevroren raam, en gij zult barmhartiger zijn. -</p> -<p>Ik ken menschen, die hunne tranen niet kunnen weêrhouden, als een begaafde mond hun -het bewegelijk tafereel teekent van den armen man uit de schrift, die „<span lang="nl">gansch niet en hadde, dan een eenigh kleyn oy-lam, dat hy gekocht hadde, ende hadde -’t gevoedt dat het groot geworden was by hem, ende by sijne kinderen te gelijck; het -at van syne bete, ende dronck van sijnen beker, ende sliep in sijnen schoot, ende -het was hem, als eene dochter</span>;” terwijl zij voor zich voor niets zorgvuldiger waken, dan dat geen landheer zich -omtrent hen aan zulk een roof zou kunnen schuldig maken. Wat <span class="sc">Nathan</span> wel tot dezulken zou gezegd hebben? -</p> -<p>En op die winterweide, waar ik u bracht, heeft soms een tooneel plaats, waarvan het -goed is, dat <span class="corr" id="xd31e2087" title="Niet in bron">het </span>door den nacht bedekt wordt. Het schaap is moeder geworden: onder een barren hemel, -op een hard bevrozen <span class="pageNum" id="pb64">[<a href="#pb64">64</a>]</span>grond, in een felle jachtsneeuw is het moeder geworden. Het jonggeboren lam ligt aan -haar voeten, onder dien barren hemel, op dien harden grond, in die kille sneeuw. Maar -toch heeft de moeder een enkel gelukkig oogenblik, als zij den bibberenden zuigeling -met haar eigen lichaam dekt en beschermt, en zijn eersten dorst met melk laaft, die -men haar nog niet ontneemt! Doch—wat is haar op eens? van waar slaat zij zulk een -onrustigen blik naar boven? zij heeft een roofvogel in het gezicht, die zijn noodlottige -kringen rondom haar beschrijft, en al lager en lager nederdaalt. Daar schiet hij op -het jong neder, en slaat met zijn scherpen bek in het teeder oog. Vergeefsch is de -tegenstand der moeder: een schaap heeft immers niets om tegenstand te bieden? Gelukt -het haar al, haar vervolger voor een oogenblik te verdrijven, gedurig herhaalt hij -zijn moorddadige aanvallen; en als de trage morgen aanlicht, staren twee ledige oogholten -het moederschaap treurig aan! Bij uw eerste vadervreugde, bij uw eerste moedersmart, -is er dan niemand om zich over het jonggeboren lam te ontfermen? -</p> -<p>Maar het wordt lente! de jonge spruitjes beginnen het hoofd uit den grond te heffen, -en spreiden als een groenen sluier over de gele stengels van het dorre land. Hoe gretig -doet het schaap zich aan dien ongewonen kost te goed! Gras in de scheut—het is een -dubbele weelde! met openstaande neusgaten en krullende lippen wroet zij die lekkernij -uit <span class="corr" id="xd31e2093" title="Niet in bron">de </span>grond.… daar wordt het hek, dat den geheelen winter gesloten is gebleven, geopend; -de boerenknecht slaat de ongelukkige een touw om den hals, en sleept haar uit het -weilandje naar het stukje bouwgrond er naast. Dat is hard! daarbij komt het lijden -van <span class="sc">Tantalus</span>, wiens smaak ten minste niet door het proeven van de vruchten getergd was, niet in -vergelijking. En wat vindt zij nu in haar nieuwe voorraadschuur? niets dan drooge -stoppels van het vroeger afgemaaide graan; stroo, zoo als het door den winter <i>geprepareerd</i> is. Mismoedig ziet zij dit maar al te bekende en gehate voedsel aan, en terwijl zij -over deze verandering treurt, daar ziet zij de loeiende koeien wel doorvoed uit den -stal komen, om zich aan haar disch te plaatsen en de groene eerstelingen te oogsten, -waaraan zij alleen de lippen gezet heeft. Dat is het hatelijkste; den geheelen zomer -door heeft zij op tien schreden afstands, door een laag dijkje gescheiden, een malsch, -welig grasland voor zich; zij staart op het beloofde land, zonder het te mogen intreden; -zij riekt de vleeschpotten van <i>Egypte</i>, zonder er den mond aan te mogen slaan; en zij moet het geduldig aanzien, dat die -groote, vette, lompe koe, die haar van daar verjaagd heeft, met haar mollige, kwabbige -pooten tot aan de enkels toe door het hooge gras baadt, en oververzadigd zich met -haar gevulden buik op het heerlijke voedsel uitstrekt. -</p> -<p>Ziedaar het gewone lot van het schaap in de streek, waar ik den zomer doorbreng<span class="corr" id="xd31e2104" title="Bron: ,">.</span> -</p> -<p>O, dat ik voor een oogenblik de pen van <span class="sc">Yorick</span> had! -</p> -<p>Beken het, Mejufvrouw! zoo iets had UEd. zeker niet gedacht. Een lammetje is toch -zulk een lief diertje; en het heeft zulk een mooi wit <span class="pageNum" id="pb65">[<a href="#pb65">65</a>]</span>velletje, en zulke nette, kleine pootjes, dat men zou er jaloersch van worden. „Och -Mama, ik zou wel zoo’n lammetje willen hebben; dan zou ik het een blauw lint om den -hals binden, dat zou <i lang="fr">champêtre</i> staan!” Ook wordt bij u alles wat lief is bij dit dier vergeleken. Gij zelve, immers, -gij zijt zoo zacht als een lam! en uw poezele huid is zoo mollig als wol! en uw gouden -haar is zoo dik en dicht als een schapenvacht! en, als gij een romantischen Dichter -in de familie hebt, vergelijkt hij misschien, met een uitdrukking uit het Hooglied, -uw tanden met „<span lang="nl">een kudde schapen, die gheschoren zijn, die uyt de waschstede opkomen</span>.” Allerliefst! als het arme dier, waarvan gij zoo veel hebt, maar wat meer van u -had! -</p> -<p>In waarheid het schaap behoort tot die ongelukkigen, wier geluk alleen op het papier -bestaat, en vermeerdert dus de dubbelzinnige klasse van lamgeschoten invaliden, arme -dichters, teringachtige meisjes, kale Edelen, mishandelde <i>geniën</i> enz. Gij kunt geen rozenkleurig boekje opendoen, of het wemelt er van schapen en -lammeren. Is het een prentenboekje, gij vindt er allerliefste plaatjes in, met kinderen, -wie zulk een diertje als een schoothond achteraan huppelt; het is veel, zoo een enkele -aan den zijden band van een lint gehoorzamen moet. Zijn het verzen, des te erger! -Sla het eerste blad het beste op, en tien tegen één, dat daar reeds een beldragende -hamel, als voorganger van een heele kudde die straks staat te volgen, vooruittrekt. -Het lam is het beeld bij uitnemendheid! Beurtelings worden de vergelijkingen aan zijn -kleur, aan zijn vacht, aan zijn aard, of aan zijn bestemming ontleend. Zooals men -in de wezenlijke wereld alles, wat aan de koe is, van de horens af tot de pooten toe -tot verschillende einden gebruiken kan, zoo is er ook aan het lam niets, of het komt -in de dichterlijke wereld te pas. Men kan geen lief meisje teekenen, of geen aandoenlijk -geval verhalen, of geen beminlijk karakter schilderen,—men kan bijna niets dichten -of verdichten, of het schaap komt er bij! Neem menigen dichter zijn heerde af, en -zie hoe hij zelf daar staan zal als een geschoren schaap. -</p> -<p>Zoo is het dier in alle salons en op alle partijen <i lang="fr">in effigie</i> tegenwoordig; op de schilderijen aan den muur, op de tapisseriewerken op den grond, -in de complimenten der Heeren aan de Dames, in den sentimenteele uitboezemingen der -Dames tegen de Heeren, in de verzen, die in den vooravond worden gedeclameerd of aan -tafel voorgelezen: <i lang="fr">tout y est moutonné</i>, zoo als een Franschman van de nieuwe school zou zeggen—maar van dit alles bemerkt -mijn schaap op hare kale weide niets. De dichter gaat haar voorbij, terwijl hij juist -met den vinger aan den neus loopt bedenken, hoe hij zijn meisje, die op den eersten -Paaschdag jarig is, het geestigst met een paaschlammetje zal vergelijken, zonder een -oog te slaan op het beest, dat hij in zijn verbeelding zoo sierlijk opsmukt en bekranst. -De jonge Dame, die zich met een lam aan haar voeten, onder een Arcadischen treur-esch -<i lang="fr">en miniature</i> heeft laten uitschilderen, weet van een wandeling te huis komende <span class="pageNum" id="pb66">[<a href="#pb66">66</a>]</span>niet, dat zij mijn ongelukkig dier ontmoet heeft. De schilder, die denkt over een -nieuw landschap met schaapjes gestoffeerd, zit, met den rug naar mijn vriendin, een -krommen knotwilg te teekenen, dien hij in zijn schets hoopt te brengen, maar heeft -geen blik over voor het hoofdvoorwerp van zijn tafereel, omdat hij in de voorstelling -daarvan niet mis kan tasten. Zoo wekt het arme dier enkel en alleen in het ideale -belangstelling op, en staat in dit opzicht nog beneden zijn mededingers naar de eerste -plaats op papier en paneel, de zwanen en duifjes. -</p> -<p>En al is het, dat een enkele uitverkorene een tijd lang aan den ban ontkomt, waaronder -haar geslacht rust, hoe onstandvastig is de gunst, die haar bewezen wordt! Laat eens -aan een enkel melkwit of fraaigevlekt lammetje het voorrecht te beurt vallen van tot -speelkameraad van het dochtertje des huizes verheven te worden; wat duurt die vreugde -kort! In den beginne heeft het een allerbenijdenswaardigst lot; het voedt zich met -vette klaver en wordt met room gedrenkt; het wordt met linten opgetooid en met bloemen -bekranst; het wordt door zijden handen gestreeld en door poezelige armpjes omhelsd; -maar laat het grooter, laat het een schaap worden, dan heeft al die weelde een einde. -Dan is het „<span class="sc">Rose</span>” of welke andere beeldigen naam het dragen moge, „wordt leelijk en vuil. <span class="sc">Jan!</span> als gij zaterdag naar de stad gaat, moest gij haar ter markt brengen.” Daar staat -nu Rose op de markt onder andere gemeene, burgerlijke schapen; daar wordt zij onder -andere slachtoffers aan het mes van den slager verkocht; daar krijgt zij het noodlottige -looden teeken in het oor, dat zoo menige adelijke mond gekust heeft; en den hals, -die met roode linten placht gesierd te worden, verwt de bloedige krans des doods! -Waarom? ik vraag u waarom? Waarom is gindsche mopshond beter, die ook sedert lang -zijne jonge en mooie dagen gehad heeft, maar die nu nog als een bedorven gunsteling -in zijn vet smoort, en bij schoon weder door den palfrenier in de zon gedragen moet -worden, dewijl hij te dik is, om er zelf heen te kruipen? Waarom ziet men nooit een -oud schaap even zoo het genadebrood eten? Of waar is de wet der natuur, dat een lam -niet leelijk mag worden, zonder van zijn voorrechten te vervallen? Verbeeld u eens, -Mejonkvrouw! dat men met u denzelfden regel volgde. Gij hebt gelijk, van het hoofd -met een grilling om te keeren. -</p> -<p>Daar hangt nu Rose aan den noodlottigen haak, ten prooi aan de tanden van liefhebbers -van schapenbouten en lamskoteletten. En zelfs in den dood blijft de strijd tusschen -haar idealisch en wezenlijk lot bestaan. Een geslacht lam! Wat wordt daarvan niet -al schoons gezegd! Hoe veel tranen doet dat beeld niet vergieten! Verbeeld u een <i>elegie</i> op den dood van een jong meisje, zonder de vergelijking van een jeugdig offerlam, -met bloemen om den hals onder een ontijdig zwaard gevallen. Verbeeld u een treurspel -van de eene of andere vermoorde Onnoozelheid, waarin het weerloos gedoode schaap ontbreekt. -Verbeeld u een pleidooi <span class="pageNum" id="pb67">[<a href="#pb67">67</a>]</span>voor de eene of andere kindermoorderes, waarin het niet als een ongerijmde aanklacht -wordt behandeld, dat een vrouw zoo wreed zou zijn van een zooglam als in de melk der -moeder te smoren. Verbeeld u een vers op <span class="sc">Kain</span> of zijns gelijken, waarin niet deze of dergelijke regels voorkomen: -</p> -<div class="lgouter"> -<p class="line">Zal hij nu ook verrotten, als dat schaap, </p> -<p class="line">Dat, afgedwaald, in ’t bosch mij tegenkwam, </p> -<p class="line">Dat ik zoo wreed verwurgde?—Ja, dat schaap, </p> -<p class="line">Dat stervend schaap had mij, bijna, ontroerd!.… </p> -</div> -<p class="first">En ga nu eens een achterbuurt rond, en zie wat er van dat aandoenlijk voorwerp wordt? -Ach, niet genoeg van in haar leven veracht te zijn geweest, volgt haar vernedering -haar in den dood. Is haar vleesch niet bij voorkeur het voedsel van den arme? Wordt -het niet in den regel met zorg van de tafels der grooten geweerd? wordt het niet nog -lager geplaatst, dan het spek van het leelijk en morsig zwijn? Acht zelfs de huismoeder -geen verontschuldiging noodig, als zij u niets dan een stuk schapenvleesch heeft aan -te bieden? Zoo drukt de vloek zelfs op haar ongelukkig lijk. En die het leven van -een verongelijkte leidde, mist het voorrecht van ten minste bij haar sterven, als -een gekroonde na haar dood, „in de dankbare maag van een keurigen Epicurist een kostbaar -graf te vinden.” -</p> -<p>O, dat ik voor een oogenblik de pen van <span class="sc">Yorick</span> had! -</p> -<p>En toch, zoo eenig dier, om zijn beminnelijke hoedanigheden, een ander lot verdiende, -het is het schaap. Witheid kleedt en zachtheid dekt het; maar wat zijn deze bij de -blankheid en zachtheid van zijn aard en zeden? Er is in het schaap iets onnoozels, -iets weerloos, waarvan gij in de gansche natuur te vergeefs een wedergade zoeken zult. -Ik kan soms een geruimen tijd besteden met een bezoek aan mijn oude buurvrouw te geven. -Ik wenschte dat gij haar dan zaagt, hoe ze mij vriendelijk te gemoet komt en haar -wolligen kop onder mijn hand steekt, die zij wel weet dat haar streelen zal; en hoe -zij haar lekt, wanneer ik voor haar eenige blaren van den elzentak pluk, die voor -haar bereik te hoog hangt. Dan is zij zoo vergenoegd en te vreden, en ziet mij met -zulk een vriendelijk oog aan. Nooit vind ik bij haar, de misdeelde en vertrapte, een -blijk van wrevel of murmurering. Nooit hoor ik haar, gelijk de ongeduldige koe, haar -stem tot een klacht verheffen. En wanneer mijn Dolly mij soms te vlug is en haar blaffende -najaagt, dan is er in haar geduldig voortstrompelen, zonder zelfs een verwijtend oog -naar haar onedelmoedigen vijand te wenden, zulk een onderworpen lijdzaamheid, dat -mijn hart er van wordt aangedaan. Voorbeeldig dier! denk ik dan wel eens: ik mocht -nog wel bij u ter schole gaan! hoe veel zijt gij mij in gelatenheid en berusting vooruit. -Gij die nooit den hals om wendt naar den stok, die u drijft; die nooit de verzenen -slaat tegen de prikkels, die u treffen; die zelfs nooit klaagt onder de hardheid welke -u wordt aangedaan; maar die—bewegelijk—zelfs de hand lekt, die u keelt! Hoe beschaamd -sta ik niet bij u, ik redelijke, <span class="pageNum" id="pb68">[<a href="#pb68">68</a>]</span>onsterfelijke mensch, die weet, Wiens stok mij drijft, Wiens prikkels mij slaan, Wiens -hardheid mij treft, Wiens hand mij wondt.… kom, oude, laat mij u streelen! gij zijt -dikwijls beter dan ik! -</p> -<p>Nog altijd graast mijn schaap geduldig den kalen akker af, en bemerkt niets van de -overdenkingen, waarvan zij tot voorwerp strekt. Als ik oprecht zal zijn, zij schijnt -zich mijn redenen niet zeer aan te trekken. En zij heeft gelijk ook. Want wat helpen -haar al mijn praatjes, meer dan de onvruchtbare ingenomenheid harer overige kunstbewonderaars? -Welnu! ik wil haar toonen, dat een goede buurman beter is dan een verre vriend. Ik -wil naar haar meester gaan, om te zien of hij mij haar voor een prijsje wil overlaten. -Dan kan zij voortaan haar laatste gras uit de kreb eten. Welaan, oude! dat zullen -wij hebben. En als gij dan uw matten kop nederlegt om hem niet meer op te heffen, -dan zal ik van uw vacht een slaapmuts laten weven. -</p> -<p>Mij dunkt, dat zal zacht rusten zijn! -<span class="pageNum" id="pb69">[<a href="#pb69">69</a>]</span> </p> -</div> -</div> -<div id="ch8" class="div1 story"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e7181">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="main">SINT-NICOLAAS.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Een oud vrijer heeft weinig feestdagen in zijn leven. Hij is een gedwongen egoïst, -die zich zelven tot het middelpunt van al zijn vreugde en leed maakt. Hij mist de -zaligheid zich van nabij in het geluk van anderen te verlustigen. -</p> -<p>Het is waar, hij kan zich in de woning eens vriends dringen, en zich in den feestvierenden -kring mengen; maar dit is een gebedelde vreugde, en vreugde is zoo weinig geschikt -om een aalmoes te zijn! Ook heb ik mijn stoute schoenen wel eens aangetrokken, en -aan de deur van een juichend gezin aangeklopt; maar ik heb er mij vaak kwalijk bij -bevonden. Somtijds trok men een zuur gezicht tegen de onwelkome <i>champignon</i>, die zich een deel van de sappen kwam toeëigenen, waarop alleen de natuurlijke takken -recht hadden; maar al was het dat men mij niet onvriendelijk ontving, ik schoot er -op den langen duur toch over. Als het groote oogenblik van gelukwensching en omhelzing -gekomen was, stond ik van verre, eenzaam, vergeten, veronachtzaamd. Het was veel, -als men zich ter loops verschoonde: „Vergeef mij mijne onbeleefdheid, Neef! maar dit -is een feest voor mijn kinderen. Die zijn van daag de hoofdpersoon.” Men vloog juichende -op, viel elkander om den hals, drong in vroolijk en bont gewoel dooreen, terwijl men -tranen stortte en lachte te gelijk, even als op een Aprilsdag. Bij dit alles moest -ik zorgen uit het gedrang te blijven. De kinderen, die bij mijn komst en vertrek gelast -werden mij een kus te geven, rekenden zich nu vrij van het betalen dier schatting; -ik maakte in mijn eigen oogen de figuur van den armen Pierrot, zoo als hij met zijn -ziekelijken glimlach voor eenen wèlvoorzienen disch staat te watertanden. Eindelijk -komt men tot rust. Neef wordt weêr een lid van het gezelschap. Het bittere oogenblik -is voorbij. Neen, <span class="sc">Jonathan</span>! eerst nog een onvriendelijke houw voor u. „Zie, Neefje! dat zijn genoegens, die -men toch maar alleen in het huwelijk smaakt. Gevoelt ge daarbij geen berouw van ongetrouwd -gebleven te zijn?” Bij zulk een uitval loopt mij een rilling langs de leden; het is -heldenmoed, die mij dan de zuchten, die mijn keel benauwen, onder een gesmoord lachje -doet wegkuchen. -<span class="pageNum" id="pb70">[<a href="#pb70">70</a>]</span></p> -<p>Neen! een oud vrijer behoort te huis te blijven. De zuiverder en edeler genoegens -van huiselijke vreugde zijn voor hem een verboden toonbrood. Hij moet zich, zoo goed -hij kan, met zijn eigen feesten trachten te behelpen. Het komt er slechts op aan, -of hij kinderlijken zin genoeg heeft, om zich van kleinigheden een feest te maken. -Het eerste uitvliegen van zijn duiven in <span class="corr" id="xd31e2190" title="Bron: te">de</span> lente, het uitbroeden van zijn kiekens door zijn klokhen, het eerste geneurie van -zijn jongen kanarievogel, moet hen tot surrogaat dienen voor een jongen die naar school -gaat, voor een meisje dat begint te leeren loopen, voor een kind dat voor het eerst -den vadernaam stamelt. Iederen dag, waarop het verjaart, dat hem een buitengewone -zegen te beurt viel, moet hij plechtig vieren. Hij moet zijner vrienden dikwijls feestelijk -gedenken. Het beste middel evenwel is.… -</p> -<p>Gisteren stond ik uit mijn raam te kijken. Het was de dag vóór St. Nicolaas<span class="corr" id="xd31e2195" title="Bron: ..">.</span> Op straat heerschte er een ongewone drokte. De banketwinkels waren fraai versierd; -dienstboden liepen met beladen korven af en aan. Vaders en moeders drentelden langs -de straat met hun kleinen, die zich aan het gezicht van al die blinkende lekkernijen -niet verzadigen konden: het droeg alles de kleur van ongemaakte vroolijkheid, welke -een kinderfeest kenmerkt. -</p> -<p>Deze aanblik was voor mij een zoet-bittere herinnering. O! ik kan ze mij nog zoo goed -verbeelden, die eerste December-dagen, door mij als kind in nieuwsgierige afwachting -doorgebracht; en als dan eindelijk de avond gekomen was, waarop een vermomde Invalide, -onze oude huisknecht, de rol van den weldadigen Heilige vervulde, hoe zwom ik in kinderlijke -weelde! Ik was in dien tijd eene kleine vrijgeest. Ik had mij met vrij wat neuswijsheid -in het bezit van het groote geheim gesteld, en loochende, met de vrijmoedigheid van -een <span class="sc">Balthazar Bekker</span>, de mogelijkheid van bovennatuurlijke verschijningen. Maar toch was er iets verstandigs -in het weinige misbruik, dat ik van deze ontdekking maakte. Ik hield haar voor mij, -zonder mijn broeders en zusters van het genoegen hunner illusie te berooven; en zelfs -voor mij zelven liet ik mij door mijn ketterij het genoegen van den avond niet ontnemen: -ik wist het beter, maar maakte mij wijs, dat ik het voor dien avond niet wist. Ik -was als <span class="sc">Napoleon</span>, die aan geen geesten geloofde, en er toch bang voor was. O! dat ik altijd met mijne -andere illusies even zacht en barmhartig hadde opgesprongen! -</p> -<p>De nacht werd slapeloos en in vreugdevolle droomen doorgebracht. Eindelijk brak de -morgen aan; de vaderlijke roepstem vergaderde ons allen in het beste vertrek. Daar -stond hij ten toon gesteld, die schat van glinsterend banket! een armelijke trofée, -maar opgebouwd met van liefde bevende handen; een gebrekkige toerichting, maar met -van vreugde schitterende oogen aangestaard! Ik heb sedert andere feesten gevierd; -ik heb aangezeten in de zalen, door vendelpracht, lichtkransen en bloemfestoenen <span class="corr" id="xd31e2208" title="Bron: opgesluisterd">opgeluisterd</span>; ik heb mijn tong met kostbare lekkernijen en nog kostbaarder wijnen gestreeld; maar -het genoegen van <span class="pageNum" id="pb71">[<a href="#pb71">71</a>]</span>mijn klatergouden Decemberdag heb ik nergens weêr gevonden. -</p> -<p>Deze en dergelijke denkbeelden dwaalden door mijn hoofd, terwijl ik het gewoel op -straat aanzag; maar zoo dit gevoel het midden tusschen vreugde en droefheid hield, -welhaast overmeesterden mij somberder gedachten. Mij arme, dacht ik, ziedaar al weder -voor mij een feestdag minder dan voor anderen. Mijn aanstaande erfgenaam zendt mij -mijn naamcijfer in lettergebak; ik geef aan enkele lieve kleinen een geschenkje;—ziedaar -alles! maar ik zit heden en morgen den ganschen dag alleen, ik heb geen voorsmaak -van het genot van iemand, die mijn lief is, te verrassen. -</p> -<p>Vroeger had ik altijd op dezen dag een vroolijk uur; het was als ik den Engelschen -almanak, in rooskleurig papier gewikkeld, aan zijn adres verzond. Mijn boekverkooper -heeft mij sedert altijd de volgende jaargangen van het boekske gezonden; ik heb hem -laten begaan; ginds liggen zij onaangeroerd; ik heb er nooit een enkelen van ingezien. -</p> -<p>Nog altijd trokken de kleinen in triomf langs de straat. Hoe benijdde ik de vaders, -die hen rondleidden! Met hoe veel liefde hadden velen sedert weken hunne spaarpenning -weggelegd, om heden met geen leêge handen voor hunne kinderen te verschijnen; maar -wat zou daarentegen die spaarpenning ook rijke woekerwinst geven, als de wichtjes -in hun vreugde hun ouders zouden om den hals vliegen en het geheele huis met hun gejuich -vervullen: als deze met tranen van weelde de verrukking met hun kroost zouden gadeslaan;—o! -kinderen zijn dankbare beweldadigden; zij weten van geen halve voldoening; zij weten -van geen kiesche verzwijging. Hun genot is volkomen; hun vreugde ongetemperd; hun -dankzegging ongemaakt hartelijk. -</p> -<p>Nu en dan zag ik een jong mensch met het voorkomen van vroolijke opgewondenheid voorbijgaan. -Zeker zijn er wel bij geweest, die den dag van heden bestemd hadden, om aan het voorwerp -hunner verborgene liefde een geschenk in handen te spelen. Hoe zullen deze met een -kloppend hart de teedere depêche hebben gereed gemaakt, en met hun gedachten vergezeld! -Met hoe veel ongeduld zullen zij naar het oogenblik verlangd hebben om hun schoone -te ontmoeten, ten einde misschien in hare oogen te lezen, of haar de kiesche hulde -niet mishaagd hebbe. Ik moet er voor uitkomen, de beschroomdheid eener eerste liefde -heeft voor mij iets aantrekkelijks. O, het moge schoon staan, wanneer de forsche, -krachtige man, met trotsche vrijmoedigheid, voor de gansche wereld de kleur zijner -schoone ten toon draagt; wanneer hij straks met heerschzuchtige vrijmacht zijn hand -op de vrouw zijner keuze legt, en der zwakke duive niets overblijft, dan onder zijn -breede vleugelen te vluchten; ik heb altijd een vóórliefde gehad voor die innemende -schuchterheid, welke den onbedorven jongeling voor het voorwerp van zijn eerbied als -een meisje blozen, en haar met huiverend ontzag naderen doet. Ik wenschte dus van -ganscher harte aan alle zwijgende verliefden een gelukkig Sint-Nicolaasfeest. En werkelijk -zag ik in mijn verbeelding, hoe menige aanvallige de sierlijke <i>surprise</i> met blijde <span class="pageNum" id="pb72">[<a href="#pb72">72</a>]</span>verrassing ontving, en zoo ras zij kon, uit aller oogen wegstal, om in de eenzaamheid -zich onbespied in de beschouwing er van te verlustigen. Het is een zoet oogenblik, -waarop het eerste liefdepand gewisseld wordt! een oogenblik, hetwelk ik wenschte dat -ieder eenmaal smaken mocht. Maar helaas! wat zullen er heden weder vele ongelukkige -zusteren dier gelukkigen zijn, die vruchteloos naar eenig blijk van hulde of liefde -zullen uitzien; jonge dochteren, door de Natuur stiefmoederlijk bedeeld, of die het -nog grooter onrecht hebben van arm te zijn; beklagenswaardige Cendrillons in het groote -drama der lotbeschikkingen! Cendrillons aan wier voet misschien het enge, broze glazen -schoeisel eener strenge deugd past, maar die de bevooroordeelde partijdigheid van -alle mededinging uitsluit. Ik beklaag die lieve schepselen, die de bevoorrechte kinderen -der schoonheid en des geluks met bewijzen van bewondering en hulde zien overladen, -terwijl niemand haar zelfs de aalmoes van een vriendschappelijk aandenken in den schoot -werpt. Zij zien den dag zonder vreugde voorbijgaan; zij moeten misschien het harde -woord eener onmoederlijke moeder verduwen; en terwijl haar zusteren door schoone droomen -worden in slaap gewiegd, vertrouwen zij aan haar vochtig hoofdkussen haar echt vrouwelijk, -en en toch meest alzoo wreed miskend lijden. -</p> -<p>Het was avond geworden; de lampions waren aangestoken; de koetsen rolden; de stad -raakte in beweging. Ik deed mijn mantel om en ging uit. Er heerschte op straat een -vroolijke drukte; treinen van kinderen trokken juichend voorbij; ik trad in een winkel; -het was een lust die kleine oogjes zoo begeerig te zien rondkijken; die kleine handjes -zoo gretig te zien uitstrekken; de kleinen bevonden zich hier in een waar <i>Luilekkerland</i>: de wanden, de tafels, de grond, alles was suiker en gebak. Ik geloof niet, dat men -ooit in lateren leeftijd zijn stoutste droomen van verre zoo verwezenlijkt ziet, als -een kind de zijne in een banketwinkel op Sint-Nicolaasdag. Wie zou dan met een onverschillig -oog het op een zoo gebrekkige aarde zoo zeldzame, schouwspel eener onvermengde en -volkomene vreugde—al is het dan maar een kindervreugde—kunnen aanzien? -</p> -<p>Het huis verlatende, zag ik de stoep door een partij arme wichtjes belegerd. Mijn -hart brak er van; zij stonden bij een felle koude, in lompen gekleed, op de steenen -te bibberen. Maar toch konden zij van het aanlokkelijk gezicht niet scheiden; met -kinderachtige nieuwsgierigheid gaapten zij al die heerlijkheid aan. En, wat mij het -meeste trof was, dat er in hun toon geen zweem van spijt of ontevredenheid was. Zij -zagen kinderen van hunnen leeftijd binnengaan en met volle handen terugkeeren; geen -gemor kwam over hun lippen. Veeleer heerschte er onder hen een blijde ingenomenheid, -alsof zij wel degelijk deelgenooten van de feestvreugde waren. Zie, zóó waren zij -het reeds gewoon geworden, de kinderen der rijken als andere wezens te beschouwen. -Zij hadden er geen denkbeeld van, dat slechts een hard toeval hen van gelijke rechten -beroofd had; het was hun reeds eigen, alleen met het <span class="pageNum" id="pb73">[<a href="#pb73">73</a>]</span>oog te genieten. Die natuurlijke zelfverloochening der armen heeft iets aandoenlijks. -Als er een feest in de stad is, heet het bij hen: „Laat ons de illuminatie gaan zien,” -zooals wij zeggen: „Laat inspannen.” Zij houden het voor een voorrecht, bij een gastmaal -door de vensters te turen, en dáár van onverzadigden lust te verteren. Zij laten zich -door de gewapende macht terugdrijven, of wijken voor de paarden der rijken, zonder -zich met een enkel woord te beklagen. -</p> -<p>Ik kon deze denkbeelden niet bij mij houden. Het werd mij op de breede verlichte straten -te eng. Ik ging, zoo snel ik kon, naar mijn kamer, en keerde, met eenen nieuwen last -beladen, vandaar terug. -</p> -<p>Toen spoedde ik mij, zoo ras ik konde, naar een der schamelste achterbuurten. Overal -rust: geen enkel lichtje! geen schijn van feestviering! Zoo gaat het! het feest van -St<span class="corr" id="xd31e2234" title="Niet in bron">.</span> Nicolaas is een feest der armen, maar de rijken vieren het. Hier en daar zag ik de -deuren openstaan; het eenige, dat de onvermogenden uit de gouden eeuw van <i>Saturnus</i> behouden hebben. Ik hoorde een kind om brood schreien—om brood! het wicht zag mij -niet—de vrouw was met haar kind bezig—ik was in een oogenblik weg. In een andere hut -zag ik een moeder, uitgeteerd van gebrek, een half naakt schepseltje zogen; de wind -snerpte onbarmhartig door de reten: zachtjes ging de deur open—er viel iets klinkends -op den grond—terwijl de vrouw bukte, verdween de schaduw van den wand. Een oud moedertje -zat bij een ellendig nachtpitje te spinnen; het gansche huis scheen verlaten: zeker -was het overige gezin naar het feest gaan.… zien; zij was te suf om te hooren,—maar -toen zij weêr naar haar vlas greep, zal zij toch vreemd hebben opgezien. -</p> -<p>Ik keerde ledig op mijn kamer terug. -</p> -<p>Lieve menschen! weet gij wel, wie Sint <span class="sc">Nicolaas</span> was? Het was een vrome Heilige, die veel weldeed. Hij verdient ten hoogste met een -<span class="corr" id="xd31e2244" title="Bron: gedachtenisfeeft">gedachtenisfeest</span> vereerd te worden. Maar de wijze van vereering zou ik nog wel eenigszins anders wenschen. -Mij dunkt, het ligt in de rede, dat men het feest van een Barmhartige met barmhartigheid -viert. Onthaalt uwe kleinen: ik heb er niets tegen; maar vergeet daarom de kleine -beschermelingen van den vromen Sint niet. Als gij het meel en de olie eens armen vermeerderd -hebt, zal er voor hen nog wel iets overblijven. Ja, ik zou wel willen, dat uwe kinderen -zelve de rol van bescherm-engelen vervulden; indien gij uwe aalmoezen in hunne hand -gaaft, zoo hadden zij te gelijk vergoeding voor hun gemis. En wat zou het schoon zijn, -als men in de wijken der armoede zou moeten denken, dat de goede <span class="sc">Nicolaas</span> onsterfelijk is!.… -</p> -<p>Lieve menschen! ik wensch u allen een echten Sint-Nicolaas-dag! -<span class="pageNum" id="pb74">[<a href="#pb74">74</a>]</span> </p> -</div> -</div> -<div id="ch9" class="div1 story"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e7188">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="main">HET LEGAAT.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Mijn arme vriend <span class="sc">Rob</span>, hij is dood! -</p> -<p>De goede jongen! Of hij stervend nog tegen den dood zal gelachen hebben, gelijk hij -altijd zeide, dat hij doen zou? Zeker, vriend <span class="sc">Hein</span>! gij zijt een ijzegrim, als gij er niets van gevoeld hebt, toen gij dezen eerlijken, -trouwen knaap den hals braakt. Zulk graan krijgt gij zelden onder uw zeis. Mijn arme -<span class="corr" id="xd31e2266" title="Bron: viend">vriend</span> <span class="sc">Rob</span>, hij is dood! -</p> -<p>Grooter snaak dan hij liep er niet. Gelijk sommige menschen veel hebben van een gestolden -traan, was zijn voorkomen een onophoudelijke glimlach. Hij ging de wereld door als -een vroolijk kind, schertsende en grappenmakende: reeds toen ik met hem school ging, -was hij de vreugde van al de jongens. Als zij <span class="sc">Rob</span> maar zagen, begonnen zij reeds te lachen; zelfs de meester kon het niet tegen hem -uithouden, maar schoof van vroolijkheid zijn pruik op één oor, als hij recht aan den -gang was. Ofschoon hij de eene dwaasheid na de andere uitvoerde, geloof ik niet, dat -hij ooit iemand ernstig boos gemaakt heeft. Hij was als Arlequin; ieder kreeg slaag -van hem; maar het was een houten zwaard, dat hij zwaaide! en een zwaard daarenboven, -dat als een tooverstaf, de macht had om slapenden wakker en treurenden vroolijk te -maken. En toch, toen hij de school verliet, schreiden allen; ofschoon hij allerlei -bokkesprongen maakte om zich zelven en de anderen op te vroolijken. Zoo was hij altijd. -Hij kon geen tranen zien, of hij moest ze wegschertsen. Ik ben zeker, dat hij zijn -ziekenoppasser meermalen aan ’t lachen gemaakt heeft. Arme <span class="sc">Rob</span>! Nu moet hij ze laten uitweenen. -</p> -<p>O, ik had hem zoo lief! zoodra wij elkander op de school ontmoetten, werden wij vrienden. -Hoe, begreep niemand. Want ofschoon ik toen nog zoo bleek en strak niet zag als nu, -was ik toch lang geen blozende lachebek gelijk hij. Maar ik geloof, dat hij al dadelijk -aan mij zag, dat ik het rechte wild voor hen was. Want hij was geen van die grappenmakers, -die alleen aardig zijn onder huns gelijken: hoe treuriger hoe liever; des te meer -eer was er aan te behalen. Of laat ik liever zeggen, zijn goed hart gebood hem het -eerst dezulken op te zoeken, die hij begreep dat aan een opgeruimd woord de meeste -behoefte hadden. Hij beschouwde het vervroolijken van anderen als een soort van bestemming -voor hem. <span class="pageNum" id="pb75">[<a href="#pb75">75</a>]</span>Geen aanleg hebbende om te weenen met de weenenden, zocht hij weenenden met zich blij -te maken. Daarbij ging hij evenwel niet zoo te werk, dat hij zijn narrebellen aan -ieder rouwfloers bond. Als bij instinkt wist hij te raden, waar zijn luim op de smart -schipbreuk zou lijden; en dan kon hij tot zichzelven, als tot een speelschen hond, -die tegen iedereen opspringt, zeggen: „Stil, <span class="sc">Rob!</span> stil jongen!” en dan was <span class="sc">Rob</span> zoo stil als een muis! of zoo hij sprak, het was met een enkel woord van diep gevoel, -zoo als men nooit van zijn dartele lippen zou verwacht hebben. Is het niet vreemd? -terwijl niemand mij beter aan ’t lachen kon maken, schreide ik om niemand eerder, -dan om <span class="sc">Rob</span>! -</p> -<p>Maar ik heb niet dikwijls om hem geschreid. Duizendmaal meer heb ik om hem gelachen. -Nauwelijks ging de school uit, of hij pakte mij onder den arm; dan volgde de eene -kwinkslag op den anderen, zoodat ik dikwijls, als ik thuis kwam, niet tot mijzelven -kon komen; en toch was hij zoo zacht voor den weemoed, waartoe ik reeds als knaap -en jongeling neigde. Dit kwam daaruit voort, dat hij er zelf niet vrij van was. De -grondtonen onzer ziel klonken gelijk, maar wij droegen ons leed anders. Terwijl ik -in mijn kooi zat te kirren als een tortel, met een lang uitgehaald: koe-ke-roe-oe!—zat -hij, ofschoon even zoo goed gevangen als ik, tegenover mij in zijn kevie te zingen -als een kanarievogel. Met iedere smart, die ik hem als een harde noot te kraken gaf, -sprong hij om als Jocko: krak-krak! had hij haar stuk, hij wierp mij de schellen naar -den kop, en peuzelde de zoete kern, die hij er uithaalde, met een vergenoegd gezicht -op. Men zegt van <span class="sc">Rubbens</span> (als ik wel heb), dat men nooit vier of vijf schreefjes zoo plaatsen kon, of hij -maakte er een menschengezicht van. Welnu, zoo kwam hem geen smartelijke trek voor -of, kriskras! had hij hem in een glimlach veranderd, zonder iets uitgewischt te hebben. -O, het is niet moeielijk, dissonnanten te overschreeuwen: dat kan ieder; maar ze op -te lossen, dat is de kunst! en dat kon mijn vriend <span class="sc">Rob</span>. -</p> -<p>Hij had geen gelukkig lot in de wereld. Een arme moeder, waarvoor hij te zorgen had, -bij geringe verdiensten. Maar dit maakte hem nooit treurig; hij kon zijn droog brood -met zulk een goede gratie eten, dat gij aan zijn gezicht zoudt gezegd hebben dat hij -een reeboutje kloof. „Vroolijkheid, jongen!” kon hij wel tegen mij zeggen, „is de -beste kruiddoos.” Daarbij kwam, dat hij een voorgevoel had, dat hij niet oud zou worden. -Dus moest hij zorgen in de voorbaat te zijn, om zijn moeder niet hulpeloos achter -te laten. „Gij zult het wel zien,” zeide hij<span class="corr" id="xd31e2303" title="Niet in bron">,</span> „<span class="sc">Rob</span> loopt niet lang. De zwarte man mag hem niet lijden. Ik maak het hier de menschen -veel te pleizierig. Nu laat hem komen! ik zal hem in zijn gezicht uitlachen, of mijn -naam is geen <span class="sc">Rob</span>!” -</p> -<p>„Daar hebben we ’t al!” schreef hij onlangs. „<span class="sc">Jonathan</span>, ik lig er voor; de magere man heeft mijn vet al beet, en zal nu aan de beenders -gaan. Kom mij nog eens zien, als gij kunt. Ik wil den Dood al mijn vrienden presenteeren; -dan kan hij van nijd vergaan, dat hij er zoo veel niet heeft.” -<span class="pageNum" id="pb76">[<a href="#pb76">76</a>]</span></p> -<p>P.S. „Kom gauw, want hij wacht niet.” -</p> -<p>Ik kwam. Daar lag hij, de arme <span class="sc">Rob</span>! bleek als de dood, en mager als een geraamte. -</p> -<p>„Welkom!” juichte hij met een gebroken stem tegen. „Neem mij niet kwalijk, dat ik -u zoo familiaar in mijn beender<i>negligé</i> ontvang, mijn vleeschrok<a class="noteRef" id="xd31e2327src" href="#xd31e2327">1</a> is bij den snijder om te vermaken.” Zoo schertste hij voort met woorden vol diepen -zin en aandoenlijken luim. -</p> -<p>„Schrei zoo niet!” zeide hij, terwijl ik in tranen stikte. „Gij maakt mijn vleugels -nat, en ik zal straks niet kunnen vliegen.—Goeden nacht!” riep hij mij na, toen ik -mij in stomme smart van zijn leger losrukte. „Wat vroolijker gezicht, als ik u weêrzie, -hoor!” -</p> -<p>Gister morgen kreeg ik de tijding van zijn dood. Hij had tot zijn jongste oogenblikken -zijn bewustheid en dezelfde stemming van geest behouden. „Alles klaar!” was zijn laatste -woord. Wat zullen er toen veel tranen op het vroolijkste gezicht der wereld gestort -zijn. <i lang="en">Alas, poor</i> <span class="sc">Rob</span>! -</p> -<p>Wie zal ons nu troosten? Het ongelukkigste is, dat <span class="sc">Rob</span> alleen voor zulk een ramp raad had geweten. Ja, dat is het ergste; nooit is men troosteloozer -dan bij den dood van hen, die ons het best <span class="corr" id="xd31e2348" title="Bron: haddden">hadden</span> kunnen troosten. Als niets mij bemoedigen kon, had Rob altijd nog een paar woorden -achter de hand. Maar nu hij dood is<span class="corr" id="xd31e2351" title="Bron: .,.">…</span>. ik zal naar zijn graf gaan, en zien of ik daar baat kan vinden; de vrome ziel kon -zelf op een graf zoo vroolijk lachen. „Onder het lamfer,” placht hij te zeggen, „behoort -een gezicht van <i lang="fr">Jean qui pleure et Jean qui rit</i>. Voor ieder, die gaat en die blijft, de helft.” Ach, ik zal het nooit leeren. -</p> -<p>Te gelijk met zijn doodbericht ontving ik het legaat, mij door hem gemaakt. Het zijn -de brieven, die ik hem op onderscheidene tijden geschreven heb. Deze heeft hij in -een groot pak gesloten, en zijn moeder verzocht ze mij na zijn dood terug te zenden. -</p> -<p><span class="sc">Fragmenten van een afgebroken correspondentie, later voort te zetten.</span> Zoo luidt het opschrift, dat hij er met eigen hand op geplaatst heeft. Ziedaar Rob -geheel! nooit was er vroolijker godsvrucht, dan de zijne. Hij sprak van den hemel, -zooals een kind er van spreekt, als of het alleen een hoogere verdieping van onze -tegenwoordige woning was. Hij had niets van sommige menschen, die nooit het woord -dood of eeuwigheid in den mond nemen, zonder eerst een benauwd gezicht te zetten, -een hangenden lip te trekken, en hun stem zoo diep als zij kunnen uit hun onderbuik -te doen opkomen. Dezulken spreken van den hemel met een gelaat, dat men er bang van -wordt. Niet aldus mijn vriend <span class="sc">Rob</span>. Midden in zijn grappigste scherts kon hij op eens aan zijn woorden een luimig-verheven -wending geven, die u in het hart greep; maar in hetzelfde oogenblik was hij, als een -eekhorentje, <span class="pageNum" id="pb77">[<a href="#pb77">77</a>]</span>dat langs een hoogen boom op en neder klautert, reeds weder beneden, en sprong u om -de beenen. Met den dood was hij zoo familiaar als met zijn eigen geraamte. Hij kon -sermoenen tegen hem houden, dat u de tranen over de wangen liepen. Dat noemde hij -zijn gymnastische oefeningen om langs zijn ribben naar boven te leeren klimmen. „Och,” -zei hij, „het geheele leven is niets dan een groote mastklimmerij; boven hangen de -prijzen: beneden staan wij jongens te gapen. Het komt maar op het durven aan; één -goede zet, en men is er! drommels, als de paal maar zoo glad niet was!”—Maar gij zijt -er nu toch, goede <span class="sc">Rob</span>! en uw prijs zal niet van de minste wezen. -</p> -<p>Ik dacht gister het lijkfeest van mijn vriend niet beter te kunnen vieren, dan door -den ganschen dag aan het lezen van zijn Correspondentie te wijden. Ik rangschikte -al de brieven, over en weêr geschreven, bij elkander, en had dus bijna de geheele -geschiedenis voor mij. Dat was een aandoenlijke lektuur. Nooit had ik ROB zoo lief -als gister; nooit voelde ik zijn waarde beter; hij won zeer bij de proef, die anders -zoo hachelijk is, van op eens in zijn geheel gezien te worden. De meeste menschen, -aldus opgezet, zouden al een vrij wonderlijk misgewas vormen. Bij menigeen zou het -eene been het andere verloochenen, en de eene arm de anderen parodieeren. Geheel anders -bij <span class="sc">Rob</span>! Zijn geheele zedelijke gestalte was fiksch en frisch uit de kluiten gewassen, en -droeg alles op de rechte plaats. Niets versteld of bedorven door ontijdige rijpheid -of tragen groei, maar een geregelde en gelijkmatige ontwikkeling van kind tot knaap, -van knaap tot jongeling, van jongeling tot man. Zijn hart had alle graden doorgeloopen, -even als een soldaat van verdienste bij de <i lang="fr">armée</i>. Van daar was zijn gansche morele constitutie zoo gezond; zijn leven had niets van -een verknoeide teekening, waarin de gom-elastiek beurt gehouden heeft met het zwart-krijt, -en waaraan meer tijd is zoek gebracht met uitwisschen, dan met teekenen. Wat er stond, -dat stond er, en dat stond er goed. Bij hem schreide de dag van heden niet over den -dag van gister, noch verzamelde dampen voor den dag van morgen; maar de maandag gaf -de hand aan den zondag, en de dinsdag aan den maandag. Toen ik dat zoo zag, werd ik -bewogen bij de gedachte aan zijn afsterven. Het is jammer, weêrgaloos jammer, dat -de Dood dit drama gestoord en de gordijn heeft doen vallen eer het was afgespeeld; -er moesten nog zulke treffende passages komen. Mijn goede <span class="sc">Rob</span>! ik had u nog zoo gaarne eens als <i lang="fr">père noble</i> gezien! en, indien ik <span class="corr" id="xd31e2384" title="Niet in bron">het </span>had mogen beleven, welk een beminnelijke vertooning zoudt gij als grijskop gemaakt -hebben! Mij dunkt, ik zie u met een krans van jeugdige vroolijkheid om het rimpelig -hoofd; met een vergenoegd lachje op de dorre wang, als een zonnestraal op herfstloover; -met een schat van wijsheid verrijkt, als een honingkorf in den winter. Ja, een honingkorf! -dat zoudt ge geweest zijn. Uw ondervinding zou niet, als bij zoo velen, zoete druiven -in zure eek veranderd, maar uit de bloemen op uw levensweg enkel zoetheid gepuurd -hebben: Gij hadt altijd een afkeer van menschen wier <span class="pageNum" id="pb78">[<a href="#pb78">78</a>]</span>ervaring het zure opschrift <span class="sc">winazijnmakerij</span> aan het hoofd droeg. Gij, integendeel, zoudt uw vreugd genoten hebben als een Epicurist -zijn wijn; hoe ouder, hoe beter. Ik vooral, <span class="sc">Rob</span>, ik had u zoo noodig gehad. Gij hadt voor mij de zware slippen van den rouwmantel, -dien rijper leeftijd den menschen telkens om de schouderen hangt, (oude menschen zijn -ongequalificeerde noodigers ter begrafenis) moeten ophouden. Gij hadt, als de komiek -in de stukken van <span class="sc">Kotzebue</span>, met uw onschuldige scherts mijn treurige tooneelen moeten opvroolijken. Gij hadt -mij moeten leeren, van mijn oudemans-stokje een zotskolf te snijden, om die den Dood -als een duivelbannend teeken voor te houden. <span class="sc">Heracliet</span> en <span class="sc">Democriet</span>—zoo zouden wij oudjes arm in arm het laatste eindje van onzen weg gegaan zijn, en -malkaâr zachtjes de grafhelling hebben afgeholpen. Maar gij hebt mij leelijk laten -zitten, met zoo hals over kop—daar gaat hij!—in de diepte te springen. Nu sta ik er -alleen voor; en of ik nu, met onzen vriend uit <i>Bayreuth</i>, den Dood al toeroep: „Schud maar toe, schud maar toe! dan kom ik bij mijn braven -<span class="sc">Rob</span>!” het baat niet.—Jongen <span class="sc">Rob</span>! dat is een leelijke streek van u, zoo maar zonder waarschuwen heen te gaan, en mij -met den boel te laten zitten. Daar zal iets over moeten vallen, als ik u weêrzie! -</p> -<p>Maar wat beschuldig ik u, eerlijke knaap! als of gij er schuld aan hadt? Neen, in -u viel het nooit, uw vrienden in verlegenheid achter te laten; had het aan u gelegen, -gij, goede ziel, gij hadt ons allen wel laten voorgaan, en gaarne de moeite genomen -om, als de laatste van allen, de deur te sluiten. Maar de dood riep u op: <i lang="fr">en avant seul</i>; en met onwillige kooten volgdet gij en danstet uw <i lang="fr">pas seul</i>, terwijl gij ons op onze plaats moest achterlaten. En nu ben ik zeker, dat gij den -dood nog wel eens een goed oog geeft om ons ook te komen halen. Trouwe vriend, die -ge zijt! -</p> -<p>Wat liggen ze daar koel, die uitboezemingen van twee warme harten. Op het oog <span class="corr" id="xd31e2423" title="Bron: zoo">zou</span> men het even goed voor rekeningen kunnen aanzien.—En zijn het in zekeren zin geen -rekeningen? rekeningen van hetgeen het hart aan de wereld, de verbeelding aan de wezenlijkheid -betaald heeft? of liggen daar niet zoo veel gedachten, gewaarwordingen, wenschen en -begeerten, die sedert als verouderd hebben moeten worden weggedaan, om, tot duren -prijs, door andere te worden vervangen? En kon men er niet een zulke of dergelijke -nota van maken? -</p> -<p>Een ouderwetsch kleed van UEd. nieuwmodisch en pasklaar gemaakt. -</p> -<p>Een groote <i>optica</i>-spiegel tot een scheerspiegeltje verkleind. -</p> -<p>Van een oude gedamasceerde kling een pennemes gemaakt. -</p> -<p>UEdelens <span class="corr" id="xd31e2435" title="Bron: zevenmijls-laarzen">zevenmijlslaarzen</span> tot pantoffels versneden. -</p> -<p>De glazen uit UEd. teleskoop verslepen en in een bril gezet. -</p> -<p>UEd. nationale vlag tot een vlaggendoek voor UEd. lendenen vermaakt. -</p> -<p>Een gewezen vrijheidsboom van UEd. voor een mangelrol in orde gebracht. -</p> -<p>Van een metalen standbeeldje een keukenvijzel gegoten. -<span class="pageNum" id="pb79">[<a href="#pb79">79</a>]</span></p> -<p>Op onderscheidene tijden duiven uit UEd. vlucht geplukt en gelardeerd. -</p> -<p>Is het zoo niet? Ik kan het niet zonder droefheid aanzien. Anders geeft mij het gezicht -van gekwiteerde rekeningen genoegen; het is voor mij altijd een vroolijk uur, als -ik in het begin van de maand Januari mijn physiologische schuldvorderingen, die koningen -van verschrikking, zoo als <span class="sc">Bellamy</span> ze noemde, als tamgemaakte kwitanties aan een koord rijg, en nu zeggen kan, dat ik -ten minste van dezen kant mijn rekening met het afgeloopen jaar gesloten heb. Maar -deze psychologische kwijtbrieven, waarin het bewijs berust, wat ik al in den loop -van verleden jaren aan de firma van <span class="sc">publiek</span>, <span class="sc">mode</span>, <span class="sc">etiquette</span>, kortom aan dien geheelen Jodenhoek betaald heb, doen mijn oog minder aangenaam aan. -Het is wel goed, dat ze betaald zijn: het zij verre van mij te zeggen, dat ik insolvent -had willen blijven; maar zij hebben mij evenwel veel gekost. Ik schijn hier de tering -niet <span class="corr" id="xd31e2459" title="Bron: zoowel">zoo wel</span> naar de nering gezet te hebben, als ik in ’t burgerlijke leven gewoon ben. Hier en -daar zijn kleine posten, waarvoor ik ongehoord veel betaald heb; en nu en dan viel -mij zelfs de rekening zoo uit de gis, dat ik er nog krom om liggen moet. Dat deed -mijn vriend Rob beter; hij wist altijd voor alles den juisten tijd, en slaagde er -in, zich er bijna geheel zonder schade door te redden. Had hij naar zijn berekening -zijn uitvliegduifjes lang genoeg gehad, dan was het met een vroolijk gezicht: „Komaan, -jongens! de pan wacht!”—en in een oogenblik had hij ze den kop omgedraaid, en zat -ze op te peuzelen zonder er iets van te weten. Ik daarentegen hield de mijnen over -den tijd, zoodat ze taai werden, en als ze dan eindelijk op tafel kwamen, at ik ze -met tranen in het oog, en zag aan mij bevestigd, wat men zegt, dat duivengebraad zwaarmoedig -maakt. Bemerkte hij, dat men hem vreemd begon aan te zien, omdat hij te lang met een -rond buis liep, eer iemand er om dacht, had hij er een paar panden aan gezet, die -hem deftig over de kuiten hingen. Op iedere auctie deed hij wat van zijn oudheden, -en kocht daarvoor wat nieuws in de plaats, zoodat hij altijd in zijn doen bleef. Met -één woord, hij wist zijn slag waar te nemen, en altijd ter rechter ure te verkoopen. -<span class="sc">Rob</span>, Rob! dat gij heengegaan zijt, zonder mij die kunst te leeren. -</p> -<p>En ben ik dat nu? Met dat gevoel, waarmede een volwassene voor het portret staat, -dat men van hem als kind gemaakt heeft, doorlas ik mijn eigen brieven, die mij het -portret van mijn zedelijk Ik voorhielden. Immers, gelijkender kon ik mijzelven niet -zien; hier zag ik mij niet in een teekening door anderen gemaakt, maar, even als bij -de Daguerrotype, door de natuur zelve gemaald. Zoo verre iets, dat het wezen zelve -niet is, van het wezen een denkbeeld geven kan, vond ik hier mijzelven terug. Wonderlijk, -wonderlijk, hoe menigmaal was ik zonder mijn eigen beeld te herkennen! het was goed, -dat mijn eigen hand daarop het onvervreemdbare zegel geplaatst had, anders zou ik -het ruiterlijk voor een <i lang="fr">contrefaçon</i> hebben uitgemaakt. Maar ik kon mij niet bedriegen; het moest zoo zijn. Daar zag ik -dan, even als in <span class="pageNum" id="pb80">[<a href="#pb80">80</a>]</span>een bewegelijk panorama, mijn gansche inwendige leven achtereenvolgens voor mijn oog -voorbijgaan. Daar zag ik den knaap nog eens den vlieger oplaten en met den bal slaan: -den jongeling nog eens droomen dichten en gedichten droomen; den jonkman aan de voeten -van <span class="sc">Betsy</span> zitten en van de voeten van <span class="sc">Betsy</span> losscheuren; den man den strijd met het werkelijk leven aanvangen, beurtelings overwonnen -worden en overwinnen. En op ieder tooneel vond ik, even als bij onze oude schilders, -één zelfde geliefde figuur weder: de figuur van <span class="sc">Rob</span>. Hij was bij alles tegenwoordig; zijn snakerig gezicht stak overal door de een of -andere opening: zijn stem klonk door alle zuchten en tranen heen: -</p> -<div lang="fr" class="lgouter"> -<p class="line"><i>Du courage! Du courage!</i> </p> -<p class="line"><i>Les amis sont toujours là!</i> </p> -</div> -<p class="first">De goede <span class="sc">Rob</span>! Ik heb nooit geweten, dat hij zoo zacht en week was. Maar als ik nu zie, hoe hij -onder alle omstandigheden met mij heeft omgesprongen, vind ik daarin een gevoeligheid -van ziel, die mij treft. Nergens een hard oor of een hard hart; maar overal een Jobs-geduld -om mijn klachten aan te hooren, en een Jobs-gemoed om in mijn smart te deelen. Het -is waar; hij gaf mij daarin nooit toe, noch kwam op den slijkhoop naast mij zitten, -om de tweede partij van mijn Ach! en Wee! te zingen. Maar hij viel er ook niet met -een onbarmhartig Ai! en Foei! tusschen. Hij versnelde de maat alleen een weinig, en -zette het motief, dat hij trouw behield, eenvoudig wat luchtiger om. Eer ik er om -dacht, had hij het sleepende <i>maestoso</i> in een deftig <i>moderato</i> veranderd. Van waar had de jongen dat verstand? ik weet het niet; maar nu, van achteren -beschouwd, kan ik het niet dan met verwondering zien, hoe veel oordeel en levenswijsheid -hij daarbij heeft aan den dag gelegd. O, nooit kan ik het genoeg erkennen, wat hij -voor mij geweest is; de natuur had hem naast mij geplaatst, om, als een koperen naast -een dunner snaar, mijn toon te steunen en te versterken. Als hij er niet geweest was, -die toon ware lang valsch en ontstemd geworden, en de speler had mij als een onbruikbaar -vod kunnen wegwerpen. Nu kan ik het des noods zonder u stellen, mijn trouwe bas, mijn -tweelingsbroeder ROB. -</p> -<p>Is dat alles één mensch? Zoo vroeg ik verwonderd, wanneer ik soms een van mijn eerste -naast een van mijn laatste brieven leide; ik had moeite het mij te overreden. Maar -een oog op de verschillende trappen geslagen, die ik langs was geklommen, benam mij -welhaast mijn bevreemding. Hoe langzaam en regelmatig is die overgang! niet ongelijk -aan de beweging van onze aarde, die in vierentwintig uren toch ook een geheele wenteling -om de spil maakt, zonder dat wij er evenwel iets van bemerken. Het is zonderling en -treffend, die ontwikkeling na te gaan. Men lacht zoo dikwijls met dat spreekwoord: -<span class="sc">Een mensch verandert om de zeven jaar</span>. Maar, naar mijn inzien, <span class="corr" id="xd31e2503" title="Bron: licht">ligt</span> er een ware en diepe les in. Wie er om spotte, ik neem het als <i>thesis</i> over en ben bereid die <i lang="fr">publice et <span class="corr" id="xd31e2510" title="Bron: solenniter">solemniter</span></i> te verdedigen. -<span class="pageNum" id="pb81">[<a href="#pb81">81</a>]</span></p> -<p>Willen wij een proef nemen? -</p> -<p>1–7. Het kind in de kinderkamer. -</p> -<p>7–14. Gij zult erkennen, dat de jongen op de speelplaats een geheel ander wezen is. -Ik ten minste zie kans u, na zeven jaar, het eene kind voor het andere in de hand -te stoppen. -</p> -<p>14–21. Waar vindt gij nu den knaap in den jongeling? den woeligen, dartelen schalk -in den peinzenden, verliefden Dichter? -</p> -<p>21–28. Hier hebt gij den overgang uit het dichterlijke in het wezenlijke leven: de -eerste en heiligste verbintenis, de eerste vadervreugde. Wat dunkt u? de jongeling, -met zijn armen uitgestrekt om de wereld aan zijn boezem te drukken, en de echtgenoot -en vader, die niet weet hoe hij zijn armen eng genoeg om vrouw en kind klemmen zal,—zijn -dat geen twee verschillende wezens? -</p> -<p>28–35. Nu worden zeker de overgangen minder scherp, maar evenwel blijven ze voor het -fijne oog toch nog merkbaar genoeg. Nu maakt zich de eerzucht meester van het hart, -waarin tot dusverre bijna alleen de liefde heerschte; de huiselijke kring wordt te -nauw: men breidt zich naar buiten uit; men wil meê de hand aan ’t roer hebben. NB. -De zon, die bij hare daging rozerood was, begint gedurig meer naar het goudkleurige -te trekken. -</p> -<p><span class="corr" id="xd31e2522" title="Bron: 55">35</span>–41. Zij is heel en al geel! de hebzucht is bij de eerzucht gekomen. Men heeft een -grooten staat te voeren; men heeft zoons te plaatsen, dochters uit te huwelijken; -men begeert zich door zijn kinderen, en zijn kinderen door zich te verheffen. -</p> -<p><span class="corr" id="xd31e2526" title="Bron: 32">42</span>–49. Men heeft de gewenschte hoogte bereikt en geniet de gemaakte veroveringen. Men -is buiten geëerd door het publiek, en binnen gelukkig in zijn betrekkingen. Men krijgt -een onderkin en staat als peter over zijn kleinkinderen. -</p> -<p>49–56. Men vangt aan zich terug te trekken. Men ziet zijn vrienden sterven en begint -naar rust te verlangen. Men bedankt voor alle lastposten en houdt <span class="corr" id="xd31e2531" title="Bron: alleeen">alleen</span> de winstgevende aan. -</p> -<p>56–63. Men ziet in ’t geheel geen menschen meer; men wandelt veel en gaat trouw te -kerk; men wordt hypochonder en neemt een lijfmedicus aan. -</p> -<p>63–70. Men begint zich gereed te maken voor de afreis. De rekening courant wordt opgemaakt, -de overbodige lading over boord geworpen en stichtelijke artikels ingenomen. -</p> -<p>70–77. Men sterft, natuurlijk als men niet eer gestorven is. -</p> -<p>Ziedaar in eenige groote trekken de voornaamste <i>nuances</i> opgegeven, die toch kennelijk genoeg van elkander onderscheiden zijn. En niemand -meene, dat ik hem met deze beschrijving heb willen veroordeelen. Geen gedachte is -verder van mij. Integendeel, zóó of zóó omtrent moet het gaan, indien alles wel zal -gaan. Zóó moet men, als de zon, achtervolgens de verschillende teekens van zijn aardschen -dierenriem doorloopen, en nu eens, in het teeken van Leeuw en Ram, zijn jongelingskracht -in tegenstand tegen de wereld oefenen; dan in het <span class="pageNum" id="pb82">[<a href="#pb82">82</a>]</span>teeken van Maagd en Waterman, zijn minneleed beschreien; dan, in het teeken van Weegschaal -en Schutter, mannelijk oordeel met mannelijke vaardigheid leeren paren, om ten laatste, -in het teeken van Kreeft en Visschen gekomen, zijn vaart te vertragen, en zachtkens -een weg ten einde te brengen, dien men met zoo veel vuur en geestdrift is opgestreefd. -</p> -<p>Dat is de orde en de wet der natuur, en ongelukkig, die haar wil omkeeren; hij wordt -voor zichzelven even ellendig als nutteloos voor anderen. Er is een tijd van bloei, -een tijd van dracht en een tijd van verval; die tijdperken moeten elkander vervangen, -zonder op malkaârs grondgebied te treden. Ik wil kleur in de lente, geur in den zomer, -en vrucht in het najaar. Eerst groen en wit, dan blauw en rood, dan geel en bruin. -Zoo was het bij <span class="sc">Rob</span>. Hij was altijd gelijk met de verschillende saizoenen: als men dacht, nu moet er -haast dit of dat komen, dan kwam het ook. Hij was geen broeiplant, die zijn roode -vruchten tusschen de sneeuw droeg, en even weinig een ziekelijke nablijver, die met -zijn zure vruchten aankwam, als men hem al vergeten had; hij was een gezonde klant, -die zoo precies op zijn tijd paste als de zon zelve. Ik moet bekennen, dat hij mijn -traagheid wel eens heeft moeten voortduwen: „Toe dan, <span class="sc">Jonathan</span>! maak voort, jongen! waar <span class="corr" id="xd31e2552" title="Bron: blijfje">blijf je</span> dan?” en dan kwam hij als een morele <i>Don</i> <span class="sc">Antonio Magino</span> met zijn weêrtafel, en wees mij: „heden zonneschijn en mooi weer” of als een Tuinmans-Almanak: -„heden deze of die vrucht!” en als die dan zoo spoedig niet uit den dop wou vallen, -dan draaide hij mij een weinigje in de zon en was niet tevreden, eer ik mijn <i>contingent</i> geleverd had. Mijn goede <span class="sc">Rob</span>! Wie zal nu het oog over mij houden? -</p> -<p>Gij maakt daarom uit het gezegde toch niet op, dat Rob een zoogenaamd <i>solide</i> mensch was, die op zijn valhoed reeds met de kroon der zeven Grieksche wijzen liep, -uit zijn tafelstoel les gaf over de differentiaal-rekening, en bij zijn opgeworpen -bal de nuttigheid van laag gooien en dikwijls vangen betoogde. Gij zoudt u bedriegen. -Daarvoor was hij veel te veel in de natuur. Neen, hij geloofde wel degelijk, even -als ik, dat er een jeugd aan den mannelijken leeftijd, een tijdperk van bloei aan -dat van vruchtbaarheid moet vooraf gaan. Ik zet het u, van die vroegrijpe menschen -een mensch te maken als mijn Rob! Er moet in den jongen mensch wat overvloed van leven -zijn. Als de kunstenaar een beeld wil gaan houwen, dan neemt hij geen blok, dat juist -zoo groot is als het beeld, dat hij maken wil, maar hij neemt een vierkanten klomp, -waar de ruwe kanten nog aan zitten. Daar zit dan het beeld, dat er uit moet komen, -wel in, maar eerst moet de buitenste schors wegvallen. Ha! hoe er dan onder zijn krachtigen -beitel de stukken afvliegen! hoe het beeld overal het marmer pijnlijk van het lijf -wordt <span class="corr" id="xd31e2570" title="Bron: geseheurd">gescheurd</span>! het zucht onder de ruwe slagen van zijn formeerder! maar let op! daar beginnen de -houwen reeds af te nemen; telkens valt het wapen zachter neder; heerlijk komt het -<span class="pageNum" id="pb83">[<a href="#pb83">83</a>]</span>beeld uit zijn ruw omkleedsel te voorschijn! Nu worden nog de laatste scherpe hoeken -en kanten afgeslepen, geëffend en gerond, de proportiën gedeeld en de lijnen gebogen. -Daar staat nu de koningsgestalte, glad als ijs en zacht als satijn! Dat is beeldhouwen! -dat is menschen-formeren! -</p> -<p>Wilt gij hooren wat er de Wijze van <i>Bayreuth</i> van zegt? -</p> -<p>Gij lieden wilt derhalve reeds bij den aanvang datgene krachteloos te velde doen trekken, -hetwelk door den tijd en de wereld buitendien toch genoeg wordt ontzenuwd? Wat is -al de winst, die de jongeling uit het vermijden van eenige mispassen en verkeerde -inzagen trekt, gerekend tegen het ontzettend verlies, hierin gelegen, dat hij, zonder -het heilige vuur der jeugd, zonder vleugels, zonder groote plannen, met één woord, -zoo naakt het enge leven inkruipt als de meeste het uitkruipen? Hoe kan zonder den -idealengloed der jeugd het leven tot rijpheid komen, of de wijnstok zonder den gloed -der oogstmaand? Het schoonste, hetwelk door de menschen verricht werd, al ware het -ook in hun koude jaarsaizoen, was nimmer iets anders, dan de slechts laat opkomende -zaadkorrel, die door den boom des levens in het paradijs was voortgebracht. Of zaagt -gijlieden nooit, hoe een mensch door eenig goddelijk beeld uit zijn jeugd, het geheele -leven door, bestuurd en geleid werd?—En wat toch wilt gij in de plaats geven van dit -leidende wagengestarnte?—wat anders dan den broodwagen der schrandere eigenbaat? -</p> -<p><i lang="fr">Touchez là, mon ami!</i> Dat is naar mijn hart gesproken. Zoo mag ik het hooren van iemand, wiens wijsgeerige -geest hem boven de verdenking verheft, waaronder ik lig, van somtijds met molentjes -te loopen. Sterk door uwe goedkeuring verhef ik mij dus moedig <span class="corr" id="xd31e2584" title="Bron: tegen tegen">tegen</span> het kwaadwillig oog van zoo velen, die mij, om deze kruisvaart tegen den kunst-ouderdom, -dien men den kinderen, even als de koepokken, wil inenten, voor een Socratischen jeugdbederver -houden. En zoo dacht ook mijn vriend Rob, die mede een vriend van u was. Hij had een -ingeroesten haat tegen de gepoeierde kinderknikkers en gewapende kinderdijtjes van -vóór vijftig jaren! een jong mensch, die niet hooger zag dan zijn hoofd en niet verder -reikte dan zijn armen, was hem een walg. Hij verlangde daarom niet, dat men juist -tegen de maan stond te grijnen, en nooit dan met een natten neus naar de sterren keek. -Zijn jongelings-geestdrift openbaarde zich geheel anders; zij ademde dienzelfden geest -van losheid en vroolijkheid, die zijn geheel wezen kenmerkte. Hij kon in zijn dartele -buien met de maan omspringen, als droeg hij ze, even als de tooneelspeler in <span class="sc"><span class="corr" id="xd31e2588" title="Bron: Shakespear’s">Shakespeare’s</span></span> <i lang="en">Midsummernights-dream</i>, lantarensgewijze onder den arm en met de sterren leven als de Koningin der Nacht -in de <i>Tooverfluit</i>, die ze als <i>pailletten</i> op haar zwarte japon draagt. Maar in die scherts lag daarom niettemin het geloof -aan een hoogere wereld en het gevoel van behoefte daaraan. Als hij over de vele woningen, -die de groote stad, welke wij Heelal noemen, vervullen, met zulk een <span class="pageNum" id="pb84">[<a href="#pb84">84</a>]</span>gemeenzame vertrouwelijkheid sprak, en dan, met zijn geest door al die geheimzinnige -lichtpaden dwalende, liep raden, waar hij zijn huis vinden moest.…! maar ik zie er -van af om er u eenig denkbeeld van te geven: gij hadt hem zelven moeten hooren! Zijn -uitvallen waren van die, die men alleen met een gesternden hemel boven zich herhalen -kan. Vraag er mij eens naar, als wij ooit samen op zulk een tooneel staan. Genoeg, -dat het hem aan geen sentimentaliteit ontbrak. Er lag in zijn Zomernachts-droomen, -onder den schertsenden toon waarin hij ze voordroeg, een diepe en verheven zin van -heimwee en godvrucht, of, zoo als hij liefst zeide, omdat dit woord den geheelen geest -van zijn vroomheid uitdrukte, <span class="sc">Godzaligheid</span>! Het gebeurde somtijds, dat ik daarbij geen lichten glimlach van mijn lippen weren -kon, maar nooit, dat niet de tranen des innigsten gevoels zich naar mijn oog drongen! -Geen woorden kunnen uitspreken, wat wij ontwaarden, als wij na zulk een hemelwandeling -elkaâr de hand drukten.—Hoe zult gij nu wandelen, <span class="sc">Rob</span>! -</p> -<p>Vraagt ge dus, of ik alles, wat ik daar geschreven voor mij vind, nog met baat en -schade op mijn tegenwoordige rekening zou willen overnemen, de goede Hemel beware -mij! dat ware de paarden achter den wagen gespannen. Maar vraagt ge aan den anderen -kant, of ik met hoogmoed en medelijden op die uitboezemingen van jeugdig gevoel en -overvloeiend leven neêrzie, ook dit ontken ik volstrektelijk. De mensch had beter -kunnen zijn, maar wat den weg betreft, dien hij gevolgd is, ben ik nog zoo ontevreden -niet. Het is waar, dat er menige uitbarsting van dwaas jongelingsgevoel onder doorloopt. -Te droes, hoe zoudt gij lachen, als ik die oude doos eens opendekte. Wat zou er al -niet voor den dag komen! Welk een menigte van werelden en zonnestelsels! welk een -drom van engelen en aartsengelen! welk een stoet van droombeelden in volle kostuum, -met een zon op de borst, een halve maan op den tulband en een borduursel van sterren -rondom den mantel! Welk een rommel van zangen, geuren, klanken, en wat verder zou -worden te voorschijn gebracht! En toch schitterden er soms door dien verwarden hoop -vonken van nuchter oordeel. Van dien aard zijn bij voorbeeld de volgende losse spreuken, -die ik nog niet terugneem. -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>Het is een schoon geloof, dat de Egyptenaars hunne graven met pyramiden deed dekken: -geloof aan de Toekomst. Maar schooner nog is het geloof der Christenen, die hun grafheuvels -met een houten kruis versieren: geloof aan de Onsterfelijkheid. Even zoo was er iets -treffends in de gewoonte der eersten om hunne lijken te balsemen; maar dat wij ze -niet balsemen, is treffender, wetende dat de Engel der opstanding uit verderf onverderfelijkheid -scheppen zal. -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>Geven en ontvangen is als de regen. Dezelfde regen, die frischheid aan de aarde geeft, -geeft helderheid aan den hemel. -<span class="pageNum" id="pb85">[<a href="#pb85">85</a>]</span></p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>Als de vrucht zich gaat zetten, valt de bloesem af. Zoo ook met ons. Wij beginnen -geen vrucht te dragen, eer de bloesems der jeugd verstrooid zijn. -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>Voor sommige menschen is het leven een vastland, geheel aarde; dat zijn de aardsgezinden. -Voor anderen een eiland, geheel zee, buiten verband met iets rondom of boven zich; -dat zijn de egoïsten. Voor anderen een landtong tusschen den oceaan van twee eeuwigheden; -dat zijn de ongeloovigen. Voor sommigen eindelijk een <i>Bethel</i>, door een ladder met den hemel verbonden; dat zijn de vromen. -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>Men begeert zich met het geluk als met een gouden keten te versieren, en bedenkt niet, -dat het slechts een gulden ader is, die door den zandgrond onzes levens loopt: het -geluk is geen kleed, door anderen vervaardigd, dat men slechts heeft om te slaan; -het is een zijden huis, als dat der wormen, uit onzen eigen boezem uitgesponnen. -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>Betrekkingen zijn voor den mensch op aarde, wat de aardkluit, die met de bloem verplant -wordt, voor deze is; zij doen hem vergeten, dat hij hier niet te huis behoort. -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>Die een leven vol weldaden achter zich laat, vindt, even als klein Duimpje in de fabel, -teruggaande, het spoor der uitgestrooide broodkruimen verdwenen. Alleen de beleedigingen -blijven, even als de steentjes van den houthakkersknaap, getrouw liggen. -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>De mensch wordt dikwijls wijs ten nadeele van zijn geloof. Het was een schoone onkunde, -die den schepeling naar den hemel deed opzien, om er de star te zoeken, die zijn tocht -regelde; nu heeft men het kompas, met andere woorden, men heeft den hemel niet meer -noodig. -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>Onlangs zag ik een kind, dat gedurig beproefde een ladder met de handen rechtop te -plaatsen om er vervolgens op te klimmen. Natuurlijk sloeg de ladder telkens tegen -den grond. „<span class="sc">Jantje!</span>” zei de vader, „gij moest dat laten! Ziet gij niet, dat gij u zelven niet houden -kunt?” en daarop ging hij bedaardelijk voort met mij te betoogen, dat in zaken van -godsdienst de rede volkomen voldoende was. -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>Iemand, die louter godgeleerde is, ziet den hemel achter, de vrome vóór zich; de eerste -ziet het kruis alleen in den Bijbel, de laatste, even als <span class="sc">Konstanstijn</span>, in de wolken. De vrome staat tot den godgeleerde als een inboorling, die de taal -des lands van kindsbeen af gesproken heeft tot een vreemde, die haar spraakkunstig -heeft moeten aanleeren. Nu kan de vreemde de gronden van zulk een taal wel beter kennen, -maar de inboorling verstaat en spreekt haar toch beter. -<span class="pageNum" id="pb86">[<a href="#pb86">86</a>]</span></p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>Het leven is als de hooge bergen: slechts aan den voet groeien bloemen. -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>Hartstocht is zwakheid; daarom bemint de vrouw meer dan de man. -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>De kritiek handelt met de geniën, even als de oude Schrijver van het Scheppingsverhaal -met de hemelbollen; zij meent, dat de werelden des dichters om haar geschapen zijn. -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>Zucht naar meerdere volkomenheid; ziedaar de ware behaagzucht. -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>De verborgenheden Gods zijn even als de vlekken in den Melkweg; de gewone mensch ziet -ze voor vlekken aan, en de sterrekundige vindt er bij onderzoek nieuwe wereldstelsels -in. -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>Schoonheid is voor den man een feest-, voor de vrouw een bruiloftskleed. -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>Ware liefde ontleent, even als de moederliefde, kracht uit smart. -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>Sommige menschen schijnen geboren om <span class="corr" id="xd31e2693" title="Bron: gelukkg">gelukkig</span> te wezen: ze zien slechts licht en helderheid voor zich, en wanneer er als soms donkerheid -op hen daalt, sluiten zij er de oogen voor, zoo als sommige bloemen zich ’s avonds -sluiten, en eerst weêr opengaan als de morgen daagt. -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>Trouw is het geheugen van een beminnend hart. -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>De ware proefsteen der menschelijke deugd is de <span class="corr" id="xd31e2704" title="Bron: toetsteen">toetssteen</span>, die zijn graf bedekt. -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>De aardsgezinde is als regen, die één wordt met den grond, waarop hij neêrzijgt; de -betere mensch verkeert op aarde als de sneeuw, die waar zij valt, den grond verzilvert. -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>De schrijver kieze zich een geheel volk ten voorwerp zijner bemoeiingen, doch wachte -zijn geluk alleen van zijn huiselijken kring. Maar daarom heeft dan ook zijn gezin -een gewichtige taak te vervullen: van wege de goeden heeft het in last hem de liefde -te bewijzen, die zij hem niet bewijzen kunnen; van wege de kwaden heeft het de zending, -hem de bitterheid te vergoeden, die zij hem aandoen. Wee hem, als ook deze steun hem -ontvalt: de Dertigen buiten, en Xantippe in huis! -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>Rampen zijn den vrome even als hagelsteenen, die dreigend neervallen, maar die de -aarde als heilzaam vocht in haar schoot opneemt. -<span class="pageNum" id="pb87">[<a href="#pb87">87</a>]</span></p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>Voor sommigen is de kruisberg een goudmijn: dat zijn de priesters. Voor anderen is -hij de <i>Helicon</i>; dat zijn de geleerden. Voor anderen is hij de berg des Heeren: dat zijn de vromen. -Voor anderen eindelijk is hij niets dan een berg: dat zijn de ongeloovigen. -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>Ziet gij? deze losse gedachten, en nog veel meer andere van denzelfden aard, kan ik -thans nog overnemen, zonder dat ik ze in mijn tegenwoordigen leeftijd en op mijn tegenwoordig -standpunt behoef te verloochenen. Maar ik beken, dat daartegen menige bladzijde overstaat, -die ik voor geen lief ding onder het oog van mijn deftigen lezer zou durven brengen. -Ja, zal ik het bekennen! toen ik daar die brieven zoo zat te doorbladeren, verheugde -ik mij, dat ze, door de kiesche beschikking van <span class="sc">Rob</span>, in mijne, en niet in een anders handen geraakt waren. -</p> -<p>En toen kwam ’t mij op eens met schrik in de gedachte, dat Rob niet de eenige is, -die zulke brieven van mij ontvangen heeft<span class="corr" id="xd31e2736" title="Bron: ,">.</span> <span id="xd31e2739"></span>Wel, wel,<span id="xd31e2741"></span> dacht ik, indien het nu een van mijn vroegere Correspondenten eens inviel, al mijn -brieven nog eens in te zien, hoe zal hij om de droomerijen van den kinderachtigen -<span class="sc">Jonathan</span> lachen! Hij is in staat mij in alle deftigheid voor een dwaas uit te maken. Wilt -gij het gelooven? Dit denkbeeld greep mij met zulk een siddering aan, dat ik terstond -op een middel begon te denken om hem tot betere gedachten omtrent mij te brengen. -En waar vond ik dit eindelijk? In een <i>Circulaire</i> aan al de vrienden, die ik hier plaatsen zal, hopende dat zij hun aldus onder de -oogen mogen komen. -</p> -<p>(Met uw verlof, waarde Lezer, die niet tot dit getal behoort!) -</p> -<blockquote> -<p class="first salute"><span class="ex">Mijnheer en Vriend!</span> -</p> -<p>Daar de correspondentie, die ik vroeger de eer had met u te houden, sedert is afgebroken, -ben ik zoo vrij mij langs dezen weg tot u te wenden. Het zou namelijk kunnen gebeuren, -dat UEd<span class="corr" id="xd31e2757" title="Niet in bron">.</span> mijn brieven van vroegeren tijd—bijv. bij gelegenheid van het beplakken van een nieuw -te behangen kamer, of dergelijke—nog eens onder de oogen kreeg. In dat geval zou ik -reden hebben, mij voor UEd. te schamen. Want ik meen wel te weten, dat er in die brieven -meer dwaasheden gevonden worden, dan met uw verstand en soliditeit strooken. Maar -met uw verlof zou ik gaarne zien, dat UEd. daarnaar ook mijn verstand en soliditeit -niet beoordeelde. Want, als het niet te onbescheiden is mijzelven te prijzen, mag -ik wel zeggen, dat ik een geheel ander mensch geworden ben, en ofschoon niet volkomen -zoo degelijk als UEd., toch strevende om UEd. daarin meer en meer nabij te komen. -UEd. gelieve alleen te weten, dat ik tegenwoordig voor mijn correspondentie even zoowel -mijn liassen heb met opschriften als: <span class="sc">Rekeningen</span>, <span class="sc">kwitantiën</span>, <span class="sc">brieven</span>, enz. als UEd. in uw kantoor. Zoodat UEd. ziet dat ik nu een bedaard en deftig burger -ben. Indien UEd. dus <span class="pageNum" id="pb88">[<a href="#pb88">88</a>]</span>de goedheid wilde hebben, die bewuste brieven eens voor goed te verbranden? Doch al -mocht UEd. daarin (uit zuinigheid) bezwaar vinden, hoop ik nogtans, dat UEd. na de -gegeven inlichting, mij omtrent het bewuste artikel van uw oordeel over mijn verstand -wel te wille zal willen zijn. In welke verwachting ik de eer heb met de meeste achting -te zijn, -</p> -<p class="signed">Mijnheer en vriend, <br>UEd. gehoorzame Dienaar en Vriend <br><span class="sc">Jonathan</span>,</p> -</blockquote><p> -</p> -<p>Zie zoo! Dat zou Rob nog goed doen, als hij het las! De arme Rob, hij zal het niet -lezen! en hij zal het niet zien ook, hoe ik langzamerhand al verstandiger en verstandiger -zal worden, zoodat ik eindelijk op den stroom der wereldsche dingen zal drijven als -een pluim, hop-hop, van boven naar beneden, zoo als het de golven belieft. Dat zal -het toppunt van mijn glorie zijn—en van de zijne ook. Want als ik ooit zoo ver kom, -moet ik zeggen dat er hem de grootste eer van toekomt. Wat zal hij dan verwonderd -opkijken, als hij mij weêr ziet! Hij zal zijn eigen <span class="sc">Jonathan</span> niet meer kennen.—Wat heb ik gezegd, <span class="sc">Rob</span>? Neen, de menigte moge van mij zeggen: „Wat is Mijnheer <span class="sc">Jonathan</span> veranderd! hij is nu de ordelijkste man, die men zien kan!—” maar voor u, mijn vriend, -verander ik niet. Is het niet zoo? Boven is een jong hart geen contrabande? -</p> -<p>Geen antwoord! -</p> -<p>Anders kreeg ik altijd antwoord. -</p> -<p>Foei mij!… goed dat <span class="sc">Robert</span> het niet ziet. <span class="sc">Fragmenten van een afgebroken correspondentie, later voort te zetten</span>,—luidt het zoo niet? Welnu wat tob ik dan? Lig daar, mijn legaat! Gij zoudt mij week -maken. Ik wil aan ’t werk. „Jongen,” zei Rob mij wel eens: „Wat zijn de menschen toch -dwaas. Zij roepen om den hemel, en loopen er zoo hard van daan als zij kunnen. Wilt -gij er heen, maak dan, dat gij hier beneden gedaan krijgt. <span class="corr" id="xd31e2800" title="Bron: Van daag">Vandaag</span> klaar, morgen t’huis; dat gaat vast! Er is geen accurater beurtman, dan de Snelheid, -Kapitein <span class="sc">Mors</span>.—Welaan dan! aan ’t werk. Zoo hoop ik welhaast mijn goeden vriend na te kunnen zeggen: -Alles klaar! en dan—dan is er een einde aan mijn klacht: -</p> -<p>„Mijn goede vriend <span class="sc">Rob</span>, hij is dood!” -<span class="pageNum" id="pb89">[<a href="#pb89">89</a>]</span> </p> -</div> -<div class="footnotes"> -<hr class="fnsep"> -<div class="footnote-body"> -<div id="xd31e2327"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e2327src">1</a></span> Een uitdrukking van <span class="sc">Claudius</span>, van wien hij veel hield. <a class="fnarrow" href="#xd31e2327src" title="Ga terug naar noot 1 in tekst.">↑</a></p> -</div> -</div> -</div> -</div> -<div id="ch10" class="div1 story"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e7195">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="main">DE STAMBOOM.