summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/old/65088-0.txt
diff options
context:
space:
mode:
Diffstat (limited to 'old/65088-0.txt')
-rw-r--r--old/65088-0.txt5579
1 files changed, 0 insertions, 5579 deletions
diff --git a/old/65088-0.txt b/old/65088-0.txt
deleted file mode 100644
index 2ce6758..0000000
--- a/old/65088-0.txt
+++ /dev/null
@@ -1,5579 +0,0 @@
-The Project Gutenberg eBook of De Chineesche Filosofie (II), by Henry Borel
-
-This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
-most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
-whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
-of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at
-www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you
-will have to check the laws of the country where you are located before
-using this eBook.
-
-Title: De Chineesche Filosofie (II)
- Toegelicht voor niet-Sinologen, II. Lao Tsz'
-
-Author: Henry Borel
-
-Release Date: April 15, 2021 [eBook #65088]
-
-Language: Dutch
-
-Character set encoding: UTF-8
-
-Produced by: Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading
- Team at https://www.pgdp.net/ for Project Gutenberg (This book
- was produced from scanned images of public domain material
- from the Google Books project.)
-
-*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK DE CHINEESCHE FILOSOFIE (II) ***
-
-
-
- DE
- CHINEESCHE FILOSOFIE
- TOEGELICHT VOOR NIET-SINOLOGEN
-
- II.
-
- LAO TSZʼ
-
-
- DOOR
- HENRI BOREL
-
-
- AMSTERDAM
- P. N. VAN KAMPEN & ZOON
-
-
-
-
-
-
-
-INHOUD.
-
- Blz.
- Voorwoord 1
- Inleiding tot de filosofie van Lao Tszʼ 18
- Tao Teh King.
- Eerste deel: Tao 74
- Tweede deel: Teh 144
- Aanhangsel 216
-
-
-
-
-
-
-
-VOORWOORD.
-
-
-Vóór mijne vertaling van de Tao Teh King te lezen, is het eerst nog
-noodig, eenige nadere bizonderheden omtrent dit werk te weten, en zich
-een denkbeeld te vormen van wat vertalingen uit het chineesch over het
-algemeen zijn, en wat eene van Lao Tszʼ in het bizonder is.
-
-De chineesche geschreven taal is er niet een, als de onze bestaande uit
-letters, maar haar karakter is idiografisch. „It is not surprising,
-perhaps, that such an idiographic language as this was invented; for
-the first thought of one who tries to write an idea, is more likely to
-be to picture it than to attempt to express the sounds by which it is
-spoken.” De chineesche geschreven taal heeft niet, als de egyptische,
-het phonetisch element doen triomfeeren over het symbolische, om ten
-slotte een alphabetische taal te worden, zegt S. Wells Williams verder,
-[1] van wien ik voorgaand fragment aanhaalde, maar het symbolische
-element bleef altijd het phonetische overheerschen. Hieruit volgt, dat
-de chinees, van zijn jeugd af gewoon om ideeën te associeeren met
-aparte pictoriale symbolen, het bijna ondoenlijk vindt om diezelfde
-ideeën te associeeren met gecombineerde letters, die enkel klanken
-uitdrukken.
-
-Prof. Legge zegt zeer terecht van de chineesche karakters of
-schriftsymbolen: „The written characters of Chinese are not
-representations of words but symbols of ideas, and the combination of
-them in composition is not a representation of what the writer would
-say, but of what he thinks. It is in vain, therefore, for a translator
-to attempt a litteral version. When the symbolic characters have
-brought his mind „en rapport” with that of the author, he is free to
-render his ideas in his own, or any other speech, in the best manner he
-can attain to...... In a study of a Chinese classical book there is not
-so much an interpretation of the characters employed by the writer as a
-participation of the thoughts; there is the seeing mind to mind.” [2]
-
-Jammer, dat dezelfde zendeling-geleerde die dit schreef, in zijne
-vertalingen van chineesche klassieken, ook van de Tao Teh King,
-dikwijls metrisch heeft willen vertalen, wat kinderachtige rijmpjes
-gaf, en geheel in strijd is met deze beschouwing,—want beter en
-kernachtiger kon moeilijk het juiste karakter van vertalingen uit het
-chineesch worden gezegd.
-
-Juist, the seeing mind to mind, dit alleen is het éénige vereischte tot
-het vertalen van een chineesch auteur, en woordelijk vertalen uit het
-chineesch is onmogelijk, omdat een europeesche en de chineesche taal
-van geheel andere essentie zijn, en men geen pictoriale symbolen, enkel
-ideeën gevende, in letters van klank precies kan overzetten.
-
-Dr. Jowett zegt nog zoo mooi van vertalingen [3]: „An English
-translation ought to be idiomatic and interesting, not only to the
-scholar but to the unlearned reader, Its object should not simply be to
-render the words of one language into the words of another, or to
-preserve the construction and order of the original; this is the
-ambition of a schoolboy, who wishes to show that he has made a good use
-of his dictionary and grammar, but is quite unworthy of the translator
-who seeks to produce on his reader an impression similar, or nearly
-similar, to that produced by the original. To him the feeling should be
-more important than the exact word.”
-
-En dit werd gezegd van eene vertaling uit de grieksche taal, die
-tenminste nog het gemak oplevert van alphabetisch te zijn, dus hoeveel
-moeilijker wordt zulk eene vertaling nog uit het idiographische
-chineesch!
-
-Bovenstaande drie verklaringen van Wells Williams, Legge en Jowett zijn
-de principes, van welke mijne vertaling van Lao Tszʼ uitgaat. Het op
-hoofdpunten zijner vertaling in ’t geheel niet met hem eens zijnde,
-stem ik volkomen in met wat de sinoloog en generaal-majoor G. G.
-Alexander zegt over de bestaande vertalingen van de Tao Teh King, dat
-zij voor den niet-sinoloog en „general reader,” niet aanlokkelijk, ja
-„indeed repellent” zijn, „by a strained litteral accuracy which
-overrides and destroys the interest of the subject.” [4]
-
-Een feit is, dat de verschillende vertalingen van de chineesche
-klassieken bij niet-sinologen zeer weinig bekend zijn, en de reden
-hiervan is, dat zij in den vorm waarin zij thans zijn, ook eigenlijk
-alleen door sinologen te begrijpen zijn.
-
-Dit is de reden, waarom ik aan mijne „Chineesche Filosofie, toegelicht
-voor niet-sinologen” begon. Ik zie niet in, waarom de chineesche
-filosofie niet, evenals bv. de grieksche, voor de niet-ingewijden in
-die taal genietbaar zou worden gemaakt. En daarom is het wel aardig dat
-mij door een sinoloog verwijtend werd gevraagd hoe ik, na den zendeling
-Prof. Legge, die veel meer dan twintig jaren chineesch had gestudeerd,
-nog aan zoo iets was durven beginnen. Ik heb deze vraag eigenlijk reeds
-in het Voorwoord van het eerste deel van dit werk, dat over Confucius,
-beantwoord. Met den grooten eerbied dien ik voor dezen eminenten
-sinoloog als taalgeleerde heb, kan ik mij niet vereenigen met vele
-zijner opvattingen over verschillende chineesche begrippen. En
-bovendien, dit is het ergste, is Prof. Legge bevooroordeeld. Hij is met
-hart en ziel zendeling geweest, en bij de vertaling der chineesche
-klassieken is hij van het standpunt uitgegaan dat alleen zijn
-christelijke godsdienst de ware, en zijn christelijke God de onfeilbaar
-éénige is, wat hem aanleiding geeft, overal in zijn werk de chineesche
-filosofie gering te schatten en te verkleinen. Hierdoor is zij bij hem
-niet tot haar recht gekomen, vooral niet die van Lao Tszʼ, in wien hij
-nog wel verscheidene christelijke begrippen vindt, die er in ’t geheel
-niet in staan, en dien hij veel te laag heeft geschat. [5]
-
-Het is een groot nadeel geweest voor de juiste interpretatie der
-chineesche filosofie dat de meeste sinologen zendelingen waren, dus
-bevooroordeeld met het idee, dat zij, als afwijkende van de
-christelijke leer, per se dwaalbegrippen bevatte.
-
-Ik denk hierbij aan die mooie woorden van Ruskin in zijn werk over de
-grieksche mythologie: „You must forgive me, therefore, for not always
-distinctly calling the creeds of the past „superstition” and the creeds
-of the present day religion.” En vooral dit, dat „whatever charge of
-folly may justly attach to the saying „There is no God,” the folly is
-prouder, deeper and less pardonable in saying „There is no God but
-mine.”” [6]
-
-„There is no God but mine,”—van dit idee uitgaande zijn de chineesche
-klassieken, is ook Lao Tszʼ, veelal vertaald. Daardoor worden zij in
-een valsch licht gezien, en is het noodig dat er nieuwe,
-onbevooroordeelde vertalingen komen.
-
-
-
-Een der eerste vertalers van Lao Tszʼ is geweest Abel Rémusat, die zijn
-werk publiceerde onder den titel „Mémoire sur la vie et les ouvrages de
-Lao Tseu.” Ik wil hier vooral de volgende regels van aanhalen:
-
-„Le livre de Lao Tseu n’est pas facile à entendre, parceque l’obscurité
-des matières s’y joint à une sorte de concision antique, à un vague qui
-va quelquefois jusqu’à rendre son style énigmatique.... Ce serait une
-difficulté très grande s’il s’agissait de le traduire en entier et de
-l’éclaircir sous le rapport de la doctrine qui l’enferme. Mais, cela ne
-doit pas nous empêcher d’en extraire les passages les plus marquants et
-d’en fixer le sens au moins d’une manière générale. Il suffit de
-constater le sens le plus palbable, quelquefois même noter les
-expressions, sans rechercher l’acception profonde et philosophique dont
-elles sont susceptibles. Outre l’obscurité de la matière en elle même,
-les anciens avaient des raisons de ne pas s’expliquer sur ces sortes de
-sujets....
-
-„Le texte est si plein d’obscurité, nous avons si peu de moyens pour en
-acquérir l’intelligence parfaite, si peu de connaissance des
-circonstances auxquelles l’auteur a voulu faire allusion; nous sommes,
-en un mot, si loin à tous égards des idées sous l’influence desquelles
-il écrivait, qu’il y aurait de la témérité à prétendre retrouver
-exactement le sens qu’il avait en vue, quand ce sens nous échappe.”
-
-De commentator Sie Hoeï had alreeds eeuwen vroeger gezegd: „Het is niet
-gemakkelijk om duidelijk de diepzinnigste passages van Lao Tszʼ uit te
-leggen; alles wat de wetenschap kan doen is er de algemeene beteekenis
-van geven.”
-
-Zeer terecht merkt Stanislas Julien op, dat de moeilijkheid voor
-Rémusat, zoowel als voor anderen, bv. Prémare, niet zoozeer lag in het
-boek zelf, als in hun systeem van interpretatie. Zij verkondigden
-namelijk, dat in de Tao Teh King stukken uit de Heilige Schrift, ja
-zelfs katholieke dogma’s waren te vinden. Montucci bv. zegt (in zijn
-„De studiis sinicis”): „Beaucoup de passages parlent si clairement d’un
-Dieu trine, que quiconque aura lu ce livre ne pourra douter que le
-Mystère de la Très-Sainte-Trinité n’ait été révélé aux Chinois plus de
-cinq siècles avant la venue de Jésus Christ.”
-
-Von Plänckner spreekt eveneens van in Tao gevonden te hebben eene
-Drieëenheid, wel niet identiek, maar toch analoog aan de christelijke.
-Rémusat, nog verder gaande, ziet in drie chineesche karakters I Hi Wei,
-die eenvoudig „kleurloos, aphoon, onstoffelijk” beteekenen, een
-verchineeschten vorm van Jehovah! En dat, terwijl die karakters niet
-eens achter elkaar, maar ieder aan het begin van een aparten volzin
-voorkomen! Hierop werden dan verder geheele theorieën gebouwd. Zelfs
-Legge spreekt van „God in the Tao Teh King” d.i. dan de christelijke
-God. Ook von Strauss is niet afkeerig van het woord Jehovah in Lao
-Tszʼ.
-
-„Add to this the ingenuity of the Jesuit scholars in detecting in the
-Tao Te King a heathen witness to the Trinity, the Logos, and the
-Incarnation, five centuries before Christ,—and we shall have some idea
-of the burden laid by interpreters on the shoulders of the great
-mystical teacher of the East,” zegt Samuel Johnson hiervan terecht.
-(Oriental Religions: China.)
-
-Terecht niet tevreden met Rémusat’s Mémoire begon Stanislas Julien eene
-nieuwe vertaling (Le Livre de la Voie et de la Vertu. Paris.
-L’Imprimerie Royale MDCCCXLII.) Deze vertaling zal misschien qua
-taalkundige woord-vertaling wel het standaardwerk over Lao Tszʼ blijven
-en is van het grootste nut voor andere vertalers, ook voor mij geweest.
-Maar zij wordt totaal bedorven door de geheel verkeerde beteekenis aan
-Lao Tsz’s „Tao” en aan de uitdrukking „Wu Wei” gegeven. Hield Julien
-zich vrij van de dwaze ideeën der zendelingen, hij gaf in vele
-gevallen, o.a. aan „Wu Wei,” beteekenissen, precies tegenovergesteld
-aan wat de chineesche wijze bedoelde.—Julien maakte gebruik van
-vertalingen en commentaren van verscheidene chineesche geleerden,—die
-echter lang niet allen onfeilbaar zijn. De eminente schrijver Ma Touan
-Lin zegt van de Tao Teh King, dat „de ware geest er van hoe langer hoe
-meer verkeerd werd begrepen, naarmate de menschen verder verwijderd
-waren van Lao Tsz’s tijd,” en Johnson zegt van Juliens chineesche
-commentaren: „The immense resources of Julien for explaining the
-Tao-te-king would give his version supreme authority but for the fact
-that the later commentators whom he uses are as likely to illustrate
-the philosopher’s statement that he was understood by few, as did the
-men of his own generation.”
-
-Meerdere vertalingen zijn van G. Pauthier, J. Chalmers, Watters, von
-Plänckner, von Strauss, Alexander, Balfour en eenige anderen [7]—Het is
-merkwaardig te zien, hoe al deze vertalingen uiteenloopen, zóó ver
-dikwijls, dat het bijna niet te gelooven wordt, dat zij allen uit één
-en denzelfden tekst zijn gehaald. Ik neem voor de curiositeit dit
-voorbeeld, één toevallig uit zeer velen grepen:
-
-—„De là vient que le saint homme marche toujours (dans le Tao) et ne
-s’écarte point de la quiétude et de la gravité. Quoiqu’il possède des
-palais magnifiques, il reste calme et les fuit.” (Stanislas Julien.)
-
-—„Therefore it is that the wise man does not—even when making but a
-day’s journey—separate from his baggage-wagons, so that should a
-beautiful view spread itself out before him, he rests a while and then
-continues his journey.” (G. G. Alexander.)
-
-Twee gehéél verschillende interpretaties van één zelfden tekst!
-
-Of wel dit, een héél klein tekstje van maar vier karakters in het
-chineesch, waarvan twee dezelfde zijn:
-
-—„The best part of knowledge is (conscious) ignorance.” (Chalmers.)
-
-—„Those who understand (the Tao) are unconscious of their upward
-progress.” (Balfour.)
-
-—„To know, but to be as not knowing,—is good.” (Giles.)
-
-Somtijds zijn de vertalingen zelfs precies elkaars contrast. En het is
-een feit, dat juist door die vele, uit elkaar loopende en
-tegenstrijdige versies de ernstige bestudeerder van Lao Tszʼ veel meer
-van de wijs raakt, dan wanneer hij zonder ééne enkele vertaling maar op
-den oorspronkelijken tekst blijft turen. Zeer juist zegt Prof. R. K.
-Douglas, [8] die echter, voor zoover ik weet, zelf nooit eene vertaling
-van den geheelen Lao Tszʼ leverde, van al die verschillende
-interpretaties: „There is with most people a tendency to seek below the
-surface for some occult and far-fetched explanation of a difficulty
-rather than adopt the plain interpretation which lies before them.”
-
-Op één punt waren de geleerden het echter allen ééns. De integriteit en
-de originaliteit van de Tao Teh King waren onbetwistbaar.—De
-Leipzigsche professor von der Gabelentz verklaarde dat de
-authenticiteit van dit werk het minste was betwist van alle chineesche
-klassieken, èn in China, èn zelfs in den kring der europeesche
-sinologen.—En eenparig waren de sinologen [9] van hetzelfde gevoelen.
-
-Tot dat in 1886 een boek verscheen van H. A. Giles, een engelsche
-consul en sinoloog in China, getiteld: „The Remains of Lao Tsz.”—Deze
-verklaarde, dat bijna de geheele Tao Teh King „forgery” en „fraud” was,
-en zij maar enkele oorspronkelijke gezegden van Lao Tszʼ bevatte. De
-weinige oorspronkelijke, die er dan waren, verwaardigde hij zich te
-vertalen. Bestaande vertalingen, van Legge, van Chalmers, enz. enz.,
-werden onbarmhartig en ridiculiseerend door hem afgebroken. Juliens
-vertaling, die toch qua woordvertaling hoog staat, noemde hij eveneens
-„wholly indefensible,” en „as the descent from one of Dantes horrid
-bolgie to the next, so is the passage from one obscure utterance of Lao
-Tzsʼ to another obscurer still,” sneerde hij.—De aanmatigende, heftige,
-onwetenschappelijke toon van zijn geschrift is echter al voldoende om
-al het vertrouwen in zijn argumenten te doen verliezen. [10]
-
-Maar het is voor den ernstiger zoeker naar de waarheid om het hoofd bij
-te verliezen. Juliens vertaling is „indefensible,” zegt Giles. Von
-Plänckner’s vertaling deugt niet, zegt Legge, want zijn „slender
-acquaintance with Chinese by no means fitted him for such a task.”—Een
-argument, dat oudere geleerden méér tegen jongeren gebruiken. Enz. Enz.
-Niet één, die niet de vertaling van den ander veroordeelde, en de zijne
-niet voor de alleen mogelijke hield. Een en ander nog erger gemaakt
-door de jalousie de métier, die helaas! onder vele geleerden woedt,
-maar onder de sinologen speciaal het toppunt heeft bereikt.—En het is
-heel gemakkelijk, eene vertaling uit het chineesch te veroordeelen.
-Juist doordat eene vertaling van idiografische karakters, die altijd
-hetzelfde blijven, zonder vervoeging of verbuiging, en die, al naar
-gelang van het verband waarin zij staan, de meest uiteenloopende
-begrippen kunnen beteekenen, tot elkaars tegenovergesteld en
-toe,—juist, zeg ik, doordat eene precieze, exacte vertaling totaal
-onmogelijk is, al hebben sommige geleerden z.g. vertaalregels gemaakt,
-die niet opgaan, kan de eene sinoloog altijd van elke versie zeggen dat
-zij niet deugt, maar zóó en zóó moet zijn. Twee of drie chineesche
-karakters kunnen dikwijls eene meening hebben, die alleen in een of
-meer lange volzinnen kan uitgelegd worden, en alleen benaderd, niet
-vertaald, zoodat men er altijd van zeggen kan, dat de interpretatie
-niet deugt, en men er een andere voor kan geven, die daarom niet beter
-is.
-
-Nadat ik veel werken over Lao Tszʼ had gelezen, en jaren over zijn boek
-had nagedacht, besloot ik, mij los te maken van den invloed dier vele,
-verschillend denkende geleerden, en zelf eene vertaling te beginnen, om
-daarin nauwkeurig te omschrijven, wat ik voor mij in zijne filosofie
-heb gezien en doorvoeld. Ik heb voorál steeds gedacht aan deze twee
-teksten, die mij als eene waarschuwing schenen om toch vooral niet
-verward te worden door schijnbare moeilijkheid, waar die misschien niet
-bestond.
-
-„Mijne woorden zijn heel gemakkelijk te begrijpen, heel gemakkelijk te
-betrachten. Maar niemand in het rijk kan ze begrijpen, noch betrachten.
-Mijne woorden hebben een Oorsprong, mijne daden hebben een Meester.
-Maar de menschen weten dat niet, en daarom begrijpen zij mij niet.”
-(Hfdst. LXX.)
-
-„Zij, die Tao kennen, zijn niet geleerd; zij, die geleerd zijn, kennen
-Tao niet.” (LXXXI.)
-
-Die Oorsprong, wat kon het anders zijn dan Tao? Daarom eerst goed, uit
-het geheele werk, het begrip Tao trachten te begrijpen, en dan iederen
-tekst vertalen, met bij elk dat idee van Tao trouw voor oogen, dat leek
-mij de weg. En hoewel ik zijne woorden voor mij, westerling, nooit
-„heel gemakkelijk” heb gevonden, is mij op die wijze veel licht
-opgegaan, en is veel, wat ik ingewikkeld en erg geleerd-moeilijk dacht,
-later uiterst simpel en puur gebleken. Ook is er toen een groote
-Éénheid in het werk gekomen, die ik eerst niet had gezien.
-
-Ik heb daarbij getracht, voor zoover dat mogelijk bleef, zonder eene
-goede uitlegging te schaden, zoo getrouw mogelijk aan den tekst te
-blijven, maar het „seeing mind to mind”, niet eene enkele interpretatie
-der chineesche karakters is voor mij de hoofdzaak gebleven. Evenals in
-het eerste deel van dit werk heb ik absoluut onvertaalbare chineesche
-karakters, in-chineesche begrippen symboliseerende, onvertaald gelaten,
-maar uitvoerig omschreven. En waar de uiterste lakoniekheid, alleen met
-de zoo simpele chineesche karakters mogelijk, die wel eens in
-denzelfden zin verbum èn adjectief en substantief kunnen zijn, zonder
-lidwoorden of bijwoorden verbonden, niet lakoniek was weer te geven,
-heb ik een langeren, maar duidelijken volzin er van gemaakt. Want wat
-de schrijver denkt, niet wat en hoe hij in ’t chineesch schrijft, is de
-hoofdzaak. De charme en pracht van een chineesche
-karakter-gedachten-reeks is toch in geen enkele woord-klanken-reeks
-precies weer te geven. Het zijn twee geheel ongelijksoortige dingen,
-van verschillende essentie.
-
-Men kan evenmin een kleurenpracht in tonen precies eender weêrgeven,
-alleen een gelijke emotie zien op te wekken, maar met andere middelen.
-
-Het past mij te bekennen, dat ik veel nut heb gehad van vóór mij gedane
-vertalingen, wat het exacte bij den tekst blijven aangaat, vooral van
-Julien. [11] Ieder wetenschappelijk man wil er wel voor uitkomen, dat
-hij heeft voortgebouwd op wat anderen vóór hem deden. Dikwijls, waar ik
-twijfelde, heb ik, waar dit mij maar éénigszins aannemelijk scheen, de
-versie van ouderen, met meer taalkundige ondervinding, gevolgd. Maar op
-evenveel plaatsen, waar ik heel vast en zeker, mind to mind met den
-chineeschen filosoof voelende, de overtuiging had, dat mijne
-voorgangers uit het verband van wat Lao Tszʼ noemt „de Oorsprong zijner
-woorden” gingen—en dat is bijna overal op hoofdpunten, waar de
-begrippen Tao en Wu Wei voorkomen,—heb ik gemeend, mijn eigen gang te
-moeten gaan, en heb ik vertaald zooals ik zelf, en niet zooals anderen
-voelden.
-
-Ik heb, evenals in mijn eerste deel over Confucius, den tekst zooveel
-mogelijk met noten toegelicht. Wie echter de teksten van-zelf begrijpt,
-zal meer van het werk genieten door ze alléén te lezen, zonder de
-noten, die dan overbodig zijn. Ik voegde ze toe voor het gemak van
-velen, die nog niet genoeg van chineesche filosofie hebben gelezen, om
-gemakkelijk de somtijds bruuske en schijnbaar onlogische
-gedachtenwendingen en toespelingen te volgen. Want een publiek van
-niet-sinologen had ik op het oog, dat zich nog niet in chineesche
-begrippen en wijzen van denken heeft verplaatst. Lao Tsz’s filosofie,
-die tot de hoogste openbaringen van wijsheid van alle eeuwen behoort,
-is even waard buiten den beperkten kring van geleerden bekend te worden
-als die van Plato, Thomas à Kempis, en andere groote denkers. En onze
-taal, al wordt die ook maar door negen millioen menschen in en buiten
-Noord- en Zuid-Nederland gesproken, een taal, waarin thans van de beste
-poëzie en wijsheid van Europa wordt geschreven—ik denk hier b.v. aan
-Willem Kloos en Frederik van Eeden—is mij gelukkig nog lief genoeg, om
-mij haar de groote moeite, aan mijn werk besteed, overwaard te doen
-vinden, ja mij gelukkig te doen voelen, al die wonder-simpele en
-wereld-wijze gedachten van den chineeschen filosoof in háár vertrouwde
-woord-klanken te hebben weergegeven.
-
-Dat mijne vertaling in het nederlandsch volstrekt geen overbodige
-arbeid was, heeft het debiet van het eerste deel van dit werk, dat over
-Confucius, bewezen. Binnen drie maanden na de verschijning waren de
-kosten der uitgave, die op risico van den uitgever was ondernomen,
-ruimschoots gedekt. En zóó is nu ook de uitgave van dit tweede deel, de
-eerste nederlandsche vertaling [12] van Lao Tsz’s filosofie bevattende,
-mogelijk geworden.
-
-
- Makasser, 21 December 1897.
-
-
-
-
-
-
-
-INLEIDING TOT DE FILOSOFIE VAN LAO TSZʼ.
-
-
-Heb ik eenige jaren geleden eene fantazie geschreven naar aanleiding
-van Lao Tsz’s filosofie, nú is het mijn taak, op meer wetenschappelijke
-wijze, getrouw bij den tekst blijvende, China’s grootsten wijze en
-China’s hoogste filosofie in te leiden bij het publiek van
-niet-sinologen. [13]
-
-Kon ik, bij de beschrijving van Confucius’ leven [14] beschikken over
-zóóveel gegevens, dat ik heel veel ongebruikt moest laten liggen, van
-Lao Tsz’s leven is zóó weinig bekend, dat ik er niet eens een apart
-hoofdstuk mede zou kunnen vullen. Zoo openbaar en ceremonieus Confucius
-leefde, zoo teruggetrokken en eenvoudig was het leven van Lao Tszʼ.
-
-Men weet niet eens, waar hij zijn laatste levensjaren heeft
-doorgebracht, noch waar hij gestorven is; zóó weinig is, op historische
-gronden althans, van hem bekend. Toen hij zag, dat de tijden al
-slechter en slechter werden, is hij niet, zooals Confucius, van staat
-tot staat getogen om zich als hervormer aan te bieden, maar is hij kalm
-zijn vaderland uitgetrokken. Hij bleef zwerven in de landen van „het
-Westen,” vermoedelijk Thibet en Indië, waar toen de hoogste wijsheid
-der wereld werd geboren.—En sedert zijn vertrek is nooit meer iets van
-hem gehoord. Maar zijn Boek, de „Tao Teh King,” een chineesche bijbel
-van wijsheid en goedertierenheid, het verhevenste werk uit de
-chineesche literatuur, is onsterfelijk, en staat in de Woord-kunst der
-eeuwen naast de goddelijkste openbaringen, als die der Upanishads, die
-van Plato, en die van het Oude Testament.
-
-De éénige historische documenten omtrent Lao Tsz’s leven zijn weinige
-regelen, in mijne editie maar even twee bladzijden, uit de annalen van
-China’s grootsten geschiedschrijver Szʼ Ma Ts’ien. Ik laat deze in
-hoofdzaak hier volgen:
-
-„Lao Tszʼ was iemand uit het district K’u, de streek Li, en het gehucht
-Khio Jin, van het rijk Chʼu [15].
-
-„Zijn familienaam was Li, zijn bijnaam Rhʼ, zijn titelnaam Peh Yang en
-zijn posthume naam Tan. Hij bekleedde het ambt van bewaarder der
-archieven van het rijk Chow [16]. Confucius kwam in het rijk Chow, om
-Lao Tszʼ te vragen over de Li [17] (het Decorum). Lao Tszʼ zeide: „De
-menschen, over wie gij spreekt, zijn niet meer, en hunne beenderen zijn
-allen vergaan. Alleen hun woorden bestaan nog. Als de Kiün Tszʼ (de
-Goede Mensch) de gunstige omstandigheden treft stijgt hij in den wagen
-(d.i. komt hij tot hooge betrekkingen), maar treft hij die gunstige
-omstandigheden niet, dan zwerft hij als een bosje stroo over het zand.
-Ik heb gehoord dat een goed koopman zijn schatten diep verbergt en als
-leêg van alle goed schijnt, en dat de Kiün Tszʼ, wiens deugd volmaakt
-is, een gezicht heeft als een domme. Doe vàn u dien trots, en die vele
-begeerten, doe van u dat hooghartige air en die buitensporige
-neigingen, want die zullen u tot niets dienen. Dit is, wat ik u te
-zeggen heb.”
-
-Confucius, die in ’t geheel niet in Lao Tsz’s filosofie komen kon,
-welke even zooveel dieper was dan de zijne als de essences dieper zijn
-dan de uiterlijke schijn, was door de majesteit van Lao Tsz’s persoon
-en den statigen toon zijner woorden blijkbaar diep getroffen, want,
-verhaalt Szʼ Ma Ts’ien verder:
-
-„Confucius ging, en zeide tot zijne discipelen: „Ik weet, dat de vogels
-kunnen vliegen, ik weet, dat de visschen kunnen zwemmen, ik weet, dat
-de beesten kunnen loopen: zij, die loopen, kunnen in een net worden
-gevangen, zij die zwemmen, kunnen aan den haak worden geslagen, en zij
-die vliegen, kunnen met een pijl worden getroffen. Maar nu de Draak! Ik
-kan niet weten, hoe hij op de wolken en den wind stijgt en ten hemel
-rijst. Heden heb ik Lao Tszʼ gezien. Hij is als de Draak!””
-
-Confucius bekende dus zelf, dat hij Lao Tszʼ niet kon begrijpen.
-
-Verder gaat Szʼ Ma Ts’ien door:
-
-„Lao Tszʼ cultiveerde de Tao en de Deugd, en legde er zich op toe om
-eenzaam en onbekend te leven. Hij leefde lang in Chow, en toen hij zag,
-dat Chow in verval raakte, nam hij haastig zijn ontslag, en ging naar
-den bergpas (op de grens). I Hie, de bewaker van dien bergpas, zeide
-tot hem: „Nu gij u in de eenzaamheid gaat terugtrekken, moet gij
-absoluut een boek maken om mij tot leering te zijn.”—Toen schreef Lao
-Tszʼ een werk in twee boeken, dat over de beteekenis van de Tao en de
-Teh (Deugd) handelde, en vijfduizend karakters bevatte. Daarna ging hij
-heen. Men weet niet hoe het einde was van zijn leven.”
-
-
-
-Deze weinige gegevens zijn alles, wat wij op zuiver historische gronden
-van Lao Tsz’s leven weten. Enkele bizonderheden omtrent zijne zonen,
-voor dit werk van geen belang, zal ik maar voorbijgaan. Welk een
-verschil zien wij echter uit dit weinige al tusschen Confucius en Lao
-Tszʼ! Confucius, die, toen Chow in verval was, met veel omslag van rijk
-tot rijk trok om toch vooral propaganda te maken voor zijne ideeën, Lao
-Tszʼ die, toen hij al de droevigheid zag aankomen, stil zijn ambt
-neerlegde, en wegging uit het land der ongerechtigheid, om in den
-vreemde kalm en rustig te leven, eenzaam met zijn ziel!......
-
-Szʼ Ma Ts’ien geeft niet het geboortejaar op van Lao Tszʼ, maar volgens
-eene geloofwaardige traditie was dit het 3e regeeringsjaar van Ting
-Wang, van de Chow dynastie, alzoo het jaar 604 v. C.—Lao Tszʼ was dus
-reeds 53 à 54 jaar, toen Confucius geboren werd.—Volgens overleveringen
-en legenden—op welke men echter volstrekt niet zoo vertrouwen kan als
-op Szʼ Ma Ts’ien’s Annalen „Shʼ Kiʼ”—was zijn vader een oude boer, die
-eerst op zeventigjarigen leeftijd een vrouw van ongeveer vijf en dertig
-trouwde. Zijne moeder ontving hem op bovennatuurlijke wijze, in een
-lichtstraal van een vallende ster.—Zij droeg de vrucht twee en zeventig
-jaren lang, zoodat het kind ter wereld kwam als een oud man, met grijze
-haren. Vandaar, dat men den pas geborene Lao Tszʼ, d.i. het Oude Kind
-noemde.—Dadelijk na zijne geboorte rees hij in de lucht op, en zeide,
-met de linkerhand naar den hemel, en met de rechter naar de aarde
-wijzende: „In den Hemel boven en op de Aarde beneden is alleen Tao
-waardig om geëerd te worden.” Zijn gelaatskleur was wit, bij geel,
-zijne ooren waren buitengewoon lang, en met drie gaten doorboord. Hij
-had schoone wenkbrauwen, groote oogen en een vierkanten mond. Aan
-iedere voet had hij tien teenen, en iedere hand was geörnamenteerd met
-tien lijnen, enz. enz. Men merke hier de overeenkomst op met de
-geboorte van Shakyamuni, Kwan Yin, en andere boeddha’s en heiligen.
