summaryrefslogtreecommitdiff
diff options
context:
space:
mode:
authornfenwick <nfenwick@pglaf.org>2025-01-22 17:44:14 -0800
committernfenwick <nfenwick@pglaf.org>2025-01-22 17:44:14 -0800
commit41c54c2dd96bfd8559a93c527f90ff5c94c1e6f3 (patch)
tree3231221f39dc7091a43b147698d881f8da4b0a5a
parent00f80c80168630babb383b42d795cf5de66bdc5a (diff)
NormalizeHEADmain
-rw-r--r--.gitattributes4
-rw-r--r--LICENSE.txt11
-rw-r--r--README.md2
-rw-r--r--old/66223-0.txt12230
-rw-r--r--old/66223-0.zipbin281143 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/66223-h.zipbin354237 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/66223-h/66223-h.htm11650
-rw-r--r--old/66223-h/images/new-cover.jpgbin41766 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/66223-h/images/titlepage.pngbin5270 -> 0 bytes
9 files changed, 17 insertions, 23880 deletions
diff --git a/.gitattributes b/.gitattributes
new file mode 100644
index 0000000..d7b82bc
--- /dev/null
+++ b/.gitattributes
@@ -0,0 +1,4 @@
+*.txt text eol=lf
+*.htm text eol=lf
+*.html text eol=lf
+*.md text eol=lf
diff --git a/LICENSE.txt b/LICENSE.txt
new file mode 100644
index 0000000..6312041
--- /dev/null
+++ b/LICENSE.txt
@@ -0,0 +1,11 @@
+This eBook, including all associated images, markup, improvements,
+metadata, and any other content or labor, has been confirmed to be
+in the PUBLIC DOMAIN IN THE UNITED STATES.
+
+Procedures for determining public domain status are described in
+the "Copyright How-To" at https://www.gutenberg.org.
+
+No investigation has been made concerning possible copyrights in
+jurisdictions other than the United States. Anyone seeking to utilize
+this eBook outside of the United States should confirm copyright
+status under the laws that apply to them.
diff --git a/README.md b/README.md
new file mode 100644
index 0000000..5fe02ee
--- /dev/null
+++ b/README.md
@@ -0,0 +1,2 @@
+Project Gutenberg (https://www.gutenberg.org) public repository for
+eBook #66223 (https://www.gutenberg.org/ebooks/66223)
diff --git a/old/66223-0.txt b/old/66223-0.txt
deleted file mode 100644
index 7f84024..0000000
--- a/old/66223-0.txt
+++ /dev/null
@@ -1,12230 +0,0 @@
-The Project Gutenberg eBook of Waarheid en droomen, by Johannes Petrus
-Hasebroek
-
-This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
-most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
-whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
-of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at
-www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you
-will have to check the laws of the country where you are located before
-using this eBook.
-
-Title: Waarheid en droomen
-
-Author: Johannes Petrus Hasebroek
-
-Release Date: September 5, 2021 [eBook #66223]
-
-Language: Dutch
-
-Character set encoding: UTF-8
-
-Produced by: Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading
- Team at https://www.pgdp.net/ for Project Gutenberg (This book
- was produced from scanned images of public domain material
- from the Google Books project.)
-
-*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK WAARHEID EN DROOMEN ***
-
-
-
- WAARHEID EN DROOMEN,
-
- DOOR
- JONATHAN.
-
-
- Vijfde, opnieuw vermeerderde druk.
-
-
- LEIDEN,
- E. J. BRILL.
- 1872.
-
-
-
-
-
-
-
-
- Οὑτος μὲν πανάριστος, ὅς αὑτῷ πάντα νοήσει.
-
- HESIODUS.
-
-
-
-
-
-
-
-
-VOORBERICHT.
-
-
-Gelijk ieder boek, dat het licht ziet, hebben ook de hierna volgende
-bladen, die bij dezen den lezer op nieuw worden aangeboden, hunne eigen
-geschiedenis.
-
-Onopzettelijker en met minder bepaald plan om als een afzonderlijk,
-zelfstandig, deftig boek, op eigen beenen, de wereld der openbaarheid
-in te treden, is wel zelden eenige letter-arbeid zijne wandeling onder
-de menschen begonnen. Het was een tweetal vrienden, die, tot mijne en
-veler vreugde, nog thans de eer en de trots der vaderlandsche
-letterkunde zijn, welke tot het ontstaan van de eerste hier voorkomende
-Schets aanleiding gaven. Het was eenigszins als bij wijze van een
-dichterlijk spel, dat die bladzijden ten papiere werden gebracht, om
-het bloemenkorfje van de bekoorlijke, helaas, te vroeg gestorven
-Tesselschade te helpen vullen en versieren. Dat de verzamelaar van dien
-bloemruiker het eenvoudige bloemeke uit de hand des vriends niet
-afwees, liet zich verstaan en verklaren. Maar dat het groote Publiek
-gunstig genoeg geluimd was, niet alleen om deze geringe veldbloem
-welwillend aan en op te nemen, maar haar ook een blijvende plaats in
-zijn kamertuin te geven, was meer, oneindig meer, dan men zich had
-beloofd. Was het wonder, dat men, ziende welk een onthaal die soort van
-gewas vond, er meer opzettelijk werk van begon te maken en met dat doel
-een kleine kweekerij werd aangelegd?
-
-Met de voorspoedig ontluikende spruiten van dien hof werden nu van tijd
-tot tijd ook andere bloemkorven voorzien. Niet alleen de kunst-keurige
-Tesselschade, ook de klassieke Gids, de Gids, zooals De Génestet zingt:
-
-
- in lang vervlogen dagen,
- Eer in zijn hart, verflauwd voor Letteren en Kunst,
- Hebreeuwsch en politiek, ach, stegen in de gunst,
-
-
-ook het toen nog zoo populaire en veelgelezen Leeskabinet, ook de eens
-zoo bloeiende, maar spoedig uitgebloeide Nederlandsche Maatschappij van
-schoone kunsten hadden voor haar een plaatsje over. Zoo ontstond van
-lieverlede eene gansche verzameling, die, hoewel altoos niet groot,
-toch na eenigen tijd groot genoeg geworden was, om voor zich in den
-Nederlandschen letterhof een eigen plek te vragen. Onder den algemeenen
-titel van Waarheid en droomen door Jonathan, kwam in 1840 de eerste
-uitgave der bijeenvergaderde Schetsen in het licht.
-
-De opname was zoo ongedacht gunstig, dat nog in hetzelfde jaar een
-tweede oplage noodig werd. In 1846 volgde een derde, in 1856 een vierde
-uitgave, en nu, in 1872, verschijnt bij dezen een vijfde, weder op
-nieuw vermeerderde druk.
-
-Vermeerderd—waarom?
-
-Ik zal eerlijk opbiechten. Ik voor mij zou daartoe uit eigen beweging
-wel niet gekomen zijn. Maar in die dagen was de oorspronkelijke
-uitgever van de Jonathaniana, mijn wakkere, bekwame en achtenswaardige
-vriend Pieter François Bohn nog in het land der levenden. Hij verraste
-mij met de aankondiging, dat een nieuwe oplage van de Waarheid en
-Droomen noodig was geworden, en dat ook werkelijk bij hem het plan
-bestond om daartoe eerlang over te gaan. Maar hij voegde bij die
-mededeeling, zonder er juist een voorwaarde van te maken, toch een
-dringenden wensch, dat er aan de oorspronkelijke verzameling althans
-een enkele nieuwe Schets mocht worden toegevoegd, die daaraan als een
-zeker waas en geur van verschheid en frischheid geven zou. Had ik
-recht, of onrecht, voor dien aandrang te bezwijken? Ik weet het niet.
-Misschien had ik beter gedaan, ook hier den bekenden rechtsregel te
-gedenken: Non bis in idem. Misschien was het al te laat in ’t jaar
-geworden, om nog op een groen Sint-Jans-lot te hopen. Misschien doet de
-oude man beter, om met zijn roestig geworden stem het liedje van
-vroeger dagen niet nog eens op nieuw te willen opneuriën... Wat baat
-het alles? Ik was, ondanks dit alles, zwak genoeg toe te geven. De
-nieuwe Schets werd geschreven, en onder het opschrift: Een
-afscheidsbezoek in 1871 aan de overige verzameling toegevoegd.
-
-En zoo geef ik hierbij den geheelen bundel, gelijk hij nu is ingericht,
-den goedgunstigen lezer over. Ik doe het echter met een gemengd gevoel.
-Het is als zag ik een rouwrand om den titel. Er bestaat een populair
-rijmpje:
-
-
- Het boompje groot;
- De planter dood.
-
-
-Dit komt mij nu als van zelf voor den geest, bij den blik op deze
-afgedrukte bladen, wier oorspronkelijke uitgever ook dit deel zijns
-werks met zooveel wakkerheid aanvatte, maar het niet ten einde brengen
-mocht. Hij heeft zelfs de nieuwe Schets, tot wier vervaardiging hij den
-stoot gaf, niet eens gezien! Een memento meer bij zoovele anderen,
-waarvan de volgende bladen spreken. Ik betreur dit overlijden, niet zoo
-zeer om het boek, dat nu toch op zijn tijd behoorlijk in de wereld
-komt, als om den Vriend, met wien mij een langdurig verkeer op de
-hartelijkste wijze verbond. Aan zijn hand verscheen ik, met mijn Rijm
-en Onrijm beide, het eerst voor het groot Publiek; toen, en later,
-dankte ik aan hem menigen nuttigen wenk, die getuigde van zijn helder
-hoofd, gezond hart en goeden smaak.—Ik werp dus, in deze eenvoudige
-mededeeling, een bloem van hulde en erkentenis op zijn pasgesloten
-graf. Ik weet, dat ik, zoo doende, niet alleen voor mij zei ven, maar
-ook uit naam van meer anderen spreke, die erkennen zullen, aan de
-medewerking van den bekwamen en ijverigen Uitgever hunner werken geen
-mindere verplichting te hebben, dan ik gevoel hem schuldig te zijn—en
-te willen blijven.
-
-En nu ik eens den voet op dit gebied der herinnering gezet heb, hoevele
-liefelijke beelden uit het verleden verrijzen daarbij voor mijnen
-geest!
-
-Een mensch kan twee levens leven: een historisch, reëel, en een
-literarisch leven—een leven, ook hier, van Waarheid en van Droomen, als
-gij wilt. Het eerste is zeker in menig opzicht het belangrijkste, het
-ware, het eigenlijke leven; maar ook het tweede heeft, naast en in het
-eerste, zijne eigen beteekenis en waardij. Maar nu, met het oog daarop,
-kan Jonathan niet dan met groote dankbaarheid erkennen, dat, terwijl
-zijn werkelijk leven, als ieder weefsel der Schikgodinnen, zijn
-gemengde witte en zwarte draden gehad heeft, de webbe van zijn
-letterkundig leven schier niet dan enkel witte draden bevat. Hoeveel
-vrienden heeft hij op zijne omwandeling, nu reeds aanvankelijk onder
-een tweede geslacht, gevonden en behouden! En daarentegen, hoe weinig
-harde beoordeeling of behandeling heeft hij... ja, heeft hij daarvan
-ooit wel iets ondervonden? Hij kan het zich niet herinneren. Kon hij
-aan deze Schetsen een verhaal van zijne ervaringen op dit punt
-toevoegen!... maar dat behoort in het Geheime Dagboek, dat niet onder
-vreemde oogen komt. Waartoe dan de vermelding? Alleen uit een gevoel
-van dankbaarheid jegens de zachte lucht, die zijn zwak en teer gewas
-tot nu toe in ’t leven heeft gehouden, en het nu weer, als eene
-vernieuwing des levens, een nieuwen bloeitijd gunt. Moge ook later die
-lucht even zacht blijven. De heerlijke Juli-zon van dit jaar,
-schijnende over het bekoorlijke Dal aan de oevers van de Vesdre, nabij
-de wellen der Warme-Bron, [1] waar ik deze regelen nederschrijve,
-schijnt mij daarvoor een goed en veelbelovend voorteeken te wezen. Moge
-dit voorteeken niet liegen. In die hoop, ga dan, mijn bloemeke, en
-bloei, en geur, zoolang uw zomerdag duurt, en breng met dezen uwen geur
-aan allen, die u welkom heeten en in liefde ontvangen, den heilwensen
-van uwen kweeker over in het ouderwetsche, maar hartelijk gemeende
-woord, dat ik zoo vaak als een devies op een breekbare gave der
-erkentenis en der liefde las: Wandel op rozen en—vergeet mij niet!
-
-
- Juli 1872.
-
- JONATHAN.
-
-
-
-
-
-
-
-
-DE HAARLEMSCHE COURANT.
-
-
-„Hebt gij den brievenpost reeds gehoord?”
-
-Dit is driemaal ’s weeks mijn eerste vraag, als ik den voet buiten mijn
-slaapkamer zet, om te gaan ontbijten.
-
-En waarom, meent gij?
-
-Omdat ik belangrijke handelsberichten verwacht?—Gij vergist u. Ik heb
-met geen koopman ter wereld iets uitstaande, als gij den makelaar, die
-mijne weinige effecten, rara folia, beheert, en den Amsterdamschen
-tabakskooper, die mij maandelijks mijn varinas zendt, uitzondert.
-
-Omdat ik een brief van teederen aard te gemoet zie?—Nog minder. Ik ben
-een oud vrijer, en heb in die soort van correspondentie niets meer te
-verwachten, sedert ik het kleine bundeltje, dat ik vroeger op mijn hart
-droeg, met een rozerood lint omwonden en met een hieroglyphisch cachet
-verzegeld, in een verborgen lade van mijn secretaire sloot.
-
-Omdat ik naar een brief met zwarte randen uitkijk, die mij de
-testamentaire dispositie van een rijken oudoom berichten moet?—Gelukkig
-niet. Ik heb het voorrecht, den laatsten, wiens overlijden mij voordeel
-kon aanbrengen, te hebben zien sterven. Nu ben ik verlost van dat
-onaangenaam gevoel van kwade begeerlijkheid, dat het gezicht van een
-gegoeden en ongehuwden bloedverwant altijd in mij opwekte; een gevoel,
-niet ongelijk aan den zelfstrijd van den arme, die er niet buiten kan,
-zijn gemest ooilam met beluste oogen aan te zien.
-
-Ik zie wel, ge zult het niet raden. Welnu! die vraag ontstaat uit
-ongeduldig verlangen naar de Haarlemsche Courant.
-
-Naar de Haarlemsche Courant?
-
-Ja, lezer! maar niet geheel om dezelfde reden, waarom gij er denkelijk
-naar verlangt. Mij dunkt, ik zie u, zoo als gij haar vrij onverschillig
-in de hand neemt, eerst de advertentiën doorloopt, en tot de tegen u
-overzittende dame het woord richt: „Mevrouw A. heeft eene dochter. Jack
-is ridder geworden. De advokaat B. is dood,” enz. De advertentiën
-doorgelezen hebbende, gaat gij, achterwaarts opklimmende, tot het
-staatkundige nieuws over, zoekt bij voorkeur de opgave van brand,
-stormen en landziekten op, en eindigt met een vluchtigen blik op de
-verschillende aankondigingen te werpen. Eindelijk legt ge geeuwende het
-blad uit de handen, en reikt het uwe vrouw of zuster toe, met het
-vonnis:
-
-„Heden niets nieuws.”
-
-Geheel anders gaat het bij mij toe. Als mijn getrouwe huiszorg mij
-verzekerd heeft, dat het blad van Enschedé met den post is aangekomen,
-treed ik met een genoegelijk gezicht in de ontbijtkamer. De courant,
-zoo als zij, nog nat van de pers, en door geene ongewijde aanraking
-gekreukt, naast mijn bord op tafel ligt, lacht mij reeds bij het
-binnenkomen toe. Ik sla er echter geen hand aan, voordat ik eerst de
-thee gezet heb; zelfs ligt in dat uitstel voor mij een soort van
-weelde, zoodat ik mij wel wacht, mij bij dit werk te overhaasten.
-Eindelijk ben ik met mijn toestel gereed. Na mijn eerste geurige kopje
-met langzame teugen te hebben opgeslurpt, vat ik met eerbiedige vingers
-de belangrijke bladen aan. Strauss zegt ergens, dat er iets
-karakteristieks lag in de wijze, waarop zijn vader den Bijbel na het
-lezen toesloeg; mij dunkt, die mij de Haarlemsche Courant ziet
-openvouwen, moet insgelijks iets bemerken van de hooge ingenomenheid,
-die ik voor haar gevoel. Daar ligt nu de breede vlakte wellustig voor
-mij uitgespreid. Ik begin—met het begin. Zelfs het opschrift trekt
-somwijlen mijne aandacht.
-
-Opregte ***dagsche Haarlemsche Courant. Welk een oude, deftige naam!
-Het blad krijgt er het voorkomen van een klassiek gedenkstuk door, als
-ware het een nieuwe livraison van eene altijd doorloopende historische
-en statistische encyclopedie. Dan denk ik er aan, hoe vele jaren het
-nieuws van den dag zich onder dezen vorm bij onze voorouders heeft
-aangemeld, en ik heb eerbied voor dien trek van gehechtheid aan het
-oude, zoo hemelsbreed verschillende van de veranderziekte der overige
-natiën, bij wie het eene journaal het andere verdringt, naarmate de
-verschillende partijen rijzen of dalen. Niet aldus bij ons. In de
-Haarlemsche Courant is reeds de dood mijns vaders en van den vader
-mijns vaders op gelijke wijze aangekondigd geworden. Zij bevat de
-gansche geschiedenis van mijn geslacht; zij zou voor mij het eerste
-blad uit mijn folio Statenbijbel kunnen vervangen, waarin wij van ouder
-tot ouder gewoon zijn onze donkere en heldere dagen aan te teekenen.
-Waarlijk, er is iets plechtigs in de onafgewisselde eentoonigheid van
-dit nieuwspapier. Ieder dag levert daaraan zijn vast contingent van
-bulletins, geboortecedels en sterflijsten. Een louter staatkundig blad
-moge somtijds gebrek aan stoffe hebben, de Haarlemsche Courant nooit.
-Zij vervolgt altijd even zeker, even kort en treffend de geschiedenis,
-door de hand van den eersten Historiograaf aangevangen: „Ende Adam
-gewan Seth, ende hy stierf; ende Seth gewan Enos, ende hy stierf.” En
-als ik aan de geslachten denk, welke deze bode des doods, even koel als
-de dood zelf, heeft zien voorbijgaan, dan zoekt mijn oog naar het
-plaatsje, dat ik welhaast in het zwart register zal innemen; dan vraag
-ik mijzelven af, wie bij mijn overlijden de lijkklacht zal aanheffen;
-met welk gevoel mijne bekenden het blad uit de hand zullen leggen,
-waarin mijn naam voor de jongste maal voorkomt, en welke geschiedenis
-de Courant—of, dat hetzelfde is, de hand Gods van mijn geslacht zal
-schrijven, tot den dag toe, dat er niemand meer over is, om het
-doodsbericht van mijnen laatsten naneef te onderteekenen, dan de
-onverschillige executeur. Zie, zulke gedachten verwekt somwijlen bij
-mij het gezicht van dat onveranderlijk opschrift: Opregte Haarlemsche
-Courant.
-
-Ik ga voort, en neem kennis van de historische en politieke berichten,
-die mij worden medegedeeld: even als ieder ander, heb ik hier mijne
-artikelen, waarop bij voorkeur mijn oog valt. Curiositeiten liggen
-geheel buiten den kring van mijnen smaak. Ook sla ik altijd de
-eeuwigdurende twisten der wetgevende kamers over. Om er rond voor uit
-te komen, die nietigheden zijn mij te nietig. Ik houd mij liever bij
-grooter gebeurtenissen en personen op; daaronder voel ik mijn hart
-opgeheven; daarbij denk ik: „Waerom woeden de Heydenen, ende bedencken
-de volckeren ydelheyt? De koninghen der aerde stellen sich op, ende de
-vorsten beraetslaghen te samen teghen den Heere ende teghen sijnen
-Gesalfden, seggende: Laet ons hare banden verscheuren ende hare touwen
-van ons werpen. Die in den Hemel woont, sal lachen; de Heere sal ze
-bespotten.”—O, wie met een vroom oog leest, kan in de Haarlemsche
-Courant een vervolg op de boeken der heilige Profeten vinden. Of
-schrijft zij niet, even als de oirkonden des O. T., de geschiedenis der
-Voorzienigheid? Leert zij niet tastbaar: „De volckeren sijn geacht als
-een druppel van eenen eemer en als een stofken van de weeghschale. Des
-Konincx herte is in de hant des Heeren als waterbeken: hy neyght het
-tot al dat hy wil.”—En als gij hier tusschen de puinhoopen van
-vervallen grootheid, en daar in de schaduw van nieuwgebouwde muren
-wandelt, herkent gij daar den vinger Gods niet in, die, sedert de
-tijden van Babels torenbouw, niet opgehouden heeft trotsche hoogten te
-vernederen en lage vlakten te verheffen? Ja, al zoudt gij mij van
-zonderlingheid verdenken, ik moet er voor uitkomen, dat die onedele en
-platte stijl, waarin de courantier zijne berichten schrijft, en die
-zulk een treffend contrast vormt met het indrukwekkende en leerzame van
-den inhoud, voor mij zijne grillige bekoorlijkheid heeft. Dit is ook
-een soort van schat in aarden vaten: een profetie, gepredikt door een,
-die zwaar van mond en zwaar van tong is; een pijl, door den Syriër in
-zijne eenvoudigheid geschoten. In allen gevalle verkies ik de verzwegen
-lessen van de Haarlemmer nieuwsberichten verre boven menige
-verhandeling „over de wegen der Voorzienigheid in deze of gene
-omwenteling.” Hier hebt gij de waarheid in hare eenvoudige gedaante,
-zonder dat zij de moeite neemt te zeggen: „Hier ben ik!” Hier hebt ge
-een prediker van Gods Voorzienigheid, even ongedwongen, en daarom even
-onwedersprekelijk, als de gebanvloekte steen van Babels puinhoopen,
-waarop gij in geheimzinnige letteren leest: ‏חיה יהוה‎ (Jehovah leeft).
-
-Ik kan u niet alles mededeelen, wat ik al bij die politieke berichten
-denk en gevoel. Dit evenwel zal ik u niet behoeven te zeggen, dat mijn
-oog, moede van het dwalen over de wereldkaart, altijd weder met liefde
-op dat kleine plekje valt, waarop beide, de Haarlemsche Courant en haar
-lezer, geboren werden. Het is waar, op dit punt zijn de berichten
-altijd het karigst en onbelangrijkst. Maar weet ik dan niet, dat juist
-dit een zegen op zichzelven is, daar het met de natiën gaat als met
-bijzondere personen, die er te beter om varen, hoe minder men van hen
-spreekt. Felix qui bene latuit. O mijn lievelingsplekje in mijn
-lievelings-dagblad! blijf nog lang zoo klein van omvang, zoo arm van
-inhoud; des te beter zult gij een eigen hoekje in de nieuwspapieren
-bewaren, dat men u eens zoo wreed ontnomen heeft.
-
-Zoo nader ik tot de huwelijksberichten. Een leelijk artikel voor een
-oud vrijer. Het is of mijn gezicht altijd eenigszins betrekt, als ik
-dat tergende getrouwd—getrouwd—getrouwd—onder de oogen krijg. Ach, daar
-was eens een vooruitzicht, lezer, dat gij er ook eene advertentie zoudt
-hebben aangetroffen:
-
-
- Getrouwd:
- Jonathan ***
- en
- Betsy ***
-
-
-Maar nu heeft schrijver dezes al zijn hoop gevestigd op eenen anderen
-staat, waar geen register van den burgerlijken stand en geene
-Haarlemsche Courant meer zijn, waarvan hij gelooft: „In de opstandinghe
-en nemen sy niet ten houwelicke, noch en worden niet ten houwelicke
-uytgegheven, maer sy sijn als Engelen Godts in den hemel.” Vraag mij
-niet hoe die advertentie mislukte; het zij u genoeg, dat ik zoo ver
-gekomen ben, om nimmer met tegenzin in de geboorteberichten te lezen:
-
-Heden beviel van eene dochter Betsy ***, geliefde echtgenoote
-van—van—een ander dan Jonathan.
-
-Integendeel, de dag, als het nieuwspapier zulk een bericht inhoudt, is
-voor mij een feestdag. Dan laat ik mijne oude dienstmaagd, hoe vreemd
-zij mij ook aanzie, altijd een kopje kandeel voor mij gereed maken, en
-’s avonds gedenk ik een mensch meer in mijn gebed.
-
-Overigens ben ik echter altijd een weinig gevoelig, als ik aan dat
-hatelijke punt van voltrokken huwelijken kom, en de drommel weet hoe
-het komt, dat ik dan meermalen de Courant moet neêrleggen, om mijn
-brilleglas af te vegen. Dan denk ik soms bij mij zelven: „Wat staat dat
-hier kort en koel: getrouwd, en dat van eene plechtigheid, waarbij
-zoovele hartstochten in het spel zijn! Hoe menig heeft hier in dat
-woord zijne aardsche zaligheid uitgesproken! maar ook van hoe vele
-jammervolle geschiedenissen staan hier de eerste letteren.” Dan hecht
-ik in mijne gedachten aan dien enkelen draad een lang zwart weefsel van
-ongeluk en lijden, tot ik, met een lach over mijne onnoozelheid, de
-hand in het rag mijner verbeelding sla. Somtijds roep ik mij ook het
-liefelijke beeld der bruiden voor den geest; dan zie ik ze, die
-aanvallige schepselen, die alle schoon zijn door de schoonheid des
-genoegens, en alle rijk door den rijkdom des geluks. Evenwel vergeet ik
-nooit haar onderling lot te vergelijken, dat zich vooral in den tijd
-eener feestviering zoo scherp afteekent. Hier zie ik er eene in een wit
-neteldoeksch kleedje, met een bloemtakje op de borst, door weinige
-hartelijke vrienden omgeven. Maar ginds verplaats ik mij in een
-vergulde zaal,
-
-
- Met gouden luchters aan de wanden,
- Waarop de bijen offers branden,
-
-
-alles schitterende van pracht, weelde en genot. Daar zie ik de bruid,
-opgetooid als een Madonnabeeld, met kleederen, stijfstaande van goud en
-juweelen, als eene vorstin gevierd en gehuldigd, door een stoet van
-hovelingen omringd. Daar zingen geen gasten een vroolijk bruiloftslied,
-maar schimpende muzikanten blazen met onwillige lippen de fanfare der
-zegenwensching. Daar straalt op geen enkel gelaat ingenomenheid met het
-geluk der bruid: men legt er zijne belangstelling aan den dag door
-dansen. Dansen—altijd dansen. Foei! in spijt van natuurlijke traagheid
-en gezond verstand, in spijt van Byron’s Waltz en Hugo’s Fantômes, zich
-den Vampyr des bals in de armen te werpen! Een vrouw, die danst, is
-leelijk. De gratie van houding en standen betwist ik niet; maar op het
-gelaat verwekt die gelijkmatige trippeling der voeten eene onnoozele of
-eene wellustige uitdrukking. Eene bruid vooral moet niet dansen. Zij is
-eene vorstin; zij poseert in de dagen harer feestvreugde; zij moet zich
-niet overgeven, zij moet kiesch zijn. In den dans verzuimt de bruid
-(waarover zij anders zoo wel te waken weet) hare hartstochten te
-verbergen. Zij heet de gesluierde, nupta, en zal zij zich nu door de
-woestheid harer bewegingen half naakt dansen? Foei, dat dwarrelende
-stof op den blanken oranjebloesem! Foei, die wellustige kreuken in het
-gewijde bruidskleed! Foei, die gevierde Heilige in de armen eens
-vreemden! Tot de vrouwen toe, die niet dansen, zijn van den
-trippelduivel bezeten. Haar oog volgt de rijen; haar hoofd huppelt de
-maat der muziek na, en de voeten bewegen zich krampachtig naar den
-klank der luchtige walsnoten. Bij andere volken behandelde men den
-eerdienst als een dans; bij ons den dans als een eerdienst.
-l’Alternative ne nous flatte guère.
-
-Maar als ik bemerk dat ik bitter word, stap ik dadelijk over op de
-geboorteberichten. Gij zoudt u vergissen, als gij meent, dat een oud
-vrijer die overslaat. Neen, ik heb zoogoed als iemand vader-ingewanden,
-ofschoon de dooplijst er mij niet voor heeft te boek staan. Vooreerst
-heb ik eene algemeene kinderliefde; maar daarenboven zijn er, die een
-bijzonder recht op mijn hart hebben; kinderkens, die vader en moeder
-zeggen tot hen, die mijn hart broeder en zuster noemt; kinderkens, van
-wie ik weet dat ze in de vreeze des Heeren zullen worden opgevoed, en
-alzoo, indien God er zijn zegen toe geeft, kinderen blijven zullen. O,
-en als ik dan bedenk, dat een Engel een wederpaar houdt van dat
-register van namen, dat ik voor mij heb, en dat ik het begin lees van
-eene geschiedenis, die geene eeuwen zullen zien eindigen, dan mijmer
-ik: „Wat is de mensche, dat ghy zijner gedenckt; ende hebt een weynigh
-hem minder gemaackt als de Engelen, ende hem met eere ende heerlyckheyt
-gekroont.”
-
-Wij zijn tot de dooden genaderd. Daar gekomen, overvalt mij altijd eene
-kleine huivering; het is alsof ik een kerkhof binnentreed; hetwelk ik
-nooit doen kan, zonder onwillekeurig den hoed af te nemen. En is het
-dan geen kerkhof, die doodenlijst der Haarlemsche Courant? Immers
-wandelen wij er als tusschen graven; de onderlinge afdeelingen zijn
-even zoo vele wijspalen, de berichten even zoo vele opschriften. En
-evenmin als ik op een kerkhof eenen grafsteen ongelezen kan laten, sla
-ik hier een enkel bericht over. Het is waar, dan schud ik soms het
-hoofd over de menschelijke dwaasheid, die zelfs onder den floersen
-lamfer de narrenbellen niet verbergen kan: maar meestal lees ik met
-warme belangstelling de uitdrukking der smart van bedroefde
-betrekkingen; zelfs heb ik, in navolging der bezoekers van
-Père-la-Chaise, eene verzameling van belangrijke doodsadvertentiën
-bijeengebracht, die ik zou uitgeven, indien niet de smart, die haar in
-de pen gaf, mij te heilig was, om hare klachten tot letterkundige
-bijdragen te vernederen. Ja, om niets te verzwijgen, het is misschien
-kinderachtig, maar daar zijn doodsaankondigingen, die mij tranen uit de
-oogen lokten, en, hetgeen nog sterker is, mij aan den mij gansch
-onbekenden ontslapene als aan een vriend deden denken. Zie, ik ken haar
-niet; maar toch is mij de nagedachtenis eenigermate lief van die
-jeugdige vrouw, waarvan de bedroefde echtgenoot onlangs berichtte: „Zij
-laat mij de herinnering na der zachtste en edelste hoedanigheden,
-geheiligd door het geloof aan Hem, wiens dood nu haar leven is.”
-
-Ik voor mij nogtans, uit vrees van nog na mijn dood om het bericht van
-mijn dood te worden uitgelachen, heb het aan mijne bloedverwanten niet
-durven overlaten mij uit te luiden; ik heb beschreven, dat mijn
-overlijden in den eenvoudigen vorm van:
-
-Heden overleed de Heer Jonathan *** in den ouderdom van *** jaren moet
-bericht worden, met een volstrekt verbod er bij, om te bepalen, dat
-door de nabestaanden geen rouw zal gedragen worden. Foei! ik word
-altijd boos, als ik die hatelijke woorden lees. Noem het vrij
-bijgeloof, ik heb dien krippen weduwsluier, ik heb die donkere
-kleederen lief. Het is zoo natuurlijk, als de vader zijn doodskleed
-aantrekt, dat ook de kinderen het gewaad van den vorigen dag ter zijde
-leggen. Wij zijn van den zak en de assche der Israëlieten toch reeds
-ver genoeg afgeweken. De mode had immers overvloedig uitzonderingen
-gemaakt, om het eentonige zwart behagelijk af te wisselen! Maar nu
-begint zelfs het laatste uiterlijk teeken van rouw te verdwijnen. Ik
-zou ongelijk hebben daarover te klagen, indien in onze dagen de
-inwendige droefheid geene uiterlijke symbolen meer behoefde, om te
-worden levendig gehouden. Maar hoe weinigen zijn er, die met den
-Oosterschen dichter van een geliefden doode vragen mogen: „Zou hij een
-ander graf hebben dan dit hart?” Voor de overigen dan veroordeel ik
-het, dat men reeds in het gezicht van het lijk zich het vergeten
-gemakkelijk begint te maken. „Ga vrij naar het bal, Mejufvrouw! Gij
-draagt immers geene rouwkleeding. En wie weet zoo juist, of de tijd,
-voor de rouwdracht over eenen vader bestemd, nog niet voorbij is?”
-Neen, die mijne kleine bezitting verdeelen, zullen ook zwart moeten
-dragen, of, ik waarschuw hen, mijne schim zal hen alle nachten in een
-donker lijkkleed komen ontrusten, totdat ze een gewaad aantrekken,
-waarvoor ze nog erger terugbeven.
-
-By het doorloopen der doodsadvertentiën schiet mij somtijds nog eene
-andere gedachte te binnen—eene gedachte, niet aan de dooden, die hier
-vermeld staan, maar aan degenen, wier naam ik hier niet vinde—aan de
-arme dooden—of liever, aan de doode armen. Hun overlijden gaat, even
-als hun geboren worden en sterven, onopgemerkt voorbij. Men stopt ze in
-eene greenenhouten kist, draagt ze, alsof—de Hemel vergeve het
-mij!—alsof hun overschot een kreng ware, waarvan men het gezicht aan
-anderen behoort te sparen, langs achterstraten naar een afgelegen
-bolwerk, en ontzegt hun ten slotte een plaatsje in de Haarlemsche
-Courant. En natuurlijk! er is immers toch niemand, die in hun leven of
-sterven belang stelt. O armoede! armoede! ik heb een open hart voor uw
-lijden; alles, wat mij u herinnert, wekt een pijnlijk gevoel in mij op.
-Als ik u ergens aantref, bloos ik over u, en waar ik u niet zie, vraag
-ik: „Waarom niet hier?” Voorwaar, de dichters zijn ellendige
-leugenaars, die iedere menschelijke smart, en dus ook de jammeren der
-armoede, bij hun idealisch lijden dragelijk noemen. Zij beschilderen
-zich met de wonden en litteekens, die de arme onder zijne lompen
-verbergt. Want zie! aan de ellende der behoefte is alle poëzie vreemd.
-De armoede bedroeft niet alleen, maar verlaagt; zij schokt niet, maar
-knaagt; zij wekt geen beklag, maar verachting; zij is geene wonde, maar
-een kanker; zij sloopt niet, maar vermagert; zij laat het niet, even
-als iedere smart, bij enkele alsemteugen, maar verbittert voor altijd
-den smaak; zij is te ondragelijker, naar mate zij zorgvuldiger moet
-ontveinsd worden; zij maakt den vader- en moederzegen tot vader- en
-moedersmart; zij rust als een vloek op de woning, waarin gastvrijheid
-en mededeelzaamheid balling zijn; zij verkort de genoegens der
-vriendschap, en vergalt het genot der liefde; zij onttooit voor haar
-slachtoffer de schoone aarde, waarop voor hem geen lente of zomer
-aanbreekt, als die voor hem geen bloemen of vruchten voortbrengt, maar
-waarop in zijn oog altijd winter, dorheid en onvruchtbaarheid
-heerschen; ja, zij verengt voor hem het aardrijk, en doet het inkrimpen
-tot het plekje, waar binnen hem de behoefte bant; zij boeit hem aan
-zijne woning, zonder hem er het verblijf te veraangenamen; zij brandt
-in de hitte des zomers, huilt in het loeien van den storm, en snerpt in
-de koude des winters; zij doorweekt zijn brood met tranen, en schudt
-zijn leger hard; zij leert hem iedere bede veronachtzamen, om die ééne:
-„Geef ons heden ons dagelijksch brood!” Zij maakt hem wars van de
-aarde, zonder hem van het aardsche af te trekken; zij maakt iederen dag
-den anderen gelijk, en lost alle wenschen en hartstochten in den
-enkelen zucht der begeerlijkheid op; zij is de algeheele vervulling van
-den vloek des Heeren: „In het sweet uwes aenschijns sult ghy uw brood
-eten.”
-
-Rust zacht, arme broeders en zusters, gestorven zonder een plaatsje op
-het doodenregister te erlangen! Ziet, dit is de laatste vernedering, u
-aangedaan. Drie voeten onder de aarde bestaat er geen verschil tusschen
-fatsoenlijk en onfatsoenlijk meer, en al ligt uwe kist ongedrukt door
-een steen, zoo als die, welke ginds, op den lijkheuvel van den
-hooggeborene, naam en blazoen ten toon draagt, de Engel der opstanding
-is geen heraldicus. In zeker opzicht wordt ieder adelijke met zijne
-wapenen begraven; onder de doodsadvertentie van elk edelman zou men,
-even als in de stamboeken bij het uitsterven des geslachts, een uurglas
-en zeisen kunnen teekenen. De dood casseert allen; hij verbreekt den
-degen boven het graf des krijgsmans, den schepter boven het mausoleum
-des vorsten, het wapenbord boven het cenotaphe van den baron, en boven
-uw zandhoop den bedelstaf. Rust dan zacht, arme broeders en zusters,
-gestorven zonder een plaatsje in de Haarlemsche Courant te erlangen!
-
-Ik ben ondanks mijzelven te ernstig geworden voor de mededeeling mijner
-gewaarwordingen, onder het lezen der verschillende aankondigingen;
-misschien vertel ik u daarvan een en ander bij eene volgende
-gelegenheid. Voor ’s hands is het mij genoeg, als ik u slechts heb
-overtuigd, dat ik voor mij voldoende reden heb, om iederen dinsdag,
-donderdag en zaterdag morgen, terstond na mijn ochtendgroet, mijne
-dienstmaagd te vragen: „Hebt gij den brievenpost reeds gehoord?”
-
-
-
-
-
-
-
-
-DE HAARLEMSCHE COURANT.
-
-Vervolg.
-
-
-Willen wij de Haarlemsche Courant nog eens opnemen en haar met elkander
-ten einde lezen?
-
-Wij zijn gekomen tot de gemengde berichten.
-
-Welk een gewoel is hier! het is of wij in het drukste van de markt
-komen. Hollanders, Franschen, Duitschers, Zwitsers loopen er dooreen.
-De een komt er om te koopen, de ander om te verkoopen; de een om te
-huren, de ander om te verhuren. Het is een geraas, dat men nauwelijks
-hooren kan. Hier is iemand, die u zijn waar zoekt op te dringen; maar
-dadelijk is er een ander naast hem, die hem op zij duwt en u nog
-goedkooper bedienen wil; inmiddels steekt een derde zijn hoofd tusschen
-beide door en belooft u nog beter te helpen. Ik denk er wel eens bij
-aan het versje van Huygens:
-
-
- Ick handelde met Klaes op twee, dry koppel honden;
- Hy sei, daer wasser nooit geen betere gevonden
- Dan ’t eerste en tweede paer, en zwoer my by gans bloed,
- Het derde was op ’t minst wel sevenmaal zoo goed.
-
-
-Gij kunt geen voet verzetten, of men roept u aan. Sommigen houden u
-zelfs bij uw kleed met hun: „Lees hier!” loterij-Joden loopen u met hun
-briefjes achterna; kwakzalvers maken u doof met hun geschreeuw; als gij
-hun gelooft is iedere zieke een gek, die zijn kwaal niet langer behoeft
-te houden, dan hij zelf wil; in hun hand hebben zij eindelijk de
-panacé, waarnaar men sedert zoo vele eeuwen gezocht heeft. Nauwelijks
-zijt gij hun ontkomen, of daar valt u een kiezen-trekker op het lijf,
-die van zijn breekijzer spreekt als of het een kolombijntje is, zoo
-zacht zal het u in den mond zijn! Intusschen trekt ginds een troep
-paardrijders of koordedansers rond, en werpt u zoo veel mooie Grieksche
-en Latijnsche namen naar ’t hoofd, dat het u geel en groen voor de
-oogen wordt. Ge kunt nauwelijks hooren wat die omroeper daar te zeggen
-heeft, die na een poos op zijn bekken geraasd te hebben, als of het het
-aes Dodonaeum ware, de eerlijke vinders oproept om hun eerlijkheid met
-een „genereuse belooning” te laten betalen. Ge zijt blijde als ge u uit
-het gedrang gered hebt en eindelijk op de stoep van een boekwinkel kunt
-uitblazen, waar ge de nieuwste boeken en platen voor de glazen
-uitgestald ziet.
-
-Wonderlijke wereld! denk ik wel eens. Welk een zee van behoeften! Welk
-een stroom van genietingen! En daar plaats ik dan in mijn verbeelding
-de huishouding van den eersten mensch naast; een loofhut voor woning,
-de boom die er zich over welfde voor voorraadschuur, de rivier die er
-langs vloeide voor laafbron—ziedaar alles! Vader Adam! hoe zijn uwe
-kinderen veranderd! Ge zoudt ze nauwelijks als uw geslacht herkennen in
-hun weelderige woningen, in hun prachtige gewaden, in hun verfijnde
-manieren. Als ze naast den Mensch-aap voor u stonden, zoudt ge waarlijk
-twijfelen, wie van beide uw nakomeling was. Als men voor u de
-Haarlemsche Courant in uw eerste-menschen-taal (de lezer ziet dat ik
-mij zediglijk van alle linguïstische gissingen onthoud) kon vertolken,
-hoe weinig zoudt gij er van begrijpen! Misschien zoudt gij er u over
-bedroeven.
-
-Ook ik dacht wel eens, dat het leven te ernstig was voor al het spel
-dat men er van maakt; altijd troffen mij die doodberichten tusschen dat
-gewoel der volken aan den aanvang, en dat gewoel der menschen aan het
-einde van mijn Haarlemmer. Ik heb het wel eens vergeleken bij een
-begrafenis, die over de markt trekt. Wonderlijk is het, hoe weinig de
-omstanders zich daarvan aantrekken. Men gaat op zij om de kist niet
-voor zijn hoofd te krijgen, maar dadelijk sluit zich de hoop weêr, even
-snel en ongevoelig als de lucht waardoor een pijl vliegt. Even zoo is
-er iets treffends in het gezicht van al die aanplakbiljetten, loopende
-over koopen en verkoopen, tijdkortingen en ontspanningen, gemakken en
-genoegens, aan de zwarte poort van het algemeene kerkhof. Vinniger
-satire heeft nooit de hand van een hekeldichter geschreven. Ja, de Dood
-is de grootste satiricus; men kan geen genot smaken; of hij heeft er
-zijn schimpscheut op. Misschien is hij daarom zoo algemeen gehaat. En
-toch de hand op het hart! Zeg mij, als gij die lijst achter de
-Haarlemsche Courant overziet, met al die eeuwig terugkeerende
-advertentiën, en die eentonige afwisseling van andere schouwspelers op
-hetzelfde tooneel, valt het u dan nooit in, dat de wereld toch al te
-ijdel en het leven al te nietig is, om het er op den duur in te kunnen
-uithouden? Ik voor mij denk daarbij met Young: Hier altoos te leven?
-wat hatelijk denkbeeld! En waarom zouden wij hier altoos leven? om met
-moeielijke schreden in onze vorige voetstappen te treden? om het
-scheprad des levens gedurig te doen omgaan en niets nieuws meer op te
-halen? om iederen ellendigen dag den vorigen te doen bespotten? om te
-zien hetgeen wij gezien hebben? om dezelfde oude bekwijlde vertelling
-te hooren, tot dat wij die in ’t geheel niet meer hooren? om het
-gesmaakte weder te smaken, en wel hetgeen bij ieder wederkeer minder
-smaak heeft? om telkens onder ons verhemelte een ander wijngewas door
-te gieten? om—ohe! jam satis est! Lieve Hemel! als dat altijd zoo
-blijven moest, als ik altijd de Haarlemsche Courant moest blijven
-doorlezen, en nooit iets anders zien of hooren dan hetgeen ik reeds
-gezien of gehoord heb, dan zou ik kunnen wenschen, dat men mijn naam
-nooit onder de geboorteberichten gelezen had; en het is genoeg mij dit
-schrikbeeld voor te stellen, om mij met liefde naar het plekje te doen
-zien, dat mijn dood vermelden zal, en daarin mijn vrienden te kennen
-geven, dat ik nu al de ijdelheden, die mij zoo verveeld en vermoeid
-hebben, te boven ben en mij reeds op een plaats bevind, waar het leven
-zijn harlekijnspak heeft afgelegd.
-
-En evenwel—maak uit het gezegde niet op, dat ik daarom als een dolende
-Ridder tegen de wezenlijke wereld te veld trek, en begeeren zou dat
-ieder mensch zich in zijn eigen kluis opsloot, om daar boven zijn
-geopend graf bittere wortels te kauwen. Het tegendeel is waar. De
-Fransche revolutie heeft geen vuriger kloosterbestormers opgeleverd,
-dan ik ben. Daarom alleen zou ik een Christino zijn, ofschoon anders
-mijn natuurlijke voorliefde voor Pretendenten mij tot een Carlist zou
-kunnen maken. Eere dus aan die raderen van handel en nijverheid, die
-het werktuig der menschelijke maatschappij in beweging brengen, waarin
-de zee, bestemd om een middel van scheiding te zijn, als een drijvend
-molenwater bruist! eere aan die broederschap der gezellige samenleving,
-die bruggen over stroomen en sporen over bergen slaat en de moeder is
-
-
- Van sooveel kostelycks soo konstelyck verwrocht,
- Van sooveel heerlyckheyts tot sooveel nuts gebrocht.
-
-
-Indedaad zou het er bij de tegenwoordige overbevolking treurig uitzien,
-indien men zich wederzijds tot het volstrekt noodige wilde bepalen.
-Waar zouden duizende monden brood vinden? Maar toch zou ik aan den
-anderen kant wel eens willen weten, waar het op deze wijze voortgaande
-heen moet? Zullen de kunstbehoeften nog gestadig vermeerderd worden?
-Zal de weelde nog altijd blijven toenemen? Zullen er altijd weêr nieuwe
-takken van handel en nijverheid worden uitgevonden? Ik ben geen
-voorstander der zielsverhuizing, en hoop, als ik eens de aarde wel en
-goed zal verlaten hebben, er niet weêr te komen, maar erkennen moet ik
-het toch, dat ik wel eens de Haarlemmer Courant van 1939 zou willen
-zien: niet om de politieke berichten, want die kan ik mij verbeelden:
-„het is zoo even vrede geworden en het zal zoo straks weêr oorlog
-zijn”; nog minder om de geboorte-, huwelijks- en doods-advertentiën,
-want daarin zal nog minder verandering komen; maar om de
-aankondigingen, waarmeê het blad eindigt. Dat zal een rommel wezen! Mij
-dunkt, ik zie daar de aankondiging reeds, om de menschen even als een
-ledeman gansch en al uit elkander te nemen en weêr in elkaâr te zetten;
-dan zal men, vermoed ik, ook de kruiden wel weêr ontdekt hebben,
-waarmeê Medea haar vader verjongde; dan zullen de Dames wel zoo bont
-als wapenschilden en de Heeren zoo fantastisch gekleed gaan als de
-Wildemannen, die ze vasthouden; dan zal de vogel struis wel op de kruk
-en de olifant op de koord geleerd zijn; dan zijn er zeker theaters waar
-de apen voor menschen en de menschen voor apen spelen; dan ... de rest
-vindt gij in de Opregte Dingsdagsche Haarlemsche Courant van 1 April Ao
-1939.
-
-Ik wenschte wel, dat er geen bankroeten meer waren; want dat is voor
-een zwaarmoedig Courantlezer, zooals ik ben, een leelijk artikel. Het
-zet mij altijd tusschen twee schroeven, die mijn menschlievend hart
-even veel pijn doen: de smart namelijk dat de menschen zoo slecht of
-zoo ongelukkig zijn. En zoudt gij het gelooven? Over het eerste punt
-stap ik nog het gemakkelijkst heen. Ik kan mij tegen slechte menschen
-nooit zoo boos maken, als ik, volgens sommigen, wel moest; misschien
-omdat ik zelf weinig slechte menschen ontmoet heb. Onder mijn bekenden
-zijn er, die mij dit zeer kwalijk nemen, en meenen dat ik daardoor de
-deugd te kort doe. Het kan zijn, maar ik kan er nog maar niet toe
-komen, om van het beetje deugd, dat ik het mijne mag noemen, een steen
-te maken om daarmeê mijn naasten te gooien. Ik denk altijd, zoo iemand
-zal toch wel gehekeld en geroskamd worden, al hou ik mijn rust. Dan kan
-ik op een anderen tijd weêr wat vooruitkomen, als een ander
-achterblijft, b. v. bij gelegenheid van rampen en tegenspoeden. Zoo
-moet ik bekennen dat ik veel meer medelijden gevoel met een
-ongelukkigen bankroetier, dan gramschap tegen een moedwilligen schelm.
-Bij dat enkele woord „Faillissement” staat er somtijds eene geheele
-aandoenlijke geschiedenis voor mijn geest. Ik zie den vervolgden
-huisvader die te midden van zijn verarmd gezin het voorkomen heeft van
-een gebroken zuil, die er over schijnt te treuren, dat zij de lijst,
-die verminkt aan haar voeten ligt, niet langer heeft kunnen
-ondersteunen; ik zie hem nog meer ter neêrgebogen onder den last der
-schande, die op zijn onschuldig hoofd drukt, dan onder den toch reeds
-zwaren slag van het verlies zijns vermogens, even als de vader van
-Effie Deans, niet anders uitroepende dan: Ikabod! Ikabod! weg is de
-eere! Ik zie hem door zijne getrouwe gade, door zijne teedere kinderen
-omringd, die hem in zijn ongeluk dubbel hebben lief gekregen en hem
-omklemmen als het klimop een omgestorten stam. En als den donkeren
-achtergrond van dit aandoenlijk tooneel zie ik vervolging op
-rechterlijk gezag, vervolging op eigen gelegenheid, onbarmhartige
-bejegening, nijpende armoede en een gebedeld graf, waarop weezen in het
-bonte kleed der liefdadigheid treuren. En ik wenschte dat de
-verbeelding van menig crediteur hetzelfde zag, eer hij dat harde woord
-„Faillissement” laat drukken.
-
-Naar een geheel ander tooneel roept mij het artikel Erfhuizen. Dit
-verplaatst mij op eens te midden van die chaos van verwarring, die een
-geveilde boedel oplevert. Gelukkig die zich uit zulk een huis weet te
-redden, zonder een blauwen scheen te hebben opgedaan. Want als of een
-aardbeving de moeite genomen had van de goederen te schikken, zoo ligt
-daar alles op en onder elkander. Niets is op zijn plaats gebleven.
-Meubelen, die bij het leven der eigenaars even als boomen op hun eigen
-plekje stonden vastgegroeid, zijn nu meêdoogenloos mobiel verklaard en
-gedwongen den grooten stroom te volgen. Een menigte van voorwerpen
-zweeft even als verstrooide vogels buiten hun natuurlijk verblijf om.
-Het witte linnen heeft de zware eiken planken verlaten, waar het zoo
-vreedzaam lag te sluimeren, en is verwonderd gedurende zoo veel dagen
-achtereen de zon te zien, die het anders bijna nooit aanschouwde. De
-vernederde ledikanten-hemel, die eerst uit de hoogte op alles neêrzag,
-sleept nu met zijn staart in het stof, als een nieuw bewijs dat
-hoogmoed voor den val komt. Schilderijen, die nooit geleerd hebben op
-haar rug te liggen, worden nu gedwongen die houding aan te nemen. De
-verschrikte kanarievogel schreeuwt van angst in den hoek op den grond,
-waarheen men hem verbannen heeft; en de schichtige poes vliegt, als een
-levend symbolum van de verwarring die hier heerscht, van den eenen kant
-van het huis naar den anderen. Het is een treurig gezicht! De lares en
-penates omgeworpen! de huiselijke haard verstoord! het vreedzaam stof
-der ruste opgejaagd; de stilte van het penetrale verbroken! de gordijn
-van het binnenste heiligdom verscheurd! de Heidenen in den tempel
-binnengelaten! het is een treurig gezicht, vooral voor den vriend des
-overledenen; hem overvalt een huivering, indien hij moed heeft het huis
-binnen te treden. Is dit de woning zijns vriends? hij herkent haar niet
-meer: maar ja, die meubelen zijn wel dezelfde van vroeger. Dat is wel
-de haard, waaraan hij zoo menigen vriendschappelijken avond gesleten
-heeft. Ginds staat de zetel, die in zijn oogen meer is dan een troon,
-want hij was de zetel van een braaf man. Hier staat de feestelijke
-bokaal, dien hij zoo menigmaal op de huwelijks- en vadervreugde van den
-verscheidene geledigd heeft. In het verschiet hangen de
-familieportretten, waaraan zich zoo menige lieve herinnering verbindt.
-O, er is iets aandoenlijks en hards beide in zulk een schouwspel! Het
-doet pijn, als men een vreemde zoo ziet roeren in de reliquiën, door de
-liefde geheiligd. Het is of men doodgravers met de beenderen van zijn
-voorouders zag gooien. Mij dunkt, indien ik het voorkomen kon, zou ik
-trachten mijn testament zoo in te richten, dat mijn verlaten nest beter
-geëerbiedigd werd. Mij althans zou de gedachte onverdragelijk zijn, van
-mijn kleine bezitting aldus aan de ergerlijke nieuwsgierigheid der
-menigte prijs te geven. „Ei, ei, en zat Jonathan nu op zoo’n stoel?
-wel, wel, is dat nu ’s mans boekenkast? ei, zie daar hebt gij de
-huisklok ook, waar hij in zijn boekje—hoe heet het ook?—van spreekt! en
-ginds hangt zeker het portretje, waarover hij dat malle stukje
-geschreven heeft! ei zie, dat zal de piano van Editha zijn!” Ik kan
-koud worden als ik er aan denk. Bij de gedachte alleen gaat mij een
-gril over ’t lijf, als of er iemand over mijn graf liep. Neen, mijn
-armoedje, gij zult voor uwe trouwe diensten beter beloond worden, dan
-met de beschimping van den grooten hoop, dien gij even als uw bezitter
-altijd gehaat en gevloden hebt. Ik zal u in mijn testament bij mijn
-neef en vermoedelijken erfgenaam als op een hofje bestellen, waar gij,
-hoop ik, in stilte aan den houtwurm en de mot uw eerlijken dood sterven
-zult. Want reeds dit vooruitzicht is mij maar half aangenaam. Ik heb
-sommige mijner meubelen zelfs te lief om ze aan mijn neef te gunnen.
-Als het niet te Indiaansch klonk voor een Hollander, zou ik wel
-wenschen met hen verbrand te worden, en stervende mijn asch met de
-hunne te vermengen. Over het algemeen heb ik een groot zwak voor alle
-oude voorwerpen, waaraan zich oude herinneringen hechten. Ik ben het
-daaromtrent eens met mijn vriend Jean Paul, als hij zegt: Eer het heden
-nacht wierd, heb ik alle papiersnippers, die van dit boek vielen,
-bijeenverzameld;—ik heb te gelijk alle brieven dier vrienden, die mij
-geen nieuwe meer kunnen schrijven, even als stukken van een bij deze
-wereldinstantie gesloten proces, weggelegd. Zoo iets moest de mensch
-zorgvuldig doen, en alle bloemen der vreugde, niettegenstaande hare
-verdorring, in een herbarium vastplakken. Hij moest niet eens zijne
-oude rokken, jassen en mantels weggeven of verkoopen, maar weghangen
-moest hij ze, als hauwen zijner uitgepelde uren, als poppenbekleedsels
-van daaruit gevlogene vreugde, als erfenis ab intestato van gestorvene
-jaren, die aan de herinnering opkomt.—Het is maar jammer, dat men niet
-altijd meester is zijn plan geheel uit te voeren. Althans mij is het
-wel eens gebeurd, dat juist als ik een ouden jas had afgelegd en in
-mijn reliquiën-kast weggehangen, een arme duivel kwam en mij om
-bedekking zijner naaktheid bad. En ik moet bekennen, dat ik in zulke
-gevallen geen humorist genoeg was om het er voor te houden, dat de
-herinnering mijner vreugde beter was dan de verwarming van een
-ongelukkige, die in ’t geheel geen vreugde had, noch te herdenken, noch
-te wachten. Maar de Joden hebben nooit met mijne uitgevallen veêren
-gepronkt.
-
-Uit dat zelfde beginsel zal ik doen wat ik kan, om mijn dierbaarste
-overblijfsels uit de handen van de nablijvenden te houden. Ik ben het,
-even weinig als mijn vriend Hildebrand, met den Engelschman eens, die
-wilde „dat er ten algemeenen nutte knoopen van zijn gebeente en snaren
-van zijn ingewanden zouden gedraaid worden.”
-
-Ik weet wel dat dit alles kinderachtig, kleingeestig, kleinhartig, en
-wat ge meer wilt, is. Maar ik geef mij ook voor geen sterken geest uit.
-Er is in mijn huis maar één wijsgeer, en dat is mijn hond Dolly, die
-„par droit de naissance” een weinig Cynicus is. Ik voor mij slacht den
-ouden Chremes;
-
-
- Homo sum, humani nihil alienum a me puto.
-
-
-Uit dien hoofde is dan ook mijn testament recht Malabaarsch in twee
-deelen verdeeld. Het eerste deel loopt over hetgeen verbrand moet
-worden; het tweede over hetgeen in stand moet blijven—en de Hemel make
-er mijn erfgenaam gelukkig meê!
-
-Tot het eerste behoort... maar het zou wezen of ik aan de goede trouw
-van mijn Notaris twijfelde, als ik dit bekend ging maken. Genoeg, als
-gij de advertentie van mijn dood in de Courant gelezen hebt, zoek op
-het andere blad maar niet naar de veiling van mijn boedel.
-
-Maar reeds zijt ge mij vooruitgeloopen, en wijst met uw vinger op het
-artikel; Een jonge Dame van fatsoenlijken huize enz. Gij hebt gelijk.
-Dat is een artikel waarbij ieder gevoelig hart een poosje stil staat.
-O, het is zeldzaam, dat die weinige letters geen gansche geschiedenis
-van een wreed lijden bevatten. Mij althans stellen ze dadelijk een
-bewegelijk beeld voor den geest. Een jonge dame—dus in den bloeitijd
-des levens, waarin het hart den Armida-tuin der poëzie bewoont en zich
-met idealen voedt; dus in dien tijd, waarin het harder is dan ooit,
-wanneer de koude des levens den stroom der verbeelding doet bevriezen,
-zoodat hij in plaats van den hemel te weêrspiegelen tot een looden lijk
-wordt; van fatsoenlijke huize—dus geboren en opgevoed in de lauwe
-atmosfeer der welvaart; gewoon aan gemakken der weelde, aan genoegens
-der gezelligheid, en wat het ergste is; door dit alles verfijnd, week
-en gevoelig gemaakt; biedt zich aan—tot het bewijzen van diensten, die
-zij gewoon was te ontvangen, tot het geven van onderwijs in de talen en
-talenten, die men haar zelve tot den prijs van groote kosten heeft doen
-aanleeren; zij vergenoegt zich met een klein salaris, op voorwaarde
-eener goede behandeling—ziedaar den laatsten, misschien den bittersten
-trek van allen. Daarin vertoont zich nog een spoor van haar fijner
-gevoel. Geen gemeene dienstbode pleegt zulk een afspraak te
-maken,—ofschoon de Hemel weet of het overbodig zijn zou! Zij verkeert
-in behoefte, dit blijkt uit haar aanbod, maar evenwel liever armoede
-dan hardheid! Men wreke het recht dat men koopt liever op haar gewaad,
-dan op haar hart! Wilt gij hooren hoe een vrouw haar lot beschrijft?
-Gij zult er de vrouw in herkennen. Van alle degenen, zegt Mistress
-Hall, die door de wankele schaal van het geluk gedoemd zijn, om het
-eigen brood te verdienen, hebben er geene meer aanspraak op medelijden
-dan gouvernantes. De dienstbode heeft, als haar werk gedaan is, een
-paar uren over, die haar alleen toebehooren. Hare eerzucht strekt zich
-niet verder uit dan haren kring. Maar de gouvernante heeft geen
-bepaalden kring.—Zij wordt beschouwd als deels tot de gezelschapskamer
-te behooren;—vaak wordt zij uit de laatste verdreven, en met walging
-verlaat zij zelve de eerste. Tusschen een dubbel bestaan worstelt zij;
-zij is een soort van tweeslachtig wezen, dat tot twee verschillende
-toestanden behoort; zij moet als eene fatsoenlijke vrouw voor den dag
-komen; en krijgt nauwelijks kameniersloon. Zij moet kundig en beschaafd
-zijn, en toch hare kunde en beschaafdheid voor zich houden tot zij er
-naar gevraagd wordt, ja zelfs beleedigingen moet zij vaak verdragen,
-als of zij er het gevoel voor miste. De Hemel sta haar bij, die op een
-gouvernantesplaats uitgaan want van de aarde kunnen zij weinig
-ondersteuning verwachten. Boekdeelen zou men kunnen vullen met het
-lijden eener gouvernante.
-
-Zie, dit en zoo veel meer rijst mij voor de verbeelding, zoodra ik mij
-een dier beklagenswaardige schepselen vertegenwoordig, waarvan iedere
-verschijndag van de Haarlemsche Courant er eenige in veiling brengt.
-Zeker, ik ben er verre af van ongevoelig te wezen voor het ongeluk van
-diegenen uit mijn geslacht, die tot dezelfde opoffering geroepen
-worden; bovenal heb ik sympathie voor de smart dier jonge Zwitsers,
-die, door de stem van plicht of behoefte gedrongen, van hun hooge
-sneeuwbergen afdalen, om in de laagte hun onderhoud te zoeken, maar met
-het gevoel van den arend, die de vallei haat welke hem voedt, en alleen
-boven te huis is; doch dit neemt niet weg, dat ik hen vergeet wanneer
-ik ze in de nabijheid van een vrouwelijke lotgenoot geplaatst zie. O,
-het is waar, te dienen is de bestemming der vrouw; te dienen is zelfs
-haar geluk, indien zij waarlijk vrouw is; maar zóó te dienen, de
-vreemde moeder, die haar diensten koopt; het vreemde kind, dat geleerd
-wordt haar te gehoorzamen, niet haar lief te hebben; misschien den zoon
-des huizes, wiens zijde zij als bruid versierd zou hebben—zie, dat is
-hard! dit doet het oog schemeren, alleen van het aan te zien.
-
-Evenwel, ik erken dat er uitzonderingen zijn; ik weet dat zij er zijn.
-Ik ken gezinnen, waarin de vreemde weeze als een dochter ontvangen is;
-waarin de van haar zusters gescheidene nieuwe zusters gevonden heeft:
-waarin vriendschap en liefde de geslagen wonden geheeld zouden
-hebben,—indien zulke wonden zich ooit heelen lieten. Ook is het
-hartverheffend voor mij, als ik hier of daar het verwachte slachtoffer
-zulk een ontvangst bereid zie. Zoo weet ik niet wie zij is, en toch
-denk ik met achting en genegenheid aan die oude Dame, die voor eenigen
-tijd in de Haarlemsche Courant aanzoek om een Juffrouw van gezelschap
-deed, en er bijvoegde: „liefst een jong meisje, wanneer zij niet vreest
-zich in het gezelschap van een oude vrouw te zeer te vervelen.” Mij
-dunkt als ik zulk een meisje geweest ware, ik zou mij op dit zeggen af
-aan haar verbonden hebben, al had ik niets meer van haar geweten.
-
-Wat mij evenwel het meest grieft, is het denkbeeld, dat bij de
-toeneming der weelde het getal dezer ongelukkigen niet verminderen zal.
-Ik durf er niet aan denken, hoe het daarmeê in de Haarlemmer van 1939
-zal uitzien. Gelukkig dat ik er dan niets van merken zal, als de
-gouvernantes met haar kinderen komen om op mijn graf boterbloempjes te
-plukken.
-
-Ik kan mijn Courant niet op zij leggen zonder nog met een woord van de
-Boekaankondigingen gesproken te hebben. Boekaankondigingen—van onder,
-Mijne heeren! vreeselijk! vreeselijk! Het is of het hier, zoo als ik
-eens in de opera zag, papier uit den hemel sneeuwt. Waar komen ze allen
-van daan? Maar wat vraag ik nog, als ik slechts aan de duizend en één
-schrijvers denk, wier pennen ik zeker ben dat ik, even als de mijne,
-als het maar eens recht stil was, over het papier zou kunnen hooren
-krassen. Waar blijven ze allen? dat raadsel is spoedig opgelost; het
-antwoord staat er, even als bij de logogryphen in de kinderboekjes,
-vlak onder—in die menigvuldige aankondigingen van Boekverkoopingen, die
-het meeste, dat onder den weidschen titel van meesterwerk in de wereld
-gekomen is, onder den zedigen titel van scheurpapier er weêr uithelpen,
-
-
- in vicum vendentem thus et odores,
- Et piper et quidquid chartis amicitur ineptis,
-
-
-zoo als Horatius zegt. Daarom noemt dan ook Mr. Weiland geestig (maar
-dit is een pleonasmus) den kaaswinkel den eenigen Hercules, die op den
-langen weg tot het werk opgewassen is, om den letterkundigen stal van
-Augias op te ruimen.—En toch is het mij wel eens voorgekomen, dat het
-voor die nieuwe boeken hard was, zoo met hun voet op hun doodkist te
-staan, als een Karthuizer bij zijn geopend graf. Doch wat zal men er
-aan doen? Zij moeten hun troost maar in de les der voorafgaande
-registers zoeken. Naar mate de bevolking toeneemt, vermeerdert de
-sterfte. En leven ze kort, ze kunnen niet zeggen, dat ze roemloos
-geleefd hebben. Want immers worden al de mooie woorden van onze taal
-bewaard, om hun bij hun intrede in de wereld als een getuigschrift in
-hun borst meê te geven. Als gij den Uitgever gelooven wilt, is dit boek
-nu eigenlijk wat aan de wereld ontbrak. Mijnheer A. heeft dit gezegd,
-Mijnheer B. heeft dat gezegd, maar mijnheer C! alle hoeden omlaag voor
-Mijnheer C! Mijnheer C. is zoo volmaakt als het papier, waarop zijn
-boek gedrukt is. Het boek van Mijnheer C. is zoo goedkoop, als het
-talent van Mijnheer C. onbetaalbaar is. Te vreden kunt ge zijn op de
-wereld zonder het boek van Mijnheer C., maar gelukkig niet. Niet om
-Mijnheer C.’s wille, niet om des boekverkoopers wille, maar in uw eigen
-belang, in het belang der geheele menschheid, koop het boek van
-Mijnheer C.!
-
-Spot maar, Jonathan! het zal u wel opbreken. ’t Is waar ook, daar
-vergat ik geheel en al, dat hetgeen ik hier nederschrijve, mede bestemd
-is om in het licht te komen, en misschien wel om in de Haarlemsche
-Courant te worden aangekondigd. Mijn arm boekje! Hoe bang zal men het u
-misschien over dezen uitval maken. Mij dunkt, ik zie u reeds in een
-hartige beoordeeling, in de omgekeerde rede behandeld. Het boek van
-Jonathan is slecht; dit ontbrak nog maar aan de zoogenaamde
-humoristische prullen, waarmeê we overstroomd worden. Hildebrand heeft
-dit gezegd, Vlerk heeft dat gezegd, maar Jonathan is nog veel erger.
-Alle vuisten op het hoofd van Jonathan, enz.
-
-Het zij zoo; ik moet het afwachten. Ik kan niets doen dan mijn uitgever
-vragen, dat hij bij de Heeren Enschedé een klein onopgemerkt hoekje
-voor mij verzoeke, en er dan niets tot aanbeveling bij voege; ja kan
-het zijn, er de inhoudsopgave bij late drukken, opdat iedereen te voren
-wete wat hij te lezen krijgt. Dit alleen voeg ik er bij; maar hier,
-zoodat gij ’t niet ziet dan nadat gij ’t boek gekocht hebt; dat ik
-weet, dat nooit een schrijver het beter met zijne lezers meende, dan de
-minste der broederen, die deze bladen schreef.
-
-En nu, waarde Lezer van de Haarlemsche Courant, alles wat goed en
-wenschelijk is! Denk soms aan mij, als gij het blad in handen neemt,
-dat ik met u doorloopen heb, zoo als ik aan u. De hemel schenke u den
-zegen van menig gelukkig geboortebericht, en eerst laat en vredig een
-plaatsje onder de doods-advertentiën.
-
-Judith! breng de Courant weg.
-
-
-
-
-
-
-
-
-HET ALBUM.
-
-
-„Voor niemand t’huis, Judith!”
-
-Als ik deze order geef, ziet mijn oude huiszorg mij gewoonlijk met een
-meesmuilenden glimlach aan. Hoe zij er achter gekomen is, weet ik niet;
-maar zij schijnt eenig vermoeden te hebben, om welke reden ik mij aldus
-afzonder. Ik heb wel eens beproefd haar van den weg te brengen, door
-bij zulk een gelegenheid in mijzelven te mompelen: „Ik heb papieren die
-ik moet nazien—ik heb belangrijke brieven te beantwoorden—ik moet een
-balans maken”—maar dit baat mij niets. De oude weet heel goed, dat ik
-buiten de Haarlemmer Courant nooit eenig papier van gewicht krijg; dat
-de brieven die ik ontvang niet veel meer bevatten dan een „God zegene
-u!” mij door den een of anderen vriend toegeroepen; en vooral dat mijn
-balans zoo eenvoudig is als een bakkers kerfstok. Zij is dus geen dupe
-van deze krijgslist, en begrijpt volkomen den verborgen zin van dit
-consigne. Ik wil alleen zijn om eens ongestoord—och ja, te mijmeren!—Ik
-geloof dat ik wel kan nagaan, hoe zij hierop gekomen is. Ik heb
-namelijk volstrekt geen slag om mijn uitwendig voorkomen te
-beheerschen. Wat in mijn hart omgaat, verraadt zich dadelijk over mijn
-geheele wezen. Als mijn onbevallig figuur en vale kleur geene parodie
-op de vergelijking ware, zou ik wel willen zeggen; dat ik naar een
-albasten vaas gelijk, waardoor de vlam die er in brandt in rooden gloed
-heenschemert. Zoo veel is ten minste zeker, dat ik niets heb van
-Mijnheer.... gij kent hem wel, en Mevrouw.... gij weet wel wie ik meen,
-die hun gelaat zoo meesterlijk in hun macht hebben, dat het bij hen
-veeleer het masker, dan de spiegel der ziel mag heeten. In ’t algemeen
-doen de meeste menschen of het geheele leven een bal masqué is, en
-hebben voor niets meer zorg, dan niet in hun eigen gedaante gezien en
-herkend te worden; zeer aardig en kunstig, dat moet ik zeggen, maar
-toch een weinig lastig voor dezulken, die geen grijns hebben kunnen
-machtig worden, of, zoo zij al eens een vreemde huik omhangen, haar zoo
-linksch dragen, dat zij veel hebben van den struisvogel, die meent dat
-zijn vervolgers hem niet zien, wanneer hij zijn kop in den grond
-steekt. Tot die minder bevoorrechte wezens behoor ik. Als ik iets zie
-of hoor dat mijn bewondering, geestdrift of verontwaardiging gaande
-maakt, dadelijk werpt de springbron mijns harten zijn purper omhoog en
-overstroomt mijn anders bleek gezicht met een gloeienden blos; verneem
-of aanschouw ik daarentegen iets, dat mijn mededoogen of smartgevoel
-opwekt, terstond is de wel mijner tranen in beweging gebracht en dringt
-haar vocht opwaarts, dat, zoo het al mijn oog niet bereikt, mijn gorgel
-beklemt en aan mijn stem het geluid van een vochtige snaar geeft. Van
-daar dan ook dat ik, zelfs uren na een hevige gemoedsbeweging, er de
-sporen nog van behoud, gelijk de zee, si parva licet componere magnis,
-nog nastormt als de orkaan reeds is gaan liggen. Ik kan mij dus nooit
-in mijn eenzaamheid aan den stroom mijner aandoeningen overgeven, of
-mijn gezicht verraadt het geheim mijner afzondering. Zelfs heb ik geen
-baat gevonden bij het middel van een mijner geliefde Bijbelheiligen,
-van wien ik lees: Ende Joseph haestede hem, want sijn ingewant ontstack
-tegen sijnen broeder ende hij socht te weenen; ende hy ging in eene
-kamer, ende weende aldaer. Daer na wiesch hy syn aengesichte, ende quam
-uyt; ende hy bedwong hemselven.—Meermalen heb ik beproefd mijn
-gloeiende wangen af te koelen, en den helschitterenden straal in mijn
-oogen te dooven: vergeefs! mijn hart laat zich door geen sourdine
-dwingen. Licht bewogen en omhoog gevoerd als een pluim, moet ik ook
-zachtkens als een pluim weêr naar beneden en in rust zinken.
-
-Deze zwakheid maakt dikwijls de spotzucht van mijn Editha gaande.
-Vruchteloos is het, dat ik met een gezicht zoo onnoozel als ik kan
-binnenkom, en met een stem, zoo gemaakt onverschillig als mij maar
-mogelijk is, over onverschillige dingen spreek; zij heeft mij alleen
-aan te zien om met een spottenden lach uit te roepen: „Jonathan heeft
-weêr geesten gezien!” In mijn Editha nu is dit niets vreemds; zij ziet
-den bodem van donkerder waters, dan waartoe ik behoor; maar dat ik mij
-voor Judith niet vermommen kan, zie, dat is wat heel erg. Want dat zij
-zoo veelbeteekenend lacht, als ik haar met het eenvoudigste gelaat der
-wereld zeg: „Voor niemand t’huis, Judith!” komt nergens anders uit
-voort, dan omdat zij dadelijk begrijpt, wat ik met die afzondering
-voorheb.
-
-Maar wel beschouwd, wat doet het er toe? Indien het een ondeugd in mij
-is, waarover ik het nog niet recht met mij zelven eens ben, week en
-gevoelig te zijn, waarom zou ik mij beter voordoen, dan ik ben? en
-indien het een deugd is, wat recht heb ik dan, daar ik zoo veel
-ondeugden onbedekt ten toon draag, mij over het weinigje deugd te
-schamen, waarop ik mij verheffen mag? Kom, dus maar weêr met moed het
-spotziek lachje van mijn goede oude getrotseerd!
-
-„Voor niemand t’huis, Judith!”
-
-Maar wat nu Judith niet weet, het is wat ik na dit voorspel in mijn
-kamer uitvoer. Zij moge mijn gelaat zien glinsteren, als ik van den
-berg terugkeer; zij weet niet wat op de hoogte is omgegaan. Ook is dit
-verschillend. Somtijds bedekt de wolk der afzondering geheimenissen,
-die een verborgenheid tusschen mij en mijn geweten blijven moeten. Op
-andere tijden evenwel zoek ik de eenzaamheid om redenen, waarvan ik
-geen geheim behoef te maken. Zulk eene bij voorbeeld is de beschouwing
-van mijn Album.
-
-„De beschouwing van uw Album?”
-
-„Ja, Mejufvrouw! waarom niet?—ik weet wat UEd. zeggen wil: als ik mijn
-Album nooit dan in mijn eenzaamheid voor den dag mocht halen, zou ik er
-zoo’n ding niet op na willen houden—UEd. heeft volkomen gelijk. Want
-ziet UEd., uw album en het mijne hebben juist zooveel van elkander, als
-die prachtige gouden collier, dien UEd. om den hals heeft, en dit haren
-koordje aan mijn horlogie. Uw Album is een voorwerp van weelde, bijna
-zoo elegant als uw balwaaier. Heerlijk steekt het glanzige porselein
-van den koker tegen de sieraden van gepolijst staal af, waarmeê het
-belegd is; zie, men kan er zich in spiegelen. Zou ik durven wagen, het
-eens in te zien?”
-
-„Waarom niet, Mijnheer? het is er voor.”
-
-„Allerliefst! van wie is deze teekening?”
-
-„Och, wees zoo goed en zie eens op den rug, wat naam er op staat; ik
-weet het waarlijk zelve niet. Het is van eene Dame, die ik maar eens
-ontmoet heb.”
-
-„Ei zoo? maar wat is dit? Een vers van den Dichter *** Kent UEd. hem
-bijzonder.”
-
-„Pardonneer, ik heb hem nooit gesproken. Een mijner vriendinnen heeft
-hem voor mij om een handschrift gevraagd.”
-
-„Zoo, ik dacht ook al: ik heb dit vers meer van hem gelezen. Ik heb het
-nog in twee of drie Dames-Albums aangetroffen. Maar wat zie ik?
-Geducht! Welk een verzameling! Er zijn er wel honderd, geloof ik.”
-
-„Ja, ik ben druk aan ’t bijeengaren: dat is nu mijn stokpaardje. Mag ik
-u een blaadje aanbieden?”
-
-„Verschoon mij! ik schrijf nooit in—Albums.”
-
-Mijn simpel boekske! hoe staat gij bij dit prachtwerk achter! men zou
-nooit zeggen, dat gij van dezelfde familie waart. Zie het er eens
-deftig uitzien! Een zwart lederen band is zijn omslag, met een
-eenvoudig opschrift:
-
-
- PIAE. MEMORIAE. PARENTUM. AMICORUM.
-
- S.
-
-
-Die band houdt de weinige bladen, die het bevat, bijeen. Ik ben geen
-minnaar van den gewonen Album-vorm, tweehonderd losse bladen in een
-koker. Bij mij heeft altijd de regel gegolden, dien ik van anderen dan
-van de Franschen wenschte te ontleenen: Les amis de mes amis sont mes
-amis. Dien ik zoo lief had, dat ik hem zijn naam op dezen gedenksteen
-der vriendschap liet griffelen, mocht vrijelijk weten, wie buiten hem
-mij lief hadden, en hoe zij mij hunne liefde betuigden. Vriendschap is
-voor mij als de kelk van een roos, die de bladeren, welke zij draagt,
-niet alleen aan zich, maar ook aan elkander verbindt; voor velen heeft
-zij meer van den vlinder, die de eene bloem na de andere kust, zonder
-ander onderling verband, dan dat hij ze allen beurtelings zijn hof
-maakt. Mijn armen vormen één band om al mijn vrienden; mijn Album vat
-hun aller namen in één.
-
-Maar juist daarom wordt mijn vriendenrol nooit tot een tentoonstelling
-gebezigd. Ik ben te jaloersch van de stemmen van liefde en vriendschap,
-die daarin klinken, om die aan het oor van onverschilligen prijs te
-geven. Ik heb te veel eerbied voor de uitdrukking der heiligste
-gevoelens, daarin uitgeboezemd, om die in het gesnater der dwaasheid te
-mengen. Ook zou mijn lezer er niets van zien, indien ik niet hoopte,
-dat de toon van vereering, waarmede hij mij over mijn boekske hoort
-spreken, hem beletten zal, het met de lichtzinnigheid van een gewoon
-Albumbeschouwer te bejegenen. En nog meer blijkt de prijs, dien ik op
-deze verzameling stel, uit de wijze, waarop ik er zelf mede omga. Het
-is namelijk lang mijn gewoonte niet, haar telkens in de hand te nemen.
-Ik doe dit niet, dan bij zeldzame gelegenheden; en alsdan ook niet ter
-loops, met de onachtzaamheid, waarmede ik een tijdschrift inzie; maar
-met een zekere plechtigheid, die ik mij toeschijn aan de gedachtenis
-der dierbaren, die daarin tot mij spreken, verschuldigd te zijn. Ja,
-dit gaat zoo verre, dat ik, gelijk de lezer reeds weet, mij nooit dat
-genoegen schenk, zonder mijn eenzaamheid voor stoornis te beveiligen,
-door het uitzetten van een schildwacht:
-
-„Voor niemand t’huis, Judith.”
-
-Lach niet! Hoor ten minste eerst mijn verdediging. Mijn Album, mijne
-vrienden! is voor mij een symbolum van het Verledene! geheimzinnige
-naam van een geheimzinnig wezen! Hoe zal ik den vorm beschrijven,
-waaronder het zich aan mij voordoet? Het heeft voor mijn verbeelding
-het voorkomen van een diep en donker gewelf, dat alleen van tijd tot
-tijd door een flauwen, bleeken lichtstraal daarin vallende verlicht
-wordt; vervuld met schaduwachtige gestalten, die door elkander zweven,
-en nu eens duidelijker voorkomen, dan zich weêr in den mist die den
-achtergrond bedekt verbergen, al naarmate het grillige schijnsel, dat
-als een bliksemstraal door het verwulf schiet, zijn licht naar dezen of
-genen hoek werpt. Maar er is iets pijnlijks en duizelachtigs in dat
-staren in een onbepaald verschiet en naar schemerende gedaanten.
-Ongelijk aangenamer is het dus, zich met een lamp in dit schimmenrijk
-te begeven, de gestalte op te zoeken die men begeert te vinden, haar
-uit dien grafnevel te ontwikkelen en los te maken, haar naar voren in
-een helderder dag te brengen, en zich alzoo met haar te onderhouden.
-Daartoe nu dient mij mijn Album. Als ik dat maar aanzie, staat het
-Verledene, door zichtbare gedaanten vertegenwoordigd, voor mij. Als ik
-dat open, klinken lang verdoofde stemmen mij onderscheidenlijk te
-gemoet.
-
-Het is dus een plechtig oogenblik, als ik dit gedenkstuk ontdek. Het is
-voor mij een soort van geestenbezweering; een oproeping als die van
-Saul aan de waarzeggende vrouwe van Endor: Doet my opkomen, dien ick
-tot u seggen sal.—Ik stel mij alsdan in aanraking met wezens, die ver
-van mij, of hoog boven mij zijn. Ik daag hen bij hunne namen op, dwing
-hen met mij te spreken, spreek op mijn beurt tot hen en verkeer met hen
-als voorheen. Waarlijk, wij houden ons al te vreemd van de
-geestenwereld. Zeker is het goed, dat wij waarzeggers en
-horoskooptrekkers van onze kennissen weren; het is goed dat wij onze
-kinderen naar de fantasmagorische voorstellingen van Bamberg brengen en
-hun inprenten, dat het alles maar klinkklare begoocheling is; het is
-goed dat wij Stilling’s Geestenwereld niet meer gebruiken, dan om
-elkander op een stormigen avond bang te maken; maar evenwel zijn wij
-misschien wel wat heel vrijgeestig op dit punt. Dood is dood! zegt men
-met den polichinel in de poppenkast, en gaat even als hij op de kist
-zitten, om den gevangene er in te houden. Het is jammer! de geesten,
-vooral als we ze zelven uit eigen beweging oproepen, zijn zulke
-indrukwekkende verschijningen! Zij brengen ons zulke belangrijke
-tijdingen uit het onbekende land! zij voeren zulke wijze lessen in den
-mond, die wij van de levenden niet hooren! Nu eens vertoonen zij zich
-als een vriendelijke jongelingsgestalte, met lichtstof bekleed, met een
-krans van sterren op het amberriekend haar en den paradijspalm in de
-hand, ons toeroepende:
-
-
- ’t Ware leven is omhoog.
-
-
-Dan weêr hebben zij het ernstige voorkomen van den Profeet te Gilboa,
-en schijnen met dreigend gelaat uit het graf op te komen om ons te
-waarschuwen: Morgen sult ghy by my syn. In een ander gezicht dragen zij
-het verheerlijkt beeld van een geliefden vader of dierbare moeder, die
-de laatste bede der stervende lippen komt herhalen, en ons de nakoming
-onzer jongste gelofte afvleien. In een nieuw visioen zien wij een
-dierbare gestalte voor den troon des Eeuwigen gebogen, en hooren haar
-onzen naam noemen.... O, het is iets heerlijks, aldus naar boven te
-zien, aldaar zijn geliefden te aanschouwen, en zoo door dezelfde
-koorden dier liefde, die hier op aarde onzen hemel schiep, zich van de
-aarde ten hemel te voelen opvoeren.. Hoe kan het zijn, dat men
-zichzelven dit genot zoo zelden schenkt? Hoe kan het zijn, dat men
-alleen oogen en ooren heeft voor de menschelijke gedaanten, die ons
-omringen, terwijl een krans van engelen, even als aan een beschilderd
-gewelf, boven ons hoofd zweeft en gereed is op den eersten wenk tot ons
-neêr te dalen. Zoo ook het grijs verledene! Ik heb er allen eerbied
-voor. Ik heb ontzag voor Vader Homerus en Grootvader Herodotus, voor
-wijlen Cicero en Seneca zaliger. Ik bewonder groote Geschiedkundigen,
-wier geheugen is als het papier sans fin van onze dagen, door een
-monnik uit de middeleeuwen beschreven. Ik vind het schoon, zoo te huis
-te zijn in de lanen der Attische Academie, dat men er een bestek van
-zou kunnen teekenen, en in de boschjes van Tusculanum, als in zijn
-eigen theetuintje. Ik vind het verwonderlijk, dat men zoo gemeenzaam is
-met Quinctilianus als met zijn Rector, en met Aristoteles als met zijn
-Professor. Maar wanneer aan die herinneringen, van het gestorvene Rome
-of begraven Athene eigene jonge herinneringen worden opgeofferd;
-wanneer men voor die dooden van het voorgeslacht zijn eigen dooden
-vergeet, en met Sulpicius langer rouw draagt over Tullia, dan met zijn
-vrouw over zijn eigen kind; wanneer men, om in het klassieke Elysium
-zoo gemeenzaam te zijn en daar alle menschen bij den voornaam te
-noemen, een vreemdeling wordt in de plaats, waarheen men hoopt dat zijn
-geliefden gegaan zijn, wier naam en beeld men uit het geheugen laat
-verdwijnen, zonder ze vast te houden; dan vrees ik dat men in de
-geestenwereld dezelfde fout begaat, als velen in de menschenwereld, van
-goede aan adelijke bekenden op te offeren. Waarlijk, het is niet goed,
-aldus alle gemeenschap met onze dooden af te snijden, en ze, even als
-de hovelingen den gestorven koning, in het gezicht van hun graf te
-verloochenen. Ik althans heb mij zelven die vrijheid nooit gegeven; ik
-weet niet waarom ik zou ophouden zoon te zijn, omdat mijn vader aan de
-andere zijde is, en niet verder naar zijne vermaningen luisteren. Ik
-weet niet, waarom ik mijn oor zou sluiten voor de geestenstemmen van
-hen, wier woorden mij vroeger eerwaardig of dierbaar waren. Van daar
-dat ik mijn Album niet als een gesloten boek, bij de doodcedels der
-gestorvenen die er in spreken, weggeborgen heb, maar het beschouw als
-een altijd geldend testament, waarin ze mij hun wil bekend maken met
-dien aandoenlijken nadruk, dien iedere stem voor ons heeft, welke ons
-van over een graf toeklinkt.
-
-Daar ligt het boek voor mij open.
-
-Het eerste blad is een gedachtenis van mijns vaders moeder. Toen ik
-mijn Album begon aan te leggen, was het mij een behoefte, het vóór alle
-anderen aan deze vrouw aan te bieden. Ik wist dat nooit iemand mij
-liever kon hebben, dan zij. Ik wist dat niemand mij een hartelijker,
-beter en liever wensch doen zou—en niemand ook met meer kans om
-verhoord te worden! Zij was een dier zeldzame wezens, wier zachte
-vroomheid ik weet niet wat aantrekkelijks heeft. Ik heb opgemerkt, dat
-de godsvrucht, ofschoon zij het sieraad van alle leeftijden is, evenwel
-aan den ouderdom het natuurlijkst staat; aan jonge menschen deelt zij
-somtijds iets gedwongens en stroefs, aan den middelbaren leeftijd iets
-strengs en hards mede; maar bij oude menschen is zij in volkomen
-harmonie met hun geheele wezen en bestaan: de vroomheid lacht uit het
-rimpelig gelaat van den grijze, en juicht in zijn gebroken stem. Het is
-iets vreemds, maar voor mijn gevoel heeft de vrome oude iets jeugdigs
-aan zich, dat in wonderlijke tegenspraak is met het verval van zijn
-lichaams- en zielskrachten. Ik heb het wel eens vergeleken met het
-slaan van de vleugelen des vlinders, op het oogenblik dat de pop zal
-doorbreken; het kon mij bij hen wezen, als zag ik in den aardschen
-mensch die wegstierf, den hemelschen mensch die zich vormde:
-
-
- Als brak een scheemring van den gloor,
- Die eens hun lichaam zal doorgloeien,
-
-
-reeds nu door den kranken bouwval heen. Hoe het zij, mijn grootmoeder
-bezat voor mij een groote aantrekkelijkheid, en zoo, dat ik niet weet,
-of ik haar meer vereerde of lief had. Ik vroeg haar dus, mijn
-gedenkboek der liefde en vriendschap in te wijden. Zij deed het op hare
-wijze: zij nam haar ouden Staten-Bijbel, sloeg dien open en schreef
-daaruit met bevende hand op het eerste witte blad:
-
-Matthei X. 37. Die vader of moeder liefheeft boven my, en is myns niet
-weerdigh; en die sone ofte dochter lief heeft boven my, en is myns niet
-weerdigh.
-
-Een schoone spreuk aan den ingang van zulk een boekske. Zij wist, hoe
-dikwijls het een altaar is voor aardsche afgoden gesticht. Daarom
-schreef zij er met haren vromen vinger den naam des Allerhoogsten
-boven. Het was het D. O. M. boven de eerezuilen, voor onze gestorvenen
-opgericht. Hoe dikwijls is mij deze spreuk waarschuwend voor den geest
-gekomen. Nooit nam ik mijn Album in handen, om mij met het beeld mijner
-geliefden bezig te houden, of een blik op dit Bijbelwoord geworpen
-heiligde mijne gewaarwordingen. Bovenal is het mij ten aanzien van een
-der volgende namen van veel dienst geweest.
-
-Het volgende blad is van mijn vader. Hij was een man van een
-ingetrokken, strengen geest. Als hij in dien tijd geleefd had, zou men
-hem voor een Christen gehouden hebben, die uit de Stoa was uitgegaan.
-Dit was evenwel meer het gevolg van zijn manieren, dan van zijn
-denkwijze. Er sliep in zijn hart een schat van liefde, dien zijn
-uiterlijk scheen te verloochenen. Hij was als een fontein, die haar
-verfrisschend water in marmer bevat. Het was iets schoons, als die
-harde steen op eenmaal milde en malsche stralen opwierp! Ik kwam met
-mijn Album op zijn kamer; hij zag het met een ernstigen blik in. Toen
-hij de spreuk van zijn moeder zag, glimlachte hij, maar terstond daarop
-stond zijn oog weêr strak en donker. Hij nam een pen op en schreef
-
-
- IN LIBRO ALBO FILII.
-
- NOMEN
-
- SIT
-
- OMEN.
-
-
-In het witte boek van mijn zoon. Deze naam zij een voorteeken!
-
-Hierop gaf hij mij het boek terug, leide zijn hand zegenend op mijn
-hoofd, en wenkte mij te vertrekken.
-
-Nomen sit omen! Dat was een zware last van verantwoording, vader! dien
-gij op den hals van uwen zoon laaddet. Maar zeker, zoo iemand recht had
-zulk een verplichting op te leggen, gij waart het. Ik wil er u ook niet
-van beschuldigen, indien ik de witte smettelooze bladen van mijn boek
-nu niet met zooveel gerustheid kan aanzien, als ik anders zou gedaan
-hebben; integendeel, ik dank u voor deze strenge les. De herinnering
-daaraan heeft zeker uitgewerkt, dat mijn levensboek hier en daar toch
-een vlek minder heeft, en ettelijke vlekken bevat, die door mijne
-tranen bijna zijn uitgewischt. En dit erken ik, zoo lang gij leefdet,
-hebt gij mij trouw met raad en daad geholpen, om zijn bladen wit en
-zuiver te houden. Zegen dus over uw assche! De Heer geve, dat gij u
-eens niet over uw kind zult te schamen hebben, als „de boecken geopend
-zullen worden.”
-
-Het blad dat nu volgt is van de hand mijner lieve moeder. Maria heette
-zij, en beantwoorde geheel aan het beeld, dat die naam onwillekeurig
-voor den geest roept. Zij was geheel en al het kontrast van mijn vader.
-Mildheid, weekheid, aandoenlijkheid—die woorden schenen voor haar te
-zijn uitgevonden. Zij spreidde haar zachtheid, bedekkende en lenigende,
-over de strengheid mijns vaders, als sneeuw over een bevrozen grond.
-Van haar heb ik dien weemoed, die mij eigen is. Ik kan met den Dichter
-zeggen.
-
-
- Maar zalig is ’t, zoo soms een zachte smarte,
- Iets weeklijks, dat de linkerborst doorwoelt,
- Iets vochtigs, in ’t vertederd oog gevoeld,
- Herinnert aan mijn Moeders teder harte.
-
-
-Ik heb echter wel eens getwijfeld, of zij mij niet al te veel van haar
-gevoeligheid heeft overgedaan: en tien tegen één, lezer! dat gij dit
-ook reeds meermalen gedacht hebt. Het zij; ik wil er niet over klagen
-of morren, al ware ’t alleen, omdat het een geschenk van mijn lieve
-moeder is.
-
-Toen ik bij haar kwam met het verzoek om haar naam in mijn Album te
-schrijven, nam zij het boek, en beloofde aan mijn bede te voldoen.
-Eenige dagen later riep zij mij tot zich, en gaf het mij met een
-halflachend, halfschreiend oog weder. Het blad door haar ingevuld
-bevatte een teekening; want zij teekende uitmuntend. Het was een
-Bijbelsche voorstelling van Matth. XIX. 18:
-
-Doe wierden kinderkens tot hem gebracht, opdat hy de handen haer soude
-opleggen ende bidden.
-
-Tusschen de moeder op den voorgrond en haar was een zweem van
-gelijkenis. Aan den voet van het tafereel stond in plaats van het
-gewone fecit of delineavit, Amen! en daaronder haar naam. Het stuk
-voerde geen datum. En indedaad, welken dag zou het hebben aangenomen?
-Want wèl was haar moederliefde
-
-
- Een lang gebed van ’t kraambed tot de dood.
-
-
-Ziedaar mijn moeder geheel! geen les, geen vermaning; niets dan een
-bede. Nooit zie ik dit blaadje, of de woorden zweven mij op de lippen:
-Sancta Maria, ora pro nobis.
-
-Nu volgen de Albumbladen mijner overige betrekkingen en vrienden.
-Ofschoon mij niet allen even dierbaar, is er toch geen handschrift bij,
-dat mij niet zeer lief is. Over het algemeen is de inhoud in den geest
-van de eerste bladen. Het schijnt dat de kleur der vroomheid, door mijn
-grootmoeder en ouders aan het boekske gegeven, onwillekeurig op de
-latere bijdragen haren invloed heeft uitgeoefend. Zoo verbindt mijn
-Album niet alleen één band, maar ook één geest.
-
-Om een enkel woord te noemen, een mijner vrienden heeft op het hem
-toegewezen blad een antieken wachttoren geteekend, en daaronder het
-Hebreeuwsche woord: ‏המּצפה‎ geplaatst met de aanwijzing: Genesis XXXI.
-49, waar ik lees, dat Jacob na den vreedzamen afloop zijner ontmoeting
-met Laban een hoop steenen maakte, en daarop met den man at: waarna hij
-dien steenhoop den naam gaf van Mizpa, welk woord een wachttoren
-beteekent „omdat hy seyde, dat de Heere opzicht neme tusschen my en
-tusschen u, wanneer wy d’een van d’ander sullen verborgen zijn.” Welk
-een schoon en veelbeteekenend zinnebeeld! Mijn vriend wenscht mij niets
-uit zich zelven; hij bidt alleen, dat de Heer het oog waakzaam over mij
-geopend houde, als het oog van zijne liefde mij niet zal kunnen
-gadeslaan. Is het niet als een altoosdurend gebed voor mij opgezonden?
-O, nooit zie ik dit blad aan, of mijn oog richt zich onwillekeurig naar
-boven, en het is of ik uit de hoogte des Heeren oog beschermend op mij
-zie rusten....
-
-Het blad, dat daarop volgt.... ziet gij, dat heeft een los Album voor,
-men kan er de bladen uitnemen en op zij leggen. Had ik dat ook met dit
-blad kunnen doen! Maar neen, het is zoo beter. Het bevatte
-oorspronkelijk een teekening, een portret; men ziet er de sporen nog
-van. Het was het afbeeldsel van den liefsten vriend mijner jeugd, een
-jong mensch vol beminnelijke en bevallige hoedanigheden. Toen ik hem om
-een bijdrage voor mijn Album verzocht, liet hij door een beroemd
-teekenaar zijn beeltenis crayonneeren, en hechtte die op het voor hem
-bestemde blad, met het onderschrift van zijn hand: semper idem. Semper
-idem! een wreede logen! een bittere spot! Geen mensch op de wereld
-heeft mij het honderdste gedeelte van het leed berokkend, dat mij van
-deze eenmaal geliefde hand werd aangedaan. Et tu, Brute!
-
-Hij ontroofde mij.... maar heb ik hem niet vergeven? Evenwel, het deed
-mij pijn, zijn gelaat hier telkens terug te vinden, te midden van hen
-die mij het liefst hadden, en wier trouw op de proef gebleken was. Ik
-kon die valsche trekken niet aanzien met het onderschrift: semper idem.
-Daarom deed ik met dit portret, wat de Edelen met het afbeeldsel van de
-apostaten huns Stambooms doen; ik nam het weg, door het van het blad,
-dat het vasthield, af te lichten, zoodat er niets dan de enkele naam
-overbleef om aan te toonen, wie het is, die hier van deze zijn plaats
-is uitgevallen. Mij dacht, deze wraak was billijk, of liever het was
-geen wraak—het diende mij alleen om hem en mij-zelven de bitterheid te
-besparen, die zijn aanblik noodzakelijk in mij moest opwekken. Waartoe
-zou hij nog langer zijn plaats onder mijn overige trouwe vrienden
-behouden hebben? hij had zelf zijn naam van mijn Stamboek uitgewischt;
-hij had met eigen hand den steen onzes verbonds omgeworpen, en het
-handschrift onzer vriendschap verscheurd. Menige traan is op dit
-donkere blaadje gevallen. Misschien had ik den innemenden jongeling al
-te lief. En is dit niet de eerste spreuk in mijn boekske: Wie vader of
-dochter lief heeft boven my en is myns niet weerdigh; ende wie soon
-ofte dochter lief heeft boven my, en is myns niet weerdigh.
-
-Ik bevoorrechte, dat ik slechts een enkelen uit den kring mijner
-vrienden heb zien wegvallen. De overigen zijn mij allen trouw gebleven,
-en hebben hun handteekening met hun leven bezegeld. Niemand hunner
-heeft den zegen van mij teruggenomen, dien zijn mond over mij had
-uitgesproken. Wat meer is, ik ben er zeker van, dat wie op deze bladen
-voor mij gebeden heeft, nog heden—beneden of boven—voor mij bidt. Ja,
-ook boven! Reeds zijn er verscheidene, van wie de hand verstijfd is,
-waarmede zij hier hun namen nederschreven. Gij leest het op den rug in
-de woorden defunctus, met opgave van den dag huns overlijdens. Ik kan
-hun namen niet aanzien zonder droevig te worden; ik heb ze allen zoo
-zeer lief gehad; ik had ze zoo gaarne bij mij gehouden. En toch, ik
-benij ze hun geluk zoo weinig. O, hoe veel verschilt het gevoel,
-waarmede ik hun naam lees, bij dat, waarmede ik het portret van mijn
-ontrouwen vriend aanzie.... neen! zij zijn niet voor mij verloren; het
-verbond met hen is niet verbroken: integendeel, de dood heeft het
-bevestigd, de dood is het zegel der trouw. Deze kunnen mij niet meer
-ontvallen; ik kan hun geen ontrouw meer aandoen. Men beschuldigt den
-dood dikwijls van scheiding te maken tusschen geliefden.... ten
-onrechte! de dood vereenigt voor altijd wat voor een tijd vereenigd
-was: alleen het leven scheidt....
-
-Zie ik u daar, mijn ongeluks-blad? Het bevat niets dan eene enkele vlok
-haar, van het schoonste blond, met een draad van rozekleurige zij aan
-het papier gehecht. Geen naam, geen onderschrift, niets dan een
-datum.—Hierover geen woord, geen klacht, niets dan een zucht!
-
-Buitendien zijn er nog enkele bladen, zonder een bepaalde inscriptie te
-bevatten: met een enkelen naam geteekend, waarbij dan het een of ander
-souvenir gevonden wordt; een verdorde bloem—een wilgen- of
-cypressenblad—en wat nog geringer is dan dit; kleine nietswaardige
-relieken, maar mij dierbaar om der herinneringen wil, die er zich aan
-verbinden. De verbeelding is met zoo weinig te vreden! Voor mij is het
-genoeg enkele dier voorwerpen alleen te zien, om een geheel verleden
-voor mij te doen oprijzen. Van daar dat ik zelden op éénen avond met de
-beschouwing van mijn Album gereed kom, maar meestal een tweede bevel
-moet uitvaardigen:
-
-„Voor niemand t’huis, Judith.”
-
-Voor ditmaal zullen wij echter het boek sluiten. Daar ligt zij, de
-geschiedenis mijns harten, door de eigen hand mijner geliefden
-geschreven. O, ik kan haar niet aanzien, zonder een oog van
-onuitsprekelijke liefde op haar te vestigen. Niet alle menschen zijn
-zoo rijk aan onverdiende genegenheid, als de bezitter dezer
-vriendenrol. Indien de liefde der menschen, naar het zeggen van den
-ouden Dichter, zich in zegen des Heeren verkeert, gezegend dan o mijne
-tente, waarop die dauw rijk en mild „als Hermons dauw op de berghen
-Zions” is neêrgedaald.
-
-En nu, wat zal er van u worden, mijn lief Album! Zal ik u in de hand
-mijns erfgenaams laten, om misschien nog tot een tentoonstelling voor
-mijn achter-kleinnichten te dienen? Neen, wees gerust, mijn oud, trouw
-Codex amicitiæ! Uw plaats is reeds aangewezen in de lade met het
-opschrift: de inhoud dezes na mijn dood ongeopend te verbranden. Gij
-zult uw meester niet overleven, maar als een vereerster van Brama, hem
-langs den weg des vuurs in den dood volgen. Uw stof zal verstrooid
-worden, en de vier winden zullen de zuchten verwaaien, in uw boezem
-uitgestort!
-
-Maar wij, mijn vrienden, wat zal er van ons worden? Neen, ons stof moge
-uiteen stuiven, vergaan zal het niet. Eens zullen wij uit onze graven
-verrijzen, en met een nieuw lichaam bekleed elkander wedervinden in „de
-algemeyne Vergaderinge ende de Gemeynte der eerst-gheborenen die in de
-Hemelen opgeschreven zijn, ende de geesten der volmaeckte
-rechtveerdige.”
-
-Verrukkelijk denkbeeld! Allen weêr te zien, die ik hier heb lief gehad:
-met al die beminnelijke hoedanigheden, waarom ik ze lief had, ja die
-alle nog eindeloos verhoogd, gezuiverd, verfijnd en veredeld! O mijn
-Album, als ik bedenk, dat misschien.... de Engel des levens register
-houdt van de namen in u bevat, en die alle geschreven heeft in het boek
-des levens, dan ontvallen uw bladen aan mijn bevende handen.... „mijne
-nieren verlangen seer in mijnen schoot!”
-
-
-
-
-
-
-
-
-DE HUISKLOK.
-
-
-——————ZEVEN—ACHT—NEGEN—TIEN—ELF—TWAALF!
-
-
-Ik dank u, goede vriend, voor uwe herinnering.
-
-Men zegt, dat Koning Philippus van Macedonië er een slaaf op nahield om
-hem toe te roepen: Gedenk dat gij een sterveling zijt!—Ik geloof
-evenwel niet; dat hij door hem zoo goed is bediend geworden, als ik
-door mijn huisklok. Vooreerst verbeeld ik mij, dat de moreele klapwaker
-zijn plicht wel eens zal vergeten hebben; maar al haperde het niet aan
-hem, ik denk dat de groote Koning wel eens in een bui zal geweest zijn,
-om den boetprediker zijn wrevelig: Houd den mond! toe te roepen. Doch
-mijn vriend in gindschen hoek is altijd op zijn post; en al komen er
-oogenblikken, dat ik bang ben voor zijn stem, zoodat ik hem wel zou
-willen bidden zulk een uur zwijgend over te springen, de smeekende blik
-van mijn oog stuit op zijn eiken borst af, en hij galmt met
-onomkoopbare gestrengheid zijn Memento uit.
-
-Nu, hij ontvangt daarvoor in mijn huis ook al de achting en eer, die
-aan een getrouw dienaar toekomt. Ja, ik weet niet, of hij zelfs geen
-hooger titel dan dien van een dienstknecht dragen moet. Want tot op
-zekere hoogte is hij de meester van ons allen. Reeds in den vroegen
-morgen begint hij met den baas over mij spelen. Dan laat hij zijn
-wekker afloopen en roept mij met een forsche stem toe: Ontwaeck gy, die
-slaept en sta op uyt den dooden! Ik moet bekennen, dat ik mij soms wel
-eens aan zijn heerschappij zoek te onttrekken, en doe of ik hem niet
-gehoord heb. Maar vergeefs! dan is het of hij mij met zijn
-onophoudelijk getik (en hij heeft een toon zoo helder als glas) gedurig
-bij den arm heen en weder trekt; en zoo dit niet helpt, dan volgt er al
-spoedig een duchtiger vermaning in een nieuwen klokslag, waarin ik zoo
-duidelijk een strengen toon van berisping meen te hooren, dat ik op
-hetzelfde oogenblik naast mijn bed sta, en mij niet weêrhouden kan mijn
-beleedigden vriend vergeving te vragen. En ben ik nu eens door hem tot
-mijn plicht gebracht, dan klinkt al spoedig de reveille door ’t geheele
-huis, en de werkzaamheden vangen aan. En meen niet, dat zijn gebied
-zich niet verder dan over het eerste morgenuur uitstrekt. Neen, hij
-heeft den geheelen dag bij alles de eerste stem. Ik ben namelijk
-geheel, wat men spottend noemt: een man van de klok. Menschen die hun
-leven bij jaren berekenen (sommigen dwingen mij zelfs te denken, dat
-zij het bij eeuwen doen), hebben tijd in overvloed. Wat hebben zij naar
-hun klok te vragen? het is veel, als zij een oogenblikje stilzwijgen,
-om hem op den avond van 31 December zijn twaalf slagen te hooren slaan.
-Maar ik, die bij minuten, en zelfs zoo veel mogelijk bij sekonden tel,
-ben zeer karig op mijn kleinen schat, en geef niet gaarne voor eenige
-bezigheid meer tijd uit, dan zij waard is. Van daar heb ik in mijn huis
-minder te zeggen dan mijn klok. Daar is het nooit: Hoe laat wilt
-gij....? hoe laat verkiest gij....? dit spreekt van zelve. Men hoort er
-alleen: hoe laat heeft de klok het? Als hij het uur van tweeën
-aankondigt, is het voor mij even zoo goed of de hofmeester komt
-aanzeggen: le diner est servi. Dan begeef ik mij naar de huishoûkamer,
-en ben zeker er mijn Editha voor een gedekte tafel te vinden zitten.
-Zoo gaat het den ganschen dag door; niemand gaat uit zonder hem verlof
-te vragen: niemand durft een oogenblik langer uitblijven, dan hij heeft
-toegestaan. Men overtreedt liever mijn geboden, dan de zijne. ’s Avonds
-is hij het weder, die den aftocht regelt. Als hij met zijn elf slagen
-den taptoe slaat, leg ik mijn pijp neêr, al brandt zij nog, en Editha
-haar breiwerk, al is het niet in ’t gelijk gebreid; terwijl op ’t
-zelfde oogenblik mijn getrouwe Judith de nachtfakkels binnenbrengt.
-
-Het is waar, dan houdt zijn opperheerschappij op. Want meermalen
-gebeurt het, dat ik mijn licht uitdoovende, het raam van Editha’s
-kamer, die zich tegenover de mijne bevindt, nog verlicht zie; en nog
-gewoner is het, dat het lang, zeer lang na elf uur is, eer ik hem voor
-’t laatst hoor: maar al maak ik hierdoor inbreuk op zijn dagordening,
-hij verliest daardoor niets van zijn gezag; integendeel, als ik de
-laatste uren des daags in eenzame mijmering op mijne kamer doorbreng,
-behoudt hij wel degelijk een stem in den loop mijner overdenkingen, ja
-is dikwijls de hoofdpersoon met wien ik mij bezig houd.
-
-Dit heeft dan plaats, als ik mij in mijn ouderwetschen leuningstoel met
-hoogen rug en lage zitting vlak tegenover hem nedervlij, en mijn oogen
-met afgetrokken strakheid op hem vestig: dan weet hij wel dat zijn uur
-gekomen is, om zich met mij te onderhouden. O, het is ongeloofelijk,
-hoe veel mij dan zijn eentoonig getik zegt. Het verplaatst mij in den
-lang verloopen tijd, wiens gang hij op dezelfde wijze bijgehouden en
-aangeduid heeft. Evenwel hij herinnert mij daaraan geheel anders dan
-het gelui van de groote stadsklok. Deze zegt mij niets dan het
-eenvoudige, sombere Fuit. Maar deze klok is mijn klok; deze spreekt van
-mijn tijd en wat mij daarin gebeurd is; deze is mijn vertrouwde, die
-met mij over geheimen kan spreken, waar de groote bombam niets van
-weet. Hij kan mij zoo duidelijk en indrukwekkend zijn: weet gij nog
-wel? toeroepen, dat gij mij bespotten zoudt, indien ge zaagt hoe deze
-stem een glimlach op mijn gezicht kan wekken, of mij in tranen doen
-smelten.
-
-Zoo gaat het mij bij voorbeeld, als zijn getik mij toeroept: Herinnert
-gij u den tijd van uws vaders sterven nog?—Want deze klok, die nu den
-zoon nog zulke goede diensten bewijst, was reeds de lieveling des
-vaders, en is mij daardoor dubbel dierbaar; hij had dus ook zijn vaste
-plaats op de slaapkamer des geliefden mans. Hierdoor werd deze, toen
-hij ziek werd, niet van zijn ouden vriend gescheiden: dit was hem o!
-zoo aangenaam. Uren lang kon hij naar het gelijkmatig geluid van den
-secondenslag liggen luisteren, en wat daarbij in hem omging, bleek mij
-uit enkele afgebroken woorden, waarin het voorgevoel van zijn naderend
-sterven sprak; menigen nacht heb ik aan zijn leger doorgebracht, mij
-met niets anders bezig houdende dan met naar de beweging van het
-uurwerk te hooren. Ik kan niet zeggen, hoe treurig ik daaronder werd.
-Als men op het punt staat een geliefden vader te verliezen, doet het
-pijn de voortsluipende voetzolen van den tijd zoo duidelijk te hooren
-kraken; en nog harder viel het mij, als de kranke na lange onrust in
-een korten sluimer geschoten was, hem bij het slaan van het bepaalde
-uur te moeten wakker maken, om de bittere geneesmiddelen in te nemen.
-Soms kon ik mij niet meer weêrhouden te wenschen, dat de lijder zijn
-klok voor het laatst mogt gehoord hebben. Dit gebeurde eindelijk, maar
-op eene wonderlijke wijze. De stervende had naar gewoonte oog en oor
-naar de klok gericht; op eens—de verwarring der droefheid had ons doen
-vergeten het uurwerk op te winden—stond hij stil; dit was, geloof ik,
-in het geheele leven mijns vaders nooit gebeurd. Dit scheen zijn
-aandacht te trekken. Hij richtte zich op en zeide: ik dank u, trouwe
-vriend, voor uwe waarschuwing. Jonathan! houd die klok in eere; ik heb
-geen beter vriend in de wereld gehad. Eerst heeft hij mij leeren
-sterven, en nu vergeet hij zelfs niet mij te zeggen, dat mijn uurtje
-gekomen is: nu dan, dat „mijne ziele u zeghene eer ick sterve!” en
-toen....
-
-Weken verliepen na mijns vaders dood, maar ik had den moed niet de klok
-weêr aan den gang te brengen, ofschoon hij gezegd had; houd hem in
-eere!—Evenwel vond ik hem op zekeren tijd t’huiskomende weêr loopende;
-ik weet nog niet, wien ik voor deze gevoelige kieschheid danken moet.
-Maar sedert heeft hij nooit weêr stil gestaan; en als ik nu ’s avonds
-alleen in mijn kamer zit, en hem zie en hoor, dan is het mij alsof ik
-weêr aan het bed mijns vaders geknield lig.
-
-Op een anderen tijd vraagt hij mij weêr: Weet gij nog wel!... en
-daarbij is het of ik den schalk over mijn dwaasheid zie lachen. Dan
-doet hij mij denken, aan den tijd, toen Betsy nog aan geen ander
-behoorde. Want al kan ik nu nog zoo verstandig en deftig spreken, toen
-was ik evenwel zoo goed als iemand uwer, mijne jonge vrienden, niets
-meer en beter dan een verliefde gek. Ik leefde in een voortdurende
-roes, wist dikwijls niet of het zaterdag of maandag was, en vroeg naar
-tijd noch uur. Maar was het een dag, waarop ik Betsy ’s avonds hoopte
-te ontmoeten, dan was ik weder van de klok niet weg te krijgen, dan
-begon ik ’s morgens ten zes ure reeds uit te zien of het niet haast
-zeven ure in den avond zijn zou. De koele klok! hoe heeft hij mij dan
-wel gehinderd met zijn uitgehaald getik, terwijl mijn gejaagde pols in
-dien tijd zijn haastigen slag wel drie en viermaal herhaalde; het was
-of de dag nooit eindigen zou. Had het toch ten laatste zes ure
-geslagen, klom mijn onrust ten top, ieder oogenblik stond ik voor hem;
-bemerkte ik eindelijk, dat de tijd mij zoo nog langer viel, bedacht ik
-om iets bij de hand te nemen. Ik zou b. v. den tuin driemaal
-rondwandelen, en dan zou het wel halfzeven zijn. Ik deed het, kwam
-terug, en de klok wees—anderhalve minuut later, zoo vliegend had de
-drift mij door den tuin gejaagd! Eindelijk was het toch vijf minuten
-voor den tijd: ik kon vertrekken. Maar als ik dan met een laatsten blik
-afscheid van hem nam, hoe vreemd was ik daarbij te moede? een
-wonderlijk gevoel van gejaagdheid beklemde mij! ik hoorde mijn hart
-bonzen met slagen, die het geluid van den slinger verdoofden; ik was
-buiten mijzelven. Als ik daaraan denk, moet ik nog blozen over mijn
-eigen dwaasheid, en ik durf mijn klok haast niet aanzien, zoo duidelijk
-meen ik op zijn spottend gelaat te lezen: Weet gij nog wel?....
-
-Ja, goede vriend! ik weet het nog zeer wel—al te wel! nog op dezen
-oogenblik is het mij, of ik dien tijd weer overleef. En hoe kan het
-anders? Want hoe vele malen gij sedert uwe dagronde volbracht hebt,
-Betsy’s beeld heeft voor mij niets aan liefelijkheid verloren. Gij weet
-of ik haar getrouw was. Getuig, of ik sedert dien zaligen tijd ooit
-meer zoo voor u gestaan heb. Nooit daarna heb ik u weder van spoed of
-traagheid beschuldigd; maar mijn pols sloeg altijd zoo regelmatig of
-hij naar u geregeld ware. Neen! ik heb nooit eene andere liefgehad.
-
-Zie, zoo kan ik over elk voorval in mijn leven met mijn huisklok
-spreken. Hij kent mijn geheele geschiedenis; ja zelfs de geschiedenis
-van mijn innerlijk Ik is hem niet onbekend. Want het is mijn
-standvastige gewoonte, als ik ’s avonds op mijn kamer kom, nog eenige
-oogenblikken van mijn nachtrust af te nemen, om, kon het zijn, daardoor
-de rust van mijn allerlangsten nacht te bevorderen. Hiertoe houd ik
-geen dagboek, het papier is er mij te onbescheiden toe, of liever....
-er zijn dingen die men zelfs aan het papier niet zeggen kan! neen, ik
-neem daarbij niemand in mijn vertrouwen, dan mijn klok. Als ik hem maar
-aanzie, dan heb ik dadelijk de hoofdstukken die ik achtereenvolgens te
-behandelen heb voor mijn geest. VI–VII, eerste hoofdstuk. VII–VIII,
-tweede hoofdstuk. VIII–IX, derde hoofdstuk, en zoo voort tot XI ure des
-avonds toe. Dan overdenk ik wat ik in ieder uur gedaan heb, en maak
-daarnaar de som van baat en schade op. Gebeurt het nu dat er een getal
-is, dat mij ontevreden aanziet, dan tracht ik het tusschen dit en zijn
-buurman zoo wat te middelen, zoodat de goede het voor den kwade
-goedmaakt. Evenwel het is er verre af dat mij dit altijd gelukken zou.
-Dikwijls ben ik met mijn tijd reeds aan XII, als ik met mijn goede
-werken nog aan VI ben. O, dan kan ik mijn klok niet met een gerust hart
-aanzien, maar sta diep vernederd voor mijn ontevreden schuldeischer.
-Nog erger is het als het gebrek niet alleen negatief, maar
-uitdrukkelijk positief is; dan kan het mij tegenover mijn klok zeer
-bang worden. Meermalen stond ik alsdan in hevige gemoedsbeweging op om
-mij voor mijn rechter te plaatsen; dan kon ik hem biddend aanzien om
-mij gelegenheid tot herstel te geven. O ware de dag van heden niet voor
-mij aangebroken!—Tik—tik.—Kon ik hem nog eens weder
-beginnen!—Tik—tik.—Kon ik ten minste dit booze uur daaruit
-wegnemen!—Tik—tik.—Ik zou lust gehad hebben met schendende hand zijn
-uurwijzer eenige nommers achterwaarts te drijven; maar dat
-onverbiddelijk, altijd voortdurend, dreigend getik scheen mijn
-tegenstand te bespotten. God vergeve het mij, dat ik wel eens getracht
-heb mijn geweten het zwijgen op te leggen, door andere beelden voor
-mijn geest te roepen; doch dan was de klok met zijn onverdoofbare stem
-mijn goede engel. Deze liet mij niet toe tot rust te komen, en al
-stortte mijn geest zich tot over de ooren in den stroom der Lethe, ook
-daar vervolgde hem het getik, dat hem belette in te sluimeren. O, mijn
-goede vriend, als ik dit zoo bedenk, dan klopt mijn hart van
-dankbaarheid voor uwe onkreukbare getrouwheid, en geen koning kan zijn
-biechtvader in grootere eere houden, dan ik u in mijn binnenste
-toedraag.
-
-Somtijds echter, ach; waarom slechts somtijds! waren mijn klok en ik
-zeer goed met elkander in hun schik. Het was dan, als er tegen enkele
-kwade eens recht veel goede oogenblikken over stonden; dan kon ik met
-een waar genoegen, naar het beloop van den uurcirkel, de afgelegde
-dagronde nagaan; en als ik daarop eens een zeer goed uur beleefd had,
-dan kon het mij wezen, of er een lichtstraal op dat cijfer viel, ja of
-de geheele wijzerplaat, even als de klok op de Rotterdamsche beurs bij
-avond, geïllumineerd was.
-
-Maar nu meent UEerw. misschien op het gezegde af, dat ik een Pelagiaan
-ben, en de leer der goede werken overdrijf. Laat ik UEerw. tot uwe
-geruststelling mogen zeggen, dat ik liever mijn dierbare klok met eigen
-hand zou stuk slaan, dan toe te laten, dat hij mij een enkelen dag deed
-vergeten, dat zelfs in de beste onder onze uren een ledig vak
-openblijft, dat geen deugd eens menschen kan aanvullen. Neen, als onze
-klok zulk een leer leerde, zou mijn vader op zijn sterfbed niet gezegd
-hebben; Jonathan! houd die klok in eere; ik heb geen trouwer vriend in
-de wereld gehad!
-
-Wat staat hij daar deftig, recht zoo als een klok zijn moet. Ik heb een
-voorliefde voor zijn eenkleurige donkerheid en zijn antieke vormen; ik
-vind ze met zijn bestemming in de gelukkigste harmonie. Ik zie niet
-gaarne een aanspreker in het wit; en even zoo weinig zou het mij
-aanstaan, als de aanspreker van mijn doode uren een bont kermispak
-droeg. Onlangs was mijn horlogemaker hier en merkte op dat de houtworm
-in de kast was. Laat mij u eens een nieuw kastje in de plaats maken,
-zeide hij, dan zal het zulk een lief klokje zijn dat gij het niet meer
-kennen zult; het zal u tegenblinken van rood en goud.—Ongelukkige! ik
-had moeite mij in te houden. Mijn goede oude! wou men u in een
-hansworstenpak steken? het zal zoo lang ik leef niet gebeuren.
-
-Ik wou dat iedereen er zoo over dacht, maar het scheelt, helaas, veel.
-Wat vindt men in de plaats van de staande en hangende klokken onzer
-vaderen? rijke pendules van brons, verguld en albast, met fraai gegoten
-figuren voorzien en heerlijke bloemen versierd. Ik moet bekennen dat ik
-dien opschik voor een klok wel wat heel mooi vind; er is zooveel aan de
-kast te zien, dat men er niet aan denkt op het uurbord te letten. Men
-kan immers secretaire en trumeau wel met sieradiën bedekken, al zijn
-het juist geen prachtige klokkenkasten. Maar neen! nu eisch ik ook wat
-al te veel. De kunst, die in onze dagen op zulk een vroeger ongekende
-hoogte staat, moet toch aanmoediging hebben, en het zou immers ook niet
-staan, een gemoderniseerd vertrek door een oude hangklok te ontsieren.
-Welnu, laat het dan zoo zijn: weelderige beelden rondom het uurwerk, en
-bloemen boven de wijzerplaat. Maar dan zou ik toch wel wenschen, dat
-men de deftige oudvaderlandsche klokken, in plaats van ze naar de
-vliering of naar den uitdragers-winkel te verbannen, hun oude plaats in
-het eenvoudiger slaapvertrek liet behouden. Want daar beneden..., gij
-zult het mij toegeven, al meent men het nog zoo goed, gaat de achting
-voor den tijd een weinigje verloren. Als men den ernstigen klokslag
-door een deuntje hoort voorafgaan; is de indruk er van voor een goed
-gedeelte weggenomen. Als men pas: Schep vreugde in het leven! heeft
-hooren spelen, heeft het: Gedenk te sterven! zoo geen val. Even weinig
-kunt gij het aan uw horloge overlaten, u bij wijlen aan de gewichtige
-taak van ieder uur te herinneren. Want evenmin als men door een kind
-wil worden terecht gezet, wil men zich door zulk een klein, heel klein
-horlogetje tot ernst laten vermanen; ieder ziet immers dat het niet
-meer dan een speelpop is, die men er alleen om de pracht op nahoudt,
-zoodat het werk alleen om de kast, en dikwijls beide alleen om de
-cachetten gedragen worden. Of zou gindsche Dame dat rijk geëmailleerde
-sieraad aan dien gouden collier om den hals dragen, om zich daardoor te
-laten herinneren: hora ruit? Gij gelooft het zelf niet; zulk een
-ornamentje kan tot niets dienen, dan op zijn hoogst om zijn bezitster
-te zeggen, dat het nog te vroeg is om naar het concert te gaan, of dat
-zij nog juist den tijd heeft om een bouquet in haar ceintuur te steken,
-eer haar cavalier haar voor het bal komt afhalen. Foei! van zulke
-uurwerkjes wil de deftige erentfeste Tijd niets weten; hij maakt ze
-openlijk voor contrefaçons uit, en zet alleen zijn naam en zegel op
-deftige klokken, zoo als er hier een voor mij staat. Dus, zoo als
-gezegd is, ik blijf er op staan, dat ieder zich zulk een ouderwetsche
-huisklok aanschaffe, die het kostuum van zijn ambt draagt, en dus ook
-alleen het recht heeft zijn ambt bij ons uit te oefenen.
-
-Het is waar, dat men een somberen gast in huis haalt. Zoo kan ik
-bijvoorbeeld mijn klok nooit aanzien, of dadelijk valt mijn oog op de
-spreuk, die hij voert: Una ex his hora mortis. Een van deze is uw
-doodsuur. Zeker noch zeer vriendelijk, noch zeer beleefd; maar ik kan
-er met mijn voorbeeld voor instaan, dat men daaraan gewent. Toen ik een
-knaap was, kon ik het met de klok niet eens worden. Nadat mijn vader
-mij de Latijnsche spreuk uitgelegd, en mij daarbij een ernstig woord
-had toegesproken, kon ik hem geen goed oog meer geven; ik was bang voor
-hem geworden. Als ik ’s avonds alleen met hem in de kamer was,
-verbeeldde ik mij somtijds dat vriend Hein in eigen mageren persoon in
-de klokkenkast zat, en met zijn ontvleesde knokkels het uurwerk in
-beweging bracht, zoodat ik opstond en met bevende hand de kast
-opensloot, om mij te overtuigen dat er niets dan de onnoozele slinger
-in bewoog; maar dit is nu anders geworden. Niet dat de klok voor mij
-een ander aanzien heeft, want ik geloof nu nog veel vaster dan te
-voren, dat vriend Hein waarlijk in de klok zit en het rad draait; maar
-het verschil zit in mijn oog en hart. Ik ben voor den mageren man zoo
-bang niet meer, en ik zie dus ook zijn klokkenhuis geheel anders aan
-dan vroeger. Het is met den Dood als met meer personen die in een kwaad
-geruchte staan; hij is zoo boos niet als hij er uitziet; het komt er
-slechts op aan of men de moeite neemt van nabij kennis met hem te
-maken, en alzoo achter zijn goede hoedanigheden te komen. Sedert
-verscheiden jaren dat ik vertrouwelijk met hem omga, ben ik op zulk een
-goeden voet met hem geraakt, dat ik niet meer buiten hem kan; en daarom
-is hij nu ook zoo dankbaar, dat hij beloofd heeft mij zachtjes in zijn
-armen te zullen dragen, als ik niet meer zal kunnen gaan. Zie, dat
-heeft zelfs niemand onder mijn vrienden mij beloofd. Zou ik dan boos
-worden als hij somtijds eens aan mijn arm stoot, om mij aan zich te
-herinneren, of mij door zijn trouwen bode laat vragen, of ik nog wel
-eens aan hem denk? Foei, dat zou slecht zijn! Mijn klok kan getuigen
-dat het tegendeel waar is; dikwijls als hij slaat en mijn blik daarbij
-opziende op het opschrift valt: Una ex his hora mortis! kan ik met
-nalaten hem met een vriendelijke stem te beantwoorden: Una ex his hora
-vitae! en als ik somwijlen mijn oogen eenigen tijd heb gesloten
-gehouden, om met mijn verbeelding in een andere wereld te dwalen, en ze
-daarna opendoe.... het is wonderlijk.... dan kan het mij zijn, of mijn
-klok geheel van gedaante veranderd is! dan is het of zijn bruin
-omkleedsel op eens in een gewaad wit als sneeuw is overgegaan, en zijn
-ouderwetsche kap lijkt een glanzend hoofd, en het is of hij mij met de
-hand wenkt....
-
-Zeker zoudt gij dit van mijn oude klok niet gewacht hebben. Maar gelijk
-ik zeide, hiertoe komt men niet op eens; gij moet beginnen waar ik meê
-begonnen ben, met uw afkeer en vrees voor hem te overwinnen. Waarlijk,
-het is niet goed, hem geheel te veronachtzamen; hij is als een houten
-hand op onzen levensweg, die het opschrift draagt: Naar het Graf. Nu is
-het immers niet verstandig, zulk een wegwijzer over ’t hoofd te zien;
-want hoe weten wij anders, waar wij heen gaan? Ja, kon het ons helpen,
-het oog van die hand af te wenden, om ook niet aan te komen, waar ze
-heen wijst, nu dan mochten wij er voorbij jagen dat de vonken uit de
-steenen vlogen; doch de weg is immers niet om den wegwijzer, maar wel
-de wegwijzer om den weg. Wat baat het dan te doen of men niets merkt:
-
-
- Wij zijn wat doof aan ’t linkeroor,
- Dat keeren wij hem toe;
- Voorzeker, krijgt hij geen gehoor,
- Hij wordt het kloppen moe.
-
-
-Daar het toch altijd eindigen moet als in ’t versje:
-
-
- En wip! daar is de man!
-
-
-Het is jammer, dat sommige verstandige menschen op dit punt zoo
-onverstandig zijn. Ik ken goede rekenmeesters, wier ijzeren kist van de
-slimheid hunner berekeningen getuigt, die deze eenvoudige som van
-drieën maar niet leeren kunnen:
-
-
- 1 : O = 1 : X.
-
-
-Dat is, volgens eene opgave die men in Willem Bartjes niet vindt:
-
-Een uur staat tot de eeuwigheid, gelijk een goede of kwade daad tot de
-gevraagde.
-
-Het was deze cijferkunst, die Mozes reeds doceerde, toen hij zijn volk
-leerde, hunne dagen „also te tellen dat sy een wijs herte bekomen”
-mochten. Ja, tijden en eeuwen mogen veranderen, maar zoo lang er
-menschen op aarde leven, wier bestemming in de eeuwigheid ligt, blijft
-de tijd het kleinood des levens, de ware steen der wijzen, die slijk
-tot goud kan maken. Als ik een klokkenmaker was, zou ik in plaats van
-al die vergulde krullen mijn uurwerk in den ring van een slang sluiten,
-die de staart in den bek houdt. Het symbolum der eeuwigheid rondom het
-symbolum des tijds, dat zou, dunkt mij, van tijd tot tijd ernstige
-gedachten geven. Het is een groote dwaling, dat sommige menschen het er
-voor schijnen te houden, dat hun klok een perpetuum mobile is, dat
-nooit zal blijven stilstaan: zóó is het niet: het perpetuum mobile is
-boven, en onze klok kan ons alleen helpen om het te vinden. Foei,
-dezelfden, die zich schamen zouden het kapitaal van hun vermogen aan te
-raken, verspillen van hun beter kapitaal hoofdsom en renten te gelijk.
-Het komt altemaal van het verkeerd gebruik der klokken.
-
-Ik zou denzulken wel eens een verschijning toewenschen als die van den
-H. Johannes: „Ende de Engel, dien ik sagh staan op de zee en op de
-aarde, hief sijne hand op nae den Hemel, ende hy swoer by Dien die
-leeft in alle eeuwigheid, dat daar geen tijd meer en sal sijn!” of een
-droom, gelijk Père Bridaine in een visioen zijner vervoering had; de
-man, die de eeuwigheid een klok noemde, waarvan de slinger in de stilte
-der graven onophoudelijk herhaalt: Altijd—nooit! nooit!—altijd!—een
-droom, zeg ik, gelijk hij had, toen hij een der rampzalige
-tijdverkwisters hoorde roepen: hoe laat is het? waarop een zijner
-lotgenooten antwoordt: de eeuwigheid.—Maar neen, waartoe zouden
-verschijningen of droomen dienen? Heeft dan mijn Meester mij niet
-geleerd, dat wie Mozes en de Profeten niet hooren, al ware het dat er
-iemand uit de dooden opstond, zich niet zullen laten gezeggen? En
-indedaad! ieder die in de school des Bijbels is opgevoed, en een klok
-aan zijn muur heeft, heeft in die klok een vermaner, gelijk de
-geheimzinnige hand bij Belsazar, die aan den wand het dreigende: mene,
-tellen, schreef. En indien zijn oogen dat cijferschrift niet verstaan,
-het hapert niet aan de kunde, maar aan den wil dezer uitleggers.
-
-Jonathan! Jonathan! wat draaft gij u zelven weêr voorbij! En als ik wel
-zie, zijt gij weêr aan ’t veroordeelen van anderen ook. Och ja! die
-Farizeeuwsche zuurdeesem: o God! ick dancke u, dat ick niet en ben
-gelijk de andere menschen! wil maar niet ophouden te gisten. Och, met
-al mijn wijsheid over mijn klok, mocht ik mij wel wat meer door hem
-laten herinneren, dat het „den menschen geset is eenmael te sterven en
-daerna ’t oordeel,”—en „Met welck oordeel ghij oordeelt, sult ghij
-geoordeeld worden.”
-
-En zoo kom ik tot mijn klok terug, en zie hem scherp aan, als om hem te
-vragen: wanneer zijn wijzer het uurtje zal aanwijzen, waarop voor mij
-„geen tijd meer en sijn sal.” Vergeefs zoek ik het plekje op het
-wijzerbord: hij geeft geen ander antwoord dan het onzekere: Una ex his
-hora mortis. Nu, mijn vriend! zoo is het ook wel! Ga gij maar voort
-mijn leermeester en vermaner te zijn, dan zal ik niet licht moede
-worden mijn leven bij uren te tellen. Ik weet toch dat ge woord zult
-houden met uwe Una ex his. Een van deze!
-
-Wat is dat? het is of er een nevel op mijn oogen zinkt. Zou het wezen
-omdat.... ja, laat ik het bekennen. Toen ik daar zoo aan mijn laatste
-uurtje dacht, viel het mij in, hoe ik dan liggen zou op de eigen peluw,
-waarop mijn vader is ingesluimerd, en met mijn oog even als hij naar
-mijn geliefde klok gericht. Maar wie zal er dan aan mijn leger zitten
-om de sekonden te tellen, die ik nog te leven heb? Wie zal mij op het
-bestemde uur mijn geneesmiddelen ingeven? Wien zal ik de zorg voor mijn
-klok overdragen: Houd die klok in eere!...
-
-„In de opstandinghe en nemen sy niet ten houwelicke, noch en worden
-niet ten houwelicke uitgegheven, maar sy sijn als de Engelen Godts in
-den hemel!”
-
-Een—twee! Goeden nacht!
-
-
-
-
-
-
-
-
-MUZIEK.
-
-
-Ik weet niet, van waar ik de onbeschaamdheid haal, om een hoofdstuk
-over Muziek te schrijven. Maar de lust bekruipt er mij toe. Ik wil ten
-minste beproeven, hoe ver ik het breng. Mislukt het mij, dan blijft die
-mislukking een geheim tusschen mijn papier en mij. En breng ik het
-gelukkig ten einde, dan is dit een blijk, dat mijn onbeschaamdheid een
-goed voorteeken geweest is. En immers ben ik de eerste niet, die over
-een onderwerp schrijft, waarvan hij niets verstaat?
-
-Ja, het harde woord moet er uit: ik versta niets van de muziek.
-Beleefde menschen hebben mij wel eens verzekerd, dat het jammer is,
-omdat ik er zoo veel natuurlijk gevoel voor heb: ja die overbeleefd
-wilden zijn, hebben mij indertijd wel gevleid, dat ik geen kwade stem
-had; maar het is ongelukkig, het kwam bij mij altijd op een verkeerd
-oogenblik aan den dag, waartoe ik aanleg had of niet. Twee jaren had ik
-reeds met het Italiaansche boekhouden vertobt, toen men zag, dat ik
-niet veel beter voor een koopman deugde dan de Hottentot, die niet
-verder rekent, dan zijn tien vingers. En omgekeerd, was de geschikte
-tijd om mij muziek te laten leeren voorbij, toen men bemerkte dat er in
-mij misschien een Meijerbeer of Paganini stak. Het is nu te laat. Ik
-moet mij nu vergenoegen met mijn stem roemloos in het gezelschapskoor
-te mengen, als men aan het nagerecht het voorvaderlijke:
-
-
- Hoe zoet is ’t waar de vriendschap woont!
-
-
-of het geliefkoosde:
-
-
- ’t Welvaren van dezen huize,
-
-
-aanheft. Editha beweert wel, dat ze mij soms in mijn eenzaamheid uit de
-volle borst een solo-partij heeft hooren aanstemmen! maar de lezer zal
-mij genoegen doen met haar niet te gelooven; hij weet, welke spotters
-de vrouwen zijn.
-
-Zoodat, ik versta niets van de muziek. Was het nu bij mij: onbekend
-maakt onbemind; kon ik van mijn kant de muziek laten rusten, gelijk zij
-het mijn talent heeft gedaan, dan waren wij gemakkelijk te scheiden
-geweest, en had ik onder anderen dit hoofdstuk over de muziek niet
-geschreven; maar hinc illae lacrymae! bij ongeluk ben ik juist een dol
-liefhebber van deze heerlijke kunst! Ja, wel mag ik zeggen, een dol
-liefhebber; want ik aanbid haar onder alle gedaanten: in het
-staatsiekleed op de muziekfeesten, in het koorkleed in de kerken, in
-het feestkleed op de concerten, in het tooneelkleed in de opera, in het
-militaire kleed op de parades, in het danskleed op het bal, in het
-burgerkleed langs de straten, ja in het bijna-geen-kleed der armoede,
-die met een draaiorgel loopt. Alle vormen waarvan zij zich bedient,
-zijn mij lief: het statige oratorium en de luchtige wals-maat; de
-prachtige symphonie en de eenvoudige aria; de rijke gevarieerde opera
-en het altijd wederkeerende orgeldeuntje; ik bemin duetten, terzetten,
-quartetten, quintetten, sextetten—als zij er zijn, hetgeen ik niet
-weet. Alle instrumenten zijn mij aangenaam, van koper of hout, met of
-zonder snaren, geblazen of gestreken, getokkeld of geroerd; ik hou
-zonder onderscheid van de schetterende trompet en het piepende
-flageoletje; van den brommenden bas en de snerpende vioolsnaar; van de
-toeterende trombône en de klagende dwarsfluit; van de donderende pauk
-en den tjingelenden triangel. Ik ben verzot op alle stijlen en
-methodes; Italiaansch, Duitsch of Fransch, klassisch of romantisch,
-oud- of nieuwerwetsch, ik ben overal uw man.
-
-Waarschijnlijk komt dit daaruit voort, dat mijn hart muzikaal is. Het
-zit bij mij niet alleen in de ooren, zoo als bij sommige kenners, wier
-gehoorzenuwen meer met hun maag, dan met hun ziel in verband staan. O,
-ik kan mij er dikwijls aan ergeren, wanneer ik de bezoldigde dienaars
-van Polyhymnia, onder de uitvoering van een heerlijke muziek, daarvan
-niet meer zie gevoelen, dan de instrumenten die zij behandelen. Vast in
-de maat, ze zijn het verwonderlijk: met den bril op den neus en den
-strijkstok in de hand, zitten zij te tellen als metrometers; nauwelijks
-is hun tijd om te spelen gekomen, of wip! gaat de viool naar de kin, en
-kras! gaat de stok over de snaar! laat er rondom hen gebeuren wat wil,
-zij vertrekken er geen oor naar, en blijven geheel noteblad; maar hun
-gewaarwordingen daaronder! leest ze op hun dommelige, levenlooze,
-houten aangezichten! zij voelen niets van de verrukkende harmonie, die
-om hen ruischt; zij blijven koud als steen te midden van dien
-vuurvloed, die van rondom hen op het sidderende gehoor nederbruist; hun
-nuchter hoofd bemerkt niets van de bedwelming, die zich van hun snaren
-op de opgewonden menigte stort. Ja wat meer is! zij zelven werken mede
-tot de betoovering, die u overmeestert: ook hun snaar giet zijn melodie
-in den stroom, wiens geweld u medesleept; ook hun spel is een schalm in
-de magische keten die u onzichtbaar omslingert; maar de ongelukkigen!
-zij zijn daarbij slechts doode werktuigen: hun invloed op u is die van
-doove hamers, die onder de hand des kunstenaars de snaren der piano
-treffen; gelijk de windharp, die geen aandoening heeft van het koeltje,
-waaronder haar zangerig hout zucht; zij zijn eenigermate gelijk aan
-„die werklieden vreemd aan Israël, die de bouwstoffen bijeenbrachten
-voor den prachtigen tempel, waarin het hun nooit vergund zou zijn
-binnen te treden.” O, ik beken het met schaamte en spijt, dat ik een
-oningewijde in het heiligdom der harmonische kunst ben; ik kom er voor
-uit, dat ik van deze Levieten hares altaars het eenvoudigste onderricht
-in haar geheimen zou moeten ontvangen. Maar toch! ik sta in mijn oogen
-hooger dan zij, ik, die de harp in het hart draag, welke zij op hun
-knechtslivrei voeren. Vergeeft het mij, Heeren muziekmeesters en
-dilettanti! maar als ik na een heerlijke muziek u de gehoorde
-compositie hoor ontleden, alsof het een thema ter analyse ware, terwijl
-de opgevangene melodie in mijn hart, als een weêrklinkend gewelf,
-zuiver en helder nagalmt, en het met welluidendheid vervult, dan verhef
-ik er mij op, dat ik tot uw kunst in nader en inniger betrekking sta,
-dan gij zelven; en terwijl ik uw medelijdende vraag:
-
-Mijnheer is geen kenner? met een zedige buiging beantwoord, beschouw ik
-u met het gevoel, waarmede de moedige reiziger den gids aanziet, die
-hem in het wonderoord der Zwitsersche Alpen weet te zeggen:
-
-Dit is nu de St. Bernard, en die spits daar is de Montblanc, en die
-punt ginds is de Jungfrau.
-
-Nog eens, bij mij zit de virtuositeit in het bloed; mijn ooren zijn
-niet dan de geleiders van mijn hart, en dat springt op, als het maar
-een enkele noot hoort, gelijk een hert dat de stem van zijn moeder
-verneemt! dit vraagt niet eerst: Wat hoor ik? Is het in mijn methode,
-wat ik hoor? Is het van mijn componist, wat ik hoor? Is het mijn
-instrument, dat ik hoor? Wordt het goed uitgevoerd, wat ik hoor? en zoo
-al voort totdat—er niets meer te hooren is. In dien tusschentijd heeft
-mijn hart reeds ruim en rijk genoten; het heeft de maat nagehuppeld, en
-met de noten meê in het rond gesprongen; het heeft voor een uur
-opgeruimdheid en vroolijkheid opgedaan, en herhaalt het liedje dat het
-gehoord heeft nog wel tienmaal in zichzelve.
-
-Waarom ziet Mijnheer zoo knorrig?
-
-Heet dat muziek maken? muziek-verknoeien is het!
-
-Tra la la la—tra la la la.
-
-Dan liever in het geheel geen muziek, dan haar zoo te hooren
-mishandelen.
-
-Maar wie is Mijnheer dan?
-
-Ik ben een musicus.
-
-Ha, ik niet. Vaarwel Mijnheer! leve de muziek! Tra la la la—tra la la
-la.
-
-Ja, leve de muziek! Ik heb behagen in alles wat maar zingt en klingt;
-melomanie is mijn zesde zintuig, ofschoon, gelijk ik zeide, in zijn
-natuurlijken toestand, zonder ontwikkeling of verfijning door de kunst;
-zij is mij dan ook aangeboren. Naar het zeggen van mijn moeder, was ik
-in der tijd een ondeugend en lastig wicht; maar gelukkig bezat zij in
-haar schoone stem een machtig toovermiddel, waaraan het bijna altijd
-gelukte den boozen Demon in mij te bezweren. Zette ik mijn keel op tot
-een gillende dissonant, dadelijk beproefde zij die in haar heerlijke
-sopraantonen op te lossen, en eere zij aan mijn jeugdigen smaak, dat ik
-haar liever scheen te hooren dan mij zelven; want gewoonlijk hield ik
-dadelijk op om geen noot te verliezen, en eindigde met haar door mijn
-tranen toe te lachen, als Astyanax dichterlijker gedachtenis. De lieve
-moeder! Vooral was het hare gewoonte, mij des avonds zingende in slaap
-te sussen. Uren lang kon zij aldus aan mijn wiegje doorbrengen. Daarbij
-had zij een gevaarlijken vijand in haar gezang zelf; want ik was er
-veel te verliefd op, om er niet zoo lang mogelijk naar te luisteren.
-Zoo lag ik dan dikwijls een geruimen tijd tegen den slaap, die mij
-allengs overmeesterde, te kampen, tot dat mijn moeder eindelijk
-triomfeerde: zachtkens streek de rust met haar liefelijk ruischende
-vleugelen mijn luikende oogleden toe, en met een genoeglijk lachje om
-den mond sluimerde ik in.
-
-Naar mijn moeder mij vertelde, was er evenwel geen lied, waarvoor ik
-gevoeliger scheen te zijn, dan het avondlied der Hernhutters:
-
-
- Laat mij slapend op U wachten,
- O dan slaap ik zoo gerust.
-
-
-Ik geloof het gaarne; geen lied zong zij beter. Het is dan ook bijna
-het eenige van hare wiegezangen, waarvan mij een diepe indruk is
-bijgebleven. Nog kan ik het niet hooren, of er trilt in mijn hart een
-akkoord uit mijn vroegste kindschheid. Nog kan ik het niet hooren, of
-ik denk aan mijn lieve moeder, en—het toen nog onschuldige wicht. O
-gezegend het kind, dat zulke herinneringen heeft! hoe teêr ze zijn, ze
-zijn dikwijls sterker tegen de verzoeking, dan de stemmen van rede en
-deugd. Bij mij althans, welke booze gedachten zich ook in mijn
-binnenste mochten verheffen, ik geloof niet dat ze het zouden kunnen
-uithouden tegen een zachte stem, die in zulke oogenblikken zong:
-
-
- Laat mij slapend op U wachten!
-
-
-Opgroeiende verloochende zich deze zucht voor muziek in mij niet, en,
-gelijk ge ziet, zij is mij nog bijgebleven; zij is in mij iets
-natuurlijks. Ik heb de muziek lief uit instinkt, niet als een kunst,
-maar zoo als ik den blauwen hemel, de lekkere zon, de zachte maan, de
-heerlijke sterren, het donkere bosch en het groene veld lief heb. Ik
-vraag mij geen reden van deze liefde; ik laat er mij niet op voorstaan,
-noch zoek er meê te pralen. Ik noem het een gave van God, en ben er als
-zoodanig dankbaar voor.
-
-En zou ik niet? Göthe spreekt ergens van menschen, die een gebrek in de
-oogen hebben, waardoor alles voor hen een rozeroode kleur heeft, de
-beklagenswaardigen! Wat genieten zij van die duizendmaalduizend
-schakeeringen van kleuren en tinten, die in de natuur ons oog
-verrukken? Maar mij dunkt dat menschen, die volstrekt geen gehoor voor
-de muziek bezitten, weinig minder te beklagen zijn. Want ook voor hen
-gaat immers een gedeelte van het schoone van Gods schepping verloren?
-Zij hooren niets van al die welluidende stemmen, die overal klinken, en
-den Schepper prijzen, dat er te gelijk de schepselen door gestreeld en
-verheugd worden. O, het eerste vogelengezang in de lente! als het
-bosch, dat zoo lang stil en zwijgende was, weêr voor het eerst leven en
-geluid herkrijgt. Als de vogelkens hun stem schijnen te beproeven en
-allengs voller en ruimer uit de borst beginnen te zingen. Als
-langzamerhand al mijn lieve oude kennissen, met haar bekende stemmetjes
-mij haar welkom toeroepen. Als eindelijk mijn uitverkorene, de
-nachtegaal, voor de eerste maal mijn oor verrukt... o hoe baadt dan
-mijn ziel in genot! hoe zwemt zij in de zee van melodie, die uit de
-hoogte op mij nederstroomt! Zie op! voor het oog is alles nog winter.
-Het geboomte heeft nog zijn eentonig Decemberbruin; het groen slaapt
-nog in de zich ontwikkelenden bot; de rijp kraakt onder uwe voeten; een
-scherpe Noord-oostenwind blaast u in het gezicht, en bederft u het
-genot van de reeds koesterende voorjaarszon. Maar hoor toe! Voor het
-oor is de lente daar! zij is daar in de muziek, die even als andere
-vreugde, ook de vreugde der lente voorgaat; zij is daar in die duizende
-voorjaarsboden, die de komst van het schoone saizoen uitroepen,
-arkduiven die de belofte van een groenende aarde in den vriendelijken
-mond dragen; zij is daar in het lied van de Koningin der lente, die
-haar levenwekkende stem over ’t land doet hooren, die de „bloemen
-openfluit” en de bladeren uit hun zwachtels lokt. Gelukkig de vriend
-der muziek; hij heeft een lentemaand meer in het jaar!
-
-En komt gij in den kring der gezellige samenleving, hoe veel genot gaat
-ook daar voor het harde oor verloren. Het is toch in onze prozaïsche
-wereld nog iets poëtisch, en onder haar vele dissonanten nog iets
-melodisch, dat er zoo veel muziek in gehoord wordt. Laat het zijn, dat
-daaraan voor twee derden de ijdelheid en de mode deel hebben: ik
-vergeet dat, zoodra de eerste toon mij tegenklinkt. Wat menschen als ik
-daaraan te danken hebben, is ongelooflijk; menig vervelend bezoek,
-menige taaie avond is mij door het maken van muziek verkort en
-veraangenaamd. Maar foei! wat spreek ik alleen van hare negatieve
-verdiensten, als of zij geen andere rechten op mijn hart had? Maar laat
-het zich dan onder woorden brengen, welk genot ik dikwijls aan haar
-betoovering verschuldigd was?
-
-Immers staat mijn hart altijd voor haar invloed open, en wacht slechts
-op haar komst, gelijk de marmeren kom van een fontein op de stralen des
-dolfijns: een enkele noot, en mijn hart zet zijn deuren wagenwijd open.
-Hoe kan ik dan met een luisterziek oor aan de heerlijke klanken hangen!
-hoe met een van wellust bevenden voet den stroom der muziek in al zijn
-kronkelingen volgen, gelijk een knaap den schoonen vogel, dien hij
-hoopt te verrassen! Hoe kan ik mijn hart op de deining der melodie
-laten heen en weder wiegelen, gelijk een zwaan op de rimpeling van het
-kabbelende water! hoe mij op de vleugelen des stijgenden geluids laten
-opheffen, of op het dons der dalende akkoorden nederzinken! hoe kan ik
-mij in den Feeëndans der luchtige noten laten meêslepen, of door de
-klacht der andante tot tranen bewegen! Van dat de eerste toon in mijn
-ooren klinkt, ben ik mijns-zelven niet meer: ik ben het eigendom van
-den componist, die mijn hart met volkomen willekeur beheerscht; hij
-heeft mij in zijn hand, hij kan van mij maken wat hij wil, ik ben de
-zijne door het recht van verovering.
-
-Evenwel het gebeurt soms, dat hierop een uitzondering plaats heeft. Het
-is dan als mijn hart te vol raakt, om meer te kunnen toehooren. Er zijn
-oogenblikken, dat de muziek, in plaats van mij met haar adem te
-streelen, het meir mijns harten beroert, en een sterke aandoening in
-mij wakker roept; dan is het mij niet mogelijk, langer aan haar klanken
-geboeid te blijven; dan word ik doof voor haar taal, en luister alleen
-naar de stem, die uit mijn binnenste oprijst; dan verlies ik mij in een
-diep verleden, of zie vooruit in een schemerende toekomst; dan verzink
-ik in dien toestand, dien de Dichter beschrijft:
-
-
- Het is een onbestemd „gevoelen,”
- Een toestand donker en verward.—
- Wij voelen zóó, als op ’t concert
- De tonen op iets treurigs doelen:
- Een algemeen besef van smart;—
- Waarbij we, zonder orde of reden,
- In toekomst dwalen en verleden.
-
-
-Ziet gij, wanneer zulke gedachten mij aangrijpen, ben ik voor de
-toespraak der muziek verloren: voor haar toespraak, maar evenwel
-geenszins voor haar invloed. Want die mijmeringen zijn alleen onder
-haar invloed geboren, en leven alleen in den dampkring van haar
-melodie. Laat de muziek ophouden, en zij zullen wegvluchten als
-schuwgemaakte vogels! Laat de muziek voortduren, en zij zullen haren
-sylphendans voortzetten, en zich gedurig helderder en levendiger voor
-mijn geest vertoonen. Ook wordt haar voorkomen door de macht der muziek
-beheerscht. Gedurende de allegro zullen zij een licht, een vroolijk
-aanzien hebben; met de andante zal haar gelaat betrekken en haar gang
-sleepender worden; en als deze eindelijk in de adagio overgaat, zal er
-een floers van somberheid op haar dalen, als op een landschap, dat de
-zon op eens ophoudt te beschijnen. Zoo ontvangen zij, even als het
-corps de ballet, in alles de wet van het orkest.
-
-En hierbij denk ik vooral aan de oogenblikken, onder het gehoor van
-Editha gesleten. Het is namelijk haar standvastige gewoonte, des
-namiddags in het uur, waarin anderen zich het genoegen geven van, zoo
-als zij het met een euphemisme noemen, stil te zitten, de piano te
-openen, en een poosje te spelen. Nu speelt Editha zeer wel; ten minste
-naar mijn smaak, omdat er in haar spel meer uitdrukking dan kunst is.
-En dit stille uurtje is mij het liefste van den geheelen dag. O, hoe
-kan dan mijn geest zich op de wolken der zwevende melodie inschepen, en
-zich daarop omhoog laten voeren! Heerlijke luchtreis, die ik dan doe,
-waarbij al de luchtreizen van Green niets zijn. Kon ik u beschrijven,
-wat dan mijn verrukt oog niet al aanschouwt! Welke lusthoven de gouden
-tooversleutel der harmonie voor mij opent! Welke paleizen de stem der
-muziek, als een andere Amphion, voor mij doet oprijzen! Welke gezichten
-mij vervoeren, welke geuren mij tegenwalmen, welke hemelsche tonen mij
-toeklinken! Gelukkig voorwaar, dat deze luchtkasteelen voor u
-ontoegankelijk zijn, Mijnheeren Ontvangers en Rijksschatters! kondt gij
-er bijkomen, arme Jonathan, hoe zoudt gij moeten bloeden! Op welke
-sommen zou u de grondbelasting te staan komen van een terrein, waarbij
-uw aardsche hut niet veel meer is dan een notendop; met welke schatten
-zoudt ge het bezit van een mobilair moeten boeten, bij hetwelk goud,
-als het geringste der metalen, de plaats van hout en steen vervult. Ik
-kan er van sidderen, als ik denk, dat iemand hunner zijn brakken neus
-in deze kostbaarheden steken mocht. Maar geen nood! Ieder mensch heeft
-boven zijn armoedje, dat door den maatstok der wet wordt nagemeten, een
-ruime plek aan den hemel, waar zijne verbeelding een luchtpaleis mag
-stichten, zoo prachtig als hij wil, zonder dat men hem daar kan komen
-lastig vallen. En waar ook verschil bestaan moge, hier niet. Want de
-weinige spannen gronds, die den bedelaar toebehooren, hebben even
-zoowel den onmetelijken hemel tot gewelf, als het uitgestrekte domein
-des Vorsten. Daarheen dan onze toevlucht genomen, mijne vrienden! die,
-even als ik, uw aardsche heerlijkheden met weinige passen beschrijden
-kunt. Wij zullen ons daarboven wreken! Wij zullen er een luchtkasteel
-bouwen, zoo heerlijk, dat de geheele schatkist, om wier wil we zoo
-geplaagd worden, niet in staat zou zijn er een enkelen vleugel van te
-betalen. Wij zullen er een pleasure-ground bij aanleggen, waarin al de
-Ontvangers (en dat’s veel gezegd) des noods zouden kunnen verdwalen! En
-wij zullen het genoegen smaken van onze kwelgeesten bij den neus te
-hebben, die terwijl zij onzen nederigen inboedel taxeeren, van onze
-bezittingen in de maan niets vermoeden zullen. Ik voor mij althans hoor
-hen nooit een prijs op de piano van Editha stellen, zonder in mij
-zelven te glimlachen: *** guldens! Zij is voor mij het tiendubbel
-waard; in die kast is voor mij het wenschhoedje van Fortunatus
-verborgen! Daarin schuilen de papieren van eigendom van mijn goederen
-in het bovenland. Maar gij zult er niets van te zien krijgen.—En
-nauwlijks heb ik de deur achter hen gesloten, of ik kom met een
-vroolijk gezicht weêr binnen: kom aan, Editha! nu nog eens een liedje:
-
-
- L’or n’est qu’une chimère.
-
-
-Maar nog dierbaarder is mij de herinnering aan die oogenblikken, waarin
-de muziek de uitwerking had van den storm der hartstochten in mij te
-doen bedaren, oogenblikken waarin het mij ging als Saul; Ende ’t
-geschiedde als de geest Godes over Saul was, so nam David de harpe,
-ende hy speelde met syne hant: dat was Saul eene verademinge, ende het
-wert beter met hem, ende de boose geest weeck van hem.—O, het is een
-zalig gevoel in een tijd, wanneer de drift, als een storm uit zijn
-krocht losgebroken, de kalmte der ziel beroert; wanneer alles, wat er
-kwaads en ondeugends op den bodem des harten slaapt, opgist, en het
-hoofd door zijn dampen bedwelmt; wanneer de onreinheid, die den grond
-onzes gemoeds bedekt, door onvoorzichtigheid in beweging gebracht,
-opborrelt, en deszelfs helderheid troebel maakt; het is een zalig
-gevoel, wanneer men zich in zulk een tijd de kracht voelt ontbreken om
-die woeling te gebieden: Zijt stille!—dat er zich dan een macht van
-buiten opdoet, die de verbroken rust en klaarheid herstelt. Zulk een
-macht nu is voor mij die der muziek. Dikwijls, als onreine gedachten
-mijne verbeelding dreigden te besmetten; als de hartstocht mijn gemoed
-in oproer bracht; als een weêrbarstige ontevredenheid zich van mijn
-ziel meester had gemaakt; was het genoeg, dat de muziek haar liefelijke
-stem liet hooren, om den kwaden geest, die mij verzocht, uit te bannen.
-Niet dikwijls gebeurde het, als zij zich ter rechter tijd gelden deed,
-dat mijn drift zich tegen haar tooverkracht bleef verzetten. Bij de
-eerste tonen reeds werd het oproer in zijn vaart gestuit; langzamerhand
-liet het zich met zachten tegenstand terugdringen, zoo als men een
-blaffenden bandhond streelend in zijn hok lokt; terwijl de muziek de
-muitende driften bedwong, riep zij de sluimerende betere
-gewaarwordingen wakker; vandaar een korte strijd, die eindelijk in de
-zegepraal van het goede beginsel eindigde, terwijl het kwade als een
-neêrgeslagen droesem op den donkeren bodem terugzonk. Gelukkig
-oogenblik, wanneer alsdan een zacht rood van schaamte de wangen
-kleurde, welke vroeger de hartstocht in vollen gloed had gezet, en een
-verkwikkende traan het brandend oog bevochtigde. Alsdan werd de
-wonderspreuk des Dichters aan mij bewaarheid:
-
-
- Alles heeft zich-zelf verloren.
- ’t Honderdhoofdig Helgedrocht
- Ligt ontketend in zijn krocht,
- Met ter neêr gestreken ooren,
- Vastgeboeid door ’t maatgeluid.
-
-
-En wat wonder? Immers was ik altijd, licht ontvlamd als ik ben, de
-speelbal van snel afwisselende aandoeningen, en even ras „in gloed
-gevlogen,” als tot zachtere gemoedsaandoeningen terug te brengen. Mijn
-moeder vooral verstond meesterlijk de kunst om in zulk een onrust rust
-te gebieden. Zij deed dit niet door mij, als een hollend paard, in den
-teugel te vallen; zij deed het door den leniger, maar sterker drang der
-overreding! „Jonathan! Jonathan!” Er was in den toon, waarmede zij dien
-naam uitsprak, iets zoo krachtig en teeders te gelijk, dat ik er niet
-aan kon weêrstaan. Welnu, in de stem der muziek is voor mij iets
-dergelijks; als zij mij hare zachte klanken tegenwalmt, is het of ik
-nog de stem van mijn nu zalige moeder hoor; „Jonathan! Jonathan!” En
-gepaard met deze herinnering, vallen mij op het eerste geluid de wapens
-uit de handen. Heerlijke muziek, zeker zijt gij een broeder-engel van
-mijnen Genius!
-
-Ook weet ik van oogenblikken, waarin zich aan mij een andere
-verzekering des Dichters bevestigde:
-
-
- Dan vergeet zich in ’t verrukken,
- Zelf Prometheus arendsbeet,
- Tantalus versmachtend leed,
- Bij ’t vervoerend vingerdrukken.
-
-
-Waar is de mensch, wien het hier wel niet eens bang was? Ik althans
-behoor tot hen, die aan het bestaan van Prometheus en Tantalus
-gelooven. Ik ken die pijn, die het hart eet en het bloed drinkt; ik ken
-dat onverzadigd verlangen, dat den mensch naar de gouden
-paradijsappelen doet hongeren, die altijd even ver van zijn lippen
-verwijderd blijven; maar ik ken ook dat zich vergeten van arendsbeet en
-versmachting,
-
-
- Bij ’t vervoerend vingerdrukken.
-
-
-De muziek spreekt bovenal de taal der vertroosting! haar gestrook
-
-
- Is waarlijk van fluweel.
-
-
-Haar vriendelijke stem vloeit als balsem in het verscheurde hart: ik
-weet niet, of het waar is, wat sommigen beweerd hebben, dat muziek de
-kracht heeft van sommige zielskrankten te genezen; maar ik weet wel,
-dat zij in staat is het lijden van alle zielskrankten te verzachten en
-te lenigen. En is zij niet een bode der hope, die van betere tijden
-spreekt? Dikwijls als bittere teleurstellingen mij hadden ter aarde
-geworpen, richtte zij mij aan haar hand op, en nam mij aan haar zachte
-borst; dan dauwden er woorden van liefde en troost van haar zoete
-lippen; dan ademde zij mij nieuwen moed in ’t hart; dan goot zij mijn
-boezem vol van nieuwen levenslust en nieuwe levenskracht; dan spande
-haar opwekkende invloed mijn spieren en zenuwen tot dapperen wederstand
-tegen den druk, die op mij woog; dan klonk haar stem voor mij als een
-wapenkreet, die mij ten strijd daagde; dan ging haar moed-inboezemend
-geluid mij voor op den weg der overwinning; dan hergaf zij mij aan mij
-zelven.
-
-Nog plechtiger herinneringen verrijzen voor mijn geest.
-
-Stemme des orgels! Stemme der muziek in het huis des Heeren! Hoe de
-gewaarwordingen te beschrijven, die gij zoo dikwijls in mij verwektet?
-
-Ik weet het, de Godsdienst heeft meerder rechten op de welluidendste
-der kunsten, dan deze haar in onze eenvoudige heiligdommen betaalt. De
-storm der Hervorming heeft in haar geweldige, schoon heilzame
-omkeering, onder meer, dat wij hadden willen gespaard zien, ook de
-snaren van de heilige harp Davids verbroken, die Gode zoo
-welgevalliglijk placht te klinken. Het zij! wij weten, dat het een
-hachelijk oogenblik was, toen het niet de keuze tusschen een eerdienst
-met of zonder muziek, toen het de keuze tusschen een hulde des harten
-en der lippen en een hulde der muziektuigen gold; toen er beslist moest
-worden, of de zanger zou zingen, of zijne luite. Doch des te hooger
-eere en dank aan hen, die het pleit des orgels voor de rechtbank der
-Hervorming hebben verdedigd en gewonnen. Nu hebben wij ten minste een
-enkel harmonisch voertuig voor onze heilige inboezemingen behouden; en,
-wij erkennen het dankbaar, het geschiktste en waardigste, om dien
-gewijden last ten Hemel te voeren! Er is in den klank des orgels iets
-statigs en majestueus, dat wonderlijk overeenkomt met de plaats en het
-doel, waartoe het zich laat hooren. Ik zou haast zeggen: het orgel is
-een beeld van den Godsdienst zelven, dien wij belijden. Zoo woont hij
-in ons hart, onzichtbaar en verborgen, even als het geluid in het
-speeltuig. Geen bonte pronk of valsche schittering tooien hem, maar een
-deftig, plechtig en eerbiedwekkend uiterlijk. Hij vermengt zich niet
-onder de ijdelheden der aarde, noch paart zijn stem aan den luchtiger
-toon der wereld; altijd blijft hij waardig, achtbaar en zijn hooge
-bestemming indachtig. Zich gedurende de zes ongewijde dagen in
-zichzelve terugtrekkende, verheft hij ten zevenden, ten dage des
-Heeren, zijn jubelende stem, en roept dan luide zijn verrukkingen uit!
-Maar ook dan nog handhaaft hij zich als de bode eener heilige
-blijdschap, en laat in den klank van zijn zich naar buiten openbarende
-vreugde, altijd den grondtoon van een statigen ernst klinken.—Vol en
-breed vervult de galm van het speeltuig het heiligdom, en doordringt
-het met een welluidende huivering; langzaam, gelijk de geur des offers
-met de lucht samenvloeit, vereenigt hij zich met de stem der menigte;
-en daarmede ineengesmolten heft hij zich met een kalme gelijkmatige
-duivenvlucht omhoog, dringt door wolken en uitspansel, en stort zich
-uit voor het oor van Hem, die den adem geeft. O, het is verwonderlijk,
-hoe machtig dit geluid is op hem, die er gevoel voor heeft, om hem te
-stemmen en tot een waardige aanbidding voor te bereiden. Hoe dikwijls
-kwam ik verstrooid en afgetrokken in het heiligdom; maar het orgel
-klonk! het orgel, dat ons in zijn indrukwekkend geklank opriep: Lovet
-den Heere met de harpe. Psalmzinget Hem met de luyte.—Als een geest der
-bezieling woei die welluidende adem mij aan; helder weêrklonk die stem,
-die den tempel doorgalmde, in den tempel mijns harten. En nauwelijks
-droeg de eerste golf van melodie den eersten toon des gezangs naar
-boven, of reeds mengde zich mijn stem, eerbiedig en vroom, in het
-duizendstemmig lied der gemeente, en klom zwak en bevende, maar uit het
-volle hart, tot den Heer! En hoe zou ik al de verplichtingen kunnen
-opnoemen, die mijn stichting en zielsverheffing aan u heeft, muziek des
-gewijden orgels? Of kende ik de oogenblikken niet, waarin mijn
-overstelpt hart zijn dank niet hoog genoeg ten hemel heffen kon, maar
-zich gelukkig voelde, dien op uw breeder en sterker schacht te mogen
-nederleggen, om dien te brengen tot waar mijn stem niet reikt;
-oogenblikken van bezwaardheid en droefenis, waarin met uw opbeurende
-galmen van boven licht en troost in mijn donkere ziel vloeide;
-oogenblikken, waarin uw majestueus geluid mij een huivering van eerbied
-op de leden stortte, en mij den Allerhoogste voor den geest stelde, als
-was het dat „suyzen van een sachte stilte” waarin de Heer zich aan zijn
-dienaars openbaart; oogenblikken, waarin uw donderende toon,
-ontzagverwekkend als de klaterende wolk van Horeb, op mij nederdaalde
-en mij met den schrik des Heeren sloeg, of waarin ik in een rollend
-gebulder de bazuine des laatsten oordeels meende te hooren;
-oogenblikken waarin uw machtige stem voor mij de wolken deed scheuren,
-en mij, onder uw zegevierend jubelen, den hemel opende, waaruit mij
-reeds het lied der tienduizendmaal tienduizenden scheen toe te klinken!
-O zeker, al waart gij voor mij de eenige tolk der harmonie, die door al
-het geschapene ruischt, orgel des heiligen bedehuizes! toch zou ik met
-Schiller aan uw kunst den palm reiken!
-
-
- Aber die Seele spricht nur Polyhymnia aus.
-
-
-Ja, durfde ik, ik zou verder willen gaan en zeggen: Muziek is de taal
-des hemels!
-
-„Muziek de taal des hemels!”
-
-Kent gij la dernière pensée musicale van Weber? Laat haar u anders
-eerst eens voorspelen.
-
-Begrijpt gij mij nu?
-
-Ik ken geen muziekstuk, dat mijn gedachten beter uitdrukt. Hoort gij
-het niet, dat er in deze heerlijke andante een stem is, die van een
-betere wereld spreekt? Dat weemoedig-zwevende, dat biddend-klagende,
-dat smachtend-verlangende, dat opwaarts-strevende,—in één woord, dat
-gevoel van heimwee, dat in deze noten ademt, wijst het u niet als met
-de hand naar den hemel? O, zóó zou ik wenschen te sterven met zulke
-gedachten, met zulk een gevoel, met zulke verwachtingen! Welnu, dit
-karakter der muziek is het, wat haar voor mij zoo aantrekkelijk maakt!
-Wat zijn zij zeldzaam, de stemmen, die ons aan ons vaderland daarboven
-herinneren! en wanneer ze zich al laten hooren, hoe zelden hebben zij
-den waren toon, die het hart toespreekt, en met waarachtig verlangen
-vervult! Maar voor mij is de muziek zulk een roepstem, en wel een stem,
-zoo liefelijk, zoo uitlokkend als eenige, een stem als van een moeder,
-die haar kind tot zich roept. Ja, ik begrijp dat heimwee van den
-Zwitser, als het lied zijner bergen, het klagende ranz des vaches in
-zijn ooren klinkt. Ik geloof dat dit geluid de snaren zijner ziel kan
-spannen, dat ze breken. Immers weet ik wat ik gevoel, als de muziek mij
-als een stem uit de hoogte toeruischt, en mij met reikhalzende begeerte
-naar de bergen mijns hemelschen vaderlands doordringt. Dan doorstroomt
-een nameloos gevoel mijn boezem; dan vervult zich mijn hart, en zet
-zich uit, en zwoegt als om zich ruimte te maken, gelijk een vogel in
-zijn kouw; dan rijzen zucht op zucht uit dien beklemden kerker op, en
-stijgen daarheen, waar het hart ze niet volgen kan, dat ze treurig
-naziet als een gevangen duif, die haar jongen ziet opvliegen. Dan
-verheft zich mijn hoofd, dan glinstert mijn oog, dan openen zich
-onwillekeurig mijn armen, dan zucht ik bezwaard zijnde om ontbonden te
-worden. Zou het misschien daarom zijn dat Luther de muziek de eerste
-der menschelijke kunsten noemde, en haar de naaste aan de
-godgeleerdheid plaatste?
-
-De eerste der menschelijke kunsten, zeide ik. Maar.... ik weet niet....
-ik durf niet gissen.... ik vrees vermetel te wezen.... en waarom niet?
-Een groot man heeft van den aanstaanden geluksstaat der zaligen gezegd:
-„Geeft u onbeschroomdelijk toe in kinderlijke droomen en
-voorstellingen! Alleenlijk, laten het geen opgeblazen, wijsgeerige,
-maar laten het kinderlijke droomen zijn!”—Welnu, tot die kinderlijke
-droomen van mijn verbeelding behoort ook, dat de vreugde, uit het genot
-der muziek geschept, mede tot het geluk der zaligen behooren zal. Ik
-weet wel: „de lofzangen der hemelingen zullen toch geen Jeruzalemsche
-tempel-muziek wezen!” Even weinig durf ik raden, hoe dan anders zich
-mijn mijmeringen verwezenlijken zullen. Maar ik laat mij daarom het
-denkbeeld niet ontnemen, dat daar een stemme des gezangs en geklanks
-zal gehoord worden in den hemel, gelijk er een stemme des lieds en der
-speeltuigen gehoord wordt op aarde. Niet alleen om den wil der fijne,
-zuivere, geestelijke en bijna bovenaardsche weelde, waarin de stroom
-der harmonie het gevoelig hart doet baden; maar omdat ik mij zóó, en
-zóó alleen verbeelden kan, hoe het van hemelzaligheid overvloeiend hart
-zich, in gemeenschap met zijn medegezaligden, in dankbaarheid en
-vreugde voor den Vader der Lichten zal uitstorten. „Gloeit het vuur der
-dankbaarheid,” zoo leze ik, „diep in mijn binnenste, verliest u dan in
-de plechtige lofgezangen, die voor het aangezicht van God worden
-uitgeboezemd!” Laat ik er mij dan in verliezen! Beklage of belache mij
-wie wil; ik laat anderen gaarne hunnen hemel, indien men mij slechts
-toelaat mij mijnen hemel te scheppen, zoo als hij voor mij meest
-aantrekkelijk, meest uitlokkend, meest hemelsch is! O, dat stemmen der
-gouden citers! dat aanheffen van een nieuw en nooit gezongen lied! dat
-mengen der stem in het koor van al wat in den hemel leeft! dat
-uitstorten van zijn hart in den adem der Godsverheerlijking!.... Indien
-gij een droom zijt, hoe schoon zijt gij! En indien meer!....
-
-Kom, Editha! speel de dernière pensée musicale van Weber nog eens voor
-mij!
-
-
-
-
-
-
-
-
-RUITEN TROEF.
-
-
-Onder andere schoone en nuttige kundigheden, mis ik ook het talent van
-kaartspelen. Ik weet niet waardoor het komt, maar ik heb het nooit
-kunnen leeren. En dit is te onbegrijpelijker, omdat het mij anders niet
-aan het noodige geduld ontbreekt. Op het ganzenbord bijvoorbeeld ben ik
-een heele held. Uren lang kan ik, met een lief kind op mijn schoot, mij
-aan dat spel toewijden, zonder ooit moede te worden van het
-onophoudelijk heen en weêr trekken van den Put naar den Dood, en van
-den Dood weêr naar den Put. Maar met de kaartenbladen der groote
-menschen kan ik maar niet klaar komen; misschien ligt het aan de
-zwakheid van mijn geheugen. Eischt de wet van het spel niet, dat men
-zal nagaan, wat ieder zijner medespelers in de hand heeft? Waarlijk,
-dit is te veel geëischt van een man, die altijd zoo veel met zich
-zelven te doen heeft, dat hij nauwelijks ooit een oogenblik tijd kan
-vinden, om zich over eens anders zaken te bekommeren. Aan de
-whisttafel, evenmin als elders, bemoei ik mij gaarne met het spel van
-anderen. Men heeft mij wel gezegd, dat ik daardoor altijd verliezen
-moet, omdat anderen er wel achter weten te komen, wat ik in de hand
-heb;—ik moet het overgeven. Om mijn domheid in dit opzicht te
-rechtvaardigen, heb ik er een stelling op uitgevonden, waarmeê ik mij
-zoo goed mogelijk troost: goede spelers worden geboren, en niet
-gemaakt.
-
-Gebeurt het dus somtijds, dat ik tegen mijn gewoonte in een gezelschap
-verdwaald ben, waar gespeeld wordt, krijg ik gewoonlijk van de
-gastvrouw een plaatsje bij de jongelui, aan de zoogenaamde
-allegaâr-tafel. Daar gaat het met het kleuren nog zoo wat heen; te
-meer, omdat ik altijd spoedig dood ben, en dan gelegenheid heb, het
-veel vermakelijker spel van de verliefde dartelheid der jonge paren aan
-te zien. Dat gezicht is voor mijn smaak wel eens zoo aanlokkelijk, als
-dat van gindsch hombre-tafeltje, waar de partijen een gezicht zetten,
-of zij om malkaârs leven dobbelen. Hier doet zich mijn schilder-oog
-recht te goed. Zie had ik mijn potlood, ik zou dien schalken jongen met
-zijn donkere kijkers willen uitteekenen, zoo als hij zijn hoofd
-stoeiend over den blanken schouder van zijn bekoorlijke buurvrouw
-heensteekt, om quasi te zien, wat kaarten zij heeft, maar dat hij, dom
-genoeg, in haar lachende oogen schijnt te willen lezen. De linksche
-jongen! hij gelijkt mij, hij zal nooit goed leeren spelen! en welk een
-aardig tegenstuk zou gindsch sentimenteel paartje opleveren, dat den
-schijn aanneemt van elkanders kaarten te ruilen, maar eigenlijk alleen
-van die mine gebruik maakt om verliefde handdrukjes te wisselen; met
-dat gevolg, dat zij beide eindigen met drie verschillende kleuren in
-den hand te krijgen. Wat doet het er toe? daar het hoogroode blosje,
-dat te gelijk beider wangen bedekt wel degelijk van de zelfde echte
-hartenkleur is! Ei, voor zulk een tooneeltje geef ik van ganscher harte
-het zeldzaam genoegen van een vole annoncée te zien spelen.
-
-Maar als ik nu bij ongeluk in een kring geraakt ben, waar alleen met
-scherpe wapenen gestreden wordt, zonder dat er een hoekje voor zulk een
-onschuldige schermpartij is afgezonderd, dan moet ik mij getroosten,
-als een ledig aanschouwer door de zaal te dwalen, en mij beurtelings
-bij de verschillende tafeltjes te plaatsen. Het is waar, dat dit niet
-altijd even aangenaam is. Want mijn eigenliefde krijgt bij zulk een
-gelegenheid altijd geweldige stooten. Meestal heb ik alsdan moeten
-ondervinden, dat op zulk een oogenblik de minste kaart meer aandacht
-trekt, dan ik. Aanmerkingen, die verdienden gedrukt te worden, heb ik
-door den uitroep van: spadille! hooren overschreeuwen. Ik geloof dat
-zulke ervaringen krachtig hebben meêgeholpen, om mij nederig te houden.
-Ten minste sedert eenigen tijd is mijn aanmatiging om tusschen de
-phrasen van het spel nog mijn phrase te willen plaatsen voorbij. Ik
-waag mij niet meer in het gedrang, maar blijf eerbiedig op een afstand.
-Gewoonlijk plaats ik mijn stoel in de nabijheid van het een of ander
-tafeltje, ver genoeg van het tooneel des gevechts verwijderd om niemand
-te hinderen, en toch niet zoo ver, of ik kan het voorkomen hebben van
-naar het spel te zien. En dan komt mijn gelukkige gaaf, van met open
-oogen te kunnen droomen, mij weder heerlijk te stade. Aldus heb ik aan
-de whist- en quadrille-tafel menig schoon uurtje gesleten.
-
-Zoo was ik onlangs bij een mijner goede vrienden op een verjaarfeest
-genoodigd; hij kwam mij zelf vragen, omdat hij voor een weigering
-vreesde. Want daar zijn Chef, wien hij welstaanshalve niet voorbij kon
-gaan, een liefhebber was van „een kaartje te leggen,” moest er in den
-vooravond gespeeld worden. Wat zou ik doen? hij stond er op, dat ik
-komen zou, en ik bederf niet gaarne iemands vreugde. Ook ben ik er bang
-voor, iemand, dien ik lief heb, te verstoren. Als men aan vrouw of kind
-iets weigert, hangen ze u vijf minuten daarna toch weêr aan ’t lijf:
-maar als men een vriend boos maakt, blijft hij wel eens boos. Kort en
-goed, ik nam het aan.
-
-Ik kwam vrij laat. De tenten waren reeds opgeslagen, het terrein
-verdeeld, de strijders geschaard, en de zwaarden getrokken. Wat wonder,
-dat bijna niemand mij merkte? Nadat ik de gastvrouw begroet en mijn
-vriend de hand gedrukt had, begon ik naar een plaatsje uit te zien,
-waar ik het gevecht zou kunnen—vergeten. Wacht.... ja.... daarheen! ik
-had een heerlijk hoekje gevonden, in de nabijheid van een
-hombre-tafeltje, waar ik, half tusschen de meubelgordijnen verscholen,
-mij onopgemerkt aan mijn gepeinzen kon overgeven. Nadat ik het
-gezelschap, in welks nabijheid in mijn banier plantte, links en rechts
-gegroet had, begon ik, om op mijn verhaal te komen, met mijn buurman op
-te nemen. Zij waren drie in getal, twee Heeren en een Dame. Om een
-bijzondere reden, die in de verdeeling van het spel haar grond had, was
-de echtgenoot der Dame een van haar beide partners. Het was een leelijk
-man, met een geschonden aangezicht en lichtgrijze oogen, die door een
-schildpadden bril keken. Hij was prachtig, maar slordig gekleed; hij
-sprak weinig, en deed bijna niets dan om de geestigheden van zijn
-medespeler lachen. Deze was het levend beeld der gezondheid. Hij moest
-vroeger een schoon man geweest zijn; maar het vet, die gezworen vijand
-van alle schoonheid, had de fijnheid zijner trekken en vormen bedorven.
-Hij was nu een dikke Apollo, gelijk onze oude schilders er teekenen.
-Evenwel, hoe diep zijn hart ook in zijn vleezige borst begraven was, de
-geest scheen door het vleesch nog niet geheel ten onder gebracht.
-Onophoudelijk vloeiden er Attische zetten van zijn lippen, die zijn
-vriend deden schateren, en ook de Dame een goedkeurend glimlachje
-afdwongen. De dame—ik had de beleefdheid wel mogen hebben van met haar
-te beginnen—was een vrouw van ruim dertig jaren; evenwel mogt zij nog
-met het volste recht een schoonheid heeten. Ofschoon een kanten nevel
-haar haar verborg, zag men aan de vlecht, die daaronder te voorschijn
-kwam, welk een onrecht zij daarmede aan de bewonderaars van „levend
-goud” deed. Haar oogen waren van het verrukkelijkste blauw, en haar
-huid van een verblindende blankheid. Echter vond ik haar niet
-onwederstaanbaar; zij had iets onverschilligs, iets prozaïsch in haar
-wijze van spreken en doen, dat met haar blond-blauw voorkomen in
-openlijken strijd was. Zij dronk met haar fijne beeldig besneden lippen
-haar glaasje bisschop met een genoegen, met een sybaritisch
-welgevallen, dat mij wanhopig maakte; en toen zij haar parelwitte
-tanden met Epicurische graagte in een roomtaartje zette, moest ik mij
-van ergernis omkeeren.
-
-Evenwel, men gewent aan alles: zoo ook ik op dien oogenblik. Nog geen
-half uur was er verloopen, of ik zag tafeltje noch spelers meer, en zat
-reeds hoog en droog in de luchtballon mijner droomerijen. Daar dreef ik
-op de genade des toevals door de lucht, zonder iets te bemerken van
-alles wat op de aarde aan mijn voeten voorviel. Het zij mij vergund, u
-een staaltje van mijn overdenkingen te geven.
-
-Onder andere beelden zag ik de sylphengestalte van Alwine Stanley, een
-der liefelijkste verschijningen, die ooit mijn oog verrukten. Zij was
-blank als een engel, en, zoo haar haar niet zoo wit was als sneeuw, het
-scheen toch sneeuw, door de zon verguld; ook droeg zij altijd een wit
-kleed, en had daarbij iets in de oogen, dat de begoocheling volkomen
-maakte. Maar zij was teêr, ongeloofelijk teêr! haar middel was zoo
-tenger, dat men vreesde, als zij zich boog, moest zij knakken als een
-bieze, tot dat men zich overtuigd had, dat het golvende van haar
-bewegingen die vrees overbodig maakte; want dan toonde zich haar
-lichaam weêr zoo buigzaam en veêrkrachtig, dat het uit enkel zenuwen en
-spieren scheen te bestaan, en den stokkerigen gast dien wij daaronder
-herbergen te missen. Haar hals was dun als die van Anna Boleyn, maar
-veel gereeder dan deze om te buigen; want bij het minste tochtje, dat
-langs haar ging liet zij het hoofd hangen. Haar geheele voorkomen had
-een etherischen zweem, en deed aan de teederste van Shakespeare’s
-scheppingen, aan Ariel, denken. Wie haar zag, vond de aarde te hard en
-den wind te scherp voor haar; wie haar toesprak, verzachtte
-onwillekeurig den toon zijner stem; zij was als Sir Walter’s Maiden of
-the mist, men durfde haar niet aanroeren, uit vrees van haar in een
-nevel te zien oplossen.
-
-Was het vreemd, dat zij vele bewonderaars had? Vreemd was het evenwel,
-dat er niemand aan scheen te denken om naar haar hand te staan. Dit was
-het gevolg van haar Engelen-natuur; het gevoel van ontzag, dat zij
-inboezemde, maakte, dat men het denkbeeld om haar te bezitten als iets
-ongerijmds verwierp. In de droomen des jongelings kwam zij voor als de
-toovergodin, die zijn liefde beschermt, nooit als de schoone Prinses,
-naar wier gunst hij stond. Zij had honderd aanbidders, maar geen
-enkelen minnaar.
-
-Dit bleef echter niet altijd zoo. Eindelijk was er een, die het waagde
-een vermetel oog op haar te slaan. Maar zoo in iemand, in hem was die
-stoutmoedigheid te dulden. Hij heette Alfred; maar ik noemde hem
-Alcibiades, zoo herinnerde hij mij dien bevalligste der Grieken. Want,
-dat de Olympische lauwer aan zijn antieken kop ontbrak, en marmer noch
-metaal den heerlijken vorm zijner gestalte vermenigvuldigde, was aan
-den tijd te wijten, waarin hij geboren was; wat bleef hem thans over,
-dan zijn moed in in het oefenperk der gymnastie en het speelveld der
-schermkunst te doen schitteren? Maar miste hij de gelegenheid om een
-bloedige kroon te winnen, te schooner sierde hem de krans van de
-kunsten des vredes. Hij was dichter, zonder evenwel de luit te
-hanteren; maar de scheppende kracht eener weelderige fantasie woonde in
-zijn borst, en stortte zich in den kunsteloozen vorm eener wegsleepende
-welsprekendheid uit. Niets echter onderscheidde hem meer, dan zijn
-hartstocht voor de muziek; zelf was hij een uitstekend kunstenaar, doch
-verborg dit talent met meisjesachtige schaamachtigheid. Maar ’s nachts,
-onder begunstiging der duisternis, doolde hij, met de guitar om zijn
-hals geslingerd, naar de woning van Alwine; en wie hem dan in
-romanesque melodiën aan zijn gevoel lucht hoorde geven, waarbij zijn
-tenorstem met den langen adem eens nachtegaals door de lucht trilde,
-terwijl zijn schilderachtige houding, door het schijnsel der maan
-verlicht, aan een Grieksch standbeeld deed denken, vergaf het aan de
-hemelsche Diana, achter dien wit-gazen nevel verscholen, dat zij met
-welgevallen op dezen Actaeon nederzag.
-
-De gelieven beminden elkander, gelijk zulke zielen beminnen moeten,
-hartstochtelijk; maar een breede klove scheidde hen. De witte gestalte
-van Alwine boog voor de hostie; het trotsche hoofd van Alfred boog
-alleen voor Hem, dien „de Hemelen niet en begrijpen.” Het meisje, wier
-liefde op de rots van onbepaald geloof in den Beminde gegrond was, was
-gereed voor hem het outer te verlaten en naast hem neêr te knielen;
-maar haar vader, die voor den Roomschen herdersstaf sidderde, verbond
-aan het verlaten haars heiligdoms de verbanning uit zijn huis en hart;
-er zweefde een onheilspellend woord op zijn lippen. Om haar wanhopig te
-maken, kwam hier het aanzoek van een geloofsgenoot bij, een man die
-haar begreep noch verdiende; een van die menschen, die met dezelfde
-onverschilligheid hun voet in ongerepte sneeuw als in drassige klei
-drukken. De vader, voor de verleiding van den schoonen Hugenoot
-vreezende, was harder voor haar dan zij verdiende: ongenadig als een
-stormwind drukte hij op broze riet, zoodat het krookte, en spoedig
-geheel scheen te zullen breken. Nog herinner ik mij, welk algemeen
-mededogen de kwijnende Alwine opwekte; menig oog, dat haar aanzag,
-vulde zich met tranen, en ieders verbeelding zag haar reeds aan den
-voet des altaars, met den witten maagdenkrans op het haar, en de
-brandende waslichten rondom haar.... Ja, zal ik het bekennen? in de
-verwachting van haar aanstaanden dood, bezong ik haar uiteinde reeds in
-een gedicht, waarin onder anderen de volgende smachtende regels
-voorkwamen:
-
-
- Beklaag Alwine, in ’s levens bloei vergaan!
- Hoe greep de smart haar teedre broosheid aan!
- Nog is zij schoon, maar aaklig schoon! en de oogen
- Beweenen haar, die haar bewondren mogen.
- Was ze eenmaal bleek als lentebloesem, thans
- Week ’t leven uit de witheid van dien glans.
- Een doode schijnt ze, als balsemde heur asem
- Haar zielloos schoon met eigen amberwasem.
- Soms dringt een traan zich aan haar oogen op,
- Maar ’t is ondanks haar wil, zoo als de knop,
- Gebroken op zijn steel en halfgebogen,
- Den dauw vergiet, waarmeê hij is betogen.
- En vreemd! zoo weinig dooft dat nat hun vonk,
- Dat nooit haar blik van helder tintling blonk!
- Ook wreken zich de kwellingen haars harten
- Niet op haar leest in folterende smarten,
- Maar, met den dolk in ’t hart, zegt ze Arria,
- Met vriendlijk oog: het is niet pijnlijk! na.
- Zij draagt haar leed als waar ’t in onbewustheid,
- En liegt het weg in ’t lachje van gerustheid
- Op ’t smal gelaat, zoo al geen bleeker rood
- Den worm verraadt, die ’t veege bloempje doodt!
- Soms ziet men haar doorschijnende elpen vingeren
- Zich bevend om de zilvren snaren slingeren;
- Maar, trillend door d’onvasten greep, heeft ’t lied,
- De harp ontlokt, den rechten toonklank niet.
- De lip is bleek, die vroeger plach te blozen,
- Maar, witte roos, behield den geur der rozen.
- Haar stem is zacht, maar vriendlijk zacht en zoet.
- Zij sleept zich voort met weigerenden voet,
- En toont, wanneer zij op uw arm mag leunen,
- Hoe noodig ’t is haar zwakheid te ondersteunen.
- De slaap ontwijkt ze, als vreest ze een enkel uur
- Te ontrooven aan zoo kort een levensduur!
- Ja, zelfs de Dood laat zich door haar verzachten,
- En schijnt bij ’t henensmelten van haar krachten,
- Te waken, dat geen al te ruwe slag
- Zoo schoon een leest te deerlijk schenden mag!
- Zoo zal zij ook, wanneer zij ’t hoofd laat hangen,
- Zacht sluimren, door zijn harden arm omvangen,
- En wie haar ziet, doen denken, aan haar rust:
- Een moeder heeft haar zoo in slaap gekust....
-
-
-„Ruiten-troef!” riep de Dame aan het hombre-tafeltje, met een stem zoo
-luid, dat ik wakker schrikte en uit mijn droom ontwaakte.
-„Ruiten-troef!” riep zij, en daarbij keerde zij het spel kaarten, dat
-zij gemengd had, om, waardoor het bleek, dat Ruiten de favoriet-kaart
-voor het volgende spel waren.
-
-Zelden echter was ik zoo boos op de oorzaak, die mij in mijn mijmering
-stoorde, als nu! Het was ook een val! van een romanesque doode op
-Ruiten-troef.... denkt gij? neen, veel erger! Want—en verplaats u in
-mijn stemming—want de engelachtige Alwine was—och ja, de Dame die voor
-mij zat en Ruiten-troef had geroepen! de dikke Apollo was Alfred! en de
-leelijke man met zijn schildpadden bril de door Alwine’s vader
-beschermde minnaar!
-
-Alwine had lang tegenstand geboden, lang geleden en gestreden; maar
-eindelijk had de wil haars vaders, door de verschrikkingen van het
-bedreigde exorcismus ondersteund, haar toestemming afgedwongen. Toen ik
-haar in den echt had zien inzegenen, kwam ik verontwaardigd te huis, en
-zette een nieuw gedicht op het touw, dat dus begon:
-
-
- ’k Heb u gezien, de oranje door de haren,
- En om den hals ’t juweelen snoer gezwierd;
- De blanke leest met blank satijn gesierd,
- Omgeven door de u huldigende scharen.
- Ik zag u, met die bleekte op ’t zacht gezicht,
- Die weêmoed op de wang der bruid verwekte,
- Aanvalliger, dan toen de blos ze dekte,
- Die vreemd moet zijn aan d’ochtend, die u licht.
-
- Die kwijning van uw heerlijk blauwende oogen—
- Die flauwe lach, die wegsterft in een zucht—
- Dat rustloos hart, dat zwoegend hijgt naar lucht—
- Die fletsheid, die uw wangen houdt betogen—
- Die matheid in ’t door druk bezwaard gestel—
- Die trage gang der eertijds vlugge schreden,
- Nog aarzlende op ’t hun vreemde pad te treden—
- Verraden ons uw kommer al te wèl.
-
- En gij hebt recht! des Bruigoms vuurge blikken—
- Het ongeduld, dat uit zijn trekken licht—
- De hartstocht, die zich schetst op zijn gezicht,
- Zoodat zijn drift uw schuchterheid doet schrikken—
- Zijn vlammend oog, gekluisterd aan uw leest—
- Zijn wild gebaar, dat, waagt het u te omvatten,
- Zich nauwlijks kan weêrhouden uit te spatten—
- Verzeekren u geenszins, dat ge ijdel vreest!
-
- O daar is slechts een stonde in mannendriften,
- Een leven lang in ’s mans hartstochtloosheid:
- Dezelfde hand, die thans uw schoonheid vleit,
- Kan uw verval verbittren en vergiften!
- Verganklijk zijn de bloemen van den lust,
- Gelijk aan die slechts ééne dagbeurt bloeien:
- De morgen wil ze met zijn dauw besproeien,
- Maar vindt ze door den nachtwind dor gekust.
-
- De Weelde is als een Vampyr, die zijn lippen
- Met jeugdig bloed van maagdlijke offers drenkt,
- Maar die den drank, dien ’t zingenot hem schenkt,
- In éénen teug een gorgel in doet glippen;
- Hij wil voor zich slechts ’t eerste waas der druif;
- Den most des wijns; het maagdlijk rood der rozen;
- En werpt van zich de bruid, door hem gekozen,
- Gelijk de bruid haar feestelijke huif!
-
-
-en zoo voort. Deze Philippica bleef echter zonder uitwerking, en
-verhinderde evenmin, dat Alwine voortaan een anderen naam voerde, als
-dat Alfred uit wanhoop op reis ging. Na twee jaren afzijns kwam hij,
-uitstekend welvarende naar lichaam en geest, terug, en trouwde kort
-daarop een gezonde Hollandsche vrouw. Dit huwelijk bracht Alwine’s
-sentimentaliteit den laatsten slag toe. Uit wraak over haar
-teleurgestelde droomen, wierp zij zich daarop in de armen der meest
-positieve wezenlijkheid, en werd eene getrouwe lezeres der „Opregte
-Geldersche keukenmeid.” Ja, haar keuken werd zoo beroemd, dat de
-Epicurische Alfred de begeerte niet weêrstaan kon om aan haar diner’s
-deel te nemen, en verlof verzocht en verkreeg haar zijn vrouw te
-presenteeren. Op dezen oogenblik bevonden ze zich te zamen ten huize
-mijns vriends; het toeval plaatste Alwine’s echtgenoot, die aan het
-biljart op de Societeit allen naijver afgezworen en een verbond van
-vriendschap met Alfred gesloten had, met zijn vrouw en vriend aan
-dezelfde tafel. Van daar de aanleiding, die mij in het Elysium mijner
-herinneringen verplaatste, toen ik daaruit zoo onvriendelijk
-teruggeroepen werd. Ik kon ze haast met geen goed oog aanzien! Welk een
-schoonen roman hadden ze mij bedorven! hoe diep waren zij gevallen! Die
-blanke leest der dertig-jarige vrouw, waarin ik nog enkele sporen van
-het vroegere nevelachtige wezen terugvond, wat was zij nu, dan de
-doodkist, waarin Alwine haar dichterlijken geest begraven had? En wat
-was er van mijn Alcibiades geworden? een vleeschklomp, die nog slechts
-in het klassisch zout zijner geestige invallen een schaduw vertoonde
-van het genie, dat vroeger alleen de eenzaamheid in zijn vertrouwen
-nam. Dezelfde man, die eens, als een andere Paganini, uit jaloerschheid
-op zijn kunst, de toonen van zijn speeltuig aan iedereen buiten
-zichzelven misgunde, zong nu aan elk souper „op verzoek der Dames” een
-aria van Grisar, en kende, als men hem om een proef van zijn talent op
-de piano verzocht, waarlijk niets dan een Strauszertje! er scheelde
-weinig aan, of ik nam het hun beide kwalijk, dat zij de onbeschaamdheid
-hadden van—te leven. Maar ook! in zijn verbeelding aan den rand eens
-grafs te staan, met de woorden van Hölty’s elegie voor den geest:
-
-
- Sterbeglocken hallen,
- Und die Grabgesänge heben an;
- Schwarzbeflorte Trauerleute wallen,
- Und die Todtenkrone weht voran.
-
-
-En dan—door de heldin van dat visioen wakker geroepen te worden met den
-kreet: Ruiten-troef!
-
-Ruiten-troef! O hoe dikwijls ben ik, op gelijke wijze, uit den hemel
-mijner schoone droomen bij mijn beenen op de aarde teruggetrokken! hoe
-vele soortgelijke bittere teleurstellingen heb ik ondervonden.
-
-Ik verneem, dat een van de liefste vrienden, dien ik aan de Hoogeschool
-gehad heb, zich in de stad bevindt; dadelijk vat ik het voornemen op
-hem te gaan opzoeken. Het vooruitzicht van hem te ontmoeten is genoeg
-om mij in een andere wereld te verplaatsen. Ik daag alle herinneringen
-van vroeger tijd voor mijn geest: hoe lief wij elkander hadden; hoe wij
-onze boeken en onze geheimen deelden; hoe wij malkaâr in gevoel van
-bewondering voor de natuur niets toegaven; hoe wij dikwijls onzen
-doornstaf opnamen, en naar een nabijgelegen bouwval wandelden, om daar
-Matthisson te lezen en den rondwarenden schimmen den schuimenden
-berkemeier toe te brengen; hoe wij met elkander van geluk en liefde
-dweepten en in onze verbeelding aan het eind der aarde onze hutjes van
-klei naast elkander optrokken... in zulk een stemming kom ik bij hem;
-maar hoe vind ik hem terug? Als een schaduw van zichzelven. De
-financieele speculatiën, waarin hij gewikkeld is, hebben van hem een
-cijfermeester gemaakt, wiens wereld door de muren van de beurs,—neen,
-dit is nog te ruim—door de pilaren van den effectenhoek begrensd wordt.
-Begin ik met een verteederend: Henri, herinnert gij u nog? wijst hij
-mij terug met een onvriendelijk: Laat ons van die gekheid zwijgen! kom
-ik op onze droomen, hij spreekt van zijn kansen: wijs ik hem op onze
-arme, maar gelukkige jeugd, hij wijst mij op een rijken, gemakkelijken
-ouderdom: herinner ik hem aan den berkemeier, hij roept om een glaasje
-kinabitter: hij breekt den cirkel mijner bezweering, even als Alwine,
-door haar Ruiten-troef!
-
-Of ik zal een vrouw ontmoeten, die ik vroeger als een Gratie gekend en
-bewonderd heb, en die, ofschoon ik haar sedert jaren niet heb
-weêrgezien, nog in mijn herinnering leeft. Zeker, het is dwaas van mij,
-die toch ook de oude spring-in-’t-veld niet meer ben, welken zij aan de
-Akademie gekend heeft, dat ik een teleurgesteld gezicht zet, wanneer ik
-de jonge bevallige als een deftige matrone weêrvind. Maar dit zou ik
-nog kunnen overstappen, had de tijd slechts de kas van het speeltuig
-misvormd; maar helaas! hij heeft ook den klank bedorven. Na de gewone
-plichtplegingen van het alledaagsch gesprek waag ik het, haar aan
-vroegere dagen te herinneren. Ik roer een der teederste snaren aan.—Zij
-tjingelt als een vochtig koord.—Ik beproef het met een andere.—Zij is
-ontspannen.—Weêr een andere.—Zij knarst als roestig ijzer.—Nog een
-laatste!—Geheel gesprongen!—Alles Ruiten-troef.
-
-Of ik zal een dichter bezoeken. Welk een vooruitzicht! Ik stel hem mij
-voor, gelijk ik wenschen zou hem te vinden: in het oog van den adelaar
-zijn hoogeren rang verradende; een verheven voorhoofd waardig, naar de
-uitdrukking van Moore, „het paleis” van zulk een ziel te zijn; een
-eerbiedwekkend voorkomen als van een hooger geest, die voor een wijle
-het kleed eens menschen draagt; en bovenal een stem, welke haar recht
-handhaaft om het Verledene en de Toekomst voor zich te dagen. Ik vind
-hem.... ik durf niet voortgaan.... wij hebben zoo weinig dichters, die
-men verlangt te zien.... gij zoudt denken dat een portret
-schilderde.... ach, ik kan immers de geheele geschiedenis van mijn
-teleurstelling in één woord uitdrukken: Ruiten-troef!
-
-Zoo gaat het mij keer op keer. Een mensch met een gevoelig hart is een
-ongelukkig wezen op deze ongevoelige aarde. Ik loop even als Diogenes
-met een lampje, om naar de menschen te zoeken, die ik vroeger gekend
-heb; ik vind geheel andere wezens in de plaats. Het is of ik reeds
-gestorven ben en op de aarde terugkom; zoo weinig herken ik in het
-geslacht, dat mij omringt, het geslacht, waarmeê ik ben opgegroeid.
-Ieder ander is groot, is wijs, is rijk, is oud geworden; ik alleen ben
-nog altijd dezelfde kinderlijke, dwaze, arme Jonathan van voorheen!
-
-Als ik dit zoo aanzie, ben ik wel eens ongerust geworden, dat ik in een
-andere wereld even zulk een vreemdeling zijn zou als in de
-tegenwoordige. Die gedachte viel mij zeer bang; maar zij vond toch niet
-lang ingang bij mij. Neen, dacht ik, dat kan de beteekenis niet zijn
-van des Apostels vertroostende belofte: Doe ick een kindt was, sprack
-ik als een kindt, was ick gesint als een kindt, overleyde ik als een
-kindt: maar wanneer ick een man gheworden ben, so hebbe ick te niete
-gedaen ’t gene eens kindts was.—Mannen zullen wij worden; en daaraan
-voel ik zoo zeer behoefte als iemand. Veel hetgeen des kinds Jonathans
-is moet uit den weg, eer hij een man wezen zal. Maar wij zullen toch
-ook geen mannen zijn, zoo als zij, die zich hier boven mij verheffen,
-en meenen zooveel hooger te staan dan ik, omdat mijn geheugen een
-spiegel, en het hunne een doofpot is. Als ik in tegendeel een
-Engelschen Dichter gelooven mag, dat „het een gevaarlijke tijd is,
-waarin de jeugd zich van ons verwijdert, als wij vergeten dat de ziel
-haar jonkheid moet bewaren door een geheele lange eeuwigheid:” dan
-zouden de beelden, die ik met zoo veel getrouwheid vasthoud, nog wel
-eens, aan den anderen kant, veredeld en geheiligd, als
-engelen-gestalten kunnen opstaan. Plaagt en kwelt mij dan zoo veel gij
-wilt, mijn koelbloedige vrienden, met uw ijskoud Ruiten-troef! gij zult
-mij evenmin veranderen, als ik u. Wij zullen elkander hier in liefde
-verdragen en voorthelpen, en gezamenlijk biddende uitzien naar den
-tijd, waarin onze tweede jeugd zal aanvangen, die door geen veroudering
-van hoofd of hart meer zal worden opgevolgd!
-
-
-
-
-
-
-
-
-HET SCHAAP.
-
-
-Ik wenschte, dat ik voor een oogenblik de pen van Yorick had!
-
-„Zulke gekken zijn er meer!” zult ge zeggen.
-
-Om u te dienen. Maar die wensch welt echter bij deze bijzondere
-gelegenheid niet uit de onzuivere bron, waaruit gij haar misschien, in
-de vaardigheid van uw geest, reeds hebt afgeleid. Gij schreeft hem
-misschien aan iets menschelijks toe, en ik had er iets dierlijks bij op
-’t oog.
-
-De zegen van alle ezels over Yorick! Wel mocht men op zijn graf, naast
-een schreiend genietje met bolle wangen, een mager grauwtje plaatsen,
-dat met gebukten hoofde eenige wilgenbladen uit den bek op zijn
-lijksteen laat vallen; en naast zijn titel van φιλάνθρωπος dien van
-φιλόνος schrijven. Men moet ezel zijn, om te kunnen gevoelen, wat dit
-geslacht aan hem verplicht is. Menige koning, die onder marmer slaapt
-en er zijn Hofdichter op nahield, heeft geen lijkrede gehad, gelijk de
-doode ezel op den weg van Nampont; en nooit is een maaltijd, zelfs niet
-een Instituut van kunsten en wetenschappen, meer door welsprekendheid
-of poëzie verheerlijkt, dan de maaltijd van artisjokken van den ezel op
-de straat van Lyon.—Als men mij recht verstaan wilde, zou ik zeggen, er
-was iets van den ezel in Yorick! zijn week hart stond open voor alle
-smart, maar de langoor had daarop de eerste rechten. De arme Maria van
-Moulins en de Gevangene uit zijn visioen te Parijs zelve lokten geen
-klaarder droppels uit zijn zacht oog. Zijn mededoogen had niets van de
-rhetorische verontwaardiging van Buffon, waaraan niemand gelooft; hij
-versierde zijn held met geen deugden, waarvan niemand iets bemerkt; hij
-had deernis met hem—als met een ezel, een leelijk, ongelukkig,
-verschopt dier, dat men nog hatelijker heeft zoeken te maken door het
-te vergelijken met menschen, met wie het, des bewust, alle verwantschap
-vol afkeer en verachting verloochenen zou. Ik ten minste kan, sedert ik
-het eerst over Sterne’s gunsteling schreide, geen lotgenoot van hem
-zien, of ik voel iets wonderlijks bij mij opkomen, dat onmiddelijk de
-telegraaf tusschen mijn hart en oog in beweging brengt, en als ik
-gelegenheid vind, ga ik een oogenblik naar hem toe, en streel hem den
-ruwen hals en raap een koolstronk voor hem op, die buiten zijn bereik
-ligt, en zie hem bij zijn vertrek zoo lang na als ik kan, en ga daarop
-even als hij met gebogen hoofd en sleependen gang, verder.
-
-Ik wenschte, dat ik voor een oogenblik de pen van Yorick had!
-
-Dan zou ik zien, wat ik voor het schaap doen kon.
-
-Ik weet wel, dat geen elegie het lot van eenig beest verandert, en dat,
-uitgezonderd bij wijsgeeren en Poëten (zie den ouden Shandy), geen
-lijden wordt weggeredeneerd of weggedicht. Maar wie weet toch, of niet
-hier en daar een enkele goede ziel, die de goede ziel van Yorick lief
-had, om zijnentwil, zijn grauwtje een paar slagen minder en een paar
-handen gras meer gegeven heeft? en al ware het zoo niet; hetgeen ik
-echter zonder deugdelijk bewijs niet zoo spoedig gelooven zal; dan is
-het toch iets, dat het arme dier sedert, bij tusschenpoozen, een
-deelnemend oog op zijn weg ontmoet, en een zachte hand op zijn harden
-bast voelt. Beklagen, hoe gebrekkig dan ook, blijft toch altijd nog het
-beste surrogaat voor helpen. En wij zelven, hoe dikwijls moeten wij het
-ook, in onze beproevingen, met een vijfvoetig vers, in plaats van een
-vijfvoetige hulp doen!
-
-Maar de pen van Yorick is hier niet meer, en blinkt naast de lier van
-Saffo aan den hemel! duizend ganzen vielen sedert uit de lucht, en
-duizend schachten werden versneden, maar de gans, die haar vleugelen
-aan Sterne leende, liet geen kuikens na. En al fluistert men elkander
-toe, dat de kracht van zijn pen grootendeels in het geheim schuilde,
-dat hij zijn eigen tranen voor inkt gebruikte, men kan het hem maar zoo
-niet meer nadoen. Bij hem vergeleken, is het altemaal ezelen-gebalk.
-
-Zoodat gij geen reden hebt, veel van de pogingen uws pleitbezorgers te
-verwachten, mijn waarde kliënt voor de rechtbank der menschelijkheid,
-arm, ongelukkig schaap! Maar gij zijt zoo nederig en zoo goed, dat ik
-zeker ben, dat gij het minste, dat ik voor u doen kan, met uw eigen
-vriendelijk oog zult aanzien; en al ware het, dat mijn pleidooi maar
-het lot van een enkele uit uw verdrukt ras verbeterde, dat ware, (om in
-den stijl der voorredenaars te spreken), voor mijn lammerlievend hart
-voldoening genoeg.
-
-Het is ellendig—nooit kan ik mijn oog opslaan, of ik heb datzelfde
-ongelukkige schouwspel voor mij!
-
-Aan de rechter- en linkerzijde van mijn tuin, waarop ik uit mijn kamer
-het gezicht heb, grenst een strookje lands. Het eene is een hoek bouw-
-en het ander een hoek grasland; nu vind ik altijd op een van beide
-hetzelfde schaap weder. Het gezicht van dat beest breekt mij het hart.
-Het is een oud, vuil, leelijk dier, met lang hair over de oogen, en een
-kop, waaraan al het fijne en spichtige van een schapen-physionomie
-ontbreekt. Haar voor- en achterpooten zijn met touwen aan elkaâr
-gebonden, zoodat zij allererbarmelijkst hinkt. Wanneer gij daarvan de
-reden vraagt, zal men u zeggen, dat het is om haar het verlaten van
-haar afgeperkte weide te beletten. Lieve Hemel! dat is goed voor jonge,
-dartele lammeren, die de wereld zien willen en den ganschen dag met hun
-neus over het bolwerk liggen, waarachter zij ingesloten zijn; die van
-speelziekte en joligheid niet weten wat ze doen zullen, en telkens het
-verboden bastion zoeken te bespringen om den vijandelijken grond
-stormenderhand te veroveren. Maar mijn tam, lam en stram schaap! op
-mijn woord, al ontneemt men ze haar voetboeien, zij zal geen enkelen
-onbezonnen of wilden stap doen. Ziet gij het niet, dat het beest der
-wereld lang is afgestorven en niet dan een rustigen ouderdom verlangt?
-Den ganschen dag strompelt zij junctis pedibus over het grondje heen en
-weder om haar voedsel te zoeken, of ligt, met den breeden kop op het
-gras uitgestrekt, te slapen zonder naar iets buiten haar om te zien.
-Niets is in staat haar uit die vadzigheid te wekken. Zelfs geen
-ongewoon geluid van den horen der diligence, of de zweep des
-postiljons, of de trommel van voorbijtrekkende soldaten, maakt haar
-belangstelling meer gaande. Zij is als een grijsaard, die, in zijn
-leuningstoel gezeten, van alles zegt: Ik heb dat meer gezien.—Alleen
-als het blae! blae! van voorbijgaande lotgenooten haar oor treft, heft
-zij het matte hoofd even van den grond omhoog, om ze met een
-onbeschrijfelijke uitdrukking aan te zien, als maakte zij in der haast
-een vergelijking, wie van hen de ellendigste ware; in welk geval de
-billijkheid mij noodzaakt te erkennen, dat zij meermalen den troost
-gehad heeft van te zien, dat er meer zulke ongelukkigen waren als zij.
-Ik vind het dus hard, dat het beest, dat, even als sommige gevangenen
-bij het verwoesten der Bastille, haar kerker niet zou kunnen verlaten,
-al werd er haar de vrijheid toe gegeven; uit kracht van een eerwaardige
-overlevering, niet met ongebonden pooten zal mogen sterven. Voor alle
-soorten van schepsels, van de tweevoetige tot de duizendbeenen toe, is
-gewoonte en etiquette een lastig ding!
-
-Maar goed! het dier is het mogelijk reeds vergeten, wat het is haar
-voeten tot haar gebruik te hebben; misschien zou zij met den Prisoner
-of Chillon zeggen:
-
-
- It was at length the same to me,
- Fetter’d or fetterless to be.
-
-
-En er is veel kans ook, dat zij, al vielen ook haar boeien af, daarom
-niet minder kreupel zou loopen. Was nu haar gevangenis maar wat beter!
-een schaap is voor geen reiziger rondom de wereld in de wieg gelegd, en
-zou zich nog wel met een klein hoekje kunnen te vreden stellen, als dat
-slechts niet al te mager is. Maar hieraan is het juist, dat het hapert.
-Nauwelijks hebben de koeien het kaalgegeten, strookleurige land
-verlaten om op haar winterstallen het ingemaakte groen te gaan eten, of
-het schaap wordt in het bezit van het ontruimde terrein gesteld. Met
-een vroolijk oog groet zij haar nieuw verblijf, en begint dadelijk met
-de gelegenheid van den grond te verkennen.—Zie haar troosteloozen blik!
-een vluchtig rondzien is voldoende om haar de verzekering te geven, dat
-het hier physisch onmogelijk is ooit genoeg te eten. De koeien hebben
-haar de moeite van te kiezen bespaard, en met de volkomenste
-onpartijdigheid alle plekken even naakt gelaten. Eerst laat zij zich
-nog een oogenblik door valsche hoop misleiden; door den afstand
-bedrogen, schijnt haar gindsche streek toe toch nog een groenen schijn
-te hebben. Vol verwachting strompelt zij er zoo vlug mogelijk heen;
-helaas! zij blijkt het slachtoffer van een fallacia optica geweest te
-zijn, en, met treurige verwondering over haar teleurstelling, ziet zij
-op en naar de plaats terug, die zij verlaten heeft. Ei zie, nu schijnt
-deze haar weêr meer bewassen toe.... eenige pijnlijke stappen, en zij
-is er, om praktisch te leeren inzien, hoe veel de schijn van het wezen
-verschilt. Vol lustelooze graagte trekt zij met lange tanden aan het
-korte maal. Zoo brengt zij een geheelen langen winter door, en deelt
-haar voedsel met een ouden versleten knol, die sedert eenige jaren zijn
-plaats in den stal aan een paar jonger opvolgers moet overlaten. Wordt
-het evenwel te koud, dan wordt het paard nog wel eens voor een korten
-tijd in huis gehaald; alleen het schaap wordt met onvermurwbare
-standvastigheid, die een betere zaak waardig was, aan de ongenade des
-weders overgelaten. Het hart, door haar vacht verwarmd, is door niets
-te bewegen, om wederkeerig iets voor haar verwarming te doen;
-integendeel, als haar meester in den kouden nacht haar klagende stem
-hoort, haalt hij de dekens, uit haar wol geweven, over het hoofd, om
-niet in zijn koesterende rust gestoord te worden! Zoo brengt dan het
-dier (ik bedoel het schaap) menigen langen nacht door met van koude te
-bibberen, zonder in slaap te kunnen komen. Menigmaal zag ik, ’s morgens
-opkomende, haar vacht onder een last van sneeuw begraven, zoodat ik
-niet onderscheiden kon, wat wol en wat sneeuw was. En mij dacht, dat
-moest een koude maaltijd zijn, zijn voedsel aldus uit de sneeuw te
-moeten opgraven; een wat heel groot kontrast met onze verwarmde borden
-en tafelkomforen. Och, och! een voet twee drie gronds in de schuur voor
-de verkleumde! een handvol hooi voor de verhongerde! Steek het hoofd
-even buiten het bevroren raam, en gij zult barmhartiger zijn.
-
-Ik ken menschen, die hunne tranen niet kunnen weêrhouden, als een
-begaafde mond hun het bewegelijk tafereel teekent van den armen man uit
-de schrift, die „gansch niet en hadde, dan een eenigh kleyn oy-lam, dat
-hy gekocht hadde, ende hadde ’t gevoedt dat het groot geworden was by
-hem, ende by sijne kinderen te gelijck; het at van syne bete, ende
-dronck van sijnen beker, ende sliep in sijnen schoot, ende het was hem,
-als eene dochter;” terwijl zij voor zich voor niets zorgvuldiger waken,
-dan dat geen landheer zich omtrent hen aan zulk een roof zou kunnen
-schuldig maken. Wat Nathan wel tot dezulken zou gezegd hebben?
-
-En op die winterweide, waar ik u bracht, heeft soms een tooneel plaats,
-waarvan het goed is, dat het door den nacht bedekt wordt. Het schaap is
-moeder geworden: onder een barren hemel, op een hard bevrozen grond, in
-een felle jachtsneeuw is het moeder geworden. Het jonggeboren lam ligt
-aan haar voeten, onder dien barren hemel, op dien harden grond, in die
-kille sneeuw. Maar toch heeft de moeder een enkel gelukkig oogenblik,
-als zij den bibberenden zuigeling met haar eigen lichaam dekt en
-beschermt, en zijn eersten dorst met melk laaft, die men haar nog niet
-ontneemt! Doch—wat is haar op eens? van waar slaat zij zulk een
-onrustigen blik naar boven? zij heeft een roofvogel in het gezicht, die
-zijn noodlottige kringen rondom haar beschrijft, en al lager en lager
-nederdaalt. Daar schiet hij op het jong neder, en slaat met zijn
-scherpen bek in het teeder oog. Vergeefsch is de tegenstand der moeder:
-een schaap heeft immers niets om tegenstand te bieden? Gelukt het haar
-al, haar vervolger voor een oogenblik te verdrijven, gedurig herhaalt
-hij zijn moorddadige aanvallen; en als de trage morgen aanlicht, staren
-twee ledige oogholten het moederschaap treurig aan! Bij uw eerste
-vadervreugde, bij uw eerste moedersmart, is er dan niemand om zich over
-het jonggeboren lam te ontfermen?
-
-Maar het wordt lente! de jonge spruitjes beginnen het hoofd uit den
-grond te heffen, en spreiden als een groenen sluier over de gele
-stengels van het dorre land. Hoe gretig doet het schaap zich aan dien
-ongewonen kost te goed! Gras in de scheut—het is een dubbele weelde!
-met openstaande neusgaten en krullende lippen wroet zij die lekkernij
-uit de grond.... daar wordt het hek, dat den geheelen winter gesloten
-is gebleven, geopend; de boerenknecht slaat de ongelukkige een touw om
-den hals, en sleept haar uit het weilandje naar het stukje bouwgrond er
-naast. Dat is hard! daarbij komt het lijden van Tantalus, wiens smaak
-ten minste niet door het proeven van de vruchten getergd was, niet in
-vergelijking. En wat vindt zij nu in haar nieuwe voorraadschuur? niets
-dan drooge stoppels van het vroeger afgemaaide graan; stroo, zoo als
-het door den winter geprepareerd is. Mismoedig ziet zij dit maar al te
-bekende en gehate voedsel aan, en terwijl zij over deze verandering
-treurt, daar ziet zij de loeiende koeien wel doorvoed uit den stal
-komen, om zich aan haar disch te plaatsen en de groene eerstelingen te
-oogsten, waaraan zij alleen de lippen gezet heeft. Dat is het
-hatelijkste; den geheelen zomer door heeft zij op tien schreden
-afstands, door een laag dijkje gescheiden, een malsch, welig grasland
-voor zich; zij staart op het beloofde land, zonder het te mogen
-intreden; zij riekt de vleeschpotten van Egypte, zonder er den mond aan
-te mogen slaan; en zij moet het geduldig aanzien, dat die groote,
-vette, lompe koe, die haar van daar verjaagd heeft, met haar mollige,
-kwabbige pooten tot aan de enkels toe door het hooge gras baadt, en
-oververzadigd zich met haar gevulden buik op het heerlijke voedsel
-uitstrekt.