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Niet waar, dat zoudt ge niet gedacht hebben, dat <span class="sc">Jonathan</span> er ook een stamboom op nahoudt? -</p> -<p>En hoe meent ge wel dat hij er uitziet? -</p> -<p>Denkt gij misschien aan een groote perkamenten kaart met cirkels en lijnen, waaraan -de namen der respectieve leden van de familie zijn opgehangen, die, zich van boven -naar beneden uitbreidende, het hartroerende figuur van een omgekeerde peer opleveren? -</p> -<p>Of verbeeldt gij u mogelijk een enorme schilderij, met wapens bemaald, waarop het -aandoenlijk is te zien, hoe het wilde zwijn zich met het hert, en de sperwer zich -met de duif verdraagt? Als ware het een voorspel van die gouden eeuw, door de profeten -geschilderd: -</p> -<div class="lgouter"> -<p class="line">Het Lam zal met den Wolf verkeeren als gespeel: </p> -<p class="line">De Luipaard naast het kalf zich vleien in ’t gareel: </p> -<p class="line">De Leeuw zal zich op ’t stroo aan ’s Rundiers kreb vergasten: </p> -<p class="line">Geen Beer, geen Tijger taalt om ’t Geitjen aan te tasten. </p> -</div> -<p class="first">Of hebt gij misschien een dik wapenboek voor den geest, waarin al de Edelen achtereenvolgens -op een rij staan geschaard, even als in een kabinet van Natuurlijke historie, mannetje -en wijfje naast elkander, ieder op zijn plaats en in zijn orde? -</p> -<p>In elk geval misgeraden! -</p> -<p>Neen, wanneer gij mij ooit de eer doet van mij een bezoek te brengen, zult gij in -een hoek van onzen huishoudkamer een ouderwetschen standaard op drie voeten zien staan, -met een schuins staand blad, waarop gij een boek in folio in zwart lederen band met -koperen sloten zult zien liggen—daarin zult gij mijn Stamboom vinden. -</p> -<p>Maar dat is een Bijbel! voert gij mij tegen. Gij zijt er! dat is het ook. Welnu, in -dien band, vóór den Bijbel, vindt gij een blad door verschillende handen beschreven: -dat zijn mijn familiepapieren! -</p> -<p>Dat ziet er niet best uit, niet waar? Gij hebt gelijk. Ik ben niets dan een simpele -<i>roturier</i>. Geen heraut heeft ooit een schelling aan mijn geslacht verdiend. Ik moet mij met -den troost van alle laaggeborenen behelpen, dat ik in <span class="sc">Adam</span>, den algemeenen Stamvader der <span class="pageNum" id="pb90">[<a href="#pb90">90</a>]</span>menschen, van den oudsten adel ter wereld ben. Verder kan ik het niet brengen. Ik -zou er mijn hals niet onder durven verwedden, of ik uit Joodsch of Heidensch bloed -gesproten ben; of mijn voorvaderen onder het Romeinsche juk zijn doorgegaan of den -Romeinschen adelaar gedragen hebben; of zij bij de tornooien tot degenen behoord hebben, -die den hals braken, of die halzen zagen breken; of zij sporen droegen, sporen aangespten, -of sporen vervaardigden; of de groote Potentaten ze met hun zwaard op de schouders -of op den rug sloegen, dat zulk een groot verschil maakt. Kortom, ik weet er niets -hoegenaamd van, en, als dit niet uit de <i lang="la">lex non scripta</i> der natuur volgde, zou ik zelfs niet eens kunnen bewijzen, dat ik ooit verre voorvaders -gehad had. -</p> -<p>Denk evenwel niet, dat mij dit niet spijt. Ik vind het een Cynisme, grooter dan van -iemand op deze wereld gevergd wordt, er volstrekt onverschillig voor te wezen, welken -naam men draagt. Het is wel zoo, dat men er thans niet veel aan heeft, of uw voorvaderen, -op het steken van hun trompet, honderd man in het zadel riepen, daar de naneef toch -genoodzaakt is zijn vijf jaren bij de nationale militie uit te dienen, of anders een -<i>remplaçant</i> te geven: en even waar is het, dat een burgerman niets voelt van de groeven, waarmede -het juk der Edelen den hals van zijn voorouders geknaagd heeft. Ook is het ontegenzeggelijk -dat, sedert ruwe handen de adelijke wapenschilden onder een dik vernis van revolutionnaire -kleuren gelegd hebben, de beleedigde verwen niet meer zoo helder en frisch willen -worden, als zij voorheen waren. Maar dit toegegeven, zie ik niet, waarom het nog niet -altijd begeerlijk zou zijn, de herinnering van vroeger grootheid aan zijn naam te -verbinden. Waarlijk, in onze dagen, die zoo plat zijn als ons land, en zoo romanesk -als onze duinen, is het nog iets dichterlijks, zich bij zijn wapenbord in tijden van -groenende Riddereer en blozende Riddergalanterie te droomen. In onze dagen van gelijkheid, -nu alle hoeden uit hetzelfde stuk vilt worden gesneden, is het nog iets, dat den boezem -doet zwellen, den glanzenden helmkap aan te zien, die op den naam, dien gij voert, -als een kroon van eere drukte! In onze dagen van <span class="corr" id="xd31e2849" title="Bron: industrielen">industriëlen</span> wedstrijd en <span class="corr" id="xd31e2852" title="Bron: commerciele">commerciële</span> worsteling, is het nog iets schoons, bij het openvallen van de bloedige bladen onzer -oude historie, op een blinkend blad te kunnen wijzen en zeggen: Deze was mijn grootvader!—En -waarom het niet erkend, dat zulke herinneringen meer dan een poëtische speling, dat -zij in onze eeuw van nuttigheid, ook nog nuttig kunnen zijn om in hem, bij wien ze -opkomen, adelijke gevoelens op te wekken? Of gelooft gij niet, dat de eikenkrans, -die den naam der <span class="sc">Dedels</span> en <span class="sc">Fagels</span> onzer dagen omringt, te fleuriger blinkt, omdat hij gewassen is aan een edelen stam, -die honderden jaren telt? -</p> -<p>Zoo zij het dan verre van mij, als een onzinnige Jacobijn, op de teekenen van verjaarde -grootheid te spuwen, en over alle gekroonde helmen de roode muts te willen trekken. -Mijn liefde voor antiquiteiten <span class="pageNum" id="pb91">[<a href="#pb91">91</a>]</span>moet u het tegendeel gewaarborgd hebben. Maar dit gaat echter niet zoo ver, dat ik -mij mijns deftigen burgerlijken geslachts schamen, of daaraan ergeren zou: dat ik -de asch mijner vaderen in het graf nog zou willen beschimpen, omdat zij niet in een -familiekelder rust; en dat ik op hun zark niet zou willen neêrknielen, omdat er niet -dan hun eenvoudige naam op staat uitgebeiteld. -</p> -<p>Ik moet mijzelven beter recht doen: ik ben op mijn geslacht zoo trotsch, dat ik het -niet met het geslacht van eenigen Baroen op de wereld zou willen ruilen: want mijn -stamboom is van de edelste, die men zien kan! -</p> -<p>Laat ik mij verklaren. -</p> -<p><span class="sc">Het eerste blad van mijn bijbel is mijn stamboom.</span> Ziedaar het sprekend wapen van mijn geslacht! -</p> -<p>Mijn voorouderen vormen een rij van vromen. Oud-Hollandsche godvrucht was als erfelijk -in hun stam. Zij waren waardige zonen van die vaderen, die de uitdrukking van geloof -en vertrouwen op God tot de leus hunner vendelen en den stempel hunner munten maakten. -Van dat de eerste, wiens naam voor ons is bewaard gebleven, dezen Bijbel tot een stamregister -inwijdde met het opschrift: <span class="sc">Soli deo gloria!</span> totdat mijn vader den naam van zijn zoon op dit blad schreef, waren het, met weinig -uitzonderingen, enkel braven, die hier geboekt staan. Het scheen of hunne inschrijving -op zulk een gewijden stamboom hen, van de geboorte af aan, tot vereering des Bijbels -heiligde. Gelijk sommige Edelen door hun adelbrief tot de verdediging van een klooster -of gewijd gesticht verplicht werden, zoo was het of zij door deze inlijving tot de -handhaving en bescherming van het Hoogwaardige voorbestemd waren, dat hun naam ontving. -En was het vreemd, wanneer de moeders, even als <span class="sc">Hanna</span>, bij haar gebed om den zegen des huwelijks, de hand op dezen Bijbel legden en beloofden: -<span lang="nl">Soo gy myner gedenckt ende uwer dienstmaeght niet en vergeet, maar gheeft uwer dienstmaeght -een mannelick zaet: So sal ik dat den Heere geven alle de daghen syns levens</span>;—was het vreemd, dat de zoon der verhooring door haar in de dienst van Hem werd opgevoed, -van wien zij hem ontvangen hadden? Wanneer de vaders, even als <span class="sc">Hamilcar</span>, den jeugdigen knaap bij het outer des Heiligen Woords brachten, en hem daarbij den -eed van onverzoenlijken haat tegen de vijanden des Hemelschen vaderlands, en van een -onuitbluschbare liefde voor dien gezegenden grond op de lippen legden; was het vreemd -dat de jongeling, der eeden zijner kindsheid gedachtig, leefde en stierf in het gevoel, -dat hem reeds zoo vroeg was ingeboezemd? Of was het misschien, dat de bede des rechtvaardigen, -die veel vermag, het licht des Allerhoogsten op het hoofd des kinds deed nederdalen? -Ik weet het niet. Genoeg, dat de deugd des vaders met zijn bloed op den zoon overging, -en daardoor een stam van edelen gevormd werd, waarop het niet te hoogmoedig is trotsch -te zijn. -<span class="pageNum" id="pb92">[<a href="#pb92">92</a>]</span></p> -<p>Of wat dunkt u? Zou de hooggeborene alleen recht hebben van op zijn afkomst te roemen? -en zou geen stamboom waarde hebben, die niet door den Raad van adel erkend is? Ik -kan het niet toegeven. Indien wij onsterfelijke menschen zijn—en dat zijn wij immers, -Hoogwelgeboren Heeren?—dan moet het ten minste niet minder groot zijn te kunnen zeggen: -ik ben de telg van een vroom geslacht! dan: Ik ben de loot van een adelijken stam! -Of hoe? indien het zoo veel zegt, uit een stamvader te zijn afgedaald, die door een -aangestelden koning edel verklaard is, zou het dan niets zeggen, tot den adel te behooren, -die door den Koning der koningen, den Koning van eeuwigheid tot eeuwigheid, erkend -wordt? Indien men het zoo hoog schat den krans op zijn wapen te zien drukken, die -een Vorst in het uur der zegepraal daarop geplaatst heeft, zou het dan niets beteekenen, -of de kroon eens hoogeren triomfs door zijn geslacht is weggedragen? Is het dan alles, -zijn familienaam geboekt te zien op registers, die vergaan kunnen, en niets, te weten, -dat de naam, dien men draagt, geen vreemde klank is voor het oor des Engels, die „<span lang="nl">het boeck des levens des lams</span>” houdt! En wanneer men er zich bij de menschen op laat voorstaan: hebt eerbied voor -mij om mijner vaderen wille! zou men het onverschillig achten, dat men zich bij den -Allerhoogste op zijn vrome vaderen beroepen kan, en met <span class="sc">Salomo</span> alle dingen bidden „om uwes knechts, mijnes Vaders wille?” Voorwaar om dit te beweren, -moet men een uil of een ezel in zijn wapen voeren. Of zegt, is er dan niets dan het -verledene? is er dan ook geen toekomst? en wat zeggen dan uw vijf-, zes-, zevenhonderd -jaren achterwaarts, tegen de even zoo vele millioenen jaren voorwaarts, als er levens -en bloeiens aan het geslacht des vromen, boven het geslacht des edelen als zoodanig, -zijn toegezegd? O, het is iets schoons: de vrome Edelman! de palm des Hemels boven -den lauwer der aarde! de man, die met den voet aan de menschen en met het hoofd aan -den Heer raakt! de Edele, die als gelijke de eene hand aan koningen, en de andere -aan Engelen reikt! de gelukkige, wiens naam de verloopen eeuwen aan de nimmer eindigende -eeuwigheid overleveren! Maar wie tot een stam behoort, bij welken de deugd alleen -in de wapenleus woont; die in het ridderlijk kleed een slavenhart omdraagt; die van -zijn wapenbord een dekschild van zijn schande maakt; die het kruis des Ridders van -de schouderen scheurt om het met de Riddersporen aan flarden te rijten—hem zij gezegd, -dat hij behoort tot een stam die zal uitsterven. Wèl mag hij de oudheid van zijn geslacht -verheffen, als hij bedenkt, dat het zijn leeftijd in weinig eeuwen zal hebben afgeleefd. -O, wanneer alle graven zullen openspringen; marmeren graven en zandgraven; graven -met ridderwapens en graven zonder titel; graven met een kroon en graven met een kruis -gedekt; hoe vreemd zullen ze opzien, die daaruit verrijzen zullen, nadat de volgende -eeuwen des aardrijks er over zijn heen gevloden! Als zoo menige Edele vinden zal, -dat de <span class="sc">tijd</span> zijn wapenschild gebroken, en het <span class="sc">oordel</span> zijn naam van de lijst der Edelen <span class="pageNum" id="pb93">[<a href="#pb93">93</a>]</span>heeft uitgeschrapt; als zoo menige onedele zien zal, dat de <span class="sc">eeuwigheid</span> zijn naam bewaard, en de <span class="sc">vergelding</span> zijn naam geadeld heeft; als het vonnis des eeuwigen levens of des eeuwigen doods -zal worden uitgesproken! -</p> -<p>Zoo wil ik dan mijn stamboom met geen anderen ruilen. Hij is voor mij, even zoo goed -als voor den Edelman, een stem van vermaning om mijn vaderen in hun graf door de navolging -hunner deugden te vereeren. En o! hoe luid die stem tot mij spreekt. Wanneer ik dit -blad opsla, en mijn oog over al die namen dwaalt, bij de menschen vergeten, maar bekend -bij God, dan is het mij of ik mij door een wolk van getuigen omringd zie, die mij -opwekken en aanvuren om de loopbane te loopen, die mij is voorgesteld. Welk een achtbare -kring van toeschouwers! Nooit streed de kampvechter in het Olympisch worstelperk, -waar zich de bloem van Griekenland vereenigde, voor het oog van een edeler schare! -En dan dat gezicht van al die leuzen der zege boven hunne namen opgehangen: In den -Heer ontslapen—In vrede heengegaan—Tot zijn vaderen verzameld—hoe blinken ze mij in -de oogen! O, zoo men het wel eens betreurd heeft, dat de krans der overwinning, die -den Christenstrijder bij het bereiken van den eindpaal wordt toegewezen, hem eerst -op het hoofd geplaatst wordt, als hij de tente der ruste is binnengegaan, waarvoor -het ondoordringbaar gordijn des doods hangt, dan is het toch iets, zoo vele namen -te zien, waaraan de hand der achterblijvenden, met volle vertrouwen op de goedertierenheid -des „Rechtveerdigen Rechters”, den lauwer der overwinning gehecht heeft. En wanneer -dan deze namen, met zulk een hemelsche glorie omschenen, op ons hoofd zijn afgedaald, -zou men zich dan niet aangespoord gevoelen om rein te houden, wat men zuiver ontving, -en, zoo veel men kan, in zijn deugd, als in een helderen waterspiegel, de ster te -weêrkaatsen, waarvan de wedergade aan den hemel blinkt? -</p> -<p>Van wedergade gesproken, het is een weêrgaloos lastig ding, dat ik zoo verslingerd -schijn te wezen op vergelijkingen. Dat komt van die ongeregelde verbeelding! Eens -voor altijd vraag ik er hierbij verschooning voor. En als ik een verzoek doen mocht, -zou ik wel willen vragen, dat de Recensenten, bij hun aanmerkingen, vooral tegen dit -gebrek mogen te veld trekken; want het lijkt wel, dat mijn eigen overtuiging niet -bij machte is mij van dit zwak af te brengen. En het is mijn spreuk: die niet hooren -wil moet voelen. Dit <i lang="la">in parenthesi</i>, zoo als mijn Rector placht te zeggen. -</p> -<p>Zie hem daar liggen, mijn ouden, deftigen Staten-Bijbel! O, ik zie hem zoo gaarne -in dit kleed! Dat folio-formaat, die zware donkere omslag, die groote koperen sloten, -hebben voor mijn gevoel iets eigenaardigs. Ik vind het zoo goed, dat men het den Bijbel -terstond kan aanzien, dat het geen gewoon boek is. Gij gevoelt dus, dat<span id="xd31e2917"></span> ik met al die miniatuur-uitgaafjes niet veel op heb. Ik moet bekennen, aardig zijn -ze, hondjes van Bijbeltjes, gelijk ik wel eens heb hooren zeggen, <span class="pageNum" id="pb94">[<a href="#pb94">94</a>]</span>en gemakkelijk ook. Ik heb Engelsche <i lang="en">diamond editions</i> gezien, waarvan men er vijftig te gelijk in den rokzak kon steken. Maar toch willen -ze mij niet recht bevallen. Ik weet wel, Mejufvrouw! het doet er niets toe, of UEd. -met een 8° of 32° naar de kerk gaat, als uw mooie oogen de letters maar lezen kunnen. -En als UEd. iets van den zang verstaat, komt het er niet op aan, al zijn in uw klein -gezangboekje bij de meeste coupletten de muzieknoten weggelaten. Maar toch, er is -voor mijn gevoel in die dwergjes van Bijbels iets ergerlijks. Het is voor mij—vergeef -mij—of men den Bijbel wil wegsteken. Zie, ik vind er iets eerwaardigs in, als ik op -den dag des Heeren een Dame van den ouderwetschen stempel naar Gods huis zie opgaan -met een grooten Bijbel met sloten in de hand, die zij, even als een soldaat zijn geweer, -fier tegen den linker boezem draagt. Men ziet het haar ten minste aan, dat zij naar -Gods huis gaat, en eerbied genoeg heeft voor Zijn woord om het openlijk ten toon te -dragen. Maar UEd. drentelt daarheen, zonder dat men merken kan of UEd. gaat bidden -of rijden. En als UEd. uit de kerk een visite bij uw vriendin <span class="sc">Angelique</span> gaat maken, moet uw Bijbeltje al juist te gelijk met uw <i>flacon</i> uit uw zakdoek vallen, of niemand zou weten, dat UEd. den zondag gevierd had. Nog -eens; ik weet wel, dat men den schat des Evangelies zoo wel in een schildpadden, als -in een bordpapieren vat kan bewaren; ik weet wel, dat het <i>Onze Vader</i>, met calligraphische kunst op den omtrek van een stuivertje geschreven, even zoo -wel het <span class="corr" id="xd31e2932" title="Bron: allervolmaaakste">allervolmaaktste</span> gebed is als het onze Vader in de Groote kerk, met vingerlange Gothische letters, -op het houten schild tegenover uw bank geschilderd. Maar toch, zoo lang ik niet zie, -dat UEd. uw <i>mantille</i> over de <i>agrafe</i> haalt, die uw <i>collier</i> sluit, of uw versierde vingers in onopengewerkte handschoenen verbergt, zal ik er -tegen blijven morren, dat gij u met een Bijbeltje behelpt, dat uw naaste buurvrouw -nauwelijks zien kan. -</p> -<p>Ja, ware het, dat men er zulke kleine Bijbeltjes op nahield, om er een <i>vademecum</i> van te maken en ze overal bij de hand te hebben; ware het, dat men nu ook den inhoud -niet alleen gemakkelijker in de hand, maar ook beter in het hoofd hield dan onze vaderen; -dan mocht ik er vrede meê hebben. Maar wees oprecht en antwoord: is het wel zoo? is -het niet veeleer waar, dat het schijnt als of met den Bijbel ook de hersens gekrompen -zijn? Want zie, al was hun Bijbel nog zoo groot en omslachtig, onze voorouders schenen -er niet tegen op te zien hem in het hoofd te brengen; zoodat velen hunner in een hooger -zin dan de oude wijsgeer zeggen konden: <i lang="la">Omnia mea mecum porto</i>. Maar bij vele onzer tegenwoordige jonge menschen, al kunnen zij hun Bijbel omtrent -wegblazen, er schijnt maar geen aanleeren aan te zijn. Hoor den Dominé den tekst eens -aflezen, en let dan eens op, hoeveel dametjes in dat kleine, kleine boekje niet eens -den weg weten, maar in die korte paadjes nog verdwalen. O, ik heb wel eens gevreesd -dat die <i>Bibliola</i> het symbolum van een leelijk ding waren: van een soort van miniatuur-godsdienst, -naar de mode dezer dagen verknipt en versneden, die men overal met zich <span class="pageNum" id="pb95">[<a href="#pb95">95</a>]</span>kan nemen, zonder dat zij ooit hindert; ja, waarvan men niets merken zou, als zij -niet tusschen beide, bij het een of ander ongelukje, uit haar schuilhoek te voorschijn -kwam. Maar foei, ik wil mij liever gewennen, tegen zulke zwaarmoedige gedachten op -mijn hoede te wezen; ik geloof dat zij Hem, wiens zaak ik er door meen voor te staan, -meer oneer, dan eere aandoen. Indedaad! als ik maar alleen aan de dagen terug denk, -toen slechts weinige vergankelijke bladen de woorden des eeuwigens levens bewaarden.—broze -planken met den schat der wereld bezwaard!—dan vind ik mijzelven kleinhartig en ondankbaar, -dat ik, om de uitwendige inkorting van het wetboek, terstond aan een inperking van -het rijk denk, door van kleine bijbels tot kleine Christenen, en van kleine Christenen -tot een klein Christendom te besluiten! -</p> -<p>Zie mij daar mooi van den tekst afgedwaald. Nu, ik sta ook op geen katheder, en heb -mijn verdeeling niet van te voren opgegeven. Als het waar is, wat <span class="sc">Bilderdijk</span> zegt, dat in elken schrijfstijl de overgangen het moeielijkst zijn, ik zal zoo vrij -zijn over die moeilijkheden heen te springen, door geen overgang in het geheel te -maken. -</p> -<p>Om dan weêr tot mijn register terug te keeren; hoeveel en velerlei gewaarwordingen -rijzen er bij mij op, als ik het aanzie. Ziedaar de geschiedenis van geheele geslachten -in een klein bestek saamgevat. Wat er buiten dat met hen gebeurde, is nauwlijks der -vermelding waardig. Hier vind ik de aanteekening van hun intrede in de wereld, van -de vader- en moedervreugde door hen gesmaakt, van de vader- en moedersmart door hen -geleden, en van de wijze huns ontslapens. Alles saamgenomen, niet veel meer dan het -bericht des ouden Geschiedschrijvers: <span lang="nl"><span class="sc">Henoch</span> dan wandelde met Godt, en Godt nam hem wech.</span> Maar waarom meer? Voor hen, op wie naderhand deze Bijbel zou overgaan, was dit weinige -genoeg. Want dit alleen was van voortdurend belang; het overige rust met hun stof -onder hunne zerken. -</p> -<p>Op welk een waardige wijze heeft mijn Oudvader dit register ingewijd en geopend! <span class="sc">Solo deo gloria</span> staat met groote letters bovenaan. Daaronder vindt gij de woorden van <span class="sc">Josua</span>: <span lang="nl">Aengaende my en de myn huys, wy sullen den Heere dienen.</span> Vervolgens zijn naam. -</p> -<p><span lang="nl">Aengaende my ende myn huys, wy sullen den Heere dienen.</span> Welk een plechtige verbintenis voor hem en de zijnen! Zeker stelde hij zich daarbij -zijn nakomelingschap voor den geest, in wiens handen deze Bijbel komen zou. Zij zouden -het daar lezen, wat hun Stamvader voor hen aan den Heer had toegezegd. Aan hen was -het nakomen dier verbintenis opgedragen. Zij moesten nu weten, of zij dezen altaar -der getuigenis wilden omwerpen, of daarop den eed huns vaders herhalen! Zij moesten -het weten, of zij de assche des mans door hun afval in zijn graf ontrusten, of door -hun getrouwheid daarop een eerzuil stichten wilden. Hij had het zijne gedaan. Hij -liet het overige aan hun verantwoording over. O, wie weet, hoe menigeen, die de handen -reeds tot het kwade had uitgestrekt, ze gebonden heeft gevoeld door die gelofte: <span lang="nl">Aengaende my ende myn huys, wy zullen den Heere dienen</span>? -<span class="pageNum" id="pb96">[<a href="#pb96">96</a>]</span></p> -<p>Hoe het zij, niet alleen het onderschrift bij den naam des mans geplaatst: in den -Heere ontslapen; maar zoo vele andere soortgelijke onderschriften, bij de namen zijner -afstammelingen gevoegd, bewijzen dat dit woord niet ter aarde gevallen is. En de vrome -man kan met vroolijk vertrouwen met zijn talrijke nakomelingschap, zich voor het aangezicht -des <span class="corr" id="xd31e2986" title="Bron: Allerhoogten">Allerhoogsten</span> scharen en op hen wijzen: Aangaande mij en mijn huis, wij hebben gezocht u te dienen! -</p> -<p>Maar al klinken die getuigenissen nog zoo vriendelijk en uitlokkend: In vrede heen -gegaan—Zalig verscheiden—In hope ontslapen; het is toch ook aandoenlijk te bedenken, -hoe veel smart er in deze woorden ligt opgesloten. O, hoe menige traan zal daarop -gevallen zijn! Mijn oude Bijbel! Indien alle Bijbels veel smarte zien, en de vertrouwden -van veel lijden zijn, gij vooral zijt de getuige van veel rouw geweest. Hoe menig -verscheurd vaderhart zal, over u heengebogen, zijn jammer hebben uitgekreten, terwijl -de hand het woord des doods onder den naam van een geliefd kind schreef! hoe menige -bedroefde wees zal de pen aan de vingers hebben voelen ontvallen, die op dit blad -het bitterste oogenblik zijns levens aanteekenden! hoe menig treurende echtgenoot -zal als met zijn hartebloed die wreede letteren geschreven hebben, waarmede hij hier -de grootste ramp zijns levens boekte! O, gij zijt als een geliefd grafteeken, lauw -van zuchten, en nat van tranen! -</p> -<p>Treffend is het te zien, hoe verschillend zich de smart hier heeft uitgedrukt; want -de meesten hebben bij hunne eenvoudige berichten uit hun leven een enkel woord uit -hun hart gevoegd. Bij het eene lees ik kalme berusting: <span lang="nl">De Heere heeft gegeven, ende de Heere heeft genomen, de naem des Heeren zij gelooft.</span> Bij den anderen meer dan berusting, dankbare goedkeuring van Gods beschikking: <span lang="nl">Nu laat gij, Heere, uwen dienstknecht gaen in vrede, na uw woort. Bij sommigen weder -diepe droefheid: Ick zal rouwbedryvende tot mynen sone in ’t graf nederdalen. Bij -anderen eindelijk hartstochtelijke smart: Och dat ick, ick, voor u ghestorven ware, -<span class="sc">Absalon</span>, myn sone, myn sone!</span> -</p> -<p>Maar o, hoe hartverheffend daarbij te bedenken: voor die allen heeft deze Bijbel troost -gehad. Dat vertrouwen van hun smart aan zijn bladen, het was als het vluchten van -een kind tot zijn moeder, om in haar boezem zijn leed uit te storten. Neen, die Bijbel -nam die wreede letters niet aan, even als de grafsteen, waarop het harde en kille -woord dood nog harder en kouder schijnt; maar hij nam ze in zijn weeke borst op, om -ze met zachte en warme woorden van troost te beantwoorden. Niemand ging ledig van -hier; voor iedereen had hij een bemoediging naar zijn behoefte; voor den eenen viel -dit, voor den anderen dat zijner bladen open, maar voor ieder juist hetgeen hem meest -noodig was<span class="corr" id="xd31e3003" title="Bron: ,">.</span> Het was of een Engel naast hen stond en de bladen opsloeg! O! als ik dat bedenk, -valt mijn oog met onuitsprekelijke liefde op u, Hemelsch woord der vertroosting! Nu, -dan wil ik u ook als zoodanig in eere houden. En, ontvang mijn gelofte! als er kwade -dagen komen, gij zult de eerste zijn, tot wien ik mijne toevlucht neem. <span class="pageNum" id="pb97">[<a href="#pb97">97</a>]</span>Ik zal tot u komen en u toeroepen: Gij hebt den vader vertroost: vertroost ook den -zoon! -</p> -<p>Maar als met zoo veel roode letters onder de zwarte, hoe vele vroolijke berichten -staan hier niet opgeteekend! Ik kan ze nauwelijks tellen! hoeveel zalige huwelijksvereenigingen! -hoe veel van God afgebeden kinderen! hoe veel vroolijke en heugelijke feestdagen! -</p> -<p>Zalige huwelijksvereenigingen! O, mij dunkt, ik zie den bruidegom, zooals hij uit -het heiligdom des Heeren weêrgekeerd, zijn blozende bruid terstond naar dezen Bijbel -voert, om haar in het familieregister op te teekenen. Ik zie ze daar beide staan met -die wolk van ernst, half als een weggeslagen sluier over het blosje der vreugde gespreid; -met dat drijvende oog, beurtelings opgeheven en op elkander geslagen; met die mengeling -van vroolijkheid en weemoed in hun geheele houding. Met vingers tintelende van ongeduld -schrijft de gelukkige man hun beider namen naast elkander, onder de namen zijner ouderen. -Zie, men kan het de letters nog aanzien, hoe zijn hand daarbij gebeefd heeft! straks -werpt hij de pen van zich, en slaat zijn armen om de geliefde vrouw, die hij alsnu -plechtig onder de bescherming van zijn huisgoden heeft geplaatst. En nu, nu zie ik -ze beide de kniën bij den Bijbel nederbuigen, en zich daar voornemen: -</p> -<div class="lgouter"> -<p class="line">Niet waar? Wy zullen op ons pad </p> -<p class="line">Gedurig samen nederknielen, </p> -<p class="line">En brengen ’t offer onzer zielen, </p> -<p class="line">Wien onze kindschheid vroeg aanbad; </p> -<p class="line">Wij zullen samen, alle dagen, </p> -<p class="line">Dat boek ontsluiten van den Heer, </p> -<p class="line">Ons laven aan zijn liefdeleer, </p> -<p class="line">En om zijn Hemelsch manna vragen. </p> -<p class="line">Wy zullen, Dierbaarste! iedre smart, </p> -<p class="line">Die bittre tranen vergt of zuchten, </p> -<p class="line">Bij ’s Heeren troostrijk woord ontvluchten; </p> -<p class="line">En, met den Bijbel aan ons hart, </p> -<p class="line">Ten laatste ook den Dood niet duchten, </p> -<p class="line">Wiens prikkel weggenomen werd. </p> -</div> -<p class="first">Dat was toch treffender en stichtelijker, dunkt mij, dan de gewoonte van heden om -zoo spoedig mogelijk met den ontvangen huwelijkszegen op den loop te gaan. Foei, ik -kan mij met die leelijke mode nog maar niet verzoenen. Nauwelijks zijn de handen van -het bruidspaar ineen gelegd, of de reiskoets eischt ze op. Ter nauwernood wordt aan -de bruid de tijd gelaten om, aan de voeten van haar ouders gezonken, hun zegen over -haar hoofd af te smeeken. O, hoe wordt de arme het vertrek uit het ouderlijk huis -verzwaard. Zij mag van zooveel dierbare herinneringen niet eens plechtig afscheid -nemen. Zij heeft nog zooveel geliefde plekjes te begroeten, nog zooveel geliefde voorwerpen -vaarwel te zeggen.… Mevrouw, het rijtuig wacht!—Zij heeft behoefte, nog eens bij haar -maagdelijk leger, waarvoor ze zoo <span class="pageNum" id="pb98">[<a href="#pb98">98</a>]</span>dikwijls nederknielde, de kniën te buigen om haar lot aan den Leidsman harer kindsheid -aan te bevelen.… Zijt gij gereed?—Zij moet een lieven broeder, een trouwe zuster verlaten, -en heeft hun nog zooveel te zeggen.… Komt gij haast?—Daar in de verte staan hare speelnooten, -de vriendinnen harer jeugd, die zij nog geen enkel woord heeft kunnen toespreken.… -Kom dan toch!—Alles achter haar, alles rondom haar roept haar toe: Blijf! Maar de -stem haars bruidegoms, nu haar meester, gebiedt haar: Ga! en zij brengt de liefde -des kinds aan de liefde der bruid ten offer! een voorteeken van de bestemming die -haar wacht. O, ik weet het, zij doet het, zij doet het gaarne; zij heeft den man, -die haar opeischt, lief, liever dan de betrekkingen, die haar willen terughouden. -Het is voor haar niet alleen <span class="corr" id="xd31e3031" title="Bron: eeu">een</span> plicht, het is voor haar een geluk, wat haar is opgelegd: vader en moeder te verlaten -om alleen haren man aan te hangen; zij is er ook verre af zijn recht te betwisten. -Maar ik vraag alleen voor haar: is het vriendelijk, dat recht terstond zoo hard <span class="corr" id="xd31e3034" title="Bron: tedoen">te doen</span> gelden? -</p> -<p>En al ware het, Mijnheer! dat uw bruid uw verkiezing deelde, ik blijf zeggen, dat -het een ongelukkige gewoonte is! -</p> -<p>Een kat, die een stuk vleesch van tafel gestolen heeft, en met haar buit in den bek -over de daken vliegt, tot zij een veilig hoekje vindt, waar zij in vrede haar roof -genieten kan: ziedaar, met uw verlof, het bevallige beeld van den hedendaagschen bruidegom. -Vroeger schaakten de minnaars hun liefje vóór het huwelijk; het heeft er veel van, -of zij ze nu na het huwelijk schaken. Niemand die de jonggetrouwden, hals over kop, -als twee gekoppelde doggen, zonder stilstaan of omzien, den huwelijksweg ziet ophollen, -zou, naar ’t uiterlijk te oordeelen, kunnen gelooven, dat hun verbindtenis waarlijk -„met goedkeuring van wederzijdsche ouders” gesloten is. Is het wonder dat de liefde -van menig echtpaar het zoo kort uithoudt, daar zij begint met zich buiten adem te -loopen? In waarheid, men doet veeleer, of het huwelijksgeluk een schat is, door den -Draak van den <i lang="de">Drachenfelz</i> of den Berggeest van het <i>Zevengebergte</i> bewaakt, uit wiens klauwen men het moet gaan halen, dan of het een gouden kleinood -ware, dat, even als in de kindersprookjes, in den grond onder den huiselijken haard -verborgen ligt, en door den ooievaar, die op het dak nestelt, bewaard wordt. O, ik -weet wel, dat de eerste oogenblikken, waarin twee gelieven elkander voor het eerst -geheel de hunne noemen, altijd overgelukkig zijn. Maar gij zult mij toch vergunnen -het er voor te houden, dat er voor dat geluk een beter tooneel is, dan een reiskales -op den straatweg. „Zoo zijt gij dan geheel de mijne! Ik ken geen grenzen voor mijn -geluk!”—„Een tolhek, Mijnheer!”—„Ik gevoel mijzelven niet! Ik weet niet waar ik ben!”—„Halfweg! -hier krijgen de paarden water.”—„Een hemel van … hots hots—(hier is het gelukkige -paar op een opgebroken straatweg,) van zaligheid … hots-hots … druk ik in u … hots-hots -… aan mijn … hots-hots … hart!” Was het dan niet beter, stilletjes te huis te <span class="pageNum" id="pb99">[<a href="#pb99">99</a>]</span>blijven, en daar, in de vredige schaduw der ouderlijke liefde en onder het stralend -licht der ouderlijke vreugde, de eerstelingen van een geluk te genieten, dat, zoo -het een waarachtig geluk zijn zal, een stil geluk zal moeten wezen? -</p> -<p>En al ware de huwelijksreize van de zijde van het jonge paar goed te maken, van den -kant der nablijvende betrekkingen zal er zich altijd een stem tegen blijven verheffen. -Waarlijk, de jonggehuwden vergrijpen zich hoogelijk aan den zoeten plicht van anderen -in zijn vreugde te laten deelen. Begrijpen zij dan niet, hoe zalig het voor hun vader -zou geweest zijn, hun verliefde dronkenschap te bespieden? welk een verrukking hun -moeder in den aanblik hunner wederzijdsche teederheid zou geschept hebben? Weten ze -dan niet, welk een aangenaam, vroolijk hartverheffend schouwspel voor ieder goed hart -het gezicht van een gelukkig bruidspaar is? Waarlijk, wat zij ons nu ontnemen, kunnen -zij ons nimmer teruggeven. Het huwelijksheil moge verder ongestoord blijven ja zelfs -toenemen, het vertoont zich nooit meer zoo zichtbaar en liefelijk naar buiten! het -is het openspringen van den knop des genots, waarvan zij ons het gezicht ontrooven. -Zie, hoe treurig wij achterblijven. De laatste kus is gegeven, de laatste handdruk -gewisseld, het laatste vaarwel toegeroepen, de wuivende zakdoek verdwenen, het geluid -van het hen wegvoerende rijtuig gestorven.… wij keeren naar binnen terug. Hoe treurig -is het daar! Zijn dat zoete vreugdetranen, feestvierende moeder, die u langs de wangen -biggelen? Neen! die tranen zijn bitter: er is smart in, de diepste smart, die des -afscheids.—Is dat een blijde glimlach, jubelende vader, die u om de lippen speelt? -Neen! het is een pijnlijke lach: er is droefheid in, de droefheid des vaarwels.—En -wij allen—wat staan wij vreemd en stijf tegenover elkander! Overal missen wij de bruid. -Sedert zij vertrokken is, is alles van aanzien veranderd. Het groen langs de wanden -schreeuwt nu tegen ons aan; de bloemen, langs den grond voor het bruidspaar uitgestrooid, -springen ons voor het hoofd. Eindelijk komt men tot zitten. Het is nu toch een feest; -men moet het vieren. Nu ja, men viert het ook. Men schikt zich rondom de tafel: men -eet, men drinkt, men praat, men lacht. Maar er blijft toch iets schrikkelijk ledigs -over. Bij iederen feestdronk volgen honderd zuchten de geliefde vluchtelingen. Men -staat eigenlijk in den geest veel meer achter op den reiswagen, dan men achter de -tafel zit. Ieder oogenblik breekt er een het gesprek af: Nu zijn ze reeds hier!—Nu -zijn ze daar!—Nu zullen zij er haast wezen!—Nu zijn zij er!—Foei, het is een treurig -vieren van het blijdste feest ter wereld!—Jonge menschen! ik wensch u in uw huwelijk -zooveel vreugde als ooit door een echtpaar gesmaakt is. Maar ik zeg, dat het kwalijk -van u gedaan is, uw vreugde te beginnen met de onze te bederven! -</p> -<p>Doch ik wil mij niet boos maken. Daarom wend ik het oog liever naar de Geboorteberichten, -waarvan ik zoo menige blijde aankondiging voor mij heb. -<span class="pageNum" id="pb100">[<a href="#pb100">100</a>]</span></p> -<p>Vader- en moedervreugde! hoe dikwijls spraakt gij uw blijdschap in de woorden uit, -die ze hier vereeuwigen? Wie zou al het geluk kunnen beseffen, dat daarin is uitgedrukt? -Zoo iemand, zeker alleen een vader of moeder zelve, <span class="sc">Jonathan</span> niet. Maar toch heb ik gevoel voor het gevoel, dat ik niet ken, en, indien gij het -mij wilt toestaan, vaders en moeders! ik deel sympathetisch in uw geluk. Neen, ik -weet niet wat het is: zijn aanzijn verdubbeld te zien, in zijn evenbeeld te herleven, -zijn hart als in een anderen boezem te voelen kloppen, en zijn bloed in eens anders -polsen jagen; ja, een schaduw te ontwaren van het genot des Volzaligen, die genoemd -wordt: <span class="sc">Alvader!</span> Maar ik kan toch bevroeden, wat het is, een lief, onnoozel schepsel te hebben, waaraan -men met het geheele hart hangt; dat u met de zoetste namen noemt; dat aan uw boezem -spelende, daarvan alle zorgen verjaagt, zooals het u dwingt alles van uw schoot te -zetten; dat uw eenzaamheid vervult en uw huis vervroolijkt; dat aan uw verouderend -hart een jonge liefde, en aan uw stervende eerzucht een nieuw doel geeft; dat u schemerend -doet gevoelen, waarom het de naam van hetzelfde wezen is: <span class="sc">Volzalige, zaligmaker!</span> Zoo zijn het dan voor mij geen doode letters, waarin ik de uitstorting des vaderlijken -gevoels in de ure des vaderzegens leze. En wie zou ook koel kunnen blijven bij de -gedachte aan zoo vele gelukkigen, als dit blad met blijde vadertranen doorweekt hebben? -Of spreekt niet de stemme huns gejuichs nog in de vroolijke uitboezemingen der dankbaarheid -aan God, op dit papier uitgestort? Hier is het een vader, die zijn zoon <span class="sc">Godgeschenk</span> noemt, want, voegt hij er bij, ik heb hem van den Heer gekregen.—Daar is het een -ander die terstond van zijn dierbaar recht gebruik maakt, om voor zijn kind te bidden: -Och dat <span class="sc">Ismael</span> mochte leven voor uw aangesichte!—Ginds is het weder een ander, die, in de vreugde -zijns harten, van zijn vreugde een altaar der getuigenis maakt om in de volgende donkere -dagen ter bemoediging aan te zien.—Ja, ik vond er trekken in, die een verhevenheid -ademen, welke het hart roert en opheft. Neem eens den zonderlingen, maar stouten inval -van den vader, die met een hard trillende van aandoening schrijft: -</p> -<p>Dankbaar erken ik heden van God ter leen ontvangen te hebben mijn lieven zoon <span class="sc">Johannes</span>, mij bereid erkennende hem op elken oogenblik weder af te staan. -</p> -<p>Met het terstond daarop volgende: -</p> -<p lang="nl">Hier ben ick! -</p> -<p>van <span class="sc">Abraham</span>.—Neem eens de berusting eens beroofden echtgenoots, die zijn kind duur heeft moeten -koopen,—al te duur, zegt <span class="sc">Borger</span>,—en den Zoon der smarte, <span class="sc">Ben-Oni</span>, met den Aartsvader <span class="sc">Ben-Jamin</span> noemt: Zoon der rechterhand, want hij zal mij sterken.—Neem eens dien trek, die den -wijsgeer schetst, en toch ook den bekommerden vader niet verloochent, dien ge bij -mijn naam vindt: <span lang="nl">Beter is de dagh des doods, dan de dagh dat yemand geboren wordt.</span>—O, het zijn slechts korte woorden, die ge hier aantreft, maar woorden vol zin en -<span class="pageNum" id="pb101">[<a href="#pb101">101</a>]</span>beteekenis, die een geheel karakter, een geheel leven schetsen. En indien het waar -is wat men zegt, dat er sommige oogenblikken in het menschelijk leven zijn, waaruit -men den mensch geheel kan leeren kennen, dan zijn die korte opschriften uit de gewichtigste -uren des levens even als zoovele familieportretten van de verschillende leden des -geslachts, schoon in die verscheidenheid allen denzelfden familietrek bewarende, en -dezelfde leus voerende: <span class="sc">Soli deo gloria</span>. -</p> -<p>En weet ge wat mede het voorrecht van zulk een Stamboom is? De naamgeving krijgt er -eenige beduidenis door. Ik moet er toch voor uitkomen, dat het mij aan het hart gaat, -dat zulk een treffend gebruik tot zulk een nietige ceremonie geworden is. Indedaad, -dat deden de Hebreeuwen beter. Zij gaven hunnen kinderen een naam naar de hope, die -zij van hen koesterden, naar de deugd, tot wier beoefening zij ze bovenal verplichten -wilden. Zoo was het met <span class="sc">Petrus</span>: <span lang="nl">Ghy zyt <span class="sc">Simon</span>, ghy sult genaemt worden <span class="sc">Cephas</span>!</span>—Vergat gij het, <span class="sc">Simon</span>, in den nacht, toen de Rots der gemeente voor het vuur der verzoeking versmolt? Dan -dacht gij er toch aan, toen gij, van uwen val opgestaan, het houten kruis uw arduinen -moed ten grondslag gaaft!—Gewis bij hen was de naam hun gegeven -</p> -<div class="lgouter"> -<p class="line xd31e490">Een stem der leeringe, en een woord </p> -<p class="line xd31e490">Van wijsheid, op hun pad gehoord, </p> -<p class="line">En nooit verachtloosd of vergeten; </p> -<p class="line">Een andere inspraak van ’t geweten, </p> -<p class="line xd31e490">Een licht dat voor hun voeten gloort. </p> -</div> -<p class="first">Bij ons! ik mag er niet aan denken. Wie denkt er aan, vader of peter, wanneer hij -zijn naam op den jonggeborene overdraagt, wat die naam beteekent? En toch hebben de -meeste van onze namen zulke schoone beteekenissen! te schooner, wanneer zij tevens -door geliefde Heiligen gevoerd zijn! Verbeeld u eens, dat men alle <span class="sc">Johannessen</span> den plicht inscherpte om het zacht en beminnelijk beeld des Apostels te dragen, wiens -naam ze voeren. Verbeeldt u, dat men alle <span class="sc">Maria’s</span> dien stillen, vromen geest zocht in te boezemen, dien men onwillekeurig aan dien -naam verbindt. Mijn lieve moeder althans heeft mij wel degelijk bij mijn <span class="sc">Jonathans</span>-naam een <span class="sc">Jonathans</span>-hart zoeken te geven; en indien het haar niet beter gelukt is, wijt de schuld alleen -aan mijn wederstrevigheid. Maar het is zoo, dan moesten ook die nare en leelijke verminkingen -en verkortingen uit den weg. Foei, hoe ik er mij aan ergeren kan! Gij lacht, als uw -knecht den een of anderen vreemden naam mishandelt, en gij zelf, gij misvormt<span id="xd31e3140"></span> den schoonen <span class="corr" id="xd31e3143" title="Bron: zinrijden">zinrijken</span> naam van uw eigen kind tot een leêgen, dooden klank. Waar zijt gij, onze <span class="sc">Abrahams</span> en <span class="sc">Rebecca’s</span>, onze <span class="sc">Johannessen</span> en <span class="sc">Magdalena’s</span>, onze <span class="sc">Petrussen</span> en <span class="sc">Maria’s</span>? Ik herken u niet in onze <span class="sc">Brammetjes</span> en <span class="sc">Pietjes</span>, <span class="sc">Jantjes</span> en <span class="sc">Mietjes</span>. -</p> -<div lang="fr" class="lgouter"> -<p class="line"><i>Pour que ton nom sonnât plus doux dans la maison,</i> </p> -<p class="line"><i>D’un nom mélodieux nous l’avions baptisée.</i> </p> -</div> -<p><span class="pageNum" id="pb102">[<a href="#pb102">102</a>]</span></p> -<p>In ernst, ik zou er boos om kunnen worden; en met Tollens willen uitvaren: -</p> -<div class="lgouter"> -<p class="line">Neen, dien achtbren naam mij nooit </p> -<p class="line">Tot een beuzelklank verplooid! </p> -</div> -<p class="first">Immers ontneemt gij aan uw namen alle kracht. O, Met welk een nadruk kon mijn moeder -mij toeroepen: <span class="sc">Jonathan! Jonathan!</span>—er lag een diepe zin van waarschuwing in dien uitroep. Maar als ik mij nu verbeeld, -dat zij mij vermaand hadde: <span class="sc">Joontje! Joontje!</span> of <span class="sc">Tannetje! Tannetje!</span> zeker ik geloof niet, dat die stem mij tot nu toe zou zijn bijgebleven. Maar niet -aldus in mijn geslacht. Menige uitdrukking op mijn register toont, dat men er nog -iets bij dacht, als men een kind bij den Christelijken doop zijn Christelijken naam -gaf. -</p> -<p>Mijn eerwaardige Stamboom? Zeker hadt gij verdiend langer in het geslacht te blijven, -welks naam gij voert, dan nu, helaas! het geval zal zijn. Gij hadt nog met menigen -telg uit onzen stam kunnen vermeerderd worden. Maar het zal zoo niet wezen. De man, -die voor u staat is de laatste van zijn naam. In en met hem zult ook gij uitsterven. -Zeg mij, zijn er bitterder tranen, dan dit gevoel mij op uwe bladen doet vergieten? -ik geloof het niet. Anders zijn er al zeer bittere tranen. Bereid u dus tot een spoedige -rust. Nog één naam—gij zult nooit een koeler hand op uw bladen gevoeld hebben—en alles -is voorbij!—Mijn erfgenaam heeft niets dan den dag van mijn overlijden in te vullen. -Mijn grafschrift heb ik zelve reeds bij mijn naam gevoegd: -</p> -<p lang="nl">Beter de dagh des doodts, dan de dagh dat yemand geboren wordt! -<span class="pageNum" id="pb103">[<a href="#pb103">103</a>]</span> </p> -</div> -</div> -<div id="ch11" class="div1 story"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e7202">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="main">HET PORTRET.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Ja, ik ben ook geportretteerd. -</p> -<p>Wees evenwel niet te haastig, met dadelijk aan een prachtig schilderstuk van <span class="sc">Hodges</span> of <span class="sc">Kruseman</span> te denken. Van waar zou mij zulk een aanmatiging komen? Immers, wat heeft de schoone -kunst met mijn onbeduidende figuur uitstaande? Ik sta er voor in, dat het op de wereld -nooit aan stalen van mijn soort ontbreken zal. Ik gevoel mij dus volstrekt niet aan -de nakomelingschap verplicht, haar een afbeelding van mijn wezen na te laten. Hierbij -komt, dat ik te veel eerbied voor de kunst heb, om mij haar ten voorwerp op te dringen. -Als ik mijn hoofd ginds even buiten ’t raam steek en den hemel en de aarde aanzie, -zie ik wel duizend voorwerpen, die schilderachtiger zijn dan ik. Waarom zou ik, horzel -in Gods bloemengaarde, dan niet even als zij willen voorbij gaan, zonder in beeltenis -te blijven bestaan? Integendeel gaat mijn nederige schroom hierin zoo ver, dat ik, -als ik ’s zomers buiten wandel, er bijna een gewetenszaak van maak, te dicht bij het -spiegelend water te komen, omdat het mij aan het hart gaat, als ik het op eens, in -plaats van Gods blauwen hemel en zijn lieve boomen, mijn lange magere gestalte zie -terugkaatsen. En al was ik mooier, of had ik ten minste zulk een voorkomen als de -liefhebbers van de schilderkunst, <i lang="la">per euphemismum</i>, een veelbeduidenden kop noemen, eilieve! voor wien op de wereld zou ik mij laten -uitschilderen? Voor de kunstkenners misschien, om na vijfentwintig jaren op den catalogus -van hun kabinet voor te komen onder de vereerende rubriek: -</p> -<p>N<sup>o</sup><span class="corr" id="xd31e3223" title="Niet in bron">.</span> 98. Een mansportret door **** en dan de naam van den bekenden schilder des onbekenden. -</p> -<p>Of wel om, indien ik mij door een kladder liet afbeelden, nog eens <i lang="fr">in effigie</i> op een boelhuis te worden geveild: -</p> -<p>N<sup>o</sup>. 25. Een manspersoon.—Één gulden en vijftig cents.—Niemand?—Nu, voeg er dan deze -Jufvrouw nog maar bij.—Nu, twee gulden. Wie twee gulden? Totdat zich iemand mijner -ontfermt, en mij nog na mijn dood met wie weet welke eerzame maagd paart, om gezamenlijk -als scherm voor een tochtgat te dienen, of tot bedekking van een vuile plek op ’t -behangsel gebruikt te worden. -<span class="pageNum" id="pb104">[<a href="#pb104">104</a>]</span></p> -<p>Neen, iemand als ik, wiens stil sterfbed van niemands snikken weêrgalmen zal, en wiens -eenzame doodspeluw niet bevochtigd zal worden dan door mijn eigen doodzweet, moet -het er voor houden, dat de menschen genoeg gedaan hebben, wanneer ze tot aan zijn -dood toe zijn gezicht verdragen hebben, zonder er hen nog na zijn overlijden meê te -vervolgen. Laat hem, die weet, dat er, bij het verdwijnen van ’t origineel, naar de -kopij nog menig betraand kindergezichtje zal opzien, laat hem zijn beeldtenis in ieder -vertrek aan den wand hangen. Mij dunkt, zulk een aanzien moet de koude asch nog in -het graf verwarmen. Maar wie vooruit berekenen kan, dat zijn portret voor de nablijvenden -niets zijn zal dan doek en verf, en zich met de eer, die men deze respective artikelen -bewijst, zal moeten vergenoegen, neme liever zijn beeld meê in ’t graf, dan aldus -zichzelven te overleven. -</p> -<p>Ik heb mij dus niet laten portretteeren. Maar gelijk ik u begon te zeggen, men heeft -het voor mij gedaan. -</p> -<p>Ik was negen jaren oud, toen er een Italiaansch miniatuurschilder bij ons kwam, die -aanbood mijn ouders voor een prijsje uit te schilderen. Geen van beide gevoelde hiertoe -lust, maar in plaats daarvan, wist mijn moeder aan vader de vergunning af te vleien, -dat de man mijn konterfeitsel maken mocht. Volgens haar getuigenis, trof de kunstenaar -mijn gelijkenis uitstekend wèl. Sedert hing het altijd op de kamer der lieve vrouw, -tusschen de silhouetten harer ouders. Na haar dood kwam het in mijn bezit, en nu heeft -het zijn vaste plaats aan den muur tegenover mij, dicht bij mijn huisklok, zoodat -ik niet op kan zien, zonder dat mijn oog er op valt. -</p> -<p>Zoo ook nu. Al zoudt gij er mij om uitlachen, ik moet er recht aan doen: het is een -lief portretje. Zoowel als ik er straks voor uitkwam, dat ik nu verre ben van een -behagelijk uiterlijk te hebben, moet gij mij vergunnen te zeggen, dat ik geen onbevallig -kind moet geweest zijn. Er rust zulk een helder waas van gezondheid op het gezichtje; -er ligt zulk een glans van onschuld over het open voorhoofd; er schittert zulk een -„blijde vonk van kindervreugd en geest<span class="corr" id="xd31e3241" title="Bron: „">” </span>in de lachende oogen; er schuilt zulk een lieve trek van schalkheid in de kuiltjes -op de beide wangen; en bovenal heeft het geheel zulk een voorkomen van kinderlijke -onnoozelheid, dat ik niet nalaten kan er meê ingenomen te zijn. Ik zie het nooit, -of ik denk aan mijn vriend <span class="sc">Elia</span>: „Ik stem alles, wat gij ten laste van den man <span class="sc">Elia</span> opsomt, toe; maar het kind <span class="sc">Elia</span>, dat ander <span class="asc">IK</span> daar op den achtergrond, dien knaap moet gij mij vergunnen te mogen liefhebben.” -</p> -<p>Uren lang kan ik dit beeld aanzien, en mij daarbij in een gelukkig verleden verplaatsen. -</p> -<p>Mijn geheugen is op dit punt zeer wakker. Het is waar, dat ik van de herinneringen -uit mijn kindsheid geen aaneengeschakeld geheel maken kan. Nu en dan zijn er groote -gapingen in, even als op een schilderij, waarop sommige plekken zijn uitgewischt. -Maar daarentegen liggen ook andere partijen in een helder licht voor mij, zoodat het -is of ik <span class="pageNum" id="pb105">[<a href="#pb105">105</a>]</span>ze nog zie. En de gedachte daaraan is voldoende, om mij op mijn kindsheid als een -hoogstgelukkigen tijd te doen terugzien. Neen, ik kan mij hieromtrent niet met <span class="sc">Jean Paul</span> vereenigen, als hij de genoegens van het kinderleven „geurlooze vergeetmijnietjes” -noemt. Laat de blijdschap van den zuigeling zoo heeten, die zelf geen vreugde heeft -van de lachjes, waardoor hij anderen verblijdt, en bij wien het gevoel van vermaak -en leed, als ik mij zoo mag uitdrukken, op het gezichtje afwisselt, zonder bijkans -het zieltje aan te doen. Maar als het kind een klein mensch geworden is en weet begint -te krijgen van genoegen of smart, dan is kindervreugde wel waarlijk vreugde. Zeg dan -niet, het heeft geen genot, omdat het zich van zijn genot geen reden geeft. Maar geven -wij er ons dan altijd reden van? Gaan wij bij ieder genoegen neêrzitten om het te -ontleden? Als wij in het voorjaar in de open lucht komen, en het lentewindje kust -ons met zijn lauwen adem, terwijl de verkwikkelijke zon ons streelt als de warme hand -van een Odaliske, zoodat wij daaronder „uitzetten en knoppen” van weelde en lust, -zeggen wij dan altijd tot ons zelven: Dit is nu, omdat de wind Z. Z. W. is, en de -zon op ** graden <i>Fahrenheit</i> staat. Of nemen wij de moeite van uit te rekenen: omdat de zon werkt op deze spier -en de wind op die zenuw, en de spier weêr op de zenuw en de zenuw op de spier, daarom -word ik dit aangenaam gevoel gewaar?—Geven wij ons niet veeleer gedachte- en bewusteloos -toe aan het genot, dat ons tegenkomt en drukken, even als de bloemen en vlinders, -onze tevredenheid uit door de aanraking van den koesterenden straal met een siddering -van wellust te ontvangen, en den zoelen balsem van het koeltje met open mond in te -drinken? Ik voor mij althans heb meermalen ondervonden, dat het dwaas is, met het -genoegen den wijshoofd te spelen. Wanneer ik een enkelen keer onderzoeken wou: Waarom -gevoel ik mij nu zoo wel? heb ik bemerkt, dat ons genot <span class="corr" id="xd31e3267" title="Bron: veel veel">veel</span> heeft van het spel der spiegeling van een stroom, dat ophoudt, zoodra men er aan -raakt; en sedert heb ik mij gewend mijn handen t’huis te houden en van het genoegen -tot mijzelven te zeggen: Ik ben er genoegelijk door, dus het zal wel genoegen zijn. -</p> -<p>Waarom zou dan ook de kindsheid geen blijde tijd mogen heeten? Hé, <span class="sc">Cornelis</span>, en <span class="sc">Willem</span>, en <span class="sc">Ferdinand</span>, of wij pleizier hadden, wanneer wij, menschen van vier voet, den vlieger, die tweemaal -onze grootte had, vierhonderd voeten hoog boven ons zagen, in de trotsche bewustheid -van den luchtreus in onze kleine knuisten te klemmen! Of het prettig was, bij den -u bekenden houtzaagmolen over de vlottenden balken te springen met onophoudelijk gevaar -van het getal der drijvende blokken met één te vermeerderen! Of wij er vreugd van -hadden, als, op onze kinderpartijtjes, de grappige <span class="sc">Caspar</span> met zijn tooverlantaren kwam en ons met het leelijke Goliathshoofd en zijn verschrikkelijk: -boe! boe! te gelijk lachen en rillen deed? Of het heerlijk was, den degen van Oom -den Burgerkapitein achter ons aan <span class="pageNum" id="pb106">[<a href="#pb106">106</a>]</span>te slepen, en over de panden van zijn afgedankten uniformrok te struikelen? Wanneer -wij toen reeds in dat geluk niet zoo gelukkig geweest waren, zou er ons zulk een diepe -indruk niet van zijn bijgebleven. Zeg mij, kleine knaap, die mij van dat doek zoo -vriendelijk toelacht, waart gij niet recht vergenoegd, toen gij daar aan den schoot -van uw moeder zat, terwijl de zwarte man u uitteekende, en uw moeder onuitputtelijk -was in allerlei grappige verhalen, opdat gij er op de teekening recht vroolijk en -beminnelijk mocht uitzien? Immers ja; want de tevredenheid glinstert uit uw oogen, -en de blos, dien het genoegen op uw wangen ontstak, klom even zoo wel uit uw klein -hart naar boven, als het niet bij toeval is, dat thans dit vale bleek hièr dat kleurtje -dáár vervangen heeft. -</p> -<p>Dikwijls stond ik voor dat portret met een gevoel van benijding, dat misschien menig -uwer dwaas zal heeten. Het was, wanneer het mij somtijds recht bang was, en ik behoefte -had mijn oog op iets vroolijks te vestigen; hoe kon mij dan het onderscheid tusschen -het kind en den man treffen! Dat gladde voorhoofdje, hoeveel rimpels heeft het gekregen! -dat vonkelend oog, welk een doffe nevel heeft den straal der vreugde daarin uitgebluscht! -die bloeiende wangen, hoe heeft de hitte van den dag ze doen verdorren! dat lachend -mondje, welk een diepe groef heeft de smart er in gedrukt! Ik had moeite te gelooven, -dat ik er ooit zoo had uitgezien, en dan dacht ik weêr, dat wie er zoo had uitgezien -nooit zóó kon worden als ik nu!—Doch eindelijk verzoende mij die aanblik met mijn -ongeluk. En zijt gij dan geen kind geweest? vroeg ik mijzelven. Een vroolijk, onschuldig, -gelukkig kind? hebt gij niet met de bloemen gebloeid en met de vlinders gedarteld? -hebt gij u niet moêgespeeld en wakker geslapen? hebt ge geen tijd gehad, dat alle -kommer om en voor u besloten werd in het hart, waaraan ge rusttet, en dat ieder zijn -eigen smart onder een lachje voor u verborg? Waarover beklaagt gij u dan! Twintig -jaren, kinder- en knapen- en jongelingsvreugde, is het te veel, dat ge daarvoor in -het leed des mans een evenredige rente betaalt! O, als God het naakte wicht hulpeloos -op den kouden, harden grond nederlegde, en aldus aan de genade van het toeval overliet; -als het kind, van den dag zijner geboorte af aan, even als het winterklokje dat uit -de sneeuw opschiet, door barre winden en scherpe hagelsteenen geteisterd werd; als -de opwassende knaap zich, gelijk een verdrukte scheut, naar boven moest werken; met -één woord: als er aan het leven een jeugd ontbrak,—dan zouden wij kunnen klagen, dat -ons onrecht gedaan was. Maar zoo is het immers niet? Voor de intrede des menschen -in de wereld is alles door de zachte hand der liefde gereed gemaakt. Vaderarmen ontvangen, -moederarmen koesteren het; -</p> -<div class="lgouter"> -<p class="line">Haar liefde dekt het schaap nog zonder wol; </p> -<p class="line">Haar teêrheid voedt het lam nog zonder weide. </p> -</div> -<p class="first">Dan heeft het kind voor niets te zorgen, terwijl alles voor het kind <span class="pageNum" id="pb107">[<a href="#pb107">107</a>]</span>zorgt. Dan wordt de scherpe wind gebalsemd en de stekende zonnestraal mat gemaakt; -dan plaatsen zich anderen vrijwillig voor den snijdenden tocht en onder de vallende -sneeuw; dan wordt het plantje gedekt, begoten, naar de zon gekeerd, ondersteund en -opgehouden. Dan worden alle tranen opgevangen, alle zuchten weggekust. Dan wordt ieder -plek tot een speelplaats gemaakt, ieder voorwerp tot speelgoed, en iedere volwassene -buigt zich om meê te spelen. Dan wordt voor het kind de doorn van iederen stengel -gebroken, de honing uit iedere bloem vergaârd, het sap uit iedere vrucht gedrukt. -Dan slingeren de menschen hunne armen in elkander, om rondom het kind als ware het -een Eden af te perken, waarin het storelooze paradijsgenoegens smaakt. -</p> -<p>Maar wat zouden wij dan willen? Dat dit altijd zoo voortduurde? De hemel beware ons! -Wat zou er van zulke vertroetelingen worden? Ellendige kasplantjes, die geen tiende -van hun natuurlijken groei en sterkte zouden bereiken, saplooze bladeren, weinige -bloesems en niet een enkele vrucht dragen. Neen, niet alzoo! Wij zijn kinderen opdat -wij mannen zouden worden, maar worden geen mannen, opdat wij kinderen zouden blijven. -Zijn wij zoo ver gekomen, dat wij onder het glas van daan en in de open lucht kunnen, -dan is het ook niet meer dan billijk, dat wij met de anderen wind en koû leeren deelen. -Wordt het ons daaronder al eens bang, denken wij dan terug aan de twintig jaren dat -wij gespaard zijn geworden, aan de twintig jaren van vooruitgenoten vergoeding, aan -de twintig jaren van toerusting, die weinig vrucht hebben gedragen, indien zij ons -voor geen twintig jaren strijdens hebben voorbereid! -</p> -<p>Zie, zulke gedachten pleegt het gezicht van het kind bij den man op te wekken. En -dan, in plaats van mij te verdiepen in het lijden, dat mij drukt, verlies ik mij in -de herinnering van het genoegen, dat ik gesmaakt heb. Dan denk ik, hoe de verschooning, -mij in de eerste vaag des levens bewezen, gediend heeft om mij tot het uitstaan der -tegenwoordige beproeving te harden; dan denk ik, hoe het mij zou gegaan zijn, indien -dit leed, even als een vroege vorst, in mijn kindsheid gevallen ware: dan denk ik, -hoe ver de rampen des mans er van af zijn tegen de vreugde van den kinderlijken leeftijd -op te wegen; en onder deze beschouwing groeit mijn moed aan; de sterke man vindt kracht -in den aanblik van het zwakke kind; de smart des volwassenen vertroost zich met het -lachje van den knaap; en mijn gevoel lost zich op in de dankbare uitboezeming: Ja, -ik ben waarlijk dezelfde; die knaap en deze man! Was ik die knaap niet geweest, ik -ware deze man niet geworden; en was het niet om deze man te worden, ik zou die knaap -niet geweest zijn. -</p> -<p>En wanneer ik alsdan het kind aanzie, en het mij voorstel in al zijn onkunde en onbewustheid -van zijn hoogere bestemming; de aarde aanziende of zij altijd beneden hem, en den -hemel, of hij altijd boven hem zou blijven;—en daarbij te gelijk denk aan hetgeen -er van hem worden moet: een kind van God, een blinde voor de wereld, <span class="pageNum" id="pb108">[<a href="#pb108">108</a>]</span>een doode voor de zonde, een dagelijksch offer van zich zelven, een burger des hemels -op aarde, en eens een lotgenoot des Hoogzaligen;—dan verliest mijn oog zich in die -gaping tusschen dat wichtje vóór—en den zalige boven mij; en het wordt mij duidelijk, -dat de school, waar zulk een opvoeding voltooid moet worden, een school van werkzame -oefening en strenge tucht moet zijn. En bij die overtuiging wordt het mij zoo helder, -dat dat kind dien speelschen lach om den mond en dien blijden straal in het oog verliezen -moest, dat ik niets natuurlijker vinde, dan dat de man, voor het portret tredende, -zich zelven niet meer herkent en er hem ongelukkig om rekenen zou, indien het anders -ware. -</p> -<p>Ongelukkig, indien het anders ware! O, op hoe velerlei beschikkingen in mijn lot kan -ik dit toepassen. Zeker, als ik op dit kind zie, voel ik mij overstelpt van dankbaarheid -bij de gedachte aan zoo vele leidingen Gods, als gestrekt hebben om het te bewaren -van immer geheel uit den staat des kinds uit te vallen. Al denk <span class="corr" id="xd31e3302" title="Bron: aan">ik</span> alleen<span id="xd31e3305"></span> aan de lieve moeder, van wie deze beeltenis afkomstig is. De lieve moeder! Nooit -werd die naam met meer recht door een vrouw gedragen, nooit haar met meer liefde door -een kind gegeven. Niet alleen omdat zij de weldoenster mijner kindsheid was, die van -haar armen mijn wieg, en van haar boezem mijn peluw maakte; die mij ’s avonds met -haar liederen in slaap zong, en mij ’s morgens met haar omhelzingen weêr wakker kuste; -wier bijzijn in den vollen zin des woords mijn leven, wier schoot mijn hemel was. -Maar veel meer, omdat zij evenzeer de geleigeest van mijn onnoozelheid, als de beschermengel -van mijn zwakheid was. Niet alleen met de melk harer borsten, ook met de melk haars -harten, met al wat er ooit zachtst, mildst en teederst in een vrouwenziel was, voedde -zij mij op. Zoo boezemde zij mij reeds vroeg het gevoel eener groote liefde in; indien -mijn hart geen bekrompen hart is, maar in zijn genegenheid meerderen omvat, dan mijn -armen omvademen kunnen, ik dank het haar, die mij als van mijn geboorte dien geest -van liefde heeft ingeademd. O, het is zoo gelukkig, als de moeder begint met het geheele -hart des kinds in te nemen. Dan is er reeds dadelijk een plaats vervuld, waar zich -anders al spoedig het gevoel van eigenbaat indringt. Maar is eens de kiem der liefde -in het weeke gemoed gevallen, dan groeit die met het wicht op, slaat haar vezels in -zijn zenuwen en voedt zich met zijn bloed. Dan zet zij zich uit naarmate de borst -ruimer wordt, en ofschoon het opschietend onkruid haar begint te drukken, zij blijft -in het hart geworteld. Zalig dus, wie als kind van zijn moeder liefde leert: hij leert -spelende, wat de eerste plichten zijn <span class="corr" id="xd31e3307" title="Bron: zal">zullen</span>; hij neemt als een lust op, wat hij later als een last zal moeten dragen; hij wordt -door de liefde tot ééne voor de liefde tot allen gevormd; en de armen, die nu nu den -boezem omklemmen welke hem voedt, worden gewend om eens een ruimeren kring te <span class="corr" id="xd31e3310" title="Bron: ontvatten">omvatten</span>, zooals het klimop, dat begint met zich om de scheut te slingeren, zich later <span class="pageNum" id="pb109">[<a href="#pb109">109</a>]</span>van zelve met den zich uitzettenden stam uitbreidt. O, toenmaals wist ik niet beter, -of ik had mijn moeder lief als mijn moeder en zij mij als haar kind; maar toen ik -later gevoelde, dat wij hier niet enkel moeder en kind geweest waren, maar dat haar -liefde te gelijk tot opleiding voor den mensch, tot vorming voor den Christen gediend -had, toen zag ik eerst recht in, welk een geschenk van Gods vaderliefde deze moederliefde -voor mij geweest is! -</p> -<p>Ik kan van dit onderwerp nog niet scheiden. Wie een lieve moeder te gedenken heeft, -zal er mij niet hard over vallen. -</p> -<p>Toen de doos van <span class="sc">Pandora</span> openging, stroomden daaruit allerlei rampen, maar de hoop bleef op den bodem liggen. -Toen het hart der menschen zich voor de zonde opende, verlieten allerlei deugden het -menschelijk hart, maar het geweten bleef op den grond achter. Maar dit geweten, hoeveel -hangt er van af, hoe het behandeld wordt? -</p> -<p>Hier is het een koppige goudvink, die op het eene oogenblik tot geen zingen te krijgen -is, en dan weêr op eens zoo begint door te slaan, dat men niet weet, hoe hem tot stilte -te brengen. Daar is het een lijster, die alleen helder fluit, als het slecht weêr -is. Daar is het een kwaadaardige uil, die het licht schuwt, maar den ganschen nacht -zit te krassen dat men niet slapen kan. Daar is het een haan, die, even als voor <span class="sc">Petrus</span>, niet kraait, dan als het te laat is. Daar eindelijk is het een nachtegaal, welken -men hoort zoodra men in den eenzaamheid en in het donker komt, en wiens gezang den -nacht vervroolijkt. -</p> -<p>Behoort het geweten dan tot geen vast ras van vogels? Zeker wel. Oorspronkelijk behooren -alle <i>species</i> er van tot het nachtegalen-geslacht. Maar de verschillende wijze van opkweeking en -behandeling is de oorzaak van die ontaarding en verbastering. Gij ziet dus van hoeveel -belang het is voor het uwe te zorgen, eer gij van uw nachtegaal een uil maakt. -</p> -<p>Mijn lieve moeder was een uitmuntende opvoedster van het mijne. Zij liet het niet -enkel aan de natuur over het te leeren zingen, maar hielp het een weinig op den weg, -zoo als men de kanaries met een kanarieorgeltje, of de eksters met voorpraten doet. -Van daar verhief het zijn stemmetje al vroeg: toen ik nog maar een kind was, kon het -’s avonds, als ik in mijn bedje kwam, reeds neuriën en kneuteren dat het een aard -had. -</p> -<p>Gelukkige die ik was! Hoe vele zijn er, die nooit zoo diep zouden gevallen zijn, indien -men, even als mijn moeder, hun geweten meer als een afzonderlijke faculteit van de -ziel had aangemerkt, die mede kon en moest ontwikkeld worden; indien men hen als kind -een vreemde taal minder had laten leeren, en hen in plaats daarvan geleerd had de -stem in den boezem beter te verstaan.—Toen mijn geweten nog onmondig was, nam mijn -moeder de voogdij er over op zich. Voor niets was zij ongeruster, dan dat het zijn -natuurlijke teederheid verliezen zou. Wetende dat het, als een speeltuig, helderder -klinkt, naarmate het reiner wordt gehouden, was zij er altijd op uit om voor zijn -<span class="pageNum" id="pb110">[<a href="#pb110">110</a>]</span>zuiverheid te waken. Het moest, dacht zij, even als een windharp, zelfs al ging er -maar een tochtje over, trillen en geluid van zich geven. Later gewende zij mij, de -zorg er voor allengskens over te nemen. Ook had het toen reeds een vastheid en sterkte -van stem gekregen, die maakte dat ik het niet licht meer van de wijs had kunnen brengen, -al had ik gewild. -</p> -<p>En toch, dankbaar erken ik, hoe veel ik ook toen nog aan haar verplicht bleef. Dikwijls -was haar tusschenkomst machtiger, indien al niet om mij van het kwade terug te houden, -dan toch om mij tot het goede aan te sporen, dan de stem van mijn conscientie zelve. -Dit was vooral dan het geval, wanneer eenige overtreding mij met mijn geweten overhoop -had geholpen. Om de waarheid te zeggen, dan was die rechter mij meestal te streng; -althans hij schrikte mij evenzeer af, als hij mij uitlokte om de hand ter verzoening -te reiken. Dit ging veel beter door hare tusschenkomst. Zij was, even als Gods woord, -veel zachter dan mijn conscientie. Zij maakte mij de belijdenis zoo gemakkelijk; zij -was zoo liefderijk in haar bestraffing; zij schonk zulk een volkomen vergiffenis! -Nooit stroomden mijn tranen lichter dan aan haar boezem, en nooit werden zij eerder -afgedroogd. En hoe zij zulk een oogenblik wist te heiligen door, naar <span class="sc">Borgers</span> uitdrukking, den boetvaardige op te beuren, maar op te beuren tot God in den hemel; -hoe zij, als ze mij vergiffenis geschonken had, mij aan de voeten des hemelschen Vaders -voerde, opdat ik die vergiffenis ook van Hem zou afsmeeken! Hoe zij aldus van de weekheid -mijns harten gebruik maakte om er het teeken des kruises dieper in te drukken! O, -gij kleine knaap, indien de zonde van dit voorhoofdje het zegel des doops nooit geheel -heeft kunnen wegwisschen, en, hoop ik, het verder ongeschonden zal moeten laten, dank -er haar voor, die het eens onder de vonte hief! -</p> -<p>Ja, daarheen droeg zij mij, maar niet gelijk zoo velen, uit gehoorzaamheid aan een -maatschappelijke wet, omtrent gelijkstaande met de inschrijving des jonggeborenen -op de registers van den Burgerlijken stand. Niet alleen haar hoofd, haar geheele hart -boog zich op de vrage of zij beloofde, „<span lang="nl">dit kind, als het tot sijn verstand sou gekomen zijn, in de voorseyde leer na haer -vermogen te onderwijsen.</span>” Aan niemand stond zij de zoete taak af, mij het eerst den heiligen Vadernaam te -leeren stamelen. Weet gij wat dit zegt? Ik voor mij ken onder alle zegeningen, waarmede -God de wieg eens kinds omringen kan, geen grootere, dan een vrome moeder. Moeders -zijn de ware kinder-apostelen! Niet alleen, omdat haar stem lichter en dieper in het -hart van haar kroost dringt; maar, ook, omdat vrouwelijk geloof en kinderlijk geloof -zulk een nauwe verwantschap met elkander hebben. Op den zinnelijken knaap werkt het -gemoedelijke, dat in den godsdienst der vrouwen den boventoon voert, veel sterker -en gelukkiger, dan het meer verstandelijke, dat het heerschende kenmerk van de overtuiging -des mans uitmaakt. Zoo ging het mij althans bij mijn moeder. Zeker is het beeld van -den Heiligste onder de menschenkinderen altijd allerbeminnelijkst, <span class="pageNum" id="pb111">[<a href="#pb111">111</a>]</span>welke (vrome) hand het ook schetse: niet anders dan alle Christusbeelden hetzelfde -karakter van grootheid en liefderijkheid ademen. Maar zooals evenwel de <span class="sc">Christus</span> van <span class="sc">Rafael</span> hemelscher is, dan de Hemelsche op de tafereelen van <span class="sc">Correggio</span> of <span class="sc">Da Vinci</span>, vond ik den Zaligmaker nooit beminnelijker, dan in de voorstelling van mijn lieve -moeder. Nooit heb ik hem beter—hoe zal ik zeggen?—<i>gezien</i>, nooit stond hij mij aanschouwelijker voor oogen, dan zooals zij hem mij deed aanschouwen. -Gelijk een portret naar het leven gemaald verschilt van de afbeelding op een doode -genomen, verschilde haar teekening van den Eenige van die van anderen. Men kon zien, -dat haar hart het penseel bestuurde. Die verheven gedachte van haar lievelings-Apostel: -Die niet lief en heeft, die en heeft Godt niet gekent: God is liefde! Liefde is als -het orgaan, waardoor men God leert kennen en aanschouwen!—bevestigde zich in haar -ten aanzien van zijn beeld op aarde. In zooverre dit van een gebrekkig menschenhart -kan gezegd worden, gold het van haar; haar liefdevol hart begreep hem! Van daar putte -zij, als zij den Heiland schilderde, niet enkel uit haar geheugen, maar veeleer kwam -zijn beeld <span class="corr" id="xd31e3363" title="Bron: allengkens">allengskens</span>, als een hostie uit haar heiligdom, uit het binnenste haars harten te voorschijn. -Van daar dan ook, dat dit beeld zich diep in mijn ziel drukte—en, hoop ik, onuitwischbaar! -</p> -<p>Even zoo ging het mij met haar voorstelling van het toekomende leven. Allen verwachten -wij éénen hemel; maar welk een onderscheid! Indien ieder het denkbeeld dat hij van -zijn hemel vormt, aanschouwelijk kon maken, gij zoudt nooit gelooven, dat zij hadden -voorgehad dezelfde plaats te malen. De hemel van sommigen is somber en eenzaam; die -van anderen gebrekkig en onvolmaakt; deze schildert zich hem geheel aardsch en zinnelijk, -gene schept hem zich weder zoo bovenzinnelijk, dat hij geen hemel voor menschen blijft. -De hemel van mijn moeder was eerst recht hemelsch! alles wat haar rijke verbeelding -heerlijks, wat haar vrome ziel reins, wat haar geloovig hart zaligs bevatte, vond -zich in de voorstelling daarvan terug. Bij haar geen onoverzienbare afstand, die hem -van de aarde scheidde; geen ondoordringbaar wolkfloers, dat hem voor het oog verborg! -Voor haar geest smolt hemel en aarde, even als voor haar oog aan den gezichteinder, -liefelijk en harmonisch ineen. En dan dat voorkomen, waarmede zij er van sprak!—Ziet -gij, ik heb allen eerbied voor de keurige plaatsbeschrijving door menigen Eerwaarde -van het het hemelsch <i>Jeruzalem</i> op den kansel gegeven<span class="corr" id="xd31e3370" title="Bron: ,">.</span> Maar wanneer ik hem daarbij onophoudelijk voor zich—zeker op de kaart van het heerlijk -gewest—zie staren, of uiterlijk zijn oog op de hoorders beneden hem zie vestigen, -zonder dat zijn blik zich ooit met een uitdrukking van ingenomenheid of verlangen -naar boven richt: hij vergeve het mij, dat daarbij mijn gedachten niet hooger klimmen -dan de vinger, dien hij telkens opsteekt om de bedoelde streek aan te wijzen, en dat -ik van het tafereel door hem gemaald niets zie, dan den schilder. Hoe geheel anders -ging het mij onder het <span class="pageNum" id="pb112">[<a href="#pb112">112</a>]</span>gehoor van dien vromen grijsaard, dien menigeen uit deze teekening duidelijk genoeg -herkennen zal, die nooit van den hemel gewaagde dan met de uitdrukking van een zoo -vroolijke verrukking en van een zoo vertrouwelijke gemeenzaamheid, dat de meest aardschgezinde -er door geroerd werd. Op zijn gezicht, door den straal eener hoogere vervoering verlicht, -zag men als het ware den hemel weêrkaatst, dien hij u schilderde, en beter dan de -lofzang der Engelen, waarvan hij meldde, noodigde u zijn stem, waarin het levendigst -voorgevoel klonk, naar de gewesten, waarin zijn ziel reeds scheen te zweven!—Evenzoo -ging het mij onder de gesprekken mijner moeder. Het is waar, zij kende geen enkel -dogmatisch bewijs voor de onsterfelijkheid, en zou aan zoovele wijsgeerige hemelbestormers -niets dan een onbeschermd hart hebben kunnen tegenstellen. Maar zij geloofde aan den -hemel! en met een levend geloof, dat het onzienlijke niet droomt, maar ziet; dat de -hope niet hoopt, maar dadelijk geniet. Van daar was er in haar voorstelling van den -aanstaanden gelukstaat iets wegslepends, iets aanstekends, dat te gelijk overtuigde -en meêvoerde! en ik vond in haar de spreuk van den vromen man, van wien ik straks -sprak, bevestigd: dat een godsdienstig mensch meer leert van geloof en godzaligheid, -dan het beste boek, dat er over geschreven kan worden.—Zeker, God heeft ze lief, die -hij door zulke liefelijke boden tot zich laat noodigen! -</p> -<p>En toch moet gij hieruit niet besluiten, dat zij in haar vromen ijver zou vergeten -hebben, dat ik zoowel tot een burger der aarde, als tot een hemelburger moest gevormd -worden. Ook in dit opzicht kon mijn opvoeding in geen betere handen gevallen zijn. -Niet dat ik hiermede aan de verdiensten mijns vaders wil te kort doen. Mijn vader -was ongetwijfeld een groot en eerbiedwaardig man; nooit was er deugdzamer hart of -godvruchtiger gemoed; maar toch zou ik, van achteren beschouwd, niet gewenscht hebben, -dat het werk mijner opvoeding aan hem alleen ware overgelaten geweest. Hij was er -te koud en te steng toe. Groote ongelukken, in zijn jeugd geleden, hadden hem ontijdig -vroeg uit het paradijs zijner idealen verdreven. Sedert had hij zichzelven beloofd, -er nooit weder een oog heen te wenden. Deze belofte hield hij trouw. Hij bouwde zijn -verwachtingen alleen op den vasten bodem der aarde, nooit op de drijvende wolken des -hemels. Hij beschouwde het leven enkel van zijn praktische zijde: en wat er nog dichterlijks -in zijn ziel sluimerde, behoorde geheel aan een hope, die, ofschoon hooger dan de -wolken, vaster staat dan de rotsen. Zeker, ik verheug er mij over, dat mijn vader -zulk een man was. Hij hardde en smeedde het staal, dat mijn moeder in het vuur des -gevoels warm en week had gemaakt. Met zulk een teêr hart als het mijne, wat ware er -van mij geworden, als hij nu en dan niet eens een raam van de trekkas, waarin zich -mijn geest verbroeide, geopend had. Indien zijn killer adem er niet van tijd tot tijd -als een voorbereidend nachtvorstje was overgegaan, hoe zou het werkelijk leven als -een doodende koude op mijn verwend gemoed gevallen zijn. Doch ook aan den anderen -kant, hoe zou het mij gegaan <span class="pageNum" id="pb113">[<a href="#pb113">113</a>]</span>zijn, indien ik alleen aan zijn leiding ware toevertrouwd geweest, indien hij, in -de eerste vaag mijns levens, op de beelden mijner fantasie, als <span class="sc">Don Quichot</span> op de marionnetten, aangevallen ware: indien hij terstond mijn witte vleugelen, evenals -haar dat te lang is, had afgeknot, en mij zoo gekortwiekt de wereld had ingejaagd! -Neen, dan ware ik zeker niet de mensch geworden, dien hij meende van mij te zullen -maken. Hij zou gezien hebben, dat hij zich in zijn rekening bedrogen had, door een -zomer te willen hebben zonder lente, en in den herfst over zijn dwaling getreurd hebben. -Doch hiervoor was gelukkiglijk geen vrees. Immers mijn moeder stond aan de andere -zijde naast mij: zij was het, die met teedere bezorgdheid over de jeugd mijns harten -waakte, en als een wachtengel voor mijn paradijs stond. Wetende hoe zalig het is, -als men in zijn binnenste een wijkplaats heeft, onder wier lommer men zich verschuilen -kan, als het u daar buiten in de wereld te heet wordt, vreesde zij voor niets meer, -dan dat dat toevluchtsoord, even als bij mijn vader, in een woestenij verkeeren mocht. -Daarom daalde zij met mij in het <i>Elysium</i> mijner droomen af, en doolde er met mij in rond, zeker wel met het gevoel van een -<i>Cicerone</i>, wien zijn wandeling verveelt, omdat hij die reeds zoo dikwijls gedaan heeft. Maar -evenwel, zij getroostte zich dit gaarne, en staarde met mij naar de sterren aan mijnen -hemel, als of zij ze nimmer meer gezien had. Ik ben verzekerd, dat gij, zonder misschien -de grootheid van dit offer te gevoelen, er de waarde van erkennen zult. Althans ik -erken die dankbaar. Daardoor toch is de invloed, die mijns vaders <span class="corr" id="xd31e3386" title="Bron: positive">positieve</span> richting van geest op mij uitoefende, nuttig voor mij geweest zonder mij te schaden. -Zij heeft de veêr bedwongen, maar niet verlamd; zij heeft de snaar ontspannen, maar -niet gebroken. Ik draag nu mijn dichterlijkheid, niet als een pauw zijn staart, die -driemaal grooter is dan hij zelf, maar als een eerzame duif haar vleugels, die zij -uit kan slaan als zij wil gaan vliegen, maar die zij onder ’t loopen zoo netjes langs -haar lijf plooit, dat niemand ze merkt.