-Vermoedelijk zijn deze legenden door latere boeddhistiesche vereerders
-[18] van Lao Tszʼ verzonnen, daar zij lijnrecht in strijd zijn met
-zijne ideeën omtrent de onfeilbaarheid en heiligheid van de processen
-der natuur.—In de Nan Hwa King, een boek van Lao Tsz’s voornaamsten
-discipel, Chuang Tszʼ, vinden wij nog meer bizonderheden omtrent
-ontmoetingen tusschen Confucius en Lao Tszʼ.—
-
-Lao Tszʼ vond Confucius eens bezig met lezen, en vroeg hem, wat hij
-daar aan ’t studeeren was.
-
-„Het is de I King,” antwoordde Confucius, „die lazen de heilige mannen
-der oudheid ook.”
-
-„Dat konden die heilige mannen doen,” zeide Lao Tszʼ, „maar met welk
-doel leest gij die? Wat is de grondbedoeling van dat boek?”
-
-„Het komt neer op menschlievendheid en rechtvaardigheid,” was het
-antwoord.
-
-En Lao Tszʼ zeide: „Rechtvaardigheid en menschlievendheid zijn
-tegenwoordig maar holle namen; zij zijn een masker voor wreedheid, en
-brengen de harten in verwarring; er is nooit meer strijd geweest dan
-nu. De duif baadt zich niet altijd expres om wit te worden, de kraai
-verft zich niet om zwart te zijn. De Hemel is van nature laag; zon en
-maan schijnen van zelve; de sterren en planeten staan natuurlijk op hun
-plaats, de planten en boomen vallen natuurlijk onder klassen, volgens
-hunne soorten. Zoo, geleerde dokter, als gij Tao betracht, en u er met
-uw geheele ziel naar ópheft, dan zult gij er vanzelf wel komen. Waar
-zijn die menschlievendheid en rechtvaardigheid toch goed voor? Gij
-lijkt op iemand, die op een trom gaat roffelen om een verloren schaap
-terug te brengen. Meester, gij brengt de menschelijke natuur maar in
-verwarring!”
-
-Maar ziet, er waren groote, essentieele verschillen tusschen Confucius
-en Lao Tszʼ. Beiden leefden in ongeveer dezelfde omstandigheden, in het
-verval van de Chow dynastie, toen het geheele rijk in wanorde was. [19]
-Confucius wilde toen, door de verschillende deugden, als
-menschlievendheid, oprechtheid, rechtvaardigheid, plichtmatigheid,
-ouderlievendheid enz. te prediken, het volk hervormen. Lao Tszʼ zag
-hier geen heil in, en hield het er voor, dat al deze dingen de
-verwarring nog maar grooter zouden maken.
-
-Robert K. Douglas in zijn werk „Confucianism and Taouism” zegt hierover
-zeer terecht: „Confucius dacht dat de voornaamste vereischte van den
-tijd was, om goede namen te hebben (voor de dingen). Hij wilde de
-menschen humaniteit doen betrachten, en dat (dan ook)
-liefde-voor-de-ouders (Hiao) noemen; hij wilde de menschen met hun
-geheele hart hun souverein doen dienen, en noemde dat getrouwheid. Lao
-Tszʼ, daarentegen, hield vol, dat als de menschen zich uitgaven voor
-menschlievend, ouderlievend en getrouw, dit een zeker teeken was, dat
-de substantie verdwenen was, en alleen de schaduw overbleef. De duif is
-niet wit omdat zij veel baadt, noch verft de kraai zich zwart. Als de
-duif zich ging baden, en de kraai zich ging verven, zou dat geen teeken
-zijn, dat zij hunne oorspronkelijke kleuren hadden verloren? Zoo ook
-met de menschen. Als alle menschen menschlievend, ouderlievend en
-getrouw waren, zou niemand zich op die deugden openlijk beroepen, en
-die zouden daarom niet genoemd worden. En op dezelfde manier, als alle
-menschen deugdzaam waren, zouden zelfs de namen der ondeugden onbekend
-zijn.”
-
-Krachtig zegt Lao Tszʼ dit zelf in zijn Tao Teh King [20]: „Toen Tao
-werd verwaarloosd kwamen Menschlievendheid en Gerechtigheid. Toen de
-„scherpzinnigheid” en het „schrandere doorzicht” voor den dag kwamen,
-ontstond de groote Huichelarij. Toen de familie niet meer in harmonie
-leefde, kwamen de Hiao (Ouderlievendheid) en de Ts’zʼ (compassie). Toen
-de staten van het rijk in verwarring waren, kwamen de getrouwe
-onderdanen.”—
-
-En in een ander hoofdstuk [21]: „Doe de Filantropie vàn u, en wèg met
-Gerechtigheid, en het volk zal (vanzelf) terugkeeren tot liefde voor de
-ouders en voor de kinderen!”
-
-Zooals ik reeds zeide, het verschil tusschen Confucius en Lao Tszʼ is
-op zeer veel punten dat tusschen Schijn en Wezen.
-
-
-
-Het Boek, dat Lao Tszʼ als eenig aandenken aan zijn leven bij den
-wachter I Hie van den bergpas achterliet, was de Tao Teh King, het Boek
-van Tao en Teh.—De Tao Teh King is wel het moeilijkste boek, waar de
-sinoloog zich aan kan wagen, en ook voor den chineeschen literator is
-het de zwaarste arbeid in zijne literatuur. Maar jaren van studie
-loonen den ijverigen leerling met rijke winst.—Uit de diepe mijnen van
-dit wondere wereldboek haalt de verrukte delver steeds edeler en
-blinkender schatten van onvergankelijke wijsheid. „La sagesse humaine
-n’a peut-être jamais exprimé des paroles plus saintes et plus
-profondes,” roept de sinoloog Pauthier in bewondering uit. En Samuel
-Johnson, een geleerde en een poëet, die, met minder geleerdheid maar
-meer intuïtie en wijsgeerigen aanleg dan anderen in de essentieele
-waarheden van oostersche godsdiensten en filosofieën is doorgedrongen,
-zegt er zeer schoon en juist van: „He is a word; a protest and prophecy
-in one; a book, the Tao Teh King, a voice of universal truth and
-sentiment, appealing to all ages.” En ook nog: „Nothing like this book
-exists in Chinese literature, nothing, so far as yet known, so lofty,
-so vital, so restful at the roots of strength: in structure as
-wonderful as in spirit; the fixed syllabic characters formed for
-visible and definite meaning, here compacted into terse aphorisms of a
-mystical and universal wisdom, so subtly translated out of their
-ordinary spheres to meet a demand for spiritual expression, that it is
-confessedly almost impossible to render them with certainty into
-another tongue”. [22]
-
-De lezer zal wel reeds gemerkt hebben, dat ik het hiermede geheel ééns
-ben, en dat ik slechts met moeite mijn enthoesiasme en innige vereering
-voor Lao Tszʼ, die ik zoo vrij kon uiten in mijne fantazie „Wu Wei”,
-bedwing, om precies bij de daadzaken eener op zuiver wetenschappelijken
-grond berustende studie te blijven. Inderdaad is het in China gegaan
-als in zoovele landen. Een wèl sereen en eerbiedwaardig, maar toch maar
-heel zelden subliem wijsgeer als Confucius heeft een wereldvermaardheid
-verkregen, en is in alle beschaafde landen op gezag bekend als zijn
-grootsten man, terwijl zijn waarlijk allergrootste filosoof, een zoo
-rein en simpel voeler en denker als Lao Tszʼ, die zich wist op te
-droomen tot nabij de allerzuiverste conceptie van het goddelijk Wezen
-die een mensch kan naderen, zoo goed als onbekend is gebleven buiten
-het kleine kringetje der sinologen-vakgeleerden.—
-
-
-
-Lao Tszʼ leerde in zijn Tao Teh King in hoofdzaak het volgende:
-
-Vóór Hemel en Aarde bestonden, vóór de formatie der werelden, vóór het
-begrip Shang Ti (de opperste Godheid) was er een Wezen, een essence,
-voor ons niet te begrijpen, voor ons vaag en verward, voor ons, die aan
-alle Zijn een zichtbaren vorm en eene gedaante verbinden, een
-Niet-Zijn, een Wezen, of een Wereld-Ziel (al deze namen kunnen het
-natuurlijk niet omschrijven), die alleen-in-zich-zelf eeuwig en
-onsterfelijk bestond.—Natuurlijk kan zulk een Wezen, dat alleen
-in-zich-zelf bestond, geen naam hebben, daar namen alleen dienen om
-verschillende dingen te onderscheiden.—Omdat Lao Tszʼ er echter over
-zou schrijven, moest hij het absoluut een naam geven, en, een goede,
-juiste naam onbestaanbaar zijnde voor zulk een Wezen, noemde hij het
-Tao, een woord, dat in de vroegere chineesche filosofie, en vooral in
-Confucius meer bepaald „de Weg” of „het Pad” beteekent [23]. Hij zegt
-er echter herhaaldelijk uitdrukkelijk bij, dat het Wezen, dat hij
-bedoelt, niet Tao heet of kan heeten, maar dat hij dien naam maar
-gebruikt, omdat er geen naam mogelijk is. Dit Wezen, deze Al-Ziel, deze
-Essence [24] (men voelt, ook deze omschrijvingen zijn maar vage
-benaderingen) was de Oorsprong aller dingen, en baarde de werelden en
-de schepselen op ondoorgrondelijke wijze, ze allen doorvloeiende, en
-gemanifesteerd zijnde in alles en allen, natuur, menschen, en dingen.
-Als in-zich-zelf-bestaande Essence het Tao noemende, noemde hij het als
-manifestatie in de creatie Teh, met een woord, dat in de gewone
-beteekenis met Deugd is te vertalen, maar m. i., evenals Tao, zooveel
-mogelijk onvertaald moet blijven.—Maar niet alleen, dat alle dingen uit
-Tao geboren zijn, allen keeren ook weder tot Tao terug.—Aan alle dingen
-is bij hun geboorte een beweging gegeven, een divien levensrythme, dat
-hen onfeilbaar weer tot Tao zal terug brengen. Het eenige en simpele
-middel om weer tot Tao terug te keeren is, zich eenvoudig aan dat
-rythme over te geven, alles te weren, wat er van afleidt en aan die
-beweging tegenstrijdig is.—Als pas-geboren kind is de mensch volkomen
-zuiver en natuurlijk, en de hoogste levenswijsheid is, zich altijd zoo
-zuiver te bewaren als het pasgeboren kind. Deze pure wijze van leven,
-dit zich-laten-meêvoeren op het oorspronkelijke rythme, maar men
-vergete hierbij niet, ook den energieken strijd tegen alles, wat van
-dat rythme afwijkt en er tegenovergesteld aan is, noemde Lao Tszʼ Wu
-Wei. Dit woord Wu Wei, samengesteld uit Wu—niet of niets,—en Wei,—doen,
-zou, letterlijk, met een dictionnaire vertaald, beteekenen
-„niets-doen”.—Deze letterlijke vertaling heeft vele sinologen [25]
-aanleiding gegeven om te beweren dat Lao Tszʼ in een lui, bruut
-niets-doen het hoogste heil zag, en daarom leerde om, onverschillig
-voor alles en allen, maar in een soort slaperigheid het leven uit te
-soezen. Ik behoef zeker niet te zeggen, dat precies het tegendeel waar
-is, en dat Wu Wei geen niet-doen, geen inactie of inertie is, maar
-juist zeer sterke en reëele actie en wel actie van het onsterfelijke
-principe in den mensch, van de in hem gemanifesteerde Tao.—Deze actie
-zal zijn eene beweging van het onsterfelijke in den mensch naar den
-eindeloozen, eeuwigen Oorsprong, naar dat voor menschenbegrip
-onbenaderbare en onbeschrijfelijke Wezen, die Al-Ziel, die bestond vóór
-Hemel en Aarde, vóór gedaante en vorm bestonden, en die Lao Tszʼ,
-voelende hoe onmogelijk zij met een naam aan te geven was, alleen met
-den naam Tao noemde, omdat hij dien noodig had om haar concreet in een
-letterteeken aan te duiden. Maar deze actie Wu Wei zal tevens zijn een
-beweging tegen alle actie, die aan haar tegenstrijdig is, en den
-weder-ópgang naar Tao stuit, dus tegen alle actie van menschelijke,
-relatieve dingen als eerzucht, trots, woede, haat, hebzucht, passie,
-enz. enz. En wie weet dat deze dingen de felste, sterkste en hevigste
-van het geheele menschenleven zijn, zal begrijpen hoe moeilijk en zwaar
-de strijd dáártegen moet zijn, dus hoe intens de actie Wu Wei moet
-zijn, die zulke geduchte vijanden moet weêrstaan. Daar Tao het eenige
-in-zich-zelf-bestaande en dus reëele is, en de menschelijke
-hartstochten en begeerten allen sterfelijk en dus onreëel zijn, zouden
-wij de gewone, alledaagsche beweging van het menschenleven naar die
-hartstochten en begeerten onreëele actie, en Wu Wei, het ópgaan náár
-Tao, reëele actie kunnen noemen, of ook wel, de eerste de actie van den
-Schijn, en de tweede de actie van het Wezen.
-
-Zéér schoon zegt alweer Johnson hiervan, krachtig protesteerend tegen
-velen, die Wu Wei maar door „niets-doen” vertaalden, en dus precies het
-tegenovergestelde kregen van wat Lao Tszʼ bedoelde [26]:
-
-„Such misinterpretations as have been quoted simply reduce the
-Tao-Teh-King to a mass of self-contradictions. Its „nonaction” does not
-propose that man shall forbear while the work is done by heaven, but is
-defined as a living union with Tao, as secret power to make all things
-new through humility and self-renunciation: a still and unapparent
-strength that „does not strive” but „hides itself while it lifts up
-men”. Its paradoxes, putting the least above the greatest, and rest
-above work, are intuitions of the spiritual mind; enforcements of
-substance against shadow, of living soul against dead mass.”
-
-Zóó spreekt Lao Tszʼ ook dikwijls in zijn boek over „Wu Yiu”,
-letterlijk vertaald „Niet-Zijn”.—Dit beteekent alweer niet zóó maar
-niet-bestaan, in-’t-geheel-niet-zijn, maar enkel niet-sterfelijk-zijn,
-niet zooals menschen, dieren en dingen zijn, die immers ééns moesten
-sterven; dus eigenlijk beteekent het wel dégelijk Zijn, maar het Zijn
-van het Wezen, in tegenoverstelling met het Zijn van den Schijn. Men
-kan niet te voorzichtig zijn met woorden indien er sprake is van zulke
-boven alle woordbegrip verheven dingen als b.v. God, of Nirvâna, of
-Tao.—Men vergete dan niet, dat juist dat wat wij omschrijven willen van
-zulk een transcendent, subtiel, spiritueel wezen is, dat alle woorden,
-waarmede wij het willen aanraken, en die alleen veel meer nabije dingen
-kunnen bereiken, slechts als steenen zijn, die ópgeworpen in de lucht,
-toch nooit het azuur omhoog kunnen treffen. Onze woorden kunnen alleen
-benaderen, richting aangeven in zoo’n geval, en men wachte zich wel,
-het punt, waartoe zij komen, en dat in gewone gevallen het doel is, ook
-nu voor het hoogste en juiste doel te houden.—
-
-Lao Tszʼ beschouwt nu Tao èn als Oorsprong van alles, ongemanifesteerd
-en in-zich-zelf bestaande, èn als gemanifesteerd zijnde in de creatie,
-of, mag ik nu wel na mijne juist omschreven opheldering zeggen, als Wu
-Yiu (lett. Niet-Zijn) en als Yiu (lett. Zijn).—
-
-Ik zal, na al de voorgaande beschouwingen voorop gezet te hebben, nu
-door een aantal vertalingen uit de Tao Teh King zelve, dus met Lao
-Tsz’s eigen woorden, verder het idee Tao benaderen. De lezer kan dan
-zelf oordeelen en zich een begrip vormen.
-
-
-
-„Als Niet-Zijn kan men Het [27] noemen het begin van Hemel en Aarde;
-als Zijn kan men Het noemen de Moeder (dus: dat wat baarde) van alle
-Dingen” [28].
-
-
-
-„Tao is ledig en toch in Zijne operaties als onuitputtelijk. O! Hoe
-diep! Het is de oer-vader aller dingen. Het verstompt zijn scherpte,
-ontrafelt zijn verwardheid, tempert zijn verblindende schittering, en
-maakt zich gelijk aan het stof. O hoe kalm is Het! Het lijkt eeuwig te
-bestaan! Ik weet niet van wien Het het kind is. Het was vóór Shang Ti
-(de Opperste God)” [29].
-
-
-
-„Gij kijkt er naar, en gij ziet Het niet; men noemt Het kleurloos. Gij
-luistert er naar, en hoort Het niet, men noemt Het aphoon. Gij tast er
-naar, en raakt Het niet, men noemt Het onstoffelijk.—Zijn bovenste is
-niet verlicht, Zijn onderste heeft geen schaduw. Het is eeuwig en kan
-niet met een’ naam worden genoemd. Het keert terug tot het Niet-Zijn
-(Wu Yiu). Dit noem ik het beeld van het beeldelooze, den vorm van het
-vormelooze. Dit noem ik vaag en onbestemd. Gij nadert Het, en gij ziet
-niet Zijn begin. Gij volgt Het en gij ziet niet Zijn einde” [30].
-
-
-
-„—Als men tot het opperste ledig is gekomen, behoudt men een
-onbewegelijke rust. Alle dingen worden te samen geboren; ik zie ze
-weder terugkeeren. Alle dingen bloeien overvloediglijk; daarna keert
-elk terug tot zijn Oorsprong. Tot den Oorsprong terugkeeren noem ik in
-rust zijn. In rust zijn noem ik terugkeeren tot het (eeuwige, reëele)
-Leven. Terugkeeren tot het Leven noem ik Eeuwigdurend zijn. Tao zijnde
-is men altijddurend. Al sterft het lichaam, er is (dan toch) geen
-gevaar (meer te duchten)” [31].
-
-
-
-„De zichtbare manifestaties van de groote Teh (Deugd) zijn eene
-emanatie van Tao. Ziehier de natuur van Tao: „Het is vaag en
-verward.... Hoe verward.... Hoe vaag!.... En (toch) bevat Het de vormen
-der dingen! Hoe vaag!.... Hoe verward!.... En (toch) bevat Het
-wezens!.... Diep en duister!.... En (toch) bevat het eene spiritueele
-essence! Deze spiritueele essence is ten zéérste reëel, en bevat de
-onfeilbare getuigenis (van wat zij is). Het geeft geboorte aan de
-geheele creatie” [32].
-
-
-
-„Vóór Hemel en Aarde bestonden, was er een vaag Wezen. Hoe rustig-kalm!
-Hoe onstoffelijk! Het staat alléén-op-zich-zelf en verandert niet. Het
-doorvloeit alles en loopt geen gevaar. Het mag wel de Moeder van alles
-onder den Hemel worden genoemd. Ik weet niet Zijnen naam. Het een
-karakter [33] willende geven schrijf ik Het Tao. Wil ik Het met alle
-geweld omschrijven, dan noem ik Het groot. Van groot noem ik Het
-vervliedend. Van vervliedend noem ik Het vèr. Van vèr noem ik Het
-weêr-terugkeerend. De wet van den koning is van de Aarde. De wet van de
-aarde is van den Hemel. De wet van den Hemel is van Tao. (Maar) de wet
-van Tao is van-zich-zelve” [34].
-
-
-
-„Tao is eeuwig en heeft geen naam. Ofschoon zoo simpelklein van natuur,
-durft de geheele wereld Het niet onderwerpen. Tao is verspreid in het
-Heelal. Alles keert tot Tao terug, als de bergstroomen tot de rivieren
-en zeeën” [35].
-
-
-
-„Hoe oneindig strekt Tao zich uit! Het kan naar links gaan, Het kan
-naar rechts gaan. Alle wezens steunen op Tao om geboren te worden, en
-het weigert géén. Als het werk volbracht is noemt Tao het niet het
-Zijne. Het heeft alle wezens lief, en voedt ze, en beschouwt zich toch
-niet als hun Meester. Het is eeuwig zonder begeerte; men zou Het (dus)
-klein kunnen noemen. Alle wezens keeren er toe terug, en toch beschouwt
-Het zich niet als hun Meester; men zou Het (dus) groot kunnen noemen.
-Daarom doet de Wijze zijn geheele leven lang niet groot, en daardoor
-juist volmaakt hij zijne grootheid” [36].
-
-
-
-„Als Tao uit onzen mond komt lijkt Het flauw en zonder smaak.—Wij
-kijken er naar, en zien Het niet duidelijk; wij luisteren er naar, en
-hooren Het niet genoeg; wij willen Het (geheel) gebruiken, maar Het is
-onuitputtelijk” [37].
-
-„Tao is eeuwig Wu Wei en toch is er niets, wat Het niet doet” [38].
-
-
-
-„Het is een onvergankelijke ziele-oneindigheid” [39].
-
-
-
-„De beweging van Tao is terugkeer (tot-zich-zelf). Zachtheid is zijn
-functie. Alle bestaan is uit Zijn (Yiu). Alle Zijn is uit Niet-Zijn (Wu
-Yiu)” [40].
-
-
-
-„Tao baarde één; één baarde twee; twee baarde drie; drie baarde alle
-dingen. Want alle dingen komen uit het duister naar het licht, en
-worden in harmonie gebracht door den adem der Natuur” [41].
-
-
-
-„Zich toeleggen op de studie is dagelijks „meer krijgen.” Zich wijden
-aan Tao is dagelijks „minder krijgen,” minder, en steeds minder, tot Wu
-Wei bereikt is. Wu Wei eenmaal bereikt, is er niets, wat men niet doen
-kan, naar ik meen” [42].
-
-„Tao brengt de dingen voort. Het brengt ze groot door Zijne
-manifestatie (Teh) in hen, Het vormt ze door Zijne substantie, Het
-volmaakt ze door Zijne impulsie. Daarom, van alle wezens is er géén,
-dat niet Tao vereert, en Teh hoogacht. Die majesteit van Tao en die
-eerwaardigheid van Teh zijn niet aan hen gegeven; zij bezitten die
-eeuwig uit-zich-zelven. Daarom, Tao baart alle dingen, kweekt ze op,
-doet ze groeien, brengt ze groot, volmaakt ze, doet ze rijpen, voedt
-ze, beschermt ze. Te baren, en toch niet als eigendom te beschouwen, te
-formeeren, en dat toch niet als glorie te beschouwen, te regeeren, en
-toch vrij te laten,—dit noem ik de mysterieuze Deugd” [43].
-
-
-
-„Als het hart voortdurend vrij van aardsche begeerten is kan men het
-Mysterie aanschouwen van Tao’s spiritueele essence; als het hart
-voortdurend vol begeerten is, kan men er enkel den begrensden Vorm van
-zien” [44].
-
-
-
-„Tao is de veilige rustplaats van alle dingen, de schat van de goeden,
-de steun van de slechten. Hoe is het, dat de Ouden Tao zoo vereerden?
-Is het niet, omdat men Het van-zelf vindt, zonder den ganschen dag te
-zoeken, en Het de misdaden vergeeft? Daarom is Tao het
-eerbiedwaardigste onder den Hemel” [45].
-
-
-
-„De hemelsche Tao heeft geen lievelingen, en is toch altijd mild voor
-de Goeden” [46].
-
-
-
-Met deze teksten kan ik voorloopig volstaan. Het begrip Tao is er op
-verschillende wijzen in benaderd. Welk een grootsche conceptie! Tao
-was, vóór Hemel en Aarde bestonden, onzichtbaar, onhoorbaar, vormeloos,
-beeldeloos, de eeuwige Oorsprong van alles en allen, altijd zonder
-verlangen en behoefte, altijd in rust, zonder actie, en toch in Zijne
-operaties onuitputtelijk, en de voeder, volmaker van alles wat leeft!
-Het is lichaamloos, en voor ons vaag en duister, maar is een zuiver
-spiritueel licht!
-
-Het is álom bestaande, links en rechts. Alle schepselen wachten er op,
-om geboren te worden, en Het weigert geen! Het is ledig, roerloos, en
-doet toch het Heelal bewegen. Is alles uit Tao ontsprongen, alles keert
-ook weder tot Tao terug, want terugkeeren tot Tao is het rythme van het
-leven van elk wezen. Het doordringt het ondoordringbare, en toch kan
-het nooit worden gedeerd. Het is eene onvergankelijke, eeuwige
-ziele-oneindigheid. Het is liefderijk zonder liefde, genadig zonder
-genade, de veilige rustplaats der Goeden, de verlosser der
-slechten..........
-
-En dan te denken—hoe is ’t mógelijk—dat met al deze dingen gesold is
-zooals een speelsche hond solt met een mooi boek, dat hij te pakken
-heeft gekregen, zooals een klein kind knoeit met een ei! Hoe men van de
-woorden: onzichtbaar—I, aphoon—Hi, en onstoffelijk—Wei, dus I Hi Wei,
-een verchineeschten vorm van Jehovah, en van het „Tao baarde één, één
-baarde twee, twee baarde drie,” een chineesche expressie voor de
-Drieëenheid heeft gemaakt, en dan verkondigde, dat de kennis van den
-waren (d.i. onzen christelijken) God al in het oude China bekend was!
-Hoe zelfs Stanislas Julien, die zich een onschatbare verdienste heeft
-verworven door voor het eerst eene goede vertaling [47] van Lao Tszʼ te
-leveren, welke van alle altijd, qua taalwerk, de beste is gebleven,
-gansch de essentieele beteekenis van Tao (dat hij met „de Weg”
-vertaalde als in Confucius) en Wu Wei (dat hij met „inactie” vertaalde)
-geheel verkeerd heeft voorgesteld, en dikwijls door precies het
-tegenovergestelde heeft omschreven!
-
-De vertalers, zelfs ook Julien, hebben durven volhouden dat Lao Tszʼ
-geloofde in een „chaos,” een „immens ledig” vóór de creatie, en zelfs
-leerde „zonder te werken te leven ten koste van de lichtgeloovigheid
-zijner medemenschen.”!! Men verweet hem „een meer negatieven en
-vernielenden geest te hebben dan het boeddhisme,” „de zinnen tot totale
-impotentie terug te willen brengen,” „een pessimist en obscurantist,”
-ja, een „epicurist” te zijn, en te protesteeren tegen „alle actie van
-het intellect” enz. enz. Wèl hebben deze menschen Lao Tsz’s eigen
-gezegde geïllustreerd: „Mijne woorden zijn heel gemakkelijk te
-begrijpen, heel gemakkelijk om te betrachten. Maar niemand in het rijk
-kan ze begrijpen, noch ze betrachten. Mijne woorden hebben een
-Oorsprong, mijne daden hebben een Meester. Maar de menschen weten dat
-niet, en daarom begrijpen zij mij niet [48].
-
-Veel beter, maar in een tegenovergestelde richting weer te vér gaande,
-hebben de duitsche sinoloog von Strauss en de engelsche sinoloog G. G.
-Alexander over Lao Tsz’s Tao geschreven.
-
-Von Strauss zegt—na, evenals ik hierboven deed, zij het met hier en
-daar van de mijne afwijkende vertaling en met hier iets meer en daar
-iets minder voorbeelden, uit de origineele teksten het begrip Tao te
-hebben benaderd—:
-
-„Wir meinen, jeder Unbefangene, den man fragte, wie man in unserer
-Sprache das Wesen bezeichne, von dem dies Alles ausgesagt werden
-könnte, musste antworten: Gott, und nur Gott! Und wer die vorstehenden
-Aussagen zusammenfasst, dem kann gar kein Zweifel bleiben, das Lao Tszʼ
-ein überraschend grosses und tiefes Gottbewusstsein, einen erhabenen
-und sehr bestimmten Gottesbegriff gehabt habe, der sich fast
-durchgängig mit dem Gottesbegriff der Offenbarung deckt sofern dieser
-nicht über ihn hinaus tiefer und reicher entwickelt ist, was denn
-allerdings keiner Nachweisung bedarf. Aber ausserhalb Israels wird aus
-allen vorchristlichen Jahrhunderten nichts Aehnliches nachzuweisen
-sein.”
-
-Ja, Lao Tszʼ Tao is een Godsbegrip. En de éénige vertaling voor Tao is
-God. Indien ik deze vertaling niet genomen heb, is dit alleen om niet
-in een babylonische verwarring te geraken. Want, niet waar? het woord
-„God” is zoo vertrouwd en gewoon geworden, men kent zoo goed zijn God
-uit den bijbel en uit de kerk, zijn „persoonlijken God,” en men is er
-niet bang voor, over Hem te spreken als ware Hij een of ander bekend
-wezen, van wien men precies weet hoe hij er uitziet, wat hij aanheeft,
-wat zijn natuur is. En die „God” zou op verre na niet eene goede
-vertaling van Tao zijn. Lao Tszʼ kent Tao niet zoo goed, hij noemt het
-vaag, en onbestemd, en verward, en duister voor zijn zwakke oogen.—Maar
-indien ik met God bedoel dat majestueuze, zuiver geestelijke,
-onsterfelijke Wezen, dat nooit éénig menschelijk woord heeft kunnen
-beschrijven, dat nooit aan één onfeilbaren, alleen zaligmakenden
-godsdienst heeft behoord als de ware, de eenige God, maar waar alle
-godsdiensten van alle volkeren, allen met verschillende woorden en
-namen, maar met dezelfde intuïtie naar gereikt hebben, dan is dat
-Wezen, dat, eindeloos-in-zich-zelf-bestaande, geen naam kan hebben, en
-alléén door het woord God wordt uitgedrukt omdat wij, bij het schrijven
-daarover, een concreet letterteeken behoeven, in essentie hetzelfde als
-het Wezen, door het chineesche karakter Tao voorgesteld.—Ja, Tao is
-niet anders dan de leer van de goddelijkheid en de onsterfelijkheid der
-ziel, en in essentie volstrekt geen andere, dan zooals wij die vinden
-in den—goed gelezen—Bijbel, en in de Upanishads, en de Bhagavad-Gita.
-G. G. Alexander heeft den moed de „Tao Teh King” te vertalen met
-„Thoughts on the Nature and Manifestations of God” [49] en vertaalt Tao
-overal door „God”, wat uitstekend zou zijn, als het, zooals ik
-hierboven zeide, niet zooveel verwarring gaf, en zijne vertaling niet
-van vrij, ongebonden ware geworden, want te veel aangepast aan dingen
-uit den Bijbel, waar zij essentieel chineesch had behooren te
-blijven.—Dat de „Tao Teh King” zoo weinig begrepen is, en men er zoowat
-van alles van gemaakt heeft, was te voorzien. Vooral chineesche
-commentaren, van welke honderden bestaan, geven verschrikkelijke dingen
-te hooren. De filosoof Choe Hi, dezelfde, aan wien wij de bewerking en
-uitgave der Confucianistische boeken hebben te danken, zegt dat
-„kwakzalvers en toovenaars den naam van Lao Tszʼ stalen om er winst uit
-te kloppen, zonder iets van zijne bedoelingen te begrijpen,” en de
-beroemde geschiedschrijver Ma Touan Lin zegt van de Tao Teh King: „de
-ware geest ervan werd hoe langer hoe meer verkeerd begrepen, naarmate
-de menschen verder verwijderd waren van Lao Tsz’s tijd.” En Samuel
-Johnson zegt nog zeer juist: „The attractions of spiritual genius are
-universal; and a book like the Bible or the Tao Teh King becomes a
-fetich to crude stages of mind, as well as a companion to higher ones.”
-
-
-
-Heb ik nu het begrip Tao zoo ver trachten te benaderen, als met alléén
-’t concrete goed treffende woorden mogelijk is, nu wil ik duidelijk
-maken, hoe Lao Tszʼ zich het zuivere leven van den mensch voorstelde in
-zijne betrekking tot Tao, om dan te eindigen met zijne conceptie van
-een ideaal-rijk, gegrondvest op Tao.—
-
-Ik begin met deze drie wonderschoone teksten voorop te stellen:
-
-
-
-„Als de mensch geboren wordt, is hij zacht en zwak, als hij sterft is
-hij stijf en sterk. Als het gras en de boomen geboren worden zijn zij
-soepel en teêr, als zij sterven zijn zij droog en schraal. Stijfheid en
-Sterkte zijn de volgelingen van den dood; Zachtheid en Zwakheid zijn de
-volgelingen van het leven. Wat sterk en groot is, is inferieur; wat
-zacht en zwak is, is superieur. [50]
-
-„—De opperste Goedheid is als water. Water is goed, doet goed aan alle
-dingen, en twist niet. Het woont in plaatsen, die de menschen
-verachten.” [51]
-
-„—Niets is in de wereld zachter en zwakker dan het water, en toch is er
-niets dat het overtreft in het breken van wat hard en sterk is. Daarom
-is er niets, dat water evenaart. Het zachte overwint het harde, het
-zwakke overwint het sterke.” [52]
-
-
-
-Deze drie teksten karakteriseeren Lao Tsz’s opvatting geheel.—Hij
-predikt den deemoed, de zelf-verloochening, de nederigheid. Vér van
-eerzucht en hartstocht en begeerte naar grootheid, zal de mensch
-eenvoudig, simpel leven, rustig in de veilige schuilplaats van Tao. Hij
-moet zijn zuiver en rein als het pasgeboren kind. Hij moet zijn
-grootheid en zijn kennis verbergen, en als klein en onwetend schijnen.