-
-Ziedaar het gewone lot van het schaap in de streek, waar ik den zomer
-doorbreng.
-
-O, dat ik voor een oogenblik de pen van Yorick had!
-
-Beken het, Mejufvrouw! zoo iets had UEd. zeker niet gedacht. Een
-lammetje is toch zulk een lief diertje; en het heeft zulk een mooi wit
-velletje, en zulke nette, kleine pootjes, dat men zou er jaloersch van
-worden. „Och Mama, ik zou wel zoo’n lammetje willen hebben; dan zou ik
-het een blauw lint om den hals binden, dat zou champêtre staan!” Ook
-wordt bij u alles wat lief is bij dit dier vergeleken. Gij zelve,
-immers, gij zijt zoo zacht als een lam! en uw poezele huid is zoo
-mollig als wol! en uw gouden haar is zoo dik en dicht als een
-schapenvacht! en, als gij een romantischen Dichter in de familie hebt,
-vergelijkt hij misschien, met een uitdrukking uit het Hooglied, uw
-tanden met „een kudde schapen, die gheschoren zijn, die uyt de
-waschstede opkomen.” Allerliefst! als het arme dier, waarvan gij zoo
-veel hebt, maar wat meer van u had!
-
-In waarheid het schaap behoort tot die ongelukkigen, wier geluk alleen
-op het papier bestaat, en vermeerdert dus de dubbelzinnige klasse van
-lamgeschoten invaliden, arme dichters, teringachtige meisjes, kale
-Edelen, mishandelde geniën enz. Gij kunt geen rozenkleurig boekje
-opendoen, of het wemelt er van schapen en lammeren. Is het een
-prentenboekje, gij vindt er allerliefste plaatjes in, met kinderen, wie
-zulk een diertje als een schoothond achteraan huppelt; het is veel, zoo
-een enkele aan den zijden band van een lint gehoorzamen moet. Zijn het
-verzen, des te erger! Sla het eerste blad het beste op, en tien tegen
-één, dat daar reeds een beldragende hamel, als voorganger van een heele
-kudde die straks staat te volgen, vooruittrekt. Het lam is het beeld
-bij uitnemendheid! Beurtelings worden de vergelijkingen aan zijn kleur,
-aan zijn vacht, aan zijn aard, of aan zijn bestemming ontleend. Zooals
-men in de wezenlijke wereld alles, wat aan de koe is, van de horens af
-tot de pooten toe tot verschillende einden gebruiken kan, zoo is er ook
-aan het lam niets, of het komt in de dichterlijke wereld te pas. Men
-kan geen lief meisje teekenen, of geen aandoenlijk geval verhalen, of
-geen beminlijk karakter schilderen,—men kan bijna niets dichten of
-verdichten, of het schaap komt er bij! Neem menigen dichter zijn heerde
-af, en zie hoe hij zelf daar staan zal als een geschoren schaap.
-
-Zoo is het dier in alle salons en op alle partijen in effigie
-tegenwoordig; op de schilderijen aan den muur, op de tapisseriewerken
-op den grond, in de complimenten der Heeren aan de Dames, in den
-sentimenteele uitboezemingen der Dames tegen de Heeren, in de verzen,
-die in den vooravond worden gedeclameerd of aan tafel voorgelezen: tout
-y est moutonné, zoo als een Franschman van de nieuwe school zou
-zeggen—maar van dit alles bemerkt mijn schaap op hare kale weide niets.
-De dichter gaat haar voorbij, terwijl hij juist met den vinger aan den
-neus loopt bedenken, hoe hij zijn meisje, die op den eersten Paaschdag
-jarig is, het geestigst met een paaschlammetje zal vergelijken, zonder
-een oog te slaan op het beest, dat hij in zijn verbeelding zoo sierlijk
-opsmukt en bekranst. De jonge Dame, die zich met een lam aan haar
-voeten, onder een Arcadischen treur-esch en miniature heeft laten
-uitschilderen, weet van een wandeling te huis komende niet, dat zij
-mijn ongelukkig dier ontmoet heeft. De schilder, die denkt over een
-nieuw landschap met schaapjes gestoffeerd, zit, met den rug naar mijn
-vriendin, een krommen knotwilg te teekenen, dien hij in zijn schets
-hoopt te brengen, maar heeft geen blik over voor het hoofdvoorwerp van
-zijn tafereel, omdat hij in de voorstelling daarvan niet mis kan
-tasten. Zoo wekt het arme dier enkel en alleen in het ideale
-belangstelling op, en staat in dit opzicht nog beneden zijn mededingers
-naar de eerste plaats op papier en paneel, de zwanen en duifjes.
-
-En al is het, dat een enkele uitverkorene een tijd lang aan den ban
-ontkomt, waaronder haar geslacht rust, hoe onstandvastig is de gunst,
-die haar bewezen wordt! Laat eens aan een enkel melkwit of fraaigevlekt
-lammetje het voorrecht te beurt vallen van tot speelkameraad van het
-dochtertje des huizes verheven te worden; wat duurt die vreugde kort!
-In den beginne heeft het een allerbenijdenswaardigst lot; het voedt
-zich met vette klaver en wordt met room gedrenkt; het wordt met linten
-opgetooid en met bloemen bekranst; het wordt door zijden handen
-gestreeld en door poezelige armpjes omhelsd; maar laat het grooter,
-laat het een schaap worden, dan heeft al die weelde een einde. Dan is
-het „Rose” of welke andere beeldigen naam het dragen moge, „wordt
-leelijk en vuil. Jan! als gij zaterdag naar de stad gaat, moest gij
-haar ter markt brengen.” Daar staat nu Rose op de markt onder andere
-gemeene, burgerlijke schapen; daar wordt zij onder andere slachtoffers
-aan het mes van den slager verkocht; daar krijgt zij het noodlottige
-looden teeken in het oor, dat zoo menige adelijke mond gekust heeft; en
-den hals, die met roode linten placht gesierd te worden, verwt de
-bloedige krans des doods! Waarom? ik vraag u waarom? Waarom is gindsche
-mopshond beter, die ook sedert lang zijne jonge en mooie dagen gehad
-heeft, maar die nu nog als een bedorven gunsteling in zijn vet smoort,
-en bij schoon weder door den palfrenier in de zon gedragen moet worden,
-dewijl hij te dik is, om er zelf heen te kruipen? Waarom ziet men nooit
-een oud schaap even zoo het genadebrood eten? Of waar is de wet der
-natuur, dat een lam niet leelijk mag worden, zonder van zijn
-voorrechten te vervallen? Verbeeld u eens, Mejonkvrouw! dat men met u
-denzelfden regel volgde. Gij hebt gelijk, van het hoofd met een
-grilling om te keeren.
-
-Daar hangt nu Rose aan den noodlottigen haak, ten prooi aan de tanden
-van liefhebbers van schapenbouten en lamskoteletten. En zelfs in den
-dood blijft de strijd tusschen haar idealisch en wezenlijk lot bestaan.
-Een geslacht lam! Wat wordt daarvan niet al schoons gezegd! Hoe veel
-tranen doet dat beeld niet vergieten! Verbeeld u een elegie op den dood
-van een jong meisje, zonder de vergelijking van een jeugdig offerlam,
-met bloemen om den hals onder een ontijdig zwaard gevallen. Verbeeld u
-een treurspel van de eene of andere vermoorde Onnoozelheid, waarin het
-weerloos gedoode schaap ontbreekt. Verbeeld u een pleidooi voor de eene
-of andere kindermoorderes, waarin het niet als een ongerijmde aanklacht
-wordt behandeld, dat een vrouw zoo wreed zou zijn van een zooglam als
-in de melk der moeder te smoren. Verbeeld u een vers op Kain of zijns
-gelijken, waarin niet deze of dergelijke regels voorkomen:
-
-
- Zal hij nu ook verrotten, als dat schaap,
- Dat, afgedwaald, in ’t bosch mij tegenkwam,
- Dat ik zoo wreed verwurgde?—Ja, dat schaap,
- Dat stervend schaap had mij, bijna, ontroerd!....
-
-
-En ga nu eens een achterbuurt rond, en zie wat er van dat aandoenlijk
-voorwerp wordt? Ach, niet genoeg van in haar leven veracht te zijn
-geweest, volgt haar vernedering haar in den dood. Is haar vleesch niet
-bij voorkeur het voedsel van den arme? Wordt het niet in den regel met
-zorg van de tafels der grooten geweerd? wordt het niet nog lager
-geplaatst, dan het spek van het leelijk en morsig zwijn? Acht zelfs de
-huismoeder geen verontschuldiging noodig, als zij u niets dan een stuk
-schapenvleesch heeft aan te bieden? Zoo drukt de vloek zelfs op haar
-ongelukkig lijk. En die het leven van een verongelijkte leidde, mist
-het voorrecht van ten minste bij haar sterven, als een gekroonde na
-haar dood, „in de dankbare maag van een keurigen Epicurist een kostbaar
-graf te vinden.”
-
-O, dat ik voor een oogenblik de pen van Yorick had!
-
-En toch, zoo eenig dier, om zijn beminnelijke hoedanigheden, een ander
-lot verdiende, het is het schaap. Witheid kleedt en zachtheid dekt het;
-maar wat zijn deze bij de blankheid en zachtheid van zijn aard en
-zeden? Er is in het schaap iets onnoozels, iets weerloos, waarvan gij
-in de gansche natuur te vergeefs een wedergade zoeken zult. Ik kan soms
-een geruimen tijd besteden met een bezoek aan mijn oude buurvrouw te
-geven. Ik wenschte dat gij haar dan zaagt, hoe ze mij vriendelijk te
-gemoet komt en haar wolligen kop onder mijn hand steekt, die zij wel
-weet dat haar streelen zal; en hoe zij haar lekt, wanneer ik voor haar
-eenige blaren van den elzentak pluk, die voor haar bereik te hoog
-hangt. Dan is zij zoo vergenoegd en te vreden, en ziet mij met zulk een
-vriendelijk oog aan. Nooit vind ik bij haar, de misdeelde en vertrapte,
-een blijk van wrevel of murmurering. Nooit hoor ik haar, gelijk de
-ongeduldige koe, haar stem tot een klacht verheffen. En wanneer mijn
-Dolly mij soms te vlug is en haar blaffende najaagt, dan is er in haar
-geduldig voortstrompelen, zonder zelfs een verwijtend oog naar haar
-onedelmoedigen vijand te wenden, zulk een onderworpen lijdzaamheid, dat
-mijn hart er van wordt aangedaan. Voorbeeldig dier! denk ik dan wel
-eens: ik mocht nog wel bij u ter schole gaan! hoe veel zijt gij mij in
-gelatenheid en berusting vooruit. Gij die nooit den hals om wendt naar
-den stok, die u drijft; die nooit de verzenen slaat tegen de prikkels,
-die u treffen; die zelfs nooit klaagt onder de hardheid welke u wordt
-aangedaan; maar die—bewegelijk—zelfs de hand lekt, die u keelt! Hoe
-beschaamd sta ik niet bij u, ik redelijke, onsterfelijke mensch, die
-weet, Wiens stok mij drijft, Wiens prikkels mij slaan, Wiens hardheid
-mij treft, Wiens hand mij wondt.... kom, oude, laat mij u streelen! gij
-zijt dikwijls beter dan ik!
-
-Nog altijd graast mijn schaap geduldig den kalen akker af, en bemerkt
-niets van de overdenkingen, waarvan zij tot voorwerp strekt. Als ik
-oprecht zal zijn, zij schijnt zich mijn redenen niet zeer aan te
-trekken. En zij heeft gelijk ook. Want wat helpen haar al mijn
-praatjes, meer dan de onvruchtbare ingenomenheid harer overige
-kunstbewonderaars? Welnu! ik wil haar toonen, dat een goede buurman
-beter is dan een verre vriend. Ik wil naar haar meester gaan, om te
-zien of hij mij haar voor een prijsje wil overlaten. Dan kan zij
-voortaan haar laatste gras uit de kreb eten. Welaan, oude! dat zullen
-wij hebben. En als gij dan uw matten kop nederlegt om hem niet meer op
-te heffen, dan zal ik van uw vacht een slaapmuts laten weven.
-
-Mij dunkt, dat zal zacht rusten zijn!
-
-
-
-
-
-
-
-
-SINT-NICOLAAS.
-
-
-Een oud vrijer heeft weinig feestdagen in zijn leven. Hij is een
-gedwongen egoïst, die zich zelven tot het middelpunt van al zijn
-vreugde en leed maakt. Hij mist de zaligheid zich van nabij in het
-geluk van anderen te verlustigen.
-
-Het is waar, hij kan zich in de woning eens vriends dringen, en zich in
-den feestvierenden kring mengen; maar dit is een gebedelde vreugde, en
-vreugde is zoo weinig geschikt om een aalmoes te zijn! Ook heb ik mijn
-stoute schoenen wel eens aangetrokken, en aan de deur van een juichend
-gezin aangeklopt; maar ik heb er mij vaak kwalijk bij bevonden.
-Somtijds trok men een zuur gezicht tegen de onwelkome champignon, die
-zich een deel van de sappen kwam toeëigenen, waarop alleen de
-natuurlijke takken recht hadden; maar al was het dat men mij niet
-onvriendelijk ontving, ik schoot er op den langen duur toch over. Als
-het groote oogenblik van gelukwensching en omhelzing gekomen was, stond
-ik van verre, eenzaam, vergeten, veronachtzaamd. Het was veel, als men
-zich ter loops verschoonde: „Vergeef mij mijne onbeleefdheid, Neef!
-maar dit is een feest voor mijn kinderen. Die zijn van daag de
-hoofdpersoon.” Men vloog juichende op, viel elkander om den hals, drong
-in vroolijk en bont gewoel dooreen, terwijl men tranen stortte en
-lachte te gelijk, even als op een Aprilsdag. Bij dit alles moest ik
-zorgen uit het gedrang te blijven. De kinderen, die bij mijn komst en
-vertrek gelast werden mij een kus te geven, rekenden zich nu vrij van
-het betalen dier schatting; ik maakte in mijn eigen oogen de figuur van
-den armen Pierrot, zoo als hij met zijn ziekelijken glimlach voor eenen
-wèlvoorzienen disch staat te watertanden. Eindelijk komt men tot rust.
-Neef wordt weêr een lid van het gezelschap. Het bittere oogenblik is
-voorbij. Neen, Jonathan! eerst nog een onvriendelijke houw voor u.
-„Zie, Neefje! dat zijn genoegens, die men toch maar alleen in het
-huwelijk smaakt. Gevoelt ge daarbij geen berouw van ongetrouwd gebleven
-te zijn?” Bij zulk een uitval loopt mij een rilling langs de leden; het
-is heldenmoed, die mij dan de zuchten, die mijn keel benauwen, onder
-een gesmoord lachje doet wegkuchen.
-
-Neen! een oud vrijer behoort te huis te blijven. De zuiverder en edeler
-genoegens van huiselijke vreugde zijn voor hem een verboden toonbrood.
-Hij moet zich, zoo goed hij kan, met zijn eigen feesten trachten te
-behelpen. Het komt er slechts op aan, of hij kinderlijken zin genoeg
-heeft, om zich van kleinigheden een feest te maken. Het eerste
-uitvliegen van zijn duiven in de lente, het uitbroeden van zijn kiekens
-door zijn klokhen, het eerste geneurie van zijn jongen kanarievogel,
-moet hen tot surrogaat dienen voor een jongen die naar school gaat,
-voor een meisje dat begint te leeren loopen, voor een kind dat voor het
-eerst den vadernaam stamelt. Iederen dag, waarop het verjaart, dat hem
-een buitengewone zegen te beurt viel, moet hij plechtig vieren. Hij
-moet zijner vrienden dikwijls feestelijk gedenken. Het beste middel
-evenwel is....
-
-Gisteren stond ik uit mijn raam te kijken. Het was de dag vóór St.
-Nicolaas. Op straat heerschte er een ongewone drokte. De banketwinkels
-waren fraai versierd; dienstboden liepen met beladen korven af en aan.
-Vaders en moeders drentelden langs de straat met hun kleinen, die zich
-aan het gezicht van al die blinkende lekkernijen niet verzadigen
-konden: het droeg alles de kleur van ongemaakte vroolijkheid, welke een
-kinderfeest kenmerkt.
-
-Deze aanblik was voor mij een zoet-bittere herinnering. O! ik kan ze
-mij nog zoo goed verbeelden, die eerste December-dagen, door mij als
-kind in nieuwsgierige afwachting doorgebracht; en als dan eindelijk de
-avond gekomen was, waarop een vermomde Invalide, onze oude huisknecht,
-de rol van den weldadigen Heilige vervulde, hoe zwom ik in kinderlijke
-weelde! Ik was in dien tijd eene kleine vrijgeest. Ik had mij met vrij
-wat neuswijsheid in het bezit van het groote geheim gesteld, en
-loochende, met de vrijmoedigheid van een Balthazar Bekker, de
-mogelijkheid van bovennatuurlijke verschijningen. Maar toch was er iets
-verstandigs in het weinige misbruik, dat ik van deze ontdekking maakte.
-Ik hield haar voor mij, zonder mijn broeders en zusters van het
-genoegen hunner illusie te berooven; en zelfs voor mij zelven liet ik
-mij door mijn ketterij het genoegen van den avond niet ontnemen: ik
-wist het beter, maar maakte mij wijs, dat ik het voor dien avond niet
-wist. Ik was als Napoleon, die aan geen geesten geloofde, en er toch
-bang voor was. O! dat ik altijd met mijne andere illusies even zacht en
-barmhartig hadde opgesprongen!
-
-De nacht werd slapeloos en in vreugdevolle droomen doorgebracht.
-Eindelijk brak de morgen aan; de vaderlijke roepstem vergaderde ons
-allen in het beste vertrek. Daar stond hij ten toon gesteld, die schat
-van glinsterend banket! een armelijke trofée, maar opgebouwd met van
-liefde bevende handen; een gebrekkige toerichting, maar met van vreugde
-schitterende oogen aangestaard! Ik heb sedert andere feesten gevierd;
-ik heb aangezeten in de zalen, door vendelpracht, lichtkransen en
-bloemfestoenen opgeluisterd; ik heb mijn tong met kostbare lekkernijen
-en nog kostbaarder wijnen gestreeld; maar het genoegen van mijn
-klatergouden Decemberdag heb ik nergens weêr gevonden.
-
-Deze en dergelijke denkbeelden dwaalden door mijn hoofd, terwijl ik het
-gewoel op straat aanzag; maar zoo dit gevoel het midden tusschen
-vreugde en droefheid hield, welhaast overmeesterden mij somberder
-gedachten. Mij arme, dacht ik, ziedaar al weder voor mij een feestdag
-minder dan voor anderen. Mijn aanstaande erfgenaam zendt mij mijn
-naamcijfer in lettergebak; ik geef aan enkele lieve kleinen een
-geschenkje;—ziedaar alles! maar ik zit heden en morgen den ganschen dag
-alleen, ik heb geen voorsmaak van het genot van iemand, die mijn lief
-is, te verrassen.
-
-Vroeger had ik altijd op dezen dag een vroolijk uur; het was als ik den
-Engelschen almanak, in rooskleurig papier gewikkeld, aan zijn adres
-verzond. Mijn boekverkooper heeft mij sedert altijd de volgende
-jaargangen van het boekske gezonden; ik heb hem laten begaan; ginds
-liggen zij onaangeroerd; ik heb er nooit een enkelen van ingezien.
-
-Nog altijd trokken de kleinen in triomf langs de straat. Hoe benijdde
-ik de vaders, die hen rondleidden! Met hoe veel liefde hadden velen
-sedert weken hunne spaarpenning weggelegd, om heden met geen leêge
-handen voor hunne kinderen te verschijnen; maar wat zou daarentegen die
-spaarpenning ook rijke woekerwinst geven, als de wichtjes in hun
-vreugde hun ouders zouden om den hals vliegen en het geheele huis met
-hun gejuich vervullen: als deze met tranen van weelde de verrukking met
-hun kroost zouden gadeslaan;—o! kinderen zijn dankbare beweldadigden;
-zij weten van geen halve voldoening; zij weten van geen kiesche
-verzwijging. Hun genot is volkomen; hun vreugde ongetemperd; hun
-dankzegging ongemaakt hartelijk.
-
-Nu en dan zag ik een jong mensch met het voorkomen van vroolijke
-opgewondenheid voorbijgaan. Zeker zijn er wel bij geweest, die den dag
-van heden bestemd hadden, om aan het voorwerp hunner verborgene liefde
-een geschenk in handen te spelen. Hoe zullen deze met een kloppend hart
-de teedere depêche hebben gereed gemaakt, en met hun gedachten
-vergezeld! Met hoe veel ongeduld zullen zij naar het oogenblik verlangd
-hebben om hun schoone te ontmoeten, ten einde misschien in hare oogen
-te lezen, of haar de kiesche hulde niet mishaagd hebbe. Ik moet er voor
-uitkomen, de beschroomdheid eener eerste liefde heeft voor mij iets
-aantrekkelijks. O, het moge schoon staan, wanneer de forsche, krachtige
-man, met trotsche vrijmoedigheid, voor de gansche wereld de kleur
-zijner schoone ten toon draagt; wanneer hij straks met heerschzuchtige
-vrijmacht zijn hand op de vrouw zijner keuze legt, en der zwakke duive
-niets overblijft, dan onder zijn breede vleugelen te vluchten; ik heb
-altijd een vóórliefde gehad voor die innemende schuchterheid, welke den
-onbedorven jongeling voor het voorwerp van zijn eerbied als een meisje
-blozen, en haar met huiverend ontzag naderen doet. Ik wenschte dus van
-ganscher harte aan alle zwijgende verliefden een gelukkig
-Sint-Nicolaasfeest. En werkelijk zag ik in mijn verbeelding, hoe menige
-aanvallige de sierlijke surprise met blijde verrassing ontving, en zoo
-ras zij kon, uit aller oogen wegstal, om in de eenzaamheid zich
-onbespied in de beschouwing er van te verlustigen. Het is een zoet
-oogenblik, waarop het eerste liefdepand gewisseld wordt! een oogenblik,
-hetwelk ik wenschte dat ieder eenmaal smaken mocht. Maar helaas! wat
-zullen er heden weder vele ongelukkige zusteren dier gelukkigen zijn,
-die vruchteloos naar eenig blijk van hulde of liefde zullen uitzien;
-jonge dochteren, door de Natuur stiefmoederlijk bedeeld, of die het nog
-grooter onrecht hebben van arm te zijn; beklagenswaardige Cendrillons
-in het groote drama der lotbeschikkingen! Cendrillons aan wier voet
-misschien het enge, broze glazen schoeisel eener strenge deugd past,
-maar die de bevooroordeelde partijdigheid van alle mededinging
-uitsluit. Ik beklaag die lieve schepselen, die de bevoorrechte kinderen
-der schoonheid en des geluks met bewijzen van bewondering en hulde zien
-overladen, terwijl niemand haar zelfs de aalmoes van een
-vriendschappelijk aandenken in den schoot werpt. Zij zien den dag
-zonder vreugde voorbijgaan; zij moeten misschien het harde woord eener
-onmoederlijke moeder verduwen; en terwijl haar zusteren door schoone
-droomen worden in slaap gewiegd, vertrouwen zij aan haar vochtig
-hoofdkussen haar echt vrouwelijk, en en toch meest alzoo wreed miskend
-lijden.
-
-Het was avond geworden; de lampions waren aangestoken; de koetsen
-rolden; de stad raakte in beweging. Ik deed mijn mantel om en ging uit.
-Er heerschte op straat een vroolijke drukte; treinen van kinderen
-trokken juichend voorbij; ik trad in een winkel; het was een lust die
-kleine oogjes zoo begeerig te zien rondkijken; die kleine handjes zoo
-gretig te zien uitstrekken; de kleinen bevonden zich hier in een waar
-Luilekkerland: de wanden, de tafels, de grond, alles was suiker en
-gebak. Ik geloof niet, dat men ooit in lateren leeftijd zijn stoutste
-droomen van verre zoo verwezenlijkt ziet, als een kind de zijne in een
-banketwinkel op Sint-Nicolaasdag. Wie zou dan met een onverschillig oog
-het op een zoo gebrekkige aarde zoo zeldzame, schouwspel eener
-onvermengde en volkomene vreugde—al is het dan maar een
-kindervreugde—kunnen aanzien?
-
-Het huis verlatende, zag ik de stoep door een partij arme wichtjes
-belegerd. Mijn hart brak er van; zij stonden bij een felle koude, in
-lompen gekleed, op de steenen te bibberen. Maar toch konden zij van het
-aanlokkelijk gezicht niet scheiden; met kinderachtige nieuwsgierigheid
-gaapten zij al die heerlijkheid aan. En, wat mij het meeste trof was,
-dat er in hun toon geen zweem van spijt of ontevredenheid was. Zij
-zagen kinderen van hunnen leeftijd binnengaan en met volle handen
-terugkeeren; geen gemor kwam over hun lippen. Veeleer heerschte er
-onder hen een blijde ingenomenheid, alsof zij wel degelijk deelgenooten
-van de feestvreugde waren. Zie, zóó waren zij het reeds gewoon
-geworden, de kinderen der rijken als andere wezens te beschouwen. Zij
-hadden er geen denkbeeld van, dat slechts een hard toeval hen van
-gelijke rechten beroofd had; het was hun reeds eigen, alleen met het
-oog te genieten. Die natuurlijke zelfverloochening der armen heeft iets
-aandoenlijks. Als er een feest in de stad is, heet het bij hen: „Laat
-ons de illuminatie gaan zien,” zooals wij zeggen: „Laat inspannen.” Zij
-houden het voor een voorrecht, bij een gastmaal door de vensters te
-turen, en dáár van onverzadigden lust te verteren. Zij laten zich door
-de gewapende macht terugdrijven, of wijken voor de paarden der rijken,
-zonder zich met een enkel woord te beklagen.
-
-Ik kon deze denkbeelden niet bij mij houden. Het werd mij op de breede
-verlichte straten te eng. Ik ging, zoo snel ik kon, naar mijn kamer, en
-keerde, met eenen nieuwen last beladen, vandaar terug.
-
-Toen spoedde ik mij, zoo ras ik konde, naar een der schamelste
-achterbuurten. Overal rust: geen enkel lichtje! geen schijn van
-feestviering! Zoo gaat het! het feest van St. Nicolaas is een feest der
-armen, maar de rijken vieren het. Hier en daar zag ik de deuren
-openstaan; het eenige, dat de onvermogenden uit de gouden eeuw van
-Saturnus behouden hebben. Ik hoorde een kind om brood schreien—om
-brood! het wicht zag mij niet—de vrouw was met haar kind bezig—ik was
-in een oogenblik weg. In een andere hut zag ik een moeder, uitgeteerd
-van gebrek, een half naakt schepseltje zogen; de wind snerpte
-onbarmhartig door de reten: zachtjes ging de deur open—er viel iets
-klinkends op den grond—terwijl de vrouw bukte, verdween de schaduw van
-den wand. Een oud moedertje zat bij een ellendig nachtpitje te spinnen;
-het gansche huis scheen verlaten: zeker was het overige gezin naar het
-feest gaan.... zien; zij was te suf om te hooren,—maar toen zij weêr
-naar haar vlas greep, zal zij toch vreemd hebben opgezien.
-
-Ik keerde ledig op mijn kamer terug.
-
-Lieve menschen! weet gij wel, wie Sint Nicolaas was? Het was een vrome
-Heilige, die veel weldeed. Hij verdient ten hoogste met een
-gedachtenisfeest vereerd te worden. Maar de wijze van vereering zou ik
-nog wel eenigszins anders wenschen. Mij dunkt, het ligt in de rede, dat
-men het feest van een Barmhartige met barmhartigheid viert. Onthaalt
-uwe kleinen: ik heb er niets tegen; maar vergeet daarom de kleine
-beschermelingen van den vromen Sint niet. Als gij het meel en de olie
-eens armen vermeerderd hebt, zal er voor hen nog wel iets overblijven.
-Ja, ik zou wel willen, dat uwe kinderen zelve de rol van
-bescherm-engelen vervulden; indien gij uwe aalmoezen in hunne hand
-gaaft, zoo hadden zij te gelijk vergoeding voor hun gemis. En wat zou
-het schoon zijn, als men in de wijken der armoede zou moeten denken,
-dat de goede Nicolaas onsterfelijk is!....
-
-Lieve menschen! ik wensch u allen een echten Sint-Nicolaas-dag!
-
-
-
-
-
-
-
-
-HET LEGAAT.
-
-
-Mijn arme vriend Rob, hij is dood!
-
-De goede jongen! Of hij stervend nog tegen den dood zal gelachen
-hebben, gelijk hij altijd zeide, dat hij doen zou? Zeker, vriend Hein!
-gij zijt een ijzegrim, als gij er niets van gevoeld hebt, toen gij
-dezen eerlijken, trouwen knaap den hals braakt. Zulk graan krijgt gij
-zelden onder uw zeis. Mijn arme vriend Rob, hij is dood!
-
-Grooter snaak dan hij liep er niet. Gelijk sommige menschen veel hebben
-van een gestolden traan, was zijn voorkomen een onophoudelijke
-glimlach. Hij ging de wereld door als een vroolijk kind, schertsende en
-grappenmakende: reeds toen ik met hem school ging, was hij de vreugde
-van al de jongens. Als zij Rob maar zagen, begonnen zij reeds te
-lachen; zelfs de meester kon het niet tegen hem uithouden, maar schoof
-van vroolijkheid zijn pruik op één oor, als hij recht aan den gang was.
-Ofschoon hij de eene dwaasheid na de andere uitvoerde, geloof ik niet,
-dat hij ooit iemand ernstig boos gemaakt heeft. Hij was als Arlequin;
-ieder kreeg slaag van hem; maar het was een houten zwaard, dat hij
-zwaaide! en een zwaard daarenboven, dat als een tooverstaf, de macht
-had om slapenden wakker en treurenden vroolijk te maken. En toch, toen
-hij de school verliet, schreiden allen; ofschoon hij allerlei
-bokkesprongen maakte om zich zelven en de anderen op te vroolijken. Zoo
-was hij altijd. Hij kon geen tranen zien, of hij moest ze wegschertsen.
-Ik ben zeker, dat hij zijn ziekenoppasser meermalen aan ’t lachen
-gemaakt heeft. Arme Rob! Nu moet hij ze laten uitweenen.
-
-O, ik had hem zoo lief! zoodra wij elkander op de school ontmoetten,
-werden wij vrienden. Hoe, begreep niemand. Want ofschoon ik toen nog
-zoo bleek en strak niet zag als nu, was ik toch lang geen blozende
-lachebek gelijk hij. Maar ik geloof, dat hij al dadelijk aan mij zag,
-dat ik het rechte wild voor hen was. Want hij was geen van die
-grappenmakers, die alleen aardig zijn onder huns gelijken: hoe
-treuriger hoe liever; des te meer eer was er aan te behalen. Of laat ik
-liever zeggen, zijn goed hart gebood hem het eerst dezulken op te
-zoeken, die hij begreep dat aan een opgeruimd woord de meeste behoefte
-hadden. Hij beschouwde het vervroolijken van anderen als een soort van
-bestemming voor hem. Geen aanleg hebbende om te weenen met de
-weenenden, zocht hij weenenden met zich blij te maken. Daarbij ging hij
-evenwel niet zoo te werk, dat hij zijn narrebellen aan ieder rouwfloers
-bond. Als bij instinkt wist hij te raden, waar zijn luim op de smart
-schipbreuk zou lijden; en dan kon hij tot zichzelven, als tot een
-speelschen hond, die tegen iedereen opspringt, zeggen: „Stil, Rob! stil
-jongen!” en dan was Rob zoo stil als een muis! of zoo hij sprak, het
-was met een enkel woord van diep gevoel, zoo als men nooit van zijn
-dartele lippen zou verwacht hebben. Is het niet vreemd? terwijl niemand
-mij beter aan ’t lachen kon maken, schreide ik om niemand eerder, dan
-om Rob!
-
-Maar ik heb niet dikwijls om hem geschreid. Duizendmaal meer heb ik om
-hem gelachen. Nauwelijks ging de school uit, of hij pakte mij onder den
-arm; dan volgde de eene kwinkslag op den anderen, zoodat ik dikwijls,
-als ik thuis kwam, niet tot mijzelven kon komen; en toch was hij zoo
-zacht voor den weemoed, waartoe ik reeds als knaap en jongeling neigde.
-Dit kwam daaruit voort, dat hij er zelf niet vrij van was. De
-grondtonen onzer ziel klonken gelijk, maar wij droegen ons leed anders.
-Terwijl ik in mijn kooi zat te kirren als een tortel, met een lang
-uitgehaald: koe-ke-roe-oe!—zat hij, ofschoon even zoo goed gevangen als
-ik, tegenover mij in zijn kevie te zingen als een kanarievogel. Met
-iedere smart, die ik hem als een harde noot te kraken gaf, sprong hij
-om als Jocko: krak-krak! had hij haar stuk, hij wierp mij de schellen
-naar den kop, en peuzelde de zoete kern, die hij er uithaalde, met een
-vergenoegd gezicht op. Men zegt van Rubbens (als ik wel heb), dat men
-nooit vier of vijf schreefjes zoo plaatsen kon, of hij maakte er een
-menschengezicht van. Welnu, zoo kwam hem geen smartelijke trek voor of,
-kriskras! had hij hem in een glimlach veranderd, zonder iets
-uitgewischt te hebben. O, het is niet moeielijk, dissonnanten te
-overschreeuwen: dat kan ieder; maar ze op te lossen, dat is de kunst!
-en dat kon mijn vriend Rob.
-
-Hij had geen gelukkig lot in de wereld. Een arme moeder, waarvoor hij
-te zorgen had, bij geringe verdiensten. Maar dit maakte hem nooit
-treurig; hij kon zijn droog brood met zulk een goede gratie eten, dat
-gij aan zijn gezicht zoudt gezegd hebben dat hij een reeboutje kloof.
-„Vroolijkheid, jongen!” kon hij wel tegen mij zeggen, „is de beste
-kruiddoos.” Daarbij kwam, dat hij een voorgevoel had, dat hij niet oud
-zou worden. Dus moest hij zorgen in de voorbaat te zijn, om zijn moeder
-niet hulpeloos achter te laten. „Gij zult het wel zien,” zeide hij,
-„Rob loopt niet lang. De zwarte man mag hem niet lijden. Ik maak het
-hier de menschen veel te pleizierig. Nu laat hem komen! ik zal hem in
-zijn gezicht uitlachen, of mijn naam is geen Rob!”
-
-„Daar hebben we ’t al!” schreef hij onlangs. „Jonathan, ik lig er voor;
-de magere man heeft mijn vet al beet, en zal nu aan de beenders gaan.
-Kom mij nog eens zien, als gij kunt. Ik wil den Dood al mijn vrienden
-presenteeren; dan kan hij van nijd vergaan, dat hij er zoo veel niet
-heeft.”
-
-P.S. „Kom gauw, want hij wacht niet.”
-
-Ik kwam. Daar lag hij, de arme Rob! bleek als de dood, en mager als een
-geraamte.
-
-„Welkom!” juichte hij met een gebroken stem tegen. „Neem mij niet
-kwalijk, dat ik u zoo familiaar in mijn beendernegligé ontvang, mijn
-vleeschrok [2] is bij den snijder om te vermaken.” Zoo schertste hij
-voort met woorden vol diepen zin en aandoenlijken luim.
-
-„Schrei zoo niet!” zeide hij, terwijl ik in tranen stikte. „Gij maakt
-mijn vleugels nat, en ik zal straks niet kunnen vliegen.—Goeden nacht!”
-riep hij mij na, toen ik mij in stomme smart van zijn leger losrukte.
-„Wat vroolijker gezicht, als ik u weêrzie, hoor!”
-
-Gister morgen kreeg ik de tijding van zijn dood. Hij had tot zijn
-jongste oogenblikken zijn bewustheid en dezelfde stemming van geest
-behouden. „Alles klaar!” was zijn laatste woord. Wat zullen er toen
-veel tranen op het vroolijkste gezicht der wereld gestort zijn. Alas,
-poor Rob!
-
-Wie zal ons nu troosten? Het ongelukkigste is, dat Rob alleen voor zulk
-een ramp raad had geweten. Ja, dat is het ergste; nooit is men
-troosteloozer dan bij den dood van hen, die ons het best hadden kunnen
-troosten. Als niets mij bemoedigen kon, had Rob altijd nog een paar
-woorden achter de hand. Maar nu hij dood is.... ik zal naar zijn graf
-gaan, en zien of ik daar baat kan vinden; de vrome ziel kon zelf op een
-graf zoo vroolijk lachen. „Onder het lamfer,” placht hij te zeggen,
-„behoort een gezicht van Jean qui pleure et Jean qui rit. Voor ieder,
-die gaat en die blijft, de helft.” Ach, ik zal het nooit leeren.
-
-Te gelijk met zijn doodbericht ontving ik het legaat, mij door hem
-gemaakt. Het zijn de brieven, die ik hem op onderscheidene tijden
-geschreven heb. Deze heeft hij in een groot pak gesloten, en zijn
-moeder verzocht ze mij na zijn dood terug te zenden.
-
-Fragmenten van een afgebroken correspondentie, later voort te zetten.
-Zoo luidt het opschrift, dat hij er met eigen hand op geplaatst heeft.
-Ziedaar Rob geheel! nooit was er vroolijker godsvrucht, dan de zijne.
-Hij sprak van den hemel, zooals een kind er van spreekt, als of het
-alleen een hoogere verdieping van onze tegenwoordige woning was. Hij
-had niets van sommige menschen, die nooit het woord dood of eeuwigheid
-in den mond nemen, zonder eerst een benauwd gezicht te zetten, een
-hangenden lip te trekken, en hun stem zoo diep als zij kunnen uit hun
-onderbuik te doen opkomen. Dezulken spreken van den hemel met een
-gelaat, dat men er bang van wordt. Niet aldus mijn vriend Rob. Midden
-in zijn grappigste scherts kon hij op eens aan zijn woorden een
-luimig-verheven wending geven, die u in het hart greep; maar in
-hetzelfde oogenblik was hij, als een eekhorentje, dat langs een hoogen
-boom op en neder klautert, reeds weder beneden, en sprong u om de
-beenen. Met den dood was hij zoo familiaar als met zijn eigen geraamte.
-Hij kon sermoenen tegen hem houden, dat u de tranen over de wangen
-liepen. Dat noemde hij zijn gymnastische oefeningen om langs zijn
-ribben naar boven te leeren klimmen. „Och,” zei hij, „het geheele leven
-is niets dan een groote mastklimmerij; boven hangen de prijzen: beneden
-staan wij jongens te gapen. Het komt maar op het durven aan; één goede
-zet, en men is er! drommels, als de paal maar zoo glad niet was!”—Maar
-gij zijt er nu toch, goede Rob! en uw prijs zal niet van de minste
-wezen.
-
-Ik dacht gister het lijkfeest van mijn vriend niet beter te kunnen
-vieren, dan door den ganschen dag aan het lezen van zijn
-Correspondentie te wijden. Ik rangschikte al de brieven, over en weêr
-geschreven, bij elkander, en had dus bijna de geheele geschiedenis voor
-mij. Dat was een aandoenlijke lektuur. Nooit had ik ROB zoo lief als
-gister; nooit voelde ik zijn waarde beter; hij won zeer bij de proef,
-die anders zoo hachelijk is, van op eens in zijn geheel gezien te
-worden. De meeste menschen, aldus opgezet, zouden al een vrij
-wonderlijk misgewas vormen. Bij menigeen zou het eene been het andere
-verloochenen, en de eene arm de anderen parodieeren. Geheel anders bij
-Rob! Zijn geheele zedelijke gestalte was fiksch en frisch uit de
-kluiten gewassen, en droeg alles op de rechte plaats. Niets versteld of
-bedorven door ontijdige rijpheid of tragen groei, maar een geregelde en
-gelijkmatige ontwikkeling van kind tot knaap, van knaap tot jongeling,
-van jongeling tot man. Zijn hart had alle graden doorgeloopen, even als
-een soldaat van verdienste bij de armée. Van daar was zijn gansche
-morele constitutie zoo gezond; zijn leven had niets van een verknoeide
-teekening, waarin de gom-elastiek beurt gehouden heeft met het
-zwart-krijt, en waaraan meer tijd is zoek gebracht met uitwisschen, dan
-met teekenen. Wat er stond, dat stond er, en dat stond er goed. Bij hem
-schreide de dag van heden niet over den dag van gister, noch verzamelde
-dampen voor den dag van morgen; maar de maandag gaf de hand aan den
-zondag, en de dinsdag aan den maandag. Toen ik dat zoo zag, werd ik
-bewogen bij de gedachte aan zijn afsterven. Het is jammer, weêrgaloos
-jammer, dat de Dood dit drama gestoord en de gordijn heeft doen vallen
-eer het was afgespeeld; er moesten nog zulke treffende passages komen.
-Mijn goede Rob! ik had u nog zoo gaarne eens als père noble gezien! en,
-indien ik het had mogen beleven, welk een beminnelijke vertooning zoudt
-gij als grijskop gemaakt hebben! Mij dunkt, ik zie u met een krans van
-jeugdige vroolijkheid om het rimpelig hoofd; met een vergenoegd lachje
-op de dorre wang, als een zonnestraal op herfstloover; met een schat
-van wijsheid verrijkt, als een honingkorf in den winter. Ja, een
-honingkorf! dat zoudt ge geweest zijn. Uw ondervinding zou niet, als
-bij zoo velen, zoete druiven in zure eek veranderd, maar uit de bloemen
-op uw levensweg enkel zoetheid gepuurd hebben: Gij hadt altijd een
-afkeer van menschen wier ervaring het zure opschrift winazijnmakerij
-aan het hoofd droeg. Gij, integendeel, zoudt uw vreugd genoten hebben
-als een Epicurist zijn wijn; hoe ouder, hoe beter. Ik vooral, Rob, ik
-had u zoo noodig gehad. Gij hadt voor mij de zware slippen van den
-rouwmantel, dien rijper leeftijd den menschen telkens om de schouderen
-hangt, (oude menschen zijn ongequalificeerde noodigers ter begrafenis)
-moeten ophouden. Gij hadt, als de komiek in de stukken van Kotzebue,
-met uw onschuldige scherts mijn treurige tooneelen moeten opvroolijken.
-Gij hadt mij moeten leeren, van mijn oudemans-stokje een zotskolf te
-snijden, om die den Dood als een duivelbannend teeken voor te houden.
-Heracliet en Democriet—zoo zouden wij oudjes arm in arm het laatste
-eindje van onzen weg gegaan zijn, en malkaâr zachtjes de grafhelling
-hebben afgeholpen. Maar gij hebt mij leelijk laten zitten, met zoo hals
-over kop—daar gaat hij!—in de diepte te springen. Nu sta ik er alleen
-voor; en of ik nu, met onzen vriend uit Bayreuth, den Dood al toeroep:
-„Schud maar toe, schud maar toe! dan kom ik bij mijn braven Rob!” het
-baat niet.—Jongen Rob! dat is een leelijke streek van u, zoo maar
-zonder waarschuwen heen te gaan, en mij met den boel te laten zitten.
-Daar zal iets over moeten vallen, als ik u weêrzie!
-
-Maar wat beschuldig ik u, eerlijke knaap! als of gij er schuld aan
-hadt? Neen, in u viel het nooit, uw vrienden in verlegenheid achter te
-laten; had het aan u gelegen, gij, goede ziel, gij hadt ons allen wel
-laten voorgaan, en gaarne de moeite genomen om, als de laatste van
-allen, de deur te sluiten. Maar de dood riep u op: en avant seul; en
-met onwillige kooten volgdet gij en danstet uw pas seul, terwijl gij
-ons op onze plaats moest achterlaten. En nu ben ik zeker, dat gij den
-dood nog wel eens een goed oog geeft om ons ook te komen halen. Trouwe
-vriend, die ge zijt!
-
-Wat liggen ze daar koel, die uitboezemingen van twee warme harten. Op
-het oog zou men het even goed voor rekeningen kunnen aanzien.—En zijn
-het in zekeren zin geen rekeningen? rekeningen van hetgeen het hart aan
-de wereld, de verbeelding aan de wezenlijkheid betaald heeft? of liggen
-daar niet zoo veel gedachten, gewaarwordingen, wenschen en begeerten,
-die sedert als verouderd hebben moeten worden weggedaan, om, tot duren
-prijs, door andere te worden vervangen? En kon men er niet een zulke of
-dergelijke nota van maken?
-
-Een ouderwetsch kleed van UEd. nieuwmodisch en pasklaar gemaakt.
-
-Een groote optica-spiegel tot een scheerspiegeltje verkleind.
-
-Van een oude gedamasceerde kling een pennemes gemaakt.
-
-UEdelens zevenmijlslaarzen tot pantoffels versneden.
-
-De glazen uit UEd. teleskoop verslepen en in een bril gezet.
-
-UEd. nationale vlag tot een vlaggendoek voor UEd. lendenen vermaakt.
-
-Een gewezen vrijheidsboom van UEd. voor een mangelrol in orde gebracht.
-
-Van een metalen standbeeldje een keukenvijzel gegoten.
-
-Op onderscheidene tijden duiven uit UEd. vlucht geplukt en gelardeerd.
-
-Is het zoo niet? Ik kan het niet zonder droefheid aanzien. Anders geeft
-mij het gezicht van gekwiteerde rekeningen genoegen; het is voor mij
-altijd een vroolijk uur, als ik in het begin van de maand Januari mijn
-physiologische schuldvorderingen, die koningen van verschrikking, zoo
-als Bellamy ze noemde, als tamgemaakte kwitanties aan een koord rijg,
-en nu zeggen kan, dat ik ten minste van dezen kant mijn rekening met
-het afgeloopen jaar gesloten heb. Maar deze psychologische
-kwijtbrieven, waarin het bewijs berust, wat ik al in den loop van
-verleden jaren aan de firma van publiek, mode, etiquette, kortom aan
-dien geheelen Jodenhoek betaald heb, doen mijn oog minder aangenaam
-aan. Het is wel goed, dat ze betaald zijn: het zij verre van mij te
-zeggen, dat ik insolvent had willen blijven; maar zij hebben mij
-evenwel veel gekost. Ik schijn hier de tering niet zoo wel naar de
-nering gezet te hebben, als ik in ’t burgerlijke leven gewoon ben. Hier
-en daar zijn kleine posten, waarvoor ik ongehoord veel betaald heb; en
-nu en dan viel mij zelfs de rekening zoo uit de gis, dat ik er nog krom
-om liggen moet. Dat deed mijn vriend Rob beter; hij wist altijd voor
-alles den juisten tijd, en slaagde er in, zich er bijna geheel zonder
-schade door te redden. Had hij naar zijn berekening zijn
-uitvliegduifjes lang genoeg gehad, dan was het met een vroolijk
-gezicht: „Komaan, jongens! de pan wacht!”—en in een oogenblik had hij
-ze den kop omgedraaid, en zat ze op te peuzelen zonder er iets van te
-weten. Ik daarentegen hield de mijnen over den tijd, zoodat ze taai
-werden, en als ze dan eindelijk op tafel kwamen, at ik ze met tranen in
-het oog, en zag aan mij bevestigd, wat men zegt, dat duivengebraad
-zwaarmoedig maakt. Bemerkte hij, dat men hem vreemd begon aan te zien,
-omdat hij te lang met een rond buis liep, eer iemand er om dacht, had
-hij er een paar panden aan gezet, die hem deftig over de kuiten hingen.
-Op iedere auctie deed hij wat van zijn oudheden, en kocht daarvoor wat
-nieuws in de plaats, zoodat hij altijd in zijn doen bleef. Met één
-woord, hij wist zijn slag waar te nemen, en altijd ter rechter ure te
-verkoopen. Rob, Rob! dat gij heengegaan zijt, zonder mij die kunst te
-leeren.
-
-En ben ik dat nu? Met dat gevoel, waarmede een volwassene voor het
-portret staat, dat men van hem als kind gemaakt heeft, doorlas ik mijn
-eigen brieven, die mij het portret van mijn zedelijk Ik voorhielden.
-Immers, gelijkender kon ik mijzelven niet zien; hier zag ik mij niet in
-een teekening door anderen gemaakt, maar, even als bij de Daguerrotype,
-door de natuur zelve gemaald. Zoo verre iets, dat het wezen zelve niet
-is, van het wezen een denkbeeld geven kan, vond ik hier mijzelven
-terug. Wonderlijk, wonderlijk, hoe menigmaal was ik zonder mijn eigen
-beeld te herkennen! het was goed, dat mijn eigen hand daarop het
-onvervreemdbare zegel geplaatst had, anders zou ik het ruiterlijk voor
-een contrefaçon hebben uitgemaakt. Maar ik kon mij niet bedriegen; het
-moest zoo zijn. Daar zag ik dan, even als in een bewegelijk panorama,
-mijn gansche inwendige leven achtereenvolgens voor mijn oog
-voorbijgaan. Daar zag ik den knaap nog eens den vlieger oplaten en met
-den bal slaan: den jongeling nog eens droomen dichten en gedichten
-droomen; den jonkman aan de voeten van Betsy zitten en van de voeten
-van Betsy losscheuren; den man den strijd met het werkelijk leven
-aanvangen, beurtelings overwonnen worden en overwinnen. En op ieder
-tooneel vond ik, even als bij onze oude schilders, één zelfde geliefde
-figuur weder: de figuur van Rob. Hij was bij alles tegenwoordig; zijn
-snakerig gezicht stak overal door de een of andere opening: zijn stem
-klonk door alle zuchten en tranen heen:
-
-
- Du courage! Du courage!
- Les amis sont toujours là!
-
-
-De goede Rob! Ik heb nooit geweten, dat hij zoo zacht en week was. Maar
-als ik nu zie, hoe hij onder alle omstandigheden met mij heeft
-omgesprongen, vind ik daarin een gevoeligheid van ziel, die mij treft.
-Nergens een hard oor of een hard hart; maar overal een Jobs-geduld om
-mijn klachten aan te hooren, en een Jobs-gemoed om in mijn smart te
-deelen. Het is waar; hij gaf mij daarin nooit toe, noch kwam op den
-slijkhoop naast mij zitten, om de tweede partij van mijn Ach! en Wee!
-te zingen. Maar hij viel er ook niet met een onbarmhartig Ai! en Foei!
-tusschen. Hij versnelde de maat alleen een weinig, en zette het motief,
-dat hij trouw behield, eenvoudig wat luchtiger om. Eer ik er om dacht,
-had hij het sleepende maestoso in een deftig moderato veranderd. Van
-waar had de jongen dat verstand? ik weet het niet; maar nu, van
-achteren beschouwd, kan ik het niet dan met verwondering zien, hoe veel
-oordeel en levenswijsheid hij daarbij heeft aan den dag gelegd. O,
-nooit kan ik het genoeg erkennen, wat hij voor mij geweest is; de
-natuur had hem naast mij geplaatst, om, als een koperen naast een
-dunner snaar, mijn toon te steunen en te versterken. Als hij er niet
-geweest was, die toon ware lang valsch en ontstemd geworden, en de
-speler had mij als een onbruikbaar vod kunnen wegwerpen. Nu kan ik het
-des noods zonder u stellen, mijn trouwe bas, mijn tweelingsbroeder ROB.
-
-Is dat alles één mensch? Zoo vroeg ik verwonderd, wanneer ik soms een
-van mijn eerste naast een van mijn laatste brieven leide; ik had moeite
-het mij te overreden. Maar een oog op de verschillende trappen
-geslagen, die ik langs was geklommen, benam mij welhaast mijn
-bevreemding. Hoe langzaam en regelmatig is die overgang! niet ongelijk
-aan de beweging van onze aarde, die in vierentwintig uren toch ook een
-geheele wenteling om de spil maakt, zonder dat wij er evenwel iets van
-bemerken. Het is zonderling en treffend, die ontwikkeling na te gaan.
-Men lacht zoo dikwijls met dat spreekwoord: Een mensch verandert om de
-zeven jaar. Maar, naar mijn inzien, ligt er een ware en diepe les in.
-Wie er om spotte, ik neem het als thesis over en ben bereid die publice
-et solemniter te verdedigen.
-
-Willen wij een proef nemen?
-
-1–7. Het kind in de kinderkamer.
-
-7–14. Gij zult erkennen, dat de jongen op de speelplaats een geheel
-ander wezen is. Ik ten minste zie kans u, na zeven jaar, het eene kind
-voor het andere in de hand te stoppen.
-
-14–21. Waar vindt gij nu den knaap in den jongeling? den woeligen,
-dartelen schalk in den peinzenden, verliefden Dichter?
-
-21–28. Hier hebt gij den overgang uit het dichterlijke in het
-wezenlijke leven: de eerste en heiligste verbintenis, de eerste
-vadervreugde. Wat dunkt u? de jongeling, met zijn armen uitgestrekt om
-de wereld aan zijn boezem te drukken, en de echtgenoot en vader, die
-niet weet hoe hij zijn armen eng genoeg om vrouw en kind klemmen
-zal,—zijn dat geen twee verschillende wezens?
-
-28–35. Nu worden zeker de overgangen minder scherp, maar evenwel
-blijven ze voor het fijne oog toch nog merkbaar genoeg. Nu maakt zich
-de eerzucht meester van het hart, waarin tot dusverre bijna alleen de
-liefde heerschte; de huiselijke kring wordt te nauw: men breidt zich
-naar buiten uit; men wil meê de hand aan ’t roer hebben. NB. De zon,
-die bij hare daging rozerood was, begint gedurig meer naar het
-goudkleurige te trekken.
-
-35–41. Zij is heel en al geel! de hebzucht is bij de eerzucht gekomen.
-Men heeft een grooten staat te voeren; men heeft zoons te plaatsen,
-dochters uit te huwelijken; men begeert zich door zijn kinderen, en
-zijn kinderen door zich te verheffen.
-
-42–49. Men heeft de gewenschte hoogte bereikt en geniet de gemaakte
-veroveringen. Men is buiten geëerd door het publiek, en binnen gelukkig
-in zijn betrekkingen. Men krijgt een onderkin en staat als peter over
-zijn kleinkinderen.
-
-49–56. Men vangt aan zich terug te trekken. Men ziet zijn vrienden
-sterven en begint naar rust te verlangen. Men bedankt voor alle
-lastposten en houdt alleen de winstgevende aan.
-
-56–63. Men ziet in ’t geheel geen menschen meer; men wandelt veel en
-gaat trouw te kerk; men wordt hypochonder en neemt een lijfmedicus aan.
-
-63–70. Men begint zich gereed te maken voor de afreis. De rekening
-courant wordt opgemaakt, de overbodige lading over boord geworpen en
-stichtelijke artikels ingenomen.
-
-70–77. Men sterft, natuurlijk als men niet eer gestorven is.
-
-Ziedaar in eenige groote trekken de voornaamste nuances opgegeven, die
-toch kennelijk genoeg van elkander onderscheiden zijn. En niemand
-meene, dat ik hem met deze beschrijving heb willen veroordeelen. Geen
-gedachte is verder van mij. Integendeel, zóó of zóó omtrent moet het
-gaan, indien alles wel zal gaan. Zóó moet men, als de zon,
-achtervolgens de verschillende teekens van zijn aardschen dierenriem
-doorloopen, en nu eens, in het teeken van Leeuw en Ram, zijn
-jongelingskracht in tegenstand tegen de wereld oefenen; dan in het
-teeken van Maagd en Waterman, zijn minneleed beschreien; dan, in het
-teeken van Weegschaal en Schutter, mannelijk oordeel met mannelijke
-vaardigheid leeren paren, om ten laatste, in het teeken van Kreeft en
-Visschen gekomen, zijn vaart te vertragen, en zachtkens een weg ten
-einde te brengen, dien men met zoo veel vuur en geestdrift is
-opgestreefd.
-
-Dat is de orde en de wet der natuur, en ongelukkig, die haar wil
-omkeeren; hij wordt voor zichzelven even ellendig als nutteloos voor
-anderen. Er is een tijd van bloei, een tijd van dracht en een tijd van
-verval; die tijdperken moeten elkander vervangen, zonder op malkaârs
-grondgebied te treden. Ik wil kleur in de lente, geur in den zomer, en
-vrucht in het najaar. Eerst groen en wit, dan blauw en rood, dan geel
-en bruin. Zoo was het bij Rob. Hij was altijd gelijk met de
-verschillende saizoenen: als men dacht, nu moet er haast dit of dat
-komen, dan kwam het ook. Hij was geen broeiplant, die zijn roode
-vruchten tusschen de sneeuw droeg, en even weinig een ziekelijke
-nablijver, die met zijn zure vruchten aankwam, als men hem al vergeten
-had; hij was een gezonde klant, die zoo precies op zijn tijd paste als
-de zon zelve. Ik moet bekennen, dat hij mijn traagheid wel eens heeft
-moeten voortduwen: „Toe dan, Jonathan! maak voort, jongen! waar blijf
-je dan?” en dan kwam hij als een morele Don Antonio Magino met zijn
-weêrtafel, en wees mij: „heden zonneschijn en mooi weer” of als een
-Tuinmans-Almanak: „heden deze of die vrucht!” en als die dan zoo
-spoedig niet uit den dop wou vallen, dan draaide hij mij een weinigje
-in de zon en was niet tevreden, eer ik mijn contingent geleverd had.
-Mijn goede Rob! Wie zal nu het oog over mij houden?
-
-Gij maakt daarom uit het gezegde toch niet op, dat Rob een zoogenaamd
-solide mensch was, die op zijn valhoed reeds met de kroon der zeven
-Grieksche wijzen liep, uit zijn tafelstoel les gaf over de
-differentiaal-rekening, en bij zijn opgeworpen bal de nuttigheid van
-laag gooien en dikwijls vangen betoogde. Gij zoudt u bedriegen.
-Daarvoor was hij veel te veel in de natuur. Neen, hij geloofde wel
-degelijk, even als ik, dat er een jeugd aan den mannelijken leeftijd,
-een tijdperk van bloei aan dat van vruchtbaarheid moet vooraf gaan. Ik
-zet het u, van die vroegrijpe menschen een mensch te maken als mijn
-Rob! Er moet in den jongen mensch wat overvloed van leven zijn. Als de
-kunstenaar een beeld wil gaan houwen, dan neemt hij geen blok, dat
-juist zoo groot is als het beeld, dat hij maken wil, maar hij neemt een
-vierkanten klomp, waar de ruwe kanten nog aan zitten. Daar zit dan het
-beeld, dat er uit moet komen, wel in, maar eerst moet de buitenste
-schors wegvallen. Ha! hoe er dan onder zijn krachtigen beitel de
-stukken afvliegen! hoe het beeld overal het marmer pijnlijk van het
-lijf wordt gescheurd! het zucht onder de ruwe slagen van zijn
-formeerder! maar let op! daar beginnen de houwen reeds af te nemen;
-telkens valt het wapen zachter neder; heerlijk komt het beeld uit zijn
-ruw omkleedsel te voorschijn! Nu worden nog de laatste scherpe hoeken
-en kanten afgeslepen, geëffend en gerond, de proportiën gedeeld en de
-lijnen gebogen. Daar staat nu de koningsgestalte, glad als ijs en zacht
-als satijn! Dat is beeldhouwen! dat is menschen-formeren!
-
-Wilt gij hooren wat er de Wijze van Bayreuth van zegt?
-
-Gij lieden wilt derhalve reeds bij den aanvang datgene krachteloos te
-velde doen trekken, hetwelk door den tijd en de wereld buitendien toch
-genoeg wordt ontzenuwd? Wat is al de winst, die de jongeling uit het
-vermijden van eenige mispassen en verkeerde inzagen trekt, gerekend
-tegen het ontzettend verlies, hierin gelegen, dat hij, zonder het
-heilige vuur der jeugd, zonder vleugels, zonder groote plannen, met één
-woord, zoo naakt het enge leven inkruipt als de meeste het uitkruipen?
-Hoe kan zonder den idealengloed der jeugd het leven tot rijpheid komen,
-of de wijnstok zonder den gloed der oogstmaand? Het schoonste, hetwelk
-door de menschen verricht werd, al ware het ook in hun koude
-jaarsaizoen, was nimmer iets anders, dan de slechts laat opkomende
-zaadkorrel, die door den boom des levens in het paradijs was
-voortgebracht. Of zaagt gijlieden nooit, hoe een mensch door eenig
-goddelijk beeld uit zijn jeugd, het geheele leven door, bestuurd en
-geleid werd?—En wat toch wilt gij in de plaats geven van dit leidende
-wagengestarnte?—wat anders dan den broodwagen der schrandere eigenbaat?
-
-Touchez là, mon ami! Dat is naar mijn hart gesproken. Zoo mag ik het
-hooren van iemand, wiens wijsgeerige geest hem boven de verdenking
-verheft, waaronder ik lig, van somtijds met molentjes te loopen. Sterk
-door uwe goedkeuring verhef ik mij dus moedig tegen het kwaadwillig oog
-van zoo velen, die mij, om deze kruisvaart tegen den kunst-ouderdom,
-dien men den kinderen, even als de koepokken, wil inenten, voor een
-Socratischen jeugdbederver houden. En zoo dacht ook mijn vriend Rob,
-die mede een vriend van u was. Hij had een ingeroesten haat tegen de
-gepoeierde kinderknikkers en gewapende kinderdijtjes van vóór vijftig
-jaren! een jong mensch, die niet hooger zag dan zijn hoofd en niet
-verder reikte dan zijn armen, was hem een walg. Hij verlangde daarom
-niet, dat men juist tegen de maan stond te grijnen, en nooit dan met
-een natten neus naar de sterren keek. Zijn jongelings-geestdrift
-openbaarde zich geheel anders; zij ademde dienzelfden geest van losheid
-en vroolijkheid, die zijn geheel wezen kenmerkte. Hij kon in zijn
-dartele buien met de maan omspringen, als droeg hij ze, even als de
-tooneelspeler in Shakespeare’s Midsummernights-dream, lantarensgewijze
-onder den arm en met de sterren leven als de Koningin der Nacht in de
-Tooverfluit, die ze als pailletten op haar zwarte japon draagt. Maar in
-die scherts lag daarom niettemin het geloof aan een hoogere wereld en
-het gevoel van behoefte daaraan. Als hij over de vele woningen, die de
-groote stad, welke wij Heelal noemen, vervullen, met zulk een
-gemeenzame vertrouwelijkheid sprak, en dan, met zijn geest door al die
-geheimzinnige lichtpaden dwalende, liep raden, waar hij zijn huis
-vinden moest....! maar ik zie er van af om er u eenig denkbeeld van te
-geven: gij hadt hem zelven moeten hooren! Zijn uitvallen waren van die,
-die men alleen met een gesternden hemel boven zich herhalen kan. Vraag
-er mij eens naar, als wij ooit samen op zulk een tooneel staan. Genoeg,
-dat het hem aan geen sentimentaliteit ontbrak. Er lag in zijn
-Zomernachts-droomen, onder den schertsenden toon waarin hij ze
-voordroeg, een diepe en verheven zin van heimwee en godvrucht, of, zoo
-als hij liefst zeide, omdat dit woord den geheelen geest van zijn
-vroomheid uitdrukte, Godzaligheid! Het gebeurde somtijds, dat ik
-daarbij geen lichten glimlach van mijn lippen weren kon, maar nooit,
-dat niet de tranen des innigsten gevoels zich naar mijn oog drongen!
-Geen woorden kunnen uitspreken, wat wij ontwaarden, als wij na zulk een
-hemelwandeling elkaâr de hand drukten.—Hoe zult gij nu wandelen, Rob!
-
-Vraagt ge dus, of ik alles, wat ik daar geschreven voor mij vind, nog
-met baat en schade op mijn tegenwoordige rekening zou willen overnemen,
-de goede Hemel beware mij! dat ware de paarden achter den wagen
-gespannen. Maar vraagt ge aan den anderen kant, of ik met hoogmoed en
-medelijden op die uitboezemingen van jeugdig gevoel en overvloeiend
-leven neêrzie, ook dit ontken ik volstrektelijk. De mensch had beter
-kunnen zijn, maar wat den weg betreft, dien hij gevolgd is, ben ik nog
-zoo ontevreden niet. Het is waar, dat er menige uitbarsting van dwaas
-jongelingsgevoel onder doorloopt. Te droes, hoe zoudt gij lachen, als
-ik die oude doos eens opendekte. Wat zou er al niet voor den dag komen!
-Welk een menigte van werelden en zonnestelsels! welk een drom van
-engelen en aartsengelen! welk een stoet van droombeelden in volle
-kostuum, met een zon op de borst, een halve maan op den tulband en een
-borduursel van sterren rondom den mantel! Welk een rommel van zangen,
-geuren, klanken, en wat verder zou worden te voorschijn gebracht! En
-toch schitterden er soms door dien verwarden hoop vonken van nuchter
-oordeel. Van dien aard zijn bij voorbeeld de volgende losse spreuken,
-die ik nog niet terugneem.
-
-
-
-Het is een schoon geloof, dat de Egyptenaars hunne graven met pyramiden
-deed dekken: geloof aan de Toekomst. Maar schooner nog is het geloof
-der Christenen, die hun grafheuvels met een houten kruis versieren:
-geloof aan de Onsterfelijkheid. Even zoo was er iets treffends in de
-gewoonte der eersten om hunne lijken te balsemen; maar dat wij ze niet
-balsemen, is treffender, wetende dat de Engel der opstanding uit
-verderf onverderfelijkheid scheppen zal.
-
-
-
-Geven en ontvangen is als de regen. Dezelfde regen, die frischheid aan
-de aarde geeft, geeft helderheid aan den hemel.
-
-
-
-Als de vrucht zich gaat zetten, valt de bloesem af. Zoo ook met ons.
-Wij beginnen geen vrucht te dragen, eer de bloesems der jeugd
-verstrooid zijn.
-
-
-
-Voor sommige menschen is het leven een vastland, geheel aarde; dat zijn
-de aardsgezinden. Voor anderen een eiland, geheel zee, buiten verband
-met iets rondom of boven zich; dat zijn de egoïsten. Voor anderen een
-landtong tusschen den oceaan van twee eeuwigheden; dat zijn de
-ongeloovigen. Voor sommigen eindelijk een Bethel, door een ladder met
-den hemel verbonden; dat zijn de vromen.
-
-
-
-Men begeert zich met het geluk als met een gouden keten te versieren,
-en bedenkt niet, dat het slechts een gulden ader is, die door den
-zandgrond onzes levens loopt: het geluk is geen kleed, door anderen
-vervaardigd, dat men slechts heeft om te slaan; het is een zijden huis,
-als dat der wormen, uit onzen eigen boezem uitgesponnen.
-
-
-
-Betrekkingen zijn voor den mensch op aarde, wat de aardkluit, die met
-de bloem verplant wordt, voor deze is; zij doen hem vergeten, dat hij
-hier niet te huis behoort.
-
-
-
-Die een leven vol weldaden achter zich laat, vindt, even als klein
-Duimpje in de fabel, teruggaande, het spoor der uitgestrooide
-broodkruimen verdwenen. Alleen de beleedigingen blijven, even als de
-steentjes van den houthakkersknaap, getrouw liggen.
-
-
-
-De mensch wordt dikwijls wijs ten nadeele van zijn geloof. Het was een
-schoone onkunde, die den schepeling naar den hemel deed opzien, om er
-de star te zoeken, die zijn tocht regelde; nu heeft men het kompas, met
-andere woorden, men heeft den hemel niet meer noodig.
-
-
-
-Onlangs zag ik een kind, dat gedurig beproefde een ladder met de handen
-rechtop te plaatsen om er vervolgens op te klimmen. Natuurlijk sloeg de
-ladder telkens tegen den grond. „Jantje!” zei de vader, „gij moest dat
-laten! Ziet gij niet, dat gij u zelven niet houden kunt?” en daarop
-ging hij bedaardelijk voort met mij te betoogen, dat in zaken van
-godsdienst de rede volkomen voldoende was.
-
-
-
-Iemand, die louter godgeleerde is, ziet den hemel achter, de vrome vóór
-zich; de eerste ziet het kruis alleen in den Bijbel, de laatste, even
-als Konstanstijn, in de wolken. De vrome staat tot den godgeleerde als
-een inboorling, die de taal des lands van kindsbeen af gesproken heeft
-tot een vreemde, die haar spraakkunstig heeft moeten aanleeren. Nu kan
-de vreemde de gronden van zulk een taal wel beter kennen, maar de
-inboorling verstaat en spreekt haar toch beter.
-
-
-
-Het leven is als de hooge bergen: slechts aan den voet groeien bloemen.
-
-
-
-Hartstocht is zwakheid; daarom bemint de vrouw meer dan de man.
-
-
-
-De kritiek handelt met de geniën, even als de oude Schrijver van het
-Scheppingsverhaal met de hemelbollen; zij meent, dat de werelden des
-dichters om haar geschapen zijn.
-
-
-
-Zucht naar meerdere volkomenheid; ziedaar de ware behaagzucht.
-
-
-
-De verborgenheden Gods zijn even als de vlekken in den Melkweg; de
-gewone mensch ziet ze voor vlekken aan, en de sterrekundige vindt er
-bij onderzoek nieuwe wereldstelsels in.
-
-
-
-Schoonheid is voor den man een feest-, voor de vrouw een
-bruiloftskleed.
-
-
-
-Ware liefde ontleent, even als de moederliefde, kracht uit smart.
-
-
-
-Sommige menschen schijnen geboren om gelukkig te wezen: ze zien slechts
-licht en helderheid voor zich, en wanneer er als soms donkerheid op hen
-daalt, sluiten zij er de oogen voor, zoo als sommige bloemen zich ’s
-avonds sluiten, en eerst weêr opengaan als de morgen daagt.
-
-
-
-Trouw is het geheugen van een beminnend hart.
-
-
-
-De ware proefsteen der menschelijke deugd is de toetssteen, die zijn
-graf bedekt.
-
-
-
-De aardsgezinde is als regen, die één wordt met den grond, waarop hij
-neêrzijgt; de betere mensch verkeert op aarde als de sneeuw, die waar
-zij valt, den grond verzilvert.
-
-
-
-De schrijver kieze zich een geheel volk ten voorwerp zijner
-bemoeiingen, doch wachte zijn geluk alleen van zijn huiselijken kring.
-Maar daarom heeft dan ook zijn gezin een gewichtige taak te vervullen:
-van wege de goeden heeft het in last hem de liefde te bewijzen, die zij
-hem niet bewijzen kunnen; van wege de kwaden heeft het de zending, hem
-de bitterheid te vergoeden, die zij hem aandoen. Wee hem, als ook deze
-steun hem ontvalt: de Dertigen buiten, en Xantippe in huis!
-
-
-
-Rampen zijn den vrome even als hagelsteenen, die dreigend neervallen,
-maar die de aarde als heilzaam vocht in haar schoot opneemt.
-
-
-
-Voor sommigen is de kruisberg een goudmijn: dat zijn de priesters. Voor
-anderen is hij de Helicon; dat zijn de geleerden. Voor anderen is hij
-de berg des Heeren: dat zijn de vromen. Voor anderen eindelijk is hij
-niets dan een berg: dat zijn de ongeloovigen.
-
-
-
-Ziet gij? deze losse gedachten, en nog veel meer andere van denzelfden
-aard, kan ik thans nog overnemen, zonder dat ik ze in mijn
-tegenwoordigen leeftijd en op mijn tegenwoordig standpunt behoef te
-verloochenen. Maar ik beken, dat daartegen menige bladzijde overstaat,
-die ik voor geen lief ding onder het oog van mijn deftigen lezer zou
-durven brengen. Ja, zal ik het bekennen! toen ik daar die brieven zoo
-zat te doorbladeren, verheugde ik mij, dat ze, door de kiesche
-beschikking van Rob, in mijne, en niet in een anders handen geraakt
-waren.
-
-En toen kwam ’t mij op eens met schrik in de gedachte, dat Rob niet de
-eenige is, die zulke brieven van mij ontvangen heeft. Wel, wel, dacht
-ik, indien het nu een van mijn vroegere Correspondenten eens inviel, al
-mijn brieven nog eens in te zien, hoe zal hij om de droomerijen van den
-kinderachtigen Jonathan lachen! Hij is in staat mij in alle deftigheid
-voor een dwaas uit te maken. Wilt gij het gelooven? Dit denkbeeld greep
-mij met zulk een siddering aan, dat ik terstond op een middel begon te
-denken om hem tot betere gedachten omtrent mij te brengen. En waar vond
-ik dit eindelijk? In een Circulaire aan al de vrienden, die ik hier
-plaatsen zal, hopende dat zij hun aldus onder de oogen mogen komen.
-
-(Met uw verlof, waarde Lezer, die niet tot dit getal behoort!)
-
-
- Mijnheer en Vriend!
-
- Daar de correspondentie, die ik vroeger de eer had met u te houden,
- sedert is afgebroken, ben ik zoo vrij mij langs dezen weg tot u te
- wenden. Het zou namelijk kunnen gebeuren, dat UEd. mijn brieven van
- vroegeren tijd—bijv. bij gelegenheid van het beplakken van een
- nieuw te behangen kamer, of dergelijke—nog eens onder de oogen
- kreeg. In dat geval zou ik reden hebben, mij voor UEd. te schamen.
- Want ik meen wel te weten, dat er in die brieven meer dwaasheden
- gevonden worden, dan met uw verstand en soliditeit strooken. Maar
- met uw verlof zou ik gaarne zien, dat UEd. daarnaar ook mijn
- verstand en soliditeit niet beoordeelde. Want, als het niet te
- onbescheiden is mijzelven te prijzen, mag ik wel zeggen, dat ik een
- geheel ander mensch geworden ben, en ofschoon niet volkomen zoo
- degelijk als UEd., toch strevende om UEd. daarin meer en meer nabij
- te komen. UEd. gelieve alleen te weten, dat ik tegenwoordig voor
- mijn correspondentie even zoowel mijn liassen heb met opschriften
- als: Rekeningen, kwitantiën, brieven, enz. als UEd. in uw kantoor.
- Zoodat UEd. ziet dat ik nu een bedaard en deftig burger ben. Indien
- UEd. dus de goedheid wilde hebben, die bewuste brieven eens voor
- goed te verbranden? Doch al mocht UEd. daarin (uit zuinigheid)
- bezwaar vinden, hoop ik nogtans, dat UEd. na de gegeven inlichting,
- mij omtrent het bewuste artikel van uw oordeel over mijn verstand
- wel te wille zal willen zijn. In welke verwachting ik de eer heb
- met de meeste achting te zijn,
-
- Mijnheer en vriend,
- UEd. gehoorzame Dienaar en Vriend
- Jonathan,
-
-
-Zie zoo! Dat zou Rob nog goed doen, als hij het las! De arme Rob, hij
-zal het niet lezen! en hij zal het niet zien ook, hoe ik langzamerhand
-al verstandiger en verstandiger zal worden, zoodat ik eindelijk op den
-stroom der wereldsche dingen zal drijven als een pluim, hop-hop, van
-boven naar beneden, zoo als het de golven belieft. Dat zal het toppunt
-van mijn glorie zijn—en van de zijne ook. Want als ik ooit zoo ver kom,
-moet ik zeggen dat er hem de grootste eer van toekomt. Wat zal hij dan
-verwonderd opkijken, als hij mij weêr ziet! Hij zal zijn eigen Jonathan
-niet meer kennen.—Wat heb ik gezegd, Rob? Neen, de menigte moge van mij
-zeggen: „Wat is Mijnheer Jonathan veranderd! hij is nu de ordelijkste
-man, die men zien kan!—” maar voor u, mijn vriend, verander ik niet. Is
-het niet zoo? Boven is een jong hart geen contrabande?
-
-Geen antwoord!
-
-Anders kreeg ik altijd antwoord.
-
-Foei mij!... goed dat Robert het niet ziet. Fragmenten van een
-afgebroken correspondentie, later voort te zetten,—luidt het zoo niet?
-Welnu wat tob ik dan? Lig daar, mijn legaat! Gij zoudt mij week maken.
-Ik wil aan ’t werk. „Jongen,” zei Rob mij wel eens: „Wat zijn de
-menschen toch dwaas. Zij roepen om den hemel, en loopen er zoo hard van
-daan als zij kunnen. Wilt gij er heen, maak dan, dat gij hier beneden
-gedaan krijgt. Vandaag klaar, morgen t’huis; dat gaat vast! Er is geen
-accurater beurtman, dan de Snelheid, Kapitein Mors.—Welaan dan! aan ’t
-werk. Zoo hoop ik welhaast mijn goeden vriend na te kunnen zeggen:
-Alles klaar! en dan—dan is er een einde aan mijn klacht:
-
-„Mijn goede vriend Rob, hij is dood!”
-
-
-
-
-
-
-
-
-DE STAMBOOM.
-
-
-Niet waar, dat zoudt ge niet gedacht hebben, dat Jonathan er ook een
-stamboom op nahoudt?
-
-En hoe meent ge wel dat hij er uitziet?
-
-Denkt gij misschien aan een groote perkamenten kaart met cirkels en
-lijnen, waaraan de namen der respectieve leden van de familie zijn
-opgehangen, die, zich van boven naar beneden uitbreidende, het
-hartroerende figuur van een omgekeerde peer opleveren?
-
-Of verbeeldt gij u mogelijk een enorme schilderij, met wapens bemaald,
-waarop het aandoenlijk is te zien, hoe het wilde zwijn zich met het
-hert, en de sperwer zich met de duif verdraagt? Als ware het een
-voorspel van die gouden eeuw, door de profeten geschilderd:
-
-
- Het Lam zal met den Wolf verkeeren als gespeel:
- De Luipaard naast het kalf zich vleien in ’t gareel:
- De Leeuw zal zich op ’t stroo aan ’s Rundiers kreb vergasten:
- Geen Beer, geen Tijger taalt om ’t Geitjen aan te tasten.
-
-
-Of hebt gij misschien een dik wapenboek voor den geest, waarin al de
-Edelen achtereenvolgens op een rij staan geschaard, even als in een
-kabinet van Natuurlijke historie, mannetje en wijfje naast elkander,
-ieder op zijn plaats en in zijn orde?
-
-In elk geval misgeraden!
-
-Neen, wanneer gij mij ooit de eer doet van mij een bezoek te brengen,
-zult gij in een hoek van onzen huishoudkamer een ouderwetschen
-standaard op drie voeten zien staan, met een schuins staand blad,
-waarop gij een boek in folio in zwart lederen band met koperen sloten
-zult zien liggen—daarin zult gij mijn Stamboom vinden.
-
-Maar dat is een Bijbel! voert gij mij tegen. Gij zijt er! dat is het
-ook. Welnu, in dien band, vóór den Bijbel, vindt gij een blad door
-verschillende handen beschreven: dat zijn mijn familiepapieren!
-
-Dat ziet er niet best uit, niet waar? Gij hebt gelijk. Ik ben niets dan
-een simpele roturier. Geen heraut heeft ooit een schelling aan mijn
-geslacht verdiend. Ik moet mij met den troost van alle laaggeborenen
-behelpen, dat ik in Adam, den algemeenen Stamvader der menschen, van
-den oudsten adel ter wereld ben. Verder kan ik het niet brengen. Ik zou
-er mijn hals niet onder durven verwedden, of ik uit Joodsch of
-Heidensch bloed gesproten ben; of mijn voorvaderen onder het Romeinsche
-juk zijn doorgegaan of den Romeinschen adelaar gedragen hebben; of zij
-bij de tornooien tot degenen behoord hebben, die den hals braken, of
-die halzen zagen breken; of zij sporen droegen, sporen aangespten, of
-sporen vervaardigden; of de groote Potentaten ze met hun zwaard op de
-schouders of op den rug sloegen, dat zulk een groot verschil maakt.
-Kortom, ik weet er niets hoegenaamd van, en, als dit niet uit de lex
-non scripta der natuur volgde, zou ik zelfs niet eens kunnen bewijzen,
-dat ik ooit verre voorvaders gehad had.
-
-Denk evenwel niet, dat mij dit niet spijt. Ik vind het een Cynisme,
-grooter dan van iemand op deze wereld gevergd wordt, er volstrekt
-onverschillig voor te wezen, welken naam men draagt. Het is wel zoo,
-dat men er thans niet veel aan heeft, of uw voorvaderen, op het steken
-van hun trompet, honderd man in het zadel riepen, daar de naneef toch
-genoodzaakt is zijn vijf jaren bij de nationale militie uit te dienen,
-of anders een remplaçant te geven: en even waar is het, dat een
-burgerman niets voelt van de groeven, waarmede het juk der Edelen den
-hals van zijn voorouders geknaagd heeft. Ook is het ontegenzeggelijk
-dat, sedert ruwe handen de adelijke wapenschilden onder een dik vernis
-van revolutionnaire kleuren gelegd hebben, de beleedigde verwen niet
-meer zoo helder en frisch willen worden, als zij voorheen waren. Maar
-dit toegegeven, zie ik niet, waarom het nog niet altijd begeerlijk zou
-zijn, de herinnering van vroeger grootheid aan zijn naam te verbinden.
-Waarlijk, in onze dagen, die zoo plat zijn als ons land, en zoo
-romanesk als onze duinen, is het nog iets dichterlijks, zich bij zijn
-wapenbord in tijden van groenende Riddereer en blozende
-Riddergalanterie te droomen. In onze dagen van gelijkheid, nu alle
-hoeden uit hetzelfde stuk vilt worden gesneden, is het nog iets, dat
-den boezem doet zwellen, den glanzenden helmkap aan te zien, die op den
-naam, dien gij voert, als een kroon van eere drukte! In onze dagen van
-industriëlen wedstrijd en commerciële worsteling, is het nog iets
-schoons, bij het openvallen van de bloedige bladen onzer oude historie,
-op een blinkend blad te kunnen wijzen en zeggen: Deze was mijn
-grootvader!—En waarom het niet erkend, dat zulke herinneringen meer dan
-een poëtische speling, dat zij in onze eeuw van nuttigheid, ook nog
-nuttig kunnen zijn om in hem, bij wien ze opkomen, adelijke gevoelens
-op te wekken? Of gelooft gij niet, dat de eikenkrans, die den naam der
-Dedels en Fagels onzer dagen omringt, te fleuriger blinkt, omdat hij
-gewassen is aan een edelen stam, die honderden jaren telt?
-
-Zoo zij het dan verre van mij, als een onzinnige Jacobijn, op de
-teekenen van verjaarde grootheid te spuwen, en over alle gekroonde
-helmen de roode muts te willen trekken. Mijn liefde voor antiquiteiten
-moet u het tegendeel gewaarborgd hebben. Maar dit gaat echter niet zoo
-ver, dat ik mij mijns deftigen burgerlijken geslachts schamen, of
-daaraan ergeren zou: dat ik de asch mijner vaderen in het graf nog zou
-willen beschimpen, omdat zij niet in een familiekelder rust; en dat ik
-op hun zark niet zou willen neêrknielen, omdat er niet dan hun
-eenvoudige naam op staat uitgebeiteld.
-
-Ik moet mijzelven beter recht doen: ik ben op mijn geslacht zoo
-trotsch, dat ik het niet met het geslacht van eenigen Baroen op de
-wereld zou willen ruilen: want mijn stamboom is van de edelste, die men
-zien kan!
-
-Laat ik mij verklaren.
-
-Het eerste blad van mijn bijbel is mijn stamboom. Ziedaar het sprekend
-wapen van mijn geslacht!
-
-Mijn voorouderen vormen een rij van vromen. Oud-Hollandsche godvrucht
-was als erfelijk in hun stam. Zij waren waardige zonen van die vaderen,
-die de uitdrukking van geloof en vertrouwen op God tot de leus hunner
-vendelen en den stempel hunner munten maakten. Van dat de eerste, wiens
-naam voor ons is bewaard gebleven, dezen Bijbel tot een stamregister
-inwijdde met het opschrift: Soli deo gloria! totdat mijn vader den naam
-van zijn zoon op dit blad schreef, waren het, met weinig
-uitzonderingen, enkel braven, die hier geboekt staan. Het scheen of
-hunne inschrijving op zulk een gewijden stamboom hen, van de geboorte
-af aan, tot vereering des Bijbels heiligde. Gelijk sommige Edelen door
-hun adelbrief tot de verdediging van een klooster of gewijd gesticht
-verplicht werden, zoo was het of zij door deze inlijving tot de
-handhaving en bescherming van het Hoogwaardige voorbestemd waren, dat
-hun naam ontving. En was het vreemd, wanneer de moeders, even als
-Hanna, bij haar gebed om den zegen des huwelijks, de hand op dezen
-Bijbel legden en beloofden: Soo gy myner gedenckt ende uwer
-dienstmaeght niet en vergeet, maar gheeft uwer dienstmaeght een
-mannelick zaet: So sal ik dat den Heere geven alle de daghen syns
-levens;—was het vreemd, dat de zoon der verhooring door haar in de
-dienst van Hem werd opgevoed, van wien zij hem ontvangen hadden?
-Wanneer de vaders, even als Hamilcar, den jeugdigen knaap bij het outer
-des Heiligen Woords brachten, en hem daarbij den eed van
-onverzoenlijken haat tegen de vijanden des Hemelschen vaderlands, en
-van een onuitbluschbare liefde voor dien gezegenden grond op de lippen
-legden; was het vreemd dat de jongeling, der eeden zijner kindsheid
-gedachtig, leefde en stierf in het gevoel, dat hem reeds zoo vroeg was
-ingeboezemd? Of was het misschien, dat de bede des rechtvaardigen, die
-veel vermag, het licht des Allerhoogsten op het hoofd des kinds deed
-nederdalen? Ik weet het niet. Genoeg, dat de deugd des vaders met zijn
-bloed op den zoon overging, en daardoor een stam van edelen gevormd
-werd, waarop het niet te hoogmoedig is trotsch te zijn.
-
-Of wat dunkt u? Zou de hooggeborene alleen recht hebben van op zijn
-afkomst te roemen? en zou geen stamboom waarde hebben, die niet door
-den Raad van adel erkend is? Ik kan het niet toegeven. Indien wij
-onsterfelijke menschen zijn—en dat zijn wij immers, Hoogwelgeboren
-Heeren?—dan moet het ten minste niet minder groot zijn te kunnen
-zeggen: ik ben de telg van een vroom geslacht! dan: Ik ben de loot van
-een adelijken stam! Of hoe? indien het zoo veel zegt, uit een stamvader
-te zijn afgedaald, die door een aangestelden koning edel verklaard is,
-zou het dan niets zeggen, tot den adel te behooren, die door den Koning
-der koningen, den Koning van eeuwigheid tot eeuwigheid, erkend wordt?
-Indien men het zoo hoog schat den krans op zijn wapen te zien drukken,
-die een Vorst in het uur der zegepraal daarop geplaatst heeft, zou het
-dan niets beteekenen, of de kroon eens hoogeren triomfs door zijn
-geslacht is weggedragen? Is het dan alles, zijn familienaam geboekt te
-zien op registers, die vergaan kunnen, en niets, te weten, dat de naam,
-dien men draagt, geen vreemde klank is voor het oor des Engels, die
-„het boeck des levens des lams” houdt! En wanneer men er zich bij de
-menschen op laat voorstaan: hebt eerbied voor mij om mijner vaderen
-wille! zou men het onverschillig achten, dat men zich bij den
-Allerhoogste op zijn vrome vaderen beroepen kan, en met Salomo alle
-dingen bidden „om uwes knechts, mijnes Vaders wille?” Voorwaar om dit
-te beweren, moet men een uil of een ezel in zijn wapen voeren. Of zegt,
-is er dan niets dan het verledene? is er dan ook geen toekomst? en wat
-zeggen dan uw vijf-, zes-, zevenhonderd jaren achterwaarts, tegen de
-even zoo vele millioenen jaren voorwaarts, als er levens en bloeiens
-aan het geslacht des vromen, boven het geslacht des edelen als
-zoodanig, zijn toegezegd? O, het is iets schoons: de vrome Edelman! de
-palm des Hemels boven den lauwer der aarde! de man, die met den voet
-aan de menschen en met het hoofd aan den Heer raakt! de Edele, die als
-gelijke de eene hand aan koningen, en de andere aan Engelen reikt! de
-gelukkige, wiens naam de verloopen eeuwen aan de nimmer eindigende
-eeuwigheid overleveren! Maar wie tot een stam behoort, bij welken de
-deugd alleen in de wapenleus woont; die in het ridderlijk kleed een
-slavenhart omdraagt; die van zijn wapenbord een dekschild van zijn
-schande maakt; die het kruis des Ridders van de schouderen scheurt om
-het met de Riddersporen aan flarden te rijten—hem zij gezegd, dat hij
-behoort tot een stam die zal uitsterven. Wèl mag hij de oudheid van
-zijn geslacht verheffen, als hij bedenkt, dat het zijn leeftijd in
-weinig eeuwen zal hebben afgeleefd. O, wanneer alle graven zullen
-openspringen; marmeren graven en zandgraven; graven met ridderwapens en
-graven zonder titel; graven met een kroon en graven met een kruis
-gedekt; hoe vreemd zullen ze opzien, die daaruit verrijzen zullen,
-nadat de volgende eeuwen des aardrijks er over zijn heen gevloden! Als
-zoo menige Edele vinden zal, dat de tijd zijn wapenschild gebroken, en
-het oordel zijn naam van de lijst der Edelen heeft uitgeschrapt; als
-zoo menige onedele zien zal, dat de eeuwigheid zijn naam bewaard, en de
-vergelding zijn naam geadeld heeft; als het vonnis des eeuwigen levens
-of des eeuwigen doods zal worden uitgesproken!
-
-Zoo wil ik dan mijn stamboom met geen anderen ruilen. Hij is voor mij,
-even zoo goed als voor den Edelman, een stem van vermaning om mijn
-vaderen in hun graf door de navolging hunner deugden te vereeren. En o!
-hoe luid die stem tot mij spreekt. Wanneer ik dit blad opsla, en mijn
-oog over al die namen dwaalt, bij de menschen vergeten, maar bekend bij
-God, dan is het mij of ik mij door een wolk van getuigen omringd zie,
-die mij opwekken en aanvuren om de loopbane te loopen, die mij is
-voorgesteld. Welk een achtbare kring van toeschouwers! Nooit streed de
-kampvechter in het Olympisch worstelperk, waar zich de bloem van
-Griekenland vereenigde, voor het oog van een edeler schare! En dan dat
-gezicht van al die leuzen der zege boven hunne namen opgehangen: In den
-Heer ontslapen—In vrede heengegaan—Tot zijn vaderen verzameld—hoe
-blinken ze mij in de oogen! O, zoo men het wel eens betreurd heeft, dat
-de krans der overwinning, die den Christenstrijder bij het bereiken van
-den eindpaal wordt toegewezen, hem eerst op het hoofd geplaatst wordt,
-als hij de tente der ruste is binnengegaan, waarvoor het
-ondoordringbaar gordijn des doods hangt, dan is het toch iets, zoo vele
-namen te zien, waaraan de hand der achterblijvenden, met volle
-vertrouwen op de goedertierenheid des „Rechtveerdigen Rechters”, den
-lauwer der overwinning gehecht heeft. En wanneer dan deze namen, met
-zulk een hemelsche glorie omschenen, op ons hoofd zijn afgedaald, zou
-men zich dan niet aangespoord gevoelen om rein te houden, wat men
-zuiver ontving, en, zoo veel men kan, in zijn deugd, als in een
-helderen waterspiegel, de ster te weêrkaatsen, waarvan de wedergade aan
-den hemel blinkt?
-
-Van wedergade gesproken, het is een weêrgaloos lastig ding, dat ik zoo
-verslingerd schijn te wezen op vergelijkingen. Dat komt van die
-ongeregelde verbeelding! Eens voor altijd vraag ik er hierbij
-verschooning voor. En als ik een verzoek doen mocht, zou ik wel willen
-vragen, dat de Recensenten, bij hun aanmerkingen, vooral tegen dit
-gebrek mogen te veld trekken; want het lijkt wel, dat mijn eigen
-overtuiging niet bij machte is mij van dit zwak af te brengen. En het
-is mijn spreuk: die niet hooren wil moet voelen. Dit in parenthesi, zoo
-als mijn Rector placht te zeggen.
-
-Zie hem daar liggen, mijn ouden, deftigen Staten-Bijbel! O, ik zie hem
-zoo gaarne in dit kleed! Dat folio-formaat, die zware donkere omslag,
-die groote koperen sloten, hebben voor mijn gevoel iets eigenaardigs.
-Ik vind het zoo goed, dat men het den Bijbel terstond kan aanzien, dat
-het geen gewoon boek is. Gij gevoelt dus, dat ik met al die
-miniatuur-uitgaafjes niet veel op heb. Ik moet bekennen, aardig zijn
-ze, hondjes van Bijbeltjes, gelijk ik wel eens heb hooren zeggen, en
-gemakkelijk ook. Ik heb Engelsche diamond editions gezien, waarvan men
-er vijftig te gelijk in den rokzak kon steken. Maar toch willen ze mij
-niet recht bevallen. Ik weet wel, Mejufvrouw! het doet er niets toe, of
-UEd. met een 8° of 32° naar de kerk gaat, als uw mooie oogen de letters
-maar lezen kunnen. En als UEd. iets van den zang verstaat, komt het er
-niet op aan, al zijn in uw klein gezangboekje bij de meeste coupletten
-de muzieknoten weggelaten. Maar toch, er is voor mijn gevoel in die
-dwergjes van Bijbels iets ergerlijks. Het is voor mij—vergeef mij—of
-men den Bijbel wil wegsteken. Zie, ik vind er iets eerwaardigs in, als
-ik op den dag des Heeren een Dame van den ouderwetschen stempel naar
-Gods huis zie opgaan met een grooten Bijbel met sloten in de hand, die
-zij, even als een soldaat zijn geweer, fier tegen den linker boezem
-draagt. Men ziet het haar ten minste aan, dat zij naar Gods huis gaat,
-en eerbied genoeg heeft voor Zijn woord om het openlijk ten toon te
-dragen. Maar UEd. drentelt daarheen, zonder dat men merken kan of UEd.
-gaat bidden of rijden. En als UEd. uit de kerk een visite bij uw
-vriendin Angelique gaat maken, moet uw Bijbeltje al juist te gelijk met
-uw flacon uit uw zakdoek vallen, of niemand zou weten, dat UEd. den
-zondag gevierd had. Nog eens; ik weet wel, dat men den schat des
-Evangelies zoo wel in een schildpadden, als in een bordpapieren vat kan
-bewaren; ik weet wel, dat het Onze Vader, met calligraphische kunst op
-den omtrek van een stuivertje geschreven, even zoo wel het
-allervolmaaktste gebed is als het onze Vader in de Groote kerk, met
-vingerlange Gothische letters, op het houten schild tegenover uw bank
-geschilderd. Maar toch, zoo lang ik niet zie, dat UEd. uw mantille over
-de agrafe haalt, die uw collier sluit, of uw versierde vingers in
-onopengewerkte handschoenen verbergt, zal ik er tegen blijven morren,
-dat gij u met een Bijbeltje behelpt, dat uw naaste buurvrouw nauwelijks
-zien kan.
-
-Ja, ware het, dat men er zulke kleine Bijbeltjes op nahield, om er een
-vademecum van te maken en ze overal bij de hand te hebben; ware het,
-dat men nu ook den inhoud niet alleen gemakkelijker in de hand, maar
-ook beter in het hoofd hield dan onze vaderen; dan mocht ik er vrede
-meê hebben. Maar wees oprecht en antwoord: is het wel zoo? is het niet
-veeleer waar, dat het schijnt als of met den Bijbel ook de hersens
-gekrompen zijn? Want zie, al was hun Bijbel nog zoo groot en
-omslachtig, onze voorouders schenen er niet tegen op te zien hem in het
-hoofd te brengen; zoodat velen hunner in een hooger zin dan de oude
-wijsgeer zeggen konden: Omnia mea mecum porto. Maar bij vele onzer
-tegenwoordige jonge menschen, al kunnen zij hun Bijbel omtrent
-wegblazen, er schijnt maar geen aanleeren aan te zijn. Hoor den Dominé
-den tekst eens aflezen, en let dan eens op, hoeveel dametjes in dat
-kleine, kleine boekje niet eens den weg weten, maar in die korte
-paadjes nog verdwalen. O, ik heb wel eens gevreesd dat die Bibliola het
-symbolum van een leelijk ding waren: van een soort van
-miniatuur-godsdienst, naar de mode dezer dagen verknipt en versneden,
-die men overal met zich kan nemen, zonder dat zij ooit hindert; ja,
-waarvan men niets merken zou, als zij niet tusschen beide, bij het een
-of ander ongelukje, uit haar schuilhoek te voorschijn kwam. Maar foei,
-ik wil mij liever gewennen, tegen zulke zwaarmoedige gedachten op mijn
-hoede te wezen; ik geloof dat zij Hem, wiens zaak ik er door meen voor
-te staan, meer oneer, dan eere aandoen. Indedaad! als ik maar alleen
-aan de dagen terug denk, toen slechts weinige vergankelijke bladen de
-woorden des eeuwigens levens bewaarden.—broze planken met den schat der
-wereld bezwaard!—dan vind ik mijzelven kleinhartig en ondankbaar, dat
-ik, om de uitwendige inkorting van het wetboek, terstond aan een
-inperking van het rijk denk, door van kleine bijbels tot kleine
-Christenen, en van kleine Christenen tot een klein Christendom te
-besluiten!
-
-Zie mij daar mooi van den tekst afgedwaald. Nu, ik sta ook op geen
-katheder, en heb mijn verdeeling niet van te voren opgegeven. Als het
-waar is, wat Bilderdijk zegt, dat in elken schrijfstijl de overgangen
-het moeielijkst zijn, ik zal zoo vrij zijn over die moeilijkheden heen
-te springen, door geen overgang in het geheel te maken.
-
-Om dan weêr tot mijn register terug te keeren; hoeveel en velerlei
-gewaarwordingen rijzen er bij mij op, als ik het aanzie. Ziedaar de
-geschiedenis van geheele geslachten in een klein bestek saamgevat. Wat
-er buiten dat met hen gebeurde, is nauwlijks der vermelding waardig.
-Hier vind ik de aanteekening van hun intrede in de wereld, van de
-vader- en moedervreugde door hen gesmaakt, van de vader- en moedersmart
-door hen geleden, en van de wijze huns ontslapens. Alles saamgenomen,
-niet veel meer dan het bericht des ouden Geschiedschrijvers: Henoch dan
-wandelde met Godt, en Godt nam hem wech. Maar waarom meer? Voor hen, op
-wie naderhand deze Bijbel zou overgaan, was dit weinige genoeg. Want
-dit alleen was van voortdurend belang; het overige rust met hun stof
-onder hunne zerken.
-
-Op welk een waardige wijze heeft mijn Oudvader dit register ingewijd en
-geopend! Solo deo gloria staat met groote letters bovenaan. Daaronder
-vindt gij de woorden van Josua: Aengaende my en de myn huys, wy sullen
-den Heere dienen. Vervolgens zijn naam.
-
-Aengaende my ende myn huys, wy sullen den Heere dienen. Welk een
-plechtige verbintenis voor hem en de zijnen! Zeker stelde hij zich
-daarbij zijn nakomelingschap voor den geest, in wiens handen deze
-Bijbel komen zou. Zij zouden het daar lezen, wat hun Stamvader voor hen
-aan den Heer had toegezegd. Aan hen was het nakomen dier verbintenis
-opgedragen. Zij moesten nu weten, of zij dezen altaar der getuigenis
-wilden omwerpen, of daarop den eed huns vaders herhalen! Zij moesten
-het weten, of zij de assche des mans door hun afval in zijn graf
-ontrusten, of door hun getrouwheid daarop een eerzuil stichten wilden.
-Hij had het zijne gedaan. Hij liet het overige aan hun verantwoording
-over. O, wie weet, hoe menigeen, die de handen reeds tot het kwade had
-uitgestrekt, ze gebonden heeft gevoeld door die gelofte: Aengaende my
-ende myn huys, wy zullen den Heere dienen?
-
-Hoe het zij, niet alleen het onderschrift bij den naam des mans
-geplaatst: in den Heere ontslapen; maar zoo vele andere soortgelijke
-onderschriften, bij de namen zijner afstammelingen gevoegd, bewijzen
-dat dit woord niet ter aarde gevallen is. En de vrome man kan met
-vroolijk vertrouwen met zijn talrijke nakomelingschap, zich voor het
-aangezicht des Allerhoogsten scharen en op hen wijzen: Aangaande mij en
-mijn huis, wij hebben gezocht u te dienen!
-
-Maar al klinken die getuigenissen nog zoo vriendelijk en uitlokkend: In
-vrede heen gegaan—Zalig verscheiden—In hope ontslapen; het is toch ook
-aandoenlijk te bedenken, hoe veel smart er in deze woorden ligt
-opgesloten. O, hoe menige traan zal daarop gevallen zijn! Mijn oude
-Bijbel! Indien alle Bijbels veel smarte zien, en de vertrouwden van
-veel lijden zijn, gij vooral zijt de getuige van veel rouw geweest. Hoe
-menig verscheurd vaderhart zal, over u heengebogen, zijn jammer hebben
-uitgekreten, terwijl de hand het woord des doods onder den naam van een
-geliefd kind schreef! hoe menige bedroefde wees zal de pen aan de
-vingers hebben voelen ontvallen, die op dit blad het bitterste
-oogenblik zijns levens aanteekenden! hoe menig treurende echtgenoot zal
-als met zijn hartebloed die wreede letteren geschreven hebben, waarmede
-hij hier de grootste ramp zijns levens boekte! O, gij zijt als een
-geliefd grafteeken, lauw van zuchten, en nat van tranen!
-
-Treffend is het te zien, hoe verschillend zich de smart hier heeft
-uitgedrukt; want de meesten hebben bij hunne eenvoudige berichten uit
-hun leven een enkel woord uit hun hart gevoegd. Bij het eene lees ik
-kalme berusting: De Heere heeft gegeven, ende de Heere heeft genomen,
-de naem des Heeren zij gelooft. Bij den anderen meer dan berusting,
-dankbare goedkeuring van Gods beschikking: Nu laat gij, Heere, uwen
-dienstknecht gaen in vrede, na uw woort. Bij sommigen weder diepe
-droefheid: Ick zal rouwbedryvende tot mynen sone in ’t graf nederdalen.
-Bij anderen eindelijk hartstochtelijke smart: Och dat ick, ick, voor u
-ghestorven ware, Absalon, myn sone, myn sone!
-
-Maar o, hoe hartverheffend daarbij te bedenken: voor die allen heeft
-deze Bijbel troost gehad. Dat vertrouwen van hun smart aan zijn bladen,
-het was als het vluchten van een kind tot zijn moeder, om in haar
-boezem zijn leed uit te storten. Neen, die Bijbel nam die wreede
-letters niet aan, even als de grafsteen, waarop het harde en kille
-woord dood nog harder en kouder schijnt; maar hij nam ze in zijn weeke
-borst op, om ze met zachte en warme woorden van troost te beantwoorden.
-Niemand ging ledig van hier; voor iedereen had hij een bemoediging naar
-zijn behoefte; voor den eenen viel dit, voor den anderen dat zijner
-bladen open, maar voor ieder juist hetgeen hem meest noodig was. Het
-was of een Engel naast hen stond en de bladen opsloeg! O! als ik dat
-bedenk, valt mijn oog met onuitsprekelijke liefde op u, Hemelsch woord
-der vertroosting! Nu, dan wil ik u ook als zoodanig in eere houden. En,
-ontvang mijn gelofte! als er kwade dagen komen, gij zult de eerste
-zijn, tot wien ik mijne toevlucht neem. Ik zal tot u komen en u
-toeroepen: Gij hebt den vader vertroost: vertroost ook den zoon!
-
-Maar als met zoo veel roode letters onder de zwarte, hoe vele vroolijke
-berichten staan hier niet opgeteekend! Ik kan ze nauwelijks tellen!
-hoeveel zalige huwelijksvereenigingen! hoe veel van God afgebeden
-kinderen! hoe veel vroolijke en heugelijke feestdagen!
-
-Zalige huwelijksvereenigingen! O, mij dunkt, ik zie den bruidegom,
-zooals hij uit het heiligdom des Heeren weêrgekeerd, zijn blozende
-bruid terstond naar dezen Bijbel voert, om haar in het familieregister
-op te teekenen. Ik zie ze daar beide staan met die wolk van ernst, half
-als een weggeslagen sluier over het blosje der vreugde gespreid; met
-dat drijvende oog, beurtelings opgeheven en op elkander geslagen; met
-die mengeling van vroolijkheid en weemoed in hun geheele houding. Met
-vingers tintelende van ongeduld schrijft de gelukkige man hun beider
-namen naast elkander, onder de namen zijner ouderen. Zie, men kan het
-de letters nog aanzien, hoe zijn hand daarbij gebeefd heeft! straks
-werpt hij de pen van zich, en slaat zijn armen om de geliefde vrouw,
-die hij alsnu plechtig onder de bescherming van zijn huisgoden heeft
-geplaatst. En nu, nu zie ik ze beide de kniën bij den Bijbel
-nederbuigen, en zich daar voornemen:
-
-
- Niet waar? Wy zullen op ons pad
- Gedurig samen nederknielen,
- En brengen ’t offer onzer zielen,
- Wien onze kindschheid vroeg aanbad;
- Wij zullen samen, alle dagen,
- Dat boek ontsluiten van den Heer,
- Ons laven aan zijn liefdeleer,
- En om zijn Hemelsch manna vragen.
- Wy zullen, Dierbaarste! iedre smart,
- Die bittre tranen vergt of zuchten,
- Bij ’s Heeren troostrijk woord ontvluchten;
- En, met den Bijbel aan ons hart,
- Ten laatste ook den Dood niet duchten,
- Wiens prikkel weggenomen werd.
-
-
-Dat was toch treffender en stichtelijker, dunkt mij, dan de gewoonte
-van heden om zoo spoedig mogelijk met den ontvangen huwelijkszegen op
-den loop te gaan. Foei, ik kan mij met die leelijke mode nog maar niet
-verzoenen. Nauwelijks zijn de handen van het bruidspaar ineen gelegd,
-of de reiskoets eischt ze op. Ter nauwernood wordt aan de bruid de tijd
-gelaten om, aan de voeten van haar ouders gezonken, hun zegen over haar
-hoofd af te smeeken. O, hoe wordt de arme het vertrek uit het ouderlijk
-huis verzwaard. Zij mag van zooveel dierbare herinneringen niet eens
-plechtig afscheid nemen. Zij heeft nog zooveel geliefde plekjes te
-begroeten, nog zooveel geliefde voorwerpen vaarwel te zeggen....
-Mevrouw, het rijtuig wacht!—Zij heeft behoefte, nog eens bij haar
-maagdelijk leger, waarvoor ze zoo dikwijls nederknielde, de kniën te
-buigen om haar lot aan den Leidsman harer kindsheid aan te bevelen....
-Zijt gij gereed?—Zij moet een lieven broeder, een trouwe zuster
-verlaten, en heeft hun nog zooveel te zeggen.... Komt gij haast?—Daar
-in de verte staan hare speelnooten, de vriendinnen harer jeugd, die zij
-nog geen enkel woord heeft kunnen toespreken.... Kom dan toch!—Alles
-achter haar, alles rondom haar roept haar toe: Blijf! Maar de stem
-haars bruidegoms, nu haar meester, gebiedt haar: Ga! en zij brengt de
-liefde des kinds aan de liefde der bruid ten offer! een voorteeken van
-de bestemming die haar wacht. O, ik weet het, zij doet het, zij doet
-het gaarne; zij heeft den man, die haar opeischt, lief, liever dan de
-betrekkingen, die haar willen terughouden. Het is voor haar niet alleen
-een plicht, het is voor haar een geluk, wat haar is opgelegd: vader en
-moeder te verlaten om alleen haren man aan te hangen; zij is er ook
-verre af zijn recht te betwisten. Maar ik vraag alleen voor haar: is
-het vriendelijk, dat recht terstond zoo hard te doen gelden?
-
-En al ware het, Mijnheer! dat uw bruid uw verkiezing deelde, ik blijf
-zeggen, dat het een ongelukkige gewoonte is!
-
-Een kat, die een stuk vleesch van tafel gestolen heeft, en met haar
-buit in den bek over de daken vliegt, tot zij een veilig hoekje vindt,
-waar zij in vrede haar roof genieten kan: ziedaar, met uw verlof, het
-bevallige beeld van den hedendaagschen bruidegom. Vroeger schaakten de
-minnaars hun liefje vóór het huwelijk; het heeft er veel van, of zij ze
-nu na het huwelijk schaken. Niemand die de jonggetrouwden, hals over
-kop, als twee gekoppelde doggen, zonder stilstaan of omzien, den
-huwelijksweg ziet ophollen, zou, naar ’t uiterlijk te oordeelen, kunnen
-gelooven, dat hun verbindtenis waarlijk „met goedkeuring van
-wederzijdsche ouders” gesloten is. Is het wonder dat de liefde van
-menig echtpaar het zoo kort uithoudt, daar zij begint met zich buiten
-adem te loopen? In waarheid, men doet veeleer, of het huwelijksgeluk
-een schat is, door den Draak van den Drachenfelz of den Berggeest van
-het Zevengebergte bewaakt, uit wiens klauwen men het moet gaan halen,
-dan of het een gouden kleinood ware, dat, even als in de
-kindersprookjes, in den grond onder den huiselijken haard verborgen
-ligt, en door den ooievaar, die op het dak nestelt, bewaard wordt. O,
-ik weet wel, dat de eerste oogenblikken, waarin twee gelieven elkander
-voor het eerst geheel de hunne noemen, altijd overgelukkig zijn. Maar
-gij zult mij toch vergunnen het er voor te houden, dat er voor dat
-geluk een beter tooneel is, dan een reiskales op den straatweg. „Zoo
-zijt gij dan geheel de mijne! Ik ken geen grenzen voor mijn
-geluk!”—„Een tolhek, Mijnheer!”—„Ik gevoel mijzelven niet! Ik weet niet
-waar ik ben!”—„Halfweg! hier krijgen de paarden water.”—„Een hemel van
-... hots hots—(hier is het gelukkige paar op een opgebroken straatweg,)
-van zaligheid ... hots-hots ... druk ik in u ... hots-hots ... aan mijn
-... hots-hots ... hart!” Was het dan niet beter, stilletjes te huis te
-blijven, en daar, in de vredige schaduw der ouderlijke liefde en onder
-het stralend licht der ouderlijke vreugde, de eerstelingen van een
-geluk te genieten, dat, zoo het een waarachtig geluk zijn zal, een stil
-geluk zal moeten wezen?
-
-En al ware de huwelijksreize van de zijde van het jonge paar goed te
-maken, van den kant der nablijvende betrekkingen zal er zich altijd een
-stem tegen blijven verheffen. Waarlijk, de jonggehuwden vergrijpen zich
-hoogelijk aan den zoeten plicht van anderen in zijn vreugde te laten
-deelen. Begrijpen zij dan niet, hoe zalig het voor hun vader zou
-geweest zijn, hun verliefde dronkenschap te bespieden? welk een
-verrukking hun moeder in den aanblik hunner wederzijdsche teederheid
-zou geschept hebben? Weten ze dan niet, welk een aangenaam, vroolijk
-hartverheffend schouwspel voor ieder goed hart het gezicht van een
-gelukkig bruidspaar is? Waarlijk, wat zij ons nu ontnemen, kunnen zij
-ons nimmer teruggeven. Het huwelijksheil moge verder ongestoord blijven
-ja zelfs toenemen, het vertoont zich nooit meer zoo zichtbaar en
-liefelijk naar buiten! het is het openspringen van den knop des genots,
-waarvan zij ons het gezicht ontrooven. Zie, hoe treurig wij
-achterblijven. De laatste kus is gegeven, de laatste handdruk
-gewisseld, het laatste vaarwel toegeroepen, de wuivende zakdoek
-verdwenen, het geluid van het hen wegvoerende rijtuig gestorven.... wij
-keeren naar binnen terug. Hoe treurig is het daar! Zijn dat zoete
-vreugdetranen, feestvierende moeder, die u langs de wangen biggelen?
-Neen! die tranen zijn bitter: er is smart in, de diepste smart, die des
-afscheids.—Is dat een blijde glimlach, jubelende vader, die u om de
-lippen speelt? Neen! het is een pijnlijke lach: er is droefheid in, de
-droefheid des vaarwels.—En wij allen—wat staan wij vreemd en stijf
-tegenover elkander! Overal missen wij de bruid. Sedert zij vertrokken
-is, is alles van aanzien veranderd. Het groen langs de wanden schreeuwt
-nu tegen ons aan; de bloemen, langs den grond voor het bruidspaar
-uitgestrooid, springen ons voor het hoofd. Eindelijk komt men tot
-zitten. Het is nu toch een feest; men moet het vieren. Nu ja, men viert
-het ook. Men schikt zich rondom de tafel: men eet, men drinkt, men
-praat, men lacht. Maar er blijft toch iets schrikkelijk ledigs over.
-Bij iederen feestdronk volgen honderd zuchten de geliefde
-vluchtelingen. Men staat eigenlijk in den geest veel meer achter op den
-reiswagen, dan men achter de tafel zit. Ieder oogenblik breekt er een
-het gesprek af: Nu zijn ze reeds hier!—Nu zijn ze daar!—Nu zullen zij
-er haast wezen!—Nu zijn zij er!—Foei, het is een treurig vieren van het
-blijdste feest ter wereld!—Jonge menschen! ik wensch u in uw huwelijk
-zooveel vreugde als ooit door een echtpaar gesmaakt is. Maar ik zeg,
-dat het kwalijk van u gedaan is, uw vreugde te beginnen met de onze te
-bederven!
-
-Doch ik wil mij niet boos maken. Daarom wend ik het oog liever naar de
-Geboorteberichten, waarvan ik zoo menige blijde aankondiging voor mij
-heb.
-
-Vader- en moedervreugde! hoe dikwijls spraakt gij uw blijdschap in de
-woorden uit, die ze hier vereeuwigen? Wie zou al het geluk kunnen
-beseffen, dat daarin is uitgedrukt? Zoo iemand, zeker alleen een vader
-of moeder zelve, Jonathan niet. Maar toch heb ik gevoel voor het
-gevoel, dat ik niet ken, en, indien gij het mij wilt toestaan, vaders
-en moeders! ik deel sympathetisch in uw geluk. Neen, ik weet niet wat
-het is: zijn aanzijn verdubbeld te zien, in zijn evenbeeld te herleven,
-zijn hart als in een anderen boezem te voelen kloppen, en zijn bloed in
-eens anders polsen jagen; ja, een schaduw te ontwaren van het genot des
-Volzaligen, die genoemd wordt: Alvader! Maar ik kan toch bevroeden, wat
-het is, een lief, onnoozel schepsel te hebben, waaraan men met het
-geheele hart hangt; dat u met de zoetste namen noemt; dat aan uw boezem
-spelende, daarvan alle zorgen verjaagt, zooals het u dwingt alles van
-uw schoot te zetten; dat uw eenzaamheid vervult en uw huis
-vervroolijkt; dat aan uw verouderend hart een jonge liefde, en aan uw
-stervende eerzucht een nieuw doel geeft; dat u schemerend doet
-gevoelen, waarom het de naam van hetzelfde wezen is: Volzalige,
-zaligmaker! Zoo zijn het dan voor mij geen doode letters, waarin ik de
-uitstorting des vaderlijken gevoels in de ure des vaderzegens leze. En
-wie zou ook koel kunnen blijven bij de gedachte aan zoo vele
-gelukkigen, als dit blad met blijde vadertranen doorweekt hebben? Of
-spreekt niet de stemme huns gejuichs nog in de vroolijke uitboezemingen
-der dankbaarheid aan God, op dit papier uitgestort? Hier is het een
-vader, die zijn zoon Godgeschenk noemt, want, voegt hij er bij, ik heb
-hem van den Heer gekregen.—Daar is het een ander die terstond van zijn
-dierbaar recht gebruik maakt, om voor zijn kind te bidden: Och dat
-Ismael mochte leven voor uw aangesichte!—Ginds is het weder een ander,
-die, in de vreugde zijns harten, van zijn vreugde een altaar der
-getuigenis maakt om in de volgende donkere dagen ter bemoediging aan te
-zien.—Ja, ik vond er trekken in, die een verhevenheid ademen, welke het
-hart roert en opheft. Neem eens den zonderlingen, maar stouten inval
-van den vader, die met een hard trillende van aandoening schrijft:
-
-Dankbaar erken ik heden van God ter leen ontvangen te hebben mijn
-lieven zoon Johannes, mij bereid erkennende hem op elken oogenblik
-weder af te staan.
-
-Met het terstond daarop volgende:
-
-Hier ben ick!
-
-van Abraham.—Neem eens de berusting eens beroofden echtgenoots, die
-zijn kind duur heeft moeten koopen,—al te duur, zegt Borger,—en den
-Zoon der smarte, Ben-Oni, met den Aartsvader Ben-Jamin noemt: Zoon der
-rechterhand, want hij zal mij sterken.—Neem eens dien trek, die den
-wijsgeer schetst, en toch ook den bekommerden vader niet verloochent,
-dien ge bij mijn naam vindt: Beter is de dagh des doods, dan de dagh
-dat yemand geboren wordt.—O, het zijn slechts korte woorden, die ge
-hier aantreft, maar woorden vol zin en beteekenis, die een geheel
-karakter, een geheel leven schetsen. En indien het waar is wat men
-zegt, dat er sommige oogenblikken in het menschelijk leven zijn,
-waaruit men den mensch geheel kan leeren kennen, dan zijn die korte
-opschriften uit de gewichtigste uren des levens even als zoovele
-familieportretten van de verschillende leden des geslachts, schoon in
-die verscheidenheid allen denzelfden familietrek bewarende, en dezelfde
-leus voerende: Soli deo gloria.
-
-En weet ge wat mede het voorrecht van zulk een Stamboom is? De
-naamgeving krijgt er eenige beduidenis door. Ik moet er toch voor
-uitkomen, dat het mij aan het hart gaat, dat zulk een treffend gebruik
-tot zulk een nietige ceremonie geworden is. Indedaad, dat deden de
-Hebreeuwen beter. Zij gaven hunnen kinderen een naam naar de hope, die
-zij van hen koesterden, naar de deugd, tot wier beoefening zij ze
-bovenal verplichten wilden. Zoo was het met Petrus: Ghy zyt Simon, ghy
-sult genaemt worden Cephas!—Vergat gij het, Simon, in den nacht, toen
-de Rots der gemeente voor het vuur der verzoeking versmolt? Dan dacht
-gij er toch aan, toen gij, van uwen val opgestaan, het houten kruis uw
-arduinen moed ten grondslag gaaft!—Gewis bij hen was de naam hun
-gegeven
-
-
- Een stem der leeringe, en een woord
- Van wijsheid, op hun pad gehoord,
- En nooit verachtloosd of vergeten;
- Een andere inspraak van ’t geweten,
- Een licht dat voor hun voeten gloort.
-
-
-Bij ons! ik mag er niet aan denken. Wie denkt er aan, vader of peter,
-wanneer hij zijn naam op den jonggeborene overdraagt, wat die naam
-beteekent? En toch hebben de meeste van onze namen zulke schoone
-beteekenissen! te schooner, wanneer zij tevens door geliefde Heiligen
-gevoerd zijn! Verbeeld u eens, dat men alle Johannessen den plicht
-inscherpte om het zacht en beminnelijk beeld des Apostels te dragen,
-wiens naam ze voeren. Verbeeldt u, dat men alle Maria’s dien stillen,
-vromen geest zocht in te boezemen, dien men onwillekeurig aan dien naam
-verbindt. Mijn lieve moeder althans heeft mij wel degelijk bij mijn
-Jonathans-naam een Jonathans-hart zoeken te geven; en indien het haar
-niet beter gelukt is, wijt de schuld alleen aan mijn wederstrevigheid.
-Maar het is zoo, dan moesten ook die nare en leelijke verminkingen en
-verkortingen uit den weg. Foei, hoe ik er mij aan ergeren kan! Gij
-lacht, als uw knecht den een of anderen vreemden naam mishandelt, en
-gij zelf, gij misvormt den schoonen zinrijken naam van uw eigen kind
-tot een leêgen, dooden klank. Waar zijt gij, onze Abrahams en
-Rebecca’s, onze Johannessen en Magdalena’s, onze Petrussen en Maria’s?
-Ik herken u niet in onze Brammetjes en Pietjes, Jantjes en Mietjes.
-
-
- Pour que ton nom sonnât plus doux dans la maison,
- D’un nom mélodieux nous l’avions baptisée.
-
-
-In ernst, ik zou er boos om kunnen worden; en met Tollens willen
-uitvaren:
-
-
- Neen, dien achtbren naam mij nooit
- Tot een beuzelklank verplooid!
-
-
-Immers ontneemt gij aan uw namen alle kracht. O, Met welk een nadruk
-kon mijn moeder mij toeroepen: Jonathan! Jonathan!—er lag een diepe zin
-van waarschuwing in dien uitroep. Maar als ik mij nu verbeeld, dat zij
-mij vermaand hadde: Joontje! Joontje! of Tannetje! Tannetje! zeker ik
-geloof niet, dat die stem mij tot nu toe zou zijn bijgebleven. Maar
-niet aldus in mijn geslacht. Menige uitdrukking op mijn register toont,
-dat men er nog iets bij dacht, als men een kind bij den Christelijken
-doop zijn Christelijken naam gaf.
-
-Mijn eerwaardige Stamboom? Zeker hadt gij verdiend langer in het
-geslacht te blijven, welks naam gij voert, dan nu, helaas! het geval
-zal zijn. Gij hadt nog met menigen telg uit onzen stam kunnen
-vermeerderd worden. Maar het zal zoo niet wezen. De man, die voor u
-staat is de laatste van zijn naam. In en met hem zult ook gij
-uitsterven. Zeg mij, zijn er bitterder tranen, dan dit gevoel mij op
-uwe bladen doet vergieten? ik geloof het niet. Anders zijn er al zeer
-bittere tranen. Bereid u dus tot een spoedige rust. Nog één naam—gij
-zult nooit een koeler hand op uw bladen gevoeld hebben—en alles is
-voorbij!—Mijn erfgenaam heeft niets dan den dag van mijn overlijden in
-te vullen. Mijn grafschrift heb ik zelve reeds bij mijn naam gevoegd:
-
-Beter de dagh des doodts, dan de dagh dat yemand geboren wordt!
-
-
-
-
-
-
-
-
-HET PORTRET.
-
-
-Ja, ik ben ook geportretteerd.
-
-Wees evenwel niet te haastig, met dadelijk aan een prachtig
-schilderstuk van Hodges of Kruseman te denken. Van waar zou mij zulk
-een aanmatiging komen? Immers, wat heeft de schoone kunst met mijn
-onbeduidende figuur uitstaande? Ik sta er voor in, dat het op de wereld
-nooit aan stalen van mijn soort ontbreken zal. Ik gevoel mij dus
-volstrekt niet aan de nakomelingschap verplicht, haar een afbeelding
-van mijn wezen na te laten. Hierbij komt, dat ik te veel eerbied voor
-de kunst heb, om mij haar ten voorwerp op te dringen. Als ik mijn hoofd
-ginds even buiten ’t raam steek en den hemel en de aarde aanzie, zie ik
-wel duizend voorwerpen, die schilderachtiger zijn dan ik. Waarom zou
-ik, horzel in Gods bloemengaarde, dan niet even als zij willen voorbij
-gaan, zonder in beeltenis te blijven bestaan? Integendeel gaat mijn
-nederige schroom hierin zoo ver, dat ik, als ik ’s zomers buiten
-wandel, er bijna een gewetenszaak van maak, te dicht bij het spiegelend
-water te komen, omdat het mij aan het hart gaat, als ik het op eens, in
-plaats van Gods blauwen hemel en zijn lieve boomen, mijn lange magere
-gestalte zie terugkaatsen. En al was ik mooier, of had ik ten minste
-zulk een voorkomen als de liefhebbers van de schilderkunst, per
-euphemismum, een veelbeduidenden kop noemen, eilieve! voor wien op de
-wereld zou ik mij laten uitschilderen? Voor de kunstkenners misschien,
-om na vijfentwintig jaren op den catalogus van hun kabinet voor te
-komen onder de vereerende rubriek:
-
-No. 98. Een mansportret door **** en dan de naam van den bekenden
-schilder des onbekenden.
-
-Of wel om, indien ik mij door een kladder liet afbeelden, nog eens in
-effigie op een boelhuis te worden geveild:
-
-No. 25. Een manspersoon.—Één gulden en vijftig cents.—Niemand?—Nu, voeg
-er dan deze Jufvrouw nog maar bij.—Nu, twee gulden. Wie twee gulden?
-Totdat zich iemand mijner ontfermt, en mij nog na mijn dood met wie
-weet welke eerzame maagd paart, om gezamenlijk als scherm voor een
-tochtgat te dienen, of tot bedekking van een vuile plek op ’t behangsel
-gebruikt te worden.
-
-Neen, iemand als ik, wiens stil sterfbed van niemands snikken
-weêrgalmen zal, en wiens eenzame doodspeluw niet bevochtigd zal worden
-dan door mijn eigen doodzweet, moet het er voor houden, dat de menschen
-genoeg gedaan hebben, wanneer ze tot aan zijn dood toe zijn gezicht
-verdragen hebben, zonder er hen nog na zijn overlijden meê te
-vervolgen. Laat hem, die weet, dat er, bij het verdwijnen van ’t
-origineel, naar de kopij nog menig betraand kindergezichtje zal opzien,
-laat hem zijn beeldtenis in ieder vertrek aan den wand hangen. Mij
-dunkt, zulk een aanzien moet de koude asch nog in het graf verwarmen.
-Maar wie vooruit berekenen kan, dat zijn portret voor de nablijvenden
-niets zijn zal dan doek en verf, en zich met de eer, die men deze
-respective artikelen bewijst, zal moeten vergenoegen, neme liever zijn
-beeld meê in ’t graf, dan aldus zichzelven te overleven.
-
-Ik heb mij dus niet laten portretteeren. Maar gelijk ik u begon te
-zeggen, men heeft het voor mij gedaan.
-
-Ik was negen jaren oud, toen er een Italiaansch miniatuurschilder bij
-ons kwam, die aanbood mijn ouders voor een prijsje uit te schilderen.
-Geen van beide gevoelde hiertoe lust, maar in plaats daarvan, wist mijn
-moeder aan vader de vergunning af te vleien, dat de man mijn
-konterfeitsel maken mocht. Volgens haar getuigenis, trof de kunstenaar
-mijn gelijkenis uitstekend wèl. Sedert hing het altijd op de kamer der
-lieve vrouw, tusschen de silhouetten harer ouders. Na haar dood kwam
-het in mijn bezit, en nu heeft het zijn vaste plaats aan den muur
-tegenover mij, dicht bij mijn huisklok, zoodat ik niet op kan zien,
-zonder dat mijn oog er op valt.
-
-Zoo ook nu. Al zoudt gij er mij om uitlachen, ik moet er recht aan
-doen: het is een lief portretje. Zoowel als ik er straks voor uitkwam,
-dat ik nu verre ben van een behagelijk uiterlijk te hebben, moet gij
-mij vergunnen te zeggen, dat ik geen onbevallig kind moet geweest zijn.
-Er rust zulk een helder waas van gezondheid op het gezichtje; er ligt
-zulk een glans van onschuld over het open voorhoofd; er schittert zulk
-een „blijde vonk van kindervreugd en geest” in de lachende oogen; er
-schuilt zulk een lieve trek van schalkheid in de kuiltjes op de beide
-wangen; en bovenal heeft het geheel zulk een voorkomen van kinderlijke
-onnoozelheid, dat ik niet nalaten kan er meê ingenomen te zijn. Ik zie
-het nooit, of ik denk aan mijn vriend Elia: „Ik stem alles, wat gij ten
-laste van den man Elia opsomt, toe; maar het kind Elia, dat ander IK
-daar op den achtergrond, dien knaap moet gij mij vergunnen te mogen
-liefhebben.”
-
-Uren lang kan ik dit beeld aanzien, en mij daarbij in een gelukkig
-verleden verplaatsen.
-
-Mijn geheugen is op dit punt zeer wakker. Het is waar, dat ik van de
-herinneringen uit mijn kindsheid geen aaneengeschakeld geheel maken
-kan. Nu en dan zijn er groote gapingen in, even als op een schilderij,
-waarop sommige plekken zijn uitgewischt. Maar daarentegen liggen ook
-andere partijen in een helder licht voor mij, zoodat het is of ik ze
-nog zie. En de gedachte daaraan is voldoende, om mij op mijn kindsheid
-als een hoogstgelukkigen tijd te doen terugzien. Neen, ik kan mij
-hieromtrent niet met Jean Paul vereenigen, als hij de genoegens van het
-kinderleven „geurlooze vergeetmijnietjes” noemt. Laat de blijdschap van
-den zuigeling zoo heeten, die zelf geen vreugde heeft van de lachjes,
-waardoor hij anderen verblijdt, en bij wien het gevoel van vermaak en
-leed, als ik mij zoo mag uitdrukken, op het gezichtje afwisselt, zonder
-bijkans het zieltje aan te doen. Maar als het kind een klein mensch
-geworden is en weet begint te krijgen van genoegen of smart, dan is
-kindervreugde wel waarlijk vreugde. Zeg dan niet, het heeft geen genot,
-omdat het zich van zijn genot geen reden geeft. Maar geven wij er ons
-dan altijd reden van? Gaan wij bij ieder genoegen neêrzitten om het te
-ontleden? Als wij in het voorjaar in de open lucht komen, en het
-lentewindje kust ons met zijn lauwen adem, terwijl de verkwikkelijke
-zon ons streelt als de warme hand van een Odaliske, zoodat wij
-daaronder „uitzetten en knoppen” van weelde en lust, zeggen wij dan
-altijd tot ons zelven: Dit is nu, omdat de wind Z. Z. W. is, en de zon
-op ** graden Fahrenheit staat. Of nemen wij de moeite van uit te
-rekenen: omdat de zon werkt op deze spier en de wind op die zenuw, en
-de spier weêr op de zenuw en de zenuw op de spier, daarom word ik dit
-aangenaam gevoel gewaar?—Geven wij ons niet veeleer gedachte- en
-bewusteloos toe aan het genot, dat ons tegenkomt en drukken, even als
-de bloemen en vlinders, onze tevredenheid uit door de aanraking van den
-koesterenden straal met een siddering van wellust te ontvangen, en den
-zoelen balsem van het koeltje met open mond in te drinken? Ik voor mij
-althans heb meermalen ondervonden, dat het dwaas is, met het genoegen
-den wijshoofd te spelen. Wanneer ik een enkelen keer onderzoeken wou:
-Waarom gevoel ik mij nu zoo wel? heb ik bemerkt, dat ons genot veel
-heeft van het spel der spiegeling van een stroom, dat ophoudt, zoodra
-men er aan raakt; en sedert heb ik mij gewend mijn handen t’huis te
-houden en van het genoegen tot mijzelven te zeggen: Ik ben er
-genoegelijk door, dus het zal wel genoegen zijn.
-
-Waarom zou dan ook de kindsheid geen blijde tijd mogen heeten? Hé,
-Cornelis, en Willem, en Ferdinand, of wij pleizier hadden, wanneer wij,
-menschen van vier voet, den vlieger, die tweemaal onze grootte had,
-vierhonderd voeten hoog boven ons zagen, in de trotsche bewustheid van
-den luchtreus in onze kleine knuisten te klemmen! Of het prettig was,
-bij den u bekenden houtzaagmolen over de vlottenden balken te springen
-met onophoudelijk gevaar van het getal der drijvende blokken met één te
-vermeerderen! Of wij er vreugd van hadden, als, op onze
-kinderpartijtjes, de grappige Caspar met zijn tooverlantaren kwam en
-ons met het leelijke Goliathshoofd en zijn verschrikkelijk: boe! boe!
-te gelijk lachen en rillen deed? Of het heerlijk was, den degen van Oom
-den Burgerkapitein achter ons aan te slepen, en over de panden van zijn
-afgedankten uniformrok te struikelen? Wanneer wij toen reeds in dat
-geluk niet zoo gelukkig geweest waren, zou er ons zulk een diepe indruk
-niet van zijn bijgebleven. Zeg mij, kleine knaap, die mij van dat doek
-zoo vriendelijk toelacht, waart gij niet recht vergenoegd, toen gij
-daar aan den schoot van uw moeder zat, terwijl de zwarte man u
-uitteekende, en uw moeder onuitputtelijk was in allerlei grappige
-verhalen, opdat gij er op de teekening recht vroolijk en beminnelijk
-mocht uitzien? Immers ja; want de tevredenheid glinstert uit uw oogen,
-en de blos, dien het genoegen op uw wangen ontstak, klom even zoo wel
-uit uw klein hart naar boven, als het niet bij toeval is, dat thans dit
-vale bleek hièr dat kleurtje dáár vervangen heeft.
-
-Dikwijls stond ik voor dat portret met een gevoel van benijding, dat
-misschien menig uwer dwaas zal heeten. Het was, wanneer het mij
-somtijds recht bang was, en ik behoefte had mijn oog op iets vroolijks
-te vestigen; hoe kon mij dan het onderscheid tusschen het kind en den
-man treffen! Dat gladde voorhoofdje, hoeveel rimpels heeft het
-gekregen! dat vonkelend oog, welk een doffe nevel heeft den straal der
-vreugde daarin uitgebluscht! die bloeiende wangen, hoe heeft de hitte
-van den dag ze doen verdorren! dat lachend mondje, welk een diepe groef
-heeft de smart er in gedrukt! Ik had moeite te gelooven, dat ik er ooit
-zoo had uitgezien, en dan dacht ik weêr, dat wie er zoo had uitgezien
-nooit zóó kon worden als ik nu!—Doch eindelijk verzoende mij die
-aanblik met mijn ongeluk. En zijt gij dan geen kind geweest? vroeg ik
-mijzelven. Een vroolijk, onschuldig, gelukkig kind? hebt gij niet met
-de bloemen gebloeid en met de vlinders gedarteld? hebt gij u niet
-moêgespeeld en wakker geslapen? hebt ge geen tijd gehad, dat alle
-kommer om en voor u besloten werd in het hart, waaraan ge rusttet, en
-dat ieder zijn eigen smart onder een lachje voor u verborg? Waarover
-beklaagt gij u dan! Twintig jaren, kinder- en knapen- en
-jongelingsvreugde, is het te veel, dat ge daarvoor in het leed des mans
-een evenredige rente betaalt! O, als God het naakte wicht hulpeloos op
-den kouden, harden grond nederlegde, en aldus aan de genade van het
-toeval overliet; als het kind, van den dag zijner geboorte af aan, even
-als het winterklokje dat uit de sneeuw opschiet, door barre winden en
-scherpe hagelsteenen geteisterd werd; als de opwassende knaap zich,
-gelijk een verdrukte scheut, naar boven moest werken; met één woord:
-als er aan het leven een jeugd ontbrak,—dan zouden wij kunnen klagen,
-dat ons onrecht gedaan was. Maar zoo is het immers niet? Voor de
-intrede des menschen in de wereld is alles door de zachte hand der
-liefde gereed gemaakt. Vaderarmen ontvangen, moederarmen koesteren het;
-
-
- Haar liefde dekt het schaap nog zonder wol;
- Haar teêrheid voedt het lam nog zonder weide.
-
-
-Dan heeft het kind voor niets te zorgen, terwijl alles voor het kind
-zorgt. Dan wordt de scherpe wind gebalsemd en de stekende zonnestraal
-mat gemaakt; dan plaatsen zich anderen vrijwillig voor den snijdenden
-tocht en onder de vallende sneeuw; dan wordt het plantje gedekt,
-begoten, naar de zon gekeerd, ondersteund en opgehouden. Dan worden
-alle tranen opgevangen, alle zuchten weggekust. Dan wordt ieder plek
-tot een speelplaats gemaakt, ieder voorwerp tot speelgoed, en iedere
-volwassene buigt zich om meê te spelen. Dan wordt voor het kind de
-doorn van iederen stengel gebroken, de honing uit iedere bloem
-vergaârd, het sap uit iedere vrucht gedrukt. Dan slingeren de menschen
-hunne armen in elkander, om rondom het kind als ware het een Eden af te
-perken, waarin het storelooze paradijsgenoegens smaakt.
-
-Maar wat zouden wij dan willen? Dat dit altijd zoo voortduurde? De
-hemel beware ons! Wat zou er van zulke vertroetelingen worden?
-Ellendige kasplantjes, die geen tiende van hun natuurlijken groei en
-sterkte zouden bereiken, saplooze bladeren, weinige bloesems en niet
-een enkele vrucht dragen. Neen, niet alzoo! Wij zijn kinderen opdat wij
-mannen zouden worden, maar worden geen mannen, opdat wij kinderen
-zouden blijven. Zijn wij zoo ver gekomen, dat wij onder het glas van
-daan en in de open lucht kunnen, dan is het ook niet meer dan billijk,
-dat wij met de anderen wind en koû leeren deelen. Wordt het ons
-daaronder al eens bang, denken wij dan terug aan de twintig jaren dat
-wij gespaard zijn geworden, aan de twintig jaren van vooruitgenoten
-vergoeding, aan de twintig jaren van toerusting, die weinig vrucht
-hebben gedragen, indien zij ons voor geen twintig jaren strijdens
-hebben voorbereid!
-
-Zie, zulke gedachten pleegt het gezicht van het kind bij den man op te
-wekken. En dan, in plaats van mij te verdiepen in het lijden, dat mij
-drukt, verlies ik mij in de herinnering van het genoegen, dat ik
-gesmaakt heb. Dan denk ik, hoe de verschooning, mij in de eerste vaag
-des levens bewezen, gediend heeft om mij tot het uitstaan der
-tegenwoordige beproeving te harden; dan denk ik, hoe het mij zou gegaan
-zijn, indien dit leed, even als een vroege vorst, in mijn kindsheid
-gevallen ware: dan denk ik, hoe ver de rampen des mans er van af zijn
-tegen de vreugde van den kinderlijken leeftijd op te wegen; en onder
-deze beschouwing groeit mijn moed aan; de sterke man vindt kracht in
-den aanblik van het zwakke kind; de smart des volwassenen vertroost
-zich met het lachje van den knaap; en mijn gevoel lost zich op in de
-dankbare uitboezeming: Ja, ik ben waarlijk dezelfde; die knaap en deze
-man! Was ik die knaap niet geweest, ik ware deze man niet geworden; en
-was het niet om deze man te worden, ik zou die knaap niet geweest zijn.
-
-En wanneer ik alsdan het kind aanzie, en het mij voorstel in al zijn
-onkunde en onbewustheid van zijn hoogere bestemming; de aarde aanziende
-of zij altijd beneden hem, en den hemel, of hij altijd boven hem zou
-blijven;—en daarbij te gelijk denk aan hetgeen er van hem worden moet:
-een kind van God, een blinde voor de wereld, een doode voor de zonde,
-een dagelijksch offer van zich zelven, een burger des hemels op aarde,
-en eens een lotgenoot des Hoogzaligen;—dan verliest mijn oog zich in
-die gaping tusschen dat wichtje vóór—en den zalige boven mij; en het
-wordt mij duidelijk, dat de school, waar zulk een opvoeding voltooid
-moet worden, een school van werkzame oefening en strenge tucht moet
-zijn. En bij die overtuiging wordt het mij zoo helder, dat dat kind
-dien speelschen lach om den mond en dien blijden straal in het oog
-verliezen moest, dat ik niets natuurlijker vinde, dan dat de man, voor
-het portret tredende, zich zelven niet meer herkent en er hem
-ongelukkig om rekenen zou, indien het anders ware.
-
-Ongelukkig, indien het anders ware! O, op hoe velerlei beschikkingen in
-mijn lot kan ik dit toepassen. Zeker, als ik op dit kind zie, voel ik
-mij overstelpt van dankbaarheid bij de gedachte aan zoo vele leidingen
-Gods, als gestrekt hebben om het te bewaren van immer geheel uit den
-staat des kinds uit te vallen. Al denk ik alleen aan de lieve moeder,
-van wie deze beeltenis afkomstig is. De lieve moeder! Nooit werd die
-naam met meer recht door een vrouw gedragen, nooit haar met meer liefde
-door een kind gegeven. Niet alleen omdat zij de weldoenster mijner
-kindsheid was, die van haar armen mijn wieg, en van haar boezem mijn
-peluw maakte; die mij ’s avonds met haar liederen in slaap zong, en mij
-’s morgens met haar omhelzingen weêr wakker kuste; wier bijzijn in den
-vollen zin des woords mijn leven, wier schoot mijn hemel was. Maar veel
-meer, omdat zij evenzeer de geleigeest van mijn onnoozelheid, als de
-beschermengel van mijn zwakheid was. Niet alleen met de melk harer
-borsten, ook met de melk haars harten, met al wat er ooit zachtst,
-mildst en teederst in een vrouwenziel was, voedde zij mij op. Zoo
-boezemde zij mij reeds vroeg het gevoel eener groote liefde in; indien
-mijn hart geen bekrompen hart is, maar in zijn genegenheid meerderen
-omvat, dan mijn armen omvademen kunnen, ik dank het haar, die mij als
-van mijn geboorte dien geest van liefde heeft ingeademd. O, het is zoo
-gelukkig, als de moeder begint met het geheele hart des kinds in te
-nemen. Dan is er reeds dadelijk een plaats vervuld, waar zich anders al
-spoedig het gevoel van eigenbaat indringt. Maar is eens de kiem der
-liefde in het weeke gemoed gevallen, dan groeit die met het wicht op,
-slaat haar vezels in zijn zenuwen en voedt zich met zijn bloed. Dan zet
-zij zich uit naarmate de borst ruimer wordt, en ofschoon het
-opschietend onkruid haar begint te drukken, zij blijft in het hart
-geworteld. Zalig dus, wie als kind van zijn moeder liefde leert: hij
-leert spelende, wat de eerste plichten zijn zullen; hij neemt als een
-lust op, wat hij later als een last zal moeten dragen; hij wordt door
-de liefde tot ééne voor de liefde tot allen gevormd; en de armen, die
-nu nu den boezem omklemmen welke hem voedt, worden gewend om eens een
-ruimeren kring te omvatten, zooals het klimop, dat begint met zich om
-de scheut te slingeren, zich later van zelve met den zich uitzettenden
-stam uitbreidt. O, toenmaals wist ik niet beter, of ik had mijn moeder
-lief als mijn moeder en zij mij als haar kind; maar toen ik later
-gevoelde, dat wij hier niet enkel moeder en kind geweest waren, maar
-dat haar liefde te gelijk tot opleiding voor den mensch, tot vorming
-voor den Christen gediend had, toen zag ik eerst recht in, welk een
-geschenk van Gods vaderliefde deze moederliefde voor mij geweest is!
-
-Ik kan van dit onderwerp nog niet scheiden. Wie een lieve moeder te
-gedenken heeft, zal er mij niet hard over vallen.
-
-Toen de doos van Pandora openging, stroomden daaruit allerlei rampen,
-maar de hoop bleef op den bodem liggen. Toen het hart der menschen zich
-voor de zonde opende, verlieten allerlei deugden het menschelijk hart,
-maar het geweten bleef op den grond achter. Maar dit geweten, hoeveel
-hangt er van af, hoe het behandeld wordt?
-
-Hier is het een koppige goudvink, die op het eene oogenblik tot geen
-zingen te krijgen is, en dan weêr op eens zoo begint door te slaan, dat
-men niet weet, hoe hem tot stilte te brengen. Daar is het een lijster,
-die alleen helder fluit, als het slecht weêr is. Daar is het een
-kwaadaardige uil, die het licht schuwt, maar den ganschen nacht zit te
-krassen dat men niet slapen kan. Daar is het een haan, die, even als
-voor Petrus, niet kraait, dan als het te laat is. Daar eindelijk is het
-een nachtegaal, welken men hoort zoodra men in den eenzaamheid en in
-het donker komt, en wiens gezang den nacht vervroolijkt.
-
-Behoort het geweten dan tot geen vast ras van vogels? Zeker wel.
-Oorspronkelijk behooren alle species er van tot het
-nachtegalen-geslacht. Maar de verschillende wijze van opkweeking en
-behandeling is de oorzaak van die ontaarding en verbastering. Gij ziet
-dus van hoeveel belang het is voor het uwe te zorgen, eer gij van uw
-nachtegaal een uil maakt.
-
-Mijn lieve moeder was een uitmuntende opvoedster van het mijne. Zij
-liet het niet enkel aan de natuur over het te leeren zingen, maar hielp
-het een weinig op den weg, zoo als men de kanaries met een
-kanarieorgeltje, of de eksters met voorpraten doet. Van daar verhief
-het zijn stemmetje al vroeg: toen ik nog maar een kind was, kon het ’s
-avonds, als ik in mijn bedje kwam, reeds neuriën en kneuteren dat het
-een aard had.
-
-Gelukkige die ik was! Hoe vele zijn er, die nooit zoo diep zouden
-gevallen zijn, indien men, even als mijn moeder, hun geweten meer als
-een afzonderlijke faculteit van de ziel had aangemerkt, die mede kon en
-moest ontwikkeld worden; indien men hen als kind een vreemde taal
-minder had laten leeren, en hen in plaats daarvan geleerd had de stem
-in den boezem beter te verstaan.—Toen mijn geweten nog onmondig was,
-nam mijn moeder de voogdij er over op zich. Voor niets was zij
-ongeruster, dan dat het zijn natuurlijke teederheid verliezen zou.
-Wetende dat het, als een speeltuig, helderder klinkt, naarmate het
-reiner wordt gehouden, was zij er altijd op uit om voor zijn zuiverheid
-te waken. Het moest, dacht zij, even als een windharp, zelfs al ging er
-maar een tochtje over, trillen en geluid van zich geven. Later gewende
-zij mij, de zorg er voor allengskens over te nemen. Ook had het toen
-reeds een vastheid en sterkte van stem gekregen, die maakte dat ik het
-niet licht meer van de wijs had kunnen brengen, al had ik gewild.
-
-En toch, dankbaar erken ik, hoe veel ik ook toen nog aan haar verplicht
-bleef. Dikwijls was haar tusschenkomst machtiger, indien al niet om mij
-van het kwade terug te houden, dan toch om mij tot het goede aan te
-sporen, dan de stem van mijn conscientie zelve. Dit was vooral dan het
-geval, wanneer eenige overtreding mij met mijn geweten overhoop had
-geholpen. Om de waarheid te zeggen, dan was die rechter mij meestal te
-streng; althans hij schrikte mij evenzeer af, als hij mij uitlokte om
-de hand ter verzoening te reiken. Dit ging veel beter door hare
-tusschenkomst. Zij was, even als Gods woord, veel zachter dan mijn
-conscientie. Zij maakte mij de belijdenis zoo gemakkelijk; zij was zoo
-liefderijk in haar bestraffing; zij schonk zulk een volkomen
-vergiffenis! Nooit stroomden mijn tranen lichter dan aan haar boezem,
-en nooit werden zij eerder afgedroogd. En hoe zij zulk een oogenblik
-wist te heiligen door, naar Borgers uitdrukking, den boetvaardige op te
-beuren, maar op te beuren tot God in den hemel; hoe zij, als ze mij
-vergiffenis geschonken had, mij aan de voeten des hemelschen Vaders
-voerde, opdat ik die vergiffenis ook van Hem zou afsmeeken! Hoe zij
-aldus van de weekheid mijns harten gebruik maakte om er het teeken des
-kruises dieper in te drukken! O, gij kleine knaap, indien de zonde van
-dit voorhoofdje het zegel des doops nooit geheel heeft kunnen
-wegwisschen, en, hoop ik, het verder ongeschonden zal moeten laten,
-dank er haar voor, die het eens onder de vonte hief!
-
-Ja, daarheen droeg zij mij, maar niet gelijk zoo velen, uit
-gehoorzaamheid aan een maatschappelijke wet, omtrent gelijkstaande met
-de inschrijving des jonggeborenen op de registers van den Burgerlijken
-stand. Niet alleen haar hoofd, haar geheele hart boog zich op de vrage
-of zij beloofde, „dit kind, als het tot sijn verstand sou gekomen zijn,
-in de voorseyde leer na haer vermogen te onderwijsen.” Aan niemand
-stond zij de zoete taak af, mij het eerst den heiligen Vadernaam te
-leeren stamelen. Weet gij wat dit zegt? Ik voor mij ken onder alle
-zegeningen, waarmede God de wieg eens kinds omringen kan, geen
-grootere, dan een vrome moeder. Moeders zijn de ware kinder-apostelen!
-Niet alleen, omdat haar stem lichter en dieper in het hart van haar
-kroost dringt; maar, ook, omdat vrouwelijk geloof en kinderlijk geloof
-zulk een nauwe verwantschap met elkander hebben. Op den zinnelijken
-knaap werkt het gemoedelijke, dat in den godsdienst der vrouwen den
-boventoon voert, veel sterker en gelukkiger, dan het meer
-verstandelijke, dat het heerschende kenmerk van de overtuiging des mans
-uitmaakt. Zoo ging het mij althans bij mijn moeder. Zeker is het beeld
-van den Heiligste onder de menschenkinderen altijd allerbeminnelijkst,
-welke (vrome) hand het ook schetse: niet anders dan alle
-Christusbeelden hetzelfde karakter van grootheid en liefderijkheid
-ademen. Maar zooals evenwel de Christus van Rafael hemelscher is, dan
-de Hemelsche op de tafereelen van Correggio of Da Vinci, vond ik den
-Zaligmaker nooit beminnelijker, dan in de voorstelling van mijn lieve
-moeder. Nooit heb ik hem beter—hoe zal ik zeggen?—gezien, nooit stond
-hij mij aanschouwelijker voor oogen, dan zooals zij hem mij deed
-aanschouwen. Gelijk een portret naar het leven gemaald verschilt van de
-afbeelding op een doode genomen, verschilde haar teekening van den
-Eenige van die van anderen. Men kon zien, dat haar hart het penseel
-bestuurde. Die verheven gedachte van haar lievelings-Apostel: Die niet
-lief en heeft, die en heeft Godt niet gekent: God is liefde! Liefde is
-als het orgaan, waardoor men God leert kennen en
-aanschouwen!—bevestigde zich in haar ten aanzien van zijn beeld op
-aarde. In zooverre dit van een gebrekkig menschenhart kan gezegd
-worden, gold het van haar; haar liefdevol hart begreep hem! Van daar
-putte zij, als zij den Heiland schilderde, niet enkel uit haar
-geheugen, maar veeleer kwam zijn beeld allengskens, als een hostie uit
-haar heiligdom, uit het binnenste haars harten te voorschijn. Van daar
-dan ook, dat dit beeld zich diep in mijn ziel drukte—en, hoop ik,
-onuitwischbaar!
-
-Even zoo ging het mij met haar voorstelling van het toekomende leven.
-Allen verwachten wij éénen hemel; maar welk een onderscheid! Indien
-ieder het denkbeeld dat hij van zijn hemel vormt, aanschouwelijk kon
-maken, gij zoudt nooit gelooven, dat zij hadden voorgehad dezelfde
-plaats te malen. De hemel van sommigen is somber en eenzaam; die van
-anderen gebrekkig en onvolmaakt; deze schildert zich hem geheel aardsch
-en zinnelijk, gene schept hem zich weder zoo bovenzinnelijk, dat hij
-geen hemel voor menschen blijft. De hemel van mijn moeder was eerst
-recht hemelsch! alles wat haar rijke verbeelding heerlijks, wat haar
-vrome ziel reins, wat haar geloovig hart zaligs bevatte, vond zich in
-de voorstelling daarvan terug. Bij haar geen onoverzienbare afstand,
-die hem van de aarde scheidde; geen ondoordringbaar wolkfloers, dat hem
-voor het oog verborg! Voor haar geest smolt hemel en aarde, even als
-voor haar oog aan den gezichteinder, liefelijk en harmonisch ineen. En
-dan dat voorkomen, waarmede zij er van sprak!—Ziet gij, ik heb allen
-eerbied voor de keurige plaatsbeschrijving door menigen Eerwaarde van
-het het hemelsch Jeruzalem op den kansel gegeven. Maar wanneer ik hem
-daarbij onophoudelijk voor zich—zeker op de kaart van het heerlijk
-gewest—zie staren, of uiterlijk zijn oog op de hoorders beneden hem zie
-vestigen, zonder dat zijn blik zich ooit met een uitdrukking van
-ingenomenheid of verlangen naar boven richt: hij vergeve het mij, dat
-daarbij mijn gedachten niet hooger klimmen dan de vinger, dien hij
-telkens opsteekt om de bedoelde streek aan te wijzen, en dat ik van het
-tafereel door hem gemaald niets zie, dan den schilder. Hoe geheel
-anders ging het mij onder het gehoor van dien vromen grijsaard, dien
-menigeen uit deze teekening duidelijk genoeg herkennen zal, die nooit
-van den hemel gewaagde dan met de uitdrukking van een zoo vroolijke
-verrukking en van een zoo vertrouwelijke gemeenzaamheid, dat de meest
-aardschgezinde er door geroerd werd. Op zijn gezicht, door den straal
-eener hoogere vervoering verlicht, zag men als het ware den hemel
-weêrkaatst, dien hij u schilderde, en beter dan de lofzang der Engelen,
-waarvan hij meldde, noodigde u zijn stem, waarin het levendigst
-voorgevoel klonk, naar de gewesten, waarin zijn ziel reeds scheen te
-zweven!—Evenzoo ging het mij onder de gesprekken mijner moeder. Het is
-waar, zij kende geen enkel dogmatisch bewijs voor de onsterfelijkheid,
-en zou aan zoovele wijsgeerige hemelbestormers niets dan een
-onbeschermd hart hebben kunnen tegenstellen. Maar zij geloofde aan den
-hemel! en met een levend geloof, dat het onzienlijke niet droomt, maar
-ziet; dat de hope niet hoopt, maar dadelijk geniet. Van daar was er in
-haar voorstelling van den aanstaanden gelukstaat iets wegslepends, iets
-aanstekends, dat te gelijk overtuigde en meêvoerde! en ik vond in haar
-de spreuk van den vromen man, van wien ik straks sprak, bevestigd: dat
-een godsdienstig mensch meer leert van geloof en godzaligheid, dan het
-beste boek, dat er over geschreven kan worden.—Zeker, God heeft ze
-lief, die hij door zulke liefelijke boden tot zich laat noodigen!
-
-En toch moet gij hieruit niet besluiten, dat zij in haar vromen ijver
-zou vergeten hebben, dat ik zoowel tot een burger der aarde, als tot
-een hemelburger moest gevormd worden. Ook in dit opzicht kon mijn
-opvoeding in geen betere handen gevallen zijn. Niet dat ik hiermede aan
-de verdiensten mijns vaders wil te kort doen. Mijn vader was
-ongetwijfeld een groot en eerbiedwaardig man; nooit was er deugdzamer
-hart of godvruchtiger gemoed; maar toch zou ik, van achteren beschouwd,
-niet gewenscht hebben, dat het werk mijner opvoeding aan hem alleen
-ware overgelaten geweest. Hij was er te koud en te steng toe. Groote
-ongelukken, in zijn jeugd geleden, hadden hem ontijdig vroeg uit het
-paradijs zijner idealen verdreven. Sedert had hij zichzelven beloofd,
-er nooit weder een oog heen te wenden. Deze belofte hield hij trouw.
-Hij bouwde zijn verwachtingen alleen op den vasten bodem der aarde,
-nooit op de drijvende wolken des hemels. Hij beschouwde het leven enkel
-van zijn praktische zijde: en wat er nog dichterlijks in zijn ziel
-sluimerde, behoorde geheel aan een hope, die, ofschoon hooger dan de
-wolken, vaster staat dan de rotsen. Zeker, ik verheug er mij over, dat
-mijn vader zulk een man was. Hij hardde en smeedde het staal, dat mijn
-moeder in het vuur des gevoels warm en week had gemaakt. Met zulk een
-teêr hart als het mijne, wat ware er van mij geworden, als hij nu en
-dan niet eens een raam van de trekkas, waarin zich mijn geest
-verbroeide, geopend had. Indien zijn killer adem er niet van tijd tot
-tijd als een voorbereidend nachtvorstje was overgegaan, hoe zou het
-werkelijk leven als een doodende koude op mijn verwend gemoed gevallen
-zijn. Doch ook aan den anderen kant, hoe zou het mij gegaan zijn,
-indien ik alleen aan zijn leiding ware toevertrouwd geweest, indien
-hij, in de eerste vaag mijns levens, op de beelden mijner fantasie, als
-Don Quichot op de marionnetten, aangevallen ware: indien hij terstond
-mijn witte vleugelen, evenals haar dat te lang is, had afgeknot, en mij
-zoo gekortwiekt de wereld had ingejaagd! Neen, dan ware ik zeker niet
-de mensch geworden, dien hij meende van mij te zullen maken. Hij zou
-gezien hebben, dat hij zich in zijn rekening bedrogen had, door een
-zomer te willen hebben zonder lente, en in den herfst over zijn dwaling
-getreurd hebben. Doch hiervoor was gelukkiglijk geen vrees. Immers mijn
-moeder stond aan de andere zijde naast mij: zij was het, die met
-teedere bezorgdheid over de jeugd mijns harten waakte, en als een
-wachtengel voor mijn paradijs stond. Wetende hoe zalig het is, als men
-in zijn binnenste een wijkplaats heeft, onder wier lommer men zich
-verschuilen kan, als het u daar buiten in de wereld te heet wordt,
-vreesde zij voor niets meer, dan dat dat toevluchtsoord, even als bij
-mijn vader, in een woestenij verkeeren mocht. Daarom daalde zij met mij
-in het Elysium mijner droomen af, en doolde er met mij in rond, zeker
-wel met het gevoel van een Cicerone, wien zijn wandeling verveelt,
-omdat hij die reeds zoo dikwijls gedaan heeft. Maar evenwel, zij
-getroostte zich dit gaarne, en staarde met mij naar de sterren aan
-mijnen hemel, als of zij ze nimmer meer gezien had. Ik ben verzekerd,
-dat gij, zonder misschien de grootheid van dit offer te gevoelen, er de
-waarde van erkennen zult. Althans ik erken die dankbaar. Daardoor toch
-is de invloed, die mijns vaders positieve richting van geest op mij
-uitoefende, nuttig voor mij geweest zonder mij te schaden. Zij heeft de
-veêr bedwongen, maar niet verlamd; zij heeft de snaar ontspannen, maar
-niet gebroken. Ik draag nu mijn dichterlijkheid, niet als een pauw zijn
-staart, die driemaal grooter is dan hij zelf, maar als een eerzame duif
-haar vleugels, die zij uit kan slaan als zij wil gaan vliegen, maar die
-zij onder ’t loopen zoo netjes langs haar lijf plooit, dat niemand ze
-merkt.—De lezer wordt verzocht hierbij niet met het hoofd te schudden
-of te lachen. Ik weet wel, dat ik in zijn gezelschap altijd vliegende
-gezien word; maar dat komt juist uit: want als ik mij aan ’t schrijven
-zet, is het een teeken, dat ik wil gaan vliegen. Kom over een uur, als
-dit artikel af is, en gij zult zeggen, dat gij nooit bedaarder man op
-twee beenen hebt zien loopen, dan den vogel zonder veêren, dien ge nu
-in de lucht ziet.
-
-Maar, zooals ik zeide: eerst nog een oogenblik geduld! gij kunt het mij
-niet ten kwade duiden, dat het mij moeilijker valt dan u, van mijn
-portret te scheiden.
-
-Mijn portret! Laat ik het nu nog eens mogen zeggen: het is een lief,
-onnoozel kinderkopje; te meer, daar ik u even oprecht bekennen zal,
-dat, zoo ooit een gezicht bedrogen heeft, het dit geweest is. Neen,
-lieve knaap! gij zijt niet geworden, wat gij beloofdet. Zooals ik u
-daar voor mij zie, niet die kinderlijke onschuld op het gelaat, zou een
-Engel u voor zijn broeder kunnen houden. Men ziet het dat open
-voorhoofdje aan, dat er nog nooit een blos van schaamte op gestegen is;
-men kan het aan die wangen, frisch en fleurig als een pas opengaande
-roos, zien, dat er nog nooit een bijtende traan van boete langs is
-gevloten; het spreekt uit dat vonkelend oog, dat het zich tot nu toe
-nimmer heeft behoeven neêr te slaan; onbezoedelde reinheid ligt als een
-ongerept waas over het geheele wezen verspreid. Mijn oogen dwalen af,
-en slaan een blik in den spiegel er naast. Goede God! Wat is er van dit
-kind geworden! Als een vergiftigende adem heeft de zonde zijn voorkomen
-verkleurd en ontsteld. Een wind gelijk, die een effen stroom beroert,
-zoo hebben de stormen der ziel de gladde vlakte van dat klare voorhoofd
-in rimpelen opgejaagd; de heldere blos is verdronken in de tranen, die
-hem hebben overstroomd; de oogen hebben hun schitterenden straal
-verloren en lichten nu met het beneveld schijnsel van het lemmet eener
-lamp, waarin de olie troebel geworden is. Gelijk men in Arabië op het
-eerste gezicht de woestijn herkent, waar langs de verzengende simoun
-gewaaid heeft, zoo kan men het mijn geheel voorkomen aanzien: Hier is
-de zonde langs gegaan! Bedroevende aanblik, die mijn bleeke wangen met
-purper van schaamte kleurt, en mijn hoofd als een geknakte bieze op den
-schouder doet zinken.
-
-En was het daarom, dat God mij zoo onnoozel deed geboren worden? En was
-het daarom, dat eens mijn ziel onbezoedeld in mijn onbevlekt lichaam
-woonde, als helder water in even helder kristal;
-
-
- Blank lijfjen zonder smet, blank zieltjen zonder zonde,
- Gepaard in dubble maagdlijkheid.
-
-
-En was het daarom, dat mijn ouders zich als wachtengelen tusschen mij
-en de wereld plaatsten, om mijn zuiverheid te bewaken? En was het
-daarom, dat er zoo veel zorg besteed werd om mij tegen de besmetting
-des kwaads te wapenen? Hoe weinig heb ik aan de mij geschonken
-voorrechten beantwoord!—Kind, kind! lach mij zoo niet aan! Gij hebt
-geen erger vijand, dan den man die voor u staat. Hij heeft een doodslag
-aan u begaan! Hij heeft uwe onnoozelheid vermoord! Uwe onnoozelheid,
-die zoo teêr, zoo zacht, zoo aanminnig, zoo bevallig, die een wellust
-van menschen en engelen was! Maar hem kon zij niet bewegen!
-Onmeêdoogend heeft hij haar gedood. Hoe zij hem ook aanschreide, hoe
-zij hem ook tegenkreet, hij heeft haar opgeofferd. Niet op eens, maar
-langzaam, zonder dat men iets van het aangedane geweld bemerkte. Maar
-toch zoo zeker, dat zij nu wel geheel gestorven is, en in zijn lichaam
-rust als een doode in het graf. Kind, lach mij zoo niet aan!
-
-Helaas! dat is ons aller lot op aarde. Men zou het kunnen vergelijken
-met het lot van de sneeuw. Vlekkeloos valt zij uit den hemel, wordt op
-de aarde bezoedeld, zinkt dan weg in den grond, en vergaat zoo
-geheel.... ten zij, ten zij! het zonlicht enkele heldere droppels uit
-het slijk omhoog trekt. Zoo ook wij! sneeuw in de wieg, worden wij
-slijk op de aarde, en verzinken eindelijk als dras in den grond. Maar
-het zonlicht van Gods genade ontwikkelt uit het bezoedelde nat een
-enkelen klaren drop, dien het ten hemel opneemt.
-
-Is dit zoo? lach mij dan vrij aan, mijn kind! Wij zullen weder vrienden
-worden.
-
-Neen, het is te weinig, dat de mensch alleen over zijn verloren
-onschuld weenen zou. Beween een marmeren beeld, dat gebroken is, het is
-voor altijd weg; maar beween geen gestorvene, die weder kan worden
-opgewekt. Nog eens stel ik mij voor mijn portret. In navolging van den
-Heer, stel ik een kindeke voor mij en wijze er mijzelven op: Indien ghy
-u niet en verandert ende wort gelyck de kinderkens, so en sult ghy in
-het Coninghryke der hemelen geensins ingaan.
-
-Ja, ziedaar mijn voorbeeld! Zoo was ik, zoo moet ik weder worden. Zoo
-was ik uit de natuur, zoo moet ik ook uit eigen keuze en vrijen wil
-weder worden. Het afgelegde gevoel van afhankelijkheid, de verloren
-eenvoudigheid des geloofs, de verleerde gewilligheid der onderwerping,
-de verkrachte onbedorvenheid der onschuld, dat alles moet weder
-aangeleerd of aangenomen worden. De wijsheid, in de beproeving
-verkregen, moet mij bijblijven; maar de besmetting, in de beproeving
-opgedaan, moet worden afgelegd. De wonderspreuk des Apostels moet aan
-mij worden vervuld: Volwassen in ’t verstandt—kinderen in de boosheydt!
-
-Het is droevig, dat zoo velen dit niet begrijpen of begrijpen willen.
-Zij rouwen over hun verloren onschuld, ja, maar als wanhopenden. Zij
-zitten er bij neder; zij vertreuren hun tijd en hun krachten; indien
-zij ze met hun zuchten konden opwekken, zij zou herrijzen! maar te
-vergeefs. Geen tranen wisschen een bevlekt geweten schoon; geen snikken
-roepen een gestorven onschuld wakker. Er moet opgestaan, er moet
-gehandeld, er moet geleden, er moet gestreden worden. Met het beeld
-eens kinds voor het oog, moet men naar gelijkheid met het kind streven.
-O, ik denk, dat het dit is, dat mij kinderen zoo recht dierbaar maakt;
-in ieder van hen zie ik een voorbeeld en leermeester. Daarbij denk ik
-altijd aan Luther, die, toen zijn kinderen eens onder elkander
-krakeelden en spoedig daarna zich weder verzoenden, zeide: Lieve Heere
-God! Hoe aangenaam zijn u toch zulk een kinderlijk leven en zulke
-spelen! Ja, al hun zonden zijn niets dan vergeving der zonden.
-
-Ziet gij, met dit oog beschouw ik de kinderen, die mij omringen. Als ik
-zie, hoe het knaapje aan den schoot der moeder staat, en naar haar
-vertellingen luistert, en, wanneer hem daarin iets ongeloofelijks
-treft, met vertrouwen tot haar opziet en vraagt: „Is dat zoo, moê?” dan
-schame ik mij over mijn vermetelheid, dat ik dikwijls zoo traag was om
-te gelooven, wat mij in de mededeelingen mijns hemelschen Vaders
-onwaarschijnlijk voorkwam, en ik vermane mij zelven: So wie het
-Coninghrijke Godts niet en ontfangt gelyck een kindeken, die en sal
-hetzelve geensins ingaan.—Wanneer ik zie, hoe het kind, dat
-ongehoorzaam geweest is, op het enkele gezicht van de smart, die hij
-zijn vader daardoor veroorzaakt, in tranen van berouw uitbarst, hem in
-de armen vliegt en snikkend uitroept: „Vader, vergeef mij! ik zal het
-niet weêr doen!” dan voel ik mij vernederd door de gedachte, hoe
-dikwijls ik dagen op dagen over mijn overtredingen tegen mijn
-goddelijken Vader liet heengaan, zonder tot het afleggen eener
-ootmoedige belijdenis te kunnen of te willen komen.—Ja, zelfs die
-belofte: „Ik zal het niet weêr doen!” hoe beschuldigde zij mij, dat ik
-zoo vaak om de Goddelijke vergiffenis had durven bidden, zonder mij te
-hebben verbonden door de gelofte om mij voortaan voor de geboete zonden
-te wachten.—Wanneer ik zie, hoe gemakkelijk en gaarne het afhankelijke
-kind van zijn ouderen afhangt, en met volkomen gerustheid en vertrouwen
-van hunne liefde en zorg de voldoening zijner behoefte verwacht, dan
-bloze ik over mijn gedurige bekommeringen tegen den volgenden dag, en
-bestraf mijzelven, dat „ick myne ziele niet en hebbe geset ende stille
-gehouden, ghelyck een gespeent kindt bij syne moeder!”—Eindelijk,
-wanneer ik zie, hoe het kind zich in het midden der booze wereld
-bevindt, zonder nog iets van hare boosheid te hebben aangenomen, daarin
-verkeerende als een witte duif in haar bezoedeld hok, dan jammer ik
-over mijn vatbaarheid voor alle besmetting, en neem mij voor „een kindt
-in de boosheydt” te worden.
-
-Moeielijk, maar ook schoon en heerlijk werk! Zeker dit kan ik mij van
-Luther niet begrijpen, hoe hij zeggen kon, dat hij in den kinderlijken
-leeftijd had willen gestorven zijn, en daarvoor gaarne alle eer
-overgegeven, die hij in de wereld had.—Neen, vader Luther, daarin kan
-ik het met u niet ééns zijn. Zeker geloof ik wel, dat er ook boven een
-school is, waar de lieve Engelen, of hoe de goede geesten anders heeten
-mogen, de taak der ouders en leermeesters bij de vroeg opgeroepen
-kinderkens op zich nemen, en het Christenkind tot een Christen vormen.
-Maar daarom zou ik nog niet durven zeggen, dat het beter was, een
-leerling der hemelsche dan der aardsche school te zijn. Mij dunkt,
-boven kan de strijd zoo zwaar, en daarom de kroon zoo schoon niet
-wezen. En zeker, van alle menschen hadt Gij wel het minste reden om
-zulk een wensch te doen. Gij, die tegen het booze strijdende als een
-held, echter dien heldenmoed onder de karaktertrekken eens kinds
-verborgt, kinderlijkste der mannen en mannelijkste der kinderen! Ook
-verbeeld ik mij, dat gij nu, met den krans der Christenstrijders om het
-hoofd en het witte kleed van Gods kinderen om de leden, het niet anders
-wenschen zult dan het geweest is. Ik voor mij wensch niets beters, dan
-u van verre te volgen, en, indien ik eenige eer in de wereld had, ik
-zou die daarvoor gaarne willen geven.
-
-En spreek gij nu eens, kind-Jonathan! en zeg, hoe het met den
-man-Jonathan staat? Begint gij u zelven reeds in hem te herkennen?
-Vindt gij allengskens in hem die trekken van nederigheid en liefde, van
-gehoorzaamheid en zuiverheid weder, die u eigen waren? O, ik wilde, dat
-ik die vraag met meer vrijmoedigheid doen durfde. Neen, het is nog niet
-in orde, niet waar? Hiér niet—en dáár niet—en dáár niet!—Ik schaam mij
-over deze belijdenis. Maar ga gij slechts voort mij te leeren; dan zal
-ik wel verder komen. Even als Garrick, die voor een portret staande,
-zijn gezicht zoo plooien kon tot hij er op geleek, wil ik met het oog
-op u het gelaat mijner ziele zoolang plooien, tot het uw gelijkenis
-draagt. Zoo hoop ik gereed te zijn, eer de Heer roept. Hij zal geduld
-met mij hebben, en mij niet van de school roepen, eer mijn opvoeding
-voltooid is, hoop ik.
-
-En nu neem ik afscheid van u, schoon het mij moeite kost. Zeker, gij
-biedt een liefelijken aanblik aan. De kindsheid heeft haar eigen
-schoonheid; onschuld ligt als een hemelsche sluier over het aardsche
-beeld. Ook daarin is veel veranderd. Gij herkent mij zoo weinig als ik
-u. Maar ook dit zal weêr veranderen. Als eerst de ziel slechts
-wedergeboren en tot kinderlijke reinheid terug gebracht is, zal het
-lichaam wel volgen. Welk een vooruitzicht! Een nieuwe ziel in een nieuw
-lichaam! Beide, als de phenix, uit haar asch herboren; beide met
-onvergankelijke jeugd getooid! Lieve jongen! hoe gaare zou ik u eens in
-beeltenis aanschouwen, hoe gij er dan wel zult uitzien!.... Maar foei!
-ik zie, dat ik eerst nog wel van u leeren mag, mijn tijd geduldig af te
-wachten!
-
-
-
-
-
-
-
-
-DE BIBLIOTHEEK.
-
-
-** graden Fahrenheit—dat is de rechte hoogte!
-
-Ach lezer! ik ben op het punt om u een leelijk zwak te bekennen.
-
-Ik ben.... ik durf het haast niet zeggen.... ik bid u, als gij in een
-kwade luim zijt, lees dan dit artikel niet! het mocht u voor altijd een
-tegenzin tegen mij inboezemen. Maar, als gij eens in een buitengewoon
-vergenoegde bui zijt, zoodat gij alles zoudt kunnen hooren zonder boos
-te worden, en in staat zoudt zijn uw ergsten vijand te vergeven, sla
-dan deze bladzijde op en heb medelijden met het slachtoffer der
-vreemdste vergissing, waaraan zich de natuur ooit schuldig maakte.
-
-Welnu! ik ben een onzinnig liefhebber van vuur!
-
-Neen, versta mij niet verkeerd, door aan de belijdenis van mijn
-physiologische zwakheid een psychologischen draai te geven. Ik spreek
-niet van dicht-, oorlogs- of godsdienstvuur. Ik bedoel vuur in den
-eenvoudigsten, minst overdrachtelijken zin des woords, kortom vuur, zoo
-als op den keukenhaard en in de kachel brandt! Was ik een filosoof, ik
-zou zeggen: het vuur nu, dat ik bedoel, is die warmtestof, welke door
-de ontbranding van hout, turf, steenkolen of andere ontvlambare stoffen
-wordt voortgebracht.
-
-Ik beken het, het is leelijk. Als redelijk wezen moest men zich boven
-zulk een zinnelijke gehechtheid aan de elementen (of hoe de dingen
-heeten, sedert het geen elementen meer zijn) weten te verheffen. Men
-moest zich van de aarde en het aardsche meer weten los te maken. Men
-moest omtrent de verschillende temperaturen dezelfde onverschilligheid
-leeren koesteren, die een rondtrekkende vogel daarvoor aan den dag
-legt, die zich aan de Ceylonsche rozijnen zat eet, en den dorst,
-daardoor verwekt, met sneeuw van den St. Bernard verslaat. UEd. en zeer
-Gel. heeft gelijk. Ik zal meer toegeven. Zich aldus aan koû of warmte
-te laten gelegen liggen, is afstand doen van een onzer eerste
-menschelijke privilegiën, van namelijk over de geheele aarde te huis te
-zijn, en den contrôleur onzes lichaams naar het klimaat, waarin wij ons
-bevinden, te regelen. Maar UEd. en zeerGel. is Philosophiae Doctor, en
-ik niet, en dat scheelt veel. Ik word er ambts- noch eershalve toe
-geroepen, een impermeable van ongevoeligheid om mijn gevoelige leden te
-slaan, en, om het nu eens kort en lomp te zeggen: ik heb een
-natuurlijken afkeer tegen al wat Stoïcijn heet. Ik word er niet voor
-betaald, zulk een lastige en moeielijke rol te spelen; ik heb mij bij
-den regisseur van het groote wereldtooneel voor het karakter van
-overgevoelige geëngageerd,—en ik mag bevriezen, eer ik dat engagement
-breek! Ik wil pleizierig vinden, wat mij pleizier doet, en onaangenaam
-wat mij niet bevalt. Ik wil zelfs nu en dan sybariet zijn, en tegen een
-gekreukeld rozenblad morren en als gij mij het recht daartoe betwist,
-zal ik zoo vrij zijn u te zeggen, dat—UEd. een Philosophiae Doctor is.
-
-Zoodat, ik hou dol van vuur; en niet zoo, dat ik alleen een vijand van
-koû ben. Neen! ik ben evenzeer een vijand van een gematigde
-temperatuur; ik hou van heet, positief heet. Overal waar ik kom, ben ik
-een geducht mededinger voor hond of kat, die gaarne de eerste stralen
-van de koesterende kamerzon voor zich nemen; en reeds dikwijls zijn
-daardoor de zachtste deelen van mijn onderstuk in gevaar geweest van
-kennis te maken met de hardste ledematen van mijn tegenpartij. Wie mij
-lief heeft werpt, als hij mij ziet aankomen, nog in de vlucht een
-extra-blokje op het vuur. En meer dan een dame van mijn kennis, die mij
-om die onzindelijke passie niet lijden mag, neemt altijd juist een
-nieuw kooltje uit den haard in haar test, als ik binnenkom. Mijn
-gehardheid tegen een groote hitte is zelfs een natuurkundige
-zeldzaamheid, waaromtrent ik het niet eens ben, of ik die
-salamanderachtigheid van mijn huid aan een grillige speling der natuur,
-of aan een hardnekkige oefening moet toeschrijven. Dit is nu zeker iets
-zeer bijzonders, zeer bizars en zeer onaangenaams. Maar mag ik zoo vrij
-zijn te vragen, wat mijn lezer doet, als hem in de constructie van zijn
-lichaam het een of ander niet bevalt? Tot mij te zeggen, wees dan zoo
-koûelijk niet! is of men een kreupele gebood: maar loop dan toch zoo
-niet hinken! gebruik uw beide beenen toch!—Wat baat het immers, of ik
-het al verfoeilijk verwaand en aanmatigend vinde, voor mij, brandnetel
-in Gods hof, de broeikaswarmte van den edelen ananas te eischen? Ik kan
-er niet tegen: de natuur is sterker dan ik. Nooit beging zij grooter
-misslag, dan toen zij mij, wiens lichaam de onbeschaamdste
-vuuraanbidder is die er leeft, in een land deed geboren worden waar men
-van de zon der fireworshippers—leest. Iederen dag, dat ik mij weêr in
-de ruime lucht begeef en mij daar zoo veel mogelijk in het brandpunt
-van onze bleeke dagmaan [3] plaats, met het gevoel van een wrange
-October-druif, wier kleurloos gezicht de natuur stilzwijgend verwijt,
-dat zij haar te veel zuur voor zoo weinig gloed, of te weinig gloed
-voor zoo veel zuur gegeven heeft, vernieuw ik met haar den ouden twist.
-Indien ik een gissing durfde wagen, zou ik zeggen: ik behoor hier niet!
-ik ben hier een exotische plant.—Ik heb mij wel eens laten vertellen
-van zekere steenen, die bij een onweder uit de lucht komen vallen,
-waarvan men verhaald heeft, dat zij van de algemeene verwarring
-daarboven gebruik maken om van de een of andere planeet op aarde te
-komen rollen. Welnu—ik ben zulk een onweêrssteen. Ik ben door een
-noodlottige vergissing van de een of andere warmer star op aarde
-verdwaald geraakt. Wie weet! misschien ben ik oorspronkelijk wel „een
-Zoon der zon” in de meest eigenlijke beteekenis. Hoe het zij, het is
-droevig, en ik noem het onmenschelijk, wanneer men het mij ten kwade
-duidt, dat ik, die in het zomerhalfjaar zoo veel van mijn competente
-portie van warmtestof te kort kome, dat deficit zoek te vergoeden door
-in het winterhalfjaar mijn schâ zooveel mogelijk in te halen.
-
-In den winter—
-
-
- Dan zomert het binnen bij beukstam en veen,
-
-
-zingt de Dichter: goed, maar met dit gelukkig onderscheid, dat dan
-ieder zijn eigen Hore kan zijn, en den zonnewagen zoo dicht bij zijn
-gestarnte rollen als hij verkiest. Dan wordt men door geen tyrannieke
-wetten van aantrekkings- of afstuitingskracht gedwongen, zijn corpus
-altijd op denzelfden eerbiedigen afstand van vijfentwintig jaren
-(kanonskogelmaat) van het verwarmend middelpunt te houden. Zalige tijd!
-Dan heb ik niet naar boven te zien, om mij te beklagen, dat de hond in
-den dierenriem noch niet dol van hitte, en de kreeft noch niet rood
-gekookt is door het vuur dat onder hem gestookt wordt. Dan maak ik met
-mijn thermometer mijn eigen zodiac, en schep naar verkiezing een
-Oostersche, ja, een Keerkringswarmte.
-
-Lach mij uit, zoo gij wilt; naast mijn haard gezeten trotseer ik u, en
-daag u uit mijn genoegen door uwe spotternij te bederven. O, mijn
-redelijke en zedelijke lezer, in de stemming van algemeene
-menschenliefde, waarin mijn tegenwoordig lekkere atmosfeer mij brengt,
-kan ik niet nalaten u tegen wil en dank een wensch op te dringen: het
-is, dat gij ook in den wereld iets stoffelijks zoo lief moogt hebben,
-als ik mijn vuurtje! Rijkdom, liefde, roem, macht, het is alles
-bedriegelijk en aan verandering onderworpen; maar iets materieels als
-een vlammende haard deelt in die wisselvalligheid niet. Altijd is hij
-heet, even heet, en even gereed mij te verwarmen. Ontrouw grieft hem
-niet. Na een geheelen zomer in donkere eenzaamheid gekwijnd te hebben,
-is in het najaar een blozende glimlach zijn eerste welkomst.
-Verkwisting put hem niet uit, want al heeft hij den vorigen dag stapels
-hout verslonden, een oogenblik, en hij brandt weêr met dezelfde
-geestdrift. Zijn schoonheid is onvergankelijk; want al teisterden hem
-de jaren, zijn wang blijft rood, zijn oog vonkelen, zijn geheele
-houding is vol vuur en leven! En wat niet minder zegt, terwijl van den
-anderen kant de vatbaarheid voor de meeste der overige genoegens met
-den leeftijd vermindert, de vatbaarheid om zich te verwarmen neemt met
-de jaren eer toe dan af. Hoe ouder men wordt, hoe meer onze rechten op
-een sterke dosis warmte erkend en geëerbiedigd worden; en, wanneer ik
-aan sommige volken denk, die de weelde zoo ver drijven van na hun dood
-niet weg te slinken, maar weg te knappen, dan moet ik zeggen—dat die
-een zeer warm uiteinde hebben.
-
-Intusschen verzoek ik mijn haastigen lezer, zijn vlug oordeel over de
-mogelijke gevolgen van zulk een hartstocht nog een oogenblik op te
-schorten. Zoo protesteer ik er volstrekt tegen,—en verzoek dat mij van
-dit protest acte verleend worde,—dat ik aan deze warmteliefde mijn
-winterplichten of eenigen anderen plicht hoegenaamd zou opofferen. Ook
-heb ik daartoe geen verzoeking. Want ik bid u instantelijk, mijn
-vuurzucht niet te verwarren met de lafhartige vrees voor koude, die
-sommige menschen bezielt. Ik kan u zeggen, dat ik „van haar en van hen”
-een vinnigen afkeer heb. Ik zeg met de liefhebbers: kou is gezond! dat
-spiert de spieren en spant de zenuwen; dat verstaalt het bloed, als het
-metaal de minerale wateren; dat verfrischt den adem, zoo als het de
-lucht doet; dat verhardt den mensch met den grond, waarop hij gaat.
-Alles waar! Ook mag ik gaarne een helderen kouden winterdag, wanneer u
-van de lippen van het blonde Noorden „gezondheid tegenvlot.” En een
-schoone winternacht, wanneer de sterren zoo koud en klaar aan den hemel
-tintelen, als de juweelen op het sneeuwbed aan uw voeten—willen wij
-pariëren, wien van ons beide de klapperman daarin het eerst buiten zal
-aantreffen? Gij gevoelt dus, dat ik om een kouden tocht geen zieken
-vriend of armen buurman onbezocht zal laten. Herinner u mijn St.
-Nicolaas-wandeling maar! Ja, ik durf meer zeggen. Toen de Koning zijn
-trouwe onderdanen opriep, om hem den dienst van hun arm te leenen,
-verliet ik mijn kamer, waar ik juist mijn kachel had laten zetten,
-zonder omzien, en trok met een warm hart den vijandelijken winter
-tegen. En ofschoon de Novembermaand van 1830 al een zeer barre maand
-was, met de hand op het hart kan ik zeggen, dat ik geen oogenblik om
-mijn vuurtje gezucht heb. Herinnert gij, die met mijn vuurpassie spot,
-u den nacht van 24 op 25 November nog? Gij herinnert hem u wel, mijn
-vrienden! die hem met mij in een stroohut doorbracht, waarin de kegels
-aan de sparren hingen, die ons verwarmden, en de soep aan den rand van
-den emmer bevroor, waaruit wij het maal onzes bescheidenen deels
-moesten opdiepen! terwijl wij van tijd tot tijd verzocht werden, op den
-omloop van een nabij gelegen molen, gedurende een paar uur proef te
-gaan nemen, hoeveel de koude op dien hoogeren stand die van ons
-Laplandsch verblijf beneden nog te boven ging. Wie uwer, die ik hier
-met name zou kunnen noemen, herinnert zich uit dien nacht iets van een
-wapenbroeder, die tegen de koude morde of het geweer niet recht in de
-verkleumde armen droeg?
-
-Verschoon mij, vriendelijke lezer! Ik moest mijzelven daar in ’t
-voorbijgaan eens prijzen. Gij die reeds zoo veel van mij weet, moet
-toch ook weten, dat ik, met al mijn overgevoelige theoriën, een
-praktisch liefhebber van mijn vaderland ben. En daarenboven,
-Mijneheeren! is de aanhaling in casu van toepassing, daar er mijn
-kliënt ten hoogsten aan gelegen ligt, niet voor een kleumschen luiaard
-of vertroeteld wittebroodskind te worden gehouden.
-
-Het is waar ook, ik zou u iets van mijn Bibliotheek verhalen. Maar ik
-kon niet zoo lomp op mijn onderwerp vallen, zonder eerst mijn hulde en
-dank gebracht te hebben aan mijn warmen vriend en buurman, die mij in
-zulk een aangename stemming van geest brengt, dat ik den lust niet kan
-wederstaan, een schoon velletje papier en een nieuw versneden pen te
-nemen, om aan mijn genoegen schrijvende lucht te geven. Besteedt menig
-Dichter een goed deel van zijn vers aan de oproeping van de Muze, die
-hem bezielen moet, dan mag ik wel een gedeelte van mijn opstel aan mijn
-kachel wijden, die de bezielende geest van mijn schrijflust is.
-Calescimus illo! En indien gij een menschlievend mensch zijt, die
-gaarne in eens anders vreugde deelt, dan moet het u goed doen, zoo
-dadelijk aan het hoofd van deze schets, de uitboezeming van een
-tevreden en dankbaar hart te vinden.
-
-En hoe kan het anders? hier zit ik op mijn aangename comfortable kamer.
-Mijn trouwe huisklok staat voor mij, en telt voor mij de gelukkige
-oogenblikken, die ik beleef, terwijl mijn hart zoo rustig in mijn
-boezem spint als de poes, die op de warme kruk? bij het vuur ligt.
-Editha en Judith blijven als vaste starren ieder in haar sfeer, zonder,
-zoo als wel eens gebeurt, als onrustige kometen door het huis te
-zwerven. De hagel kletst tegen de ruiten en op den hemel van de
-koetsen, die mijn huis voorbij rollen om hun opgeschikte vracht naar de
-komedie te brengen, waar voor de zevende maal Raton door Bertram bij
-den neus, en het publiek door den bureaulist bij de beurs zal genomen
-worden. Het is iets ongeloofelijk rustigs in zijn huisjapon te zitten,
-als anderen zich de moeite geven hun beste pak naar een tentoonstelling
-te dragen. Mijn kachel—doch daarvan heb ik reeds gesproken. Maar
-waarvan ik nog niet gesproken heb, is mijn Bibliotheek!
-
-Van den oudsten tijd af zijn gordijnen iets geheimzinnigs, waarvan de
-reden veel gemakkelijker te vinden is, dan lucus a non lucendo. Reeds
-als een een kleine jongen stond ik met glinsterende oogen naar de bonte
-hoes te loeren, die de causa movens der marionetten voor mij verborg.
-Wat ouder geworden, stond ik met de dezelfde nieuwsgierige verbeiding
-voor het doek, waarop der kunsten God aan ’t Y, veel te lang voor mijn
-ongeduld, verdiensten en deugd alleen bekroonde. Als jongeling hadden
-weêr schoone gestalten, wier schaduwen zich in schemerende omtrekken op
-een nijdige gordijn teekenden, voor mij haar eigenaardige
-aantrekkelijkheid. Maar nooit rustte mijn oog met grooter verwachting
-op eenig voorhangsel, dan op het dikke groene kleed, dat ginds mijn
-boeken in hun plankenwoning van de buitenwereld scheidt. En toch, nooit
-vond mijn verwachting volkomener vervulling. Anders—laat men er u voor
-waarschuwen, mijn jonge vrienden!—zijn gordijnen niet veel te
-vertrouwen. Meestal zijn het bedriegelijke sluiers, die de hebzucht of
-de ijdelheid over de nietigheid der aardsche dingen spreidt. Althans
-sedert ik mij menigmalen, achter het doek getreden, den prijs
-beklaagde, dien ik er vóór staande betaald had, heb ik een besluit
-genomen, voortaan alle overdekte geheimen geheim te laten, en mij met
-het ontdekte en bekende te behelpen. Maar dit moet ik tot eere van mijn
-Bibliotheek zeggen, zij is een uitzondering op den regel. Achter haar
-nederige gordijn liggen schatten verborgen, waarvan gij op het aanzien
-van verre geen vermoeden zoudt hebben. Met welk een begeerlijke hand ik
-haar ook immer opsloeg, altijd liet ik haar met nog grooter voldoening
-vallen, als ik den Auteur, dien ik aan haar schaduw onttrokken had,
-weêr aan haar bescherming toevertrouwde. Ja, mijn eenvoudige voorhang!
-Gij bedekt voor mij een geheele schoone wereld van gezichten en
-droomen! Gij bewaart voor mij den ingang tot het Heilige der
-wetenschap, tot het Allerheiligste der hoogste kennis! Gij overspreidt
-als een wolk het Elysium, waarin de Wijzen en Edelen van alle tijden
-voor mij herleven, en mij met hunne godenstemmen toespreken!
-
-Dat klinkt wat opgewonden, niet waar? Maar mijn Bibliotheek is ook
-zóóveel voor mij!
-
-„Menschen”, schrijft een vaderlandsch Humorist, „die genoodzaakt zijn
-de ruime wereld door te trekken met even weinig deelneming, als een
-vogel door de lucht vliegt, of als Mr. Sharp in zijn reiskoets Italië
-doorrolde, heeft de Hemel deswegens vertroost, door hen te plaatsen in
-hunne studeerkamer, in eene maatschappij van boeken, en de macht
-verleend om rondom zich een papieren wereld te scheppen, waarvan zij de
-onafhankelijkste wetgevers zijn.”
-
-Zou de man gelijk hebben? Ten minste ik heb het daaraan toegeschreven,
-dat mijn kleine boekverzameling zulk een ruimte in mijn hart en in mijn
-leven vervult.
-
-Ziet ge, niet alle menschen, die ’s avonds na gedaan dagwerk t’huis
-komen, komen op dezelfde wijze t’huis. Er is bijvoorbeeld een
-Tehuiskomst, door mijn lievelingsdichter beschreven:
-
-
- Goeden avond, hartig wijf,
- Mijn geluk en lust!
- Dat mij vurig prangt aan ’t lijf,
- En mij welkom kust.
- Goeden avond!—
- Eerst nu ’t wiegkleed opgedekt
- Van het speelziek wicht,
- Dat de handjes tot mij strekt,
- Reeds met de oogjes digt.
- Eerst mijn kussen omgedeeld.
- Tusschen al mijn kroost,
- Dat mij hand en wangen streelt,
- En mij kust en koost.
-
-
-Dat is weêr anders, dan wanneer men ’s avonds in zijn woning
-terugkeerende niets te vragen heeft, dan: Judith! is mijn kamer in
-orde?—Nauwelijks heeft de oude Ja gezegd, of vijf minuten later sta ik
-voor de gordijn—van mijn boekenkast. Dat zijn mijn lievelingen, mijn
-speelpopjes, mijn kinderen! Die moeten door hun onthaal mij de moeite
-van mijn dagelijkschen arbeid beloonen. Die moeten door hun gesnap mij
-den langen avond korten. Die moeten door hun lachjes mijn rimpels
-verdrijven. Die moeten mij van liefde en geluk spreken!—Brr! het
-mislukt hun wel eens. Gij zoudt mij soms wel eens vinden, met de hand
-waaraan het geopend boek ontzonken is onder het hoofd, en in diep
-gepeins verloren, terwijl mijn papieren kroost vruchteloos de handen
-naar mij uitstrekt en mijn aandacht zoekt te trekken. Maar dat zijn
-maar enkele donkere buien, die straks weêr afdrijven. Over ’t algemeen
-heb ik mij over mijn Bibliotheek, noch zij zich over mij te beklagen.
-Veeleer heeft zij alle reden van roemen; want—wat zoo hatelijk voor een
-boekvertrek is—nooit dringen er dartele gasten binnen, om van mijn
-folianten een vesting te bouwen, die zij daarna met mijn duodecimo’s
-beschieten. En evenmin heeft zich ooit een van mijn boeken te beklagen,
-dat er onder het lezen op eens een vriendelijke gestalte achter mij
-staat, die met een zachte hand mijn peinzend voorhoofd streelt, hetgeen
-zoo licht een geheele stoornis in de lektuur veroorzaakt.—Neen, als ik
-eens haar drempel ben overgetreden, sum totus in illo. Dan ben ik enkel
-boek: dan verdiep ik mij welhaast zoo geheel in de wereld, waarin zij
-mij inleidt, dat ik de wereld buiten mij vergeet. Inderdaad, na een
-Bibliothekaris geloof ik niet, dat een Bibliotheek een beter meester
-hebben kan, dan mij.
-
-Nu ik moet haar de getuigenis geven, het is bij haar: liefde voor
-liefde. Ik zou vruchteloos beproeven u een denkbeeld te geven van het
-genoegen, dat ik haar te danken heb.
-
-Zoo is het bijvoorbeeld heerlijk reizen, dat ik doe. Ik begin met mijn
-reispak aan te trekken. Dit bestaat uit een blauwdamasten kamerjapon
-met driekleurige sjerp, fluweelen kalotje en saaietten pantoffels, door
-de hand van Editha gewerkt. Daarna neem ik plaats op mijn voertuig. Een
-hooge stoel met breeden rug, lage zitting en bekleede armen. Na mij
-alzoo in postuur te hebben gezet, geef ik het teeken van vertrek....
-het boek valt open.... en binnen vijf minuten rij of zeil of stoom ik
-dat het een aard heeft. Ha! hoe het er over heen gaat! De
-zevenmijlslaarzen uit de fabel loop ik wel tienmaal voorbij. Indien
-iemand tegen mij zou kunnen reizen, moesten het de heksen van den
-Bloksberg op haar bezemstelen zijn. Belangrijke tochten, die ik alzoo
-doe! De hoogste hoogte van den Montblanc wordt door mij betreden, tot
-in de diepste laagte van den Vesuvius daal ik af; nu wasch ik mijn
-handen op den Chimboraço in de wolken, dan zoek ik in een duikersklok
-op den bodem der zee de schatten, waarvan de Peri’s zingen. Nu nader ik
-tot aan de „schatkameren der sneeuw en de schatkameren des hagels;” dan
-zwerf ik door de diepten, waar het zout groeit en het ijzer geboren
-wordt; nu zie ik de aarde à vol d’oiseau, dan à vue de taupe. Vreemde
-en gevaarlijke uitspanningen, die ik mij daarbij veroorloof! Ik hengel
-met den harpoen naar walvisschen, zet olifantsknippen uit, jaag op
-arenden en klipgeiten, ga uit tijgeren met tijgerstrikken, botaniseer
-aloë’s en kokosnoten, en antiquariseer pyramides en andere
-kleinigheden. Dit niet alleen. Door het aanzien van mijn reisgenooten,
-zie ik veel meer dan de gewone reiziger. Ik dring met onzen Van Braam
-in de audiëntiezaal van den Keizer van China; Lamartine opent mij den
-toegang tot de Koningin van Palmyra; Byron leidt mij in bij Ali van
-Janina; zelfs ontsluit Lady Montague mij den harem des Sultans. En dat
-alles zonder eenige vermoeienis of hinder! De slapelooze zon der
-Morgenlanden moge met „ongebogen stralen” op mijn hoofd branden, de
-Noordpool mij met haar kouden adem in het gezicht blazen, ik blijf er
-kalm onder. Ik ben getuige van de vreeselijkste stormen, hoor de
-verschrikkelijke monsters brullen, adem de verpestendste dampen in,
-drink sneeuw aan de bron en gluur door de tralies van den grooten
-aard-oven, zonder er het minste kwaad van te hebben. Het is wonderlijk!
-Er bestaat tusschen mij en mijn reisgenoot een zonderlinge graad van
-sympathie. Ik zou haar willen vergelijken met die van Meleager voor
-zijn houten dubbelganger, wiens brand hem mede verteerde; maar met dit
-onderscheid, dat het vuur, hetwelk den ander verschroeit, mij niets dan
-een pleizierige warmte veroorzaakt. De schokken, die zijn zenuwen
-dreigen te verscheuren, kittelen de mijne op een aangename wijze; de
-angsten, die zijn gestel uit elkander schudden, veroorzaken het mijne
-een genoegelijke huivering; het verschrikkelijke en medelijdenswaardige
-van zijn toestand wordt voor mijn gevoel in een zoete voluptas tragica
-gedistilleerd. Gelukkige kamerreizigers! Zij laten de reizigers rondom
-de wereld de kastanjes uit het vuur halen, waaraan zij zich te goed
-doen.
-
-Maar niet alleen voert mijn Bibliotheek mij door de aarde zoo als zij
-is en haar bewoners zoo als zij zijn; maar zij voert mij ook naar een
-aarde zoo als er geen is, en bewoners zooals er niet zijn. In haar
-schoot berust het houten zwaard van Arlequin, dat u met een tooverslag
-uit de wezenlijke wereld naar een wereld van verbeelding verplaatst.
-Zij verstaat de kunst om den draak van den tuin der Hespriden te
-verschalken; de Gelukkige Vallei is voor haar niet verborgen; de hal
-van Eblis weigert haar geen toegang; het eiland van Prospero daagt voor
-haar uit de zee; het paleis van Mahomed ontsluit zijn gouden poorten;
-de Cherub van Eden draagt voor haar geen vlammend zwaard; ja, de
-Engelen ontzeggen haar niet een enkelen blik in hun zalige verblijven
-te werpen. Dat is iets heerlijks! O, het is op aarde wel schoon en
-goed, en zij is, zoowel als eenig ander deel der schepping, een tooneel
-van Gods almacht en liefde: de vrome Camphuijzen heeft gelijk:
-
-
- Och, waren alle menschen wijs,
- En deden daarbij wel,
- Deze aarde ware een paradijs.
-
-
-Maar toch is het een wellust voor iemand, wiens verbeelding verder
-reikt dan zijn oog, zich somwijlen met zijn geest in een volmaakter
-schepping te verplaatsen, waarvan het onvolmaakte der oude aarde is
-afgescheiden, de borst, door de nevelen van onzen dampkring beklemd, in
-een zuiverder aether te verruimen en te verkwikken, en zich in een
-eeuwige lente over de winters der aarde te troosten. Toch is het een
-wellust voor iemand, wiens verwachting verder reikt dan zijn gezicht,
-zich de nieuwe aarde te droomen, „nederdalende uyt den hemel, als een
-bruyt die haren manne verciert is;” of als Mozes in verrukking de
-woning in de lucht te aanschouwen, die men later in wezen hoopt te
-zien. Gelukkig alzoo voor hem, die dit verlangen in zich voelt
-ontwaken, dat hij Dichters en Zangers gereed vindt om hem op zulk een
-luchtreis te geleiden. Gelukkig wie Dante en Tasso, Shakespeare en
-Moore, Vondel en Bilderdijk, Klopstock en Schiller kan oproepen, om hem
-op de vleugelen van hun rijker verbeelding en stouter genie tot die
-hoogte op te heffen. O, wie ook, zwaar van hoofd en zwaar van hart,
-door zijn ongeloof de bezwering dier Toovenaars moge verbreken; wie
-zich door hen moge laten omhoog voeren, als de schildpad door den arend
-in de fabel; ik niet alzoo. Ik geef mij gaarne en gewillig aan hunne
-leiding over: ik zie hunne gezichten, ik droom hunne droomen, ik smaak
-hunne wellusten. Mijn nederige cel! Niemand zou vermoeden, welke
-betoovering dikwijls voor uw bewoner uw eenvoudig verblijf in een
-heerlijk lustoord veranderde. Niemand zou kunnen denken, dat die lompe
-gordijn visioenen verbergt, waarbij al wat er ooit schitterends van
-achter een tooneelgordijn te voorschijn kwam, poppenspel is. Niemand
-zou gelooven, dat die kleine trap, die mij naar de bovenverdieping van
-mijn Bibliotheek voert, dikwijls een Jacobsladder is, die mij helpt om
-ten hemel op te klimmen. Heerlijke poëzij! Hoe wèl voegt gij op een
-aarde, die een verloren paradijs beweent en een herwonnen paradijs
-verwacht!
-
-Maar niet alleen voert mijn Bibliotheek den huiszittende naar andere
-gewesten, maar zij brengt ook den eenzame onder andere menschen. En
-welke menschen! Onder de wijssten, de edelsten, de grootsten, de
-welsprekendsten van alle tijden. Hier staan zij allen op een rij
-geschaard, gereed om op den eersten wenk tot mij te komen en zich met
-mij te onderhouden. Ja, wat meer is, om mij als met den room van hun
-geest, den bloesem huns harten en het merg van hun vernuft te voeden.
-Gelukkige uren, die ik, onwaardige, in den kring dezer voortreffelijken
-doorbreng. En welk een verrukkelijke afwisseling bieden zij mij aan! Nu
-is het mij, of ik mij op de markt van Athene bevinde, en de donders van
-Demosthenes tegen den Dwingeland hoor losbarsten; dan verteedere ik mij
-onder het gehoor van Tullius over den schuldig-onschuldigen Ligarius;
-straks voel ik mijn hart breken over het ellendig schouwspel van de in
-het stof wentelende Hecuba; wil ik mijn smart daarover verzetten, ik
-ontspan mij met de snakerijen van den groot sprekenden Thraso; elders
-wederom meng ik mij onder de feestvierende schare, die het Olympisch
-worstelperk omringt, maar de hoogste kroon toekent aan den zanger, die
-de kroon des overwinnaars verheerlijkt; of begeer ik zachter tooneelen,
-ik ben getuige van de onschuldige dartelheid van Nausikaä, de
-ondeugende schalkheid van Eunika, of sta als rechter over de zangen van
-Menalcas en Damoetas. Op andere tijden daarentegen verlaat ik den
-klassieken bodem, om mij met mijn geest in later dagen te verplaatsen.
-Dan vergezel ik Dante op zijn geheimzinnige tochten; dan laat ik mij
-door Racine in de schoone wereld overbrengen, die zijn maagdelijk reine
-verbeelding zich opende; dan dool ik aan de zijde van Schotland’s
-Meistreel langs de schilderachtige bouwvallen, door het genie des
-dichters met een tooverachtigen gloed bestraald; dan zie ik met
-bewondering in Göthe’s Ifigenia den geest van een jong leven in een
-beeld der oudheid geblazen. Maar bovenal dan verrukken mij de heerlijke
-scheppingen der vaderlandsche kunst. Dan adem ik, luisterziek over
-Hoofts luite heengebogen, de balsemluchten van Florence; dan hoor ik,
-aan Vondels lippen geboeid, hemelsche stemmen in den aardschen
-kerstnacht klinken; dan roepen de zangen der Van Harens, als een
-droomgezicht, schooner dagen voor mij terug; dan vermeide ik mij met
-Bilderdijk in den aanblik van het jeugdige aardrijk; dan beluister ik
-Tollens onder zijn kinderen in de uitboezeming van het zuiverste
-menschengevoel, dat ooit een menschenhart deed kloppen. Eileive, vraag
-mij dus niet, of ik tot eenige, en tot welke school ik behoore. Vergun
-mij geen school te kiezen, maar een eclecticus te blijven. Waar ik het
-schoone vinde, al is het onder het stof der oudste oudheid, al is het
-onder het waas der nieuwste nieuwheid, laat mij toe het schoon te
-vinden. In mijn Bibliotheek heerscht een algemeene vrede, gelijk die
-van 1815. Aristoteles verbroedert zich met Shakespeare, Socrates met
-Mirabeau, Horatius met Victor Hugo, Quinctilianus met Jean Paul. Kan
-het anders of het schouwspel dier onderlinge verdraagzaamheid moet ook
-mij tot onpartijdigheid stemmen?
-
-Gij zoudt lachen, mijn deftige lezer, indien ge mij somwijlen zaagt,
-terwijl ik mij in de beschouwing en genieting dezer heerlijke schatten
-verdiepe. O, het hart kan mij daaronder zoo hoog slaan! Zoo kan ik het
-met geen woorden beschrijven, wat ik gevoel, wanneer ik zoo dikwijls
-bij mijn schrijver menige gedachte, menige gewaarwording uit mijn ziel
-gestolen vinde, als hadden zij achter mij gestaan of in mijn hart
-gelezen. Bovenal wanneer ik die gedachte of gewaarwording duidelijker
-zie uitgesproken, dan ze in mijne ziel schemerde. Wanneer ik een
-lievelingsdenkbeeld, lang weifelend bij mij omgedragen, en beurtelings
-aangenomen of verworpen, door een vreemd en groot gezag bevestigd
-vinde, dat aarzelende hope in vast geloof verandert! Wanneer ik in de
-droomen van anderen mijne droomen herkenne, maar helderder gedaagd,
-aanschouwelijker gemaald en schooner gekleurd! Wanneer ik door den mond
-van anderen het voor mij onuitsprekelijke hoor uitgesproken en alleen
-zeggen kan: Anch’ io!—O, het is heerlijk! En al is het, dat er geen
-dadelijke overeenkomst van gedachten tusschen mij en mijn Auteur
-bestaat, welk een aangename gewaarwording evenwel, zich aan de voeten
-dier groote geesten neder te zetten en den honing der wijsheid van hun
-lippen op te vangen. Voorzeker, het is een nietig mensch, die het geen
-wellust vindt, grooter zielen aan te treffen dan de zijne; klaarder
-spiegels, waarin het verheven-goddelijke en schoon-menschelijke
-helderder afschijnt; teederder snaartuigen, die door het
-hemelsch-majestueuse en het aardsch-bevallige lichter en welluidender
-geroerd worden; zuiverder wierookvazen, die voor het eeuwig-heerlijke
-en het tijdelijk-beminnelijke met reiner vlammen branden. O, wanneer ik
-alsdan in zulke groote zielen lezende, daarin minder dan in de mijne
-het beeld des Scheppers verdonkerd en uitgewischt vinde, hoe verheft
-zich mijn geest bij de gedachte: „Wy syn Godts geslachte!” Hoe hoog
-klopt mijn hart over mijn verwantschap met die toonbeelden van
-menschen-adel! Ja, dan versterkt zich niet alleen mijn hope op een
-ander leven, maar het krijgt tevens voor mij als ware het een
-herkenbare gedaante. Was het dat ik mijzelven wel eens in moedeloosheid
-afvroeg, hoe ik eenmaal aan het ideaal zou beantwoorden, dat zich mijn
-geest van den verheerlijkten mensch vormde, het was of ik bij hen
-daarvan reeds eenige trekken ontwaarde. Wanneer een Bossuet, zoo met
-recht de adelaar van Meaux genoemd, wiens arendsoog een blik op de
-ongeschapen zon kon werpen zonder duizelig te worden, mij tot voor den
-troon des Eeuwigen voerde. Wanneer Fenelon, zoo treffend de zwaan van
-Kamerijk geheeten, in de uitboezemingen zijner engelzachte ziel woorden
-scheen gevonden te hebben voor de onuitsprekelijke teederheid der
-hoogste liefde. Wanneer onze Chrysostomus, wiens naam eerbied op mijn
-lippen terughoudt, maar door ieder in het hart genoemd wordt, het
-aanbiddelijk geheim van de vriendschap des Eeuwigen voor zijn
-menschenkind voor zich scheen te hebben opgelost, en in zijn
-Aartsvaderlijke tafereelen mij in den Schepper van hemel en aarde den
-God, wat zeg ik, den Vriend van Abraham aanschouwen en beminnen deed.
-Wanneer een Klopstock in zijn Messias de verhevenheid van den Ziener
-van Patmos met den liefde-ademenden geest van den Zebedeus-zoon scheen
-te vereenigen, en met onnavolgbare kunst het majestueuse van den Zone
-Gods met het beminnelijke des Menschenzoons tot een enkel harmonisch
-beeld ineensmolt. Dan scheen het mij in zulke oogenblikken, of door die
-menschen het hemelsche nader tot mij kwam. Mij dacht, van de leere die
-zij predikten omtrent de onlosmakelijke verwantschap tusschen God en
-den mensch, waren zij niet minder bewijzen, dan getuigen. In hunnen
-boezem droegen zij het onderpand eens hoogeren levens om; in hen zag ik
-den eersten schalm van die keten van volmaaktheid, die,—duizelende
-gedachte!—bij den troon des Oneindigen eindigt!.... O, noem het
-overdrijving, noem het dweperij, zoo ge wilt, ik zal er niets anders op
-antwoorden dan met den wensch, dat gij ten minste eenmaal dat gevoel
-kennen moogt, als ik!
-
-Evenwel niet alleen van het goddelijke in den mensch, ook van het
-menschelijke in hem laat ik mij door mijn lievelings-schrijvers
-verhalen. Het is mij zoo wèl en goed, als door zulk een beschouwing het
-geloof aan menschenwaarde en menschendeugd,—dat daar buiten wel eens
-een schok krijgt,—op nieuw in mij versterkt wordt. Als ik zie dat er
-nog zijn, wier hart den indruk van den vinger des Scheppers behield; in
-wier bloed „de melk bleef”, waarmede een vrouwenborst hen voedde; wier
-tranen nog vreemde smart beschreien en wier handen nog vreemde tranen
-drogen kunnen. En waarom het ontkend, dat ik daarbij niet vrij van
-partijdigheid ben omtrent die halflachende, halfschreiende
-Aprilskinderen, die mijn verstandiger lezer met spotachtig
-schouderophalen Humoristen noemt? Kan ik het helpen, dat op het klavier
-van mijn hart die snaren het eerst en zuiverst klinken, die door hun
-vingers worden aangeslagen? O, Yorick! Yorick! hoe meesterlijk verstaat
-gij de kunst om de toetsen van mijn ziel te bespelen. Verrukkelijke
-uren, die ik achter u op uw klein paardje gezeten, en met u over bergen
-en dalen, door steden en gehuchten zwervende doorbreng. Wat gaat het
-mij aan, of gij mij al langs onophoudelijke kronkelpaden voert, en
-telkens uw eigen weg schijnt vergeten te zijn; gij kent toch den weg
-door het menschelijk gemoed uitmuntend, en, waar gij ook henen dwalen
-moogt, in dien doolhof verdoolt gij nooit. Wat vraag ik er naar, of uw
-rede dikwijls naar een pijl gelijkt, die door den wind opgenomen,
-vademen ver van het doel slingert? Gij weet toch het kortste pad naar
-mijn hart, en uw doel om dat te roeren bereikt gij altijd. Wat kreun ik
-mij er aan, of hier en daar een enkel woord uw radde lippen ontvalt,
-dat een voorzichtiger man zou hebben binnen gehouden? Juist dat
-uitpakken van uw geheele mars met al wat er goeds en kwaads in u is,
-met de argeloosheid van een kind, dat zijn geheele hart voor ons
-omkeert en leêgstort, juist die naïve oprechtheid is het, wat mij in u
-zoo zeer behaagt. Gij bedelt ook niet om onze bewondering en vergoding;
-gij vertoont u aan ons als een gemeenzaam vriend met al uw grootere en
-kleinere zwakheden, maar ook zoo, dat wij u als een vriend moeten
-liefhebben. En wie ook laag op u nederzie, met al uw gebreken zijt gij
-een heerlijk man, op wiens menschelijke verwantschap ik trotsch ben. En
-het is voor mij altijd een verrukkelijk genot, als het uurtje gekomen
-is:
-
-
- Kom, bij ’t vuur de koude ontweken,
-
- Zal vriend Yorick voor ons preken.
-
-
-Vriend Yorick! helaas, een vriend naar den geest. Een vriend, nooit
-door mij gezien of gekend! Een vriend—ik hoop het—later door mij te
-zien en te kennen! met zoo vele anderen, met wie mij hier reeds de
-gemeenschap der ziele verbond, ofschoon het mij nimmer te beurte viel
-hun aangezicht te aanschouwen. Heerlijke gedachte! Als al die groote
-geesten, die hier in het afgietsel hunner schriften voor mij
-vertegenwoordigd werden, mij niet meer als schemerende schimmen, maar
-als levende gedaanten omringen zullen. O God, hoe zalig moet het in uw
-hemel en onder hemelingen zijn, als het ons hier op aarde en onder de
-aardsche menschen dikwijls reeds zoo wèl kan wezen!
-
-Maar, gelukkige die ik ben! Niet alle vrienden dáár in mijn boekenkast
-dragen dien naam in een zoo onbepaalden zin. Er zijn er verscheidene
-onder, die het niet beneden zich geacht hebben, Jonathan een nederig
-plaatsje in hun vriendschap te schenken. Dat is een voorrecht, waarvoor
-ik de hand, die ons bij elkander bracht, dankbaar zegene. Het is toch
-iets eigenaardigs, het werk van een vriend te lezen of te genieten.
-Daarvoor gaat het hart nog geheel anders open dan voor de stem, die wij
-nooit levende hoorden. Bij het openen van hun schriften is het alsof
-zij tegenover ons plaats namen. Onder het lezen is het alsof hun stem
-ons toeklinkt, en, wat het voornaamste is, te gelijk met het gevoel van
-bewondering dringt zich het gevoel der liefde diep in onze zielen. O,
-het is zoo gelukkig, met de hand op een bladzijde, waarop een groot
-talent schittert of een schoon gevoel spreekt, te kunnen zeggen: Deze
-is mijn vriend! en daaronder te ontwaren, wat Tollens in zijn
-heerlijken rouwzang op Borger zoo wèl uitdrukt:
-
-
- Zoo heb ik hem gekend en ’t hart aan hem gesloten,
- Het onwaardeerbaar hart met zulk een geest verzaamd,
- En mij op de eer verhoogd, met zelfgevoel genoten,
- Dat zich zoo rein een ziel niet mijner heeft geschaamd.
-
-
-Mijne vrienden! die weet, dat uwe werken een plaatsje in mijn
-Bibliotheek, en gij zelven een plaatsje in mijn hart hebt; ik dank u
-voor dat gelukkig gevoel. Weest verzekerd, dat ik ten uwen opzichte
-mijn naam niet verloochenen, maar voor u een Jonathan zijn zal, die
-zijn grooteren vriend zoowel hulde als liefde wist toe te dragen, en de
-kroon op zijn hoofd eeren kon zonder haar te benijden. Moge uw
-vriendschap, die mijn kroon is, mij blijven versieren en gelukkig
-maken! uw genie staat u borg voor de mijne, mij bevele een liefhebbend
-harte aan!
-
-En nu, mijn Bibliotheek! nu zult gij welhaast nog met een nieuw boek
-vermeerderd worden—ik durf het nauwlijks zeggen—van mij zelven.
-Welnu?... Zullen de overige schrijvers, die ge bevat, mijn heeren en
-meesters, mij geen zedig plaatsje in hun midden weigeren? Zullen zij
-mij niet hard afwijzen en als een onwelkomen indringer uit hun kring
-verstooten? Ik weet niet, of de verontschuldiging, die ik voor mijn
-vermetelheid in de uitgave van dit boekske heb in te brengen, bij hen
-voor een verontschuldiging gelden zal. Er waren er, die meenden, dat de
-uitdrukking van een warm godsdienstig gevoel, in een vorm die niet al
-te streng of somber was, hier of daar verwarmend in een hart kon
-vallen, dat niet te preekachtig gestemd was. Het was misschien dwaas,
-dat ik aan die inblazing gehoor gaf.... toch was het, geloof ik, geen
-ijdelheid, die mij daartoe verleidde! Als ik mijzelven hierin
-vertrouwen mag, was het, denk ik, meer de hoop, dat ik, die mijn
-eenzaam leven niet zoo nuttig voor mijn medemenschen maken kan, als
-ik.... gewenscht had, daardoor toch nog eenig nut stichten mocht. Kan
-ik dit langs dezen weg niet doen, dan zal men wijs en billijk handelen
-met mij streng af te wijzen. Ik mag den weg voor anderen niet
-belemmeren. Viel het evenwel naar mijn stoutste verwachting anders
-uit.... lieve lezer! mijn hart zal u innig danken voor de enkele
-bloemen, die gij daardoor zult gestrooid hebben op het anders niet al
-te bloemrijke pad van Jonathan!
-
-
-
-
-
-
-
-
-OUDE VRIJSTERS.
-
-
-Ik kan zeer galant zijn.
-
-Ik bid u, lach niet! Het is waar, dat mijn ouderwetsche figuur met mijn
-zwart weduwnaarskleed, dat zoo onveranderlijk is als het kostuum van
-een standbeeld, mij niet tot den geschikten persoon maakt om naar de
-gunst van vrouwen te dingen. Maar eilieve! wie zegt u ook, dat ik een
-van die overjaarde petit-maitres ben, die van hun leeftijd een
-schandelijken vrijbrief maken om zich met saterachtige onbeschaamdheid
-bij lieve meisjes in te dringen? Zie mij aan en zeg, of ik tot zulk een
-wanvoegelijkheid in staat ben? Even weinig behoor ik tot een ander
-soort van wezens, die, met een altijd groene jeugd in het hart, niet
-bemerken willen, dat de Tijd, die onverbiddelijke Censor, hen reeds
-lang van de lijst der jonge Heeren geschrapt heeft, en zich dus niet
-dan met geweld van de plaats laten dringen, die aan hun jeugdiger
-mededingers toekomt. Voor zulk een bespottelijkheid heb ik mijn reeds
-niet meer éénkleurige haren weten te behoeden: of liever—want wie kan
-zeggen, dat hij zichzelven behoed heeft?—daarvoor heeft mij de gestalte
-bewaard, waaraan mijn getrouw hart niet ophoudt zijn hof te maken. Als
-ik ooit een vrouw met meer dan gewoon welgevallen aanzag, was het
-altijd, omdat zij een zweem van de oogen, een enkelen toon van de stem,
-of eenigen anderen trek van overeenkomst met Betsy had. En indien ik,
-door deze gelijkenis aangetrokken, aan zulk een liefelijke verschijning
-buitengewone oplettendheid bewees, het was altijd met een gevoel, dat
-niet minder haar dan mijzelven vereerde.