—De lezer wordt verzocht hierbij niet met het -hoofd te schudden of te lachen. Ik weet wel, dat ik in zijn gezelschap altijd vliegende -gezien word; maar dat komt juist uit: want als ik mij aan ’t schrijven zet, is het -een teeken, dat ik wil gaan vliegen. Kom over een uur, als dit artikel af is, en gij -zult zeggen, dat gij nooit bedaarder man op twee beenen hebt zien loopen, dan den -vogel zonder veêren, dien ge nu in de lucht ziet. -</p> -<p>Maar, zooals ik zeide: eerst nog een oogenblik geduld! gij kunt het mij niet ten kwade -duiden, dat het mij moeilijker valt dan u, van mijn portret te scheiden. -</p> -<p>Mijn portret! Laat ik het nu nog eens mogen zeggen: het is een lief, onnoozel kinderkopje; -te meer, daar ik u even oprecht bekennen zal, dat, zoo ooit een gezicht bedrogen heeft, -het dit geweest is. Neen, lieve knaap! gij zijt niet geworden, wat gij beloofdet. -Zooals ik u daar voor mij zie, niet die kinderlijke onschuld op het gelaat, zou een -Engel u voor zijn broeder kunnen houden. Men ziet het dat open <span class="pageNum" id="pb114">[<a href="#pb114">114</a>]</span>voorhoofdje aan, dat er nog nooit een blos van schaamte op gestegen is; men kan het -aan die wangen, frisch en fleurig als een pas opengaande roos, zien, dat er nog nooit -een bijtende traan van boete langs is gevloten; het spreekt uit dat vonkelend oog, -dat het zich tot nu toe nimmer heeft behoeven neêr te slaan; onbezoedelde reinheid -ligt als een ongerept <span class="corr" id="xd31e3394" title="Bron: was">waas</span> over het geheele wezen verspreid. Mijn oogen dwalen af, en slaan een blik in den -spiegel er naast. Goede God! Wat is er van dit kind geworden! Als een vergiftigende -adem heeft de zonde zijn voorkomen verkleurd en ontsteld. Een wind gelijk, die een -effen stroom beroert, zoo hebben de stormen der ziel de gladde vlakte van dat klare -voorhoofd in rimpelen opgejaagd; de heldere blos is verdronken in de tranen, die hem -hebben overstroomd; de oogen hebben hun schitterenden straal verloren en lichten nu -met het beneveld schijnsel van het lemmet eener lamp, waarin de olie troebel geworden -is. Gelijk men in <i>Arabië</i> op het eerste gezicht de woestijn herkent, waar langs de verzengende <i>simoun</i> gewaaid heeft, zoo kan men het mijn geheel voorkomen aanzien: Hier is de zonde langs -gegaan! Bedroevende aanblik, die mijn bleeke wangen met purper van schaamte kleurt, -en mijn hoofd als een geknakte bieze op den schouder doet zinken. -</p> -<p>En was het daarom, dat God mij zoo onnoozel deed geboren worden? En was het daarom, -dat eens mijn ziel onbezoedeld in mijn onbevlekt lichaam woonde, als helder water -in even helder kristal; -</p> -<div class="lgouter"> -<p class="line">Blank lijfjen zonder smet, blank zieltjen zonder zonde, </p> -<p class="line"><i>Gepaard</i> in dubble maagdlijkheid. </p> -</div> -<p class="first">En was het daarom, dat mijn ouders zich als wachtengelen tusschen mij en de wereld -plaatsten, om mijn zuiverheid te bewaken? En was het daarom, dat er zoo veel zorg -besteed werd om mij tegen de besmetting des kwaads te wapenen? Hoe weinig heb ik aan -de mij geschonken voorrechten beantwoord!—Kind, kind! lach mij zoo niet aan! Gij hebt -geen erger vijand, dan den man die voor u staat. Hij heeft een doodslag aan u begaan! -Hij heeft uwe onnoozelheid vermoord! Uwe <span class="corr" id="xd31e3410" title="Bron: onoozelheid">onnoozelheid</span>, die zoo teêr, zoo zacht<span class="corr" id="xd31e3413" title="Niet in bron">,</span> zoo aanminnig, zoo bevallig, die een wellust van menschen en engelen was! Maar hem -kon zij niet bewegen! Onmeêdoogend heeft hij haar gedood. Hoe zij hem ook aanschreide, -hoe zij hem ook tegenkreet, hij heeft haar opgeofferd. Niet op eens, maar langzaam, -zonder dat men iets van het aangedane geweld bemerkte. Maar toch zoo zeker, dat zij -nu wel geheel gestorven is, en in zijn lichaam rust als een doode in het graf. Kind, -lach mij zoo niet aan! -</p> -<p>Helaas! dat is ons aller lot op aarde. Men zou het kunnen vergelijken met het lot -van de sneeuw. Vlekkeloos valt zij uit den hemel, wordt op de aarde bezoedeld, zinkt -dan weg in den grond, en vergaat zoo geheel.… ten zij, ten zij! het zonlicht enkele -heldere droppels uit het slijk omhoog trekt. Zoo ook wij! sneeuw in de wieg, worden -wij slijk op de aarde, en verzinken eindelijk als dras in den grond. <span class="pageNum" id="pb115">[<a href="#pb115">115</a>]</span>Maar het zonlicht van Gods genade ontwikkelt uit het bezoedelde nat een enkelen klaren -drop, dien het ten hemel opneemt. -</p> -<p>Is dit zoo? lach mij dan vrij aan, mijn kind! Wij zullen weder vrienden worden. -</p> -<p>Neen, het is te weinig, dat de mensch alleen over zijn verloren onschuld weenen zou. -Beween een marmeren beeld, dat gebroken is, het is voor altijd weg; maar beween geen -gestorvene, die weder kan worden opgewekt. Nog eens stel ik mij voor mijn portret. -In navolging van den Heer, stel ik een kindeke voor mij en wijze er mijzelven op: -<span lang="nl">Indien ghy u niet en verandert ende wort gelyck de kinderkens, so en sult ghy in het -Coninghryke der hemelen geensins ingaan.</span> -</p> -<p>Ja, ziedaar mijn voorbeeld! Zoo was ik, zoo moet ik weder worden. Zoo was ik uit de -natuur, zoo moet ik ook uit eigen keuze en vrijen wil weder worden. Het afgelegde -gevoel van afhankelijkheid, de verloren eenvoudigheid des geloofs, de verleerde gewilligheid -der onderwerping, de verkrachte onbedorvenheid der onschuld, dat alles moet weder -aangeleerd of aangenomen worden. De wijsheid, in de beproeving verkregen, moet mij -bijblijven; maar de besmetting, in de beproeving opgedaan, moet worden afgelegd. De -wonderspreuk des Apostels moet aan mij worden vervuld: <span lang="nl">Volwassen in ’t verstandt—kinderen in de boosheydt!</span> -</p> -<p>Het is droevig, dat zoo velen dit niet begrijpen of begrijpen willen. Zij rouwen over -hun verloren onschuld, ja, maar als wanhopenden. Zij zitten er bij neder; zij vertreuren -hun tijd en hun krachten; indien zij ze met hun zuchten konden opwekken, zij zou herrijzen! -maar te vergeefs. Geen tranen wisschen een bevlekt geweten schoon; geen snikken roepen -een gestorven onschuld wakker. Er moet opgestaan, er moet gehandeld, er moet geleden, -er moet gestreden worden. Met het beeld eens kinds voor het oog, moet men naar gelijkheid -met het kind streven. O, ik denk, dat het dit is, dat mij kinderen zoo recht dierbaar -maakt; in ieder van hen zie ik een voorbeeld en leermeester. Daarbij denk ik altijd -aan <span class="sc">Luther</span>, die, toen zijn kinderen eens onder elkander krakeelden en spoedig daarna zich weder -verzoenden, zeide: Lieve Heere God! Hoe aangenaam zijn u toch zulk een kinderlijk -leven en zulke spelen! Ja, al hun zonden zijn niets dan vergeving der zonden. -</p> -<p>Ziet gij, met dit oog beschouw ik de kinderen, die mij omringen. Als ik zie, hoe het -knaapje aan den schoot der moeder staat, en naar haar vertellingen luistert, en, wanneer -hem daarin iets ongeloofelijks treft, met vertrouwen tot haar opziet en vraagt: „Is -dat zoo, moê?” dan schame ik mij over mijn vermetelheid, dat ik dikwijls zoo traag -was om te gelooven, wat mij in de mededeelingen mijns hemelschen Vaders onwaarschijnlijk -voorkwam, en ik vermane mij zelven: <span lang="nl">So wie het Coninghrijke Godts niet en ontfangt gelyck een kindeken, die en sal hetzelve -geensins ingaan.</span>—Wanneer ik zie, hoe het kind, dat ongehoorzaam geweest is, op het enkele gezicht -van de smart, die hij <span class="pageNum" id="pb116">[<a href="#pb116">116</a>]</span>zijn vader daardoor veroorzaakt, in tranen van berouw uitbarst, hem in de armen vliegt -en snikkend uitroept: „Vader, vergeef mij! ik zal het niet weêr doen!” dan voel ik -mij vernederd door de gedachte, hoe dikwijls ik dagen op dagen over mijn overtredingen -tegen mijn goddelijken Vader liet heengaan, zonder tot het afleggen eener ootmoedige -belijdenis te kunnen of te willen komen.—Ja, zelfs die belofte: „Ik zal het niet weêr -doen!” hoe beschuldigde zij mij, dat ik zoo vaak om de Goddelijke vergiffenis had -durven bidden, zonder mij te hebben verbonden door de gelofte om mij voortaan voor -de geboete zonden te wachten.—Wanneer ik zie, hoe gemakkelijk en gaarne het afhankelijke -kind van zijn ouderen afhangt, en met volkomen gerustheid en vertrouwen van hunne -liefde en zorg de voldoening zijner behoefte verwacht, dan bloze ik over mijn gedurige -bekommeringen tegen den volgenden dag, en bestraf mijzelven, dat „<span lang="nl">ick myne ziele niet en hebbe geset ende stille gehouden, ghelyck een gespeent kindt -bij syne moeder!</span>”—Eindelijk, wanneer ik zie, hoe het kind zich in het midden der booze wereld bevindt, -zonder nog iets van hare boosheid te hebben aangenomen, daarin verkeerende als een -witte duif in haar bezoedeld hok, dan jammer ik over mijn vatbaarheid voor alle besmetting, -en neem mij voor „<span lang="nl">een kindt in de boosheydt</span>” te worden. -</p> -<p>Moeielijk, maar ook schoon en heerlijk werk! Zeker dit kan ik mij van <span class="sc">Luther</span> niet begrijpen, hoe hij zeggen kon, dat hij in den kinderlijken leeftijd had willen -gestorven zijn, en daarvoor gaarne alle eer overgegeven, die hij in de wereld had.—Neen, -vader <span class="sc">Luther</span>, daarin kan ik het met u niet ééns zijn. Zeker geloof ik wel, dat er ook boven een -school is, waar de lieve Engelen, of hoe de goede geesten anders heeten mogen, de -taak der ouders en leermeesters bij de vroeg opgeroepen kinderkens op zich nemen, -en het Christenkind tot een Christen vormen. Maar daarom zou ik nog niet durven zeggen, -dat het beter was, een leerling der hemelsche dan der aardsche school te zijn. Mij -dunkt, boven kan de strijd zoo zwaar, en daarom de kroon zoo schoon niet wezen. En -zeker, van alle menschen hadt Gij wel het minste reden om zulk een wensch te doen. -Gij, die tegen het booze strijdende als een held, echter dien heldenmoed onder de -karaktertrekken eens kinds verborgt, kinderlijkste der mannen en mannelijkste der -kinderen! Ook verbeeld ik mij, dat gij nu, met den krans der Christenstrijders om -het hoofd en het witte kleed van Gods kinderen om de leden, het niet anders wenschen -zult dan het geweest is. Ik voor mij wensch niets beters, dan u van verre te volgen, -en, indien ik eenige eer in de wereld had, ik zou die daarvoor gaarne willen geven. -</p> -<p>En spreek gij nu eens, kind-<span class="sc">Jonathan</span>! en zeg, hoe het met den man-<span class="sc">Jonathan</span> staat? Begint gij u zelven reeds in hem te herkennen? Vindt gij allengskens in hem -die trekken van nederigheid en liefde, van gehoorzaamheid en zuiverheid weder, die -u eigen waren? O, ik wilde, dat ik die vraag met meer vrijmoedigheid doen durfde. -Neen, het is nog niet in orde, niet waar? Hiér niet—en dáár niet—en <span class="pageNum" id="pb117">[<a href="#pb117">117</a>]</span>dáár niet!—Ik schaam mij over deze belijdenis. Maar ga gij slechts voort mij te leeren; -dan zal ik wel verder komen. Even als <span class="sc">Garrick</span>, die voor een portret staande, zijn gezicht zoo plooien kon tot hij er op geleek, -wil ik met het oog op u het gelaat mijner ziele zoolang plooien, tot het uw gelijkenis -draagt. Zoo hoop ik gereed te zijn, eer de Heer roept. Hij zal geduld met mij hebben, -en mij niet van de school roepen, eer mijn opvoeding voltooid is, hoop ik. -</p> -<p>En nu neem ik afscheid van u, schoon het mij moeite kost. Zeker, gij biedt een liefelijken -aanblik aan. De kindsheid heeft haar eigen schoonheid; onschuld ligt als een hemelsche -sluier over het aardsche beeld. Ook daarin is veel veranderd. Gij herkent mij zoo -weinig als ik u. Maar ook dit zal weêr veranderen. Als eerst de ziel slechts wedergeboren -en tot kinderlijke reinheid terug gebracht is, zal het lichaam wel volgen. Welk een -vooruitzicht! Een nieuwe ziel in een nieuw lichaam! Beide, als de phenix, uit haar -asch herboren; beide met onvergankelijke jeugd getooid! Lieve jongen! hoe gaare zou -ik u eens in beeltenis aanschouwen, hoe gij er dan wel zult uitzien!.… Maar foei! -ik zie, dat ik eerst nog wel van u leeren mag, mijn tijd geduldig af te wachten! -<span class="pageNum" id="pb118">[<a href="#pb118">118</a>]</span> </p> -</div> -</div> -<div id="ch12" class="div1 story"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e7210">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="main">DE BIBLIOTHEEK.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">** graden <i>Fahrenheit</i>—dat is de rechte hoogte! -</p> -<p>Ach lezer! ik ben op het punt om u een leelijk zwak te bekennen. -</p> -<p>Ik ben.… ik durf het haast niet zeggen.… ik bid u, als gij in een kwade luim zijt, -lees dan dit artikel niet! het mocht u voor altijd een tegenzin tegen mij inboezemen. -Maar, als gij eens in een buitengewoon vergenoegde bui zijt, zoodat gij alles zoudt -kunnen hooren zonder boos te worden, en in staat zoudt zijn uw ergsten vijand te vergeven, -sla dan deze bladzijde op en heb medelijden met het slachtoffer der vreemdste vergissing, -waaraan zich de natuur ooit schuldig maakte. -</p> -<p>Welnu! ik ben een onzinnig liefhebber van vuur! -</p> -<p>Neen, versta mij niet verkeerd, door aan de belijdenis van mijn physiologische zwakheid -een psychologischen draai te geven. Ik spreek niet van dicht-, oorlogs- of godsdienstvuur. -Ik bedoel vuur in den eenvoudigsten, minst overdrachtelijken zin des woords, kortom -vuur, zoo als op den keukenhaard en in de kachel brandt! Was ik een filosoof, ik zou -zeggen: het vuur nu, dat ik bedoel, is die warmtestof, welke door de ontbranding van -hout, turf, steenkolen of andere ontvlambare stoffen wordt voortgebracht. -</p> -<p>Ik beken het, het is leelijk. Als redelijk wezen moest men zich boven zulk een zinnelijke -gehechtheid aan de elementen (of hoe de dingen heeten, sedert het geen elementen meer -zijn) weten te verheffen. Men moest zich van de aarde en het aardsche meer weten los -te maken. Men moest omtrent de verschillende temperaturen dezelfde onverschilligheid -leeren koesteren, die een rondtrekkende vogel daarvoor aan den dag legt, die zich -aan de Ceylonsche rozijnen zat eet, en den dorst, daardoor verwekt, met sneeuw van -den <i>St. Bernard</i> verslaat. UEd. en zeer Gel. heeft gelijk. Ik zal meer toegeven. Zich aldus aan koû -of warmte te laten gelegen liggen, is afstand doen van een onzer eerste menschelijke -privilegiën, van namelijk over de geheele aarde te huis te zijn, en den contrôleur -onzes lichaams naar het klimaat, waarin wij ons bevinden, te regelen. Maar UEd. en -zeerGel. is <span lang="la">Philosophiae Doctor</span>, en ik niet, en dat scheelt veel. Ik word er ambts- noch eershalve toe geroepen, -een <i>impermeable</i> van ongevoeligheid om <span class="corr" id="xd31e3493" title="Bron: mij">mijn</span> gevoelige leden te slaan, en, om het nu eens kort en lomp te zeggen: ik <span class="pageNum" id="pb119">[<a href="#pb119">119</a>]</span>heb een natuurlijken afkeer tegen al wat Stoïcijn heet. Ik word er niet voor betaald, -zulk een lastige en moeielijke rol te spelen; ik heb mij bij den regisseur van het -groote wereldtooneel voor het karakter van overgevoelige geëngageerd,—en ik mag bevriezen, -eer ik dat engagement breek! Ik wil pleizierig vinden, wat mij pleizier doet, en onaangenaam -wat mij niet bevalt. Ik wil zelfs nu en dan <i>sybariet</i> zijn, en tegen een gekreukeld rozenblad morren en als gij mij het recht daartoe betwist, -zal ik zoo vrij zijn u te zeggen, dat—UEd. een <span lang="la">Philosophiae Doctor</span> is. -</p> -<p>Zoodat, ik hou dol van vuur; en niet zoo, dat ik alleen een vijand van koû ben. Neen! -ik ben evenzeer een vijand van een gematigde temperatuur; ik hou van heet, positief -heet. Overal waar ik kom, ben ik een geducht mededinger voor hond of kat, die gaarne -de eerste stralen van de koesterende kamerzon voor zich nemen; en reeds dikwijls zijn -daardoor de zachtste deelen van mijn onderstuk in gevaar geweest van kennis te maken -met de hardste ledematen van mijn tegenpartij. Wie mij lief heeft werpt, als hij mij -ziet aankomen, nog in de vlucht een extra-blokje op het vuur. En meer dan een dame -van mijn kennis, die mij om die onzindelijke passie niet lijden mag, neemt altijd -juist een nieuw kooltje uit den haard in haar test, als ik binnenkom. Mijn gehardheid -tegen een groote hitte is zelfs een natuurkundige zeldzaamheid, waaromtrent ik het -niet eens ben, of ik die salamanderachtigheid van mijn huid aan een grillige speling -der natuur, of aan een hardnekkige oefening moet toeschrijven. Dit is nu zeker iets -zeer bijzonders, zeer bizars en zeer onaangenaams. Maar mag ik zoo vrij zijn te vragen, -wat mijn lezer doet, als hem in de constructie van zijn lichaam het een of ander niet -bevalt? Tot mij te zeggen, wees dan zoo koûelijk niet! is of men een kreupele gebood: -maar loop dan toch zoo niet hinken! gebruik uw beide beenen toch!—Wat baat het immers, -of ik het al verfoeilijk verwaand en aanmatigend vinde, voor mij, brandnetel in Gods -hof, de broeikaswarmte van den edelen ananas te eischen? Ik kan er niet tegen: de -natuur is sterker dan ik. Nooit beging zij grooter misslag, dan toen zij mij, wiens -lichaam de onbeschaamdste vuuraanbidder is die er leeft, in een land deed geboren -worden waar men van de zon der <i lang="en">fireworshippers</i>—leest. Iederen dag, dat ik mij weêr in de ruime lucht begeef en mij daar zoo veel -mogelijk in het brandpunt van onze bleeke dagmaan<a class="noteRef" id="xd31e3509src" href="#xd31e3509">1</a> plaats, met het gevoel van een wrange October-druif, wier kleurloos gezicht de natuur -stilzwijgend verwijt, dat zij haar te veel zuur voor zoo weinig gloed, of te weinig -gloed voor zoo veel zuur gegeven heeft, vernieuw ik met haar den ouden twist. Indien -ik een gissing durfde wagen, zou ik zeggen: ik behoor hier niet! ik ben hier een <i>exotische</i> plant.—Ik heb mij wel eens laten vertellen van zekere steenen, die bij een onweder -uit de lucht komen vallen, waarvan men verhaald heeft, dat zij van de algemeene verwarring -daarboven gebruik maken om van de een of andere planeet op <span class="pageNum" id="pb120">[<a href="#pb120">120</a>]</span>aarde te komen rollen. Welnu—ik ben zulk een onweêrssteen. Ik ben door een noodlottige -vergissing van de een of andere warmer star op aarde verdwaald geraakt. Wie weet! -misschien ben ik oorspronkelijk wel „een Zoon der zon” in de meest eigenlijke beteekenis. -Hoe het zij, het is droevig, en ik noem het onmenschelijk, wanneer men het mij ten -kwade duidt, dat ik, die in het zomerhalfjaar zoo veel van mijn competente portie -van warmtestof te kort kome, dat deficit zoek te vergoeden door in het winterhalfjaar -mijn schâ zooveel mogelijk in te halen. -</p> -<p>In den winter— -</p> -<div class="lgouter"> -<p class="line">Dan zomert het binnen bij beukstam en veen, </p> -</div> -<p class="first">zingt de Dichter: goed, maar met dit gelukkig onderscheid, dat dan ieder zijn eigen -Hore kan zijn, en den zonnewagen zoo dicht bij zijn gestarnte rollen als hij verkiest. -Dan wordt men door geen tyrannieke wetten van aantrekkings- of afstuitingskracht gedwongen, -zijn corpus altijd op denzelfden eerbiedigen afstand van vijfentwintig jaren (kanonskogelmaat) -van het verwarmend middelpunt te houden. Zalige tijd! Dan heb ik niet naar boven te -zien, om mij te beklagen, dat de hond in den dierenriem noch niet dol van hitte, en -de kreeft noch niet rood gekookt is door het vuur dat onder hem gestookt wordt. Dan -maak ik met mijn thermometer mijn eigen <i>zodiac</i>, en schep naar verkiezing een Oostersche, ja, een Keerkringswarmte. -</p> -<p>Lach mij uit, zoo gij wilt; naast mijn haard gezeten trotseer ik u, en daag u uit -mijn genoegen door uwe spotternij te bederven. O, mijn redelijke en zedelijke lezer, -in de stemming van algemeene menschenliefde, waarin mijn tegenwoordig lekkere atmosfeer -mij brengt, kan ik niet nalaten u tegen wil en dank een wensch op te dringen: het -is, dat gij ook in den wereld iets stoffelijks zoo lief moogt hebben, als ik mijn -vuurtje! Rijkdom, liefde, roem, macht, het is alles bedriegelijk en aan verandering -onderworpen; maar iets materieels als een vlammende haard deelt in die wisselvalligheid -niet. Altijd is hij heet, even heet, en even gereed mij te verwarmen. Ontrouw grieft -hem niet. Na een geheelen zomer in donkere eenzaamheid gekwijnd te hebben, is in het -najaar een blozende glimlach zijn eerste welkomst. Verkwisting put hem niet uit, want -al heeft hij den vorigen dag stapels hout verslonden, een oogenblik, en hij brandt -weêr met dezelfde geestdrift. Zijn schoonheid is onvergankelijk; want al teisterden -hem de jaren, zijn wang blijft rood, zijn oog vonkelen, zijn geheele houding is vol -vuur en leven! En wat niet minder zegt, terwijl van den anderen kant de vatbaarheid -voor de meeste der overige genoegens met den leeftijd vermindert, de vatbaarheid om -zich te verwarmen neemt met de jaren eer toe dan af. Hoe ouder men wordt, hoe meer -onze rechten op een sterke dosis warmte erkend en geëerbiedigd worden; en, wanneer -ik aan sommige volken denk, die de weelde zoo ver drijven van na hun dood niet weg -te slinken, maar weg te knappen, dan moet ik zeggen—dat die een zeer warm uiteinde -hebben. -<span class="pageNum" id="pb121">[<a href="#pb121">121</a>]</span></p> -<p>Intusschen verzoek ik mijn haastigen lezer, zijn vlug oordeel over de mogelijke gevolgen -van zulk een <span class="corr" id="xd31e3535" title="Bron: hartocht">hartstocht</span> nog een oogenblik op te schorten. Zoo protesteer ik er volstrekt tegen,—en verzoek -dat mij van dit protest acte verleend worde,—dat ik aan deze warmteliefde mijn winterplichten -of eenigen anderen plicht hoegenaamd zou opofferen. Ook heb ik daartoe geen verzoeking. -Want ik bid u instantelijk, mijn vuurzucht niet te verwarren met de lafhartige vrees -voor koude, die sommige menschen bezielt. Ik kan u zeggen, dat ik „van haar en van -hen” een vinnigen afkeer heb. Ik zeg met de liefhebbers: kou is gezond! dat spiert -de spieren en spant de zenuwen; dat verstaalt het bloed, als het metaal de minerale -wateren; dat verfrischt den adem, zoo als het de lucht doet; dat verhardt den mensch -met den grond, waarop hij gaat. Alles waar! Ook mag ik gaarne een helderen kouden -winterdag, wanneer u van de lippen van het blonde Noorden „gezondheid tegenvlot.” -En een schoone winternacht, wanneer de sterren zoo koud en klaar aan den hemel tintelen, -als de juweelen op het sneeuwbed aan uw voeten—willen wij <i>pariëren</i>, wien van ons beide de klapperman daarin het eerst buiten zal aantreffen? Gij gevoelt -dus, dat ik om een kouden tocht geen zieken vriend of armen buurman onbezocht zal -laten. Herinner u mijn St. Nicolaas-wandeling maar! Ja, ik durf meer zeggen. Toen -de Koning zijn trouwe onderdanen opriep, om hem den dienst van hun arm te leenen, -verliet ik mijn kamer, waar ik juist mijn kachel had laten zetten, zonder omzien, -en trok met een warm hart den vijandelijken winter tegen. En ofschoon de Novembermaand -van 1830 al een zeer barre maand was, met de hand op het hart kan ik zeggen, dat ik -geen oogenblik om mijn vuurtje gezucht heb. Herinnert gij, die met mijn vuurpassie -spot, u den nacht van 24 op 25 November nog? Gij herinnert hem u wel, mijn vrienden! -die hem met mij in een stroohut doorbracht, waarin de kegels aan de sparren hingen, -die ons verwarmden, en de soep aan den rand van den emmer bevroor, waaruit wij het -maal onzes bescheidenen deels moesten opdiepen! terwijl wij van tijd tot tijd verzocht -werden, op den omloop van een nabij gelegen molen, gedurende een paar uur proef te -gaan nemen, hoeveel de koude op dien hoogeren stand die van ons Laplandsch verblijf -beneden nog te boven ging. Wie uwer, die ik hier met name zou kunnen noemen, herinnert -zich uit dien nacht iets van een wapenbroeder, die tegen de koude morde of het geweer -niet recht in de verkleumde armen droeg? -</p> -<p>Verschoon mij, vriendelijke lezer! Ik moest mijzelven daar in ’t voorbijgaan eens -prijzen. Gij die reeds zoo veel van mij weet, moet toch ook weten, dat ik, met al -mijn overgevoelige theoriën, een praktisch liefhebber van mijn vaderland ben. En daarenboven, -Mijneheeren! is de aanhaling <i lang="la">in casu</i> van toepassing, daar er mijn <span class="corr" id="xd31e3545" title="Bron: klient">kliënt</span> ten hoogsten aan gelegen ligt, niet voor een kleumschen luiaard of vertroeteld <span class="corr" id="xd31e3548" title="Bron: ittebroodskind">wittebroodskind</span> te worden gehouden. -</p> -<p>Het is waar ook, ik zou u iets van mijn Bibliotheek verhalen. <span class="pageNum" id="pb122">[<a href="#pb122">122</a>]</span>Maar ik kon niet zoo lomp op mijn onderwerp vallen, zonder eerst mijn hulde en dank -gebracht te hebben aan mijn warmen vriend en buurman, die mij in zulk een aangename -stemming van geest brengt, dat ik den lust niet kan wederstaan, een schoon velletje -papier en een nieuw versneden pen te nemen, om aan mijn genoegen schrijvende lucht -te geven. Besteedt menig Dichter een goed deel van zijn vers aan de oproeping van -de Muze, die hem bezielen moet, dan mag ik wel een gedeelte van mijn opstel aan mijn -kachel wijden, die de bezielende geest van mijn schrijflust is. <i lang="la">Calescimus illo!</i> En indien gij een menschlievend mensch zijt, die gaarne in eens anders vreugde deelt, -dan moet het u goed doen, zoo dadelijk aan het hoofd van deze schets, de uitboezeming -van een tevreden en dankbaar hart te vinden. -</p> -<p>En hoe kan het anders? hier zit ik op mijn aangename <i>comfortable</i> kamer. Mijn trouwe huisklok staat voor mij, en telt voor mij de gelukkige oogenblikken, -die ik beleef, terwijl mijn hart zoo rustig in mijn boezem spint als de poes, die -op de warme kruk? bij het vuur ligt. <span class="sc">Editha</span> en <span class="sc">Judith</span> blijven als vaste starren ieder in haar sfeer, zonder, zoo als wel eens gebeurt, -als onrustige kometen door het huis te zwerven. De hagel kletst tegen de ruiten en -op den hemel van de koetsen, die mijn huis voorbij rollen om hun opgeschikte vracht -naar de komedie te brengen, waar voor de zevende maal <span class="sc">Raton</span> door <span class="sc">Bertram</span> bij den neus, en het publiek door den bureaulist bij de beurs zal genomen worden. -Het is iets ongeloofelijk rustigs in zijn huisjapon te zitten, als anderen zich de -moeite geven hun beste pak naar een tentoonstelling te dragen. Mijn kachel—doch daarvan -heb ik reeds gesproken. Maar waarvan ik nog niet gesproken heb, is mijn Bibliotheek! -</p> -<p>Van den oudsten tijd af zijn gordijnen iets geheimzinnigs, waarvan de reden veel gemakkelijker -te vinden is, dan <i lang="la">lucus a non lucendo</i>. Reeds als een een kleine jongen stond ik met glinsterende oogen naar de bonte hoes -te loeren, die de <i lang="la">causa movens</i> der marionetten voor mij verborg. Wat ouder geworden, stond ik met de dezelfde nieuwsgierige -verbeiding voor het doek, waarop <i>der kunsten God aan ’t Y</i>, veel te lang voor mijn ongeduld, <i>verdiensten en deugd alleen</i> bekroonde. Als jongeling hadden weêr schoone gestalten, wier schaduwen zich in schemerende -omtrekken op een nijdige gordijn teekenden, voor mij haar eigenaardige aantrekkelijkheid. -Maar nooit rustte mijn oog met grooter verwachting op eenig voorhangsel, dan op het -dikke groene kleed, dat ginds mijn boeken in hun plankenwoning van de buitenwereld -scheidt. En toch, nooit vond mijn verwachting volkomener vervulling. Anders—laat men -er u voor waarschuwen, mijn jonge vrienden!—zijn gordijnen niet veel te vertrouwen. -Meestal zijn het bedriegelijke sluiers, die de hebzucht of de ijdelheid over de nietigheid -der aardsche dingen spreidt. Althans sedert ik mij menigmalen, achter het doek getreden, -den prijs beklaagde, dien ik er vóór staande betaald had, heb ik een besluit genomen, -voortaan alle overdekte geheimen geheim te laten, en mij met het ontdekte en bekende -te behelpen. Maar <span class="pageNum" id="pb123">[<a href="#pb123">123</a>]</span>dit moet ik tot eere van mijn Bibliotheek zeggen, zij is een uitzondering op den regel. -Achter haar nederige gordijn liggen schatten verborgen, waarvan gij op het aanzien -van verre geen vermoeden zoudt hebben. Met welk een begeerlijke hand ik haar ook immer -opsloeg, altijd liet ik haar met nog grooter voldoening vallen, als ik den Auteur, -dien ik aan haar schaduw onttrokken had, weêr aan haar bescherming toevertrouwde. -Ja, mijn eenvoudige voorhang! Gij bedekt voor mij een geheele schoone wereld van gezichten -en droomen! Gij bewaart voor mij den ingang tot het Heilige der wetenschap, tot het -Allerheiligste der hoogste kennis! Gij overspreidt als een wolk het <i>Elysium</i>, waarin de Wijzen en Edelen van alle tijden voor mij herleven, en mij met hunne godenstemmen -toespreken! -</p> -<p>Dat klinkt wat opgewonden, niet waar? Maar mijn Bibliotheek is ook zóóveel voor mij! -</p> -<p>„Menschen”, schrijft een vaderlandsch Humorist, „die genoodzaakt zijn de ruime wereld -door te trekken met even weinig deelneming, als een vogel door de lucht vliegt, of -als Mr. <span class="sc">Sharp</span> in zijn reiskoets <i>Italië</i> doorrolde, heeft de Hemel deswegens vertroost, door hen te plaatsen in hunne studeerkamer, -in eene maatschappij van boeken, en de macht verleend om rondom zich een papieren -wereld te scheppen, waarvan zij de onafhankelijkste wetgevers zijn.” -</p> -<p>Zou de man gelijk hebben? Ten minste ik heb het daaraan toegeschreven, dat mijn kleine -boekverzameling zulk een ruimte in mijn hart en in mijn leven vervult. -</p> -<p>Ziet ge, niet alle menschen, die ’s avonds na gedaan dagwerk t’huis komen, komen op -dezelfde wijze t’huis. Er is bijvoorbeeld een Tehuiskomst, door mijn lievelingsdichter -beschreven: -</p> -<div class="lgouter"> -<p class="line">Goeden avond, hartig wijf, </p> -<p class="line xd31e490">Mijn geluk en lust! </p> -<p class="line">Dat mij vurig prangt aan ’t lijf, </p> -<p class="line xd31e490">En mij welkom kust. </p> -<p class="line">Goeden avond!— </p> -<p class="line">Eerst nu ’t wiegkleed opgedekt </p> -<p class="line xd31e490">Van het speelziek wicht, </p> -<p class="line">Dat de handjes tot mij strekt, </p> -<p class="line xd31e490">Reeds met de oogjes digt. </p> -<p class="line">Eerst mijn kussen omgedeeld. </p> -<p class="line xd31e490">Tusschen al mijn kroost, </p> -<p class="line">Dat mij hand en wangen streelt, </p> -<p class="line xd31e490">En mij kust en koost. </p> -</div> -<p class="first">Dat is weêr anders, dan wanneer men ’s avonds in zijn woning terugkeerende niets te -vragen heeft, dan: <span class="sc">Judith!</span> is mijn kamer in orde?—Nauwelijks heeft de oude Ja gezegd, of vijf minuten later -sta ik voor de gordijn—van mijn boekenkast. Dat zijn mijn lievelingen, mijn speelpopjes, -mijn kinderen! Die moeten door hun onthaal mij de moeite van mijn dagelijkschen arbeid -beloonen. Die moeten <span class="pageNum" id="pb124">[<a href="#pb124">124</a>]</span>door hun gesnap mij den langen avond korten. Die moeten door hun lachjes mijn rimpels -verdrijven. Die moeten mij van liefde en geluk spreken!—Brr! het mislukt hun wel eens. -Gij zoudt mij soms wel eens vinden, met de hand waaraan het geopend boek ontzonken -is onder het hoofd, en in diep gepeins verloren, terwijl mijn papieren kroost vruchteloos -de handen naar mij uitstrekt en mijn aandacht zoekt te trekken. Maar dat zijn maar -enkele donkere buien, die straks weêr afdrijven. Over ’t algemeen heb ik mij over -mijn Bibliotheek, noch zij zich over mij te beklagen. Veeleer heeft zij alle reden -van roemen; want—wat zoo hatelijk voor een boekvertrek is—nooit dringen er dartele -gasten binnen, om van mijn folianten een vesting te bouwen, die zij daarna met mijn -<i>duodecimo’s</i> beschieten. En evenmin heeft zich ooit een van mijn boeken te beklagen, dat er onder -het lezen op eens een vriendelijke gestalte achter mij staat, die met een zachte hand -mijn peinzend voorhoofd streelt, hetgeen zoo licht een geheele stoornis in de lektuur -veroorzaakt.—Neen, als ik eens haar drempel ben overgetreden, <i lang="la">sum totus in illo</i>. Dan ben ik enkel boek: dan verdiep ik mij welhaast zoo geheel in de wereld, waarin -zij mij inleidt, dat ik de wereld buiten mij vergeet. Inderdaad, na een Bibliothekaris -geloof ik niet, dat een Bibliotheek een beter meester hebben kan, dan mij. -</p> -<p>Nu ik moet haar de getuigenis geven, het is bij haar: liefde voor liefde. Ik zou vruchteloos -beproeven u een denkbeeld te geven van het genoegen, dat ik haar te danken heb. -</p> -<p>Zoo is het bijvoorbeeld heerlijk reizen, dat ik doe. Ik begin met mijn reispak aan -te trekken. Dit bestaat uit een blauwdamasten kamerjapon met driekleurige sjerp, fluweelen -kalotje en saaietten pantoffels, door de hand van <span class="sc">Editha</span> gewerkt. Daarna neem ik plaats op mijn voertuig. Een hooge stoel met breeden rug, -lage zitting en bekleede armen. Na mij alzoo in postuur te hebben gezet, geef ik het -teeken van vertrek.… het boek valt open.… en binnen vijf minuten rij of zeil of stoom -ik dat het een aard heeft. Ha! hoe het er over heen gaat! De zevenmijlslaarzen uit -de fabel loop ik wel tienmaal voorbij. Indien iemand tegen mij zou kunnen reizen, -moesten het de heksen van den <i>Bloksberg</i> op haar bezemstelen zijn. Belangrijke tochten, die ik alzoo doe! De hoogste hoogte -van den <i>Montblanc</i> wordt door mij betreden, tot in de diepste laagte van den <i>Vesuvius</i> daal ik af; nu wasch ik mijn handen op den <i>Chimboraço</i> in de wolken, dan zoek ik in een duikersklok op den bodem der zee de schatten, waarvan -de <i>Peri’s</i> zingen. Nu nader ik tot aan de „schatkameren der sneeuw en de schatkameren des hagels;” -dan zwerf ik door de diepten, waar het zout groeit en het ijzer geboren wordt; nu -zie ik de aarde <i lang="fr">à vol d’oiseau</i>, dan <i lang="fr">à vue de taupe</i>. Vreemde en gevaarlijke uitspanningen, die ik mij daarbij veroorloof! Ik hengel met -den harpoen naar walvisschen, zet olifantsknippen uit, jaag op arenden en klipgeiten, -ga uit tijgeren met tijgerstrikken, botaniseer aloë’s en kokosnoten, en <span class="pageNum" id="pb125">[<a href="#pb125">125</a>]</span>antiquariseer pyramides en andere kleinigheden. Dit niet alleen. Door het aanzien -van mijn reisgenooten, zie ik veel meer dan de gewone reiziger. Ik dring met onzen -<span class="sc">Van Braam</span> in de audiëntiezaal van den Keizer van <i>China</i>; <span class="sc">Lamartine</span> opent mij den toegang tot de Koningin van <i>Palmyra</i>; <span class="sc">Byron</span> leidt mij in bij <span class="sc">Ali</span> van <i>Janina</i>; zelfs ontsluit Lady <span class="sc">Montague</span> mij den harem des Sultans. En dat alles zonder eenige vermoeienis of hinder! De slapelooze -zon der Morgenlanden moge met „ongebogen stralen” op mijn hoofd branden, de Noordpool -mij met haar kouden adem in het gezicht blazen, ik blijf er kalm onder. Ik ben getuige -van de vreeselijkste stormen, hoor de verschrikkelijke monsters brullen, adem de verpestendste -dampen in, drink sneeuw aan de bron en gluur door de tralies van den grooten aard-oven, -zonder er het minste kwaad van te hebben. Het is wonderlijk! Er bestaat tusschen mij -en mijn reisgenoot een zonderlinge graad van sympathie. Ik zou haar willen vergelijken -met die van <span class="sc">Meleager</span> voor zijn houten dubbelganger, wiens brand hem mede verteerde; maar met dit onderscheid, -dat het vuur, hetwelk den ander verschroeit, mij niets dan een pleizierige warmte -veroorzaakt. De schokken, die zijn zenuwen dreigen te verscheuren, kittelen de mijne -op een aangename wijze; de angsten, die zijn gestel uit elkander schudden, veroorzaken -het mijne een genoegelijke huivering; het verschrikkelijke en medelijdenswaardige -van zijn toestand wordt voor mijn gevoel in een zoete <i lang="la">voluptas tragica</i> gedistilleerd. Gelukkige kamerreizigers! Zij laten de reizigers rondom de wereld -de kastanjes uit het vuur halen, waaraan zij zich te goed doen. -</p> -<p>Maar niet alleen voert mijn Bibliotheek mij door de aarde zoo als zij is en haar bewoners -zoo als zij zijn; maar zij voert mij ook naar een aarde zoo als er geen is, en bewoners -zooals er niet zijn. In haar schoot berust het houten zwaard van Arlequin, dat u met -een tooverslag uit de wezenlijke wereld naar een wereld van verbeelding verplaatst. -Zij verstaat de kunst om den draak van den tuin der Hespriden te verschalken; de Gelukkige -Vallei is voor haar niet verborgen; de hal van <i>Eblis</i> weigert haar geen toegang; het eiland van <i>Prospero</i> daagt voor haar uit de zee; het paleis van <span class="sc">Mahomed</span> ontsluit zijn gouden poorten; de Cherub van <i>Eden</i> draagt voor haar geen vlammend zwaard; ja, de Engelen ontzeggen haar niet een enkelen -blik in hun zalige verblijven te werpen. Dat is iets heerlijks! O, het is op aarde -wel schoon en goed, en zij is, zoowel als eenig ander deel der schepping, een tooneel -van Gods almacht en liefde: de vrome <span class="sc">Camphuijzen</span> heeft gelijk: -</p> -<div class="lgouter"> -<p class="line">Och, waren alle menschen wijs, </p> -<p class="line xd31e490">En deden daarbij wel, </p> -<p class="line">Deze aarde ware een paradijs. </p> -</div> -<p class="first">Maar toch is het een wellust voor iemand, wiens verbeelding verder reikt dan zijn -oog, zich somwijlen met zijn geest in een volmaakter schepping te verplaatsen, waarvan -het onvolmaakte der oude aarde is <span class="pageNum" id="pb126">[<a href="#pb126">126</a>]</span>afgescheiden, de borst, door de nevelen van onzen dampkring beklemd, in een zuiverder -aether te verruimen en te verkwikken, en zich in een eeuwige lente over de winters -der aarde te troosten. Toch is het een wellust voor iemand, wiens verwachting verder -reikt dan zijn gezicht, zich de nieuwe aarde te droomen, „<span lang="nl">nederdalende uyt den hemel, als een bruyt die haren manne verciert is</span>;” of als Mozes in verrukking de woning in de lucht te aanschouwen, die men later -in wezen hoopt te zien. Gelukkig alzoo voor hem, die dit verlangen in zich voelt ontwaken, -dat hij Dichters en Zangers gereed vindt om hem op zulk een luchtreis te geleiden. -Gelukkig wie <span class="sc">Dante</span> en <span class="sc">Tasso</span>, <span class="sc">Shakespeare</span> en <span class="sc">Moore</span>, <span class="sc">Vondel</span> en <span class="sc">Bilderdijk</span>, <span class="sc">Klopstock</span> en <span class="sc">Schiller</span> kan oproepen, om hem op de vleugelen van hun rijker verbeelding en stouter genie -tot die hoogte op te heffen. O, wie ook, zwaar van hoofd en zwaar van hart, door zijn -ongeloof de bezwering dier Toovenaars moge verbreken; wie zich door hen moge laten -omhoog voeren, als de schildpad door den arend in de fabel; ik niet alzoo. Ik geef -mij gaarne en gewillig aan hunne leiding over: ik zie hunne gezichten, ik droom hunne -droomen, ik smaak hunne wellusten. Mijn nederige cel! Niemand zou vermoeden, welke -betoovering dikwijls voor uw bewoner uw eenvoudig verblijf in een heerlijk lustoord -veranderde. Niemand zou kunnen denken, dat die lompe gordijn visioenen verbergt, waarbij -al wat er ooit schitterends van achter een tooneelgordijn te voorschijn kwam, poppenspel -is. Niemand zou gelooven, dat die kleine trap, die mij naar de bovenverdieping van -mijn Bibliotheek voert, dikwijls een Jacobsladder is, die mij helpt om ten hemel op -te klimmen. Heerlijke poëzij! Hoe wèl voegt gij op een aarde, die een verloren paradijs -beweent en een herwonnen paradijs verwacht! -</p> -<p>Maar niet alleen voert mijn Bibliotheek den huiszittende naar andere gewesten, maar -zij brengt ook den eenzame onder andere menschen. En welke menschen! Onder de wijssten, -de edelsten, de grootsten, de welsprekendsten van alle tijden. Hier staan zij allen -op een rij geschaard, gereed om op den eersten wenk tot mij te komen en zich met mij -te onderhouden. Ja, wat meer is, om mij als met den room van hun geest, den bloesem -huns harten en het merg van hun vernuft te voeden. Gelukkige uren, die ik, onwaardige, -in den kring dezer voortreffelijken doorbreng. En welk een verrukkelijke afwisseling -bieden zij mij aan! Nu is het mij, of ik mij op de markt van <i>Athene</i> bevinde, en de donders van <span class="sc">Demosthenes</span> tegen den Dwingeland hoor losbarsten; dan verteedere ik mij onder het gehoor van -<span class="sc">Tullius</span> over den schuldig-onschuldigen <span class="sc">Ligarius</span>; straks voel ik mijn hart breken over het ellendig schouwspel van de in het stof -wentelende <span class="sc">Hecuba</span>; wil ik mijn smart daarover verzetten, ik ontspan mij met de snakerijen van den groot -sprekenden <span class="sc">Thraso</span>; elders wederom meng ik mij onder de feestvierende schare, die het Olympisch worstelperk -omringt, maar de hoogste kroon toekent aan den zanger, die de kroon <span class="pageNum" id="pb127">[<a href="#pb127">127</a>]</span>des overwinnaars verheerlijkt; of begeer ik zachter tooneelen, ik ben getuige van -de onschuldige dartelheid van <span class="sc">Nausikaä</span>, de ondeugende schalkheid van <span class="sc">Eunika</span>, of sta als rechter over de zangen van <span class="sc">Menalcas</span> en <span class="sc">Damoetas</span>. Op andere tijden daarentegen verlaat ik den klassieken bodem, om mij met mijn geest -in later dagen te verplaatsen. Dan vergezel ik <span class="sc">Dante</span> op zijn geheimzinnige tochten; dan laat ik mij door <span class="sc">Racine</span> in de schoone wereld overbrengen, die zijn maagdelijk reine verbeelding zich opende; -dan dool ik aan de zijde van <i>Schotland’s</i> Meistreel langs de schilderachtige bouwvallen, door het genie des dichters met een -tooverachtigen gloed bestraald; dan zie ik met bewondering in <span class="sc">Göthe’s</span> <i>Ifigenia</i> den geest van een jong leven in een beeld der oudheid geblazen. Maar bovenal dan -verrukken mij de heerlijke scheppingen der vaderlandsche kunst. Dan adem ik, luisterziek -over <span class="sc">Hoofts</span> luite heengebogen, de balsemluchten van <i>Florence</i>; dan hoor ik, aan <span class="sc">Vondels</span> lippen geboeid, hemelsche stemmen in den aardschen kerstnacht klinken; dan roepen -de zangen der <span class="sc">Van Harens</span>, als een droomgezicht, schooner dagen voor mij terug; dan vermeide ik mij met <span class="sc">Bilderdijk</span> in den aanblik van het jeugdige aardrijk; dan beluister ik <span class="sc">Tollens</span> onder zijn kinderen in de uitboezeming van het zuiverste menschengevoel, dat ooit -een menschenhart deed kloppen. Eileive, vraag mij dus niet, of ik tot eenige, en tot -welke school ik behoore. Vergun mij geen school te kiezen, maar een <i lang="la">eclecticus</i> te blijven. Waar ik het schoone vinde, al is het onder het stof der oudste oudheid, -al is het onder het waas der nieuwste nieuwheid, laat mij toe het schoon te vinden. -In mijn Bibliotheek heerscht een algemeene vrede, gelijk die van 1815. <span class="sc">Aristoteles</span> verbroedert zich met <span class="sc">Shakespeare</span>, <span class="sc">Socrates</span> met <span class="sc">Mirabeau</span>, <span class="sc">Horatius</span> met <span class="sc">Victor Hugo</span>, <span class="sc">Quinctilianus</span> met <span class="sc">Jean Paul</span>. Kan het anders of het schouwspel dier onderlinge verdraagzaamheid moet ook mij tot -onpartijdigheid stemmen? -</p> -<p>Gij zoudt lachen, mijn deftige lezer, indien ge mij somwijlen zaagt, terwijl ik mij -in de beschouwing en genieting dezer heerlijke schatten verdiepe. O, het hart kan -mij daaronder zoo hoog slaan! Zoo kan ik het met geen woorden beschrijven, wat ik -gevoel, wanneer ik zoo dikwijls bij mijn schrijver menige gedachte, menige gewaarwording -uit mijn ziel gestolen vinde, als hadden zij achter mij gestaan of in mijn hart gelezen. -Bovenal wanneer ik die gedachte of gewaarwording duidelijker zie uitgesproken, dan -ze in mijne ziel schemerde. Wanneer ik een lievelingsdenkbeeld, lang weifelend bij -mij omgedragen, en beurtelings aangenomen of verworpen, door een vreemd en groot gezag -bevestigd vinde, dat aarzelende hope in vast geloof verandert! Wanneer ik in de droomen -van anderen mijne droomen herkenne, maar helderder gedaagd, aanschouwelijker gemaald -en schooner gekleurd! Wanneer ik door den mond van anderen het voor mij <span class="corr" id="xd31e3837" title="Bron: onuitspekelijke">onuitsprekelijke</span> hoor uitgesproken en alleen zeggen kan: <i>Anch’ io!</i>—O, het is heerlijk! En al is het, dat er geen dadelijke overeenkomst van gedachten -tusschen <span class="pageNum" id="pb128">[<a href="#pb128">128</a>]</span>mij en mijn Auteur bestaat, welk een aangename gewaarwording evenwel, zich aan de -voeten dier groote geesten neder te zetten en den honing der wijsheid van hun lippen -op te vangen. Voorzeker, het is een nietig mensch, die het geen wellust vindt, grooter -zielen aan te treffen dan de zijne; klaarder spiegels, waarin het verheven-goddelijke -en schoon-menschelijke helderder afschijnt; teederder snaartuigen, die door het hemelsch-majestueuse -en het aardsch-bevallige lichter en welluidender geroerd worden; zuiverder wierookvazen, -die voor het eeuwig-heerlijke en het tijdelijk-beminnelijke met reiner vlammen branden. -O, wanneer ik alsdan in zulke groote zielen lezende, daarin minder dan in de mijne -het beeld des Scheppers verdonkerd en uitgewischt vinde, hoe verheft zich mijn geest -bij de gedachte: „<span lang="nl">Wy syn Godts geslachte!</span>” Hoe hoog klopt mijn hart over mijn verwantschap met die toonbeelden van menschen-adel! -Ja, dan versterkt zich niet alleen mijn hope op een ander leven, maar het krijgt tevens -voor mij als ware het een herkenbare gedaante. Was het dat ik mijzelven wel eens in -moedeloosheid afvroeg, hoe ik eenmaal aan het ideaal zou beantwoorden, dat zich mijn -geest van den verheerlijkten mensch vormde, het was of ik bij hen daarvan reeds eenige -trekken ontwaarde. Wanneer een <span class="sc">Bossuet</span>, zoo met recht de adelaar van <i>Meaux</i> genoemd, wiens arendsoog een blik op de ongeschapen zon kon werpen zonder duizelig -te worden, mij tot voor den troon des Eeuwigen voerde. Wanneer <span class="sc">Fenelon</span>, zoo treffend de zwaan van <i>Kamerijk</i> geheeten, in de uitboezemingen zijner engelzachte ziel woorden scheen gevonden te -hebben voor de onuitsprekelijke teederheid der hoogste liefde. Wanneer onze <span class="sc">Chrysostomus</span>, wiens naam eerbied op mijn lippen terughoudt, maar door ieder in het hart genoemd -wordt, het aanbiddelijk geheim van de vriendschap des Eeuwigen voor zijn menschenkind -voor zich scheen te hebben opgelost, en in zijn Aartsvaderlijke tafereelen mij in -den Schepper van hemel en aarde den God, wat zeg ik, den Vriend van <span class="sc">Abraham</span> aanschouwen en beminnen deed. Wanneer een <span class="sc">Klopstock</span> in zijn Messias de verhevenheid van den Ziener van <i>Patmos</i> met den liefde-ademenden geest van den <span class="sc">Zebedeus</span>-zoon scheen te vereenigen, en met onnavolgbare kunst het majestueuse van den Zone -Gods met het beminnelijke des Menschenzoons tot een enkel harmonisch beeld ineensmolt. -Dan scheen het mij in zulke oogenblikken, of door die menschen het hemelsche nader -tot mij kwam. Mij dacht, van de leere die zij predikten omtrent de onlosmakelijke -verwantschap tusschen God en den mensch, waren zij niet minder bewijzen, dan getuigen. -In hunnen boezem droegen zij het onderpand eens hoogeren levens om; in hen zag ik -den eersten schalm van die keten van volmaaktheid, die,—duizelende gedachte!—bij den -troon des Oneindigen eindigt!.… O, noem het overdrijving, noem het dweperij, zoo ge -wilt, ik zal er niets anders op antwoorden dan met den wensch, dat gij ten minste -eenmaal dat gevoel kennen moogt, als ik! -<span class="pageNum" id="pb129">[<a href="#pb129">129</a>]</span></p> -<p>Evenwel niet alleen van het goddelijke in den mensch, ook van het menschelijke in -hem laat ik mij door mijn lievelings-schrijvers verhalen. Het is mij zoo wèl en goed, -als door zulk een beschouwing het geloof aan menschenwaarde en menschendeugd,—dat -daar buiten wel eens een schok krijgt,—op nieuw in mij versterkt wordt. Als ik zie -dat er nog zijn, wier hart den indruk van den vinger des Scheppers behield; in wier -bloed „de melk bleef”, waarmede een vrouwenborst hen voedde; wier tranen nog vreemde -smart beschreien en wier handen nog vreemde tranen drogen kunnen. En waarom het ontkend, -dat ik daarbij niet vrij van partijdigheid ben omtrent die halflachende, halfschreiende -Aprilskinderen, die mijn verstandiger lezer met spotachtig schouderophalen Humoristen -noemt? Kan ik het helpen, dat op het klavier van mijn hart die snaren het eerst en -zuiverst klinken, die door hun vingers worden aangeslagen? O, <span class="sc">Yorick! Yorick!</span> hoe meesterlijk verstaat gij de kunst om de toetsen van mijn ziel te bespelen. Verrukkelijke -uren, die ik achter u op uw klein paardje gezeten, en met u over bergen en dalen, -door steden en gehuchten zwervende doorbreng. Wat gaat het mij aan, of gij mij al -langs onophoudelijke kronkelpaden voert, en telkens uw eigen weg schijnt vergeten -te zijn; gij kent toch den weg door het menschelijk gemoed uitmuntend, en, waar gij -ook henen dwalen moogt, in dien doolhof verdoolt gij nooit. Wat vraag ik er naar, -of uw rede dikwijls naar een pijl gelijkt, die door den wind opgenomen, vademen ver -van het doel slingert? Gij weet toch het kortste pad naar mijn hart, en uw doel om -dat te roeren bereikt gij altijd. Wat kreun ik mij er aan, of hier en daar een enkel -woord uw radde lippen ontvalt, dat een voorzichtiger man zou hebben binnen gehouden? -Juist dat uitpakken van uw geheele mars met al wat er goeds en kwaads in u is, met -de argeloosheid van een kind, dat zijn geheele hart voor ons omkeert en leêgstort, -juist die naïve oprechtheid is het, wat mij in u zoo zeer behaagt. Gij bedelt ook -niet om onze bewondering en vergoding; gij vertoont u aan ons als een gemeenzaam vriend -met al uw grootere en kleinere zwakheden, maar ook zoo, dat wij u als een vriend moeten -liefhebben. En wie ook laag op u nederzie, met al uw gebreken zijt gij een heerlijk -man, op wiens menschelijke verwantschap ik trotsch ben. En het is voor mij altijd -een verrukkelijk genot, als het uurtje gekomen is: -</p> -<div class="lgouter"> -<p class="line">Kom, bij ’t vuur de koude ontweken, </p> -<p class="line"> </p> -<p class="line">Zal vriend Yorick voor ons preken. </p> -</div> -<p class="first"><i>Vriend Yorick!</i> helaas, een vriend naar den geest. Een vriend, nooit door mij gezien of gekend! Een -vriend—ik hoop het—later door mij te zien en te kennen! met zoo vele anderen, met -wie mij hier reeds de gemeenschap der ziele verbond, ofschoon het mij nimmer te beurte -viel hun aangezicht te aanschouwen. Heerlijke gedachte! Als al die groote geesten, -die hier in het afgietsel hunner schriften <span class="pageNum" id="pb130">[<a href="#pb130">130</a>]</span>voor mij vertegenwoordigd werden, mij niet meer als schemerende schimmen, maar als -levende gedaanten omringen zullen. O God, hoe zalig moet het in uw hemel en onder -hemelingen zijn, als het ons hier op aarde en onder de aardsche menschen dikwijls -reeds zoo wèl kan wezen! -</p> -<p>Maar, gelukkige die ik ben! Niet alle vrienden dáár in mijn boekenkast dragen dien -naam in een zoo onbepaalden zin. Er zijn er verscheidene onder, die het niet beneden -zich geacht hebben, <span class="sc">Jonathan</span> een nederig plaatsje in hun vriendschap te schenken. Dat is een voorrecht, waarvoor -ik de hand, die ons bij elkander bracht, dankbaar zegene. Het is toch iets eigenaardigs, -het werk van een vriend te lezen of te genieten. Daarvoor gaat het hart nog geheel -anders open dan voor de stem, die wij nooit levende hoorden. Bij het openen van hun -schriften is het alsof zij tegenover ons plaats namen. Onder het lezen is het alsof -hun stem ons toeklinkt, en, wat het voornaamste is, te gelijk met het gevoel van bewondering -dringt zich het gevoel der liefde diep in onze zielen. O, het is zoo gelukkig, met -de hand op een bladzijde, waarop een groot talent schittert of een schoon gevoel spreekt, -te kunnen zeggen: Deze is mijn vriend! en daaronder te ontwaren, wat <span class="sc">Tollens</span> in zijn heerlijken rouwzang op <span class="sc">Borger</span> zoo wèl uitdrukt: -</p> -<div class="lgouter"> -<p class="line">Zoo heb ik hem gekend en ’t hart aan hem gesloten, </p> -<p class="line xd31e490">Het onwaardeerbaar hart met zulk een geest verzaamd, </p> -<p class="line">En mij op de eer verhoogd, met zelfgevoel genoten, </p> -<p class="line xd31e490">Dat zich zoo rein een ziel niet mijner heeft geschaamd. </p> -</div> -<p class="first">Mijne vrienden! die weet, dat uwe werken een plaatsje in mijn Bibliotheek, en gij -zelven een plaatsje in mijn hart hebt; ik dank u voor dat gelukkig gevoel. Weest verzekerd, -dat ik ten uwen opzichte mijn naam niet verloochenen, maar voor u een <span class="sc">Jonathan</span> zijn zal, die zijn grooteren vriend zoowel hulde als liefde wist toe te dragen, en -de kroon op zijn hoofd eeren kon zonder haar te benijden. Moge uw vriendschap, die -mijn kroon is, mij blijven versieren en gelukkig maken! uw genie staat u borg voor -de mijne, mij bevele een liefhebbend harte aan! -</p> -<p>En nu, mijn Bibliotheek! nu zult gij welhaast nog met een nieuw boek vermeerderd worden—ik -durf het nauwlijks zeggen—van mij zelven. Welnu?… Zullen de overige schrijvers, die -ge bevat, mijn heeren en meesters, mij geen zedig plaatsje in hun midden weigeren? -Zullen zij mij niet hard afwijzen en als een onwelkomen indringer uit hun kring verstooten? -Ik weet niet, of de verontschuldiging, die ik voor mijn vermetelheid in de uitgave -van dit boekske heb in te brengen, bij hen voor een verontschuldiging gelden zal. -Er waren er, die meenden, dat de uitdrukking van een warm godsdienstig gevoel, in -een vorm die niet al te streng of somber was, hier of daar verwarmend in een hart -kon vallen, dat niet te preekachtig gestemd was. Het was misschien dwaas, dat ik aan -die inblazing gehoor <span class="pageNum" id="pb131">[<a href="#pb131">131</a>]</span>gaf.… toch was het, geloof ik, geen ijdelheid, die mij daartoe verleidde! Als ik mijzelven -hierin vertrouwen mag, was het, denk ik, meer de hoop, dat ik, die mijn eenzaam leven -niet zoo nuttig voor mijn medemenschen maken kan, als ik.… gewenscht had, daardoor -toch nog eenig nut stichten mocht. Kan ik dit langs dezen weg niet doen, dan zal men -wijs en billijk handelen met mij streng af te wijzen. Ik mag den weg voor anderen -niet belemmeren. Viel het evenwel naar mijn stoutste verwachting anders uit.… lieve -lezer! mijn hart zal u innig danken voor de enkele bloemen, die gij daardoor zult -gestrooid hebben op het anders niet al te bloemrijke pad van <span class="sc">Jonathan</span>! -<span class="pageNum" id="pb132">[<a href="#pb132">132</a>]</span> </p> -</div> -<div class="footnotes"> -<hr class="fnsep"> -<div class="footnote-body"> -<div id="xd31e3509"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e3509src">1</a></span> Waarom niet? <span class="sc">Byron</span> zegt wel van de maan: <i lang="en">Sun of the sleepless</i>. <a class="fnarrow" href="#xd31e3509src" title="Ga terug naar noot 1 in tekst.">↑</a></p> -</div> -</div> -</div> -</div> -<div id="ch13" class="div1 story"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e7217">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="main">OUDE VRIJSTERS.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Ik kan zeer galant zijn. -</p> -<p>Ik bid u, lach niet! Het is waar, dat mijn ouderwetsche figuur met mijn zwart weduwnaarskleed, -dat zoo onveranderlijk is als het kostuum van een standbeeld, mij niet tot den geschikten -persoon maakt om naar de gunst van vrouwen te dingen. Maar eilieve! wie zegt u ook, -dat ik een van die overjaarde <i lang="fr">petit-maitres</i> ben, die van hun leeftijd een schandelijken vrijbrief maken om zich met saterachtige -onbeschaamdheid bij lieve meisjes in te dringen? Zie mij aan en zeg, of ik tot zulk -een wanvoegelijkheid in staat ben? Even weinig behoor ik tot een ander soort van wezens, -die, met een altijd groene jeugd in het hart, niet bemerken willen, dat de Tijd, die -onverbiddelijke Censor, hen reeds lang van de lijst der jonge Heeren geschrapt heeft, -en zich dus niet dan met geweld van de plaats laten dringen, die aan hun jeugdiger -mededingers toekomt. Voor zulk een bespottelijkheid heb ik mijn reeds niet meer éénkleurige -haren weten te behoeden: of liever—want wie kan zeggen, dat hij zichzelven behoed -heeft?—daarvoor heeft mij de gestalte bewaard, waaraan mijn getrouw hart niet ophoudt -zijn hof te maken. Als ik ooit een vrouw met meer dan gewoon welgevallen aanzag, was -het altijd, omdat zij een zweem van de oogen, een enkelen toon van de stem, of eenigen -anderen trek van overeenkomst met <span class="sc">Betsy</span> had. En indien ik, door deze gelijkenis aangetrokken, aan zulk een liefelijke verschijning -buitengewone oplettendheid bewees, het was altijd met een gevoel, dat niet minder -haar dan mijzelven vereerde. -</p> -<p>Dit recht moest ik mijzelven doen. En toch blijf ik er bij, dat ik zeer galant kan -zijn. -</p> -<p>Als gij in een gemengd gezelschap komt, waar ik mij bevinde, zoek mij dan niet in -den kring der Heeren, die rondom den haard staan te praten met een voorkomen van ernst -en gewicht, of het de <i>Rostra</i> van Rome zelve waren; zoek mij noch minder in den vroolijken schitterenden kring, -waarin de gevierde Schoonheid hare onderdanen rondom haren troon vergadert; zoek mij -ook niet bij de goede huismoeders, die gij met bijeengestoken hoofden en gesmoorde -stem over <span class="pageNum" id="pb133">[<a href="#pb133">133</a>]</span>andere goede huismoeders hoort babbelen; zoek mij op een eenzaam plekje, in een donkeren -hoek, op een tochtig plaatsje, ver van de kachel en de punch. Daar zult gij mij in -een hoffelijke houding zien staan, al mijne oplettendheid en beleefdheid toewijdende -aan—een oude Vrijster! -</p> -<p>Een oude Vrijster! De oude Vrijsters mogen u het spotachtig gezicht vergeven, dat -ge bij deze woorden trekt. En al zoudt gij er u nog uitbundiger meê vermaken, het -zal u niet gelukken mij van daar weg te spotten. Ik heb daarvoor menig schrootvuur -van geestige en bittere aanmerkingen moeten uitstaan, maar nu is men met deze gril -bekend en laat mij in rust. Er is slechts één paar meê bedorven, denkt men. -</p> -<p>Maar nu gelooft gij, dat ik een zonderling ben, een <i>bizarren</i> smaak heb en alle oude jufvrouwen de liefste schepsels ter wereld vinde. Gij vergist -u. Ik voor mij heb ze op zichzelve niet liever, ja niet eens zoo lief, als anderen -van haar geslacht. Ik spreek, bij voorbeeld, veel liever met een moeder. Als ik mij -tot deze wende en haar dadelijk met belangstelling naar hare lievelingen vrage—o, -dan is voor mij een bron van zielverheffend genot geopend. Als ik dan bij deze vraag -het moederlijk oog van hoogmoed zie glinsteren, en het gelaat een lachende uitdrukking -van geluk aannemen, dan worde ik van een onverschillig, welhaast een deelnemend toehoorder. -Niet, omdat de kinderen, waarvan zij spreekt, mij zoo bijzonder ter harte gaan; zij -zijn niet beter of slechter dan andere kinderen; maar, omdat de <i>moeder</i> mij boeit en wegsleept. Het is zoo schoon, als bij zulk een gesprek het zuiverste -en edelste gevoel des menschen, de zichzelf vergetende en opofferende liefde, uit -het binnenste heiligdom des harten te voorschijn treedt; als het verheven <i>symbolum</i> van den verhevensten godsdienst, de pelikaan met de bloedige borst, voor mijn oog -gestalte en wezen verkrijgt; als de mensch met al zijn egoïsme en kleinheid meer en -meer naar den achtergrond wijkt, en de Engel in hem hoorbaar met zijne vleugelen klapwiekt; -o, uren zou ik kunnen staan luisteren naar dien nooit opgedroogden vloed van moederlijke -welsprekendheid! En wist gij eens, welk een liefde ik aan zulke gesprekken verschuldigd -ben! Want de vrouwen, die het in mijn oogen lezen, hoeveel belang ik in zulk een verhaal -van de kinderkamer stelle, weten mij dank voor de deelneming, waarmede ik haar aanhoore. -En dan is het zoo aangenaam tot een oud vrijer te spreken, die er nooit een lofrede -op zijn eigen kinderen tegenover plaatst, en haar <span class="sc">Pietjes</span> behendigheid in de schaduw stelt door van de nog veel grooter vlugheid van zijn <span class="sc">Jantje</span> te spreken. Zie, het moge aanmatigend klinken, maar waarlijk, als ik in sommige kringen -binnentreed, weet ik reeds vooraf, welke oogen mij vriendelijk zullen toeblinken en -uitnoodigen om te komen vernemen, hoeveel woorden het jongste kind nu reeds meer spreekt, -dan bij onze laatste ontmoeting. -</p> -<p>En niet alleen de moeders, ook onder de jonge meisjes zijn er, die ik boven het gezelschap -harer oudere zusteren verkieze. Het zijn zulke aanvallige schepselen! Ik heb een vriend, -die vroeger een schoon buitengoed <span class="pageNum" id="pb134">[<a href="#pb134">134</a>]</span>had, dat hij door verval zijner zaken heeft moeten wegdoen; maar nu gaat hij alle -avonden langs die plaats wandelen op hetzelfde uur, waarop hij vroeger het goed zelf -rondging, ziet nog eens dezelfde boomen, dezelfde vijvers, dezelfde geliefde plekjes, -die eens de zijne waren, en komt daarop zoo vergenoegd te huis, of hij nog eigenaar -van die schoone bezitting ware. Jonge menschen zijn voor mij, wat zijn buitenplaats -voor mijn vriend is. Ik heb mijn jeugd aan hen moeten afstaan, maar, om dit verlies -zoo veel mogelijk te vergoeden, zoek ik hun omgang. En als ik hen dan hoor spreken -van hunne schoone droomen, zooals mijn dorre verbeelding er niet meer droomt, en hen -gevoelens hoor uitboezemen, zoo als mijn verkoelend hart er geen meer huisvest, dan -is het mij of ik op eens weêr als als een jongeling droome en gevoele. Dan knik ik -bij ieder woord toestemmend met mijn hoofd, speel de gansche <i lang="fr">Opera féerie</i> van mijn jeugd nog eens over, en scheide niet van de bezitters van mijn <span class="corr" id="xd31e3961" title="Bron: ver-verloren">verloren</span> Eden dan met het gevoel: „Hoe jong en gelukkig ben ik geweest!” Zie, daarom heb ik -jonge menschen en vooral jonge vrouwen, waarin de natuur nog ongemaakter spreekt, -lief. Meer dan eens heb ik in zulk een gesprek een hart zich allengskens voor mij -zien openen en ontsluiten, al de aderen zien liggen, waaruit de heldere wellen van -menschelijk geluk zoo mild voortspringen, al de zilveren stemmen hooren klinken, die -de harmonie des levens scheppen, en de Voorzienigheid bewonderd in het schoonste zijner -werken op aarde—een onschuldig vrouwenhart! -</p> -<p>Oude vrijsters op zichzelve zijn mij dus niet liever dan hare zusteren; maar zij zijn -verlatener, en hebben daardoor aanspraak op mij. Het kan mij leed doen, als ik in -een gezelschap verschijne, haar terstond aan de onachtzaamheid te herkennen, waarmeê -men haar behandelt, al herkende ik haar anders niet aan de eigenaardigheden van haar -voorkomen. De Mevrouwen nemen een voorname houding jegens haar aan; de jonge Dames -sluiten ze als <i>invaliden</i> uit haren kring; de Heeren, indien zij van pijp en glas scheiden kunnen, vervoegen -zich bij voorkeur tot de <i>fauteuils</i>, of, als zij jonger zijn, tot de minderjarige schoonen; aan de oude Jufvrouwen worden -alleen de kruimelkens van den gezelschapsdisch toegeworpen. -</p> -<p>Als ik dit zoo zie, doet mijn hart zeer. Ik ga dus moeders en dochters voorbij, en -vervoeg mij dadelijk bij mijn vrouwelijke lotgenoot. Mij dunkt, dat is haar goed recht. -<span class="sc">Bilderdijk</span> heeft in zijn dichtstuk <i>Oude Vrijsters</i>, naar alle billijkheid, deze arme miskenden op hare plaats en in hare eer gesteld, -om al het vuur zijner verontwaardiging te richten tegen die <i lang="fr">vieux garçons</i>, die door hun ongeregeld leven de orde der maatschappij verbreken en de oorzaak zijn, -dat zooveel onschuldige schepsels onder het vrouwelijk lijden van een aanzijn zonder -huwelijks- en moedervreugde gebukt gaan. En inderdaad! ik heb wel eens gezucht onder -het denkbeeld, dat ieder oud vrijer den verlaten toestand van een zijner medeschepselen -voor zijn <span class="pageNum" id="pb135">[<a href="#pb135">135</a>]</span>rekening had. Ik heb gezucht als ik dacht, dat er ook door mijn schuld eene eenzame -meer was, dan er behoefde te zijn. Ik hoop, dat mijn onbekende schuldeischeres mij -niet te hard moge vallen. Ik wage het, haar daarom te smeeken. -</p> -<blockquote> -<p class="first salute"><span class="ex"><span class="corr" id="xd31e3985" title="Niet in bron">„</span>Lieve Jufvrouw X!</span> -</p> -<p>„Ik kenne u niet, en gij mij ook niet. Maar ik ben toch uw schuldenaar. Want ik had -u mijn hand en hart moeten aanbieden. Vergeef mij, dat ik de vrijheid nam het niet -te doen. Uw kieschheid waarborgt mij, dat gij mijn hand zonder mijn hart niet zoudt -hebben aangenomen. En over mijn hart was ik, onder vier oogen gezegd, geen meester -meer. Had ik u gekend, het zou misschien anders geweest zijn. Maar ik heb een andere -vóór u gekend. En schoon deze thans een anderen naam dan den mijnen draagt, ik kan -haar nog niet vergeten. Ik ben dus tot mijn groote schande met mijn 4* jaren nog niet -beter dan een onmondige, en zonder over mijn hand te kunnen beschikken. -</p> -<p>„Heb mededoogen met mijne insolventie, en geef mij, bidde ik u, kwitantie van deze -kwade schuld. Geloof mij voorts met de gevoelens der diepste achting -</p> -<p class="signed"><span class="corr" id="xd31e3991" title="Niet in bron">„</span>Uw onderdanigen Dienaar <br><span class="sc">Jonathan</span>.<span class="corr" id="xd31e3997" title="Niet in bron">”</span></p> -</blockquote><p> -</p> -<p>Ziedaar een zwaren last van mijn hart gewenteld! En nu ik aldus met mijn partij mijn -rekening gesloten heb, hope ik dat gij allen, Mejufvrouwen! mij mijn schijnbare ongevoeligheid -voor uw bevalligheden, talenten en deugden vergeven zult. Het moge mij onmogelijk -zijn, uit u allen ééne te kiezen, ik heb daarom u allen gezamenlijk te liever. -</p> -<p>Ja, ik heb oude vrijsters lief! Misschien is het ook, omdat ik in haar iets anders, -iets meer dan een oude vrijster zie. Het is waar, nu is vaak haar voorkomen onbeduidend, -haar kleed eenvoudig, hare manieren zonder bevalligheid: maar ziet gij, die bedaagde -maagd is een jong meisje geweest; iets, dat ik zoo onedelmoedig niet ben te vergeten. -Als ik bij een bouwval sta, zie ik altijd meer dan een ander; terwijl de anderen van -den eenen grooten steen op den ander springen, de kranke muren van hun blaauwe klimop-bloempjes -berooven, holen en kelders van hun gejuil doen weêrgalmen, hun hoofd schertsende door -de schietgaten steken en den eerwaardigen oude—foei!—bespotten, sta ik mijmerende -aan den voet van de ruïne; ik trek in mijn verbeelding de muren weêr op, overdek de -openliggende vertrekken met gewelven, bedek de naakte muren met beschotten, vul de -ledige, verlaten ruimte met menschen, hoor stemmen galmen, bekers <span class="pageNum" id="pb136">[<a href="#pb136">136</a>]</span>klinken, en ben in een andere wereld overgebracht. Dat is mijn eerlijkheid. Mij dunkt, -daarop heeft een bouwval recht. Wij zouden ook niet gaarne beoordeeld worden naar -het karkas, dat men over eenige jaren bij het opruimen van ons graf in het knekelhuis -weg zal werpen. Zoo is het ook meer meetkundig, dan menschelijk-gevoelig, den omvang -en grootheid van een ruïne alleen met het lichamelijk oog af te meten.—Om op den tekst -terug te komen: ik zie nooit een oude vrijster, of ik herstel den bouwval nog eens -naar mijn smaak. Ik doe voor haar, wat de actrice voor zichzelve doet. Ik plaats haar -op een afstand, kleur hare fletse wangen rood en hare verschietende wenkbrauwen zwart, -laat van haar hoofd lange zijden krullen afhangen, verberg het verval harer gestalte -en houding, en plaats haar in een kring van jonge menschen, waaronder een of meer -harer aanbidders. Ben ik hiermede gereed, begin ik mijn roman dan.… maar neen! gij -zoudt mij<span class="corr" id="xd31e4005" title="Niet in bron">,</span> droomer<span class="corr" id="xd31e4007" title="Niet in bron">,</span> uitlachen, indien ik voortging. Genoeg! ik geef aan ieder een bloeiende, gelukkige -jeugd, even rijk aan liefde als ik hoop dat de jeugd van uw dochter zijn moge, en -zoek voor de reden, waarom die liefde nooit met den krans van oranjebloesem is bekroond -geworden, een aanleiding zoo aandoenlijk, dat zij er dadelijk in mijn oogen hoogst -<i>interessant</i> door wordt. Zeker schrijver zegt van een nonnenklooster: „Wie de geschiedenis van -al deze gebroken harten kon te weten komen, zou menig verhaal vol zuchten en tranen -te verhalen hebben.” Een dergelijk denkbeeld wekt bij mij het gezicht van een oude -vrijster op. Haar eenvormig voorkomen is als een zerk, waarop niets anders te lezen -is, dan het altijd wederkeerende: <i lang="la">hic jacet</i>. Maar wat er in den doode, daaronder begraven, is omgegaan, gevoeld, geleden en gestreden, -daarvan zegt de koude steen en het rustige voorhoofd niets; maar dat zegt mij mijn -warm hart. En als het mij dan invalt, hoe velen er zijn onder haar, die het slachtoffer -van mannelijke ontrouw en mannelijke ondeugd zijn; onnoozele lammeren, opgeofferd -door de hand, die zij lekten; verlaten echtgenooten, maar die bij geen menschelijke -rechtbank tegen hare echtscheiding hebben kunnen opkomen; treurende weduwen, maar -die de wet niet als zulke erkent, en de deernis niet als zulke bejegent; dan breekt -mijn week gemoed. Gelooft mij, Mijneheeren, die tot het onderhoud van wees- en weêuwengestichten -contribueert, ook bij de oude vrijsters hebben wij een onrecht der fortuin weder goed -te maken, en te meer, omdat het hier menschen,—omdat het hier mannen zijn, die den -dood het werk hebben uit de hand genomen. Samaritanen, ook deze gewonden hebben recht -op uw olie en wijn! -</p> -<p>Hier ziet de oude vrijster die dit leest met bevreemding op en vraagt, of zij dan -niets <i>is</i>, dan in zooverre zij iets <i>geweest</i> is. Stel u gerust: het is verre van mij, u dat onrecht te doen. Er mogen er enkelen -zijn, op wie deze beschuldiging past; groote kinderen, die van haar speelgoed niet -scheiden willen, en zich krampachtig vastklemmen <span class="pageNum" id="pb137">[<a href="#pb137">137</a>]</span>aan een verleden, dat voor haar en voor ons gestorven is; of wel verschaalde bekers, -die uit <span class="corr" id="xd31e4022" title="Bron: ergenis">ergernis</span> van onaangeroerd gebleven te zijn zuur en wrang zijn geworden; of wel geleerde Muzen, -die het al te veel doen gevoelen, dat <span class="sc">Minerva</span> een gewapende godin is; of wel … St! st! <span class="sc">Jonathan</span>, van waar zoo hard? Over het algemeen ken ik geen trek, die de oude vrijsters meer -karakteriseert, dan zelfopoffering! Het is een groote en moeielijke les, waardig de -hoofdinhoud van de tweede Tafel der goddelijke Wet te zijn: „<span lang="nl">Gy sult uwen naesten liefhebben als u selven.</span>” Evenwel, deze les is niet voor allen even moeielijk. De getrouwe huismoeder, wier -geheele bestaan zich in dat des geliefden Mans heeft opgelost, en voor wie het nog -meer geluk dan plicht is alles te verlaten om hem te volgen; voor wie de kinderkamer -het beste vertrek, de feestzaal des huizes is; die geen behoefte gevoelt, zich buiten -het paradijs van haren huiselijken kring te begeven; heeft tot de nakoming van dat -gebod ongelijk minder zelfverloochening noodig dan de oude vrijster, die geen eigen -plaats in den grond beslaat, maar zich als een rank om den naastbijzijnden stam slingeren, -of als een muurplant in de steenen eener aangrenzende woning hechten moet. Zij is -uit den aard van haren toestand zichzelve de naaste; zij moet als een <i lang="fr">soeur de charité</i> de voorwerpen gaan opzoeken, aan wie zij liefde bewijzen wil; zij is in gevaar van, -als „de Priester en de Levijt” in de gelijkenis, tegenover de hulpbehoevenden voorbij -te gaan, indien zij zich de les niet herinnert: „<span lang="nl">Gaat henen en doet gy des gelycx.</span>” Maar indien zij zich deze les herinnert en daarnaar handelt; indien zij een voorwerp -gevonden heeft, waarop zij hare liefde vestigen kan; indien zij al de kracht van hare -in één punt saamgedrongen genegenheid op een uitverkoren hoofd vereenigt;—o, dan is -het iets roerends, iets verhevens te zien, tot welk een hoogte de zelfvergeting en -zelfverloochening in den mensch stijgen kan. Dan dient de zwak- en buigbaarheid der -rank alleen om den geliefden boom te vaster, te getrouwer, te inniger te kunnen omklemmen, -dan wordt haar groen de bedekking van zijn gebreken, haar gebloemte de versiering -van zijn stam; dan wordt deze omhelzing haar leven, en beide, zijn val of haar verwijdering, -haar dood; dan wordt hare liefde, zoo als de Dichter schrijft: -</p> -<div class="lgouter"> -<p class="line">Ze is groot en schoon en door zichzelve levend, </p> -<p class="line">Ze is zacht en sterk en reklijk en toegevend, </p> -<p class="line">Volhardt het meest, schoon vaak het minst ontzien; </p> -<p class="line">Een Engel is ze, ons achtloos hoofd omzwevend. </p> -</div> -<p class="first">Een Engel! Onze schoone, liefelijke Godsdienst heeft de bestemming, de menschen tot -Engelen, vooral tot Engelen van liefde te vormen. Dikwijls heb ik er om getreurd, -hoe weinigen deze bedoeling begrepen of wilden begrijpen, en dan wel eens getwijfeld -aan de verzekering van den grijzen Apostel: „<span lang="nl">Ende sijne geboden en sijn niet swaer.</span>” Maar dan waren meermalen oude vrijsters mijne <i>apologeten</i>. Ik riep <span class="pageNum" id="pb138">[<a href="#pb138">138</a>]</span>ze mij voor den geest, zoo als ik er kende, ware discipelinnen van de leer der liefde, -echte zusteren van den Man van liefde en smarte, die „<span lang="nl">niet en is gekomen om gedient te worden, maer om te dienen</span>,” en die om onzentwil „<span lang="nl">is arm geworden, daer hij rijck was</span>;” wezens, in wie de zelfzucht schijnt gestorven te zijn; in wier mond het woord <span class="asc">IK</span>, anders de <i>radix</i> van alle andere woorden, een vreemde klank geworden is; die het zooverre gebracht -hebben, dat het haar niet zwaar meer valt, „<span lang="nl">so wie haer op de rechterwange slaet, hem oock de andere toe te keeren</span>,” en „<span lang="nl">so iemant haer rock neemt, hem oock den mantel te laten</span>,” en „<span lang="nl">so wie haer dwingt een mijle te gaan, met hem twee mijlen te gaan</span>;” goede geniussen, door God in zijn gunst geschonken aan degenen, die hij lief heeft. -En wanneer ik mij deze vertegenwoordigde, dan werd ik schaamrood over den twijfel -van mijn verstand en—mijn hart. Dan zag ik met verdubbelden eerbied en liefde naar -het goddelijke boek, dat tevens het menschelijkste aller boeken is, dat niets dan -een liefhebbend hart eischt om begrepen en gehoorzaamd te worden; dan beloofde ik -mijzelven, dat oude vrijsters mijn leermeesteressen in het gebod der liefde zijn zouden. -</p> -<p>Terwijl ik dit schrijve, vloeien er tranen van dankbare erkentenis op mijn papier, -mijn goede, lieve <span class="sc">Editha</span>! -</p> -<p>Maar er zijn onder mijne heldinnen niet alleen <span class="sc">Marthaas</span>, „die haer bekommeren ende ontrusten over vele dingen,” er zijn ook <span class="sc">Mariaas</span> onder, die „<span lang="nl">het eene dingh, dat noodigh is, het goede deel, hebben uytgekozen.</span>” Zij zijn <span class="sc">Johannessen</span> onder de vrouwen, en rusten altijd aan den goddelijken boezem haars Meesters. Zij -hebben de aarde vergeten; zij hebben geen oog dan voor het licht van haar leven, geen -hart dan voor den Vriend harer ziele; zij maken zich van haren eenzamen en verlaten -toestand een kluizenaarshut, een nonnencel, waarin zij der wereld afsterven, om alleen -voor den hemel te leven. Zij sluiten zich hier op aarde aan dien blinkenden stoet -van Engelen aan, „<span lang="nl">die niet bevleckt en zijn: want zij zijn maeghden. Deze zijn ’t, die het Lam volgen, -waer het oock henen gaet.</span>” Zij zijn het, die zich „<span lang="nl">toebereyden, om haer als een reyne maeght eenen manne voor te stellen, namelick <span class="sc">Christo</span>.</span>” Zij zijn het, wier geheel aanzijn op aarde de uitdrukking is geworden van dat schoone -lied van <span class="sc">Lodensteyn</span>; -</p> -<div class="lgouter"> -<p class="line">„Hoog, omhoog, het hart naar boven! </p> -<p class="line xd31e490"><span id="xd31e4111"></span>Hier beneden is het niet.” </p> -</div> -<p class="first">Al kon ik, ik zou u niet in hare eenzaamheid mogen binnenleiden, om u getuigen van -het verborgen leven harer vroomheid te maken; maar ik mag u wel aanbevelen, als gij -den drempel van zulk een heiligdom overschrijdt, het met eerbied te doen. O, ik heb -een afkeer van kloosters, omdat ik een afkeer van Farizeeuwsche ceremoniedienst en -slaafachtige Esseensche gerechtigheid heb: maar, waar ik in eenig Bethanie op mijn -weg de woning van zulk een Heilige aantref, zwaai ik het wierookvat mijner vereering -hoog in de lucht! -<span class="pageNum" id="pb139">[<a href="#pb139">139</a>]</span></p> -<p>Ik weet wel, dat zulk een gewijde liefde dikwijls geofferd wordt op het altaar eens -harten, door een onheiligen hartstocht gebroken; ik weet wel, dat de wierook, daarop -geurende, niet altijd zoo onvermengd en zuiver was, als nu; ik weet wel, dat de Heer -aardsche banden heeft moeten verbreken, eer hij dit hart tot het zijne maakte; ik -weet wel, dat hij somtijds zelfs duivelen heeft moeten uitwerpen, eer hij de „Rabbouni” -dezer <span class="sc">Magdalenaas</span> werd; maar ik weet ook, dat onze barmhartige Meester van zwakke menschen geen Engelendeugd -eischt; ik weet ook, dat hij even weinig als wij, bij het inzamelen eener edele vrucht, -naar den wilden stam vraagt, waarop zij geënt is; ik weet ook, dat hij tot een zondaresse, -die zijn voeten met hare tranen baadde en met haar lokken afdroogde, gezegd heeft: -„<span lang="nl">Uw gheloove heeft u behouden, gaet henen in vrede</span>;” ik weet ook, dat <span class="sc">Petrus</span> een boeteling en <span class="sc">Paulus</span> een van verre gekomen bekeerling was; ik weet ook, „<span lang="nl">datter blijdschap is in den Hemel over eenen sondaer, die hem bekeert, meer dan over -negen-en-negentigh rechtveerdige, die de bekeeringe niet van nooden en hebben!