-Nooit moet hij met geweld en heftigheid optreden, maar tegenover kracht
-stelle hij zachtheid, en tegenover beleediging weldaden. Want juist die
-zachtheid en die zwakheid, die liefde, zouden wij in ’t europeesch
-zeggen, overwint de wereld, en is onverbrekelijk. De ware wijze maakt
-geen ophef van zijn weten, maar blijft bescheiden op den achtergrond,
-want wèl wist Lao Tszʼ, dat de laatsten de eersten zullen zijn! Tao is
-niet heftig en luidruchtig, en hij, die zich aan Tao houdt, is in rust,
-als niet-doende, Wu Wei, maar biedt een onvernietigbaren tegenstand aan
-het sterke en forsche, juist door zijn passieve taaiheid.—
-
-En, als eeuwig-stralende lichten van onvergankelijke levenswijsheid,
-leidende de menschheid door alle tijden naar haar onsterfelijken
-Oorsprong Tao, staan die wonderschoone woorden in dezen chineeschen
-bijbel van vijf eeuwen vóór Christus:
-
-
-
-„Hemel en Aarde duren eeuwiglijk. Hemel en Aarde kunnen dáárom
-eeuwiglijk duren, omdat zij niet voor-zich-zelf leven. Daarom stelt de
-Wijze zichzelf achter, en wordt dan zelf (juist) de eerste. Hij maakt
-zich los van zijn lichaam en dan blijft zijn lichaam juist behouden.”
-[53]
-
-
-
-„—Alleen als de Wijze niet met anderen in strijd komt, is er niets in
-hem te laken.” [54]
-
-
-
-„—Als het werk volbracht is en de naam gemaakt, moet men zich
-terugtrekken.” [55]
-
-
-
-„—Hij, die het animale aan het spiritueele onderwerpt, kan zijn wil op
-één ding (Tao) gericht houden, zoodat hij niet verdeeld is. Hij temt
-zijn vitale kracht, tot hij gedwee wordt, en als een pasgeboren kind.
-Als hij zijn inwendig gezicht klaar en puur maakt, zal hij vrij zijn
-van gebreken. Hij zal zijn als de broedende hen, die volmaakt in rust
-is, terwijl de processen van de natuur doorgaan. Als zijn licht overal
-doordringt, zal hij als onwetend kunnen zijn.” [56]
-
-
-
-„De Wijze maakt werk van zijn binnenste en niet van zijn oogen; hij
-verwerpt wat van buiten komt, hij langt naar wat van binnen is.” [57]
-
-„—In de Oudheid waren de goede filosofen, die zich aan Tao wijdden als
-gering, subtiel, duister, en vérdoordringend. Zij waren bedeesd als
-een, die in den winter een stroom doorwaadt. Zij waren op hun hoede,
-als een, die zijn buren vreest. Zij waren ernstig als een gast
-(tegenover zijn gastheer). Zij verdwenen als het ijs, dat gaat smelten.
-Zij waren simpel, als onbewerkt hout. Zij waren ledig, als een vallei.
-Zij waren als troebel water. Hij, die Tao behoudt, wenscht niet vol te
-zijn. Juist omdat hij niet vol is, is hij voor altijd gevrijwaard tegen
-verandering.” [58]
-
-
-
-„Ziet Uzelf in Uwen (oorspronkelijken) eenvoud, en behoudt Uw
-(oorspronkelijke) puurheid. Hebt weinig egoïsme, en weinig begeerten.”
-[59]
-
-
-
-„—Het onvolmaakte zal volmaakt worden. Het gebogene zal recht worden.
-Het holle zal vol worden. Met weinig wordt Het verkregen; met véél
-dwaalt men er van af. Daarom, de Wijze omvat het Eéne (Tao), en maakt
-zich (zoo) het voorbeeld van de wereld. Hij wenscht zelf niet licht te
-schijnen, en daarom juist is hij schitterend. Hij wenscht zelf niet de
-ware man te wezen, en dáárom juist steekt hij boven anderen uit. Hij
-pocht niet (op zijn werk) en heeft daarom juist verdienste. Hij stelt
-zichzelf niet hoog, en is dáárom juist de meerdere. Hij strijdt niet,
-en daarom juist is er niemand in de wereld, die tegen hem op kan” [60].
-
-
-
-„Wie op zijn teenen gaat staan kan niet vast rechtop blijven; wie de
-beenen ver uitstrekt kan niet loopen” [61].
-
-
-
-„Hij, die zijne mannelijke kracht kent, en toch vrouwelijke zachtheid
-behoudt, is de vallei van het rijk. Hij, die zijn licht kent, en toch
-in de schaduw blijft, is het voorbeeld van het rijk. Hij, die zijne
-glorie weet, en blijft in de schande, is de vallei van het rijk” [62].
-
-
-
-„—Hij, die de menschen kent, is verstandig, maar hij die zich-zelf kent
-is verlicht. Hij, die anderen overwint is sterk, maar hij, die
-zich-zelf overwint, is almachtig” [63].
-
-
-
-„De hoogste Deugd (Teh) is geen deugd en is daarom juist Deugd; de lage
-deugd verliest nooit (het idee) deugd, en is daarom juist géén Deugd”
-[64].
-
-
-
-„De verlichten in Tao zijn als duister, de vergevorderden in Tao als
-achteruitgaande; die aan Tao toe zijn, zijn als gewone menschen; zij,
-die de opperste Deugd hebben, zijn (laag) als een vallei; de uiterst
-reinen zijn als vuil; zij, die deugd in overvloed hebben, zijn alsof ze
-niet genoeg hebben, die vast gegrondveste deugd hebben, zijn als lui;
-die waar en simpel zijn, zijn als verachtelijk. Tao is verborgen, en
-heeft geen naam” [65].
-
-
-
-„(De Wijze) is ganschelijk volmaakt, en lijkt onvolmaakt; zijne
-middelen raken nooit op. Hij is ganschelijk vol en lijkt ledig; zijne
-bronnen zijn nooit uitgeput. Hij is ganschelijk recht en lijkt krom.
-Hij is ganschelijk bekwaam en lijkt dom. Hij is zéér welsprekend en
-lijkt een stamelaar. Hij, die puur en rustig is, wordt het voorbeeld
-van de wereld” [66].
-
-
-
-„Zonder uit te gaan ken ik de wereld; zonder uit mijn venster te kijken
-zie ik den Weg des Hemels. Hoe verder gij gaat, hoe minder gij zult
-weten. Daarom, de Wijze komt er zonder te loopen, noemt de dingen
-zonder ze te zien, en volmaakt zich zonder actie” [67].
-
-
-
-„(De Wijze) is voor de goeden goed. Voor de niet-goeden is hij ook
-goed, om ze goed te maken” [68].
-
-„Hij, die de reëele deugd bezit, is als een pasgeboren kind, dat de
-venijnige insecten niet steken, de wilde beesten niet grijpen, en de
-roofvogels niet meêvoeren” [69].
-
-
-
-„Zij, die Tao weten, spreken er niet over; die er over spreken weten
-Het niet. (De Wijze) doet zijn mond dicht, sluit zijne oogen en ooren,
-haalt zijne hooge aspiraties neder, ontrafelt het verwarde, tempert het
-(verblindend) schitterende, en maakt zich gelijk aan het stof. Dit noem
-ik eene mystieke gelijkenis met Tao. Gunst noch ongenade, voorspoed
-noch schade, eer noch verachting kunnen hem treffen. Daarom is hij de
-eerbiedwaardigste mensch onder den Hemel” [70].
-
-
-
-„De Wijze doet Wu Wei [lett. niet-doen], werkt aan géén werk, en
-savoureert wat zonder smaak is. Hij wreekt kwaad met goed. Hij zoekt
-geen groote dingen te doen, en daardoor juist volbrengt hij groote
-dingen” [71].
-
-
-
-„De Wijze begeert géén begeerten te hebben, en hecht geen waarde aan
-moeilijk te verkrijgen dingen. Zijne studie is géén studie, en daardoor
-ontloopt hij de fouten der menschen” [72].
-
-
-
-„Waarom kunnen de groote rivieren en zeeën de koningen zijn van alle
-stroomen? Omdat zij zich onder hen weten te houden, dáárom kunnen zij
-de koningen aller stroomen zijn. Daarom, als de Wijze superieur wil
-zijn aan het volk, moet hij in zijn spreken ónder het volk blijven. Als
-hij voor het volk uit wil staan, moet hij zich op den achtergrond
-houden. Daar hij allen strijd vermijdt is er niemand in het rijk, die
-tegen hem strijden kan” [73].
-
-
-
-„Te weten dat wij niet weten, is superieur; niet te weten en denken te
-weten, dat is de ziekte der menschen. Als men om deze ziekte lijdt, zal
-men haar ontkomen. De wijze heeft deze ziekte niet, juist omdat hij er
-het lijden van weet” [74].
-
-
-
-„Ware woorden zijn niet mooi; mooie woorden zijn niet waar. Zij, die
-goed zijn, zijn niet welsprekend, zij, die welsprekend zijn, zijn niet
-goed. Zij, die Tao kennen, zijn niet geleerd; zij, die geleerd zijn,
-kennen Tao niet. De Wijze stapelt niet op (wat hij bezit). Hoe meer hij
-gebruikt om de menschen te helpen, des te meer heeft hij over; hoe meer
-hij den menschen geeft, des te rijker wordt hij.—De Weg des Hemels is:
-wèl te doen en niet te schaden. De Weg des Menschen is: te handelen,
-maar niet te strijden” [75].
-
-
-
-Reine, zoete woorden van deemoed, klinkende door twee en twintig eeuwen
-heen, en thans nog onvergankelijk van simpele waarheid! Leer van liefde
-en genade, gepredikt in de zesde eeuw vóór Jezus Christus, door den
-grootsten Wijze van China, en thans nog waardig om naast de leer van
-christelijke liefde te schijnen als een Licht voor de menschheid.
-Begint men te begrijpen, dat, áls China uit zijn diep verval zal worden
-opgeheven, dat zéér goed zijn kan met geheel eigen hulpmiddelen, zonder
-de inmenging der gehate vreemden? „The answer to Confucianism is
-China,” heeft Prof. Legge eens gezegd, een zendeling. Dus ook „The
-answer to Lao Tsz’ism is China!”—En daarom is het mij een groote
-vreugde, de woorden van China’s grootsten wijze nog eens te doen
-klinken, twee duizend twee honderd jaar later, in deze verlichte,
-christelijke tijden.
-
-Is óns christelijke volk in Europa zoo deemoedig, en nederig, en puur,
-zóó ongevoelig voor die nietigheden der wereld als eer, en roem, en
-rijkdom? Zijn ónze groote mannen zoo bescheiden en simpel, zoo afkeerig
-van glorie en naam, en zoo sterk en devoot van ziel? Zijn ónze tijden,
-in welke de vrede alleen kan bestaan gegrondvest op bruut geweld en de
-vrees van enkele machthebbers onderling, die vooral voor verlies van
-eigen heerlijkheid bang zijn, zijn onze christelijke tijden zoo rein en
-zuiver? Zijn onze tijden niet, met enkele uitwendige verschillen,
-gelijk aan de tijden van Lao Tszʼ? Hebben wij niet de namen der dingen
-voor de dingen zelven, niet de schaduw voor de substantie, den schijn
-voor het wezen? Hebben wij niet „eminente, beroemde” geleerden met
-ridderorden en palmen getooid, waarvan de lintjes elken dag gedragen
-worden? Hebben wij niet staatslieden en ambtenaren, die zoo
-„belangloos, en actief, en uiterst capabel, en vol dienstijver” zijn,
-hebben wij geen „groote” o! „groote, groote” artiesten, die „hoog” o!
-„hoog, hoog” boven ons uitsteken, vèr boven de gewone stervelingen, en
-die, dronken van trots, dit elken dag met boller en boller opblazing
-toonen, en klinkt de geheele europeesche pers niet van namen, en namen,
-en nogeens namen, die toch vooral op den voorgrond moeten worden gezet?
-
-Maar waar is de eenvoud, en de deemoed, en de puurheid des
-harten?......
-
-Hoe rein en bizonder wordt die figuur van Lao Tszʼ, als we ons haar
-voorstellen in de verwarring der tijden tegen het einde der
-Chow-dynastie. Men wist het toen toch zoo! De heilige woorden van
-hertog Chow, van koning Wên, en van koning Woe [76], men had ze zóó
-lang herhaald, en van buiten geleerd, tot ze leêg van alle beteekenis,
-enkel holle klanken waren geworden. Men wist precies hoe het gaan
-moest, en hoe alles in elkaar moest zitten. Men wist precies de
-inrichting van het goevernement, en de namen der deugden, waarmede men
-het waarnemen moest.—De menschen waren o! zoo geleerd, en zoo verlicht,
-en schepten zulk een vreugde in ’t leven! En toen zeide Lao Tszʼ deze
-onsterfelijke woorden:
-
-
-
-„Alle menschen zijn blij en vroolijk, als hij, die geniet van
-rundvleesch, als hij, die in de lente een hoog terras bestegen heeft.
-
-„Ik alleen ben kalm, en heb nog niet éven bewogen; ik ben als een klein
-kindje, dat nog niet geglimlacht heeft. Ik ben vrij, zonder
-belemmering, àlsof er niets was, waarheen ik zou willen terugkeeren.
-
-„De gewone menschen hebben óver, maar ik alleen ben als een die (alles)
-verloren heeft. Ik heb het hart van een domme, ik ben een chaos van
-verwarring.
-
-„De gewone menschen zijn schitterend verlicht; ik alleen ben als
-duister. De gewone menschen zijn doordringend van doorzicht; ik alleen
-ben droevig ongerust. Ik ben vaag als de zee, ik word door de golven
-heen en weer gedreven, rusteloos... Alle menschen weten overal een
-reden voor, ik alleen ben dom, als iemand van het land.
-
-„Ik alleen ben anders dan de (gewone) menschen, omdat ik de Moeder
-vereer, die alles voedt (Tao)” [77].
-
-
-
-En alles ging zoo goed in het rijk, al was alles in verwarring! Dat,
-waarop het geheele rijk moest steunen, de reinheid en puurheid van het
-volk en van den vorst, bestond niet meer, maar men had dan toch de
-namen van de dingen! Men had menschlievendheid, en filantropie, en
-gerechtigheid, men had ouderlievendheid, en getrouwheid en
-oprechtheid!—Men was ook verbazend knap geworden, scherpzinnig, en
-doordringend van doorzicht. Maar de essentie ontbrak. De essentie van
-het zuivere, reine gemoed, waardoor vrede alleen mogelijk is, het
-gemoed zonder égoïsme en begeerten, dat in een vorst onmisbaar is. De
-grondvesten van het rijk, dit zuivere gemoed èn van het volk èn van den
-vorst, waardoor alles vanzelf goed zoude gaan, waardoor alle deugden
-vanzelf bestaan zouden, zonder nogeens apart met mooie namen te worden
-genoemd omdat de natuurlijke loop der dingen, het leven der dingen
-volgens de beweging van Tao, vanzelf zuiver is, deze grondvesten
-ontbraken. De zoogenaamde beschaving, met hare precies geformuleerde
-moraal, die aan alle dingen een juisten naam had gegeven, en die èn
-vorst èn volk maar voller had gemaakt van altijd groeiende begeerten,
-die verlichtheid en die studie, die, oorspronkelijk goed, de ijdelheid
-en de eerzucht hadden opgezweept, hadden het reine gemoed van de
-menschen verduisterd, en zóó de basis, waarop het geheele rijk moest
-rusten, verwaarloosd. „Wat doet het er eigenlijk toe, of we het
-karakter „wei” dan wel het karakter „oh” voor „ja!” gebruiken?” zeide
-Lao Tszʼ, „maar het is héél iets anders om te weten het onderscheid
-tusschen goed en kwaad” [78].
-
-Beter dan de beschaving, die schijn en huichelarij ten grondslag had,
-vond Lao Tszʼ dan nog de tijden, toen het volk onwetend, maar gelukkig;
-ónbeschaafd, maar simpel; onceremonieus, maar rein van hart was, toen
-de koningen van-zelf regeerden, zonder veel moeite te moeten doen,
-omdat alles op natuurlijke wijze goed ging, en toen er minder rijkdom
-en weelde was, maar het volk geen honger leed. Want óók, dit wist de
-chineesche wijze, wat de meesten nú nog niet weten, die zoo vér zijn in
-socialisme en humaniteit, dat het alleréérste vereischte tot geluk voor
-het volk is, om geen honger te hebben. Alle andere dingen komen dan
-later wel. En hij leerde, dat vóór alles noodig was een terugkeer naar
-den oorspronkelijken, primitieven staat van éénvoud van lang voorheen.
-Dat hij, zooals vele vertalers beweerd hebben, het volk daardoor voor
-altijd in een soort bruten gelukstoestand wilde houden, ongeveer als
-die van een rumineerende koe in de weide, geloof ik niet. Mijns inziens
-was het hem vooral te doen, om een sterken nadruk dáárop te leggen, dat
-vóór alles (het andere kwam dan later wel) de oorspronkelijke, zuivere,
-pure menschennatuur moest wederkomen, de primitieve toestand, waarin de
-menschheid eeuwen geleden had verkeerd, in een geluksstaat, een thans
-ongeloofelijk schijnenden eenvoud, waarin het chineesche rijk in zijn
-eerste stadium schijnt verkeerd te hebben, met ideaal-vorsten als Yaou
-en Shoen aan het hoofd, meer dan tweeduizend jaren vóór onze
-jaartelling.—Wetenschap, en kennis, en knapheid, en ook weelde van
-kunst, waren mooi, maar zonder den eenvoud des harten, zonder het
-diviene principe, door Tao in den mensch gelegd, was dat alles voos en
-zonder reëel wezen. Dan liever onwetend, maar rein; dom, maar
-kinderlijk; ongeciviliseerd, maar zuiver; dan liever geen oorlogen en
-geen roemruchtige daden, maar vrede en liefde onder de menschen. Als
-het hart van het volk en van den vorst maar weer rein was, dan zou de
-regeering vanzelf wel gaan, zonder ingenieuze staatsinstellingen en
-spitsvondige systemen en wetten, omdat dan de staat bezield zou wezen
-met den heiligen adem van Tao, op welken alles, de geheele natuur, in
-de onvermijdelijk juiste richting beweegt. Zóó, van déze dingen
-uitgaande, en niet als onbereikbare, onmogelijke droomen moeten we de
-leer van Lao Tszʼ over het volk, en het rijk, en den vorst opvatten.—En
-de eenvoudige gezegden, die ik thans hieronder zal aanhalen, zouden zij
-misschien ook nú niet, zóó opgevat, van toepassing zijn?
-
-
-
-„—Maakt geen ophef van eerwaardigheid, dan zal het volk niet twisten.
-Hecht geen hooge waarde aan moeilijk te verkrijgen goederen, dan zal
-het volk geen diefstal plegen. Ziet niet naar wat begeerlijk is, dan
-zal het hart van het volk niet in opstand komen. Daarom, de Wijze
-(vorst) regeert door de harten ledig (van begeerte) te maken, de buiken
-stevig te voeden, de (slechte) neigingen te verzwakken, en het
-beenderstelsel te versterken” [79].
-
-
-
-„Doe de Wijsheid vàn U, en wèg met het Weten, dan zal het volk
-honderdmaal meer gelukkig zijn! Doe de Filantropie vàn U, en wèg met
-Gerechtigheid, en het volk zal (van-zelf) terugkeeren tot liefde voor
-de ouders en voor de kinderen! Doe de Knapheid van U, en weg met
-Gewinzucht, en er zullen geen dieven en roovers meer wezen!” [80]
-
-
-
-„Als de mensch het rijk wil volmaken met actie, zie ik dat hij niet
-slaagt. Het rijk is een heilige offervaas, waaraan men niet mag werken.
-Werkt men er aan, dan bederft men haar, grijpt men er naar, dan
-verliest men haar” [81].
-
-
-
-En nu ook deze mooie hoofdstukken over het oorlogvoeren, en den
-krijgsroem:
-
-
-
-„Zij, die den heerscher over menschen helpen in Tao, onderwerpen het
-rijk niet met geweld van wapenen. Wat men aan de menschen doet, krijgt
-men op dezelfde wijze terug als het gegeven is. Overal, waar legers
-zijn geweest, groeien doornen en distels. Op groote veldtochten volgen
-stellig jaren van hongersnood. De ware Goede slaat ééns met vrucht een
-slag, en houdt dàn op, maar durft niet met ruw geweld doorgaan” [82].
-
-
-
-„De beste wapenen zijn instrumenten van onheil. Allen verachten ze; die
-Tao bezitten, houden er zich niet mede op. In de woning van den Kiün
-Tszʼ is de linkerplaats de eereplaats; hij, die soldaten gebruikt, eert
-de rechterplaats. Wapenen zijn instrumenten van onheil, geen
-instrumenten van den Kiün Tszʼ. Deze gebruikt ze alléén als ’t niet
-anders kàn, en kalmte en rust zijn voor hem het hóógste. Overwint hij,
-dan verblijdt hij er zich niet over, want zich daarover verblijden zou
-zijn houden van menschen-doodslag. En wie houdt van doodslag kan nooit
-zijn doel bereiken in de goede regeering van het rijk. In alles, wat
-geluk aanbrengt, is de linkerplaats de hoogste, in alles wat onheil
-aanbrengt de rechter. De onderbevelhebber neemt (dan ook) de
-linkerplaats in, de opperbevelhebber de rechter. Dat is, men plaatst
-hen volgens de ceremonieën van den rouwdienst. Hem, die een veldslag
-gewonnen heeft, moet men plaatsen als in de ceremonieën voor de dooden”
-[83].
-
-
-
-En nog meerdere teksten, allen even kernachtig en juist.
-
-
-
-„Als de koningen en vorsten Wu Wei konden blijven, zouden alle menschen
-zich hervormen” [84].
-
-
-
-„De volken van het rijk stroomen toe naar hem, die de groote conceptie
-van Tao kan omvatten” [85].
-
-
-
-„Toen Tao in het rijk regeerde, zond men de vlugge paarden weg om ze op
-’t land te gebruiken; toen Tao niet in het rijk regeerde, werden de
-krijgsrossen gefokt op de grenzen” [86].
-
-
-
-„Met rechtheid regeert men den staat, met listen voert men oorlog, met
-Wu Wei wint men het rijk. Hoe weet ik, dat het zoo met het rijk is?
-Door dit: Hoe meer bangmakende verbodsbepalingen er in het rijk zijn,
-des te armer wordt het volk. Hoe meer middelen tot productie van weelde
-er zijn, des te meer verwarring komt er. Hoe bekwamer en vernuftiger
-het volk wordt, des te artificiëeler de dingen worden. Hoe rijker en
-klaarder de wet wordt, des te meer dieven en roovers er komen. Daarom
-zegt de Wijze: Ik ben Wu Wei, en dan zal het volk zich vanzelf
-hervormen. Ik houd van de rust, en dan zal het volk vanzelf recht
-worden. Ik doe geen werk en dan zal het volk vanzelf rijk worden. Ik
-heb geen begeerten, en dan zal het volk vanzelf (weer) eenvoudig
-worden” [87].
-
-
-
-„Als de regeering tolerant is, zal het volk schuldeloos zijn; als de
-regeering overal den neus in steekt, zal het volk telkens inbreuk op de
-wet maken. Falen is de basis van slagen, en slagen is de basis van
-falen” [88].
-
-
-
-„De wijze is vierkant, zonder hoekig te zijn, is belangeloos zonder te
-kwetsen, is oprecht zonder overdreven stipt te zijn, is schitterend,
-zonder te verblinden” [89].
-
-
-
-„Om de menschen te regeeren en den Hemel te dienen gaat er niets boven
-de gematigdheid” [90].
-
-
-
-„Om een groot rijk te regeeren, moet men even zoo voorzichtig zijn als
-in ’t bakken van een klein vischje” [91].
-
-
-
-„Een groot rijk moet zijn (nederig) als de groote stroomen, in welke
-zich de wateren van het rijk uitstorten. Het moet de vrouwelijke sekse
-navolgen, die juist door de rust (passiviteit) de mannelijke overwint.
-Die rust is een vernedering. Daarom, als een groot rijk zich vernedert
-voor kleinere staten, zal het die kleinere staten winnen. Als de
-kleinere staten zich vernederen voor het groote rijk, zullen zij het
-groote rijk winnen” [92].
-
-
-
-„De ouden, die Tao bezaten, gebruikten Het niet om het volk verlicht te
-maken, maar om het volk simpel te houden. Het volk is moeilijk te
-regeeren omdat het zooveel weet. Hij, die een rijk regeert door het
-weten te vermeerderen, is de geesel van het volk; hij, die niet met al
-dat weten het rijk regeert, is het geluk van het volk” [93].
-
-
-
-„Hij, die een goed veldheer is, is niet krijgszuchtig” [94].
-
-
-
-„Een veldheer zeide eens: Ik durf niet gastheer te zijn (d.i. aan te
-vallen), ik ben liever gast (d.i. defensief). Ik durf geen duim vooruit
-te gaan, ik ga liever een voet terug” [95].
-
-„Het volk heeft honger, omdat zijn vorst veel belastingen heft. Dáárom
-heeft het honger. Het volk is moeilijk te regeeren, omdat zijn Heer (te
-veel) doet. Dáárom is het moeilijk te regeeren” [96].
-
-
-
-Men ziet, de geheele filosofie van Lao Tszʼ is gebaseerd op het zachte
-en zwakke, op de nederigheid en den deemoed. De groote fouten van den
-tijd waren, dat het leven gebaseerd werd op hardheid en sterkte,
-brutaliteit en trots.—Lao Tszʼ zeide, dat hij drie groote schatten had:
-liefde, zuinigheid en nederigheid. Door zijne liefde kon hij dapper
-zijn, door zijne zuinigheid juist kon hij veel geven, door zijne
-nederigheid, die hem verbood, de eerste te willen wezen, kon hij juist
-in werkelijkheid de eerste zijn. Maar in den tijd, in welken hij
-leefde, was men dapper zonder liefde, gaf men veel uit, zónder zuinig
-te zijn, en ging men weg van de laatste plaats, om toch vooral de
-eerste te zoeken. Dit alles leidde tot den dood, leerde hij. Alleen als
-men strijdt met een hart vol liefde is men onverwinlijk. „De Hemel
-schenkt de gave van liefde aan hem, dien zij beschermen wil” [97]. En
-als twee legers van gelijke kracht strijden, leerde hij, was die
-veldheer, die het meeste medelijden had, de overwinnaar.
-
-Zijn ideaal was, om te beginnen een kleinen staat te hebben, met
-simpele menschen, zooals uit het 80e hoofdstuk blijkt. Hij zag zeker
-in, dat het onmogelijk was, een heel groot rijk ineens volmaakt te
-hebben, en droomde zich dus een klein, te verwezenlijken Arcadia. Als
-hij dat kleine rijk had, met weinig volk, zou hij, al waren er voor
-tien of honderd man wapenen, die wapenen toch niet gebruiken, noch
-zouden de schepen en wagenen, noch zouden de kurassen dienst doen. Hij
-zou het volk doen terugkeeren tot het gebruik der geknoopte koorden
-[98]. „Het volk zou zoet genieten van zijn eten, zou zijne kleederen
-mooi maken, rust hebben in zijne woning en vreugde scheppen in zijne
-simpele zeden” [99].
-
-En zóó bang was Lao Tszʼ dat het zuivere, reine gemoed van zijn volk—de
-kostbaarste schat in zijn ideaal-rijk—zou bedorven worden door de
-zoogenaamde beschaving, dat hij er ten slotte aan toevoegde: „Al lag
-een naburige staat vlak over den mijne, zoodat de honden en hanen aan
-weêrszijden elkanders geluid konden hooren, mijn volk zou oud worden en
-doodgaan zonder er gemeenschap mede te hebben gehad.”
-
-
-
-En deze man is genoemd een pessimist, een obscurantist, en wat al niet
-meer,—het staat in véle vertalingen van heel geleerde mannen te
-lezen,—en zijn leer over de basis, waarop het rijk moet rusten, is
-genoemd „anti-social pride” en „hostility to popular education and
-progress,” en die over de superioriteit van Wu Wei is genoemd „negative
-quietism” en zelfs „idleness” en „self-indulgence”! Is het niet of Lao
-Tszʼ dit alles voorzien heeft, toen hij zeide: „Zij, die geleerd zijn
-kennen Tao niet”? En blijkt hieruit niet, dat om Lao Tsz’s pure
-filosofie te begrijpen, nog wat meer noodig is, dan enkele
-taalgeleerdheid en spitsvondigheid en woordelijke, letterlijke
-accuratesse, vooral wanneer, zooals in zijn wondere boek, de woorden
-zoo subtiel uit hunne sfeer zijn gehaald, om aan de behoefte van eene
-andere, hoogere spiritueele expressie te voldoen? Waar Lao Tszʼ
-aangeeft, dat voor óns beperkte begrip Tao als duister en verward is,
-verwijt men hem het geloof aan een „chaos” en aan „void time”, en zelfs
-Stanislas Julien, als enkel sinoloog een eminent geleerde, houdt vol
-dat Tao is „un être dépourvu d’action, de pensées” en dat het gebruik
-en de definitie van het woord Tao „excluent toute idée de cause
-intelligente”!
-
-De waarheid is, dat Lao Tsz’s leer, wel verre van den mensch te
-abrutiseeren en ongevoelig te maken, hem opwekt tot verheven idealen,
-en aan het leven op aarde hare pure zuiverheid wil teruggeven. Wel
-vèrre van tot luiheid en anti-socialen trots aan te sporen, heeft Lao
-Tsz’s leer vooral tot thema de zelf-verloochening en de liefde voor
-onzen medemensch. Het is bedroevend te zien, hoe geleerden, die in de
-taalwetenschap een eereplaats innemen, enkel en alleen omdat zij
-denken, er het Christendom mede te verheffen, alle andere, vreemde
-leeren bekladden. Zóó zegt de gewezen zendeling prof. Legge, de
-vertaler der chineesche klassieken, dezelfde die overal à tout prix
-Confucius neêrhaalt, van Lao Tsz’s gezegde „Wreek kwaad met goed”:
-„There hardly belongs to it a moral character”! Terwijl zelfs Giles,
-een der hevigste vijanden van de Tao Teh King, bij die passage moet
-bekennen: „Those who, wanting in the logical faculty, have been foolish
-enough to say that the Golden Rule of Confucius ranks lower than the
-Golden Rule of Christ, have here had to take their shoes from off their
-feet and admit that they are upon holy ground” [100].
-
-Ik voor mij wil gaarne bekennen, dat ik bijna overal in de Tao Teh King
-den heiligen grond betreed. Maar met een zuiver hart moeten zijne
-simpele woorden gevoeld worden, en men moet ze lezen in stille
-eenzaamheid, vér van de geruchten der wereld, en leêg van aardsche
-gedachten, zooals men dat wereldwijze boek moet lezen, waarmede het
-waard is vergeleken te worden: De Imitatione Christi van Thomas à
-Kempis.
-
-Lao Tsz’s leer, tot het uiterste doorgevoerd zijnde, gaat er een geheel
-nieuw licht over de dingen der wereld. De begrippen goed en kwaad gaan
-weg, want wat Lao Tszʼ leerde was niet goed te zijn, daar er in de orde
-der dingen niet zoo iets als goed, en ook niet zoo iets als kwaad was,
-er was alleen zuiver, volgens de natuur, van-zelf zijn. De loop der
-dingen en het wezen der dingen was niet goed of kwaad, het wàs
-eenvoudig zooals het wàs. Alles gebeurde, omdat het in de natuurlijke
-orde lag om te gebeuren.