-
-Dit recht moest ik mijzelven doen. En toch blijf ik er bij, dat ik zeer
-galant kan zijn.
-
-Als gij in een gemengd gezelschap komt, waar ik mij bevinde, zoek mij
-dan niet in den kring der Heeren, die rondom den haard staan te praten
-met een voorkomen van ernst en gewicht, of het de Rostra van Rome zelve
-waren; zoek mij noch minder in den vroolijken schitterenden kring,
-waarin de gevierde Schoonheid hare onderdanen rondom haren troon
-vergadert; zoek mij ook niet bij de goede huismoeders, die gij met
-bijeengestoken hoofden en gesmoorde stem over andere goede huismoeders
-hoort babbelen; zoek mij op een eenzaam plekje, in een donkeren hoek,
-op een tochtig plaatsje, ver van de kachel en de punch. Daar zult gij
-mij in een hoffelijke houding zien staan, al mijne oplettendheid en
-beleefdheid toewijdende aan—een oude Vrijster!
-
-Een oude Vrijster! De oude Vrijsters mogen u het spotachtig gezicht
-vergeven, dat ge bij deze woorden trekt. En al zoudt gij er u nog
-uitbundiger meê vermaken, het zal u niet gelukken mij van daar weg te
-spotten. Ik heb daarvoor menig schrootvuur van geestige en bittere
-aanmerkingen moeten uitstaan, maar nu is men met deze gril bekend en
-laat mij in rust. Er is slechts één paar meê bedorven, denkt men.
-
-Maar nu gelooft gij, dat ik een zonderling ben, een bizarren smaak heb
-en alle oude jufvrouwen de liefste schepsels ter wereld vinde. Gij
-vergist u. Ik voor mij heb ze op zichzelve niet liever, ja niet eens
-zoo lief, als anderen van haar geslacht. Ik spreek, bij voorbeeld, veel
-liever met een moeder. Als ik mij tot deze wende en haar dadelijk met
-belangstelling naar hare lievelingen vrage—o, dan is voor mij een bron
-van zielverheffend genot geopend. Als ik dan bij deze vraag het
-moederlijk oog van hoogmoed zie glinsteren, en het gelaat een lachende
-uitdrukking van geluk aannemen, dan worde ik van een onverschillig,
-welhaast een deelnemend toehoorder. Niet, omdat de kinderen, waarvan
-zij spreekt, mij zoo bijzonder ter harte gaan; zij zijn niet beter of
-slechter dan andere kinderen; maar, omdat de moeder mij boeit en
-wegsleept. Het is zoo schoon, als bij zulk een gesprek het zuiverste en
-edelste gevoel des menschen, de zichzelf vergetende en opofferende
-liefde, uit het binnenste heiligdom des harten te voorschijn treedt;
-als het verheven symbolum van den verhevensten godsdienst, de pelikaan
-met de bloedige borst, voor mijn oog gestalte en wezen verkrijgt; als
-de mensch met al zijn egoïsme en kleinheid meer en meer naar den
-achtergrond wijkt, en de Engel in hem hoorbaar met zijne vleugelen
-klapwiekt; o, uren zou ik kunnen staan luisteren naar dien nooit
-opgedroogden vloed van moederlijke welsprekendheid! En wist gij eens,
-welk een liefde ik aan zulke gesprekken verschuldigd ben! Want de
-vrouwen, die het in mijn oogen lezen, hoeveel belang ik in zulk een
-verhaal van de kinderkamer stelle, weten mij dank voor de deelneming,
-waarmede ik haar aanhoore. En dan is het zoo aangenaam tot een oud
-vrijer te spreken, die er nooit een lofrede op zijn eigen kinderen
-tegenover plaatst, en haar Pietjes behendigheid in de schaduw stelt
-door van de nog veel grooter vlugheid van zijn Jantje te spreken. Zie,
-het moge aanmatigend klinken, maar waarlijk, als ik in sommige kringen
-binnentreed, weet ik reeds vooraf, welke oogen mij vriendelijk zullen
-toeblinken en uitnoodigen om te komen vernemen, hoeveel woorden het
-jongste kind nu reeds meer spreekt, dan bij onze laatste ontmoeting.
-
-En niet alleen de moeders, ook onder de jonge meisjes zijn er, die ik
-boven het gezelschap harer oudere zusteren verkieze. Het zijn zulke
-aanvallige schepselen! Ik heb een vriend, die vroeger een schoon
-buitengoed had, dat hij door verval zijner zaken heeft moeten wegdoen;
-maar nu gaat hij alle avonden langs die plaats wandelen op hetzelfde
-uur, waarop hij vroeger het goed zelf rondging, ziet nog eens dezelfde
-boomen, dezelfde vijvers, dezelfde geliefde plekjes, die eens de zijne
-waren, en komt daarop zoo vergenoegd te huis, of hij nog eigenaar van
-die schoone bezitting ware. Jonge menschen zijn voor mij, wat zijn
-buitenplaats voor mijn vriend is. Ik heb mijn jeugd aan hen moeten
-afstaan, maar, om dit verlies zoo veel mogelijk te vergoeden, zoek ik
-hun omgang. En als ik hen dan hoor spreken van hunne schoone droomen,
-zooals mijn dorre verbeelding er niet meer droomt, en hen gevoelens
-hoor uitboezemen, zoo als mijn verkoelend hart er geen meer huisvest,
-dan is het mij of ik op eens weêr als als een jongeling droome en
-gevoele. Dan knik ik bij ieder woord toestemmend met mijn hoofd, speel
-de gansche Opera féerie van mijn jeugd nog eens over, en scheide niet
-van de bezitters van mijn verloren Eden dan met het gevoel: „Hoe jong
-en gelukkig ben ik geweest!” Zie, daarom heb ik jonge menschen en
-vooral jonge vrouwen, waarin de natuur nog ongemaakter spreekt, lief.
-Meer dan eens heb ik in zulk een gesprek een hart zich allengskens voor
-mij zien openen en ontsluiten, al de aderen zien liggen, waaruit de
-heldere wellen van menschelijk geluk zoo mild voortspringen, al de
-zilveren stemmen hooren klinken, die de harmonie des levens scheppen,
-en de Voorzienigheid bewonderd in het schoonste zijner werken op
-aarde—een onschuldig vrouwenhart!
-
-Oude vrijsters op zichzelve zijn mij dus niet liever dan hare zusteren;
-maar zij zijn verlatener, en hebben daardoor aanspraak op mij. Het kan
-mij leed doen, als ik in een gezelschap verschijne, haar terstond aan
-de onachtzaamheid te herkennen, waarmeê men haar behandelt, al herkende
-ik haar anders niet aan de eigenaardigheden van haar voorkomen. De
-Mevrouwen nemen een voorname houding jegens haar aan; de jonge Dames
-sluiten ze als invaliden uit haren kring; de Heeren, indien zij van
-pijp en glas scheiden kunnen, vervoegen zich bij voorkeur tot de
-fauteuils, of, als zij jonger zijn, tot de minderjarige schoonen; aan
-de oude Jufvrouwen worden alleen de kruimelkens van den
-gezelschapsdisch toegeworpen.
-
-Als ik dit zoo zie, doet mijn hart zeer. Ik ga dus moeders en dochters
-voorbij, en vervoeg mij dadelijk bij mijn vrouwelijke lotgenoot. Mij
-dunkt, dat is haar goed recht. Bilderdijk heeft in zijn dichtstuk Oude
-Vrijsters, naar alle billijkheid, deze arme miskenden op hare plaats en
-in hare eer gesteld, om al het vuur zijner verontwaardiging te richten
-tegen die vieux garçons, die door hun ongeregeld leven de orde der
-maatschappij verbreken en de oorzaak zijn, dat zooveel onschuldige
-schepsels onder het vrouwelijk lijden van een aanzijn zonder huwelijks-
-en moedervreugde gebukt gaan. En inderdaad! ik heb wel eens gezucht
-onder het denkbeeld, dat ieder oud vrijer den verlaten toestand van een
-zijner medeschepselen voor zijn rekening had. Ik heb gezucht als ik
-dacht, dat er ook door mijn schuld eene eenzame meer was, dan er
-behoefde te zijn. Ik hoop, dat mijn onbekende schuldeischeres mij niet
-te hard moge vallen. Ik wage het, haar daarom te smeeken.
-
-
- „Lieve Jufvrouw X!
-
- „Ik kenne u niet, en gij mij ook niet. Maar ik ben toch uw
- schuldenaar. Want ik had u mijn hand en hart moeten aanbieden.
- Vergeef mij, dat ik de vrijheid nam het niet te doen. Uw kieschheid
- waarborgt mij, dat gij mijn hand zonder mijn hart niet zoudt hebben
- aangenomen. En over mijn hart was ik, onder vier oogen gezegd, geen
- meester meer. Had ik u gekend, het zou misschien anders geweest
- zijn. Maar ik heb een andere vóór u gekend. En schoon deze thans
- een anderen naam dan den mijnen draagt, ik kan haar nog niet
- vergeten. Ik ben dus tot mijn groote schande met mijn 4* jaren nog
- niet beter dan een onmondige, en zonder over mijn hand te kunnen
- beschikken.
-
- „Heb mededoogen met mijne insolventie, en geef mij, bidde ik u,
- kwitantie van deze kwade schuld. Geloof mij voorts met de gevoelens
- der diepste achting
-
- „Uw onderdanigen Dienaar
- Jonathan.”
-
-
-Ziedaar een zwaren last van mijn hart gewenteld! En nu ik aldus met
-mijn partij mijn rekening gesloten heb, hope ik dat gij allen,
-Mejufvrouwen! mij mijn schijnbare ongevoeligheid voor uw bevalligheden,
-talenten en deugden vergeven zult. Het moge mij onmogelijk zijn, uit u
-allen ééne te kiezen, ik heb daarom u allen gezamenlijk te liever.
-
-Ja, ik heb oude vrijsters lief! Misschien is het ook, omdat ik in haar
-iets anders, iets meer dan een oude vrijster zie. Het is waar, nu is
-vaak haar voorkomen onbeduidend, haar kleed eenvoudig, hare manieren
-zonder bevalligheid: maar ziet gij, die bedaagde maagd is een jong
-meisje geweest; iets, dat ik zoo onedelmoedig niet ben te vergeten. Als
-ik bij een bouwval sta, zie ik altijd meer dan een ander; terwijl de
-anderen van den eenen grooten steen op den ander springen, de kranke
-muren van hun blaauwe klimop-bloempjes berooven, holen en kelders van
-hun gejuil doen weêrgalmen, hun hoofd schertsende door de schietgaten
-steken en den eerwaardigen oude—foei!—bespotten, sta ik mijmerende aan
-den voet van de ruïne; ik trek in mijn verbeelding de muren weêr op,
-overdek de openliggende vertrekken met gewelven, bedek de naakte muren
-met beschotten, vul de ledige, verlaten ruimte met menschen, hoor
-stemmen galmen, bekers klinken, en ben in een andere wereld
-overgebracht. Dat is mijn eerlijkheid. Mij dunkt, daarop heeft een
-bouwval recht. Wij zouden ook niet gaarne beoordeeld worden naar het
-karkas, dat men over eenige jaren bij het opruimen van ons graf in het
-knekelhuis weg zal werpen. Zoo is het ook meer meetkundig, dan
-menschelijk-gevoelig, den omvang en grootheid van een ruïne alleen met
-het lichamelijk oog af te meten.—Om op den tekst terug te komen: ik zie
-nooit een oude vrijster, of ik herstel den bouwval nog eens naar mijn
-smaak. Ik doe voor haar, wat de actrice voor zichzelve doet. Ik plaats
-haar op een afstand, kleur hare fletse wangen rood en hare
-verschietende wenkbrauwen zwart, laat van haar hoofd lange zijden
-krullen afhangen, verberg het verval harer gestalte en houding, en
-plaats haar in een kring van jonge menschen, waaronder een of meer
-harer aanbidders. Ben ik hiermede gereed, begin ik mijn roman dan....
-maar neen! gij zoudt mij, droomer, uitlachen, indien ik voortging.
-Genoeg! ik geef aan ieder een bloeiende, gelukkige jeugd, even rijk aan
-liefde als ik hoop dat de jeugd van uw dochter zijn moge, en zoek voor
-de reden, waarom die liefde nooit met den krans van oranjebloesem is
-bekroond geworden, een aanleiding zoo aandoenlijk, dat zij er dadelijk
-in mijn oogen hoogst interessant door wordt. Zeker schrijver zegt van
-een nonnenklooster: „Wie de geschiedenis van al deze gebroken harten
-kon te weten komen, zou menig verhaal vol zuchten en tranen te verhalen
-hebben.” Een dergelijk denkbeeld wekt bij mij het gezicht van een oude
-vrijster op. Haar eenvormig voorkomen is als een zerk, waarop niets
-anders te lezen is, dan het altijd wederkeerende: hic jacet. Maar wat
-er in den doode, daaronder begraven, is omgegaan, gevoeld, geleden en
-gestreden, daarvan zegt de koude steen en het rustige voorhoofd niets;
-maar dat zegt mij mijn warm hart. En als het mij dan invalt, hoe velen
-er zijn onder haar, die het slachtoffer van mannelijke ontrouw en
-mannelijke ondeugd zijn; onnoozele lammeren, opgeofferd door de hand,
-die zij lekten; verlaten echtgenooten, maar die bij geen menschelijke
-rechtbank tegen hare echtscheiding hebben kunnen opkomen; treurende
-weduwen, maar die de wet niet als zulke erkent, en de deernis niet als
-zulke bejegent; dan breekt mijn week gemoed. Gelooft mij, Mijneheeren,
-die tot het onderhoud van wees- en weêuwengestichten contribueert, ook
-bij de oude vrijsters hebben wij een onrecht der fortuin weder goed te
-maken, en te meer, omdat het hier menschen,—omdat het hier mannen zijn,
-die den dood het werk hebben uit de hand genomen. Samaritanen, ook deze
-gewonden hebben recht op uw olie en wijn!
-
-Hier ziet de oude vrijster die dit leest met bevreemding op en vraagt,
-of zij dan niets is, dan in zooverre zij iets geweest is. Stel u
-gerust: het is verre van mij, u dat onrecht te doen. Er mogen er
-enkelen zijn, op wie deze beschuldiging past; groote kinderen, die van
-haar speelgoed niet scheiden willen, en zich krampachtig vastklemmen
-aan een verleden, dat voor haar en voor ons gestorven is; of wel
-verschaalde bekers, die uit ergernis van onaangeroerd gebleven te zijn
-zuur en wrang zijn geworden; of wel geleerde Muzen, die het al te veel
-doen gevoelen, dat Minerva een gewapende godin is; of wel ... St! st!
-Jonathan, van waar zoo hard? Over het algemeen ken ik geen trek, die de
-oude vrijsters meer karakteriseert, dan zelfopoffering! Het is een
-groote en moeielijke les, waardig de hoofdinhoud van de tweede Tafel
-der goddelijke Wet te zijn: „Gy sult uwen naesten liefhebben als u
-selven.” Evenwel, deze les is niet voor allen even moeielijk. De
-getrouwe huismoeder, wier geheele bestaan zich in dat des geliefden
-Mans heeft opgelost, en voor wie het nog meer geluk dan plicht is alles
-te verlaten om hem te volgen; voor wie de kinderkamer het beste
-vertrek, de feestzaal des huizes is; die geen behoefte gevoelt, zich
-buiten het paradijs van haren huiselijken kring te begeven; heeft tot
-de nakoming van dat gebod ongelijk minder zelfverloochening noodig dan
-de oude vrijster, die geen eigen plaats in den grond beslaat, maar zich
-als een rank om den naastbijzijnden stam slingeren, of als een
-muurplant in de steenen eener aangrenzende woning hechten moet. Zij is
-uit den aard van haren toestand zichzelve de naaste; zij moet als een
-soeur de charité de voorwerpen gaan opzoeken, aan wie zij liefde
-bewijzen wil; zij is in gevaar van, als „de Priester en de Levijt” in
-de gelijkenis, tegenover de hulpbehoevenden voorbij te gaan, indien zij
-zich de les niet herinnert: „Gaat henen en doet gy des gelycx.” Maar
-indien zij zich deze les herinnert en daarnaar handelt; indien zij een
-voorwerp gevonden heeft, waarop zij hare liefde vestigen kan; indien
-zij al de kracht van hare in één punt saamgedrongen genegenheid op een
-uitverkoren hoofd vereenigt;—o, dan is het iets roerends, iets
-verhevens te zien, tot welk een hoogte de zelfvergeting en
-zelfverloochening in den mensch stijgen kan. Dan dient de zwak- en
-buigbaarheid der rank alleen om den geliefden boom te vaster, te
-getrouwer, te inniger te kunnen omklemmen, dan wordt haar groen de
-bedekking van zijn gebreken, haar gebloemte de versiering van zijn
-stam; dan wordt deze omhelzing haar leven, en beide, zijn val of haar
-verwijdering, haar dood; dan wordt hare liefde, zoo als de Dichter
-schrijft:
-
-
- Ze is groot en schoon en door zichzelve levend,
- Ze is zacht en sterk en reklijk en toegevend,
- Volhardt het meest, schoon vaak het minst ontzien;
- Een Engel is ze, ons achtloos hoofd omzwevend.
-
-
-Een Engel! Onze schoone, liefelijke Godsdienst heeft de bestemming, de
-menschen tot Engelen, vooral tot Engelen van liefde te vormen. Dikwijls
-heb ik er om getreurd, hoe weinigen deze bedoeling begrepen of wilden
-begrijpen, en dan wel eens getwijfeld aan de verzekering van den
-grijzen Apostel: „Ende sijne geboden en sijn niet swaer.” Maar dan
-waren meermalen oude vrijsters mijne apologeten. Ik riep ze mij voor
-den geest, zoo als ik er kende, ware discipelinnen van de leer der
-liefde, echte zusteren van den Man van liefde en smarte, die „niet en
-is gekomen om gedient te worden, maer om te dienen,” en die om
-onzentwil „is arm geworden, daer hij rijck was;” wezens, in wie de
-zelfzucht schijnt gestorven te zijn; in wier mond het woord IK, anders
-de radix van alle andere woorden, een vreemde klank geworden is; die
-het zooverre gebracht hebben, dat het haar niet zwaar meer valt, „so
-wie haer op de rechterwange slaet, hem oock de andere toe te keeren,”
-en „so iemant haer rock neemt, hem oock den mantel te laten,” en „so
-wie haer dwingt een mijle te gaan, met hem twee mijlen te gaan;” goede
-geniussen, door God in zijn gunst geschonken aan degenen, die hij lief
-heeft. En wanneer ik mij deze vertegenwoordigde, dan werd ik schaamrood
-over den twijfel van mijn verstand en—mijn hart. Dan zag ik met
-verdubbelden eerbied en liefde naar het goddelijke boek, dat tevens het
-menschelijkste aller boeken is, dat niets dan een liefhebbend hart
-eischt om begrepen en gehoorzaamd te worden; dan beloofde ik mijzelven,
-dat oude vrijsters mijn leermeesteressen in het gebod der liefde zijn
-zouden.
-
-Terwijl ik dit schrijve, vloeien er tranen van dankbare erkentenis op
-mijn papier, mijn goede, lieve Editha!
-
-Maar er zijn onder mijne heldinnen niet alleen Marthaas, „die haer
-bekommeren ende ontrusten over vele dingen,” er zijn ook Mariaas onder,
-die „het eene dingh, dat noodigh is, het goede deel, hebben
-uytgekozen.” Zij zijn Johannessen onder de vrouwen, en rusten altijd
-aan den goddelijken boezem haars Meesters. Zij hebben de aarde
-vergeten; zij hebben geen oog dan voor het licht van haar leven, geen
-hart dan voor den Vriend harer ziele; zij maken zich van haren eenzamen
-en verlaten toestand een kluizenaarshut, een nonnencel, waarin zij der
-wereld afsterven, om alleen voor den hemel te leven. Zij sluiten zich
-hier op aarde aan dien blinkenden stoet van Engelen aan, „die niet
-bevleckt en zijn: want zij zijn maeghden. Deze zijn ’t, die het Lam
-volgen, waer het oock henen gaet.” Zij zijn het, die zich „toebereyden,
-om haer als een reyne maeght eenen manne voor te stellen, namelick
-Christo.” Zij zijn het, wier geheel aanzijn op aarde de uitdrukking is
-geworden van dat schoone lied van Lodensteyn;
-
-
- „Hoog, omhoog, het hart naar boven!
- Hier beneden is het niet.”
-
-
-Al kon ik, ik zou u niet in hare eenzaamheid mogen binnenleiden, om u
-getuigen van het verborgen leven harer vroomheid te maken; maar ik mag
-u wel aanbevelen, als gij den drempel van zulk een heiligdom
-overschrijdt, het met eerbied te doen. O, ik heb een afkeer van
-kloosters, omdat ik een afkeer van Farizeeuwsche ceremoniedienst en
-slaafachtige Esseensche gerechtigheid heb: maar, waar ik in eenig
-Bethanie op mijn weg de woning van zulk een Heilige aantref, zwaai ik
-het wierookvat mijner vereering hoog in de lucht!
-
-Ik weet wel, dat zulk een gewijde liefde dikwijls geofferd wordt op het
-altaar eens harten, door een onheiligen hartstocht gebroken; ik weet
-wel, dat de wierook, daarop geurende, niet altijd zoo onvermengd en
-zuiver was, als nu; ik weet wel, dat de Heer aardsche banden heeft
-moeten verbreken, eer hij dit hart tot het zijne maakte; ik weet wel,
-dat hij somtijds zelfs duivelen heeft moeten uitwerpen, eer hij de
-„Rabbouni” dezer Magdalenaas werd; maar ik weet ook, dat onze
-barmhartige Meester van zwakke menschen geen Engelendeugd eischt; ik
-weet ook, dat hij even weinig als wij, bij het inzamelen eener edele
-vrucht, naar den wilden stam vraagt, waarop zij geënt is; ik weet ook,
-dat hij tot een zondaresse, die zijn voeten met hare tranen baadde en
-met haar lokken afdroogde, gezegd heeft: „Uw gheloove heeft u behouden,
-gaet henen in vrede;” ik weet ook, dat Petrus een boeteling en Paulus
-een van verre gekomen bekeerling was; ik weet ook, „datter blijdschap
-is in den Hemel over eenen sondaer, die hem bekeert, meer dan over
-negen-en-negentigh rechtveerdige, die de bekeeringe niet van nooden en
-hebben!”....
-
-En laat mij nu aan mijzelven over, om nog eenigen tijd te mijmeren.
-
-
-
-
-
-
-
-
-EEN AFSCHEIDSBEZOEK IN 1871 [4].
-
-
-Het is dus beslist.—Jonathan! Of gij wilt of niet, gij moet er aan
-gelooven. Men laat u geen rust. Gij moet de wijde, wijde wereld nog
-eens weder in! Nog meer! gij moet uwe stem nog eens op nieuw laten
-hooren. Het is een vaderplicht, zegt men, dien gij aan uw papieren kind
-schuldig zijt, en waaraan gij u niet onttrekken kunt...
-
-—Welnu! laat het dan zoo zijn! hier ben ik!
-
-Mijne heeren en dames!—(Ouderwetsch, niet waar? Of sedert mijn laatste
-optreding de emancipatie der vrouwen—die arme, witte slavinnen van ons
-koude Noorden!—niet aan de orde gekomen was, die een eenigszins galant
-spreker verplicht met de Dames te beginnen!... Ik kan het niet helpen.
-Ik vrees, dat ik op sommige punten tot de onverbeterlijken behoor, en
-geef mij als vroeger gelijk ik ben.)—Derhalve nog eenmaal: Mijne heeren
-en dames! Ik begin—met voor u een diepe buiging te maken, die een
-uitdrukking mijner dankbaarheid moet zijn.
-
-Uit mijn jeugd herinner ik mij nog flauw, hoe ik, als ik eens een
-enkele maal in de komedie kwam, er meermalen getuige van was, dat de
-akteur, die, naar het oordeel van het publiek, zijn rol wèl had
-afgespeeld, bij het einde van het stuk „teruggeroepen” werd, en dan met
-vele strijkaadjes een plechtige buiging maakte! als blijk van
-erkentenis voor de bewezen onderscheiding. Ook mij valt nu van wege het
-achtbaar Publiek een soortgelijke eer te beurt. Het vriendelijk
-onthaal, aan mijn boekje geschonken, dat een nieuwe uitgaaf noodig
-maakt, is een soort van terugroeping. Zou ik daarvoor ongevoelig zijn?
-Neen, ik buig mij zoo diep ter aarde als mijn stramme rug het eenigzins
-toelaat, en als ik kon, zou ik u, mijn lezer! die thans met dit blad in
-de hand zit, als vertegenwoordiger van al mijn tegenwoordige en
-toekomende lezers, uit de verte erkentelijk de hand drukken.
-
-In allen ernst, ik heb reden tot erkentenis. Zie, dat had de „Meester
-Droomer,” die Waarheid en Droomen schreef, nu wel niet gedroomd. Nog
-heugt het hem, hoe het hem te moede was, toen hij zijn eersteling de
-wereld inzond. Hij, zulk een nieuweling, die maar wat in een
-huiselijken leuningstoel had zitten mijmeren en peinzen, en wat hem
-daarbij in den geest was gekomen, in allen eenvoud had neêrgepend, rijp
-en groen, wijs en dwaas, allegro en andante, major en minor, alles
-dooreen, en die bij dien inval de nog grooter stoutheid had om zijn
-salmagundi, zijn olla-podrida aan dien grooten heer—dien grootste van
-alle heeren—het groot Publiek aan te bieden.... is het wonder dat de
-bloed beefde en dat hij bij dat waagstuk het voorkomen had—om met
-koning Filippus te spreken, toen hem eens een smeekeling al bevend een
-rekest overgaf—van een bedelaar, die een penning aan een olifant geeft?
-Verbeeld u, dat de olifant dien penning vertrapt en den schenker er van
-met zijn vier groote pooten vertrapt of—zooals ik meen dat het
-officiële kunstwoord luidt—vernietigd had! Hoe duur zou ik, arme hals,
-dan mijne stoutheid hebben geboet! En kon het anders? De olifant en ik!
-Dat was toch ook waarlijk, als er oneenigheid kwam, geen portuur! Dan
-had het feit kunnen gebeuren, waarvan de bekende Dichter-Schoolmeester
-spreekt, dat
-
-
- —zoölogiesche Jonathans wel eens aan ’t sneuvelen raken.
-
-
-Maar neen, neen! het viel gansch anders uit. De groote olifant was zoo
-grootmoedig, zoo nederbuigend, zoo goed! Hij nam uit mijn hand den
-penning met zijn slurf, bekeek hem van alle kanten, legde hem daarop,
-zooals men dat wel eens meer in een diergaarde zien kan, in het
-daarvoor bestemde bakje ter bewaring en keek den gever van den penning,
-in plaats van hem te verscheuren, met zijn groote, bruine, goedige
-oogen zoo vriendelijk aan, dat het hart er mij van overliep. Die
-edelmoedige olifant! Kon hij mij nobeler behandeld hebben?
-
-Ik ben dan ook van top tot teen enkel verrassing en genoegen, enkel
-erkentenis en dankbaarheid. En dat te meer, omdat de vriendschap
-tusschen den olifant en mij, door dit klein geschenk ontstaan, sedert
-even bestendig heeft voortgeduurd en nu reeds de proef van bijkans het
-derde eener eeuw gelukkig heeft doorgestaan.
-
-Waarlijk, dit komt niet alle dagen voor. Ziet gij, ik wil het wel
-erkennen. Op één ding had ik, toen ik mij voor de eerste maal in het
-openbaar presenteerde, wel een weinigje gerekend. Er bestond toen—bij
-al de onbeduidendheid mijner geringe gaven—tusschen mij en een deel
-althans mijner lezers één punt van aanraking. Ik was min of meer een
-kind van mijn tijd. Die tijd nu had zijn eigenaardige fysionomie.
-Misschien was het wel een weinig een Janus-aangezicht, een hoofd met
-twee tronies, dat hij droeg. Maar één van die tronies dan toch had
-tamelijk hetzelfde uitzicht als ik. Er lag iets van den fantast, den
-droomer, den mijmeraar in zijne trekken. Chateaubriand’s René en Byrons
-Harold waren nog niet uit de mode; Lamartine mediteerde en harmonieerde
-uit al zijn macht en Victor Hugo botaniseerde feuilles d’ Automne met
-volle handen; de mindere goden volgden, als het gaat, van zelf, en, om
-in den toon van den tijd te vallen, hadden ook de vroolijksten van
-nature q. q. hun „Zwarten tijd.” In die dagen trad Jonathan in het
-karakter van Penseroso op. Is het wonder, dat hij niet alleen
-binnengelaten, maar ook heusch nog al wèl onthaald werd? Hij was immers
-met een goed deel zijner tijdgenooten een vogel van gelijke veêren, en
-zong zooals hij, maar ook zij, gebekt waren? Het was maar natuurlijk,
-dat het koor hem inhaalde:
-
-
- Dignus, dignus est intrare
- In nostro docto corpore.
-
-
-Maar, ziet gij, dat is sedert vrij wat anders geworden. Welke gezichten
-Janus nu heeft, durf ik niet bepalen, om niet met de toongevers over
-hoop te raken; maar dit weet ik, dat hij zijn Yoricks-gelaat bepaald
-kwijt is. Als hij mij nu aanziet—nu, daarvoor kan ik wel ruiterlijk
-uitkomen—keert hij mij een volle realiteits-tronie toe. De „hartstocht
-der werkelijkheid” bezielt hem tot fanatisch-wordens toe. Arme
-Jonathan! Dat lijkt u niet. Zulk een mensch, zulk een positivist der
-positivisten is uw man niet, evenmin als gij de zijne. Pak dus, hoe eer
-hoe beter, uwe biezen. Procul hinc abite, profani. Gij zijt een
-antiquiteit, een reliek, een mummie. Naar de zaal der Etrurische of
-Egyptische oudheden, naar de collectie van werktuigen uit het
-vóórhistorische steenen en bronzen tijdvak met u!....
-
-En toch! en toch!..
-
-Misschien staat de zaak nog niet zoo volkomen wanhopig. Op den bijval
-van het gros valt niet meer te rekenen. De dubbele deuren zijn en
-blijven gesloten. Misschien echter is er nog een achterpoortje.
-Misschien is er hier of daar nog een enkele vriend verborgen, die mij
-door een spleet er van binnen laat. Ja, misschien heb ik in stilte nog
-meer vrienden, dan ik zelf wel weet, of mij onderwinden zou te hopen.
-
-Ziet gij, men kan wel, o ja! als een recht geaard kind van het achtste
-tiental jaren der negentiende eeuw, een man der realiteit, zelfs in de
-tweede macht, zijn... Werkelijkheid hier! Werkelijkheid daar!
-Werkelijkheid overal! maar dat neemt toch niet weg, dat men, qua
-mensch, onder het koude harnas van de wetenschap en den ijzeren
-maliënkolder van het empirisme, in de linkerborst iets zachts, iets
-weeks, iets menschelijks heeft, dat zich niet te best beschrijven laat,
-maar dat ieder, ook zondere verdere beschrijving, na dezen wenk genoeg
-herkent: iets, waarvan Chateaubriand zoo schoon zeide, dat men het
-heeft van God of van zijne moeder. De mannen van het Heden mogen nu,
-als de bekende dokter van Molière, die het hart aan de rechterzijde van
-den mensch plaatste en bij een protest daartegen uitriep: Nous avons
-changé tout cela! zij mogen nu het hart hebben zoeken te verplaatsen,
-of, zoo dat niet ging, het dan toch inwendig hebben zoeken te verstalen
-of te versteenen; een mensch kan, zelfs in 1871, maar niet alles wat
-hij wil. In een van de geestigste kleine stukken van Scribe beveelt de
-Oostersche Vorst, de Pacha, al zijn hovelingen op een zekeren dag
-vroolijk te zijn, aangezien de Vorst vroolijk is, en al wie nu niet
-terstond vroolijk wordt, dien zal zonder genade het hoofd op kommando
-voor de voeten worden gelegd!—maar daarmeê is de vroolijkheid nog niet
-dadelijk present, en zal zich misschien ook verder nog wel wat laten
-wachten. Welnu, zoo is het met de realiteits-passie. De Romeinsche
-blijspeldichter heeft in een bekend woord geleerd:
-
-
- ’k Ben een mensch, en deel in alles wat
- eens menschen is als ’t mijn.
-
-
-En waarlijk, als zoodanig, als mensch, leeft en trilt er bij ons,
-tusschen alle spieren van onze volle werkelijkheidskracht, toch ook
-hier en daar een enkele zenuw van poëtisch gevoel. Wij hebben staal in
-ons bloed, veel staal, erg veel staal—maar toch ook een dropje of wat
-melk. En die melk doet soms, als het staal goed gewerkt en tijdelijk
-uitgewerkt heeft, wel eens voor een oogenblik haar verzachtenden,
-verzoetenden, malsch- en weekmakenden invloed gevoelen. O ik weet het,
-Jonathan is maar een sober citerspeler op dat verhevenste, dat meest
-hemelsche van alle instrumenten op aarde, het snarentuig van het
-menschelijk hart. Maar toch is het hem soms wellicht een enkele maal
-gelukt, met zijn ongeoefenden vinger, bij het beproeven van zijn
-eenvoudig deuntje:
-
-
- Al de eendjes zwemmen in het water,
-
-
-of wat nog eenvoudiger is dan dit, een liedje uit de verre kindsheid,
-uit de leer- of speelkamer, een enkele snaar bij enkele harten zoo te
-raken, dat zij antwoord, dat zij geluid, harmonisch geluid gaf—welnu!
-om dien enkelen toon is er sympathie tusschen luit en luitenspeler! en
-daaraan alleen dan ook wijt hij het dank, dat men hem niet reeds lang
-als een miserabelen straatmuzikant, als een ondragelijken liereman of
-orgeldraaier van de deur heeft weggejaagd,.... wat zeg ik? dat men hem
-soms heeft laten binnenkomen, in het kantoor bij mijnheer den reeder,
-in de werkplaats bij mijnheer den fabrikant, zoowel als in het salon
-bij de mevrouwen en jonkvrouwen, met de boeken van de hoogere
-burgerschool op den schoot en de handwerkjes voor Arbeid-adelt in de
-handen, en hem gezegd heeft: Kom aan, zoon van de citer! wij maken een
-kleine pause. Maak het niet te lang! maak het niet te zoet! maak het
-niet te treurig! Maar terwijl ons werk een poosje rust, ga uw gang!
-laat hooren, welke aria gij op uw speeldoos hebt. Stem uw speeltuig, en
-zing uw lied!
-
-Gij ziet, waarop ik reken, waarop ik speculeer. Ik zoek mijn bondgenoot
-in het hart, dat, minder dan de geest, de kleur van den omringenden
-atmosfeer, blauw of grauw, bloedrood of scharlaken, naar het valt,
-aanneemt en minder onderhevig is aan variatiën van de mode dan hij. De
-mode! Ik heb daar een leelijk woord genoemd. Want, ach! uit de mode en
-buiten model, dat is Jonathan gansch en al, van top tot teen!
-Verouderd, mijnheer! totaal verouderd! van het jaar nul!
-
-Ik weet het, mevrouw! en is het wonder?
-
-Het is nu meer dan dertig jaar geleden, dat ik als auteur mijn intreê
-in de wereld deed. Denk eens, meer dan dertig jaar! bijna tweemaal de
-leeftijd van uw lieve oudste dochter daar naast u, die reeds met den
-jonkman, die daar ginds het venster voorbijgaat, teedere blikken
-wisselt. Het is een eeuw! Hoe zou het mogelijk zijn, dat in dien tijd
-niet het een en ander, buiten mij of aan mij, verouderd zou zijn? Ik
-weet het ook wèl. De heeren dragen in mijn boekje geen knevel en de
-dames geen chignon. Van de muziek van Offenbach geen spraak en Mijnheer
-en Mevrouw Bebé—totaal onbekend. De naaimachines nog in het hoofd van
-den uitvinder, en het Roode kruis nog achter den horizont. Ik kan het
-niet helpen, Hildebrand is gelukkig genoeg geweest, de onderaardsche
-Schietblaasbalg in een visioen voor uit te zien en te voorspellen; maar
-ik, kortzichtige, ik heb zulk een fortuintje niet gehad. Ach, ik ben,
-om met Bilderdijk te spreken, maar een „Jasper ouderwetsch,” en zal
-het, vrees ik, blijven. Al draag ik geen pruik, wat erger is, ik ben
-zelf een pruik, een pruik der pruiken. Ik was het reeds zooveel jaar
-geleden—hoe zou het er nu beter op geworden zijn?—„Alzoo niet modern?
-niet modieus? niet naar ’t model? weg met u!”
-
-
- En ook de bezem en de bijl
- Verheffen samen hun kritiek:
- „Uw speeltuig is van d’ouden stijl
- En geeft gantsch nutlooze muziek!”
-
- Aan spaanders moet het! en op ’t vuur!
- Dan dient het toch nog ergens toe!
- En gij, onbruikbare nabuur!
- Op straat! Wij zijn de wildzang moê!
-
- „Het hakmes geeft den waren toon;
- De bezem is de levenskern
- Van ’t huis, en houdt den drempel schoon:
- Dat’s zuiver praktiesch, en—modern!”
-
-
-Bravo! Maar, wat volgt er?
-
-
- Alleen het kinderlijk gemoed
- Zucht, daar ’t een stillen traan vergoot:
- „Gij, schoone zwerfster, wees gegroet!
- Treê binnen! zing! en—deel ons brood!”
-
-
-Het al te prijzende bijvoegsel: „schoone”! bij de Zwerfster zullen we
-daar laten. Maar verder, op den spreker, en met name op den naam,
-waaronder hij wordt opgevoerd op het „kinderlijk gemoed” leg ik de
-hand. Zulk een gemoed, zie, dat vindt men nog wel hier en daar; dat
-vindt men aan alle plaatsen; onder een pruik en onder een Brutuskop;
-achter een chinesche kamerjapon en onder een jurk naar het model van la
-Gracieuse van Januari 1872 in paulo post futuro. Er zit in sommige
-oogen, zwarte en blauwe, oude en jonge, achter een bril en achter een
-binocle, zoo’n zekere elektrieke vonk, die uit het hart komt, en waar
-die vonk haar werking doet, zie! daar is de telegraaf aan ’t werk—’t is
-slag en weêrslag—vraag en antwoord—de communicatie is daar!
-
-1840–1871. Inderdaad! het is een heele sprong. Een sprong om haast den
-hals bij te breken. Maar toch ook tusschen die jaren was er eenige
-gelijkheid. Zoo hebben wij ook in 1871 lente gehad, al kwam ze wat laat
-en was ze wat koud. Wij hebben lente gehad; een heusche lente, zoo goed
-als 1840 maar durfde denken. De seringen geurden, de tulpen bloeiden,
-de hyacinten zonden uit haar blauwe en roosverwige wierookkelken haar
-geuren omhoog, de nachtegalen zongen, de leeuwerikken kwinkeleerden,
-en, onder den bloeienden Meiboom en tusschen het slaan van de
-nachtegalen zat Romeo met Julia in het priëel, en spraken ze samen
-teederen liefdekout—precies zooals in 1840. Zulke dingen veranderen,
-zulke dingen verouderen niet. Ik las ergens van een graf, waarin men,
-vele eeuwen geleden, oude Celten begraven had, te gelijk met zaden van
-granen en bloemen, die, bij het openen van hun tomben, in de lijkkist
-gevonden werden. Men zaaide die zaden—en zie! terstond ontkiemden
-groeiden en bloeiden ze, na een rust van meer dan twee duizend jaar,
-tusschen het stof van graven en doodsbeenders. Elders las ik van een
-stuk geurend hout, dat men in de diepte vond, mede eenige duizenden
-jaren oud, en toen men het op het vuur wierp ... zie! daar ging de damp
-als een wierookwolk naar boven, en die damp rook, alsof de boom pas was
-gegroeid en uit den zomer-adem van 1870 of 1871 zijn versche geuren
-ingedronken had. Zoo is het in de wereld der planten; zou het in de
-wereld van die denkende planten, ces roseaux pensants, waarvan Pascal
-spreekt, anders zijn? Neen! neen! spreek den mensch, mits hij waarlijk
-mensch en kompleet mensch zij, spreek hem aan met een woord uit het
-woordenboek des echten menschengevoels: spreek hem van poezij en kunst,
-van vriendschap en liefde, van geloof en hoop, en hij zal weêrklank
-geven, in 1840 in 1871, in 1971, in 2071 en al de jaarhonderden die
-volgen, zoolang de Darwin’s-theorie geen omgekeerden loop neemt en de
-mensch een mensch-aap, de Johannes of Maria een broeder-Jocko of een
-zuster-Gorilla wordt. Reken daarop gerust, oude liereman en, in die
-bewustheid, grijp uw strijkstok, tokkel uw snaren, en speel uw lied!
-
-Nu, waarlijk! dat is een buiging naar de mode, als met een sleepjapon,
-die nog op den trap is, als de draagster reeds lang bezig is haar
-kompliment voor de gastvrouw te maken—welk een staart! Als we zoo
-voortgaan zouden, kwamen we met ons artikeltje in geen halven dag
-klaar. Maar daarvan is geen nood. Ik geef u in bedenking, om van
-stonden aan alle komplimenten af te breken, en het gordijn wêer achter
-den uitgekomen acteur (of auteur) te laten vallen. Wat meer is, ik stel
-u voor met hem op reis te gaan.
-
-Waarheen?.... Het zal u spoedig blijken.
-
-
-
-Toen ik beloofd had, een nieuwen druk van mijn Schetsenboek te helpen
-bezorgen, nam ik het natuurlijk wêer eens opzettelijk in handen. Niet
-om te zien, of er niet wat aan te verbeteren viel. Daarvan kon in geen
-geval de rede zijn. Het boek moest blijven wat het is. Gij zult ook een
-kinderportret van u niet nemen om het door een schilder in een zwarten
-rok te laten steken, in de hoop, dat het dan beter op u in uw
-tegenwoordige gestalte en voorkomen gelijken zal. Bij de afbeelding van
-den jongen behoort een jongenskiel; men noemt dat thans: „het beeld in
-de lijst van zijnen tijd.” Maar al wil men een oud boek niet
-moderniseren, dit belet niet dat, als men voor het publiek verschijnen
-zal, men zich toch even voor den spiegel plaatst en een oog over zijn
-toilet laat gaan om er het stof af te schuieren, en een vlek of smet te
-doen verdwijnen, die er bij ongeluk op gekomen of op gebleven is. Zoo
-las ik mijn eigen boek nog eens door, alsof ik, in plaats van
-schrijver, een gewoon lezer ware.... Zonderlinge gewaarwording! waarbij
-haar te vergelijken?
-
-Het was mij vreemd te moede. Hoe dan wel ongeveer? Ik zou zeggen:
-Omtrent zooals iemand zich gestemd zou gevoelen, die na een langdurig
-afzijn in zijn eigen huis wederkeert. Verbeeld u bijvoorbeeld een
-Landjonker, die op een kasteel is grootgebracht, en daar al de liefste
-herinneringen van zijn kindsheid heeft liggen; daar kind, knaap en
-jongeling is geweest. Maar later heeft hij dat Buiten verlaten; hij is
-buitenslands gaan reizen. Hij heeft een goed deel van zijn leven in een
-anderen streek der wereld doorgebracht. Na een geruimen tijd echter
-roepen buitengewone omstandigheden hem in het vaderland terug, en bij
-die gelegenheid bezoekt hij ook zijn oude ouderlijke en voorouderlijke
-woning. Hij vindt het alles zooals het hij gelaten heeft; men heeft
-alleen de kamers schoongehouden en de meubels nu en dan wat opgewreven;
-maar anders alles geheel het oude! Wonderlijk gevoel. Zie, hoe hij, het
-huis ingegaan, het geheele gebouw doorloopt, van voren naar achter, van
-boven naar beneden, van den zolder tot den kelder. Eindelijk keert hij
-op zijn vroegere dagelijksche woonkamer terug, zet zich daar neer in
-zijn eigen leuningstoel, legt de hand onder het hoofd, en peinst,
-peinst, peinst.....
-
-Zoo Jonathan met zijn eigen boek in handen. Ook hem is het als keert
-hij, na een betrekkelijk lang afzijn, in het oude huis terug. Waar hij
-sedert geweest is, wat hij intusschen gedaan, maar ook wat hij gedacht
-en gevoeld, genoten en geleden heeft,—dat alles wordt hier niet
-beschreven. Het is in den Jonathan nooit om een biografie, maar eer om
-een prosopografie, vooral inwendig, om een afdruk van indrukken te doen
-geweest. Maar genoeg, Jonathan, wie hij overigens vroeger was en nu
-zijn moge, hij is thans voor het oogenblik weêr thuis. De tijd, waarin
-we nu leven is er recht geschikt voor. Terwijl deze regelen ten papiere
-komen, leven wij in den Advent. Kerstmis nu lokt als van zelf uit tot
-een bezoek naar huis. Rondom den kerstboom verzamelen zich gemakkelijk
-en gaarne al de hier en ginds verspreide leden van een familie, en als
-men dan bij de lichtjes van dien boom de oude lieve gezichten uit zijn
-kindsheid en jeugd terugziet, is het alsof men zelf weer kind wordt met
-de andere kinderen meê. Iets dergelijks gaat ook mij nu door het hart.
-Bij het weerzien van de oude woning met al hare lieve herinneringen
-wordt Jonathan wel geen kind,—zulk een halsbrekenden sprong zal hij wel
-niet doen—maar hij gaat toch in zijn verbeelding een geheel tijdvak van
-meer dan dertig jaren terug.
-
-
- Somtijds in mijn dier gezin,
- ’s Avonds aan mijn haard,
- Haal ik weer de droomen in,
- Reeds zoo vaak verjaard.
-
- Dertig jaren dring ik door,
- Drijf ik uit mijn oog,
- En herroep den tijd er voor,
- Die zoo ver vervloog.
-
-
-dus zingt hij Tollens na. Zie hem, hoe gelukkig hij zich in die
-herinnering, in die verjonging voelt. Hij doet even als de straks
-beschreven Landjonker; hij loopt het oude huis op en neêr, van kamer
-tot kamer, en terwijl hij de oude lievelingsplekken bezoekt, is het hem
-of hij het oude, daar eens doorleefde, leven nog eens overleeft.
-Eindelijk komt hij weêr in zijn bekende eigen lieve woon- en
-boekenkamer te land. Zie, daar ginds staat ook de oude fauteuil, waarin
-hij zoo dikwijls nederzat; wel wat verkleurd en wormstekig geworden,
-maar toch nog altijd even zacht en gemakkelijk als altijd. Zoo strekt
-die hem dan ook als van ouds de beide armen uitnoodigend en uitlokkend
-tegen. Hij valt er in en.... daar zit waarlijk de oude Pythia weêr op
-haren drievoet... de heilige dampen stijgen op uit den grond... daaruit
-vormen zich weêr beelden en gestalten.... de Droomer droomt als in de
-dagen van ouds!....
-
-
- ’k Herroep u hier een droomgezicht; ik zag ’t......
- In slaap misschien!—wat iemand sluimrend ziet
- Kan menig jaar omvatten, en geheel
- Een leeftijd samenpersen in één uur. [5]
-
-
-Laat ons rondzien. Ja, wel voel ik mij hier thuis, alsof ik niet weg
-geweest ware. In mijn verbeelding zie ik al de bekende en geliefde
-voorwerpen weêr, die mij hier vroeger plachten te omringen, en niet
-zooals ze sedert geworden zijn, maar zooals ze toen waren. Eerst zien
-ze mij een tijd lang zwijgend aan, gelijk ik hen, maar straks!....
-hoort! hoort! daar beginnen ze te spreken, even als ginds mijn
-huisklok, die zijn lied speelt wanneer hij heel of half slag zal gaan
-slaan. Wat ze mij zeggen,—laat ik beproeven, in hoeverre ik het in
-woorden weêr kan geven. Dat zal dan als een gesprek met de Dooden zijn!
-
-Daar ligt waarlijk nog een exemplaar van de oude Haarlemmer-Courant uit
-den jare 1840. Welkom, oude vriend! Zien wij elkaâr nog eens terug? Ik
-ben toch ook blijde, dat, voor hoeveel dooden gij sedert ook het
-klokkentouw getrokken hebt, gij zelf nog leeft. Met een artikel over u
-in de hand, ben ik het eerst voor het publiek gekomen; een kramer zou
-zeggen: Enschedé heeft mij handgeld als auteur gegeven; dit maakt, dat
-er tusschen mij en die firma een oude relatie bestaat. En daarom
-verheug ik er mij in, dat de Haarlemmer nog steeds bestaat. Och, er
-zijn sedert zooveel andere dingen verdwenen, of met verdwijning
-bedreigd. Denk maar aan Jan Laurensz Koster, van wien het nu schijnt te
-blijken, dat hij geen Jan Laurensz, en geen Koster, en, wat het ergste
-is, dat hij geen uitvinder van de boekdrukkunst is; de Duitsche
-Guttemberg, die door ons, hem ten behoeve, zoo dikwijls voor al wat
-leelijk is uitgemaakt, en dien wij het half gestolen octrooi zoo vinnig
-uit de handen hebben gescheurd, zal nu ten slotte nog met al zijne en
-onze glorie op dit punt gaan strijken. Ten minste, er zijn geleerden,
-die zeggen, dat er voor Koster zulk een onttrooning en ontkrooning,
-niet minder erg dan die van Napoleon te Sedan, onvermijdelijk op handen
-is. Welk een val! Denk nu eens aan 1824 en het Kostersfeest; denk aan
-de schoone redevoering van Van der Palm en het enthusiastische vers van
-Tollens:
-
-
- Neen, vreemden, neen, verhit op Neerlands loof,
- En die u ’t hoofd wilt met haar roem beladen!
- Grijpt, tast niet naar die lauwerbladen:
- Gevreesd, gevaarlijk is de roof,
- Die zijn bezitter kan verraden!
- De drukkunst, uw bejaagde buit,
- Brengt gruwlen en geheimen uit.
-
-
-Zoo bralden we in ’24; en nu keert zich in ’70 dat wapen zoo akelig
-tegen onszelven, en staat het geschreven, dat Koster vroeg of laat, als
-zijn beeld niet van hooger hand wordt gesloopt, zelf van schaamte in
-den grond zal verzinken, of in elk geval in arren moede de Symbolische
-A, die hij in de hand heeft, zal opeten of het een Haarlemsche roode
-letter ware.... het is om bij te weenen. Maar staat Koster, naar het
-schijnt, op zijn laatste beenen, de Haarlemmer-Courant staat pal. Hij
-is in die verloopen dertig jaren grooter geworden, en geleerder
-geworden, en ijveriger geworden: hij doet nu zijn boodschap niet meer
-drie-, maar zesmaal per week, en hij heeft nu soms geleerde
-opmerkingen, alsof hij nu en dan in het fundatiehuis van Teyler ter
-studie ging en er physische experimenten maakte.... waarlijk, men moet
-wel erg zwartgallig zijn om te beweren dat in de wereld alles, alles
-achteruit zou gaan. De Haarlemmer, de oude liefde van alle oude
-vrijsters en van alle andere nieuwsgierigen, die gaarne op de hoogte
-van het kraam- en trouw- en sterfnieuws blijven—de Haarlemmer gaat
-bepaald vooruit!
-
-Kon ik nu eens een blik laten gaan over al de veranderingen, die ook in
-zijnen inhoud hebben plaats gegrepen! Ook daarin zou ongetwijfeld de
-vooruitgang niet minder merkbaar zijn. Vroeger had men alleen
-advertentiën, waarin het gelukkige paar bekend maakte, dat zij gehuwd
-waren; maar nu komt een mijnheer, die lust tot trouwen heeft, en vraagt
-een jufvrouw of des noods een mevrouw, die weduwe werd, liefst wat
-jong, en wat mooi, en wat rijk, en wat rijk aan beminnelijke
-hoedanigheden, bv. vrouwelijke kieschheid en maagdelijke schuchterheid,
-die een dame zoo goed staat! Welk een schoone verhouding. Nu heeft men
-de Duitsche en Fransche trouwkantoren niet noodig; men hoeft niet op
-een schoone uit te gaan en een blauwen scheen te wagen; neen, men
-blijft t’huis; men laat ze in effigie bij zich komen; als men niet naar
-het stadhuis moest gaan om voor den ambtenaar van den burgerlijken
-stand zelf zijn naam te teekenen, men zou kunnen trouwen in zijn
-leuningstoel. Nog comfortabler is het, dat een enkele maal de
-trouwlustige dames zichzelve aanbieden. Ik heb wel eens hooren zeggen
-dat, als de Dames kiezen konden in plaats van de Heeren, het veel beter
-in de huwelijkswereld toe zou gaan.... we zijn er nog niet, maar we
-zijn toch op weg. Help kijken, als de emancipatie doorgaat....
-
-De kindertjes worden geboren zooals vroeger, volgens den Haarlemmer.
-Daarin schijnt minder verandering te komen. Alleen heb ik opgemerkt,
-dat het bijvoegsel „mijn lieve echtgenoot” langzamerhand min of meer
-uit de mode raakt; niet het „lieve” op zich zelf, maar het „lieve” in
-de courant. Sterven doen de menschen ook nog als vóór dertig jaren.
-Halloway en Malz, de oude Arabische-Revalenta- en de nieuwe
-Amerikaansche-Condurango-kweekers hebben daarin nog geen doortastende
-verandering teweeggebracht. Ook de duizend en een koude, heete en lauwe
-bronnen, met hare levensstroomen hebben het lieve leven zelf nog uit de
-aarde niet kunnen ophalen; het kruid tegen den dood schijnt nog altijd
-op onze arme planeet niet te willen wassen. De Haarlemmer verandert nog
-al eens van formaat, en is ook wel eens een tijd lang kleiner van stuk
-geweest dan vroeger, maar de doodenlijst op bladzijde 3 is altijd even
-groot gebleven; die heb ik nooit, als de krant zelf, tot drie kwart van
-het formaat verkleind gezien!
-
-De overige advertenties wijzen ook al niet onbepaald verbetering en
-vooruitgang aan. Daar zijn nog altijd hoofdonderwijzers, die maar geen
-hulponderwijzer krijgen kunnen, en hulponderwijzers, die het voor zulk
-een kleintje niet kunnen doen. Daar zijn nog altijd—mijn oud
-zwak—gouvernantes en gezelschapsjufvrouwen, die voor o! zoo weinig
-loon, soms in ’t geheel geen loon, o! zooveel diensten, met o! zulk een
-vriendelijk, pijnlijk-vriendelijk gezicht, voor allerlei mevrouwen
-Waters verrichten willen, die, als de bekende lieve Dame uit den
-Nickleby van Dickens, om hare delicate constitutie, zulk een
-bliksem-afleider van haar booze luim allernoodzakelijkst behoeven om er
-niet in te stikken.
-
-En wat nu de politieke berichten aangaat, ook daar staat de thermometer
-al zoo, na enkele afwisselende op- en neêrwaartsche bewegingen, gedurig
-op hetzelfde punt. Het is daarmee als met het slechte weêr in
-Schotland, volgens een bekende spotprent:
-
-—Regent het hier altijd, jongetje?—
-
-—Neen, Sir! soms sneeuwt het ook.
-
-De keizer van het Blauwe land (ik neem de verschillende kleuren van de
-landkaart, om niet personeel te wezen) heeft de koning van het Groene
-land bezocht; ze hebben elkander op de hand beloofd om samen vrede te
-houden. Na het rooken van dien vredepijp heeft de Blauwe en passant op
-de werf te *** eenige nieuwe oorlogsschepen besteld en de Groene in de
-gieterij te *** een partij allerbeste getrokken kanonnen laten
-aanmaken.... waarom? Wel natuurlijk, om als pleizierjacht te dienen en
-vreugdeschoten te lossen, als zij elkaâr weêr zulk een vredelievend
-vriendenbezoek komen geven!—De vorst van het Roode land ligt over hoop
-met zijne ministers, en de ministers met de Kamer, en de Kamer met het
-volk, en het volk weer met den Vorst. Ze twisten voornamelijk over de
-financiën, over het uitschrijven van belastingen op de lucifers en van
-een hoofdgeld op honden en katten.—De President van het Zwarte land wil
-graag keizer worden, maar het roode volk wil den President wegjagen en
-een Commune stichten, waarvan de tijger uit den Jardin des plantes
-koning en de salamander uit de fabel eerste minister zijn zal!... Ach!
-ach! en zoo gaat het altijd voort; en intusschen worden jaar op jaar
-een steeds grooter aantal courant-artikelen met bloed geschreven. Was
-het in den laatsten tijd niet soms, of de drukkerij van den Haarlemmer
-voor politiek nieuws roode, in plaats van zwarte letters gebruikte? En
-toch zitten de mannen van het Vredeverbond trouw op den wachttoren,
-waarop de witte vlag waait; maar op de vraag: Wachter! wat is er van
-den nacht? is het antwoord nog gedurig: De morgen is gekomen, en nog is
-het nacht. Waarlijk, ook met den steeds vooruitgaanden Haarlemmer in de
-hand, is het toch soms moeielijk, aan den gestadigen vooruitgang van
-den menschheid in ’t groot te blijven gelooven. Wel geloof ik nog
-steeds daaraan, omdat ik aan eene hoogere Macht geloof, die het
-scheepje van de menschheid over den grooten oceaan voert, en die niet
-alleen over het roer en de zeilen, maar ook over den stroom te gebieden
-heeft, zoodat het vaartuig ten slotte, dwars door stormen en onweders
-heen, den koers inslaan moet, dien zijn vinger het vóórtrekt... maar
-het is misschien omdat mijn oogen slecht beginnen te worden met de
-jaren, ik zie van de voorwaartsche beweging soms niet veel, en indien
-ik durfde, zou ik een enkele maal haast willen vragen: De stuurman is
-immers wel aan boord?
-
-
- Daar kwam verandring in ’t gezicht mijns drooms.
-
-
-En ligt gij daar ook nog, mijn eigen lief Album, met uw handschriften-
-en portretten-verzameling van den ouden tijd? O wat ziet gij er uit!
-Niet van buiten; daarvoor heeft men trouw genoeg gezorgd; maar van
-binnen! Hoe zijn uwe beelden verkleurd, uwe teekeningen verflauwd, uwe
-manuscripten tot onleesbaar wordens toe bleek en geel geworden! En,
-ach! wat het ergste is, niet alleen hebben de beelden hier vóór mij van
-den tijd geleden, maar ook hier, in het binnenste, zijn ze, althans
-voor een deel, niet meer zoo helder en frisch van kleur en omtrek als
-voorheen. De dichter heeft het wèl gezegd:
-
-
- Les morts durent bien peu; laissons-les sous la pierre!
- Hélas! dans le cercueil ils tombent en poussière
- Moins vite qu’en nos coeurs.
-
-
-Willen wij oprecht zijn, laat ons het erkennen: we zijn vergeetachtige,
-ondankbare en liefdelooze schepsels. Nu ja, het is waar; we kunnen met
-de dooden niet leven, dat is vaak genoeg gezegd; maar dat rechtvaardigt
-de toepassing van den egoïstischen regel niet: Uit het oog, uit het
-hart! De ouden waren gewoon hunne lijken te verbranden om hunne asch in
-een lijkbus altijd nabij zich te kunnen hebben; de Chinezen leggen hun
-begraafplaatsen aan in hunne tuinen om telkens de graven der hunnen te
-kunnen bezoeken; ik zeg niet, dat ik een genootschap zou willen
-stichten met het doel om dit gebruik, zoo mogelijk, bij ons ingevoerd
-te krijgen: misschien kreeg ik het met de een of andere
-Gezondheids-commissie te kwaad, en daar blijf ik maar liever buiten.
-Maar toch, het denkbeeld, dat daarin en daarachter ligt, lacht mij wel
-aan. Waarlijk wij moesten niet zoo gereed zijn om onze dooden, die ons
-eenmaal afgestorven zijn, nog eens te laten sterven. Non bis in idem,
-zeggen de juristen.
-
-Zoo sprekende bemerk ik, dat ik aan het einde van mijn boekje gekomen
-ben, hetwelk ik bezig ben te doorbladeren. Mijn boekje.... namelijk
-zooals het was, toen ik mijn daaraan gewijd artikel besloot. Als de
-verzameling in dien band sedert trouw was bijgehouden—o! hoe groot zou
-dan het getal namen niet zijn, waarachter ik het bekende teeken † zou
-vinden. Geen wonder. Dertig jaren. Het is een geheele menschenleeftijd:
-zegt men niet, dat drie menschenleeftijden een eeuw vullen? In zulk een
-tijdperk nu, hoeveel dooden! Inderdaad, het leven is als een reis met
-den spoortrein. Men gaat van het station op het punt van vertrek af:
-het rijtuig zit vol. Het zijn de vrienden, die men meêbracht, of men
-maakt met de overigen kennis op reis. Maar telkens, te midden van het
-gesprek, daar klinkt het fluitje... de deur gaat open.... een der
-reizigers stijgt uit.... een ander komt in zijn plaats. Zoo verandert
-gaandeweg de helft, drie kwart van het personeel, en, als gij bij de
-aankomst op de plaats der bestemming rondziet, is het mogelijk? Is dit
-het gansche overschot van het reisgezelschap, waarmede gij uw tocht
-begont? En, ziet gij, naderbij beschouwd, het beeld gelijkt maar half.
-Want de passagier die het rijtuig verlaat, gaat gezond en frisch, en
-met een lachend gelaat, en met een: tot wederziens! op de lippen, van u
-weg, maar die andere passagier, die op den reisweg des levens u voor
-goed verlaat, gaat heen in een lang wit kleed, even wit als zijn lang
-en bleek gelaat,—of hij gaat eigenlijk niet, maar hij wordt gedragen,
-en het: vaarwel! of het: tot wederziens! zoo hij het nog zou willen
-stamelen, is onder het spreken bestorven op de witte lippen. En die
-eerste passagier, als hij gaat, neemt ten hoogste genomen bij zijn
-vertrek een deel van uw gezelschap, een stuk van uw conversatie, een
-zoetigheid uit den trommel van uw reisgenoegen meê. Maar de reiziger,
-op wien ginds de zwarte Omnibus, (ja wel, Omnibus!) wacht, neemt,
-weggaande, een stuk van u zelven mede, een stuk van uw leven, een stuk
-van uw hart, een stuk van uw hemel op aarde. We sterven alle dagen. Als
-men oud wordt, sterft men lid voor lid. In de oogen, die gaan
-schemeren, in de ooren, die zich sluiten, in de beenen, die beginnen te
-waggelen, in de handen, die onvast en bevend worden, en, het ergste! in
-het hart, dat koud wordt. Maar er is nog een andere, een nog bitterder
-dood, dien wij sterven in de onzen. Als een gewond soldaat op het
-slagveld zijn been ziet begraven, dat moet hard zijn; maar als men zijn
-hart, althans het beste deel van zijn hart, in het hoogste voorwerp van
-zijns harten liefde begraaft, dat is eindeloos erger. Dan zou men bijna
-wenschen, het voorbeeld der Malabaarsche weduwe te kunnen volgen, en er
-zich zelven levend bij te begraven...
-
-Ben ik bezig te klagen? Daarvoor beware mij de goede God! Er is geen
-reden voor. Hoe rijk toch moet men niet zijn, om zooveel te kunnen
-verliezen, en hoe dankbaar behooren wij den grooten Vader der menschen
-te zijn, die ons zoo rijk aan liefde heeft gemaakt. Liefde is ten
-slotte toch de grootste schat op aarde; het meest goddelijke in den
-mensch. „Godt is liefde!” heeft de boezemdiscipel van den Menschenzoon
-gezegd. Ik heb mij zelven wel eens een raadsel opgegeven, waarvan ik na
-jaren zoekens de oplossing nog niet gevonden heb, en waarschijnlijk ook
-wel nooit vinden zal: het is de vraag: wat zaliger is, lief te hebben
-of geliefd te zijn? Maar wat is dat een heerlijk raadsel, en, bij al
-hare leemten en ellenden, welk een heerlijke aarde is het, waarop men
-elkaâr zulk een raadsel opgeven kan. Ik wil dus dankbaar zijn voor
-alles, wat ik gehad heb, al heb ik het sedert ook voor een deel weêr
-verloren: de Heere heeft gegeven, de Heere heeft genomen, de naem des
-Heeren zij gelooft! Één ding weten we: wij zijn maar op reis: en
-zoovelen wij in de rechte richting reizen, gaan wij naar het groote
-centraal-station, waarop alle lijnen van de aarde uitloopen. Daar komen
-eens al de reizigers saam om niet weêr te scheiden. Daar zijn geen
-Albums meer met verwelkte bloemen of afgesneden haarlokken; daar
-heerscht een eeuwige lente, daar bloeit een eeuwige jeugd, daar—om met
-Van Haren te spreken—daar sterft de dood!
-
-Als nu Editha hier was, zou ik zeggen: Editha! speel de Dernière pensée
-musicale van Weber,—of nog beter, speel de schoone zangwijs van den
-twee en veertigsten Psalm eens voor mij!
-
-
-
-
-
-
-
-
-EEN AFSCHEIDSBEZOEK.
-
-Vervolg.
-
-
-Nog eens—
-
-
- Daar kwam verandring in ’t gezicht mijns drooms.
-
-
-Editha—zeide ik straks—speel een lied! Zoo ze hier was, ze zou het
-kunnen; want waarlijk, daar, tegen den wand, staat haar piano, die mij
-zoo vaak voor huiselijke harp heeft gediend. En zeker, ze zou willen
-ook; want wanneer heeft de vriendelijke mij ooit iets geweigerd, waarop
-mijn hart gesteld was, indien zij het mij toestaan kon? De lieve
-zuster! die mij zoo vaak het woord op de lippen heeft gebracht:
-
-
- O zusterliefde is de edelste van allen;
- Daar mengt zich drift, noch teedre hartstocht in.
-
-
-Ik mag het met blijdschap erkennen: als ik het Album met zijn vele
-namen van vroeger en later ontslapenen aanzie, en daarbij de namen
-voege, die in dit Album zouden behooren, al staan zij er niet in, omdat
-ik op het laatste blad het cetera desunt lees,—Godlof, Editha is nog in
-het land der levenden. Dàt stuk van mijn leven althans, dàt stuk van
-mijn hart is mij nog niet afgevorderd. Dit is voor het minst een
-troost. Want, ziet gij, na den moederschoot, die u het leven gaf, en
-den vaderschoot, waarop gij het eerst met verrukking ontvangen en met
-een welkomskus onthaald zijt geworden, is er geen dierbaarder plekje
-voor u, dan de heilige grond, waarop gij, aan hun voet, met uw eerste
-speelnootjes hebt gespeeld: na hun beeld geen liever gestalte, dan dat
-zwarte jongenskopje of dat blonde meisjeskrulhoofd, waaraan gij met de
-eerste streelingen van uw kleine vingers en de eerste kussen van uw
-eigen kleinen mond u in het eerste liefdebetoon geoefend hebt. Kinderen
-hebben altijd kinderen lief en zijn bij voorkeur met kinderen samen;
-maar dàt kind, of dèze kinderen!... ze hebben een eigen plaats in uw
-hart. Zijn ze niet als knoppen met u op denzelfden stam gegroeid?
-Hebben ze niet uit de lieve moederaarde denzelfden malschen zoeten dauw
-gedronken? Hebben ze den zonnestraal, die van den hemel op u en hen
-scheen, niet broederlijk en zusterlijk met u gedeeld? Het zou wel
-vreemd zijn, als de bloeddroppels in de aderen van het kind dáár naast
-u niets voelden van de bloeddroppels in uwe aderen hier, daar ze toch
-uit ééne moederbron zijn gevloeid. Wel kan het zijn, en zal het
-waarschijnlijk zoo wezen, dat de verschillende sprankels uit die bron
-later ieder hun eigen weg gaan. Jonathan rechts, Editha links... maar
-al raken ze uit elkander, ze raken daarom niet van elkander af. Ze zijn
-twee helften van een schelp; ook als ze gescheiden zijn, roepen ze om
-elkander, en als ze weer samenkomen, zie! zie! ze passen op elkaâr
-alsof ze nooit van elkander geweest waren. Het is één stem in twee
-harten, de oudste stem van allen: de stem des bloeds.
-
-Zoo was het ons in lang verloopen dagen, waarvan de luite zong:
-
-
- Gij zijt mijn zuster. ’t Zacht geluid
- Der snaar, die in uw boezem trilde,
- Drong straks van uit de loofhut uit,
- Waarin gij ’t eerst zoo gaarn besluiten wilde.
- ’k Huwde aan uw zang mijn eigen lied,
- En ’t kwam welhaast aan honderden ter ooren,
- Die naar den wildzang wilden hooren,
- Geneuried op mijn pijp van riet,
- Hoe Jonathan geen grooter schat
- Op aarde dan Editha had.
-
-
-Zoo bleef het ook later, na het uur van scheiding. Voorwaar, die
-scheiding was bitter, al was de reden zoet, maar die scheiding heeft
-niets gebroken. Het is toch met den band der liefde, als met den
-telegraafdraad. Hij is zoo lang, zoo lang, zoo lang... als de geheele
-wereld: hij doet des noods de reis rondom de wereld zonder te breken.
-Niet waar, Editha? dat hebben ook wij gevoeld; dat hebben ook wij
-ervaren. Wij hebben elkander nog lief. Anders dan vroeger? Voorzeker.
-Maar minder dan voorheen? Ik zou zeggen, nog meer. Naarmate de
-gelederen dunner worden, sluiten de overblijvenden zich dichter aaneen.
-Ik heb wel eens kanonniers zien exerceren: als dan de bevelhebber van
-het stuk kommandeert: No. 1 No. 4 No. 6 ontbreekt! treden die nommers
-uit, maar dan reiken ook terstond de anderen dubbel ijverig elkaâr de
-hand om de ledige plaatsen aan te vullen, en komen ze zoo altijd
-dichter bij elkaâr. Doen nu de soldaten zóó, bij dat leelijke werk van
-kanonnenladen, dat op het hart en het leven van hunne evennaasten
-doelt, zou dan de broederlijke liefde, bij haar werk, dat een werk des
-levens is, minder doen? Zouden de laatste Nommers elkander nog niet
-meer en liever helpen en steunen, naarmate er andere „Nommers
-ontbreken?” O voorzeker. Als vader en moeder niet meer zijn, zoeken de
-kinderen hun beeld op elkanders gelaat en in elkanders stem, en zoo
-goed het gaat, al gaat het niet volkomen, ze zoeken den weêrschijn van
-de uitgebluschte, neen! naar elders overgebrachte vlam in elkanders
-liefde terug te vinden. En daarom, Editha, geef mij de hand. Wij
-blijven elkander trouw, zoolang de lieve God ons samenlaat. Wij willen
-broeder en zuster blijven tot den einde: tot dat wij de een den ander
-goeden nacht kussen in de tweede wieg, gelijk wij het zoo vaak in de
-eerste wieg hebben gedaan.
-
-En nu, uw piano! Ja, ik herken ze, het is nog het oude instrument: de
-oude Broadwood, waarop gij zoo vaak de reeds genoemde Dernière pensée
-en zoo menig ander lied voor mij hebt gespeeld. Ik weet wel, die
-liederen zijn uit de mode; men heeft nu andere muziek: of ze ook beter
-is? Ik heb het openlijk en rond verklaard: ik ben geen kenner; het zou
-mij dus allerminst passen, een oordeel te spreken. Maar er zijn knapper
-luî op dit punt, die ik wel eens in twijfel heb hooren trekken, of we,
-ook in dit opzicht, wel op den weg van vooruitgang zijn. Ze zeiden,
-maar ik zeg het niet, de verantwoording blijft voor hen—de kooi, waarin
-de zangvogel zit, zou nu mooier zijn, kostelijker van stof en fraaier
-van vorm, maar de zangvogel zou er niet op verbeterd wezen. Mij heugt,
-hoe ik Andersen met eigen mond eens een sprookje van hem hoorde lezen
-van een Oostersch hof, waar men eerst een nachtegaal had, die voor den
-koning zong, en later een mechanischen kunstvogel, die geleerde liedjes
-speelde, maar hoe toch ten slotte... doch, het is waar, dat was in het
-Oosten, en wij wonen in een kouder klimaat: dat past dus niet op ons.
-Wij hebben dus geen recht om te vragen, of de muziek der Toekomst van
-Wagner het bijvoorbeeld van Weber met zijn: Einsam bin ich nicht
-alleine, of zijn: Dernière pensée wint? Ik stel mijn lezers voor, de
-beslissing van die vraag aan de Toekomst over te laten. Dan mogen
-mijnentwege de toekomstige Patti’s en Jenny Linds boven Wagners graf
-den triomfzang van de Polyhymnia der nieuwe kunst-eeuw uitvoeren!
-
-Één ding echter staat vast. Mocht ook de zangvogel in onze dagen minder
-rijk aan melodiën zijn, dan wel eens vroeger, omdat hij min of meer in
-den ruitijd is, geheel zwijgen, en nog meer, sterven zal hij niet. En
-gelukkig, dat het zoo is. Wij kunnen de schoone kunst van Jubal op onze
-arme, koude aarde met hare dissonanten niet missen. Die ons de
-uitvinding gaf, zal het ons aan de noodige hulpmiddelen tot haar
-gebruik wel nooit geheel laten ontbreken. Er is een stem, die in den
-mensch met Jenny Linds beroemd lied roept: Ich musz nun einmal singen!
-Luther wees aan de muziek, na de theologie, de eerste plaats onder de
-aan den mensch verleende goddelijke gaven toe. En dit moeten wij
-erkennen: Is in den laatsten tijd onze muziek niet beter geworden, wij
-zelven werden muzikaler dan voorheen. Sancta Cecilia is nu een der
-eerste santinnen van onzen almanak: zij geeft onder haren naam feesten
-in de Hoofdstad, waar het hart der kenners van verdaagt. Jonge heeren
-en dames neuriën en musiceeren uit den treuren; de liedertafels trekken
-met hunne banieren en medailles triumferende het land rond; zelfs den
-kinderen op de school wordt, naar een woord van Luther, de wijsheid
-ingezongen: er zijn enthusiasten, die van de heerschende melomanie de
-hervorming des volks verwachten. En hoe kan het anders? Als er zooveel
-harmonie is in de lucht, die we indrinken, dan moet immers ons
-binnenste, dat daarmede geheel vervuld wordt, zeker wel gansch en al
-harmonisch worden!...
-
-Hm! Hm! het kan zijn. Maar of ik er voor’shands veel van merk? zie, dat
-is een andere vraag. Tot nu toe althans heb ik niet kunnen vinden, dat
-de geblazen en gestreken harmonie tot liefelijke akkoorden en muzikale
-samenstemming in de gedachten en gevoelens der verschillende
-menschenkinderen heeft geleid. In dit opzicht heeft het diereningewand
-tot nu toe te vergeefs voor ons gezongen. Ik heb niet gehoord, dat de
-mooie Grenadier-concerten van Dunkler in het Haagsche bosch belet
-hebben, dat er onder de vaders des Volks op het Binnenhof nog al eens
-gekibbeld wordt. En ik weet niet, of het aan de Cecilia-feesten van
-Verhulst in het Amsterdamsche Volks-paleis wel al gelukt is, om al de
-geleerde hoofden in het Trippenhuis op de zittingen der Koninklijke
-Akademie onder één hoed te brengen. Als ik met een zachte stem die
-bescheiden opmerking maak, heeft men mij wel eens te gemoet gevoerd,
-dat dan toch in elk geval de muziek, even als het orgel in de kerk, ons
-de goede dienst bewijst om de dissonanten, die het niet verhinderen of
-oplossen kan, te helpen dekken; en dat wil ik gaarne toegeven. Het is
-dan maar te hopen, dat de dissonanten hunne stemmen niet al te luid
-verheffen, zoodat ze de muziek, die ze moet helpen verdooven,
-overschreeuwen. Wie weet, wat de muziek der Toekomst doen zal?
-Misschien zal aan haar hand de klankladder van Ut re mi fa sol de
-hemelladder worden, langs welke de mensch tot het bereiken van zijne
-bestemming langzaam wordt opgevoerd. Ik heb ergens gelezen, dat er
-menschen zijn, die naar een algemeene taal voor de gansche menschheid
-hebben gezocht, en daartoe de hulp van de viool hebben willen
-gebruiken: tot dusverre is dit niet gelukt. De taalverwarring, die van
-Babels toren dagteekent, duurt nog altijd voort: vraagt het de
-discipelen van de Burgerscholen maar, die nog altijd met zulk een
-inspanning zitten te zwoegen om de vreemde talen, die ze aanleeren
-moeten, onder de knie te krijgen! O welk een vreugde zou de uitvinding
-en invoering der algemeene taal onder de jeugdige kielendragers en
-kort-gejurkten verwekken! Welnu, misschien gaan wij er heen. Orfeus
-bouwde steden op de klanken van de citer; misschien is er een Orfeus
-der Toekomst aanstaande, die door zijn Paganini-viool de verdeelde,
-elkander kwalijk verstaande, met elkaâr twistende en kijvende
-menschheid in een groot concert van broederlijke en zusterlijke stemmen
-verandert en herschept. Men moet niet wanhopen.... piano wil zeggen
-zachtjes! en daarvan komt de derivatie pianissimo!
-
-
-
-En wederom:
-
-
- Daar kwam verandring in ’t gezicht mijns drooms.
-
-
-—Een—twee—drie—vier—vijf—zes—zeven—ACHT! Daar slaat waarlijk mijn oude
-Huisklok acht uren. Welkom kameraad!—We hebben elkander in lang niet
-gezien. Ik heb u in lang niet gehoord. Toch weet gij, of ik u lief heb
-gehad. Nog meer ik heb gemaakt dat ook anderen u lief kregen; ik heb
-zelfs eens een bezoek van een vriend gehad, die mij kwam vertellen, dat
-hij u een jongeren broêr gegeven had. Hij had een ouderwetsche klok
-gekocht, en die laten opmaken precies als gij, tot uw eigen opschrift
-toe: Una ex his hora mortis. Zoo zoudt gij op het laatst nog haast
-oktrooi moeten gaan vragen, en in den oprechten Haarlemmer een
-advertentie bij wijze van Waarschuwing tegen Namaak moeten plaatsen. Nu
-laat u namaken wie wil, als men dan ook de lessen maar navolgt, die gij
-zoo gereed en gewillig zijt aan uwe aandachtige en indachtige hoorders
-te geven. En dat hebt ge zeker ook blijven doen, al was ik daar niet om
-ze van u te ontvangen. Hoeveel tijd is er voorbijgegaan, sedert ik ze
-hier op dezen zelfden stoel van u ontving! Hoeveel malen hebt gij
-twaalf geslagen, twaalf uren op den dag en twaalf uren in den nacht,
-sedert ik, op het punt staande om van hier te gaan, uw wijzer vroeg, of
-het nog geen tijd was, en toen gij ja! zeidet, u een laatst Vaarwel
-toeriep. En sedert zijt gij daar altijd blijven staan, terwijl ik hier
-en daar rondzwierf, en mij met een plaatsvervanger van u zoo goed
-mogelijk behielp. En sedert zijt gij altijd even gelijkmatig unisono
-blijven voorttikken: tik-tak! tik-tak! tik-tak! terwijl intusschen mijn
-hart menigmaal zoo onrustig sloeg en joeg. Ach, mijn goede Huisklok,
-zoo ik u dat vertellen kon! In Dertig jaar kan er door een
-menschenhart, welks ketting en veer niet van hard, stug metaal is, wat
-worden afgeleden, afgestreden, en afgebeden, waarvan een Huisklok aan
-den wand, en zelfs een zakuurwerk op de linkerborst, dat toch zoo dicht
-bij de levens- en gevoelsbron tikt, niets vermoedt. Maar ik zal ook
-niet pogen u dat te vertellen. Gij zoudt mij toch niet begrijpen. Hoe
-wild het ook daar buiten storme, bij u gaan de scheepjes van de
-geschilderde mechaniek op uw wijzerplaat altijd even kalm en effen heen
-en weêr. Als de horlogiemaker maar op het opwinden, en nu en dan op het
-schoonmaken past, raakt gij nooit van de wijs of uit de maat. Dertig
-jaren zijn in dit opzicht voor u als één dag.
-
-Dertig jaar. Mocht ik nu maar kunnen zeggen: Dertig jaar ouder—Dertig
-jaar wijzer—Dertig jaar beter. Dertig jaar dichter bij het graf—Dertig
-jaar dichter bij het doel. Maar, ach, mijn waarde tijdmeter, ik moet
-het met schaamte bekennen: Ik ben een vergetel hoorder, een traag
-discipel van u geweest. Ik heb er niet genoeg aan gedacht: Una ex his.
-De kleine wijzer van den Levenstijd heeft wel altijd trouw de ronde
-gedaan, maar de groote wijzer van den Plicht heeft de hare wel eens
-vergeten: hij stond wel eens stil, en haperde, terwijl zijn kleiner
-broeder altijd even trouw voortliep. Bij zulk een hapering kan men niet
-zeggen, dat een horlogie gelijk loopt! Ik ben geen wellust van het
-menschengeslacht, als wijlen Titus, maar dit toch heb ik met hem
-gemeen, dat ik ook nog al eens aan den avond van een dag heb
-uitgeroepen: ik heb een dag verloren. Als ik van u een kerfstok wilde
-maken om zulke kwade dagen op te teekenen, zou uw lange kast veel te
-kort zijn. Zie, dat is een leelijk gebrek. Wij waarderen den
-kostelijken tijd niet genoeg. Wij laten de met goudkorrels bezwangerde
-rivier, den rijken Pactolus, langs ons heenvloeien, en bukken ons
-menigmaal niet eens om de goudkorrels op te zamelen, die de stroom met
-zich wegvoert. De Britsche denker had wel gelijk, die sprak: „Wij
-gelijken aan beelden van marmer in de tuinen, waarvan men fonteinen
-maakt. Uit hun lippen vloeit een helder water, dat voort- en doorloopt
-zonder ooit stil te staan, en het marmer is daar, lijdelijk, koud en
-geenerlei poging doende om den altijd doorgaanden stroomval tegen te
-houden.” Ach, ook ik zelf ben maar al te zeer zulk een bewegingloos
-beeld op de fontein des Tijds geweest, en zoo al de droppels, die
-zonder vrucht voor mij en anderen daarheen gevloeid zijn, in ééne kom
-samen vergaderd werden, welk een bassin zou daarmede worden gevuld! En
-zoo al die droppelen, die nu zoo eentoonig voortkletteren, een kenbare
-stem kregen om te verhalen wat ik in den loop dezes tijds gedaan en
-niet gedaan heb,—dan zou ik wenschen, dat die fontein de Lethe ware, en
-dat ik in haar water de vergetelheid van al dit lang verleden drinken
-kon. Maar, maar, het zal zoo niet zijn. Geen droppel vloeit naar
-beneden, die niet weêr zal opkomen, als een water-ader, die hier van de
-bergen stroomt, om ginds in het dal uit den grond weer op te komen en
-op te springen. Laat het zijn! Reeds vroeger, als ik u aanzag en,
-rekening met u hield, spraken wij samen van het groote Middel om het
-Tekort in eens menschen leven te helpen dekken. Gij hebt dertig malen
-gedurende mijn afwezen die zekere Drie slagen op zekeren Goeden dag
-geslagen, die herinnerden aan het groote Consummatum est, dat der
-wereld den triomf van de wereldverzoenende liefde over de zonde en den
-dood verkondigde, en daarom mijn lieve Klok, tik voort! tik voort! Wij
-gaan den eenigen, eeuwigen goeden Vrijdag tegen, waarop niet alleen al
-wat te kort is zal worden aangevuld, maar ook al wat ten deele is zal
-worden volmaakt. Al gaan de dobberende scheepjes op uw wijzerplaat,
-niet voort, ze brengen ons toch naar die haven—de Goedereê, de Schoone
-haven van het eeuwig T’huis!
-
-En andermaal—
-
-
- Daar kwam verandring in ’t gezicht mijns drooms.
-
-
-Ik zie de wanden van mijn studeercel rond, en ik vind daar, als
-vroeger, de ettelijke planken met boeken waarom in der tijd Judith mijn
-eenvoudig kamertje wel wat pompeus met den naam van Bibliotheek
-versierde. Daar staan ze, achter den groenen voorhang, die ze als een
-sanctum van den voorhof van mijn kamer scheidt. Als ik ze nu aanzie,
-het is niet zonder een onwillekeurig gevoel van weemoed. Op een
-schilderijen-tentoonstelling hangt men boven het werk van een in den
-jongsten tijd ontslapen schilder een inmortellen-krans. Maar inderdaad,
-indien ik boven al de boeken der Auteurs, die in het laatste Derdendeel
-der eeuw gestorven zijn, inmortellen kransen wilde ophangen, mijn
-boekenkas zou zelf iets van een bloemen-tentoonstelling krijgen.
-
-—Welnu, wat kwaad? Als de ééne Auteur sterft, komt een ander in de
-plaats. Om uw eigen beeld te gebruiken: Men roepe maar: „No. 1
-ontbreekt!”....
-
-—Meent gij dat? Ik wenschte, dat het waar ware. Maar reeds toen ik een
-jongen was, die „Bröder tot mijn pijn en Weijtingh voor mijn straf”
-kreeg, moest ik leeren: Consules fiunt quotanis—
-
-
- Consuls krijgt men alle jaren en Proconsuls ook er bij;
- Maar de Koning en de Dichter komt niet alle jaar als zij.
-
-
-De dichters groeien niet als de spinazie in de lente of de bloemkool in
-den zomer, waarvan in den regel de oogst tamelijk wel te gelukken
-pleegt: in den hof der letterkunde heeft men nog al eens jaren van
-misgewas. Welke vruchtbare tijden heb ik in dit opzicht beleefd. Welk
-een tijdvak, waarin men in één jaar (1832) drie dichters als Göthe,
-Walter Scott en Bilderdijk verliezen kon! Toen had men er nog eentje
-voor ’t breken. Zulk een slag zou de groote Maaier nu met den besten
-wil niet kunnen slaan. Les rois s’en vont: dat geldt ook van de
-koningen der poezij. Eerst hadden we de koningen, toen de prinsen en
-nu—exceptis excipiendis,—zijn wij aan de grootvorsten, ja misschien nu
-en dan een kleinvorstje, of, dat op hetzelfde neêrkomt, een grootvorst
-van Luxemburg, het landje van ééne stad, er bij. Toen de koning van
-Frankrijk na den dood van Turenne acht maarschalken in diens plaats
-benoemde, zeide men: De koning heeft zijn goudstuk tegen zilvergeld
-verwisseld. Dit geldt ook in onzen tijd, in den regel, van de munt, die
-op de poëtische pers geslagen wordt.... In vredes naam, als het niet
-anders kan! als dan het zilver maar echt zilver blijft, en geen
-Russisch zilver wordt!
-
-Toch is het een gebrek, dat gevoeld wordt. Aardappelennood valt zeker
-moeielijker te dragen, dan dichternood; maar een nood is het toch. Het
-is smartelijk, als men de jaren beleefd heeft, dat er bijna ieder nieuw
-jaar een nieuw groot dichter bij de overigen kwam, dat men nu den eenen
-dichttroon na de anderen ziet ledig worden, zonder dat er legitieme
-opvolgers zijn om ze te vervullen, naar den regel: Le roi est mort!
-Vive le roi!—Jean Paul verhaalt een anekdote, die hier te pas komt. De
-Prins Van Esterhazy had zijn geheele muziekkapel, en Haydn als
-kapelmeester afgedankt. Dien ten gevolge componeerde deze een
-muziekstuk, waarin elk muzikant, de een na den ander, een solo speelde
-en aan het einde er van den blaker op zijn muziek-lessenaar uitdoofde
-en wegging. Zoo verdween het eene lichtje en het eene instrument na het
-andere, en eindelijk bleef het orkest geheel stom. Ik heb aan dat
-verhaal wel eens gedacht, toen ik Bilderdijk, en na Bilderdijk Loots,
-en na Loots Staring, en na Staring Tollens, en na Tollens Da Costa, en
-na Da Costa Van Lennep zag aftreden, en voor de meesten te vergeefs
-naar een plaatsbekleeder, en dat vooral onder de jongeren, zocht. Toch
-willen we niet ondankbaar worden: stom is ons orkest gelukkig nog niet;
-er klinken nog eerste violen, al zijn ze schaarsch. Mocht het nu gaan
-als bij Haydn te Weenen, waar de Prins berouw kreeg van zijn besluit en
-de afgedankte kapel weêr aanstelde. Toen kwamen, in de omgekeerde orde,
-al de lichtjes en al de muziek-instrumenten één voor één weer terug....
-
-
- Va-t-en voir s’ils viennent, Jean,
- Va-t-en voir s’ils viennent!
-
-
-Het is waar, men heeft één troost: denzelfden troost, dien men mij ook
-op het punt der muziek aanbood; dat schijnt op dit gebied „de troost
-der armen” (de bekende balsem) te zijn. Groote dichters heeft men nu
-minder dan vroeger, maar daar staat één voordeel tegenover. De poezij
-is in onze dagen meer gemeengoed geworden. De taal, de stijl der goede
-Auteurs, ook over andere, soms de meest afgetrokken onderwerpen, is
-dichterlijker geworden, Humboldts Kosmos is, ook literarisch, een
-meesterstuk: dat zag men vroeger zoo niet. Zelfs over den goeden
-conversatie-toon ligt een meer poëtisch waas dan voorheen.—Ik wil het
-niet geheel ontkennen. Maar de troost is schraal. De honderdduizend
-boterbloempjes in het gras voldoen mij niet, wanneer ik, als
-bloemen-liefhebber, eens een schoone camelia of azalia of puike
-stamroos zou willen hebben. Ik geef vijfhonderd tjilpende musschen voor
-een enkelen nachtegaal.
-
-Zelfs dat de poezij voor sommigen min of meer een artikel van mode
-geworden is, kan mij niet geheel voldoen. Twee dingen, lieve jufvrouw,
-ik weet het, zijn in onze dagen voor een modieuse Dame onmisbaar: een
-Album met visite-portretten en een Poezijboek, vooral een Poezijboek,
-roodfluweel, met verguld slot en verguld op sneê! En dan van binnen tal
-van Versjes, met lange dunne letters van Engelsch model met bleeke inkt
-half leesbaar geschreven, sentimenteel tot in het schrift! En de
-inhoud: luttel Hollandsch, maar Fransch, en Duitsch, en Engelsch,
-vooral Engelsch, dat lieve Engelsch! En als men er dan een handschrift
-van een heuschen dichter, van „mijn dichter” bij krijgen kan, dat
-verhoogt de waarde van zulk een verzameling ontzaggelijk: dat is of men
-zijn kleed of hoed onmiddelijk uit de eerste hand, uit Parijs, kreeg.
-
-Ik moet erkennen: het is vleiend voor de betrokken poëten; maar of er
-nu de poezij zelf, of de geest en geestdrift voor poezij in den boezem
-des volks bij die Album-manie veel wint,—ik zou het niet durven
-verzekeren. En zie, dat is toch noodig. Ik gaf het reeds vroeger te
-kennen: Poezij beantwoordt aan een ingeschapen trek en behoefte in de
-natuur van den normalen mensch. Laat de bekende mathematicus bij het
-zien opvoeren der Fedra van Racine vragen: wat dat bewijst? Uw vraag, o
-wijsgeer! bewijst dat gij een cijferbord zijt, waarbij het stuk krijt
-in het bakje, bij gebrek van beter, de plaats van hart vervult. Het
-meerendeel der menschen is anders gemaakt. De mensch leeft niet alleen
-van brood; zoo kan ook een ziel niet alleen van proza leven. Ik heb een
-harp in mijn keel; als die bespeeld wordt, komt er een geluid, dat men
-in de wandeling de Stem heet. Maar ik heb ook een harp in mijn boezem;
-als die getokkeld wordt, komt er ook een geluid, en dat heet men
-Poezij. Nu kan ik de harp daarbinnen wel tot zwijgen doemen.... o ja!
-evengoed, als ik eens in een Trappisten-klooster een menigte monnikken
-zag, die niet alleen schoon linnen en warme spijs, maar ook de vox
-humana op de lijst der objets de luxe hadden gebracht, waarvan ze zich,
-ten genoegen van de engelen en den hemel, liever passeerden. Maar, ziet
-gij, als ik zoo handel, doe ik mijn aanleg en natuur te kort, en zulk
-een verminking blijft dan ook niet ongewroken. De mensch, die de Poezij
-als een overtolligheid afschaft, is als iemand die een vogel kortwiekt.
-Och ja, uw uitvlieg-duif blijft nu wel op de binnenplaats, mijn lieve
-kleine vriend! en hij leeft alleen van de duivenboonen die gij hem
-geeft, en geen nijdig buurman kan nu uw mooi exemplaar in zijn kooi
-opvangen: maar—nu is ook uw duif geen uitvliegduif meer, dan titulair,
-en de prachtige vogel, dien God geschapen heeft om meê de blauwe lucht
-te doorstreven en te doorzweven, te bevolken en te bezielen, is een
-arme invalide op zwart zaad geworden, waarop de dikgepropte doffer van
-uw buurman, als hij triomfeerend den hemel doorklieft, met deernis of
-verachting neerziet. We kunnen alles wat in ons met den hoogeren,
-beteren, etherischen mensch in verband staat wel afdanken en op
-pensioen zetten; dat kunstje wordt helaas! in onzen tijd genoeg geleerd
-en geoefend; maar men noeme zich dan ook geen kompleet mensch meer. Die
-halben und die ganzen, zei iemand in onzen tijd. Ja, als er minder
-„halve” menschen waren! Dan....
-
-Maar ik hoor nog een excuus, voor en door de kinderen onzes tijds
-ingebracht.—De tijd deugt er niet voor. Het is in onze dagen te druk,
-te woelig, te volhandig! Er wordt te veel in het bosch geschoten:
-daarom kunnen de nachtegalen niet zingen.
-
-—Ei zoo? Dus; de meest poëtische tijden zijn die, waarin de tempel van
-Janus gesloten is? de tijden, waarin de menschheid, als de wijn, die
-belegen moet zijn, in de vaten op den droesem rust? de tijden, waarin
-de Jansalies het roer in handen hebben en al de kippen op stok zijn?
-Dit had ik niet gedacht. Ik blijf ook nog wel een weinig twijfelen. De
-historie althans schijnt er anders over te denken. Er is een eeuw
-geweest, die men, evenals men de eeuw van Saturnus de gouden, zoo deze
-„de groote eeuw” noemde; welke was die eeuw? Het was de eeuw in
-Frankrijk, waarin de Zonnekoning regeerde; waarin Turenne, en Condé, en
-andere reuzen der krijgskunst meer, veldslag op veldslag wonnen, en
-Colbert den handel van zijn volk, met de zich steeds vermeerderende
-zeilen der schepen, steeds nieuwe vleugelen aanbond. Maar zie dat
-was—toevallig? ook dezelfde eeuw, waarin Corneille en Racine zongen,
-Boileau de wetten op den zangberg gaf, Pascal zijn gulden wijsheid tot
-goudstukken vermuntte, en Bossuet en Bourdaloue stemmen uit de hoogte
-deden hooren, die het kolossale paleis van Versailles op zijn
-grondslagen deden daveren.—Had de Vrijheidskrijg van 1813 zijnen Körner
-niet? Van waar dan, dat men in den jongsten oorlog te vergeefs naar den
-Tyrteus uitzag, die bij zulk een voorbeeldeloozen kamp niet scheen te
-mogen ontbreken? De driehonderd Lieder der Schutz und der Trutz toch,
-waarmeê de Germanen elkander zoo goed mogelijk hebben opgewonden,
-kunnen even weinig voor een Ilias van dezen krijg gelden, als de houten
-theater-ballen, waarmeê Victor Hugo voor zijne Franschen den
-oorlogsdonder zocht na te maken. Het is gelukkig voor de Duitschers,
-dat de Krupp-kanonnen krachtiger taal spreken; anders zouden Sedan en
-Metz, Straatsburg en Parijs niet gevallen zijn!
-
-Men vergunne mij dit elegietje op den Chute des feuilles van den
-laurierboom der schoonste kunst. Misschien is het wel een weinig een
-oratio pro domo; misschien pleit ik min of meer voor een familiebelang;
-ik geloof werkelijk, dat ik een verren neef onder de dichters heb. Maar
-ik geloof toch ook, dat er bij mij nog iets anders, iets beters bij
-komt. Ik geloof waarlijk, dat de menschheid behoefte aan poëzij, en wel
-aan waarachtige, verhevene, groote poëzij heeft. Thorwaldsen heeft eens
-een basrelief gemaakt met het opschrift A genio lumen. Het vertoont een
-vrouw, die bij een altaar zit, en die een uil en een lier aan de voeten
-heeft: een voorstelling van het genie. Alle eerbied nu voor den uil,
-die als de vogel van Minerva de Wetenschap moet voorstellen. Ik weet,
-dat we zonder uilen niet kunnen. Maar als ik u verzoeken mag, als gij u
-zoo bukt om den uil te streelen, trap dan bij vergissing de lier niet
-stuk! Hoe zou ik anders kunnen zeggen: Waak op, gij harp en luit!
-Victor Hugo! eens te recht Victor, Overwinnaar, geheeten! Ik bid u,
-laat nu de Travailleurs de la mer eens een weinig op hun eigen hand
-travailleeren, en grijp gij de gouden citer—gij zit toch nu niet meer
-aan de wateren Babels, aan de oevers van den stroom eener droevige
-ballingschap—grijp de citer, en zing ons een gouden lied, als in uw
-gulden tijd. Laat ons nog eens hooren: Ce qu’on entend sur la montagne.
-Laat ons nog eens hooren, hoe uw prachtige Klok
-
-
- Chante l’amour au coeur et le blasphême au front!
-
-
-En! opdat dit geschiede, genius der kunst! giet olie in de albasten
-vaas, die de Muze u voorhoudt... A genio lumen.
-
-Nogmaals—
-
-
- Daar kwam verandring in ’t gezicht mijns drooms.
-
-
-Ei zoo.... Gij daar ook nog, mijn portret? Beeld mijner kindsheid,
-miniatuur-exemplaar van den tegenwoordigen Jonathan! O zeker, u ziende,
-gedenk ik aan de dagen van ouds. Toen ik vroeger evenzoo voor u stond,
-en u mijn kleine meditatie wijdde, was er tusschen u en den toenmaligen
-Jonathan reeds verschil genoeg. Dat verschil is sedert nog grooter
-geworden. Een leeuwerik onder de zangeressen uit den vreemde, (schoon
-tamelijk in de buurt; het is eene Vlaamsche, die niet voor niet Rosalie
-Loveling heet), heeft het gevoel, uit het gezicht van zulk een
-gedaante-verandering geboren, aardig uitgedrukt:
-
-
- In grootmoeders kamer, daar hangt het beeld
- Uit hare kinderjaren:
- Een lachend mondje, peerlenoog,
- En bruine kroezelharen.
-
- De kinderen stonden en staarden ’t aan,
- En ’t een zeî aan het ander:
- „Och, waar’ dat schoone kindje hier,
- Wij speelden met malkander.”
-
- En de oude in haar leunstoel met bril en toer,
- Keek op bij deze rede:
- „Wie zou dat schoone kindje zijn?....
- Gij speelt er altijd mede.”
-
-
-Inderdaad, de vergissing der kinderen is verschoonlijk: het onderscheid
-is ook zoo erg groot! En laat dat zoo zijn! Oud te worden, is geen
-kwaad, als maar niet alles aan ons en in ons te gelijk mede oud wordt.
-En dat is niet noodig. De dichter Tegner heeft ergens gezegd, dat de
-ouderdom sneeuw strooit, niet alleen in het haar, maar ook in het hart.
-Zou dat regel zijn? Als er sneeuw op een vulkanischen grond valt, smelt
-ze: dat kan de Etna leeren. Misschien is het, omdat mijn hart wat warm
-van temperatuur is uitgevallen, dat ik van de sneeuw in het binnenste
-nog niet veel merk. Schleiermacher is de eenige niet, die zich zelven
-beloofde, dat hij, oud wordende, jong zou blijven,—en woord hield. Er
-zijn dwergen, die dezen reus dit hebben nagedaan, door ’s mans
-zevenmijlslaarzen aan hun kleine voeten te doen.
-
-Ja, er is een middel—ik sprak er reeds vroeger van—om ouderdom en jeugd
-in één zelfden mensch te vereenigen, zooals de oranjeboom aan één stam
-het groene blad, den zilveren bloesem en de gouden vrucht draagt. Een
-dichter zong er van:
-
-
- Eenmaal wordt het kind een man,
- Die veel trefflijks wil en kan;
- Eenmaal wordt de man een kind,
- Zwak zooals men kindren vindt!
- Waart gij lang een kind van God,
- Grijsaard-Kind! dan heil uw lot!
-
-
-Grijsaard-Kind. Een eigenaardige combinatie, die mij denken doet aan de
-bekende Kind-Vrouw uit den David Copperfield van Dickens. Nu, wat het
-grijsaard-worden aangaat, daaraan heeft het bij mij niet ontbroken. Een
-groene grijsheid—zegt men—een spar onder de sneeuw;—ik verzeker u, dat
-er sneeuw op de bladen ligt! Maar nu de andere helft: het Kind in den
-Grijsaard, Jonathan, hoe staat het daarmeê?
-
-Hoort eens, lieve menschen, ik zit hier niet in den biechtstoel. Daar
-zijn dingen, die men liefst alleen, of nog beter onder vier oogen
-afdoet. Maar die andere twee oogen, die ik daarbij tegenover mij
-wensch, zijn de uwe niet. Intusschen, dit kan en mag en wil ik u wel
-zeggen: het Grijzen is makkelijker en voorspoediger gegaan, dan het
-Kind worden. Het is daarmeê als met het op- en afklimmen van een berg.
-Het afklimmen gaat rad genoeg ja, het gaat van zelf; maar het
-opstijgen! En Kind, in den besten en hoogsten zin Kind te worden, is
-eene opstijging, erger dan tegen den Montblanc. En geen wonder! Het
-gaat ook naar een Montblanc, den Witten berg der volmaakte en
-vlekkelooze heiligheid, op welks top, even als het licht van den zon in
-den morgen op den Zwitzerschen berg, het groote eeuwige Licht, waarin
-gansch geen duisternis is, woont. Nu, ziet gij, zulk een bergreis gaat
-met groote moeite en inspanning gepaard. Het heeft wel iets van den
-gang van sommige bedevaartreizigers naar Jeruzalem, die soms, bij wijze
-van vrijwillige zelfmarteling, telkens na twee stappen voorwaarts weer
-éénen achterwaarts deden. Of wilt gij een nationaal beeld? Denkt aan
-den tijd, toen gij als kinderen tegen de een of andere duin op zoudt
-klimmen, en gedurig met het zand, dat gij pas en met moeite bestegen
-hadt, naar beneden kruidet! Ach, als gij zondag een goeden stap
-voorwaarts hebt gedaan, komt maandag, en dinsdag alles bederven, en ’s
-woensdags daarop is het, of het weer de vorige zaterdag ware. Waarlijk,
-er is volharding en moed toe noodig om den strijd niet op te geven.
-
-Toch willen wij dit met Gods hulp niet doen. Daarvoor voelen wij ons te
-sterk in de belofte: Hij heeft ons macht gegeven, kinderen Godts te
-worden.—Kinderrang bij kinderzin. Het is beloofd. Het zal geschieden.
-Het kan geschieden. Het is mogelijk, al is het ook moeielijk, al is het
-ook wonderbaar. Van wonderen gesproken,—de klassieke dichter Ovidius
-heeft een heel boek vol geschreven, waarin hij van niets dan van
-metamorfosen verhaalt. Menschen worden boomen, vogels, en wat niet al
-meer. Maar als ik van die mirakelen lees, blijf ik er koud bij: het
-zijn immers maar fabelen? Het is alles mythologie. Maar als de Heilige
-schrift van mannen en vrouwen, ja, zelfs van ouden van dagen spreekt,
-die kinderen worden—zie, zoo waar God leeft, dat is geen fabel, geen
-mythe, dat is een feit! Zoo waar ik leef, ik weet dat het een feit is;
-ik heb het gezien.
-
-Een schoon gezicht—om hetwelk te aanschouwen de engelen gaarne den
-hemel verlaten—die gedaante-verandering van den volwassen mensch, die
-een kind wordt! En zooveel te schooner, naarmate het zielsgelaaat van
-dien mensch door de werking der zonde meer verdorven, meer verouderd en
-leelijker gemaakt was. Als men u toen gevraagd had: kan die akelige
-Kains-tronie nog weer een lief, onnoozel Abelsgezicht worden, zooals
-deze er uitzag, toen hij nog levend en blozend als een kind op zijn
-moeders schoot lag, of ook, toen hij in zijn tweeden en laatsten slaap,
-met een lachje op het gelaat, door zijn moeder in de armen genomen werd
-om tot de groote rust gebed te worden? dan zoudt gij geneigd zijn
-geweest uit te roepen: Onmogelijk! En gij zoudt recht hebben gesproken:
-dat is ook onmogelijk—althans bij de menschen is het onmogelijk. Adam
-kan het niet, en Eva kan het niet, en Abel zelf uit zich zelven kan het
-ook niet; er is geen enkel Adamskind, die het kan! Maar wat bij de
-menschen onmogelijk is, is mogelijk bij God,—als God het wil, en dìt
-wil God. Hij wil, dat menschen zalig worden, en tot die zaligheid voert
-geene andere weg, dan door de tweede kindsheid heen, die wij het
-kindschap Gods noemen. Om het wonder dier herschepping te
-bewerkstelligen, beschikt hij over goddelijke krachten en gaven. Is het
-vreemd? Men verhaalt van Rubbens, dat hij, met een penseelstreek of
-wat, een schreiende in een lachende tronie op zijn paneel veranderen
-kon; zou de hand, die Rubbens dit schildergenie in den boezem gaf, niet
-iets dergelijks bij zijn maaksel vermogen? God heeft uit een handvol
-klei eenen mensch gebootst; zou hij nu den misvormden, verbasterden en
-ontaarden mensch niet weer tot een nieuwen en reinen mensch kunnen
-hervormen? Het is zoo: de bewerking is nog zwaarder. Want de doode klei
-was lijdelijk in de hand des Pottebakkers; maar de levende aardmensch,
-in wien de klei van beneden vaak over den geest van boven heerscht, is
-weêrstrevig en weêrspannig, en maakt den grooten kunstenaar soms moeite
-genoeg. Maar toch, als er eens een begin met het groote werk is
-gemaakt, o! het gaat. Het gaat langzaam, maar het gaat. Het gaat
-moeielijk, maar het gaat. Hier een vlek weggewischt, daar een rimpel
-weggestreken, elders een lach of een blosje aangebracht—het gaat. Zie,
-het wordt reeds een geheel ander voorkomen. Het hangend hoofd heft zich
-op, en het matte oog begint te glinsteren, en het ruwe vel wordt glad,
-en het onrustig jagende hart wordt stil, stil—zegt de Psalmist—als een
-kind bij zijn moeder.... en dat is niet de eenige kindertrek! Het
-kinderlijke komt gedurig meer boven, en uit, en door.... Ik las ergens
-van een volksgeloof, volgens ’t welke een mensch, als hij gestorven is,
-het gelaat van zijn vroegere kindsheid weêr aanneemt... dat is een
-legende. Maar dat Christenen, hoe ouder ze worden, temeer op kinderen
-beginnen te gelijken, ja, telkens meer kind zijn.... dat is geen
-legende. Dat is een feit. Ik heb het gezien en ik zie het aan mij
-zelven, helpe God! Met zijne hulp zie ik het eens in zijn gansche
-volheid en volkomenheid.
-
-Wanneer?
-
-Ik zie er mijn portret op aan, maar ik krijg geen antwoord. Mijn moeder
-heeft mij bij mijn geboorte den horoskoop niet laten trekken. Er is dus
-zelfs niet naar geraden, hoe oud ik wel worden zou. Nu, in zekeren zin
-is dat ook onverschillig. Het aardsche leven is altoos een korte
-ketting, waaraan het op een schalm of wat meer of minder niet aankomt,
-daar zij toch bestemd is spoedig te breken. Anders is het gelegen met
-het hemelsche leven, de keten die nooit breekt. Dat is als de keten van
-den telegraaf, die onder rivieren en stroomen door, en zoo ook door de
-Jordaan des doods heenloopt, en den Nebo aan deze zijde aan de kust van
-de Palmstad aan den anderen kant verbindt. O wat het zijn moet, op dien
-anderen oever te komen, en dan het strand te kussen, en daarna
-opgerezen in den kristallen stroom zijn eigen beeld te zien, en
-zichzelven zoo weinig te herkennen, als ik mij nu in dit
-kinderportretje herken.... welk een verwachting! Toen men in der tijd
-dit kindje wel eens vroeg: hoe groot zult ge worden? hief het wicht de
-kleine armpjes omhoog, zoo hoog hij kon, maar altijd veel te laag....
-het kleine schepsel! het kon niet hooger. Maar vraag nu het kind van
-God eens: Hoe groot zult gij worden? Lieve menschen! dat kan hij u nog
-minder toonen: want dat is zóó groot, zóó groot, dat men gaat duizelen,
-alleen van het zich te verbeelden. Bedenk dat er geschreven staat: ze
-sullen Hem gelijck wesen.
-
-En dat alles, het ligt nu vóór ons, recht vóór ons, dicht vóór ons—wie
-weet, hoe dicht? Zonderling, dat die gedachte ons niet meer verblijdt.
-Ik weet nog, hoe het mij te moede was, toen ik het eerst den Montblanc
-zou gaan zien.... ik was de wereld te rijk! en ik heb hem gezien en
-uitgeroepen: schoon, schooner, veel schooner, dan ik mij had verbeeld!
-Maar nu dien anderen Montblanc te zien, en niet alleen te zien, maar
-ook te bestijgen, en niet alleen te bestijgen, maar ook blijvend te
-bewonen. Gelukkiger dan De Saussure en zijne navolgers, die na een kort
-verblijf op de hoogte weer naar beneden moesten in het Dal, in den
-herberg, en bij de morsige wateren van de Arve, die door de
-Chamounix-vallei stroomt. Nog eens, hoe kan het zijn, dat het ons zoo
-koel laat? Nu zou ik toch haast weêr zeggen, dat de sneeuw niet alleen
-op het haar ligt. Wat er aan te doen? Nog eens een blik op den
-Kind-Grijsaard des dichters, met zijn schoon verleden en nog schooner
-toekomst:
-
-
- Ik ken twee schoone dalen,
- Waarop ik blik met stille vreugd:
- Het eene vol bloesem en stralen,
- Is ’t groene veld der jeugd.
-
- Het eene is doorgetogen!
- En schemert reeds in ’t wijd verleên:
- Toch wendt er de Grijsaard zijn oogen
- Met dank’bre blijdschap heen.
-
- Het tweede ligt daarboven!
- Dáár storm, nog sneeuw, noch winterwee!
- Maar eeuwige gaarden en hoven,
- Aan kristallijnen zee.
-
- Wel tintelen en bloeien
- De bloemen uit mijn jeugd nog schoon.
- Maar die uit den Hemelhof gloeien
- Wel driemaal dubbel schoon!
-
-
-Kind! kind! welke gezichten! welke uitzichten! O dat het nu ook waar
-worde:
-
-
- „Wie zou dat schoone kindje zijn?
- Gij speelt er altijd mede!”
-
-
-Ten laatsten maal—
-
-
- Er kwam verandring in ’t gezicht mijn drooms.
-
-
-Nog eens hervat ik mijn Reize door mijn kamer, ik sla mijn oogen her-
-en derwaarts in ’t rond. Zoo valt mijn oog op wat ik mijn Stamboom
-noemde: op mijn erentfesten Bijbel op zijn ouderwetschen lezenaar. Mijn
-stamboom; als behelzende op zijn eerste bladzijde de volglijst mijner
-Voorouders, mijn Genesis X, waaraan, door de hand der mijnen, een en
-andermaal een soortgelijke aanteekening, als in dat kapittel zoo
-menigmaal voorkomt is toegevoegd: „Deze en die werd geboren, gewon
-kinderen, en stierf.” Hier zie ik ze weer: de namen van mijne vaderen,
-van den eersten, dien we kennen, tot mijn eigen lieven vader en moeder
-toe, en onderaan het open plaatsje voor Jonathan ... dat nog open is.
-Tot hoe lang? ... neen, dat willen we niet andermaal gaan vragen. Één
-ding is zeker. Ik vergeleek mijn stamboom met Genesis X; maar dat geldt
-allerminst van de getallen. Die zijn voor het minst gedecimeerd. In die
-dagen was zeven, achthonderd jaar een gewone leeftijd. Mozes hield er
-reeds een andere rekening op na: Aangaende de dagen onser jaren, daarin
-zijn seventig jaer, of zoo wij seer sterk zijn, tachtentig
-jaer—Jonathan, hoort gij het?
-
-Laat het zoo wezen. Jonathan worde ouder en ouder, zoodat het witte
-graan om den zeis roept, de oogstdag zal welkom zijn. En wel beschouwd,
-wat doet het er ook toe, of de namen op het schutblad van den Bijbel
-een jaar of wat meer of minder achter zich tellen, als de Bijbel zelf,
-waaraan ze als vastgehecht en waarmeê ze verbonden zijn, maar jong,
-maar eeuwig jong is en blijft!
-
-En dat blijft hij!
-
-Zie, daar ligt hij voor mij. Wij zien elkander na lange scheiding weêr.
-Hoe zien wij elkander? Hij vindt mij vrij wat veranderd: de Tijd
-schreef in rimpelen zijn voortgangen op mijn voorhoofd aan; ja ze
-staan, als op iederen van mijn gelaatstrekken, op elke van mijn
-lichaamsleden te lezen! Hoe geheel anders met hem. Hij altijd dezelfde.
-Ook uitwendig, in den sterken juchtlederen band, de soliede koperen
-sloten, het stevige, degelijke, deugdelijke ouderwetsche papier met den
-kloeken zwarten letter, en de platen van Luyken, bijna even duurzaam
-als het koper waarin ze eens gegraveerd zijn. Maar ook inwendig, in den
-inhoud. Ook daarvan geldt ten volle: „Niet verouderd!”
-
-Welk een verschil tusschen hem en mij!
-
-Ik las onlangs een bijzonderheid uit het leven van Alexander van
-Humboldt, die mij trof. Toen hij als jongeling met zijn vriend Bonpland
-in Zuid-Amerika reisde, zag hij een boom, Saman del Guere—meen
-ik—geheeten: een waren reuzenboom, in al zijn pracht, macht en kracht.
-Zestig jaren daarna, in 1858, bracht hem een reiziger, die uit die
-streken kwam, een gelijkende fotografie van dien boom mede. Dat gezicht
-deed hem aan. Naar de teekening te oordeelen, was die boom nog volmaakt
-dezelfde als in 1798. De stam even hoog, vast en recht; de kroon even
-breed en rijk; de takken even overvloedig, weelderig en schilderachtig
-naar alle zijden uitgebreid; de bladeren even rijk frisch en groen; de
-bloemen- en vruchtenschat even kleurig en welig. Toen werd Alexander
-bedroefd. „Die boom nog geheel onveranderd, terwijl Bonpland lang dood
-is, en ik een oud man aan den rand van ’t graf! Wat is er nu van die
-vlucht van jeugdig enthusiasme, die mij en mijn reisgenoot toenmaals
-bezielde, en ons met onze gedachten en plannen hoog boven de hooge
-kruin van dien reuzenboom, ja, van de hemelhooge bergen daarachter en
-rondom, opstijgen deed!...” Maar genoeg, gij hebt mij reeds begrepen.
-Wat Alexander voelde tegenover de afbeelding van zijnen langlevenden
-boom, gevoelt de verouderde Jonathan, staande tegenover zijnen altijd
-jongen Bijbel. Alleen maar, de aard van de daardoor opgewekte
-gewaarwording verschilt. Humboldt werd droevig, ik gevoel mij gelukkig
-en blijde. Geen wonder: de jeugd van zijnen boom kon zich aan hem niet
-meêdeelen: maar de onveranderlijkheid van onzen Bijbel waarborgt ons
-onze onsterfelijkheid, onze eeuwige geestelijke jeugd. Daarom roemen
-wij: Alle vleesch is als gras, en alle heerlickheyt des menschen als
-een bloeme des gras. Het gras is verdorret en sijne bloeme is
-afgevallen: maar het woordt des Heeren blijft in der eeuwigheid.
-
-Ja, het Woord blijft. Jaarhonderden en jaarduizenden zijn dáár, om het
-te staven; ook het laatste jaarhonderd is daarvan een getuige te meer.
-Dat tijdvak toch is voor mijnen Bijbel niet al te goed geweest.
-Vreeselijke stormen en orkanen, o gij, woudkoning in den vreemde, gij
-machtige saman-boom! zullen in den loop van die zestig jaren, van 1798
-tot 1858, over uw kruin zijn heengevaren; ontzettende onweders zullen
-uw stam hebben bedreigd, en misschien ook wel vreeselijke aardbevingen
-uwe wortelen hebben geschokt en geschud; maar gij zijt staande
-gebleven, altijd jong, altijd sterk, altijd groen, altijd vruchtbaar!
-Welnu, niet anders deze Bijbel! Ook over hem heeft een Pinksterstorm,
-gelijk wij er een in 1860 beleefden, die de grootste en sterkste eiken
-ontwortelde en nederwierp, wat zeg ik? onderscheiden zulke
-Pinksterstormen zijn over zijn hoofd heengegaan, en hebben getracht hem
-te knakken of neêr te slaan; maar het is niet gelukt. Hij heeft geen
-blad verloren, geen bloesem laten vallen, geen vrucht afgeschud.... hij
-staat daar altijd even krachtig en bloeiend, en als gij hem nadert,
-reeds van verre waait u uit zijne bladeren een geur des levens te
-gemoet!...
-
-Men zou zeggen: maar wie heeft dan zulke stormen en onweders tegen dit
-beste der Boeken verwekt? Kan het zijn? Hebben dat de menschen gedaan?
-En waarom? Wat dan, o mijn Bijbel, wat hebt gij den menschen gedaan,
-dat velen uit hen u zoo gram konden zijn, en u zoo gaarne zouden
-verbrand, verscheurd, of voor het minst verminkt hebben, zoo ze hadden
-gekonnen?
-
-Wat gij den menschen gedaan hebt? Dat is spoedig gezegd. Gij hebt ook
-in het jongst-verloopen tijdvak, ook in de laatste zestig jaren hebt
-gij duizenden, en tien- en honderdduizenden onder de menschen geleerd,
-gij hebt ze gesticht, gij hebt ze getroost, gij hebt ze gesterkt: gij
-hebt wonden gebalsemd, gij hebt rimpels glad gestreken, gij hebt tranen
-gedroogd. Toen er ten vorige jare oorlog was, was het als een hemelsche
-verschijning, als er in de hospitalen, waar de gewonden lagen, een
-broeder of een zuster van het Roode Kruis kwam, met een zachte hand, en
-een zacht verband, en een verzachtenden balsem in de vingers, en vooral
-met een zachte stem, die opbeuring en vertroosting sprak tot de
-verslagenen naar het lichaam en de verslagenen naar den geest. Maar wat
-die barmhartige Samaritanen onder de menschen in zwakheid hebben
-beproefd, dat hebt gij, o hemelsche Samaritaan des goddelijken Woords!
-in kracht beoefend en volbracht. Gij hebt in het groote hospitaal des
-menschelijken levens, waar de zichtbare, maar vooral de onzichtbare
-wonden niet te tellen zijn, gij hebt daar al wat krank, en zwak, en
-lijdende, en geknakt en gebroken was geheeld en gesteund; gij zijt dien
-mannen van krankheid en smart, dien kinderen der zonde en des doods,
-een engel der vertroosting en des levens geweest: gij hebt u dien
-Benoni’s een Benjamin, een zoon der Rechterhand getoond! O hoe zal men
-er u ooit genoeg voor danken? hoe zal men er u voor begroeten en
-zegenen: Gezegend gij die komt in den naam des Heeren!... Maar neen!
-neen! Alzoo, o mijn Bijbel! is het u van velen niet gegaan. Veeleer het
-tegendeel. Iemand heeft een verhaal aangaande u geschreven: De
-geschiedenis van het Boek. Maar indien men die geschiedenis raadpleegt,
-dan ziet men dat weinige lijders in deze negentiende eeuw moeielijker
-dagen hebben beleefd, dan gij; ja, zoo moeielijk, dat het ons soms
-wonder dunkt, dat gij er het leven afgebracht hebt; hoeveel meer, dat
-aan u de belofte ten volle vervuld is: Geen been van hem sal verbroken
-worden.
-
-Inderdaad! het is een zware strijd, die in onze dagen op het groote
-slagveld des geestes gestreden wordt. Op een van de heerlijke zes
-fresco’s van Kaulbach in het nieuwe museum te Berlijn, voorstellende
-zes hoofdtijdperken uit de Algemeene geschiedenis der menschheid, heeft
-de schilder de zegepraal des Christendoms over het Heidendom afgebeeld.
-Het tafereel geeft u een blik te slaan op het slagveld van den slag, in
-de velden van Catalonië tusschen Theodorik en Attila geleverd. Het is
-een geniale greep! Beneden ziet men het slagveld zelf met zijne
-gewonden en dooden. Maar niet alleen beneden, ook daarboven is er
-strijd. Uitgaande van de legende, dat men nog dagen daarna
-krijgsgerucht in de lucht zou hebben gehoord, ontleent de schilder
-daaraan een schoone dichterlijke gedachte. De geesten zetten daarboven
-in de lucht den strijd voort, dien de lichamen der verslagenen beneden
-hebben moeten opgeven. Welnu, een dergelijke geestenslag heeft ook in
-onzen tijd plaats. Wie ooren heeft om te hooren, hoort het geklikklak
-der zwaarden in de lucht. Wat zal de uitkomst zijn? Dat vraagt niemand
-die gelooft. Wij zijn als Eliza. Wij zien en hooren de legers van onzen
-grooten Bondgenoot in de lucht, en roemen als hij: Wie met ons is is
-meer, dan die tegen ons zijn. Wij zijn vóór het einde van den slag der
-victorie zeker. Toen de Fransch-Duitsche oorlog van 1870 begon, riepen
-de Franschen; naar Berlijn! de Duitschers; naar Parijs! Dat was bij den
-een grootspraak, bij den ander anticipatie, bij beiden overmoed. De een
-had Parijs wel niet kunnen, de ander heeft Berlijn niet mogen zien.
-Maar als wij in den grooten geestenslag tusschen licht en duisternis,
-tusschen de wereld en het geloof dat de wereld overwint, bij voorraad
-en voorbaat uitroepen: Naar Jeruzalem! Naar het Nieuw Jeruzalem! dan
-weten wij, dat wij er komen zullen. Hij, die niet liegen kan, de
-Waarachtige en Almachtige heeft het gezegd. Het bulletin is reeds
-geschreven: het is in de Apocalyps geboekt.
-
-Dit neemt evenwel niet weg, dat voor een hart, dat dezen strijd
-aanziet, dat aan dezen strijd deelneemt, de dagen boos en hachelijk
-genoeg zijn. Een man, die recht van medespreken heeft; daar hij jaren
-opperstuurman op het schip van staat in Frankrijk was, en dat schip
-door menigen storm gelukkig heenvoerde, totdat ook hem het roer in de
-handen brak; de groote en edele strijder Guizot heeft er van gezegd:
-„Mijn ziel is te gelijk van vertrouwen en onrust, van hoop en vrees
-vervuld. Ten goede en ten kwade is de krisis, welke de beschaafde
-wereld doorgaat, oneindig sterker, dan onze vaderen hebben voorzien;
-sterker dan wij zelven het denken, wij, die er reeds de meest
-verschillende uitwerkselen van ondervinden. Verheven waarheden,
-uitnemende beginselen zijn innig samengemengd met denkbeelden, die
-volkomen valsch en verderfelijk zijn. Een schoone arbeid van
-vooruitgang en een afschuwelijk werk van verwoesting volgen elkander in
-de geesten en in de samenleving op. Nooit heeft de menschheid in zulk
-een mate tusschen hemel en afgrond gezweefd.” De schilderij is niet
-bemoedigend, en toch, we willen den moed niet opgeven. Ook daarom niet,
-omdat we op den eind-uitslag gerust zijn. Maar ook niet om deze reden,
-dat hoe dreigend zulk een strijd zijn moge, er nog iets erger is dan
-dat, en dat is: een volkomen rust.... namelijk de rust van het kerkhof,
-de rust des doods. En die was er vroeger, eer deze strijd ontbrandde.
-Die was er in de zoogenaamde vredejaren, toen de kwade stoffen
-stillekens werden opgehoopt, die de lucht zoo elektriek gemaakt hebben,
-dat nu het bliksemlicht niet van den hemel is. Vraag een wakker
-kapitein, die op de Oost vaart: Wat hebt gij liever: storm, of
-langdurige windstilte? Hij zal het eerste kiezen. Met storm komt men,
-al is het dan dan stormende, toch nog voort: met eene windstilte gaat
-tijd, geld, lust, geduld, moed, alles verloren.—En ziet gij, er was
-vroeger op de Galilesche zee der kerk windstilte. Het zeil van het
-scheepke des Heeren hing los langs den mast; er was geen adem op het
-water, geen gang in het schip; alles doodstroom; men kon niet varen;
-men kon niet voort. Later begon de wind op te steken..... het woei....
-het woei hard.... het woei harder.... het waait nu erg hard.... het
-waait soms een stoker... om het even! Beter zoo, dan in ’t geheel niet.
-We weten nu voor het minst, dat we leven, we weten waarom we leven, we
-weten ook waarvoor we strijden, en met Gods hulp, we zullen er ons
-doorslaan, en de haven halen!
-
-Als nu maar alle man zijn plicht doet! Nelson zeide voor den slag van
-Trafalgar: Engeland verwacht dat ieder man zijn plicht doen zal. En zij
-deden hun plicht, en overwonnen. Zoo ook wij. Elk zijn plicht: van den
-admiraal tot den matroos; van den opperstuurman tot den koksjongen; van
-den kolonel der marine-soldaten tot den pijper, die den slagmarsch
-blaast. Alle man zijn plicht. En dat is niet: hard geroepen! luid
-geschreeuwd! Maar: trouw gewerkt! ijverig gearbeid! en moet het
-wezen—en het moet soms zijn—moedig en dapper gestreden! Ach, dat het
-daaraan zoo dikwijls ontbreekt! Jonathan, gij ziet hier toch niet
-bezijden? Zie vóór u! of liever: Zie op u! En nog het allerliefst: Zie
-in u, en spreek uw peccavi!
-
-Och ja, peccavi! Als ik naar binnen zie, dan sta ik hier voor mijn
-Bijbel, die mijn stamboom, den stamboom ook mijner vrome vaderen bevat,
-als een arm zondaar. En dat niet enkel, omdat ik misschien soms wel
-eens wat traag, of achterlijk, of lafhartig was in den strijd,—daar
-zijn er, die mij den Jonathansgeest op dit gebied als de zwaarste
-mijner zonden aanrekenen—maar ook, en vooral, omdat ik, naar mijn eigen
-inzicht en gevoel, niet trouw genoeg heb gewaakt en gewerkt. Dat is
-toch nog altijd de weg, die de uitnemendste is. De vorsten en ridders
-der hervorming droegen in der tijd op hun kleed het woord gestikt
-V.D.M.I.A. Verbum divinum manet in aeternum. Dat voorbeeld moeten we
-volgen. Of nog liever: we moeten dat woord niet alleen dragen op ons
-kleed, maar op ons lichaam, op onze ziel, op ons verstand, op onzen
-geheelen uit- en inwendigen mensch. We moeten niet alleen een levenden
-Bijbel hebben, maar ook een levende Bijbel zijn: een boek, waarin de
-Heilige Geest niet met inkt, maar met vuur, zijne geboden schrijft, om
-tot een brief van introductie en recommandatie voor zijn Evangelie bij
-anderen te strekken. Mocht ik die les leeren aan den voet van het
-Woord, waarvoor ik sta. Het is de les, waarin men nooit volleerd is.
-Zelfs invaliden moeten in dezen strijd zich nog blijven oefenen, als
-jonge conscrits. Laat dat zijn. Als de dood ons maar bij het vaandel,
-op onzen post vindt. Als we maar met Bossuet, in het schoone slot van
-zijne lijkrede op Condé, ons door onze witte haren indachtig laten
-maken aan de rekenschap, die wij eerlang hebben af te leggen, en aan de
-vervulling onzer taak tot den einde toewijden les restes d’une voix qui
-tombe et d’un ardeur qui s’éteint.
-
-
-
-Negen—tien.—Mijn klok spreekt. Hij zegt, dat het tijd is om te
-eindigen. En dat kan ik ook doen: mijn taak is af. Ik heb mijn Laatste
-woord aan den lezer gesproken. Dit woord is als een enveloppe om een
-brief, dien men nu, met een allerlaatsten groet op de keerzijde van den
-omslag, definitief verzendt. Moge de brief goed aankomen, en met een
-vriendelijk gezicht worden ontvangen. Ik heb geen reden er aan te
-twijfelen. Ik zeide het reeds vroeger: het groot publiek is van ouds
-goed, en meer dan goed voor Jonathan geweest. Ik had die goedheid
-vroeger niet verdiend, en weet niet, waardoor ik haar nu zou hebben
-verbeurd. Ik wil er het beste van hopen.
-
-En zoo leg ik hier niet, zonder een gevoel van zachten weemoed de pen
-neder.
-
-Ik zie nog eens voor het laatst het tijdvak over, dat deze vijfde
-uitgave van de eerste scheidt. Waar zijn nu velen van de lezers, die
-mij het eerst door hun goedkeuring en toejuiching verblijdden en
-bemoedigden? ze zijn niet meer. Ze zijn uit dit land van Droomen in het
-vaderland der eeuwige Waarheid overgegaan, en aanschouwen daar de
-vervulling van menige schoone verwachting, waarover wij ons samen, al
-schrijvende en lezende, in de voorgaande bladzijden hebben verheugd.
-Daarentegen is een ander geslacht opgestaan, en omringt in zijn
-jeugdige gestalte den steeds ouder en ouder wordenden vader van dit
-papieren kind. Zal ik bij de kinderen iets terugvinden van de
-welwillendheid, die ik van hunne ouders, en misschien grootouders,
-genoot? Ik mag er althans niet op rekenen.
-
-
- Andre tijd, andere oogen, een andere kreet,
- En de tijd is nabij, die mijn schijnsel vergeet!
-
-
-Ook voor den flauwsten nagalm van vroeger ondervonden waardeering
-wensch ik dankbaar te zijn.
-
-En nu eindelijk nog een handdruk aan de vrienden onder mijne
-tijdgenooten, die nog in leven zijn. Dit kringetje is klein geworden,
-maar het is, Goddank, toch nog niet geheel gebroken: het is nog een
-kringetje: tres faciunt collegium. Hen moge de oude bekende stem nog
-eens, van uit deze bladen, van mijnentwege groeten. Een Requiescat voor
-de dooden: een hartelijk Salve voor de jeugd; maar dan ook een trouwe
-handslag met een hartelijk: Semper idem! voor de vrienden! De dichter
-heeft gevraagd:
-
-
- Maar de mannen, in wier hairen
- Wij een grijzen vlok ontwaren,
- Daar zij zich in ’t hoekjen scharen,
- Waar zij uit de drukte zijn,
- Prijzen luide d’Ouden Wijn,
- Geurig, keurig, uitgelezen....
- Zou ’t met vriendschap ook zoo wezen?
-
-
-De vraag wordt aan allen, dus ook aan mij gedaan; en dan roept alles
-wat in mij is daarop luid en vroolijk uit: Ja, Dichter! zoo is het! Zoo
-is het! Zoo blijve het! Zoo worde het steeds meer en meer!
-
-En nu gaan wij, eer de nacht valt, het oude huis, waaraan wij in den
-geest samen een Afscheidsbezoek brachten, verlaten. Ik schuif den
-leunstoel terzijde, ik sluit de boekenkast dicht, ik sla een laatsten
-blik op den uurwijzer van mijn Huisklok, ik wuif een groet toe aan het
-Kinderportret aan den wand, ik richt ten slotte een dankbare zegenbede
-aan den ouden Huisbijbel—en thans den trap af, de deur gesloten, de
-sleutel uit de deur.... heil zij dezen huize! Waarschijnlijk kom ik
-hier niet weêr. Andere stemmen roepen elders heen. De weg leidt
-voorwaarts....
-
-
- Voerman! rij in Godsnaam voort!
-
-
-
-
-
-
-
-
- VERSPREIDE STUKKEN
- VAN
- JONATHAN.
-
-
-GEKROONDE VROUWEN.
-
-(26 October 1837.)
-
-
-Welk een drukte! Wat gewoel! Er komt van daag geen einde aan het rijden
-en rossen. De diligences hebben meer bijwagens, dan anders passagiers.
-De veerschuiten zijn tot zinkens toe vol geladen. De wegen wemelen van
-voetgangers. Het is of de aarde op ééns in een hellende richting
-geraakt is, waardoor al wat beweegbaar is met geweld naar éénen kant
-gedreven wordt. De stad is half verlaten.
-
-
- ’t Kinderschool is leêg geloopen;
- De Invalied komt aangekropen;
- ’t Grootje hinkt van ’t spinnewiel.
-
-
-Ik zou mij niet op straat durven vertoonen. Men zou het mij nooit
-vergeven, dat ik heden mijn paar gezonde beenen tot iets anders
-gebruikte, dan om den grooten stroom te volgen. Ik ben toch reeds
-meermalen voor een wijsneus uitgemaakt. „Hé,” zeide men met open mond
-en mij van het hoofd tot de voeten opnemende: „zoo kort bij den Haag te
-wonen, en dan te verzuimen om de Koningin te zien begraven!”
-
-Ziedaar mijn misdaad! ik wilde de Koningin niet zien begraven. Verdenk
-daarom mijn Koningsgezindheid niet; zij werd nooit verdacht. En als gij
-mij op den morgen van heden gezien hadt, gij zoudt u met mijne
-weigering hebben verzoend. Ik had mij voor dezen dag van alle
-dienstwerk ontslagen. Het was voor mij een heilige dag, de dag van
-Sancta Wilhelmina. Ik ging evenwel niet ter kerke: mijne kamer diende
-mij tot huiskapel, waar ik in den geest een lijkmisse ter eere van de
-afgestorvene vierde. De onophoudelijk luidende kerkklok ondersteunde
-mijne illusie:
-
-
- Von dem Dome
- Schwer und bang
- Tönt die Glocke
- Grabgesang.
-
-
-Ik kan u den inhoud van het Miserere mijns geestes niet mededeelen. Zóó
-veel kan ik er van zeggen, dat mijne mijmering in geen opzicht leek
-naar het vers, door uw neef, uw broeder of uw vriend op den dood der
-Vorstin gemaakt. Het was in den rechten zin des woords een mijmering,
-eene fantasie, een visioen. Allerlei beelden dwarrelden bont en grillig
-voor mijne oogen heen; ik volgde in mijne gedachten den trein van het
-paleis, de woning der macht en der eere, naar het graf, de woning der
-vernedering. Ik zag de kist in het graf plaatsen zes voeten lang en
-drie voeten breed, meer niet, en dacht aan het woord van Juvenalis:
-Mors sola fatetur quantula sint hominum corpuscula, zóó klein kwam mij
-dit hoekje voor, dat nu volstond voor haar, die voorheen paleizen tot
-woning, een geheel heir tot dienaren en een gansch volk tot eerewacht
-op haren weg gehad had. Ik zag den trein de kerk verlaten, en bleef
-alleen achter. Toen daagde ik in mijn geest, zoo als de Egyptenaren
-deden, geheel het volk op, om over de Doode recht te spreken. Nog bleef
-ik alleen. De menschen brachten geene beschuldiging tegen haar in. En
-toen ik haar mij voor een andere vierschaar vertegenwoordigde, toen zag
-ik haar gevolgd door al hare goede werken, die haar „bij hare afreize
-uit deze wereld vergezelden, omringden en omstuwden, als een drom van
-hemelsche Serafijnen, en haar juichende binnenleidden in de eeuwige
-tabernakelen.”
-
-Zoo peinsde en droomde ik al voort. Toen ik mijn lief kamerke verliet,
-zal het omstreeks den tijd geweest zijn, dat de heraut bekend maakte,
-dat de begrafenis van de Koningin was afgeloopen. Ik was over mij
-zelven voldaan. Ik had naar mijn inzien het begrafenisfeest der
-Koningin beter gevierd, dan menigeen, die geen slip van de staatsie
-onopgemerkt had laten voorbijgaan. Want, (en nu kom ik op den grond
-mijner weigering om naar den Haag te gaan,) ik zag er tegen op, om mij
-in de drokte van het volksgewoel te begeven. Reeds vroeger was ik
-meermalen geërgerd geworden door den toon, waarmede men over de sombere
-plechtigheid sprak: kinderachtig (ik wil er geen anderen naam aan
-geven) was de ingenomenheid van sommigen met de beloofde vertooning.
-Men sprak er over als over een publiek amusement. En ik denk, dat wie
-de menigte op de naar den Haag loopende wegen opmerkzaam heeft gade
-geslagen, wel verwonderd heeft moeten vragen: zijn dit pelgrims naar
-het graf der geliefde Koningin? Neen, dan hadden de bedevaartgangers
-van het heilige graf, wier voorkomen, ja, zelfs wier kleeding in
-overeenstemming was met het ernstig doel van hunnen tocht, dezen beter
-de passende houding van een pelgrim kunnen leeren en hen doen blozen
-over de gejaagdheid, over de verwachting, over het genoegen zelf, dat
-op veler aangezicht te lezen was! En daar mijn gevoel een
-kruidje-roer-mij-niet is en voor elke onvoorzichtige aanraking
-schuchter terugkrimpt, mocht ik het niet in zulke een hinderlijk
-gedrang wagen; het kan weinig tegen zulke stooten, als waaraan ik te
-midden van zoo veel ergernissen zou hebben bloot gestaan. Ik had mij
-zeker boos gemaakt over de weinige sympathie, die ik in den aanblik
-mijner medegenoodigden ter begrafenis zou hebben opgemerkt. Ik had mij
-bij het gezicht van den trein beklaagd, dat ik zulk een indrukwekkend
-schouwspel niet onder gelukkiger omstandigheden had kunnen genieten. Ik
-had geknord tegen de onderkaak van mijn achterman, die mijn hoofd tot
-een rustpunt nam, of tegen den arm van mijn naaste, die op mijn
-schouder als eene vensterbank leunde, en mij zelven wel honderdmaal van
-dáár en op mijne kamer gewenscht; in één woord, ik had het genoegen van
-anderen bedorven en mijn eigene stemming door anderen laten bederven.
-En daar ik dit alles voorzag, wie moet mij niet toestemmen, dat ik de
-wijsste partij koos met te huis te blijven?
-
-De doodklok luidde nog altijd voort, en bepaalde voortdurend mijne
-gedachte bij de plechtigheid van den dag.
-
-Tot welk een ongewone drukte geeft de dood der Vorstin aanleiding! Welk
-een scherp kontrast van het stil en verborgen leven der vrome Vrouw,
-met het gewoel dat zich om hare kist verdringt! Ik twijfel er niet aan,
-of zij zelve, indien zij recht van kiezen gehad had, hadde verkozen, in
-den avond, zonder andere getuigen dan hare betrekkingen, zonder andere
-rouwdracht dan die waarin zich het deelnemend hart kleedt, zonder
-anderen lijksleep dan dien der dankbare beweldadigden, te worden
-bijgezet.
-
-Maar eene koningin heeft geene keuze. Zij is de slavin van haren stand.
-Hofdwang benauwt het wicht reeds in de purperen windselen: hofdwang
-klemt den dartelenden voet van het kind in den looden schoen der
-etiquette: hofdwang leidt het wederstrevend slachtoffer naar het
-geschuwde bruidsbed: hofdwang eindelijk ontrukt het heilig overschot
-der gestorvene aan de armen harer betrekkingen, om het als een mummie
-voor onverschillige oogen ten toon te stellen, of als een heiligenbeeld
-in processie onder het gapende volk rond te dragen.
-
-Voor een vrouw, die geheel vrouw is, moet er iets kwetsends in wezen,
-al de verplichtingen der tiara te vervullen.
-
-Arme onnoozele, die op éénmaal uit het vertrek uwer moeder wordt
-opgeroepen, om den troon eens vreemdelings te deelen! Terwijl gij tot
-nu toe in half kloosterachtige afzondering versmachttet, wordt gij op
-ééns aan de vrije, koude lucht blootgesteld. Duizenden verdringen zich
-op uwen weg, om u te bespieden; onbeleefde Courantiers kijken u de
-woorden uit den mond, om die verdraaid aan het groote publiek weder te
-vertellen: glurende schilders betrappen het blosje op uwe wangen, om te
-weten, hoeveel karmijn zij voor uw portret noodig hebben; het gemeen
-mompelt onder elkander, alsof gij geene ooren hadt, het vonnis zijner
-voorbarigheid over uw voorkomen uit; hovelingen snuffelen als
-speurhonden om u heen en fluisteren, met het oog op u geslagen,
-elkander in de ooren. Eindelijk bereikt gij de plaats uwer bestemming.
-Dit is nu uw echtgenoot, uwe Hoogheid! Die Heer dáár is Z. M. uw
-schoonvader. Mag ik de eer hebben, u aan mevrouw uwe koninklijke
-schoonmoeder voor te stellen? De eerste kus wordt ten aanschouwen van
-honderdduizenden gewisseld; handgeklap vergezelt, evenals in de
-komedie, de vaderlijke omhelzing. Nu kunt gij in de eenzaamheid een
-weinig tot bedaren komen? Neen! gij moet op het balcon aan het volk
-worden voorgesteld. Daar staat gij aan ontelbare onbeschaamde blikken
-bloot; het volk applaudisseert bij den aanblik uwer schoonheid—lieve
-Hemel! is het niet of het uw Schepper wilde toejuichen?—Gij moogt het
-tooneel verlaten. Meen evenwel niet, dat gij daarom vrij zijt. Men
-wacht u aan tafel. Daar zijt gij wederom de hoofdschotel. Men eet niet,
-men drinkt niet, men doet niets dan u begluren en u beluisteren. Gij
-komt niet tot u zelve dan in de armen van den man, die u zijne vrouw
-noemt. Arme onnoozele! uw feestdag was een bange dag.
-
-Eindelijk is aan de wetten der etiquette voldaan. De nieuw aangekomene
-heeft de spitsroeden der openbare beoordeeling doorgeloopen. Men laat
-haar in hare vertrekken met rust. Zij heeft den tijd zich met haar te
-huis bekend te maken. Nu is het ergste geleden!—Misschien—zeer
-misschien. Weet gij wel, hoeveel kansen zij tegen heeft? De man, aan
-wien men haar heeft opgedrongen, kan harer onwaardig zijn. Zij heeft
-hem moeten nemen. Maar al verdient hij haar: zal het verkeer der
-wittebroodsweken de zoete gemeenzaamheid te weeg brengen, die anders
-uit de langzaam toenemende vertrouwelijkheid van een verloofd paar
-ontstaat? Of zal niet de betrekking der gehuwden levenslang den schok
-gevoelen, die hen, als ik het zoo zeggen mag, tegen elkander geworpen
-heeft? Hare moeder moet weder van haar weg. Zal hare schoonmoeder haar
-dit verlies eenigermate vergoeden? Zij had onder hare hofjuffers een
-vriendin—wel geene halsvriendin, die hebben Vorstinnen niet—maar toch
-een lieve bekende gevonden. Aan wie zal zij nu haar vertrouwen
-schenken? Zal zij in dit vreemd klimaat aarden? Zal zij hare lippen aan
-de ongewone taal kunnen gewennen? Zal zij zich met de zeden haars volks
-kunnen verzoenen?
-
-Altemaal vragen, die haar niet eens gevraagd worden. Het heeft in de
-Hofcourant gestaan: zij is met den vorst getrouwd; ergo, zij heeft hem
-lief. Zij is zijn landgenoot geworden: zij heeft zijne taal en zijne
-zeden aangenomen: zij heeft haar hart genaturaliseerd.
-
-Noem mij niet zonderling, als ik zeg: de koninklijke eere is alleen
-voor mannen geschikt. Dat staan op eene hooge, uitstekende plaats, dat
-dragen van een zware kroon en een klaterend kleed, dat bekleeden van
-een middelpunt van dienaars, dat treden door laag gebogen rijen, dat
-ten doel staan aan de algemeene opmerking, dat openbare leven, als van
-den Opperpriester te Rome, met nacht en dag openstaande deuren, dat
-wonen in een altijd geurenden dampkring van wierook:—dat alles vervult
-de borst des mans met edelen hoogmoed en doet hem den troon zelf om
-zijn purper beminnen. Maar de zachte, ingetogene, kuische en vrome
-vrouw, wier wereld is aan den boezem harer moeder, of aan het hart
-haars echtgenoots; wier oog den sluier en wier hart de eenzaamheid lief
-heeft; die schuw is voor lof en siddert voor afkeuring—kan zij gelukkig
-zijn, geplaatst in een kring, waar zij boven de overigen opgeheven en
-tot een voorwerp van algemeene aandacht gesteld wordt? Kan het haar,
-indien zij haar kinderlijk, vrouwelijk hart behouden heeft, genoegen
-doen, vrouwen, die hare moeder konden zijn, voor haar te zien uit den
-weg gaan; mannen, die in de dienst des Staats vergrijsd zijn, voor haar
-te zien buigen? Moet het haar niet hinderen, door den dwang der
-etiquette verplicht te zijn, de haar natuurlijke voorkomendheid en
-hulpvaardigheid te onderdrukken? En wee haar, indien zij een eenigzins
-verheven, dichterlijken geest bezit, die behoefte heeft zich mede te
-deelen, uit te breiden, over te gieten. Want hare Dame van kleedkamer
-leest alleen den hofalmanak en het modejournaal: want hare
-grootmeesteres kent geene andere wereld dan de hemisphaera van de
-vertrekken der Koningin: want hare staatsdames hebben allen zielen van
-klei en harten van steen. Daar ginds, in de verte, bespeurt zij wel de
-groote mannen, die zij bewondert, de schoone geesten, die zij lief
-heeft en met wie zij sympathiseert; maar de diadeem der genie wordt
-niet erkend aan den ingang der zalen, waar boven de gouden kroon
-praalt. Al wat het wetboek van den hofdwang duldt, is: dat ieder nieuw
-voortbrengsel der schoone letterkunde haar op best papier gedrukt en in
-een vergulden band worde aangeboden. De ongelukkige! zij moet alle
-groote gewaarwordingen in hare borst opsluiten; zij moet, binnen haren
-vergulden kerker gebannen, in zich zelve verteren: zij is aan het dier
-in de fabel gelijk, dat, door de vlam ingesloten, den angel tegen zijn
-eigen borst richt.
-
-En wanneer zij de hoflucht verlaat, is het beter? Voorzeker niet:
-overal dezelfden nasleep. De Koningin vertrekt naar haar buitengoed, om
-een luchtje te scheppen. De Koningin gaat een luchtje scheppen,
-herhalen honderd couranten. Het hof, de residentie, het gansche land
-spreekt over een luchtje, dat de Koningin gaat scheppen! Eene
-ongelukkige paraphrase voorzeker van hare beklemde zucht naar Gods
-vrije natuur. Eindelijk is zij op haar lustslot aangekomen. Het weder
-is schoon, de natuur in bloei, het bosch verrukkelijk. Maar wie geniet
-daar iets van, door een drom van gonzende muggen ingesloten? En de
-Vorstin is altijd van gonzende muggen omringd. Het water van de vijvers
-is zoo helder en frisch: spiegelde het slechts geene hofrokken weder!
-de vogels zongen zoo lief: maar zij hebben de vlucht genomen voor de
-hovelingen, die eene aria uit de nieuwe Opera neuriën. De menschelijke
-echoos: „Ja, uwe Majesteit!—Neen, uwe Majesteit!” maken, dat men de
-echoos in het bosch niet hooren kan. De Koningin komt in de hofstad
-weder, zonder een enkel uur van vrij en zuiver genot van de natuur te
-hebben gesmaakt.
-
-De Koningin zal den schouwburg bezoeken. Te harer eere is het er eens
-zoo vol en tweemaal zoo warm als anders. Zij komt de zaal binnen;
-handgeklap. Zij gaat zitten; al de lorgnetten zijn in beweging. De
-Dames ontleden haar toilet van stuk tot stuk. De Heeren ontzien zich
-niet, haar onbeschaamd aan te staren. Ware het eene andere Dame, haar
-cavalier zou verplicht zijn het voor haar op te nemen. Maar de
-Koningin, hoewel een vrouw, is geene vrouw als iedere andere; men
-behoeft voor haar de gewone beleefdheden niet in acht te nemen. Het
-stuk begint; eene menigte van aanschouwers blijft, met den rug naar het
-tooneel gekeerd, het koninklijk gezin aangapen. Voor hen wordt de
-representatie van den avond in de hofloge gegeven; de Koningin gevoelt
-zich in den lastigen toestand van eene actrice, die debuteert; zoo
-wordt zij in al hare bewegingen bespied. Lacht zij, men zegt: zie, zij
-lacht! Welt er een traan van natuurlijk gevoel zachtkens in haar oog,
-zij moet hem met geweld onderdrukken om niet bespot te worden. De
-acteurs zijn gedwongener en spelen slechter dan anders. Dit is ook ten
-deele het gevolg van het verbod om te applaudiseeren. Het is jammer;
-een beschaafd publiek, dat zijne bewondering in luide goedkeuring te
-kennen geeft, is zulk een schoon, éénig schouwspel! Maar waar het
-koninklijk gezin zich vertoont, is alle enthusiasme contrabande,
-behalve die zich in de nationale liederen lucht geeft. Het hof heeft
-ook zijne claque. Eindelijk is de vervelende avond om, de menigte
-schaart zich in de corridors, om den stoet te zien vertrekken. Met
-gapenden mond en groote oogen staart men den glinsterenden sleep aan,
-en wie weet, hoe velen bij dat gezicht niet kunnen nalaten te zuchten:
-De benijdenswaardigen!
-
-En nu zwijg ik nog van diplomatieke audienties. Nu zwijg ik nog van een
-wandeling door het bosch van de hofstad en toertjes door de gewesten
-des Lands. Nu zwijg ik nog van verre reizen naar buitenlandsche hoven,
-om de kinderen te bezoeken, die de staatkunde aan het hart der moeder
-ontrukt en door zeeën van haar gescheiden heeft. En wat is dit alles
-nog, bij het deelen van de zorgen des bestuurs? Bij den plicht, om de
-groeven te verzachten, die de scherpe rand der kroon in het voorhoofd
-haars gemaals achterlaat? Om den vermoeiden en belasten den dienst te
-bewijzen van Aäron en Hur aan Mozes, daar zij de tegen Amalek opgeheven
-hand, toen zij te zwaar werd, ondersteunen? Om haar teedere schouders
-te laten kneuzen door het tillen van een last, die zelfs den sterken
-man nederbuigt?
-
-o Gouden vertrekken der Koningin! indien uwe wanden spreken konden,
-welk een Ilias van lijden zouden zij te verhalen hebben!
-
-En gelukkig nog de Vorstin, die niets dan de gemalin des Konings
-behoeft te zijn, in vergelijking van haar, die geroepen wordt, om den
-zetel alleen te bekleeden. Arme bloem van Kent! Hoe dubbel zwaar moet
-de driekroon der Eilanden op uwe fijne slapen drukken! Welke een
-jammerlijke misgreep weder door de politiek tegen de natuur begaan, om
-een zoet, achttienjarig kind op den hoogen troon te heffen! Zoo jong,
-en reeds zoo hoog geplaatst! Gij doet mij denken aan die ellendige
-schepseltjes, over wie ik soms mijn hart heb voelen breken, die, vijf
-of zes jaren oud, gedwongen worden op de halsbrekende hoogte van een
-koord kunsten voor het publiek te verrichten. Wat springt men
-meêdoogenloos met u om! Wat heeft men u nog onlangs de straten van
-Londen langs en door het gewoel eener joelende menigte gesleept! En dat
-eene jonge beschroomde, die, bij de uitgelatenheid van ’s volks
-geestdrift in Drurylane, zelfs de sporen van angstvalligheid niet
-verbergen kon. O, hoe wel versta ik, wat men bericht, dat gij de
-opgewondenheid van den grooten hoop, bij uwe verschijning,
-onverschillig hebt blijven aanzien. Wat de borst van een jongeling hoog
-had doen zwellen, moest op u noodzakelijk een onaangenamen indruk maken
-en uwe schuchterheid beangstigen. En toen gij daarna vernomen hebt, dat
-uw feestelijke optocht voor enkelen uwer goede onderdanen doodelijk
-geweest is (plectuntur Achivi!) en dat het bloed van een jong wicht de
-wielen van uwen zegenwagen bespat heeft, hoe beklaag ik u over den
-rouw, die daarbij uw hart zal hebben vervuld, onnoozele duive, Koningin
-Victoria!
-
-Nog nauwelijks droeg de jonge wees het rouwkleed over haren
-koninklijken oom, of reeds twistte het Parlement, wie bij haren dood
-moest opvolgen. De erfenis eener achttienjarige te verdeelen.... zie,
-dat is toch onvriendelijk vroeg! Of zouden misschien de Ministers Harer
-Majesteit de zwarte verbeelding van Byron hebben, die zich ergens
-beklaagt, dat hij geen jong meisje zien kon, zonder haar in zijne
-fantasie tot een geraamte te ontleden? Zeker althans is het, dat de
-Courantiers te haren opzichte het lastig gebrek van la vieille fille
-hebben, om haar met geweld aan een jongen partner te willen koppelen.
-Terecht schreef daarover iemand: „Arme Koningin, wier zoetste geheim
-elke Dagbladschrijver raden, overbrieven, uittrompetten wil, hoe brengt
-gij ons uwe doorluchtige voorgangster, Elisabeth, te binnen”!
-
-En ware zij nog als Elisabeth! ik wil nog niet eens zeggen, ware zij
-eene vrouw als deze, die onder hare kanten muts mannelijke hersenen
-verborg en onder het zijden corset een mannelijk hart omdroeg! Maar
-vergelijk eens den staatkundigen toestand van het toenmalig Engeland
-met het tegenwoordig Groot-Brittanje. Gelooft gij niet met mij, dat het
-toen veeleer dan nu de tijd was, om eene Koninginne-Maagd aan het hoofd
-van den staat te hebben? De schepter der Monarchij laat zich des noods
-nog door eene vrouwenhand voeren. Eenheid van wil vereenvoudigt de
-regeering: onbeperkte ruimte van middelen maakt het heerschen
-gemakkelijk. Maar bovenal, welke eene eeuw, de eeuw van Elisabeth!
-vergelijk het ridderlijk Engeland, dat zich niet schaamde voor de
-voeten eener edele jonkvrouw te knielen, bij het plebejisch en oproerig
-Engeland onzer dagen. Vergelijk dien galanten hofstoet van Staatsraden
-en Ministers bij den ongeregelden hoop der vertegenwoordigende kamers!
-Vergelijk de kleine moeielijkheden, door de twisten tusschen den
-hoofschen Leicester en den hooghartigen Burleigh ontstaan, met de
-noodzakelijkheid, om zich op genade aan een brutalen, dweepzieken
-O’Connel over te geven! Vergelijk eindelijk het volk dier dagen, als
-een éénig man onder de monarchale banier geschaard, bij de veelkeurige
-bende, die zich nu in allerlei partijen verdeelt. En beken, dat men
-eene Amazone moet zijn om het wederspannig ros met zijden teugels en
-zijden handen te kunnen breidelen.
-
-En wat ik boven zeide, dat de Koningin zich door hare betrekkingen
-meermalen in haar vrouwelijk gevoel gekwetst moet vinden, hoe veel
-toepasselijker is dit nog op de regeerende Vorstin! Waar zal ik
-beginnen, om de tegenstrijdigheden op te noemen, die zich tusschen de
-plichten van haren stand en de eigenaardigheden van haar karakter
-moeten opdoen? Neem eens de verheffing door de Engelsche Koningin van
-den Edel-Achtbaren Lord Mayor en de Sheriffs tot Ridders. Wie gevoelt
-er het onnatuurlijke en stuitende niet van? Welk een verschil met den
-tijd, toen de bloedige hand des Vorsten zelven den moedigen schildknaap
-de gouden spoor aan den hiel bond! Koninginnen der schoonheid te wezen
-en den krans op het hoofd van edele mannen te drukken, ziedaar eene
-vrouwelijke taak. Maar om voor zich den man te doen knielen, om
-hem—even als Blount in Kenilworth met een geleend zwaard—door
-onhandigheid misschien over de ooren te houwen, ziedaar eene
-onvrouwelijke exercitie. Neen! wanneer er volstrekt tusschen twee
-kwaden moet gekozen worden, dan liever het vrouwelijke lijden in het
-paleis van Buckingham dan het spelen der mannelijke rol in Guild-Hall.
-Dan liever de tranen, door de koninklijke Lijderes vergoten, dan de
-feestdronk op den Souverein Victoria!
-
-Met liefde keert mijn blik van zijne lange omzwerving naar uw stil graf
-terug, Wilhelmina van Pruissen! ik verheug mij in de ruste, die hier uw
-afgemat hoofd en afgefolterd lichaam vinden mocht. Want op wien ook, op
-u zal de kroon in het graf niet zwaarder drukken, dan zij op de levende
-woog. U is er een bange last meê van het hoofd gevallen. Het dankbare
-volk misgunt u die ruste niet. Het verheugt er zich voor u in, dat de
-hemel, en niet langer de aarde, u onder de Gekroonden telt!
-
-
-
-
-
-
-
-
-DE KONING KOMT.
-
-(3 Augustus 1842.)
-
-
-De Koning komt! Zie, dien man reik ik als burger de broederhand niet,
-wien bij deze tijding het hart niet een paar slagen sneller klopt dan
-te voren. Trouwens, ik voor mij geloof niet, dat er veel zulke harten
-zijn. De eerbied voor het koningschap is in ons, onderdanen van den
-Koning der koningen, van wiens Majesteit het koningschap in iederen
-vorm slechts een afschaduwing is, iets natuurlijks,—iets
-instinktmatigs, had ik haast gezegd. De hermelijnen mantel moet wel in
-eene wolfshuid, de gouden kroon in een ijzeren, en de schepter in een
-dorenstaf veranderd zijn, eer die eerbied voor de verachting en afkeer
-plaats maakt, die het wettig loon van tirannen is.
-
-Er bestaat buiten dit geweldig, misschien nog een zachter kunstmiddel
-om dit gevoel ten onder te brengen; het is de theorie, die in de vorige
-eeuw door Marat en Robespierre geleerd, en door hen met proeven op
-Lodewijk XVI en Maria Antoinette bloediger gedachtenisse gestaafd is.
-In die school, waarin men begint met den Koning des hemels te
-onttroonen, en Hem alle gezag en invloed op de verheffing van de
-koningen der aarde te ontnemen, komt men, langs een zeer natuurlijken
-weg van gevolgen, tot de leer, dat een koning eigenlijk geen koning is,
-maar een onderdaan; een onderdaan zijner onderdanen; een knecht der
-knechten, wiens eigenlijke plaats aan de punt van den staart des volks
-is; ten gevolge waarvan dan ook, met de strengste consequentie, in de
-gouden eeuw dier theorie, de geheele maatschappelijke ladder onderst
-boven gezet en op haar hoofd geplaatst werd, zoodat de koning achter
-den adel, de adel achter den middelstand, de middelstand achter het
-gemeen, en het gemeen van het gemeen op den zetel geraakte, die de
-guillotine tot voetstuk had. Die koorts is sedert, den Hemel zij dank!
-na vele aderlatingen en een gestreng dieet, onder de homoeöpathische
-behandeling van den Korsikaanschen Wonderdokter, wel gelukkig afgegaan:
-maar er is toch in het groote lichaam nog zekere koortsachtige neiging
-overgebleven, die bij de minste irritatie met eene wederinstorting
-bedreigt. En het zijn deze heimelijke sluipkoortsjes, die zich hier en
-daar openbaren in de Jakobijnsche manier, waarop men de vorsten weêr
-begint te beschouwen en te behandelen. Eene wijze van beschouwing, die
-dan ook onder anderen aan den dag komt in de bekoorlijke nonchalance,
-waarmede de ultra-constitutioneele wijsgeer het bericht ontvangt, dat
-„de Koning komt.” Merk op, hoe hij bij die aankondiging den hals in den
-nek werpt, u met een spotachtig lachje aanziet, en een gezicht zet, zoo
-onverschillig, dat het bijkans veelbeteekenend wordt van
-onverschilligheid, waarop dan voor ieder die het zien wil te lezen
-staat, dat hem het heele bericht niet meer aangaat, dan of de haan van
-zijn buurman op zijn erf gekomen was, wiens roode kam en vurige sporen
-in zijn oog evenveel waard zijn als de erfelijke koningskroon en de
-verworven riddersporen van alle Majesteiten der wereld. Maar zoo als ik
-zeide, die wijsheid is geen natuurlijke, maar eene verkregene en
-aangeleerde, die in plaats van uit het hart naar het hoofd te komen,
-met kunst- en vliegwerk uit het hoofd naar het hart gepompt is, en
-daaraan niet zonder tegenstand opgedrongen. Het spreekt dus van zelf,
-dat eenvoudige menschen, als waaronder ik hier buiten verkeer, daarvan
-niets verstaan, en alzoo nog omtrent hetzelfde voelen, wat onderdanen
-van ouds af voor koningen van ouds af gevoeld hebben, te weten: achting
-voor het koningschap, eerbied voor de koninklijke waardigheid, en, als
-hij haar niet moedwillig verbeurt, liefde voor den persoon des konings.
-
-Dat bleek bij ons op een treffende wijze, nadat wij eindelijk het zeker
-bericht ontvangen hadden: de Koning komt!—Van dat oogenblik af klopte
-aller hart en glinsterde aller gelaat van vroolijke verwachting. Men
-sprak elkander niet, zonder van het heugelijk nieuws te gewagen. Ieder
-maakte aanstalten om den vorst op de feestelijkste wijze te ontvangen.
-De arme bosschen moesten twee maanden te vroeg hun groen afstaan,
-Ommeêdoogend hakten mes en schaar in sparren- en eikenboomen. Bloemen
-en wat naar bloemen geleek werd zonder deernis afgeplukt. De
-lijsterbessen verloren er al hare trossen bij; want lijsterbessen
-tusschen eikenbladeren, wat kan men schooner hebben? Er bleef geen
-besje over om meê te lijsteren: van daar zeker, dat ik dit jaar nog
-geen lijster geproefd heb.—Nu aan het kransenmaken: de een al zwieriger
-dan de andere. Men durfde in al die dagen niemand de hand geven van den
-boomharst, die er aan kleefde van al de taxies, gelijk men bij ons de
-sparren verkiest te noemen. Ik heb er gezien, vijftig voet lang, waarin
-de bloemen met zulk eene mathematische evenredigheid waren verdeeld,
-even als de ringen op eene slangenhuid, dat ik den vervaardiger verdenk
-van er den duimstok bij gebruikt te hebben. En vlaggen? Die konden,
-ontboden ze van elders; wien dit te kostbaar was, maakte ze zelf van
-gekleurd papier, oranje, blanje, bleu, vast aaneengeplakt, zoodat ze
-bij ieder tochtje rinkelden als het klatergoud in eene haringkroon. De
-ijverigsten richtten bogen op met eene kroon er in, want dat is
-boerenstijl: zonder kroon geen bruiloft: bruiloft is het feest der
-feesten; dus geen feest zonder kroon. En tusschen de kroonen
-opschriften op een half vel papier, beschreven door den ondermeester
-van het dorp, in alle soorten van letterformaat, groot, middelslag en
-klein, met lettertrekken er rondom, die de Koning van zijn rijtuig moet
-kunnen zien! Zoo waren dagen achtereen aller handen—en dat zegt hier,
-aller harten—met des Vorsten komst bezig. Toen ik in den avond vóór den
-grooten dag in het donker te huis kwam, zag ik hier en daar nog een
-enkel dwaallicht zweven; eene kaars of lantaren van den een of anderen
-dorpeling, die, eer hij ging slapen, zich het genot nog eens gunnen
-moest om het door hem gebouwde Babel met zijne hangende tuinen te
-bewonderen, en te zien, welk effect zijne decoratie bij donker voor
-uilen en bietebauwen maakte.
-
-Onder zulke tooneelen en onder zulke menschen werd ik den anderen
-morgen wakker. Was het wonder, dat het mijne eerste gedachte bij het
-ontwaken was: de Koning komt?—Ook ik had mijne stulp op het zwierigst
-en tierigst opgetooid. Een keurige taxies-krans slingerde zich als eene
-reusachtige slang, met schilderachtige en veelkleurige bochten, van den
-ijzeren arm aan het dakvenster, langs het geheele huis, tot op den
-grond naar beneden. Editha had er hare kleine handen met honderd
-„eerlijke wonden” aan bezeerd, en er een extraknikje van Z. M. aan
-verdiend. Daarboven ontrolde zich van een fraai geschilderden en
-vergulden vlaggestok een vlag, eene vlag veel te lang voor mijne lage
-stulp, en daarom nog verscheidene ellen vluchts gekort, die een mijner
-vrienden mij uit Amsterdam, van ik weet niet welk aanzienlijk college
-bezorgd had. Maar wat nog meer zegt, mijn hart vlagde met een langen
-wimpel van vroolijkheid en geestdrift, die door het minste windje hoog
-omhoog gevoerd werd. In die stemming kon ik het niet lang binnen
-uithouden. Nadat ik dus mijn feestpak had aangetrokken, trad ik naar
-buiten, om nu het geheel der versiering nog eens op te nemen. Het was
-een schoon gezicht! Overal waren de menschen bezig om het mooie nog
-mooier te maken, door eene gele dalia, die tegenover een witte zat, met
-eene dito te vervangen, een oranjelintje, dat losgeraakt was, vast te
-strikken, en dergelijke gewichtige verbeteringen meer. Ik sprak nu met
-den een, dan met den ander, en zeide elk op zijne beurt iets vleiends
-over zijn goeden smaak, die in deze of gene bijzonderheid vooral
-schitterend aan den dag kwam. Daaronder glommen de gezichten van
-zelfbehagen, en klom de geestdrift al hooger en hooger. Intusschen
-renden de rijtuigen met menschen beladen als in wedloop naar de stad,
-om daar getuige van den Intocht te zijn; en ieder blik van
-opmerkzaamheid en goedkeuring, naar de bogen en kransen geworpen, werd
-met gretigheid opgevangen en door een glinsterend oog weêrspiegeld.
-
-Onder zulke waarnemingen, die mijn hart vervulden met dankbaarheid aan
-God, die zijne menschenkinderen zooveel onschuldige vreugde schenkt en
-gunt, en het in liefde tot mijn dorpsgenooten, mijn volk, mijn land,
-mijn koning, tot alle menschen, verwijdde, wandelde ik den weg vóór
-mijn huis op en neder. Zoo dwaalde ik langzaam af, totdat ik mij geheel
-buiten de kom van het dorp in de eenzaamheid bevond. Deze was mij nu
-niet onaangenaam: er was in de vreugde van mijn hart ook iets, dat zich
-liever niet voor anderen uitstortte; en gelijk ik altijd tracht mij
-reden van mijne gewaarwordingen te geven, zoo poogde ik dat ook nu te
-doen. Zoo kwam ik op de aanleiding van het feest: de Koning komt.
-Altijd zou mij die komst belangrijk en aangenaam geweest zijn, maar
-heden bovenal. Het was de derde Augustus. De derde Augustus,
-gedenkwaardige en roemrijke dag in de jaarboeken van ons vaderland,
-inzonderheid voor ons geslacht. Op dien dag was het, dat voor elf jaren
-Willem, Prins van Oranje, op last van den Koning zijn vader, aan het
-hoofd van een getrouw leger, den eersten voet op Belgischen bodem
-zette. Die geheele veldtocht met al wat hem was voorafgegaan en
-gevolgd, verrees op eenmaal voor mijn geest. En als de hoofdpersoon op
-die schilderij,—hoe kon het anders?—hij, die toenmaals Prins van Oranje
-genaamd werd. Zie! wat ik bij die herinnering gevoelde, kan niemand
-beseffen dan hij, die met mij de wapens in dien veldtocht droeg. Wie
-Willem II niet als veldheer gezien heeft, heeft hem slechts ten halve
-gezien. Niemand verdenke dezen uitroep van grootspraak: ik beroep mij
-met vrijmoedigheid op de bezadigdsten onder mijne wapenbroeders. Kon ik
-er u een denkbeeld van geven! Maar hij laat zich niet beschrijven, de
-aanblik van den vorstelijken Held, gelijk hij zich aan het hoofd zijner
-dapperen vertoonde. Nog zie ik hem met het aanbreken van den dag tot
-ons komen, op het schoone ros gezeten, dat zijn meester niet lang meer
-dragen zou, maar bij zijne verminking vóór Leuven hem een dier schoone
-woorden in den mond geven, die de geschiedenis van de lippen der
-dapperen opzamelt, om er het nageslacht mede te ontvonken. Nog zie ik
-hem, met den lagen hoed en de vallende pluim op het hoofd, die door den
-bijzonderen en bij den vijand bekenden vorm wel den kogels den weg
-wees, die op zijne edele borst gericht werden, maar tevens, als de
-beroemde pluim van Hendrik den Vierde, den zijnen tot wegwijzer op den
-weg der eer verstrekte. Nog zie ik hem met het prachtige zwaard aan de
-zijde, door de hand der Keizersdochter aan de heup van den vorstelijken
-echtgenoot gegord, opdat hij het haar, gelijk hij ook gedaan heeft!
-smetteloos, maar met frissche lauweren omsnoerd, terugbrengen en voor
-de voeten leggen mocht. Maar vooral nog zie ik hem met die rustige
-houding, die rust inboezemde ook aan de bekommerdste, moed aan de
-versaagdste gemoederen, met dien helderen oogopslag, die van de
-vroolijkste geestdrift glinsterde, en met die geheel onbeschrijfelijke
-uitdrukking van strijdlust, die mij aan het krijgsros van Hiob denken
-deed: „Heerlijk dampt zijn gesnuif! Met zijn hoef graaft hij den grond
-op, en dartel in zijn overmoed, gaat hij het wapentuig te gemoet. Hij
-lacht met de vrees, en ontzet zich niet en deinst niet terug voor het
-zwaard. Rondom hem ratelt de pijlkoker, de bliksem van spies en lans.
-Onrustig trappelt hij den grond, en kan niet stilstaan op ’t geluid der
-trompet. Luider klinkt de trompet, hij briescht haar tegen, en riekt
-den strijd van verre; des veldheers donderwoord en ’t krijgsgeschrei!”
-Nog zie ik hem, zoo als deze verschijning telkens bij zijne komst een
-luid hoezee uit den mond zijner getrouwen deed opgaan, waaraan hij door
-een wenk met de hand zedig, maar te vergeefs, het zwijgen zocht op te
-leggen.
-
-Ja, ik herhaal nog eens: wie Willem II niet als Veldheer en in het veld
-gezien heeft, heeft hem slechts ten halve gezien.—En in die gestalte
-trad zijn beeld heden met de levendigste kleuren voor mijn geest.
-Anderen zouden hunnen Koning aanschouwen—maar ik zou mijn ouden
-Veldheer zien; mijn Veldheer! wiens vaan ik gevolgd, wiens wachtwoord
-ik gesproken, wiens „Voorwaarts!” ik gehoorzaamd heb; mijn Veldheer,
-die mij in den strijd en uit den strijd geleid heeft, en aan wien ik
-het, onder God, te danken heb, dat ik op het veld van eer mijn jong
-leven niet gelaten, maar daaruit een luttel schoone herinneringen voor
-mijn ouden dag medegebracht heb; mijn Veldheer, van wiens lauweren een
-zedige schaduw op mijn hoofd was afgedaald! Hoog klopte mijn hart onder
-het gedenkkruis, dat ter eere van den dag mijn knoopsgat versierde; het
-kruis van metaal, dat de hand van den Vorst ten aandenken aan hem en
-den onder hem gevoerden strijd op mijne borst hechtte, terwijl hij het
-wederkeerig als een aandenken aan mij en aan al de overigen, die met
-mij zijn vederbos gevolgd waren, op zijn eigen boezem hing. Hem zou ik
-wederzien, na elf jaren scheidens; wederzien, nu niet meer als
-Veldheer, maar als het Hoofd des geheelen volks, maar als Koning. „Leve
-Willem II!” riep ik, en zou mijn hoed wel in lucht hebben kunnen
-gooien. „Leve Willem II”; de oude Prins van Oranje, gelijk hem het
-vaderlandsch hart nog zoo gaarne noemt! Leve Willem II, de Held van
-Hasselt en Leuven! Leve Willem II, voorheen mijn Veldmaarschalk en
-opperbevelhebber, en nu mijn Koning en Heer!”
-
-Zoo juichende verdiepte ik mij al meer en meer in het verledene. Was
-het wonder, dat uit die diepte allengskens ook somberder beelden voor
-mijnen geest verrezen? Ja, het was, als had ik door dien eenen blik in
-de wereld, die achter mij lag, die geheele wereld voor mij geopend, en
-als moest ik daarin nog eens op al mijne schreden teruggaan. Al wat
-sedert dien blijden derden Augustus tot op dezen derden Augustusdag
-gebeurd was, kwam mij achtereenvolgens voor de verbeelding. Eerst de
-verstoring van onze heirvaart naar Brussel, door de wapenen van den (nu
-ook reeds zoo jammerlijk ten grave gesleepten) Hertog Van Orleans, als
-schild van het bedreigde België, vreedzaam, maar ernstig gestuit.
-Vervolgens de terugkeering op den weg der onderhandeling, den hier wel
-langen weg! Van daar het noodlottig stelsel der volharding, geboren uit
-dien eigen geest van standvastigheid, die bij alle groote mannen, en
-zoo ook bij Willem I, het snoer om den bundel hunner deugden en de
-moeder aller groote daden is, maar die, even als elke andere deugd, in
-het gevaar van VERharding hare eigenaardige schaduw met zich voert! Het
-stelsel der volharding, na de aftreding van diens Hoofd, met
-onedelmoedige partijdigheid, door al de vroegere voorstanders alleen
-aan hem geweten en op hem gewroken, alsof het ook niet jaren lang het
-stelsel des geheelen volks—met schaarsche uitzondering!—geweest ware,
-zelfs toen de rookende puinen der citadel en het lauwe bloed der
-vestinghelden er tegen scheen te roepen! Het stelsel der volharding,
-eene dwaling misschien van Willem I en zijn volk, maar altoos eene
-Nederlandsche dwaling; de dwaling van een volk, welks taaie
-standvastigheid de grondslag van het gebouw hunner grootheid werd, dat
-daarop rust, als zijne hoofdstad op hare palen; de dwaling van een
-volk, dat de schoone dwaasheid had van niet van zijn tijd te wezen, dat
-is, van in eene eeuw van diplomatie (men vergunne mij dit diplomatieke
-woord) nog aan eerlijkheid, aan goede trouw, aan de heiligheid van een
-eed, in den naam der Heilige Drieëenheid gezworen, te gelooven; de
-dwaling van een volk, welks leuze het was van ouds af, om liever den
-vaderlandschen grond terug te geven aan de baren, waaraan dijken en
-dammen het ontwoekerd hadden, dan van vreemde oogen de wet te wachten.
-Welnu! Nederland, die voorvaderlijke leus getrouw, heeft pal gestaan;
-het heeft het hoofd geboden aan koninklijke en keizerlijke willekeur,
-die geen hooger recht erkenden, dan dat van het voltrokken feit; het
-heeft pal gestaan voor zijn recht, toen het voorwerp des geschils lang
-opgehouden had een voorwerp van begeerte te zijn; het heeft pal gestaan
-voor zijn Vorst, wiens dwaling het uit liefde deelde, toen andere
-volken, uit oproerigen haat, op de goede daden hunner vorsten spuwden;
-het heeft pal gestaan, gelijk een groot volk doet, als het eens den
-Rubicon overschreden heeft, met opoffering van alles wat een volk
-dierbaars en kostbaars heeft; het heeft, in een oneigenlijken zin,
-zijne dammen doorgestoken, en zijn grond aan de wateren prijs gegeven.
-Nu ligt het daar, het is zoo, half overspoeld en bedolven, en door den
-stroom doorweekt; het ligt daar onder eene zee van schuld begraven,
-waaronder het graan van ’s lands welvaart in den akker verkwijnt; het
-ligt daar, als zijn zinnebeeld op de Zeeuwsche munt, met het
-onderschrift: Luctor et emergo. Maar het ligt daar, als die Zeeuwsche
-leeuw, door het water omgeven, maar door het water niet overwonnen. Het
-kan zonder zelfverwijt op zijne overstroomde gronden zien: en zeggen:
-„Mijn vijand was sterker, maar niet beter dan ik!”
-
-En daarom, mannen broeders! geen onedelmoedig Wee over het hoofd van
-den Man, die in deze, als in alle lotwisselingen, sedert meer dan
-vijfentwintig jaar aan ons hoofd stond, ons vertegenwoordigde, en trouw
-alle goed en alle kwaad, alle verhooging en alle vernedering, alle
-verdienste en alle schuld met ons heeft gedeeld! Geen Wee over het
-hoofd van den Man, die, misschien! naar verhevener bedoeling, in onze
-oogen van de hoogte vallen moest, waarop onze armen hem verheven
-hadden, om ons te doen zien, hoe dwaas onze vroegere menschenvergoding
-was, en hoe kwaad! Geen Wee over het hoofd van den Man, die de schuld,
-indien er schuld was, boette met het roer van het schip te verlaten,
-dat hij niet voor alle klippen had vermogen te beschermen! Geen Wee
-over het hoofd van den Man, die van vijfentwintig jaren leeds, om onzer
-vaderen schuld geleden, en van vijfentwintig jaren arbeids, aan hunner
-kinderen heil besteed, de verlangde rust zoekt in eene vrijwillige
-ballingschap, en wien wij niet te hard mogen vallen, omdat hij die
-gezocht heeft bij vreemden, nadat wij maar al te duidelijk getoond
-hebben, dat hij die in de armen der zijnen te vergeefs zou hebben
-gezocht! Geen Wee over ’t hoofd van den Man, die, in den strijd en de
-dienst voor ons land vergrijsd, en van den troon afgestegen, niets van
-ons vraagt dan een weinig aandenken voor het goede, dat hij gedaan
-heeft, een weinig vergetelheid voor het kwaad, dat hij tegen zijn wil
-mocht gedaan hebben, en een weinig liefde voor het goede, dat hij heeft
-willen doen!
-
-Neen! de goeden en edelen in den lande spreken over u geen Wee, Willem
-I, Stam- en naamgenoot van den Vader des Vaderlands, voor wien wij
-bezig zijn een gedenkteeken onzer hulde en liefde te stichten. Rondom
-uwe asch vergaderd,—want immers zijt gij als Koning voor ons
-gestorven?—rondom uwe asch vergaderd, als eenmaal Egypte rondom de asch
-zijner koningen, wagen zij het niet, daarover vloek te spreken,
-gedachtig aan uwe, en aan hunne eigene, menschelijke zwak- en
-gebrekkigheid. Ja, met herinnering daaraan spreken zij, voor hunne
-menschelijke vierschaar, u vrij, en laten uwe asch de eere der
-gestorvenen wedervaren! Wat meer is, hun bede rijst voor u omhoog tot
-Hem, door wiens gratie gij u Koning noemdet, die eenmaal, in den
-grooten dag der verantwoording van koningen en volken, u gratie
-verleenen moge, Koning der Nederlanden, Willem de Eerste!
-
-Waar ben ik? Geheel en al van mijn onderwerp afgedwaald, naar ik zie.
-Want het was niet Willem I, dien ik heden aanschouwen zou, maar Willem
-II; de nieuwe Koning, met wien Nederland een nieuw tijdperk is
-ingetreden. En toch, laten wij het niet verbloemen, niet zoo nieuw, of
-het draagt de litteekenen van het oude; niet zoo nieuw, of zijn eerste
-taak is om de wonden te heelen, die het uit het oude heeft meegebracht.
-Laten wij het erkennen: zelden aanvaardde een vorst onder ongunstiger
-omstandigheden de kroon van een vrij volk, dan de eerste der
-Nederlandsche Kroonprinsen. Het was eene zware kroon, die kroon, die
-van het grijze hoofd van Willem I op den heldenschedel van zijn zoon
-nederdaalde. En wel mag u die kroon veel zwaarder gevallen zijn, mijn
-Vorst, en veel zwaarder de schepter, dien gij uit zijne hand overnaamt,
-dan de gevederde veldheershoed en de omlauwerde maarschalksstaf, dien
-gij zoo licht en vroolijk droegt. Wel mag het u veel moeielijker zijn
-gebleken, een volk te bestieren, dat van zijn Vorst zoo veel te eischen
-heeft, en zoo licht te veel eischen kan, dan het u was, uwe dapperen
-aan te voeren, die zoo gehoorzaam aan uw lippen hingen, zoo gedwee op
-uw wenken vlogen, en naar krijgsmanswijs geen wil kenden, dan den uwe!
-Wel mag het u eens veel gemakkelijker hebben toegeschenen, toen gij, na
-dagen van mistrouwen en onzekerheid, onder geen al te gunstige
-verwachting den veldheersstaf opnaamt, in weinige dagen de weifelende
-gunst des volks, als ware het met een slag van het zwaard, te
-heroveren, dan nu aan al de gunstige verwachtingen te voldoen, die
-geboren werden, toen gij, in de Nieuwe Kerk der hoofdstad, de
-rechterhand ophieft, en met de linker op de grondwet zwoert: „Zoo
-waarlijk helpe mij God Almachtig!”—Willem II, Koning der Nederlanden!
-Hebt gij aan die verwachtingen voldaan?—De vraag is stout: het antwoord
-zou nog stouter zijn. Het verleden heeft ons wijs gemaakt: wij hebben
-geleerd, hoe voorbarig het is, vorsten goed of kwaad te spreken, eer de
-toekomst, die de mond is der Voorzienigheid, ons wèl of wee bevestigd
-heeft. Zooveel mogen wij zeggen, dat wij van u het goede verwachten,
-omdat wij zeker zijn, dat gij het goede bedoelt. „Ik heb slechts één
-hartstocht, dien van bij mijn volk bemind te zijn!” Dat woord van uwe
-lippen, uit de binnenkameren uws paleizes tot het oor van den schrijver
-dezer regelen doorgedrongen, heeft geloof gevonden in zijn hart, en wie
-het met hem gelooft, ziet de toekomst met vertrouwen te gemoet. En
-eigenlijk steunt dat vertrouwen niet eens op dit, of op eenig ander
-menschenwoord, maar op het woord van den God van Nederland:—zoo noemen
-wij, zonder erg of trots, de Hemelmacht, die zich van ouds af aan
-Nederland in onderscheidende liefde en gunst heeft geopenbaard;—den God
-van Nederland, die belooft, dat hij niet varen laat de werken zijner
-handen. Want zie! indien daar iets het werk zijner handen is, het is
-het land, dat hij tot een land gemaakt heeft, Nederland! het is het
-land, dat hij als het ware tweemaal geschapen heeft, daar hij het, even
-als eenmaal geheel de aarde, later op nieuw uit de wateren heeft
-opgetogen en bewoonbaar gemaakt. Het is het land, door hem langs
-allerlei wonderbare wegen en leiding uit eene aanslibbing van rivieren
-en zeeën, gelijk een keizerlijke mond verachtend sprak, tot de
-meesteres van rivieren en zeeën verheven. Het is het land, door hem
-onder de vleugelen van allerlei vorsten, koningen en keizers
-gekoesterd, totdat het sterk genoeg geworden was om op eigen wieken te
-drijven. Het is het land, straks van de ketenen bevrijd, waarmede zijne
-voedsterheeren het in zijne vlucht zochten te weêrhouden: bevrijd, dat
-wil zeggen, vrijgevochten, opdat het zijne krachten beproeven mocht en
-oefenen, en even goed en vroom worden, als sterk en groot. Het is het
-land, met de Nassau’s gezegend, met Hem aan het hoofd, op wien keizer
-Karel leunde, toen hij deze gewesten aan Philips overdroeg, weinig
-vermoedende, dat de arm, die hem nu steunde, zich eens zou uitstrekken
-om deze gewesten met zijn zwaard tegen Spanje te dekken. Het is het
-land, met schaarsche en schuinsche stralen door de geschapen zon
-belonkt, maar met den helderen warmsten gloed van het ongeschapen licht
-bestraald. Het is het land, tot op dezen dag, ondanks Engelands
-naijver, ondanks Frankrijks veroveringszucht, en wat meer zegt, ondanks
-eigen dwaasheid en schuld, in stand gehouden, ten levenden gedenksteen
-van de macht en trouw van Hem, die Nederland tot zijnen Verbonds-God
-koos, toen het op zijne munten aan het beeld der vrijheid Gods woord
-ten steun gaf, met de spreuk: „Hac nitimur, hanc tuemur”: op dien God,
-de leus onzer vendelen en stempelen, bouw ik, en al wat in Nederland
-Gode geeft wat Godes is zijn vertrouwen voor Nederlands toekomst. Ach,
-ware het slechts, dat het volk.... maar neen, hier geen klaaglied,
-schoon het er misschien de plaats voor ware: want het is heden een
-blijde dag! De Koning komt! de koning, ons door den Koning der koningen
-geschonken om het werktuig Zijns welbehagens over ons te zijn. Leve
-Willem II! Hoezee!
-
-Leve Willem II! Hoezee! Zoo klonk het gejuich, dat in de verte opging.
-De koning kwam. Ik haastte mij om hem te gemoet te gaan. Al de
-dorpelingen liepen toe. Daar was hij! Lache er om wie wil, ik gevoelde
-mij bij zijn aanblik getroffen. O, de liefde voor Oranje is bij den
-waren Nederlander nog iets meer dan een woord. Wie de geschiedenis des
-Vaderlands gelezen heeft,—bij Bilderdijk of Wagenaar, het doet er niet
-toe,—wie haar gelezen heeft en gezien, hoe de dynastie van Oranje als
-eene ader van leven, welvaart en bloei door die geschiedenis henen
-stroomt, zegenende als zij vloeit, dorheid nalatende als zij opdroogt
-of afgeleid wordt, en wederom zegen met zich voerende als zij
-terugkeert,—en daarin het beeld van Hem, die ons haar schonk en wien
-zij ons vertegenwoordigt,—die vraagt niet aan een ander, of het
-verstandig, of het constitutioneel, of het negentiendeneeuwsch is, den
-zoon der Oranjes tegen te juichen. Het is, gelijk een onzer Dichters
-het treffend genoemd heeft, het is de stem van het bloed in ’s lands
-kinderen, dat ’s lands Vader tegenroept. Laat anderen er tegen
-verhandelen, eer ik er over gedacht had, had mijn bloed zijn loop
-tweemalen versneld, mijn hart twee slagen in één geklopt, mijn hand den
-hoed wuivend in de hoogte geheven, en riep mijn mond met de menigte
-mede: „Leve Willem II! Hoezee!”
-
-En Willem II? Hij was ouder geworden. Zijne edele gestalte was meer
-gebogen, dan toen ik haar voor de muren van Leuven onder de lauweren
-der overwinning aanschouwde; de verloopen jaren hadden hun strijd en
-hun leed in rimpelen op zijn voorhoofd aangeschreven. Maar nog altijd
-zweefde over zijn voorkomen de adel van eenen Vorst; nog altijd drukte
-zijn gelaat de gelijkenis van een Oranje uit; nog altijd zweefde om
-zijne lippen de vriendelijke glimlach van een geslacht, welks
-gemeenzaamheid dieper grond heeft dan de populariteit van een
-burgerkoning. Ik herhaal u niet, wat bij de begroeting van den Vorst
-voorviel: het ontleende zijne grootste belangrijkheid van de gezindheid
-der aanwezigen, van het jubelend hart der menigte en den dankbaren blik
-van den Koning. En toch was het, alsof de Vorst op mijne gepeinzen
-antwoordde, toen hij na de opgeruimde herinnering aan den veldtocht,
-dien het gezicht van het metalen kruis hem voor den geest riep, op
-eens, als schoot er eene wolk voor dat licht, op veelbeteekenenden toon
-uitviel: „Wat is dat lang geleden!”—Lang geleden, had ik willen zeggen,
-lang geleden, mijn Vorst! maar niet zoo lang, of nog klopt bij die
-herinnering uwen ouden wapenbroeder het hart; lang geleden, maar niet
-zoo lang, of nog heeft de liefde van velen hunner de moeielijke jaren
-overleefd, die tusschen dien en dezen derden Augustus in liggen; lang
-geleden, maar moge het nog lang en zeer lang zijn, eer de gedachtenis
-daaraan ophoudt uw koninklijk hart te doen kloppen! Leve Willem
-II!—maar eerbied, en misschien ook nog eene andere gewaarwording, sloot
-den mond. Nog eenige woorden van hulde en trouw van de eene zijde, van
-dankzegging en welbehagen van de andere—en daar reed hij heen. De
-Koning was gekomen. Daar reed hij heen, en liet ons na? Eenige
-vervallen bogen en kransen, eenige verlepte en verdorde bloemen en
-blâren, eenige woorden met den wind weggewaaid, eenige kreten in de
-lucht verstorven!—Neen, wie zoo spreken mag, ik niet. Daar reed hij
-heen, zeg ik, en liet ons na: de herinnering eener liefelijke en
-wel-aangename verschijning, de verlevendiging van het beeld eens
-Vorsten, aan wiens aanblik zich de schoonste vaderlandsche
-herinneringen van het levend geslacht verbinden; de verwarming onzer
-liefde voor den Koning, dien niemand, wien Neêrlandsch bloed door de
-aadren vloeit, met het schoone lied van onzen Volksdichter, van het
-Vaderland vermag te scheiden; de aanvuring onzer dagelijksche gebeden,
-voor hem op te zenden; en eindelijk de gedachtenis onzer eenvoudige en
-onschuldige vreugde, en onzer vreugde vóór en ná die vreugde, die mij
-nu nog het hart warm maakt, terwijl ik deze regelen schrijve. O, wie
-nooit de waarde eener herinnering geschat heeft, dan voor zoo ver die
-zich op de hand liet wegen, roeme niet iets in de linkerborst te
-dragen, dat een hart heet.
-
-Daar reed hij heen! Onze juichtoonen, onze vivats, onze gelukwenschen
-volgden hem. „Vaarwel, o Koning!” riep ik hem in mijn geest achterna.
-„Vaarwel! Voleindig uw zege- en liefdetocht door de gewesten van uw
-goed en getrouw volk in zege en liefde! Wandel op de bloemen, die de
-burgerij, door de hand der onschuldigsten en lieftalligsten uit haar
-midden, u voor de voeten strooit! En wanneer gij in uw verheven woning
-teruggekeerd zijt, en daar de koningszorg u met vernieuwde zwaarte op
-de schouders valt, moge dan de geur dier bloemen u als eene herinnering
-omzweven, en u eenige vergoeding schenken voor de doornen, die op het
-hooge pad der koningen gezaaid zijn!”—Wèl den vorst, wiens pad een
-dorenpad is! Het pad zijns volks is een pad van bloemen! En ook hem
-bereidt hooger hand uit die doornen een kroon, schooner dan de
-keizerskroon van het Heilige Roomsche rijk! Leve Willem II!
-
-Zoo sprak ik; maar weinig dacht ik, dat mijn wensch reeds zoo spoedig
-verhoord zou worden; want terwijl ik deze regelen nederschrijf, geniet
-alreeds onze Koning een van die blijde dagen, die de zorgen der vorsten
-helpen vergoeden. Juist heden kondigt mijn geliefde Haarlemmer op
-aanstaanden Zaterdag de voltrekking van het hooge huwelijk tusschen
-Karel Alexander Augustus Johannes, Erf-Groothertog van Saxen-Weimar, en
-Wilhelmina Maria Sophia Louisa, Prinses der Nederlanden aan.
-Saxen-Weimar en Nederland—de vereeniging dier namen klinkt niet vreemd,
-vooral niet in het oor van een oud soldaat, die ze eenmaal op het veld
-van eer door dezelfde glorie omschitterd zag, toen de ridderlijke
-Hertog, die de hoogmoed en de wellust van ons leger is, de sleutels van
-Leuven voor den voet van zijn koninklijken krijgsbroeder nederleide:
-Willem van Oranje en Bernhard van Saxen-Weimar, een Vorst zulk een
-Veldheer, een Veldheer zulk een Vorst, twee vrienden elkander
-waard!—Maar nog liefelijker dan deze vereeniging is de vereeniging van
-jeugdigen Vorstenadel en bloeiende Vorstinnenschoonheid, waarvan die
-echt den knoop legt. Duitschland, sedert het ons zijnen Nassau schonk,
-pleegt sedert lang ons zijne Vorstendochters voor de onze uit te
-wisselen. Eene schoone ruiling, waaraan wij ook uw bezit te danken
-hebben gehad, Wilhelmina de Gezegende!—Nu zendt het ons weder een
-edelen Duitschen jongeling, gelijk de faam hem prijst, om van de
-verhevene Paulowna het evenbeeld der moederlijke deugden tot deelgenoot
-van zijn voorvaderlijken troon te vragen. Nederland geeft niet alleen
-door den mond zijner vertegenwoordigers, maar ook met zijn hart, zijne
-goedkeuring en zegen tot dien echt, en deelt in uwe blijdschap, Vader
-Willem en Moeder Anna!—O, wat zorgen en smarten het koninklijk paleis
-omsluite, het omsluit toch ook eene vreugde, die het met alle lagere
-daken gemeen heeft: de hoogste, de reinste, de zoetste vreugde, naar
-men mij zegt: vader- en moedervreugde. Vader- en moedervreugde! door
-den Vader der menschen aan de eerste menschen geschonken, als de
-vergoeding voor hun verloren paradijs, en sedert de vergoeding voor de
-verloren paradijzen van alle Adamskinderen. Gewis, er wordt veel leeds
-verborgen onder ieder gewaad, van het met hermelijn bekleede purper af
-tot aan het met lompen bedekte bedelkleed toe: maar onder alle soort
-van gewaad kloppen ouderharten, en met dat ouderhart is de arme zoo
-rijk als de koning, en de koning zoo rijk als de arme, die het
-gelukshemd uit de fabel draagt. Ik heb vroeger het lot der Gekroonde
-Vrouwen betreurd, en bij het graf van Wilhelmina het lijden der hoven
-geschetst: maar nu, bij Sophia’s bruidskrans wil ik het geluk verheffen
-van de Vrouw, die in de huiselijke schaduw van een aartsvaderlijk hof,
-onder het oog van liefhebbende ouders, aan de hand van den erfgenaam
-eener kroon, die te klein van omvang is om zeer zwaar te zijn, de
-bruidskroon op het maagdelijk hoofd ontvangt. Daarom, al is het, dat
-mij, den nederigsten van Zijner Majesteits onderdanen, die geen lid van
-eenige orde ben, dan die der zestigduizenden van Hasselt, de toegang
-tot de feestzaal ontzegd is, en dat ik mijn oog aan het gezicht van het
-bevallig bruidspaar niet verklaren zal, zoo wil ik toch met mijn
-onfeilbaren looper de hooge deuren voor mij ontsluiten, om getuige van
-de feestvreugde te zijn: ik bedoel mijne Verbeelding, die met
-vleêrmuisvleugelen over de hoofden van schildwachten en kamerdienaars
-en kamerheeren-ceremoniemeesters heenvliegt! Ik wil mij te half één
-uren bij het schouwspel vertegenwoordigen, als de hand der
-Czarendochter en Vorstinnenmoeder de kroon op het hoofd der bloeiende
-bruid plaatst. Ik wil mij onder het gehoor verplaatsen van den
-welsprekenden man, die, zelf een vorst onder de redenaars, met
-bewonderenswaardige kunst de wijsheid des Hemels in de taal der hoven
-kleedt, en bij iedere koninklijke vreugde en bij iedere koninklijke
-smart, als vertegenwoordiger van der Koningen Heer, het heiligend kruis
-op de omfloerste of omkranste kroon plaatst. En als eindelijk de
-honderd en één kanonschoten het Amen op de voltrekking des huwelijks
-verkonden, zal ik met een glas ouden madera, die ik voor zulke
-gelegenheden bewaar, een hartelijken feestdronk instellen, en wie zijn
-koning lief heeft, drinke mede: Leve het Vorstelijke paar! Leve het
-Koninklijk Gezin! Leve de Koning!
-
-
-
-
-
-
-
-
-DE KONING GAAT TEN GRAVE.
-
-(Maart 1849.)
-
-
-„Mijne broeders! God alleen is groot!” Aldus luidde het woord, bijna
-anderhalve eeuw geleden door een beroemden hofprediker bij het graf van
-den grooten koning van een groot land en volk gesproken. „Mijne
-broeders! God alleen is groot!”
-
-Ik wist het van het oogenblik af, dat ik geleerd heb, dat alle koningen
-der aarde, ook de grootste onder de grooten, niet alleen vleesch van
-mijn vleesch en been van mijn been, maar ook stof van mijn stof en asch
-van mijn asch zijn, en dat ook voor hen de ure komt, waarin zij, die
-zoo vele duizenden en tienduizenden onder zich gehad hebben, tot elk
-van wie zij zeggen konden: „Ga!” en hij ging, „kom!” en hij kwam, op
-hunne beurt moeten gehoorzamen aan de stem van Hem, die alleen te
-spreken heeft: „Keer weder, gij menschenkind!” en hij keert weder. Maar
-wat ik reeds vroeger wist, heb ik nooit krachtiger gevoeld, dan in de
-laatste tijden, die wij hebben doorleefd.
-
-Ruim anderhalf jaar is het geleden, dat ik in de Champs Elysées te
-Parijs wandelde. Plotseling ging eene stofwolk op: eene cavalcade kwam
-aan. Ik zag, en zie—het was een koning. Het was Lodewijk Filips, de
-koning der Franschen. Het was—zonderling spel der omstandigheden—de
-zoon van Philippe Égalité, bezitter van den troon van Lodewijk Capet.
-Daar snelde hij heen, van zijn koninklijk lustslot van Neuilly naar
-zijn koninklijk paleis der Tuilerien, in al de pracht en heerlijkheid
-eens konings, in zijn met acht paarden bespannen rijtuig, te midden van
-den hem omringenden gouden hof- en scharlaken ruiterstoet en den bonten
-stoet des volks, dat zich bewonderend of juichend op zijn weg schaarde.
-Daar snelde hij heen, de erfgenaam der Carolingen, der Capets, der
-Valois, der Bourbons, der Napoleons; daar snelde hij heen, de vorst,
-wiens voet op de leliën trad, die voor de Bourbons ontloken,—om wiens
-hoofd de adelaars zweefden, wier vleugelen Napoleon hadden gedragen.
-Daar snelde hij heen, de eigenaar van Frankrijks schoonste paleizen en
-prachtigste lusthuizen, de heer en meester in het paleis te
-Versailles;—het schoonste, dat menschenhanden voor een koning hebben
-gebouwd, gelijk St. Pieter het schoonste is, dat menschenhanden hebben
-gebouwd voor Hem, die niet in tempelen woont;—het paleis van
-Versailles, waar alles schijnt uit te roepen: „Ziedaar het Babel, dat
-men u, o koning, gebouwd heeft! O koning! wie van de koningen der aarde
-kan tegen u geschat worden? Wie is als gij?”.... Drie maanden
-verliepen, en de groote koning was een balling, die, even als de vóór
-hem verdreven Bourbon en Napoleon, om zijns levens wil vluchten moest
-uit het land, waar zesendertig millioenen onderdanen aan zijn oog
-hadden gehangen en aan zijne stem hadden gehoorzaamd.
-
-Ruim een jaar later was ik te Tilburg. Ik bezocht daar het nieuwe
-koninklijke paleis. Het is waar, het verschil tusschen Versailles en
-Tilburg is zoo groot niet, als het verschil tusschen het paleis van
-Versailles en het paleis van Tilburg is. Desniettemin, ook het paleis
-van Tilburg draagt meer dan één ondubbelzinnig kenmerk van zijne
-bestemming. Al ware het alleen in den eigenaardigen bouwstijl, dien
-Willem II bij voorkeur beminde, bijna alsof hij eene dankbare
-herinnering aan zijne in Engeland doorgebrachte kinderjaren moest zijn!
-Maar wat meer is, wat aan het paleis van Tilburg als koninklijke
-woonstede moge ontbreken, het werd voor mijn gevoel meer dan aangevuld
-door de vertegenwoordiging van den Koning, die hier wonen zou. Hem toch
-vond mijne verbeelding in al deze gangen en zalen, onder de kleinste
-bijzonderheden, naar het door hem gemaakte bestek daargesteld, weder;
-hem zag ik in al de grootheid van zijn koningsluister, in al de
-waardigheid van zijn koninklijken persoon; hem, den lieveling niet
-alleen van het door hem beweldadigd en verheerlijkt Tilburg, maar den
-wellust van een geheel volk, dat hem met het hart beminde; hem, die
-zonder de grootste van Europa’s koningen te wezen, in dit opzicht een
-der gelukkigste van hare monarchen kon worden genoemd.... Drie weken
-verliepen, en koning Willem II was een lijk, dat onder de tranen der
-hem liefhebbende bevolking naar zijne laatste rustplaats werd heen
-gevoerd!
-
-Waarlijk, mijne vrienden! de Fransche hofprediker had recht. In
-gindschen doorluchtigen val, in dezen doorluchtigen dood heb ik het
-gezien, dat hij naar waarheid sprak: „God is groot! hoe grooter de
-koningen en grooten der aarde bij hun leven zijn geweest, des te
-verhevener is het getuigenis, dat zij bij hunnen val aan de alles te
-boven gaande grootheid Gods geven. God blijkt alsdan te zijn die Hij
-is, en de mensch is niets meer van dat alles wat hij dacht te wezen.”
-
-Wie had het gedacht? Lodewijk filips, de groote koning, viel; Willem
-II, de zooveel minder groote en machtige koning, bleef op den troon
-gezeteld, ja, zat daarop na des eersten val nog vaster dan ooit. Gelijk
-de dichter terecht zeide, wij konden juichen:
-
-
- „Stort elders oproer en verraad
- De vorsten van hun wankle troonen,
- Hoe bleef de trouw van d’ onderzaat
- Hier ’s vorsten liefde en trouw beloonen!”
-
-
-Maar helaas!
-
-
- „Wat oproer noch verraad vermocht,
- Dat heeft de magt des doods gewrocht!”
-
-
-Koning Willem II is niet meer! O, hoe daverde die rouwkreet scheller en
-feller dan de klokkenklepels, die straks te zijner eer alom begonnen te
-kleppen, door den lande heen! De ijzeren tongen, die van stad tot stad
-en van dorp tot dorp het elkander toegalmden, hieven gezamelijk in de
-hoogte eene klacht op, die echter verre overstemd werd door het geklag,
-waarmede zoo vele stemmen beneden het elkander toesnikten: „De Koning
-is gestorven! Willem II is niet meer!”
-
-Willem II is niet meer! Die rouwgalm klonk ook in de plaats mijner
-woning, klonk ook in mijn huis, klonk ook in mijn hart. Wat Oranje voor
-mij is, wat Koning Willem II voor mij was, wat elke vorst uit het huis
-van Oranje—indien ik (wat God verhoede! ooit op nieuw een vorst uit dat
-huis den troon moest zien beklimmen,) immer voor mij wezen zal, ik heb
-het meermalen kenbaar gemaakt; ik heb er bepaalder van doen blijken ook
-in die nederige veldbloem, die ik vóór acht jaren, ter begroeting van
-Willem II, op den weg van zijn eersten eeretocht als koning door de
-provinciën van zijn land en de harten van zijne landgenooten heb
-gestrooid: „De Koning komt!” Ach! hoe weinig dacht ik toen, dat na zoo
-luttel jaren elders dezelfde stem, maar op geheel andere wijze, mijne
-ooren treffen zou: „De Koning komt!” maar—om voor altijd heen te gaan:
-„De Koning gaat ten grave!”
-
-De Koning kwam om ten grave te gaan. Dit te weten, deed de begeerte in
-mij ontwaken om op zijn laatste pad een cipressenblad te strooien,
-gelijk ik bij zijn eersten tocht als Koning een enkel rozenblad op zijn
-weg geworpen had. De gelegenheid daartoe bood zich gereedelijk aan. Op
-den weg van Tilburg, de plaats van zijn dood, naar Geertruidenberg, de
-plaats der inscheping van zijn overschot naar Rotterdam, om van daar
-verder naar zijne laatste rustplaats te worden vervoerd, moest hij
-langs een niet ver afgelegen heide gaan. Hem van die heide af ten grave
-zien voeren, dit denkbeeld trok mij aan. Aan het gedrang eener
-opgehoopte volksmenigte in deze of gene stad zou ik mij te nauwernood
-hebben gewaagd: het contrast tusschen het luidruchtig gewoel der
-toeschouwers en de stille plechtigheid van het schouwspel zou mij te
-stuitend zijn geweest. Maar onder Gods vrijen hemel, in de stille
-natuur, op eene eenzame heide te midden van weinigen die gevoelden als
-ik, kwam mij de gedachte om getuige van den laatsten gang des Konings
-te wezen niet alleen dragelijk, maar zelfs aanlokkelijk voor. Had ik
-den Koning niet zien komen? Ik wilde hem nu ook zien gaan.
-
-Het was dinsdag morgen. De klok sloeg vijf uur. Ik reed naar buiten.
-Het rijtuig bracht mij op omstreeks een half uur van de plaats mijner
-bestemming. Daar stapte ik het rijtuig uit. Het overige van den weg
-legde ik wandelende af.
-
-Het was schoon weder. De morgen was frisch, zelfs koud, maar tamelijk
-helder. Was de lucht hier en daar licht bewolkt, de zon brak toch
-telkens koesterend door de wolken heen. Zoo zongen dan ook de vogelkens
-een vroolijk morgenlied. Boven allen klonk de stem van den leeuwerik
-uit. Of het aan mijne stemming te wijten was, dat ik zulks meer dan
-anders opmerkte, ik weet het niet; maar zelden heb ik meer leeuwerikken
-gehoord. Van alle zijden opstijgende, zongen zij het lied, dat hun God
-hen leert: het lied der lente, het lied van de wederopstanding der
-natuur, dien spiegel van de wederopstanding der dooden. Er was iets
-contrasteerends, en toch ook weder iets harmonisch in dat vogelengezang
-op dezen morgenstond. O, hoe verschilde dit contrast van het contrast
-met den woelenden en joelenden volkshoop, dien ik ontvlood! Het was een
-contrast, gelijk alleen de natuur er ons biedt, waar de wet van den
-cirkel heerscht, die de uitersten elkaâr ontmoeten en omhelzen doet!
-
-Onder dit vogelengezang en al de geluiden der ontwakende menschen- en
-dierenwereld wandelde ik, met tusschenpoozen van rust, in stille
-gepeinzen daarheen. Op eens wordt die stilte afgebroken. Hoor! het is
-een klokkentoon!
-
-
- „Klagend klinkt heur traag geluid
- Ten bemosten toren uit,
- Waar de streng in wordt getrokken;
- Zuchtend is heur klank en dof,
- Als een toon van rouw en smarte,
- En zij valt hem zwaar op ’t harte,
- Wien zij de ooren trof.”
-
-
-Het is de kerkklok van het naburig Oosterhout, die zich laat hooren:
-het is ter eere van den Doode, dat zij met grove basstem haar somber
-uitvaartlied begint. Bij dat geluid werd mijn geest al meer en meer in
-den geest der plechtigheid van dezen dag verplaatst en gestemd. Ik
-wandelde verder voort. Hoor! een nieuw geluid! het is gebulder van het
-kanon, dat aan de andere zijde gromt. Het is het geschut, dat te
-Tilburg het teeken tot den uittocht van den lijkstoet geeft. Dat schot,
-het bracht mij als door een tooverslag op het tooneel des rouws over.
-Ik zag het sterfhuis; ik hoorde de kreten der koninklijke weduwe; ik
-vernam de snikken der treurende menigte; ik stemde in den toon van
-smart, dien de lijkmuziek bij het zich in beweging zetten van den
-zwarten stoet deed klinken.
-
-En intusschen zongen de leeuwerikken altijd hun vroolijk morgenlied.
-
-
-
-Nog ten minste twee uren moesten verloopen, eer het lijk op de plaats
-kon zijn, waar ik mij bevond. Dien tusschentijd maakte ik mij ten
-nutte, door in mijn geest voor mij te laten heengaan al de beelden, die
-de gelegenheid van dit uur, als zoovele schimmen van het verledene,
-voor mij als uit den grond deed opkomen. En wel mag ik als uit den
-grond zeggen! Of welke was de grond, op welken ik mij bevond? Een
-heidegrond, die eertijds een legerkamp was geweest; de heide van Rijen,
-die de landlieden uit den omtrek nog heden het kamp van Rijen noemen.
-Het is hetzelfde kamp, waar, in de gedenkwaardige zomerdagen van 1831
-en later, een deel der mobiele armée gelegerd lag, en waar alzoo door
-de legeroefeningen en spiegelgevechten de zege werd voorbereid, die
-later in de gevechten voor Hasselt en Leuven werd behaald. Zonderlinge
-afwisseling! eerst eene stille, verlatene heide—daarna een woelig
-legerkamp—straks weder eene stille, verlatene heide. Welk een verschil
-tusschen de stilte, die hier thans regeert, en het gewoel, dat hier
-vroeger heerschte! Hier, op ditzelfde veld, waar nu bijna geen teeken
-van leven werd bespeurd, hadden binnen een klein bestek duizenden—en
-welke duizenden!—geleefd. Luidruchtige soldatenliederen hadden er
-geklonken, fiere krijgsmuziek was er gehoord, ja, psalmen Davids waren
-er aangeheven; want ook hier in dit kamp had men het vierde gebod, dat
-in het legerkamp aan den voet van Sinaï gegeven werd, heilig gehouden.
-Ook hier had op elken eersten dag der week de stem des Evangelies aan
-de zonen van den krijg Vrede door het bloed des kruises verkondigd. Ook
-hier, uit dezen tempel der natuur, waren, bij het geluid van horen en
-trompet, even als vroeger, bij de begeleiding van Schoschannim en
-Neginoth, duizenden zangstemmen opgegaan tot den Koning der schepping
-en der menschen:
-
-
- Zijn naam moet eeuwige eer ontvangen;
- Men loov’ hem vroeg en spâ!
-
-
-Hier vond ik er een, die zich herinnerde, het aandenken aan de
-overwinning van Waterloo op deze eigenaardige wijze te hebben gevierd;
-een ander dacht aan de wapenschouwing, die het uitspreken van het
-„Voorwaarts!” voorafging. Maar wie kon aan iets van dit alles denken of
-er van spreken, zonder te gedenken aan hem, die van dit alles het
-bezielend middelpunt uitmaakte? hem, het hoofd, den held, den lieveling
-van geheel het Nederlandsche leger, den Prins van Oranje, den
-overwinnaar van Quatrebras, den mede-overwinnaar van Waterloo! Ja, wat
-zich op dat groot en schitterend tooneel in die dagen al grootsch en
-schitterends vertoond hebbe, het schitterendste bleef immer de altijd
-groenende lauwerkrans van den Prins-Veldheer, die zelfs toen door de
-nog in al den glans der populariteit blinkende koningskroon van Willem
-I niet overschaduwd werd. En die prinselijke krijgsheld zelf! O, hoe
-lief had hij op zijn beurt dit leger, hoe lief was hem dit legerkamp,
-hoe lief was hem geheel het krijgsmansleven, dat hij in en om dit kamp
-mocht leiden! Vraagt men, waar het geheim dier betoovering schuilde,
-die voor den overleden Koning haren glans over Tilburg scheen uit te
-breiden? Ik aarzel niet te antwoorden: het was de herinnering aan de
-jaren van ’s Prinsen krijgsmansleven, aldaar en daaromtrent gevoerd.
-Wij weten het immers allen: hoevele koninklijke en menschelijke deugden
-onze Koning ook in zich vereenigen mocht, boven alles was hij
-krijgsman, krijgsman in zijn hart. Dat onbezorgde, vrije, van allen
-drang en dwang der hof-etikette, van alle streken en treken der
-hof-diplomatie vrije soldatenleven was een leven naar zijn lust.
-Ziedaar de eenige reden, waarom, geloof ik, onze Koning noch in zijn
-prachtig paleis te Brussel, noch in zijn nieuw Gothisch prachtgebouw te
-s’ Hage, zich ooit zoo zeer te huis gevoeld heeft, als onder de
-veldtent in het kamp van Rijen, als in de eenvoudige woning, die te
-Tilburg aan den Prins-Veldmaarschalk hare herbergzaamheid aanbood.
-Tilburg en zijn omtrek was voor hem eene altijd dierbare herinnering
-aan jaren zonder zorg of kommer; van daar bleef het hem een Sans-souci
-in de jaren der zorgen; van daar werd het eindelijk de plaats zijner
-ruste in de ure, die aan zijne zorgen op aarde een einde heeft gemaakt.
-
-Ach, welk eene verandering! Met welk eene verwachting van de genezende
-werking van Tilburgs lucht en invloed, was hij pas kort geleden dezen
-weg langs gereden, en nu klonk hier het gebulder van het kanon, dat de
-nadering van zijne lijkkoets langs dezen zelfden weg aankondigde.
-
-En intusschen zongen de leeuwerikken altijd hun vroolijk morgenlied.
-
-
-
-Ik sloeg een blik op het tijdvak, dat het veldbed van Rijens legerkamp
-van het sterfbed binnen Tilburgs muren scheidt. Ik dacht aan de dagen
-van den veldtocht, van
-
-
- „den strijd, die minder dagen
- Dan verwonnen steden telt.”
-
-
-Ik gedacht aan de geestdrift des volks na de overwinningen, te Hasselt
-en Leuven behaald. Ik gedacht aan de moeitevolle tijden, die die
-roemvolle dagen hebben opgevolgd. Ik gedacht aan de zwaarwichtige ure,
-toen met de kroon en koningsmantel van Willem I de last der regeering
-op de schouders van Willem II was overgegaan. Ik gedacht aan hetgeen ik
-toen met het oog op des Konings eed ten dage der kroning, en de
-verwachtingen, daardoor verwekt, heb gevraagd: „Zoo waarlijk helpe mij
-God almachtig!”—Willem II! Koning der Nederlanden! hebt gij aan die
-verwachtingen voldaan?
-
-Ja, ja! durf ik daarop thans antwoorden: Gij hebt het gedaan, o mijn
-koning! zoo waarlijk helpe ons God! Willem II heeft dit vertrouwen niet
-beschaamd: Willem II is een goed Koning geweest. Hebben wij hem als
-Veldheer bewonderd en met hand en mond toegejuicht, als Koning hebben
-wij hem liefgehad en in ons hart gedragen. Aan het gejuich, dat rondom
-hem opging toen, hij den eersten eeretocht als Koning door zijne
-provinciën deed, beantwoorden heden de tranen, die op den doortocht van
-zijn lijk door zijne provinciën worden geschreid. En kon het anders
-wezen? Liefde is liefde’s wetsteen. Nu! de geheele regeering des
-Konings heeft het zegel gedrukt op dat woord uit zijn mond: „Ik heb
-slechts éénen hartstocht, dien om bij mijn volk bemind te zijn.” Des
-Konings ministers hebben eene gelukkige uitdrukking gebruikt, toen zij
-spraken: „Diepe rouw overdekke het Vaderland bij het afsterven van een
-vorst, die zijn volk boven alles liefhad.” Dit getuigenis is de
-eikenkrans, dien zijn volk naast den lauwerkrans der koninklijke weduwe
-op zijne lijkkoets leggen moet. Men vrage niet, of Koning Willem II
-zijn volk heeft kunnen bevrijden van al den druk, dien het verledene
-met zich bracht; helaas, zulke zegepralen zijn bezwaarlijker en worden
-trager behaald dan die, welke hij te Quatre-bras en Waterloo bevocht:
-maar dit erkennen wij: hij heeft de geslagene wonde zooveel mogelijk
-zoeken te heelen, en daaraan meermalen eigen rechten en eigen schatten
-ten offer gebracht. Hij toonde het in alles, dat, indien hij eens het
-bloed uit zijne aderen voor Nederland gestort had, hij er andermaal
-zijn bloed veil voor zou hebben, om Nederland zoo gelukkig te zien als
-hij het wenschte te maken. Kan een koning schooner getuigenis in het
-graf met zich nemen? Ik sprak straks van Versailles: ik deed opmerken,
-welk een verschil er tusschen Versailles en Tilburg, tusschen beiderlei
-paleizen en tusschen beiderlei koningen bestond. En toch, zie beiderlei
-koningen bij hun uiteinde! O, hoe verre gaat dan Willem de Goede
-Lodewijk den Groote te boven! Bij het lijk des eenen de minachting der
-grooten, de haat des volks, de vijandschap van geheel het buitenland,
-en op den achtergrond het schavot van Lodewijk XVI, als slachtoffer
-vooral ook van den grootvaderlijken hoogmoed en weelde geslacht. Bij
-het lijk des anderen de hulde van geheel het koninklijk geslacht en
-hofgezin, de achting van den vreemdeling en bovenal de liefde van den
-landzaat, als van drie millioen kinderen bij het lijk des algemeenen
-Vaders; de liefde van den landzaat als de beste erfgave op het hoofd
-van zoon en kleinzoon overgebracht.
-
-Altijd rondwandelende, knoopte ik nu met dezen, dan met dien der
-landbewoners uit den omtrek een gesprek aan. Het had niets
-opmerkelijks, dat aller monden met de plechtigheid van den dag waren
-vervuld; maar wat opmerking verdiende, het was de liefde, die uit aller
-mond op de meest overvloeiende wijze sprak. Overal zamelde ik trekken
-op, te onbeduidend om hier mede te deelen, maar die eene geheele wereld
-van goedhartigheid en liefde in het hart des ontslapen Konings
-ontdekten; trekken in den geest van dien trek, die ons ergens is
-medegedeeld, hoe de Koning nog, weinige dagen vóór zijn dood, voor zijn
-paleis in den Haag gezien werd, terwijl hij zich een geruimen tijd met
-drie arme kindertjes onderhield. Ja, tot de armen, tot de kleinen, tot
-de geringen zich neder te buigen, was een van die beminnelijke
-karaktertrekken, die meest kenmerkend waren in den betreurden vorst.