</span>”.… -</p> -<p>En laat mij nu aan mijzelven over, om nog eenigen tijd te mijmeren. -<span class="pageNum" id="pb140">[<a href="#pb140">140</a>]</span> </p> -</div> -</div> -<div id="ch14" class="div1 story"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e7224">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="main">EEN AFSCHEIDSBEZOEK IN 1871<a class="noteRef" id="xd31e4140src" href="#xd31e4140">1</a>.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Het is dus beslist.—<span class="sc">Jonathan!</span> Of gij wilt of niet, gij moet er aan gelooven. Men laat u geen rust. Gij moet de -wijde, wijde wereld nog eens weder in! Nog meer! gij moet uwe stem nog eens op nieuw -laten hooren. Het is een vaderplicht, zegt men, dien gij aan uw papieren kind schuldig -zijt, en waaraan gij u niet onttrekken kunt … -</p> -<p>—Welnu! laat het dan zoo zijn! hier ben ik! -</p> -<p>Mijne heeren en dames!—(Ouderwetsch, niet waar? Of sedert mijn laatste optreding de -emancipatie der vrouwen—die arme, witte slavinnen van ons koude Noorden!—niet aan -de orde gekomen was, die een eenigszins galant spreker verplicht met de Dames te beginnen!… -Ik kan het niet helpen. Ik vrees, dat ik op sommige punten tot de onverbeterlijken -behoor, en geef mij als vroeger gelijk ik ben.)—Derhalve nog eenmaal: Mijne heeren -en dames! Ik begin—met voor u een diepe buiging te maken, die een uitdrukking mijner -dankbaarheid moet zijn. -</p> -<p>Uit mijn jeugd herinner ik mij nog flauw, hoe ik, als ik eens een enkele maal in de -komedie kwam, er meermalen getuige van was, dat de akteur, die, naar het oordeel van -het publiek, zijn rol wèl had afgespeeld, bij het einde van het stuk „teruggeroepen” -werd, en dan met vele strijkaadjes een plechtige buiging maakte! als blijk van erkentenis -voor de bewezen onderscheiding. Ook mij valt nu van wege het achtbaar Publiek een -soortgelijke eer te beurt. Het vriendelijk onthaal, aan mijn boekje geschonken, dat -een nieuwe uitgaaf noodig maakt, is een soort van terugroeping. Zou ik daarvoor ongevoelig -zijn? Neen, ik buig mij zoo diep ter aarde als mijn stramme rug het eenigzins toelaat, -en als ik kon, zou ik u, mijn lezer! die thans met dit blad in de hand zit, als vertegenwoordiger -van al mijn tegenwoordige en toekomende lezers, uit de verte erkentelijk de hand drukken. -</p> -<p>In allen ernst, ik heb reden tot erkentenis. Zie, dat had de „Meester Droomer,” die -<i>Waarheid en Droomen</i> schreef, nu wel niet gedroomd. Nog heugt het hem, hoe het hem te moede was, toen -hij zijn eersteling de wereld inzond. Hij, zulk een nieuweling, die maar wat in een -huiselijken leuningstoel had zitten mijmeren en peinzen, <span class="pageNum" id="pb141">[<a href="#pb141">141</a>]</span>en wat hem daarbij in den geest was gekomen, in allen eenvoud had neêrgepend, rijp -en groen, wijs en dwaas, allegro en andante, major en minor, alles dooreen, en die -bij dien inval de nog grooter stoutheid had om zijn salmagundi, zijn olla-podrida -aan dien grooten heer—dien grootste van alle heeren—het groot Publiek aan te bieden.… -is het wonder dat de bloed beefde en dat hij bij dat waagstuk het voorkomen had—om -met koning <span class="sc">Filippus</span> te spreken, toen hem eens een smeekeling al bevend een rekest overgaf—van een bedelaar, -die een penning aan een olifant geeft? Verbeeld u, dat de olifant dien penning vertrapt -en den schenker er van met zijn vier groote pooten vertrapt of—zooals ik meen dat -het officiële kunstwoord luidt—<i>vernietigd</i> had! Hoe duur zou ik, arme hals, dan mijne stoutheid hebben geboet! En kon het anders? -De olifant en ik! Dat was toch ook waarlijk, als er oneenigheid kwam, geen portuur! -Dan had het feit kunnen gebeuren, waarvan de bekende Dichter-Schoolmeester spreekt, -dat -</p> -<div class="lgouter"> -<p class="line">—zoölogiesche Jonathans wel eens aan ’t sneuvelen raken. </p> -</div> -<p class="first">Maar neen, neen! het viel gansch anders uit. De groote olifant was zoo grootmoedig, -zoo nederbuigend, zoo goed! Hij nam uit mijn hand den penning met zijn slurf, bekeek -hem van alle kanten, legde hem daarop, zooals men dat wel eens meer in een diergaarde -zien kan, in het daarvoor bestemde bakje ter bewaring en keek den gever van den penning, -in plaats van hem te verscheuren, met zijn groote, bruine, goedige oogen zoo vriendelijk -aan, dat het hart er mij van overliep. Die edelmoedige olifant! Kon hij mij nobeler -behandeld hebben? -</p> -<p>Ik ben dan ook van top tot teen enkel verrassing en genoegen, enkel erkentenis en -dankbaarheid. En dat te meer, omdat de vriendschap tusschen den olifant en mij, door -dit klein geschenk ontstaan, sedert even bestendig heeft voortgeduurd en nu reeds -de proef van bijkans het derde eener eeuw gelukkig heeft doorgestaan. -</p> -<p>Waarlijk, dit komt niet alle dagen voor. Ziet gij, ik wil het wel erkennen. Op één -ding had ik, toen ik mij voor de eerste maal in het openbaar presenteerde, wel een -weinigje gerekend. Er bestond toen—bij al de onbeduidendheid mijner geringe gaven—tusschen -mij en een deel althans mijner lezers één punt van aanraking. Ik was min of meer een -kind van mijn tijd. Die tijd nu had zijn eigenaardige fysionomie. Misschien was het -wel een weinig een Janus-aangezicht, een hoofd met twee tronies, dat hij droeg. Maar -één van die tronies dan toch had tamelijk hetzelfde uitzicht als ik. Er lag iets van -den fantast, den droomer, den mijmeraar in zijne trekken. <span class="sc">Chateaubriand’s</span> René en <span class="sc">Byrons</span> Harold waren nog niet uit de mode; <span class="sc">Lamartine</span> mediteerde en harmonieerde uit al zijn macht en <span class="sc">Victor Hugo</span> botaniseerde <i lang="fr">feuilles d’ Automne</i> met volle handen; de mindere goden volgden, als het gaat, van zelf, en, om in den -toon van den tijd te vallen, hadden ook de vroolijksten van nature q. q. hun „Zwarten -tijd.” In die dagen trad <span class="sc">Jonathan</span> <span class="pageNum" id="pb142">[<a href="#pb142">142</a>]</span>in het karakter van <i>Penseroso</i> op. Is het wonder, dat hij niet alleen binnengelaten, maar ook heusch nog al wèl -onthaald werd? Hij was immers met een goed deel zijner tijdgenooten een vogel van -gelijke veêren, en zong zooals hij, maar ook zij, gebekt waren? Het was maar natuurlijk, -dat het koor hem inhaalde: -</p> -<div lang="la" class="lgouter"> -<p class="line">Dignus, dignus est intrare </p> -<p class="line">In nostro docto corpore. </p> -</div> -<p class="first">Maar, ziet gij, dat is sedert vrij wat anders geworden. Welke gezichten Janus nu heeft, -durf ik niet bepalen, om niet met de toongevers over hoop te raken; maar dit weet -ik, dat hij zijn <span class="sc">Yoricks</span>-gelaat bepaald kwijt is. Als hij mij nu aanziet—nu, daarvoor kan ik wel ruiterlijk -uitkomen—keert hij mij een volle realiteits-tronie toe. De „hartstocht der werkelijkheid” -bezielt hem tot fanatisch-wordens toe. Arme <span class="sc">Jonathan</span>! Dat lijkt u niet. Zulk een mensch, zulk een positivist der positivisten is uw man -niet, evenmin als gij de zijne. Pak dus, hoe eer hoe beter, uwe biezen. <i lang="la">Procul hinc abite, profani.</i> Gij zijt een antiquiteit, een reliek, een mummie. Naar de zaal der Etrurische of -Egyptische oudheden, naar de collectie van werktuigen uit het vóórhistorische steenen -en bronzen tijdvak met u!.… -</p> -<p>En toch! en toch!.. -</p> -<p>Misschien staat de zaak nog niet zoo volkomen wanhopig. Op den bijval van het gros -valt niet meer te rekenen. De dubbele deuren zijn en blijven gesloten. Misschien echter -is er nog een achterpoortje. Misschien is er hier of daar nog een enkele vriend verborgen, -die mij door een spleet er van binnen laat. Ja, misschien heb ik in stilte nog meer -vrienden, dan ik zelf wel weet, of mij onderwinden zou te hopen. -</p> -<p>Ziet gij, men kan wel, o ja! als een recht geaard kind van het achtste tiental jaren -der negentiende eeuw, een man der realiteit, zelfs in de tweede macht, zijn … Werkelijkheid -hier! Werkelijkheid daar! Werkelijkheid overal! maar dat neemt toch niet weg, dat -men, <i>qua</i> mensch, onder het koude harnas van de wetenschap en den ijzeren maliënkolder van -het empirisme, in de linkerborst iets zachts, iets weeks, iets menschelijks heeft, -dat zich niet te best beschrijven laat, maar dat ieder, ook zondere verdere beschrijving, -na dezen wenk genoeg herkent: iets, waarvan <span class="sc">Chateaubriand</span> zoo schoon zeide, dat men het heeft van God of van zijne moeder. De mannen van het -Heden mogen nu, als de bekende dokter van <span class="sc">Molière</span>, die het hart aan de rechterzijde van den mensch plaatste en bij een protest daartegen -uitriep: <i lang="fr">Nous avons changé tout cela!</i> zij mogen nu het hart hebben zoeken te verplaatsen, of, zoo dat niet ging, het dan -toch inwendig hebben zoeken te verstalen of te versteenen; een mensch kan, zelfs in -1871, maar niet alles wat hij wil. In een van de geestigste kleine stukken van <span class="sc">Scribe</span> beveelt de Oostersche Vorst, de Pacha, al zijn hovelingen op een zekeren dag vroolijk -te zijn, aangezien de Vorst vroolijk is, en al wie nu niet terstond vroolijk wordt, -dien zal zonder genade het hoofd op kommando voor de voeten <span class="pageNum" id="pb143">[<a href="#pb143">143</a>]</span>worden gelegd!—maar daarmeê is de vroolijkheid nog niet dadelijk present, en zal zich -misschien ook verder nog wel wat laten wachten. Welnu, zoo is het met de realiteits-passie. -De Romeinsche blijspeldichter heeft in een bekend woord geleerd: -</p> -<div class="lgouter"> -<p class="line">’k Ben een mensch, en deel in alles wat eens menschen is als ’t mijn. </p> -</div> -<p class="first">En waarlijk, als zoodanig, als mensch, leeft en trilt er bij ons, tusschen alle spieren -van onze volle werkelijkheidskracht, toch ook hier en daar een enkele zenuw van poëtisch -gevoel. Wij hebben staal in ons bloed, veel staal, erg veel staal—maar toch ook een -dropje of wat melk. En die melk doet soms, als het staal goed gewerkt en tijdelijk -uitgewerkt heeft, wel eens voor een oogenblik haar verzachtenden, verzoetenden, malsch- -en weekmakenden invloed gevoelen. O ik weet het, <span class="sc">Jonathan</span> is maar een sober citerspeler op dat verhevenste, dat meest hemelsche van alle instrumenten -op aarde, het snarentuig van het menschelijk hart. Maar toch is het hem soms wellicht -een enkele maal gelukt, met zijn ongeoefenden vinger, bij het beproeven van zijn eenvoudig -deuntje: -</p> -<div class="lgouter"> -<p class="line">Al de eendjes zwemmen in het water, </p> -</div> -<p class="first">of wat nog eenvoudiger is dan dit, een liedje uit de verre kindsheid, uit de leer- -of speelkamer, een enkele snaar bij enkele harten zoo te raken, dat zij antwoord, -dat zij geluid, harmonisch geluid gaf—welnu! om dien enkelen toon is er sympathie -tusschen luit en luitenspeler! en daaraan alleen dan ook wijt hij het dank, dat men -hem niet reeds lang als een miserabelen straatmuzikant, als een ondragelijken liereman -of orgeldraaier van de deur heeft weggejaagd,.… wat zeg ik? dat men hem soms heeft -laten binnenkomen, in het kantoor bij mijnheer den reeder, in de werkplaats bij mijnheer -den fabrikant, zoowel als in het salon bij de mevrouwen en jonkvrouwen, met de boeken -van de hoogere burgerschool op den schoot en de handwerkjes voor <i>Arbeid-adelt</i> in de handen, en hem gezegd heeft: Kom aan, zoon van de citer! wij maken een kleine -pause. Maak het niet te lang! maak het niet te zoet! maak het niet te treurig! Maar -terwijl ons werk een poosje rust, ga uw gang! laat hooren, welke aria gij op uw speeldoos -hebt. Stem uw speeltuig, en zing uw lied! -</p> -<p>Gij ziet, waarop ik reken, waarop ik speculeer. Ik zoek mijn bondgenoot in het hart, -dat, minder dan de geest, de kleur van den omringenden atmosfeer, blauw of grauw, -bloedrood of scharlaken, naar het valt, aanneemt en minder onderhevig is aan variatiën -van de mode dan hij. De mode! Ik heb daar een leelijk woord genoemd. Want, ach! uit -de mode en buiten model, dat is <span class="sc">Jonathan</span> gansch en al, van top tot teen! Verouderd, mijnheer! totaal verouderd! van het jaar -nul! -</p> -<p>Ik weet het, mevrouw! en is het wonder? -<span class="pageNum" id="pb144">[<a href="#pb144">144</a>]</span></p> -<p>Het is nu meer dan dertig jaar geleden, dat ik als auteur mijn intreê in de wereld -deed. Denk eens, meer dan dertig jaar! bijna tweemaal de leeftijd van uw lieve oudste -dochter daar naast u, die reeds met den jonkman, die daar ginds het venster voorbijgaat, -teedere blikken wisselt. Het is een eeuw! Hoe zou het mogelijk zijn, dat in dien tijd -niet het een en ander, buiten mij of aan mij, verouderd zou zijn? Ik weet het ook -wèl. De heeren dragen in mijn boekje geen knevel en de dames geen chignon. Van de -muziek van <span class="sc">Offenbach</span> geen spraak en Mijnheer en Mevrouw <span class="sc">Bebé</span>—totaal onbekend. De naaimachines nog in het hoofd van den uitvinder, en het Roode -kruis nog achter den horizont. Ik kan het niet helpen, <span class="sc">Hildebrand</span> is gelukkig genoeg geweest, de onderaardsche Schietblaasbalg in een visioen voor -uit te zien en te voorspellen; maar ik, kortzichtige, ik heb zulk een fortuintje niet -gehad. Ach, ik ben, om met <span class="sc">Bilderdijk</span> te spreken, maar een „Jasper ouderwetsch,” en zal het, vrees ik, blijven. Al draag -ik geen pruik, wat erger is, ik ben zelf een pruik, een pruik der pruiken. Ik was -het reeds zooveel jaar geleden—hoe zou het er nu beter op geworden zijn?—„Alzoo niet -modern? niet modieus? niet naar ’t model? weg met u!” -</p> -<div class="lgouter"> -<div class="lg"> -<p class="line">En ook de bezem en de bijl </p> -<p class="line xd31e490">Verheffen samen hun kritiek: </p> -<p class="line">„Uw speeltuig is van d’ouden stijl </p> -<p class="line xd31e490">En geeft gantsch nutlooze muziek!” </p> -</div> -<div class="lg"> -<p class="line">Aan spaanders moet het! en op ’t vuur! </p> -<p class="line xd31e490">Dan dient het toch nog ergens toe! </p> -<p class="line">En gij, onbruikbare nabuur! </p> -<p class="line xd31e490">Op straat! Wij zijn de wildzang moê! </p> -</div> -<div class="lg"> -<p class="line">„Het hakmes geeft den waren toon; </p> -<p class="line xd31e490"><span id="xd31e4281"></span>De bezem is de levenskern </p> -<p class="line"><span id="xd31e4284"></span>Van ’t huis, en houdt den drempel schoon: </p> -<p class="line xd31e490"><span id="xd31e4287"></span>Dat’s zuiver praktiesch, en—modern!” </p> -</div> -</div> -<p class="first">Bravo! Maar, wat volgt er? -</p> -<div class="lgouter"> -<p class="line">Alleen het kinderlijk gemoed </p> -<p class="line xd31e490">Zucht, daar ’t een stillen traan vergoot: </p> -<p class="line"><span class="corr" id="xd31e4295" title="Niet in bron">„</span>Gij, schoone zwerfster, wees gegroet! </p> -<p class="line xd31e490">Treê binnen! zing! en—deel ons brood!” </p> -</div> -<p class="first">Het al te prijzende bijvoegsel: „schoone”! bij de Zwerfster zullen we daar laten. -Maar verder, op den spreker, en met name op den naam, waaronder hij wordt opgevoerd -<span id="xd31e4301"></span>op het „kinderlijk gemoed” leg ik de hand. Zulk een gemoed, zie, dat vindt men nog -wel hier en daar; dat vindt men aan alle plaatsen; onder een pruik en onder een Brutuskop; -achter een chinesche kamerjapon en onder een jurk naar het model van la Gracieuse -van Januari 1872 in paulo post futuro. Er zit in sommige oogen, zwarte en blauwe, -oude en jonge, achter een bril en achter een binocle, zoo’n zekere elektrieke vonk, -die uit het hart komt, <span class="pageNum" id="pb145">[<a href="#pb145">145</a>]</span>en waar die vonk haar werking doet, zie! daar is de telegraaf aan ’t werk—’t is slag -en weêrslag—vraag en antwoord—de communicatie is daar! -</p> -<p>1840–1871. Inderdaad! het is een heele sprong. Een sprong om haast den hals bij te -breken. Maar toch ook tusschen die jaren was er eenige gelijkheid. Zoo hebben wij -ook in 1871 lente gehad, al kwam ze wat laat en was ze wat koud. Wij hebben lente -gehad; een heusche lente, zoo goed als 1840 maar durfde denken. De seringen geurden, -de tulpen bloeiden, de hyacinten zonden uit haar blauwe en roosverwige wierookkelken -haar geuren omhoog, de nachtegalen zongen, de leeuwerikken kwinkeleerden, en, onder -den bloeienden Meiboom en tusschen het slaan van de nachtegalen zat <span class="sc">Romeo</span> met <span class="sc">Julia</span> in het priëel, en spraken ze samen teederen liefdekout—precies zooals in 1840. Zulke -dingen veranderen, zulke dingen verouderen niet. Ik las ergens van een graf, waarin -men, vele eeuwen geleden, oude Celten begraven had, te gelijk met zaden van granen -en bloemen, die, bij het openen van hun tomben, in de lijkkist gevonden werden. Men -zaaide die zaden—en zie! terstond ontkiemden groeiden en bloeiden ze, na een rust -van meer dan twee duizend jaar, tusschen het stof van graven en doodsbeenders. Elders -las ik van een stuk geurend hout, dat men in de diepte vond, mede eenige duizenden -jaren oud, en toen men het op het vuur wierp … zie! daar ging de damp als een wierookwolk -naar boven, en die damp rook, alsof de boom pas was gegroeid en uit den zomer-adem -van 1870 of 1871 zijn versche geuren ingedronken had. Zoo is het in de wereld der -planten; zou het in de wereld van die denkende planten, <i lang="fr">ces roseaux pensants</i>, waarvan <span class="sc">Pascal</span> spreekt, anders zijn? Neen! neen! spreek den mensch, mits hij waarlijk mensch en -kompleet mensch zij, spreek hem aan met een woord uit het woordenboek des echten menschengevoels: -spreek hem van poezij en kunst, van vriendschap en liefde, van geloof en hoop, en -hij zal weêrklank geven, in 1840 in 1871, in 1971, in 2071 en al de jaarhonderden -die volgen, zoolang de <span class="sc">Darwin’s</span>-theorie geen omgekeerden loop neemt en de mensch een mensch-aap, de <span class="sc">Johannes</span> of <span class="sc">Maria</span> een broeder-Jocko of een zuster-Gorilla wordt. Reken daarop gerust, oude liereman -en, in die bewustheid, grijp uw strijkstok, tokkel uw snaren, en speel uw lied! -</p> -<p>Nu, waarlijk! dat is een buiging naar de mode, als met een sleepjapon, die nog op -den trap is, als de draagster reeds lang bezig is haar kompliment voor de gastvrouw -te maken—welk een staart! Als we zoo voortgaan zouden, kwamen we met ons artikeltje -in geen halven dag klaar. Maar daarvan is geen nood. Ik geef u in bedenking, om van -stonden aan alle komplimenten af te breken, en het gordijn wêer achter den uitgekomen -acteur (of auteur) te laten vallen. Wat meer is, ik stel u voor met hem op reis te -gaan. -</p> -<p>Waarheen?.… Het zal u spoedig blijken. -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>Toen ik beloofd had, een nieuwen druk van mijn Schetsenboek te <span class="pageNum" id="pb146">[<a href="#pb146">146</a>]</span>helpen bezorgen, nam ik het natuurlijk wêer eens opzettelijk in handen. Niet om te -zien, of er niet wat aan te verbeteren viel. Daarvan kon in geen geval de rede zijn. -Het boek moest blijven wat het is. Gij zult ook een kinderportret van u niet nemen -om het door een schilder in een zwarten rok te laten steken, in de hoop, dat het dan -beter op u in uw tegenwoordige gestalte en voorkomen gelijken zal. Bij de afbeelding -van den jongen behoort een jongenskiel; men noemt dat thans: „het beeld in de lijst -van zijnen tijd.” Maar al wil men een oud boek niet moderniseren, dit belet niet dat, -als men voor het publiek verschijnen zal, men zich toch even voor den spiegel plaatst -en een oog over zijn toilet laat gaan om er het stof af te schuieren, en een vlek -of smet te doen verdwijnen, die er bij ongeluk op gekomen of op gebleven is. Zoo las -ik mijn eigen boek nog eens door, alsof ik, in plaats van schrijver, een gewoon lezer -ware.… Zonderlinge gewaarwording! waarbij haar te vergelijken? -</p> -<p>Het was mij vreemd te moede. Hoe dan wel ongeveer? Ik zou zeggen: Omtrent zooals iemand -zich gestemd zou gevoelen, die na een langdurig afzijn in zijn eigen huis wederkeert. -Verbeeld u bijvoorbeeld een Landjonker, die op een kasteel is grootgebracht, en daar -al de liefste herinneringen van zijn kindsheid heeft liggen; daar kind, knaap en jongeling -is geweest. Maar later heeft hij dat Buiten verlaten; hij is buitenslands gaan reizen. -Hij heeft een goed deel van zijn leven in een anderen streek der wereld doorgebracht. -Na een geruimen tijd echter roepen buitengewone omstandigheden hem in het vaderland -terug, en bij die gelegenheid bezoekt hij ook zijn oude ouderlijke en voorouderlijke -woning. Hij vindt het alles zooals het hij gelaten heeft; men heeft alleen de kamers -schoongehouden en de meubels nu en dan wat opgewreven; maar anders alles geheel het -oude! Wonderlijk gevoel. Zie, hoe hij, het huis ingegaan, het geheele gebouw doorloopt, -van voren naar achter, van boven naar beneden, van den zolder tot den kelder. Eindelijk -keert hij op zijn vroegere dagelijksche woonkamer terug, zet zich daar neer in zijn -eigen leuningstoel, legt de hand onder het hoofd, en peinst, peinst, peinst.…. -</p> -<p>Zoo <span class="sc">Jonathan</span> met zijn eigen boek in handen. Ook hem is het als keert hij, na een betrekkelijk -lang afzijn, in het oude huis terug. Waar hij sedert geweest is, wat hij intusschen -gedaan, maar ook wat hij gedacht en gevoeld, genoten en geleden heeft,—dat alles wordt -hier niet beschreven. Het is in den <span class="sc">Jonathan</span> nooit om een biografie, maar eer om een prosopografie, vooral inwendig, om een afdruk -van indrukken te doen geweest. Maar genoeg, <span class="sc">Jonathan</span>, wie hij overigens vroeger was en nu zijn moge, hij is thans voor het oogenblik weêr -thuis. De tijd, waarin we nu leven is er recht geschikt voor. Terwijl deze regelen -ten papiere komen, leven wij in den Advent. <span class="corr" id="xd31e4350" title="Bron: Kersmis">Kerstmis</span> nu lokt als van zelf uit tot een bezoek naar huis. Rondom den <span class="corr" id="xd31e4353" title="Bron: kersboom">kerstboom</span> verzamelen zich gemakkelijk en gaarne al de hier en ginds verspreide leden van een -familie, en als men dan bij de lichtjes van dien boom de oude lieve gezichten <span class="pageNum" id="pb147">[<a href="#pb147">147</a>]</span>uit zijn kindsheid en jeugd terugziet, is het alsof men zelf weer kind wordt met de -andere kinderen meê. Iets dergelijks gaat ook mij nu door het hart. Bij het weerzien -van de oude woning met al hare lieve herinneringen wordt <span class="sc">Jonathan</span> wel geen kind,—zulk een halsbrekenden sprong zal hij wel niet doen—maar hij gaat -toch in zijn verbeelding een geheel tijdvak van meer dan dertig jaren terug. -</p> -<div class="lgouter"> -<div class="lg"> -<p class="line">Somtijds in mijn dier gezin, </p> -<p class="line xd31e490">’s Avonds aan <span class="corr" id="xd31e4367" title="Bron: mij">mijn</span> haard, </p> -<p class="line">Haal ik weer de droomen in, </p> -<p class="line xd31e490">Reeds zoo vaak verjaard. </p> -</div> -<div class="lg"> -<p class="line">Dertig jaren dring ik door, </p> -<p class="line xd31e490">Drijf ik uit mijn oog, </p> -<p class="line">En herroep den tijd er voor, </p> -<p class="line xd31e490">Die zoo ver vervloog. </p> -</div> -</div> -<p class="first">dus zingt hij <span class="sc">Tollens</span> na. Zie hem, hoe gelukkig hij zich in die herinnering, in die verjonging voelt. Hij -doet even als de straks beschreven Landjonker; hij loopt het oude huis op en neêr, -van kamer tot kamer, en terwijl hij de oude lievelingsplekken bezoekt, is het hem -of hij het oude, daar eens doorleefde, leven nog eens overleeft. Eindelijk komt hij -weêr in zijn bekende eigen lieve woon- en boekenkamer te land. Zie, daar ginds staat -ook de oude fauteuil, waarin hij zoo dikwijls nederzat; wel wat verkleurd en wormstekig -geworden, maar toch nog altijd even zacht en gemakkelijk als altijd. Zoo strekt die -hem dan ook als van ouds de beide armen uitnoodigend en uitlokkend tegen. Hij valt -er in en.… daar zit waarlijk de oude <span class="sc">Pythia</span> weêr op haren drievoet … de heilige dampen stijgen op uit den grond … daaruit vormen -zich weêr beelden en gestalten.… de Droomer droomt als in de dagen van ouds!.… -</p> -<div class="lgouter"> -<p class="line">’k Herroep u hier een droomgezicht; ik zag ’t.….. </p> -<p class="line">In slaap misschien!—wat iemand sluimrend ziet </p> -<p class="line">Kan menig jaar omvatten, en geheel </p> -<p class="line">Een leeftijd samenpersen in één uur.<a class="noteRef" id="xd31e4395src" href="#xd31e4395">2</a> </p> -</div> -<p class="first">Laat ons rondzien. Ja, wel voel ik mij hier thuis, alsof ik niet weg geweest ware. -In mijn verbeelding zie ik al de bekende en geliefde voorwerpen weêr, die mij hier -vroeger plachten te omringen, en niet zooals ze sedert geworden zijn, maar zooals -ze toen waren. Eerst zien ze mij een tijd lang zwijgend aan, gelijk ik hen, maar straks!.… -hoort! hoort! daar beginnen ze te spreken, even als ginds mijn huisklok, die zijn -lied speelt wanneer hij heel of half slag zal gaan slaan. Wat ze mij zeggen,—laat -ik beproeven, in hoeverre ik het in woorden weêr kan geven. Dat zal dan als een gesprek -met de Dooden zijn! -</p> -<p>Daar ligt waarlijk nog een exemplaar van de oude Haarlemmer-Courant <span class="pageNum" id="pb148">[<a href="#pb148">148</a>]</span>uit den jare 1840. Welkom, oude vriend! Zien wij elkaâr nog eens terug? Ik ben toch -ook blijde, dat, voor hoeveel dooden gij sedert ook het klokkentouw getrokken hebt, -gij zelf nog leeft. Met een artikel over u in de hand, ben ik het eerst voor het publiek -gekomen; een kramer zou zeggen: <span class="sc">Enschedé</span> heeft mij handgeld als auteur gegeven; dit maakt, dat er tusschen mij en die firma -een oude relatie bestaat. En daarom verheug ik er mij in, dat de Haarlemmer nog steeds -bestaat. Och, er zijn sedert zooveel andere dingen verdwenen, of met verdwijning bedreigd. -Denk maar aan <span class="sc">Jan Laurensz Koster</span>, van wien het nu schijnt te blijken, dat hij geen <span class="sc">Jan Laurensz</span>, en geen <span class="sc">Koster</span>, en, wat het ergste is, dat hij geen uitvinder van de boekdrukkunst is; de Duitsche -<span class="sc">Guttemberg</span>, die door ons, hem ten behoeve, zoo dikwijls voor al wat leelijk is uitgemaakt, en -dien wij het half gestolen octrooi zoo vinnig uit de handen hebben gescheurd, zal -nu ten slotte nog met al zijne en onze glorie op dit punt gaan strijken. Ten minste, -er zijn geleerden, die zeggen, dat er voor <span class="sc">Koster</span> zulk een onttrooning en ontkrooning, niet minder erg dan die van <span class="sc">Napoleon</span> te Sedan, onvermijdelijk op handen is. Welk een val! Denk nu eens aan 1824 en het -Kostersfeest; denk aan de schoone redevoering van <span class="sc">Van der Palm</span> en het <span class="corr" id="xd31e4434" title="Bron: enthousiastische">enthusiastische</span> vers van <span class="sc">Tollens</span>: -</p> -<div class="lgouter"> -<p class="line xd31e490">Neen, vreemden, neen, verhit op Neerlands loof, </p> -<p class="line">En die u ’t hoofd wilt met haar roem beladen! </p> -<p class="line">Grijpt<span class="corr" id="xd31e4446" title="Niet in bron">,</span> tast niet naar die lauwerbladen: </p> -<p class="line xd31e490">Gevreesd, gevaarlijk is de roof, </p> -<p class="line xd31e490">Die zijn bezitter kan verraden! </p> -<p class="line xd31e490">De drukkunst, uw bejaagde buit, </p> -<p class="line xd31e490">Brengt gruwlen en geheimen uit. </p> -</div> -<p class="first">Zoo bralden we in ’24; en nu keert zich in ’70 dat wapen zoo akelig tegen onszelven, -en staat het geschreven, dat <span class="sc">Koster</span> vroeg of laat, als zijn beeld niet van hooger hand wordt gesloopt, zelf van schaamte -in den grond zal verzinken, of in elk geval in arren moede de Symbolische A, die hij -in de hand heeft, zal opeten of het een Haarlemsche roode letter ware.… het is om -bij te weenen. Maar staat <span class="sc">Koster</span>, naar het schijnt, op zijn laatste beenen, de Haarlemmer-Courant staat pal. Hij is -in die verloopen dertig jaren grooter geworden, en geleerder geworden, en ijveriger -geworden: hij doet nu zijn boodschap niet meer drie-, maar zesmaal per week, en hij -heeft nu soms geleerde opmerkingen, alsof hij nu en dan in het fundatiehuis van <span class="sc">Teyler</span> ter studie ging en er physische experimenten maakte.… waarlijk, men moet wel erg -zwartgallig zijn om te beweren dat in de wereld alles, alles achteruit zou gaan. De -Haarlemmer, de oude liefde van alle oude vrijsters en van alle andere nieuwsgierigen, -die gaarne op de hoogte van het kraam- en trouw- en sterfnieuws blijven—de Haarlemmer -gaat bepaald vooruit! -</p> -<p>Kon ik nu eens een blik laten gaan over al de veranderingen, die ook in zijnen inhoud -hebben plaats gegrepen! Ook daarin zou ongetwijfeld de <span class="pageNum" id="pb149">[<a href="#pb149">149</a>]</span>vooruitgang niet minder merkbaar zijn. Vroeger had men alleen advertentiën, waarin -het gelukkige paar bekend maakte, dat zij gehuwd waren; maar nu komt een mijnheer, -die lust tot trouwen heeft, en vraagt een jufvrouw of des noods een mevrouw, die weduwe -werd, liefst wat jong, en wat mooi, en wat rijk, en wat rijk aan beminnelijke hoedanigheden, -<abbr title="bijvoorbeeld">bv.</abbr> vrouwelijke kieschheid en maagdelijke schuchterheid, die een dame zoo goed staat! -Welk een schoone verhouding. Nu heeft men de Duitsche en <span class="corr" id="xd31e4474" title="Bron: fransche">Fransche</span> trouwkantoren niet noodig; men hoeft niet op een schoone uit te gaan en een blauwen -scheen te wagen; neen, men blijft <span class="corr" id="xd31e4477" title="Bron: ’thuis">t’huis</span>; men laat ze <i lang="la">in effigie</i> bij zich komen; als men niet naar het stadhuis moest gaan om voor den ambtenaar van -den burgerlijken stand zelf zijn naam te teekenen, men zou kunnen trouwen in zijn -leuningstoel. Nog comfortabler is het, dat een enkele maal de trouwlustige dames zichzelve -aanbieden. Ik heb wel eens hooren zeggen dat, als de Dames kiezen konden in plaats -van de Heeren, het veel beter in de huwelijkswereld toe zou gaan.… we zijn er nog -niet, maar we zijn toch op weg. Help kijken, als de emancipatie doorgaat.… -</p> -<p>De kindertjes worden geboren zooals vroeger, volgens den Haarlemmer. Daarin schijnt -minder verandering te komen. Alleen heb ik opgemerkt, dat het bijvoegsel „mijn lieve -echtgenoot” langzamerhand min of meer uit de mode raakt; niet het „lieve” op zich -zelf, maar het „lieve” in de courant. Sterven doen de menschen ook nog als vóór dertig -jaren. Halloway en Malz, de oude Arabische-Revalenta- en de nieuwe Amerikaansche-Condurango-kweekers -hebben daarin nog geen doortastende verandering teweeggebracht. Ook de duizend en -een koude, heete en lauwe bronnen, met hare levensstroomen hebben het lieve leven -zelf nog uit de aarde niet kunnen ophalen; het kruid tegen den dood schijnt nog altijd -op onze arme planeet niet te willen wassen. De Haarlemmer verandert nog al eens van -formaat, en is ook wel eens een tijd lang kleiner van stuk geweest dan vroeger, maar -de doodenlijst op bladzijde 3 is altijd even groot gebleven; die heb ik nooit, als -de krant zelf, tot drie kwart van het formaat verkleind gezien! -</p> -<p>De overige advertenties wijzen ook al niet onbepaald verbetering en vooruitgang aan. -Daar zijn nog altijd hoofdonderwijzers, die maar geen hulponderwijzer krijgen kunnen, -en hulponderwijzers, die het voor zulk een kleintje niet kunnen doen. Daar zijn nog -altijd—mijn oud zwak—gouvernantes en gezelschapsjufvrouwen, die voor o! zoo weinig -loon, soms in ’t geheel geen loon, o! zooveel diensten, met o! zulk een vriendelijk, -pijnlijk-vriendelijk gezicht, voor allerlei mevrouwen <span class="sc">Waters</span> verrichten willen, die, als de bekende lieve Dame uit den Nickleby van <span class="sc">Dickens</span>, om hare delicate constitutie, zulk een bliksem-afleider van haar booze luim allernoodzakelijkst -behoeven om er niet in te stikken. -</p> -<p>En wat nu de politieke berichten aangaat, ook daar staat de thermometer al zoo, na -enkele afwisselende op- en neêrwaartsche bewegingen, <span class="pageNum" id="pb150">[<a href="#pb150">150</a>]</span>gedurig op hetzelfde punt. Het is daarmee als met het slechte weêr in Schotland, volgens -een bekende spotprent: -</p> -<p>—Regent het hier altijd, jongetje?— -</p> -<p>—Neen, Sir! soms sneeuwt het ook. -</p> -<p>De keizer van het Blauwe land (ik neem de verschillende kleuren van de landkaart, -om niet personeel te wezen) heeft de koning van het Groene land bezocht; ze hebben -elkander op de hand beloofd om samen vrede te houden. Na het rooken van dien vredepijp -heeft de Blauwe <i lang="fr">en passant</i> op de werf te *** eenige nieuwe <span class="corr" id="xd31e4504" title="Bron: oorlogschepen">oorlogsschepen</span> besteld en de Groene in de gieterij te *** een partij allerbeste getrokken kanonnen -laten aanmaken.… waarom? Wel natuurlijk, om als pleizierjacht te dienen en vreugdeschoten -te lossen, als zij elkaâr weêr zulk een vredelievend vriendenbezoek komen geven!—De -vorst van het Roode land ligt over hoop met zijne ministers, en de ministers met de -Kamer, en de Kamer met het volk, en het volk weer met den Vorst. Ze twisten voornamelijk -over de financiën, over het uitschrijven van belastingen op de lucifers en van een -hoofdgeld op honden en katten.—De President van het Zwarte land wil graag keizer worden, -maar het roode volk wil den President wegjagen en een Commune stichten, waarvan de -tijger uit den <i lang="fr">Jardin des plantes</i> koning en de salamander uit de fabel eerste minister zijn zal!… Ach! ach! en zoo -gaat het altijd voort; en intusschen worden jaar op jaar een steeds grooter aantal -courant-artikelen met bloed geschreven. Was het in den laatsten tijd niet soms, of -de drukkerij van den Haarlemmer voor politiek nieuws roode, in plaats van zwarte letters -gebruikte? En toch zitten de mannen van het Vredeverbond trouw op den wachttoren, -waarop de witte vlag waait; maar op de vraag: Wachter! wat is er van den nacht? is -het antwoord nog gedurig: De morgen is gekomen, en nog is het nacht. Waarlijk, ook -met den steeds vooruitgaanden Haarlemmer in de hand, is het toch soms moeielijk, aan -den gestadigen vooruitgang van den menschheid in ’t groot te blijven gelooven. Wel -geloof ik nog steeds daaraan, omdat ik aan eene hoogere Macht geloof, die het scheepje -van de menschheid over den grooten oceaan voert, en die niet alleen over het roer -en de zeilen, maar ook over den stroom te gebieden heeft, zoodat het vaartuig ten -slotte, dwars door stormen en onweders heen, den koers inslaan moet, dien zijn vinger -het vóórtrekt … maar het is misschien omdat mijn oogen slecht beginnen te worden met -de jaren, ik zie van de voorwaartsche beweging soms niet veel, en indien ik durfde, -zou ik een enkele maal haast willen vragen: De stuurman is immers wel aan boord? -</p> -<div class="lgouter"> -<p class="line">Daar kwam verandring in ’t gezicht mijns drooms. </p> -</div> -<p class="first">En ligt gij daar ook nog, mijn eigen lief Album, met uw handschriften- en portretten-verzameling -van den ouden tijd? O wat ziet gij er uit! Niet van buiten; daarvoor heeft men trouw -genoeg gezorgd; maar <span class="pageNum" id="pb151">[<a href="#pb151">151</a>]</span>van binnen! Hoe zijn uwe beelden verkleurd, uwe teekeningen verflauwd, uwe manuscripten -tot onleesbaar wordens toe bleek en geel geworden! En, ach! wat het ergste is, niet -alleen hebben de beelden hier vóór mij van den tijd geleden, maar ook hier, in het -binnenste, zijn ze, althans voor een deel, niet meer zoo helder en frisch van kleur -en omtrek als voorheen. De dichter heeft het wèl gezegd: -</p> -<div lang="fr" class="lgouter"> -<p class="line">Les morts durent bien peu; laissons-les sous la pierre! </p> -<p class="line">Hélas! dans le cercueil ils tombent en poussière </p> -<p class="line xd31e1875">Moins vite qu’en nos coeurs. </p> -</div> -<p class="first">Willen wij oprecht zijn, laat ons het erkennen: we zijn vergeetachtige, ondankbare -en liefdelooze schepsels. Nu ja, het is waar; we kunnen met de dooden niet leven, -dat is vaak genoeg gezegd; maar dat rechtvaardigt de toepassing van den egoïstischen -regel niet: Uit het oog, uit het hart! De ouden waren gewoon hunne lijken te verbranden -om hunne asch in een lijkbus altijd nabij zich te kunnen hebben; de Chinezen leggen -hun begraafplaatsen aan in hunne tuinen om telkens de graven der hunnen te kunnen -bezoeken; ik zeg niet, dat ik een genootschap zou willen stichten met het doel om -dit gebruik, zoo mogelijk, bij ons ingevoerd te krijgen: misschien kreeg ik het met -de een of andere Gezondheids-commissie te kwaad, en daar blijf ik maar liever buiten. -Maar toch<span class="corr" id="xd31e4523" title="Niet in bron">,</span> het denkbeeld, dat daarin en daarachter ligt, lacht mij wel aan. Waarlijk wij moesten -niet zoo gereed zijn om onze dooden, die ons eenmaal afgestorven zijn, nog eens te -laten sterven. <i lang="la">Non bis in idem</i>, zeggen de juristen. -</p> -<p>Zoo sprekende bemerk ik, dat ik aan het einde van mijn boekje gekomen ben, hetwelk -ik bezig ben te doorbladeren. Mijn boekje.… namelijk zooals het was, toen ik mijn -daaraan gewijd artikel besloot. Als de verzameling in dien band sedert trouw was bijgehouden—o! -hoe groot zou dan het getal namen niet zijn, waarachter ik het bekende teeken † zou -vinden. Geen wonder. Dertig jaren. Het is een geheele menschenleeftijd: zegt men niet, -dat drie menschenleeftijden een eeuw vullen? In zulk een tijdperk nu, hoeveel dooden! -Inderdaad, het leven is als een reis met den spoortrein. Men gaat van het station -op het punt van vertrek af: het rijtuig zit vol. Het zijn de vrienden, die men meêbracht, -of men maakt met de overigen kennis op reis. Maar telkens, te midden van het gesprek, -daar klinkt het fluitje … de deur gaat open.… een der reizigers stijgt uit.… een ander -komt in zijn plaats. Zoo verandert gaandeweg de helft, drie kwart van het personeel, -en, als gij bij de aankomst op de plaats der bestemming rondziet, is het mogelijk? -Is dit het gansche overschot van het reisgezelschap, waarmede gij uw tocht begont? -En, ziet gij, naderbij beschouwd, het beeld gelijkt maar half. Want de passagier die -het rijtuig verlaat, gaat gezond en frisch, en met een lachend gelaat, en met een: -tot wederziens! op de lippen, van u weg, maar die andere passagier, <span class="pageNum" id="pb152">[<a href="#pb152">152</a>]</span>die op den reisweg des levens u voor goed verlaat, gaat heen in een lang wit kleed, -even wit als zijn lang en bleek gelaat,—of hij gaat eigenlijk niet, maar hij wordt -gedragen, en het: vaarwel! of het: tot wederziens! zoo hij het nog zou willen stamelen, -is onder het spreken bestorven op de witte lippen. En die eerste passagier, als hij -gaat, neemt ten hoogste genomen bij zijn vertrek een deel van uw gezelschap, een stuk -van uw conversatie, een zoetigheid uit den trommel van uw reisgenoegen meê. Maar de -reiziger, op wien ginds de zwarte <i>Omnibus</i>, (ja wel, <i>Omnibus!</i>) wacht, neemt, weggaande, een stuk van u zelven mede, een stuk van uw leven, een -stuk van uw hart, een stuk van uw hemel op aarde. We sterven alle dagen. Als men oud -wordt, sterft men lid voor lid. In de oogen, die gaan schemeren, in de ooren, die -zich sluiten, in de beenen, die beginnen te waggelen, in de handen, die onvast en -bevend worden, en, het ergste! in het hart, dat koud wordt. Maar er is nog een andere, -een nog bitterder dood, dien wij sterven in de onzen. Als een gewond soldaat op het -slagveld zijn been ziet begraven, dat moet hard zijn; maar als men zijn hart, althans -het beste deel van zijn hart, in het hoogste voorwerp van zijns harten liefde begraaft, -dat is eindeloos erger. Dan zou men bijna wenschen, het voorbeeld der Malabaarsche -weduwe te kunnen volgen, en er zich zelven levend bij te begraven … -</p> -<p>Ben ik bezig te klagen? Daarvoor beware mij de goede God! Er is geen reden voor. Hoe -rijk toch moet men niet zijn, om zooveel te kunnen verliezen, en hoe dankbaar behooren -wij den grooten Vader der menschen te zijn, die ons zoo rijk aan liefde heeft gemaakt. -Liefde is ten slotte toch de grootste schat op aarde; het meest goddelijke in den -mensch. „Godt is liefde!” heeft de boezemdiscipel van den Menschenzoon gezegd. Ik -heb mij zelven wel eens een raadsel opgegeven, waarvan ik na jaren zoekens de oplossing -nog niet gevonden heb, en waarschijnlijk ook wel nooit vinden zal: het is de vraag: -wat zaliger is, lief te hebben of geliefd te zijn? Maar wat is dat een heerlijk raadsel, -en, bij al hare leemten en ellenden, welk een heerlijke aarde is het, waarop men elkaâr -zulk een raadsel opgeven kan. Ik wil dus dankbaar zijn voor alles, wat ik gehad heb, -al heb ik het sedert ook voor een deel weêr verloren: <span lang="nl">de Heere heeft gegeven, de Heere heeft genomen, de naem des Heeren zij gelooft!</span> Één ding weten we: wij zijn maar op reis: en zoovelen wij in de rechte richting reizen, -gaan wij naar het groote centraal-station, waarop alle lijnen van de aarde uitloopen. -Daar komen eens al de reizigers saam om niet weêr te scheiden. Daar zijn geen Albums -meer met verwelkte bloemen of afgesneden haarlokken; daar heerscht een eeuwige lente, -daar bloeit een eeuwige jeugd, daar—om met <span class="sc">Van Haren</span> te spreken—daar sterft de dood! -</p> -<p>Als nu <span class="sc">Editha</span> hier was, zou ik zeggen: <span class="sc">Editha!</span> speel de <span lang="fr">Dernière pensée</span> musicale van <span class="sc">Weber</span>,—of nog beter, speel de schoone zangwijs van den twee en veertigsten Psalm eens voor -mij! -<span class="pageNum" id="pb153">[<a href="#pb153">153</a>]</span> </p> -</div> -<div class="footnotes"> -<hr class="fnsep"> -<div class="footnote-body"> -<div id="xd31e4140"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e4140src">1</a></span> Zie Voorrede. <a class="fnarrow" href="#xd31e4140src" title="Ga terug naar noot 1 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd31e4395"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e4395src">2</a></span> De droom, naar <span class="sc">Byron</span> door <span class="sc">Beets</span>. <a class="fnarrow" href="#xd31e4395src" title="Ga terug naar noot 2 in tekst.">↑</a></p> -</div> -</div> -</div> -</div> -<div id="ch15" class="div1 story"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e7231">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="main">EEN AFSCHEIDSBEZOEK.</h2> -<h2 class="sub">Vervolg.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Nog eens— -</p> -<div class="lgouter"> -<p class="line">Daar kwam verandring in ’t gezicht mijns drooms. </p> -</div> -<p class="first"><span class="sc">Editha</span>—zeide ik straks—speel een lied! Zoo ze hier was, ze zou het kunnen; want waarlijk, -daar, tegen den wand, staat haar piano, die mij zoo vaak voor huiselijke harp heeft -gediend. En zeker, ze zou willen ook; want wanneer heeft de vriendelijke mij ooit -iets geweigerd, waarop mijn hart gesteld was, indien zij het mij toestaan kon? De -lieve zuster! die mij zoo vaak het woord op de lippen heeft gebracht: -</p> -<div class="lgouter"> -<p class="line">O zusterliefde is de edelste van allen; </p> -<p class="line">Daar mengt zich drift, noch teedre hartstocht in. </p> -</div> -<p class="first">Ik mag het met blijdschap erkennen: als ik het Album met zijn vele namen van vroeger -en later ontslapenen aanzie, en daarbij de namen voege, die in dit Album zouden behooren, -al staan zij er niet in, omdat ik op het laatste blad het <i lang="la">cetera desunt</i> lees,—Godlof, <span class="sc">Editha</span> is nog in het land der levenden. Dàt stuk van mijn leven althans, dàt stuk van mijn -hart is mij nog niet afgevorderd. Dit is voor het minst een troost. Want, ziet gij, -na den moederschoot, die u het leven gaf, en den vaderschoot, waarop gij het eerst -met verrukking ontvangen en met een welkomskus onthaald zijt geworden, is er geen -dierbaarder plekje voor u, dan de heilige grond, waarop gij, aan hun voet, met uw -eerste speelnootjes hebt gespeeld: na hun beeld geen liever gestalte, dan dat zwarte -jongenskopje of dat blonde meisjeskrulhoofd, waaraan gij met de eerste streelingen -van uw kleine vingers en de eerste kussen van uw eigen kleinen mond u in het eerste -liefdebetoon geoefend hebt. Kinderen hebben altijd kinderen lief en zijn bij voorkeur -met kinderen samen; maar dàt kind, of dèze kinderen!… ze hebben een eigen plaats in -uw hart. Zijn ze niet als knoppen met u op denzelfden stam gegroeid? Hebben ze niet -uit de lieve moederaarde denzelfden malschen zoeten dauw gedronken? Hebben ze den -zonnestraal, die van den hemel op u en hen scheen, niet broederlijk en zusterlijk -met u gedeeld? Het zou wel vreemd zijn, als de bloeddroppels in de aderen van het -kind <span class="pageNum" id="pb154">[<a href="#pb154">154</a>]</span>dáár naast u niets voelden van de bloeddroppels in uwe aderen hier, daar ze toch uit -ééne moederbron zijn gevloeid. Wel kan het zijn, en zal het waarschijnlijk zoo wezen, -dat de verschillende sprankels uit die bron later ieder hun eigen weg gaan. <span class="sc">Jonathan</span> rechts, <span class="sc">Editha</span> links … maar al raken ze uit elkander, ze raken daarom niet van elkander af. Ze zijn -twee helften van een schelp; ook als ze gescheiden zijn, roepen ze om elkander, en -als ze weer samenkomen, zie! zie! ze passen op elkaâr alsof ze nooit van elkander -geweest waren. Het is één stem in twee harten, de oudste stem van allen: de stem des -bloeds. -</p> -<p>Zoo was het ons in lang verloopen dagen, waarvan de luite zong: -</p> -<div class="lgouter"> -<p class="line xd31e490">Gij zijt mijn zuster. ’t Zacht geluid </p> -<p class="line">Der snaar, die in uw boezem trilde, </p> -<p class="line xd31e490">Drong straks van uit de loofhut uit, </p> -<p class="line">Waarin gij ’t eerst zoo gaarn besluiten wilde. </p> -<p class="line xd31e490">’k Huwde aan uw zang mijn eigen lied, </p> -<p class="line">En ’t kwam welhaast aan honderden ter ooren, </p> -<p class="line xd31e490">Die naar den wildzang wilden hooren, </p> -<p class="line xd31e490">Geneuried op mijn pijp van riet, </p> -<p class="line xd31e490">Hoe <span class="sc">Jonathan</span> geen grooter schat </p> -<p class="line xd31e490">Op aarde dan <span class="sc">Editha</span> had. </p> -</div> -<p class="first">Zoo bleef het ook later, na het uur van scheiding. Voorwaar, die scheiding was bitter, -al was de reden zoet, maar die scheiding heeft niets gebroken. Het is toch met den -band der liefde, als met den telegraafdraad. Hij is zoo lang, zoo lang, zoo lang … -als de geheele wereld: hij doet des noods de reis rondom de wereld zonder te breken. -Niet waar, <span class="sc">Editha</span>? dat hebben ook wij gevoeld; dat hebben ook wij ervaren. Wij hebben elkander nog -lief. Anders dan vroeger? Voorzeker. Maar minder dan voorheen? Ik zou zeggen, nog -meer. Naarmate de gelederen dunner worden, sluiten de overblijvenden zich dichter -aaneen. Ik heb wel eens kanonniers zien exerceren: als dan de bevelhebber van het -stuk kommandeert: No. 1 No. 4 No. 6 ontbreekt! treden die nommers uit, maar dan reiken -ook terstond de anderen dubbel ijverig elkaâr de hand om de ledige plaatsen aan te -vullen, en komen ze zoo altijd dichter bij elkaâr. Doen nu de soldaten zóó, bij dat -leelijke werk van kanonnenladen, dat op het hart en het leven van hunne evennaasten -doelt, zou dan de broederlijke liefde, bij haar werk, dat een werk des levens is, -minder doen? Zouden de laatste Nommers elkander nog niet meer en liever helpen en -steunen, naarmate er andere „Nommers ontbreken?” O voorzeker. Als vader en moeder -niet meer zijn, zoeken de kinderen hun beeld op elkanders gelaat en in elkanders stem, -en zoo goed het gaat, al gaat het niet volkomen, ze zoeken den weêrschijn van de uitgebluschte, -neen! naar elders overgebrachte vlam in elkanders liefde terug te vinden. En daarom, -<span class="sc">Editha</span>, geef mij de hand. Wij blijven elkander trouw, zoolang de lieve God ons samenlaat. -Wij willen broeder en zuster blijven tot den einde: tot dat wij de een den <span class="pageNum" id="pb155">[<a href="#pb155">155</a>]</span>ander goeden nacht kussen in de tweede wieg, gelijk wij het zoo vaak in de eerste -wieg hebben gedaan. -</p> -<p>En nu, uw piano! Ja, ik herken ze, het is nog het oude instrument: de oude Broadwood, -waarop gij zoo vaak de reeds genoemde <span lang="fr"><span class="corr" id="xd31e4628" title="Bron: Derniére">Dernière</span> pensée</span> en zoo menig ander lied voor mij hebt gespeeld. Ik weet wel, die liederen zijn uit -de mode; men heeft nu andere muziek: of ze ook beter is? Ik heb het openlijk en rond -verklaard: ik ben geen kenner; het zou mij dus allerminst passen, een oordeel te spreken. -Maar er zijn knapper luî op dit punt, die ik wel eens in twijfel heb hooren trekken, -of we, ook in dit opzicht, wel op den weg van vooruitgang zijn. Ze zeiden, maar ik -zeg het niet, de verantwoording blijft voor hen—de kooi, waarin de zangvogel zit, -zou nu mooier zijn, kostelijker van stof en fraaier van vorm, maar de zangvogel zou -er niet op verbeterd wezen. Mij heugt, hoe ik <span class="sc">Andersen</span> met eigen mond eens een sprookje van hem hoorde lezen van een Oostersch hof, waar -men eerst een nachtegaal had, die voor den koning zong, en later een mechanischen -kunstvogel, die geleerde liedjes speelde, maar hoe toch ten slotte … doch, het is -waar, dat was in het Oosten, en wij wonen in een kouder klimaat: dat past dus niet -op ons. Wij hebben dus geen recht om te vragen, of de muziek der Toekomst van <span class="sc">Wagner</span> het bijvoorbeeld van <span class="sc">Weber</span> met zijn: <span lang="de">Einsam bin <span class="corr" id="xd31e4643" title="Bron: icht">ich</span> nicht alleine</span>, of zijn: <span lang="fr">Dernière pensée</span> wint? Ik stel mijn lezers voor, de beslissing van die vraag aan de Toekomst over -te laten. Dan mogen mijnentwege de toekomstige <span class="sc">Patti’s</span> en <span class="sc">Jenny Linds</span> boven <span class="sc">Wagners</span> graf den triomfzang van de Polyhymnia der nieuwe kunst-eeuw uitvoeren! -</p> -<p><span class="corr" id="xd31e4662" title="Bron: Éen">Één</span> ding echter staat vast. Mocht ook de zangvogel in onze dagen minder rijk aan melodiën -zijn, dan wel eens vroeger, omdat hij min of meer in den ruitijd is, geheel zwijgen, -en nog meer, sterven zal hij niet. En gelukkig, dat het zoo is. Wij kunnen de schoone -kunst van <span class="sc">Jubal</span> op onze arme, koude aarde met hare dissonanten niet missen. Die ons de uitvinding -gaf, zal het ons aan de noodige hulpmiddelen tot haar gebruik wel nooit geheel laten -ontbreken. Er is een stem, die in den mensch met <span class="sc">Jenny Linds</span> beroemd lied roept: <i lang="de">Ich musz nun einmal singen!</i> Luther wees aan de muziek, na de theologie, de eerste plaats onder de aan den mensch -verleende goddelijke gaven toe. En dit moeten wij erkennen: Is in den laatsten tijd -onze muziek niet beter geworden, wij zelven werden muzikaler dan voorheen. <span class="sc">Sancta Cecilia</span> is nu een der eerste santinnen van onzen almanak: zij geeft onder haren naam feesten -in de Hoofdstad, waar het hart der kenners van verdaagt. Jonge heeren en dames neuriën -en musiceeren uit den treuren; de liedertafels trekken met hunne banieren en medailles -triumferende het land rond; zelfs den kinderen op de school wordt, naar een woord -van <span class="sc">Luther</span>, de wijsheid ingezongen: er zijn <span class="corr" id="xd31e4681" title="Bron: enthousiasten">enthusiasten</span>, die van de heerschende melomanie de hervorming des volks verwachten. En hoe kan -het anders? Als er zooveel harmonie is in de lucht, die we indrinken, dan moet immers -ons binnenste, dat daarmede <span class="pageNum" id="pb156">[<a href="#pb156">156</a>]</span>geheel vervuld wordt, zeker wel gansch en al harmonisch worden!… -</p> -<p>Hm! Hm! het kan zijn. Maar of ik er voor’shands veel van merk? zie, dat is een andere -vraag. Tot nu toe althans heb ik niet kunnen vinden, dat de geblazen en gestreken -harmonie tot liefelijke akkoorden en muzikale samenstemming in de gedachten en gevoelens -der verschillende menschenkinderen heeft geleid. In dit opzicht heeft het diereningewand -tot nu toe te vergeefs voor ons gezongen. Ik heb niet gehoord, dat de mooie Grenadier-concerten -van <span class="sc">Dunkler</span> in het Haagsche bosch belet hebben, dat er onder de vaders des Volks op het Binnenhof -nog al eens gekibbeld wordt. En ik weet niet, of het aan de Cecilia-feesten van <span class="sc">Verhulst</span> in het Amsterdamsche Volks-paleis wel al gelukt is, om al de geleerde hoofden in -het Trippenhuis op de zittingen der Koninklijke Akademie onder één hoed te brengen. -Als ik met een zachte stem die bescheiden opmerking maak, heeft men mij wel eens te -gemoet gevoerd, dat dan toch in elk geval de muziek, even als het orgel in de kerk, -ons de goede dienst bewijst om de dissonanten, die het niet verhinderen of oplossen -kan, te helpen dekken; en dat wil ik gaarne toegeven. Het is dan maar te hopen, dat -de dissonanten hunne stemmen niet al te luid verheffen, zoodat ze de muziek, die ze -moet helpen verdooven, overschreeuwen. Wie weet, wat de muziek der Toekomst doen zal? -Misschien zal aan haar hand de klankladder van <i>Ut</i> <i>re</i> <i>mi</i> <i>fa</i> <i>sol</i> de hemelladder worden, langs welke de mensch tot het bereiken van zijne bestemming -langzaam wordt opgevoerd. Ik heb ergens gelezen, dat er menschen zijn, die naar een -algemeene taal voor de gansche menschheid hebben gezocht, en daartoe de hulp van de -viool hebben willen gebruiken: tot dusverre is dit niet gelukt. De taalverwarring, -die van Babels toren dagteekent, duurt nog altijd voort: vraagt het de discipelen -van de Burgerscholen maar, die nog altijd met zulk een inspanning zitten te zwoegen -om de vreemde talen, die ze aanleeren moeten, onder de knie te krijgen! O welk een -vreugde zou de uitvinding en invoering der algemeene taal onder de jeugdige kielendragers -en kort-gejurkten verwekken! Welnu, misschien gaan wij er heen. Orfeus bouwde steden -op de klanken van de citer; misschien is er een Orfeus der Toekomst aanstaande, die -door zijn <span class="sc">Paganini</span>-viool de verdeelde, elkander kwalijk verstaande, met elkaâr twistende en kijvende -menschheid in een groot concert van broederlijke en zusterlijke stemmen verandert -en herschept. Men moet niet wanhopen.… <i>piano</i> wil zeggen zachtjes! en daarvan komt de derivatie <i>pianissimo</i>! -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>En wederom: -</p> -<div class="lgouter"> -<p class="line">Daar kwam verandring in ’t gezicht mijns drooms. </p> -</div> -<p class="first">—<span class="sc">Een—twee—drie—vier—vijf—zes—zeven—ACHT</span>! Daar slaat waarlijk mijn oude Huisklok acht uren. Welkom kameraad!—We hebben elkander -in lang niet gezien. Ik heb u in <span class="pageNum" id="pb157">[<a href="#pb157">157</a>]</span>lang niet gehoord. Toch weet gij, of ik u lief heb gehad. Nog meer ik heb gemaakt -dat ook anderen u lief kregen; ik heb zelfs eens een bezoek van een vriend gehad, -die mij kwam vertellen, dat hij u een jongeren broêr gegeven had. Hij had een ouderwetsche -klok gekocht, en die laten opmaken precies als gij, tot uw eigen opschrift toe: <i lang="la">Una ex his hora mortis.</i> Zoo zoudt gij op het laatst nog haast oktrooi moeten gaan vragen, en in den oprechten -Haarlemmer een advertentie bij wijze van Waarschuwing tegen Namaak moeten plaatsen. -Nu laat u namaken wie wil, als men dan ook de lessen maar navolgt, die gij zoo gereed -en gewillig zijt aan uwe aandachtige en indachtige hoorders te geven. En dat hebt -ge zeker ook blijven doen, al was ik daar niet om ze van u te ontvangen. Hoeveel tijd -is er voorbijgegaan, sedert ik ze hier op dezen zelfden stoel van u ontving! Hoeveel -malen hebt gij twaalf geslagen, twaalf uren op den dag en twaalf uren in den nacht, -sedert ik, op het punt staande om van hier te gaan, uw wijzer vroeg, of het nog geen -tijd was, en toen gij ja! zeidet, u een laatst Vaarwel toeriep. En sedert zijt gij -daar altijd blijven staan, terwijl ik hier en daar rondzwierf, en mij met een plaatsvervanger -van u zoo goed mogelijk behielp. En sedert zijt gij altijd even gelijkmatig <i>unisono</i> blijven voorttikken: tik-tak! tik-tak! tik-tak! terwijl intusschen mijn hart menigmaal -zoo onrustig sloeg en joeg. Ach, mijn goede Huisklok, zoo ik u dat vertellen kon! -In Dertig jaar kan er door een menschenhart, welks ketting en veer niet van hard, -stug metaal is, wat worden afgeleden, afgestreden, en afgebeden, waarvan een Huisklok -aan den wand, en zelfs een zakuurwerk op de linkerborst, dat toch zoo dicht bij de -levens- en gevoelsbron tikt, niets vermoedt. Maar ik zal ook niet pogen u dat te vertellen. -Gij zoudt mij toch niet begrijpen. Hoe wild het ook daar buiten storme, bij u gaan -de scheepjes van de geschilderde mechaniek op uw wijzerplaat altijd even kalm en effen -heen en weêr. Als de horlogiemaker maar op het opwinden, en nu en dan op het schoonmaken -past, raakt gij nooit van de wijs of uit de maat. Dertig jaren zijn in dit opzicht -voor u als één dag. -</p> -<p>Dertig jaar. Mocht ik nu maar kunnen zeggen: Dertig jaar ouder—Dertig jaar wijzer—Dertig -jaar beter. Dertig jaar dichter bij het graf—Dertig jaar dichter bij het doel. Maar, -ach, mijn waarde tijdmeter, ik moet het met schaamte bekennen: Ik ben een vergetel -hoorder<span class="corr" id="xd31e4731" title="Niet in bron">,</span> een traag discipel van u geweest. Ik heb er niet genoeg aan gedacht: <i lang="la">Una ex his</i>. De kleine wijzer van den Levenstijd heeft wel altijd trouw de ronde gedaan, maar -de groote wijzer van den Plicht heeft de hare wel eens vergeten: hij stond wel eens -stil, en haperde, terwijl zijn kleiner broeder altijd even trouw voortliep. Bij zulk -een hapering kan men niet zeggen, dat een horlogie gelijk loopt! Ik ben geen wellust -van het menschengeslacht, als wijlen <span class="sc">Titus</span>, maar dit toch heb ik met hem gemeen, dat ik ook nog al eens aan den avond van een -dag heb uitgeroepen: ik heb een dag verloren. Als <span class="pageNum" id="pb158">[<a href="#pb158">158</a>]</span>ik van u een kerfstok wilde maken om zulke kwade dagen op te teekenen, zou uw lange -kast veel te kort zijn. Zie, dat is een leelijk gebrek. Wij waarderen den kostelijken -tijd niet genoeg. Wij laten de met goudkorrels bezwangerde rivier, den rijken Pactolus, -langs ons heenvloeien, en bukken ons menigmaal niet eens om de goudkorrels op te zamelen, -die de stroom met zich wegvoert. De Britsche denker had wel gelijk, die sprak: „Wij -gelijken aan beelden van marmer in de tuinen, waarvan men fonteinen maakt. Uit hun -lippen vloeit een helder water, dat voort- en doorloopt zonder ooit stil te staan, -en het marmer is daar, lijdelijk, koud en geenerlei poging doende om den altijd doorgaanden -stroomval tegen te houden.” Ach, ook ik zelf ben maar al te zeer zulk een bewegingloos -beeld op de fontein des Tijds geweest, en zoo al de droppels, die zonder vrucht voor -mij en anderen daarheen gevloeid zijn, in ééne kom samen vergaderd werden, welk een -bassin zou daarmede worden gevuld! En zoo al die droppelen, die nu zoo eentoonig voortkletteren, -een kenbare stem kregen om te verhalen wat ik in den loop dezes tijds gedaan en niet -gedaan heb,—dan zou ik wenschen, dat die fontein de <i>Lethe</i> ware, en dat ik in haar water de vergetelheid van al dit lang verleden drinken kon. -Maar, maar, het zal zoo niet zijn. Geen droppel vloeit naar beneden, die niet weêr -zal opkomen, als een water-ader, die hier van de bergen stroomt, om ginds in het dal -uit den grond weer op te komen en op te springen. Laat het zijn! Reeds vroeger, als -ik u aanzag en, rekening met u hield, spraken wij samen van het groote Middel om het -Tekort in eens menschen leven te helpen dekken. Gij hebt dertig malen gedurende mijn -afwezen die zekere Drie slagen op zekeren Goeden dag geslagen, die herinnerden aan -het groote <i lang="la">Consummatum est</i>, dat der wereld den triomf van de wereldverzoenende liefde over de zonde en den dood -verkondigde, en daarom mijn lieve Klok, tik voort! tik voort! Wij gaan den eenigen, -eeuwigen goeden Vrijdag tegen, waarop niet alleen al wat te kort is zal worden aangevuld, -maar ook al wat ten deele is zal worden volmaakt. Al gaan de dobberende scheepjes -op uw wijzerplaat, niet voort, ze brengen ons toch naar die haven—de Goedereê, de -Schoone haven van het eeuwig T’huis! -</p> -<p>En andermaal— -</p> -<div class="lgouter"> -<p class="line">Daar kwam verandring in ’t gezicht mijns drooms. </p> -</div> -<p class="first">Ik zie de wanden van mijn studeercel rond, en ik vind daar, als vroeger, de ettelijke -planken met boeken waarom in der tijd Judith mijn eenvoudig kamertje wel wat pompeus -met den naam van Bibliotheek versierde. Daar staan ze, achter den groenen voorhang, -die ze als een <i>sanctum</i> van den voorhof van mijn kamer scheidt. Als ik ze nu aanzie, het is niet zonder een -onwillekeurig gevoel van weemoed. Op een schilderijen-tentoonstelling hangt men boven -het werk van een in den jongsten tijd ontslapen schilder een inmortellen-krans. Maar -inderdaad, indien ik boven al de boeken der Auteurs, die in <span class="pageNum" id="pb159">[<a href="#pb159">159</a>]</span>het laatste Derdendeel der eeuw gestorven zijn, <span class="corr" id="xd31e4756" title="Bron: mmortellen">inmortellen</span> kransen wilde ophangen, mijn boekenkas zou zelf iets van een bloemen-tentoonstelling -krijgen. -</p> -<p>—Welnu, wat kwaad? Als de ééne Auteur sterft, komt een ander in de plaats. Om uw eigen -beeld te gebruiken: Men roepe maar: „No. 1 ontbreekt!”.… -</p> -<p>—Meent gij dat? Ik wenschte, dat het waar ware. Maar reeds toen ik een jongen was, -die „Bröder tot mijn pijn en Weijtingh voor mijn straf” kreeg, moest ik leeren: <i lang="la">Consules fiunt quotanis</i>— -</p> -<div class="lgouter"> -<p class="line">Consuls krijgt men alle jaren en Proconsuls ook er bij; </p> -<p class="line">Maar de Koning en de Dichter komt niet alle jaar als zij. </p> -</div> -<p class="first">De dichters groeien niet als de <span class="corr" id="xd31e4771" title="Bron: spinasie">spinazie</span> in de lente of de bloemkool in den zomer, waarvan in den regel de oogst tamelijk -wel te gelukken pleegt: in den hof der letterkunde heeft men nog al eens jaren van -misgewas. Welke <span class="corr" id="xd31e4774" title="Bron: vruchbare">vruchtbare</span> tijden heb ik in dit opzicht beleefd. Welk een tijdvak, waarin men in één jaar (1832) -drie dichters als <span class="sc">Göthe, Walter Scott</span> en <span class="sc">Bilderdijk</span> verliezen kon! Toen had men er nog eentje voor ’t breken. Zulk een slag zou de groote -Maaier nu met den besten wil niet kunnen slaan. <i lang="fr">Les rois s’en vont</i>: dat geldt ook van de koningen der poezij. Eerst hadden we de koningen, toen de prinsen -en nu—<i lang="la">exceptis excipiendis</i>,—zijn wij aan de grootvorsten, ja misschien nu en dan een kleinvorstje, of, dat op -hetzelfde neêrkomt, een grootvorst van Luxemburg, het landje van ééne stad, er bij. -Toen de koning van Frankrijk na den dood van <span class="sc">Turenne</span> acht maarschalken in diens plaats benoemde, zeide men: De koning heeft zijn goudstuk -tegen zilvergeld verwisseld. Dit geldt ook in onzen tijd, in den regel, van de munt, -die op de poëtische pers geslagen wordt.… In vredes naam, als het niet anders kan! -als dan het zilver maar echt zilver blijft, en geen Russisch zilver wordt! -</p> -<p>Toch is het een gebrek, dat gevoeld wordt. Aardappelennood valt zeker moeielijker -te dragen, dan dichternood; maar een nood is het toch. Het is smartelijk, als men -de jaren beleefd heeft, dat er bijna ieder nieuw jaar een nieuw groot dichter bij -de overigen kwam, dat men nu den eenen dichttroon na <span class="corr" id="xd31e4795" title="Bron: de de">de</span> anderen ziet ledig worden, zonder dat er <span class="corr" id="xd31e4798" title="Bron: legitime">legitieme</span> opvolgers zijn om ze te vervullen, naar den regel: <i lang="fr">Le roi est mort! Vive le roi!</i>—<span class="sc">Jean Paul</span> verhaalt een anekdote, die hier te pas komt. De Prins <span class="sc">Van Esterhazy</span> had zijn geheele muziekkapel, en <span class="sc">Haydn</span> als kapelmeester afgedankt. Dien ten gevolge componeerde deze een muziekstuk, waarin -elk <span class="corr" id="xd31e4814" title="Bron: muziekant">muzikant</span>, de een na den ander, een solo speelde en aan het einde er van den blaker op zijn -muziek-lessenaar uitdoofde en wegging. Zoo verdween het eene lichtje en het eene instrument -na het andere, en eindelijk bleef het orkest geheel stom. Ik heb aan dat verhaal wel -eens gedacht, toen ik <span class="sc">Bilderdijk</span>, en na <span class="sc">Bilderdijk Loots</span>, en na <span class="sc">Loots Staring</span>, en na <span class="sc">Staring Tollens</span>, en na <span class="sc">Tollens Da Costa</span>, en na <span class="sc">Da Costa Van Lennep</span> zag aftreden, en voor de meesten te vergeefs naar een plaatsbekleeder, en dat vooral -<span class="pageNum" id="pb160">[<a href="#pb160">160</a>]</span>onder de jongeren, zocht. Toch willen we niet ondankbaar worden: stom is ons orkest -gelukkig nog niet; er klinken nog eerste violen, al zijn ze schaarsch. Mocht het nu -gaan als bij <span class="sc">Haydn</span> te Weenen<span class="corr" id="xd31e4841" title="Niet in bron">,</span> waar de Prins berouw kreeg van zijn besluit en de afgedankte kapel weêr aanstelde. -Toen kwamen, in de omgekeerde orde, al de lichtjes en al de muziek-instrumenten één -voor één weer terug.… -</p> -<div lang="fr" class="lgouter"> -<p class="line">Va-t-en voir s’ils viennent, Jean, </p> -<p class="line xd31e601">Va-t-en voir s’ils viennent! </p> -</div> -<p class="first">Het is waar, men heeft één troost: denzelfden troost, dien men mij ook op het punt -der muziek aanbood; dat schijnt op dit gebied „de troost der armen” (de bekende balsem) -te zijn. Groote dichters heeft men nu minder dan vroeger, maar daar staat één voordeel -tegenover. De poezij is in onze dagen meer gemeengoed geworden. De taal, de stijl -der goede Auteurs, ook over andere, soms de meest afgetrokken onderwerpen, is dichterlijker -geworden, <span class="sc">Humboldts</span> Kosmos is, ook <span class="corr" id="xd31e4852" title="Bron: litterarisch">literarisch</span>, een meesterstuk: dat zag men vroeger zoo niet. Zelfs over den goeden conversatie-toon -ligt een meer poëtisch waas dan voorheen.—Ik wil het niet geheel ontkennen. Maar de -troost is schraal. De honderdduizend boterbloempjes in het gras voldoen mij niet, -wanneer ik, als bloemen-liefhebber, eens een schoone camelia of azalia of puike stamroos -zou willen hebben. Ik geef vijfhonderd tjilpende musschen voor een enkelen nachtegaal. -</p> -<p>Zelfs dat de poezij voor sommigen min of meer een artikel van mode geworden is, kan -mij niet geheel voldoen. Twee dingen, lieve jufvrouw, ik weet het, zijn in onze dagen -voor een modieuse Dame onmisbaar: een Album met <span class="corr" id="xd31e4857" title="Bron: visite-potretten">visite-portretten</span> en een Poezijboek, vooral een Poezijboek, roodfluweel, met verguld slot en verguld -op sneê! En dan van binnen tal van Versjes, met lange dunne letters van Engelsch model -met bleeke inkt half leesbaar geschreven, sentimenteel tot in het schrift! En de inhoud: -luttel Hollandsch, maar Fransch, en Duitsch, en Engelsch, vooral Engelsch, dat lieve -Engelsch! En als men er dan een handschrift van een heuschen dichter, van „mijn dichter” -bij krijgen kan, dat verhoogt de waarde van zulk een verzameling ontzaggelijk: dat -is of men zijn kleed of hoed onmiddelijk uit de eerste hand, uit Parijs, kreeg. -</p> -<p>Ik moet erkennen: het is vleiend voor de betrokken poëten; maar of er nu de poezij -zelf, of de geest en geestdrift voor poezij in den boezem des volks bij die Album-manie -veel wint,—ik zou het niet durven verzekeren. En zie, dat is toch noodig. Ik gaf het -reeds vroeger te kennen: Poezij beantwoordt aan een ingeschapen trek en behoefte in -de natuur van den normalen mensch. Laat de bekende mathematicus bij het zien opvoeren -der <span class="sc">Fedra</span> van <span class="sc">Racine</span> vragen: wat dat bewijst? Uw vraag, o wijsgeer! bewijst dat gij een cijferbord zijt, -waarbij het stuk krijt in het bakje, bij gebrek van beter, de plaats van hart vervult. -Het meerendeel der menschen is anders gemaakt. De mensch leeft niet alleen van brood; -zoo kan ook een ziel niet alleen <span class="pageNum" id="pb161">[<a href="#pb161">161</a>]</span>van proza leven. Ik heb een harp in mijn keel; als die bespeeld wordt, komt er een -geluid, dat men in de wandeling de Stem heet. Maar ik heb ook een harp in mijn boezem; -als die getokkeld wordt, komt er ook een geluid, en dat heet men Poezij. Nu kan ik -de harp daarbinnen wel tot zwijgen doemen.… o ja! evengoed, als ik eens in een Trappisten-klooster -een menigte monnikken zag, die niet alleen schoon linnen en warme spijs, maar ook -de <i lang="la">vox humana</i> op de lijst der <i lang="fr">objets de luxe</i> hadden gebracht, waarvan ze zich, ten genoegen van de engelen en den hemel, liever -passeerden. Maar, ziet gij, als ik zoo handel, doe ik mijn aanleg en natuur te kort, -en zulk een verminking blijft dan ook niet ongewroken. De mensch, die de Poezij als -een overtolligheid afschaft, is als iemand die een vogel kortwiekt. Och ja, uw uitvlieg-duif -blijft nu wel op de binnenplaats, mijn lieve kleine vriend! en hij leeft alleen van -de duivenboonen die gij hem geeft, en geen nijdig buurman kan nu uw mooi exemplaar -in zijn kooi opvangen: maar—nu is ook uw duif geen uitvliegduif meer, dan titulair, -en de prachtige vogel, dien God geschapen heeft om meê de blauwe lucht te doorstreven -en te doorzweven, te bevolken en te bezielen, is een arme invalide op zwart zaad geworden, -waarop de dikgepropte doffer van uw buurman, als hij triomfeerend den hemel doorklieft, -met deernis of verachting neerziet. We kunnen alles wat in ons met den hoogeren, beteren, -etherischen mensch in verband staat wel afdanken en op pensioen zetten; dat kunstje -wordt helaas! in onzen tijd genoeg geleerd en geoefend; maar men noeme zich dan ook -geen kompleet mensch meer. <i lang="de">Die halben und die ganzen</i>, zei iemand in onzen tijd. Ja, als er minder „halve” menschen waren! Dan.… -</p> -<p>Maar ik hoor nog een excuus, voor en door de kinderen onzes tijds ingebracht.—De tijd -deugt er niet voor. Het is in onze dagen te druk, te woelig, te volhandig! Er wordt -te veel in het bosch geschoten: daarom kunnen de nachtegalen niet zingen. -</p> -<p>—Ei zoo? Dus; de meest <span class="corr" id="xd31e4883" title="Bron: poetische">poëtische</span> tijden zijn die, waarin de tempel van Janus gesloten is? de tijden, waarin de <span class="corr" id="xd31e4886" title="Bron: menscheid">menschheid</span>, als de wijn, die belegen moet zijn, in de vaten op den droesem rust? de tijden, -waarin de Jansalies het roer in handen hebben en al de kippen op stok zijn? Dit had -ik niet gedacht. Ik blijf ook nog wel een weinig twijfelen. De historie althans schijnt -er anders over te denken. Er is een eeuw geweest, die men, evenals men de eeuw van -Saturnus de gouden, zoo deze „de groote eeuw” noemde; welke was die eeuw? Het was -de eeuw in Frankrijk, waarin de Zonnekoning regeerde; waarin <span class="sc">Turenne</span>, en <span class="sc">Condé</span>, en andere reuzen der krijgskunst meer, veldslag op veldslag wonnen, en <span class="sc">Colbert</span> den handel van zijn volk, met de zich steeds vermeerderende zeilen der schepen, steeds -nieuwe vleugelen aanbond. Maar zie dat was—toevallig? ook dezelfde eeuw, waarin <span class="sc">Corneille</span> en <span class="sc">Racine</span> zongen, <span class="sc">Boileau</span> de wetten op den zangberg gaf, <span class="sc">Pascal</span> zijn gulden wijsheid tot goudstukken vermuntte, en <span class="sc">Bossuet</span> en <span class="sc">Bourdaloue</span> stemmen uit de hoogte deden hooren, die het kolossale paleis <span class="pageNum" id="pb162">[<a href="#pb162">162</a>]</span>van Versailles op zijn grondslagen deden daveren.—Had de Vrijheidskrijg van 1813 zijnen -<span class="sc">Körner</span> niet? Van waar dan, dat men in den jongsten oorlog te vergeefs naar den Tyrteus uitzag, -die bij zulk een voorbeeldeloozen kamp niet scheen te mogen ontbreken? De driehonderd -<i lang="de">Lieder der Schutz und der Trutz</i> toch, waarmeê de Germanen elkander zoo goed mogelijk hebben opgewonden, kunnen even -weinig voor een Ilias van dezen krijg gelden, als de houten theater-ballen, waarmeê -Victor Hugo voor zijne Franschen den oorlogsdonder zocht na te maken. Het is gelukkig -voor de Duitschers, dat de Krupp-kanonnen krachtiger taal spreken; anders zouden Sedan -en Metz, Straatsburg en Parijs niet gevallen zijn! -</p> -<p>Men vergunne mij dit elegietje op den <i lang="fr">Chute des feuilles</i> van den laurierboom der schoonste kunst. Misschien is het wel een weinig een <i lang="la">oratio pro domo</i>; misschien pleit ik min of meer voor een <span class="corr" id="xd31e4934" title="Bron: famieliebelang">familiebelang</span>; ik geloof werkelijk, dat ik een verren neef onder de dichters heb. Maar ik geloof -toch ook, dat er bij mij nog iets anders, iets beters bij komt. Ik geloof waarlijk, -dat de menschheid behoefte aan poëzij, en wel aan waarachtige, verhevene, groote poëzij -heeft. <span class="sc">Thorwaldsen</span> heeft eens een basrelief gemaakt met het opschrift <i lang="la">A genio lumen</i>. Het vertoont een vrouw, die bij een altaar zit, en die een uil en een lier aan de -voeten heeft: een voorstelling van het genie. Alle eerbied nu voor den uil, die als -de vogel van Minerva de Wetenschap moet voorstellen. Ik weet, dat we zonder uilen -niet kunnen. Maar als ik u verzoeken mag, als gij u zoo bukt om den uil te streelen, -trap dan bij vergissing de lier niet stuk! Hoe zou ik anders kunnen zeggen: Waak op, -gij harp en luit! Victor Hugo! eens te recht <i>Victor</i>, Overwinnaar, geheeten! Ik bid u, laat nu de <i lang="fr">Travailleurs de la mer</i> eens een weinig op hun eigen hand travailleeren, en grijp gij de gouden citer—gij -zit toch nu niet meer aan de wateren Babels, aan de oevers van den stroom eener droevige -ballingschap—grijp de citer, en zing ons een gouden lied, als in uw gulden tijd. Laat -<span class="corr" id="xd31e4949" title="Bron: ons ons">ons</span> nog eens hooren: <i lang="fr">Ce qu’on entend sur la montagne</i>. Laat ons nog eens hooren, hoe uw prachtige Klok -</p> -<div lang="fr" class="lgouter"> -<p class="line"><i>Chante l’amour au coeur et le blasphême au front!</i> </p> -</div> -<p class="first">En! opdat dit geschiede, genius der kunst! giet olie in de albasten vaas, die de Muze -u voorhoudt … <i lang="la">A genio lumen</i>. -</p> -<p>Nogmaals— -</p> -<div class="lgouter"> -<p class="line">Daar kwam verandring in ’t gezicht mijns drooms. </p> -</div> -<p class="first">Ei zoo.… Gij daar ook nog, mijn portret? Beeld mijner kindsheid, miniatuur-exemplaar -van den tegenwoordigen <span class="sc">Jonathan</span>! O zeker, u ziende, gedenk ik aan de dagen van ouds. Toen ik vroeger evenzoo <span class="pageNum" id="pb163">[<a href="#pb163">163</a>]</span>voor u stond, en u mijn kleine meditatie wijdde, was er tusschen u en den toenmaligen -<span class="sc">Jonathan</span> reeds verschil genoeg. Dat verschil is sedert nog grooter geworden. Een leeuwerik -onder de zangeressen uit den vreemde, (schoon tamelijk in de buurt; het is eene Vlaamsche, -die niet voor niet <span class="sc">Rosalie Loveling</span> heet), heeft het gevoel, uit het gezicht van zulk een gedaante-verandering geboren, -aardig uitgedrukt: -</p> -<div class="lgouter"> -<div class="lg"> -<p class="line">In grootmoeders kamer, daar hangt het beeld </p> -<p class="line xd31e490">Uit hare kinderjaren: </p> -<p class="line">Een lachend mondje, peerlenoog, </p> -<p class="line xd31e490">En bruine kroezelharen. </p> -</div> -<div class="lg"> -<p class="line">De kinderen stonden en staarden ’t aan, </p> -<p class="line xd31e490">En ’t een zeî aan het ander: </p> -<p class="line">„Och, waar’ dat schoone kindje hier, </p> -<p class="line xd31e490">Wij speelden met malkander.” </p> -</div> -<div class="lg"> -<p class="line">En de oude in haar leunstoel met bril en toer, </p> -<p class="line xd31e490">Keek op bij deze rede: </p> -<p class="line">„Wie zou dat schoone kindje zijn?.