-
-Zóó verliest ook de dood zijne verschrikking, en het leven zijn aan die
-verschrikking tegenovergestelde vreugde. Wat nog volstrekt geen
-onverschilligheid en ongevoeligheid in zich sluit, zooals velen beweerd
-hebben. Integendeel. Zeer mooi wordt dit gezegd in den Nan Hwa King,
-het mystieke werk van Lao Tsz’s grootsten discipel Chuang Tszʼ [101]:
-„De geboorte van den wijze is de (natuurlijke) gang des Hemels, zijn
-dood is de (natuurlijke) loop der dingen. Zijn leven is als drijven,
-zijn dood is als rust” [102]. Het aannemen van alle dingen als gewoon,
-natuurlijk, zuiver, was een eerste vereischte. Niets was bizonder blij
-of bizonder droef, niets pleizieriger of treuriger dan iets anders, als
-men maar Tao had. En daarom kon Chuang Tszʼ in hetzelfde hoofdstuk
-zeggen: „Droefheid en Geluk zijn de afvalligen van de Deugd; Vreugde en
-Toorn leiden af van Tao.”—Er was ook niet zoo iets aparts als leven en
-dood, als contrasten, elk op zich zelf reëel bestaande. Een andere
-discipel van Lao Tszʼ, Ljeh Tszʼ, zat eens aan den weg te eten, en zag
-een honderdjarig doodshoofd liggen. Hij plukte een bosje gras af, en
-wees daarmede naar den doodskop, zeggende: „Alleen gij en ik weten dat
-er geen leven bestaat en geen dood.”
-
-Toen Chuang Tsz’s vrouw was gestorven, en men zich verwonderde, dat hij
-er zoo kalm bij bleef, en tot tijdverdrijf op een schaal sloeg, zeide
-hij, dat sterven volstrekt niets bizonders was, evenmin als geboren
-worden; het was enkel maar verandering, en het lag in den natuurlijken
-gang der dingen. „Dit is gelijk de gang der vier jaargetijden, lente,
-herfst, winter en zomer. Rustigjes slaapt zij in het Groote Huis (Tao)”
-[103].
-
-Zóó verhaalt Chuang Tszʼ ook, dat toen, na Lao Tsz’s dood, de filosoof
-Chʼin Shih op rouwbezoek ging, hij een groote schaar menschen om het
-lijk zag geschaard, jammerlijk snikkende en huilende zooals het de
-gewoonte was uren te blijven doen. Chʼin Shih gaf maar drie korte
-schreeuwen, meer niet, en ging toen heen. Een der discipelen
-verwonderde zich over dezen inbreuk op de ceremonieën en vroeg Chʼin
-Shih verwijtend, of hij dan geen vriend van den Meester was. En toen
-antwoordde Chʼin Shih, dat al dat gejammer en gekrijt maar gekheid was,
-en afleidde van Tao. „Het is den Hemel weêrstaan, de emoties (der
-wereld) verdubbelen, en vergeten wat ons oorspronkelijk deel is. De
-Meester kwam precies omdat het zijn tijd was, hij ging precies heen,
-omdat hij volgzaam aan zijn tijd was” [104].
-
-Ik weet het, dit schijnt ongevoelig, onverschillig, onsympathiek. Maar,
-wanneer men dieper doordenkt, getuigt het van een naïef, kinderlijk
-vertrouwen, en tevens van een wèlbewuste zekerheid in de
-onsterfelijkheid der ziel, of, meer eigenaardig chineesch uitgedrukt,
-in het terugkeeren tot Tao. Het sterven was alleen een overgebracht
-worden tot iets anders, evenals hout, dat verbrandt tot vuur, en het
-vuur dat verdampt tot schijnbaar niets. Maar niets gaat verloren, de
-essence is onvernietigbaar.
-
-Dit is de zekerheid die Chuang Tszʼ, doordrongen als hij was van Lao
-Tsz’s principes, deze schoone woorden deed zeggen, toen hij zijn dood
-voelde naderen, en zijne familie op het hart drukte, toch vooral niet
-te jammeren, en hem geen pompeuze begrafenis te geven, maar gewoon
-buiten te leggen, in het veld:
-
-„Ik wil den Hemel en de Aarde hebben voor mijn sarcophaag, de zon en de
-maan zullen mijne eereteekenen zijn, waar ik op mijn staatsiebed lig,
-en de geheele creatie zal de rouwende zijn bij mijn uitvaart.”
-
-
-
-Het is treurig te zien, wat het latere geslacht van Lao Tsz’s zuivere
-leer gemaakt heeft. Den ontzaglijken eenvoud van zijne aphorismen niet
-begrijpende, begonnen latere chineesche geleerden in zijn boek een
-mystiek te zien, die over de kunst handelde om onsterfelijk te worden.
-En men ging... het elixir zoeken, dat de gave schonk om eeuwig te
-leven! Het lijkt haast onmogelijk de menschelijke dwaasheid zóó hoog
-opgevoerd te zien, maar uit de Tao Teh King is de chineesche alchimie
-en de magie geboren! Men begon in alle zinnen verborgen meeningen te
-zien, dacht dat zij zinspeelden op tot nu toe onbekende Goden, op verre
-gelukslanden ergens in den oceaan, en op geheime wonderdranken! Men
-begon Lao Tszʼ zelf te vergoden, noemde hem een zuiver goddelijk wezen,
-een incarnatie van Tao, die reeds vroeger op aarde was verschenen in
-verschillende gedaanten, en ook in de toekomst weer verschijnen zou,
-maar voor ’t oogenblik zalig was, in een paradijs, gelegen in de
-Poolster, enz. enz. De boeddhisten die—en terecht—zeer veel punten van
-gelijkenis zagen tusschen hun leer en de zijne, maakten een boeddha van
-hem, en verzonnen omtrent zijn leven dezelfde legenden, als die welke
-omtrent Shakyamuni in omloop waren. Men zag, eenmaal zoo ver verdwaald,
-overal duivels en demonen, en ook heilige geesten en feeën, en zóó
-ontstond die belachelijke goden- en geestendienst, met zijn eindeloos
-pantheon van afgoden en mystieke personnages, dien men tegenwoordig in
-China „het Taoïsme” noemt. Wèl jammer, dat men er dien naam aan gegeven
-heeft, want dit Taoïsme, met zijn fetischdienst, en zijn verachtelijke
-priesterschap, heeft absoluut niets te maken met de pure, zuivere,
-menschelijke leer van Lao Tszʼ, zooals die is neergeschreven in den Tao
-Teh King. Ik zal mij, hier althans, niet verder in dit latere Taoïsme
-verdiepen, daar ik in deze studie alleen de oorspronkelijke leer van
-Lao Tszʼ wensch te bespreken. En laten wij niet ál te veel op de
-chineezen neêrzien, omdat zij van Lao Tsz’s zuivere ideeën zulke dolle
-dingen hebben gemaakt. Wat is er in Europa al niet gemaakt van de leer
-van Jezus Christus, en welke gruwelen en misdaden zijn er niet
-bedreven, en welke valsche, leugenachtige voorstellingen zijn er niet
-gemaakt in Zijnen naam, die lijnrecht in strijd zijn met wat Hij heeft
-gepredikt? Ik heb reeds aangehaald, wat Samuel Johnson daar zoo terecht
-van gezegd heeft: „a book like the Bible or the Tao Teh King becomes a
-fetich to crude stages of mind, as well as a companion to higher ones.”
-
-En als ik er in geslaagd ben om, geïnspireerd als ik was door mijne
-innige bewondering voor China’s grootsten wijze, de leer van Lao Tszʼ
-zóó in deze studie te hebben voorgesteld, dat zij voor goed een
-vertrouwde metgezel wordt voor velen, die er de uitdrukking in zullen
-vinden van reeds lang in hen sluimerende, maar nog niet bewust geworden
-ideeën, dan zou ik daarmede nog maar een klein weinigje van de
-dankbaarheid gekweten hebben, die men hem, en álle groote voorlichters
-van den menschelijken geest, is verschuldigd. Want hij heeft van het
-reinste en nobelste werk gedaan, dat op aarde kan gedaan worden.
-
-
-
-
-
-
-
-TAO TEH KING.
-
-EERSTE DEEL: TAO.
-
-
-HOOFDSTUK I.
-
-1. Kon Tao uitgezegd worden, dan zou het de eeuwige Tao niet zijn; kon
-de naam genoemd worden, dan zou het de eeuwige Naam niet zijn.
-
-2. Als Niet-Zijn kan men Het noemen het begin van Hemel en Aarde; als
-Zijn kan men Het noemen de Moeder van alle Dingen.
-
-3. Daarom, als het hart voortdurend Niet-Is (d.i. vrij van alle
-aardsche begeerten) kan men het Mysterie aanschouwen van Tao’s
-spiritueele essence; als het voortdurend Is (d.i. vol begeerten), kan
-men er enkel den begrensden Vorm van zien.
-
-4. Deze beiden, Zijn en Niet-Zijn, komen uit hetzelfde voort, en hebben
-verschillenden naam.
-
-5. Beiden zijn zij geheimzinnig. Het geheimzinnige er van is dubbel
-geheimzinnig.
-
-6. Dit alles is de Poort van het spiritueele Mysterie.
-
-
-
-HOOFDSTUK II.
-
-1. Allen onder den Hemel weten zoo dat mooi „mooi” is; dan komt het
-„leelijke” voor den dag. Allen weten zoo dat goed „goed” is; dan komt
-het „slechte” voor den dag.
-
-2. Daarom, Zijn en Niet-Zijn produceeren elkaar wederkeerig.
-
-3. Moeilijk en Gemakkelijk brengen zich wederkeerig voort. Lang en kort
-geven elkaar wederkeerig verschil in vorm. Hoog en Laag brengen
-elkaar’s ongelijkheid voort. De Toon en de Stem harmoniëeren
-wederkeerig. Het Vóór en het Ná volgen elkaar wederkeerig op.
-
-4. Daarom is het, dat de Wijze zijn zaak maakt van Wu Wei (Niet-Doen),
-en hij begaat de leer zonder woorden.
-
-7. Als het werk volbracht is, hecht hij er zich niet (meer) aan. Juist
-omdat hij er zich niet aan hecht, gaat het (de verdienste er van) niet
-van hem weg.
-
-
-
-HOOFDSTUK III.
-
-1. Maakt geen ophef van eerwaardigheid, dan zal het volk niet twisten.
-
-2. Hecht geen hooge waarde aan moeilijk te verkrijgen goederen, dan zal
-het volk geen diefstal plegen.
-
-3. Ziet niet naar wat begeerlijk is, dan zal het hart van het volk niet
-in verwarring komen.
-
-4. Daarom, de Wijze regeert door de harten ledig (van begeerte) te
-maken, de buiken stevig te voeden, de (slechte) neigingen te
-verzwakken, en het beenderstelsel te versterken.
-
-5. Hij maakt voortdurend, dat het volk niet weet, en geen begeerten
-heeft.
-
-6. Als dit niet geheel gelukt, maakt hij dat zij, die (wèl) weten, niet
-durven ageeren.
-
-7. Hij doet Wu Wei (Niet-Doen), en dan is er niets, wat hij niet (goed)
-regeert.
-
-
-
-HOOFDSTUK IV.
-
-1. Tao is ledig, en (toch) in Zijne operaties als onuitputtelijk.
-
-2. O! Hoe diep is Het! Het is de Oer-Vader aller dingen.
-
-3. Het verstompt zijn scherpte, ontrafelt zijne verwardheid, tempert
-zijne (verblindende) schittering, en maakt zich gelijk aan het stof.
-
-4. O! Hoe kalm is Het! Het lijkt wel eeuwig te bestaan.
-
-5. Ik weet niet van wien Het het kind is. Het was vóór Shang Ti (den
-oppersten God).
-
-
-
-HOOFDSTUK V.
-
-1. Hemel en Aarde zijn niet menschlievend, en alle dingen zijn voor hen
-als de strooien honden (voor de offering).
-
-2. De Wijze is niet menschlievend, en beschouwt het volk als de
-strooien honden (voor de offering).
-
-3. Te midden van Hemel en Aarde is als een blaasbalg; Het is ledig en
-(toch) nooit uitgeput; hoe meer Het beweegt, hoe meer (kracht als wind)
-er uitkomt.
-
-4. Maar met veel woorden raakt men uitgeput. Het is beter, het midden
-te bewaren.
-
-
-
-HOOFDSTUK VI.
-
-1. De Geest van de vallei sterft niet, men noemt haar de mystieke
-Moeder.
-
-2. De deur van de mystieke Moeder is de Wortel (Oorsprong) van Hemel en
-Aarde.
-
-3. Het gaat eeuwiglijk door en schijnt altijd (als stoffelijk) te
-blijven bestaan.
-
-4. Houdt u er altijd aan, en gij zult niet behoeven te bewegen.
-
-
-
-HOOFDSTUK VII.
-
-1. Hemel en Aarde duren eeuwiglijk. Hemel en Aarde kunnen dáárom
-eeuwiglijk duren, omdat zij niet voor zich zelf leven.
-
-2. Daarom stelt de Wijze zich zelf achter de anderen, en wordt dan zelf
-(juist) de eerste.
-
-3. Hij maakt zich los van zijn lichaam, en dan blijft zijn lichaam
-(juist) behouden.
-
-4. Is dit niet, omdat hij geen egoïsme heeft?
-
-5. En (toch) wordt dan zijn egoïstisch eigenbelang volmaakt.
-
-
-
-HOOFDSTUK VIII.
-
-1. De opperste Goedheid is als water.
-
-2. Water is goed, doet goed aan alle dingen, en twist niet.
-
-3. Het woont in plaatsen, die de menschen verachten.
-
-4. Daarom komt (de Wijze, die als water is) dicht bij Tao.
-
-5. Hij woont (vanzelf) op de goede plaats. Hij houdt er van dat zijn
-hart diep is als een afgrond. Als hij weldoet meent hij het in
-menschlievendheid. Als hij spreekt, spreekt hij goed de waarheid. Als
-hij regeert, houdt hij goed orde. Als hij zaken heeft, doet hij ze
-goed. Als hij beweegt is het op den rechten tijd.
-
-6. (Maar alleen) als hij niet met anderen in strijd komt is er niets in
-hem te laken.
-
-
-
-HOOFDSTUK IX.
-
-1. Beter dan een gevulde vaas aan beide zijden te dragen, is het, er in
-’t geheel geen te dragen.
-
-2. Als men (een lemmet), na het gescherpt te hebben, telkens met de
-hand voelt (om het te probeeren), zal het niet lang goed kunnen
-blijven.
-
-3. Als men zijn zaal vol goud en edelgesteenten heeft, zal men haar
-niet kunnen behouden.
-
-4. Als men, rijk en in aanzien zijnde, trotsch is, zal men zelf zijn
-ongeluk na zich sleepen.
-
-5. Als het werk volbracht is, en de naam gemaakt, moet men zich
-terugtrekken. Dit is de Weg van den Hemel.
-
-
-
-HOOFDSTUK X.
-
-1. Hij, die het animale aan het spiritueele onderwerpt, kan zijn wil op
-één ding (d.i. Tao) gericht houden, zoodat hij niet verdeeld is
-(tusschen wereldsche dingen).
-
-2. Hij temt zijn vitale kracht, tot hij gedwee (en gevoelig) wordt, en
-als een pasgeboren kind.
-
-3. Als hij zijn inwendig gezicht klaar en puur maakt (vrij van de
-duisterheden en twijfelingen van het Verstand), zal hij vrij zijn van
-alle moreele gebreken.
-
-4. Als hij, met liefde voor het volk (als hij een Vorst is) het rijk
-regeert, zal hij Wu Wei kunnen zijn.
-
-5. Hij zal zijn als de broedende hen, die in volmaakte rust is, terwijl
-de processen van de natuur voortgaan.
-
-6. Als zijn licht overal doordringt, zal hij als onwetend kunnen zijn.
-
-7. Hij brengt de dingen voort en voedt ze. Hij brengt ze voort, zonder
-ze (als bezit) te hebben. Hij vermeerdert en vermenigvuldigt, en rekent
-niet op hun belooning. Hij regeert hen, en beschouwt zich niet als hun
-Meester.
-
-Dit is wat men noemt de mysterieuze Deugd.
-
-
-
-HOOFDSTUK XI.
-
-1. De dertig spaken van een wiel vereenigen zich om een naaf. Maar
-alleen door de ledige ruimte is de wagen van nut.
-
-2. De vaas is uit klei gekneed tot huisraad. Maar alleen door de ledige
-ruimte (binnen in) is zij van nut.
-
-3. Men boort deuren en vensters uit om een huis te bouwen. Maar alleen
-door de ledige ruimte zijn zij van nut.
-
-4 Daarom, het Zijn (het materieele) heeft zijn voordeel, maar van het
-Niet-Zijn (het immaterieele) hangt het eigenlijke nut af.
-
-
-
-HOOFDSTUK XII.
-
-1. De vijf kleuren verblinden het oog van den mensch. De vijf tonen
-verdooven het oor. De vijf smaken bederven den smaak.
-
-2. Dolle ritten en jachten brengen het menschelijk hart in verdwaling.
-Moeilijk te verkrijgen goederen brengen den mensch tot verderfelijke
-daden.
-
-3. Daarom maakt de Wijze werk van zijn binnenste en niet van zijne
-oogen.
-
-4. Hij verwerpt wat van buiten komt, en langt naar wat van binnen is.
-
-
-
-HOOFDSTUK XIII.
-
-1. Hooge gratie en degradatie zijn dingen van vreeze. Het lichaam is
-als een groote ramp.
-
-2. Hoe is het, dat men (dit) zegt (van) hooge gratie en degradatie?
-Hooge gratie is iets inferieurs. Verkrijgt men haar, dan is men als in
-vreeze. Verliest men haar, dan is men als in vreeze. Daarom zegt men:
-hooge gratie en degradatie zijn dingen van vreeze.
-
-3. Hoe is het, dat men zegt: „Het lichaam is als eene groote ramp”? Ik
-heb dáárom groote rampen, omdat ik een lichaam heb.
-
-4. Als ik zoover was, dat ik géén lichaam had, welke rampen zou ik dan
-hebben?
-
-5. Daarom, wie het als een zware karrewei beschouwt, om het rijk te
-regeeren, dien kan men het rijk toevertrouwen; wie het iets
-verwerpelijks vindt om zelf het rijk te regeeren, dien kan men de
-regeering van het rijk opdragen.
-
-
-
-HOOFDSTUK XIV.
-
-1. Gij kijkt er naar, en gij ziet Het niet; men noemt Het kleurloos
-(I).
-
-Gij luistert er naar, en gij hoort Het niet; men noemt Het aphoon (Hi).
-
-Gij tast er naar, en gij raakt Het niet; men noemt Het onstoffelijk
-(Wei).
-
-2. Deze drie dingen zijn niet met eigen woorden uit te leggen.
-
-3. Daarom, zij smelten samen tot één.
-
-4. Zijn bovenste is niet verlicht, Zijn onderste is niet duister (heeft
-geen schaduw).
-
-5. Het is eeuwig, en kan niet met een naam worden genoemd! Het keert
-terug tot het Niet-Zijn! Dit noem ik het beeld van het beeldelooze, den
-vorm van het vormelooze. Dit noem ik vaag en onbestemd (een mysterie).
-
-6. Gij nadert Het, en gij ziet niet Zijn begin. Gij volgt Het, en gij
-ziet niet Zijn einde.
-
-7. Gij moet het Tao van de Oudheid doorgronden, om over het bestaan van
-het Heden te regeeren. Wie het Begin weet van het Oude, heeft de draad
-van Tao in handen.
-
-
-
-HOOFDSTUK XV.
-
-1. In de Oudheid waren de goede filosofen, die zich aan Tao wijdden,
-(als) gering, subtiel, duister, en vèr-doordringend. Zij waren zóó
-diep, dat het niet is te begrijpen.
-
-2. Maar omdat het niet te begrijpen is, zal ik mij moeite doen om er
-een beeld van te geven.
-
-3. Zij waren bedeesd als een, die in den winter een stroom doorwaadt.
-Zij waren op hun hoede, als een, die zijne buren vreest. Zij waren
-ernstig als een gast (tegenover zijn gastheer). Zij verdwenen als het
-ijs, dat gaat smelten. Zij waren simpel, als onbewerkt hout. Zij waren
-ledig, als een vallei. Zij waren als troebel water.
-
-4. Wie kan de onzuiverheden (van zijn hart) verreinen tot rust?
-
-Wie kan langzamerhand geboren worden (in Tao) door een langdurig
-betrachte kalmte?
-
-5. Hij, die Tao behoudt, wenscht niet vol te zijn. Juist omdat hij niet
-vol is, is hij voor altijd gevrijwaard tegen verandering.
-
-
-
-HOOFDSTUK XVI.
-
-1. Als men tot het opperste Ledig is gekomen, handhaaft men eene
-onvergankelijke rust.
-
-2. Alle dingen worden te samen geboren; ik zie ze (daarna) weder
-terugkeeren.
-
-3. Alle dingen bloeien overvloediglijk; (daarna) keert elk terug tot
-zijn Oorsprong.
-
-4. Tot den Oorsprong terugkeeren heet in rust zijn. In rust zijn heet
-terugkeeren tot het (eeuwige, reëele) Leven.
-
-5. Terugkeeren tot het Leven heet ik eeuwigdurend zijn.
-
-6. Te weten wat eeuwigdurend is heet verlicht zijn. Niet te weten wat
-eeuwigdurend is heet eigen ellende bewerken.
-
-7. Weten wat eeuwigdurend is is een groote ziel hebben. Een groote ziel
-hebbende is men rechtvaardig. Rechtvaardig zijnde is men koning. Koning
-zijnde is men de Hemel. De Hemel zijnde is men Tao.
-
-8. Tao zijnde is men altijd-durend. Al sterft het lichaam, er is (dan
-toch) geen gevaar (meer te duchten).
-
-
-
-HOOFDSTUK XVII.
-
-1. In de hooge Oudheid wist het volk alleen van de vorsten dat zij
-bestonden.
-
-2. De vorsten die dáárna kwamen had het volk lief en prees hen.
-
-3. Die dáárna kwamen, vreesde het.
-
-4. Die dáárna kwamen, verachtte het.
-
-5. Hij, die anderen niet vertrouwt, krijgt het vertrouwen van anderen
-niet.
-
-6. (De Ouden) waren langzaam en ernstig in hun woorden.
-
-7. Als zij de verdiensten hadden gemaakt, en de zaken volvoerd, zeide
-het volk: „Wij zijn vanzelven (zooals onze natuur is)”.
-
-
-
-HOOFDSTUK XVIII.
-
-1. Toen Tao werd verwaarloosd, kwamen Menschlievendheid en
-Gerechtigheid.
-
-2. Toen de „scherpzinnigheid” en „het schrandere doorzicht” voor den
-dag kwamen, ontstond de groote Huichelarij.
-
-3. Toen de familie niet meer in harmonie leefde, kwamen de Hiao en de
-Ts’zʼ.
-
-4. Toen de staten van het rijk in verwarring waren, kwamen de getrouwe
-onderdanen.
-
-
-
-HOOFDSTUK XIX.
-
-1. Doe de Wijsheid vàn u, en weg met het Weten, dan zal het volk
-honderdmaal meer gelukkig zijn.
-
-2. Doe de Filantropie vàn u, en weg met Gerechtigheid, en het volk zal
-(vanzelf) terugkeeren tot liefde voor de ouders en voor de kinderen.
-
-3. Doe de Knapheid vàn u, en weg met Gewinzucht, en er zullen geen
-dieven en roovers meer wezen.
-
-4. Doet afstand van deze drie dingen. Hebt niet genoeg aan den schijn.
-
-5. Daarom toon ik u, wáár gij u aan moet houden: Ziet uzelf in uwen
-(oorspronkelijken) eenvoud en behoud uw (oorspronkelijke) puurheid.
-Hebt weinig egoïsme en weinig begeerten.
-
-
-
-HOOFDSTUK XX.
-
-1. Doe de Studie vàn u, dan zult gij geen zorgen hebben.
-
-2. Wat doet het er eigenlijk toe of we het karakter „wei” dan wel het
-karakter „oh” voor „ja!” gebruiken? (Maar) het is héél iets anders (om
-te weten) het onderscheid tusschen goed en kwaad.
-
-3. Helaas! de wereld is een wildernis geworden, en er is nog geen einde
-aan!
-
-4. Alle menschen zijn blij en vroolijk, als hij, die geniet van
-rundvleesch, als hij, die in de lente een hoog terras heeft bestegen.
-
-5. Ik alleen ben kalm, en heb nog niet éven bewogen; ik ben als een
-klein kindje, dat nog niet geglimlacht heeft. Ik ben vrij, zonder
-belemmering, alsof er niets was, waarheen ik zou willen terugkeeren.
-
-6. De gewone menschen hebben over; ik alleen ben als een, die (alles)
-verloren heeft. Ik heb het hart van een domme, ik ben een chaos van
-verwarring.
-
-7. De gewone menschen zijn schitterend verlicht, ik alleen ben als
-duister. De gewone menschen zijn doordringend van doorzicht; ik alleen
-ben droevig ongerust. Ik ben vaag als de zee, ik word door de golven
-heen en weêrgedreven, als rusteloos.
-
-8. Alle menschen hebben overal een reden voor; ik alleen ben dom, als
-iemand van het land.
-
-9. Ik alleen ben anders dan de (gewone) menschen, omdat ik de Moeder
-vereer, die alles voedt (Tao).
-
-
-
-HOOFDSTUK XXI.
-
-1. De (zichtbare) manifestaties van de groote Teh zijn eene emanatie
-van Tao.
-
-Ziehier de natuur van Tao.
-
-2. Tao is vaag en verward. Hoe verward!... Hoe vaag!... En (toch) bevat
-het de vormen (der dingen)! Hoe vaag!... Hoe verward!... En (toch)
-bevat het eene spiritueele essence! Deze spiritueele essence is ten
-zéerste reëel, en bevat de onfeilbare getuigenis (van wat zij is).
-
-3. Van oudsher tot nú toe was Zijn naam onvergankelijk, en Het geeft
-geboorte aan de geheele creatie.
-
-4. Hoe weet ik, dat de geheele creatie hierin haar oorsprong heeft?
-Door Tao zelf.
-
-
-
-HOOFDSTUK XXII.
-
-1. Het onvolmaakte zal volmaakt worden. Het gebogene zal recht worden.
-Het holle zal vol worden. Het versletene zal nieuw worden.
-
-2. Met weinig wordt Het verkregen, met véél dwaalt men er van af.
-
-3. Daarom, de Wijze omvat het Eene (Tao), en maakt zich (zoo) het
-voorbeeld van de wereld.
-
-4. Hij wenscht zelf niet licht te schijnen, en dáárom juist is hij
-verlicht. Hij wenscht niet zelf de ware man te wezen, en dáárom juist
-steekt hij boven de anderen uit. Hij pocht niet op zijn werk, en dáárom
-juist heeft hij verdienste. Hij stelt zichzelf niet hoog, en is dáárom
-juist de meerdere. Hij strijdt niet, en dáárom juist is er niemand in
-de wereld die tegen hem op kan.
-
-5. Hoe zou het een leeg gezegde kunnen zijn wat de Ouden noemden: „Het
-onvolmaakte wordt volmaakt”? Als iemand het volmaakte bereikt heeft,
-onderwerpt zich alles aan hem.
-
-
-
-HOOFDSTUK XXIII.
-
-1. Wie weinig spreekt is van-zelf natuurlijk (Tszʼ Jan).
-
-2. Wat is het, dat maakt dat een strenge wind geen geheelen morgen
-duurt, en een hevige regen geen geheelen dag? (De actie van) Hemel en
-Aarde. Als de Hemel en de Aarde niet lang kunnen duren, hoeveel te
-minder dan de mensch!
-
-3. Daarom de mensch die al zijne daden regelt naar Tao zal gelijk aan
-Tao worden; degenen, die zich regelen naar de Deugd zullen gelijk aan
-de Deugd worden; die zich regelt naar de Misdaad zal gelijk aan de
-Misdaad worden.
-
-4. Wie gelijk aan Tao is verkrijgt ook Tao, wie gelijk aan de Deugd is
-verkrijgt ook de Deugd, wie gelijk aan de Misdaad is verkrijgt ook de
-Misdaad.
-
-5. Niet genoeg geloof hebben is géén geloof hebben.
-
-
-
-HOOFDSTUK XXIV.
-
-1. Wie op zijn teenen gaat staan kan niet rechtop blijven; wie de
-beenen ver uitstrekt kan niet loopen.
-
-2. Wie zelf licht wenscht te schijnen is niet verlicht. Wie zelf de
-ware man wenscht te wezen steekt niet boven de anderen uit. Wie op zijn
-werk pocht heeft geen verdienste. Wie zich zelf hoog stelt is niet
-superieur.
-
-3. Zulke manieren van doen, vergeleken bij (de goddelijke principes
-van) Tao, zijn als overblijfseltjes van eten, of andere walgelijke
-dingen, die altijd verafschuwd worden.
-
-4. Daarom, wie in Tao leven, houden er zich niet mede op.
-
-
-
-HOOFDSTUK XXV.
-
-1. Vóór Hemel en Aarde bestonden, was er een vaag Wezen.
-
-2. Hoe rustig-kalm! Hoe onstoffelijk!
-
-3. Het staat alleen, op-zich-zelf, en verandert niet.
-
-4. Het doorvloeit alles en loopt (toch) geen gevaar.
-
-5. Het mag wel de Moeder van alles onder den Hemel worden genoemd.
-
-6. Ik weet niet Zijnen naam.
-
-7. (Maar) Het een karakter willende geven noem ik Het Tao.
-
-8. Wil ik Het met alle geweld omschrijven, dan noem ik Het groot.
-
-9. Van groot noem ik Het vervliedend.
-
-10. Van vervliedend noem ik Het vèr.
-
-11. Van vèr noem ik Het (weer) terugkeerend.
-
-12. Daarom, Tao is groot, de Hemel is groot, de Aarde is groot, de
-Koning is groot.
-
-13. Er zijn vier groote machten in de wereld, en de Koning is er één
-van.
-
-14. De wet van den Koning is van de Aarde; de wet van de Aarde is van
-den Hemel; de wet van den Hemel is van Tao.
-
-15. (Maar) de Wet van Tao is van-zich-zelven.
-
-
-
-HOOFDSTUK XXVI.
-
-1. Het zware is de wortel van het lichte; de rust is Overheerser van de
-beweging.
-
-2. Daarom laat de Wijze nooit af van zwaarte en rust.
-
-3. Al is er nóg zooveel schoons te zien, hij blijft wonen in de rust,
-en gaat er vér van.
-
-4. Maar helaas, de Heer van tienduizend wagenen acht het Rijk licht om
-zich zelf.
-
-5. Door ze gering te achten verliest hij zijne ministers, door zich te
-laten medesleepen verliest hij de heerschappij.
-
-
-
-HOOFDSTUK XXVII.
-
-1. Hij, die goed (in Tao) gaat, laat geen sporen achter. Hij, die goed
-spreekt, geeft geen reden tot blaam. Hij, die goed telt, gebruikt geen
-bamboe-tabletjes. Hij, die goed sluit, gebruikt geen houten bouten, en
-toch kan men niet openen (wat hij sluit). Hij, die goed bindt, gebruikt
-geen koorden, en toch kan men niet losmaken (wat hij bindt).
-
-2. Daarom, de Wijze munt altijd uit in het helpen van menschen, en hij
-verwerpt er géén; hij munt altijd uit in het helpen van dingen, en hij
-verwerpt er geen. Dit noem ik dubbel verlicht zijn.
-
-3. Daarom, de goede is de leermeester van den slechte; de slechte is de
-leermeester van den goede.
-
-4. Hij, die geen waarde hecht aan macht, en niet houdt van weelde, al
-moge zijn wijsheid als dom schijnen, heeft de Al-Wijsheid verkregen.
-
-
-
-HOOFDSTUK XXVIII.
-
-1. Hij, die zijne mannelijke kracht kent, en toch vrouwelijke zachtheid
-behoudt, is de vallei van het rijk.
-
-2. Als hij de vallei is van het rijk, zal de altijddurende deugd hem
-niet verlaten, en hij zal terugkeeren tot den simpelen staat van een
-kind.
-
-3. Hij, die zijn licht kent, en toch in de schaduw blijft, is het
-voorbeeld voor het rijk.
-
-4. Is hij het voorbeeld van het rijk, dan zal de altijddurende deugd in
-hem niet falen, en hij keert terug tot het eindelooze.
-
-5. Hij, die zijne glorie weet en blijft in de schande, is de vallei van
-het rijk.
-
-6. Als hij de vallei is van het rijk zal de altijddurende deugd in hem
-haar volmaaktheid bereiken, en hij zal tot den oorspronkelijken,
-simpelen staat terugkeeren.
-
-7. Toen de oorspronkelijke, simpele staat zich verspreidde, zijn de
-dingen gevormd.
-
-8. De Wijze, als hij (dit alles) gebruikt, zal het hoofd der
-mandarijnen zijn.
-
-9. Hij regeert met grandeur, en kwetst niemand.
-
-
-
-HOOFDSTUK XXIX.
-
-1. Als de mensch het rijk wil volmaken met actie, zie ik dat hij niet
-slaagt.
-
-2. Het rijk is een heilige offervaas, waaraan men niet mag werken.
-
-3. Werkt men er aan, dan bederft men haar, grijpt men er naar, dan
-verliest men haar.
-
-4. Daarom, onder de menschen zijn er die vooruitgaan en die volgen, die
-verwarmen en die verkoelen, die sterk zijn en die zwak zijn, die
-bewegen en die stilstaan.
-
-5. Daarom, de Wijze verwerpt den wellust, de luxe en de
-buitensporigheid.