-Die nederbuiging was in hem meer, dan eene berekende en afgesproken
-minzaamheid van vormen, die men zoo vaak bij vorsten vindt; hier was
-zij iets beters; zij stond in verband met dat kinderlijke in hem, dat
-hij ook onder het krijgsharnas en den koningsmantel had weten te
-behouden. Spraken krijgsmansgrootheid en koningsadel uit de plooien van
-dien mantel, dien hij op zoo ridderlijk fiere wijze droeg, een hart vol
-liefde sprak uit de plooien van dien mond, waarmede men te recht gezegd
-heeft dat „hij alle harten tot zich wist te trekken”. Indien hij in
-meer dan één opzicht aan Hendrik IV deed denken, dien Frankrijk tot op
-dezen dag le bon Henri noemt, dit geldt bovenal ook van de weêrgalooze
-populariteit, die hij zich had weten te verwerven. Zelden heeft een
-vorst beter het geheim verstaan om de waardigheid des konings met de
-minzaamheid van den mensch en den menschenvriend te vereenigen: van
-daar, dat hij de Koning van bijna even vele harten als zielen was.
-Welke koning droeg ooit met meer recht den naam van beschermheer der
-kunsten? Welke koning had ooit meer aanspraak op den titel van
-weldoener der armen? Ik begrijp het mij, hoe een kunstenaar het eerste
-sein voor de oprichting van zijn standbeeld gaf; maar ik moet het er
-bijvoegen, indien men de tranen der beweldadigden in eene urn
-vergaderen en die als eene lijkbus op zijn overschot plaatsen kon, dat
-dit hem een nog schooner gedenkteeken zou zijn. O, ik weet niet, of ik
-niet te stout spreke; maar mij dunkt, Willem II heeft in zijn korte
-levensdagen een groot werk volbracht. Hij ontving eene kroon met
-doornen bezet; ontveinzen wij het niet, te recht of ten onrechte, de
-liefde des volks voor zijn Koning, de populariteit van Oranje in
-Nederland had geleden, toen Willem II Koning werd. Een vreemdeling, die
-vaak in onze zaken scherper ziet dan wij zelven, heeft den toenmaligen
-staat van Nederland naar waarheid geschetst. „In de zestiende eeuw
-heeft de volharding van Willem den Zwijger Holland gered, in de
-negentiende heeft die van Willem I het land in groot gevaar gebracht.
-Dertig jaren oud beklom hij den troon, gedragen door al de wenschen,
-omringd door al de zegenwenschen zijner onderdanen. Het gansche land
-gaf zich met liefde en vertrouwen aan hem over, en in het hart van den
-rijke, zoowel als in het gemoed van den eenvoudigen dorpeling, wekte
-zijn naam niets dan een gevoel van hoop en vereering op. Twee dwalingen
-hebben hem die voorbeeldelooze populariteit doen verliezen.... Maar
-welk een rust heerscht er in dat land! Welk eene edele onderwerping!
-Welk eene standvastigheid! Toen Willem I de kroon nederlegde, hoorde
-men onder het publiek niet eene enkele beschuldiging tegen de
-verschillende daden van zijne regeering,—hoorde men niet eene enkele
-klacht Iedereen heeft bij zichzelven de redenen van dit besluit
-begrepen, en het stilzwijgen bewaard. Zelfs vertoonde zich in de
-bewijzen van liefde en vertrouwen, den nieuwen Koning betoond, eene
-zekere terughouding, die vol welvoegelijkheid was, alsof het volk
-vreesde, dat de openbaring van eene te groote geestdrift voor den zoon
-den schijn zou kunnen hebben van eene veroordeeling voor den vader te
-wezen”. Maar nu! was de toestand van Nederland zoodanig, als hier door
-een onpartijdig aanschouwer en opmerker wordt gezegd, welke bezwaren
-ontmoette dan Willem II niet van stonde aan op zijn pad! Welk een
-verschil tusschen de stemming des volks bij de troonsbeklimming van den
-souvereinen vorst en de kroning van Nederlands tweeden koning!—Wel nu,
-had Willem I het voorrecht niet gehad, de liefde des volks tot den
-einde toe in dezelfde mate te behouden, Willem II heeft, als de
-schoonste zijner veroveringen, den verloren grond herwonnen. Hij heeft
-tot en op den naam van Oranje wederom al die liefde weten terug te
-brengen, die daaraan van ouds onafscheidelijk verbonden was. Hij heeft
-alzoo aan het nationale middelpunt van onzen staat, dat niet is la
-charte constitutionelle, als vroeger in Frankrijk, maar dat is: de stam
-der Nassaus met de spreuk Je maintiendrai, zijne aantrekkende en
-bezielende werking teruggegeven. Hij heeft het koningschap in Nederland
-op nieuw weten te bevestigen op die rots, die in deze dagen alleen
-vaststaat, liefde tot den Koning, door de in vleeschen tafelen des
-harten gegronde overtuiging, dat „zijn Koning hem van God gegeven
-is!”—Koning der Nederlanden, vroeg ik straks: hebt gij aan die
-verwachtingen uws volks ten uwen opzichte voldaan? En ik antwoord
-nogmaals: Ja, gij hebt daaraan voldaan; want gij hebt de taak van een
-Oranje volbracht! Gij zijt op nieuw het plechtanker geworden van het
-hulkje, dat zich aan u vertrouwde. Daarom is de dag van uwen dood een
-dag van rouw voor geheel Nederland; daarom is de dag van uwe uitvaart
-een dag van droefenis voor alle Nederlanders; daarom gaat nu van
-Tilburg een lijkstoet uit, die met andere tranen wordt overdekt dan de
-kunst des zilverwerkers over het zwarte kleed van uwe lijkkoets heeft
-uitgestrooid; daarom klinkt, van Tilburg tot aan de boorden van de
-Lauwerszee, eene stem, die doodklokgalmen en uitvaartsalvo’s verdooft,
-en die ook in mijn hart boven die allen weêrklinkt.
-
-En intusschen zongen de leeuwerikken steeds hun vroolijk morgenlied.
-
-
-
-Een dikke stofwolk doet zich in de verte op. Tusschen het stof wemelt
-een roode gloed. Het zijn de kleine witte en roode vanen aan de speren
-der lansruiters. De trein genaakt.
-
-O, hoe stil en bijna onopgemerkt naderde hij hier! Op het punt, waar ik
-mij bevond, waren slechts zeer enkele menschen. Ook vóór den trein
-bevond zich bijna niemand. Recht zooals ik het had gewenscht en
-gehoopt. Des te ongemengder en dieper was de indruk, dien de optocht op
-mij maakte. Vooraan enkele ruiters, om den trein te openen; daarna eene
-afdeeling lanciers, voorafgegaan door den majoor Coets van Baggen, die
-te Waterloo aan de zijde des ontslapenen streed, en die het voorrecht
-had hem bij een nog zwaarder strijd zijnen zetel tot een laatste ruste
-te mogen aanbieden. Daarna het muziekcorps der lanciers, met hunne in
-floers gewikkelde muziekinstrumenten, die zich, eenige honderde
-voetstappen verder, in eene schoone andante klagende lieten hooren.
-Eene eenvoudige koets met twee paarden volgde, en onmiddelijk daarna,
-door vier paarden getrokken, de lijkwagen, waarin het kostbaar
-overschot was bevat. Het was een indrukwekkend gezicht. De hemel van
-den wagen was van somber zwart met rein zilver afgezet, en verhief zich
-in een spits, die door een zilveren kroon gedekt werd: ik dacht aan het
-schoone woord van Bossuet aangaande de toerichtingen, „die tot aan de
-wolken de doorluchtige bewijzen verheffen van—ons niet”. Onder den
-hemel, op het zwarte dekkleed, dat de kist omsloot, lag een kussen met
-de gouden kroon, en naast de gouden kroon eene groene lauwerkrans, door
-de hand der koninklijke weduwe gevlochten. Frisch, als waren zij pas
-geplukt, waren die lauweren om het hoofd van den ontslapen held nog
-niet verdord. Maar dat die kroon met geen enkelen traan van uwe
-onderdanen door uwe schuld bepareld was, al was zij dikwijls voor u een
-doornenkroon geweest, dat strekt u tot grooter eer, dan alle lauweren u
-konden aanbrengen, o mijn Koning! Tegenover de kroon lagen de
-epauletten, waarschijnlijk met de gekruiste veldmaarschalkstaven
-versierd, het eereteeken van den rang, dien de held op het slagveld
-verwierf, en waarop de Koning uit dien hoofde bleef prijs stellen. Ter
-wederzijden lagen de degens. Ginds de degen, die, na in Spanje den
-troon des overweldigers mede te hebben ondermijnd, daaraan bij Brussel
-den laatsten slag toebracht. Want zonder Quatre-Bras geen Waterloo, en
-zonder Waterloo geen St. Helena! Hier de degen, die den
-Noord-Nederlandschen helden andermaal den weg naar Brussel opende, en
-die in Brussel het bulletin van Belgiës onderwerping zou hebben
-geteekend, indien geen Fransch leger, overmachtig en overmoedig, zich
-tusschen Leuven en Brussel had gesteld: de degen, dien ook ik op den
-IJzeren Berg als een starre der zegepraal tusschen de wolken van den
-kruitdamp hebben zien blinken, en die ook mij als een starre naar het
-veld der overwinning en van daar wederom huiswaarts heeft geleid!
-Ziedaar alles wat ik zag; maar wat ik zag, kon mij niet beletten meer
-te zien dan dat. Het belette mij niet in den geest het lijkkleed van
-die kist te nemen, de kist te openen, en een blik op den daarin
-rustenden doode te slaan. Welk een aandoenlijk gezicht trof mij daar!
-Dat hoofd, dat zich zoo fier placht op te heffen, roerloos ter
-nedergezonken; dat sprekend oog vol geest en vuur verdoofd! Nog altijd
-diezelfde lach om den mond; maar die lach als in marmer gegoten,
-roerloos, koud en kil. Die borst, met de welverdiende eereteekenen
-versierd; maar het hart in die borst levenloos, verstijfd en stil. Het
-geheel een beeld des doods; van dien dood, „die den geest der vorsten
-als rijpe drijven afsnijdt;” van dien dood, die koningen en bedelaars
-gelijk maakt, en den eersten recht geeft den laatsten met de woorden
-bij Jesaja toe te roepen: Zoo zijt gij dan ons gelijk geworden! Ach,
-wat was er nu van dien Koning overgebleven, die over zoovele millioenen
-had geheerscht! wiens schepter zich, behalve hier over de oevers der
-Zuiderzee, in een ander werelddeel over de eilanden eens onmetelijken
-oceaans had uitgestrekt! Een ziellooze stofklomp, die welhaast een wolk
-van stof zou zijn, als die stofwolk, die door de hoeven zijner paarden
-werd opgejaagd. „Mijne broeders! God alleen is groot!”
-
-Zoo was dan nu, na zes-en-vijftig jaren strijds, dat hoofd op weg om
-zijn laatste peluw te gaan zoeken. Ach, ach! hoeveel stormen hadden
-gedurende dat tijdvak niet al over dat hoofd gewaaid! Pas had het twee
-jaren beleefd, toen het reeds in de
-
-
- „kinderlijke wieg moest hobblen op de baren,
- Uit huis en hof geschopt door dolle woestaardij.”
-
-
-Die eerste storm was opgevolgd door het driedubbel geweld, waarmede
-Napoleon hier den burger in zijn volk vertrad, daar den vorst in zijn
-voorvaderlijk erfgoed beroofde, elders den krijgsman in zijn leven
-bedreigde. Straks op een hulk wedergekeerd uit datzelfde Engeland, waar
-hij op een hulk was heengegaan, schitterde wel om dat hoofd de kroon
-van den vorst met den krans des overwinnaars omvlochten, maar ook toen
-ervoer de vorst, hoeveel zwaarder het is, die kroon dan dezen krans te
-dragen, en nog eens zag Engeland hem onder den last eener zware
-beproeving gebogen terug. Wel joeg de zegepraal van Leuven die nevelen
-weder uiteen, en daalde straks met den diadeem van Willem I de liefde
-van een geheel volk op dien schedel neder; maar toen wachtte den Koning
-eene nog bitterder ervaring: de ervaring hoe centenaarszwaar ook de
-kleinste kroon kan wegen op het sterkste hoofd, en werd hem dit woord
-van de lippen gedwongen, dat uit zijn mond tot mij gebracht werd: het
-woord, waarbij hij verklaarde, dat men de uitdrukking „zoo gelukkig als
-een koning te zijn”, in onze dagen liever omkeeren mocht. Als ter
-voorbereiding voor het naderend einde kwam daarbij het lijden eener
-geschokte gezondheid, het lijden van een leven, dat op die wijze „een
-dagelijksche dood” werd, een leven als onder het zwaard van Damocles.
-Ai mij, daar breekt de brooze draad, waaraan dat zwaard was
-opgehangen.... daar valt dat zwaard neder... het treft dat dierbare
-hoofd.... dat hoofd, nimmer gewoon te bukken, heft zich nog eenige
-malen tot de worsteling op... vergeefs.... het wordt gedwongen te
-buigen.... het buigt zich voor den laatsten slag... het zinkt voor
-altijd op de koude borst.... Koning Willem II is niet meer!
-
-Nu dan, het ruste zacht, dat edel helden- en koningshoofd! Het ruste
-zacht op het rustbed, dat de liefde het in de laatste woning heeft
-gespreid. Het ruste zacht in de schaduw der dankbare nagedachtenis, die
-het graf der Nassaus, als een altijd geurende wierookwolk omzweeft.
-Geene aanklagt, geene verwensching, geene stemme der beschuldiging of
-der veroordeeling zal die ruste storen; immers, het weenen en snikken
-des volks rondom het graf stoort zulk een ruste niet?
-
-Slaap dan zacht, o Koning! Slaap zacht, in het hart uws volks beter dan
-in alle oostersche specerijen ingebalsemd, en voor een spoedig vergaan
-bewaard! Slaap zacht onder de lauweren, die eene zachte hand voor uwe
-lijkkist vlocht, en moge ook de nooit gedroogde traan van Haar, aan wie
-die hand behoort, zoowel als de rouw van het u teederlievend kroost,
-dien slaap niet storen! Slaap zacht, en neem bij zoovele anderen ook
-uit mijn hart dezen mannelijken traan als een offer der dankbaarheid en
-der liefde mede.
-
-En boven mij zongen de leeuwerikken altijd hun vroolijk morgenlied.
-
-
-
-De trein was voorbijgetogen. Ik zag haar na. Daar ging zij heen, eerst
-naar Oosterhout, dan naar Geertruidenberg, dan naar Rotterdam, dan naar
-Delft, dan naar het graf. Rondom dat graf zouden al de dierbaarste
-betrekkingen des Konings zich vereenigen, om het de laatste eer te
-bewijzen. Mij dunkt, ik zag ze daar staan, en in hun midden zag ik den
-jeugdigen man, die thans Willem III heet.
-
-Willem III! Nog herinner ik mij als een aandenken uit de schoone jaren
-van voorheen, hoe ik meermalen, langs de straten mijner vaderstad
-gaande, een open rijtuig opmerkte, waarin zich twee jongelingen in
-gezelschap van een opperofficier bevonden. Het waren de twee oudste
-kleinzonen des toenmaligen Konings, Prins Willem en Prins Alexander,
-die destijds kweekelingen der alma mater Leidensis waren. Waarlijk, men
-had minder dichter moeten zijn, dan ik het toenmaals was, om niet wel
-eens bij het gezicht dier twee jongelingen een blik in de toekomst te
-wagen, en voor hen hun jongelingsdroom te droomen. Wat is er van dien
-droom geworden? Ga naar het praalgraf der Nassaus te Delft, en vraag
-den bewaker van dat graf, wat er van dien droom voor Prins Alexander
-werd? Hij stierf op een vreemde kust, verre van zijn Vaderland, verre
-van het hart zijns vaders en den boezem zijner moeder. Des te
-dankbaarder zijn wij voor Prins Willem, dat zijn levensdroom zich
-aanvankelijk heeft vervuld. Hij heeft de kroon verkregen, die hem voor
-de oogen zweefde. Wat zal die kroon hem zijn? Ziedaar eene vraag,
-waarop niemand op aarde antwoord geeft. Wat zal hij dier kroone wezen?
-Ziedaar eene vraag, waarop evenzeer het antwoord blijft ontbreken. En
-toch willen wij de beantwoording van die vraag door de toekomst
-vooruitloopen, en het in hope zeggen: hij zal dier kroon een waardige,
-een zijns vaders en onzes volks waardige kroonvoerder zijn! De
-omstàndigheden, waaronder hij het gebied ontvangt, zijn al te
-aandoenlijk, de tijden, waarin hij leeft, al te zwaarwichtig, om niet
-op zijn hart te doen wegen de grootheid der verantwoording, die thans
-op hem rust. De dood en begrafenis zijns vaders heeft hem toegeroepen:
-Zie, hoe lief men hem had! Zie, hoe lief ons volk goede koningen heeft!
-Zou dit hem niet dringen om een goed Koning voor zijn volk te wezen?
-Eene zijner eerste regeeringsdaden is geweest, zijn volk met zich ten
-gebede op te roepen. Is dat niet reeds een goed begin, dat aan Salomo
-te Gibeon denken doet? Of zouden zoo vele gebeden, met de tranen onzes
-volks over den ontslapen Koning, en, wat meer zegt, met het bloed van
-den Koning der koningen, bij wiens kruis wij heden in den geest staan,
-en op wiens kruis wij onze gebeden nederleggen, als besproeid, ledig
-tot ons kunnen wederkeeren? Eindelijk,—o hoe gaarne neem ik dit als een
-voorteeken aan!—hij heet Willem III. Accipio omen. Willem III! Welk een
-naam is de uwe! Misschien hebt gij er zelf aan gedacht, toen gij daar
-te Londen in Westminster-Abbey bij het graf van uw doorluchtigen
-naamgenoot stondt; er aan gedacht, toen gij thans nog overal
-Groot-Brittanje van den naam van Willem III vervuld zaagt; er aan
-gedacht, toen men u in Engeland zoo menige hulde, aan uwen naam
-verschuldigd, daarom te liever bracht, omdat gij ook een naam- en
-stamgenoot van Willem III waart. Willem III! wij bidden het van God,
-maar wij vragen het ook u, beschaam die schoone verwachting niet! Wees
-voor Nederland als Koning, wat Willem III als Stadhouder voor Nederland
-is geweest. Heeft Willem III voor de republiek het werk bekroond, door
-de wijsheid van den Zwijger begonnen, door de dapperheid van Maurits en
-Frederik Hendrik bevestigd, bevestig gij alzoo voor het koningschap het
-werk, dat Koning Willem II tot dusverre voortgezet heeft. Daartoe zij
-uw oog voortdurend op onzer vaderen God, op onzer kinderen Vader
-gevestigd, met wien de groote Zwijger (immers ook voor al zijne zonen?)
-een plechtig verbond heeft gemaakt. Biddende zijt gij begonnen; o,
-mocht gij biddende voortgaan, opdat wij samen dankende mogen eindigen.
-Christus te volgen, zoo waagde ik het reeds vroeger, met een woord uit
-den ouden tijd eenmaal tot een uwer vaderen gesproken, u toe te
-spreken, „Christus te volgen is den menschen vóór henen te gaan, en die
-op dat pad de voorste is, is de eerste aller menschen, Gode het naaste
-en alleen een rechtschapen prins.” Amen! zeg ik thans met dubbelen
-nadruk op dat woord,—en al het volk zegge Amen!—en gij, o God der
-vaderen! doe gij om en door Jezus Christus zoo en zoo daartoe!
-
-Een beroemd schrijver heeft onlangs een bezield tafereel opgehangen van
-de omstandigheden, waaronder Willem III Stadhouder der Unie werd.
-Onwillekeurig vergeleek ik den heeten strijd op leven en dood, waarvan
-die verheffing de uitkomst was, met de woorden der ministeriële
-proclamatie: Het heeft den Almachtige behaagd Willem II tot zich te
-roepen.—Willem III is Koning der Nederlanden.
-
-Ziedaar, zeide ik bij mij zelven, den zegen van het erfelijk
-koningschap. Elders worstelingen, die den vrede des lands in gevaar
-brengen; elders, gelijk thans nog in Frankrijk, ook bij het behoud des
-vredes, het gevaar om aan het hoofd des volks een man te zien, wiens
-persoon niet alleen, maar wiens naam alreede voor velen een voorwerp
-van dubbelzinnige herinneringen is; hier daarentegen de stille overgang
-van de kroon des eenen Nassaus op het hoofd des anderen, en wat het
-schoonste is, de overgang van de liefde, die op des eenen hoofd rustte,
-althans bij aanvang, ook op des anderen hoofd. Nederland! moogt gij het
-nooit vergeten, welk een voorrecht ons God tot op dezen dag in het
-behoud van een erfelijk en wezenlijk koningschap liet, en eeuwig blijve
-van onzen grond geweerd de invloed der voorstanders dier valschelijk
-genaamde vrijheid, die Karel naar Holyrood, Lodewijk Filips naar
-Claremont en Lodewijk XVI naar het schavot op de Place de Louis XV
-bracht. Maar ook gij, o Koning! moogt gij nooit vergeten, met hoeveel
-vertrouwen en liefde uw volk u tegenkwam van den dag aan, dat het in
-den weg van God uw volk werd. En nooit ontga uw hart het aandenken aan
-die schoone ure, waarin het op nieuw bleek, dat de liefde van Nederland
-voor Oranje te recht genaamd is „de stem van het bloed van ’s lands
-kinderen, dat ’s lands vaderen tegenroept.” Ja, zij is eene stemme des
-bloeds, die stem! want zij is geboren uit het bloed, dat de Vader des
-Vaderlands voor Nederland vergoot, terwijl hij stervende met dat bloed,
-als met een onoplosbaar cement, Nederland en Oranje tot één verbond!
-Welaan dan, bij het graf van dien Vader des Vaderlands ons verbond
-vernieuwd! O Koning! wees gij ons een koning gelijk wij verwachten; en
-wij zullen u een volk zijn gelijk gij hoopt. Willem I! Vader der
-Nassaus! Vader des Vaderlands! wees gij getuige van dat verbond, bij
-het open graf van dezen uwen naneef gesloten! Eer wij het verbreken,
-verdorre onze hand! Eer wij het verloochenen, verstomme onze tong! Eer
-wij er ontrouw aan worden, verstijve ons hart!—En nu! De koning is
-gestorven. Zijn assche ruste in vrede! De Koning leve! Zijne regeering
-zij gezegend! Ja, zijne regeering, ze zij, o God! gelijk aan die lente,
-die gij weder over de aarde doet aanbreken; en het lied der vogelen,
-dat dezen feestdag der lente viert, moge het de voorbode, gelijk van
-een nieuw leven voor de aarde, zoo ook van een nieuw leven vol vrede en
-voorspoed voor Nederland zijn! Mocht het zoo wezen.... o dan is de
-laatste strijd tusschen het gindsche klokgeklep en dit vogelengezang
-opgelost, en zingt dan, gij leeuwerikken! zingt luide uw vroolijk
-morgenlied!
-
-
-
-
-
-
-
-
-TWEE MONUMENTEN.
-
-(1676–1841).
-
-
-Op den 25sten Augustus 1841 werd te Vlissingen een standbeeld ontbloot
-en ingewijd. Deze plechtigheid werd met schitterende feesten gevierd.
-Kanonnen bulderden; vlaggen en wimpels zwierden; een statelijke optocht
-ging om; eene welsprekende feestrede werd uitgesproken; eene kunstrijke
-cantate werd gezongen; kunstelooze zeemansliederen werden aangeheven:
-merkwaardige gedenkstukken werden ten toon gesteld; maaltijden werden
-gehouden; feestlichten werden ontstoken; volksspelen werden gegeven;
-handen wuifden; monden jubelden; oogen blonken; harten gloeiden.
-Vlissingen was eene groote feestzaal, waarnaar geheel het vaderland het
-belangstellend oog gericht hield.
-
-Het was het feest der inwijding van het standbeeld van Michiel
-Adriaansz. de Ruiter, Hertog, Ridder enz., Luitenant Admiraal Generaal
-van Holland en Westfriesland.
-
-In diezelfde dagen kwam uit de werkplaats, waaruit het beeld van De
-Ruiter was voortgekomen, een ander gedenkteeken in stilte te Alkmaar
-aan. Van daar werd het door het verbaasde duin naar Egmonds zeekust
-vervoerd. Daar werd het op het wachtend voetstuk geheven, dat rondom
-den nieuwen lichttoren oprijst. Toen zag men den Nederlandschen leeuw,
-met den klauw om het kanon geklemd, het hoofd opsteken in den zeewind,
-dien het met verrukking in de rookende neusgaten ving.
-
-Het was het gedenkteeken ter eere van Jan Carel Josephus van Speyk,
-Ridder der Militaire Willemsorde, Luitenant ter Zee.
-
-Dit toevallig samentreffen moest ieder, die het vernam, opmerkelijk
-voorkomen. En wellicht ware er stof uit te putten voor eene
-vergelijking, welke het niet aan sprekende kontrasten ontbreken zou.
-Beide helden, uit geringen stam gesproten, en beide door koninklijken
-ridderslag geadeld; beide op zee groot geworden, en beide aldaar op het
-bed van eer gestorven; beide in hun leven met een groenen krans van
-eere gekroond, en beide in hun dood in een geurige lijkwâ van glorie
-gewikkeld; ja, om de overeenkomst te volmaken, beide in hun graf door
-den weêrglans van eene koningskroon bestraald. De Amsterdamsche
-weesjongen, die zijn eersten sluimer in eene armenkrib sluimerde, sliep
-zijn jongsten slaap, totdat hem eene eigen sponde gespreid was, in het
-vorstelijk graf der Nassau’s, aan de zijde van den grooten Zwijger; de
-Vlissingsche schipperszoon zag terzelfde plaatse, waar hij voor een
-stuiver daags in de lijnbaan gezwoegd had, onder duizend edele hoofden,
-waarop hij van zijn voetstuk nederzag, een gekroonden schedel ontbloot!
-En toch, niet treffender de overeenkomst die beide vereenigt, dan het
-verschil dat beide scheidt. Welk een afstand toch tusschen den
-Luitenant-Admiraal Generaal en den Luitenant ter zee,—tusschen het
-Opperhoofd van ’s Lands vloot en den Bevelhebber van eene
-kanonneerboot,—tusschen den negenenzestigjarigen held, die in de
-schaduw zijner lauweren, in vijftien groote zeeslagen gewonnen, ten
-grave daalde, en den negenentwintigjarigen jongeling, die in het winnen
-van zijn eersten lauwer bezweek,—tusschen den „Schrik des oceaans” en
-den Dappere, wiens zegevierende uitgang alleen den Schelde-oever deed
-beven!
-
-Deze en dergelijke trekken hadden niet kunnen missen ieder, die van de
-gelijktijdige oprichting der beide gedenkteekenen kennis droeg, te
-treffen. Maar ik voor mij verliet ze welhaast, om twee geheel andere
-beelden voor mijnen geest te zien verrijzen: het Nederland van De
-Ruiter en het Nederland van van Speyk: het Nederland van 1676 en het
-Nederland van 1841.
-
-Het Nederland van De Ruiter en het Nederland van Van Speyk. Ik bid u,
-daarin iets anders en iets meer te zien, dan een ijdel spel met twee
-namen. Helaas! er ligt eene droevige waarheid in dat spel. De
-verhouding tusschen De Ruiter en Van Speyk is maar al te zeer de schaal
-der verhouding, die tusschen beider Nederland bestaat: de Admiraalsvlag
-van 1676 tot den bootswimpel van 1831 gekrompen—ziet daar het beeld van
-ons vaderland bij den dood van De Ruiter en den dood van Van Speyk!
-
-Wat dunkt u? indien dat metalen beeld op zijn voetstuk zoowel leven kon
-aannemen, als het te leven schijnt;—indien het den ijzeren blik op de
-zee kon vestigen, die aan zijne voeten breekt;—indien het over die zee
-zijne geliefde Statenvlag kon volgen;—o, hoe het wenschen zou, nooit op
-die hoogte gestegen te zijn! hoe het verlangen zou, wederom rustig
-neder te liggen op de tombe, waar het in de schaduw van zijne eigene en
-’s Lands glorie zoo gelukkig sliep! hoe het den Pygmalion, die het in
-het leven riep, bidden zou, wederom steen te mogen worden; levenloos en
-ongevoelig steen! Of hoe, meent gij, zou het onzen De Ruiter te moede
-zijn, als hij die schoone vloot, grootendeels onder zijn oog en hand
-verrezen, tot een handvol booten versmolten zag! als hij aanschouwen
-moest, hoe de vlag, die hij had doen eerbiedigen met siddering, nu
-gedoogd wordt met edelmoedigheid! als hij het moest aanzien, hoe de
-cirkel, door den boeg zijner schepen over de wereldzee getrokken, nu
-bijna geheel door de sporen van andere bodems is uitgewischt! Indien
-hij er getuige van geweest ware, wat meent gij, zou de held van
-Soulsbay gevoeld hebben, wanneer hij de vaderlandsche schepen in de
-vaderlandsche havens gekerkerd had gezien, aldaar opgesloten, ik zeg
-niet door de duurgekochte overwinning, maar door het enkele bevelwoord
-van diezelfde Engelsche en Fransche vloten, waarvan hij meermalen de
-zee had schoongevaagd, als Harpertzen’s beroemde bezem! Mij dunkt, ik
-hoor den mond, die eenmaal op het gezicht van den schrik, door de
-enkele verschijning van zijn Admiraalschip de Zeven Provinciën verwekt,
-zoo vroolijk braveerde, dat woord treurig herroepen: „De vijand heeft
-geen eerbied meer voor de Zeven Provinciën!”
-
-Daarom, schoon eere doende aan de dankbaarheid van het nageslacht, dat
-in De Ruiter den schepper van zijn blinkendsten roem en weligste
-welvaart vereert, om uwentwil verheugt het mij, dat de kunst, schoon
-zij uit ijzer goden scheppe, niet vermag u uit uw ijzeren slaap op te
-wekken; dat gij slechts een beeld zijt, heldengestalte van Michiel
-Adriaanszoon de Ruiter!
-
-En toch! zie, het is alsof dat andere gedenkteeken,—het is alsof de
-leeuw van Egmond mij verwijt onrechtvaardig te zijn, en, om den wille
-van het Nederland van De Ruiter, het Nederland van Van Speyk te kort te
-doen. Ik hoop niet, dat verwijt verdiend te hebben. Het is de plicht
-van een kind, zijn moeder lief te hebben, al is zij oud en zwak
-geworden. Verre zij het van mij, ten gevalle van den roem van het
-verledene, de rechten van het tegenwoordige te verkorten, en de levende
-Polyxena te willen opofferen aan de schim van den dooden Achilles. Ik
-erken met allen, die het mij toevoeren: ook de jongste tijd had zijne
-heldere dagen. De jaren 1830 en 1831 waren een schoon oogenblik in onze
-geschiedenis, de schoonste tijdperken onzer vaderen waardig, en dat
-niet verdiend had, wegens de ongelukkige uitkomst, door hen zelve, die
-er eene werkzame rol in vervulden, verkleind, ja, bespot te worden. Nog
-behoeft het geslacht, dat aan den voet van De Ruiter’s standbeeld
-vergaderd was, niet voor zijne schim te blozen. De helden van Hasselt
-en Leuven, de verdedigers van Antwerpen’s citadel, de dapperen van
-Algiers en Palembang, met den held aan het hoofd, die zich eene kroon
-van lauweren won, eer hij de juweelen kroon erfde, zijn niet onwaardig
-onder de oogen van den grooten Vlissinger te verschijnen. Ja, de
-grootmoedige vlootvoogd, die iedere dappere daad wist te waardeeren,
-ziet met een oog van welgevallen, niet ver van de prachtige tombe,
-waaronder hij slaapt, die nederige zuil verrijzen voor den jongen
-zeeman, die in zijn schoonen dood het beginsel huldigde, waarvan hij
-zelf het offer werd,—van het leven minder te achten dan de eere van ’s
-Lands vlag.
-
-En nogtans vergeve men het eenen Nederlander, die de daden der Vaderen
-niet vergeten kan, dat hij in het Nederland van 1841 het Nederland van
-1676 niet herkent, en niet herkennen zou, al ware sedert het vuur niet
-weder uitgedoofd, dat in 1831 zoo helder ontbrandde; al had de uitkomst
-niet bewezen, dat het slechts een schoone droom was, dien de dichter
-dweepte:
-
-
- Holland is twee eeuwen jonger,
- Dan het was vóór vijftig jaar.
-
-
-En nu, wat zal het namaals zijn? Hoe zal het Nederland van anderhalve
-eeuw later zich voordoen? Zal het aan dat van 1841, of van 1676
-gelijken? Voorspelt ons de oprichting van De Ruiter’s beeld, dat met
-hem het tijdperk van roem en voorspoed, hetwelk met hem ten grave ging,
-wederom zal opstaan? Mag ik een voorteeken zien in den helderen
-zonneschijn, die, op het oogenblik van het ontblooten des
-gedenkteekens, den regen verving, die tot dusverre het feest had
-verduisterd? O, hoe gaarne zou ik daarop het accipio omen zeggen! Hoe
-gaarne zou ik in den heldendood van Van Speyk—de wedergade van den dood
-van Claessens, die de wapenfeiten onzer vaderlandsche helden opent—den
-dageraad van eenen nieuwen morgen begroeten! hoeveel liever dan den
-avond, die den dag in denzelfden purpergloed ziet ondergaan, waaruit
-hij is opgerezen! Doch ik durf mij aan die zoete hoop niet toegeven; ik
-zie niet wat er mij recht toe laat. Moet ik de klagers onder ons
-gelooven, dan ligt de schuld aan.... ja, aan wie niet al? Aan Oranje
-voornamelijk, wiens lot het schijnt te zijn, ten aanzien van ons
-zeewezen het voorwerp van een eeuwigdurend wantrouwen te zijn, dat
-nimmer gerechtvaardigd werd. Alsof de geschiedenis niet anders leerde;
-ja, alsof de jeugdige Prins-Kapitein, die, aan de zijde zijns
-Koninklijken Vaders, aan den voet van De Ruiter’s standbeeld verscheen,
-niet bewees, dat Koning Willem II een echt nakomeling van de
-Kapiteinen-Generaal en Admiralen der Vereenigde Nederlanden is!
-Overigens onderneem ik niet, over de billijkheid van wederzijdsche
-grieven of klachten te oordeelen. Maar wat ik weet of zie, het is dat
-de geest van de zeventiende eeuw, de geest van De Ruiter, van ons volk
-geweken is; het is dat de veroverde vendelen van den Tiendaagschen
-Veldtogt den sluimer niet verbergen kunnen, waarin de Nederlandsche
-Leeuw verzonken is; het is dat zijn weder-inslapen na zijn kort
-ontwaken, nog droeviger dan of hij in het geheel niet ontwaakt ware,
-bewijst, dat zijn slaap eene slaapziekte geworden is. Vergeefs geklaagd
-en gejammerd; vergeefs verweten en beschuldigd; vergeefs gehoond en
-geschimpt. De kracht der Zeven Provinciën huisde niet in het hout,
-waaruit de vloot gebouwd werd; hare geestdrift niet in de zeilen, die
-ze bevleugelden; hare dapperheid niet in het ijzer, dat ze beschermde.
-Neen! die kracht, die geestdrift, die dapperheid huisde in den geest
-van de ijzeren menschen, welke die houten vloot bemanden,—of, nog
-liever in den geest van het geheele volk, waaruit de bemanning
-voortkwam. Wat was in dien tijd een verloren schip, een verstrooid
-eskader, eene vernielde vloot zelfs? Weinige dagen—het wonder is
-gezien—weinige dagen waren genoegzaam om een handvol wrakken in eene
-geduchte zeemacht te herscheppen. Wat waren in dien tijd tien helden,
-in éénen slag gesneuveld? Op dezelfde plaats, waar de een viel, stond
-een ander op, en met de vlag scheen de kunde en dapperheid van de
-Vice-Admiraal of Schout-bij-Nacht op den Kapitein over te gaan. De
-Ruiter mocht bij het lijk van Marten Harpertzen Tromp uitroepen: „Ware
-ik vóór u gestorven!” hij wist niet, wat hij zeide; de kweekeling was
-bestemd den meester te overtreffen.—Vergeefs alzoo, vergeefs het in
-budgetten of reglementen, vergeefs het in geld of manschappen, vergeefs
-het in schepen of scheepsvolk gezocht;—de natie moet herboren worden,
-zoo onze zeemacht herrijzen zal. Want de zeemacht is de zenuw van den
-Staat, die met het lichaam der natie leeft of sterft.
-
-Maar hoe zal die wedergeboorte plaats grijpen? Wie zal een nieuwen
-geest in ons volk doen varen? Wie zal het krachtelooze lichaam tot een
-verjongd leven opwekken?
-
-Een ieder beantwoorde deze vraag, gelijk hij best kan. Mijn antwoord
-zal door menigeen met schouderophalen, door sommigen met spot
-beantwoord worden.—Het zij zoo! Ik heb geen beter te geven.
-
-Michiel adriaanszoon de ruiter! Het Vaderland, in bedevaart rondom uw
-standbeeld vergaderd, komt tot u om u raad te vragen, gelijk de oude
-volken het orakel van den god, wiens tempel en beeld zij bezochten.
-Welaan, wij vragen:
-
-Welk is het geheim van uwe en uwer tijdgenooten grootheid, waardoor ook
-wij wederom tot vorigen roem en bloei kunnen geraken?
-
-Zal hij antwoorden? Hij doe het dan met dat woord, dat, bij den slag
-van Schoonefeld gesproken, als zijne altoosdurende leuze beroemd werd:
-
-„Niet op onse maght, maar op Gods almaghtigen arm.”
-
-Wilt gij eene proeve nemen? Doet gelijk ik gedaan heb in de dagen van
-het De-Ruiters-feest: leest—neen, weest gerust, geen verhandelingen,
-geen vertoogen, geen verzen; maar leest eenvoudig Het Leven en Bedrijf
-van den Heere Michiel de Ruyter, beschreven door Gerardt brandt. Hoort
-daar den held zelven spreken! En hem niet alleen, hoort ook ’s Lands
-Staten! hoort het geheele volk! Hoort den toon van vroomheid—maar neen!
-het woord vroomheid was toen nog één met dapperheid—hoort den toon van
-godsvrucht, waarop het geheele verkeer van den held met zijn volk, van
-den Staat met zijn dienaar, van de Overheid met hare onderdanen gestemd
-is. Waant daaronder, even als ik, in eene andere wereld te leven, eene
-andere taal te hooren, een ander volk te leeren kennen. En vraagt dan
-nog, of het orakel geantwoord heeft!
-
-Neen, ik heb mij bedrogen, en bid, mijn woord terug te mogen nemen. Ook
-niet in den geest der natie woont de kracht eens volks; het woont in de
-gunst en hulp van den Heer der heirscharen, die den geest der natiën
-verheft, en zij worden machtig, die den geest der volken wegneemt, en
-zij vallen. Men ijvere zoo veel men wil tegen de benaming van God van
-Nederland: wij willen om geen namen twisten. Maar wat wij ons niet
-laten ontnemen, het is het geloof aan een natuurlijk en noodzakelijk
-verband tusschen de dienst en den zegen van den God van hemel en aarde.
-Al leerde ik dit niet uit den bijbel, ik zou het uit de geschiedenis
-des Vaderlands leeren.
-
-Eere dus aan allen, die in deze dagen verlangden, dat men de Ruiter een
-beter gedenkteeken dan van metaal en steen zou oprichten in den
-verjongden bloei van ’s Lands zeemacht! Eere aan de bedoeling, die de
-stoffelijke middelen daartoe zocht aan te wijzen! Maar wij voor ons,
-die geene geschiedenis verstaan, dan gelijk Bossuet haar schrijft, als
-de geschiedenis der Voorzienigheid,—wij voeren eene andere leuze; het
-is die, welke onze provincie op hare munten voert: Deus fortitudo et
-spes nostra. God onze sterkte en onze hope!
-
-
-
-
-
-
-
-
-NEDERLANDSCHE TYPEN.
-
-
-I.
-
-DE ZEEUWSCHE ARBEIDER.
-
-
-Alle menschen moeten arbeiden. Ongelukkig zij, die in den grooten
-bijenkorf, welken wij wereld noemen, niets uitvoeren, dan als luie
-hommels op den honig te teren, die door de nijvere werkbijen wordt
-zaamgebragt. De billijkheid vordert echter te erkennen, dat in den aard
-van dit arbeiden eenig verschil is. Om een voorbeeld bij te brengen,
-hebt gij, geëerde lezer, die met deze eerste schets uit de
-beeldengalerij der door mij u voor te stellen landgenooten in de hand
-mijn opstel zit te lezen, het op dit oogenblik veel gemakkelijker dan
-ik, toen ik dit opstel schreef; en wederom had ik toen heel wat lichter
-taak dan hij, wiens persoonsbeschrijving ik het genoegen heb u aan te
-bieden. Hij toch behoort tot die klasse van wezens, die men gewoon is,
-in onderscheiding van andere arbeidzame menschen, bij uitnemendheid met
-den naam van Arbeider te noemen. Een schoone eretitel, dien ik u
-uitnoodig wat hooger te plaatsen, dan hij gewoonlijk op onze ranglijst
-voorkomt, waar hij al te verre achter de honoraire kamerheeren, de
-staatsraden in buitengewone dienst, de professoren titulair-honorair,
-en de aspirant-surnumerair-ambtenaars staat. Het is zoo, het voorkomen
-van onzen klant is niet van de schitterendste. De ronde hoed met
-breeden achteropgetoomden rand op de ongekamde en ongescheiden haren,
-zet aan het onbeduidend gezicht niet veel uitdrukking bij. Het
-openhangend blaauwlakensch wambuis met liggende kraag en kort lijf,
-valt vrij slordig om de ongefatsoeneerde leest. De wijde korte broek
-van manchester, met een bevallige onachtzaamheid aan de knie
-losgelaten, zou een vreemdeling nieuwe stof geven tot de spotternijen,
-waaraan wij arme dutchmen op het punt van dit kleedingstuk ten prijs
-staan. En ofschoon de beenen, met gladde kousen bekleed en in
-gestreepte slopkousen gestoken, het zwierigste gedeelte van zijne
-uitrusting uitmaken, leeft de man op zulk een grooten voet en is op
-zulk een lompe leest geschoeid, dat ook zijn voetstuk in de
-veroordeeling van het geheele standbeeld moet deelen. Maar welk is ook
-het opschrift, dat op dat voetstuk te lezen staat? Het drukt in groote
-letters het woord: Arbeider! uit. Arbeider! dat spreekt uit het geheele
-voorkomen en de houding van dezen plompen kinkel; dat spreekt uit dat
-sterkgespierd gelaat met de forsche jukbeenderen, hetwelk in zijn
-stompheid ijver en volharding uitdrukt; dat spreekt uit die vierkante
-schouders, die zelfs in dezen ingetrokken stand stierenkracht verraden;
-dat spreekt uit die geheele stroeve gestalte, die uit hout schijnt
-gehouwen te zijn. De klant staat nu in rust te kijken: maar als hij
-eens die handen uit de zakken haalt en aan ’t werk slaat, ha, hoe het
-er over zal gaan! Dan zal datzelfde lichaam, dat nu niets dan een logge
-klomp schijnt te wezen, een veerkracht en buigzaamheid ontwikkelen,
-waarvan wij met al onze gymnastische oefeningen geen denkbeeld hebben.
-Men moet geen eend op het land, en geen arbeider op de wandeling zien.
-
-Ik bespreek evenwel voor den borst uwe achting niet alleen op zijn
-titel als Arbeider, schoon hij er meê zou kunnen volstaan. Ik eisch die
-vooral op grond van zijn karakter en zeden. Het blijkt wel, dat
-arbeiden onze bestemming is, daar het den mensch zoowel naar lichaam
-als naar ziel zoo gezond maakt. Zie dezen man; hij mist vijf en
-zeventig van de honderd ondeugden, waaraan wij schuldig staan. Op dat
-ronde gelaat staan eerlijkheid en trouw te lezen. Onder dat lomp stuk
-vilt broeit geen vonk van eerzucht. Schoon het woord Arbeider den zin
-heeft van Arbeider voor een ander, op eens anders land en voor eens
-anders voordeel! weet hij niet wat het is, iemand te benijden. Zijn
-wenschen strekken juist zoo ver als zijne stulp, dertig voet in ’t
-vierkant. Achter dat grove wambuis klopt een grof bewerktuigd, maar
-gezond hart met warm bloed en gelijke rustige slagen. Schoon de
-weggestoken vuist een geducht wapen is, is het een eerlijk wapen, dat
-nooit dan in een billijken strijd getrokken wordt. Die groote lompe
-voeten zullen geen worm vertreden, als zij het mijden kunnen. Het
-geheele ronde voorkomen van den flinkert is een verpersoonlijking van
-het spreekwoord van zijn land; goed rond, goed Zeeuwsch.
-
-Welnu, wat dunkt u? Zou onze held, indien hij slechts eenigzins aan de
-gegeven karakterschets gelijkt,—en tot bevestiging daarvan, durf ik mij
-op ieder, die den nijveren Zeeuwschen en den geheelen vaderlandschen
-arbeidersstand eenigzins van nabij kent, beroepen—zou hij dan niet
-verdienen, een sport of wat hooger in onze schatting te staan, dan de
-ladder der maatschappelijke inrichting hem aanwijst? Laat het zijn, dat
-hij tot de voeten van het maatschappelijk lichaam behoort, het zijn
-toch de voeten, die het lichaam dragen. Hebben wij, beschaafden, de eer
-van daarin de plaats der fijnere zenuwen te vervullen, vergeten wij
-niet, dat de spieren het in beweging brengen. Zijn wij er trotsch op,
-dat wij als kleurige klaprozen en gesternde korenbloemen tusschen het
-graan in staan, houden wij onder het oog, dat het de eenvoudige
-eenkleurige halm is, die het gezegend voedsel onzes dagelijkschen
-onderhouds bevat. Er is meer! In den nederigen boeren- en
-arbeidersstand, van de besmetting van vreemde zeden vrijgebleven, wordt
-het degelijk oud-vaderlandsch karakter nog bewaard. Daar worden de
-voorouderlijke zeden nog in stand gehouden. Daar prijkt vader Cats noch
-naast den eerwaardigen huisbijbel. Daarheen moeten wij onze toevlucht
-nemen, om de plaatselijke eigenaardigheden van ons taaleigen op te
-sporen. En dat ook de aloude dapperheid, die aan de De Ruiters,
-Evertsens en Bankerts, als vlootvoogden uit deze zelfde streken, mannen
-leverde om hunne groote daden mede uit te voeren, nog niet onder hen is
-uitgestorven; bleek het niet treffend in den laatsten veldtocht, toen
-onze plattelandsschutterijen, door hunne kloeke onversaagdheid, den
-vijand zulk eenen schrik wisten in te boezemen, dat onze vreedzame
-Zeeuwsche en Friesche boeren voor krijgshaftige Pruissen werden
-uitgemaakt? Indedaad indien men den meer en meer afslijtenden stempel
-van ons volkskarakter naar de oude munt vernieuwen wilde, zou men, even
-als tot gaafbewaarde legpenningen, tot den nederigen boeren- en
-arbeidersstand zijne toevlucht moeten nemen.
-
-Doch het behoort onder de voorrechten van dezen stand, dat hij van
-zulke wenschen en zorgen niets weet. Onze arbeider althans leidt zijn
-eentoonig en onafgewisseld leven met onveranderde tevredenheid. Schoon
-wij hem niet kunnen aanzien zonder een onwillekeurig gevoel van
-medelijden over zijn zwaren arbeid en armoedig bestaan in ons te voelen
-opkomen, verzeker ik u, dat hij ons daarvoor niet bedanken, maar van al
-ons beklag niets begrijpen zou. En waarlijk er is geen reden toe. De
-man heeft alles wat hij wenscht. Zijn klok staat aan den hemel: hij
-gaat met de zon te werk en te bed. Zijn tanden zijn hard genoeg voor
-het hardste roggebrood, en zijn vochten weten niets van het schadelijke
-van een onmatig gebruik van spek. Zijn harde matras schijnt met
-slaapbollen gevuld. Hij heeft alle dagen een lekker gastmaal:
-aardappelen, door zijn eigen hand geteeld, met een heerlijke saus
-overgoten, die honger heet, en een groot feest: rust na arbeid. Buiten
-deze dagelijksche feesten heeft hij nog des zondags de wandelingen naar
-het nabijgelegen stadje, dat gij over ’t water ziet, met een aardig
-boerinnetje aan zijn zijde. En als het kermis is en hij met zijne
-uitverkorene voor de vedel staat, dan zou hij niet willen gelooven, dat
-het mogelijk is grooter pret in de wereld te smaken. En misschien is
-het ook niet mogelijk! Zoo leeft dan de arbeider jaar in jaar uit, even
-gelukkig en tevreden, en zou ons uitlachen, als hij wist, dat wij
-zooveel moeite nemen om hem te beschrijven [6].
-
-
-
-
-
-
-
-
-II.
-
-DE ROTTERDAMSCHE SLEPER.
-
-
-Al wie te Rotterdam bekend is, weet dat er geen nijverder, arbeidzamer
-en onvermoeider menschen te vinden zijn, dan die tot de klasse van het
-sjouwersvolk aldaar behooren. Te Rotterdam is alles met een geest van
-bezigheid en drokte bezield; de geheele stad is een nest van nijvere
-mieren, een korf van rustelooze werkbijen; het is of de pols van die
-stad eenige slagen sneller klopt, dan die van alle andere Hollandsche
-steden. Maar van al wat, om met vader Vondel te spreken, daar
-
-
- Zorgt en waakt en slaaft en ploegt en zwoegt en zweet,
-
-
-is zeker de sleper de eigenaardigste uitdrukking.
-
-De Rotterdamsche sleper is van den voerman der Amsterdamsche
-sleepkoetsjes hemelsbreed onderscheiden. Zijn slede bestaat uit niets
-anders dan uit twee balken met ijzeren beugels aan elkaar verbonden:
-een voertuig, dat door zijn eenvoudigheid van samenstelling aan de
-gouden eeuw zou doen denken, als sleper en paard niet zoo duidelijk in
-de ijzeren t’huis hoorden. Zijn passagiers zijn dan ook alles behalve
-stijve neepjesmutsen en jichtige bloemkoolpruiken, maar vaten tabak,
-balen katoen, kisten thee en dergelijke, die tegen een stootje kunnen.
-Zoo verschilt ook bij beide het middel om de baan voor de slede
-glibberig te maken, want daarin komen zij overeen, dat ze, in een
-onfiguurlijken zin, graag een gladde baan voor zich hebben. In plaats
-van den onoogelijken vetlap van den Amsterdamschen sledevoerder, heeft
-de Rotterdamsche sleper vóór op zijn slede een gevuld watervaatje, dat
-uit de daarin geboorde gaatjes, even als een dolfijn uit zijn
-neusgaten, onophoudelijk water opspuit. Jammer maar, dat die springende
-waterwerken aardiger zijn om te zien, dan aangenaam in de gevolgen die
-zij nalaten. Doch daarnaar ziet de sleper niet om. Want zijn leus is de
-spreuk der voormalige Unie-orde: Doe wel en—zie niet om.
-
-Zie hem, daar hij met slede en paard door het dichtst gewoel
-heendringt; men zou hem bijna voor een automaat houden, met zulk een
-afgemeten kalmte vervolgt hij, door alles heen en onder alles door,
-zijn weg. Zijn oog wordt door niets van zijn last en lastdier
-afgetrokken: zijn voet wordt door niets opgehouden: zijn hand laat den
-teugel geen oogenblik glippen. Komt hem een rijtuig tegen, hij wijkt
-met een zwaai ter zijde: staat hem een voetganger in den weg, hij
-schuift hem zonder op- of omzien aan een kant: scherp en op een haar
-mijdt hij al de hinderpalen, die hij op zijn weg ontmoet: het spoor van
-het watervat op zijn slede vormt een reusachtige slang, die zich in
-allerlei bochten door het dichtst gedrang slingert zonder vertrapt te
-worden. Als gij op het gezicht af meenen zoudt, dat het onmogelijk ware
-door de volksmassa heen te breken, en in zijn plaats moedeloos zoudt
-blijven staan, waagt hij zich met kalmen moed, even als een held op het
-slagveld, in het dichtst van het gewoel. Langzaam maar zeker gaat hij
-voort, tot dat hij de plaats van zijn bestemming bereikt heeft. Een
-leerzaam beeld! Ik noodig u uit, er eens op na te denken.
-
-De stille, werkzame gang nu, dien gij den sleper langs de straat ziet
-gaan, kenmerkt den geheelen man in zijn gang op den weg des levens.
-IJver, eerlijkheid en trouw maken de grondtrekken van zijn karakter
-uit. In den vroegen morgen, als in de hoogte alles nog rust, rijst hij
-van zijn strooleger en haalt zijn Rosinant van stal. Zeker is het geen
-fraaie vertooning, als beide tot hun morgenrid uittrekken. Het arme
-dier is oud en mager: zijn hals is naar de aarde gekromd: zijn manen en
-staart zijn door baldadige handen deerlijk geplunderd: zijn beenen zijn
-vol spatten en gallen: zijn borst ligt aan beide zijden open. Niet veel
-aanzienlijker is het voorkomen van zijn meester. Ook zijn rug is door
-den zwaren arbeid kromgebogen: zijn sterk geteekende gelaatstrekken
-zijn met diepe voren van zorg en kommer doorgroefd: zijn kleed draagt
-de sporen van schamelheid: en al is zijn linnen voorschoot wit en
-helder, het gebrek kijkt door zijn gelapten elleboog. Aldus uitgerust,
-begeven zij zich samen aan hun dagwerk. Dat werk is eerlijk tusschen
-beide verdeeld. Terwijl de meester het vat uit het schip op de slede
-laadt, of van de slede in het pakhuis sjouwt, rust Rosinant: terwijl
-Rosinant de vracht trekt, heeft de meester de lichter taak van de
-teugels te houden. Er heerscht dan ook tusschen hen een vertrouwelijke
-gemeenzaamheid, als zelden tusschen mensch en dier plaats heeft. Meen
-niet, dat het aan die vriendschap kwaad doet, dat gij den meester
-onophoudelijk de zweep gebruiken ziet. Want zonder dat zou Rosinant
-niet begrijpen, dat hij voort moest: hij is op dit punt even als een
-doove, voor wien schreeuwen praten is: slaag te krijgen is hem even zoo
-gewoon en natuurlijk, als geleid en gestuurd te worden. Indien een lid
-van de Londensche Maatschappij tegen het mishandelen van dieren er zich
-uit barmhartigheid meê moeien wilde, zou hij in staat zijn, even als de
-vrouw in het verhaal, koel te vragen: „Waar moeit gij u mede? Als ik nu
-geslagen wil zijn?”—De hand, die de zweep voert, heeft dan ook met het
-hart van den sleper niets gemeens. Want dat klopt van vriendschap voor
-den deelgenoot zijner ellende, voor den bezorger van nooddruft, voor
-zijn eenigen vriend en weldoener op de wereld. Hij deelt met hem het
-stroo, waar hij op slaapt, het brood dat hij eet: hij deelt met hem
-zelfs zijn vermaken en uitspanningen. Daarvan is mij eens een klucht
-verteld, die ik geef, zoo als ze mij is meêgedeeld.
-
-Een sleper had eens een buitengewoon voordeelige week gehad, zoodat hij
-dacht voor deze maal ’s zondags een kleine uitspanning te mogen nemen.
-Hij besloot dus met zijn vrouw en kinderen aan de Zwet een kruik bier
-te gaan drinken.
-
-„Maar dan gaan we met rijtuig,” zei de vrouw, „en huren een knappen
-wagen met een paard.”
-
-„Een wagen,” hervatte de sleper, „dat kan gaan: maar geen paard;
-niemand zal ons trekken dan bruintje! Of denkt gij dat ik ondankbaar
-genoeg zou zijn om hem, die alles verdiend heeft, bij het verteren der
-verdienste, t’huis te laten?”
-
-In goeden ernst, een sleper en zijn paard zijn twee natuurlijke
-vrienden, door den sterksten band, dien der gewoonte en behoefte, aan
-elkander verbonden. Die band wordt dan ook alleen door den dood
-geslaakt. Of het paard valt voor de slede neêr, of de sleper wordt
-achter de slede weggerukt. Dan vinden beide rust onder de aarde, waarop
-zij zoo lang gezwoegd hebben. Dan hebben zij den zwaarsten van alle
-lasten, den last des levens, t’huis gebracht!
-
-
-
-
-
-
-
-
-III.
-
-DE STRAATJONGEN.
-
-
-Geen woord is er in de taal, dat den persoon, dien het moet aanduiden,
-beter schildert dan het woord: straatjongen. Want indedaad is dit soort
-van wezens één met de straat, waarnaar zij heeten, en, indien ik het
-gelooven mocht, gaarne zou ik mij laten wijs maken, dat zij, even als
-de menschen van Deucalion en Pyrrha, uit de steenen zelve geboren zijn.
-Dit is zeker: plaveit een straat, terstond groeien er de straatjongens
-van zelf op. Waar zij van daan komen, is onverklaarbaar. Van ’s morgens
-vroeg, dat de klapperluî naar huis gaan, en de bakkers hun deur openen,
-tot ’s avonds laat, als de taptoe slaat en de herbergen sluiten,
-belegeren zij de straten, als vliegen de boterton. Zelfs zou ik in
-verzoeking kunnen komen te denken, dat zij, even als de straathonden,
-van de opbrengst der straat leven, zoo getrouw vindt men ze op alle
-uren van den dag op hun post zonder ze ooit te missen. Een andere
-geheimzinnige hoedanigheid bezitten zij in een soort van halve
-alwetendheid omtrent al wat er in de stad gebeurt. Het is wonderlijk.
-Op het ééne oogenblik zijn de straten en de straatjongens in rust; even
-als een geordend leger schijnen zij hun benden evenredig door de stad
-verdeeld en alle posten behoorlijk bezet te hebben; maar ziet! daar
-komt een oploop, een kleine nietsbeduidende oploop, aan den uitersten
-uithoek der stad, en, eer gij omziet, is er een gansch heir van
-straatjongens bijeen; de policie is er gauw bij, heel gauw: maar de
-straatjongens altijd nog veel gauwer. Zij schijnen onder elkander een
-soort van electrische telegraaf te hebben, waarmede ze malkaâr op de
-hoogte houden van al wat er omgaat. Nu moet ik erkennen, dat dan ook
-hunne voorzorgen met het grootste beleid genomen zijn. Op alle
-belangrijke punten hebben zij hunne gecommitteerden. Buiten de poorten
-der stad, aan alle schuitenveren staan er op de wacht: in de poorten
-zelve wedijveren zij met de kommiezen in nieuwsgierigheid en
-beleefdheid: binnen de poorten is er geen bureau van diligences, of zij
-staan er naast de verversch-paarden de aankomst van den nieuwen wagen
-te verbeiden. Voor het stadhuis, voor de hoofdwacht, voor het
-gevangenhuis, voor de komedie, voor alle publieke gebouwen in één woord
-worden zij vertegenwoordigd. Zij spreiden zich over de stad uit als een
-groot spinneweb, waaraan geen vlieg ontkomen kan. Hierbij komt nog, dat
-zij in hun weetgierige onderzoekingen door een groote vrijmoedigheid
-geholpen worden. Zien zij iets dat hun aandacht trekt, of hetwelk zij
-vermoeden dat belangrijk worden kan, terstond nemen zij de vrijheid er
-zich bij te voegen en den draad te volgen tot aan het kluwen. Achter
-ieder rijtuig, dat in de stad komt, kiezen zij zich een plaatsje: elken
-vreemdeling, waaraan zij iets bijzonders zien, geven zij zich de moeite
-van te volgen: ja, met alle reizigers beginnen zij een praatje: „heeft
-mijnheer wat te dragen? wil ik mijnheer den weg wijzen? waar moet
-mijnheer wezen?”—Maar van daar dan ook, dat zij van al wat er gebeurt
-honderdmaal beter onderricht zijn dan de openbare nieuwsbladen en de
-geheime policie: van daar dat er niets in de stad plaats kan hebben, of
-zij nemen er deel aan. Bij alle parades inspecteeren zij mede: met alle
-wachten trekken zij op: alle taptoe’s accompagneeren zij met hun
-klompen: bij alle plechtige receptiën gaan zij met de boden vóór het
-stadsbestuur uit: alle volksoploopen vereeren zij met hunne
-tegenwoordigheid: iederen dief die opgebracht wordt strekken zij tot
-eerewacht: ja, zelfs de dooden bewijzen zij de laatste eere en
-vertiendubbelen als ongenoodigden den stoet der noodigers en
-genoodigden ter begrafenis. Iedere Janklaassen-kast, iedere paillas,
-iedere goochelaar, iedere koordedanser, iedere kunstenmaker, kortom
-alles wat, naar den trant der ouden, zijn vertooningen in de open lucht
-geeft kan op hun bijzijn en belangstelling rekenen: op het hooren van
-een enkel trompetgetoet, van een enkelen trommelslag, snellen zij als
-een eenig man aan en verhoogen door hun gewoel en gejoel de algemeene
-levendigheid en vreugde.
-
-Vraag mij niet, hoe de straatjongen gekleed is. Vraag mij liever, hoe
-hij niet gekleed is. Alle stoffaadjes, alle kostumen, alle modes treft
-gij bij hem aan. Van het afgedragen ronde buisje van den jongenheer van
-den burgemeester tot den versleten kuitendekker van den president van
-’t oudenmannenhuis, van het fijne kasimiren vest tot den ongeschoren
-duffel, van de engelsch-leêren pantalon tot den pikbroek vindt gij om
-zijn lijf hangen. Hij heeft slechts één zwak, niets van het geen hij
-aan heeft moet heel zijn. Een echte straatjongen moet even zoo als de
-straat, waarop hij leeft, vol gaten wezen. Ja, het schijnt, of hij
-zelfs naijverig is om de kleur van de straat te dragen; want een vuil
-grijs in zijn geliefkoosd verfje. Voor al wat tot versiering dient,
-heeft hij weinig over; maar zoo hij voor iets gevoelig is, het is voor
-het een of andere militair onderscheidingsteeken, vooral is hij dol op
-een oude politiemuts, of een koperen uniformknoop met het nommer van de
-afdeeling. Zijn klompen, die hem in geval van nood tot knods, of ook
-wel tot werptuig dienen, laten gewoonlijk onder het loopen zijn naakten
-voetzool zien, tot dat zij, geheel uit elkander vallende, in een
-schuitje hervormd worden.
-
-Doch waren de straatjongens maar enkel slordig, als ze er ook niet
-ondeugend bij waren! Doch ondeugendheid behoort tot het karakter van
-een straatjongen, gelijk moed tot het karakter van een soldaat. Zij
-zijn de kaboutermannetjes en kwelduivels van de openbare wegen. Alles
-wekt hun spotzucht op: alles verleidt hen tot kwaaddoen: zij kunnen kip
-noch kraai met rust laten. De meiden trekken zij de muts af: de
-kinderen loopen zij omver: de kreupelen en mismaakten apen zij na: de
-honden trekken zij bij de ooren: de paarden dunnen zij de staart: het
-slachtvee verbitteren zij hun jongste oogenblik: zij steken hun vingers
-in de emmers der melkmeiden: zij likken met hun tong aan de suikervaten
-der kruideniers: en, als de appelenvrouw omziet, halen zij haar den
-mooisten belle-fleur van den hoop weg en loopen er mede heen. Nog erger
-maken zij het in den winter. Veel vroeger bij de hand dan de mannen van
-de zandschop, haasten zij zich aan alle bruggen en sluizen een
-sullebaantje klaar te hebben, eer hun die pret belet wordt, en hebben
-vervolgens een ondeugend genoegen, als zij daarover groot en klein,
-jeugd en ouderdom, bedaard en driftig, deugd en ondeugd zien vallen. Of
-ze leveren elkander een sneeuwballengevecht, maar dat alleen voor de
-leus dient om, als bij ongeluk, de vreedzame voorbijgangers te
-bepoeieren. Zoo zijn de straatjongens in waarheid straatplagen.
-
-En toch is met dit alles de straatjongen niet wezenlijk kwaadaardig. Er
-is bij hem, even als bij kleine honden met wie hij het rijk deelt, in
-zijn keffen en bijten meer dartelheid, dan boos opzet. Nooit ziet men
-een straatjongen zakkenrollen, of stelen, of met steenen werpen, of
-zich aan dergelijke laagheden schuldig maken. Integendeel kenmerkt hij
-zich onder zijn kameraden, bij geschillen als anderzins, door een geest
-van dapperheid en edelmoedigheid. Het woord portuur is van zijn
-maaksel. Menige knaap, die zijn straatjongenstijd behoorlijk heeft
-uitgediend, wordt naderhand een knap burger. Ja, laat het ons bekennen.
-Wij allen zijn min of meer straatjongens geweest. Er is iets van den
-straatjongen in iederen knaap, die een „Hollandsche jongen” is. Houden
-wij dat in gedachten, dan voelen wij meer medelijden dan onwil bij het
-zien van den straatjongen.
-
-
-
-
-
-
-
-
-IV.
-
-HET MELKMEISJE.
-
-
-Meestal, wanneer gij des morgens vóór dag en vóór dauw de stad verlaat
-en naar buiten gaat, zult gij op uwen weg iemand ontmoeten, die u met
-een vriendelijke stem: Goeden morgen! wenscht.
-
-Die iemand is een meisje, en dat meisje is een melkmeisje.
-
-Onwillekeurig blijft uw oog op het lieve kind rusten. Ja, zoo gij niet
-al te grootsch of al te stijf zijt, knoopt gij een praatje met haar
-aan, tot aan het hek van de wei, waar zij wezen moet.
-
-Gedurende dien tijd hebt ge overvloedige gelegenheid haar op te nemen.
-
-Wat ziet zij er frisch uit, niet waar? Als melk en bloed, een rechte
-Galathea, zoo als de Ouden haars gelijken schilderachtig noemden. Dat
-komt omdat de tocht, dien zij doet, haar zoo ongewoon niet is als u.
-Zoo vroeg als gij nu, is zij elken morgen op de been en in de lucht, en
-dankt aan de rozen van den dageraad het blosje, dat op hare wangen
-bloeit. Het is waar, Aurora heeft wel eens op fijner paneel
-geschilderd: haar huid is zoo eêl niet als die van uwe lelies uit de
-stad; maar het zou haar ook niet lijken, zulk een wassen pop te wezen.
-Eilieve, til eens even aan haar juk! Wat dunkt u? Tien tegen één, dat
-gij ’t haar zoo vlug niet nadraagt. Het zou haar dus slecht te pas
-komen, zoo zij niet wat grover en sterker dan uw steedsch
-kraakporselein ware. Zoo moet gij er u ook niet aan ergeren, al zijn
-haar handen wat ruw of rood van kleur. Kijk liever eens naar de koperen
-emmers. Of ze blinken, niet waar? Welnu; dat hebben die handen zoo
-blank geschuurd. Erger u dan nog, dat ze niet witter zien! Maar wat bij
-het melkmeisje zoo blank is, als bij de blankste van haar geslacht, het
-is het gemoed, dat in dat grove omkleedsel schuilt. Dat is zoo blank
-als de zuivel, waarnaar zij heet. Zie haar aan! onschuld en reinheid
-blinken uit de heldere duivenoogen. Schoon verre van de idealische
-herderin van Theocritus of Geszner te zijn, heeft zij echter op het
-land en onder hare kudden iets van den eenvoud en de onnoozelheid der
-gouden herderseeuw behouden.
-
-Zonder begrip of vermoeden te hebben van hetgeen wij over haar spreken,
-is de deern intusschen aan de bestemde weide gekomen. Dat hebt gij
-reeds kunnen merken aan het geblaat van haar koetjes, die haar met
-vollen uier staan te verbeiden, om hoe eer hoe beter van haar last
-bevrijd te worden. Zij komen haar te gemoeten vrijen om de eerste te
-zijn. Maar neen! zij heeft haar lieveling.—ja waarlijk, Mejufvrouw!—zij
-heeft haar lieveling onder die groote, leelijke beesten; haar
-uitverkorene, haar zwart- of wit- bont, haar Brunon of Nera; deze komt
-dus eerst aan de beurt, en krijgt misschien nog een kleine
-versnapering, een lekker stukje lijnkoek of een nap vol warme melk toe.
-
-Doch wij hebben geen tijd te blijven staan totdat zij geheel afgemelkt
-heeft.
-
-Maar let op! terwijl gij eenige uren later door de stad gaat, daar ziet
-gij haar op eens weêr. Zij is nu bezig de melk rond te brengen, die gij
-haar in den vroegen morgen hebt zien inzamelen. Met denzelfden vluggen,
-luchtigen tred stapt zij door de drokke straten. Gij kunt aan haar
-houding niet eens merken, of haar emmers vol of ledig zijn. Zelfs heeft
-zij een bijzonderen slag om met haar breed juk door de menigte te
-glippen, zonder met de slingerende emmers iemand te raken.
-
-Zoo stapt zij de eene stoep af, de andere op. Het ongelukkigste voor
-haar is, dat zij onder het harde verband ligt om overal aan de huizen
-twee, drie en viermaal te schellen, dat is met andere woorden aan de
-meiden te zeggen: „het is de melkmeid maar! gij kunt dus twee, drie, of
-viermaal zoo lang wachten als anders! dat is: zeer lang.” Maar dat
-oponthoud schijnt haar zoo boos niet te maken als het u en mij zou
-doen. Want, zie! als de meid eindelijk komt, heeft zij een lachje voor
-haar gereed, waarmede zij bij ’t overnemen van de kan vraagt:
-
-„Hoeveel, vrijster?”
-
-Daarop duikelt haar nap eenige malen in het blanke nat, waartegen de
-roode hand helder afsteekt, waarmede zij vervolgens de kan, netjes
-afgewischt, met een handigen zwaai weder overgeeft.
-
-Na die beweging raakt die hand van zelf in de zijde, en nu? Ja, nu moet
-er een oogenblikje—een kort oogenblikje maar—voor een praatje af.
-
-Het zou onbescheiden zijn, dat praatje te beluisteren. Maar dit
-verzeker ik u, dat ik voor u en voor mij wilde, dat er nooit
-onstichtelijker praatjes aan onze deuren gehouden werden.
-
-Een twee, drie! met gelijkmatige tempo’s, even als een soldaat zijn
-geweer, heeft intusschen het melkmeisje haar emmer dicht geslagen, het
-hengsel aangehaakt, en haar juk weder opgepakt, en vervolgt met een
-vroolijk gezicht en een luchtigen tred haren weg. Dat gezicht behoudt
-zij onder alle weêr en wind. De zon, al schijnt zij wat fel, hindert
-haar niet: de koude, al blaast zij wat scherp, is niet in staat het
-lachje om haar mond te bevriezen: de regen—maar foei! zij zeggen, dat
-ze juist daarvan het meest houden zou, en er met opzet het deksel van
-haar emmers voor openzetten! Doch dat wil ik niet gelooven. Zoo gaat
-dan het lieve kind onder zoo veel woelens en zorgens onbezorgd en
-onbekommerd daar heen. Ja, haar rust zou geheel ongestoord blijven,
-zonder den overlast van de jonge honden, die van haar melk snoepen, van
-de jonge knapen, die de vingers in haar emmer steken, en de jonge
-heeren, die haar in ’t voorbijgaan onder de kin strijken.
-
-Meen evenwel niet, dat haar leven, hoe rustig ook, altijd even
-eentoonig is. Dat kunt gij nu en dan op den zondag eens anders zien.
-Dan ziet gij haar weder in de stad, maar nu zoo mooi, zoo mooi en
-zwierig gekleed, dat gij haar bijkans niet herkennen zoudt. Onder het
-eigenaardige boerinnenhoedje blinkt het gouden ijzer om de glimmende
-wangen: het roode jak valt laag over een blauw damasten rok, van voren
-bedekt door een zwartzijden boezelaar: de voet, met sneeuwwitte kousjes
-bekleed, steekt in fluweelen schoenen. Om den hals spant een snoer van
-monsterachtige bloedkralen, waarmede de groote boot in den gouden
-vingerring spreekt. Maar het mooiste van alles heeft zij aan haar
-zijde—in een vrijer, een helderen, frisschen boerenknaap, insgelijks op
-zijn zondags opgedirkt, met kort lakensch wambuis, fluweelen broek en
-groote zilveren schoengespen. Deze is de Thirsis, die het hart van deze
-Galathea heeft weten te vermurwen. Met paschen zal het tot een huwelijk
-komen. Dan koopt Teunis een knappe boerderij: Maartje, nu vrouw
-geworden, verlaat het juk voor de karn, en houdt op haar beurt
-melkmeisjes.
-
-
-
-
-
-
-
-
-V.
-
-DE HARINGKOOPER.
-
-
-Heden is de eerste haringjager aangekomen, aan boord hebbende zóó- of
-zóóveel vaten haring.
-
-Wanneer deze advertentie in de couranten gelezen wordt, is het feest in
-het vaderland van Willem Beukelszoon. Dan heft men daar het haringlied
-van een vaderlandsch Dichter aan:
-
-
- Triomf! de vreugde stijg’ ten top!
- Hijsch, Holland, vlag en wimpel op,
- En laat den jubelkreet nu daav’ren langs het strand.
- Daar komt de kiel met goud belaân;
- Zij brengt ons d’ eersten haring aan;
- ’t Is feest in Nederland.
-
-
-Daar haalt men braveerend het oude spreekwoord uit den hoek:
-
-
- Haring in ’t land,
- Zieken aan kant.
-
-
-Dan smakken in het zelfde oogenblik honderdduizend smulgrage lippen als
-visschen naar ’t water.
-
-Maar nergens is het grooter feest, dan in het huis van den haringkooper
-zelven. Voor hem begint een nieuw leven. Hoe doodsch was het sedert
-maanden in zijn winkel. Het haringvat stond achteloos en vergeten in
-een hoek. Er was bijna geen vraag naar. De voorgrond werd door
-citroenen en chinaasappelen ingenomen. De gerookte riviervorst bezette
-den troon der gezouten zeekoninkjes. Met wat verlangen zag dus de
-haringkooper naar de aankomst van zijn handelsartikelen uit. Hij is de
-uitgezeilde haringvloot met zijne gedachten gevolgd, als een koning het
-uitgezonden oorlogs-eskader: hij heeft naar weêr en wind uitgezien en
-alle kansen berekend: hij heeft het bericht van elke vangst in een
-memorieboekje aangeteekend: hij heeft zich de aankomst van den jager
-door eene estafette laten berichten. Eindelijk komt de verwachte schat!
-Neen, de haringkooper kan de vreugde, die hem vervult, niet in zijn
-huis besluiten: de geheele stad moet getuige van zijn blijdschap zijn.
-Daar wordt de kroon, die reeds lang te voren klaar gemaakt, met frisch
-groen en goud bekranst, en van binnen met een nieuw opgeschilderde
-houten haring versierd was, naar buiten gebracht en opgehangen. Zie,
-hoe zij in de zon glimt en blinkt. Hoor, hoe zij door den wind bewogen,
-ratelt en klatert. Het is of zij ons met al die gouden tongetjes
-toeroept: Nieuwe haring! Nieuwe haring!
-
-Wat heerscht er nu bij den haringkooper een beweging en drokte! Op de
-advertentie in de couranten geplaatst: „Nieuwe groene haring te bekomen
-bij Van der Zout,” komen van alle kanten brieven en boodschappen aan.
-Hij weet nauwelijks hoe al de liefhebbers te helpen. De eerstelingen
-worden, half in het geheim, aan de beste vrienden (klanten)
-toegestoken. Voor de kleinigheid van een daalder hebben zij ’t genot
-van ’t eerste vischje. Maar welhaast stroomt de haringvloed met
-onbekrompen ruimte. Dan gelijkt de winkel van Van der Zout op een
-pakhuis. Het versche zeebanket wordt, in dozijnen en halve dozijnen
-verdeeld, in grooter en kleiner vaatjes gekuipt. Onder die bezigheid
-komt de eene smulpaap voor, de andere na, eens hooren. „wat hij kost,”
-om naar gelang daarvan bestellingen te doen. De nieuwe haringtijd is
-het Sinterklaasfeest der groote menschen. Hij is ook daarin aan het
-kinderfeest gelijk, dat hij de tijd van allerlei verrassingen is. Papa,
-die weet, dat moeder veel van een versch haringje houdt, loopt, van de
-societeit naar huis gaande, even bij Van der Zout aan en fluistert hem
-iets in het oor, waarop hij lachende ja! knikt. Een oogenblik later
-komt een jonge klerk binnen, en geeft den naam van zijn patroon op, met
-verzoek om aan dat adres een half dozijntje te bezorgen. Intusschen
-staat eene dame met ongeduld te wachten en roept, zoodra zij aan de
-beurt komt, met een vleiend stemmetje: „Van der Zout! zes aan de
-kostschool, je weet wel.” En terwijl zij de deur uitgaat, wordt zij
-tegen het lijf geloopen door een langen jongen heer, die gewichtige
-geheimen met Van der Zout schijnt te hebben, daar hij, na eenigen tijd
-zacht met hem gesproken te hebben, met een blos op het gezicht
-heengaat, nog wel twee, driemalen herhalende: „je weet niet van wien ze
-komen, hoor!” waarop deze met een goedhartigen lach antwoordt: „neen,
-mijnheer! ik weet niets!”—Zie, zoo wordt dit zoute vischje in de hand
-der vriendschap, der dankbaarheid en der liefde een zoet geschenk, dat
-voor menigeen zijn hoogsten smaak ontleent van het gevoel, dat het
-schonk. En indien Van der Zout in den nieuwen haringtijd klappen mocht,
-zou het ons blijken, dat de menschen, nog zoo gierig, liefdeloos en
-ondankbaar niet zijn, als sommige zoute haringen onder de menschen ons
-wel zouden willen wijs maken.
-
-Kon ik nu ook zeggen, dat zij ongelijk hebben, die beweren, dat met den
-achteruitgang der haringvisscherij ook eene der mildste bronnen van ’s
-lands welvaart is opgedroogd. Maar, helaas! dat kan ik niet. De dagen
-zijn voorbij, toen het gebed „voor de groote visscherij,” een openbaar
-nationaal volksgebed was. Laten wij ons troosten met andere bronnen van
-voorspoed, die, als ter vergoeding, zooveel rijker vlieten. Vangt men
-minder haringen in de Noordzee, de zilveren vischjes in de Indische zee
-gevangen, zijn nog welkomer. Gods zegen is aan geen tak van handel of
-nijverheid gebonden!
-
-Intusschen verloopt ook met het naderen van den herfst het tij van den
-haringkooper. De haring verhuist van den disch der rijken naar de tafel
-der armen. Rondventers, die het nu niet meer versch banket in de
-schamele buurten rondbrengen, zijn zijne voornaamste klanten. De kroon
-wordt weder in huis gehaald en naar den zolder gebracht. De zalm komt
-weêr op den troon. Van der zout verkoopt weer zure citroenen en zoete
-chinaasappelen. Zoo gaat het in de wereld. Gelukkig wie den vloed zoo
-wèl heeft waargenomen, dat hij de ebbe kan afwachten.
-
-Men kan dezen regel echter overdrijven. Het spijt mij te moeten zeggen,
-dat sommige haringkoopers dat ook schijnen te weten. Ik heb mij eens
-laten influisteren, dat tot de geheimen van het vak een zeker kunstje
-behoort om oude haringen van het vorige jaar als nieuw op te maken. En
-had ik het nog maar alleen van hooren zeggen! Maar ik ben zeker, dat de
-haringlievende lezer mijne treurige ervaring wel eens gedeeld heeft. Ik
-althans heb mij meermalen aan een mootje haring verslikt, dat mij voor
-nieuw werd aangeboden, maar dat even weinig wist, wat er in het laatste
-jaar in de diepte der Noordzee gebeurd was, als ik. Zeker is het een
-verleidelijk kunstje. Bij de komst van den nieuwen haring loopen de
-aanvragen over de hand: de voorraad raakt op: de nood dringt: een greep
-in het vat: een kleine handigheid—en de verjongingskuur is geschied.
-Maar mijn maag komt in den naam van alle kiesche magen tegen zulk eene
-industrie op. Ik weet niet of er in het strafwetboek tegen voorzien is,
-zoo als tegen het zemelbrood en dergelijke. Maar dit weet ik, dat zulke
-bedriegerijen zich zelve straffen. Eerlijk duurt het langst, is een
-spreuk uit den tijd toen de haringhandel in zijn fleur was. En die
-spreuk zal wel waar blijven, zoolang de baren der zee zout zijn en alle
-jaren haar nieuwe schatting leveren aan den eerlijken haringkooper!
-
-
-
-
-
-
-
-
-VI.
-
-DE SCHAATSENRIJDER.
-
-
-Hoe een duimbreed ijzer iemand veranderen kan!
-
-Geen volk ter wereld is ongevoeliger voor den zedelijken invloed van
-het schoeisel op den geheelen mensch, dan de Nederlander. Trek den
-Nederlander dansschoenen aan; gesp hem sporen aan de hielen; rust hem
-uit met jachtstevels; schoei hem met de treurspellaars of den
-blijspelmuil; gij verandert daarmede de man niet. Hij wordt daarom nog
-geen ware danser, ruiter, jager of komediant. Hij blijft een
-Nederlander, die danst, rijdt, jaagt of komedie speelt. Maar geef den
-Nederlander een paar schaatsen onder de voeten—en hij is geen
-Nederlander meer. Hij is schaatsenrijder, zoo geheel schaatsenrijder,
-als ooit een Spanjaard danser, een Engelschman ruiter, of een
-Franschman komediant was. Hij is een man-schaats—un homme patin, zouden
-de Franschen zeggen—geworden. De laarzen van zevenmijlen, die van klein
-Duimpje een Gerrit Langbeen maakten, veranderden den houthakkersknaap
-niet meer, dan de schaats den Nederlander, die haar aandoet. Het
-schijnt eene betoovering, eene spokerij, eene gedaanteverwisseling, als
-uit de metamorfosen van Ovidius.
-
-Nauwelijks raakt de geheele natuur in rust, nauwelijks trekt de aarde
-zich het wollen sneeuwdek over neus en ooren, nauwelijks legt de stroom
-zich in zijn bed te slapen, of de Nederlander wordt wakker, de
-Nederlander ontdooit, de Nederlander verandert in de omgekeerde orde
-van temperament. Hij brandt en kookt, als de Hekla onder de sneeuw.
-Eindelijk is het tijd! Het is waar, het ijs is nog zwak en nauwelijks
-twee guldens dik: men spreekt zelfs van gevaar. Maar daar vraagt de
-schaatsenrijder niet naar. Anders is de Nederlander de voorzichtigste
-der menschen: hij zal zich tienmaal bedenken, eer hij op een schommel,
-vijftigmaal eer hij in een bootje, honderdmaal eer hij in een
-stoomrijtuig stapt. Maar op het ijs is hij een waaghals. Daar
-ontwikkelt hij een moed en vermetelheid, die een gemzenjager zouden
-doen beven. Daar lijkt hij „de logge eend” een meeuw, die met haar
-vleugelen langs het water scheert.
-
-Mij dunkt, men kan het een schaatsenrijder aanzien, waar hij heengaat.
-Niet alleen aan zijne uitrusting, aan den toegeknoopten duffel, aan de
-roode bouffante om den hals, aan het groen geschilderde haakje op den
-schouder, aan de gladgewreven schaatsen in de hand: maar aan zijn
-geheele voorkomen, aan den blos op zijn gezicht, aan den glans van
-zijne oogen, aan zijn luchtigen gang, aan het vuur en ongeduld, die uit
-zijne geheele houding spreken. Zoo komt hij aan de baan. Met van koude
-en drift bevende vingers worden de schaatsen aangebonden. Hij is klaar.
-Een—twee! drie—vier! vijf—zes! Daar drijft hij heen, als een vogel op
-zijn wieken. Even vlug, even licht, even vroolijk. Hij heeft al het
-gemakkelijke van gedragen te worden, met al het aangename van zich
-zelven te dragen. Zijn gevoel is eene benijdenswaardige mengeling van
-bewustheid van kracht en genot van beweging. Zoo lang hij de schaatsen
-onder de voeten heeft, is een schaatsenrijder de gelukkigste der
-menschen.
-
-Maar het is den mensch niet genoeg, gelukkig te wezen. Ook op het ijs
-niet. De schaatsenrijder haakt ook naar bewondering. Van daar dat hij
-spoedig niet meer alleen rijdt om te rijden. Hij wil ook kunstig
-rijden. Hij moet leeren beentje-over te slaan. Hij moet ten minste, als
-een arend, aan beide zijden drie ellen vlucht hebben. Hij moet zijn
-meisjes naam in ’t ijs kunnen snijden. Na eenigen tijd in die school
-geoefend te zijn, en niet zonder van tijd tot tijd duur leergeld
-betaald te hebben, is hij eindelijk de bol van de baan. Welk een
-weelde! Niemand die hem kan bijhouden. Niemand vooral, die in
-zwierigheid van rijden met hem kan wedijveren. Hij beschrijft met zijn
-schaatsen de golvende lijn der schoonheid. Even als een danseres in het
-cirque, geeft hij zich beurtelings schilderachtig aan beide zijden
-over, en beweegt zich met de bevallige krommingen der zwaan. Ieder
-bewondert hem. De heeren benijden hem. De dames zien hem met
-welgevallen na. Overal waar hij komt, gaat er een gemompel van
-toejuiching rondom hem op.
-
-Maar niet ieder begeert die toejuiching. Sommigen kiezen stiller
-genoegens. De liefde op het ijs is een liedje van Tollens, maar het is
-te gelijk een Hollandsch spreekwoord. Nergens is de vrijerij bij ons
-meer t’huis dan op ’t ijs. Wat wonder? Nergens elders geeft de
-gelegenheid meer recht tot onschuldige vrijheden. De minnaar en het
-meisje vormen een paar: zij rijden hand aan hand: misschien draaien zij
-hier of daar een eenzame vliet in en bevinden zich alleen. Als men even
-rusten zal, moet hij haar met zijn arm tegenhouden: als zij valt, vangt
-hij haar aan zijn borst op: hij moet de schaatsen aan het kleine voetje
-aan- en afbinden. Op het ijs is alles zonder erg. De luchtigheid der
-beweging schijnt zich aan de harten mede te deelen. Men vraagt en
-vergunt, wat men op het land niet zou durven nemen of geven. Wat elders
-de jeugd op het dansperk onder de groene boomen vindt, vindt de jeugd
-hier op het ijs. Bij ons is het ijs, als Hooft zou zeggen, de sullebaan
-der liefde.
-
-Anderen evenwel doen aan het ijs weder andere eischen. Zij maken het
-tot een strijdperk. De kastelein kondigt eene hardrijderij aan
-Hardrijderijen zijn voor ons, wat de hardrennerijen te Epsom voor
-Engeland zijn. De meesters bieden zich tot den kamp aan. De overigen
-komen als toeschouwers. De baan wordt gemeten en afgepaald. De strijd
-begint. Vogelvlug ijlen de wedijverende paren langs de baan. Met
-ingehouden adem volgen hen duizend hoofden. Hoe lang de kamp duurt, hoe
-hard de koude nijpt, hoe fel de honger prangt, de deelneming verflauwt
-niet. Eindelijk is de laatste rid gedaan, het vaantje waait, de vlag
-klappert, de muziek klinkt, het hoera gaat op, en de geheele menigte
-stroomt toe om den prijs te zien uitreiken. Somtijds nemen ook
-Atalante’s deel aan dezen strijd, waarin zij gouden appelen rapen, in
-plaats van ze te strooien. Misschien is het om dit verschil, dat die
-vrouwenkamp mij niet bevallen wil. Wie zou het afkeuren, dat een meisje
-op net ijs mede een zedig schaatsje slaat? Maar in de renbaan, om het
-hardst, om het wildst... dit gaat al te ver buiten ons volkskarakter.
-
-Zeker zou ik nu in staat zijn, tegenover dit tafereel een akelig
-tegenstuk van de nadeelen en gevaren van het ijsvermaak op te hangen.
-Gij verstaat mij. Reeds ziet gij in uwe verbeelding gebroken armen,
-bloedige neuzen, blauwe oogen, natte pakken en ontvelde voeten dooreen
-wemelen: misschien ook wel in het verschiet een bleeke gedaante; koud
-als het ijs, waaruit zij werd opgetogen—een bevrozen bloem!... Maar ik
-wil de moeders, die dit lezen geen angst aanjagen, en de jongens, die
-er bij staan, geen ondienst doen. Ik voor mij hoop, dat er in Nederland
-schaatsenrijders zijn mogen, zoo lang er in Nederland ijs zijn zal. Het
-is een gezonde, eigenaardige en nationale uitspanning. En wanneer dan
-de vreemdelingen schimpen, dat wij niet weten wat een fiksche beweging
-is, brengen wij hen op het ijs en laten hen staroogen op onze
-schaatsenrijders.
-
-
-
-
-
-
-
-
-VII.
-
-DE SCHOORSTEENVEGER.
-
-
-Indien gij uw kort begrip van de aardrijkskunde opslaat, dan vindt gij
-in ’t hoofdstuk Italië, onder het opschrift Voortbrengselen:
-
-Granen, rijst, wijn, honing, olie, zijde, citroenen, amandelen,
-oranjeappelen en—schoorsteenvegers.
-
-Arme schoorsteenveger! Hoe ongelukkig staat zijn verachte naam onder al
-die heerlijkheden;—zijn zwarte gestalte tusschen die sneeuwwitte
-bloesems en die goudgele zijde;—zijn rookerig pak tusschen die
-welriekende bloemen en geurige vruchten;—zijn nikkersgedaante tusschen
-die schatten van het paradijs der aarde.
-
-Arme schoorsteenveger! Onder Savoye’s heerlijken hemel stond zijn wieg.
-Italië’s zon ontstak het vuur in de zwarte kolen, die onder zijn
-voorhoofd glinsteren, en de frissche blos, dien het roet niet geheel
-kan doen verdwijnen, is door de stralen van den zuiderhemel op zijn
-gelaat geschilderd. Geuren waren de eerste lucht, welke hij als kind
-inademde, bloemen het bed, waarop hij sluimerde, abrikozen en perziken,
-vijgen en druiven het eerste voedsel, dat hij smaakte. Hij wist niet,
-dat er een Noorden bestond; hij vermoedde nauwelijks, wat koude, wat
-vuur, wat rook was.
-
-Arme schoorsteenveger! De armoede van den vader stiet den twaalfjarigen
-Leonard ter deur uit. Men hing hem een oude mandoline om den hals,
-zette er een marmot op, gaf hem een stuk brood in den zak, en wees hem
-den weg naar het Noorden. Schreiende ging het jongske op weg. Men moest
-hem van zijne ouders losscheuren; men moest hem met geweld
-voortdrijven; het was als voorzag hij, wat hem te wachten stond.—Nooit
-had Leonard gedacht, dat er landen waren, zoo karig door de natuur
-bedeeld, als het vlakke moerassige landje, waar hij eindelijk van zijn
-lange reis uitrustte. Met iederen dag was hij treuriger geworden. Want
-met iederen dag dat hij verder trok, vond hij het minder schoon dan in
-zijn vaderland, en iederen dag werd tevens het verlangen naar dat
-vaderland sterker. Als hij zijn marmotje niet gehad had, zou hij van
-heimwee gestorven zijn.—Zijn vader had hem een brief aan een ouden
-vriend medegegeven, die in Holland het bedrijf van schoorsteenveger
-uitoefende. Op zekeren avond stond hij voor huis waar een bordje
-uitstak, met het opschrift: Gebroeders Leoni, Italiaansche
-schoorsteenvegers en rookverdrijvers. Voor de deur lagen eenige zwarte
-garden, wier onaangenaame reuk Leonard het hoofd onwillekeurig deed
-afwenden. De deur werd geopend. De jongste der Leoni’s ontving hem
-vriendelijk. Hij werd in huis opgenomen. Onder het avondeten werd er in
-het Italiaansch over Italië gesproken. Men sprak in zijn moedertaal
-over zijn vaderland. Leonard was bijna weder gelukkig. ’s Nachts
-droomde hij van Italië en het ouderlijke huis.
-
-Arme schoorsteenveger! Den anderen morgen werden hem zijn lompen
-uitgetrokken, en hij in een grof linnen kleed gestoken met een lossen
-kap over ’t hoofd. Toen hij zich in den spiegel bezag, had hij in zijn
-eigen oogen veel van een monnik uit zijn vaderland. Ook zag hij er in
-het nieuwe pak alleraardigst uit: en een ieder die hem op straat, aan
-de zijde van den oudsten Leoni, op zijn eerste proef zag uitgaan, kon
-de oogen nauwelijks van hem afhouden. Al de meisjes knikten tegen den
-jongen helderen schoorsteenveger.—Maar die vreugd duurde kort. Weinige
-oogenblikken daarna stond hij met zijn meester onder een schoorsteen,
-waarin hij bijna niet zien kon zonder duizelig te worden, zoo hoog was
-de donkere nauwe koker, waardoor ter nauwernood een flauwe straal licht
-viel, even als een omgekeerde diepe put. Lang duurde het, eer hij zijn
-meester begreep. Hij moest met zijn nieuwe pakje den vuilen schoorsteen
-in. Had hij daarvoor leeren klimmen als een eekhorentje? Maar de
-meester was onverbiddelijk. Toen hij beneden kwam, was hij even vuil
-als de schoorsteen zelf. Bij het naar huis gaan zag niemand hem meer
-aan. Nog erger! De jongens bespotteden hem en riepen hem een
-gekscherend: boe! boe! na; de meisjes gingen, zooveel zij konden, voor
-hem uit den weg, en de kinderen begonnen te huilen, als zij hem zagen.
-Hij had ook wel willen huilen.—Het is waar, ’s middags kreeg hij goed
-eten, beter dan hij in langen tijd gehad had: maar het smaakte hem
-bijna niet van de rooklucht, die hij nog altijd in den neus had. Alles,
-wat hij in den mond stak, smaakte naar roet. En dit verwonderde hem
-niet meer, toen hij bemerkte, dat hij zeker in den schoorsteen zijn
-kapje had laten afvallen, want zijn mooi zwart haar zat vol van een dik
-en vetachtig roet, zoodat hij het half moest afsnijden. Het was jammer
-van de mooie lokken, waar ieder zoo’n zin in gehad had.
-
-Arme schoorsteenveger! Wel gewende hij langzamerhand aan de guurheid
-van het land, even als aan de lasten zijner betrekking. Maar toch kon
-hij zijn vaderland niet vergeten. Dikwijls, wanneer hij zijn dagwerk
-had afgedaan, kroop hij naar de vliering, kreeg daar zijn mandoline en
-marmot, die zijn meester hem vergund had te behouden, en speelde nog
-eens een Savoyaardsch deuntje. En dan werd het hem zoo wonderlijk wèl
-en wee om het hart, dat de kop van zijn diertje nat werd van tranen.
-Ook hield hij van niemand in het geheele land half zooveel als van zijn
-marmot. Hij spaarde voor haar de lekkerste beetjes uit zijn mond. Het
-was nu voor hem zijn geheele gezin, zijn vaderland, zijn wereld!—Als
-het maar altijd winter gebleven ware! Doch daar werd het lente. Een
-Noordsche lente. Maar toch, de ontwakende natuur en zijn eigen gestel
-zeide hem, dat het lente werd, lente in zijn vaderland. Dan bruiste hem
-het Italiaansche bloed heftig door de aderen. Dan werd het hem in
-Holland te eng, als een gevangen vogel, die, tegen den verhuistijd van
-zijn geslacht, met den kop tegen de tralies stoot. Dan droomde hij
-elken nacht van Savoye, en voelde de lauwe zuiderzon, en zag de
-bloeiende amandeltakken, en dronk den geur der oranjebloesems, en
-hoorde het gegons der bijen, en ontwaakte op het gezang van den
-nachtegaal.... Maar neen! het was de nachtegaal niet, het was de
-meester, die hem kwam roepen om op te staan: want het was voorjaar! er
-was veel werk aan den winkel. Er moesten met het schoonmaken veel
-schoorsteenen geveegd worden. Daarom moest hij vroeg aan den gang. „De
-lente was de beste tijd voor schoorsteenvegers!” zeide zijn meester.
-
-Arme schoorsteenveger! Zoo duurt het met hem reeds jaren achtereen.
-Maar toch heeft het dus ’t langste met hem geduurd. Hij heeft door
-oppassendheid en spaarzaamheid een klein sommetje bijeengegaard. Nog
-drie jaren, dan is de som rond. Dan verlaat hij Holland en keert naar
-Savoye terug. Dan koopt hij daar een kleinen wijnberg en een huisje. En
-als buurmans Jansje dan nog zoo mooi en lief is als toen hij wegging,
-dan maakt hij haar zijn vrouw. En in hare armen vergeet hij voor altoos
-het leed van den armen schoorsteenveger!
-
-
-
-
-
-
-
-
-VIII.
-
-DE HOFJES-JUFVROUW.
-
-
-Onder de echt-Hollandsche figuren behoort zeker ook die, welke wij
-hierboven hebben zoeken aan te duiden onder den naam van
-Hofjesjufvrouw. Wij bedoelen daarmede eene bewoonster van de vele
-gestichten van dien aard, in ons land aanwezig, welke van de
-waarachtige weldadigheid onzer natie zulk een treffend getuigenis
-afleggen, waaraan men de benaming van hof of hofje geeft. Zulke
-gestichten zijn een soort van kloosters; met dit onderscheid, dat de
-personen die er in wonen niet in activo, maar in passivo zusters van
-barmhartigheid, en geene uitdeelsters, maar voorwerpen van weldadigheid
-zijn. Ook zij ontvluchten overigens achter de hooge muren de wereld,
-welke zij moede zijn geworden. Veelal zijn het gewezen
-keukenprinsessen, die met de medaille van vijftigjarige dienst,
-(gedurende welke zij bijna altijd in ’t vuur geweest zijn,)
-gepasporteerd en met een plaatsje in zulk een vrouwelijk invalidenhuis
-begiftigd worden. Daar ziet zich nu de Hofjesjufvrouw op een oogenblik
-uit het drukste gewoel der wereld in een kloosterachtige afzondering
-overgebracht. Geheele dagen, ja, weken achtereen, ziet zij door de reet
-van haar gordijntje niets anders, dan de cellen van hare buurvrouwen en
-de leeuwrikkenzode, met een kransje van palm omgeven en met
-goudsbloemen en citroenkruid beplant, die zij met fierheid haar tuin
-heet. Ook hoort zij van de wereld niet veel meer, dan zij er van ziet.
-De ongewoonte van menschen te zien maakt haar gaandeweg menschenschuw,
-zoodat zij gedurig zeldzamer haar steenen kooi verlaat. Het moge zoo
-zijn, dat zij bij het lezen van de Haarlemmer Courant—die een maand na
-den tijd het hofje met dreigende nieuwstijdingen beroert, die al lang
-in wind of water vergaan zijn—bij het doorloopen der advertentiën,
-onder uitroepen als deze: „Wel, wel, is die ook al dood? Jongens,
-jongens, wat krijgt die vrouw een kinderen! Kijk, kijk, dat bruidje heb
-ik nog als kind op mijn armen gedragen!” het moge zoo zijn, dat zij
-alsdan soms den lust in zich voelt opkomen, om de menschen in kwestie
-te bezoeken: maar even zeker is het, dat zij even weinig naar het
-sterfhuis, naar de kraamvrouw of naar het bruidje gaat, als ware zij
-inderdaad door kloostermuren van haar gescheiden geweest.
-
-Maar wat Eldorado, wat tooverpaleis is het dan, dat haar de geheele
-wereld vergeten en verachten doet? Laat ons het eens opnemen.
-
-Het huisje van de hofjesjufvrouw,—dat het bewijs oplevert dat atomen
-kunnen verdeeld worden,—is in twee vertrekjes gescheiden, in een van
-welke zij slaapt, terwijl het andere haar woonvertrek uitmaakt. Een
-beschot, tusschen dat vertrekje en de deur geplaatst, vormt een nauw
-gangetje, dat met eenzijdige voorkeur voor pijpenstelen en dunne
-menschen is aangelegd. Daar zit ze op een houten vlonder, (de ramen
-zijn doorgaans hoog en de bewoonster nieuwsgierig,) en beheerscht van
-die hoogte het geheele hofjesplein met hare blikken. Fijne matjes, zoo
-glad geboend dat men er op loopen moet als op een stijfgespannen koord,
-dekken de verhevenheid, waarop zij woont. Op de tafel, waaraan zij zit,
-vindt men onder anderen in den regel: een zwart segrijnen bijbel met
-zilveren sloten, en met een zilveren bril tusschen de bladeren
-ingestoken, (de knijpbril staat op den neus); een melkkannetje met
-hyacinten, seringen, of ook ’s winters zevenjaarsbloempjes, en bij
-ontstentenis daarvan, gele of witte papierbloemen; een snuifdoos; een
-trommeltje met kokinjes; een breikous van zwart sajet enz. Aan het
-schot, tegenover de bewoonster, hangen eenige schilderijen, vooral
-Dominees met krulpruiken, tooneelen uit de H. S. als een verloren zoon
-in modern kostuum en anderen; soms ook een mislukt heeren- of
-damesportret, dat haar als een erfstuk, ter gedachtenis aan haar ouden
-meester of meesteres, geschonken is, wier beeld haar dankbaar geheugen
-in het monster, dat voor haar oogen hangt, best herkent. Achter de
-hofjesjufvrouw staat een kastje van mahonyhout met glazen deuren. Op de
-planken van dit prachtmeubel, dat voor haar een etagère vervangt, staat
-menig artikel, dat de fraaiste nieuwmodische etagère versieren zou, als
-daar zijn: lange lijzen, koppen met de zes merken, roode
-Lilliput-potjes, gezwegen nog van de borden van den spinnekop en de
-schalen van de krab. Naast dit kastje staat een ijzeren pot, waarop zij
-elken middag haar sober maal kookt, en waaraan zij zich ’s winters
-verwarmt totdat er aan haar koud bloed geen ontdooien meer is. Op deze
-wijze leeft de hofjesjufvrouw het gansche jaar in dezelfde afzondering
-en stilte voort, die slechts eenmaal ’s jaars door een dag van drukte
-en gewoel wordt afgebroken: het is de dag, als zij de kinderen uit het
-huis van haar vorige dienst ten eten genood heeft. Dan worden de
-geplooide gordijntjes opengeschoven; dan wordt de dikke poes naar de
-vliering verbannen; dan ruimt de bijbel zijn plaats op tafel voor
-dobbelsteenen, pachtpenningen en lottospel; dan brandt in huis het vuur
-en sist de pan; dan knarst buiten de pomp en klinken de schellen op het
-gansche hofje; dan wordt de palm rondom de tuintjes vertreden en de
-balsaminen in de bedden geknakt; dan wordt tegen alle ruiten getikt en
-over alle onderdeuren geknord; alles tot dat de avond valt en de kleine
-hoop, met een komfoor en poffertjespan, om een grooten pot met
-melkbeslag vergaderd wordt om poffertjes te bakken, bij welk feest de
-arme gastvrouw een droevig slachtoffer van de speelschheid harer gasten
-is, terwijl de naweeën eerst recht beginnen, als de knapen naar huis
-zijn en alle buren hare klachten komen inbrengen tegen de stoute
-bengels, die zij op ’t hof gehaald heeft.
-
-En toch schijnt ze nog te leven voor dien eenen dag; en toch spaart ze
-daar alles voor, en heeft er alles voor ten goede; en toch zal zij dien
-blijven vieren, tot dat zij de steenen trappen afgedragen wordt.
-
-Zoo hebben dan deze hofjes-jufvrouwen, ondanks haar weinig bekoorlijk
-en veelzins belachelijk voorkomen, toch hare eigenaardige deugden, die
-haar iets belangrijks, en zelfs bij wijlen iets verhevens geven. Het
-hofje is een doos met oude ongangbare potstukken, maar van echt
-gehalte. In deze gebroken vaten ligt een schat van verknochtheid en
-trouw aan hen, wie ze vroeger hebben toebehoord, helaas! die gedurig
-zeldzamer wordt. Misschien is het een zwartgallige inval, maar ik
-vrees, dat onze dienstboden niet meer zoo vele hofjes met oude trouwe
-zielen zullen kunnen vullen als ik gekend heb. O tijden! o zeden! moet
-dan het bederf uwer nieuwigheden zelfs de hofjes, die wijkplaatsen des
-ouderdoms, aantasten? Doch ik wil mij aan die treurige denkbeelden niet
-overgeven. Voor als nog zijn er op deze musea van antiquiteiten een
-menigte van zulke gebroken standbeelden der godin Fides. Daarheen neem
-ik mijn toevlucht, wanneer de wuftheid en ondankbaarheid der jonge
-wereld mij bedroeft, en verkwik mij aan die levende toonbeelden eener
-trouw, als die—de hofdames vergeven mij de vergelijking—van den ouden
-Fidel, die van zijn hartstocht voor hazen- en patrijzenbouten, als
-laatste en eenige liefde, de verkleefdheid aan zijn meester heeft
-overgehouden. Ik denk, dat op dit oogenblik menigeen met verteedering
-aan de liefde denkt, hem als kind door zulke oude getrouwen om zijner
-ouderen wil bewezen, en tevens met schaamte om de jongensachtige
-ruwheid, waarmede hij die liefde heeft betaald. Nu, de goede oudjes
-hebben het ons vergeven, en zijn met goede wenschen en beden voor ons
-op de lippen ter ruste gegaan naar dat andere hof, waar de trouw van
-hen, die er hun intrek nemen, nog betere belooning vindt.
-
-
-
-
-
-
-
-
-IX.
-
-DE VISCHVROUW.
-
-
-Als wij de legende gelooven zullen, waren er oudtijds zeemeerminnen.
-Hooren wij daarentegen de natuuronderzoekers, dan is haar geheele
-bestaan een fabel. Maar nu komen de wijsgeeren tusschen beide, en
-vragen: waar komt die fabel dan van daan? want, en dat moet ik hun
-toegeven, men noemt geen vrouw meermin, of daar is een staartje aan. Ik
-waag het allerzedigst een oplossing van dit belangrijk vraagstuk te
-beproeven. Zou de geheele verdichting der zeewijven ook uit een
-bijgeloovige vereering van de Vischvrouw kunnen ontstaan zijn?
-
-Lach zoo spotachtig niet, Mevrouw! Wees liever zoo goed mij te volgen.
-Wij willen de vischvrouw een bezoek geven.
-
-Zie, ginds tegen het duin aan, als een schelpvisch tegen de rots, hangt
-haar woning. Het schijnt ook zelve bijna een schelp, die daar door den
-vloed is neêrgeworpen om door de ebbe weêr meêgenomen te worden; zoo
-nietig komen die stulpen op het breede strand voor. Evenwel in die
-schelp woont een mensch; wat zeg ik, eene geheele verzameling van
-menschen. Laat ons binnengaan!—Men zal ter vischvangst uitgaan. De
-netten zijn gereed, de knapzak is voorzien, de visschers zullen
-vertrekken. Vader met zijn oudsten zoon als knecht en den derde van de
-acht, die zoo lang gesmeekt heeft, tot dat moeder hem vergund heeft meê
-te gaan. Verwondert gij u over de teederheid van het afscheid van deze
-„lompe” menschen? Verwonder u liever over hun blijmoedigheid!—Want, mag
-ik u verzoeken? Zie eens even naar buiten. Ziet gij die pink dáár,
-gereed om zee te bouwen? Een ijzig gezicht, niet waar? Van hier
-beschouwd, lijkt zij betrekkelijk niet grooter dan de notendop, dien
-wij als kinderen in de theekom lieten varen. Welnu, die dop zal haar
-drie kostbaarste schatten laden. Nog eenige oogenblikken en hij dobbert
-met hen op den diepen oceaan, waarvan een enkele golf tien zulke
-scheepjes vult. Verbeeld u, Mevrouw, dat Mijnheer uw gemaal en de jonge
-Heer de student en.... foei! ik doe u schrikken. Wees gerust! het geldt
-deze vischvrouw maar! Doch beken echter, dat er achter dit grove jak
-een hart moet kloppen, waaruit men tien harten van uw romanheldinnen
-kneeden zou?
-
-Eenige uren later. Hebt ge moed? Het is zeker noodweêr. Het stormt een
-orkaan. De bliksem zwaait onophoudelijk zijn blauwen fakkel over de
-zwarte golven. De donder buldert tegen den wind in met hortende slagen,
-alsof zijn stem telkens door den storm gesmoord werd. Onder dezen
-strijd der elementen kookt en schuimt de zee als een ziedende ketel op
-een onderaardsch vuur, en spat haar water tot in de hut. Die hut zelve
-is een tooneel van verwarring en angst. De zes kinderen, die t’huis
-gebleven zijn, loopen half naakt en schreiend door elkander. De oudsten
-slaan bevend de lucht gade en staren dan weêr op de zee, als om bij het
-licht van den bliksem iets te onderscheiden. De jongsten schuilen aan
-moeders schoot en gillen om vader. Door dit rumoer heen klinken de
-noodschoten van een strandend schip, en de kreten van het zeevolk, dat
-bezig is een boot ter redding uit te zetten.—Gij beeft, Mevrouw! Mag ik
-u wat eau de cologne geven? Verman u een weinig. Zie onze
-visschersvrouw! zij heeft drie beminde panden op zee. Zij weet, dat de
-boot te zwak is om zulk een orkaan te weerstaan. En toch blijft zij
-bedaard en kalm. Zij schijnt den storm, die buiten woedt, niet te
-bespeuren, en heeft alleen oogen voor de onrust, die binnen heerscht.
-Merk op, met hoe veel zielkracht zij haar oudste kinderen zoekt te
-bemoedigen, haar jongste te sussen. Het gelukt haar eindelijk. Maar
-waar gaat zij heen? Wat doet zij in gindschen hoek? Zie, zij bidt!—Daar
-komt zij weder. Welk een stille berusting op haar gelaat. Zij slaat een
-schichtigen blik naar buiten, maar heft hem terstond weder naar boven,
-en begint zingende haar jongste lieveling in slaap te wiegen. Welk een
-treffend gezicht! Is het niet als een standbeeld van de Rust in het hol
-van den Storm?
-
-Den volgenden morgen. Het ergst is gebeurd. De boot is aan strand
-gekomen,—maar ledig. Alleen haar oudste zoon heeft zich met zwemmen
-gered. Willen wij de vischvrouw een rouwbezoek gaan brengen?—Zij is
-niet te huis. Daar is niemand dan haar kinderen, die om brood schreien.
-Zij zal op het strand zijn. Ja, daar is zij, bij den afslag. Daar koopt
-zij haar mand vol visch, dien haar man had moeten t’huis brengen. Met
-dien mand op den rug draaft zij naar den stad. Zie eens, hoe bleek zij
-ziet en hoe rood haar oogen zijn. Maar haar opgericht hoofd draagt de
-ben, en haar naakte voeten loopen in denzelfden draf als altoos.
-Moederliefde overwint den storm in haar binnenste, even als gister den
-storm buiten. Zoo draaft zij, halfdood van vermoeidheid en uitputting,
-de stad op en neder. Huis aan huis biedt zij haar visch te koop. Niet
-noodig! is het refrein, hier en daar afgewisseld met een snauw: hoe
-veel geld? Het is te veel. Dan wordt er gedongen en beknibbeld, en
-somtijds zelfs de arme met hardheid weggezonden, opdat Mijnheer en
-Mevrouw hun eerst gerecht toch zoo goedkoop mogelijk op tafel zullen
-hebben, terwijl haar zes kinderen van honger versmachten. En toch is
-zij te fier om te klagen of te bedelen. Die schande zal zij haren man
-in het graf nooit aandoen. Zij zal liever werken totdat zij er bij
-neêrvalt, eer zij de hand tot een aalmoes uitstrekt.
-
-Eindelijk is haar vracht verkocht, en keert zij naar het dorp terug. Nu
-verzorgt en voedt zij de ongelukkige weezen. Terwijl de kinderen eten,
-gaat zij met haar oudsten jongen naar het strand, om met hem over de
-herstelling van de gestrande boot te spreken. Want hij moet hoe eer hoe
-beter er weder op uit. Zij heeft nog geen schrik van het element, dat
-haar pas een man en een kind kost. Zij heeft ook nog geen afkeer van
-het leven, dat haar zoo zwaar valt. In een romance zou men haar laten
-verlangen om bij haar lievelingen in den schoot der blauwe baren te
-rusten. Maar daaraan denkt zij niet. Zij voelt den last des levens op
-haar drukken als een taak. Wat dus anderen werkeloos zou doen
-nederzitten, spant en prikkelt hare werkzaamheid. Ware het mogelijk,
-zij zou er zelve op uitgaan. Maar daar dit niet kan, moet haar zoon de
-plaats van zijn vader vervullen. Zij zal hem den tweede tot hulp
-medegeven. Wacht hen hetzelfde lot.... het zij zoo! het staat in hooger
-hand! zij zal hen zien vertrekken, zonder een traan te laten. Mij
-dunkt, gij ziet haar met bewondering aan. Gij hebt van zoo iets
-heldhaftigs geen denkbeeld. Gij vindt het boven het vrouwelijke, ja,
-boven ’t menschelijke.... Pas op, Mevrouw! anders maakt gij er nog een
-zeewijf van.
-
-Ik weet niet of ik u overtuigd heb. Het is altoos slechts een gissing,
-die ik voor beter geef. Maar indien ik niet eenige meerdere
-ingenomenheid met de Vischvrouw bij u heb opgewekt, dan eer gij dit
-opstel in handen naamt, dan heb ik tijd en inkt verloren.
-
-
-
-
-
-
-
-
-X.
-
-DE ROTTERDAMSCHE ZAKKENDRAGER.
-
-
-Lezer! Indien gij slechts half zooveel eerbied hebt voor nijvere
-arbeidzaamheid als de schrijver van deze schets, dan verzoek ik een
-oogenblik uwe belangstelling.
-
-Inderdaad! in de geheele menschelijke maatschappij ken ik geen stand,
-die zoo sprekend het denkbeeld van noeste vlijt uitdrukt en als het
-ware verpersoonlijkt als die, waartoe de Rotterdamsche Zakkendrager
-behoort. In de dierenwereld zijn het de mieren, die bovenal den roem
-der arbeidzaamheid wegdragen. De zakkendragers nu zijn de mieren der
-maatschappij.—Wie heeft ze nooit gadegeslagen, die nijvere diertjes,
-hoe zij op de plaats waar zich hun nest bevindt een grimmelend leger
-vormen, dat onophoudelijk heen en weder trekt en door elkander zwiert,
-zonder elkander te belemmeren, terwijl zij de zwaarste lasten torsen?
-Welnu, hetzelfde schouwspel, in het menschelijke overgebracht, leveren
-dagelijks de Rotterdamsche straten in de werkzaamheid der
-zakkendragers.
-
-Het hoofdkwartier van dit nijvere leger is het zoogenaamd
-zakkendragershuisje. Daar is het getal en de zwaarte der lasten bekend,
-die elken dag moeten worden getorst. De verdeeling geschiedt bij het
-lot. Een eerlijk soort van dobbelspel. Terwijl elders de aanzienlijke
-speler aan een roekeloozen worp het vermogen van vrouw en kinderen
-waagt, dobbelen deze kerels om den last, waarmede zij hun brood
-verdienen. Schieten er manschappen over, dan worden de hoogste nommers
-ontslagen, over welke teleurstelling zij zich gewoonlijk in de kroeg
-zoeken te troosten.
-
-Nadat het groote leger in kompagniën en sectiën verdeeld is, begeven
-zich de onderscheidene koppels ieder naar de hun aangewezene plaats.
-Daar gekomen wordt het werk nader onder hen verdeeld. Ondersteld, zij
-zullen turf opdragen. Dan krijgt ieder zijn post. Sommigen staan bij de
-schuit en stapelen de manden. Anderen dragen ze aan. Anderen winden ze
-op, of brengen ze naar boven. Anderen eindelijk schikken de turven op
-den zolder. Bij dit alles nu heerscht een regelmatigheid die mij dit
-werk dikwijls met verbazing heeft doen gadeslaan. De acht, tien of
-twaalf menschen zijn niet meer zoovele menschen. Het zijn
-onderscheidene leden van één lichaam. Het zijn raderen van ééne
-machine. Nauwelijks is het sein gegeven, of het levend werktuig raakt
-in beweging. Geen raderen, door stoom bewogen, draaien geregelder in
-denzelfden kring rond en grijpen juister in elkander, dan de dragers
-elkander de hand leenen. Op den weg, dien zij hebben af te leggen, doen
-zij nooit een pas meer of minder, komen zij nooit een sekonde te vroeg
-of te laat. Bij het overgeven en overnemen van de vracht wisselen zij
-geen woord, geen wenk, geen blik zelfs. Ook is hun geheele denkkracht
-in hun werk als verzwolgen. Geen automaten kunnen werktuigelijker
-arbeiden. Maar daarom bezit ook hun arbeid den regelmatigen en zekeren
-gang van een uurwerk. O, dacht ik wel eens bij dit gezicht, wanneer wij
-menschen in de wereld even goed onze plaats wisten te kiezen en te
-bewaren, en elkander even gedienstig en trouw de hand reikten, welk een
-schoon werktuig zou het nu dikwijls verward zamenstel der maatschappij
-zijn, en hoe schoon en heerlijk vooral het werk, dat daardoor zou
-worden tot stand gebracht.
-
-Het werk is volbracht. Het rad is afgeloopen. Het werktuig staat stil.
-Op eens komt er weêr leven in deze houten automaten. Het gelaat,
-waarvan het zweet met den arm wordt afgeveegd, ontspant en ontrimpelt
-zich en glimt van de voldoening van wel volbrachten arbeid. Men
-schertst met de meid, wier zolder men van turf heeft voorzien, die met
-een milden teug schiedammer de dorstige harten komt laven. Het verdiend
-loon wordt ontvangen en verdeeld. Men gaat uiteen.
-
-Meen echter niet, dat dit werktuigelijke den zakkendragers ook buiten
-hun werk bijblijft. Gij zoudt hun grootelijks te kort doen.
-Boerenkinkels mogen ook buiten het veld iets van het dommekrachtige
-behouden, dat hun op het veld eigen is, bij de wakkere Zakkendragers is
-dit anders. Nauwelijks is de arbeid van hun schouders, of zij zijn
-zulke vroolijke en flinke kerels als gezonde arbeid ooit gemaakt heeft.
-En geen wonder. Zij hebben eene ruime en eerlijke broodwinning. Zij
-behooren zeker slechts tot de klasse der sjouwerlieden, maar zijn
-echter boven deze verheven. Zij behoeven niet op werk te wachten of er
-om te bedelen, gelijk deze, maar vinden iederen morgen hun taak en last
-gereed. Daarbij vormen zij onderling een gesloten college, een soort
-van gild. Nu zijn de patenten, en de algemeene vrijheid, gelijkheid en
-broederschap, waarvan deze het uitvloeisel zijn, wel eene heerlijke
-uitvinding: maar niemand zal mij echter tegenspreken, dat daardoor het
-eigenaardige, het afgeronde en gemunte, in één woord het typische van
-de verschillende standen in ons vaderland wel iets geleden heeft. O
-bakkers met uw witte slaapmutsen! O slagers met uw lange messen! O
-timmerbazen met uw gele voorschoten! Waar zijt gij gebleven? Neen, wij
-hebben geen rechte bakkers, slagers of timmerbazen meer. Wij hebben
-lieden, die bakken, slachten, en timmeren: maar het bakkersvoorkomen,
-de bakkersgeest, het bakkershart, dit alles is met de witte slaapmuts
-verdwenen. Eere daarom den Zakkendragers, die nog iets van het
-genootschappelijke en federative hebben behouden, dat vroeger den
-grondslag van onze staats- en maatschappelijke huishouding uitmaakte.
-Zij vormen een soort van broederschap, die hen met een zweem van esprit
-de corps bezielt, dien zij ook door het dragen van een ordeteeken
-zoeken aan den dag te leggen. Men heeft hen alleen te zien loopen,
-gelijk zij naar werk gaan of daarvan terugkeeren, met den linnen zak
-bevallig over het hoofd geslagen, om in hen den Zakkendrager te
-herkennen. Wat hun echter noch meer wichtigheid bijzet, is het gevoel,
-dat zij min of meer tot de stadsambtenaars behooren, en dus als verre
-planeten in de zonnebaan der burgemeesters-kamer wentelen. Zij zijn dan
-ook het college, dat bij hooge gelegenheden de lagere standen
-vertegenwoordigt; zij hebben het privilege om de paarden van ’s Konings
-koets te spannen en den kostelijksten aller lasten te trekken. Het
-gebeurt hun dan ook niet zelden, dat het koninklijk oog, met
-voorbijgang van anderen, die zich verbeelden hooger te staan, op hen
-afdaalt. Zoo wierp het feest, op den laatsten oudenjaarsavond door Z.
-M. aan de Haagsche turf- en zakkendragers gegeven, op al hun
-ambtgenooten een weerschijn van eer en aanzien, dat hen den zak nog
-fierder dan anders over het hoofd doet dragen. Men zegt dan ook, dat op
-dien avond menig Zakkendrager zoolang op Willem II heeft geklonken,
-totdat het actief van zijn naam in passief was overgegaan.
-
-Doch laat ik niet lasteren. Wel is waar zijn de Zakkendragers
-vooralsnog geen leden van het Matigheidsgenootschap, en ik vrees of zij
-het ooit zullen worden. Maar even weinig plegen zij dronkaards te
-wezen. Zij zijn te bang om den zak, waaruit zij leven, te verliezen.
-Overigens zijn zij, als meest allen, die zwaren arbeid verrichten,
-kloek van voorkomen, trouw van hart en braaf van inborst. Het gaat hun
-als veeltijds: hoe zwaarder last op de schouders, des te lichter last
-op het hart!
-
-
-
-
-
-
-
-
-XI.
-
-DE GROENVROUW VAN ROTTERDAM.
-
-
-Koopsteden zijn paradijzen, wat de kunst, maar woestijnen, wat de
-natuur betreft. De menschengroei, die er plaats heeft, schijnt er den
-plantengroei te verstikken. Kom bij voorbeeld te Rotterdam. Hoe dor,
-hoe bar, hoe winterachtig ziet alles er uit. Zelfs midden in den zomer!
-Alles hout en steen, steen en hout. Men zou denken, dat de menschen er,
-even als de oude toovenaars, steenen aten. Maar neen, zie ginds! Daar
-meen ik toch iets groens te ontdekken. Inderdaad, het is zoo. Daar is
-de groenmarkt. Dat is eene oase in de woestijn. Met welk een wellust
-rust het oog, van het flikkeren der zonnige straatsteenen vermoeid, op
-dezen groenen grond uit! Laat ons er een oogenblik van genieten.
-
-Wij treden nader. Daar prijkt in haar groentenkraam, even als eene
-afbeelding van Ceres of Pomona in eene medaillon harer attributen, de
-groenvrouw.
-
-Wij vinden haar bezig met het opmaken van haar loofhut. Dat werk is
-belangrijker dan het schijnt. Laat de groenvrouw geene schilderes van
-stillevens zijn, zij moet toch iets van de kunst van ordonnantie
-verstaan. Wacht u vooral te denken, dat deze bevallige schikking de
-vrucht van een blind of linksch toeval is. Integendeel. Mejufvrouw uwe
-dochter besteedt niet meer kunst om de bloemen in uwe vazen te
-schakeeren, dan de groenvrouw om haar kraam op te maken. Het is dus wel
-degelijk met opzet, dat die blanke bloemenkoolen zoo sprekend op dien
-rooden grond van peen (Rotterdamsche stijl) uitkomen, dat die harde
-komkommers zoo smakelijk tegen de malsche kroppen afsteken, en dat het
-geurige boonenkruid zoo verlokkend over de zilveren boonen ligt
-uitgespreid.
-
-Is de kraam klaar, dan zit de groenvrouw, even groen en frisch als haar
-waar, tusschen haar schepping neder. Een helder gezicht lacht, even als
-de witte bloem tusschen de koolblaren, uit haar groenteprieel al de
-voorbijgangers tegen. Maar gij moet haar zien als er klanten komen. Dan
-is zij geheel beweging en drukte. Zij weet juist wat de „jufvrouw”, de
-„vrijster,” of het „vrouwtje” hebben moet. Gister heeft men van deze,
-eergisteren van die groente gehad: nu moet men hiervan nemen. Even rad
-als haar tong, gaan hare handen. In een oogenblik zijn de wortelen
-gekortwiekt, de koolen uitgekleed, de spinazie opgetast, de radijzen
-geschoren. Over den prijs wordt nauwelijks gesproken. Er is geen
-vreedzamer beurs dan die der tuinvruchten. De lieve natuur is zoo mild
-met haar gaven, dat men voor een betrekkelijk kleinen prijs een geheele
-moeskraam ledig koopt. Daarenboven regelt de vruchtbaarheid of
-onvruchtbaarheid van het weder den marktprijs van den dag. Intusschen
-moet het niet ontkend worden, dat de groenvrouw wel eene schrale lente
-mag. Als de groenten te gauw aankomen, zit er te weinig winst op. Ach
-ja! tot tusschen de groene aardvruchten,—die treffende herinneringen
-aan de gouden eeuw, waarin men niets anders at,—is het egoïsmus
-doorgedrongen.
-
-Indien ge voldaan zijt, zullen we verder gaan. Want er zijn nog andere
-species van het genus groenvrouw. Ziet gij gindsche deern, met dat juk
-op den schouder, waaraan twee groote manden slingeren? Dat is ook een
-groenvrouw. Die brengt haar waar aan de huizen. Want de markt is voor
-den burgerstand. De rijken laten de markt bij zich aan huis komen. In
-die manden vindt gij dus de bloem van den moeshof. Zoo veel mogelijk is
-ook de eigenares eene bloem onder de groenvrouwen. Want daar zij in de
-groote wereld verkeert, heeft zij meer wereldkennis en wereldtoon
-noodig, dan op de burgerlijke markt te pas komt. Niet altoos evenwel is
-haar taak even teeder en zwaar. Soms heeft zij alleen met de jonge
-juffers te doen, die „de week” hebben, of in de proefschool zijn om te
-leeren huishouden. Dan is zij spoedig klaar. Want wat weten die van
-groenten? Dalen evenwel de mama’s met haar twintig- en dertigjarige
-ondervinding en haar sedert aangeleerde huishoudelijkheid naar beneden,
-dan moet er heel wat gevleid en gelogen worden, eer de gevraagde prijs
-verkregen is. Niets beter dan met keukenmeiden van de kennis of van de
-familie te doen te hebben. Die hebben zoo veel te vertellen en te
-vragen, dat er geen tijd voor loven of dingen overblijft.
-
-Willen wij de groenvrouw nog verder nagaan, dan moeten wij ze naar hare
-woning volgen. Daar komen we eerst bij de groenvrouw primera suerte.
-Daar vindt ge een waar luilekkerland, met dit kleine onderscheid, dat
-de lekkernijen er u alles behalve van zelve in den mond vliegen. Daar
-vindt ge in den winter versche kroppen onder stolpen; daar doen u in
-het voorjaar de eerste bakvruchten, snijboontjes, worteltjes en
-porselein watertanden; daar vindt men den geheelen zomer, wat de
-moeshof edelst en keurigst oplevert. Waar nu al die schatten van daan
-komen, is een geheim. Sommigen denken, dat de groenvrouw ze, even als
-in Riket met de kuif, uit den grond laat opkomen. Anderen spreken van
-eene geheime betrekking met zekere tuinlieden van buitenplaatsen, die
-de groenten, welke zij overhebben, voor een prijsje aan haar overdoen.
-Er zijn zelfs, die mompelen, dat mijnheer zelf vennoot in die anonyme
-compagnieschap zijn zou. Wie zal het uitmaken? Men weet niet, dat een
-groenvrouw ooit geklapt heeft.
-
-Om de woningen der mindere groenvrouwen te vinden, moeten wij naar de
-achterbuurten. Daar is evenwel het groenste van de groenvrouw af. Want
-daar liggen in een bedompt winkeltje de groenten, die niet verkocht
-zijn, te verleppen en te vergaan. Zijn ze geheel en al verdroogd, dan
-zinken ze nog een stap lager in den pot, en eindelijk in de magen van
-de groenvrouw en hare familie: want wacht u voor de dwaling, dat een
-groenvrouw ooit iets eet, dat naar versche groente lijkt. Zij leeft als
-een konijn, geheel van afval.
-
-Zal er echter aan de teekening van de groenvrouw niets ontbreken, dan
-moet moet ik u haar ook in den ruitijd toonen! O, dat de groenvrouw,
-als de witte beer, den geheele winter mocht doorslapen! Dan alleen zou
-zij de smart ontgaan van de beken van haar bestaan gedurende
-verscheidene maanden uitgedroogd te zien. Wat toch blijft haar in den
-winter over? Aardappelen, aardappelen, niets dan aardappelen. Komen er
-nog aardakers bij, dan is het mooi. Zij blijft dus in haar hokje
-verscholen. Geen groenvrouwen op de groenmarkt, geen groenmeisjes op de
-straat.—Maar wacht! daar beginnen de boomen te knoppen; de nachtegalen
-komen terug; de narcissen gaan bloeien. Nu breken ook de groenvrouwen
-weder uit den knop, en versieren de Rotterdamsche straten.
-
-
-
-
-
-
-
-
-XII.
-
-DE DORPSSCHOOLMEESTER.
-
-
-Wie heeft hem nimmer ontmoet, den man, dien ge nog niet ontwijfelbaar
-herkennen zoudt aan den versleten zwarten rok, den vuilen witten das,
-de zilveren ringetjes in de ooren, de lange pijp in den mond en de
-nagelkerven op den linkerduim, maar dien ge dadelijk weet t’huis te
-brengen, zoodra gij hem maar twee woorden hebt hooren spreken.
-
-„Heeft MIJNheer mensCHen? Dan zal er mogelIJK voor MIJ verhinderING
-weZEN!”
-
-„Wat mij betreft, niet, meester!” hebt gij geantwoord, eer gij er om
-denkt.
-
-Gij hebt het geraden. Er zijn plus minus drie millioen menschen, die
-Hollandsen spreken: maar DAT Hollandsch is het schibboleth van den
-dorpsschoolmeester. Daaraan herkent gij hem even zeker, als de mannen
-van Gilead die van Efraim aan de uitspraak van de schin. O, het zou hem
-niet van het hart kunnen, de taal te verminken, te mishandelen en te
-villen, gelijk gij en ik doen: iedere letter heeft rechten op zijn hart
-en tong: hij moet ze u allemaal voorspellen: men spelt immers niet om
-te spreken, maar spreekt om te spellen!
-
-Deze verbazende juistheid van uitspraak is echter niet de eenige
-eigenaardigheid, waaraan ge den dorpsschoolmeester uit zijn wijze van
-spreken herkent. Hij is niet minder nauwkeurig en uitgezocht in de
-keuze zijner woorden, die allen op het woordenlijstje van Siegenbeek
-moeten voorkomen, hetwelk hem voor een soort van index dient. Want van
-onduitsche uitdrukkingen heeft hij een walg, en waar ze hem
-onvermijdelijk in den weg komen, neemt hij de vrijheid ze in der haast
-een hollandsch pak aan te trekken, waarin gij ze echter dikwijls niet
-herkent. Voeg hierbij een toon van spreken, die door de afgepastheid en
-deftigheid het midden houdt tusschen cijferen en preken, en gij zult u
-niet verwonderen, dat de man zich zoo spoedig aan u verried: het is de
-dorpsschoolmeester!
-
-In het heilige klaverblad, dat over ieder dorp zijn beschermende
-schaduw uitbreidt, van Burgemeester, Dominé en Schoolmeester, staat de
-laatste in het midden en dus—althans in zijn eigen oogen—bovenaan. Hij
-heeft dan ook verre weg het deftigste voorkomen van de drie. Men zegt
-van de beroemde tragédienne Clairon, dat zij in haar huis dezelfde
-koninklijke houding aannam, die zij op het tooneel had, om er de
-hebbelijkheid niet van te verliezen. Zoo schijnt ook de meester, uit
-vrees van den toon van gezag, die hem in de school past, kwijt te
-raken, dien buiten de school aan te houden. In zijn mouw verscholen,
-draagt hij de plak uit de school overal met zich. Zijn geheele gesprek
-is onderwijzend. Hij is de Morning-herald van de boeren, en deelt hun
-het nieuws mede, dat hij dagelijks uit de Staats-Courant put, welke hij
-van den Burgemeester te lezen krijgt. In die mededeeling vlecht hij op
-eene ongemaakte wijze eenige geographische en historische
-bijzonderheden, die op het gezicht zijner toehoorders een stillen
-glimlach van verbazing en bewondering wekken. Bij de gesprekken over
-weêr en wind hangt hij den natuurkundige uit, voor zoover het handboek
-der volksnatuurkunde hem in staat stelt. Somtijds stijgt hij een toon
-hooger en waagt zich aan bespiegelen van de wonderen der
-schepping—volgens den katechismus van Martinet. Zijn politiek bewaart
-hij voor den Burgemeester, met wien hij over de gebeurtenissen van
-Europa handelt—alles naar aanleiding van de Staats-Courant. Dit dagblad
-drukt zoowel den geest als den vorm zijner denkbeelden uit. Hij is zoo
-oranjegezind als de koninklijke vlag, en is door eene zonderlinge, maar
-gewone tegenspraak, tegelijk de vinnigste aanhanger van Wagenaar, dien
-men zien kan. Hij heeft dus een afkeer, neen, dit is te zacht—een
-afschuw van Bilderdijk, die voor hem met zijn politische, literarische
-en godsdienstige gevoelens een driehoofdige Cerberus is. Zonder ooit
-iets van hem gelezen te hebben, bestrijdt hij hem waar hij kan en mag,
-met alle wapenen. Nauwelijks had hij vernomen, dat hij de stoutheid had
-den „moord” van Oldenbarneveld voor te spreken, of hij hield in ’t Nut
-een verhandeling over den Palamedes van Vondel, die de zaak op eens en
-voor altoos heeft uitgemaakt. Met den Dominé handelt hij over het
-onderwijs. Hij vergoodt de wet van 1806, waarnaar volgens zijn zeggen
-eenmaal het onderwijs in de geheele wereld zal zijn ingericht.
-Siegenbeek, Prinsen en Anslijn zijn zijne afgoden, wier naam
-onophoudelijk op zijn eerbiedige lippen zweeft, vooral de eerste! Zijne
-spelling houdt hij voor een meesterstuk van menschelijke vinding en
-voor de schepping van een nieuwe taal. Wee hem als Dominé het waagt de
-Bilderdijksche spelling met een enkel woord te verdedigen: dan zou hij
-bijna vloeken. Over het algemeen houdt hij het er voor, dat Dominé hem
-niet al te gunstig is. Dat schrijft hij aan zijn opleiding op de
-kweekschool toe, waardoor hij Dominé te knap geworden is. Was het niet
-eens gebeurd, dat Dominé niet recht wist, of Neustadt, waarop het
-gesprek viel bij gelegenheid van een nieuwen aankoop van koning Willem
-Frederik, in Saksen-Weimar, Saksen-Gotha, Saksen-Meiningen,
-Saksen-Coburg of Saksen-Hildburghausen lag? Hij had er hem opzettelijk
-eens op getoetst, maar hij had zich voor den man moeten schamen. Voor
-het oog der menschen evenwel is hij Dominé’s andere Ik, en zendt hem
-bij elke feestelijke gelegenheid een vers, waarin hij al de
-dichterlijke vrijheden in één regel neemt: wat al te liberaal voor
-zoo’n conservatief man! Want—dit spreekt van zelf—hij doet een weinig
-„aan de dichtkunde.” Zelfs geeft hij daarin zijn zoon volgens vaste
-regelen en met behulp van Witsen Geijsbeek’s Rijmwoordenboek les. Hij
-treedt dan ook van tijd tot tijd in de vergadering van ’t Nut met een
-dichterlijke bijdrage op. Hij volgt echter geen bepaalde dichtschool.
-Vóór het jaar dertig werkte hij meestal in den trant van Tollens; na
-dertig nam hij de manier van Helmers aan, en nu helt hij weder meer
-over naar Feith. Heeft hij geen tijd om zelfs iets te maken, dan werkt
-hij het een of ander uitgegeven stuk naar de behoefte van zijn gehoor
-om. Zoo behandelde hij onlangs de geschiedenis van een klein schandaal
-in het dorp in de Bedrogen maagd, dat hij naar het Gevallen meisje van
-Tollens gefatsoeneerd had. Nergens echter schittert zijn talent met
-meer glans, dan in de kerk. In het voorlezen steekt hij Dominé naar de
-kroon. Niemand is vlugger dan hij in het verkleeden van de oude
-vertaling: zonder haperen heeft hij al de haer’s en hun’s in dezelve’s
-en denzelven’s veranderd. Want dezelve is na dewelke zijn
-lievelingswoord, Hij heeft dan ook van die taak een groot denkbeeld.
-Hij spreekt altijd van de groote opkomst, het groot gehoor, dat wij
-hebben. Eens, ja.. eens heeft hij de eer gehad om voor Van der Palm
-voor te lezen. Dat was een werk! Hij heeft er nooit zoo in gezeten. Hij
-dacht niet, dat hij het volbracht zou hebben, schoon ieder hem een
-kompliment maakte, toen hij uit de kerk kwam. Hem dacht echter, dat de
-Professor in het Hollandsch zoo zuiver niet was, als hij meende. Eens
-onder anderen meende hij hem op de uitspraak van menSCHEN als menSEN
-betrapt te hebben: maar de man begon toen ook al oud te worden....
-
-Maar foei, de kleine ruimte aanziende, die mij nog overschiet, bemerk
-ik, dat het meer dan tijd is, om den waardigen man van een anderen kant
-te teekenen. Want hoe vreemd het luide, onder die belachelijke vormen
-verbergt hij het beste hart van de wereld. Hij is in zijn vak een knap
-man, en zelfs in het wijsgeerige gedeelte er van geen vreemdeling. Hij
-heeft een goede leermethode, waardoor hij bekwame discipelen vormt. Hij
-is even bemind bij de kinderen, als geacht bij de ouders. Hij is een
-voorbeeldig huisvader, die nacht en dag zwoegt om zijn talrijk gezin te
-onderhouden. Zelf een man van zedelijke en godsdienstige beginselen,
-zoekt hij die ook aan de jeugd in te prenten. Hij heeft dus geen enkele
-groote ondeugd, al heeft hij al de gebreken van zijn stand.
-Nieuwenhuizen en de Wet van 1806 hebben hem innerlijk geheel
-ontbolsterd. Nu moet er nog slechts een andere Nieuwenhuizen opstaan,
-om hem ook uitwendig den zotskap van het hoofd te nemen. Wie weet, als
-hij deze schets leest....
-
-
-
-
-
-
-
-
-INHOUD.
-
-
- De Haarlemsche Courant. Bladz. 1.
- De Haarlemsche Courant. (vervolg.) 9.
- Het Album. 18.
- De Huisklok. 29.
- Muziek. 38.
- Ruiten troef. 50.
- Het Schaap. 60.
- Sint-Nicolaas. 69.
- Het Legaat. 74.
- De Stamboom. 89.
- Het Portret. 103.
- De Bibliotheek. 118.
- Oude Vrijsters. 132.
- Een afscheidsbezoek in 1871. 140.
- Een Afscheidsbezoek. (vervolg.). 153.
-
- Verspreide stukken van Jonathan.
-
- Gekroonde Vrouwen. (26 October 1837.) 177.
- De Koning komt. (3 Augustus 1842.). 185.
- De Koning gaat ten grave. (Maart 1849.). 197.
- Twee Monumenten. (1676–1841). 211.
-
- Nederlandsche typen.
-
- I. De Zeeuwsche arbeider. 217.
- II. De Rotterdamsche sleper. 220.
- III. De Straatjongen. 223.
- IV. Het Melkmeisje. 226.
- V. De Haringkooper. 229.
- VI. De Schaatsenrijder. 232.
- VII. De Schoorsteenveger. 235.
- VIII. De Hofjes-jufvrouw. 238.
- IX. De Vischvrouw. 241.
- X. De Rotterdamsche Zakkendrager. 244.
- XI. De Groenvrouw van Rotterdam. 247.
- XII. De Dorpsschoolmeester. 250.
-
-
-
-
-
-
-
-
-SCHRIJFFOUTEN.
-
-
-Als zoodanig verzoekt de Schrijver vergiffenis voor eenige grammatikale
-vrijheden, b. v. waar het woordeke klok in de persoonsverbeelding in
-het mannelijk, het woord schaap voor het minder gewone ooi in het
-vrouwelijk geslacht voorkomt enz. Ook aan drukfouten zal het wel niet
-ontbreken. Zoo is het den schrijver bij het nazien ontsnapt, dat op bl.
-144 reg. 9 de titel van de welbekende nieuwe Fransche roman van Gustave
-Droz: Monsieur, Madame et Bébé verkeerd is opgegeven. Maar hoe
-gemakkelijk zal het zijn, deze kleine afwijkingen te vergeven, waar men
-zoo veel andere en grooter gebreken te vergeven heeft? De Schrijver
-beveelt zich bij voortduring in de edelmoedige welwillendheid zijner
-lezers.
-
-
-
-
-
-
-
-
-AANTEEKENINGEN
-
-
-[1] Chaudfontaine.
-
-[2] Een uitdrukking van Claudius, van wien hij veel hield.
-
-[3] Waarom niet? Byron zegt wel van de maan: Sun of the sleepless.
-
-[4] Zie Voorrede.
-
-[5] De droom, naar Byron door Beets.
-
-[6] Men herinnere zich, dat deze schets vóór dertig jaren geschreven
-werd. Thans zouden enkele trekken wel eens minder kunnen gelijken.
-
-
-*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK WAARHEID EN DROOMEN ***
-
-Updated editions will replace the previous one--the old editions will
-be renamed.
-
-Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright
-law means that no one owns a United States copyright in these works,
-so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the
-United States without permission and without paying copyright
-royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part
-of this license, apply to copying and distributing Project
-Gutenberg-tm electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG-tm
-concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark,
-and may not be used if you charge for an eBook, except by following
-the terms of the trademark license, including paying royalties for use
-of the Project Gutenberg trademark. If you do not charge anything for
-copies of this eBook, complying with the trademark license is very
-easy. You may use this eBook for nearly any purpose such as creation
-of derivative works, reports, performances and research. Project
-Gutenberg eBooks may be modified and printed and given away--you may
-do practically ANYTHING in the United States with eBooks not protected
-by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the trademark
-license, especially commercial redistribution.
-
-START: FULL LICENSE
-
-THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
-PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
-
-To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
-distribution of electronic works, by using or distributing this work
-(or any other work associated in any way with the phrase "Project
-Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full
-Project Gutenberg-tm License available with this file or online at
-www.gutenberg.org/license.
-
-Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project
-Gutenberg-tm electronic works
-
-1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
-electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
-and accept all the terms of this license and intellectual property
-(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
-the terms of this agreement, you must cease using and return or
-destroy all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your
-possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a
-Project Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound
-by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the
-person or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph
-1.E.8.
-
-1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
-used on or associated in any way with an electronic work by people who
-agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
-things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
-even without complying with the full terms of this agreement. See
-paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
-Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this
-agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm
-electronic works. See paragraph 1.E below.
-
-1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the
-Foundation" or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection
-of Project Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual
-works in the collection are in the public domain in the United
-States. If an individual work is unprotected by copyright law in the
-United States and you are located in the United States, we do not
-claim a right to prevent you from copying, distributing, performing,
-displaying or creating derivative works based on the work as long as
-all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope
-that you will support the Project Gutenberg-tm mission of promoting
-free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg-tm
-works in compliance with the terms of this agreement for keeping the
-Project Gutenberg-tm name associated with the work. You can easily
-comply with the terms of this agreement by keeping this work in the
-same format with its attached full Project Gutenberg-tm License when
-you share it without charge with others.
-
-1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
-what you can do with this work. Copyright laws in most countries are
-in a constant state of change. If you are outside the United States,
-check the laws of your country in addition to the terms of this
-agreement before downloading, copying, displaying, performing,
-distributing or creating derivative works based on this work or any
-other Project Gutenberg-tm work. The Foundation makes no
-representations concerning the copyright status of any work in any
-country other than the United States.
-
-1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
-
-1.E.1. The following sentence, with active links to, or other
-immediate access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear
-prominently whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work
-on which the phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the
-phrase "Project Gutenberg" is associated) is accessed, displayed,
-performed, viewed, copied or distributed:
-
- This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
- most other parts of the world at no cost and with almost no
- restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it
- under the terms of the Project Gutenberg License included with this
- eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the
- United States, you will have to check the laws of the country where
- you are located before using this eBook.
-
-1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is
-derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not
-contain a notice indicating that it is posted with permission of the
-copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in
-the United States without paying any fees or charges. If you are
-redistributing or providing access to a work with the phrase "Project
-Gutenberg" associated with or appearing on the work, you must comply
-either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or
-obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg-tm
-trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9.
-
-1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
-with the permission of the copyright holder, your use and distribution
-must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any
-additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms
-will be linked to the Project Gutenberg-tm License for all works
-posted with the permission of the copyright holder found at the
-beginning of this work.
-
-1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
-License terms from this work, or any files containing a part of this
-work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
-
-1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
-electronic work, or any part of this electronic work, without
-prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
-active links or immediate access to the full terms of the Project
-Gutenberg-tm License.
-
-1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
-compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including
-any word processing or hypertext form. However, if you provide access
-to or distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format
-other than "Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official
-version posted on the official Project Gutenberg-tm website
-(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense
-to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means
-of obtaining a copy upon request, of the work in its original "Plain
-Vanilla ASCII" or other form. Any alternate format must include the
-full Project Gutenberg-tm License as specified in paragraph 1.E.1.
-
-1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
-performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
-unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
-
-1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
-access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works
-provided that:
-
-* You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
- the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
- you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed
- to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he has
- agreed to donate royalties under this paragraph to the Project
- Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid
- within 60 days following each date on which you prepare (or are
- legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty
- payments should be clearly marked as such and sent to the Project
- Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in
- Section 4, "Information about donations to the Project Gutenberg
- Literary Archive Foundation."
-
-* You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
- you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
- does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
- License. You must require such a user to return or destroy all
- copies of the works possessed in a physical medium and discontinue
- all use of and all access to other copies of Project Gutenberg-tm
- works.
-
-* You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of
- any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
- electronic work is discovered and reported to you within 90 days of
- receipt of the work.
-
-* You comply with all other terms of this agreement for free
- distribution of Project Gutenberg-tm works.
-
-1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project
-Gutenberg-tm electronic work or group of works on different terms than
-are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing
-from the Project Gutenberg Literary Archive Foundation, the manager of
-the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the Foundation as set
-forth in Section 3 below.
-
-1.F.
-
-1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
-effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
-works not protected by U.S. copyright law in creating the Project
-Gutenberg-tm collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm
-electronic works, and the medium on which they may be stored, may
-contain "Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate
-or corrupt data, transcription errors, a copyright or other
-intellectual property infringement, a defective or damaged disk or
-other medium, a computer virus, or computer codes that damage or
-cannot be read by your equipment.
-
-1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
-of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
-Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
-Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
-liability to you for damages, costs and expenses, including legal
-fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
-LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
-PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
-TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
-LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
-INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
-DAMAGE.
-
-1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
-defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
-receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
-written explanation to the person you received the work from. If you
-received the work on a physical medium, you must return the medium
-with your written explanation. The person or entity that provided you
-with the defective work may elect to provide a replacement copy in
-lieu of a refund. If you received the work electronically, the person
-or entity providing it to you may choose to give you a second
-opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If
-the second copy is also defective, you may demand a refund in writing
-without further opportunities to fix the problem.
-
-1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
-in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO
-OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT
-LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
-
-1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
-warranties or the exclusion or limitation of certain types of
-damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement
-violates the law of the state applicable to this agreement, the
-agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or
-limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or
-unenforceability of any provision of this agreement shall not void the
-remaining provisions.
-
-1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
-trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
-providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in
-accordance with this agreement, and any volunteers associated with the
-production, promotion and distribution of Project Gutenberg-tm
-electronic works, harmless from all liability, costs and expenses,
-including legal fees, that arise directly or indirectly from any of
-the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this
-or any Project Gutenberg-tm work, (b) alteration, modification, or
-additions or deletions to any Project Gutenberg-tm work, and (c) any
-Defect you cause.
-
-Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
-
-Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
-electronic works in formats readable by the widest variety of
-computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It
-exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations
-from people in all walks of life.
-
-Volunteers and financial support to provide volunteers with the
-assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's
-goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
-remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
-and permanent future for Project Gutenberg-tm and future
-generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see
-Sections 3 and 4 and the Foundation information page at
-www.gutenberg.org
-
-Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation
-
-The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non-profit
-501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
-state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
-Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
-number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by
-U.S. federal laws and your state's laws.
-
-The Foundation's business office is located at 809 North 1500 West,
-Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up
-to date contact information can be found at the Foundation's website
-and official page at www.gutenberg.org/contact
-
-Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
-Literary Archive Foundation
-
-Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without
-widespread public support and donations to carry out its mission of
-increasing the number of public domain and licensed works that can be
-freely distributed in machine-readable form accessible by the widest
-array of equipment including outdated equipment. Many small donations
-($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
-status with the IRS.
-
-The Foundation is committed to complying with the laws regulating
-charities and charitable donations in all 50 states of the United
-States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
-considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
-with these requirements. We do not solicit donations in locations
-where we have not received written confirmation of compliance. To SEND
-DONATIONS or determine the status of compliance for any particular
-state visit www.gutenberg.org/donate
-
-While we cannot and do not solicit contributions from states where we
-have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
-against accepting unsolicited donations from donors in such states who
-approach us with offers to donate.
-
-International donations are gratefully accepted, but we cannot make
-any statements concerning tax treatment of donations received from
-outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
-
-Please check the Project Gutenberg web pages for current donation
-methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
-ways including checks, online payments and credit card donations. To
-donate, please visit: www.gutenberg.org/donate
-
-Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic works
-
-Professor Michael S. Hart was the originator of the Project
-Gutenberg-tm concept of a library of electronic works that could be
-freely shared with anyone. For forty years, he produced and
-distributed Project Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of
-volunteer support.
-
-Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
-editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in
-the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not
-necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper
-edition.
-
-Most people start at our website which has the main PG search
-facility: www.gutenberg.org
-
-This website includes information about Project Gutenberg-tm,
-including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
-subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
diff --git a/old/66223-0.zip b/old/66223-0.zip
deleted file mode 100644
index f3cb07b..0000000
--- a/old/66223-0.zip
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/66223-h.zip b/old/66223-h.zip
deleted file mode 100644
index 5212108..0000000
--- a/old/66223-h.zip
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/66223-h/66223-h.htm b/old/66223-h/66223-h.htm
deleted file mode 100644
index de29da2..0000000
--- a/old/66223-h/66223-h.htm
+++ /dev/null
@@ -1,11650 +0,0 @@
-<!DOCTYPE html
-PUBLIC "-//W3C//DTD HTML 4.01 Transitional//EN" "http://www.w3.org/TR/html4/loose.dtd">
-<!-- This HTML file has been automatically generated from an XML source on 2021-09-05T20:16:38Z using SAXON HE 9.9.1.8 . -->
-<html lang="nl">
-<head>
-<meta http-equiv="Content-Type" content="text/html; charset=utf-8">
-<title>Waarheid en droomen</title>
-<meta name="generator" content="tei2html.xsl, see https://github.com/jhellingman/tei2html">
-<meta name="author" content="Johannes Petrus Hasebroek (1812–1896)">
-<link rel="coverpage" href="images/new-cover.jpg">
-<link rel="schema.DC" href="http://dublincore.org/documents/1998/09/dces/">
-<meta name="DC.Creator" content="Johannes Petrus Hasebroek (1812–1896)">
-<meta name="DC.Title" content="Waarheid en droomen">
-<meta name="DC.Language" content="nl-1900">
-<meta name="DC.Format" content="text/html">
-<meta name="DC.Publisher" content="Project Gutenberg">
-<meta name="DC:Subject" content="#####">
-<style type="text/css"> /* <![CDATA[ */
-html {
-line-height: 1.3;
-}
-body {
-margin: 0;
-}
-main {
-display: block;
-}
-h1 {
-font-size: 2em;
-margin: 0.67em 0;
-}
-hr {
-height: 0;
-overflow: visible;
-}
-pre {
-font-family: monospace, monospace;
-font-size: 1em;
-}
-a {
-background-color: transparent;
-}
-abbr[title] {
-border-bottom: none;
-text-decoration: underline;
-text-decoration: underline dotted;
-}
-b, strong {
-font-weight: bolder;
-}
-code, kbd, samp {
-font-family: monospace, monospace;
-font-size: 1em;
-}
-small {
-font-size: 80%;
-}
-sub, sup {
-font-size: 67%;
-line-height: 0;
-position: relative;
-vertical-align: baseline;
-}
-sub {
-bottom: -0.25em;
-}
-sup {
-top: -0.5em;
-}
-img {
-border-style: none;
-}
-body {
-font-family: serif;
-font-size: 100%;
-text-align: left;
-margin-top: 2.4em;
-}
-div.front, div.body {
-margin-bottom: 7.2em;
-}
-div.back {
-margin-bottom: 2.4em;
-}
-.div0 {
-margin-top: 7.2em;
-margin-bottom: 7.2em;
-}
-.div1 {
-margin-top: 5.6em;
-margin-bottom: 5.6em;
-}
-.div2 {
-margin-top: 4.8em;
-margin-bottom: 4.8em;
-}
-.div3 {
-margin-top: 3.6em;
-margin-bottom: 3.6em;
-}
-.div4 {
-margin-top: 2.4em;
-margin-bottom: 2.4em;
-}
-.div5, .div6, .div7 {
-margin-top: 1.44em;
-margin-bottom: 1.44em;
-}
-.div0:last-child, .div1:last-child, .div2:last-child, .div3:last-child,
-.div4:last-child, .div5:last-child, .div6:last-child, .div7:last-child {
-margin-bottom: 0;
-}
-blockquote div.front, blockquote div.body, blockquote div.back {
-margin-top: 0;
-margin-bottom: 0;
-}
-.divBody .div1:first-child, .divBody .div2:first-child, .divBody .div3:first-child, .divBody .div4:first-child,
-.divBody .div5:first-child, .divBody .div6:first-child, .divBody .div7:first-child {
-margin-top: 0;
-}
-h1, h2, h3, h4, h5, h6, .h1, .h2, .h3, .h4, .h5, .h6 {
-clear: both;
-font-style: normal;
-text-transform: none;
-}
-h3, .h3 {
-font-size: 1.2em;
-}
-h3.label {
-font-size: 1em;
-margin-bottom: 0;
-}
-h4, .h4 {
-font-size: 1em;
-}
-.alignleft {
-text-align: left;
-}
-.alignright {
-text-align: right;
-}
-.alignblock {
-text-align: justify;
-}
-p.tb, hr.tb, .par.tb {
-margin: 1.6em auto;
-text-align: center;
-}
-p.argument, p.note, p.tocArgument, .par.argument, .par.note, .par.tocArgument {
-font-size: 0.9em;
-text-indent: 0;
-}
-p.argument, p.tocArgument, .par.argument, .par.tocArgument {
-margin: 1.58em 10%;
-}
-td.tocDivNum {
-vertical-align: top;
-}
-td.tocPageNum {
-vertical-align: bottom;
-}
-.opener, .address {
-margin-top: 1.6em;
-margin-bottom: 1.6em;
-}
-.addrline {
-margin-top: 0;
-margin-bottom: 0;
-}
-.dateline {
-margin-top: 1.6em;
-margin-bottom: 1.6em;
-text-align: right;
-}
-.salute {
-margin-top: 1.6em;
-margin-left: 3.58em;
-text-indent: -2em;
-}
-.signed {
-margin-top: 1.6em;
-margin-left: 3.58em;
-text-indent: -2em;
-}
-.epigraph {
-font-size: 0.9em;
-width: 60%;
-margin-left: auto;
-}
-.epigraph span.bibl {
-display: block;
-text-align: right;
-}
-.trailer {
-clear: both;
-margin-top: 3.6em;
-}
-span.abbr, abbr {
-white-space: nowrap;
-}
-span.parnum {
-font-weight: bold;
-}
-span.corr, span.gap {
-border-bottom: 1px dotted red;
-}
-span.num, span.trans, span.trans {
-border-bottom: 1px dotted gray;
-}
-span.measure {
-border-bottom: 1px dotted green;
-}
-.ex {
-letter-spacing: 0.2em;
-}
-.sc {
-font-variant: small-caps;
-}
-.asc {
-font-variant: small-caps;
-text-transform: lowercase;
-}
-.uc {
-text-transform: uppercase;
-}
-.tt {
-font-family: monospace;
-}
-.underline {
-text-decoration: underline;
-}
-.overline, .overtilde {
-text-decoration: overline;
-}
-.rm {
-font-style: normal;
-}
-.red {
-color: red;
-}
-hr {
-clear: both;
-border: none;
-border-bottom: 1px solid black;
-width: 45%;
-margin-left: auto;
-margin-right: auto;
-margin-top: 1em;
-text-align: center;
-}
-hr.dotted {
-border-bottom: 2px dotted black;
-}
-hr.dashed {
-border-bottom: 2px dashed black;
-}
-.aligncenter {
-text-align: center;
-}
-h1, h2, .h1, .h2 {
-font-size: 1.44em;
-line-height: 1.5;
-}
-h1.label, h2.label {
-font-size: 1.2em;
-margin-bottom: 0;
-}
-h5, h6 {
-font-size: 1em;
-font-style: italic;
-}
-p, .par {
-text-indent: 0;
-}
-p.firstlinecaps:first-line, .par.firstlinecaps:first-line {
-text-transform: uppercase;
-}
-.hangq {
-text-indent: -0.32em;
-}
-.hangqq {
-text-indent: -0.42em;
-}
-.hangqqq {
-text-indent: -0.84em;
-}
-p.dropcap:first-letter, .par.dropcap:first-letter {
-float: left;
-clear: left;
-margin: 0 0.05em 0 0;
-padding: 0;
-line-height: 0.8;
-font-size: 420%;
-vertical-align: super;
-}
-blockquote, p.quote, div.blockquote, div.argument, .par.quote {
-font-size: 0.9em;
-margin: 1.58em 5%;
-}
-.pageNum a, a.noteRef:hover, a.pseudoNoteRef:hover, a.hidden:hover, a.hidden {
-text-decoration: none;
-}
-.advertisement, .advertisements {
-background-color: #FFFEE0;
-border: black 1px dotted;
-color: #000;
-margin: 2em 5%;
-padding: 1em;
-}
-.footnotes .body, .footnotes .div1 {
-padding: 0;
-}
-.fnarrow {
-color: #AAAAAA;
-font-weight: bold;
-text-decoration: none;
-}
-.fnarrow:hover, .fnreturn:hover {
-color: #660000;
-}
-.fnreturn {
-color: #AAAAAA;
-font-size: 80%;
-font-weight: bold;
-text-decoration: none;
-vertical-align: 0.25em;
-}
-a {
-text-decoration: none;
-}
-a:hover {
-text-decoration: underline;
-background-color: #e9f5ff;
-}
-a.noteRef, a.pseudoNoteRef {
-font-size: 67%;
-line-height: 0;
-position: relative;
-vertical-align: baseline;
-top: -0.5em;
-text-decoration: none;
-margin-left: 0.1em;
-}
-.displayfootnote {
-display: none;
-}
-div.footnotes {
-font-size: 80%;
-margin-top: 1em;
-padding: 0;
-}
-hr.fnsep {
-margin-left: 0;
-margin-right: 0;
-text-align: left;
-width: 25%;
-}
-p.footnote, .par.footnote {
-margin-bottom: 0.5em;
-margin-top: 0.5em;
-}
-p.footnote .fnlabel, .par.footnote .fnlabel {
-float: left;
-min-width: 1.0em;
-margin-left: -0.1em;
-padding-top: 0.9em;
-padding-right: 0.4em;
-}
-.apparatusnote {
-text-decoration: none;
-}
-table.tocList {
-width: 100%;
-margin-left: auto;
-margin-right: auto;
-border-width: 0;
-border-collapse: collapse;
-}
-td.tocPageNum, td.tocDivNum {
-text-align: right;
-min-width: 10%;
-border-width: 0;
-white-space: nowrap;
-}
-td.tocDivNum {
-padding-left: 0;
-padding-right: 0.5em;
-}
-td.tocPageNum {
-padding-left: 0.5em;
-padding-right: 0;
-}
-td.tocDivTitle {
-width: auto;
-}
-p.tocPart, .par.tocPart {
-margin: 1.58em 0;
-font-variant: small-caps;
-}
-p.tocChapter, .par.tocChapter {
-margin: 1.58em 0;
-}
-p.tocSection, .par.tocSection {
-margin: 0.7em 5%;
-}
-table.tocList td {
-vertical-align: top;
-}
-table.tocList td.tocPageNum {
-vertical-align: bottom;
-}
-table.inner {
-display: inline-table;
-border-collapse: collapse;
-width: 100%;
-}
-td.itemNum {
-text-align: right;
-min-width: 5%;
-padding-right: 0.8em;
-}
-td.innerContainer {
-padding: 0;
-margin: 0;
-}
-.index {
-font-size: 80%;
-}
-.index p {
-text-indent: -1em;
-margin-left: 1em;
-}
-.indexToc {
-text-align: center;
-}
-.transcriberNote {
-background-color: #DDE;
-border: black 1px dotted;
-color: #000;
-font-family: sans-serif;
-font-size: 80%;
-margin: 2em 5%;
-padding: 1em;
-}
-.missingTarget {
-text-decoration: line-through;
-color: red;
-}
-.correctionTable {
-width: 75%;
-}
-.width20 {
-width: 20%;
-}
-.width40 {
-width: 40%;
-}
-p.smallprint, li.smallprint, .par.smallprint {
-color: #666666;
-font-size: 80%;
-}
-span.musictime {
-vertical-align: middle;
-display: inline-block;
-text-align: center;
-}
-span.musictime, span.musictime span.top, span.musictime span.bottom {
-padding: 1px 0.5px;
-font-size: xx-small;
-font-weight: bold;
-line-height: 0.7em;
-}
-span.musictime span.bottom {
-display: block;
-}
-ul {
-list-style-type: none;
-}
-.splitListTable {
-margin-left: 0;
-}
-.numberedItem {
-text-indent: -3em;
-margin-left: 3em;
-}
-.numberedItem .itemNumber {
-float: left;
-position: relative;
-left: -3.5em;
-width: 3em;
-display: inline-block;
-text-align: right;
-}
-.itemGroupTable {
-border-collapse: collapse;
-margin-left: 0;
-}
-.itemGroupTable td {
-padding: 0;
-margin: 0;
-vertical-align: middle;
-}
-.itemGroupBrace {
-padding: 0 0.5em !important;
-}
-.titlePage {
-border: #DDDDDD 2px solid;
-margin: 3em 0 7em 0;
-padding: 5em 10% 6em 10%;
-text-align: center;
-}
-.titlePage .docTitle {
-line-height: 1.7;
-margin: 2em 0 2em 0;
-font-weight: bold;
-}
-.titlePage .docTitle .mainTitle {
-font-size: 1.8em;
-}
-.titlePage .docTitle .subTitle, .titlePage .docTitle .seriesTitle,
-.titlePage .docTitle .volumeTitle {
-font-size: 1.44em;
-}
-.titlePage .byline {
-margin: 2em 0 2em 0;
-font-size: 1.2em;
-line-height: 1.5;
-}
-.titlePage .byline .docAuthor {
-font-size: 1.2em;
-font-weight: bold;
-}
-.titlePage .figure {
-margin: 2em auto;
-}
-.titlePage .docImprint {
-margin: 4em 0 0 0;
-font-size: 1.2em;
-line-height: 1.5;
-}
-.titlePage .docImprint .docDate {
-font-size: 1.2em;
-font-weight: bold;
-}
-div.figure {
-text-align: center;
-}
-.figure {
-margin-left: auto;
-margin-right: auto;
-}
-.floatLeft {
-float: left;
-margin: 10px 10px 10px 0;
-}
-.floatRight {
-float: right;
-margin: 10px 0 10px 10px;
-}
-p.figureHead, .par.figureHead {
-font-size: 100%;
-text-align: center;
-}
-.figAnnotation {
-font-size: 80%;
-position: relative;
-margin: 0 auto;
-}
-.figTopLeft, .figBottomLeft {
-float: left;
-}
-.figTopRight, .figBottomRight {
-float: right;
-}
-.figure p, .figure .par {
-font-size: 80%;
-margin-top: 0;
-text-align: center;
-}
-img {
-border-width: 0;
-}
-td.galleryFigure {
-text-align: center;
-vertical-align: middle;
-}
-td.galleryCaption {
-text-align: center;
-vertical-align: top;
-}
-.lgouter {
-margin-left: auto;
-margin-right: auto;
-display: table;
-}
-.lg {
-text-align: left;
-padding: .5em 0 .5em 0;
-}
-.lg h4, .lgouter h4 {
-font-weight: normal;
-}
-.lg .lineNum, .sp .lineNum, .lgouter .lineNum {
-color: #777;
-font-size: 90%;
-left: 16%;
-margin: 0;
-position: absolute;
-text-align: center;
-text-indent: 0;
-top: auto;
-width: 1.75em;
-}
-p.line, .par.line {
-margin: 0 0 0 0;
-}
-span.hemistich {
-visibility: hidden;
-}
-.verseNum {
-font-weight: bold;
-}
-.speaker {
-font-weight: bold;
-margin-bottom: 0.4em;
-}
-.sp .line {
-margin: 0 10%;
-text-align: left;
-}
-.castlist, .castitem {
-list-style-type: none;
-}
-.castGroupTable {
-border-collapse: collapse;
-margin-left: 0;
-}
-.castGroupTable td {
-padding: 0;
-margin: 0;
-vertical-align: middle;
-}
-.castGroupBrace {
-padding: 0 0.5em !important;
-}
-body {
-padding: 1.58em 16%;
-}
-.pageNum {
-display: inline;
-font-size: 70%;
-font-style: normal;
-margin: 0;
-padding: 0;
-position: absolute;
-right: 1%;
-text-align: right;
-}
-.marginnote {
-font-size: 0.8em;
-height: 0;
-left: 1%;
-position: absolute;
-text-indent: 0;
-width: 14%;
-text-align: left;
-}
-.right-marginnote {
-font-size: 0.8em;
-height: 0;
-right: 3%;
-position: absolute;
-text-indent: 0;
-text-align: right;
-width: 11%
-}
-.cut-in-left-note {
-font-size: 0.8em;
-left: 1%;
-float: left;
-text-indent: 0;
-width: 14%;
-text-align: left;
-padding: 0.8em 0.8em 0.8em 0;
-}
-.cut-in-right-note {
-font-size: 0.8em;
-left: 1%;
-float: right;
-text-indent: 0;
-width: 14%;
-text-align: right;
-padding: 0.8em 0 0.8em 0.8em;
-}
-span.tocPageNum, span.flushright {
-position: absolute;
-right: 16%;
-top: auto;
-text-indent: 0;
-}
-.pglink::after {
-content: "\0000A0\01F4D8";
-font-size: 80%;
-font-style: normal;
-font-weight: normal;
-}
-.catlink::after {
-content: "\0000A0\01F4C7";
-font-size: 80%;
-font-style: normal;
-font-weight: normal;
-}
-.exlink::after, .wplink::after, .biblink::after, .qurlink::after, .seclink::after {
-content: "\0000A0\002197\00FE0F";
-color: blue;
-font-size: 80%;
-font-style: normal;
-font-weight: normal;
-}
-.pglink:hover {
-background-color: #DCFFDC;
-}
-.catlink:hover {
-background-color: #FFFFDC;
-}
-.exlink:hover, .wplink:hover, .biblink:hover, .qurlink:hover {
-background-color: #FFDCDC;
-}
-body {
-background: #FFFFFF;
-font-family: serif;
-}
-body, a.hidden {
-color: black;
-}
-h1, h2, .h1, .h2 {
-text-align: center;
-font-variant: small-caps;
-font-weight: normal;
-}
-p.byline {
-text-align: center;
-font-style: italic;
-margin-bottom: 2em;
-}
-.div2 p.byline, .div3 p.byline, .div4 p.byline, .div5 p.byline, .div6 p.byline, .div7 p.byline {
-text-align: left;
-}
-.figureHead, .noteRef, .pseudoNoteRef, .marginnote, .right-marginnote, p.legend, .verseNum {
-color: #660000;
-}
-.rightnote, .pageNum, .lineNum, .pageNum a {
-color: #AAAAAA;
-}
-a.hidden:hover, a.noteRef:hover, a.pseudoNoteRef:hover {
-color: red;
-}
-h1, h2, h3, h4, h5, h6 {
-font-weight: normal;
-}
-table {
-margin-left: auto;
-margin-right: auto;
-}
-.tablecaption {
-text-align: center;
-}
-.arab { font-family: Scheherazade, serif; }
-.aran { font-family: 'Awami Nastaliq', serif; }
-.grek { font-family: 'Charis SIL', serif; }
-.hebr { font-family: Shlomo, 'Ezra SIL', serif; }
-.syrc { font-family: 'Serto Jerusalem', serif; }
-/* CSS rules generated from @rend attributes in TEI file */
-.cover-imagewidth {
-width:480px;
-}
-.xd31e102 {
-text-align:center; font-size:large;
-}
-.titlepage-imagewidth {
-width:475px;
-}
-.xd31e144 {
-text-align:right;
-}
-.xd31e168 {
-text-indent:10em;
-}
-.xd31e331 {
-text-align:center;
-}
-.xd31e490 {
-text-indent:2em;
-}
-.xd31e601 {
-text-indent:4em;
-}
-.xd31e1875 {
-text-indent:8em;
-}
-.xd31e6673 {
-text-indent:6em;
-}
-@media handheld {
-}
-/* ]]> */ </style>
-</head>
-<body>
-
-<div style='text-align:center; font-size:1.2em; font-weight:bold'>The Project Gutenberg eBook of Waarheid en droomen, by Johannes Petrus Hasebroek</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
-most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
-whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
-of the Project Gutenberg License included with this eBook or online
-at <a href="https://www.gutenberg.org">www.gutenberg.org</a>. If you
-are not located in the United States, you will have to check the laws of the
-country where you are located before using this eBook.
-</div>
-
-<p style='display:block; margin-top:1em; margin-bottom:1em; margin-left:2em; text-indent:-2em'>Title: Waarheid en droomen</p>
-
-<div style='display:block; margin-top:1em; margin-bottom:1em; margin-left:2em; text-indent:-2em'>Author: Johannes Petrus Hasebroek</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>Release Date: September 5, 2021 [eBook #66223]</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>Language: Dutch</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>Character set encoding: UTF-8</div>
-
-<div style='display:block; margin-left:2em; text-indent:-2em'>Produced by: Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading Team at https://www.pgdp.net/ for Project Gutenberg (This book was produced from scanned images of public domain material from the Google Books project.)</div>
-
-<div style='margin-top:2em; margin-bottom:4em'>*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK WAARHEID EN DROOMEN ***</div>
-<div class="front">
-<div class="div1 cover"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody">
-<p class="first"></p>
-<div class="figure cover-imagewidth"><img src="images/new-cover.jpg" alt="Nieuw ontworpen voorkant." width="480" height="720"></div><p>
-</p>
-</div>
-</div>
-<div class="div1 frenchtitle"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody">
-<p class="first xd31e102">WAARHEID EN DROOMEN.
-</p>
-</div>
-</div>
-<div class="div1 titlepage"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody">
-<p class="first"></p>
-<div class="figure titlepage-imagewidth"><img src="images/titlepage.png" alt="Oorspronkelijke titelpagina." width="475" height="720"></div><p>
-</p>
-</div>
-</div>
-<div class="titlePage">
-<div class="docTitle">
-<div class="mainTitle">WAARHEID EN DROOMEN,</div>
-</div>
-<div class="byline">DOOR
-<br><span class="docAuthor">JONATHAN.</span> </div>
-<div class="byline">
-</div>
-<div class="docImprint">Vijfde, <span class="corr" id="xd31e123" title="Bron: op nieuw">opnieuw</span> vermeerderde druk.
-<br>LEIDEN, <br>E. J. BRILL. <br><span class="docDate">1872.</span> </div>
-</div>
-<p></p>
-<div class="div1 epigraph"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody">
-<p class="first"><span class="trans" title="Houtos men panaristos, hos hautō panta noēsei."><span lang="grc" class="grek">Οὑτος μὲν πανάριστος, ὅς αὑτῷ πάντα νοήσει.</span></span>
-</p>
-<p class="xd31e144">HESIODUS.
-<span class="pageNum" id="pb.v">[<a href="#pb.v">V</a>]</span> </p>
-</div>
-</div>
-<div class="div1 preface"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="main">VOORBERICHT.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Gelijk ieder boek, dat het licht ziet, hebben ook de hierna volgende bladen, die bij
-dezen den lezer op nieuw worden aangeboden, hunne eigen geschiedenis.
-</p>
-<p>Onopzettelijker en met minder bepaald plan om als een afzonderlijk, zelfstandig, deftig
-boek, op eigen beenen, de wereld der openbaarheid in te treden, is wel zelden eenige
-letter-arbeid zijne wandeling onder de menschen begonnen. Het was een tweetal vrienden,
-die, tot mijne en veler vreugde, nog thans de eer en de trots der vaderlandsche letterkunde
-zijn, welke tot het ontstaan van de eerste hier voorkomende Schets aanleiding gaven.
-Het was eenigszins als bij wijze van een dichterlijk spel, dat die bladzijden ten
-papiere werden gebracht, om het bloemenkorfje van de bekoorlijke, helaas, te vroeg
-gestorven <i>Tesselschade</i> te helpen vullen en versieren. Dat de verzamelaar van dien bloemruiker het eenvoudige
-bloemeke uit de hand des vriends niet afwees, liet zich verstaan en verklaren. Maar
-dat het groote Publiek gunstig genoeg geluimd was, niet alleen om deze geringe veldbloem
-welwillend aan en op te nemen, maar haar ook een blijvende plaats in zijn kamertuin
-te geven, was meer, oneindig meer, dan men zich had beloofd. Was het wonder, dat men,
-ziende welk een onthaal die soort van gewas vond, er meer opzettelijk werk van begon
-te maken en met dat doel een kleine kweekerij werd aangelegd?
-</p>
-<p>Met de voorspoedig ontluikende spruiten van dien hof werden nu van tijd tot tijd ook
-andere bloemkorven voorzien. Niet alleen de kunst-keurige <i>Tesselschade</i>, ook de klassieke <i>Gids</i>, de <i>Gids</i>, zooals <span class="sc">De Génestet</span> zingt:
-<span class="pageNum" id="pb.vi">[<a href="#pb.vi">VI</a>]</span></p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line xd31e168">in lang vervlogen dagen, </p>
-<p class="line">Eer in zijn hart, verflauwd voor Letteren en Kunst, </p>
-<p class="line">Hebreeuwsch en politiek, ach, stegen in de gunst, </p>
-</div>
-<p class="first">ook het toen nog zoo populaire en veelgelezen <i>Leeskabinet</i>, ook de eens zoo bloeiende, maar spoedig uitgebloeide <i>Nederlandsche Maatschappij van schoone kunsten</i> hadden voor haar een plaatsje over. Zoo ontstond van lieverlede eene gansche verzameling,
-die, hoewel altoos niet groot, toch na eenigen tijd groot genoeg geworden was, om
-voor zich in den Nederlandschen letterhof een eigen plek te vragen. Onder den algemeenen
-titel van <i>Waarheid en droomen</i> door <span class="sc">Jonathan</span>, kwam in 1840 de eerste uitgave der bijeenvergaderde Schetsen in het licht.
-</p>
-<p>De opname was zoo ongedacht gunstig, dat nog in hetzelfde jaar een tweede oplage noodig
-werd. In 1846 volgde een derde, in 1856 een vierde uitgave, en nu, in 1872, verschijnt
-bij dezen een vijfde, weder op nieuw vermeerderde druk.
-</p>
-<p>Vermeerderd—waarom?
-</p>
-<p>Ik zal eerlijk opbiechten. Ik voor mij zou daartoe uit eigen beweging wel niet gekomen
-zijn. Maar in die dagen was de oorspronkelijke uitgever van de Jonathaniana, mijn
-wakkere, bekwame en achtenswaardige vriend <span class="sc">Pieter François Bohn</span> nog in het land der levenden. Hij verraste mij met de aankondiging, dat een nieuwe
-oplage van de Waarheid en Droomen noodig was geworden, en dat ook werkelijk bij hem
-het plan bestond om daartoe eerlang over te gaan. Maar hij voegde bij die mededeeling,
-zonder er juist een voorwaarde van te maken, toch een dringenden wensch, dat er aan
-de oorspronkelijke verzameling althans een enkele nieuwe Schets mocht worden toegevoegd,
-die daaraan als een zeker waas en geur van verschheid en frischheid geven zou. Had
-ik recht, of onrecht, voor dien aandrang te bezwijken? Ik weet het niet. Misschien
-had ik beter gedaan, ook hier den bekenden rechtsregel te gedenken: <i lang="la">Non bis in idem</i>. Misschien was het al te laat in ’t jaar geworden, om nog op een groen Sint-Jans-lot
-te hopen. Misschien doet de oude man beter, om met zijn roestig geworden stem het
-liedje van vroeger dagen niet nog eens op nieuw te willen opneuriën … Wat baat het
-alles? Ik was, ondanks dit alles, zwak genoeg toe te geven. De nieuwe Schets werd
-geschreven, en onder <span class="pageNum" id="pb.vii">[<a href="#pb.vii">VII</a>]</span>het opschrift: <i>Een afscheidsbezoek in 1871</i> aan de overige verzameling toegevoegd.
-</p>
-<p>En zoo geef ik hierbij den geheelen bundel, gelijk hij nu is ingericht, den goedgunstigen
-lezer over. Ik doe het echter met een gemengd gevoel. Het is als zag ik een rouwrand
-om den titel. Er bestaat een populair rijmpje:
-</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line">Het boompje groot; </p>
-<p class="line">De planter dood. </p>
-</div>
-<p class="first">Dit komt mij nu als van zelf voor den geest, bij den blik op deze afgedrukte bladen,
-wier oorspronkelijke uitgever ook dit deel zijns werks met zooveel wakkerheid aanvatte,
-maar het niet ten einde brengen mocht. Hij heeft zelfs de nieuwe Schets, tot wier
-vervaardiging hij den stoot gaf, niet eens gezien! Een <i>memento</i> meer bij zoovele anderen, waarvan de volgende bladen spreken. Ik betreur dit overlijden,
-niet zoo zeer om het boek, dat nu toch op zijn tijd behoorlijk in de wereld komt,
-als om den Vriend, met wien mij een langdurig verkeer op de hartelijkste wijze verbond.
-Aan zijn hand verscheen ik, met mijn Rijm en Onrijm beide, het eerst voor het groot
-Publiek; toen, en later, dankte ik aan hem menigen nuttigen wenk, die getuigde van
-zijn helder hoofd, gezond hart en goeden smaak.—Ik werp dus, in deze eenvoudige mededeeling,
-een bloem van hulde en erkentenis op zijn pasgesloten graf. Ik weet, dat ik, zoo doende,
-niet alleen voor mij zei ven, maar ook uit naam van meer anderen spreke, die erkennen
-zullen, aan de medewerking van den bekwamen en ijverigen Uitgever hunner werken geen
-mindere verplichting te hebben, dan ik gevoel hem schuldig te zijn—en te willen blijven.
-</p>
-<p>En nu ik eens den voet op dit gebied der herinnering gezet heb, hoevele liefelijke
-beelden uit het verleden verrijzen daarbij voor mijnen geest!
-</p>
-<p>Een mensch kan twee levens leven: een historisch, reëel, en een literarisch leven—een
-leven, ook hier, van <i>Waarheid</i> en van <i>Droomen</i>, als gij wilt. Het eerste is zeker in menig opzicht het belangrijkste, het ware,
-het eigenlijke leven; maar ook het tweede heeft, naast en in het eerste, zijne eigen
-beteekenis en waardij. Maar nu, met het <span class="pageNum" id="pb.viii">[<a href="#pb.viii">VIII</a>]</span>oog daarop, kan <span class="sc">Jonathan</span> niet dan met groote dankbaarheid erkennen, dat, terwijl zijn werkelijk leven, als
-ieder weefsel der Schikgodinnen, zijn gemengde witte en zwarte draden gehad heeft,
-de webbe van zijn letterkundig leven schier niet dan enkel witte draden bevat. Hoeveel
-vrienden heeft hij op zijne omwandeling, nu reeds aanvankelijk onder een tweede geslacht,
-gevonden en behouden! En daarentegen, hoe weinig harde beoordeeling of behandeling
-heeft hij … ja, heeft hij daarvan ooit wel iets ondervonden? Hij kan het zich niet
-herinneren. Kon hij aan deze Schetsen een verhaal van zijne ervaringen op dit punt
-toevoegen!… maar dat behoort in het Geheime Dagboek, dat niet onder vreemde oogen
-komt. Waartoe dan de vermelding? Alleen uit een gevoel van dankbaarheid jegens de
-zachte lucht, die zijn zwak en teer gewas tot nu toe in ’t leven heeft gehouden, en
-het nu weer, als eene vernieuwing des levens, een nieuwen bloeitijd gunt. Moge ook
-later die lucht even zacht blijven. De heerlijke Juli-zon van dit jaar, schijnende
-over het bekoorlijke Dal aan de oevers van de Vesdre, nabij de wellen der <i>Warme-Bron</i>,<a class="noteRef" id="xd31e221src" href="#xd31e221">1</a> waar ik deze regelen nederschrijve, schijnt mij daarvoor een goed en veelbelovend
-voorteeken te wezen. Moge dit voorteeken niet liegen. In die hoop, ga dan, mijn bloemeke,
-en bloei, en geur, zoolang uw zomerdag duurt, en breng met dezen uwen geur aan allen,
-die u welkom heeten en in liefde ontvangen, den heilwensen van uwen kweeker over in
-het ouderwetsche, maar hartelijk gemeende woord, dat ik zoo vaak als een devies op
-een breekbare gave der erkentenis en der liefde las: Wandel op rozen en—vergeet mij
-niet!
-</p>
-<p class="dateline">Juli 1872.
-</p>
-<p class="signed">JONATHAN.
-<span class="pageNum" id="pb1">[<a href="#pb1">1</a>]</span> </p>
-</div>
-<div class="footnotes">
-<hr class="fnsep">
-<div class="footnote-body">
-<div id="xd31e221">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e221src">1</a></span> Chaudfontaine.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e221src" title="Ga terug naar noot 1 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-</div>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div class="body">
-<div id="ch1" class="div1 story"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e7130">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="main">DE HAARLEMSCHE COURANT.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">„Hebt gij den brievenpost reeds gehoord?”
-</p>
-<p>Dit is driemaal ’s weeks mijn eerste vraag, als ik den voet buiten mijn slaapkamer
-zet, om te gaan ontbijten.
-</p>
-<p>En waarom, meent gij?
-</p>
-<p>Omdat ik belangrijke handelsberichten verwacht?—Gij vergist u. Ik heb met geen koopman
-ter wereld iets uitstaande, als gij den makelaar, die mijne weinige effecten, <i lang="la">rara folia</i>, beheert, en den Amsterdamschen tabakskooper, die mij maandelijks mijn varinas zendt,
-uitzondert.
-</p>
-<p>Omdat ik een brief van teederen aard te gemoet zie?—Nog minder. Ik ben een oud vrijer,
-en heb in die soort van correspondentie niets meer te verwachten, sedert ik het kleine
-bundeltje, dat ik vroeger op mijn hart droeg, met een rozerood lint omwonden en met
-een hieroglyphisch cachet verzegeld, in een verborgen lade van mijn secretaire sloot.
-</p>
-<p>Omdat ik naar een brief met zwarte randen uitkijk, die mij de testamentaire dispositie
-van een rijken oudoom berichten moet?—Gelukkig niet. Ik heb het voorrecht, den laatsten,
-wiens overlijden mij voordeel kon aanbrengen, te hebben zien sterven. Nu ben ik verlost
-van dat onaangenaam gevoel van kwade begeerlijkheid, dat het gezicht van een gegoeden
-en ongehuwden bloedverwant altijd in mij opwekte; een gevoel, niet ongelijk aan den
-zelfstrijd van den arme, die er niet buiten kan, zijn gemest ooilam met beluste oogen
-aan te zien.
-</p>
-<p>Ik zie wel, ge zult het niet raden. Welnu! die vraag ontstaat uit ongeduldig verlangen
-naar de Haarlemsche Courant.
-</p>
-<p>Naar de Haarlemsche Courant?
-</p>
-<p>Ja, lezer! maar niet geheel om dezelfde reden, waarom gij er denkelijk naar verlangt.
-Mij dunkt, ik zie u, zoo als gij haar vrij onverschillig in de hand neemt, eerst de
-advertentiën doorloopt, en tot de tegen u <span class="pageNum" id="pb2">[<a href="#pb2">2</a>]</span>overzittende dame het woord richt: „Mevrouw A. heeft eene dochter. <span class="sc">Jack</span> is ridder geworden. De advokaat B. is dood,” enz. De advertentiën doorgelezen hebbende,
-gaat gij, achterwaarts opklimmende, tot het staatkundige nieuws over, zoekt bij voorkeur
-de opgave van brand, stormen en landziekten op, en eindigt met een vluchtigen blik
-op de verschillende aankondigingen te werpen. Eindelijk legt ge geeuwende het blad
-uit de handen, en reikt het uwe vrouw of zuster toe, met het vonnis:
-</p>
-<p>„Heden niets nieuws.”
-</p>
-<p>Geheel anders gaat het bij mij toe. Als mijn getrouwe huiszorg mij verzekerd heeft,
-dat het blad van <span class="sc">Enschedé</span> met den post is aangekomen, treed ik met een genoegelijk gezicht in de ontbijtkamer.
-De courant, zoo als zij, nog nat van de pers, en door geene ongewijde aanraking gekreukt,
-naast mijn bord op tafel ligt, lacht mij reeds bij het binnenkomen toe. Ik sla er
-echter geen hand aan, voordat ik eerst de thee gezet heb; zelfs ligt in dat uitstel
-voor mij een soort van weelde, zoodat ik mij wel wacht, mij bij dit werk te overhaasten.
-Eindelijk ben ik met mijn toestel gereed. Na mijn eerste geurige kopje met langzame
-teugen te hebben opgeslurpt, vat ik met eerbiedige vingers de belangrijke bladen aan.
-<span class="sc">Strauss</span> zegt ergens, dat er iets karakteristieks lag in de wijze, waarop zijn vader den Bijbel
-na het lezen toesloeg; mij dunkt, die mij de Haarlemsche Courant ziet openvouwen,
-moet insgelijks iets bemerken van de hooge ingenomenheid, die ik voor haar gevoel.
-Daar ligt nu de breede vlakte wellustig voor mij uitgespreid. Ik begin—met het begin.
-Zelfs het opschrift trekt somwijlen mijne aandacht.
-</p>
-<p><i>Opregte</i> ***<i>dagsche Haarlemsche Courant</i>. Welk een oude, deftige naam! Het blad krijgt er het voorkomen van een klassiek gedenkstuk
-door, als ware het een nieuwe <i lang="fr">livraison</i> van eene altijd doorloopende historische en statistische encyclopedie. Dan denk ik
-er aan, hoe vele jaren het nieuws van den dag zich onder dezen vorm bij onze voorouders
-heeft aangemeld, en ik heb eerbied voor dien trek van gehechtheid aan het oude, zoo
-hemelsbreed verschillende van de veranderziekte der overige natiën, bij wie het eene
-journaal het andere verdringt, naarmate de verschillende partijen rijzen of dalen.
-Niet aldus bij ons. In de Haarlemsche Courant is reeds de dood mijns vaders en van
-den vader mijns vaders op gelijke wijze aangekondigd geworden. Zij bevat de gansche
-geschiedenis van mijn geslacht; zij zou voor mij het eerste blad uit mijn <span class="corr" id="xd31e270" title="Bron: folioStatenbijbel">folio Statenbijbel</span> kunnen vervangen, waarin wij van ouder tot ouder gewoon zijn onze donkere en heldere
-dagen aan te teekenen. Waarlijk, er is iets plechtigs in de onafgewisselde eentoonigheid
-van dit nieuwspapier. Ieder dag levert daaraan zijn vast contingent van bulletins,
-geboortecedels en sterflijsten. Een louter staatkundig blad moge somtijds gebrek aan
-stoffe hebben, de Haarlemsche Courant nooit. Zij vervolgt altijd even zeker, even
-kort en treffend de geschiedenis, door de hand van den eersten Historiograaf aangevangen:
-„Ende <span class="sc">Adam</span> gewan <span class="sc">Seth</span>, ende hy stierf; ende <span class="sc">Seth</span> gewan <span class="sc">Enos</span>, ende hy stierf.” En als ik aan de geslachten denk, welke deze bode des doods, <span class="pageNum" id="pb3">[<a href="#pb3">3</a>]</span>even koel als de dood zelf, heeft zien voorbijgaan, dan zoekt mijn oog naar het plaatsje,
-dat ik welhaast in het zwart register zal innemen; dan vraag ik mijzelven af, wie
-bij mijn overlijden de lijkklacht zal aanheffen; met welk gevoel mijne bekenden het
-blad uit de hand zullen leggen, waarin mijn naam voor de jongste maal voorkomt, en
-welke geschiedenis de Courant—of, dat hetzelfde is, de hand Gods van mijn geslacht
-zal schrijven, tot den dag toe, dat er niemand meer over is, om het doodsbericht van
-mijnen laatsten naneef te onderteekenen, dan de onverschillige executeur. Zie, zulke
-gedachten verwekt somwijlen bij mij het gezicht van dat onveranderlijk opschrift:
-<i>Opregte Haarlemsche Courant</i>.
-</p>
-<p>Ik ga voort, en neem kennis van de historische en politieke berichten, die mij worden
-medegedeeld: even als ieder ander, heb ik hier mijne artikelen, waarop bij voorkeur
-mijn oog valt. Curiositeiten liggen geheel buiten den kring van mijnen smaak. Ook
-sla ik altijd de eeuwigdurende twisten der wetgevende kamers over. Om er rond voor
-uit te komen, die nietigheden zijn mij te nietig. Ik houd mij liever bij grooter gebeurtenissen
-en personen op; daaronder voel ik mijn hart opgeheven; daarbij denk ik: „<span lang="nl">Waerom woeden de Heydenen, ende bedencken de volckeren ydelheyt? De koninghen der
-aerde stellen sich op, ende de vorsten beraetslaghen te samen teghen den <span class="sc">Heere</span> ende teghen sijnen Gesalfden, seggende: Laet ons hare banden verscheuren ende hare
-touwen van ons werpen. Die in den Hemel woont, sal lachen; de Heere sal ze bespotten.</span>”—O, wie met een vroom oog leest, kan in de Haarlemsche Courant een vervolg op de
-boeken der heilige Profeten vinden. Of schrijft zij niet, even als de oirkonden des
-O. T., de geschiedenis der Voorzienigheid? Leert zij niet tastbaar: „<span lang="nl">De volckeren sijn geacht als een druppel van eenen eemer en als een stofken van de
-weeghschale. Des Konincx herte is in de hant des Heeren als waterbeken: hy neyght
-het tot al dat hy wil.</span>”—En als gij <i>hier</i> tusschen de puinhoopen van vervallen grootheid, en <i>daar</i> in de schaduw van nieuwgebouwde muren wandelt, herkent gij daar den vinger Gods niet
-in, die, sedert de tijden van <i>Babels</i> torenbouw, niet <span class="corr" id="xd31e308" title="Bron: opghouden">opgehouden</span> heeft trotsche hoogten te vernederen en lage vlakten te verheffen? Ja, al zoudt gij
-mij van zonderlingheid verdenken, ik moet er voor uitkomen, dat die onedele en platte
-stijl, waarin de courantier zijne berichten schrijft, en die zulk een treffend contrast
-vormt met het indrukwekkende en leerzame van den inhoud, voor mij zijne grillige bekoorlijkheid
-heeft. Dit is ook een soort van schat in aarden vaten: een profetie, gepredikt door
-een, die zwaar van mond en zwaar van tong is; een pijl, door den Syriër in zijne eenvoudigheid
-geschoten. In allen gevalle verkies ik de verzwegen lessen van de Haarlemmer nieuwsberichten
-verre boven menige verhandeling „over de wegen der Voorzienigheid in deze of gene
-omwenteling.” Hier hebt gij de waarheid in hare eenvoudige gedaante, zonder dat zij
-de moeite neemt te zeggen: „Hier ben ik!” Hier hebt ge een prediker van Gods Voorzienigheid,
-even ongedwongen, en daarom even onwedersprekelijk, als de gebanvloekte steen van
-Babels puinhoopen, <span class="pageNum" id="pb4">[<a href="#pb4">4</a>]</span>waarop gij in geheimzinnige letteren leest: <span lang="he" class="hebr">‏חיה יהוה‎</span> (<span class="sc">Jehovah leeft</span>).
-</p>
-<p>Ik kan u niet alles mededeelen, wat ik al bij die politieke berichten denk en gevoel.
-Dit evenwel zal ik u niet behoeven te zeggen, dat mijn oog, moede van het dwalen over
-de wereldkaart, altijd weder met liefde op dat kleine plekje valt, waarop beide, de
-Haarlemsche Courant en haar lezer, geboren werden. Het is waar, op dit punt zijn de
-berichten altijd het karigst en onbelangrijkst. Maar weet ik dan niet, dat juist dit
-een zegen op zichzelven is, daar het met de natiën gaat als met bijzondere personen,
-die er te beter om varen, hoe minder men van hen spreekt. <i lang="la">Felix qui bene latuit.</i> O mijn lievelingsplekje in mijn lievelings-dagblad! blijf nog lang zoo klein van
-omvang, zoo arm van inhoud; des te beter zult gij een eigen hoekje in de nieuwspapieren
-bewaren, dat men u eens zoo wreed ontnomen heeft.
-</p>
-<p>Zoo nader ik tot de huwelijksberichten. Een leelijk artikel voor een oud vrijer. Het
-is of mijn gezicht altijd eenigszins betrekt, als ik dat tergende <i>getrouwd—getrouwd—getrouwd</i>—onder de oogen krijg. Ach, daar was eens een vooruitzicht, lezer, dat gij er ook
-eene advertentie zoudt hebben aangetroffen:
-</p>
-<p><i>Getrouwd</i>:
-</p>
-<p class="xd31e331"><span class="sc">Jonathan</span> ***
-</p>
-<p class="xd31e331"><i>en</i>
-</p>
-<p class="xd31e331"><span class="sc">Betsy</span> ***
-</p>
-<p>Maar nu heeft schrijver dezes al zijn hoop gevestigd op eenen anderen staat, waar
-geen register van den burgerlijken stand en geene Haarlemsche Courant meer zijn, waarvan
-hij gelooft: „<span lang="nl">In de opstandinghe en nemen sy niet ten houwelicke, noch en worden niet ten houwelicke
-uytgegheven, maer sy sijn als Engelen Godts in den hemel.</span>” Vraag mij niet hoe die advertentie mislukte; het zij u genoeg, dat ik zoo ver gekomen
-ben, om nimmer met tegenzin in de geboorteberichten te lezen:
-</p>
-<p><i>Heden beviel van eene dochter</i> <span class="sc">Betsy</span> ***, <i>geliefde echtgenoote van</i>—van—een ander dan <span class="sc">Jonathan</span>.
-</p>
-<p>Integendeel, de dag, als het nieuwspapier zulk een bericht inhoudt, is voor mij een
-feestdag. Dan laat ik mijne oude dienstmaagd, hoe vreemd zij mij ook aanzie, altijd
-een kopje kandeel voor mij gereed maken, en ’s avonds gedenk ik een mensch meer in
-mijn gebed.
-</p>
-<p>Overigens ben ik echter altijd een weinig gevoelig, als ik aan dat hatelijke punt
-van voltrokken huwelijken kom, en de drommel weet hoe het komt, dat ik dan meermalen
-de Courant moet neêrleggen, om mijn brilleglas af te vegen. Dan denk ik soms bij mij
-zelven: „Wat staat dat hier kort en koel: <i>getrouwd</i>, en dat van eene plechtigheid, waarbij zoovele hartstochten in het spel zijn! Hoe
-menig heeft hier in dat woord zijne aardsche zaligheid uitgesproken! maar ook van
-hoe vele jammervolle geschiedenissen staan hier de eerste letteren.” Dan <span class="pageNum" id="pb5">[<a href="#pb5">5</a>]</span>hecht ik in mijne gedachten aan dien enkelen draad een lang zwart weefsel van ongeluk
-en lijden, tot ik, met een lach over mijne onnoozelheid, de hand in het rag mijner
-verbeelding sla. Somtijds roep ik mij ook het liefelijke beeld der bruiden voor den
-geest; dan zie ik ze, die aanvallige schepselen, die alle schoon zijn door de schoonheid
-des genoegens, en alle rijk door den rijkdom des geluks. Evenwel vergeet ik nooit
-haar onderling lot te vergelijken, dat zich vooral in den tijd eener feestviering
-zoo scherp afteekent. Hier zie ik er eene in een wit neteldoeksch kleedje, met een
-bloemtakje op de borst, door weinige hartelijke vrienden omgeven. Maar ginds verplaats
-ik mij in een vergulde zaal,
-</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line">Met gouden luchters aan de wanden, </p>
-<p class="line">Waarop de bijen offers branden, </p>
-</div>
-<p class="first">alles schitterende van pracht, weelde en genot. Daar zie ik de bruid, opgetooid als
-een Madonnabeeld, met kleederen, stijfstaande van goud en juweelen, als eene vorstin
-gevierd en gehuldigd, door een stoet van hovelingen omringd. Daar zingen geen gasten
-een vroolijk bruiloftslied, maar schimpende muzikanten blazen met onwillige lippen
-de fanfare der zegenwensching. Daar straalt op geen enkel gelaat ingenomenheid met
-het geluk der bruid: men legt er zijne belangstelling aan den dag door dansen. Dansen—altijd
-dansen. Foei! in spijt van natuurlijke traagheid en gezond verstand, in spijt van
-<span class="sc">Byron</span>’s <i>Waltz</i> en <span class="sc">Hugo</span>’s <i lang="fr">Fantômes</i>, zich den Vampyr des bals in de armen te werpen! Een vrouw, die danst, is leelijk.
-De gratie van houding en standen betwist ik niet; maar op het gelaat verwekt die gelijkmatige
-trippeling der voeten eene onnoozele of eene wellustige uitdrukking. Eene bruid vooral
-moet niet dansen. Zij is eene vorstin; zij poseert in de dagen harer feestvreugde;
-zij moet zich niet overgeven, zij moet kiesch zijn. In den dans verzuimt de bruid
-(waarover zij anders zoo wel te waken weet) hare hartstochten te verbergen. Zij heet
-de gesluierde, <i>nupta</i>, en zal zij zich nu door de woestheid harer bewegingen half naakt dansen? Foei, dat
-dwarrelende stof op den blanken oranjebloesem! Foei, die wellustige kreuken in het
-gewijde bruidskleed! Foei, die gevierde Heilige in de armen eens vreemden! Tot de
-vrouwen toe, die niet dansen, zijn van den trippelduivel bezeten. Haar oog volgt de
-rijen; haar hoofd huppelt de maat der muziek na, en de voeten bewegen zich krampachtig
-naar den klank der luchtige walsnoten. Bij andere volken behandelde men den eerdienst
-als een dans; bij ons den dans als een eerdienst. <i lang="fr">l’Alternative ne nous flatte guère</i>.
-</p>
-<p>Maar als ik bemerk dat ik bitter word, stap ik dadelijk over op de geboorteberichten.
-Gij zoudt u vergissen, als gij meent, dat een oud vrijer die overslaat. Neen, ik heb
-zoogoed als iemand vader-ingewanden, ofschoon de dooplijst er mij niet voor heeft
-te boek <span class="corr" id="xd31e390" title="Bron: staau">staan</span>. Vooreerst heb ik eene algemeene kinderliefde; maar daarenboven zijn er, die een
-bijzonder recht op mijn hart hebben; kinderkens, die vader en <span class="pageNum" id="pb6">[<a href="#pb6">6</a>]</span>moeder zeggen tot hen, die mijn hart broeder en zuster noemt; kinderkens, van wie
-ik weet dat ze in de vreeze des Heeren zullen worden opgevoed, en alzoo, indien God
-er zijn zegen toe geeft, kinderen <i>blijven</i> zullen. O, en als ik dan bedenk, dat een Engel een wederpaar houdt van dat register
-van namen, dat ik voor mij heb, en dat ik het begin lees van eene geschiedenis, die
-geene eeuwen zullen zien eindigen, dan mijmer ik: „<span lang="nl">Wat is de mensche, dat ghy zijner gedenckt; ende hebt een weynigh hem minder gemaackt
-als de Engelen, ende hem met eere ende heerlyckheyt gekroont.</span>”
-</p>
-<p>Wij zijn tot de dooden genaderd. Daar gekomen, overvalt mij altijd eene kleine huivering;
-het is alsof ik een kerkhof binnentreed; hetwelk ik nooit doen kan, zonder onwillekeurig
-den hoed af te nemen. En is het dan geen kerkhof, die doodenlijst der Haarlemsche
-Courant? Immers wandelen wij er als tusschen graven; de onderlinge afdeelingen zijn
-even zoo vele wijspalen, de berichten even zoo vele opschriften. En evenmin als ik
-op een kerkhof eenen grafsteen ongelezen kan laten, sla ik hier een enkel bericht
-over. Het is waar, dan schud ik soms het hoofd over de menschelijke dwaasheid, die
-zelfs onder den floersen lamfer de narrenbellen niet verbergen kan: maar meestal lees
-ik met warme belangstelling de uitdrukking der smart van bedroefde betrekkingen; zelfs
-heb ik, in navolging der bezoekers van <i lang="fr">Père-la-Chaise</i>, eene verzameling van belangrijke doodsadvertentiën bijeengebracht, die ik zou uitgeven,
-indien niet de smart, die haar in de pen gaf, mij te heilig was, om hare klachten
-tot letterkundige bijdragen te vernederen. Ja, om niets te verzwijgen, het is misschien
-kinderachtig, maar daar zijn doodsaankondigingen, die mij tranen uit de oogen lokten,
-en, hetgeen nog sterker is, mij aan den mij gansch onbekenden ontslapene als aan een
-vriend deden denken. Zie, ik ken haar niet; maar toch is mij de nagedachtenis eenigermate
-lief van die jeugdige vrouw, waarvan de bedroefde echtgenoot onlangs berichtte: „Zij
-laat mij de herinnering na der zachtste en edelste hoedanigheden, geheiligd door het
-geloof aan Hem, wiens dood nu haar leven is.”
-</p>
-<p>Ik voor mij nogtans, uit vrees van nog na mijn dood om het bericht van mijn dood te
-worden uitgelachen, heb het aan mijne bloedverwanten niet durven overlaten mij uit
-te luiden; ik heb beschreven, dat mijn overlijden in den eenvoudigen vorm van:
-</p>
-<p><i>Heden overleed de Heer</i> <span class="sc">Jonathan</span> <i>*** in den ouderdom van *** jaren</i> moet bericht worden, met een volstrekt verbod er bij, om te bepalen, dat door de
-nabestaanden geen rouw zal gedragen worden. Foei! ik word altijd boos, als ik die
-hatelijke woorden lees. Noem het vrij bijgeloof, ik heb dien krippen weduwsluier,
-ik heb die donkere kleederen lief. Het is zoo natuurlijk, als de vader zijn doodskleed
-aantrekt, dat ook de kinderen het gewaad van den vorigen dag ter zijde leggen. Wij
-zijn van den zak en de assche der Israëlieten toch reeds ver genoeg afgeweken. De
-mode had immers overvloedig uitzonderingen gemaakt, om het eentonige zwart behagelijk
-af te wisselen! Maar nu begint <span class="pageNum" id="pb7">[<a href="#pb7">7</a>]</span>zelfs het laatste uiterlijk teeken van rouw te verdwijnen. Ik zou ongelijk hebben
-daarover te klagen, indien in onze dagen de inwendige droefheid geene uiterlijke symbolen
-meer behoefde, om te worden levendig gehouden. Maar hoe weinigen zijn er, die met
-den Oosterschen dichter van een geliefden doode vragen mogen: „Zou hij een ander graf
-hebben dan dit hart?” Voor de overigen dan veroordeel ik het, dat men reeds in het
-gezicht van het lijk zich het vergeten gemakkelijk begint te maken. „Ga vrij naar
-het bal, Mejufvrouw! Gij draagt immers geene rouwkleeding. En wie weet zoo juist,
-of de tijd, voor de rouwdracht over eenen vader bestemd, nog niet voorbij is?” Neen,
-die mijne kleine bezitting verdeelen, zullen ook zwart moeten dragen, of, ik waarschuw
-hen, mijne schim zal hen alle nachten in een donker lijkkleed komen ontrusten, totdat
-ze een gewaad aantrekken, waarvoor ze nog erger terugbeven.
-</p>
-<p>By het doorloopen der doodsadvertentiën schiet mij somtijds nog eene andere gedachte
-te binnen—eene gedachte, niet aan de dooden<span class="corr" id="xd31e418" title="Bron: .">,</span> die hier vermeld staan, maar aan degenen, wier naam ik hier niet vinde—aan de arme
-dooden—of liever, aan de doode armen. Hun overlijden gaat, even als hun geboren worden
-en sterven, onopgemerkt voorbij. Men stopt ze in eene greenenhouten kist, draagt ze,
-alsof—de Hemel vergeve het mij!—alsof hun overschot een kreng ware, waarvan men het
-gezicht aan anderen behoort te sparen, langs achterstraten naar een afgelegen bolwerk,
-en ontzegt hun ten slotte een plaatsje in de Haarlemsche Courant. En natuurlijk! er
-is immers toch niemand, die in hun leven of sterven belang stelt. O armoede! armoede!
-ik heb een open hart voor uw lijden; alles, wat mij u herinnert, wekt een pijnlijk
-gevoel in mij op. Als ik u ergens aantref, bloos ik over u, en waar ik u niet zie,
-vraag ik: „Waarom niet hier?” Voorwaar, de dichters zijn ellendige leugenaars, die
-iedere menschelijke smart, en dus ook de jammeren der armoede, bij hun idealisch lijden
-dragelijk noemen. Zij beschilderen zich met de wonden en litteekens, die de arme onder
-zijne lompen verbergt. Want zie! aan de ellende der behoefte is alle poëzie vreemd.
-De armoede bedroeft niet alleen, maar verlaagt; zij schokt niet, maar knaagt; zij
-wekt geen beklag, maar verachting; zij is geene wonde, maar een kanker; zij sloopt
-niet, maar vermagert; zij laat het niet, even als iedere smart, bij enkele alsemteugen,
-maar verbittert voor altijd den smaak; zij is te ondragelijker, naar mate zij zorgvuldiger
-moet ontveinsd worden; zij maakt den vader- en moederzegen tot vader- en moedersmart;
-zij rust als een vloek op de woning, waarin gastvrijheid en mededeelzaamheid balling
-zijn; zij verkort de genoegens der vriendschap, en vergalt het genot der liefde; zij
-onttooit voor haar slachtoffer de schoone aarde, waarop voor hem geen lente of zomer
-aanbreekt, als die voor hem geen bloemen of vruchten voortbrengt, maar waarop in zijn
-oog altijd winter, dorheid en onvruchtbaarheid heerschen; ja, zij verengt voor hem
-het aardrijk, en doet het inkrimpen tot het plekje, waar <span class="pageNum" id="pb8">[<a href="#pb8">8</a>]</span>binnen hem de behoefte bant; zij boeit hem aan zijne woning, zonder hem er het verblijf
-te veraangenamen; zij brandt in de hitte des zomers, huilt in het loeien van den storm,
-en snerpt in de koude des winters; zij doorweekt zijn brood met tranen, en schudt
-zijn leger hard; zij leert hem iedere bede veronachtzamen, om die ééne: „Geef ons
-heden ons dagelijksch brood!” Zij maakt hem wars van de aarde, zonder hem van het
-aardsche af te trekken; zij maakt iederen dag den anderen gelijk, en lost alle wenschen
-en hartstochten in den enkelen zucht der begeerlijkheid op; zij is de algeheele vervulling
-van den vloek des Heeren: „<span lang="nl">In het sweet uwes aenschijns sult ghy uw brood eten.</span>”
-</p>
-<p>Rust zacht, arme broeders en zusters, gestorven zonder een plaatsje op het doodenregister
-te erlangen! Ziet, dit is de laatste vernedering, u aangedaan. Drie voeten onder de
-aarde bestaat er geen verschil tusschen fatsoenlijk en onfatsoenlijk meer, en al ligt
-uwe kist ongedrukt door een steen, zoo als die, welke ginds, op den lijkheuvel van
-den hooggeborene, naam en blazoen ten toon draagt, de Engel der opstanding is geen
-<i>heraldicus</i>. In zeker opzicht wordt ieder adelijke met zijne wapenen begraven; onder de doodsadvertentie
-van elk edelman zou men, even als in de stamboeken bij het uitsterven des geslachts,
-een uurglas en zeisen kunnen teekenen. De dood casseert allen; hij verbreekt den degen
-boven het graf des krijgsmans, den schepter boven het mausoleum des vorsten, het wapenbord
-boven het cenotaphe van den baron, en boven uw zandhoop den bedelstaf. Rust dan zacht,
-arme broeders en zusters, gestorven zonder een plaatsje in de Haarlemsche Courant
-te erlangen!
-</p>
-<p>Ik ben ondanks mijzelven te ernstig geworden voor de mededeeling mijner gewaarwordingen,
-onder het lezen der verschillende aankondigingen; misschien vertel ik u daarvan een
-en ander bij eene volgende gelegenheid. Voor ’s hands is het mij genoeg, als ik u
-slechts heb overtuigd, dat ik voor mij voldoende reden heb, om iederen dinsdag, donderdag
-en zaterdag morgen, terstond na mijn ochtendgroet, mijne dienstmaagd te vragen: „Hebt
-gij den brievenpost reeds gehoord?”
-<span class="pageNum" id="pb9">[<a href="#pb9">9</a>]</span> </p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch2" class="div1 story"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e7137">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="main">DE HAARLEMSCHE COURANT.</h2>
-<h2 class="sub">Vervolg.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Willen wij de Haarlemsche Courant nog eens opnemen en haar met elkander ten einde
-lezen?
-</p>
-<p>Wij zijn gekomen tot de gemengde berichten.
-</p>
-<p>Welk een gewoel is hier! het is of wij in het drukste van de markt komen. Hollanders,
-Franschen, Duitschers, Zwitsers loopen er dooreen. De een komt er om te koopen, de
-ander om te verkoopen; de een om te huren, de ander om te verhuren. Het is een geraas,
-dat men <span class="corr" id="xd31e442" title="Bron: nauwelijke">nauwelijks</span> hooren kan. Hier is iemand, die u zijn waar zoekt op te dringen; maar dadelijk is
-er een ander naast hem, die hem op zij duwt en u nog goedkooper bedienen wil; inmiddels
-steekt een derde zijn hoofd tusschen beide door en belooft u nog beter te helpen.
-Ik denk er wel eens bij aan het versje van <span class="sc">Huygens</span>:
-</p>
-<div lang="nl" class="lgouter">
-<p class="line">Ick handelde met Klaes op twee, dry koppel honden; </p>
-<p class="line">Hy sei, daer wasser nooit geen betere gevonden </p>
-<p class="line">Dan ’t eerste en tweede paer, en zwoer my by gans bloed, </p>
-<p class="line">Het derde was op ’t minst wel sevenmaal zoo goed. </p>
-</div>
-<p class="first">Gij kunt geen voet verzetten, of men roept u aan. Sommigen houden u zelfs bij uw kleed
-met hun: „Lees hier!” loterij-Joden loopen u met hun briefjes achterna; kwakzalvers
-maken u doof met hun geschreeuw; als gij hun gelooft is iedere zieke een gek, die
-zijn kwaal niet langer behoeft te houden, dan hij zelf wil; in hun hand hebben zij
-eindelijk de <i>panacé</i>, waarnaar men sedert zoo vele eeuwen gezocht heeft. Nauwelijks zijt gij hun ontkomen,
-of daar valt u een kiezen-trekker op het lijf, die van zijn breekijzer spreekt als
-of het een kolombijntje is, zoo zacht zal het u in den mond zijn! Intusschen trekt
-ginds een troep paardrijders of koordedansers rond, en werpt u zoo veel mooie Grieksche
-en Latijnsche namen naar ’t hoofd, dat het u geel en groen voor de oogen wordt. Ge
-kunt nauwelijks hooren wat die omroeper daar te zeggen heeft, die na een poos op zijn
-bekken geraasd te hebben, als of het het <i lang="la">aes Dodonaeum</i> ware, de eerlijke vinders oproept om hun eerlijkheid met een „genereuse belooning”
-te laten betalen. Ge zijt blijde als ge u uit het gedrang gered hebt en eindelijk
-op de stoep van een boekwinkel kunt uitblazen, waar ge de nieuwste boeken en platen
-voor de glazen uitgestald ziet.
-</p>
-<p>Wonderlijke wereld! denk ik wel eens. Welk een zee van behoeften! <span class="pageNum" id="pb10">[<a href="#pb10">10</a>]</span>Welk een stroom van genietingen! En daar plaats ik dan in mijn verbeelding de huishouding
-van den eersten mensch naast; een loofhut voor woning, de boom die er zich over welfde
-voor voorraadschuur, de rivier die er langs vloeide voor laafbron—ziedaar alles! Vader
-<span class="sc">Adam</span>! hoe <span class="corr" id="xd31e467" title="Bron: zijne">zijn</span> uwe kinderen veranderd! Ge zoudt ze nauwelijks als uw geslacht herkennen in hun weelderige
-woningen, in hun prachtige gewaden, in hun verfijnde manieren. Als ze naast den Mensch-aap
-voor u stonden, zoudt ge waarlijk twijfelen, wie van beide uw nakomeling was. Als
-men voor u de Haarlemsche Courant in uw eerste-menschen-taal (de lezer ziet dat ik
-mij zediglijk van alle <i>linguïstische</i> gissingen onthoud) kon vertolken, hoe weinig zoudt gij er van begrijpen! Misschien
-zoudt gij er u over bedroeven.
-</p>
-<p>Ook ik dacht wel eens, dat het leven te ernstig was voor al het spel dat men er van
-maakt; altijd troffen mij die doodberichten tusschen dat gewoel der volken aan den
-aanvang, en dat gewoel der menschen aan het einde van mijn Haarlemmer. Ik heb het
-wel eens vergeleken bij een begrafenis, die over de markt trekt. Wonderlijk is het,
-hoe weinig de omstanders zich daarvan aantrekken. Men gaat op zij om de kist niet
-voor zijn hoofd te krijgen, maar dadelijk sluit zich de hoop weêr, even snel en ongevoelig
-als de lucht waardoor een pijl vliegt. Even zoo is er iets treffends in het gezicht
-van al die aanplakbiljetten, loopende over koopen en verkoopen, tijdkortingen en ontspanningen,
-gemakken en genoegens, aan de zwarte poort van het algemeene kerkhof. Vinniger satire
-heeft nooit de hand van een hekeldichter geschreven. Ja, de Dood is de grootste satiricus;
-men kan geen genot smaken; of hij heeft er zijn schimpscheut op. Misschien is hij
-daarom zoo algemeen gehaat. En toch de hand op het hart! Zeg mij, als gij die lijst
-achter de Haarlemsche Courant overziet, met al die eeuwig terugkeerende advertentiën,
-en die eentonige afwisseling van andere schouwspelers op hetzelfde tooneel, valt het
-u dan nooit in, dat de wereld toch al te ijdel en het leven al te nietig is, om het
-er op den duur in te kunnen uithouden? Ik voor mij denk daarbij met <span class="sc">Young</span>: Hier altoos te leven? wat hatelijk denkbeeld! En waarom zouden wij hier altoos leven?
-om met moeielijke schreden in onze vorige voetstappen te treden? om het scheprad des
-levens gedurig te doen omgaan en niets nieuws meer op te halen? om iederen ellendigen
-dag den vorigen te doen bespotten? om te zien hetgeen wij gezien hebben? om dezelfde
-oude bekwijlde vertelling te hooren, tot dat wij die in ’t geheel niet meer hooren?
-om het gesmaakte weder te smaken, en wel hetgeen bij ieder wederkeer minder smaak
-heeft? om telkens onder ons verhemelte een ander wijngewas door te gieten? om—<i lang="la">ohe! jam satis est!</i> Lieve Hemel! als dat altijd zoo blijven moest, als ik altijd de Haarlemsche Courant
-moest blijven doorlezen, en nooit iets anders zien of hooren dan hetgeen ik reeds
-gezien of gehoord heb, dan zou ik kunnen wenschen, dat men mijn naam nooit onder de
-geboorteberichten gelezen had; en het is genoeg <span class="pageNum" id="pb11">[<a href="#pb11">11</a>]</span>mij dit schrikbeeld voor te stellen, om mij met liefde naar het plekje te doen zien,
-dat mijn dood vermelden zal, en daarin mijn vrienden te kennen geven, dat ik nu al
-de ijdelheden, die mij zoo verveeld en vermoeid hebben, te boven ben en mij reeds
-op een plaats bevind, waar het leven zijn harlekijnspak heeft afgelegd.