… </p> -<p class="line xd31e490">Gij speelt er altijd mede.” </p> -</div> -</div> -<p class="first">Inderdaad, de vergissing der kinderen is verschoonlijk: het onderscheid is ook zoo -erg groot! En laat dat zoo zijn! Oud te worden, is geen kwaad, als maar niet alles -aan ons en in ons te gelijk mede oud wordt. En dat is niet noodig. De dichter <span class="sc">Tegner</span> heeft ergens gezegd, dat de ouderdom sneeuw strooit, niet alleen in het haar, maar -ook in het hart. Zou dat regel zijn? Als er sneeuw op een vulkanischen grond valt, -smelt ze: dat kan de Etna leeren. Misschien is het, omdat mijn hart wat warm van temperatuur -is uitgevallen, dat ik van de sneeuw in het binnenste nog niet veel merk. <span class="sc">Schleiermacher</span> is de eenige niet, die zich zelven beloofde, dat hij, oud wordende, jong zou blijven,—en -woord hield. Er zijn dwergen, die dezen reus dit hebben nagedaan, door ’s mans zevenmijlslaarzen -aan hun kleine voeten te doen. -</p> -<p>Ja, er is een middel—ik sprak er reeds vroeger van—om ouderdom en jeugd in één zelfden -mensch te vereenigen, zooals de oranjeboom aan één stam het groene blad, den zilveren -bloesem en de gouden vrucht draagt. Een dichter zong er van: -</p> -<div class="lgouter"> -<p class="line">Eenmaal wordt het kind een man, </p> -<p class="line">Die veel trefflijks wil en kan; </p> -<p class="line">Eenmaal wordt de man een kind, </p> -<p class="line">Zwak zooals men kindren vindt! </p> -<p class="line">Waart gij lang een kind van God, </p> -<p class="line">Grijsaard-Kind! dan heil uw lot! </p> -</div> -<p><span class="pageNum" id="pb164">[<a href="#pb164">164</a>]</span></p> -<p>Grijsaard-Kind. Een eigenaardige combinatie, die mij denken doet aan de bekende Kind-Vrouw -uit den <span class="sc">David Copperfield</span> van <span class="sc">Dickens</span>. Nu, wat het grijsaard-worden aangaat, daaraan heeft het bij mij niet ontbroken. -Een groene grijsheid—zegt men—een spar onder de sneeuw;—ik verzeker u, dat er sneeuw -op de bladen ligt! Maar nu de andere helft: het Kind in den Grijsaard, <span class="sc">Jonathan</span>, hoe staat het daarmeê? -</p> -<p>Hoort eens, lieve menschen, ik zit hier niet in den biechtstoel. Daar zijn dingen, -die men liefst alleen, of nog beter onder vier oogen afdoet. Maar die andere twee -oogen, die ik daarbij tegenover mij wensch, zijn de uwe niet. Intusschen, dit kan -en mag en wil ik u wel zeggen: het Grijzen is makkelijker en voorspoediger gegaan, -dan het Kind worden. Het is daarmeê als met het op- en afklimmen van een berg. Het -afklimmen gaat rad genoeg ja, het gaat van zelf; maar het opstijgen! En Kind, in den -besten en hoogsten zin Kind te worden, is eene opstijging, erger dan tegen den Montblanc. -En geen wonder! Het gaat ook naar <span class="corr" id="xd31e5033" title="Bron: een een">een</span> Montblanc, den Witten berg der volmaakte en vlekkelooze heiligheid, op welks top, -even als het licht van den zon in den morgen op den Zwitzerschen berg, het groote -eeuwige Licht, waarin gansch geen duisternis is, woont. Nu, ziet gij, zulk een bergreis -gaat met groote moeite en inspanning gepaard. Het heeft wel iets van den gang van -sommige bedevaartreizigers naar Jeruzalem, die soms, bij wijze van vrijwillige zelfmarteling, -telkens na twee stappen voorwaarts weer éénen achterwaarts deden. Of wilt gij een -nationaal beeld? Denkt aan den tijd, toen gij als kinderen tegen de een of andere -duin op zoudt klimmen, en gedurig met het zand, dat gij pas en met moeite bestegen -hadt, naar beneden kruidet! Ach, als gij zondag een goeden stap voorwaarts hebt gedaan, -komt maandag, en dinsdag alles bederven, en ’s woensdags daarop is het, of het weer -de vorige zaterdag ware. Waarlijk, er is volharding en moed toe noodig om den strijd -niet op te geven. -</p> -<p>Toch willen wij dit met Gods hulp niet doen. Daarvoor voelen wij ons te sterk in de -belofte: Hij heeft ons macht gegeven, kinderen Godts te worden.—Kinderrang bij kinderzin. -Het is beloofd. Het zal geschieden. Het kan geschieden. Het is mogelijk, al is het -ook moeielijk, al is het ook wonderbaar. Van wonderen gesproken,—de klassieke dichter -<span class="sc">Ovidius</span> heeft een heel boek vol geschreven, waarin hij van niets dan van metamorfosen verhaalt. -Menschen worden boomen, vogels, en wat niet al meer. Maar als ik van die mirakelen -lees, blijf ik er koud bij: het zijn immers maar fabelen? Het is alles mythologie. -Maar als de Heilige schrift van mannen en vrouwen, ja, zelfs van ouden van dagen spreekt, -die kinderen worden—zie, zoo waar God leeft, dat is geen fabel, geen mythe, dat is -een feit! Zoo waar ik leef, ik weet dat het een feit is; ik heb het gezien. -</p> -<p>Een schoon gezicht—om hetwelk te aanschouwen de engelen gaarne den hemel verlaten—die -gedaante-verandering van den volwassen mensch, die <span class="corr" id="xd31e5044" title="Bron: een een">een</span> kind wordt! En zooveel te schooner, naarmate <span class="pageNum" id="pb165">[<a href="#pb165">165</a>]</span>het zielsgelaaat van dien mensch door de werking der zonde meer verdorven, meer verouderd -en leelijker gemaakt was. Als men u toen gevraagd had: kan die akelige Kains-tronie -nog weer een lief, onnoozel Abelsgezicht worden, zooals deze er uitzag, toen hij nog -levend en blozend als een kind op zijn moeders schoot lag, of ook, toen hij in zijn -tweeden en laatsten slaap, met een lachje op het gelaat, door zijn moeder in de armen -genomen werd om tot de groote rust gebed te worden? dan zoudt gij geneigd zijn geweest -uit te roepen: Onmogelijk! En gij zoudt recht hebben gesproken: dat is ook onmogelijk—althans -bij de menschen is het onmogelijk. <span class="sc">Adam</span> kan het niet, en <span class="sc">Eva</span> kan het niet, en <span class="sc">Abel</span> zelf uit zich zelven kan het ook niet; er is geen enkel Adamskind, die het kan! Maar -wat bij de menschen onmogelijk is, is mogelijk bij God,—als God het wil, en dìt wil -God. Hij wil, dat menschen zalig worden, en tot die zaligheid voert geene andere weg, -dan door de tweede kindsheid heen, die wij het kindschap Gods noemen. Om het wonder -dier herschepping te <span class="corr" id="xd31e5059" title="Bron: bewerkstellingen">bewerkstelligen</span>, beschikt hij over goddelijke krachten en gaven. Is het vreemd? Men verhaalt van -<span class="sc">Rubbens</span>, dat hij, met een penseelstreek of wat, een schreiende in een lachende tronie op -zijn paneel veranderen kon; zou de hand, die <span class="sc">Rubbens</span> dit schildergenie in den boezem gaf, niet iets dergelijks bij zijn maaksel vermogen? -God heeft uit een handvol klei eenen mensch gebootst; zou hij nu den misvormden, verbasterden -en ontaarden mensch niet weer tot een nieuwen en reinen mensch kunnen hervormen? Het -is zoo: de bewerking is nog zwaarder. Want de doode klei was lijdelijk in de hand -des Pottebakkers; maar de levende aardmensch, in wien de klei van beneden vaak over -den geest van boven heerscht, is weêrstrevig en weêrspannig, en maakt den grooten -kunstenaar soms moeite genoeg. Maar toch, als er eens een begin met het groote werk -is gemaakt, o! het gaat. Het gaat langzaam, maar het gaat. Het gaat moeielijk, maar -het gaat. Hier een vlek weggewischt, daar een rimpel weggestreken, elders een lach -of een blosje aangebracht—het gaat. Zie, het wordt reeds een geheel ander voorkomen. -Het hangend hoofd heft zich op, en het matte oog begint te glinsteren, en het ruwe -vel wordt glad, en het onrustig jagende hart wordt stil, stil—zegt de Psalmist—als -een kind bij zijn moeder.… en dat is niet de eenige kindertrek! Het kinderlijke komt -gedurig meer boven, en uit, en door.… Ik las ergens van een volksgeloof, volgens ’t -welke een mensch, als hij gestorven is, het gelaat van zijn vroegere kindsheid weêr -aanneemt<span class="corr" id="xd31e5068" title="Bron: .,.">…</span> dat is een legende. Maar dat Christenen, hoe ouder ze worden, temeer op kinderen -beginnen te gelijken, ja, telkens meer kind zijn.… dat is geen legende. Dat is een -feit. Ik heb het gezien en ik zie het aan mij zelven, helpe God! Met zijne hulp zie -ik het eens in zijn gansche volheid en volkomenheid. -</p> -<p>Wanneer? -</p> -<p>Ik zie er mijn portret op aan, maar ik krijg geen antwoord. Mijn moeder heeft mij -bij mijn geboorte den horoskoop niet laten trekken. <span class="pageNum" id="pb166">[<a href="#pb166">166</a>]</span>Er is dus zelfs niet naar geraden, hoe oud ik wel worden zou. Nu, in zekeren zin is -dat ook onverschillig. Het aardsche leven is altoos een korte ketting, waaraan het -op een schalm of wat meer of minder niet aankomt, daar zij toch bestemd is spoedig -te breken. Anders is het gelegen met het hemelsche leven, de keten die nooit breekt. -Dat is als de keten van den telegraaf, die onder rivieren en stroomen door, en zoo -ook door de Jordaan des doods heenloopt, en den Nebo aan deze zijde aan de kust van -de Palmstad aan den anderen kant verbindt. O wat het zijn moet, op dien anderen oever -te komen, en dan het strand te kussen, en daarna opgerezen in den kristallen stroom -zijn eigen beeld te zien, en zichzelven zoo weinig te herkennen, als ik mij nu in -dit kinderportretje herken.… welk een verwachting! Toen men in der tijd dit kindje -wel eens vroeg: hoe groot zult ge worden? hief het wicht de kleine armpjes omhoog, -zoo hoog hij kon, maar altijd veel te laag.… het kleine schepsel! het kon niet hooger. -Maar vraag nu het kind van God eens: Hoe groot zult gij worden? Lieve menschen! dat -kan hij u nog minder toonen: want dat is zóó groot, zóó groot, dat men gaat duizelen, -alleen van het zich te verbeelden. Bedenk dat er geschreven staat: <span lang="nl">ze sullen Hem gelijck wesen</span>. -</p> -<p>En dat alles, het ligt nu vóór ons, recht vóór ons, dicht vóór ons—wie weet, hoe dicht? -Zonderling, dat die gedachte ons niet meer verblijdt. Ik weet nog, hoe het mij te -moede was, toen ik het eerst den Montblanc zou gaan zien.… ik was de wereld te rijk! -en ik heb hem gezien en uitgeroepen: schoon, schooner, veel schooner, dan ik mij had -verbeeld! Maar nu dien anderen Montblanc te zien, en niet alleen te zien, maar ook -te bestijgen, en niet alleen te bestijgen, maar ook blijvend te bewonen. Gelukkiger -dan <span class="sc">De Saussure</span> en zijne navolgers, die na een kort verblijf op de hoogte weer naar beneden moesten -in het Dal, in den herberg, en bij de morsige wateren van de Arve, die door de Chamounix-vallei -stroomt. Nog eens, hoe kan het zijn, dat het ons zoo koel laat? Nu zou ik toch haast -weêr zeggen, dat de sneeuw niet alleen op het haar ligt. Wat er aan te doen? Nog eens -een blik op den Kind-Grijsaard des dichters, met zijn schoon verleden en nog schooner -toekomst: -</p> -<div class="lgouter"> -<div class="lg"> -<p class="line xd31e490">Ik ken twee schoone dalen, </p> -<p class="line">Waarop ik blik met stille vreugd: </p> -<p class="line xd31e490">Het eene vol bloesem en stralen, </p> -<p class="line">Is ’t groene veld der jeugd. </p> -</div> -<div class="lg"> -<p class="line xd31e490">Het eene is doorgetogen! </p> -<p class="line">En schemert reeds in ’t wijd verleên: </p> -<p class="line xd31e490">Toch wendt er de Grijsaard zijn oogen </p> -<p class="line">Met dank’bre blijdschap heen. </p> -</div> -<div class="lg"> -<p class="line xd31e490">Het tweede ligt daarboven! </p> -<p class="line">Dáár storm, nog sneeuw, noch winterwee! </p> -<p class="line xd31e490">Maar eeuwige gaarden en hoven, </p> -<p class="line">Aan kristallijnen zee. </p> -</div> -<p><span class="pageNum" id="pb167">[<a href="#pb167">167</a>]</span></p> -<div class="lg"> -<p class="line xd31e490">Wel tintelen en bloeien </p> -<p class="line">De bloemen uit mijn jeugd nog schoon. </p> -<p class="line xd31e490">Maar die uit den Hemelhof gloeien </p> -<p class="line">Wel driemaal dubbel schoon! </p> -</div> -</div> -<p class="first">Kind! kind! welke gezichten! welke uitzichten! O dat het nu ook waar worde: -</p> -<div class="lgouter"> -<p class="line">„Wie zou dat schoone kindje zijn? </p> -<p class="line xd31e601">Gij speelt er altijd mede!” </p> -</div> -<p class="first">Ten laatsten maal— -</p> -<div class="lgouter"> -<p class="line">Er kwam verandring in ’t gezicht mijn drooms. </p> -</div> -<p class="first">Nog eens hervat ik mijn Reize door mijn kamer, ik sla mijn oogen her- en derwaarts -in ’t rond. Zoo valt mijn oog op wat ik mijn Stamboom noemde: op mijn erentfesten -Bijbel op zijn ouderwetschen lezenaar. Mijn stamboom; als behelzende op zijn eerste -bladzijde de volglijst mijner Voorouders, mijn Genesis X, waaraan, door de hand der -mijnen, een en andermaal een soortgelijke aanteekening, als in dat kapittel zoo menigmaal -voorkomt is toegevoegd: <span class="corr" id="xd31e5124" title="Niet in bron">„</span>Deze en die werd geboren, gewon kinderen, en stierf.” Hier zie ik ze weer: de namen -van mijne vaderen, van den eersten, dien we kennen, <span class="corr" id="xd31e5126" title="Bron: toe">tot</span> mijn eigen lieven vader en moeder toe, en onderaan het open plaatsje voor <span class="sc">Jonathan</span> … dat nog open is. Tot hoe lang? … neen, dat willen we niet andermaal gaan vragen. -<span class="corr" id="xd31e5132" title="Bron: Eén">Één</span> ding is zeker. Ik vergeleek mijn stamboom met Genesis X; maar dat geldt allerminst -van de getallen. Die zijn voor het minst gedecimeerd. In die dagen was zeven, achthonderd -jaar een gewone leeftijd. Mozes hield er reeds een andere rekening op na: <span lang="nl">Aangaende de dagen onser jaren, daarin zijn seventig jaer, of zoo wij seer sterk zijn, -tachtentig jaer</span>—<span class="sc">Jonathan</span>, hoort gij het? -</p> -<p>Laat het zoo wezen. <span class="sc">Jonathan</span> worde ouder en ouder, zoodat het witte graan om den zeis roept, de oogstdag zal welkom -zijn. En wel beschouwd, wat doet het er ook toe, of de namen op het schutblad van -den Bijbel een jaar of wat meer of minder achter zich tellen, als de Bijbel zelf, -waaraan ze als vastgehecht en waarmeê ze verbonden zijn, maar jong, maar eeuwig jong -is en blijft! -</p> -<p>En dat blijft hij! -</p> -<p>Zie, daar ligt hij voor mij. Wij zien elkander na lange scheiding weêr. Hoe zien wij -elkander? Hij vindt mij vrij wat veranderd: de Tijd schreef in rimpelen zijn voortgangen -op mijn voorhoofd aan; ja ze staan, als op iederen van mijn gelaatstrekken, op elke -van mijn lichaamsleden te lezen! Hoe geheel anders met hem. Hij altijd dezelfde. Ook -uitwendig, in den sterken juchtlederen band, de soliede koperen <span class="pageNum" id="pb168">[<a href="#pb168">168</a>]</span>sloten, het stevige, degelijke, deugdelijke ouderwetsche papier met den kloeken zwarten -letter, en de platen van <span class="sc">Luyken</span>, bijna even duurzaam als het koper waarin ze eens gegraveerd zijn. Maar ook inwendig, -in den inhoud. Ook daarvan geldt ten volle: „Niet verouderd!” -</p> -<p>Welk een verschil tusschen hem en mij! -</p> -<p>Ik las onlangs een bijzonderheid uit het leven van <span class="sc">Alexander van Humboldt</span>, die mij trof. Toen hij als jongeling met zijn vriend <span class="sc">Bonpland</span> in Zuid-Amerika reisde, zag hij een boom, <i lang="es">Saman del Guere</i>—meen ik—geheeten: een waren reuzenboom, in al zijn pracht, macht en kracht. Zestig -jaren daarna, in 1858, bracht hem een reiziger, die uit die streken kwam, een gelijkende -fotografie van dien boom mede. Dat gezicht deed hem aan. Naar de teekening te oordeelen, -was die boom nog volmaakt dezelfde als in 1798. De stam even hoog, vast en recht; -de kroon even breed en rijk; de takken even overvloedig, weelderig en schilderachtig -naar alle zijden uitgebreid; de bladeren even rijk frisch en groen; de bloemen- en -vruchtenschat even kleurig en welig. Toen werd <span class="sc">Alexander</span> bedroefd. „Die boom nog geheel onveranderd, terwijl <span class="sc">Bonpland</span> lang dood is, en ik een oud man aan den rand van ’t graf! Wat is er nu van die vlucht -van jeugdig <span class="corr" id="xd31e5175" title="Bron: enthousiasme">enthusiasme</span>, die mij en mijn reisgenoot toenmaals bezielde, en ons met onze gedachten en plannen -hoog boven de hooge kruin van dien reuzenboom, ja, van de hemelhooge bergen daarachter -en rondom, opstijgen deed!…<span class="corr" id="xd31e5178" title="Bron: „">” </span>Maar genoeg, gij hebt mij reeds begrepen. Wat <span class="sc">Alexander</span> voelde tegenover de afbeelding van zijnen langlevenden boom, gevoelt de verouderde -<span class="sc">Jonathan</span>, staande tegenover zijnen altijd jongen Bijbel. Alleen maar, de aard van de daardoor -opgewekte gewaarwording verschilt. <span class="sc">Humboldt</span> werd droevig, ik gevoel mij gelukkig en blijde. Geen wonder: de jeugd van zijnen -boom kon zich aan hem niet meêdeelen: maar de onveranderlijkheid van onzen Bijbel -waarborgt ons onze onsterfelijkheid, onze eeuwige geestelijke jeugd. Daarom roemen -wij: <span lang="nl">Alle vleesch is als gras, en alle heerlickheyt des menschen als een bloeme des gras. -Het gras is verdorret en sijne bloeme is afgevallen: maar het woordt des Heeren blijft -in der eeuwigheid.</span> -</p> -<p>Ja, het Woord blijft. Jaarhonderden en jaarduizenden zijn dáár, om het <span class="corr" id="xd31e5195" title="Niet in bron">te </span>staven; ook het laatste jaarhonderd is daarvan een getuige te meer. Dat tijdvak toch -is voor mijnen Bijbel niet al te goed geweest. Vreeselijke stormen en orkanen, o gij, -woudkoning in den vreemde, gij machtige <i>saman</i>-boom! zullen in den loop van die zestig jaren, van 1798 tot 1858, over uw kruin zijn -heengevaren; ontzettende onweders zullen uw stam hebben bedreigd, en misschien ook -wel vreeselijke aardbevingen uwe wortelen hebben geschokt en geschud; maar gij zijt -staande gebleven, altijd jong, altijd sterk, altijd groen, altijd vruchtbaar! Welnu, -niet anders deze Bijbel! Ook over hem heeft een Pinksterstorm, gelijk wij er een in -1860 beleefden, die de grootste en sterkste eiken ontwortelde en nederwierp, wat zeg -ik? onderscheiden zulke Pinksterstormen <span class="pageNum" id="pb169">[<a href="#pb169">169</a>]</span>zijn over zijn hoofd heengegaan, en hebben getracht hem te knakken of neêr te slaan; -maar het is niet gelukt. Hij heeft geen blad verloren, geen bloesem laten vallen, -geen vrucht afgeschud.… hij staat daar altijd even krachtig en bloeiend, en als gij -hem nadert, reeds van verre waait u uit zijne bladeren een geur des levens te gemoet!<span class="corr" id="xd31e5201" title="Bron: ,..">…</span> -</p> -<p>Men zou zeggen: maar wie heeft dan zulke stormen en onweders tegen dit beste der Boeken -verwekt? Kan het zijn? Hebben dat de menschen gedaan? En waarom? Wat dan, o mijn Bijbel, -wat hebt gij den menschen gedaan, dat velen uit hen u zoo gram konden zijn, en u zoo -gaarne zouden verbrand, verscheurd, of voor het minst verminkt hebben, zoo ze hadden -gekonnen? -</p> -<p>Wat gij den menschen gedaan hebt? Dat is spoedig gezegd. Gij hebt ook in het jongst-verloopen -tijdvak, ook in de laatste zestig jaren hebt gij duizenden, en tien- en honderdduizenden -onder de menschen geleerd, gij hebt ze gesticht, gij hebt ze getroost, gij hebt ze -gesterkt: gij hebt wonden gebalsemd, gij hebt rimpels glad gestreken, gij hebt tranen -gedroogd. Toen er ten vorige jare oorlog was, was het als een hemelsche verschijning, -als er in de hospitalen, waar de gewonden lagen, een broeder of een zuster van het -Roode Kruis kwam, met een zachte hand, en een zacht verband, en een verzachtenden -balsem in de vingers, en vooral met een zachte stem, die opbeuring en vertroosting -sprak tot de verslagenen naar het lichaam en de verslagenen naar den geest. Maar wat -die barmhartige Samaritanen onder de menschen in zwakheid hebben beproefd, dat hebt -gij, o hemelsche Samaritaan des goddelijken Woords! in kracht beoefend en volbracht. -Gij hebt in het groote hospitaal des menschelijken levens, waar de zichtbare, maar -vooral de onzichtbare wonden niet te tellen zijn, gij hebt daar al wat krank, en zwak, -en lijdende, en geknakt en gebroken was geheeld en gesteund; gij zijt dien mannen -van krankheid en smart, dien kinderen der zonde en des doods, een engel der vertroosting -en des levens geweest: gij hebt u dien <span class="sc">Benoni’s</span> een <span class="sc">Benjamin</span>, een zoon der Rechterhand getoond! O hoe zal men er u ooit genoeg voor danken? hoe -zal men er u voor begroeten en zegenen: Gezegend gij die komt in den naam des Heeren!<span class="corr" id="xd31e5213" title="Bron: ..,">…</span> Maar neen! neen! Alzoo, o mijn Bijbel! is het u van velen niet gegaan. Veeleer het -tegendeel. Iemand heeft een verhaal aangaande u geschreven: De geschiedenis van het -Boek. Maar indien men die geschiedenis raadpleegt, dan ziet men dat weinige lijders -in deze negentiende eeuw moeielijker dagen hebben beleefd, dan gij; ja, zoo moeielijk, -dat het ons soms wonder dunkt, dat gij er het leven afgebracht hebt; hoeveel meer, -dat aan u de belofte ten volle vervuld is: Geen been van hem sal verbroken worden. -</p> -<p>Inderdaad! het is een zware strijd, die in onze dagen op het groote slagveld des geestes -gestreden wordt. Op een van de heerlijke zes fresco’s van <span class="sc">Kaulbach</span> in het nieuwe museum te Berlijn, voorstellende zes hoofdtijdperken uit de Algemeene -geschiedenis der menschheid, heeft <span class="pageNum" id="pb170">[<a href="#pb170">170</a>]</span>de schilder de zegepraal des Christendoms over het Heidendom afgebeeld. Het tafereel -geeft u een blik te slaan op het slagveld van den slag, in de velden van <span class="corr" id="xd31e5223" title="Bron: Catalonie">Catalonië</span> tusschen Theodorik en Attila geleverd. Het is een geniale greep! Beneden ziet men -het slagveld zelf met zijne gewonden en dooden. Maar niet alleen beneden, ook daarboven -is er strijd. Uitgaande van de legende, dat men nog dagen daarna krijgsgerucht in -de lucht zou hebben gehoord, ontleent de schilder daaraan een schoone dichterlijke -gedachte. De geesten zetten daarboven in de lucht den strijd voort, dien de lichamen -der verslagenen beneden hebben moeten opgeven. Welnu, een dergelijke geestenslag heeft -ook in onzen tijd plaats. Wie ooren heeft om te hooren, hoort het geklikklak der zwaarden -in de lucht. Wat zal de uitkomst zijn? Dat vraagt niemand die gelooft. Wij zijn als -Eliza. Wij zien en hooren de legers van onzen grooten Bondgenoot in de lucht, en roemen -als hij: Wie met ons is is meer, dan die tegen ons zijn. Wij zijn vóór het einde van -den slag der victorie zeker. Toen de Fransch-Duitsche oorlog van 1870 begon, riepen -de Franschen; naar Berlijn! de Duitschers; naar Parijs! Dat was bij den een grootspraak, -bij den ander anticipatie, bij beiden overmoed. De een had Parijs wel niet kunnen, -de ander heeft Berlijn niet mogen zien. Maar als wij in den grooten geestenslag tusschen -licht en duisternis, tusschen de wereld en het geloof dat de wereld overwint, bij -voorraad en voorbaat uitroepen: Naar Jeruzalem! Naar het Nieuw Jeruzalem! dan weten -wij, dat wij er komen zullen. Hij, die niet liegen kan, de <span class="corr" id="xd31e5226" title="Bron: waarachtigen">Waarachtige</span> en Almachtige heeft het gezegd. Het bulletin is reeds geschreven: het is in de Apocalyps -geboekt. -</p> -<p>Dit neemt evenwel niet weg, dat voor een hart, dat dezen strijd aanziet, dat aan dezen -strijd deelneemt, de dagen boos en hachelijk genoeg zijn. Een man, die recht van medespreken -heeft; daar hij jaren opperstuurman op het schip van staat in Frankrijk was, en dat -schip door menigen storm gelukkig heenvoerde, totdat ook hem het roer in de handen -brak; de groote en edele strijder <span class="sc">Guizot</span> heeft er van gezegd: „Mijn ziel is te gelijk van vertrouwen en onrust, van hoop en -vrees vervuld. Ten goede en ten kwade is de krisis, welke de beschaafde wereld doorgaat, -oneindig sterker, dan onze vaderen hebben voorzien; sterker dan wij zelven het denken, -wij, die er reeds de meest verschillende uitwerkselen van ondervinden. Verheven waarheden, -uitnemende beginselen zijn innig samengemengd met denkbeelden, die volkomen valsch -en verderfelijk zijn. Een schoone arbeid van vooruitgang en een afschuwelijk werk -van verwoesting volgen elkander in de geesten en in de samenleving op. Nooit heeft -de menschheid in zulk een mate tusschen hemel en afgrond gezweefd.” De schilderij -is niet bemoedigend, en toch, we willen den moed niet opgeven. Ook daarom niet, omdat -we op den eind-uitslag gerust zijn. Maar ook niet om deze reden, dat hoe dreigend -zulk een strijd zijn moge, er nog iets erger is dan dat, en dat is: een volkomen rust.… -namelijk de rust van het kerkhof, de rust des doods. En die was er vroeger, eer deze -strijd ontbrandde<span class="corr" id="xd31e5234" title="Niet in bron">.</span> <span class="pageNum" id="pb171">[<a href="#pb171">171</a>]</span>Die was er in de zoogenaamde vredejaren, toen de kwade stoffen stillekens werden opgehoopt, -die de lucht zoo elektriek gemaakt hebben, dat nu het bliksemlicht niet van den hemel -is. Vraag een wakker kapitein, die op de Oost vaart: Wat hebt gij liever: storm, of -langdurige windstilte? Hij zal het eerste kiezen. Met storm komt men, al is het dan -dan stormende, toch nog voort: met eene windstilte gaat tijd, geld, lust, geduld, -moed, alles verloren.—En ziet gij, er was vroeger op de Galilesche zee der kerk windstilte. -Het zeil van het scheepke des Heeren hing los langs den mast; er was geen adem op -het water, geen gang in het schip; alles doodstroom; men kon niet varen; men kon niet -voort. Later begon de wind op te steken.…. het woei.… het woei hard.… het woei harder.… -het waait nu erg hard.… het waait soms een stoker … om het even! Beter zoo, dan in -’t geheel niet. We weten nu voor het minst, dat we leven, we weten waarom we leven, -we weten ook waarvoor we strijden, en met Gods hulp, we zullen er ons doorslaan, en -de haven halen! -</p> -<p>Als nu maar alle man zijn plicht doet! <span class="sc">Nelson</span> zeide voor den slag van Trafalgar: Engeland verwacht dat ieder man zijn plicht doen -zal. En zij deden hun plicht, en overwonnen. Zoo ook wij. Elk zijn plicht: van den -admiraal tot den matroos; van den opperstuurman tot den koksjongen; van den kolonel -der marine-soldaten tot den pijper, die den slagmarsch blaast. Alle man zijn plicht. -En dat is niet: hard geroepen! luid geschreeuwd! Maar: trouw gewerkt! ijverig gearbeid! -en moet het wezen—en het moet soms zijn—moedig en dapper gestreden! Ach, dat het daaraan -zoo dikwijls ontbreekt! <span class="sc">Jonathan</span>, gij ziet hier toch niet bezijden? Zie vóór u! of liever: Zie op u! En nog het allerliefst: -Zie in u, en spreek uw <i>peccavi</i>! -</p> -<p>Och ja, <i>peccavi</i>! Als ik naar binnen zie, dan sta ik hier voor mijn Bijbel, die mijn stamboom, den -stamboom ook mijner vrome vaderen bevat, als een arm zondaar. En dat niet enkel, omdat -ik misschien soms wel eens wat traag, of achterlijk, of lafhartig was in den strijd,—daar -zijn er, die mij den Jonathansgeest op dit gebied als de zwaarste mijner zonden aanrekenen—maar -ook, en vooral, omdat ik, naar mijn eigen inzicht en gevoel, niet trouw genoeg heb -gewaakt en gewerkt. Dat is toch nog altijd de weg, die de uitnemendste is. De vorsten -en ridders der hervorming droegen in der tijd op hun kleed het woord gestikt V.D.M.I.A. -<i lang="la">Verbum divinum manet in aeternum.</i> Dat voorbeeld moeten we volgen. Of nog liever: we moeten dat woord niet alleen dragen -op ons kleed, maar op ons lichaam, op onze ziel, op ons verstand, op onzen geheelen -uit- en inwendigen mensch. We moeten niet alleen een levenden Bijbel hebben, maar -ook een levende Bijbel zijn: een boek, waarin de Heilige Geest niet met inkt, maar -met vuur, zijne geboden schrijft, om tot een brief van introductie en recommandatie -voor zijn Evangelie bij anderen te strekken. Mocht ik die les leeren aan den voet -van het Woord, waarvoor ik sta. Het is de les, waarin men nooit volleerd is. Zelfs -invaliden moeten in dezen <span class="pageNum" id="pb172">[<a href="#pb172">172</a>]</span>strijd zich nog blijven oefenen, als jonge conscrits. Laat dat zijn. Als de dood ons -maar bij het vaandel, op onzen post vindt. Als we maar met <span class="sc">Bossuet</span>, in het schoone slot van zijne lijkrede op <span class="sc">Condé</span>, ons door onze witte haren indachtig laten maken aan de rekenschap, die wij eerlang -hebben af te leggen, en aan de vervulling onzer taak tot den einde toewijden <i lang="fr">les restes d’une voix qui tombe et d’un ardeur qui s’éteint</i>. -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p><span class="sc">Negen—tien.</span>—Mijn klok spreekt. Hij zegt, dat het tijd is om te eindigen. En dat kan ik ook doen: -mijn taak is af. Ik heb mijn Laatste woord aan den lezer gesproken. Dit woord is als -een enveloppe om een brief, dien men nu, met een allerlaatsten groet op de keerzijde -van den omslag, definitief verzendt. Moge de brief goed aankomen, en met een vriendelijk -gezicht worden ontvangen. Ik heb geen reden er aan te twijfelen. Ik zeide het reeds -vroeger: het groot publiek is van ouds goed, en meer dan goed voor <span class="sc">Jonathan</span> geweest. Ik had die goedheid vroeger niet verdiend, en weet niet, waardoor ik haar -nu zou hebben verbeurd. Ik wil er het beste van hopen. -</p> -<p>En zoo leg ik hier niet, zonder een gevoel van zachten weemoed de pen neder. -</p> -<p>Ik zie nog eens voor het laatst het tijdvak over, dat deze vijfde uitgave van de eerste -scheidt. Waar zijn nu velen van de lezers, die mij het eerst door hun goedkeuring -en toejuiching verblijdden en bemoedigden? ze zijn niet meer. Ze zijn uit dit land -van Droomen in het vaderland der eeuwige Waarheid overgegaan, en aanschouwen daar -de vervulling van menige schoone verwachting, waarover wij ons samen, al schrijvende -en lezende, in de voorgaande bladzijden hebben verheugd. Daarentegen is een ander -geslacht opgestaan, en omringt in zijn jeugdige gestalte den steeds ouder en ouder -wordenden vader van dit papieren kind. Zal ik bij de kinderen iets terugvinden van -de welwillendheid, die ik van hunne ouders, en misschien grootouders, genoot? Ik mag -er althans niet op rekenen. -</p> -<div class="lgouter"> -<p class="line xd31e490">Andre tijd, andere oogen, een andere kreet, </p> -<p class="line">En de tijd is nabij, die mijn schijnsel vergeet! </p> -</div> -<p class="first">Ook voor den flauwsten nagalm van vroeger ondervonden waardeering wensch ik dankbaar -te zijn. -</p> -<p>En nu eindelijk nog een handdruk aan de vrienden onder mijne tijdgenooten, die nog -in leven zijn. Dit kringetje is klein geworden, maar het is, Goddank, toch nog niet -geheel gebroken: het is nog een kringetje: <i lang="la">tres faciunt collegium</i>. Hen moge de oude bekende stem nog eens, van uit deze bladen, van mijnentwege groeten. -Een <i>Requiescat</i> voor de dooden: een hartelijk <i>Salve</i> voor de jeugd; maar dan ook een trouwe handslag met een hartelijk: <i lang="la">Semper idem!</i> voor de vrienden! De dichter heeft gevraagd: -<span class="pageNum" id="pb173">[<a href="#pb173">173</a>]</span></p> -<div class="lgouter"> -<p class="line">Maar de mannen, in wier hairen </p> -<p class="line">Wij een grijzen vlok ontwaren, </p> -<p class="line">Daar zij zich in ’t hoekjen scharen, </p> -<p class="line xd31e490">Waar zij uit de drukte zijn, </p> -<p class="line xd31e490">Prijzen luide d’Ouden Wijn, </p> -<p class="line">Geurig, keurig, uitgelezen.… </p> -<p class="line">Zou ’t met vriendschap ook zoo wezen? </p> -</div> -<p class="first">De vraag wordt aan allen, dus ook aan mij gedaan; en dan roept alles wat in mij is -daarop luid en vroolijk uit: Ja, Dichter! zoo is het! Zoo is het! Zoo blijve het! -Zoo worde het steeds meer en meer! -</p> -<p>En nu gaan wij, eer de nacht valt, het oude huis, waaraan wij in den geest samen een -Afscheidsbezoek brachten, verlaten. Ik schuif den leunstoel terzijde, ik sluit de -boekenkast dicht, ik sla een laatsten blik op den uurwijzer van mijn Huisklok, ik -wuif een groet toe aan het Kinderportret aan den wand, ik richt ten slotte een dankbare -zegenbede aan den ouden Huisbijbel—en thans den trap af, de deur gesloten, de sleutel -uit de deur.… heil zij dezen huize! Waarschijnlijk kom ik hier niet weêr. Andere stemmen -roepen elders heen. De weg leidt voorwaarts.… -</p> -<div class="lgouter"> -<p class="line">Voerman! rij in Godsnaam voort! </p> -</div> -<p><span class="pageNum" id="pb175">[<a href="#pb175">175</a>]</span></p> -</div> -</div> -<div id="ch16" class="div1 story"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e7248">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="super">VERSPREIDE STUKKEN <br>VAN <br>JONATHAN.</h2> -<p><span class="pageNum" id="pb177">[<a href="#pb177">177</a>]</span></p> -<h2 class="main">GEKROONDE VROUWEN.</h2> -<h2 class="sub">(26 October 1837.)</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Welk een drukte! Wat gewoel! Er komt van daag geen einde aan het rijden en rossen. -De diligences hebben meer bijwagens, dan anders passagiers. De veerschuiten zijn tot -zinkens toe vol geladen. De wegen wemelen van voetgangers. Het is of de aarde op ééns -in een hellende richting geraakt is, waardoor al wat beweegbaar is met geweld naar -éénen kant gedreven wordt. De stad is half verlaten. -</p> -<div class="lgouter"> -<p class="line">’t Kinderschool is leêg geloopen; </p> -<p class="line">De Invalied komt aangekropen; </p> -<p class="line">’t Grootje hinkt van ’t spinnewiel. </p> -</div> -<p class="first">Ik zou mij niet op straat durven vertoonen. Men zou het mij nooit vergeven, dat ik -heden mijn paar gezonde beenen tot iets anders gebruikte, dan om den grooten stroom -te volgen. Ik ben toch reeds meermalen voor een wijsneus uitgemaakt. „Hé,” zeide men -met open mond en mij van het hoofd tot de voeten opnemende: „zoo kort bij den Haag -te wonen, en dan te verzuimen om de Koningin te zien begraven!” -</p> -<p>Ziedaar mijn misdaad! ik wilde de Koningin niet zien begraven. Verdenk daarom mijn -Koningsgezindheid niet; zij werd nooit verdacht. En als gij mij op den morgen van -heden gezien hadt, gij zoudt u met mijne weigering hebben verzoend. Ik had mij voor -dezen dag van alle dienstwerk ontslagen. Het was voor mij een heilige dag, de dag -van Sancta Wilhelmina. Ik ging evenwel niet ter kerke: mijne kamer diende mij tot -huiskapel, waar ik in den geest een lijkmisse ter eere van de afgestorvene vierde. -De onophoudelijk luidende kerkklok ondersteunde mijne illusie: -</p> -<div lang="de" class="lgouter"> -<p class="line"><i>Von dem Dome</i> </p> -<p class="line"><i>Schwer und bang</i> </p> -<p class="line"><i>Tönt die Glocke</i> </p> -<p class="line"><i>Grabgesang.</i> </p> -</div> -<p class="first">Ik kan u den inhoud van het Miserere mijns geestes niet mededeelen. <span class="pageNum" id="pb178">[<a href="#pb178">178</a>]</span>Zóó veel kan ik er van zeggen, dat mijne mijmering in geen opzicht leek naar het vers, -door uw neef, uw broeder of uw vriend op den dood der Vorstin gemaakt. Het was in -den rechten zin des woords een mijmering, eene fantasie, een visioen. Allerlei beelden -dwarrelden bont en grillig voor mijne oogen heen; ik volgde in mijne gedachten den -trein van het paleis, de woning der macht en der eere, naar het graf, de woning der -vernedering. Ik zag de kist in het graf plaatsen zes voeten lang en drie voeten breed, -meer niet, en dacht aan het woord van <span class="sc">Juvenalis</span>: <i lang="la">Mors sola fatetur quantula sint hominum corpuscula</i>, zóó klein kwam mij dit hoekje voor, dat nu volstond voor haar, die voorheen paleizen -tot woning, een geheel heir tot dienaren en een gansch volk tot eerewacht op haren -weg gehad had. Ik zag den trein de kerk verlaten, en bleef alleen achter. Toen daagde -ik in mijn geest, zoo als de Egyptenaren deden, geheel het volk op, om over de Doode -recht te spreken. Nog bleef ik alleen. De menschen brachten geene beschuldiging tegen -haar in. En toen ik haar mij voor een andere vierschaar vertegenwoordigde, toen zag -ik haar gevolgd door al hare goede werken, die haar „bij hare afreize uit deze wereld -vergezelden, omringden en omstuwden, als een drom van hemelsche Serafijnen, en haar -juichende binnenleidden in de eeuwige tabernakelen.” -</p> -<p>Zoo peinsde en droomde ik al voort. Toen ik <span class="corr" id="xd31e5356" title="Bron: mijne">mijn</span> lief kamerke verliet, zal het omstreeks den tijd geweest zijn, dat de heraut bekend -maakte, <i>dat de begrafenis van de Koningin was afgeloopen</i>. Ik was over mij zelven voldaan. Ik had naar mijn inzien het begrafenisfeest der -Koningin beter gevierd, dan menigeen, die geen slip van de staatsie onopgemerkt had -laten voorbijgaan. Want, (en nu kom ik op den grond mijner weigering om naar den Haag -te gaan,) ik zag er tegen op, om mij in de drokte van het volksgewoel te begeven. -Reeds vroeger was ik meermalen geërgerd geworden door den toon, waarmede men over -de sombere plechtigheid sprak: kinderachtig (ik wil er geen anderen naam aan geven) -was de ingenomenheid van sommigen met de beloofde vertooning. Men sprak er over als -over een publiek amusement. En ik denk, dat wie de menigte op de naar den Haag loopende -wegen opmerkzaam heeft gade geslagen, wel verwonderd heeft moeten vragen: zijn dit -pelgrims naar het graf der geliefde Koningin? Neen, dan hadden de bedevaartgangers -van het heilige graf, wier voorkomen, ja, zelfs wier kleeding in overeenstemming was -met het ernstig doel van hunnen tocht, dezen beter de passende houding van een pelgrim -kunnen leeren en hen doen blozen over de gejaagdheid, over de verwachting, over het -genoegen zelf, dat op veler aangezicht te lezen was! En daar mijn gevoel een kruidje-roer-mij-niet -is en voor elke onvoorzichtige aanraking schuchter terugkrimpt, mocht ik het niet -in zulke een hinderlijk gedrang wagen; het kan weinig tegen zulke stooten, als waaraan -ik te midden van zoo veel ergernissen zou hebben bloot gestaan. Ik had mij zeker boos -gemaakt over de weinige sympathie, die ik in den aanblik mijner medegenoodigden ter -begrafenis zou hebben opgemerkt. Ik had <span class="pageNum" id="pb179">[<a href="#pb179">179</a>]</span>mij bij het gezicht van den trein beklaagd, dat ik zulk een indrukwekkend schouwspel -niet onder gelukkiger omstandigheden had kunnen genieten. Ik had geknord tegen de -onderkaak van mijn achterman, die mijn hoofd tot een rustpunt nam, of tegen den arm -van mijn naaste, die op mijn schouder als eene vensterbank leunde, en mij zelven wel -honderdmaal van dáár en op mijne kamer gewenscht; in één woord, ik had het genoegen -van anderen bedorven en mijn eigene stemming door anderen laten bederven. En daar -ik dit alles voorzag, wie moet mij niet toestemmen, dat ik de wijsste partij koos -met te huis te blijven? -</p> -<p>De doodklok luidde nog altijd voort, en bepaalde voortdurend mijne gedachte bij de -plechtigheid van den dag. -</p> -<p>Tot welk een ongewone drukte geeft de dood der Vorstin aanleiding! Welk een scherp -kontrast van het stil en verborgen leven der vrome Vrouw, met het gewoel dat zich -om hare kist verdringt! Ik twijfel er niet aan, of zij zelve, indien zij recht van -kiezen gehad had, hadde verkozen, in den avond, zonder andere getuigen dan hare betrekkingen, -zonder andere rouwdracht dan die waarin zich het deelnemend hart kleedt, zonder anderen -lijksleep dan dien der dankbare beweldadigden, te worden bijgezet. -</p> -<p>Maar eene koningin heeft geene keuze. Zij is de slavin van haren stand. Hofdwang benauwt -het wicht reeds in de purperen windselen: hofdwang klemt den dartelenden voet van -het kind in den looden schoen der etiquette: hofdwang leidt het wederstrevend slachtoffer -naar het geschuwde bruidsbed: hofdwang eindelijk ontrukt het heilig overschot der -gestorvene aan de armen harer betrekkingen, om het als een mummie voor onverschillige -oogen ten toon te stellen, of als een heiligenbeeld in processie onder het gapende -volk rond te dragen. -</p> -<p>Voor een vrouw, die geheel vrouw is, moet er iets kwetsends in wezen, al de verplichtingen -der tiara te vervullen. -</p> -<p>Arme onnoozele, die op éénmaal uit het vertrek uwer moeder wordt opgeroepen, om den -troon eens vreemdelings te deelen! Terwijl gij tot nu toe in half kloosterachtige -afzondering versmachttet, wordt gij op ééns aan de vrije, koude lucht blootgesteld. -Duizenden verdringen zich op uwen weg, om u te bespieden; onbeleefde Courantiers kijken -u de woorden uit den mond, om die verdraaid aan het groote publiek weder te vertellen: -glurende schilders betrappen het blosje op uwe wangen, om te weten, hoeveel karmijn -zij voor uw portret noodig hebben; het gemeen mompelt onder elkander, alsof gij geene -ooren hadt, het vonnis zijner voorbarigheid over uw voorkomen uit; hovelingen snuffelen -als speurhonden om u heen en fluisteren, met het oog op u geslagen, elkander in de -ooren. Eindelijk bereikt gij de plaats uwer bestemming. Dit is nu uw echtgenoot, uwe -Hoogheid! Die Heer dáár is Z. M. uw schoonvader. Mag ik de eer hebben, u aan mevrouw -uwe koninklijke schoonmoeder voor te stellen? De eerste kus wordt ten aanschouwen -van honderdduizenden gewisseld; handgeklap vergezelt, evenals in de <span class="pageNum" id="pb180">[<a href="#pb180">180</a>]</span>komedie, de vaderlijke omhelzing. Nu kunt gij in de eenzaamheid een weinig tot bedaren -komen? Neen! gij moet op het balcon aan het volk worden voorgesteld. Daar staat gij -aan ontelbare onbeschaamde blikken bloot; het volk applaudisseert bij den aanblik -uwer schoonheid—lieve Hemel! is het niet of het uw Schepper wilde toejuichen?—Gij -moogt het tooneel verlaten. Meen evenwel niet, dat gij daarom vrij zijt. Men wacht -u aan tafel. Daar zijt gij wederom de hoofdschotel. Men eet niet, men drinkt niet, -men doet niets dan u begluren en u beluisteren. Gij komt niet tot u zelve dan in de -armen van den man, die u zijne vrouw noemt. Arme onnoozele! uw feestdag was een bange -dag. -</p> -<p>Eindelijk is aan de wetten der etiquette voldaan. De nieuw aangekomene heeft de spitsroeden -der openbare beoordeeling doorgeloopen. Men laat haar in hare vertrekken met rust. -Zij heeft den tijd zich met haar te huis bekend te maken. Nu is het ergste geleden!—Misschien—zeer -misschien. Weet gij wel, hoeveel kansen zij tegen heeft? De man, aan wien men haar -heeft opgedrongen, kan harer onwaardig zijn. Zij heeft hem <i>moeten</i> nemen. Maar al verdient hij haar: zal het verkeer der wittebroodsweken de zoete gemeenzaamheid -te weeg brengen, die anders uit de langzaam toenemende vertrouwelijkheid van een verloofd -paar ontstaat? Of zal niet de betrekking der gehuwden levenslang den schok gevoelen, -die hen, als ik het zoo zeggen mag, tegen elkander geworpen heeft? Hare moeder moet -weder van haar weg. Zal hare schoonmoeder haar dit verlies eenigermate vergoeden? -Zij had onder hare hofjuffers een vriendin—wel geene halsvriendin, die hebben Vorstinnen -niet—maar toch een lieve <span class="corr" id="xd31e5376" title="Bron: bebekende">bekende</span> gevonden. Aan wie zal zij nu haar vertrouwen schenken? Zal zij in dit vreemd klimaat -aarden? Zal zij hare lippen aan de ongewone taal kunnen gewennen? Zal zij zich met -de zeden haars volks kunnen verzoenen? -</p> -<p>Altemaal vragen, die haar niet eens gevraagd worden. Het heeft in de Hofcourant gestaan: -zij is met den vorst getrouwd; ergo, zij heeft hem lief. Zij is zijn landgenoot geworden: -zij heeft zijne taal en zijne zeden aangenomen: zij heeft haar hart genaturaliseerd. -</p> -<p>Noem mij niet zonderling, als ik zeg: de koninklijke eere is alleen voor mannen geschikt. -Dat staan op eene hooge, uitstekende plaats, dat dragen van een zware kroon en een -klaterend kleed, dat bekleeden van een middelpunt van dienaars, dat treden door laag -gebogen rijen, dat ten doel staan aan de algemeene opmerking, dat openbare leven, -als van den Opperpriester te Rome, met nacht en dag openstaande deuren, dat wonen -in een altijd geurenden dampkring van wierook:—dat alles vervult de borst des mans -met edelen hoogmoed en doet hem den troon zelf om zijn purper beminnen. Maar de zachte, -ingetogene, kuische en vrome vrouw, wier wereld is aan den boezem harer moeder, of -aan het hart haars echtgenoots; wier oog den sluier en wier hart de eenzaamheid lief -heeft; die schuw is voor lof en siddert <span class="pageNum" id="pb181">[<a href="#pb181">181</a>]</span>voor afkeuring—kan zij gelukkig zijn, geplaatst in een kring, waar zij boven de overigen -opgeheven en tot een voorwerp van algemeene aandacht gesteld wordt? Kan het haar, -indien zij haar kinderlijk, vrouwelijk hart behouden heeft, genoegen doen, vrouwen, -die hare moeder konden zijn, voor haar te zien uit den weg gaan; mannen, die in de -dienst des Staats vergrijsd zijn, voor haar te zien buigen? Moet het haar niet hinderen, -door den dwang der etiquette verplicht te zijn, de haar natuurlijke voorkomendheid -en hulpvaardigheid te onderdrukken? En wee haar, indien zij een eenigzins verheven, -dichterlijken geest bezit, die behoefte heeft zich mede te deelen, uit te breiden, -over te gieten. Want hare Dame van kleedkamer leest alleen den hofalmanak en het modejournaal: -want hare grootmeesteres kent geene andere wereld dan de hemisphaera van de vertrekken -der Koningin: want hare staatsdames hebben allen zielen van klei en harten van steen. -Daar ginds, in de verte, bespeurt zij wel de groote mannen, die zij bewondert, de -schoone geesten, die zij lief heeft en met wie zij sympathiseert; maar de diadeem -der genie wordt niet erkend aan den ingang der zalen, waar boven de gouden kroon praalt. -Al wat het wetboek van den hofdwang duldt, is: dat ieder nieuw <span class="corr" id="xd31e5384" title="Bron: voorbrengsel">voortbrengsel</span> der schoone letterkunde haar op best papier gedrukt en in een vergulden band worde -aangeboden. De ongelukkige! zij moet alle groote gewaarwordingen in hare borst opsluiten; -zij moet, binnen haren vergulden kerker gebannen, in zich zelve verteren: zij is aan -het dier in de fabel gelijk, dat, door de vlam ingesloten, den angel tegen zijn eigen -borst richt. -</p> -<p>En wanneer zij de hoflucht verlaat, is het beter? Voorzeker niet: overal dezelfden -nasleep. De Koningin vertrekt naar haar buitengoed, om een luchtje te scheppen. De -Koningin gaat een luchtje scheppen, herhalen honderd couranten. Het hof, de residentie, -het gansche land spreekt over een luchtje, dat de Koningin gaat scheppen! Eene ongelukkige -paraphrase voorzeker van hare beklemde zucht naar Gods vrije natuur. Eindelijk is -zij op haar lustslot aangekomen. Het weder is schoon, de natuur in bloei, het bosch -verrukkelijk. Maar wie geniet daar iets van, door een drom van gonzende muggen ingesloten? -En de Vorstin is altijd van gonzende muggen omringd. Het water van de vijvers is zoo -helder en frisch: spiegelde het slechts geene hofrokken weder! de vogels zongen zoo -lief: maar zij hebben de vlucht genomen voor de hovelingen, die eene aria uit de nieuwe -Opera neuriën. De <span class="corr" id="xd31e5389" title="Bron: menschelijk">menschelijke</span> echoos: „Ja, uwe Majesteit!—Neen, uwe Majesteit!” maken, dat men de echoos in het -bosch niet hooren kan. De Koningin komt in de hofstad weder, zonder een enkel uur -van vrij en zuiver genot van de natuur te hebben gesmaakt. -</p> -<p>De Koningin zal den schouwburg bezoeken. Te harer eere is het er eens zoo vol en tweemaal -zoo warm als anders. Zij komt de zaal binnen; handgeklap. Zij gaat zitten; al de lorgnetten -zijn in beweging. De Dames ontleden haar toilet van stuk tot stuk. De Heeren ontzien -zich niet, <span class="pageNum" id="pb182">[<a href="#pb182">182</a>]</span>haar onbeschaamd aan te staren. Ware het eene andere Dame, haar cavalier zou verplicht -zijn het voor haar op te nemen. Maar de Koningin, hoewel een vrouw, is geene vrouw -als iedere andere; men behoeft voor haar de gewone beleefdheden niet in acht te nemen. -Het stuk begint; eene menigte van aanschouwers blijft, met den rug naar het tooneel -gekeerd, het koninklijk gezin aangapen. Voor hen wordt de representatie van den avond -in de hofloge gegeven; de Koningin gevoelt zich in den lastigen toestand van eene -actrice, die debuteert; zoo wordt zij in al hare bewegingen bespied. Lacht zij, men -zegt: zie, zij lacht! Welt er een traan van natuurlijk gevoel <span class="corr" id="xd31e5396" title="Bron: zachkens">zachtkens</span> in haar oog, zij moet hem met geweld onderdrukken om niet bespot te worden. De acteurs -zijn gedwongener en spelen slechter dan anders. Dit is ook ten deele het gevolg van -het verbod om te applaudiseeren. Het is jammer; een beschaafd publiek, dat zijne bewondering -in luide goedkeuring te kennen geeft, is zulk een schoon, éénig schouwspel! Maar waar -het koninklijk gezin zich vertoont, is alle enthusiasme contrabande, behalve die zich -in de nationale liederen lucht geeft. Het hof heeft ook zijne claque. Eindelijk is -de vervelende avond om, de menigte schaart zich in de corridors, om den stoet te zien -vertrekken. Met gapenden mond en groote oogen staart men den glinsterenden sleep aan, -en wie weet, hoe velen bij dat gezicht niet kunnen nalaten te zuchten: De benijdenswaardigen! -</p> -<p>En nu zwijg ik nog van diplomatieke audienties. Nu zwijg ik nog van een wandeling -door het bosch van de hofstad en toertjes door de gewesten des Lands. Nu zwijg ik -nog van verre reizen naar buitenlandsche hoven, om de kinderen te bezoeken, die de -staatkunde aan het hart der moeder ontrukt en door zeeën van haar gescheiden heeft. -En wat is dit alles nog, bij het deelen van de zorgen des bestuurs? Bij den plicht, -om de groeven te verzachten, die de scherpe rand der kroon in het voorhoofd haars -gemaals achterlaat? Om den vermoeiden en belasten den dienst te bewijzen van <span class="sc">Aäron</span> en <span class="sc">Hur</span> aan <span class="sc">Mozes</span>, daar zij de tegen <span class="sc">Amalek</span> opgeheven hand, toen zij te zwaar werd, ondersteunen? Om haar teedere schouders te -laten kneuzen door het tillen van een last, die zelfs den sterken man nederbuigt? -</p> -<p>o Gouden vertrekken der Koningin! indien uwe wanden spreken konden, welk een Ilias -van lijden zouden zij te verhalen hebben! -</p> -<p>En gelukkig nog de Vorstin, die niets dan de gemalin des Konings behoeft te zijn, -in vergelijking van haar, die geroepen wordt, om den zetel alleen te bekleeden. Arme -bloem van Kent! Hoe dubbel zwaar moet de driekroon der Eilanden op uwe fijne slapen -drukken! Welke een jammerlijke misgreep weder door de politiek tegen de natuur begaan, -om een zoet, achttienjarig kind op den hoogen troon te heffen! Zoo jong, en reeds -zoo hoog geplaatst! Gij doet mij denken aan die ellendige schepseltjes, over wie ik -soms mijn hart heb voelen breken, die, vijf of zes jaren oud, gedwongen worden op -de halsbrekende hoogte van een koord kunsten voor het publiek te verrichten. Wat <span class="pageNum" id="pb183">[<a href="#pb183">183</a>]</span>springt men meêdoogenloos met u om! Wat heeft men u nog onlangs de straten van Londen -langs en door het gewoel eener joelende menigte gesleept! En dat eene jonge beschroomde, -die, bij de uitgelatenheid van ’s volks geestdrift in Drurylane, zelfs de sporen van -angstvalligheid niet verbergen kon. O, hoe wel versta ik, wat men bericht, dat gij -de opgewondenheid van den grooten hoop, bij uwe verschijning, onverschillig hebt blijven -aanzien. Wat de borst van een jongeling hoog had doen zwellen, moest op u <span class="corr" id="xd31e5419" title="Bron: noodzakkelijk">noodzakelijk</span> een onaangenamen indruk maken en uwe schuchterheid beangstigen. En toen gij daarna -vernomen hebt, dat uw feestelijke optocht voor enkelen uwer goede onderdanen doodelijk -geweest is (<i lang="la">plectuntur Achivi!</i>) en dat het bloed van een jong wicht de wielen van uwen zegenwagen bespat heeft, -hoe beklaag ik u over den rouw, die daarbij uw hart zal hebben vervuld, onnoozele -duive, Koningin <span class="sc">Victoria</span>! -</p> -<p>Nog nauwelijks droeg de jonge wees het rouwkleed over haren koninklijken oom, of reeds -twistte het Parlement, wie bij haren dood moest opvolgen. De erfenis eener achttienjarige -te verdeelen.… zie, dat is toch onvriendelijk vroeg! Of zouden misschien de Ministers -Harer Majesteit de zwarte verbeelding van <span class="sc">Byron</span> hebben, die zich ergens beklaagt, dat hij geen jong meisje zien kon, zonder haar -in zijne fantasie tot een geraamte te ontleden? Zeker althans is het, dat de Courantiers -te haren opzichte het lastig gebrek van <i lang="fr">la vieille fille</i> hebben, om haar met geweld aan een jongen <i>partner</i> te willen koppelen. Terecht schreef daarover iemand: „Arme Koningin, wier zoetste -geheim elke Dagbladschrijver raden, overbrieven, uittrompetten wil, hoe brengt gij -ons uwe doorluchtige voorgangster, <span class="sc">Elisabeth</span>, te binnen”! -</p> -<p>En ware zij nog als <span class="sc">Elisabeth</span>! ik wil nog niet eens zeggen, ware zij eene vrouw als deze, die onder hare kanten -muts <span class="corr" id="xd31e5446" title="Bron: mannelijkke">mannelijke</span> hersenen verborg en onder het zijden corset een mannelijk hart omdroeg! Maar vergelijk -eens den staatkundigen toestand van het <span class="corr" id="xd31e5449" title="Bron: toemalig">toenmalig</span> Engeland met het tegenwoordig Groot-Brittanje. Gelooft gij niet met mij, dat het -toen veeleer dan nu de tijd was, om eene Koninginne-Maagd aan het hoofd van den staat -te hebben? De schepter der Monarchij laat zich des noods nog door eene vrouwenhand -voeren. Eenheid van wil vereenvoudigt de regeering: onbeperkte ruimte van middelen -maakt het heerschen gemakkelijk. Maar bovenal, welke eene eeuw, de eeuw van <span class="sc">Elisabeth</span>! vergelijk het ridderlijk Engeland, dat zich niet schaamde voor de voeten eener edele -jonkvrouw te knielen, bij het plebejisch en oproerig Engeland onzer dagen. Vergelijk -dien galanten hofstoet van Staatsraden en Ministers bij den ongeregelden hoop der -vertegenwoordigende kamers! Vergelijk de kleine moeielijkheden, door de twisten tusschen -den hoofschen <span class="sc">Leicester</span> en den hooghartigen <span class="sc">Burleigh</span> ontstaan, met de noodzakelijkheid, om zich op genade aan een brutalen, dweepzieken -<span class="sc">O’Connel</span> over te geven! Vergelijk eindelijk het volk dier dagen, als een éénig man onder de -monarchale banier geschaard, bij de veelkeurige bende, die zich nu in allerlei partijen -verdeelt. En beken, dat men eene Amazone <span class="pageNum" id="pb184">[<a href="#pb184">184</a>]</span>moet zijn om het wederspannig ros met zijden teugels en zijden handen te kunnen breidelen. -</p> -<p>En wat ik boven zeide, dat de Koningin zich door hare betrekkingen meermalen in haar -vrouwelijk gevoel gekwetst moet vinden, hoe veel toepasselijker is dit nog op de regeerende -Vorstin! Waar zal ik beginnen, om de tegenstrijdigheden op te noemen, die zich tusschen -de plichten van haren stand en de eigenaardigheden van haar karakter moeten opdoen? -Neem eens de verheffing door de Engelsche Koningin van den Edel-Achtbaren Lord Mayor -en de Sheriffs tot Ridders. Wie gevoelt er het onnatuurlijke en stuitende niet van? -Welk een verschil met den tijd, toen de bloedige hand des Vorsten zelven den moedigen -schildknaap de gouden spoor aan den hiel bond! <i>Koninginnen der schoonheid</i> te wezen en den krans op het hoofd van edele mannen te drukken, ziedaar eene vrouwelijke -taak. Maar om voor zich den man te doen knielen, om hem—even als <span class="sc">Blount</span> in Kenilworth met een geleend zwaard—door onhandigheid misschien over de ooren te -houwen, ziedaar eene onvrouwelijke exercitie. Neen! wanneer er volstrekt tusschen -twee kwaden moet gekozen worden, dan liever het vrouwelijke lijden in het paleis van -Buckingham dan het spelen der mannelijke rol in Guild-Hall. Dan liever de tranen, -door de koninklijke Lijderes vergoten, dan de feestdronk op <i>den Souverein</i> <span class="sc">Victoria</span>! -</p> -<p>Met liefde keert mijn blik van zijne lange omzwerving naar uw stil graf terug, <span class="sc">Wilhelmina</span> van Pruissen! ik verheug mij in de ruste, die hier uw afgemat hoofd en afgefolterd -lichaam vinden mocht. Want op wien ook, op u zal de kroon in het graf niet zwaarder -drukken, dan zij op de levende woog. U is er een bange last meê van het hoofd gevallen. -Het dankbare volk misgunt u die ruste niet. Het verheugt er zich voor u in, dat de -hemel, en niet langer de aarde, u onder de <i>Gekroonden</i> telt! -<span class="pageNum" id="pb185">[<a href="#pb185">185</a>]</span> </p> -</div> -</div> -<div id="ch17" class="div1 story"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e7257">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="main">DE KONING KOMT.</h2> -<h2 class="sub">(3 Augustus 1842.)</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">De Koning komt! Zie, dien man reik ik als burger de broederhand niet, wien bij deze -tijding het hart niet een paar slagen sneller klopt dan te voren. Trouwens, ik voor -mij geloof niet, dat er veel zulke harten zijn. De eerbied voor het koningschap is -in ons, onderdanen van den Koning der koningen, van wiens Majesteit het koningschap -in iederen vorm slechts een afschaduwing is, iets natuurlijks,—iets instinktmatigs, -had ik haast gezegd. De hermelijnen mantel moet wel in eene wolfshuid, de gouden kroon -in een ijzeren, en de schepter in een dorenstaf veranderd zijn, eer die eerbied voor -de verachting en afkeer plaats maakt, die het wettig loon van tirannen is. -</p> -<p>Er bestaat buiten dit geweldig, misschien nog een zachter kunstmiddel om dit gevoel -ten onder te brengen; het is de theorie, die in de vorige eeuw door <span class="sc">Marat</span> en <span class="sc">Robespierre</span> geleerd, en door hen met proeven op <span class="sc">Lodewijk XVI</span> en <span class="sc">Maria Antoinette</span> bloediger gedachtenisse gestaafd is. In die school, waarin men begint met den Koning -des hemels te onttroonen, en Hem alle gezag en invloed op de verheffing van de koningen -der aarde te ontnemen, komt men, langs een zeer natuurlijken weg van gevolgen, tot -de leer, dat een koning eigenlijk geen koning is, maar een onderdaan; een onderdaan -zijner onderdanen; een knecht der knechten, wiens eigenlijke plaats aan de punt van -den staart des volks is; ten gevolge waarvan dan ook, met de strengste consequentie, -in de gouden eeuw dier theorie, de geheele maatschappelijke ladder onderst boven gezet -en op haar hoofd geplaatst werd, zoodat de koning achter den adel, de adel achter -den middelstand, de middelstand achter het gemeen, en het gemeen van het gemeen op -den zetel geraakte, die de guillotine tot voetstuk had. Die koorts is sedert, den -Hemel zij dank! na vele aderlatingen en een gestreng dieet, onder de homoeöpathische -behandeling van den Korsikaanschen Wonderdokter, wel gelukkig afgegaan: maar er is -toch in het groote lichaam nog zekere koortsachtige neiging overgebleven, <span class="pageNum" id="pb186">[<a href="#pb186">186</a>]</span>die bij de minste irritatie met eene wederinstorting bedreigt. En het zijn deze heimelijke -sluipkoortsjes, die zich hier en daar openbaren in de Jakobijnsche manier, waarop -men de vorsten weêr begint te beschouwen en te behandelen. Eene wijze van beschouwing, -die dan ook onder anderen aan den dag komt in de bekoorlijke nonchalance, waarmede -de ultra-constitutioneele wijsgeer het bericht ontvangt, dat „de Koning komt.” Merk -op, hoe hij bij die aankondiging den hals in den nek werpt, u met een spotachtig lachje -aanziet, en een gezicht zet, zoo onverschillig, dat het bijkans veelbeteekenend wordt -van onverschilligheid, waarop dan voor ieder die het zien wil te lezen staat, dat -hem het heele bericht niet meer aangaat, dan of de haan van zijn buurman op zijn erf -gekomen was, wiens roode kam en vurige sporen in zijn oog evenveel waard zijn als -de erfelijke koningskroon en de verworven riddersporen van alle Majesteiten der wereld. -Maar zoo als ik zeide, die wijsheid is geen natuurlijke, maar eene verkregene en aangeleerde, -die in plaats van uit het hart naar het hoofd te komen, met kunst- en vliegwerk uit -het hoofd naar het hart gepompt is, en daaraan niet zonder tegenstand opgedrongen. -Het spreekt dus van zelf, dat eenvoudige menschen, als waaronder ik hier buiten verkeer, -daarvan niets verstaan, en alzoo nog omtrent hetzelfde voelen, wat onderdanen van -ouds af voor koningen van ouds af gevoeld hebben, te weten: achting voor het koningschap, -eerbied voor de koninklijke waardigheid, en, als hij haar niet moedwillig verbeurt, -liefde voor den persoon des konings. -</p> -<p>Dat bleek bij ons op een treffende wijze, nadat wij eindelijk het zeker bericht ontvangen -hadden: de Koning komt!—Van dat oogenblik af klopte aller hart en glinsterde aller -gelaat van vroolijke verwachting. Men sprak elkander niet, zonder van het heugelijk -nieuws te gewagen. Ieder maakte aanstalten om den vorst op de feestelijkste wijze -te ontvangen. De arme bosschen moesten twee maanden te vroeg hun groen afstaan, Ommeêdoogend -hakten mes en schaar in sparren- en eikenboomen. Bloemen en wat naar bloemen geleek -werd zonder deernis afgeplukt. De lijsterbessen verloren er al hare trossen bij; want -lijsterbessen tusschen eikenbladeren, wat kan men schooner hebben? Er bleef geen besje -over om meê te lijsteren: van daar zeker, dat ik dit jaar nog geen lijster geproefd -heb.—Nu aan het kransenmaken: de een al zwieriger dan de andere. Men durfde in al -die dagen niemand de hand geven van den boomharst, die er aan kleefde van al de <i>taxies</i>, gelijk men bij ons de sparren verkiest te noemen. Ik heb er gezien, vijftig voet -lang, waarin de bloemen met zulk eene mathematische evenredigheid waren verdeeld, -even als de ringen op eene slangenhuid, dat ik den vervaardiger verdenk van er den -duimstok bij gebruikt te <span class="corr" id="xd31e5513" title="Bron: hebken">hebben</span>. En vlaggen? Die konden, ontboden ze <span class="corr" id="xd31e5516" title="Bron: van van">van</span> elders; wien dit te kostbaar was, maakte ze zelf van gekleurd papier, oranje, blanje, -bleu, vast aaneengeplakt, zoodat ze bij ieder tochtje rinkelden als het klatergoud -in eene haringkroon. De ijverigsten richtten bogen <span class="pageNum" id="pb187">[<a href="#pb187">187</a>]</span>op met eene kroon er in, want dat is boerenstijl: zonder kroon geen bruiloft: bruiloft -is het feest der feesten; dus geen feest zonder kroon. En tusschen de kroonen opschriften -op een half vel papier, beschreven door den ondermeester van het dorp, in alle soorten -van letterformaat, groot, middelslag en klein, met lettertrekken er rondom, die de -Koning van zijn rijtuig moet kunnen zien! Zoo waren dagen achtereen aller handen—en -dat zegt hier, aller harten—met des Vorsten komst bezig. Toen ik in den avond vóór -den grooten dag in het donker te huis kwam, zag ik hier en daar nog een enkel dwaallicht -zweven; eene kaars of lantaren van den een of anderen dorpeling, die, eer hij ging -slapen, zich het genot nog eens gunnen moest om het door hem gebouwde Babel met zijne -hangende tuinen te bewonderen, en te zien, welk effect zijne decoratie bij donker -voor uilen en bietebauwen maakte. -</p> -<p>Onder zulke tooneelen en onder zulke menschen werd ik den anderen morgen wakker. Was -het wonder, dat het mijne eerste gedachte bij het ontwaken was: de <span class="corr" id="xd31e5523" title="Bron: Konig">Koning</span> komt?—Ook ik had mijne stulp op het zwierigst en tierigst opgetooid. Een keurige -<i>taxies</i>-krans slingerde zich als eene reusachtige slang, met schilderachtige en veelkleurige -bochten, van den ijzeren arm aan het dakvenster, langs het geheele huis, tot op den -grond naar beneden. <span class="sc">Editha</span> had er hare kleine handen met honderd „eerlijke wonden” aan bezeerd, en er een extraknikje -van Z. M. aan verdiend. Daarboven ontrolde zich van een fraai geschilderden en vergulden -vlaggestok een vlag, eene vlag veel te lang voor mijne lage stulp, en daarom nog verscheidene -ellen vluchts gekort, die een mijner vrienden mij uit Amsterdam, van ik weet niet -welk aanzienlijk college bezorgd had. Maar wat nog meer zegt, mijn hart vlagde met -een langen wimpel van vroolijkheid en geestdrift, die door het minste windje hoog -omhoog gevoerd werd. In die stemming kon ik het niet lang binnen uithouden. Nadat -ik dus mijn feestpak had aangetrokken, trad ik naar buiten, om nu het geheel der versiering -nog eens op te nemen. Het was een schoon gezicht! Overal waren de menschen bezig om -het mooie nog mooier te maken, door eene gele dalia, die tegenover een witte zat, -met eene dito te vervangen, een oranjelintje, dat losgeraakt was, vast te strikken, -en dergelijke gewichtige verbeteringen meer. Ik sprak nu met den een, dan met den -ander, en zeide elk op zijne beurt iets vleiends over zijn goeden smaak, die in deze -of gene bijzonderheid vooral schitterend aan den dag kwam. Daaronder glommen de gezichten -van zelfbehagen, en klom de geestdrift al hooger en hooger. Intusschen renden de rijtuigen -met menschen beladen als in wedloop naar de stad, om daar getuige van den Intocht -te zijn; en ieder blik van opmerkzaamheid en goedkeuring, naar de bogen en kransen -geworpen, werd met gretigheid opgevangen en door een glinsterend oog weêrspiegeld. -</p> -<p>Onder zulke waarnemingen, die mijn hart vervulden met dankbaarheid aan God, die zijne -menschenkinderen zooveel onschuldige vreugde <span class="pageNum" id="pb188">[<a href="#pb188">188</a>]</span>schenkt en gunt, en het in liefde tot mijn dorpsgenooten, mijn volk, mijn land, mijn -koning, tot alle menschen, verwijdde, wandelde ik den weg vóór mijn huis op en neder. -Zoo dwaalde ik langzaam af, totdat ik mij geheel buiten de kom van het dorp in de -eenzaamheid bevond. Deze was mij nu niet onaangenaam: er was in de vreugde van mijn -hart ook iets, dat zich liever niet voor anderen uitstortte; en gelijk ik altijd tracht -mij reden van mijne gewaarwordingen te geven, zoo poogde ik dat ook nu te doen. Zoo -kwam ik op de aanleiding van het feest: de Koning komt. Altijd zou mij die komst belangrijk -en aangenaam geweest zijn, maar heden bovenal<span class="corr" id="xd31e5535" title="Niet in bron">.</span> Het was de derde Augustus. De derde Augustus, gedenkwaardige en roemrijke dag in -de jaarboeken van ons vaderland, inzonderheid voor ons geslacht. Op dien dag was het, -dat voor elf jaren <span class="sc">Willem</span>, Prins van Oranje, op last van den Koning zijn vader, aan het hoofd van een getrouw -leger, den eersten voet op Belgischen bodem zette. Die geheele veldtocht met al wat -hem was voorafgegaan en gevolgd, verrees op eenmaal voor mijn geest. En als de hoofdpersoon -op die schilderij,—hoe kon het anders?—hij, die toenmaals Prins van Oranje genaamd -werd. Zie! wat ik bij die herinnering gevoelde, kan niemand beseffen dan hij, die -met mij de wapens in dien veldtocht droeg. Wie <span class="sc">Willem II</span> niet als veldheer gezien heeft, heeft hem slechts ten halve gezien. Niemand verdenke -dezen uitroep van grootspraak: ik beroep mij met vrijmoedigheid op de bezadigdsten -onder mijne wapenbroeders. Kon ik er u een denkbeeld van geven! Maar hij laat zich -niet beschrijven, de aanblik van den vorstelijken Held, gelijk hij zich aan het hoofd -zijner dapperen vertoonde. Nog zie ik hem met het aanbreken van den dag tot ons komen, -op het schoone ros gezeten, dat zijn meester niet lang meer dragen zou, maar bij zijne -verminking vóór Leuven hem een dier schoone woorden in den mond geven, die de geschiedenis -van de lippen der dapperen opzamelt, om er het nageslacht mede te ontvonken. Nog zie -ik hem, met den lagen hoed en de vallende pluim op het hoofd, die door den bijzonderen -en bij den vijand bekenden vorm wel den kogels den weg wees, die op zijne edele borst -gericht werden, maar tevens, als de beroemde pluim van <span class="sc">Hendrik</span> den Vierde, den zijnen tot wegwijzer op den weg der eer verstrekte. Nog zie ik hem -met het prachtige zwaard aan de zijde, door de hand der Keizersdochter aan de heup -van den vorstelijken echtgenoot gegord, opdat hij het haar, gelijk hij ook gedaan -heeft! smetteloos, maar met frissche lauweren omsnoerd, terugbrengen en voor de voeten -leggen mocht. Maar vooral nog zie ik hem met die rustige houding, die rust inboezemde -ook aan de bekommerdste, moed aan de versaagdste gemoederen, met dien helderen oogopslag, -die van de vroolijkste geestdrift glinsterde, en met die geheel onbeschrijfelijke -uitdrukking van strijdlust, die mij aan het krijgsros van Hiob denken deed: „Heerlijk -dampt zijn gesnuif! Met zijn hoef graaft hij den grond op, en dartel in zijn overmoed, -gaat hij het wapentuig te gemoet. Hij lacht met de vrees, en ontzet zich niet en deinst -<span class="pageNum" id="pb189">[<a href="#pb189">189</a>]</span>niet terug voor het zwaard. Rondom hem ratelt de pijlkoker, de bliksem van spies en -lans. Onrustig trappelt hij den grond, en kan niet stilstaan op ’t geluid der trompet. -Luider klinkt de trompet, hij briescht haar tegen, en riekt den strijd van verre; -des veldheers donderwoord en ’t krijgsgeschrei!” Nog zie ik hem, zoo als deze verschijning -telkens bij zijne komst een luid hoezee uit den mond zijner getrouwen deed opgaan, -waaraan hij door een wenk met de hand zedig, maar te vergeefs, het zwijgen zocht op -te leggen. -</p> -<p>Ja, ik herhaal nog eens: wie <span class="sc">Willem II</span> niet als Veldheer en in het veld gezien heeft, heeft hem slechts ten halve gezien.—En -in die gestalte trad zijn beeld heden met de levendigste kleuren voor mijn geest. -Anderen zouden hunnen Koning aanschouwen—maar ik zou mijn ouden Veldheer zien; mijn -Veldheer! wiens vaan ik gevolgd, wiens wachtwoord ik gesproken, wiens „Voorwaarts!” -ik gehoorzaamd heb; mijn Veldheer, die mij in den strijd en uit den strijd geleid -heeft, en aan wien ik het, onder God, te danken heb, dat ik op het veld van eer mijn -jong leven niet gelaten, maar daaruit een luttel schoone herinneringen voor mijn ouden -dag medegebracht heb; mijn Veldheer, van wiens lauweren een zedige schaduw op mijn -hoofd was afgedaald! Hoog klopte mijn hart onder het gedenkkruis, dat ter eere van -den dag mijn knoopsgat versierde; het kruis van metaal, dat de hand van den Vorst -ten aandenken aan hem en den onder hem gevoerden strijd op mijne borst hechtte, terwijl -hij het wederkeerig als een aandenken aan mij en aan al de overigen, die met mij zijn -vederbos gevolgd waren, op zijn eigen boezem hing. Hem zou ik wederzien, na elf jaren -scheidens; wederzien, nu niet meer als Veldheer, maar als het Hoofd des geheelen volks, -maar als Koning. „Leve <span class="sc">Willem II</span>!” riep ik, en zou mijn hoed wel in lucht hebben kunnen gooien. „Leve <span class="sc">Willem<span id="xd31e5559"></span> II</span><span class="corr" id="xd31e5561" title="Niet in bron">”</span>; de oude Prins van Oranje, gelijk hem het vaderlandsch hart nog zoo gaarne noemt! -Leve <span class="sc">Willem II</span>, de Held van Hasselt en Leuven! Leve <span class="sc">Willem II</span>, voorheen mijn Veldmaarschalk en opperbevelhebber, en nu mijn Koning en Heer!” -</p> -<p>Zoo juichende verdiepte ik mij al meer en meer in het verledene. Was het wonder, dat -uit die diepte allengskens ook somberder beelden voor mijnen geest verrezen? Ja, het -was, als had ik door dien eenen blik in de wereld, die achter mij lag, die geheele -wereld voor mij geopend, en als moest ik daarin nog eens op al mijne schreden teruggaan. -Al wat sedert dien blijden derden Augustus tot op dezen derden Augustusdag gebeurd -was, kwam mij achtereenvolgens voor de verbeelding. Eerst de verstoring van onze heirvaart -naar Brussel, door de wapenen van den (nu ook reeds zoo jammerlijk ten grave gesleepten) -Hertog <span class="sc">Van Orleans</span>, als schild van het bedreigde België, vreedzaam, maar ernstig gestuit. Vervolgens -de terugkeering op den weg der onderhandeling, den hier wel langen weg! Van daar het -noodlottig stelsel der volharding, geboren uit dien eigen geest van standvastigheid, -die bij alle groote mannen, en zoo ook bij <span class="sc">Willem I</span>, het snoer om <span class="pageNum" id="pb190">[<a href="#pb190">190</a>]</span>den bundel hunner deugden en de moeder aller groote daden is, maar die, even als elke -andere deugd, in het gevaar van <span class="asc">VER</span>harding hare eigenaardige schaduw met zich voert! Het stelsel der volharding, na de -aftreding van diens Hoofd, met onedelmoedige partijdigheid, door al de vroegere voorstanders -alleen aan hem geweten en op hem gewroken, alsof het ook niet jaren lang het stelsel -des geheelen volks—met schaarsche uitzondering!—geweest ware, zelfs toen de rookende -puinen der citadel en het lauwe bloed der vestinghelden er tegen scheen te roepen! -Het stelsel der volharding, eene dwaling misschien van <span class="sc">Willem I</span> en zijn volk, maar altoos eene Nederlandsche dwaling; de dwaling van een volk, welks -taaie standvastigheid de grondslag van het gebouw hunner grootheid werd, dat daarop -rust, als zijne hoofdstad op hare palen; de dwaling van een volk, dat de schoone dwaasheid -had van niet van zijn tijd te wezen, dat is, van in eene eeuw van diplomatie (men -vergunne mij dit diplomatieke woord) nog aan eerlijkheid, aan goede trouw, aan de -heiligheid van een eed, in den naam der Heilige Drieëenheid gezworen, te gelooven; -de dwaling van een volk, welks leuze het was van ouds af, om liever den vaderlandschen -grond terug te geven aan de baren, waaraan dijken en dammen het ontwoekerd hadden, -dan van vreemde oogen de wet te wachten. Welnu! Nederland, die voorvaderlijke leus -getrouw, heeft pal gestaan; het heeft het hoofd geboden aan koninklijke en keizerlijke -willekeur, die geen hooger recht erkenden, dan dat van het voltrokken feit; het heeft -pal gestaan voor zijn recht, toen het voorwerp des geschils lang opgehouden had een -voorwerp van begeerte te zijn; het heeft pal gestaan voor zijn Vorst, wiens dwaling -het uit liefde deelde, toen andere volken, uit oproerigen haat, op de goede daden -hunner vorsten spuwden; het heeft pal gestaan, gelijk een groot volk doet, als het -eens den Rubicon overschreden heeft, met opoffering van alles wat een volk dierbaars -en kostbaars heeft; het heeft, in een oneigenlijken zin, zijne dammen doorgestoken, -en zijn grond aan de wateren prijs gegeven. Nu ligt het daar, het is zoo, half overspoeld -en bedolven, en door den stroom doorweekt; het ligt daar onder eene zee van schuld -begraven, waaronder het graan van ’s lands welvaart in den akker verkwijnt; het ligt -daar, als zijn zinnebeeld op de Zeeuwsche munt, met het onderschrift: <i lang="la">Luctor et emergo</i>. Maar het ligt daar, als die <span class="corr" id="xd31e5589" title="Bron: Zeewsche">Zeeuwsche</span> leeuw, door het water omgeven, maar door het water niet overwonnen. Het kan zonder -zelfverwijt op zijne overstroomde gronden zien: en zeggen: „Mijn vijand was sterker, -maar niet beter dan ik!” -</p> -<p>En daarom, mannen broeders! geen onedelmoedig Wee over het hoofd van den Man, die -in deze, als in alle lotwisselingen, sedert meer dan vijfentwintig jaar aan ons hoofd -stond, ons vertegenwoordigde, en trouw alle goed en alle kwaad, alle verhooging en -alle vernedering, alle verdienste en alle schuld met ons heeft gedeeld! Geen Wee over -het hoofd van den Man, die, misschien! naar verhevener bedoeling, in onze oogen van -de hoogte vallen moest, waarop onze armen hem verheven <span class="pageNum" id="pb191">[<a href="#pb191">191</a>]</span>hadden, om ons te doen zien, hoe dwaas onze vroegere menschenvergoding was, en hoe -kwaad! Geen Wee over het hoofd van den Man, die de schuld, indien er schuld was, boette -met het roer van het schip te verlaten, dat hij niet voor alle klippen had vermogen -te beschermen! Geen Wee over het hoofd van den Man, die van vijfentwintig jaren leeds, -om onzer vaderen schuld geleden, en van vijfentwintig jaren arbeids, aan hunner kinderen -heil besteed, de verlangde rust zoekt in eene vrijwillige ballingschap, en wien wij -niet te hard mogen vallen, omdat hij die gezocht heeft bij vreemden, nadat wij maar -al te duidelijk getoond hebben, dat hij die in de armen der zijnen te vergeefs zou -hebben gezocht! Geen Wee over ’t hoofd van den Man, die, in den strijd en de dienst -voor ons land vergrijsd, en van den troon afgestegen, niets van ons vraagt dan een -weinig aandenken voor het goede, dat hij gedaan heeft, een weinig vergetelheid voor -het kwaad, dat hij tegen zijn wil mocht gedaan hebben, en een weinig liefde voor het -goede, dat hij heeft willen doen! -</p> -<p>Neen! de goeden en edelen in den lande spreken over u geen Wee, <span class="sc">Willem I</span>, Stam- en naamgenoot van den Vader des Vaderlands, voor wien wij bezig zijn een gedenkteeken -onzer hulde en liefde te stichten. Rondom uwe asch vergaderd,—want immers zijt gij -als Koning voor ons gestorven?—rondom uwe asch vergaderd, als eenmaal Egypte rondom -de asch zijner koningen, wagen zij het niet, daarover vloek te spreken, gedachtig -aan uwe, en aan hunne eigene, menschelijke zwak- en gebrekkigheid. Ja, met herinnering -daaraan spreken zij, voor hunne menschelijke vierschaar, u vrij, en laten uwe asch -de eere der gestorvenen wedervaren! Wat meer is, hun bede rijst voor u omhoog tot -Hem, door wiens gratie gij u Koning noemdet, die eenmaal, in den grooten dag der verantwoording -van koningen en volken, u gratie verleenen moge, Koning der Nederlanden, <span class="sc">Willem de Eerste</span>! -</p> -<p>Waar ben ik? Geheel en al van mijn onderwerp afgedwaald, naar ik zie. Want het was -niet <span class="sc">Willem I</span>, dien ik heden aanschouwen zou, maar <span class="sc">Willem II</span>; de nieuwe Koning, met wien Nederland een nieuw tijdperk is ingetreden. En toch, -laten wij het niet verbloemen, niet zoo nieuw, of het draagt de litteekenen van het -oude; niet zoo nieuw, of zijn eerste taak is om de wonden te heelen, die het uit het -oude heeft meegebracht. Laten wij het erkennen: zelden aanvaardde een vorst onder -ongunstiger omstandigheden de kroon van een vrij volk, dan de eerste der Nederlandsche -Kroonprinsen. Het was eene zware kroon, die kroon, die van het grijze hoofd van <span class="sc">Willem I</span> op den heldenschedel van zijn zoon nederdaalde. En wel mag u die kroon veel zwaarder -gevallen zijn, mijn Vorst, en veel zwaarder de schepter, dien gij uit zijne hand overnaamt, -dan de gevederde veldheershoed en de omlauwerde maarschalksstaf, dien gij zoo licht -en vroolijk droegt. Wel mag het u veel moeielijker zijn gebleken, een volk te bestieren, -dat van zijn Vorst zoo veel te eischen heeft, en zoo licht te veel eischen <span class="pageNum" id="pb192">[<a href="#pb192">192</a>]</span>kan, dan het u was, uwe dapperen aan te voeren, die zoo gehoorzaam aan uw lippen hingen, -zoo gedwee op uw wenken vlogen, en naar krijgsmanswijs geen wil kenden, dan den uwe! -Wel mag <span class="corr" id="xd31e5618" title="Bron: he">het</span> u eens veel gemakkelijker hebben toegeschenen, toen gij, na dagen van mistrouwen -en onzekerheid, onder geen al te gunstige verwachting den veldheersstaf opnaamt, in -weinige dagen de weifelende gunst des volks, als ware het met een slag van het zwaard, -te heroveren, dan nu aan al de gunstige verwachtingen te voldoen, die geboren werden, -toen gij, in de Nieuwe Kerk der hoofdstad, de rechterhand ophieft, en met de linker -op de grondwet zwoert: „Zoo waarlijk helpe mij God Almachtig!”