-
-
-
-HOOFDSTUK XXX.
-
-1. Zij, die den heerscher over menschen helpen in Tao, onderwerpen het
-rijk niet met geweld van wapenen.
-
-2. Wat men aan de menschen doet krijgt men op dezelfde manier terug als
-het gegeven is.
-
-3. Overal, waar legers zijn geweest, groeien doornen en distels.
-
-4. Op groote veldtochten volgen stellig jaren van hongersnood.
-
-5. De ware Goede slaat ééns met vrucht een slag en houdt dán op, maar
-durft niet met ruw geweld doorgaan.
-
-6. Hij slaat één goeden slag, maar verheft zich niet.
-
-7. Hij slaat één goeden slag, maar roemt er niet over.
-
-8. Hij slaat één goeden slag, maar is er niet trotsch over.
-
-9. Hij slaat één goeden slag, maar alleen omdat hij niet anders kan.
-
-10. Hij slaat één goeden slag, maar wil niet sterk en geweldig lijken.
-
-11. Vanaf het toppunt van kracht worden de (menschen en) dingen oud,
-dat wil zeggen, zij zijn niet gelijk aan Tao, en wat niet gelijk is aan
-Tao neemt een spoedig einde.
-
-
-
-HOOFDSTUK XXXI.
-
-1. De beste wapenen zijn instrumenten van onheil.
-
-2. Allen verachten ze, daarom, zij die Tao bezitten houden er zich niet
-mede op.
-
-3. In de woning van den Kiün Tszʼ is de linkerplaats de eereplaats,
-hij, die soldaten gebruikt, eert de rechterplaats.
-
-4. Wapenen zijn instrumenten van onheil, geen instrumenten van den Kiün
-Tszʼ.
-
-5. Deze gebruikt ze alléén als ’t niet anders kán, en de kalmte en de
-rust zijn voor hem het hoogste.
-
-6. Overwint hij, dan verblijdt hij er zich niet over, want zich daarin
-verblijden zou zijn houden van menschen-doodslag.
-
-7. En wie houdt van doodslag kan nooit zijn doel bereiken in de goede
-regeering van het rijk.
-
-8. In alles, wat geluk aanbrengt, is de linkerplaats de hoogste, in al
-wat ongeluk aanbrengt de rechterplaats.
-
-9. De onderbevelhebber neemt de linkerplaats in, de opperbevelhebber de
-rechter.
-
-10. Dat is, men plaatst hen volgens de ceremonieën van den rouwdienst.
-
-11. Hij, die een groote menigte menschen gedood heeft, moet over hen
-rouwen en weenen.
-
-12. Hem, die een veldslag gewonnen heeft, moet men plaatsen als in de
-ceremonieën voor de dooden.
-
-
-
-HOOFDSTUK XXXII.
-
-1. Tao is eeuwig en heeft geen naam.
-
-2. Ofschoon zoo simpel-klein van natuur durft de geheele wereld Het
-niet te onderwerpen.
-
-3. Als prinsen en koningen Het konden handhaven zouden de tienduizend
-wezens en dingen zich aan hen onderwerpen.
-
-4. Hemel en Aarde zouden zich vereenigen, en een zoeten dauw doen
-nederdalen, en het volk zou zonder bevelen van zelf tot harmonie komen.
-
-5. Van (het moment) dat Tao verdeeld was, kreeg Het een naam.
-
-6. Die naam, eenmaal bepaald zijnde, moet men zich weten in te houden.
-
-7. Wie zich weet in te houden komt in géén gevaar.
-
-8. Tao is verspreid in het Heelal.
-
-9. Alles keert tot Tao terug, als de bergstroomen tot de rivieren en
-zeeën.
-
-
-
-HOOFDSTUK XXXIII.
-
-1. Hij, die de menschen kent, is verstandig, maar hij, die zichzelf
-kent, is verlicht.
-
-2. Hij, die andere menschen overwint, is sterk, maar hij, die zichzelf
-overwint, is almachtig.
-
-3. Hij, die zich weet te matigen, is rijk, maar hij, die energiek is,
-heeft kracht van wil.
-
-4. Hij, die niet van zijn essentieele natuur afwijkt, zal lang leven,
-maar hij, die sterft, en toch niet verloren gaat, geniet het
-eeuwigdurend leven.
-
-
-
-HOOFDSTUK XXXIV.
-
-1. Hoe oneindig strekt Tao zich uit!
-
-2. Het kan naar links gaan, het kan naar rechts gaan.
-
-3. Alle wezens steunen op Tao om geboren te worden, en Het weigert
-géén.
-
-4. Als het werk volbracht is, noemt Tao het niet het Zijne.
-
-5. Het heeft alle wezens lief, en voedt ze, en beschouwt zich toch niet
-als hun Meester.
-
-6. Het is eeuwig zonder begeerte; men zou Het (dus) klein kunnen
-noemen.
-
-7. Alle wezens keeren er toe terug, en toch beschouwt Het zich niet als
-hun Meester, men zou Het (dus) groot kunnen noemen.
-
-8. Daarom doet de Wijze zijn geheele leven lang niet groot, en daardoor
-juist volmaakt hij zijne grootheid.
-
-
-
-HOOFDSTUK XXXV.
-
-1. Alle volken van het rijk stroomen toe naar hem, die de groote
-conceptie van Tao kan bevatten.
-
-2. Zij stroomen toe, en komen niet in gevaar, en hij zal ze tot rust en
-vrede brengen.
-
-3. Voor muziek en fijne gerechten houdt de voorbijgaande vreemdeling
-op.
-
-4. (Maar) als Tao uit onzen mond komt lijkt Het flauw en zonder smaak.
-
-5. Wij kijken er naar, en zien Het niet duidelijk; wij luisteren er
-naar, en hooren Het niet genoeg; wij willen Het (geheel) gebruiken,
-maar Het is onuitputtelijk.
-
-
-
-HOOFDSTUK XXXVI.
-
-1. Als een ding gaat contracteeren, moet het stellig oorspronkelijk
-expansie hebben gehad.
-
-2. Als een ding gaat verzwakken, moet het stellig eerst sterkte hebben
-gehad.
-
-3. Als een ding gaat vervallen moet het stellig eerst in bloei zijn
-geweest.
-
-4. Als iemand op ’t punt staat beroofd te worden, moet hem stellig
-eerst gegeven zijn.
-
-5. Dit noem ik een vage, en (tegelijk) heldere leer.
-
-6. Het zachte overwint het harde, het zwakke overwint het sterke.
-
-7. Visschen kunnen niet uit het water worden genomen; de instrumenten
-van de regeering kunnen niet aan het volk worden gegeven.
-
-
-
-HOOFDSTUK XXXVII.
-
-1. Tao is eeuwig Wu Wei, en toch is er niets, wat Het niet doet.
-
-2. Als koningen en vorsten Wu Wei konden blijven, zouden alle menschen
-zich hervormen.
-
-3. Als zij na die hervorming toch nog bewegen wilden, zou ik ze met het
-simpele Wezen dat geen naam heeft (Tao) bedwingen.
-
-4. Het simpele Wezen dat geen naam heeft bevrijdt ons van begeerte, en,
-vrij van begeerte, komen wij tot de Rust.
-
-5. En dan komt het Rijk van-zelf terecht.
-
-
-
-
-
-
-
-TWEEDE DEEL: TEH.
-
-
-HOOFDSTUK XXXVIII.
-
-1. De hoogste Deugd (Teh) is geen deugd, en is dáárom juist Deugd. De
-lagere deugd verliest niet (het idee) deugd, en is dáárom juist geen
-Deugd.
-
-2. De hoogste Deugd is Wu Wei, zonder er (expres) iets voor te doen. De
-lagere deugd is Wei (doende) en doet (alles) met opzet.
-
-3. De hoogste Menschlievendheid ageert, zonder er (expres) iets voor te
-doen; de hoogste Plichtmatigheid ageert, maar doet (alles) met opzet.
-
-4. De hoogste Li (Decorum) ageert, maar er is geen antwoord op. Zij
-wordt erkend door een beweging van den arm.
-
-5. Daarom, als Tao verloren is, komt daarna de deugd; als de deugd
-verloren is, komt daarna de menschlievendheid; als de menschlievendheid
-verloren is, komt daarna plichtmatigheid; als de plichtmatigheid
-verloren is komt daarna het decorum.
-
-6. Welnu, het decorum is maar de schors van rechtheid en waarheid, en
-het begin van verwarring.
-
-7. Het schijn-weten is maar de bloem van Tao, en het begin van domheid.
-
-8. Daarom houdt de wijze mensch zich aan wat substantieel en niet aan
-wat oppervlakkig is, aan wat reëel en niet aan wat mooie schijn is. Hij
-verwerpt het eene en langt naar het andere.
-
-
-
-HOOFDSTUK XXXIX.
-
-1. De dingen, die eertijds de Éénheid hebben verkregen zijn:
-
-de Hemel, die puur is door de Eénheid.
-
-de Aarde, die in rust is door de Eénheid.
-
-de Geesten, die spiritueel zijn door de Eénheid.
-
-de Valleien, die vol zijn door de Eénheid.
-
-de tienduizend Dingen die baren door Eénheid.
-
-de Prinsen en Koningen, die het voorbeeld der wereld zijn door hun
-Eénheid.
-
-Dát heeft de Eénheid voortgebracht.
-
-2. Als de Hemel zijn puurheid niet had zou hij dreigen uiteen te
-scheuren.
-
-Als de Aarde haar rust niet had zou zij gevaar loopen uiteen te
-barsten.
-
-Als de Geesten hun spiritualiteit niet hadden zouden zij gevaar loopen
-van optehouden te bestaan.
-
-Als de valleien niet gevuld werden, zouden zij gevaar loopen van te
-verdrogen.
-
-Als de tienduizend Dingen niet baarden zouden zij gevaar loopen uit te
-sterven.
-
-Als de prinsen en koningen trotsch waren op hun hoogheid, en niet het
-voorbeeld der wereld waren, zouden zij gevaar loopen van den troon te
-worden gestooten.
-
-3. Daarom, het aanzienlijke heeft zijn basis in het ordinaire, het
-hooge heeft zijne grondvesten in het lage.
-
-Daarom noemen de prinsen en koningen zich weezen, menschen van weinig
-verdienste, zonder deugd. Is dit niet omdat zij hun basis zien in het
-ordinaire, en terecht?
-
-4. Wie véél basissen heeft, heeft géén basis.
-
-5. De Wijze wil niet hooggeschat worden als jaspis, maar ook niet
-veracht als (gewone) steen.
-
-
-
-HOOFDSTUK XL.
-
-1. De beweging van Tao is terugkeer (tot zichzelf).
-
-Zachtheid is Zijne functie.
-
-2. Alle bestaan op de wereld is uit Zijn. Alle Zijn is uit Niet-Zijn.
-
-
-
-HOOFDSTUK XLI.
-
-1. Als superieure geleerden van Tao hooren, begaan zij Het (dadelijk)
-ijverig. Als middelmatige geleerden van Tao hooren, handhaven zij Het
-nú, en verliezen Het dán weer. Als inferieure geleerden van Tao hooren,
-lachen zij er hard om. Als zij er niet om lachten zou het Tao niet
-zijn.
-
-2. Daarom, een oud gezegde luidt: De verlichten in Tao zijn als
-duister; de vergevorderden in Tao zijn als achteruitgaande; zij, die de
-opperste deugd hebben zijn (laag) als een vallei; de uiterst reinen
-zijn als vuil; zij, die deugd in overvloed hebben, zijn alsof ze niet
-genoeg hebben; zij die (vast) gegrondveste deugd hebben, zijn als lui;
-zij, die waar en simpel zijn, zijn als verachtelijk.
-
-3. Als een groot vierkant zonder hoeken, als een groote vaas, die nog
-lang niet afgewerkt is, als een groot geluid, waarvan men den klank
-zelden hoort, als een groot beeld zonder vormen, zóó is (voor ons) Tao
-verborgen, en heeft geen naam.
-
-4. Het helpt de wezens en dingen en volmaakt ze.
-
-
-
-HOOFDSTUK XLII.
-
-1. Tao baarde één; één baarde twee; twee baarde drie; drie baarde alle
-dingen.
-
-Want alle dingen komen uit het duister tot het licht, en worden in
-harmonie gebracht door den adem der Natuur.
-
-2. Wat de menschen verafschuwen is te zijn weezen, menschen van weinig
-verdiensten, zonder deugd, en toch noemen koningen en hertogen zich zoo
-(als met een eerenaam).
-
-3. Daarom, wie zich vernedert zal verheven worden, en wie zich verheft
-zal vernederd worden.
-
-4. Wat de menschen leeren, dat leer ik ook.
-
-5. De geweldigen en tyrannen zullen geen natuurlijken dood sterven.
-
-6. Ik zal hen tot het voorbeeld van mijn leer nemen.
-
-
-
-HOOFDSTUK XLIII.
-
-1. Het allerzachtste in de wereld overwint het allerhardste.
-
-2. Het immaterieele dringt binnen in het ondoordringbare.
-
-3. Vandaar, dat ik het nut weet van Wu Wei.
-
-Er zijn er maar weinigen onder den Hemel die toe zijn aan de Leer
-zonder woorden, en aan het nut van Wu Wei.
-
-
-
-HOOFDSTUK XLIV.
-
-1. Wat is ons het naaste, onze naam of ons Zelf?
-
-Wat is ons het meeste, ons Zelf of onze rijkdommen?
-
-2. Wat is het ergste, ze te verkrijgen of ze te verliezen?
-
-3. Daarom is het, dat wie veel liefheeft, veel zal verkwisten.
-
-Wie veel (schatten) verbergt zal stellig veel verliezen.
-
-Wie genoeg weet te hebben zal niet onteerd worden. Wie weet (waar) op
-te houden zal niet ondergaan. Deze zal langen tijd bestaan.
-
-
-
-HOOFDSTUK XLV.
-
-1. (De Wijze) is ganschelijk volmaakt, en lijkt onvolmaakt; zijne
-middelen raken nooit op. Hij is ganschelijk vol en lijkt ledig; zijne
-middelen (bronnen) zijn nooit uitgeput. Hij is ganschelijk recht en
-lijkt krom. Hij is ganschelijk bekwaam en lijkt dom. Hij is zéér
-welsprekend en lijkt een stamelaar.
-
-2. De beweging overwint de koude, de rust overwint de warmte.
-
-3. Hij die puur en rustig is, wordt het voorbeeld van het rijk.
-
-
-
-HOOFDSTUK XLVI.
-
-1. Toen Tao in het rijk regeerde, zond men de vlugge paarden weg om ze
-op het land te gebruiken; toen Tao niet in het rijk regeerde, werden de
-krijgsrossen gefokt op de grenzen.
-
-2. Er is géén zoo groote misdaad als zich veel begeerten toe te staan;
-er is géén zoo groot ongeluk als niet genoeg weten te hebben; er is
-géén zoo groote ramp als (altijd) maar te willen krijgen.
-
-3. Daarom, hij die genoeg weet te hebben, is altijd tevreden, naar ik
-meen.
-
-
-
-HOOFDSTUK XLVII.
-
-1. Zonder mijn deur uit te gaan ken ik de wereld, zonder uit mijn
-venster te kijken zie ik den Weg des Hemels.
-
-2. Hoe verder gij uitgaat, hoe minder gij zult weten.
-
-3. Daarom, de Wijze komt er zonder te loopen, noemt de dingen zonder ze
-te zien, en volmaakt zich zonder actie.
-
-
-
-HOOFDSTUK XLVIII.
-
-1. Zich toeleggen op de studie is dagelijks „meer krijgen.” Zich wijden
-aan Tao is dagelijks „minder krijgen,” minder en minder, tot Wu Wei
-bereikt is.
-
-2. Wu Wei eenmaal bereikt, is er niets wat men niet kan doen, naar ik
-meen.
-
-3. Door altijd niets te doen kan men over het Rijk meester worden. Maar
-door te doen is men niet in staat, meester te worden van het Rijk.
-
-
-
-HOOFDSTUK XLIX.
-
-1. De Wijze heeft geen buitengewoon hart. Hij beschouwt het hart van
-het volk als het zijne.
-
-2. Ik ben voor de goeden goed. Voor de niet-goeden ben ik ook goed, om
-ze goed te maken. Ik geloof de oprechten. De niet-oprechten geloof ik
-ook, om ze oprecht te maken.
-
-3. De wijze in de wereld is voortdurend in vreeze dat de wereld zijn
-hart in verwarring zal brengen.
-
-4. De ooren en oogen der honderd families zijn op hem gericht, en hij
-beschouwt hen als kinderen.
-
-
-
-HOOFDSTUK L.
-
-1. De mensch komt uit het leven en gaat in den dood.
-
-2. Er zijn dertien dienaren van het leven en dertien dienaren van den
-dood.
-
-3. Als de mensch geboren is, bewegen hem ook al de dertien dienaren van
-den dood.
-
-4. Wat is hier toch wel de reden van? Dat hij te intens wil leven, en
-te veel vitaliteit verspilt.
-
-5. Ik heb hooren zeggen, dat hij, die zijn leven weet te regeeren,
-zonder gevaar langs een weg kan gaan, waar rhinocerossen en tijgers
-zijn, en in het leger kan treden zonder harnas of wapenen, want de
-rhinoceros zou geen plek kunnen vinden om zijn hoorn in te boren, de
-tijger geen plek om zijn klauwen in te slaan, de krijgsman geen plek om
-zijn zwaard in te steken.
-
-6. En hoe komt dat dan wel? Omdat hij niet blootgesteld is aan den
-dood.
-
-
-
-HOOFDSTUK LI.
-
-1. Tao brengt de dingen voort. Het brengt ze groot door Teh (Zijne
-manifestatie in hen). Het vormt ze door Zijne substantie. Het volmaakt
-ze door Zijne impulsie.
-
-2. Daarom, onder alle wezens is er geen, dat niet Tao vereert en Teh
-hoogacht.
-
-3. Die majesteit van Tao en die eerwaardigheid van Teh zijn niet aan
-hen gegeven, zij bezitten die eeuwig uit zichzelven.
-
-4. Daarom, Tao baart alle dingen, kweekt ze op, doet ze groeien, brengt
-ze groot, volmaakt ze, doet ze rijpen, voedt ze, beschermt ze.
-
-5. Te baren, en toch niet als eigendom te beschouwen, te formeeren, en
-dat toch niet als glorie te beschouwen, te regeeren, en toch vrij te
-laten,—dit noem ik de mysterieuze Deugd.
-
-
-
-HOOFDSTUK LII.
-
-1. De wereld heeft een begin, dat werd de Moeder der wereld.
-
-2. Als men de moeder bezit kent men daardoor hare kinderen. Als men
-hare kinderen kent en daarna de moeder behoudt, al sterft het lichaam
-weg, men heeft dan geen gevaar te duchten.
-
-3. Hij, die zijn mond sluit, en zijne oogen en ooren dichtdoet, zal
-zijn geheele leven lang niet (behoeven te) tobben. Hij, die zijn mond
-opendoet, en zich druk gaat maken, is niet (meer) te redden.
-
-4. Het kleine te zien heet verlicht zijn, zwakheid te handhaven heet
-sterk zijn.
-
-5. Als men gebruik maakt van de afschittering van Tao om daarna tot
-Zijn licht terug te keeren, heeft het lichaam geen ramp meer te
-vreezen.
-
-6. Dit noem ik dubbel verlicht zijn.
-
-
-
-HOOFDSTUK LIII.
-
-1. Als ik, bij toeval, eens een beetje kennis had, zou ik den grooten
-Weg bewandelen.
-
-2. Mijn vrees zou zijn, of ik (deze leer) wel zou kunnen verspreiden.
-
-3. (Want) de groote Weg is zeer vlak, maar het volk houdt van de
-zijpaden.
-
-4. Als de paleizen veel treden hebben, zijn de velden vol onkruid, en
-zijn de graanschuren ganschelijk ledig.
-
-5. De prinsen kleeden zich in schitterende gewaden, dragende een scherp
-zwaard; zij verzadigen zich aan (lekker) eten en drinken, en hebben
-schatten en goederen te over.
-
-6. Dit noem ik het voorbeeld geven van diefstal. Dit is niet zich
-toeleggen op Tao!
-
-
-
-HOOFDSTUK LIV.
-
-1. Hij, die goed weet te grondvesten, zal (zijn werk) niet ontworteld
-zien; hij, die goed weet vast te houden, zal niet laten ontglippen.
-
-2. Zijn zonen en kleinzonen zullen voor hem offeren zonder ophouden.
-
-3. Als de mensch Het betracht in zich zelven, zal zijn deugd reëel
-worden. Als hij Het betracht in zijne familie zal zijn deugd
-overvloedig worden. Als hij Het in zijn dorp betracht zal zijn deugd
-(vèr) verspreid worden. Als hij Het in zijn staat betracht zal zijn
-deugd rijk-bloeiend worden. Als hij Het in het Rijk betracht zal zijn
-deugd universeel worden.
-
-4. Daarom, naar zich zelf oordeelt men anderen, naar zijne familie
-oordeelt men andere familieën; naar zijn dorp oordeelt men andere
-dorpen; naar zijn staat oordeelt men andere staten; naar zijn Rijk
-oordeelt men andere (toekomstige) Rijken.
-
-5. Hoe weet ik dat het aldus met het Rijk is? (Juist) door Dit.
-
-
-
-HOOFDSTUK LV.
-
-1. Hij die een intenze deugd heeft gelijkt op een pasgeboren kind, dat
-de steken van venijnige insecten niet vreest, noch de klauwen van wilde
-beesten, noch den greep van roofvogels.
-
-2. Zijn beenderen zijn zwak, zijn pezen zijn week, en (toch) houdt het
-(de dingen) stevig vast.
-
-3. Het weet nog niet de gemeenschap der beide seksen en (toch) is er
-(al) wat actie in zijn geslachtsdeel. Dit is door de volmaaktheid van
-het semen.
-
-4. Het schreeuwt den ganschen dag en (toch) wordt zijn keel niet schor.
-Dit is (door) de volmaaktheid van de harmonie.
-
-5. Te weten wat harmonie is heet onveranderlijk (eeuwigdurend) zijn. Te
-weten wat onveranderlijk is heet verlicht zijn. Vermeerdering van leven
-heet zaligheid. De geest het lichaam besturende heet kracht.
-
-6. Vanaf het toppunt van kracht worden de dingen oud, dat wil zeggen,
-zij zijn niet gelijk aan Tao, en wat niet gelijk is aan Tao neemt een
-spoedig einde.
-
-
-
-HOOFDSTUK LVI.
-
-1. Zij die (Tao) weten spreken er niet over; zij die er over spreken
-weten Het niet.
-
-2. De Wijze doet zijn mond dicht, sluit oogen en ooren, haalt zijne
-hooge aspiraties neder, ontrafelt het verwarde, tempert het
-(verblindend) schitterende, en maakt zich gelijk aan het stof. Dit noem
-ik eene mystieke gelijkenis (met Tao).
-
-3. Gunst noch ongenade, voorspoed noch schade, geëerdheid noch
-verachting kunnen hem treffen.
-
-4. Daarom is hij de eerbiedwaardigste mensch onder den Hemel.
-
-
-
-HOOFDSTUK LVII.
-
-1. Met rechtheid regeert men den staat, met listen voert men oorlog,
-met Wu Wei wint men het Rijk.
-
-2. Hoe weet ik, dat het zoo met het Rijk is? Door dit:
-
-3. Hoe meer bangmakende verbodsbepalingen er in het rijk zijn, des te
-armer wordt het volk; hoe meer middelen tot productie van weelde het
-volk heeft, des te verwarder wordt de staat; hoe bekwamer en
-vernuftiger het volk is, des te meer artificiëele dingen worden er
-gemaakt; hoe rijker en klaarder de wet wordt, des te meer dieven en
-roovers er komen.
-
-4. Daarom zegt de Wijze: Ik ben Wu Wei en dan zal het volk zich vanzelf
-hervormen. Ik houd van de rust, en dan zal het volk vanzelf recht
-worden. Ik doe geen werk, en dan zal het volk vanzelf rijk worden. Ik
-heb geen begeerten, en dan zal het volk vanzelf (weer) eenvoudig
-worden.
-
-
-
-HOOFDSTUK LVIII.
-
-1. Als de regeering tolerant is, zal het volk schuldeloos zijn; als de
-regeering overal den neus in steekt, zal het volk telkens inbreuk op de
-wet maken.
-
-2. Falen is de basis van slagen; slagen is de basis van falen. Wie weet
-(van die twee) het uiterste?
-
-3. Voor den ongerechte lijkt gerechtigheid als vreemd, en goedheid als
-verdorvenheid.
-
-4. Waarlijk, de menschheid is gedompeld in dwaling, sinds menigen dag!
-
-5. Daarom, de Wijze is vierkant, zonder hoekig te zijn, is belangeloos
-zonder te kwetsen, is oprecht zonder overdreven stipt te zijn, is
-schitterend zonder te verblinden.
-
-
-
-HOOFDSTUK LIX.
-
-1. Om de menschen te regeeren en den Hemel te dienen gaat niets boven
-de gematigdheid.
-
-2. Gematigdheid is het allereerst noodige voor den mensch.
-
-3. Dit allereerst noodige noem ik eene zware opeenstapeling van deugd.
-Met eene zware opeenstapeling van deugd is er niets, wat hij niet
-verwezenlijken kan. Als er niets is, wat hij niet verwezenlijken kan,
-kent niemand de grenzen (van zijn macht). Als niemand de grenzen kent
-(van zijn macht) is hij geschikt om het rijk te regeeren.
-
-4. Die het oer-principe van het rijk bezit, zal lang blijven
-(regeeren). Dit is wat men noemt „een krachtigen en diep geplanten
-wortel hebben”. Dit is de leer van lang te leven.
-
-
-
-HOOFDSTUK LX.
-
-1. Om een groot rijk te regeeren moet men even zoo voorzichtig zijn als
-in ’t bakken van een klein vischje.
-
-2. Als men het rijk regeert met Tao zijn de kwade invloeden tot inactie
-gedwongen; niet dat zij hun macht verloren hebben, maar zij kwetsen de
-menschen niet. Niet alleen dat zij de menschen niet kunnen kwetsen,
-maar zelfs de Wijze kwetst de menschen niet.
-
-3. Noch de Wijze, noch de kwade invloeden kwetsen hen, daarom zullen
-hunne deugden samen ineenvloeien.
-
-
-
-HOOFDSTUK LXI.
-
-1. Een groot rijk moet zijn (nederig) als de groote stroomen, in welke
-zich de wateren van het rijk uitstorten.
-
-2. Het moet de vrouwelijke sekse navolgen, die juist door de rust
-(passiviteit) de mannelijke overwint. Die rust is eene vernedering.
-
-3. Daarom, als een groot rijk zich vernedert voor kleinere staten, zal
-het die kleinere staten winnen. Als de kleinere staten zich vernederen
-voor het groote rijk, zullen zij het groote rijk winnen.
-
-4. Daarom, de een vernedert zich om te krijgen, de ander om gekregen te
-worden.
-
-5. Wat een groote staat enkel moet willen is zich te vergrooten en uit
-te breiden, wat een kleine staat enkel moet willen is protectie, dan
-krijgen beide wat zij noodig hebben.
-
-6. Maar de grooten behooren zich te vernederen!
-
-
-
-HOOFDSTUK LXII.
-
-1. Tao is de veilige schuilplaats van alle dingen, de schat van de
-goeden, de steun van de slechten.
-
-2. Goede woorden kunnen ons tot voordeel zijn, en een eerwaardig gedrag
-kan ons boven de anderen verheffen.
-
-3. Hoe kan men het wegmaken, dat er slechte menschen zijn?
-
-4. Daarom heeft men een keizerschap gegrondvest en drie ministers
-ingesteld.
-
-5. Al houdt men in beide handen een jaspisstaf en gaat men vóór met een
-vierspan, het is beter te blijven zitten en vooruit te gaan in Tao.
-
-6. Hoe is het, dat de ouden Tao zoo vereerden? Is het niet, omdat men
-Het vanzelf vindt zonder den ganschen dag te zoeken, en omdat Het de
-misdaden vergeeft?
-
-7. Daarom is Tao het eerbiedwaardigste onder den Hemel.
-
-
-
-HOOFDSTUK LXIII.
-
-1. De Wijze doet Wu Wei, werkt aan géén werk, en savoureert wat zonder
-smaak is.
-
-2. Het groote en het kleine, het vele en het weinige zijn even
-gewichtig voor hem.
-
-3. Hij wreekt kwaad met goed.
-
-4. Als hij moeilijke dingen ontwerpt, begint hij met de gemakkelijke,
-als hij groote dingen wil doen, begint hij met de kleine.
-
-5. De moeilijke dingen onder den Hemel zijn stellig uit de gemakkelijke
-gemaakt, de groote dingen onder den Hemel zijn stellig uit de kleine
-gemaakt.
-
-6. Daarom, de Wijze zoekt geen groote dingen te doen, en daardoor juist
-volbrengt hij groote dingen.
-
-7. Lichtvaardig gedane beloften worden stellig zelden gehouden, en wie
-veel voor gemakkelijk houdt, ondervindt dat veel moeilijk is.
-
-8. Daarom, de Wijze vindt alsof alles moeilijk is, en daarom juist
-ondervindt hij nooit moeilijkheden.
-
-
-
-HOOFDSTUK LXIV.
-
-1. Dat, wat in rust is, is gemakkelijk te behouden in zijn toestand;
-dat wat nog niet verschenen is, is gemakkelijk te voorkomen; dat wat
-broos is, is gemakkelijk te breken; dat wat klein is, is gemakkelijk te
-verspreiden.
-
-2. Houdt het kwaad tegen vóór het bestaat, regeer wanorde vóór zij
-uitbarst.
-
-3. Een boom dien gij met beide armen (nauwelijks) kunt omvatten is
-gegroeid uit een vezeltje zoo fijn als een haar; een toren van negen
-verdiepingen is uit een klein hoopje aarde opgericht, en een reis van
-duizend li’s begint met een enkelen voetstap.
-
-4. Wie „doet” faalt, wie grijpt verliest (wat hij grijpt).
-
-5. Daarom, de Wijze is Wu Wei en faalt daarom niet, de Wijze grijpt
-niet en verliest daarom niet.
-
-6. Als het volk iets doet faalt het altijd als het op het punt is om te
-slagen.
-
-7. Zorg voor het einde zoowel als voor het begin, dan zult gij niet
-falen.
-
-8. Vandaar, de Wijze begeert géén begeerten te hebben, en hecht geen
-waarde aan moeilijk te verkrijgen dingen; zijn studie is géén studie en
-daardoor ontkomt hij aan de fouten der menschen. Hij laat alle dingen
-hun natuurlijken gang gaan, en komt niet tusschenbeide.
-
-
-
-HOOFDSTUK LXV.
-
-1. De Ouden, die Tao betrachtten, gebruikten Het niet om het volk
-verlicht te maken, maar om het simpel te houden.
-
-2. Het volk is moeilijk te regeeren omdat het zooveel weet.
-
-3. Hij, die een rijk regeert door het weten te vermeerderen, is de
-geesel van het volk; hij die niet met al dat weten het rijk regeert, is
-het geluk van het volk.
-
-4. Hij die deze beide dingen weet, is ook een voorbeeld (voor het
-rijk). Altijd een voorbeeld weten te zijn, noem ik de mystieke deugd
-(hebben). (Deze deugd) is diep, en vèr-reikend, en tegenovergesteld aan
-de (materieele) dingen!
-
-5. En daarna komt men tot den grooten vrede.
-
-
-
-HOOFDSTUK LXVI.
-
-1. Waarom kunnen de groote rivieren en zeeën de koningen zijn van alle
-stroomen? Omdat zij zich onder hen weten te houden, daarom kunnen zij
-de koningen aller stroomen zijn.
-
-2. Daarom, als de Wijze superieur wil zijn aan het volk, moet hij in
-zijn spreken ónder het volk blijven. Als hij voor het volk uit wil
-staan, moet hij zich op den achtergrond houden.
-
-3. Daardoor staat hij boven allen, en weegt (toch) niet zwaar op het
-volk, staat hij voor allen uit en kwetst (toch) het volk niet. Daardoor
-gehoorzaamt het rijk hem met vreugde, en wordt hem niet moede.
-
-4. Omdat hij allen strijd vermijdt is er niemand in het rijk, die met
-hem strijden kan.
-
-
-
-HOOFDSTUK LXVII.
-
-1. Allen in het rijk noemen mij groot, maar ik ben als gedegenereerd.
-Juist omdát ik groot ben, ben ik als gedegenereerd.
-
-2. Als ik daaraan (d.i. aan groot) gelijk ware.... reeds lang, naar ik
-meen, weet ik daar het kleine van.
-
-3. Welnu, ik heb drie schatten, die ik vasthoud en in eere houd. De
-eene heet Liefde. De tweede heet Zuinigheid. De derde heet Nederigheid.
-
-4. Door mijn liefde kan ik dapper zijn, door mijn zuinigheid kan ik
-veel geven, door mijn nederigheid kan ik de eerste zijn.