-</p>
-<p>En evenwel—maak uit het gezegde niet op, dat ik daarom als een dolende Ridder tegen
-de wezenlijke wereld te veld trek, en begeeren zou dat ieder mensch zich in zijn eigen
-kluis opsloot, om daar boven zijn geopend graf bittere wortels te kauwen. Het tegendeel
-is waar. De Fransche revolutie heeft geen vuriger kloosterbestormers opgeleverd, dan
-ik ben. Daarom alleen zou ik een <i>Christino</i> zijn, ofschoon anders mijn natuurlijke voorliefde voor Pretendenten mij tot een <i>Carlist</i> zou kunnen maken. Eere dus aan die raderen van handel en nijverheid, die het werktuig
-der menschelijke maatschappij in beweging brengen, waarin de zee, bestemd om een middel
-van scheiding te zijn, als een drijvend molenwater bruist! eere aan die broederschap
-der gezellige samenleving, die bruggen over stroomen en sporen over bergen slaat en
-de moeder is
-</p>
-<div lang="nl" class="lgouter">
-<p class="line">Van sooveel kostelycks soo konstelyck verwrocht, </p>
-<p class="line xd31e490">Van sooveel heerlyckheyts tot sooveel nuts gebrocht. </p>
-</div>
-<p class="first">Indedaad zou het er bij de tegenwoordige overbevolking treurig uitzien, indien men
-zich wederzijds tot het volstrekt noodige wilde bepalen. Waar zouden duizende monden
-brood vinden? Maar toch zou ik aan den anderen kant wel eens willen weten, waar het
-op deze wijze voortgaande heen moet? Zullen de kunstbehoeften nog gestadig vermeerderd
-worden? Zal de weelde nog altijd blijven toenemen? Zullen er altijd weêr nieuwe takken
-van handel en nijverheid worden uitgevonden? Ik ben geen voorstander der zielsverhuizing,
-en hoop, als ik eens de aarde wel en goed zal verlaten hebben, er niet weêr te komen,
-maar erkennen moet ik het toch, dat ik wel eens de Haarlemmer Courant van 1939 zou
-willen zien: niet om de politieke berichten, want die kan ik mij verbeelden: „het
-is zoo even vrede geworden en het zal zoo straks weêr oorlog zijn<span class="corr" id="xd31e495" title="Niet in bron">”</span>; nog minder om de geboorte-, huwelijks- en doods-advertentiën, want daarin zal nog
-minder verandering komen; maar om de aankondigingen, waarmeê het blad eindigt. Dat
-zal een rommel wezen! Mij dunkt, ik zie daar de aankondiging reeds, om de menschen
-even als een ledeman gansch en al uit elkander te nemen en weêr in elkaâr te zetten;
-dan zal men, vermoed ik, ook de kruiden wel weêr ontdekt hebben, waarmeê <span class="sc">Medea</span> haar vader verjongde; dan zullen de Dames wel zoo bont als wapenschilden en de Heeren
-zoo fantastisch gekleed gaan als de Wildemannen, die ze vasthouden; dan zal de vogel
-struis wel op de kruk en de olifant op de koord geleerd zijn; dan zijn er zeker theaters
-waar de apen voor menschen en de menschen voor apen spelen; dan … de rest vindt gij
-in de Opregte Dingsdagsche Haarlemsche Courant van 1 April A<sup>o</sup> 1939.
-<span class="pageNum" id="pb12">[<a href="#pb12">12</a>]</span></p>
-<p>Ik wenschte wel, dat er geen bankroeten meer waren; want dat is voor een zwaarmoedig
-Courantlezer, zooals ik ben, een leelijk artikel. Het zet mij altijd tusschen twee
-schroeven, die mijn menschlievend hart even veel pijn doen: de smart namelijk dat
-de menschen zoo slecht of zoo ongelukkig zijn. En zoudt gij het gelooven? Over het
-eerste punt stap ik nog het gemakkelijkst heen. Ik kan mij tegen slechte menschen
-nooit zoo boos maken, als ik, volgens sommigen, wel moest; misschien omdat ik zelf
-weinig slechte menschen ontmoet heb. Onder mijn bekenden zijn er, die mij dit zeer
-kwalijk nemen, en meenen dat ik daardoor de deugd te kort doe. Het kan zijn, maar
-ik kan er nog maar niet toe komen, om van het beetje deugd, dat ik het mijne mag noemen,
-een steen te maken om daarmeê mijn naasten te gooien. Ik denk altijd, zoo iemand zal
-toch wel gehekeld en geroskamd worden, al hou ik mijn rust. Dan kan ik op een anderen
-tijd weêr wat vooruitkomen, als een ander achterblijft, b. v. bij gelegenheid van
-rampen en tegenspoeden. Zoo moet ik bekennen dat ik veel meer medelijden gevoel met
-een ongelukkigen bankroetier, dan gramschap tegen een moedwilligen schelm. Bij dat
-enkele woord „<i>Faillissement</i>” staat er somtijds eene geheele aandoenlijke geschiedenis voor mijn geest. Ik zie
-den vervolgden huisvader die te midden van zijn verarmd gezin het voorkomen heeft
-van een gebroken zuil, die er over schijnt te treuren, dat zij de lijst, die verminkt
-aan haar voeten ligt, niet langer heeft kunnen ondersteunen; ik zie hem nog meer ter
-neêrgebogen onder den last der schande, die op zijn onschuldig hoofd drukt, dan onder
-den toch reeds zwaren slag van het verlies zijns vermogens, even als de vader van
-<span class="sc">Effie Deans</span>, niet anders uitroepende dan: Ikabod! Ikabod! weg is de eere! Ik zie hem door zijne
-getrouwe gade, door zijne teedere kinderen omringd, die hem in zijn ongeluk dubbel
-hebben lief gekregen en hem omklemmen als het klimop een omgestorten stam. En als
-den donkeren achtergrond van dit aandoenlijk tooneel zie ik vervolging op rechterlijk
-gezag, vervolging op eigen gelegenheid, onbarmhartige bejegening, nijpende armoede
-en een gebedeld graf, waarop weezen in het bonte kleed der liefdadigheid treuren.
-En ik wenschte dat de verbeelding van menig crediteur hetzelfde zag, eer hij dat harde
-woord „<i>Faillissement</i>” laat drukken.
-</p>
-<p>Naar een geheel ander tooneel roept mij het artikel Erfhuizen. Dit verplaatst mij
-op eens te midden van die <i>chaos</i> van verwarring, die een geveilde boedel oplevert. Gelukkig die zich uit zulk een
-huis weet te redden, zonder een blauwen scheen te hebben opgedaan. Want als of een
-aardbeving de moeite genomen had van de goederen te schikken, zoo ligt daar alles
-op en onder elkander. Niets is op zijn plaats gebleven. Meubelen, die bij het leven
-der eigenaars even als boomen op hun eigen plekje stonden vastgegroeid, zijn nu meêdoogenloos
-mobiel verklaard en gedwongen den grooten stroom te volgen. Een menigte van voorwerpen
-zweeft even als verstrooide vogels buiten hun natuurlijk verblijf om. Het witte linnen
-heeft de zware eiken planken verlaten, waar het zoo vreedzaam lag te <span class="pageNum" id="pb13">[<a href="#pb13">13</a>]</span>sluimeren, en is verwonderd gedurende zoo veel dagen achtereen de zon te zien, die
-het anders bijna nooit aanschouwde. De vernederde ledikanten-hemel, die eerst uit
-de hoogte op alles neêrzag, sleept nu met zijn staart in het stof, als een nieuw bewijs
-dat hoogmoed voor den val komt. Schilderijen, die nooit geleerd hebben op haar rug
-te liggen, worden nu gedwongen die houding aan te nemen. De verschrikte kanarievogel
-schreeuwt van angst in den hoek op den grond, waarheen men hem verbannen heeft; en
-de schichtige poes vliegt, als een levend <i>symbolum</i> van de verwarring die hier heerscht, van den eenen kant van het huis naar den anderen.
-Het is een treurig gezicht! De <i>lares</i> en <i>penates</i> omgeworpen! de huiselijke haard verstoord! het vreedzaam stof der ruste opgejaagd;
-de stilte van het <i>penetrale</i> verbroken! de gordijn van het binnenste heiligdom verscheurd! de Heidenen in den
-tempel binnengelaten! het is een treurig gezicht, vooral voor den vriend des overledenen;
-hem overvalt een huivering, indien hij moed heeft het huis binnen te treden. Is dit
-de woning zijns vriends? hij herkent haar niet meer: maar ja, die meubelen zijn wel
-dezelfde van vroeger. Dat is wel de haard, waaraan hij zoo menigen vriendschappelijken
-avond gesleten heeft. Ginds staat de zetel, die in zijn oogen meer is dan een troon,
-want hij was de zetel van een braaf man. Hier staat de feestelijke bokaal, dien hij
-zoo menigmaal op de huwelijks- en vadervreugde van den verscheidene geledigd heeft.
-In het verschiet hangen de familieportretten, waaraan zich zoo menige lieve herinnering
-verbindt. O, er is iets aandoenlijks en hards beide in zulk een schouwspel! Het doet
-pijn, als men een vreemde zoo ziet roeren in de reliquiën, door de liefde geheiligd.
-Het is of men doodgravers met de beenderen van zijn voorouders zag gooien. Mij dunkt,
-indien ik het voorkomen kon, zou ik trachten mijn testament zoo in te richten, dat
-mijn verlaten nest beter geëerbiedigd werd. Mij althans zou de gedachte onverdragelijk
-zijn, van mijn kleine bezitting aldus aan de ergerlijke nieuwsgierigheid der menigte
-prijs te geven. „Ei, ei, en zat <span class="sc">Jonathan</span> nu op zoo’n stoel? wel, wel, is dat nu ’s mans boekenkast? ei, zie daar hebt gij
-de huisklok ook, waar hij in zijn boekje—hoe heet het ook?—van spreekt! en ginds hangt
-zeker het portretje, waarover hij dat malle stukje geschreven heeft! ei zie, dat zal
-de piano van <span class="sc">Editha</span> zijn!” Ik kan koud worden als ik er aan denk. Bij de gedachte alleen gaat mij een
-gril over ’t lijf, als of er iemand over mijn graf liep. Neen, mijn armoedje, gij
-zult voor uwe trouwe diensten beter beloond worden, dan met de beschimping van den
-grooten hoop, dien gij even als <span class="corr" id="xd31e534" title="Bron: u">uw</span> bezitter altijd gehaat en gevloden hebt. Ik zal u in mijn testament bij mijn neef
-en vermoedelijken erfgenaam als op een hofje bestellen, waar gij, hoop ik, in stilte
-aan den houtwurm en de mot uw eerlijken dood sterven zult. Want reeds dit vooruitzicht
-is mij maar half aangenaam. Ik heb sommige mijner meubelen zelfs te lief om ze aan
-mijn neef te gunnen. Als het niet te Indiaansch klonk voor een Hollander, zou ik wel
-wenschen met hen verbrand te worden, en stervende mijn asch met de <span class="pageNum" id="pb14">[<a href="#pb14">14</a>]</span>hunne te vermengen. Over het algemeen heb ik een groot zwak voor alle oude voorwerpen,
-waaraan zich oude herinneringen hechten. Ik ben het daaromtrent eens met mijn vriend
-<span class="sc">Jean Paul</span>, als hij zegt: Eer het heden nacht wierd, heb ik alle papiersnippers, die van dit
-boek vielen, bijeenverzameld;—ik heb te gelijk alle brieven dier vrienden, die mij
-geen nieuwe meer kunnen schrijven, even als stukken van een bij deze wereldinstantie
-gesloten proces, weggelegd. Zoo iets moest de mensch zorgvuldig doen, en alle bloemen
-der vreugde, niettegenstaande hare verdorring, in een herbarium vastplakken. Hij moest
-niet eens zijne oude rokken, jassen en mantels weggeven of verkoopen, maar weghangen
-moest hij ze, als hauwen zijner uitgepelde uren, als poppenbekleedsels van daaruit
-gevlogene vreugde, als erfenis <i lang="la">ab intestato</i> van gestorvene jaren, die aan de herinnering opkomt.—Het is maar jammer, dat men
-niet altijd meester is zijn plan geheel uit te voeren. Althans mij is het wel eens
-gebeurd, dat juist als ik een ouden jas had afgelegd en in mijn reliquiën-kast weggehangen,
-een arme duivel kwam en mij om bedekking zijner naaktheid bad. En ik moet bekennen,
-dat ik in zulke gevallen geen humorist genoeg was om het er voor te houden, dat de
-herinnering mijner vreugde beter was dan de verwarming van een ongelukkige, die in
-’t geheel geen vreugde had, noch te herdenken, noch te wachten. Maar de Joden hebben
-nooit met mijne uitgevallen veêren gepronkt.
-</p>
-<p>Uit dat zelfde beginsel zal ik doen wat ik kan, om mijn dierbaarste overblijfsels
-uit de handen van de nablijvenden te houden. Ik ben het, even weinig als mijn vriend
-<span class="sc">Hildebrand</span>, met den Engelschman eens, die wilde „dat er ten algemeenen nutte knoopen van zijn
-gebeente en snaren van zijn ingewanden zouden gedraaid worden.”
-</p>
-<p>Ik weet wel dat dit alles kinderachtig, kleingeestig, kleinhartig, en wat ge meer
-wilt, is. Maar ik geef mij ook voor geen sterken geest uit. Er is in mijn huis maar
-één wijsgeer, en dat is mijn hond Dolly, die „<i lang="fr">par droit de <span class="corr" id="xd31e555" title="Bron: naissauce">naissance</span></i>” een weinig Cynicus is. Ik voor mij slacht den ouden Chremes;
-</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line"><i lang="la">Homo sum, humani nihil alienum a me puto.</i> </p>
-</div>
-<p class="first">Uit dien hoofde is dan ook mijn testament recht Malabaarsch in twee deelen verdeeld.
-Het eerste deel loopt over hetgeen verbrand moet worden; het tweede over hetgeen in
-stand moet blijven—en de Hemel make er mijn erfgenaam gelukkig meê!
-</p>
-<p>Tot het eerste behoort … maar het zou wezen of ik aan de goede trouw van mijn Notaris
-twijfelde, als ik dit bekend ging maken. Genoeg, als gij de <i>advertentie</i> van mijn dood in de Courant gelezen hebt, zoek op het andere blad maar niet naar
-de veiling van mijn boedel.
-</p>
-<p>Maar reeds zijt ge mij vooruitgeloopen, en wijst met uw vinger op het artikel; Een
-jonge Dame van fatsoenlijken huize enz. Gij hebt gelijk. Dat is een artikel waarbij
-ieder gevoelig hart een poosje stil staat. O, het is zeldzaam, dat die weinige letters
-geen gansche geschiedenis <span class="pageNum" id="pb15">[<a href="#pb15">15</a>]</span>van een wreed lijden bevatten. Mij althans stellen ze dadelijk een bewegelijk beeld
-voor den geest. Een jonge dame—dus in den bloeitijd des levens, waarin het hart den
-Armida-tuin der poëzie bewoont en zich met idealen voedt; dus in dien tijd, waarin
-het harder is dan ooit, wanneer de koude des levens den stroom der verbeelding doet
-bevriezen, zoodat hij in plaats van den hemel te weêrspiegelen tot een looden lijk
-wordt; van fatsoenlijke huize—dus geboren en opgevoed in de lauwe atmosfeer der welvaart;
-gewoon aan gemakken der weelde, aan genoegens der gezelligheid, en wat het ergste
-is; door dit alles verfijnd, week en gevoelig gemaakt; biedt zich aan—tot het bewijzen
-van diensten, die zij gewoon was te ontvangen, tot het geven van onderwijs in de talen
-en talenten, die men haar zelve tot den prijs van groote kosten heeft doen aanleeren;
-zij vergenoegt zich met een klein salaris, op voorwaarde eener goede <span class="corr" id="xd31e572" title="Bron: behandelang">behandeling</span>—ziedaar den laatsten, misschien den bittersten trek van allen. Daarin vertoont zich
-nog een spoor van haar fijner gevoel. Geen gemeene dienstbode pleegt zulk een afspraak
-te maken,—ofschoon de Hemel weet of het overbodig zijn zou! Zij verkeert in behoefte,
-dit blijkt uit haar aanbod, maar evenwel liever armoede dan hardheid! Men wreke het
-recht dat men koopt liever op haar gewaad, dan op haar hart! Wilt gij hooren hoe een
-vrouw haar lot beschrijft? Gij zult er de vrouw in herkennen. Van alle degenen, zegt
-Mistress<span id="xd31e575"></span> <span class="sc">Hall</span>, die door de wankele schaal van het geluk gedoemd zijn, om het eigen brood te verdienen,
-hebben er geene meer aanspraak op medelijden dan <i>gouvernantes</i>. De dienstbode heeft, als haar werk gedaan is, een paar uren over, die haar alleen
-toebehooren. Hare eerzucht strekt zich niet verder uit dan haren kring. Maar de gouvernante
-heeft geen bepaalden kring.—Zij wordt beschouwd als deels tot de gezelschapskamer
-te behooren;—vaak wordt zij uit de laatste verdreven, en met walging verlaat zij zelve
-de eerste. Tusschen een dubbel bestaan worstelt zij; zij is een soort van tweeslachtig
-wezen, dat tot twee verschillende toestanden behoort; zij moet als eene fatsoenlijke
-vrouw voor den dag komen; en krijgt nauwelijks kameniersloon. Zij moet kundig en beschaafd
-zijn, en toch hare kunde en beschaafdheid voor zich houden tot zij er naar gevraagd
-wordt, ja zelfs beleedigingen moet zij vaak verdragen, als of zij er het gevoel voor
-miste. De Hemel sta haar bij, die op een gouvernantesplaats<span id="xd31e583"></span> uitgaan want van de aarde kunnen zij weinig ondersteuning verwachten. Boekdeelen
-zou men kunnen vullen met het lijden eener <span class="corr" id="xd31e585" title="Bron: gouvernantes">gouvernante</span>.
-</p>
-<p>Zie, dit en zoo veel meer rijst mij voor de verbeelding, zoodra ik mij een dier beklagenswaardige
-schepselen vertegenwoordig, waarvan iedere verschijndag van de Haarlemsche Courant
-er eenige in veiling brengt. Zeker, ik ben er verre af van ongevoelig te wezen voor
-het ongeluk van diegenen uit mijn geslacht, die tot dezelfde opoffering geroepen worden;
-bovenal heb ik sympathie voor de smart dier jonge Zwitsers, die, door de stem van
-plicht of behoefte gedrongen, van hun hooge sneeuwbergen afdalen, om in de laagte
-hun onderhoud te zoeken, maar <span class="pageNum" id="pb16">[<a href="#pb16">16</a>]</span>met het gevoel van den arend, die de vallei haat welke hem voedt, en alleen boven
-te huis is; doch dit neemt niet weg, dat ik hen vergeet wanneer ik ze in de nabijheid
-van een vrouwelijke lotgenoot geplaatst zie. O, het is waar, te dienen is de bestemming
-der vrouw; te dienen is zelfs haar geluk, indien zij waarlijk vrouw is; maar zóó te
-dienen, de vreemde moeder, die haar diensten koopt; het vreemde kind, dat geleerd
-wordt haar te gehoorzamen, niet haar lief te hebben; misschien den zoon des huizes,
-wiens zijde zij als bruid versierd zou hebben—zie, dat is hard! dit doet het oog schemeren,
-alleen van het aan te zien.
-</p>
-<p>Evenwel, ik erken dat er uitzonderingen zijn; ik weet dat zij er zijn. Ik ken gezinnen,
-waarin de vreemde weeze als een dochter ontvangen is; waarin de van haar zusters gescheidene
-nieuwe zusters gevonden heeft: waarin vriendschap en liefde de geslagen wonden geheeld
-zouden hebben,—indien zulke wonden zich ooit heelen lieten. Ook is het hartverheffend
-voor mij, als ik hier of daar het verwachte slachtoffer zulk een ontvangst bereid
-zie. Zoo weet ik niet wie zij is, en toch denk ik met achting en genegenheid aan die
-oude Dame, die voor eenigen tijd in de Haarlemsche Courant aanzoek om een Juffrouw
-van gezelschap deed, en er bijvoegde: „liefst een jong meisje, wanneer zij niet vreest
-zich in het gezelschap van een oude vrouw te zeer te vervelen.” Mij dunkt als ik zulk
-een meisje geweest ware, ik zou mij op dit zeggen af aan haar verbonden hebben, al
-had ik niets meer van haar geweten.
-</p>
-<p>Wat mij evenwel het meest grieft, is het denkbeeld, dat bij de toeneming der weelde
-het getal dezer ongelukkigen niet verminderen zal. Ik durf er niet aan denken, hoe
-het daarmeê in de Haarlemmer van 1939 zal uitzien. Gelukkig dat ik er dan niets van
-merken zal, als de gouvernantes met haar kinderen komen om op mijn graf boterbloempjes
-te plukken.
-</p>
-<p>Ik kan mijn Courant niet op zij leggen zonder nog met een woord van de Boekaankondigingen
-gesproken te hebben. Boekaankondigingen—van onder, Mijne heeren! vreeselijk! vreeselijk!
-Het is of het hier, zoo als ik eens in de opera zag, papier uit den hemel sneeuwt.
-Waar komen ze allen van daan? Maar wat vraag ik nog, als ik slechts aan de duizend
-en één schrijvers denk, wier pennen ik zeker ben dat ik, even als de mijne, als het
-maar eens recht stil was, over het papier zou kunnen hooren krassen. Waar blijven
-ze allen? dat raadsel is spoedig opgelost; het antwoord staat er, even als bij de
-logogryphen in de kinderboekjes, vlak onder—in die menigvuldige aankondigingen van
-Boekverkoopingen, die het meeste, dat onder den weidschen titel van meesterwerk in
-de wereld gekomen is, onder den zedigen titel van scheurpapier <span class="corr" id="xd31e597" title="Bron: en">er</span> weêr uithelpen,
-</p>
-<div lang="la" class="lgouter">
-<p class="line xd31e601"><i>in vicum vendentem thus et odores,</i> </p>
-<p class="line"><i>Et piper et quidquid chartis amicitur ineptis</i>, </p>
-</div>
-<p class="first">zoo als <span class="sc">Horatius</span> zegt. Daarom noemt dan ook Mr. <span class="sc">Weiland</span> geestig <span class="pageNum" id="pb17">[<a href="#pb17">17</a>]</span>(maar dit is een pleonasmus) den kaaswinkel den eenigen Hercules, die op den langen
-weg tot het werk opgewassen is, om den letterkundigen stal van <span class="sc">Augias</span> op te ruimen.—En toch is het mij wel eens voorgekomen, dat het voor die nieuwe boeken
-hard was, zoo met hun voet op hun doodkist te staan, als een Karthuizer bij zijn geopend
-graf. Doch wat zal men er aan doen? Zij moeten hun troost maar in de les der voorafgaande
-registers zoeken. Naar mate de bevolking toeneemt, vermeerdert de sterfte. En leven
-ze kort, ze kunnen niet zeggen, dat ze roemloos geleefd hebben. Want immers worden
-al de mooie woorden van onze taal bewaard, om hun bij hun intrede in de wereld als
-een getuigschrift in hun borst meê te geven. Als gij den Uitgever gelooven wilt, is
-dit boek nu eigenlijk wat aan de wereld ontbrak. Mijnheer A. heeft dit gezegd, Mijnheer
-B. heeft dat gezegd, maar mijnheer C! alle hoeden omlaag voor Mijnheer C! Mijnheer
-C. is zoo volmaakt als het papier, waarop zijn boek gedrukt is. Het boek van Mijnheer
-C. is zoo goedkoop, als het talent van Mijnheer C. onbetaalbaar is. Te vreden kunt
-ge zijn op de wereld zonder het boek van Mijnheer C., maar gelukkig niet. Niet om
-Mijnheer C.’s wille, niet om des boekverkoopers wille, maar in uw eigen belang, in
-het belang der geheele menschheid, koop het boek van Mijnheer C<span class="corr" id="xd31e620" title="Niet in bron">.</span>!
-</p>
-<p>Spot maar, <span class="sc">Jonathan</span>! het zal u wel opbreken. ’t Is waar ook, daar vergat ik geheel en al, dat hetgeen
-ik hier nederschrijve, mede bestemd is om in het licht te komen, en misschien wel
-om in de Haarlemsche Courant te worden aangekondigd. Mijn arm boekje! Hoe bang zal
-men het u misschien over dezen uitval maken. Mij dunkt, ik zie u reeds in een hartige
-beoordeeling, in de omgekeerde rede behandeld. Het boek van <span class="sc">Jonathan</span> is slecht; dit ontbrak nog maar aan de zoogenaamde humoristische prullen, waarmeê
-we overstroomd worden. <span class="sc">Hildebrand</span> heeft dit gezegd, <span class="sc">Vlerk</span> heeft dat gezegd, maar <span class="sc">Jonathan</span> is nog veel erger. Alle vuisten op het hoofd van <span class="sc">Jonathan</span>, enz.
-</p>
-<p>Het zij zoo; ik moet het afwachten. Ik kan niets doen dan mijn uitgever vragen, dat
-hij bij de Heeren <span class="sc">Enschedé</span> een klein onopgemerkt hoekje voor mij verzoeke, en er dan niets tot aanbeveling bij
-voege; ja kan het zijn, er de inhoudsopgave bij late drukken, opdat iedereen te voren
-wete wat hij te lezen krijgt. Dit alleen voeg ik er bij; maar hier, zoodat gij ’t
-niet ziet dan nadat gij ’t boek gekocht hebt; dat ik weet, dat nooit een schrijver
-het beter met zijne lezers meende, dan de minste der broederen, die deze bladen schreef.
-</p>
-<p>En nu, waarde Lezer van de Haarlemsche Courant, alles wat goed en wenschelijk is!
-Denk soms aan mij, als gij het blad in handen neemt, dat ik met u doorloopen heb,
-zoo als ik aan u. De hemel schenke u den zegen van menig gelukkig geboortebericht,
-en eerst laat en vredig een plaatsje onder de doods-<i>advertentiën</i>.
-</p>
-<p><span class="sc">Judith!</span> breng de Courant weg.
-<span class="pageNum" id="pb18">[<a href="#pb18">18</a>]</span> </p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch3" class="div1 story"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e7146">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="main">HET ALBUM.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">„Voor niemand t’huis, <span class="sc">Judith</span>!<span class="corr" id="xd31e665" title="Niet in bron">”</span>
-</p>
-<p>Als ik deze order geef, ziet mijn oude huiszorg mij gewoonlijk met een meesmuilenden
-glimlach aan. Hoe zij er achter gekomen is, weet ik niet; maar zij schijnt eenig vermoeden
-te hebben, om welke reden ik mij aldus afzonder. Ik heb wel eens beproefd haar van
-den weg te brengen, door bij zulk een gelegenheid in mijzelven te mompelen: „Ik heb
-papieren die ik moet nazien—ik heb belangrijke brieven te beantwoorden—ik moet een
-balans maken<span class="corr" id="xd31e669" title="Niet in bron">”</span>—maar dit baat mij niets. De oude weet heel goed, dat ik buiten de Haarlemmer Courant
-nooit eenig papier van gewicht krijg; dat de brieven die ik ontvang niet veel meer
-bevatten dan een „God zegene u!<span class="corr" id="xd31e671" title="Niet in bron">”</span> mij door den een of anderen vriend toegeroepen; en vooral dat mijn balans zoo eenvoudig
-is als een bakkers kerfstok. Zij is dus geen <i>dupe</i> van deze <span class="corr" id="xd31e675" title="Bron: krijglist">krijgslist</span>, en begrijpt volkomen den verborgen zin van dit <i>consigne</i>. Ik wil alleen zijn om eens ongestoord—och ja, te mijmeren!—Ik geloof dat ik wel
-kan nagaan, hoe zij hierop gekomen is. Ik heb namelijk volstrekt geen slag om mijn
-uitwendig voorkomen te beheerschen. Wat in mijn hart omgaat, verraadt zich dadelijk
-over mijn geheele wezen. Als mijn onbevallig figuur en vale kleur geene <i>parodie</i> op de vergelijking ware, zou ik wel willen zeggen; dat ik naar een albasten vaas
-gelijk, waardoor de vlam die er in brandt in rooden gloed heenschemert. Zoo veel is
-ten minste zeker, dat ik niets heb van Mijnheer.… gij kent hem wel, en Mevrouw.… gij
-weet wel wie ik meen, die hun gelaat zoo meesterlijk in hun macht hebben, dat het
-bij hen veeleer het masker, dan de spiegel der ziel mag heeten. In ’t algemeen doen
-de meeste menschen of het geheele leven een <span lang="fr">bal masqué</span> is, en hebben voor niets meer zorg, dan niet in hun eigen gedaante gezien en herkend
-te worden; zeer aardig en kunstig, dat moet ik zeggen, maar toch een weinig lastig
-voor dezulken, die geen grijns hebben kunnen machtig worden, of, zoo zij al eens een
-vreemde huik omhangen, haar zoo linksch dragen, dat zij veel hebben van den struisvogel,
-die meent dat zijn vervolgers hem niet zien, wanneer hij zijn kop in den grond steekt.
-Tot die minder bevoorrechte wezens behoor ik. Als ik iets zie of hoor dat mijn bewondering,
-<span class="pageNum" id="pb19">[<a href="#pb19">19</a>]</span>geestdrift of verontwaardiging gaande maakt, dadelijk werpt de springbron mijns harten
-zijn purper omhoog en overstroomt mijn anders bleek gezicht met een gloeienden blos;
-verneem of aanschouw ik daarentegen iets, dat mijn mededoogen of smartgevoel opwekt,
-terstond is de wel mijner tranen in beweging gebracht en dringt haar vocht opwaarts,
-dat, zoo het al mijn oog niet bereikt, mijn gorgel beklemt en aan mijn stem het geluid
-van een vochtige snaar geeft. Van daar dan ook dat ik, zelfs uren na een hevige gemoedsbeweging,
-er de sporen nog van behoud, gelijk de zee, <i lang="la">si parva licet componere magnis</i>, nog nastormt als de orkaan reeds is gaan liggen. Ik kan mij dus nooit in mijn eenzaamheid
-aan den stroom mijner aandoeningen overgeven, of mijn gezicht verraadt het geheim
-mijner afzondering. Zelfs heb ik geen baat gevonden bij het middel van een mijner
-geliefde Bijbelheiligen, van wien ik lees: <span lang="nl">Ende <span class="sc">Joseph</span> haestede hem, want sijn ingewant ontstack tegen sijnen broeder ende hij socht te
-weenen; ende hy ging in eene kamer, ende weende aldaer. Daer na wiesch hy syn aengesichte,
-ende quam uyt; ende hy bedwong hemselven.</span>—Meermalen heb ik beproefd mijn gloeiende wangen af te koelen, en den helschitterenden
-straal in mijn oogen te dooven: vergeefs! mijn hart laat zich door geen <i>sourdine</i> dwingen. Licht bewogen en omhoog gevoerd als een pluim, moet ik ook zachtkens als
-een pluim weêr naar beneden en in rust zinken.
-</p>
-<p>Deze zwakheid maakt dikwijls de spotzucht van mijn <span class="sc">Editha</span> gaande. Vruchteloos is het, dat ik met een gezicht zoo onnoozel als ik kan binnenkom,
-en met een stem, zoo gemaakt onverschillig als mij maar mogelijk is, over onverschillige
-dingen spreek; zij heeft mij alleen aan te zien om met een spottenden lach uit te
-roepen: „<span class="sc">Jonathan</span> heeft weêr geesten gezien!” In mijn <span class="sc">Editha</span> nu is dit niets vreemds; zij ziet den bodem van donkerder waters, dan waartoe ik
-behoor; maar dat ik mij voor <span class="sc">Judith</span> niet vermommen kan, zie, dat is wat heel erg. Want dat zij zoo veelbeteekenend lacht,
-als ik haar met het eenvoudigste gelaat der wereld zeg: „Voor niemand t’huis, <span class="sc">Judith</span>!” komt nergens anders uit voort, dan omdat zij dadelijk begrijpt, wat ik met die
-afzondering voorheb.
-</p>
-<p>Maar wel beschouwd, wat doet het er toe? Indien het een ondeugd in mij is, waarover
-ik het nog niet recht met mij zelven eens ben, week en gevoelig te zijn, waarom zou
-ik mij beter voordoen, dan ik ben? en indien het een deugd is, wat recht heb ik dan,
-daar ik zoo veel ondeugden onbedekt ten toon draag, mij over het weinigje deugd te
-schamen, waarop ik mij verheffen mag? Kom, dus maar weêr met moed het spotziek lachje
-van mijn goede oude getrotseerd!
-</p>
-<p>„Voor niemand t’huis, <span class="sc">Judith</span>!<span class="corr" id="xd31e722" title="Niet in bron">”</span>
-</p>
-<p>Maar wat nu <span class="sc">Judith</span> niet weet, het is wat ik na dit voorspel in mijn kamer uitvoer. Zij moge mijn gelaat
-zien glinsteren, als ik van den berg terugkeer; zij weet niet wat op de hoogte is
-omgegaan. Ook is dit verschillend. Somtijds bedekt de wolk der afzondering geheimenissen,
-die een verborgenheid tusschen mij en mijn geweten blijven moeten. Op andere tijden
-evenwel zoek ik de eenzaamheid om redenen, <span class="pageNum" id="pb20">[<a href="#pb20">20</a>]</span>waarvan ik geen geheim behoef te maken. Zulk eene bij voorbeeld is de beschouwing
-van mijn <i>Album</i>.
-</p>
-<p>„De beschouwing van uw <i>Album</i>?”
-</p>
-<p>„Ja, Mejufvrouw! waarom niet?—ik weet wat UEd. zeggen wil: als ik mijn <i>Album</i> nooit dan in mijn eenzaamheid voor den dag mocht halen, zou ik er zoo’n ding niet
-op na willen houden—UEd. heeft volkomen gelijk. Want ziet UEd., uw album en het mijne
-hebben juist zooveel van elkander, als die prachtige gouden <i>collier</i>, dien UEd<span class="corr" id="xd31e743" title="Niet in bron">.</span> om den hals heeft, en dit haren koordje aan mijn horlogie. Uw Album is een voorwerp
-van weelde, bijna zoo elegant als uw balwaaier. Heerlijk steekt het glanzige porselein
-van den koker tegen de sieraden van gepolijst staal af, waarmeê het belegd is; zie,
-men kan er zich in spiegelen. Zou ik durven wagen, het eens in te zien?”
-</p>
-<p>„Waarom niet, Mijnheer? het is er voor.”
-</p>
-<p>„Allerliefst! van wie is deze teekening?”
-</p>
-<p>„Och, wees zoo goed en zie eens op den rug, wat naam er op staat; ik weet het waarlijk
-zelve niet. Het is van eene Dame, die ik maar eens ontmoet heb.”
-</p>
-<p>„Ei zoo? maar wat is dit? Een vers van den Dichter *** Kent UEd. hem bijzonder.”
-</p>
-<p>„Pardonneer, ik heb hem nooit gesproken. Een mijner vriendinnen heeft hem voor mij
-om een handschrift gevraagd.”
-</p>
-<p>„Zoo, ik dacht ook al: ik heb dit vers meer van hem gelezen. Ik heb het nog in twee
-of drie Dames-Albums aangetroffen. Maar wat zie ik? Geducht! Welk een verzameling!
-Er zijn er wel honderd, geloof ik.”
-</p>
-<p>„Ja, ik ben druk aan ’t bijeengaren: dat is nu mijn stokpaardje. Mag ik u een blaadje
-aanbieden?”
-</p>
-<p>„Verschoon mij! ik schrijf nooit in—Albums.”
-</p>
-<p>Mijn simpel boekske! hoe staat gij bij dit prachtwerk achter! men zou nooit zeggen,
-dat gij van dezelfde familie waart. Zie het er eens deftig uitzien! Een zwart lederen
-band is zijn omslag, met een eenvoudig opschrift:
-</p>
-<p class="xd31e331">PIAE. MEMORIAE. PARENTUM. AMICORUM.
-</p>
-<p class="xd31e331">S.
-</p>
-<p>Die band houdt de weinige bladen, die het bevat, bijeen. Ik ben geen minnaar van den
-gewonen Album-vorm, tweehonderd losse bladen in een koker. Bij mij heeft altijd de
-regel gegolden, dien ik van anderen dan van de Franschen wenschte te ontleenen: <i lang="fr">Les amis de mes amis sont mes amis.</i> Dien ik zoo lief had, dat ik hem zijn naam op dezen gedenksteen der vriendschap liet
-griffelen, mocht vrijelijk weten, wie buiten hem mij lief hadden, en hoe zij mij hunne
-liefde betuigden. Vriendschap is voor mij als de kelk van een roos, die de bladeren,
-welke zij draagt, niet alleen aan zich, maar ook aan elkander <span class="pageNum" id="pb21">[<a href="#pb21">21</a>]</span>verbindt; voor velen heeft zij meer van den vlinder, die de eene bloem na de andere
-kust, zonder ander onderling verband, dan dat hij ze allen beurtelings zijn hof maakt.
-Mijn armen vormen één band om al mijn vrienden; mijn Album vat hun aller namen in
-één.
-</p>
-<p>Maar juist daarom wordt mijn vriendenrol nooit tot een tentoonstelling gebezigd. Ik
-ben te jaloersch van de stemmen van liefde en vriendschap, die daarin klinken, om
-die aan het oor van onverschilligen prijs te geven. Ik heb te veel eerbied voor de
-uitdrukking der heiligste gevoelens, daarin uitgeboezemd, om die in het gesnater der
-dwaasheid te mengen. Ook zou mijn lezer er niets van zien, indien ik niet hoopte,
-dat de toon van vereering, waarmede hij mij over mijn boekske hoort spreken, hem beletten
-zal, het met de lichtzinnigheid van een gewoon Albumbeschouwer te bejegenen. En nog
-meer blijkt de prijs, dien ik op deze verzameling stel, uit de wijze, waarop ik er
-zelf mede omga. Het is namelijk lang mijn gewoonte niet, haar telkens in de hand te
-nemen. Ik doe dit niet, dan bij zeldzame gelegenheden; en alsdan ook niet ter loops,
-met de onachtzaamheid, waarmede ik een tijdschrift inzie; maar met een zekere plechtigheid,
-die ik mij toeschijn aan de gedachtenis der dierbaren, die daarin tot mij spreken,
-verschuldigd te zijn. Ja, dit gaat zoo verre, dat ik, gelijk de lezer reeds weet,
-mij nooit dat genoegen schenk, zonder mijn eenzaamheid voor stoornis te beveiligen,
-door het uitzetten van een schildwacht:
-</p>
-<p>„Voor niemand t’huis, <span class="sc">Judith</span>.”
-</p>
-<p>Lach niet! Hoor ten minste eerst mijn verdediging. Mijn Album, mijne vrienden! is
-voor mij een symbolum van het Verledene! geheimzinnige naam van een geheimzinnig wezen!
-Hoe zal ik den vorm beschrijven, waaronder het zich aan mij voordoet? Het heeft voor
-mijn verbeelding het voorkomen van een diep en donker gewelf, dat alleen van tijd
-tot tijd door een flauwen, bleeken lichtstraal daarin vallende verlicht wordt; vervuld
-met schaduwachtige gestalten, die door elkander zweven, en nu eens duidelijker voorkomen,
-dan zich weêr in den mist die den achtergrond bedekt verbergen, al naarmate het grillige
-schijnsel, dat als een bliksemstraal door het verwulf schiet, zijn licht naar dezen
-of genen hoek werpt. Maar er is iets pijnlijks en duizelachtigs in dat staren in een
-onbepaald verschiet en naar schemerende gedaanten. Ongelijk aangenamer is het dus,
-zich met een lamp in dit schimmenrijk te begeven, de gestalte op te zoeken die men
-begeert te vinden, haar uit dien grafnevel te ontwikkelen en los te maken, haar naar
-voren in een helderder dag te brengen, en zich alzoo met haar te onderhouden. Daartoe
-nu dient mij mijn Album. Als ik dat maar aanzie, staat het Verledene, door zichtbare
-gedaanten vertegenwoordigd, voor mij. Als ik dat open, klinken lang verdoofde stemmen
-mij onderscheidenlijk te gemoet.
-</p>
-<p>Het is dus een plechtig oogenblik, als ik dit gedenkstuk ontdek. Het is voor mij een
-soort van geestenbezweering; een oproeping als die van <span class="sc">Saul</span> aan de waarzeggende vrouwe van <i>Endor</i>: <span lang="nl">Doet my opkomen, <span class="pageNum" id="pb22">[<a href="#pb22">22</a>]</span>dien ick tot u seggen sal.</span>—Ik stel mij alsdan in aanraking met wezens, die ver van mij, of hoog boven mij zijn.
-Ik daag hen bij hunne namen op, dwing hen met mij te spreken, spreek op mijn beurt
-tot hen en verkeer met hen als voorheen. Waarlijk, wij houden ons al te vreemd van
-de geestenwereld. Zeker is het goed, dat wij waarzeggers en horoskooptrekkers van
-onze kennissen weren; het is goed dat wij onze kinderen naar de fantasmagorische voorstellingen
-van <span class="sc">Bamberg</span> brengen en hun inprenten, dat het alles maar klinkklare begoocheling is; het is goed
-dat wij <span class="sc">Stilling’s</span> Geestenwereld niet meer gebruiken, dan om elkander op een stormigen avond bang te
-maken; maar evenwel zijn wij misschien wel wat heel vrijgeestig op dit punt. Dood
-is dood! zegt men met den polichinel in de poppenkast, en gaat even als hij op de
-kist zitten, om den gevangene er in te houden. Het is jammer! de geesten, vooral als
-we ze zelven uit eigen beweging oproepen, zijn zulke indrukwekkende verschijningen!
-Zij brengen ons zulke belangrijke tijdingen uit het onbekende land! zij voeren zulke
-wijze lessen in den mond, die wij van de levenden niet hooren! Nu eens vertoonen zij
-zich als een vriendelijke jongelingsgestalte, met lichtstof bekleed, met een krans
-van sterren op het amberriekend haar en den paradijspalm in de hand, ons toeroepende:
-</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line">’t Ware leven is omhoog. </p>
-</div>
-<p class="first">Dan weêr hebben zij het ernstige voorkomen van den Profeet te <i>Gilboa</i>, en schijnen met dreigend gelaat uit het graf op te komen om ons te waarschuwen:
-<span lang="nl">Morgen sult ghy by my syn.</span> In een ander gezicht dragen zij het verheerlijkt beeld van een geliefden vader of
-dierbare moeder, die de laatste bede der stervende lippen komt herhalen, en ons de
-nakoming onzer jongste gelofte afvleien. In een nieuw visioen zien wij een dierbare
-gestalte voor den troon des Eeuwigen gebogen, en hooren haar onzen naam noemen.… O,
-het is iets heerlijks, aldus naar boven te zien, aldaar zijn geliefden te aanschouwen,
-en zoo door dezelfde koorden dier liefde, die hier op aarde onzen hemel schiep, zich
-van de aarde ten hemel te voelen opvoeren.. Hoe kan het zijn, dat men zichzelven dit
-genot zoo zelden schenkt? Hoe kan het zijn, dat men alleen oogen en ooren heeft voor
-de menschelijke gedaanten, die ons omringen, terwijl een krans van engelen, even als
-aan een beschilderd gewelf, boven ons hoofd zweeft en gereed is op den eersten wenk
-tot ons neêr te dalen. Zoo ook het grijs verledene! Ik heb er allen eerbied voor.
-Ik heb ontzag voor Vader <span class="sc">Homerus</span> en Grootvader <span class="sc">Herodotus</span>, voor wijlen <span class="sc">Cicero</span> en <span class="sc">Seneca</span> zaliger. Ik bewonder groote Geschiedkundigen, wier geheugen is als het <i lang="fr">papier sans fin</i> van onze dagen, door een monnik uit de middeleeuwen beschreven. Ik vind het schoon,
-zoo te huis te zijn in de lanen der Attische Academie, dat men er een bestek van zou
-kunnen teekenen, en in de boschjes van <i>Tusculanum</i>, als in zijn eigen theetuintje. Ik vind het verwonderlijk, dat men zoo gemeenzaam
-is met <span class="sc">Quinctilianus</span> als met zijn Rector, en met <span class="sc">Aristoteles</span> <span class="pageNum" id="pb23">[<a href="#pb23">23</a>]</span>als met zijn Professor. Maar wanneer aan die herinneringen, van het gestorvene <i>Rome</i> of begraven <i>Athene</i> eigene jonge herinneringen worden opgeofferd; wanneer men voor die dooden van het
-voorgeslacht zijn eigen dooden vergeet, en met <span class="sc">Sulpicius</span> langer rouw draagt over <span class="sc">Tullia</span>, dan met zijn vrouw over zijn eigen kind; wanneer men, om in het klassieke <i>Elysium</i> zoo gemeenzaam te zijn en daar alle menschen bij den voornaam te noemen, een vreemdeling
-wordt in de plaats, waarheen men hoopt dat zijn geliefden gegaan zijn, wier naam en
-beeld men uit het geheugen laat verdwijnen, zonder ze vast te houden; dan vrees ik
-dat men in de geestenwereld dezelfde fout begaat, als velen in de menschenwereld,
-van goede aan adelijke bekenden op te offeren. Waarlijk, het is niet goed, aldus alle
-gemeenschap met onze dooden af te snijden, en ze, even als de hovelingen den gestorven
-koning, in het gezicht van hun graf te verloochenen. Ik althans heb mij zelven die
-vrijheid nooit gegeven; ik weet niet waarom ik zou ophouden zoon te zijn, omdat mijn
-vader aan de andere zijde is, en niet verder naar zijne vermaningen luisteren. Ik
-weet niet, waarom ik mijn oor zou sluiten voor de geestenstemmen van hen, wier woorden
-mij vroeger eerwaardig of dierbaar waren. Van daar dat ik mijn Album niet als een
-gesloten boek, bij de doodcedels der gestorvenen die er in spreken, weggeborgen heb,
-maar het beschouw als een altijd geldend testament, waarin ze mij hun wil bekend maken
-met dien aandoenlijken nadruk, dien iedere stem voor ons heeft, welke ons van over
-een graf toeklinkt.
-</p>
-<p>Daar ligt het boek voor mij open.
-</p>
-<p>Het eerste blad is een gedachtenis van mijns vaders moeder. Toen ik mijn Album begon
-aan te leggen, was het mij een behoefte, het vóór alle anderen aan deze vrouw aan
-te bieden. Ik wist dat nooit iemand mij liever kon hebben, dan zij. Ik wist dat niemand
-mij een hartelijker, beter en liever wensch doen zou—en niemand ook met meer kans
-om verhoord te worden! Zij was een dier zeldzame wezens, wier zachte vroomheid ik
-weet niet wat aantrekkelijks heeft. Ik heb opgemerkt, dat de godsvrucht, ofschoon
-zij het sieraad van alle leeftijden is, evenwel aan den ouderdom het natuurlijkst
-staat; aan jonge menschen deelt zij somtijds iets gedwongens en stroefs, aan den middelbaren
-leeftijd iets strengs en hards mede; maar bij oude menschen is zij in volkomen harmonie
-met hun geheele wezen en bestaan: de vroomheid lacht uit het rimpelig gelaat van den
-grijze, en juicht in zijn gebroken stem. Het is iets vreemds, maar voor mijn gevoel
-heeft de vrome oude iets jeugdigs aan zich, dat in wonderlijke tegenspraak is met
-het verval van zijn lichaams- en zielskrachten. Ik heb het wel eens vergeleken met
-het slaan van de vleugelen des vlinders, op het oogenblik dat de pop zal doorbreken;
-het kon mij bij hen wezen, als zag ik in den aardschen mensch die wegstierf, den hemelschen
-mensch die zich vormde:
-</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line">Als brak een scheemring van den gloor, </p>
-<p class="line">Die eens hun lichaam zal doorgloeien, </p>
-</div>
-<p><span class="pageNum" id="pb24">[<a href="#pb24">24</a>]</span></p>
-<p>reeds nu door den kranken bouwval heen. Hoe het zij, mijn grootmoeder bezat voor mij
-een groote aantrekkelijkheid, en zoo, dat ik niet weet, of ik haar meer vereerde of
-lief had. Ik vroeg haar dus, mijn gedenkboek der liefde en vriendschap in te wijden.
-Zij deed het op hare wijze: zij nam haar ouden Staten-Bijbel, sloeg dien open en schreef
-daaruit met bevende hand op het eerste witte blad:
-</p>
-<p lang="nl"><a class="biblink xd31e39" title="Referentie naar de Bijbel: Matteüs 10:37" href="https://classic.biblegateway.com/passage/?search=mt%2010:37&amp;version=HTB"><i>Matthei</i> X. 37</a>. Die vader of moeder liefheeft boven my, en is myns niet weerdigh; en die sone ofte
-dochter lief heeft boven my, en is myns niet weerdigh.
-</p>
-<p>Een schoone spreuk aan den ingang van zulk een boekske. Zij wist, hoe dikwijls het
-een altaar is voor aardsche afgoden gesticht. Daarom schreef zij er met haren vromen
-vinger den naam des Allerhoogsten boven. Het was het D.&nbsp;O.&nbsp;M. boven de eerezuilen,
-voor onze gestorvenen opgericht. Hoe dikwijls is mij deze spreuk waarschuwend voor
-den geest gekomen. Nooit nam ik mijn Album in handen, om mij met het beeld mijner
-geliefden bezig te houden, of een blik op dit Bijbelwoord geworpen heiligde mijne
-gewaarwordingen. Bovenal is het mij ten aanzien van een der volgende namen van veel
-dienst geweest.
-</p>
-<p>Het volgende blad is van mijn vader. Hij was een man van een ingetrokken, strengen
-geest. Als hij in dien tijd geleefd had, zou men hem voor een Christen gehouden hebben,
-die uit de <i>Stoa</i> was uitgegaan. Dit was evenwel meer het gevolg van zijn manieren, dan van zijn denkwijze.
-Er sliep in zijn hart een schat van liefde, dien zijn uiterlijk scheen te verloochenen.
-Hij was als een fontein, die haar verfrisschend water in marmer bevat. Het was iets
-schoons, als die harde steen op eenmaal milde en malsche stralen opwierp! Ik kwam
-met mijn Album op zijn kamer; hij zag het met een ernstigen blik in. Toen hij de spreuk
-van zijn moeder zag, glimlachte hij, maar terstond daarop stond zijn oog weêr strak
-en donker. Hij nam een pen op en schreef
-</p>
-<p lang="la" class="xd31e331">IN LIBRO ALBO FILII.
-</p>
-<p lang="la" class="xd31e331">NOMEN
-</p>
-<p lang="la" class="xd31e331">SIT
-</p>
-<p lang="la" class="xd31e331">OMEN.
-</p>
-<p>In het <span class="sc">witte boek</span> van mijn zoon. Deze naam zij een voorteeken!
-</p>
-<p>Hierop gaf hij mij het boek terug, leide zijn hand zegenend op mijn hoofd, en wenkte
-mij te vertrekken.
-</p>
-<p><span class="sc">Nomen sit omen!</span> Dat was een zware last van verantwoording, vader! dien gij op den hals van uwen zoon
-laaddet. Maar zeker, zoo iemand recht had zulk een verplichting op te leggen, gij
-waart het. Ik wil er u ook niet van beschuldigen, indien ik de witte smettelooze <span class="pageNum" id="pb25">[<a href="#pb25">25</a>]</span>bladen van mijn boek nu niet met zooveel gerustheid kan aanzien, als ik anders zou
-gedaan hebben; integendeel, ik dank u voor deze strenge les. De herinnering daaraan
-heeft zeker uitgewerkt, dat mijn levensboek hier en daar toch een vlek minder heeft,
-en ettelijke vlekken bevat, die door mijne tranen bijna zijn uitgewischt. En dit erken
-ik, zoo lang gij leefdet, hebt gij mij trouw met raad en daad geholpen, om zijn bladen
-wit en zuiver te houden. Zegen dus over uw assche! De Heer geve, dat gij u eens niet
-over uw kind zult te schamen hebben, als „<span lang="nl">de boecken geopend zullen worden.</span>”
-</p>
-<p>Het blad dat nu volgt is van de hand mijner lieve moeder. <span class="sc">Maria</span> heette zij, en beantwoorde geheel aan het beeld, dat die naam onwillekeurig voor
-den geest roept. Zij was geheel en al het kontrast van mijn vader. Mildheid, weekheid,
-aandoenlijkheid—die woorden schenen voor haar te zijn uitgevonden. Zij spreidde haar
-zachtheid, bedekkende en lenigende, over de strengheid mijns vaders, als sneeuw over
-een bevrozen grond. Van haar heb ik dien weemoed, die mij eigen is. Ik kan met den
-Dichter zeggen.
-</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line">Maar zalig is ’t, zoo soms een zachte smarte, </p>
-<p class="line">Iets weeklijks, dat de linkerborst doorwoelt, </p>
-<p class="line">Iets vochtigs, in ’t vertederd oog gevoeld, </p>
-<p class="line">Herinnert aan mijn Moeders teder harte. </p>
-</div>
-<p class="first">Ik heb echter wel eens getwijfeld, of zij mij niet al te veel van haar gevoeligheid
-heeft overgedaan: en tien tegen één, lezer! dat gij dit ook reeds meermalen gedacht
-hebt. Het zij; ik wil er niet over klagen of morren, al ware ’t alleen, omdat het
-een geschenk van mijn lieve moeder is.
-</p>
-<p>Toen ik bij haar kwam met het verzoek om haar naam in mijn Album te schrijven, nam
-zij het boek, en beloofde aan mijn bede te voldoen. Eenige dagen later riep zij mij
-tot zich, en gaf het mij met een halflachend, halfschreiend oog weder. Het blad door
-haar ingevuld bevatte een teekening; want zij teekende uitmuntend. Het was een Bijbelsche
-voorstelling van <a class="biblink xd31e39" title="Referentie naar de Bijbel: Matteüs 19:18" href="https://classic.biblegateway.com/passage/?search=mt%2019:18&amp;version=HTB"><i>Matth.</i> XIX. 18</a>:
-</p>
-<p lang="nl">Doe wierden kinderkens tot hem gebracht, opdat hy de handen haer soude opleggen ende
-bidden.
-</p>
-<p>Tusschen de moeder op den voorgrond en haar was een zweem van gelijkenis. Aan den
-voet van het tafereel stond in plaats van het gewone <i lang="la">fecit</i> of <i lang="la">delineavit</i>, Amen! en daaronder haar naam. Het stuk voerde geen datum. En indedaad, welken dag
-zou het hebben aangenomen? Want wèl was haar moederliefde
-</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line">Een <i>lang</i> gebed van ’t kraambed tot de dood. </p>
-</div>
-<p class="first">Ziedaar mijn moeder geheel! geen les, geen vermaning; niets dan een bede. Nooit zie
-ik dit blaadje, of de woorden zweven mij op de lippen: <i lang="la">Sancta Maria, ora pro nobis</i>.
-</p>
-<p>Nu volgen de Albumbladen mijner overige betrekkingen en vrienden. Ofschoon mij niet
-allen even dierbaar, is er toch geen handschrift bij, <span class="pageNum" id="pb26">[<a href="#pb26">26</a>]</span>dat mij niet zeer lief is. Over het algemeen is de inhoud in den geest van de eerste
-bladen. Het schijnt dat de kleur der vroomheid, door mijn grootmoeder en ouders aan
-het boekske gegeven, onwillekeurig op de latere bijdragen haren invloed heeft uitgeoefend.
-Zoo verbindt mijn Album niet alleen één band, maar ook één geest.
-</p>
-<p>Om een enkel woord te noemen, een mijner vrienden heeft op het hem toegewezen blad
-een antieken wachttoren geteekend, en daaronder het Hebreeuwsche woord: <span lang="he" class="hebr">‏המּצפה‎</span> geplaatst met de aanwijzing: <a class="biblink xd31e39" title="Referentie naar de Bijbel: Genesis 31:49" href="https://classic.biblegateway.com/passage/?search=Gn%2031:49&amp;version=HTB"><i>Genesis</i> XXXI. 49</a><span class="corr" id="xd31e932" title="Bron: .">,</span> waar ik lees, dat <span class="sc">Jacob</span> na den vreedzamen afloop zijner ontmoeting met <span class="sc">Laban</span> een hoop steenen maakte, en daarop met den man at: waarna hij dien steenhoop den
-naam gaf van <i>Mizpa</i>, welk woord een <i>wachttoren</i> beteekent „<span lang="nl">omdat hy seyde, dat de <span class="sc">Heere</span> opzicht neme tusschen my en tusschen u, wanneer wy d’een van d’ander sullen verborgen
-zijn.</span>” Welk een schoon en veelbeteekenend zinnebeeld! Mijn vriend wenscht mij niets uit
-zich zelven; hij bidt alleen, dat de Heer het oog waakzaam over mij geopend houde,
-als het oog van zijne liefde mij niet zal kunnen gadeslaan. Is het niet als een altoosdurend
-gebed voor mij opgezonden? O, nooit zie ik dit blad aan, of mijn oog richt zich onwillekeurig
-naar boven, en het is of ik uit de hoogte des Heeren oog beschermend op mij zie rusten.…
-</p>
-<p>Het blad, dat daarop volgt.… ziet gij, dat heeft een los Album voor, men kan er de
-bladen uitnemen en op zij leggen. Had ik dat ook met dit blad kunnen doen! Maar neen,
-het is zoo beter. Het bevatte oorspronkelijk een teekening, een portret; men ziet
-er de sporen nog van. Het was het afbeeldsel van den liefsten vriend mijner jeugd,
-een jong mensch vol beminnelijke en bevallige hoedanigheden. Toen ik hem om een bijdrage
-voor mijn Album verzocht, liet hij door een beroemd teekenaar zijn beeltenis <i>crayonneeren</i>, en hechtte die op het voor hem bestemde blad, met het onderschrift van zijn hand:
-<i lang="la">semper idem. Semper idem!</i> een wreede logen! een bittere spot! Geen mensch op de wereld heeft mij het honderdste
-gedeelte van het leed berokkend, dat mij van deze eenmaal geliefde hand werd aangedaan.
-<i lang="la">Et tu, Brute!</i>
-</p>
-<p>Hij ontroofde mij.… maar heb ik hem niet vergeven? Evenwel, het deed mij pijn, zijn
-gelaat hier telkens terug te vinden, te midden van hen die mij het liefst hadden,
-en wier trouw op de proef gebleken was. Ik kon die valsche trekken niet aanzien met
-het onderschrift: <i lang="la">semper idem.</i> Daarom deed ik met dit portret, wat de Edelen met het afbeeldsel van de <i>apostaten</i> huns Stambooms doen; ik nam het weg, door het van het blad, dat het vasthield, af
-te lichten, zoodat er niets dan de enkele naam overbleef om aan te toonen, wie het
-is, die hier van deze zijn plaats is uitgevallen. Mij dacht, deze wraak was billijk,
-of liever het was geen wraak—het diende mij alleen om hem en mij-zelven de bitterheid
-te besparen, die zijn aanblik noodzakelijk in mij moest opwekken. Waartoe zou hij
-nog langer zijn plaats onder mijn overige trouwe vrienden behouden hebben? hij had
-zelf zijn naam van mijn <span class="pageNum" id="pb27">[<a href="#pb27">27</a>]</span>Stamboek uitgewischt; hij had met eigen hand den steen onzes verbonds omgeworpen,
-en het handschrift onzer vriendschap verscheurd. Menige traan is op dit donkere blaadje
-gevallen. Misschien had ik den innemenden jongeling al te lief. En is dit niet de
-eerste spreuk in mijn boekske: <span lang="nl">Wie vader of dochter lief heeft boven my en is myns niet weerdigh; ende wie soon ofte
-dochter lief heeft boven my, en is myns niet weerdigh.</span>
-</p>
-<p>Ik bevoorrechte, dat ik slechts een enkelen uit den kring mijner vrienden heb zien
-wegvallen. De overigen zijn mij allen trouw gebleven, en hebben hun handteekening
-met hun leven bezegeld. Niemand hunner heeft den zegen van mij teruggenomen, dien
-zijn mond over mij had uitgesproken. Wat meer is, ik ben er zeker van, dat wie op
-deze bladen voor mij gebeden heeft, nog heden—beneden of boven—voor mij bidt. Ja,
-ook boven! Reeds zijn er verscheidene, van wie de hand verstijfd is, waarmede zij
-hier hun namen nederschreven. Gij leest het op den rug in de woorden <i lang="la">defunctus</i>, met opgave van den dag huns overlijdens. Ik kan hun namen niet aanzien zonder droevig
-te worden; ik heb ze allen zoo zeer lief gehad; ik had ze zoo gaarne bij mij gehouden.
-En toch, ik benij ze hun geluk zoo weinig. O, hoe veel verschilt het gevoel, waarmede
-ik hun naam lees, bij dat, waarmede ik het portret van mijn ontrouwen vriend aanzie.…
-neen! zij zijn niet voor mij verloren; het verbond met hen is niet verbroken: integendeel,
-de dood heeft het bevestigd, de dood is het zegel der trouw. Deze kunnen mij niet
-meer ontvallen; ik kan hun geen ontrouw meer aandoen. Men beschuldigt den dood dikwijls
-van scheiding te maken tusschen geliefden.… ten onrechte! de dood vereenigt voor altijd
-wat voor een tijd vereenigd was: alleen het leven scheidt.…
-</p>
-<p>Zie ik u daar, mijn ongeluks-blad? Het bevat niets dan eene enkele vlok haar, van
-het schoonste blond, met een draad van rozekleurige zij aan het papier gehecht. Geen
-naam, geen onderschrift, niets dan een datum.—Hierover geen woord, geen klacht, niets
-dan een zucht!
-</p>
-<p>Buitendien zijn er nog enkele bladen, zonder een bepaalde inscriptie te bevatten:
-met een enkelen naam geteekend, waarbij dan het een of ander <i>souvenir</i> gevonden wordt; een verdorde bloem—een wilgen- of cypressenblad—en wat nog geringer
-is dan dit; kleine nietswaardige relieken, maar mij dierbaar om der herinneringen
-wil, die er zich aan verbinden. De verbeelding is met zoo weinig te vreden! Voor mij
-is het genoeg enkele dier voorwerpen alleen te zien, om een geheel verleden voor mij
-te doen oprijzen. Van daar dat ik zelden op éénen avond met de beschouwing van mijn
-Album gereed kom, maar meestal een tweede bevel moet uitvaardigen:
-</p>
-<p>„Voor niemand t’huis, <span class="sc">Judith</span>.”
-</p>
-<p>Voor ditmaal zullen wij echter het boek sluiten. Daar ligt zij, de geschiedenis mijns
-harten, door de eigen hand mijner geliefden geschreven. O, ik kan haar niet aanzien,
-zonder een oog van onuitsprekelijke liefde op haar te vestigen. Niet alle menschen
-zijn zoo rijk aan onverdiende <span class="pageNum" id="pb28">[<a href="#pb28">28</a>]</span>genegenheid, als de bezitter dezer vriendenrol. Indien de liefde der menschen, naar
-het zeggen van den ouden Dichter, zich in zegen des Heeren verkeert, gezegend dan
-o mijne tente, waarop die dauw rijk en mild „<span lang="nl">als Hermons dauw op de berghen Zions</span>” is neêrgedaald.
-</p>
-<p>En nu, wat zal er van u worden, mijn lief Album! Zal ik u in de hand mijns erfgenaams
-laten, om misschien nog tot een tentoonstelling voor mijn achter-kleinnichten te dienen?
-Neen, wees gerust, mijn oud, trouw <i lang="la">Codex amicitiæ</i>! Uw plaats is reeds <span class="corr" id="xd31e1002" title="Bron: aangwezen">aangewezen</span> in de lade met het opschrift: <i>de inhoud dezes na mijn dood ongeopend te verbranden</i>. Gij zult uw meester niet overleven, maar als een vereerster van Brama, hem langs
-den weg des vuurs in den dood volgen. Uw stof zal verstrooid worden, en de vier winden
-zullen de <span class="corr" id="xd31e1007" title="Bron: zuchteu">zuchten</span> verwaaien, in uw boezem uitgestort!
-</p>
-<p>Maar wij, mijn vrienden, wat zal er van ons worden? Neen, ons stof moge uiteen stuiven,
-vergaan zal het niet. Eens zullen wij uit onze graven verrijzen, en met een nieuw
-lichaam bekleed elkander wedervinden in „<span lang="nl">de algemeyne Vergaderinge ende de Gemeynte der eerst-gheborenen die in de Hemelen
-opgeschreven zijn, ende de geesten der volmaeckte rechtveerdige.</span>”
-</p>
-<p>Verrukkelijk denkbeeld! Allen weêr te zien, die ik hier heb lief gehad: met al die
-beminnelijke hoedanigheden, waarom ik ze lief had, ja die alle nog eindeloos verhoogd,
-gezuiverd, verfijnd en veredeld! O mijn Album, als ik bedenk, dat misschien.… de Engel
-des levens register houdt van de namen in u bevat, en die alle geschreven heeft in
-het boek des levens, dan ontvallen uw bladen aan mijn bevende handen.… „<span lang="nl">mijne nieren verlangen seer in mijnen schoot!</span>”
-<span class="pageNum" id="pb29">[<a href="#pb29">29</a>]</span> </p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch4" class="div1 story"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e7153">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="main">DE HUISKLOK.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">——————ZEVEN—ACHT—NEGEN—TIEN—ELF—TWAALF!
-</p>
-<p>Ik dank u, goede vriend, voor uwe herinnering.
-</p>
-<p>Men zegt, dat Koning <span class="sc">Philippus</span> van Macedonië er een slaaf op nahield om hem toe te roepen: Gedenk dat gij een sterveling
-zijt!—Ik geloof evenwel niet; dat hij door hem zoo goed is bediend geworden, als ik
-door mijn huisklok. Vooreerst verbeeld ik mij, dat de moreele klapwaker zijn plicht
-wel eens zal vergeten hebben; maar al haperde het niet aan hem, ik denk dat de groote
-Koning wel eens in een bui zal geweest zijn, om den boetprediker zijn wrevelig: Houd
-den mond! toe te roepen. Doch mijn vriend in gindschen hoek is altijd op zijn post;
-en al komen er oogenblikken, dat ik bang ben voor zijn stem, zoodat ik hem wel zou
-willen bidden zulk een uur zwijgend over te springen, de smeekende blik van mijn oog
-stuit op zijn eiken borst af, en hij galmt met onomkoopbare gestrengheid zijn <i>Memento</i> uit.
-</p>
-<p>Nu, hij ontvangt daarvoor in mijn huis ook al de achting en eer, die aan een getrouw
-dienaar toekomt. Ja, ik weet niet, of hij zelfs geen hooger titel dan dien van een
-dienstknecht dragen moet. Want tot op zekere hoogte is hij de meester van ons allen.
-Reeds in den vroegen morgen begint hij met den baas over mij spelen. Dan laat hij
-zijn wekker afloopen en roept mij met een forsche stem toe: <span lang="nl">Ontwaeck gy, die slaept en sta op uyt den dooden!</span> Ik moet bekennen, dat ik mij soms wel eens aan zijn heerschappij zoek te onttrekken,
-en doe of ik hem niet gehoord heb. Maar vergeefs! dan is het of hij mij met zijn onophoudelijk
-getik (en hij heeft een toon zoo helder als glas) gedurig bij den arm heen en weder
-trekt; en zoo dit niet helpt, dan volgt er al spoedig een duchtiger vermaning in een
-nieuwen klokslag, waarin ik zoo duidelijk een strengen toon van berisping meen te
-hooren, dat ik op hetzelfde oogenblik naast mijn bed sta, en mij niet weêrhouden kan
-mijn beleedigden vriend vergeving te vragen. En ben ik nu eens door hem tot mijn plicht
-gebracht, dan klinkt al spoedig de <i>reveille</i> door ’t geheele huis, en de werkzaamheden vangen aan. En meen niet, dat zijn gebied
-zich niet verder dan over het eerste morgenuur uitstrekt. Neen, hij heeft den geheelen
-dag bij alles de eerste stem. Ik ben namelijk geheel, wat men spottend <span class="pageNum" id="pb30">[<a href="#pb30">30</a>]</span>noemt: een man van de klok. Menschen die hun leven bij jaren berekenen (sommigen dwingen
-mij zelfs te denken, dat zij het bij eeuwen doen), hebben tijd in overvloed. Wat hebben
-zij naar hun klok te vragen? het is veel, als zij een oogenblikje stilzwijgen, om
-hem op den avond van 31 December zijn twaalf slagen te hooren slaan. Maar ik, die
-bij minuten, en zelfs zoo veel mogelijk bij sekonden tel, ben zeer karig op mijn kleinen
-schat, en geef niet gaarne voor eenige bezigheid meer tijd uit, dan zij waard is.
-Van daar heb ik in mijn huis minder te zeggen dan mijn klok. Daar is het nooit: Hoe
-laat wilt gij.…? hoe laat verkiest gij.…? dit spreekt van zelve. Men hoort er alleen:
-hoe laat heeft de klok het? Als hij het uur van tweeën aankondigt, is het voor mij
-even zoo goed of de hofmeester komt aanzeggen: <i lang="fr">le diner est servi</i>. Dan begeef ik mij naar de huishoûkamer, en ben zeker er mijn <span class="sc">Editha</span> voor een gedekte tafel te vinden zitten. Zoo gaat het den ganschen dag door; niemand
-gaat uit zonder hem verlof te vragen: niemand durft een oogenblik langer uitblijven,
-dan hij heeft toegestaan. Men overtreedt liever mijn geboden, dan de zijne. ’s Avonds
-is hij het weder, die den aftocht regelt. Als hij met zijn elf slagen den taptoe slaat,
-leg ik mijn pijp neêr, al brandt zij nog, en <span class="sc">Editha</span> haar breiwerk, al is het niet in ’t gelijk gebreid; terwijl op ’t zelfde oogenblik
-mijn getrouwe <span class="sc">Judith</span> de nachtfakkels binnenbrengt.
-</p>
-<p>Het is waar, dan houdt zijn opperheerschappij op. Want meermalen gebeurt het, dat
-ik mijn licht uitdoovende, het raam van <span class="sc">Editha</span>’s kamer, die zich tegenover de mijne bevindt, nog verlicht zie; en nog gewoner is
-het, dat het lang, zeer lang na elf uur is, eer ik hem voor ’t laatst hoor: maar al
-maak ik hierdoor inbreuk op zijn dagordening, hij verliest daardoor niets van zijn
-gezag; integendeel, als ik de laatste uren des daags in eenzame mijmering op mijne
-kamer doorbreng, behoudt hij wel degelijk een stem in den loop mijner overdenkingen,
-ja is dikwijls de hoofdpersoon met wien ik mij bezig houd.
-</p>
-<p>Dit heeft dan plaats, als ik mij in mijn ouderwetschen leuningstoel met hoogen rug
-en lage zitting vlak tegenover hem nedervlij, en mijn oogen met afgetrokken strakheid
-op hem vestig: dan weet hij wel dat zijn uur gekomen is, om zich met mij te onderhouden.
-O, het is ongeloofelijk, hoe veel mij dan zijn eentoonig getik zegt. Het verplaatst
-mij in den lang verloopen tijd, wiens gang hij op dezelfde wijze bijgehouden en aangeduid
-heeft. Evenwel hij herinnert mij daaraan geheel anders dan het gelui van de groote
-stadsklok. Deze zegt mij niets dan het eenvoudige, sombere <i>Fuit</i>. Maar deze klok is <i>mijn</i> klok; deze spreekt van <i>mijn</i> tijd en wat <i>mij</i> daarin gebeurd is; deze is mijn vertrouwde, die met mij over geheimen kan spreken,
-waar de groote bombam niets van weet. Hij kan mij zoo duidelijk en indrukwekkend zijn:
-weet gij nog wel? toeroepen, dat gij mij bespotten zoudt, indien ge zaagt hoe deze
-stem een glimlach op mijn gezicht kan wekken, of mij in tranen doen smelten.
-<span class="pageNum" id="pb31">[<a href="#pb31">31</a>]</span></p>
-<p>Zoo gaat het mij bij voorbeeld, als zijn getik mij toeroept: Herinnert gij u den tijd
-van uws vaders sterven nog?—Want deze klok, die nu den zoon nog zulke goede diensten
-bewijst, was reeds de lieveling des vaders, en <span class="corr" id="xd31e1073" title="Bron: is is">is</span> mij daardoor dubbel dierbaar; hij had dus ook zijn vaste plaats op de slaapkamer
-des geliefden mans. Hierdoor werd deze, toen hij ziek werd, niet van zijn ouden vriend
-gescheiden: dit was hem o! zoo aangenaam. Uren lang kon hij naar het gelijkmatig geluid
-van den secondenslag liggen luisteren, en wat daarbij in hem omging, bleek mij uit
-enkele afgebroken woorden, waarin het voorgevoel van zijn naderend sterven sprak;
-menigen nacht heb ik aan zijn leger doorgebracht, mij met niets anders bezig houdende
-dan met naar de beweging van het uurwerk te hooren. Ik kan niet zeggen, hoe treurig
-ik daaronder werd. Als men op het punt staat een geliefden vader te verliezen, doet
-het pijn de voortsluipende voetzolen van den tijd zoo duidelijk te hooren kraken;
-en nog harder viel het mij, als de kranke na lange onrust in een korten sluimer geschoten
-was, hem bij het slaan van het bepaalde uur te moeten wakker maken, om de bittere
-geneesmiddelen in te <span class="corr" id="xd31e1076" title="Bron: nemcn">nemen</span>. Soms kon ik mij niet meer weêrhouden te wenschen, dat de lijder zijn klok voor het
-laatst mogt gehoord hebben. Dit gebeurde eindelijk, maar op eene wonderlijke wijze.
-De stervende had naar gewoonte oog en oor naar de klok gericht; op eens—de verwarring
-der droefheid had ons doen vergeten het uurwerk op te winden—stond hij stil; dit was,
-geloof ik, in het geheele leven mijns vaders nooit gebeurd. Dit scheen zijn aandacht
-te trekken. Hij richtte zich op en zeide: ik dank u, trouwe vriend, voor uwe waarschuwing.
-<span class="sc">Jonathan!</span> houd die klok in eere; ik heb geen beter vriend in de wereld gehad. Eerst heeft hij
-mij leeren sterven, en nu vergeet hij zelfs niet mij te zeggen, dat mijn uurtje gekomen
-is: nu dan, dat „<span lang="nl">mijne ziele u zeghene eer ick sterve!</span>” en toen.…
-</p>
-<p>Weken verliepen na mijns vaders dood, maar ik had den moed niet de klok weêr aan den
-gang te brengen, ofschoon hij gezegd had; houd hem in eere!—Evenwel vond ik hem op
-zekeren tijd t’huiskomende weêr loopende; ik weet nog niet, wien ik voor deze gevoelige
-kieschheid danken moet. Maar sedert heeft hij nooit weêr stil gestaan; en als ik nu
-’s avonds alleen in mijn kamer zit, en hem zie en hoor, dan is het mij alsof ik weêr
-aan het bed mijns vaders geknield lig.
-</p>
-<p>Op een anderen tijd vraagt hij mij weêr: Weet gij nog wel!… en daarbij is het of ik
-den schalk over mijn dwaasheid zie lachen. Dan doet hij mij denken, aan den tijd,
-toen <span class="sc">Betsy</span> nog aan geen ander behoorde. Want al kan ik nu nog zoo verstandig en deftig spreken,
-toen was ik evenwel zoo goed als iemand uwer, mijne jonge vrienden, niets meer en
-beter dan een verliefde gek. Ik leefde in een voortdurende roes, wist dikwijls niet
-of het zaterdag of maandag was<span class="corr" id="xd31e1091" title="Niet in bron">,</span> en vroeg naar tijd noch uur. Maar was het een dag, waarop ik <span class="sc">Betsy</span> ’s avonds hoopte te ontmoeten, dan was ik weder van de klok niet <span class="pageNum" id="pb32">[<a href="#pb32">32</a>]</span>weg te krijgen, dan begon ik ’s morgens ten zes ure reeds uit te zien of het niet
-haast zeven ure in den avond zijn zou. De koele klok! hoe heeft hij mij dan wel gehinderd
-met zijn uitgehaald getik, terwijl mijn gejaagde pols in dien tijd zijn haastigen
-slag wel drie en viermaal herhaalde; het was of de dag nooit eindigen zou. Had het
-toch ten laatste zes ure geslagen, klom mijn onrust ten top, ieder oogenblik stond
-ik voor hem; bemerkte ik eindelijk, dat de tijd mij zoo nog langer viel, bedacht ik
-om iets bij de hand te nemen. Ik zou b. v. den tuin driemaal rondwandelen, en dan
-zou het wel halfzeven zijn. Ik deed het, kwam terug, en de klok wees—anderhalve minuut
-later, zoo vliegend had de drift mij door den tuin gejaagd! Eindelijk was het toch
-vijf minuten voor den tijd: ik kon vertrekken. Maar als ik dan met een laatsten blik
-afscheid van hem nam, hoe vreemd was ik daarbij te moede? een wonderlijk gevoel van
-gejaagdheid beklemde mij! ik hoorde mijn hart bonzen met slagen, die het geluid van
-den slinger verdoofden; ik was buiten mijzelven. Als ik daaraan denk, moet ik nog
-blozen over mijn eigen dwaasheid, en ik durf mijn klok haast niet aanzien, zoo duidelijk
-meen ik op zijn spottend gelaat te lezen: Weet gij nog wel?.…
-</p>
-<p>Ja, goede vriend! ik weet het nog zeer wel—al te wel! nog op dezen oogenblik is het
-mij, of ik dien tijd weer overleef. En hoe kan het anders? Want hoe vele malen gij
-sedert uwe dagronde volbracht hebt, <span class="sc">Betsy’s</span> beeld heeft voor mij niets aan liefelijkheid verloren. Gij weet of ik haar getrouw
-was. Getuig, of ik sedert dien zaligen tijd ooit meer zoo voor u gestaan heb. Nooit
-daarna heb ik u weder van spoed of traagheid beschuldigd; maar mijn pols sloeg altijd
-zoo regelmatig of hij naar u geregeld ware. Neen! ik heb nooit eene andere liefgehad.
-</p>
-<p>Zie, zoo kan ik over elk voorval in mijn leven met mijn huisklok spreken. Hij kent
-mijn geheele geschiedenis; ja zelfs de geschiedenis van mijn innerlijk Ik is hem niet
-onbekend. Want het is mijn standvastige gewoonte, als ik ’s avonds op mijn kamer kom,
-nog eenige oogenblikken van mijn nachtrust af te nemen, om, kon het zijn, daardoor
-de rust van mijn allerlangsten nacht te bevorderen. Hiertoe houd ik geen dagboek,
-het papier is er mij te onbescheiden toe, of liever.… er zijn dingen die men zelfs
-aan het papier niet zeggen kan! neen, ik neem daarbij niemand in mijn vertrouwen,
-dan mijn klok. Als ik hem maar aanzie, dan heb ik dadelijk de hoofdstukken die ik
-achtereenvolgens te behandelen heb voor mijn geest. VI–VII, eerste hoofdstuk. VII–VIII,
-tweede hoofdstuk. VIII–IX, derde hoofdstuk, en zoo voort tot XI ure des avonds toe.
-Dan overdenk ik wat ik in ieder uur gedaan heb, en maak daarnaar de som van baat en
-schade op. Gebeurt het nu dat er een getal is, dat mij ontevreden aanziet, dan tracht
-ik het tusschen dit en zijn buurman zoo wat te middelen, zoodat de goede het voor
-den kwade goedmaakt. Evenwel het is er verre af dat mij dit altijd gelukken zou. Dikwijls
-ben ik met mijn tijd reeds aan XII, als ik met mijn goede werken nog aan VI ben. O,
-dan kan ik mijn <span class="pageNum" id="pb33">[<a href="#pb33">33</a>]</span>klok niet met een gerust hart aanzien, maar sta diep vernederd voor mijn ontevreden
-schuldeischer. Nog erger is het als het gebrek niet alleen negatief, maar uitdrukkelijk
-positief is; dan kan het mij tegenover mijn klok zeer bang worden. Meermalen stond
-ik alsdan in hevige gemoedsbeweging op om mij voor mijn rechter te plaatsen; dan kon
-ik hem biddend aanzien om mij gelegenheid tot herstel te geven. O ware de dag van
-heden niet voor mij aangebroken!—Tik—tik.—Kon ik hem nog eens weder beginnen!—Tik—tik.—Kon
-ik ten minste dit booze uur daaruit wegnemen!—Tik—tik.—Ik zou lust gehad hebben met
-schendende hand zijn uurwijzer eenige nommers achterwaarts te drijven; maar dat onverbiddelijk,
-altijd voortdurend, dreigend getik scheen mijn tegenstand te bespotten. God vergeve
-het mij, dat ik wel eens getracht heb mijn geweten het zwijgen op te leggen, door
-andere beelden voor mijn geest te roepen; doch dan was de klok met zijn onverdoofbare
-stem mijn goede engel. Deze liet mij niet toe tot rust te komen, en al stortte mijn
-geest zich tot over de ooren in den stroom der Lethe, ook daar vervolgde hem het getik,
-dat hem belette in te sluimeren. O, mijn goede vriend, als ik dit zoo bedenk, dan
-klopt mijn hart van dankbaarheid voor uwe onkreukbare getrouwheid, en geen koning
-kan zijn biechtvader in grootere eere houden, dan ik u in mijn binnenste toedraag.
-</p>
-<p>Somtijds echter, ach; waarom slechts somtijds! waren mijn klok en ik zeer goed met
-elkander in hun schik. Het was dan, als er tegen enkele kwade eens recht veel goede
-oogenblikken over stonden; dan kon ik met een waar genoegen, naar het beloop van den
-uurcirkel, de afgelegde dagronde nagaan; en als ik daarop eens een zeer goed uur beleefd
-had, dan kon het mij wezen, of er een lichtstraal op dat cijfer viel, ja of de geheele
-wijzerplaat, even als de klok op de Rotterdamsche beurs bij avond, <i>geïllumineerd</i> was.
-</p>
-<p>Maar nu meent UEerw. misschien op het gezegde af, dat ik een Pelagiaan ben, en de
-leer der goede werken overdrijf. Laat ik UEerw. tot uwe geruststelling mogen zeggen,
-dat ik liever mijn dierbare klok met eigen hand zou stuk slaan, dan toe te laten,
-dat hij mij een enkelen dag deed vergeten, dat zelfs in de beste onder onze uren een
-ledig vak openblijft, dat geen deugd eens menschen kan aanvullen. Neen, als onze klok
-zulk een leer leerde, zou mijn vader op zijn sterfbed niet gezegd hebben; <span class="sc">Jonathan!</span> houd die klok in eere; ik heb geen trouwer vriend in de wereld gehad!
-</p>
-<p>Wat staat hij daar deftig, recht zoo als een klok zijn moet. Ik heb een voorliefde
-voor zijn eenkleurige donkerheid en zijn antieke vormen; ik vind ze met zijn bestemming
-in de gelukkigste harmonie. Ik zie niet gaarne een aanspreker in het wit; en even
-zoo weinig zou het mij aanstaan, als de aanspreker van mijn doode uren een bont kermispak
-droeg. Onlangs was mijn horlogemaker hier en merkte op dat de houtworm in de kast
-was. Laat mij u eens een nieuw kastje in de plaats maken, zeide hij, dan zal het zulk
-een lief klokje zijn dat gij het niet <span class="pageNum" id="pb34">[<a href="#pb34">34</a>]</span>meer kennen zult; het zal u tegenblinken van rood en goud.—Ongelukkige! ik had moeite
-mij in te houden. Mijn goede oude! wou men u in een hansworstenpak steken? het zal
-zoo lang ik leef niet gebeuren.
-</p>
-<p>Ik wou dat iedereen er zoo over dacht, maar het scheelt, helaas, veel. Wat vindt men
-in de plaats van de staande en hangende klokken onzer vaderen? rijke pendules van
-brons, verguld en albast, met fraai gegoten figuren voorzien en heerlijke bloemen
-versierd. Ik moet bekennen dat ik dien opschik voor een klok wel wat heel mooi vind;
-er is zooveel aan de kast te zien, dat men er niet aan denkt op het uurbord te letten.
-Men kan immers secretaire en trumeau wel met sieradiën bedekken, al zijn het juist
-geen prachtige klokkenkasten. Maar neen! nu eisch ik ook wat al te veel. De kunst,
-die in onze dagen op zulk een vroeger ongekende hoogte staat, moet toch aanmoediging
-hebben, en het zou immers ook niet staan, een gemoderniseerd vertrek door een oude
-hangklok te ontsieren. Welnu, laat het dan zoo zijn: weelderige beelden rondom het
-uurwerk, en bloemen boven de wijzerplaat. Maar dan zou ik toch wel wenschen, dat men
-de deftige oudvaderlandsche klokken, in plaats van ze naar de vliering of naar den
-uitdragers-winkel te verbannen, hun oude plaats in het eenvoudiger slaapvertrek liet
-behouden. Want daar beneden …, gij zult het mij toegeven, al meent men het nog zoo
-goed, gaat de achting voor den tijd een weinigje verloren. Als men den ernstigen klokslag
-door een deuntje hoort voorafgaan; is de indruk er van voor een goed gedeelte weggenomen.
-Als men pas: Schep vreugde in het leven! heeft hooren spelen, heeft het: Gedenk te
-sterven! zoo geen val. Even weinig kunt gij het aan uw horloge overlaten, u bij wijlen
-aan de gewichtige taak van ieder uur te herinneren. Want evenmin als men door een
-kind wil worden terecht gezet, wil men zich door zulk een klein, heel klein horlogetje
-tot ernst laten vermanen; ieder ziet immers dat het niet meer dan een speelpop is,
-die men er alleen om de pracht op nahoudt, zoodat het werk alleen om de kast, en dikwijls
-beide alleen om de cachetten gedragen worden. Of zou gindsche Dame dat rijk geëmailleerde
-sieraad aan dien gouden <i>collier</i> om den hals dragen, om zich daardoor te laten herinneren: <i lang="la">hora ruit?</i> Gij gelooft het zelf niet; zulk een ornamentje kan tot niets dienen, dan op zijn
-hoogst om zijn bezitster te zeggen, dat het nog te vroeg is om naar het concert te
-gaan, of dat zij nog juist den tijd heeft om een bouquet in haar ceintuur te steken,
-eer haar <i>cavalier</i> haar voor het bal komt afhalen. Foei! van zulke uurwerkjes wil de deftige erentfeste
-Tijd niets weten; hij maakt ze openlijk voor <i lang="fr">contrefaçons</i> uit, en zet alleen zijn naam en zegel op deftige klokken, zoo als er hier een voor
-mij staat. Dus, zoo als gezegd is, ik blijf er op staan, dat ieder zich zulk een ouderwetsche
-huisklok aanschaffe, die het kostuum van zijn ambt draagt, en dus ook alleen het recht
-heeft zijn ambt bij ons uit te oefenen.
-</p>
-<p>Het is waar, dat men een somberen gast in huis haalt. Zoo kan ik bijvoorbeeld mijn
-klok nooit aanzien, of dadelijk valt mijn oog op <span class="pageNum" id="pb35">[<a href="#pb35">35</a>]</span>de spreuk, die hij voert: <i><span lang="la">Una ex his hora mortis.</span> Een van deze is uw doodsuur.</i> Zeker noch zeer vriendelijk, noch zeer beleefd; maar ik kan er met mijn voorbeeld
-voor instaan, dat men daaraan gewent. Toen ik een knaap was, kon ik het met de klok
-niet eens worden. Nadat mijn vader mij de Latijnsche spreuk uitgelegd, en mij daarbij
-een ernstig woord had toegesproken, kon ik hem geen goed oog meer geven; ik was bang
-voor hem geworden. Als ik ’s avonds alleen met hem in de kamer was, verbeeldde ik
-mij somtijds dat vriend Hein in eigen mageren persoon in de klokkenkast zat, en met
-zijn ontvleesde knokkels het uurwerk in beweging bracht, zoodat ik opstond en met
-bevende hand de kast opensloot, om mij te overtuigen dat er niets dan de onnoozele
-slinger in bewoog; maar dit is nu anders geworden. Niet dat de klok voor mij een ander
-aanzien heeft, want ik geloof nu nog veel vaster dan te voren, dat vriend Hein waarlijk
-in de klok zit en het rad draait; maar het verschil zit in mijn oog en hart. Ik ben
-voor den mageren man zoo bang niet meer, en ik zie dus ook zijn klokkenhuis geheel
-anders aan dan vroeger. Het is met den Dood als met meer personen die in een kwaad
-geruchte staan; hij is zoo boos niet als hij er uitziet; het komt er slechts op aan
-of men de moeite neemt van nabij kennis met hem te maken, en alzoo achter zijn goede
-hoedanigheden te komen. Sedert verscheiden jaren dat ik vertrouwelijk met hem omga,
-ben ik op zulk een goeden voet met hem geraakt, dat ik niet meer buiten hem kan; en
-daarom is hij nu ook zoo dankbaar, dat hij beloofd heeft mij zachtjes in zijn armen
-te zullen dragen, als ik niet meer zal kunnen gaan. Zie, dat heeft zelfs niemand onder
-mijn vrienden mij beloofd. Zou ik dan boos worden als hij somtijds eens aan mijn arm
-stoot, om mij aan zich te herinneren, of mij door zijn trouwen bode laat vragen, of
-ik nog wel eens aan hem denk? Foei, dat zou slecht zijn! Mijn klok kan getuigen dat
-het tegendeel waar is; dikwijls als hij slaat en mijn blik daarbij opziende op het
-opschrift valt: <i lang="la">Una ex his hora mortis!</i> kan ik met nalaten hem met een vriendelijke stem te beantwoorden: <i lang="la">Una ex his hora vitae!</i> en als ik somwijlen mijn oogen eenigen tijd heb gesloten gehouden, om met mijn verbeelding
-in een andere wereld te dwalen, en ze daarna opendoe.… het is wonderlijk.… dan kan
-het mij zijn, of mijn klok geheel van gedaante veranderd is! dan is het of zijn bruin
-omkleedsel op eens in een gewaad wit als sneeuw is overgegaan, en zijn ouderwetsche
-kap lijkt een glanzend hoofd, en het is of hij mij met de hand wenkt.…
-</p>
-<p>Zeker zoudt gij dit van mijn oude klok niet gewacht hebben. Maar gelijk ik zeide,
-hiertoe komt men niet op eens; gij moet beginnen waar ik meê begonnen ben, met uw
-afkeer en vrees voor hem te overwinnen. Waarlijk, het is niet goed, hem geheel te
-veronachtzamen; hij is als een houten hand op onzen levensweg, die het opschrift draagt:
-<i>Naar het Graf</i>. Nu is het immers niet verstandig, zulk een wegwijzer over ’t hoofd te zien; want
-hoe weten wij anders, waar <span class="pageNum" id="pb36">[<a href="#pb36">36</a>]</span>wij heen gaan? Ja, kon het ons helpen, het oog van die hand af te wenden, om ook niet
-aan te komen, waar ze heen wijst, nu dan mochten wij er voorbij jagen dat de vonken
-uit de steenen vlogen; doch de weg is immers niet om den wegwijzer, maar wel de wegwijzer
-om den weg. Wat baat het dan te doen of men niets merkt:
-</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line">Wij zijn wat doof aan ’t linkeroor, </p>
-<p class="line xd31e490">Dat keeren wij hem toe; </p>
-<p class="line">Voorzeker, krijgt hij geen gehoor, </p>
-<p class="line xd31e490">Hij wordt het kloppen moe. </p>
-</div>
-<p class="first">Daar het toch altijd eindigen moet als in ’t versje:
-</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line">En wip! daar is de man! </p>
-</div>
-<p class="first">Het is jammer, dat sommige verstandige menschen op dit punt zoo onverstandig zijn.
-Ik ken goede rekenmeesters, wier ijzeren kist van de slimheid hunner berekeningen
-getuigt, die deze eenvoudige som van drieën maar niet leeren kunnen:
-</p>
-<p class="xd31e331">1 : O = 1 : X.
-</p>
-<p>Dat is, volgens eene opgave die men in <span class="sc">Willem Bartjes</span> niet vindt:
-</p>
-<p>Een uur staat tot de eeuwigheid, gelijk een goede of kwade daad tot de gevraagde.
-</p>
-<p>Het was deze cijferkunst, die Mozes reeds doceerde, toen hij zijn volk leerde, hunne
-dagen „<span lang="nl">also te tellen dat sy een wijs herte bekomen</span>” mochten. Ja, tijden en eeuwen mogen veranderen, maar zoo lang er menschen op aarde
-leven, wier bestemming in de eeuwigheid ligt, blijft de tijd het kleinood des levens,
-de ware steen der wijzen, die slijk tot goud kan maken. Als ik een klokkenmaker was,
-zou ik in plaats van al die vergulde krullen mijn uurwerk in den ring van een slang
-sluiten, die de staart in den bek houdt. Het <i>symbolum</i> der eeuwigheid rondom het <i>symbolum</i> des tijds, dat zou, dunkt mij, van tijd tot tijd ernstige gedachten geven. Het is
-een groote dwaling, dat sommige menschen het er voor schijnen te houden, dat hun klok
-een <i lang="la">perpetuum mobile</i> is, dat nooit zal blijven stilstaan: zóó is het niet: het <i lang="la">perpetuum mobile</i> is boven, en onze klok kan ons alleen helpen om het te vinden. Foei, dezelfden, die
-zich schamen zouden het kapitaal van hun vermogen aan te raken, verspillen van hun
-beter kapitaal hoofdsom en renten te gelijk. Het komt altemaal van het verkeerd gebruik
-der klokken.
-</p>
-<p>Ik zou denzulken wel eens een verschijning toewenschen als die van den <span class="sc"><a class="biblink xd31e39" title="Referentie naar de Bijbel: Openbaring van Johannes 10:5-6" href="https://classic.biblegateway.com/passage/?search=re%2010:5-6&amp;version=HTB">H. Johannes</a></span>: „<span lang="nl">Ende de Engel, dien ik sagh staan op de zee en op de aarde, hief sijne hand op nae
-den Hemel, ende hy swoer by Dien die leeft in alle eeuwigheid, dat daar geen tijd
-meer en sal sijn!</span>” of een droom, gelijk <i>Père</i> <span class="sc">Bridaine</span> in een visioen zijner vervoering had; de man, die de eeuwigheid een klok noemde,
-waarvan de slinger in de stilte der graven onophoudelijk herhaalt: Altijd—nooit! nooit!—altijd!—een
-droom, zeg ik, gelijk hij had, toen hij een der rampzalige <span class="pageNum" id="pb37">[<a href="#pb37">37</a>]</span>tijdverkwisters hoorde roepen: hoe laat is het? waarop een zijner lotgenooten antwoordt:
-de eeuwigheid.—Maar neen, waartoe zouden verschijningen of droomen dienen? Heeft dan
-mijn Meester mij niet geleerd, dat wie <span class="sc">Mozes</span> en de Profeten niet hooren, al ware het dat er iemand uit de dooden opstond, zich
-niet zullen laten gezeggen? En indedaad! ieder die in de school des Bijbels is opgevoed,
-en een klok aan zijn muur heeft, heeft in die klok een vermaner<span class="corr" id="xd31e1209" title="Niet in bron">,</span> gelijk de geheimzinnige hand bij <span class="sc"><a class="biblink xd31e39" title="Referentie naar de Bijbel: Daniël 5:25-28" href="https://classic.biblegateway.com/passage/?search=Dn%205:25-28&amp;version=HTB">Belsazar</a></span>, die aan den wand het dreigende: <span class="sc">mene, tellen</span>, schreef. En indien zijn oogen dat cijferschrift niet verstaan, het hapert niet aan
-de kunde, maar aan den wil dezer uitleggers.
-</p>
-<p><span class="sc">Jonathan! Jonathan</span>! wat draaft gij u zelven weêr voorbij! En als ik wel zie, zijt gij weêr aan ’t veroordeelen
-van anderen ook. Och ja! die Farizeeuwsche zuurdeesem: <span lang="nl">o God! ick dancke u, dat ick niet en ben gelijk de andere menschen!</span> wil maar niet ophouden te gisten. Och, met al mijn wijsheid over mijn klok, mocht
-ik mij wel wat meer door hem laten herinneren, dat het „<span lang="nl">den menschen geset is eenmael te sterven en daerna ’t oordeel</span>,”—en „<span lang="nl">Met welck oordeel ghij oordeelt, sult ghij geoordeeld worden.</span>”
-</p>
-<p>En zoo kom ik tot mijn klok terug, en zie hem scherp aan, als om hem te vragen: wanneer
-zijn wijzer het uurtje zal aanwijzen, waarop voor mij „<span lang="nl">geen tijd meer en sijn sal</span>.” Vergeefs zoek ik het plekje op het wijzerbord: hij geeft geen ander antwoord dan
-het onzekere: <i lang="la">Una ex his hora mortis.</i> Nu, mijn vriend! zoo is het ook wel! Ga gij maar voort mijn leermeester en vermaner
-te zijn, dan zal ik niet licht moede worden mijn leven bij uren te tellen. Ik weet
-toch dat ge woord zult houden met uwe <i><span lang="la">Una ex his.</span> Een van deze!</i>
-</p>
-<p>Wat is dat? het is of er een nevel op mijn oogen zinkt. Zou het wezen omdat.… ja,
-laat ik het bekennen. Toen ik daar zoo aan mijn laatste uurtje dacht, viel het mij
-in, hoe ik dan liggen zou op de eigen peluw, waarop mijn vader is ingesluimerd, en
-met mijn oog even als hij naar mijn geliefde klok gericht. Maar wie zal er dan aan
-mijn leger zitten om de sekonden te tellen, die ik nog te leven heb? Wie zal mij op
-het bestemde uur mijn geneesmiddelen ingeven? Wien zal ik de zorg voor mijn klok overdragen:
-Houd die klok in eere!…
-</p>
-<p lang="nl">„In de opstandinghe en nemen sy niet ten houwelicke, noch en worden niet ten houwelicke
-uitgegheven, maar sy sijn als de Engelen Godts in den hemel!”
-</p>
-<p><span class="sc">Een—twee!</span> Goeden nacht!
-<span class="pageNum" id="pb38">[<a href="#pb38">38</a>]</span> </p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch5" class="div1 story"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e7160">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="main">MUZIEK.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Ik weet niet, van waar ik de onbeschaamdheid haal, om een hoofdstuk over Muziek te
-schrijven. Maar de lust bekruipt er mij toe. Ik wil ten minste beproeven, hoe ver
-ik het breng. Mislukt het mij, dan blijft die mislukking een geheim tusschen mijn
-papier en mij. En breng ik het gelukkig ten einde, dan is dit een blijk, dat mijn
-onbeschaamdheid een goed voorteeken geweest is. En immers ben ik de eerste niet, die
-over een onderwerp schrijft, waarvan hij niets verstaat?
-</p>
-<p>Ja, het harde woord moet er uit: ik versta niets van de muziek. Beleefde menschen
-hebben mij wel eens verzekerd, dat het jammer is, omdat ik er zoo veel natuurlijk
-gevoel voor heb: ja die overbeleefd wilden zijn, hebben mij indertijd wel gevleid,
-dat ik geen kwade stem had; maar het is ongelukkig, het kwam bij mij altijd op een
-verkeerd oogenblik aan den dag, waartoe ik aanleg had of niet. Twee jaren had ik reeds
-met het Italiaansche boekhouden vertobt, toen men zag, dat ik niet veel beter voor
-een koopman deugde dan de Hottentot, die niet verder rekent, dan zijn tien vingers.
-En omgekeerd, was de geschikte tijd om mij muziek te laten leeren voorbij, toen men
-bemerkte dat er in mij misschien een <span class="sc">Meijerbeer</span> of <span class="sc">Paganini</span> stak. Het is nu te laat. Ik moet mij nu vergenoegen met mijn stem roemloos in het
-gezelschapskoor te mengen, als men aan het nagerecht het voorvaderlijke:
-</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line">Hoe zoet is ’t waar de vriendschap woont! </p>
-</div>
-<p class="first">of het geliefkoosde:
-</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line">’t Welvaren van dezen huize, </p>
-</div>
-<p class="first">aanheft. <span class="sc">Editha</span> beweert wel, dat ze mij soms in mijn eenzaamheid uit de volle borst een solo-partij
-heeft hooren aanstemmen! maar de lezer zal mij genoegen doen met haar niet te gelooven;
-hij weet, welke spotters de vrouwen zijn.
-</p>
-<p>Zoodat, ik versta niets van de muziek. Was het nu bij mij: onbekend maakt onbemind;
-kon ik van mijn kant de muziek laten rusten, gelijk zij het mijn talent heeft gedaan,
-dan waren wij gemakkelijk te scheiden geweest, en had ik onder anderen dit hoofdstuk
-over de muziek niet geschreven; maar <i lang="la">hinc illae lacrymae!</i> bij ongeluk ben <span class="pageNum" id="pb39">[<a href="#pb39">39</a>]</span>ik juist een dol liefhebber van deze heerlijke kunst! Ja, wel mag ik zeggen, een dol
-liefhebber; want ik aanbid haar onder alle gedaanten: in het staatsiekleed op de muziekfeesten,
-in het koorkleed in de kerken, in het feestkleed op de concerten, in het tooneelkleed
-in de <i>opera</i>, in het militaire kleed op de parades, in het danskleed op het bal, in het burgerkleed
-langs de straten, ja in het bijna-geen-kleed der armoede, die met een draaiorgel loopt.
-Alle vormen waarvan zij zich bedient, zijn mij lief: het statige oratorium en de luchtige
-wals-maat; de prachtige symphonie en de eenvoudige aria; de rijke gevarieerde opera
-en het altijd wederkeerende orgeldeuntje; ik bemin duetten, terzetten, quartetten,
-quintetten, sextetten—als zij er zijn, hetgeen ik niet weet. Alle instrumenten zijn
-mij aangenaam, van koper of hout, met of zonder snaren, geblazen of gestreken, getokkeld
-of geroerd; ik hou zonder onderscheid van de schetterende trompet en het piepende
-flageoletje; van den brommenden bas en de snerpende vioolsnaar; van de toeterende
-<i>trombône</i> en de klagende dwarsfluit; van de donderende pauk en den tjingelenden triangel. Ik
-ben verzot op alle stijlen en methodes; Italiaansch, Duitsch of Fransch, klassisch
-of romantisch, oud- of nieuwerwetsch, ik ben overal uw man.
-</p>
-<p>Waarschijnlijk komt dit daaruit voort, dat mijn hart muzikaal is. Het zit bij mij
-niet alleen in de ooren, zoo als bij sommige kenners, wier gehoorzenuwen meer met
-hun maag, dan met hun ziel in verband staan. O, ik kan mij er dikwijls aan ergeren,
-wanneer ik de bezoldigde dienaars van Polyhymnia, onder de uitvoering van een heerlijke
-muziek, daarvan niet meer zie gevoelen, dan de instrumenten die zij behandelen. Vast
-in de maat, ze zijn het verwonderlijk: met den bril op den neus en den strijkstok
-in de hand, zitten zij te tellen als metrometers; nauwelijks is hun tijd om te spelen
-gekomen, of wip! gaat de viool naar de kin, en kras! gaat de stok over de snaar! laat
-er rondom hen gebeuren wat wil, zij vertrekken er geen oor naar, en blijven geheel
-noteblad; maar hun gewaarwordingen daaronder! leest ze op hun dommelige, levenlooze,
-houten aangezichten! zij voelen niets van de verrukkende harmonie, die om hen ruischt;
-zij blijven koud als steen te midden van dien vuurvloed, die van rondom hen op het
-sidderende gehoor nederbruist; hun nuchter hoofd bemerkt niets van de bedwelming,
-die zich van hun snaren op de opgewonden menigte stort. Ja wat meer is! zij zelven
-werken mede tot de betoovering, die u overmeestert: ook hun snaar giet zijn melodie
-in den stroom, wiens geweld u medesleept; ook hun spel is een schalm in de magische
-keten die u onzichtbaar omslingert; maar de ongelukkigen! zij zijn daarbij slechts
-doode werktuigen: hun invloed op u is die van doove hamers, die onder de hand des
-kunstenaars de snaren der piano treffen; gelijk de windharp, die geen aandoening heeft
-van het koeltje, waaronder haar zangerig hout zucht; zij zijn eenigermate gelijk aan
-„die werklieden vreemd aan Israël, die de bouwstoffen bijeenbrachten voor den prachtigen
-tempel, waarin het hun nooit vergund zou zijn binnen te <span class="pageNum" id="pb40">[<a href="#pb40">40</a>]</span>treden.” O, ik beken het met schaamte en spijt, dat ik een oningewijde in het heiligdom
-der harmonische kunst ben; ik kom er voor uit, dat ik van deze Levieten hares altaars
-het eenvoudigste onderricht in haar geheimen zou moeten ontvangen. Maar toch! ik sta
-in mijn oogen hooger dan zij, ik, die de harp in het hart draag, welke zij op hun
-knechtslivrei voeren. Vergeeft het mij, Heeren muziekmeesters en <i>dilettanti</i>! maar als ik na een heerlijke muziek u de gehoorde compositie hoor ontleden, alsof
-het een thema ter analyse ware, terwijl de opgevangene melodie in mijn hart, als een
-weêrklinkend gewelf, zuiver en helder nagalmt, en het met welluidendheid vervult,
-dan verhef ik er mij op, dat ik tot uw kunst in nader en inniger betrekking sta, dan
-gij zelven; en terwijl ik uw medelijdende vraag:
-</p>
-<p>Mijnheer is geen kenner? met een zedige buiging beantwoord, beschouw ik u met het
-gevoel, waarmede de moedige reiziger den gids aanziet, die hem in het wonderoord der
-Zwitsersche Alpen weet te zeggen:
-</p>
-<p>Dit is nu de <i>St. Bernard</i>, en die spits daar is de <i lang="fr">Montblanc</i>, en die punt ginds is de <i lang="de">Jungfrau</i>.
-</p>
-<p>Nog eens, bij mij zit de virtuositeit in het bloed; mijn ooren zijn niet dan de geleiders
-van mijn hart, en dat springt op, als het maar een enkele noot hoort, gelijk een hert
-dat de stem van zijn moeder verneemt! dit vraagt niet eerst: Wat hoor ik? Is het in
-mijn methode, wat ik hoor? Is het van mijn componist, wat ik hoor? Is het mijn instrument,
-dat ik hoor? Wordt het goed uitgevoerd, wat ik hoor? en zoo al voort totdat—er niets
-meer te hooren is. In dien tusschentijd heeft mijn hart reeds ruim en rijk genoten;
-het heeft de maat nagehuppeld, en met de noten meê in het rond gesprongen; het heeft
-voor een uur opgeruimdheid en vroolijkheid opgedaan, en herhaalt het liedje dat het
-gehoord heeft nog wel tienmaal in zichzelve.
-</p>
-<p>Waarom ziet Mijnheer zoo knorrig?
-</p>
-<p>Heet dat muziek maken? muziek-verknoeien is het!
-</p>
-<p>Tra la la la—tra la la la.
-</p>
-<p>Dan liever in het geheel geen muziek, dan haar zoo te hooren mishandelen.
-</p>
-<p>Maar wie is Mijnheer dan?
-</p>
-<p>Ik ben een musicus.
-</p>
-<p>Ha, ik niet. Vaarwel Mijnheer! leve de muziek! Tra la la la—tra la la la.
-</p>
-<p>Ja, leve de muziek! Ik heb behagen in alles wat maar zingt en klingt; melomanie is
-mijn zesde zintuig, ofschoon, gelijk ik zeide, in zijn natuurlijken toestand, zonder
-ontwikkeling of verfijning door de kunst; zij is mij dan ook aangeboren. Naar het
-zeggen van mijn moeder, was ik in der tijd een ondeugend en lastig wicht; maar gelukkig
-bezat zij in haar schoone stem een machtig toovermiddel, waaraan het bijna altijd
-gelukte den boozen Demon in mij te bezweren. Zette ik mijn keel op tot een gillende
-dissonant, dadelijk beproefde <span class="pageNum" id="pb41">[<a href="#pb41">41</a>]</span>zij die in haar heerlijke sopraantonen op te lossen, en eere zij aan mijn jeugdigen
-smaak, dat ik haar liever scheen te hooren dan mij zelven; want gewoonlijk hield ik
-dadelijk op om geen noot te verliezen, en eindigde met haar door mijn tranen toe te
-lachen, als <span class="sc">Astyanax</span> dichterlijker gedachtenis. De lieve moeder! Vooral was het hare gewoonte, mij des
-avonds zingende in slaap te sussen. Uren lang kon zij aldus aan mijn wiegje doorbrengen.
-Daarbij had zij een gevaarlijken vijand in haar gezang zelf; want ik was er veel te
-verliefd op, om er niet zoo lang mogelijk naar te luisteren. Zoo lag ik dan dikwijls
-een geruimen tijd tegen den slaap, die mij allengs overmeesterde, te kampen, tot dat
-mijn moeder eindelijk triomfeerde: zachtkens streek de rust met haar liefelijk ruischende
-vleugelen mijn luikende oogleden toe, en met een genoeglijk lachje om den mond sluimerde
-ik in.
-</p>
-<p>Naar mijn moeder mij vertelde, was er evenwel geen lied, waarvoor ik gevoeliger scheen
-te zijn, dan het avondlied der Hernhutters:
-</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line">Laat mij slapend op U wachten, </p>
-<p class="line xd31e490">O dan slaap ik zoo gerust. </p>
-</div>
-<p class="first">Ik geloof het gaarne; geen lied zong zij beter. Het is dan ook bijna het eenige van
-hare wiegezangen, waarvan mij een diepe indruk is bijgebleven. Nog kan ik het niet
-hooren, of er trilt in mijn hart een akkoord uit mijn vroegste kindschheid. Nog kan
-ik het niet hooren, of ik denk aan mijn lieve moeder, en—het toen nog onschuldige
-wicht. O gezegend het kind, dat zulke herinneringen heeft! hoe teêr ze zijn, ze zijn
-dikwijls sterker tegen de verzoeking, dan de stemmen van rede en deugd. Bij mij althans,
-welke booze gedachten zich ook in mijn binnenste mochten verheffen, ik geloof niet
-dat ze het zouden kunnen uithouden tegen een zachte stem, die in zulke oogenblikken
-zong:
-</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line">Laat mij slapend op U wachten! </p>
-</div>
-<p class="first">Opgroeiende verloochende zich deze zucht voor muziek in mij niet, en, gelijk ge ziet,
-zij is mij nog bijgebleven; zij is in mij iets natuurlijks. Ik heb de muziek lief
-uit instinkt, niet als een kunst, maar zoo als ik den blauwen hemel, de lekkere zon,
-de zachte maan, de heerlijke sterren, het donkere bosch en het groene veld lief heb.
-Ik vraag mij geen reden van deze liefde; ik laat er mij niet op voorstaan, noch zoek
-er meê te pralen. Ik noem het een gave van God, en ben er als zoodanig dankbaar voor.
-</p>
-<p>En zou ik niet? <span class="sc">Göthe</span> spreekt ergens van menschen, die een gebrek in de oogen hebben, waardoor alles voor
-hen een rozeroode kleur heeft, de beklagenswaardigen! Wat genieten zij van die duizendmaalduizend
-schakeeringen van kleuren en tinten, die in de natuur ons oog verrukken? Maar mij
-dunkt dat menschen, die volstrekt geen gehoor voor de muziek bezitten, weinig minder
-te beklagen zijn. Want ook voor hen gaat immers een gedeelte van het schoone van Gods
-schepping <span class="pageNum" id="pb42">[<a href="#pb42">42</a>]</span>verloren? Zij hooren niets van al die welluidende stemmen, die overal klinken, en
-den Schepper prijzen, dat er te gelijk de schepselen door gestreeld en verheugd worden.
-O, het eerste vogelengezang in de lente! als het bosch, dat zoo lang stil en zwijgende
-was, weêr voor het eerst leven en geluid herkrijgt. Als de vogelkens hun stem schijnen
-te beproeven en allengs voller en ruimer uit de borst beginnen te zingen. Als langzamerhand
-al mijn lieve oude kennissen, met haar bekende stemmetjes mij haar welkom toeroepen.
-Als eindelijk mijn uitverkorene, de nachtegaal, voor de eerste maal mijn oor verrukt …
-o hoe baadt dan mijn ziel in genot! hoe zwemt zij in de zee van melodie, die uit de
-hoogte op mij nederstroomt! Zie op! voor het oog is alles nog winter. Het geboomte
-heeft nog zijn eentonig Decemberbruin; het groen slaapt nog in de zich ontwikkelenden
-bot; de rijp kraakt onder uwe voeten; een scherpe <span class="corr" id="xd31e1335" title="Bron: Noor-oostenwind">Noord-oostenwind</span> blaast u in het gezicht, en bederft u het genot van de reeds koesterende voorjaarszon.
-Maar hoor toe! Voor het oor is de lente daar! zij is daar in de muziek, die even als
-andere vreugde, ook de vreugde der lente voorgaat; zij is daar in die duizende voorjaarsboden,
-die de komst van het schoone saizoen uitroepen, arkduiven die de belofte van een groenende
-aarde in den vriendelijken mond dragen; zij is daar in het lied van de Koningin der
-lente, die haar levenwekkende stem over ’t land doet hooren, die de „bloemen openfluit”
-en de bladeren uit hun zwachtels lokt. Gelukkig de vriend der muziek; hij heeft een
-lentemaand meer in het jaar!
-</p>
-<p>En komt gij in den kring der gezellige samenleving, hoe veel genot gaat ook daar voor
-het harde oor verloren. Het is toch in onze prozaïsche wereld nog iets poëtisch, en
-onder haar vele dissonanten nog iets melodisch, dat er zoo veel muziek in gehoord
-wordt. Laat het zijn, dat daaraan voor twee derden de ijdelheid en de mode deel hebben:
-ik vergeet dat, zoodra de eerste toon mij tegenklinkt. Wat menschen als ik daaraan
-te danken hebben, is ongelooflijk; menig vervelend bezoek, menige taaie avond is mij
-door het maken van muziek verkort <span class="corr" id="xd31e1340" title="Bron: eu">en</span> veraangenaamd. Maar foei! wat spreek ik alleen van hare negatieve verdiensten, als
-of zij geen andere rechten op mijn hart had? Maar laat het zich dan onder woorden
-brengen, welk genot ik dikwijls aan haar betoovering verschuldigd was?
-</p>
-<p>Immers staat mijn hart altijd voor haar invloed open, en wacht slechts op haar komst,
-gelijk de marmeren kom van een fontein op de stralen des dolfijns: een enkele noot,
-en mijn hart zet zijn deuren wagenwijd open. Hoe kan ik dan met een luisterziek oor
-aan de heerlijke klanken hangen! hoe met een van wellust bevenden voet den stroom
-der muziek in al zijn kronkelingen volgen, gelijk een knaap den schoonen vogel, dien
-hij hoopt te verrassen! Hoe kan ik mijn hart op de deining der melodie laten heen
-en weder wiegelen, gelijk een zwaan op de rimpeling van het kabbelende water! hoe
-mij op de vleugelen des stijgenden geluids laten opheffen, of op het dons der dalende
-akkoorden nederzinken! hoe kan ik mij in den Feeëndans der <span class="pageNum" id="pb43">[<a href="#pb43">43</a>]</span>luchtige noten laten meêslepen, of door de klacht der <i>andante</i> tot tranen bewegen! Van dat de eerste toon in mijn ooren klinkt, ben ik mijns-zelven
-niet meer: ik ben het eigendom van den componist, die mijn hart met volkomen willekeur
-beheerscht; hij heeft mij in zijn hand, hij kan van mij maken wat hij wil, ik ben
-de zijne door het recht van verovering.
-</p>
-<p>Evenwel het gebeurt soms, dat hierop een uitzondering plaats heeft. Het is dan als
-mijn hart te vol raakt, om meer te kunnen toehooren. Er zijn oogenblikken, dat de
-muziek, in plaats van mij met haar adem te streelen, het meir mijns harten beroert,
-en een sterke aandoening in mij wakker roept; dan is het mij niet mogelijk, langer
-aan haar klanken geboeid te blijven; dan word ik doof voor haar taal, en luister alleen
-naar de stem, die uit mijn binnenste oprijst; dan verlies ik mij in een diep verleden,
-of zie vooruit in een schemerende toekomst; dan verzink ik in dien toestand, dien
-de Dichter beschrijft:
-</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line">Het is een onbestemd „gevoelen,” </p>
-<p class="line xd31e490">Een toestand donker en verward.— </p>
-<p class="line">Wij voelen zóó, als op ’t concert </p>
-<p class="line xd31e490">De tonen op iets treurigs doelen: </p>
-<p class="line">Een algemeen besef van smart;— </p>
-<p class="line xd31e490">Waarbij we, zonder orde of reden, </p>
-<p class="line xd31e490">In toekomst dwalen en verleden. </p>
-</div>
-<p class="first">Ziet gij, wanneer zulke gedachten mij aangrijpen, ben ik voor de toespraak der muziek
-verloren: voor haar toespraak, maar evenwel geenszins voor haar invloed. Want die
-mijmeringen zijn alleen onder haar invloed geboren, en leven alleen in den dampkring
-van haar melodie. Laat de muziek ophouden, en zij zullen wegvluchten als schuwgemaakte
-vogels! Laat de muziek voortduren, en zij zullen haren sylphendans voortzetten, en
-zich gedurig helderder en levendiger voor mijn geest vertoonen. Ook wordt haar voorkomen
-door de macht der muziek beheerscht. Gedurende de <i>allegro</i> zullen zij een licht, een vroolijk aanzien hebben; met de <i>andante</i> zal haar gelaat betrekken en haar gang sleepender worden; en als deze eindelijk in
-de <i>adagio</i> overgaat, zal er een floers van somberheid op haar dalen, als op een landschap, dat
-de zon op eens ophoudt te beschijnen. Zoo ontvangen zij, even als het <i lang="fr">corps de ballet</i>, in alles de wet van het <span class="corr" id="xd31e1373" title="Bron: orkost">orkest</span>.
-</p>
-<p>En hierbij denk ik vooral aan de oogenblikken, onder het gehoor van <span class="sc">Editha</span> gesleten. Het is namelijk haar standvastige gewoonte, des namiddags in het uur, waarin
-anderen zich het genoegen geven van, zoo als zij het met een <i>euphemisme</i> noemen, <i>stil te zitten</i>, de piano te openen, en een poosje te spelen. Nu speelt <span class="sc">Editha</span> zeer wel; ten minste naar mijn smaak, omdat er in haar spel meer uitdrukking dan
-kunst is. En dit stille uurtje is mij het liefste van den geheelen dag. O, hoe kan
-dan mijn geest zich op de wolken der zwevende melodie inschepen, en zich daarop omhoog
-laten voeren! Heerlijke luchtreis, die ik dan doe, waarbij al de luchtreizen van <span class="sc">Green</span> niets zijn. Kon ik u beschrijven, <span class="pageNum" id="pb44">[<a href="#pb44">44</a>]</span>wat dan mijn verrukt oog niet al aanschouwt! Welke lusthoven de gouden tooversleutel
-der harmonie voor mij opent! Welke paleizen de stem der muziek, als een andere <span class="sc">Amphion</span>, voor mij doet oprijzen! Welke gezichten mij vervoeren, welke geuren mij tegenwalmen,
-welke hemelsche tonen mij toeklinken! Gelukkig voorwaar, dat deze luchtkasteelen voor
-u ontoegankelijk zijn, Mijnheeren Ontvangers en Rijksschatters! kondt gij er bijkomen,
-arme <span class="sc">Jonathan</span>, hoe zoudt gij moeten bloeden! Op welke sommen zou u de grondbelasting te staan komen
-van een terrein, waarbij uw aardsche hut niet veel meer is dan een notendop; met welke
-schatten zoudt ge het bezit van een mobilair moeten boeten, bij hetwelk goud, als
-het geringste der metalen, de plaats van hout en steen vervult. Ik kan er van sidderen,
-als ik denk, dat iemand hunner zijn <span class="corr" id="xd31e1400" title="Bron: brakkenneus">brakken neus</span> in deze kostbaarheden steken mocht. Maar geen nood! Ieder mensch heeft boven zijn
-armoedje, dat door den maatstok der wet wordt nagemeten, een ruime plek aan den hemel,
-waar zijne verbeelding een luchtpaleis mag stichten, zoo prachtig als hij wil, zonder
-dat men hem daar kan komen lastig vallen. En waar ook verschil bestaan moge, hier
-niet. Want de weinige spannen gronds, die den bedelaar toebehooren, hebben even zoowel
-den onmetelijken hemel tot gewelf, als het uitgestrekte domein des Vorsten. Daarheen
-dan onze toevlucht genomen, mijne vrienden! die, even als ik, uw aardsche heerlijkheden
-met weinige passen beschrijden kunt. Wij zullen ons daarboven wreken! Wij zullen er
-een luchtkasteel bouwen, zoo heerlijk, dat de geheele schatkist, om wier wil we zoo
-geplaagd worden, niet in staat zou zijn er een enkelen vleugel van te betalen. Wij
-zullen er een <i lang="en">pleasure-ground</i> bij aanleggen, waarin al de Ontvangers (en dat’s veel gezegd) des noods zouden kunnen
-verdwalen! En wij zullen het genoegen smaken van onze kwelgeesten bij den neus te
-hebben, die terwijl zij onzen nederigen inboedel taxeeren, van onze bezittingen in
-de maan niets vermoeden zullen. Ik voor mij althans hoor hen nooit een prijs op de
-piano van <span class="sc">Editha</span> stellen, zonder in mij zelven te <span class="corr" id="xd31e1410" title="Bron: glimlagchen">glimlachen</span>: *** guldens! Zij is voor mij het tiendubbel waard; in die kast is voor mij het wenschhoedje
-van <span class="sc">Fortunatus</span> verborgen! Daarin schuilen de papieren van eigendom van mijn goederen in het bovenland.
-Maar gij zult er niets van te zien krijgen.—En nauwlijks heb ik de deur achter hen
-gesloten, of ik kom met een vroolijk gezicht weêr binnen: kom aan, <span class="sc">Editha</span>! nu nog eens een liedje:
-</p>
-<div lang="fr" class="lgouter">
-<p class="line"><i>L’or n’est qu’une chimère.</i> </p>
-</div>
-<p class="first">Maar nog dierbaarder is mij de herinnering aan die oogenblikken, waarin de muziek
-de uitwerking had van den storm der <span class="corr" id="xd31e1426" title="Bron: harstochten">hartstochten</span> in mij te doen bedaren, oogenblikken waarin het mij ging als <span class="sc">Saul</span>; <span lang="nl">Ende ’t geschiedde als de geest Godes over <span class="sc">Saul</span> was, so nam <span class="sc">David</span> de harpe, ende hy speelde met syne hant: dat was <span class="sc">Saul</span> eene <span class="corr" id="xd31e1443" title="Bron: veradedeminge">verademinge</span>, ende het wert beter met hem, ende de boose geest weeck van <span class="pageNum" id="pb45">[<a href="#pb45">45</a>]</span>hem.</span>—O, het is een zalig gevoel in een tijd, wanneer de drift, als een storm uit zijn
-krocht losgebroken, de kalmte der ziel beroert; wanneer alles, wat er kwaads en ondeugends
-op den bodem des harten slaapt, opgist, en het hoofd door zijn dampen bedwelmt; wanneer
-de onreinheid, die den grond onzes gemoeds bedekt, door onvoorzichtigheid in beweging
-gebracht, opborrelt, en deszelfs helderheid troebel maakt; het is een zalig gevoel,
-wanneer men zich in zulk een tijd de kracht voelt ontbreken om die woeling te gebieden:
-Zijt stille!—dat er zich dan een macht van buiten opdoet, die de verbroken rust en
-klaarheid herstelt. Zulk een macht nu is voor mij die der muziek. Dikwijls, als onreine
-gedachten mijne verbeelding dreigden te besmetten; als de hartstocht mijn gemoed in
-oproer bracht; als een weêrbarstige ontevredenheid zich van mijn ziel meester had
-gemaakt; was het genoeg, dat de muziek haar liefelijke stem liet hooren, om den kwaden
-geest, die mij verzocht, uit te bannen. Niet dikwijls gebeurde het, als zij zich ter
-rechter tijd gelden deed, dat mijn drift zich tegen haar tooverkracht bleef verzetten.
-Bij de eerste tonen reeds werd het oproer in zijn vaart gestuit; langzamerhand liet
-het zich met zachten tegenstand terugdringen, zoo als men een blaffenden bandhond
-streelend in zijn hok lokt; terwijl de muziek de muitende driften bedwong, riep zij
-de sluimerende betere gewaarwordingen wakker; vandaar een korte strijd, die eindelijk
-in de zegepraal van het goede beginsel eindigde, terwijl het kwade als een neêrgeslagen
-droesem op den donkeren bodem terugzonk. Gelukkig oogenblik, wanneer alsdan een zacht
-rood van schaamte de wangen kleurde, welke vroeger de <span class="corr" id="xd31e1449" title="Bron: harstocht">hartstocht</span> in vollen gloed had gezet, en een verkwikkende traan het brandend oog bevochtigde.
-Alsdan werd de wonderspreuk des Dichters aan mij bewaarheid:
-</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line">Alles heeft zich-zelf verloren. </p>
-<p class="line xd31e490">’t Honderdhoofdig Helgedrocht </p>
-<p class="line xd31e490">Ligt ontketend in zijn krocht, </p>
-<p class="line">Met ter neêr gestreken ooren, </p>
-<p class="line">Vastgeboeid door ’t maatgeluid. </p>
-</div>
-<p class="first">En wat wonder? Immers was ik altijd, licht ontvlamd als ik ben, de speelbal van snel
-afwisselende aandoeningen, en even ras „in gloed gevlogen,” als tot zachtere gemoedsaandoeningen
-terug te brengen. Mijn moeder vooral verstond meesterlijk de kunst om in zulk een
-onrust rust te gebieden. Zij deed dit niet door mij, als een hollend paard, in den
-teugel te vallen; zij deed het door den leniger, maar sterker drang der overreding!
-<span class="sc">„Jonathan! Jonathan!”</span> Er was in den toon, waarmede zij dien naam uitsprak, iets zoo krachtig en teeders
-te gelijk, dat ik er niet aan kon weêrstaan. Welnu, in de stem der muziek is voor
-mij iets dergelijks; als zij mij hare zachte klanken tegenwalmt, is het of ik nog
-de stem van mijn nu zalige moeder hoor; <span class="sc">„Jonathan! Jonathan!”</span> En gepaard met deze herinnering, vallen mij op het eerste geluid de wapens uit de
-handen. Heerlijke muziek, zeker zijt gij een broeder-engel van mijnen Genius!
-<span class="pageNum" id="pb46">[<a href="#pb46">46</a>]</span></p>
-<p>Ook weet ik van oogenblikken, waarin zich aan mij een andere verzekering des Dichters
-bevestigde:
-</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line">Dan vergeet zich in ’t verrukken, </p>
-<p class="line xd31e490">Zelf Prometheus arendsbeet, </p>
-<p class="line">Tantalus versmachtend leed, </p>
-<p class="line xd31e490">Bij ’t vervoerend vingerdrukken. </p>
-</div>
-<p class="first">Waar is de mensch, wien het hier wel niet eens bang was? Ik althans behoor tot hen,
-die aan het bestaan van <span class="sc">Prometheus</span> en <span class="sc">Tantalus</span> gelooven. Ik ken die pijn, die het hart eet en het bloed drinkt; ik ken dat onverzadigd
-verlangen, dat den mensch naar de gouden paradijsappelen doet hongeren, die altijd
-even ver van zijn lippen verwijderd blijven; maar ik ken ook dat zich vergeten van
-arendsbeet en versmachting,
-</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line">Bij ’t vervoerend vingerdrukken. </p>
-</div>
-<p class="first">De muziek spreekt bovenal de taal der vertroosting! haar gestrook
-</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line">Is waarlijk van fluweel. </p>
-</div>
-<p class="first">Haar vriendelijke stem vloeit als balsem in het verscheurde hart: ik weet niet, of
-het waar is, wat sommigen beweerd hebben, dat muziek de kracht heeft van sommige zielskrankten
-te genezen; maar ik weet wel, dat zij in staat is het lijden van alle zielskrankten
-te verzachten en te lenigen. En is zij niet een bode der hope, die van betere tijden
-spreekt? Dikwijls als bittere teleurstellingen mij hadden ter aarde geworpen, richtte
-zij mij aan haar hand op, en nam mij aan haar zachte borst; dan dauwden er woorden
-van liefde en troost van haar zoete lippen; dan ademde zij mij nieuwen moed in ’t
-hart; dan goot zij mijn boezem vol van nieuwen levenslust en nieuwe levenskracht;
-dan spande haar opwekkende invloed mijn spieren en zenuwen tot dapperen wederstand
-tegen den druk, die op mij woog; dan klonk haar stem voor mij als een wapenkreet,
-die mij ten strijd daagde; dan ging haar moed-inboezemend geluid mij voor op den weg
-der overwinning; dan hergaf zij mij aan mij zelven.
-</p>
-<p>Nog plechtiger herinneringen verrijzen voor mijn geest.
-</p>
-<p>Stemme des orgels! Stemme der muziek in het huis des Heeren! Hoe de gewaarwordingen
-te beschrijven, die gij zoo dikwijls in mij verwektet?
-</p>
-<p>Ik weet het, de Godsdienst heeft meerder rechten op de welluidendste der kunsten,
-dan deze haar in onze eenvoudige heiligdommen betaalt. De storm der Hervorming heeft
-in haar geweldige, schoon heilzame omkeering, onder meer, dat wij hadden willen gespaard
-zien, ook de snaren van de heilige harp <span class="sc">Davids</span> verbroken, die Gode zoo welgevalliglijk placht te klinken. Het zij! wij weten, dat
-het een hachelijk oogenblik was, toen het niet de keuze tusschen een eerdienst met
-of zonder muziek, toen het de keuze tusschen een hulde des harten en der lippen en
-een hulde der muziektuigen gold; toen er beslist moest <span class="pageNum" id="pb47">[<a href="#pb47">47</a>]</span>worden, of de zanger zou zingen, of zijne luite. Doch des te hooger eere en dank aan
-hen, die het pleit des orgels voor de rechtbank der Hervorming hebben verdedigd en
-gewonnen. Nu hebben wij ten minste een enkel harmonisch voertuig voor onze heilige
-inboezemingen behouden; en, wij erkennen het dankbaar, het geschiktste en waardigste,
-om dien gewijden last ten Hemel te voeren! Er is in den klank des orgels iets statigs
-en majestueus, dat wonderlijk overeenkomt met de plaats en het doel, waartoe het zich
-laat hooren. Ik zou haast zeggen: het orgel is een beeld van den Godsdienst zelven,
-dien wij belijden. Zoo woont hij in ons hart, onzichtbaar en verborgen, even als het
-geluid in het speeltuig. Geen bonte pronk of valsche schittering tooien hem, maar
-een deftig, plechtig en eerbiedwekkend uiterlijk. Hij vermengt zich niet onder de
-ijdelheden der aarde, noch paart zijn stem aan den luchtiger toon der wereld; altijd
-blijft hij waardig, achtbaar en zijn hooge bestemming indachtig. Zich gedurende de
-zes ongewijde dagen in zichzelve terugtrekkende, verheft hij ten zevenden, ten dage
-des Heeren, zijn jubelende stem, en roept dan luide zijn verrukkingen uit! Maar ook
-dan nog handhaaft hij zich als de bode eener heilige blijdschap, en laat in den klank
-van zijn zich naar buiten openbarende vreugde, altijd den grondtoon van een statigen
-ernst klinken.—Vol en breed vervult de galm van het speeltuig het heiligdom, en doordringt
-het met een welluidende huivering; langzaam, gelijk de geur des offers met de lucht
-samenvloeit, vereenigt hij zich met de stem der menigte; en daarmede ineengesmolten
-heft hij zich met een kalme gelijkmatige duivenvlucht omhoog, dringt door wolken en
-uitspansel, en stort zich uit voor het oor van Hem, die den adem geeft. O, het is
-verwonderlijk, hoe machtig dit geluid is op hem, die er gevoel voor heeft, om hem
-te stemmen en tot een waardige aanbidding voor te bereiden. Hoe dikwijls kwam ik verstrooid
-en afgetrokken in het heiligdom; maar het orgel klonk! het orgel, dat ons in zijn
-indrukwekkend geklank opriep: <span lang="nl">Lovet den Heere met de harpe. Psalmzinget Hem met de luyte.</span>—Als een geest der bezieling woei die welluidende adem mij aan; helder weêrklonk die
-stem, die den tempel doorgalmde, in den tempel mijns harten. En nauwelijks droeg de
-eerste golf van melodie den eersten toon des gezangs naar boven, of reeds mengde zich
-mijn stem, eerbiedig en vroom, in het duizendstemmig lied der gemeente, en klom zwak
-en bevende, maar uit het volle hart, tot den Heer! En hoe zou ik al de verplichtingen
-kunnen opnoemen, die mijn stichting en zielsverheffing aan u heeft, muziek des gewijden
-orgels? Of kende ik de oogenblikken niet, waarin mijn overstelpt hart zijn dank niet
-hoog genoeg ten hemel heffen kon, maar zich gelukkig voelde, dien op uw breeder en
-sterker schacht te mogen nederleggen, om dien te brengen tot waar mijn stem niet reikt;
-oogenblikken van bezwaardheid en droefenis, waarin met uw opbeurende galmen van boven
-licht en troost in mijn donkere ziel vloeide; oogenblikken, waarin uw majestueus geluid
-mij een huivering van eerbied <span class="pageNum" id="pb48">[<a href="#pb48">48</a>]</span>op de leden stortte, en mij den Allerhoogste voor den geest stelde<span class="corr" id="xd31e1506" title="Niet in bron">,</span> als was het dat „<span lang="nl">suyzen van een sachte stilte</span>” waarin de Heer zich aan zijn dienaars openbaart; oogenblikken, waarin uw donderende
-toon, ontzagverwekkend als de klaterende wolk van Horeb, op mij nederdaalde en mij
-met den schrik des Heeren sloeg, of waarin ik in een rollend gebulder de bazuine des
-laatsten oordeels meende te hooren; oogenblikken waarin uw machtige stem voor mij
-de wolken deed scheuren, en mij, onder uw zegevierend jubelen, den hemel opende, waaruit
-mij reeds het lied der tienduizendmaal tienduizenden scheen toe te klinken! O zeker,
-al waart gij voor mij de eenige tolk der harmonie, die door al het geschapene ruischt,
-orgel des heiligen bedehuizes! toch zou ik met <span class="sc">Schiller</span> aan uw kunst den palm reiken!
-</p>
-<div lang="de" class="lgouter">
-<p class="line"><i>Aber die Seele <span class="corr" id="xd31e1519" title="Bron: sprecht">spricht</span> nur Polyhymnia aus.</i> </p>
-</div>
-<p class="first">Ja, durfde ik, ik zou verder willen gaan en zeggen: Muziek is de taal des hemels!
-</p>
-<p>„Muziek de taal des hemels!”
-</p>
-<p>Kent gij <i lang="fr">la dernière pensée musicale</i> van <span class="sc">Weber</span>? Laat haar u anders eerst eens voorspelen.
-</p>
-<p>Begrijpt gij mij nu?
-</p>
-<p>Ik ken geen muziekstuk, dat mijn gedachten beter uitdrukt. Hoort gij het niet, dat
-er in deze heerlijke <i>andante</i> een stem is, die van een betere wereld spreekt? Dat weemoedig-zwevende, dat biddend-klagende,
-dat smachtend-verlangende, dat opwaarts-strevende,—in één woord, dat gevoel van heimwee,
-dat in deze noten ademt, wijst het u niet als met de hand naar den hemel? O, zóó zou
-ik wenschen te sterven met zulke gedachten, met zulk een gevoel, met zulke verwachtingen!
-Welnu, dit karakter der muziek is het, wat haar voor mij zoo aantrekkelijk maakt!
-Wat zijn zij zeldzaam, de stemmen, die ons aan ons vaderland daarboven herinneren!
-en wanneer ze zich al laten hooren, hoe zelden hebben zij den waren toon, die het
-hart toespreekt, en met waarachtig verlangen vervult! Maar voor mij is de muziek zulk
-een roepstem, en wel een stem, zoo liefelijk, zoo uitlokkend als eenige, een stem
-als van een moeder, die haar kind tot zich roept. Ja, ik begrijp dat heimwee van den
-Zwitser, als het lied zijner bergen, het klagende <i lang="fr">ranz des vaches</i> in zijn ooren klinkt. Ik geloof dat dit geluid de snaren zijner ziel kan spannen,
-dat ze breken. Immers weet ik wat ik gevoel, als de muziek mij als een stem uit de
-hoogte toeruischt, en mij met reikhalzende begeerte naar de bergen mijns hemelschen
-vaderlands doordringt. Dan doorstroomt een nameloos gevoel mijn boezem; dan vervult
-zich mijn hart, en zet zich uit, en zwoegt als om zich ruimte te maken, gelijk een
-vogel in zijn kouw; dan rijzen zucht op zucht uit dien beklemden kerker op, en stijgen
-daarheen, waar het hart ze niet volgen kan, dat ze treurig naziet als een gevangen
-duif, die haar jongen ziet opvliegen. Dan verheft zich mijn hoofd, dan glinstert mijn
-oog, dan openen zich onwillekeurig mijn armen, dan zucht ik bezwaard zijnde om ontbonden
-<span class="pageNum" id="pb49">[<a href="#pb49">49</a>]</span>te worden.<span id="xd31e1543"></span> Zou het misschien daarom zijn dat <span class="sc">Luther</span> de muziek de eerste der menschelijke kunsten noemde, en haar de naaste aan de godgeleerdheid
-plaatste?
-</p>
-<p>De eerste der menschelijke kunsten, zeide ik. Maar.… ik weet niet.… ik durf niet gissen.…
-ik vrees vermetel te wezen.… en waarom niet? Een groot man heeft van den aanstaanden
-<span class="corr" id="xd31e1550" title="Bron: gelukstaat">geluksstaat</span> der zaligen gezegd: „Geeft u onbeschroomdelijk toe in kinderlijke droomen en voorstellingen!
-Alleenlijk, laten het geen opgeblazen, wijsgeerige, maar laten het kinderlijke droomen
-zijn!”—Welnu, tot die kinderlijke droomen van mijn verbeelding behoort ook, dat de
-vreugde, uit het genot der muziek geschept, mede tot het geluk der zaligen behooren
-zal. Ik weet wel: „de lofzangen der hemelingen zullen toch geen Jeruzalemsche tempel-muziek
-wezen!” Even weinig durf ik raden, hoe dan anders zich mijn mijmeringen verwezenlijken
-zullen. Maar ik laat mij daarom het denkbeeld niet ontnemen, dat daar een stemme des
-gezangs en geklanks zal gehoord worden in den hemel, gelijk er een stemme des lieds
-en der speeltuigen gehoord wordt op aarde. Niet alleen om den wil der fijne, zuivere,
-geestelijke en bijna bovenaardsche weelde, waarin de stroom der harmonie het gevoelig
-hart doet baden; maar omdat ik mij zóó, en zóó alleen verbeelden kan, hoe het van
-hemelzaligheid overvloeiend hart zich, in gemeenschap met zijn medegezaligden, in
-dankbaarheid en vreugde voor den Vader der Lichten zal uitstorten. „Gloeit het vuur
-der dankbaarheid,” zoo leze ik, „diep in mijn binnenste, verliest u dan in de plechtige
-lofgezangen, die voor het aangezicht van God worden uitgeboezemd!” Laat ik er mij
-dan in verliezen! Beklage of belache mij wie wil; ik laat anderen gaarne hunnen hemel,
-indien men mij slechts toelaat mij mijnen hemel te scheppen, zoo als hij voor mij
-meest aantrekkelijk, meest uitlokkend, meest hemelsch is! O, dat stemmen der gouden
-citers! dat aanheffen van een nieuw en nooit gezongen lied! dat mengen der stem in
-het koor van al wat in den hemel leeft! dat uitstorten van zijn hart in den adem der
-Godsverheerlijking!.… Indien gij een droom zijt, hoe schoon zijt gij! En indien meer!.…
-</p>
-<p>Kom, <span class="sc">Editha</span>! speel de <i lang="fr">dernière pensée musicale</i> van <span class="sc">Weber</span> nog eens voor mij!
-<span class="pageNum" id="pb50">[<a href="#pb50">50</a>]</span> </p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch6" class="div1 story"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e7167">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="main">RUITEN TROEF.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Onder andere schoone en nuttige kundigheden, mis ik ook het talent van kaartspelen.
-Ik weet niet waardoor het komt, maar ik heb het nooit kunnen leeren. En dit is te
-onbegrijpelijker, omdat het mij anders niet aan het noodige geduld ontbreekt. Op het
-ganzenbord bijvoorbeeld ben ik een heele held. Uren lang kan ik, met een lief kind
-op mijn schoot, mij aan dat spel toewijden, zonder ooit moede te worden van het onophoudelijk
-heen en weêr trekken van den Put naar den Dood, en van den Dood weêr naar den Put.
-Maar met de kaartenbladen der groote menschen kan ik maar niet klaar komen; misschien
-ligt het aan de zwakheid van mijn geheugen. Eischt de wet van het spel niet, dat men
-zal nagaan, wat ieder zijner medespelers in de hand heeft? Waarlijk, dit is te veel
-geëischt van een man, die altijd zoo veel met zich zelven te doen heeft, dat hij nauwelijks
-ooit een <span class="corr" id="xd31e1570" title="Bron: ogenblik">oogenblik</span> tijd kan vinden, om zich over eens anders zaken te bekommeren. Aan de <i>whist</i>tafel, evenmin als elders, bemoei ik mij gaarne met het spel van anderen. Men heeft
-mij wel gezegd, dat ik daardoor altijd verliezen moet, omdat anderen er wel achter
-weten te komen, wat ik in de hand heb;—ik moet het overgeven. Om mijn domheid in dit
-opzicht te rechtvaardigen, heb ik er een stelling op uitgevonden, waarmeê ik mij zoo
-goed mogelijk troost: goede spelers worden geboren, en niet gemaakt.
-</p>
-<p>Gebeurt het dus somtijds, dat ik tegen mijn gewoonte in een gezelschap verdwaald ben,
-waar gespeeld wordt, krijg ik gewoonlijk van de gastvrouw een plaatsje bij de jongelui,
-aan de zoogenaamde <i>allegaâr</i>-tafel. Daar gaat het met het <i>kleuren</i> nog zoo wat heen; te meer, omdat ik altijd spoedig <i>dood</i> ben, en dan gelegenheid heb, het veel vermakelijker spel van de verliefde dartelheid
-der jonge paren aan te zien. Dat gezicht is voor mijn smaak wel eens zoo aanlokkelijk,
-als dat van gindsch <i>hombre</i>-tafeltje, waar de partijen een gezicht zetten, of zij om malkaârs leven dobbelen.
-Hier doet zich mijn schilder-oog recht te goed. Zie had ik mijn potlood, ik zou dien
-schalken jongen met zijn donkere kijkers willen uitteekenen, zoo als hij zijn hoofd
-stoeiend over den blanken schouder van zijn bekoorlijke buurvrouw <span class="pageNum" id="pb51">[<a href="#pb51">51</a>]</span>heensteekt, om <i>quasi</i> te zien, wat kaarten zij heeft, maar dat hij, dom genoeg, in haar lachende oogen
-schijnt te willen lezen. De linksche jongen! hij gelijkt mij, hij zal nooit goed leeren
-spelen! en welk een aardig <span class="corr" id="xd31e1590" title="Bron: tegenstnk">tegenstuk</span> zou gindsch sentimenteel paartje opleveren, dat den schijn aanneemt van elkanders
-kaarten te ruilen, maar eigenlijk alleen van die mine gebruik maakt om verliefde handdrukjes
-te wisselen; met dat gevolg, dat zij beide eindigen met drie verschillende kleuren
-in den hand te krijgen. Wat doet het er toe? daar het hoogroode blosje, dat te gelijk
-beider wangen bedekt wel degelijk van de zelfde echte <i>hartenkleur</i> is! Ei, voor zulk een tooneeltje geef ik van ganscher harte het zeldzaam genoegen
-van een <i lang="fr">vole annoncée</i> te zien spelen.
-</p>
-<p>Maar als ik nu bij ongeluk in een kring geraakt ben, waar alleen met scherpe wapenen
-gestreden wordt, zonder dat er een hoekje voor zulk een onschuldige schermpartij is
-afgezonderd, dan moet ik mij getroosten, als een ledig aanschouwer door de zaal te
-dwalen, en mij beurtelings bij de verschillende tafeltjes te plaatsen. Het is waar,
-dat dit niet altijd even aangenaam is. Want mijn eigenliefde krijgt bij zulk een gelegenheid
-altijd geweldige stooten. Meestal heb ik alsdan moeten ondervinden, dat op zulk een
-oogenblik de minste kaart meer aandacht trekt, dan ik. Aanmerkingen, die verdienden
-gedrukt te worden, heb ik door den uitroep van: <i>spadille!</i> hooren overschreeuwen. Ik geloof dat zulke ervaringen krachtig hebben meêgeholpen,
-om mij nederig te houden. Ten minste sedert eenigen tijd is mijn aanmatiging om tusschen
-de phrasen van het spel nog mijn phrase te willen plaatsen voorbij. Ik waag mij niet
-meer in het gedrang, maar blijf eerbiedig op een afstand. Gewoonlijk plaats ik mijn
-stoel in de nabijheid van het een of ander tafeltje, ver genoeg van het tooneel des
-gevechts verwijderd om niemand te hinderen, en toch niet zoo ver, of ik kan het voorkomen
-<span class="corr" id="xd31e1602" title="Bron: heben">hebben</span> van naar het spel te zien. En dan komt mijn gelukkige gaaf, van met open oogen te
-kunnen droomen, mij weder heerlijk te stade. Aldus heb ik aan de <i>whist</i>- en <i>quadrille</i>-tafel menig schoon uurtje gesleten<span class="corr" id="xd31e1609" title="Niet in bron">.</span>
-</p>
-<p>Zoo was ik onlangs bij een mijner goede vrienden op een verjaarfeest genoodigd; hij
-kwam mij zelf vragen, omdat hij voor een weigering vreesde. Want daar zijn <i>Chef</i>, wien hij welstaanshalve niet voorbij kon gaan, een liefhebber was van „een kaartje
-te leggen,” moest er in den vooravond gespeeld worden. Wat zou ik doen? hij stond
-er op, dat ik komen zou, en ik bederf niet gaarne iemands vreugde. Ook ben ik er bang
-voor, iemand, dien ik lief heb, te verstoren. Als men aan vrouw of kind iets weigert,
-hangen ze u vijf minuten daarna toch weêr aan ’t lijf: maar als men een vriend boos
-maakt, blijft hij wel eens boos. Kort en goed, ik nam het aan.
-</p>
-<p>Ik kwam vrij laat. De tenten waren reeds opgeslagen, het terrein verdeeld, de strijders
-geschaard, en de zwaarden getrokken. Wat wonder, dat bijna niemand mij merkte? Nadat
-ik de gastvrouw begroet en mijn vriend de hand gedrukt had, begon ik naar een plaatsje
-uit <span class="pageNum" id="pb52">[<a href="#pb52">52</a>]</span>te zien, waar ik het gevecht zou kunnen—vergeten. Wacht.… ja.… daarheen! ik had een
-heerlijk hoekje gevonden, in de nabijheid van een <i>hombre</i>-tafeltje, waar ik, half tusschen de meubelgordijnen verscholen, mij onopgemerkt aan
-mijn gepeinzen kon overgeven. Nadat ik het gezelschap, in welks nabijheid in mijn
-banier plantte, links en rechts gegroet had, begon ik, om op mijn verhaal te komen,
-met mijn buurman op te nemen. Zij waren drie in getal, twee Heeren en een Dame. Om
-een bijzondere reden, die in de verdeeling van het spel haar grond had, was de echtgenoot
-der Dame een van haar beide <i>partners</i>. Het was een leelijk man, met een geschonden aangezicht en lichtgrijze oogen, die
-door een schildpadden bril keken. Hij was prachtig, maar slordig gekleed; hij sprak
-weinig, en deed bijna niets dan om de geestigheden van zijn medespeler lachen. Deze
-was het levend beeld der gezondheid. Hij moest vroeger een schoon man geweest zijn;
-maar het vet, die gezworen vijand van alle schoonheid, had de fijnheid zijner trekken
-en vormen bedorven. Hij was nu een dikke <span class="sc">Apollo</span>, gelijk onze oude schilders er teekenen. Evenwel, hoe diep zijn hart ook in zijn
-vleezige borst begraven was, de geest scheen door het vleesch nog niet geheel ten
-onder gebracht. Onophoudelijk vloeiden er Attische zetten van zijn lippen, die zijn
-vriend deden schateren, en ook de Dame een goedkeurend glimlachje afdwongen. De dame—ik
-had de beleefdheid wel mogen hebben van met haar te beginnen—was een vrouw van ruim
-dertig jaren; evenwel mogt zij nog met het volste recht een schoonheid heeten. Ofschoon
-een kanten nevel haar haar verborg, zag men aan de vlecht, die daaronder te voorschijn
-kwam, welk een onrecht zij daarmede aan de bewonderaars van „levend goud” deed. Haar
-oogen waren van het verrukkelijkste blauw, en haar huid van een verblindende blankheid.
-Echter vond ik haar niet onwederstaanbaar; zij had iets onverschilligs, iets prozaïsch
-in haar wijze van spreken en doen, dat met haar blond-blauw voorkomen in openlijken
-strijd was. Zij dronk met haar fijne beeldig besneden lippen haar glaasje bisschop
-met een genoegen, met een sybaritisch welgevallen, dat mij wanhopig maakte; en toen
-zij haar parelwitte <span class="corr" id="xd31e1626" title="Bron: tanten">tanden</span> met Epicurische graagte in een roomtaartje zette, moest ik mij van ergernis omkeeren.
-</p>
-<p>Evenwel, men gewent aan alles: zoo ook ik op dien oogenblik. Nog geen half uur was
-er verloopen, of ik zag tafeltje noch spelers meer, en zat reeds hoog en droog in
-de luchtballon mijner droomerijen. Daar dreef ik op de genade des toevals door de
-lucht, zonder iets te bemerken van alles wat op de aarde aan mijn voeten voorviel.
-Het zij mij vergund, u een staaltje van mijn overdenkingen te geven.
-</p>
-<p>Onder andere beelden zag ik de sylphengestalte van <span class="sc">Alwine Stanley</span>, een der liefelijkste verschijningen, die ooit mijn oog verrukten. Zij was blank
-als <span class="corr" id="xd31e1635" title="Bron: een een">een</span> engel, en, zoo haar haar niet zoo wit was als sneeuw, het scheen toch sneeuw, door
-de zon verguld; ook droeg zij altijd een wit kleed, en had daarbij iets in de oogen,
-dat de begoocheling volkomen maakte. Maar zij was teêr, ongeloofelijk teêr! haar middel
-was <span class="pageNum" id="pb53">[<a href="#pb53">53</a>]</span>zoo tenger, dat men vreesde, als zij zich boog, moest zij knakken als een bieze, tot
-dat men zich overtuigd had, dat het golvende van haar bewegingen die vrees overbodig
-maakte; want dan toonde zich haar lichaam weêr zoo buigzaam en veêrkrachtig, dat het
-uit enkel zenuwen en spieren scheen te bestaan, en den stokkerigen gast dien wij daaronder
-herbergen te missen. Haar hals was dun als die van <span class="sc">Anna Boleyn</span>, maar veel gereeder dan deze om te buigen; want bij het minste tochtje, dat langs
-haar ging liet zij het hoofd hangen. Haar geheele voorkomen had een etherischen zweem,
-en deed aan de teederste van <span class="sc">Shakespeare’s</span> scheppingen, aan <i>Ariel</i>, denken. Wie haar zag, vond de aarde te hard en den wind te scherp voor haar; wie
-haar toesprak<span class="corr" id="xd31e1649" title="Niet in bron">,</span> <span class="corr" id="xd31e1651" title="Bron: verzachte">verzachtte</span> onwillekeurig den toon zijner stem; zij was als Sir <span class="sc">Walter’s</span> <i lang="en">Maiden of the mist</i>, men durfde haar niet aanroeren, uit vrees van haar in een nevel te zien oplossen.
-</p>
-<p>Was het vreemd, dat zij vele bewonderaars had? Vreemd was het evenwel, dat er niemand
-aan scheen te denken om naar haar hand te staan. Dit was het gevolg van haar Engelen-natuur;
-het gevoel van ontzag, dat zij inboezemde, maakte, dat men het denkbeeld om haar te
-bezitten als iets ongerijmds verwierp. In de droomen des jongelings kwam zij voor
-als de toovergodin, die zijn liefde beschermt, nooit als de schoone Prinses, naar
-wier gunst hij stond. Zij had honderd aanbidders, maar geen enkelen minnaar.
-</p>
-<p>Dit bleef echter niet altijd zoo. Eindelijk was er een, die het waagde een vermetel
-oog op haar te slaan. Maar zoo in iemand, in hem was die stoutmoedigheid te dulden.
-Hij heette <span class="sc">Alfred</span>; maar ik noemde hem <span class="sc">Alcibiades</span>, zoo herinnerde hij mij dien bevalligste der Grieken. Want, dat de Olympische lauwer
-aan zijn antieken kop ontbrak, en marmer noch metaal den heerlijken vorm zijner gestalte
-vermenigvuldigde, was aan den tijd te wijten, waarin hij geboren was; wat bleef hem
-thans over, dan zijn moed in in het oefenperk der gymnastie en het speelveld der schermkunst
-te doen schitteren? Maar miste hij de gelegenheid om een bloedige kroon te winnen,
-te schooner sierde hem de krans van de kunsten des vredes. Hij was dichter, zonder
-evenwel de luit te hanteren; maar de scheppende kracht eener weelderige <i>fantasie</i> woonde in zijn borst, en stortte zich in den kunsteloozen vorm eener wegsleepende
-welsprekendheid uit. Niets echter onderscheidde hem meer, <span class="corr" id="xd31e1671" title="Bron: dan zijn dan zijn">dan zijn</span> <span class="corr" id="xd31e1674" title="Bron: harstocht">hartstocht</span> voor de muziek; zelf was hij een uitstekend kunstenaar, doch verborg dit talent met
-meisjesachtige schaamachtigheid. Maar ’s nachts, onder begunstiging der duisternis,
-doolde hij, met de guitar om zijn hals geslingerd, naar de woning van <span class="sc">Alwine</span>; en wie hem dan in romanesque melodiën aan zijn gevoel lucht hoorde geven, waarbij
-zijn tenorstem met den langen adem eens nachtegaals door de lucht trilde, terwijl
-zijn schilderachtige houding, door het schijnsel der maan verlicht, aan een Grieksch
-standbeeld deed denken, vergaf het aan de hemelsche Diana, achter dien wit-gazen nevel
-verscholen, dat zij met welgevallen op dezen Actaeon nederzag.
-<span class="pageNum" id="pb54">[<a href="#pb54">54</a>]</span></p>
-<p>De gelieven beminden elkander, gelijk zulke zielen beminnen moeten, hartstochtelijk;
-maar een breede klove scheidde hen. De witte gestalte van <span class="sc">Alwine</span> boog voor de hostie; het trotsche hoofd van <span class="sc">Alfred</span> boog alleen voor Hem, dien „de Hemelen niet en begrijpen.” Het meisje, wier liefde
-op de rots van onbepaald geloof in den Beminde gegrond was, was gereed voor hem het
-outer te verlaten en naast hem neêr te knielen; maar haar vader, die voor den Roomschen
-herdersstaf sidderde, verbond aan het verlaten haars heiligdoms de verbanning uit
-zijn huis en hart; er zweefde een onheilspellend woord op zijn lippen. Om haar wanhopig
-te maken, kwam hier het aanzoek van een geloofsgenoot bij, een man die haar begreep
-noch verdiende; een van die menschen, die met dezelfde onverschilligheid hun voet
-in ongerepte sneeuw als in drassige klei drukken. De vader, voor de verleiding van
-den schoonen Hugenoot vreezende, was harder voor haar dan zij verdiende: ongenadig
-als een stormwind drukte hij op broze riet, zoodat het krookte, en spoedig geheel
-scheen te zullen breken. Nog herinner ik mij, welk algemeen mededogen de kwijnende
-<span class="sc">Alwine</span> opwekte; menig oog, dat haar aanzag, vulde zich met tranen, en ieders verbeelding
-zag haar reeds aan den voet des altaars, met den witten maagdenkrans op het haar,
-en de brandende waslichten rondom haar.… Ja, zal ik het bekennen? in de verwachting
-van haar aanstaanden dood, bezong ik haar uiteinde reeds in een gedicht, waarin onder
-anderen de volgende smachtende regels voorkwamen:
-</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line">Beklaag Alwine, in ’s levens bloei vergaan! </p>
-<p class="line">Hoe greep de smart haar teedre broosheid aan! </p>
-<p class="line">Nog is zij schoon, maar aaklig schoon! en de oogen </p>
-<p class="line">Beweenen haar, die haar bewondren mogen. </p>
-<p class="line">Was ze eenmaal bleek als lentebloesem, thans </p>
-<p class="line">Week ’t leven uit de witheid van dien glans. </p>
-<p class="line">Een doode schijnt ze, als balsemde heur asem </p>
-<p class="line">Haar zielloos schoon met eigen amberwasem. </p>
-<p class="line">Soms dringt een traan zich aan haar oogen op, </p>
-<p class="line">Maar ’t is ondanks haar wil, zoo als de knop, </p>
-<p class="line">Gebroken op zijn steel en halfgebogen, </p>
-<p class="line">Den dauw vergiet, waarmeê hij is betogen. </p>
-<p class="line">En vreemd! zoo weinig dooft dat nat hun vonk, </p>
-<p class="line">Dat nooit haar blik van helder tintling blonk! </p>
-<p class="line">Ook wreken zich de kwellingen haars harten </p>
-<p class="line">Niet op haar leest in folterende smarten, </p>
-<p class="line">Maar, met den dolk in ’t hart, zegt ze Arria, </p>
-<p class="line">Met vriendlijk oog: het is niet pijnlijk! na. </p>
-<p class="line">Zij draagt haar leed als waar ’t in onbewustheid, </p>
-<p class="line">En liegt het weg in ’t lachje van gerustheid </p>
-<p class="line">Op ’t smal gelaat, zoo al geen bleeker rood </p>
-<p class="line">Den worm verraadt, die ’t veege bloempje doodt! </p>
-<p class="line">Soms ziet men haar doorschijnende elpen vingeren </p>
-<p class="line">Zich bevend om de zilvren snaren slingeren; </p>
-<p class="line">Maar, trillend door d’onvasten greep, heeft ’t lied, </p>
-<p class="line">De harp ontlokt, den rechten toonklank niet. <span class="pageNum" id="pb55">[<a href="#pb55">55</a>]</span></p>
-<p class="line">De lip is bleek, die vroeger plach te blozen, </p>
-<p class="line">Maar, witte roos, behield den geur der rozen. </p>
-<p class="line">Haar stem is zacht, maar vriendlijk zacht en zoet. </p>
-<p class="line">Zij sleept zich voort met weigerenden voet, </p>
-<p class="line">En toont, wanneer zij op uw arm mag leunen, </p>
-<p class="line">Hoe noodig ’t is haar zwakheid te ondersteunen. </p>
-<p class="line">De slaap ontwijkt ze, als vreest ze een enkel uur </p>
-<p class="line">Te ontrooven aan zoo kort een levensduur! </p>
-<p class="line">Ja, zelfs de Dood laat zich door haar verzachten, </p>
-<p class="line">En schijnt bij ’t henensmelten van haar krachten, </p>
-<p class="line">Te waken, dat geen al te ruwe slag </p>
-<p class="line">Zoo schoon een leest te deerlijk schenden mag! </p>
-<p class="line">Zoo zal zij ook, wanneer zij ’t hoofd laat hangen, </p>
-<p class="line">Zacht sluimren, door zijn harden arm omvangen, </p>
-<p class="line">En wie haar ziet, doen denken, aan haar rust: </p>
-<p class="line">Een moeder heeft haar zoo in slaap gekust.… </p>
-</div>
-<p class="first">„Ruiten-troef!” riep de Dame aan het <i>hombre</i>-tafeltje, met een stem zoo luid, dat ik wakker schrikte en uit mijn droom ontwaakte.
-„Ruiten-troef!” riep zij, en daarbij keerde zij het spel kaarten, dat zij gemengd
-had, om, waardoor het bleek, dat Ruiten de favoriet-kaart voor het volgende spel waren.
-</p>
-<p>Zelden echter was ik zoo boos op de oorzaak, die mij in mijn mijmering stoorde, als
-nu! Het was ook een val! van een romanesque doode op Ruiten-troef.… denkt gij? neen,
-veel erger! Want—en verplaats u in mijn stemming—want de engelachtige <span class="sc">Alwine</span> was—och ja, de Dame die voor mij zat en Ruiten-troef had geroepen! de dikke Apollo
-was <span class="sc">Alfred</span>! en de leelijke man met zijn schildpadden bril de door <span class="sc">Alwine’s</span> vader beschermde minnaar!
-</p>
-<p><span class="sc">Alwine</span> had lang tegenstand geboden, lang geleden en gestreden; maar eindelijk had de wil
-haars vaders, door de verschrikkingen van het bedreigde <i>exorcismus</i> ondersteund, haar toestemming afgedwongen. Toen ik haar in den echt had zien inzegenen,
-kwam ik verontwaardigd te huis, en zette een nieuw gedicht op het touw, dat dus begon:
-</p>
-<div class="lgouter">
-<div class="lg">
-<p class="line">’k Heb u gezien, de oranje door de haren, </p>
-<p class="line xd31e490">En om den hals ’t juweelen snoer gezwierd; </p>
-<p class="line xd31e490">De blanke leest met blank satijn gesierd, </p>
-<p class="line">Omgeven door de u huldigende scharen. </p>
-<p class="line xd31e490">Ik zag u, met die bleekte op ’t zacht gezicht, </p>
-<p class="line">Die weêmoed op de wang der bruid verwekte, </p>
-<p class="line">Aanvalliger, dan toen de blos ze dekte, </p>
-<p class="line xd31e490">Die vreemd moet zijn aan d’ochtend, die u licht. </p>
-</div>
-<div class="lg">
-<p class="line">Die kwijning van uw heerlijk blauwende oogen— </p>
-<p class="line xd31e490">Die flauwe lach, die wegsterft in een zucht— </p>
-<p class="line xd31e490">Dat rustloos hart, dat zwoegend hijgt naar lucht— </p>
-<p class="line">Die fletsheid, die uw wangen houdt betogen— </p>
-<p class="line xd31e490">Die matheid in ’t door druk bezwaard gestel— <span class="pageNum" id="pb56">[<a href="#pb56">56</a>]</span></p>
-<p class="line">Die trage gang der eertijds vlugge schreden, </p>
-<p class="line">Nog aarzlende op ’t hun vreemde pad te treden— </p>
-<p class="line xd31e490">Verraden ons uw kommer al te wèl. </p>
-</div>
-<div class="lg">
-<p class="line">En gij hebt recht! des Bruigoms vuurge blikken— </p>
-<p class="line xd31e490">Het ongeduld, dat uit zijn trekken licht— </p>
-<p class="line xd31e490">De hartstocht, die zich schetst op zijn gezicht, </p>
-<p class="line">Zoodat zijn drift uw schuchterheid doet schrikken— </p>
-<p class="line xd31e490">Zijn vlammend oog, gekluisterd aan uw leest— </p>
-<p class="line">Zijn wild gebaar, dat, waagt het u te omvatten, </p>
-<p class="line">Zich nauwlijks kan weêrhouden uit te spatten— </p>
-<p class="line xd31e490">Verzeekren u geenszins, dat ge ijdel vreest! </p>
-</div>
-<div class="lg">
-<p class="line">O daar is slechts een stonde in mannendriften, </p>
-<p class="line xd31e490">Een leven lang in ’s mans <span class="corr" id="xd31e1808" title="Bron: harstochtloosheid">hartstochtloosheid</span>: </p>
-<p class="line xd31e490">Dezelfde hand, die thans uw schoonheid vleit, </p>
-<p class="line">Kan uw verval verbittren en vergiften! </p>
-<p class="line xd31e490">Verganklijk zijn de bloemen van den lust, </p>
-<p class="line">Gelijk aan die slechts ééne dagbeurt bloeien: </p>
-<p class="line">De morgen wil ze met zijn dauw besproeien, </p>
-<p class="line xd31e490">Maar vindt ze door den nachtwind dor gekust. </p>
-</div>
-<div class="lg">
-<p class="line">De Weelde is als een Vampyr, die zijn lippen </p>
-<p class="line xd31e490">Met jeugdig bloed van maagdlijke offers drenkt, </p>
-<p class="line xd31e490">Maar die den drank, dien ’t zingenot hem schenkt, </p>
-<p class="line">In éénen teug een gorgel in doet glippen; </p>
-<p class="line xd31e490">Hij wil voor zich slechts ’t eerste waas der druif; </p>
-<p class="line">Den most des wijns; het maagdlijk rood der rozen; </p>
-<p class="line">En werpt van zich de bruid, door hem gekozen, </p>
-<p class="line xd31e490">Gelijk de bruid haar feestelijke huif! </p>
-</div>
-</div>
-<p class="first">en zoo voort. Deze Philippica bleef echter zonder uitwerking, en verhinderde evenmin,
-dat <span class="sc">Alwine</span> voortaan een anderen naam voerde, als dat <span class="sc">Alfred</span> uit wanhoop op reis ging. Na twee jaren afzijns kwam hij, uitstekend welvarende naar
-lichaam en geest, terug, en trouwde kort daarop een gezonde Hollandsche vrouw. Dit
-huwelijk bracht <span class="sc">Alwine’s</span> sentimentaliteit den laatsten slag toe. Uit wraak over haar teleurgestelde droomen,
-wierp zij zich daarop in de armen der meest positieve wezenlijkheid, en werd eene
-getrouwe lezeres der „Opregte Geldersche keukenmeid.” Ja, haar keuken werd zoo beroemd,
-dat de Epicurische <span class="sc">Alfred</span> de begeerte niet weêrstaan kon om aan haar <i>diner’s</i> deel te nemen, en verlof verzocht en verkreeg haar zijn vrouw te presenteeren. Op
-dezen oogenblik bevonden ze zich te zamen ten huize mijns vriends; het toeval plaatste
-<span class="sc">Alwine’s</span> echtgenoot, die aan het biljart op de Societeit allen naijver afgezworen en een verbond
-van vriendschap met <span class="sc">Alfred</span> gesloten had, met zijn vrouw en vriend aan dezelfde tafel. Van daar de aanleiding,
-die mij in het Elysium mijner herinneringen verplaatste, toen ik daaruit zoo onvriendelijk
-teruggeroepen werd. Ik kon ze haast met geen goed oog aanzien! <span class="pageNum" id="pb57">[<a href="#pb57">57</a>]</span>Welk een schoonen roman hadden ze mij bedorven! hoe diep waren zij gevallen! Die blanke
-leest der dertig-jarige vrouw, waarin ik nog enkele sporen van het vroegere nevelachtige
-wezen terugvond, wat was zij nu, dan de doodkist, waarin <span class="sc">Alwine</span> haar dichterlijken geest begraven had? En wat was er van mijn <span class="sc">Alcibiades</span> geworden? een vleeschklomp, die nog slechts in het klassisch zout zijner geestige
-invallen een schaduw vertoonde van het genie, dat vroeger alleen de eenzaamheid in
-zijn vertrouwen nam. Dezelfde man, die eens, als een andere <span class="sc">Paganini</span>, uit jaloerschheid op zijn kunst, de toonen van zijn speeltuig aan iedereen buiten
-zichzelven misgunde, zong nu aan elk souper „op verzoek der Dames” een aria van <span class="sc">Grisar</span>, en kende, als men hem om een proef van zijn talent op de piano verzocht, waarlijk
-niets dan een Strauszertje! er scheelde weinig aan, of ik nam het hun beide kwalijk,
-dat zij de onbeschaamdheid hadden van—te leven. Maar ook! in zijn verbeelding aan
-den rand eens grafs te staan, met de woorden van <span class="sc">Hölty’s</span> elegie voor den geest:
-</p>
-<div lang="de" class="lgouter">
-<p class="line xd31e1875"><i>Sterbeglocken hallen,</i> </p>
-<p class="line"><i>Und die Grabgesänge heben an;</i> </p>
-<p class="line"><i>Schwarzbeflorte Trauerleute wallen,</i> </p>
-<p class="line"><i>Und die Todtenkrone weht voran.</i> </p>
-</div>
-<p class="first">En dan—door de heldin van dat visioen wakker geroepen te worden met den kreet: Ruiten-troef!
-</p>
-<p>Ruiten-troef! O hoe dikwijls ben ik, op gelijke wijze, uit den hemel mijner schoone
-droomen bij mijn beenen op de aarde teruggetrokken! hoe vele soortgelijke bittere
-teleurstellingen heb ik ondervonden.
-</p>
-<p>Ik verneem, dat een van de liefste vrienden, dien ik aan de Hoogeschool gehad heb,
-zich in de stad bevindt; dadelijk vat ik het voornemen op hem te gaan opzoeken. Het
-vooruitzicht van hem te ontmoeten is genoeg om mij in een andere wereld te verplaatsen.
-Ik daag alle herinneringen van vroeger tijd voor mijn geest: hoe lief wij elkander
-hadden; hoe wij onze boeken en onze geheimen deelden; hoe wij malkaâr in gevoel van
-bewondering voor de natuur niets toegaven; hoe wij dikwijls onzen doornstaf opnamen,
-en naar een nabijgelegen bouwval wandelden, om daar <span class="sc">Matthisson</span> te lezen en den rondwarenden schimmen den schuimenden berkemeier toe te brengen;
-hoe wij met elkander van geluk en liefde dweepten en in onze verbeelding aan het eind
-der aarde onze hutjes van klei naast elkander optrokken … in zulk een stemming kom
-ik bij hem; maar hoe vind ik hem terug? Als een schaduw van zichzelven. De financieele
-speculatiën, waarin hij gewikkeld is, hebben van hem een cijfermeester gemaakt, wiens
-wereld door de muren van de beurs,—neen, dit is nog te ruim—door de pilaren van den
-<span class="corr" id="xd31e1894" title="Bron: effektenhoek">effectenhoek</span> begrensd wordt. Begin ik met een verteederend: <span class="sc">Henri</span>, herinnert gij u nog? wijst hij mij terug met een onvriendelijk: Laat ons van die
-gekheid zwijgen! kom <span class="pageNum" id="pb58">[<a href="#pb58">58</a>]</span>ik op onze droomen, hij spreekt van zijn kansen: wijs ik hem op onze arme, maar gelukkige
-jeugd, hij wijst mij op een rijken, gemakkelijken ouderdom: herinner ik hem aan den
-berkemeier, hij roept om een glaasje kinabitter: hij breekt den cirkel mijner bezweering,
-even als <span class="sc">Alwine</span>, door haar Ruiten-troef!
-</p>
-<p>Of ik zal een vrouw ontmoeten, die ik vroeger als een <i>Gratie</i> gekend en bewonderd heb, en die, ofschoon ik haar sedert jaren niet heb weêrgezien,
-nog in mijn herinnering leeft. Zeker, het is dwaas van mij, die toch ook de oude spring-in-’t-veld
-niet meer ben, welken zij aan de Akademie gekend heeft, dat ik een teleurgesteld gezicht
-zet, wanneer ik de jonge bevallige als een deftige <i>matrone</i> weêrvind. Maar dit zou ik nog kunnen overstappen, had <span class="corr" id="xd31e1911" title="Bron: de tijd slechts de tijd slechts">de tijd slechts</span> de kas van het speeltuig misvormd; maar helaas! hij heeft ook den klank bedorven.
-Na de gewone plichtplegingen van het alledaagsch gesprek waag ik het, haar aan vroegere
-dagen te herinneren. Ik roer een der teederste snaren aan.—Zij tjingelt als een vochtig
-koord.—Ik beproef het met een andere.—Zij is ontspannen.—Weêr een andere.—Zij knarst
-als roestig ijzer.—Nog een laatste!—Geheel gesprongen!—Alles Ruiten-troef.
-</p>
-<p>Of ik zal een dichter bezoeken. Welk een vooruitzicht! Ik stel hem mij voor, gelijk
-ik wenschen zou hem te vinden: in het oog van den adelaar zijn hoogeren rang verradende;
-een verheven voorhoofd waardig, naar de uitdrukking van <span class="sc">Moore</span>, „het paleis” van zulk een ziel te zijn; een eerbiedwekkend voorkomen als van een
-hooger geest, die voor een wijle het kleed eens menschen draagt; en bovenal een stem,
-welke haar recht handhaaft om het Verledene en de Toekomst voor zich te dagen. Ik
-vind hem.… ik durf niet voortgaan.… wij hebben zoo weinig dichters, die men verlangt
-te zien.… gij zoudt denken dat een portret schilderde.… ach, ik kan immers de <span class="corr" id="xd31e1920" title="Bron: geheele geheele">geheele</span> geschiedenis van mijn teleurstelling in één woord uitdrukken: Ruiten-troef!
-</p>
-<p>Zoo gaat het mij keer op keer. Een mensch met een gevoelig hart is een ongelukkig
-wezen op deze ongevoelige aarde. Ik loop even als <span class="sc">Diogenes</span> met een lampje, om naar de menschen te zoeken, die ik vroeger gekend heb; ik vind
-geheel andere wezens in de plaats. Het is of ik reeds gestorven ben en op de aarde
-terugkom; zoo weinig herken ik in het geslacht, dat mij omringt, het geslacht, waarmeê
-ik ben opgegroeid. Ieder ander is groot, is wijs, is rijk, is oud geworden; ik alleen
-ben nog altijd dezelfde kinderlijke, dwaze, arme <span class="sc">Jonathan</span> van voorheen!
-</p>
-<p>Als ik dit zoo aanzie, ben ik wel eens ongerust geworden, dat ik in een andere wereld
-even zulk een vreemdeling zijn zou als in de tegenwoordige. Die gedachte viel mij
-zeer bang; maar zij vond toch niet lang ingang bij mij. Neen, dacht ik, dat kan de
-beteekenis niet zijn van des Apostels vertroostende belofte: <span lang="nl">Doe ick een kindt was, sprack ik als een kindt, was ick gesint als een kindt, overleyde
-ik <span class="pageNum" id="pb59">[<a href="#pb59">59</a>]</span>als een kindt: maar wanneer ick een man gheworden ben, so hebbe ick te niete gedaen
-’t gene eens kindts was.</span>—Mannen zullen wij worden; en daaraan voel ik zoo zeer behoefte als iemand. Veel hetgeen
-des kinds <span class="sc">Jonathans</span> is moet uit den weg, eer hij een man wezen zal. Maar wij zullen toch ook geen mannen
-zijn, zoo als zij, die zich hier boven mij verheffen, en meenen zooveel hooger te
-staan dan ik, omdat mijn geheugen een spiegel, en het hunne een doofpot is. Als ik
-in tegendeel een Engelschen Dichter gelooven mag, dat „het een gevaarlijke tijd is,
-waarin de jeugd zich van ons verwijdert, als wij vergeten dat de ziel haar jonkheid
-moet bewaren door een geheele lange eeuwigheid:” dan zouden de beelden, die ik met
-zoo veel getrouwheid vasthoud, nog wel eens, aan den anderen kant, veredeld en geheiligd,
-als engelen-gestalten kunnen opstaan. Plaagt en kwelt mij dan zoo veel gij wilt, mijn
-koelbloedige vrienden, met uw ijskoud Ruiten-troef! gij zult mij evenmin veranderen,
-als ik u. Wij zullen elkander hier in liefde verdragen en voorthelpen, en gezamenlijk
-biddende uitzien naar den tijd, waarin onze tweede jeugd zal aanvangen, die door geen
-veroudering van hoofd of hart meer zal worden opgevolgd!
-<span class="pageNum" id="pb60">[<a href="#pb60">60</a>]</span> </p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch7" class="div1 story"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e7174">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="main">HET SCHAAP.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Ik wenschte, dat ik voor een oogenblik de pen van <span class="sc">Yorick</span> had!
-</p>
-<p>„Zulke gekken zijn er meer!” zult ge zeggen.
-</p>
-<p>Om u te dienen. Maar die wensch welt echter bij deze bijzondere gelegenheid niet uit
-de onzuivere bron, waaruit gij haar misschien, in de vaardigheid van uw geest, reeds
-hebt afgeleid. Gij schreeft hem misschien aan iets <i>menschelijks</i> toe, en ik had er iets <i>dierlijks</i> bij op ’t oog.
-</p>
-<p>De zegen van alle ezels over <span class="sc">Yorick</span>! Wel mocht men op zijn graf, naast een schreiend <i>genietje</i> met bolle wangen, een mager grauwtje plaatsen, dat met gebukten hoofde eenige wilgenbladen
-uit den bek op zijn lijksteen laat vallen; en naast zijn titel van <span class="trans" title="philanthrōpos"><span lang="grc" class="grek">φιλάνθρωπος</span></span> dien van <span class="trans" title="philonos"><span lang="grc" class="grek">φιλόνος</span></span> schrijven. Men moet ezel zijn, om te kunnen gevoelen, wat dit geslacht aan hem verplicht
-is. Menige koning, die onder marmer slaapt en er zijn Hofdichter op nahield, heeft
-geen lijkrede gehad, gelijk de doode ezel op den weg van Nampont; en nooit is een
-maaltijd, zelfs niet een Instituut van kunsten en wetenschappen, meer door welsprekendheid
-of poëzie verheerlijkt, dan de maaltijd van artisjokken van den ezel op de straat
-van <i>Lyon</i>.—Als men mij recht verstaan wilde, zou ik zeggen, er was iets van den ezel in <span class="sc">Yorick</span>! zijn week hart stond open voor alle smart, maar de langoor had daarop de eerste
-rechten. De arme <span class="sc">Maria</span> van <i>Moulins</i> en de Gevangene uit zijn visioen te <i>Parijs</i> zelve lokten geen klaarder droppels uit zijn zacht oog. Zijn mededoogen had niets
-van de rhetorische verontwaardiging van <span class="sc">Buffon</span>, waaraan niemand gelooft; hij versierde zijn held met geen deugden, waarvan niemand
-iets bemerkt; hij had deernis met hem—als met een ezel, een leelijk, ongelukkig, verschopt
-dier, dat men nog hatelijker heeft zoeken te maken door het te vergelijken met menschen,
-met wie het, des bewust, alle verwantschap vol afkeer en verachting verloochenen zou.
-Ik ten minste kan, sedert ik het eerst over <span class="sc">Sterne’s</span> gunsteling schreide, geen lotgenoot van hem zien, of ik voel iets wonderlijks bij
-mij opkomen, dat onmiddelijk de telegraaf tusschen mijn hart en<span id="xd31e2000"></span> oog in beweging brengt, en als ik gelegenheid vind, ga ik een oogenblik naar hem
-toe, en streel hem den ruwen hals en raap <span class="pageNum" id="pb61">[<a href="#pb61">61</a>]</span>een koolstronk voor hem op, die buiten zijn bereik ligt, en zie hem bij zijn vertrek
-zoo lang na als ik kan, en ga daarop even als hij met gebogen hoofd en sleependen
-gang, verder.
-</p>
-<p>Ik wenschte, dat ik voor een oogenblik de pen van <span class="sc">Yorick</span> had!
-</p>
-<p>Dan zou ik zien, wat ik voor het schaap doen kon.
-</p>
-<p>Ik weet wel, dat geen <i>elegie</i> het lot van eenig beest verandert, en dat, uitgezonderd bij wijsgeeren en Poëten
-(zie den ouden <span class="sc">Shandy</span>), geen lijden wordt weggeredeneerd of weggedicht. Maar wie weet toch, of niet hier
-en daar een enkele goede ziel, die de goede ziel van <span class="sc">Yorick</span> lief had, om zijnentwil, zijn grauwtje een paar slagen minder en een paar handen
-gras meer gegeven heeft? en al ware het zoo niet; hetgeen ik echter zonder deugdelijk
-bewijs niet zoo spoedig gelooven zal; dan is het toch iets, dat het arme dier sedert,
-bij tusschenpoozen, een deelnemend oog op zijn weg ontmoet, en een zachte hand op
-zijn harden bast voelt. Beklagen, hoe gebrekkig dan ook, blijft toch altijd nog het
-beste surrogaat voor helpen. En wij zelven, hoe dikwijls moeten wij het ook, in onze
-beproevingen, met een vijfvoetig vers, in plaats van een vijfvoetige hulp doen!
-</p>
-<p>Maar de pen van <span class="sc">Yorick</span> is hier niet meer, en blinkt naast de lier van <span class="sc">Saffo</span> aan den hemel! duizend ganzen vielen sedert uit de lucht, en duizend schachten werden
-versneden, maar de gans, die haar vleugelen aan <span class="sc">Sterne</span> leende, liet geen kuikens na. En al fluistert men elkander toe, dat de kracht van
-zijn pen grootendeels in het geheim schuilde, dat hij zijn eigen tranen voor inkt
-gebruikte, men kan het hem maar zoo niet meer nadoen. Bij hem vergeleken, is het altemaal
-ezelen-gebalk.
-</p>
-<p>Zoodat gij geen reden hebt, veel van de pogingen uws pleitbezorgers te verwachten,
-mijn waarde kliënt voor de rechtbank der menschelijkheid, arm, ongelukkig schaap!
-Maar gij zijt zoo nederig en zoo goed, dat ik zeker ben, dat gij het minste, dat ik
-voor u doen kan, met uw eigen vriendelijk oog zult aanzien; en al ware het, dat mijn
-pleidooi maar het lot van een enkele uit uw verdrukt ras verbeterde, dat ware, (om
-in den stijl der voorredenaars te spreken), voor mijn lammerlievend hart voldoening
-genoeg.
-</p>
-<p>Het is ellendig—nooit kan ik mijn oog opslaan, of ik heb datzelfde ongelukkige schouwspel
-voor mij!
-</p>
-<p>Aan de rechter- en linkerzijde van mijn tuin, waarop ik uit mijn kamer het gezicht
-heb, grenst een strookje lands. Het eene is een hoek bouw- en het ander een hoek grasland;
-nu vind ik altijd op een van beide hetzelfde schaap weder. Het gezicht van dat beest
-breekt mij het hart. Het is een oud, vuil, leelijk dier, met lang hair over de oogen,
-en een kop, waaraan al het fijne en spichtige van een schapen-<i>physionomie</i> ontbreekt. Haar voor- en achterpooten zijn met touwen aan elkaâr gebonden, zoodat
-zij allererbarmelijkst hinkt. Wanneer gij daarvan de reden vraagt, zal men u zeggen,
-dat het is om haar het verlaten van haar afgeperkte weide te beletten. Lieve <span class="pageNum" id="pb62">[<a href="#pb62">62</a>]</span>Hemel! dat is goed voor jonge, dartele lammeren, die de wereld zien willen en den
-ganschen dag met hun neus over het bolwerk liggen, waarachter zij ingesloten zijn;
-die van speelziekte en joligheid niet weten wat ze doen zullen, en telkens het verboden
-<i>bastion</i> zoeken te bespringen om den vijandelijken grond stormenderhand te veroveren. Maar
-mijn tam, lam en stram schaap! op mijn woord, al ontneemt men ze haar voetboeien,
-zij zal geen enkelen onbezonnen of wilden stap doen. Ziet gij het niet, dat het beest
-der wereld lang is afgestorven en niet dan een rustigen ouderdom verlangt? Den ganschen
-dag strompelt zij <i lang="la">junctis pedibus</i> over het grondje heen en weder om haar voedsel te <i>zoeken</i>, of ligt, met den breeden kop op het gras uitgestrekt, te slapen zonder naar iets
-buiten haar om te zien. Niets is in staat haar uit die vadzigheid te wekken. Zelfs
-geen ongewoon geluid van den horen der diligence, of de zweep des postiljons, of de
-trommel van voorbijtrekkende soldaten, maakt haar belangstelling meer gaande. Zij
-is als een grijsaard, die, in zijn leuningstoel gezeten, van alles zegt: Ik heb dat
-meer gezien.—Alleen als het <i>blae! blae!</i> van voorbijgaande lotgenooten haar oor treft, heft zij het matte hoofd even van den
-grond omhoog, om ze met een onbeschrijfelijke uitdrukking aan te zien, als maakte
-zij in der haast een vergelijking, wie van hen de ellendigste ware; in welk geval
-de billijkheid mij noodzaakt te erkennen, dat zij meermalen den troost gehad heeft
-van te zien, dat er meer zulke ongelukkigen waren als zij. Ik vind het dus hard, dat
-het beest<span class="corr" id="xd31e2050" title="Bron: ;">,</span> dat, even als <span class="corr" id="xd31e2053" title="Bron: sommigen">sommige</span> gevangenen bij het verwoesten der Bastille, haar kerker niet zou kunnen verlaten,
-al werd er haar de vrijheid toe gegeven; uit kracht van een eerwaardige overlevering,
-niet met ongebonden pooten zal mogen sterven. Voor alle soorten van schepsels, van
-de tweevoetige tot de duizendbeenen toe, is gewoonte en <i>etiquette</i> een lastig ding!
-</p>
-<p>Maar goed! het dier is het mogelijk reeds vergeten, wat het is haar voeten tot haar
-gebruik te hebben; misschien zou zij met den <i lang="en">Prisoner of Chillon</i> zeggen:
-</p>
-<div lang="en" class="lgouter">
-<p class="line"><i>It was at length the same to me,</i> </p>
-<p class="line"><i>Fetter’d or fetterless to be.</i> </p>
-</div>
-<p class="first">En er is veel kans ook, dat zij, al vielen ook haar boeien af, daarom niet minder
-kreupel zou loopen. Was nu haar gevangenis maar wat beter! een schaap is voor geen
-reiziger rondom de wereld in de wieg gelegd, en zou zich nog wel met een klein hoekje
-kunnen te vreden stellen, als dat slechts niet al te mager is. Maar hieraan is het
-juist, dat het hapert. Nauwelijks hebben de koeien het kaalgegeten, strookleurige
-land verlaten om op haar winterstallen het ingemaakte groen te gaan eten, of het schaap
-wordt in het bezit van het ontruimde terrein gesteld. Met een vroolijk oog groet zij
-haar nieuw verblijf, en begint dadelijk met de gelegenheid van den grond te verkennen.—Zie
-haar troosteloozen blik! een vluchtig rondzien is voldoende om <span class="pageNum" id="pb63">[<a href="#pb63">63</a>]</span>haar de verzekering te geven, dat het hier physisch onmogelijk is ooit genoeg te eten.
-De koeien hebben haar de moeite van te kiezen bespaard, en met de volkomenste onpartijdigheid
-alle plekken even naakt gelaten. Eerst laat zij zich nog een oogenblik door valsche
-hoop misleiden; door den afstand bedrogen, schijnt haar gindsche streek toe toch nog
-een groenen schijn te hebben. Vol verwachting strompelt zij er zoo vlug mogelijk heen;
-helaas! zij blijkt het slachtoffer van een <i lang="la">fallacia optica</i> geweest te zijn, en, met treurige verwondering over haar teleurstelling, ziet zij
-op en naar de plaats terug, die zij verlaten heeft. Ei zie, nu schijnt deze haar weêr
-meer bewassen toe.… eenige pijnlijke stappen, en zij is er, om praktisch te leeren
-inzien, hoe veel de schijn van het wezen verschilt. Vol lustelooze graagte trekt zij
-met lange tanden aan het korte maal. Zoo brengt zij een geheelen langen winter door,
-en deelt haar voedsel met een ouden versleten knol, die sedert eenige jaren zijn plaats
-in den stal aan een paar jonger opvolgers moet overlaten. Wordt het evenwel te koud,
-dan wordt het paard nog wel eens voor een korten tijd in huis gehaald; alleen het
-schaap wordt met onvermurwbare standvastigheid, die een betere zaak waardig was, aan
-de ongenade des weders overgelaten. Het hart, door haar vacht verwarmd, is door niets
-te bewegen, om wederkeerig iets voor haar verwarming te doen; integendeel, als haar
-meester in den kouden nacht haar klagende stem hoort, haalt hij de dekens, uit haar
-wol geweven, over het hoofd, om niet in zijn koesterende rust gestoord te worden!
-Zoo brengt dan het dier (ik bedoel het schaap) menigen langen nacht door met van koude
-te bibberen, zonder in slaap te kunnen komen. Menigmaal zag ik, ’s morgens opkomende,
-haar vacht onder een last van sneeuw begraven, zoodat ik niet onderscheiden kon, wat
-wol en wat sneeuw was. En mij dacht, dat moest een koude maaltijd zijn, zijn voedsel
-aldus uit de sneeuw te moeten opgraven; een wat heel groot kontrast met onze verwarmde
-borden en tafelkomforen. Och, och! een voet twee drie gronds in de schuur voor de
-verkleumde! een handvol hooi voor de verhongerde! Steek het hoofd even buiten het
-bevroren raam, en gij zult barmhartiger zijn.
-</p>
-<p>Ik ken menschen, die hunne tranen niet kunnen weêrhouden, als een begaafde mond hun
-het bewegelijk tafereel teekent van den armen man uit de schrift, die „<span lang="nl">gansch niet en hadde, dan een eenigh kleyn oy-lam, dat hy gekocht hadde, ende hadde
-’t gevoedt dat het groot geworden was by hem, ende by sijne kinderen te gelijck; het
-at van syne bete, ende dronck van sijnen beker, ende sliep in sijnen schoot, ende
-het was hem, als eene dochter</span>;” terwijl zij voor zich voor niets zorgvuldiger waken, dan dat geen landheer zich
-omtrent hen aan zulk een roof zou kunnen schuldig maken. Wat <span class="sc">Nathan</span> wel tot dezulken zou gezegd hebben?
-</p>
-<p>En op die winterweide, waar ik u bracht, heeft soms een tooneel plaats, waarvan het
-goed is, dat <span class="corr" id="xd31e2087" title="Niet in bron">het </span>door den nacht bedekt wordt. Het schaap is moeder geworden: onder een barren hemel,
-op een hard bevrozen <span class="pageNum" id="pb64">[<a href="#pb64">64</a>]</span>grond, in een felle jachtsneeuw is het moeder geworden. Het jonggeboren lam ligt aan
-haar voeten, onder dien barren hemel, op dien harden grond, in die kille sneeuw. Maar
-toch heeft de moeder een enkel gelukkig oogenblik, als zij den bibberenden zuigeling
-met haar eigen lichaam dekt en beschermt, en zijn eersten dorst met melk laaft, die
-men haar nog niet ontneemt! Doch—wat is haar op eens? van waar slaat zij zulk een
-onrustigen blik naar boven? zij heeft een roofvogel in het gezicht, die zijn noodlottige
-kringen rondom haar beschrijft, en al lager en lager nederdaalt. Daar schiet hij op
-het jong neder, en slaat met zijn scherpen bek in het teeder oog. Vergeefsch is de
-tegenstand der moeder: een schaap heeft immers niets om tegenstand te bieden? Gelukt
-het haar al, haar vervolger voor een oogenblik te verdrijven, gedurig herhaalt hij
-zijn moorddadige aanvallen; en als de trage morgen aanlicht, staren twee ledige oogholten
-het moederschaap treurig aan! Bij uw eerste vadervreugde, bij uw eerste moedersmart,
-is er dan niemand om zich over het jonggeboren lam te ontfermen?
-</p>
-<p>Maar het wordt lente! de jonge spruitjes beginnen het hoofd uit den grond te heffen,
-en spreiden als een groenen sluier over de gele stengels van het dorre land. Hoe gretig
-doet het schaap zich aan dien ongewonen kost te goed! Gras in de scheut—het is een
-dubbele weelde! met openstaande neusgaten en krullende lippen wroet zij die lekkernij
-uit <span class="corr" id="xd31e2093" title="Niet in bron">de </span>grond.… daar wordt het hek, dat den geheelen winter gesloten is gebleven, geopend;
-de boerenknecht slaat de ongelukkige een touw om den hals, en sleept haar uit het
-weilandje naar het stukje bouwgrond er naast. Dat is hard! daarbij komt het lijden
-van <span class="sc">Tantalus</span>, wiens smaak ten minste niet door het proeven van de vruchten getergd was, niet in
-vergelijking. En wat vindt zij nu in haar nieuwe voorraadschuur? niets dan drooge
-stoppels van het vroeger afgemaaide graan; stroo, zoo als het door den winter <i>geprepareerd</i> is. Mismoedig ziet zij dit maar al te bekende en gehate voedsel aan, en terwijl zij
-over deze verandering treurt, daar ziet zij de loeiende koeien wel doorvoed uit den
-stal komen, om zich aan haar disch te plaatsen en de groene eerstelingen te oogsten,
-waaraan zij alleen de lippen gezet heeft. Dat is het hatelijkste; den geheelen zomer
-door heeft zij op tien schreden afstands, door een laag dijkje gescheiden, een malsch,
-welig grasland voor zich; zij staart op het beloofde land, zonder het te mogen intreden;
-zij riekt de vleeschpotten van <i>Egypte</i>, zonder er den mond aan te mogen slaan; en zij moet het geduldig aanzien, dat die
-groote, vette, lompe koe, die haar van daar verjaagd heeft, met haar mollige, kwabbige
-pooten tot aan de enkels toe door het hooge gras baadt, en oververzadigd zich met
-haar gevulden buik op het heerlijke voedsel uitstrekt.
-</p>
-<p>Ziedaar het gewone lot van het schaap in de streek, waar ik den zomer doorbreng<span class="corr" id="xd31e2104" title="Bron: ,">.</span>
-</p>
-<p>O, dat ik voor een oogenblik de pen van <span class="sc">Yorick</span> had!
-</p>
-<p>Beken het, Mejufvrouw! zoo iets had UEd. zeker niet gedacht. Een lammetje is toch
-zulk een lief diertje; en het heeft zulk een mooi wit <span class="pageNum" id="pb65">[<a href="#pb65">65</a>]</span>velletje, en zulke nette, kleine pootjes, dat men zou er jaloersch van worden. „Och
-Mama, ik zou wel zoo’n lammetje willen hebben; dan zou ik het een blauw lint om den
-hals binden, dat zou <i lang="fr">champêtre</i> staan!” Ook wordt bij u alles wat lief is bij dit dier vergeleken. Gij zelve, immers,
-gij zijt zoo zacht als een lam! en uw poezele huid is zoo mollig als wol! en uw gouden
-haar is zoo dik en dicht als een schapenvacht! en, als gij een romantischen Dichter
-in de familie hebt, vergelijkt hij misschien, met een uitdrukking uit het Hooglied,
-uw tanden met „<span lang="nl">een kudde schapen, die gheschoren zijn, die uyt de waschstede opkomen</span>.” Allerliefst! als het arme dier, waarvan gij zoo veel hebt, maar wat meer van u
-had!
-</p>
-<p>In waarheid het schaap behoort tot die ongelukkigen, wier geluk alleen op het papier
-bestaat, en vermeerdert dus de dubbelzinnige klasse van lamgeschoten invaliden, arme
-dichters, teringachtige meisjes, kale Edelen, mishandelde <i>geniën</i> enz. Gij kunt geen rozenkleurig boekje opendoen, of het wemelt er van schapen en
-lammeren. Is het een prentenboekje, gij vindt er allerliefste plaatjes in, met kinderen,
-wie zulk een diertje als een schoothond achteraan huppelt; het is veel, zoo een enkele
-aan den zijden band van een lint gehoorzamen moet. Zijn het verzen, des te erger!
-Sla het eerste blad het beste op, en tien tegen één, dat daar reeds een beldragende
-hamel, als voorganger van een heele kudde die straks staat te volgen, vooruittrekt.
-Het lam is het beeld bij uitnemendheid! Beurtelings worden de vergelijkingen aan zijn
-kleur, aan zijn vacht, aan zijn aard, of aan zijn bestemming ontleend. Zooals men
-in de wezenlijke wereld alles, wat aan de koe is, van de horens af tot de pooten toe
-tot verschillende einden gebruiken kan, zoo is er ook aan het lam niets, of het komt
-in de dichterlijke wereld te pas. Men kan geen lief meisje teekenen, of geen aandoenlijk
-geval verhalen, of geen beminlijk karakter schilderen,—men kan bijna niets dichten
-of verdichten, of het schaap komt er bij! Neem menigen dichter zijn heerde af, en
-zie hoe hij zelf daar staan zal als een geschoren schaap.
-</p>
-<p>Zoo is het dier in alle salons en op alle partijen <i lang="fr">in effigie</i> tegenwoordig; op de schilderijen aan den muur, op de tapisseriewerken op den grond,
-in de complimenten der Heeren aan de Dames, in den sentimenteele uitboezemingen der
-Dames tegen de Heeren, in de verzen, die in den vooravond worden gedeclameerd of aan
-tafel voorgelezen: <i lang="fr">tout y est moutonné</i>, zoo als een Franschman van de nieuwe school zou zeggen—maar van dit alles bemerkt
-mijn schaap op hare kale weide niets. De dichter gaat haar voorbij, terwijl hij juist
-met den vinger aan den neus loopt bedenken, hoe hij zijn meisje, die op den eersten
-Paaschdag jarig is, het geestigst met een paaschlammetje zal vergelijken, zonder een
-oog te slaan op het beest, dat hij in zijn verbeelding zoo sierlijk opsmukt en bekranst.
-De jonge Dame, die zich met een lam aan haar voeten, onder een Arcadischen treur-esch
-<i lang="fr">en miniature</i> heeft laten uitschilderen, weet van een wandeling te huis komende <span class="pageNum" id="pb66">[<a href="#pb66">66</a>]</span>niet, dat zij mijn ongelukkig dier ontmoet heeft. De schilder, die denkt over een
-nieuw landschap met schaapjes gestoffeerd, zit, met den rug naar mijn vriendin, een
-krommen knotwilg te teekenen, dien hij in zijn schets hoopt te brengen, maar heeft
-geen blik over voor het hoofdvoorwerp van zijn tafereel, omdat hij in de voorstelling
-daarvan niet mis kan tasten. Zoo wekt het arme dier enkel en alleen in het ideale
-belangstelling op, en staat in dit opzicht nog beneden zijn mededingers naar de eerste
-plaats op papier en paneel, de zwanen en duifjes.
-</p>
-<p>En al is het, dat een enkele uitverkorene een tijd lang aan den ban ontkomt, waaronder
-haar geslacht rust, hoe onstandvastig is de gunst, die haar bewezen wordt! Laat eens
-aan een enkel melkwit of fraaigevlekt lammetje het voorrecht te beurt vallen van tot
-speelkameraad van het dochtertje des huizes verheven te worden; wat duurt die vreugde
-kort! In den beginne heeft het een allerbenijdenswaardigst lot; het voedt zich met
-vette klaver en wordt met room gedrenkt; het wordt met linten opgetooid en met bloemen
-bekranst; het wordt door zijden handen gestreeld en door poezelige armpjes omhelsd;
-maar laat het grooter, laat het een schaap worden, dan heeft al die weelde een einde.
-Dan is het „<span class="sc">Rose</span>” of welke andere beeldigen naam het dragen moge, „wordt leelijk en vuil. <span class="sc">Jan!</span> als gij zaterdag naar de stad gaat, moest gij haar ter markt brengen.” Daar staat
-nu Rose op de markt onder andere gemeene, burgerlijke schapen; daar wordt zij onder
-andere slachtoffers aan het mes van den slager verkocht; daar krijgt zij het noodlottige
-looden teeken in het oor, dat zoo menige adelijke mond gekust heeft; en den hals,
-die met roode linten placht gesierd te worden, verwt de bloedige krans des doods!
-Waarom? ik vraag u waarom? Waarom is gindsche mopshond beter, die ook sedert lang
-zijne jonge en mooie dagen gehad heeft, maar die nu nog als een bedorven gunsteling
-in zijn vet smoort, en bij schoon weder door den palfrenier in de zon gedragen moet
-worden, dewijl hij te dik is, om er zelf heen te kruipen? Waarom ziet men nooit een
-oud schaap even zoo het genadebrood eten? Of waar is de wet der natuur, dat een lam
-niet leelijk mag worden, zonder van zijn voorrechten te vervallen? Verbeeld u eens,
-Mejonkvrouw! dat men met u denzelfden regel volgde. Gij hebt gelijk, van het hoofd
-met een grilling om te keeren.
-</p>
-<p>Daar hangt nu Rose aan den noodlottigen haak, ten prooi aan de tanden van liefhebbers
-van schapenbouten en lamskoteletten. En zelfs in den dood blijft de strijd tusschen
-haar idealisch en wezenlijk lot bestaan. Een geslacht lam! Wat wordt daarvan niet
-al schoons gezegd! Hoe veel tranen doet dat beeld niet vergieten! Verbeeld u een <i>elegie</i> op den dood van een jong meisje, zonder de vergelijking van een jeugdig offerlam,
-met bloemen om den hals onder een ontijdig zwaard gevallen. Verbeeld u een treurspel
-van de eene of andere vermoorde Onnoozelheid, waarin het weerloos gedoode schaap ontbreekt.
-Verbeeld u een pleidooi <span class="pageNum" id="pb67">[<a href="#pb67">67</a>]</span>voor de eene of andere kindermoorderes, waarin het niet als een ongerijmde aanklacht
-wordt behandeld, dat een vrouw zoo wreed zou zijn van een zooglam als in de melk der
-moeder te smoren. Verbeeld u een vers op <span class="sc">Kain</span> of zijns gelijken, waarin niet deze of dergelijke regels voorkomen:
-</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line">Zal hij nu ook verrotten, als dat schaap, </p>
-<p class="line">Dat, afgedwaald, in ’t bosch mij tegenkwam, </p>
-<p class="line">Dat ik zoo wreed verwurgde?—Ja, dat schaap, </p>
-<p class="line">Dat stervend schaap had mij, bijna, ontroerd!.… </p>
-</div>
-<p class="first">En ga nu eens een achterbuurt rond, en zie wat er van dat aandoenlijk voorwerp wordt?
-Ach, niet genoeg van in haar leven veracht te zijn geweest, volgt haar vernedering
-haar in den dood. Is haar vleesch niet bij voorkeur het voedsel van den arme? Wordt
-het niet in den regel met zorg van de tafels der grooten geweerd? wordt het niet nog
-lager geplaatst, dan het spek van het leelijk en morsig zwijn? Acht zelfs de huismoeder
-geen verontschuldiging noodig, als zij u niets dan een stuk schapenvleesch heeft aan
-te bieden? Zoo drukt de vloek zelfs op haar ongelukkig lijk. En die het leven van
-een verongelijkte leidde, mist het voorrecht van ten minste bij haar sterven, als
-een gekroonde na haar dood, „in de dankbare maag van een keurigen Epicurist een kostbaar
-graf te vinden.”
-</p>
-<p>O, dat ik voor een oogenblik de pen van <span class="sc">Yorick</span> had!
-</p>
-<p>En toch, zoo eenig dier, om zijn beminnelijke hoedanigheden, een ander lot verdiende,
-het is het schaap. Witheid kleedt en zachtheid dekt het; maar wat zijn deze bij de
-blankheid en zachtheid van zijn aard en zeden? Er is in het schaap iets onnoozels,
-iets weerloos, waarvan gij in de gansche natuur te vergeefs een wedergade zoeken zult.
-Ik kan soms een geruimen tijd besteden met een bezoek aan mijn oude buurvrouw te geven.
-Ik wenschte dat gij haar dan zaagt, hoe ze mij vriendelijk te gemoet komt en haar
-wolligen kop onder mijn hand steekt, die zij wel weet dat haar streelen zal; en hoe
-zij haar lekt, wanneer ik voor haar eenige blaren van den elzentak pluk, die voor
-haar bereik te hoog hangt. Dan is zij zoo vergenoegd en te vreden, en ziet mij met
-zulk een vriendelijk oog aan. Nooit vind ik bij haar, de misdeelde en vertrapte, een
-blijk van wrevel of murmurering. Nooit hoor ik haar, gelijk de ongeduldige koe, haar
-stem tot een klacht verheffen. En wanneer mijn Dolly mij soms te vlug is en haar blaffende
-najaagt, dan is er in haar geduldig voortstrompelen, zonder zelfs een verwijtend oog
-naar haar onedelmoedigen vijand te wenden, zulk een onderworpen lijdzaamheid, dat
-mijn hart er van wordt aangedaan. Voorbeeldig dier! denk ik dan wel eens: ik mocht
-nog wel bij u ter schole gaan! hoe veel zijt gij mij in gelatenheid en berusting vooruit.
-Gij die nooit den hals om wendt naar den stok, die u drijft; die nooit de verzenen
-slaat tegen de prikkels, die u treffen; die zelfs nooit klaagt onder de hardheid welke
-u wordt aangedaan; maar die—bewegelijk—zelfs de hand lekt, die u keelt! Hoe beschaamd
-sta ik niet bij u, ik redelijke, <span class="pageNum" id="pb68">[<a href="#pb68">68</a>]</span>onsterfelijke mensch, die weet, Wiens stok mij drijft, Wiens prikkels mij slaan, Wiens
-hardheid mij treft, Wiens hand mij wondt.… kom, oude, laat mij u streelen! gij zijt
-dikwijls beter dan ik!
-</p>
-<p>Nog altijd graast mijn schaap geduldig den kalen akker af, en bemerkt niets van de
-overdenkingen, waarvan zij tot voorwerp strekt. Als ik oprecht zal zijn, zij schijnt
-zich mijn redenen niet zeer aan te trekken. En zij heeft gelijk ook. Want wat helpen
-haar al mijn praatjes, meer dan de onvruchtbare ingenomenheid harer overige kunstbewonderaars?
-Welnu! ik wil haar toonen, dat een goede buurman beter is dan een verre vriend. Ik
-wil naar haar meester gaan, om te zien of hij mij haar voor een prijsje wil overlaten.
-Dan kan zij voortaan haar laatste gras uit de kreb eten. Welaan, oude! dat zullen
-wij hebben. En als gij dan uw matten kop nederlegt om hem niet meer op te heffen,
-dan zal ik van uw vacht een slaapmuts laten weven.
-</p>
-<p>Mij dunkt, dat zal zacht rusten zijn!
-<span class="pageNum" id="pb69">[<a href="#pb69">69</a>]</span> </p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch8" class="div1 story"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e7181">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="main">SINT-NICOLAAS.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Een oud vrijer heeft weinig feestdagen in zijn leven. Hij is een gedwongen egoïst,
-die zich zelven tot het middelpunt van al zijn vreugde en leed maakt. Hij mist de
-zaligheid zich van nabij in het geluk van anderen te verlustigen.
-</p>
-<p>Het is waar, hij kan zich in de woning eens vriends dringen, en zich in den feestvierenden
-kring mengen; maar dit is een gebedelde vreugde, en vreugde is zoo weinig geschikt
-om een aalmoes te zijn! Ook heb ik mijn stoute schoenen wel eens aangetrokken, en
-aan de deur van een juichend gezin aangeklopt; maar ik heb er mij vaak kwalijk bij
-bevonden. Somtijds trok men een zuur gezicht tegen de onwelkome <i>champignon</i>, die zich een deel van de sappen kwam toeëigenen, waarop alleen de natuurlijke takken
-recht hadden; maar al was het dat men mij niet onvriendelijk ontving, ik schoot er
-op den langen duur toch over. Als het groote oogenblik van gelukwensching en omhelzing
-gekomen was, stond ik van verre, eenzaam, vergeten, veronachtzaamd. Het was veel,
-als men zich ter loops verschoonde: „Vergeef mij mijne onbeleefdheid, Neef! maar dit
-is een feest voor mijn kinderen. Die zijn van daag de hoofdpersoon.” Men vloog juichende
-op, viel elkander om den hals, drong in vroolijk en bont gewoel dooreen, terwijl men
-tranen stortte en lachte te gelijk, even als op een Aprilsdag. Bij dit alles moest
-ik zorgen uit het gedrang te blijven. De kinderen, die bij mijn komst en vertrek gelast
-werden mij een kus te geven, rekenden zich nu vrij van het betalen dier schatting;
-ik maakte in mijn eigen oogen de figuur van den armen Pierrot, zoo als hij met zijn
-ziekelijken glimlach voor eenen wèlvoorzienen disch staat te watertanden. Eindelijk
-komt men tot rust. Neef wordt weêr een lid van het gezelschap. Het bittere oogenblik
-is voorbij. Neen, <span class="sc">Jonathan</span>! eerst nog een onvriendelijke houw voor u. „Zie, Neefje! dat zijn genoegens, die
-men toch maar alleen in het huwelijk smaakt. Gevoelt ge daarbij geen berouw van ongetrouwd
-gebleven te zijn?” Bij zulk een uitval loopt mij een rilling langs de leden; het is
-heldenmoed, die mij dan de zuchten, die mijn keel benauwen, onder een gesmoord lachje
-doet wegkuchen.
-<span class="pageNum" id="pb70">[<a href="#pb70">70</a>]</span></p>
-<p>Neen! een oud vrijer behoort te huis te blijven. De zuiverder en edeler genoegens
-van huiselijke vreugde zijn voor hem een verboden toonbrood. Hij moet zich, zoo goed
-hij kan, met zijn eigen feesten trachten te behelpen. Het komt er slechts op aan,
-of hij kinderlijken zin genoeg heeft, om zich van kleinigheden een feest te maken.
-Het eerste uitvliegen van zijn duiven in <span class="corr" id="xd31e2190" title="Bron: te">de</span> lente, het uitbroeden van zijn kiekens door zijn klokhen, het eerste geneurie van
-zijn jongen kanarievogel, moet hen tot surrogaat dienen voor een jongen die naar school
-gaat, voor een meisje dat begint te leeren loopen, voor een kind dat voor het eerst
-den vadernaam stamelt. Iederen dag, waarop het verjaart, dat hem een buitengewone
-zegen te beurt viel, moet hij plechtig vieren. Hij moet zijner vrienden dikwijls feestelijk
-gedenken. Het beste middel evenwel is.…
-</p>
-<p>Gisteren stond ik uit mijn raam te kijken. Het was de dag vóór St. Nicolaas<span class="corr" id="xd31e2195" title="Bron: ..">.</span> Op straat heerschte er een ongewone drokte. De banketwinkels waren fraai versierd;
-dienstboden liepen met beladen korven af en aan. Vaders en moeders drentelden langs
-de straat met hun kleinen, die zich aan het gezicht van al die blinkende lekkernijen
-niet verzadigen konden: het droeg alles de kleur van ongemaakte vroolijkheid, welke
-een kinderfeest kenmerkt.
-</p>
-<p>Deze aanblik was voor mij een zoet-bittere herinnering. O! ik kan ze mij nog zoo goed
-verbeelden, die eerste December-dagen, door mij als kind in nieuwsgierige afwachting
-doorgebracht; en als dan eindelijk de avond gekomen was, waarop een vermomde Invalide,
-onze oude huisknecht, de rol van den weldadigen Heilige vervulde, hoe zwom ik in kinderlijke
-weelde! Ik was in dien tijd eene kleine vrijgeest. Ik had mij met vrij wat neuswijsheid
-in het bezit van het groote geheim gesteld, en loochende, met de vrijmoedigheid van
-een <span class="sc">Balthazar Bekker</span>, de mogelijkheid van bovennatuurlijke verschijningen. Maar toch was er iets verstandigs
-in het weinige misbruik, dat ik van deze ontdekking maakte. Ik hield haar voor mij,
-zonder mijn broeders en zusters van het genoegen hunner illusie te berooven; en zelfs
-voor mij zelven liet ik mij door mijn ketterij het genoegen van den avond niet ontnemen:
-ik wist het beter, maar maakte mij wijs, dat ik het voor dien avond niet wist. Ik
-was als <span class="sc">Napoleon</span>, die aan geen geesten geloofde, en er toch bang voor was. O! dat ik altijd met mijne
-andere illusies even zacht en barmhartig hadde opgesprongen!
-</p>
-<p>De nacht werd slapeloos en in vreugdevolle droomen doorgebracht. Eindelijk brak de
-morgen aan; de vaderlijke roepstem vergaderde ons allen in het beste vertrek. Daar
-stond hij ten toon gesteld, die schat van glinsterend banket! een armelijke trofée,
-maar opgebouwd met van liefde bevende handen; een gebrekkige toerichting, maar met
-van vreugde schitterende oogen aangestaard! Ik heb sedert andere feesten gevierd;
-ik heb aangezeten in de zalen, door vendelpracht, lichtkransen en bloemfestoenen <span class="corr" id="xd31e2208" title="Bron: opgesluisterd">opgeluisterd</span>; ik heb mijn tong met kostbare lekkernijen en nog kostbaarder wijnen gestreeld; maar
-het genoegen van <span class="pageNum" id="pb71">[<a href="#pb71">71</a>]</span>mijn klatergouden Decemberdag heb ik nergens weêr gevonden.
-</p>
-<p>Deze en dergelijke denkbeelden dwaalden door mijn hoofd, terwijl ik het gewoel op
-straat aanzag; maar zoo dit gevoel het midden tusschen vreugde en droefheid hield,
-welhaast overmeesterden mij somberder gedachten. Mij arme, dacht ik, ziedaar al weder
-voor mij een feestdag minder dan voor anderen. Mijn aanstaande erfgenaam zendt mij
-mijn naamcijfer in lettergebak; ik geef aan enkele lieve kleinen een geschenkje;—ziedaar
-alles! maar ik zit heden en morgen den ganschen dag alleen, ik heb geen voorsmaak
-van het genot van iemand, die mijn lief is, te verrassen.
-</p>
-<p>Vroeger had ik altijd op dezen dag een vroolijk uur; het was als ik den Engelschen
-almanak, in rooskleurig papier gewikkeld, aan zijn adres verzond. Mijn boekverkooper
-heeft mij sedert altijd de volgende jaargangen van het boekske gezonden; ik heb hem
-laten begaan; ginds liggen zij onaangeroerd; ik heb er nooit een enkelen van ingezien.
-</p>
-<p>Nog altijd trokken de kleinen in triomf langs de straat. Hoe benijdde ik de vaders,
-die hen rondleidden! Met hoe veel liefde hadden velen sedert weken hunne spaarpenning
-weggelegd, om heden met geen leêge handen voor hunne kinderen te verschijnen; maar
-wat zou daarentegen die spaarpenning ook rijke woekerwinst geven, als de wichtjes
-in hun vreugde hun ouders zouden om den hals vliegen en het geheele huis met hun gejuich
-vervullen: als deze met tranen van weelde de verrukking met hun kroost zouden gadeslaan;—o!
-kinderen zijn dankbare beweldadigden; zij weten van geen halve voldoening; zij weten
-van geen kiesche verzwijging. Hun genot is volkomen; hun vreugde ongetemperd; hun
-dankzegging ongemaakt hartelijk.
-</p>
-<p>Nu en dan zag ik een jong mensch met het voorkomen van vroolijke opgewondenheid voorbijgaan.
-Zeker zijn er wel bij geweest, die den dag van heden bestemd hadden, om aan het voorwerp
-hunner verborgene liefde een geschenk in handen te spelen. Hoe zullen deze met een
-kloppend hart de teedere depêche hebben gereed gemaakt, en met hun gedachten vergezeld!
-Met hoe veel ongeduld zullen zij naar het oogenblik verlangd hebben om hun schoone
-te ontmoeten, ten einde misschien in hare oogen te lezen, of haar de kiesche hulde
-niet mishaagd hebbe. Ik moet er voor uitkomen, de beschroomdheid eener eerste liefde
-heeft voor mij iets aantrekkelijks. O, het moge schoon staan, wanneer de forsche,
-krachtige man, met trotsche vrijmoedigheid, voor de gansche wereld de kleur zijner
-schoone ten toon draagt; wanneer hij straks met heerschzuchtige vrijmacht zijn hand
-op de vrouw zijner keuze legt, en der zwakke duive niets overblijft, dan onder zijn
-breede vleugelen te vluchten; ik heb altijd een vóórliefde gehad voor die innemende
-schuchterheid, welke den onbedorven jongeling voor het voorwerp van zijn eerbied als
-een meisje blozen, en haar met huiverend ontzag naderen doet. Ik wenschte dus van
-ganscher harte aan alle zwijgende verliefden een gelukkig Sint-Nicolaasfeest. En werkelijk
-zag ik in mijn verbeelding, hoe menige aanvallige de sierlijke <i>surprise</i> met blijde <span class="pageNum" id="pb72">[<a href="#pb72">72</a>]</span>verrassing ontving, en zoo ras zij kon, uit aller oogen wegstal, om in de eenzaamheid
-zich onbespied in de beschouwing er van te verlustigen. Het is een zoet oogenblik,
-waarop het eerste liefdepand gewisseld wordt! een oogenblik, hetwelk ik wenschte dat
-ieder eenmaal smaken mocht. Maar helaas! wat zullen er heden weder vele ongelukkige
-zusteren dier gelukkigen zijn, die vruchteloos naar eenig blijk van hulde of liefde
-zullen uitzien; jonge dochteren, door de Natuur stiefmoederlijk bedeeld, of die het
-nog grooter onrecht hebben van arm te zijn; beklagenswaardige Cendrillons in het groote
-drama der lotbeschikkingen! Cendrillons aan wier voet misschien het enge, broze glazen
-schoeisel eener strenge deugd past, maar die de bevooroordeelde partijdigheid van
-alle mededinging uitsluit. Ik beklaag die lieve schepselen, die de bevoorrechte kinderen
-der schoonheid en des geluks met bewijzen van bewondering en hulde zien overladen,
-terwijl niemand haar zelfs de aalmoes van een vriendschappelijk aandenken in den schoot
-werpt. Zij zien den dag zonder vreugde voorbijgaan; zij moeten misschien het harde
-woord eener onmoederlijke moeder verduwen; en terwijl haar zusteren door schoone droomen
-worden in slaap gewiegd, vertrouwen zij aan haar vochtig hoofdkussen haar echt vrouwelijk,
-en en toch meest alzoo wreed miskend lijden.
-</p>
-<p>Het was avond geworden; de lampions waren aangestoken; de koetsen rolden; de stad
-raakte in beweging. Ik deed mijn mantel om en ging uit. Er heerschte op straat een
-vroolijke drukte; treinen van kinderen trokken juichend voorbij; ik trad in een winkel;
-het was een lust die kleine oogjes zoo begeerig te zien rondkijken; die kleine handjes
-zoo gretig te zien uitstrekken; de kleinen bevonden zich hier in een waar <i>Luilekkerland</i>: de wanden, de tafels, de grond, alles was suiker en gebak. Ik geloof niet, dat men
-ooit in lateren leeftijd zijn stoutste droomen van verre zoo verwezenlijkt ziet, als
-een kind de zijne in een banketwinkel op Sint-Nicolaasdag. Wie zou dan met een onverschillig
-oog het op een zoo gebrekkige aarde zoo zeldzame, schouwspel eener onvermengde en
-volkomene vreugde—al is het dan maar een kindervreugde—kunnen aanzien?
-</p>
-<p>Het huis verlatende, zag ik de stoep door een partij arme wichtjes belegerd. Mijn
-hart brak er van; zij stonden bij een felle koude, in lompen gekleed, op de steenen
-te bibberen. Maar toch konden zij van het aanlokkelijk gezicht niet scheiden; met
-kinderachtige nieuwsgierigheid gaapten zij al die heerlijkheid aan. En, wat mij het
-meeste trof was, dat er in hun toon geen zweem van spijt of ontevredenheid was. Zij
-zagen kinderen van hunnen leeftijd binnengaan en met volle handen terugkeeren; geen
-gemor kwam over hun lippen. Veeleer heerschte er onder hen een blijde ingenomenheid,
-alsof zij wel degelijk deelgenooten van de feestvreugde waren. Zie, zóó waren zij
-het reeds gewoon geworden, de kinderen der rijken als andere wezens te beschouwen.