—<span class="sc">Willem II</span>, Koning der Nederlanden! Hebt gij aan die verwachtingen voldaan?—De vraag is stout: -het antwoord zou nog stouter zijn. Het verleden heeft ons wijs gemaakt: wij hebben -geleerd, hoe voorbarig het is, vorsten goed of kwaad te spreken, eer de toekomst, -die de mond is der Voorzienigheid, ons wèl of wee bevestigd heeft. Zooveel mogen wij -zeggen, dat wij van u het goede verwachten, omdat wij zeker zijn, dat gij het goede -bedoelt. „Ik heb slechts één hartstocht, dien van bij mijn volk bemind te zijn!” Dat -woord van uwe lippen, uit de binnenkameren uws paleizes tot het oor van den schrijver -dezer regelen doorgedrongen, heeft geloof gevonden in zijn hart, en wie het met hem -gelooft, ziet de toekomst met vertrouwen te gemoet. En eigenlijk steunt dat vertrouwen -niet eens op dit, of op eenig ander menschenwoord, maar op het woord van den God van -Nederland:—zoo noemen wij, zonder erg of trots, de Hemelmacht, die zich van ouds af -aan Nederland in onderscheidende liefde en gunst heeft geopenbaard;—den God van Nederland, -die belooft, dat hij niet varen laat de werken zijner handen. Want zie! indien daar -iets het werk zijner handen is, het is het land, dat hij tot een land gemaakt heeft, -Nederland! het is het land, dat hij als het ware tweemaal geschapen heeft, daar hij -het, even als eenmaal geheel de aarde, later op nieuw uit de wateren heeft opgetogen -en bewoonbaar gemaakt. Het is het land, door hem langs allerlei wonderbare wegen en -leiding uit eene aanslibbing van rivieren en zeeën, gelijk een keizerlijke mond verachtend -sprak, tot de meesteres van rivieren en zeeën verheven. Het is het land, door hem -onder de vleugelen van allerlei vorsten, koningen en keizers gekoesterd, totdat het -sterk genoeg geworden was om op eigen wieken te drijven. Het is het land, straks van -de ketenen bevrijd, waarmede zijne voedsterheeren het in zijne vlucht zochten te weêrhouden: -bevrijd, dat wil zeggen, vrijgevochten, opdat het zijne krachten beproeven mocht en -oefenen, en even goed en vroom worden, als sterk en groot. Het is het land, met de -<span class="sc">Nassau’s</span> gezegend, met Hem aan het hoofd, op wien keizer <span class="sc">Karel</span> leunde, toen hij deze gewesten aan <span class="sc">Philips</span> overdroeg, weinig vermoedende, dat de arm, die hem nu steunde, zich eens zou uitstrekken -om deze gewesten met zijn zwaard tegen Spanje te dekken. Het is het land, met schaarsche -en schuinsche stralen door de geschapen zon belonkt, maar met den helderen <span class="pageNum" id="pb193">[<a href="#pb193">193</a>]</span>warmsten gloed van het ongeschapen licht bestraald. Het is het land, tot op dezen -dag, ondanks Engelands naijver, ondanks Frankrijks veroveringszucht, en wat meer zegt, -ondanks eigen dwaasheid en schuld, in stand gehouden, ten levenden gedenksteen van -de macht en trouw van Hem, die Nederland tot zijnen Verbonds-God koos, toen het op -zijne munten aan het beeld der vrijheid Gods woord ten steun gaf, met de spreuk: „<i lang="la">Hac nitimur, hanc tuemur</i>”: op dien God, de leus onzer vendelen en stempelen, bouw ik, en al wat in Nederland -Gode geeft wat Godes is zijn vertrouwen voor Nederlands toekomst. Ach, ware het slechts, -dat het volk.… maar neen, hier geen klaaglied, schoon het er misschien de plaats voor -ware: want het is heden een blijde dag! De Koning komt! de koning, ons door den Koning -der koningen geschonken om het werktuig Zijns welbehagens over ons te zijn. Leve <span class="sc">Willem II</span>! Hoezee! -</p> -<p>Leve <span class="sc">Willem II</span>! Hoezee! Zoo klonk het gejuich, dat in de verte opging. <span class="sc">De koning kwam.</span> Ik haastte mij om hem te gemoet te gaan. Al de dorpelingen liepen toe. Daar was hij! -Lache er om wie wil, ik gevoelde mij bij zijn aanblik getroffen. O, de liefde voor -<span class="sc">Oranje</span> is bij den waren Nederlander nog iets meer dan een woord. Wie de geschiedenis des -Vaderlands gelezen heeft,—bij <span class="sc">Bilderdijk</span> of <span class="sc">Wagenaar</span>, het doet er niet toe,—wie haar gelezen heeft en gezien, hoe de dynastie van <i>Oranje</i> als eene ader van leven, welvaart en bloei door die geschiedenis henen stroomt, zegenende -als zij vloeit, dorheid nalatende als zij opdroogt of afgeleid wordt, en wederom zegen -met zich voerende als zij terugkeert,—en daarin het beeld van Hem, die ons haar schonk -en wien zij ons vertegenwoordigt,—die vraagt niet aan een ander, of het verstandig, -of het constitutioneel, of het negentiendeneeuwsch is, den zoon der <span class="sc">Oranjes</span> tegen te juichen. Het is, gelijk een onzer Dichters het treffend genoemd heeft, het -is de stem van het bloed in ’s lands kinderen, dat ’s lands Vader tegenroept. Laat -anderen er tegen verhandelen, eer ik er over gedacht had, had mijn bloed zijn loop -tweemalen versneld, mijn hart twee slagen in één geklopt, mijn hand den hoed wuivend -in de hoogte geheven, en riep mijn mond met de menigte mede: „Leve <span class="sc">Willem II</span>! Hoezee!” -</p> -<p>En <span class="sc">Willem II</span>? Hij was ouder geworden. Zijne edele gestalte was meer gebogen, dan toen ik haar -voor de muren van Leuven onder de lauweren der overwinning aanschouwde; de verloopen -jaren hadden hun strijd en hun leed in rimpelen op zijn voorhoofd aangeschreven. Maar -nog altijd zweefde over zijn voorkomen de adel van eenen Vorst; nog altijd drukte -zijn gelaat de gelijkenis van een <span class="sc">Oranje</span> uit; nog altijd zweefde om zijne lippen de vriendelijke glimlach van een geslacht, -welks gemeenzaamheid dieper grond heeft dan de populariteit van een burgerkoning. -Ik herhaal u niet, wat bij de begroeting van den Vorst voorviel: het ontleende zijne -grootste belangrijkheid van de gezindheid der aanwezigen, van het jubelend hart der -menigte en den dankbaren blik van den Koning. En toch was het, alsof de Vorst op mijne -gepeinzen <span class="pageNum" id="pb194">[<a href="#pb194">194</a>]</span>antwoordde, toen hij na de opgeruimde herinnering aan den veldtocht, dien het gezicht -van het metalen kruis hem voor den geest riep, op eens, als schoot er eene wolk voor -dat licht, op veelbeteekenenden toon uitviel: „Wat is dat lang geleden!”—Lang geleden, -had ik willen zeggen, lang geleden, mijn Vorst! maar niet zoo lang, of nog klopt bij -die herinnering uwen ouden wapenbroeder het hart; lang geleden, maar niet zoo lang, -of nog heeft de liefde van velen hunner de moeielijke jaren overleefd, die tusschen -dien en dezen derden Augustus in liggen; lang geleden, maar moge het nog lang en zeer -lang zijn, eer de gedachtenis daaraan ophoudt uw koninklijk hart te doen kloppen! -Leve <span class="sc">Willem II</span>!—maar eerbied, en misschien ook nog eene andere gewaarwording, sloot den mond. Nog -eenige woorden van hulde en trouw van de eene zijde, van dankzegging en welbehagen -van de andere—en daar reed hij heen. De <span class="sc">Koning was gekomen</span>. Daar reed hij heen, en liet ons na? Eenige vervallen bogen en kransen, eenige verlepte -en verdorde bloemen en blâren, eenige woorden met den wind weggewaaid, eenige kreten -in de lucht verstorven!—Neen, wie zoo spreken mag, ik niet. Daar reed hij heen, zeg -ik, en liet ons na: de herinnering eener liefelijke en wel-aangename verschijning, -de verlevendiging van het beeld eens Vorsten, aan wiens aanblik zich de schoonste -vaderlandsche herinneringen van het levend geslacht verbinden; de verwarming onzer -liefde voor den <i>Koning</i>, dien niemand, <i>wien Neêrlandsch bloed door de aadren vloeit</i>, met het schoone lied van onzen Volksdichter, van het <i>Vaderland</i> vermag te scheiden; de aanvuring onzer dagelijksche gebeden, voor hem op te zenden; -en eindelijk de gedachtenis onzer eenvoudige en onschuldige vreugde, en onzer vreugde -vóór en ná die vreugde, die mij nu nog het hart warm maakt, terwijl ik deze regelen -schrijve. O, wie nooit de waarde eener herinnering geschat heeft, dan voor zoo ver -die zich op de hand liet wegen, roeme niet iets in de linkerborst te dragen, dat een -hart heet. -</p> -<p>Daar reed hij heen! Onze juichtoonen, onze vivats, onze gelukwenschen volgden hem. -„Vaarwel, o Koning!” riep ik hem in mijn geest achterna. „Vaarwel! Voleindig uw zege- -en liefdetocht door de gewesten van uw goed en getrouw volk in zege en liefde! Wandel -op de bloemen, die de burgerij, door de hand der onschuldigsten en lieftalligsten -uit haar midden, u voor de voeten strooit! En wanneer gij in uw verheven woning teruggekeerd -zijt, en daar de koningszorg u met vernieuwde zwaarte op de schouders valt, moge dan -de geur dier bloemen u als eene herinnering omzweven, en u eenige vergoeding schenken -voor de doornen, die op het hooge pad der koningen gezaaid zijn!<span class="corr" id="xd31e5694" title="Niet in bron">”</span>—Wèl den vorst, wiens pad een dorenpad is! Het pad zijns volks is een pad van bloemen! -En ook hem bereidt hooger hand uit die doornen een kroon, schooner dan de keizerskroon -van het Heilige Roomsche rijk! Leve <span class="sc">Willem II</span>! -</p> -<p>Zoo sprak ik; maar weinig dacht ik, dat mijn wensch reeds zoo <span class="pageNum" id="pb195">[<a href="#pb195">195</a>]</span>spoedig verhoord zou worden; want terwijl ik deze regelen nederschrijf, geniet alreeds -onze Koning een van die blijde dagen, die de zorgen der vorsten helpen vergoeden. -Juist heden kondigt mijn geliefde Haarlemmer op aanstaanden Zaterdag de voltrekking -van het hooge huwelijk tusschen <span class="sc">Karel Alexander Augustus Johannes</span>, Erf-Groothertog van Saxen-Weimar, en <span class="sc">Wilhelmina Maria Sophia Louisa</span>, Prinses der Nederlanden aan. Saxen-Weimar en Nederland—de vereeniging dier namen -klinkt niet vreemd, vooral niet in het oor van een oud soldaat, die ze eenmaal op -het veld van eer door dezelfde glorie omschitterd zag, toen de ridderlijke Hertog, -die de hoogmoed en de wellust van ons leger is, de sleutels van Leuven voor den voet -van zijn koninklijken krijgsbroeder nederleide: <span class="sc">Willem van Oranje</span> en <span class="sc">Bernhard van <span class="corr" id="xd31e5714" title="Bron: Saxenweimar">Saxen-Weimar</span></span>, een Vorst zulk een Veldheer, een Veldheer zulk een Vorst, twee vrienden elkander -waard!—Maar nog liefelijker dan deze vereeniging is de vereeniging van jeugdigen Vorstenadel -en bloeiende Vorstinnenschoonheid, waarvan die echt den knoop legt. Duitschland, sedert -het ons zijnen <span class="sc">Nassau</span> schonk, pleegt sedert lang ons zijne Vorstendochters voor de onze uit te wisselen. -Eene schoone ruiling, waaraan wij ook uw bezit te danken hebben gehad, <span class="sc">Wilhelmina</span> de Gezegende!—Nu zendt het ons weder een edelen Duitschen jongeling, gelijk de faam -hem prijst, om van de verhevene <span class="sc">Paulowna</span> het evenbeeld der moederlijke deugden tot deelgenoot van zijn voorvaderlijken troon -te vragen. Nederland geeft niet alleen door den mond zijner vertegenwoordigers, maar -ook met zijn hart, zijne goedkeuring en zegen tot dien echt, en deelt in uwe blijdschap, -Vader <span class="sc">Willem</span> en Moeder <span class="sc">Anna</span>!—O, wat zorgen en smarten het koninklijk paleis omsluite, het omsluit toch ook eene -vreugde, die het met alle lagere daken gemeen heeft: de hoogste, de reinste, de zoetste -vreugde, naar men mij zegt: vader- en moedervreugde. Vader- en moedervreugde! door -den Vader der menschen aan de eerste menschen geschonken, als de vergoeding voor hun -verloren paradijs, en sedert de vergoeding voor de verloren paradijzen van alle Adamskinderen. -Gewis, er wordt veel leeds verborgen onder ieder gewaad, van het met hermelijn bekleede -purper af tot aan het met lompen bedekte bedelkleed toe: maar onder alle soort van -gewaad kloppen ouderharten, en met dat ouderhart is de arme zoo rijk als de koning, -en de koning zoo rijk als de arme, die het gelukshemd uit de fabel draagt. Ik heb -vroeger het lot der <i>Gekroonde Vrouwen</i> betreurd, en bij het graf van <span class="sc">Wilhelmina</span> het lijden der hoven geschetst: maar nu, bij <span class="sc">Sophia’s</span> bruidskrans wil ik het geluk verheffen van de Vrouw, die in de huiselijke schaduw -van een aartsvaderlijk hof, onder het oog van liefhebbende ouders, aan de hand van -den erfgenaam eener kroon, die te klein van omvang is om zeer zwaar te zijn, de bruidskroon -op het maagdelijk hoofd ontvangt. Daarom, al is het, dat mij, den nederigsten van -Zijner Majesteits onderdanen, die geen lid van eenige orde ben, dan die der zestigduizenden -van Hasselt, de toegang tot de <span class="pageNum" id="pb196">[<a href="#pb196">196</a>]</span>feestzaal ontzegd is, en dat ik mijn oog aan het gezicht van het bevallig bruidspaar -niet verklaren zal, zoo wil ik toch met mijn onfeilbaren <i>looper</i> de hooge deuren voor mij ontsluiten, om getuige van de feestvreugde te zijn: ik bedoel -mijne Verbeelding, die met vleêrmuisvleugelen over de hoofden van schildwachten en -kamerdienaars en kamerheeren-ceremoniemeesters heenvliegt! Ik wil mij te half één -uren bij het schouwspel vertegenwoordigen, als de hand der Czarendochter en Vorstinnenmoeder -de kroon op het hoofd der bloeiende bruid plaatst. Ik wil mij onder het gehoor verplaatsen -van den welsprekenden man, die, zelf een vorst onder de redenaars, met bewonderenswaardige -kunst de wijsheid des Hemels in de taal der hoven kleedt, en bij iedere koninklijke -vreugde en bij iedere koninklijke smart, als vertegenwoordiger van der Koningen Heer, -het heiligend kruis op de omfloerste of omkranste kroon plaatst. En als eindelijk -de honderd en één kanonschoten het Amen op de voltrekking des huwelijks verkonden, -zal ik met een glas ouden madera, die ik voor zulke gelegenheden bewaar, een hartelijken -feestdronk instellen, en wie zijn koning lief heeft, drinke mede: Leve het Vorstelijke -paar! Leve het Koninklijk Gezin! Leve de Koning! -<span class="pageNum" id="pb197">[<a href="#pb197">197</a>]</span> </p> -</div> -</div> -<div id="ch18" class="div1 story"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e7266">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="main">DE KONING GAAT TEN GRAVE.</h2> -<h2 class="sub">(Maart 1849.)</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">„Mijne broeders! God alleen is groot<span class="corr" id="xd31e5754" title="Bron: ”!">!”</span> Aldus luidde het woord, bijna anderhalve eeuw geleden door een beroemden hofprediker -bij het graf van den grooten koning van een groot land en volk gesproken. „Mijne broeders! -God alleen is groot!” -</p> -<p>Ik wist het van het oogenblik af, dat ik geleerd heb, dat alle koningen der aarde, -ook de grootste onder de grooten, niet alleen vleesch van mijn vleesch en been van -mijn been, maar ook stof van mijn stof en asch van mijn asch zijn, en dat ook voor -hen de ure komt, waarin zij, die zoo vele duizenden en tienduizenden onder zich gehad -hebben, tot elk van wie zij zeggen konden: „Ga!” en hij ging, „kom!” en hij kwam, -op hunne beurt moeten gehoorzamen aan de stem van Hem, die alleen te spreken heeft: -„Keer weder<span class="corr" id="xd31e5759" title="Niet in bron">,</span> gij menschenkind!<span class="corr" id="xd31e5761" title="Niet in bron">”</span> en hij keert weder. Maar wat ik reeds vroeger wist, heb ik nooit krachtiger gevoeld, -dan in de laatste tijden, die wij hebben doorleefd. -</p> -<p>Ruim anderhalf jaar is het geleden, dat ik in de <i lang="fr">Champs Elysées</i> te Parijs wandelde. Plotseling ging eene stofwolk op: eene cavalcade kwam aan. Ik -zag, en zie—het was een koning. Het was <span class="sc">Lodewijk Filips</span>, de koning der Franschen. Het was—zonderling spel der omstandigheden—de zoon van -<span class="sc">Philippe Égalité</span>, bezitter van den troon van <span class="sc">Lodewijk Capet</span>. Daar snelde hij heen, van zijn koninklijk lustslot van Neuilly naar zijn koninklijk -paleis der Tuilerien, in al de pracht en heerlijkheid eens konings, in zijn met acht -paarden bespannen rijtuig, te midden van den hem omringenden gouden hof- en scharlaken -ruiterstoet en den bonten stoet des volks, dat zich bewonderend of juichend op zijn -weg schaarde. Daar snelde hij heen, de erfgenaam der <span class="sc">Carolingen</span>, der <span class="sc">Capets</span>, der <span class="sc">Valois</span>, der <span class="sc">Bourbons</span>, der <span class="sc">Napoleons</span>; daar snelde hij heen, de vorst, wiens voet op de leliën trad, die voor de <span class="sc">Bourbons</span> ontloken,—om wiens hoofd de adelaars zweefden, wier vleugelen <span class="sc">Napoleon</span> hadden gedragen. Daar snelde hij heen, de eigenaar van Frankrijks schoonste paleizen -<span class="pageNum" id="pb198">[<a href="#pb198">198</a>]</span>en prachtigste lusthuizen, de heer en meester in het paleis te Versailles;—het schoonste, -dat menschenhanden voor een koning hebben gebouwd, gelijk St. Pieter het schoonste -is, dat menschenhanden <span class="corr" id="xd31e5802" title="Bron: hebden">hebben</span> gebouwd voor Hem, die niet in tempelen woont;—het paleis van Versailles, waar alles -schijnt uit te roepen: „Ziedaar het Babel, dat men u, o koning, gebouwd heeft! O koning! -wie van de koningen der aarde kan tegen u geschat worden? Wie is als gij?”.… Drie -maanden verliepen, en de groote koning was een balling, die, even als de vóór hem -verdreven <span class="sc">Bourbon</span> en <span class="sc">Napoleon</span>, om zijns levens wil vluchten moest uit het land, waar zesendertig millioenen onderdanen -aan zijn oog hadden gehangen en aan zijne stem hadden gehoorzaamd. -</p> -<p>Ruim een jaar later was ik te Tilburg. Ik bezocht daar het nieuwe koninklijke paleis. -Het is waar, het verschil tusschen Versailles en Tilburg is zoo groot niet, als het -verschil tusschen het paleis van Versailles en het paleis van Tilburg is. Desniettemin, -ook het paleis van Tilburg draagt meer dan één ondubbelzinnig kenmerk van zijne bestemming. -Al ware het alleen in den eigenaardigen bouwstijl, dien <span class="sc">Willem II</span> bij voorkeur beminde, bijna alsof hij eene dankbare herinnering aan zijne in Engeland -doorgebrachte kinderjaren moest zijn! Maar wat meer is, wat aan het paleis van Tilburg -als koninklijke woonstede moge ontbreken, het werd voor mijn gevoel meer dan aangevuld -door de vertegenwoordiging van den Koning, die hier wonen zou. Hem toch vond mijne -verbeelding in al deze gangen en zalen, onder de kleinste bijzonderheden, naar het -door hem gemaakte bestek daargesteld, weder; hem zag ik in al de grootheid van zijn -koningsluister, in al de waardigheid van zijn koninklijken persoon; hem, den lieveling -niet alleen van het door hem <span class="corr" id="xd31e5816" title="Bron: beweldadgd">beweldadigd</span> en verheerlijkt Tilburg, maar den wellust van een geheel volk, dat hem met het hart -beminde; hem, die zonder de grootste van Europa’s koningen te wezen, in dit opzicht -een der gelukkigste van hare monarchen kon worden genoemd.… Drie weken verliepen, -en koning <span class="sc">Willem II</span> was een lijk, dat onder de tranen der hem liefhebbende bevolking naar zijne laatste -rustplaats werd heen gevoerd! -</p> -<p>Waarlijk, mijne vrienden! de Fransche hofprediker had recht. In gindschen doorluchtigen -val, in dezen doorluchtigen dood heb ik het gezien, dat hij naar waarheid sprak: „God -is groot! hoe grooter de koningen en grooten der aarde bij hun leven zijn geweest, -des te verhevener is het getuigenis, dat zij bij hunnen val aan de alles te boven -gaande grootheid Gods geven. God blijkt alsdan te zijn die Hij is, en de mensch is -niets meer van dat alles wat hij dacht te wezen.” -</p> -<p>Wie had het gedacht? <span class="sc">Lodewijk filips</span>, de groote koning, viel; <span class="sc">Willem II</span>, de zooveel minder groote en machtige koning, bleef op den troon gezeteld, ja, zat -daarop na des eersten val nog vaster dan ooit. Gelijk de dichter terecht zeide, wij -konden juichen: -<span class="pageNum" id="pb199">[<a href="#pb199">199</a>]</span></p> -<div class="lgouter"> -<p class="line xd31e490">„Stort elders oproer en verraad </p> -<p class="line"><span id="xd31e5836"></span>De vorsten van hun wankle troonen, </p> -<p class="line xd31e490"><span id="xd31e5839"></span>Hoe bleef de trouw van d’ onderzaat </p> -<p class="line"><span id="xd31e5842"></span>Hier ’s vorsten liefde en trouw beloonen!” </p> -</div> -<p class="first">Maar helaas! -</p> -<div class="lgouter"> -<p class="line">„Wat oproer noch verraad vermocht, </p> -<p class="line"><span id="xd31e5848"></span>Dat heeft de magt des doods gewrocht!” </p> -</div> -<p class="first">Koning <span class="sc">Willem II</span> is niet meer! O, hoe daverde die rouwkreet scheller en feller dan de klokkenklepels, -die straks te zijner eer alom begonnen te kleppen, door den lande heen! De ijzeren -tongen, die van stad tot stad en van dorp tot dorp het elkander toegalmden, hieven -gezamelijk in de hoogte eene klacht op, die echter verre overstemd werd door het geklag, -waarmede zoo vele stemmen beneden het elkander toesnikten: „De Koning is gestorven! -<span class="sc">Willem II</span> is niet meer!” -</p> -<p><span class="sc">Willem II</span> is niet meer! Die rouwgalm klonk ook in <span class="corr" id="xd31e5863" title="Niet in bron">de </span>plaats mijner woning, klonk ook in mijn huis, klonk ook in mijn hart. Wat <span class="sc">Oranje</span> voor mij is, wat Koning <span class="sc">Willem II</span> voor mij was, wat elke vorst uit het huis van <span class="sc">Oranje</span>—indien ik (wat God verhoede! ooit op nieuw een vorst uit dat huis den troon moest -zien beklimmen,) immer voor mij wezen zal, ik heb het meermalen kenbaar gemaakt; ik -heb er bepaalder van doen blijken ook in die nederige veldbloem, die ik vóór acht -jaren, ter begroeting van <span class="sc">Willem II</span>, op den weg van zijn eersten eeretocht als koning door de provinciën van zijn land -en de harten van zijne landgenooten heb gestrooid: „<i>De Koning komt!</i>” Ach! hoe weinig dacht ik toen, dat na zoo luttel jaren elders dezelfde stem, maar -op geheel andere wijze, mijne ooren treffen zou: „De Koning komt!” maar—om voor altijd -heen te gaan: „<i>De Koning gaat ten grave!</i>” -</p> -<p>De Koning kwam om ten grave te gaan. Dit te weten, deed de begeerte in mij ontwaken -om op zijn laatste pad een cipressenblad te strooien, gelijk ik bij zijn eersten tocht -als Koning een enkel rozenblad op zijn weg geworpen had. De gelegenheid daartoe bood -zich gereedelijk aan. Op den weg van Tilburg, de plaats van zijn dood, naar Geertruidenberg, -de plaats der inscheping van zijn overschot naar Rotterdam, om van daar verder naar -zijne laatste rustplaats te worden vervoerd, moest hij langs een niet ver afgelegen -heide gaan. Hem van die heide af ten grave zien voeren, dit denkbeeld trok mij aan. -Aan het gedrang eener opgehoopte volksmenigte in deze of gene stad zou ik mij te nauwernood -hebben gewaagd: het contrast tusschen het luidruchtig gewoel der toeschouwers en de -stille plechtigheid van het schouwspel zou mij te stuitend zijn geweest. <span class="corr" id="xd31e5884" title="Bron: Maa">Maar</span> onder Gods vrijen hemel, in de stille natuur, op eene eenzame <span class="corr" id="xd31e5887" title="Bron: heider">heide</span> te midden van weinigen die gevoelden als ik, kwam mij de gedachte <span class="pageNum" id="pb200">[<a href="#pb200">200</a>]</span>om getuige van den laatsten gang des Konings te wezen niet alleen dragelijk, maar -zelfs aanlokkelijk voor. Had ik den Koning niet zien <i>komen</i>? Ik wilde hem nu ook zien <i>gaan</i>. -</p> -<p>Het was dinsdag morgen. De klok sloeg vijf uur. Ik reed naar buiten. Het rijtuig bracht -mij op omstreeks een half uur van de plaats mijner bestemming. Daar stapte ik het -rijtuig uit. Het overige van den weg legde ik wandelende af. -</p> -<p>Het was schoon weder. De morgen was frisch, zelfs koud, maar tamelijk helder. Was -de lucht hier en daar licht bewolkt, de zon brak toch telkens koesterend door de wolken -heen. Zoo zongen dan ook de vogelkens een vroolijk morgenlied. Boven allen klonk de -stem van den <span class="corr" id="xd31e5899" title="Bron: leuwerik">leeuwerik</span> uit. Of het aan mijne stemming te wijten was, dat ik zulks meer dan anders opmerkte, -ik weet het niet; maar zelden heb ik meer leeuwerikken gehoord. Van alle zijden opstijgende, -zongen zij het lied, dat hun God hen leert: het lied der lente, het lied van de wederopstanding -der natuur, dien spiegel van de wederopstanding der dooden. Er was iets contrasteerends, -en toch ook weder iets harmonisch in dat vogelengezang op dezen morgenstond. O, hoe -verschilde <i>dit</i> contrast van het contrast met den woelenden en joelenden volkshoop, dien ik ontvlood! -Het was een contrast, gelijk alleen de natuur er ons biedt, waar de wet van den cirkel -heerscht, die de uitersten elkaâr ontmoeten en omhelzen doet! -</p> -<p>Onder dit vogelengezang en al de geluiden der ontwakende menschen- en dierenwereld -wandelde ik, met tusschenpoozen van rust, in stille gepeinzen daarheen. Op eens wordt -die stilte afgebroken. Hoor! het is een klokkentoon! -</p> -<div class="lgouter"> -<p class="line xd31e490">„Klagend klinkt heur traag geluid </p> -<p class="line xd31e490">Ten bemosten toren uit, </p> -<p class="line">Waar de streng in wordt getrokken; </p> -<p class="line xd31e490">Zuchtend is heur klank en dof, </p> -<p class="line">Als een toon van rouw en smarte, </p> -<p class="line">En zij valt hem zwaar op ’t harte, </p> -<p class="line xd31e601">Wien zij de ooren trof.” </p> -</div> -<p class="first">Het is de kerkklok van het naburig Oosterhout, die zich laat hooren: het is ter eere -van den Doode, dat zij met grove basstem haar somber uitvaartlied begint. Bij dat -geluid werd mijn geest al meer en meer in den geest der plechtigheid van dezen dag -verplaatst en gestemd. Ik wandelde verder voort. Hoor! een nieuw geluid! het is gebulder -van het kanon, dat aan de andere zijde gromt. Het is het geschut, dat te Tilburg het -teeken tot den uittocht van den lijkstoet geeft. Dat schot, het bracht mij als door -een tooverslag op het tooneel des rouws over. Ik zag het sterfhuis; ik hoorde de kreten -der koninklijke weduwe; ik vernam de snikken der treurende menigte; ik stemde in den -toon van smart, dien de lijkmuziek bij het zich in beweging zetten van den zwarten -stoet deed klinken. -<span class="pageNum" id="pb201">[<a href="#pb201">201</a>]</span></p> -<p>En intusschen zongen de leeuwerikken altijd hun vroolijk morgenlied. -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>Nog ten minste twee uren moesten verloopen, eer het lijk op de plaats kon zijn, waar -ik mij bevond. Dien tusschentijd maakte ik mij ten nutte, door in mijn geest voor -mij te laten heengaan al de beelden, die de gelegenheid van dit uur, als zoovele schimmen -van het verledene, voor mij als uit den grond deed opkomen. En wel mag ik als <i>uit den grond</i> zeggen! Of welke was de grond, op welken ik mij bevond? Een heidegrond, die eertijds -een legerkamp was geweest; de heide van Rijen, die de landlieden uit den omtrek nog -heden <i>het kamp van Rijen</i> noemen. Het is hetzelfde kamp, waar, in de gedenkwaardige zomerdagen van 1831 en -later, een deel der mobiele armée gelegerd lag, en waar alzoo door de legeroefeningen -en spiegelgevechten de zege werd voorbereid, die later in de gevechten voor Hasselt -en Leuven werd behaald. Zonderlinge afwisseling! eerst eene stille, verlatene heide—daarna -een woelig legerkamp—straks weder eene stille, verlatene heide. Welk een verschil -tusschen de stilte, die hier thans regeert, en het gewoel, dat hier vroeger heerschte! -Hier, op ditzelfde veld, waar nu bijna geen teeken van leven werd bespeurd, hadden -binnen een klein bestek duizenden—en welke duizenden!—geleefd. Luidruchtige soldatenliederen -hadden er geklonken, fiere krijgsmuziek was er gehoord, ja, psalmen <span class="sc">Davids</span> waren er aangeheven; want ook hier in dit kamp had men het vierde gebod, dat in het -legerkamp aan den voet van Sinaï gegeven werd, heilig gehouden. Ook hier had op elken -eersten dag der week de stem des Evangelies aan de zonen van den krijg Vrede door -het bloed des kruises verkondigd. Ook hier, uit dezen tempel der natuur, waren, bij -het geluid van horen en trompet, even als vroeger, bij de begeleiding van Schoschannim -en Neginoth, duizenden zangstemmen opgegaan tot den Koning der schepping en der menschen: -</p> -<div class="lgouter"> -<p class="line">Zijn naam moet eeuwige eer ontvangen; </p> -<p class="line xd31e601">Men loov’ hem vroeg en spâ! </p> -</div> -<p class="first">Hier vond ik er een, die zich herinnerde, het aandenken aan de overwinning van Waterloo -op deze eigenaardige wijze te hebben gevierd; een ander dacht aan de wapenschouwing, -die het uitspreken van het „Voorwaarts!” voorafging. Maar wie kon aan iets van dit -alles denken of er van spreken, zonder te gedenken aan hem, die van dit alles het -bezielend middelpunt uitmaakte? hem, het hoofd, den held, den lieveling van geheel -het Nederlandsche leger, den Prins van Oranje, den overwinnaar van Quatrebras, den -mede-overwinnaar van Waterloo! Ja, wat zich op dat groot en schitterend tooneel in -die dagen al grootsch en schitterends vertoond hebbe, het schitterendste bleef immer -de altijd groenende lauwerkrans van den Prins-Veldheer, die zelfs toen door de nog -in al den glans der populariteit blinkende <span class="pageNum" id="pb202">[<a href="#pb202">202</a>]</span>koningskroon van <span class="sc"><span class="corr" id="xd31e5943" title="Bron: Wiilem">Willem</span> I</span> niet overschaduwd werd. En die prinselijke krijgsheld zelf! O, hoe lief had hij op -zijn beurt dit leger, hoe lief was hem dit legerkamp, hoe lief was hem geheel het -krijgsmansleven, dat hij in en om dit kamp mocht leiden! Vraagt men, waar het geheim -dier betoovering schuilde, die voor den overleden Koning haren glans over Tilburg -scheen uit te breiden? Ik aarzel niet te antwoorden: het was de herinnering aan de -jaren van ’s Prinsen <span class="corr" id="xd31e5947" title="Bron: krijgmansleven">krijgsmansleven</span>, aldaar en daaromtrent gevoerd. Wij weten het immers allen: hoevele koninklijke en -menschelijke deugden onze Koning ook in zich vereenigen mocht, boven alles was hij -krijgsman, krijgsman in zijn hart. Dat onbezorgde, vrije, van allen drang en dwang -der hof-etikette, van alle streken en treken der hof-diplomatie vrije soldatenleven -was een leven naar zijn lust. Ziedaar de eenige reden, waarom, geloof ik, onze Koning -noch in zijn prachtig paleis te Brussel, noch in zijn nieuw Gothisch prachtgebouw -te s’ Hage, zich ooit zoo zeer te huis gevoeld heeft, als onder de veldtent in het -kamp van Rijen, als in de eenvoudige woning, die te Tilburg aan den Prins-Veldmaarschalk -hare herbergzaamheid aanbood. Tilburg en zijn omtrek was voor hem eene altijd dierbare -herinnering aan jaren zonder zorg of kommer; van daar bleef het hem een <i lang="fr">Sans-souci</i> in de jaren der zorgen; van daar werd het eindelijk de plaats zijner ruste in de -ure, die aan zijne zorgen op aarde een einde heeft gemaakt. -</p> -<p>Ach, welk eene verandering! Met welk eene verwachting van de genezende werking van -Tilburgs lucht en invloed, was hij pas kort geleden dezen weg langs gereden, en nu -klonk hier het gebulder van het kanon, dat de nadering van zijne lijkkoets langs dezen -zelfden weg aankondigde. -</p> -<p>En intusschen zongen de leeuwerikken altijd hun vroolijk morgenlied. -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>Ik sloeg een blik op het tijdvak, dat het veldbed van Rijens legerkamp van het sterfbed -binnen Tilburgs muren scheidt. Ik dacht aan de dagen van den <span class="corr" id="xd31e5960" title="Bron: veltocht">veldtocht</span>, van -</p> -<div class="lgouter"> -<p class="line xd31e490">„den strijd, die minder dagen </p> -<p class="line"><span id="xd31e5967"></span>Dan verwonnen steden telt.” </p> -</div> -<p class="first">Ik gedacht aan de geestdrift des volks na de overwinningen, te Hasselt en Leuven behaald. -Ik gedacht aan de moeitevolle tijden, die die roemvolle dagen hebben opgevolgd. Ik -gedacht aan de zwaarwichtige ure, toen met de kroon en koningsmantel van <span class="sc">Willem I</span> de last der regeering op de schouders van <span class="sc">Willem II</span> was overgegaan. Ik gedacht aan hetgeen ik toen met het oog op des Konings eed ten -dage der kroning, en de verwachtingen, daardoor verwekt, heb gevraagd: „Zoo waarlijk -helpe mij God almachtig!”—<span class="sc">Willem II</span>! Koning der Nederlanden! hebt gij aan die verwachtingen voldaan?<span id="xd31e5980"></span> -</p> -<p>Ja, ja! durf ik daarop thans antwoorden: Gij hebt het gedaan, o <span class="pageNum" id="pb203">[<a href="#pb203">203</a>]</span>mijn koning! zoo waarlijk helpe ons God! <span class="sc">Willem II</span> heeft dit vertrouwen niet beschaamd: <span class="sc">Willem II</span> is een goed Koning geweest. Hebben wij hem als Veldheer bewonderd en met hand en -mond toegejuicht, als Koning hebben wij hem liefgehad en in ons hart gedragen. Aan -het gejuich, dat rondom hem opging toen, hij den eersten eeretocht als Koning door -zijne provinciën deed, beantwoorden heden de tranen, die op den doortocht van zijn -lijk door zijne provinciën worden geschreid. En kon het anders wezen? Liefde is liefde’s -wetsteen. Nu! de geheele regeering des Konings heeft het zegel gedrukt op dat woord -uit zijn mond: „Ik heb slechts éénen hartstocht, dien om bij mijn volk bemind te zijn.” -Des Konings ministers hebben eene gelukkige uitdrukking gebruikt, toen zij spraken: -„Diepe rouw overdekke het Vaderland bij het afsterven van een vorst, die zijn volk -boven alles liefhad.” Dit getuigenis is de eikenkrans, dien zijn volk naast den lauwerkrans -der koninklijke weduwe op zijne lijkkoets leggen moet. Men vrage niet, of Koning <span class="sc">Willem II</span> zijn volk heeft kunnen bevrijden van al den druk, dien het verledene met zich bracht; -helaas, zulke zegepralen zijn bezwaarlijker en worden trager behaald dan die, welke -hij te Quatre-bras en Waterloo bevocht: maar dit erkennen wij: hij heeft de geslagene -wonde zooveel mogelijk zoeken te heelen, en daaraan meermalen eigen rechten en eigen -schatten ten offer gebracht. Hij toonde het in alles, dat, indien hij eens het bloed -uit zijne aderen voor Nederland gestort had, hij er andermaal zijn bloed veil voor -zou hebben, om Nederland zoo gelukkig te zien als hij het wenschte te maken. Kan een -koning schooner getuigenis in het graf met zich nemen? Ik sprak straks van Versailles: -ik deed opmerken, welk een verschil er tusschen Versailles en Tilburg, tusschen beiderlei -paleizen en tusschen beiderlei koningen bestond. En toch, zie beiderlei koningen bij -hun uiteinde! O, hoe verre gaat dan <span class="sc">Willem</span> de Goede <span class="sc">Lodewijk</span> den Groote te boven! Bij het lijk des eenen de minachting der grooten, de haat des -volks, de vijandschap van geheel het buitenland, en op den achtergrond het schavot -van <span class="sc">Lodewijk XVI</span>, als slachtoffer vooral ook van den grootvaderlijken hoogmoed en weelde geslacht. -Bij het lijk des anderen de hulde van geheel het koninklijk geslacht en hofgezin, -de achting van den vreemdeling en bovenal de liefde van den landzaat, als van drie -millioen kinderen bij het lijk des algemeenen Vaders; de liefde van den landzaat als -de beste erfgave op het hoofd van zoon en kleinzoon overgebracht. -</p> -<p>Altijd rondwandelende, knoopte ik nu met dezen, dan met dien der landbewoners uit -den omtrek een gesprek aan. Het had niets opmerkelijks, dat aller monden met de plechtigheid -van den dag waren vervuld; maar wat opmerking verdiende, het was de liefde, die uit -aller mond op de meest overvloeiende wijze sprak. Overal zamelde ik trekken op, te -onbeduidend om hier mede te deelen, maar die eene geheele wereld van goedhartigheid -en liefde in het hart des ontslapen Konings ontdekten; <span class="pageNum" id="pb204">[<a href="#pb204">204</a>]</span>trekken in den geest van dien trek, die ons ergens is medegedeeld, hoe de Koning nog, -weinige dagen vóór zijn dood, voor zijn paleis in den Haag gezien werd, terwijl hij -zich een geruimen tijd met drie arme kindertjes onderhield. Ja, tot de armen, tot -de kleinen, tot de geringen zich neder te buigen, was een van die beminnelijke karaktertrekken, -die meest kenmerkend waren in den betreurden vorst. Die nederbuiging was in hem meer, -dan eene berekende en afgesproken minzaamheid van vormen, die men zoo vaak bij vorsten -vindt; hier was zij iets beters; zij stond in verband met dat kinderlijke in hem, -dat hij ook onder het krijgsharnas en den koningsmantel had weten te behouden. Spraken -krijgsmansgrootheid en koningsadel uit de plooien van dien mantel, dien hij op zoo -ridderlijk fiere wijze droeg, een hart vol liefde sprak uit de plooien van dien mond, -waarmede men te recht gezegd heeft dat „hij alle harten tot zich wist te trekken”. -Indien hij in meer dan één opzicht aan <span class="sc">Hendrik IV</span> deed denken, dien Frankrijk tot op dezen dag <i lang="fr">le bon Henri</i> noemt, dit geldt bovenal ook van de weêrgalooze populariteit, die hij zich had weten -te verwerven. Zelden heeft een vorst beter het geheim verstaan om de waardigheid des -konings met de minzaamheid van den mensch en den menschenvriend te vereenigen: van -daar, dat hij de Koning van bijna even vele harten als zielen was. Welke koning droeg -ooit met meer recht den naam van beschermheer der kunsten? Welke koning had ooit meer -aanspraak op den titel van weldoener der armen? Ik begrijp het mij, hoe een kunstenaar -het eerste sein voor de oprichting van zijn standbeeld gaf; maar ik moet het er bijvoegen, -indien men de tranen der beweldadigden in eene urn vergaderen en die als eene lijkbus -op zijn overschot plaatsen kon, dat dit hem een nog schooner gedenkteeken zou zijn. -O, ik weet niet, of ik niet te stout spreke; maar mij dunkt, <span class="sc">Willem II</span> heeft in zijn korte levensdagen een groot werk volbracht. Hij ontving eene kroon -met doornen bezet; ontveinzen wij het niet, te recht of ten onrechte, de liefde des -volks voor zijn Koning, de populariteit van <span class="sc">Oranje</span> in Nederland had geleden, toen <span class="sc">Willem II</span> Koning werd. Een vreemdeling, die vaak in onze zaken scherper ziet dan wij zelven, -heeft den toenmaligen staat van Nederland naar waarheid geschetst. „In de zestiende -eeuw heeft de volharding van <span class="sc">Willem</span> den Zwijger Holland gered, in de negentiende heeft die van <span class="sc">Willem I</span> het land in groot gevaar gebracht. Dertig jaren oud beklom hij den troon, gedragen -door al de wenschen, omringd door al de zegenwenschen zijner onderdanen. Het gansche -land gaf zich met liefde en vertrouwen aan hem over, en in het hart van den rijke, -zoowel als in het gemoed van den eenvoudigen dorpeling, wekte zijn naam niets dan -een gevoel van hoop en vereering op. Twee dwalingen hebben hem die voorbeeldelooze -populariteit doen verliezen.… Maar welk een rust heerscht er in dat land! Welk eene -edele onderwerping! Welk eene standvastigheid! Toen <span class="sc">Willem I</span> de kroon nederlegde, hoorde men onder het publiek niet eene enkele beschuldiging -tegen de verschillende daden van zijne regeering,—hoorde men niet eene enkele klacht -<span class="pageNum" id="pb205">[<a href="#pb205">205</a>]</span>Iedereen heeft bij zichzelven de redenen van dit besluit begrepen, en het stilzwijgen -bewaard. Zelfs vertoonde zich in de bewijzen van liefde en vertrouwen, den nieuwen -Koning betoond, eene zekere terughouding, die vol welvoegelijkheid was, alsof het -volk vreesde, dat de openbaring van eene te groote geestdrift voor den zoon den schijn -zou kunnen hebben van eene veroordeeling voor den vader te wezen”. Maar nu! was de -toestand van Nederland zoodanig, als hier door een onpartijdig aanschouwer en opmerker -wordt gezegd, welke bezwaren ontmoette dan <span class="sc">Willem II</span> niet van stonde aan op zijn pad! Welk een verschil tusschen de stemming des volks -bij de troonsbeklimming van den souvereinen vorst en de kroning van Nederlands tweeden -koning!—Wel nu, had <span class="sc">Willem I</span> het voorrecht niet gehad, de liefde des volks tot den einde toe in dezelfde mate -te behouden, <span class="sc">Willem II</span> heeft, als de schoonste zijner veroveringen, den verloren grond herwonnen. Hij heeft -tot en op den naam van <span class="sc">Oranje</span> wederom al die liefde weten terug te brengen, die daaraan van ouds onafscheidelijk -verbonden was. Hij heeft alzoo aan het nationale middelpunt van onzen staat, dat niet -is <i lang="fr">la charte constitutionelle</i>, als vroeger in Frankrijk, maar dat is: de stam der <span class="sc">Nassaus</span> met de spreuk <i lang="la">Je maintiendrai</i>, zijne aantrekkende en bezielende werking teruggegeven. Hij heeft het koningschap -in Nederland op nieuw weten te bevestigen op die rots, die in deze dagen alleen vaststaat, -liefde tot den Koning, door de in vleeschen tafelen des harten gegronde overtuiging, -dat „zijn Koning hem van God gegeven is!”—Koning der Nederlanden, vroeg ik straks: -hebt gij aan die verwachtingen uws volks ten uwen opzichte voldaan? En ik antwoord -nogmaals: Ja, gij hebt daaraan voldaan; want gij hebt de taak van een <span class="sc">Oranje</span> volbracht! Gij zijt op nieuw het plechtanker geworden van het hulkje, dat zich aan -u vertrouwde<span class="corr" id="xd31e6062" title="Bron: ,">.</span> Daarom is de dag van uwen dood een dag van rouw voor geheel Nederland; daarom is -de dag van uwe uitvaart een dag van droefenis voor alle Nederlanders; daarom gaat -nu van Tilburg een lijkstoet uit, die met andere tranen wordt overdekt dan de kunst -des zilverwerkers over het zwarte kleed van uwe lijkkoets heeft uitgestrooid; daarom -klinkt, van Tilburg tot aan de boorden van de <span class="corr" id="xd31e6065" title="Bron: Lauwerzee">Lauwerszee</span>, eene stem, die doodklokgalmen en uitvaartsalvo’s verdooft, en die ook in mijn hart -boven die allen weêrklinkt. -</p> -<p>En intusschen zongen de leeuwerikken steeds hun vroolijk morgenlied. -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>Een dikke stofwolk doet zich in de verte op. Tusschen het stof wemelt een roode gloed. -Het zijn de kleine witte en roode vanen aan de speren der lansruiters. De trein genaakt. -</p> -<p>O, hoe stil en bijna onopgemerkt naderde hij hier! Op het punt, waar ik mij bevond, -waren slechts zeer enkele menschen. Ook vóór den trein bevond zich bijna niemand. -Recht zooals ik het had gewenscht en gehoopt. Des te ongemengder en dieper was de -indruk, dien de optocht op mij maakte. Vooraan enkele ruiters, om den trein te openen; -daarna eene afdeeling lanciers, voorafgegaan door den majoor <span class="sc">Coets van <span class="pageNum" id="pb206">[<a href="#pb206">206</a>]</span>Baggen</span>, die te Waterloo aan de zijde des ontslapenen streed, en die het voorrecht had hem -bij een nog zwaarder strijd zijnen zetel tot een laatste ruste te mogen aanbieden. -Daarna het muziekcorps der lanciers, met hunne in floers gewikkelde muziekinstrumenten, -die zich, eenige honderde voetstappen verder, in eene schoone andante klagende lieten -hooren. Eene eenvoudige koets met twee paarden volgde, en onmiddelijk daarna, door -vier paarden getrokken, de lijkwagen, waarin het kostbaar overschot was bevat. Het -was een indrukwekkend gezicht. De hemel van den wagen was van somber zwart met rein -zilver afgezet, en verhief zich in een spits, die door een zilveren kroon gedekt werd: -ik dacht aan het schoone woord van <span class="sc">Bossuet</span> aangaande de toerichtingen, „die tot aan de wolken de doorluchtige bewijzen verheffen -van—ons niet”. Onder den hemel, op het zwarte dekkleed, dat de kist omsloot, lag een -kussen met de gouden kroon, en naast de gouden kroon eene groene lauwerkrans, door -de hand der koninklijke weduwe gevlochten. Frisch, als waren zij pas geplukt, waren -die lauweren om het hoofd van den ontslapen held nog niet verdord. Maar dat die kroon -met geen enkelen traan van uwe onderdanen door uwe schuld bepareld was, al was zij -<span class="corr" id="xd31e6083" title="Bron: dik, wijls">dikwijls</span> voor u een doornenkroon geweest, dat strekt u tot grooter <span class="corr" id="xd31e6086" title="Bron: eer-">eer,</span> dan alle lauweren u konden aanbrengen, o mijn Koning! Tegenover de kroon lagen de -epauletten, waarschijnlijk met de gekruiste veldmaarschalkstaven versierd, het eereteeken -van den rang, dien de held op het slagveld verwierf, en waarop de Koning uit dien -hoofde bleef prijs stellen. Ter wederzijden lagen de degens. Ginds de degen, die, -na in Spanje den troon des overweldigers mede te hebben ondermijnd, daaraan bij Brussel -den laatsten slag toebracht. Want zonder Quatre-Bras geen Waterloo, en zonder Waterloo -geen St. Helena! Hier de degen, die den Noord-Nederlandschen helden andermaal den -weg naar Brussel opende, en die in Brussel het bulletin van <span class="corr" id="xd31e6089" title="Bron: Belgies">Belgiës</span> onderwerping <span class="corr" id="xd31e6093" title="Bron: ou">zou</span> hebben geteekend, indien geen Fransch leger, overmachtig en overmoedig, zich tusschen -Leuven en Brussel had gesteld: de degen, dien ook ik op den IJzeren Berg als een starre -der zegepraal tusschen de wolken van den <span class="corr" id="xd31e6096" title="Bron: kruiddamp">kruitdamp</span> hebben zien blinken, en die ook mij als een starre naar het veld der overwinning -en van daar wederom huiswaarts heeft geleid! Ziedaar alles wat ik zag; maar wat ik -zag, kon mij niet beletten meer te zien dan dat. Het belette mij niet in den geest -het <span class="corr" id="xd31e6099" title="Bron: lijkleed">lijkkleed</span> van die kist te nemen, de kist te openen, en een blik op den daarin rustenden doode -te slaan. Welk een aandoenlijk gezicht trof mij daar! Dat hoofd, dat zich zoo fier -placht op te heffen, roerloos ter nedergezonken; dat sprekend oog vol geest en vuur -verdoofd! Nog altijd diezelfde lach om den mond; maar die lach als in marmer gegoten, -roerloos, koud en kil. Die borst, met de welverdiende eereteekenen versierd; maar -het hart in die borst levenloos, verstijfd en stil. Het geheel een beeld des doods; -van dien dood, „die den geest der vorsten als rijpe drijven afsnijdt;” van dien dood, -die koningen en bedelaars gelijk maakt, en den eersten recht geeft <span class="pageNum" id="pb207">[<a href="#pb207">207</a>]</span>den laatsten met de woorden bij <span class="sc">Jesaja</span> toe te roepen: <i>Zoo zijt gij dan ons gelijk geworden!</i> Ach, wat was er nu van dien Koning overgebleven, die over zoovele millioenen had -geheerscht! wiens schepter zich, behalve hier over de oevers der Zuiderzee, in een -ander werelddeel over de eilanden eens onmetelijken oceaans had uitgestrekt! Een ziellooze -stofklomp, die welhaast een wolk van stof zou zijn, als die stofwolk, die door de -hoeven zijner paarden werd opgejaagd. „Mijne broeders! God alleen is groot!” -</p> -<p>Zoo was dan nu, na zes-en-vijftig jaren strijds, dat hoofd op weg om zijn laatste -peluw te gaan zoeken. Ach, ach! hoeveel stormen hadden gedurende dat tijdvak niet -al over dat hoofd gewaaid! Pas had het twee jaren beleefd, toen het reeds in de -</p> -<div class="lgouter"> -<p class="line xd31e490">„kinderlijke wieg moest hobblen op de baren, </p> -<p class="line">Uit huis en hof geschopt door dolle woestaardij.” </p> -</div> -<p class="first">Die eerste storm was opgevolgd door het driedubbel geweld, waarmede <span class="sc">Napoleon</span> hier den burger in zijn volk vertrad, daar den vorst in zijn voorvaderlijk erfgoed -beroofde, elders den krijgsman in zijn leven bedreigde. Straks op een hulk wedergekeerd -uit datzelfde Engeland, waar hij op een hulk was heengegaan, schitterde wel om dat -hoofd de kroon van den vorst met den krans des overwinnaars omvlochten, maar ook toen -ervoer de vorst, hoeveel zwaarder het is, die kroon dan dezen krans te dragen, en -nog eens zag Engeland hem onder den last eener zware beproeving gebogen terug. Wel -joeg de zegepraal van Leuven die nevelen weder uiteen, en daalde straks met den diadeem -van <span class="sc">Willem I</span> de liefde van een geheel volk op dien schedel neder; maar toen wachtte den Koning -eene nog bitterder ervaring: de ervaring hoe centenaarszwaar ook de kleinste kroon -kan wegen op het sterkste hoofd, en werd hem dit woord van de lippen gedwongen, dat -uit zijn mond tot mij gebracht werd: het woord, waarbij hij verklaarde, dat men de -uitdrukking „zoo gelukkig als een koning te zijn”, in onze dagen liever omkeeren mocht. -Als ter voorbereiding voor het naderend einde kwam daarbij het lijden eener geschokte -gezondheid, het lijden van een leven, dat op die wijze „een dagelijksche dood” werd, -een leven als onder het zwaard van <span class="sc">Damocles</span>. Ai mij, daar breekt de brooze draad, waaraan dat zwaard was opgehangen.… daar valt -dat zwaard neder … het treft dat dierbare hoofd.… dat hoofd, nimmer gewoon te bukken, -heft zich nog eenige malen tot de worsteling op … vergeefs.… het wordt gedwongen te -buigen.… het buigt zich voor den laatsten slag … het zinkt voor altijd op de koude -borst.… Koning <span class="sc">Willem II</span> is niet meer! -</p> -<p>Nu dan, het ruste zacht, dat edel helden- en koningshoofd! Het ruste zacht op het -rustbed, dat de liefde het in de laatste woning heeft gespreid. Het ruste zacht in -de schaduw der dankbare nagedachtenis, die het graf der <span class="sc">Nassaus</span>, als een altijd geurende wierookwolk <span class="pageNum" id="pb208">[<a href="#pb208">208</a>]</span>omzweeft. Geene aanklagt, geene verwensching, geene stemme der beschuldiging of der -veroordeeling zal die ruste storen; immers, het weenen en snikken des volks rondom -het graf stoort zulk een ruste niet? -</p> -<p>Slaap dan zacht, o Koning! Slaap zacht, in het hart uws volks beter dan in alle oostersche -specerijen ingebalsemd, en voor een spoedig vergaan bewaard! Slaap zacht onder de -lauweren, die eene zachte hand voor uwe lijkkist vlocht, en moge ook de nooit gedroogde -traan van Haar, aan wie die hand behoort, zoowel als de rouw van het u teederlievend -kroost, dien slaap niet storen! Slaap zacht, en neem bij zoovele anderen ook uit mijn -hart dezen mannelijken traan als een offer der dankbaarheid en der liefde mede. -</p> -<p>En boven mij zongen de leeuwerikken altijd hun vroolijk morgenlied. -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>De trein was voorbijgetogen. Ik zag haar na. Daar ging zij heen, eerst naar Oosterhout, -dan naar Geertruidenberg, dan naar Rotterdam, dan naar Delft, dan naar het graf<span class="corr" id="xd31e6143" title="Bron: ,">.</span> Rondom dat graf zouden al de dierbaarste betrekkingen des Konings zich vereenigen, -om het de laatste eer te bewijzen. Mij dunkt, ik zag ze daar staan, en in hun midden -zag ik den jeugdigen man, die thans <span class="sc">Willem III</span> heet. -</p> -<p><span class="sc">Willem III!</span> Nog herinner ik mij als een aandenken uit de schoone jaren van voorheen, hoe ik meermalen, -langs de straten mijner vaderstad gaande, een open rijtuig opmerkte, waarin zich twee -jongelingen in gezelschap van een opperofficier bevonden. Het waren de twee oudste -kleinzonen des toenmaligen Konings, Prins <span class="sc">Willem</span> en Prins <span class="sc">Alexander</span>, die destijds kweekelingen der <i lang="la">alma mater Leidensis</i> waren. Waarlijk, men had minder dichter moeten zijn, dan ik het toenmaals was, om -niet wel eens bij het gezicht dier twee jongelingen een blik in de toekomst te wagen, -en voor hen hun jongelingsdroom te droomen. Wat is er van dien droom geworden? Ga -naar het praalgraf der <span class="sc">Nassaus</span> te Delft, en vraag den bewaker van dat graf, wat er van dien droom voor Prins <span class="sc">Alexander</span> werd? Hij stierf op een vreemde kust, verre van zijn Vaderland, verre van het hart -zijns vaders en den boezem zijner moeder. Des te dankbaarder zijn wij voor Prins <span class="sc">Willem</span>, dat zijn levensdroom zich aanvankelijk heeft vervuld. Hij heeft <i>de kroon</i> verkregen, die hem voor de oogen zweefde. Wat zal die kroon hem zijn? Ziedaar eene -vraag, waarop niemand op aarde antwoord geeft. Wat zal <i>hij</i> dier kroone wezen? Ziedaar eene vraag, waarop evenzeer het antwoord blijft ontbreken. -En toch willen wij de beantwoording van die vraag door de toekomst vooruitloopen, -en het in hope zeggen: hij zal dier kroon een waardige, een zijns vaders en onzes -volks waardige kroonvoerder zijn! De omstàndigheden, waaronder hij het gebied ontvangt, -zijn al te aandoenlijk, de tijden, waarin hij leeft, al te zwaarwichtig, om niet op -zijn hart te doen wegen de grootheid der verantwoording, die thans op hem rust. De -dood en begrafenis zijns vaders heeft hem toegeroepen: <i>Zie, hoe lief men hem had!</i> Zie, hoe lief ons volk goede koningen heeft! Zou dit hem niet dringen om een goed -Koning voor zijn <span class="pageNum" id="pb209">[<a href="#pb209">209</a>]</span>volk te wezen? Eene zijner eerste regeeringsdaden is geweest, zijn volk met zich ten -gebede op te roepen. Is dat niet reeds een goed begin, dat aan <span class="sc">Salomo</span> te Gibeon denken doet? Of zouden zoo vele gebeden, met de tranen onzes volks over -den ontslapen Koning, en, wat meer zegt, met het bloed van den Koning der koningen, -bij wiens kruis wij heden in den geest staan, en op wiens kruis wij onze gebeden nederleggen, -als besproeid, ledig tot ons kunnen wederkeeren? Eindelijk,—o hoe gaarne neem ik dit -als een voorteeken aan!—hij heet <span class="sc">Willem III</span>. <i lang="la">Accipio omen.</i> <span class="sc">Willem III!</span> Welk een naam is de uwe! Misschien hebt gij er zelf aan gedacht, toen gij daar te -Londen in Westminster-Abbey bij het graf van uw doorluchtigen naamgenoot stondt; er -aan gedacht, toen gij thans nog overal Groot-Brittanje van den naam van <span class="sc">Willem III</span> vervuld zaagt; er aan gedacht, toen men u in Engeland zoo menige hulde, aan uwen -naam verschuldigd, daarom te liever bracht, omdat gij ook een naam- en stamgenoot -van <span class="sc">Willem III</span> waart. <span class="sc">Willem III!</span> wij bidden het van God, maar wij vragen het ook u, beschaam die schoone verwachting -niet! Wees voor Nederland als Koning, wat <span class="sc">Willem III</span> als Stadhouder voor Nederland is geweest. Heeft <span class="sc">Willem III</span> voor de republiek het werk bekroond, door de wijsheid van den Zwijger begonnen, door -de dapperheid van <span class="sc">Maurits</span> en <span class="sc">Frederik Hendrik</span> bevestigd, bevestig gij alzoo voor het koningschap het werk, dat Koning <span class="sc">Willem II</span> tot dusverre voortgezet heeft. Daartoe zij uw oog voortdurend op onzer vaderen God, -op onzer kinderen Vader gevestigd, met wien de groote Zwijger (immers ook voor al -zijne zonen?) een plechtig verbond heeft gemaakt. Biddende zijt gij begonnen; o, mocht -gij biddende voortgaan, opdat wij samen dankende mogen eindigen. <span id="xd31e6218"></span><span class="sc">Christus</span> te volgen, zoo waagde ik het reeds vroeger, met een woord uit den ouden tijd eenmaal -tot een uwer vaderen gesproken, u toe te spreken, „<span class="sc">Christus</span> te volgen is den menschen vóór henen te gaan, en die op dat pad de voorste is, is -de eerste aller menschen, Gode het naaste en alleen een rechtschapen prins.” Amen! -zeg ik thans met dubbelen nadruk op dat woord,—en al het volk zegge Amen!—en gij, -o God der vaderen! doe gij om en door <span class="sc">Jezus Christus</span> zoo en zoo daartoe! -</p> -<p>Een beroemd schrijver heeft onlangs een bezield tafereel opgehangen van de omstandigheden, -waaronder <span class="sc">Willem III</span> Stadhouder der Unie werd. Onwillekeurig vergeleek ik den heeten strijd op leven en -dood, waarvan die verheffing de uitkomst was, met de woorden der ministeriële proclamatie: -<i>Het heeft den Almachtige behaagd</i> <span class="sc">Willem II</span> <i>tot zich te roepen</i>.—<span class="sc">Willem III</span> <i>is Koning der Nederlanden</i>. -</p> -<p>Ziedaar, zeide ik bij mij zelven, den zegen van het erfelijk koningschap. Elders worstelingen, -die den vrede des lands in gevaar brengen; elders, gelijk thans nog in Frankrijk, -ook bij het behoud des vredes, het gevaar om aan het hoofd des volks een man te zien, -wiens persoon niet alleen, maar wiens naam alreede voor velen een voorwerp van dubbelzinnige -herinneringen is; hier daarentegen de stille overgang <span class="pageNum" id="pb210">[<a href="#pb210">210</a>]</span>van de kroon des eenen <span class="sc">Nassaus</span> op het hoofd des anderen, en wat het schoonste is, de overgang van de liefde, die -op des eenen hoofd rustte, althans bij aanvang, ook op des anderen hoofd. Nederland! -moogt gij het nooit vergeten, welk een voorrecht ons God tot op dezen dag in het behoud -van een erfelijk en wezenlijk koningschap liet, en eeuwig blijve van onzen grond geweerd -de invloed der voorstanders dier valschelijk genaamde vrijheid, die <span class="sc">Karel</span> naar Holyrood, <span class="sc">Lodewijk Filips</span> naar Claremont en <span class="sc">Lodewijk XVI</span> naar het schavot op de <i lang="fr">Place de Louis XV</i> <span class="corr" id="xd31e6267" title="Bron: bragt">bracht</span>. Maar ook gij, o Koning! moogt gij nooit vergeten, met hoeveel vertrouwen en liefde -uw volk u tegenkwam van den dag aan, dat het in den weg van God uw volk werd. En nooit -ontga uw hart het aandenken aan die schoone ure, waarin het op nieuw bleek, dat de -liefde van Nederland voor <span class="sc">Oranje</span> te recht genaamd is „de stem van het bloed van ’s lands kinderen, dat ’s lands vaderen -tegenroept.” Ja, zij is eene stemme des bloeds, die stem! want zij is geboren uit -het bloed, dat de Vader des Vaderlands voor Nederland vergoot, terwijl hij stervende -met dat bloed, als met een onoplosbaar cement, Nederland en <span class="sc">Oranje</span> tot één verbond! Welaan dan, bij het graf van dien Vader des Vaderlands ons verbond -vernieuwd! O Koning! wees gij ons een koning gelijk wij verwachten; en wij zullen -u een volk zijn gelijk gij hoopt. <span class="sc">Willem I!</span> Vader der <span class="sc">Nassaus</span>! Vader des Vaderlands! wees gij getuige van dat verbond, bij het open graf van dezen -uwen naneef gesloten! Eer wij het verbreken, verdorre onze hand! Eer wij het verloochenen, -verstomme onze tong! Eer wij er ontrouw aan worden, verstijve ons hart!—En nu! De -koning is gestorven. Zijn assche ruste in vrede! De Koning leve! Zijne regeering zij -gezegend! Ja, zijne regeering, ze zij, o God! gelijk aan die lente, die gij weder -over de aarde doet aanbreken; en het lied der vogelen, dat dezen feestdag der lente -viert, moge het de voorbode, gelijk van een nieuw leven voor de aarde, zoo ook van -een nieuw leven vol vrede en voorspoed voor Nederland zijn! Mocht het zoo wezen.… -o dan is de laatste strijd tusschen het gindsche klokgeklep en dit vogelengezang opgelost, -en zingt dan, gij leeuwerikken! zingt luide uw vroolijk morgenlied! -<span class="pageNum" id="pb211">[<a href="#pb211">211</a>]</span> </p> -</div> -</div> -<div id="ch19" class="div1 story"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e7275">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="main">TWEE MONUMENTEN.</h2> -<h2 class="sub">(1676–1841).</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Op den 25<sup>sten</sup> Augustus 1841 werd te Vlissingen een standbeeld ontbloot en ingewijd. Deze plechtigheid -werd met schitterende feesten gevierd. Kanonnen bulderden; vlaggen en wimpels zwierden; -een statelijke optocht ging om; eene welsprekende feestrede werd uitgesproken; eene -kunstrijke cantate werd gezongen; kunstelooze zeemansliederen werden aangeheven: merkwaardige -gedenkstukken werden ten toon gesteld; maaltijden werden gehouden; feestlichten werden -ontstoken; volksspelen werden gegeven; handen wuifden; monden jubelden; oogen blonken; -harten gloeiden. Vlissingen was eene groote feestzaal, waarnaar geheel het vaderland -het belangstellend oog gericht hield. -</p> -<p>Het was het feest der inwijding van het standbeeld van <span class="sc">Michiel <span class="corr" id="xd31e6298" title="Bron: Adriaanz.">Adriaansz.</span> de Ruiter</span>, Hertog, Ridder enz., Luitenant Admiraal Generaal van Holland en Westfriesland. -</p> -<p>In diezelfde dagen kwam uit de werkplaats, waaruit het beeld van <span class="sc">De Ruiter</span> was voortgekomen, een ander gedenkteeken in stilte te Alkmaar aan. Van daar werd -het door het verbaasde duin naar Egmonds zeekust vervoerd. Daar werd het op het wachtend -voetstuk geheven, dat rondom den nieuwen lichttoren oprijst. Toen zag men den Nederlandschen -leeuw, met den klauw om het kanon geklemd, het hoofd opsteken in den zeewind, dien -het met verrukking in de rookende neusgaten ving. -</p> -<p>Het was het gedenkteeken ter eere van <span class="sc">Jan Carel Josephus van Speyk</span>, Ridder der Militaire Willemsorde, Luitenant ter Zee. -</p> -<p>Dit toevallig samentreffen moest ieder, die het vernam, opmerkelijk voorkomen. En -wellicht ware er stof uit te putten voor eene vergelijking, welke het niet aan sprekende -kontrasten ontbreken zou. Beide helden, uit geringen stam gesproten, en beide door -koninklijken ridderslag geadeld; beide op zee groot geworden, en beide aldaar op het -bed van eer gestorven; beide in hun leven met een groenen krans van eere gekroond, -en beide in hun dood in een geurige lijkwâ van glorie gewikkeld; ja, om de overeenkomst -te volmaken, beide in hun graf <span class="pageNum" id="pb212">[<a href="#pb212">212</a>]</span>door den weêrglans van eene koningskroon bestraald. De Amsterdamsche weesjongen, die -zijn eersten sluimer in eene armenkrib sluimerde, sliep zijn jongsten slaap, totdat -hem eene eigen sponde gespreid was, in het vorstelijk graf der <span class="sc">Nassau’s</span>, aan de zijde van den grooten Zwijger; de Vlissingsche schipperszoon zag terzelfde -plaatse, waar hij voor een stuiver daags in de lijnbaan gezwoegd had, onder duizend -edele hoofden, waarop hij van zijn voetstuk nederzag, een gekroonden schedel ontbloot! -En toch, niet treffender de overeenkomst die beide vereenigt, dan het verschil dat -beide scheidt. Welk een afstand toch tusschen den Luitenant-Admiraal Generaal en den -Luitenant ter zee,—tusschen het Opperhoofd van ’s Lands vloot en den Bevelhebber van -eene kanonneerboot,—tusschen den negenenzestigjarigen held, die in de schaduw zijner -lauweren, in vijftien groote zeeslagen gewonnen, ten grave daalde, en den negenentwintigjarigen -jongeling, die in het winnen van zijn eersten lauwer bezweek,—tusschen den „Schrik -des oceaans” en den Dappere, wiens zegevierende uitgang alleen den Schelde-oever deed -beven! -</p> -<p>Deze en dergelijke trekken hadden niet kunnen missen ieder, die van de gelijktijdige -oprichting der beide gedenkteekenen kennis droeg, te treffen. Maar ik voor mij verliet -ze welhaast, om twee geheel andere beelden voor mijnen geest te zien verrijzen: het -Nederland van <span class="sc">De Ruiter</span> en het Nederland van <span class="sc">van Speyk</span>: het Nederland van 1676 en het Nederland van 1841. -</p> -<p>Het Nederland van <span class="sc">De Ruiter</span> en het Nederland van <span class="sc">Van Speyk</span>. Ik bid u, daarin iets anders en iets meer te zien, dan een ijdel spel met twee namen. -Helaas! er ligt eene droevige waarheid in dat spel. De verhouding tusschen <span class="sc">De Ruiter</span> en <span class="sc">Van Speyk</span> is maar al te zeer de schaal der verhouding, die tusschen beider Nederland bestaat: -de Admiraalsvlag <span class="corr" id="xd31e6341" title="Bron: vau">van</span> 1676 tot den bootswimpel van 1831 gekrompen—ziet daar het beeld van ons vaderland -bij den dood van <span class="sc">De Ruiter</span> en den dood van <span class="sc">Van Speyk</span>! -</p> -<p>Wat dunkt u? indien dat metalen beeld op zijn voetstuk zoowel leven kon aannemen, -als het te leven schijnt;—indien het den ijzeren blik op de zee kon vestigen, die -aan zijne voeten breekt;—indien het over die zee zijne geliefde Statenvlag kon volgen;—o, -hoe het wenschen zou, nooit op die hoogte gestegen te zijn! hoe het verlangen zou, -wederom rustig neder te liggen op de tombe, waar het in de schaduw van zijne eigene -en ’s Lands glorie zoo gelukkig sliep! hoe het den Pygmalion, die het in het leven -riep, bidden zou, wederom steen te mogen worden; levenloos en ongevoelig steen! Of -hoe, meent gij, zou het onzen <span class="sc">De Ruiter</span> te moede zijn, als hij die schoone vloot, grootendeels onder zijn oog en hand verrezen, -tot een handvol booten versmolten zag! als hij aanschouwen moest, hoe de vlag, die -hij had doen eerbiedigen met siddering, nu gedoogd wordt met edelmoedigheid! als hij -het moest aanzien, hoe de cirkel, door den boeg zijner schepen over de wereldzee getrokken, -nu bijna geheel door de <span class="pageNum" id="pb213">[<a href="#pb213">213</a>]</span>sporen van andere bodems is uitgewischt! Indien hij er getuige van geweest ware, wat -meent gij, zou de held van Soulsbay gevoeld hebben, wanneer hij de vaderlandsche schepen -in de vaderlandsche havens gekerkerd had gezien, aldaar opgesloten, ik zeg niet door -de duurgekochte overwinning, maar door het enkele bevelwoord van diezelfde Engelsche -en Fransche vloten, waarvan hij meermalen de zee had schoongevaagd, als <span class="sc">Harpertzen’s</span> beroemde bezem! Mij dunkt, ik hoor den mond, die eenmaal op het gezicht van den schrik, -door de enkele verschijning van zijn Admiraalschip <i>de Zeven Provinciën</i> verwekt, zoo <span class="corr" id="xd31e6363" title="Bron: vrolijk">vroolijk</span> braveerde, dat woord treurig herroepen: „De vijand heeft <span class="sc">geen</span> eerbied meer voor de Zeven Provinciën!” -</p> -<p>Daarom, schoon eere doende aan de dankbaarheid van het nageslacht, dat in <span class="sc">De Ruiter</span> den schepper van zijn blinkendsten roem en weligste welvaart vereert, om uwentwil -verheugt het mij, dat de kunst, schoon zij uit ijzer goden scheppe, niet vermag u -uit uw ijzeren slaap op te wekken; dat gij slechts een <span class="sc">beeld</span> zijt, heldengestalte van <span class="sc">Michiel Adriaanszoon de Ruiter</span>! -</p> -<p>En toch! zie, het is alsof dat andere gedenkteeken,—het is alsof de leeuw van Egmond -mij verwijt onrechtvaardig te zijn, en, om den wille van het Nederland van <span class="sc">De Ruiter</span>, het Nederland van <span class="sc">Van Speyk</span> te kort te doen. Ik hoop niet, dat verwijt verdiend te hebben. Het is de plicht van -een kind, zijn moeder lief te hebben, al is zij oud en zwak geworden. Verre zij het -van mij, ten gevalle van den roem van het verledene, de rechten van het tegenwoordige -te verkorten, en de levende <span class="sc">Polyxena</span> te willen opofferen aan de schim van den dooden <span class="sc">Achilles</span>. Ik erken met allen, die het mij toevoeren: ook de jongste tijd had zijne heldere -dagen. De jaren 1830 en 1831 waren een schoon oogenblik in onze geschiedenis, de schoonste -tijdperken onzer vaderen waardig, en dat niet verdiend had, wegens de ongelukkige -uitkomst, door hen zelve, die er eene werkzame rol in vervulden, verkleind, ja, bespot -te worden. Nog behoeft het geslacht, dat aan den voet van <span class="sc">De Ruiter’s</span> standbeeld vergaderd was, niet voor zijne schim te blozen. De helden van Hasselt -en Leuven, de verdedigers van Antwerpen’s citadel, de dapperen van Algiers en Palembang, -met den held aan het hoofd, die zich eene kroon van lauweren won, eer hij de juweelen -kroon erfde, zijn niet onwaardig onder de oogen van den grooten Vlissinger te verschijnen. -Ja, de grootmoedige vlootvoogd, die iedere dappere daad wist te waardeeren, ziet met -een oog van welgevallen, niet ver van de prachtige tombe, waaronder hij slaapt, die -nederige zuil verrijzen voor den jongen zeeman, die in zijn schoonen dood het beginsel -huldigde, waarvan hij zelf het offer werd,—van het leven minder te achten dan de eere -van ’s Lands vlag. -</p> -<p>En nogtans vergeve men het eenen Nederlander, die de daden der Vaderen niet vergeten -kan, dat hij in het Nederland van 1841 het Nederland van 1676 niet herkent, en niet -herkennen zou, al ware sedert het vuur niet weder uitgedoofd, dat in 1831 zoo helder -ontbrandde; <span class="pageNum" id="pb214">[<a href="#pb214">214</a>]</span>al had de uitkomst niet bewezen, dat het slechts een schoone droom was, dien de dichter -dweepte: -</p> -<div class="lgouter"> -<p class="line">Holland is twee eeuwen jonger, </p> -<p class="line">Dan het was vóór vijftig jaar. </p> -</div> -<p class="first">En nu, wat zal het namaals zijn? Hoe zal het Nederland van anderhalve eeuw later zich -voordoen? Zal het aan dat van 1841, of van 1676 gelijken? Voorspelt ons de oprichting -van <span class="sc">De Ruiter’s</span> beeld, dat met hem het tijdperk van roem en voorspoed, hetwelk met hem ten grave -ging, wederom zal opstaan? Mag ik een voorteeken zien in den helderen zonneschijn, -die, op het oogenblik van het ontblooten des gedenkteekens, den regen verving, die -tot dusverre het feest had verduisterd? O, hoe gaarne zou ik daarop het <i lang="la">accipio omen</i> zeggen! Hoe gaarne zou ik in den heldendood van <span class="sc">Van Speyk</span>—de wedergade van den dood van <span class="sc">Claessens</span>, die de wapenfeiten onzer vaderlandsche helden opent—den dageraad van eenen nieuwen -morgen begroeten! hoeveel liever dan den avond, die den dag in denzelfden purpergloed -ziet ondergaan, waaruit hij is opgerezen! Doch ik durf mij aan die zoete hoop niet -toegeven; ik zie niet wat er mij recht toe laat. Moet ik de klagers onder ons gelooven, -dan ligt de schuld aan.… ja, aan wie niet al? Aan <span class="sc">Oranje</span> voornamelijk, wiens lot het schijnt te zijn, ten aanzien van ons zeewezen het voorwerp -van een eeuwigdurend wantrouwen te zijn, dat nimmer gerechtvaardigd werd. Alsof de -geschiedenis niet anders leerde; ja, alsof de jeugdige Prins-Kapitein, die, aan de -zijde zijns Koninklijken Vaders, aan den voet <span class="corr" id="xd31e6424" title="Niet in bron">van </span><span class="sc">De Ruiter’s</span> standbeeld verscheen, niet bewees, dat Koning <span class="sc">Willem II</span> een echt nakomeling van de Kapiteinen-Generaal en Admiralen der Vereenigde Nederlanden -is! Overigens onderneem ik niet, over de billijkheid <span class="corr" id="xd31e6431" title="Bron: vau">van</span> wederzijdsche grieven of klachten te oordeelen. Maar wat ik weet of zie, het is dat -de geest van de zeventiende eeuw, de geest van <span class="sc">De Ruiter</span>, van ons volk geweken is; het is dat de veroverde vendelen van den Tiendaagschen -Veldtogt den sluimer niet verbergen kunnen, waarin de Nederlandsche Leeuw verzonken -is; het is dat zijn weder-inslapen na zijn kort ontwaken, nog droeviger dan of hij -in het geheel niet ontwaakt ware, bewijst, dat zijn slaap eene slaapziekte geworden -is. Vergeefs geklaagd en gejammerd; vergeefs verweten en beschuldigd; vergeefs gehoond -en geschimpt. De kracht der Zeven Provinciën huisde niet in het hout, waaruit de vloot -gebouwd werd; hare geestdrift niet in de zeilen, die ze bevleugelden; hare dapperheid -niet in het ijzer, dat ze beschermde. Neen! die kracht, die geestdrift, die dapperheid -huisde in den geest van de ijzeren menschen, welke die houten vloot bemanden,—of, -nog liever in den geest van het geheele volk, waaruit de bemanning voortkwam. Wat -was in dien tijd een verloren schip, een verstrooid eskader, eene vernielde vloot -zelfs? Weinige dagen—het wonder is gezien—weinige dagen waren genoegzaam om een handvol -wrakken in eene geduchte zeemacht te herscheppen. Wat waren <span class="pageNum" id="pb215">[<a href="#pb215">215</a>]</span>in dien tijd tien helden, in éénen slag gesneuveld? Op dezelfde plaats, waar de een -viel, stond een ander op, en met de vlag scheen de kunde en dapperheid van de Vice-Admiraal -of Schout-bij-Nacht op den Kapitein over te gaan. <span class="sc">De Ruiter</span> mocht bij het lijk van <span class="sc">Marten Harpertzen Tromp</span> uitroepen: „Ware ik vóór u gestorven!” hij wist niet, wat hij zeide; de kweekeling -was bestemd den meester te overtreffen.—Vergeefs alzoo, vergeefs het in budgetten -of reglementen, vergeefs het in geld of manschappen, vergeefs het in schepen of scheepsvolk -gezocht;—de natie moet herboren worden, zoo onze zeemacht herrijzen zal. Want de zeemacht -is de zenuw van den Staat, die met het lichaam der natie leeft of sterft. -</p> -<p>Maar hoe zal die wedergeboorte plaats grijpen? Wie zal een nieuwen geest in ons volk -doen varen? Wie zal het krachtelooze lichaam tot een verjongd leven opwekken? -</p> -<p>Een ieder beantwoorde deze vraag, gelijk hij best kan. <i>Mijn</i> antwoord zal door menigeen met schouderophalen, door sommigen met spot beantwoord -worden.—Het zij zoo! Ik heb geen beter te geven. -</p> -<p><span class="sc">Michiel adriaanszoon de ruiter!</span> Het Vaderland, in bedevaart rondom uw standbeeld vergaderd, komt tot u om u raad -te vragen, gelijk de oude volken het orakel van den god, wiens tempel en beeld zij -bezochten. Welaan, wij vragen: -</p> -<p>Welk is het geheim van uwe en uwer tijdgenooten grootheid, waardoor ook wij wederom -tot vorigen roem en bloei kunnen geraken? -</p> -<p>Zal hij antwoorden? Hij doe het dan met dat woord, dat, bij den slag van Schoonefeld -gesproken, als zijne altoosdurende leuze beroemd werd: -</p> -<p>„<i lang="nl">Niet op onse maght, maar op Gods almaghtigen arm.</i>” -</p> -<p>Wilt gij eene proeve nemen? Doet gelijk ik gedaan heb in de dagen van het De-Ruiters-feest: -leest—neen, weest gerust, geen verhandelingen, geen vertoogen, geen verzen; maar leest -eenvoudig <i>Het Leven en Bedrijf van den Heere Michiel de Ruyter, beschreven door</i> <span class="sc">Gerardt brandt</span>. Hoort daar den held zelven spreken! En hem niet alleen, hoort ook ’s Lands Staten! -hoort het geheele volk! Hoort den toon van vroomheid—maar neen! het woord <i>vroomheid</i> was toen nog één met <i>dapperheid</i>—hoort den toon van godsvrucht, waarop het geheele verkeer van den held met zijn volk, -van den Staat met zijn dienaar, van de Overheid met hare onderdanen gestemd is. Waant -daaronder, even als ik, in eene andere wereld te leven, eene andere taal te hooren, -een ander volk te leeren kennen. En vraagt dan nog, of het orakel geantwoord heeft! -</p> -<p>Neen, ik heb mij bedrogen, en bid, mijn woord terug te mogen nemen. Ook niet in den -geest der natie woont de kracht eens volks; het woont in de gunst en hulp van den -Heer der heirscharen, die den geest der natiën verheft, en zij worden machtig, die -den geest der volken wegneemt, en zij vallen. Men ijvere zoo veel men wil tegen de -benaming van <i>God van Nederland</i>: wij willen om geen namen <span class="pageNum" id="pb216">[<a href="#pb216">216</a>]</span>twisten. Maar wat wij ons niet laten ontnemen, het is het geloof aan een natuurlijk -en noodzakelijk verband tusschen de dienst en den zegen van den God van hemel en aarde. -Al leerde ik dit niet uit den bijbel, ik zou het uit de geschiedenis des Vaderlands -leeren. -</p> -<p>Eere dus aan allen, die in deze dagen verlangden, dat men de <span class="sc">Ruiter</span> een beter gedenkteeken dan van metaal en steen zou oprichten in den verjongden bloei -van ’s Lands zeemacht! Eere aan de bedoeling, die de stoffelijke middelen daartoe -zocht aan te wijzen! Maar wij voor ons, die geene geschiedenis verstaan, dan gelijk -<span class="sc">Bossuet</span> haar schrijft, als de geschiedenis der Voorzienigheid,—wij voeren eene andere leuze; -het is die, welke onze provincie op hare munten voert: <i lang="la">Deus fortitudo et spes nostra</i>. <span class="sc">God onze sterkte en onze hope!</span> -<span class="pageNum" id="pb217">[<a href="#pb217">217</a>]</span> </p> -</div> -</div> -<div id="ch20" class="div1 story"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e7284">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="main">NEDERLANDSCHE TYPEN.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<div id="ch20.1" class="div2 section"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e7292">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h3 class="label">I.</h3> -<h3 class="main">De Zeeuwsche arbeider.