-
-5. Tegenwoordig verwerpt men de liefde en is (toch) dapper, verwerpt
-men de zuinigheid, en geeft (toch) veel uit, en verwerpt men de laatste
-plaats om (toch) de eerste te zijn.
-
-Dit leidt tot den dood, naar ik meen.
-
-6. Welnu, als men strijdt vervuld van liefde, overwint men, en als men
-iets verdedigt vervuld van liefde, zal men het behouden.
-
-7. De Hemel schenkt de gave van liefde aan hem, dien zij beschermen
-wil.
-
-
-
-HOOFDSTUK LXVIII.
-
-1. Hij, die een goed veldheer is, is niet krijgszuchtig. Hij, die een
-goed strijder is, is niet toornig. Hij, die een goed overwinnaar is,
-worstelt niet. Hij, die goed menschen (weet te) gebruiken, stelt zich
-onder hen.
-
-2. Dit noem ik de deugd die niet strijdt. Dit noem ik de kracht die de
-menschen weet te gebruiken. Dit noem ik met den Hemel samen één zijn.
-
-3. Dit was het opperste, waartoe de Ouden kwamen.
-
-
-
-HOOFDSTUK LXIX.
-
-1. Een veldheer zeide eens: Ik durf niet gastheer te zijn (d.i. aan te
-vallen); ik ben liever gast (d.i. defensief). Ik durf geen duim vooruit
-te gaan; ik ga liever een voet terug.
-
-2. Dit noem ik vorderingen maken zonder vooruit te gaan, terugslaan
-zonder de armen uit te strekken, vervolgen zonder dat er een vijand is,
-grijpen zonder wapenen.
-
-3. Er is geen grooter ramp dan den vijand (te) gering te achten. Den
-vijand gering te achten is bijna onzen schat verliezen.
-
-4. Als twee legers van gelijke kracht strijden, overwint dat leger dat
-de liefde heeft.
-
-
-
-HOOFDSTUK LXX.
-
-1. Mijne woorden zijn heel gemakkelijk te begrijpen, heel gemakkelijk
-te betrachten. Maar niemand in het rijk kan ze begrijpen, noch ze
-betrachten.
-
-2. Mijne woorden hebben een’ Oorsprong, mijne daden hebben een’ Meester
-(Tao). Maar de menschen weten dat niet, en daarom begrijpen ze mij
-niet.
-
-3. Zij, die mij kennen, zijn zeldzaam. Dat is (juist) mijne
-eerwaardigheid, naar ik meen.
-
-4. Daarom, de Wijze trekt grove wollen kleederen aan, en verbergt zijn
-edelsteenen in zijn boezem.
-
-
-
-HOOFDSTUK LXXI.
-
-1. Te weten dat wij niet weten is superieur. Niet te weten en denken te
-weten is de ziekte der menschen.
-
-2. Als men om deze ziekte lijdt zal men haar ontkomen.
-
-3. De Wijze heeft deze ziekte niet, (juist) omdat hij er het lijden van
-weet. Dáárom is hij er niet ziek van.
-
-
-
-HOOFDSTUK LXXII.
-
-1. Als het volk niet vreest wat te vreezen is, zal dat, wat te vreezen
-is, tot hem komen.
-
-2. Vindt uwe woning niet te nauw, walg niet van uw levenslot.
-
-3. Nu, ik walg niet van het mijne, daarom boezemt het mij geen walging
-in.
-
-4. Daarom, de Wijze kent zichzelf, maar zonder gezien te willen worden;
-hij heeft zich zelf lief, maar zonder zich hoog te stellen. Hij
-verwerpt het eene, en langt naar het andere.
-
-
-
-HOOFDSTUK LXXIII.
-
-1. Hij, die zijn moed aanwendt om te durven, vindt den dood, maar hij,
-die moed (genoeg) heeft om niet te durven, zal leven.
-
-2. Van deze twee dingen is het eene nuttig, het andere schadelijk.
-
-3. Wie weet de reden als de Hemel iets haat?
-
-4. Daarom, de Wijze is alsof hij alles moeilijk vindt.
-
-5. De Tao van den Hemel is niet te strijden en (toch) goed te
-overwinnen, niet te spreken, en (toch) goed geantwoord te worden, niet
-op te roepen en (toch) de menschen vanzelf te doen komen.
-
-6. Hij lijkt stil, maar maakt goed plannen.
-
-7. Het net van den Hemel is (eindeloos) groot; zijn mazen zijn ver van
-elkaar, maar niemand ontsnapt er aan.
-
-
-
-HOOFDSTUK LXXIV.
-
-1. Als het volk den dood niet vreest, hoe het dan schrik aan te jagen
-met den dood?
-
-2. Als het volk voortdurend den dood vreesde, en er waren slechten, dan
-zou ik die grijpen en ter dood brengen, en wie zou dan nog durven?
-
-3. Er is altijd een Opperrechter om den doodstraf op te leggen. Hij,
-die in plaats van dien Opperrechter wil dooden, is als een, die in
-plaats van den timmerman hout gaat kappen.
-
-4. Onder hen, die in plaats van den timmerman hout gaan kappen, zijn er
-maar weinigen, die niet hun vingers snijden.
-
-
-
-HOOFDSTUK LXXV.
-
-1. Het volk heeft honger, omdat zijn vorst veel belastingen heft.
-Dáárom heeft het honger. Het volk is moeilijk te regeeren, omdat zijn
-Heer (te veel) doet. Dáárom is het moeilijk te regeeren. Het volk schat
-den dood gering, omdat het te intens zoekt te leven.
-
-2. Maar hij, die niets doet om te leven, is wijzer dan hij die het
-leven (bovenmatig) hoogschat.
-
-
-
-HOOFDSTUK LXXVI.
-
-1. Als de mensch geboren wordt is hij zacht en zwak, als hij sterft is
-hij stijf en sterk. Als het gras en de boomen geboren worden zijn zij
-soepel en teêr, als zij sterven zijn zij droog en schraal.
-
-2. Stijfheid en sterkte zijn de volgelingen van den dood, zachtheid en
-zwakheid zijn de volgelingen van het leven.
-
-3. Daarom, als een leger sterk is overwint het niet, als de boom sterk
-is wordt hij omgehakt.
-
-4. Wat sterk en groot is, is inferieur, wat zacht en zwak is, is
-superieur.
-
-
-
-HOOFDSTUK LXXVII.
-
-1. De Tao van den Hemel is als het spannen van een boog, dat het hooge
-naar de laagte brengt, en het lage verheft, dat afneemt van wat te
-veel, en toevoegt aan wat te weinig is.
-
-2. De Tao van den Hemel is om af te nemen van wat te veel, om toe te
-voegen aan wat te weinig is.
-
-3. Maar de Tao van de menschen is om af te nemen van wie (al) niet
-genoeg hebben, en toe te voegen aan wie (al) te veel hebben.
-
-4. Wie is in staat om wat hij over heeft aan de wereld te schenken?
-Alleen hij, die Tao heeft.
-
-5. Daarom, de Wijze doet (goed) maar steunt er niet op; als zijn werk
-volbracht is hecht hij er zich niet aan, en hij wenscht niet zijn eigen
-eerwaardigheid te doen uitkomen.
-
-
-
-HOOFDSTUK LXXVIII.
-
-1. Niets in de wereld is zachter en zwakker dan het water, en toch is
-er niets, dat het overtreft in het breken van wat hard is. Daarom is er
-niets, dat water evenaart. Het zachte overwint het harde, het zwakke
-overwint het sterke.
-
-2. Er is niemand in de wereld, die dit niet weet, maar niemand kan het
-in toepassing brengen.
-
-3. Daarom zegt de Wijze: Hij, die de schande van het rijk op zich nemen
-kan, is (geschikt om) Heer van het rijk (te zijn); hij, die de rampen
-van het rijk op zich nemen kan, is (geschikt om) koning van het rijk te
-zijn.
-
-4. Dit zijn ware woorden, die contradicties schijnen.
-
-
-
-HOOFDSTUK LXXIX.
-
-1. Als een groote twist beslecht is, blijft er stellig (altijd) nog wat
-vijandigheid over. De kwestie is, hoe dit nu goed te maken.
-
-2. Daarom, de Wijze bewaart de linkerzijde van het contract, en eischt
-niets van de anderen.
-
-3. Wie deugd heeft zorgt voor geven, wie geen deugd heeft zorgt voor
-eischen.
-
-4. De hemelsche Tao heeft geen lievelingen, maar is toch altijd mild
-voor de goeden.
-
-
-
-HOOFDSTUK LXXX.
-
-1. Als ik over een kleinen staat regeerde met een weinig volk zou ik,
-al waren er wapenen voor tientallen of honderdtallen, die (toch) niet
-gebruiken.
-
-2. Ik zou maken, dat het volk den dood vreesde, en niet emigreerde.
-
-3. Al waren er schepen en wagenen, men zou er niet ingaan.
-
-Al waren er kurassen en wapenen, men zou ze niet aandoen.
-
-4. Ik zou maken dat het volk terugkeerde tot het gebruik der geknoopte
-koorden.
-
-5. Het volk zou zoet genieten van zijn eten, zou zijn kleederen mooi
-maken, rust hebben in zijn woning, en vreugde scheppen in zijn simpele
-zeden.
-
-6. Al lag een naburige staat vlak over den mijnen, zoodat de honden en
-hanen aan weerszijden elkanders geluid konden hooren, mijn volk zou oud
-worden en sterven zonder er gemeenschap mede te hebben gehad.
-
-
-
-HOOFDSTUK LXXXI.
-
-1. Ware woorden zijn niet mooi; mooie woorden zijn niet waar.
-
-2. Zij, die goed zijn, zijn niet welsprekend, zij, die welsprekend
-zijn, zijn niet goed.
-
-3. Zij, die (Tao) kennen, zijn niet geleerd; zij, die geleerd zijn,
-kennen (Tao) niet.
-
-4. De Wijze stapelt niet op (wat hij bezit). Hoe meer hij gebruikt om
-de menschen te helpen, des te meer heeft hij over; hoe meer hij den
-menschen geeft, des te rijker wordt hij.
-
-5. De Weg des Hemels is: wèl te doen en niet te schaden. De Weg des
-Menschen is: te handelen, maar niet te strijden.
-
-
-
-
-
-
-
-TAO TEH KING.
-
-(NOTEN.)
-
-EERSTE DEEL: TAO.
-
-
-HOOFDSTUK I.
-
-1. Dat het tweede Tao in den chineeschen tekst van den eersten zin
-„zeggen” beteekent wordt bevestigd door meer dan één chineeschen
-commentator, door het te omschrijven door „met den mond zeggen”.
-
-2. Van iets, dat eeuwig en onvergankelijk is, kan natuurlijk niet
-gezegd worden dat het is of niet is, daar deze tegenstellingen alleen
-betrekking kunnen hebben op sterfelijke dingen.
-
-Als abstractie, te subtiel voor woorden, zou men het kunnen noemen:
-„het Begin van Hemel en Aarde”, en, beschouwd met betrekking tot zijn
-oorsprong van alle dingen, als Zijn, kan men het noemen: „de Moeder van
-alle Dingen”.
-
-3. „Niet zijn” (Wu Yiu) beteekent hier „vrij zijn van alle aardsche
-begeerten” en „zijn” beteekent hier „in aardsche begeerte zijn”.
-
-
-
-HOOFDSTUK II.
-
-1. De hoofdbedoeling van dit hoofdstuk is aan te toonen, dat alle
-dingen alleen gekend worden door hunne contrasten.
-
-Lao Tszʼ vond het gevaarlijk, het „goed” en „mooi” vinden, want goed en
-mooi moeten dat van-zelf zijn. De mensch moet „mooi” en „goed”
-vergeten, en van-zelf „Wu Wei” zijn, volgens het natuurlijke rythme,
-hem door Tao gegeven.
-
-Aan het slot heb ik eenige teksten onvertaald gelaten, omdat ik niet
-kan vermoeden wat zij beteekenen, en ook geen der bestaande versies
-aannemelijk acht. En er maar iets van maken wilde ik niet.
-
-
-
-HOOFDSTUK III.
-
-5. Zooals Stanislas Julien terecht opmerkt, beteekent dit niets anders
-dan „Hij brengt het volk tot zijnen primitieven (natuur) staat terug.”
-
-7. De natuurstaat is van-zelf Wu Wei, en daarin gaat alles vanzelf zijn
-juisten gang.—
-
-Men vergelijke dit geheele hoofdstuk met in de „Imitation de Jésus
-Christ”: „Dès que l’homme convoite une chose désordonnément, aussitôt
-il devient inquiet en lui même. L’Orgueilleux et l’avare ne sont jamais
-en repos. Le pauvre et l’humble en esprit vivent dans la plénitude de
-la paix.” (Chap. VI. trad. L. Moreau.)
-
-
-
-HOOFDSTUK V.
-
-1. Alle wezens hebben van Tao dezelfde impulsie, hetzelfde rythme
-gekregen, en deze impulsie doet het geheele Heelal vanzelf zijn
-natuurlijken gang gaan. Daarom gaat het niet aan, te veronderstellen,
-dat de Hemel en de Aarde nog eens eene aparte affectie voor enkele
-wezens zouden hebben.
-
-2. Zoo ook met den Wijze, die alle menschen gelijkelijk liefheeft, en
-niet nog eens apart den een boven den ander.
-
-3. Tao is als ledig, en toch onuitputtelijk, en hoe meer het beweegt,
-hoe meer kracht het voortbrengt.
-
-4. Hoe meer woorden men gebruikt om Tao uit te drukken, des te eerder
-raakt men uitgeput, en bereikt toch niet zijn doel. Daarom is het beter
-het midden te bewaren, d.i. Wu Wei te zijn.
-
-
-
-HOOFDSTUK VI.
-
-1. Deze mystieke chineesche uitdrukking beteekent heel eenvoudig, dat
-Tao is als de geest van eene vallei, even als een vallei ledig en toch
-bestaande, eene figuurlijke uitdrukking voor „eene diepte van ziel” die
-niet sterft, maar eeuwig is, eene onvergankelijke ziele-oneindigheid.
-Dit is de mystieke Moeder, uit wie alle dingen worden geboren.
-
-2. Dit beteekent eenvoudig, dat alles en allen uit Tao geboren zijn,
-dus hebben Hemel en Aarde hun oorsprong in Tao.—
-
-4. Dan zal namelijk alles van-zelf gaan, Wu Wei.—
-
-
-
-HOOFDSTUK VII.
-
-1. „Hemel en Aarde duren lang” omdat dit hun natuur is, n.l. Tszʼ Jan
-(van-zelf), zonder dat zij er iets voor doen (Wei). Zij leven niet met
-het doel, toch vooral voor zichzelf te zorgen.
-
-2. Zoo ook moet de Wijze niet aan zichzelf, zijn (egoïstisch) Ego
-denken, maar zich absorbeeren in Tao. En dáár één mede, is hij dan
-vanzelf al vér vóór de anderen.
-
-3. Letterlijk staat er „hij doet zijn lichaam (hier in den zin van
-„zijn Zelf”) buiten zich” enz.—Zijn éénige doel is één zijn met Tao.
-
-5. Terwijl hij dus zijn (onreëel) eigenbelang schijnbaar verwaarloost,
-heeft hij zijn (éénige, reëele) belang, het één zijn met het Absolute,
-toch eigenlijk volmaakt.
-
-
-
-HOOFDSTUK VIII.
-
-2. De menschen trachten in hun eerzucht zoo hoog mogelijk in de
-maatschappij te stijgen, verachtend het lage; maar het water (en ook de
-Goedheid) stroomt naar de laagten en diepten.
-
-5. Er is verschil van gevoelen tusschen de chineesche commentators of
-hier „de Wijze” of „Tao” bedoeld wordt. Ik méén de Wijze. Met het „op
-de goede plaats wonen” wordt bedoeld, dat hij geen bizondere keuze
-heeft, en het nederige hem tevreden stelt. Met „menschlievendheid”
-liefde voor allen, géén bizondere voor enkelen. Met „goed regeeren” het
-tot rust en vrede brengen van het rijk, zoodat het volk van-zelf goed
-werd. Met „bewegen op den rechten tijd” wordt bedoeld, dat hij alles
-precies doet (b.v. ambt aanvaarden, ontslag nemen, enz.) als het moment
-het op dat oogenblik zoo meêbrengt, en het in de natuurlijke orde ligt.
-
-6. Lao Tsz’s discipel Chuang Tszʼ vergeleek den mensch, die in Tao
-leeft, met een ledige boot. Géén schipper zou in woede ontsteken tegen
-een ledige boot, als hij daarmede toevallig in aanvaring kwam.
-
-
-
-HOOFDSTUK IX.
-
-1. Letterlijk staat er „aan twee zijden (een vaas) vasthouden en (haar)
-te vullen is niet zoo goed als er mede uit te scheiden.” De bedoeling
-is figuurlijk n.l. dat het veel beter is, iets niet te doen dan het
-door te zetten in het wilde, en niet van uitscheiden te weten.
-
-2. Dit is eveneens figuurlijk. Het laatste zou misschien ook wel kunnen
-beteekenen „zal men zichzelf niet lang goed kunnen bewaren,” dus „zal
-men zich wonden.”
-
-4. Voor „na zich sleepen,” staat lett. „nalaten.”
-
-5. Als het werk volbracht is, zal de Wijze, het onwezenlijke er van
-inziende, zich terugtrekken, en streven naar het éénig wezenlijke, naar
-Tao.
-
-Ik teeken hierbij aan, dat waar ik hier en in volgende noten van
-„letterlijk” spreek men dit om zoo te zeggen niet „letterlijk” moet
-opvatten, daar er in ’t chineesch geen letters zijn. Ik bedoel dan „het
-dichtst bij de bedoeling en opvolging der karakters komende.”
-
-
-
-HOOFDSTUK X.
-
-1. Alexander vertaalt dit met „He who makes the investigation of his
-spiritual nature his chief object” enz. St. Julien met „L’âme
-spirituelle doit commander à l’âme sensitive” enz. Beiden, evenals ik,
-hebben iets in den tekst moeten veranderen en verplaatsen.
-
-2. De ongetemde vitale kracht leidt n.l. tot woestheid en
-losbandigheid.
-
-Het „als een pas geboren kind” zijn duidt aan een zuivere gevoeligheid
-voor indrukken, en het volkomen puur zijn, zonder verwarring, van het
-spiritueele.
-
-5. Letterlijk staat er voor „de processen van de natuur”: „het openen
-en sluiten van de deuren des Hemels,” en wel deze operaties precies op
-de juiste tijden gedaan.
-
-7. Het is niet recht duidelijk of Tao hier het onderwerp is dan wel de
-Wijze.
-
-
-
-HOOFDSTUK XI.
-
-1. In den ouden tijd had een wiel dertig spaken, correspondeerende met
-de dertig dagen van de maan (Lo Tchin Kong en Julien).
-
-2. Julien vertaalt „C’est pourquoi l’utilité vient de l’être, l’usage
-vient du non-être.” Alexander door „however beneficial the material may
-be, without the immaterial it would be useless.” Giles vindt dit
-geheele hoofdstuk zoo absurd, dat hij het niet eens vertaalt, en zegt:
-„This chapter is beneath contempt.”
-
-De commentator Peh Yü Sjen van een mijner edities zegt nog van den
-laatsten zin: „Dat ik dit lichaam van mijne ouders kreeg is voordeel”
-en vergelijkt dan het immaterieele met „het eeuwig behouden van den
-Oorsprong, de eeuwige natuur, voor welke geen in- of uitwendig
-bestaat.”
-
-
-
-HOOFDSTUK XII.
-
-1. „De vijf kleuren” zijn blauw, geel, rood, wit en zwart. Er zal hier
-wel bedoeld zijn „alle kleuren,” in ’t algemeen.
-
-„De vijf tonen” zijn de chineesche tonen, „kung, shang, kioh, chʼi en
-yü.”
-
-De vijf smaken: „zoet, scherp, zuur, zout, bitter.”
-
-3. Letterlijk staat er „zijn binnenste vullen,” in den zin van „vullen
-met spiritueele dingen” en „ledigen zoowel van animale dingen als van
-belemmerende affecties.”
-
-4. Men vergelijke Thomas à Kempis „Imitation de Jésus Christ”:
-„Travaille donc à retirer ton cœur de l’amour des choses visibles pour
-te porter aux invisibles. (Livre I, Ch. I, trad. L. Moreau.)
-
-
-
-HOOFDSTUK XIII.
-
-1. Er is in verschillende edities van den Tao Teh King geen
-overeenstemming wat de volgorde van eenige karakters in dit hoofdstuk
-aangaat. Zóó geven enkele commentators voor den tweeden volzin:
-„geëerdheid en groote rampen zijn als het lichaam”.—De hoofdidee blijft
-echter dezelfde. Peh Yü Shen teekent bij dit nummer aan: „De van-zelve
-(d.i. natuurlijke) toestand van het hart (hier meer in den zin van
-ziel) is zonder glorie of vernedering.”
-
-2. Is men bij den vorst in hooge gratie, dan is men in vreeze, dat men
-haar niet behoudt, en is men in degradatie, dan is men in vreeze, dat
-het misschien nooit weer beter kan worden.
-
-3. Peh Yü Shen teekent hierbij aan: „Ben ik Ik, dan heb ik ook een
-lichaam, ben ik niet Ik, dan heb ik ook geen lichaam”. M.a.w. men moet
-vrij zijn van alle begeerten en behoeften van het lichaam, en geheel
-opgaan in Tao; dan kunnen rampen ons niet meer bereiken.
-
-4. Dezelfde commentator zegt: „het Ik vergeten, en de wereld vergeten,
-dit is de reëele en Tszʼ Jan (van-zelve) toestand van den Hemel”.
-
-5. Wie het vorst-zijn in ’t geheel niet als iets bizonder glorieus’
-beschouwt, maar zich eigenlijk veel liever van alles terugtrok, om zich
-geheel over te geven aan Tao, zóó iemand zou alleen als vorst geschikt
-zijn, en zich nooit te buiten gaan aan eerzucht, haat, enz. Een
-commentator maakt de vergelijking er bij: „Het hart (de ziel) is de
-Vorst, het lichaam is het rijk.”
-
-
-
-HOOFDSTUK XIV.
-
-1. Rémusat, Strauss en nog anderen zagen in deze drie woorden „I” „Hi”
-en „Wei” een verbastering voor „Jehovah” en groot was de verrassing
-toen men hoorde, dat de chineezen vóór onze jaartelling reeds van
-Jehovah afwisten. Er is echter geen kwestie van, of deze woorden hebben
-den zin, die ik hier gebruik, evenals zij in authentieke commentaren
-voorkomen. Julien en Legge hebben het ook nooit geloofd. De bedoeling
-is: „Tao is kleurloos, aphoon, en onstoffelijk.”
-
-2 en 3. Wat deze drie dingen zijn is niet met woorden uit te drukken,
-omdat zij met niets zijn te vergelijken, en ook niet van elkaar te
-onderscheiden. Samen geven zij het immaterieele aan van Tao.
-
-4. Omdat het onstoffelijk is, is het ook niet, als alle stoffelijke
-dingen van boven meer verlicht dan van onderen. Het kan licht noch
-schaduw hebben.
-
-5. Het Niet-Zijn, hierin voorkomend, is het voor ons Niet-Zijn, daar
-wij alleen stoffelijke, met de zintuigen waar te nemen dingen Zijn
-noemen. Maar, hooger denkend, is dit Zijn reëel, want niet
-eeuwigdurend, en onderhevig aan geboorte en dood, terwijl het
-zoogenaamde Niet-Zijn eigenlijk het éénige reëele, eeuwigdurende Zijn
-is.—Een vorm, die vergaat (als die van alle sterfelijke dingen) is
-eigenlijk geen vorm, evenmin als een beeld, dat weer uitgewischt wordt
-een beeld is, dat uit-zich-zelf eeuwig bestaat. Tao is voor ons
-onzichtbaar, dus voor ons beeldeloos en vormeloos. Maar Tao bestaat uit
-zich-zelf eeuwig, en daarom belichaamt Tao eigenlijk het éénige reëele
-beeld, den éénigen reëelen vorm.
-
-6. Tao heeft verder begin noch einde, verleden noch toekomst.
-
-7. Het Tao weten van de Oudheid is weten, dat er oorspronkelijk geen
-leven en dood is, dat er geen leven en dood als reëele dingen bestaan.
-Het Begin van het Oude weten is weten, dat er geen verleden of toekomst
-bestaat voor Tao, dat, voor hem, die in Tao opgaat, het heden morgen en
-het morgen heden is, daar Tao alleen reëel in en nooit vergaat,
-vermindert of vermeerdert.
-
-
-
-HOOFDSTUK XV.
-
-1. Deze volzin is een verwijt tegen de filosofen in Lao Tsz’s tijd, die
-wanhopig waren, als zij miskend en onbekend bleven. De filosofen uit de
-Oudheid waren één met Tao, en, evenals Tao zelf, schenen zij voor de
-gewone menschen als gering, subtiel en duister, en drongen toch in
-alles door.
-
-3. Het doorwaden van een stroom in den winter symboliseert hier een
-groote moeilijkheid, waar men niet lichtvaardig aan begint. Het als
-gast zijn beteekent zich mindere voelen en reverend zijn.—Het
-versmelten als ijs in water symboliseert het terugkeeren van het
-lichaam om te vergaan in Tao.—Als onbewerkt hout zijn is in den
-natuurlijken staat zijn, zonder fraaiigheid.—Het ledig zijn als een
-vallei symboliseert het vrij zijn van alle begeerten en stoffelijke
-aantrekkingen.—Het vaag zijn duidt aan, dat zij zich volstrekt niet als
-bizonder verlicht voordeden, maar dat de menschen hen als troebel en
-duister vonden, en dachten, dat zij onwetend waren, daar zij zich niet
-boven hun gewone dingen trachten te verheffen.
-
-4. Iedere beweging maakt de ziel onzuiver, evenals een beweging in
-water. Alleen door volkomen kalmte blijven de ziel en het water helder
-en puur.—Gedachten, begeerten, affecties, deze bewegen de ziel, en
-alleen rust en kalmte houden haar rein.
-
-5. Wat vol is, loopt spoedig over, en verandert dus, of vermindert. Tao
-is van een natuur, dat er niets bij kan of af kan gaan, dat het grooter
-of kleiner maakt. Peh Yü Shen vergelijkt hier direct de ziel met Tao
-door te zeggen: „Tao kan niet uitgeput worden, de ziel kan niet
-uitgeput worden.”
-
-De filosofen van den nieuwen tijd, dacht Lao Tszʼ, wilden altijd maar
-vol schijnen, vol glorie en geleerdheid. Die der Oudheid waren
-oogenschijnlijk als ledig, maar bleven dan ook altijd hetzelfde, in
-Tao.
-
-
-
-HOOFDSTUK XVI.
-
-1. „Ledig” beteekent hier weer „ledig van begeerten en egoïsme”.—Ik heb
-hier letterlijk vertaald, waar Johnson, minder getrouw, maar misschien
-duidelijker heeft: „Whoso has wholly ceased from self shall find
-immovable rest”.
-
-„Het ledig en de ruste”, zegt Sie Hoei hierbij, „zijn de wortel (basis)
-van onze natuur” (Julien).
-
-4. Met „Leven” wordt hier bedoeld het Leven zooals het oorspronkelijk
-is, het eeuwige leven, zonder passies, van Tao. En dit is voor ieder te
-bereiken, daar het de oorsprong van zijne natuur is. Alle beweging
-ontstaat uit en is geworteld in rust.
-
-6. Wie niet weet wat eeuwigdurend is houdt zich op met voorbijgaande
-verschijningen, en leeft van sterfelijke hartstochten, die hem
-ongelukkig maken, omdat zij niet reëel zijn.
-
-7. Hier doet Lao Tszʼ wat ook Confucius deed: het exalteeren van den
-Wijze, en hem één verklaren met den Hemel (zie Confucius’ „Choeng
-Yoeng”). Alleen hij, die de hoogste rechtvaardigheid bezat, was volgens
-Lao Tszʼ en Confucius waard koning te zijn, en over allen zonder
-onderscheid zijne weldaden te verspreiden.
-
-8. Volgens enkele commentators moet de laatste zin luiden: „tot aan den
-dood is er voor hem geen gevaar”.—Ik kan hier niet met hen medegaan.
-Johnson vertaalt hier gelijk ik; Julien echter niet.—Johnson haalt bij
-dit hoofdstuk de volgende twee schoone teksten aan uit de Vedanta:
-„Those who know the Supreme Brahma become even Brahma”, en „When He is
-known as the nature of every thought, than immortality is known”.
-
-
-
-HOOFDSTUK XVII.
-
-1. Lao Tszʼ bedoelde, dat vroeger de regeering zoo van-zelf (Tszʼ Jan),
-zoo „Wu Wei” ging, doordat de Vorsten in Tao leefden, dat er niets
-bizonders behoefde gedaan te worden, doordat alles van-zelf ageerde, en
-zóó wist het volk alleen van de vorsten, dat zij bestonden.
-
-2, 3, en 4. Dit is een voorlooper van Hoofdstuk XVIII. Het verval wordt
-erger en erger, zoodra alles niet meer „Wu Wei” is. In plaats van
-natuurlijke dingen kwamen wetten, die dan veinzerij veroorzaakten, enz.
-enz.
-
-5. Zoo de vorsten strenge wetten noodig hadden in plaats van natuurlijk
-vertrouwen in het volk, vertrouwde het volk hen ook niet meer.
-
-7. Alles „Wu Wei” gaande, was er ook niets bizonders aan als alle zaken
-gelukten en er voorspoed was. Dit was niet anders dan „Tszʼ Jan”,
-vanzelf.
-
-
-
-HOOFDSTUK XVIII.
-
-1. Toen het volk nog in Tao leefde was er vanzelf liefde van de
-menschen onder elkaar, was er vanzelf geen strijd en misdaad. Alles was
-Wu Wei. Vanzelf was er dus ook geen begrip Menschlievendheid en geen
-begrip Gerechtigheid. Zoodra die kwamen, was Tao al verlaten.
-
-2. De vorst, die in Tao leefde, regeerde Wu Wei (zie het vorige
-Hoofdstuk), en behoefde geen bizondere slimheid te gebruiken; deed hij
-dit, dan ging het volk dat met dezelfde wapenen te keer, en de
-Huichelarij ontstond.
-
-Johnson geeft: „With the sharpening of the wits come trickery and
-sham.”—Ik ga in dezen eerder mede met Thi We Tszʼ, The Thsing en
-Julien, die dit gezegde betrekking doen hebben op de regeering (in
-verband dus met het vorige hoofdstuk).
-
-3. Van ouds was er vanzelf harmonie in de familie (lett. staat er: „de
-zes bloedverwanten” d.i. vader—zoon, oudere broeder—jongere broeder, en
-man—vrouw). Het was Wu Wei, natuurlijk. Toen er Hiao (liefde voor de
-ouders) en Tszʼ (hier: liefde voor de kinderen) kwamen was de harmonie
-natuurlijk niet meer natuurlijk bestaande.
-
-4. Johnson zegt hiervan terecht: „The call for examples of this kind is
-a sign. Lao Tszʼ is showing that what causes the boast or claim of
-special virtues is the consciousness of self, the absence of
-spontaneous goodness in an old traditioned state of society beset by
-formulas and prescriptions.”
-
-
-
-HOOFDSTUK XIX.
-
-In verband met het vorige hoofdstuk is dit negentiende duidelijk
-genoeg. Véél beter dan te weten achtte Lao Tszʼ het, zijn
-oorspronkelijken natuurstaat te behouden.
-
-In den natuurstaat is men, volgens Lao Tszʼ, vanzelf (Tszʼ Jan) wijs,
-filantropiesch en knap, maar zonder het te weten, onbewust, en zijn die
-dingen dus een onbewuste realiteit. Zoodra men ze echter met namen gaat
-noemen, als iets bizonders, ontaardt die realiteit in een schijn.
-
-Men vergelijke dit Hoofdstuk en ook het volgende met Hoofdstuk 3 uit de
-„Imitation de Jésus Christ.” O.a. „L’humble connaissance de toi-même
-est une voie plus sûre pour aller à Dieu que les profondes enquêtes de
-la science,” en „Combien périssent par la vaine science dans le siècle,
-insouciants du service de Dieu.” (trad L. Moreau.) Treffend is ook de
-gelijkenis met Hoofdstuk 2 uit hetzelfde boek. O.a. „Tout homme désire
-naturellement savoir; mais la science, sans la crainte de Dieu, que
-produit-elle? Certainement, l’humble paysan qui sert Dieu vaut mieux
-que le philosophe superbe qui, négligeant son âme, observe le cours des
-astres.” Dit slaat ook op den eersten tekst van het volgende Hoofdstuk
-XX.
-
-
-
-HOOFDSTUK XX.
-
-5. Ik vertaal hier „kalm” bij gebrek aan beter woord. Het karakter
-„poh” beteekent „ankeren, ten anker liggen”, wat Alexander wel wat
-vrij, maar zeer schoon doet vertalen: „I am as a solitary ship at
-anchor on an unknown shore”. De commentator The Thsing merkt bij den
-laatsten zin op: „Ik ben als een vaartuig, welks kabeltouw is
-gebroken”.