-Zij hadden er geen denkbeeld van, dat slechts een hard toeval hen van gelijke rechten
-beroofd had; het was hun reeds eigen, alleen met het <span class="pageNum" id="pb73">[<a href="#pb73">73</a>]</span>oog te genieten. Die natuurlijke zelfverloochening der armen heeft iets aandoenlijks.
-Als er een feest in de stad is, heet het bij hen: „Laat ons de illuminatie gaan zien,”
-zooals wij zeggen: „Laat inspannen.” Zij houden het voor een voorrecht, bij een gastmaal
-door de vensters te turen, en dáár van onverzadigden lust te verteren. Zij laten zich
-door de gewapende macht terugdrijven, of wijken voor de paarden der rijken, zonder
-zich met een enkel woord te beklagen.
-</p>
-<p>Ik kon deze denkbeelden niet bij mij houden. Het werd mij op de breede verlichte straten
-te eng. Ik ging, zoo snel ik kon, naar mijn kamer, en keerde, met eenen nieuwen last
-beladen, vandaar terug.
-</p>
-<p>Toen spoedde ik mij, zoo ras ik konde, naar een der schamelste achterbuurten. Overal
-rust: geen enkel lichtje! geen schijn van feestviering! Zoo gaat het! het feest van
-St<span class="corr" id="xd31e2234" title="Niet in bron">.</span> Nicolaas is een feest der armen, maar de rijken vieren het. Hier en daar zag ik de
-deuren openstaan; het eenige, dat de onvermogenden uit de gouden eeuw van <i>Saturnus</i> behouden hebben. Ik hoorde een kind om brood schreien—om brood! het wicht zag mij
-niet—de vrouw was met haar kind bezig—ik was in een oogenblik weg. In een andere hut
-zag ik een moeder, uitgeteerd van gebrek, een half naakt schepseltje zogen; de wind
-snerpte onbarmhartig door de reten: zachtjes ging de deur open—er viel iets klinkends
-op den grond—terwijl de vrouw bukte, verdween de schaduw van den wand. Een oud moedertje
-zat bij een ellendig nachtpitje te spinnen; het gansche huis scheen verlaten: zeker
-was het overige gezin naar het feest gaan.… zien; zij was te suf om te hooren,—maar
-toen zij weêr naar haar vlas greep, zal zij toch vreemd hebben opgezien.
-</p>
-<p>Ik keerde ledig op mijn kamer terug.
-</p>
-<p>Lieve menschen! weet gij wel, wie Sint <span class="sc">Nicolaas</span> was? Het was een vrome Heilige, die veel weldeed. Hij verdient ten hoogste met een
-<span class="corr" id="xd31e2244" title="Bron: gedachtenisfeeft">gedachtenisfeest</span> vereerd te worden. Maar de wijze van vereering zou ik nog wel eenigszins anders wenschen.
-Mij dunkt, het ligt in de rede, dat men het feest van een Barmhartige met barmhartigheid
-viert. Onthaalt uwe kleinen: ik heb er niets tegen; maar vergeet daarom de kleine
-beschermelingen van den vromen Sint niet. Als gij het meel en de olie eens armen vermeerderd
-hebt, zal er voor hen nog wel iets overblijven. Ja, ik zou wel willen, dat uwe kinderen
-zelve de rol van bescherm-engelen vervulden; indien gij uwe aalmoezen in hunne hand
-gaaft, zoo hadden zij te gelijk vergoeding voor hun gemis. En wat zou het schoon zijn,
-als men in de wijken der armoede zou moeten denken, dat de goede <span class="sc">Nicolaas</span> onsterfelijk is!.…
-</p>
-<p>Lieve menschen! ik wensch u allen een echten Sint-Nicolaas-dag!
-<span class="pageNum" id="pb74">[<a href="#pb74">74</a>]</span> </p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch9" class="div1 story"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e7188">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="main">HET LEGAAT.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Mijn arme vriend <span class="sc">Rob</span>, hij is dood!
-</p>
-<p>De goede jongen! Of hij stervend nog tegen den dood zal gelachen hebben, gelijk hij
-altijd zeide, dat hij doen zou? Zeker, vriend <span class="sc">Hein</span>! gij zijt een ijzegrim, als gij er niets van gevoeld hebt, toen gij dezen eerlijken,
-trouwen knaap den hals braakt. Zulk graan krijgt gij zelden onder uw zeis. Mijn arme
-<span class="corr" id="xd31e2266" title="Bron: viend">vriend</span> <span class="sc">Rob</span>, hij is dood!
-</p>
-<p>Grooter snaak dan hij liep er niet. Gelijk sommige menschen veel hebben van een gestolden
-traan, was zijn voorkomen een onophoudelijke glimlach. Hij ging de wereld door als
-een vroolijk kind, schertsende en grappenmakende: reeds toen ik met hem school ging,
-was hij de vreugde van al de jongens. Als zij <span class="sc">Rob</span> maar zagen, begonnen zij reeds te lachen; zelfs de meester kon het niet tegen hem
-uithouden, maar schoof van vroolijkheid zijn pruik op één oor, als hij recht aan den
-gang was. Ofschoon hij de eene dwaasheid na de andere uitvoerde, geloof ik niet, dat
-hij ooit iemand ernstig boos gemaakt heeft. Hij was als Arlequin; ieder kreeg slaag
-van hem; maar het was een houten zwaard, dat hij zwaaide! en een zwaard daarenboven,
-dat als een tooverstaf, de macht had om slapenden wakker en treurenden vroolijk te
-maken. En toch, toen hij de school verliet, schreiden allen; ofschoon hij allerlei
-bokkesprongen maakte om zich zelven en de anderen op te vroolijken. Zoo was hij altijd.
-Hij kon geen tranen zien, of hij moest ze wegschertsen. Ik ben zeker, dat hij zijn
-ziekenoppasser meermalen aan ’t lachen gemaakt heeft. Arme <span class="sc">Rob</span>! Nu moet hij ze laten uitweenen.
-</p>
-<p>O, ik had hem zoo lief! zoodra wij elkander op de school ontmoetten, werden wij vrienden.
-Hoe, begreep niemand. Want ofschoon ik toen nog zoo bleek en strak niet zag als nu,
-was ik toch lang geen blozende lachebek gelijk hij. Maar ik geloof, dat hij al dadelijk
-aan mij zag, dat ik het rechte wild voor hen was. Want hij was geen van die grappenmakers,
-die alleen aardig zijn onder huns gelijken: hoe treuriger hoe liever; des te meer
-eer was er aan te behalen. Of laat ik liever zeggen, zijn goed hart gebood hem het
-eerst dezulken op te zoeken, die hij begreep dat aan een opgeruimd woord de meeste
-behoefte hadden. Hij beschouwde het vervroolijken van anderen als een soort van bestemming
-voor hem. <span class="pageNum" id="pb75">[<a href="#pb75">75</a>]</span>Geen aanleg hebbende om te weenen met de weenenden, zocht hij weenenden met zich blij
-te maken. Daarbij ging hij evenwel niet zoo te werk, dat hij zijn narrebellen aan
-ieder rouwfloers bond. Als bij instinkt wist hij te raden, waar zijn luim op de smart
-schipbreuk zou lijden; en dan kon hij tot zichzelven, als tot een speelschen hond,
-die tegen iedereen opspringt, zeggen: „Stil, <span class="sc">Rob!</span> stil jongen!” en dan was <span class="sc">Rob</span> zoo stil als een muis! of zoo hij sprak, het was met een enkel woord van diep gevoel,
-zoo als men nooit van zijn dartele lippen zou verwacht hebben. Is het niet vreemd?
-terwijl niemand mij beter aan ’t lachen kon maken, schreide ik om niemand eerder,
-dan om <span class="sc">Rob</span>!
-</p>
-<p>Maar ik heb niet dikwijls om hem geschreid. Duizendmaal meer heb ik om hem gelachen.
-Nauwelijks ging de school uit, of hij pakte mij onder den arm; dan volgde de eene
-kwinkslag op den anderen, zoodat ik dikwijls, als ik thuis kwam, niet tot mijzelven
-kon komen; en toch was hij zoo zacht voor den weemoed, waartoe ik reeds als knaap
-en jongeling neigde. Dit kwam daaruit voort, dat hij er zelf niet vrij van was. De
-grondtonen onzer ziel klonken gelijk, maar wij droegen ons leed anders. Terwijl ik
-in mijn kooi zat te kirren als een tortel, met een lang uitgehaald: koe-ke-roe-oe!—zat
-hij, ofschoon even zoo goed gevangen als ik, tegenover mij in zijn kevie te zingen
-als een kanarievogel. Met iedere smart, die ik hem als een harde noot te kraken gaf,
-sprong hij om als Jocko: krak-krak! had hij haar stuk, hij wierp mij de schellen naar
-den kop, en peuzelde de zoete kern, die hij er uithaalde, met een vergenoegd gezicht
-op. Men zegt van <span class="sc">Rubbens</span> (als ik wel heb), dat men nooit vier of vijf schreefjes zoo plaatsen kon, of hij
-maakte er een menschengezicht van. Welnu, zoo kwam hem geen smartelijke trek voor
-of, kriskras! had hij hem in een glimlach veranderd, zonder iets uitgewischt te hebben.
-O, het is niet moeielijk, dissonnanten te overschreeuwen: dat kan ieder; maar ze op
-te lossen, dat is de kunst! en dat kon mijn vriend <span class="sc">Rob</span>.
-</p>
-<p>Hij had geen gelukkig lot in de wereld. Een arme moeder, waarvoor hij te zorgen had,
-bij geringe verdiensten. Maar dit maakte hem nooit treurig; hij kon zijn droog brood
-met zulk een goede gratie eten, dat gij aan zijn gezicht zoudt gezegd hebben dat hij
-een reeboutje kloof. „Vroolijkheid, jongen!” kon hij wel tegen mij zeggen, „is de
-beste kruiddoos.” Daarbij kwam, dat hij een voorgevoel had, dat hij niet oud zou worden.
-Dus moest hij zorgen in de voorbaat te zijn, om zijn moeder niet hulpeloos achter
-te laten. „Gij zult het wel zien,” zeide hij<span class="corr" id="xd31e2303" title="Niet in bron">,</span> „<span class="sc">Rob</span> loopt niet lang. De zwarte man mag hem niet lijden. Ik maak het hier de menschen
-veel te pleizierig. Nu laat hem komen! ik zal hem in zijn gezicht uitlachen, of mijn
-naam is geen <span class="sc">Rob</span>!”
-</p>
-<p>„Daar hebben we ’t al!” schreef hij onlangs. „<span class="sc">Jonathan</span>, ik lig er voor; de magere man heeft mijn vet al beet, en zal nu aan de beenders
-gaan. Kom mij nog eens zien, als gij kunt. Ik wil den Dood al mijn vrienden presenteeren;
-dan kan hij van nijd vergaan, dat hij er zoo veel niet heeft.”
-<span class="pageNum" id="pb76">[<a href="#pb76">76</a>]</span></p>
-<p>P.S. „Kom gauw, want hij wacht niet.”
-</p>
-<p>Ik kwam. Daar lag hij, de arme <span class="sc">Rob</span>! bleek als de dood, en mager als een geraamte.
-</p>
-<p>„Welkom!” juichte hij met een gebroken stem tegen. „Neem mij niet kwalijk, dat ik
-u zoo familiaar in mijn beender<i>negligé</i> ontvang, mijn vleeschrok<a class="noteRef" id="xd31e2327src" href="#xd31e2327">1</a> is bij den snijder om te vermaken.” Zoo schertste hij voort met woorden vol diepen
-zin en aandoenlijken luim.
-</p>
-<p>„Schrei zoo niet!” zeide hij, terwijl ik in tranen stikte. „Gij maakt mijn vleugels
-nat, en ik zal straks niet kunnen vliegen.—Goeden nacht!” riep hij mij na, toen ik
-mij in stomme smart van zijn leger losrukte. „Wat vroolijker gezicht, als ik u weêrzie,
-hoor!”
-</p>
-<p>Gister morgen kreeg ik de tijding van zijn dood. Hij had tot zijn jongste oogenblikken
-zijn bewustheid en dezelfde stemming van geest behouden. „Alles klaar!” was zijn laatste
-woord. Wat zullen er toen veel tranen op het vroolijkste gezicht der wereld gestort
-zijn. <i lang="en">Alas, poor</i> <span class="sc">Rob</span>!
-</p>
-<p>Wie zal ons nu troosten? Het ongelukkigste is, dat <span class="sc">Rob</span> alleen voor zulk een ramp raad had geweten. Ja, dat is het ergste; nooit is men troosteloozer
-dan bij den dood van hen, die ons het best <span class="corr" id="xd31e2348" title="Bron: haddden">hadden</span> kunnen troosten. Als niets mij bemoedigen kon, had Rob altijd nog een paar woorden
-achter de hand. Maar nu hij dood is<span class="corr" id="xd31e2351" title="Bron: .,.">…</span>. ik zal naar zijn graf gaan, en zien of ik daar baat kan vinden; de vrome ziel kon
-zelf op een graf zoo vroolijk lachen. „Onder het lamfer,” placht hij te zeggen, „behoort
-een gezicht van <i lang="fr">Jean qui pleure et Jean qui rit</i>. Voor ieder, die gaat en die blijft, de helft.” Ach, ik zal het nooit leeren.
-</p>
-<p>Te gelijk met zijn doodbericht ontving ik het legaat, mij door hem gemaakt. Het zijn
-de brieven, die ik hem op onderscheidene tijden geschreven heb. Deze heeft hij in
-een groot pak gesloten, en zijn moeder verzocht ze mij na zijn dood terug te zenden.
-</p>
-<p><span class="sc">Fragmenten van een afgebroken correspondentie, later voort te zetten.</span> Zoo luidt het opschrift, dat hij er met eigen hand op geplaatst heeft. Ziedaar Rob
-geheel! nooit was er vroolijker godsvrucht, dan de zijne. Hij sprak van den hemel,
-zooals een kind er van spreekt, als of het alleen een hoogere verdieping van onze
-tegenwoordige woning was. Hij had niets van sommige menschen, die nooit het woord
-dood of eeuwigheid in den mond nemen, zonder eerst een benauwd gezicht te zetten,
-een hangenden lip te trekken, en hun stem zoo diep als zij kunnen uit hun onderbuik
-te doen opkomen. Dezulken spreken van den hemel met een gelaat, dat men er bang van
-wordt. Niet aldus mijn vriend <span class="sc">Rob</span>. Midden in zijn grappigste scherts kon hij op eens aan zijn woorden een luimig-verheven
-wending geven, die u in het hart greep; maar in hetzelfde oogenblik was hij, als een
-eekhorentje, <span class="pageNum" id="pb77">[<a href="#pb77">77</a>]</span>dat langs een hoogen boom op en neder klautert, reeds weder beneden, en sprong u om
-de beenen. Met den dood was hij zoo familiaar als met zijn eigen geraamte. Hij kon
-sermoenen tegen hem houden, dat u de tranen over de wangen liepen. Dat noemde hij
-zijn gymnastische oefeningen om langs zijn ribben naar boven te leeren klimmen. „Och,”
-zei hij, „het geheele leven is niets dan een groote mastklimmerij; boven hangen de
-prijzen: beneden staan wij jongens te gapen. Het komt maar op het durven aan; één
-goede zet, en men is er! drommels, als de paal maar zoo glad niet was!”—Maar gij zijt
-er nu toch, goede <span class="sc">Rob</span>! en uw prijs zal niet van de minste wezen.
-</p>
-<p>Ik dacht gister het lijkfeest van mijn vriend niet beter te kunnen vieren, dan door
-den ganschen dag aan het lezen van zijn Correspondentie te wijden. Ik rangschikte
-al de brieven, over en weêr geschreven, bij elkander, en had dus bijna de geheele
-geschiedenis voor mij. Dat was een aandoenlijke lektuur. Nooit had ik ROB zoo lief
-als gister; nooit voelde ik zijn waarde beter; hij won zeer bij de proef, die anders
-zoo hachelijk is, van op eens in zijn geheel gezien te worden. De meeste menschen,
-aldus opgezet, zouden al een vrij wonderlijk misgewas vormen. Bij menigeen zou het
-eene been het andere verloochenen, en de eene arm de anderen parodieeren. Geheel anders
-bij <span class="sc">Rob</span>! Zijn geheele zedelijke gestalte was fiksch en frisch uit de kluiten gewassen, en
-droeg alles op de rechte plaats. Niets versteld of bedorven door ontijdige rijpheid
-of tragen groei, maar een geregelde en gelijkmatige ontwikkeling van kind tot knaap,
-van knaap tot jongeling, van jongeling tot man. Zijn hart had alle graden doorgeloopen,
-even als een soldaat van verdienste bij de <i lang="fr">armée</i>. Van daar was zijn gansche morele constitutie zoo gezond; zijn leven had niets van
-een verknoeide teekening, waarin de gom-elastiek beurt gehouden heeft met het zwart-krijt,
-en waaraan meer tijd is zoek gebracht met uitwisschen, dan met teekenen. Wat er stond,
-dat stond er, en dat stond er goed. Bij hem schreide de dag van heden niet over den
-dag van gister, noch verzamelde dampen voor den dag van morgen; maar de maandag gaf
-de hand aan den zondag, en de dinsdag aan den maandag. Toen ik dat zoo zag, werd ik
-bewogen bij de gedachte aan zijn afsterven. Het is jammer, weêrgaloos jammer, dat
-de Dood dit drama gestoord en de gordijn heeft doen vallen eer het was afgespeeld;
-er moesten nog zulke treffende passages komen. Mijn goede <span class="sc">Rob</span>! ik had u nog zoo gaarne eens als <i lang="fr">père noble</i> gezien! en, indien ik <span class="corr" id="xd31e2384" title="Niet in bron">het </span>had mogen beleven, welk een beminnelijke vertooning zoudt gij als grijskop gemaakt
-hebben! Mij dunkt, ik zie u met een krans van jeugdige vroolijkheid om het rimpelig
-hoofd; met een vergenoegd lachje op de dorre wang, als een zonnestraal op herfstloover;
-met een schat van wijsheid verrijkt, als een honingkorf in den winter. Ja, een honingkorf!
-dat zoudt ge geweest zijn. Uw ondervinding zou niet, als bij zoo velen, zoete druiven
-in zure eek veranderd, maar uit de bloemen op uw levensweg enkel zoetheid gepuurd
-hebben: Gij hadt altijd een afkeer van menschen wier <span class="pageNum" id="pb78">[<a href="#pb78">78</a>]</span>ervaring het zure opschrift <span class="sc">winazijnmakerij</span> aan het hoofd droeg. Gij, integendeel, zoudt uw vreugd genoten hebben als een Epicurist
-zijn wijn; hoe ouder, hoe beter. Ik vooral, <span class="sc">Rob</span>, ik had u zoo noodig gehad. Gij hadt voor mij de zware slippen van den rouwmantel,
-dien rijper leeftijd den menschen telkens om de schouderen hangt, (oude menschen zijn
-ongequalificeerde noodigers ter begrafenis) moeten ophouden. Gij hadt, als de komiek
-in de stukken van <span class="sc">Kotzebue</span>, met uw onschuldige scherts mijn treurige tooneelen moeten opvroolijken. Gij hadt
-mij moeten leeren, van mijn oudemans-stokje een zotskolf te snijden, om die den Dood
-als een duivelbannend teeken voor te houden. <span class="sc">Heracliet</span> en <span class="sc">Democriet</span>—zoo zouden wij oudjes arm in arm het laatste eindje van onzen weg gegaan zijn, en
-malkaâr zachtjes de grafhelling hebben afgeholpen. Maar gij hebt mij leelijk laten
-zitten, met zoo hals over kop—daar gaat hij!—in de diepte te springen. Nu sta ik er
-alleen voor; en of ik nu, met onzen vriend uit <i>Bayreuth</i>, den Dood al toeroep: „Schud maar toe, schud maar toe! dan kom ik bij mijn braven
-<span class="sc">Rob</span>!” het baat niet.—Jongen <span class="sc">Rob</span>! dat is een leelijke streek van u, zoo maar zonder waarschuwen heen te gaan, en mij
-met den boel te laten zitten. Daar zal iets over moeten vallen, als ik u weêrzie!
-</p>
-<p>Maar wat beschuldig ik u, eerlijke knaap! als of gij er schuld aan hadt? Neen, in
-u viel het nooit, uw vrienden in verlegenheid achter te laten; had het aan u gelegen,
-gij, goede ziel, gij hadt ons allen wel laten voorgaan, en gaarne de moeite genomen
-om, als de laatste van allen, de deur te sluiten. Maar de dood riep u op: <i lang="fr">en avant seul</i>; en met onwillige kooten volgdet gij en danstet uw <i lang="fr">pas seul</i>, terwijl gij ons op onze plaats moest achterlaten. En nu ben ik zeker, dat gij den
-dood nog wel eens een goed oog geeft om ons ook te komen halen. Trouwe vriend, die
-ge zijt!
-</p>
-<p>Wat liggen ze daar koel, die uitboezemingen van twee warme harten. Op het oog <span class="corr" id="xd31e2423" title="Bron: zoo">zou</span> men het even goed voor rekeningen kunnen aanzien.—En zijn het in zekeren zin geen
-rekeningen? rekeningen van hetgeen het hart aan de wereld, de verbeelding aan de wezenlijkheid
-betaald heeft? of liggen daar niet zoo veel gedachten, gewaarwordingen, wenschen en
-begeerten, die sedert als verouderd hebben moeten worden weggedaan, om, tot duren
-prijs, door andere te worden vervangen? En kon men er niet een zulke of dergelijke
-nota van maken?
-</p>
-<p>Een ouderwetsch kleed van UEd. nieuwmodisch en pasklaar gemaakt.
-</p>
-<p>Een groote <i>optica</i>-spiegel tot een scheerspiegeltje verkleind.
-</p>
-<p>Van een oude gedamasceerde kling een pennemes gemaakt.
-</p>
-<p>UEdelens <span class="corr" id="xd31e2435" title="Bron: zevenmijls-laarzen">zevenmijlslaarzen</span> tot pantoffels versneden.
-</p>
-<p>De glazen uit UEd. teleskoop verslepen en in een bril gezet.
-</p>
-<p>UEd. nationale vlag tot een vlaggendoek voor UEd. lendenen vermaakt.
-</p>
-<p>Een gewezen vrijheidsboom van UEd. voor een mangelrol in orde gebracht.
-</p>
-<p>Van een metalen standbeeldje een keukenvijzel gegoten.
-<span class="pageNum" id="pb79">[<a href="#pb79">79</a>]</span></p>
-<p>Op onderscheidene tijden duiven uit UEd. vlucht geplukt en gelardeerd.
-</p>
-<p>Is het zoo niet? Ik kan het niet zonder droefheid aanzien. Anders geeft mij het gezicht
-van gekwiteerde rekeningen genoegen; het is voor mij altijd een vroolijk uur, als
-ik in het begin van de maand Januari mijn physiologische schuldvorderingen, die koningen
-van verschrikking, zoo als <span class="sc">Bellamy</span> ze noemde, als tamgemaakte kwitanties aan een koord rijg, en nu zeggen kan, dat ik
-ten minste van dezen kant mijn rekening met het afgeloopen jaar gesloten heb. Maar
-deze psychologische kwijtbrieven, waarin het bewijs berust, wat ik al in den loop
-van verleden jaren aan de firma van <span class="sc">publiek</span>, <span class="sc">mode</span>, <span class="sc">etiquette</span>, kortom aan dien geheelen Jodenhoek betaald heb, doen mijn oog minder aangenaam aan.
-Het is wel goed, dat ze betaald zijn: het zij verre van mij te zeggen, dat ik insolvent
-had willen blijven; maar zij hebben mij evenwel veel gekost. Ik schijn hier de tering
-niet <span class="corr" id="xd31e2459" title="Bron: zoowel">zoo wel</span> naar de nering gezet te hebben, als ik in ’t burgerlijke leven gewoon ben. Hier en
-daar zijn kleine posten, waarvoor ik ongehoord veel betaald heb; en nu en dan viel
-mij zelfs de rekening zoo uit de gis, dat ik er nog krom om liggen moet. Dat deed
-mijn vriend Rob beter; hij wist altijd voor alles den juisten tijd, en slaagde er
-in, zich er bijna geheel zonder schade door te redden. Had hij naar zijn berekening
-zijn uitvliegduifjes lang genoeg gehad, dan was het met een vroolijk gezicht: „Komaan,
-jongens! de pan wacht!”—en in een oogenblik had hij ze den kop omgedraaid, en zat
-ze op te peuzelen zonder er iets van te weten. Ik daarentegen hield de mijnen over
-den tijd, zoodat ze taai werden, en als ze dan eindelijk op tafel kwamen, at ik ze
-met tranen in het oog, en zag aan mij bevestigd, wat men zegt, dat duivengebraad zwaarmoedig
-maakt. Bemerkte hij, dat men hem vreemd begon aan te zien, omdat hij te lang met een
-rond buis liep, eer iemand er om dacht, had hij er een paar panden aan gezet, die
-hem deftig over de kuiten hingen. Op iedere auctie deed hij wat van zijn oudheden,
-en kocht daarvoor wat nieuws in de plaats, zoodat hij altijd in zijn doen bleef. Met
-één woord, hij wist zijn slag waar te nemen, en altijd ter rechter ure te verkoopen.
-<span class="sc">Rob</span>, Rob! dat gij heengegaan zijt, zonder mij die kunst te leeren.
-</p>
-<p>En ben ik dat nu? Met dat gevoel, waarmede een volwassene voor het portret staat,
-dat men van hem als kind gemaakt heeft, doorlas ik mijn eigen brieven, die mij het
-portret van mijn zedelijk Ik voorhielden. Immers, gelijkender kon ik mijzelven niet
-zien; hier zag ik mij niet in een teekening door anderen gemaakt, maar, even als bij
-de Daguerrotype, door de natuur zelve gemaald. Zoo verre iets, dat het wezen zelve
-niet is, van het wezen een denkbeeld geven kan, vond ik hier mijzelven terug. Wonderlijk,
-wonderlijk, hoe menigmaal was ik zonder mijn eigen beeld te herkennen! het was goed,
-dat mijn eigen hand daarop het onvervreemdbare zegel geplaatst had, anders zou ik
-het ruiterlijk voor een <i lang="fr">contrefaçon</i> hebben uitgemaakt. Maar ik kon mij niet bedriegen; het moest zoo zijn. Daar zag ik
-dan, even als in <span class="pageNum" id="pb80">[<a href="#pb80">80</a>]</span>een bewegelijk panorama, mijn gansche inwendige leven achtereenvolgens voor mijn oog
-voorbijgaan. Daar zag ik den knaap nog eens den vlieger oplaten en met den bal slaan:
-den jongeling nog eens droomen dichten en gedichten droomen; den jonkman aan de voeten
-van <span class="sc">Betsy</span> zitten en van de voeten van <span class="sc">Betsy</span> losscheuren; den man den strijd met het werkelijk leven aanvangen, beurtelings overwonnen
-worden en overwinnen. En op ieder tooneel vond ik, even als bij onze oude schilders,
-één zelfde geliefde figuur weder: de figuur van <span class="sc">Rob</span>. Hij was bij alles tegenwoordig; zijn snakerig gezicht stak overal door de een of
-andere opening: zijn stem klonk door alle zuchten en tranen heen:
-</p>
-<div lang="fr" class="lgouter">
-<p class="line"><i>Du courage! Du courage!</i> </p>
-<p class="line"><i>Les amis sont toujours là!</i> </p>
-</div>
-<p class="first">De goede <span class="sc">Rob</span>! Ik heb nooit geweten, dat hij zoo zacht en week was. Maar als ik nu zie, hoe hij
-onder alle omstandigheden met mij heeft omgesprongen, vind ik daarin een gevoeligheid
-van ziel, die mij treft. Nergens een hard oor of een hard hart; maar overal een Jobs-geduld
-om mijn klachten aan te hooren, en een Jobs-gemoed om in mijn smart te deelen. Het
-is waar; hij gaf mij daarin nooit toe, noch kwam op den slijkhoop naast mij zitten,
-om de tweede partij van mijn Ach! en Wee! te zingen. Maar hij viel er ook niet met
-een onbarmhartig Ai! en Foei! tusschen. Hij versnelde de maat alleen een weinig, en
-zette het motief, dat hij trouw behield, eenvoudig wat luchtiger om. Eer ik er om
-dacht, had hij het sleepende <i>maestoso</i> in een deftig <i>moderato</i> veranderd. Van waar had de jongen dat verstand? ik weet het niet; maar nu, van achteren
-beschouwd, kan ik het niet dan met verwondering zien, hoe veel oordeel en levenswijsheid
-hij daarbij heeft aan den dag gelegd. O, nooit kan ik het genoeg erkennen, wat hij
-voor mij geweest is; de natuur had hem naast mij geplaatst, om, als een koperen naast
-een dunner snaar, mijn toon te steunen en te versterken. Als hij er niet geweest was,
-die toon ware lang valsch en ontstemd geworden, en de speler had mij als een onbruikbaar
-vod kunnen wegwerpen. Nu kan ik het des noods zonder u stellen, mijn trouwe bas, mijn
-tweelingsbroeder ROB.
-</p>
-<p>Is dat alles één mensch? Zoo vroeg ik verwonderd, wanneer ik soms een van mijn eerste
-naast een van mijn laatste brieven leide; ik had moeite het mij te overreden. Maar
-een oog op de verschillende trappen geslagen, die ik langs was geklommen, benam mij
-welhaast mijn bevreemding. Hoe langzaam en regelmatig is die overgang! niet ongelijk
-aan de beweging van onze aarde, die in vierentwintig uren toch ook een geheele wenteling
-om de spil maakt, zonder dat wij er evenwel iets van bemerken. Het is zonderling en
-treffend, die ontwikkeling na te gaan. Men lacht zoo dikwijls met dat spreekwoord:
-<span class="sc">Een mensch verandert om de zeven jaar</span>. Maar, naar mijn inzien, <span class="corr" id="xd31e2503" title="Bron: licht">ligt</span> er een ware en diepe les in. Wie er om spotte, ik neem het als <i>thesis</i> over en ben bereid die <i lang="fr">publice et <span class="corr" id="xd31e2510" title="Bron: solenniter">solemniter</span></i> te verdedigen.
-<span class="pageNum" id="pb81">[<a href="#pb81">81</a>]</span></p>
-<p>Willen wij een proef nemen?
-</p>
-<p>1–7. Het kind in de kinderkamer.
-</p>
-<p>7–14. Gij zult erkennen, dat de jongen op de speelplaats een geheel ander wezen is.
-Ik ten minste zie kans u, na zeven jaar, het eene kind voor het andere in de hand
-te stoppen.
-</p>
-<p>14–21. Waar vindt gij nu den knaap in den jongeling? den woeligen, dartelen schalk
-in den peinzenden, verliefden Dichter?
-</p>
-<p>21–28. Hier hebt gij den overgang uit het dichterlijke in het wezenlijke leven: de
-eerste en heiligste verbintenis, de eerste vadervreugde. Wat dunkt u? de jongeling,
-met zijn armen uitgestrekt om de wereld aan zijn boezem te drukken, en de echtgenoot
-en vader, die niet weet hoe hij zijn armen eng genoeg om vrouw en kind klemmen zal,—zijn
-dat geen twee verschillende wezens?
-</p>
-<p>28–35. Nu worden zeker de overgangen minder scherp, maar evenwel blijven ze voor het
-fijne oog toch nog merkbaar genoeg. Nu maakt zich de eerzucht meester van het hart,
-waarin tot dusverre bijna alleen de liefde heerschte; de huiselijke kring wordt te
-nauw: men breidt zich naar buiten uit; men wil meê de hand aan ’t roer hebben. NB.
-De zon, die bij hare daging rozerood was, begint gedurig meer naar het goudkleurige
-te trekken.
-</p>
-<p><span class="corr" id="xd31e2522" title="Bron: 55">35</span>–41. Zij is heel en al geel! de hebzucht is bij de eerzucht gekomen. Men heeft een
-grooten staat te voeren; men heeft zoons te plaatsen, dochters uit te huwelijken;
-men begeert zich door zijn kinderen, en zijn kinderen door zich te verheffen.
-</p>
-<p><span class="corr" id="xd31e2526" title="Bron: 32">42</span>–49. Men heeft de gewenschte hoogte bereikt en geniet de gemaakte veroveringen. Men
-is buiten geëerd door het publiek, en binnen gelukkig in zijn betrekkingen. Men krijgt
-een onderkin en staat als peter over zijn kleinkinderen.
-</p>
-<p>49–56. Men vangt aan zich terug te trekken. Men ziet zijn vrienden sterven en begint
-naar rust te verlangen. Men bedankt voor alle lastposten en houdt <span class="corr" id="xd31e2531" title="Bron: alleeen">alleen</span> de winstgevende aan.
-</p>
-<p>56–63. Men ziet in ’t geheel geen menschen meer; men wandelt veel en gaat trouw te
-kerk; men wordt hypochonder en neemt een lijfmedicus aan.
-</p>
-<p>63–70. Men begint zich gereed te maken voor de afreis. De rekening courant wordt opgemaakt,
-de overbodige lading over boord geworpen en stichtelijke artikels ingenomen.
-</p>
-<p>70–77. Men sterft, natuurlijk als men niet eer gestorven is.
-</p>
-<p>Ziedaar in eenige groote trekken de voornaamste <i>nuances</i> opgegeven, die toch kennelijk genoeg van elkander onderscheiden zijn. En niemand
-meene, dat ik hem met deze beschrijving heb willen veroordeelen. Geen gedachte is
-verder van mij. Integendeel, zóó of zóó omtrent moet het gaan, indien alles wel zal
-gaan. Zóó moet men, als de zon, achtervolgens de verschillende teekens van zijn aardschen
-dierenriem doorloopen, en nu eens, in het teeken van Leeuw en Ram, zijn jongelingskracht
-in tegenstand tegen de wereld oefenen; dan in het <span class="pageNum" id="pb82">[<a href="#pb82">82</a>]</span>teeken van Maagd en Waterman, zijn minneleed beschreien; dan, in het teeken van Weegschaal
-en Schutter, mannelijk oordeel met mannelijke vaardigheid leeren paren, om ten laatste,
-in het teeken van Kreeft en Visschen gekomen, zijn vaart te vertragen, en zachtkens
-een weg ten einde te brengen, dien men met zoo veel vuur en geestdrift is opgestreefd.
-</p>
-<p>Dat is de orde en de wet der natuur, en ongelukkig, die haar wil omkeeren; hij wordt
-voor zichzelven even ellendig als nutteloos voor anderen. Er is een tijd van bloei,
-een tijd van dracht en een tijd van verval; die tijdperken moeten elkander vervangen,
-zonder op malkaârs grondgebied te treden. Ik wil kleur in de lente, geur in den zomer,
-en vrucht in het najaar. Eerst groen en wit, dan blauw en rood, dan geel en bruin.
-Zoo was het bij <span class="sc">Rob</span>. Hij was altijd gelijk met de verschillende saizoenen: als men dacht, nu moet er
-haast dit of dat komen, dan kwam het ook. Hij was geen broeiplant, die zijn roode
-vruchten tusschen de sneeuw droeg, en even weinig een ziekelijke nablijver, die met
-zijn zure vruchten aankwam, als men hem al vergeten had; hij was een gezonde klant,
-die zoo precies op zijn tijd paste als de zon zelve. Ik moet bekennen, dat hij mijn
-traagheid wel eens heeft moeten voortduwen: „Toe dan, <span class="sc">Jonathan</span>! maak voort, jongen! waar <span class="corr" id="xd31e2552" title="Bron: blijfje">blijf je</span> dan?” en dan kwam hij als een morele <i>Don</i> <span class="sc">Antonio Magino</span> met zijn weêrtafel, en wees mij: „heden zonneschijn en mooi weer” of als een Tuinmans-Almanak:
-„heden deze of die vrucht!” en als die dan zoo spoedig niet uit den dop wou vallen,
-dan draaide hij mij een weinigje in de zon en was niet tevreden, eer ik mijn <i>contingent</i> geleverd had. Mijn goede <span class="sc">Rob</span>! Wie zal nu het oog over mij houden?
-</p>
-<p>Gij maakt daarom uit het gezegde toch niet op, dat Rob een zoogenaamd <i>solide</i> mensch was, die op zijn valhoed reeds met de kroon der zeven Grieksche wijzen liep,
-uit zijn tafelstoel les gaf over de differentiaal-rekening, en bij zijn opgeworpen
-bal de nuttigheid van laag gooien en dikwijls vangen betoogde. Gij zoudt u bedriegen.
-Daarvoor was hij veel te veel in de natuur. Neen, hij geloofde wel degelijk, even
-als ik, dat er een jeugd aan den mannelijken leeftijd, een tijdperk van bloei aan
-dat van vruchtbaarheid moet vooraf gaan. Ik zet het u, van die vroegrijpe menschen
-een mensch te maken als mijn Rob! Er moet in den jongen mensch wat overvloed van leven
-zijn. Als de kunstenaar een beeld wil gaan houwen, dan neemt hij geen blok, dat juist
-zoo groot is als het beeld, dat hij maken wil, maar hij neemt een vierkanten klomp,
-waar de ruwe kanten nog aan zitten. Daar zit dan het beeld, dat er uit moet komen,
-wel in, maar eerst moet de buitenste schors wegvallen. Ha! hoe er dan onder zijn krachtigen
-beitel de stukken afvliegen! hoe het beeld overal het marmer pijnlijk van het lijf
-wordt <span class="corr" id="xd31e2570" title="Bron: geseheurd">gescheurd</span>! het zucht onder de ruwe slagen van zijn formeerder! maar let op! daar beginnen de
-houwen reeds af te nemen; telkens valt het wapen zachter neder; heerlijk komt het
-<span class="pageNum" id="pb83">[<a href="#pb83">83</a>]</span>beeld uit zijn ruw omkleedsel te voorschijn! Nu worden nog de laatste scherpe hoeken
-en kanten afgeslepen, geëffend en gerond, de proportiën gedeeld en de lijnen gebogen.
-Daar staat nu de koningsgestalte, glad als ijs en zacht als satijn! Dat is beeldhouwen!
-dat is menschen-formeren!
-</p>
-<p>Wilt gij hooren wat er de Wijze van <i>Bayreuth</i> van zegt?
-</p>
-<p>Gij lieden wilt derhalve reeds bij den aanvang datgene krachteloos te velde doen trekken,
-hetwelk door den tijd en de wereld buitendien toch genoeg wordt ontzenuwd? Wat is
-al de winst, die de jongeling uit het vermijden van eenige mispassen en verkeerde
-inzagen trekt, gerekend tegen het ontzettend verlies, hierin gelegen, dat hij, zonder
-het heilige vuur der jeugd, zonder vleugels, zonder groote plannen, met één woord,
-zoo naakt het enge leven inkruipt als de meeste het uitkruipen? Hoe kan zonder den
-idealengloed der jeugd het leven tot rijpheid komen, of de wijnstok zonder den gloed
-der oogstmaand? Het schoonste, hetwelk door de menschen verricht werd, al ware het
-ook in hun koude jaarsaizoen, was nimmer iets anders, dan de slechts laat opkomende
-zaadkorrel, die door den boom des levens in het paradijs was voortgebracht. Of zaagt
-gijlieden nooit, hoe een mensch door eenig goddelijk beeld uit zijn jeugd, het geheele
-leven door, bestuurd en geleid werd?—En wat toch wilt gij in de plaats geven van dit
-leidende wagengestarnte?—wat anders dan den broodwagen der schrandere eigenbaat?
-</p>
-<p><i lang="fr">Touchez là, mon ami!</i> Dat is naar mijn hart gesproken. Zoo mag ik het hooren van iemand, wiens wijsgeerige
-geest hem boven de verdenking verheft, waaronder ik lig, van somtijds met molentjes
-te loopen. Sterk door uwe goedkeuring verhef ik mij dus moedig <span class="corr" id="xd31e2584" title="Bron: tegen tegen">tegen</span> het kwaadwillig oog van zoo velen, die mij, om deze kruisvaart tegen den kunst-ouderdom,
-dien men den kinderen, even als de koepokken, wil inenten, voor een Socratischen jeugdbederver
-houden. En zoo dacht ook mijn vriend Rob, die mede een vriend van u was. Hij had een
-ingeroesten haat tegen de gepoeierde kinderknikkers en gewapende kinderdijtjes van
-vóór vijftig jaren! een jong mensch, die niet hooger zag dan zijn hoofd en niet verder
-reikte dan zijn armen, was hem een walg. Hij verlangde daarom niet, dat men juist
-tegen de maan stond te grijnen, en nooit dan met een natten neus naar de sterren keek.
-Zijn jongelings-geestdrift openbaarde zich geheel anders; zij ademde dienzelfden geest
-van losheid en vroolijkheid, die zijn geheel wezen kenmerkte. Hij kon in zijn dartele
-buien met de maan omspringen, als droeg hij ze, even als de tooneelspeler in <span class="sc"><span class="corr" id="xd31e2588" title="Bron: Shakespear’s">Shakespeare’s</span></span> <i lang="en">Midsummernights-dream</i>, lantarensgewijze onder den arm en met de sterren leven als de Koningin der Nacht
-in de <i>Tooverfluit</i>, die ze als <i>pailletten</i> op haar zwarte japon draagt. Maar in die scherts lag daarom niettemin het geloof
-aan een hoogere wereld en het gevoel van behoefte daaraan. Als hij over de vele woningen,
-die de groote stad, welke wij Heelal noemen, vervullen, met zulk een <span class="pageNum" id="pb84">[<a href="#pb84">84</a>]</span>gemeenzame vertrouwelijkheid sprak, en dan, met zijn geest door al die geheimzinnige
-lichtpaden dwalende, liep raden, waar hij zijn huis vinden moest.…! maar ik zie er
-van af om er u eenig denkbeeld van te geven: gij hadt hem zelven moeten hooren! Zijn
-uitvallen waren van die, die men alleen met een gesternden hemel boven zich herhalen
-kan. Vraag er mij eens naar, als wij ooit samen op zulk een tooneel staan. Genoeg,
-dat het hem aan geen sentimentaliteit ontbrak. Er lag in zijn Zomernachts-droomen,
-onder den schertsenden toon waarin hij ze voordroeg, een diepe en verheven zin van
-heimwee en godvrucht, of, zoo als hij liefst zeide, omdat dit woord den geheelen geest
-van zijn vroomheid uitdrukte, <span class="sc">Godzaligheid</span>! Het gebeurde somtijds, dat ik daarbij geen lichten glimlach van mijn lippen weren
-kon, maar nooit, dat niet de tranen des innigsten gevoels zich naar mijn oog drongen!
-Geen woorden kunnen uitspreken, wat wij ontwaarden, als wij na zulk een hemelwandeling
-elkaâr de hand drukten.—Hoe zult gij nu wandelen, <span class="sc">Rob</span>!
-</p>
-<p>Vraagt ge dus, of ik alles, wat ik daar geschreven voor mij vind, nog met baat en
-schade op mijn tegenwoordige rekening zou willen overnemen, de goede Hemel beware
-mij! dat ware de paarden achter den wagen gespannen. Maar vraagt ge aan den anderen
-kant, of ik met hoogmoed en medelijden op die uitboezemingen van jeugdig gevoel en
-overvloeiend leven neêrzie, ook dit ontken ik volstrektelijk. De mensch had beter
-kunnen zijn, maar wat den weg betreft, dien hij gevolgd is, ben ik nog zoo ontevreden
-niet. Het is waar, dat er menige uitbarsting van dwaas jongelingsgevoel onder doorloopt.
-Te droes, hoe zoudt gij lachen, als ik die oude doos eens opendekte. Wat zou er al
-niet voor den dag komen! Welk een menigte van werelden en zonnestelsels! welk een
-drom van engelen en aartsengelen! welk een stoet van droombeelden in volle kostuum,
-met een zon op de borst, een halve maan op den tulband en een borduursel van sterren
-rondom den mantel! Welk een rommel van zangen, geuren, klanken, en wat verder zou
-worden te voorschijn gebracht! En toch schitterden er soms door dien verwarden hoop
-vonken van nuchter oordeel. Van dien aard zijn bij voorbeeld de volgende losse spreuken,
-die ik nog niet terugneem.
-</p>
-<hr class="tb"><p>
-</p>
-<p>Het is een schoon geloof, dat de Egyptenaars hunne graven met pyramiden deed dekken:
-geloof aan de Toekomst. Maar schooner nog is het geloof der Christenen, die hun grafheuvels
-met een houten kruis versieren: geloof aan de Onsterfelijkheid. Even zoo was er iets
-treffends in de gewoonte der eersten om hunne lijken te balsemen; maar dat wij ze
-niet balsemen, is treffender, wetende dat de Engel der opstanding uit verderf onverderfelijkheid
-scheppen zal.
-</p>
-<hr class="tb"><p>
-</p>
-<p>Geven en ontvangen is als de regen. Dezelfde regen, die frischheid aan de aarde geeft,
-geeft helderheid aan den hemel.
-<span class="pageNum" id="pb85">[<a href="#pb85">85</a>]</span></p>
-<hr class="tb"><p>
-</p>
-<p>Als de vrucht zich gaat zetten, valt de bloesem af. Zoo ook met ons. Wij beginnen
-geen vrucht te dragen, eer de bloesems der jeugd verstrooid zijn.
-</p>
-<hr class="tb"><p>
-</p>
-<p>Voor sommige menschen is het leven een vastland, geheel aarde; dat zijn de aardsgezinden.
-Voor anderen een eiland, geheel zee, buiten verband met iets rondom of boven zich;
-dat zijn de egoïsten. Voor anderen een landtong tusschen den oceaan van twee eeuwigheden;
-dat zijn de ongeloovigen. Voor sommigen eindelijk een <i>Bethel</i>, door een ladder met den hemel verbonden; dat zijn de vromen.
-</p>
-<hr class="tb"><p>
-</p>
-<p>Men begeert zich met het geluk als met een gouden keten te versieren, en bedenkt niet,
-dat het slechts een gulden ader is, die door den zandgrond onzes levens loopt: het
-geluk is geen kleed, door anderen vervaardigd, dat men slechts heeft om te slaan;
-het is een zijden huis, als dat der wormen, uit onzen eigen boezem uitgesponnen.
-</p>
-<hr class="tb"><p>
-</p>
-<p>Betrekkingen zijn voor den mensch op aarde, wat de aardkluit, die met de bloem verplant
-wordt, voor deze is; zij doen hem vergeten, dat hij hier niet te huis behoort.
-</p>
-<hr class="tb"><p>
-</p>
-<p>Die een leven vol weldaden achter zich laat, vindt, even als klein Duimpje in de fabel,
-teruggaande, het spoor der uitgestrooide broodkruimen verdwenen. Alleen de beleedigingen
-blijven, even als de steentjes van den houthakkersknaap, getrouw liggen.
-</p>
-<hr class="tb"><p>
-</p>
-<p>De mensch wordt dikwijls wijs ten nadeele van zijn geloof. Het was een schoone onkunde,
-die den schepeling naar den hemel deed opzien, om er de star te zoeken, die zijn tocht
-regelde; nu heeft men het kompas, met andere woorden, men heeft den hemel niet meer
-noodig.
-</p>
-<hr class="tb"><p>
-</p>
-<p>Onlangs zag ik een kind, dat gedurig beproefde een ladder met de handen rechtop te
-plaatsen om er vervolgens op te klimmen. Natuurlijk sloeg de ladder telkens tegen
-den grond. „<span class="sc">Jantje!</span>” zei de vader, „gij moest dat laten! Ziet gij niet, dat gij u zelven niet houden
-kunt?” en daarop ging hij bedaardelijk voort met mij te betoogen, dat in zaken van
-godsdienst de rede volkomen voldoende was.
-</p>
-<hr class="tb"><p>
-</p>
-<p>Iemand, die louter godgeleerde is, ziet den hemel achter, de vrome vóór zich; de eerste
-ziet het kruis alleen in den Bijbel, de laatste, even als <span class="sc">Konstanstijn</span>, in de wolken. De vrome staat tot den godgeleerde als een inboorling, die de taal
-des lands van kindsbeen af gesproken heeft tot een vreemde, die haar spraakkunstig
-heeft moeten aanleeren. Nu kan de vreemde de gronden van zulk een taal wel beter kennen,
-maar de inboorling verstaat en spreekt haar toch beter.
-<span class="pageNum" id="pb86">[<a href="#pb86">86</a>]</span></p>
-<hr class="tb"><p>
-</p>
-<p>Het leven is als de hooge bergen: slechts aan den voet groeien bloemen.
-</p>
-<hr class="tb"><p>
-</p>
-<p>Hartstocht is zwakheid; daarom bemint de vrouw meer dan de man.
-</p>
-<hr class="tb"><p>
-</p>
-<p>De kritiek handelt met de geniën, even als de oude Schrijver van het Scheppingsverhaal
-met de hemelbollen; zij meent, dat de werelden des dichters om haar geschapen zijn.
-</p>
-<hr class="tb"><p>
-</p>
-<p>Zucht naar meerdere volkomenheid; ziedaar de ware behaagzucht.
-</p>
-<hr class="tb"><p>
-</p>
-<p>De verborgenheden Gods zijn even als de vlekken in den Melkweg; de gewone mensch ziet
-ze voor vlekken aan, en de sterrekundige vindt er bij onderzoek nieuwe wereldstelsels
-in.
-</p>
-<hr class="tb"><p>
-</p>
-<p>Schoonheid is voor den man een feest-, voor de vrouw een bruiloftskleed.
-</p>
-<hr class="tb"><p>
-</p>
-<p>Ware liefde ontleent, even als de moederliefde, kracht uit smart.
-</p>
-<hr class="tb"><p>
-</p>
-<p>Sommige menschen schijnen geboren om <span class="corr" id="xd31e2693" title="Bron: gelukkg">gelukkig</span> te wezen: ze zien slechts licht en helderheid voor zich, en wanneer er als soms donkerheid
-op hen daalt, sluiten zij er de oogen voor, zoo als sommige bloemen zich ’s avonds
-sluiten, en eerst weêr opengaan als de morgen daagt.
-</p>
-<hr class="tb"><p>
-</p>
-<p>Trouw is het geheugen van een beminnend hart.
-</p>
-<hr class="tb"><p>
-</p>
-<p>De ware proefsteen der menschelijke deugd is de <span class="corr" id="xd31e2704" title="Bron: toetsteen">toetssteen</span>, die zijn graf bedekt.
-</p>
-<hr class="tb"><p>
-</p>
-<p>De aardsgezinde is als regen, die één wordt met den grond, waarop hij neêrzijgt; de
-betere mensch verkeert op aarde als de sneeuw, die waar zij valt, den grond verzilvert.
-</p>
-<hr class="tb"><p>
-</p>
-<p>De schrijver kieze zich een geheel volk ten voorwerp zijner bemoeiingen, doch wachte
-zijn geluk alleen van zijn huiselijken kring. Maar daarom heeft dan ook zijn gezin
-een gewichtige taak te vervullen: van wege de goeden heeft het in last hem de liefde
-te bewijzen, die zij hem niet bewijzen kunnen; van wege de kwaden heeft het de zending,
-hem de bitterheid te vergoeden, die zij hem aandoen. Wee hem, als ook deze steun hem
-ontvalt: de Dertigen buiten, en Xantippe in huis!
-</p>
-<hr class="tb"><p>
-</p>
-<p>Rampen zijn den vrome even als hagelsteenen, die dreigend neervallen, maar die de
-aarde als heilzaam vocht in haar schoot opneemt.
-<span class="pageNum" id="pb87">[<a href="#pb87">87</a>]</span></p>
-<hr class="tb"><p>
-</p>
-<p>Voor sommigen is de kruisberg een goudmijn: dat zijn de priesters. Voor anderen is
-hij de <i>Helicon</i>; dat zijn de geleerden. Voor anderen is hij de berg des Heeren: dat zijn de vromen.
-Voor anderen eindelijk is hij niets dan een berg: dat zijn de ongeloovigen.
-</p>
-<hr class="tb"><p>
-</p>
-<p>Ziet gij? deze losse gedachten, en nog veel meer andere van denzelfden aard, kan ik
-thans nog overnemen, zonder dat ik ze in mijn tegenwoordigen leeftijd en op mijn tegenwoordig
-standpunt behoef te verloochenen. Maar ik beken, dat daartegen menige bladzijde overstaat,
-die ik voor geen lief ding onder het oog van mijn deftigen lezer zou durven brengen.
-Ja, zal ik het bekennen! toen ik daar die brieven zoo zat te doorbladeren, verheugde
-ik mij, dat ze, door de kiesche beschikking van <span class="sc">Rob</span>, in mijne, en niet in een anders handen geraakt waren.
-</p>
-<p>En toen kwam ’t mij op eens met schrik in de gedachte, dat Rob niet de eenige is,
-die zulke brieven van mij ontvangen heeft<span class="corr" id="xd31e2736" title="Bron: ,">.</span> <span id="xd31e2739"></span>Wel, wel,<span id="xd31e2741"></span> dacht ik, indien het nu een van mijn vroegere Correspondenten eens inviel, al mijn
-brieven nog eens in te zien, hoe zal hij om de droomerijen van den kinderachtigen
-<span class="sc">Jonathan</span> lachen! Hij is in staat mij in alle deftigheid voor een dwaas uit te maken. Wilt
-gij het gelooven? Dit denkbeeld greep mij met zulk een siddering aan, dat ik terstond
-op een middel begon te denken om hem tot betere gedachten omtrent mij te brengen.
-En waar vond ik dit eindelijk? In een <i>Circulaire</i> aan al de vrienden, die ik hier plaatsen zal, hopende dat zij hun aldus onder de
-oogen mogen komen.
-</p>
-<p>(Met uw verlof, waarde Lezer, die niet tot dit getal behoort!)
-</p>
-<blockquote>
-<p class="first salute"><span class="ex">Mijnheer en Vriend!</span>
-</p>
-<p>Daar de correspondentie, die ik vroeger de eer had met u te houden, sedert is afgebroken,
-ben ik zoo vrij mij langs dezen weg tot u te wenden. Het zou namelijk kunnen gebeuren,
-dat UEd<span class="corr" id="xd31e2757" title="Niet in bron">.</span> mijn brieven van vroegeren tijd—bijv. bij gelegenheid van het beplakken van een nieuw
-te behangen kamer, of dergelijke—nog eens onder de oogen kreeg. In dat geval zou ik
-reden hebben, mij voor UEd. te schamen. Want ik meen wel te weten, dat er in die brieven
-meer dwaasheden gevonden worden, dan met uw verstand en soliditeit strooken. Maar
-met uw verlof zou ik gaarne zien, dat UEd. daarnaar ook mijn verstand en soliditeit
-niet beoordeelde. Want, als het niet te onbescheiden is mijzelven te prijzen, mag
-ik wel zeggen, dat ik een geheel ander mensch geworden ben, en ofschoon niet volkomen
-zoo degelijk als UEd., toch strevende om UEd. daarin meer en meer nabij te komen.
-UEd. gelieve alleen te weten, dat ik tegenwoordig voor mijn correspondentie even zoowel
-mijn liassen heb met opschriften als: <span class="sc">Rekeningen</span>, <span class="sc">kwitantiën</span>, <span class="sc">brieven</span>, enz. als UEd. in uw kantoor. Zoodat UEd. ziet dat ik nu een bedaard en deftig burger
-ben. Indien UEd. dus <span class="pageNum" id="pb88">[<a href="#pb88">88</a>]</span>de goedheid wilde hebben, die bewuste brieven eens voor goed te verbranden? Doch al
-mocht UEd. daarin (uit zuinigheid) bezwaar vinden, hoop ik nogtans, dat UEd. na de
-gegeven inlichting, mij omtrent het bewuste artikel van uw oordeel over mijn verstand
-wel te wille zal willen zijn. In welke verwachting ik de eer heb met de meeste achting
-te zijn,
-</p>
-<p class="signed">Mijnheer en vriend, <br>UEd. gehoorzame Dienaar en Vriend <br><span class="sc">Jonathan</span>,</p>
-</blockquote><p>
-</p>
-<p>Zie zoo! Dat zou Rob nog goed doen, als hij het las! De arme Rob, hij zal het niet
-lezen! en hij zal het niet zien ook, hoe ik langzamerhand al verstandiger en verstandiger
-zal worden, zoodat ik eindelijk op den stroom der wereldsche dingen zal drijven als
-een pluim, hop-hop, van boven naar beneden, zoo als het de golven belieft. Dat zal
-het toppunt van mijn glorie zijn—en van de zijne ook. Want als ik ooit zoo ver kom,
-moet ik zeggen dat er hem de grootste eer van toekomt. Wat zal hij dan verwonderd
-opkijken, als hij mij weêr ziet! Hij zal zijn eigen <span class="sc">Jonathan</span> niet meer kennen.—Wat heb ik gezegd, <span class="sc">Rob</span>? Neen, de menigte moge van mij zeggen: „Wat is Mijnheer <span class="sc">Jonathan</span> veranderd! hij is nu de ordelijkste man, die men zien kan!—” maar voor u, mijn vriend,
-verander ik niet. Is het niet zoo? Boven is een jong hart geen contrabande?
-</p>
-<p>Geen antwoord!
-</p>
-<p>Anders kreeg ik altijd antwoord.
-</p>
-<p>Foei mij!… goed dat <span class="sc">Robert</span> het niet ziet. <span class="sc">Fragmenten van een afgebroken correspondentie, later voort te zetten</span>,—luidt het zoo niet? Welnu wat tob ik dan? Lig daar, mijn legaat! Gij zoudt mij week
-maken. Ik wil aan ’t werk. „Jongen,” zei Rob mij wel eens: „Wat zijn de menschen toch
-dwaas. Zij roepen om den hemel, en loopen er zoo hard van daan als zij kunnen. Wilt
-gij er heen, maak dan, dat gij hier beneden gedaan krijgt. <span class="corr" id="xd31e2800" title="Bron: Van daag">Vandaag</span> klaar, morgen t’huis; dat gaat vast! Er is geen accurater beurtman, dan de Snelheid,
-Kapitein <span class="sc">Mors</span>.—Welaan dan! aan ’t werk. Zoo hoop ik welhaast mijn goeden vriend na te kunnen zeggen:
-Alles klaar! en dan—dan is er een einde aan mijn klacht:
-</p>
-<p>„Mijn goede vriend <span class="sc">Rob</span>, hij is dood!”
-<span class="pageNum" id="pb89">[<a href="#pb89">89</a>]</span> </p>
-</div>
-<div class="footnotes">
-<hr class="fnsep">
-<div class="footnote-body">
-<div id="xd31e2327">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e2327src">1</a></span> Een uitdrukking van <span class="sc">Claudius</span>, van wien hij veel hield.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e2327src" title="Ga terug naar noot 1 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div id="ch10" class="div1 story"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e7195">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="main">DE STAMBOOM.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Niet waar, dat zoudt ge niet gedacht hebben, dat <span class="sc">Jonathan</span> er ook een stamboom op nahoudt?
-</p>
-<p>En hoe meent ge wel dat hij er uitziet?
-</p>
-<p>Denkt gij misschien aan een groote perkamenten kaart met cirkels en lijnen, waaraan
-de namen der respectieve leden van de familie zijn opgehangen, die, zich van boven
-naar beneden uitbreidende, het hartroerende figuur van een omgekeerde peer opleveren?
-</p>
-<p>Of verbeeldt gij u mogelijk een enorme schilderij, met wapens bemaald, waarop het
-aandoenlijk is te zien, hoe het wilde zwijn zich met het hert, en de sperwer zich
-met de duif verdraagt? Als ware het een voorspel van die gouden eeuw, door de profeten
-geschilderd:
-</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line">Het Lam zal met den Wolf verkeeren als gespeel: </p>
-<p class="line">De Luipaard naast het kalf zich vleien in ’t gareel: </p>
-<p class="line">De Leeuw zal zich op ’t stroo aan ’s Rundiers kreb vergasten: </p>
-<p class="line">Geen Beer, geen Tijger taalt om ’t Geitjen aan te tasten. </p>
-</div>
-<p class="first">Of hebt gij misschien een dik wapenboek voor den geest, waarin al de Edelen achtereenvolgens
-op een rij staan geschaard, even als in een kabinet van Natuurlijke historie, mannetje
-en wijfje naast elkander, ieder op zijn plaats en in zijn orde?
-</p>
-<p>In elk geval misgeraden!
-</p>
-<p>Neen, wanneer gij mij ooit de eer doet van mij een bezoek te brengen, zult gij in
-een hoek van onzen huishoudkamer een ouderwetschen standaard op drie voeten zien staan,
-met een schuins staand blad, waarop gij een boek in folio in zwart lederen band met
-koperen sloten zult zien liggen—daarin zult gij mijn Stamboom vinden.
-</p>
-<p>Maar dat is een Bijbel! voert gij mij tegen. Gij zijt er! dat is het ook. Welnu, in
-dien band, vóór den Bijbel, vindt gij een blad door verschillende handen beschreven:
-dat zijn mijn familiepapieren!
-</p>
-<p>Dat ziet er niet best uit, niet waar? Gij hebt gelijk. Ik ben niets dan een simpele
-<i>roturier</i>. Geen heraut heeft ooit een schelling aan mijn geslacht verdiend. Ik moet mij met
-den troost van alle laaggeborenen behelpen, dat ik in <span class="sc">Adam</span>, den algemeenen Stamvader der <span class="pageNum" id="pb90">[<a href="#pb90">90</a>]</span>menschen, van den oudsten adel ter wereld ben. Verder kan ik het niet brengen. Ik
-zou er mijn hals niet onder durven verwedden, of ik uit Joodsch of Heidensch bloed
-gesproten ben; of mijn voorvaderen onder het Romeinsche juk zijn doorgegaan of den
-Romeinschen adelaar gedragen hebben; of zij bij de tornooien tot degenen behoord hebben,
-die den hals braken, of die halzen zagen breken; of zij sporen droegen, sporen aangespten,
-of sporen vervaardigden; of de groote Potentaten ze met hun zwaard op de schouders
-of op den rug sloegen, dat zulk een groot verschil maakt. Kortom, ik weet er niets
-hoegenaamd van, en, als dit niet uit de <i lang="la">lex non scripta</i> der natuur volgde, zou ik zelfs niet eens kunnen bewijzen, dat ik ooit verre voorvaders
-gehad had.
-</p>
-<p>Denk evenwel niet, dat mij dit niet spijt. Ik vind het een Cynisme, grooter dan van
-iemand op deze wereld gevergd wordt, er volstrekt onverschillig voor te wezen, welken
-naam men draagt. Het is wel zoo, dat men er thans niet veel aan heeft, of uw voorvaderen,
-op het steken van hun trompet, honderd man in het zadel riepen, daar de naneef toch
-genoodzaakt is zijn vijf jaren bij de nationale militie uit te dienen, of anders een
-<i>remplaçant</i> te geven: en even waar is het, dat een burgerman niets voelt van de groeven, waarmede
-het juk der Edelen den hals van zijn voorouders geknaagd heeft. Ook is het ontegenzeggelijk
-dat, sedert ruwe handen de adelijke wapenschilden onder een dik vernis van revolutionnaire
-kleuren gelegd hebben, de beleedigde verwen niet meer zoo helder en frisch willen
-worden, als zij voorheen waren. Maar dit toegegeven, zie ik niet, waarom het nog niet
-altijd begeerlijk zou zijn, de herinnering van vroeger grootheid aan zijn naam te
-verbinden. Waarlijk, in onze dagen, die zoo plat zijn als ons land, en zoo romanesk
-als onze duinen, is het nog iets dichterlijks, zich bij zijn wapenbord in tijden van
-groenende Riddereer en blozende Riddergalanterie te droomen. In onze dagen van gelijkheid,
-nu alle hoeden uit hetzelfde stuk vilt worden gesneden, is het nog iets, dat den boezem
-doet zwellen, den glanzenden helmkap aan te zien, die op den naam, dien gij voert,
-als een kroon van eere drukte! In onze dagen van <span class="corr" id="xd31e2849" title="Bron: industrielen">industriëlen</span> wedstrijd en <span class="corr" id="xd31e2852" title="Bron: commerciele">commerciële</span> worsteling, is het nog iets schoons, bij het openvallen van de bloedige bladen onzer
-oude historie, op een blinkend blad te kunnen wijzen en zeggen: Deze was mijn grootvader!—En
-waarom het niet erkend, dat zulke herinneringen meer dan een poëtische speling, dat
-zij in onze eeuw van nuttigheid, ook nog nuttig kunnen zijn om in hem, bij wien ze
-opkomen, adelijke gevoelens op te wekken? Of gelooft gij niet, dat de eikenkrans,
-die den naam der <span class="sc">Dedels</span> en <span class="sc">Fagels</span> onzer dagen omringt, te fleuriger blinkt, omdat hij gewassen is aan een edelen stam,
-die honderden jaren telt?
-</p>
-<p>Zoo zij het dan verre van mij, als een onzinnige Jacobijn, op de teekenen van verjaarde
-grootheid te spuwen, en over alle gekroonde helmen de roode muts te willen trekken.
-Mijn liefde voor antiquiteiten <span class="pageNum" id="pb91">[<a href="#pb91">91</a>]</span>moet u het tegendeel gewaarborgd hebben. Maar dit gaat echter niet zoo ver, dat ik
-mij mijns deftigen burgerlijken geslachts schamen, of daaraan ergeren zou: dat ik
-de asch mijner vaderen in het graf nog zou willen beschimpen, omdat zij niet in een
-familiekelder rust; en dat ik op hun zark niet zou willen neêrknielen, omdat er niet
-dan hun eenvoudige naam op staat uitgebeiteld.
-</p>
-<p>Ik moet mijzelven beter recht doen: ik ben op mijn geslacht zoo trotsch, dat ik het
-niet met het geslacht van eenigen Baroen op de wereld zou willen ruilen: want mijn
-stamboom is van de edelste, die men zien kan!
-</p>
-<p>Laat ik mij verklaren.
-</p>
-<p><span class="sc">Het eerste blad van mijn bijbel is mijn stamboom.</span> Ziedaar het sprekend wapen van mijn geslacht!
-</p>
-<p>Mijn voorouderen vormen een rij van vromen. Oud-Hollandsche godvrucht was als erfelijk
-in hun stam. Zij waren waardige zonen van die vaderen, die de uitdrukking van geloof
-en vertrouwen op God tot de leus hunner vendelen en den stempel hunner munten maakten.
-Van dat de eerste, wiens naam voor ons is bewaard gebleven, dezen Bijbel tot een stamregister
-inwijdde met het opschrift: <span class="sc">Soli deo gloria!</span> totdat mijn vader den naam van zijn zoon op dit blad schreef, waren het, met weinig
-uitzonderingen, enkel braven, die hier geboekt staan. Het scheen of hunne inschrijving
-op zulk een gewijden stamboom hen, van de geboorte af aan, tot vereering des Bijbels
-heiligde. Gelijk sommige Edelen door hun adelbrief tot de verdediging van een klooster
-of gewijd gesticht verplicht werden, zoo was het of zij door deze inlijving tot de
-handhaving en bescherming van het Hoogwaardige voorbestemd waren, dat hun naam ontving.
-En was het vreemd, wanneer de moeders, even als <span class="sc">Hanna</span>, bij haar gebed om den zegen des huwelijks, de hand op dezen Bijbel legden en beloofden:
-<span lang="nl">Soo gy myner gedenckt ende uwer dienstmaeght niet en vergeet, maar gheeft uwer dienstmaeght
-een mannelick zaet: So sal ik dat den Heere geven alle de daghen syns levens</span>;—was het vreemd, dat de zoon der verhooring door haar in de dienst van Hem werd opgevoed,
-van wien zij hem ontvangen hadden? Wanneer de vaders, even als <span class="sc">Hamilcar</span>, den jeugdigen knaap bij het outer des Heiligen Woords brachten, en hem daarbij den
-eed van onverzoenlijken haat tegen de vijanden des Hemelschen vaderlands, en van een
-onuitbluschbare liefde voor dien gezegenden grond op de lippen legden; was het vreemd
-dat de jongeling, der eeden zijner kindsheid gedachtig, leefde en stierf in het gevoel,
-dat hem reeds zoo vroeg was ingeboezemd? Of was het misschien, dat de bede des rechtvaardigen,
-die veel vermag, het licht des Allerhoogsten op het hoofd des kinds deed nederdalen?
-Ik weet het niet. Genoeg, dat de deugd des vaders met zijn bloed op den zoon overging,
-en daardoor een stam van edelen gevormd werd, waarop het niet te hoogmoedig is trotsch
-te zijn.
-<span class="pageNum" id="pb92">[<a href="#pb92">92</a>]</span></p>
-<p>Of wat dunkt u? Zou de hooggeborene alleen recht hebben van op zijn afkomst te roemen?
-en zou geen stamboom waarde hebben, die niet door den Raad van adel erkend is? Ik
-kan het niet toegeven. Indien wij onsterfelijke menschen zijn—en dat zijn wij immers,
-Hoogwelgeboren Heeren?—dan moet het ten minste niet minder groot zijn te kunnen zeggen:
-ik ben de telg van een vroom geslacht! dan: Ik ben de loot van een adelijken stam!
-Of hoe? indien het zoo veel zegt, uit een stamvader te zijn afgedaald, die door een
-aangestelden koning edel verklaard is, zou het dan niets zeggen, tot den adel te behooren,
-die door den Koning der koningen, den Koning van eeuwigheid tot eeuwigheid, erkend
-wordt? Indien men het zoo hoog schat den krans op zijn wapen te zien drukken, die
-een Vorst in het uur der zegepraal daarop geplaatst heeft, zou het dan niets beteekenen,
-of de kroon eens hoogeren triomfs door zijn geslacht is weggedragen? Is het dan alles,
-zijn familienaam geboekt te zien op registers, die vergaan kunnen, en niets, te weten,
-dat de naam, dien men draagt, geen vreemde klank is voor het oor des Engels, die „<span lang="nl">het boeck des levens des lams</span>” houdt! En wanneer men er zich bij de menschen op laat voorstaan: hebt eerbied voor
-mij om mijner vaderen wille! zou men het onverschillig achten, dat men zich bij den
-Allerhoogste op zijn vrome vaderen beroepen kan, en met <span class="sc">Salomo</span> alle dingen bidden „om uwes knechts, mijnes Vaders wille?” Voorwaar om dit te beweren,
-moet men een uil of een ezel in zijn wapen voeren. Of zegt, is er dan niets dan het
-verledene? is er dan ook geen toekomst? en wat zeggen dan uw vijf-, zes-, zevenhonderd
-jaren achterwaarts, tegen de even zoo vele millioenen jaren voorwaarts, als er levens
-en bloeiens aan het geslacht des vromen, boven het geslacht des edelen als zoodanig,
-zijn toegezegd? O, het is iets schoons: de vrome Edelman! de palm des Hemels boven
-den lauwer der aarde! de man, die met den voet aan de menschen en met het hoofd aan
-den Heer raakt! de Edele, die als gelijke de eene hand aan koningen, en de andere
-aan Engelen reikt! de gelukkige, wiens naam de verloopen eeuwen aan de nimmer eindigende
-eeuwigheid overleveren! Maar wie tot een stam behoort, bij welken de deugd alleen
-in de wapenleus woont; die in het ridderlijk kleed een slavenhart omdraagt; die van
-zijn wapenbord een dekschild van zijn schande maakt; die het kruis des Ridders van
-de schouderen scheurt om het met de Riddersporen aan flarden te rijten—hem zij gezegd,
-dat hij behoort tot een stam die zal uitsterven. Wèl mag hij de oudheid van zijn geslacht
-verheffen, als hij bedenkt, dat het zijn leeftijd in weinig eeuwen zal hebben afgeleefd.
-O, wanneer alle graven zullen openspringen; marmeren graven en zandgraven; graven
-met ridderwapens en graven zonder titel; graven met een kroon en graven met een kruis
-gedekt; hoe vreemd zullen ze opzien, die daaruit verrijzen zullen, nadat de volgende
-eeuwen des aardrijks er over zijn heen gevloden! Als zoo menige Edele vinden zal,
-dat de <span class="sc">tijd</span> zijn wapenschild gebroken, en het <span class="sc">oordel</span> zijn naam van de lijst der Edelen <span class="pageNum" id="pb93">[<a href="#pb93">93</a>]</span>heeft uitgeschrapt; als zoo menige onedele zien zal, dat de <span class="sc">eeuwigheid</span> zijn naam bewaard, en de <span class="sc">vergelding</span> zijn naam geadeld heeft; als het vonnis des eeuwigen levens of des eeuwigen doods
-zal worden uitgesproken!
-</p>
-<p>Zoo wil ik dan mijn stamboom met geen anderen ruilen. Hij is voor mij, even zoo goed
-als voor den Edelman, een stem van vermaning om mijn vaderen in hun graf door de navolging
-hunner deugden te vereeren. En o! hoe luid die stem tot mij spreekt. Wanneer ik dit
-blad opsla, en mijn oog over al die namen dwaalt, bij de menschen vergeten, maar bekend
-bij God, dan is het mij of ik mij door een wolk van getuigen omringd zie, die mij
-opwekken en aanvuren om de loopbane te loopen, die mij is voorgesteld. Welk een achtbare
-kring van toeschouwers! Nooit streed de kampvechter in het Olympisch worstelperk,
-waar zich de bloem van Griekenland vereenigde, voor het oog van een edeler schare!
-En dan dat gezicht van al die leuzen der zege boven hunne namen opgehangen: In den
-Heer ontslapen—In vrede heengegaan—Tot zijn vaderen verzameld—hoe blinken ze mij in
-de oogen! O, zoo men het wel eens betreurd heeft, dat de krans der overwinning, die
-den Christenstrijder bij het bereiken van den eindpaal wordt toegewezen, hem eerst
-op het hoofd geplaatst wordt, als hij de tente der ruste is binnengegaan, waarvoor
-het ondoordringbaar gordijn des doods hangt, dan is het toch iets, zoo vele namen
-te zien, waaraan de hand der achterblijvenden, met volle vertrouwen op de goedertierenheid
-des „Rechtveerdigen Rechters”, den lauwer der overwinning gehecht heeft. En wanneer
-dan deze namen, met zulk een hemelsche glorie omschenen, op ons hoofd zijn afgedaald,
-zou men zich dan niet aangespoord gevoelen om rein te houden, wat men zuiver ontving,
-en, zoo veel men kan, in zijn deugd, als in een helderen waterspiegel, de ster te
-weêrkaatsen, waarvan de wedergade aan den hemel blinkt?
-</p>
-<p>Van wedergade gesproken, het is een weêrgaloos lastig ding, dat ik zoo verslingerd
-schijn te wezen op vergelijkingen. Dat komt van die ongeregelde verbeelding! Eens
-voor altijd vraag ik er hierbij verschooning voor. En als ik een verzoek doen mocht,
-zou ik wel willen vragen, dat de Recensenten, bij hun aanmerkingen, vooral tegen dit
-gebrek mogen te veld trekken; want het lijkt wel, dat mijn eigen overtuiging niet
-bij machte is mij van dit zwak af te brengen. En het is mijn spreuk: die niet hooren
-wil moet voelen. Dit <i lang="la">in parenthesi</i>, zoo als mijn Rector placht te zeggen.
-</p>
-<p>Zie hem daar liggen, mijn ouden, deftigen Staten-Bijbel! O, ik zie hem zoo gaarne
-in dit kleed! Dat folio-formaat, die zware donkere omslag, die groote koperen sloten,
-hebben voor mijn gevoel iets eigenaardigs. Ik vind het zoo goed, dat men het den Bijbel
-terstond kan aanzien, dat het geen gewoon boek is. Gij gevoelt dus, dat<span id="xd31e2917"></span> ik met al die miniatuur-uitgaafjes niet veel op heb. Ik moet bekennen, aardig zijn
-ze, hondjes van Bijbeltjes, gelijk ik wel eens heb hooren zeggen, <span class="pageNum" id="pb94">[<a href="#pb94">94</a>]</span>en gemakkelijk ook. Ik heb Engelsche <i lang="en">diamond editions</i> gezien, waarvan men er vijftig te gelijk in den rokzak kon steken. Maar toch willen
-ze mij niet recht bevallen. Ik weet wel, Mejufvrouw! het doet er niets toe, of UEd.
-met een 8° of 32° naar de kerk gaat, als uw mooie oogen de letters maar lezen kunnen.
-En als UEd. iets van den zang verstaat, komt het er niet op aan, al zijn in uw klein
-gezangboekje bij de meeste coupletten de muzieknoten weggelaten. Maar toch, er is
-voor mijn gevoel in die dwergjes van Bijbels iets ergerlijks. Het is voor mij—vergeef
-mij—of men den Bijbel wil wegsteken. Zie, ik vind er iets eerwaardigs in, als ik op
-den dag des Heeren een Dame van den ouderwetschen stempel naar Gods huis zie opgaan
-met een grooten Bijbel met sloten in de hand, die zij, even als een soldaat zijn geweer,
-fier tegen den linker boezem draagt. Men ziet het haar ten minste aan, dat zij naar
-Gods huis gaat, en eerbied genoeg heeft voor Zijn woord om het openlijk ten toon te
-dragen. Maar UEd. drentelt daarheen, zonder dat men merken kan of UEd. gaat bidden
-of rijden. En als UEd. uit de kerk een visite bij uw vriendin <span class="sc">Angelique</span> gaat maken, moet uw Bijbeltje al juist te gelijk met uw <i>flacon</i> uit uw zakdoek vallen, of niemand zou weten, dat UEd. den zondag gevierd had. Nog
-eens; ik weet wel, dat men den schat des Evangelies zoo wel in een schildpadden, als
-in een bordpapieren vat kan bewaren; ik weet wel, dat het <i>Onze Vader</i>, met calligraphische kunst op den omtrek van een stuivertje geschreven, even zoo
-wel het <span class="corr" id="xd31e2932" title="Bron: allervolmaaakste">allervolmaaktste</span> gebed is als het onze Vader in de Groote kerk, met vingerlange Gothische letters,
-op het houten schild tegenover uw bank geschilderd. Maar toch, zoo lang ik niet zie,
-dat UEd. uw <i>mantille</i> over de <i>agrafe</i> haalt, die uw <i>collier</i> sluit, of uw versierde vingers in onopengewerkte handschoenen verbergt, zal ik er
-tegen blijven morren, dat gij u met een Bijbeltje behelpt, dat uw naaste buurvrouw
-nauwelijks zien kan.
-</p>
-<p>Ja, ware het, dat men er zulke kleine Bijbeltjes op nahield, om er een <i>vademecum</i> van te maken en ze overal bij de hand te hebben; ware het, dat men nu ook den inhoud
-niet alleen gemakkelijker in de hand, maar ook beter in het hoofd hield dan onze vaderen;
-dan mocht ik er vrede meê hebben. Maar wees oprecht en antwoord: is het wel zoo? is
-het niet veeleer waar, dat het schijnt als of met den Bijbel ook de hersens gekrompen
-zijn? Want zie, al was hun Bijbel nog zoo groot en omslachtig, onze voorouders schenen
-er niet tegen op te zien hem in het hoofd te brengen; zoodat velen hunner in een hooger
-zin dan de oude wijsgeer zeggen konden: <i lang="la">Omnia mea mecum porto</i>. Maar bij vele onzer tegenwoordige jonge menschen, al kunnen zij hun Bijbel omtrent
-wegblazen, er schijnt maar geen aanleeren aan te zijn. Hoor den Dominé den tekst eens
-aflezen, en let dan eens op, hoeveel dametjes in dat kleine, kleine boekje niet eens
-den weg weten, maar in die korte paadjes nog verdwalen. O, ik heb wel eens gevreesd
-dat die <i>Bibliola</i> het symbolum van een leelijk ding waren: van een soort van miniatuur-godsdienst,
-naar de mode dezer dagen verknipt en versneden, die men overal met zich <span class="pageNum" id="pb95">[<a href="#pb95">95</a>]</span>kan nemen, zonder dat zij ooit hindert; ja, waarvan men niets merken zou, als zij
-niet tusschen beide, bij het een of ander ongelukje, uit haar schuilhoek te voorschijn
-kwam. Maar foei, ik wil mij liever gewennen, tegen zulke zwaarmoedige gedachten op
-mijn hoede te wezen; ik geloof dat zij Hem, wiens zaak ik er door meen voor te staan,
-meer oneer, dan eere aandoen. Indedaad! als ik maar alleen aan de dagen terug denk,
-toen slechts weinige vergankelijke bladen de woorden des eeuwigens levens bewaarden.—broze
-planken met den schat der wereld bezwaard!—dan vind ik mijzelven kleinhartig en ondankbaar,
-dat ik, om de uitwendige inkorting van het wetboek, terstond aan een inperking van
-het rijk denk, door van kleine bijbels tot kleine Christenen, en van kleine Christenen
-tot een klein Christendom te besluiten!
-</p>
-<p>Zie mij daar mooi van den tekst afgedwaald. Nu, ik sta ook op geen katheder, en heb
-mijn verdeeling niet van te voren opgegeven. Als het waar is, wat <span class="sc">Bilderdijk</span> zegt, dat in elken schrijfstijl de overgangen het moeielijkst zijn, ik zal zoo vrij
-zijn over die moeilijkheden heen te springen, door geen overgang in het geheel te
-maken.
-</p>
-<p>Om dan weêr tot mijn register terug te keeren; hoeveel en velerlei gewaarwordingen
-rijzen er bij mij op, als ik het aanzie. Ziedaar de geschiedenis van geheele geslachten
-in een klein bestek saamgevat. Wat er buiten dat met hen gebeurde, is nauwlijks der
-vermelding waardig. Hier vind ik de aanteekening van hun intrede in de wereld, van
-de vader- en moedervreugde door hen gesmaakt, van de vader- en moedersmart door hen
-geleden, en van de wijze huns ontslapens. Alles saamgenomen, niet veel meer dan het
-bericht des ouden Geschiedschrijvers: <span lang="nl"><span class="sc">Henoch</span> dan wandelde met Godt, en Godt nam hem wech.</span> Maar waarom meer? Voor hen, op wie naderhand deze Bijbel zou overgaan, was dit weinige
-genoeg. Want dit alleen was van voortdurend belang; het overige rust met hun stof
-onder hunne zerken.
-</p>
-<p>Op welk een waardige wijze heeft mijn Oudvader dit register ingewijd en geopend! <span class="sc">Solo deo gloria</span> staat met groote letters bovenaan. Daaronder vindt gij de woorden van <span class="sc">Josua</span>: <span lang="nl">Aengaende my en de myn huys, wy sullen den Heere dienen.</span> Vervolgens zijn naam.
-</p>
-<p><span lang="nl">Aengaende my ende myn huys, wy sullen den Heere dienen.</span> Welk een plechtige verbintenis voor hem en de zijnen! Zeker stelde hij zich daarbij
-zijn nakomelingschap voor den geest, in wiens handen deze Bijbel komen zou. Zij zouden
-het daar lezen, wat hun Stamvader voor hen aan den Heer had toegezegd. Aan hen was
-het nakomen dier verbintenis opgedragen. Zij moesten nu weten, of zij dezen altaar
-der getuigenis wilden omwerpen, of daarop den eed huns vaders herhalen! Zij moesten
-het weten, of zij de assche des mans door hun afval in zijn graf ontrusten, of door
-hun getrouwheid daarop een eerzuil stichten wilden. Hij had het zijne gedaan. Hij
-liet het overige aan hun verantwoording over. O, wie weet, hoe menigeen, die de handen
-reeds tot het kwade had uitgestrekt, ze gebonden heeft gevoeld door die gelofte: <span lang="nl">Aengaende my ende myn huys, wy zullen den Heere dienen</span>?
-<span class="pageNum" id="pb96">[<a href="#pb96">96</a>]</span></p>
-<p>Hoe het zij, niet alleen het onderschrift bij den naam des mans geplaatst: in den
-Heere ontslapen; maar zoo vele andere soortgelijke onderschriften, bij de namen zijner
-afstammelingen gevoegd, bewijzen dat dit woord niet ter aarde gevallen is. En de vrome
-man kan met vroolijk vertrouwen met zijn talrijke nakomelingschap, zich voor het aangezicht
-des <span class="corr" id="xd31e2986" title="Bron: Allerhoogten">Allerhoogsten</span> scharen en op hen wijzen: Aangaande mij en mijn huis, wij hebben gezocht u te dienen!
-</p>
-<p>Maar al klinken die getuigenissen nog zoo vriendelijk en uitlokkend: In vrede heen
-gegaan—Zalig verscheiden—In hope ontslapen; het is toch ook aandoenlijk te bedenken,
-hoe veel smart er in deze woorden ligt opgesloten. O, hoe menige traan zal daarop
-gevallen zijn! Mijn oude Bijbel! Indien alle Bijbels veel smarte zien, en de vertrouwden
-van veel lijden zijn, gij vooral zijt de getuige van veel rouw geweest. Hoe menig
-verscheurd vaderhart zal, over u heengebogen, zijn jammer hebben uitgekreten, terwijl
-de hand het woord des doods onder den naam van een geliefd kind schreef! hoe menige
-bedroefde wees zal de pen aan de vingers hebben voelen ontvallen, die op dit blad
-het bitterste oogenblik zijns levens aanteekenden! hoe menig treurende echtgenoot
-zal als met zijn hartebloed die wreede letteren geschreven hebben, waarmede hij hier
-de grootste ramp zijns levens boekte! O, gij zijt als een geliefd grafteeken, lauw
-van zuchten, en nat van tranen!
-</p>
-<p>Treffend is het te zien, hoe verschillend zich de smart hier heeft uitgedrukt; want
-de meesten hebben bij hunne eenvoudige berichten uit hun leven een enkel woord uit
-hun hart gevoegd. Bij het eene lees ik kalme berusting: <span lang="nl">De Heere heeft gegeven, ende de Heere heeft genomen, de naem des Heeren zij gelooft.</span> Bij den anderen meer dan berusting, dankbare goedkeuring van Gods beschikking: <span lang="nl">Nu laat gij, Heere, uwen dienstknecht gaen in vrede, na uw woort. Bij sommigen weder
-diepe droefheid: Ick zal rouwbedryvende tot mynen sone in ’t graf nederdalen. Bij
-anderen eindelijk hartstochtelijke smart: Och dat ick, ick, voor u ghestorven ware,
-<span class="sc">Absalon</span>, myn sone, myn sone!</span>
-</p>
-<p>Maar o, hoe hartverheffend daarbij te bedenken: voor die allen heeft deze Bijbel troost
-gehad. Dat vertrouwen van hun smart aan zijn bladen, het was als het vluchten van
-een kind tot zijn moeder, om in haar boezem zijn leed uit te storten. Neen, die Bijbel
-nam die wreede letters niet aan, even als de grafsteen, waarop het harde en kille
-woord dood nog harder en kouder schijnt; maar hij nam ze in zijn weeke borst op, om
-ze met zachte en warme woorden van troost te beantwoorden. Niemand ging ledig van
-hier; voor iedereen had hij een bemoediging naar zijn behoefte; voor den eenen viel
-dit, voor den anderen dat zijner bladen open, maar voor ieder juist hetgeen hem meest
-noodig was<span class="corr" id="xd31e3003" title="Bron: ,">.</span> Het was of een Engel naast hen stond en de bladen opsloeg! O! als ik dat bedenk,
-valt mijn oog met onuitsprekelijke liefde op u, Hemelsch woord der vertroosting! Nu,
-dan wil ik u ook als zoodanig in eere houden. En, ontvang mijn gelofte! als er kwade
-dagen komen, gij zult de eerste zijn, tot wien ik mijne toevlucht neem. <span class="pageNum" id="pb97">[<a href="#pb97">97</a>]</span>Ik zal tot u komen en u toeroepen: Gij hebt den vader vertroost: vertroost ook den
-zoon!
-</p>
-<p>Maar als met zoo veel roode letters onder de zwarte, hoe vele vroolijke berichten
-staan hier niet opgeteekend! Ik kan ze nauwelijks tellen! hoeveel zalige huwelijksvereenigingen!
-hoe veel van God afgebeden kinderen! hoe veel vroolijke en heugelijke feestdagen!
-</p>
-<p>Zalige huwelijksvereenigingen! O, mij dunkt, ik zie den bruidegom, zooals hij uit
-het heiligdom des Heeren weêrgekeerd, zijn blozende bruid terstond naar dezen Bijbel
-voert, om haar in het familieregister op te teekenen. Ik zie ze daar beide staan met
-die wolk van ernst, half als een weggeslagen sluier over het blosje der vreugde gespreid;
-met dat drijvende oog, beurtelings opgeheven en op elkander geslagen; met die mengeling
-van vroolijkheid en weemoed in hun geheele houding. Met vingers tintelende van ongeduld
-schrijft de gelukkige man hun beider namen naast elkander, onder de namen zijner ouderen.
-Zie, men kan het de letters nog aanzien, hoe zijn hand daarbij gebeefd heeft! straks
-werpt hij de pen van zich, en slaat zijn armen om de geliefde vrouw, die hij alsnu
-plechtig onder de bescherming van zijn huisgoden heeft geplaatst. En nu, nu zie ik
-ze beide de kniën bij den Bijbel nederbuigen, en zich daar voornemen:
-</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line">Niet waar? Wy zullen op ons pad </p>
-<p class="line">Gedurig samen nederknielen, </p>
-<p class="line">En brengen ’t offer onzer zielen, </p>
-<p class="line">Wien onze kindschheid vroeg aanbad; </p>
-<p class="line">Wij zullen samen, alle dagen, </p>
-<p class="line">Dat boek ontsluiten van den Heer, </p>
-<p class="line">Ons laven aan zijn liefdeleer, </p>
-<p class="line">En om zijn Hemelsch manna vragen. </p>
-<p class="line">Wy zullen, Dierbaarste! iedre smart, </p>
-<p class="line">Die bittre tranen vergt of zuchten, </p>
-<p class="line">Bij ’s Heeren troostrijk woord ontvluchten; </p>
-<p class="line">En, met den Bijbel aan ons hart, </p>
-<p class="line">Ten laatste ook den Dood niet duchten, </p>
-<p class="line">Wiens prikkel weggenomen werd. </p>
-</div>
-<p class="first">Dat was toch treffender en stichtelijker, dunkt mij, dan de gewoonte van heden om
-zoo spoedig mogelijk met den ontvangen huwelijkszegen op den loop te gaan. Foei, ik
-kan mij met die leelijke mode nog maar niet verzoenen. Nauwelijks zijn de handen van
-het bruidspaar ineen gelegd, of de reiskoets eischt ze op. Ter nauwernood wordt aan
-de bruid de tijd gelaten om, aan de voeten van haar ouders gezonken, hun zegen over
-haar hoofd af te smeeken. O, hoe wordt de arme het vertrek uit het ouderlijk huis
-verzwaard. Zij mag van zooveel dierbare herinneringen niet eens plechtig afscheid
-nemen. Zij heeft nog zooveel geliefde plekjes te begroeten, nog zooveel geliefde voorwerpen
-vaarwel te zeggen.… Mevrouw, het rijtuig wacht!—Zij heeft behoefte, nog eens bij haar
-maagdelijk leger, waarvoor ze zoo <span class="pageNum" id="pb98">[<a href="#pb98">98</a>]</span>dikwijls nederknielde, de kniën te buigen om haar lot aan den Leidsman harer kindsheid
-aan te bevelen.… Zijt gij gereed?—Zij moet een lieven broeder, een trouwe zuster verlaten,
-en heeft hun nog zooveel te zeggen.… Komt gij haast?—Daar in de verte staan hare speelnooten,
-de vriendinnen harer jeugd, die zij nog geen enkel woord heeft kunnen toespreken.…
-Kom dan toch!—Alles achter haar, alles rondom haar roept haar toe: Blijf! Maar de
-stem haars bruidegoms, nu haar meester, gebiedt haar: Ga! en zij brengt de liefde
-des kinds aan de liefde der bruid ten offer! een voorteeken van de bestemming die
-haar wacht. O, ik weet het, zij doet het, zij doet het gaarne; zij heeft den man,
-die haar opeischt, lief, liever dan de betrekkingen, die haar willen terughouden.
-Het is voor haar niet alleen <span class="corr" id="xd31e3031" title="Bron: eeu">een</span> plicht, het is voor haar een geluk, wat haar is opgelegd: vader en moeder te verlaten
-om alleen haren man aan te hangen; zij is er ook verre af zijn recht te betwisten.
-Maar ik vraag alleen voor haar: is het vriendelijk, dat recht terstond zoo hard <span class="corr" id="xd31e3034" title="Bron: tedoen">te doen</span> gelden?
-</p>
-<p>En al ware het, Mijnheer! dat uw bruid uw verkiezing deelde, ik blijf zeggen, dat
-het een ongelukkige gewoonte is!
-</p>
-<p>Een kat, die een stuk vleesch van tafel gestolen heeft, en met haar buit in den bek
-over de daken vliegt, tot zij een veilig hoekje vindt, waar zij in vrede haar roof
-genieten kan: ziedaar, met uw verlof, het bevallige beeld van den hedendaagschen bruidegom.
-Vroeger schaakten de minnaars hun liefje vóór het huwelijk; het heeft er veel van,
-of zij ze nu na het huwelijk schaken. Niemand die de jonggetrouwden, hals over kop,
-als twee gekoppelde doggen, zonder stilstaan of omzien, den huwelijksweg ziet ophollen,
-zou, naar ’t uiterlijk te oordeelen, kunnen gelooven, dat hun verbindtenis waarlijk
-„met goedkeuring van wederzijdsche ouders” gesloten is. Is het wonder dat de liefde
-van menig echtpaar het zoo kort uithoudt, daar zij begint met zich buiten adem te
-loopen? In waarheid, men doet veeleer, of het huwelijksgeluk een schat is, door den
-Draak van den <i lang="de">Drachenfelz</i> of den Berggeest van het <i>Zevengebergte</i> bewaakt, uit wiens klauwen men het moet gaan halen, dan of het een gouden kleinood
-ware, dat, even als in de kindersprookjes, in den grond onder den huiselijken haard
-verborgen ligt, en door den ooievaar, die op het dak nestelt, bewaard wordt. O, ik
-weet wel, dat de eerste oogenblikken, waarin twee gelieven elkander voor het eerst
-geheel de hunne noemen, altijd overgelukkig zijn. Maar gij zult mij toch vergunnen
-het er voor te houden, dat er voor dat geluk een beter tooneel is, dan een reiskales
-op den straatweg. „Zoo zijt gij dan geheel de mijne! Ik ken geen grenzen voor mijn
-geluk!”—„Een tolhek, Mijnheer!”—„Ik gevoel mijzelven niet! Ik weet niet waar ik ben!”—„Halfweg!
-hier krijgen de paarden water.”—„Een hemel van … hots hots—(hier is het gelukkige
-paar op een opgebroken straatweg,) van zaligheid … hots-hots … druk ik in u … hots-hots
-… aan mijn … hots-hots … hart!” Was het dan niet beter, stilletjes te huis te <span class="pageNum" id="pb99">[<a href="#pb99">99</a>]</span>blijven, en daar, in de vredige schaduw der ouderlijke liefde en onder het stralend
-licht der ouderlijke vreugde, de eerstelingen van een geluk te genieten, dat, zoo
-het een waarachtig geluk zijn zal, een stil geluk zal moeten wezen?
-</p>
-<p>En al ware de huwelijksreize van de zijde van het jonge paar goed te maken, van den
-kant der nablijvende betrekkingen zal er zich altijd een stem tegen blijven verheffen.
-Waarlijk, de jonggehuwden vergrijpen zich hoogelijk aan den zoeten plicht van anderen
-in zijn vreugde te laten deelen. Begrijpen zij dan niet, hoe zalig het voor hun vader
-zou geweest zijn, hun verliefde dronkenschap te bespieden? welk een verrukking hun
-moeder in den aanblik hunner wederzijdsche teederheid zou geschept hebben? Weten ze
-dan niet, welk een aangenaam, vroolijk hartverheffend schouwspel voor ieder goed hart
-het gezicht van een gelukkig bruidspaar is? Waarlijk, wat zij ons nu ontnemen, kunnen
-zij ons nimmer teruggeven. Het huwelijksheil moge verder ongestoord blijven ja zelfs
-toenemen, het vertoont zich nooit meer zoo zichtbaar en liefelijk naar buiten! het
-is het openspringen van den knop des genots, waarvan zij ons het gezicht ontrooven.
-Zie, hoe treurig wij achterblijven. De laatste kus is gegeven, de laatste handdruk
-gewisseld, het laatste vaarwel toegeroepen, de wuivende zakdoek verdwenen, het geluid
-van het hen wegvoerende rijtuig gestorven.… wij keeren naar binnen terug. Hoe treurig
-is het daar! Zijn dat zoete vreugdetranen, feestvierende moeder, die u langs de wangen
-biggelen? Neen! die tranen zijn bitter: er is smart in, de diepste smart, die des
-afscheids.—Is dat een blijde glimlach, jubelende vader, die u om de lippen speelt?
-Neen! het is een pijnlijke lach: er is droefheid in, de droefheid des vaarwels.—En
-wij allen—wat staan wij vreemd en stijf tegenover elkander! Overal missen wij de bruid.
-Sedert zij vertrokken is, is alles van aanzien veranderd. Het groen langs de wanden
-schreeuwt nu tegen ons aan; de bloemen, langs den grond voor het bruidspaar uitgestrooid,
-springen ons voor het hoofd. Eindelijk komt men tot zitten. Het is nu toch een feest;
-men moet het vieren. Nu ja, men viert het ook. Men schikt zich rondom de tafel: men
-eet, men drinkt, men praat, men lacht. Maar er blijft toch iets schrikkelijk ledigs
-over. Bij iederen feestdronk volgen honderd zuchten de geliefde vluchtelingen. Men
-staat eigenlijk in den geest veel meer achter op den reiswagen, dan men achter de
-tafel zit. Ieder oogenblik breekt er een het gesprek af: Nu zijn ze reeds hier!—Nu
-zijn ze daar!—Nu zullen zij er haast wezen!—Nu zijn zij er!—Foei, het is een treurig
-vieren van het blijdste feest ter wereld!—Jonge menschen! ik wensch u in uw huwelijk
-zooveel vreugde als ooit door een echtpaar gesmaakt is. Maar ik zeg, dat het kwalijk
-van u gedaan is, uw vreugde te beginnen met de onze te bederven!
-</p>
-<p>Doch ik wil mij niet boos maken. Daarom wend ik het oog liever naar de Geboorteberichten,
-waarvan ik zoo menige blijde aankondiging voor mij heb.
-<span class="pageNum" id="pb100">[<a href="#pb100">100</a>]</span></p>
-<p>Vader- en moedervreugde! hoe dikwijls spraakt gij uw blijdschap in de woorden uit,
-die ze hier vereeuwigen? Wie zou al het geluk kunnen beseffen, dat daarin is uitgedrukt?
-Zoo iemand, zeker alleen een vader of moeder zelve, <span class="sc">Jonathan</span> niet. Maar toch heb ik gevoel voor het gevoel, dat ik niet ken, en, indien gij het
-mij wilt toestaan, vaders en moeders! ik deel sympathetisch in uw geluk. Neen, ik
-weet niet wat het is: zijn aanzijn verdubbeld te zien, in zijn evenbeeld te herleven,
-zijn hart als in een anderen boezem te voelen kloppen, en zijn bloed in eens anders
-polsen jagen; ja, een schaduw te ontwaren van het genot des Volzaligen, die genoemd
-wordt: <span class="sc">Alvader!</span> Maar ik kan toch bevroeden, wat het is, een lief, onnoozel schepsel te hebben, waaraan
-men met het geheele hart hangt; dat u met de zoetste namen noemt; dat aan uw boezem
-spelende, daarvan alle zorgen verjaagt, zooals het u dwingt alles van uw schoot te
-zetten; dat uw eenzaamheid vervult en uw huis vervroolijkt; dat aan uw verouderend
-hart een jonge liefde, en aan uw stervende eerzucht een nieuw doel geeft; dat u schemerend
-doet gevoelen, waarom het de naam van hetzelfde wezen is: <span class="sc">Volzalige, zaligmaker!</span> Zoo zijn het dan voor mij geen doode letters, waarin ik de uitstorting des vaderlijken
-gevoels in de ure des vaderzegens leze. En wie zou ook koel kunnen blijven bij de
-gedachte aan zoo vele gelukkigen, als dit blad met blijde vadertranen doorweekt hebben?
-Of spreekt niet de stemme huns gejuichs nog in de vroolijke uitboezemingen der dankbaarheid
-aan God, op dit papier uitgestort? Hier is het een vader, die zijn zoon <span class="sc">Godgeschenk</span> noemt, want, voegt hij er bij, ik heb hem van den Heer gekregen.—Daar is het een
-ander die terstond van zijn dierbaar recht gebruik maakt, om voor zijn kind te bidden:
-Och dat <span class="sc">Ismael</span> mochte leven voor uw aangesichte!—Ginds is het weder een ander, die, in de vreugde
-zijns harten, van zijn vreugde een altaar der getuigenis maakt om in de volgende donkere
-dagen ter bemoediging aan te zien.—Ja, ik vond er trekken in, die een verhevenheid
-ademen, welke het hart roert en opheft. Neem eens den zonderlingen, maar stouten inval
-van den vader, die met een hard trillende van aandoening schrijft:
-</p>
-<p>Dankbaar erken ik heden van God ter leen ontvangen te hebben mijn lieven zoon <span class="sc">Johannes</span>, mij bereid erkennende hem op elken oogenblik weder af te staan.
-</p>
-<p>Met het terstond daarop volgende:
-</p>
-<p lang="nl">Hier ben ick!
-</p>
-<p>van <span class="sc">Abraham</span>.—Neem eens de berusting eens beroofden echtgenoots, die zijn kind duur heeft moeten
-koopen,—al te duur, zegt <span class="sc">Borger</span>,—en den Zoon der smarte, <span class="sc">Ben-Oni</span>, met den Aartsvader <span class="sc">Ben-Jamin</span> noemt: Zoon der rechterhand, want hij zal mij sterken.—Neem eens dien trek, die den
-wijsgeer schetst, en toch ook den bekommerden vader niet verloochent, dien ge bij
-mijn naam vindt: <span lang="nl">Beter is de dagh des doods, dan de dagh dat yemand geboren wordt.</span>—O, het zijn slechts korte woorden, die ge hier aantreft, maar woorden vol zin en
-<span class="pageNum" id="pb101">[<a href="#pb101">101</a>]</span>beteekenis, die een geheel karakter, een geheel leven schetsen. En indien het waar
-is wat men zegt, dat er sommige oogenblikken in het menschelijk leven zijn, waaruit
-men den mensch geheel kan leeren kennen, dan zijn die korte opschriften uit de gewichtigste
-uren des levens even als zoovele familieportretten van de verschillende leden des
-geslachts, schoon in die verscheidenheid allen denzelfden familietrek bewarende, en
-dezelfde leus voerende: <span class="sc">Soli deo gloria</span>.
-</p>
-<p>En weet ge wat mede het voorrecht van zulk een Stamboom is? De naamgeving krijgt er
-eenige beduidenis door. Ik moet er toch voor uitkomen, dat het mij aan het hart gaat,
-dat zulk een treffend gebruik tot zulk een nietige ceremonie geworden is. Indedaad,
-dat deden de Hebreeuwen beter. Zij gaven hunnen kinderen een naam naar de hope, die
-zij van hen koesterden, naar de deugd, tot wier beoefening zij ze bovenal verplichten
-wilden. Zoo was het met <span class="sc">Petrus</span>: <span lang="nl">Ghy zyt <span class="sc">Simon</span>, ghy sult genaemt worden <span class="sc">Cephas</span>!</span>—Vergat gij het, <span class="sc">Simon</span>, in den nacht, toen de Rots der gemeente voor het vuur der verzoeking versmolt? Dan
-dacht gij er toch aan, toen gij, van uwen val opgestaan, het houten kruis uw arduinen
-moed ten grondslag gaaft!—Gewis bij hen was de naam hun gegeven
-</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line xd31e490">Een stem der leeringe, en een woord </p>
-<p class="line xd31e490">Van wijsheid, op hun pad gehoord, </p>
-<p class="line">En nooit verachtloosd of vergeten; </p>
-<p class="line">Een andere inspraak van ’t geweten, </p>
-<p class="line xd31e490">Een licht dat voor hun voeten gloort. </p>
-</div>
-<p class="first">Bij ons! ik mag er niet aan denken. Wie denkt er aan, vader of peter, wanneer hij
-zijn naam op den jonggeborene overdraagt, wat die naam beteekent? En toch hebben de
-meeste van onze namen zulke schoone beteekenissen! te schooner, wanneer zij tevens
-door geliefde Heiligen gevoerd zijn! Verbeeld u eens, dat men alle <span class="sc">Johannessen</span> den plicht inscherpte om het zacht en beminnelijk beeld des Apostels te dragen, wiens
-naam ze voeren. Verbeeldt u, dat men alle <span class="sc">Maria’s</span> dien stillen, vromen geest zocht in te boezemen, dien men onwillekeurig aan dien
-naam verbindt. Mijn lieve moeder althans heeft mij wel degelijk bij mijn <span class="sc">Jonathans</span>-naam een <span class="sc">Jonathans</span>-hart zoeken te geven; en indien het haar niet beter gelukt is, wijt de schuld alleen
-aan mijn wederstrevigheid. Maar het is zoo, dan moesten ook die nare en leelijke verminkingen
-en verkortingen uit den weg. Foei, hoe ik er mij aan ergeren kan! Gij lacht, als uw
-knecht den een of anderen vreemden naam mishandelt, en gij zelf, gij misvormt<span id="xd31e3140"></span> den schoonen <span class="corr" id="xd31e3143" title="Bron: zinrijden">zinrijken</span> naam van uw eigen kind tot een leêgen, dooden klank. Waar zijt gij, onze <span class="sc">Abrahams</span> en <span class="sc">Rebecca’s</span>, onze <span class="sc">Johannessen</span> en <span class="sc">Magdalena’s</span>, onze <span class="sc">Petrussen</span> en <span class="sc">Maria’s</span>? Ik herken u niet in onze <span class="sc">Brammetjes</span> en <span class="sc">Pietjes</span>, <span class="sc">Jantjes</span> en <span class="sc">Mietjes</span>.
-</p>
-<div lang="fr" class="lgouter">
-<p class="line"><i>Pour que ton nom sonnât plus doux dans la maison,</i> </p>
-<p class="line"><i>D’un nom mélodieux nous l’avions baptisée.</i> </p>
-</div>
-<p><span class="pageNum" id="pb102">[<a href="#pb102">102</a>]</span></p>
-<p>In ernst, ik zou er boos om kunnen worden; en met Tollens willen uitvaren:
-</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line">Neen, dien achtbren naam mij nooit </p>
-<p class="line">Tot een beuzelklank verplooid! </p>
-</div>
-<p class="first">Immers ontneemt gij aan uw namen alle kracht. O, Met welk een nadruk kon mijn moeder
-mij toeroepen: <span class="sc">Jonathan! Jonathan!</span>—er lag een diepe zin van waarschuwing in dien uitroep. Maar als ik mij nu verbeeld,
-dat zij mij vermaand hadde: <span class="sc">Joontje! Joontje!</span> of <span class="sc">Tannetje! Tannetje!</span> zeker ik geloof niet, dat die stem mij tot nu toe zou zijn bijgebleven. Maar niet
-aldus in mijn geslacht. Menige uitdrukking op mijn register toont, dat men er nog
-iets bij dacht, als men een kind bij den Christelijken doop zijn Christelijken naam
-gaf.
-</p>
-<p>Mijn eerwaardige Stamboom? Zeker hadt gij verdiend langer in het geslacht te blijven,
-welks naam gij voert, dan nu, helaas! het geval zal zijn. Gij hadt nog met menigen
-telg uit onzen stam kunnen vermeerderd worden. Maar het zal zoo niet wezen. De man,
-die voor u staat is de laatste van zijn naam. In en met hem zult ook gij uitsterven.
-Zeg mij, zijn er bitterder tranen, dan dit gevoel mij op uwe bladen doet vergieten?
-ik geloof het niet. Anders zijn er al zeer bittere tranen. Bereid u dus tot een spoedige
-rust. Nog één naam—gij zult nooit een koeler hand op uw bladen gevoeld hebben—en alles
-is voorbij!—Mijn erfgenaam heeft niets dan den dag van mijn overlijden in te vullen.
-Mijn grafschrift heb ik zelve reeds bij mijn naam gevoegd:
-</p>
-<p lang="nl">Beter de dagh des doodts, dan de dagh dat yemand geboren wordt!
-<span class="pageNum" id="pb103">[<a href="#pb103">103</a>]</span> </p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch11" class="div1 story"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e7202">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="main">HET PORTRET.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Ja, ik ben ook geportretteerd.
-</p>
-<p>Wees evenwel niet te haastig, met dadelijk aan een prachtig schilderstuk van <span class="sc">Hodges</span> of <span class="sc">Kruseman</span> te denken. Van waar zou mij zulk een aanmatiging komen? Immers, wat heeft de schoone
-kunst met mijn onbeduidende figuur uitstaande? Ik sta er voor in, dat het op de wereld
-nooit aan stalen van mijn soort ontbreken zal. Ik gevoel mij dus volstrekt niet aan
-de nakomelingschap verplicht, haar een afbeelding van mijn wezen na te laten. Hierbij
-komt, dat ik te veel eerbied voor de kunst heb, om mij haar ten voorwerp op te dringen.
-Als ik mijn hoofd ginds even buiten ’t raam steek en den hemel en de aarde aanzie,
-zie ik wel duizend voorwerpen, die schilderachtiger zijn dan ik. Waarom zou ik, horzel
-in Gods bloemengaarde, dan niet even als zij willen voorbij gaan, zonder in beeltenis
-te blijven bestaan? Integendeel gaat mijn nederige schroom hierin zoo ver, dat ik,
-als ik ’s zomers buiten wandel, er bijna een gewetenszaak van maak, te dicht bij het
-spiegelend water te komen, omdat het mij aan het hart gaat, als ik het op eens, in
-plaats van Gods blauwen hemel en zijn lieve boomen, mijn lange magere gestalte zie
-terugkaatsen. En al was ik mooier, of had ik ten minste zulk een voorkomen als de
-liefhebbers van de schilderkunst, <i lang="la">per euphemismum</i>, een veelbeduidenden kop noemen, eilieve! voor wien op de wereld zou ik mij laten
-uitschilderen? Voor de kunstkenners misschien, om na vijfentwintig jaren op den catalogus
-van hun kabinet voor te komen onder de vereerende rubriek:
-</p>
-<p>N<sup>o</sup><span class="corr" id="xd31e3223" title="Niet in bron">.</span> 98. Een mansportret door **** en dan de naam van den bekenden schilder des onbekenden.
-</p>
-<p>Of wel om, indien ik mij door een kladder liet afbeelden, nog eens <i lang="fr">in effigie</i> op een boelhuis te worden geveild:
-</p>
-<p>N<sup>o</sup>. 25. Een manspersoon.—Één gulden en vijftig cents.—Niemand?—Nu, voeg er dan deze
-Jufvrouw nog maar bij.—Nu, twee gulden. Wie twee gulden? Totdat zich iemand mijner
-ontfermt, en mij nog na mijn dood met wie weet welke eerzame maagd paart, om gezamenlijk
-als scherm voor een tochtgat te dienen, of tot bedekking van een vuile plek op ’t
-behangsel gebruikt te worden.
-<span class="pageNum" id="pb104">[<a href="#pb104">104</a>]</span></p>
-<p>Neen, iemand als ik, wiens stil sterfbed van niemands snikken weêrgalmen zal, en wiens
-eenzame doodspeluw niet bevochtigd zal worden dan door mijn eigen doodzweet, moet
-het er voor houden, dat de menschen genoeg gedaan hebben, wanneer ze tot aan zijn
-dood toe zijn gezicht verdragen hebben, zonder er hen nog na zijn overlijden meê te
-vervolgen. Laat hem, die weet, dat er, bij het verdwijnen van ’t origineel, naar de
-kopij nog menig betraand kindergezichtje zal opzien, laat hem zijn beeldtenis in ieder
-vertrek aan den wand hangen. Mij dunkt, zulk een aanzien moet de koude asch nog in
-het graf verwarmen. Maar wie vooruit berekenen kan, dat zijn portret voor de nablijvenden
-niets zijn zal dan doek en verf, en zich met de eer, die men deze respective artikelen
-bewijst, zal moeten vergenoegen, neme liever zijn beeld meê in ’t graf, dan aldus
-zichzelven te overleven.
-</p>
-<p>Ik heb mij dus niet laten portretteeren. Maar gelijk ik u begon te zeggen, men heeft
-het voor mij gedaan.
-</p>
-<p>Ik was negen jaren oud, toen er een Italiaansch miniatuurschilder bij ons kwam, die
-aanbood mijn ouders voor een prijsje uit te schilderen. Geen van beide gevoelde hiertoe
-lust, maar in plaats daarvan, wist mijn moeder aan vader de vergunning af te vleien,
-dat de man mijn konterfeitsel maken mocht. Volgens haar getuigenis, trof de kunstenaar
-mijn gelijkenis uitstekend wèl. Sedert hing het altijd op de kamer der lieve vrouw,
-tusschen de silhouetten harer ouders. Na haar dood kwam het in mijn bezit, en nu heeft
-het zijn vaste plaats aan den muur tegenover mij, dicht bij mijn huisklok, zoodat
-ik niet op kan zien, zonder dat mijn oog er op valt.
-</p>
-<p>Zoo ook nu. Al zoudt gij er mij om uitlachen, ik moet er recht aan doen: het is een
-lief portretje. Zoowel als ik er straks voor uitkwam, dat ik nu verre ben van een
-behagelijk uiterlijk te hebben, moet gij mij vergunnen te zeggen, dat ik geen onbevallig
-kind moet geweest zijn. Er rust zulk een helder waas van gezondheid op het gezichtje;
-er ligt zulk een glans van onschuld over het open voorhoofd; er schittert zulk een
-„blijde vonk van kindervreugd en geest<span class="corr" id="xd31e3241" title="Bron: „">” </span>in de lachende oogen; er schuilt zulk een lieve trek van schalkheid in de kuiltjes
-op de beide wangen; en bovenal heeft het geheel zulk een voorkomen van kinderlijke
-onnoozelheid, dat ik niet nalaten kan er meê ingenomen te zijn. Ik zie het nooit,
-of ik denk aan mijn vriend <span class="sc">Elia</span>: „Ik stem alles, wat gij ten laste van den man <span class="sc">Elia</span> opsomt, toe; maar het kind <span class="sc">Elia</span>, dat ander <span class="asc">IK</span> daar op den achtergrond, dien knaap moet gij mij vergunnen te mogen liefhebben.”
-</p>
-<p>Uren lang kan ik dit beeld aanzien, en mij daarbij in een gelukkig verleden verplaatsen.
-</p>
-<p>Mijn geheugen is op dit punt zeer wakker. Het is waar, dat ik van de herinneringen
-uit mijn kindsheid geen aaneengeschakeld geheel maken kan. Nu en dan zijn er groote
-gapingen in, even als op een schilderij, waarop sommige plekken zijn uitgewischt.
-Maar daarentegen liggen ook andere partijen in een helder licht voor mij, zoodat het
-is of ik <span class="pageNum" id="pb105">[<a href="#pb105">105</a>]</span>ze nog zie. En de gedachte daaraan is voldoende, om mij op mijn kindsheid als een
-hoogstgelukkigen tijd te doen terugzien. Neen, ik kan mij hieromtrent niet met <span class="sc">Jean Paul</span> vereenigen, als hij de genoegens van het kinderleven „geurlooze vergeetmijnietjes”
-noemt. Laat de blijdschap van den zuigeling zoo heeten, die zelf geen vreugde heeft
-van de lachjes, waardoor hij anderen verblijdt, en bij wien het gevoel van vermaak
-en leed, als ik mij zoo mag uitdrukken, op het gezichtje afwisselt, zonder bijkans
-het zieltje aan te doen. Maar als het kind een klein mensch geworden is en weet begint
-te krijgen van genoegen of smart, dan is kindervreugde wel waarlijk vreugde. Zeg dan
-niet, het heeft geen genot, omdat het zich van zijn genot geen reden geeft. Maar geven
-wij er ons dan altijd reden van? Gaan wij bij ieder genoegen neêrzitten om het te
-ontleden? Als wij in het voorjaar in de open lucht komen, en het lentewindje kust
-ons met zijn lauwen adem, terwijl de verkwikkelijke zon ons streelt als de warme hand
-van een Odaliske, zoodat wij daaronder „uitzetten en knoppen” van weelde en lust,
-zeggen wij dan altijd tot ons zelven: Dit is nu, omdat de wind Z.&nbsp;Z.&nbsp;W. is, en de
-zon op ** graden <i>Fahrenheit</i> staat. Of nemen wij de moeite van uit te rekenen: omdat de zon werkt op deze spier
-en de wind op die zenuw, en de spier weêr op de zenuw en de zenuw op de spier, daarom
-word ik dit aangenaam gevoel gewaar?—Geven wij ons niet veeleer gedachte- en bewusteloos
-toe aan het genot, dat ons tegenkomt en drukken, even als de bloemen en vlinders,
-onze tevredenheid uit door de aanraking van den koesterenden straal met een siddering
-van wellust te ontvangen, en den zoelen balsem van het koeltje met open mond in te
-drinken? Ik voor mij althans heb meermalen ondervonden, dat het dwaas is, met het
-genoegen den wijshoofd te spelen. Wanneer ik een enkelen keer onderzoeken wou: Waarom
-gevoel ik mij nu zoo wel? heb ik bemerkt, dat ons genot <span class="corr" id="xd31e3267" title="Bron: veel veel">veel</span> heeft van het spel der spiegeling van een stroom, dat ophoudt, zoodra men er aan
-raakt; en sedert heb ik mij gewend mijn handen t’huis te houden en van het genoegen
-tot mijzelven te zeggen: Ik ben er genoegelijk door, dus het zal wel genoegen zijn.
-</p>
-<p>Waarom zou dan ook de kindsheid geen blijde tijd mogen heeten? Hé, <span class="sc">Cornelis</span>, en <span class="sc">Willem</span>, en <span class="sc">Ferdinand</span>, of wij pleizier hadden, wanneer wij, menschen van vier voet, den vlieger, die tweemaal
-onze grootte had, vierhonderd voeten hoog boven ons zagen, in de trotsche bewustheid
-van den luchtreus in onze kleine knuisten te klemmen! Of het prettig was, bij den
-u bekenden houtzaagmolen over de vlottenden balken te springen met onophoudelijk gevaar
-van het getal der drijvende blokken met één te vermeerderen! Of wij er vreugd van
-hadden, als, op onze kinderpartijtjes, de grappige <span class="sc">Caspar</span> met zijn tooverlantaren kwam en ons met het leelijke Goliathshoofd en zijn verschrikkelijk:
-boe! boe! te gelijk lachen en rillen deed? Of het heerlijk was, den degen van Oom
-den Burgerkapitein achter ons aan <span class="pageNum" id="pb106">[<a href="#pb106">106</a>]</span>te slepen, en over de panden van zijn afgedankten uniformrok te struikelen? Wanneer
-wij toen reeds in dat geluk niet zoo gelukkig geweest waren, zou er ons zulk een diepe
-indruk niet van zijn bijgebleven. Zeg mij, kleine knaap, die mij van dat doek zoo
-vriendelijk toelacht, waart gij niet recht vergenoegd, toen gij daar aan den schoot
-van uw moeder zat, terwijl de zwarte man u uitteekende, en uw moeder onuitputtelijk
-was in allerlei grappige verhalen, opdat gij er op de teekening recht vroolijk en
-beminnelijk mocht uitzien? Immers ja; want de tevredenheid glinstert uit uw oogen,
-en de blos, dien het genoegen op uw wangen ontstak, klom even zoo wel uit uw klein
-hart naar boven, als het niet bij toeval is, dat thans dit vale bleek hièr dat kleurtje
-dáár vervangen heeft.
-</p>
-<p>Dikwijls stond ik voor dat portret met een gevoel van benijding, dat misschien menig
-uwer dwaas zal heeten. Het was, wanneer het mij somtijds recht bang was, en ik behoefte
-had mijn oog op iets vroolijks te vestigen; hoe kon mij dan het onderscheid tusschen
-het kind en den man treffen! Dat gladde voorhoofdje, hoeveel rimpels heeft het gekregen!
-dat vonkelend oog, welk een doffe nevel heeft den straal der vreugde daarin uitgebluscht!
-die bloeiende wangen, hoe heeft de hitte van den dag ze doen verdorren! dat lachend
-mondje, welk een diepe groef heeft de smart er in gedrukt! Ik had moeite te gelooven,
-dat ik er ooit zoo had uitgezien, en dan dacht ik weêr, dat wie er zoo had uitgezien
-nooit zóó kon worden als ik nu!—Doch eindelijk verzoende mij die aanblik met mijn
-ongeluk. En zijt gij dan geen kind geweest? vroeg ik mijzelven. Een vroolijk, onschuldig,
-gelukkig kind? hebt gij niet met de bloemen gebloeid en met de vlinders gedarteld?
-hebt gij u niet moêgespeeld en wakker geslapen? hebt ge geen tijd gehad, dat alle
-kommer om en voor u besloten werd in het hart, waaraan ge rusttet, en dat ieder zijn
-eigen smart onder een lachje voor u verborg? Waarover beklaagt gij u dan! Twintig
-jaren, kinder- en knapen- en jongelingsvreugde, is het te veel, dat ge daarvoor in
-het leed des mans een evenredige rente betaalt! O, als God het naakte wicht hulpeloos
-op den kouden, harden grond nederlegde, en aldus aan de genade van het toeval overliet;
-als het kind, van den dag zijner geboorte af aan, even als het winterklokje dat uit
-de sneeuw opschiet, door barre winden en scherpe hagelsteenen geteisterd werd; als
-de opwassende knaap zich, gelijk een verdrukte scheut, naar boven moest werken; met
-één woord: als er aan het leven een jeugd ontbrak,—dan zouden wij kunnen klagen, dat
-ons onrecht gedaan was. Maar zoo is het immers niet? Voor de intrede des menschen
-in de wereld is alles door de zachte hand der liefde gereed gemaakt. Vaderarmen ontvangen,
-moederarmen koesteren het;
-</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line">Haar liefde dekt het schaap nog zonder wol; </p>
-<p class="line">Haar teêrheid voedt het lam nog zonder weide. </p>
-</div>
-<p class="first">Dan heeft het kind voor niets te zorgen, terwijl alles voor het kind <span class="pageNum" id="pb107">[<a href="#pb107">107</a>]</span>zorgt. Dan wordt de scherpe wind gebalsemd en de stekende zonnestraal mat gemaakt;
-dan plaatsen zich anderen vrijwillig voor den snijdenden tocht en onder de vallende
-sneeuw; dan wordt het plantje gedekt, begoten, naar de zon gekeerd, ondersteund en
-opgehouden. Dan worden alle tranen opgevangen, alle zuchten weggekust. Dan wordt ieder
-plek tot een speelplaats gemaakt, ieder voorwerp tot speelgoed, en iedere volwassene
-buigt zich om meê te spelen. Dan wordt voor het kind de doorn van iederen stengel
-gebroken, de honing uit iedere bloem vergaârd, het sap uit iedere vrucht gedrukt.
-Dan slingeren de menschen hunne armen in elkander, om rondom het kind als ware het
-een Eden af te perken, waarin het storelooze paradijsgenoegens smaakt.
-</p>
-<p>Maar wat zouden wij dan willen? Dat dit altijd zoo voortduurde? De hemel beware ons!
-Wat zou er van zulke vertroetelingen worden? Ellendige kasplantjes, die geen tiende
-van hun natuurlijken groei en sterkte zouden bereiken, saplooze bladeren, weinige
-bloesems en niet een enkele vrucht dragen. Neen, niet alzoo! Wij zijn kinderen opdat
-wij mannen zouden worden, maar worden geen mannen, opdat wij kinderen zouden blijven.
-Zijn wij zoo ver gekomen, dat wij onder het glas van daan en in de open lucht kunnen,
-dan is het ook niet meer dan billijk, dat wij met de anderen wind en koû leeren deelen.
-Wordt het ons daaronder al eens bang, denken wij dan terug aan de twintig jaren dat
-wij gespaard zijn geworden, aan de twintig jaren van vooruitgenoten vergoeding, aan
-de twintig jaren van toerusting, die weinig vrucht hebben gedragen, indien zij ons
-voor geen twintig jaren strijdens hebben voorbereid!
-</p>
-<p>Zie, zulke gedachten pleegt het gezicht van het kind bij den man op te wekken. En
-dan, in plaats van mij te verdiepen in het lijden, dat mij drukt, verlies ik mij in
-de herinnering van het genoegen, dat ik gesmaakt heb. Dan denk ik, hoe de verschooning,
-mij in de eerste vaag des levens bewezen, gediend heeft om mij tot het uitstaan der
-tegenwoordige beproeving te harden; dan denk ik, hoe het mij zou gegaan zijn, indien
-dit leed, even als een vroege vorst, in mijn kindsheid gevallen ware: dan denk ik,
-hoe ver de rampen des mans er van af zijn tegen de vreugde van den kinderlijken leeftijd
-op te wegen; en onder deze beschouwing groeit mijn moed aan; de sterke man vindt kracht
-in den aanblik van het zwakke kind; de smart des volwassenen vertroost zich met het
-lachje van den knaap; en mijn gevoel lost zich op in de dankbare uitboezeming: Ja,
-ik ben waarlijk dezelfde; die knaap en deze man! Was ik die knaap niet geweest, ik
-ware deze man niet geworden; en was het niet om deze man te worden, ik zou die knaap
-niet geweest zijn.
-</p>
-<p>En wanneer ik alsdan het kind aanzie, en het mij voorstel in al zijn onkunde en onbewustheid
-van zijn hoogere bestemming; de aarde aanziende of zij altijd beneden hem, en den
-hemel, of hij altijd boven hem zou blijven;—en daarbij te gelijk denk aan hetgeen
-er van hem worden moet: een kind van God, een blinde voor de wereld, <span class="pageNum" id="pb108">[<a href="#pb108">108</a>]</span>een doode voor de zonde, een dagelijksch offer van zich zelven, een burger des hemels
-op aarde, en eens een lotgenoot des Hoogzaligen;—dan verliest mijn oog zich in die
-gaping tusschen dat wichtje vóór—en den zalige boven mij; en het wordt mij duidelijk,
-dat de school, waar zulk een opvoeding voltooid moet worden, een school van werkzame
-oefening en strenge tucht moet zijn. En bij die overtuiging wordt het mij zoo helder,
-dat dat kind dien speelschen lach om den mond en dien blijden straal in het oog verliezen
-moest, dat ik niets natuurlijker vinde, dan dat de man, voor het portret tredende,
-zich zelven niet meer herkent en er hem ongelukkig om rekenen zou, indien het anders
-ware.
-</p>
-<p>Ongelukkig, indien het anders ware! O, op hoe velerlei beschikkingen in mijn lot kan
-ik dit toepassen. Zeker, als ik op dit kind zie, voel ik mij overstelpt van dankbaarheid
-bij de gedachte aan zoo vele leidingen Gods, als gestrekt hebben om het te bewaren
-van immer geheel uit den staat des kinds uit te vallen. Al denk <span class="corr" id="xd31e3302" title="Bron: aan">ik</span> alleen<span id="xd31e3305"></span> aan de lieve moeder, van wie deze beeltenis afkomstig is. De lieve moeder! Nooit
-werd die naam met meer recht door een vrouw gedragen, nooit haar met meer liefde door
-een kind gegeven. Niet alleen omdat zij de weldoenster mijner kindsheid was, die van
-haar armen mijn wieg, en van haar boezem mijn peluw maakte; die mij ’s avonds met
-haar liederen in slaap zong, en mij ’s morgens met haar omhelzingen weêr wakker kuste;
-wier bijzijn in den vollen zin des woords mijn leven, wier schoot mijn hemel was.
-Maar veel meer, omdat zij evenzeer de geleigeest van mijn onnoozelheid, als de beschermengel
-van mijn zwakheid was. Niet alleen met de melk harer borsten, ook met de melk haars
-harten, met al wat er ooit zachtst, mildst en teederst in een vrouwenziel was, voedde
-zij mij op. Zoo boezemde zij mij reeds vroeg het gevoel eener groote liefde in; indien
-mijn hart geen bekrompen hart is, maar in zijn genegenheid meerderen omvat, dan mijn
-armen omvademen kunnen, ik dank het haar, die mij als van mijn geboorte dien geest
-van liefde heeft ingeademd. O, het is zoo gelukkig, als de moeder begint met het geheele
-hart des kinds in te nemen. Dan is er reeds dadelijk een plaats vervuld, waar zich
-anders al spoedig het gevoel van eigenbaat indringt. Maar is eens de kiem der liefde
-in het weeke gemoed gevallen, dan groeit die met het wicht op, slaat haar vezels in
-zijn zenuwen en voedt zich met zijn bloed. Dan zet zij zich uit naarmate de borst
-ruimer wordt, en ofschoon het opschietend onkruid haar begint te drukken, zij blijft
-in het hart geworteld. Zalig dus, wie als kind van zijn moeder liefde leert: hij leert
-spelende, wat de eerste plichten zijn <span class="corr" id="xd31e3307" title="Bron: zal">zullen</span>; hij neemt als een lust op, wat hij later als een last zal moeten dragen; hij wordt
-door de liefde tot ééne voor de liefde tot allen gevormd; en de armen, die nu nu den
-boezem omklemmen welke hem voedt, worden gewend om eens een ruimeren kring te <span class="corr" id="xd31e3310" title="Bron: ontvatten">omvatten</span>, zooals het klimop, dat begint met zich om de scheut te slingeren, zich later <span class="pageNum" id="pb109">[<a href="#pb109">109</a>]</span>van zelve met den zich uitzettenden stam uitbreidt. O, toenmaals wist ik niet beter,
-of ik had mijn moeder lief als mijn moeder en zij mij als haar kind; maar toen ik
-later gevoelde, dat wij hier niet enkel moeder en kind geweest waren, maar dat haar
-liefde te gelijk tot opleiding voor den mensch, tot vorming voor den Christen gediend
-had, toen zag ik eerst recht in, welk een geschenk van Gods vaderliefde deze moederliefde
-voor mij geweest is!
-</p>
-<p>Ik kan van dit onderwerp nog niet scheiden. Wie een lieve moeder te gedenken heeft,
-zal er mij niet hard over vallen.
-</p>
-<p>Toen de doos van <span class="sc">Pandora</span> openging, stroomden daaruit allerlei rampen, maar de hoop bleef op den bodem liggen.
-Toen het hart der menschen zich voor de zonde opende, verlieten allerlei deugden het
-menschelijk hart, maar het geweten bleef op den grond achter. Maar dit geweten, hoeveel
-hangt er van af, hoe het behandeld wordt?
-</p>
-<p>Hier is het een koppige goudvink, die op het eene oogenblik tot geen zingen te krijgen
-is, en dan weêr op eens zoo begint door te slaan, dat men niet weet, hoe hem tot stilte
-te brengen. Daar is het een lijster, die alleen helder fluit, als het slecht weêr
-is. Daar is het een kwaadaardige uil, die het licht schuwt, maar den ganschen nacht
-zit te krassen dat men niet slapen kan. Daar is het een haan, die, even als voor <span class="sc">Petrus</span>, niet kraait, dan als het te laat is. Daar eindelijk is het een nachtegaal, welken
-men hoort zoodra men in den eenzaamheid en in het donker komt, en wiens gezang den
-nacht vervroolijkt.
-</p>
-<p>Behoort het geweten dan tot geen vast ras van vogels? Zeker wel. Oorspronkelijk behooren
-alle <i>species</i> er van tot het nachtegalen-geslacht. Maar de verschillende wijze van opkweeking en
-behandeling is de oorzaak van die ontaarding en verbastering. Gij ziet dus van hoeveel
-belang het is voor het uwe te zorgen, eer gij van uw nachtegaal een uil maakt.
-</p>
-<p>Mijn lieve moeder was een uitmuntende opvoedster van het mijne. Zij liet het niet
-enkel aan de natuur over het te leeren zingen, maar hielp het een weinig op den weg,
-zoo als men de kanaries met een kanarieorgeltje, of de eksters met voorpraten doet.
-Van daar verhief het zijn stemmetje al vroeg: toen ik nog maar een kind was, kon het
-’s avonds, als ik in mijn bedje kwam, reeds neuriën en kneuteren dat het een aard
-had.
-</p>
-<p>Gelukkige die ik was! Hoe vele zijn er, die nooit zoo diep zouden gevallen zijn, indien
-men, even als mijn moeder, hun geweten meer als een afzonderlijke faculteit van de
-ziel had aangemerkt, die mede kon en moest ontwikkeld worden; indien men hen als kind
-een vreemde taal minder had laten leeren, en hen in plaats daarvan geleerd had de
-stem in den boezem beter te verstaan.—Toen mijn geweten nog onmondig was, nam mijn
-moeder de voogdij er over op zich. Voor niets was zij ongeruster, dan dat het zijn
-natuurlijke teederheid verliezen zou. Wetende dat het, als een speeltuig, helderder
-klinkt, naarmate het reiner wordt gehouden, was zij er altijd op uit om voor zijn
-<span class="pageNum" id="pb110">[<a href="#pb110">110</a>]</span>zuiverheid te waken. Het moest, dacht zij, even als een windharp, zelfs al ging er
-maar een tochtje over, trillen en geluid van zich geven. Later gewende zij mij, de
-zorg er voor allengskens over te nemen. Ook had het toen reeds een vastheid en sterkte
-van stem gekregen, die maakte dat ik het niet licht meer van de wijs had kunnen brengen,
-al had ik gewild.
-</p>
-<p>En toch, dankbaar erken ik, hoe veel ik ook toen nog aan haar verplicht bleef. Dikwijls
-was haar tusschenkomst machtiger, indien al niet om mij van het kwade terug te houden,
-dan toch om mij tot het goede aan te sporen, dan de stem van mijn conscientie zelve.
-Dit was vooral dan het geval, wanneer eenige overtreding mij met mijn geweten overhoop
-had geholpen. Om de waarheid te zeggen, dan was die rechter mij meestal te streng;
-althans hij schrikte mij evenzeer af, als hij mij uitlokte om de hand ter verzoening
-te reiken. Dit ging veel beter door hare tusschenkomst. Zij was, even als Gods woord,
-veel zachter dan mijn conscientie. Zij maakte mij de belijdenis zoo gemakkelijk; zij
-was zoo liefderijk in haar bestraffing; zij schonk zulk een volkomen vergiffenis!
-Nooit stroomden mijn tranen lichter dan aan haar boezem, en nooit werden zij eerder
-afgedroogd. En hoe zij zulk een oogenblik wist te heiligen door, naar <span class="sc">Borgers</span> uitdrukking, den boetvaardige op te beuren, maar op te beuren tot God in den hemel;
-hoe zij, als ze mij vergiffenis geschonken had, mij aan de voeten des hemelschen Vaders
-voerde, opdat ik die vergiffenis ook van Hem zou afsmeeken! Hoe zij aldus van de weekheid
-mijns harten gebruik maakte om er het teeken des kruises dieper in te drukken! O,
-gij kleine knaap, indien de zonde van dit voorhoofdje het zegel des doops nooit geheel
-heeft kunnen wegwisschen, en, hoop ik, het verder ongeschonden zal moeten laten, dank
-er haar voor, die het eens onder de vonte hief!
-</p>
-<p>Ja, daarheen droeg zij mij, maar niet gelijk zoo velen, uit gehoorzaamheid aan een
-maatschappelijke wet, omtrent gelijkstaande met de inschrijving des jonggeborenen
-op de registers van den Burgerlijken stand. Niet alleen haar hoofd, haar geheele hart
-boog zich op de vrage of zij beloofde, „<span lang="nl">dit kind, als het tot sijn verstand sou gekomen zijn, in de voorseyde leer na haer
-vermogen te onderwijsen.</span>” Aan niemand stond zij de zoete taak af, mij het eerst den heiligen Vadernaam te
-leeren stamelen. Weet gij wat dit zegt? Ik voor mij ken onder alle zegeningen, waarmede
-God de wieg eens kinds omringen kan, geen grootere, dan een vrome moeder. Moeders
-zijn de ware kinder-apostelen! Niet alleen, omdat haar stem lichter en dieper in het
-hart van haar kroost dringt; maar, ook, omdat vrouwelijk geloof en kinderlijk geloof
-zulk een nauwe verwantschap met elkander hebben. Op den zinnelijken knaap werkt het
-gemoedelijke, dat in den godsdienst der vrouwen den boventoon voert, veel sterker
-en gelukkiger, dan het meer verstandelijke, dat het heerschende kenmerk van de overtuiging
-des mans uitmaakt. Zoo ging het mij althans bij mijn moeder. Zeker is het beeld van
-den Heiligste onder de menschenkinderen altijd allerbeminnelijkst, <span class="pageNum" id="pb111">[<a href="#pb111">111</a>]</span>welke (vrome) hand het ook schetse: niet anders dan alle Christusbeelden hetzelfde
-karakter van grootheid en liefderijkheid ademen. Maar zooals evenwel de <span class="sc">Christus</span> van <span class="sc">Rafael</span> hemelscher is, dan de Hemelsche op de tafereelen van <span class="sc">Correggio</span> of <span class="sc">Da Vinci</span>, vond ik den Zaligmaker nooit beminnelijker, dan in de voorstelling van mijn lieve
-moeder. Nooit heb ik hem beter—hoe zal ik zeggen?—<i>gezien</i>, nooit stond hij mij aanschouwelijker voor oogen, dan zooals zij hem mij deed aanschouwen.
-Gelijk een portret naar het leven gemaald verschilt van de afbeelding op een doode
-genomen, verschilde haar teekening van den Eenige van die van anderen. Men kon zien,
-dat haar hart het penseel bestuurde. Die verheven gedachte van haar lievelings-Apostel:
-Die niet lief en heeft, die en heeft Godt niet gekent: God is liefde! Liefde is als
-het orgaan, waardoor men God leert kennen en aanschouwen!—bevestigde zich in haar
-ten aanzien van zijn beeld op aarde. In zooverre dit van een gebrekkig menschenhart
-kan gezegd worden, gold het van haar; haar liefdevol hart begreep hem! Van daar putte
-zij, als zij den Heiland schilderde, niet enkel uit haar geheugen, maar veeleer kwam
-zijn beeld <span class="corr" id="xd31e3363" title="Bron: allengkens">allengskens</span>, als een hostie uit haar heiligdom, uit het binnenste haars harten te voorschijn.
-Van daar dan ook, dat dit beeld zich diep in mijn ziel drukte—en, hoop ik, onuitwischbaar!
-</p>
-<p>Even zoo ging het mij met haar voorstelling van het toekomende leven. Allen verwachten
-wij éénen hemel; maar welk een onderscheid! Indien ieder het denkbeeld dat hij van
-zijn hemel vormt, aanschouwelijk kon maken, gij zoudt nooit gelooven, dat zij hadden
-voorgehad dezelfde plaats te malen. De hemel van sommigen is somber en eenzaam; die
-van anderen gebrekkig en onvolmaakt; deze schildert zich hem geheel aardsch en zinnelijk,
-gene schept hem zich weder zoo bovenzinnelijk, dat hij geen hemel voor menschen blijft.
-De hemel van mijn moeder was eerst recht hemelsch! alles wat haar rijke verbeelding
-heerlijks, wat haar vrome ziel reins, wat haar geloovig hart zaligs bevatte, vond
-zich in de voorstelling daarvan terug. Bij haar geen onoverzienbare afstand, die hem
-van de aarde scheidde; geen ondoordringbaar wolkfloers, dat hem voor het oog verborg!
-Voor haar geest smolt hemel en aarde, even als voor haar oog aan den gezichteinder,
-liefelijk en harmonisch ineen. En dan dat voorkomen, waarmede zij er van sprak!—Ziet
-gij, ik heb allen eerbied voor de keurige plaatsbeschrijving door menigen Eerwaarde
-van het het hemelsch <i>Jeruzalem</i> op den kansel gegeven<span class="corr" id="xd31e3370" title="Bron: ,">.</span> Maar wanneer ik hem daarbij onophoudelijk voor zich—zeker op de kaart van het heerlijk
-gewest—zie staren, of uiterlijk zijn oog op de hoorders beneden hem zie vestigen,
-zonder dat zijn blik zich ooit met een uitdrukking van ingenomenheid of verlangen
-naar boven richt: hij vergeve het mij, dat daarbij mijn gedachten niet hooger klimmen
-dan de vinger, dien hij telkens opsteekt om de bedoelde streek aan te wijzen, en dat
-ik van het tafereel door hem gemaald niets zie, dan den schilder. Hoe geheel anders
-ging het mij onder het <span class="pageNum" id="pb112">[<a href="#pb112">112</a>]</span>gehoor van dien vromen grijsaard, dien menigeen uit deze teekening duidelijk genoeg
-herkennen zal, die nooit van den hemel gewaagde dan met de uitdrukking van een zoo
-vroolijke verrukking en van een zoo vertrouwelijke gemeenzaamheid, dat de meest aardschgezinde
-er door geroerd werd. Op zijn gezicht, door den straal eener hoogere vervoering verlicht,
-zag men als het ware den hemel weêrkaatst, dien hij u schilderde, en beter dan de
-lofzang der Engelen, waarvan hij meldde, noodigde u zijn stem, waarin het levendigst
-voorgevoel klonk, naar de gewesten, waarin zijn ziel reeds scheen te zweven!—Evenzoo
-ging het mij onder de gesprekken mijner moeder. Het is waar, zij kende geen enkel
-dogmatisch bewijs voor de onsterfelijkheid, en zou aan zoovele wijsgeerige hemelbestormers
-niets dan een onbeschermd hart hebben kunnen tegenstellen. Maar zij geloofde aan den
-hemel! en met een levend geloof, dat het onzienlijke niet droomt, maar ziet; dat de
-hope niet hoopt, maar dadelijk geniet. Van daar was er in haar voorstelling van den
-aanstaanden gelukstaat iets wegslepends, iets aanstekends, dat te gelijk overtuigde
-en meêvoerde! en ik vond in haar de spreuk van den vromen man, van wien ik straks
-sprak, bevestigd: dat een godsdienstig mensch meer leert van geloof en godzaligheid,
-dan het beste boek, dat er over geschreven kan worden.—Zeker, God heeft ze lief, die
-hij door zulke liefelijke boden tot zich laat noodigen!
-</p>
-<p>En toch moet gij hieruit niet besluiten, dat zij in haar vromen ijver zou vergeten
-hebben, dat ik zoowel tot een burger der aarde, als tot een hemelburger moest gevormd
-worden. Ook in dit opzicht kon mijn opvoeding in geen betere handen gevallen zijn.
-Niet dat ik hiermede aan de verdiensten mijns vaders wil te kort doen. Mijn vader
-was ongetwijfeld een groot en eerbiedwaardig man; nooit was er deugdzamer hart of
-godvruchtiger gemoed; maar toch zou ik, van achteren beschouwd, niet gewenscht hebben,
-dat het werk mijner opvoeding aan hem alleen ware overgelaten geweest. Hij was er
-te koud en te steng toe. Groote ongelukken, in zijn jeugd geleden, hadden hem ontijdig
-vroeg uit het paradijs zijner idealen verdreven. Sedert had hij zichzelven beloofd,
-er nooit weder een oog heen te wenden. Deze belofte hield hij trouw. Hij bouwde zijn
-verwachtingen alleen op den vasten bodem der aarde, nooit op de drijvende wolken des
-hemels. Hij beschouwde het leven enkel van zijn praktische zijde: en wat er nog dichterlijks
-in zijn ziel sluimerde, behoorde geheel aan een hope, die, ofschoon hooger dan de
-wolken, vaster staat dan de rotsen. Zeker, ik verheug er mij over, dat mijn vader
-zulk een man was. Hij hardde en smeedde het staal, dat mijn moeder in het vuur des
-gevoels warm en week had gemaakt. Met zulk een teêr hart als het mijne, wat ware er
-van mij geworden, als hij nu en dan niet eens een raam van de trekkas, waarin zich
-mijn geest verbroeide, geopend had. Indien zijn killer adem er niet van tijd tot tijd
-als een voorbereidend nachtvorstje was overgegaan, hoe zou het werkelijk leven als
-een doodende koude op mijn verwend gemoed gevallen zijn. Doch ook aan den anderen
-kant, hoe zou het mij gegaan <span class="pageNum" id="pb113">[<a href="#pb113">113</a>]</span>zijn, indien ik alleen aan zijn leiding ware toevertrouwd geweest, indien hij, in
-de eerste vaag mijns levens, op de beelden mijner fantasie, als <span class="sc">Don Quichot</span> op de marionnetten, aangevallen ware: indien hij terstond mijn witte vleugelen, evenals
-haar dat te lang is, had afgeknot, en mij zoo gekortwiekt de wereld had ingejaagd!
-Neen, dan ware ik zeker niet de mensch geworden, dien hij meende van mij te zullen
-maken. Hij zou gezien hebben, dat hij zich in zijn rekening bedrogen had, door een
-zomer te willen hebben zonder lente, en in den herfst over zijn dwaling getreurd hebben.
-Doch hiervoor was gelukkiglijk geen vrees. Immers mijn moeder stond aan de andere
-zijde naast mij: zij was het, die met teedere bezorgdheid over de jeugd mijns harten
-waakte, en als een wachtengel voor mijn paradijs stond. Wetende hoe zalig het is,
-als men in zijn binnenste een wijkplaats heeft, onder wier lommer men zich verschuilen
-kan, als het u daar buiten in de wereld te heet wordt, vreesde zij voor niets meer,
-dan dat dat toevluchtsoord, even als bij mijn vader, in een woestenij verkeeren mocht.
-Daarom daalde zij met mij in het <i>Elysium</i> mijner droomen af, en doolde er met mij in rond, zeker wel met het gevoel van een
-<i>Cicerone</i>, wien zijn wandeling verveelt, omdat hij die reeds zoo dikwijls gedaan heeft. Maar
-evenwel, zij getroostte zich dit gaarne, en staarde met mij naar de sterren aan mijnen
-hemel, als of zij ze nimmer meer gezien had. Ik ben verzekerd, dat gij, zonder misschien
-de grootheid van dit offer te gevoelen, er de waarde van erkennen zult. Althans ik
-erken die dankbaar. Daardoor toch is de invloed, die mijns vaders <span class="corr" id="xd31e3386" title="Bron: positive">positieve</span> richting van geest op mij uitoefende, nuttig voor mij geweest zonder mij te schaden.
-Zij heeft de veêr bedwongen, maar niet verlamd; zij heeft de snaar ontspannen, maar
-niet gebroken. Ik draag nu mijn dichterlijkheid, niet als een pauw zijn staart, die
-driemaal grooter is dan hij zelf, maar als een eerzame duif haar vleugels, die zij
-uit kan slaan als zij wil gaan vliegen, maar die zij onder ’t loopen zoo netjes langs
-haar lijf plooit, dat niemand ze merkt.—De lezer wordt verzocht hierbij niet met het
-hoofd te schudden of te lachen. Ik weet wel, dat ik in zijn gezelschap altijd vliegende
-gezien word; maar dat komt juist uit: want als ik mij aan ’t schrijven zet, is het
-een teeken, dat ik wil gaan vliegen. Kom over een uur, als dit artikel af is, en gij
-zult zeggen, dat gij nooit bedaarder man op twee beenen hebt zien loopen, dan den
-vogel zonder veêren, dien ge nu in de lucht ziet.
-</p>
-<p>Maar, zooals ik zeide: eerst nog een oogenblik geduld! gij kunt het mij niet ten kwade
-duiden, dat het mij moeilijker valt dan u, van mijn portret te scheiden.
-</p>
-<p>Mijn portret! Laat ik het nu nog eens mogen zeggen: het is een lief, onnoozel kinderkopje;
-te meer, daar ik u even oprecht bekennen zal, dat, zoo ooit een gezicht bedrogen heeft,
-het dit geweest is. Neen, lieve knaap! gij zijt niet geworden, wat gij beloofdet.
-Zooals ik u daar voor mij zie, niet die kinderlijke onschuld op het gelaat, zou een
-Engel u voor zijn broeder kunnen houden. Men ziet het dat open <span class="pageNum" id="pb114">[<a href="#pb114">114</a>]</span>voorhoofdje aan, dat er nog nooit een blos van schaamte op gestegen is; men kan het
-aan die wangen, frisch en fleurig als een pas opengaande roos, zien, dat er nog nooit
-een bijtende traan van boete langs is gevloten; het spreekt uit dat vonkelend oog,
-dat het zich tot nu toe nimmer heeft behoeven neêr te slaan; onbezoedelde reinheid
-ligt als een ongerept <span class="corr" id="xd31e3394" title="Bron: was">waas</span> over het geheele wezen verspreid. Mijn oogen dwalen af, en slaan een blik in den
-spiegel er naast. Goede God! Wat is er van dit kind geworden! Als een vergiftigende
-adem heeft de zonde zijn voorkomen verkleurd en ontsteld. Een wind gelijk, die een
-effen stroom beroert, zoo hebben de stormen der ziel de gladde vlakte van dat klare
-voorhoofd in rimpelen opgejaagd; de heldere blos is verdronken in de tranen, die hem
-hebben overstroomd; de oogen hebben hun schitterenden straal verloren en lichten nu
-met het beneveld schijnsel van het lemmet eener lamp, waarin de olie troebel geworden
-is. Gelijk men in <i>Arabië</i> op het eerste gezicht de woestijn herkent, waar langs de verzengende <i>simoun</i> gewaaid heeft, zoo kan men het mijn geheel voorkomen aanzien: Hier is de zonde langs
-gegaan! Bedroevende aanblik, die mijn bleeke wangen met purper van schaamte kleurt,
-en mijn hoofd als een geknakte bieze op den schouder doet zinken.
-</p>
-<p>En was het daarom, dat God mij zoo onnoozel deed geboren worden? En was het daarom,
-dat eens mijn ziel onbezoedeld in mijn onbevlekt lichaam woonde, als helder water
-in even helder kristal;
-</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line">Blank lijfjen zonder smet, blank zieltjen zonder zonde, </p>
-<p class="line"><i>Gepaard</i> in dubble maagdlijkheid. </p>
-</div>
-<p class="first">En was het daarom, dat mijn ouders zich als wachtengelen tusschen mij en de wereld
-plaatsten, om mijn zuiverheid te bewaken? En was het daarom, dat er zoo veel zorg
-besteed werd om mij tegen de besmetting des kwaads te wapenen? Hoe weinig heb ik aan
-de mij geschonken voorrechten beantwoord!—Kind, kind! lach mij zoo niet aan! Gij hebt
-geen erger vijand, dan den man die voor u staat. Hij heeft een doodslag aan u begaan!
-Hij heeft uwe onnoozelheid vermoord! Uwe <span class="corr" id="xd31e3410" title="Bron: onoozelheid">onnoozelheid</span>, die zoo teêr, zoo zacht<span class="corr" id="xd31e3413" title="Niet in bron">,</span> zoo aanminnig, zoo bevallig, die een wellust van menschen en engelen was! Maar hem
-kon zij niet bewegen! Onmeêdoogend heeft hij haar gedood. Hoe zij hem ook aanschreide,
-hoe zij hem ook tegenkreet, hij heeft haar opgeofferd. Niet op eens, maar langzaam,
-zonder dat men iets van het aangedane geweld bemerkte. Maar toch zoo zeker, dat zij
-nu wel geheel gestorven is, en in zijn lichaam rust als een doode in het graf. Kind,
-lach mij zoo niet aan!
-</p>
-<p>Helaas! dat is ons aller lot op aarde. Men zou het kunnen vergelijken met het lot
-van de sneeuw. Vlekkeloos valt zij uit den hemel, wordt op de aarde bezoedeld, zinkt
-dan weg in den grond, en vergaat zoo geheel.… ten zij, ten zij! het zonlicht enkele
-heldere droppels uit het slijk omhoog trekt. Zoo ook wij! sneeuw in de wieg, worden
-wij slijk op de aarde, en verzinken eindelijk als dras in den grond. <span class="pageNum" id="pb115">[<a href="#pb115">115</a>]</span>Maar het zonlicht van Gods genade ontwikkelt uit het bezoedelde nat een enkelen klaren
-drop, dien het ten hemel opneemt.
-</p>
-<p>Is dit zoo? lach mij dan vrij aan, mijn kind! Wij zullen weder vrienden worden.
-</p>
-<p>Neen, het is te weinig, dat de mensch alleen over zijn verloren onschuld weenen zou.
-Beween een marmeren beeld, dat gebroken is, het is voor altijd weg; maar beween geen
-gestorvene, die weder kan worden opgewekt. Nog eens stel ik mij voor mijn portret.
-In navolging van den Heer, stel ik een kindeke voor mij en wijze er mijzelven op:
-<span lang="nl">Indien ghy u niet en verandert ende wort gelyck de kinderkens, so en sult ghy in het
-Coninghryke der hemelen geensins ingaan.</span>
-</p>
-<p>Ja, ziedaar mijn voorbeeld! Zoo was ik, zoo moet ik weder worden. Zoo was ik uit de
-natuur, zoo moet ik ook uit eigen keuze en vrijen wil weder worden. Het afgelegde
-gevoel van afhankelijkheid, de verloren eenvoudigheid des geloofs, de verleerde gewilligheid
-der onderwerping, de verkrachte onbedorvenheid der onschuld, dat alles moet weder
-aangeleerd of aangenomen worden. De wijsheid, in de beproeving verkregen, moet mij
-bijblijven; maar de besmetting, in de beproeving opgedaan, moet worden afgelegd. De
-wonderspreuk des Apostels moet aan mij worden vervuld: <span lang="nl">Volwassen in ’t verstandt—kinderen in de boosheydt!</span>
-</p>
-<p>Het is droevig, dat zoo velen dit niet begrijpen of begrijpen willen. Zij rouwen over
-hun verloren onschuld, ja, maar als wanhopenden. Zij zitten er bij neder; zij vertreuren
-hun tijd en hun krachten; indien zij ze met hun zuchten konden opwekken, zij zou herrijzen!
-maar te vergeefs. Geen tranen wisschen een bevlekt geweten schoon; geen snikken roepen
-een gestorven onschuld wakker. Er moet opgestaan, er moet gehandeld, er moet geleden,
-er moet gestreden worden. Met het beeld eens kinds voor het oog, moet men naar gelijkheid
-met het kind streven. O, ik denk, dat het dit is, dat mij kinderen zoo recht dierbaar
-maakt; in ieder van hen zie ik een voorbeeld en leermeester. Daarbij denk ik altijd
-aan <span class="sc">Luther</span>, die, toen zijn kinderen eens onder elkander krakeelden en spoedig daarna zich weder
-verzoenden, zeide: Lieve Heere God! Hoe aangenaam zijn u toch zulk een kinderlijk
-leven en zulke spelen! Ja, al hun zonden zijn niets dan vergeving der zonden.
-</p>
-<p>Ziet gij, met dit oog beschouw ik de kinderen, die mij omringen. Als ik zie, hoe het
-knaapje aan den schoot der moeder staat, en naar haar vertellingen luistert, en, wanneer
-hem daarin iets ongeloofelijks treft, met vertrouwen tot haar opziet en vraagt: „Is
-dat zoo, moê?” dan schame ik mij over mijn vermetelheid, dat ik dikwijls zoo traag
-was om te gelooven, wat mij in de mededeelingen mijns hemelschen Vaders onwaarschijnlijk
-voorkwam, en ik vermane mij zelven: <span lang="nl">So wie het Coninghrijke Godts niet en ontfangt gelyck een kindeken, die en sal hetzelve
-geensins ingaan.</span>—Wanneer ik zie, hoe het kind, dat ongehoorzaam geweest is, op het enkele gezicht
-van de smart, die hij <span class="pageNum" id="pb116">[<a href="#pb116">116</a>]</span>zijn vader daardoor veroorzaakt, in tranen van berouw uitbarst, hem in de armen vliegt
-en snikkend uitroept: „Vader, vergeef mij! ik zal het niet weêr doen!” dan voel ik
-mij vernederd door de gedachte, hoe dikwijls ik dagen op dagen over mijn overtredingen
-tegen mijn goddelijken Vader liet heengaan, zonder tot het afleggen eener ootmoedige
-belijdenis te kunnen of te willen komen.—Ja, zelfs die belofte: „Ik zal het niet weêr
-doen!” hoe beschuldigde zij mij, dat ik zoo vaak om de Goddelijke vergiffenis had
-durven bidden, zonder mij te hebben verbonden door de gelofte om mij voortaan voor
-de geboete zonden te wachten.—Wanneer ik zie, hoe gemakkelijk en gaarne het afhankelijke
-kind van zijn ouderen afhangt, en met volkomen gerustheid en vertrouwen van hunne
-liefde en zorg de voldoening zijner behoefte verwacht, dan bloze ik over mijn gedurige
-bekommeringen tegen den volgenden dag, en bestraf mijzelven, dat „<span lang="nl">ick myne ziele niet en hebbe geset ende stille gehouden, ghelyck een gespeent kindt
-bij syne moeder!</span>”—Eindelijk, wanneer ik zie, hoe het kind zich in het midden der booze wereld bevindt,
-zonder nog iets van hare boosheid te hebben aangenomen, daarin verkeerende als een
-witte duif in haar bezoedeld hok, dan jammer ik over mijn vatbaarheid voor alle besmetting,
-en neem mij voor „<span lang="nl">een kindt in de boosheydt</span>” te worden.
-</p>
-<p>Moeielijk, maar ook schoon en heerlijk werk! Zeker dit kan ik mij van <span class="sc">Luther</span> niet begrijpen, hoe hij zeggen kon, dat hij in den kinderlijken leeftijd had willen
-gestorven zijn, en daarvoor gaarne alle eer overgegeven, die hij in de wereld had.—Neen,
-vader <span class="sc">Luther</span>, daarin kan ik het met u niet ééns zijn. Zeker geloof ik wel, dat er ook boven een
-school is, waar de lieve Engelen, of hoe de goede geesten anders heeten mogen, de
-taak der ouders en leermeesters bij de vroeg opgeroepen kinderkens op zich nemen,
-en het Christenkind tot een Christen vormen. Maar daarom zou ik nog niet durven zeggen,
-dat het beter was, een leerling der hemelsche dan der aardsche school te zijn. Mij
-dunkt, boven kan de strijd zoo zwaar, en daarom de kroon zoo schoon niet wezen. En
-zeker, van alle menschen hadt Gij wel het minste reden om zulk een wensch te doen.
-Gij, die tegen het booze strijdende als een held, echter dien heldenmoed onder de
-karaktertrekken eens kinds verborgt, kinderlijkste der mannen en mannelijkste der
-kinderen! Ook verbeeld ik mij, dat gij nu, met den krans der Christenstrijders om
-het hoofd en het witte kleed van Gods kinderen om de leden, het niet anders wenschen
-zult dan het geweest is. Ik voor mij wensch niets beters, dan u van verre te volgen,
-en, indien ik eenige eer in de wereld had, ik zou die daarvoor gaarne willen geven.
-</p>
-<p>En spreek gij nu eens, kind-<span class="sc">Jonathan</span>! en zeg, hoe het met den man-<span class="sc">Jonathan</span> staat? Begint gij u zelven reeds in hem te herkennen? Vindt gij allengskens in hem
-die trekken van nederigheid en liefde, van gehoorzaamheid en zuiverheid weder, die
-u eigen waren? O, ik wilde, dat ik die vraag met meer vrijmoedigheid doen durfde.
-Neen, het is nog niet in orde, niet waar? Hiér niet—en dáár niet—en <span class="pageNum" id="pb117">[<a href="#pb117">117</a>]</span>dáár niet!—Ik schaam mij over deze belijdenis. Maar ga gij slechts voort mij te leeren;
-dan zal ik wel verder komen. Even als <span class="sc">Garrick</span>, die voor een portret staande, zijn gezicht zoo plooien kon tot hij er op geleek,
-wil ik met het oog op u het gelaat mijner ziele zoolang plooien, tot het uw gelijkenis
-draagt. Zoo hoop ik gereed te zijn, eer de Heer roept. Hij zal geduld met mij hebben,
-en mij niet van de school roepen, eer mijn opvoeding voltooid is, hoop ik.
-</p>
-<p>En nu neem ik afscheid van u, schoon het mij moeite kost. Zeker, gij biedt een liefelijken
-aanblik aan. De kindsheid heeft haar eigen schoonheid; onschuld ligt als een hemelsche
-sluier over het aardsche beeld. Ook daarin is veel veranderd. Gij herkent mij zoo
-weinig als ik u. Maar ook dit zal weêr veranderen. Als eerst de ziel slechts wedergeboren
-en tot kinderlijke reinheid terug gebracht is, zal het lichaam wel volgen. Welk een
-vooruitzicht! Een nieuwe ziel in een nieuw lichaam! Beide, als de phenix, uit haar
-asch herboren; beide met onvergankelijke jeugd getooid! Lieve jongen! hoe gaare zou
-ik u eens in beeltenis aanschouwen, hoe gij er dan wel zult uitzien!.… Maar foei!
-ik zie, dat ik eerst nog wel van u leeren mag, mijn tijd geduldig af te wachten!
-<span class="pageNum" id="pb118">[<a href="#pb118">118</a>]</span> </p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch12" class="div1 story"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e7210">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="main">DE BIBLIOTHEEK.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">** graden <i>Fahrenheit</i>—dat is de rechte hoogte!
-</p>
-<p>Ach lezer! ik ben op het punt om u een leelijk zwak te bekennen.
-</p>
-<p>Ik ben.… ik durf het haast niet zeggen.… ik bid u, als gij in een kwade luim zijt,
-lees dan dit artikel niet! het mocht u voor altijd een tegenzin tegen mij inboezemen.
-Maar, als gij eens in een buitengewoon vergenoegde bui zijt, zoodat gij alles zoudt
-kunnen hooren zonder boos te worden, en in staat zoudt zijn uw ergsten vijand te vergeven,
-sla dan deze bladzijde op en heb medelijden met het slachtoffer der vreemdste vergissing,
-waaraan zich de natuur ooit schuldig maakte.
-</p>
-<p>Welnu! ik ben een onzinnig liefhebber van vuur!
-</p>
-<p>Neen, versta mij niet verkeerd, door aan de belijdenis van mijn physiologische zwakheid
-een psychologischen draai te geven. Ik spreek niet van dicht-, oorlogs- of godsdienstvuur.
-Ik bedoel vuur in den eenvoudigsten, minst overdrachtelijken zin des woords, kortom
-vuur, zoo als op den keukenhaard en in de kachel brandt! Was ik een filosoof, ik zou
-zeggen: het vuur nu, dat ik bedoel, is die warmtestof, welke door de ontbranding van
-hout, turf, steenkolen of andere ontvlambare stoffen wordt voortgebracht.
-</p>
-<p>Ik beken het, het is leelijk. Als redelijk wezen moest men zich boven zulk een zinnelijke
-gehechtheid aan de elementen (of hoe de dingen heeten, sedert het geen elementen meer
-zijn) weten te verheffen. Men moest zich van de aarde en het aardsche meer weten los
-te maken. Men moest omtrent de verschillende temperaturen dezelfde onverschilligheid
-leeren koesteren, die een rondtrekkende vogel daarvoor aan den dag legt, die zich
-aan de Ceylonsche rozijnen zat eet, en den dorst, daardoor verwekt, met sneeuw van
-den <i>St. Bernard</i> verslaat. UEd. en zeer Gel. heeft gelijk. Ik zal meer toegeven. Zich aldus aan koû
-of warmte te laten gelegen liggen, is afstand doen van een onzer eerste menschelijke
-privilegiën, van namelijk over de geheele aarde te huis te zijn, en den contrôleur
-onzes lichaams naar het klimaat, waarin wij ons bevinden, te regelen. Maar UEd. en
-zeerGel. is <span lang="la">Philosophiae Doctor</span>, en ik niet, en dat scheelt veel. Ik word er ambts- noch eershalve toe geroepen,
-een <i>impermeable</i> van ongevoeligheid om <span class="corr" id="xd31e3493" title="Bron: mij">mijn</span> gevoelige leden te slaan, en, om het nu eens kort en lomp te zeggen: ik <span class="pageNum" id="pb119">[<a href="#pb119">119</a>]</span>heb een natuurlijken afkeer tegen al wat Stoïcijn heet. Ik word er niet voor betaald,
-zulk een lastige en moeielijke rol te spelen; ik heb mij bij den regisseur van het
-groote wereldtooneel voor het karakter van overgevoelige geëngageerd,—en ik mag bevriezen,
-eer ik dat engagement breek! Ik wil pleizierig vinden, wat mij pleizier doet, en onaangenaam
-wat mij niet bevalt. Ik wil zelfs nu en dan <i>sybariet</i> zijn, en tegen een gekreukeld rozenblad morren en als gij mij het recht daartoe betwist,
-zal ik zoo vrij zijn u te zeggen, dat—UEd. een <span lang="la">Philosophiae Doctor</span> is.
-</p>
-<p>Zoodat, ik hou dol van vuur; en niet zoo, dat ik alleen een vijand van koû ben. Neen!
-ik ben evenzeer een vijand van een gematigde temperatuur; ik hou van heet, positief
-heet. Overal waar ik kom, ben ik een geducht mededinger voor hond of kat, die gaarne
-de eerste stralen van de koesterende kamerzon voor zich nemen; en reeds dikwijls zijn
-daardoor de zachtste deelen van mijn onderstuk in gevaar geweest van kennis te maken
-met de hardste ledematen van mijn tegenpartij. Wie mij lief heeft werpt, als hij mij
-ziet aankomen, nog in de vlucht een extra-blokje op het vuur. En meer dan een dame
-van mijn kennis, die mij om die onzindelijke passie niet lijden mag, neemt altijd
-juist een nieuw kooltje uit den haard in haar test, als ik binnenkom. Mijn gehardheid
-tegen een groote hitte is zelfs een natuurkundige zeldzaamheid, waaromtrent ik het
-niet eens ben, of ik die salamanderachtigheid van mijn huid aan een grillige speling
-der natuur, of aan een hardnekkige oefening moet toeschrijven. Dit is nu zeker iets
-zeer bijzonders, zeer bizars en zeer onaangenaams. Maar mag ik zoo vrij zijn te vragen,
-wat mijn lezer doet, als hem in de constructie van zijn lichaam het een of ander niet
-bevalt? Tot mij te zeggen, wees dan zoo koûelijk niet! is of men een kreupele gebood:
-maar loop dan toch zoo niet hinken! gebruik uw beide beenen toch!—Wat baat het immers,
-of ik het al verfoeilijk verwaand en aanmatigend vinde, voor mij, brandnetel in Gods
-hof, de broeikaswarmte van den edelen ananas te eischen? Ik kan er niet tegen: de
-natuur is sterker dan ik. Nooit beging zij grooter misslag, dan toen zij mij, wiens
-lichaam de onbeschaamdste vuuraanbidder is die er leeft, in een land deed geboren
-worden waar men van de zon der <i lang="en">fireworshippers</i>—leest. Iederen dag, dat ik mij weêr in de ruime lucht begeef en mij daar zoo veel
-mogelijk in het brandpunt van onze bleeke dagmaan<a class="noteRef" id="xd31e3509src" href="#xd31e3509">1</a> plaats, met het gevoel van een wrange October-druif, wier kleurloos gezicht de natuur
-stilzwijgend verwijt, dat zij haar te veel zuur voor zoo weinig gloed, of te weinig
-gloed voor zoo veel zuur gegeven heeft, vernieuw ik met haar den ouden twist. Indien
-ik een gissing durfde wagen, zou ik zeggen: ik behoor hier niet! ik ben hier een <i>exotische</i> plant.—Ik heb mij wel eens laten vertellen van zekere steenen, die bij een onweder
-uit de lucht komen vallen, waarvan men verhaald heeft, dat zij van de algemeene verwarring
-daarboven gebruik maken om van de een of andere planeet op <span class="pageNum" id="pb120">[<a href="#pb120">120</a>]</span>aarde te komen rollen. Welnu—ik ben zulk een onweêrssteen. Ik ben door een noodlottige
-vergissing van de een of andere warmer star op aarde verdwaald geraakt. Wie weet!
-misschien ben ik oorspronkelijk wel „een Zoon der zon” in de meest eigenlijke beteekenis.
-Hoe het zij, het is droevig, en ik noem het onmenschelijk, wanneer men het mij ten
-kwade duidt, dat ik, die in het zomerhalfjaar zoo veel van mijn competente portie
-van warmtestof te kort kome, dat deficit zoek te vergoeden door in het winterhalfjaar
-mijn schâ zooveel mogelijk in te halen.
-</p>
-<p>In den winter—
-</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line">Dan zomert het binnen bij beukstam en veen, </p>
-</div>
-<p class="first">zingt de Dichter: goed, maar met dit gelukkig onderscheid, dat dan ieder zijn eigen
-Hore kan zijn, en den zonnewagen zoo dicht bij zijn gestarnte rollen als hij verkiest.
-Dan wordt men door geen tyrannieke wetten van aantrekkings- of afstuitingskracht gedwongen,
-zijn corpus altijd op denzelfden eerbiedigen afstand van vijfentwintig jaren (kanonskogelmaat)
-van het verwarmend middelpunt te houden. Zalige tijd! Dan heb ik niet naar boven te
-zien, om mij te beklagen, dat de hond in den dierenriem noch niet dol van hitte, en
-de kreeft noch niet rood gekookt is door het vuur dat onder hem gestookt wordt. Dan
-maak ik met mijn thermometer mijn eigen <i>zodiac</i>, en schep naar verkiezing een Oostersche, ja, een Keerkringswarmte.
-</p>
-<p>Lach mij uit, zoo gij wilt; naast mijn haard gezeten trotseer ik u, en daag u uit
-mijn genoegen door uwe spotternij te bederven. O, mijn redelijke en zedelijke lezer,
-in de stemming van algemeene menschenliefde, waarin mijn tegenwoordig lekkere atmosfeer
-mij brengt, kan ik niet nalaten u tegen wil en dank een wensch op te dringen: het
-is, dat gij ook in den wereld iets stoffelijks zoo lief moogt hebben, als ik mijn
-vuurtje! Rijkdom, liefde, roem, macht, het is alles bedriegelijk en aan verandering
-onderworpen; maar iets materieels als een vlammende haard deelt in die wisselvalligheid
-niet. Altijd is hij heet, even heet, en even gereed mij te verwarmen. Ontrouw grieft
-hem niet. Na een geheelen zomer in donkere eenzaamheid gekwijnd te hebben, is in het
-najaar een blozende glimlach zijn eerste welkomst. Verkwisting put hem niet uit, want
-al heeft hij den vorigen dag stapels hout verslonden, een oogenblik, en hij brandt
-weêr met dezelfde geestdrift. Zijn schoonheid is onvergankelijk; want al teisterden
-hem de jaren, zijn wang blijft rood, zijn oog vonkelen, zijn geheele houding is vol
-vuur en leven! En wat niet minder zegt, terwijl van den anderen kant de vatbaarheid
-voor de meeste der overige genoegens met den leeftijd vermindert, de vatbaarheid om
-zich te verwarmen neemt met de jaren eer toe dan af. Hoe ouder men wordt, hoe meer
-onze rechten op een sterke dosis warmte erkend en geëerbiedigd worden; en, wanneer
-ik aan sommige volken denk, die de weelde zoo ver drijven van na hun dood niet weg
-te slinken, maar weg te knappen, dan moet ik zeggen—dat die een zeer warm uiteinde
-hebben.
-<span class="pageNum" id="pb121">[<a href="#pb121">121</a>]</span></p>
-<p>Intusschen verzoek ik mijn haastigen lezer, zijn vlug oordeel over de mogelijke gevolgen
-van zulk een <span class="corr" id="xd31e3535" title="Bron: hartocht">hartstocht</span> nog een oogenblik op te schorten. Zoo protesteer ik er volstrekt tegen,—en verzoek
-dat mij van dit protest acte verleend worde,—dat ik aan deze warmteliefde mijn winterplichten
-of eenigen anderen plicht hoegenaamd zou opofferen. Ook heb ik daartoe geen verzoeking.
-Want ik bid u instantelijk, mijn vuurzucht niet te verwarren met de lafhartige vrees
-voor koude, die sommige menschen bezielt. Ik kan u zeggen, dat ik „van haar en van
-hen” een vinnigen afkeer heb. Ik zeg met de liefhebbers: kou is gezond! dat spiert
-de spieren en spant de zenuwen; dat verstaalt het bloed, als het metaal de minerale
-wateren; dat verfrischt den adem, zoo als het de lucht doet; dat verhardt den mensch
-met den grond, waarop hij gaat. Alles waar! Ook mag ik gaarne een helderen kouden
-winterdag, wanneer u van de lippen van het blonde Noorden „gezondheid tegenvlot.”
-En een schoone winternacht, wanneer de sterren zoo koud en klaar aan den hemel tintelen,
-als de juweelen op het sneeuwbed aan uw voeten—willen wij <i>pariëren</i>, wien van ons beide de klapperman daarin het eerst buiten zal aantreffen? Gij gevoelt
-dus, dat ik om een kouden tocht geen zieken vriend of armen buurman onbezocht zal
-laten. Herinner u mijn St. Nicolaas-wandeling maar! Ja, ik durf meer zeggen. Toen
-de Koning zijn trouwe onderdanen opriep, om hem den dienst van hun arm te leenen,
-verliet ik mijn kamer, waar ik juist mijn kachel had laten zetten, zonder omzien,
-en trok met een warm hart den vijandelijken winter tegen. En ofschoon de Novembermaand
-van 1830 al een zeer barre maand was, met de hand op het hart kan ik zeggen, dat ik
-geen oogenblik om mijn vuurtje gezucht heb. Herinnert gij, die met mijn vuurpassie
-spot, u den nacht van 24 op 25 November nog? Gij herinnert hem u wel, mijn vrienden!
-die hem met mij in een stroohut doorbracht, waarin de kegels aan de sparren hingen,
-die ons verwarmden, en de soep aan den rand van den emmer bevroor, waaruit wij het
-maal onzes bescheidenen deels moesten opdiepen! terwijl wij van tijd tot tijd verzocht
-werden, op den omloop van een nabij gelegen molen, gedurende een paar uur proef te
-gaan nemen, hoeveel de koude op dien hoogeren stand die van ons Laplandsch verblijf
-beneden nog te boven ging. Wie uwer, die ik hier met name zou kunnen noemen, herinnert
-zich uit dien nacht iets van een wapenbroeder, die tegen de koude morde of het geweer
-niet recht in de verkleumde armen droeg?
-</p>
-<p>Verschoon mij, vriendelijke lezer! Ik moest mijzelven daar in ’t voorbijgaan eens
-prijzen. Gij die reeds zoo veel van mij weet, moet toch ook weten, dat ik, met al
-mijn overgevoelige theoriën, een praktisch liefhebber van mijn vaderland ben. En daarenboven,
-Mijneheeren! is de aanhaling <i lang="la">in casu</i> van toepassing, daar er mijn <span class="corr" id="xd31e3545" title="Bron: klient">kliënt</span> ten hoogsten aan gelegen ligt, niet voor een kleumschen luiaard of vertroeteld <span class="corr" id="xd31e3548" title="Bron: ittebroodskind">wittebroodskind</span> te worden gehouden.
-</p>
-<p>Het is waar ook, ik zou u iets van mijn Bibliotheek verhalen. <span class="pageNum" id="pb122">[<a href="#pb122">122</a>]</span>Maar ik kon niet zoo lomp op mijn onderwerp vallen, zonder eerst mijn hulde en dank
-gebracht te hebben aan mijn warmen vriend en buurman, die mij in zulk een aangename
-stemming van geest brengt, dat ik den lust niet kan wederstaan, een schoon velletje
-papier en een nieuw versneden pen te nemen, om aan mijn genoegen schrijvende lucht
-te geven. Besteedt menig Dichter een goed deel van zijn vers aan de oproeping van
-de Muze, die hem bezielen moet, dan mag ik wel een gedeelte van mijn opstel aan mijn
-kachel wijden, die de bezielende geest van mijn schrijflust is. <i lang="la">Calescimus illo!</i> En indien gij een menschlievend mensch zijt, die gaarne in eens anders vreugde deelt,
-dan moet het u goed doen, zoo dadelijk aan het hoofd van deze schets, de uitboezeming
-van een tevreden en dankbaar hart te vinden.
-</p>
-<p>En hoe kan het anders? hier zit ik op mijn aangename <i>comfortable</i> kamer. Mijn trouwe huisklok staat voor mij, en telt voor mij de gelukkige oogenblikken,
-die ik beleef, terwijl mijn hart zoo rustig in mijn boezem spint als de poes, die
-op de warme kruk? bij het vuur ligt. <span class="sc">Editha</span> en <span class="sc">Judith</span> blijven als vaste starren ieder in haar sfeer, zonder, zoo als wel eens gebeurt,
-als onrustige kometen door het huis te zwerven. De hagel kletst tegen de ruiten en
-op den hemel van de koetsen, die mijn huis voorbij rollen om hun opgeschikte vracht
-naar de komedie te brengen, waar voor de zevende maal <span class="sc">Raton</span> door <span class="sc">Bertram</span> bij den neus, en het publiek door den bureaulist bij de beurs zal genomen worden.
-Het is iets ongeloofelijk rustigs in zijn huisjapon te zitten, als anderen zich de
-moeite geven hun beste pak naar een tentoonstelling te dragen. Mijn kachel—doch daarvan
-heb ik reeds gesproken. Maar waarvan ik nog niet gesproken heb, is mijn Bibliotheek!
-</p>
-<p>Van den oudsten tijd af zijn gordijnen iets geheimzinnigs, waarvan de reden veel gemakkelijker
-te vinden is, dan <i lang="la">lucus a non lucendo</i>. Reeds als een een kleine jongen stond ik met glinsterende oogen naar de bonte hoes
-te loeren, die de <i lang="la">causa movens</i> der marionetten voor mij verborg. Wat ouder geworden, stond ik met de dezelfde nieuwsgierige
-verbeiding voor het doek, waarop <i>der kunsten God aan ’t Y</i>, veel te lang voor mijn ongeduld, <i>verdiensten en deugd alleen</i> bekroonde. Als jongeling hadden weêr schoone gestalten, wier schaduwen zich in schemerende
-omtrekken op een nijdige gordijn teekenden, voor mij haar eigenaardige aantrekkelijkheid.
-Maar nooit rustte mijn oog met grooter verwachting op eenig voorhangsel, dan op het
-dikke groene kleed, dat ginds mijn boeken in hun plankenwoning van de buitenwereld
-scheidt. En toch, nooit vond mijn verwachting volkomener vervulling. Anders—laat men
-er u voor waarschuwen, mijn jonge vrienden!—zijn gordijnen niet veel te vertrouwen.
-Meestal zijn het bedriegelijke sluiers, die de hebzucht of de ijdelheid over de nietigheid
-der aardsche dingen spreidt. Althans sedert ik mij menigmalen, achter het doek getreden,
-den prijs beklaagde, dien ik er vóór staande betaald had, heb ik een besluit genomen,
-voortaan alle overdekte geheimen geheim te laten, en mij met het ontdekte en bekende
-te behelpen. Maar <span class="pageNum" id="pb123">[<a href="#pb123">123</a>]</span>dit moet ik tot eere van mijn Bibliotheek zeggen, zij is een uitzondering op den regel.
-Achter haar nederige gordijn liggen schatten verborgen, waarvan gij op het aanzien
-van verre geen vermoeden zoudt hebben. Met welk een begeerlijke hand ik haar ook immer
-opsloeg, altijd liet ik haar met nog grooter voldoening vallen, als ik den Auteur,
-dien ik aan haar schaduw onttrokken had, weêr aan haar bescherming toevertrouwde.
-Ja, mijn eenvoudige voorhang! Gij bedekt voor mij een geheele schoone wereld van gezichten
-en droomen! Gij bewaart voor mij den ingang tot het Heilige der wetenschap, tot het
-Allerheiligste der hoogste kennis! Gij overspreidt als een wolk het <i>Elysium</i>, waarin de Wijzen en Edelen van alle tijden voor mij herleven, en mij met hunne godenstemmen
-toespreken!
-</p>
-<p>Dat klinkt wat opgewonden, niet waar? Maar mijn Bibliotheek is ook zóóveel voor mij!
-</p>
-<p>„Menschen”, schrijft een vaderlandsch Humorist, „die genoodzaakt zijn de ruime wereld
-door te trekken met even weinig deelneming, als een vogel door de lucht vliegt, of
-als Mr. <span class="sc">Sharp</span> in zijn reiskoets <i>Italië</i> doorrolde, heeft de Hemel deswegens vertroost, door hen te plaatsen in hunne studeerkamer,
-in eene maatschappij van boeken, en de macht verleend om rondom zich een papieren
-wereld te scheppen, waarvan zij de onafhankelijkste wetgevers zijn.”
-</p>
-<p>Zou de man gelijk hebben? Ten minste ik heb het daaraan toegeschreven, dat mijn kleine
-boekverzameling zulk een ruimte in mijn hart en in mijn leven vervult.
-</p>
-<p>Ziet ge, niet alle menschen, die ’s avonds na gedaan dagwerk t’huis komen, komen op
-dezelfde wijze t’huis. Er is bijvoorbeeld een Tehuiskomst, door mijn lievelingsdichter
-beschreven:
-</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line">Goeden avond, hartig wijf, </p>
-<p class="line xd31e490">Mijn geluk en lust! </p>
-<p class="line">Dat mij vurig prangt aan ’t lijf, </p>
-<p class="line xd31e490">En mij welkom kust. </p>
-<p class="line">Goeden avond!— </p>
-<p class="line">Eerst nu ’t wiegkleed opgedekt </p>
-<p class="line xd31e490">Van het speelziek wicht, </p>
-<p class="line">Dat de handjes tot mij strekt, </p>
-<p class="line xd31e490">Reeds met de oogjes digt. </p>
-<p class="line">Eerst mijn kussen omgedeeld. </p>
-<p class="line xd31e490">Tusschen al mijn kroost, </p>
-<p class="line">Dat mij hand en wangen streelt, </p>
-<p class="line xd31e490">En mij kust en koost. </p>
-</div>
-<p class="first">Dat is weêr anders, dan wanneer men ’s avonds in zijn woning terugkeerende niets te
-vragen heeft, dan: <span class="sc">Judith!</span> is mijn kamer in orde?—Nauwelijks heeft de oude Ja gezegd, of vijf minuten later
-sta ik voor de gordijn—van mijn boekenkast. Dat zijn mijn lievelingen, mijn speelpopjes,
-mijn kinderen! Die moeten door hun onthaal mij de moeite van mijn dagelijkschen arbeid
-beloonen. Die moeten <span class="pageNum" id="pb124">[<a href="#pb124">124</a>]</span>door hun gesnap mij den langen avond korten. Die moeten door hun lachjes mijn rimpels
-verdrijven. Die moeten mij van liefde en geluk spreken!—Brr! het mislukt hun wel eens.
-Gij zoudt mij soms wel eens vinden, met de hand waaraan het geopend boek ontzonken
-is onder het hoofd, en in diep gepeins verloren, terwijl mijn papieren kroost vruchteloos
-de handen naar mij uitstrekt en mijn aandacht zoekt te trekken. Maar dat zijn maar
-enkele donkere buien, die straks weêr afdrijven. Over ’t algemeen heb ik mij over
-mijn Bibliotheek, noch zij zich over mij te beklagen. Veeleer heeft zij alle reden
-van roemen; want—wat zoo hatelijk voor een boekvertrek is—nooit dringen er dartele
-gasten binnen, om van mijn folianten een vesting te bouwen, die zij daarna met mijn
-<i>duodecimo’s</i> beschieten. En evenmin heeft zich ooit een van mijn boeken te beklagen, dat er onder
-het lezen op eens een vriendelijke gestalte achter mij staat, die met een zachte hand
-mijn peinzend voorhoofd streelt, hetgeen zoo licht een geheele stoornis in de lektuur
-veroorzaakt.—Neen, als ik eens haar drempel ben overgetreden, <i lang="la">sum totus in illo</i>. Dan ben ik enkel boek: dan verdiep ik mij welhaast zoo geheel in de wereld, waarin
-zij mij inleidt, dat ik de wereld buiten mij vergeet. Inderdaad, na een Bibliothekaris
-geloof ik niet, dat een Bibliotheek een beter meester hebben kan, dan mij.
-</p>
-<p>Nu ik moet haar de getuigenis geven, het is bij haar: liefde voor liefde. Ik zou vruchteloos
-beproeven u een denkbeeld te geven van het genoegen, dat ik haar te danken heb.
-</p>
-<p>Zoo is het bijvoorbeeld heerlijk reizen, dat ik doe. Ik begin met mijn reispak aan
-te trekken. Dit bestaat uit een blauwdamasten kamerjapon met driekleurige sjerp, fluweelen
-kalotje en saaietten pantoffels, door de hand van <span class="sc">Editha</span> gewerkt. Daarna neem ik plaats op mijn voertuig. Een hooge stoel met breeden rug,
-lage zitting en bekleede armen. Na mij alzoo in postuur te hebben gezet, geef ik het
-teeken van vertrek.… het boek valt open.… en binnen vijf minuten rij of zeil of stoom
-ik dat het een aard heeft. Ha! hoe het er over heen gaat! De zevenmijlslaarzen uit
-de fabel loop ik wel tienmaal voorbij. Indien iemand tegen mij zou kunnen reizen,
-moesten het de heksen van den <i>Bloksberg</i> op haar bezemstelen zijn. Belangrijke tochten, die ik alzoo doe! De hoogste hoogte
-van den <i>Montblanc</i> wordt door mij betreden, tot in de diepste laagte van den <i>Vesuvius</i> daal ik af; nu wasch ik mijn handen op den <i>Chimboraço</i> in de wolken, dan zoek ik in een duikersklok op den bodem der zee de schatten, waarvan
-de <i>Peri’s</i> zingen. Nu nader ik tot aan de „schatkameren der sneeuw en de schatkameren des hagels;”
-dan zwerf ik door de diepten, waar het zout groeit en het ijzer geboren wordt; nu
-zie ik de aarde <i lang="fr">à vol d’oiseau</i>, dan <i lang="fr">à vue de taupe</i>. Vreemde en gevaarlijke uitspanningen, die ik mij daarbij veroorloof! Ik hengel met
-den harpoen naar walvisschen, zet olifantsknippen uit, jaag op arenden en klipgeiten,
-ga uit tijgeren met tijgerstrikken, botaniseer aloë’s en kokosnoten, en <span class="pageNum" id="pb125">[<a href="#pb125">125</a>]</span>antiquariseer pyramides en andere kleinigheden. Dit niet alleen. Door het aanzien
-van mijn reisgenooten, zie ik veel meer dan de gewone reiziger. Ik dring met onzen
-<span class="sc">Van Braam</span> in de audiëntiezaal van den Keizer van <i>China</i>; <span class="sc">Lamartine</span> opent mij den toegang tot de Koningin van <i>Palmyra</i>; <span class="sc">Byron</span> leidt mij in bij <span class="sc">Ali</span> van <i>Janina</i>; zelfs ontsluit Lady <span class="sc">Montague</span> mij den harem des Sultans. En dat alles zonder eenige vermoeienis of hinder! De slapelooze
-zon der Morgenlanden moge met „ongebogen stralen” op mijn hoofd branden, de Noordpool
-mij met haar kouden adem in het gezicht blazen, ik blijf er kalm onder. Ik ben getuige
-van de vreeselijkste stormen, hoor de verschrikkelijke monsters brullen, adem de verpestendste
-dampen in, drink sneeuw aan de bron en gluur door de tralies van den grooten aard-oven,
-zonder er het minste kwaad van te hebben. Het is wonderlijk! Er bestaat tusschen mij
-en mijn reisgenoot een zonderlinge graad van sympathie. Ik zou haar willen vergelijken
-met die van <span class="sc">Meleager</span> voor zijn houten dubbelganger, wiens brand hem mede verteerde; maar met dit onderscheid,
-dat het vuur, hetwelk den ander verschroeit, mij niets dan een pleizierige warmte
-veroorzaakt. De schokken, die zijn zenuwen dreigen te verscheuren, kittelen de mijne
-op een aangename wijze; de angsten, die zijn gestel uit elkander schudden, veroorzaken
-het mijne een genoegelijke huivering; het verschrikkelijke en medelijdenswaardige
-van zijn toestand wordt voor mijn gevoel in een zoete <i lang="la">voluptas tragica</i> gedistilleerd. Gelukkige kamerreizigers! Zij laten de reizigers rondom de wereld
-de kastanjes uit het vuur halen, waaraan zij zich te goed doen.
-</p>
-<p>Maar niet alleen voert mijn Bibliotheek mij door de aarde zoo als zij is en haar bewoners
-zoo als zij zijn; maar zij voert mij ook naar een aarde zoo als er geen is, en bewoners
-zooals er niet zijn. In haar schoot berust het houten zwaard van Arlequin, dat u met
-een tooverslag uit de wezenlijke wereld naar een wereld van verbeelding verplaatst.
-Zij verstaat de kunst om den draak van den tuin der Hespriden te verschalken; de Gelukkige
-Vallei is voor haar niet verborgen; de hal van <i>Eblis</i> weigert haar geen toegang; het eiland van <i>Prospero</i> daagt voor haar uit de zee; het paleis van <span class="sc">Mahomed</span> ontsluit zijn gouden poorten; de Cherub van <i>Eden</i> draagt voor haar geen vlammend zwaard; ja, de Engelen ontzeggen haar niet een enkelen
-blik in hun zalige verblijven te werpen. Dat is iets heerlijks! O, het is op aarde
-wel schoon en goed, en zij is, zoowel als eenig ander deel der schepping, een tooneel
-van Gods almacht en liefde: de vrome <span class="sc">Camphuijzen</span> heeft gelijk:
-</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line">Och, waren alle menschen wijs, </p>
-<p class="line xd31e490">En deden daarbij wel, </p>
-<p class="line">Deze aarde ware een paradijs. </p>
-</div>
-<p class="first">Maar toch is het een wellust voor iemand, wiens verbeelding verder reikt dan zijn
-oog, zich somwijlen met zijn geest in een volmaakter schepping te verplaatsen, waarvan
-het onvolmaakte der oude aarde is <span class="pageNum" id="pb126">[<a href="#pb126">126</a>]</span>afgescheiden, de borst, door de nevelen van onzen dampkring beklemd, in een zuiverder
-aether te verruimen en te verkwikken, en zich in een eeuwige lente over de winters
-der aarde te troosten. Toch is het een wellust voor iemand, wiens verwachting verder
-reikt dan zijn gezicht, zich de nieuwe aarde te droomen, „<span lang="nl">nederdalende uyt den hemel, als een bruyt die haren manne verciert is</span>;” of als Mozes in verrukking de woning in de lucht te aanschouwen, die men later
-in wezen hoopt te zien. Gelukkig alzoo voor hem, die dit verlangen in zich voelt ontwaken,
-dat hij Dichters en Zangers gereed vindt om hem op zulk een luchtreis te geleiden.
-Gelukkig wie <span class="sc">Dante</span> en <span class="sc">Tasso</span>, <span class="sc">Shakespeare</span> en <span class="sc">Moore</span>, <span class="sc">Vondel</span> en <span class="sc">Bilderdijk</span>, <span class="sc">Klopstock</span> en <span class="sc">Schiller</span> kan oproepen, om hem op de vleugelen van hun rijker verbeelding en stouter genie
-tot die hoogte op te heffen. O, wie ook, zwaar van hoofd en zwaar van hart, door zijn
-ongeloof de bezwering dier Toovenaars moge verbreken; wie zich door hen moge laten
-omhoog voeren, als de schildpad door den arend in de fabel; ik niet alzoo. Ik geef
-mij gaarne en gewillig aan hunne leiding over: ik zie hunne gezichten, ik droom hunne
-droomen, ik smaak hunne wellusten. Mijn nederige cel! Niemand zou vermoeden, welke
-betoovering dikwijls voor uw bewoner uw eenvoudig verblijf in een heerlijk lustoord
-veranderde. Niemand zou kunnen denken, dat die lompe gordijn visioenen verbergt, waarbij
-al wat er ooit schitterends van achter een tooneelgordijn te voorschijn kwam, poppenspel
-is. Niemand zou gelooven, dat die kleine trap, die mij naar de bovenverdieping van
-mijn Bibliotheek voert, dikwijls een Jacobsladder is, die mij helpt om ten hemel op
-te klimmen. Heerlijke poëzij! Hoe wèl voegt gij op een aarde, die een verloren paradijs
-beweent en een herwonnen paradijs verwacht!
-</p>
-<p>Maar niet alleen voert mijn Bibliotheek den huiszittende naar andere gewesten, maar
-zij brengt ook den eenzame onder andere menschen. En welke menschen! Onder de wijssten,
-de edelsten, de grootsten, de welsprekendsten van alle tijden. Hier staan zij allen
-op een rij geschaard, gereed om op den eersten wenk tot mij te komen en zich met mij
-te onderhouden. Ja, wat meer is, om mij als met den room van hun geest, den bloesem
-huns harten en het merg van hun vernuft te voeden. Gelukkige uren, die ik, onwaardige,
-in den kring dezer voortreffelijken doorbreng. En welk een verrukkelijke afwisseling
-bieden zij mij aan! Nu is het mij, of ik mij op de markt van <i>Athene</i> bevinde, en de donders van <span class="sc">Demosthenes</span> tegen den Dwingeland hoor losbarsten; dan verteedere ik mij onder het gehoor van
-<span class="sc">Tullius</span> over den schuldig-onschuldigen <span class="sc">Ligarius</span>; straks voel ik mijn hart breken over het ellendig schouwspel van de in het stof
-wentelende <span class="sc">Hecuba</span>; wil ik mijn smart daarover verzetten, ik ontspan mij met de snakerijen van den groot
-sprekenden <span class="sc">Thraso</span>; elders wederom meng ik mij onder de feestvierende schare, die het Olympisch worstelperk
-omringt, maar de hoogste kroon toekent aan den zanger, die de kroon <span class="pageNum" id="pb127">[<a href="#pb127">127</a>]</span>des overwinnaars verheerlijkt; of begeer ik zachter tooneelen, ik ben getuige van
-de onschuldige dartelheid van <span class="sc">Nausikaä</span>, de ondeugende schalkheid van <span class="sc">Eunika</span>, of sta als rechter over de zangen van <span class="sc">Menalcas</span> en <span class="sc">Damoetas</span>. Op andere tijden daarentegen verlaat ik den klassieken bodem, om mij met mijn geest
-in later dagen te verplaatsen. Dan vergezel ik <span class="sc">Dante</span> op zijn geheimzinnige tochten; dan laat ik mij door <span class="sc">Racine</span> in de schoone wereld overbrengen, die zijn maagdelijk reine verbeelding zich opende;
-dan dool ik aan de zijde van <i>Schotland’s</i> Meistreel langs de schilderachtige bouwvallen, door het genie des dichters met een
-tooverachtigen gloed bestraald; dan zie ik met bewondering in <span class="sc">Göthe’s</span> <i>Ifigenia</i> den geest van een jong leven in een beeld der oudheid geblazen. Maar bovenal dan
-verrukken mij de heerlijke scheppingen der vaderlandsche kunst. Dan adem ik, luisterziek
-over <span class="sc">Hoofts</span> luite heengebogen, de balsemluchten van <i>Florence</i>; dan hoor ik, aan <span class="sc">Vondels</span> lippen geboeid, hemelsche stemmen in den aardschen kerstnacht klinken; dan roepen
-de zangen der <span class="sc">Van Harens</span>, als een droomgezicht, schooner dagen voor mij terug; dan vermeide ik mij met <span class="sc">Bilderdijk</span> in den aanblik van het jeugdige aardrijk; dan beluister ik <span class="sc">Tollens</span> onder zijn kinderen in de uitboezeming van het zuiverste menschengevoel, dat ooit
-een menschenhart deed kloppen. Eileive, vraag mij dus niet, of ik tot eenige, en tot
-welke school ik behoore. Vergun mij geen school te kiezen, maar een <i lang="la">eclecticus</i> te blijven. Waar ik het schoone vinde, al is het onder het stof der oudste oudheid,
-al is het onder het waas der nieuwste nieuwheid, laat mij toe het schoon te vinden.
-In mijn Bibliotheek heerscht een algemeene vrede, gelijk die van 1815. <span class="sc">Aristoteles</span> verbroedert zich met <span class="sc">Shakespeare</span>, <span class="sc">Socrates</span> met <span class="sc">Mirabeau</span>, <span class="sc">Horatius</span> met <span class="sc">Victor Hugo</span>, <span class="sc">Quinctilianus</span> met <span class="sc">Jean Paul</span>. Kan het anders of het schouwspel dier onderlinge verdraagzaamheid moet ook mij tot
-onpartijdigheid stemmen?
-</p>
-<p>Gij zoudt lachen, mijn deftige lezer, indien ge mij somwijlen zaagt, terwijl ik mij
-in de beschouwing en genieting dezer heerlijke schatten verdiepe. O, het hart kan
-mij daaronder zoo hoog slaan! Zoo kan ik het met geen woorden beschrijven, wat ik
-gevoel, wanneer ik zoo dikwijls bij mijn schrijver menige gedachte, menige gewaarwording
-uit mijn ziel gestolen vinde, als hadden zij achter mij gestaan of in mijn hart gelezen.
-Bovenal wanneer ik die gedachte of gewaarwording duidelijker zie uitgesproken, dan
-ze in mijne ziel schemerde. Wanneer ik een lievelingsdenkbeeld, lang weifelend bij
-mij omgedragen, en beurtelings aangenomen of verworpen, door een vreemd en groot gezag
-bevestigd vinde, dat aarzelende hope in vast geloof verandert! Wanneer ik in de droomen
-van anderen mijne droomen herkenne, maar helderder gedaagd, aanschouwelijker gemaald
-en schooner gekleurd! Wanneer ik door den mond van anderen het voor mij <span class="corr" id="xd31e3837" title="Bron: onuitspekelijke">onuitsprekelijke</span> hoor uitgesproken en alleen zeggen kan: <i>Anch’ io!</i>—O, het is heerlijk! En al is het, dat er geen dadelijke overeenkomst van gedachten
-tusschen <span class="pageNum" id="pb128">[<a href="#pb128">128</a>]</span>mij en mijn Auteur bestaat, welk een aangename gewaarwording evenwel, zich aan de
-voeten dier groote geesten neder te zetten en den honing der wijsheid van hun lippen
-op te vangen. Voorzeker, het is een nietig mensch, die het geen wellust vindt, grooter
-zielen aan te treffen dan de zijne; klaarder spiegels, waarin het verheven-goddelijke
-en schoon-menschelijke helderder afschijnt; teederder snaartuigen, die door het hemelsch-majestueuse
-en het aardsch-bevallige lichter en welluidender geroerd worden; zuiverder wierookvazen,
-die voor het eeuwig-heerlijke en het tijdelijk-beminnelijke met reiner vlammen branden.
-O, wanneer ik alsdan in zulke groote zielen lezende, daarin minder dan in de mijne
-het beeld des Scheppers verdonkerd en uitgewischt vinde, hoe verheft zich mijn geest
-bij de gedachte: „<span lang="nl">Wy syn Godts geslachte!</span>” Hoe hoog klopt mijn hart over mijn verwantschap met die toonbeelden van menschen-adel!
-Ja, dan versterkt zich niet alleen mijn hope op een ander leven, maar het krijgt tevens
-voor mij als ware het een herkenbare gedaante. Was het dat ik mijzelven wel eens in
-moedeloosheid afvroeg, hoe ik eenmaal aan het ideaal zou beantwoorden, dat zich mijn
-geest van den verheerlijkten mensch vormde, het was of ik bij hen daarvan reeds eenige
-trekken ontwaarde. Wanneer een <span class="sc">Bossuet</span>, zoo met recht de adelaar van <i>Meaux</i> genoemd, wiens arendsoog een blik op de ongeschapen zon kon werpen zonder duizelig
-te worden, mij tot voor den troon des Eeuwigen voerde. Wanneer <span class="sc">Fenelon</span>, zoo treffend de zwaan van <i>Kamerijk</i> geheeten, in de uitboezemingen zijner engelzachte ziel woorden scheen gevonden te
-hebben voor de onuitsprekelijke teederheid der hoogste liefde. Wanneer onze <span class="sc">Chrysostomus</span>, wiens naam eerbied op mijn lippen terughoudt, maar door ieder in het hart genoemd
-wordt, het aanbiddelijk geheim van de vriendschap des Eeuwigen voor zijn menschenkind
-voor zich scheen te hebben opgelost, en in zijn Aartsvaderlijke tafereelen mij in
-den Schepper van hemel en aarde den God, wat zeg ik, den Vriend van <span class="sc">Abraham</span> aanschouwen en beminnen deed. Wanneer een <span class="sc">Klopstock</span> in zijn Messias de verhevenheid van den Ziener van <i>Patmos</i> met den liefde-ademenden geest van den <span class="sc">Zebedeus</span>-zoon scheen te vereenigen, en met onnavolgbare kunst het majestueuse van den Zone
-Gods met het beminnelijke des Menschenzoons tot een enkel harmonisch beeld ineensmolt.
-Dan scheen het mij in zulke oogenblikken, of door die menschen het hemelsche nader
-tot mij kwam. Mij dacht, van de leere die zij predikten omtrent de onlosmakelijke
-verwantschap tusschen God en den mensch, waren zij niet minder bewijzen, dan getuigen.
-In hunnen boezem droegen zij het onderpand eens hoogeren levens om; in hen zag ik
-den eersten schalm van die keten van volmaaktheid, die,—duizelende gedachte!—bij den
-troon des Oneindigen eindigt!.… O, noem het overdrijving, noem het dweperij, zoo ge
-wilt, ik zal er niets anders op antwoorden dan met den wensch, dat gij ten minste
-eenmaal dat gevoel kennen moogt, als ik!
-<span class="pageNum" id="pb129">[<a href="#pb129">129</a>]</span></p>
-<p>Evenwel niet alleen van het goddelijke in den mensch, ook van het menschelijke in
-hem laat ik mij door mijn lievelings-schrijvers verhalen. Het is mij zoo wèl en goed,
-als door zulk een beschouwing het geloof aan menschenwaarde en menschendeugd,—dat
-daar buiten wel eens een schok krijgt,—op nieuw in mij versterkt wordt. Als ik zie
-dat er nog zijn, wier hart den indruk van den vinger des Scheppers behield; in wier
-bloed „de melk bleef”, waarmede een vrouwenborst hen voedde; wier tranen nog vreemde
-smart beschreien en wier handen nog vreemde tranen drogen kunnen. En waarom het ontkend,
-dat ik daarbij niet vrij van partijdigheid ben omtrent die halflachende, halfschreiende
-Aprilskinderen, die mijn verstandiger lezer met spotachtig schouderophalen Humoristen
-noemt? Kan ik het helpen, dat op het klavier van mijn hart die snaren het eerst en
-zuiverst klinken, die door hun vingers worden aangeslagen? O, <span class="sc">Yorick! Yorick!</span> hoe meesterlijk verstaat gij de kunst om de toetsen van mijn ziel te bespelen. Verrukkelijke
-uren, die ik achter u op uw klein paardje gezeten, en met u over bergen en dalen,
-door steden en gehuchten zwervende doorbreng. Wat gaat het mij aan, of gij mij al
-langs onophoudelijke kronkelpaden voert, en telkens uw eigen weg schijnt vergeten
-te zijn; gij kent toch den weg door het menschelijk gemoed uitmuntend, en, waar gij
-ook henen dwalen moogt, in dien doolhof verdoolt gij nooit. Wat vraag ik er naar,
-of uw rede dikwijls naar een pijl gelijkt, die door den wind opgenomen, vademen ver
-van het doel slingert? Gij weet toch het kortste pad naar mijn hart, en uw doel om
-dat te roeren bereikt gij altijd. Wat kreun ik mij er aan, of hier en daar een enkel
-woord uw radde lippen ontvalt, dat een voorzichtiger man zou hebben binnen gehouden?
-Juist dat uitpakken van uw geheele mars met al wat er goeds en kwaads in u is, met
-de argeloosheid van een kind, dat zijn geheele hart voor ons omkeert en leêgstort,
-juist die naïve oprechtheid is het, wat mij in u zoo zeer behaagt. Gij bedelt ook
-niet om onze bewondering en vergoding; gij vertoont u aan ons als een gemeenzaam vriend
-met al uw grootere en kleinere zwakheden, maar ook zoo, dat wij u als een vriend moeten
-liefhebben. En wie ook laag op u nederzie, met al uw gebreken zijt gij een heerlijk
-man, op wiens menschelijke verwantschap ik trotsch ben. En het is voor mij altijd
-een verrukkelijk genot, als het uurtje gekomen is:
-</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line">Kom, bij ’t vuur de koude ontweken, </p>
-<p class="line">&nbsp; </p>
-<p class="line">Zal vriend Yorick voor ons preken. </p>
-</div>
-<p class="first"><i>Vriend Yorick!</i> helaas, een vriend naar den geest. Een vriend, nooit door mij gezien of gekend! Een
-vriend—ik hoop het—later door mij te zien en te kennen! met zoo vele anderen, met
-wie mij hier reeds de gemeenschap der ziele verbond, ofschoon het mij nimmer te beurte
-viel hun aangezicht te aanschouwen. Heerlijke gedachte! Als al die groote geesten,
-die hier in het afgietsel hunner schriften <span class="pageNum" id="pb130">[<a href="#pb130">130</a>]</span>voor mij vertegenwoordigd werden, mij niet meer als schemerende schimmen, maar als
-levende gedaanten omringen zullen. O God, hoe zalig moet het in uw hemel en onder
-hemelingen zijn, als het ons hier op aarde en onder de aardsche menschen dikwijls
-reeds zoo wèl kan wezen!
-</p>
-<p>Maar, gelukkige die ik ben! Niet alle vrienden dáár in mijn boekenkast dragen dien
-naam in een zoo onbepaalden zin. Er zijn er verscheidene onder, die het niet beneden
-zich geacht hebben, <span class="sc">Jonathan</span> een nederig plaatsje in hun vriendschap te schenken. Dat is een voorrecht, waarvoor
-ik de hand, die ons bij elkander bracht, dankbaar zegene. Het is toch iets eigenaardigs,
-het werk van een vriend te lezen of te genieten. Daarvoor gaat het hart nog geheel
-anders open dan voor de stem, die wij nooit levende hoorden. Bij het openen van hun
-schriften is het alsof zij tegenover ons plaats namen. Onder het lezen is het alsof
-hun stem ons toeklinkt, en, wat het voornaamste is, te gelijk met het gevoel van bewondering
-dringt zich het gevoel der liefde diep in onze zielen. O, het is zoo gelukkig, met
-de hand op een bladzijde, waarop een groot talent schittert of een schoon gevoel spreekt,
-te kunnen zeggen: Deze is mijn vriend! en daaronder te ontwaren, wat <span class="sc">Tollens</span> in zijn heerlijken rouwzang op <span class="sc">Borger</span> zoo wèl uitdrukt:
-</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line">Zoo heb ik hem gekend en ’t hart aan hem gesloten, </p>
-<p class="line xd31e490">Het onwaardeerbaar hart met zulk een geest verzaamd, </p>
-<p class="line">En mij op de eer verhoogd, met zelfgevoel genoten, </p>
-<p class="line xd31e490">Dat zich zoo rein een ziel niet mijner heeft geschaamd. </p>
-</div>
-<p class="first">Mijne vrienden! die weet, dat uwe werken een plaatsje in mijn Bibliotheek, en gij
-zelven een plaatsje in mijn hart hebt; ik dank u voor dat gelukkig gevoel. Weest verzekerd,
-dat ik ten uwen opzichte mijn naam niet verloochenen, maar voor u een <span class="sc">Jonathan</span> zijn zal, die zijn grooteren vriend zoowel hulde als liefde wist toe te dragen, en
-de kroon op zijn hoofd eeren kon zonder haar te benijden. Moge uw vriendschap, die
-mijn kroon is, mij blijven versieren en gelukkig maken! uw genie staat u borg voor
-de mijne, mij bevele een liefhebbend harte aan!
-</p>
-<p>En nu, mijn Bibliotheek! nu zult gij welhaast nog met een nieuw boek vermeerderd worden—ik
-durf het nauwlijks zeggen—van mij zelven. Welnu?… Zullen de overige schrijvers, die
-ge bevat, mijn heeren en meesters, mij geen zedig plaatsje in hun midden weigeren?
-Zullen zij mij niet hard afwijzen en als een onwelkomen indringer uit hun kring verstooten?
-Ik weet niet, of de verontschuldiging, die ik voor mijn vermetelheid in de uitgave
-van dit boekske heb in te brengen, bij hen voor een verontschuldiging gelden zal.
-Er waren er, die meenden, dat de uitdrukking van een warm godsdienstig gevoel, in
-een vorm die niet al te streng of somber was, hier of daar verwarmend in een hart
-kon vallen, dat niet te preekachtig gestemd was. Het was misschien dwaas, dat ik aan
-die inblazing gehoor <span class="pageNum" id="pb131">[<a href="#pb131">131</a>]</span>gaf.… toch was het, geloof ik, geen ijdelheid, die mij daartoe verleidde! Als ik mijzelven
-hierin vertrouwen mag, was het, denk ik, meer de hoop, dat ik, die mijn eenzaam leven
-niet zoo nuttig voor mijn medemenschen maken kan, als ik.… gewenscht had, daardoor
-toch nog eenig nut stichten mocht. Kan ik dit langs dezen weg niet doen, dan zal men
-wijs en billijk handelen met mij streng af te wijzen. Ik mag den weg voor anderen
-niet belemmeren. Viel het evenwel naar mijn stoutste verwachting anders uit.… lieve
-lezer! mijn hart zal u innig danken voor de enkele bloemen, die gij daardoor zult
-gestrooid hebben op het anders niet al te bloemrijke pad van <span class="sc">Jonathan</span>!
-<span class="pageNum" id="pb132">[<a href="#pb132">132</a>]</span> </p>
-</div>
-<div class="footnotes">
-<hr class="fnsep">
-<div class="footnote-body">
-<div id="xd31e3509">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e3509src">1</a></span> Waarom niet? <span class="sc">Byron</span> zegt wel van de maan: <i lang="en">Sun of the sleepless</i>.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e3509src" title="Ga terug naar noot 1 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div id="ch13" class="div1 story"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e7217">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="main">OUDE VRIJSTERS.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Ik kan zeer galant zijn.
-</p>
-<p>Ik bid u, lach niet! Het is waar, dat mijn ouderwetsche figuur met mijn zwart weduwnaarskleed,
-dat zoo onveranderlijk is als het kostuum van een standbeeld, mij niet tot den geschikten
-persoon maakt om naar de gunst van vrouwen te dingen. Maar eilieve! wie zegt u ook,
-dat ik een van die overjaarde <i lang="fr">petit-maitres</i> ben, die van hun leeftijd een schandelijken vrijbrief maken om zich met saterachtige
-onbeschaamdheid bij lieve meisjes in te dringen? Zie mij aan en zeg, of ik tot zulk
-een wanvoegelijkheid in staat ben? Even weinig behoor ik tot een ander soort van wezens,
-die, met een altijd groene jeugd in het hart, niet bemerken willen, dat de Tijd, die
-onverbiddelijke Censor, hen reeds lang van de lijst der jonge Heeren geschrapt heeft,
-en zich dus niet dan met geweld van de plaats laten dringen, die aan hun jeugdiger
-mededingers toekomt. Voor zulk een bespottelijkheid heb ik mijn reeds niet meer éénkleurige
-haren weten te behoeden: of liever—want wie kan zeggen, dat hij zichzelven behoed
-heeft?—daarvoor heeft mij de gestalte bewaard, waaraan mijn getrouw hart niet ophoudt
-zijn hof te maken. Als ik ooit een vrouw met meer dan gewoon welgevallen aanzag, was
-het altijd, omdat zij een zweem van de oogen, een enkelen toon van de stem, of eenigen
-anderen trek van overeenkomst met <span class="sc">Betsy</span> had. En indien ik, door deze gelijkenis aangetrokken, aan zulk een liefelijke verschijning
-buitengewone oplettendheid bewees, het was altijd met een gevoel, dat niet minder
-haar dan mijzelven vereerde.
-</p>
-<p>Dit recht moest ik mijzelven doen. En toch blijf ik er bij, dat ik zeer galant kan
-zijn.
-</p>
-<p>Als gij in een gemengd gezelschap komt, waar ik mij bevinde, zoek mij dan niet in
-den kring der Heeren, die rondom den haard staan te praten met een voorkomen van ernst
-en gewicht, of het de <i>Rostra</i> van Rome zelve waren; zoek mij noch minder in den vroolijken schitterenden kring,
-waarin de gevierde Schoonheid hare onderdanen rondom haren troon vergadert; zoek mij
-ook niet bij de goede huismoeders, die gij met bijeengestoken hoofden en gesmoorde
-stem over <span class="pageNum" id="pb133">[<a href="#pb133">133</a>]</span>andere goede huismoeders hoort babbelen; zoek mij op een eenzaam plekje, in een donkeren
-hoek, op een tochtig plaatsje, ver van de kachel en de punch. Daar zult gij mij in
-een hoffelijke houding zien staan, al mijne oplettendheid en beleefdheid toewijdende
-aan—een oude Vrijster!
-</p>
-<p>Een oude Vrijster! De oude Vrijsters mogen u het spotachtig gezicht vergeven, dat
-ge bij deze woorden trekt. En al zoudt gij er u nog uitbundiger meê vermaken, het
-zal u niet gelukken mij van daar weg te spotten. Ik heb daarvoor menig schrootvuur
-van geestige en bittere aanmerkingen moeten uitstaan, maar nu is men met deze gril
-bekend en laat mij in rust. Er is slechts één paar meê bedorven, denkt men.
-</p>
-<p>Maar nu gelooft gij, dat ik een zonderling ben, een <i>bizarren</i> smaak heb en alle oude jufvrouwen de liefste schepsels ter wereld vinde. Gij vergist
-u. Ik voor mij heb ze op zichzelve niet liever, ja niet eens zoo lief, als anderen
-van haar geslacht. Ik spreek, bij voorbeeld, veel liever met een moeder. Als ik mij
-tot deze wende en haar dadelijk met belangstelling naar hare lievelingen vrage—o,
-dan is voor mij een bron van zielverheffend genot geopend. Als ik dan bij deze vraag
-het moederlijk oog van hoogmoed zie glinsteren, en het gelaat een lachende uitdrukking
-van geluk aannemen, dan worde ik van een onverschillig, welhaast een deelnemend toehoorder.
-Niet, omdat de kinderen, waarvan zij spreekt, mij zoo bijzonder ter harte gaan; zij
-zijn niet beter of slechter dan andere kinderen; maar, omdat de <i>moeder</i> mij boeit en wegsleept. Het is zoo schoon, als bij zulk een gesprek het zuiverste
-en edelste gevoel des menschen, de zichzelf vergetende en opofferende liefde, uit
-het binnenste heiligdom des harten te voorschijn treedt; als het verheven <i>symbolum</i> van den verhevensten godsdienst, de pelikaan met de bloedige borst, voor mijn oog
-gestalte en wezen verkrijgt; als de mensch met al zijn egoïsme en kleinheid meer en
-meer naar den achtergrond wijkt, en de Engel in hem hoorbaar met zijne vleugelen klapwiekt;
-o, uren zou ik kunnen staan luisteren naar dien nooit opgedroogden vloed van moederlijke
-welsprekendheid! En wist gij eens, welk een liefde ik aan zulke gesprekken verschuldigd
-ben! Want de vrouwen, die het in mijn oogen lezen, hoeveel belang ik in zulk een verhaal
-van de kinderkamer stelle, weten mij dank voor de deelneming, waarmede ik haar aanhoore.
-En dan is het zoo aangenaam tot een oud vrijer te spreken, die er nooit een lofrede
-op zijn eigen kinderen tegenover plaatst, en haar <span class="sc">Pietjes</span> behendigheid in de schaduw stelt door van de nog veel grooter vlugheid van zijn <span class="sc">Jantje</span> te spreken. Zie, het moge aanmatigend klinken, maar waarlijk, als ik in sommige kringen
-binnentreed, weet ik reeds vooraf, welke oogen mij vriendelijk zullen toeblinken en
-uitnoodigen om te komen vernemen, hoeveel woorden het jongste kind nu reeds meer spreekt,
-dan bij onze laatste ontmoeting.
-</p>
-<p>En niet alleen de moeders, ook onder de jonge meisjes zijn er, die ik boven het gezelschap
-harer oudere zusteren verkieze. Het zijn zulke aanvallige schepselen! Ik heb een vriend,
-die vroeger een schoon buitengoed <span class="pageNum" id="pb134">[<a href="#pb134">134</a>]</span>had, dat hij door verval zijner zaken heeft moeten wegdoen; maar nu gaat hij alle
-avonden langs die plaats wandelen op hetzelfde uur, waarop hij vroeger het goed zelf
-rondging, ziet nog eens dezelfde boomen, dezelfde vijvers, dezelfde geliefde plekjes,
-die eens de zijne waren, en komt daarop zoo vergenoegd te huis, of hij nog eigenaar
-van die schoone bezitting ware. Jonge menschen zijn voor mij, wat zijn buitenplaats
-voor mijn vriend is. Ik heb mijn jeugd aan hen moeten afstaan, maar, om dit verlies
-zoo veel mogelijk te vergoeden, zoek ik hun omgang. En als ik hen dan hoor spreken
-van hunne schoone droomen, zooals mijn dorre verbeelding er niet meer droomt, en hen
-gevoelens hoor uitboezemen, zoo als mijn verkoelend hart er geen meer huisvest, dan
-is het mij of ik op eens weêr als als een jongeling droome en gevoele. Dan knik ik
-bij ieder woord toestemmend met mijn hoofd, speel de gansche <i lang="fr">Opera féerie</i> van mijn jeugd nog eens over, en scheide niet van de bezitters van mijn <span class="corr" id="xd31e3961" title="Bron: ver-verloren">verloren</span> Eden dan met het gevoel: „Hoe jong en gelukkig ben ik geweest!” Zie, daarom heb ik
-jonge menschen en vooral jonge vrouwen, waarin de natuur nog ongemaakter spreekt,
-lief. Meer dan eens heb ik in zulk een gesprek een hart zich allengskens voor mij
-zien openen en ontsluiten, al de aderen zien liggen, waaruit de heldere wellen van
-menschelijk geluk zoo mild voortspringen, al de zilveren stemmen hooren klinken, die
-de harmonie des levens scheppen, en de Voorzienigheid bewonderd in het schoonste zijner
-werken op aarde—een onschuldig vrouwenhart!