</h3> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Alle menschen moeten arbeiden. Ongelukkig zij, die in den grooten bijenkorf, welken -wij wereld noemen, niets uitvoeren, dan als luie hommels op den honig te teren, die -door de nijvere werkbijen wordt zaamgebragt. De billijkheid vordert echter te erkennen, -dat in den aard van dit arbeiden eenig verschil is. Om een voorbeeld bij te brengen, -hebt gij, <span class="corr" id="xd31e6504" title="Bron: geeerde">geëerde</span> lezer, die met deze eerste schets uit de beeldengalerij der door mij u voor te stellen -landgenooten in de hand mijn opstel zit te lezen, het op dit oogenblik veel gemakkelijker -dan ik, toen ik dit opstel schreef; en wederom had ik toen heel wat lichter taak dan -hij, wiens persoonsbeschrijving ik het genoegen heb u aan te bieden. Hij toch behoort -tot die klasse van wezens, die men gewoon is, in onderscheiding van andere arbeidzame -menschen, bij uitnemendheid met den naam van <i>Arbeider</i> te noemen. Een schoone <span class="corr" id="xd31e6509" title="Bron: eertitel">eretitel</span>, dien ik u uitnoodig wat hooger te plaatsen, dan hij gewoonlijk op onze ranglijst -voorkomt, waar hij al te verre achter de honoraire kamerheeren, de staatsraden in -buitengewone dienst, de professoren titulair-honorair, en de aspirant-surnumerair-ambtenaars -staat. Het is zoo, het voorkomen van onzen klant is niet van de schitterendste. De -ronde hoed met breeden achteropgetoomden rand op de ongekamde en ongescheiden haren, -zet aan het onbeduidend gezicht niet veel uitdrukking bij. Het openhangend blaauwlakensch -wambuis met liggende kraag en kort lijf, valt vrij slordig om de ongefatsoeneerde -leest. De wijde korte broek van manchester, met een bevallige onachtzaamheid aan de -knie losgelaten, zou een vreemdeling nieuwe stof geven tot de spotternijen, waaraan -wij arme <i lang="en">dutchmen</i> op het punt van dit kleedingstuk ten prijs staan. En ofschoon de beenen, met gladde -kousen bekleed en in gestreepte slopkousen gestoken, het zwierigste gedeelte van zijne -uitrusting uitmaken, leeft de man op zulk een <i>grooten voet</i> en is op zulk een lompe leest <i>geschoeid</i>, dat ook zijn voetstuk in de veroordeeling <span class="pageNum" id="pb218">[<a href="#pb218">218</a>]</span>van het geheele standbeeld moet deelen. Maar welk is ook het opschrift, dat op dat -voetstuk te lezen staat? Het drukt in groote letters het woord: <i>Arbeider!</i> uit. <i>Arbeider!</i> dat spreekt uit het geheele voorkomen en de houding van dezen plompen kinkel; dat -spreekt uit dat sterkgespierd gelaat met de forsche jukbeenderen, hetwelk in zijn -stompheid ijver en volharding uitdrukt; dat spreekt uit die vierkante schouders, die -zelfs in dezen ingetrokken stand stierenkracht verraden; dat spreekt uit die geheele -stroeve gestalte, die uit hout schijnt gehouwen te zijn. De klant staat nu in rust -te kijken: maar als hij eens die handen uit de zakken haalt en aan ’t werk slaat, -ha, hoe het er over zal gaan! Dan zal datzelfde lichaam, dat nu niets dan een logge -klomp schijnt te wezen, een veerkracht en buigzaamheid ontwikkelen, waarvan wij met -al onze gymnastische oefeningen geen denkbeeld hebben. Men moet geen eend op het land, -en geen arbeider op de wandeling zien. -</p> -<p>Ik bespreek evenwel voor den borst uwe achting niet alleen op zijn titel als <i>Arbeider</i>, schoon hij er meê zou kunnen volstaan. Ik eisch die vooral op grond van zijn karakter -en zeden. Het blijkt wel, dat arbeiden onze bestemming is, daar het den mensch zoowel -naar lichaam als naar ziel zoo gezond maakt. Zie dezen man; hij mist vijf en zeventig -van de honderd ondeugden, waaraan wij schuldig staan. Op dat ronde gelaat staan eerlijkheid -en trouw te lezen. Onder dat lomp stuk vilt broeit geen vonk van eerzucht. Schoon -het woord <i>Arbeider</i> den zin heeft van <i>Arbeider voor een ander</i>, op eens anders land en voor eens anders voordeel! weet hij niet wat het is, iemand -te benijden. Zijn wenschen strekken juist zoo ver als zijne stulp, dertig voet in -’t vierkant. Achter dat grove wambuis klopt een grof bewerktuigd, maar gezond hart -met warm bloed en gelijke rustige slagen. Schoon de weggestoken vuist een geducht -wapen is, is het een eerlijk wapen, dat nooit dan in een billijken strijd getrokken -wordt. Die groote lompe voeten zullen geen worm vertreden, als zij het mijden kunnen. -Het geheele ronde voorkomen van den flinkert is een verpersoonlijking van het spreekwoord -van zijn land; goed rond, goed Zeeuwsch. -</p> -<p>Welnu, wat dunkt u? Zou onze held, indien hij slechts eenigzins aan de gegeven karakterschets -gelijkt,—en tot bevestiging daarvan, durf ik mij op ieder, die den nijveren Zeeuwschen -en den geheelen vaderlandschen arbeidersstand eenigzins van nabij kent, beroepen—zou -hij dan niet verdienen, een sport of wat hooger in onze schatting te staan, dan de -ladder der maatschappelijke inrichting hem aanwijst? Laat het zijn, dat hij tot de -voeten van het maatschappelijk <span class="corr" id="xd31e6536" title="Bron: ligchaam">lichaam</span> behoort, het zijn toch de voeten, die het lichaam dragen. Hebben wij, beschaafden, -de eer van daarin de plaats der fijnere zenuwen te vervullen, vergeten wij niet, dat -de spieren het in beweging brengen. Zijn wij er trotsch op, dat wij als kleurige klaprozen -en gesternde korenbloemen tusschen het graan in staan, houden wij onder het oog, dat -het de eenvoudige eenkleurige halm is, die het gezegend voedsel onzes dagelijkschen -onderhouds bevat. Er is meer! In den nederigen boeren- en <span class="pageNum" id="pb219">[<a href="#pb219">219</a>]</span>arbeidersstand, van de besmetting van vreemde zeden vrijgebleven, wordt het degelijk -oud-vaderlandsch karakter nog bewaard. Daar worden de voorouderlijke zeden nog in -stand gehouden. Daar prijkt vader <span class="sc">Cats</span> noch naast den eerwaardigen huisbijbel. Daarheen moeten wij onze toevlucht nemen, -om de plaatselijke eigenaardigheden van ons taaleigen op te sporen. En dat ook de -aloude dapperheid, die aan de <span class="sc">De Ruiters</span>, <span class="sc">Evertsens</span> en <span class="sc">Bankerts</span>, als vlootvoogden uit deze zelfde streken, mannen leverde om hunne groote daden mede -uit te voeren, nog niet onder hen is uitgestorven; bleek het niet treffend in den -laatsten veldtocht, toen onze plattelandsschutterijen, door hunne kloeke onversaagdheid, -den vijand zulk eenen schrik wisten in te boezemen, dat onze vreedzame Zeeuwsche en -<span class="corr" id="xd31e6554" title="Bron: Vriesche">Friesche</span> boeren voor krijgshaftige Pruissen werden uitgemaakt? Indedaad indien men den meer -en meer afslijtenden stempel van ons volkskarakter naar de oude munt vernieuwen wilde, -zou men, even als tot gaafbewaarde legpenningen, tot den nederigen boeren- en arbeidersstand -zijne toevlucht moeten nemen. -</p> -<p>Doch het behoort onder de voorrechten van dezen stand, dat hij van zulke wenschen -en zorgen niets weet. Onze arbeider althans leidt zijn eentoonig en onafgewisseld -leven met onveranderde tevredenheid. Schoon wij hem niet kunnen aanzien zonder een -onwillekeurig gevoel van medelijden over zijn zwaren arbeid en armoedig bestaan in -ons te voelen opkomen, verzeker ik u, dat hij ons daarvoor niet bedanken, maar van -al ons beklag niets begrijpen zou. En waarlijk er is geen reden toe. De man heeft -alles wat hij wenscht. Zijn klok staat aan den hemel: hij gaat met de zon te werk -en te bed. Zijn tanden zijn hard genoeg voor het hardste roggebrood, en zijn vochten -weten niets van het schadelijke van een onmatig gebruik van spek. Zijn harde matras -schijnt met slaapbollen gevuld. Hij heeft alle dagen een lekker gastmaal: aardappelen, -door zijn eigen hand geteeld, met een heerlijke saus overgoten, die honger heet, en -een groot feest: rust na arbeid. Buiten deze dagelijksche feesten heeft hij nog des -zondags de wandelingen naar het nabijgelegen stadje, dat gij over ’t water ziet, met -een aardig boerinnetje aan zijn zijde. En als het kermis is en hij met zijne uitverkorene -voor de vedel staat, dan zou hij niet willen gelooven, dat het mogelijk is grooter -pret in de wereld te smaken. En misschien is het ook niet mogelijk! Zoo leeft dan -de arbeider jaar in jaar uit, even gelukkig en tevreden, en zou ons uitlachen, als -hij wist, dat wij zooveel moeite nemen om hem te beschrijven<a class="noteRef" id="xd31e6559src" href="#xd31e6559">1</a>. -<span class="pageNum" id="pb220">[<a href="#pb220">220</a>]</span> </p> -</div> -</div> -<div id="ch20.2" class="div2 section"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e7302">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h3 class="label">II.</h3> -<h3 class="main">De Rotterdamsche sleper.</h3> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Al wie te Rotterdam bekend is, weet dat er geen nijverder, arbeidzamer en onvermoeider -menschen te vinden zijn, dan die tot de klasse van het sjouwersvolk aldaar behooren. -Te Rotterdam is alles met een geest van bezigheid en drokte bezield; de geheele stad -is een nest van nijvere mieren, een korf van rustelooze werkbijen; het is of de pols -van die stad eenige slagen sneller klopt, dan die van alle andere Hollandsche steden. -Maar van al wat, om met vader <span class="sc">Vondel</span> te spreken, daar -</p> -<div class="lgouter"> -<p class="line">Zorgt en waakt en slaaft en ploegt en zwoegt en zweet, </p> -</div> -<p class="first">is zeker de sleper de eigenaardigste uitdrukking. -</p> -<p>De Rotterdamsche sleper is van den voerman der Amsterdamsche sleepkoetsjes hemelsbreed -onderscheiden. Zijn slede bestaat uit niets anders dan uit twee balken met ijzeren -beugels aan elkaar verbonden: een voertuig, dat door zijn eenvoudigheid van samenstelling -aan de gouden eeuw zou doen denken, als sleper en paard niet zoo duidelijk in de ijzeren -t’huis hoorden. Zijn passagiers zijn dan ook alles behalve stijve neepjesmutsen en -jichtige bloemkoolpruiken, maar vaten tabak, balen katoen, kisten thee en dergelijke, -die tegen een stootje kunnen. Zoo verschilt ook bij beide het middel om de baan voor -de slede glibberig te maken, want daarin komen zij overeen, dat ze, in een onfiguurlijken -zin, graag een gladde baan voor zich hebben. In plaats van den onoogelijken vetlap -van den Amsterdamschen sledevoerder, heeft de Rotterdamsche sleper vóór op zijn slede -een gevuld watervaatje, dat uit de daarin geboorde gaatjes, even als een dolfijn uit -zijn neusgaten, onophoudelijk water opspuit. Jammer maar, dat die springende waterwerken -aardiger zijn om te zien, dan aangenaam in de gevolgen die zij nalaten. Doch daarnaar -ziet de sleper niet om. Want zijn leus is de spreuk der voormalige Unie-orde: Doe -wel en—zie niet om. -</p> -<p>Zie hem, daar hij met slede en paard door het <span class="corr" id="xd31e6579" title="Bron: dichst">dichtst</span> gewoel heendringt; men zou hem bijna voor een automaat houden, met zulk een <span class="pageNum" id="pb221">[<a href="#pb221">221</a>]</span>afgemeten kalmte vervolgt hij, door alles heen en onder alles door, zijn weg. Zijn -oog wordt door niets van zijn last en lastdier afgetrokken: zijn voet wordt door niets -opgehouden: zijn hand laat den teugel geen oogenblik glippen. Komt hem een rijtuig -tegen, hij wijkt met een zwaai ter zijde: staat hem een voetganger in den weg, hij -schuift hem zonder op- of omzien aan een kant: scherp en op een haar mijdt hij al -de hinderpalen, die hij op zijn weg ontmoet: het spoor van het watervat op zijn slede -vormt een reusachtige slang, die zich in allerlei bochten door het dichtst gedrang -slingert zonder vertrapt te worden. Als gij op het gezicht af meenen zoudt, dat het -onmogelijk ware door de volksmassa heen te breken, en in zijn plaats moedeloos zoudt -blijven staan, waagt hij zich met kalmen moed, even als een held op het slagveld, -in het dichtst van het gewoel. Langzaam maar zeker gaat hij voort, tot dat hij de -plaats van zijn bestemming bereikt heeft. Een leerzaam beeld! Ik noodig u uit, er -eens op na te denken. -</p> -<p>De stille, werkzame gang nu, dien gij den sleper langs de straat ziet gaan, kenmerkt -den geheelen man in zijn gang op den weg des levens. IJver, eerlijkheid en trouw maken -de grondtrekken van zijn karakter uit. In den vroegen morgen, als in de hoogte alles -nog rust, rijst hij van zijn strooleger en haalt zijn Rosinant van stal. Zeker is -het geen fraaie vertooning, als beide tot hun morgenrid uittrekken. Het arme dier -is oud en mager: zijn hals is naar de aarde gekromd: zijn manen en staart zijn door -baldadige handen deerlijk geplunderd: zijn beenen zijn vol spatten en gallen: zijn -borst ligt aan beide zijden open. Niet veel aanzienlijker is het voorkomen van zijn -meester. Ook zijn rug is door den zwaren arbeid kromgebogen: zijn sterk geteekende -gelaatstrekken zijn met diepe voren van zorg en kommer doorgroefd: zijn kleed draagt -de sporen van schamelheid: en al is zijn linnen voorschoot wit en helder, het gebrek -kijkt door zijn gelapten elleboog. Aldus uitgerust, begeven zij zich <span class="corr" id="xd31e6586" title="Bron: samey">samen</span> aan hun dagwerk. Dat werk is eerlijk tusschen beide verdeeld. Terwijl de meester -het vat uit het schip op de slede laadt, of van de slede in het pakhuis sjouwt, rust -Rosinant: terwijl Rosinant de vracht trekt, heeft de meester de lichter taak van de -teugels te houden. Er heerscht dan ook tusschen hen een vertrouwelijke gemeenzaamheid, -als zelden tusschen mensch en dier plaats heeft. Meen niet, dat het aan die vriendschap -kwaad doet, dat gij den meester onophoudelijk de zweep gebruiken ziet. Want zonder -dat zou Rosinant niet begrijpen, dat hij voort moest: hij is op dit punt even als -een doove, voor wien schreeuwen praten is: slaag te krijgen is hem even zoo gewoon -en natuurlijk, als geleid en gestuurd te worden. Indien een lid van de Londensche -Maatschappij tegen het mishandelen van dieren er zich uit barmhartigheid meê moeien -wilde, zou hij in staat zijn, even als de vrouw in het verhaal, koel te vragen: „Waar -moeit gij u mede? Als ik nu geslagen wil zijn?”—De hand, die de zweep voert, heeft -dan ook met het hart van den sleper niets <span class="pageNum" id="pb222">[<a href="#pb222">222</a>]</span>gemeens. Want dat klopt van vriendschap voor den deelgenoot zijner ellende, voor den -bezorger van nooddruft, voor zijn eenigen vriend en weldoener op de wereld. Hij deelt -met hem het stroo, waar hij op slaapt, het brood dat hij eet: hij deelt met hem zelfs -zijn vermaken en uitspanningen. Daarvan is mij eens een klucht verteld, die ik geef, -zoo als ze mij is meêgedeeld. -</p> -<p>Een sleper had eens een buitengewoon voordeelige week gehad, zoodat hij dacht voor -deze maal ’s zondags een kleine uitspanning te mogen nemen. Hij besloot dus met zijn -vrouw en kinderen aan de Zwet een kruik bier te gaan drinken. -</p> -<p>„Maar dan gaan we met rijtuig,” zei de vrouw, „en huren een knappen wagen met een -paard.” -</p> -<p>„Een wagen,” hervatte de sleper, „dat kan gaan: maar geen paard; niemand zal ons trekken -dan bruintje! Of denkt gij dat ik ondankbaar genoeg zou zijn om hem, die alles verdiend -heeft, bij het verteren der verdienste, t’huis te laten?” -</p> -<p>In goeden ernst, een sleper en zijn paard zijn twee natuurlijke vrienden, door den -sterksten band, dien der gewoonte en behoefte, aan elkander verbonden. Die band wordt -dan ook alleen door den dood geslaakt. Of het paard valt voor de slede neêr, of de -sleper wordt achter de slede weggerukt. Dan vinden beide rust onder de aarde, waarop -zij zoo lang gezwoegd hebben. Dan hebben zij den zwaarsten van alle lasten, den last -des levens, t’huis gebracht! -<span class="pageNum" id="pb223">[<a href="#pb223">223</a>]</span> </p> -</div> -</div> -<div id="ch20.3" class="div2 section"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e7312">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h3 class="label">III.</h3> -<h3 class="main">De Straatjongen.</h3> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Geen woord is er in de taal, dat den persoon, dien het moet aanduiden, beter schildert -dan het woord: straatjongen. Want indedaad is dit soort van wezens één met de straat, -waarnaar zij heeten, en, indien ik het gelooven mocht, gaarne zou ik mij laten wijs -maken, dat zij, even als de menschen van Deucalion en Pyrrha, uit de steenen zelve -geboren zijn. Dit is zeker: plaveit een straat, terstond groeien er de straatjongens -van zelf op. Waar zij van daan komen, is onverklaarbaar. Van ’s morgens vroeg, dat -de klapperluî naar huis gaan, en de bakkers hun deur openen, tot ’s avonds laat, als -de taptoe slaat en de herbergen sluiten, belegeren zij de straten, als vliegen de -boterton. Zelfs zou ik in verzoeking kunnen komen te denken, dat zij, even als de -straathonden, van de opbrengst der straat leven, zoo getrouw vindt men ze op alle -uren van den dag op hun post zonder ze ooit te missen. Een andere geheimzinnige hoedanigheid -bezitten zij in een soort van halve alwetendheid omtrent al wat er in de stad gebeurt. -Het is wonderlijk. Op het ééne oogenblik zijn de straten en de straatjongens in rust; -even als een geordend leger schijnen zij hun benden evenredig door de stad verdeeld -en alle posten behoorlijk bezet te hebben; maar ziet! daar komt een oploop, een kleine -nietsbeduidende oploop, aan den uitersten uithoek der stad, en, eer gij omziet, is -er een gansch heir van straatjongens bijeen; de policie is er gauw bij, heel gauw: -maar de straatjongens altijd nog veel gauwer. Zij schijnen onder elkander een soort -van electrische telegraaf te hebben, waarmede ze malkaâr op de hoogte houden van al -wat er omgaat. Nu moet ik erkennen, dat dan ook hunne voorzorgen met het grootste -beleid genomen zijn. Op alle belangrijke punten hebben zij hunne gecommitteerden. -Buiten de poorten der stad, aan alle schuitenveren staan er op de wacht: in de poorten -zelve wedijveren zij met de kommiezen in nieuwsgierigheid en beleefdheid: binnen de -poorten is er geen bureau van diligences, of zij staan er naast de verversch-paarden -de aankomst van den nieuwen wagen te verbeiden. Voor het stadhuis, voor de hoofdwacht, -voor het gevangenhuis, <span class="pageNum" id="pb224">[<a href="#pb224">224</a>]</span>voor de komedie, voor alle publieke gebouwen in één woord worden zij vertegenwoordigd. -Zij spreiden zich over de stad uit als een groot spinneweb, waaraan geen vlieg ontkomen -kan. Hierbij komt nog, dat zij in hun weetgierige onderzoekingen door een groote vrijmoedigheid -geholpen worden. Zien zij iets dat hun aandacht trekt, of hetwelk zij vermoeden dat -belangrijk worden kan, terstond nemen zij de vrijheid er zich bij te voegen en den -draad te volgen tot aan het kluwen. Achter ieder rijtuig, dat in de stad komt, kiezen -zij zich een plaatsje: elken vreemdeling, waaraan zij iets bijzonders zien, geven -zij zich de moeite van te volgen: ja, met alle reizigers beginnen zij een praatje: -„heeft mijnheer wat te dragen? wil ik mijnheer den weg wijzen? waar moet mijnheer -wezen?”—Maar van daar dan ook, dat zij van al wat er gebeurt honderdmaal beter onderricht -zijn dan de openbare nieuwsbladen en de geheime policie: van daar dat er niets in -de stad plaats kan hebben, of zij nemen er deel aan. Bij alle parades inspecteeren -zij mede: met alle wachten trekken zij op: alle taptoe’s accompagneeren zij met hun -klompen: bij alle plechtige receptiën gaan zij met de boden vóór het stadsbestuur -uit: alle volksoploopen vereeren zij met hunne tegenwoordigheid: iederen dief die -opgebracht wordt strekken zij tot eerewacht: ja, zelfs de dooden bewijzen zij de laatste -eere en vertiendubbelen als ongenoodigden den stoet der noodigers en genoodigden ter -begrafenis. Iedere Janklaassen-kast, iedere paillas, iedere goochelaar, iedere koordedanser, -iedere kunstenmaker, kortom alles wat, naar den trant der ouden, zijn vertooningen -in de open lucht geeft kan op hun bijzijn en belangstelling rekenen: op het hooren -van een enkel trompetgetoet, van een enkelen trommelslag, snellen zij als een eenig -man aan en verhoogen door hun gewoel en gejoel de algemeene levendigheid en vreugde. -</p> -<p>Vraag mij niet, hoe de straatjongen gekleed is. Vraag mij liever, hoe hij niet gekleed -is. Alle stoffaadjes, alle kostumen, alle modes treft gij bij hem aan. Van het afgedragen -ronde buisje van den jongenheer van den burgemeester tot den versleten kuitendekker -van den president van ’t oudenmannenhuis, van het fijne kasimiren vest tot den ongeschoren -duffel, van de engelsch-leêren pantalon tot den pikbroek vindt gij om zijn lijf hangen. -Hij heeft slechts één zwak, niets van het geen hij aan heeft moet heel zijn. Een echte -straatjongen moet even zoo als de straat, waarop hij leeft, vol gaten wezen. Ja, het -schijnt, of hij zelfs naijverig is om de kleur van de straat te dragen; want een vuil -grijs in zijn geliefkoosd verfje. Voor al wat tot versiering dient, heeft hij weinig -over; maar zoo hij voor iets gevoelig is, het is voor het een of andere militair onderscheidingsteeken, -vooral is hij dol op een oude politiemuts, of een koperen uniformknoop met het nommer -van de afdeeling. Zijn klompen, die hem in geval van nood tot knods, of ook wel tot -werptuig dienen, laten gewoonlijk onder het loopen zijn naakten voetzool zien, tot -dat zij, geheel uit elkander vallende, in een schuitje hervormd worden. -<span class="pageNum" id="pb225">[<a href="#pb225">225</a>]</span></p> -<p>Doch waren de straatjongens maar enkel slordig, als ze er ook niet ondeugend bij waren! -Doch ondeugendheid behoort tot het karakter van een straatjongen, gelijk moed tot -het karakter van een soldaat. Zij zijn de kaboutermannetjes en kwelduivels van de -openbare wegen. Alles wekt hun spotzucht op: alles verleidt hen tot kwaaddoen: zij -kunnen kip noch kraai met rust laten. De meiden trekken zij de muts af: de kinderen -loopen zij omver: de kreupelen en mismaakten apen zij na: de honden trekken zij bij -de ooren: de paarden dunnen zij de staart: het slachtvee verbitteren zij hun jongste -oogenblik: zij steken hun vingers in de emmers der melkmeiden: zij likken met hun -tong aan de suikervaten der kruideniers: en, als de appelenvrouw omziet, halen zij -haar den mooisten belle-fleur van den hoop weg en loopen er mede heen. Nog erger maken -zij het in den winter. Veel vroeger bij de hand dan de mannen van de zandschop, haasten -zij zich aan alle bruggen en sluizen een sullebaantje klaar te hebben, eer hun die -pret belet wordt, en hebben vervolgens een ondeugend genoegen, als zij daarover groot -en klein, jeugd en ouderdom, bedaard en driftig, deugd en ondeugd zien vallen. Of -ze leveren elkander een sneeuwballengevecht, maar dat alleen voor de leus dient om, -als bij ongeluk, de vreedzame voorbijgangers te bepoeieren. Zoo zijn de straatjongens -in waarheid straatplagen. -</p> -<p>En toch is met dit alles de straatjongen niet wezenlijk kwaadaardig. Er is bij hem, -even als bij kleine honden met wie hij het rijk deelt, in zijn keffen en bijten meer -dartelheid, dan boos opzet. Nooit ziet men een straatjongen zakkenrollen, of stelen, -of met steenen werpen, of zich aan dergelijke laagheden schuldig maken. Integendeel -kenmerkt hij zich onder zijn kameraden, bij geschillen als anderzins, door een geest -van dapperheid en edelmoedigheid. Het woord <i>portuur</i> is van zijn maaksel. Menige knaap, die zijn straatjongenstijd behoorlijk heeft uitgediend, -wordt naderhand een knap burger. Ja, laat het ons <span class="corr" id="xd31e6615" title="Bron: bekennnen">bekennen</span>. Wij allen zijn min of meer straatjongens geweest. Er is iets van den straatjongen -in iederen knaap, die een „Hollandsche jongen” is. Houden wij dat in gedachten, dan -voelen wij meer medelijden dan onwil bij het zien van den straatjongen. -<span class="pageNum" id="pb226">[<a href="#pb226">226</a>]</span> </p> -</div> -</div> -<div id="ch20.4" class="div2 section"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e7322">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h3 class="label">IV.</h3> -<h3 class="main">Het Melkmeisje.</h3> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Meestal, wanneer gij des morgens vóór dag en vóór dauw de stad verlaat en naar buiten -gaat, zult gij op uwen weg iemand ontmoeten, die u met een vriendelijke stem: Goeden -morgen! wenscht. -</p> -<p>Die iemand is een meisje, en dat meisje is een melkmeisje. -</p> -<p>Onwillekeurig blijft uw oog op het lieve kind rusten. Ja, zoo gij niet al te grootsch -of al te stijf zijt, knoopt gij een praatje met haar aan, tot aan het hek van de wei, -waar zij wezen moet. -</p> -<p>Gedurende dien tijd hebt ge overvloedige gelegenheid haar op te nemen. -</p> -<p>Wat ziet zij er frisch uit, niet waar? Als melk en bloed, een rechte Galathea, zoo -als de Ouden haars gelijken schilderachtig noemden. Dat komt omdat de tocht, dien -zij doet, haar zoo ongewoon niet is als u. Zoo vroeg als gij nu, is zij elken morgen -op de been en in de lucht, en dankt aan de rozen van den dageraad het blosje, dat -op hare wangen bloeit. Het is waar, <span class="sc">Aurora</span> heeft wel eens op fijner paneel geschilderd: haar huid is zoo eêl niet als die van -uwe lelies uit de stad; maar het zou haar ook niet lijken, zulk een wassen pop te -wezen. Eilieve, til eens even aan haar juk! Wat dunkt u? Tien tegen één, dat gij ’t -haar zoo vlug niet nadraagt. Het zou haar dus slecht te pas komen, zoo zij niet wat -grover en sterker dan uw steedsch kraakporselein ware. Zoo moet gij er u ook niet -aan ergeren, al zijn haar handen wat ruw of rood van kleur. Kijk liever eens naar -de koperen emmers. Of ze blinken, niet waar? Welnu; dat hebben die handen zoo blank -geschuurd. Erger u dan nog, dat ze niet witter zien! Maar wat bij het melkmeisje zoo -blank is, als bij de blankste van haar geslacht, het is het gemoed, dat in dat grove -omkleedsel schuilt. Dat is zoo blank als de zuivel, waarnaar zij heet. Zie haar aan! -onschuld en reinheid blinken uit de heldere duivenoogen. Schoon verre van de idealische -herderin van <span class="sc">Theocritus</span> of <span class="sc">Geszner</span> te zijn, heeft zij echter op het land en onder hare kudden iets van den eenvoud en -de onnoozelheid der gouden herderseeuw behouden. -</p> -<p>Zonder begrip of vermoeden te hebben van hetgeen wij over haar spreken, is de deern -intusschen aan de bestemde weide gekomen. Dat hebt <span class="pageNum" id="pb227">[<a href="#pb227">227</a>]</span>gij reeds kunnen merken aan het geblaat van haar koetjes, die haar met vollen uier -staan te verbeiden, om hoe eer hoe beter van haar last bevrijd te worden. Zij komen -haar te gemoeten vrijen om de eerste te zijn. Maar neen! zij heeft haar lieveling.—ja -waarlijk, Mejufvrouw!—zij heeft haar lieveling onder die groote, leelijke beesten; -haar uitverkorene, haar zwart- of wit- bont, haar Brunon of Nera; deze komt dus eerst -aan de beurt, en krijgt misschien nog een kleine versnapering, een lekker stukje lijnkoek -of een nap vol warme melk toe. -</p> -<p>Doch wij hebben geen tijd te blijven staan totdat zij geheel afgemelkt heeft. -</p> -<p>Maar let op! terwijl gij eenige uren later door de stad gaat, daar ziet gij haar op -eens weêr. Zij is nu bezig de melk rond te brengen, die gij haar in den vroegen morgen -hebt zien inzamelen. Met denzelfden vluggen, luchtigen tred stapt zij door de drokke -straten. Gij kunt aan haar houding niet eens merken, of haar emmers vol of ledig zijn. -Zelfs heeft zij een bijzonderen slag om met haar breed juk door de menigte te glippen, -zonder met de slingerende emmers iemand te raken. -</p> -<p>Zoo stapt zij de eene stoep af, de andere op. Het ongelukkigste voor haar is, dat -zij onder het harde verband ligt om overal aan de huizen twee, drie en viermaal te -schellen, dat is met andere woorden aan de meiden te zeggen: „het is de melkmeid maar! -gij kunt dus twee, drie, of viermaal zoo lang wachten als anders! dat is: zeer lang.” -Maar dat oponthoud schijnt haar zoo boos niet te maken als het u en mij zou doen. -Want, zie! als de meid eindelijk komt, heeft zij een lachje voor haar gereed, waarmede -zij bij ’t overnemen van de kan vraagt: -</p> -<p>„Hoeveel, vrijster?” -</p> -<p>Daarop duikelt haar nap eenige malen in het blanke nat, waartegen de roode hand helder -afsteekt, waarmede zij vervolgens de kan, netjes afgewischt, met een handigen zwaai -weder overgeeft. -</p> -<p>Na die beweging raakt die hand van zelf in de zijde, en nu? Ja, nu moet er een oogenblikje—een -kort oogenblikje maar—voor een praatje af. -</p> -<p>Het zou onbescheiden zijn, dat praatje te beluisteren. Maar dit verzeker ik u, dat -ik voor u en voor mij wilde, dat er nooit onstichtelijker praatjes aan onze deuren -gehouden werden. -</p> -<p>Een twee, drie! met gelijkmatige tempo’s, even als een soldaat zijn geweer, heeft -intusschen het melkmeisje haar emmer dicht geslagen, het hengsel aangehaakt, en haar -juk weder opgepakt, en vervolgt met een vroolijk gezicht en een luchtigen tred haren -weg. Dat gezicht behoudt zij onder alle weêr en wind. De zon, al schijnt zij wat fel, -hindert haar niet: de koude, al blaast zij wat scherp, is niet in staat het lachje -om haar mond te bevriezen: de regen—maar foei! zij zeggen, dat ze juist daarvan het -meest houden zou, en er met opzet het deksel van haar emmers voor openzetten! Doch -dat wil ik niet gelooven. Zoo gaat dan het lieve kind onder zoo veel woelens en zorgens -<span class="pageNum" id="pb228">[<a href="#pb228">228</a>]</span>onbezorgd en onbekommerd daar heen. Ja, haar rust zou geheel ongestoord blijven, zonder -den overlast van de jonge honden, die van haar melk snoepen, van de jonge knapen, -die de vingers in haar emmer steken, en de jonge heeren, die haar in ’t voorbijgaan -onder de kin strijken. -</p> -<p>Meen evenwel niet, dat haar leven, hoe rustig ook, altijd even eentoonig is. Dat kunt -gij nu en dan op den zondag eens anders zien. Dan ziet gij haar weder in de stad, -maar nu zoo mooi, zoo mooi en zwierig gekleed, dat gij haar bijkans niet herkennen -zoudt. Onder het eigenaardige boerinnenhoedje blinkt het gouden ijzer om de glimmende -wangen: het roode jak valt laag over een blauw damasten rok, van voren bedekt door -een zwartzijden boezelaar: de voet, met sneeuwwitte kousjes bekleed, steekt in fluweelen -schoenen. Om den hals spant een snoer van monsterachtige bloedkralen, waarmede de -groote boot in den gouden vingerring spreekt. Maar het mooiste van alles heeft zij -aan haar zijde—in een vrijer, een helderen, frisschen boerenknaap, insgelijks op zijn -zondags opgedirkt, met kort lakensch wambuis, fluweelen broek en groote zilveren schoengespen. -Deze is de Thirsis, die het hart van deze Galathea heeft weten te vermurwen. Met paschen -zal het tot een huwelijk komen. Dan koopt Teunis een knappe boerderij: <span class="sc">Maartje</span>, nu vrouw geworden, verlaat het juk voor de karn, en houdt op haar beurt melkmeisjes. -<span class="pageNum" id="pb229">[<a href="#pb229">229</a>]</span> </p> -</div> -</div> -<div id="ch20.5" class="div2 section"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e7332">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h3 class="label">V.</h3> -<h3 class="main">De Haringkooper.</h3> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Heden is de eerste haringjager aangekomen, aan boord hebbende zóó- of zóóveel vaten -haring. -</p> -<p>Wanneer deze advertentie in de couranten gelezen wordt, is het feest in het vaderland -van <span class="sc">Willem Beukelszoon</span>. Dan heft men daar het haringlied van een vaderlandsch Dichter aan: -</p> -<div class="lgouter"> -<p class="line xd31e6673">Triomf! de vreugde stijg’ ten top! </p> -<p class="line xd31e6673">Hijsch, Holland, vlag en wimpel op, </p> -<p class="line">En laat den jubelkreet nu <span class="corr" id="xd31e6679" title="Bron: daarv’ren">daav’ren</span> langs het strand. </p> -<p class="line xd31e601">Daar komt de kiel met goud belaân; </p> -<p class="line xd31e601">Zij brengt ons d’ eersten haring aan; </p> -<p class="line xd31e1875">’t Is feest in Nederland. </p> -</div> -<p class="first">Daar haalt men braveerend het oude spreekwoord uit den hoek: -</p> -<div class="lgouter"> -<p class="line">Haring in ’t land, </p> -<p class="line">Zieken aan kant. </p> -</div> -<p class="first">Dan smakken in het zelfde oogenblik honderdduizend smulgrage lippen als visschen naar -’t water. -</p> -<p>Maar nergens is het grooter feest, dan in het huis van den haringkooper zelven. Voor -hem begint een nieuw leven. Hoe doodsch was het sedert maanden in zijn winkel. Het -haringvat stond achteloos en vergeten in een hoek. Er was bijna geen vraag naar. De -voorgrond werd door citroenen en chinaasappelen ingenomen. De gerookte riviervorst -bezette den troon der gezouten zeekoninkjes. Met wat verlangen zag dus de haringkooper -naar de aankomst van zijn handelsartikelen uit. Hij is de uitgezeilde haringvloot -met zijne gedachten gevolgd, als een koning het uitgezonden oorlogs-eskader: hij heeft -naar weêr en wind uitgezien en alle kansen berekend: hij heeft het bericht van elke -vangst in een memorieboekje aangeteekend: hij heeft zich de aankomst van den jager -door eene estafette laten berichten. Eindelijk komt de verwachte schat! Neen<span class="corr" id="xd31e6695" title="Niet in bron">,</span> de haringkooper kan de vreugde, die hem vervult, niet in zijn huis besluiten: de -geheele stad moet getuige van zijn blijdschap zijn. Daar wordt de kroon, die reeds -lang te voren klaar gemaakt, met frisch groen en goud bekranst, en van binnen met -een nieuw opgeschilderde <span class="pageNum" id="pb230">[<a href="#pb230">230</a>]</span>houten haring versierd was, naar buiten gebracht en opgehangen. Zie, hoe zij in de -zon glimt en blinkt. Hoor, hoe zij door den wind bewogen, ratelt en klatert. Het is -of zij ons met al die gouden tongetjes toeroept: Nieuwe haring! Nieuwe haring! -</p> -<p>Wat heerscht er nu bij den haringkooper een beweging en drokte! Op de advertentie -in de couranten geplaatst: „Nieuwe groene haring te bekomen bij <span class="sc">Van der Zout</span>,” komen van alle kanten brieven en boodschappen aan. Hij weet nauwelijks hoe al de -liefhebbers te helpen. De eerstelingen worden, half in het geheim, aan de beste vrienden -(klanten) toegestoken. Voor de kleinigheid van een daalder hebben zij ’t genot van -’t eerste vischje. Maar welhaast stroomt de haringvloed met onbekrompen ruimte. Dan -gelijkt de winkel van <span class="sc">Van der Zout</span> op een pakhuis. Het versche zeebanket wordt, in dozijnen en halve dozijnen verdeeld, -in grooter en kleiner vaatjes gekuipt. Onder die bezigheid komt de eene smulpaap voor, -de andere na, eens hooren. „wat hij kost,” om naar gelang daarvan bestellingen te -doen. De nieuwe haringtijd is het Sinterklaasfeest der groote menschen. Hij is ook -daarin aan het kinderfeest gelijk, dat hij de tijd van allerlei verrassingen is. Papa, -die weet, dat moeder veel van een versch haringje houdt, loopt, van de societeit naar -huis gaande, even bij <span class="sc">Van der Zout</span> aan en fluistert hem iets in het oor, waarop hij lachende ja! knikt. Een oogenblik -later komt een jonge klerk binnen, en geeft den naam van zijn patroon op, met verzoek -om aan dat adres een half dozijntje te bezorgen. Intusschen staat eene dame met ongeduld -te wachten en roept, zoodra zij aan de beurt komt, met een vleiend stemmetje: „<span class="sc">Van der Zout!</span> zes aan de kostschool, je weet wel.” En terwijl zij de deur uitgaat, wordt zij tegen -het lijf geloopen door een langen jongen heer, die gewichtige geheimen met <span class="sc">Van der Zout</span> schijnt te hebben, daar hij, na eenigen tijd zacht met hem gesproken te hebben, met -een blos op het gezicht heengaat, nog wel twee, driemalen herhalende: „je weet niet -van wien ze komen, hoor!” waarop deze met een goedhartigen lach antwoordt: „neen, -mijnheer! ik weet niets!”—Zie, zoo wordt dit zoute vischje in de hand der vriendschap, -der dankbaarheid en der liefde een zoet geschenk, dat voor menigeen zijn hoogsten -smaak ontleent van het gevoel, dat het schonk. En indien <span class="sc">Van der Zout</span> in den nieuwen haringtijd klappen mocht, zou het ons blijken, dat de menschen, nog -zoo gierig, liefdeloos en ondankbaar niet zijn, als sommige zoute haringen onder de -menschen ons wel zouden willen wijs maken. -</p> -<p>Kon ik nu ook zeggen, dat zij ongelijk hebben, die beweren, dat met den achteruitgang -der haringvisscherij ook eene der mildste bronnen van ’s lands welvaart is opgedroogd. -Maar, helaas! dat kan ik niet. De dagen zijn voorbij, toen het gebed „voor de groote -visscherij,” een openbaar nationaal volksgebed was. Laten wij ons troosten met andere -bronnen van voorspoed, die, als ter vergoeding, zooveel rijker vlieten. Vangt men -minder haringen in de Noordzee, de zilveren vischjes <span class="pageNum" id="pb231">[<a href="#pb231">231</a>]</span>in de Indische zee gevangen, zijn nog welkomer. Gods zegen is aan geen tak van handel -of nijverheid gebonden! -</p> -<p>Intusschen verloopt ook met het naderen van den herfst het tij van den haringkooper. -De haring verhuist van den disch der rijken naar de tafel der armen. Rondventers, -die het nu niet meer versch banket in de schamele buurten rondbrengen, zijn zijne -voornaamste klanten. De kroon wordt weder in huis gehaald en naar den zolder gebracht. -De zalm komt weêr op den troon. <span class="sc">Van der zout</span> verkoopt weer zure citroenen en zoete chinaasappelen. Zoo gaat het in de wereld. -Gelukkig wie den vloed zoo wèl heeft waargenomen, dat hij de ebbe kan afwachten. -</p> -<p>Men kan dezen regel echter overdrijven. Het spijt mij te moeten zeggen, dat sommige -haringkoopers dat ook schijnen te weten. Ik heb mij eens laten influisteren, dat tot -de geheimen van het vak een zeker kunstje behoort om oude haringen van het vorige -jaar als nieuw op te maken. En had ik het nog maar alleen van hooren zeggen! Maar -ik ben zeker, dat de haringlievende lezer mijne treurige ervaring wel eens gedeeld -heeft. Ik althans heb mij meermalen aan een mootje haring verslikt, dat mij voor nieuw -werd aangeboden, maar dat even weinig wist, wat er in het laatste jaar in de diepte -der Noordzee gebeurd was, als ik. Zeker is het een verleidelijk kunstje. Bij de komst -van den nieuwen haring loopen de aanvragen over de hand: de voorraad raakt op: de -nood dringt: een greep in het vat: een kleine handigheid—en de verjongingskuur is -geschied. Maar mijn maag komt in den naam van alle kiesche magen tegen zulk eene industrie -op. Ik weet niet of er in het strafwetboek tegen voorzien is, zoo als tegen het zemelbrood -en dergelijke. Maar dit weet ik, dat zulke bedriegerijen zich zelve straffen. Eerlijk -duurt het langst, is een spreuk uit den tijd toen de haringhandel in zijn fleur was. -En die spreuk zal wel waar blijven, zoolang de baren der zee zout zijn en alle jaren -haar nieuwe schatting leveren aan den eerlijken haringkooper! -<span class="pageNum" id="pb232">[<a href="#pb232">232</a>]</span> </p> -</div> -</div> -<div id="ch20.6" class="div2 section"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e7342">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h3 class="label">VI.</h3> -<h3 class="main">De Schaatsenrijder.</h3> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Hoe een duimbreed ijzer iemand veranderen kan! -</p> -<p>Geen volk ter wereld is ongevoeliger voor den zedelijken invloed van het schoeisel -op den geheelen mensch, dan de Nederlander. Trek den Nederlander dansschoenen aan; -gesp hem sporen aan de hielen; rust hem uit met jachtstevels; schoei hem met de treurspellaars -of den blijspelmuil; gij verandert daarmede de man niet. Hij wordt daarom nog geen -ware danser, ruiter, jager of komediant. Hij blijft een Nederlander, die danst, rijdt, -jaagt of komedie speelt. Maar geef den Nederlander een paar schaatsen onder de voeten—en -hij is geen Nederlander meer. Hij is schaatsenrijder, zoo geheel schaatsenrijder, -als ooit een Spanjaard danser, een Engelschman ruiter, of een Franschman komediant -was. Hij is een man-schaats—<i lang="fr">un homme patin</i>, zouden de Franschen zeggen—geworden. De laarzen van zevenmijlen, die van klein Duimpje -een Gerrit Langbeen maakten, veranderden den houthakkersknaap niet meer, dan de schaats -den Nederlander, die haar aandoet. Het schijnt eene betoovering, eene spokerij, eene -gedaanteverwisseling, als uit de metamorfosen van Ovidius. -</p> -<p>Nauwelijks raakt de geheele natuur in rust, nauwelijks trekt de aarde zich het wollen -sneeuwdek over neus en ooren, nauwelijks legt de stroom zich in zijn bed te slapen, -of de Nederlander wordt wakker, de Nederlander ontdooit, de Nederlander verandert -in de omgekeerde orde van temperament. Hij brandt en kookt, als de Hekla onder de -sneeuw. Eindelijk is het tijd! Het is waar, het ijs is nog zwak en nauwelijks twee -guldens dik: men spreekt zelfs van gevaar. Maar daar vraagt de schaatsenrijder niet -naar. Anders is de Nederlander de voorzichtigste der menschen: hij zal zich tienmaal -bedenken, eer hij op een schommel, vijftigmaal eer hij in een bootje, honderdmaal -eer hij in een stoomrijtuig stapt. Maar op het ijs is hij een waaghals. Daar ontwikkelt -hij een moed en vermetelheid, die een gemzenjager zouden doen beven. Daar lijkt hij -„de logge eend” een meeuw, die met haar vleugelen langs het water scheert. -</p> -<p>Mij dunkt, men kan het een schaatsenrijder aanzien, waar hij heengaat. Niet alleen -aan zijne uitrusting, aan den toegeknoopten duffel, <span class="pageNum" id="pb233">[<a href="#pb233">233</a>]</span>aan de roode bouffante om den hals, aan het groen geschilderde haakje op den schouder, -aan de gladgewreven schaatsen in de hand: maar aan zijn geheele voorkomen, aan den -blos op zijn gezicht, aan den glans van zijne oogen, aan zijn luchtigen gang, aan -het vuur en ongeduld, die uit zijne geheele houding spreken. Zoo komt hij aan de baan. -Met van koude en drift bevende vingers worden de schaatsen aangebonden. Hij is klaar. -Een—twee! drie—vier! vijf—zes! Daar drijft hij heen, als een vogel op zijn wieken. -Even vlug, even licht, even vroolijk. Hij heeft al het gemakkelijke van gedragen te -worden, met al het aangename van zich zelven te dragen. Zijn gevoel is eene benijdenswaardige -mengeling van bewustheid van kracht en genot van beweging. Zoo lang hij de schaatsen -onder de voeten heeft, is een schaatsenrijder de gelukkigste der menschen. -</p> -<p>Maar het is den mensch niet genoeg, gelukkig te wezen. Ook op het ijs niet. De schaatsenrijder -haakt ook naar bewondering. Van daar dat hij spoedig niet meer alleen rijdt om te -rijden. Hij wil ook kunstig rijden. Hij moet leeren beentje-over te slaan. Hij moet -ten minste, als een arend, aan beide zijden drie ellen vlucht hebben. Hij moet zijn -meisjes naam in ’t ijs kunnen snijden. Na eenigen tijd in die school geoefend te zijn, -en niet zonder van tijd tot tijd duur leergeld betaald te hebben, is hij eindelijk -de bol van de baan. Welk een weelde! Niemand die hem kan bijhouden. Niemand vooral, -die in zwierigheid van rijden met hem kan wedijveren. Hij beschrijft met zijn schaatsen -de golvende lijn der schoonheid. Even als een danseres in het cirque, geeft hij zich -beurtelings schilderachtig aan beide zijden over, en beweegt zich met de bevallige -krommingen der zwaan. Ieder bewondert hem. De heeren benijden hem. De dames zien hem -met welgevallen na. Overal waar hij komt, gaat er een gemompel van toejuiching rondom -hem op. -</p> -<p>Maar niet ieder begeert die toejuiching. Sommigen kiezen stiller genoegens. <i>De liefde op het ijs</i> is een liedje van <span class="sc">Tollens</span>, maar het is te gelijk een Hollandsch spreekwoord. Nergens is de vrijerij bij ons -meer t’huis dan op ’t ijs. Wat wonder? Nergens elders geeft de gelegenheid meer recht -tot onschuldige vrijheden. De minnaar en het meisje vormen een paar: zij rijden hand -aan hand: misschien draaien zij hier of daar een eenzame vliet in en bevinden zich -alleen. Als men even rusten zal, moet hij haar met zijn arm tegenhouden: als zij valt, -vangt hij haar aan zijn borst op: hij moet de schaatsen aan het kleine voetje aan- -en afbinden. Op het ijs is alles zonder erg. De luchtigheid der beweging schijnt zich -aan de harten mede te deelen. Men vraagt en vergunt, wat men op het land niet zou -durven nemen of geven. Wat elders de jeugd op het dansperk onder de groene boomen -vindt, vindt de jeugd hier op het ijs. Bij ons is het ijs, als <span class="sc">Hooft</span> zou zeggen, de sullebaan der liefde. -</p> -<p>Anderen evenwel doen aan het ijs weder andere eischen. Zij maken het tot een strijdperk. -De kastelein kondigt eene hardrijderij aan <span class="pageNum" id="pb234">[<a href="#pb234">234</a>]</span>Hardrijderijen zijn voor ons, wat de hardrennerijen te Epsom voor Engeland zijn. De -meesters bieden zich tot den kamp aan. De overigen komen als toeschouwers. De baan -wordt gemeten en afgepaald. De strijd begint. Vogelvlug ijlen de wedijverende paren -langs de baan. Met ingehouden adem volgen hen duizend hoofden. Hoe lang de kamp duurt, -hoe hard de koude nijpt, hoe fel de honger prangt, de deelneming verflauwt niet. Eindelijk -is de laatste rid gedaan, het vaantje waait, de vlag klappert, de <span class="corr" id="xd31e6764" title="Bron: muzijk">muziek</span> klinkt, het hoera gaat op, en de geheele menigte stroomt toe om den prijs te zien -uitreiken. Somtijds nemen ook Atalante’s deel aan dezen strijd, waarin zij gouden -appelen rapen, in plaats van ze te strooien. Misschien is het om dit verschil, dat -die vrouwenkamp mij niet bevallen wil. Wie zou het afkeuren, dat een meisje op net -ijs mede een zedig schaatsje slaat? Maar in de renbaan, om het hardst, om het wildst … -dit gaat al te ver buiten ons volkskarakter. -</p> -<p>Zeker zou ik nu in staat zijn, tegenover dit tafereel een akelig tegenstuk van de -nadeelen en gevaren van het ijsvermaak op te hangen. Gij verstaat mij. Reeds ziet -gij in uwe verbeelding gebroken armen, bloedige neuzen, blauwe oogen, natte pakken -en ontvelde voeten dooreen wemelen: misschien ook wel in het verschiet een bleeke -gedaante; koud als het ijs, waaruit zij werd opgetogen—een bevrozen bloem!… Maar ik -wil de moeders, die dit lezen geen angst aanjagen, en de jongens, die er bij staan, -geen ondienst doen. Ik voor mij hoop, dat er in Nederland schaatsenrijders zijn mogen, -zoo lang er in Nederland ijs zijn zal. Het is een gezonde, eigenaardige en nationale -uitspanning. En wanneer dan de vreemdelingen schimpen, dat wij niet weten wat een -fiksche beweging is, brengen wij hen op het ijs en laten hen staroogen op onze schaatsenrijders. -<span class="pageNum" id="pb235">[<a href="#pb235">235</a>]</span> </p> -</div> -</div> -<div id="ch20.7" class="div2 section"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e7352">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h3 class="label">VII.</h3> -<h3 class="main">De Schoorsteenveger.</h3> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Indien gij uw kort begrip van de aardrijkskunde opslaat, dan vindt gij in ’t hoofdstuk -Italië, onder het opschrift Voortbrengselen: -</p> -<p>Granen, rijst, wijn, honing, olie, zijde, citroenen, amandelen, oranjeappelen en—schoorsteenvegers. -</p> -<p>Arme schoorsteenveger! Hoe ongelukkig staat zijn verachte naam onder al die heerlijkheden;—zijn -zwarte gestalte tusschen die sneeuwwitte bloesems en die goudgele zijde;—zijn rookerig -pak tusschen die welriekende bloemen en geurige vruchten;—zijn nikkersgedaante tusschen -die schatten van het paradijs der aarde. -</p> -<p>Arme schoorsteenveger! Onder Savoye’s heerlijken hemel stond zijn wieg. Italië’s zon -ontstak het vuur in de zwarte kolen, die onder zijn voorhoofd glinsteren, en de frissche -blos, dien het roet niet geheel kan doen verdwijnen, is door de stralen van den zuiderhemel -op zijn gelaat geschilderd. Geuren waren de eerste lucht, welke hij als kind inademde, -bloemen het bed, waarop hij sluimerde, abrikozen en perziken, vijgen en druiven het -eerste voedsel, dat hij smaakte. Hij wist niet, dat er een Noorden bestond; hij vermoedde -nauwelijks, wat koude, wat vuur, wat rook was. -</p> -<p>Arme schoorsteenveger! De armoede van den vader stiet den twaalfjarigen <span class="sc">Leonard</span> ter deur uit. Men hing hem een oude mandoline om den hals, zette er een marmot op, -gaf hem een stuk brood in den zak, en wees hem den weg naar het Noorden. Schreiende -ging het jongske op weg. Men moest hem van zijne ouders losscheuren; men moest hem -met geweld voortdrijven; het was als voorzag hij, wat hem te wachten stond.—Nooit -had <span class="sc">Leonard</span> gedacht, dat er landen waren, zoo karig door de natuur bedeeld, als het vlakke moerassige -landje, waar hij eindelijk van zijn lange reis uitrustte. Met iederen dag was hij -treuriger geworden. Want met iederen dag dat hij verder trok, vond hij het minder -schoon dan in zijn vaderland, en iederen dag werd tevens het verlangen naar dat vaderland -sterker. Als hij zijn marmotje niet gehad had, zou hij van heimwee gestorven zijn.—Zijn -vader had hem een brief aan een ouden vriend medegegeven, die in Holland het bedrijf -<span class="pageNum" id="pb236">[<a href="#pb236">236</a>]</span>van schoorsteenveger uitoefende. Op zekeren avond stond hij voor huis waar een bordje -uitstak, met het opschrift: Gebroeders <span class="sc">Leoni</span>, Italiaansche schoorsteenvegers en rookverdrijvers. Voor de deur lagen eenige zwarte -garden, wier onaangenaame reuk <span class="sc">Leonard</span> het hoofd onwillekeurig <span class="corr" id="xd31e6796" title="Bron: doet">deed</span> afwenden. De deur werd geopend. De jongste der <span class="sc">Leoni’s</span> ontving hem vriendelijk. Hij werd in huis opgenomen. Onder het avondeten werd er -in het Italiaansch over Italië gesproken. Men sprak in zijn moedertaal over zijn vaderland. -<span class="sc">Leonard</span> was bijna weder gelukkig. ’s Nachts droomde hij van Italië en het ouderlijke huis. -</p> -<p>Arme schoorsteenveger! Den anderen morgen werden hem zijn lompen uitgetrokken, en -hij in een grof linnen kleed gestoken met een lossen kap over ’t hoofd. Toen hij zich -in den spiegel bezag, had hij in zijn eigen oogen veel van een monnik uit zijn vaderland. -Ook zag hij er in het nieuwe pak alleraardigst uit: en een ieder die hem op straat, -aan de zijde van den oudsten <span class="sc">Leoni</span>, op zijn eerste proef zag uitgaan, kon de oogen nauwelijks van hem afhouden. Al de -meisjes knikten tegen den jongen helderen schoorsteenveger.—Maar die vreugd duurde -kort. Weinige oogenblikken daarna stond hij met zijn meester onder een schoorsteen, -waarin hij bijna niet zien kon zonder duizelig te worden, zoo hoog was de donkere -nauwe koker, waardoor ter nauwernood een flauwe straal licht viel, even als een omgekeerde -diepe put. Lang duurde het, eer hij zijn meester begreep. Hij moest met zijn nieuwe -pakje den vuilen schoorsteen in. Had hij daarvoor leeren klimmen als een eekhorentje? -Maar de meester was onverbiddelijk. Toen hij beneden kwam, was hij even vuil als de -schoorsteen zelf. Bij het naar huis gaan zag niemand hem meer aan. Nog erger! De jongens -bespotteden hem en riepen hem een gekscherend: boe! boe! na; de meisjes gingen, zooveel -zij konden, voor hem uit den weg, en de kinderen begonnen te huilen, als zij hem zagen. -Hij had ook wel willen huilen.—Het is waar, ’s middags kreeg hij goed eten, beter -dan hij in langen tijd gehad had: maar het smaakte hem bijna niet van de rooklucht, -die hij nog altijd in den neus had. Alles, wat hij in den mond stak, smaakte naar -roet. En dit verwonderde hem niet meer, toen hij bemerkte, dat hij zeker in den schoorsteen -zijn kapje had laten afvallen, want zijn mooi zwart haar zat vol van een dik en vetachtig -roet, zoodat hij het half moest afsnijden. Het was jammer van de mooie lokken, waar -ieder zoo’n zin in gehad had. -</p> -<p>Arme schoorsteenveger! Wel gewende hij <span class="corr" id="xd31e6812" title="Bron: langzamerheid">langzamerhand</span> aan de guurheid van het land, even als aan de lasten zijner betrekking. Maar toch -kon hij zijn vaderland niet vergeten. Dikwijls, wanneer hij zijn dagwerk had afgedaan, -kroop hij naar de vliering, kreeg daar zijn mandoline en marmot, die zijn meester -hem vergund had te behouden, en speelde nog eens een Savoyaardsch deuntje. En dan -werd het hem zoo wonderlijk wèl en wee om het hart, dat de kop van zijn diertje nat -werd van tranen. Ook hield hij van niemand in het geheele land half zooveel als van -zijn marmot. Hij spaarde voor haar de lekkerste beetjes uit zijn mond. Het was nu -voor hem zijn geheele gezin, zijn <span class="pageNum" id="pb237">[<a href="#pb237">237</a>]</span>vaderland, zijn wereld!—Als het maar altijd winter gebleven ware! Doch daar werd het -lente. Een Noordsche lente. Maar toch, de ontwakende natuur en zijn eigen gestel zeide -hem, dat het lente werd, lente in zijn vaderland. Dan bruiste hem het Italiaansche -bloed heftig door de aderen. Dan werd het hem in Holland te eng, als een gevangen -vogel, die, tegen den verhuistijd van zijn geslacht, met den kop tegen de tralies -stoot. Dan droomde hij elken nacht van Savoye, en voelde de lauwe zuiderzon, en zag -de bloeiende amandeltakken, en dronk den geur der oranjebloesems, en hoorde het gegons -der bijen, en ontwaakte op het gezang van den nachtegaal.… Maar neen! het was de nachtegaal -niet, het was de meester, die hem kwam roepen om op te staan: want het was voorjaar! -er was veel werk aan den winkel. Er moesten met het schoonmaken veel schoorsteenen -geveegd worden. Daarom moest hij vroeg aan den gang. „De lente was de beste tijd voor -schoorsteenvegers!” zeide zijn meester<span class="corr" id="xd31e6817" title="Bron: ,">.</span> -</p> -<p>Arme schoorsteenveger! Zoo duurt het met hem reeds jaren achtereen. Maar toch heeft -het dus ’t langste met <span class="corr" id="xd31e6822" title="Bron: het">hem</span> geduurd. Hij heeft door oppassendheid en spaarzaamheid een klein sommetje bijeengegaard. -Nog drie jaren, dan is de som rond. Dan verlaat hij Holland en keert naar Savoye terug. -Dan koopt hij daar een kleinen wijnberg en een huisje. En als buurmans <span class="sc">Jansje</span> dan nog zoo mooi en lief is als toen hij wegging, dan maakt hij haar zijn vrouw. -En in hare armen vergeet hij voor altoos het leed van den armen schoorsteenveger! -<span class="pageNum" id="pb238">[<a href="#pb238">238</a>]</span> </p> -</div> -</div> -<div id="ch20.8" class="div2 section"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e7362">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h3 class="label">VIII.</h3> -<h3 class="main">De Hofjes-Jufvrouw.</h3> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Onder de echt-Hollandsche figuren behoort zeker ook die, welke wij hierboven hebben -zoeken aan te duiden onder den naam van Hofjesjufvrouw. Wij bedoelen daarmede eene -bewoonster van de vele gestichten van dien aard, in ons land aanwezig, welke van de -waarachtige weldadigheid onzer natie zulk een treffend getuigenis afleggen, waaraan -men de benaming van <i>hof</i> of <i>hofje</i> geeft. Zulke gestichten zijn een soort van kloosters; met dit onderscheid, dat de -personen die er in wonen niet in <i>activo</i>, maar in <i>passivo</i> zusters van barmhartigheid, en geene uitdeelsters, maar voorwerpen van weldadigheid -zijn. Ook zij ontvluchten overigens achter de hooge muren de wereld, welke zij moede -zijn geworden. Veelal zijn het gewezen keukenprinsessen, die met de medaille van vijftigjarige -dienst, (gedurende welke zij bijna altijd in ’t vuur geweest zijn,) gepasporteerd -en met een plaatsje in zulk een vrouwelijk invalidenhuis begiftigd worden. Daar ziet -zich nu de Hofjesjufvrouw op een oogenblik uit het drukste gewoel der wereld in een -kloosterachtige afzondering overgebracht. Geheele dagen, ja, weken achtereen, ziet -zij door de reet van haar gordijntje niets anders, dan de cellen van hare buurvrouwen -en de leeuwrikkenzode, met een kransje van palm omgeven en met goudsbloemen en citroenkruid -beplant, die zij met fierheid haar <i>tuin</i> heet. Ook hoort zij van de wereld niet veel meer, dan zij er van ziet. De ongewoonte -van menschen te zien maakt haar gaandeweg menschenschuw, zoodat zij gedurig zeldzamer -haar steenen kooi verlaat. Het moge zoo zijn, dat zij bij het lezen van de Haarlemmer -Courant—die een maand na den tijd het hofje met dreigende nieuwstijdingen beroert, -die al lang in wind of water vergaan zijn—bij het doorloopen der advertentiën, onder -uitroepen als deze: „Wel, wel, is die ook al dood? Jongens, jongens, wat krijgt die -vrouw een kinderen! Kijk, kijk, dat bruidje heb ik nog als kind op mijn armen gedragen!” -het moge zoo zijn, dat zij alsdan soms den lust in zich voelt opkomen, om de menschen -in kwestie te bezoeken: maar even zeker is het, dat zij even weinig naar het sterfhuis, -naar de kraamvrouw of naar het bruidje gaat, als ware zij inderdaad door kloostermuren -van haar gescheiden geweest. -<span class="pageNum" id="pb239">[<a href="#pb239">239</a>]</span></p> -<p>Maar wat Eldorado, wat tooverpaleis is het dan, dat haar de geheele wereld vergeten -en verachten doet? Laat ons het eens opnemen. -</p> -<p>Het huisje van de hofjesjufvrouw,—dat het bewijs oplevert dat atomen kunnen verdeeld -worden,—is in twee vertrekjes gescheiden, in een van welke zij slaapt, terwijl het -andere haar woonvertrek uitmaakt. Een beschot, tusschen dat vertrekje en de deur geplaatst, -vormt een nauw gangetje, dat met eenzijdige voorkeur voor pijpenstelen en dunne menschen -is aangelegd. Daar zit ze op een houten vlonder, (de ramen zijn doorgaans hoog en -de bewoonster nieuwsgierig,) en beheerscht van die hoogte het geheele hofjesplein -met hare blikken. Fijne matjes, zoo glad geboend dat men er op loopen moet als op -een stijfgespannen koord, dekken de verhevenheid, waarop zij woont. Op de tafel, waaraan -zij zit, vindt men onder anderen in den regel: een zwart segrijnen bijbel met zilveren -sloten, en met een zilveren bril tusschen de bladeren ingestoken, (de knijpbril staat -op den neus); een melkkannetje met hyacinten, seringen, of ook ’s winters zevenjaarsbloempjes, -en bij ontstentenis daarvan, gele of witte papierbloemen; een snuifdoos; een trommeltje -met kokinjes; een breikous van zwart sajet enz. Aan het schot, tegenover de bewoonster, -hangen eenige schilderijen, vooral Dominees met krulpruiken, tooneelen uit de H. S. -als een verloren zoon in modern kostuum en anderen; soms ook een mislukt heeren- of -damesportret, dat haar als een erfstuk, ter gedachtenis aan haar ouden meester of -meesteres, geschonken is, wier beeld haar dankbaar geheugen in het monster, dat voor -haar oogen hangt, best herkent. Achter de hofjesjufvrouw staat een kastje van mahonyhout -met glazen deuren. Op de planken van dit prachtmeubel, dat voor haar een etagère vervangt, -staat menig artikel, dat de fraaiste nieuwmodische etagère versieren zou, als daar -zijn: lange lijzen, koppen met de zes merken, roode Lilliput-potjes, gezwegen nog -van de borden van den spinnekop en de schalen van de krab. Naast dit kastje staat -een ijzeren pot, waarop zij elken middag haar sober maal kookt, en waaraan zij zich -’s winters verwarmt totdat er aan haar koud bloed geen ontdooien meer is. Op deze -wijze leeft de hofjesjufvrouw het gansche jaar in dezelfde afzondering en stilte voort, -die slechts eenmaal ’s jaars door een dag van drukte en gewoel wordt afgebroken: het -is de dag, als zij de kinderen uit het huis van haar vorige dienst ten eten genood -heeft. Dan worden de geplooide gordijntjes opengeschoven; dan wordt de dikke poes -naar de vliering verbannen; dan ruimt de bijbel zijn plaats op tafel voor dobbelsteenen, -pachtpenningen en lottospel; dan brandt in huis het vuur en sist de pan; dan knarst -buiten de pomp en klinken de schellen op het gansche hofje; dan wordt de palm rondom -de tuintjes vertreden en de balsaminen in de bedden geknakt; dan wordt tegen alle -ruiten getikt en over alle onderdeuren geknord; alles tot dat de avond valt en de -kleine hoop, met een komfoor en poffertjespan, om een grooten pot met melkbeslag vergaderd -wordt om poffertjes <span class="pageNum" id="pb240">[<a href="#pb240">240</a>]</span>te bakken, bij welk feest de arme gastvrouw een droevig slachtoffer van de speelschheid -harer gasten is, terwijl de naweeën eerst <span class="corr" id="xd31e6853" title="Bron: regt">recht</span> beginnen, als de knapen naar huis zijn en alle buren hare klachten komen inbrengen -tegen de stoute bengels, die zij op ’t hof gehaald heeft. -</p> -<p>En toch schijnt ze nog te leven voor dien eenen dag; en toch spaart ze daar alles -voor, en heeft er alles voor ten goede; en toch zal zij dien blijven vieren, tot dat -zij de steenen trappen afgedragen wordt. -</p> -<p>Zoo hebben dan deze hofjes-jufvrouwen, ondanks haar weinig bekoorlijk en veelzins -belachelijk voorkomen, toch hare eigenaardige deugden, die haar iets belangrijks, -en zelfs bij wijlen iets verhevens geven. Het hofje is een doos met oude ongangbare -potstukken, maar van echt gehalte. In deze gebroken vaten ligt een schat van verknochtheid -en trouw aan hen, wie ze vroeger hebben toebehoord, helaas! die gedurig zeldzamer -wordt. Misschien is het een zwartgallige inval, maar ik vrees, dat onze dienstboden -niet meer zoo vele hofjes met oude trouwe zielen zullen kunnen vullen als ik gekend -heb. O tijden! o zeden! moet dan het bederf uwer nieuwigheden zelfs de hofjes, die -wijkplaatsen des ouderdoms, aantasten? Doch ik wil mij aan die treurige denkbeelden -niet overgeven. Voor als nog zijn er op deze musea van antiquiteiten een menigte van -zulke gebroken standbeelden der godin <i>Fides</i>. Daarheen neem ik mijn toevlucht, wanneer de wuftheid en ondankbaarheid der jonge -wereld mij bedroeft, en verkwik mij aan die levende toonbeelden eener trouw, als die—de -hofdames vergeven mij de vergelijking—van den ouden Fidel, die van zijn hartstocht -voor hazen- en patrijzenbouten, als laatste en eenige liefde, de verkleefdheid aan -zijn meester heeft overgehouden. Ik denk, dat op dit oogenblik menigeen met verteedering -aan de liefde denkt, hem als kind door zulke oude getrouwen om zijner ouderen wil -bewezen, en tevens met schaamte om de jongensachtige ruwheid, waarmede hij die liefde -heeft betaald. Nu, de goede oudjes hebben het ons vergeven, en zijn met goede wenschen -en beden voor ons op de lippen ter ruste gegaan naar dat andere hof, waar de trouw -van hen, die er hun intrek nemen, nog betere belooning vindt. -<span class="pageNum" id="pb241">[<a href="#pb241">241</a>]</span> </p> -</div> -</div> -<div id="ch20.9" class="div2 section"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e7372">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h3 class="label">IX.</h3> -<h3 class="main">De Vischvrouw.</h3> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Als wij de legende gelooven zullen, waren er oudtijds zeemeerminnen. Hooren wij daarentegen -de natuuronderzoekers, dan is haar geheele bestaan een fabel. Maar nu komen de wijsgeeren -tusschen beide, en vragen: waar komt die fabel dan van daan? want, en dat moet ik -hun toegeven, men noemt geen vrouw meermin, of daar is een staartje aan. Ik waag het -allerzedigst een oplossing van dit belangrijk vraagstuk te beproeven. Zou de geheele -verdichting der <i>zeewijven</i> ook uit een bijgeloovige vereering van de <i>Vischvrouw</i> kunnen ontstaan zijn? -</p> -<p>Lach zoo spotachtig niet, Mevrouw! Wees liever zoo goed mij te volgen. Wij willen -de vischvrouw een bezoek geven. -</p> -<p>Zie, ginds tegen het duin aan, als een schelpvisch tegen de rots, hangt haar woning. -Het schijnt ook zelve bijna een schelp, die daar door den vloed is neêrgeworpen om -door de ebbe weêr meêgenomen te worden; zoo nietig komen die stulpen op het breede -strand voor. Evenwel in die schelp woont een mensch; wat zeg ik, eene geheele verzameling -van menschen. Laat ons binnengaan!—Men zal ter vischvangst uitgaan. De netten zijn -gereed, de knapzak is voorzien, de visschers zullen vertrekken. Vader met zijn oudsten -zoon als knecht en den derde van de acht, die zoo lang gesmeekt heeft, tot dat moeder -hem vergund heeft meê te gaan. Verwondert gij u over de teederheid van het afscheid -van deze „lompe” menschen? Verwonder u liever over hun blijmoedigheid!—Want, mag ik -u verzoeken? Zie eens even naar buiten<span class="corr" id="xd31e6876" title="Bron: ,">.</span> Ziet gij die pink dáár, gereed om zee te bouwen? Een ijzig <span class="corr" id="xd31e6879" title="Bron: gezigt">gezicht</span>, niet waar? Van hier beschouwd, lijkt zij betrekkelijk niet grooter dan de notendop, -dien wij als kinderen in de theekom lieten varen. Welnu, die dop zal haar drie kostbaarste -schatten laden. Nog eenige oogenblikken en hij dobbert met hen op den diepen oceaan, -waarvan een enkele golf tien zulke scheepjes vult. Verbeeld u, Mevrouw, dat Mijnheer -uw gemaal en de jonge Heer de student en.… foei! ik doe u schrikken. Wees gerust! -het geldt deze vischvrouw maar! Doch beken echter, dat er achter dit grove jak een -hart moet kloppen, waaruit men tien harten van uw romanheldinnen kneeden zou? -<span class="pageNum" id="pb242">[<a href="#pb242">242</a>]</span></p> -<p>Eenige uren later. Hebt ge moed? Het is zeker noodweêr. Het stormt een orkaan. De -bliksem zwaait onophoudelijk zijn blauwen fakkel over de zwarte golven. De donder -buldert tegen den wind in met hortende slagen, alsof zijn stem telkens door den storm -gesmoord werd. Onder dezen strijd der elementen kookt en schuimt de zee als een ziedende -ketel op een onderaardsch vuur, en spat haar water tot in de hut. Die hut zelve is -een tooneel van verwarring en angst. De zes kinderen, die t’huis gebleven zijn, loopen -half naakt en schreiend door elkander. De oudsten slaan bevend de lucht gade en staren -dan weêr op de zee, als om bij het licht van den bliksem iets te onderscheiden. De -jongsten schuilen aan moeders schoot en gillen om vader. Door dit rumoer heen klinken -de noodschoten van een strandend schip, en de kreten van het zeevolk, dat bezig is -een boot ter redding uit te zetten.—Gij beeft, Mevrouw! Mag ik u wat <i lang="fr">eau de cologne</i> geven? Verman u een weinig. Zie onze visschersvrouw! zij heeft drie beminde panden -op zee. Zij weet, dat de boot te zwak is om zulk een orkaan te weerstaan. En toch -blijft zij bedaard en kalm. Zij schijnt den storm, die buiten woedt, niet te bespeuren, -en heeft alleen oogen voor de onrust, die binnen heerscht. Merk op, met hoe veel zielkracht -zij haar oudste kinderen zoekt te bemoedigen, haar jongste te sussen. Het gelukt haar -eindelijk. Maar waar gaat zij heen? Wat doet zij in gindschen hoek? Zie, zij bidt!—Daar -komt zij weder. Welk een stille berusting op haar gelaat. Zij slaat een schichtigen -blik naar buiten, maar heft hem terstond weder naar boven, en begint zingende haar -jongste lieveling in slaap te wiegen. Welk een treffend gezicht! Is het niet als een -standbeeld van de Rust in het hol van den Storm? -</p> -<p>Den volgenden morgen. Het ergst is gebeurd. De boot is aan strand gekomen,—maar ledig. -Alleen haar oudste zoon heeft zich met zwemmen gered. Willen wij de vischvrouw een -rouwbezoek gaan brengen?—Zij is niet te huis. Daar is niemand dan haar kinderen, die -om brood schreien. Zij zal op het strand zijn. Ja, daar is zij, bij den afslag. Daar -koopt zij haar mand vol visch, dien haar man had moeten t’huis brengen. Met dien mand -op den rug draaft zij naar den stad. Zie eens, hoe bleek zij ziet en hoe rood haar -oogen zijn. Maar haar opgericht hoofd draagt de ben, en haar naakte voeten loopen -in denzelfden draf als altoos. Moederliefde overwint den storm in haar binnenste, -even als gister den storm buiten. Zoo draaft zij, halfdood van vermoeidheid en uitputting, -de stad op en neder. Huis aan huis biedt zij haar visch te koop. Niet noodig! is het -refrein, hier en daar afgewisseld met een snauw: hoe veel geld? Het is te veel. Dan -wordt er gedongen en beknibbeld, en somtijds zelfs de arme met hardheid weggezonden, -opdat Mijnheer en Mevrouw hun eerst gerecht toch zoo goedkoop mogelijk op tafel zullen -hebben, terwijl haar zes kinderen van honger versmachten. En toch is zij te fier om -te klagen of te bedelen. Die schande zal zij haren man in het graf nooit aandoen. -Zij zal liever werken totdat zij er bij neêrvalt, eer zij de hand tot een aalmoes -uitstrekt. -<span class="pageNum" id="pb243">[<a href="#pb243">243</a>]</span></p> -<p>Eindelijk is haar vracht verkocht, en keert zij naar het dorp terug. Nu verzorgt en -voedt zij de ongelukkige weezen. Terwijl de kinderen eten, gaat zij met haar oudsten -jongen naar het strand, om met hem over de herstelling van de gestrande boot te spreken. -Want hij moet hoe eer hoe beter er weder op uit. Zij heeft nog geen schrik van het -element, dat haar pas een man en een kind kost. Zij heeft ook nog geen afkeer van -het leven, dat haar zoo zwaar valt. In een romance zou men haar laten verlangen om -bij haar lievelingen in den schoot der blauwe baren te rusten. Maar daaraan denkt -zij niet. Zij voelt den last des levens op haar drukken als een taak. Wat dus anderen -werkeloos zou doen nederzitten, spant en prikkelt hare werkzaamheid. Ware het mogelijk, -zij zou er zelve op uitgaan. Maar daar dit niet kan, moet haar zoon de plaats van -zijn vader vervullen. Zij zal hem den tweede tot hulp medegeven. Wacht hen hetzelfde -lot.… het zij zoo! het staat in hooger hand! zij zal hen zien vertrekken, zonder een -traan te laten. Mij dunkt, gij ziet haar met bewondering aan. Gij hebt van zoo iets -heldhaftigs geen denkbeeld. Gij vindt het boven het vrouwelijke, ja, boven ’t menschelijke.… -Pas op, Mevrouw! anders maakt gij er nog een <i>zeewijf</i> van. -</p> -<p>Ik weet niet of ik u overtuigd heb. Het is altoos slechts een gissing, die ik voor -beter geef. Maar indien ik niet eenige meerdere ingenomenheid met de Vischvrouw bij -u heb opgewekt, dan eer gij <span class="corr" id="xd31e6897" title="Niet in bron">dit </span>opstel in handen naamt, dan heb ik tijd en inkt verloren. -<span class="pageNum" id="pb244">[<a href="#pb244">244</a>]</span> </p> -</div> -</div> -<div id="ch20.10" class="div2 section"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e7382">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h3 class="label">X.</h3> -<h3 class="main">De Rotterdamsche Zakkendrager.</h3> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Lezer! Indien gij slechts half zooveel eerbied hebt voor nijvere arbeidzaamheid als -de schrijver van deze schets, dan verzoek ik een oogenblik uwe belangstelling. -</p> -<p>Inderdaad! in de geheele menschelijke maatschappij ken ik geen stand, die zoo sprekend -het denkbeeld van noeste vlijt uitdrukt en als het ware verpersoonlijkt als die, waartoe -de Rotterdamsche Zakkendrager behoort. In de dierenwereld zijn het de mieren, die -bovenal den roem der arbeidzaamheid wegdragen. De zakkendragers nu zijn de mieren -der maatschappij.—Wie heeft ze nooit gadegeslagen, die nijvere diertjes, hoe zij op -de plaats waar zich hun nest bevindt een grimmelend leger vormen, dat onophoudelijk -heen en weder trekt en door elkander zwiert, zonder elkander te belemmeren, terwijl -zij de zwaarste lasten torsen? Welnu, hetzelfde schouwspel, in het menschelijke overgebracht, -leveren dagelijks de Rotterdamsche straten in de werkzaamheid der zakkendragers. -</p> -<p>Het hoofdkwartier van dit nijvere leger is het zoogenaamd zakkendragershuisje. Daar -is het getal en de zwaarte der lasten bekend, die elken dag moeten worden getorst. -De verdeeling geschiedt bij het lot. Een eerlijk soort van dobbelspel. Terwijl elders -de aanzienlijke speler aan een roekeloozen worp het vermogen van vrouw en kinderen -waagt, dobbelen deze kerels om den last, waarmede zij hun brood verdienen. Schieten -er manschappen over, dan worden de hoogste nommers ontslagen, over welke teleurstelling -zij zich gewoonlijk in de kroeg zoeken te troosten. -</p> -<p>Nadat het groote leger in <span class="corr" id="xd31e6910" title="Bron: kompagnien">kompagniën</span> en <span class="corr" id="xd31e6913" title="Bron: sectien">sectiën</span> verdeeld is, begeven zich de onderscheidene koppels ieder naar de hun aangewezene -plaats. Daar gekomen wordt het werk nader onder hen verdeeld. Ondersteld, zij zullen -turf opdragen. Dan krijgt ieder zijn post. Sommigen staan bij de schuit en stapelen -de manden. Anderen dragen ze aan. Anderen winden ze op, of brengen ze naar boven. -Anderen eindelijk schikken de turven op den zolder. Bij dit alles nu heerscht een -regelmatigheid die mij dit werk dikwijls met verbazing heeft doen gadeslaan. De acht, -tien of twaalf menschen zijn niet meer zoovele <span class="pageNum" id="pb245">[<a href="#pb245">245</a>]</span>menschen. Het zijn onderscheidene leden van één <span class="corr" id="xd31e6918" title="Bron: ligchaam">lichaam</span>. Het zijn raderen van ééne machine. Nauwelijks is het sein gegeven, of het levend -werktuig raakt in beweging. Geen raderen, door stoom bewogen, draaien geregelder in -denzelfden kring rond en grijpen juister in elkander, dan de dragers elkander de hand -leenen. Op den weg, dien zij hebben af te leggen, doen zij nooit een pas meer of minder, -komen zij nooit een sekonde te vroeg of te laat. Bij het overgeven en overnemen van -de vracht wisselen zij geen woord, geen wenk, geen blik zelfs. Ook is hun geheele -denkkracht in hun werk als verzwolgen. Geen automaten kunnen werktuigelijker arbeiden. -Maar daarom bezit ook hun arbeid den regelmatigen en zekeren gang van een uurwerk. -O, dacht ik wel eens bij dit gezicht, wanneer wij menschen in de wereld even goed -onze plaats wisten te kiezen en te bewaren, en elkander even gedienstig en trouw de -hand reikten, welk een schoon werktuig zou het nu dikwijls verward zamenstel der maatschappij -zijn, en hoe schoon en heerlijk vooral het werk, dat daardoor zou worden tot stand -gebracht. -</p> -<p>Het werk is volbracht. Het rad is afgeloopen. Het werktuig staat stil. Op eens komt -er weêr leven in deze houten automaten. Het gelaat, waarvan het zweet met den arm -wordt afgeveegd, ontspant en ontrimpelt zich en glimt van de voldoening van wel volbrachten -arbeid. Men schertst met de meid, wier zolder men van turf heeft voorzien, die met -een milden teug schiedammer de dorstige harten komt laven. Het verdiend loon wordt -ontvangen en verdeeld. Men gaat uiteen. -</p> -<p>Meen echter niet, dat dit werktuigelijke den zakkendragers ook buiten hun werk bijblijft. -Gij zoudt hun grootelijks te kort doen. Boerenkinkels mogen ook buiten het veld iets -van het <i>dommekrachtige</i> behouden, dat hun op het veld eigen is, bij de wakkere Zakkendragers is dit anders. -Nauwelijks is de arbeid van hun schouders, of zij zijn zulke <span class="corr" id="xd31e6926" title="Bron: vrolijke">vroolijke</span> en flinke kerels als gezonde arbeid ooit gemaakt heeft. En geen wonder. Zij hebben -eene ruime en eerlijke broodwinning. Zij behooren zeker slechts tot de klasse der -sjouwerlieden, maar zijn echter boven deze verheven. Zij behoeven niet op werk te -wachten of er om te bedelen, gelijk deze, maar vinden iederen morgen hun taak en last -gereed. Daarbij vormen zij onderling een gesloten college, een soort van gild. Nu -zijn de patenten, en de algemeene vrijheid, gelijkheid en broederschap, waarvan deze -het uitvloeisel zijn, wel eene heerlijke uitvinding: maar niemand zal mij echter tegenspreken, -dat daardoor het eigenaardige, het afgeronde en gemunte, in één woord het typische -van de verschillende standen in ons vaderland wel iets geleden heeft. O bakkers met -uw witte slaapmutsen! O slagers met uw lange messen! O timmerbazen met uw gele voorschoten! -Waar zijt gij gebleven? Neen, wij hebben geen rechte bakkers, slagers of timmerbazen -meer. Wij hebben lieden, die bakken, slachten, en timmeren: maar het bakkersvoorkomen, -de bakkersgeest, het bakkershart, dit alles is met de witte slaapmuts verdwenen. Eere -daarom den Zakkendragers, die nog <span class="pageNum" id="pb246">[<a href="#pb246">246</a>]</span>iets van het genootschappelijke en federative hebben behouden, dat vroeger den grondslag -van onze staats- en maatschappelijke huishouding uitmaakte. Zij vormen een soort van -broederschap, die hen met een zweem van <i lang="fr">esprit de corps</i> bezielt, dien zij ook door het dragen van een ordeteeken zoeken aan den dag te leggen. -Men heeft hen alleen te zien loopen, gelijk zij naar werk gaan of daarvan terugkeeren, -met den linnen zak bevallig over het hoofd geslagen, om in hen den Zakkendrager te -herkennen. Wat hun echter noch meer wichtigheid bijzet, is het gevoel, dat zij min -of meer tot de stadsambtenaars behooren, en dus als verre planeten in de zonnebaan -der burgemeesters-kamer wentelen. Zij zijn dan ook het college, dat bij hooge gelegenheden -de lagere standen vertegenwoordigt; zij hebben het privilege om de paarden van ’s -Konings koets te spannen en den kostelijksten aller lasten te trekken. Het gebeurt -hun dan ook niet zelden, dat het koninklijk oog, met voorbijgang van anderen, die -zich verbeelden hooger te staan, op hen afdaalt. Zoo wierp het feest, op den laatsten -oudenjaarsavond door Z. M. aan de Haagsche turf- en zakkendragers gegeven, op al hun -ambtgenooten een weerschijn van eer en aanzien, dat hen den zak nog fierder dan anders -over het hoofd doet dragen. Men zegt dan ook, dat op dien avond menig Zakkendrager -zoolang op <span class="sc">Willem II</span> heeft geklonken, totdat het actief van zijn naam in passief was overgegaan. -</p> -<p>Doch <span class="corr" id="xd31e6939" title="Bron: laa">laat</span> ik niet lasteren. Wel is waar zijn de Zakkendragers vooralsnog geen leden van het -Matigheidsgenootschap, en ik vrees of zij het ooit zullen worden. Maar even weinig -plegen zij dronkaards te wezen. Zij zijn te bang om den zak, waaruit zij leven, te -verliezen. Overigens zijn zij, als meest allen, die zwaren arbeid verrichten, kloek -van voorkomen, trouw van hart en braaf van inborst. Het gaat hun als veeltijds: hoe -zwaarder last op de schouders, des te lichter last op het hart! -<span class="pageNum" id="pb247">[<a href="#pb247">247</a>]</span> </p> -</div> -</div> -<div id="ch20.11" class="div2 section"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e7392">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h3 class="label">XI.