-
-6. Lao Tszʼ meent met „alles verloren”: „alle aardsche dingen verloren,
-maar het ééne, Tao, behouden. Ik heb een chaos van verwarring”, daar
-„tun” beteekent „het neerstorten van een stroom, chaotisch, verward”
-(Wells Williams.) Julien, op gezag van Sie Hoeï, vertaalt met
-„dépourvue de connaissances, ignorant” deze herhaling „tun tun”.
-
-9. Dit correspondeert met in Hfdst. I: „Als Zijn kan men Het noemen de
-Moeder aller dingen”.
-
-Ik heb na 2 een zin uitgelaten, luidende: „Voor dat, wat de menschen
-vreezen, mogen wij niet onbevreesd zijn”, daar deze mij geheel buiten
-het verband van dit zoo schoone hoofdstuk leek te liggen.
-
-
-
-HOOFDSTUK XXI.
-
-1. Hier gebruikt Lao Tszʼ „Deugd” (Teh) voor Tao. Letterlijk staat er
-niet „manifestatie”, maar „uiterlijk, voorkomen, vorm”. In het tweede
-deel van dit werk zal ik nader over deze verwisseling spreken.—Tao
-heeft geen lichaam, maar in circulatie in het heelal noemt Lao Tszʼ het
-Teh (Deugd), zoodat Teh (Deugd) de manifestatie van Tao is (Sou Tszʼ
-You).
-
-2. Tao, met andere woorden, is de essence, het transcendentale,
-mystieke, eeuwige Wezen van alle sterfelijke lichamen en dingen.
-
-Julien voegt hier bij: „In medio ejus est spiritus”.
-
-De onfeilbare getuigenis van het Wezen dier spiritueele essence is dat
-zij onsterfelijk is, terwijl ál het andere buiten haar sterft.
-
-3. Het karakter, dat dit „geboorte geven” uitdrukt, bevat een poort.
-Julien zegt er, op den commentator Sie Hoeï afgaande, bij: „Lao Tszʼ
-vergelijkt hier Tao met een poort, waar alle wezens uitkomen om in het
-leven te gaan.”
-
-
-
-HOOFDSTUK XXII.
-
-2. „Het” is hier Tao.
-
-5. Volgens anderen „Als iemand het volmaakte bereikt heeft, keeren
-allen tot hun oorspronkelijken staat van eenvoud terug”.
-
-
-
-HOOFDSTUK XXIII.
-
-1. Zooals ik reeds in mijn vorige werk, over Confucius, zeide, is Tszʼ
-Jan: „van-zelf, natuurlijk”. Sie Hoeï merkt hierbij aan, wat ik ook
-reeds vroeger opmerkte vóór dit te lezen, dat Tszʼ Jan in Lao Tszʼ
-gelijk is aan Wu Wei.
-
-5. Dit is weer iets uit het verband, of het geloof hebben zou moeten
-slaan op het gelooven in de woorden van dit hoofdstuk, wat ik niet
-waarschijnlijk vind.
-
-
-
-HOOFDSTUK XXV.
-
-2. Ik vertaal hier „tsih” met rustig-kalm, omdat het zoowel rustig als
-kalm beteekent, en dit eigenlijk nog gecombineerd met „eenzaam”.—En
-„liao”, dat „leeg, stil” beteekent, vertaal ik, evenals Julien, op
-gezag van eenige chineesche commentators, met „onstoffelijk”.
-
-4. Lo Tchin Kong voegt hier aan toe: „De warmte van de zon verbrandt
-Het niet, de vocht beschimmelt Het niet. Het gaat door alle lichamen en
-is aan geen enkel gevaar blootgesteld” (Julien).
-
-5. Vergelijk Hoofdstuk I, 2.
-
-6 en 7. Deze teksten zijn wel het duidelijkste bewijs, dat Tao hier
-niet, als in Confucius, kan vertaald worden en in Lao Tszʼ geen „Weg”
-of „Pad” beteekent. Met „een karakter” wordt hier bedoeld „een
-chineesch schriftteeken.”
-
-10. „Ver” hier meer in den zin van „die ver gaat, die in de verte gaat,
-als in de grieksche werkwoorden τηλέπορος, μακροπορος (Julien).
-
-14 en 15. Op Tao komt dus alles neer, en wie koning wil zijn kan dus
-niet buiten Tao.
-
-
-
-HOOFDSTUK XXVI.
-
-1. „Beweging” hier vooral als haastige, overijlde beweging. De geleerde
-commentator Peh Yü Shen van een mijner edities, die heel korte, maar
-treffende commentaren geeft, merkt bij dezen tekst op: „Het hart is de
-wortel (lett. voorvader) van alle dingen, en Tao is het eigenlijke
-Wezen van het hart”.
-
-3. Peh Yü Shen merkt hier bij op: „Het hart gaat buiten de dingen”.
-
-4. Vele commentators meenen dat met dezen „Heer van tienduizend
-wagenen” de Keizer wordt bedoeld. Peh Yü Shen ziet er echter weder „het
-hart” in.
-
-
-
-HOOFDSTUK XXVII.
-
-Dit Hoofdstuk is een der duisterste uit het geheele werk, wat de
-constructie der chineesche zinnen aangaat, en heeft, zoowel van
-chineesche als europeesche zijden, tot de meest verschillende en
-uiteenloopende verklaringen aanleiding gegeven. Ik zou dan ook niet
-gaarne volhouden dat mijne vertaling hier onfeilbaar is.
-
-1. Deze eerste tekst lijkt mij duidelijk genoeg. Ik ga hier gaarne mede
-met den commentator Shun Yang van een mijner chineesche edities, die
-hier in ziet de verheffing van Wu Wei (van-zelf doen) boven Wei
-(onnatuurlijk doen). Alles wat Wu Wei gedaan wordt, staat er
-figuurlijk, is onvernietigbaar.
-
-Vroeger rekende men met bamboe-tabletjes.
-
-2. Het „daarom” hier lijkt mij niet logisch te volgen in zinsverband
-met het vorige.
-
-3 en 4. Deze teksten zijn zeer duister in het chineesch, zoodat ik niet
-kan instaan voor de vertaling. Ik heb hier „yaou miao” met „teh Tao”,
-eene mystieke uitdrukking voor „de Al-Wijsheid, het Al-Weten”,
-vertaald, op gezag van Shun Yang.
-
-
-
-HOOFDSTUK XXVIII.
-
-1. De „vallei” is een geliefkoosd beeld van Lao Tszʼ om uit de drukken
-het lage, nederige, waar toch alles zich aan onderwerpt en zich in
-uitstort.
-
-
-
-HOOFDSTUK XXIX.
-
-1 en 2. Alleen met „Wu Wei” is het rijk te regeeren. De grondvesten van
-het rijk zijn de diviene principes van Tao, dus dingen, die van-zelf,
-natuurlijk uit Tao voortvloeien. Alleen door dus „Wu Wei” te zijn, d.i.
-in alles gehoorzaam aan het rythme van Tao, is een goede regeering
-mogelijk.
-
-4. De bedoeling is, dat de vorst aan de zoo verschillend aangelegde
-menschen vrijheid moet laten om hun eigen natuur te volgen, maar ze
-niet met alle geweld anders moet maken dan ze zijn.
-
-
-
-HOOFDSTUK XXXI.
-
-3. De eereplaats is ook thans nog bij de chineezen de linkerzijde. De
-gast zit ter linkerzijde van den gastheer.
-
-6. Letterlijk staat er niet „verblijdt hij er zich niet over” maar
-„vindt hij het niet mooi”.
-
-12. Als in den ouden tijd een generaal een veldslag gewonnen had, nam
-hij den rouw aan, en ging hij in den tempel, in rouwkleederen, weenende
-de ceremonieën der dooden verrichten.
-
-
-
-HOOFDSTUK XXXII.
-
-1. Zie de noot bij Hfdst. XXV 6 en 7.
-
-3. Letterlijk staat er niet „zich onderwerpen” maar „zouden alle dingen
-(d.i. de geheele creatie) hun gasten zijn.”
-
-5. Toen Tao, het (schijnbaar) zoo simpel-kleine (want
-één-in-zich-zelve), zich verdeelde (verspreidde), ontstond de creatie.
-
-6. Dit beteekent hier „De creatie eenmaal ontstaan zijnde,” dus ook „de
-wezens eenmaal uit Tao geboren zijnde”. „Inhouden” is hier „zich aan
-Tao houden,” zich niet door de actie van begeerten, hartstochten enz.
-laten medesleepen.
-
-De commentator Peh Yü Shen van een mijner edities, wiens uitstekende,
-geserreerde commentaren ik reeds menigmaal aanhaalde, ziet bij tekst 3
-in de „koningen en hertogen” slechts een symbolieke uitdrukking voor
-„het hart”, in „de tienduizend dingen” de geheele creatie en in „het
-volk” een uitdrukking voor „het lichaam.” In „het verspreiden van Tao”
-ziet hij eene verborgen beteekenis voor „het zich verdeelen van Tao in
-de menschelijke harten.” Zoodat hij in dit Hoofdstuk eigenlijk de
-bedoeling ziet, dat als het hart slechts Tao behoudt, en daar nooit
-buiten gaat, het lichaam ook vanzelf tot rust en harmonie komt, en het
-hart dan de gastheer, de Meester is over alle wezens en dingen in de
-creatie, die als zijne gasten zijn. Ik teeken hierbij aan dat „hart” in
-’t chineesch dikwijls synoniem is met ziel.
-
-
-
-HOOFDSTUK XXXIII.
-
-4. Letterlijk staat er: „hij, die niet verliest wat hij gekregen
-heeft,” dus hij, die niet van zijne essentieele natuur afwijkt, zal
-lang leven.
-
-De bedoeling van den geheelen tekst, zooals vele chineesche commentaren
-haar dan ook geven, zal wel deze zijn: „Het animale leven vergaat, maar
-de ziel blijft altijd.”
-
-
-
-HOOFDSTUK XXXIV.
-
-Men vergelijke dit Hfdst. met Hfdst. X.
-
-8. Men vergelijke in Thomas à Kempis’ „Imitation de Jésus Christ”:
-„Vraiment grand est celui qui en soi-même est petit et tient pour néant
-tout faîte d’honneur.” (Ch. 3.)
-
-
-
-HOOFDSTUK XXXVI.
-
-6. Daar het uitgezette gaat contracteeren, het sterke verzwakken, het
-bloeiende vervallen, enz., zoo is het ook duidelijk, dat het zachte het
-harde overwint.
-
-7. Het verband van dezen tekst met het vorige is mij niet recht
-duidelijk. Mijn commentator zegt dat „visschen kunnen niet uit het
-water worden genomen” eene symbolische uitdrukking is voor „de ziel kan
-niet buiten Tao gaan”.
-
-
-
-HOOFDSTUK XXXVII.
-
-1. Johnson ziet hier eene analogie met Hegel en zegt: „The analogy with
-Hegels theses of the development of the Idea, in itself, and for
-itself, of the logic of the movement of the spirit, and of progress as
-the identity of being and nought,—is obvious. The German philosopher
-has formulated for the West the same conceptions which are here
-instinctive and intuitive in the East. Lao-Tse combines with them a
-profoundly religious spirit, and a sense of personal liberty through
-cognition of the universal, as rare as it is admirable”.
-
-3. Niet zeer getrouw aan den tekst, maar toch karakteristiek vertaalt
-Giles: „Smouldering ambition I would repress by extreme simplicity”.
-
-4. Het is niet duidelijk of deze tekst misschien niet beter vertaald
-ware met: „Het simpele Wezen, dat geen naam heeft, heeft geen begeerte,
-en geen begeerte hebbende, is Het in rust”.
-
-
-
-
-
-TWEEDE DEEL: TEH.
-
-
-
-HOOFDSTUK XXXVIII.
-
-Dit hoofdstuk is een van de moeilijkste van het geheele werk, en iedere
-vertaler heeft weer een andere versie. De meesten nemen „teh”
-verkrijgen voor „teh” deugd, maar dit behoeft hier in ’t geheel niet.
-Wie goed heeft gelezen wat ik in mijn Voorwoord over vertalingen uit
-het chineesch heb gezegd, zal begrijpen, hoe weinig het verschil in
-zinswending enz. er toe doet, mits het hoofdidee maar juist is.
-Verscheidene vertalers hebben, op eigen beter weten, den chineeschen
-tekst veranderd, en er een eigen chineeschen tekst van gemaakt. Toch
-lijkt mij de hoofdbedoeling vrij duidelijk, in verband met den geheelen
-geest van de Tao Teh King. Een zin uit Chuang Tszʼ: „Het hoogste Geluk
-is geen geluk” correspondeert er mede.
-
-1 en 2. De hoogste Deugd is van-zelf, uit Tao, is dus Wu Wei. Maar
-zoodra men, deugdzaam zijnde, het idee heeft: „dit is nu deugd,” dan is
-het al geen Deugd meer, dan krijgt men den schijn voor de realiteit,
-den naam voor het ding zelf.
-
-3. De hoogste Menschlievendheid doet goed van-zelf, omdat zij niet
-anders kan, uit haar natuur. Zoodra er het idee „dit is mijn plicht”
-bijkomt, wordt het al onzuiver.
-
-4. Hier ga ik mede met de van alle anderen afwijkende vertaling van
-Giles. Deze zin komt mij ietwat misplaatst voor in het hoofdstuk. De
-bedoeling schijnt te zijn: „De ware Liʼ is de Liʼ van het hart, meer
-als een ding van zelf-respect gedaan dan als respect voor anderen. En
-hierop kan natuurlijk geen antwoord zijn behalve de uitwendige en
-zichtbare gebaren.”
-
-5. Dit correspondeert met de dingen in Hoofdstuk XVIII. Decorum (Liʼ)
-is hier blijkbaar genomen in den lageren zin van alleen het uiterlijke
-decorum, dat slechts een oppervlakkig ding is als de schors van een
-boom.
-
-7. Met het „schijn-weten”, letterlijk „vooraf-weten”, wordt hier
-bedoeld het geleerde, buitenissige weten van allerlei bizondere dingen,
-zonder het ware al-wetten in Tao, dus het oppervlakkige weten van den
-schijn der dingen, zonder het wezen te kennen.
-
-
-
-HOOFDSTUK XXXIX.
-
-1 en 2. De hoofdbedoeling hiervan is, te doen voelen, dat alle wezens
-en dingen hunne verschillende naturen hebben te danken aan één ding,
-Tao, de Eenheid. Die Eenheid is de basis van alle uiterlijk zoo
-verschillende dingen. Zonder die Eenheid zou de Hemel niet puur zijn,
-de Aarde niet in rust, enz. enz.
-
-3. De hoogheid en gedistingeerdheid der vorsten hebben tot basis de
-laagheid en gewoonheid van het volk. De koningen geven zich uit
-bescheidenheid die lage titels om te doen uitkomen, dat zij hun
-oorsprong hebben gehad in het volk.
-
-4. Letterlijker staat er, véél wielen, géén wagen. De bedoeling is
-duidelijk in verband met het vorige over de Eénheid.
-
-
-
-HOOFDSTUK XL.
-
-1. Deze zin correspondeert met wat ik in mijne Inleiding zeide, n.l.
-dat niet alleen alle dingen uit Tao zijn voortgekomen, maar hun tevens
-eene natuurlijke, van-zelve beweging is medegegeven, die hen
-onvermijdelijk weder naar Tao terugvoert. Zich op die beweging in
-gehoorzaamheid te laten meêgaan is, volgens Lao Tszʼ, de hoogste
-levenswijsheid, is Wu Wei zijn.
-
-2. Zie Inleiding en Hfdst. I.
-
-2. Het „daarom” schijnt niet in direct logisch verband met het vorige
-onder 1 te staan. De bedoeling is verder duidelijk genoeg, n.l. dat de
-verlichten in Tao, in stede van trotsch te zijn, nederig blijven enz.
-enz. De meeste vertalers hebben verder: „Hij, die de opperste deugd
-heeft, enz. wat op hetzelfde neerkomt. In den tekst staat alleen,
-zooals ik heb, „de opperste deugd,” „de groote reinheid” enz.
-
-3. Het volgende, ook al weer niet in direct verband met het vorige,
-slaat weer op Tao.
-
-
-
-HOOFDSTUK XLII.
-
-1. Tao vóór de creatie, éénig in-zich-zelf, bestaande was er natuurlijk
-niet eens het begrip één. Tao baarde één. Eén verdeelde zich in twee,
-en wel de principes Yin (vrouwelijk, rust, duister), en Yang
-(mannelijk, beweging, licht). De chineesche filosofie van de „I King”
-leert dat door de verbinding in harmonie—dit is dus drie, de
-harmoniesche samensmelting van Yin en Yang—dezer twee principes alle
-dingen ontstaan zijn. Eén ontstond zoodra Tao zich naar buiten
-manifesteerde, twéé zoodra één zich verdeelde in Yin en Yang, en drie
-zoodra de harmonie ontstond tusschen die twee.
-
-Onnoodig te zeggen dat zendelingen in dezen tekst een chineesche
-uitdrukking voor de Drieëenheid hebben gezocht!
-
-2–6. Dit volgt alweer niet in direct verband met het vorige, maar is
-een tekst apart.
-
-
-
-HOOFDSTUK XLIII.
-
-1. Men vergelijke dit met het nog te volgen Hoofdstuk LXXVIII, waarin
-Lao Tszʼ spreekt van water, dat, hoe zacht ook, het hardste kan
-vernietigen.
-
-2. Letterlijk staat er „Het Niet-Zijn dringt binnen in waar geen
-opening is”.
-
-3. Juist zooals het immaterieele het ondoordringbare doordringt, zoo
-overwint ook Wu Wei, de zuivere ziele-actie, álle andere actie, die
-niet uit de zuivere ziel komt.
-
-
-
-HOOFDSTUK XLIV.
-
-3. „Liefheeft” neme men hier in den lageren zin van passies, begeerten
-hebben. Hij, die zoo liefheeft, zal veel van zijn beste goed
-verkwisten.
-
-2. De bedoeling zal wel zijn die van Li Si Tchaï, door Julien
-overgenomen, dat de beweging, die de koude overwint door warm te maken,
-en de rust, die de warmte overwint door te verkoelen, beide hun grenzen
-hebben. Maar als de mensch Wu Wei is, zoekt hij niet te overwinnen, en
-daardoor kan ook niets hém overwinnen.
-
-3. Letterlijk staat er „puurheid en rust zijn het rechte van de
-wereld”.
-
-
-
-HOOFDSTUK XLVI.
-
-1. Letterlijk staat er: „Toen het rijk Tao had” enz. De commentator Peh
-Yü Shen neemt dezen tekst figuurlijk, en ziet in het rijk het hart, in
-de paarden de hartstochten en begeerten. Ik geloof met anderen dat men
-hier den tekst evengoed in letterlijken zin kan nemen.
-
-
-
-HOOFDSTUK XLVII.
-
-Men zou dit hoofdstuk in ’t kort kunnen verklaren door: „Alles moet van
-binnen, niet van buiten komen. Het hoogste weten wordt alleen bereikt
-door zelf-contemplatie, en de oorsprong van alle weten is in de eigen
-ziel”.
-
-
-
-HOOFDSTUK XLVIII.
-
-1. Met „minder krijgen” is natuurlijk bedoeld „minder verlangens,
-begeerten, aardsche dingen krijgen.”
-
-2. De woordspeling is hier alweer eigenaardig. „Als Wu (niets) Wei
-(doen) bereikt is, is er niets (Wu) wat men niet kan doen (Wei). Ik leg
-er nog eens den nadruk op voor de zóóveelste maal, en kan dit niet
-genoeg doen, dat „Wu Wei” volstrekt niet zoo maar beteekent inactie,
-indolentie, of niets doen, maar zooals ik in de Inleiding duidelijk
-maakte, „niets tegen Tao in doen”, dus „zich bewegen, en doen, zuiver
-en geheel volgens het rythme van Tao dat (zie Hoofdstuk XL weer) naar
-Tao terugvoert. En dat met „doen” wordt bedoeld „onnatuurlijk, aardsch
-gedoe van begeerten en verlangens”.
-
-
-
-HOOFDSTUK XLIX.
-
-1. Letterlijk staat er „geen eeuwig (onveranderlijk) hart”. Hart hier
-ook in den zin van „gevoelens”.
-
-2. Van de juiste vertaling, hoe mooi die ook klinken moge, ben ik hier
-lang niet zeker. Ik heb hier „Teh” deugd moeten vervangen door „teh”
-verkrijgen, maken, eene verwisseling die in het oude chineesch veel
-voorkomt, en die ook o.a. Giles e.a. en veel chineesche commentators
-maken. Anderen behouden Teh als deugd, en vertalen dan aan het slot van
-den zin: „Dit is het toppunt van de deugd”, waarvan „toppunt” echter
-niet in den tekst staat. Weer andere chineesche commentaren zien in
-dezen tekst niet anders dan ongenaakbaarheid, alsof Lao Tszʼ wilde
-zeggen dat goeden en slechten, oprechten en niet-oprechten voor hem
-hetzelfde waren, iets wat ik niet kan aannemen.
-
-3. Ook van deze vertaling ben ik niet zeker. Evenmin van die van
-Julien: „Le Saint vivant dans ce monde reste calme et sincère et
-conserve les mêmes sentiments pour tous”. Hij vat „hwun”, d.i. verward,
-vuil, chaotisch, op als „het geheel, allen”. Beide beteekenissen staan
-o.a. in Wells Williams’ dictionnaire. Maar „calme et sincère” voor
-„tieh” vreesachtig, verlegen, bezorgd, kan ik niet aannemen.
-
-4. „De honderd families” is eene uitdrukking voor „het volk”.
-
-
-
-HOOFDSTUK L.
-
-2. Wie die dertien dienaren (sommigen vertalen „dienaren”, anderen
-„oorzaken”) zijn, is niet recht duidelijk. De eene chineesche
-commentator zegt dat het zijn 13 deugden (als b.v. zuiverheid,
-zwakheid, nederigheid, zachtheid, armoede, enz.), die van ’t leven, en
-13 ondeugden (b.v. onzuiverheid, rijkdom, kracht, hoogheid, zucht om
-uit te blinken, enz.), die van den dood. De ander (b.v. Han Fei Tszʼ)
-zegt dat de beide dertien identiek zijn, n.l. de vier leden, de mond,
-de oogen, de neus, enz. die in ’t leven gebruikt worden en toch naar
-den dood leiden.—Maar ik zou niet durven zeggen, wie nu eigenlijk de
-dertien zijn.
-
-4. Dat „te intens leven” is hier „zijne hartstochten opzweepen, en zoo
-zijn levenskracht verspillen”.
-
-5–6. Met „zijn leven regeeren” bedoelt Lao Tszʼ hier „Wu Wei” worden,
-het spiritueele tot het hoogste opvoeren.—Hij, die alleen in ’t
-spiritueele leeft, heeft als ’t ware geen lichaam meer, en is dus niet
-meer blootgesteld aan den dood, die alleen ’t lichaam treft.—Johnson
-vergelijkt deze regelen terecht met Markus XVI, 18: „Slangen zullen zij
-(die gelooven) opnemen; en al is het dat zij iets doodelijks zullen
-drinken, het zal hun niet schaden”.
-
-
-
-HOOFDSTUK LI.
-
-1. Ik herinner aan wat ik in de Inleiding uitlegde, n.l. dat Lao Tszʼ
-Tao, in-zich-zelf beschouwd, Tao noemde, en dat hij Teh noemde: Tao als
-gemanifesteerd zijnde in de creatie.
-
-Ik heb hier eene vrijheid genomen. Letterlijk staat er: „Tao brengt de
-dingen voort, Teh brengt ze groot”.—Ik nam mijne vrije vertaling om nog
-eens goed te doen uitkomen wat Teh is.
-
-5. Met dit „vrij laten” wordt bedoeld, dat Tao niet, zooals b.v. een
-koning, nog eerst krachtige wetten behoeft te maken, en hen voortdurend
-onder bedwang houdt, maar hen hun natuur laat volgen.
-
-Immers, als ze maar Wu Wei zijn, is alles vanzelf goed.
-
-Johnson vergelijkt den eersten tekst, 1, met den schoonen tekst uit de
-Prasna Upanishad. „As the birds to a tree, so all beings repair to the
-supreme Soul”.
-
-
-
-HOOFDSTUK LII.
-
-1. Vergelijk Hoofdstuk I. 2.
-
-2. De moeder is hier Tao, hare kinderen de door Hem gecreëerde wezens
-en dingen. Hij, die weet hoe de wereld gecreëerd is, en waaruit zij is
-ontstaan, vreest natuurlijk den dood van zijn lichaam niet.
-
-3. Voor „druk maken” (lett. staat er „zijn zaken redden”) hebben
-sommigen eene uitdrukking voor „zijne begeerten vermeerderen” gezien.
-
-4. Het kleine, d.i. het subtiele.
-
-5. Deze tekst is niet heel duidelijk. De uitlegging van een chineesch
-commentator Lüi Kie Fou, ook door Julien aangehaald, komt mij vrij
-aannemelijk voor. Volgens dezen is zij „hij, die gebruik maakt van de
-afschittering van Tao om de menschen en dingen te leeren kennen en zich
-aan hen te onttrekken, en dan weer terug keert tot het licht van Tao
-zelf, om tot de absolute rust te komen, zal niet in rampen komen”. Maar
-dubieus blijft het.
-
-
-
-HOOFDSTUK LIII.
-
-1. Hier hebben wij weer een voorbeeld, dat Tao gewoon Weg, of Pad
-beteekent, als zoo dikwijls in Confucius.—Hier dus, het Pad, de Weg van
-Tao, het Pad, waarin men gaat (en dit is door Wu Wei te zijn) als men
-in Tao leeft. Wells Williams, in zijn dictionnaire dit hoofdstuk
-aanhalende, spreekt van „the way of truth” in dit geval.
-
-2. Door er een karakter bij te voegen, krijgen vele vertalers, er een
-dat „doen” beteekent (Wei), achterplaatsende dézen zin: „wat ik vrees,
-is om te ageeren”. Maar, het karakter zoo latende, krijg ik mijne
-versie, die toch ook aannemelijk is, en wèl in verband met het
-volgende.
-
-3. „Vlak” ook in den zin van „eenvoudig”.
-
-4. „Veel treden hebben”, d.i. dus hoog gelegen zijn, mooi en weelderig
-zijn.
-
-6. Een zoo groot geleerde als keizer Khang Hi volgende, heb ik hier,
-zooals hij in zijn beroemd „Khang Hi’s Woordenboek” deed, hier in deze
-passage het karakter „ting” bijgevoegd, waardoor ik deze versie kreeg.
-Letterlijk staat er „dit noem ik zich beroemen op diefstal”.
-
-Het geheele hoofdstuk, bemerkt men, is eene tirade tegen de toen ter
-tijde regeerende vorsten, die Tao verzaakten in de regeering van het
-rijk.—Het „de groote Weg” in den eersten volzin is een der voornaamste
-argumenten van velen, dat Lao Tsz’s „Tao” met „Weg” zou moeten vertaald
-worden.—Maar dat het karakter Tao hier even „Weg” beteekent, daaruit
-volgt nog volstrekt niet, dat het dit per se nu ook overal elders moet
-beteekenen.
-
-
-
-HOOFDSTUK LIV.
-
-1. „Grondvesten”, d.i. hier „grondvesten op Tao”. „Vast houden”, d.i.
-hier „de beginselen van Tao goed vasthouden”.—Vergelijk in Confucius,
-Choeng Yoeng, Hfdst. VIII, blz. 88.
-
-3. „Het” is hier weer „Tao”.—De opvolging van zich-zelf, zijne familie,
-zijn dorp, zijn staat, zijn Rijk, doet hier aan een ideeëngang van
-Confucius denken. Vergelijk „Confucius, Ta Hioh”, Hfdst. I, 5 en 6,
-blz. 148.
-
-Sommige vertalers lezen hier voor „teh” niet overal deugd, maar de
-gevolgen dier deugd, en krijgen dan o.a. „Hij, die Het in zijn dorp
-betracht, zal „de bevolking (daarvan)” vermeerderd zien”.
-
-5. „Door Dit”, d.i. door Tao.
-
-
-
-HOOFDSTUK LV.
-
-1. D. i. „Hij die in Tao leeft”.
-
-4. Indien menschen schreeuwen van pijn of van pleizier, wordt de keel
-schor, en is er geen harmonie in dien mensch. In het kind is de
-volkomen harmonie der vitale krachten.
-
-5. Zie Hfdst. XVI.—Verlicht is hier synoniem met wijs. Letterlijk staat
-er „het hart de vitale energie besturende”.
-
-6. Zie Hfdst. XXX.
-
-
-
-HOOFDSTUK LVI.
-
-2. Letterlijk staat er „sluit zijn deuren”, maar volgens verscheidene
-chineesche commentators beteekenen die deuren hier „oogen en ooren”.
-
-3. Ik vertaal hier „hij haalt zijn hooge aspiraties neder”, maar
-letterlijk staat er, als in Hfdst. IV: „Het verstompt zijn
-scherpte”.—Men lette op de woordelijke gelijkenis met Hfdst. IV, waar
-Tao het onderwerp is. Deze gelijkheid van uitdrukking maakt de
-gelijkenis nog sterker.
-
-
-
-HOOFDSTUK LVII.
-
-1. Men denke er vooral om, wat ik reeds zoo herhaaldelijk releveerde,
-dat „Wu Wei” niet zoomaar niets-doen beteekent.
-
-3. Herbert Giles vertaalt de laatste zinsnede kernachtiger, maar minder
-getrouw aan den tekst: „Overlegislation increases crime”.—Denkt men bij
-dezen tekst niet onwillekeurig aan den ontzaglijken berg folio’s van
-Staatsbladen, die een ambtenaar in Ned.-Indië moet kennen?
-
-4. Men versta hier in dit speciale geval „de Wijze, die een vorst is”.
-Met „géén werk” wordt bedoeld „geen militaire expedities, groote
-ondernemingen”, enz.
-
-
-
-HOOFDSTUK LVIII.
-
-1. „Shun” is hier zoowel puur als eerlijk, ongemengd, zuiver.—Ik heb
-mijn commentator Peh Yü Shen gevolgd, die een ander klassenhoofd voor
-het karakter geeft dan er staat. Anderen, het oorspronkelijke
-behoudend, krijgen „rijk, liberaal”.
-
-2. Letterlijk staat er „ongeluk is de basis van geluk” enz.
-
-3. Julien en anderen hebben: „Si le prince n’est pas droit, les hommes
-droits deviendront trompeurs, et les hommes vertueux pervers”.
-
-
-
-HOOFDSTUK LIX.
-
-2. Op autoriteit van keizer Khang Hi neem ik, evenals Julien, hier een
-kleine vrijheid met het woord „fuh”. Letterlijk staat er dan
-„Gematigdheid is de eerste zaak van den mensch”.
-
-4. Letterlijk staat er „Wie de moeder van het rijk bezit”.
-
-In den laatsten volzin komt Tao hier voor in den zin van „leer”.
-
-
-
-HOOFDSTUK LX.
-
-1. Letterlijk staat er: „Het regeeren van een groot rijk is als ’t
-bakken van een klein vischje”. Ik vertaalde vrijer, om beter de
-bedoeling te doen uitkomen.
-
-2–3. De rest van dit hoofdstuk is vrij duister. De tekst spreekt hier
-van „kwei” (zie „kwei-shin” in Confucius blz. 100), maar mij dunkt dat
-Lao Tszʼ die niet kan bedoeld hebben, en daarom nam ik „kwade
-invloeden”.
-
-4. Dit is niet erg duidelijk.
-
-
-
-HOOFDSTUK LXII.
-
-1. „De steun van de slechten”, omdat de slechten er altijd weer op
-kunnen steunen om goed te worden.
-
-3. Dit is een heel lastige zin door de woordschikking in het chineesch.
-Daarom geef ik hier twee andere versies er bij. Julien geeft n.l.: „Si
-un homme n’est pas vertueux, pourrait-on le repousser avec mépris?”
-Alexander: „By what means is it possible to get rid of the effects of a
-mans vileness?”
-
-4. Het keizerschap en de ministers zijn n.l. juist ingesteld om er voor
-te zorgen dat de slechten beter worden en
-
-5. daarvoor is het allereerst noodig dat zij zelf Tao betrachten, en
-niet dat zij praal maken met jaspisstaven (teekenen van waardigheid der
-hooge mandarijnen) en vierspannen.
-
-
-
-HOOFDSTUK LXIII.
-
-2. In het chineesch staat, zonder verdere verbinding, enkel achter
-elkaar: „groot—klein—veel—weinig”. Men begrijpt hoe moeilijk de
-vertaling wordt. Johnson, von Strauss aanhalend, heeft: „Let thy great
-be as little, thy many the few”. Julien „Les choses grandes et petites,
-nombreuses ou rares (sont égales à ses yeux)”. Alexander: „Turn the
-small into the great, and the few into the many”, enz. Ik nam mijne
-versie, omdat deze mij het nauwkeurigst scheen aan te sluiten aan wat
-volgt.