-</p>
-<p>Oude vrijsters op zichzelve zijn mij dus niet liever dan hare zusteren; maar zij zijn
-verlatener, en hebben daardoor aanspraak op mij. Het kan mij leed doen, als ik in
-een gezelschap verschijne, haar terstond aan de onachtzaamheid te herkennen, waarmeê
-men haar behandelt, al herkende ik haar anders niet aan de eigenaardigheden van haar
-voorkomen. De Mevrouwen nemen een voorname houding jegens haar aan; de jonge Dames
-sluiten ze als <i>invaliden</i> uit haren kring; de Heeren, indien zij van pijp en glas scheiden kunnen, vervoegen
-zich bij voorkeur tot de <i>fauteuils</i>, of, als zij jonger zijn, tot de minderjarige schoonen; aan de oude Jufvrouwen worden
-alleen de kruimelkens van den gezelschapsdisch toegeworpen.
-</p>
-<p>Als ik dit zoo zie, doet mijn hart zeer. Ik ga dus moeders en dochters voorbij, en
-vervoeg mij dadelijk bij mijn vrouwelijke lotgenoot. Mij dunkt, dat is haar goed recht.
-<span class="sc">Bilderdijk</span> heeft in zijn dichtstuk <i>Oude Vrijsters</i>, naar alle billijkheid, deze arme miskenden op hare plaats en in hare eer gesteld,
-om al het vuur zijner verontwaardiging te richten tegen die <i lang="fr">vieux garçons</i>, die door hun ongeregeld leven de orde der maatschappij verbreken en de oorzaak zijn,
-dat zooveel onschuldige schepsels onder het vrouwelijk lijden van een aanzijn zonder
-huwelijks- en moedervreugde gebukt gaan. En inderdaad! ik heb wel eens gezucht onder
-het denkbeeld, dat ieder oud vrijer den verlaten toestand van een zijner medeschepselen
-voor zijn <span class="pageNum" id="pb135">[<a href="#pb135">135</a>]</span>rekening had. Ik heb gezucht als ik dacht, dat er ook door mijn schuld eene eenzame
-meer was, dan er behoefde te zijn. Ik hoop, dat mijn onbekende schuldeischeres mij
-niet te hard moge vallen. Ik wage het, haar daarom te smeeken.
-</p>
-<blockquote>
-<p class="first salute"><span class="ex"><span class="corr" id="xd31e3985" title="Niet in bron">„</span>Lieve Jufvrouw X!</span>
-</p>
-<p>„Ik kenne u niet, en gij mij ook niet. Maar ik ben toch uw schuldenaar. Want ik had
-u mijn hand en hart moeten aanbieden. Vergeef mij, dat ik de vrijheid nam het niet
-te doen. Uw kieschheid waarborgt mij, dat gij mijn hand zonder mijn hart niet zoudt
-hebben aangenomen. En over mijn hart was ik, onder vier oogen gezegd, geen meester
-meer. Had ik u gekend, het zou misschien anders geweest zijn. Maar ik heb een andere
-vóór u gekend. En schoon deze thans een anderen naam dan den mijnen draagt, ik kan
-haar nog niet vergeten. Ik ben dus tot mijn groote schande met mijn 4* jaren nog niet
-beter dan een onmondige, en zonder over mijn hand te kunnen beschikken.
-</p>
-<p>„Heb mededoogen met mijne insolventie, en geef mij, bidde ik u, kwitantie van deze
-kwade schuld. Geloof mij voorts met de gevoelens der diepste achting
-</p>
-<p class="signed"><span class="corr" id="xd31e3991" title="Niet in bron">„</span>Uw onderdanigen Dienaar <br><span class="sc">Jonathan</span>.<span class="corr" id="xd31e3997" title="Niet in bron">”</span></p>
-</blockquote><p>
-</p>
-<p>Ziedaar een zwaren last van mijn hart gewenteld! En nu ik aldus met mijn partij mijn
-rekening gesloten heb, hope ik dat gij allen, Mejufvrouwen! mij mijn schijnbare ongevoeligheid
-voor uw bevalligheden, talenten en deugden vergeven zult. Het moge mij onmogelijk
-zijn, uit u allen ééne te kiezen, ik heb daarom u allen gezamenlijk te liever.
-</p>
-<p>Ja, ik heb oude vrijsters lief! Misschien is het ook, omdat ik in haar iets anders,
-iets meer dan een oude vrijster zie. Het is waar, nu is vaak haar voorkomen onbeduidend,
-haar kleed eenvoudig, hare manieren zonder bevalligheid: maar ziet gij, die bedaagde
-maagd is een jong meisje geweest; iets, dat ik zoo onedelmoedig niet ben te vergeten.
-Als ik bij een bouwval sta, zie ik altijd meer dan een ander; terwijl de anderen van
-den eenen grooten steen op den ander springen, de kranke muren van hun blaauwe klimop-bloempjes
-berooven, holen en kelders van hun gejuil doen weêrgalmen, hun hoofd schertsende door
-de schietgaten steken en den eerwaardigen oude—foei!—bespotten, sta ik mijmerende
-aan den voet van de ruïne; ik trek in mijn verbeelding de muren weêr op, overdek de
-openliggende vertrekken met gewelven, bedek de naakte muren met beschotten, vul de
-ledige, verlaten ruimte met menschen, hoor stemmen galmen, bekers <span class="pageNum" id="pb136">[<a href="#pb136">136</a>]</span>klinken, en ben in een andere wereld overgebracht. Dat is mijn eerlijkheid. Mij dunkt,
-daarop heeft een bouwval recht. Wij zouden ook niet gaarne beoordeeld worden naar
-het karkas, dat men over eenige jaren bij het opruimen van ons graf in het knekelhuis
-weg zal werpen. Zoo is het ook meer meetkundig, dan menschelijk-gevoelig, den omvang
-en grootheid van een ruïne alleen met het lichamelijk oog af te meten.—Om op den tekst
-terug te komen: ik zie nooit een oude vrijster, of ik herstel den bouwval nog eens
-naar mijn smaak. Ik doe voor haar, wat de actrice voor zichzelve doet. Ik plaats haar
-op een afstand, kleur hare fletse wangen rood en hare verschietende wenkbrauwen zwart,
-laat van haar hoofd lange zijden krullen afhangen, verberg het verval harer gestalte
-en houding, en plaats haar in een kring van jonge menschen, waaronder een of meer
-harer aanbidders. Ben ik hiermede gereed, begin ik mijn roman dan.… maar neen! gij
-zoudt mij<span class="corr" id="xd31e4005" title="Niet in bron">,</span> droomer<span class="corr" id="xd31e4007" title="Niet in bron">,</span> uitlachen, indien ik voortging. Genoeg! ik geef aan ieder een bloeiende, gelukkige
-jeugd, even rijk aan liefde als ik hoop dat de jeugd van uw dochter zijn moge, en
-zoek voor de reden, waarom die liefde nooit met den krans van oranjebloesem is bekroond
-geworden, een aanleiding zoo aandoenlijk, dat zij er dadelijk in mijn oogen hoogst
-<i>interessant</i> door wordt. Zeker schrijver zegt van een nonnenklooster: „Wie de geschiedenis van
-al deze gebroken harten kon te weten komen, zou menig verhaal vol zuchten en tranen
-te verhalen hebben.” Een dergelijk denkbeeld wekt bij mij het gezicht van een oude
-vrijster op. Haar eenvormig voorkomen is als een zerk, waarop niets anders te lezen
-is, dan het altijd wederkeerende: <i lang="la">hic jacet</i>. Maar wat er in den doode, daaronder begraven, is omgegaan, gevoeld, geleden en gestreden,
-daarvan zegt de koude steen en het rustige voorhoofd niets; maar dat zegt mij mijn
-warm hart. En als het mij dan invalt, hoe velen er zijn onder haar, die het slachtoffer
-van mannelijke ontrouw en mannelijke ondeugd zijn; onnoozele lammeren, opgeofferd
-door de hand, die zij lekten; verlaten echtgenooten, maar die bij geen menschelijke
-rechtbank tegen hare echtscheiding hebben kunnen opkomen; treurende weduwen, maar
-die de wet niet als zulke erkent, en de deernis niet als zulke bejegent; dan breekt
-mijn week gemoed. Gelooft mij, Mijneheeren, die tot het onderhoud van wees- en weêuwengestichten
-contribueert, ook bij de oude vrijsters hebben wij een onrecht der fortuin weder goed
-te maken, en te meer, omdat het hier menschen,—omdat het hier mannen zijn, die den
-dood het werk hebben uit de hand genomen. Samaritanen, ook deze gewonden hebben recht
-op uw olie en wijn!
-</p>
-<p>Hier ziet de oude vrijster die dit leest met bevreemding op en vraagt, of zij dan
-niets <i>is</i>, dan in zooverre zij iets <i>geweest</i> is. Stel u gerust: het is verre van mij, u dat onrecht te doen. Er mogen er enkelen
-zijn, op wie deze beschuldiging past; groote kinderen, die van haar speelgoed niet
-scheiden willen, en zich krampachtig vastklemmen <span class="pageNum" id="pb137">[<a href="#pb137">137</a>]</span>aan een verleden, dat voor haar en voor ons gestorven is; of wel verschaalde bekers,
-die uit <span class="corr" id="xd31e4022" title="Bron: ergenis">ergernis</span> van onaangeroerd gebleven te zijn zuur en wrang zijn geworden; of wel geleerde Muzen,
-die het al te veel doen gevoelen, dat <span class="sc">Minerva</span> een gewapende godin is; of wel … St! st! <span class="sc">Jonathan</span>, van waar zoo hard? Over het algemeen ken ik geen trek, die de oude vrijsters meer
-karakteriseert, dan zelfopoffering! Het is een groote en moeielijke les, waardig de
-hoofdinhoud van de tweede Tafel der goddelijke Wet te zijn: „<span lang="nl">Gy sult uwen naesten liefhebben als u selven.</span>” Evenwel, deze les is niet voor allen even moeielijk. De getrouwe huismoeder, wier
-geheele bestaan zich in dat des geliefden Mans heeft opgelost, en voor wie het nog
-meer geluk dan plicht is alles te verlaten om hem te volgen; voor wie de kinderkamer
-het beste vertrek, de feestzaal des huizes is; die geen behoefte gevoelt, zich buiten
-het paradijs van haren huiselijken kring te begeven; heeft tot de nakoming van dat
-gebod ongelijk minder zelfverloochening noodig dan de oude vrijster, die geen eigen
-plaats in den grond beslaat, maar zich als een rank om den naastbijzijnden stam slingeren,
-of als een muurplant in de steenen eener aangrenzende woning hechten moet. Zij is
-uit den aard van haren toestand zichzelve de naaste; zij moet als een <i lang="fr">soeur de charité</i> de voorwerpen gaan opzoeken, aan wie zij liefde bewijzen wil; zij is in gevaar van,
-als „de Priester en de Levijt” in de gelijkenis, tegenover de hulpbehoevenden voorbij
-te gaan, indien zij zich de les niet herinnert: „<span lang="nl">Gaat henen en doet gy des gelycx.</span>” Maar indien zij zich deze les herinnert en daarnaar handelt; indien zij een voorwerp
-gevonden heeft, waarop zij hare liefde vestigen kan; indien zij al de kracht van hare
-in één punt saamgedrongen genegenheid op een uitverkoren hoofd vereenigt;—o, dan is
-het iets roerends, iets verhevens te zien, tot welk een hoogte de zelfvergeting en
-zelfverloochening in den mensch stijgen kan. Dan dient de zwak- en buigbaarheid der
-rank alleen om den geliefden boom te vaster, te getrouwer, te inniger te kunnen omklemmen,
-dan wordt haar groen de bedekking van zijn gebreken, haar gebloemte de versiering
-van zijn stam; dan wordt deze omhelzing haar leven, en beide, zijn val of haar verwijdering,
-haar dood; dan wordt hare liefde, zoo als de Dichter schrijft:
-</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line">Ze is groot en schoon en door zichzelve levend, </p>
-<p class="line">Ze is zacht en sterk en reklijk en toegevend, </p>
-<p class="line">Volhardt het meest, schoon vaak het minst ontzien; </p>
-<p class="line">Een Engel is ze, ons achtloos hoofd omzwevend. </p>
-</div>
-<p class="first">Een Engel! Onze schoone, liefelijke Godsdienst heeft de bestemming, de menschen tot
-Engelen, vooral tot Engelen van liefde te vormen. Dikwijls heb ik er om getreurd,
-hoe weinigen deze bedoeling begrepen of wilden begrijpen, en dan wel eens getwijfeld
-aan de verzekering van den grijzen Apostel: „<span lang="nl">Ende sijne geboden en sijn niet swaer.</span>” Maar dan waren meermalen oude vrijsters mijne <i>apologeten</i>. Ik riep <span class="pageNum" id="pb138">[<a href="#pb138">138</a>]</span>ze mij voor den geest, zoo als ik er kende, ware discipelinnen van de leer der liefde,
-echte zusteren van den Man van liefde en smarte, die „<span lang="nl">niet en is gekomen om gedient te worden, maer om te dienen</span>,” en die om onzentwil „<span lang="nl">is arm geworden, daer hij rijck was</span>;” wezens, in wie de zelfzucht schijnt gestorven te zijn; in wier mond het woord <span class="asc">IK</span>, anders de <i>radix</i> van alle andere woorden, een vreemde klank geworden is; die het zooverre gebracht
-hebben, dat het haar niet zwaar meer valt, „<span lang="nl">so wie haer op de rechterwange slaet, hem oock de andere toe te keeren</span>,” en „<span lang="nl">so iemant haer rock neemt, hem oock den mantel te laten</span>,” en „<span lang="nl">so wie haer dwingt een mijle te gaan, met hem twee mijlen te gaan</span>;” goede geniussen, door God in zijn gunst geschonken aan degenen, die hij lief heeft.
-En wanneer ik mij deze vertegenwoordigde, dan werd ik schaamrood over den twijfel
-van mijn verstand en—mijn hart. Dan zag ik met verdubbelden eerbied en liefde naar
-het goddelijke boek, dat tevens het menschelijkste aller boeken is, dat niets dan
-een liefhebbend hart eischt om begrepen en gehoorzaamd te worden; dan beloofde ik
-mijzelven, dat oude vrijsters mijn leermeesteressen in het gebod der liefde zijn zouden.
-</p>
-<p>Terwijl ik dit schrijve, vloeien er tranen van dankbare erkentenis op mijn papier,
-mijn goede, lieve <span class="sc">Editha</span>!
-</p>
-<p>Maar er zijn onder mijne heldinnen niet alleen <span class="sc">Marthaas</span>, „die haer bekommeren ende ontrusten over vele dingen,” er zijn ook <span class="sc">Mariaas</span> onder, die „<span lang="nl">het eene dingh, dat noodigh is, het goede deel, hebben uytgekozen.</span>” Zij zijn <span class="sc">Johannessen</span> onder de vrouwen, en rusten altijd aan den goddelijken boezem haars Meesters. Zij
-hebben de aarde vergeten; zij hebben geen oog dan voor het licht van haar leven, geen
-hart dan voor den Vriend harer ziele; zij maken zich van haren eenzamen en verlaten
-toestand een kluizenaarshut, een nonnencel, waarin zij der wereld afsterven, om alleen
-voor den hemel te leven. Zij sluiten zich hier op aarde aan dien blinkenden stoet
-van Engelen aan, „<span lang="nl">die niet bevleckt en zijn: want zij zijn maeghden. Deze zijn ’t, die het Lam volgen,
-waer het oock henen gaet.</span>” Zij zijn het, die zich „<span lang="nl">toebereyden, om haer als een reyne maeght eenen manne voor te stellen, namelick <span class="sc">Christo</span>.</span>” Zij zijn het, wier geheel aanzijn op aarde de uitdrukking is geworden van dat schoone
-lied van <span class="sc">Lodensteyn</span>;
-</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line">„Hoog, omhoog, het hart naar boven! </p>
-<p class="line xd31e490"><span id="xd31e4111"></span>Hier beneden is het niet.” </p>
-</div>
-<p class="first">Al kon ik, ik zou u niet in hare eenzaamheid mogen binnenleiden, om u getuigen van
-het verborgen leven harer vroomheid te maken; maar ik mag u wel aanbevelen, als gij
-den drempel van zulk een heiligdom overschrijdt, het met eerbied te doen. O, ik heb
-een afkeer van kloosters, omdat ik een afkeer van Farizeeuwsche ceremoniedienst en
-slaafachtige Esseensche gerechtigheid heb: maar, waar ik in eenig Bethanie op mijn
-weg de woning van zulk een Heilige aantref, zwaai ik het wierookvat mijner vereering
-hoog in de lucht!
-<span class="pageNum" id="pb139">[<a href="#pb139">139</a>]</span></p>
-<p>Ik weet wel, dat zulk een gewijde liefde dikwijls geofferd wordt op het altaar eens
-harten, door een onheiligen hartstocht gebroken; ik weet wel, dat de wierook, daarop
-geurende, niet altijd zoo onvermengd en zuiver was, als nu; ik weet wel, dat de Heer
-aardsche banden heeft moeten verbreken, eer hij dit hart tot het zijne maakte; ik
-weet wel, dat hij somtijds zelfs duivelen heeft moeten uitwerpen, eer hij de „Rabbouni”
-dezer <span class="sc">Magdalenaas</span> werd; maar ik weet ook, dat onze barmhartige Meester van zwakke menschen geen Engelendeugd
-eischt; ik weet ook, dat hij even weinig als wij, bij het inzamelen eener edele vrucht,
-naar den wilden stam vraagt, waarop zij geënt is; ik weet ook, dat hij tot een zondaresse,
-die zijn voeten met hare tranen baadde en met haar lokken afdroogde, gezegd heeft:
-„<span lang="nl">Uw gheloove heeft u behouden, gaet henen in vrede</span>;” ik weet ook, dat <span class="sc">Petrus</span> een boeteling en <span class="sc">Paulus</span> een van verre gekomen bekeerling was; ik weet ook, „<span lang="nl">datter blijdschap is in den Hemel over eenen sondaer, die hem bekeert, meer dan over
-negen-en-negentigh rechtveerdige, die de bekeeringe niet van nooden en hebben!</span>”.…
-</p>
-<p>En laat mij nu aan mijzelven over, om nog eenigen tijd te mijmeren.
-<span class="pageNum" id="pb140">[<a href="#pb140">140</a>]</span> </p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch14" class="div1 story"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e7224">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="main">EEN AFSCHEIDSBEZOEK IN 1871<a class="noteRef" id="xd31e4140src" href="#xd31e4140">1</a>.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Het is dus beslist.—<span class="sc">Jonathan!</span> Of gij wilt of niet, gij moet er aan gelooven. Men laat u geen rust. Gij moet de
-wijde, wijde wereld nog eens weder in! Nog meer! gij moet uwe stem nog eens op nieuw
-laten hooren. Het is een vaderplicht, zegt men, dien gij aan uw papieren kind schuldig
-zijt, en waaraan gij u niet onttrekken kunt …
-</p>
-<p>—Welnu! laat het dan zoo zijn! hier ben ik!
-</p>
-<p>Mijne heeren en dames!—(Ouderwetsch, niet waar? Of sedert mijn laatste optreding de
-emancipatie der vrouwen—die arme, witte slavinnen van ons koude Noorden!—niet aan
-de orde gekomen was, die een eenigszins galant spreker verplicht met de Dames te beginnen!…
-Ik kan het niet helpen. Ik vrees, dat ik op sommige punten tot de onverbeterlijken
-behoor, en geef mij als vroeger gelijk ik ben.)—Derhalve nog eenmaal: Mijne heeren
-en dames! Ik begin—met voor u een diepe buiging te maken, die een uitdrukking mijner
-dankbaarheid moet zijn.
-</p>
-<p>Uit mijn jeugd herinner ik mij nog flauw, hoe ik, als ik eens een enkele maal in de
-komedie kwam, er meermalen getuige van was, dat de akteur, die, naar het oordeel van
-het publiek, zijn rol wèl had afgespeeld, bij het einde van het stuk „teruggeroepen”
-werd, en dan met vele strijkaadjes een plechtige buiging maakte! als blijk van erkentenis
-voor de bewezen onderscheiding. Ook mij valt nu van wege het achtbaar Publiek een
-soortgelijke eer te beurt. Het vriendelijk onthaal, aan mijn boekje geschonken, dat
-een nieuwe uitgaaf noodig maakt, is een soort van terugroeping. Zou ik daarvoor ongevoelig
-zijn? Neen, ik buig mij zoo diep ter aarde als mijn stramme rug het eenigzins toelaat,
-en als ik kon, zou ik u, mijn lezer! die thans met dit blad in de hand zit, als vertegenwoordiger
-van al mijn tegenwoordige en toekomende lezers, uit de verte erkentelijk de hand drukken.
-</p>
-<p>In allen ernst, ik heb reden tot erkentenis. Zie, dat had de „Meester Droomer,” die
-<i>Waarheid en Droomen</i> schreef, nu wel niet gedroomd. Nog heugt het hem, hoe het hem te moede was, toen
-hij zijn eersteling de wereld inzond. Hij, zulk een nieuweling, die maar wat in een
-huiselijken leuningstoel had zitten mijmeren en peinzen, <span class="pageNum" id="pb141">[<a href="#pb141">141</a>]</span>en wat hem daarbij in den geest was gekomen, in allen eenvoud had neêrgepend, rijp
-en groen, wijs en dwaas, allegro en andante, major en minor, alles dooreen, en die
-bij dien inval de nog grooter stoutheid had om zijn salmagundi, zijn olla-podrida
-aan dien grooten heer—dien grootste van alle heeren—het groot Publiek aan te bieden.…
-is het wonder dat de bloed beefde en dat hij bij dat waagstuk het voorkomen had—om
-met koning <span class="sc">Filippus</span> te spreken, toen hem eens een smeekeling al bevend een rekest overgaf—van een bedelaar,
-die een penning aan een olifant geeft? Verbeeld u, dat de olifant dien penning vertrapt
-en den schenker er van met zijn vier groote pooten vertrapt of—zooals ik meen dat
-het officiële kunstwoord luidt—<i>vernietigd</i> had! Hoe duur zou ik, arme hals, dan mijne stoutheid hebben geboet! En kon het anders?
-De olifant en ik! Dat was toch ook waarlijk, als er oneenigheid kwam, geen portuur!
-Dan had het feit kunnen gebeuren, waarvan de bekende Dichter-Schoolmeester spreekt,
-dat
-</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line">—zoölogiesche Jonathans wel eens aan ’t sneuvelen raken. </p>
-</div>
-<p class="first">Maar neen, neen! het viel gansch anders uit. De groote olifant was zoo grootmoedig,
-zoo nederbuigend, zoo goed! Hij nam uit mijn hand den penning met zijn slurf, bekeek
-hem van alle kanten, legde hem daarop, zooals men dat wel eens meer in een diergaarde
-zien kan, in het daarvoor bestemde bakje ter bewaring en keek den gever van den penning,
-in plaats van hem te verscheuren, met zijn groote, bruine, goedige oogen zoo vriendelijk
-aan, dat het hart er mij van overliep. Die edelmoedige olifant! Kon hij mij nobeler
-behandeld hebben?
-</p>
-<p>Ik ben dan ook van top tot teen enkel verrassing en genoegen, enkel erkentenis en
-dankbaarheid. En dat te meer, omdat de vriendschap tusschen den olifant en mij, door
-dit klein geschenk ontstaan, sedert even bestendig heeft voortgeduurd en nu reeds
-de proef van bijkans het derde eener eeuw gelukkig heeft doorgestaan.
-</p>
-<p>Waarlijk, dit komt niet alle dagen voor. Ziet gij, ik wil het wel erkennen. Op één
-ding had ik, toen ik mij voor de eerste maal in het openbaar presenteerde, wel een
-weinigje gerekend. Er bestond toen—bij al de onbeduidendheid mijner geringe gaven—tusschen
-mij en een deel althans mijner lezers één punt van aanraking. Ik was min of meer een
-kind van mijn tijd. Die tijd nu had zijn eigenaardige fysionomie. Misschien was het
-wel een weinig een Janus-aangezicht, een hoofd met twee tronies, dat hij droeg. Maar
-één van die tronies dan toch had tamelijk hetzelfde uitzicht als ik. Er lag iets van
-den fantast, den droomer, den mijmeraar in zijne trekken. <span class="sc">Chateaubriand’s</span> René en <span class="sc">Byrons</span> Harold waren nog niet uit de mode; <span class="sc">Lamartine</span> mediteerde en harmonieerde uit al zijn macht en <span class="sc">Victor Hugo</span> botaniseerde <i lang="fr">feuilles d’ Automne</i> met volle handen; de mindere goden volgden, als het gaat, van zelf, en, om in den
-toon van den tijd te vallen, hadden ook de vroolijksten van nature q. q. hun „Zwarten
-tijd.” In die dagen trad <span class="sc">Jonathan</span> <span class="pageNum" id="pb142">[<a href="#pb142">142</a>]</span>in het karakter van <i>Penseroso</i> op. Is het wonder, dat hij niet alleen binnengelaten, maar ook heusch nog al wèl
-onthaald werd? Hij was immers met een goed deel zijner tijdgenooten een vogel van
-gelijke veêren, en zong zooals hij, maar ook zij, gebekt waren? Het was maar natuurlijk,
-dat het koor hem inhaalde:
-</p>
-<div lang="la" class="lgouter">
-<p class="line">Dignus, dignus est intrare </p>
-<p class="line">In nostro docto corpore. </p>
-</div>
-<p class="first">Maar, ziet gij, dat is sedert vrij wat anders geworden. Welke gezichten Janus nu heeft,
-durf ik niet bepalen, om niet met de toongevers over hoop te raken; maar dit weet
-ik, dat hij zijn <span class="sc">Yoricks</span>-gelaat bepaald kwijt is. Als hij mij nu aanziet—nu, daarvoor kan ik wel ruiterlijk
-uitkomen—keert hij mij een volle realiteits-tronie toe. De „hartstocht der werkelijkheid”
-bezielt hem tot fanatisch-wordens toe. Arme <span class="sc">Jonathan</span>! Dat lijkt u niet. Zulk een mensch, zulk een positivist der positivisten is uw man
-niet, evenmin als gij de zijne. Pak dus, hoe eer hoe beter, uwe biezen. <i lang="la">Procul hinc abite, profani.</i> Gij zijt een antiquiteit, een reliek, een mummie. Naar de zaal der Etrurische of
-Egyptische oudheden, naar de collectie van werktuigen uit het vóórhistorische steenen
-en bronzen tijdvak met u!.…
-</p>
-<p>En toch! en toch!..
-</p>
-<p>Misschien staat de zaak nog niet zoo volkomen wanhopig. Op den bijval van het gros
-valt niet meer te rekenen. De dubbele deuren zijn en blijven gesloten. Misschien echter
-is er nog een achterpoortje. Misschien is er hier of daar nog een enkele vriend verborgen,
-die mij door een spleet er van binnen laat. Ja, misschien heb ik in stilte nog meer
-vrienden, dan ik zelf wel weet, of mij onderwinden zou te hopen.
-</p>
-<p>Ziet gij, men kan wel, o ja! als een recht geaard kind van het achtste tiental jaren
-der negentiende eeuw, een man der realiteit, zelfs in de tweede macht, zijn … Werkelijkheid
-hier! Werkelijkheid daar! Werkelijkheid overal! maar dat neemt toch niet weg, dat
-men, <i>qua</i> mensch, onder het koude harnas van de wetenschap en den ijzeren maliënkolder van
-het empirisme, in de linkerborst iets zachts, iets weeks, iets menschelijks heeft,
-dat zich niet te best beschrijven laat, maar dat ieder, ook zondere verdere beschrijving,
-na dezen wenk genoeg herkent: iets, waarvan <span class="sc">Chateaubriand</span> zoo schoon zeide, dat men het heeft van God of van zijne moeder. De mannen van het
-Heden mogen nu, als de bekende dokter van <span class="sc">Molière</span>, die het hart aan de rechterzijde van den mensch plaatste en bij een protest daartegen
-uitriep: <i lang="fr">Nous avons changé tout cela!</i> zij mogen nu het hart hebben zoeken te verplaatsen, of, zoo dat niet ging, het dan
-toch inwendig hebben zoeken te verstalen of te versteenen; een mensch kan, zelfs in
-1871, maar niet alles wat hij wil. In een van de geestigste kleine stukken van <span class="sc">Scribe</span> beveelt de Oostersche Vorst, de Pacha, al zijn hovelingen op een zekeren dag vroolijk
-te zijn, aangezien de Vorst vroolijk is, en al wie nu niet terstond vroolijk wordt,
-dien zal zonder genade het hoofd op kommando voor de voeten <span class="pageNum" id="pb143">[<a href="#pb143">143</a>]</span>worden gelegd!—maar daarmeê is de vroolijkheid nog niet dadelijk present, en zal zich
-misschien ook verder nog wel wat laten wachten. Welnu, zoo is het met de realiteits-passie.
-De Romeinsche blijspeldichter heeft in een bekend woord geleerd:
-</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line">’k Ben een mensch, en deel in alles wat eens menschen is als ’t mijn. </p>
-</div>
-<p class="first">En waarlijk, als zoodanig, als mensch, leeft en trilt er bij ons, tusschen alle spieren
-van onze volle werkelijkheidskracht, toch ook hier en daar een enkele zenuw van poëtisch
-gevoel. Wij hebben staal in ons bloed, veel staal, erg veel staal—maar toch ook een
-dropje of wat melk. En die melk doet soms, als het staal goed gewerkt en tijdelijk
-uitgewerkt heeft, wel eens voor een oogenblik haar verzachtenden, verzoetenden, malsch-
-en weekmakenden invloed gevoelen. O ik weet het, <span class="sc">Jonathan</span> is maar een sober citerspeler op dat verhevenste, dat meest hemelsche van alle instrumenten
-op aarde, het snarentuig van het menschelijk hart. Maar toch is het hem soms wellicht
-een enkele maal gelukt, met zijn ongeoefenden vinger, bij het beproeven van zijn eenvoudig
-deuntje:
-</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line">Al de eendjes zwemmen in het water, </p>
-</div>
-<p class="first">of wat nog eenvoudiger is dan dit, een liedje uit de verre kindsheid, uit de leer-
-of speelkamer, een enkele snaar bij enkele harten zoo te raken, dat zij antwoord,
-dat zij geluid, harmonisch geluid gaf—welnu! om dien enkelen toon is er sympathie
-tusschen luit en luitenspeler! en daaraan alleen dan ook wijt hij het dank, dat men
-hem niet reeds lang als een miserabelen straatmuzikant, als een ondragelijken liereman
-of orgeldraaier van de deur heeft weggejaagd,.… wat zeg ik? dat men hem soms heeft
-laten binnenkomen, in het kantoor bij mijnheer den reeder, in de werkplaats bij mijnheer
-den fabrikant, zoowel als in het salon bij de mevrouwen en jonkvrouwen, met de boeken
-van de hoogere burgerschool op den schoot en de handwerkjes voor <i>Arbeid-adelt</i> in de handen, en hem gezegd heeft: Kom aan, zoon van de citer! wij maken een kleine
-pause. Maak het niet te lang! maak het niet te zoet! maak het niet te treurig! Maar
-terwijl ons werk een poosje rust, ga uw gang! laat hooren, welke aria gij op uw speeldoos
-hebt. Stem uw speeltuig, en zing uw lied!
-</p>
-<p>Gij ziet, waarop ik reken, waarop ik speculeer. Ik zoek mijn bondgenoot in het hart,
-dat, minder dan de geest, de kleur van den omringenden atmosfeer, blauw of grauw,
-bloedrood of scharlaken, naar het valt, aanneemt en minder onderhevig is aan variatiën
-van de mode dan hij. De mode! Ik heb daar een leelijk woord genoemd. Want, ach! uit
-de mode en buiten model, dat is <span class="sc">Jonathan</span> gansch en al, van top tot teen! Verouderd, mijnheer! totaal verouderd! van het jaar
-nul!
-</p>
-<p>Ik weet het, mevrouw! en is het wonder?
-<span class="pageNum" id="pb144">[<a href="#pb144">144</a>]</span></p>
-<p>Het is nu meer dan dertig jaar geleden, dat ik als auteur mijn intreê in de wereld
-deed. Denk eens, meer dan dertig jaar! bijna tweemaal de leeftijd van uw lieve oudste
-dochter daar naast u, die reeds met den jonkman, die daar ginds het venster voorbijgaat,
-teedere blikken wisselt. Het is een eeuw! Hoe zou het mogelijk zijn, dat in dien tijd
-niet het een en ander, buiten mij of aan mij, verouderd zou zijn? Ik weet het ook
-wèl. De heeren dragen in mijn boekje geen knevel en de dames geen chignon. Van de
-muziek van <span class="sc">Offenbach</span> geen spraak en Mijnheer en Mevrouw <span class="sc">Bebé</span>—totaal onbekend. De naaimachines nog in het hoofd van den uitvinder, en het Roode
-kruis nog achter den horizont. Ik kan het niet helpen, <span class="sc">Hildebrand</span> is gelukkig genoeg geweest, de onderaardsche Schietblaasbalg in een visioen voor
-uit te zien en te voorspellen; maar ik, kortzichtige, ik heb zulk een fortuintje niet
-gehad. Ach, ik ben, om met <span class="sc">Bilderdijk</span> te spreken, maar een „Jasper ouderwetsch,” en zal het, vrees ik, blijven. Al draag
-ik geen pruik, wat erger is, ik ben zelf een pruik, een pruik der pruiken. Ik was
-het reeds zooveel jaar geleden—hoe zou het er nu beter op geworden zijn?—„Alzoo niet
-modern? niet modieus? niet naar ’t model? weg met u!”
-</p>
-<div class="lgouter">
-<div class="lg">
-<p class="line">En ook de bezem en de bijl </p>
-<p class="line xd31e490">Verheffen samen hun kritiek: </p>
-<p class="line">„Uw speeltuig is van d’ouden stijl </p>
-<p class="line xd31e490">En geeft gantsch nutlooze muziek!” </p>
-</div>
-<div class="lg">
-<p class="line">Aan spaanders moet het! en op ’t vuur! </p>
-<p class="line xd31e490">Dan dient het toch nog ergens toe! </p>
-<p class="line">En gij, onbruikbare nabuur! </p>
-<p class="line xd31e490">Op straat! Wij zijn de wildzang moê! </p>
-</div>
-<div class="lg">
-<p class="line">„Het hakmes geeft den waren toon; </p>
-<p class="line xd31e490"><span id="xd31e4281"></span>De bezem is de levenskern </p>
-<p class="line"><span id="xd31e4284"></span>Van ’t huis, en houdt den drempel schoon: </p>
-<p class="line xd31e490"><span id="xd31e4287"></span>Dat’s zuiver praktiesch, en—modern!” </p>
-</div>
-</div>
-<p class="first">Bravo! Maar, wat volgt er?
-</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line">Alleen het kinderlijk gemoed </p>
-<p class="line xd31e490">Zucht, daar ’t een stillen traan vergoot: </p>
-<p class="line"><span class="corr" id="xd31e4295" title="Niet in bron">„</span>Gij, schoone zwerfster, wees gegroet! </p>
-<p class="line xd31e490">Treê binnen! zing! en—deel ons brood!” </p>
-</div>
-<p class="first">Het al te prijzende bijvoegsel: „schoone”! bij de Zwerfster zullen we daar laten.
-Maar verder, op den spreker, en met name op den naam, waaronder hij wordt opgevoerd
-<span id="xd31e4301"></span>op het „kinderlijk gemoed” leg ik de hand. Zulk een gemoed, zie, dat vindt men nog
-wel hier en daar; dat vindt men aan alle plaatsen; onder een pruik en onder een Brutuskop;
-achter een chinesche kamerjapon en onder een jurk naar het model van la Gracieuse
-van Januari 1872 in paulo post futuro. Er zit in sommige oogen, zwarte en blauwe,
-oude en jonge, achter een bril en achter een binocle, zoo’n zekere elektrieke vonk,
-die uit het hart komt, <span class="pageNum" id="pb145">[<a href="#pb145">145</a>]</span>en waar die vonk haar werking doet, zie! daar is de telegraaf aan ’t werk—’t is slag
-en weêrslag—vraag en antwoord—de communicatie is daar!
-</p>
-<p>1840–1871. Inderdaad! het is een heele sprong. Een sprong om haast den hals bij te
-breken. Maar toch ook tusschen die jaren was er eenige gelijkheid. Zoo hebben wij
-ook in 1871 lente gehad, al kwam ze wat laat en was ze wat koud. Wij hebben lente
-gehad; een heusche lente, zoo goed als 1840 maar durfde denken. De seringen geurden,
-de tulpen bloeiden, de hyacinten zonden uit haar blauwe en roosverwige wierookkelken
-haar geuren omhoog, de nachtegalen zongen, de leeuwerikken kwinkeleerden, en, onder
-den bloeienden Meiboom en tusschen het slaan van de nachtegalen zat <span class="sc">Romeo</span> met <span class="sc">Julia</span> in het priëel, en spraken ze samen teederen liefdekout—precies zooals in 1840. Zulke
-dingen veranderen, zulke dingen verouderen niet. Ik las ergens van een graf, waarin
-men, vele eeuwen geleden, oude Celten begraven had, te gelijk met zaden van granen
-en bloemen, die, bij het openen van hun tomben, in de lijkkist gevonden werden. Men
-zaaide die zaden—en zie! terstond ontkiemden groeiden en bloeiden ze, na een rust
-van meer dan twee duizend jaar, tusschen het stof van graven en doodsbeenders. Elders
-las ik van een stuk geurend hout, dat men in de diepte vond, mede eenige duizenden
-jaren oud, en toen men het op het vuur wierp … zie! daar ging de damp als een wierookwolk
-naar boven, en die damp rook, alsof de boom pas was gegroeid en uit den zomer-adem
-van 1870 of 1871 zijn versche geuren ingedronken had. Zoo is het in de wereld der
-planten; zou het in de wereld van die denkende planten, <i lang="fr">ces roseaux pensants</i>, waarvan <span class="sc">Pascal</span> spreekt, anders zijn? Neen! neen! spreek den mensch, mits hij waarlijk mensch en
-kompleet mensch zij, spreek hem aan met een woord uit het woordenboek des echten menschengevoels:
-spreek hem van poezij en kunst, van vriendschap en liefde, van geloof en hoop, en
-hij zal weêrklank geven, in 1840 in 1871, in 1971, in 2071 en al de jaarhonderden
-die volgen, zoolang de <span class="sc">Darwin’s</span>-theorie geen omgekeerden loop neemt en de mensch een mensch-aap, de <span class="sc">Johannes</span> of <span class="sc">Maria</span> een broeder-Jocko of een zuster-Gorilla wordt. Reken daarop gerust, oude liereman
-en, in die bewustheid, grijp uw strijkstok, tokkel uw snaren, en speel uw lied!
-</p>
-<p>Nu, waarlijk! dat is een buiging naar de mode, als met een sleepjapon, die nog op
-den trap is, als de draagster reeds lang bezig is haar kompliment voor de gastvrouw
-te maken—welk een staart! Als we zoo voortgaan zouden, kwamen we met ons artikeltje
-in geen halven dag klaar. Maar daarvan is geen nood. Ik geef u in bedenking, om van
-stonden aan alle komplimenten af te breken, en het gordijn wêer achter den uitgekomen
-acteur (of auteur) te laten vallen. Wat meer is, ik stel u voor met hem op reis te
-gaan.
-</p>
-<p>Waarheen?.… Het zal u spoedig blijken.
-</p>
-<hr class="tb"><p>
-</p>
-<p>Toen ik beloofd had, een nieuwen druk van mijn Schetsenboek te <span class="pageNum" id="pb146">[<a href="#pb146">146</a>]</span>helpen bezorgen, nam ik het natuurlijk wêer eens opzettelijk in handen. Niet om te
-zien, of er niet wat aan te verbeteren viel. Daarvan kon in geen geval de rede zijn.
-Het boek moest blijven wat het is. Gij zult ook een kinderportret van u niet nemen
-om het door een schilder in een zwarten rok te laten steken, in de hoop, dat het dan
-beter op u in uw tegenwoordige gestalte en voorkomen gelijken zal. Bij de afbeelding
-van den jongen behoort een jongenskiel; men noemt dat thans: „het beeld in de lijst
-van zijnen tijd.” Maar al wil men een oud boek niet moderniseren, dit belet niet dat,
-als men voor het publiek verschijnen zal, men zich toch even voor den spiegel plaatst
-en een oog over zijn toilet laat gaan om er het stof af te schuieren, en een vlek
-of smet te doen verdwijnen, die er bij ongeluk op gekomen of op gebleven is. Zoo las
-ik mijn eigen boek nog eens door, alsof ik, in plaats van schrijver, een gewoon lezer
-ware.… Zonderlinge gewaarwording! waarbij haar te vergelijken?
-</p>
-<p>Het was mij vreemd te moede. Hoe dan wel ongeveer? Ik zou zeggen: Omtrent zooals iemand
-zich gestemd zou gevoelen, die na een langdurig afzijn in zijn eigen huis wederkeert.
-Verbeeld u bijvoorbeeld een Landjonker, die op een kasteel is grootgebracht, en daar
-al de liefste herinneringen van zijn kindsheid heeft liggen; daar kind, knaap en jongeling
-is geweest. Maar later heeft hij dat Buiten verlaten; hij is buitenslands gaan reizen.
-Hij heeft een goed deel van zijn leven in een anderen streek der wereld doorgebracht.
-Na een geruimen tijd echter roepen buitengewone omstandigheden hem in het vaderland
-terug, en bij die gelegenheid bezoekt hij ook zijn oude ouderlijke en voorouderlijke
-woning. Hij vindt het alles zooals het hij gelaten heeft; men heeft alleen de kamers
-schoongehouden en de meubels nu en dan wat opgewreven; maar anders alles geheel het
-oude! Wonderlijk gevoel. Zie, hoe hij, het huis ingegaan, het geheele gebouw doorloopt,
-van voren naar achter, van boven naar beneden, van den zolder tot den kelder. Eindelijk
-keert hij op zijn vroegere dagelijksche woonkamer terug, zet zich daar neer in zijn
-eigen leuningstoel, legt de hand onder het hoofd, en peinst, peinst, peinst.….
-</p>
-<p>Zoo <span class="sc">Jonathan</span> met zijn eigen boek in handen. Ook hem is het als keert hij, na een betrekkelijk
-lang afzijn, in het oude huis terug. Waar hij sedert geweest is, wat hij intusschen
-gedaan, maar ook wat hij gedacht en gevoeld, genoten en geleden heeft,—dat alles wordt
-hier niet beschreven. Het is in den <span class="sc">Jonathan</span> nooit om een biografie, maar eer om een prosopografie, vooral inwendig, om een afdruk
-van indrukken te doen geweest. Maar genoeg, <span class="sc">Jonathan</span>, wie hij overigens vroeger was en nu zijn moge, hij is thans voor het oogenblik weêr
-thuis. De tijd, waarin we nu leven is er recht geschikt voor. Terwijl deze regelen
-ten papiere komen, leven wij in den Advent. <span class="corr" id="xd31e4350" title="Bron: Kersmis">Kerstmis</span> nu lokt als van zelf uit tot een bezoek naar huis. Rondom den <span class="corr" id="xd31e4353" title="Bron: kersboom">kerstboom</span> verzamelen zich gemakkelijk en gaarne al de hier en ginds verspreide leden van een
-familie, en als men dan bij de lichtjes van dien boom de oude lieve gezichten <span class="pageNum" id="pb147">[<a href="#pb147">147</a>]</span>uit zijn kindsheid en jeugd terugziet, is het alsof men zelf weer kind wordt met de
-andere kinderen meê. Iets dergelijks gaat ook mij nu door het hart. Bij het weerzien
-van de oude woning met al hare lieve herinneringen wordt <span class="sc">Jonathan</span> wel geen kind,—zulk een halsbrekenden sprong zal hij wel niet doen—maar hij gaat
-toch in zijn verbeelding een geheel tijdvak van meer dan dertig jaren terug.
-</p>
-<div class="lgouter">
-<div class="lg">
-<p class="line">Somtijds in mijn dier gezin, </p>
-<p class="line xd31e490">’s Avonds aan <span class="corr" id="xd31e4367" title="Bron: mij">mijn</span> haard, </p>
-<p class="line">Haal ik weer de droomen in, </p>
-<p class="line xd31e490">Reeds zoo vaak verjaard. </p>
-</div>
-<div class="lg">
-<p class="line">Dertig jaren dring ik door, </p>
-<p class="line xd31e490">Drijf ik uit mijn oog, </p>
-<p class="line">En herroep den tijd er voor, </p>
-<p class="line xd31e490">Die zoo ver vervloog. </p>
-</div>
-</div>
-<p class="first">dus zingt hij <span class="sc">Tollens</span> na. Zie hem, hoe gelukkig hij zich in die herinnering, in die verjonging voelt. Hij
-doet even als de straks beschreven Landjonker; hij loopt het oude huis op en neêr,
-van kamer tot kamer, en terwijl hij de oude lievelingsplekken bezoekt, is het hem
-of hij het oude, daar eens doorleefde, leven nog eens overleeft. Eindelijk komt hij
-weêr in zijn bekende eigen lieve woon- en boekenkamer te land. Zie, daar ginds staat
-ook de oude fauteuil, waarin hij zoo dikwijls nederzat; wel wat verkleurd en wormstekig
-geworden, maar toch nog altijd even zacht en gemakkelijk als altijd. Zoo strekt die
-hem dan ook als van ouds de beide armen uitnoodigend en uitlokkend tegen. Hij valt
-er in en.… daar zit waarlijk de oude <span class="sc">Pythia</span> weêr op haren drievoet … de heilige dampen stijgen op uit den grond … daaruit vormen
-zich weêr beelden en gestalten.… de Droomer droomt als in de dagen van ouds!.…
-</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line">’k Herroep u hier een droomgezicht; ik zag ’t.….. </p>
-<p class="line">In slaap misschien!—wat iemand sluimrend ziet </p>
-<p class="line">Kan menig jaar omvatten, en geheel </p>
-<p class="line">Een leeftijd samenpersen in één uur.<a class="noteRef" id="xd31e4395src" href="#xd31e4395">2</a> </p>
-</div>
-<p class="first">Laat ons rondzien. Ja, wel voel ik mij hier thuis, alsof ik niet weg geweest ware.
-In mijn verbeelding zie ik al de bekende en geliefde voorwerpen weêr, die mij hier
-vroeger plachten te omringen, en niet zooals ze sedert geworden zijn, maar zooals
-ze toen waren. Eerst zien ze mij een tijd lang zwijgend aan, gelijk ik hen, maar straks!.…
-hoort! hoort! daar beginnen ze te spreken, even als ginds mijn huisklok, die zijn
-lied speelt wanneer hij heel of half slag zal gaan slaan. Wat ze mij zeggen,—laat
-ik beproeven, in hoeverre ik het in woorden weêr kan geven. Dat zal dan als een gesprek
-met de Dooden zijn!
-</p>
-<p>Daar ligt waarlijk nog een exemplaar van de oude Haarlemmer-Courant <span class="pageNum" id="pb148">[<a href="#pb148">148</a>]</span>uit den jare 1840. Welkom, oude vriend! Zien wij elkaâr nog eens terug? Ik ben toch
-ook blijde, dat, voor hoeveel dooden gij sedert ook het klokkentouw getrokken hebt,
-gij zelf nog leeft. Met een artikel over u in de hand, ben ik het eerst voor het publiek
-gekomen; een kramer zou zeggen: <span class="sc">Enschedé</span> heeft mij handgeld als auteur gegeven; dit maakt, dat er tusschen mij en die firma
-een oude relatie bestaat. En daarom verheug ik er mij in, dat de Haarlemmer nog steeds
-bestaat. Och, er zijn sedert zooveel andere dingen verdwenen, of met verdwijning bedreigd.
-Denk maar aan <span class="sc">Jan Laurensz Koster</span>, van wien het nu schijnt te blijken, dat hij geen <span class="sc">Jan Laurensz</span>, en geen <span class="sc">Koster</span>, en, wat het ergste is, dat hij geen uitvinder van de boekdrukkunst is; de Duitsche
-<span class="sc">Guttemberg</span>, die door ons, hem ten behoeve, zoo dikwijls voor al wat leelijk is uitgemaakt, en
-dien wij het half gestolen octrooi zoo vinnig uit de handen hebben gescheurd, zal
-nu ten slotte nog met al zijne en onze glorie op dit punt gaan strijken. Ten minste,
-er zijn geleerden, die zeggen, dat er voor <span class="sc">Koster</span> zulk een onttrooning en ontkrooning, niet minder erg dan die van <span class="sc">Napoleon</span> te Sedan, onvermijdelijk op handen is. Welk een val! Denk nu eens aan 1824 en het
-Kostersfeest; denk aan de schoone redevoering van <span class="sc">Van der Palm</span> en het <span class="corr" id="xd31e4434" title="Bron: enthousiastische">enthusiastische</span> vers van <span class="sc">Tollens</span>:
-</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line xd31e490">Neen, vreemden, neen, verhit op Neerlands loof, </p>
-<p class="line">En die u ’t hoofd wilt met haar roem beladen! </p>
-<p class="line">Grijpt<span class="corr" id="xd31e4446" title="Niet in bron">,</span> tast niet naar die lauwerbladen: </p>
-<p class="line xd31e490">Gevreesd, gevaarlijk is de roof, </p>
-<p class="line xd31e490">Die zijn bezitter kan verraden! </p>
-<p class="line xd31e490">De drukkunst, uw bejaagde buit, </p>
-<p class="line xd31e490">Brengt gruwlen en geheimen uit. </p>
-</div>
-<p class="first">Zoo bralden we in ’24; en nu keert zich in ’70 dat wapen zoo akelig tegen onszelven,
-en staat het geschreven, dat <span class="sc">Koster</span> vroeg of laat, als zijn beeld niet van hooger hand wordt gesloopt, zelf van schaamte
-in den grond zal verzinken, of in elk geval in arren moede de Symbolische A, die hij
-in de hand heeft, zal opeten of het een Haarlemsche roode letter ware.… het is om
-bij te weenen. Maar staat <span class="sc">Koster</span>, naar het schijnt, op zijn laatste beenen, de Haarlemmer-Courant staat pal. Hij is
-in die verloopen dertig jaren grooter geworden, en geleerder geworden, en ijveriger
-geworden: hij doet nu zijn boodschap niet meer drie-, maar zesmaal per week, en hij
-heeft nu soms geleerde opmerkingen, alsof hij nu en dan in het fundatiehuis van <span class="sc">Teyler</span> ter studie ging en er physische experimenten maakte.… waarlijk, men moet wel erg
-zwartgallig zijn om te beweren dat in de wereld alles, alles achteruit zou gaan. De
-Haarlemmer, de oude liefde van alle oude vrijsters en van alle andere nieuwsgierigen,
-die gaarne op de hoogte van het kraam- en trouw- en sterfnieuws blijven—de Haarlemmer
-gaat bepaald vooruit!
-</p>
-<p>Kon ik nu eens een blik laten gaan over al de veranderingen, die ook in zijnen inhoud
-hebben plaats gegrepen! Ook daarin zou ongetwijfeld de <span class="pageNum" id="pb149">[<a href="#pb149">149</a>]</span>vooruitgang niet minder merkbaar zijn. Vroeger had men alleen advertentiën, waarin
-het gelukkige paar bekend maakte, dat zij gehuwd waren; maar nu komt een mijnheer,
-die lust tot trouwen heeft, en vraagt een jufvrouw of des noods een mevrouw, die weduwe
-werd, liefst wat jong, en wat mooi, en wat rijk, en wat rijk aan beminnelijke hoedanigheden,
-<abbr title="bijvoorbeeld">bv.</abbr> vrouwelijke kieschheid en maagdelijke schuchterheid, die een dame zoo goed staat!
-Welk een schoone verhouding. Nu heeft men de Duitsche en <span class="corr" id="xd31e4474" title="Bron: fransche">Fransche</span> trouwkantoren niet noodig; men hoeft niet op een schoone uit te gaan en een blauwen
-scheen te wagen; neen, men blijft <span class="corr" id="xd31e4477" title="Bron: ’thuis">t’huis</span>; men laat ze <i lang="la">in effigie</i> bij zich komen; als men niet naar het stadhuis moest gaan om voor den ambtenaar van
-den burgerlijken stand zelf zijn naam te teekenen, men zou kunnen trouwen in zijn
-leuningstoel. Nog comfortabler is het, dat een enkele maal de trouwlustige dames zichzelve
-aanbieden. Ik heb wel eens hooren zeggen dat, als de Dames kiezen konden in plaats
-van de Heeren, het veel beter in de huwelijkswereld toe zou gaan.… we zijn er nog
-niet, maar we zijn toch op weg. Help kijken, als de emancipatie doorgaat.…
-</p>
-<p>De kindertjes worden geboren zooals vroeger, volgens den Haarlemmer. Daarin schijnt
-minder verandering te komen. Alleen heb ik opgemerkt, dat het bijvoegsel „mijn lieve
-echtgenoot” langzamerhand min of meer uit de mode raakt; niet het „lieve” op zich
-zelf, maar het „lieve” in de courant. Sterven doen de menschen ook nog als vóór dertig
-jaren. Halloway en Malz, de oude Arabische-Revalenta- en de nieuwe Amerikaansche-Condurango-kweekers
-hebben daarin nog geen doortastende verandering teweeggebracht. Ook de duizend en
-een koude, heete en lauwe bronnen, met hare levensstroomen hebben het lieve leven
-zelf nog uit de aarde niet kunnen ophalen; het kruid tegen den dood schijnt nog altijd
-op onze arme planeet niet te willen wassen. De Haarlemmer verandert nog al eens van
-formaat, en is ook wel eens een tijd lang kleiner van stuk geweest dan vroeger, maar
-de doodenlijst op bladzijde 3 is altijd even groot gebleven; die heb ik nooit, als
-de krant zelf, tot drie kwart van het formaat verkleind gezien!
-</p>
-<p>De overige advertenties wijzen ook al niet onbepaald verbetering en vooruitgang aan.
-Daar zijn nog altijd hoofdonderwijzers, die maar geen hulponderwijzer krijgen kunnen,
-en hulponderwijzers, die het voor zulk een kleintje niet kunnen doen. Daar zijn nog
-altijd—mijn oud zwak—gouvernantes en gezelschapsjufvrouwen, die voor o! zoo weinig
-loon, soms in ’t geheel geen loon, o! zooveel diensten, met o! zulk een vriendelijk,
-pijnlijk-vriendelijk gezicht, voor allerlei mevrouwen <span class="sc">Waters</span> verrichten willen, die, als de bekende lieve Dame uit den Nickleby van <span class="sc">Dickens</span>, om hare delicate constitutie, zulk een bliksem-afleider van haar booze luim allernoodzakelijkst
-behoeven om er niet in te stikken.
-</p>
-<p>En wat nu de politieke berichten aangaat, ook daar staat de thermometer al zoo, na
-enkele afwisselende op- en neêrwaartsche bewegingen, <span class="pageNum" id="pb150">[<a href="#pb150">150</a>]</span>gedurig op hetzelfde punt. Het is daarmee als met het slechte weêr in Schotland, volgens
-een bekende spotprent:
-</p>
-<p>—Regent het hier altijd, jongetje?—
-</p>
-<p>—Neen, Sir! soms sneeuwt het ook.
-</p>
-<p>De keizer van het Blauwe land (ik neem de verschillende kleuren van de landkaart,
-om niet personeel te wezen) heeft de koning van het Groene land bezocht; ze hebben
-elkander op de hand beloofd om samen vrede te houden. Na het rooken van dien vredepijp
-heeft de Blauwe <i lang="fr">en passant</i> op de werf te *** eenige nieuwe <span class="corr" id="xd31e4504" title="Bron: oorlogschepen">oorlogsschepen</span> besteld en de Groene in de gieterij te *** een partij allerbeste getrokken kanonnen
-laten aanmaken.… waarom? Wel natuurlijk, om als pleizierjacht te dienen en vreugdeschoten
-te lossen, als zij elkaâr weêr zulk een vredelievend vriendenbezoek komen geven!—De
-vorst van het Roode land ligt over hoop met zijne ministers, en de ministers met de
-Kamer, en de Kamer met het volk, en het volk weer met den Vorst. Ze twisten voornamelijk
-over de financiën, over het uitschrijven van belastingen op de lucifers en van een
-hoofdgeld op honden en katten.—De President van het Zwarte land wil graag keizer worden,
-maar het roode volk wil den President wegjagen en een Commune stichten, waarvan de
-tijger uit den <i lang="fr">Jardin des plantes</i> koning en de salamander uit de fabel eerste minister zijn zal!… Ach! ach! en zoo
-gaat het altijd voort; en intusschen worden jaar op jaar een steeds grooter aantal
-courant-artikelen met bloed geschreven. Was het in den laatsten tijd niet soms, of
-de drukkerij van den Haarlemmer voor politiek nieuws roode, in plaats van zwarte letters
-gebruikte? En toch zitten de mannen van het Vredeverbond trouw op den wachttoren,
-waarop de witte vlag waait; maar op de vraag: Wachter! wat is er van den nacht? is
-het antwoord nog gedurig: De morgen is gekomen, en nog is het nacht. Waarlijk, ook
-met den steeds vooruitgaanden Haarlemmer in de hand, is het toch soms moeielijk, aan
-den gestadigen vooruitgang van den menschheid in ’t groot te blijven gelooven. Wel
-geloof ik nog steeds daaraan, omdat ik aan eene hoogere Macht geloof, die het scheepje
-van de menschheid over den grooten oceaan voert, en die niet alleen over het roer
-en de zeilen, maar ook over den stroom te gebieden heeft, zoodat het vaartuig ten
-slotte, dwars door stormen en onweders heen, den koers inslaan moet, dien zijn vinger
-het vóórtrekt … maar het is misschien omdat mijn oogen slecht beginnen te worden met
-de jaren, ik zie van de voorwaartsche beweging soms niet veel, en indien ik durfde,
-zou ik een enkele maal haast willen vragen: De stuurman is immers wel aan boord?
-</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line">Daar kwam verandring in ’t gezicht mijns drooms. </p>
-</div>
-<p class="first">En ligt gij daar ook nog, mijn eigen lief Album, met uw handschriften- en portretten-verzameling
-van den ouden tijd? O wat ziet gij er uit! Niet van buiten; daarvoor heeft men trouw
-genoeg gezorgd; maar <span class="pageNum" id="pb151">[<a href="#pb151">151</a>]</span>van binnen! Hoe zijn uwe beelden verkleurd, uwe teekeningen verflauwd, uwe manuscripten
-tot onleesbaar wordens toe bleek en geel geworden! En, ach! wat het ergste is, niet
-alleen hebben de beelden hier vóór mij van den tijd geleden, maar ook hier, in het
-binnenste, zijn ze, althans voor een deel, niet meer zoo helder en frisch van kleur
-en omtrek als voorheen. De dichter heeft het wèl gezegd:
-</p>
-<div lang="fr" class="lgouter">
-<p class="line">Les morts durent bien peu; laissons-les sous la pierre! </p>
-<p class="line">Hélas! dans le cercueil ils tombent en poussière </p>
-<p class="line xd31e1875">Moins vite qu’en nos coeurs. </p>
-</div>
-<p class="first">Willen wij oprecht zijn, laat ons het erkennen: we zijn vergeetachtige, ondankbare
-en liefdelooze schepsels. Nu ja, het is waar; we kunnen met de dooden niet leven,
-dat is vaak genoeg gezegd; maar dat rechtvaardigt de toepassing van den egoïstischen
-regel niet: Uit het oog, uit het hart! De ouden waren gewoon hunne lijken te verbranden
-om hunne asch in een lijkbus altijd nabij zich te kunnen hebben; de Chinezen leggen
-hun begraafplaatsen aan in hunne tuinen om telkens de graven der hunnen te kunnen
-bezoeken; ik zeg niet, dat ik een genootschap zou willen stichten met het doel om
-dit gebruik, zoo mogelijk, bij ons ingevoerd te krijgen: misschien kreeg ik het met
-de een of andere Gezondheids-commissie te kwaad, en daar blijf ik maar liever buiten.
-Maar toch<span class="corr" id="xd31e4523" title="Niet in bron">,</span> het denkbeeld, dat daarin en daarachter ligt, lacht mij wel aan. Waarlijk wij moesten
-niet zoo gereed zijn om onze dooden, die ons eenmaal afgestorven zijn, nog eens te
-laten sterven. <i lang="la">Non bis in idem</i>, zeggen de juristen.
-</p>
-<p>Zoo sprekende bemerk ik, dat ik aan het einde van mijn boekje gekomen ben, hetwelk
-ik bezig ben te doorbladeren. Mijn boekje.… namelijk zooals het was, toen ik mijn
-daaraan gewijd artikel besloot. Als de verzameling in dien band sedert trouw was bijgehouden—o!
-hoe groot zou dan het getal namen niet zijn, waarachter ik het bekende teeken † zou
-vinden. Geen wonder. Dertig jaren. Het is een geheele menschenleeftijd: zegt men niet,
-dat drie menschenleeftijden een eeuw vullen? In zulk een tijdperk nu, hoeveel dooden!
-Inderdaad, het leven is als een reis met den spoortrein. Men gaat van het station
-op het punt van vertrek af: het rijtuig zit vol. Het zijn de vrienden, die men meêbracht,
-of men maakt met de overigen kennis op reis. Maar telkens, te midden van het gesprek,
-daar klinkt het fluitje … de deur gaat open.… een der reizigers stijgt uit.… een ander
-komt in zijn plaats. Zoo verandert gaandeweg de helft, drie kwart van het personeel,
-en, als gij bij de aankomst op de plaats der bestemming rondziet, is het mogelijk?
-Is dit het gansche overschot van het reisgezelschap, waarmede gij uw tocht begont?
-En, ziet gij, naderbij beschouwd, het beeld gelijkt maar half. Want de passagier die
-het rijtuig verlaat, gaat gezond en frisch, en met een lachend gelaat, en met een:
-tot wederziens! op de lippen, van u weg, maar die andere passagier, <span class="pageNum" id="pb152">[<a href="#pb152">152</a>]</span>die op den reisweg des levens u voor goed verlaat, gaat heen in een lang wit kleed,
-even wit als zijn lang en bleek gelaat,—of hij gaat eigenlijk niet, maar hij wordt
-gedragen, en het: vaarwel! of het: tot wederziens! zoo hij het nog zou willen stamelen,
-is onder het spreken bestorven op de witte lippen. En die eerste passagier, als hij
-gaat, neemt ten hoogste genomen bij zijn vertrek een deel van uw gezelschap, een stuk
-van uw conversatie, een zoetigheid uit den trommel van uw reisgenoegen meê. Maar de
-reiziger, op wien ginds de zwarte <i>Omnibus</i>, (ja wel, <i>Omnibus!</i>) wacht, neemt, weggaande, een stuk van u zelven mede, een stuk van uw leven, een
-stuk van uw hart, een stuk van uw hemel op aarde. We sterven alle dagen. Als men oud
-wordt, sterft men lid voor lid. In de oogen, die gaan schemeren, in de ooren, die
-zich sluiten, in de beenen, die beginnen te waggelen, in de handen, die onvast en
-bevend worden, en, het ergste! in het hart, dat koud wordt. Maar er is nog een andere,
-een nog bitterder dood, dien wij sterven in de onzen. Als een gewond soldaat op het
-slagveld zijn been ziet begraven, dat moet hard zijn; maar als men zijn hart, althans
-het beste deel van zijn hart, in het hoogste voorwerp van zijns harten liefde begraaft,
-dat is eindeloos erger. Dan zou men bijna wenschen, het voorbeeld der Malabaarsche
-weduwe te kunnen volgen, en er zich zelven levend bij te begraven …
-</p>
-<p>Ben ik bezig te klagen? Daarvoor beware mij de goede God! Er is geen reden voor. Hoe
-rijk toch moet men niet zijn, om zooveel te kunnen verliezen, en hoe dankbaar behooren
-wij den grooten Vader der menschen te zijn, die ons zoo rijk aan liefde heeft gemaakt.
-Liefde is ten slotte toch de grootste schat op aarde; het meest goddelijke in den
-mensch. „Godt is liefde!” heeft de boezemdiscipel van den Menschenzoon gezegd. Ik
-heb mij zelven wel eens een raadsel opgegeven, waarvan ik na jaren zoekens de oplossing
-nog niet gevonden heb, en waarschijnlijk ook wel nooit vinden zal: het is de vraag:
-wat zaliger is, lief te hebben of geliefd te zijn? Maar wat is dat een heerlijk raadsel,
-en, bij al hare leemten en ellenden, welk een heerlijke aarde is het, waarop men elkaâr
-zulk een raadsel opgeven kan. Ik wil dus dankbaar zijn voor alles, wat ik gehad heb,
-al heb ik het sedert ook voor een deel weêr verloren: <span lang="nl">de Heere heeft gegeven, de Heere heeft genomen, de naem des Heeren zij gelooft!</span> Één ding weten we: wij zijn maar op reis: en zoovelen wij in de rechte richting reizen,
-gaan wij naar het groote centraal-station, waarop alle lijnen van de aarde uitloopen.
-Daar komen eens al de reizigers saam om niet weêr te scheiden. Daar zijn geen Albums
-meer met verwelkte bloemen of afgesneden haarlokken; daar heerscht een eeuwige lente,
-daar bloeit een eeuwige jeugd, daar—om met <span class="sc">Van Haren</span> te spreken—daar sterft de dood!
-</p>
-<p>Als nu <span class="sc">Editha</span> hier was, zou ik zeggen: <span class="sc">Editha!</span> speel de <span lang="fr">Dernière pensée</span> musicale van <span class="sc">Weber</span>,—of nog beter, speel de schoone zangwijs van den twee en veertigsten Psalm eens voor
-mij!
-<span class="pageNum" id="pb153">[<a href="#pb153">153</a>]</span> </p>
-</div>
-<div class="footnotes">
-<hr class="fnsep">
-<div class="footnote-body">
-<div id="xd31e4140">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e4140src">1</a></span> Zie Voorrede.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e4140src" title="Ga terug naar noot 1 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd31e4395">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e4395src">2</a></span> De droom, naar <span class="sc">Byron</span> door <span class="sc">Beets</span>.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e4395src" title="Ga terug naar noot 2 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div id="ch15" class="div1 story"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e7231">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="main">EEN AFSCHEIDSBEZOEK.</h2>
-<h2 class="sub">Vervolg.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Nog eens—
-</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line">Daar kwam verandring in ’t gezicht mijns drooms. </p>
-</div>
-<p class="first"><span class="sc">Editha</span>—zeide ik straks—speel een lied! Zoo ze hier was, ze zou het kunnen; want waarlijk,
-daar, tegen den wand, staat haar piano, die mij zoo vaak voor huiselijke harp heeft
-gediend. En zeker, ze zou willen ook; want wanneer heeft de vriendelijke mij ooit
-iets geweigerd, waarop mijn hart gesteld was, indien zij het mij toestaan kon? De
-lieve zuster! die mij zoo vaak het woord op de lippen heeft gebracht:
-</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line">O zusterliefde is de edelste van allen; </p>
-<p class="line">Daar mengt zich drift, noch teedre hartstocht in. </p>
-</div>
-<p class="first">Ik mag het met blijdschap erkennen: als ik het Album met zijn vele namen van vroeger
-en later ontslapenen aanzie, en daarbij de namen voege, die in dit Album zouden behooren,
-al staan zij er niet in, omdat ik op het laatste blad het <i lang="la">cetera desunt</i> lees,—Godlof, <span class="sc">Editha</span> is nog in het land der levenden. Dàt stuk van mijn leven althans, dàt stuk van mijn
-hart is mij nog niet afgevorderd. Dit is voor het minst een troost. Want, ziet gij,
-na den moederschoot, die u het leven gaf, en den vaderschoot, waarop gij het eerst
-met verrukking ontvangen en met een welkomskus onthaald zijt geworden, is er geen
-dierbaarder plekje voor u, dan de heilige grond, waarop gij, aan hun voet, met uw
-eerste speelnootjes hebt gespeeld: na hun beeld geen liever gestalte, dan dat zwarte
-jongenskopje of dat blonde meisjeskrulhoofd, waaraan gij met de eerste streelingen
-van uw kleine vingers en de eerste kussen van uw eigen kleinen mond u in het eerste
-liefdebetoon geoefend hebt. Kinderen hebben altijd kinderen lief en zijn bij voorkeur
-met kinderen samen; maar dàt kind, of dèze kinderen!… ze hebben een eigen plaats in
-uw hart. Zijn ze niet als knoppen met u op denzelfden stam gegroeid? Hebben ze niet
-uit de lieve moederaarde denzelfden malschen zoeten dauw gedronken? Hebben ze den
-zonnestraal, die van den hemel op u en hen scheen, niet broederlijk en zusterlijk
-met u gedeeld? Het zou wel vreemd zijn, als de bloeddroppels in de aderen van het
-kind <span class="pageNum" id="pb154">[<a href="#pb154">154</a>]</span>dáár naast u niets voelden van de bloeddroppels in uwe aderen hier, daar ze toch uit
-ééne moederbron zijn gevloeid. Wel kan het zijn, en zal het waarschijnlijk zoo wezen,
-dat de verschillende sprankels uit die bron later ieder hun eigen weg gaan. <span class="sc">Jonathan</span> rechts, <span class="sc">Editha</span> links … maar al raken ze uit elkander, ze raken daarom niet van elkander af. Ze zijn
-twee helften van een schelp; ook als ze gescheiden zijn, roepen ze om elkander, en
-als ze weer samenkomen, zie! zie! ze passen op elkaâr alsof ze nooit van elkander
-geweest waren. Het is één stem in twee harten, de oudste stem van allen: de stem des
-bloeds.
-</p>
-<p>Zoo was het ons in lang verloopen dagen, waarvan de luite zong:
-</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line xd31e490">Gij zijt mijn zuster. ’t Zacht geluid </p>
-<p class="line">Der snaar, die in uw boezem trilde, </p>
-<p class="line xd31e490">Drong straks van uit de loofhut uit, </p>
-<p class="line">Waarin gij ’t eerst zoo gaarn besluiten wilde. </p>
-<p class="line xd31e490">’k Huwde aan uw zang mijn eigen lied, </p>
-<p class="line">En ’t kwam welhaast aan honderden ter ooren, </p>
-<p class="line xd31e490">Die naar den wildzang wilden hooren, </p>
-<p class="line xd31e490">Geneuried op mijn pijp van riet, </p>
-<p class="line xd31e490">Hoe <span class="sc">Jonathan</span> geen grooter schat </p>
-<p class="line xd31e490">Op aarde dan <span class="sc">Editha</span> had. </p>
-</div>
-<p class="first">Zoo bleef het ook later, na het uur van scheiding. Voorwaar, die scheiding was bitter,
-al was de reden zoet, maar die scheiding heeft niets gebroken. Het is toch met den
-band der liefde, als met den telegraafdraad. Hij is zoo lang, zoo lang, zoo lang …
-als de geheele wereld: hij doet des noods de reis rondom de wereld zonder te breken.
-Niet waar, <span class="sc">Editha</span>? dat hebben ook wij gevoeld; dat hebben ook wij ervaren. Wij hebben elkander nog
-lief. Anders dan vroeger? Voorzeker. Maar minder dan voorheen? Ik zou zeggen, nog
-meer. Naarmate de gelederen dunner worden, sluiten de overblijvenden zich dichter
-aaneen. Ik heb wel eens kanonniers zien exerceren: als dan de bevelhebber van het
-stuk kommandeert: No. 1 No. 4 No. 6 ontbreekt! treden die nommers uit, maar dan reiken
-ook terstond de anderen dubbel ijverig elkaâr de hand om de ledige plaatsen aan te
-vullen, en komen ze zoo altijd dichter bij elkaâr. Doen nu de soldaten zóó, bij dat
-leelijke werk van kanonnenladen, dat op het hart en het leven van hunne evennaasten
-doelt, zou dan de broederlijke liefde, bij haar werk, dat een werk des levens is,
-minder doen? Zouden de laatste Nommers elkander nog niet meer en liever helpen en
-steunen, naarmate er andere „Nommers ontbreken?” O voorzeker. Als vader en moeder
-niet meer zijn, zoeken de kinderen hun beeld op elkanders gelaat en in elkanders stem,
-en zoo goed het gaat, al gaat het niet volkomen, ze zoeken den weêrschijn van de uitgebluschte,
-neen! naar elders overgebrachte vlam in elkanders liefde terug te vinden. En daarom,
-<span class="sc">Editha</span>, geef mij de hand. Wij blijven elkander trouw, zoolang de lieve God ons samenlaat.
-Wij willen broeder en zuster blijven tot den einde: tot dat wij de een den <span class="pageNum" id="pb155">[<a href="#pb155">155</a>]</span>ander goeden nacht kussen in de tweede wieg, gelijk wij het zoo vaak in de eerste
-wieg hebben gedaan.
-</p>
-<p>En nu, uw piano! Ja, ik herken ze, het is nog het oude instrument: de oude Broadwood,
-waarop gij zoo vaak de reeds genoemde <span lang="fr"><span class="corr" id="xd31e4628" title="Bron: Derniére">Dernière</span> pensée</span> en zoo menig ander lied voor mij hebt gespeeld. Ik weet wel, die liederen zijn uit
-de mode; men heeft nu andere muziek: of ze ook beter is? Ik heb het openlijk en rond
-verklaard: ik ben geen kenner; het zou mij dus allerminst passen, een oordeel te spreken.
-Maar er zijn knapper luî op dit punt, die ik wel eens in twijfel heb hooren trekken,
-of we, ook in dit opzicht, wel op den weg van vooruitgang zijn. Ze zeiden, maar ik
-zeg het niet, de verantwoording blijft voor hen—de kooi, waarin de zangvogel zit,
-zou nu mooier zijn, kostelijker van stof en fraaier van vorm, maar de zangvogel zou
-er niet op verbeterd wezen. Mij heugt, hoe ik <span class="sc">Andersen</span> met eigen mond eens een sprookje van hem hoorde lezen van een Oostersch hof, waar
-men eerst een nachtegaal had, die voor den koning zong, en later een mechanischen
-kunstvogel, die geleerde liedjes speelde, maar hoe toch ten slotte … doch, het is
-waar, dat was in het Oosten, en wij wonen in een kouder klimaat: dat past dus niet
-op ons. Wij hebben dus geen recht om te vragen, of de muziek der Toekomst van <span class="sc">Wagner</span> het bijvoorbeeld van <span class="sc">Weber</span> met zijn: <span lang="de">Einsam bin <span class="corr" id="xd31e4643" title="Bron: icht">ich</span> nicht alleine</span>, of zijn: <span lang="fr">Dernière pensée</span> wint? Ik stel mijn lezers voor, de beslissing van die vraag aan de Toekomst over
-te laten. Dan mogen mijnentwege de toekomstige <span class="sc">Patti’s</span> en <span class="sc">Jenny Linds</span> boven <span class="sc">Wagners</span> graf den triomfzang van de Polyhymnia der nieuwe kunst-eeuw uitvoeren!
-</p>
-<p><span class="corr" id="xd31e4662" title="Bron: Éen">Één</span> ding echter staat vast. Mocht ook de zangvogel in onze dagen minder rijk aan melodiën
-zijn, dan wel eens vroeger, omdat hij min of meer in den ruitijd is, geheel zwijgen,
-en nog meer, sterven zal hij niet. En gelukkig, dat het zoo is. Wij kunnen de schoone
-kunst van <span class="sc">Jubal</span> op onze arme, koude aarde met hare dissonanten niet missen. Die ons de uitvinding
-gaf, zal het ons aan de noodige hulpmiddelen tot haar gebruik wel nooit geheel laten
-ontbreken. Er is een stem, die in den mensch met <span class="sc">Jenny Linds</span> beroemd lied roept: <i lang="de">Ich musz nun einmal singen!</i> Luther wees aan de muziek, na de theologie, de eerste plaats onder de aan den mensch
-verleende goddelijke gaven toe. En dit moeten wij erkennen: Is in den laatsten tijd
-onze muziek niet beter geworden, wij zelven werden muzikaler dan voorheen. <span class="sc">Sancta Cecilia</span> is nu een der eerste santinnen van onzen almanak: zij geeft onder haren naam feesten
-in de Hoofdstad, waar het hart der kenners van verdaagt. Jonge heeren en dames neuriën
-en musiceeren uit den treuren; de liedertafels trekken met hunne banieren en medailles
-triumferende het land rond; zelfs den kinderen op de school wordt, naar een woord
-van <span class="sc">Luther</span>, de wijsheid ingezongen: er zijn <span class="corr" id="xd31e4681" title="Bron: enthousiasten">enthusiasten</span>, die van de heerschende melomanie de hervorming des volks verwachten. En hoe kan
-het anders? Als er zooveel harmonie is in de lucht, die we indrinken, dan moet immers
-ons binnenste, dat daarmede <span class="pageNum" id="pb156">[<a href="#pb156">156</a>]</span>geheel vervuld wordt, zeker wel gansch en al harmonisch worden!…
-</p>
-<p>Hm! Hm! het kan zijn. Maar of ik er voor’shands veel van merk? zie, dat is een andere
-vraag. Tot nu toe althans heb ik niet kunnen vinden, dat de geblazen en gestreken
-harmonie tot liefelijke akkoorden en muzikale samenstemming in de gedachten en gevoelens
-der verschillende menschenkinderen heeft geleid. In dit opzicht heeft het diereningewand
-tot nu toe te vergeefs voor ons gezongen. Ik heb niet gehoord, dat de mooie Grenadier-concerten
-van <span class="sc">Dunkler</span> in het Haagsche bosch belet hebben, dat er onder de vaders des Volks op het Binnenhof
-nog al eens gekibbeld wordt. En ik weet niet, of het aan de Cecilia-feesten van <span class="sc">Verhulst</span> in het Amsterdamsche Volks-paleis wel al gelukt is, om al de geleerde hoofden in
-het Trippenhuis op de zittingen der Koninklijke Akademie onder één hoed te brengen.
-Als ik met een zachte stem die bescheiden opmerking maak, heeft men mij wel eens te
-gemoet gevoerd, dat dan toch in elk geval de muziek, even als het orgel in de kerk,
-ons de goede dienst bewijst om de dissonanten, die het niet verhinderen of oplossen
-kan, te helpen dekken; en dat wil ik gaarne toegeven. Het is dan maar te hopen, dat
-de dissonanten hunne stemmen niet al te luid verheffen, zoodat ze de muziek, die ze
-moet helpen verdooven, overschreeuwen. Wie weet, wat de muziek der Toekomst doen zal?
-Misschien zal aan haar hand de klankladder van <i>Ut</i> <i>re</i> <i>mi</i> <i>fa</i> <i>sol</i> de hemelladder worden, langs welke de mensch tot het bereiken van zijne bestemming
-langzaam wordt opgevoerd. Ik heb ergens gelezen, dat er menschen zijn, die naar een
-algemeene taal voor de gansche menschheid hebben gezocht, en daartoe de hulp van de
-viool hebben willen gebruiken: tot dusverre is dit niet gelukt. De taalverwarring,
-die van Babels toren dagteekent, duurt nog altijd voort: vraagt het de discipelen
-van de Burgerscholen maar, die nog altijd met zulk een inspanning zitten te zwoegen
-om de vreemde talen, die ze aanleeren moeten, onder de knie te krijgen! O welk een
-vreugde zou de uitvinding en invoering der algemeene taal onder de jeugdige kielendragers
-en kort-gejurkten verwekken! Welnu, misschien gaan wij er heen. Orfeus bouwde steden
-op de klanken van de citer; misschien is er een Orfeus der Toekomst aanstaande, die
-door zijn <span class="sc">Paganini</span>-viool de verdeelde, elkander kwalijk verstaande, met elkaâr twistende en kijvende
-menschheid in een groot concert van broederlijke en zusterlijke stemmen verandert
-en herschept. Men moet niet wanhopen.… <i>piano</i> wil zeggen zachtjes! en daarvan komt de derivatie <i>pianissimo</i>!
-</p>
-<hr class="tb"><p>
-</p>
-<p>En wederom:
-</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line">Daar kwam verandring in ’t gezicht mijns drooms. </p>
-</div>
-<p class="first">—<span class="sc">Een—twee—drie—vier—vijf—zes—zeven—ACHT</span>! Daar slaat waarlijk mijn oude Huisklok acht uren. Welkom kameraad!—We hebben elkander
-in lang niet gezien. Ik heb u in <span class="pageNum" id="pb157">[<a href="#pb157">157</a>]</span>lang niet gehoord. Toch weet gij, of ik u lief heb gehad. Nog meer ik heb gemaakt
-dat ook anderen u lief kregen; ik heb zelfs eens een bezoek van een vriend gehad,
-die mij kwam vertellen, dat hij u een jongeren broêr gegeven had. Hij had een ouderwetsche
-klok gekocht, en die laten opmaken precies als gij, tot uw eigen opschrift toe: <i lang="la">Una ex his hora mortis.</i> Zoo zoudt gij op het laatst nog haast oktrooi moeten gaan vragen, en in den oprechten
-Haarlemmer een advertentie bij wijze van Waarschuwing tegen Namaak moeten plaatsen.
-Nu laat u namaken wie wil, als men dan ook de lessen maar navolgt, die gij zoo gereed
-en gewillig zijt aan uwe aandachtige en indachtige hoorders te geven. En dat hebt
-ge zeker ook blijven doen, al was ik daar niet om ze van u te ontvangen. Hoeveel tijd
-is er voorbijgegaan, sedert ik ze hier op dezen zelfden stoel van u ontving! Hoeveel
-malen hebt gij twaalf geslagen, twaalf uren op den dag en twaalf uren in den nacht,
-sedert ik, op het punt staande om van hier te gaan, uw wijzer vroeg, of het nog geen
-tijd was, en toen gij ja! zeidet, u een laatst Vaarwel toeriep. En sedert zijt gij
-daar altijd blijven staan, terwijl ik hier en daar rondzwierf, en mij met een plaatsvervanger
-van u zoo goed mogelijk behielp. En sedert zijt gij altijd even gelijkmatig <i>unisono</i> blijven voorttikken: tik-tak! tik-tak! tik-tak! terwijl intusschen mijn hart menigmaal
-zoo onrustig sloeg en joeg. Ach, mijn goede Huisklok, zoo ik u dat vertellen kon!
-In Dertig jaar kan er door een menschenhart, welks ketting en veer niet van hard,
-stug metaal is, wat worden afgeleden, afgestreden, en afgebeden, waarvan een Huisklok
-aan den wand, en zelfs een zakuurwerk op de linkerborst, dat toch zoo dicht bij de
-levens- en gevoelsbron tikt, niets vermoedt. Maar ik zal ook niet pogen u dat te vertellen.
-Gij zoudt mij toch niet begrijpen. Hoe wild het ook daar buiten storme, bij u gaan
-de scheepjes van de geschilderde mechaniek op uw wijzerplaat altijd even kalm en effen
-heen en weêr. Als de horlogiemaker maar op het opwinden, en nu en dan op het schoonmaken
-past, raakt gij nooit van de wijs of uit de maat. Dertig jaren zijn in dit opzicht
-voor u als één dag.
-</p>
-<p>Dertig jaar. Mocht ik nu maar kunnen zeggen: Dertig jaar ouder—Dertig jaar wijzer—Dertig
-jaar beter. Dertig jaar dichter bij het graf—Dertig jaar dichter bij het doel. Maar,
-ach, mijn waarde tijdmeter, ik moet het met schaamte bekennen: Ik ben een vergetel
-hoorder<span class="corr" id="xd31e4731" title="Niet in bron">,</span> een traag discipel van u geweest. Ik heb er niet genoeg aan gedacht: <i lang="la">Una ex his</i>. De kleine wijzer van den Levenstijd heeft wel altijd trouw de ronde gedaan, maar
-de groote wijzer van den Plicht heeft de hare wel eens vergeten: hij stond wel eens
-stil, en haperde, terwijl zijn kleiner broeder altijd even trouw voortliep. Bij zulk
-een hapering kan men niet zeggen, dat een horlogie gelijk loopt! Ik ben geen wellust
-van het menschengeslacht, als wijlen <span class="sc">Titus</span>, maar dit toch heb ik met hem gemeen, dat ik ook nog al eens aan den avond van een
-dag heb uitgeroepen: ik heb een dag verloren. Als <span class="pageNum" id="pb158">[<a href="#pb158">158</a>]</span>ik van u een kerfstok wilde maken om zulke kwade dagen op te teekenen, zou uw lange
-kast veel te kort zijn. Zie, dat is een leelijk gebrek. Wij waarderen den kostelijken
-tijd niet genoeg. Wij laten de met goudkorrels bezwangerde rivier, den rijken Pactolus,
-langs ons heenvloeien, en bukken ons menigmaal niet eens om de goudkorrels op te zamelen,
-die de stroom met zich wegvoert. De Britsche denker had wel gelijk, die sprak: „Wij
-gelijken aan beelden van marmer in de tuinen, waarvan men fonteinen maakt. Uit hun
-lippen vloeit een helder water, dat voort- en doorloopt zonder ooit stil te staan,
-en het marmer is daar, lijdelijk, koud en geenerlei poging doende om den altijd doorgaanden
-stroomval tegen te houden.” Ach, ook ik zelf ben maar al te zeer zulk een bewegingloos
-beeld op de fontein des Tijds geweest, en zoo al de droppels, die zonder vrucht voor
-mij en anderen daarheen gevloeid zijn, in ééne kom samen vergaderd werden, welk een
-bassin zou daarmede worden gevuld! En zoo al die droppelen, die nu zoo eentoonig voortkletteren,
-een kenbare stem kregen om te verhalen wat ik in den loop dezes tijds gedaan en niet
-gedaan heb,—dan zou ik wenschen, dat die fontein de <i>Lethe</i> ware, en dat ik in haar water de vergetelheid van al dit lang verleden drinken kon.
-Maar, maar, het zal zoo niet zijn. Geen droppel vloeit naar beneden, die niet weêr
-zal opkomen, als een water-ader, die hier van de bergen stroomt, om ginds in het dal
-uit den grond weer op te komen en op te springen. Laat het zijn! Reeds vroeger, als
-ik u aanzag en, rekening met u hield, spraken wij samen van het groote Middel om het
-Tekort in eens menschen leven te helpen dekken. Gij hebt dertig malen gedurende mijn
-afwezen die zekere Drie slagen op zekeren Goeden dag geslagen, die herinnerden aan
-het groote <i lang="la">Consummatum est</i>, dat der wereld den triomf van de wereldverzoenende liefde over de zonde en den dood
-verkondigde, en daarom mijn lieve Klok, tik voort! tik voort! Wij gaan den eenigen,
-eeuwigen goeden Vrijdag tegen, waarop niet alleen al wat te kort is zal worden aangevuld,
-maar ook al wat ten deele is zal worden volmaakt. Al gaan de dobberende scheepjes
-op uw wijzerplaat, niet voort, ze brengen ons toch naar die haven—de Goedereê, de
-Schoone haven van het eeuwig T’huis!
-</p>
-<p>En andermaal—
-</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line">Daar kwam verandring in ’t gezicht mijns drooms. </p>
-</div>
-<p class="first">Ik zie de wanden van mijn studeercel rond, en ik vind daar, als vroeger, de ettelijke
-planken met boeken waarom in der tijd Judith mijn eenvoudig kamertje wel wat pompeus
-met den naam van Bibliotheek versierde. Daar staan ze, achter den groenen voorhang,
-die ze als een <i>sanctum</i> van den voorhof van mijn kamer scheidt. Als ik ze nu aanzie, het is niet zonder een
-onwillekeurig gevoel van weemoed. Op een schilderijen-tentoonstelling hangt men boven
-het werk van een in den jongsten tijd ontslapen schilder een inmortellen-krans. Maar
-inderdaad, indien ik boven al de boeken der Auteurs, die in <span class="pageNum" id="pb159">[<a href="#pb159">159</a>]</span>het laatste Derdendeel der eeuw gestorven zijn, <span class="corr" id="xd31e4756" title="Bron: mmortellen">inmortellen</span> kransen wilde ophangen, mijn boekenkas zou zelf iets van een bloemen-tentoonstelling
-krijgen.
-</p>
-<p>—Welnu, wat kwaad? Als de ééne Auteur sterft, komt een ander in de plaats. Om uw eigen
-beeld te gebruiken: Men roepe maar: „No. 1 ontbreekt!”.…
-</p>
-<p>—Meent gij dat? Ik wenschte, dat het waar ware. Maar reeds toen ik een jongen was,
-die „Bröder tot mijn pijn en Weijtingh voor mijn straf” kreeg, moest ik leeren: <i lang="la">Consules fiunt quotanis</i>—
-</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line">Consuls krijgt men alle jaren en Proconsuls ook er bij; </p>
-<p class="line">Maar de Koning en de Dichter komt niet alle jaar als zij. </p>
-</div>
-<p class="first">De dichters groeien niet als de <span class="corr" id="xd31e4771" title="Bron: spinasie">spinazie</span> in de lente of de bloemkool in den zomer, waarvan in den regel de oogst tamelijk
-wel te gelukken pleegt: in den hof der letterkunde heeft men nog al eens jaren van
-misgewas. Welke <span class="corr" id="xd31e4774" title="Bron: vruchbare">vruchtbare</span> tijden heb ik in dit opzicht beleefd. Welk een tijdvak, waarin men in één jaar (1832)
-drie dichters als <span class="sc">Göthe, Walter Scott</span> en <span class="sc">Bilderdijk</span> verliezen kon! Toen had men er nog eentje voor ’t breken. Zulk een slag zou de groote
-Maaier nu met den besten wil niet kunnen slaan. <i lang="fr">Les rois s’en vont</i>: dat geldt ook van de koningen der poezij. Eerst hadden we de koningen, toen de prinsen
-en nu—<i lang="la">exceptis excipiendis</i>,—zijn wij aan de grootvorsten, ja misschien nu en dan een kleinvorstje, of, dat op
-hetzelfde neêrkomt, een grootvorst van Luxemburg, het landje van ééne stad, er bij.
-Toen de koning van Frankrijk na den dood van <span class="sc">Turenne</span> acht maarschalken in diens plaats benoemde, zeide men: De koning heeft zijn goudstuk
-tegen zilvergeld verwisseld. Dit geldt ook in onzen tijd, in den regel, van de munt,
-die op de poëtische pers geslagen wordt.… In vredes naam, als het niet anders kan!
-als dan het zilver maar echt zilver blijft, en geen Russisch zilver wordt!
-</p>
-<p>Toch is het een gebrek, dat gevoeld wordt. Aardappelennood valt zeker moeielijker
-te dragen, dan dichternood; maar een nood is het toch. Het is smartelijk, als men
-de jaren beleefd heeft, dat er bijna ieder nieuw jaar een nieuw groot dichter bij
-de overigen kwam, dat men nu den eenen dichttroon na <span class="corr" id="xd31e4795" title="Bron: de de">de</span> anderen ziet ledig worden, zonder dat er <span class="corr" id="xd31e4798" title="Bron: legitime">legitieme</span> opvolgers zijn om ze te vervullen, naar den regel: <i lang="fr">Le roi est mort! Vive le roi!</i>—<span class="sc">Jean Paul</span> verhaalt een anekdote, die hier te pas komt. De Prins <span class="sc">Van Esterhazy</span> had zijn geheele muziekkapel, en <span class="sc">Haydn</span> als kapelmeester afgedankt. Dien ten gevolge componeerde deze een muziekstuk, waarin
-elk <span class="corr" id="xd31e4814" title="Bron: muziekant">muzikant</span>, de een na den ander, een solo speelde en aan het einde er van den blaker op zijn
-muziek-lessenaar uitdoofde en wegging. Zoo verdween het eene lichtje en het eene instrument
-na het andere, en eindelijk bleef het orkest geheel stom. Ik heb aan dat verhaal wel
-eens gedacht, toen ik <span class="sc">Bilderdijk</span>, en na <span class="sc">Bilderdijk Loots</span>, en na <span class="sc">Loots Staring</span>, en na <span class="sc">Staring Tollens</span>, en na <span class="sc">Tollens Da Costa</span>, en na <span class="sc">Da Costa Van Lennep</span> zag aftreden, en voor de meesten te vergeefs naar een plaatsbekleeder, en dat vooral
-<span class="pageNum" id="pb160">[<a href="#pb160">160</a>]</span>onder de jongeren, zocht. Toch willen we niet ondankbaar worden: stom is ons orkest
-gelukkig nog niet; er klinken nog eerste violen, al zijn ze schaarsch. Mocht het nu
-gaan als bij <span class="sc">Haydn</span> te Weenen<span class="corr" id="xd31e4841" title="Niet in bron">,</span> waar de Prins berouw kreeg van zijn besluit en de afgedankte kapel weêr aanstelde.
-Toen kwamen, in de omgekeerde orde, al de lichtjes en al de muziek-instrumenten één
-voor één weer terug.…
-</p>
-<div lang="fr" class="lgouter">
-<p class="line">Va-t-en voir s’ils viennent, Jean, </p>
-<p class="line xd31e601">Va-t-en voir s’ils viennent! </p>
-</div>
-<p class="first">Het is waar, men heeft één troost: denzelfden troost, dien men mij ook op het punt
-der muziek aanbood; dat schijnt op dit gebied „de troost der armen” (de bekende balsem)
-te zijn. Groote dichters heeft men nu minder dan vroeger, maar daar staat één voordeel
-tegenover. De poezij is in onze dagen meer gemeengoed geworden. De taal, de stijl
-der goede Auteurs, ook over andere, soms de meest afgetrokken onderwerpen, is dichterlijker
-geworden, <span class="sc">Humboldts</span> Kosmos is, ook <span class="corr" id="xd31e4852" title="Bron: litterarisch">literarisch</span>, een meesterstuk: dat zag men vroeger zoo niet. Zelfs over den goeden conversatie-toon
-ligt een meer poëtisch waas dan voorheen.—Ik wil het niet geheel ontkennen. Maar de
-troost is schraal. De honderdduizend boterbloempjes in het gras voldoen mij niet,
-wanneer ik, als bloemen-liefhebber, eens een schoone camelia of azalia of puike stamroos
-zou willen hebben. Ik geef vijfhonderd tjilpende musschen voor een enkelen nachtegaal.
-</p>
-<p>Zelfs dat de poezij voor sommigen min of meer een artikel van mode geworden is, kan
-mij niet geheel voldoen. Twee dingen, lieve jufvrouw, ik weet het, zijn in onze dagen
-voor een modieuse Dame onmisbaar: een Album met <span class="corr" id="xd31e4857" title="Bron: visite-potretten">visite-portretten</span> en een Poezijboek, vooral een Poezijboek, roodfluweel, met verguld slot en verguld
-op sneê! En dan van binnen tal van Versjes, met lange dunne letters van Engelsch model
-met bleeke inkt half leesbaar geschreven, sentimenteel tot in het schrift! En de inhoud:
-luttel Hollandsch, maar Fransch, en Duitsch, en Engelsch, vooral Engelsch, dat lieve
-Engelsch! En als men er dan een handschrift van een heuschen dichter, van „mijn dichter”
-bij krijgen kan, dat verhoogt de waarde van zulk een verzameling ontzaggelijk: dat
-is of men zijn kleed of hoed onmiddelijk uit de eerste hand, uit Parijs, kreeg.
-</p>
-<p>Ik moet erkennen: het is vleiend voor de betrokken poëten; maar of er nu de poezij
-zelf, of de geest en geestdrift voor poezij in den boezem des volks bij die Album-manie
-veel wint,—ik zou het niet durven verzekeren. En zie, dat is toch noodig. Ik gaf het
-reeds vroeger te kennen: Poezij beantwoordt aan een ingeschapen trek en behoefte in
-de natuur van den normalen mensch. Laat de bekende mathematicus bij het zien opvoeren
-der <span class="sc">Fedra</span> van <span class="sc">Racine</span> vragen: wat dat bewijst? Uw vraag, o wijsgeer! bewijst dat gij een cijferbord zijt,
-waarbij het stuk krijt in het bakje, bij gebrek van beter, de plaats van hart vervult.
-Het meerendeel der menschen is anders gemaakt. De mensch leeft niet alleen van brood;
-zoo kan ook een ziel niet alleen <span class="pageNum" id="pb161">[<a href="#pb161">161</a>]</span>van proza leven. Ik heb een harp in mijn keel; als die bespeeld wordt, komt er een
-geluid, dat men in de wandeling de Stem heet. Maar ik heb ook een harp in mijn boezem;
-als die getokkeld wordt, komt er ook een geluid, en dat heet men Poezij. Nu kan ik
-de harp daarbinnen wel tot zwijgen doemen.… o ja! evengoed, als ik eens in een Trappisten-klooster
-een menigte monnikken zag, die niet alleen schoon linnen en warme spijs, maar ook
-de <i lang="la">vox humana</i> op de lijst der <i lang="fr">objets de luxe</i> hadden gebracht, waarvan ze zich, ten genoegen van de engelen en den hemel, liever
-passeerden. Maar, ziet gij, als ik zoo handel, doe ik mijn aanleg en natuur te kort,
-en zulk een verminking blijft dan ook niet ongewroken. De mensch, die de Poezij als
-een overtolligheid afschaft, is als iemand die een vogel kortwiekt. Och ja, uw uitvlieg-duif
-blijft nu wel op de binnenplaats, mijn lieve kleine vriend! en hij leeft alleen van
-de duivenboonen die gij hem geeft, en geen nijdig buurman kan nu uw mooi exemplaar
-in zijn kooi opvangen: maar—nu is ook uw duif geen uitvliegduif meer, dan titulair,
-en de prachtige vogel, dien God geschapen heeft om meê de blauwe lucht te doorstreven
-en te doorzweven, te bevolken en te bezielen, is een arme invalide op zwart zaad geworden,
-waarop de dikgepropte doffer van uw buurman, als hij triomfeerend den hemel doorklieft,
-met deernis of verachting neerziet. We kunnen alles wat in ons met den hoogeren, beteren,
-etherischen mensch in verband staat wel afdanken en op pensioen zetten; dat kunstje
-wordt helaas! in onzen tijd genoeg geleerd en geoefend; maar men noeme zich dan ook
-geen kompleet mensch meer. <i lang="de">Die halben und die ganzen</i>, zei iemand in onzen tijd. Ja, als er minder „halve” menschen waren! Dan.…
-</p>
-<p>Maar ik hoor nog een excuus, voor en door de kinderen onzes tijds ingebracht.—De tijd
-deugt er niet voor. Het is in onze dagen te druk, te woelig, te volhandig! Er wordt
-te veel in het bosch geschoten: daarom kunnen de nachtegalen niet zingen.
-</p>
-<p>—Ei zoo? Dus; de meest <span class="corr" id="xd31e4883" title="Bron: poetische">poëtische</span> tijden zijn die, waarin de tempel van Janus gesloten is? de tijden, waarin de <span class="corr" id="xd31e4886" title="Bron: menscheid">menschheid</span>, als de wijn, die belegen moet zijn, in de vaten op den droesem rust? de tijden,
-waarin de Jansalies het roer in handen hebben en al de kippen op stok zijn? Dit had
-ik niet gedacht. Ik blijf ook nog wel een weinig twijfelen. De historie althans schijnt
-er anders over te denken. Er is een eeuw geweest, die men, evenals men de eeuw van
-Saturnus de gouden, zoo deze „de groote eeuw” noemde; welke was die eeuw? Het was
-de eeuw in Frankrijk, waarin de Zonnekoning regeerde; waarin <span class="sc">Turenne</span>, en <span class="sc">Condé</span>, en andere reuzen der krijgskunst meer, veldslag op veldslag wonnen, en <span class="sc">Colbert</span> den handel van zijn volk, met de zich steeds vermeerderende zeilen der schepen, steeds
-nieuwe vleugelen aanbond. Maar zie dat was—toevallig? ook dezelfde eeuw, waarin <span class="sc">Corneille</span> en <span class="sc">Racine</span> zongen, <span class="sc">Boileau</span> de wetten op den zangberg gaf, <span class="sc">Pascal</span> zijn gulden wijsheid tot goudstukken vermuntte, en <span class="sc">Bossuet</span> en <span class="sc">Bourdaloue</span> stemmen uit de hoogte deden hooren, die het kolossale paleis <span class="pageNum" id="pb162">[<a href="#pb162">162</a>]</span>van Versailles op zijn grondslagen deden daveren.—Had de Vrijheidskrijg van 1813 zijnen
-<span class="sc">Körner</span> niet? Van waar dan, dat men in den jongsten oorlog te vergeefs naar den Tyrteus uitzag,
-die bij zulk een voorbeeldeloozen kamp niet scheen te mogen ontbreken? De driehonderd
-<i lang="de">Lieder der Schutz und der Trutz</i> toch, waarmeê de Germanen elkander zoo goed mogelijk hebben opgewonden, kunnen even
-weinig voor een Ilias van dezen krijg gelden, als de houten theater-ballen, waarmeê
-Victor Hugo voor zijne Franschen den oorlogsdonder zocht na te maken. Het is gelukkig
-voor de Duitschers, dat de Krupp-kanonnen krachtiger taal spreken; anders zouden Sedan
-en Metz, Straatsburg en Parijs niet gevallen zijn!
-</p>
-<p>Men vergunne mij dit elegietje op den <i lang="fr">Chute des feuilles</i> van den laurierboom der schoonste kunst. Misschien is het wel een weinig een <i lang="la">oratio pro domo</i>; misschien pleit ik min of meer voor een <span class="corr" id="xd31e4934" title="Bron: famieliebelang">familiebelang</span>; ik geloof werkelijk, dat ik een verren neef onder de dichters heb. Maar ik geloof
-toch ook, dat er bij mij nog iets anders, iets beters bij komt. Ik geloof waarlijk,
-dat de menschheid behoefte aan poëzij, en wel aan waarachtige, verhevene, groote poëzij
-heeft. <span class="sc">Thorwaldsen</span> heeft eens een basrelief gemaakt met het opschrift <i lang="la">A genio lumen</i>. Het vertoont een vrouw, die bij een altaar zit, en die een uil en een lier aan de
-voeten heeft: een voorstelling van het genie. Alle eerbied nu voor den uil, die als
-de vogel van Minerva de Wetenschap moet voorstellen. Ik weet, dat we zonder uilen
-niet kunnen. Maar als ik u verzoeken mag, als gij u zoo bukt om den uil te streelen,
-trap dan bij vergissing de lier niet stuk! Hoe zou ik anders kunnen zeggen: Waak op,
-gij harp en luit! Victor Hugo! eens te recht <i>Victor</i>, Overwinnaar, geheeten! Ik bid u, laat nu de <i lang="fr">Travailleurs de la mer</i> eens een weinig op hun eigen hand travailleeren, en grijp gij de gouden citer—gij
-zit toch nu niet meer aan de wateren Babels, aan de oevers van den stroom eener droevige
-ballingschap—grijp de citer, en zing ons een gouden lied, als in uw gulden tijd. Laat
-<span class="corr" id="xd31e4949" title="Bron: ons ons">ons</span> nog eens hooren: <i lang="fr">Ce qu’on entend sur la montagne</i>. Laat ons nog eens hooren, hoe uw prachtige Klok
-</p>
-<div lang="fr" class="lgouter">
-<p class="line"><i>Chante l’amour au coeur et le blasphême au front!</i> </p>
-</div>
-<p class="first">En! opdat dit geschiede, genius der kunst! giet olie in de albasten vaas, die de Muze
-u voorhoudt … <i lang="la">A genio lumen</i>.
-</p>
-<p>Nogmaals—
-</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line">Daar kwam verandring in ’t gezicht mijns drooms. </p>
-</div>
-<p class="first">Ei zoo.… Gij daar ook nog, mijn portret? Beeld mijner kindsheid, miniatuur-exemplaar
-van den tegenwoordigen <span class="sc">Jonathan</span>! O zeker, u ziende, gedenk ik aan de dagen van ouds. Toen ik vroeger evenzoo <span class="pageNum" id="pb163">[<a href="#pb163">163</a>]</span>voor u stond, en u mijn kleine meditatie wijdde, was er tusschen u en den toenmaligen
-<span class="sc">Jonathan</span> reeds verschil genoeg. Dat verschil is sedert nog grooter geworden. Een leeuwerik
-onder de zangeressen uit den vreemde, (schoon tamelijk in de buurt; het is eene Vlaamsche,
-die niet voor niet <span class="sc">Rosalie Loveling</span> heet), heeft het gevoel, uit het gezicht van zulk een gedaante-verandering geboren,
-aardig uitgedrukt:
-</p>
-<div class="lgouter">
-<div class="lg">
-<p class="line">In grootmoeders kamer, daar hangt het beeld </p>
-<p class="line xd31e490">Uit hare kinderjaren: </p>
-<p class="line">Een lachend mondje, peerlenoog, </p>
-<p class="line xd31e490">En bruine kroezelharen. </p>
-</div>
-<div class="lg">
-<p class="line">De kinderen stonden en staarden ’t aan, </p>
-<p class="line xd31e490">En ’t een zeî aan het ander: </p>
-<p class="line">„Och, waar’ dat schoone kindje hier, </p>
-<p class="line xd31e490">Wij speelden met malkander.” </p>
-</div>
-<div class="lg">
-<p class="line">En de oude in haar leunstoel met bril en toer, </p>
-<p class="line xd31e490">Keek op bij deze rede: </p>
-<p class="line">„Wie zou dat schoone kindje zijn?.… </p>
-<p class="line xd31e490">Gij speelt er altijd mede.” </p>
-</div>
-</div>
-<p class="first">Inderdaad, de vergissing der kinderen is verschoonlijk: het onderscheid is ook zoo
-erg groot! En laat dat zoo zijn! Oud te worden, is geen kwaad, als maar niet alles
-aan ons en in ons te gelijk mede oud wordt. En dat is niet noodig. De dichter <span class="sc">Tegner</span> heeft ergens gezegd, dat de ouderdom sneeuw strooit, niet alleen in het haar, maar
-ook in het hart. Zou dat regel zijn? Als er sneeuw op een vulkanischen grond valt,
-smelt ze: dat kan de Etna leeren. Misschien is het, omdat mijn hart wat warm van temperatuur
-is uitgevallen, dat ik van de sneeuw in het binnenste nog niet veel merk. <span class="sc">Schleiermacher</span> is de eenige niet, die zich zelven beloofde, dat hij, oud wordende, jong zou blijven,—en
-woord hield. Er zijn dwergen, die dezen reus dit hebben nagedaan, door ’s mans zevenmijlslaarzen
-aan hun kleine voeten te doen.
-</p>
-<p>Ja, er is een middel—ik sprak er reeds vroeger van—om ouderdom en jeugd in één zelfden
-mensch te vereenigen, zooals de oranjeboom aan één stam het groene blad, den zilveren
-bloesem en de gouden vrucht draagt. Een dichter zong er van:
-</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line">Eenmaal wordt het kind een man, </p>
-<p class="line">Die veel trefflijks wil en kan; </p>
-<p class="line">Eenmaal wordt de man een kind, </p>
-<p class="line">Zwak zooals men kindren vindt! </p>
-<p class="line">Waart gij lang een kind van God, </p>
-<p class="line">Grijsaard-Kind! dan heil uw lot! </p>
-</div>
-<p><span class="pageNum" id="pb164">[<a href="#pb164">164</a>]</span></p>
-<p>Grijsaard-Kind. Een eigenaardige combinatie, die mij denken doet aan de bekende Kind-Vrouw
-uit den <span class="sc">David Copperfield</span> van <span class="sc">Dickens</span>. Nu, wat het grijsaard-worden aangaat, daaraan heeft het bij mij niet ontbroken.
-Een groene grijsheid—zegt men—een spar onder de sneeuw;—ik verzeker u, dat er sneeuw
-op de bladen ligt! Maar nu de andere helft: het Kind in den Grijsaard, <span class="sc">Jonathan</span>, hoe staat het daarmeê?
-</p>
-<p>Hoort eens, lieve menschen, ik zit hier niet in den biechtstoel. Daar zijn dingen,
-die men liefst alleen, of nog beter onder vier oogen afdoet. Maar die andere twee
-oogen, die ik daarbij tegenover mij wensch, zijn de uwe niet. Intusschen, dit kan
-en mag en wil ik u wel zeggen: het Grijzen is makkelijker en voorspoediger gegaan,
-dan het Kind worden. Het is daarmeê als met het op- en afklimmen van een berg. Het
-afklimmen gaat rad genoeg ja, het gaat van zelf; maar het opstijgen! En Kind, in den
-besten en hoogsten zin Kind te worden, is eene opstijging, erger dan tegen den Montblanc.
-En geen wonder! Het gaat ook naar <span class="corr" id="xd31e5033" title="Bron: een een">een</span> Montblanc, den Witten berg der volmaakte en vlekkelooze heiligheid, op welks top,
-even als het licht van den zon in den morgen op den Zwitzerschen berg, het groote
-eeuwige Licht, waarin gansch geen duisternis is, woont. Nu, ziet gij, zulk een bergreis
-gaat met groote moeite en inspanning gepaard. Het heeft wel iets van den gang van
-sommige bedevaartreizigers naar Jeruzalem, die soms, bij wijze van vrijwillige zelfmarteling,
-telkens na twee stappen voorwaarts weer éénen achterwaarts deden. Of wilt gij een
-nationaal beeld? Denkt aan den tijd, toen gij als kinderen tegen de een of andere
-duin op zoudt klimmen, en gedurig met het zand, dat gij pas en met moeite bestegen
-hadt, naar beneden kruidet! Ach, als gij zondag een goeden stap voorwaarts hebt gedaan,
-komt maandag, en dinsdag alles bederven, en ’s woensdags daarop is het, of het weer
-de vorige zaterdag ware. Waarlijk, er is volharding en moed toe noodig om den strijd
-niet op te geven.
-</p>
-<p>Toch willen wij dit met Gods hulp niet doen. Daarvoor voelen wij ons te sterk in de
-belofte: Hij heeft ons macht gegeven, kinderen Godts te worden.—Kinderrang bij kinderzin.
-Het is beloofd. Het zal geschieden. Het kan geschieden. Het is mogelijk, al is het
-ook moeielijk, al is het ook wonderbaar. Van wonderen gesproken,—de klassieke dichter
-<span class="sc">Ovidius</span> heeft een heel boek vol geschreven, waarin hij van niets dan van metamorfosen verhaalt.
-Menschen worden boomen, vogels, en wat niet al meer. Maar als ik van die mirakelen
-lees, blijf ik er koud bij: het zijn immers maar fabelen? Het is alles mythologie.
-Maar als de Heilige schrift van mannen en vrouwen, ja, zelfs van ouden van dagen spreekt,
-die kinderen worden—zie, zoo waar God leeft, dat is geen fabel, geen mythe, dat is
-een feit! Zoo waar ik leef, ik weet dat het een feit is; ik heb het gezien.
-</p>
-<p>Een schoon gezicht—om hetwelk te aanschouwen de engelen gaarne den hemel verlaten—die
-gedaante-verandering van den volwassen mensch, die <span class="corr" id="xd31e5044" title="Bron: een een">een</span> kind wordt! En zooveel te schooner, naarmate <span class="pageNum" id="pb165">[<a href="#pb165">165</a>]</span>het zielsgelaaat van dien mensch door de werking der zonde meer verdorven, meer verouderd
-en leelijker gemaakt was. Als men u toen gevraagd had: kan die akelige Kains-tronie
-nog weer een lief, onnoozel Abelsgezicht worden, zooals deze er uitzag, toen hij nog
-levend en blozend als een kind op zijn moeders schoot lag, of ook, toen hij in zijn
-tweeden en laatsten slaap, met een lachje op het gelaat, door zijn moeder in de armen
-genomen werd om tot de groote rust gebed te worden? dan zoudt gij geneigd zijn geweest
-uit te roepen: Onmogelijk! En gij zoudt recht hebben gesproken: dat is ook onmogelijk—althans
-bij de menschen is het onmogelijk. <span class="sc">Adam</span> kan het niet, en <span class="sc">Eva</span> kan het niet, en <span class="sc">Abel</span> zelf uit zich zelven kan het ook niet; er is geen enkel Adamskind, die het kan! Maar
-wat bij de menschen onmogelijk is, is mogelijk bij God,—als God het wil, en dìt wil
-God. Hij wil, dat menschen zalig worden, en tot die zaligheid voert geene andere weg,
-dan door de tweede kindsheid heen, die wij het kindschap Gods noemen. Om het wonder
-dier herschepping te <span class="corr" id="xd31e5059" title="Bron: bewerkstellingen">bewerkstelligen</span>, beschikt hij over goddelijke krachten en gaven. Is het vreemd? Men verhaalt van
-<span class="sc">Rubbens</span>, dat hij, met een penseelstreek of wat, een schreiende in een lachende tronie op
-zijn paneel veranderen kon; zou de hand, die <span class="sc">Rubbens</span> dit schildergenie in den boezem gaf, niet iets dergelijks bij zijn maaksel vermogen?
-God heeft uit een handvol klei eenen mensch gebootst; zou hij nu den misvormden, verbasterden
-en ontaarden mensch niet weer tot een nieuwen en reinen mensch kunnen hervormen? Het
-is zoo: de bewerking is nog zwaarder. Want de doode klei was lijdelijk in de hand
-des Pottebakkers; maar de levende aardmensch, in wien de klei van beneden vaak over
-den geest van boven heerscht, is weêrstrevig en weêrspannig, en maakt den grooten
-kunstenaar soms moeite genoeg. Maar toch, als er eens een begin met het groote werk
-is gemaakt, o! het gaat. Het gaat langzaam, maar het gaat. Het gaat moeielijk, maar
-het gaat. Hier een vlek weggewischt, daar een rimpel weggestreken, elders een lach
-of een blosje aangebracht—het gaat. Zie, het wordt reeds een geheel ander voorkomen.
-Het hangend hoofd heft zich op, en het matte oog begint te glinsteren, en het ruwe
-vel wordt glad, en het onrustig jagende hart wordt stil, stil—zegt de Psalmist—als
-een kind bij zijn moeder.… en dat is niet de eenige kindertrek! Het kinderlijke komt
-gedurig meer boven, en uit, en door.… Ik las ergens van een volksgeloof, volgens ’t
-welke een mensch, als hij gestorven is, het gelaat van zijn vroegere kindsheid weêr
-aanneemt<span class="corr" id="xd31e5068" title="Bron: .,.">…</span> dat is een legende. Maar dat Christenen, hoe ouder ze worden, temeer op kinderen
-beginnen te gelijken, ja, telkens meer kind zijn.… dat is geen legende. Dat is een
-feit. Ik heb het gezien en ik zie het aan mij zelven, helpe God! Met zijne hulp zie
-ik het eens in zijn gansche volheid en volkomenheid.
-</p>
-<p>Wanneer?
-</p>
-<p>Ik zie er mijn portret op aan, maar ik krijg geen antwoord. Mijn moeder heeft mij
-bij mijn geboorte den horoskoop niet laten trekken. <span class="pageNum" id="pb166">[<a href="#pb166">166</a>]</span>Er is dus zelfs niet naar geraden, hoe oud ik wel worden zou. Nu, in zekeren zin is
-dat ook onverschillig. Het aardsche leven is altoos een korte ketting, waaraan het
-op een schalm of wat meer of minder niet aankomt, daar zij toch bestemd is spoedig
-te breken. Anders is het gelegen met het hemelsche leven, de keten die nooit breekt.
-Dat is als de keten van den telegraaf, die onder rivieren en stroomen door, en zoo
-ook door de Jordaan des doods heenloopt, en den Nebo aan deze zijde aan de kust van
-de Palmstad aan den anderen kant verbindt. O wat het zijn moet, op dien anderen oever
-te komen, en dan het strand te kussen, en daarna opgerezen in den kristallen stroom
-zijn eigen beeld te zien, en zichzelven zoo weinig te herkennen, als ik mij nu in
-dit kinderportretje herken.… welk een verwachting! Toen men in der tijd dit kindje
-wel eens vroeg: hoe groot zult ge worden? hief het wicht de kleine armpjes omhoog,
-zoo hoog hij kon, maar altijd veel te laag.… het kleine schepsel! het kon niet hooger.
-Maar vraag nu het kind van God eens: Hoe groot zult gij worden? Lieve menschen! dat
-kan hij u nog minder toonen: want dat is zóó groot, zóó groot, dat men gaat duizelen,
-alleen van het zich te verbeelden. Bedenk dat er geschreven staat: <span lang="nl">ze sullen Hem gelijck wesen</span>.
-</p>
-<p>En dat alles, het ligt nu vóór ons, recht vóór ons, dicht vóór ons—wie weet, hoe dicht?
-Zonderling, dat die gedachte ons niet meer verblijdt. Ik weet nog, hoe het mij te
-moede was, toen ik het eerst den Montblanc zou gaan zien.… ik was de wereld te rijk!
-en ik heb hem gezien en uitgeroepen: schoon, schooner, veel schooner, dan ik mij had
-verbeeld! Maar nu dien anderen Montblanc te zien, en niet alleen te zien, maar ook
-te bestijgen, en niet alleen te bestijgen, maar ook blijvend te bewonen. Gelukkiger
-dan <span class="sc">De Saussure</span> en zijne navolgers, die na een kort verblijf op de hoogte weer naar beneden moesten
-in het Dal, in den herberg, en bij de morsige wateren van de Arve, die door de Chamounix-vallei
-stroomt. Nog eens, hoe kan het zijn, dat het ons zoo koel laat? Nu zou ik toch haast
-weêr zeggen, dat de sneeuw niet alleen op het haar ligt. Wat er aan te doen? Nog eens
-een blik op den Kind-Grijsaard des dichters, met zijn schoon verleden en nog schooner
-toekomst:
-</p>
-<div class="lgouter">
-<div class="lg">
-<p class="line xd31e490">Ik ken twee schoone dalen, </p>
-<p class="line">Waarop ik blik met stille vreugd: </p>
-<p class="line xd31e490">Het eene vol bloesem en stralen, </p>
-<p class="line">Is ’t groene veld der jeugd. </p>
-</div>
-<div class="lg">
-<p class="line xd31e490">Het eene is doorgetogen! </p>
-<p class="line">En schemert reeds in ’t wijd verleên: </p>
-<p class="line xd31e490">Toch wendt er de Grijsaard zijn oogen </p>
-<p class="line">Met dank’bre blijdschap heen. </p>
-</div>
-<div class="lg">
-<p class="line xd31e490">Het tweede ligt daarboven! </p>
-<p class="line">Dáár storm, nog sneeuw, noch winterwee! </p>
-<p class="line xd31e490">Maar eeuwige gaarden en hoven, </p>
-<p class="line">Aan kristallijnen zee. </p>
-</div>
-<p><span class="pageNum" id="pb167">[<a href="#pb167">167</a>]</span></p>
-<div class="lg">
-<p class="line xd31e490">Wel tintelen en bloeien </p>
-<p class="line">De bloemen uit mijn jeugd nog schoon. </p>
-<p class="line xd31e490">Maar die uit den Hemelhof gloeien </p>
-<p class="line">Wel driemaal dubbel schoon! </p>
-</div>
-</div>
-<p class="first">Kind! kind! welke gezichten! welke uitzichten! O dat het nu ook waar worde:
-</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line">„Wie zou dat schoone kindje zijn? </p>
-<p class="line xd31e601">Gij speelt er altijd mede!” </p>
-</div>
-<p class="first">Ten laatsten maal—
-</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line">Er kwam verandring in ’t gezicht mijn drooms. </p>
-</div>
-<p class="first">Nog eens hervat ik mijn Reize door mijn kamer, ik sla mijn oogen her- en derwaarts
-in ’t rond. Zoo valt mijn oog op wat ik mijn Stamboom noemde: op mijn erentfesten
-Bijbel op zijn ouderwetschen lezenaar. Mijn stamboom; als behelzende op zijn eerste
-bladzijde de volglijst mijner Voorouders, mijn Genesis X, waaraan, door de hand der
-mijnen, een en andermaal een soortgelijke aanteekening, als in dat kapittel zoo menigmaal
-voorkomt is toegevoegd: <span class="corr" id="xd31e5124" title="Niet in bron">„</span>Deze en die werd geboren, gewon kinderen, en stierf.” Hier zie ik ze weer: de namen
-van mijne vaderen, van den eersten, dien we kennen, <span class="corr" id="xd31e5126" title="Bron: toe">tot</span> mijn eigen lieven vader en moeder toe, en onderaan het open plaatsje voor <span class="sc">Jonathan</span> … dat nog open is. Tot hoe lang? … neen, dat willen we niet andermaal gaan vragen.
-<span class="corr" id="xd31e5132" title="Bron: Eén">Één</span> ding is zeker. Ik vergeleek mijn stamboom met Genesis X; maar dat geldt allerminst
-van de getallen. Die zijn voor het minst gedecimeerd. In die dagen was zeven, achthonderd
-jaar een gewone leeftijd. Mozes hield er reeds een andere rekening op na: <span lang="nl">Aangaende de dagen onser jaren, daarin zijn seventig jaer, of zoo wij seer sterk zijn,
-tachtentig jaer</span>—<span class="sc">Jonathan</span>, hoort gij het?
-</p>
-<p>Laat het zoo wezen. <span class="sc">Jonathan</span> worde ouder en ouder, zoodat het witte graan om den zeis roept, de oogstdag zal welkom
-zijn. En wel beschouwd, wat doet het er ook toe, of de namen op het schutblad van
-den Bijbel een jaar of wat meer of minder achter zich tellen, als de Bijbel zelf,
-waaraan ze als vastgehecht en waarmeê ze verbonden zijn, maar jong, maar eeuwig jong
-is en blijft!
-</p>
-<p>En dat blijft hij!
-</p>
-<p>Zie, daar ligt hij voor mij. Wij zien elkander na lange scheiding weêr. Hoe zien wij
-elkander? Hij vindt mij vrij wat veranderd: de Tijd schreef in rimpelen zijn voortgangen
-op mijn voorhoofd aan; ja ze staan, als op iederen van mijn gelaatstrekken, op elke
-van mijn lichaamsleden te lezen! Hoe geheel anders met hem. Hij altijd dezelfde. Ook
-uitwendig, in den sterken juchtlederen band, de soliede koperen <span class="pageNum" id="pb168">[<a href="#pb168">168</a>]</span>sloten, het stevige, degelijke, deugdelijke ouderwetsche papier met den kloeken zwarten
-letter, en de platen van <span class="sc">Luyken</span>, bijna even duurzaam als het koper waarin ze eens gegraveerd zijn. Maar ook inwendig,
-in den inhoud. Ook daarvan geldt ten volle: „Niet verouderd!”
-</p>
-<p>Welk een verschil tusschen hem en mij!
-</p>
-<p>Ik las onlangs een bijzonderheid uit het leven van <span class="sc">Alexander van Humboldt</span>, die mij trof. Toen hij als jongeling met zijn vriend <span class="sc">Bonpland</span> in Zuid-Amerika reisde, zag hij een boom, <i lang="es">Saman del Guere</i>—meen ik—geheeten: een waren reuzenboom, in al zijn pracht, macht en kracht. Zestig
-jaren daarna, in 1858, bracht hem een reiziger, die uit die streken kwam, een gelijkende
-fotografie van dien boom mede. Dat gezicht deed hem aan. Naar de teekening te oordeelen,
-was die boom nog volmaakt dezelfde als in 1798. De stam even hoog, vast en recht;
-de kroon even breed en rijk; de takken even overvloedig, weelderig en schilderachtig
-naar alle zijden uitgebreid; de bladeren even rijk frisch en groen; de bloemen- en
-vruchtenschat even kleurig en welig. Toen werd <span class="sc">Alexander</span> bedroefd. „Die boom nog geheel onveranderd, terwijl <span class="sc">Bonpland</span> lang dood is, en ik een oud man aan den rand van ’t graf! Wat is er nu van die vlucht
-van jeugdig <span class="corr" id="xd31e5175" title="Bron: enthousiasme">enthusiasme</span>, die mij en mijn reisgenoot toenmaals bezielde, en ons met onze gedachten en plannen
-hoog boven de hooge kruin van dien reuzenboom, ja, van de hemelhooge bergen daarachter
-en rondom, opstijgen deed!…<span class="corr" id="xd31e5178" title="Bron: „">” </span>Maar genoeg, gij hebt mij reeds begrepen. Wat <span class="sc">Alexander</span> voelde tegenover de afbeelding van zijnen langlevenden boom, gevoelt de verouderde
-<span class="sc">Jonathan</span>, staande tegenover zijnen altijd jongen Bijbel. Alleen maar, de aard van de daardoor
-opgewekte gewaarwording verschilt. <span class="sc">Humboldt</span> werd droevig, ik gevoel mij gelukkig en blijde. Geen wonder: de jeugd van zijnen
-boom kon zich aan hem niet meêdeelen: maar de onveranderlijkheid van onzen Bijbel
-waarborgt ons onze onsterfelijkheid, onze eeuwige geestelijke jeugd. Daarom roemen
-wij: <span lang="nl">Alle vleesch is als gras, en alle heerlickheyt des menschen als een bloeme des gras.
-Het gras is verdorret en sijne bloeme is afgevallen: maar het woordt des Heeren blijft
-in der eeuwigheid.</span>
-</p>
-<p>Ja, het Woord blijft. Jaarhonderden en jaarduizenden zijn dáár, om het <span class="corr" id="xd31e5195" title="Niet in bron">te </span>staven; ook het laatste jaarhonderd is daarvan een getuige te meer. Dat tijdvak toch
-is voor mijnen Bijbel niet al te goed geweest. Vreeselijke stormen en orkanen, o gij,
-woudkoning in den vreemde, gij machtige <i>saman</i>-boom! zullen in den loop van die zestig jaren, van 1798 tot 1858, over uw kruin zijn
-heengevaren; ontzettende onweders zullen uw stam hebben bedreigd, en misschien ook
-wel vreeselijke aardbevingen uwe wortelen hebben geschokt en geschud; maar gij zijt
-staande gebleven, altijd jong, altijd sterk, altijd groen, altijd vruchtbaar! Welnu,
-niet anders deze Bijbel! Ook over hem heeft een Pinksterstorm, gelijk wij er een in
-1860 beleefden, die de grootste en sterkste eiken ontwortelde en nederwierp, wat zeg
-ik? onderscheiden zulke Pinksterstormen <span class="pageNum" id="pb169">[<a href="#pb169">169</a>]</span>zijn over zijn hoofd heengegaan, en hebben getracht hem te knakken of neêr te slaan;
-maar het is niet gelukt. Hij heeft geen blad verloren, geen bloesem laten vallen,
-geen vrucht afgeschud.… hij staat daar altijd even krachtig en bloeiend, en als gij
-hem nadert, reeds van verre waait u uit zijne bladeren een geur des levens te gemoet!<span class="corr" id="xd31e5201" title="Bron: ,..">…</span>
-</p>
-<p>Men zou zeggen: maar wie heeft dan zulke stormen en onweders tegen dit beste der Boeken
-verwekt? Kan het zijn? Hebben dat de menschen gedaan? En waarom? Wat dan, o mijn Bijbel,
-wat hebt gij den menschen gedaan, dat velen uit hen u zoo gram konden zijn, en u zoo
-gaarne zouden verbrand, verscheurd, of voor het minst verminkt hebben, zoo ze hadden
-gekonnen?
-</p>
-<p>Wat gij den menschen gedaan hebt? Dat is spoedig gezegd. Gij hebt ook in het jongst-verloopen
-tijdvak, ook in de laatste zestig jaren hebt gij duizenden, en tien- en honderdduizenden
-onder de menschen geleerd, gij hebt ze gesticht, gij hebt ze getroost, gij hebt ze
-gesterkt: gij hebt wonden gebalsemd, gij hebt rimpels glad gestreken, gij hebt tranen
-gedroogd. Toen er ten vorige jare oorlog was, was het als een hemelsche verschijning,
-als er in de hospitalen, waar de gewonden lagen, een broeder of een zuster van het
-Roode Kruis kwam, met een zachte hand, en een zacht verband, en een verzachtenden
-balsem in de vingers, en vooral met een zachte stem, die opbeuring en vertroosting
-sprak tot de verslagenen naar het lichaam en de verslagenen naar den geest. Maar wat
-die barmhartige Samaritanen onder de menschen in zwakheid hebben beproefd, dat hebt
-gij, o hemelsche Samaritaan des goddelijken Woords! in kracht beoefend en volbracht.
-Gij hebt in het groote hospitaal des menschelijken levens, waar de zichtbare, maar
-vooral de onzichtbare wonden niet te tellen zijn, gij hebt daar al wat krank, en zwak,
-en lijdende, en geknakt en gebroken was geheeld en gesteund; gij zijt dien mannen
-van krankheid en smart, dien kinderen der zonde en des doods, een engel der vertroosting
-en des levens geweest: gij hebt u dien <span class="sc">Benoni’s</span> een <span class="sc">Benjamin</span>, een zoon der Rechterhand getoond! O hoe zal men er u ooit genoeg voor danken? hoe
-zal men er u voor begroeten en zegenen: Gezegend gij die komt in den naam des Heeren!<span class="corr" id="xd31e5213" title="Bron: ..,">…</span> Maar neen! neen! Alzoo, o mijn Bijbel! is het u van velen niet gegaan. Veeleer het
-tegendeel. Iemand heeft een verhaal aangaande u geschreven: De geschiedenis van het
-Boek. Maar indien men die geschiedenis raadpleegt, dan ziet men dat weinige lijders
-in deze negentiende eeuw moeielijker dagen hebben beleefd, dan gij; ja, zoo moeielijk,
-dat het ons soms wonder dunkt, dat gij er het leven afgebracht hebt; hoeveel meer,
-dat aan u de belofte ten volle vervuld is: Geen been van hem sal verbroken worden.
-</p>
-<p>Inderdaad! het is een zware strijd, die in onze dagen op het groote slagveld des geestes
-gestreden wordt. Op een van de heerlijke zes fresco’s van <span class="sc">Kaulbach</span> in het nieuwe museum te Berlijn, voorstellende zes hoofdtijdperken uit de Algemeene
-geschiedenis der menschheid, heeft <span class="pageNum" id="pb170">[<a href="#pb170">170</a>]</span>de schilder de zegepraal des Christendoms over het Heidendom afgebeeld. Het tafereel
-geeft u een blik te slaan op het slagveld van den slag, in de velden van <span class="corr" id="xd31e5223" title="Bron: Catalonie">Catalonië</span> tusschen Theodorik en Attila geleverd. Het is een geniale greep! Beneden ziet men
-het slagveld zelf met zijne gewonden en dooden. Maar niet alleen beneden, ook daarboven
-is er strijd. Uitgaande van de legende, dat men nog dagen daarna krijgsgerucht in
-de lucht zou hebben gehoord, ontleent de schilder daaraan een schoone dichterlijke
-gedachte. De geesten zetten daarboven in de lucht den strijd voort, dien de lichamen
-der verslagenen beneden hebben moeten opgeven. Welnu, een dergelijke geestenslag heeft
-ook in onzen tijd plaats. Wie ooren heeft om te hooren, hoort het geklikklak der zwaarden
-in de lucht. Wat zal de uitkomst zijn? Dat vraagt niemand die gelooft. Wij zijn als
-Eliza. Wij zien en hooren de legers van onzen grooten Bondgenoot in de lucht, en roemen
-als hij: Wie met ons is is meer, dan die tegen ons zijn. Wij zijn vóór het einde van
-den slag der victorie zeker. Toen de Fransch-Duitsche oorlog van 1870 begon, riepen
-de Franschen; naar Berlijn! de Duitschers; naar Parijs! Dat was bij den een grootspraak,
-bij den ander anticipatie, bij beiden overmoed. De een had Parijs wel niet kunnen,
-de ander heeft Berlijn niet mogen zien. Maar als wij in den grooten geestenslag tusschen
-licht en duisternis, tusschen de wereld en het geloof dat de wereld overwint, bij
-voorraad en voorbaat uitroepen: Naar Jeruzalem! Naar het Nieuw Jeruzalem! dan weten
-wij, dat wij er komen zullen. Hij, die niet liegen kan, de <span class="corr" id="xd31e5226" title="Bron: waarachtigen">Waarachtige</span> en Almachtige heeft het gezegd. Het bulletin is reeds geschreven: het is in de Apocalyps
-geboekt.
-</p>
-<p>Dit neemt evenwel niet weg, dat voor een hart, dat dezen strijd aanziet, dat aan dezen
-strijd deelneemt, de dagen boos en hachelijk genoeg zijn. Een man, die recht van medespreken
-heeft; daar hij jaren opperstuurman op het schip van staat in Frankrijk was, en dat
-schip door menigen storm gelukkig heenvoerde, totdat ook hem het roer in de handen
-brak; de groote en edele strijder <span class="sc">Guizot</span> heeft er van gezegd: „Mijn ziel is te gelijk van vertrouwen en onrust, van hoop en
-vrees vervuld. Ten goede en ten kwade is de krisis, welke de beschaafde wereld doorgaat,
-oneindig sterker, dan onze vaderen hebben voorzien; sterker dan wij zelven het denken,
-wij, die er reeds de meest verschillende uitwerkselen van ondervinden. Verheven waarheden,
-uitnemende beginselen zijn innig samengemengd met denkbeelden, die volkomen valsch
-en verderfelijk zijn. Een schoone arbeid van vooruitgang en een afschuwelijk werk
-van verwoesting volgen elkander in de geesten en in de samenleving op. Nooit heeft
-de menschheid in zulk een mate tusschen hemel en afgrond gezweefd.” De schilderij
-is niet bemoedigend, en toch, we willen den moed niet opgeven. Ook daarom niet, omdat
-we op den eind-uitslag gerust zijn. Maar ook niet om deze reden, dat hoe dreigend
-zulk een strijd zijn moge, er nog iets erger is dan dat, en dat is: een volkomen rust.…
-namelijk de rust van het kerkhof, de rust des doods. En die was er vroeger, eer deze
-strijd ontbrandde<span class="corr" id="xd31e5234" title="Niet in bron">.</span> <span class="pageNum" id="pb171">[<a href="#pb171">171</a>]</span>Die was er in de zoogenaamde vredejaren, toen de kwade stoffen stillekens werden opgehoopt,
-die de lucht zoo elektriek gemaakt hebben, dat nu het bliksemlicht niet van den hemel
-is. Vraag een wakker kapitein, die op de Oost vaart: Wat hebt gij liever: storm, of
-langdurige windstilte? Hij zal het eerste kiezen. Met storm komt men, al is het dan
-dan stormende, toch nog voort: met eene windstilte gaat tijd, geld, lust, geduld,
-moed, alles verloren.—En ziet gij, er was vroeger op de Galilesche zee der kerk windstilte.
-Het zeil van het scheepke des Heeren hing los langs den mast; er was geen adem op
-het water, geen gang in het schip; alles doodstroom; men kon niet varen; men kon niet
-voort. Later begon de wind op te steken.…. het woei.… het woei hard.… het woei harder.…
-het waait nu erg hard.… het waait soms een stoker … om het even! Beter zoo, dan in
-’t geheel niet. We weten nu voor het minst, dat we leven, we weten waarom we leven,
-we weten ook waarvoor we strijden, en met Gods hulp, we zullen er ons doorslaan, en
-de haven halen!
-</p>
-<p>Als nu maar alle man zijn plicht doet! <span class="sc">Nelson</span> zeide voor den slag van Trafalgar: Engeland verwacht dat ieder man zijn plicht doen
-zal. En zij deden hun plicht, en overwonnen. Zoo ook wij. Elk zijn plicht: van den
-admiraal tot den matroos; van den opperstuurman tot den koksjongen; van den kolonel
-der marine-soldaten tot den pijper, die den slagmarsch blaast. Alle man zijn plicht.
-En dat is niet: hard geroepen! luid geschreeuwd! Maar: trouw gewerkt! ijverig gearbeid!
-en moet het wezen—en het moet soms zijn—moedig en dapper gestreden! Ach, dat het daaraan
-zoo dikwijls ontbreekt! <span class="sc">Jonathan</span>, gij ziet hier toch niet bezijden? Zie vóór u! of liever: Zie op u! En nog het allerliefst:
-Zie in u, en spreek uw <i>peccavi</i>!
-</p>
-<p>Och ja, <i>peccavi</i>! Als ik naar binnen zie, dan sta ik hier voor mijn Bijbel, die mijn stamboom, den
-stamboom ook mijner vrome vaderen bevat, als een arm zondaar. En dat niet enkel, omdat
-ik misschien soms wel eens wat traag, of achterlijk, of lafhartig was in den strijd,—daar
-zijn er, die mij den Jonathansgeest op dit gebied als de zwaarste mijner zonden aanrekenen—maar
-ook, en vooral, omdat ik, naar mijn eigen inzicht en gevoel, niet trouw genoeg heb
-gewaakt en gewerkt. Dat is toch nog altijd de weg, die de uitnemendste is. De vorsten
-en ridders der hervorming droegen in der tijd op hun kleed het woord gestikt V.D.M.I.A.
-<i lang="la">Verbum divinum manet in aeternum.</i> Dat voorbeeld moeten we volgen. Of nog liever: we moeten dat woord niet alleen dragen
-op ons kleed, maar op ons lichaam, op onze ziel, op ons verstand, op onzen geheelen
-uit- en inwendigen mensch. We moeten niet alleen een levenden Bijbel hebben, maar
-ook een levende Bijbel zijn: een boek, waarin de Heilige Geest niet met inkt, maar
-met vuur, zijne geboden schrijft, om tot een brief van introductie en recommandatie
-voor zijn Evangelie bij anderen te strekken. Mocht ik die les leeren aan den voet
-van het Woord, waarvoor ik sta. Het is de les, waarin men nooit volleerd is. Zelfs
-invaliden moeten in dezen <span class="pageNum" id="pb172">[<a href="#pb172">172</a>]</span>strijd zich nog blijven oefenen, als jonge conscrits. Laat dat zijn. Als de dood ons
-maar bij het vaandel, op onzen post vindt. Als we maar met <span class="sc">Bossuet</span>, in het schoone slot van zijne lijkrede op <span class="sc">Condé</span>, ons door onze witte haren indachtig laten maken aan de rekenschap, die wij eerlang
-hebben af te leggen, en aan de vervulling onzer taak tot den einde toewijden <i lang="fr">les restes d’une voix qui tombe et d’un ardeur qui s’éteint</i>.
-</p>
-<hr class="tb"><p>
-</p>
-<p><span class="sc">Negen—tien.</span>—Mijn klok spreekt. Hij zegt, dat het tijd is om te eindigen. En dat kan ik ook doen:
-mijn taak is af. Ik heb mijn Laatste woord aan den lezer gesproken. Dit woord is als
-een enveloppe om een brief, dien men nu, met een allerlaatsten groet op de keerzijde
-van den omslag, definitief verzendt. Moge de brief goed aankomen, en met een vriendelijk
-gezicht worden ontvangen. Ik heb geen reden er aan te twijfelen. Ik zeide het reeds
-vroeger: het groot publiek is van ouds goed, en meer dan goed voor <span class="sc">Jonathan</span> geweest. Ik had die goedheid vroeger niet verdiend, en weet niet, waardoor ik haar
-nu zou hebben verbeurd. Ik wil er het beste van hopen.
-</p>
-<p>En zoo leg ik hier niet, zonder een gevoel van zachten weemoed de pen neder.
-</p>
-<p>Ik zie nog eens voor het laatst het tijdvak over, dat deze vijfde uitgave van de eerste
-scheidt. Waar zijn nu velen van de lezers, die mij het eerst door hun goedkeuring
-en toejuiching verblijdden en bemoedigden? ze zijn niet meer. Ze zijn uit dit land
-van Droomen in het vaderland der eeuwige Waarheid overgegaan, en aanschouwen daar
-de vervulling van menige schoone verwachting, waarover wij ons samen, al schrijvende
-en lezende, in de voorgaande bladzijden hebben verheugd. Daarentegen is een ander
-geslacht opgestaan, en omringt in zijn jeugdige gestalte den steeds ouder en ouder
-wordenden vader van dit papieren kind. Zal ik bij de kinderen iets terugvinden van
-de welwillendheid, die ik van hunne ouders, en misschien grootouders, genoot? Ik mag
-er althans niet op rekenen.
-</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line xd31e490">Andre tijd, andere oogen, een andere kreet, </p>
-<p class="line">En de tijd is nabij, die mijn schijnsel vergeet! </p>
-</div>
-<p class="first">Ook voor den flauwsten nagalm van vroeger ondervonden waardeering wensch ik dankbaar
-te zijn.
-</p>
-<p>En nu eindelijk nog een handdruk aan de vrienden onder mijne tijdgenooten, die nog
-in leven zijn. Dit kringetje is klein geworden, maar het is, Goddank, toch nog niet
-geheel gebroken: het is nog een kringetje: <i lang="la">tres faciunt collegium</i>. Hen moge de oude bekende stem nog eens, van uit deze bladen, van mijnentwege groeten.
-Een <i>Requiescat</i> voor de dooden: een hartelijk <i>Salve</i> voor de jeugd; maar dan ook een trouwe handslag met een hartelijk: <i lang="la">Semper idem!</i> voor de vrienden! De dichter heeft gevraagd:
-<span class="pageNum" id="pb173">[<a href="#pb173">173</a>]</span></p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line">Maar de mannen, in wier hairen </p>
-<p class="line">Wij een grijzen vlok ontwaren, </p>
-<p class="line">Daar zij zich in ’t hoekjen scharen, </p>
-<p class="line xd31e490">Waar zij uit de drukte zijn, </p>
-<p class="line xd31e490">Prijzen luide d’Ouden Wijn, </p>
-<p class="line">Geurig, keurig, uitgelezen.… </p>
-<p class="line">Zou ’t met vriendschap ook zoo wezen? </p>
-</div>
-<p class="first">De vraag wordt aan allen, dus ook aan mij gedaan; en dan roept alles wat in mij is
-daarop luid en vroolijk uit: Ja, Dichter! zoo is het! Zoo is het! Zoo blijve het!
-Zoo worde het steeds meer en meer!
-</p>
-<p>En nu gaan wij, eer de nacht valt, het oude huis, waaraan wij in den geest samen een
-Afscheidsbezoek brachten, verlaten. Ik schuif den leunstoel terzijde, ik sluit de
-boekenkast dicht, ik sla een laatsten blik op den uurwijzer van mijn Huisklok, ik
-wuif een groet toe aan het Kinderportret aan den wand, ik richt ten slotte een dankbare
-zegenbede aan den ouden Huisbijbel—en thans den trap af, de deur gesloten, de sleutel
-uit de deur.… heil zij dezen huize! Waarschijnlijk kom ik hier niet weêr. Andere stemmen
-roepen elders heen. De weg leidt voorwaarts.…
-</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line">Voerman! rij in Godsnaam voort! </p>
-</div>
-<p><span class="pageNum" id="pb175">[<a href="#pb175">175</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch16" class="div1 story"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e7248">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="super">VERSPREIDE STUKKEN <br>VAN <br>JONATHAN.</h2>
-<p><span class="pageNum" id="pb177">[<a href="#pb177">177</a>]</span></p>
-<h2 class="main">GEKROONDE VROUWEN.</h2>
-<h2 class="sub">(26 October 1837.)</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Welk een drukte! Wat gewoel! Er komt van daag geen einde aan het rijden en rossen.
-De diligences hebben meer bijwagens, dan anders passagiers. De veerschuiten zijn tot
-zinkens toe vol geladen. De wegen wemelen van voetgangers. Het is of de aarde op ééns
-in een hellende richting geraakt is, waardoor al wat beweegbaar is met geweld naar
-éénen kant gedreven wordt. De stad is half verlaten.
-</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line">’t Kinderschool is leêg geloopen; </p>
-<p class="line">De Invalied komt aangekropen; </p>
-<p class="line">’t Grootje hinkt van ’t spinnewiel. </p>
-</div>
-<p class="first">Ik zou mij niet op straat durven vertoonen. Men zou het mij nooit vergeven, dat ik
-heden mijn paar gezonde beenen tot iets anders gebruikte, dan om den grooten stroom
-te volgen. Ik ben toch reeds meermalen voor een wijsneus uitgemaakt. „Hé,” zeide men
-met open mond en mij van het hoofd tot de voeten opnemende: „zoo kort bij den Haag
-te wonen, en dan te verzuimen om de Koningin te zien begraven!”
-</p>
-<p>Ziedaar mijn misdaad! ik wilde de Koningin niet zien begraven. Verdenk daarom mijn
-Koningsgezindheid niet; zij werd nooit verdacht. En als gij mij op den morgen van
-heden gezien hadt, gij zoudt u met mijne weigering hebben verzoend. Ik had mij voor
-dezen dag van alle dienstwerk ontslagen. Het was voor mij een heilige dag, de dag
-van Sancta Wilhelmina. Ik ging evenwel niet ter kerke: mijne kamer diende mij tot
-huiskapel, waar ik in den geest een lijkmisse ter eere van de afgestorvene vierde.
-De onophoudelijk luidende kerkklok ondersteunde mijne illusie:
-</p>
-<div lang="de" class="lgouter">
-<p class="line"><i>Von dem Dome</i> </p>
-<p class="line"><i>Schwer und bang</i> </p>
-<p class="line"><i>Tönt die Glocke</i> </p>
-<p class="line"><i>Grabgesang.</i> </p>
-</div>
-<p class="first">Ik kan u den inhoud van het Miserere mijns geestes niet mededeelen. <span class="pageNum" id="pb178">[<a href="#pb178">178</a>]</span>Zóó veel kan ik er van zeggen, dat mijne mijmering in geen opzicht leek naar het vers,
-door uw neef, uw broeder of uw vriend op den dood der Vorstin gemaakt. Het was in
-den rechten zin des woords een mijmering, eene fantasie, een visioen. Allerlei beelden
-dwarrelden bont en grillig voor mijne oogen heen; ik volgde in mijne gedachten den
-trein van het paleis, de woning der macht en der eere, naar het graf, de woning der
-vernedering. Ik zag de kist in het graf plaatsen zes voeten lang en drie voeten breed,
-meer niet, en dacht aan het woord van <span class="sc">Juvenalis</span>: <i lang="la">Mors sola fatetur quantula sint hominum corpuscula</i>, zóó klein kwam mij dit hoekje voor, dat nu volstond voor haar, die voorheen paleizen
-tot woning, een geheel heir tot dienaren en een gansch volk tot eerewacht op haren
-weg gehad had. Ik zag den trein de kerk verlaten, en bleef alleen achter. Toen daagde
-ik in mijn geest, zoo als de Egyptenaren deden, geheel het volk op, om over de Doode
-recht te spreken. Nog bleef ik alleen. De menschen brachten geene beschuldiging tegen
-haar in. En toen ik haar mij voor een andere vierschaar vertegenwoordigde, toen zag
-ik haar gevolgd door al hare goede werken, die haar „bij hare afreize uit deze wereld
-vergezelden, omringden en omstuwden, als een drom van hemelsche Serafijnen, en haar
-juichende binnenleidden in de eeuwige tabernakelen.”
-</p>
-<p>Zoo peinsde en droomde ik al voort. Toen ik <span class="corr" id="xd31e5356" title="Bron: mijne">mijn</span> lief kamerke verliet, zal het omstreeks den tijd geweest zijn, dat de heraut bekend
-maakte, <i>dat de begrafenis van de Koningin was afgeloopen</i>. Ik was over mij zelven voldaan. Ik had naar mijn inzien het begrafenisfeest der
-Koningin beter gevierd, dan menigeen, die geen slip van de staatsie onopgemerkt had
-laten voorbijgaan. Want, (en nu kom ik op den grond mijner weigering om naar den Haag
-te gaan,) ik zag er tegen op, om mij in de drokte van het volksgewoel te begeven.
-Reeds vroeger was ik meermalen geërgerd geworden door den toon, waarmede men over
-de sombere plechtigheid sprak: kinderachtig (ik wil er geen anderen naam aan geven)
-was de ingenomenheid van sommigen met de beloofde vertooning. Men sprak er over als
-over een publiek amusement. En ik denk, dat wie de menigte op de naar den Haag loopende
-wegen opmerkzaam heeft gade geslagen, wel verwonderd heeft moeten vragen: zijn dit
-pelgrims naar het graf der geliefde Koningin? Neen, dan hadden de bedevaartgangers
-van het heilige graf, wier voorkomen, ja, zelfs wier kleeding in overeenstemming was
-met het ernstig doel van hunnen tocht, dezen beter de passende houding van een pelgrim
-kunnen leeren en hen doen blozen over de gejaagdheid, over de verwachting, over het
-genoegen zelf, dat op veler aangezicht te lezen was! En daar mijn gevoel een kruidje-roer-mij-niet
-is en voor elke onvoorzichtige aanraking schuchter terugkrimpt, mocht ik het niet
-in zulke een hinderlijk gedrang wagen; het kan weinig tegen zulke stooten, als waaraan
-ik te midden van zoo veel ergernissen zou hebben bloot gestaan. Ik had mij zeker boos
-gemaakt over de weinige sympathie, die ik in den aanblik mijner medegenoodigden ter
-begrafenis zou hebben opgemerkt. Ik had <span class="pageNum" id="pb179">[<a href="#pb179">179</a>]</span>mij bij het gezicht van den trein beklaagd, dat ik zulk een indrukwekkend schouwspel
-niet onder gelukkiger omstandigheden had kunnen genieten. Ik had geknord tegen de
-onderkaak van mijn achterman, die mijn hoofd tot een rustpunt nam, of tegen den arm
-van mijn naaste, die op mijn schouder als eene vensterbank leunde, en mij zelven wel
-honderdmaal van dáár en op mijne kamer gewenscht; in één woord, ik had het genoegen
-van anderen bedorven en mijn eigene stemming door anderen laten bederven. En daar
-ik dit alles voorzag, wie moet mij niet toestemmen, dat ik de wijsste partij koos
-met te huis te blijven?
-</p>
-<p>De doodklok luidde nog altijd voort, en bepaalde voortdurend mijne gedachte bij de
-plechtigheid van den dag.
-</p>
-<p>Tot welk een ongewone drukte geeft de dood der Vorstin aanleiding! Welk een scherp
-kontrast van het stil en verborgen leven der vrome Vrouw, met het gewoel dat zich
-om hare kist verdringt! Ik twijfel er niet aan, of zij zelve, indien zij recht van
-kiezen gehad had, hadde verkozen, in den avond, zonder andere getuigen dan hare betrekkingen,
-zonder andere rouwdracht dan die waarin zich het deelnemend hart kleedt, zonder anderen
-lijksleep dan dien der dankbare beweldadigden, te worden bijgezet.
-</p>
-<p>Maar eene koningin heeft geene keuze. Zij is de slavin van haren stand. Hofdwang benauwt
-het wicht reeds in de purperen windselen: hofdwang klemt den dartelenden voet van
-het kind in den looden schoen der etiquette: hofdwang leidt het wederstrevend slachtoffer
-naar het geschuwde bruidsbed: hofdwang eindelijk ontrukt het heilig overschot der
-gestorvene aan de armen harer betrekkingen, om het als een mummie voor onverschillige
-oogen ten toon te stellen, of als een heiligenbeeld in processie onder het gapende
-volk rond te dragen.
-</p>
-<p>Voor een vrouw, die geheel vrouw is, moet er iets kwetsends in wezen, al de verplichtingen
-der tiara te vervullen.
-</p>
-<p>Arme onnoozele, die op éénmaal uit het vertrek uwer moeder wordt opgeroepen, om den
-troon eens vreemdelings te deelen! Terwijl gij tot nu toe in half kloosterachtige
-afzondering versmachttet, wordt gij op ééns aan de vrije, koude lucht blootgesteld.
-Duizenden verdringen zich op uwen weg, om u te bespieden; onbeleefde Courantiers kijken
-u de woorden uit den mond, om die verdraaid aan het groote publiek weder te vertellen:
-glurende schilders betrappen het blosje op uwe wangen, om te weten, hoeveel karmijn
-zij voor uw portret noodig hebben; het gemeen mompelt onder elkander, alsof gij geene
-ooren hadt, het vonnis zijner voorbarigheid over uw voorkomen uit; hovelingen snuffelen
-als speurhonden om u heen en fluisteren, met het oog op u geslagen, elkander in de
-ooren. Eindelijk bereikt gij de plaats uwer bestemming. Dit is nu uw echtgenoot, uwe
-Hoogheid! Die Heer dáár is Z.&nbsp;M. uw schoonvader. Mag ik de eer hebben, u aan mevrouw
-uwe koninklijke schoonmoeder voor te stellen? De eerste kus wordt ten aanschouwen
-van honderdduizenden gewisseld; handgeklap vergezelt, evenals in de <span class="pageNum" id="pb180">[<a href="#pb180">180</a>]</span>komedie, de vaderlijke omhelzing. Nu kunt gij in de eenzaamheid een weinig tot bedaren
-komen? Neen! gij moet op het balcon aan het volk worden voorgesteld. Daar staat gij
-aan ontelbare onbeschaamde blikken bloot; het volk applaudisseert bij den aanblik
-uwer schoonheid—lieve Hemel! is het niet of het uw Schepper wilde toejuichen?—Gij
-moogt het tooneel verlaten. Meen evenwel niet, dat gij daarom vrij zijt. Men wacht
-u aan tafel. Daar zijt gij wederom de hoofdschotel. Men eet niet, men drinkt niet,
-men doet niets dan u begluren en u beluisteren. Gij komt niet tot u zelve dan in de
-armen van den man, die u zijne vrouw noemt. Arme onnoozele! uw feestdag was een bange
-dag.
-</p>
-<p>Eindelijk is aan de wetten der etiquette voldaan. De nieuw aangekomene heeft de spitsroeden
-der openbare beoordeeling doorgeloopen. Men laat haar in hare vertrekken met rust.
-Zij heeft den tijd zich met haar te huis bekend te maken. Nu is het ergste geleden!—Misschien—zeer
-misschien. Weet gij wel, hoeveel kansen zij tegen heeft? De man, aan wien men haar
-heeft opgedrongen, kan harer onwaardig zijn. Zij heeft hem <i>moeten</i> nemen. Maar al verdient hij haar: zal het verkeer der wittebroodsweken de zoete gemeenzaamheid
-te weeg brengen, die anders uit de langzaam toenemende vertrouwelijkheid van een verloofd
-paar ontstaat? Of zal niet de betrekking der gehuwden levenslang den schok gevoelen,
-die hen, als ik het zoo zeggen mag, tegen elkander geworpen heeft? Hare moeder moet
-weder van haar weg. Zal hare schoonmoeder haar dit verlies eenigermate vergoeden?
-Zij had onder hare hofjuffers een vriendin—wel geene halsvriendin, die hebben Vorstinnen
-niet—maar toch een lieve <span class="corr" id="xd31e5376" title="Bron: bebekende">bekende</span> gevonden. Aan wie zal zij nu haar vertrouwen schenken? Zal zij in dit vreemd klimaat
-aarden? Zal zij hare lippen aan de ongewone taal kunnen gewennen? Zal zij zich met
-de zeden haars volks kunnen verzoenen?
-</p>
-<p>Altemaal vragen, die haar niet eens gevraagd worden. Het heeft in de Hofcourant gestaan:
-zij is met den vorst getrouwd; ergo, zij heeft hem lief. Zij is zijn landgenoot geworden:
-zij heeft zijne taal en zijne zeden aangenomen: zij heeft haar hart genaturaliseerd.
-</p>
-<p>Noem mij niet zonderling, als ik zeg: de koninklijke eere is alleen voor mannen geschikt.
-Dat staan op eene hooge, uitstekende plaats, dat dragen van een zware kroon en een
-klaterend kleed, dat bekleeden van een middelpunt van dienaars, dat treden door laag
-gebogen rijen, dat ten doel staan aan de algemeene opmerking, dat openbare leven,
-als van den Opperpriester te Rome, met nacht en dag openstaande deuren, dat wonen
-in een altijd geurenden dampkring van wierook:—dat alles vervult de borst des mans
-met edelen hoogmoed en doet hem den troon zelf om zijn purper beminnen. Maar de zachte,
-ingetogene, kuische en vrome vrouw, wier wereld is aan den boezem harer moeder, of
-aan het hart haars echtgenoots; wier oog den sluier en wier hart de eenzaamheid lief
-heeft; die schuw is voor lof en siddert <span class="pageNum" id="pb181">[<a href="#pb181">181</a>]</span>voor afkeuring—kan zij gelukkig zijn, geplaatst in een kring, waar zij boven de overigen
-opgeheven en tot een voorwerp van algemeene aandacht gesteld wordt? Kan het haar,
-indien zij haar kinderlijk, vrouwelijk hart behouden heeft, genoegen doen, vrouwen,
-die hare moeder konden zijn, voor haar te zien uit den weg gaan; mannen, die in de
-dienst des Staats vergrijsd zijn, voor haar te zien buigen? Moet het haar niet hinderen,
-door den dwang der etiquette verplicht te zijn, de haar natuurlijke voorkomendheid
-en hulpvaardigheid te onderdrukken? En wee haar, indien zij een eenigzins verheven,
-dichterlijken geest bezit, die behoefte heeft zich mede te deelen, uit te breiden,
-over te gieten. Want hare Dame van kleedkamer leest alleen den hofalmanak en het modejournaal:
-want hare grootmeesteres kent geene andere wereld dan de hemisphaera van de vertrekken
-der Koningin: want hare staatsdames hebben allen zielen van klei en harten van steen.
-Daar ginds, in de verte, bespeurt zij wel de groote mannen, die zij bewondert, de
-schoone geesten, die zij lief heeft en met wie zij sympathiseert; maar de diadeem
-der genie wordt niet erkend aan den ingang der zalen, waar boven de gouden kroon praalt.
-Al wat het wetboek van den hofdwang duldt, is: dat ieder nieuw <span class="corr" id="xd31e5384" title="Bron: voorbrengsel">voortbrengsel</span> der schoone letterkunde haar op best papier gedrukt en in een vergulden band worde
-aangeboden. De ongelukkige! zij moet alle groote gewaarwordingen in hare borst opsluiten;
-zij moet, binnen haren vergulden kerker gebannen, in zich zelve verteren: zij is aan
-het dier in de fabel gelijk, dat, door de vlam ingesloten, den angel tegen zijn eigen
-borst richt.
-</p>
-<p>En wanneer zij de hoflucht verlaat, is het beter? Voorzeker niet: overal dezelfden
-nasleep. De Koningin vertrekt naar haar buitengoed, om een luchtje te scheppen. De
-Koningin gaat een luchtje scheppen, herhalen honderd couranten. Het hof, de residentie,
-het gansche land spreekt over een luchtje, dat de Koningin gaat scheppen! Eene ongelukkige
-paraphrase voorzeker van hare beklemde zucht naar Gods vrije natuur. Eindelijk is
-zij op haar lustslot aangekomen. Het weder is schoon, de natuur in bloei, het bosch
-verrukkelijk. Maar wie geniet daar iets van, door een drom van gonzende muggen ingesloten?
-En de Vorstin is altijd van gonzende muggen omringd. Het water van de vijvers is zoo
-helder en frisch: spiegelde het slechts geene hofrokken weder! de vogels zongen zoo
-lief: maar zij hebben de vlucht genomen voor de hovelingen, die eene aria uit de nieuwe
-Opera neuriën. De <span class="corr" id="xd31e5389" title="Bron: menschelijk">menschelijke</span> echoos: „Ja, uwe Majesteit!—Neen, uwe Majesteit!” maken, dat men de echoos in het
-bosch niet hooren kan. De Koningin komt in de hofstad weder, zonder een enkel uur
-van vrij en zuiver genot van de natuur te hebben gesmaakt.
-</p>
-<p>De Koningin zal den schouwburg bezoeken. Te harer eere is het er eens zoo vol en tweemaal
-zoo warm als anders. Zij komt de zaal binnen; handgeklap. Zij gaat zitten; al de lorgnetten
-zijn in beweging. De Dames ontleden haar toilet van stuk tot stuk. De Heeren ontzien
-zich niet, <span class="pageNum" id="pb182">[<a href="#pb182">182</a>]</span>haar onbeschaamd aan te staren. Ware het eene andere Dame, haar cavalier zou verplicht
-zijn het voor haar op te nemen. Maar de Koningin, hoewel een vrouw, is geene vrouw
-als iedere andere; men behoeft voor haar de gewone beleefdheden niet in acht te nemen.
-Het stuk begint; eene menigte van aanschouwers blijft, met den rug naar het tooneel
-gekeerd, het koninklijk gezin aangapen. Voor hen wordt de representatie van den avond
-in de hofloge gegeven; de Koningin gevoelt zich in den lastigen toestand van eene
-actrice, die debuteert; zoo wordt zij in al hare bewegingen bespied. Lacht zij, men
-zegt: zie, zij lacht! Welt er een traan van natuurlijk gevoel <span class="corr" id="xd31e5396" title="Bron: zachkens">zachtkens</span> in haar oog, zij moet hem met geweld onderdrukken om niet bespot te worden. De acteurs
-zijn gedwongener en spelen slechter dan anders. Dit is ook ten deele het gevolg van
-het verbod om te applaudiseeren. Het is jammer; een beschaafd publiek, dat zijne bewondering
-in luide goedkeuring te kennen geeft, is zulk een schoon, éénig schouwspel! Maar waar
-het koninklijk gezin zich vertoont, is alle enthusiasme contrabande, behalve die zich
-in de nationale liederen lucht geeft. Het hof heeft ook zijne claque. Eindelijk is
-de vervelende avond om, de menigte schaart zich in de corridors, om den stoet te zien
-vertrekken. Met gapenden mond en groote oogen staart men den glinsterenden sleep aan,
-en wie weet, hoe velen bij dat gezicht niet kunnen nalaten te zuchten: De benijdenswaardigen!
-</p>
-<p>En nu zwijg ik nog van diplomatieke audienties. Nu zwijg ik nog van een wandeling
-door het bosch van de hofstad en toertjes door de gewesten des Lands. Nu zwijg ik
-nog van verre reizen naar buitenlandsche hoven, om de kinderen te bezoeken, die de
-staatkunde aan het hart der moeder ontrukt en door zeeën van haar gescheiden heeft.
-En wat is dit alles nog, bij het deelen van de zorgen des bestuurs? Bij den plicht,
-om de groeven te verzachten, die de scherpe rand der kroon in het voorhoofd haars
-gemaals achterlaat? Om den vermoeiden en belasten den dienst te bewijzen van <span class="sc">Aäron</span> en <span class="sc">Hur</span> aan <span class="sc">Mozes</span>, daar zij de tegen <span class="sc">Amalek</span> opgeheven hand, toen zij te zwaar werd, ondersteunen? Om haar teedere schouders te
-laten kneuzen door het tillen van een last, die zelfs den sterken man nederbuigt?
-</p>
-<p>o Gouden vertrekken der Koningin! indien uwe wanden spreken konden, welk een Ilias
-van lijden zouden zij te verhalen hebben!
-</p>
-<p>En gelukkig nog de Vorstin, die niets dan de gemalin des Konings behoeft te zijn,
-in vergelijking van haar, die geroepen wordt, om den zetel alleen te bekleeden. Arme
-bloem van Kent! Hoe dubbel zwaar moet de driekroon der Eilanden op uwe fijne slapen
-drukken! Welke een jammerlijke misgreep weder door de politiek tegen de natuur begaan,
-om een zoet, achttienjarig kind op den hoogen troon te heffen! Zoo jong, en reeds
-zoo hoog geplaatst! Gij doet mij denken aan die ellendige schepseltjes, over wie ik
-soms mijn hart heb voelen breken, die, vijf of zes jaren oud, gedwongen worden op
-de halsbrekende hoogte van een koord kunsten voor het publiek te verrichten. Wat <span class="pageNum" id="pb183">[<a href="#pb183">183</a>]</span>springt men meêdoogenloos met u om! Wat heeft men u nog onlangs de straten van Londen
-langs en door het gewoel eener joelende menigte gesleept! En dat eene jonge beschroomde,
-die, bij de uitgelatenheid van ’s volks geestdrift in Drurylane, zelfs de sporen van
-angstvalligheid niet verbergen kon. O, hoe wel versta ik, wat men bericht, dat gij
-de opgewondenheid van den grooten hoop, bij uwe verschijning, onverschillig hebt blijven
-aanzien. Wat de borst van een jongeling hoog had doen zwellen, moest op u <span class="corr" id="xd31e5419" title="Bron: noodzakkelijk">noodzakelijk</span> een onaangenamen indruk maken en uwe schuchterheid beangstigen. En toen gij daarna
-vernomen hebt, dat uw feestelijke optocht voor enkelen uwer goede onderdanen doodelijk
-geweest is (<i lang="la">plectuntur Achivi!</i>) en dat het bloed van een jong wicht de wielen van uwen zegenwagen bespat heeft,
-hoe beklaag ik u over den rouw, die daarbij uw hart zal hebben vervuld, onnoozele
-duive, Koningin <span class="sc">Victoria</span>!
-</p>
-<p>Nog nauwelijks droeg de jonge wees het rouwkleed over haren koninklijken oom, of reeds
-twistte het Parlement, wie bij haren dood moest opvolgen. De erfenis eener achttienjarige
-te verdeelen.… zie, dat is toch onvriendelijk vroeg! Of zouden misschien de Ministers
-Harer Majesteit de zwarte verbeelding van <span class="sc">Byron</span> hebben, die zich ergens beklaagt, dat hij geen jong meisje zien kon, zonder haar
-in zijne fantasie tot een geraamte te ontleden? Zeker althans is het, dat de Courantiers
-te haren opzichte het lastig gebrek van <i lang="fr">la vieille fille</i> hebben, om haar met geweld aan een jongen <i>partner</i> te willen koppelen. Terecht schreef daarover iemand: „Arme Koningin, wier zoetste
-geheim elke Dagbladschrijver raden, overbrieven, uittrompetten wil, hoe brengt gij
-ons uwe doorluchtige voorgangster, <span class="sc">Elisabeth</span>, te binnen”!
-</p>
-<p>En ware zij nog als <span class="sc">Elisabeth</span>! ik wil nog niet eens zeggen, ware zij eene vrouw als deze, die onder hare kanten
-muts <span class="corr" id="xd31e5446" title="Bron: mannelijkke">mannelijke</span> hersenen verborg en onder het zijden corset een mannelijk hart omdroeg! Maar vergelijk
-eens den staatkundigen toestand van het <span class="corr" id="xd31e5449" title="Bron: toemalig">toenmalig</span> Engeland met het tegenwoordig Groot-Brittanje. Gelooft gij niet met mij, dat het
-toen veeleer dan nu de tijd was, om eene Koninginne-Maagd aan het hoofd van den staat
-te hebben? De schepter der Monarchij laat zich des noods nog door eene vrouwenhand
-voeren. Eenheid van wil vereenvoudigt de regeering: onbeperkte ruimte van middelen
-maakt het heerschen gemakkelijk. Maar bovenal, welke eene eeuw, de eeuw van <span class="sc">Elisabeth</span>! vergelijk het ridderlijk Engeland, dat zich niet schaamde voor de voeten eener edele
-jonkvrouw te knielen, bij het plebejisch en oproerig Engeland onzer dagen. Vergelijk
-dien galanten hofstoet van Staatsraden en Ministers bij den ongeregelden hoop der
-vertegenwoordigende kamers! Vergelijk de kleine moeielijkheden, door de twisten tusschen
-den hoofschen <span class="sc">Leicester</span> en den hooghartigen <span class="sc">Burleigh</span> ontstaan, met de noodzakelijkheid, om zich op genade aan een brutalen, dweepzieken
-<span class="sc">O’Connel</span> over te geven! Vergelijk eindelijk het volk dier dagen, als een éénig man onder de
-monarchale banier geschaard, bij de veelkeurige bende, die zich nu in allerlei partijen
-verdeelt. En beken, dat men eene Amazone <span class="pageNum" id="pb184">[<a href="#pb184">184</a>]</span>moet zijn om het wederspannig ros met zijden teugels en zijden handen te kunnen breidelen.
-</p>
-<p>En wat ik boven zeide, dat de Koningin zich door hare betrekkingen meermalen in haar
-vrouwelijk gevoel gekwetst moet vinden, hoe veel toepasselijker is dit nog op de regeerende
-Vorstin! Waar zal ik beginnen, om de tegenstrijdigheden op te noemen, die zich tusschen
-de plichten van haren stand en de eigenaardigheden van haar karakter moeten opdoen?
-Neem eens de verheffing door de Engelsche Koningin van den Edel-Achtbaren Lord Mayor
-en de Sheriffs tot Ridders. Wie gevoelt er het onnatuurlijke en stuitende niet van?
-Welk een verschil met den tijd, toen de bloedige hand des Vorsten zelven den moedigen
-schildknaap de gouden spoor aan den hiel bond! <i>Koninginnen der schoonheid</i> te wezen en den krans op het hoofd van edele mannen te drukken, ziedaar eene vrouwelijke
-taak. Maar om voor zich den man te doen knielen, om hem—even als <span class="sc">Blount</span> in Kenilworth met een geleend zwaard—door onhandigheid misschien over de ooren te
-houwen, ziedaar eene onvrouwelijke exercitie. Neen! wanneer er volstrekt tusschen
-twee kwaden moet gekozen worden, dan liever het vrouwelijke lijden in het paleis van
-Buckingham dan het spelen der mannelijke rol in Guild-Hall. Dan liever de tranen,
-door de koninklijke Lijderes vergoten, dan de feestdronk op <i>den Souverein</i> <span class="sc">Victoria</span>!
-</p>
-<p>Met liefde keert mijn blik van zijne lange omzwerving naar uw stil graf terug, <span class="sc">Wilhelmina</span> van Pruissen! ik verheug mij in de ruste, die hier uw afgemat hoofd en afgefolterd
-lichaam vinden mocht. Want op wien ook, op u zal de kroon in het graf niet zwaarder
-drukken, dan zij op de levende woog. U is er een bange last meê van het hoofd gevallen.
-Het dankbare volk misgunt u die ruste niet. Het verheugt er zich voor u in, dat de
-hemel, en niet langer de aarde, u onder de <i>Gekroonden</i> telt!
-<span class="pageNum" id="pb185">[<a href="#pb185">185</a>]</span> </p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch17" class="div1 story"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e7257">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="main">DE KONING KOMT.</h2>
-<h2 class="sub">(3 Augustus 1842.)</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">De Koning komt! Zie, dien man reik ik als burger de broederhand niet, wien bij deze
-tijding het hart niet een paar slagen sneller klopt dan te voren. Trouwens, ik voor
-mij geloof niet, dat er veel zulke harten zijn. De eerbied voor het koningschap is
-in ons, onderdanen van den Koning der koningen, van wiens Majesteit het koningschap
-in iederen vorm slechts een afschaduwing is, iets natuurlijks,—iets instinktmatigs,
-had ik haast gezegd. De hermelijnen mantel moet wel in eene wolfshuid, de gouden kroon
-in een ijzeren, en de schepter in een dorenstaf veranderd zijn, eer die eerbied voor
-de verachting en afkeer plaats maakt, die het wettig loon van tirannen is.
-</p>
-<p>Er bestaat buiten dit geweldig, misschien nog een zachter kunstmiddel om dit gevoel
-ten onder te brengen; het is de theorie, die in de vorige eeuw door <span class="sc">Marat</span> en <span class="sc">Robespierre</span> geleerd, en door hen met proeven op <span class="sc">Lodewijk XVI</span> en <span class="sc">Maria Antoinette</span> bloediger gedachtenisse gestaafd is. In die school, waarin men begint met den Koning
-des hemels te onttroonen, en Hem alle gezag en invloed op de verheffing van de koningen
-der aarde te ontnemen, komt men, langs een zeer natuurlijken weg van gevolgen, tot
-de leer, dat een koning eigenlijk geen koning is, maar een onderdaan; een onderdaan
-zijner onderdanen; een knecht der knechten, wiens eigenlijke plaats aan de punt van
-den staart des volks is; ten gevolge waarvan dan ook, met de strengste consequentie,
-in de gouden eeuw dier theorie, de geheele maatschappelijke ladder onderst boven gezet
-en op haar hoofd geplaatst werd, zoodat de koning achter den adel, de adel achter
-den middelstand, de middelstand achter het gemeen, en het gemeen van het gemeen op
-den zetel geraakte, die de guillotine tot voetstuk had. Die koorts is sedert, den
-Hemel zij dank! na vele aderlatingen en een gestreng dieet, onder de homoeöpathische
-behandeling van den Korsikaanschen Wonderdokter, wel gelukkig afgegaan: maar er is
-toch in het groote lichaam nog zekere koortsachtige neiging overgebleven, <span class="pageNum" id="pb186">[<a href="#pb186">186</a>]</span>die bij de minste irritatie met eene wederinstorting bedreigt. En het zijn deze heimelijke
-sluipkoortsjes, die zich hier en daar openbaren in de Jakobijnsche manier, waarop
-men de vorsten weêr begint te beschouwen en te behandelen. Eene wijze van beschouwing,
-die dan ook onder anderen aan den dag komt in de bekoorlijke nonchalance, waarmede
-de ultra-constitutioneele wijsgeer het bericht ontvangt, dat „de Koning komt.” Merk
-op, hoe hij bij die aankondiging den hals in den nek werpt, u met een spotachtig lachje
-aanziet, en een gezicht zet, zoo onverschillig, dat het bijkans veelbeteekenend wordt
-van onverschilligheid, waarop dan voor ieder die het zien wil te lezen staat, dat
-hem het heele bericht niet meer aangaat, dan of de haan van zijn buurman op zijn erf
-gekomen was, wiens roode kam en vurige sporen in zijn oog evenveel waard zijn als
-de erfelijke koningskroon en de verworven riddersporen van alle Majesteiten der wereld.
-Maar zoo als ik zeide, die wijsheid is geen natuurlijke, maar eene verkregene en aangeleerde,
-die in plaats van uit het hart naar het hoofd te komen, met kunst- en vliegwerk uit
-het hoofd naar het hart gepompt is, en daaraan niet zonder tegenstand opgedrongen.
-Het spreekt dus van zelf, dat eenvoudige menschen, als waaronder ik hier buiten verkeer,
-daarvan niets verstaan, en alzoo nog omtrent hetzelfde voelen, wat onderdanen van
-ouds af voor koningen van ouds af gevoeld hebben, te weten: achting voor het koningschap,
-eerbied voor de koninklijke waardigheid, en, als hij haar niet moedwillig verbeurt,
-liefde voor den persoon des konings.
-</p>
-<p>Dat bleek bij ons op een treffende wijze, nadat wij eindelijk het zeker bericht ontvangen
-hadden: de Koning komt!—Van dat oogenblik af klopte aller hart en glinsterde aller
-gelaat van vroolijke verwachting. Men sprak elkander niet, zonder van het heugelijk
-nieuws te gewagen. Ieder maakte aanstalten om den vorst op de feestelijkste wijze
-te ontvangen. De arme bosschen moesten twee maanden te vroeg hun groen afstaan, Ommeêdoogend
-hakten mes en schaar in sparren- en eikenboomen. Bloemen en wat naar bloemen geleek
-werd zonder deernis afgeplukt. De lijsterbessen verloren er al hare trossen bij; want
-lijsterbessen tusschen eikenbladeren, wat kan men schooner hebben? Er bleef geen besje
-over om meê te lijsteren: van daar zeker, dat ik dit jaar nog geen lijster geproefd
-heb.—Nu aan het kransenmaken: de een al zwieriger dan de andere. Men durfde in al
-die dagen niemand de hand geven van den boomharst, die er aan kleefde van al de <i>taxies</i>, gelijk men bij ons de sparren verkiest te noemen. Ik heb er gezien, vijftig voet
-lang, waarin de bloemen met zulk eene mathematische evenredigheid waren verdeeld,
-even als de ringen op eene slangenhuid, dat ik den vervaardiger verdenk van er den
-duimstok bij gebruikt te <span class="corr" id="xd31e5513" title="Bron: hebken">hebben</span>. En vlaggen? Die konden, ontboden ze <span class="corr" id="xd31e5516" title="Bron: van van">van</span> elders; wien dit te kostbaar was, maakte ze zelf van gekleurd papier, oranje, blanje,
-bleu, vast aaneengeplakt, zoodat ze bij ieder tochtje rinkelden als het klatergoud
-in eene haringkroon. De ijverigsten richtten bogen <span class="pageNum" id="pb187">[<a href="#pb187">187</a>]</span>op met eene kroon er in, want dat is boerenstijl: zonder kroon geen bruiloft: bruiloft
-is het feest der feesten; dus geen feest zonder kroon. En tusschen de kroonen opschriften
-op een half vel papier, beschreven door den ondermeester van het dorp, in alle soorten
-van letterformaat, groot, middelslag en klein, met lettertrekken er rondom, die de
-Koning van zijn rijtuig moet kunnen zien! Zoo waren dagen achtereen aller handen—en
-dat zegt hier, aller harten—met des Vorsten komst bezig. Toen ik in den avond vóór
-den grooten dag in het donker te huis kwam, zag ik hier en daar nog een enkel dwaallicht
-zweven; eene kaars of lantaren van den een of anderen dorpeling, die, eer hij ging
-slapen, zich het genot nog eens gunnen moest om het door hem gebouwde Babel met zijne
-hangende tuinen te bewonderen, en te zien, welk effect zijne decoratie bij donker
-voor uilen en bietebauwen maakte.
-</p>
-<p>Onder zulke tooneelen en onder zulke menschen werd ik den anderen morgen wakker. Was
-het wonder, dat het mijne eerste gedachte bij het ontwaken was: de <span class="corr" id="xd31e5523" title="Bron: Konig">Koning</span> komt?—Ook ik had mijne stulp op het zwierigst en tierigst opgetooid. Een keurige
-<i>taxies</i>-krans slingerde zich als eene reusachtige slang, met schilderachtige en veelkleurige
-bochten, van den ijzeren arm aan het dakvenster, langs het geheele huis, tot op den
-grond naar beneden. <span class="sc">Editha</span> had er hare kleine handen met honderd „eerlijke wonden” aan bezeerd, en er een extraknikje
-van Z.&nbsp;M. aan verdiend. Daarboven ontrolde zich van een fraai geschilderden en vergulden
-vlaggestok een vlag, eene vlag veel te lang voor mijne lage stulp, en daarom nog verscheidene
-ellen vluchts gekort, die een mijner vrienden mij uit Amsterdam, van ik weet niet
-welk aanzienlijk college bezorgd had. Maar wat nog meer zegt, mijn hart vlagde met
-een langen wimpel van vroolijkheid en geestdrift, die door het minste windje hoog
-omhoog gevoerd werd. In die stemming kon ik het niet lang binnen uithouden. Nadat
-ik dus mijn feestpak had aangetrokken, trad ik naar buiten, om nu het geheel der versiering
-nog eens op te nemen. Het was een schoon gezicht! Overal waren de menschen bezig om
-het mooie nog mooier te maken, door eene gele dalia, die tegenover een witte zat,
-met eene dito te vervangen, een oranjelintje, dat losgeraakt was, vast te strikken,
-en dergelijke gewichtige verbeteringen meer. Ik sprak nu met den een, dan met den
-ander, en zeide elk op zijne beurt iets vleiends over zijn goeden smaak, die in deze
-of gene bijzonderheid vooral schitterend aan den dag kwam. Daaronder glommen de gezichten
-van zelfbehagen, en klom de geestdrift al hooger en hooger. Intusschen renden de rijtuigen
-met menschen beladen als in wedloop naar de stad, om daar getuige van den Intocht
-te zijn; en ieder blik van opmerkzaamheid en goedkeuring, naar de bogen en kransen
-geworpen, werd met gretigheid opgevangen en door een glinsterend oog weêrspiegeld.
-</p>
-<p>Onder zulke waarnemingen, die mijn hart vervulden met dankbaarheid aan God, die zijne
-menschenkinderen zooveel onschuldige vreugde <span class="pageNum" id="pb188">[<a href="#pb188">188</a>]</span>schenkt en gunt, en het in liefde tot mijn dorpsgenooten, mijn volk, mijn land, mijn
-koning, tot alle menschen, verwijdde, wandelde ik den weg vóór mijn huis op en neder.
-Zoo dwaalde ik langzaam af, totdat ik mij geheel buiten de kom van het dorp in de
-eenzaamheid bevond. Deze was mij nu niet onaangenaam: er was in de vreugde van mijn
-hart ook iets, dat zich liever niet voor anderen uitstortte; en gelijk ik altijd tracht
-mij reden van mijne gewaarwordingen te geven, zoo poogde ik dat ook nu te doen. Zoo
-kwam ik op de aanleiding van het feest: de Koning komt. Altijd zou mij die komst belangrijk
-en aangenaam geweest zijn, maar heden bovenal<span class="corr" id="xd31e5535" title="Niet in bron">.</span> Het was de derde Augustus. De derde Augustus, gedenkwaardige en roemrijke dag in
-de jaarboeken van ons vaderland, inzonderheid voor ons geslacht. Op dien dag was het,
-dat voor elf jaren <span class="sc">Willem</span>, Prins van Oranje, op last van den Koning zijn vader, aan het hoofd van een getrouw
-leger, den eersten voet op Belgischen bodem zette. Die geheele veldtocht met al wat
-hem was voorafgegaan en gevolgd, verrees op eenmaal voor mijn geest. En als de hoofdpersoon
-op die schilderij,—hoe kon het anders?—hij, die toenmaals Prins van Oranje genaamd
-werd. Zie! wat ik bij die herinnering gevoelde, kan niemand beseffen dan hij, die
-met mij de wapens in dien veldtocht droeg. Wie <span class="sc">Willem II</span> niet als veldheer gezien heeft, heeft hem slechts ten halve gezien. Niemand verdenke
-dezen uitroep van grootspraak: ik beroep mij met vrijmoedigheid op de bezadigdsten
-onder mijne wapenbroeders. Kon ik er u een denkbeeld van geven! Maar hij laat zich
-niet beschrijven, de aanblik van den vorstelijken Held, gelijk hij zich aan het hoofd
-zijner dapperen vertoonde. Nog zie ik hem met het aanbreken van den dag tot ons komen,
-op het schoone ros gezeten, dat zijn meester niet lang meer dragen zou, maar bij zijne
-verminking vóór Leuven hem een dier schoone woorden in den mond geven, die de geschiedenis
-van de lippen der dapperen opzamelt, om er het nageslacht mede te ontvonken. Nog zie
-ik hem, met den lagen hoed en de vallende pluim op het hoofd, die door den bijzonderen
-en bij den vijand bekenden vorm wel den kogels den weg wees, die op zijne edele borst
-gericht werden, maar tevens, als de beroemde pluim van <span class="sc">Hendrik</span> den Vierde, den zijnen tot wegwijzer op den weg der eer verstrekte. Nog zie ik hem
-met het prachtige zwaard aan de zijde, door de hand der Keizersdochter aan de heup
-van den vorstelijken echtgenoot gegord, opdat hij het haar, gelijk hij ook gedaan
-heeft! smetteloos, maar met frissche lauweren omsnoerd, terugbrengen en voor de voeten
-leggen mocht. Maar vooral nog zie ik hem met die rustige houding, die rust inboezemde
-ook aan de bekommerdste, moed aan de versaagdste gemoederen, met dien helderen oogopslag,
-die van de vroolijkste geestdrift glinsterde, en met die geheel onbeschrijfelijke
-uitdrukking van strijdlust, die mij aan het krijgsros van Hiob denken deed: „Heerlijk
-dampt zijn gesnuif! Met zijn hoef graaft hij den grond op, en dartel in zijn overmoed,
-gaat hij het wapentuig te gemoet. Hij lacht met de vrees, en ontzet zich niet en deinst
-<span class="pageNum" id="pb189">[<a href="#pb189">189</a>]</span>niet terug voor het zwaard. Rondom hem ratelt de pijlkoker, de bliksem van spies en
-lans. Onrustig trappelt hij den grond, en kan niet stilstaan op ’t geluid der trompet.
-Luider klinkt de trompet, hij briescht haar tegen, en riekt den strijd van verre;
-des veldheers donderwoord en ’t krijgsgeschrei!” Nog zie ik hem, zoo als deze verschijning
-telkens bij zijne komst een luid hoezee uit den mond zijner getrouwen deed opgaan,
-waaraan hij door een wenk met de hand zedig, maar te vergeefs, het zwijgen zocht op
-te leggen.
-</p>
-<p>Ja, ik herhaal nog eens: wie <span class="sc">Willem II</span> niet als Veldheer en in het veld gezien heeft, heeft hem slechts ten halve gezien.—En
-in die gestalte trad zijn beeld heden met de levendigste kleuren voor mijn geest.
-Anderen zouden hunnen Koning aanschouwen—maar ik zou mijn ouden Veldheer zien; mijn
-Veldheer! wiens vaan ik gevolgd, wiens wachtwoord ik gesproken, wiens „Voorwaarts!”
-ik gehoorzaamd heb; mijn Veldheer, die mij in den strijd en uit den strijd geleid
-heeft, en aan wien ik het, onder God, te danken heb, dat ik op het veld van eer mijn
-jong leven niet gelaten, maar daaruit een luttel schoone herinneringen voor mijn ouden
-dag medegebracht heb; mijn Veldheer, van wiens lauweren een zedige schaduw op mijn
-hoofd was afgedaald! Hoog klopte mijn hart onder het gedenkkruis, dat ter eere van
-den dag mijn knoopsgat versierde; het kruis van metaal, dat de hand van den Vorst
-ten aandenken aan hem en den onder hem gevoerden strijd op mijne borst hechtte, terwijl
-hij het wederkeerig als een aandenken aan mij en aan al de overigen, die met mij zijn
-vederbos gevolgd waren, op zijn eigen boezem hing. Hem zou ik wederzien, na elf jaren
-scheidens; wederzien, nu niet meer als Veldheer, maar als het Hoofd des geheelen volks,
-maar als Koning. „Leve <span class="sc">Willem II</span>!” riep ik, en zou mijn hoed wel in lucht hebben kunnen gooien. „Leve <span class="sc">Willem<span id="xd31e5559"></span> II</span><span class="corr" id="xd31e5561" title="Niet in bron">”</span>; de oude Prins van Oranje, gelijk hem het vaderlandsch hart nog zoo gaarne noemt!
-Leve <span class="sc">Willem II</span>, de Held van Hasselt en Leuven! Leve <span class="sc">Willem II</span>, voorheen mijn Veldmaarschalk en opperbevelhebber, en nu mijn Koning en Heer!”
-</p>
-<p>Zoo juichende verdiepte ik mij al meer en meer in het verledene. Was het wonder, dat
-uit die diepte allengskens ook somberder beelden voor mijnen geest verrezen? Ja, het
-was, als had ik door dien eenen blik in de wereld, die achter mij lag, die geheele
-wereld voor mij geopend, en als moest ik daarin nog eens op al mijne schreden teruggaan.
-Al wat sedert dien blijden derden Augustus tot op dezen derden Augustusdag gebeurd
-was, kwam mij achtereenvolgens voor de verbeelding. Eerst de verstoring van onze heirvaart
-naar Brussel, door de wapenen van den (nu ook reeds zoo jammerlijk ten grave gesleepten)
-Hertog <span class="sc">Van Orleans</span>, als schild van het bedreigde België, vreedzaam, maar ernstig gestuit. Vervolgens
-de terugkeering op den weg der onderhandeling, den hier wel langen weg! Van daar het
-noodlottig stelsel der volharding, geboren uit dien eigen geest van standvastigheid,
-die bij alle groote mannen, en zoo ook bij <span class="sc">Willem I</span>, het snoer om <span class="pageNum" id="pb190">[<a href="#pb190">190</a>]</span>den bundel hunner deugden en de moeder aller groote daden is, maar die, even als elke
-andere deugd, in het gevaar van <span class="asc">VER</span>harding hare eigenaardige schaduw met zich voert! Het stelsel der volharding, na de
-aftreding van diens Hoofd, met onedelmoedige partijdigheid, door al de vroegere voorstanders
-alleen aan hem geweten en op hem gewroken, alsof het ook niet jaren lang het stelsel
-des geheelen volks—met schaarsche uitzondering!—geweest ware, zelfs toen de rookende
-puinen der citadel en het lauwe bloed der vestinghelden er tegen scheen te roepen!
-Het stelsel der volharding, eene dwaling misschien van <span class="sc">Willem I</span> en zijn volk, maar altoos eene Nederlandsche dwaling; de dwaling van een volk, welks
-taaie standvastigheid de grondslag van het gebouw hunner grootheid werd, dat daarop
-rust, als zijne hoofdstad op hare palen; de dwaling van een volk, dat de schoone dwaasheid
-had van niet van zijn tijd te wezen, dat is, van in eene eeuw van diplomatie (men
-vergunne mij dit diplomatieke woord) nog aan eerlijkheid, aan goede trouw, aan de
-heiligheid van een eed, in den naam der Heilige Drieëenheid gezworen, te gelooven;
-de dwaling van een volk, welks leuze het was van ouds af, om liever den vaderlandschen
-grond terug te geven aan de baren, waaraan dijken en dammen het ontwoekerd hadden,
-dan van vreemde oogen de wet te wachten. Welnu! Nederland, die voorvaderlijke leus
-getrouw, heeft pal gestaan; het heeft het hoofd geboden aan koninklijke en keizerlijke
-willekeur, die geen hooger recht erkenden, dan dat van het voltrokken feit; het heeft
-pal gestaan voor zijn recht, toen het voorwerp des geschils lang opgehouden had een
-voorwerp van begeerte te zijn; het heeft pal gestaan voor zijn Vorst, wiens dwaling
-het uit liefde deelde, toen andere volken, uit oproerigen haat, op de goede daden
-hunner vorsten spuwden; het heeft pal gestaan, gelijk een groot volk doet, als het
-eens den Rubicon overschreden heeft, met opoffering van alles wat een volk dierbaars
-en kostbaars heeft; het heeft, in een oneigenlijken zin, zijne dammen doorgestoken,
-en zijn grond aan de wateren prijs gegeven. Nu ligt het daar, het is zoo, half overspoeld
-en bedolven, en door den stroom doorweekt; het ligt daar onder eene zee van schuld
-begraven, waaronder het graan van ’s lands welvaart in den akker verkwijnt; het ligt
-daar, als zijn zinnebeeld op de Zeeuwsche munt, met het onderschrift: <i lang="la">Luctor et emergo</i>. Maar het ligt daar, als die <span class="corr" id="xd31e5589" title="Bron: Zeewsche">Zeeuwsche</span> leeuw, door het water omgeven, maar door het water niet overwonnen. Het kan zonder
-zelfverwijt op zijne overstroomde gronden zien: en zeggen: „Mijn vijand was sterker,
-maar niet beter dan ik!”
-</p>
-<p>En daarom, mannen broeders! geen onedelmoedig Wee over het hoofd van den Man, die
-in deze, als in alle lotwisselingen, sedert meer dan vijfentwintig jaar aan ons hoofd
-stond, ons vertegenwoordigde, en trouw alle goed en alle kwaad, alle verhooging en
-alle vernedering, alle verdienste en alle schuld met ons heeft gedeeld! Geen Wee over
-het hoofd van den Man, die, misschien! naar verhevener bedoeling, in onze oogen van
-de hoogte vallen moest, waarop onze armen hem verheven <span class="pageNum" id="pb191">[<a href="#pb191">191</a>]</span>hadden, om ons te doen zien, hoe dwaas onze vroegere menschenvergoding was, en hoe
-kwaad! Geen Wee over het hoofd van den Man, die de schuld, indien er schuld was, boette
-met het roer van het schip te verlaten, dat hij niet voor alle klippen had vermogen
-te beschermen! Geen Wee over het hoofd van den Man, die van vijfentwintig jaren leeds,
-om onzer vaderen schuld geleden, en van vijfentwintig jaren arbeids, aan hunner kinderen
-heil besteed, de verlangde rust zoekt in eene vrijwillige ballingschap, en wien wij
-niet te hard mogen vallen, omdat hij die gezocht heeft bij vreemden, nadat wij maar
-al te duidelijk getoond hebben, dat hij die in de armen der zijnen te vergeefs zou
-hebben gezocht! Geen Wee over ’t hoofd van den Man, die, in den strijd en de dienst
-voor ons land vergrijsd, en van den troon afgestegen, niets van ons vraagt dan een
-weinig aandenken voor het goede, dat hij gedaan heeft, een weinig vergetelheid voor
-het kwaad, dat hij tegen zijn wil mocht gedaan hebben, en een weinig liefde voor het
-goede, dat hij heeft willen doen!
-</p>
-<p>Neen! de goeden en edelen in den lande spreken over u geen Wee, <span class="sc">Willem I</span>, Stam- en naamgenoot van den Vader des Vaderlands, voor wien wij bezig zijn een gedenkteeken
-onzer hulde en liefde te stichten. Rondom uwe asch vergaderd,—want immers zijt gij
-als Koning voor ons gestorven?—rondom uwe asch vergaderd, als eenmaal Egypte rondom
-de asch zijner koningen, wagen zij het niet, daarover vloek te spreken, gedachtig
-aan uwe, en aan hunne eigene, menschelijke zwak- en gebrekkigheid. Ja, met herinnering
-daaraan spreken zij, voor hunne menschelijke vierschaar, u vrij, en laten uwe asch
-de eere der gestorvenen wedervaren! Wat meer is, hun bede rijst voor u omhoog tot
-Hem, door wiens gratie gij u Koning noemdet, die eenmaal, in den grooten dag der verantwoording
-van koningen en volken, u gratie verleenen moge, Koning der Nederlanden, <span class="sc">Willem de Eerste</span>!
-</p>
-<p>Waar ben ik? Geheel en al van mijn onderwerp afgedwaald, naar ik zie. Want het was
-niet <span class="sc">Willem I</span>, dien ik heden aanschouwen zou, maar <span class="sc">Willem II</span>; de nieuwe Koning, met wien Nederland een nieuw tijdperk is ingetreden. En toch,
-laten wij het niet verbloemen, niet zoo nieuw, of het draagt de litteekenen van het
-oude; niet zoo nieuw, of zijn eerste taak is om de wonden te heelen, die het uit het
-oude heeft meegebracht. Laten wij het erkennen: zelden aanvaardde een vorst onder
-ongunstiger omstandigheden de kroon van een vrij volk, dan de eerste der Nederlandsche
-Kroonprinsen. Het was eene zware kroon, die kroon, die van het grijze hoofd van <span class="sc">Willem I</span> op den heldenschedel van zijn zoon nederdaalde. En wel mag u die kroon veel zwaarder
-gevallen zijn, mijn Vorst, en veel zwaarder de schepter, dien gij uit zijne hand overnaamt,
-dan de gevederde veldheershoed en de omlauwerde maarschalksstaf, dien gij zoo licht
-en vroolijk droegt. Wel mag het u veel moeielijker zijn gebleken, een volk te bestieren,
-dat van zijn Vorst zoo veel te eischen heeft, en zoo licht te veel eischen <span class="pageNum" id="pb192">[<a href="#pb192">192</a>]</span>kan, dan het u was, uwe dapperen aan te voeren, die zoo gehoorzaam aan uw lippen hingen,
-zoo gedwee op uw wenken vlogen, en naar krijgsmanswijs geen wil kenden, dan den uwe!
-Wel mag <span class="corr" id="xd31e5618" title="Bron: he">het</span> u eens veel gemakkelijker hebben toegeschenen, toen gij, na dagen van mistrouwen
-en onzekerheid, onder geen al te gunstige verwachting den veldheersstaf opnaamt, in
-weinige dagen de weifelende gunst des volks, als ware het met een slag van het zwaard,
-te heroveren, dan nu aan al de gunstige verwachtingen te voldoen, die geboren werden,
-toen gij, in de Nieuwe Kerk der hoofdstad, de rechterhand ophieft, en met de linker
-op de grondwet zwoert: „Zoo waarlijk helpe mij God Almachtig!”—<span class="sc">Willem II</span>, Koning der Nederlanden! Hebt gij aan die verwachtingen voldaan?—De vraag is stout:
-het antwoord zou nog stouter zijn. Het verleden heeft ons wijs gemaakt: wij hebben
-geleerd, hoe voorbarig het is, vorsten goed of kwaad te spreken, eer de toekomst,
-die de mond is der Voorzienigheid, ons wèl of wee bevestigd heeft. Zooveel mogen wij
-zeggen, dat wij van u het goede verwachten, omdat wij zeker zijn, dat gij het goede
-bedoelt. „Ik heb slechts één hartstocht, dien van bij mijn volk bemind te zijn!” Dat
-woord van uwe lippen, uit de binnenkameren uws paleizes tot het oor van den schrijver
-dezer regelen doorgedrongen, heeft geloof gevonden in zijn hart, en wie het met hem
-gelooft, ziet de toekomst met vertrouwen te gemoet. En eigenlijk steunt dat vertrouwen
-niet eens op dit, of op eenig ander menschenwoord, maar op het woord van den God van
-Nederland:—zoo noemen wij, zonder erg of trots, de Hemelmacht, die zich van ouds af
-aan Nederland in onderscheidende liefde en gunst heeft geopenbaard;—den God van Nederland,
-die belooft, dat hij niet varen laat de werken zijner handen. Want zie! indien daar
-iets het werk zijner handen is, het is het land, dat hij tot een land gemaakt heeft,
-Nederland! het is het land, dat hij als het ware tweemaal geschapen heeft, daar hij
-het, even als eenmaal geheel de aarde, later op nieuw uit de wateren heeft opgetogen
-en bewoonbaar gemaakt. Het is het land, door hem langs allerlei wonderbare wegen en
-leiding uit eene aanslibbing van rivieren en zeeën, gelijk een keizerlijke mond verachtend
-sprak, tot de meesteres van rivieren en zeeën verheven. Het is het land, door hem
-onder de vleugelen van allerlei vorsten, koningen en keizers gekoesterd, totdat het
-sterk genoeg geworden was om op eigen wieken te drijven. Het is het land, straks van
-de ketenen bevrijd, waarmede zijne voedsterheeren het in zijne vlucht zochten te weêrhouden:
-bevrijd, dat wil zeggen, vrijgevochten, opdat het zijne krachten beproeven mocht en
-oefenen, en even goed en vroom worden, als sterk en groot. Het is het land, met de
-<span class="sc">Nassau’s</span> gezegend, met Hem aan het hoofd, op wien keizer <span class="sc">Karel</span> leunde, toen hij deze gewesten aan <span class="sc">Philips</span> overdroeg, weinig vermoedende, dat de arm, die hem nu steunde, zich eens zou uitstrekken
-om deze gewesten met zijn zwaard tegen Spanje te dekken. Het is het land, met schaarsche
-en schuinsche stralen door de geschapen zon belonkt, maar met den helderen <span class="pageNum" id="pb193">[<a href="#pb193">193</a>]</span>warmsten gloed van het ongeschapen licht bestraald. Het is het land, tot op dezen
-dag, ondanks Engelands naijver, ondanks Frankrijks veroveringszucht, en wat meer zegt,
-ondanks eigen dwaasheid en schuld, in stand gehouden, ten levenden gedenksteen van
-de macht en trouw van Hem, die Nederland tot zijnen Verbonds-God koos, toen het op
-zijne munten aan het beeld der vrijheid Gods woord ten steun gaf, met de spreuk: „<i lang="la">Hac nitimur, hanc tuemur</i>”: op dien God, de leus onzer vendelen en stempelen, bouw ik, en al wat in Nederland
-Gode geeft wat Godes is zijn vertrouwen voor Nederlands toekomst. Ach, ware het slechts,
-dat het volk.… maar neen, hier geen klaaglied, schoon het er misschien de plaats voor
-ware: want het is heden een blijde dag! De Koning komt! de koning, ons door den Koning
-der koningen geschonken om het werktuig Zijns welbehagens over ons te zijn. Leve <span class="sc">Willem II</span>! Hoezee!
-</p>
-<p>Leve <span class="sc">Willem II</span>! Hoezee! Zoo klonk het gejuich, dat in de verte opging. <span class="sc">De koning kwam.</span> Ik haastte mij om hem te gemoet te gaan. Al de dorpelingen liepen toe. Daar was hij!
-Lache er om wie wil, ik gevoelde mij bij zijn aanblik getroffen. O, de liefde voor
-<span class="sc">Oranje</span> is bij den waren Nederlander nog iets meer dan een woord. Wie de geschiedenis des
-Vaderlands gelezen heeft,—bij <span class="sc">Bilderdijk</span> of <span class="sc">Wagenaar</span>, het doet er niet toe,—wie haar gelezen heeft en gezien, hoe de dynastie van <i>Oranje</i> als eene ader van leven, welvaart en bloei door die geschiedenis henen stroomt, zegenende
-als zij vloeit, dorheid nalatende als zij opdroogt of afgeleid wordt, en wederom zegen
-met zich voerende als zij terugkeert,—en daarin het beeld van Hem, die ons haar schonk
-en wien zij ons vertegenwoordigt,—die vraagt niet aan een ander, of het verstandig,
-of het constitutioneel, of het negentiendeneeuwsch is, den zoon der <span class="sc">Oranjes</span> tegen te juichen. Het is, gelijk een onzer Dichters het treffend genoemd heeft, het
-is de stem van het bloed in ’s lands kinderen, dat ’s lands Vader tegenroept. Laat
-anderen er tegen verhandelen, eer ik er over gedacht had, had mijn bloed zijn loop
-tweemalen versneld, mijn hart twee slagen in één geklopt, mijn hand den hoed wuivend
-in de hoogte geheven, en riep mijn mond met de menigte mede: „Leve <span class="sc">Willem II</span>! Hoezee!”
-</p>
-<p>En <span class="sc">Willem II</span>? Hij was ouder geworden. Zijne edele gestalte was meer gebogen, dan toen ik haar
-voor de muren van Leuven onder de lauweren der overwinning aanschouwde; de verloopen
-jaren hadden hun strijd en hun leed in rimpelen op zijn voorhoofd aangeschreven. Maar
-nog altijd zweefde over zijn voorkomen de adel van eenen Vorst; nog altijd drukte
-zijn gelaat de gelijkenis van een <span class="sc">Oranje</span> uit; nog altijd zweefde om zijne lippen de vriendelijke glimlach van een geslacht,
-welks gemeenzaamheid dieper grond heeft dan de populariteit van een burgerkoning.
-Ik herhaal u niet, wat bij de begroeting van den Vorst voorviel: het ontleende zijne
-grootste belangrijkheid van de gezindheid der aanwezigen, van het jubelend hart der
-menigte en den dankbaren blik van den Koning. En toch was het, alsof de Vorst op mijne
-gepeinzen <span class="pageNum" id="pb194">[<a href="#pb194">194</a>]</span>antwoordde, toen hij na de opgeruimde herinnering aan den veldtocht, dien het gezicht
-van het metalen kruis hem voor den geest riep, op eens, als schoot er eene wolk voor
-dat licht, op veelbeteekenenden toon uitviel: „Wat is dat lang geleden!”—Lang geleden,
-had ik willen zeggen, lang geleden, mijn Vorst! maar niet zoo lang, of nog klopt bij
-die herinnering uwen ouden wapenbroeder het hart; lang geleden, maar niet zoo lang,
-of nog heeft de liefde van velen hunner de moeielijke jaren overleefd, die tusschen
-dien en dezen derden Augustus in liggen; lang geleden, maar moge het nog lang en zeer
-lang zijn, eer de gedachtenis daaraan ophoudt uw koninklijk hart te doen kloppen!
-Leve <span class="sc">Willem II</span>!—maar eerbied, en misschien ook nog eene andere gewaarwording, sloot den mond. Nog
-eenige woorden van hulde en trouw van de eene zijde, van dankzegging en welbehagen
-van de andere—en daar reed hij heen. De <span class="sc">Koning was gekomen</span>. Daar reed hij heen, en liet ons na? Eenige vervallen bogen en kransen, eenige verlepte
-en verdorde bloemen en blâren, eenige woorden met den wind weggewaaid, eenige kreten
-in de lucht verstorven!—Neen, wie zoo spreken mag, ik niet. Daar reed hij heen, zeg
-ik, en liet ons na: de herinnering eener liefelijke en wel-aangename verschijning,
-de verlevendiging van het beeld eens Vorsten, aan wiens aanblik zich de schoonste
-vaderlandsche herinneringen van het levend geslacht verbinden; de verwarming onzer
-liefde voor den <i>Koning</i>, dien niemand, <i>wien Neêrlandsch bloed door de aadren vloeit</i>, met het schoone lied van onzen Volksdichter, van het <i>Vaderland</i> vermag te scheiden; de aanvuring onzer dagelijksche gebeden, voor hem op te zenden;
-en eindelijk de gedachtenis onzer eenvoudige en onschuldige vreugde, en onzer vreugde
-vóór en ná die vreugde, die mij nu nog het hart warm maakt, terwijl ik deze regelen
-schrijve. O, wie nooit de waarde eener herinnering geschat heeft, dan voor zoo ver
-die zich op de hand liet wegen, roeme niet iets in de linkerborst te dragen, dat een
-hart heet.
-</p>
-<p>Daar reed hij heen! Onze juichtoonen, onze vivats, onze gelukwenschen volgden hem.
-„Vaarwel, o Koning!” riep ik hem in mijn geest achterna. „Vaarwel! Voleindig uw zege-
-en liefdetocht door de gewesten van uw goed en getrouw volk in zege en liefde! Wandel
-op de bloemen, die de burgerij, door de hand der onschuldigsten en lieftalligsten
-uit haar midden, u voor de voeten strooit! En wanneer gij in uw verheven woning teruggekeerd
-zijt, en daar de koningszorg u met vernieuwde zwaarte op de schouders valt, moge dan
-de geur dier bloemen u als eene herinnering omzweven, en u eenige vergoeding schenken
-voor de doornen, die op het hooge pad der koningen gezaaid zijn!<span class="corr" id="xd31e5694" title="Niet in bron">”</span>—Wèl den vorst, wiens pad een dorenpad is! Het pad zijns volks is een pad van bloemen!
-En ook hem bereidt hooger hand uit die doornen een kroon, schooner dan de keizerskroon
-van het Heilige Roomsche rijk! Leve <span class="sc">Willem II</span>!
-</p>
-<p>Zoo sprak ik; maar weinig dacht ik, dat mijn wensch reeds zoo <span class="pageNum" id="pb195">[<a href="#pb195">195</a>]</span>spoedig verhoord zou worden; want terwijl ik deze regelen nederschrijf, geniet alreeds
-onze Koning een van die blijde dagen, die de zorgen der vorsten helpen vergoeden.
-Juist heden kondigt mijn geliefde Haarlemmer op aanstaanden Zaterdag de voltrekking
-van het hooge huwelijk tusschen <span class="sc">Karel Alexander Augustus Johannes</span>, Erf-Groothertog van Saxen-Weimar, en <span class="sc">Wilhelmina Maria Sophia Louisa</span>, Prinses der Nederlanden aan. Saxen-Weimar en Nederland—de vereeniging dier namen
-klinkt niet vreemd, vooral niet in het oor van een oud soldaat, die ze eenmaal op
-het veld van eer door dezelfde glorie omschitterd zag, toen de ridderlijke Hertog,
-die de hoogmoed en de wellust van ons leger is, de sleutels van Leuven voor den voet
-van zijn koninklijken krijgsbroeder nederleide: <span class="sc">Willem van Oranje</span> en <span class="sc">Bernhard van <span class="corr" id="xd31e5714" title="Bron: Saxenweimar">Saxen-Weimar</span></span>, een Vorst zulk een Veldheer, een Veldheer zulk een Vorst, twee vrienden elkander
-waard!—Maar nog liefelijker dan deze vereeniging is de vereeniging van jeugdigen Vorstenadel
-en bloeiende Vorstinnenschoonheid, waarvan die echt den knoop legt. Duitschland, sedert
-het ons zijnen <span class="sc">Nassau</span> schonk, pleegt sedert lang ons zijne Vorstendochters voor de onze uit te wisselen.
-Eene schoone ruiling, waaraan wij ook uw bezit te danken hebben gehad, <span class="sc">Wilhelmina</span> de Gezegende!—Nu zendt het ons weder een edelen Duitschen jongeling, gelijk de faam
-hem prijst, om van de verhevene <span class="sc">Paulowna</span> het evenbeeld der moederlijke deugden tot deelgenoot van zijn voorvaderlijken troon
-te vragen. Nederland geeft niet alleen door den mond zijner vertegenwoordigers, maar
-ook met zijn hart, zijne goedkeuring en zegen tot dien echt, en deelt in uwe blijdschap,
-Vader <span class="sc">Willem</span> en Moeder <span class="sc">Anna</span>!—O, wat zorgen en smarten het koninklijk paleis omsluite, het omsluit toch ook eene
-vreugde, die het met alle lagere daken gemeen heeft: de hoogste, de reinste, de zoetste
-vreugde, naar men mij zegt: vader- en moedervreugde. Vader- en moedervreugde! door
-den Vader der menschen aan de eerste menschen geschonken, als de vergoeding voor hun
-verloren paradijs, en sedert de vergoeding voor de verloren paradijzen van alle Adamskinderen.
-Gewis, er wordt veel leeds verborgen onder ieder gewaad, van het met hermelijn bekleede
-purper af tot aan het met lompen bedekte bedelkleed toe: maar onder alle soort van
-gewaad kloppen ouderharten, en met dat ouderhart is de arme zoo rijk als de koning,
-en de koning zoo rijk als de arme, die het gelukshemd uit de fabel draagt. Ik heb
-vroeger het lot der <i>Gekroonde Vrouwen</i> betreurd, en bij het graf van <span class="sc">Wilhelmina</span> het lijden der hoven geschetst: maar nu, bij <span class="sc">Sophia’s</span> bruidskrans wil ik het geluk verheffen van de Vrouw, die in de huiselijke schaduw
-van een aartsvaderlijk hof, onder het oog van liefhebbende ouders, aan de hand van
-den erfgenaam eener kroon, die te klein van omvang is om zeer zwaar te zijn, de bruidskroon
-op het maagdelijk hoofd ontvangt. Daarom, al is het, dat mij, den nederigsten van
-Zijner Majesteits onderdanen, die geen lid van eenige orde ben, dan die der zestigduizenden
-van Hasselt, de toegang tot de <span class="pageNum" id="pb196">[<a href="#pb196">196</a>]</span>feestzaal ontzegd is, en dat ik mijn oog aan het gezicht van het bevallig bruidspaar
-niet verklaren zal, zoo wil ik toch met mijn onfeilbaren <i>looper</i> de hooge deuren voor mij ontsluiten, om getuige van de feestvreugde te zijn: ik bedoel
-mijne Verbeelding, die met vleêrmuisvleugelen over de hoofden van schildwachten en
-kamerdienaars en kamerheeren-ceremoniemeesters heenvliegt! Ik wil mij te half één
-uren bij het schouwspel vertegenwoordigen, als de hand der Czarendochter en Vorstinnenmoeder
-de kroon op het hoofd der bloeiende bruid plaatst. Ik wil mij onder het gehoor verplaatsen
-van den welsprekenden man, die, zelf een vorst onder de redenaars, met bewonderenswaardige
-kunst de wijsheid des Hemels in de taal der hoven kleedt, en bij iedere koninklijke
-vreugde en bij iedere koninklijke smart, als vertegenwoordiger van der Koningen Heer,
-het heiligend kruis op de omfloerste of omkranste kroon plaatst. En als eindelijk
-de honderd en één kanonschoten het Amen op de voltrekking des huwelijks verkonden,
-zal ik met een glas ouden madera, die ik voor zulke gelegenheden bewaar, een hartelijken
-feestdronk instellen, en wie zijn koning lief heeft, drinke mede: Leve het Vorstelijke
-paar! Leve het Koninklijk Gezin! Leve de Koning!
-<span class="pageNum" id="pb197">[<a href="#pb197">197</a>]</span> </p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch18" class="div1 story"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e7266">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="main">DE KONING GAAT TEN GRAVE.</h2>
-<h2 class="sub">(Maart 1849.)</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">„Mijne broeders! God alleen is groot<span class="corr" id="xd31e5754" title="Bron: ”!">!”</span> Aldus luidde het woord, bijna anderhalve eeuw geleden door een beroemden hofprediker
-bij het graf van den grooten koning van een groot land en volk gesproken. „Mijne broeders!
-God alleen is groot!”
-</p>
-<p>Ik wist het van het oogenblik af, dat ik geleerd heb, dat alle koningen der aarde,
-ook de grootste onder de grooten, niet alleen vleesch van mijn vleesch en been van
-mijn been, maar ook stof van mijn stof en asch van mijn asch zijn, en dat ook voor
-hen de ure komt, waarin zij, die zoo vele duizenden en tienduizenden onder zich gehad
-hebben, tot elk van wie zij zeggen konden: „Ga!” en hij ging, „kom!” en hij kwam,
-op hunne beurt moeten gehoorzamen aan de stem van Hem, die alleen te spreken heeft:
-„Keer weder<span class="corr" id="xd31e5759" title="Niet in bron">,</span> gij menschenkind!<span class="corr" id="xd31e5761" title="Niet in bron">”</span> en hij keert weder. Maar wat ik reeds vroeger wist, heb ik nooit krachtiger gevoeld,
-dan in de laatste tijden, die wij hebben doorleefd.
-</p>
-<p>Ruim anderhalf jaar is het geleden, dat ik in de <i lang="fr">Champs Elysées</i> te Parijs wandelde. Plotseling ging eene stofwolk op: eene cavalcade kwam aan. Ik
-zag, en zie—het was een koning. Het was <span class="sc">Lodewijk Filips</span>, de koning der Franschen. Het was—zonderling spel der omstandigheden—de zoon van
-<span class="sc">Philippe Égalité</span>, bezitter van den troon van <span class="sc">Lodewijk Capet</span>. Daar snelde hij heen, van zijn koninklijk lustslot van Neuilly naar zijn koninklijk
-paleis der Tuilerien, in al de pracht en heerlijkheid eens konings, in zijn met acht
-paarden bespannen rijtuig, te midden van den hem omringenden gouden hof- en scharlaken
-ruiterstoet en den bonten stoet des volks, dat zich bewonderend of juichend op zijn
-weg schaarde. Daar snelde hij heen, de erfgenaam der <span class="sc">Carolingen</span>, der <span class="sc">Capets</span>, der <span class="sc">Valois</span>, der <span class="sc">Bourbons</span>, der <span class="sc">Napoleons</span>; daar snelde hij heen, de vorst, wiens voet op de leliën trad, die voor de <span class="sc">Bourbons</span> ontloken,—om wiens hoofd de adelaars zweefden, wier vleugelen <span class="sc">Napoleon</span> hadden gedragen. Daar snelde hij heen, de eigenaar van Frankrijks schoonste paleizen
-<span class="pageNum" id="pb198">[<a href="#pb198">198</a>]</span>en prachtigste lusthuizen, de heer en meester in het paleis te Versailles;—het schoonste,
-dat menschenhanden voor een koning hebben gebouwd, gelijk St. Pieter het schoonste
-is, dat menschenhanden <span class="corr" id="xd31e5802" title="Bron: hebden">hebben</span> gebouwd voor Hem, die niet in tempelen woont;—het paleis van Versailles, waar alles
-schijnt uit te roepen: „Ziedaar het Babel, dat men u, o koning, gebouwd heeft! O koning!
-wie van de koningen der aarde kan tegen u geschat worden? Wie is als gij?”.… Drie
-maanden verliepen, en de groote koning was een balling, die, even als de vóór hem
-verdreven <span class="sc">Bourbon</span> en <span class="sc">Napoleon</span>, om zijns levens wil vluchten moest uit het land, waar zesendertig millioenen onderdanen
-aan zijn oog hadden gehangen en aan zijne stem hadden gehoorzaamd.
-</p>
-<p>Ruim een jaar later was ik te Tilburg. Ik bezocht daar het nieuwe koninklijke paleis.
-Het is waar, het verschil tusschen Versailles en Tilburg is zoo groot niet, als het
-verschil tusschen het paleis van Versailles en het paleis van Tilburg is. Desniettemin,
-ook het paleis van Tilburg draagt meer dan één ondubbelzinnig kenmerk van zijne bestemming.
-Al ware het alleen in den eigenaardigen bouwstijl, dien <span class="sc">Willem II</span> bij voorkeur beminde, bijna alsof hij eene dankbare herinnering aan zijne in Engeland
-doorgebrachte kinderjaren moest zijn! Maar wat meer is, wat aan het paleis van Tilburg
-als koninklijke woonstede moge ontbreken, het werd voor mijn gevoel meer dan aangevuld
-door de vertegenwoordiging van den Koning, die hier wonen zou. Hem toch vond mijne
-verbeelding in al deze gangen en zalen, onder de kleinste bijzonderheden, naar het
-door hem gemaakte bestek daargesteld, weder; hem zag ik in al de grootheid van zijn
-koningsluister, in al de waardigheid van zijn koninklijken persoon; hem, den lieveling
-niet alleen van het door hem <span class="corr" id="xd31e5816" title="Bron: beweldadgd">beweldadigd</span> en verheerlijkt Tilburg, maar den wellust van een geheel volk, dat hem met het hart
-beminde; hem, die zonder de grootste van Europa’s koningen te wezen, in dit opzicht
-een der gelukkigste van hare monarchen kon worden genoemd.… Drie weken verliepen,
-en koning <span class="sc">Willem II</span> was een lijk, dat onder de tranen der hem liefhebbende bevolking naar zijne laatste
-rustplaats werd heen gevoerd!
-</p>
-<p>Waarlijk, mijne vrienden! de Fransche hofprediker had recht. In gindschen doorluchtigen
-val, in dezen doorluchtigen dood heb ik het gezien, dat hij naar waarheid sprak: „God
-is groot! hoe grooter de koningen en grooten der aarde bij hun leven zijn geweest,
-des te verhevener is het getuigenis, dat zij bij hunnen val aan de alles te boven
-gaande grootheid Gods geven. God blijkt alsdan te zijn die Hij is, en de mensch is
-niets meer van dat alles wat hij dacht te wezen.”
-</p>
-<p>Wie had het gedacht? <span class="sc">Lodewijk filips</span>, de groote koning, viel; <span class="sc">Willem II</span>, de zooveel minder groote en machtige koning, bleef op den troon gezeteld, ja, zat
-daarop na des eersten val nog vaster dan ooit. Gelijk de dichter terecht zeide, wij
-konden juichen:
-<span class="pageNum" id="pb199">[<a href="#pb199">199</a>]</span></p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line xd31e490">„Stort elders oproer en verraad </p>
-<p class="line"><span id="xd31e5836"></span>De vorsten van hun wankle troonen, </p>
-<p class="line xd31e490"><span id="xd31e5839"></span>Hoe bleef de trouw van d’ onderzaat </p>
-<p class="line"><span id="xd31e5842"></span>Hier ’s vorsten liefde en trouw beloonen!” </p>
-</div>
-<p class="first">Maar helaas!