</h3> -<h3 class="main">De Groenvrouw van Rotterdam.</h3> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Koopsteden zijn paradijzen, wat de kunst, maar woestijnen, wat de natuur betreft. -De menschengroei, die er plaats heeft, schijnt er den plantengroei te verstikken. -Kom bij voorbeeld te Rotterdam. Hoe dor, hoe bar, hoe winterachtig ziet alles er uit. -Zelfs midden in den zomer! Alles hout en steen, steen en hout. Men zou denken, dat -de menschen er, even als de oude toovenaars, steenen aten. Maar neen, zie ginds! Daar -meen ik toch iets groens te ontdekken. Inderdaad, het is zoo. Daar is de groenmarkt. -Dat is eene <i>oase</i> in de woestijn. Met welk een wellust rust het oog, van het flikkeren der zonnige -straatsteenen vermoeid, op dezen groenen grond uit! Laat ons er een oogenblik van -genieten. -</p> -<p>Wij treden nader. Daar prijkt in haar groentenkraam, even als eene afbeelding van -Ceres of Pomona in eene medaillon harer attributen, de groenvrouw. -</p> -<p>Wij vinden haar bezig met het opmaken van haar loofhut. Dat werk is belangrijker dan -het schijnt. Laat de groenvrouw geene schilderes van stillevens zijn, zij moet toch -iets van de kunst van ordonnantie verstaan. Wacht u vooral te denken, dat deze bevallige -schikking de vrucht van een blind of linksch toeval is. Integendeel. Mejufvrouw uwe -dochter besteedt niet meer kunst om de bloemen in uwe vazen te schakeeren, dan de -groenvrouw om haar kraam op te maken. Het is dus wel degelijk met opzet, dat die blanke -bloemenkoolen zoo sprekend op dien rooden grond van peen (Rotterdamsche stijl) uitkomen, -dat die harde komkommers zoo smakelijk tegen de malsche kroppen afsteken, en dat het -geurige boonenkruid zoo verlokkend over de zilveren boonen ligt uitgespreid. -</p> -<p>Is de kraam klaar, dan zit de groenvrouw, even groen en frisch als haar waar, tusschen -haar schepping neder. Een helder gezicht lacht, even als de witte bloem tusschen de -koolblaren, uit haar groenteprieel al de voorbijgangers tegen. Maar gij moet haar -zien als er klanten komen. Dan is zij geheel beweging en drukte. Zij weet juist wat -de „jufvrouw”, de „vrijster,” of het „vrouwtje” hebben moet. Gister <span class="pageNum" id="pb248">[<a href="#pb248">248</a>]</span>heeft men van deze, eergisteren van die groente gehad: nu moet men hiervan nemen. -Even rad als haar tong, gaan hare handen. In een oogenblik zijn de wortelen gekortwiekt, -de koolen uitgekleed, de spinazie opgetast, de radijzen geschoren. Over den prijs -wordt nauwelijks gesproken. Er is geen vreedzamer beurs dan die der tuinvruchten. -De lieve natuur is zoo mild met haar gaven, dat men voor een betrekkelijk kleinen -prijs een geheele moeskraam ledig koopt. Daarenboven regelt de vruchtbaarheid of onvruchtbaarheid -van het weder den marktprijs van den dag. Intusschen moet het niet ontkend worden, -dat de groenvrouw wel eene schrale lente mag. Als de groenten te gauw aankomen, zit -er te weinig winst op. Ach ja! tot tusschen de groene aardvruchten,—die treffende -herinneringen aan de gouden eeuw, waarin men niets anders at,—is het egoïsmus doorgedrongen. -</p> -<p>Indien ge voldaan zijt, zullen we verder gaan. Want er zijn nog andere <i>species</i> van het <i>genus</i> groenvrouw. Ziet gij gindsche deern, met dat juk op den schouder, waaraan twee groote -manden slingeren? Dat is ook een groenvrouw. Die brengt haar waar aan de huizen. Want -de markt is voor den burgerstand. De rijken laten de markt bij zich aan huis komen. -In die manden vindt gij dus de bloem van den moeshof. Zoo veel mogelijk is ook de -eigenares eene bloem onder de groenvrouwen. Want daar zij in de groote wereld verkeert, -heeft zij meer wereldkennis en wereldtoon noodig, dan op de burgerlijke markt te pas -komt. Niet altoos evenwel is haar taak even teeder en zwaar. Soms heeft zij alleen -met de jonge juffers te doen, die „de week” hebben, of in de proefschool zijn om te -leeren huishouden. Dan is zij spoedig klaar. Want wat weten die van groenten? Dalen -evenwel de mama’s met haar twintig- en dertigjarige ondervinding en haar sedert aangeleerde -huishoudelijkheid naar beneden, dan moet er heel wat gevleid en gelogen worden, eer -de gevraagde prijs verkregen is. Niets beter dan met keukenmeiden van de kennis of -van de familie te doen te hebben. Die hebben zoo veel te vertellen en te vragen, dat -er geen tijd voor loven of dingen overblijft. -</p> -<p>Willen wij de groenvrouw nog verder nagaan, dan moeten wij ze naar hare woning volgen. -Daar komen we eerst bij de groenvrouw <i lang="la">primera suerte</i>. Daar vindt ge een waar luilekkerland, met dit kleine onderscheid, dat de lekkernijen -er u alles behalve van zelve in den mond vliegen. Daar vindt ge in den winter versche -kroppen onder stolpen; daar doen u in het voorjaar de eerste bakvruchten, snijboontjes, -worteltjes en porselein watertanden; daar vindt men den geheelen zomer, wat de moeshof -edelst en keurigst oplevert. Waar nu al die schatten van daan komen, is een geheim. -Sommigen denken, dat de groenvrouw ze, even als in Riket met de kuif, uit den grond -laat opkomen. Anderen spreken van eene geheime betrekking met zekere tuinlieden van -buitenplaatsen, die de groenten, welke zij <i>overhebben</i>, voor een prijsje aan haar overdoen. Er zijn zelfs, die mompelen, dat mijnheer zelf -vennoot in die anonyme compagnieschap <span class="pageNum" id="pb249">[<a href="#pb249">249</a>]</span>zijn zou. Wie zal het uitmaken? Men weet niet, dat een groenvrouw ooit geklapt heeft. -</p> -<p>Om de woningen der mindere groenvrouwen te vinden, moeten wij naar de achterbuurten. -Daar is evenwel het groenste van de groenvrouw af. Want daar liggen in een bedompt -winkeltje de groenten, die niet verkocht zijn, te verleppen en te vergaan. Zijn ze -geheel en al verdroogd, dan zinken ze nog een stap lager in den pot, en eindelijk -in de magen van de groenvrouw en hare familie: want wacht u voor de dwaling, dat een -groenvrouw ooit iets eet, dat naar versche groente lijkt. Zij leeft als een konijn, -geheel van afval. -</p> -<p>Zal er echter aan de teekening van de groenvrouw niets ontbreken, dan moet moet ik -u haar ook in den ruitijd toonen! O, dat de groenvrouw, als de witte beer, den geheele -winter mocht doorslapen! Dan alleen zou zij de smart ontgaan van de beken van haar -bestaan gedurende verscheidene maanden uitgedroogd te zien. Wat toch blijft haar in -den winter over? Aardappelen, aardappelen, niets dan aardappelen. Komen er nog aardakers -bij, dan is het mooi. Zij blijft dus in haar hokje verscholen. Geen groenvrouwen op -de groenmarkt, geen groenmeisjes op de straat.—Maar wacht! daar beginnen de boomen -te knoppen; de nachtegalen komen terug; de narcissen gaan bloeien. Nu breken ook de -groenvrouwen weder uit den knop, en versieren de Rotterdamsche straten. -<span class="pageNum" id="pb250">[<a href="#pb250">250</a>]</span> </p> -</div> -</div> -<div id="ch20.12" class="div2 section"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e7403">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h3 class="label">XII.</h3> -<h3 class="main">De Dorpsschoolmeester.</h3> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Wie heeft hem nimmer ontmoet, den man, dien ge nog niet ontwijfelbaar herkennen zoudt -aan den versleten zwarten rok, den vuilen witten das, de zilveren ringetjes in de -ooren, de lange pijp in den mond en de nagelkerven op den linkerduim, maar dien ge -dadelijk weet t’huis te brengen, zoodra gij hem maar twee woorden hebt hooren spreken. -</p> -<p>„Heeft <span class="asc">MIJN</span>heer mens<span class="asc">CH</span>en? Dan zal er mogel<span class="asc">IJK</span> voor <span class="asc">MIJ</span> verhinder<span class="asc">ING</span> we<span class="asc">ZEN</span>!” -</p> -<p>„Wat mij betreft, niet, meester!” hebt gij geantwoord, eer gij er om denkt. -</p> -<p>Gij hebt het geraden. Er zijn <i>plus minus</i> drie millioen menschen, die Hollandsen spreken: maar <span class="asc">DAT</span> Hollandsch is het <i>schibboleth</i> van den dorpsschoolmeester. Daaraan herkent gij hem even zeker, als de mannen van -Gilead die van Efraim aan de uitspraak van de <i>schin</i>. O, het zou hem niet van het hart kunnen, de taal te verminken, te mishandelen en -te villen, gelijk gij en ik doen: iedere letter heeft rechten op zijn hart en tong: -hij moet ze u allemaal voorspellen: men spelt immers niet om te spreken, maar spreekt -om te spellen! -</p> -<p>Deze verbazende juistheid van uitspraak is echter niet de eenige eigenaardigheid, -waaraan ge den dorpsschoolmeester uit zijn wijze van spreken herkent. Hij is niet -minder nauwkeurig en uitgezocht in de keuze zijner woorden, die allen op het woordenlijstje -van <span class="sc">Siegenbeek</span> moeten voorkomen, hetwelk hem voor een soort van <i>index</i> dient. Want van onduitsche uitdrukkingen heeft hij een walg, en waar ze hem onvermijdelijk -in den weg komen, neemt hij de vrijheid ze in der haast een hollandsch pak aan te -trekken, waarin gij ze echter dikwijls niet herkent. Voeg hierbij een toon van spreken, -die door de afgepastheid en deftigheid het midden houdt tusschen cijferen en preken, -en gij zult u niet verwonderen, dat de man zich zoo spoedig aan u verried: het is -de dorpsschoolmeester! -</p> -<p>In het heilige klaverblad, dat over ieder dorp zijn beschermende schaduw uitbreidt, -van Burgemeester, Dominé en Schoolmeester, staat <span class="pageNum" id="pb251">[<a href="#pb251">251</a>]</span>de laatste in het midden en dus—althans in zijn eigen oogen—bovenaan. Hij heeft dan -ook verre weg het deftigste voorkomen van de drie. Men zegt van de beroemde tragédienne -<span class="sc">Clairon</span>, dat zij in haar huis dezelfde koninklijke houding aannam, die zij op het tooneel -had, om er de hebbelijkheid niet van te verliezen. Zoo schijnt ook de meester, uit -vrees van den toon van gezag, die hem in de school past, kwijt te raken, dien buiten -de school aan te houden. In zijn mouw verscholen, draagt hij de plak uit de school -overal met zich. Zijn geheele gesprek is onderwijzend. Hij is de <span lang="en">Morning-herald</span> van de boeren, en deelt hun het nieuws mede, dat hij dagelijks uit de Staats-Courant -put, welke hij van den Burgemeester te lezen krijgt. In die mededeeling vlecht hij -op eene ongemaakte wijze eenige geographische en historische bijzonderheden, die op -het gezicht zijner toehoorders een stillen glimlach van verbazing en bewondering wekken. -Bij de gesprekken over weêr en wind hangt hij den natuurkundige uit, voor zoover het -handboek der volksnatuurkunde hem in staat stelt. Somtijds stijgt hij een toon hooger -en waagt zich aan bespiegelen van de wonderen der schepping—volgens den katechismus -van <span class="sc">Martinet</span>. Zijn politiek bewaart hij voor den Burgemeester, met wien hij over de gebeurtenissen -van Europa handelt—alles naar aanleiding van de Staats-Courant. Dit dagblad drukt -zoowel den geest als den vorm zijner denkbeelden uit. Hij is zoo oranjegezind als -de koninklijke vlag, en is door eene zonderlinge, maar gewone tegenspraak, tegelijk -de vinnigste aanhanger van <span class="sc">Wagenaar</span>, dien men zien kan. Hij heeft dus een afkeer, neen, dit is te zacht—een afschuw van -<span class="sc">Bilderdijk</span>, die voor hem met zijn politische, literarische en godsdienstige gevoelens een driehoofdige -Cerberus is. Zonder ooit iets van hem gelezen te hebben, bestrijdt hij hem waar hij -kan en mag, met alle wapenen. <span class="corr" id="xd31e7044" title="Bron: Naauwelijks">Nauwelijks</span> had hij vernomen, dat hij de stoutheid had den „moord” van <span class="sc">Oldenbarneveld</span> voor te spreken, of hij hield in ’t Nut een verhandeling over den <i>Palamedes</i> van <span class="sc">Vondel</span>, die de zaak op eens en voor altoos heeft uitgemaakt. Met den Dominé handelt hij -over het onderwijs. Hij vergoodt de wet van 1806, waarnaar volgens zijn zeggen eenmaal -het onderwijs in de geheele wereld zal zijn ingericht. <span class="sc">Siegenbeek</span>, <span class="sc">Prinsen</span> en <span class="sc">Anslijn</span> zijn zijne afgoden, wier naam onophoudelijk op zijn eerbiedige lippen zweeft, vooral -de eerste! Zijne spelling houdt hij voor een meesterstuk van menschelijke vinding -en voor de schepping van een nieuwe taal. Wee hem als Dominé het waagt de Bilderdijksche -spelling met een enkel woord te verdedigen: dan zou hij bijna vloeken. Over het algemeen -houdt hij het er voor, dat Dominé hem niet al te gunstig is. Dat schrijft hij aan -zijn opleiding op de kweekschool toe, waardoor hij Dominé te knap geworden is. Was -het niet eens gebeurd, dat Dominé niet recht wist, of Neustadt, waarop het gesprek -viel bij gelegenheid van een nieuwen aankoop van koning <span class="sc">Willem Frederik</span>, in Saksen-Weimar, Saksen-Gotha, Saksen-Meiningen, Saksen-Coburg of Saksen-Hildburghausen -lag? Hij had er hem opzettelijk eens op getoetst, maar hij had zich voor <span class="pageNum" id="pb252">[<a href="#pb252">252</a>]</span>den man moeten schamen. Voor het oog der menschen evenwel is hij Dominé’s andere Ik, -en zendt hem bij elke feestelijke gelegenheid een vers, waarin hij al de dichterlijke -vrijheden in één regel neemt: wat al te liberaal voor zoo’n conservatief man! Want—dit -spreekt van zelf—hij doet een weinig „aan de dichtkunde.” Zelfs geeft hij daarin zijn -zoon volgens vaste regelen en met behulp van <span class="sc">Witsen Geijsbeek’s</span> Rijmwoordenboek les. Hij treedt dan ook van tijd tot tijd in de vergadering van ’t -Nut met een dichterlijke bijdrage op. Hij volgt echter geen bepaalde dichtschool. -Vóór het jaar dertig werkte hij meestal in den trant van <span class="sc">Tollens</span>; na dertig nam hij de manier van <span class="sc">Helmers</span> aan, en nu helt hij weder meer over naar <span class="sc">Feith</span>. Heeft hij geen tijd om zelfs iets te maken, dan werkt hij het een of ander uitgegeven -stuk naar de behoefte van zijn gehoor om. Zoo behandelde hij onlangs de geschiedenis -van een klein schandaal in het dorp in de <i>Bedrogen maagd</i>, dat hij naar het <i>Gevallen meisje</i> van <span class="sc">Tollens</span> gefatsoeneerd had. Nergens echter schittert zijn talent met meer glans, dan in de -kerk. In het voorlezen steekt hij Dominé naar de kroon. Niemand is vlugger dan hij -in het verkleeden van de oude vertaling: zonder haperen heeft hij al de <i>haer’s</i> en <i>hun’s</i> in <i>dezelve’s</i> en <i>denzelven’s</i> veranderd. Want <i>dezelve</i> is na <i>dewelke</i> zijn lievelingswoord, Hij heeft dan ook van die taak een groot denkbeeld. Hij spreekt -altijd van de groote opkomst, het groot gehoor, dat <i>wij</i> hebben. Eens, ja.. eens heeft hij de eer gehad om voor <span class="sc">Van der Palm</span> voor te lezen. Dat was een werk! Hij heeft er nooit zoo in gezeten. Hij dacht niet, -dat hij het volbracht zou hebben, schoon ieder hem een kompliment maakte, toen hij -uit de kerk kwam. Hem dacht echter, dat de Professor in het Hollandsch zoo zuiver -niet was, als hij meende. Eens onder anderen meende hij hem op de uitspraak van men<span class="asc">SCHEN</span> als men<span class="asc">SEN</span> betrapt te hebben: maar de man begon toen ook al oud te worden.… -</p> -<p>Maar foei, de kleine ruimte aanziende, die mij nog overschiet, bemerk ik, dat het -meer dan tijd is, om den waardigen man van een anderen kant te teekenen. Want hoe -vreemd het luide, onder die belachelijke vormen verbergt hij het beste hart van de -wereld. Hij is in zijn vak een knap man, en zelfs in het wijsgeerige gedeelte er van -geen vreemdeling. Hij heeft een goede leermethode, waardoor hij bekwame discipelen -vormt. Hij is even bemind bij de kinderen, als geacht bij de ouders. Hij is een voorbeeldig -huisvader, die nacht en dag zwoegt om zijn talrijk gezin te onderhouden. Zelf een -man van zedelijke en godsdienstige beginselen, zoekt hij die ook aan de jeugd in te -prenten. Hij heeft dus geen enkele groote ondeugd, al heeft hij al de gebreken van -zijn stand. <span class="sc">Nieuwenhuizen</span> en de Wet van 1806 hebben hem innerlijk geheel ontbolsterd. Nu moet er nog slechts -een andere <span class="sc">Nieuwenhuizen</span> opstaan, om hem ook uitwendig den zotskap van het hoofd te nemen. Wie weet, als hij -deze schets leest.… -<span class="pageNum" id="pb253">[<a href="#pb253">253</a>]</span> </p> -</div> -</div> -</div> -<div class="footnotes"> -<hr class="fnsep"> -<div class="footnote-body"> -<div id="xd31e6559"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e6559src">1</a></span> Men herinnere zich, dat deze schets vóór dertig jaren geschreven werd. Thans zouden -enkele trekken wel eens minder kunnen gelijken. <a class="fnarrow" href="#xd31e6559src" title="Ga terug naar noot 1 in tekst.">↑</a></p> -</div> -</div> -</div> -</div> -</div> -<div class="back"> -<div id="toc" class="div1 contents"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="main">INHOUD.</h2> -<table class="tocList"> -<tr> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ch1" id="xd31e7130">De Haarlemsche Courant.</a> </td> -<td class="tocPageNum">Bladz. 1.</td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ch2" id="xd31e7137">De Haarlemsche Courant. (<i>vervolg.</i>)</a> </td> -<td class="tocPageNum">9.</td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ch3" id="xd31e7146">Het Album.</a> </td> -<td class="tocPageNum">18.</td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ch4" id="xd31e7153">De Huisklok.</a> </td> -<td class="tocPageNum">29.</td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ch5" id="xd31e7160">Muziek.</a> </td> -<td class="tocPageNum">38.</td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ch6" id="xd31e7167">Ruiten troef.</a> </td> -<td class="tocPageNum">50.</td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ch7" id="xd31e7174">Het Schaap.</a> </td> -<td class="tocPageNum">60.</td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ch8" id="xd31e7181">Sint-Nicolaas.</a> </td> -<td class="tocPageNum">69.</td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ch9" id="xd31e7188">Het Legaat.</a> </td> -<td class="tocPageNum">74.</td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ch10" id="xd31e7195">De Stamboom.</a> </td> -<td class="tocPageNum">89.</td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ch11" id="xd31e7202">Het Portret.</a> </td> -<td class="tocPageNum">103.</td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ch12" id="xd31e7210">De Bibliotheek.</a> </td> -<td class="tocPageNum">118.</td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ch13" id="xd31e7217">Oude Vrijsters.</a> </td> -<td class="tocPageNum">132.</td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ch14" id="xd31e7224">Een afscheidsbezoek in 1871.</a> </td> -<td class="tocPageNum">140.</td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ch15" id="xd31e7231">Een Afscheidsbezoek. (<i>vervolg<span class="corr" id="xd31e7235" title="Niet in bron">.</span></i>).</a> </td> -<td class="tocPageNum">153.</td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7">Verspreide stukken van <span class="sc">Jonathan</span>. -<span class="pageNum" id="pb254">[<a href="#pb254">254</a>]</span></td> -<td class="tocPageNum"></td> -</tr> -<tr> -<td></td> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="6"><a href="#ch16" id="xd31e7248">Gekroonde Vrouwen. (<i>26 October 1837.</i>)</a> </td> -<td class="tocPageNum">177.</td> -</tr> -<tr> -<td></td> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="6"><a href="#ch17" id="xd31e7257">De Koning komt. (<i>3 Augustus 1842.</i>).</a> </td> -<td class="tocPageNum">185.</td> -</tr> -<tr> -<td></td> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="6"><a href="#ch18" id="xd31e7266">De Koning gaat ten grave. (<i>Maart 1849.</i>).</a> </td> -<td class="tocPageNum">197.</td> -</tr> -<tr> -<td></td> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="6"><a href="#ch19" id="xd31e7275">Twee Monumenten. (1676–1841).</a> </td> -<td class="tocPageNum">211.</td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ch20" id="xd31e7284">Nederlandsche typen.</a> -</td> -<td class="tocPageNum"></td> -</tr> -<tr> -<td></td> -<td class="tocDivNum">I.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="6"> <a href="#ch20.1" id="xd31e7292">De Zeeuwsche arbeider.</a> </td> -<td class="tocPageNum">217.</td> -</tr> -<tr> -<td></td> -<td class="tocDivNum">II.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="6"> <a href="#ch20.2" id="xd31e7302">De Rotterdamsche sleper.</a> </td> -<td class="tocPageNum">220.</td> -</tr> -<tr> -<td></td> -<td class="tocDivNum">III.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="6"> <a href="#ch20.3" id="xd31e7312">De Straatjongen.</a> </td> -<td class="tocPageNum">223.</td> -</tr> -<tr> -<td></td> -<td class="tocDivNum">IV.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="6"> <a href="#ch20.4" id="xd31e7322">Het Melkmeisje.</a> </td> -<td class="tocPageNum">226.</td> -</tr> -<tr> -<td></td> -<td class="tocDivNum">V.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="6"> <a href="#ch20.5" id="xd31e7332">De Haringkooper.</a> </td> -<td class="tocPageNum">229.</td> -</tr> -<tr> -<td></td> -<td class="tocDivNum">VI.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="6"> <a href="#ch20.6" id="xd31e7342">De Schaatsenrijder.</a> </td> -<td class="tocPageNum">232.</td> -</tr> -<tr> -<td></td> -<td class="tocDivNum">VII.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="6"> <a href="#ch20.7" id="xd31e7352">De Schoorsteenveger.</a> </td> -<td class="tocPageNum">235.</td> -</tr> -<tr> -<td></td> -<td class="tocDivNum">VIII.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="6"> <a href="#ch20.8" id="xd31e7362">De Hofjes-jufvrouw.</a> </td> -<td class="tocPageNum">238.</td> -</tr> -<tr> -<td></td> -<td class="tocDivNum">IX.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="6"> <a href="#ch20.9" id="xd31e7372">De Vischvrouw.</a> </td> -<td class="tocPageNum">241.</td> -</tr> -<tr> -<td></td> -<td class="tocDivNum">X.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="6"> <a href="#ch20.10" id="xd31e7382">De Rotterdamsche Zakkendrager.</a> </td> -<td class="tocPageNum">244.</td> -</tr> -<tr> -<td></td> -<td class="tocDivNum">XI.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="6"> <a href="#ch20.11" id="xd31e7392">De Groenvrouw van Rotterdam.</a> </td> -<td class="tocPageNum">247.</td> -</tr> -<tr> -<td></td> -<td class="tocDivNum">XII.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="6"> <a href="#ch20.12" id="xd31e7403">De Dorpsschoolmeester.</a> </td> -<td class="tocPageNum">250.</td> -</tr> -</table> -<p><span class="pageNum" id="pb256">[<a href="#pb256">256</a>]</span></p> -</div> -</div> -<div class="div1 errata"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="main">SCHRIJFFOUTEN.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Als zoodanig verzoekt de Schrijver vergiffenis voor eenige grammatikale vrijheden, -b. v. waar het woordeke <i>klok</i> in de persoonsverbeelding in het mannelijk, het woord <i>schaap</i> voor het minder gewone <i>ooi</i> in het vrouwelijk geslacht voorkomt enz. Ook aan drukfouten zal het wel niet ontbreken. -Zoo is het den schrijver bij het nazien ontsnapt, dat op bl. 144 reg. 9 de titel van -de welbekende nieuwe <span class="corr" id="xd31e7421" title="Bron: fransche">Fransche</span> roman van <span class="sc">Gustave Droz</span>: <span class="sc">Monsieur, Madame et Bébé</span> verkeerd is opgegeven. Maar hoe gemakkelijk zal het zijn, deze kleine afwijkingen -te vergeven, waar men zoo veel andere en grooter gebreken te vergeven heeft? De Schrijver -beveelt zich bij voortduring in de edelmoedige welwillendheid zijner lezers. -</p> -</div> -</div> -<div class="transcriberNote"> -<h2 class="main">Colofon</h2> -<h3 class="main">Beschikbaarheid</h3> -<p class="first">Dit eBoek is voor kosteloos gebruik door iedereen overal, met vrijwel geen beperkingen -van welke soort dan ook. U mag het kopiëren, weggeven of hergebruiken onder de voorwaarden -van de Project Gutenberg Licentie in dit eBoek of on-line op <a class="seclink xd31e39" title="Externe link" href="https://www.gutenberg.org/">www.gutenberg.org</a>. -</p> -<p>Dit eBoek is geproduceerd door het on-line gedistribueerd correctieteam op <a class="seclink xd31e39" title="Externe link" href="https://www.pgdp.net/">www.pgdp.net</a>. -</p> -<h3 class="main">Metadata</h3> -<table class="colophonMetadata" summary="Metadata"> -<tr> -<td><b>Titel:</b></td> -<td>Waarheid en droomen</td> -<td></td> -</tr> -<tr> -<td><b>Auteur:</b></td> -<td>Johannes Petrus Hasebroek (1812–1896)</td> -<td><a href="https://viaf.org/viaf/78822854/" class="seclink">Info</a></td> -</tr> -<tr> -<td><b>Taal:</b></td> -<td>Nederlands (Spelling De Vries-Te Winkel)</td> -<td></td> -</tr> -<tr> -<td><b>Oorspronkelijke uitgiftedatum:</b></td> -<td>1872</td> -<td></td> -</tr> </table> -<h3 class="main">Codering</h3> -<p class="first">Dit boek is weergegeven in oorspronkelijke schrijfwijze. Afgebroken woorden aan het -einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. Kennelijke zetfouten in het origineel -zijn verbeterd. Deze verbeteringen zijn aangegeven in de colofon aan het einde van -dit boek.</p> -<h3 class="main">Documentgeschiedenis</h3> -<ul> -<li>2021-08-26 Begonnen. </li> -</ul> -<h3 class="main">Externe Referenties</h3> -<p>Dit Project Gutenberg eBoek bevat externe referenties. Het kan zijn dat deze links -voor u niet werken.</p> -<h3 class="main">Verbeteringen</h3> -<p>De volgende verbeteringen zijn aangebracht in de tekst:</p> -<table class="correctionTable" summary="Overzicht van verbeteringen aangebracht in de tekst."> -<tr> -<th>Bladzijde</th> -<th>Bron</th> -<th>Verbetering</th> -<th>Bewerkingsafstand</th> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e123">n.v.t.</a></td> -<td class="width40 bottom">op nieuw</td> -<td class="width40 bottom">opnieuw</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e270">2</a></td> -<td class="width40 bottom">folioStatenbijbel</td> -<td class="width40 bottom">folio Statenbijbel</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e308">3</a></td> -<td class="width40 bottom">opghouden</td> -<td class="width40 bottom">opgehouden</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e390">5</a></td> -<td class="width40 bottom">staau</td> -<td class="width40 bottom">staan</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e418">7</a>, <a class="pageref" href="#xd31e932">26</a></td> -<td class="width40 bottom">.</td> -<td class="width40 bottom">,</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e442">9</a></td> -<td class="width40 bottom">nauwelijke</td> -<td class="width40 bottom">nauwelijks</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e467">10</a></td> -<td class="width40 bottom">zijne</td> -<td class="width40 bottom">zijn</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e495">11</a>, <a class="pageref" href="#xd31e665">18</a>, <a class="pageref" href="#xd31e669">18</a>, <a class="pageref" href="#xd31e671">18</a>, <a class="pageref" href="#xd31e722">19</a>, <a class="pageref" href="#xd31e3997">135</a>, <a class="pageref" href="#xd31e5561">189</a>, <a class="pageref" href="#xd31e5694">194</a>, <a class="pageref" href="#xd31e5761">197</a></td> -<td class="width40 bottom"> -[<i>Niet in bron</i>] -</td> -<td class="width40 bottom">”</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e534">13</a></td> -<td class="width40 bottom">u</td> -<td class="width40 bottom">uw</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e555">14</a></td> -<td class="width40 bottom">naissauce</td> -<td class="width40 bottom">naissance</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e572">15</a></td> -<td class="width40 bottom">behandelang</td> -<td class="width40 bottom">behandeling</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e575">15</a>, <a class="pageref" href="#xd31e583">15</a>, <a class="pageref" href="#xd31e2000">60</a>, <a class="pageref" href="#xd31e2917">93</a>, <a class="pageref" href="#xd31e3140">101</a>, <a class="pageref" href="#xd31e3305">108</a></td> -<td class="width40 bottom">,</td> -<td class="width40 bottom"> -[<i>Verwijderd</i>] -</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e585">15</a></td> -<td class="width40 bottom">gouvernantes</td> -<td class="width40 bottom">gouvernante</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e597">16</a></td> -<td class="width40 bottom">en</td> -<td class="width40 bottom">er</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e620">17</a>, <a class="pageref" href="#xd31e743">20</a>, <a class="pageref" href="#xd31e1609">51</a>, <a class="pageref" href="#xd31e2234">73</a>, <a class="pageref" href="#xd31e2757">87</a>, <a class="pageref" href="#xd31e3223">103</a>, <a class="pageref" href="#xd31e5234">170</a>, <a class="pageref" href="#xd31e5535">188</a>, <a class="pageref" href="#xd31e7235">253</a></td> -<td class="width40 bottom"> -[<i>Niet in bron</i>] -</td> -<td class="width40 bottom">.</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e675">18</a></td> -<td class="width40 bottom">krijglist</td> -<td class="width40 bottom">krijgslist</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1002">28</a></td> -<td class="width40 bottom">aangwezen</td> -<td class="width40 bottom">aangewezen</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1007">28</a></td> -<td class="width40 bottom">zuchteu</td> -<td class="width40 bottom">zuchten</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1073">31</a></td> -<td class="width40 bottom">is is</td> -<td class="width40 bottom">is</td> -<td class="bottom">3</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1076">31</a></td> -<td class="width40 bottom">nemcn</td> -<td class="width40 bottom">nemen</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1091">31</a>, <a class="pageref" href="#xd31e1209">37</a>, <a class="pageref" href="#xd31e1506">48</a>, <a class="pageref" href="#xd31e1649">53</a>, <a class="pageref" href="#xd31e2303">75</a>, <a class="pageref" href="#xd31e3413">114</a>, <a class="pageref" href="#xd31e4005">136</a>, <a class="pageref" href="#xd31e4007">136</a>, <a class="pageref" href="#xd31e4446">148</a>, <a class="pageref" href="#xd31e4523">151</a>, <a class="pageref" href="#xd31e4731">157</a>, <a class="pageref" href="#xd31e4841">160</a>, <a class="pageref" href="#xd31e5759">197</a>, <a class="pageref" href="#xd31e6695">229</a></td> -<td class="width40 bottom"> -[<i>Niet in bron</i>] -</td> -<td class="width40 bottom">,</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1335">42</a></td> -<td class="width40 bottom">Noor-oostenwind</td> -<td class="width40 bottom">Noord-oostenwind</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1340">42</a></td> -<td class="width40 bottom">eu</td> -<td class="width40 bottom">en</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1373">43</a></td> -<td class="width40 bottom">orkost</td> -<td class="width40 bottom">orkest</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1400">44</a></td> -<td class="width40 bottom">brakkenneus</td> -<td class="width40 bottom">brakken neus</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1410">44</a></td> -<td class="width40 bottom">glimlagchen</td> -<td class="width40 bottom">glimlachen</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1426">44</a></td> -<td class="width40 bottom">harstochten</td> -<td class="width40 bottom">hartstochten</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1443">44</a></td> -<td class="width40 bottom">veradedeminge</td> -<td class="width40 bottom">verademinge</td> -<td class="bottom">2</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1449">45</a>, <a class="pageref" href="#xd31e1674">53</a></td> -<td class="width40 bottom">harstocht</td> -<td class="width40 bottom">hartstocht</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1519">48</a></td> -<td class="width40 bottom">sprecht</td> -<td class="width40 bottom">spricht</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1543">49</a>, <a class="pageref" href="#xd31e2741">87</a>, <a class="pageref" href="#xd31e5559">189</a>, <a class="pageref" href="#xd31e5980">202</a></td> -<td class="width40 bottom">”</td> -<td class="width40 bottom"> -[<i>Verwijderd</i>] -</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1550">49</a></td> -<td class="width40 bottom">gelukstaat</td> -<td class="width40 bottom">geluksstaat</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1570">50</a></td> -<td class="width40 bottom">ogenblik</td> -<td class="width40 bottom">oogenblik</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1590">51</a></td> -<td class="width40 bottom">tegenstnk</td> -<td class="width40 bottom">tegenstuk</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1602">51</a></td> -<td class="width40 bottom">heben</td> -<td class="width40 bottom">hebben</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1626">52</a></td> -<td class="width40 bottom">tanten</td> -<td class="width40 bottom">tanden</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1635">52</a>, <a class="pageref" href="#xd31e5033">164</a>, <a class="pageref" href="#xd31e5044">164</a></td> -<td class="width40 bottom">een een</td> -<td class="width40 bottom">een</td> -<td class="bottom">4</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1651">53</a></td> -<td class="width40 bottom">verzachte</td> -<td class="width40 bottom">verzachtte</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1671">53</a></td> -<td class="width40 bottom">dan zijn dan zijn</td> -<td class="width40 bottom">dan zijn</td> -<td class="bottom">9</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1808">56</a></td> -<td class="width40 bottom">harstochtloosheid</td> -<td class="width40 bottom">hartstochtloosheid</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1894">57</a></td> -<td class="width40 bottom">effektenhoek</td> -<td class="width40 bottom">effectenhoek</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1911">58</a></td> -<td class="width40 bottom">de tijd slechts de tijd slechts</td> -<td class="width40 bottom">de tijd slechts</td> -<td class="bottom">16</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1920">58</a></td> -<td class="width40 bottom">geheele geheele</td> -<td class="width40 bottom">geheele</td> -<td class="bottom">8</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2050">62</a></td> -<td class="width40 bottom">;</td> -<td class="width40 bottom">,</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2053">62</a></td> -<td class="width40 bottom">sommigen</td> -<td class="width40 bottom">sommige</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2087">63</a>, <a class="pageref" href="#xd31e2384">77</a></td> -<td class="width40 bottom"> -[<i>Niet in bron</i>] -</td> -<td class="width40 bottom">het </td> -<td class="bottom">4</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2093">64</a>, <a class="pageref" href="#xd31e5863">199</a></td> -<td class="width40 bottom"> -[<i>Niet in bron</i>] -</td> -<td class="width40 bottom">de </td> -<td class="bottom">3</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2104">64</a>, <a class="pageref" href="#xd31e2736">87</a>, <a class="pageref" href="#xd31e3003">96</a>, <a class="pageref" href="#xd31e3370">111</a>, <a class="pageref" href="#xd31e6062">205</a>, <a class="pageref" href="#xd31e6143">208</a>, <a class="pageref" href="#xd31e6817">237</a>, <a class="pageref" href="#xd31e6876">241</a></td> -<td class="width40 bottom">,</td> -<td class="width40 bottom">.</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2190">70</a></td> -<td class="width40 bottom">te</td> -<td class="width40 bottom">de</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2195">70</a></td> -<td class="width40 bottom">..</td> -<td class="width40 bottom">.</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2208">70</a></td> -<td class="width40 bottom">opgesluisterd</td> -<td class="width40 bottom">opgeluisterd</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2244">73</a></td> -<td class="width40 bottom">gedachtenisfeeft</td> -<td class="width40 bottom">gedachtenisfeest</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2266">74</a></td> -<td class="width40 bottom">viend</td> -<td class="width40 bottom">vriend</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2348">76</a></td> -<td class="width40 bottom">haddden</td> -<td class="width40 bottom">hadden</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2351">76</a>, <a class="pageref" href="#xd31e5068">165</a></td> -<td class="width40 bottom">.,.</td> -<td class="width40 bottom">…</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2423">78</a></td> -<td class="width40 bottom">zoo</td> -<td class="width40 bottom">zou</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2435">78</a></td> -<td class="width40 bottom">zevenmijls-laarzen</td> -<td class="width40 bottom">zevenmijlslaarzen</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2459">79</a></td> -<td class="width40 bottom">zoowel</td> -<td class="width40 bottom">zoo wel</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2503">80</a></td> -<td class="width40 bottom">licht</td> -<td class="width40 bottom">ligt</td> -<td class="bottom">2</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2510">80</a></td> -<td class="width40 bottom">solenniter</td> -<td class="width40 bottom">solemniter</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2522">81</a></td> -<td class="width40 bottom">55</td> -<td class="width40 bottom">35</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2526">81</a></td> -<td class="width40 bottom">32</td> -<td class="width40 bottom">42</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2531">81</a></td> -<td class="width40 bottom">alleeen</td> -<td class="width40 bottom">alleen</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2552">82</a></td> -<td class="width40 bottom">blijfje</td> -<td class="width40 bottom">blijf je</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2570">82</a></td> -<td class="width40 bottom">geseheurd</td> -<td class="width40 bottom">gescheurd</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2584">83</a></td> -<td class="width40 bottom">tegen tegen</td> -<td class="width40 bottom">tegen</td> -<td class="bottom">6</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2588">83</a></td> -<td class="width40 bottom">Shakespear’s</td> -<td class="width40 bottom">Shakespeare’s</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2693">86</a></td> -<td class="width40 bottom">gelukkg</td> -<td class="width40 bottom">gelukkig</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2704">86</a></td> -<td class="width40 bottom">toetsteen</td> -<td class="width40 bottom">toetssteen</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2739">87</a>, <a class="pageref" href="#xd31e4111">138</a>, <a class="pageref" href="#xd31e4281">144</a>, <a class="pageref" href="#xd31e4284">144</a>, <a class="pageref" href="#xd31e4287">144</a>, <a class="pageref" href="#xd31e4301">144</a>, <a class="pageref" href="#xd31e5836">199</a>, <a class="pageref" href="#xd31e5839">199</a>, <a class="pageref" href="#xd31e5842">199</a>, <a class="pageref" href="#xd31e5848">199</a>, <a class="pageref" href="#xd31e5967">202</a>, <a class="pageref" href="#xd31e6218">209</a></td> -<td class="width40 bottom">„</td> -<td class="width40 bottom"> -[<i>Verwijderd</i>] -</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2800">88</a></td> -<td class="width40 bottom">Van daag</td> -<td class="width40 bottom">Vandaag</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2849">90</a></td> -<td class="width40 bottom">industrielen</td> -<td class="width40 bottom">industriëlen</td> -<td class="bottom">1 / 0</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2852">90</a></td> -<td class="width40 bottom">commerciele</td> -<td class="width40 bottom">commerciële</td> -<td class="bottom">1 / 0</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2932">94</a></td> -<td class="width40 bottom">allervolmaaakste</td> -<td class="width40 bottom">allervolmaaktste</td> -<td class="bottom">2</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2986">96</a></td> -<td class="width40 bottom">Allerhoogten</td> -<td class="width40 bottom">Allerhoogsten</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e3031">98</a></td> -<td class="width40 bottom">eeu</td> -<td class="width40 bottom">een</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e3034">98</a></td> -<td class="width40 bottom">tedoen</td> -<td class="width40 bottom">te doen</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e3143">101</a></td> -<td class="width40 bottom">zinrijden</td> -<td class="width40 bottom">zinrijken</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e3241">104</a>, <a class="pageref" href="#xd31e5178">168</a></td> -<td class="width40 bottom"> „</td> -<td class="width40 bottom">” </td> -<td class="bottom">2</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e3267">105</a></td> -<td class="width40 bottom">veel veel</td> -<td class="width40 bottom">veel</td> -<td class="bottom">5</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e3302">108</a></td> -<td class="width40 bottom">aan</td> -<td class="width40 bottom">ik</td> -<td class="bottom">3</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e3307">108</a></td> -<td class="width40 bottom">zal</td> -<td class="width40 bottom">zullen</td> -<td class="bottom">4</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e3310">108</a></td> -<td class="width40 bottom">ontvatten</td> -<td class="width40 bottom">omvatten</td> -<td class="bottom">2</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e3363">111</a></td> -<td class="width40 bottom">allengkens</td> -<td class="width40 bottom">allengskens</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e3386">113</a></td> -<td class="width40 bottom">positive</td> -<td class="width40 bottom">positieve</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e3394">114</a></td> -<td class="width40 bottom">was</td> -<td class="width40 bottom">waas</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e3410">114</a></td> -<td class="width40 bottom">onoozelheid</td> -<td class="width40 bottom">onnoozelheid</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e3493">118</a>, <a class="pageref" href="#xd31e4367">147</a></td> -<td class="width40 bottom">mij</td> -<td class="width40 bottom">mijn</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e3535">121</a></td> -<td class="width40 bottom">hartocht</td> -<td class="width40 bottom">hartstocht</td> -<td class="bottom">2</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e3545">121</a></td> -<td class="width40 bottom">klient</td> -<td class="width40 bottom">kliënt</td> -<td class="bottom">1 / 0</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e3548">121</a></td> -<td class="width40 bottom">ittebroodskind</td> -<td class="width40 bottom">wittebroodskind</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e3837">127</a></td> -<td class="width40 bottom">onuitspekelijke</td> -<td class="width40 bottom">onuitsprekelijke</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e3961">134</a></td> -<td class="width40 bottom">ver-verloren</td> -<td class="width40 bottom">verloren</td> -<td class="bottom">4</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e3985">135</a>, <a class="pageref" href="#xd31e3991">135</a>, <a class="pageref" href="#xd31e4295">144</a>, <a class="pageref" href="#xd31e5124">167</a></td> -<td class="width40 bottom"> -[<i>Niet in bron</i>] -</td> -<td class="width40 bottom">„</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e4022">137</a></td> -<td class="width40 bottom">ergenis</td> -<td class="width40 bottom">ergernis</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e4350">146</a></td> -<td class="width40 bottom">Kersmis</td> -<td class="width40 bottom">Kerstmis</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e4353">146</a></td> -<td class="width40 bottom">kersboom</td> -<td class="width40 bottom">kerstboom</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e4434">148</a></td> -<td class="width40 bottom">enthousiastische</td> -<td class="width40 bottom">enthusiastische</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e4474">149</a>, <a class="pageref" href="#xd31e7421">256</a></td> -<td class="width40 bottom">fransche</td> -<td class="width40 bottom">Fransche</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e4477">149</a></td> -<td class="width40 bottom">’thuis</td> -<td class="width40 bottom">t’huis</td> -<td class="bottom">2</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e4504">150</a></td> -<td class="width40 bottom">oorlogschepen</td> -<td class="width40 bottom">oorlogsschepen</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e4628">155</a></td> -<td class="width40 bottom">Derniére</td> -<td class="width40 bottom">Dernière</td> -<td class="bottom">1 / 0</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e4643">155</a></td> -<td class="width40 bottom">icht</td> -<td class="width40 bottom">ich</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e4662">155</a></td> -<td class="width40 bottom">Éen</td> -<td class="width40 bottom">Één</td> -<td class="bottom">1 / 0</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e4681">155</a></td> -<td class="width40 bottom">enthousiasten</td> -<td class="width40 bottom">enthusiasten</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e4756">159</a></td> -<td class="width40 bottom">mmortellen</td> -<td class="width40 bottom">inmortellen</td> -<td class="bottom">2</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e4771">159</a></td> -<td class="width40 bottom">spinasie</td> -<td class="width40 bottom">spinazie</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e4774">159</a></td> -<td class="width40 bottom">vruchbare</td> -<td class="width40 bottom">vruchtbare</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e4795">159</a></td> -<td class="width40 bottom">de de</td> -<td class="width40 bottom">de</td> -<td class="bottom">3</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e4798">159</a></td> -<td class="width40 bottom">legitime</td> -<td class="width40 bottom">legitieme</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e4814">159</a></td> -<td class="width40 bottom">muziekant</td> -<td class="width40 bottom">muzikant</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e4852">160</a></td> -<td class="width40 bottom">litterarisch</td> -<td class="width40 bottom">literarisch</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e4857">160</a></td> -<td class="width40 bottom">visite-potretten</td> -<td class="width40 bottom">visite-portretten</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e4883">161</a></td> -<td class="width40 bottom">poetische</td> -<td class="width40 bottom">poëtische</td> -<td class="bottom">1 / 0</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e4886">161</a></td> -<td class="width40 bottom">menscheid</td> -<td class="width40 bottom">menschheid</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e4934">162</a></td> -<td class="width40 bottom">famieliebelang</td> -<td class="width40 bottom">familiebelang</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e4949">162</a></td> -<td class="width40 bottom">ons ons</td> -<td class="width40 bottom">ons</td> -<td class="bottom">4</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e5059">165</a></td> -<td class="width40 bottom">bewerkstellingen</td> -<td class="width40 bottom">bewerkstelligen</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e5126">167</a></td> -<td class="width40 bottom">toe</td> -<td class="width40 bottom">tot</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e5132">167</a></td> -<td class="width40 bottom">Eén</td> -<td class="width40 bottom">Één</td> -<td class="bottom">1 / 0</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e5175">168</a></td> -<td class="width40 bottom">enthousiasme</td> -<td class="width40 bottom">enthusiasme</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e5195">168</a></td> -<td class="width40 bottom"> -[<i>Niet in bron</i>] -</td> -<td class="width40 bottom">te </td> -<td class="bottom">3</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e5201">169</a></td> -<td class="width40 bottom">,..</td> -<td class="width40 bottom">…</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e5213">169</a></td> -<td class="width40 bottom">..,</td> -<td class="width40 bottom">…</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e5223">170</a></td> -<td class="width40 bottom">Catalonie</td> -<td class="width40 bottom">Catalonië</td> -<td class="bottom">1 / 0</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e5226">170</a></td> -<td class="width40 bottom">waarachtigen</td> -<td class="width40 bottom">Waarachtige</td> -<td class="bottom">2</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e5356">178</a></td> -<td class="width40 bottom">mijne</td> -<td class="width40 bottom">mijn</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e5376">180</a></td> -<td class="width40 bottom">bebekende</td> -<td class="width40 bottom">bekende</td> -<td class="bottom">2</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e5384">181</a></td> -<td class="width40 bottom">voorbrengsel</td> -<td class="width40 bottom">voortbrengsel</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e5389">181</a></td> -<td class="width40 bottom">menschelijk</td> -<td class="width40 bottom">menschelijke</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e5396">182</a></td> -<td class="width40 bottom">zachkens</td> -<td class="width40 bottom">zachtkens</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e5419">183</a></td> -<td class="width40 bottom">noodzakkelijk</td> -<td class="width40 bottom">noodzakelijk</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e5446">183</a></td> -<td class="width40 bottom">mannelijkke</td> -<td class="width40 bottom">mannelijke</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e5449">183</a></td> -<td class="width40 bottom">toemalig</td> -<td class="width40 bottom">toenmalig</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e5513">186</a></td> -<td class="width40 bottom">hebken</td> -<td class="width40 bottom">hebben</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e5516">186</a></td> -<td class="width40 bottom">van van</td> -<td class="width40 bottom">van</td> -<td class="bottom">4</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e5523">187</a></td> -<td class="width40 bottom">Konig</td> -<td class="width40 bottom">Koning</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e5589">190</a></td> -<td class="width40 bottom">Zeewsche</td> -<td class="width40 bottom">Zeeuwsche</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e5618">192</a></td> -<td class="width40 bottom">he</td> -<td class="width40 bottom">het</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e5714">195</a></td> -<td class="width40 bottom">Saxenweimar</td> -<td class="width40 bottom">Saxen-Weimar</td> -<td class="bottom">2</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e5754">197</a></td> -<td class="width40 bottom">”!</td> -<td class="width40 bottom">!”</td> -<td class="bottom">2</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e5802">198</a></td> -<td class="width40 bottom">hebden</td> -<td class="width40 bottom">hebben</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e5816">198</a></td> -<td class="width40 bottom">beweldadgd</td> -<td class="width40 bottom">beweldadigd</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e5884">199</a></td> -<td class="width40 bottom">Maa</td> -<td class="width40 bottom">Maar</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e5887">199</a></td> -<td class="width40 bottom">heider</td> -<td class="width40 bottom">heide</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e5899">200</a></td> -<td class="width40 bottom">leuwerik</td> -<td class="width40 bottom">leeuwerik</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e5943">202</a></td> -<td class="width40 bottom">Wiilem</td> -<td class="width40 bottom">Willem</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e5947">202</a></td> -<td class="width40 bottom">krijgmansleven</td> -<td class="width40 bottom">krijgsmansleven</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e5960">202</a></td> -<td class="width40 bottom">veltocht</td> -<td class="width40 bottom">veldtocht</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e6065">205</a></td> -<td class="width40 bottom">Lauwerzee</td> -<td class="width40 bottom">Lauwerszee</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e6083">206</a></td> -<td class="width40 bottom">dik, wijls</td> -<td class="width40 bottom">dikwijls</td> -<td class="bottom">2</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e6086">206</a></td> -<td class="width40 bottom">eer-</td> -<td class="width40 bottom">eer,</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e6089">206</a></td> -<td class="width40 bottom">Belgies</td> -<td class="width40 bottom">Belgiës</td> -<td class="bottom">1 / 0</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e6093">206</a></td> -<td class="width40 bottom">ou</td> -<td class="width40 bottom">zou</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e6096">206</a></td> -<td class="width40 bottom">kruiddamp</td> -<td class="width40 bottom">kruitdamp</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e6099">206</a></td> -<td class="width40 bottom">lijkleed</td> -<td class="width40 bottom">lijkkleed</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e6267">210</a></td> -<td class="width40 bottom">bragt</td> -<td class="width40 bottom">bracht</td> -<td class="bottom">2</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e6298">211</a></td> -<td class="width40 bottom">Adriaanz.</td> -<td class="width40 bottom">Adriaansz.</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e6341">212</a>, <a class="pageref" href="#xd31e6431">214</a></td> -<td class="width40 bottom">vau</td> -<td class="width40 bottom">van</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e6363">213</a></td> -<td class="width40 bottom">vrolijk</td> -<td class="width40 bottom">vroolijk</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e6424">214</a></td> -<td class="width40 bottom"> -[<i>Niet in bron</i>] -</td> -<td class="width40 bottom">van </td> -<td class="bottom">4</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e6504">217</a></td> -<td class="width40 bottom">geeerde</td> -<td class="width40 bottom">geëerde</td> -<td class="bottom">1 / 0</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e6509">217</a></td> -<td class="width40 bottom">eertitel</td> -<td class="width40 bottom">eretitel</td> -<td class="bottom">2</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e6536">218</a>, <a class="pageref" href="#xd31e6918">245</a></td> -<td class="width40 bottom">ligchaam</td> -<td class="width40 bottom">lichaam</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e6554">219</a></td> -<td class="width40 bottom">Vriesche</td> -<td class="width40 bottom">Friesche</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e6579">220</a></td> -<td class="width40 bottom">dichst</td> -<td class="width40 bottom">dichtst</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e6586">221</a></td> -<td class="width40 bottom">samey</td> -<td class="width40 bottom">samen</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e6615">225</a></td> -<td class="width40 bottom">bekennnen</td> -<td class="width40 bottom">bekennen</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e6679">229</a></td> -<td class="width40 bottom">daarv’ren</td> -<td class="width40 bottom">daav’ren</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e6764">234</a></td> -<td class="width40 bottom">muzijk</td> -<td class="width40 bottom">muziek</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e6796">236</a></td> -<td class="width40 bottom">doet</td> -<td class="width40 bottom">deed</td> -<td class="bottom">2</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e6812">236</a></td> -<td class="width40 bottom">langzamerheid</td> -<td class="width40 bottom">langzamerhand</td> -<td class="bottom">2</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e6822">237</a></td> -<td class="width40 bottom">het</td> -<td class="width40 bottom">hem</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e6853">240</a></td> -<td class="width40 bottom">regt</td> -<td class="width40 bottom">recht</td> -<td class="bottom">2</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e6879">241</a></td> -<td class="width40 bottom">gezigt</td> -<td class="width40 bottom">gezicht</td> -<td class="bottom">2</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e6897">243</a></td> -<td class="width40 bottom"> -[<i>Niet in bron</i>] -</td> -<td class="width40 bottom">dit </td> -<td class="bottom">4</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e6910">244</a></td> -<td class="width40 bottom">kompagnien</td> -<td class="width40 bottom">kompagniën</td> -<td class="bottom">1 / 0</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e6913">244</a></td> -<td class="width40 bottom">sectien</td> -<td class="width40 bottom">sectiën</td> -<td class="bottom">1 / 0</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e6926">245</a></td> -<td class="width40 bottom">vrolijke</td> -<td class="width40 bottom">vroolijke</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e6939">246</a></td> -<td class="width40 bottom">laa</td> -<td class="width40 bottom">laat</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e7044">251</a></td> -<td class="width40 bottom">Naauwelijks</td> -<td class="width40 bottom">Nauwelijks</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -</table> -<h3 class="main">Afkortingen</h3> -<p>Overzicht van gebruikte afkortingen.</p> -<table class="abbreviationtable" summary="Overzicht van gebruikte afkortingen."> -<tr> -<th>Afkorting</th> -<th>Uitgeschreven</th> -</tr> -<tr> -<td class="bottom">bv.</td> -<td class="bottom">bijvoorbeeld</td> -</tr> -</table> -</div> -</div> -<div style='display:block; margin-top:4em'>*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK WAARHEID EN DROOMEN ***</div> -<div style='text-align:left'> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -Updated editions will replace the previous one—the old editions will -be renamed. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright -law means that no one owns a United States copyright in these works, -so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the United -States without permission and without paying copyright -royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part -of this license, apply to copying and distributing Project -Gutenberg™ electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG™ -concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark, -and may not be used if you charge for an eBook, except by following -the terms of the trademark license, including paying royalties for use -of the Project Gutenberg trademark. If you do not charge anything for -copies of this eBook, complying with the trademark license is very -easy. You may use this eBook for nearly any purpose such as creation -of derivative works, reports, performances and research. Project -Gutenberg eBooks may be modified and printed and given away--you may -do practically ANYTHING in the United States with eBooks not protected -by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the trademark -license, especially commercial redistribution. -</div> - -<div style='margin:0.83em 0; font-size:1.1em; text-align:center'>START: FULL LICENSE<br> -<span style='font-size:smaller'>THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE<br> -PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK</span> -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -To protect the Project Gutenberg™ mission of promoting the free -distribution of electronic works, by using or distributing this work -(or any other work associated in any way with the phrase “Project -Gutenberg”), you agree to comply with all the terms of the Full -Project Gutenberg™ License available with this file or online at -www.gutenberg.org/license. -</div> - -<div style='display:block; font-size:1.1em; margin:1em 0; font-weight:bold'> -Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg™ electronic works -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg™ -electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to -and accept all the terms of this license and intellectual property -(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all -the terms of this agreement, you must cease using and return or -destroy all copies of Project Gutenberg™ electronic works in your -possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a -Project Gutenberg™ electronic work and you do not agree to be bound -by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the person -or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.B. “Project Gutenberg” is a registered trademark. It may only be -used on or associated in any way with an electronic work by people who -agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few -things that you can do with most Project Gutenberg™ electronic works -even without complying with the full terms of this agreement. See -paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project -Gutenberg™ electronic works if you follow the terms of this -agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg™ -electronic works. See paragraph 1.E below. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation (“the -Foundation” or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection -of Project Gutenberg™ electronic works. Nearly all the individual -works in the collection are in the public domain in the United -States. If an individual work is unprotected by copyright law in the -United States and you are located in the United States, we do not -claim a right to prevent you from copying, distributing, performing, -displaying or creating derivative works based on the work as long as -all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope -that you will support the Project Gutenberg™ mission of promoting -free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg™ -works in compliance with the terms of this agreement for keeping the -Project Gutenberg™ name associated with the work. You can easily -comply with the terms of this agreement by keeping this work in the -same format with its attached full Project Gutenberg™ License when -you share it without charge with others. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern -what you can do with this work. Copyright laws in most countries are -in a constant state of change. If you are outside the United States, -check the laws of your country in addition to the terms of this -agreement before downloading, copying, displaying, performing, -distributing or creating derivative works based on this work or any -other Project Gutenberg™ work. The Foundation makes no -representations concerning the copyright status of any work in any -country other than the United States. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.E.1. The following sentence, with active links to, or other -immediate access to, the full Project Gutenberg™ License must appear -prominently whenever any copy of a Project Gutenberg™ work (any work -on which the phrase “Project Gutenberg” appears, or with which the -phrase “Project Gutenberg” is associated) is accessed, displayed, -performed, viewed, copied or distributed: -</div> - -<blockquote> - <div style='display:block; margin:1em 0'> - This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and most - other parts of the world at no cost and with almost no restrictions - whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms - of the Project Gutenberg License included with this eBook or online - at <a href="https://www.gutenberg.org">www.gutenberg.org</a>. If you - are not located in the United States, you will have to check the laws - of the country where you are located before using this eBook. - </div> -</blockquote> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.E.2. If an individual Project Gutenberg™ electronic work is -derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not -contain a notice indicating that it is posted with permission of the -copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in -the United States without paying any fees or charges. If you are -redistributing or providing access to a work with the phrase “Project -Gutenberg” associated with or appearing on the work, you must comply -either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or -obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg™ -trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.E.3. If an individual Project Gutenberg™ electronic work is posted -with the permission of the copyright holder, your use and distribution -must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any -additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms -will be linked to the Project Gutenberg™ License for all works -posted with the permission of the copyright holder found at the -beginning of this work. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg™ -License terms from this work, or any files containing a part of this -work or any other work associated with Project Gutenberg™. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this -electronic work, or any part of this electronic work, without -prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with -active links or immediate access to the full terms of the Project -Gutenberg™ License. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, -compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including -any word processing or hypertext form. However, if you provide access -to or distribute copies of a Project Gutenberg™ work in a format -other than “Plain Vanilla ASCII” or other format used in the official -version posted on the official Project Gutenberg™ website -(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense -to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means -of obtaining a copy upon request, of the work in its original “Plain -Vanilla ASCII” or other form. Any alternate format must include the -full Project Gutenberg™ License as specified in paragraph 1.E.1. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, -performing, copying or distributing any Project Gutenberg™ works -unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing -access to or distributing Project Gutenberg™ electronic works -provided that: -</div> - -<div style='margin-left:0.7em;'> - <div style='text-indent:-0.7em'> - • You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from - the use of Project Gutenberg™ works calculated using the method - you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed - to the owner of the Project Gutenberg™ trademark, but he has - agreed to donate royalties under this paragraph to the Project - Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid - within 60 days following each date on which you prepare (or are - legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty - payments should be clearly marked as such and sent to the Project - Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in - Section 4, “Information about donations to the Project Gutenberg - Literary Archive Foundation.” - </div> - - <div style='text-indent:-0.7em'> - • You provide a full refund of any money paid by a user who notifies - you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he - does not agree to the terms of the full Project Gutenberg™ - License. You must require such a user to return or destroy all - copies of the works possessed in a physical medium and discontinue - all use of and all access to other copies of Project Gutenberg™ - works. - </div> - - <div style='text-indent:-0.7em'> - • You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of - any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the - electronic work is discovered and reported to you within 90 days of - receipt of the work. - </div> - - <div style='text-indent:-0.7em'> - • You comply with all other terms of this agreement for free - distribution of Project Gutenberg™ works. - </div> -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project -Gutenberg™ electronic work or group of works on different terms than -are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing -from the Project Gutenberg Literary Archive Foundation, the manager of -the Project Gutenberg™ trademark. Contact the Foundation as set -forth in Section 3 below. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.F. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable -effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread -works not protected by U.S. copyright law in creating the Project -Gutenberg™ collection. Despite these efforts, Project Gutenberg™ -electronic works, and the medium on which they may be stored, may -contain “Defects,” such as, but not limited to, incomplete, inaccurate -or corrupt data, transcription errors, a copyright or other -intellectual property infringement, a defective or damaged disk or -other medium, a computer virus, or computer codes that damage or -cannot be read by your equipment. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the “Right -of Replacement or Refund” described in paragraph 1.F.3, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project -Gutenberg™ trademark, and any other party distributing a Project -Gutenberg™ electronic work under this agreement, disclaim all -liability to you for damages, costs and expenses, including legal -fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT -LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE -PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE -TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE -LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR -INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH -DAMAGE. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a -defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can -receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a -written explanation to the person you received the work from. If you -received the work on a physical medium, you must return the medium -with your written explanation. The person or entity that provided you -with the defective work may elect to provide a replacement copy in -lieu of a refund. If you received the work electronically, the person -or entity providing it to you may choose to give you a second -opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If -the second copy is also defective, you may demand a refund in writing -without further opportunities to fix the problem. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth -in paragraph 1.F.3, this work is provided to you ‘AS-IS’, WITH NO -OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT -LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied -warranties or the exclusion or limitation of certain types of -damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement -violates the law of the state applicable to this agreement, the -agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or -limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or -unenforceability of any provision of this agreement shall not void the -remaining provisions. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the -trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone -providing copies of Project Gutenberg™ electronic works in -accordance with this agreement, and any volunteers associated with the -production, promotion and distribution of Project Gutenberg™ -electronic works, harmless from all liability, costs and expenses, -including legal fees, that arise directly or indirectly from any of -the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this -or any Project Gutenberg™ work, (b) alteration, modification, or -additions or deletions to any Project Gutenberg™ work, and (c) any -Defect you cause. -</div> - -<div style='display:block; font-size:1.1em; margin:1em 0; font-weight:bold'> -Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg™ -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -Project Gutenberg™ is synonymous with the free distribution of -electronic works in formats readable by the widest variety of -computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It -exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations -from people in all walks of life. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -Volunteers and financial support to provide volunteers with the -assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg™’s -goals and ensuring that the Project Gutenberg™ collection will -remain freely available for generations to come. In 2001, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure -and permanent future for Project Gutenberg™ and future -generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see -Sections 3 and 4 and the Foundation information page at www.gutenberg.org. -</div> - -<div style='display:block; font-size:1.1em; margin:1em 0; font-weight:bold'> -Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non-profit -501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the -state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal -Revenue Service. The Foundation’s EIN or federal tax identification -number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by -U.S. federal laws and your state’s laws. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -The Foundation’s business office is located at 809 North 1500 West, -Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up -to date contact information can be found at the Foundation’s website -and official page at www.gutenberg.org/contact -</div> - -<div style='display:block; font-size:1.1em; margin:1em 0; font-weight:bold'> -Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -Project Gutenberg™ depends upon and cannot survive without widespread -public support and donations to carry out its mission of -increasing the number of public domain and licensed works that can be -freely distributed in machine-readable form accessible by the widest -array of equipment including outdated equipment. Many small donations -($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt -status with the IRS. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -The Foundation is committed to complying with the laws regulating -charities and charitable donations in all 50 states of the United -States. Compliance requirements are not uniform and it takes a -considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up -with these requirements. We do not solicit donations in locations -where we have not received written confirmation of compliance. To SEND -DONATIONS or determine the status of compliance for any particular state -visit <a href="https://www.gutenberg.org/donate/">www.gutenberg.org/donate</a>. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -While we cannot and do not solicit contributions from states where we -have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition -against accepting unsolicited donations from donors in such states who -approach us with offers to donate. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -International donations are gratefully accepted, but we cannot make -any statements concerning tax treatment of donations received from -outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -Please check the Project Gutenberg web pages for current donation -methods and addresses. Donations are accepted in a number of other -ways including checks, online payments and credit card donations. To -donate, please visit: www.gutenberg.org/donate -</div> - -<div style='display:block; font-size:1.1em; margin:1em 0; font-weight:bold'> -Section 5. General Information About Project Gutenberg™ electronic works -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -Professor Michael S. Hart was the originator of the Project -Gutenberg™ concept of a library of electronic works that could be -freely shared with anyone. For forty years, he produced and -distributed Project Gutenberg™ eBooks with only a loose network of -volunteer support. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -Project Gutenberg™ eBooks are often created from several printed -editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in -the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not -necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper -edition. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -Most people start at our website which has the main PG search -facility: <a href="https://www.gutenberg.org">www.gutenberg.org</a>. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -This website includes information about Project Gutenberg™, -including how to make donations to the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to -subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. -</div> - -</div> - -</body> -</html> diff --git a/old/66223-h/images/new-cover.jpg b/old/66223-h/images/new-cover.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index 1b3a423..0000000 --- a/old/66223-h/images/new-cover.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/66223-h/images/titlepage.png b/old/66223-h/images/titlepage.png Binary files differdeleted file mode 100644 index d0f1733..0000000 --- a/old/66223-h/images/titlepage.png +++ /dev/null |