-
-3. Letterlijk staat er: „Hij wreekt kwaad met deugd”.
-
-5. Letterlijk staat er niet „uit” maar „met”.
-
-
-
-HOOFDSTUK LXIV.
-
-Dit Hoofdstuk biedt vele moeilijkheden, zoodat ik vooruit moet
-verklaren, niet in te durven staan voor de juistheid van de vertaling
-op eenige punten. Ik zal deze nader aangeven.
-
-1. Ik volg hier, zelf geen rechte versie wetende, Stanislas Julien, in
-wiens vertaling als letterlijke vertaling der woorden, zooals ik reeds
-zeide, ik het meest vertrouw, maar ik betwijfel of zij de bedoeling wel
-weergeeft. Giles, toch ook een eminent sinoloog, heeft: „While times
-are quiet, it is easy to take action; ere coming troubles have cast
-their shadows before, it is easy to lay plans”. Men ziet, het scheelt
-nog al wat!
-
-2. Als boven. Alexander heeft „It is easier to prevent than to
-suppress”. De chineesche commentaren, die ik bezit, verschillen allen.
-
-4. „Doet” hier in den zin als reeds zoovele malen, en in de inleiding,
-door mij aangegeven.
-
-8. „Daardoor ontkomt hij aan de fouten der menschen”. Dit is op gezag
-van eenige chineesche commentators, die ook Julien volgt.—Giles heeft:
-„And you (hier dus he) will revert to a condition which mankind in
-general have lost”.
-
-
-
-HOOFDSTUK LXV.
-
-3. Letterlijk staat er: „Hij die met het weten het rijk regeert”.
-
-5. Letterlijk staat in plaats van vrede: „gehoorzaamheid,
-volgzaamheid”.
-
-
-
-HOOFDSTUK LXVII.
-
-1. De bedoeling van deze in ’t hollandsch moeilijk weer te geven
-woordspelingen (siao is n.l. zoowel „gelijk als” als „klein” en met
-„niet” er voor „gedegenereerd”) is blijkbaar, dat indien men iemand
-groot noemt, en hij zich groot vindt, hij al niet groot meer is. Het is
-dan niet Wu Wei meer. Zie ook Hfdst. II.
-
-3. Er staat niet in het chineesch „nederigheid” maar omschreven: „niet
-durven de eerste in het rijk zijn”.
-
-6. Letterlijk staat er: „Als men strijdt met liefde”.
-
-
-
-HOOFDSTUK LXIX.
-
-2. Letterlijk staat er: „Gaan zonder te gaan”. Mijn commentator Peh Yü
-Shen merkt hier terecht op dat deze tekst niets dan eene illustratie is
-van „Wu Wei”, van „werken aan géén werk”, enz.
-
-4. „De liefde” hier vooral als het „medelijden”, meen ik. Anderen zien
-er in „de liefde voor het vaderland”.
-
-
-
-HOOFDSTUK LXXI.
-
-De eigenaardige woordspeling, met het achtmaal in dit korte hoofdstukje
-voorkomende karakter „ping”, dat zoowel „ziekte” als „ziek zijn”
-beteekent, en hier zelfs ook „lijden door de ziekte”, gaat natuurlijk
-in de vertaling geheel verloren. De bedoeling blijft echter, hoop ik,
-duidelijk genoeg.
-
-Ik ben strikt getrouw aan den tekst gebleven, waarin staat: „weten niet
-weten (is) superieur”.
-
-Anderen vertalen: „te weten, maar te doen alsof men niet weet is
-superieur”. Maar het eerste is veel mooier en juister, en waar het
-bovendien precies accuraat den tekst weergeeft, vond ik het verre te
-verkiezen.
-
-
-
-HOOFDSTUK LXXII.
-
-1. „Dat wat te vreezen is”, is hier: „de dood”.
-
-4. „Het eene” is hier: „zelf gezien willen worden”, het andere „zich
-zelf kennen”. Zoo ook met het tweede.
-
-
-
-HOOFDSTUK LXXIII.
-
-1. Als een bewijs hoe weinig in ’t chineesch letterlijke accuratesse
-van vertaling er toe doet, diene de volgende vertaling van Alexander:
-„He, whose courage amounts to rashness, will lose his life, but he in
-whom it is tempered with discretion, will save it”.
-
-Mijne vertaling is getrouwer aan den tekst, maar de bedoeling blijkt
-dezelfde.
-
-3. Het verband is mij hier niet duidelijk.
-
-4. Hetzelfde geldt voor dezen tekst, waarin ik alleen analogie vind met
-Hfdst. LXIII.
-
-5. M.a.w.: De Tao van den Hemel is Wu Wei. Het „geantwoord” is hier ook
-„gehoorzaamd”.
-
-6. „Hij” is hier „de Hemel”; „tʼan” is hier stil, rustig, dus in dezen
-zin als niets doend, bijna lui.
-
-
-
-HOOFDSTUK LXXIV.
-
-1 en 2. Lao Tszʼ wilde zeggen dat hoe strenger en wreeder het
-gouvernement met doodstraffen optreedt, hoe meer misdadigers er juist
-zullen zijn, en hoe minder het volk den dood zal gaan vreezen.
-
-3. Alleen de Opperrechter, hier de Hemel (men vergete hierbij niet dat
-de Keizer is de Zoon des Hemels) mag dooden, dus alleen een werkelijk
-goed en rechtvaardig gouvernement of Keizer. Zij, die de regeering
-usurpeeren en woest met de onderdanen te werk gaan, zullen zichzelf
-snijden, d.i. ten onder brengen.
-
-4. Hoe ongeloofelijk het ook moge klinken van enkele geleerden,
-waaronder zelfs de gewezen zendeling, later prof. Legge, hebben zij uit
-deze eenvoudige vergelijking van een timmerman alweer den christelijken
-God ontdekt, n.l. den grooten Architect (timmerman) van het Heelal!!!
-
-
-
-HOOFDSTUK LXXVII.
-
-1. Als de chineesche boogschutter zijn boog spant, heft hij het
-benedenste eind op en brengt hij het bovenste eind naar de laagte, en
-hij neemt zijn afstand door de hoogte van den boog minder of grooter te
-maken naarmate het doel lager of hooger is.
-
-2. In 2 en 3 is hier Tao weer meer de weg, de manier van doen.
-
-
-
-HOOFDSTUK LXXVIII.
-
-1. Letterlijk staat er: „Daarom is er niets, dat het water kan
-vervangen”.
-
-3. Alleen de zachte en zwakke kan die schande en die rampen verduren
-zonder morren en beklag.
-
-4. Want de meeste menschen denken dat iemand een laag, verachtelijk
-karakter moet hebben, om te verduren zonder in woede op te vliegen.
-
-
-
-HOOFDSTUK LXXIX.
-
-2. Letterlijk staat er niet „contract” maar „tablet”. In den ouden tijd
-werden de contracten geschreven op houten tabletten, die in twee deelen
-waren verdeeld. Hij, die de zaak, waarover gecontracteerd was, moest
-geven, behield de linkerzijde van de tablet, hij die haar had te
-eischen, behield de rechterzijde. Later, bij eventueele geschillen,
-moesten de twee helften, die gekarteld of getand waren, weer precies in
-elkaar passen, als de echtheid van het contract moest bewezen worden
-(Pue Yeou Thsing, Julien).
-
-3. Letterlijk staat er voor „eischen”: „belasting heffen”.
-
-4. In de oude, oude tijden gebruikte men koorden met knoopen voor het
-tellen.
-
-
-
-HOOFDSTUK LXXXI.
-
-1 en 2. Men vergelijke Confucius’ „Mooie woorden en een mooi gemaakt
-gezicht gaan zelden samen met menschelijkheid”. (Zie mijn Chin. Fil.,
-deel I, „Loen Yü”, blz. 178.)
-
-Thomas à Kempis zegt (De Imitatione Christi): „Het is de Waarheid, die
-men van de heilige geschriften moet eischen, en niet de
-welsprekendheid.” (Hfdst. V.)
-
-
-
-
-
-
-
-AANHANGSEL.
-
-
-Voor de lezers van het eerste deel van dit werk kan het wellicht
-interessant zijn te vernemen, wat de heer Dr. Ch. M. van Deventer, de
-bekende schrijver van „Platonische Studieën”, mij schreef, naar
-aanleiding van mijne omschrijving van onvertaalbare chineesche
-begrippen als Tao, Li, enz. Nadat hij in eene bespreking van mijn werk
-(in het Weekblad „de Amsterdammer” van 27 September 1896) er in ’t kort
-op gewezen had, dat eenige eveneens onvertaalbare grieksche begrippen
-wellicht equivalenten waren voor mijne chineesche, was deze heer zoo
-vriendelijk mij, op mijn verzoek, uitgebreider inlichtingen daaromtrent
-te verschaffen.—Hij gaf mij de volgende dingen aan:
-
-
-
-Kiün Tszʼ (zie „Confucius” blz. 13) = καλοκἄγαθος (kalokagathos).
-
-De kleine man (Confucius blz. 14) = πονηρός (ponêros).
-
-Jên (door mij bij gebrek aan beter vertaald door menschelijkheid) (zie
-Confucius blz. 8) = ἀρετή (aretê).
-
-Li, Decorum (Confucius blz. 16) = το μουσικόν (to mousikon).
-
-De rechtmatigheid die de dapperheid in toom houdt (Confucius blz. 263)
-= δικαιοσύνη (dikaiosunê).
-
-Sing (Confucius blz. 8 en 80) waarschijnlijk = το θεῖον (to theion) en το
-ἀγαθόν (to agathon).
-
-Shang (Confucius blz. 194) = σωφροσύνη (sofrosunê).
-
-
-
-Daar ik niet ingewijd ben in het grieksch, kan ik niet over de
-juistheid dier equivalenten oordeelen, maar toch wilde ik ze gaarne in
-dit werk opnemen.
-
-„Kalokagathos” schrijft de heer van Deventer, valt in vele gevallen als
-woord van dagelijksch gebruik, geheel samen met gentleman, fatsoenlijk
-man („fatsoenlijk man” wilde ik niet gebruiken, omdat er in onze taal
-een luchtje aan is gekomen, en liever dan een engelsch woord te nemen,
-behield ik het chineesche), man, op wien niets valt aan te merken. Het
-kan echter hoogere wijding aannemen, en heeft dan zijn schoonste
-voorwerp in den Platonischen Socrates.
-
-„Ponêros is zoowel de gemeene, als, en misschien het laatste nog meer,
-de kleine, de niet-heroïsche, de plebeïsche, de klein- en grofzielige,
-tegenovergesteld zoowel aan den kalokagathos als aan den mousikos. Als
-het onheroïsche komt het voor in de beroemde bewering van Aristofanes
-(Kikvorschen): de dichter moet het ponêron verbergen en niet op het
-tooneel brengen”.
-
-Mij dunkt dat een en ander wonder wèl overeenstemt met den Kiün Tszʼ en
-den Siao Jen van Confucius. (Zie „Confucius” blz. 14.)
-
-Omtrent „dikaiosunê” schrijft mij de heer Van Deventer: „Dikaiosunê
-wordt gewoonlijk met rechtvaardigheid vertaald. In het grootste
-document echter over de dikaiosunê, Plato’s Politeia, komt men er niet
-met die vertaling. Beter is dan braafheid en rechtschapenheid, en
-volgens Plato is een waar, braaf en rechtschapen man, als uitvloeisel
-van de deugd, óók rechtvaardig”. (Zie „Confucius” blz. 263.)
-
-Het woord „sofrosunê”, schrijft de heer Van Deventer verder,
-„gewoonlijk, doch met erkenning van het gebrekkige, door bescheidenheid
-vertaald, heeft, naar ik meen, een vrij precies hollandsch aequivalent,
-n.l. zedigheid. In zedigheid ligt iets meer vertoon dan in
-bescheidenheid, en het verschil tusschen sofrosunê en zedigheid ligt
-vooral daarin, dat die deugd bij de Hellenen hooger werd aangeslagen
-dan bij ons. Vandaar dat men er niet om denkt om sofrosunê door
-zedigheid te vertalen. Er is echter een dialoog van Plato, de
-Charmides, waarin het begrip sofrosunê onderzocht wordt, en men kan de
-dialektiek in de vertaling handhaven door ons woord zedigheid te
-gebruiken. In de Phaedo, Cap. XIII, staat: „De sofrosunê, datgene wat
-men de sofrosunê noemt, (is) het ten opzichte van de begeerten niet
-ontstuimig zijn, doch zich tegenover hen met geringschatting en
-welvoegelijk te verhouden.” Ik vertaal natuurlijk te lang en te stijf,
-doch de bedoeling zal u blijken, zoomede dat de ingetogenheid veel weg
-heeft van sofrosunê”. (Zie „Confucius”, blz. 194.)
-
-„To mousikon”, vervolgt de heer Van Deventer, „is uiterst moeilijk te
-vertalen en zelfs te beschrijven. Een musisch man is hij, die een
-hoogere beschaving van ziel en van geest op zijn minst erként, en
-liefst beoefent. Het musische is het beginsel van het hoogere leven,
-dat met geen mogelijkheid materieel en aardsch te verklaren is, en
-intuïtief als een bewijs voor het bestaan van het goddelijke moet
-begrepen worden; ik spreek steeds van een Helleensch standpunt”. (Zie
-„Confucius” blz. 16, Li.)
-
-
-
-Ik herhaal nog eens, voor de juistheid dezer equivalenten ben ik niet
-bevoegd in te staan. Maar als van den schrijver der „Platonische
-Studieën” komende, vond ik het interessant, ze, met mijn’ hartelijken
-dank voor zijne bereidwilligheid, in mijn werk op te nemen.
-
-
-
-
-
-
-
-AANTEEKENINGEN
-
-
-[1] In zijn „Syllabic Dictionary of the Chinese Language.”
-
-[2] Preface of the „Yih King”.
-
-[3] Preface to the second and third editions of the Dialogues of Plato.
-
-[4] Preface to „Lao Tsze, the great Thinker.”
-
-[5] Legge, Texts of Taoism, 39e en 40e deel der „Sacred Books of the
-East.”
-
-[6] John Ruskin, The Queen of the Air, Preface.
-
-[7] Bij het corrigeeren der drukproeven verneem ik nog, dat een nieuwe
-vertaling juist is verschenen van Dr. Paul Carus: „Lao Tsz’s Tao Teh
-King”, te Chicago.
-
-[8] „Confucianism and Taouism.”
-
-[9] o.a. Legge, Rémusat, Wylie, Von Faber, Julien, enz.
-
-[10] Toch is Giles een eminent sinoloog, die o.a. een
-standaard-dictionnaire heeft gemaakt, waard naast die van Wells
-Williams te staan.
-
-[11] Samuel Johnson, die zelf, meen ik, geen chineesch kent, heeft
-anders gedaan. Hij heeft alle mogelijke vertalingen, van de oudste af,
-bestudeerd, en met eene intuïtie, die zeker éénig is, uit al die
-vertalingen het beste verzameld en bewaard (in zijn werk Oriental
-Religions, China). En, wonder genoeg, zóó fijn en zuiver was die
-intuïtie, dat hij, ofschoon zelf geen sinoloog zijnde, het allerbeste
-over Lao Tszʼ heeft geschreven, wat ooit over hem geschreven is, en
-zich uit al de verschillende, tegenstrijdige vertalingen, een apart en
-zuiver idee van Lao Tsz’s filosofie heeft gevormd. Maar een eigen
-vertaling kon hij natuurlijk niet geven.
-
-[12] Toen ik het eerste deel van dit werk uitgaf, dacht ik dat mijne
-vertaling van Confucius de eerste in het nederlandsch was. Sedert
-hoorde ik, dat er nog eene vroegere bestaat, maar deze is eene
-vertaling vàn eene vertaling, n.l. van Legge’s engelsche vertaling, en
-geen oorspronkelijke uit het chineesch. Zij behandelt Confucius en
-Mencius.
-
-[13] Zie mijn „Wu Wei. Eene fantazie naar aanleiding van Lao Tsz’s
-filosofie” in mijn Wijsheid en Schoonheid uit China (Amsterdam, P. N.
-van Kampen en Zoon), voor ’t eerst verschenen in De Gids van Maart
-1895.
-
-[14] De Chineesche Filosofie, toegelicht voor niet-sinologen. I.
-Confucius. (Amsterdam, P. N. van Kampen en Zoon.)
-
-[15] Het rijk Chʼu bestond als feudale staat onder de Chow dynastie,
-van 740 tot 330 v. C., en bevatte gedeelten van Honan en Kiangsu.—Khio
-Jin lag dicht bij de tegenwoordige stad Lou-i in Honan.
-
-[16] Zie over Chow het 1e deel mijner Chin. Fil. over Confucius, blz.
-30 en 39.
-
-[17] Zie over de Li hetzelfde werk blz. 16. Confucius wilde Lao Tszʼ
-vragen over de schrijvers van de Li Ki (het Boek der Li).
-
-[18] Lao Tszʼ heeft altijd veel vereerders gehad onder de boedhisten.
-Er zijn er die in hem eene incarnatie van een Boeddha hebben gezien. Er
-zijn er ook, die zeggen dat het boedhisme veel aan Lao Tszʼ ontleend
-heeft, en omgekeerd. Anderen weer brengen Lao Tsz’s boek in verband met
-die der oude Hindoes.—Nog op het laatste Orientalistisch Congres te
-Parijs (1897) werd door den sinoloog-consul Allen verklaard, dat Lao
-Tszʼ niemand anders dan een Boeddha was.
-
-[19] Zie hieromtrent de „Historische Ophelderingen” in mijn eerste deel
-der Chineesche Filosofie (Uitg. P. N. van Kampen en Zoon) blz. 30–33.
-
-[20] Hoofdstuk XVIII.
-
-[21] ,, XIX.
-
-[22] Sam. Johnson, Oriental Religions. China, blz. 862.—De
-cursiveeringen zijn van mij.
-
-[23] Zie mijne Chineesche Filosofie. Confucius, blz. 15 en verder.
-
-[24] Prof. de Groot spreekt van „een ondoorgrondelijk beginsel,” dat
-men door „universeele ziel van de Natuur” zou kunnen vertalen.
-(Jaarlijksche Feesten enz., deel II, blz. 550.)
-
-[25] Vooral Stanislas Julien.—
-
-[26] Toen ik mijne fantazie „Wu Wei” schreef, had ik dit nog niet
-gelezen, anders had ik het stellig aangehaald.
-
-[27] Ik neem Tao onzijdig. Natuurlijk kan het geen geslacht hebben.
-
-[28] Hoofdstuk I.
-
-[29] ,, IV. Voor Shang Ti zie men mijn Chineesche Filosofie.
-Confucius, bl. 27.
-
-[30] Hoofdstuk XIV.
-
-[31] ,, XVI.
-
-[32] ,, XXI.
-
-[33] Met „karakter” bedoel ik hier een der chineesche schriftteekens.
-Deze worden door de sinologen algemeen „karakters” genoemd.
-
-[34] Hoofdstuk XXV.
-
-[35] ,, XXXII.
-
-[36] ,, XXXIV.
-
-[37] ,, XXXV.
-
-[38] ,, XXXVII.
-
-[39] ,, VI.
-
-[40] ,, XL. Men zou ook, als G. G. Alexander kunnen vertalen:
-„Alle bestaan is uit het materieele. Al het materieele is uit het
-immaterieele (spiritueele).
-
-[41] Toen de creatie nog niet geformeerd was en alleen Tao als essence
-in-zich-zelf bestond was er ook niet het begrip „één”, in tegenstelling
-met „twee”. Zoodra er „één” was (d.i. zoodra Tao zich gemanifesteerd
-had) was er ook „twee” gevormd en wel Yin (vrouwelijk, duister) en Yang
-(mannelijk, licht). De z.g. „Khi” (levensadem, natuur-adem) vormt van
-Yin en Yang in de juiste verhouding het schepsel, het ding.—Hoofdstuk
-XLII.
-
-[42] Hoofdstuk XLVIII.
-
-[43] ,, XI.
-
-[44] ,, I.
-
-[45] ,, LXII. „De steun van den slechte” in zooverre, dat de
-slechte, wil hij zich beteren, altijd weer op Tao kan steunen, dat hem
-dan redden zal.
-
-[46] Hoofdstuk LXXIX.
-
-[47] Le Livre de la Voie de la Vertu, par Stanislas Julien. Paris.
-Imprimerie Royale MDCCCXLII.
-
-[48] Hoofdstuk LXX.
-
-[49] Lao Tsze. The Great Thinker, by Major-General G. G. Alexander.
-London. Kegan Paul, Trench, Trübner & Co. Ltd. 1895.
-
-[50] Hoofdstuk LXXVI.
-
-[51] ,, VIII.—Bedoeld worden de lagere, nederige plaatsen.
-
-[52] ,, LXXVIII.
-
-[53] ,, VII.
-
-[54] ,, VIII.
-
-[55] ,, IX.
-
-[56] ,, X.
-
-[57] ,, XII.
-
-[58] ,, XV.
-
-[59] ,, XIX.
-
-[60] ,, XXII.
-
-[61] ,, XXIV.
-
-[62] ,, XXVIII. Valleien hier genomen als diepten, waarin zich
-alle wateren uitstorten.
-
-[63] Hoofdstuk XXXIII.
-
-[64] ,, XXXVIII.
-
-[65] ,, XLI.
-
-[66] ,, XLV.
-
-[67] ,, XLVII.
-
-[68] ,, XLIX.
-
-[69] ,, LV.
-
-[70] ,, LVI.
-
-[71] ,, LXIII.
-
-[72] ,, LXIV.
-
-[73] ,, LXVI.
-
-[74] ,, LXXI.
-
-[75] ,, LXXXI.
-
-[76] Zie mijne Chineesche Filosofie. Confucius, blz. 30–33.
-
-[77] Hoofdstuk XX.
-
-[78] ,, XX.
-
-[79] ,, III.
-
-[80] ,, XIX.
-
-[81] Hoofdstuk XXIX. D.w.z. vóór alles gaat Tao in het rijk, dat immers
-door Tao geformeerd moet zijn, en door Zijn adem bezield. Dit
-àllervoornaamste kan niet door actie worden gemaakt, maar moet
-natuurlijk uit de ziel van vorst en volk voortvloeien.
-
-[82] Hoofdstuk XXX.
-
-[83] Hoofdstuk XXXI. De linkerplaats is nog steeds bij de chineezen de
-eereplaats. In de oude tijden nam een generaal, die eene overwinning
-had behaald, den rouw aan. Hij zette zich in den tempel op de plaats
-van hem, die de ceremonieën voor de dooden leidt, en, gehuld in
-rouwkleederen, weende en snikte hij.
-
-[84] Hoofdstuk XXXVII.
-
-[85] ,, XXXV.
-
-[86] ,, XLVI.
-
-[87] ,, LVII.
-
-[88] ,, LVIII.
-
-[89] ,, LVIII.
-
-[90] ,, LIX.
-
-[91] ,, LX.
-
-[92] ,, LXI.
-
-[93] ,, LXV.
-
-[94] ,, LXIX.
-
-[95] ,, LXXV.
-
-[96] ,, LXXV.
-
-[97] ,, LXVII.
-
-[98] In de oude, oude tijden gebruikte men koorden met knoopen voor het
-tellen.
-
-[99] Hoofdstuk LXXX.
-
-[100] The remains of Lao Tzü by H. A. Giles. Hongkong. China Mail
-office, blz. 43.
-
-[101] Over Chuang Tszʼ en zijn werk in zóóveel te zeggen, dat het hier
-veel te ver zou voeren, en ik er apart over moet schrijven.
-
-[102] Nan Hwa King. Hoofdstuk XV.
-
-[103] Nan Hwa King. Hoofdstuk XVIII.
-
-[104] Volgens Szʼ Ma Ts’ien is Lao Tsz’s einde onbekend gebleven.
-Chuang Ts’z zal dan ook deze episode alleen genomen hebben ter
-invoering van zijn idee. Want na Lao Tsz’s vertrek naar het Westen is
-nooit meer iets van hem gehoord.
-
-De aanhaling is uit Hoofdstuk III van den Nan Hwa King.
-
-*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK DE CHINEESCHE FILOSOFIE (II) ***
-
-Updated editions will replace the previous one--the old editions will
-be renamed.
-
-Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright
-law means that no one owns a United States copyright in these works,
-so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the
-United States without permission and without paying copyright
-royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part
-of this license, apply to copying and distributing Project
-Gutenberg-tm electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG-tm
-concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark,
-and may not be used if you charge for an eBook, except by following
-the terms of the trademark license, including paying royalties for use
-of the Project Gutenberg trademark. If you do not charge anything for
-copies of this eBook, complying with the trademark license is very
-easy. You may use this eBook for nearly any purpose such as creation
-of derivative works, reports, performances and research. Project
-Gutenberg eBooks may be modified and printed and given away--you may
-do practically ANYTHING in the United States with eBooks not protected
-by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the trademark
-license, especially commercial redistribution.
-
-START: FULL LICENSE
-
-THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
-PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
-
-To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
-distribution of electronic works, by using or distributing this work
-(or any other work associated in any way with the phrase "Project
-Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full
-Project Gutenberg-tm License available with this file or online at
-www.gutenberg.org/license.
-
-Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project
-Gutenberg-tm electronic works
-
-1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
-electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
-and accept all the terms of this license and intellectual property
-(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
-the terms of this agreement, you must cease using and return or
-destroy all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your
-possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a
-Project Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound
-by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the
-person or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph
-1.E.8.
-
-1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
-used on or associated in any way with an electronic work by people who
-agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
-things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
-even without complying with the full terms of this agreement. See
-paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
-Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this
-agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm
-electronic works. See paragraph 1.E below.
-
-1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the
-Foundation" or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection
-of Project Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual
-works in the collection are in the public domain in the United
-States. If an individual work is unprotected by copyright law in the
-United States and you are located in the United States, we do not
-claim a right to prevent you from copying, distributing, performing,
-displaying or creating derivative works based on the work as long as
-all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope
-that you will support the Project Gutenberg-tm mission of promoting
-free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg-tm
-works in compliance with the terms of this agreement for keeping the
-Project Gutenberg-tm name associated with the work. You can easily
-comply with the terms of this agreement by keeping this work in the
-same format with its attached full Project Gutenberg-tm License when
-you share it without charge with others.
-
-1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
-what you can do with this work. Copyright laws in most countries are
-in a constant state of change. If you are outside the United States,
-check the laws of your country in addition to the terms of this
-agreement before downloading, copying, displaying, performing,
-distributing or creating derivative works based on this work or any
-other Project Gutenberg-tm work. The Foundation makes no
-representations concerning the copyright status of any work in any
-country other than the United States.
-
-1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
-
-1.E.1. The following sentence, with active links to, or other
-immediate access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear
-prominently whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work
-on which the phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the
-phrase "Project Gutenberg" is associated) is accessed, displayed,
-performed, viewed, copied or distributed:
-
- This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
- most other parts of the world at no cost and with almost no
- restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it
- under the terms of the Project Gutenberg License included with this
- eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the
- United States, you will have to check the laws of the country where
- you are located before using this eBook.
-
-1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is
-derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not
-contain a notice indicating that it is posted with permission of the
-copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in
-the United States without paying any fees or charges. If you are
-redistributing or providing access to a work with the phrase "Project
-Gutenberg" associated with or appearing on the work, you must comply
-either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or
-obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg-tm
-trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9.
-
-1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
-with the permission of the copyright holder, your use and distribution
-must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any
-additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms
-will be linked to the Project Gutenberg-tm License for all works
-posted with the permission of the copyright holder found at the
-beginning of this work.
-
-1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
-License terms from this work, or any files containing a part of this
-work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
-
-1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
-electronic work, or any part of this electronic work, without
-prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
-active links or immediate access to the full terms of the Project
-Gutenberg-tm License.
-
-1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
-compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including
-any word processing or hypertext form. However, if you provide access
-to or distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format
-other than "Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official
-version posted on the official Project Gutenberg-tm website
-(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense
-to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means
-of obtaining a copy upon request, of the work in its original "Plain
-Vanilla ASCII" or other form. Any alternate format must include the
-full Project Gutenberg-tm License as specified in paragraph 1.E.1.
-
-1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
-performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
-unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
-
-1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
-access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works
-provided that:
-
-* You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
- the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
- you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed
- to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he has
- agreed to donate royalties under this paragraph to the Project
- Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid
- within 60 days following each date on which you prepare (or are
- legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty
- payments should be clearly marked as such and sent to the Project
- Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in
- Section 4, "Information about donations to the Project Gutenberg
- Literary Archive Foundation."
-
-* You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
- you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
- does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
- License. You must require such a user to return or destroy all
- copies of the works possessed in a physical medium and discontinue
- all use of and all access to other copies of Project Gutenberg-tm
- works.
-
-* You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of
- any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
- electronic work is discovered and reported to you within 90 days of
- receipt of the work.
-
-* You comply with all other terms of this agreement for free
- distribution of Project Gutenberg-tm works.
-
-1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project
-Gutenberg-tm electronic work or group of works on different terms than
-are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing
-from the Project Gutenberg Literary Archive Foundation, the manager of
-the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the Foundation as set
-forth in Section 3 below.
-
-1.F.
-
-1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
-effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
-works not protected by U.S. copyright law in creating the Project
-Gutenberg-tm collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm
-electronic works, and the medium on which they may be stored, may
-contain "Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate
-or corrupt data, transcription errors, a copyright or other
-intellectual property infringement, a defective or damaged disk or
-other medium, a computer virus, or computer codes that damage or
-cannot be read by your equipment.
-
-1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
-of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
-Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
-Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
-liability to you for damages, costs and expenses, including legal
-fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
-LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
-PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
-TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
-LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
-INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
-DAMAGE.
-
-1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
-defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
-receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
-written explanation to the person you received the work from. If you
-received the work on a physical medium, you must return the medium
-with your written explanation. The person or entity that provided you
-with the defective work may elect to provide a replacement copy in
-lieu of a refund. If you received the work electronically, the person
-or entity providing it to you may choose to give you a second
-opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If
-the second copy is also defective, you may demand a refund in writing
-without further opportunities to fix the problem.
-
-1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
-in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO
-OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT
-LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
-
-1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
-warranties or the exclusion or limitation of certain types of
-damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement
-violates the law of the state applicable to this agreement, the
-agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or
-limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or
-unenforceability of any provision of this agreement shall not void the
-remaining provisions.
-
-1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
-trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
-providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in
-accordance with this agreement, and any volunteers associated with the
-production, promotion and distribution of Project Gutenberg-tm
-electronic works, harmless from all liability, costs and expenses,
-including legal fees, that arise directly or indirectly from any of
-the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this
-or any Project Gutenberg-tm work, (b) alteration, modification, or
-additions or deletions to any Project Gutenberg-tm work, and (c) any
-Defect you cause.
-
-Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
-
-Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
-electronic works in formats readable by the widest variety of
-computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It
-exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations
-from people in all walks of life.
-
-Volunteers and financial support to provide volunteers with the
-assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's
-goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
-remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
-and permanent future for Project Gutenberg-tm and future
-generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see
-Sections 3 and 4 and the Foundation information page at
-www.gutenberg.org
-
-Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation
-
-The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non-profit
-501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
-state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
-Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
-number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by
-U.S. federal laws and your state's laws.
-
-The Foundation's business office is located at 809 North 1500 West,
-Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up
-to date contact information can be found at the Foundation's website
-and official page at www.gutenberg.org/contact
-
-Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
-Literary Archive Foundation
-
-Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without
-widespread public support and donations to carry out its mission of
-increasing the number of public domain and licensed works that can be
-freely distributed in machine-readable form accessible by the widest
-array of equipment including outdated equipment. Many small donations
-($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
-status with the IRS.
-
-The Foundation is committed to complying with the laws regulating
-charities and charitable donations in all 50 states of the United
-States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
-considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
-with these requirements. We do not solicit donations in locations
-where we have not received written confirmation of compliance. To SEND
-DONATIONS or determine the status of compliance for any particular
-state visit www.gutenberg.org/donate
-
-While we cannot and do not solicit contributions from states where we
-have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
-against accepting unsolicited donations from donors in such states who
-approach us with offers to donate.
-
-International donations are gratefully accepted, but we cannot make
-any statements concerning tax treatment of donations received from
-outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
-
-Please check the Project Gutenberg web pages for current donation
-methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
-ways including checks, online payments and credit card donations. To
-donate, please visit: www.gutenberg.org/donate
-
-Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic works
-
-Professor Michael S. Hart was the originator of the Project
-Gutenberg-tm concept of a library of electronic works that could be
-freely shared with anyone. For forty years, he produced and
-distributed Project Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of
-volunteer support.
-
-Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
-editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in
-the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not
-necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper
-edition.
-
-Most people start at our website which has the main PG search
-facility: www.gutenberg.org
-
-This website includes information about Project Gutenberg-tm,
-including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
-subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.