-</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line">„Wat oproer noch verraad vermocht, </p>
-<p class="line"><span id="xd31e5848"></span>Dat heeft de magt des doods gewrocht!” </p>
-</div>
-<p class="first">Koning <span class="sc">Willem II</span> is niet meer! O, hoe daverde die rouwkreet scheller en feller dan de klokkenklepels,
-die straks te zijner eer alom begonnen te kleppen, door den lande heen! De ijzeren
-tongen, die van stad tot stad en van dorp tot dorp het elkander toegalmden, hieven
-gezamelijk in de hoogte eene klacht op, die echter verre overstemd werd door het geklag,
-waarmede zoo vele stemmen beneden het elkander toesnikten: „De Koning is gestorven!
-<span class="sc">Willem II</span> is niet meer!”
-</p>
-<p><span class="sc">Willem II</span> is niet meer! Die rouwgalm klonk ook in <span class="corr" id="xd31e5863" title="Niet in bron">de </span>plaats mijner woning, klonk ook in mijn huis, klonk ook in mijn hart. Wat <span class="sc">Oranje</span> voor mij is, wat Koning <span class="sc">Willem II</span> voor mij was, wat elke vorst uit het huis van <span class="sc">Oranje</span>—indien ik (wat God verhoede! ooit op nieuw een vorst uit dat huis den troon moest
-zien beklimmen,) immer voor mij wezen zal, ik heb het meermalen kenbaar gemaakt; ik
-heb er bepaalder van doen blijken ook in die nederige veldbloem, die ik vóór acht
-jaren, ter begroeting van <span class="sc">Willem II</span>, op den weg van zijn eersten eeretocht als koning door de provinciën van zijn land
-en de harten van zijne landgenooten heb gestrooid: „<i>De Koning komt!</i>” Ach! hoe weinig dacht ik toen, dat na zoo luttel jaren elders dezelfde stem, maar
-op geheel andere wijze, mijne ooren treffen zou: „De Koning komt!” maar—om voor altijd
-heen te gaan: „<i>De Koning gaat ten grave!</i>”
-</p>
-<p>De Koning kwam om ten grave te gaan. Dit te weten, deed de begeerte in mij ontwaken
-om op zijn laatste pad een cipressenblad te strooien, gelijk ik bij zijn eersten tocht
-als Koning een enkel rozenblad op zijn weg geworpen had. De gelegenheid daartoe bood
-zich gereedelijk aan. Op den weg van Tilburg, de plaats van zijn dood, naar Geertruidenberg,
-de plaats der inscheping van zijn overschot naar Rotterdam, om van daar verder naar
-zijne laatste rustplaats te worden vervoerd, moest hij langs een niet ver afgelegen
-heide gaan. Hem van die heide af ten grave zien voeren, dit denkbeeld trok mij aan.
-Aan het gedrang eener opgehoopte volksmenigte in deze of gene stad zou ik mij te nauwernood
-hebben gewaagd: het contrast tusschen het luidruchtig gewoel der toeschouwers en de
-stille plechtigheid van het schouwspel zou mij te stuitend zijn geweest. <span class="corr" id="xd31e5884" title="Bron: Maa">Maar</span> onder Gods vrijen hemel, in de stille natuur, op eene eenzame <span class="corr" id="xd31e5887" title="Bron: heider">heide</span> te midden van weinigen die gevoelden als ik, kwam mij de gedachte <span class="pageNum" id="pb200">[<a href="#pb200">200</a>]</span>om getuige van den laatsten gang des Konings te wezen niet alleen dragelijk, maar
-zelfs aanlokkelijk voor. Had ik den Koning niet zien <i>komen</i>? Ik wilde hem nu ook zien <i>gaan</i>.
-</p>
-<p>Het was dinsdag morgen. De klok sloeg vijf uur. Ik reed naar buiten. Het rijtuig bracht
-mij op omstreeks een half uur van de plaats mijner bestemming. Daar stapte ik het
-rijtuig uit. Het overige van den weg legde ik wandelende af.
-</p>
-<p>Het was schoon weder. De morgen was frisch, zelfs koud, maar tamelijk helder. Was
-de lucht hier en daar licht bewolkt, de zon brak toch telkens koesterend door de wolken
-heen. Zoo zongen dan ook de vogelkens een vroolijk morgenlied. Boven allen klonk de
-stem van den <span class="corr" id="xd31e5899" title="Bron: leuwerik">leeuwerik</span> uit. Of het aan mijne stemming te wijten was, dat ik zulks meer dan anders opmerkte,
-ik weet het niet; maar zelden heb ik meer leeuwerikken gehoord. Van alle zijden opstijgende,
-zongen zij het lied, dat hun God hen leert: het lied der lente, het lied van de wederopstanding
-der natuur, dien spiegel van de wederopstanding der dooden. Er was iets contrasteerends,
-en toch ook weder iets harmonisch in dat vogelengezang op dezen morgenstond. O, hoe
-verschilde <i>dit</i> contrast van het contrast met den woelenden en joelenden volkshoop, dien ik ontvlood!
-Het was een contrast, gelijk alleen de natuur er ons biedt, waar de wet van den cirkel
-heerscht, die de uitersten elkaâr ontmoeten en omhelzen doet!
-</p>
-<p>Onder dit vogelengezang en al de geluiden der ontwakende menschen- en dierenwereld
-wandelde ik, met tusschenpoozen van rust, in stille gepeinzen daarheen. Op eens wordt
-die stilte afgebroken. Hoor! het is een klokkentoon!
-</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line xd31e490">„Klagend klinkt heur traag geluid </p>
-<p class="line xd31e490">Ten bemosten toren uit, </p>
-<p class="line">Waar de streng in wordt getrokken; </p>
-<p class="line xd31e490">Zuchtend is heur klank en dof, </p>
-<p class="line">Als een toon van rouw en smarte, </p>
-<p class="line">En zij valt hem zwaar op ’t harte, </p>
-<p class="line xd31e601">Wien zij de ooren trof.” </p>
-</div>
-<p class="first">Het is de kerkklok van het naburig Oosterhout, die zich laat hooren: het is ter eere
-van den Doode, dat zij met grove basstem haar somber uitvaartlied begint. Bij dat
-geluid werd mijn geest al meer en meer in den geest der plechtigheid van dezen dag
-verplaatst en gestemd. Ik wandelde verder voort. Hoor! een nieuw geluid! het is gebulder
-van het kanon, dat aan de andere zijde gromt. Het is het geschut, dat te Tilburg het
-teeken tot den uittocht van den lijkstoet geeft. Dat schot, het bracht mij als door
-een tooverslag op het tooneel des rouws over. Ik zag het sterfhuis; ik hoorde de kreten
-der koninklijke weduwe; ik vernam de snikken der treurende menigte; ik stemde in den
-toon van smart, dien de lijkmuziek bij het zich in beweging zetten van den zwarten
-stoet deed klinken.
-<span class="pageNum" id="pb201">[<a href="#pb201">201</a>]</span></p>
-<p>En intusschen zongen de leeuwerikken altijd hun vroolijk morgenlied.
-</p>
-<hr class="tb"><p>
-</p>
-<p>Nog ten minste twee uren moesten verloopen, eer het lijk op de plaats kon zijn, waar
-ik mij bevond. Dien tusschentijd maakte ik mij ten nutte, door in mijn geest voor
-mij te laten heengaan al de beelden, die de gelegenheid van dit uur, als zoovele schimmen
-van het verledene, voor mij als uit den grond deed opkomen. En wel mag ik als <i>uit den grond</i> zeggen! Of welke was de grond, op welken ik mij bevond? Een heidegrond, die eertijds
-een legerkamp was geweest; de heide van Rijen, die de landlieden uit den omtrek nog
-heden <i>het kamp van Rijen</i> noemen. Het is hetzelfde kamp, waar, in de gedenkwaardige zomerdagen van 1831 en
-later, een deel der mobiele armée gelegerd lag, en waar alzoo door de legeroefeningen
-en spiegelgevechten de zege werd voorbereid, die later in de gevechten voor Hasselt
-en Leuven werd behaald. Zonderlinge afwisseling! eerst eene stille, verlatene heide—daarna
-een woelig legerkamp—straks weder eene stille, verlatene heide. Welk een verschil
-tusschen de stilte, die hier thans regeert, en het gewoel, dat hier vroeger heerschte!
-Hier, op ditzelfde veld, waar nu bijna geen teeken van leven werd bespeurd, hadden
-binnen een klein bestek duizenden—en welke duizenden!—geleefd. Luidruchtige soldatenliederen
-hadden er geklonken, fiere krijgsmuziek was er gehoord, ja, psalmen <span class="sc">Davids</span> waren er aangeheven; want ook hier in dit kamp had men het vierde gebod, dat in het
-legerkamp aan den voet van Sinaï gegeven werd, heilig gehouden. Ook hier had op elken
-eersten dag der week de stem des Evangelies aan de zonen van den krijg Vrede door
-het bloed des kruises verkondigd. Ook hier, uit dezen tempel der natuur, waren, bij
-het geluid van horen en trompet, even als vroeger, bij de begeleiding van Schoschannim
-en Neginoth, duizenden zangstemmen opgegaan tot den Koning der schepping en der menschen:
-</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line">Zijn naam moet eeuwige eer ontvangen; </p>
-<p class="line xd31e601">Men loov’ hem vroeg en spâ! </p>
-</div>
-<p class="first">Hier vond ik er een, die zich herinnerde, het aandenken aan de overwinning van Waterloo
-op deze eigenaardige wijze te hebben gevierd; een ander dacht aan de wapenschouwing,
-die het uitspreken van het „Voorwaarts!” voorafging. Maar wie kon aan iets van dit
-alles denken of er van spreken, zonder te gedenken aan hem, die van dit alles het
-bezielend middelpunt uitmaakte? hem, het hoofd, den held, den lieveling van geheel
-het Nederlandsche leger, den Prins van Oranje, den overwinnaar van Quatrebras, den
-mede-overwinnaar van Waterloo! Ja, wat zich op dat groot en schitterend tooneel in
-die dagen al grootsch en schitterends vertoond hebbe, het schitterendste bleef immer
-de altijd groenende lauwerkrans van den Prins-Veldheer, die zelfs toen door de nog
-in al den glans der populariteit blinkende <span class="pageNum" id="pb202">[<a href="#pb202">202</a>]</span>koningskroon van <span class="sc"><span class="corr" id="xd31e5943" title="Bron: Wiilem">Willem</span> I</span> niet overschaduwd werd. En die prinselijke krijgsheld zelf! O, hoe lief had hij op
-zijn beurt dit leger, hoe lief was hem dit legerkamp, hoe lief was hem geheel het
-krijgsmansleven, dat hij in en om dit kamp mocht leiden! Vraagt men, waar het geheim
-dier betoovering schuilde, die voor den overleden Koning haren glans over Tilburg
-scheen uit te breiden? Ik aarzel niet te antwoorden: het was de herinnering aan de
-jaren van ’s Prinsen <span class="corr" id="xd31e5947" title="Bron: krijgmansleven">krijgsmansleven</span>, aldaar en daaromtrent gevoerd. Wij weten het immers allen: hoevele koninklijke en
-menschelijke deugden onze Koning ook in zich vereenigen mocht, boven alles was hij
-krijgsman, krijgsman in zijn hart. Dat onbezorgde, vrije, van allen drang en dwang
-der hof-etikette, van alle streken en treken der hof-diplomatie vrije soldatenleven
-was een leven naar zijn lust. Ziedaar de eenige reden, waarom, geloof ik, onze Koning
-noch in zijn prachtig paleis te Brussel, noch in zijn nieuw Gothisch prachtgebouw
-te s’ Hage, zich ooit zoo zeer te huis gevoeld heeft, als onder de veldtent in het
-kamp van Rijen, als in de eenvoudige woning, die te Tilburg aan den Prins-Veldmaarschalk
-hare herbergzaamheid aanbood. Tilburg en zijn omtrek was voor hem eene altijd dierbare
-herinnering aan jaren zonder zorg of kommer; van daar bleef het hem een <i lang="fr">Sans-souci</i> in de jaren der zorgen; van daar werd het eindelijk de plaats zijner ruste in de
-ure, die aan zijne zorgen op aarde een einde heeft gemaakt.
-</p>
-<p>Ach, welk eene verandering! Met welk eene verwachting van de genezende werking van
-Tilburgs lucht en invloed, was hij pas kort geleden dezen weg langs gereden, en nu
-klonk hier het gebulder van het kanon, dat de nadering van zijne lijkkoets langs dezen
-zelfden weg aankondigde.
-</p>
-<p>En intusschen zongen de leeuwerikken altijd hun vroolijk morgenlied.
-</p>
-<hr class="tb"><p>
-</p>
-<p>Ik sloeg een blik op het tijdvak, dat het veldbed van Rijens legerkamp van het sterfbed
-binnen Tilburgs muren scheidt. Ik dacht aan de dagen van den <span class="corr" id="xd31e5960" title="Bron: veltocht">veldtocht</span>, van
-</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line xd31e490">„den strijd, die minder dagen </p>
-<p class="line"><span id="xd31e5967"></span>Dan verwonnen steden telt.” </p>
-</div>
-<p class="first">Ik gedacht aan de geestdrift des volks na de overwinningen, te Hasselt en Leuven behaald.
-Ik gedacht aan de moeitevolle tijden, die die roemvolle dagen hebben opgevolgd. Ik
-gedacht aan de zwaarwichtige ure, toen met de kroon en koningsmantel van <span class="sc">Willem I</span> de last der regeering op de schouders van <span class="sc">Willem II</span> was overgegaan. Ik gedacht aan hetgeen ik toen met het oog op des Konings eed ten
-dage der kroning, en de verwachtingen, daardoor verwekt, heb gevraagd: „Zoo waarlijk
-helpe mij God almachtig!”—<span class="sc">Willem II</span>! Koning der Nederlanden! hebt gij aan die verwachtingen voldaan?<span id="xd31e5980"></span>
-</p>
-<p>Ja, ja! durf ik daarop thans antwoorden: Gij hebt het gedaan, o <span class="pageNum" id="pb203">[<a href="#pb203">203</a>]</span>mijn koning! zoo waarlijk helpe ons God! <span class="sc">Willem II</span> heeft dit vertrouwen niet beschaamd: <span class="sc">Willem II</span> is een goed Koning geweest. Hebben wij hem als Veldheer bewonderd en met hand en
-mond toegejuicht, als Koning hebben wij hem liefgehad en in ons hart gedragen. Aan
-het gejuich, dat rondom hem opging toen, hij den eersten eeretocht als Koning door
-zijne provinciën deed, beantwoorden heden de tranen, die op den doortocht van zijn
-lijk door zijne provinciën worden geschreid. En kon het anders wezen? Liefde is liefde’s
-wetsteen. Nu! de geheele regeering des Konings heeft het zegel gedrukt op dat woord
-uit zijn mond: „Ik heb slechts éénen hartstocht, dien om bij mijn volk bemind te zijn.”
-Des Konings ministers hebben eene gelukkige uitdrukking gebruikt, toen zij spraken:
-„Diepe rouw overdekke het Vaderland bij het afsterven van een vorst, die zijn volk
-boven alles liefhad.” Dit getuigenis is de eikenkrans, dien zijn volk naast den lauwerkrans
-der koninklijke weduwe op zijne lijkkoets leggen moet. Men vrage niet, of Koning <span class="sc">Willem II</span> zijn volk heeft kunnen bevrijden van al den druk, dien het verledene met zich bracht;
-helaas, zulke zegepralen zijn bezwaarlijker en worden trager behaald dan die, welke
-hij te Quatre-bras en Waterloo bevocht: maar dit erkennen wij: hij heeft de geslagene
-wonde zooveel mogelijk zoeken te heelen, en daaraan meermalen eigen rechten en eigen
-schatten ten offer gebracht. Hij toonde het in alles, dat, indien hij eens het bloed
-uit zijne aderen voor Nederland gestort had, hij er andermaal zijn bloed veil voor
-zou hebben, om Nederland zoo gelukkig te zien als hij het wenschte te maken. Kan een
-koning schooner getuigenis in het graf met zich nemen? Ik sprak straks van Versailles:
-ik deed opmerken, welk een verschil er tusschen Versailles en Tilburg, tusschen beiderlei
-paleizen en tusschen beiderlei koningen bestond. En toch, zie beiderlei koningen bij
-hun uiteinde! O, hoe verre gaat dan <span class="sc">Willem</span> de Goede <span class="sc">Lodewijk</span> den Groote te boven! Bij het lijk des eenen de minachting der grooten, de haat des
-volks, de vijandschap van geheel het buitenland, en op den achtergrond het schavot
-van <span class="sc">Lodewijk XVI</span>, als slachtoffer vooral ook van den grootvaderlijken hoogmoed en weelde geslacht.
-Bij het lijk des anderen de hulde van geheel het koninklijk geslacht en hofgezin,
-de achting van den vreemdeling en bovenal de liefde van den landzaat, als van drie
-millioen kinderen bij het lijk des algemeenen Vaders; de liefde van den landzaat als
-de beste erfgave op het hoofd van zoon en kleinzoon overgebracht.
-</p>
-<p>Altijd rondwandelende, knoopte ik nu met dezen, dan met dien der landbewoners uit
-den omtrek een gesprek aan. Het had niets opmerkelijks, dat aller monden met de plechtigheid
-van den dag waren vervuld; maar wat opmerking verdiende, het was de liefde, die uit
-aller mond op de meest overvloeiende wijze sprak. Overal zamelde ik trekken op, te
-onbeduidend om hier mede te deelen, maar die eene geheele wereld van goedhartigheid
-en liefde in het hart des ontslapen Konings ontdekten; <span class="pageNum" id="pb204">[<a href="#pb204">204</a>]</span>trekken in den geest van dien trek, die ons ergens is medegedeeld, hoe de Koning nog,
-weinige dagen vóór zijn dood, voor zijn paleis in den Haag gezien werd, terwijl hij
-zich een geruimen tijd met drie arme kindertjes onderhield. Ja, tot de armen, tot
-de kleinen, tot de geringen zich neder te buigen, was een van die beminnelijke karaktertrekken,
-die meest kenmerkend waren in den betreurden vorst. Die nederbuiging was in hem meer,
-dan eene berekende en afgesproken minzaamheid van vormen, die men zoo vaak bij vorsten
-vindt; hier was zij iets beters; zij stond in verband met dat kinderlijke in hem,
-dat hij ook onder het krijgsharnas en den koningsmantel had weten te behouden. Spraken
-krijgsmansgrootheid en koningsadel uit de plooien van dien mantel, dien hij op zoo
-ridderlijk fiere wijze droeg, een hart vol liefde sprak uit de plooien van dien mond,
-waarmede men te recht gezegd heeft dat „hij alle harten tot zich wist te trekken”.
-Indien hij in meer dan één opzicht aan <span class="sc">Hendrik IV</span> deed denken, dien Frankrijk tot op dezen dag <i lang="fr">le bon Henri</i> noemt, dit geldt bovenal ook van de weêrgalooze populariteit, die hij zich had weten
-te verwerven. Zelden heeft een vorst beter het geheim verstaan om de waardigheid des
-konings met de minzaamheid van den mensch en den menschenvriend te vereenigen: van
-daar, dat hij de Koning van bijna even vele harten als zielen was. Welke koning droeg
-ooit met meer recht den naam van beschermheer der kunsten? Welke koning had ooit meer
-aanspraak op den titel van weldoener der armen? Ik begrijp het mij, hoe een kunstenaar
-het eerste sein voor de oprichting van zijn standbeeld gaf; maar ik moet het er bijvoegen,
-indien men de tranen der beweldadigden in eene urn vergaderen en die als eene lijkbus
-op zijn overschot plaatsen kon, dat dit hem een nog schooner gedenkteeken zou zijn.
-O, ik weet niet, of ik niet te stout spreke; maar mij dunkt, <span class="sc">Willem II</span> heeft in zijn korte levensdagen een groot werk volbracht. Hij ontving eene kroon
-met doornen bezet; ontveinzen wij het niet, te recht of ten onrechte, de liefde des
-volks voor zijn Koning, de populariteit van <span class="sc">Oranje</span> in Nederland had geleden, toen <span class="sc">Willem II</span> Koning werd. Een vreemdeling, die vaak in onze zaken scherper ziet dan wij zelven,
-heeft den toenmaligen staat van Nederland naar waarheid geschetst. „In de zestiende
-eeuw heeft de volharding van <span class="sc">Willem</span> den Zwijger Holland gered, in de negentiende heeft die van <span class="sc">Willem I</span> het land in groot gevaar gebracht. Dertig jaren oud beklom hij den troon, gedragen
-door al de wenschen, omringd door al de zegenwenschen zijner onderdanen. Het gansche
-land gaf zich met liefde en vertrouwen aan hem over, en in het hart van den rijke,
-zoowel als in het gemoed van den eenvoudigen dorpeling, wekte zijn naam niets dan
-een gevoel van hoop en vereering op. Twee dwalingen hebben hem die voorbeeldelooze
-populariteit doen verliezen.… Maar welk een rust heerscht er in dat land! Welk eene
-edele onderwerping! Welk eene standvastigheid! Toen <span class="sc">Willem I</span> de kroon nederlegde, hoorde men onder het publiek niet eene enkele beschuldiging
-tegen de verschillende daden van zijne regeering,—hoorde men niet eene enkele klacht
-<span class="pageNum" id="pb205">[<a href="#pb205">205</a>]</span>Iedereen heeft bij zichzelven de redenen van dit besluit begrepen, en het stilzwijgen
-bewaard. Zelfs vertoonde zich in de bewijzen van liefde en vertrouwen, den nieuwen
-Koning betoond, eene zekere terughouding, die vol welvoegelijkheid was, alsof het
-volk vreesde, dat de openbaring van eene te groote geestdrift voor den zoon den schijn
-zou kunnen hebben van eene veroordeeling voor den vader te wezen”. Maar nu! was de
-toestand van Nederland zoodanig, als hier door een onpartijdig aanschouwer en opmerker
-wordt gezegd, welke bezwaren ontmoette dan <span class="sc">Willem II</span> niet van stonde aan op zijn pad! Welk een verschil tusschen de stemming des volks
-bij de troonsbeklimming van den souvereinen vorst en de kroning van Nederlands tweeden
-koning!—Wel nu, had <span class="sc">Willem I</span> het voorrecht niet gehad, de liefde des volks tot den einde toe in dezelfde mate
-te behouden, <span class="sc">Willem II</span> heeft, als de schoonste zijner veroveringen, den verloren grond herwonnen. Hij heeft
-tot en op den naam van <span class="sc">Oranje</span> wederom al die liefde weten terug te brengen, die daaraan van ouds onafscheidelijk
-verbonden was. Hij heeft alzoo aan het nationale middelpunt van onzen staat, dat niet
-is <i lang="fr">la charte constitutionelle</i>, als vroeger in Frankrijk, maar dat is: de stam der <span class="sc">Nassaus</span> met de spreuk <i lang="la">Je maintiendrai</i>, zijne aantrekkende en bezielende werking teruggegeven. Hij heeft het koningschap
-in Nederland op nieuw weten te bevestigen op die rots, die in deze dagen alleen vaststaat,
-liefde tot den Koning, door de in vleeschen tafelen des harten gegronde overtuiging,
-dat „zijn Koning hem van God gegeven is!”—Koning der Nederlanden, vroeg ik straks:
-hebt gij aan die verwachtingen uws volks ten uwen opzichte voldaan? En ik antwoord
-nogmaals: Ja, gij hebt daaraan voldaan; want gij hebt de taak van een <span class="sc">Oranje</span> volbracht! Gij zijt op nieuw het plechtanker geworden van het hulkje, dat zich aan
-u vertrouwde<span class="corr" id="xd31e6062" title="Bron: ,">.</span> Daarom is de dag van uwen dood een dag van rouw voor geheel Nederland; daarom is
-de dag van uwe uitvaart een dag van droefenis voor alle Nederlanders; daarom gaat
-nu van Tilburg een lijkstoet uit, die met andere tranen wordt overdekt dan de kunst
-des zilverwerkers over het zwarte kleed van uwe lijkkoets heeft uitgestrooid; daarom
-klinkt, van Tilburg tot aan de boorden van de <span class="corr" id="xd31e6065" title="Bron: Lauwerzee">Lauwerszee</span>, eene stem, die doodklokgalmen en uitvaartsalvo’s verdooft, en die ook in mijn hart
-boven die allen weêrklinkt.
-</p>
-<p>En intusschen zongen de leeuwerikken steeds hun vroolijk morgenlied.
-</p>
-<hr class="tb"><p>
-</p>
-<p>Een dikke stofwolk doet zich in de verte op. Tusschen het stof wemelt een roode gloed.
-Het zijn de kleine witte en roode vanen aan de speren der lansruiters. De trein genaakt.
-</p>
-<p>O, hoe stil en bijna onopgemerkt naderde hij hier! Op het punt, waar ik mij bevond,
-waren slechts zeer enkele menschen. Ook vóór den trein bevond zich bijna niemand.
-Recht zooals ik het had gewenscht en gehoopt. Des te ongemengder en dieper was de
-indruk, dien de optocht op mij maakte. Vooraan enkele ruiters, om den trein te openen;
-daarna eene afdeeling lanciers, voorafgegaan door den majoor <span class="sc">Coets van <span class="pageNum" id="pb206">[<a href="#pb206">206</a>]</span>Baggen</span>, die te Waterloo aan de zijde des ontslapenen streed, en die het voorrecht had hem
-bij een nog zwaarder strijd zijnen zetel tot een laatste ruste te mogen aanbieden.
-Daarna het muziekcorps der lanciers, met hunne in floers gewikkelde muziekinstrumenten,
-die zich, eenige honderde voetstappen verder, in eene schoone andante klagende lieten
-hooren. Eene eenvoudige koets met twee paarden volgde, en onmiddelijk daarna, door
-vier paarden getrokken, de lijkwagen, waarin het kostbaar overschot was bevat. Het
-was een indrukwekkend gezicht. De hemel van den wagen was van somber zwart met rein
-zilver afgezet, en verhief zich in een spits, die door een zilveren kroon gedekt werd:
-ik dacht aan het schoone woord van <span class="sc">Bossuet</span> aangaande de toerichtingen, „die tot aan de wolken de doorluchtige bewijzen verheffen
-van—ons niet”. Onder den hemel, op het zwarte dekkleed, dat de kist omsloot, lag een
-kussen met de gouden kroon, en naast de gouden kroon eene groene lauwerkrans, door
-de hand der koninklijke weduwe gevlochten. Frisch, als waren zij pas geplukt, waren
-die lauweren om het hoofd van den ontslapen held nog niet verdord. Maar dat die kroon
-met geen enkelen traan van uwe onderdanen door uwe schuld bepareld was, al was zij
-<span class="corr" id="xd31e6083" title="Bron: dik, wijls">dikwijls</span> voor u een doornenkroon geweest, dat strekt u tot grooter <span class="corr" id="xd31e6086" title="Bron: eer-">eer,</span> dan alle lauweren u konden aanbrengen, o mijn Koning! Tegenover de kroon lagen de
-epauletten, waarschijnlijk met de gekruiste veldmaarschalkstaven versierd, het eereteeken
-van den rang, dien de held op het slagveld verwierf, en waarop de Koning uit dien
-hoofde bleef prijs stellen. Ter wederzijden lagen de degens. Ginds de degen, die,
-na in Spanje den troon des overweldigers mede te hebben ondermijnd, daaraan bij Brussel
-den laatsten slag toebracht. Want zonder Quatre-Bras geen Waterloo, en zonder Waterloo
-geen St. Helena! Hier de degen, die den Noord-Nederlandschen helden andermaal den
-weg naar Brussel opende, en die in Brussel het bulletin van <span class="corr" id="xd31e6089" title="Bron: Belgies">Belgiës</span> onderwerping <span class="corr" id="xd31e6093" title="Bron: ou">zou</span> hebben geteekend, indien geen Fransch leger, overmachtig en overmoedig, zich tusschen
-Leuven en Brussel had gesteld: de degen, dien ook ik op den IJzeren Berg als een starre
-der zegepraal tusschen de wolken van den <span class="corr" id="xd31e6096" title="Bron: kruiddamp">kruitdamp</span> hebben zien blinken, en die ook mij als een starre naar het veld der overwinning
-en van daar wederom huiswaarts heeft geleid! Ziedaar alles wat ik zag; maar wat ik
-zag, kon mij niet beletten meer te zien dan dat. Het belette mij niet in den geest
-het <span class="corr" id="xd31e6099" title="Bron: lijkleed">lijkkleed</span> van die kist te nemen, de kist te openen, en een blik op den daarin rustenden doode
-te slaan. Welk een aandoenlijk gezicht trof mij daar! Dat hoofd, dat zich zoo fier
-placht op te heffen, roerloos ter nedergezonken; dat sprekend oog vol geest en vuur
-verdoofd! Nog altijd diezelfde lach om den mond; maar die lach als in marmer gegoten,
-roerloos, koud en kil. Die borst, met de welverdiende eereteekenen versierd; maar
-het hart in die borst levenloos, verstijfd en stil. Het geheel een beeld des doods;
-van dien dood, „die den geest der vorsten als rijpe drijven afsnijdt;” van dien dood,
-die koningen en bedelaars gelijk maakt, en den eersten recht geeft <span class="pageNum" id="pb207">[<a href="#pb207">207</a>]</span>den laatsten met de woorden bij <span class="sc">Jesaja</span> toe te roepen: <i>Zoo zijt gij dan ons gelijk geworden!</i> Ach, wat was er nu van dien Koning overgebleven, die over zoovele millioenen had
-geheerscht! wiens schepter zich, behalve hier over de oevers der Zuiderzee, in een
-ander werelddeel over de eilanden eens onmetelijken oceaans had uitgestrekt! Een ziellooze
-stofklomp, die welhaast een wolk van stof zou zijn, als die stofwolk, die door de
-hoeven zijner paarden werd opgejaagd. „Mijne broeders! God alleen is groot!”
-</p>
-<p>Zoo was dan nu, na zes-en-vijftig jaren strijds, dat hoofd op weg om zijn laatste
-peluw te gaan zoeken. Ach, ach! hoeveel stormen hadden gedurende dat tijdvak niet
-al over dat hoofd gewaaid! Pas had het twee jaren beleefd, toen het reeds in de
-</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line xd31e490">„kinderlijke wieg moest hobblen op de baren, </p>
-<p class="line">Uit huis en hof geschopt door dolle woestaardij.” </p>
-</div>
-<p class="first">Die eerste storm was opgevolgd door het driedubbel geweld, waarmede <span class="sc">Napoleon</span> hier den burger in zijn volk vertrad, daar den vorst in zijn voorvaderlijk erfgoed
-beroofde, elders den krijgsman in zijn leven bedreigde. Straks op een hulk wedergekeerd
-uit datzelfde Engeland, waar hij op een hulk was heengegaan, schitterde wel om dat
-hoofd de kroon van den vorst met den krans des overwinnaars omvlochten, maar ook toen
-ervoer de vorst, hoeveel zwaarder het is, die kroon dan dezen krans te dragen, en
-nog eens zag Engeland hem onder den last eener zware beproeving gebogen terug. Wel
-joeg de zegepraal van Leuven die nevelen weder uiteen, en daalde straks met den diadeem
-van <span class="sc">Willem I</span> de liefde van een geheel volk op dien schedel neder; maar toen wachtte den Koning
-eene nog bitterder ervaring: de ervaring hoe centenaarszwaar ook de kleinste kroon
-kan wegen op het sterkste hoofd, en werd hem dit woord van de lippen gedwongen, dat
-uit zijn mond tot mij gebracht werd: het woord, waarbij hij verklaarde, dat men de
-uitdrukking „zoo gelukkig als een koning te zijn”, in onze dagen liever omkeeren mocht.
-Als ter voorbereiding voor het naderend einde kwam daarbij het lijden eener geschokte
-gezondheid, het lijden van een leven, dat op die wijze „een dagelijksche dood” werd,
-een leven als onder het zwaard van <span class="sc">Damocles</span>. Ai mij, daar breekt de brooze draad, waaraan dat zwaard was opgehangen.… daar valt
-dat zwaard neder … het treft dat dierbare hoofd.… dat hoofd, nimmer gewoon te bukken,
-heft zich nog eenige malen tot de worsteling op … vergeefs.… het wordt gedwongen te
-buigen.… het buigt zich voor den laatsten slag … het zinkt voor altijd op de koude
-borst.… Koning <span class="sc">Willem II</span> is niet meer!
-</p>
-<p>Nu dan, het ruste zacht, dat edel helden- en koningshoofd! Het ruste zacht op het
-rustbed, dat de liefde het in de laatste woning heeft gespreid. Het ruste zacht in
-de schaduw der dankbare nagedachtenis, die het graf der <span class="sc">Nassaus</span>, als een altijd geurende wierookwolk <span class="pageNum" id="pb208">[<a href="#pb208">208</a>]</span>omzweeft. Geene aanklagt, geene verwensching, geene stemme der beschuldiging of der
-veroordeeling zal die ruste storen; immers, het weenen en snikken des volks rondom
-het graf stoort zulk een ruste niet?
-</p>
-<p>Slaap dan zacht, o Koning! Slaap zacht, in het hart uws volks beter dan in alle oostersche
-specerijen ingebalsemd, en voor een spoedig vergaan bewaard! Slaap zacht onder de
-lauweren, die eene zachte hand voor uwe lijkkist vlocht, en moge ook de nooit gedroogde
-traan van Haar, aan wie die hand behoort, zoowel als de rouw van het u teederlievend
-kroost, dien slaap niet storen! Slaap zacht, en neem bij zoovele anderen ook uit mijn
-hart dezen mannelijken traan als een offer der dankbaarheid en der liefde mede.
-</p>
-<p>En boven mij zongen de leeuwerikken altijd hun vroolijk morgenlied.
-</p>
-<hr class="tb"><p>
-</p>
-<p>De trein was voorbijgetogen. Ik zag haar na. Daar ging zij heen, eerst naar Oosterhout,
-dan naar Geertruidenberg, dan naar Rotterdam, dan naar Delft, dan naar het graf<span class="corr" id="xd31e6143" title="Bron: ,">.</span> Rondom dat graf zouden al de dierbaarste betrekkingen des Konings zich vereenigen,
-om het de laatste eer te bewijzen. Mij dunkt, ik zag ze daar staan, en in hun midden
-zag ik den jeugdigen man, die thans <span class="sc">Willem III</span> heet.
-</p>
-<p><span class="sc">Willem III!</span> Nog herinner ik mij als een aandenken uit de schoone jaren van voorheen, hoe ik meermalen,
-langs de straten mijner vaderstad gaande, een open rijtuig opmerkte, waarin zich twee
-jongelingen in gezelschap van een opperofficier bevonden. Het waren de twee oudste
-kleinzonen des toenmaligen Konings, Prins <span class="sc">Willem</span> en Prins <span class="sc">Alexander</span>, die destijds kweekelingen der <i lang="la">alma mater Leidensis</i> waren. Waarlijk, men had minder dichter moeten zijn, dan ik het toenmaals was, om
-niet wel eens bij het gezicht dier twee jongelingen een blik in de toekomst te wagen,
-en voor hen hun jongelingsdroom te droomen. Wat is er van dien droom geworden? Ga
-naar het praalgraf der <span class="sc">Nassaus</span> te Delft, en vraag den bewaker van dat graf, wat er van dien droom voor Prins <span class="sc">Alexander</span> werd? Hij stierf op een vreemde kust, verre van zijn Vaderland, verre van het hart
-zijns vaders en den boezem zijner moeder. Des te dankbaarder zijn wij voor Prins <span class="sc">Willem</span>, dat zijn levensdroom zich aanvankelijk heeft vervuld. Hij heeft <i>de kroon</i> verkregen, die hem voor de oogen zweefde. Wat zal die kroon hem zijn? Ziedaar eene
-vraag, waarop niemand op aarde antwoord geeft. Wat zal <i>hij</i> dier kroone wezen? Ziedaar eene vraag, waarop evenzeer het antwoord blijft ontbreken.
-En toch willen wij de beantwoording van die vraag door de toekomst vooruitloopen,
-en het in hope zeggen: hij zal dier kroon een waardige, een zijns vaders en onzes
-volks waardige kroonvoerder zijn! De omstàndigheden, waaronder hij het gebied ontvangt,
-zijn al te aandoenlijk, de tijden, waarin hij leeft, al te zwaarwichtig, om niet op
-zijn hart te doen wegen de grootheid der verantwoording, die thans op hem rust. De
-dood en begrafenis zijns vaders heeft hem toegeroepen: <i>Zie, hoe lief men hem had!</i> Zie, hoe lief ons volk goede koningen heeft! Zou dit hem niet dringen om een goed
-Koning voor zijn <span class="pageNum" id="pb209">[<a href="#pb209">209</a>]</span>volk te wezen? Eene zijner eerste regeeringsdaden is geweest, zijn volk met zich ten
-gebede op te roepen. Is dat niet reeds een goed begin, dat aan <span class="sc">Salomo</span> te Gibeon denken doet? Of zouden zoo vele gebeden, met de tranen onzes volks over
-den ontslapen Koning, en, wat meer zegt, met het bloed van den Koning der koningen,
-bij wiens kruis wij heden in den geest staan, en op wiens kruis wij onze gebeden nederleggen,
-als besproeid, ledig tot ons kunnen wederkeeren? Eindelijk,—o hoe gaarne neem ik dit
-als een voorteeken aan!—hij heet <span class="sc">Willem III</span>. <i lang="la">Accipio omen.</i> <span class="sc">Willem III!</span> Welk een naam is de uwe! Misschien hebt gij er zelf aan gedacht, toen gij daar te
-Londen in Westminster-Abbey bij het graf van uw doorluchtigen naamgenoot stondt; er
-aan gedacht, toen gij thans nog overal Groot-Brittanje van den naam van <span class="sc">Willem III</span> vervuld zaagt; er aan gedacht, toen men u in Engeland zoo menige hulde, aan uwen
-naam verschuldigd, daarom te liever bracht, omdat gij ook een naam- en stamgenoot
-van <span class="sc">Willem III</span> waart. <span class="sc">Willem III!</span> wij bidden het van God, maar wij vragen het ook u, beschaam die schoone verwachting
-niet! Wees voor Nederland als Koning, wat <span class="sc">Willem III</span> als Stadhouder voor Nederland is geweest. Heeft <span class="sc">Willem III</span> voor de republiek het werk bekroond, door de wijsheid van den Zwijger begonnen, door
-de dapperheid van <span class="sc">Maurits</span> en <span class="sc">Frederik Hendrik</span> bevestigd, bevestig gij alzoo voor het koningschap het werk, dat Koning <span class="sc">Willem II</span> tot dusverre voortgezet heeft. Daartoe zij uw oog voortdurend op onzer vaderen God,
-op onzer kinderen Vader gevestigd, met wien de groote Zwijger (immers ook voor al
-zijne zonen?) een plechtig verbond heeft gemaakt. Biddende zijt gij begonnen; o, mocht
-gij biddende voortgaan, opdat wij samen dankende mogen eindigen. <span id="xd31e6218"></span><span class="sc">Christus</span> te volgen, zoo waagde ik het reeds vroeger, met een woord uit den ouden tijd eenmaal
-tot een uwer vaderen gesproken, u toe te spreken, „<span class="sc">Christus</span> te volgen is den menschen vóór henen te gaan, en die op dat pad de voorste is, is
-de eerste aller menschen, Gode het naaste en alleen een rechtschapen prins.” Amen!
-zeg ik thans met dubbelen nadruk op dat woord,—en al het volk zegge Amen!—en gij,
-o God der vaderen! doe gij om en door <span class="sc">Jezus Christus</span> zoo en zoo daartoe!
-</p>
-<p>Een beroemd schrijver heeft onlangs een bezield tafereel opgehangen van de omstandigheden,
-waaronder <span class="sc">Willem III</span> Stadhouder der Unie werd. Onwillekeurig vergeleek ik den heeten strijd op leven en
-dood, waarvan die verheffing de uitkomst was, met de woorden der ministeriële proclamatie:
-<i>Het heeft den Almachtige behaagd</i> <span class="sc">Willem II</span> <i>tot zich te roepen</i>.—<span class="sc">Willem III</span> <i>is Koning der Nederlanden</i>.
-</p>
-<p>Ziedaar, zeide ik bij mij zelven, den zegen van het erfelijk koningschap. Elders worstelingen,
-die den vrede des lands in gevaar brengen; elders, gelijk thans nog in Frankrijk,
-ook bij het behoud des vredes, het gevaar om aan het hoofd des volks een man te zien,
-wiens persoon niet alleen, maar wiens naam alreede voor velen een voorwerp van dubbelzinnige
-herinneringen is; hier daarentegen de stille overgang <span class="pageNum" id="pb210">[<a href="#pb210">210</a>]</span>van de kroon des eenen <span class="sc">Nassaus</span> op het hoofd des anderen, en wat het schoonste is, de overgang van de liefde, die
-op des eenen hoofd rustte, althans bij aanvang, ook op des anderen hoofd. Nederland!
-moogt gij het nooit vergeten, welk een voorrecht ons God tot op dezen dag in het behoud
-van een erfelijk en wezenlijk koningschap liet, en eeuwig blijve van onzen grond geweerd
-de invloed der voorstanders dier valschelijk genaamde vrijheid, die <span class="sc">Karel</span> naar Holyrood, <span class="sc">Lodewijk Filips</span> naar Claremont en <span class="sc">Lodewijk XVI</span> naar het schavot op de <i lang="fr">Place de Louis XV</i> <span class="corr" id="xd31e6267" title="Bron: bragt">bracht</span>. Maar ook gij, o Koning! moogt gij nooit vergeten, met hoeveel vertrouwen en liefde
-uw volk u tegenkwam van den dag aan, dat het in den weg van God uw volk werd. En nooit
-ontga uw hart het aandenken aan die schoone ure, waarin het op nieuw bleek, dat de
-liefde van Nederland voor <span class="sc">Oranje</span> te recht genaamd is „de stem van het bloed van ’s lands kinderen, dat ’s lands vaderen
-tegenroept.” Ja, zij is eene stemme des bloeds, die stem! want zij is geboren uit
-het bloed, dat de Vader des Vaderlands voor Nederland vergoot, terwijl hij stervende
-met dat bloed, als met een onoplosbaar cement, Nederland en <span class="sc">Oranje</span> tot één verbond! Welaan dan, bij het graf van dien Vader des Vaderlands ons verbond
-vernieuwd! O Koning! wees gij ons een koning gelijk wij verwachten; en wij zullen
-u een volk zijn gelijk gij hoopt. <span class="sc">Willem I!</span> Vader der <span class="sc">Nassaus</span>! Vader des Vaderlands! wees gij getuige van dat verbond, bij het open graf van dezen
-uwen naneef gesloten! Eer wij het verbreken, verdorre onze hand! Eer wij het verloochenen,
-verstomme onze tong! Eer wij er ontrouw aan worden, verstijve ons hart!—En nu! De
-koning is gestorven. Zijn assche ruste in vrede! De Koning leve! Zijne regeering zij
-gezegend! Ja, zijne regeering, ze zij, o God! gelijk aan die lente, die gij weder
-over de aarde doet aanbreken; en het lied der vogelen, dat dezen feestdag der lente
-viert, moge het de voorbode, gelijk van een nieuw leven voor de aarde, zoo ook van
-een nieuw leven vol vrede en voorspoed voor Nederland zijn! Mocht het zoo wezen.…
-o dan is de laatste strijd tusschen het gindsche klokgeklep en dit vogelengezang opgelost,
-en zingt dan, gij leeuwerikken! zingt luide uw vroolijk morgenlied!
-<span class="pageNum" id="pb211">[<a href="#pb211">211</a>]</span> </p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch19" class="div1 story"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e7275">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="main">TWEE MONUMENTEN.</h2>
-<h2 class="sub">(1676–1841).</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Op den 25<sup>sten</sup> Augustus 1841 werd te Vlissingen een standbeeld ontbloot en ingewijd. Deze plechtigheid
-werd met schitterende feesten gevierd. Kanonnen bulderden; vlaggen en wimpels zwierden;
-een statelijke optocht ging om; eene welsprekende feestrede werd uitgesproken; eene
-kunstrijke cantate werd gezongen; kunstelooze zeemansliederen werden aangeheven: merkwaardige
-gedenkstukken werden ten toon gesteld; maaltijden werden gehouden; feestlichten werden
-ontstoken; volksspelen werden gegeven; handen wuifden; monden jubelden; oogen blonken;
-harten gloeiden. Vlissingen was eene groote feestzaal, waarnaar geheel het vaderland
-het belangstellend oog gericht hield.
-</p>
-<p>Het was het feest der inwijding van het standbeeld van <span class="sc">Michiel <span class="corr" id="xd31e6298" title="Bron: Adriaanz.">Adriaansz.</span> de Ruiter</span>, Hertog, Ridder enz., Luitenant Admiraal Generaal van Holland en Westfriesland.
-</p>
-<p>In diezelfde dagen kwam uit de werkplaats, waaruit het beeld van <span class="sc">De Ruiter</span> was voortgekomen, een ander gedenkteeken in stilte te Alkmaar aan. Van daar werd
-het door het verbaasde duin naar Egmonds zeekust vervoerd. Daar werd het op het wachtend
-voetstuk geheven, dat rondom den nieuwen lichttoren oprijst. Toen zag men den Nederlandschen
-leeuw, met den klauw om het kanon geklemd, het hoofd opsteken in den zeewind, dien
-het met verrukking in de rookende neusgaten ving.
-</p>
-<p>Het was het gedenkteeken ter eere van <span class="sc">Jan Carel Josephus van Speyk</span>, Ridder der Militaire Willemsorde, Luitenant ter Zee.
-</p>
-<p>Dit toevallig samentreffen moest ieder, die het vernam, opmerkelijk voorkomen. En
-wellicht ware er stof uit te putten voor eene vergelijking, welke het niet aan sprekende
-kontrasten ontbreken zou. Beide helden, uit geringen stam gesproten, en beide door
-koninklijken ridderslag geadeld; beide op zee groot geworden, en beide aldaar op het
-bed van eer gestorven; beide in hun leven met een groenen krans van eere gekroond,
-en beide in hun dood in een geurige lijkwâ van glorie gewikkeld; ja, om de overeenkomst
-te volmaken, beide in hun graf <span class="pageNum" id="pb212">[<a href="#pb212">212</a>]</span>door den weêrglans van eene koningskroon bestraald. De Amsterdamsche weesjongen, die
-zijn eersten sluimer in eene armenkrib sluimerde, sliep zijn jongsten slaap, totdat
-hem eene eigen sponde gespreid was, in het vorstelijk graf der <span class="sc">Nassau’s</span>, aan de zijde van den grooten Zwijger; de Vlissingsche schipperszoon zag terzelfde
-plaatse, waar hij voor een stuiver daags in de lijnbaan gezwoegd had, onder duizend
-edele hoofden, waarop hij van zijn voetstuk nederzag, een gekroonden schedel ontbloot!
-En toch, niet treffender de overeenkomst die beide vereenigt, dan het verschil dat
-beide scheidt. Welk een afstand toch tusschen den Luitenant-Admiraal Generaal en den
-Luitenant ter zee,—tusschen het Opperhoofd van ’s Lands vloot en den Bevelhebber van
-eene kanonneerboot,—tusschen den negenenzestigjarigen held, die in de schaduw zijner
-lauweren, in vijftien groote zeeslagen gewonnen, ten grave daalde, en den negenentwintigjarigen
-jongeling, die in het winnen van zijn eersten lauwer bezweek,—tusschen den „Schrik
-des oceaans” en den Dappere, wiens zegevierende uitgang alleen den Schelde-oever deed
-beven!
-</p>
-<p>Deze en dergelijke trekken hadden niet kunnen missen ieder, die van de gelijktijdige
-oprichting der beide gedenkteekenen kennis droeg, te treffen. Maar ik voor mij verliet
-ze welhaast, om twee geheel andere beelden voor mijnen geest te zien verrijzen: het
-Nederland van <span class="sc">De Ruiter</span> en het Nederland van <span class="sc">van Speyk</span>: het Nederland van 1676 en het Nederland van 1841.
-</p>
-<p>Het Nederland van <span class="sc">De Ruiter</span> en het Nederland van <span class="sc">Van Speyk</span>. Ik bid u, daarin iets anders en iets meer te zien, dan een ijdel spel met twee namen.
-Helaas! er ligt eene droevige waarheid in dat spel. De verhouding tusschen <span class="sc">De Ruiter</span> en <span class="sc">Van Speyk</span> is maar al te zeer de schaal der verhouding, die tusschen beider Nederland bestaat:
-de Admiraalsvlag <span class="corr" id="xd31e6341" title="Bron: vau">van</span> 1676 tot den bootswimpel van 1831 gekrompen—ziet daar het beeld van ons vaderland
-bij den dood van <span class="sc">De Ruiter</span> en den dood van <span class="sc">Van Speyk</span>!
-</p>
-<p>Wat dunkt u? indien dat metalen beeld op zijn voetstuk zoowel leven kon aannemen,
-als het te leven schijnt;—indien het den ijzeren blik op de zee kon vestigen, die
-aan zijne voeten breekt;—indien het over die zee zijne geliefde Statenvlag kon volgen;—o,
-hoe het wenschen zou, nooit op die hoogte gestegen te zijn! hoe het verlangen zou,
-wederom rustig neder te liggen op de tombe, waar het in de schaduw van zijne eigene
-en ’s Lands glorie zoo gelukkig sliep! hoe het den Pygmalion, die het in het leven
-riep, bidden zou, wederom steen te mogen worden; levenloos en ongevoelig steen! Of
-hoe, meent gij, zou het onzen <span class="sc">De Ruiter</span> te moede zijn, als hij die schoone vloot, grootendeels onder zijn oog en hand verrezen,
-tot een handvol booten versmolten zag! als hij aanschouwen moest, hoe de vlag, die
-hij had doen eerbiedigen met siddering, nu gedoogd wordt met edelmoedigheid! als hij
-het moest aanzien, hoe de cirkel, door den boeg zijner schepen over de wereldzee getrokken,
-nu bijna geheel door de <span class="pageNum" id="pb213">[<a href="#pb213">213</a>]</span>sporen van andere bodems is uitgewischt! Indien hij er getuige van geweest ware, wat
-meent gij, zou de held van Soulsbay gevoeld hebben, wanneer hij de vaderlandsche schepen
-in de vaderlandsche havens gekerkerd had gezien, aldaar opgesloten, ik zeg niet door
-de duurgekochte overwinning, maar door het enkele bevelwoord van diezelfde Engelsche
-en Fransche vloten, waarvan hij meermalen de zee had schoongevaagd, als <span class="sc">Harpertzen’s</span> beroemde bezem! Mij dunkt, ik hoor den mond, die eenmaal op het gezicht van den schrik,
-door de enkele verschijning van zijn Admiraalschip <i>de Zeven Provinciën</i> verwekt, zoo <span class="corr" id="xd31e6363" title="Bron: vrolijk">vroolijk</span> braveerde, dat woord treurig herroepen: „De vijand heeft <span class="sc">geen</span> eerbied meer voor de Zeven Provinciën!”
-</p>
-<p>Daarom, schoon eere doende aan de dankbaarheid van het nageslacht, dat in <span class="sc">De Ruiter</span> den schepper van zijn blinkendsten roem en weligste welvaart vereert, om uwentwil
-verheugt het mij, dat de kunst, schoon zij uit ijzer goden scheppe, niet vermag u
-uit uw ijzeren slaap op te wekken; dat gij slechts een <span class="sc">beeld</span> zijt, heldengestalte van <span class="sc">Michiel Adriaanszoon de Ruiter</span>!
-</p>
-<p>En toch! zie, het is alsof dat andere gedenkteeken,—het is alsof de leeuw van Egmond
-mij verwijt onrechtvaardig te zijn, en, om den wille van het Nederland van <span class="sc">De Ruiter</span>, het Nederland van <span class="sc">Van Speyk</span> te kort te doen. Ik hoop niet, dat verwijt verdiend te hebben. Het is de plicht van
-een kind, zijn moeder lief te hebben, al is zij oud en zwak geworden. Verre zij het
-van mij, ten gevalle van den roem van het verledene, de rechten van het tegenwoordige
-te verkorten, en de levende <span class="sc">Polyxena</span> te willen opofferen aan de schim van den dooden <span class="sc">Achilles</span>. Ik erken met allen, die het mij toevoeren: ook de jongste tijd had zijne heldere
-dagen. De jaren 1830 en 1831 waren een schoon oogenblik in onze geschiedenis, de schoonste
-tijdperken onzer vaderen waardig, en dat niet verdiend had, wegens de ongelukkige
-uitkomst, door hen zelve, die er eene werkzame rol in vervulden, verkleind, ja, bespot
-te worden. Nog behoeft het geslacht, dat aan den voet van <span class="sc">De Ruiter’s</span> standbeeld vergaderd was, niet voor zijne schim te blozen. De helden van Hasselt
-en Leuven, de verdedigers van Antwerpen’s citadel, de dapperen van Algiers en Palembang,
-met den held aan het hoofd, die zich eene kroon van lauweren won, eer hij de juweelen
-kroon erfde, zijn niet onwaardig onder de oogen van den grooten Vlissinger te verschijnen.
-Ja, de grootmoedige vlootvoogd, die iedere dappere daad wist te waardeeren, ziet met
-een oog van welgevallen, niet ver van de prachtige tombe, waaronder hij slaapt, die
-nederige zuil verrijzen voor den jongen zeeman, die in zijn schoonen dood het beginsel
-huldigde, waarvan hij zelf het offer werd,—van het leven minder te achten dan de eere
-van ’s Lands vlag.
-</p>
-<p>En nogtans vergeve men het eenen Nederlander, die de daden der Vaderen niet vergeten
-kan, dat hij in het Nederland van 1841 het Nederland van 1676 niet herkent, en niet
-herkennen zou, al ware sedert het vuur niet weder uitgedoofd, dat in 1831 zoo helder
-ontbrandde; <span class="pageNum" id="pb214">[<a href="#pb214">214</a>]</span>al had de uitkomst niet bewezen, dat het slechts een schoone droom was, dien de dichter
-dweepte:
-</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line">Holland is twee eeuwen jonger, </p>
-<p class="line">Dan het was vóór vijftig jaar. </p>
-</div>
-<p class="first">En nu, wat zal het namaals zijn? Hoe zal het Nederland van anderhalve eeuw later zich
-voordoen? Zal het aan dat van 1841, of van 1676 gelijken? Voorspelt ons de oprichting
-van <span class="sc">De Ruiter’s</span> beeld, dat met hem het tijdperk van roem en voorspoed, hetwelk met hem ten grave
-ging, wederom zal opstaan? Mag ik een voorteeken zien in den helderen zonneschijn,
-die, op het oogenblik van het ontblooten des gedenkteekens, den regen verving, die
-tot dusverre het feest had verduisterd? O, hoe gaarne zou ik daarop het <i lang="la">accipio omen</i> zeggen! Hoe gaarne zou ik in den heldendood van <span class="sc">Van Speyk</span>—de wedergade van den dood van <span class="sc">Claessens</span>, die de wapenfeiten onzer vaderlandsche helden opent—den dageraad van eenen nieuwen
-morgen begroeten! hoeveel liever dan den avond, die den dag in denzelfden purpergloed
-ziet ondergaan, waaruit hij is opgerezen! Doch ik durf mij aan die zoete hoop niet
-toegeven; ik zie niet wat er mij recht toe laat. Moet ik de klagers onder ons gelooven,
-dan ligt de schuld aan.… ja, aan wie niet al? Aan <span class="sc">Oranje</span> voornamelijk, wiens lot het schijnt te zijn, ten aanzien van ons zeewezen het voorwerp
-van een eeuwigdurend wantrouwen te zijn, dat nimmer gerechtvaardigd werd. Alsof de
-geschiedenis niet anders leerde; ja, alsof de jeugdige Prins-Kapitein, die, aan de
-zijde zijns Koninklijken Vaders, aan den voet <span class="corr" id="xd31e6424" title="Niet in bron">van </span><span class="sc">De Ruiter’s</span> standbeeld verscheen, niet bewees, dat Koning <span class="sc">Willem II</span> een echt nakomeling van de Kapiteinen-Generaal en Admiralen der Vereenigde Nederlanden
-is! Overigens onderneem ik niet, over de billijkheid <span class="corr" id="xd31e6431" title="Bron: vau">van</span> wederzijdsche grieven of klachten te oordeelen. Maar wat ik weet of zie, het is dat
-de geest van de zeventiende eeuw, de geest van <span class="sc">De Ruiter</span>, van ons volk geweken is; het is dat de veroverde vendelen van den Tiendaagschen
-Veldtogt den sluimer niet verbergen kunnen, waarin de Nederlandsche Leeuw verzonken
-is; het is dat zijn weder-inslapen na zijn kort ontwaken, nog droeviger dan of hij
-in het geheel niet ontwaakt ware, bewijst, dat zijn slaap eene slaapziekte geworden
-is. Vergeefs geklaagd en gejammerd; vergeefs verweten en beschuldigd; vergeefs gehoond
-en geschimpt. De kracht der Zeven Provinciën huisde niet in het hout, waaruit de vloot
-gebouwd werd; hare geestdrift niet in de zeilen, die ze bevleugelden; hare dapperheid
-niet in het ijzer, dat ze beschermde. Neen! die kracht, die geestdrift, die dapperheid
-huisde in den geest van de ijzeren menschen, welke die houten vloot bemanden,—of,
-nog liever in den geest van het geheele volk, waaruit de bemanning voortkwam. Wat
-was in dien tijd een verloren schip, een verstrooid eskader, eene vernielde vloot
-zelfs? Weinige dagen—het wonder is gezien—weinige dagen waren genoegzaam om een handvol
-wrakken in eene geduchte zeemacht te herscheppen. Wat waren <span class="pageNum" id="pb215">[<a href="#pb215">215</a>]</span>in dien tijd tien helden, in éénen slag gesneuveld? Op dezelfde plaats, waar de een
-viel, stond een ander op, en met de vlag scheen de kunde en dapperheid van de Vice-Admiraal
-of Schout-bij-Nacht op den Kapitein over te gaan. <span class="sc">De Ruiter</span> mocht bij het lijk van <span class="sc">Marten Harpertzen Tromp</span> uitroepen: „Ware ik vóór u gestorven!” hij wist niet, wat hij zeide; de kweekeling
-was bestemd den meester te overtreffen.—Vergeefs alzoo, vergeefs het in budgetten
-of reglementen, vergeefs het in geld of manschappen, vergeefs het in schepen of scheepsvolk
-gezocht;—de natie moet herboren worden, zoo onze zeemacht herrijzen zal. Want de zeemacht
-is de zenuw van den Staat, die met het lichaam der natie leeft of sterft.
-</p>
-<p>Maar hoe zal die wedergeboorte plaats grijpen? Wie zal een nieuwen geest in ons volk
-doen varen? Wie zal het krachtelooze lichaam tot een verjongd leven opwekken?
-</p>
-<p>Een ieder beantwoorde deze vraag, gelijk hij best kan. <i>Mijn</i> antwoord zal door menigeen met schouderophalen, door sommigen met spot beantwoord
-worden.—Het zij zoo! Ik heb geen beter te geven.
-</p>
-<p><span class="sc">Michiel adriaanszoon de ruiter!</span> Het Vaderland, in bedevaart rondom uw standbeeld vergaderd, komt tot u om u raad
-te vragen, gelijk de oude volken het orakel van den god, wiens tempel en beeld zij
-bezochten. Welaan, wij vragen:
-</p>
-<p>Welk is het geheim van uwe en uwer tijdgenooten grootheid, waardoor ook wij wederom
-tot vorigen roem en bloei kunnen geraken?
-</p>
-<p>Zal hij antwoorden? Hij doe het dan met dat woord, dat, bij den slag van Schoonefeld
-gesproken, als zijne altoosdurende leuze beroemd werd:
-</p>
-<p>„<i lang="nl">Niet op onse maght, maar op Gods almaghtigen arm.</i>”
-</p>
-<p>Wilt gij eene proeve nemen? Doet gelijk ik gedaan heb in de dagen van het De-Ruiters-feest:
-leest—neen, weest gerust, geen verhandelingen, geen vertoogen, geen verzen; maar leest
-eenvoudig <i>Het Leven en Bedrijf van den Heere Michiel de Ruyter, beschreven door</i> <span class="sc">Gerardt brandt</span>. Hoort daar den held zelven spreken! En hem niet alleen, hoort ook ’s Lands Staten!
-hoort het geheele volk! Hoort den toon van vroomheid—maar neen! het woord <i>vroomheid</i> was toen nog één met <i>dapperheid</i>—hoort den toon van godsvrucht, waarop het geheele verkeer van den held met zijn volk,
-van den Staat met zijn dienaar, van de Overheid met hare onderdanen gestemd is. Waant
-daaronder, even als ik, in eene andere wereld te leven, eene andere taal te hooren,
-een ander volk te leeren kennen. En vraagt dan nog, of het orakel geantwoord heeft!
-</p>
-<p>Neen, ik heb mij bedrogen, en bid, mijn woord terug te mogen nemen. Ook niet in den
-geest der natie woont de kracht eens volks; het woont in de gunst en hulp van den
-Heer der heirscharen, die den geest der natiën verheft, en zij worden machtig, die
-den geest der volken wegneemt, en zij vallen. Men ijvere zoo veel men wil tegen de
-benaming van <i>God van Nederland</i>: wij willen om geen namen <span class="pageNum" id="pb216">[<a href="#pb216">216</a>]</span>twisten. Maar wat wij ons niet laten ontnemen, het is het geloof aan een natuurlijk
-en noodzakelijk verband tusschen de dienst en den zegen van den God van hemel en aarde.
-Al leerde ik dit niet uit den bijbel, ik zou het uit de geschiedenis des Vaderlands
-leeren.
-</p>
-<p>Eere dus aan allen, die in deze dagen verlangden, dat men de <span class="sc">Ruiter</span> een beter gedenkteeken dan van metaal en steen zou oprichten in den verjongden bloei
-van ’s Lands zeemacht! Eere aan de bedoeling, die de stoffelijke middelen daartoe
-zocht aan te wijzen! Maar wij voor ons, die geene geschiedenis verstaan, dan gelijk
-<span class="sc">Bossuet</span> haar schrijft, als de geschiedenis der Voorzienigheid,—wij voeren eene andere leuze;
-het is die, welke onze provincie op hare munten voert: <i lang="la">Deus fortitudo et spes nostra</i>. <span class="sc">God onze sterkte en onze hope!</span>
-<span class="pageNum" id="pb217">[<a href="#pb217">217</a>]</span> </p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch20" class="div1 story"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e7284">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="main">NEDERLANDSCHE TYPEN.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<div id="ch20.1" class="div2 section"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e7292">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h3 class="label">I.</h3>
-<h3 class="main">De Zeeuwsche arbeider.</h3>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Alle menschen moeten arbeiden. Ongelukkig zij, die in den grooten bijenkorf, welken
-wij wereld noemen, niets uitvoeren, dan als luie hommels op den honig te teren, die
-door de nijvere werkbijen wordt zaamgebragt. De billijkheid vordert echter te erkennen,
-dat in den aard van dit arbeiden eenig verschil is. Om een voorbeeld bij te brengen,
-hebt gij, <span class="corr" id="xd31e6504" title="Bron: geeerde">geëerde</span> lezer, die met deze eerste schets uit de beeldengalerij der door mij u voor te stellen
-landgenooten in de hand mijn opstel zit te lezen, het op dit oogenblik veel gemakkelijker
-dan ik, toen ik dit opstel schreef; en wederom had ik toen heel wat lichter taak dan
-hij, wiens persoonsbeschrijving ik het genoegen heb u aan te bieden. Hij toch behoort
-tot die klasse van wezens, die men gewoon is, in onderscheiding van andere arbeidzame
-menschen, bij uitnemendheid met den naam van <i>Arbeider</i> te noemen. Een schoone <span class="corr" id="xd31e6509" title="Bron: eertitel">eretitel</span>, dien ik u uitnoodig wat hooger te plaatsen, dan hij gewoonlijk op onze ranglijst
-voorkomt, waar hij al te verre achter de honoraire kamerheeren, de staatsraden in
-buitengewone dienst, de professoren titulair-honorair, en de aspirant-surnumerair-ambtenaars
-staat. Het is zoo, het voorkomen van onzen klant is niet van de schitterendste. De
-ronde hoed met breeden achteropgetoomden rand op de ongekamde en ongescheiden haren,
-zet aan het onbeduidend gezicht niet veel uitdrukking bij. Het openhangend blaauwlakensch
-wambuis met liggende kraag en kort lijf, valt vrij slordig om de ongefatsoeneerde
-leest. De wijde korte broek van manchester, met een bevallige onachtzaamheid aan de
-knie losgelaten, zou een vreemdeling nieuwe stof geven tot de spotternijen, waaraan
-wij arme <i lang="en">dutchmen</i> op het punt van dit kleedingstuk ten prijs staan. En ofschoon de beenen, met gladde
-kousen bekleed en in gestreepte slopkousen gestoken, het zwierigste gedeelte van zijne
-uitrusting uitmaken, leeft de man op zulk een <i>grooten voet</i> en is op zulk een lompe leest <i>geschoeid</i>, dat ook zijn voetstuk in de veroordeeling <span class="pageNum" id="pb218">[<a href="#pb218">218</a>]</span>van het geheele standbeeld moet deelen. Maar welk is ook het opschrift, dat op dat
-voetstuk te lezen staat? Het drukt in groote letters het woord: <i>Arbeider!</i> uit. <i>Arbeider!</i> dat spreekt uit het geheele voorkomen en de houding van dezen plompen kinkel; dat
-spreekt uit dat sterkgespierd gelaat met de forsche jukbeenderen, hetwelk in zijn
-stompheid ijver en volharding uitdrukt; dat spreekt uit die vierkante schouders, die
-zelfs in dezen ingetrokken stand stierenkracht verraden; dat spreekt uit die geheele
-stroeve gestalte, die uit hout schijnt gehouwen te zijn. De klant staat nu in rust
-te kijken: maar als hij eens die handen uit de zakken haalt en aan ’t werk slaat,
-ha, hoe het er over zal gaan! Dan zal datzelfde lichaam, dat nu niets dan een logge
-klomp schijnt te wezen, een veerkracht en buigzaamheid ontwikkelen, waarvan wij met
-al onze gymnastische oefeningen geen denkbeeld hebben. Men moet geen eend op het land,
-en geen arbeider op de wandeling zien.
-</p>
-<p>Ik bespreek evenwel voor den borst uwe achting niet alleen op zijn titel als <i>Arbeider</i>, schoon hij er meê zou kunnen volstaan. Ik eisch die vooral op grond van zijn karakter
-en zeden. Het blijkt wel, dat arbeiden onze bestemming is, daar het den mensch zoowel
-naar lichaam als naar ziel zoo gezond maakt. Zie dezen man; hij mist vijf en zeventig
-van de honderd ondeugden, waaraan wij schuldig staan. Op dat ronde gelaat staan eerlijkheid
-en trouw te lezen. Onder dat lomp stuk vilt broeit geen vonk van eerzucht. Schoon
-het woord <i>Arbeider</i> den zin heeft van <i>Arbeider voor een ander</i>, op eens anders land en voor eens anders voordeel! weet hij niet wat het is, iemand
-te benijden. Zijn wenschen strekken juist zoo ver als zijne stulp, dertig voet in
-’t vierkant. Achter dat grove wambuis klopt een grof bewerktuigd, maar gezond hart
-met warm bloed en gelijke rustige slagen. Schoon de weggestoken vuist een geducht
-wapen is, is het een eerlijk wapen, dat nooit dan in een billijken strijd getrokken
-wordt. Die groote lompe voeten zullen geen worm vertreden, als zij het mijden kunnen.
-Het geheele ronde voorkomen van den flinkert is een verpersoonlijking van het spreekwoord
-van zijn land; goed rond, goed Zeeuwsch.
-</p>
-<p>Welnu, wat dunkt u? Zou onze held, indien hij slechts eenigzins aan de gegeven karakterschets
-gelijkt,—en tot bevestiging daarvan, durf ik mij op ieder, die den nijveren Zeeuwschen
-en den geheelen vaderlandschen arbeidersstand eenigzins van nabij kent, beroepen—zou
-hij dan niet verdienen, een sport of wat hooger in onze schatting te staan, dan de
-ladder der maatschappelijke inrichting hem aanwijst? Laat het zijn, dat hij tot de
-voeten van het maatschappelijk <span class="corr" id="xd31e6536" title="Bron: ligchaam">lichaam</span> behoort, het zijn toch de voeten, die het lichaam dragen. Hebben wij, beschaafden,
-de eer van daarin de plaats der fijnere zenuwen te vervullen, vergeten wij niet, dat
-de spieren het in beweging brengen. Zijn wij er trotsch op, dat wij als kleurige klaprozen
-en gesternde korenbloemen tusschen het graan in staan, houden wij onder het oog, dat
-het de eenvoudige eenkleurige halm is, die het gezegend voedsel onzes dagelijkschen
-onderhouds bevat. Er is meer! In den nederigen boeren- en <span class="pageNum" id="pb219">[<a href="#pb219">219</a>]</span>arbeidersstand, van de besmetting van vreemde zeden vrijgebleven, wordt het degelijk
-oud-vaderlandsch karakter nog bewaard. Daar worden de voorouderlijke zeden nog in
-stand gehouden. Daar prijkt vader <span class="sc">Cats</span> noch naast den eerwaardigen huisbijbel. Daarheen moeten wij onze toevlucht nemen,
-om de plaatselijke eigenaardigheden van ons taaleigen op te sporen. En dat ook de
-aloude dapperheid, die aan de <span class="sc">De Ruiters</span>, <span class="sc">Evertsens</span> en <span class="sc">Bankerts</span>, als vlootvoogden uit deze zelfde streken, mannen leverde om hunne groote daden mede
-uit te voeren, nog niet onder hen is uitgestorven; bleek het niet treffend in den
-laatsten veldtocht, toen onze plattelandsschutterijen, door hunne kloeke onversaagdheid,
-den vijand zulk eenen schrik wisten in te boezemen, dat onze vreedzame Zeeuwsche en
-<span class="corr" id="xd31e6554" title="Bron: Vriesche">Friesche</span> boeren voor krijgshaftige Pruissen werden uitgemaakt? Indedaad indien men den meer
-en meer afslijtenden stempel van ons volkskarakter naar de oude munt vernieuwen wilde,
-zou men, even als tot gaafbewaarde legpenningen, tot den nederigen boeren- en arbeidersstand
-zijne toevlucht moeten nemen.
-</p>
-<p>Doch het behoort onder de voorrechten van dezen stand, dat hij van zulke wenschen
-en zorgen niets weet. Onze arbeider althans leidt zijn eentoonig en onafgewisseld
-leven met onveranderde tevredenheid. Schoon wij hem niet kunnen aanzien zonder een
-onwillekeurig gevoel van medelijden over zijn zwaren arbeid en armoedig bestaan in
-ons te voelen opkomen, verzeker ik u, dat hij ons daarvoor niet bedanken, maar van
-al ons beklag niets begrijpen zou. En waarlijk er is geen reden toe. De man heeft
-alles wat hij wenscht. Zijn klok staat aan den hemel: hij gaat met de zon te werk
-en te bed. Zijn tanden zijn hard genoeg voor het hardste roggebrood, en zijn vochten
-weten niets van het schadelijke van een onmatig gebruik van spek. Zijn harde matras
-schijnt met slaapbollen gevuld. Hij heeft alle dagen een lekker gastmaal: aardappelen,
-door zijn eigen hand geteeld, met een heerlijke saus overgoten, die honger heet, en
-een groot feest: rust na arbeid. Buiten deze dagelijksche feesten heeft hij nog des
-zondags de wandelingen naar het nabijgelegen stadje, dat gij over ’t water ziet, met
-een aardig boerinnetje aan zijn zijde. En als het kermis is en hij met zijne uitverkorene
-voor de vedel staat, dan zou hij niet willen gelooven, dat het mogelijk is grooter
-pret in de wereld te smaken. En misschien is het ook niet mogelijk! Zoo leeft dan
-de arbeider jaar in jaar uit, even gelukkig en tevreden, en zou ons uitlachen, als
-hij wist, dat wij zooveel moeite nemen om hem te beschrijven<a class="noteRef" id="xd31e6559src" href="#xd31e6559">1</a>.
-<span class="pageNum" id="pb220">[<a href="#pb220">220</a>]</span> </p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch20.2" class="div2 section"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e7302">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h3 class="label">II.</h3>
-<h3 class="main">De Rotterdamsche sleper.</h3>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Al wie te Rotterdam bekend is, weet dat er geen nijverder, arbeidzamer en onvermoeider
-menschen te vinden zijn, dan die tot de klasse van het sjouwersvolk aldaar behooren.
-Te Rotterdam is alles met een geest van bezigheid en drokte bezield; de geheele stad
-is een nest van nijvere mieren, een korf van rustelooze werkbijen; het is of de pols
-van die stad eenige slagen sneller klopt, dan die van alle andere Hollandsche steden.
-Maar van al wat, om met vader <span class="sc">Vondel</span> te spreken, daar
-</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line">Zorgt en waakt en slaaft en ploegt en zwoegt en zweet, </p>
-</div>
-<p class="first">is zeker de sleper de eigenaardigste uitdrukking.
-</p>
-<p>De Rotterdamsche sleper is van den voerman der Amsterdamsche sleepkoetsjes hemelsbreed
-onderscheiden. Zijn slede bestaat uit niets anders dan uit twee balken met ijzeren
-beugels aan elkaar verbonden: een voertuig, dat door zijn eenvoudigheid van samenstelling
-aan de gouden eeuw zou doen denken, als sleper en paard niet zoo duidelijk in de ijzeren
-t’huis hoorden. Zijn passagiers zijn dan ook alles behalve stijve neepjesmutsen en
-jichtige bloemkoolpruiken, maar vaten tabak, balen katoen, kisten thee en dergelijke,
-die tegen een stootje kunnen. Zoo verschilt ook bij beide het middel om de baan voor
-de slede glibberig te maken, want daarin komen zij overeen, dat ze, in een onfiguurlijken
-zin, graag een gladde baan voor zich hebben. In plaats van den onoogelijken vetlap
-van den Amsterdamschen sledevoerder, heeft de Rotterdamsche sleper vóór op zijn slede
-een gevuld watervaatje, dat uit de daarin geboorde gaatjes, even als een dolfijn uit
-zijn neusgaten, onophoudelijk water opspuit. Jammer maar, dat die springende waterwerken
-aardiger zijn om te zien, dan aangenaam in de gevolgen die zij nalaten. Doch daarnaar
-ziet de sleper niet om. Want zijn leus is de spreuk der voormalige Unie-orde: Doe
-wel en—zie niet om.
-</p>
-<p>Zie hem, daar hij met slede en paard door het <span class="corr" id="xd31e6579" title="Bron: dichst">dichtst</span> gewoel heendringt; men zou hem bijna voor een automaat houden, met zulk een <span class="pageNum" id="pb221">[<a href="#pb221">221</a>]</span>afgemeten kalmte vervolgt hij, door alles heen en onder alles door, zijn weg. Zijn
-oog wordt door niets van zijn last en lastdier afgetrokken: zijn voet wordt door niets
-opgehouden: zijn hand laat den teugel geen oogenblik glippen. Komt hem een rijtuig
-tegen, hij wijkt met een zwaai ter zijde: staat hem een voetganger in den weg, hij
-schuift hem zonder op- of omzien aan een kant: scherp en op een haar mijdt hij al
-de hinderpalen, die hij op zijn weg ontmoet: het spoor van het watervat op zijn slede
-vormt een reusachtige slang, die zich in allerlei bochten door het dichtst gedrang
-slingert zonder vertrapt te worden. Als gij op het gezicht af meenen zoudt, dat het
-onmogelijk ware door de volksmassa heen te breken, en in zijn plaats moedeloos zoudt
-blijven staan, waagt hij zich met kalmen moed, even als een held op het slagveld,
-in het dichtst van het gewoel. Langzaam maar zeker gaat hij voort, tot dat hij de
-plaats van zijn bestemming bereikt heeft. Een leerzaam beeld! Ik noodig u uit, er
-eens op na te denken.
-</p>
-<p>De stille, werkzame gang nu, dien gij den sleper langs de straat ziet gaan, kenmerkt
-den geheelen man in zijn gang op den weg des levens. IJver, eerlijkheid en trouw maken
-de grondtrekken van zijn karakter uit. In den vroegen morgen, als in de hoogte alles
-nog rust, rijst hij van zijn strooleger en haalt zijn Rosinant van stal. Zeker is
-het geen fraaie vertooning, als beide tot hun morgenrid uittrekken. Het arme dier
-is oud en mager: zijn hals is naar de aarde gekromd: zijn manen en staart zijn door
-baldadige handen deerlijk geplunderd: zijn beenen zijn vol spatten en gallen: zijn
-borst ligt aan beide zijden open. Niet veel aanzienlijker is het voorkomen van zijn
-meester. Ook zijn rug is door den zwaren arbeid kromgebogen: zijn sterk geteekende
-gelaatstrekken zijn met diepe voren van zorg en kommer doorgroefd: zijn kleed draagt
-de sporen van schamelheid: en al is zijn linnen voorschoot wit en helder, het gebrek
-kijkt door zijn gelapten elleboog. Aldus uitgerust, begeven zij zich <span class="corr" id="xd31e6586" title="Bron: samey">samen</span> aan hun dagwerk. Dat werk is eerlijk tusschen beide verdeeld. Terwijl de meester
-het vat uit het schip op de slede laadt, of van de slede in het pakhuis sjouwt, rust
-Rosinant: terwijl Rosinant de vracht trekt, heeft de meester de lichter taak van de
-teugels te houden. Er heerscht dan ook tusschen hen een vertrouwelijke gemeenzaamheid,
-als zelden tusschen mensch en dier plaats heeft. Meen niet, dat het aan die vriendschap
-kwaad doet, dat gij den meester onophoudelijk de zweep gebruiken ziet. Want zonder
-dat zou Rosinant niet begrijpen, dat hij voort moest: hij is op dit punt even als
-een doove, voor wien schreeuwen praten is: slaag te krijgen is hem even zoo gewoon
-en natuurlijk, als geleid en gestuurd te worden. Indien een lid van de Londensche
-Maatschappij tegen het mishandelen van dieren er zich uit barmhartigheid meê moeien
-wilde, zou hij in staat zijn, even als de vrouw in het verhaal, koel te vragen: „Waar
-moeit gij u mede? Als ik nu geslagen wil zijn?”—De hand, die de zweep voert, heeft
-dan ook met het hart van den sleper niets <span class="pageNum" id="pb222">[<a href="#pb222">222</a>]</span>gemeens. Want dat klopt van vriendschap voor den deelgenoot zijner ellende, voor den
-bezorger van nooddruft, voor zijn eenigen vriend en weldoener op de wereld. Hij deelt
-met hem het stroo, waar hij op slaapt, het brood dat hij eet: hij deelt met hem zelfs
-zijn vermaken en uitspanningen. Daarvan is mij eens een klucht verteld, die ik geef,
-zoo als ze mij is meêgedeeld.
-</p>
-<p>Een sleper had eens een buitengewoon voordeelige week gehad, zoodat hij dacht voor
-deze maal ’s zondags een kleine uitspanning te mogen nemen. Hij besloot dus met zijn
-vrouw en kinderen aan de Zwet een kruik bier te gaan drinken.
-</p>
-<p>„Maar dan gaan we met rijtuig,” zei de vrouw, „en huren een knappen wagen met een
-paard.”
-</p>
-<p>„Een wagen,” hervatte de sleper, „dat kan gaan: maar geen paard; niemand zal ons trekken
-dan bruintje! Of denkt gij dat ik ondankbaar genoeg zou zijn om hem, die alles verdiend
-heeft, bij het verteren der verdienste, t’huis te laten?”
-</p>
-<p>In goeden ernst, een sleper en zijn paard zijn twee natuurlijke vrienden, door den
-sterksten band, dien der gewoonte en behoefte, aan elkander verbonden. Die band wordt
-dan ook alleen door den dood geslaakt. Of het paard valt voor de slede neêr, of de
-sleper wordt achter de slede weggerukt. Dan vinden beide rust onder de aarde, waarop
-zij zoo lang gezwoegd hebben. Dan hebben zij den zwaarsten van alle lasten, den last
-des levens, t’huis gebracht!
-<span class="pageNum" id="pb223">[<a href="#pb223">223</a>]</span> </p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch20.3" class="div2 section"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e7312">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h3 class="label">III.</h3>
-<h3 class="main">De Straatjongen.</h3>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Geen woord is er in de taal, dat den persoon, dien het moet aanduiden, beter schildert
-dan het woord: straatjongen. Want indedaad is dit soort van wezens één met de straat,
-waarnaar zij heeten, en, indien ik het gelooven mocht, gaarne zou ik mij laten wijs
-maken, dat zij, even als de menschen van Deucalion en Pyrrha, uit de steenen zelve
-geboren zijn. Dit is zeker: plaveit een straat, terstond groeien er de straatjongens
-van zelf op. Waar zij van daan komen, is onverklaarbaar. Van ’s morgens vroeg, dat
-de klapperluî naar huis gaan, en de bakkers hun deur openen, tot ’s avonds laat, als
-de taptoe slaat en de herbergen sluiten, belegeren zij de straten, als vliegen de
-boterton. Zelfs zou ik in verzoeking kunnen komen te denken, dat zij, even als de
-straathonden, van de opbrengst der straat leven, zoo getrouw vindt men ze op alle
-uren van den dag op hun post zonder ze ooit te missen. Een andere geheimzinnige hoedanigheid
-bezitten zij in een soort van halve alwetendheid omtrent al wat er in de stad gebeurt.
-Het is wonderlijk. Op het ééne oogenblik zijn de straten en de straatjongens in rust;
-even als een geordend leger schijnen zij hun benden evenredig door de stad verdeeld
-en alle posten behoorlijk bezet te hebben; maar ziet! daar komt een oploop, een kleine
-nietsbeduidende oploop, aan den uitersten uithoek der stad, en, eer gij omziet, is
-er een gansch heir van straatjongens bijeen; de policie is er gauw bij, heel gauw:
-maar de straatjongens altijd nog veel gauwer. Zij schijnen onder elkander een soort
-van electrische telegraaf te hebben, waarmede ze malkaâr op de hoogte houden van al
-wat er omgaat. Nu moet ik erkennen, dat dan ook hunne voorzorgen met het grootste
-beleid genomen zijn. Op alle belangrijke punten hebben zij hunne gecommitteerden.
-Buiten de poorten der stad, aan alle schuitenveren staan er op de wacht: in de poorten
-zelve wedijveren zij met de kommiezen in nieuwsgierigheid en beleefdheid: binnen de
-poorten is er geen bureau van diligences, of zij staan er naast de verversch-paarden
-de aankomst van den nieuwen wagen te verbeiden. Voor het stadhuis, voor de hoofdwacht,
-voor het gevangenhuis, <span class="pageNum" id="pb224">[<a href="#pb224">224</a>]</span>voor de komedie, voor alle publieke gebouwen in één woord worden zij vertegenwoordigd.
-Zij spreiden zich over de stad uit als een groot spinneweb, waaraan geen vlieg ontkomen
-kan. Hierbij komt nog, dat zij in hun weetgierige onderzoekingen door een groote vrijmoedigheid
-geholpen worden. Zien zij iets dat hun aandacht trekt, of hetwelk zij vermoeden dat
-belangrijk worden kan, terstond nemen zij de vrijheid er zich bij te voegen en den
-draad te volgen tot aan het kluwen. Achter ieder rijtuig, dat in de stad komt, kiezen
-zij zich een plaatsje: elken vreemdeling, waaraan zij iets bijzonders zien, geven
-zij zich de moeite van te volgen: ja, met alle reizigers beginnen zij een praatje:
-„heeft mijnheer wat te dragen? wil ik mijnheer den weg wijzen? waar moet mijnheer
-wezen?”—Maar van daar dan ook, dat zij van al wat er gebeurt honderdmaal beter onderricht
-zijn dan de openbare nieuwsbladen en de geheime policie: van daar dat er niets in
-de stad plaats kan hebben, of zij nemen er deel aan. Bij alle parades inspecteeren
-zij mede: met alle wachten trekken zij op: alle taptoe’s accompagneeren zij met hun
-klompen: bij alle plechtige receptiën gaan zij met de boden vóór het stadsbestuur
-uit: alle volksoploopen vereeren zij met hunne tegenwoordigheid: iederen dief die
-opgebracht wordt strekken zij tot eerewacht: ja, zelfs de dooden bewijzen zij de laatste
-eere en vertiendubbelen als ongenoodigden den stoet der noodigers en genoodigden ter
-begrafenis. Iedere Janklaassen-kast, iedere paillas, iedere goochelaar, iedere koordedanser,
-iedere kunstenmaker, kortom alles wat, naar den trant der ouden, zijn vertooningen
-in de open lucht geeft kan op hun bijzijn en belangstelling rekenen: op het hooren
-van een enkel trompetgetoet, van een enkelen trommelslag, snellen zij als een eenig
-man aan en verhoogen door hun gewoel en gejoel de algemeene levendigheid en vreugde.
-</p>
-<p>Vraag mij niet, hoe de straatjongen gekleed is. Vraag mij liever, hoe hij niet gekleed
-is. Alle stoffaadjes, alle kostumen, alle modes treft gij bij hem aan. Van het afgedragen
-ronde buisje van den jongenheer van den burgemeester tot den versleten kuitendekker
-van den president van ’t oudenmannenhuis, van het fijne kasimiren vest tot den ongeschoren
-duffel, van de engelsch-leêren pantalon tot den pikbroek vindt gij om zijn lijf hangen.
-Hij heeft slechts één zwak, niets van het geen hij aan heeft moet heel zijn. Een echte
-straatjongen moet even zoo als de straat, waarop hij leeft, vol gaten wezen. Ja, het
-schijnt, of hij zelfs naijverig is om de kleur van de straat te dragen; want een vuil
-grijs in zijn geliefkoosd verfje. Voor al wat tot versiering dient, heeft hij weinig
-over; maar zoo hij voor iets gevoelig is, het is voor het een of andere militair onderscheidingsteeken,
-vooral is hij dol op een oude politiemuts, of een koperen uniformknoop met het nommer
-van de afdeeling. Zijn klompen, die hem in geval van nood tot knods, of ook wel tot
-werptuig dienen, laten gewoonlijk onder het loopen zijn naakten voetzool zien, tot
-dat zij, geheel uit elkander vallende, in een schuitje hervormd worden.
-<span class="pageNum" id="pb225">[<a href="#pb225">225</a>]</span></p>
-<p>Doch waren de straatjongens maar enkel slordig, als ze er ook niet ondeugend bij waren!
-Doch ondeugendheid behoort tot het karakter van een straatjongen, gelijk moed tot
-het karakter van een soldaat. Zij zijn de kaboutermannetjes en kwelduivels van de
-openbare wegen. Alles wekt hun spotzucht op: alles verleidt hen tot kwaaddoen: zij
-kunnen kip noch kraai met rust laten. De meiden trekken zij de muts af: de kinderen
-loopen zij omver: de kreupelen en mismaakten apen zij na: de honden trekken zij bij
-de ooren: de paarden dunnen zij de staart: het slachtvee verbitteren zij hun jongste
-oogenblik: zij steken hun vingers in de emmers der melkmeiden: zij likken met hun
-tong aan de suikervaten der kruideniers: en, als de appelenvrouw omziet, halen zij
-haar den mooisten belle-fleur van den hoop weg en loopen er mede heen. Nog erger maken
-zij het in den winter. Veel vroeger bij de hand dan de mannen van de zandschop, haasten
-zij zich aan alle bruggen en sluizen een sullebaantje klaar te hebben, eer hun die
-pret belet wordt, en hebben vervolgens een ondeugend genoegen, als zij daarover groot
-en klein, jeugd en ouderdom, bedaard en driftig, deugd en ondeugd zien vallen. Of
-ze leveren elkander een sneeuwballengevecht, maar dat alleen voor de leus dient om,
-als bij ongeluk, de vreedzame voorbijgangers te bepoeieren. Zoo zijn de straatjongens
-in waarheid straatplagen.
-</p>
-<p>En toch is met dit alles de straatjongen niet wezenlijk kwaadaardig. Er is bij hem,
-even als bij kleine honden met wie hij het rijk deelt, in zijn keffen en bijten meer
-dartelheid, dan boos opzet. Nooit ziet men een straatjongen zakkenrollen, of stelen,
-of met steenen werpen, of zich aan dergelijke laagheden schuldig maken. Integendeel
-kenmerkt hij zich onder zijn kameraden, bij geschillen als anderzins, door een geest
-van dapperheid en edelmoedigheid. Het woord <i>portuur</i> is van zijn maaksel. Menige knaap, die zijn straatjongenstijd behoorlijk heeft uitgediend,
-wordt naderhand een knap burger. Ja, laat het ons <span class="corr" id="xd31e6615" title="Bron: bekennnen">bekennen</span>. Wij allen zijn min of meer straatjongens geweest. Er is iets van den straatjongen
-in iederen knaap, die een „Hollandsche jongen” is. Houden wij dat in gedachten, dan
-voelen wij meer medelijden dan onwil bij het zien van den straatjongen.
-<span class="pageNum" id="pb226">[<a href="#pb226">226</a>]</span> </p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch20.4" class="div2 section"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e7322">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h3 class="label">IV.</h3>
-<h3 class="main">Het Melkmeisje.</h3>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Meestal, wanneer gij des morgens vóór dag en vóór dauw de stad verlaat en naar buiten
-gaat, zult gij op uwen weg iemand ontmoeten, die u met een vriendelijke stem: Goeden
-morgen! wenscht.
-</p>
-<p>Die iemand is een meisje, en dat meisje is een melkmeisje.
-</p>
-<p>Onwillekeurig blijft uw oog op het lieve kind rusten. Ja, zoo gij niet al te grootsch
-of al te stijf zijt, knoopt gij een praatje met haar aan, tot aan het hek van de wei,
-waar zij wezen moet.
-</p>
-<p>Gedurende dien tijd hebt ge overvloedige gelegenheid haar op te nemen.
-</p>
-<p>Wat ziet zij er frisch uit, niet waar? Als melk en bloed, een rechte Galathea, zoo
-als de Ouden haars gelijken schilderachtig noemden. Dat komt omdat de tocht, dien
-zij doet, haar zoo ongewoon niet is als u. Zoo vroeg als gij nu, is zij elken morgen
-op de been en in de lucht, en dankt aan de rozen van den dageraad het blosje, dat
-op hare wangen bloeit. Het is waar, <span class="sc">Aurora</span> heeft wel eens op fijner paneel geschilderd: haar huid is zoo eêl niet als die van
-uwe lelies uit de stad; maar het zou haar ook niet lijken, zulk een wassen pop te
-wezen. Eilieve, til eens even aan haar juk! Wat dunkt u? Tien tegen één, dat gij ’t
-haar zoo vlug niet nadraagt. Het zou haar dus slecht te pas komen, zoo zij niet wat
-grover en sterker dan uw steedsch kraakporselein ware. Zoo moet gij er u ook niet
-aan ergeren, al zijn haar handen wat ruw of rood van kleur. Kijk liever eens naar
-de koperen emmers. Of ze blinken, niet waar? Welnu; dat hebben die handen zoo blank
-geschuurd. Erger u dan nog, dat ze niet witter zien! Maar wat bij het melkmeisje zoo
-blank is, als bij de blankste van haar geslacht, het is het gemoed, dat in dat grove
-omkleedsel schuilt. Dat is zoo blank als de zuivel, waarnaar zij heet. Zie haar aan!
-onschuld en reinheid blinken uit de heldere duivenoogen. Schoon verre van de idealische
-herderin van <span class="sc">Theocritus</span> of <span class="sc">Geszner</span> te zijn, heeft zij echter op het land en onder hare kudden iets van den eenvoud en
-de onnoozelheid der gouden herderseeuw behouden.
-</p>
-<p>Zonder begrip of vermoeden te hebben van hetgeen wij over haar spreken, is de deern
-intusschen aan de bestemde weide gekomen. Dat hebt <span class="pageNum" id="pb227">[<a href="#pb227">227</a>]</span>gij reeds kunnen merken aan het geblaat van haar koetjes, die haar met vollen uier
-staan te verbeiden, om hoe eer hoe beter van haar last bevrijd te worden. Zij komen
-haar te gemoeten vrijen om de eerste te zijn. Maar neen! zij heeft haar lieveling.—ja
-waarlijk, Mejufvrouw!—zij heeft haar lieveling onder die groote, leelijke beesten;
-haar uitverkorene, haar zwart- of wit- bont, haar Brunon of Nera; deze komt dus eerst
-aan de beurt, en krijgt misschien nog een kleine versnapering, een lekker stukje lijnkoek
-of een nap vol warme melk toe.
-</p>
-<p>Doch wij hebben geen tijd te blijven staan totdat zij geheel afgemelkt heeft.
-</p>
-<p>Maar let op! terwijl gij eenige uren later door de stad gaat, daar ziet gij haar op
-eens weêr. Zij is nu bezig de melk rond te brengen, die gij haar in den vroegen morgen
-hebt zien inzamelen. Met denzelfden vluggen, luchtigen tred stapt zij door de drokke
-straten. Gij kunt aan haar houding niet eens merken, of haar emmers vol of ledig zijn.
-Zelfs heeft zij een bijzonderen slag om met haar breed juk door de menigte te glippen,
-zonder met de slingerende emmers iemand te raken.
-</p>
-<p>Zoo stapt zij de eene stoep af, de andere op. Het ongelukkigste voor haar is, dat
-zij onder het harde verband ligt om overal aan de huizen twee, drie en viermaal te
-schellen, dat is met andere woorden aan de meiden te zeggen: „het is de melkmeid maar!
-gij kunt dus twee, drie, of viermaal zoo lang wachten als anders! dat is: zeer lang.”
-Maar dat oponthoud schijnt haar zoo boos niet te maken als het u en mij zou doen.
-Want, zie! als de meid eindelijk komt, heeft zij een lachje voor haar gereed, waarmede
-zij bij ’t overnemen van de kan vraagt:
-</p>
-<p>„Hoeveel, vrijster?”
-</p>
-<p>Daarop duikelt haar nap eenige malen in het blanke nat, waartegen de roode hand helder
-afsteekt, waarmede zij vervolgens de kan, netjes afgewischt, met een handigen zwaai
-weder overgeeft.
-</p>
-<p>Na die beweging raakt die hand van zelf in de zijde, en nu? Ja, nu moet er een oogenblikje—een
-kort oogenblikje maar—voor een praatje af.
-</p>
-<p>Het zou onbescheiden zijn, dat praatje te beluisteren. Maar dit verzeker ik u, dat
-ik voor u en voor mij wilde, dat er nooit onstichtelijker praatjes aan onze deuren
-gehouden werden.
-</p>
-<p>Een twee, drie! met gelijkmatige tempo’s, even als een soldaat zijn geweer, heeft
-intusschen het melkmeisje haar emmer dicht geslagen, het hengsel aangehaakt, en haar
-juk weder opgepakt, en vervolgt met een vroolijk gezicht en een luchtigen tred haren
-weg. Dat gezicht behoudt zij onder alle weêr en wind. De zon, al schijnt zij wat fel,
-hindert haar niet: de koude, al blaast zij wat scherp, is niet in staat het lachje
-om haar mond te bevriezen: de regen—maar foei! zij zeggen, dat ze juist daarvan het
-meest houden zou, en er met opzet het deksel van haar emmers voor openzetten! Doch
-dat wil ik niet gelooven. Zoo gaat dan het lieve kind onder zoo veel woelens en zorgens
-<span class="pageNum" id="pb228">[<a href="#pb228">228</a>]</span>onbezorgd en onbekommerd daar heen. Ja, haar rust zou geheel ongestoord blijven, zonder
-den overlast van de jonge honden, die van haar melk snoepen, van de jonge knapen,
-die de vingers in haar emmer steken, en de jonge heeren, die haar in ’t voorbijgaan
-onder de kin strijken.
-</p>
-<p>Meen evenwel niet, dat haar leven, hoe rustig ook, altijd even eentoonig is. Dat kunt
-gij nu en dan op den zondag eens anders zien. Dan ziet gij haar weder in de stad,
-maar nu zoo mooi, zoo mooi en zwierig gekleed, dat gij haar bijkans niet herkennen
-zoudt. Onder het eigenaardige boerinnenhoedje blinkt het gouden ijzer om de glimmende
-wangen: het roode jak valt laag over een blauw damasten rok, van voren bedekt door
-een zwartzijden boezelaar: de voet, met sneeuwwitte kousjes bekleed, steekt in fluweelen
-schoenen. Om den hals spant een snoer van monsterachtige bloedkralen, waarmede de
-groote boot in den gouden vingerring spreekt. Maar het mooiste van alles heeft zij
-aan haar zijde—in een vrijer, een helderen, frisschen boerenknaap, insgelijks op zijn
-zondags opgedirkt, met kort lakensch wambuis, fluweelen broek en groote zilveren schoengespen.
-Deze is de Thirsis, die het hart van deze Galathea heeft weten te vermurwen. Met paschen
-zal het tot een huwelijk komen. Dan koopt Teunis een knappe boerderij: <span class="sc">Maartje</span>, nu vrouw geworden, verlaat het juk voor de karn, en houdt op haar beurt melkmeisjes.
-<span class="pageNum" id="pb229">[<a href="#pb229">229</a>]</span> </p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch20.5" class="div2 section"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e7332">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h3 class="label">V.</h3>
-<h3 class="main">De Haringkooper.</h3>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Heden is de eerste haringjager aangekomen, aan boord hebbende zóó- of zóóveel vaten
-haring.
-</p>
-<p>Wanneer deze advertentie in de couranten gelezen wordt, is het feest in het vaderland
-van <span class="sc">Willem Beukelszoon</span>. Dan heft men daar het haringlied van een vaderlandsch Dichter aan:
-</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line xd31e6673">Triomf! de vreugde stijg’ ten top! </p>
-<p class="line xd31e6673">Hijsch, Holland, vlag en wimpel op, </p>
-<p class="line">En laat den jubelkreet nu <span class="corr" id="xd31e6679" title="Bron: daarv’ren">daav’ren</span> langs het strand. </p>
-<p class="line xd31e601">Daar komt de kiel met goud belaân; </p>
-<p class="line xd31e601">Zij brengt ons d’ eersten haring aan; </p>
-<p class="line xd31e1875">’t Is feest in Nederland. </p>
-</div>
-<p class="first">Daar haalt men braveerend het oude spreekwoord uit den hoek:
-</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line">Haring in ’t land, </p>
-<p class="line">Zieken aan kant. </p>
-</div>
-<p class="first">Dan smakken in het zelfde oogenblik honderdduizend smulgrage lippen als visschen naar
-’t water.
-</p>
-<p>Maar nergens is het grooter feest, dan in het huis van den haringkooper zelven. Voor
-hem begint een nieuw leven. Hoe doodsch was het sedert maanden in zijn winkel. Het
-haringvat stond achteloos en vergeten in een hoek. Er was bijna geen vraag naar. De
-voorgrond werd door citroenen en chinaasappelen ingenomen. De gerookte riviervorst
-bezette den troon der gezouten zeekoninkjes. Met wat verlangen zag dus de haringkooper
-naar de aankomst van zijn handelsartikelen uit. Hij is de uitgezeilde haringvloot
-met zijne gedachten gevolgd, als een koning het uitgezonden oorlogs-eskader: hij heeft
-naar weêr en wind uitgezien en alle kansen berekend: hij heeft het bericht van elke
-vangst in een memorieboekje aangeteekend: hij heeft zich de aankomst van den jager
-door eene estafette laten berichten. Eindelijk komt de verwachte schat! Neen<span class="corr" id="xd31e6695" title="Niet in bron">,</span> de haringkooper kan de vreugde, die hem vervult, niet in zijn huis besluiten: de
-geheele stad moet getuige van zijn blijdschap zijn. Daar wordt de kroon, die reeds
-lang te voren klaar gemaakt, met frisch groen en goud bekranst, en van binnen met
-een nieuw opgeschilderde <span class="pageNum" id="pb230">[<a href="#pb230">230</a>]</span>houten haring versierd was, naar buiten gebracht en opgehangen. Zie, hoe zij in de
-zon glimt en blinkt. Hoor, hoe zij door den wind bewogen, ratelt en klatert. Het is
-of zij ons met al die gouden tongetjes toeroept: Nieuwe haring! Nieuwe haring!
-</p>
-<p>Wat heerscht er nu bij den haringkooper een beweging en drokte! Op de advertentie
-in de couranten geplaatst: „Nieuwe groene haring te bekomen bij <span class="sc">Van der Zout</span>,” komen van alle kanten brieven en boodschappen aan. Hij weet nauwelijks hoe al de
-liefhebbers te helpen. De eerstelingen worden, half in het geheim, aan de beste vrienden
-(klanten) toegestoken. Voor de kleinigheid van een daalder hebben zij ’t genot van
-’t eerste vischje. Maar welhaast stroomt de haringvloed met onbekrompen ruimte. Dan
-gelijkt de winkel van <span class="sc">Van der Zout</span> op een pakhuis. Het versche zeebanket wordt, in dozijnen en halve dozijnen verdeeld,
-in grooter en kleiner vaatjes gekuipt. Onder die bezigheid komt de eene smulpaap voor,
-de andere na, eens hooren. „wat hij kost,” om naar gelang daarvan bestellingen te
-doen. De nieuwe haringtijd is het Sinterklaasfeest der groote menschen. Hij is ook
-daarin aan het kinderfeest gelijk, dat hij de tijd van allerlei verrassingen is. Papa,
-die weet, dat moeder veel van een versch haringje houdt, loopt, van de societeit naar
-huis gaande, even bij <span class="sc">Van der Zout</span> aan en fluistert hem iets in het oor, waarop hij lachende ja! knikt. Een oogenblik
-later komt een jonge klerk binnen, en geeft den naam van zijn patroon op, met verzoek
-om aan dat adres een half dozijntje te bezorgen. Intusschen staat eene dame met ongeduld
-te wachten en roept, zoodra zij aan de beurt komt, met een vleiend stemmetje: „<span class="sc">Van der Zout!</span> zes aan de kostschool, je weet wel.” En terwijl zij de deur uitgaat, wordt zij tegen
-het lijf geloopen door een langen jongen heer, die gewichtige geheimen met <span class="sc">Van der Zout</span> schijnt te hebben, daar hij, na eenigen tijd zacht met hem gesproken te hebben, met
-een blos op het gezicht heengaat, nog wel twee, driemalen herhalende: „je weet niet
-van wien ze komen, hoor!” waarop deze met een goedhartigen lach antwoordt: „neen,
-mijnheer! ik weet niets!”—Zie, zoo wordt dit zoute vischje in de hand der vriendschap,
-der dankbaarheid en der liefde een zoet geschenk, dat voor menigeen zijn hoogsten
-smaak ontleent van het gevoel, dat het schonk. En indien <span class="sc">Van der Zout</span> in den nieuwen haringtijd klappen mocht, zou het ons blijken, dat de menschen, nog
-zoo gierig, liefdeloos en ondankbaar niet zijn, als sommige zoute haringen onder de
-menschen ons wel zouden willen wijs maken.
-</p>
-<p>Kon ik nu ook zeggen, dat zij ongelijk hebben, die beweren, dat met den achteruitgang
-der haringvisscherij ook eene der mildste bronnen van ’s lands welvaart is opgedroogd.
-Maar, helaas! dat kan ik niet. De dagen zijn voorbij, toen het gebed „voor de groote
-visscherij,” een openbaar nationaal volksgebed was. Laten wij ons troosten met andere
-bronnen van voorspoed, die, als ter vergoeding, zooveel rijker vlieten. Vangt men
-minder haringen in de Noordzee, de zilveren vischjes <span class="pageNum" id="pb231">[<a href="#pb231">231</a>]</span>in de Indische zee gevangen, zijn nog welkomer. Gods zegen is aan geen tak van handel
-of nijverheid gebonden!
-</p>
-<p>Intusschen verloopt ook met het naderen van den herfst het tij van den haringkooper.
-De haring verhuist van den disch der rijken naar de tafel der armen. Rondventers,
-die het nu niet meer versch banket in de schamele buurten rondbrengen, zijn zijne
-voornaamste klanten. De kroon wordt weder in huis gehaald en naar den zolder gebracht.
-De zalm komt weêr op den troon. <span class="sc">Van der zout</span> verkoopt weer zure citroenen en zoete chinaasappelen. Zoo gaat het in de wereld.
-Gelukkig wie den vloed zoo wèl heeft waargenomen, dat hij de ebbe kan afwachten.
-</p>
-<p>Men kan dezen regel echter overdrijven. Het spijt mij te moeten zeggen, dat sommige
-haringkoopers dat ook schijnen te weten. Ik heb mij eens laten influisteren, dat tot
-de geheimen van het vak een zeker kunstje behoort om oude haringen van het vorige
-jaar als nieuw op te maken. En had ik het nog maar alleen van hooren zeggen! Maar
-ik ben zeker, dat de haringlievende lezer mijne treurige ervaring wel eens gedeeld
-heeft. Ik althans heb mij meermalen aan een mootje haring verslikt, dat mij voor nieuw
-werd aangeboden, maar dat even weinig wist, wat er in het laatste jaar in de diepte
-der Noordzee gebeurd was, als ik. Zeker is het een verleidelijk kunstje. Bij de komst
-van den nieuwen haring loopen de aanvragen over de hand: de voorraad raakt op: de
-nood dringt: een greep in het vat: een kleine handigheid—en de verjongingskuur is
-geschied. Maar mijn maag komt in den naam van alle kiesche magen tegen zulk eene industrie
-op. Ik weet niet of er in het strafwetboek tegen voorzien is, zoo als tegen het zemelbrood
-en dergelijke. Maar dit weet ik, dat zulke bedriegerijen zich zelve straffen. Eerlijk
-duurt het langst, is een spreuk uit den tijd toen de haringhandel in zijn fleur was.
-En die spreuk zal wel waar blijven, zoolang de baren der zee zout zijn en alle jaren
-haar nieuwe schatting leveren aan den eerlijken haringkooper!
-<span class="pageNum" id="pb232">[<a href="#pb232">232</a>]</span> </p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch20.6" class="div2 section"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e7342">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h3 class="label">VI.</h3>
-<h3 class="main">De Schaatsenrijder.</h3>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Hoe een duimbreed ijzer iemand veranderen kan!
-</p>
-<p>Geen volk ter wereld is ongevoeliger voor den zedelijken invloed van het schoeisel
-op den geheelen mensch, dan de Nederlander. Trek den Nederlander dansschoenen aan;
-gesp hem sporen aan de hielen; rust hem uit met jachtstevels; schoei hem met de treurspellaars
-of den blijspelmuil; gij verandert daarmede de man niet. Hij wordt daarom nog geen
-ware danser, ruiter, jager of komediant. Hij blijft een Nederlander, die danst, rijdt,
-jaagt of komedie speelt. Maar geef den Nederlander een paar schaatsen onder de voeten—en
-hij is geen Nederlander meer. Hij is schaatsenrijder, zoo geheel schaatsenrijder,
-als ooit een Spanjaard danser, een Engelschman ruiter, of een Franschman komediant
-was. Hij is een man-schaats—<i lang="fr">un homme patin</i>, zouden de Franschen zeggen—geworden. De laarzen van zevenmijlen, die van klein Duimpje
-een Gerrit Langbeen maakten, veranderden den houthakkersknaap niet meer, dan de schaats
-den Nederlander, die haar aandoet. Het schijnt eene betoovering, eene spokerij, eene
-gedaanteverwisseling, als uit de metamorfosen van Ovidius.
-</p>
-<p>Nauwelijks raakt de geheele natuur in rust, nauwelijks trekt de aarde zich het wollen
-sneeuwdek over neus en ooren, nauwelijks legt de stroom zich in zijn bed te slapen,
-of de Nederlander wordt wakker, de Nederlander ontdooit, de Nederlander verandert
-in de omgekeerde orde van temperament. Hij brandt en kookt, als de Hekla onder de
-sneeuw. Eindelijk is het tijd! Het is waar, het ijs is nog zwak en nauwelijks twee
-guldens dik: men spreekt zelfs van gevaar. Maar daar vraagt de schaatsenrijder niet
-naar. Anders is de Nederlander de voorzichtigste der menschen: hij zal zich tienmaal
-bedenken, eer hij op een schommel, vijftigmaal eer hij in een bootje, honderdmaal
-eer hij in een stoomrijtuig stapt. Maar op het ijs is hij een waaghals. Daar ontwikkelt
-hij een moed en vermetelheid, die een gemzenjager zouden doen beven. Daar lijkt hij
-„de logge eend” een meeuw, die met haar vleugelen langs het water scheert.
-</p>
-<p>Mij dunkt, men kan het een schaatsenrijder aanzien, waar hij heengaat. Niet alleen
-aan zijne uitrusting, aan den toegeknoopten duffel, <span class="pageNum" id="pb233">[<a href="#pb233">233</a>]</span>aan de roode bouffante om den hals, aan het groen geschilderde haakje op den schouder,
-aan de gladgewreven schaatsen in de hand: maar aan zijn geheele voorkomen, aan den
-blos op zijn gezicht, aan den glans van zijne oogen, aan zijn luchtigen gang, aan
-het vuur en ongeduld, die uit zijne geheele houding spreken. Zoo komt hij aan de baan.
-Met van koude en drift bevende vingers worden de schaatsen aangebonden. Hij is klaar.
-Een—twee! drie—vier! vijf—zes! Daar drijft hij heen, als een vogel op zijn wieken.
-Even vlug, even licht, even vroolijk. Hij heeft al het gemakkelijke van gedragen te
-worden, met al het aangename van zich zelven te dragen. Zijn gevoel is eene benijdenswaardige
-mengeling van bewustheid van kracht en genot van beweging. Zoo lang hij de schaatsen
-onder de voeten heeft, is een schaatsenrijder de gelukkigste der menschen.
-</p>
-<p>Maar het is den mensch niet genoeg, gelukkig te wezen. Ook op het ijs niet. De schaatsenrijder
-haakt ook naar bewondering. Van daar dat hij spoedig niet meer alleen rijdt om te
-rijden. Hij wil ook kunstig rijden. Hij moet leeren beentje-over te slaan. Hij moet
-ten minste, als een arend, aan beide zijden drie ellen vlucht hebben. Hij moet zijn
-meisjes naam in ’t ijs kunnen snijden. Na eenigen tijd in die school geoefend te zijn,
-en niet zonder van tijd tot tijd duur leergeld betaald te hebben, is hij eindelijk
-de bol van de baan. Welk een weelde! Niemand die hem kan bijhouden. Niemand vooral,
-die in zwierigheid van rijden met hem kan wedijveren. Hij beschrijft met zijn schaatsen
-de golvende lijn der schoonheid. Even als een danseres in het cirque, geeft hij zich
-beurtelings schilderachtig aan beide zijden over, en beweegt zich met de bevallige
-krommingen der zwaan. Ieder bewondert hem. De heeren benijden hem. De dames zien hem
-met welgevallen na. Overal waar hij komt, gaat er een gemompel van toejuiching rondom
-hem op.
-</p>
-<p>Maar niet ieder begeert die toejuiching. Sommigen kiezen stiller genoegens. <i>De liefde op het ijs</i> is een liedje van <span class="sc">Tollens</span>, maar het is te gelijk een Hollandsch spreekwoord. Nergens is de vrijerij bij ons
-meer t’huis dan op ’t ijs. Wat wonder? Nergens elders geeft de gelegenheid meer recht
-tot onschuldige vrijheden. De minnaar en het meisje vormen een paar: zij rijden hand
-aan hand: misschien draaien zij hier of daar een eenzame vliet in en bevinden zich
-alleen. Als men even rusten zal, moet hij haar met zijn arm tegenhouden: als zij valt,
-vangt hij haar aan zijn borst op: hij moet de schaatsen aan het kleine voetje aan-
-en afbinden. Op het ijs is alles zonder erg. De luchtigheid der beweging schijnt zich
-aan de harten mede te deelen. Men vraagt en vergunt, wat men op het land niet zou
-durven nemen of geven. Wat elders de jeugd op het dansperk onder de groene boomen
-vindt, vindt de jeugd hier op het ijs. Bij ons is het ijs, als <span class="sc">Hooft</span> zou zeggen, de sullebaan der liefde.
-</p>
-<p>Anderen evenwel doen aan het ijs weder andere eischen. Zij maken het tot een strijdperk.
-De kastelein kondigt eene hardrijderij aan <span class="pageNum" id="pb234">[<a href="#pb234">234</a>]</span>Hardrijderijen zijn voor ons, wat de hardrennerijen te Epsom voor Engeland zijn. De
-meesters bieden zich tot den kamp aan. De overigen komen als toeschouwers. De baan
-wordt gemeten en afgepaald. De strijd begint. Vogelvlug ijlen de wedijverende paren
-langs de baan. Met ingehouden adem volgen hen duizend hoofden. Hoe lang de kamp duurt,
-hoe hard de koude nijpt, hoe fel de honger prangt, de deelneming verflauwt niet. Eindelijk
-is de laatste rid gedaan, het vaantje waait, de vlag klappert, de <span class="corr" id="xd31e6764" title="Bron: muzijk">muziek</span> klinkt, het hoera gaat op, en de geheele menigte stroomt toe om den prijs te zien
-uitreiken. Somtijds nemen ook Atalante’s deel aan dezen strijd, waarin zij gouden
-appelen rapen, in plaats van ze te strooien. Misschien is het om dit verschil, dat
-die vrouwenkamp mij niet bevallen wil. Wie zou het afkeuren, dat een meisje op net
-ijs mede een zedig schaatsje slaat? Maar in de renbaan, om het hardst, om het wildst …
-dit gaat al te ver buiten ons volkskarakter.
-</p>
-<p>Zeker zou ik nu in staat zijn, tegenover dit tafereel een akelig tegenstuk van de
-nadeelen en gevaren van het ijsvermaak op te hangen. Gij verstaat mij. Reeds ziet
-gij in uwe verbeelding gebroken armen, bloedige neuzen, blauwe oogen, natte pakken
-en ontvelde voeten dooreen wemelen: misschien ook wel in het verschiet een bleeke
-gedaante; koud als het ijs, waaruit zij werd opgetogen—een bevrozen bloem!… Maar ik
-wil de moeders, die dit lezen geen angst aanjagen, en de jongens, die er bij staan,
-geen ondienst doen. Ik voor mij hoop, dat er in Nederland schaatsenrijders zijn mogen,
-zoo lang er in Nederland ijs zijn zal. Het is een gezonde, eigenaardige en nationale
-uitspanning. En wanneer dan de vreemdelingen schimpen, dat wij niet weten wat een
-fiksche beweging is, brengen wij hen op het ijs en laten hen staroogen op onze schaatsenrijders.
-<span class="pageNum" id="pb235">[<a href="#pb235">235</a>]</span> </p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch20.7" class="div2 section"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e7352">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h3 class="label">VII.</h3>
-<h3 class="main">De Schoorsteenveger.</h3>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Indien gij uw kort begrip van de aardrijkskunde opslaat, dan vindt gij in ’t hoofdstuk
-Italië, onder het opschrift Voortbrengselen:
-</p>
-<p>Granen, rijst, wijn, honing, olie, zijde, citroenen, amandelen, oranjeappelen en—schoorsteenvegers.
-</p>
-<p>Arme schoorsteenveger! Hoe ongelukkig staat zijn verachte naam onder al die heerlijkheden;—zijn
-zwarte gestalte tusschen die sneeuwwitte bloesems en die goudgele zijde;—zijn rookerig
-pak tusschen die welriekende bloemen en geurige vruchten;—zijn nikkersgedaante tusschen
-die schatten van het paradijs der aarde.
-</p>
-<p>Arme schoorsteenveger! Onder Savoye’s heerlijken hemel stond zijn wieg. Italië’s zon
-ontstak het vuur in de zwarte kolen, die onder zijn voorhoofd glinsteren, en de frissche
-blos, dien het roet niet geheel kan doen verdwijnen, is door de stralen van den zuiderhemel
-op zijn gelaat geschilderd. Geuren waren de eerste lucht, welke hij als kind inademde,
-bloemen het bed, waarop hij sluimerde, abrikozen en perziken, vijgen en druiven het
-eerste voedsel, dat hij smaakte. Hij wist niet, dat er een Noorden bestond; hij vermoedde
-nauwelijks, wat koude, wat vuur, wat rook was.
-</p>
-<p>Arme schoorsteenveger! De armoede van den vader stiet den twaalfjarigen <span class="sc">Leonard</span> ter deur uit. Men hing hem een oude mandoline om den hals, zette er een marmot op,
-gaf hem een stuk brood in den zak, en wees hem den weg naar het Noorden. Schreiende
-ging het jongske op weg. Men moest hem van zijne ouders losscheuren; men moest hem
-met geweld voortdrijven; het was als voorzag hij, wat hem te wachten stond.—Nooit
-had <span class="sc">Leonard</span> gedacht, dat er landen waren, zoo karig door de natuur bedeeld, als het vlakke moerassige
-landje, waar hij eindelijk van zijn lange reis uitrustte. Met iederen dag was hij
-treuriger geworden. Want met iederen dag dat hij verder trok, vond hij het minder
-schoon dan in zijn vaderland, en iederen dag werd tevens het verlangen naar dat vaderland
-sterker. Als hij zijn marmotje niet gehad had, zou hij van heimwee gestorven zijn.—Zijn
-vader had hem een brief aan een ouden vriend medegegeven, die in Holland het bedrijf
-<span class="pageNum" id="pb236">[<a href="#pb236">236</a>]</span>van schoorsteenveger uitoefende. Op zekeren avond stond hij voor huis waar een bordje
-uitstak, met het opschrift: Gebroeders <span class="sc">Leoni</span>, Italiaansche schoorsteenvegers en rookverdrijvers. Voor de deur lagen eenige zwarte
-garden, wier onaangenaame reuk <span class="sc">Leonard</span> het hoofd onwillekeurig <span class="corr" id="xd31e6796" title="Bron: doet">deed</span> afwenden. De deur werd geopend. De jongste der <span class="sc">Leoni’s</span> ontving hem vriendelijk. Hij werd in huis opgenomen. Onder het avondeten werd er
-in het Italiaansch over Italië gesproken. Men sprak in zijn moedertaal over zijn vaderland.
-<span class="sc">Leonard</span> was bijna weder gelukkig. ’s Nachts droomde hij van Italië en het ouderlijke huis.
-</p>
-<p>Arme schoorsteenveger! Den anderen morgen werden hem zijn lompen uitgetrokken, en
-hij in een grof linnen kleed gestoken met een lossen kap over ’t hoofd. Toen hij zich
-in den spiegel bezag, had hij in zijn eigen oogen veel van een monnik uit zijn vaderland.
-Ook zag hij er in het nieuwe pak alleraardigst uit: en een ieder die hem op straat,
-aan de zijde van den oudsten <span class="sc">Leoni</span>, op zijn eerste proef zag uitgaan, kon de oogen nauwelijks van hem afhouden. Al de
-meisjes knikten tegen den jongen helderen schoorsteenveger.—Maar die vreugd duurde
-kort. Weinige oogenblikken daarna stond hij met zijn meester onder een schoorsteen,
-waarin hij bijna niet zien kon zonder duizelig te worden, zoo hoog was de donkere
-nauwe koker, waardoor ter nauwernood een flauwe straal licht viel, even als een omgekeerde
-diepe put. Lang duurde het, eer hij zijn meester begreep. Hij moest met zijn nieuwe
-pakje den vuilen schoorsteen in. Had hij daarvoor leeren klimmen als een eekhorentje?
-Maar de meester was onverbiddelijk. Toen hij beneden kwam, was hij even vuil als de
-schoorsteen zelf. Bij het naar huis gaan zag niemand hem meer aan. Nog erger! De jongens
-bespotteden hem en riepen hem een gekscherend: boe! boe! na; de meisjes gingen, zooveel
-zij konden, voor hem uit den weg, en de kinderen begonnen te huilen, als zij hem zagen.
-Hij had ook wel willen huilen.—Het is waar, ’s middags kreeg hij goed eten, beter
-dan hij in langen tijd gehad had: maar het smaakte hem bijna niet van de rooklucht,
-die hij nog altijd in den neus had. Alles, wat hij in den mond stak, smaakte naar
-roet. En dit verwonderde hem niet meer, toen hij bemerkte, dat hij zeker in den schoorsteen
-zijn kapje had laten afvallen, want zijn mooi zwart haar zat vol van een dik en vetachtig
-roet, zoodat hij het half moest afsnijden. Het was jammer van de mooie lokken, waar
-ieder zoo’n zin in gehad had.
-</p>
-<p>Arme schoorsteenveger! Wel gewende hij <span class="corr" id="xd31e6812" title="Bron: langzamerheid">langzamerhand</span> aan de guurheid van het land, even als aan de lasten zijner betrekking. Maar toch
-kon hij zijn vaderland niet vergeten. Dikwijls, wanneer hij zijn dagwerk had afgedaan,
-kroop hij naar de vliering, kreeg daar zijn mandoline en marmot, die zijn meester
-hem vergund had te behouden, en speelde nog eens een Savoyaardsch deuntje. En dan
-werd het hem zoo wonderlijk wèl en wee om het hart, dat de kop van zijn diertje nat
-werd van tranen. Ook hield hij van niemand in het geheele land half zooveel als van
-zijn marmot. Hij spaarde voor haar de lekkerste beetjes uit zijn mond. Het was nu
-voor hem zijn geheele gezin, zijn <span class="pageNum" id="pb237">[<a href="#pb237">237</a>]</span>vaderland, zijn wereld!—Als het maar altijd winter gebleven ware! Doch daar werd het
-lente. Een Noordsche lente. Maar toch, de ontwakende natuur en zijn eigen gestel zeide
-hem, dat het lente werd, lente in zijn vaderland. Dan bruiste hem het Italiaansche
-bloed heftig door de aderen. Dan werd het hem in Holland te eng, als een gevangen
-vogel, die, tegen den verhuistijd van zijn geslacht, met den kop tegen de tralies
-stoot. Dan droomde hij elken nacht van Savoye, en voelde de lauwe zuiderzon, en zag
-de bloeiende amandeltakken, en dronk den geur der oranjebloesems, en hoorde het gegons
-der bijen, en ontwaakte op het gezang van den nachtegaal.… Maar neen! het was de nachtegaal
-niet, het was de meester, die hem kwam roepen om op te staan: want het was voorjaar!
-er was veel werk aan den winkel. Er moesten met het schoonmaken veel schoorsteenen
-geveegd worden. Daarom moest hij vroeg aan den gang. „De lente was de beste tijd voor
-schoorsteenvegers!” zeide zijn meester<span class="corr" id="xd31e6817" title="Bron: ,">.</span>
-</p>
-<p>Arme schoorsteenveger! Zoo duurt het met hem reeds jaren achtereen. Maar toch heeft
-het dus ’t langste met <span class="corr" id="xd31e6822" title="Bron: het">hem</span> geduurd. Hij heeft door oppassendheid en spaarzaamheid een klein sommetje bijeengegaard.
-Nog drie jaren, dan is de som rond. Dan verlaat hij Holland en keert naar Savoye terug.
-Dan koopt hij daar een kleinen wijnberg en een huisje. En als buurmans <span class="sc">Jansje</span> dan nog zoo mooi en lief is als toen hij wegging, dan maakt hij haar zijn vrouw.
-En in hare armen vergeet hij voor altoos het leed van den armen schoorsteenveger!
-<span class="pageNum" id="pb238">[<a href="#pb238">238</a>]</span> </p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch20.8" class="div2 section"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e7362">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h3 class="label">VIII.</h3>
-<h3 class="main">De Hofjes-Jufvrouw.</h3>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Onder de echt-Hollandsche figuren behoort zeker ook die, welke wij hierboven hebben
-zoeken aan te duiden onder den naam van Hofjesjufvrouw. Wij bedoelen daarmede eene
-bewoonster van de vele gestichten van dien aard, in ons land aanwezig, welke van de
-waarachtige weldadigheid onzer natie zulk een treffend getuigenis afleggen, waaraan
-men de benaming van <i>hof</i> of <i>hofje</i> geeft. Zulke gestichten zijn een soort van kloosters; met dit onderscheid, dat de
-personen die er in wonen niet in <i>activo</i>, maar in <i>passivo</i> zusters van barmhartigheid, en geene uitdeelsters, maar voorwerpen van weldadigheid
-zijn. Ook zij ontvluchten overigens achter de hooge muren de wereld, welke zij moede
-zijn geworden. Veelal zijn het gewezen keukenprinsessen, die met de medaille van vijftigjarige
-dienst, (gedurende welke zij bijna altijd in ’t vuur geweest zijn,) gepasporteerd
-en met een plaatsje in zulk een vrouwelijk invalidenhuis begiftigd worden. Daar ziet
-zich nu de Hofjesjufvrouw op een oogenblik uit het drukste gewoel der wereld in een
-kloosterachtige afzondering overgebracht. Geheele dagen, ja, weken achtereen, ziet
-zij door de reet van haar gordijntje niets anders, dan de cellen van hare buurvrouwen
-en de leeuwrikkenzode, met een kransje van palm omgeven en met goudsbloemen en citroenkruid
-beplant, die zij met fierheid haar <i>tuin</i> heet. Ook hoort zij van de wereld niet veel meer, dan zij er van ziet. De ongewoonte
-van menschen te zien maakt haar gaandeweg menschenschuw, zoodat zij gedurig zeldzamer
-haar steenen kooi verlaat. Het moge zoo zijn, dat zij bij het lezen van de Haarlemmer
-Courant—die een maand na den tijd het hofje met dreigende nieuwstijdingen beroert,
-die al lang in wind of water vergaan zijn—bij het doorloopen der advertentiën, onder
-uitroepen als deze: „Wel, wel, is die ook al dood? Jongens, jongens, wat krijgt die
-vrouw een kinderen! Kijk, kijk, dat bruidje heb ik nog als kind op mijn armen gedragen!”
-het moge zoo zijn, dat zij alsdan soms den lust in zich voelt opkomen, om de menschen
-in kwestie te bezoeken: maar even zeker is het, dat zij even weinig naar het sterfhuis,
-naar de kraamvrouw of naar het bruidje gaat, als ware zij inderdaad door kloostermuren
-van haar gescheiden geweest.
-<span class="pageNum" id="pb239">[<a href="#pb239">239</a>]</span></p>
-<p>Maar wat Eldorado, wat tooverpaleis is het dan, dat haar de geheele wereld vergeten
-en verachten doet? Laat ons het eens opnemen.
-</p>
-<p>Het huisje van de hofjesjufvrouw,—dat het bewijs oplevert dat atomen kunnen verdeeld
-worden,—is in twee vertrekjes gescheiden, in een van welke zij slaapt, terwijl het
-andere haar woonvertrek uitmaakt. Een beschot, tusschen dat vertrekje en de deur geplaatst,
-vormt een nauw gangetje, dat met eenzijdige voorkeur voor pijpenstelen en dunne menschen
-is aangelegd. Daar zit ze op een houten vlonder, (de ramen zijn doorgaans hoog en
-de bewoonster nieuwsgierig,) en beheerscht van die hoogte het geheele hofjesplein
-met hare blikken. Fijne matjes, zoo glad geboend dat men er op loopen moet als op
-een stijfgespannen koord, dekken de verhevenheid, waarop zij woont. Op de tafel, waaraan
-zij zit, vindt men onder anderen in den regel: een zwart segrijnen bijbel met zilveren
-sloten, en met een zilveren bril tusschen de bladeren ingestoken, (de knijpbril staat
-op den neus); een melkkannetje met hyacinten, seringen, of ook ’s winters zevenjaarsbloempjes,
-en bij ontstentenis daarvan, gele of witte papierbloemen; een snuifdoos; een trommeltje
-met kokinjes; een breikous van zwart sajet enz. Aan het schot, tegenover de bewoonster,
-hangen eenige schilderijen, vooral Dominees met krulpruiken, tooneelen uit de H.&nbsp;S.
-als een verloren zoon in modern kostuum en anderen; soms ook een mislukt heeren- of
-damesportret, dat haar als een erfstuk, ter gedachtenis aan haar ouden meester of
-meesteres, geschonken is, wier beeld haar dankbaar geheugen in het monster, dat voor
-haar oogen hangt, best herkent. Achter de hofjesjufvrouw staat een kastje van mahonyhout
-met glazen deuren. Op de planken van dit prachtmeubel, dat voor haar een etagère vervangt,
-staat menig artikel, dat de fraaiste nieuwmodische etagère versieren zou, als daar
-zijn: lange lijzen, koppen met de zes merken, roode Lilliput-potjes, gezwegen nog
-van de borden van den spinnekop en de schalen van de krab. Naast dit kastje staat
-een ijzeren pot, waarop zij elken middag haar sober maal kookt, en waaraan zij zich
-’s winters verwarmt totdat er aan haar koud bloed geen ontdooien meer is. Op deze
-wijze leeft de hofjesjufvrouw het gansche jaar in dezelfde afzondering en stilte voort,
-die slechts eenmaal ’s jaars door een dag van drukte en gewoel wordt afgebroken: het
-is de dag, als zij de kinderen uit het huis van haar vorige dienst ten eten genood
-heeft. Dan worden de geplooide gordijntjes opengeschoven; dan wordt de dikke poes
-naar de vliering verbannen; dan ruimt de bijbel zijn plaats op tafel voor dobbelsteenen,
-pachtpenningen en lottospel; dan brandt in huis het vuur en sist de pan; dan knarst
-buiten de pomp en klinken de schellen op het gansche hofje; dan wordt de palm rondom
-de tuintjes vertreden en de balsaminen in de bedden geknakt; dan wordt tegen alle
-ruiten getikt en over alle onderdeuren geknord; alles tot dat de avond valt en de
-kleine hoop, met een komfoor en poffertjespan, om een grooten pot met melkbeslag vergaderd
-wordt om poffertjes <span class="pageNum" id="pb240">[<a href="#pb240">240</a>]</span>te bakken, bij welk feest de arme gastvrouw een droevig slachtoffer van de speelschheid
-harer gasten is, terwijl de naweeën eerst <span class="corr" id="xd31e6853" title="Bron: regt">recht</span> beginnen, als de knapen naar huis zijn en alle buren hare klachten komen inbrengen
-tegen de stoute bengels, die zij op ’t hof gehaald heeft.
-</p>
-<p>En toch schijnt ze nog te leven voor dien eenen dag; en toch spaart ze daar alles
-voor, en heeft er alles voor ten goede; en toch zal zij dien blijven vieren, tot dat
-zij de steenen trappen afgedragen wordt.
-</p>
-<p>Zoo hebben dan deze hofjes-jufvrouwen, ondanks haar weinig bekoorlijk en veelzins
-belachelijk voorkomen, toch hare eigenaardige deugden, die haar iets belangrijks,
-en zelfs bij wijlen iets verhevens geven. Het hofje is een doos met oude ongangbare
-potstukken, maar van echt gehalte. In deze gebroken vaten ligt een schat van verknochtheid
-en trouw aan hen, wie ze vroeger hebben toebehoord, helaas! die gedurig zeldzamer
-wordt. Misschien is het een zwartgallige inval, maar ik vrees, dat onze dienstboden
-niet meer zoo vele hofjes met oude trouwe zielen zullen kunnen vullen als ik gekend
-heb. O tijden! o zeden! moet dan het bederf uwer nieuwigheden zelfs de hofjes, die
-wijkplaatsen des ouderdoms, aantasten? Doch ik wil mij aan die treurige denkbeelden
-niet overgeven. Voor als nog zijn er op deze musea van antiquiteiten een menigte van
-zulke gebroken standbeelden der godin <i>Fides</i>. Daarheen neem ik mijn toevlucht, wanneer de wuftheid en ondankbaarheid der jonge
-wereld mij bedroeft, en verkwik mij aan die levende toonbeelden eener trouw, als die—de
-hofdames vergeven mij de vergelijking—van den ouden Fidel, die van zijn hartstocht
-voor hazen- en patrijzenbouten, als laatste en eenige liefde, de verkleefdheid aan
-zijn meester heeft overgehouden. Ik denk, dat op dit oogenblik menigeen met verteedering
-aan de liefde denkt, hem als kind door zulke oude getrouwen om zijner ouderen wil
-bewezen, en tevens met schaamte om de jongensachtige ruwheid, waarmede hij die liefde
-heeft betaald. Nu, de goede oudjes hebben het ons vergeven, en zijn met goede wenschen
-en beden voor ons op de lippen ter ruste gegaan naar dat andere hof, waar de trouw
-van hen, die er hun intrek nemen, nog betere belooning vindt.
-<span class="pageNum" id="pb241">[<a href="#pb241">241</a>]</span> </p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch20.9" class="div2 section"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e7372">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h3 class="label">IX.</h3>
-<h3 class="main">De Vischvrouw.</h3>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Als wij de legende gelooven zullen, waren er oudtijds zeemeerminnen. Hooren wij daarentegen
-de natuuronderzoekers, dan is haar geheele bestaan een fabel. Maar nu komen de wijsgeeren
-tusschen beide, en vragen: waar komt die fabel dan van daan? want, en dat moet ik
-hun toegeven, men noemt geen vrouw meermin, of daar is een staartje aan. Ik waag het
-allerzedigst een oplossing van dit belangrijk vraagstuk te beproeven. Zou de geheele
-verdichting der <i>zeewijven</i> ook uit een bijgeloovige vereering van de <i>Vischvrouw</i> kunnen ontstaan zijn?
-</p>
-<p>Lach zoo spotachtig niet, Mevrouw! Wees liever zoo goed mij te volgen. Wij willen
-de vischvrouw een bezoek geven.
-</p>
-<p>Zie, ginds tegen het duin aan, als een schelpvisch tegen de rots, hangt haar woning.
-Het schijnt ook zelve bijna een schelp, die daar door den vloed is neêrgeworpen om
-door de ebbe weêr meêgenomen te worden; zoo nietig komen die stulpen op het breede
-strand voor. Evenwel in die schelp woont een mensch; wat zeg ik, eene geheele verzameling
-van menschen. Laat ons binnengaan!—Men zal ter vischvangst uitgaan. De netten zijn
-gereed, de knapzak is voorzien, de visschers zullen vertrekken. Vader met zijn oudsten
-zoon als knecht en den derde van de acht, die zoo lang gesmeekt heeft, tot dat moeder
-hem vergund heeft meê te gaan. Verwondert gij u over de teederheid van het afscheid
-van deze „lompe” menschen? Verwonder u liever over hun blijmoedigheid!—Want, mag ik
-u verzoeken? Zie eens even naar buiten<span class="corr" id="xd31e6876" title="Bron: ,">.</span> Ziet gij die pink dáár, gereed om zee te bouwen? Een ijzig <span class="corr" id="xd31e6879" title="Bron: gezigt">gezicht</span>, niet waar? Van hier beschouwd, lijkt zij betrekkelijk niet grooter dan de notendop,
-dien wij als kinderen in de theekom lieten varen. Welnu, die dop zal haar drie kostbaarste
-schatten laden. Nog eenige oogenblikken en hij dobbert met hen op den diepen oceaan,
-waarvan een enkele golf tien zulke scheepjes vult. Verbeeld u, Mevrouw, dat Mijnheer
-uw gemaal en de jonge Heer de student en.… foei! ik doe u schrikken. Wees gerust!
-het geldt deze vischvrouw maar! Doch beken echter, dat er achter dit grove jak een
-hart moet kloppen, waaruit men tien harten van uw romanheldinnen kneeden zou?
-<span class="pageNum" id="pb242">[<a href="#pb242">242</a>]</span></p>
-<p>Eenige uren later. Hebt ge moed? Het is zeker noodweêr. Het stormt een orkaan. De
-bliksem zwaait onophoudelijk zijn blauwen fakkel over de zwarte golven. De donder
-buldert tegen den wind in met hortende slagen, alsof zijn stem telkens door den storm
-gesmoord werd. Onder dezen strijd der elementen kookt en schuimt de zee als een ziedende
-ketel op een onderaardsch vuur, en spat haar water tot in de hut. Die hut zelve is
-een tooneel van verwarring en angst. De zes kinderen, die t’huis gebleven zijn, loopen
-half naakt en schreiend door elkander. De oudsten slaan bevend de lucht gade en staren
-dan weêr op de zee, als om bij het licht van den bliksem iets te onderscheiden. De
-jongsten schuilen aan moeders schoot en gillen om vader. Door dit rumoer heen klinken
-de noodschoten van een strandend schip, en de kreten van het zeevolk, dat bezig is
-een boot ter redding uit te zetten.—Gij beeft, Mevrouw! Mag ik u wat <i lang="fr">eau de cologne</i> geven? Verman u een weinig. Zie onze visschersvrouw! zij heeft drie beminde panden
-op zee. Zij weet, dat de boot te zwak is om zulk een orkaan te weerstaan. En toch
-blijft zij bedaard en kalm. Zij schijnt den storm, die buiten woedt, niet te bespeuren,
-en heeft alleen oogen voor de onrust, die binnen heerscht. Merk op, met hoe veel zielkracht
-zij haar oudste kinderen zoekt te bemoedigen, haar jongste te sussen. Het gelukt haar
-eindelijk. Maar waar gaat zij heen? Wat doet zij in gindschen hoek? Zie, zij bidt!—Daar
-komt zij weder. Welk een stille berusting op haar gelaat. Zij slaat een schichtigen
-blik naar buiten, maar heft hem terstond weder naar boven, en begint zingende haar
-jongste lieveling in slaap te wiegen. Welk een treffend gezicht! Is het niet als een
-standbeeld van de Rust in het hol van den Storm?
-</p>
-<p>Den volgenden morgen. Het ergst is gebeurd. De boot is aan strand gekomen,—maar ledig.
-Alleen haar oudste zoon heeft zich met zwemmen gered. Willen wij de vischvrouw een
-rouwbezoek gaan brengen?—Zij is niet te huis. Daar is niemand dan haar kinderen, die
-om brood schreien. Zij zal op het strand zijn. Ja, daar is zij, bij den afslag. Daar
-koopt zij haar mand vol visch, dien haar man had moeten t’huis brengen. Met dien mand
-op den rug draaft zij naar den stad. Zie eens, hoe bleek zij ziet en hoe rood haar
-oogen zijn. Maar haar opgericht hoofd draagt de ben, en haar naakte voeten loopen
-in denzelfden draf als altoos. Moederliefde overwint den storm in haar binnenste,
-even als gister den storm buiten. Zoo draaft zij, halfdood van vermoeidheid en uitputting,
-de stad op en neder. Huis aan huis biedt zij haar visch te koop. Niet noodig! is het
-refrein, hier en daar afgewisseld met een snauw: hoe veel geld? Het is te veel. Dan
-wordt er gedongen en beknibbeld, en somtijds zelfs de arme met hardheid weggezonden,
-opdat Mijnheer en Mevrouw hun eerst gerecht toch zoo goedkoop mogelijk op tafel zullen
-hebben, terwijl haar zes kinderen van honger versmachten. En toch is zij te fier om
-te klagen of te bedelen. Die schande zal zij haren man in het graf nooit aandoen.
-Zij zal liever werken totdat zij er bij neêrvalt, eer zij de hand tot een aalmoes
-uitstrekt.
-<span class="pageNum" id="pb243">[<a href="#pb243">243</a>]</span></p>
-<p>Eindelijk is haar vracht verkocht, en keert zij naar het dorp terug. Nu verzorgt en
-voedt zij de ongelukkige weezen. Terwijl de kinderen eten, gaat zij met haar oudsten
-jongen naar het strand, om met hem over de herstelling van de gestrande boot te spreken.
-Want hij moet hoe eer hoe beter er weder op uit. Zij heeft nog geen schrik van het
-element, dat haar pas een man en een kind kost. Zij heeft ook nog geen afkeer van
-het leven, dat haar zoo zwaar valt. In een romance zou men haar laten verlangen om
-bij haar lievelingen in den schoot der blauwe baren te rusten. Maar daaraan denkt
-zij niet. Zij voelt den last des levens op haar drukken als een taak. Wat dus anderen
-werkeloos zou doen nederzitten, spant en prikkelt hare werkzaamheid. Ware het mogelijk,
-zij zou er zelve op uitgaan. Maar daar dit niet kan, moet haar zoon de plaats van
-zijn vader vervullen. Zij zal hem den tweede tot hulp medegeven. Wacht hen hetzelfde
-lot.… het zij zoo! het staat in hooger hand! zij zal hen zien vertrekken, zonder een
-traan te laten. Mij dunkt, gij ziet haar met bewondering aan. Gij hebt van zoo iets
-heldhaftigs geen denkbeeld. Gij vindt het boven het vrouwelijke, ja, boven ’t menschelijke.…
-Pas op, Mevrouw! anders maakt gij er nog een <i>zeewijf</i> van.
-</p>
-<p>Ik weet niet of ik u overtuigd heb. Het is altoos slechts een gissing, die ik voor
-beter geef. Maar indien ik niet eenige meerdere ingenomenheid met de Vischvrouw bij
-u heb opgewekt, dan eer gij <span class="corr" id="xd31e6897" title="Niet in bron">dit </span>opstel in handen naamt, dan heb ik tijd en inkt verloren.
-<span class="pageNum" id="pb244">[<a href="#pb244">244</a>]</span> </p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch20.10" class="div2 section"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e7382">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h3 class="label">X.</h3>
-<h3 class="main">De Rotterdamsche Zakkendrager.</h3>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Lezer! Indien gij slechts half zooveel eerbied hebt voor nijvere arbeidzaamheid als
-de schrijver van deze schets, dan verzoek ik een oogenblik uwe belangstelling.
-</p>
-<p>Inderdaad! in de geheele menschelijke maatschappij ken ik geen stand, die zoo sprekend
-het denkbeeld van noeste vlijt uitdrukt en als het ware verpersoonlijkt als die, waartoe
-de Rotterdamsche Zakkendrager behoort. In de dierenwereld zijn het de mieren, die
-bovenal den roem der arbeidzaamheid wegdragen. De zakkendragers nu zijn de mieren
-der maatschappij.—Wie heeft ze nooit gadegeslagen, die nijvere diertjes, hoe zij op
-de plaats waar zich hun nest bevindt een grimmelend leger vormen, dat onophoudelijk
-heen en weder trekt en door elkander zwiert, zonder elkander te belemmeren, terwijl
-zij de zwaarste lasten torsen? Welnu, hetzelfde schouwspel, in het menschelijke overgebracht,
-leveren dagelijks de Rotterdamsche straten in de werkzaamheid der zakkendragers.
-</p>
-<p>Het hoofdkwartier van dit nijvere leger is het zoogenaamd zakkendragershuisje. Daar
-is het getal en de zwaarte der lasten bekend, die elken dag moeten worden getorst.
-De verdeeling geschiedt bij het lot. Een eerlijk soort van dobbelspel. Terwijl elders
-de aanzienlijke speler aan een roekeloozen worp het vermogen van vrouw en kinderen
-waagt, dobbelen deze kerels om den last, waarmede zij hun brood verdienen. Schieten
-er manschappen over, dan worden de hoogste nommers ontslagen, over welke teleurstelling
-zij zich gewoonlijk in de kroeg zoeken te troosten.
-</p>
-<p>Nadat het groote leger in <span class="corr" id="xd31e6910" title="Bron: kompagnien">kompagniën</span> en <span class="corr" id="xd31e6913" title="Bron: sectien">sectiën</span> verdeeld is, begeven zich de onderscheidene koppels ieder naar de hun aangewezene
-plaats. Daar gekomen wordt het werk nader onder hen verdeeld. Ondersteld, zij zullen
-turf opdragen. Dan krijgt ieder zijn post. Sommigen staan bij de schuit en stapelen
-de manden. Anderen dragen ze aan. Anderen winden ze op, of brengen ze naar boven.
-Anderen eindelijk schikken de turven op den zolder. Bij dit alles nu heerscht een
-regelmatigheid die mij dit werk dikwijls met verbazing heeft doen gadeslaan. De acht,
-tien of twaalf menschen zijn niet meer zoovele <span class="pageNum" id="pb245">[<a href="#pb245">245</a>]</span>menschen. Het zijn onderscheidene leden van één <span class="corr" id="xd31e6918" title="Bron: ligchaam">lichaam</span>. Het zijn raderen van ééne machine. Nauwelijks is het sein gegeven, of het levend
-werktuig raakt in beweging. Geen raderen, door stoom bewogen, draaien geregelder in
-denzelfden kring rond en grijpen juister in elkander, dan de dragers elkander de hand
-leenen. Op den weg, dien zij hebben af te leggen, doen zij nooit een pas meer of minder,
-komen zij nooit een sekonde te vroeg of te laat. Bij het overgeven en overnemen van
-de vracht wisselen zij geen woord, geen wenk, geen blik zelfs. Ook is hun geheele
-denkkracht in hun werk als verzwolgen. Geen automaten kunnen werktuigelijker arbeiden.
-Maar daarom bezit ook hun arbeid den regelmatigen en zekeren gang van een uurwerk.
-O, dacht ik wel eens bij dit gezicht, wanneer wij menschen in de wereld even goed
-onze plaats wisten te kiezen en te bewaren, en elkander even gedienstig en trouw de
-hand reikten, welk een schoon werktuig zou het nu dikwijls verward zamenstel der maatschappij
-zijn, en hoe schoon en heerlijk vooral het werk, dat daardoor zou worden tot stand
-gebracht.
-</p>
-<p>Het werk is volbracht. Het rad is afgeloopen. Het werktuig staat stil. Op eens komt
-er weêr leven in deze houten automaten. Het gelaat, waarvan het zweet met den arm
-wordt afgeveegd, ontspant en ontrimpelt zich en glimt van de voldoening van wel volbrachten
-arbeid. Men schertst met de meid, wier zolder men van turf heeft voorzien, die met
-een milden teug schiedammer de dorstige harten komt laven. Het verdiend loon wordt
-ontvangen en verdeeld. Men gaat uiteen.
-</p>
-<p>Meen echter niet, dat dit werktuigelijke den zakkendragers ook buiten hun werk bijblijft.
-Gij zoudt hun grootelijks te kort doen. Boerenkinkels mogen ook buiten het veld iets
-van het <i>dommekrachtige</i> behouden, dat hun op het veld eigen is, bij de wakkere Zakkendragers is dit anders.
-Nauwelijks is de arbeid van hun schouders, of zij zijn zulke <span class="corr" id="xd31e6926" title="Bron: vrolijke">vroolijke</span> en flinke kerels als gezonde arbeid ooit gemaakt heeft. En geen wonder. Zij hebben
-eene ruime en eerlijke broodwinning. Zij behooren zeker slechts tot de klasse der
-sjouwerlieden, maar zijn echter boven deze verheven. Zij behoeven niet op werk te
-wachten of er om te bedelen, gelijk deze, maar vinden iederen morgen hun taak en last
-gereed. Daarbij vormen zij onderling een gesloten college, een soort van gild. Nu
-zijn de patenten, en de algemeene vrijheid, gelijkheid en broederschap, waarvan deze
-het uitvloeisel zijn, wel eene heerlijke uitvinding: maar niemand zal mij echter tegenspreken,
-dat daardoor het eigenaardige, het afgeronde en gemunte, in één woord het typische
-van de verschillende standen in ons vaderland wel iets geleden heeft. O bakkers met
-uw witte slaapmutsen! O slagers met uw lange messen! O timmerbazen met uw gele voorschoten!
-Waar zijt gij gebleven? Neen, wij hebben geen rechte bakkers, slagers of timmerbazen
-meer. Wij hebben lieden, die bakken, slachten, en timmeren: maar het bakkersvoorkomen,
-de bakkersgeest, het bakkershart, dit alles is met de witte slaapmuts verdwenen. Eere
-daarom den Zakkendragers, die nog <span class="pageNum" id="pb246">[<a href="#pb246">246</a>]</span>iets van het genootschappelijke en federative hebben behouden, dat vroeger den grondslag
-van onze staats- en maatschappelijke huishouding uitmaakte. Zij vormen een soort van
-broederschap, die hen met een zweem van <i lang="fr">esprit de corps</i> bezielt, dien zij ook door het dragen van een ordeteeken zoeken aan den dag te leggen.
-Men heeft hen alleen te zien loopen, gelijk zij naar werk gaan of daarvan terugkeeren,
-met den linnen zak bevallig over het hoofd geslagen, om in hen den Zakkendrager te
-herkennen. Wat hun echter noch meer wichtigheid bijzet, is het gevoel, dat zij min
-of meer tot de stadsambtenaars behooren, en dus als verre planeten in de zonnebaan
-der burgemeesters-kamer wentelen. Zij zijn dan ook het college, dat bij hooge gelegenheden
-de lagere standen vertegenwoordigt; zij hebben het privilege om de paarden van ’s
-Konings koets te spannen en den kostelijksten aller lasten te trekken. Het gebeurt
-hun dan ook niet zelden, dat het koninklijk oog, met voorbijgang van anderen, die
-zich verbeelden hooger te staan, op hen afdaalt. Zoo wierp het feest, op den laatsten
-oudenjaarsavond door Z.&nbsp;M. aan de Haagsche turf- en zakkendragers gegeven, op al hun
-ambtgenooten een weerschijn van eer en aanzien, dat hen den zak nog fierder dan anders
-over het hoofd doet dragen. Men zegt dan ook, dat op dien avond menig Zakkendrager
-zoolang op <span class="sc">Willem II</span> heeft geklonken, totdat het actief van zijn naam in passief was overgegaan.
-</p>
-<p>Doch <span class="corr" id="xd31e6939" title="Bron: laa">laat</span> ik niet lasteren. Wel is waar zijn de Zakkendragers vooralsnog geen leden van het
-Matigheidsgenootschap, en ik vrees of zij het ooit zullen worden. Maar even weinig
-plegen zij dronkaards te wezen. Zij zijn te bang om den zak, waaruit zij leven, te
-verliezen. Overigens zijn zij, als meest allen, die zwaren arbeid verrichten, kloek
-van voorkomen, trouw van hart en braaf van inborst. Het gaat hun als veeltijds: hoe
-zwaarder last op de schouders, des te lichter last op het hart!
-<span class="pageNum" id="pb247">[<a href="#pb247">247</a>]</span> </p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch20.11" class="div2 section"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e7392">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h3 class="label">XI.</h3>
-<h3 class="main">De Groenvrouw van Rotterdam.</h3>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Koopsteden zijn paradijzen, wat de kunst, maar woestijnen, wat de natuur betreft.
-De menschengroei, die er plaats heeft, schijnt er den plantengroei te verstikken.
-Kom bij voorbeeld te Rotterdam. Hoe dor, hoe bar, hoe winterachtig ziet alles er uit.
-Zelfs midden in den zomer! Alles hout en steen, steen en hout. Men zou denken, dat
-de menschen er, even als de oude toovenaars, steenen aten. Maar neen, zie ginds! Daar
-meen ik toch iets groens te ontdekken. Inderdaad, het is zoo. Daar is de groenmarkt.
-Dat is eene <i>oase</i> in de woestijn. Met welk een wellust rust het oog, van het flikkeren der zonnige
-straatsteenen vermoeid, op dezen groenen grond uit! Laat ons er een oogenblik van
-genieten.
-</p>
-<p>Wij treden nader. Daar prijkt in haar groentenkraam, even als eene afbeelding van
-Ceres of Pomona in eene medaillon harer attributen, de groenvrouw.
-</p>
-<p>Wij vinden haar bezig met het opmaken van haar loofhut. Dat werk is belangrijker dan
-het schijnt. Laat de groenvrouw geene schilderes van stillevens zijn, zij moet toch
-iets van de kunst van ordonnantie verstaan. Wacht u vooral te denken, dat deze bevallige
-schikking de vrucht van een blind of linksch toeval is. Integendeel. Mejufvrouw uwe
-dochter besteedt niet meer kunst om de bloemen in uwe vazen te schakeeren, dan de
-groenvrouw om haar kraam op te maken. Het is dus wel degelijk met opzet, dat die blanke
-bloemenkoolen zoo sprekend op dien rooden grond van peen (Rotterdamsche stijl) uitkomen,
-dat die harde komkommers zoo smakelijk tegen de malsche kroppen afsteken, en dat het
-geurige boonenkruid zoo verlokkend over de zilveren boonen ligt uitgespreid.
-</p>
-<p>Is de kraam klaar, dan zit de groenvrouw, even groen en frisch als haar waar, tusschen
-haar schepping neder. Een helder gezicht lacht, even als de witte bloem tusschen de
-koolblaren, uit haar groenteprieel al de voorbijgangers tegen. Maar gij moet haar
-zien als er klanten komen. Dan is zij geheel beweging en drukte. Zij weet juist wat
-de „jufvrouw”, de „vrijster,” of het „vrouwtje” hebben moet. Gister <span class="pageNum" id="pb248">[<a href="#pb248">248</a>]</span>heeft men van deze, eergisteren van die groente gehad: nu moet men hiervan nemen.
-Even rad als haar tong, gaan hare handen. In een oogenblik zijn de wortelen gekortwiekt,
-de koolen uitgekleed, de spinazie opgetast, de radijzen geschoren. Over den prijs
-wordt nauwelijks gesproken. Er is geen vreedzamer beurs dan die der tuinvruchten.
-De lieve natuur is zoo mild met haar gaven, dat men voor een betrekkelijk kleinen
-prijs een geheele moeskraam ledig koopt. Daarenboven regelt de vruchtbaarheid of onvruchtbaarheid
-van het weder den marktprijs van den dag. Intusschen moet het niet ontkend worden,
-dat de groenvrouw wel eene schrale lente mag. Als de groenten te gauw aankomen, zit
-er te weinig winst op. Ach ja! tot tusschen de groene aardvruchten,—die treffende
-herinneringen aan de gouden eeuw, waarin men niets anders at,—is het egoïsmus doorgedrongen.
-</p>
-<p>Indien ge voldaan zijt, zullen we verder gaan. Want er zijn nog andere <i>species</i> van het <i>genus</i> groenvrouw. Ziet gij gindsche deern, met dat juk op den schouder, waaraan twee groote
-manden slingeren? Dat is ook een groenvrouw. Die brengt haar waar aan de huizen. Want
-de markt is voor den burgerstand. De rijken laten de markt bij zich aan huis komen.
-In die manden vindt gij dus de bloem van den moeshof. Zoo veel mogelijk is ook de
-eigenares eene bloem onder de groenvrouwen. Want daar zij in de groote wereld verkeert,
-heeft zij meer wereldkennis en wereldtoon noodig, dan op de burgerlijke markt te pas
-komt. Niet altoos evenwel is haar taak even teeder en zwaar. Soms heeft zij alleen
-met de jonge juffers te doen, die „de week” hebben, of in de proefschool zijn om te
-leeren huishouden. Dan is zij spoedig klaar. Want wat weten die van groenten? Dalen
-evenwel de mama’s met haar twintig- en dertigjarige ondervinding en haar sedert aangeleerde
-huishoudelijkheid naar beneden, dan moet er heel wat gevleid en gelogen worden, eer
-de gevraagde prijs verkregen is. Niets beter dan met keukenmeiden van de kennis of
-van de familie te doen te hebben. Die hebben zoo veel te vertellen en te vragen, dat
-er geen tijd voor loven of dingen overblijft.
-</p>
-<p>Willen wij de groenvrouw nog verder nagaan, dan moeten wij ze naar hare woning volgen.
-Daar komen we eerst bij de groenvrouw <i lang="la">primera suerte</i>. Daar vindt ge een waar luilekkerland, met dit kleine onderscheid, dat de lekkernijen
-er u alles behalve van zelve in den mond vliegen. Daar vindt ge in den winter versche
-kroppen onder stolpen; daar doen u in het voorjaar de eerste bakvruchten, snijboontjes,
-worteltjes en porselein watertanden; daar vindt men den geheelen zomer, wat de moeshof
-edelst en keurigst oplevert. Waar nu al die schatten van daan komen, is een geheim.
-Sommigen denken, dat de groenvrouw ze, even als in Riket met de kuif, uit den grond
-laat opkomen. Anderen spreken van eene geheime betrekking met zekere tuinlieden van
-buitenplaatsen, die de groenten, welke zij <i>overhebben</i>, voor een prijsje aan haar overdoen. Er zijn zelfs, die mompelen, dat mijnheer zelf
-vennoot in die anonyme compagnieschap <span class="pageNum" id="pb249">[<a href="#pb249">249</a>]</span>zijn zou. Wie zal het uitmaken? Men weet niet, dat een groenvrouw ooit geklapt heeft.
-</p>
-<p>Om de woningen der mindere groenvrouwen te vinden, moeten wij naar de achterbuurten.
-Daar is evenwel het groenste van de groenvrouw af. Want daar liggen in een bedompt
-winkeltje de groenten, die niet verkocht zijn, te verleppen en te vergaan. Zijn ze
-geheel en al verdroogd, dan zinken ze nog een stap lager in den pot, en eindelijk
-in de magen van de groenvrouw en hare familie: want wacht u voor de dwaling, dat een
-groenvrouw ooit iets eet, dat naar versche groente lijkt. Zij leeft als een konijn,
-geheel van afval.
-</p>
-<p>Zal er echter aan de teekening van de groenvrouw niets ontbreken, dan moet moet ik
-u haar ook in den ruitijd toonen! O, dat de groenvrouw, als de witte beer, den geheele
-winter mocht doorslapen! Dan alleen zou zij de smart ontgaan van de beken van haar
-bestaan gedurende verscheidene maanden uitgedroogd te zien. Wat toch blijft haar in
-den winter over? Aardappelen, aardappelen, niets dan aardappelen. Komen er nog aardakers
-bij, dan is het mooi. Zij blijft dus in haar hokje verscholen. Geen groenvrouwen op
-de groenmarkt, geen groenmeisjes op de straat.—Maar wacht! daar beginnen de boomen
-te knoppen; de nachtegalen komen terug; de narcissen gaan bloeien. Nu breken ook de
-groenvrouwen weder uit den knop, en versieren de Rotterdamsche straten.
-<span class="pageNum" id="pb250">[<a href="#pb250">250</a>]</span> </p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch20.12" class="div2 section"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e7403">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h3 class="label">XII.</h3>
-<h3 class="main">De Dorpsschoolmeester.</h3>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Wie heeft hem nimmer ontmoet, den man, dien ge nog niet ontwijfelbaar herkennen zoudt
-aan den versleten zwarten rok, den vuilen witten das, de zilveren ringetjes in de
-ooren, de lange pijp in den mond en de nagelkerven op den linkerduim, maar dien ge
-dadelijk weet t’huis te brengen, zoodra gij hem maar twee woorden hebt hooren spreken.
-</p>
-<p>„Heeft <span class="asc">MIJN</span>heer mens<span class="asc">CH</span>en? Dan zal er mogel<span class="asc">IJK</span> voor <span class="asc">MIJ</span> verhinder<span class="asc">ING</span> we<span class="asc">ZEN</span>!”
-</p>
-<p>„Wat mij betreft, niet, meester!” hebt gij geantwoord, eer gij er om denkt.
-</p>
-<p>Gij hebt het geraden. Er zijn <i>plus minus</i> drie millioen menschen, die Hollandsen spreken: maar <span class="asc">DAT</span> Hollandsch is het <i>schibboleth</i> van den dorpsschoolmeester. Daaraan herkent gij hem even zeker, als de mannen van
-Gilead die van Efraim aan de uitspraak van de <i>schin</i>. O, het zou hem niet van het hart kunnen, de taal te verminken, te mishandelen en
-te villen, gelijk gij en ik doen: iedere letter heeft rechten op zijn hart en tong:
-hij moet ze u allemaal voorspellen: men spelt immers niet om te spreken, maar spreekt
-om te spellen!
-</p>
-<p>Deze verbazende juistheid van uitspraak is echter niet de eenige eigenaardigheid,
-waaraan ge den dorpsschoolmeester uit zijn wijze van spreken herkent. Hij is niet
-minder nauwkeurig en uitgezocht in de keuze zijner woorden, die allen op het woordenlijstje
-van <span class="sc">Siegenbeek</span> moeten voorkomen, hetwelk hem voor een soort van <i>index</i> dient. Want van onduitsche uitdrukkingen heeft hij een walg, en waar ze hem onvermijdelijk
-in den weg komen, neemt hij de vrijheid ze in der haast een hollandsch pak aan te
-trekken, waarin gij ze echter dikwijls niet herkent. Voeg hierbij een toon van spreken,
-die door de afgepastheid en deftigheid het midden houdt tusschen cijferen en preken,
-en gij zult u niet verwonderen, dat de man zich zoo spoedig aan u verried: het is
-de dorpsschoolmeester!
-</p>
-<p>In het heilige klaverblad, dat over ieder dorp zijn beschermende schaduw uitbreidt,
-van Burgemeester, Dominé en Schoolmeester, staat <span class="pageNum" id="pb251">[<a href="#pb251">251</a>]</span>de laatste in het midden en dus—althans in zijn eigen oogen—bovenaan. Hij heeft dan
-ook verre weg het deftigste voorkomen van de drie. Men zegt van de beroemde tragédienne
-<span class="sc">Clairon</span>, dat zij in haar huis dezelfde koninklijke houding aannam, die zij op het tooneel
-had, om er de hebbelijkheid niet van te verliezen. Zoo schijnt ook de meester, uit
-vrees van den toon van gezag, die hem in de school past, kwijt te raken, dien buiten
-de school aan te houden. In zijn mouw verscholen, draagt hij de plak uit de school
-overal met zich. Zijn geheele gesprek is onderwijzend. Hij is de <span lang="en">Morning-herald</span> van de boeren, en deelt hun het nieuws mede, dat hij dagelijks uit de Staats-Courant
-put, welke hij van den Burgemeester te lezen krijgt. In die mededeeling vlecht hij
-op eene ongemaakte wijze eenige geographische en historische bijzonderheden, die op
-het gezicht zijner toehoorders een stillen glimlach van verbazing en bewondering wekken.
-Bij de gesprekken over weêr en wind hangt hij den natuurkundige uit, voor zoover het
-handboek der volksnatuurkunde hem in staat stelt. Somtijds stijgt hij een toon hooger
-en waagt zich aan bespiegelen van de wonderen der schepping—volgens den katechismus
-van <span class="sc">Martinet</span>. Zijn politiek bewaart hij voor den Burgemeester, met wien hij over de gebeurtenissen
-van Europa handelt—alles naar aanleiding van de Staats-Courant. Dit dagblad drukt
-zoowel den geest als den vorm zijner denkbeelden uit. Hij is zoo oranjegezind als
-de koninklijke vlag, en is door eene zonderlinge, maar gewone tegenspraak, tegelijk
-de vinnigste aanhanger van <span class="sc">Wagenaar</span>, dien men zien kan. Hij heeft dus een afkeer, neen, dit is te zacht—een afschuw van
-<span class="sc">Bilderdijk</span>, die voor hem met zijn politische, literarische en godsdienstige gevoelens een driehoofdige
-Cerberus is. Zonder ooit iets van hem gelezen te hebben, bestrijdt hij hem waar hij
-kan en mag, met alle wapenen. <span class="corr" id="xd31e7044" title="Bron: Naauwelijks">Nauwelijks</span> had hij vernomen, dat hij de stoutheid had den „moord” van <span class="sc">Oldenbarneveld</span> voor te spreken, of hij hield in ’t Nut een verhandeling over den <i>Palamedes</i> van <span class="sc">Vondel</span>, die de zaak op eens en voor altoos heeft uitgemaakt. Met den Dominé handelt hij
-over het onderwijs. Hij vergoodt de wet van 1806, waarnaar volgens zijn zeggen eenmaal
-het onderwijs in de geheele wereld zal zijn ingericht. <span class="sc">Siegenbeek</span>, <span class="sc">Prinsen</span> en <span class="sc">Anslijn</span> zijn zijne afgoden, wier naam onophoudelijk op zijn eerbiedige lippen zweeft, vooral
-de eerste! Zijne spelling houdt hij voor een meesterstuk van menschelijke vinding
-en voor de schepping van een nieuwe taal. Wee hem als Dominé het waagt de Bilderdijksche
-spelling met een enkel woord te verdedigen: dan zou hij bijna vloeken. Over het algemeen
-houdt hij het er voor, dat Dominé hem niet al te gunstig is. Dat schrijft hij aan
-zijn opleiding op de kweekschool toe, waardoor hij Dominé te knap geworden is. Was
-het niet eens gebeurd, dat Dominé niet recht wist, of Neustadt, waarop het gesprek
-viel bij gelegenheid van een nieuwen aankoop van koning <span class="sc">Willem Frederik</span>, in Saksen-Weimar, Saksen-Gotha, Saksen-Meiningen, Saksen-Coburg of Saksen-Hildburghausen
-lag? Hij had er hem opzettelijk eens op getoetst, maar hij had zich voor <span class="pageNum" id="pb252">[<a href="#pb252">252</a>]</span>den man moeten schamen. Voor het oog der menschen evenwel is hij Dominé’s andere Ik,
-en zendt hem bij elke feestelijke gelegenheid een vers, waarin hij al de dichterlijke
-vrijheden in één regel neemt: wat al te liberaal voor zoo’n conservatief man! Want—dit
-spreekt van zelf—hij doet een weinig „aan de dichtkunde.” Zelfs geeft hij daarin zijn
-zoon volgens vaste regelen en met behulp van <span class="sc">Witsen Geijsbeek’s</span> Rijmwoordenboek les. Hij treedt dan ook van tijd tot tijd in de vergadering van ’t
-Nut met een dichterlijke bijdrage op. Hij volgt echter geen bepaalde dichtschool.
-Vóór het jaar dertig werkte hij meestal in den trant van <span class="sc">Tollens</span>; na dertig nam hij de manier van <span class="sc">Helmers</span> aan, en nu helt hij weder meer over naar <span class="sc">Feith</span>. Heeft hij geen tijd om zelfs iets te maken, dan werkt hij het een of ander uitgegeven
-stuk naar de behoefte van zijn gehoor om. Zoo behandelde hij onlangs de geschiedenis
-van een klein schandaal in het dorp in de <i>Bedrogen maagd</i>, dat hij naar het <i>Gevallen meisje</i> van <span class="sc">Tollens</span> gefatsoeneerd had. Nergens echter schittert zijn talent met meer glans, dan in de
-kerk. In het voorlezen steekt hij Dominé naar de kroon. Niemand is vlugger dan hij
-in het verkleeden van de oude vertaling: zonder haperen heeft hij al de <i>haer’s</i> en <i>hun’s</i> in <i>dezelve’s</i> en <i>denzelven’s</i> veranderd. Want <i>dezelve</i> is na <i>dewelke</i> zijn lievelingswoord, Hij heeft dan ook van die taak een groot denkbeeld. Hij spreekt
-altijd van de groote opkomst, het groot gehoor, dat <i>wij</i> hebben. Eens, ja.. eens heeft hij de eer gehad om voor <span class="sc">Van der Palm</span> voor te lezen. Dat was een werk! Hij heeft er nooit zoo in gezeten. Hij dacht niet,
-dat hij het volbracht zou hebben, schoon ieder hem een kompliment maakte, toen hij
-uit de kerk kwam. Hem dacht echter, dat de Professor in het Hollandsch zoo zuiver
-niet was, als hij meende. Eens onder anderen meende hij hem op de uitspraak van men<span class="asc">SCHEN</span> als men<span class="asc">SEN</span> betrapt te hebben: maar de man begon toen ook al oud te worden.…
-</p>
-<p>Maar foei, de kleine ruimte aanziende, die mij nog overschiet, bemerk ik, dat het
-meer dan tijd is, om den waardigen man van een anderen kant te teekenen. Want hoe
-vreemd het luide, onder die belachelijke vormen verbergt hij het beste hart van de
-wereld. Hij is in zijn vak een knap man, en zelfs in het wijsgeerige gedeelte er van
-geen vreemdeling. Hij heeft een goede leermethode, waardoor hij bekwame discipelen
-vormt. Hij is even bemind bij de kinderen, als geacht bij de ouders. Hij is een voorbeeldig
-huisvader, die nacht en dag zwoegt om zijn talrijk gezin te onderhouden. Zelf een
-man van zedelijke en godsdienstige beginselen, zoekt hij die ook aan de jeugd in te
-prenten. Hij heeft dus geen enkele groote ondeugd, al heeft hij al de gebreken van
-zijn stand. <span class="sc">Nieuwenhuizen</span> en de Wet van 1806 hebben hem innerlijk geheel ontbolsterd. Nu moet er nog slechts
-een andere <span class="sc">Nieuwenhuizen</span> opstaan, om hem ook uitwendig den zotskap van het hoofd te nemen. Wie weet, als hij
-deze schets leest.…
-<span class="pageNum" id="pb253">[<a href="#pb253">253</a>]</span> </p>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div class="footnotes">
-<hr class="fnsep">
-<div class="footnote-body">
-<div id="xd31e6559">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e6559src">1</a></span> Men herinnere zich, dat deze schets vóór dertig jaren geschreven werd. Thans zouden
-enkele trekken wel eens minder kunnen gelijken.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e6559src" title="Ga terug naar noot 1 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-</div>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div class="back">
-<div id="toc" class="div1 contents"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="main">INHOUD.</h2>
-<table class="tocList">
-<tr>
-<td class="tocDivNum"></td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ch1" id="xd31e7130">De Haarlemsche Courant.</a> </td>
-<td class="tocPageNum">Bladz. 1.</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum"></td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ch2" id="xd31e7137">De Haarlemsche Courant. (<i>vervolg.</i>)</a> </td>
-<td class="tocPageNum">9.</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum"></td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ch3" id="xd31e7146">Het Album.</a> </td>
-<td class="tocPageNum">18.</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum"></td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ch4" id="xd31e7153">De Huisklok.</a> </td>
-<td class="tocPageNum">29.</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum"></td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ch5" id="xd31e7160">Muziek.</a> </td>
-<td class="tocPageNum">38.</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum"></td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ch6" id="xd31e7167">Ruiten troef.</a> </td>
-<td class="tocPageNum">50.</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum"></td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ch7" id="xd31e7174">Het Schaap.</a> </td>
-<td class="tocPageNum">60.</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum"></td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ch8" id="xd31e7181">Sint-Nicolaas.</a> </td>
-<td class="tocPageNum">69.</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum"></td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ch9" id="xd31e7188">Het Legaat.</a> </td>
-<td class="tocPageNum">74.</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum"></td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ch10" id="xd31e7195">De Stamboom.</a> </td>
-<td class="tocPageNum">89.</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum"></td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ch11" id="xd31e7202">Het Portret.</a> </td>
-<td class="tocPageNum">103.</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum"></td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ch12" id="xd31e7210">De Bibliotheek.</a> </td>
-<td class="tocPageNum">118.</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum"></td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ch13" id="xd31e7217">Oude Vrijsters.</a> </td>
-<td class="tocPageNum">132.</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum"></td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ch14" id="xd31e7224">Een afscheidsbezoek in 1871.</a> </td>
-<td class="tocPageNum">140.</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum"></td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ch15" id="xd31e7231">Een Afscheidsbezoek. (<i>vervolg<span class="corr" id="xd31e7235" title="Niet in bron">.</span></i>).</a> </td>
-<td class="tocPageNum">153.</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum"></td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7">Verspreide stukken van <span class="sc">Jonathan</span>.
-<span class="pageNum" id="pb254">[<a href="#pb254">254</a>]</span></td>
-<td class="tocPageNum"></td>
-</tr>
-<tr>
-<td></td>
-<td class="tocDivNum"></td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="6"><a href="#ch16" id="xd31e7248">Gekroonde Vrouwen. (<i>26 October 1837.</i>)</a> </td>
-<td class="tocPageNum">177.</td>
-</tr>
-<tr>
-<td></td>
-<td class="tocDivNum"></td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="6"><a href="#ch17" id="xd31e7257">De Koning komt. (<i>3 Augustus 1842.</i>).</a> </td>
-<td class="tocPageNum">185.</td>
-</tr>
-<tr>
-<td></td>
-<td class="tocDivNum"></td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="6"><a href="#ch18" id="xd31e7266">De Koning gaat ten grave. (<i>Maart 1849.</i>).</a> </td>
-<td class="tocPageNum">197.</td>
-</tr>
-<tr>
-<td></td>
-<td class="tocDivNum"></td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="6"><a href="#ch19" id="xd31e7275">Twee Monumenten. (1676–1841).</a> </td>
-<td class="tocPageNum">211.</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum"></td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ch20" id="xd31e7284">Nederlandsche typen.</a>
-</td>
-<td class="tocPageNum"></td>
-</tr>
-<tr>
-<td></td>
-<td class="tocDivNum">I.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="6"> <a href="#ch20.1" id="xd31e7292">De Zeeuwsche arbeider.</a> </td>
-<td class="tocPageNum">217.</td>
-</tr>
-<tr>
-<td></td>
-<td class="tocDivNum">II.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="6"> <a href="#ch20.2" id="xd31e7302">De Rotterdamsche sleper.</a> </td>
-<td class="tocPageNum">220.</td>
-</tr>
-<tr>
-<td></td>
-<td class="tocDivNum">III.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="6"> <a href="#ch20.3" id="xd31e7312">De Straatjongen.</a> </td>
-<td class="tocPageNum">223.</td>
-</tr>
-<tr>
-<td></td>
-<td class="tocDivNum">IV.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="6"> <a href="#ch20.4" id="xd31e7322">Het Melkmeisje.</a> </td>
-<td class="tocPageNum">226.</td>
-</tr>
-<tr>
-<td></td>
-<td class="tocDivNum">V.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="6"> <a href="#ch20.5" id="xd31e7332">De Haringkooper.</a> </td>
-<td class="tocPageNum">229.</td>
-</tr>
-<tr>
-<td></td>
-<td class="tocDivNum">VI.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="6"> <a href="#ch20.6" id="xd31e7342">De Schaatsenrijder.</a> </td>
-<td class="tocPageNum">232.</td>
-</tr>
-<tr>
-<td></td>
-<td class="tocDivNum">VII.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="6"> <a href="#ch20.7" id="xd31e7352">De Schoorsteenveger.</a> </td>
-<td class="tocPageNum">235.</td>
-</tr>
-<tr>
-<td></td>
-<td class="tocDivNum">VIII.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="6"> <a href="#ch20.8" id="xd31e7362">De Hofjes-jufvrouw.</a> </td>
-<td class="tocPageNum">238.</td>
-</tr>
-<tr>
-<td></td>
-<td class="tocDivNum">IX.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="6"> <a href="#ch20.9" id="xd31e7372">De Vischvrouw.</a> </td>
-<td class="tocPageNum">241.</td>
-</tr>
-<tr>
-<td></td>
-<td class="tocDivNum">X.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="6"> <a href="#ch20.10" id="xd31e7382">De Rotterdamsche Zakkendrager.</a> </td>
-<td class="tocPageNum">244.</td>
-</tr>
-<tr>
-<td></td>
-<td class="tocDivNum">XI.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="6"> <a href="#ch20.11" id="xd31e7392">De Groenvrouw van Rotterdam.</a> </td>
-<td class="tocPageNum">247.</td>
-</tr>
-<tr>
-<td></td>
-<td class="tocDivNum">XII.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="6"> <a href="#ch20.12" id="xd31e7403">De Dorpsschoolmeester.</a> </td>
-<td class="tocPageNum">250.</td>
-</tr>
-</table>
-<p><span class="pageNum" id="pb256">[<a href="#pb256">256</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div class="div1 errata"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="main">SCHRIJFFOUTEN.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Als zoodanig verzoekt de Schrijver vergiffenis voor eenige grammatikale vrijheden,
-b. v. waar het woordeke <i>klok</i> in de persoonsverbeelding in het mannelijk, het woord <i>schaap</i> voor het minder gewone <i>ooi</i> in het vrouwelijk geslacht voorkomt enz. Ook aan drukfouten zal het wel niet ontbreken.
-Zoo is het den schrijver bij het nazien ontsnapt, dat op bl. 144 reg. 9 de titel van
-de welbekende nieuwe <span class="corr" id="xd31e7421" title="Bron: fransche">Fransche</span> roman van <span class="sc">Gustave Droz</span>: <span class="sc">Monsieur, Madame et Bébé</span> verkeerd is opgegeven. Maar hoe gemakkelijk zal het zijn, deze kleine afwijkingen
-te vergeven, waar men zoo veel andere en grooter gebreken te vergeven heeft? De Schrijver
-beveelt zich bij voortduring in de edelmoedige welwillendheid zijner lezers.
-</p>
-</div>
-</div>
-<div class="transcriberNote">
-<h2 class="main">Colofon</h2>
-<h3 class="main">Beschikbaarheid</h3>
-<p class="first">Dit eBoek is voor kosteloos gebruik door iedereen overal, met vrijwel geen beperkingen
-van welke soort dan ook. U mag het kopiëren, weggeven of hergebruiken onder de voorwaarden
-van de Project Gutenberg Licentie in dit eBoek of on-line op <a class="seclink xd31e39" title="Externe link" href="https://www.gutenberg.org/">www.gutenberg.org</a>.
-</p>
-<p>Dit eBoek is geproduceerd door het on-line gedistribueerd correctieteam op <a class="seclink xd31e39" title="Externe link" href="https://www.pgdp.net/">www.pgdp.net</a>.
-</p>
-<h3 class="main">Metadata</h3>
-<table class="colophonMetadata" summary="Metadata">
-<tr>
-<td><b>Titel:</b></td>
-<td>Waarheid en droomen</td>
-<td></td>
-</tr>
-<tr>
-<td><b>Auteur:</b></td>
-<td>Johannes Petrus Hasebroek (1812–1896)</td>
-<td><a href="https://viaf.org/viaf/78822854/" class="seclink">Info</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td><b>Taal:</b></td>
-<td>Nederlands (Spelling De Vries-Te Winkel)</td>
-<td></td>
-</tr>
-<tr>
-<td><b>Oorspronkelijke uitgiftedatum:</b></td>
-<td>1872</td>
-<td></td>
-</tr> </table>
-<h3 class="main">Codering</h3>
-<p class="first">Dit boek is weergegeven in oorspronkelijke schrijfwijze. Afgebroken woorden aan het
-einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. Kennelijke zetfouten in het origineel
-zijn verbeterd. Deze verbeteringen zijn aangegeven in de colofon aan het einde van
-dit boek.</p>
-<h3 class="main">Documentgeschiedenis</h3>
-<ul>
-<li>2021-08-26 Begonnen. </li>
-</ul>
-<h3 class="main">Externe Referenties</h3>
-<p>Dit Project Gutenberg eBoek bevat externe referenties. Het kan zijn dat deze links
-voor u niet werken.</p>
-<h3 class="main">Verbeteringen</h3>
-<p>De volgende verbeteringen zijn aangebracht in de tekst:</p>
-<table class="correctionTable" summary="Overzicht van verbeteringen aangebracht in de tekst.">
-<tr>
-<th>Bladzijde</th>
-<th>Bron</th>
-<th>Verbetering</th>
-<th>Bewerkingsafstand</th>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e123">n.v.t.</a></td>
-<td class="width40 bottom">op nieuw</td>
-<td class="width40 bottom">opnieuw</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e270">2</a></td>
-<td class="width40 bottom">folioStatenbijbel</td>
-<td class="width40 bottom">folio Statenbijbel</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e308">3</a></td>
-<td class="width40 bottom">opghouden</td>
-<td class="width40 bottom">opgehouden</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e390">5</a></td>
-<td class="width40 bottom">staau</td>
-<td class="width40 bottom">staan</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e418">7</a>, <a class="pageref" href="#xd31e932">26</a></td>
-<td class="width40 bottom">.</td>
-<td class="width40 bottom">,</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e442">9</a></td>
-<td class="width40 bottom">nauwelijke</td>
-<td class="width40 bottom">nauwelijks</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e467">10</a></td>
-<td class="width40 bottom">zijne</td>
-<td class="width40 bottom">zijn</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e495">11</a>, <a class="pageref" href="#xd31e665">18</a>, <a class="pageref" href="#xd31e669">18</a>, <a class="pageref" href="#xd31e671">18</a>, <a class="pageref" href="#xd31e722">19</a>, <a class="pageref" href="#xd31e3997">135</a>, <a class="pageref" href="#xd31e5561">189</a>, <a class="pageref" href="#xd31e5694">194</a>, <a class="pageref" href="#xd31e5761">197</a></td>
-<td class="width40 bottom">
-[<i>Niet in bron</i>]
-</td>
-<td class="width40 bottom">”</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e534">13</a></td>
-<td class="width40 bottom">u</td>
-<td class="width40 bottom">uw</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e555">14</a></td>
-<td class="width40 bottom">naissauce</td>
-<td class="width40 bottom">naissance</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e572">15</a></td>
-<td class="width40 bottom">behandelang</td>
-<td class="width40 bottom">behandeling</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e575">15</a>, <a class="pageref" href="#xd31e583">15</a>, <a class="pageref" href="#xd31e2000">60</a>, <a class="pageref" href="#xd31e2917">93</a>, <a class="pageref" href="#xd31e3140">101</a>, <a class="pageref" href="#xd31e3305">108</a></td>
-<td class="width40 bottom">,</td>
-<td class="width40 bottom">
-[<i>Verwijderd</i>]
-</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e585">15</a></td>
-<td class="width40 bottom">gouvernantes</td>
-<td class="width40 bottom">gouvernante</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e597">16</a></td>
-<td class="width40 bottom">en</td>
-<td class="width40 bottom">er</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e620">17</a>, <a class="pageref" href="#xd31e743">20</a>, <a class="pageref" href="#xd31e1609">51</a>, <a class="pageref" href="#xd31e2234">73</a>, <a class="pageref" href="#xd31e2757">87</a>, <a class="pageref" href="#xd31e3223">103</a>, <a class="pageref" href="#xd31e5234">170</a>, <a class="pageref" href="#xd31e5535">188</a>, <a class="pageref" href="#xd31e7235">253</a></td>
-<td class="width40 bottom">
-[<i>Niet in bron</i>]
-</td>
-<td class="width40 bottom">.</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e675">18</a></td>
-<td class="width40 bottom">krijglist</td>
-<td class="width40 bottom">krijgslist</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1002">28</a></td>
-<td class="width40 bottom">aangwezen</td>
-<td class="width40 bottom">aangewezen</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1007">28</a></td>
-<td class="width40 bottom">zuchteu</td>
-<td class="width40 bottom">zuchten</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1073">31</a></td>
-<td class="width40 bottom">is is</td>
-<td class="width40 bottom">is</td>
-<td class="bottom">3</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1076">31</a></td>
-<td class="width40 bottom">nemcn</td>
-<td class="width40 bottom">nemen</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1091">31</a>, <a class="pageref" href="#xd31e1209">37</a>, <a class="pageref" href="#xd31e1506">48</a>, <a class="pageref" href="#xd31e1649">53</a>, <a class="pageref" href="#xd31e2303">75</a>, <a class="pageref" href="#xd31e3413">114</a>, <a class="pageref" href="#xd31e4005">136</a>, <a class="pageref" href="#xd31e4007">136</a>, <a class="pageref" href="#xd31e4446">148</a>, <a class="pageref" href="#xd31e4523">151</a>, <a class="pageref" href="#xd31e4731">157</a>, <a class="pageref" href="#xd31e4841">160</a>, <a class="pageref" href="#xd31e5759">197</a>, <a class="pageref" href="#xd31e6695">229</a></td>
-<td class="width40 bottom">
-[<i>Niet in bron</i>]
-</td>
-<td class="width40 bottom">,</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1335">42</a></td>
-<td class="width40 bottom">Noor-oostenwind</td>
-<td class="width40 bottom">Noord-oostenwind</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1340">42</a></td>
-<td class="width40 bottom">eu</td>
-<td class="width40 bottom">en</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1373">43</a></td>
-<td class="width40 bottom">orkost</td>
-<td class="width40 bottom">orkest</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1400">44</a></td>
-<td class="width40 bottom">brakkenneus</td>
-<td class="width40 bottom">brakken neus</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1410">44</a></td>
-<td class="width40 bottom">glimlagchen</td>
-<td class="width40 bottom">glimlachen</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1426">44</a></td>
-<td class="width40 bottom">harstochten</td>
-<td class="width40 bottom">hartstochten</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1443">44</a></td>
-<td class="width40 bottom">veradedeminge</td>
-<td class="width40 bottom">verademinge</td>
-<td class="bottom">2</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1449">45</a>, <a class="pageref" href="#xd31e1674">53</a></td>
-<td class="width40 bottom">harstocht</td>
-<td class="width40 bottom">hartstocht</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1519">48</a></td>
-<td class="width40 bottom">sprecht</td>
-<td class="width40 bottom">spricht</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1543">49</a>, <a class="pageref" href="#xd31e2741">87</a>, <a class="pageref" href="#xd31e5559">189</a>, <a class="pageref" href="#xd31e5980">202</a></td>
-<td class="width40 bottom">”</td>
-<td class="width40 bottom">
-[<i>Verwijderd</i>]
-</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1550">49</a></td>
-<td class="width40 bottom">gelukstaat</td>
-<td class="width40 bottom">geluksstaat</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1570">50</a></td>
-<td class="width40 bottom">ogenblik</td>
-<td class="width40 bottom">oogenblik</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1590">51</a></td>
-<td class="width40 bottom">tegenstnk</td>
-<td class="width40 bottom">tegenstuk</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1602">51</a></td>
-<td class="width40 bottom">heben</td>
-<td class="width40 bottom">hebben</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1626">52</a></td>
-<td class="width40 bottom">tanten</td>
-<td class="width40 bottom">tanden</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1635">52</a>, <a class="pageref" href="#xd31e5033">164</a>, <a class="pageref" href="#xd31e5044">164</a></td>
-<td class="width40 bottom">een een</td>
-<td class="width40 bottom">een</td>
-<td class="bottom">4</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1651">53</a></td>
-<td class="width40 bottom">verzachte</td>
-<td class="width40 bottom">verzachtte</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1671">53</a></td>
-<td class="width40 bottom">dan zijn dan zijn</td>
-<td class="width40 bottom">dan zijn</td>
-<td class="bottom">9</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1808">56</a></td>
-<td class="width40 bottom">harstochtloosheid</td>
-<td class="width40 bottom">hartstochtloosheid</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1894">57</a></td>
-<td class="width40 bottom">effektenhoek</td>
-<td class="width40 bottom">effectenhoek</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1911">58</a></td>
-<td class="width40 bottom">de tijd slechts de tijd slechts</td>
-<td class="width40 bottom">de tijd slechts</td>
-<td class="bottom">16</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1920">58</a></td>
-<td class="width40 bottom">geheele geheele</td>
-<td class="width40 bottom">geheele</td>
-<td class="bottom">8</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2050">62</a></td>
-<td class="width40 bottom">;</td>
-<td class="width40 bottom">,</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2053">62</a></td>
-<td class="width40 bottom">sommigen</td>
-<td class="width40 bottom">sommige</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2087">63</a>, <a class="pageref" href="#xd31e2384">77</a></td>
-<td class="width40 bottom">
-[<i>Niet in bron</i>]
-</td>
-<td class="width40 bottom">het </td>
-<td class="bottom">4</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2093">64</a>, <a class="pageref" href="#xd31e5863">199</a></td>
-<td class="width40 bottom">
-[<i>Niet in bron</i>]
-</td>
-<td class="width40 bottom">de </td>
-<td class="bottom">3</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2104">64</a>, <a class="pageref" href="#xd31e2736">87</a>, <a class="pageref" href="#xd31e3003">96</a>, <a class="pageref" href="#xd31e3370">111</a>, <a class="pageref" href="#xd31e6062">205</a>, <a class="pageref" href="#xd31e6143">208</a>, <a class="pageref" href="#xd31e6817">237</a>, <a class="pageref" href="#xd31e6876">241</a></td>
-<td class="width40 bottom">,</td>
-<td class="width40 bottom">.</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2190">70</a></td>
-<td class="width40 bottom">te</td>
-<td class="width40 bottom">de</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2195">70</a></td>
-<td class="width40 bottom">..</td>
-<td class="width40 bottom">.</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2208">70</a></td>
-<td class="width40 bottom">opgesluisterd</td>
-<td class="width40 bottom">opgeluisterd</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2244">73</a></td>
-<td class="width40 bottom">gedachtenisfeeft</td>
-<td class="width40 bottom">gedachtenisfeest</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2266">74</a></td>
-<td class="width40 bottom">viend</td>
-<td class="width40 bottom">vriend</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2348">76</a></td>
-<td class="width40 bottom">haddden</td>
-<td class="width40 bottom">hadden</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2351">76</a>, <a class="pageref" href="#xd31e5068">165</a></td>
-<td class="width40 bottom">.,.</td>
-<td class="width40 bottom">…</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2423">78</a></td>
-<td class="width40 bottom">zoo</td>
-<td class="width40 bottom">zou</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2435">78</a></td>
-<td class="width40 bottom">zevenmijls-laarzen</td>
-<td class="width40 bottom">zevenmijlslaarzen</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2459">79</a></td>
-<td class="width40 bottom">zoowel</td>
-<td class="width40 bottom">zoo wel</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2503">80</a></td>
-<td class="width40 bottom">licht</td>
-<td class="width40 bottom">ligt</td>
-<td class="bottom">2</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2510">80</a></td>
-<td class="width40 bottom">solenniter</td>
-<td class="width40 bottom">solemniter</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2522">81</a></td>
-<td class="width40 bottom">55</td>
-<td class="width40 bottom">35</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2526">81</a></td>
-<td class="width40 bottom">32</td>
-<td class="width40 bottom">42</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2531">81</a></td>
-<td class="width40 bottom">alleeen</td>
-<td class="width40 bottom">alleen</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2552">82</a></td>
-<td class="width40 bottom">blijfje</td>
-<td class="width40 bottom">blijf je</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2570">82</a></td>
-<td class="width40 bottom">geseheurd</td>
-<td class="width40 bottom">gescheurd</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2584">83</a></td>
-<td class="width40 bottom">tegen tegen</td>
-<td class="width40 bottom">tegen</td>
-<td class="bottom">6</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2588">83</a></td>
-<td class="width40 bottom">Shakespear’s</td>
-<td class="width40 bottom">Shakespeare’s</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2693">86</a></td>
-<td class="width40 bottom">gelukkg</td>
-<td class="width40 bottom">gelukkig</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2704">86</a></td>
-<td class="width40 bottom">toetsteen</td>
-<td class="width40 bottom">toetssteen</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2739">87</a>, <a class="pageref" href="#xd31e4111">138</a>, <a class="pageref" href="#xd31e4281">144</a>, <a class="pageref" href="#xd31e4284">144</a>, <a class="pageref" href="#xd31e4287">144</a>, <a class="pageref" href="#xd31e4301">144</a>, <a class="pageref" href="#xd31e5836">199</a>, <a class="pageref" href="#xd31e5839">199</a>, <a class="pageref" href="#xd31e5842">199</a>, <a class="pageref" href="#xd31e5848">199</a>, <a class="pageref" href="#xd31e5967">202</a>, <a class="pageref" href="#xd31e6218">209</a></td>
-<td class="width40 bottom">„</td>
-<td class="width40 bottom">
-[<i>Verwijderd</i>]
-</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2800">88</a></td>
-<td class="width40 bottom">Van daag</td>
-<td class="width40 bottom">Vandaag</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2849">90</a></td>
-<td class="width40 bottom">industrielen</td>
-<td class="width40 bottom">industriëlen</td>
-<td class="bottom">1 / 0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2852">90</a></td>
-<td class="width40 bottom">commerciele</td>
-<td class="width40 bottom">commerciële</td>
-<td class="bottom">1 / 0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2932">94</a></td>
-<td class="width40 bottom">allervolmaaakste</td>
-<td class="width40 bottom">allervolmaaktste</td>
-<td class="bottom">2</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2986">96</a></td>
-<td class="width40 bottom">Allerhoogten</td>
-<td class="width40 bottom">Allerhoogsten</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e3031">98</a></td>
-<td class="width40 bottom">eeu</td>
-<td class="width40 bottom">een</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e3034">98</a></td>
-<td class="width40 bottom">tedoen</td>
-<td class="width40 bottom">te doen</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e3143">101</a></td>
-<td class="width40 bottom">zinrijden</td>
-<td class="width40 bottom">zinrijken</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e3241">104</a>, <a class="pageref" href="#xd31e5178">168</a></td>
-<td class="width40 bottom"> „</td>
-<td class="width40 bottom">” </td>
-<td class="bottom">2</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e3267">105</a></td>
-<td class="width40 bottom">veel veel</td>
-<td class="width40 bottom">veel</td>
-<td class="bottom">5</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e3302">108</a></td>
-<td class="width40 bottom">aan</td>
-<td class="width40 bottom">ik</td>
-<td class="bottom">3</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e3307">108</a></td>
-<td class="width40 bottom">zal</td>
-<td class="width40 bottom">zullen</td>
-<td class="bottom">4</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e3310">108</a></td>
-<td class="width40 bottom">ontvatten</td>
-<td class="width40 bottom">omvatten</td>
-<td class="bottom">2</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e3363">111</a></td>
-<td class="width40 bottom">allengkens</td>
-<td class="width40 bottom">allengskens</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e3386">113</a></td>
-<td class="width40 bottom">positive</td>
-<td class="width40 bottom">positieve</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e3394">114</a></td>
-<td class="width40 bottom">was</td>
-<td class="width40 bottom">waas</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e3410">114</a></td>
-<td class="width40 bottom">onoozelheid</td>
-<td class="width40 bottom">onnoozelheid</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e3493">118</a>, <a class="pageref" href="#xd31e4367">147</a></td>
-<td class="width40 bottom">mij</td>
-<td class="width40 bottom">mijn</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e3535">121</a></td>
-<td class="width40 bottom">hartocht</td>
-<td class="width40 bottom">hartstocht</td>
-<td class="bottom">2</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e3545">121</a></td>
-<td class="width40 bottom">klient</td>
-<td class="width40 bottom">kliënt</td>
-<td class="bottom">1 / 0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e3548">121</a></td>
-<td class="width40 bottom">ittebroodskind</td>
-<td class="width40 bottom">wittebroodskind</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e3837">127</a></td>
-<td class="width40 bottom">onuitspekelijke</td>
-<td class="width40 bottom">onuitsprekelijke</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e3961">134</a></td>
-<td class="width40 bottom">ver-verloren</td>
-<td class="width40 bottom">verloren</td>
-<td class="bottom">4</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e3985">135</a>, <a class="pageref" href="#xd31e3991">135</a>, <a class="pageref" href="#xd31e4295">144</a>, <a class="pageref" href="#xd31e5124">167</a></td>
-<td class="width40 bottom">
-[<i>Niet in bron</i>]
-</td>
-<td class="width40 bottom">„</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e4022">137</a></td>
-<td class="width40 bottom">ergenis</td>
-<td class="width40 bottom">ergernis</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e4350">146</a></td>
-<td class="width40 bottom">Kersmis</td>
-<td class="width40 bottom">Kerstmis</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e4353">146</a></td>
-<td class="width40 bottom">kersboom</td>
-<td class="width40 bottom">kerstboom</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e4434">148</a></td>
-<td class="width40 bottom">enthousiastische</td>
-<td class="width40 bottom">enthusiastische</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e4474">149</a>, <a class="pageref" href="#xd31e7421">256</a></td>
-<td class="width40 bottom">fransche</td>
-<td class="width40 bottom">Fransche</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e4477">149</a></td>
-<td class="width40 bottom">’thuis</td>
-<td class="width40 bottom">t’huis</td>
-<td class="bottom">2</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e4504">150</a></td>
-<td class="width40 bottom">oorlogschepen</td>
-<td class="width40 bottom">oorlogsschepen</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e4628">155</a></td>
-<td class="width40 bottom">Derniére</td>
-<td class="width40 bottom">Dernière</td>
-<td class="bottom">1 / 0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e4643">155</a></td>
-<td class="width40 bottom">icht</td>
-<td class="width40 bottom">ich</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e4662">155</a></td>
-<td class="width40 bottom">Éen</td>
-<td class="width40 bottom">Één</td>
-<td class="bottom">1 / 0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e4681">155</a></td>
-<td class="width40 bottom">enthousiasten</td>
-<td class="width40 bottom">enthusiasten</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e4756">159</a></td>
-<td class="width40 bottom">mmortellen</td>
-<td class="width40 bottom">inmortellen</td>
-<td class="bottom">2</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e4771">159</a></td>
-<td class="width40 bottom">spinasie</td>
-<td class="width40 bottom">spinazie</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e4774">159</a></td>
-<td class="width40 bottom">vruchbare</td>
-<td class="width40 bottom">vruchtbare</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e4795">159</a></td>
-<td class="width40 bottom">de de</td>
-<td class="width40 bottom">de</td>
-<td class="bottom">3</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e4798">159</a></td>
-<td class="width40 bottom">legitime</td>
-<td class="width40 bottom">legitieme</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e4814">159</a></td>
-<td class="width40 bottom">muziekant</td>
-<td class="width40 bottom">muzikant</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e4852">160</a></td>
-<td class="width40 bottom">litterarisch</td>
-<td class="width40 bottom">literarisch</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e4857">160</a></td>
-<td class="width40 bottom">visite-potretten</td>
-<td class="width40 bottom">visite-portretten</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e4883">161</a></td>
-<td class="width40 bottom">poetische</td>
-<td class="width40 bottom">poëtische</td>
-<td class="bottom">1 / 0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e4886">161</a></td>
-<td class="width40 bottom">menscheid</td>
-<td class="width40 bottom">menschheid</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e4934">162</a></td>
-<td class="width40 bottom">famieliebelang</td>
-<td class="width40 bottom">familiebelang</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e4949">162</a></td>
-<td class="width40 bottom">ons ons</td>
-<td class="width40 bottom">ons</td>
-<td class="bottom">4</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e5059">165</a></td>
-<td class="width40 bottom">bewerkstellingen</td>
-<td class="width40 bottom">bewerkstelligen</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e5126">167</a></td>
-<td class="width40 bottom">toe</td>
-<td class="width40 bottom">tot</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e5132">167</a></td>
-<td class="width40 bottom">Eén</td>
-<td class="width40 bottom">Één</td>
-<td class="bottom">1 / 0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e5175">168</a></td>
-<td class="width40 bottom">enthousiasme</td>
-<td class="width40 bottom">enthusiasme</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e5195">168</a></td>
-<td class="width40 bottom">
-[<i>Niet in bron</i>]
-</td>
-<td class="width40 bottom">te </td>
-<td class="bottom">3</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e5201">169</a></td>
-<td class="width40 bottom">,..</td>
-<td class="width40 bottom">…</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e5213">169</a></td>
-<td class="width40 bottom">..,</td>
-<td class="width40 bottom">…</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e5223">170</a></td>
-<td class="width40 bottom">Catalonie</td>
-<td class="width40 bottom">Catalonië</td>
-<td class="bottom">1 / 0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e5226">170</a></td>
-<td class="width40 bottom">waarachtigen</td>
-<td class="width40 bottom">Waarachtige</td>
-<td class="bottom">2</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e5356">178</a></td>
-<td class="width40 bottom">mijne</td>
-<td class="width40 bottom">mijn</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e5376">180</a></td>
-<td class="width40 bottom">bebekende</td>
-<td class="width40 bottom">bekende</td>
-<td class="bottom">2</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e5384">181</a></td>
-<td class="width40 bottom">voorbrengsel</td>
-<td class="width40 bottom">voortbrengsel</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e5389">181</a></td>
-<td class="width40 bottom">menschelijk</td>
-<td class="width40 bottom">menschelijke</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e5396">182</a></td>
-<td class="width40 bottom">zachkens</td>
-<td class="width40 bottom">zachtkens</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e5419">183</a></td>
-<td class="width40 bottom">noodzakkelijk</td>
-<td class="width40 bottom">noodzakelijk</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e5446">183</a></td>
-<td class="width40 bottom">mannelijkke</td>
-<td class="width40 bottom">mannelijke</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e5449">183</a></td>
-<td class="width40 bottom">toemalig</td>
-<td class="width40 bottom">toenmalig</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e5513">186</a></td>
-<td class="width40 bottom">hebken</td>
-<td class="width40 bottom">hebben</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e5516">186</a></td>
-<td class="width40 bottom">van van</td>
-<td class="width40 bottom">van</td>
-<td class="bottom">4</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e5523">187</a></td>
-<td class="width40 bottom">Konig</td>
-<td class="width40 bottom">Koning</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e5589">190</a></td>
-<td class="width40 bottom">Zeewsche</td>
-<td class="width40 bottom">Zeeuwsche</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e5618">192</a></td>
-<td class="width40 bottom">he</td>
-<td class="width40 bottom">het</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e5714">195</a></td>
-<td class="width40 bottom">Saxenweimar</td>
-<td class="width40 bottom">Saxen-Weimar</td>
-<td class="bottom">2</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e5754">197</a></td>
-<td class="width40 bottom">”!</td>
-<td class="width40 bottom">!”</td>
-<td class="bottom">2</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e5802">198</a></td>
-<td class="width40 bottom">hebden</td>
-<td class="width40 bottom">hebben</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e5816">198</a></td>
-<td class="width40 bottom">beweldadgd</td>
-<td class="width40 bottom">beweldadigd</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e5884">199</a></td>
-<td class="width40 bottom">Maa</td>
-<td class="width40 bottom">Maar</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e5887">199</a></td>
-<td class="width40 bottom">heider</td>
-<td class="width40 bottom">heide</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e5899">200</a></td>
-<td class="width40 bottom">leuwerik</td>
-<td class="width40 bottom">leeuwerik</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e5943">202</a></td>
-<td class="width40 bottom">Wiilem</td>
-<td class="width40 bottom">Willem</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e5947">202</a></td>
-<td class="width40 bottom">krijgmansleven</td>
-<td class="width40 bottom">krijgsmansleven</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e5960">202</a></td>
-<td class="width40 bottom">veltocht</td>
-<td class="width40 bottom">veldtocht</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e6065">205</a></td>
-<td class="width40 bottom">Lauwerzee</td>
-<td class="width40 bottom">Lauwerszee</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e6083">206</a></td>
-<td class="width40 bottom">dik, wijls</td>
-<td class="width40 bottom">dikwijls</td>
-<td class="bottom">2</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e6086">206</a></td>
-<td class="width40 bottom">eer-</td>
-<td class="width40 bottom">eer,</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e6089">206</a></td>
-<td class="width40 bottom">Belgies</td>
-<td class="width40 bottom">Belgiës</td>
-<td class="bottom">1 / 0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e6093">206</a></td>
-<td class="width40 bottom">ou</td>
-<td class="width40 bottom">zou</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e6096">206</a></td>
-<td class="width40 bottom">kruiddamp</td>
-<td class="width40 bottom">kruitdamp</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e6099">206</a></td>
-<td class="width40 bottom">lijkleed</td>
-<td class="width40 bottom">lijkkleed</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e6267">210</a></td>
-<td class="width40 bottom">bragt</td>
-<td class="width40 bottom">bracht</td>
-<td class="bottom">2</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e6298">211</a></td>
-<td class="width40 bottom">Adriaanz.</td>
-<td class="width40 bottom">Adriaansz.</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e6341">212</a>, <a class="pageref" href="#xd31e6431">214</a></td>
-<td class="width40 bottom">vau</td>
-<td class="width40 bottom">van</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e6363">213</a></td>
-<td class="width40 bottom">vrolijk</td>
-<td class="width40 bottom">vroolijk</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e6424">214</a></td>
-<td class="width40 bottom">
-[<i>Niet in bron</i>]
-</td>
-<td class="width40 bottom">van </td>
-<td class="bottom">4</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e6504">217</a></td>
-<td class="width40 bottom">geeerde</td>
-<td class="width40 bottom">geëerde</td>
-<td class="bottom">1 / 0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e6509">217</a></td>
-<td class="width40 bottom">eertitel</td>
-<td class="width40 bottom">eretitel</td>
-<td class="bottom">2</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e6536">218</a>, <a class="pageref" href="#xd31e6918">245</a></td>
-<td class="width40 bottom">ligchaam</td>
-<td class="width40 bottom">lichaam</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e6554">219</a></td>
-<td class="width40 bottom">Vriesche</td>
-<td class="width40 bottom">Friesche</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e6579">220</a></td>
-<td class="width40 bottom">dichst</td>
-<td class="width40 bottom">dichtst</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e6586">221</a></td>
-<td class="width40 bottom">samey</td>
-<td class="width40 bottom">samen</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e6615">225</a></td>
-<td class="width40 bottom">bekennnen</td>
-<td class="width40 bottom">bekennen</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e6679">229</a></td>
-<td class="width40 bottom">daarv’ren</td>
-<td class="width40 bottom">daav’ren</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e6764">234</a></td>
-<td class="width40 bottom">muzijk</td>
-<td class="width40 bottom">muziek</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e6796">236</a></td>
-<td class="width40 bottom">doet</td>
-<td class="width40 bottom">deed</td>
-<td class="bottom">2</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e6812">236</a></td>
-<td class="width40 bottom">langzamerheid</td>
-<td class="width40 bottom">langzamerhand</td>
-<td class="bottom">2</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e6822">237</a></td>
-<td class="width40 bottom">het</td>
-<td class="width40 bottom">hem</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e6853">240</a></td>
-<td class="width40 bottom">regt</td>
-<td class="width40 bottom">recht</td>
-<td class="bottom">2</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e6879">241</a></td>
-<td class="width40 bottom">gezigt</td>
-<td class="width40 bottom">gezicht</td>
-<td class="bottom">2</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e6897">243</a></td>
-<td class="width40 bottom">
-[<i>Niet in bron</i>]
-</td>
-<td class="width40 bottom">dit </td>
-<td class="bottom">4</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e6910">244</a></td>
-<td class="width40 bottom">kompagnien</td>
-<td class="width40 bottom">kompagniën</td>
-<td class="bottom">1 / 0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e6913">244</a></td>
-<td class="width40 bottom">sectien</td>
-<td class="width40 bottom">sectiën</td>
-<td class="bottom">1 / 0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e6926">245</a></td>
-<td class="width40 bottom">vrolijke</td>
-<td class="width40 bottom">vroolijke</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e6939">246</a></td>
-<td class="width40 bottom">laa</td>
-<td class="width40 bottom">laat</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e7044">251</a></td>
-<td class="width40 bottom">Naauwelijks</td>
-<td class="width40 bottom">Nauwelijks</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-</table>
-<h3 class="main">Afkortingen</h3>
-<p>Overzicht van gebruikte afkortingen.</p>
-<table class="abbreviationtable" summary="Overzicht van gebruikte afkortingen.">
-<tr>
-<th>Afkorting</th>
-<th>Uitgeschreven</th>
-</tr>
-<tr>
-<td class="bottom">bv.</td>
-<td class="bottom">bijvoorbeeld</td>
-</tr>
-</table>
-</div>
-</div>
-<div style='display:block; margin-top:4em'>*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK WAARHEID EN DROOMEN ***</div>
-<div style='text-align:left'>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-Updated editions will replace the previous one&#8212;the old editions will
-be renamed.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright
-law means that no one owns a United States copyright in these works,
-so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the United
-States without permission and without paying copyright
-royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part
-of this license, apply to copying and distributing Project
-Gutenberg&#8482; electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG&#8482;
-concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark,
-and may not be used if you charge for an eBook, except by following
-the terms of the trademark license, including paying royalties for use
-of the Project Gutenberg trademark. If you do not charge anything for
-copies of this eBook, complying with the trademark license is very
-easy. You may use this eBook for nearly any purpose such as creation
-of derivative works, reports, performances and research. Project
-Gutenberg eBooks may be modified and printed and given away--you may
-do practically ANYTHING in the United States with eBooks not protected
-by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the trademark
-license, especially commercial redistribution.
-</div>
-
-<div style='margin:0.83em 0; font-size:1.1em; text-align:center'>START: FULL LICENSE<br>
-<span style='font-size:smaller'>THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE<br>
-PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK</span>
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-To protect the Project Gutenberg&#8482; mission of promoting the free
-distribution of electronic works, by using or distributing this work
-(or any other work associated in any way with the phrase &#8220;Project
-Gutenberg&#8221;), you agree to comply with all the terms of the Full
-Project Gutenberg&#8482; License available with this file or online at
-www.gutenberg.org/license.
-</div>
-
-<div style='display:block; font-size:1.1em; margin:1em 0; font-weight:bold'>
-Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg&#8482; electronic works
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg&#8482;
-electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
-and accept all the terms of this license and intellectual property
-(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
-the terms of this agreement, you must cease using and return or
-destroy all copies of Project Gutenberg&#8482; electronic works in your
-possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a
-Project Gutenberg&#8482; electronic work and you do not agree to be bound
-by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the person
-or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.B. &#8220;Project Gutenberg&#8221; is a registered trademark. It may only be
-used on or associated in any way with an electronic work by people who
-agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
-things that you can do with most Project Gutenberg&#8482; electronic works
-even without complying with the full terms of this agreement. See
-paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
-Gutenberg&#8482; electronic works if you follow the terms of this
-agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg&#8482;
-electronic works. See paragraph 1.E below.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation (&#8220;the
-Foundation&#8221; or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection
-of Project Gutenberg&#8482; electronic works. Nearly all the individual
-works in the collection are in the public domain in the United
-States. If an individual work is unprotected by copyright law in the
-United States and you are located in the United States, we do not
-claim a right to prevent you from copying, distributing, performing,
-displaying or creating derivative works based on the work as long as
-all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope
-that you will support the Project Gutenberg&#8482; mission of promoting
-free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg&#8482;
-works in compliance with the terms of this agreement for keeping the
-Project Gutenberg&#8482; name associated with the work. You can easily
-comply with the terms of this agreement by keeping this work in the
-same format with its attached full Project Gutenberg&#8482; License when
-you share it without charge with others.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
-what you can do with this work. Copyright laws in most countries are
-in a constant state of change. If you are outside the United States,
-check the laws of your country in addition to the terms of this
-agreement before downloading, copying, displaying, performing,
-distributing or creating derivative works based on this work or any
-other Project Gutenberg&#8482; work. The Foundation makes no
-representations concerning the copyright status of any work in any
-country other than the United States.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.E.1. The following sentence, with active links to, or other
-immediate access to, the full Project Gutenberg&#8482; License must appear
-prominently whenever any copy of a Project Gutenberg&#8482; work (any work
-on which the phrase &#8220;Project Gutenberg&#8221; appears, or with which the
-phrase &#8220;Project Gutenberg&#8221; is associated) is accessed, displayed,
-performed, viewed, copied or distributed:
-</div>
-
-<blockquote>
- <div style='display:block; margin:1em 0'>
- This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and most
- other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
- whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
- of the Project Gutenberg License included with this eBook or online
- at <a href="https://www.gutenberg.org">www.gutenberg.org</a>. If you
- are not located in the United States, you will have to check the laws
- of the country where you are located before using this eBook.
- </div>
-</blockquote>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.E.2. If an individual Project Gutenberg&#8482; electronic work is
-derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not
-contain a notice indicating that it is posted with permission of the
-copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in
-the United States without paying any fees or charges. If you are
-redistributing or providing access to a work with the phrase &#8220;Project
-Gutenberg&#8221; associated with or appearing on the work, you must comply
-either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or
-obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg&#8482;
-trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.E.3. If an individual Project Gutenberg&#8482; electronic work is posted
-with the permission of the copyright holder, your use and distribution
-must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any
-additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms
-will be linked to the Project Gutenberg&#8482; License for all works
-posted with the permission of the copyright holder found at the
-beginning of this work.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg&#8482;
-License terms from this work, or any files containing a part of this
-work or any other work associated with Project Gutenberg&#8482;.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
-electronic work, or any part of this electronic work, without
-prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
-active links or immediate access to the full terms of the Project
-Gutenberg&#8482; License.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
-compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including
-any word processing or hypertext form. However, if you provide access
-to or distribute copies of a Project Gutenberg&#8482; work in a format
-other than &#8220;Plain Vanilla ASCII&#8221; or other format used in the official
-version posted on the official Project Gutenberg&#8482; website
-(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense
-to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means
-of obtaining a copy upon request, of the work in its original &#8220;Plain
-Vanilla ASCII&#8221; or other form. Any alternate format must include the
-full Project Gutenberg&#8482; License as specified in paragraph 1.E.1.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
-performing, copying or distributing any Project Gutenberg&#8482; works
-unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
-access to or distributing Project Gutenberg&#8482; electronic works
-provided that:
-</div>
-
-<div style='margin-left:0.7em;'>
- <div style='text-indent:-0.7em'>
- &bull; You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
- the use of Project Gutenberg&#8482; works calculated using the method
- you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed
- to the owner of the Project Gutenberg&#8482; trademark, but he has
- agreed to donate royalties under this paragraph to the Project
- Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid
- within 60 days following each date on which you prepare (or are
- legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty
- payments should be clearly marked as such and sent to the Project
- Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in
- Section 4, &#8220;Information about donations to the Project Gutenberg
- Literary Archive Foundation.&#8221;
- </div>
-
- <div style='text-indent:-0.7em'>
- &bull; You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
- you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
- does not agree to the terms of the full Project Gutenberg&#8482;
- License. You must require such a user to return or destroy all
- copies of the works possessed in a physical medium and discontinue
- all use of and all access to other copies of Project Gutenberg&#8482;
- works.
- </div>
-
- <div style='text-indent:-0.7em'>
- &bull; You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of
- any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
- electronic work is discovered and reported to you within 90 days of
- receipt of the work.
- </div>
-
- <div style='text-indent:-0.7em'>
- &bull; You comply with all other terms of this agreement for free
- distribution of Project Gutenberg&#8482; works.
- </div>
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project
-Gutenberg&#8482; electronic work or group of works on different terms than
-are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing
-from the Project Gutenberg Literary Archive Foundation, the manager of
-the Project Gutenberg&#8482; trademark. Contact the Foundation as set
-forth in Section 3 below.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.F.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
-effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
-works not protected by U.S. copyright law in creating the Project
-Gutenberg&#8482; collection. Despite these efforts, Project Gutenberg&#8482;
-electronic works, and the medium on which they may be stored, may
-contain &#8220;Defects,&#8221; such as, but not limited to, incomplete, inaccurate
-or corrupt data, transcription errors, a copyright or other
-intellectual property infringement, a defective or damaged disk or
-other medium, a computer virus, or computer codes that damage or
-cannot be read by your equipment.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the &#8220;Right
-of Replacement or Refund&#8221; described in paragraph 1.F.3, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
-Gutenberg&#8482; trademark, and any other party distributing a Project
-Gutenberg&#8482; electronic work under this agreement, disclaim all
-liability to you for damages, costs and expenses, including legal
-fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
-LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
-PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
-TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
-LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
-INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
-DAMAGE.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
-defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
-receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
-written explanation to the person you received the work from. If you
-received the work on a physical medium, you must return the medium
-with your written explanation. The person or entity that provided you
-with the defective work may elect to provide a replacement copy in
-lieu of a refund. If you received the work electronically, the person
-or entity providing it to you may choose to give you a second
-opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If
-the second copy is also defective, you may demand a refund in writing
-without further opportunities to fix the problem.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
-in paragraph 1.F.3, this work is provided to you &#8216;AS-IS&#8217;, WITH NO
-OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT
-LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
-warranties or the exclusion or limitation of certain types of
-damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement
-violates the law of the state applicable to this agreement, the
-agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or
-limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or
-unenforceability of any provision of this agreement shall not void the
-remaining provisions.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
-trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
-providing copies of Project Gutenberg&#8482; electronic works in
-accordance with this agreement, and any volunteers associated with the
-production, promotion and distribution of Project Gutenberg&#8482;
-electronic works, harmless from all liability, costs and expenses,
-including legal fees, that arise directly or indirectly from any of
-the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this
-or any Project Gutenberg&#8482; work, (b) alteration, modification, or
-additions or deletions to any Project Gutenberg&#8482; work, and (c) any
-Defect you cause.
-</div>
-
-<div style='display:block; font-size:1.1em; margin:1em 0; font-weight:bold'>
-Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg&#8482;
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-Project Gutenberg&#8482; is synonymous with the free distribution of
-electronic works in formats readable by the widest variety of
-computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It
-exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations
-from people in all walks of life.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-Volunteers and financial support to provide volunteers with the
-assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg&#8482;&#8217;s
-goals and ensuring that the Project Gutenberg&#8482; collection will
-remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
-and permanent future for Project Gutenberg&#8482; and future
-generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see
-Sections 3 and 4 and the Foundation information page at www.gutenberg.org.
-</div>
-
-<div style='display:block; font-size:1.1em; margin:1em 0; font-weight:bold'>
-Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non-profit
-501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
-state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
-Revenue Service. The Foundation&#8217;s EIN or federal tax identification
-number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by
-U.S. federal laws and your state&#8217;s laws.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-The Foundation&#8217;s business office is located at 809 North 1500 West,
-Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up
-to date contact information can be found at the Foundation&#8217;s website
-and official page at www.gutenberg.org/contact
-</div>
-
-<div style='display:block; font-size:1.1em; margin:1em 0; font-weight:bold'>
-Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-Project Gutenberg&#8482; depends upon and cannot survive without widespread
-public support and donations to carry out its mission of
-increasing the number of public domain and licensed works that can be
-freely distributed in machine-readable form accessible by the widest
-array of equipment including outdated equipment. Many small donations
-($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
-status with the IRS.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-The Foundation is committed to complying with the laws regulating
-charities and charitable donations in all 50 states of the United
-States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
-considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
-with these requirements. We do not solicit donations in locations
-where we have not received written confirmation of compliance. To SEND
-DONATIONS or determine the status of compliance for any particular state
-visit <a href="https://www.gutenberg.org/donate/">www.gutenberg.org/donate</a>.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-While we cannot and do not solicit contributions from states where we
-have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
-against accepting unsolicited donations from donors in such states who
-approach us with offers to donate.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-International donations are gratefully accepted, but we cannot make
-any statements concerning tax treatment of donations received from
-outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-Please check the Project Gutenberg web pages for current donation
-methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
-ways including checks, online payments and credit card donations. To
-donate, please visit: www.gutenberg.org/donate
-</div>
-
-<div style='display:block; font-size:1.1em; margin:1em 0; font-weight:bold'>
-Section 5. General Information About Project Gutenberg&#8482; electronic works
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-Professor Michael S. Hart was the originator of the Project
-Gutenberg&#8482; concept of a library of electronic works that could be
-freely shared with anyone. For forty years, he produced and
-distributed Project Gutenberg&#8482; eBooks with only a loose network of
-volunteer support.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-Project Gutenberg&#8482; eBooks are often created from several printed
-editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in
-the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not
-necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper
-edition.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-Most people start at our website which has the main PG search
-facility: <a href="https://www.gutenberg.org">www.gutenberg.org</a>.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-This website includes information about Project Gutenberg&#8482;,
-including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
-subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
-</div>
-
-</div>
-
-</body>
-</html>
diff --git a/old/66223-h/images/new-cover.jpg b/old/66223-h/images/new-cover.jpg
deleted file mode 100644
index 1b3a423..0000000
--- a/old/66223-h/images/new-cover.jpg
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/66223-h/images/titlepage.png b/old/66223-h/images/titlepage.png
deleted file mode 100644
index d0f1733..0000000
--- a/old/66223-h/images/titlepage.png
+++ /dev/null
Binary files differ